Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Vertellingen van vroeger en later tijd
Author: Lennep, J. van (Jacob), 1802-1868
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Vertellingen van vroeger en later tijd" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



                              Vertellingen
                                  Van
                         Vroeger en later tijd

                                  Door

                           Mr. J. van Lennep.



                  Leiden.--A. W. Sijthoff's Uitg.-Mij.



INHOUD.


                                                        Bladz.

    In en over Amsterdam                                    1.
    Plat Amsterdamsch                                     195.
    Laurens Reael                                         210.
    De Nieuwekerk te Amsterdam                            219.
    Van Amsterdam naar Parijs                             232.
    De Omroeper                                           243.
    Het Wafelmeisje                                       246.
    De Aanspreker                                         249.
    De Hollandsche Werkmeid                               252.
    De Kruier van Amsterdam                               255.
    De Kweekeling voor de Zeevaart                        258.
    De slechte Maaltijd                                   261.
    Maria van Bourgondië                                  269.
    De zeden onzer voorvaderen met de onze vergeleken     275.
    De drie jonge Meisjes                                 285.
    Drie jongens bij 't Beleg van Leiden                  294.
    Het Casino                                            312.
    Een Staats-Examen in 1851                             319.
    Aan de beschaafde vrouwen in Nederland                328.



IN EN OVER AMSTERDAM.


Over den naam van "hoofdstad", aan Amsterdam gegeven.


Misschien schrikt u het opschrift van dit hoofdstuk af, lieve
Lezeres! en verkeert gij in den waan, dat ik u hier een dor, althans
een politiek vertoog, ga opdisschen. Is zulks bij u het geval, dan
miskent gij mijne bedoelingen. Neen, Mevrouw, of Mejuffrouw, wie
gij zijn moogt! ik heb te veel eerbied voor uw gezond verstand om
niet te weten, dat gij u met geen politiek bemoeit, en ik heb er u
te liever om.--Maar al hadt gij ook onverhoopt eene geheime neiging
tot de staatswetenschap, dan heb ik tevens te veel krediet voor het
gezond oordeel van den smaakvollen vriend, die u den "Holland" als
een St.-Nicolaasgeschenk aanbiedt, om niet te beseffen, dat hij zich
wel zou wachten, die bestemming aan mijn boekje te geven, zoo hij kon
gissen, dat het strekken kon om die neiging bij u te voeden.--Ik haast
mij dus, om uwent- of om zijnentwille, u de verzekering te geven, dat
zoo het opschrift, zoo ook de inhoud van dit eerste hoofdstuk weinig
vermakelijks beloven voor het vervolg, ik gaandeweg een anderen toon
zal aanslaan, om voor alles mijn best te doen, u zoomin mogelijk te
vervelen. Uwe eigene ondervinding--ik ben er overtuigd van--heeft u
gewis sedert lang geleerd, dat de fraaiste zijden stoffen, de fijnste
kanten en de sierlijkste bijouterieën, gekocht worden in zoodanige
winkels, waar uiterlijk niets aanduidt, dat zich daarbinnen zulk een
rijke voorraad bevindt; terwijl daarentegen, waar veel moois voor
de glazen prijkt, het magazijn zelf meermalen niets bevat, dat uwe
aandacht waardig is.--Na deze--zoo ik hoop geruststellende--inleiding,
vang ik aan.

Ik heb mij meermalen afgevraagd, welken zin de Regeering, wanneer
zij in onderscheidene officiëele stukken, Amsterdam de "hoofdstad"
noemt, wel aan dit laatste woord zoude hechten. Volgens den aard
onzer taal en naar het algemeen gebruik verbindt zich aan dien titel
de gedachte aan ettelijke voorrechten, door de stad, die hem voert,
boven hare medesteden genoten.--Maar hoe meer moeite ik deed, om, van
dat beginsel uitgaande, eenig voorrecht te noemen, 't welk Amsterdam
boven de overige steden des Rijks zou bezitten, hoe verder ik van
de wijs dwaalde. Gaan wij eens na, welke eigenschappen men gewoon
is aan eene hoofdstad toe te schrijven, en zien wij dan, in hoeverre
men die op Amsterdam kan toepassen.

Het is in 't algemeen binnen de hoofdstad van het rijk, dat zich de
zetel bevindt der Hooge Regeering. Dat is zoo in Frankrijk gelijk in
Zweden, in Engeland gelijk in Japan, in Spanje gelijk op Otaheiti. En
wat is nu het geval in het Koninkrijk der Nederlanden? Het kabinet
des Konings zoowel als de ministeriën zijn in Den Haag gevestigd:
de Staten-Generaal komen in Den Haag bijeen: de Hooge Raad heeft
zijn zetel in Den Haag: en Amsterdam, verre van zich te beschouwen
als het middelpunt van het Rijk--is niet eens dat van het Provinciaal
Bestuur, en had, voor de scheiding van Noord- en Zuid-Holland, zelfs
geen gerechtshof binnen zijne muren.

Dit eerste kenmerk eener hoofdstad ontbreekt dus geheel. Maar heeft
wellicht Amsterdam het voorrecht dat het door 's Lands Regeering
meer bijzonder begunstigd, dat het behandeld wordt als de parel,
waarop geheel Nederland trotsch is, als een pronkstuk, tot welks
onderhoud en vorming heel Nederland bijdraagt? De begrootingen van
Frankrijk, van België, van Pruisen, wijzen telken jare aanzienlijke
sommen aan, bestemd om den luister der hoofdstad te bevorderen, en
haar op die wijze meer en meer tot het brandpunt te bestemmen, van
waar de verlichting, de beschaving, de kunsten en wetenschappen hare
stralen spreiden naar de overige deelen des Rijks. Op deze vraag, waar
't Amsterdam geldt, kan alleen worden geantwoord, dat Amsterdam tot
nog toe voor 's Lands rekening niet veel anders naar buiten verspreidt
dan.... brieven.

Is er dan misschien, ten gevolge der inrichting van onzen Staat, aan
Amsterdam eenig politiek voorrecht geschonken?--Zulk eene vraag kan
alleen door een vreemdeling worden gedaan. Wij Nederlanders, en vooral
wij Amsterdammers, weten, dat de hoofdstad door dezelfde gemeentewet
beheerscht en op gelijke wijze bestuurd wordt als Urk en Buiksloot.

Een voorrecht echter is aan Amsterdam, en dat nog wel bij de Grondwet,
toegekend. Deze bepaalt namelijk in Art. 51, dat de Koning binnen
die stad wordt ingehuldigd. Ongelukkig is dat een der voorrechten,
waarvan elk rechtgeaard Amsterdammer moet wenschen, dat de stad zoo
spaarzaam mogelijk gebruik behoeve te maken.--Doch bij het vermelden
van dat voorrecht mag ik niet nalaten, de aandacht te vestigen op de
omstandigheid, dat Amsterdam niet de hoofdstad is, omdat de Koning
er gehuldigd wordt; maar omgekeerd, dat de inhuldiging plaats heeft
te Amsterdam, omdat Amsterdam als de hoofdstad wordt aangemerkt.--Het
moet dien titel dus aan vroegere, aan andere oorzaken te danken hebben,
en deze zijn het juist, welke ik zou wenschen te kennen, en waarover
ik gaarne een prijsvraag zou zien uitschrijven. Wat mij betreft, ik
ben bereid hem, die ze maar eenigszins voldoend weet te beantwoorden,
een stel "Hollanden" present te doen. Ik voor mij ken geen enkel
punt van overeenkomst tusschen Amsterdam en andere hoofdsteden,
dan dat het--gelijk in den regel met deze laatsten het geval is--meer
uitgebreidheid bezit en meer inwoners telt dan de overige steden in het
Rijk. Maar aangezien de omtrek en de bevolking niet anders dan bloote
feiten, en bovendien aan wisseling onderhevig zijn, zoo kunnen zij,
bij het gemis van alle overige vereischten, den toegekenden titel op
zichzelven niet rechtvaardigen.

Al deze beschouwingen hebben mij tot de navolgende gissingen geleid:

De titel van hoofdstad zal aan Amsterdam geschonken zijn, evenals men
dien van Generaal verleent aan een afgedankten en voor den dienst
niet meer bruikbaren kolonel--een en ander buiten bezwaar van 's
Rijks schatkist.

En dan krijgt de nieuwe Generaal er doorgaans het verlof bij, om
de uniform te dragen, aan zijne nieuwe waardigheid verknocht.--Men
behoeft geen vijf minuten in Amsterdam te hebben doorgebracht, om zich
te overtuigen, dat dit verlof aan de hoofdstad niet is geschonken;--of
dat zij er althans geen gebruik van maakt.

Dit ware intusschen wel te wenschen; want de oude uniform, die zij
droeg, toen zij nog geene hoofdstad, maar eenvoudig de vijfde in rang
onder de stemhebbende Steden was, is bitter gescheurd en versleten.

Jammer genoeg; want zij was wel der moeite waardig, gezien te
worden. Gij hebt er misschien zelfs geen flauw denkbeeld van, lieve
Lezeres! hoe mooi die was. Gij verbeeldt u wellicht, dat, vermits wij
toen nog de nieuwe Beurs aan den Dam en de Willemspoort, Artis en de
Variétés, de Volksvlijt en het bruggetje tegenover 't Sint-Antonie's
Kerkhof, het monument van 't metalen kruis en 't magazijn van
Sinkel, het entrepôt en de omnibussen, het beeld van Rembrandt en
de spoorwegstations, Frascati en 't Huis van arrest, niet bezaten,
de stad voor den bezoeker niet veel bijzonders moet hebben opgeleverd.

Ik zal u antwoorden, dat, welken prijs ik ook stelle op de hier
genoemde fraaie zaken en instellingen, op sommige waarvan ik misschien
later met een woord terugkom, ik echter, bij 't geen ik van Amsterdam
zeide, meer 't oog had op het uiterlijke voorkomen der stad in 't
algemeen, dan op eenige bijzondere nuttige of aangename gewrochten
eener nieuwere beschaving. Een paar nieuwe epauletten en nestels--om
terug te keeren tot het gebezigde beeld--mogen de aandacht trekken,
zij hebben de macht niet, den verschoten glans terug te geven aan
een rok, die vol vlekken, lappen en gaten is en waaraan alles van de
bittere armoe des dragers getuigt.



Over het voorkomen van Amsterdam in eene vorige eeuw.


                    Gemeen verwonderingh betaemt mijn wond'ren niet.
                    De vreemdelingh behoort te swijmen, die my siet,


zeide Huygens, omstreeks de helft der zeventiende eeuw, Amsterdam
sprekend invoerende: en inderdaad, in zijnen tijd en nog eene eeuw
later was er wellicht geene stad in geheel Europa, meer dan zij
geschikt, om bij den vreemdeling, die haar bezocht, een indruk te
verwekken van verbazing en opgetogenheid. Stellen wij ons hem voor,
uit zee komende en dus de stad van den IJkant naderende. Nauwelijks
kan de jol, die hem aan wal brengt, haren weg vinden tusschen die
oneindige en ontelbare massa van schepen en lichters en schuiten,
hier bij en nevens elkander liggende of elkander in alle richtingen
doorkruisende. De Teems bij isle of dogs kan er thans nog--hoewel
maar in de verte--eenig denkbeeld van geven. Overal woeling, overal
drukte, gegons en getier. Hier worden de geurige specerijen van 't
Oosten gelost, ginds het ruwe ijzer van Zweden, elders het koren uit
Riga: dáár de kostbare zijde uit de Levant, en het fraaist geaderde
marmer, dat tot ballast heeft verstrekt en nu de gangen en portalen
en plinten ook der nederigste woningen versieren zal. Wat verder
ontscheept men Segoviesche wol, terwijl kort daarbij de voortbrengselen
worden ingeladen der lakenfabrieken, waarin zoodanige wol bewerkt
is geworden. Overal ziet men dezelfde voorwerpen, 't zij ruw,
't zij gewerkt, hier lossen, ginds inschepen: overal het bewijs,
dat Amsterdam niet voor zichzelf al het aangevoerde behoeft, maar
het alleen verzamelt met het hoofddoel, om het weder uit te voeren:
in 't kort, dat het de stapelplaats, de markt, de monsterbazaar is
der wereld.

Onzen vreemdeling is het eindelijk gelukt, door alle belemmeringen
heen, behouden aan den Buitenkant te landen, en eene nieuwe
verwondering maakt zich van hem meester, naarmate hij de oude stad
doorkruist en zich, schier bij elke schrede, een nieuw en verrassend
schouwspel ziet bereid. "Hoe?" vraagt hij met verbazing aan zijn
leidsman: "is dit de oude stad? en alles fonkelt mij tegen als blinkend
en nieuw!"--En inderdaad, nergens ontmoet zijn oog eenige van die
zware, breede, vierkante gebouwen, gelijk men ze elders in oude steden
aantreft, van die berookte vervelooze huizen, wier sombere kleur,
wier ramen, met uitspringend traliewerk voorzien, aan het geheel
het voorkomen eener oude gevangenis geven: neen, elke woning is of
schijnt ten minste nieuw, zoo zorgvol zijn de steenen beschilderd, de
voegen opgewit, de plinten, kozijnen en luiken geverfd, de dakpannen
bestreken: en doet zich hier en daar een toren, een muur, een bolwerk
of ander gebouw uit lang verloopen eeuwen voor, ook dit getuigt niet
van verval, ook dit is met netheid onderhouden, ook dit heeft een
lachend, een vroolijk, een verjeugdigd aanzien. En hoe schilderachtig
is de vertooning, welke het geheel oplevert. Nergens de stijve,
rechte lijn, die aan alles eentonigheid bijzet en verveling wekt;
overal bochtige, kronkelende, hoekige grachten en straten; terwijl de
vooruitspringende groene luifels, waaronder de winkelwaren uitgestald
worden, de ijzeren leuningen langs de stoepen, de banken en pothuizen,
die van elke stoep eene kleine vesting maken, de openstaande luiken,
de slingerende uithangborden van glanzend koper, de gebeeldhouwde
of gebeitelde zinnebeelden in den gevel of op de daken, de grillige
versierselen aan de piramidaalvormige puien aangebracht, de vanen en
windwijzers, de schoorsteenen vooral, met hunne houten kappen, in alle
vormen en kleuren, hier als een toren, daar in de gedaante eener Y,
ginds in die van eene theebos, achter en nevens en boven elkander
uitschietende, overal die verscheidenheid van lijnen teweegbrengen,
die zoo aangenaam is voor 't oog. En wat in den zomer het bevallige
van het tooneel verhoogt, zijn die groene boomen, hier langs den wal,
ginds ook voor de woningen, uit net geschilderde kokers oprijzende, en
waar de schaduw van hun loover zich over straat of gevel heenspreidt,
fantastische effecten vormende van licht en bruin.

Maar onze wandelaar is door de woelige straten verder gegaan; daar
komt hij op den Middeldam, en een gevoel van eerbied vervult hem bij
den aanblik van dat reusachtig gevaarte, 't welk met zijn eenvoudigen
koepel voor hem oprijst, van dat stadhuis, in tijden van oorlog en
woeling opgericht als een achtste wereldwonder,--en van die trotsche,
nog onvoltooide kerk, nog maar kort geleden door den brand vernield,
om grootscher weder op te rijzen en tot grafplaats aan Neêrlands
meest beroemden zeeheld, gelijk aan zijn meest beroemden dichter,
te verstrekken. Hij blikt rond over dat onregelmatige plein, dat het
hart van Amsterdam mag genoemd worden en waar al de hoofdaderen van
het groote lichaam mede verbonden zijn: overal drukte, overal gedraaf
en gewoel, overal een zoo talrijke toeloop van menschen, dat hij in
't eerst in den waan verkeert, dat eene buitengewone plechtigheid
die duizenden doet te zamen komen. Maar neen: de Dam heeft zijn
gewoon alledaagsch voorkomen, de zaken gaan haar geregelden gang,
en het schouwspel, dat de Dam u heden aanbiedt, zal hij u morgen
weder vertoonen. Een gedeelte van hen, die het plein doorkruisen,
daagt op uit een der bogen van het stadhuis of begeeft zich binnen
dat gebouw, 't welk, als een groote bijenkorf, den geheelen dag
afwisselend bezocht en verlaten wordt door hen, die hunne zaken of
hunne nieuwsgierigheid er heenvoeren. Onze vreemdeling behoort tot hen,
die de laatste drijfveer naar binnen doet treden. Hij gaat de breede
trappen op en bevindt zich aldra in die honderd voet hooge gaanderij,
schier een plein op zichzelve, en altijd vol bezoekers. Hij zoekt te
raden, wat de beroepen zijn, die zij uitoefenen, of de oorzaken, die
hen hier brengen. Weldra herkent hij de advocaten, die met mantel en
bef op en neder wandelen, de procureurs, door hunne klerken gevolgd,
die zakken met processtukken dragen, de beambten, die zich naar
hunne kantoren begeven: hij ziet hoe het in de nevengalerijen woelt
en grimmelt van menschen: deze moet naar de thesaurie, gene naar de
wisselbank: anderen naar de weeskamer, de desolate boedelkamer, naar
schepensbank, naar de secretarie, naar een dier tallooze stadskantoren,
welke het gebouw bevat; daar in dien hoek spelen en dartelen knapen,
niet anders alsof zij zich op een opene markt bevonden, of zoeken het
kleinste sterretje aan de hemelglobe, die op het marmeren plaveisel
is afgebeeld.--Doch daar opent zich rechts en links de volksmenigte;
een roedragende bode gaat vooruit; gewis, de man, die daar volgt
en voor wien zich alle hoofden als door een tooverslag ontdekken,
is een der Burgervaderen. Ook onze vreemdeling neemt den hoed af en
staart met diep ontzag, ja, niet zonder eenige vrees, den man aan,
die wellicht hier of daar in Europa, een vrede tusschen twistende
Mogendheden heeft helpen bewerken, of een krijg ontstoken, of een
zeetocht heeft bijgewoond, en die in allen gevalle binnen zijne stad
een gezag uitoefent, waarbij dat van een Autocraat der Russen of een
Koning der Franschen nauwelijks despotiek te noemen is.

En toch, die honderden, die uithoofde van hunne bezigheden of uit
tijdverdrijf het stadhuis bezoeken, en daarom den Dam oversteken,
wat zijn zij, in vergelijking van die duizenden, die om andere
redenen zich op het marktplein bevinden? Hier ziet men den stroom,
die onafgebroken door de beide ingangen der Waag op- en afvloeit:
boeren en boerinnen uit Waterland, uit Sloten, uit Amstelveen, uit
Weesperkarspel, uit Diemen, uit het Gooi en het Sticht, met hunne bonte
en rijke kleederdracht, met de keur van gouden en zilveren oorijzers en
bloedkoralen snoeren, die voortbrengselen van hun landbouw ter markt
komen brengen:--koopers, die hun gading komen zoeken. Wat verder ligt
de vischmarkt: hier vindt men visschers uit Huizen, uit Marken, uit de
zeedorpen langs het IJ, met hunne breede schouders en wijde broeken:
op eenigen afstand van daar ontmoet men tuiniers en fruitverkoopers,
warmoeziers uit de vette kleigronden en uitgemalen polders om de
stad, en het gastvrij hier opgenomen kroost van Israël, hunne waren
achter kruiwagens en stalletjes ventende. Daar dringt zich eene schaar
bijeen om te hooren, wat tijding of bericht of keur er van de pui van
't Raadhuis wordt afgelezen; of om met vroolijk gejuich dat bruidspaar
te begroeten, hetwelk onder 't loover strooien de kerk verlaten heeft
en met een stoet van magen en feestgenooten huiswaarts trekt:--doch
wat vooral drukte en vertier geeft, is die wemelende drom, die zijn
bestaan in den handel vindt: geen hoek der wereld, die hier niet
vertegenwoordigd wordt. Gij vindt er den blonden Engelschman naast
den taankleurigen Italiaan: den blauwoogigen zoon van 't Noorden naast
den zwartgebaarden Armeniër: den Spanjaard, in zijn mantel gewikkeld,
naast den Persiaan in zijn kaftan: den winderigen Franschman nevens
den listigen Moskoviet:--en daartusschen, sjouwers, waagdragers,
kruiers, boodschaploopers, kantoorbedienden, makelaars, aansprekers,
ambachtslieden, schippers, zielverkoopers, wervers, steenslijpers en
straatjongens, alles evenzeer vol drukte en beweging, en woelig door
elkander dringende.

Doch wat behoef ik eene beschrijving van den Dam, zooals die vroeger
was, in proza te geven, als ieder die lezen kan in Vondels heerlijke
verzen, gelijk zij voorkomt in zijne inwijding van 't Stadhuis. Ik
schrijf die hier niet over, eensdeels uit luiheid: ten andere, omdat
ik de critiek niet tergen wil, die mij dat aanhalen van verzen uit
Vondel reeds verweten heeft: ten derde, en wel voornamelijk, om uwe
nieuwsgierigheid te prikkelen, opdat gij die zelve bij den dichter
opzoekt en naleest.

Wij volgen onzen vreemdeling, nu hij, na zijne oogen verzadigd te
hebben met het schouwspel, dat de Dam hem aanbood, de Kalverstraat
inslaat, om, deze volgende, den nieuwen uitleg der stad te gaan
bezoeken. Hij loopt, 't is waar, gevaar, in de volte een duw of trap
van dezen of genen driftigen voorbijganger te krijgen; doch hij is
ten minste vrij zeker, niet overreden te zullen worden; want behalve
eene enkele dokterskoets, of een handwagen, of eene kar, ontmoet hij
geen rijtuig: veilig en onverlet geraakt hij in de Nieuwe Stad, op
die trotsch gebouwde Heeren- en Keizersgrachten, waar de vermogende
Patriciërs een deel hunner overwinsten besteed hadden aan 't stichten
van prachtige paleizen. Ook hier heeft wederom de individueele smaak
van iederen eigenaar of bouwheer gezorgd, dat de eentonigheid werd
vermeden. Geene gelijkvormige huizen, zooals andere moderne steden
ons aanbieden, waarbij elke woning zoozeer op de overige gelijkt, dat
men ze alleen door de huisnummers onderscheiden kan, en gedwongen is,
met den naam van den vriend, bekende of leverancier, wien men bezoeken
wil, tevens diens huisnummer in het geheugen te bewaren. De huizen
zijn nog ongenummerd; maar zij zijn kenbaar aan de zinnebeelden, die
in gehouwen of gebeitelden steen den gevel versieren, aan de spreuk
of het jaartal, in gulden letteren op het frontispies uitgedrukt,
aan het kunstig loofwerk of anderen pronk, aan dak en kroonlijst
aangebracht; aan de verscheidenheid van vorm en bouwtrant. Hier
ziet men hardsteenen gevels: daar is aan Benthemer of Bremer, meest
aan gebakken steen, de voorkeur gegeven: hier zijn het Tritons of
Nereïden, daar Dolfijnen en zeepaarden, leeuwen, beren, adelaars en
griffioenen, elders hoornen des overvloeds, overal snij- of krulwerk,
dat dien gevel bekroont. Langs statige dubbele stoepen, voorzien met


    pracht van leunen,
    Die hun adel ondersteunen,


stijgen de trotsche bewoners naar hunne huizingen op. De dubbele
voordeur opent zich en doet een portaal aanschouwen, met marmeren vloer
en marmeren plinten aan de zijwanden: marmeren platen dekken de trap,
die naar boven voert, en 't hooge trapportaal: van eikenhout, kostbaar
gebruineerd, zijn de plinten en kruiskozijnen der voorvertrekken:
tapijten uit Smyrna of Perzië dekken de vloeren, in gouden lijsten
omvat damast de wanden: keurig schilderwerk van de beroemdste meesters,
beeldwerk van Quellijn, versieren den schoorsteen en de vakken van de
deuren; en uit onschatbare ebbenhouten pronkkasten blinken allerwegen
het fijnste Chineesche porselein, het keurigste lakwerk van Japan,
het kostbaarste Venetiaansche kristal, het kunstigst bewerkte fil de
grain, bekers en beelden van hoorn, van ivoor, van parelmoer, gouden
trouw-, lijk- of geboortepenningen, en een niet te noemen schat van
zeldzaamheden u tegen.

Maar ik vergeet, dat wij onzen vreemdeling ter zijde blijven en
niet het binnenste der woningen, maar het uiterlijk voorkomen der
stad beschouwen, en nog geen woord gesproken hebben van hetgeen het
sieraad uitmaakt van Amsterdam, en de stad een tweede--neen, een ander
Venetië doet zijn, t. w. van de omstandigheid, dat al het heerlijke,
't welk zich aan uwe oogen vertoont, zich spiegelt in 't helder kristal
der tallooze wateren, die de stad in elke richting doorsnijden. En
nog levendiger, zoo mogelijk, dan op de straten en de kaaien, is
het op den Amstel en op de breede zijarmen, waarin zijn stroom zich
verdeelt. Overal schuiten en schepen, die elkander ontmoeten, met
balen, met kisten, met vaten, met koopwaren van allerlei aard, met
turf, met groenten, met levensmiddelen of benoodigdheden:--daartusschen
groen geverfde speeljachten, boeiers, tentschuiten, wier gouden lijsten
en gouden krulwerk flikkert in het licht der zon--en eindelijk hier
en ginds blanke zwanen, die zich in het bont gewoel vermaken.

Zoodanig was het schouwspel, dat Amsterdam aanbood, nog eene eeuw
nadat Huygens de regels dichtte, hierboven aangehaald. Wat dunkt u,
was er stof voor onzen vreemdeling, om verbaasd en opgetogen te zijn?

En wat heeft men sedert van Amsterdam gemaakt?



Het Amsterdam van thans vluchtig bekeken.

Wij beginnen deze reis onze wandeling van den Dam.--Wat is er geworden
van het wonderstuk van Stalpaert en van Van Kampen? van dat Raadhuis,
versierd door de kunst van Flink, van Bol, van Koning, van Stokkade,
van Fidias-Quellijn, waar binnen elk schilderstuk, elk festoen,
elk beeld, elk basrelief tot een zinnebeeld strekte in harmonie
met de bestemming van de zaal, de galerij, het vertrek, waartoe
het behoorde?--dat Raadhuis, van waar de achtbare burgervaderen van
Gijsbrechts stad,


    Gezeten op zijn schilt met kruyssen overladen,


hun bevelen gaven Urbi et Orbi? nog altijd staat het op zijne oude
plaats, maar.... ledig 357 dagen van 't jaar.

De acht overige dagen wordt het bevolkt en speelt het de rol van een
koud, tochtig en onbewoonbaar paleis.

De groote hal, de verzamelplaats voorheen der menigte, nu door vier
looze wanden van beschilderd behangselpapier afgescheiden van de
zijgalerijen, is in eene zaal herschapen, waar verschoten gordijnen
hangen, en de marmeren vloer, met zijne aard- en hemelsferen, is met
een kleed bedekt en sedert vijftig jaar onzichtbaar voor de bezoekers.

En, nu men eens dit gebouw aan zijne oorspronkelijke bestemming had
onttrokken, begreep men, op dien fraaien weg te moeten voortgaan,
en had er eene reeks van herscheppingen plaats, aanzienlijk genoeg om
een dubbeltal aan die, welke Ovidius bezongen heeft, toe te voegen. De
zetel van de stadsregeering en der vierschaar was vroeger een, omdat
beide lichamen tot eene en dezelfde macht behoorden: daarom werden zij
dan ook, toen zij den Dam verlieten, in een zelfde lokaal overgebracht,
en wel op 't Prinsenhof, waar voorheen de Admiraliteit bijeenkwam. De
rechterlijke macht trok later elders heen; en zoo werd het Prinsenhof
van een half Raad- tot een geheel Stad-, later tot een Gemeentehuis
ingericht,--een Gemeentehuis, zoo gelukkig gelegen, dat men het,
men kome van wat zijde men wil, niet genaken kan dan door stegen,
of door eene straat, die nauwelijks dien naam verdient.

Het Oude-mannenhuis werd half aan 't Gasthuis getrokken, half in eene
Academie voor beeldende kunsten omgeschapen.

De Vleeschhal is gehalveerd en eene stadsdrukkerij, eene vergaderplaats
voor het Geneeskundig Toevoorzicht, een Commissariaat van Politie;
de hemel weet wat al meer, geweest.

Het Staalhof is insgelijks gehalveerd, tot collegekamer en tot
Commissariaat van Politie ingericht.

De St.-Antonies Waag werd een uitdragerswinkel.

De Regulierswaag een cachot.

De Waag op den Dam werd eenvoudig weggebroken, evenals de
Jan-Rooden-Poorts- en Haringpakkers-toren.

Het Nieuwe-Zijds-Heeren-Logement werd een weeshuis.

Het Oost-Indisch Huis werd voor de helft aan het Bestuur der
Rijks-Belastingen afgestaan, en voor de andere dient het tot een
Werfhuis.

De Beurs werd weggebroken: om het gemis te vergoeden, bouwde men op de
vischmarkt een Ionisch voorportaal en daarachter een Dorisch tempeltje.

Op de plaats, waar Costers Academie gestaan had, werd, nadat deze
verbrand was, een huis gezet, dat tot Armenkantoor dient;--en in
afwachting, dat men een nieuwen schouwburg zou stichten, plaatste men
aan een uithoek der stad een houten loods, die daar weldra honderd
vijftig jaar zal gestaan hebben.... altijd provisioneel.

Het Sint-Jorishof gaf logies aan 't Syndicaat; het Spinhuis aan
de Politie.

Het geestig beeldwerk boven de poort van 't Tuchthuis werd onder een
houten kast verstopt, en deze met een lauwerkrans versierd.

Maar het zonderlingst werd er gehaspeld met het Aalmoezeniers-Weeshuis:
2/3 er van werden ingericht tot Paleis van Justitie, en zulks met
zooveel overleg, dat men altijd, om van 't eene gedeelte naar 't
andere te komen, twee pleinen over moet--wat bij sneeuw of regen
zeer vermakelijk is. Van 1/6 maakte men eene Stads-Bibliotheek;
en van het laatste 1/6.... een Cholera-Hospitaal.

Voor de Beambten ter Griffie van het Hof, of voor hen, die aldaar
iets te verrichten hebben, is het zeker eene ongemeene verstrooiing,
de lijders in de ziekenzaal te hooren kermen en te zien zieltogen.

In 't kort, wie Amsterdam thans doorwandelt, zal moeite hebben om--op
zeer enkele uitzonderingen na--de bestemming te raden van eene der
publieke gebouwen, welke hij voorbijwandelt.

En dit is nog het minst; want over 't geheel is de uiterlijke gedaante
dier gebouwen eenigszins bewaard gebleven; maar erger is het gesteld
met die van de bijzondere woningen, wier eigenaardig karakter òf
reeds verdwenen is, òf van lieverlede geheel te niet gaat.

De schilderachtige luifels, waaronder het huisgezin in de zomeravonden
vergaderde, om een luchtje te scheppen en de kinderen speelden, bestaan
niet meer dan in de herinnering: en evenzoo de uithangborden. Ook de
stoepen zien wij langzamerhand wegbreken: de stoepen, op wier bank de
huisvader zijne pijp placht te rooken, terwijl zijn gezin voor 't open
raam zat. En, ware dit het ergste nog;--maar, wat ten hemel schreit,
bij elke vertimmering wordt met den meesten ijver gezorgd, dat al
wat aan het huis eenige originaliteit schonk, voor altijd daaraan
ontnomen worde. Onze woningen waren, als ik reeds heb herinnerd,
met snij-, beeld- en loofwerk op kwistige wijze overladen. De gevel
liep piramidaalvormig met trappen op of in grillige festoenen,
die, met een plat of driekant dekstuk bekroond, zich slingerden ter
wederzijden van de zolderraampjes en van den hijschbalk, zoodat het
bovendeel der woning ons niet zelden het borstbeeld van een onzer
grootvaders met zijne deftige gekrulde pruik of van zijne gade met
haar huiskapje herinnerde.

Aan deze wel phantastische, maar toch oorspronkelijke en
pikante bouworde hebben onze nieuwerwetsche.... timmerlieden een
verdelgingsoorlog verklaard. Simplex sigillum veri--"het eenvoudige
is het zegel van het ware", is de spreuk, welke zij gekozen hebben,
en die hen inderdaad ontslaat van de moeite om eenigen kunstzin ten
toon te spreiden of om iets te vervaardigen, waaraan een bouwkunstig
denkbeeld te herkennen is. En daarom vertoont de voorgevel van het
gemoderniseerd (?) gebouw eenvoudig een naakten muur, met eene
vierkante deur, en voorts, naar gelang der breedte, twee, drie,
vier of meer ramen nevens elkander op de eerste verdieping: even
zooveel op de tweede, op de derde enz. tot op de bovenste toe:--en
boven dat alles een geel geschilderde kroonlijst, aan beide zijden
rechthoekig afgezaagd, opdat men toch niet de illusie zou hebben,
dat zij om 't huis heenliep, maar wel goed bemerken, dat zij alleen
dient, om het daarachter loopend dak te bemantelen.

Ik voeg er bij, om de schildering te voltooien, dat, terwijl onze
voorouders naar hunne woningen opgingen, wij thans soms naar de onze
afgaan, daar de drempel niet meer boven, maar dikwijls onder den
beganen grond wordt aangebracht. Zou dit dalen tegenover het vroegere
rijzen, eene zinnebeeldige beteekenis hebben, en in verband staan
met de historie van de welvaart der stad?

Dat alles is zeker heel vernuftig; doch het zal Amsterdam al zeer
spoedig zijn ouden roem als eene der schilderachtigste steden van
Europa doen verliezen niet alleen, maar al wie het voortaan bezoekt,
doen vragen of de huisjes uit de kinderspeeldoozen het model tot den
herbouw geleverd hebben.

Tot zooverre de huizen: nu wat de straten betreft:

Terwijl men vroeger, als gezegd is, daarover heen en weer spanseerde
zonder gevaar van armen of beenen, misschien zijn leven, onder een
rijtuig te verliezen, weet men thans, vooral op de hoeken van nauwe
stegen, nauwelijks hoe zich te keeren of te wenden. De oude keuren,
die niet dan met bijzondere vergunning het gebruik van eenig gewield
voertuig gedoogden, zijn vervallen, als niet in verband met den geest
der eeuw, die vooruitgang, liefst hollenden vooruitgang, eischt--wat
echter voor den voetganger minder aangenaam is. Ongelukkig heeft men
niet willen begrijpen, dat onze stad, evenmin als Venetië, gebouwd
is voor hen, die per fors rijden willen. De waterwegen, waarvan
men zich oudtijds bij voorkeur bediende, zijn in onbruik geraakt,
zooverre het den vervoer van personen geldt, en in de plaats der
jachten en tentschuiten, die vroeger zonder gerucht over het water
gleden, snorren thans koetsen, glazenkasten en omnibussen over de
straten. De draagkoets bestaat sedert lang niet meer; doch ook de
toeslede, zoo veilig en zeker, wordt meer en meer vervangen door
hossende vigilantes, bij welker afrijden van eene sluis het onzeker
is, wie in den grootsten angst verkeeren moet, hij, die er in zit,
of de voorbijganger. Ja zelfs de kruiwagens verminderen in getal,
sedert de schuiteveeren vervallen, en maken plaats voor die vierkante
bakbeesten, die men goederenwagens noemt, en wier bloot gezicht reeds
een mensch den schrik op 't lijf jaagt.

In de meeste steden van het buitenland heeft men afzonderlijke
trottoirs voor den voetganger: trottoirs, hooger dan de straat en waar
men dus veilig is voor de rijtuigen: hier is geen keur machtig, deze
laatsten te beletten, den voetganger van de kleine steenen te dringen
en hem in nauwe straten te klemmen tegen het hekwerk voor een winkel
of tegen de stijlen van een hoekhuis.--Van kleinere onaangenaamheden,
als het slijk en zand, dat u om de ooren of over de kleeren spat,
wil ik niet eens gewagen.

Wat elders ook voor den voetganger een toevluchtsoord aanbiedt, zijn
de talrijke zoogenaamde passages, waar men veilig kan wandelen, koopen
en flaneeren.--In alle groote steden bouwt men er nieuwe,--in Amsterdam
is de eenige, die er bestond, de doortocht door 't Oude-mannenhuis,--in
verval en de winkels sedert lang gesloten.

En toch ware er van de Kalverstraat eene passage te maken, die voor
niet eene in de wereld zou behoeven onder te doen.

Ik sprak zooeven van het verval der waterwegen ten gevolge van het
in onbruik raken der keuren tegen de rijtuigen; doch er is nog eene
andere reden, waarom die wegen sedert lang verlaten zijn.--Ook nu nog
is het gezegde van Huyghens, dat de vreemdelingh behoort te swijmen,
volkomen van toepassing, ja in sterkere mate zelfs dan voorheen. Maar
er is een onderscheid: indien hij nu swijmt, 't is niet ten gevolge
van 't geen hij ziet, maar van 't geen hij ruikt. De zwanen zijn dan
ook voor altijd weggereisd of gestorven, en dat wel zonder zwanenzang
op Amsterdams vervallen liefelijkheid.

Aan het bezigen van den waterweg eigenden zich met recht de sierlijke
kaaien, van steen of wel van net getimmerd hout vervaardigd, en door
den bewoner van het daar tegenoverliggend erf bestendig in goede orde
onderhouden. Zeker zou in vroegere dagen niemand gedroomd hebben,
dat onderhoud te willen schuiven op de Gemeente: en de Overheid zou
het hem, die zoo iets beweerd had, wel anders geleerd hebben. Ook
zouden de bewoners van zijstraten en stegen met reden gevraagd hebben,
hoe men hen in billijkheid kon noodzaken op te brengen voor kaaien,
waarvan zij geen gebruik hadden.--Dan, gelijk ik zeide, die gedachte
om zich van het onderhoud te ontslaan, was bij niemand opgekomen:
immers tegenover het bezwaar stond het genot. Aan de kaai over zijne
deur had ieder bewoner zijne ijzeren ringen, waar zijn jacht, zijne
tent- of pakschuit, zijn turf- of houtschip aan vastgemeerd werd,
en waar geen vreemd vaartuig het waagde, zonder zijne toestemming,
aan te leggen. Dat alles is thans over. Eene uitspraak van den
Hoogen Raad--van welke uitspraak men zeker niet kan zeggen, dat
zij kant noch wal raakt--heeft de eigenaars der woningen, langs de
grachten gelegen, ontheven van een servituut, vroeger door hen als een
privilege aangemerkt. De arme gemeentekas is bezwaard geworden met het
onderhoud der wallen: en de ingezetenen, uit wier beurzen de kosten
toch per slot moeten komen, hebben er nu, behalve het equivalent,
alleen dit bij gewonnen, dat de nieuwe schoeiingen--want geen anderen
naam verdienen zij--in volkomen harmonie zijn met de stinkslooten,
die daartusschen hare pestwalmen doen opstijgen.

Ik zou wel eens willen weten, wat de beroemde mannen onder onze
voormalige stadgenooten, die Amsterdam in zijn vollen luister gekend
hebben, wel zouden zeggen, als zij weder eens in levenden lijve over
onze straten konden wandelen, mannen b. v. als Cornelis De Graef,
Nikolaas Tulp, Bartholomeus Van der Helst, Joost Van den Vondel,
Michiel Adriaensz. De Ruyter en Jan Claeszen.



Een hoofdstuk, dat tot een aangenamen overgang verstrekken moet,
om het volgende hoofdstuk voor te bereiden.

De schrandere lezer, die ongetwijfeld door en door bekend is met de
geschiedenis des vaderlands, zal hier gewis reeds hebben opgemerkt,
dat ik mij ten opzichte van de volgorde, waarin ik bovenvermelde
groote mannen geschetst heb, van een figuur heb bediend, welke men
in de Rhetorica gewoon is een climax te noemen, en daarbij den graad
hunner betrekkelijke vermaardheid heb in acht genomen. Ik ben toch
niet volkomen zeker of gij u wel precies herinnert, dat Cornelis De
Graef leefde in den tijd, toen de Raad zich met het bouwen van het
Stadhuis bezighield en niet met het zoeken naar een equivalent, dat
een zijner zonen den eersten steen van dat gebouw leide en hij zelf
bij de inwijding als Burgemeester voorzat, dat hij talrijke diensten
aan zijn Vaderland bewees, tweemalen een burgeroorlog voorkwam en den
jongen Prins Willem III tot mede-voogd verstrekte.--Ik heb evenmin
de overtuiging, dat gij Tulp anders kent, dan uit de schilderij van
Rembrandt, en dat gij weet, hoe hij niet alleen door zijne verdiensten
als geneesheer, maar ook door zijne wakkerheid als Regent, de hulde
van tijdgenoot en nageslacht verdiende. Maar wat Van der Helst
betreft, gij hebt ongetwijfeld zijn Schuttersmaaltijd gezien--naar
welken onze Kaiser onlangs zulk eene voortreffelijke plaat heeft
geleverd--hoewel gij misschien niet gelezen hebt, dat hij veel geld
voor zijne portretten maakte en in zijn tijd meer in trek was dan
Rembrandt.--Joost Van den Vondel kent gij evenzeer als den schrijver
van Gijsbrecht, welk stuk alle jaren vertoond wordt. In 't voorbijgaan
gezegd, hij was niet de schrijver van Kloris en Roosje,--uit welk
kluchtspel men sedert eenige jaren al de oorspronkelijke liedjes,
die geestig en naïef waren, heeft gebannen, om ze in watermelkdeuntjes
te veranderen:--en dat zonder iemand te waarschuwen.

Wat De Ruyter betreft, gij hebt zijn graf in de Nieuwe Kerk en zijne
levensbeschrijving in het boekje van 't Nut zeker wel onder de oogen
gehad en hij zweeft u alzoo voor den geest als een zeeheld, die thuis
gelijk een burgerman leefde en zich met geen politiek ophield.

Maar beter dan al de overigen kent gij Jan Claeszen, 't zij dat gij hem
op uwe kinderpartijtjes in de vermaarde ronzebons van La Haye zijne
kunsten hebt zien vertoonen, 't zij dat hij voor 't huis uwer ouders
voor een zesthalf--neen, in uwen tijd, lieve lezeres! die nog jong
en schoon zijt, voor een kwartje--eene representatie gaf, waarbij gij
met uwe broertjes en zusjes of neefjes en nichtjes op de vensterbank
geknield laagt, met de neuzen plat gedrukt tegen de ruiten, terwijl
een troep groote of kleine kinderen van de straat het spektakel gratis
aanschouwde, 't zij eindelijk, dat gij zelf--dit geldt u lezer!--op
een der stadspleinen de vertooning stond aan te gapen en daarbij een
eerbiedigen afstand bewaardet, niet zoozeer uit vrees dat "de vrouw"
ook bij u met haar bakje komen zou, om uw duit op te halen, als wel
uit zorg voor "uw fatsoen".--Gij allen kent dus Jan Claeszen, en hebt
u er nooit over bekommerd, hoe die dubbel gebochelde, roodgeneusde,
phantastische held, die oorspronkelijk Pucinello heette, doch wien
de Italianen, Franschen, Engelschen en Duitschers, elk naar hun
lievelingsgerecht, Macaroni, Jean Potage, Jack Pudding (later Punch)
en Hansworst doopten--aan dien naam gekomen is, dien hij bij ons
verkregen heeft. Zijt gij verlangend, hieromtrent iets te vernemen,
dan wil ik gaarne uw weetgierigheid voldoen. Gij hebt wel gehoord--en
kunt het anders bij Wagenaar lezen--hoe, na den dood van Prins Willem
III, de aristocraten hier te lande in hunne wijsheid begrepen, dat
zij 't evengoed zonder stadhouder konden doen. Zij vonden 't niet
onaardig alle macht in den Staat tot zich te trekken, en zich ook
die privilegiën en prerogatieven toe te eigenen, welke de Prins tot
dien tijd bezeten had. Zoo werd, onder meer, door hen besloten, de
voormalige Garde van den Prins te herscheppen in eene lijfwacht der
Staten van Holland. Dit had echter geen plaats zonder dat men te dier
gelegenheid verwijderde al wie onder dat korps van Prinsgezindheid werd
verdacht gehouden; en onder hen, die men uit dezen hoofde afdankte,
bevond zich ook een trompetter, Jan Claeszen geheeten. Deze, nu buiten
dienst gesteld en verplicht eene andere broodwinning te aanvaarden,
wijdde zich der kunsten toe, zette zich te Amsterdam neder en vertoonde
aldaar eene ronzebons op straten en pleinen. Niet tevreden echter
van zijne drama's op te voeren, zooals zij oorspronkelijk geschreven
waren, doormengde hij die met grappige zetten en kwinkslagen, en
lei zijne sujetten, vooral zijne hoofdpersonen, menigen zet in den
mond tegen de toenmalige landsregeering. Ik durf niet verzekeren, dat
zijne aardigheden even kiesch en vernuftig waren, als van een modern
oppositieblad, doch zij waren wellicht te meer geëigend, om aan zijn
publiek te behagen, en hemzelven tot de lieveling der Prinsgezinde
burgerij te maken. En zoo werd langzamerhand hij zelf vereenzelvigd
met zijn hoofdpersoon; de naam van Hansworst, dien de echtgenoot van
Katrijn tot dien tijd gedragen had, werd door den zijnen verdrongen
en in voortdurenden roem leeft bij ons de onsterfelijke Jan Claeszen.

Doch wat zeg ik?--Helaas! groot is mijne vrees, dat het met die
onsterfelijkheid ook al mis is, en dat, evenals andere groote
mannen, ook zelfs Jan Claeszen bij ons in 't vergeetboek dreigt te
geraken. Hij, het echte type van den wijsgeer, de man, die geene
zorgen kent en met den dag voortleeft, die zich over niets bekommert,
mits hij den tijd doorbrenge met eten, drinken en deuntjes zingen;
die met ieder in vrede is, maar ook niet uit zijne gelijkmoedige
rust gestoord wil worden, noch door eene kijvende vrouw, noch door
kinderen, die om brood janken, noch door een huisheer, die hem manen
komt, noch door een werf-officier, die voor het verstrekte handgeld
zijne diensten opvordert, noch door den barren Droes, die hem met
zich mee wil pakken, en die tegen al die lastige kwelgeesten maar twee
argumenten heeft, zijn holsblok en zijn stok--hij, dat echte toonbeeld
van ware levenswijsheid, begint bij de directeurs van wandelende
theaters reeds een deel van zijne originaliteit te verliezen, ja
reeds houdt hij hier en daar op de hoofdpersoon te zijn. De oude
ronzebons zelve, verbreed en vergroot, wordt verbasterd tot eene
marionettenkast, met beweegbare figuren, tot een zouteloos théatre
de métamorphoses. Nog onlangs stond ik bij avond op het Koningsplein
te Amsterdam gedurende tien minuten naar eene zoodanige vertooning
te kijken: in die tien minuten zag ik letterlijk niets anders dan
een bordpapieren ruiter, wiens paard nu eens op de voor- dan weder
op de achterpooten ettelijke kapriolen en evoluties maakte.--"Ik
packte my van daer", zooals Gijsbrecht zegt, innig bedroefd over den
verloop der tijden en tevens het geduld bewonderende der toekijkers,
die van zulke flauwheden niet wegliepen. Ik bewonderde ook een klein
weinig mijn eigen geduld, dat ik het nog tien minuten had uitgehouden.

Ik heb straks gezegd, dat Jan Claeszen (de trompetter namelijk)
vreemd zou opkijken, als hij Amsterdam nu terugzag. Ik vrees, dat
de tijd zal aanbreken en niet verre meer af is, waarin hij er niet
alleen de jachten, de luifels, de zwanen, den Jan-Rodenpoortstoren, de
toesleden, de haringpakkerij, de houten schoorsteenen, het Doolhof, de
aansprekers, maar waarin hij er zichzelven niet meer zal terugvinden.

Maar dan zal ook Amsterdam wel voorgoed ten val zijn geraakt.



Over drie groote en miskende stadgenooten.

Ik heb in het vorige hoofdstuk, hoezeer dan maar in 't voorbijgaan,
den naam van La Haye genoemd, en bij het herdenken aan al wat Amsterdam
verloren heeft, zonder het weder vergoed te zien, is het mij eene
behoefte, ook bij dezen beroemden man eene wijle stil te staan en
zijne gedachtenis te verbinden aan die van twee andere illustratiën,
wier taak en wier lust het evenzeer was, werkzaam te zijn tot nut en
vermaak hunner jeugdige stadgenooten, en wier namen ik mij niet voor
den geest kan brengen, zonder dat bij mij een zoet en aandoenlijk
gevoel van dankbaarheid oprijst voor de genoegelijke uren, die
zij mij verschaft hebben, uren, hoedanige geen latere leeftijd mij
heeft teruggegeven:--Beekman en Laurens. Met La Haye vormen zij het
schoonst en liefelijkst klaverblad, dat wellicht eens gebloeid heeft:
een driemanschap, meer waardig bezongen te worden, dan dat andere
driemanschap, eens te Rome door heerschzuchtige tirannen gevormd. Het
was door moord, door plundering, door brandstichting, door al de
gruwelen van den burgerkrijg, dat zich dit laatste berucht maakte:
het waren dans en feestvreugde en gejubel, waar onze Amsterdamsche
Driemannen hunnen naam door vestigden. Het Romeinsche Driemanschap
omschanste zich met krijgsvolk en bundelbijlen: het onze voerde
de Muzen, de Lachjes en Gratiën in zijn stoet. Klaroengeschal en
wapenklank kondigden Octavius, M. Antonius en Lepidus aan: viool en
lier vermeldden de verschijning van La Haye, Beekman en Laurens.--Toen
ik hen kende, ging ik ter Fransche schole en wanneer ik 's avonds
werd gehaald en naar den sterrenhemel zag, vestigde ik doorgaans mijne
bijzondere aandacht op den Orion, vooral op de drie hoofdsterren van
zijn gordel: en dan kwam het mij meermalen in den zin, dat, evenals
de beroemde helden der oudheid, na hun dood een bepaald gesternte
ter woon en onder hunne bescherming verkregen, de doorluchte Drie,
die mijnen kameraden en mij zooveel genoegen verschaften, in dien
gordel een hunner waardige plaats zouden kunnen bekleeden.

Of zij naar dien gordel verhuisd zijn, weet ik niet: wel, dat zij eene
plaats verdienen in de galerij van beroemde Nederlanders, door den
Boekhandelaar Coster geopend, en thans overgenomen en vervolgd door
mijn geachten vriend, den Boekhandelaar Van Kampen. En, ten gerieve van
hun toekomstigen levensbeschrijver, laat ik hier eenige bijzonderheden,
hen aangaande, volgen, waaruit overvloedig zal kunnen blijken, dat
de lof, hun door mij gegeven, in geenendeele overdreven is.

Wat, in de eerste plaats, La Haye betreft, ik ken zijne geboorteplaats
niet en ik geloof evenmin, dat, gelijk dit plaats had ten opzichte van
Homerus, zeven steden om dien eeretitel zullen kampen. Niet, dat hij
dien wedstrijd onwaardig zou zijn; maar ik twijfel er aan of hij het
eerste licht in eene stad aanschouwd heeft. Ik durf de gissing wagen,
dat hij een regimentskind was, en dat hem zijne moeder in 't veld,
achter eene haag ter wereld bracht, op welke bijzonderheid hij bij
het kiezen van een naam zal gezinspeeld hebben. Wat zijn uiterlijk
betrof, hij was kort en mager, had gekruld zwart haar, eene kale plek
op de kruin en levendige grijze oogen. Zijn gezicht was kleurig--wat
lasteraars aan het gebruik van brandewijn toeschreven; ofschoon
mij uit geloofwaardige berichten gebleken is, dat hij de voorkeur
gaf aan Schiedammer vocht,--en een weinig pokdalig. Zijne kleeding
was thuis een belapt buis, en op partijen eene grijs blauwe frak
met hoogen kraag en tinnen knoopen, eene hooge witte das, breed als
een tafellaken, en voorzien met een monsterstrik, een rood vest met
blauwe bloemen en gele strepen, eene nankingsche korte broek, grijs-
en witgestreepte kousen en schoenen met linten--als overeenkomstig
met de mode uit den tijd van het Directoire.--Natuurlijk trok hij
zijn rok uit, als hij zich binnen zijn theater bevond.

Wat zijne sujetten betrof, hoezeer hunne voornaamste bezigheid
bestond in elkander af te ranselen, zoo moet ik hun ter eere zeggen,
dat zij, buiten het tooneel zijnde, hun Directeur nimmer eenigen last
veroorzaakten: zij keven niet onderling, noch toonden eenigen nijd of
jaloezie, maar slingerden naast elkander in de beste harmonie; gingen
zich verder niet te buiten aan sterken drank en dreigden nimmer zich,
indien men hun appointement niet verhoogde, aan een ander theater te
engageeren. In één woord, zij vormden een volkomen tegenbeeld van alle
mogelijke andere verledene en toekomstige tooneelgezelschappen. Van
de tegenwoordige wil ik, om goede redenen, niet spreken.

Het répertoire van La Haye bood weinig verscheidenheid aan. Behalve
de gewone huislijke oneenigheden tusschen Jan Claeszen en zijne
wederhelft, daaruit voornamelijk ontstaande, dat hij, volgens haar
beweren, naar anisette, en zij naar klare jenever met suiker rook, en
de minnarijen van den schoonen Lujander met de bekoorlijke wederhelft
van den Ouden Heer, een lief schepseltje van "zeuventien d'half jaren
en zeuven maanden", hadden wij altijd de vermakelijke vertooning van
Jan Claeszen, die in zijn slaap gestoord wordt door de kapelletjes,
die zich op zijn neus zetten, en welke hij, wakker geworden zijnde,
onder 't geroep van "witje, witje! hoog, hoog! witje, witje! laag,
laag!" vervolgde, zonder ze ooit te kunnen krijgen. Doch de scène,
die ons de meeste pret verschafte, was die, waarin Jan Claeszen,
in de bakkerij geslopen, den oven bestal, en zijn roof--onder zijne
handen in ulevelletjes en chocolaadjes herschapen--met volle armen
over ons uitstrooide. Dan kwam de bakker, met zijne gebloemde japon
en de slaapmuts op 't hoofd, vond zijn oven ledig, en zocht den
dief, die altijd achter het linksche gordijntje wegschool, wanneer
de bakker achter het rechtsche keek en omgekeerd. Dan riepen wij
den bakker toe, waar hij zoeken moest; doch de man kwam gedurig te
laat; totdat Jan Claeszen, meer en meer vermetel, zich verstoutte
hem op allerlei wijze te foppen, door hem achterna te volgen, bij de
muts, bij het staartje in zijn nek te trekken, dit laatste in brand
te steken, enz. en zich dan spoedig weer weg te maken. Eindelijk
kreeg de bakker hem: zij raakten handgemeen en het slot was, dat,
tot ons groot vermaak, de bestolene in zijn oven verbrand word. Ik
weet niet, hoe 't mijnen speelmakkers gegaan is, noch of zij later,
bij het zien van een honderdtal melodrama's, waarin altijd de deugd
triomfeerde en de misdaad gestraft werd, bij de ontknooping even koel
zijn gebleven als ik doorgaans was; maar dit weet ik, dat, bij die
van het drama in de ronzebons, wij allen de zegepraal der misdaad,
die dansende en zingende wegtrok, met schaterend gejuich en handgeklap
aanschouwden.--'t Is waar; de ulevellen en chocolaadjes hadden ons
tot medeplichtigen gemaakt.

De eenige afwisseling, welke ik mij herinner, dat de voorstellingen
van La Haye opleverden, was deze, dat hij als tusschenspel--intermède
choregraphique zou men het thans noemen--twee mooren, nu eens
met bekkens, en eene andere reis met waskaarsen, liet dansen. Tot
schande voor mijn goeden smaak moet ik zeggen, dat mij die dans altijd
verveelde. Reeds toen--en het is mij later bijgebleven--moest ik de
menschelijke stem hooren of eene dramatische actie zien; maar al wat
bloot vertooning was en wat lang duurde, heeft mij nimmer kunnen
behagen: en ik herinner mij, bij den dans van Taglioni gegaapt te
hebben en in den dut te zijn gevallen bij het fraaiste carrouselrijden
in 't paardenspel; terwijl ik, wat balletten betreft, nog altijd het
meeste vermaak schep in eene Harlekinade.

Verder geloove men niet, dat een uit het publiek, 't welk de
vertooningen van La Haye bijwoonde, naar de opvoering van iets nieuws
verlangde. Neen, met hetzelfde genot, waarmede thans een dilettant voor
de honderdste maal de Norma, de Barbier of de Freischutz ziet opvoeren,
naarmate hij een voorstander is van Bellini, Rossini of Weber, zagen
wij telkenreize het tooneel, waarin Jan Claeszen zich doof houdt
tegenover den huisheer, en Katrijn dezen met stokslagen betaalt; en
dat andere, waarin de acteurs een voor een in de kist worden gestopt,
met hernieuwd vermaak terug: ja wij waren geheel niet tevreden,
indien er in het gewoon programma eenige verandering plaats had.

Over de verdiensten van La Haye als directeur van den dans, zal ik
kort zijn: zij waren ongetwijfeld vele; doch ik was toen nog te weinig
ingewijd in de geheimenissen der Choregraphie om ze naar waarde te
schatten: dit alleen geloof ik te kunnen aannemen, dat zij niet gelijk
stonden met zijne verdiensten als theater-directeur. Nu--het is niet
iedereen gegeven in alle vakken uit te blinken, en hoezeer le devin
de village eene lieve operette zij, was Rousseau ongetwijfeld grooter
als prozaschrijver dan als componist.

Nu een woord over Beekman. Deze was een Amsterdammer pur sang en
sprak, dacht, liep en zag er ook uit als een Amsterdammer. Zijne
donkerbruine kleeding, eenvoudig en net, en zijn hoofd, met eene
bruine, rechthoekige naturel versierd, alles duidde in hem den
man aan zonder pretentie. Als violist en dansdirecteur stond hij
wellicht op dezelfde hoogte als La Haye; doch gelijk deze door zijn
ronzebons, was gene groot door zijne Chineesche schimmen, welke hij,
met behulp van zijn zoon, een bleeken jongeling, met een grijs en
blauw gestreept vest, vertoonde. De tooneelstukken, welke hij te
voorschijn bracht, waren talrijk en classiek: althans vertrouw ik
dat gij, mijn waarde lezer! voor zooverre gij in de literatuur van
het théâtre des Séraphins geen vreemdeling zijt, ze alle kent. Hij
gaf ons de voorstelling van het woud met de wilde dieren, den jager,
die ze vervolgt, den struikroover, die den armen reiziger om hals
brengt en berooft, maar later zelf door den levenden Nikker wordt
weggevoerd: die van den buitensingel, met den visscher, die in zijn
totebel talrijke stroombewoners vangt: die van de straat, in welke de
wandelaars met parapluies uitgaan, waar de wind in vat, zoodat zij met
hunne eigenaars de lucht ingaan: die van het hol, waar de toovenaar
allerlei veelsoortige verschijningen oproept: die van het huis met
de duiventil, waar twee stoute kinderen, ondanks alle verbod, zich
op wagen, en die onder hunne zwaarte wegbreekt en met hen instort:
die van de gebroken brug met de eendjes, enz. enz. Maar de drama's,
die ons 't meest plachten te behagen, waren de twee volgende: het
eene, dat, waarin twee huisbrekers bij nacht een huis leeg stelen en
het vervolgens in brand steken; terwijl de oude podagrist met zijne
huishoudster, die het bewonen, niet dan met moeite ontkomen;--het
andere, dat van de kat, die den schapebout steelt; terwijl Mietje,
die er op passen moest, met haar buurknaap is loopen spelen; hetgeen
haar dan ook eene welverdiende kastijding van hare moeder bezorgt.

Habent sua fata libelli, zegt de Latijnsche dichter; wat zooveel zeggen
wil: "'t loopt al raar met de reputatie van een werk":--de waarheid
dezer spreuk vinden wij opnieuw bevestigd door de merkwaardige
omstandigheid, dat treffelijke tooneelstukken als de hierboven
genoemde, reeds sedert een paar eeuwen in alle hoofdsteden niet
alleen, maar zelfs in kleine dorpen, waar het slechts kermis was,
eene welverdiende vermaardheid hebben bekomen, zonder dat iemand in
staat zij den naam des genialen schrijvers te noemen, aan wien wij
ze te danken hebben.--'t Is waar, dat, van een anderen kant er vele
beroemde schrijvers gevonden worden, wier namen overal bekend zijn,
doch wier voortbrengselen niemand leest.

De Chineesche schimmen werden bestendig achtervolgd door een Chineesch
vuurwerk, dat zeer fraai was; doch dat mij, om eene hierboven reeds
aangehaalde reden, veel minder vermaakte dan de vertooningen.

Groot waren La Haye en Beekman!--doch ze stonden in evenredigheid tot
Laurens gelijk Le Brun en Cambaceres tot hun medeconsul Buonaparte. Zoo
ik van de beide eerstgenoemde theaterdirecteurs de voornamen niet heb
kunnen opsporen, ten opzichte van Laurens is het mij niet gelukt met
zijn geslachtsnaam bekend te worden. Naar alle waarschijnlijkheid
heeft hij er ook geen bezeten en zal hij alleen bij dien zijns
vaders zijn bekend geweest, gelijk Mozes, Cyrus, Socrates. Alexander
de Groote, en--met wien ik hem in de eerste plaats had moeten
vergelijken--Orpheus.--Met dezen toch had hij nog andere punten van
overeenkomst. Orpheus bespeelde een antieke, Laurens eene moderne
lier: Orpheus trok alle menschen en dieren, Laurens alle kinderen tot
zich. Orpheus was het grootst, toen hij in het rijk der schimmen zulk
een beweging maakte; Laurens behaalde ook daarmede zijn voornaamsten
roem: ja zelfs overtrof hij Orpheus in dit opzicht; want de schimmen,
welke hij in beweging bracht, had hij zelf doen ontstaan.

Evenmin als Vondel had Laurens te Amsterdam het eerste levenslicht
aanschouwd; evenals gene was hij in een Bisdom geboren, Vondel in dat
van Keulen, Laurens in dat van Luik. Evenals Vondel bracht Laurens
zijne mannelijke levensjaren door te Amsterdam en verwierf er zijn
roem. Eindelijk besteedde Laurens, evenals Vondel, den tijd, dien hij
niet aan de schoone kunsten wijdde, met de uitoefening van een beroep:
en had Vondel een kousenwinkel in de Warmoesstraat, Laurens had een
parapluiewinkel in de Wijde Heisteeg--die, in 't voorbijgaan gezegd,
zoo nauw is, dat men haar maar van ééne zijde mag inrijden.

Nimmer is de verschijning van een Romeinschen veldheer, als hij
zijne zegepraal te Rome vieren zou, nimmer die van een geliefd
vorst in eene zijner goede steden, nimmer die van een lang verwachten
keizerlijken erfgenaam in dit tranendal, nimmer die van een gemaskerde
studentenstoet op een academiefeest met meer ongeduld te gemoet
gezien en met hartelijker gejuich verwelkomd, dan die van Laurens
op eene kinderpartij. "Daar is Laurens! daar is Laurens! goeden
avond, Laurens!" riep dan uit éénen mond de jubelende schaar, die al
huppelende om hem heendrong, tegen hem opsprong, en hem in de overmaat
der vreugd schier belette verder voort te treden en zich te ontdoen
van zijne dubbele vracht.

Ik zeg, zijne dubbele vracht; want, zonden La Haye en Beekman hun
theater vooruit, Laurens--en hier blijkt wederom hoe ware grootheid
steeds met nederigheid gepaard gaat--droeg het zijne op den rug;
terwijl hij nog bovendien van voren met zijn lierekast was bezwaard.

Eindelijk was het niet, zonder moeite den grooten man gelukt de kist,
waarin zijn tooverlantaren en de daarbij behoorende glazen besloten
waren, neder te zetten en zich een weg te banen tot aan de vrouw des
huizes. Bevallig en deftig tevens was daarbij zijne houding, en in
overeenstemming met zijn kostuum. Had La Haye in zijn voorkomen iets,
dat aan den voormaligen Carmagnool herinnerde, was Beekman de type van
den Amsterdamschen burgerman, zij, die Laurens zagen, en niet wisten,
dat hij een Luikerwaal was, wilden er op zweren, dat hij tot de émigrés
behoorde. Zijne kleeding toch was, tot in de kleinste bijzonderheden,
ancien régime. Het haar, met een weinig poeder bestrooid, was en
aîles de pigeon gekapt en van achteren tot een staartje of zoogenaamd
"schorseneeltje" vereenigd, dat, vastgebonden met een blauw zijden
lint, in eeuwigdurende beweging was. Hij droeg het habit français,
lichtbruin, met breede opslagen en knoopen als drieguldens: tusschen
een donkerkleurig vest met breede panden vertoonde zich het hagelwitte
linnen, van een geplooiden jabot en manchetten voorzien: op de korte
zwarte broek hing een breede stalen horlogeketting: en de bruine
floretten kousen staken in lage schoenen met breede spinsbekken
gespen. Dat hij bij dit alles, wanneer hij over straat ging, een
grooten punthoed droeg en een stok met een zwaren knop, behoef ik
nauwelijks te vermelden.

Maar dan zijn gelaat! Zeker had de uitdrukking daarvan iets, dat aan
allen vertrouwen, en aan de kinderen bovendien hartelijke genegenheid
inboezemde, met eerbied gepaard: tot bewijs van dit laatste behoef
ik slechts aan te voeren, dat ik ook den ondeugendste onder hen
zich nimmer heb zien verstouten in zijne tegenwoordigheid eenige
onbetamelijkheid te bedrijven. 't Is waar--mij is verteld dat eens
een kleine bengel de ongehoorde vermetelheid zou hebben gehad, hem
aan zijn staartje te trekken. Ik kan het feit niet gelooven;--doch zoo
't werkelijk heeft plaats gehad, dan moet ik het er voor houden, dat
de knaap, die 't bedreef, zich vooraf was te buiten gegaan aan eenig
glas wijn of punch, dat voor de groote menschen bestemd was:--of,
indien zoodanige jeugdige booswicht zich werkelijk aan het feit heeft
schuldig gemaakt, zonder iets anders gebruikt te hebben dan slappe thee
of orgeade, dan verkondigt zulks bij den schuldige op zijnen leeftijd
òf eene vroege verdorvenheid, òf een vroegen overmoed, en is hij op
mannelijken leeftijd òf aan de galg òf aan een ministerie geraakt.

Dan ik wil mij in geene gissingen omtrent zulke droevige uitkomsten
verdiepen, waardoor ik het genoegen zou bederven, 't welk gij,
lieve lezeres! ongetwijfeld smaken zult in het lezen, gelijk ik in
het opstellen der beschrijving van een dier aangename avonden, zooals
Laurens ze ons wist te schenken. Zie! de pret gaat beginnen. Laurens
draait aan zijne lier: rijing, rijing, rijingerijingerijing, vat
aan iedere hand een klein ventje of meisje, en een groote rondedans
vangt aan. Na den eersten toer volbracht te hebben, staat hij stil,
en allen met hem.

"Een been," roept hij, steekt het zijne vooruit, en allen volgen
zijn voorbeeld.

Na de tweede roept hij: "Een been, ander been!" en beide worden
achtereenvolgens door hem en door de dansers uitgestoken. Na de derde
ronde luidt het: "Een been, ander been, één knie!" en de geheele
troep ligt als hij geknield. De "andere knie" komt er na den vierden
toer bij: vervolgens op gelijke wijze "een hand--andere hand," en
eindelijk, bij de laatste ronde: "allemaal om," bij welken uitroep
allen, nu op vier voeten voorover liggende, het hoofd buigen en met
den neus op het tapijt liggen, niet anders dan of zij ter audientie
waren bij den Keizer van Japan.

Na die ronde, een "patertje", de liefste dans, die ooit is
uitgevonden--zeker de oudste en meest nationale bij ons: een dans,
die de zoetste herinneringen achterlaat.--Ik ken jongelieden,
die in polka en mazurka schitteren, en die toch verre van afkeerig
zijn van een patertje, wanneer het eens--zoo geheel onder ons--wordt
voorgesteld. Ik ken evenzeer jonge dames, die een afschuw hebben van
den Baal-Peors-dienst en daarom ook van geen bal willen weten--welk
laatste woord in hare meening van het eerstgenoemde afstamt;--maar
die toch zich altijd met genoegen laten vinden om--altijd zoo geheel
onder ons--een patertje mee te doen.

Na het patertje, een marsch:--een plechtige, statige marsch, Laurens
voorop, al de kinderen achter hem, elkander bij de slippen der jurk
of bij de punt van het buisje vasthoudende: de grooten voorop, de
kleinsten achteraan. O! die zoo gelukkig was, den grooten Laurens
zelven bij de rokspanden te mogen vasthouden. Haal u voor den geest
den persoon, die u 't meest benijdenswaardig voorkomt: den gast,
die eene eereplaats bekomt aan 's Konings disch, den danser, die
uitgenoodigd wordt om met eene Prinses van den bloede den cotillon te
dansen: de min, die een Keizerlijk kind mag zogen, den adjudant, die
de geboorte van het gezegde kind gaat boodschappen, de prima donna,
die hare mededingster hoort uitfluiten--o! het gevoel van eigenwaarde
en zelfvoldoening, dat die allen bezielt, kan niet opwegen tegen dat,
't welk de borst doorstroomde van den gelukkige, wien 't onschatbaar
voorrecht ten deel viel de rokspanden van Laurens te mogen vasthouden
bij 't "hansje sjokken" spelen.

En als dan de deftige marsch lang genoeg geduurd had, gaf
doorgaans Laurens het sein tot het eindigen met deze woorden, op
Mefistofelistischen toon uitgesproken:


    "Nou motte ikke al de meisie soene."


Dan was het een gegil en een gelach en een gegiegauw en geginnegap
van al die vijf- tot zevenjarige Dafnees en Atalantes, die de vlucht
namen--en de rij was verbroken.

Natuurlijk was deze bedreiging van den eerzamen Laurens niets dan
scherts, en dit wisten de nufjes ook zeer goed; want bijna allen hadden
die bij vorige gelegenheden meer gehoord: doch zij wisten tevens,
dat het tot hare rol behoorde, bij die gelegenheid op de vlucht te
gaan, alsof zij wonderwat te vreezen hadden.

Dan stil: het tafellaken wordt tegen den wand gespeld:
de tooverlantaarn daar recht tegenover op een tafel gezet en het
publiek zet zich neder:--de grooteren op stoelen aan weerszijden in
een halven kring: de kleintjes daartusschen in, op stoven: hier en
daar eene gouvernante of kindermeisje nevens het voorwerp harer zorg.

Laurens steekt het licht aan in zijne tooverlantaarn: geen gas, geen
lamp, geen waskaars zelfs, waarde lezer!--eene loutere vetkaars;--maar
ook de vetkaars heeft hare rol in de vertooning.

En nu worden de overige kaarsen uitgesnoten of weggezet (lampen waren
toen nog niet in gebruik) en wij zitten in 't stikdonker, de enkele
stralen niet medegerekend, die uit de reten en gaatjes der lantaarn
ontsnappen.

En nu vangt, op de wijze der antieken, Laurens met een prologus of
voorafspraak aan:

"Eeren en Daam! wat wit is is niet swart;--en wat swart is is niet
wit. Sie je nix, ik ook nix, hé, hé, hé, Juffrouw! Nou sel je kommen te
sien die mooi tooferlantaar, fraai kurieus o so mooi! en as ik spreek
mot jylui swyk en as ik sink mot jylui mee sink..." En werkelijk,
zoolang hij sprak, was er--op twee of drie uitzonderingen na, waarvan
nader--eene stilte, dat men eene speld kon hooren vallen.--Sommigen
hebben dit verschijnsel psychologisch willen verklaren en die stilte
toegeschreven aan de duisternis, welke in 't vertrek heerschte. De
zoodanigen meenen zich tot staving van hunne meening te kunnen
beroepen op 't geen plaats heeft, wanneer men met den spoortrein
plotseling in eene tunnel komt, en het levendigste gesprek terstond
gestaakt wordt. Ik heb zelf dit laatste meermalen ondervonden; doch
altijd iets geschoven op de omstandigheid, dat het gedruisch van
den trein in eene tunnel vertienvoudigd wordt en alzoo belet, dat de
een den ander versta. Wat daarvan zij, zeker is het, dat wij bij de
vertooning van Laurens zwegen, niet omdat het duister was, maar uit
eerbied voor den man: en ik behoef hier geen ander bewijs voor, dan
het feit, dat wij allen trouw meezongen, zoodra hij zijne stem verhief.

De inleidende aanspraak is geëindigd. Laurens draait het dekstuk van
den lichtkoker af en daar tegenover verschijnt op het witte linnen de
ronde, verlichte schijf, die het tooneel is, waarop zijne gekleurde
schimmen zich zullen bewegen.

En nu volgen de vertooningen, door hem telkenreize beschreven in de
hierna volgende bewoordingen, waar ik jota noch tittel af of bijdoe:

"Ter ebje nou Mijneer de Son, met zijn kleine neus, zijn kleine mond,
sa beauté, sa magnificence. Sieje niet oe 'y zijn ook beweek.--En ier
ebje Mefrou de Maan, met aar kleine neus, aar kleine mond.--Ier ebje
Adam en Efa in 't Paradijs, naakt en bloot, met zijn b.... bloot.--Ier
ebje de slank, die keef de appel aan Efa. Daar neem Efa die appel
van de slank: daar keef zij die appel aan Adam. Adam, Adam! pas op,
datje strak niet op je bloote b.... krijk--Daar hebje den engel, die
jaak Adam en Efa et Paradijs uit. Heruit, je motter uit, je selt er
uit, je motter uit. Rtt! se sijn er uit, en Louwtje is er ook uit."

Men bemerkt uit deze laatste woorden, dat Laurens zuiver in de
leer was.

"Ier selje nau kom te sien die alkemeene sontvloet. Daar ebje die arke
Noë: Daar ebje die beeste, die kaan in de ark twee an twee. Daar
ebje twee kanse, twee an twee, daar ebje twee eend: daar ebje
ram en skaap: daar ebje twee farke, twee an twee: daar ebje os en
koei: mijn kroote kameraten, twee olikante--ik verspreke mij--twee
olifante."--N.B. deze verspreking, waarop wij altijd voorbereid
waren, veroorzaakte telkenreize dezelfde vroolijkheid.--"Daar ebje
Noë en sijn famielje, die drijven die beeste na die ark. Daar ebje
die alkemeen sontvloet! daar ebje moeder met kindj'--en kindj' met
moeder!--Kijk die kwaai jonk, die leit niet sijn bloote b.... in 't
water.--Herr-Rtt! weer op een andere kane bier! Hê, hê, hê, Juffrouw!"

"Ier ebje nou die kroote Turk, die sal een klas wijn drink op
die kesontheid van die eer en die daam. Messieurs et Mesdames,
j'ai l'honneur de boire à votre santé. Nok eens!--nok eens!--nok
eens!--ier ebje die oude frou, die die appele verkoop.--Ok froutje
lief! een appeltje assebies."

Hier had regelmatig eene interruptie plaats en riepen wij: "Asje blieft
moet je zeggen." Doch Laurens stoorde zich aan onze terechtwijzing
zoo weinig als een Minister van 1855 aan een discours van de "kleine
partij" in de Kamer, en bleef' al doorpraten:

"Ok froutje lief' een appeltje assebies!--Ier ebje die dans van die
erder en erderin:


    El e lou maîre
    E que me marida!
    Quand sera grande
    Quand te fera dansa
        Tiri la.
    El e lou maîre
    Quand te fera dansa, etc."


Dit lied nu zongen wij niet mede, omdat wij geen Luikerwaalsch
verstonden.

"Ier ebje de geskiedenis van die ferlore soon. Ier ebje die ferlore
soon. Ier ebje de ferlore soon, die sijn keld fraak en op reis
kaat. Adjés liefe Papa!--adjés liefe soon! pas tok' op datje niet bij
de mooie meisie kom.--Ik ben er een kroot liefhebber van, papa!--Tjk,
tjk, tjk! daar rijdt ie wek.--Rt! daar issie bij de mooie meisie.--Daar
ebje de een, die skenk um een glas wijn in; terwijl karesseer die
ander sijn beurs met kelt wek--daar jaak zij um de deur uit, naak
en bloot: herruit, je selt er uit, je mot er uit!--daar sit 'y bij
de fark, soo bedroef, ja nok slimmer dan Pietje Bedroef, en denk:
ak! was ik maar bij mijn koeie ouwe fader kebleef; daar ad ik alle
daak vol op.--Daar komt 'y bij sijn fader en fal op sijn knie. Ak
liefe papaatj' ik sel 't nooit weêr doen.--Ja soo sek die kwaai jonk,
als sy kwaad kedaan eb.--Daar kom die koeie ouwe fader en fal om sijn
'als: Pw, pw, pw! (dit drukt het geluid van kussen uit).--Daar ebje die
snijer die bestel is om een nieuw rok te maken: daar ebje die slakter,
die 't vette kalf slak om eene koeie maaltijd te maak.... Hrtt! weêr
op een andere kanebier."

"En nou sel je sien, 'oe Loutje sijn kaars snuit."

Bij deze woorden nam Laurens den lichtblaker uit de lantaarn, snoot
zijne kaars en draaide zijne lichtbuis, die verschoven was, weder
goed; bij welke gelegenheid hij, om zijn handen vrij te hebben, den
blaker op zijn hoofd zette:--een tusschenspel, 't welk ons altijd
ongemeen vermaakte.

En nu volgden, als de kaars weder op hare plaats was, de vertooningen
van Jan Claeszen met zijne kindertjes, van de militaire evolutiën der
soldaten, van den herder "met sijn soete liefe fogel, en de herderin
met aar allerliefste liefe kouw," van de gebroken brug met de eendjes,
die in 't water zwemmen, van Mijnheer Augustijn met zijn luchtballon,
van Laurens zelf, die zijn tooverlantaarn vertoont, en misschien nog
een paar, welke ik alle hier niet vermelden kan, doch die, wanneer
eenmaal de biographie, waar de beroemde man recht op heeft, in 't
licht zal komen, niet zullen mogen ontbreken. Voor alsnu stelle men
zich tevreden met de beschrijving der laatste voorstellingen:

"Ier ebje die istori van Malbroek,--ier ebje Malbroek, die afscheid
neem van sijn frou.--Adjés liefe frou! adjés liefe Malbroek, tjk,
tjk, tjk! daar rije Malbroek wek."


                Algemeen Koor.


                Malbrouck s'n va-t-en guerre,
                Mironton ton ton mirontaine,
                Malbrouck s'en va-t-en guerre.
                  En guerre il est allé (ter).

                Il reviendra s-à Pàgues,
                Miron ton ton mirontaine.
                Il reviendra-s-à Pàques
                   Ou à la Trinité (ter).

                La Trinité se passe,
                Miron ton ton mirontaine.
                La Trinité se passe,
                  Malbrouck ne revient pas (ter).

                Madame à sa tour monte,
                Miron ton ton mirontaine.
                Madame à sa tour monte,
                  Si haut qu'el' peut monter (ter).


"Ier ebje Mefrouw Malbroek op 'aar toor."


                Elle aperçoit son page,
                Miron ton ton mirontaine.
                Elle aperçoit son page
                Tout de noir-s-habillé.

                O page, mon beau page.
                Miron ton ton mirontaine.
                O page, mon beau page,,
                Quel nouvels's-apportez? (ter).


"Mefrou! Malbroek is dood--met zijn kleine schorseneeltje."

Dit "kleine schorseneeltje" had betrekking op den Page, die een
staartje in den nek droeg, niet ongelijk aan dat van Laurens zelf.


                Je l'ai vu porter-s-en terre,
                Mironton ton ton mirontaine.
                Je l'ai vu porter-s-en terre
                  Par quatre-s-officiers (ter).


"De eerste draak sijn rok, de tweede sijn broek, de derde sijn waap',
de vierde draak niemendal, 'y was te lui om wat te draak.--En ier
ebje nou Malbroek sijn kraf. Zie nou of jij lees kan, wat daarop
keskreef staat."

En hier begonnen wij allen, zelfs zij, die lezen konden, hardop het
grafschrift te spellen:

H. i. e. r. hier l. i. g. t. ligt M. a. l. mal b. r. o. e. k. broek,
Malbroek. Hier ligt Malbroek.

"Ier ebje nou Loutjes moeder. Loutjes moeder 'ad soo een eele
mooie neus; maar Eeren en Daam, sij was bank als sij uitga, dat aar
neus nat word. Daar eb sij bij haar selve bedak, dat Laurens ook
paraplui verkoop; want Eeren en Daam, Laurens vertoon niet alleen
tooverlantaar, Laurens verkoop ook parapluie, maak nieuwe paraplui,
raccomodeer paraplui, verruil ouwe paraplui, verzoek wel vriendelijk
om de kunst en recommandatie.... daarom eef zij Laurens verzok van
als sij uitga te gaan zitten op haar neus met sijn paraplui, dat aar
neus niet nat wor.--Ier ebje nou Loutje op moeders neus."

Op deze aanbeveling, met zooveel kieschheid en dus ongezocht te pas
gebracht, volgde de voorstelling van een oom van Laurens, die een
schoorsteen in zijn neus had en van een anderen heer, uit wiens neus
kleine neusjes voortkwamen.

"Mijn grootvader ad een eele mooie buik. Maar nou 'ad ie sooveel
aardappele met spek kekeet, dattie sijn buik niet kon draak over
Straat.--Soo 'et ie in drie nakte geprakkiseerd, ie sou late maak een
kruiwaak en daarop sijn buik foortkrui. Ier ebje nou mijn krootfader,
die sijn buik foortkruit over straat.

"Ier ebje de bakker, die de bolle blaas, toe, toe, toe, daar 'aal de
bakker de warme bol uit de oof,--daar kom de broodweker en 't brood
week onkelukkik een beetje te likt: daar kom de diender en pak de
bakker mee--daar kom de dufel en wil 'm ook meê pak.--Mijn mottie
wees, neen mijn mottie wees.--Jij sel 'm niet eb.--Ik sal 'm eb.--Daar
'eet de dufel 'm in sijn mand kepak en loop met 'm wek: en 'eef een
zak kulde ook meê kenoom--daar loop 'm de pakkerin achterna en pak de
dufel bij de staart.--Ier leelijke moriaan, ik moet mijn man weêrom
'eb.--Ok pakkerin laat los:--neen ik laat je niet los foor ik mijn
man weêrom eb.--Ok liefe papekaaisneus laat los, je sel je man weerom
eb.--Neen, leelijke swartsmoel, ik mot mijn kelt weêrom eb ook.--Ok
pakkerin laat los, je selt je kelt weêrom eb.--Daar ruk hij zich los
en laat de pakkerin staan met sijn staart in 'aar 'and.--En as nou
die Eeren en Daam te freede sijn, versoeke wel friendelijk de kunst
en recommandatie."

Met dit aandoenlijke en leerzame drama werd altijd de vertooning
besloten.

Ruim vijftig jaren zijn verloopen, sedert ik die 't laatst bijwoonde,
en nog staat zij mij niet alleen even levendig voor den geest als toen;
maar gaarne zou ik er eene representatie van Rachel of een concert
van Jenny Lindt voor verzuimen, om die nogmaals te zien--mits door
Laurens zelven gegeven.

En vrij wat meer gaf ik, indien ik die zien kon in dezelfde kinderlijke
gemoedsstemming van die dagen.

Ik heb sedert meermalen kinderpartijen bijgewoond. Ik heb de opvolgers
van La Haye, Beekman en Laurens hunne pogingen zien aanwenden, om de
kinderen te vermaken en tevens "zoet te houden." Geen hunner slaagde;
geen hunner had er trant van. Een staaltje ten bewijze. Ik hoorde een
vertooner van marionetten, na zich met aangenomen deftigheid midden
in de kamer gesteld te hebben, tegen eenige baldadige knapen zeggen:

"Jonge Heeren! bedenkt, wie gij zijt, en waar gij zijt!"

"Niet op school," riepen de jongens, en werden woeliger tegen de
vermaning in.

In zekeren opzichte hadden zij gelijk. Zij waren niet op school, zij
waren uit voor hun plezier, en in dat geval zijn kinderen van oordeel,
dat bestraffingen niet tot het programma behooren.--Maar de kunst is,
te zorgen, dat zij niet in de gelegenheid komen eene bestraffing te
verdienen; de kunst bestaat alleen daarin, dat men met hen spele en
hen voortdurend bezig houde: en die kunst verstond Laurens vooral in
hooge mate.

't Is echter mogelijk, dat de "lieve jeugd" ook veranderd is sedert
mijn tijd, en dat zij, wat ons een kinderlijk vermaak schonk, thans
kinderachtig vinden zou.

't Is mogelijk, herhaal ik,--ofschoon ik het niet geloof. De "lieve
jeugd" is, wat men van haar maakt: en indien onze ouders, toen wij
klein waren, de ronzebons, de Chineesche schimmen en de tooverlantaarn
laf hadden genoemd, dan hadden wij er waarschijnlijk ook onze neusjes
voor opgetrokken.

Gelukkig waren onze ouders daar nog niet verlicht genoeg toe en konden
zij nog met den goeden La Fontaine zeggen:


                  Si peau d'âne m'étoit conté,
                J'y prendrois un plaisir extrême.



Een hoofdstuk dat tot overgang dienen moet.

Ik heb in de vorige hoofdstukken gesproken over Amsterdam, zooals
het vroeger was en zooals het heden ten dage is; ik acht het niet
ongepast, ja eenigszins plicht, nu ook iets te zeggen over Amsterdam,
zooals het zou kunnen worden.

Een rijke stof, zal men zeggen, en daar een dik boekdeel over te
schrijven viel.

Wanneer men maar eens nagaat, wat aantal ellenlange verhandelingen er
gehouden zijn geworden in onzen Gemeenteraad, ter aanprijzing of ter
afkeuring van de meest onbeduidende verandering of wijziging van het
bestaande, en waar het de meest onbeduidende zaak betrof, dan kan men
al licht tot de slotsom komen, dat iemand, die op gelijke wijze de
vraag wilde behandelen, hoe de Stad zelve uit haar vervallen toestand
ware op te heffen, een werk zoude voortbrengen, dat meer rijen in
een boekenkast vullen zou, dan Wagenaar met al zijne vervolgen.

Wie zulk eene onderneming tot stand bracht, zou ongetwijfeld een
zeer loffelijken arbeid verricht hebben;--of de lezing daarvan zeer
vermakelijk wezen zou, daaraan zij het mij vergund te twijfelen;
immers voor negen tienden zou het boek over geldvragen loopen, en
cijfers zijn, gelijk al wat positief is--positieve menschen niet
uitgezonderd--op den duur droog en vervelend.

Alzoo ik nu niets meer vrees, dan mijnen Lezers en mijzelven te
vervelen, ben ik volstrekt niet voornemens, mij in cijfers te
verdiepen; en zoo ik, als vrucht mijner overpeinzingen, wellicht
punten zal aanroeren, die de stoffelijke belangen der Stad betreffen,
ik beloof vooruit, dat ik mij daarbij nooit aan eenige becijfering
zal schuldig maken: ik laat zulks over aan hen, die t'avond of morgen
opgewektheid mochten gevoelen, om te onderzoeken in hoeverre mijne
beschouwingen in toepassing konden gebracht worden.

Eene tweede belofte, die ik afleg, is, dat ik getrouw zal blijven
aan den titel, dien ik aan dit mijn geschrijf heb gegeven, en alzoo
wel deugdelijk zal oppassen, naar geen vast plan te werk te gaan,
al wat naar orde en regelmaat zweemt te vermijden, en mij stil te
laten medesleepen met den stroom, dien mijne gedachten volgen:--mij
echter voorbehoudende, van die gedachte alleen datgene op 't papier
te brengen, wat ik geschikt acht om eenige belangstelling bij mijne
lezers op te wekken, of voor 't minst een glimlach om hunne lippen
te doen spelen. Wie op zijn eigen boot eene rivier afvaart, gaat nu
eens vroolijke landschappen, bevallige steden, schilderachtig gelegen
kasteelen of oude gedenkstukken--dan weder treurige, eentonige heiden
of dijken voorbij; doch hij roept de genoodigden, die hem op dien tocht
vergezelschappen, alleen dan op het dek, wanneer er wat bijzonders
te kijken valt.

't Is waar, dat gemeenlijk zijne reisgenooten van de tien keeren,
dat hij hen roept, negen keeren aan hetgeen hij hun toont, niets
bijzonders vinden.

Het onderwerp echter, dat ik nu ga behandelen, zal zeker aan vele, zoo
binnen als buiten Amsterdam wonende Lezers, belangrijk toeschijnen:
het wenschelijke namelijk, dat er verbetering kwam in de aanwijzing
van de woonplaats der ingezetenen, en daardoor eene groote aanleiding
tot ongemak en beklag werd weggenomen.

Dat mij dit onderwerp het eerste voor den geest komt, behoeft niemand
te verwonderen. Wie over Amsterdam wil spreken of hooren spreken,
moet beginnen met er zich, gelijk men 't noemt, te oriënteeren;
om de lieden hiertoe in staat te stellen, heeft men de Stad eene
bepaalde indeeling gegeven en de huizen van nummers voorzien; heeft
men daarbij den besten weg ingeslagen?

Ik veroorloof mij, dit bepaald tegen te spreken.

Parijs is vrij wat grooter dan Amsterdam, en toch heeft het geene
de minste moeite in, den persoon, dien men zoekt, te vinden; mits
men het nummer wete van het huis, door hem bewoond, en de straat,
waar het in gelegen is--alles natuurlijk voor zooverre die straat nog
bestaat, wat bij de verfraaiingen op reusachtige schaal, welke Parijs
tegenwoordig ondergaat, niet altijd het geval is.--De nummers zijn
groot, en, dank hebbe de goede verlichting, ook bij nacht zelfs op
een afstand leesbaar. De eene zijde van de straat heeft alleen evene,
de overzijde onevene getallen; men weet dus terstond, aan welke zijde
men zoeken moet; en ook zonder gids loopt men voor zich uit totdat
men het nummer vindt van het huis, waar men wezen moet.

Amsterdam biedt ons geen der hier genoemde voordeelen aan. Toen er voor
eenige jaren sprake was, om het toen bestaande stelsel van indeeling
der stad in wijken te veranderen, vleide ik mij, dat een nieuw en meer
rationeel stelsel de bezwaren van het vorige zou wegnemen. IJdele
hoop! dwaze verwachting! In plaats van Wijken kwamen er Buurten, en
in de plaats van de bestaande nummers, die zwart geschilderd waren,
kregen wij andere nummers, die rood geschilderd waren. Dát een en
ander geschiedde ongetwijfeld, om eene heel wijze reden, die ik niet
onderzoeken, laat staan beoordeelen wil; doch het ongerief, waarover
men zich tot dien tijd beklaagd had, was niet weggenomen.--Ten einde
zulks zonneklaar te bewijzen, zal ik den beklagenswaardigen toestand
schilderen van een heer, die, nooit te Amsterdam geweest zijnde,
er een vriend bezoeken kwam. Ik dien echter aan mijne Lezers den
noodigen tijd te geven, om in die stemming te geraken, welke hen kan
voorbereiden tot het schenken van eene onverdeelde aandacht aan een
zoo treurige vertelling, en ik sluit daarom dit Hoofdstuk.



Vertelling van den Heer, die bij een vriend te Amsterdam zou gaan
logeeren.

Gemelde heer was en is nog een Belg, die te Brussel woont, veel
gereisd, Parijs, Londen, Berlijn en andere hoofdsteden herhaaldelijk
bezocht heeft, en er zich dan ook op placht te beroemen, dat hij
op reis niet verlegen was en overal spoedig en gemakkelijk zijn
weg wist te vinden. Ondanks al zijn reizen en trekken, was hij,
tot in den afgeloopen zomer, nimmer in de zoogenaamde Hoofdstad van
Nederland geweest. Toch was hem door een Amsterdammer, met wien hij
elders kennis gemaakt en vriendschapsbetrekkingen had aangeknoopt,
het voorstel gedaan, eenige dagen bij hem te komen doorbrengen. Dat
voorstel was later bij een brief herhaald en door hem aangenomen, en
de tijd gekomen, waarop aan de uitnoodiging gevolg zou worden gegeven.

Onze Brusselaar zet zich op den spoortrein, met het adres van zijn
vriend in zijne portefeuille: X Smit, op de Keizersgracht, tusschen
de Weesperstraat en Muidergracht W 424, en, vindt hij het huis niet,
dan moet hij al zeer dom zijn, denkt hij; en hij denkt tevens, dat
hij niet dom is, maar daarentegen begaafd met den bult der localiteit,
welke hem overal het uitvinden van den naasten weg gemakkelijk maakt.

Hij spoort tot aan den Moerdijk, stoomt tot Rotterdam, begeeft zich
van daar met den Hollandschen trein naar Den Haag, waar hij nog in 't
voorbijgaan 't een en ander wil gaan kijken, terwijl hij zijn koffer,
met een behoorlijk adres voorzien, naar Amsterdam vooruit zendt. Hij
houdt zich in de Hofstad eenige uren op en rijdt met den laatsten
trein naar Amsterdam.

"Mijnheer!"' vraagt hij, op de hoogte van Sloterdijk gekomen, aan den
eenigen zijner medepassagiers, die niet slaapt, "is de Keizersgracht
moeilijk te vinden?"

Ongelukkig richt hij deze vraag tot een dier positieve lieden, waarvan
ik in het vorige Hoofdstuk gewag maakte, tot een dier lieden, die
eene vraag beantwoorden, zooals zij gedaan wordt, zonder daarbij te
onderzoeken, of de vrager nu op de hoogte zal zijn van hetgeen hij
wenscht te weten. Het antwoord luidt dan ook droogweg:

"Neen, mijnheer! gij loopt de poort in, al rechtuit en als gij de
eerste brug over zijt, slaat gij de eerste straat rechts in en gij
komt vanzelf op de Keizersgracht."

"O!" denkt onze reiziger: "dan zal ik wandelen: ik heb toch geene
bagage: ik ben stijf als eene hark van 't rijden: het weer is fraai
en een wandelingetje zal mij goeddoen."

Had hij deze gedachte overluid doen hooren, misschien had de
positieve man, van wien wij 't ergste niet willen denken, het
noodig geacht, hem te waarschuwen, dat de Keizersgracht lang is,
en dat het wandelingetje wel eens eene wandeling zou kunnen worden;
doch ongelukkig werd het gesprek niet doorgezet en onze Brusselaar
alzoo overgelaten aan zijne illusiën.

De trein houdt te elf uren stil: misschien was het er wel een paar
minuten over;--doch ik wil goede vrienden met de Directie van den
spoorweg blijven en neem dus maar liever aan, dat de trein aankwam op
de minuut, die op het briefje vermeld staat.--Onze Brusselaar stapt den
wagen uit, volgt eerst den stroom zijner reisgenooten binnen de poort,
en vervolgens de route, hem aangewezen, en bevindt zich alzoo, na
tien minuten gaans, op de Keizersgracht, tegenover de kerk de Zaaier.

Nu spreekt het vanzelf, dat hij het huisnummer 424 zeer goed onthouden
heeft; maar niet zoo precies de letter W, en nog veel minder de
bijvoeging: "tusschen de Weesperstraat en de Muidergracht," eene
bijvoeging, die hem--als Belg en als bezoeker van Parijs en Londen
gewoon alleen aan den naam der hoofdstraat en aan het huisnummer te
hechten--al vrij overtollig was voorgekomen, en waarop hij alzoo weinig
acht geslagen had. Hij begeeft zich nu aan den huizenkant en beproeft
de nummers te lezen. Bittere teleurstelling! Niet alleen, dat hij ze
niet lezen kan; maar hij kan ze zelfs niet vinden, als zijnde daar ter
plaatse op de binnenzijde der deurposten of op de lijst geschilderd,
maar zóó, dat zij altijd in de schaduw blijven. Eindelijk komt hij
aan een huis, waar eene lantaarn tegenover staat, bij wier licht hij
het nummer zien kan. Dat nummer is 334.

"Mal genoeg!" denkt hij bij zich zelven, "dan heb ik nog vijf-en
veertig huizen te loopen: dat is verder dan ik dacht."--Men bedenke
hierbij, dat hij deze berekening grondt op de meening, waarin hij
verkeert, dat hij aan de zijde, waar hij loopt, alleen evene nummers
zal aantreffen.

Hij is nu eenmaal op weg en moet wel voortgaan: intusschen slaat hij
nu en dan een oog op de roode merken, welke hij onderstelt nummers
te zijn, en op de gaslantaarns, en hij mompelt bij zich zelven:

"De nummers zijn te Parijs tienmaal zoo groot en de straatverlichting
is er tienmaal zoo goed: ergo zijn de nummers hier honderdmaal kleiner
dan wel behoorde:"--een volkomen logische gevolgtrekking.

En nog treft onze vreemdeling het in zeker opzicht niet zoo heel
ongelukkig; want het is geen lichte maan.--Ieder, die in Amsterdam
bekend is, weet, dat wie zijn leven liefheeft nooit met lichte maan
te voet uitgaat; want dat het dan in den regel stikdonker is

Er bestaat eene overeenkomst tusschen de Stad en de gascompagnie, dat
deze de lantaarns niet behoeft te laten branden, wanneer het lichte
maan is. Ongelukkig hebben de belanghebbende partijen vergeten, zich
bij deze overeenkomst van de goedkeuring en medeteekening der Maan
te verzekeren: zeker is de nachtgodes daarover verstoord geworden:
althans zij houdt zich schuil zoo dikwijls men aan hare medewerking,
waarop bij het vaststellen der bedoelde bepaling gerekend was,
behoefte zou gevoelen.

Onze wandelaar is al verder en verder doorgeloopen: hij komt aan
eene brug--die, welke over de Leliegracht ligt--en staat eenige
oogenblikken in twijfel, of hij verder gaan zal. Hij wacht, tot er
iemand voorbijkomt, en vraagt: "is dat nog altijd de Keizersgracht,
daar over die brug?"--Door het bevestigend antwoord een weinig
gerustgesteld, stapt hij moedig verder: wederom aan een huis gekomen,
waar licht aan de deur brandt, gaat hij er voor staan en leest nu:
"ZZ 254."

Nu is hij geheel uit de lijken geslagen; want hij begrijpt niets van
het nummeringstelsel, dat hier gevolgd wordt, noch hoe zich 254 kan
bevinden tusschen 334 en 424. Op eens schiet hem in de gedachte,
dat er op het adres, 't welk hij in zijn zak heeft, nog voor het
huisnummer een letter staat, en wel de letter W.

"Mijnheer!" vraagt hij aan een jongmensch met een flambard op 't
hoofd en eene sigaar in den mond, die hem tegenkomt: "ben ik nog ver
van W 424?"

"Ik weet er u niets van te zeggen," is 't antwoord.

"Zeker ook een vreemdeling evenals ik," denkt hij.--Maar ach! hetzelfde
antwoord bekomt hij van al, wie hij ontmoet. 't Is beschamend voor de
Amsterdammers; maar van de tweemaal honderdvijftig duizend inwoners,
die de stad nagenoeg bevat, zijn er misschien vier vijfden, die de
letter niet weten van de buurt, waar zijzelven in wonen:--en misschien
niet een, die terstond weet te zeggen welke grachten of straten eene
buurt bevat.

"De naam van de buurten staat op de hoeken der straten," zegt een
medelijdend voorbijganger.--Ja, hij staat er; maar 's nachts is
't zoogoed als stond hij er niet.

Intusschen heeft onze wandelaar de klok van de Westerkerk halftwaalf
hooren slaan: hij begint te vinden dat de Keizersgracht lang is:
en hij is nog maar aan de Leidsche gracht.

Wederom vraagt hij, na de brug te zijn overgegaan, aan een dikken
heer, die op eene stoep staat, of hij nog op de Keizersgracht is;
wederom ontvangt hij een bevestigend antwoord.

"Waar moet mijnheer wezen?" vraagt op zijne beurt de dikke heer,
die merkt, dat de man verlegen is en die gedienstig van aard zijnde,
hem zoo mogelijk terecht wil helpen.

--"W 424."--

--"Ja, dat weet ik niet."

--"Bij mijnheer Smit."

--"Ja! het adresboek heeft derd'halve kolom met dien naam:-- dan zal
de rechte moeilijk te vinden zijn."

Onze Brusselaar denkt er niet aan, het adres, dat hij bij zich heeft,
uit zijne brieventasch te halen. En wat zou het hem ook gebaat
hebben? hij had toch geen licht, waar hij het bij zou hebben kunnen
lezen. Weinig opgebeurd door de gedane mededeeling, zet hij alzoo zijne
ontdekkingsreis voort. "Wat doet mijn vriend ook een naam te dragen,
die zoo algemeen is?" bromt hij bij zichzelven en peinst op allerlei
dwaze en niet uit te spreken namen, welke hij aan zijn vriend, zoodra
hij hem ziet, zal voorstellen, bij den zijnen te voegen.

Ja, zoodra hij hem ziet. Maar wanneer zal dat heuglijk tijdstip
komen? De Keizersgracht schijnt zonder eind; de straat wordt al
meer en meer eenzaam; de nummers hoe langer hoe minder leesbaar;
en gelukt het onzen vreemdeling, er nu en dan een uit te vorschen,
het dient alleen om hem de onaangename overtuiging te geven, dat hij
volstrekt niet is, waar hij wezen moet.

"Vooruit! vooruit!" roept hem zijn gesternte toe; als aan den
Joodschen zwerver van Sue, met wien hij begint te vinden, dat hij
vrij wat overeenkomst heeft, t. w. met den zwerver.

--"Vooruit! vooruit!"--daar staat hij aan de Reguliersgracht. "Had
ik maar eene vigilante genomen," denkt hij, "dan ware ik al waar ik
wezen moet."

Misschien--misschien ook niet; want de koetsiers der vigilantes weten
wel een huis te vinden, wanneer men de straten noemt, waarnevens het
gelegen is, maar zijn in de letters der buurten evenmin ervaren als
hunne overige stadgenooten.

--"Vooruit! vooruit!" en zie--bons! daar stuit hij op den Amstel. Hij
kan niet verder; tenzij hij in 't water loope.

Vermoeid en mistroostig gaat hij tegen de leuning van de brug
staan en wacht tot er iemand voorbijkomt, wat ruim tien minuten
duurt. De eerste, die zich opdoet, is blijkbaar geen lid van het
Afschaffingsgenootschap, hij beschrijft allerlei halve cirkels en
bogen op de brug en zwaait hem eindelijk voorbij. De tweede is een
schroomvallige heer, die hem op zijne nadering voor een bedelaar
aanziet en haastig doorstapt, zonder hem te woord te staan: de derde,
die met drift komt aangeloopen, heeft blijkbaar groote haast, doch
luistert niettemin naar de vraag, die tot hem gericht wordt.

--"Zou mijnheer ook kunnen zeggen, waar ik W 424 moet zoeken? Ik heb
geloopen van het begin der Keizersgracht af tot hiertoe, zonder het
te vinden."

--"Ik weet niet, misschien moet je aan de overzij wezen," antwoordt
de voorbijganger, zonder stil te staan en vervolgt met versnelde
schreden zijn weg.

--"Aan de overzij!" herhaalt onze Belg, in wanhoop, "aan de
overzij!" en een licht, ongelukkig een bedrieglijk licht, gaat
voor hem op. "Dwaas, die ik was, niet te beseffen, dat de eene kaai
zoogoed Keizersgracht moet heeten als de andere. Nu ben ik zeker den
verkeerden weg geloopen en moet ik langs de andere zijde terug. In
's hemels naam dan!"

Hij hervat zijne wandeling; doch nu in omgekeerde reden: hij heeft
de binnenste zijde van den dubbelen boog, dien de Keizersgracht
beschrijft, afgeloopen, en, onbewust dat, achter zijn rug, over die
rivier, welke hij als eene uiterste grens beschouwt, nog eene tweede
Keizersgracht ligt, onbewust, dat hij zich met elke schrede al meer
en meer van het voorwerp zijner nasporingen verwijdert zet hij deze
langs den buitensten boog weder voort.

Hij beproeft nogmaals de huisnummers te lezen. Helaas! het is
middernacht geslagen. Aan de huizen branden geen lantarens meer.

Hij wil in de tapperijen inlichting vragen: men ziet hem voor een
stillen verklikker aan: men roept hem toe, dat men na klokke twaalf
niet meer opendoet en men grendelt de deur dicht. Hij wendt zich tot
de klepperlui. Zij verzekeren hem achtereenvolgens, dat de Buurt,
waar hij zich bevindt, de letters AA, BB, of CC draagt; maar zeker
niet Buurt W is:--en dat hij veel verder zal moeten wezen.

Weldra kan onze wandelaar nauwelijks meer den eenen voet voor den
anderen zetten. "Helaas!" denkt hij, "dat zijn hier ook al de Parijsche
of Londensche trottoirs niet!"--en al meer en meer zwaarmoedig en
bedrukt strompelt hij verder.



Het is pijnlijk, toestanden te beschrijven, gelijk aan die,
waar onze vreemdeling in verkeerde; ik wil dan ook al de
gewaarwordingen niet ontleden, welke hij op zijne verdere wandeling
gevoelde: gewaarwordingen van afgematheid, van ongedurigheid, van
twijfelmoedigheid, van verlegenheid, van spijt, van angst. Genoeg
zij het te zeggen, dat, zoo hij onder 't voortgaan nog altijd eenige
hoop had gevoed de gezochte woning te vinden, en daardoor nog eenigen
moed om zijne nasporingen niet op te geven, beide, hoop en moed,
zijn boezem geheel verlieten, toen hij zich eindelijk weder aan de
Brouwersgracht bevond: vlak bij de houten brug, aan wier overzijde
hij zijn ontdekkingsreis begonnen was.

Waar hij per slot onder dak kwam en hoe laat het toen was, weet ik met
geen zekerheid te zeggen: dit weet ik alleen, dat het niet was ten
huize van den heer X. Smit. Niet voor den volgenden morgen kwam hij
daar te land, nadat hij het adres van 't huis uit zijn brieventasch
had gehaald en de woorden, welke hij als overtollig had beschouwd,
den voerman, die er hem heen zou brengen, op den weg hadden geholpen.

Hij had nu althans de ondervinding opgedaan, dat men, om in Amsterdam
iemand te vinden, aan het nummer weinig heeft, zoolang men den naam
der gracht of straat, waar hij woont en die der aangrenzende grachten
of straten niet van buiten heeft geleerd.

Zeker is dit niet altijd even gemakkelijk, en leert het hier gegeven
voorbeeld, hoe fraai het nummeringstelsel te Amsterdam berekend is,
om de vreemdelingen, ja zelfs de Amsterdammers, in de war te brengen.

Tot hun troost kan ik hun in 't voorbijgaan zeggen, dat in Den Haag
een nog dwazer stelsel gevolgd wordt:--daar voert ieder huis drie
nummers in plaats van een.

Zoekt men daar iemand, die b. v. in No. 120 heet te wonen, dan kan
men bijna zeker zijn, dat aan de huisdeur op den eenen deurpost 120,
op den anderen 121 te lezen staat, behalve nog een nummer, dat grooter
is:--doch op de huisdeur van den buurman vindt men 119 en 120. Op
welke van de beide getallen 120 moet men nu afgaan? Ik heb eens het
geheele Voorhout driemalen rondgewandeld, om een mijner toenmalige
ambtgenooten te zoeken, die er woonde en wiens huisnummer ik had
opgeschreven. Ik vond dat nummer driemalen terug, en daar ik niet
gaarne aan een verkeerd huis aanschel--aanbel moet ik hier zeggen,
daar 't Den Haag betreft--liep ik weer naar mijne kamer zonder mijn
bezoek te hebben afgelegd.

--"Maar," zal iemand mij toevoegen, "gij cantator temporis acti! was
het dan, in vroeger tijd, toen er nog geen huisnummers bestonden,
nog niet veel moeilijker iemands woning te vinden?"

--"Volstrekt niet," antwoord ik met vol vertrouwen, "want toen was er
geen huis, dat zich niet door zijn eigen naam onderscheidde, of althans
in de buurt gelegen was van een zoodanig, door geheel de stad bekend
gebouw. Men had den Bonten Mantel, de Reaal, de Vergulde Pers, den
Gouden Ketting, den Pool, den Moor, den Atlas, de Moriaantjes, Parijs,
Zeerust, 't Paradijs, 't Nieuwe Testament, den Liesveldschen Bijbel,
de Lelie onder de doornen, enz. enz. en geen kind, dat u niet terecht
kon wijzen. Ik heb in het derde deel mijner uitgaven van Vondel het
opschrift vermeld van een couvert, dat Tesselschade aan Vondel zond:
"Aan Sr. J. Van den Vondel in de Trouw in de Warmestraat."--Had onze
Belg toen geleefd en Vondel willen bezoeken, hij zou niet verlegen
zijn geweest, om hem uit te vinden. Ieder wist, waar de Warmoesstraat
was en ieder kende "de Trouw."

Het zijn juist de nummers, die de oude namen, waaronder de huizen
bekend waren, op zeer enkele na, hebben doen vergeten.

Maar is er, nu die namen eens vergeten zijn, een middel uit te denken,
waardoor het gemakkelijker worden zal, een opgegeven huis te vinden?

Ik hou het er voor, dat men op onderscheidene wijzen dat doel bereiken
zal: en ik zal de vrijheid nemen er eene aan de hand te doen;--doch
zulks vordert wel een afzonderlijk Hoofdstuk.



Over de middelen, om iemands woning spoedig te doen vinden.


De groote zwarigheid, welke te overwinnen valt, is, dat men iemands
woonplaats, vooral wanneer die op eene lange gracht of in eene lange
straat gelegen is, niet dan met eene zeer omslachtige bijvoeging
kan uitdrukken. Ik heb zelf meermalen ondervonden, hoe vervelend het
is, vooral wanneer ik haast had of het stortregende, genoodzaakt te
wezen aan den koetsier der vigilante op het spoorwegterrein, voor
te dreunen, dat hij wezen moest "op de Keizersgracht, tusschen de
Leidsche-en Spiegelstraten, aan de donkere zijde, bij Van Lennep,
de vijfde platte stoep van de Spiegelstraat af."--Gelukkig nog,
wanneer de chef der vigilantes, die mij kent, zijnen voerman toeriep:
"Over Van Dillen!"--Van Dillen is een stalhouder en woont schuins
tegenover mij.--En dan reed ik weg, peinzende over de kleine wonde,
mijner ijdelheid toegebracht, en over het betrekkelijke van iemands
vermaardheid.

Wat is er nu te doen, om het opzeggen van zulk eene litanie onnoodig
te maken. Op het adres van een brief kan men volstaan met Buurtletter
en nummer op te geven;--doch daar deze alleen bij de post bekend zijn,
dient men in alle gewone gevallen tot een ander middel zijne toevlucht
te nemen.

Ik zou, wat mij betreft, het niet ongepast achten, dat men alle lange
grachten en straten, van dwarsstraat tot dwarsstraat, door een tweeden
naam onderscheidde. Ik wil hier wederom, als in 't vorige Hoofdstuk,
de Keizersgracht tot voorbeeld nemen.

Aan die nieuwe indeeling, welke ik voorstel, zoude ik nog een ander
nut willen verbonden hebben. In Parijs vindt men een aantal straten,
die naar hare bijzondere bestemming, doch ook eene menigte, die tot
herinnering van gebeurtenissen of personen genoemd zijn. Zoo brengen de
namen als "Rue d'Amsterdam, de Helder, de Breda, de Vienne, de Berlin,
de Moskou", nog aan den Franschman den roemvollen tijd voor den geest,
toen zijne zegevierende vanen door geheel Europa wapperden. Zoo houden
opschriften, als Rue Racine, Rue Jean Jacques Rousseau, Quai Voltaire,
Quai Beaumarchais, Rue Favart, Rue Marivaux", enz. de gedachte bij
hem levendig aan mannen, op wie zijn land zich verheft.--Aan iets
dergelijks is hier te lande nimmer gedacht geworden. Men heeft te
Amsterdam, na veel passen en meten, eene plaats gevonden, waarop men
een standbeeld voor Rembrandt kon oprichten;--doch standbeelden zijn
duur en de plaats om ze te stellen niet meer te vinden:--er bestaat
echter een minder kostbaar middel om mede te werken tot het in eere
houden der nagedachtenis van groote mannen:--men schenke hun naam
aan de straat, waar zij geboren zijn, gewoond of gewerkt hebben.

Welnu, welke zwarigheid zou er bestaan, dit beginsel ook in Amsterdam
in toepassing te brengen?--Wij staan wederom aan het houten bruggetje,
waar onze wandelaar zijne reis begon. Op deze gracht, tegenover
de Groenlandsche Pakhuizen, was de woning van den doorluchtigen
Schrijver der Nederlandsche Geschiedenis. Wat zou er tegen zijn,
deze gracht te doopen: "Keizersgracht, Hooftkaai?"

Deze naam moet nu in mijn stelsel gelden zoowel voor de eene als voor
de andere zijde der gracht. Doch opdat nu niemand in de onzekerheid
verkeere, aan welke zijde hij het huis moet zoeken waar hij wezen
wil, zoo bezige men aan de zijde, die het naast aan het IJ gelegen is,
uitsluitend evene getallen, en plaatse de onevene aan de overzijde. Zoo
telle men hier, van de Brouwersgracht af, met 2, 4, 6, 8 enz., en aan
de overzijde, waar de kerk staat, 1, 3, 5, 7 enz., zonder de nummers
te laten doorloopen nadat men de straat voorbij is.

Op de volgende gracht woonde de vermaarde regent en geneesheer
Tulp. Zou het slecht klinken zoo men sprak van: "Keizersgracht,
Tulp-Kaai, No. 2, 4 enz.?"

Over de Westermarkt staat de grootste van al de bijzondere woningen
in Amsterdam, en hij, die deze woning bouwen liet, was een groot
en wakker man. Weet iemand een beteren naam voor die gracht, dan:
"Keizersgracht, Huydecoper-Kaai?"

Tusschen de Harte-en de Wolvestraat heeft een vermaard regent
gewoond, die het Stadhuis hielp bouwen en den vrede van Munster hielp
sluiten. Is er iets tegen: "Keizersgracht, De Graef-Kaai?"

Bestaande namen in eere te houden is plicht. De gracht, die volgt,
wordt reeds genoemd: "de gracht van Felix", en, der "verdienstelijke
maatschappij" indachtig, zou ik haar geen anderen naam willen geven
dan: "Keizersgracht, Felix-Kaai."

Nabij het Molenpad had Hemony zijne werkplaats, de door Vondel
bezongen Hemony, de gieter van bijna al de torenklokken, waardoor
ons vaderland boven elk ander land beroemd is. Huldigen wij Hemony,
wiens klokkenmuziek ons nog bij feestelijke gelegenheden in de ooren
dreunt, door de gracht, waar hij arbeidde, den naam te geven van:
"Keizersgracht, Hemony-Kaai."

Het zou mij geen moeite kosten op gelijke wijze voort te gaan en
een onderscheidenden naam te vinden voor elke afdeeling van de
Keizersgracht, ja van alle grachten en straten van Amsterdam. Doch
een van beide zal gebeuren: óf mijn voorstel wordt alleen met een
medelijdend schouder-ophalen beantwoord; en in dat geval wil ik niet
meer moeite aan deze zaak besteden dan noodig is, om te bewijzen dat
het plan uitvoerbaar is,--óf het Bestuur neemt mijn denkbeeld over,
en dan acht ik het min gepast, der commissie, die in dat geval benoemd
zal worden, het genoegen te ontnemen, om zelve de meest geschikte
namen te kiezen en voor te dragen.

Ziet! nog dit eene: Rembrandt heeft een standbeeld, en, zoo iemand,
hij verdiende het te hebben. Maar is het daarom billijk, dat Vondel
en Bilderdijk, dat Blaeu en Quellin, dat Vossius en Van Baerle, dat
Surlingh en Van Bree, dat Le Maire en Trip, dat Van Beuningen en Reael,
dat De Ruyter en Van Galen de vereering, waar zij aanspraak op hebben,
zouden missen?



Een hoofdstuk, dat tot inleiding moet dienen voor eenige volgende.


Het doet mij goed, wanneer ik door Amsterdam wandel, mij te
verplaatsen in vroegere dagen: ik denk dan de leelijke, smakelooze
Stad der negentiende eeuw weg, om de vroolijke, pittoreske Stad van
voorheen voor mijne oogen terug te tooveren: ik zie dan--in plaats van
vierkante steenmassa's, die voor Gemeentehuis, Paleis van justitie,
enz. enz. moeten doorgaan, en wier naakte gevels, van vierkante gaten
voorzien, zelfs door geen symbool de bestemming van het inwendige
verkondigen--schilderachtige gebouwen, met torentjes, kanteelingen,
gewelven, pilaren en bordessen: in plaats van woonhuizen, die op het
getal der vensters en de plaatsing van de deur na, alle precies op
elkaar gelijken, alle even stijf, even leelijk, evenzeer verstoken van
wat eene architectonische gedachte zou bewijzen--eene verscheidenheid
van aardige, nette woningen, bontgeverfde luiken, met uitspringende
bovenverdiepingen en nog verder uitspringende luifels, banken en
stoepen, met grillig gevormd beeld- en lijstwerk, met zinnebeelden
en uithangborden: in plaats van monsterachtige goederenwagens en
omnibussen, die den armen voetganger van de kleine steentjes op
de stoepen, zoo niet in de kelders, drijven--speeljachten, tent-
en roeischuitjes, die in de gracht blijven en niemand hinderen: in
plaats van smakelooze zwarte hoeden, zwarte rokken, zwarte jassen,
zwarte buizen, zwarte paletots en zwarte pantalons--mantels
en bovenkleederen van alle snede en kleur, rijk voorzien van
passementen en borduurwerk [1]: in plaats van luchtige karwatsen en
dunne rietjes--fiksche rijzweepen, stevige stokken en stootdegens: in
plaats van biljartspelers en jeneverneuzen--kolveniers, boogschutters
en bierbuiken; in plaats van fatsoenlijke straatslijpers, die sedert
jaren om een postje bedelen, en inmiddels hun tijd in de sociëteiten
en koffiehuizen verbeuzelen--wakkere, vierkant gebouwde mannen,
die nauwelijks een half uur op den dag aan uitspanning schenken
kunnen, en, voor handel, nijverheid of kunst levende, tevens met hun
eigen roem of welvaart die van de stad helpen bevorderen: in plaats
van.... maar ik wil geene vergelijkingen meer maken: ik vrees reeds
in herhalingen te zijn vervallen, en, liever dan daar verder aan toe
te geven, verwijs ik den lezer naar blz. 3 [2].

Het was dan ook hier mijn doel niet zoozeer, opnieuw eene parellel
te trekken tusschen het Amsterdam van voorheen en dat van thans;
maar wel, sommigen onzer voormalige stadgenooten tot een afzonderlijk
punt van beschouwing te maken. Ik wil te dien einde, waarde lezers
en lezeressen, u uitnoodigen tot eene wandeling langs pleinen,
straten en grachten: en zoo menigwerf wij de plek voorbijgaan,
waar een huis stond of nog staat, welks vroegere bewoner zich een
naam verwierf, dezen uit den nacht der eeuwen opdagen, en u, voor
zooverre dit noodig mocht zijn, nader met hem in kennis brengen. 't
Zal eene tooverlantaarn zijn van bonte en vreemdsoortige figuren, die
ik u vertoon; want uit den aard der zake zal ik mijne beelden moeten
nemen, zooals zij zich achtereenvolgens voordoen, uit verschillenden
tijd, van verschillend slag en karakter;--doch die afwisseling zal,
naar ik mij vlei, hare pikante zijde hebben, en beletten dat mijn
werk--wat bij 't volgen van regel en methode al licht het geval zou
kunnen zijn--op een schoolboek gelijke.



In den Bril.

Wij beginnen onze wandeling van den Dam; maar wij stellen ons dien
voor gelijk hij was voor 450 jaren, toen hij nog den naam droeg van
"de Plaetse". Kleiner dan tegenwoordig en gedeeltelijk binnen andere
grenzen beperkt is de omtrek van het plein. Het Stadhuis, het tweede,
dat Amsterdam bezat, of liever, de tot Stadhuis verbouwde woning van
Katrijn Matthijssen-Heingenszoons-weduwe, staat veelmeer vooruit dan
het tegenwoordige Paleis, als komende met zijn voorgevel nagenoeg op
eene lijn met het midden van de Kalverstraat en den Nieuwendijk: het
paalt voorts ten noorden aan het Sint Elizabeths- of H. Geestgasthuis,
terwijl daarachter en daarnevens--om van een paar stegen en sloppen
niet te gewagen, alles is volgebouwd. Evenzeer is de overzijde,
tot op de hoogte der Krom-elleboog-steeg, met huizen bezet. Het
Waaggebouw, dat ik in mijne jeugd te Amsterdam heb zien afbreken,
bestaat nog niet; ofschoon de stad reeds van Albrecht van Beieren
het recht der waag verkregen had; doch op de plaats, waar het later
kwam te staan, tusschen den Nieuwendijk en 't Water, bevindt zich
een aantal woningen: en daaronder treffen wij een huis aan, met een
bril in den gevel gehouwen. Met den bewoner van dat huis, waarde
lezer! willen wij onze galerij openen. En hij heeft er recht op;
want niet één onder de ingezetenen van Amsterdam, die, vóór hem,
zich een naam en vermaardheid verwierf, die bij de zijne mochten
halen.--Zie! daar treedt hij zijne woning uit. De roode wrong, die om
zijn hoofd is geslagen, de violetkleurige tabberd, de rood fluweelen
tasch, die aan den gordel hangt, duiden aan, dat hij tot een deftigen
stand behoort; maar ook schijnen zijn vijftigjarige ouderdom en de
achtbaarheid van zijn voorkomen hem aanspraak te geven op den eerbied
zijner stadgenooten. En werkelijk, terwijl hij zich over straat en
naar 't Damrak begeeft, is er niemand van hen, die onder de hooge
luifels voor hunne woningen gezeten zijn, die niet oprijst, geen
der voorbijgangers, die niet de hand aan de kaproen brengt om hem
te groeten; want ieder kent hem en draagt hem hoogachting toe; en,
al is Willem Eggert een Gentenaar van geboorte, toch is hij met hart
en ziel aan zijne nieuwe woonplaats verknocht; en, zoo hij er zelf
welvaart en vermogen vergaderd heeft, hij doet er anderen ruimschoots
in deelen. Waar ter bevordering der stadsbelangen, ten nutte der
burgerij, ter ondersteuning van armen of lijdenden iets verricht of
gegeven moet worden, daar is Willem Eggert gereed, met raad en daad
te helpen: en zoo is het gekomen, dat evenzeer de deftigste magistraat
als de geringste dagloonersweduwe hem liefhebben en in eere houden.

Doch heden schijnt het, dat men hem met dubbele opmerkzaamheid,
met verhoogde belangstelling gadeslaat en, terwijl hij verder is
voortgewandeld naar de schuiten, die ginds in 't Water liggen,
volgeladen met koopwaren, voor zijne pakhuizen bestemd, is menigeen
blijven staan en hem naoogen, en vormen zich groepen van twee, drie
en meer personen, die zich blijkbaar over hem onderhouden, terwijl in
hunne blikken eene mengeling van verwondering, goedkeuring en tevens
van leedgevoel te lezen is.

Wat heeft bij hen die tegenstrijdige gewaarwordingen opgewekt? Wat is
de reden, dat, nu Eggert, na 't afdoen zijner zaken, huiswaarts keert,
enkele meer aanzienlijke onder zijne medeburgers hem staande houden,
eenige woorden met hem wisselen, hem geluk schijnen te wenschen, hem
de hand hartelijk schudden en toch verslagen van hem heengaan? Zij
is deze: voor eenige dagen is aan "de Bril" een ruiter afgestapt,
wiens kleed geruit was van zilver en lazuur, 's Graven hoflivrei,
en die zich lang met den bewoner onderhield: deze is daarop uit
de stad vertrokken en eenige dagen afwezig geweest, en na zijne
terugkomst is al ras rondgefluisterd, dat Graaf Willem VI hem, den
Amsterdamschen koopman, had benoemd tot Trezorier van Holland:--en
ofschoon nu iedereen erkent, dat niemand beter dan Willem Eggert
bij machte zijn zal, den verwarden staat der geldmiddelen van de
Graaflijkheid te herstellen, toch treurt ieder bij de gedachte, dat
hij Amsterdam verlaten zal; want het is allen klaar, dat hij daar
niet zal kunnen blijven wonen, en van daar de neerslachtigheid zijner
bekenden, nu hij hun vermoeden daaromtrent bevestigd heeft. 't Was
reeds een kwaad voorteeken, mompelt men, dat hij voor eenigen tijd een
slot aan "'t ende van de Purmer" liet opbouwen, om er--naar men toen
vreesde--zijne verdere levensdagen te gaan doorbrengen:--en toch,
die vrees werd niet bewaarheid en het is, om zijn bedrijvig beroep
met een niet min bedrijvig en geenszins met eene welverdiende rust
te verwisselen, dat Eggert Amsterdam verlaten zal.

Maar wederom hebben twee wandelaars hem aangesproken: en aan dezen
wil hij blijkbaar, behalve het bericht van zijn aanstaand vertrek,
nog iets wichtigs mededeelen. Hij stapt met hen "de Plaetse" weder
op, zijne huisdeur voorbij, over den Nieuwendijk, en.... verwonder u
niet te veel, lezer! wij zijn in 't begin der vijftiende eeuw--een
daarachter gelegen boomgaard in. Die boomgaard is zijn eigendom;
maar hij wil daar eene andere bestemming aan geven en, bij zijn
vertrek uit de Stad, aan deze een duurzaam geschenk achterlaten. Hij
wil haar dien boomgaard afstaan om daarop eene nieuwe kerk te bouwen
ter eere van St.-Katrijne, en de middelen, tot dien bouw benoodigd,
grootendeels uit zijne beurs bekostigen. De twee mannen, die met hem
gaan, zijn de Burgemeesters Symon Sael en Jean Beth. Het geslacht,
waartoe de eerstgenoemde behoort, is een van die, welke in het oude
rijmpje genoemd worden:


    De Saelen, de Waelen, de Schaepen, de Ruischen,
    Dat sijn er de oudsten van de dry kruysen.


De naam van den laatstgemelde is wellicht de eenige van dien tijd,
die in Amsterdam nog niet is uitgestorven.

Aan die beiden maakt nu Willem Eggert zijn voornemen bekend om op
dat erf eene kerk te stichten, en met aandacht, eerbied en erkentenis
luisteren zij naar 's mans taal.

En nu--voltooien wij wat aan de voorstelling ontbreekt: nog was
Willem Eggert niet naar 's-Gravenhage gereisd om zijn trezoriersambt
te aanvaarden, of de pereboomen in den boomgaard waren omgehouwen,
tal van arbeiders brachten de mastboomen aan, die in den drassigen
bodem geheid zouden worden en waarop de kerk zou komen te rusten.

Willem Eggert voldeed aan de verwachtingen, door den Graaf van hem
opgevat: hij herstelde den toestand der Geldmiddelen en oogstte er
den dank voor in zijns meesters, die hem met gunstbewijzen overlaadde,
hem met het slot en stedeken van Purmerende, het aangelegen Purmerland
en de dorpen Nek en Ilpendam beschonk, en zijn zoons tot ridders
sloeg. Maar tevens verwierf hij zich den haat van 's lands edelen,
naijverig op den eenvoudigen poorter, die, als zij, aan 's vorsten
disch gezeten was, die, als zij, een kasteel dorst bezitten, en
zich "Heer te Purmerende" teekenen, die, als zij, een wapen dorst
voeren--sabel met drie zilveren weerhaken [3] en, als zij, zijne
dochter [4] aan een edelman ter vrouwe geven. Maar wat kwellingen,
wat beleedigingen hij van hen te verduren had, hij troostte zich
met de bewustheid, dat hij jegens zijn God, jegens zijn gebieder,
jegens het Graafschap en jegens het hem dierbare Amsterdam zijn plicht
had vervuld. En wel had de stad aanleiding hem erkentelijk te zijn:
immers de oude kronieken getuigen van hem, hoe hij haar overschoone
privilegiën bezorgde en men van hem destijds zeide: "dat noyt eenich
burger haer profijtelijcker ofte aengenaemer is geweest dan hij."

Was het aan de gehechtheid, welke hij voor zijn meester voedde,
aan vrees voor hetgeen hij voortaan van een vijandig Hof te duchten
had, of wel aan hetgeen wij toeval noemen, te wijten, dat toen de
Graaf op den 30sten Mei 1417 overleed, Willem Eggert hem nauwelijks
anderhalve maand overleefde? Zoo tuigt althans het grafschrift,
dat nog heden in de Nieuwe Kerk, ten zuiden van het koor, ter
wederzijden van een balk, tusschen twee pilaren, te lezen is [5]:
"Anno MCCCCXVII den XV dagh in julio, starf den eerbaren Willem Eggert,
Heer tot Purmereynde, fundateur van dese kapelle, gedoyteert met twee
Vicariën, mede-fundateur van dese kerck, die begraven is onder dese
blaeuwe serck."

Aan den ontijdigen dood des vromen mans was het toe te schrijven dat de
kerk "niet en heeft tot al sulcke perfectie gebracht ende opghebouwt
connen worden als van aenbegin begrepen was."--Wellicht deed hier ook
toe, dat Jan Eggert, de eenige onder zijne zonen, die hem overleefde,
uit vrees voor den wrok der edelen, of om de woelingen, aan welke
't land ten prooi was, te ontgaan, Amsterdam verliet, zijn slot te
Purmerende verkocht aan zijn zwager Gerrit Van Zijl, en zich naar
Oostende metterwoon begaf.--Een ander lid van 's mans geslacht, Jan
Eggert Hartgerszoon, schijnt echter tot het voortzetten van den bouw
te hebben medegewerkt.

Nog eene andere stichting had de stad aan Willem en Jan Eggert te
danken, te weten van een college, in de Oude Kerk, ten einde de
getijden te zingen, en dagelijks een gedeelte van het Evangelie te
lezen en er, des Zondags, eene uitlegging van bij te voegen en andere
philosophische en theologische lessen te geven. Jan Eggert Hartgerszoon
voornoemd en Wendelmoet, zijne vrouw, breidden deze dotatie uit. Het
college zelf ging met verloop der tijden te niet; doch de boekerij,
daaraan verknocht, bleef in wezen, en, naar de Nieuwe Kerk verplaatst,
werd zij de kern, waaruit later de Stads-Bibliotheek zou voortkomen.

En moge dan die Bibliotheek thans verplaatst zijn en geheel andere
boeken bevatten dan het college, door Eggert gesticht, had verzameld,
en moge de Katrijne kerk na den brand, die haar in 1645 vernielde,
geheel nieuw zijn herbouwd, nog is het billijk dat wie eene van
beide bezoekt, nu en dan den edelen man herdenke, aan wien beide
instellingen hare eerste wording, aan wien Amsterdam zooveel goeds te
danken had. Het huis met "de Bril" bestaat niet meer;--de nagedachtenis
van Willem Eggert blijve leven.



In de Mol.

De plek verlatende, waar wij ons tot nu toe hebben opgehouden,
doen wij maar weinige schreden naar de zijde der Warmoesstraat;
doch tevens doet onze verbeelding een reuzestap. Wij denken de Beurs
weg--waarin echter voor velen onzer, die haar hebben zien bouwen,
juist het bezwaar niet zal gelegen zijn--en de Groote Vischmarkt
terug;--ook dit gaat nog;--maar wij springen van de vijftiende eeuw
naar de laatste helft der zestiende vooruit:--en dan ontdekken wij
tegenover den steiger van het Damrak, waar de zeevisch aangevoerd
en gelost wordt, een huis, op welks top de gril des stichters of
des bouwmeesters een mol heeft afgebeeld. Zonderling gewis is de
overgang, dien wij maken van het werktuig, dat den slechtziende het
gezicht teruggeeft, op het viervoetig diertje, dat tot zinnebeeld der
blindheid strekt. Maar niet minder groot dan het onderscheid tusschen
een bril en een mol, is dat tusschen den man, die 't voorwerp onzer
beschouwing geweest is en den man, dien wij thans doen optreden.

Het is Maandag, de zes-en-twintigste Mei 1578. Van achter de in
lood gezette vensterruiten van zijn bovenhuis, gluurt meester
Henrik Dirkszoon naar den Dam. Het is daar op Maandag altijd druk
en woelig: de boeren en buitenlieden zijn er als altijd met kaas en
zuivel op de markt, en de waagdragers zijn er bij de hand aan de in
1560 voltrokken nieuwe Waag. Doch het schijnt deze reis of er geen
kooplust bij de burgers, geen werk voor de waagdragers bestaat: en de
bonte menigte, op het plein verzameld, woelt en loopt heden niet heen
en weder als op gewone marktdagen; integendeel heerscht een doodsche
stilte bij den volkshoop, die in dichte groepen afgedeeld, de oogen
doorgaans stijf gevestigd houdt op het Stadhuis daar tegenover,
en met gespannen aandacht schijnt af te wachten wat er gebeuren
zal. Maar die stilte, die onbeweeglijkheid zijn onheilspellend, meer
dan eenig gejoel of straatrumoer. Zij schijnen bij die scharen eene
eenstemmigheid van bedoelingen, een bepaald overleg, eene vastheid
van wil te verkondigen, die niet licht voor overreding, moeilijker
nog voor geweld zullen wijken. En inderdaad, het bericht, hetwelk
die volksmenigte te gemoet ziet, zal van overwegend gewicht zijn;
want daarvan zal afhangen of Amsterdam--om de geijkte uitdrukkingen
van die dagen te bezigen--Paapsch blijven of Geus zal worden.

Sedert dat, in Februari, de Stad, na alleen gedurende jaren lang in
Holland het gezag des eigenmachtigen Konings te hebben gehandhaafd,
eindelijk de "satisfactie" heeft aangenomen en zich gevoegd onder het
bestuur der Staten van Holland en des Prinsen van Oranje, is ook hier,
als in de overige Hollandsche steden, der gewetensvrijheid plaats
gegeven: zij, die om den wille van 't geloof in ballingschap leefden,
zijn meerendeels teruggekeerd: de uitoefening van den Gereformeerden
Godsdienst mag wederom--mits buiten de stadsmuren--plaats hebben en
de bende stadssoldaten, vroeger een gevreesd en krachtig werktuig
in de handen eener overheid, die aan Rome en Filips verknocht
bleef, staat thans onder Oversten en rotmeesters, door Oranje
aangewezen.--Maar de verkregene voorrechten en voordeelen stellen
de partij der Staatsgezinden nog niet tevreden: zij schijnen
hun niet voldoende om 't geleden leed en onrecht te vergoeden,
niet in genoegzame verhouding met de stelling, welke zij zich in
de meeste overige steden van Holland verworven hebben: en vooral
geen waarborgen van duurzaamheid te bezitten. De Stadsregeering,
uitsluitend samengesteld uit Roomsch- of Koningsgezinden, wordt,
te recht of te onrecht, verdacht gehouden, alleen tijdelijk voor den
nood gezwicht te hebben, en enkel naar de gelegenheid uit te zien,
om den voormaligen toestand te doen terugkeeren. De argwaan, tegen
haar ontstaan, wordt gevoed door velerlei geruchten, als: dat Don
Jan van Oostenrijk schepen van Zweden gehuurd en krijgsbenden te
Deventer verzameld zou hebben om daarmede een aanslag op Amsterdam
te ondernemen. Daarbij schijnt ook de houding der Wethouderschap aan
te duiden, dat zij alles behalve gezind is, de voorwaarden van het
verdrag, met de Staten aangegaan, op eene milde en onbekrompene wijze
uit te leggen. Aan de Gereformeerden was daarbij eene begraafplaats
toegezegd binnen de muren, een recht, waar men destijds bijzonder
op stond, en dat, volgens de uitdrukking van den Prins, "zelfs aan
geen hond kon onthouden worden;"--maar de plaats door de Regeering
tot een kerkhof aangewezen, was in een morsigen achterhoek der stad
gelegen, en, in de oogen der belanghebbenden, alleszins afzichtelijk
en het doel onwaardig. Ten andere, bij het verdrag was bepaald,
dat de Drie Schutterijen (de Oude, de Hand- en Voetboogschutterij)
weder zouden worden opgericht; en allen, die daar vroeger deel van
uitmaakten, dus ook de teruggekeerde uitgewekenen, daarin hunne plaats
hernemen; doch er was geschil ontstaan tusschen de Wethouderschap en de
afgevaardigden der Staten, welke laatsten begeerden dat de Schutterijen
in zes Vendels zouden worden afgedeeld, dat de Prins en de Staten de
Hoplieden en Rotmeesters benoemen zouden, en eene lijst van daartoe
geschikte personen aan Burgemeesters ter goedkeuring toegezonden; en
nu was, op Vrijdag te voren, in de Vroedschap bij algemeene stemmen
besloten, niet te bewilligen in het brengen der Schutterijen onder
zes Vendels, en vooral niet onder de opgegeven personen. Maar bij
al die meer of min gegronde redenen van ontevredenheid zou ik er nog
eene durven voegen, waar men niet zoo bepaald mee voor den dag kwam
en die toch inderdaad de ware was: het vrij natuurlijk verlangen
namelijk van de partij, die zoolang de onderliggende geweest was,
om de vruchten der behaalde overwinning te plukken en op hare beurt
aan 't roer te komen. Het straks genoemd besluit en nog eene andere
beraadslaging, op dien zelfden 23sten Mei gehouden, en waarbij een
voorstel, tot vergunning aan de Mennonisten om het Poorterschap te
bekleeden, heftigen tegenstand ondervonden en tot geen gevolg geleid
had, duidden aan, dat de Regeering tot verdere concessiën ongezind
was en vermoedelijk geneigd tot inkrimping der reeds verleende: en
zoo was hiervan het gevolg geweest, dat de aanzienlijksten onder de
Gereformeerden de hoofden bij elkander gestoken en het besluit gevormd
hadden, aan dezen staat van zaken voorgoed een einde te maken. Men
wil echter den weg der onderhandeling beproeven, en daarom had op
Maandagmorgen een bezending van vijf voormalige uitgewekenen, allen
tot de deftigste geslachten behoorende, met Willem Bardes aan 't
hoofd, zich op 't Stadhuis vervoegd, waar op dit tijdstip de geheele
Wethouderschap vergaderd was:--en het is de uitslag van dit bezoek,
welke de steeds aangroeiende menigte op den Dam is afwachtende. Reeds
een paar reizen zijn de leden der Bezending van 't Stadhuis naar de
herberg op den Dam, waar de Gemachtigden der Staten zich onthouden,
en van daar weder terug naar 't Stadhuis gewandeld, en dit over-
en wedergaan schijnt aan te kondigen, dat men nog verre is van eene
voldoende uitkomst verkregen te hebben.

Ook meester Henrik Dirkszoon staat, als wij gezegd hebben, het tooneel
daar voor hem aan te zien. Reeds meer dan tachtig jaren zijn over
't hoofd diens grijsaards gegaan; maar al is zijn gelaat gerimpeld,
al staan zijne oogen dof, al is zijn rug gebogen en zijn lichaam
door ouderdom verzwakt, nog is bij hem de geest even wakker, de
wilskracht even sterk als toen hij, in 't jaar 1525, voor 't eerst
zijne plaats in de Vroedschap aanvaardde; en, is op 't gelaat zijner
bedaagde huisvrouw, in weerwil van hare reeds verzwakte geestvermogens,
de vrees te lezen, dat er iets niet richtig zij, en, al teekent het
gelaat zijner dienstmaagd verbazing over het ongewone verschijnsel, dat
de markt vertoont, meester Henrik heeft nimmer vrees gekend, en hij is
te oud geworden om zich over iets meer te verwonderen.--"Ik verwachtte
dit," mompelt hij bij zichzelven; "zij hebben mijn raad in den wind
geslagen: zij zullen zichzelven de gevolgen te wijten hebben. Zij
hadden òf alles moeten toegeven, òf doortastende maatregelen nemen,
en de Geuzen voorkomen eer zij door hen voorkomen worden. Nu hebben
zij zich groot willen houden--en niet gezorgd, het noodige te doen
om aan hunne woorden klem bij te zetten. Zij zullen nu het gevolg
zien van hunne halve maatregelen."

En terwijl hij dus in half hoorbare klanken lucht geeft aan zijne
gedachten en voor zich uit blijft staren over dien steeds aangroeienden
klomp menschen op het plein, voert herinnering hem onwillekeurig menig
tijdperk uit zijn lang en bedrijvig leven voor den geest. Hij ziet
zich terug, als knaap met den hoepel spelende op dat plein, in een
tijd, toen men nog aan geen "Luiteranye" dacht, en nog maar alleen
zorg voedde voor de wapenen van den Gelderschman; hij herdenkt zijne
reizen, zijn studietijd, zijne terugkomst, zijne eerste handelingen
als Lid van de Vroedschap: de woelingen der Wederdoopers en zijn ijver
tegen al wie van ketterij verdacht werd; hij doorleeft de dagen van
zijn Burgemeesterschap, en nog kan hij zich niet onthouden van een
glimlach, bij de gedachte, hoe hij, in 1545, toen de uitvoer van
het koren overal verboden werd, de afkondiging van het plakkaat te
Amsterdam weerhouden heeft, door te bestellen, dat bij de opneming, de
voorraad, in de stad aanwezig, dubbel werd opgegeven dan die werkelijk
was, en hoe hij, in 1553, ettelijke duizenden der opgebrachte bede in
zijne, in plaats van in de Landskas, had weten te doen overgaan. Hij
ziet weer voor zijne oogen het schavot opgericht, hij is opnieuw,
als van 1549 tot 1552, getuige van het verbranden en versmoren der
Wederdoopers, en hij haalt de schouders op, bij de overweging, dat,
indien de Wethouderschap maar even kloekmoedig was als in die dagen,
en een vijftigtal uit dien hoop, die thans op den Dam vergaderd is,
vatten, en, "anderen tot exempel", op liet hangen, de overigen wel
stil naar huis zouden gaan.

Maar ook zijne twisten met Schout Bardes komen hem voor den geest,
hij weeft nogmaals in zijne gedachte met den Pastoor der Oude Kerk
het net, dat hij dien geheimen vijand spannen zal: hij onderhoudt
zich nogmaals met zijne medeplichtigen; Geele Fij, Volkje Willems,
den Notaris Kees Maartszoon, den Slijper Arie Janszoon, die, door
zijn goud of zijne beloften bekoord, den Schout en zijne huisvrouw
valschelijk beticht hebben van Wederdooperij:--en al is de valschheid
dier beschuldiging toen bewezen geworden, en al heeft hij, als verdacht
van omkooping, jaar en dag gevangen gezeten., en al heeft hem die zaak
schatten gekost, men heeft hem toch eindelijk weder moeten ontslaan;
en terwijl Volkje in de gevangenis is overleden, Fij op jammerlijke
wijze ter dood gebracht, de Pastoor en de Notaris gebannen, de
Slijper bovendien gegeeseld is, is hij de eenige geweest, schrander
genoeg om te zorgen, dat er geen bewijs tegen hem te vinden ware: en
wederom glimlacht hij bij de herinnering, dat hij toch nogmaals, na
dien tijd, tot de Burgemeesterlijke waardigheid verheven is geworden;
en dat, al was de Schout te dier gelegenheid den hem gespannen strik
ontgaan, hij, Henrik, zich later toch op Bardes heeft zien wreken,
toen die ongelukkige, op zijn ouden dag voor den Bloedraad geroepen,
de felste pijniging en geeselingen heeft moeten doorstaan en zijn leven
in armoede en waanzin geëindigd heeft.--"Maar wat booze geest," zoo
peinst hij, "heeft nu den zoon van dien zelfden Bardes naar Amsterdam
gevoerd? dien zoon, zijn vader zoo gelijk in houding, in wakkerheid, in
beleid: daarbij, Luitenant van Sonoy, vraagbaak der oproerige Geuzen,
en thans--aan 't hoofd der bezending, die daarbinnen op 't Stadhuis
is.--Zou die zoon op zijne beurt wraak komen nemen over 't onrecht,
zijn vader aangedaan?"

Bij die vraag glimlacht Mr. Henrik Dirkszoon niet: hij ziet ernstig
voor zich heen: hij is door den schakel zijner overpeinzingen tot den
tegenwoordigen tijd teruggevoerd en berekent de kansen: hij laat zijn
oog nogmaals over de volksmassa weiden, en, al hebben de meesten den
rug naar hem toegewend, en al kan hij nauwelijks iets dan hoeden,
mutsen en kapers onderscheiden, toch is zijn oog geoefend genoeg
om vriend en vijand uit elkander te kennen. "Veel zwarte mantels
en stijve halskragen! niet een enkele monnikskap!" Ziedaar wat
een vlug rondgeworpen blik hem bespeuren doet. "Waar zitten zij,
die geestelijken, die minderbroeders vooral, die zich nog maar drie
dagen geleden op alle hoeken van straten en pleinen zoo dapper lieten
gelden?--Eer dat het huis instort, vlieden al de muizen. Slechte
voorteekenen van wat volgen moet."--En nogmaals mompelt hij wrevelig
bij zichzelven: "die dwazen, met hunne halve maatregelen! O, dat ik
eene week maar Schout ware geweest!--Ha! daar slaat de trom! zouden
zij werkelijk de markt schoon doen vegen?"

En, inderdaad, uit de Kalverstraat komt, met klokslag van elven,
de Bezetting met slaande trom en wapperende vendels aangerukt, doch
de verwachting, die de Oud-Burgemeester een oogenblik gekoesterd had,
wordt teleurgesteld. De volksmenigte opent, waar de krijgsknechten zich
vertoonen, hare dichte rijen: de bezettelingen, tot voor 't Stadhuis
genaderd, deelen zich in vier Vendels: elk van deze begeeft zich naar
zijne standplaats, op een der hoeken van den Dam, en zet de musketten
en hellebaarden bij den voet; terwijl hunne Hoplieden--Rodenburg,
Jonkheim, Visscher en Duin--zich binnen 't Stadhuis begeven.

"Zij zijn het met de muiters eens." zegt Mr. Henrik bij
zichzelven:--"indien Burgemeesteren voortgaan de rol van Brutussen
te spelen, is het uit met hun gezag."

"Zal ik het eten opdoen, meester?" vraagt Stijntje, die, ofschoon de
gewone tijd van te middagmalen reeds verstreken is, nog getalmd heeft
met die vraag; maar toch zou vreezen, van plichtverzuim beschuldigd
te worden, indien zij die nu niet deed.

"Eten!" herhaalt Mr. Henrik: "nu ja," zegt hij bij zichzelven:
"misschien voor 't laatst.--Wel zeker!" vervolgt hij overluid; want
de vastberaden man wil voor vrouw en dienstmaagd den indruk bedekken,
die 't geen daar ginds plaats heeft bij hem verwekt; "het is meer dan
tijd."--En bedaard vergezelt hij zijne vrouw naar de binnenkamer,
beneden, waar weldra de brij op tafel staat te dampen. Eerst
wanneer zij gezeten zijn, en hij eenige lepels van de heete brij
heeft binnengeslagen, zegt hij op den meest natuurlijken toon tot de
dienstmaagd, die aan 't lager einde der tafel is gezeten: "ga eens
naar boven, en zie, of alles nog op de markt is als zooeven. Gij komt
mij waarschuwen als er iets gebeurt. Zoodra ik gedaan heb met eten,
kom ik zelf en dan kunt gij op uwe beurt uw deel krijgen."

Stijntje, bij wie op dit oogenblik de trek tot eten minder groot is
dan die om te weten wat er voorviel, legt haar lepel neer en voldoet
zonder aarzelen aan den last, die haar gegeven is. Bedaard eindigt
de Oud-Burgemeester zijn maal, onderhoudt zelfs zijne vrouw, bij wie
hij alle ongerustheid wil doen verdwijnen, over onverschillige zaken,
waarschuwt haar, dat hij "misschien wel op 't Stadhuis zal worden
geroepen," en begeeft zich weder naar boven. Weinig verandering
brengt hem het tooneel aan, dat hij voor zich heeft.--Alleen ziet
men, hoe de huislieden, daar de klok van twaalven op handen is,
zich bezighouden met hunne kaas en zuivel van de markt te nemen en
zich langzamerhand verwijderen. De ruimte, die een oogenblik, ten
gevolge van hun vertrek, ontstaat, doet hem iets ontdekken, dat hij
tot dien tijd niet bespeurd had, een aantal wolzakken, die tegen
de Waag liggen.--"Indien Schout Hollesloot half zooveel verstand
had als goeden wil," denkt hij, "dan had hij die zakken niet daar,
of althans niet dan onder goede bewaking laten liggen. Wolzakken
kunnen van dienst zijn, en ik heb ze in 't jaar 35 met goed gevolg
tegen de Wederdoopers helpen bezigen;--maar de Regeering moet zorgen,
dat zij er zelve gebruik van make en men ze niet tegen haar aanwende."

Weder verloopt er eenige tijd: de middag is lang voorbij, de markt
van boeren en zuivel ontledigd, en nog staat de volksmenigte op
't Stadhuis te staren; doch een dof en ontevreden gemurmel begint
hier en daar te ontstaan, eerst flauw, maar allengs meer hoorbaar
en luider en luider; en het ruischt eerlang over de markt als koren,
dat door den wind bewogen wordt.--Maar ziet! wat gebeurt er, dat op
eens dat gerucht zwijgt en wederom door diepe stilte vervangen wordt.

"Meester! meester!" roept Stijntje, die reeds lang hare brij
ingezwolgen, den disch geruimd en zich weder naar boven gerept heeft;
"daar komt iemand op de pui om af te lezen. Maar 't is de Sikkretaris
niet. Wie 't wezen mag?"

"'t Is Guillaume du Jardin," zegt de grijsaard, wiens oogen, gelijk
meer bij oude lieden het geval is, naarmate zij zwakker worden om
van nabij te zien, voorwerpen op verren afstand des te scherper
onderscheiden: "het treurspel zal een aanvang nemen."

En inderdaad, het is Du Jardin, een der leden van de Bezending, die,
op de pui naar voren tredende, zijn hoed aflicht en dien terstond weder
opzet. Dit teeken moest strekken, om zijne medestanders te waarschuwen
dat Burgemeesteren blijven weigeren aan den wensch der Bezending te
voldoen en er met redenen niets te winnen is. Henrik Dirkszoon kan
natuurlijk de beteekenis van het afgesproken sein niet weten, doch
hij raadt die uit den kreet van verontwaardiging, die van den Dam
uit duizend monden oprijst, uit het dreigend opheffen van gebalde
vuisten, uit het zwaaien van hoeden en mutsen. En zie, daar treedt
Hopman Jonkheim ten Stadhuize af; hij slaat de handen uit elkander,
hij spreekt tot de omstanders--(Henrik mag zijne woorden gissen,
verstaan kan hij ze niet);--hij haast zich naar zijn Vendel. Wat zal
er nu gebeuren? De bende stelt zich in beweging en trekt op naar de
Sint-Katrijne kerk.

"Bewaar ons!" roept Stijntje, "daar gaan de soldaten de kerk
plunderen."

"Neen," zegt Henrik bedaard, "zij gaan die tegen plundering
beveiligen,--Te sterker bewijs, dat hier een wel overlegd en geordend
plan bestaat," voegt hij er halfluid bij.

Paf!--van waar kwam dat musketschot? Uit een der vensteren van de Waag,
binnen welke eenige soldaten der bezetting post houden, stijgt de rook
van 't kruit omhoog.--Een luid en hoorbaar sein, dat het zichtbaar sein
van Du Jardin schijnt te beantwoorden. En werkelijk; daar begint op
eens de storm, waarvan die langdurige stilte de voorbode geweest was,
in volle woede los te breken. "Oranje boven! Vive de Geus!" klinkt het
van alle zijden: tal van matrozen bersten de stegen en kroegen uit,
wapperende vlaggen rond zwaaiende: daar toonen er zich al meer en meer,
alsof zij uit den grond komen gerezen.--Volk van alle slag, arbeiders,
ambachtslieden, winkeliers, kooplieden, vereenigen zich als door een
tooverslag onder bepaalde hoofden; een deel holt den Vijgendam op,
de Halsteeg in, naar 't Bushuis aan het einde der Hoogstraat, om het
geschut te halen: terwijl rapen anderen steenen en smijten die naar
de ijzeren traliën der vierschaar, om de nachtwakers te verdrijven,
die men onderstelt dat van daar, uit de haakbussen, die er bewaard
worden, op 't volk zouden kunnen schieten.--Maar er wordt van daar
geen vuur gegeven: en nu, verzekerd geen weerstand te zullen ontmoeten,
stormt de menigte als een stroomende vloed ten Stadhuize in.

"J..... Maria!" roept Stijntje, de handen wringende van angst:
"zij gaan de Heeren vermoorden!"

"Wel denkelijk!" zegt Henrik, met een bitteren lach: "en dan wordt
het onze beurt," voegt hij er in zichzelven bij. "Stijntje!" vervolgt
hij overluid: "geef mij mijn mantel, mijn hoed en mijn stok."

"Bewaar ons! Meester wil toch niet uitgaan en zich in die confusie
begeven?" vraagt Stijntje.

"'t Zal er toe kunnen komen," antwoordt Henrik: "doe wat ik zeg:
men moet op alles bereid zijn."

Zij gehoorzaamt schreiende: hij kleedt zich en plaatst zich weder
aan het venster; reeds zijnde wilde gasten, die naar 't Bushuis
gegaan waren, met het geschut terug: de wolzakken--als Henrik
voorzien had--worden opgenomen en de toegangen daarmede versperd;
terwijl de krijgsknechten der Bezetting dit alles aanzien zonder
het te verhinderen, en zich vergenoegen met het bewaken der hun
toevertrouwde posten.

Daar komt een nieuwe troep met luid gejuich en gejoel op den Dam:
zij hebben Priesters, Monniken en Leden der Vroedschap in hun midden,
wier doodsbleek gelaat doet lezen, dat zij zich op het ergste lot
verwachten.--Maar op eens treedt Bardes het Stadhuis uit, door de
leden der Bezending gevolgd, en door een drom volks omstuwd: hij
wenkt, hij deelt bevelen uit: en nu, door hunne Hoplieden voorgegaan,
stellen zich de krijgsknechten in beweging, bezetten den toegang van
't Stadhuis, en vormen vandaar af eene dubbele rij, welke men niet
zonder moeite de bevende Regenten en Geestelijken doet binnentreden:
nogmaals wenkt Bardes en men geleidt den Schout, de Regeerende en
de Oud-Burgemeesteren het Stadhuis af en tusschen de soldaten in,
bij de vorige gevangenen. Telkens treden nieuwe benden gewapende
burgers met meer Leden der Vroedschap en Monniken, op den Dam, die
bij de overigen gesteld worden, en wier verschijning telkens met een
luid gejubel wordt begroet.

--"Zij zullen mij toch niet vergeten?" vraagt Henrik Dirkszoon,
halfluid en eenigszins verwonderd zichzelven af, terwijl de vrouwen
nevens hem zich uitputten in bittere jammerklachten over hetgeen
zij aanschouwen.

En, als had men, van het plein af, de gedane vraag verstaan, een
twintigtal burgers stelt zich in beweging en komt op het Huis de
Mol aangetreden.

--"Daar zijn zij," zegt de Oud-Burgemeester. "Stijntje! open de
voordeur; 't is beter, dat ik hun te gemoet ga, dan dat zij mij komen
halen. Vaarwel moeder!" vervolgt hij, zijne vrouw, die niet recht
begrijpt wat er aan de hand is, een kus op de dorre wang drukkende:
"ik ga naar de Vergadering."

Intusschen zijn de burgers de voordeur genaderd en staan gereed die met
geweld binnen te dringen, wanneer die opengaat, en de Oud-Burgemeester
voor hen staat. Zij doen verbaasd een stap achterwaarts; doch hij
treedt in hun midden, en, als bij stilzwijgende overeenkomst, wenden
zij gezamenlijk hunne schreden naar het midden van den Dam. Dreigend
klinken hem die kreten en verwenschingen in de ooren, die, van achter
de rijen soldaten, door een woedend gepeupel worden aangeheven; doch
met een onbewogen gelaat vervolgt hij zijn weg, totdat hij zich bij
zijne lot- en rampgenooten bevindt.

"Ik dacht waarlijk, dat men mij vergat," zegt hij, met een glimlach,
terwijl hij zich in 't gelid stelt naast den Oud-Burgemeester
Joost Buick: "'t schijnt, dat wij het spel kodielje kwijt zijn,
mijne heeren!"

"Dat kost gij onmogelijk denken, dat de zoon van Schout Bardes u
vergeten zou, meester Henrik Dirkszoon!" duwt hem eene zware basstem
toe. Hij ziet op naar den man, die met bleek gelaat en strenge blikken
voor hem staat; een oogenblik is hij verrast; maar ook niet meer dan
een oogenblik, en, zich terstond herstellende: "Voorwaar, Mr. Willem
Bardes," zegt hij: "ik had u zoo ras niet herkend.--Nu! elk zijne
beurt; maar wat zegt het volksspreekwoord: "huimetuit! hoed u voor
den weerstuit."--Intusschen, maak het kort: want de Heer Buick en ik
zijn oude lieden, wien 't lange staan al ras zou vervelen."

Bardes antwoordt niet, maar nogmaals met de hand wenkende, geeft
hij bevel, dat men de gevangenen wegvoere, en de trein stelt zich in
beweging. Zoowel Regenten als Geestelijken worden, man voor man, ieder
door twee gewapende burgers aan weerszijden vastgehouden, tusschen de
rijen soldaten doorgeleid, en moeite genoeg kost het dezen laatsten,
hen tegen de woede van een verbitterd grauw te beveiligen:--"Naar
de galg met hen! naar de galg, waar zij zoo menig vromen burger aan
geholpen hebben! In 't water met de papen! Naar de galg met Teeuwis
en Meeuwis [6], met Joost Buick! en Henrik Dirkszoon!--Neen! de galg
is nog tegoed voor hen."--Deze en dergelijke zijn de onheilspellende
kreten, die zij in 't voortgaan hooren uitboezemen. Maar zij zijn
aan 't Damrak gekomen; hier liggen een aantal schuiten gereed, waar
men hen doet ingaan, wederom daarbij dezelfde orde en regelmaat in
acht nemende, die deze zonderlinge omwenteling van het begin tot aan
het einde kenmerkt. De Wethouderschap, de Leden der Vroedschap, de
Pastoors, de Monniken, allen worden soort bij soort in afzonderlijke
vaartuigen ingescheept, en men is op 't punt van wal te stelen, wanneer
het trouwe Stijntje, door den hoop komt dringen en haren meester een
pak, in een luier gewonden, ter hand stelt. Het bevat een paar hemden
en ander lijnwaad, die de zorgende huisvrouw, zoodra zij van hare
dienstmaagd gehoord had, dat haar man "uit de stad" ging, hem nazond.

"Wat moet dat?" vraagt Henrik, verwonderd.

"Schoon linnen;" antwoordt Stijntje: "dat vrouw Barta u zendt."

"Neem 't maar weer mee," herneemt Henrik, terwijl hij lachend het
hoofd schudt; "ik zal 't wel niet meer noodig hebben. Mijn groete aan
de oude vrouw, Stijntje! en zoo gij nu nog op een post voor uw vrijer
hoopt, wordt dan Geus, en wend u tot meester Willem Bardes."--Met
deze woorden keert hij zich van de schreiende en snikkende dienstmaagd
af--en de schuit steekt van wal.

"Wat meent gij, door dat linnengoed af te wijzen?" vraagt hem Buick,
die nevens hem gezeten is.

"Wel," fluistert Henrik, "denkt gij dan, dat men ons tot een bloot
spelevaren hier op deze schuit gebracht heeft? Als wij buiten zijn,
laat men ons zinken, maak daar rekening op.--En die schelmen hebben
de Geestelijke heeren apart gezet, en ons niet eens een Priester
gelaten om ons vooraf de absolutie te geven."

"Zult gij dan spotten tot in 't uiterste toe?" vraagt Buick, wrevelig:
"waarachtig, men zou nog eindigen met te gelooven, dat hetgeen men
u nageeft, waarheid is, en dat gij een anderen meester dient, dan
wel behoorde."

Henrik Dirkszoon haalt de schouders op en zwijgt:--de uitkomst bewijst
echter, dat hij zich in zijne berekening bedrogen heeft. De omzetting
der regeering moest niemands leven kosten, en zoo was er ook last
gegeven, de uitgezette personen aan den Sint Antoniesdijk aan wal en
op vrije voeten te stellen.

Wij, die onze wandeling tot Amsterdam beperken, volgen Meester Henrik
Dirkszoon niet verder. Alleen zij er nog dit tot naricht voor den lezer
bijgevoegd, dat hij, zich naar Haarlem metterwoon begeven hebbende,
aldaar een paar jaren later overleed. Bij zijne uitvaart werd het
praatje, waar Joost Buick op gedoeld had, levendiger dan ooit, en
verspreidde zich het gerucht, dat de Duivel zijn lijk weggevoerd en een
molik in de kist had achtergelaten. Wij willen hopen, dat het vertelsel
logenachtig is, en dat berouw de laatste oogenblikken verzoette,
van den kracht- en geestvollen, maar misdadigen Oud-Burgemeester.



In den Put.

Wij gaan maar weinige stappen verder, op den Middeldam, en, wederom een
sprong doende--deze reis van ruim eene halve eeuw--bevinden wij ons
voor eene andere burgerwoning, die een put in den gevel voert. Vrees
echter niet, lieve lezeres! dat deze put eenige gelijkenis hebbe
met dien op "'t Nieu en Vermakelijk Gansebort", en dat ik er u in
zal laten verblijven tot een ander kome en u verlosse; deze put--of
liever het huis, dat er zijn naam naar draagt--wordt wel druk bezocht,
maar niemand verwijlt er lang, althans zelden langer dan hij er noodig
heeft. Die put is een welbeklante boekwinkel, met eene eigen drukkerij
daarnevens, en de werken, die uit die boekerij voortkomen, prijken dan
ook, evenals het huis, met een put op hun voorgevel of titelblad. Die
werken--althans vele van hen--hebben het huis overleefd en ook heden
ten dage is er niemand, die eene boekerij van eenigen omvang bezit
en daarin ééne kast, bijzonder aan Hollandsche letterkunde gewijd,
en die daarin geen "putjes-edities" heeft staan.... doch ik zou bijna
vergeten, dat wij op onze wandeling niets van den hedendaagschen
tijd willen weten, dat wij ons niet in de negentiende eeuw bevinden,
maar in de zeventiende, en dat wij de boeken, waar ik van sprak,
niet behoeven te gaan zoeken in uwe of mijne bibliotheek, daar wij er
ruimen voorraad van kunnen vinden achter de toonbank van den eerzamen
poorter Abraham De Wees, met wien wij u thans willen doen kennis maken.

Ziet, daar staat hij zelf in zijn winkel, een kloek en wakker man,
wiens gesloten lippen en gerimpeld voorhoofd vastberadenheid, wiens
levendige oogen scherpzinnigheid teekenen. Wel is De Wees geen
man van diepe geleerdheid en veel omvattende kennis, gelijk zijne
gildebroeders De Blaeuwen: evenmin zelf dichter of historieschrijver,
gelijk zijn gildebroeder Dirk Pietersz. Pers; maar hij bezit dien
smaak, of althans dat doorzicht, dat in zijn vak onmisbaar is, en
waardoor men, bij den eersten vluchtigen blik, in een handschrift
geworpen, weet te onderscheiden of het der moeite van 't drukken
loonen zal of niet: en daarom komt er dan ook zelden of nooit iets
uit de persen van De Wees te voorschijn, dat geen koopers vinden zou:
of liever--want men heeft allerlei slag van koopers--niets, dat lieden
van smaak geheel onbevredigd laat. En dan, in de tweede plaats, zonder
juist smaak te hebben in veel omvattende, gewaagde ondernemingen,
is De Wees niet de man, die zich om eenige kleingeestige overweging
zou laten afschrikken datgeen te drukken en uit te geven, wat hij
inderdaad verdienstelijk acht. Twee eigenschappen kenmerken hem
alzoo, die hem de achting van het lezend publiek moeten verwerven
niet alleen, maar ook aan den talrijken hoop schrijvers, dien
Amsterdam bevat, niet weinig ontzag inboezemen. "Niet iedereen mag
het te beurt vallen, Korinthe te bezoeken," zegt het oude Latijnsche
spreekwoord; evenzoo geniet niet zoo maar iedereen het voorrecht,
dat de voortbrengselen van zijnen geest--of liever van zijne pen--op
de persen van De Wees worden toegelaten: de samenflanser van duistere
onverteerbare vertoogen, de galachtige vervaardiger van pamfletten,
die zich alleen door hatelijkheid onderscheiden, de schrijver van
berijmd bombast of van watermelkverzen moge elders zijne papieren
kinderen ter markt brengen;--bij De Wees zal hij vruchtelooze moeite
doen. Maar daarentegen zal de man van bekwaamheid en vlijt, die de
vruchten van nauwgezetten arbeid tot een welgeordend geheel verzameld
heeft, de welsprekende redenaar, die tegen de dwaasheden der eeuw of de
verkeerdheden in het bestuur te velde trekt, de waarachtige dichter,
wiens geheele ziel zich in zijne zangen uitstort, zeker zijn, niet
alleen een goed onthaal bij De Wees te ontvangen, maar ook in hem een
wakkeren, een trouwen, een dankbaren vriend te vinden, die het ook
dan zal blijven, als het eens gebeuren mocht, dat, ten gevolge van
omstandigheden, die nimmer te voorzien zijn, de uitgave, die alleen
voordeel scheen te beloven, den uitgever op schade en onaangenaamheden
kwame te staan. Uit dit een en ander volgt, gelijk men denken kan,
dat ieder er prijs op stelt, De Wees tot uitgever te hebben, en dat
het bloote feit eener uitgave bij De Wees reeds eenigszins als een
patent van bekwaamheid geldt, wat hem, die 't bekomt, al dadelijk--op
goed geloof af--bewonderaars, en vooral benijders, verwekt.

Heden--ik mag hier in 't voorbijgaan den lezer wel waarschuwen, dat
wij 't jaar 1646 schrijven--heeft De Wees juist uitgeleide gedaan
aan een dier schrijvers, wier voortbrengselen hem welkom zijn, aan
een dichter, en wel aan den zoodanige, die bij hem boven al de rest
staat aangeschreven. 't Spijt mij, dat de man, dien ik bedoel, juist
al vertrokken en uit het gezicht is: hij is altijd der beschouwing
waard: maar troost u, lezer! geef ik u hier zijn portret niet, 't
is, omdat ik het reeds meer dan eens voor u heb gemaakt, en niet in
noodelooze herhalingen wil vallen: gij kunt het, indien gij 't naslaan
der moeite waardig acht, in "Johanna Vossius" vinden, waar ik den man
een tiental jaren jonger--of in "Een bedrukte vader," waarin ik hem
een tiental jaren ouder--dan hij thans is, heb afgebeeld. Abraham De
Wees neemt, met een oog, dat van genoegen tintelt, het handschrift,
dat hem de dichter gelaten heeft, naar de binnenkamer mede, zet zich,
tegenover zijne huisvrouw, aan de gladgewreven eikenhouten tafel neer
en zegt met een blijmoedig gelaat:

"Weer een treurspel, moeder! dat mij Van den Vondel gegeven heeft om
te drukken."

"Ei zoo, vader!" zegt zijne wederhelft, de oogen even van haar breiwerk
opslaande: "en wat is de titel?"

"Maria Stuart," antwoordt haar man, terwijl hij het handschrift voor
zich op tafel legt, en er hier en daar reeds eene bladzijde van
doorloopt met dien vluggen en vasten blik, welken eene aangeboren
gave des onderscheids, door langdurige oefening versterkt, hem heeft
doen verkrijgen.

"Maria Stuart!" herhaalt zijne echtgenoote op een toon, die niet
zonder bezorgdheid is.

"Ja,--en voorwaar, de man heeft in lang niets geschreven, dat hier
bij haalt:--luister maar eens"--en den vinger brengende aan eene der
plaatsen uit het dichtstuk, welke juist zijne aandacht getrokken had,
leest hij overluid:


            "Ontfangt dees bron der marteladeren
                  Ghy Engelen, nu treet
                  Haar tegen: zij vergeet
                  Haar volck en vaders huis,
                  Gesproten uit Ferguis,
            Dien ouden stam, en hondert vaderen;
            Al koningen, van Godt geschapen
                  Ten scepter, ingewijt
                  In 't aenzicht van den Nijt,
                  Gezalft van eeuw tot eeuw.
                  O roode koningsleeuw
            In 't gouden velt van 't Schotsche wapen,
            Hoe durven ze uw Leeuwin benaeuwen,
                  Hoe ziet men haar zoo tam
                  Veranderen in een lam,
                  Sneeuwit van vacht en vloek,
                  Verscheuren door den wrock
            Der Luipaerdinne, scherp van klaeuwen.


"Welk een zeggingskracht! welk eene keus van woorden!" vervolgt
De Wees, in verrukking: "en hoe weet de man voor elke rei telkens
eene nieuwe maat te vinden, altijd aan het onderwerp zoo eigenaardig
gepast. Zie, Maaike! nog wordt de man niet op prijs gesteld, gelijk
hij verdiende."

"Heel mooi, heel mooi," zegt Maaike, wier gelaat intusschen
zoozeer geen bewondering als toenemende onrust teekent: "maar die
"Luipaerdinne," daar zal waarschijnlijk Koningin Elizabeth mee
bedoeld worden?"

"Ja, gewis, en zie eens--hier noemt hij haar voluit, zonder eenige
toespeling:"--en wederom leest hij:


                "Marie, uit Jesses stam geboren,
                En tot een rijcker kroon gekoren,
                  Dan David droegh in 't Jootsche Rijck,
                Marie in ootmoet hoogh verheven,
                Van vreught en blyschap aengedreven,
                  Bezoeckt haar nicht in Arons wijck.
                Elizabeth, tot Godt genegen,
                Schiet op en vlieght Marie tegen,
                  Omhelst en kust die groote Nicht,
                Aenschouw dit hartelijck verlangen,
                Hoe ze in elkanders armen hangen,
                  Hoe liefde bloet aan bloet verplicht.

                Marie, uit Stuarts stam geboren,
                En tot een rijcker kroon gekoren
                  Dan Henrik droegh in 't Engelsch Rijck,
                Marie, in rampspoet hoogh verheven,
                In druck en ballingschap gedreven,
                  Neemt tot haar Nicht in noot de wijck.
                Elizabeth, tot wraeck genegen,
                Blijft pratten, zent heur wachters tegen,
                  En vangt en spant die groote Nicht;
                Zy laetse twintigh jaer verlangen
                En tusschen hoop en doodschrick hangen:
                  Want staetzucht past op bloet noch plicht."


Hier kan Maaike zich niet langer inhouden, en, hare breikous voor zich
op de tafel leggende: "En zul je dat waarlijk drukken en uitgeven,
vader?" vraagt zij, haar man ernstig in de oogen ziende.

"Wel zeker zal ik," antwoordt deze: "en waarom zou ik niet?"

"Wel!" herneemt zij: "mij dunkt, dat je dit van mij niet behoeft te
vernemen. Zal de Regeering het toelaten, dat men aldus de deugden
van de Katholieke Maria ophemelt en uitvaart tegen de Protestantsche
Elizabeth, die nog wel in haren tijd een bondgenoot van de Heeren
Staten is geweest?"

"Nu, nu!" merkt De Wees aan, met een glimlach: "Maria was de
grootmoeder van Karel Stuart, hun tegenwoordigen bondgenoot."

"Ik kan er niet mee schertsen," herneemt Maaike: "je weet beter dan ik,
dat de Heeren Staten zich aan dien bondgenoot niet het minst gelegen
laten liggen en alles doen wat zij maar kunnen om dien Cromwell en
zijne Puriteinen te vriend te houden:--wat schande genoeg is."

"Welnu," zegt De Wees: "is het dan niet hoog tijd, dat zich een stem
verheffe tegen die schandelijke politiek der Staten, en de partij
neme van het verdrukte Koningschap en van 't ware geloof, en is het
mijn plicht niet, als goed Katholiek, zulks te bevorderen?"

Ik heb vergeten te zeggen, dat De Wees tot hetzelfde geloof behoort,
waartoe Vondel zes jaren te voren was overgegaan, en dat het dan ook
sedert dien tijd is, dat de dichter bij hem zijne werken drukken laat,
terwijl hij vroeger doorgaans andere uitgevers gebezigd had.

"Van den Vondel heeft al genoeg geijverd voor beiden," hervat Maaike:
"en al zet hij geen pen meer op 't papier, niemand zal hem ten laste
leggen, dat hij traag geweest is in 't vervullen van zijne taak;--maar
ik wenschte, dat hij zijn verstand meer gebruikte en niet zoo tegen
de andersdenkenden uitvoer: dat verbittert maar en doet per slot
meer kwaad dan goed aan de zaak:--hij loopt waarlijk al genoeg in
den kijker: en 't zal met hem wezen: de kruik gaat zoolang te water,
totdat ze breekt. Hij sleept er u ook op een mooien dag nog bij in."

"Nu!" zegt De Wees: "ik ben immers altijd voorzichtig en ik heb
zelfs zijn "Grotius Testament" niet willen drukken. 't Boek ziet
er dan ook nu netjes uit!" voegt hij er bij, met een glimlach van
verachtend medelijden.

"Och kom!" zegt Maaike: "vertel mij daar niets van: zoo je 't niet
gedrukt hebt, vadertje! 't is heel eenvoudig, omdat het geen spijs voor
uw mond was, en volstrekt niet uit vrees voor de gevolgen.--Ik kan maar
niet begrijpen, hoe je liefhebberij hebt je de Heeren Staten tegen te
maken, die je toch telkenreize noodig hebt. Ze hebben je nog privilege
gegeven voor 't drukken van den vertaalden Virgilius: en mij dunkt,
dan moest je hunlui van uw kant nu geen reden tot misnoegdheid geven."

"Zeker, privilege zullen de Staten mij voor dit werk van onzen vriend
Joost wel niet verleenen;--maar we zullen er ook niet om vragen. De
Altaergeheimenissen zijn in der tijd gedrukt "te Keulen, in de nieuwe
Druckerye," en wij zullen de Maria Stuart ook te Keulen laten drukken;
maar, voor de verandering "in d' oude Druckerye." Ik heb dat al met
hem beklonken."

"Alsof het er iets toe deed," hervat zijne vrouw, "of je naam al dan
niet op den titel te lezen komt; niemand laat zich daardoor bedotten:
en iedereen weet zeer goed, dat die vermelding van Keulen maar voor
de leus is, en dat het een zoowel als het ander, hier te Amsterdam
bij u gedrukt wordt. Doch 't helpt niet of ik er verder over spreek:
ik ben maar eene domme vrouw, die geen verstand van zaken heeft,
en ik zal dus best doen maar te zwijgen. Intusschen, 't zou me hard
verwonderen, als je geen verdriet hadt van dat stuk."

"Van den Vondel heeft mijn woord," zegt De Wees, die wel beseft,
dat verdere redetwist tot niets goeds zou leiden en dat hij daaraan
alleen een eind kan maken, door het aanbrengen van een zoogenaamden
dooddoener, die voor 't overige het punt van geschil in 't midden,
en de over en weer gebezigde argumenten in hunne waarde laat.

Wij zullen hier evenmin beslissen, in hoeverre De Wees, indien
hij door geene belofte verbonden ware geweest, wel of kwalijk zou
gehandeld hebben, met in deze zaak zijn eigen hoofd te volgen en
den raad zijner vrouw in den wind te slaan. Maar zeker is het,
dat in soortgelijke--ja ik durf zeggen in alle--omstandigheden van
gewicht, de vrouw een inzicht in de toekomst heeft, waarvan zij zelden
volkomen rekenschap kan geven, doch dat nimmer faalt: een door alles
heen dringenden blik, die den man ontbreekt.--En ook deze reis bleek
het, dat Maaike zich in haar voorgevoel niet bedrogen had. De Maria
Stuart kwam in 't licht, en zoo de vorm van dit heerlijk dichtstuk
algemeen voldeed, de inhoud gaf geen kleinen aanstoot: de dichter
werd voor 't gerecht betrokken en in eene boete van honderd tachtig
gulden verwezen.--Wel is waar, men moeide De Wees niet; doch deze,
niet willende, dat de dichter schade lijden zou bij een werk, waar de
boekverkooper voordeel uit trok, zond het geld aan den Schout. Zijne
vrouw was edelmoedig genoeg om deze handelwijze van haren man goed
te keuren, en zelfs--wat sterker is--hem niet te herinneren, "dat zij
toch gelijk had gehad." Ja, wat meer is, zij bleef er geen wrok tegen
Vondel over koesteren, en toen zij in 1654, na den dood haars mans,
diens zaken op haren naam voortzette, toonde zij zich even gretig
als hij 't geweest was, om des dichters werken te drukken en uit te
geven. Nog bijna eene eeuw bleven de boekhandel en de drukkerij in
hetzelfde erf en door leden van hetzelfde geslacht uitgeoefend en,
door het voortdurend herdrukken van Vondels werken, 's dichters naam
en die van De Wees aan elkander verknocht.


In den Zonnewijzer.--In de vierighe Colom.--In de witte Persse.

Wij verlaten den Dam met zijne drukte en gewoel: wij gevoelen behoefte
aan frissche zeelucht en wij kuieren het Damrak op, dat ons naar den
IJkant geleiden zal. Maar zijn wij daardoor uit het gedrang? Eilieve;
vraag het Joannes Aurelius eens, die voor mij dezelfde wandeling
gemaakt en beschreven heeft [7]. Hij heeft alles goed gezien en niet
minder goed verteld, en, ware ik niet reeds met den lezer op weg,
ik zou stellig, nadat hij zijne wandeling volbracht heeft, de mijne
niet begonnen zijn. 't Heeft zelfs bij mij een punt van ernstige
overweging uitgemaakt, of ik die wel zou voortzetten, en, zoo ik
daartoe besloten heb, het is, uithoofde mijne wijze van door het oude
Amsterdam te slenteren, mij voorrechten aanbiedt, waarvan Aurelius
had afgezien. Niet, als bij, aan een bepaald tijdvak gebonden, en,
ten anderen, niet zoozeer de merkwaardigheden der stad in 't algemeen,
als wel de herinneringen, aan sommige huizen verknocht, tot onderwerp
mijner opmerkingen hebbende gekozen, ben ik, aan den eenen kant,
vrijer in mijne bewegingen dan hij, en is het mij, aan den anderen
kant, vergund, langer dan hij op eene plaats te vertoeven.

Wij zijn in 1664. Talrijk, gelijk altijd, is de menigte, die zich
hier beweegt. En hoe kan het anders? Rechts, de oude Haven, gevuld
met schepen en schuiten, uit alle hoeken der bekende wereld aangekomen
om de markt- en stapelplaats van Europa te bezoeken: achter ons, den
Dam; voor ons, het IJ; links de winkels en kelders, waar schippers en
varensgezellen, waar kooplieden en passagiers hunne benoodigdheden
komen zoeken. Wat bonte mengeling van spraak, van gelaatskleur, van
kleederdracht! Wat steeds afwisselende verscheidenheid! Hoor! daar
ruischen ons de welluidende tonen in 't oor der


        taal van lust en weelde,
Die 't stug latijn in dartele ontucht teelde,
  Die als de kus op malsche lippen smelt
  En harten boeit met liefdes algeweld:


ginds hooren wij de spraak vol majesteit, die ons honderd jaar
vroeger zoo onwelkom tegenklonk, toen zij uit den mond van Neerlands
dwingelanden werd vernomen. Wat verder rammelt men Fransch;--daar, aan
den wal, onderhoudt zich een viertal matrozen: elk bezigt zijne eigen
taal, en toch verstaan zij elkander: immers, nog heeft de uitspraak
van het Engelsch, het Deensch, het Zweedsch en het Neerduitsch
die wijzigingen niet bekomen, welke het tijdsverloop er bij elk
verschillend volk in brengen zou, en waardoor zelfs zulke woorden,
die bij elk der vier volken 't zelfde gespeld worden, bij elk van hen
op geheel onderscheiden wijze klinken: nog schijnt het, of men louter
dialectvormen van eene en dezelfde taal hoort, en indien, reeds nu,
de hoftaal in eene der vier Rijken, door den invloed van eigenaardige
zeden, gewoonten, behoeften en denkbeelden, en vooral door den invloed
eener eigen letterkunde, niet gemakkelijk meer in een der andere Rijken
zou begrepen worden, op zee, waar Brit en Deen en Zweed en Hollander
dezelfde zeden, gewoonten, behoeften en denkbeelden behouden hebben,
en de onderwerpen van het gesprek binnen denzelfden kring besloten
blijven, heerscht tusschen de Noordsche volkeren nog een soort van
algemeene of Vrij-metselaarstaal, die elken tolk overbodig maakt. Maar
wat noch wij, noch zij, zoo licht verstaan zouden, zijn de uitheemsche
klanken, die daar in 't voorbijgaan onze ooren treffen. Is 't Arabisch,
Turksch, Maleisch, of eenvoudig Joodsch bargoensch, dat wij hoorden? 't
Een is even mogelijk als het andere, en wij zullen er ons hoofd maar
niet mee breken; want wij vangen nu weer een luidruchtig gesprek
op, tusschen een Rus en een Portugees gevoerd, deze reis met behulp
van een taalman, die somtijds niet weinig met zijne taak verlegen
schijnt. En duizelt het hoofd ons op het hooren van dat Babel van
geluiden, niet minder schemert het ons voor de oogen bij dat verschil
van kleuren. Daar loopt de halfnaakte Calabrees--met zijne groote,
koolzwarte oogen, met zijn antiek profiel en gebronsde huid--den in
't bont gedosten Muscoviet--met zijn stompen neus en wegschuilende
oogjes--tegen 't lijf: ginds wandelt de deftige Armeniër, met zijn
breeden tulband en gestreepte samaar, nevens den Noor in 't habijt
van grof wadmer: daar zien wij den Genuees, in zwarte zijde en fluweel
gedost, en achter hem den Bergschot, met zijn kakelbonten mantel: wat
verder dringt een grofgebouwde Oostfries in eenvoudige schippersdracht
een Franschman voorbij, wiens hoed, wiens armen, wiens broek, wiens
schoenen, onder veelkleurige linten begraven zijn. Helaas! noch de
haven van Amsterdam, noch eenige haven ter wereld zal in later tijd
het bont en schilderachtig tooneel kunnen aanbieden, dat ons hier
verwacht. De Mode, die in de zeventiende eeuw nog beide geslachten even
welwillend gadeslaat, ja zelfs de kleederdracht des mans voordeeliger
doet uitkomen dan die der zwakkere kunne, zal, wanneer zij eenmaal haar
hoofdzetel voorgoed te Parijs gevestigd heeft, zich uitsluitend over
deze laatste bekreunen, de mans niet alleen stiefmoederlijk behandelen,
maar zelfs alle verscheidenheid van kostuum--voor zooverre het geen
militairen betreft--te niet doen; en den afschuwelijkst denkbaren
tooi voor allen gemeen maken. Wees dan voortaan Pair van Engeland
of sta met een schoenebak op eene brug, wees Venetiaan of IJslander,
woon te Archangel of te Sevilië, rijd door het Bois de Boulogne naast
de elegante lorette of zwierigste coupé of voer op een kruiwagen een
kreng weg, gij zult evenzeer eene kachelpijp op 't hoofd, een effen
lakensch pak met lapellen en slippen aan 't lijf, een strop om den
hals en een paar kanonnen aan de beenen dragen:--op straffe van,
zoo gij u de minste afwijking veroorlooft, door de spotternij en
schimpscheuten der straatjongens achtervolgd te worden.--En dan zal
men nog klagen, dat er zich geen Rembranden meer opdoen.

Dan 't wordt tijd, dat wij de huizen eens in oogenschouw nemen. Zie--'t
moge vreemd schijnen op eene kade, die zoo geheel in 't belang
van handel en zeevaart is aangelegd; maar 't krielt hier van
boekwinkels:--wel een sprekend bewijs, dat hier,--bij stoffelijke
welvaart--ook verlichting en beschaving toenemen. Wij willen, uit
die menigte, slechts drie winkels onze aandacht waardig keuren en wij
staan dus in de eerste plaats stil voor dien fraaien deftigen gevel,
boven welks top een zonnewijzer prijkt. In 't benedenhuis kunt gij
u alle werken van smaak, ook geleerde en theologische, aanschaffen;
maar toch zijn 't werken uit een bepaald vak van wetenschap, die men
hier bij voorkeur zoeken komt: en bij hen, die dat vak beoefenen,
al wonen zij aan de Antipoden, is deze winkel dan ook bekend en
beroemd, en de waar, die men er verkoopt--al is zij meestal vrij
duur--onschatbaar en onmisbaar; want zij kan hem, die haar bezit
en goed gebruikt, voor groote schade en rampen bewaren. Immers, wat
schipper zou niet vreezen, een verkeerden koers te houden, de haven,
waar hij 't op aanlegt, te missen, eene verkeerde binnen te loopen,
wellicht op bank of rif te stranden, door 't gemis van een zee-atlas
van Blaeu?

Deze winkel toch is de winkel der Blaeuen, en de afbeelding van den
zonnewijzer boven 't huis vindt gij op de titelbladen der werken,
die zij drukken, terug. Wij willen binnengaan: het zal ons de moeite
loonen. Joan, de oudste der twee gebroeders, door wie de firma
gedreven wordt, is afwezig: hij moet heden "aen Schepensbank zitten;"
want de Blaeuen, al zijn zij boekdrukkers en boekverkoopers, worden
onder de Amsterdamsche Patriciërs gerekend: zij zijn vermaagschapt
met de Hoofden, de Graeven en wat de stad aanzienlijkst rekent; Joan
Blaeu was in 1653 een der vijf Gecommitteerden, aan wie de Regeering
de zorg had opgedragen de stad te beschermen tegen een aanval van
Graaf Willem Frederik, waarvoor men, hoezeer dan zonder grond beducht
was. Bij het vertrouwen, dat hij alzoo bleek te genieten, zou hij
gewis tot hooger waardigheid kunnen stijgen, indien de zorg voor
zijne uitgebreide zaak hem niet belette zich naar eisch aan politieke
belangen te wijden. Zijne afwezigheid moet ons echter niet verhinderen,
ons voorgenomen bezoek te volbrengen. Zijn broeder Cornelis staat in
den winkel, en zal ons terechthelpen. Is Joan meer de man van studie
en geleerdheid, Cornelis is vooral de man van bedrijf. Joan leest,
vergelijkt, cijfert, teekent, vindt uit, en brengt de resultaten
van zijn onderzoek ten papiere; Cornelis houdt de briefwisseling
en de boeken, ontvangt de bestellingen, doet de verzendingen, en
heeft, in één woord, de zorg over 't dagelijksch beheer. Joan is het
hoofd, dat denkt; Cornelis de arm, die uitvoert. Niet, dat Joan een
bloote kamergeleerde zou zijn, tot praktische bedrijven onbekwaam,
of dat Cornelis zou verstoken zijn van wetenschappelijken aanleg en
theoretische kennis; integendeel gebeurt het meer dan eens, dat bij
ziekte of afwezigheid van den eenen broeder, de ander diens taak nevens
de zijne opneemt en naar eisch weet te vervullen: wij spreken hier
alleen van wat in den regel plaats heeft, en waarbij de gebroeders
de rollen onderling verdeeld hebben, met het oog op elks bijzonderen
aanleg en liefhebberij.

Niet van gisteren dagteekent de roem, dien zich de naam van Blaeu
verworven heeft. Willem Janszoon, de vader der gebroeders, in 't
jaar 1571 te Amsterdam geboren, had de wis- en sterrekunde bij den
vermaarden Tycho-Brahè geleerd en het alras in die vakken tot meer dan
gewone hoogte gebracht. Te Amsterdam eene drukkerij hebbende opgezet,
deed hij die inzonderheid strekken, om de vruchten zijner nasporing in
't licht te geven: zijne voornaamste werken, het "Graadboek" en het
"Licht der Zeevaart," beide aan de toenmalige eischen der wetenschap
beantwoordende, moesten wel met erkentelijkheid ontvangen worden in
een land, dat zijne plotselinge opkomst vooral aan de zeevaart te
danken had. Die werken werden populair en hun maker niet minder. Geen
schipper, die Willem Janszoon Blaeu niet kende en zich zijne boeken
niet aanschafte: geene reederij, die op touw werd gezet, zonder dat
Blaeu geraadpleegd was: geen belangrijk besluit, met betrekking tot
waterstaat, inpoldering of scheepvaart, dat door 's Lands Staten
genomen werd, zonder dat Blaeu was gehoord. Zoo breidde zich 's mans
naam, al verder en verder, ook buiten de grenzen van zijn vaderland
uit, en mannen als Galileï, Des Cartes en dergelijken achtten het eene
eer, briefwisseling met hem te houden, gelijk Falck het een voorrecht
rekende, zijn afbeeldsel te maken, en Barlaeus, Hooft en Vondel, hem te
bezingen. Wat den laatstgenoemde betreft, hij had aan Blaeu bovendien
persoonlijke verplichting. Zijne "Begroetenis aan Frederik Hendrik,"
zijne "Geboorteklock voor Willem van Nassau," zijn "Zegesang op den
Bosch," zijn "Gysbreght van Aemstel" zijn op de keurige pers van Blaeu
gedrukt en met zeldzame netheid uitgegeven. Maar ook weten wij, dat
Vondel bij hem als vriend des huizes behandeld werd en op zijn gemak
was: dit getuigen niet zoozeer de deftige bijschriften en lofdichten
van Vondel op Blaeu, als wel zijne geestige, schalksche, bevallige,
soms aandoenlijke gelegenheidsdichtjes, het gezin betreffende. Cornelis
Blaeu loopt een blauwe scheen: de dichter is straks in de weer,
om hem, met boertend rijm en met de belofte van een blauwe kous uit
zijn kousenwinkel, op te beuren. Sijtje Blaeu wordt aangezocht door
Filips van Ghysen, zeepzieder te Delft, Vondel weet op vernuftigen
trant met hunne minnarij te schertsen, en te zinspelen zoo op het
beroep van den vrijer, als op dat van 's vrijsters vader. Joan Blaeu
trouwt met Geertrui Vermeul uit Ter Gou, Vondel bezingt hun echt op
eigenaardige wijze: hij voorziet den schoorsteen van Katharina Blaeu
met een leerzaam rijm en de zerk van Maria Blaeu met dit liefelijk
en zinrijk grafschrift:


            Hier leght Maria, snel verdort.
            De tijt der schoonste bloem is kort.


Thans--men herinnere zich, dat wij 't jaar 1664 schrijven--zijn er
achttien jaar verloopen, sedert Willem Janszoon Blaeu overleden
is; maar zijne beide zoons hebben de zaak in stand gehouden, ja
nog aanzienlijk uitgebreid. Wilt gij er bewijs van? Onze vriend
Cornelis, die ons met zijne gewone minzaamheid ontvangen heeft,
is bereid, het u te leveren. Hij verzoekt ons, hem te volgen, en,
eene achterdeur openende, die op straat voert, gaat hij ons voor, den
Nieuwendijk over, de Gravestraat in, naar een steegje, dat reeds naar
zijne firma 't Blauwe steegje genoemd is. Hier bevindt zich de ruime
en aanzienlijke drukkerij, welke de vorige, die op de Bloemgracht
stond, vervangen heeft. Wij treden binnen: wat al persen zijn hier
aan 't werk! Wij tellen er negen, die ieder den naam eener Muze
voeren: de eerste, Calliopee, levert bijbels en godgeleerde boeken:
de tweede, Clio, is aan de Latijnsche, Melpomene aan de Grieksche
letterkunde gewijd. Thalia schaft Oostersche boeken, Polyhymnia de
lectuur van den dag. Erato, (de muze der minnezangen!) werkt voor
de wiskunde, en (vreemder nog!) Terpsichore levert niets af dan
stedebeschrijvingen. Beter aan hare taak geëigend, is de taak, die
Urania vervult: zij drukt de land- en zeekaarten en zij is dan ook
de lieveling der Blauen; want zij heeft den grondslag van hun roem,
grootendeels ook van hun fortuin gelegd. Euterpe eindelijk--en het
ergert niet weinigen, zelfs onder hunne beste vrienden--wordt gebezigd
tot het drukken van Roomsche Kerk- en Misboeken.

Wat ons betreft, die gaarne op elke plaats, wat zij merkwaardigst
heeft, bij voorkeur aanschouwen, wij vragen meer bijzonder naar
de platen van den Atlas en naar de prachtige exemplaren van dit
reuzenwerk. Cornelis voldoet aan ons verlangen: hij toont ons die
treffelijke landkaarten, waarvan er niet eene is, aan welke geen
schatten zijn ten koste gelegd, en wier voltooiing geen jaren arbeids
gekost heeft. Maar ook geen gehucht, geen beekje, geen heuvel, geen
moeras, geen bosschage, geen dijk, geen landweg, geen grensscheiding,
geen kreek, geen klip is vergeten, en, hoe ook de politieke indeeling
van Europa veranderen moge, voor al, wie er belang in stelt, om het
terrein, waarop deze of gene belangrijke gebeurtenis voorvalt, te
leeren kennen, zal immer de Atlas Blaviana een welkome wegwijzer zijn
[8]. En dan! hoe heerlijk is alles uitgevoerd! Prachtige afbeeldingen,
wapens, vignetten, zinnebeelden, versieren elke kaart: de Rijken,
de Gewesten, de Afdeelingen zijn door verschillende gekleurde lijnen
van elkander onderscheiden: de steden, vestingen, havens aan hare
eigenaardige gedaante te kennen: met duurzaam goud zijn zij overdekt:
geen dorpje, hoe klein ook, of het is door een gouden stip aangewezen,
en, wanneer men eene kaart opslaat, verbeeldt men zich in 't eerst
een rijken sterrenhemel te zien, zoo kwistig is er het goud overheen
gestrooid. Zeker, alleen uit de wereldstad, de kroondraagster van
Europa, kon zulk een pronkstuk te voorschijn worden gebracht; een werk,
dat aan zooveel nauwgezetheid van bewerking, zooveel weelderigheid
van uitvoering paart: dat van zulk een rijkdom van kennis en tevens
van zulk een verfijnden smaak getuigt; dat met zooveel zorg in
betrekkelijk zoo korten tijd is samengesteld: dat, en door het nut,
't welk het stichten moet, en door typographischen luister, al wat
tot nog toe in welk vak van wetenschap hier te lande verschenen is,
verre achter zich laat, en elders niet licht iets ontmoeten zal, dat
het overtreft. Stellig maakte dan ook Vondel geen misbruik van het
voorrecht, den dichters wel verleend, of--wil men--van het gebrek,
dat hun wordt toegeschreven, om nu en dan een weinig te overdrijven,
toen hij aldus tot lof van den nieuwen Atlas zong:


    De waereld is wel schoon, en waerdigh om t' aenschouwen:
      Maer reysen heeft wat in: de kosten vallen swaer:
    Men magh den Oceaen niet al te veel betrouwen:
      De bergen steygren steyl, de bosschen sien te naer:
    De stroomen gapen wijd om overheen te stappen:
      De mylen recken staegh: de landen strecken veer.
    Die Rijcken tegens een, gedeelt door vyandschappen,
      Die staen in 't harrenas en trecken hun geweer;
    De bittre kou verkleumt; de hitte brandt de leden:
      De lucht die hangt vol damps, of moord met felle pest:
    Men vindt ongastvry volck en onbewoonde steden,
      Woestijnen, daer gediert des nachts verlaet sijn nest
    En brult en huylt, om roof en aes van vee en menschen:
      Het sand beswaert den gang, de ganger hijght en roockt,
    Op 't ongebaende padt: dan is 't vergeefs te wenschen
      Naar den verlaten haerd, daer moeder eten koockt.
    O reysgesinde geest, ghy kunt die moeyte sparen,
      En sien op dit Tooneel de waereld, groot en reyne,
    Beschreven en gemaelt in klein begrijp van blaêren
      Soo draegt de schrandre kunst den aerdtkloot op haer deyen
      [9].


Wij danken Cornelis Blaeu voor al het schoone, dat hij ons heeft
laten zien en wij keeren van ons bezoek terug, trotsch op den roem,
dien Amsterdam zich heeft verworven, door ook wederom op dit veld van
wetenschap het volkomenste geleverd te hebben, dat de wereld tot op
dien dag kon aanwijzen.

Wel treurig is hetgeen wij nog hebben te vermelden. Slechts weinige
jaren na dat, waarin wij ons bezoek hebben ondersteld, en wel op den
22 Februari 1672, werd de heerlijke en alom vermaarde drukkerij door
een noodlottigen brand vernield, waarbij het vuur al de letters en
platen verteerde, en de schade op niet minder dan f 382,000 begroot
werd. Waren er velen, die de Blaeuen in hun ongeluk beklaagden,
niet gering was het aantal derzulken, die--tot het slag van lieden
behoorende, dat altijd in den raad des Almachtigen treedt--in dat
ongeval eene rechtvaardige straf des Hemels zagen voor het snoode
misbruik, 't welk van de Drukkerij gemaakt was, door er Kerk- en
Misboeken voor de Roomschen te drukken!

Joan Blaeu overleefde de ramp, die hem getroffen had, niet lang: hij
stierf op den 28sten December 1673.--De zes-en-tachtigjarige Vondel
herdacht hem met dit zinrijk grafschrift:


    Hier sluimert Blaeu, gedrukt van dezen kleinen steen,
            Al 't aertrijk door bekent,
            Hoe quam hy aan zijn ent?
    De gantsche waerelt viel den grooten man te kleen.


Is de zonnewijzer verdwenen, die vroeger den vermaarden boekwinkel
der Blaeuen aan den voorbijganger in 't geheugen terugriep, nog
altijd kondigt, iets verder op, schuins tegenover de Korenbeurs,
een steen in den gevel met het opschrift: "de vierighe colom,"
het huis aan, waar in het eerste vierendeel der zeventiende eeuw,
Jacob Aertsz. Calom en Pieter Aertsz. Calom hetzelfde bedrijf
van boekdrukkers en boekverkoopers uitoefenden. Wel was hunne
vermaardheid verre van die hunner straks vermelde medebroeders in 't
vak te evenaren; maar talrijk waren echter de werken van smaak, die
van hunne persen verschenen; en waaronder wij b. v. drie van Vondels
treurspelen tellen: "Hierusalem verwoest," "de Amsterdamsche Hecuba"
en "Palamedes" benevens een aardig bundeltje met kleinere gedichtjes,
door hem ter eere der bevallige dochter van Laurens Baeck vervaardigd.



Niet alleen boekverkooper, maar ook dichter en geschiedschrijver,
was de man, die, vlak tegenover de Korenbeurs, zijne grootste
vermaardheid verwierf, toen die der Caloms begon te verkwijnen en
die der Blaeuen nog in hare beginselen was. Hier was de winkel van
Dirck Pietersz., of, gelijk hij zich naar den smaak dier tijden ook
wel noemde, Theodorus Petrejus. Te Embden in 't laatst der zestiende
eeuw geboren, had hij zich in 't begin der volgende als boekdrukker
te Amsterdam gevestigd, vóór 1610 in de Oude Brugsteeg, aan het Water,
daarna op het Water, beide reizen in een huis, waar eene witte pers in
den gevel prijkte. Van dit werktuig, 't welk niet alleen van buiten
tot versiersel zijner woning strekte, maar ook daarbinnen ijverig
werkzaam was en hem aanzienlijke voordeelen verschafte, ontleende
hij zijn bijnaam, dien hij echter niet dan op lateren leeftijd
bezigde en dan nog wel als eene soort van pseudoniem. Waar het zijn
beroep gold, bleef hij den naam van Dirck Pietersz(oon) voeren, en,
als zinspreuk, den letterkeer van dien naam, ick strii op sno eerde,
welke woorden het randschrift vormden van een schild, binnen 't welk
de Christen Ridder was afgebeeld, ten strijde toegerust en staande
op een wereldbol. Al de werken, bij hem uitgegeven, voeren op het
titelblad dit zinnebeeld, 't welk in de vroegere in een eenvoudig
ovaal staat, doch in de latere met fraaie allegorieën is omslingerd,
en twee genieën tot tenants heeft, met het onderschrift: Durate.

Talrijk zijn de werken, door Dirck Pietersz., onder dezen naam en onder
dien van Pers, in 't licht gegeven, zoo in proza als in poëzie, even
verschillend van strekking als van vorm: geschiedenissen, stichtelijke
rijmen, leerdichten, sonnetten, gezangen, bijschriften enz. [10]
Onder zijne gedichten, waarin hij, vaak op bedriegelijke wijze, den
trant en stijl van Cats nabootst, stellen wij bovenaan een leerdicht
in drie zangen, waarin hij tegen de onmatigheid te velde trekt,
door haren aard en gevolgen op kluchtige wijze voor te stellen. Hij
is echter niet partijdig, gelijk de afschaffers van latere dagen,
die er niet tegen hebben, dat men zich een roes drinke, mits men 't
niet aan jenever doe. In navolging van Mohammed en ten voorbeelde aan
de temperance-societies, strijdt hij tegen elken drank, die dronken
maakt. In zijn eersten zang stelt hij de volgelingen van Bacchus ten
toon, in zijn tweeden die van de Godin Bierana (de bierdrinkers), en
in den derden die van den God Brandemoris (hen, die zich aan jenever,
of--juister uitgedrukt--korenbrandewijn, te buiten gaan). Men ziet,
dat er niets nieuws onder de zon is; maar tevens, dat men toen hier
te lande krachtiger bier dronk dan in onze dagen.

Wij tellen 't jaar 1627 en stellen ons den Schrijver en drukker voor,
op een zomerschen achtermiddag onder zijn luifel zittende, met vrouw
en kinderen om hem heen: hij ziet er kloek en welgedaan uit: en al
is noch hij noch zijn gezin in 't Zondagspak gedost, hunne plunje is
toch van deugdelijke stoffage en kondigt welvaart aan. En geen wonder:
zijne zaken gaan voor den wind: werken, als de "Gulde Winckel" en de
"Warande der Dieren," met fraaie kunstplaten van Marcus Gheraerts,
waarvoor hij den teekenaar, en bijschriften van Vondel, waarvoor hij
den dichter niet heeft behoeven te betalen, hebben vrij wat uitgaven
beleefd en zijn in aller handen. Pers is rijk geworden en heeft nu ook
het voorbeeld gevolgd van alle rake lieden: hij heeft zijne afbeelding
laten maken. Hij wil die in 't koper doen brengen; maar nu moet er
een bijschrift onder staan; en tot wien zou hij zich beter te dien
einde kunnen wenden, dan tot Vondel? Ongelukkig heeft hij, die vrij
streng Gereformeerd is, den dichter, wiens Arminiaanschgezindheid
zich in menig bijtend gedicht geopenbaard heeft, sedert een jaar of
wat links laten liggen, en aan andere drukkers de eere overgelaten,
's mans pennevruchten te vereeuwigen. Dit maakt hem huiverig, zijn
verzoek tot hem te richten. Maar tot wien zal hij zich wenden? Hooft
is een te groot heer, Coster is nog erger anti-Dordtsch dan Vondel,
Cats maakt geen bijschriften, Huyghens kent hij niet en,


    Al 't oov'rige is een hoop, onwaard dat men dien noeme.


Hij heeft dus zijne stoute schoenen aangetrokken en zich, onder
inroeping der herinneringen van vroegere vriendschap, schriftelijk
tot Vondel gewend. Zal deze aan zijn verzoek willen voldoen? Of zal
de bode een weigerend antwoord brengen?--Neen, de poëet was altijd
in den grond een goedhartig man, zwak genoeg, om zelfs een vijand
te verplichten, laat staan het aan een ouden bekende te vergeven,
dat deze hem wat verwaarloosd heeft. Ha! daar komt de uitgezonden
knaap van de Oudebrug aansnellen: hij heeft een brief in de hand:--het
antwoord is ongetwijfeld gunstig.

--"De gebiedenis van Sinjeur Vondel," zegt de jongen, terwijl hij,
voor de luifel stilstaande, den brief aan zijn meester overhandigt:
"en UEd. had maar te kiezen."

--"Hij zendt mij keuze, Brecht!" roept Pers verheugd uit, terwijl
de knaap zijn weg vervolgt en in de steeg verdwijnt, om zoo in het
achterhuis te geraken.

Met driftige nieuwsgierigheid breekt Pers den brief open: "Twee
bijschriften in plaats van een!"--En terwijl vrouw en kinderen de
hoofden samensteken, om toe te luisteren en hij het zijne naar hen
overbuigt, ten einde het gewoel op straat den klank zijner stem niet
te machtig zij, begint hij te lezen:


    Vernuftigh volck, die steeds bepropt uw ruyme winckels....


--"Ik ben nieuwsgierig wat hij op winckels zal doen rijmen," zegt Anna,
de oudste dochter.

--"Wel: kinckels," zegt haar broeder Pieter.

--"Stil kinderen! valt vader niet in de rede," zegt hunne moeder,
en Pers hervat:


    Vernuftigh volck, die steeds bepropt uw ruyme winckels
    En kleed in 't parkament de beenen noch de schinckels
      Maer 't breyn der geenen die met letters sijn gedoopt....


--"Hij alleen kan toch zoo iets vinden!" roept Pers uit, met lezen
ophoudende.

--"Ik versta 't niet recht," zegt zijne vrouw, eenigszins verlegen.

--"Wel Moeder! 't is dunkt mij vrij duidelijk," hervat Pieter:
"met het vernuftigh volck bedoelt de dichter de drukkers, die hunne
winkels volproppen met boeken, en die niet de beenen en schinckels,
dat is het lichaam--maar wel het brein, d. i. de denkbeelden, van
hen, die den letterdoop ontvingen (die tot auteurs geboren zijn)
kleeden met parkament, of, als wij zouden zeggen, in druk uitgeven."

--"Ei! ei!" zegt Moeder.

Pers vervolgt:


    Komt en siet Perssius uw glori, hoogh geseten,


Een goedkeurend knikje: de man was er niet weinig mede gestreeld,
dat Vondel hem nog steeds den roem der boekverkoopers achtte:


    Die midden in het choor der Hollandsche Poëten....


Weder een vroolijke lach op het gelaat: hij had niet verwacht, dat
Vondel hem in het koor, en nog wel midden in het koor der dichters
plaatsen zou.


    Met 't drucken van sijn rijm, veel geld te samen hoopt.


Hier verdwijnt de glimlach en maakt plaats voor een zuur
gezicht. "Hm!" zegt Pers, "wat gaat het den lieden aan, of ik geld
verdiene of niet?"

--"Wel!" merkt zijn oudste dochter aan: "'t is toch altijd iets
vleiends, wat de dichter hier zegt, door te doen uitkomen, hoe groot
het debiet van vaders werken is."

--"Nu ja!" hervat Pers: "dat kan wel zijn; maar toch.... dat geld
samen hoopen en dat nog wel met mijn rijm, alsof ik dat bij voorkeur
drukte.... ik weet niet; maar ik ben het met mijzelven ter nauwernood
eens of ik den regel als eene hoffelijkheid dan wel als een spotternij
moet aanmerken.

--"En nu het andere bijschrift?" zegt Pieter.

Pers leest:


                Ghy burgers en ghy vremden,
                Dit 's Perssius van Embden.
                  Sijn beeld na Phebus swijmt,
                  't Sij dat hij dicht of rijmt,
                Die sijn boecken, en prenten
                Op 't dierste weet te venten.


Hier zien vader en kinderen elkander een poos stilzwijgend aan; want
wederom weet geen hunner of de laatste regels moeten worden opgevat
als eene lofspraak, waarbij te kennen gegeven wordt, dat Pers boeken
verkoopt, die veel waarde bezitten, dan wel als een verwijt, dat hij
ze den lieden duurder aansmeert dan wel behoort.

--"Joost heeft mij beet gehad," zegt eindelijk de boekverkooper,
terwijl hij het papier bij zich steekt, "en het mij ingepeperd,
dat ik in de laatste jaren niets meer voor hem druk."

Het portret kwam--zonder bijschrift--in 't licht.



In de gouden Reael.

Het is de dertigste April van het jaar 1567. Wij treden een deftig
koopmanshuis op het Water binnen, in welks luifel wij een fraai
vergulden reaal zien prijken, naar welk muntstuk men gewoon is den
bewoner, Laurens Jakobszoon, in onderscheiding van zoovele anderen als
dien naam dragen, te noemen. Wij slaan in 't voorbijgaan een blik in
de zijkamer, waarvan de deur openstaat en ons vergunt, op de tafel,
midden in 't vertrek, een soort van offerkist te onderscheiden, met
twee hangsloten voorzien. Verder doorloopende, komen wij in eene
achterkamer, waar wij een zestal lieden, om eene tafel gezeten,
bijeen vinden. De kloekgebouwde man, in de kracht zijns levens,
doch wiens geestige bruine oogen, die tintelen van vuur en vernuft,
hem jeugdiger nog doen schijnen dan hij werkelijk is, wiens blonde,
een weinig rosachtige lokken in zoo weelderigen overvloed het gezond en
blozend aangezicht omringen, is de heer des huizes. Zwart daarentegen
is het krullend haar en de kegelvormige baard, en helder blauw zijn
de oogen des beeldschoonen jongelings, die aan zijne linkerzijde is
gezeten. Deze is Nikolaas Pauw, de telg uit een beroemd Amsterdamsch
geslacht, dat reeds meermalen regeeringsambten heeft bekleed. Naast
hem zien wij Floris Roodenburg, den schutterhoofdman, uit adellijken
huize, wel ijverig voor de zaak der gewetensvrijheid, maar toch tot de
zoodanigen behoorende, die zich niet gaarne onvoorzichtig wagen. Dit
was onder anderen gebleken uit zijne weigering om 't verbond der
Edelen te teekenen en uit zijne zorg, om eene quitantie van gelden,
door de Amsterdamsche Gereformeerden aan Brederode verstrekt, en
welker bezit hem in gevaar kon brengen, te verscheuren en door
te slikken. Verder vinden wij hier Frank De Wael, mede uit een
burgemeesterlijk geslacht en die, schoon ouder dan Reael, zich,
in al wat tot de politieke zaken betrekking had, door het scherper
doorzicht van dezen leiden laat: voorts Harman Harmanszoon, in wiens
spijker of pakhuis "'t Nieuw Jeruzalem." op de Oude-Zijdskolk,
de eerste predikingen der Gereformeerden hadden plaats gehad, en
eindelijk, aan de rechterhand van Reael, Adriaan Reinierszoon in 't
Kromhout. Niet minder dan Pauw, schoon op geheel andere wijze, levert
hij naar 't uiterlijke een contrast op met den man, die tusschen hen
gezeten is. Zoo levendig als het uitzicht is van Reael, zoo droog en
stemmig is dat van Reinierszoon, of Kromhout, gelijk hij meest genoemd
wordt. Naar de strenge wijze der Calvinisten zit hem 't haar sluik op
't hoofd en elk vlokje, dat dreigde zich wat verder te vertoonen dan
aan de deftigheid voegt, is onverbiddelijk weggeschoren, zoodat de
groote ooren zich geheel vrij vertoonen. Een onhebbelijk lange neus,
een grove bruine knevel en slecht gekamde baard, een perkamentkleurig
gelaat, strekken niet, om 's mans schoonheid te verhoogen; maar toch
kenmerkt het geheel ijzeren vastheid van karakter, en uit de donkere
oogen spreekt niet alleen eene kalmte, die vertrouwen inboezemt,
maar ook tevens eene scherpzinnigheid, die aan de onbehaaglijke
trekken iets bevalligs bijzet.

Het was in dat zelfde pakhuis van Harmansz., waar wij zoo even
van gewaagden, dat, nu eene maand geleden, alzoo op 30 Maart, eene
vergadering plaats had gehad van de aanzienlijkste voorstanders der
nieuwe begrippen, waarop dezen zich verbonden hadden, binnen de maand
den honderdsten penning hunner goederen op te brengen, ten einde
eene som van omtrent f 11,000 bijeen te brengen, tot terugbetaling
van voorschotten, gedaan voor kosten, aan wapenen, pakhuishuur,
reizen enz., ten dienste hunner zaak besteed. Tot de inzameling dier
gelden moest de offerkist dienen, bij Reael geplaatst; en het is, om
thans zoowel te onderzoeken wat de giften hebben opgebracht, als te
overwegen, wat den Gereformeerden onder de bestaande omstandigheden
te doen staat, dat de huidige samenkomst in den Gouden Reael is belegd.

Gewis, geen Amsterdammer meer dan Reael kan gerechtigd en bevoegd zijn,
om bij beraadslagingen voor te zitten als die hier gevoerd zullen
worden; want niet een heeft meer dan hij getoond, hoezeer hem de
zaak der gewetensvrijheid ter harte gaat, noch is hij het voorstaan
daarvan met meer beleid en vastberadenheid te werk gegaan. Reeds de
Vlaming Pieter Gabriël, die 't eerst, en wel in de Engelsche steeg
den catechismus was begonnen te verklaren, had Reael onder zijne
toehoorders mogen tellen: het was Reael, die, met Reinier Kant,
Frank De Wael, Maarten Coster, Albert Heyes en Willem Floriszoon,
den leeraar Jan Arendszoon uit Kampen ontboden en gepoogd had te
bewerken, dat het prediken te Amsterdam dezen vergund werd. Toen dit
tegenstand had gevonden bij de Overheid, die nog schroomde in strijd
te handelen met de strenge plakkaten, had hij, en duizenden zijner
stadgenooten op zijn voorbeeld, dag aan dag de prediking bijgewoond,
door Gabriël en Arendszoon, te Overveen, in 't open veld gehouden:
inmiddels telken dage huiswaarts keerende, om den indruk gade te slaan,
door deze stoute handelwijze op de Regeering gemaakt.

Bemoedigd door hetgeen hij had waargenomen, was hij een der
hoofdbewerkers geweest, dat eerlang ook even buiten de Haarlemmerpoort
herhaaldelijk gepredikt werd, en dat, toen de Overheid zulks beletten
wilde, de toehoorders zich gewapend naar de vergadering begaven,
gereed, desnoods geweld met geweld te keeren. Niet tevreden,
den schrik onder de Regeeringsleden gebracht en hen van lieverlede
gedwongen te hebben, de prediking op stads grond te gedoogen, had hij
nog andere leeraars uit Embden en van elders doen overkomen, om zoo
te Amsterdam als door heel Holland de nieuwe leer te verbreiden. De
beeldstormerij, die in Augustus 1566 hier ter stede als elders plaats
vond, had hem nieuwe aanleiding geschonken, om de sidderende Overheden
te doen berusten in al wat hij ten voordeele zijner geloofsgenooten
verrichtte. Naar Sint Maarten gereisd, had hij Nikolaes Schelte,
pastoor aldaar, overgehaald, Gabriël en Arendszoon in hunne taak
te komen verlichten en had hun in 't Leprozen kerkje doen prediken,
ja zelfs bij Burgemeesteren bewerkt, dat er de beelden op hun last
waren uitgenomen. Doch had hij getoond hoe onverflauwd zijn ijver
was, hij had tevens doorslaande bewijzen gegeven, dat hij langs
geene andere dan vreedzame wegen zijn doel wenschte te bereiken,
en dat al, wat naar oproer of geweld zweemde, hem tegen de borst
stuitte: ja hij was bijna 't slachtoffer geweest van zijne zucht,
om alle baldadigheden tegen te gaan, en ontkwam slechts door een
wonder den hem toegedachten dolksteek, bij gelegenheid, dat hij de
plundering van 't Minderbroedersklooster zocht te beletten. Steeds in
al wat de rust der stad betrof door de Overheden geraadpleegd en hun
vertrouwen genietende, was hij een der voornaamsten geweest onder de
teekenaars van de overeenkomst (of zoogenaamde "Orde"), op 30 September
1566 gemaakt, en bij welke den Gereformeerden grooter vrijheid werd
toegestaan. Maar niet alleen bij de Regeering van Amsterdam, ook bij
Prins Willem te 's-Gravenhage, en bij Brederode te Vianen, had hij
de belangen voorgestaan dier Gereformeerde Gemeente, die hem bij elke
gelegenheid tot haar Gemachtigde benoemde. Thans echter was de toestand
dier Gemeente, na de krachtige maatregelen, door de Landvoogdes genomen
en die de uitwijking, niet alleen van Brederode, maar zelfs van Oranje
hadden ten gevolge gehad, op eens hoogst bedenkelijk geworden. Velen,
die, om 't geloof naar Amsterdam als naar een toevluchtsoord waren
heengestroomd, hadden de stad weder verlaten, en hun voorbeeld was
reeds gevolgd door menigen burger, die er zich niet langer veilig
achtte. Het was onder den indruk dier gebeurtenissen, dat de personen,
die wij bij Reael aantreffen, zich vereenigd hadden.

--"Wat nieuws?" vraagt, na eene korte stilte, Adriaan Reinierszoon
Kromhout: "zeker weinig, dat voordeel geeft."

--"Bevestigt het zich?" vraagt Roodenburg, "dat de Prins van Oranje
het land voorgoed verlaten heeft?"

--"Gij behoeft er niet meer aan te twijfelen," antwoordt Reael met
een blik, waarvan de somberheid de aanwezigen te meer treft, naarmate
men die minder van hem gewoon is.

--"En"--herneemt Kromhout, "dat de Landvoogdes eene bezetting soldaten
in Amsterdam wil leggen, met Noircarmes aan 't hoofd?"

--"Noircarmes! dien gruwzamen moordenaar! den beul van
Valencijn!" roept Frank De Wael uit.

--"Noircarmes, den beul van Valencijn," zegt Reael, bevestigend.

--"De tijding is zeker," voegt Pauw er bij: "mijn vader, en"--hier
wijst hij op Roodenburg, "ook de zijne hebben heden morgen Burgemeester
Buick naar Brabant vergezeld, om de Landvoogdes te bewegen, dat zij
de stad van bezetting verschoone."

--"Uw beider vaders!" roept Kromhout: "maar dat is immers blijkbaar
een valstrik, dien men hun spant. Hoe zouden Burgemeesteren kunnen
denken, dat Madame de Parma of die van haren rade een verzoek
zouden inwilligen, hun gedaan door twee burgers, die zich juist als
voorstanders der Gereformeerden hebben doen kennen?"

--"En niet zonder reden gewis," zegt Reael, "heeft Buick hen tot zijne
medeafgevaardigden doen benoemen. Ik herken hierin de list van dien
schalken vos, die hen van hier heeft willen verwijderen, omdat hij hun
invloed bij de goede gemeente vreest: en misschien ook, omdat hij de
geheime hoop voedt, dat hun de terugkeer uit Brabant niet zal vergund
worden.--Twijfelt er niet aan, vrienden! Noircarmes zal hier komen
en de vervolging zal aanvangen tegen al, wie in de leste troebelen
gemoeid is geweest.--Ik wil u meer zeggen: ik ben hedenmorgen vroeg,
namens Burgemeesteren, verzocht geworden, mij voor een tijd uit den
weg te maken, tot de bui ware overgewaaid."

--"En wat was uw antwoord?" vragen allen als uit éénen mond.

--"Ik heb," herneemt Reael, "mij willen vergewissen, in hoeverre
die raad uit ware belangstelling sproot, dan wel alleen gegeven was
opdat, indien ik bleef en mij eenig leed wedervoer, Burgemeesteren
alle verantwoordelijkheid deswege van zich af konden schuiven.--Ik
heb verlangd, dat mij een eervol getuigschrift, onder Stadszegel,
verleend werd, om mij tot paspoort te dienen. Het antwoord strookte
niet volkomen met de beleefdheid der waarschuwing: immers, het luidde,
dat Burgemeesteren thans te veel overkropt waren met bezigheden, om
aan mijn verzoek te voldoen; doch dat men 't stuk mij zou nazenden,
indien ik de plaats mijner bestemming opgaf."

--"En wat is thans uw voornemen?" vraagt Kromhout.

--"Mijn besluit in dezen zal afhangen van de gezindheid, die
ik bij mijne vrienden bespeur. Willen zij met mij het dreigend
onweer trotseeren, goed en bloed opzetten en desnoods hun leven ten
offer brengen aan de zaak der gewetensvrijheid, ik zal met hen pal
staan,--achten zij het meer geraden, zich naar de omstandigheden te
voegen en elders een gunstiger tijd af te wachten, ik zal, wat het
mij kosten moge, mij van hier verwijderen en geduld oefenen."

--"Ik denk er over als gij," zegt Kromhout: "en uw gedrag zal het
mijne bepalen."

--"Met mij," zegt Pauw: "is het een bijzonder geval, en, wat er
gebeure, ik mag de stad niet verlaten: mijn vader heeft mij de
bezorging zijner zaken, gedurende zijne afwezigheid, opgedragen:--ik
mag zijn vertrouwen niet teleurstellen, en moet zijne terugkomst
verbeiden."

--"Ik," zegt Harmansz., "zie evenmin kans, mij te verwijderen, en
mijne zaken in den steek te laten.--Wat mijn leven betreft, het is
in Gods hand, en ik acht mij elders niet veiliger dan hier."--

--"Wat mij betreft," zegt De Wael, "ik volg Laurens Jakobsz.: blijft
hij, zoo blijf ik ook: acht hij 't raadzaam te vertrekken, zoo pak
ik mijn boeltje."--

--"En Reinier Kant?" vraagt Kromhout: "hij zou immers hier komen. Laat
hij zich nu wachten, hij, die altijd de voorste was bij elke handeling
en elken voorslag?"

--"Ook mij ontrust zijn uitblijven," antwoordt Reael: "wat brengt
Stijntje?"

Deze laatste woorden worden gericht tot de dienstmaagd, die
binnentreedt en haren meester een briefje ter hand stelt.

--"Wordt er antwoord gewacht?" vraagt Reael.

--"Neen meester! de jongen, die 't bracht, heeft zich terstond weer
verwijderd," antwoordt Stijntje.

--"'t Is wel! laat ons alleen," herneemt Reael, "van Kant!" vervolgt
hij, zoodra de dienstmaagd uit de kamer is: "zou hij verhinderd
zijn?--Maar wat is dat?"

--"Is hem iets overkomen?" vraagt Kromhout, bespeurende, hoe de kleur
op 't gelaat van zijn vriend, nu deze 't briefje geopend heeft, onder
't lezen verschiet.

--"Van den beurtman. 29 Aprilis. Ik berg mij. Berg u ook.--
Kant.--Ziedaar den geheelen inhoud van 't briefje," zegt Reael.

--"Heeft Kant gevaar geroken?" roept Kromhout: "is Kant heengegaan,
zonder ons zelfs vooraf te waarschuwen, dan voorwaar mogen ook wij
alle hoop wel opgeven."

--"Nog één punt moet opgehelderd worden, eer ik mij van hier begeef,"
zegt Reael: "het is heden de dag, waarop wij bepaald hadden, de giften,
in de kist verzameld, te tellen. Uit het meer of min aanzienlijke der
bijeengebrachte som, zullen wij kunnen opmaken wat wij te vreezen of
te verwachten hebben."

Onder het uiten van deze woorden rijst hij op, en gevolgd van zijne
vrienden, begeeft hij zich naar de zijkamer. Daar verbeidt hen een
aandoenlijk schouwspel. Eene vrouw in rouwgewaad, armoedig, doch
zindelijk gekleed, staat bij de offerkist, waar zij juist hare gift
heeft gebracht.

--"Het is de weduwe, die haar penninksken offert!"--fluistert Reael
Kromhout in. "God geve, dat ook de vermogenden van hun rijkdom gegeven
hebben, gelijk zij van hare armoede."

Met gebogen hoofd en zedig nijgende, glijdt de arme vrouw de zes
vrienden voorbij, en verwijdert zich, terwijl allen, als door een
zelfde gevoel gedreven, den breeden hoed van 't hoofd nemen, en haar
eerbiedig groeten.

--"En nu," zegt Reael: "de kist onderzocht. De vrienden hebben,
zoo ik hoop, de sleutels meegebracht?"

Pauw en Roodenburg, die met hem tot bewaarders der penningen waren
aangesteld, halen op deze vraag ieder een sleutel voor den dag,
Reael vertoont den zijnen: de twee hangsloten en het slot der kist
worden geopend en het deksel afgelicht.--Bij den eersten blik, daar
binnen geworpen, openbaart zich op het gelaat van de aanwezigen een
trek van teleurstelling.

--"Er is niet veel goud bij," zegt Roodenburg.

--"De benoodigde f 11,000 zijn er althans niet," merkt Harmansz. aan.

Het geld wordt uitgestort en nageteld: het bedrag is f 747-8 stuivers
en 6 penningen.

--"En nu," zegt Reael, "heb ik althans geen verder bewijs noodig,
dat een langer verblijf hier niet meer zou zijn dan eene doellooze
uittarting van 't gevaar. Indien zij, die zoo boud gesproken en, bij
eere, trouwe en mannenwaarheid, zich verbonden hebben den honderdsten
penning hunner goederen op te brengen, om zoo heilige schulden af
te doen, nog te veel gehecht zijn aan den Mammon, om hun woord na
te komen, zullen zij dan hun leven veil hebben voor de zaak des
Heeren?--Met dezulken is niets voor 't oogenblik aan te vangen: en
wij zullen moeten wachten tot hun geweten en gewis ook eene bittere
ondervinding hen tot andere inzichten doen komen.--Vrienden! mijn
boeier ligt aan de kaai.--Ik ga heden avond onder zeil naar
Medemblik. Wie vergezelt mij?"

--"Gaat uwe vrouw mee?" vraagt Kromhout.

--"Zij zal bij hare moeder blijven," antwoordt Reael, "die devoot
Katholiek is, doch haar om haar geloof niet kwellen zal en waar
niemand haar zal moeien; wij zullen later zien, of zij zich bij mij
zal kunnen voegen."

--"Maar de mijne zal mij niet alleen laten trekken," zegt Kromhout:
"al mijne verwanten en de hare zijn heftig op ons gebeten, over hetgeen
zij onze kettersche gevoelens noemen, en zij zou bij hen eene hel op
aarde hebben."

--"Zij zal mij welkom zijn," zegt Reael.

--"En nu de gelden?" vraagt Pauw.

--"Breng die aan de vrouw van Cornelis Loefszoon," antwoordt Reael,
"die den Heer Van Brederode gehuisvest en er zelfs geen dank voor
bekomen heeft.--Of weet iemand er een beter gebruik voor?--Niet?--Wel,
dan zij het zoo. Vriend Frank! ik reken ook op uw gezelschap t' avond?"

--"Ik zal er zijn," zegt De Wael.



En, werkelijk, nog dien zelfden avond voerde de boeier van Reael
hem en De Wael, benevens zekeren bontverkooper, Matthijs Janszoon
genaamd, en Kromhout met zijne vrouw en veertienjarig dochtertje
het IJ uit. Den tweeden Mei kwam het gezelschap te Medemblik; doch
zich daar niet veilig achtende, trok het met een karveelschip naar
Wieringen. Vruchteloos toefde het daar op de beloofde paspoorten: de
Regeering van Amsterdam liet hun weten dat zij die zelven konden halen:
bewijs genoeg, dat de afgifte nimmer bedoeld was geweest. Inmiddels
onderricht, dat men hen vervolgde, waren zij naar Vlieland
overgestoken, met oogmerk, om aldaar eene gelegenheid te zoeken,
om verder te komen. Alle schepen, schuiten, pinken waren echter in
beslag genomen en te hachelijker werd de toestand der vluchtelingen,
toen de Schout een verzoek van Burgemeesteren van Amsterdam bekwam,
om hen te vatten. Gelukkig kregen zij er kennis van, en, van den nood
eene deugd makende, vonden zij eene oude krabbeschuit, die wel een
halfjaar in den grond gelegen had, bij nacht, boven water en staken
zij er mede van land. Doch zoo lek was dit broze vaartuig, dat zij
den koers naar Harlingen wendden, om daar binnen te loopen. Dan pas
waren zij in 't gezicht dier haven gekomen, of daar vertoonde zich
een schouwspel, wel geschikt om hen met nieuwe angsten te slaan. Een
schip, dat een honderdtal vluchtelingen vervoerde, waaronder de
Heeren Van Batenburg, de Friesche Edelen Beima en Galama, den Jonker
Van Ilpendam en andere lieden van aanzien, werd aanboord gelegd
en overweldigd door een oorlogsvaartuig, 't welk de Stadhouder van
Friesland had afgezonden. Met reden beducht, dat hun een dergelijk lot
zou treffen, hielden de Amsterdammers af, en zeilden naar 't Wad, den
Abt genaamd. Hier brachten zij den nacht door, besteedden dien om de
lekke schuit met het linnen, dat zij bij zich hadden, te kalefateren,
en sukkelden zoo voort, totdat zij eindelijk den 20sten Mei behouden
te Embden aankwamen.

Hoe, elf jaar later, de staat van zaken binnen Amsterdam veranderde,
hoe zoovelen, die vroeger met levensgevaar ter stede uitgevlucht en
ellendig en berooid als ballingen hadden rondgezworven, zich door
dien omkeer aan 't hoofd der regeering hunner stad gesteld zagen, hoe
Adriaan Pauw en Kromhout onder de eerstbenoemde nieuwe Burgemeesteren
geteld werden, hoe eindelijk ook Reael, kort daarna te Amsterdam
teruggekeerd, er aanzienlijke ambten bekleedde, en hoe zijn roem nog
verdonkerd werd door dien van zijn doorluchtigen zoon, dat alles is
te vaak verteld en te algemeen bekend, om hier nog herhaald te worden.



In Visschers Roemer.

Wij zetten onze wandeling voort, en, op den Eersten November van 't
jaar 1623 het Damrak ten einde gekomen zijnde, slaan wij rechtsom,
de "Uiterste" of "Nieuwe Brug" over. De nieuwe huisjes, die hier de
zware (voor vijf jaren weggebroken) Sint-Olofspoort vervangen, aan
de rechterzijde latende, vervolgen wij onzen weg langs de kaai, die,
onder den naam van "Houttuinen," zich uitstrekt langs het IJ. Aan
den "Schreiers-hoek" en "-toren" gekomen, houden wij altijd rechts
en volgen de kaai, met groene boomen beplant, langs de gracht, die
voorheen de "Uiterste" of "Stedegraft" geheeten werd. Zij heeft
dien naam echter afgelegd, sedert het buitendijksch land aan de
overzijde meer en meer betimmerd werd, en de kaai wordt nu, naar de
vaartuigen, tot wier gewone ligplaats zij verstrekt, de "Geldersche
Kaai" genoemd. De overzijde, vroeger de timmerwerf van de vloot,
is gedurende de laatste vijf-en-twintig jaren dicht met huizen bezet
en met straten en stegen doorsneden. Geen anderen toegang heeft zij
vooralsnog met de eigenlijke stad, dan door de kleine Waterpoort,
over de brug van dien zelfden naam, die wij voor ons zien. Maar zoover
reikt onze wandeling niet. Wij staan stil voor eene woning, die, even
voorbij Schreiershoek, zich door hoogte, breedte en bouworde voordeelig
van de belendende huizen onderscheidt. De hooge voorgevel is van roode
baksteenen opgebouwd, smaakvol afgewisseld met gele tufsteenen en,
waren wij hier slechts eene maand vroeger gekomen, wij zouden dien
geheel verscholen zien achter de groene en breede wingerdbladeren;
slechts enkele en thans verdorde zijn er van overgebleven aan de
ranken, die, oprijzende uit den houten koker, binnen welken de stam
vervat en tegen schade beveiligd is, zich op de hoogte der eerste
verdieping naar alle zijden uitbreiden, en, zich om en langs de
vierkante kruisramen heenslingerende, in 't najaar de bewoonsters
der bovenkamers op het plukken van hare gouden trossen schijnen te
noodigen [11].

Het onderhuis is geheel bekleed met een houten beschot: fraaie
houten pilasters rijzen aan weerszijden van de deur en tusschen de
vensters, en torsen eene kroonlijst met keurig beeld- en snij- en
lofwerk voorzien. Niet minder sierlijk gesneden is het lijstwerk,
dat de ramen omvat, en keurig van uitvoering is het beeldje, dat,
boven de deur prijkende, een visscher vertoont, doch blijkbaar niet
een van de gewone soort; althans uit het schepnet, dat hij, omgekeerd,
in de linkerhand houdt, stort hij geen visschen, maar muntspeciën
in een open koffer uit, en zijn vischwant ligt, aan denzelfden kant,
heengeworpen over balen, vaten en koopmansboeken; terwijl, rechts van
hem, allerlei zinnebeelden van kunst en wetenschap op elkander zijn
gestapeld en hij met de rechterhand een roemer omhoog heft. Dit fraaie
beeldhouwwerk, evenals het geheele onderhuis, door een groene luifel
beschut, zinspeelt op den naam des laatsten bewoners, en kondigt ons
aan, dat wij, wanneer wij langs de drie blauwe stoepsteenen de deur
zijn binnengetreden, ons bevinden


                in 't saligh Roemers huys,
Wiens vloer betreden wordt, wiens dorpel is gesleten
Van Schilders, Kunstenaers, van Sangers en Poëten.


Ik zeg het "saligh Roemers-huys;" want de man, die zijn naam aldus in
den vorm van een rebus boven zijne deur heeft laten beitelen, Roemer
Visscher, is niet meer: voor drie jaren is hij, tot smart van allen,
die hem kenden, overleden.

Maar het is niet in het huis des rouws, dat ik u thans wil inleiden:
integendeel, de rouw is geweken en alles kondigt vreugd en vroolijkheid
aan. Voor de stoep prijkt eene eerepoort van sparretakken, hulst
en nimmerdor, bestoken met oranje-appels en vlaggen van papier en
klatergoud, en saamgebonden met veelkleurige linten: en van die
eerepoort hangt in 't midden eene sierlijke kroon af, waar, al moge
het welriekende gebloemte der Junimaand er aan ontbreken, toch geen
bontgekleurde bloemen falen, uit gaas, wit papier en andere stof op
't kunstigst vervaardigd. Festoenen en vlaggedoek zijn om de deur
geslingerd, die openstaat en ons het gangportaal doet zien, waar twee
gouden naamcijfers, in een wit ovaal, ons tegenblinken. De straat,
aan weerszijden is (niet zwart gelijk men in de 19e eeuw zal zeggen,
als eene afschuwelijke mode de mannelijke sekse bijna uitsluitend
in effen donkere kleederdracht zal gestoken hebben, maar) bont van
menschen: net gekleede buurkinderen, met blozende wangetjes, staan
gereed, het Bruidspaar, als 't van 't kantoor van Huwelijkszaken terug
zal keeren, met loovertjes, suikererwten en speculatie te bestrooien;
want de Bruid, die verwacht wordt, is de jongste dochter uit den huize,
is Maria Tesselschade, Roemer Visschers dochter.

Al behooren wij niet tot de genoodigden, en al is het nu een dag,
waarop zelfs de gulheid van den "ronden Roemer," die aan elken
beschaafden bezoeker een welwillend onthaal waarborgde, geene anderen,
dan die tot het feest behoorden, zou hebben kunnen toelaten, wij maken
gebruik van den tooverstaf der verbeelding, die elken toegang voor
ons opensluit en niet gedoogt, dat er iets voor ons verborgen blijve:
wij treden de lange gang ten einde en eene achterkamer binnen, waar
reeds een aanzienlijk deel der gasten vergaderd is en de komst van
het Bruidspaar verbeidt.

Wij zullen met die gasten, althans met velen onder hen, nader kennis
maken: maar vooraf willen wij een blik om ons heen slaan.

Reeds in gewone dagen levert de kamer bijzonderheden genoeg op, om
ons eenige uren met het beschouwen daarvan bezig te houden. Ik spreek
niet alleen van de roode gordijnen van kostbaar kroonsaai, die voor
de langwerpige boogvensters hangen, met kleine in lood gevatte,
rijk beschilderde ruiten: van de fraai gebeeldhouwde kolommen,
die de hooge schouw steunen, boven welke een keurig fruitstuk van
Adriaan Van Utrecht prijkt: noch van de sakredaanhouten glazenkast
met keurig porselein; meer nog dan een en ander verdient dit trezoor
uwe opmerking, waarop fijne roemers prijken, door de kunstvaardige
handen der dochters van den huize op 't bevalligst gesneden en met
opschriften versierd: en die beeldjes en vruchten, door haar uit was
geboetseerd: en, aan den wand, dat borduurwerk in ebbenhouten lijsten,
en die teekeningen of schoonschriften, waarmede zij vroeger haren vader
op menigen geboortedag hadden verjaard. Ook het afbeeldsel van den
vader prijkt er; dat rustig en krachtvol wezen, waar goedhartigheid
en schalksch vernuft op zijn vermengd: en naast het zijne hangen de
afbeeldsels van zijne vrienden, en herkent men het diep gegroefde
gelaat van den geleerden vriend en medestrijder van Willem I, Dirk
Volkertsz Coornhert, en de fijne aristocratische trekken van den
classiek-gevormden koopman, Hendrik Laurenszoon Spieghel.--Maar voor
dat alles en nog meer, dat de pronkzaal bevat, wij hebben er thans geen
oog voor; want deze dag is, als wij reeds zeiden, een buitengewone:
de zwart en wit geruite marmeren vloer is bestrooid met loovertjes
en winterbloempjes, acht festoenen van groen en gebloemte zijn met
het eene einde vastgemaakt aan krammen, in de bovenhoeken van het
vertrek, en aan het midden van elke bovenlijst geslagen, terwijl de
andere einden zich vereenigen aan een knop, op korten afstand van
den wand in de zoldering bevestigd: en van dien knop hangt, vlak
tegenover den schoorsteen en voor den grooten Venetiaanschen spiegel
met kristallijnen rand, een zware kroon van goud en gebloemte, met
zijden linten doorstrikt, boven eene kleine verhevenheid, waarop, in
een prachtig getooiden armstoel, de Bruid "te pronk" zal zitten--gelijk
de gewone uitdrukking luidt.--Nemen wij de gelegenheid waar, om,
zoolang die "bruidstroon" nog ledig blijft, het oog te slaan op de
aanwezige gasten, die de komst der nieuwgetrouwden verbeiden, en aan
welke inmiddels, door net getooide Juffers, speelnooten der Bruid,
hippocras en hylikmaker [12] wordt aangeboden.

Bont en gemengd is doorgaans toch het gezelschap, wanneer, gelijk ten
deze het geval is, Bruid en Bruidegom in verschillende plaatsen te
huis behooren, en zonder dat de wederzijdsche familiën met elkander
in betrekking staan. Maar bont vooral en gemengd zou in elk geval
het gezelschap op het feest van eene der dochters van Roemer geweest
zijn, ten gevolge van de uiteenloopende soort harer kennissen. Het
huis van Roemer toch was vanouds eene soort van vrij territoir,
waar ieder, welke ook zijne politieke of godsdienstige denkwijze
was, welkom werd geheeten, en alleen zij uitgesloten, die zichzelven
en anderen tot last en verveling waren. Roemer Visscher toch en de
zijnen waren aan de leer hunner vaderen getrouw gebleven, maar daarom
had hij zich niet, na den omkeer van zaken, zooals velen onder zijne
geloofsgenooten, teruggetrokken uit den omgang met hen, die anders
dachten als hij. Hij was een veel te groot minnaar van de fraaie
letteren zoowel als van het beoefenen en opbouwen der moedertaal,
en bovendien van te gezelligen aard, om, waar het lieden betrof,
wier wetenschappelijke richting met de zijne overeenstemde, of
wier tegenwoordigheid zout en leven aan het onderhoud gaf, die, in
één woord, gereed waren met hem (om de taal zijner eeuw te spreken)
offers aan Apollo en de Muzen te brengen, af te vragen of zij tot de
Oude Geuzen of tot de Pausgezinden behoorden. Daarom ontbraken thans
ook genen zoomin als dezen, nu het er op aan kwam, de bruidstranen
zijner geliefde dochter te komen--drogen, had ik haast gezegd;
ik meen--opdrinken. Zie maar dien krassen zes-en-zeventiger, met
zijn doordringenden blik, zijn scherpgeteekenden neus en kortaf
gebiedenden toon, die daar in gindschen hoek een roemer hippocras
aanneemt, hem door een bekoorlijk blond maagdelijn aangeboden:
dat is de eerste openlijke verdediger van het stelsel, waarvan het
uitvoeren hem voor vijf jaren zijne plaats in de vroedschap en aan
's Lands Advocaat het hoofd gekost heeft--Cornelis Pieterszoon Hooft,
oud-geus, rederijker, maar vooral Amsterdammer in zijn hart: en de man
met wien hij zich onderhoudt is--zijn gewaad, hoe deftig, ja stemmig,
zou 't ons niet verraden--een Roomsch-Katholiek Priester;--maar die
Priester is Jan Albert Ban, tevens rechtsgeleerde, en bovendien--wat
hem hier zoo welkom wezen doet--wijdberoemd musicus; een man, die,
als Vondel van hem zingt,


      In 't barnen van den twist
En stryt van ongelijcke klancken
Ons hooren laet den lieven pais
Der Engelen in Godts pallais.


Een ander Roomschgezinde, de Haagsche Advocaat Gysbert Corneliszoon
Plemp, staat wat verder, in levendig gesprek gewikkeld met de
schoone en lieftallige kasteleines van Muiden, Christina Van Erp:
en zij herinnert hem, hoe hij ook hare bruiloft met den Drossaard
bijgewoond en met een gedicht heeft opgeluisterd: jammer maar, denkt
zij er bij, dat het in 't Latijn was. Ook de Drossaard zelf bevindt
zich in de nabijheid en ook hij drukt de hand aan een Katholiek,
den Advocaat Vechters, zoo beroemd als taalvorscher en om zijne
rijke boekverzameling. In dien anderen hoek wedijvert Dr. Samuel
Coster, de reeds bedaagde Academist, met den jongen en vroolijken
Daniël Mostert--die in 't vorige jaar tot Secretaris der stad is
aangesteld, en wiens kittelend vernuft aan den naam beantwoordt dien
hij draagt--wie 't meest de Juffers, die om hem staan, door kwinkslagen
en kluchtige gezegden een lachje afpersen, ja nu en dan een blos op
de wangen zal jagen.

Zeer verschillend, wat maatschappelijken toestand, rang en betrekking
aangaat, zijn de twee personen, die daar in een levendig gesprek
gewikkeld zijn: de een, met dat geestig en levendig oog, met die
innemende gelaatstrekken en dien zwier in houding en gebaren, die den
man der meest verfijnde beschaving kenmerkt, heeft op veertigjarigen
leeftijd reeds eene schitterende loopbaan gehad, en reeds Oost-Indië
als Gouverneur-Generaal bestuurd; de andere, iets jonger dan hij, met
een thans eenigszins bleek en ziekelijk voorkomen, dat zijne fonkelende
adelaarsoogen des te meer doet uitkomen, is eenvoudig een welgesteld
winkelier in de Warmoesstraat;--maar toch zijn Laurens Reael en Joost
Van den Vondel vrienden; ja broeders, vereenigd door gelijkheid van
smaak en gemeenschappelijken taal- en letterarbeid. Hun beider reeds
bejaarde vriend, de koopman en kunstmeceen Laurens Baeck, voegt zich
bij hen: hij heeft zijne hofstede Schey-Beeck in de Beverwijk verlaten,
om met zijne bekwame zoons Justus en Jacob en zijne bevallige dochters
Katharina en Debora het trouwfeest der pupil van hun vriend Hooft te
komen bijwonen.

Nevens Jacob Baeck bemerkt gij diens boezemvriend, den
drie-en-twintigjarigen Willem Van den Vondel, met wien hij redeneert
over een voornemen, dat zij hebben opgevat, om te zamen het klassieke
land der kunst, het schoone Italië te gaan bezoeken. Met zeldzame
gaven des verstands en des harten toegerust, is Willem Van den Vondel
steeds de lust en de vreugd geweest, eerst van zijns vaders huis en
later van allen, die hem kenden, maar vooral is hij de lieveling van
zijn ouderen broeder, die, zij het ook al te nederig, aan al wie 't
hooren wil verklaart, "dat Willem hem verre overtreft." De zooveel
belovende jongeling zal die reize naar 't verre Schiereiland doen;
maar helaas! om nimmer in zijn vaderland terug te keeren.

Doch wie is die andere jongeling, slechts weinig ouder dan pas
genoemden en die, meer dan zij, ja, meer dan vele mannen van jaren
en gezag, hier de aandacht der aanwezigen en niet het minst die der
jufferschap tot zich trekt? Zijne rijke en hoofsche kleedij is naar
den allerlaatsten smaak, doch wordt met zooveel gemak gedragen, dat
men terstond den man herkent, die zich zwierig kleedt, omdat zijn
stand het medebrengt en niet, omdat hem zijn snijder aldus heeft
opgeschikt. Zijn bruin gelaat kan wel niet schoon genoemd worden,
doch het tintelt van geest en leven: en in stem, in spraak, in manieren
spreidt hij dat bevallige, dat innemende, dat echt hoffelijke ten toon,
't welk noch goud, noch hooge betrekkingen, noch al de moeite, die
men aanwendt, kunnen verschaffen aan hem, wien het van natuur niet
eigen is. Zie! daar spreekt hij met de juffers over Fransche modes,
over menuetten, pavanes en sarabandes, terwijl Debora Baeck aan eene
van hare kaartjes [13] ronduit verklaart, nooit een danser te hebben
gehad, die netter passen maakte en beter in de maat bleef; of wel,
hij redeneert over muziek, en meester Dirk Swelinck, de wijdberoemde
organist, vertelt overluid, dat hij zelden bij een liefhebber meer
kennis van het vak bij meer voortreffelijkheid van uitvoering gevonden
heeft. Maar daar komt 's Legers Opperwachtmeester Wijts, een der helden
uit den vrijheidsoorlog en der bekwaamste krijgskundigen uit zijn tijd,
onzen jongeling in 't gemoet, drukt hem de hand en doet hem een paar
vragen aangaande 't beleg van Bergen-op-Zoom: en de ander antwoordt
daarop, zonder zich te bedenken, met een zaakkennis, die, aan wie hem
niet kennen, al licht zou doen gelooven, dat hij een krijgsman is van
beroep. Intusschen acht de grijze Burgemeester De Vlaming van Oudshoorn
het de moeite wel waard, van de gelegenheid gebruik te maken, die zich
voordoet, om een woordje over staatkunde te wisselen. Hij treedt naar
onzen jonkman toe, en, hem met meer eerbiedigheid aansprekende dan
men in iemand van zijn stand en achtbaarheid tegenover een jongen
spring-in-'t-veld verwachten zou, veroorlooft hij zich een paar
"bescheiden vragen" aangaande het vermoedelijk doel der zending, die de
Heer Gramaye vanwege Keizer Ferdinand bij de Heeren Staten volbrengen
komt. Op zedigen toon, maar zonder aarzeling, geeft de jongeling de
verlangde inlichtingen, ja treedt daarbij in bijzonderheden, die genoeg
bewijzen, dat hij aan een goed geheugen een helder doorzicht paart en
den sluier weet op te lichten, waaronder de diplomatie haar geheimen
zoekt te verbergen;--nauwelijks heeft hij aan de weetgierigheid van
den Burgemeester voldaan of Plemp klampt hem aan boord, om over een
paar onlangs verschenen emendaties op Virgilius te spreken en Pieter
Corneliszoon Hooft, zijn slag waarnemende, duwt hem een dichtgevouwen
papier in de hand en bijt hem in 't oor: "ziehier het sonnet, waar ik u
over gesproken heb. Wees zoo goed het eens in te zien en te betuttelen
[14] waar 't noodig zijn mocht."

De jongeling, die evengoed in de dans-, muziek-, krijgs- en staatkunst
te huis is als in de oude en nieuwe letteren, die in vlugheid van
vernuft, schranderheid van oordeel, blijmoedigheid van geest en
voortreffelijkheid van inborst voor geen der hier aanwezigen onderdoet,
en die eenmaal als geheimschrijver van drie vorsten uit het huis van
Oranje en niet minder als kernachtig dichter zich een beroemden naam
zal weten te verschaffen, is de Hagenaar Constantijn Huyghens.

Was het wonder, dat hij de hofstad verlaten had om het bruiloftsfeest
van Tesselschade te komen vieren? Reeds voor een jaar of vijf had hij
de kennis met Roemers dochter op 't Huis te Muiden gemaakt en tusschen
hen was eene vriendschap ontstaan, gelijk men zelden tusschen lieden
van verschillende kunne aantreft, en die hun geheele leven duren
zou. Hiervan getuigde o. a. het gedichtje, dat hij aan de gezusters
geschreven had, in dank voor suikerpeen.


                          Gesonde peen,
                          Ik vatt' de reên
                          Van uw geschenck:
                          't Is met een wenck
                        Smaecklijk bewezen;
                          De wortel soet,
                          De vrucht moet goet
                        En heilsaem wezen.
                          Op eer en deughd
                          Stond d' eerste vreughd
                        Van ons vergaeren:
                        Al wat der jaeren
                          Knoop en gespann
                          Tot noch daer van
                        Heeft uytgegeven
                        En bij ons leven
                          Uytgeven moet,
                          Sal goed en soet
                        En heylsaem wesen.
                        Vriend'lick paar Weesen,
                          Dit is 't beduyd
                          Van mijn besluyt
                        Uyt uwe gaven:
                        Daer ick begraven
                          En ghy tot stoff
                        Sult wederkeeren,
                          Sal deze lof
                        Ons graf vereeren,

                          Hier light C. H.
                          En Tesselscha
                        En Anna, d' eerste.
                        Die elck om 't seerste
                          Met schrift en praet,
                          Met wensch en daed,
                        Haer vriendschap sloten:
                        Vriendschap gesproten
                          Uit grond en reên
                          Als suycker-peen.


Reeds vroeger, bij den dood van haren vader, had hij aan het
"vriendelijk paar Weesen" een aandoenlijken troostbrief in verzen
geschreven, haar bemoedigende met het denkbeeld, dat Hooft haar
voortaan tot een voogd en tweeden vader verstrekken zou: en nu
een jaar geleden schreef hij uit Londen, waar hij zich bevond als
Gezantschaps-Secretaris, een anderen berijmden brief aan 't waardige
drietal, zijn vurig verlangen uitdrukkende om hen terug te zien.

Hoe weinig het echter gefaald had, of hij zou door het slechte weer
verhinderd zijn geweest de reis naar Amsterdam te ondernemen, blijkt
uit de volgende dichtregelen, die Tesselschade weinige dagen geleden
van hem ontvangen had:


                        Tesselschade,
                        Die uw gade
                        Niet te spade,
                          Niet te vroegh
                        Hebt gevonden
                        En verbonden
                        Van de wonden,
                          Die hij droegh,

                        Wees te vreden
                        Met de reden,
                        Die my heden
                          Seggen doet:
                        Bruiloftslusten,
                        Laet my rusten,
                        Daar ick rust en
                          Rusten moet.

                        Stuersche buyen,
                        Die zich ruyen
                        Tegen 't Zuyen,
                          Tegen 't West,
                        Hoor ik schreeuwen
                        Door het sneeuwen:
                        Zomer-spreeuwen
                          Houdt uw nest.

                        ...........
                        Had de Son en
                        Lucht begonnen
                        Weer te gonnen
                          't Soet gelach
                        Van de haegen
                        En te traegen
                        't Wintrigh jaeghen
                          Van den dagh,

                        'k Waer geschapen
                        Vreughd te rapen
                        Van 't begaepen
                          Van uw feest,
                        En het proncken
                        Van uw loncken
                        Tot ontfoncken
                           Van mijn geest.

                        Maar 't benijden
                        Deser tijden
                        Moet ik lijden
                          Met geduld;
                        't Zijn geen treken
                        Om te wreken
                        Woord te breken
                          Sonder schuld.

                        Oh! hoe vliegh ik,
                        Hoe bedriegh ick,
                        Hoe beliegh ick,
                          Mijn gemoed!
                        'k Wil der wesen,
                        Alle vreesen
                        Sijn geresen
                          Uyt mijn bloed.

                        Swackheit, lijden,
                        Winter-tijden,
                        Die ick mijdden,
                          Staet van kant.
                        Wech vervaren
                        Voor het baeren [15]
                        Van de baeren:
                          'k Wil van land.

                        Gae ick? Stae ick, [16]
                        Neen ick? Ja ick:
                        Emmers gae ik;
                          Neen ick, noch. [17]
                        Ja ick, meen ick.
                        Weer versteen ick. [18]
                        Gae ick? neen ick.
                          Ja ick, toch.


't Bleef dus ja, en het werd nog nader door een tweede brief bevestigd:


                        Winter-dagen,
                        Die de slagen
                        Van de vlagen
                          En de macht
                        Van de winden
                        Schijnt te binden,
                        Daar men in den
                          Haeg op wacht.

                        Sendt het raesen
                        Van dit blaesen
                        Over Maes en
                          Over Schelt:
                        Laat de Veeren
                        Van de Meeren [19]
                        t' Mijner eeren
                          Ongequelt.

                        Laat de schueren
                        Onser Bueren
                        Wat besueren
                          Van uw kouw,
                        Laat se lipp' en
                        Tanden klippen
                        Met de slippen
                          In de schouw. [20]

                        Onderwijlen
                        Sal ick ijlen
                        Als de pijlen
                          Na den Doel, [21]
                        Afgezonden
                        Na de gronden
                        Van den Ponden-
                          rijcken poel. [22]

                        Zijn uw' ooren [23]
                        Niet te hooren
                        Tot verhooren
                          Van mijn bee?
                        Soud' ick sollen
                        Tegen 't rollen,
                        Tegen 't grollen
                          Van de zee.

                        'k Sal uw baeren
                        Eer ontvaeren,
                        Danck het Sparen
                          En het pad,
                        Dat den wagen
                        En de slagen
                        Kan verdragen
                          Van het rad. [24]


Maar, nu wij de gasten, immers de voornaamste onder hen, in oogenschouw
hebben genomen, wordt het tijd een blik te slaan op haar, die eigenlijk
in de eerste plaats onze belangstelling, althans onzen groet verdiend
had, op haar, die den last der bezorging van het feest op zich genomen
heeft, en ons tot harent ontvangt, op Anna Roemers.

Tien jaren ouder dan Tesselschade en dus reeds in haar veertigste
jaar getreden, is Anna nog immer in de volle pracht eener schoonheid,
die van geen verwelken schijnt te weten, nog immer


    De roem van haren tijd, waar Roemer op mocht roemen.


Vreemd moge het schijnen, dat eene zoo bevallige, zoo rijk begaafde
vrouw tot heden ongehuwd gebleven is; maar, zoo zij nog geen plichten
als echtgenoote te volbrengen heeft, het is alleen daaraan toe te
schrijven, dat tot heden andere plichten op haar rustten: eerst de
verpleging van haren vader en het bestier over diens huis: later, na
zijn dood, de gehechtheid aan hare jongste zuster, bij wie zij eenmaal
de rol eener moeder vervuld had en ook nu nog bleef vervullen, al was
het kind voorlang opgegroeid tot maagd en nu reeds haar derde kruis
nabij. Maar thans staat die zuster op het punt het ouderlijke huis
voorgoed te verlaten en zich met haren gemaal elders neder te zetten:
en thans heeft ook Anna begonnen te gevoelen, dat het niet goed is
voor den mensch, alleen te zijn. Reeds is haar hart, weldra wordt ook
hare hand weggeschonken aan den zoon uit een aanzienlijk Dordtsch
geslacht, doch zelf in 't Noorden van West-Friesland gevestigd;
aan Dominicus Booth Van Wesel, wiens kennis zij te Alkmaar gemaakt
had, toen zij aldaar met hare zuster het gezin van diens verloofde
bezoeken ging, en zij zal hem volgen om hem gelukkig te maken en,
door geheel Nederland bij voortduring vereerd, nog als zestigjarige
vrouw om hare zeldzame gaven en bevallig voorkomen en minzaamheid,
den geleerden Puteanus te Leuven en diens gezin in verrukking te
brengen en door hem als eene tiende Muze te worden afgeschilderd.

Maar hoor!--een gedruisch ontstaat daar buiten: een geluid van
vedels en fluiten klinkt van uit een zijvertrek, waar de muzikanten
vereenigd zijn: al de gasten geraken in beweging, zien naar de deur en
scharen zich rechts en links om den vrijen doortocht te laten aan het
jeugdige paar, dat, vergezeld van zijne getuigen, teruggekeerd is van
't Stadhuis en nu onder oorverdoovend gejuich der op straat verzamelde
menigte,--een gejuich van uit de opperzaal straks beantwoord--de
woning, en weldra ook de zaal is binnengetreden.

"Ruim baan! ruim baan! Plaats voor de Bruid!" klinkt het van
allerwegen: en Tesselschade begeeft zich naar den voor haar bereiden
troon; maar haar oog zoekt en ziet onder die schare hare zuster Anna
alleen, en de beide zusters vallen in elkanders armen, terwijl warme
tranen uit beider oogen elkanders gelaat bevochtigen. Eene eerbiedige
stilte vervangt het gedruisch en met aandoening staren de omstanders op
de zoo innig verknochte--nu welhaast voor lang gescheiden--zusters. Nu
vermant zich echter de Bruid en, na nog een hartelijken kus aan
hare beminde Anna, laat zij zich door haren Bruigom verder leiden en
neemt plaats op den voor haar bestemden zetel. En wel verdient die
thans zijn naam van "troon;" want geen koningin kon dien waardiger
bekleeden dan zij van wie wij 't nauwelijks durven beproeven, eene
beschrijving te geven.

Een hoog opstaand kanten mutsje, boven hetwelk een gouden kroontje, met
paarlen omzet, zich verheft, omvat het hoog gekapte "goutdradich hayr"
van Tesselschade: haar hals is door een drie dubbel geplooiden, breed
uitstaanden kraag van kostbaar kant omvat; een blauw satijnen kleed
met bonten rand omsluit hare rijke gestalte en laat, van voren open,
een borstlap zien, die schittert van gesteenten en een onderkleed
van gele zijde, op 't rijkst met bloemen gestikt, waarop, van den
gordel af, een gouden snoer nederhangt, van afstand tot afstand
met paarlen geschakeld en aan welks einde een reukbal vastzit,
van gouddraad gevlochten en met vonkelende robijnen, turkooizen en
andere puik-juweelen bezet. Maar hoe fraai dit alles zij, het kan de
schoonheid alleen opluisteren, niet verhoogen, van haar, die wij als
Bruid begroeten. Bevallig, rank en toch krachtvol is hare gestalte:
en de gezondheidsblos op het lelieblank gelaat getuigt, dat wij hier
niet te doen hebben met eene dier loome, smachtende, verwende juffers,
die den halven morgen in 't bed verslapen, een groot gedeelte van
den dag aan de kaptafel doorbrengen, en zoowel den zonnegloed als
het minste tochtje vreezen: en evenmin met eene dier savantes, die,
aan studeervertrek of salon gekluisterd, de kamerkleur verkrijgen
als een onmisbaar gevolg van een zittend leven; maar wel met eene
zoodanige, die noch lucht noch zonnestralen schuwt en zelfs voor
geen lichaamsoefeningen terugdeinst. En inderdaad, niet alleen is
Roemers jongste dochter ervaren in muziek en schilderkunst, niet
alleen weet zij op 't glas te snijden, in was te boetseeren en met
de borduurnaald te tooveren, niet alleen weet zij Tasso's "Verlost
Jeruzalem" in Nederduitsche verzen te vertalen, maar ook heeft zij,
toen nog haar vader in "de Kreeft" over den Stads Singel woonde,
waar in den tuin een groote en diepe vijver was, met hare zusters
het zwemmen geleerd. Wakkerheid en levenslust stralen dan ook af
van haar gelaat en schitteren ons tegen uit die groote bruine oogen,
die spiegels der reinste en edelste ziel: parelwitte tanden glinsteren
tusschen het koraal van fijngevormde lippen: het breede voorhoofd duidt
een kloek en veel omvattend verstand--de kleine, recht nedervallende
Grieksche neus vastheid van karakter aan: de fraaie handen, aan de
polsen met een zesdubbel parelsnoer omgeven, zijn blank en zacht als
fluweel: maar zoo 't u gebeuren mag, ze te drukken, zult gij voelen,
dat in die poezele vingers kracht verborgen is en dat de vereelte
toppen gewoon zijn, vedelsnaar en graveerstift te hanteeren.

Ter rechter-en linkerzijde van de Bruid, op lagere zetels, doch
mede op den "troon" wordt de plaats van de Bruid, die anders aan
de wederzijdsche moeders zou toekomen, bij ontstentenis van dezen,
rechts bekleed door 's Bruigoms zuster, links door de tweede van
Roemers dochters, Truitje, sedert eenige jaren de gade van Nikolaas
Van Buyl. Misschien is het aan dat huwelijk te wijten--waardoor zij
vroeg reeds haars vaders huis verliet, en, aan huiszorg gebonden,
minder dan hare zusters den omgang bleef aanhouden met doorluchte en
beroemde vernuften--dat Truitje Roemers, twee eeuwen lang, geheel
vergeten zal blijven bij de geschiedschrijvers, die zoo luid van
Anna en Tesselschade zullen gewagen. Maar wij vergeten haar niet,
de derde in een trits bevalligheden: wij kennen ook haar een billijk
deel toe van den roem, die hare zusters omstraalt.

De gasten zijn achtereenvolgens de Bruid komen begroeten: daar nadert
ook Huyghens, en, hield de etiquette Tesselschade niet aan haren
troon gebonden, zij ware hem te gemoet gesneld, om hem de hand te
drukken. Dit laatste veroorlooft zij zich echter, terwijl zij hem voor
zijn heilwensch dank zegt, hem hare blijdschap te kennen geeft, dat hij
toch de winterstormen getart heeft, en zij hem haren Bruigom voorstelt,
die nevens haar staat. Ja! den Bruigom!--hebben wij dien vergeten,
den held van 't feest, dat wij van hem geen gewag maakten?--Neen gewis
niet; maar juist, omdat hij de held van 't feest is, kan hij het ons
niet ten kwade duiden, zoo wij hem, evenals zulks met de theaterhelden
doorgaans het geval is, na de mindere personages laten optreden.

Wie is hij nu, de man, aan wien Tesselschade de voorkeur heeft
geschonken boven zoovele kloeke vernuften als naar hare hand
dongen? Zeker een geleerde, een toonkunstenaar, een dichter, een
staatsman, of in allen gevalle iemand, die zich op deze of gene wijze
heeft beroemd gemaakt?

De Bruigom is niets van dat alles: hij is eenvoudig een zeeofficier,
die, wanneer hij aan wal is, te Alkmaar woont en antwoord geeft op
den (alles behalve dichterlijk klinkenden) naam van Allart Janszoon
Crombalgh.

Maar--dat mogen wij niet ontkennen--hij is een flinke, kloeke borst,
wiens blauwe oogen helder blinken in dat echt mannelijk gelaat,
door de zon der keerkringen gebronst; en is Tesselschade dichteres,
zangster en geleerde, voor alles is zij vrouw, en 't is als vrouw,
dat zij de liefde van haren Allart of Adelaar, gelijk zij hem soms
bij letterkeer noemt, gewonnen en hem de hare geschonken heeft.

De liefde--Vondel zal het ons leeren in het bruiloftsdicht, dat hij
bij zich heeft--is in de kerk begonnen:


    Een wijl hiernae geviel 't, toen deser dochtren geest
    Kerckpleghtigh besigh was te vieren 't jaerlyx feest
    Met lofsangh en gebeên, gelijckse 't noô versloffen,
    Dat d' een van 't kerckgewelf werd in de borst getroffen, enz.


Allart had Tesseltje hooren zingen: eerst hare zuivere tot het hart
dringende stem, vervolgens hare bekoorlijkheden, hadden hem verrukt, en
wederkeerig had zij bij den eersten aanblik in hem den man gezien, die
haar tot gade beschikt was. Weldra was de zaak beklonken en tusschen
hen bepaald, dat het huwelijk zou voortgang hebben, zoodra hij zou
terug zijn gekeerd van een zeetocht, dien hij nog te ondernemen had.

Vóór zijn vertrek was hij op 't Muiderslot genoodigd, waar zich de
gezusters, aan welke Hooft, gelijk gezegd is, tot vader, of, beter,
tot broeder verstrekte, zich veelal onthielden. Ook Vondel was er
te gast, en het aanstaande vertrek van den verliefden zeeman gaf hem
de navolgende regels in de pen, waarbij hij Hooft onder den naam van
den zanglustigen veldgod Pan, den vrijer onder dien van Dafnis, diens
liefste onder dien van eene Sirene, wier verleidend gezang allen tot
zich lokt, en zichzelven als Tityr voorstelde. Het luidde aldus:


                De vleiende Sireen,
                      Wiens zang en vedelsnaer
                Verlockten naar beneên
                      Den fieren Adelaer, [25]
                Die met zijn wiecken hingh,
                      Daer zangh zijn hart bekneep
                En hy verslingert vingh
                      Het keeltjen, dat hem greep.

                Dees op den oever stondt,
                      Daer Glaukus, [26] heet van Min,
                Kust en herkust den mont
                      Der blancke stroomgodin,
                Die in zijn armen glijdt
                      En zijght van liever leê
                En voegt haer bruytschat by 't
                      Rijck hylixgoet der zee.

                Pan zanghziek, op dat pas,
                      Had Dafnis laten noôn,
                En, om te luystren, was
                      Hier Tityr mede ontboôn.
                Zij huckte neêr in 't groen
                      Daer van een hoogen wal
                Het oogh moght ronde doen
                      En weien overal.

                Toen sloegh haer keel geluyt;
                      Help Godt, wat zoeter zangh!
                Zwijgh Tityrs boerefluit.
                      Wat was hier een gedrangh
                Van ooren, om dit liedt
                      Te vangen in de lucht.
                Toen tot haar neighde riet,
                      Geboomte en vogelvlught.

                Ach Dafnis, zong zy, ach!
                      Wat gaet u, Ridder, aen?
                Zoo dit uw moeder zagh,
                      Het hair te bergh zou staen.
                Is 't groen, daer ghy op staet,
                      Dan 't engh en veel te naeuw,
                Dat ghy 't verwislen gaet
                      Voor 't wilde en woeste blaeuw?

                Versin eer ghy begint,
                      En hou uw oude buurt,
                Denckt wat de zee verslindt,
                      Als zij den afgrond schuurt,
                En gaept den Hemel toe,
                      En grimt dat alle Goôn
                Optrecken, zorgens moê,
                      Hun aangevochten troon.

                Wat is hy overstout,
                      Die leven, lijf en ziel
                Den lichten wint betrout
                      Op 't drijven van een kiel.
                En stuyft ter weerelt uyt,
                      Daer loot geen gronden peilt,
                Daer 't schip aen starren stuyt
                      En door de klippen zeilt.

                Noch hiel ick u te goe,
                      Indien uw trotse moedt
                Niet reede een oorloogh toe,
                      O gruwel! op den vloedt,
                Op grondeloosen plas
                      Te vechten, lijf aen lijf:
                Die bodem is van glas,
                      O Reuzen, treet niet stijf.

                Te lande is vlughtens troost,
                      De wanhoop drijft in 't schuym,
                Och! of ghy 't land verkoost.
                      Ghy schudt helmet en pluym,
                En slaet mijn beden af,
                      Wel aen ick neem geduldt,
                Ghy kiest dan 't levent graf
                      En ick blijf zonder schuldt.

                Ten minste denck aen my,
                      Wanneer ghy, als Jupijn,
                Zult op uw vyants zy
                      Met blixems woênde zijn
                En Hollants zeebanier
                      Met hoop van zege voên
                En braken vlam en vier
                      In 's Konings galioen.

                Dan denck eens, hoe 't mij kruyst,
                      Als ghy den Spanjaart tart,
                Met 't slaghswaert in de vuyst,
                      En duy 't zorgvuldigh hart
                Van uw Sireen dien raedt
                      Altijt ten beste na:
                Mits ick uw schipbreuk haet,
                      Niet naar uw leven sta [27].


In de afwachting van den dag, waarop de vertrokken zeeman zou
terugkomen, waren de zusters haars vaders huis blijven bewonen. Wij
leeren dit o. a. uit het slot van een gedicht tot lof der zeevaart,
't welk Vondel omtrent dien tijd zijn vriend Reael had toegezongen.


      Wy naecken Schreyers hoek, daar lieffelijck en bly
      Een waterlandsche Rey, de juffertjens van 't Y,
    Met ongehuyfde pruyck en kletten [28] geestigh singen,
    En nae den toon van sangh en spel hun treden dwingen.
      Twee Diertjens [29] in dien hoop aenminnigh groeten ons,
      D' een volght met soet musyck des anders violons.
    En hebben toegewijt haer kuysheyd Phoebus suster.
    Laet vallen 't ancker, stryck, hier is de vloed geruster.
      Hier gaet noch eb noch ty, hier hoort men geen geruys.
      Hier open ick mijn reis in 't saligh Roemers huys.... enz.


Na behouden reis en terugkeer der Bruid,


             toen de faem op Schreyers toren sat
      En bruyloft bruyloft blies, en noodighde al de stad
    Op 't schaterend bancket, beluyt wet soete rijmen,
    Van 't Noorden Krombalck quam, verzelschapt met God Hymen.


Wij keeren, na deze uitweiding, tot onze beschouwing
terug. Tesselschade stelt--als wij gezien hebben--haren Bruigom voor
aan Huyghens, die hem nog niet heeft aangetroffen, en hem in heusche
bewoordingen gelukwenscht. De zeeman beantwoordt met beleefdheid den
handdruk en den groet des hovelings; maar toch vertoont zich in zijn
wedergroet niet die ongedwongenheid, die hem anders zoo eigen is:
't is of hij zich tegenover Huyghens minder dan tegenover elk ander
op zijn gemak gevoelt. En geen wonder: hij weet, hoe hoogen prijs
zijn liefste op het verkeer met Huyghens stelt: hij weet, welke
innige gemeenzaamheid tusschen hen beiden bestaat, en, al heeft
hij de overtuiging, dat het gevoel van Tesselschade voor den jongen
hoveling niet dan zuivere, zusterlijke vriendschap is, en niets te
kort doet aan hare liefde voor hem, Crombalgh, geen Bruigom bestaat
er, die zich bijzonder voelt aangetrokken tot den man, die reeds vóór
hem met zijne Bruid op een gemeenzamen voet verkeerde, die beweren
kan ouder brieven te hebben dan hij, en die haar zijn "kameraadje"
noemt--al is 't dan maar om 't rijm.

Maar Huyghens let niet op die koelheid van Allart. Hij heeft het oog
gewend naar de blonde, met lauweren gekapte speelnoot der Bruid, de
bevallige Machteld Van Kampen, die op dit oogenblik tot hem genaderd is
en hem op een zilveren schenkblad de bruidstranen aanbiedt--en zie! een
hooge blos kleurt zijn gelaat, terwijl hij een der ingeschonken
roemers tot zich neemt. Maar zijne tegenwoordigheid van geest verlaat
hem niet. "Schoone juffer," zegt hij, met eene hoffelijke buiging,
"geboden mij plicht en genegenheid niet, dezen roemer aan Bruid en
Bruigom te brengen, ik had hem reeds ter eere eener zoo bevallige Hébé
geledigd."--En nu is het de beurt der juffer te blozen en zich met
eenige verlegenheid terug te trekken: verlegenheid, ja; want er bevindt
zich onder de aanwezigen een jongeling, die haar met de oogen volgt,
en wiens hart reeds in bitterheid ontstoken is tegen den Hagenaar,
in wien hij een medeminnaar ziet.

En nu, nu zou ik gaarne met u, waarde lezer! aan het Roemershuis
verblijven om er de feestvermakelijkheden bij te wonen en mede
aan te zitten aan het overvloedige banket en te luisteren naar
de gesprekken der opgewekte dischgenooten, naar de muziek, achter
tafel uitgevoerd, naar de liedjes, door de speelnoots gezongen, naar
de bruiloftsdichten, door dichters en rijmers voorgedragen. Maar ik
vrees, dat die gesprekken, hoezeer dan ook tusschen de uitstekendste
vernuften gevoerd, veel van hun zout en aardigheid zouden missen
voor u, die niet zijt ingewijd in de nieuwtjes van den dag, in al
de bijzondere betrekkingen en omstandigheden van de sprekers, of
zelfs in de taal van die eeuw. Ook om de geestige scherts kan alleen
hij lachen, die haar verstaat, en ik vrees, dat het snarenspel, al
streelt het de ooren der gasten als hemelval, in de uwe, die aan
meer ingewikkelde muziek gewend zijt, te schraal zou klinken, ja
dat zelfs de beurtzang van Francisca Duarte en Machteld Van Kampen
u te eenvoudig zou voorkomen: maar vooral vrees ik, dat gij in
slaap zoudt vallen bij de verzen, die men voor zal dragen; 't moge
der moeite waard zijn, Vondel te hooren: zijn feestdicht, hoe vol
fraaie brokken en vernuftigen zwier, zou u te lang en te mythologisch
voorkomen. Bovendien, wij zijn wandelaars en moeten weer verder voort:
wij zullen dus het gezelschap vaarwel zeggen, terwijl ik u alleen,
bij wijze van toegift, nog vertellen wil, wat het gevolg was van den
indruk door de verschijning van de gelauwerde Machteld op Huyghens
gemaakt. Hoezeer hij door hare bevalligheid, haar geestig onderhoud,
haar zang en snarenspel getroffen werd, getuigt de brief, dien hij,
kort na zijne terugkomst te 's-Gravenhage, aan Tesselschade schreef:


                              Aen joffrouw
                        Tesselschade Visschers.
                            Nieuw-getrouwde.


                    Teere leerlingh van de Trouw,
                    Onlancks Maeghd, onlancks vrouw, [30]
                    Tesselschade, die uw gade
                    Hebt gevonden, niet te spade,
                      Hebt verbonden, niet te vroegh,
                      Van de wonden die hy droegh;
                    Heeft u noch in 't nieuwe leven
                    d' Oude vriendschap niet begeven,
                      Huyst gy noch in uw gedacht
                      Die die huysingh, als gepacht,
                    In uw vriend'lickheit besaten,
                    Doe ghy, eenigh by de straten,
                      Eenigh t' huys, en om uw bedd
                      Met de eenigheit besett,
                    Spotte met des jongens toortsen [31]
                    Die u doch met sijner koortsen
                      Onafbiddelijcken brand
                      t' Uwer beurten heeft vermant?
                    Zijt ghy noch bedenckens machtigh,
                    Hoe de Herten, heet en jachtig,
                      Na de beeck te koelen gaen,
                      Die de min ten doele staan?
                    Leent my dry der toover-woorden,
                    Die soo menigh oor bekoorden,
                      Dry aen 't schoone Lauren-Hooft [32]
                      Dat het mijne van my rooft...

                    Seght haar, Wie? Oh! vraeght niet verder,
                    Seght haer hoe een Haeghse Herder....
                      Onbewogen voor de vonk
                      Van soo menig' minne-lonck....
                    Endelick de fiere schichten
                    Van haer' ongemeene lichten
                      Heeft onmogelick gesien
                      d' Overwonnen borst te bien....


Na vervolgens aan Tesselschade al de dwaasheden te hebben geschetst,
tot welke de liefde hem vervoerd had, roept hij hare hulp in; zij toch
heeft hem met Machteld in kennis gebracht; zij is er de schuld van, dat
hij verliefd is geworden en moet hem dus tot "soete voorspraak" zijn,
en zoo de juffer weten wil, wie het is, die naar hare hand vraagt,
tot haar zeggen: dat het iemand is, den meer bezadigden leeftijd
genaderd;--terwijl hij haar verder dit afbeeldsel van zichzelven in
den mond geeft:


                    't Welgevall van schoone leden
                    Schreef hem niemand toe met reden:
                      Aen het bruynen van sijn huyt
                      Kijkt de Haeghse Herder uyt;

                    Maer hy dunckt sich selfs te blosen
                    Als de morgenstondsche roosen,
                      Zedert hy den wederslagh
                      Van haer oogh in 't sijne sagh.
                    Soo verlicht der Sonnen-luyster
                    Aller wegen alle duyster,
                      Soo is heel den Hemel schoon
                      Om het bij-zijn van de Goôn.

                    Overwicht van gulde schijven
                    Die 't ter wereld al bedrijven,
                      Meer als noodelycke Munt
                      Heeft sijn ster hem niet vergunt;
                    Weinigh maeyen, weinigh ploegen,
                    Klein besitt in groot genoegen,
                      En dat middelmaetigh veel,
                      Zijn gevallen tot sijn deel.
                    Maar sijn nieuwe Min-gedachten,
                    Heele dagen, halve nachten,
                      Zijn sijn schatten in 't gemoed,
                      Daer hy ryck af heeten moet.

                    Voorraet van gegeten letteren
                    Om geleerde t' overschett'ren,
                      Schuylt er weinigh in sijn hoofd,
                      Waer het evenwel geklooft.
                    't Waer vol letteren te vinden,
                    Letteren, die harten binden,
                      Maer met hope van gena,
                      Soete lettren M. V. K.

                    Sterre-stocken aen te stellen
                    Om de fackelen te tellen,
                      Om de keerssen ga te slaen,
                      Die het Hemel-holl begaen
                    Zijn gesifte wetenschappen
                    Die sijn herssenen ontsnappen,
                      En de geesten van sijn oogh
                      Weygeren haer vier soo hoogh;
                    Maer twee helderer Planeten
                    Zijn de doelen van sijn weten
                      En de sterren die hij schiet
                      Hooger hemel kent hij niet.

                    Stemme-streelingh, snaren-krabb'ling,
                    Is een konstelicke brabb'lingh,
                      Die sijn handen en sijn keel
                      Niet en kennen als ten deel,
                    Maer, al stinckt het eigen roemen,
                    Laura [33] kan sijn keel niet noemen.
                      Of sy staet er af en trilt
                      Als een Eicken rijs in 't wild;
                    Snaeren kan sijn hand niet raecken,
                    Die wat Laura's-achtig kraecken,
                      Of sijn vingers gaender af,
                      Als een viervoet naer een draf.
                    Daer dan hand en keel vergaeren,
                    Laura zeggen al de snaeren,
                      Laura kort en Laura langh
                      Zijn de Noten van sijn sangh.

                    Verr en versch geraepte Rijmen,
                    Regeldicht aen een te lijmen,
                      Hooger sweven als 't geberght
                      Is sijn pen te veel geverght;
                    Kruypen kan hy, gaan en springen
                    En gelijcks der aerde singen;
                      't Water dat de Rijmers maeckt,
                      Heeft sijn lippen noyt genaeckt.
                    Maer de wel gevoeghde giften,
                    Die den Hemel door de siften
                      En het keurlijck onderscheid
                      Van een' milde gierigheid
                    Over haer beminde kuyven
                    Nederwaarts heeft laten stuyven,
                      Kittelen sijn aandacht nauw;
                      't Vliegen wordt hem wel soo gaeuw
                    Als de best-gewieckte vliegers
                    (Dat 's Poëtelickste liegers)
                      En sijn afgevlogen dicht
                      Rijst hem selven uyt 't gesicht.

                    Seght haer dan, hy heeft den segen
                    Van de schoonheit niet gekregen,
                      Noch de geestelicke gonst
                      Van gesogen Letter-konst.
                    Sterren kan hij niet beroemen
                    Van de seven een te noemen
                      Op de Noten is hy schorr,
                      Op de Snaren vinger-dorr;
                    Rijmens is hy onervaeren
                    Als de Ploeger in de baeren,
                      Als de Zeeman in de Terw,
                      Als de blinden in de verw.
                    Evenwel 't bevalligh wesen
                    't Rijck, het ruym-gelettert wesen,
                      't Spelen dat by geen en lijckt,
                      't Singen dat maer 't uwe wijckt,
                    't Rijmen dat hy self kan achten
                    Houdt hij all' van uwe krachten,
                      Kont ghy 't schepsel van uw' sin
                      Min vereeren als uw Min?--
                    Schijnt sy na de min te hooren
                    Vatse vaster bij die ooren,
                      Seght haer dan als Alard sei',
                      Doe sijn krachtiger gevlei
                    Perste door de koele korsten
                    Van uw overvrosen borsten
                      En uw Ys-lijck' ongena
                      Dede doijen in een Ja.

                    Dese sijn de scherpste pijlen
                    Die wy samen konnen vijlen;
                      Soo haer dan de tegenstand
                      Van een herder Hert vermant:
                    Tesselscha, hoe sal ick 't herden?
                    Ghy, vergeefsche Tolck te werden,
                      En, oh armen, ick! en ick,
                      Proye van mijn eigen strick.
                    Sullen niet mijn eigen schachten
                    Met de woeckerloon van krachten
                      Keeren op het brosse bloot
                      Van de schutter diese schoot?
                    Oh! ick spel het langh te voren,
                    Lieve Tolck! ick sal 't besmooren,
                      'k Heb geen' Lauwer op de muts
                      Tegen sulcken blixem-bluts.
                    Wil 's haer dan in bloed vermaecken?
                    Ja sy;--'k sie de dood genaecken.
                      Neen sy; 't is geen Maeghden-deughd;
                      Ja sy; 't is onnoosel' vreughd;
                    Neen sy; 't Mocht haer namaels rouwen;
                    Ja sy; Droefheit kan verkouwen:
                      Neen sy; 'k heb het niet verdient;
                      Ja sy; om een liever' vriend.

                    Oey! daer waggelt mijn vermoeyen;
                    Tesselscha, om tijd te spoeyen;
                      Korte moeyt voor langh bediet,
                      Vraeght haer of sy wil of niet.



Tesselschade mag zich met dezen brief vermaakt hebben, zij vond
waarschijnlijk zich in de wittebroodsweken minder opgewekt, dien
te beantwoorden, en wellicht begreep zij, dat haar Allart die
briefwisseling met een jongen vrijer, al vrijdde die ook naar eene
andere, minder noodig achten zou. Had zij geen geheimen voor haren
man, zij had die evenmin voor Hooft: zij liet hem den brief lezen
en droeg hem de taak op, dien uit haren naam te beantwoorden. Dat
antwoord begon aldus:


                          Koelte van Antwoordt
                            Op Vuur en Vlam
                              van den Heer
                        Constantyn Huigens, [34]

vorderende van Joffrouw Tesselscha Visschers, nieuwgehouwde met den
Heer Alaard van Krombalgh2, voorspraek bij Joffrouw Machtelt van Kapnem
[35].


                    Nuchtre montje, minnevastert [36]
                    Hoe komt u vrouw Venus bastert [37]
                      Dus geloopen in het hooft
                      Dat u teffens zijn ontrooft
                    Loddertong en troeteltaalen,
                    En ghy willigs in moet haalen
                      Om voor u te houden 't woordt.

                    Woorden krachtig om bezweeren,
                    Quaadt van buitene te leeren,
                      Zijn noit opgezocht door my
                      Uit Armidaas boekery
                    Noit en heb ik neus gesteken
                    In de snoo bibliotheken
                      Van Médé of Circe. Trek
                      Om van vlees te maken spek [38]
                    Had ik noit. En zoo mijn gorgel,
                    Dien ghy prijst als waer 't een orgel,
                      Iet kolachtigs heeft geseit,
                      't Moest mij wesen aangeweidt [39]

                    Vastaartje, beleefde baasje,
                    Wil je nu juist op een aasje
                      Weegen, wat ik my mishad,
                      Toen ik u te bruiloft had
                    Aan des Ys en Aamstels zoomen?
                    Zeg me, wie zoud' darren [40] droomen,
                      Wie zoud' darren denken, dat
                      Oogenvlam zoud' konnen vat
                    Op uw schootvrij borstjen vinden?

                    Hebben niet als duistre kleuren
                    Mogen uwen huit gebeuren,
                      Neemt daer inne geen verdriet
                      Koop en zal dat breeken niet.
                    Vaaken zagh ik 't meisjen tasten
                    Naa de karssen bruinst van basten.
                      't Heeft zoo wel verstandt daar of
                      Als de grootsten van het hof.

                    Heb je niet te veel van duiten,
                    Dat doet meenigh huwlijk stuiten.
                      Maat in geldtkas luidt zoo wel
                      Niet, als maat in zangkappel.

                    Wil je jaagen zulk een wiltje,
                    Laat haar, door uw gulden briltje,
                      Niet kleen zandt of ander gruis
                      Of de schoonheit van een muis,
                    Maar tot onder in den rijken
                    Welgespekten geldkist kijken:
                      'k Wed u, dat dukaat en kroon
                      Straalen als mijn bruiloftstroon.

                    Laat van geene zeedigheiden
                    U altoos zoo ver verleiden,
                      Dat ghy minder zegt als 't is
                      Dat waar 't heele doelhuis mis.

                    Maar wie plagh dus voor te stuiven
                    Als ik doe: die zoek te schuiven
                      Van my huwlijkmaakers last
                      En ik hylikmaak al vast....
                    Venus kint, de looze stooker
                    Betren pijl in uwen kooker
                      Vinden kan, dan ik u zen
                      Al en waar het maar uw pen,
                    Vleidt ghy my om Alaards vleyen [41]
                      't Meeste zeid' hy als hy zweegh.
                    't Vuur en moet hem zeer niet bijten,
                    Die zoo luide brand kan krijten? [42]
                      Door een keel, daar hette in haart [43]
                      Wil geen stemme bovenwaart,
                    Dacht ik, in 't gelaat van dezen
                    Kunnen enkele oogen leezen
                      Wat in 't hart geschreven staet.

                    Alaards woordeloose praatje
                    Meest heeft uitgekipt het jaatje....
                      Dat wat lager dan mijn krop
                      Lagh als in een yrendop.
                    Evenwel ik kan niet zeggen,
                    Dat gy 't ook zoo aan moet leggen.
                      Hachelijk waar zulk een raadt.
                      Wat weet ik hoe zij 't verstaat,
                    Ieder eene moet men zoeken
                    Naar haar aangezicht te doeken,
                      Mislijk oft zy waar gestelt
                      Op wat woorden voor haar geldt.

                    Vastaartjen, hoe 't zal gelukken
                    Zoudt my konst zijn uit te drukken.
                      Altijd is het vraagen vry
                      En het weigren staat er by.

                    Zou ze zulk een storrem afslaan:
                    Neen ze: ziet gh' haar voor zoo straf aan
                      Jaa ze: zy gelooft te laauw
                      Neen ze: Vastaart is te gaauw.
                    Jaa ze: z' heeft geen zin in zoenen
                    Neen ze: Minnezon doet groenen.
                      Jaa ze: z' hangt haar moeder aan.
                      Neen ze: dat kan overgaan.
                    Jaa ze: z' is te jong van jaaren.
                      Jaa z': hy heeft der daegen veel.
                      Neen ze: 't is het passe scheel.

                    Zoetjes; toef wat, nog een woordtjen
                    Ik u bijten moet in 't oortjen,
                      Dat myn hoofjes rammelrad
                      Schoontjes schier vergeten had.

                    Spreekje 't meisjen blond van haaren
                    Past vooral haar te verklaaren,
                      Klaarder dan ghy 't my bediedt,
                      Vastaart, oft ghy 't meent oft niet.



De scherts, welke Hooft zich onder Tesselschades naam jegens Huyghens
veroorloofd had, smaakte dezen laatste maar half; althans aan het
slot van een ander gedichtje, 't welk hij haar iets later zond,
verzocht hij haar vriendelijk, er Hooft buiten te houden:


                            Tesselschaedje
                            Kameraedje,
                            Die dit praetje
                              Uyt mijn hert
                            En van binnen
                            Uyt het spinnen
                            Van mijn sinnen
                              Hebt ontwert,
                            Hebt het, hout het,
                            Sluyt, ontvouwt het,
                            Siet, aenschouwt het
                              Als belooft,
                            Maar, bewogen
                            Uyt medoogen,
                            Sonder d' oogen
                              Van uw Hooft.


Of hij nu bij de schoone Machtelt een blauwtje liep, dan of hij zich
voorzichtig in tijds terugtrok, toen hij bemerkte, dat een ander in
haar hart reeds de plaats had ingenomen, weet ik niet; zeker is het,
dat hij, om van de zaak met eere af te komen, die later als eene
grap behandelde, en boven zijn brief aan Tesselschade, eer die in
't licht kwam, het woord Jock plaatste.

Wat de blonde Machtelt betreft, wel had ik gewenscht dit hoofdstuk te
kunnen sluiten met de vermelding, hoe zij den man harer keuze huwde
en eene gelukkige gade en moeder werd.--Maar helaas! het was anders
beschikt: zij stierf toen de Mei in het land kwam, als verloofde:
gelijk wij uit de navolgende aandoenlijke regels van Vondel leeren:


          De May, veraert en slinx, die trof ons maeghdepuyk,
        O Maghtelt, toen zy u benyde 't jeughdig blosen.
          Een andre bloem verwelckt, gesneden van haer struyck,
        Maar blancke lelie, och! in 't midden van de roosen,

        Men u op uwen steel sagh flaeuwen en beswymen,
          Die waert des vreyers wensch, der oudren soete hoop.
        Uw geest gebluscht is en de fackel van uw Hymen,
          't Is kostlyck, dat om gout noch tranen is te koop.



AANTEEKENING.


Na het schrijven van dit hoofdstuk vond ik mijn vermoeden, dat als
getuige bij Tesselschades huwelijk hare getrouwde zuster Truitje
zou zijn opgetreden, bevestigd door het navolgende uittreksel uit
het Puiboek, mij door mijnen geachten vriend, den Stads-archivaris
Scheltema, medegedeeld:


Puiboek No. 9.

1 November 1623 Compareerden voor Claas Pietersz. en Cornelis
Schellinger, Allart Jansz. Krombalch van Alkmaar, geen ouders hebbende,
geassisteerd met syn swaager Dirk Jansz. Quitingh, woonende tot
Alckmaar, al waar de geboden mede gaan, met Tesselschaa Visschers, out
28 jaaren, geen ouders hebbende, geassisteerd met Truytie Visschers,
haar suster, op de Geldersche kai.

(Get.) Allart Janszoon Crombalch.        Tesselscha Roemers Visschers.


Men kan uit dit voorbeeld wederom zien, hoe weinig men zich om
de spelling der namen en om de rechte qualificatie bekommerde. Van
Truitje wordt o. a. niet eens gemeld, dat zij getrouwd is, evenmin als
dit plaats heeft in de volgende aanteekening uit hetzelfde Puiboek,
betreffende Anna's huwelijk.


12 Janwari 1624. Compareerden voor Cornelis Schellinger en
Adriaan Raep, Dominicus van Wesel, out 38 jaaren, woonende op de
Wieringerwaard, alwaar de gebooden meede gaan, met Anna Roemers
Visschersdr. woonende op de Geldersche Kay, geassisteert de bruygom
met Jacob Bicker en de bruyt met Truytie Roemers, haar suster.

(Get.) D. v. Wesell 1624.                               Anna Roemers.


Opmerkelijk is het, dat in de eerste huwelijks-aanteekening alleen
de leeftijd van de Bruid, en in de tweede alleen die van den Bruigom
vermeld wordt.

De lezer zij wijders verzocht op de eerste bladz. van dit hoofdstuk
voor "den eersten November" te lezen "den twintigsten November." 1
November had de aanteekening, 20 Nov. het huwlijk plaats, als het
bruiloftsvers van Hooft ons leert.

Ik zal ook nu wederom het verwijt niet ontgaan, mij, gelijk mij ter
ooren is gewaaid, meer gedaan, dat ik gemakshalve mijne opstellen,
in plaats van met eigen werk, met verzen van anderen opvulde. Ik
geloof echter, dat wie eerlijk denkt en bovendien eenigen goeden
smaak bezit, mijne handelwijze aan betere motieven toeschrijven en
niet af zal keuren. Die gedichten, door mij geheel of ten deele
opgenomen, zijn de bronnen, waaruit ik mijn tafereel geput heb:
't zijn mijne justificatoire bescheiden; vergenoegde ik mij, met er
naar te verwijzen, ik zou den lezer noodzaken, om, tot recht verstand
van mijn geschrijf een half dozijn boeken bij de hand te hebben en
gedurig op te slaan. Maar bovendien strekken die brokken uit Hooft,
Vondel, Huyghens enz. minder nog tot toelichting van mijn opstel,
dan wel omgekeerd.--Velen (ik zelf tot nog voor korten tijd) hebben
die brokken nimmer met dat genot gelezen, hetwelk alleen dan gesmaakt
kan worden, wanneer men ze onderling in verband gebracht en daardoor
recht heeft leeren begrijpen. Nu wellicht zal menigeen, die ze tot
nog toe of niet of maar vluchtig gelezen had, zich wellicht door
de uittreksels, die ik geef, aangespoord gevoelen, om ze eens meer
opzettelijk in 't oorspronkelijke te gaan nalezen, en zoowel zijne
kennis van de zeden, de toestanden en het onderling verkeer--als
zijn smaak voor de echte, gezonde, krachtvolle letterkunde van die
dagen--zal niet anders dan er bij kunnen winnen.--Dat is mijn wensch;
wordt die vervuld, dan zie ik mijn doel bereikt.



In den Amiraal.

Wij stonden in ons vorige Hoofdstuk voor en in het huis der dochters
van Roemer Visscher op de Gelderde Kade. Wij laten op eens nagenoeg
een halve eeuw voorbijsnellen, begeven ons langs de Bantammerbrug
naar de overzijde, stappen de dicht ineengebouwde buurt door,
die aldaar gedurende dat tijdsverloop verrezen is, komen door eene
tweede brug op 't Waals-eiland, volgen de Nieuwe Bantammerstraat,
en staan, den zesden September 1672, op den Buitenkant. 't Is
hier altijd druk en woelig; maar heden moet er toch iets ongewoons
aan de hand zijn. Van de eene brug tot de andere is de kade zwart
van de menschen, zoo dicht opeengedrongen, dat men, om de geijkte
uitdrukking te bezigen, "over de hoofden zou kunnen loopen;" 't
zijn varensgasten, arbeiders aan de werf, sjouwerlieden, vooral--en
die zijn niet de minst luidruchtigen--vrouwen, jonge dochters en
kinderen;--maar onder die menigte van hoezeer ruwe en onbeschaafde,
toch over 't algemeen ronde en eerlijke aangezichten, wier thans zoo
norsche en gramstorige uitdrukking blijkbaar aan de opgewondenheid
van het oogenblik is toe te schrijven, vertoont zich hier en daar
een gelaat, waarop lage hartstocht te lezen staat, met oogen,
die niet van toorn, maar van roofzucht schijnen te branden; oogen,
die in rustelooze beweging zijn, nu her- dan derwaarts gluren en
overal heen willen kijken, om zich alleen dan af te wenden, wanneer
zij den blik ontmoeten van een eerlijk man: en gewis, wanneer wij de
fielterige uitdrukking gadeslaan, die zich in den wezenstrek vertoont,
wanneer wij letten op die geelachtige, dunne, fijngevormde, maar aan
de uiteinden iets gekromde vingers, die zoozeer afsteken tegen de
breede, door eerlijken arbeid vereelte, van spek doortrokken handen,
die zich naast de hunne bewegen, dan behoeven wij geen dienaars van
den Hoofdschout of zelfs geen volleerde gezichtkundigen te zijn, om
in de eigenaars van zulke ongunstige aangezichten, van die listige
oogen en van die kromme vingers, een slag van volk te zien, dat, zoo
't niet voorlang reeds met het tuchthuis en met de beulsknechts eene
nauwe kennis heeft gemaakt, onmisbaar t' avond of morgen met hen in
aanraking komen zal.

Maar wat zoekt nu die volksmenigte? Met welk doel is zij
bijeenverzameld? Wien bedreigt haar woest getier en haar grimmig
gebarenspel? Van weerskanten aangeloopen, hebben de voorsten onder dien
hoop zich op één punt vereenigd en er stand gehouden: dáár dringen
de achter hen aangroeiende massa's hen op: en wanneer wij nu slechts
letten op de oogen der aanwezigen, dan bevinden wij, dat die alle
gericht zijn naar een huis, niet ver van de nieuwe Schippersstraat,
't welk, of welks bewoners alzoo het doel moet zijn van hun toeven.

't Moest voorwaar een kloekgebouwde en sterkgespierde gast zijn,
die zich thans door dien opeengepakten volksdrom heen, een weg baande
naar dat huis; maar wij, die zooeven negen-en-veertig jaren doorzweefd
hebben, wij bezitten het voorrecht, met hetzelfde gemak, door een muur,
't zij van steen, 't zij van menschen, heen te dringen, en wij hebben
het dan ook nu maar voor 't wenschen, om ons te bevinden ter plaatse,
waar wij wezen willen. Wij staan voor het bedoelde huis en nemen het
in oogenschouw.

Het perceel onderscheidt zich in niets van de daarnevens gelegene;
't is een enkel erf, waarvan alleen het benedenste gedeelte tot woning
is ingericht, terwijl de hoogere verdiepingen tot graanzolders dienen:
noch de deur, noch de twee kruisramen daarnevens, noch de gevel trekken
't oog door eenig buitengewoon snij- of lijstwerk: in één woord, er
is niets merkwaardigs aan het perceel te bespeuren, en wie er niet
ter wille des bewoners op lette, zou er voorbijgaan zonder er in
't minst acht op te geven.

Het kan dus niet het huis als zoodanig zijn, waar 't op gemunt is;
die krijtende menigte moet het geladen hebben op den bewoner.

Maar wie is dan die bewoner? Een kapitein of schipper wellicht,
die de verontwaardiging der varensgasten heeft opgewekt, door
aan zijne manschap hun prijsgeld of gage te onthouden?--Of een
scheepsbouwmeester, die zijn werkvolk op het zuur verdiende loon
beknibbelt?--Maar neen!--wij leven in een land van rust en orde en
de weg van rechten staat immers voor de klagers open?--Is het dan
misschien ook een Spion--wij zijn, men vergete 't niet, in 1672 en de
voorposten van 't Fransche leger zijn te Muiden--een Spion, die met
den vijand heult en hem bericht heeft gezonden, waar, hoe en wanneer
hij 't best binnen Amsterdam dringen en Europa's rijkste stad aan
plundering en moord zal prijsgeven?--of een omgekochte booswicht, die
brandstoffen in zijne kelders verborgen heeft, waarmede hij de stad
op onderscheidene plaatsen te gelijk in brand meent te steken?--'t
Kan niet missen of de man, die hier woont, moet al het een of ander
zeer boosaardig opzet koesteren, dat het eene zoo krachtige openbaring
van verontwaardiging heeft uitgelokt.

Niet eene van al die gissingen is juist. De man, die hier in
dit eenvoudige huis woont, maar die zich voor 't oogenblik niet
daarbinnen en zelfs niet in de stad bevindt, heeft in zijn reeds
langdurigen en in lotgevallen buitengemeen rijken levensloop, nimmer
in de verste verte aanleiding verschaft, dat aan eene beschuldiging,
als die, welke zoo even ondersteld werden, voet zou kunnen worden
gegeven:--en ik heb zijn naam slechts te noemen, om aan te toonen,
dat, wat men hem ook ten laste kunne leggen, hem stellig geene slechte
streken of wandaden kunnen toegeschreven worden van zoodanigen aard
als straks genoemd werden. Daartoe staat hij te hoog, en, is hij
misdadig, dan moet zijne misdaad in evenredigheid staan met zijne
stelling in de maatschappij. Immers, die man moge in eene nederige
en onaanzienlijke woning huizen, hij moge, wanneer hij zich daar
bevindt, het leven leiden van een doodeenvoudig burgermannetje, zich
aan den disch vergenoegen met gezouten vleesch, stokvisch, ingeleide
snijboonen en rapen, en hij houde met vrouw en dochter er geen ander
dienstpersoneel dan twee meiden op na, toch bekleedt hij den hoogsten
rang, dien een gewoon burger buiten de Regeerings-Colleges bereiken
kan; toch is hij Luitenant-Admiraal van Holland en West-Friesland,
Luitenant-Admiraal-Generaal van 's Lands vloot, door den Koning van
Denemarken met brieven van adeldom, door dien van Frankrijk met de
orde van Sint Michiel, en, wat meer dan al het voorgaande zegt [44],
door de Regeering van Amsterdam met het Grootburgerschap beschonken:
en hij geeft antwoord op den naam van Michiel Adriaansz. De Ruyter.

De Ruyter--Wanneer men dien naam hoort, dan stroomt ons een zoo
hemelsche geur tegen van oprechte godsvrucht, nooit verzaakte
plichtsbetrachting, lieftallige minzaamheid, reinheid van hart en
wandel, onwankelbare trouw en bestendige gelijkmoedigheid in voor-
en tegenspoed, vereenigd met schaars geëvenaard krijgsbeleid, rustigen
heldenmoed, vastberaden kloekheid, in 't kort van alle christelijke,
maatschappelijke en krijgsdeugden, dat men niet begrijpt, hoe men in
één adem van zulk een man en van eene misdaad, zelfs van een vergrijp,
kan spreken.

En toch, die doldriftige hoop, die daar de kaai vult en 't huis
bedreigt, spreekt er van en beticht den Admiraal van niets minder
dan van schendig landverraad.

Vanwaar die beschuldiging, die ons even ongerijmd als lasterlijk
in de ooren klinkt? En zijn al de menschen, die daar staan, dan op
eenmaal krankzinnig geworden?

Het heeft er zeker veel van, maar om op te lossen, wat een
onverklaarbaar raadsel schijnt, dienen wij ons helder voor den geest
terug te brengen, wat in die laatste maanden had plaats gehad.

Reeds sedert den jare 1670 waren velen hier te lande niet zonder
bezorgdheid geweest, dat de Koning van Frankrijk eenig kwaad
opzet koesterde tegen de Republiek. Al meer en meer hadden die
geruchten kracht en wichtigheid gekregen, en tegen 't einde van
1671 was de Regeering van Amsterdam zoozeer overtuigd geraakt van
de noodzakelijkheid om op alle kansen voorbereid te zijn, dat zij
op maatregelen bedacht was, strekkende ter verdediging der stad,
de grachten van masten en hout ontledigen en de vestingwerken liet
voltooien, den Kolonels aanbeval, de Schutters in den wapenhandel
te oefenen en de compagniën voltallig te houden, en zich met
Gecommitteerde Raden gelijk mede met de Staten van Utrecht verstond,
omtrent de middelen tot tegenweer, aan de Grebbe, aan de Vecht en
elders, te bezigen. Tevens was zij, bij 't besef, dat een en ander
niets baten zou zonder een eminent hoofd, in wien de natie vertrouwen
stelde, eene der eerste geweest om, reeds vroeg in 't voorjaar van
1672, aan te dringen op de spoedige verheffing van Prins Willem tot
Kapitein-Generaal. Toen nu werkelijk, op 7 April, niet enkel Frankrijk
maar ook Groot-Brittannië den oorlog aan onzen Staat had verklaard, was
men hier te ijveriger aan 't werk gegaan met zich ter verdediging toe
te rusten en vrijwillige dienstneming aan te moedigen, ja, hoezeer
men 't een geruimen tijd tegenhield, men ging er in Juni toe over
alle slooten en polders vol te laten loopen, ten einde de stad, in
geval van nood, onder water zou gezet kunnen worden, welk laatste dan
ook geschiedde omstreeks de helft der maand, zoodra men de tijding
ontvangen had, dat de Franschen over den Rijn, en de Betuwe waren
binnen gerukt. Eerlang waren Utrecht, Naarden, zelfs een oogenblik
Muiden in hunne handen gevallen, en nu werd het omgelegen land, door
't inlaten van 't zeewater, in eene bare zee herschapen, de poorten
dicht gehouden, de valbruggen opgehaald, de hameien gesloten:--voorts
twaalf compagniën gewapend bootsvolk aangenomen--die, onder 't bevel
van den Vice-Admiraal Isaak Sweers, de uitleggers, in 't IJ en in den
Amstel gesteld werden--en drie compagniën vrijwillige Ruiters, onder
't bevel van den Oud-Schepen Dirk Tulp, van den Advocaat-Fiskaal
der Admiraliteit Hendrik Hooft en van den Stads-Secretaris Jan Van
Vlooswijk. De knapen uit de weeshuizen, zelfs vele Doopsgezinden,
hielpen mede aan 't voltrekken der wallen: in 't kort, ieder werkte
mede, behalve de Joden, die verschoond werden, mits f 1260 aan de
stad opbrengende. De wallen met tweehonderd stuks geschut, sommige
poorten met ravelijnen voorzien en 't krijgsbestuur opgedragen aan
Kolonel Joan Van Beveren, die in Geertruidenberg het bevel had gevoerd.

Het behoeft nauwelijks vermeld te worden, dat, terwijl in het anders
zoo vreedzame Amsterdam zulke buitengewone dingen geschiedden, de goede
burgerij niet weinig stof tot praten vond: en, zooals 't gewoonlijk
gaat, waren er niet weinigen, die de schuld van hetgeen gebeurde
aan de Regeering weten. De De Witten, zeiden zij, en zij, die tot
de zoogenaamde Loevesteinsche factie behoorden, gingen slechts van
één hoofdbeginsel uit, namelijk, zichzelven te bevoordeelen en alle
ambten en waardigheden voor zich en de hunnen te houden, en hiertoe
den Prins en alle Prinsgezinden er van uit te sluiten. Daarvoor had
die verfoeilijke Akte van Seclusie gediend: daarvoor had men jaren
lang met Frankrijk geheuld en den Koning van Groot-Britannië, die
't natuurlijk euvel moest opnemen, dat men den zoon zijner zuster
buiten de ambten zijner voorzaten sloot, herhaaldelijk verbitterd:
daarom had men oorlog met Engeland, onzen natuurlijken bondgenoot,
gevoerd, en zooveel bloeds en schats onnoodig verspild;--en nu scheen
't wel, dat men liever Frankrijk hier den meester zou zien spelen, dan
op het gedane terug te komen en den Prins tot Stadhouder verheffen. En
al was de volksmenigte in Amsterdam tot geen uitersten overgeslagen,
zooals in andere steden plaats vonden, toch ontbrak het onder de
burgerij niet aan de zoodanigen, die maar half tevreden waren met
de handelwijze hunner Regenten. Zij hadden, ja, in de benoeming van
den Prins tot Kapitein-Generaal toegestemd; maar, naar men de leden
der Vroedschap kende, was 't niet moeilijk na te gaan, dat de meesten
niet dan schoorvoetende tot dien stap waren overgegaan: er waren, ja,
middelen van verdediging aangewend; maar ook daarmede had de Regeering
zich juist niet gehaast: en mocht die vertraging al in billijkheid
worden toegeschreven aan een lofwaardige zucht om geene onnoodige
kosten te maken en vooral om geen honderden morgens uitmuntend land
ontijdig prijs te geven aan 't geweld der wateren, en alzoo, tot groote
schade der eigenaars, millioenen schats te verspillen, de kwade tongen
hadden eene andere uitlegging aan de zaak gegeven en zich niet ontzien
te fluisteren, dat de Heeren misschien zoo afkeerig niet zouden geweest
zijn van, tot loon voor landverraad, met Fransche titels en Fransch
goed begiftigd te worden; ja zulke praatjes hadden zelfs bij sommige
bedaarde en verstandige lieden geloof gevonden, toen zij vernamen hoe
de hofstede van Schepen A, of de landerijen van Raadslid B en zelfs
van Burgemeester C, alle in de nabijheid van Utrecht, Amersfoort of
Naarden gelegen, op uitdrukkelijken last van den Franschen Veldheer,
van alle oorlogslasten waren verschoond gebleven.--In allen gevalle,
de Akte van Seclusie was nog niet vernietigd, en de Prins nog geen
Stadhouder: en zoolang dit niet geschied was, wilde de Burgerij,
nu meest Oranjegezind, zich niet overtuigd houden van den goeden
wil harer Regenten, en sloeg zij gretig en gereedelijk geloof
aan alle praatjes, waarbij gemelde of andere Heeren, in Lands- of
Stads-bediening, verdacht werden gemaakt van ongeoorloofde handeling
met het Fransche Hof. Een klaar bewijs had zij daarvan gegeven, door,
op den 26sten Juni, den Veldmaarschalk Prins Joan Maurits van Nassau,
zeker een der vroomste en getrouwste verdedigers van het Vaderland,
bij zijne doorreis naar Muiden, openlijk aan te randen en voor verrader
te schelden.--Eene afkondiging op den 29sten Juni door de Regeering
gedaan, dat zij gezind was de stad, haar godsdienst en vrijheid,
met goed en bloed tot het uiterste te beschermen, en de fiksche
wijze, waarop hare Afgevaardigden ter Vergadering van Holland hadden
geprotesteerd tegen elke toetreding tot den schandelijken vrede,
dien Frankrijk ons aanbood, hadden wel de gemoederen eenigszins
tot kalmte gezet; doch groot was nog 't getal gebleven van hen, die
heimelijk morden: en 't was geen tien dagen later gebleken, toen de
Burgemeester Andries de Graeff, aan 't Nieuwezijds-Heerenlogement
op den Haarlemmerdijk gereed staande om den postwagen in te stappen,
die hem naar Den Haag ter dagvaart voeren moest, werd aangetast door
't grauw, dat hem beschuldigde, de stad te gaan verkoopen, en hij
niet dan met moeite was ontzet geworden; terwijl op den 3den Juli de
Afgevaardigden van Edam, door Amsterdam trekkende, insgelijks door
't gepeupel aangetast, naar den Dam gesleept, en gedwongen waren
geweest, hunne lastbrieven te doen zien.

De eerlang (op 4 Juli) gevolgde benoeming van den Prins tot
Stadhouder had wel voor een tijd de Gemeente tot bedaren gebracht;
doch de overtuiging, dat de Regenten in dezen van den nood eene
deugd gemaakt hadden, was oorzaak geweest, dat hun die deugd niet als
zoodanig was aangerekend: en aldra had weder een dwaas gerucht, dat de
sleutels der poorten, die 's nachts ten huize van den voorzittenden
Burgemeester berustten, niet goed bewaard werden, aanleiding gegeven
tot de bewering, dat het onverantwoordelijk was, die aan één persoon
toe te vertrouwen, dewijl toch de ondervinding geleerd had, hoe
vaak een Burgemeester, door 't overleveren van der stede sleutels,
zijne Stad en Burgerij den vijand in handen geleverd had. Een oploop,
en waaraan deze reis een aantal leden der Schutterij deelnamen, was
hiervan het gevolg geweest, waarbij het huis van Burgemeester Van
de Poll met plundering was bedreigd geworden, en de Regeering had
zich verplicht gezien in dezen aan het verlangen der menigte toe te
geven en, overeenkomstig een voorstel, door den Krijgsraad gedaan,
de sleutels des nachts voortaan in de Hoofdwacht te doen bewaren in
eene kist met twee verschillende sleutels, waarvan de eene bij den
Burgemeester, de andere bij een der Hoofd-Officieren berustte.

Willem III had nu, omstreeks half Augustus, de stad met een bezoek
vereerd, was hoffelijk ontvangen, had een geschenk van f 30,000,
en bij zijn vertrek de hernieuwde verzekering van de zijde der
Regeering bekomen, "dat Amsterdam steeds met een genegen hart zijn
bezoek erkennen zou en besloten had, alles, ja goed en bloed, op
touw te zetten ten dienste van Zijne Hoogheid en tot behoudenis van
den Staat."--Nu, zou men zeggen, kon niemand iets meer verlangen. En
toch had het gemor, hadden de onrustige bewegingen onder de burgerij
niet opgehouden.

't Was dan ook wellicht aan min verlichte lieden niet zoo geheel
kwalijk te nemen, dat zij met hun gewoon plomp menschenverstand niet
begrepen, hoe Regenten, die in der tijd 't heftigst hadden medegewerkt
tot uitsluiting van den Prins, thans, na zijn herstel, met schik in
't bewind konden blijven, ook al hadden zij zelven thans hun stem
gegeven aan dat herstel. De Prins, zoo redeneerden zij verder, moest
op een tijdstip als het tegenwoordige, nu het Land in gevaar en de
vijand voor de poort was, aan 't hoofd der steden zoowel als aan
't hoofd der vloot en des legers alleen zulke mannen vinden, die hij
wist, dat aan zijn persoon waren verknocht en hem met trouw en ijver
konden dienen; geen politieke weerhanen, die zich nu tot hem keerden,
omdat zij niet anders konden en hem, zoodra zij er maar kans toe
zagen, weer verlaten, of althans den voet dwars zouden zetten.--De
vreeselijke moord, op 20 Augustus, en dus kort na 's Prinsen vertrek
vanhier, aan de gebroeders De Witt gepleegd, mocht afschuw verwekken
bij alle weldenkenden, hij had gestrekt om nieuw voedsel te geven aan
den geest van wantrouwen, die bij de burgers heerschte. Het stuk was
gepleegd, niet door een ordeloos grauw, maar door Haagsche schutters
en gezeten lieden uit den burgerstand, ten aanzien en met schijnbare
goedkeuring van aanzienlijke personen en familiën, ja van bedienaars
des Heiligen Woords; en dit een en ander gold bij onnadenkenden voor
een onwederlegbaar bewijs, dat hier geen bloote wraak of moordzucht in
't spel geweest was, noch zelfs recht gedaan over vroegere misdrijven;
maar dat er een nieuw en schendig opzet ontdekt was, even uitgestrekt
van omvang als verderfelijk voor den Staat, en dat de Gebroeders
daarvoor hunne billijke straf hadden ontvangen:--en het was onder
dezen indruk, dat er zich al meer en meer stemmen hadden doen hooren,
die aandrongen op 't ontslag der Regenten, en er in dien geest onder
anderen een schotschrift ter beurze was aangeplakt: zoodat de leden
der Regeering, zelven beginnende in te zien dat hunne stelling niet
langer houdbaar bleef, tot het besluit gekomen waren, hunne ambten
ter beschikking van Zijne Hoogheid te stellen.

Maar, terwijl de Vroedschap nog over dit laatste punt beraadslaagde,
waren de doldriftigsten onder de Amsterdamsche heethoofden nog
steeds aan 't overpeinzen, wie alzoo mede konden betrokken zijn in
het verraad op groote schaal, waarvan zij de De Witten verdacht
hielden: en zoo gebeurde het, dat men, hetzij domheid, hetzij,
wat waarschijnlijker is, doemwaardige boosheid, den naam van
De Ruyter noemde. Van hem was het bekend, dat hij én onder den
Raadpensionaris, én onder den Ruwaard van Putten, het bevel had
gevoerd, en met beiden in volmaakte overeenstemming, ja op den
meest vriendschappelijken voet had verkeerd:--wat op zich zelf
reeds aanleiding scheen te geven tot verdenking: voorts, ofschoon
de Admiraal zich altijd buiten alle politieke geschillen gehouden
en zich bepaald had, naar krijgsmansplicht, stipte gehoorzaamheid
te betoonen aan zoodanige lastgevingen, als hij van zijne wettige
overheden ontving, scheen de omstandigheid, dat juist hij altijd
door de Staten, of liever door hun oppermachtigen Raadpensionaris,
bij voorkeur boven anderen was gekozen geweest tot het uitvoeren
hunner ondernemingen, kracht bij te zetten aan de verdenking, dat
hij met lijf en ziel hunne Staatkunde was toegedaan, en, evenals
zij, den Prins uit alle hooge ambtsbetrekkingen wilde verwijderd
houden. Ten bewijze, dat de vloot- en zeevoogden, in wie de Staten
hun bijzonder vertrouwen stelden, noodwendig hunne staatkunde
toegedaan moesten zijn, voerde men wijders den schoonschijnenden
grond aan, dat de zoodanigen onder hen, die als Prinsgezinden bekend
stonden, van bevordering uitgesloten, ja langzamerhand waren ontslagen
geworden. Vooral was dit het geval geweest met den Achilles van de zee,
gelijk men hem noemde, met Kornelis Tromp. Tweemalen was deze op de
schandelijkste wijze verongelijkt. De eerste reize, in 1665, toen hij,
tot Luitenant-Admiraal van de Maas benoemd en met het opperbevel der
vloot belast, in Texel vergaderd, had moeten ondervinden, dat hem,
zonder eenigen schijn van grond, dat bevel ontnomen werd en opgedragen
aan De Ruyter, die wel eenige maanden vroeger tot Luitenant-Admiraal
verheven was, maar bij de Admiraliteit van Amsterdam, boven welke die
van de Maas den voorrang bekleedde:--de tweede reis, in 1666, toen
hij, tot loon van de dapperheid door hem in den zeeslag van 4 en 5
Augustus bewezen, op aandrang van De Witt uit 's Lands dienst ontslagen
was. En ongelukkig viel het niet te ontkennen, dat dit ontslag een
gevolg was geweest van een twist tusschen hem en De Ruyter, waarbij
deze--misschien voor 't eerst en 't laatst van zijn leven--zich tot
harde en onbillijke beschuldigingen tegen een medebevelhebber had laten
verleiden [45]. Was het vreemd, dat De Ruyters gedrag in deze zaak
door de vrienden van Tromp, en door de Prinsgezinden in 't algemeen,
in het ongunstigste daglicht was gesteld, en nieuw voedsel gegeven
had aan het beweren, dat hij in alles met den Raadpensionaris dacht
en handelde?

En nu, nu men onder 't volk verspreidde, dat De Witt het Land aan
Frankrijk had willen verkoopen, was door de hierboven aangehaalde
aantijgingen, den weg gebaand, om De Ruyter voor te stellen
als medeplichtige aan zoodanig verraad, en hem van niets minder
te beschuldigen dan van 's Lands vloot aan Frankrijk te hebben
overgeleverd. En, hoe dwaas en ongerijmd die beschuldiging den naneef
ook in de ooren moge klinken, zij deed het niet in de ooren


    Van 't lichtgeloovigh volck, dat veel te los van hooft
    Genoten dienst vergeet, en 't erghste liefst gelooft,


van 't volk, dat De Ruyter nog niet op het voetstuk zag geplaatst,
door de nakomelingschap hem toegekend, noch met den stralenkrans
omgeven, welken deze hem waardig heeft gekeurd. Neen, dat volk vergat
zijne diensten, of liever nog, het vond in die diensten zelven stof
tot verwijt. Immers, was het niet voornamelijk tegen den Koning van
Engeland, tegen 's Prinsen Oom, dat De Ruyter had gestreden? Waren die
oorlogen met Engeland niet--althans zoo redeneerde men--juist het werk
van De Witt, en alleen gevoerd om het herstel van den Prins onmogelijk
te maken?--Was het gehate en ondankbare Frankrijk bij die oorlogen niet
onze bondgenoot geweest?--Had De Ruyter niet van Lodewijk XIV de orde
van Sint-Michiel ontvangen?--En moest het dan zoo vreemd schijnen,
dat De Ruyter, op last van De Witt, en in overeenstemming met diens
veronderstelde bedoelingen, 's Lands zeemacht ter beschikking stelde
van den Franschen Monarch?

Ik wil niet beweren, dat verstandige, onbevooroordeelde lieden
aan zulke lasterlijke praatjes geloof sloegen; ik heb alleen
willen uiteenzetten, hoe hier "het erghste" geloof kon vinden bij
de onnadenkende menigte, die langzamerhand--als wij gezien hebben,
er toe gebracht was, niemand meer te vertrouwen: hoe het een gretig
onthaal vond bij Prinsgezinde matrozen, bij voormalige zeevarenden van
Tromp, bij Amsterdamsche werk- en sjouwerlieden, die aan De Ruyter noch
zijne Zeeuwsche afkomst, noch zijne lage geboorte vergaven;--want het
is opmerkelijk, dat het volk altijd eenigen nijd en wrevel gevoelt
tegen iemand, die uit zijn midden tot hooger rang is opgeklommen,
en spoediger geneigd is van een zoodanige kwaad te denken dan van
iemand van aanzienlijke geboorte. Maar vooral werkten de uitgestrooide
geruchten op de beweeglijke gemoederen dier vrouwen, wier mannen of
naaste verwanten zich aan boord van de vloot bevonden, en voor wie
nu ook, zelfs al hadden zij geen bijzondere reden, om den Admiraal te
verdenken, de bloote gedachte, dat hetgeen men verhaalde toch misschien
kon gebeurd zijn, reeds voldoende was, om met ongerustheid, met angst,
met mistrouwen vervuld te worden, en in allen gevalle te willen weten,
waar zij zich aan te houden hadden.

En zoo komt het dan, dat op den meergenoemden zesden September,
juist op dien zelfden Dinsdag, nu de Stads-Secretaris, Dirk Schaep
naar het leger te Bodegraven is vertrokken, om de Regeeringsambten
ter beschikking van Zijne Hoogheid te stellen, de reeds door mij
beschreven toeloop plaats heeft voor 't huis van den Admiraal.

De beroerte, zegt Brandt [46], was, door een slinksch geval of loos
beleid, zoo schielijk opgekomen als een zomerstorm, die de zeelieden
verrast. Ten een ure na den middag, bij 't afgaan der Beurs, was er nog
geen mensch omtrent het huis te zien geweest en een oogenblik daarna
was het grauw, mannen en vrouwen, van alle kanten komen aanloopen,
zoodat het menschen scheen te regenen, en de straat aan alle kanten
volstond.

Aller oogen zijn, als wij reeds zeiden, op het huis gevestigd, en wij
zullen doen als de anderen, ja meer nog, wij zullen doen wat zij nog
niet kunnen, en ons, in spijt dat de deur gesloten is, naar binnen
en naar de zijkamer begeven. De blinden voor de benedenvensters
van het kruisraam zijn gesloten, doch de bovenvensters verschaffen
toch licht genoeg, om ons Mevrouw De Ruyter te doen zien, in niet
weinig bekommernis, met gevouwen handen, op een stoel tegen den wit
gepleisterden wand gezeten, terwijl haar twintigjarige dochter Margriet
in niet minder verlegen houding tegenover haar staat, en de beide
dienstmaagden, Aagje de linnenmeid en Klaasje de keukenmeid, zeker
om Mevrouw meer moed in te boezemen, handenwringende en schreiende
de kamer op en neer loopen.

"Wat zullen wij toch doen, Moeder?" roept Grietje: "en niemand om
ons raad te geven! Dat Barend maar hier ware."

De schrandere lezer zal beseffen, dat de Barend, wiens tegenwoordigheid
door de jonge juffrouw verlangd werd, natuurlijk niemand anders is
dan haar verloofde, de leeraar Bernardus Somers.--Maar eer wij verder
gaan, dien ik een woordje te zeggen over het gezin van onzen zeeheld.

De Ruyter was driemalen getrouwd geweest: de eerste reize in 1631,
toen hij het nog niet veel verder dan busschieter had gebracht,
met Maria Velters van Grypskerke, die nog in 't zelfde jaar in 't
kraambed overleden, en wier kind haar in den dood gevolgd was; de
tweede reize in 1636, toen hij stuurman was, met Kornelia Engelsdochter
van Vlissingen, die hem vijf kinderen schonk, van welke thans--in
1672--nog drie in leven zijn, t. w. Kornelia, in 1639 geboren en nu
sedert eenige jaren gehuwd met Johan De Witte, Kapitein van eene
compagnie zeesoldaten bij de Admiraliteit te Amsterdam, Alida,
in 1642 geboren en eerst met Johan Schorer, vervolgens met Thomas
Pots, Predikant te Vlissingen, getrouwd, en Engel, dus naar zijn
grootvader van moederszijde genoemd, die zeker niet gedroomd had,
dat zijn kleinzoon eens in de gelegenheid zou komen eene Hertogskroon
af te slaan [47]. In 1650 zijne tweede vrouw verloren hebbende,
was hij, in 1652, nu schipper zijnde, voor de derde reize getrouwd
met Anna Van Gelder, weduwe van Jan Pauluszoon, die, als hij, voor de
Gebroeders Lampsens gevaren had. Anna Van Gelder had aan haren man een
voorzoon aangebracht, die, bij zijns vaders naam Jan Paulusz., haar
naam Van Gelder voegde en nu mede in zeedienst en met de dochter van
den Amsterdamschen koopman Wessel Smit getrouwd was. Twee dochters had
Anna haren man geschonken: met de oudste, Margriet, hebben wij zooeven
kennis gemaakt: de jongste, Anna, was in 1666 aan de pest overleden.

"En wat zou Barend?" vraagt Mevrouw De Ruyter, de schouders ophalende:
"denkje, dat die lieden met eene predikatie zijn weg te krijgen?"

--"Och lieve hemel!" roept de keukenmeid: "al hadden wij twintig
manskerels, in huis wat kon dat nog helpen tegen zoo'n troep."

--"Wat willen zij toch?" vraagt Mevrouw--misschien voor de tiende
keer:--"ik begrijp hun oogmerk niet. Kijk eens door 't venster,
Aagje! of je ook zien kunt wat ze in 't zin hebben."

Niet zonder vreeze van gezien te worden door hen, die buiten staan,
voldoet de deern aan het verzoek: zij sluipt naar 't kruisraam,
waarvan de benedenluiken dicht zijn, klimt op een stoel en gluurt
even door 't bovenvenster naar buiten.

--"Wel! wat zie je?" vraagt Mevrouw.

--"Och! juffrouw!"--want al draagt de echtgenoote van een
Luitenant-Admiraal-Generaal in officiëele stukken en op officiëele
vereenigingen den titel van Mevrouw, in haar huisgezin en in den
nederigen kring, waarin zij nog voortdurend verkeert, zou haar die
als eene bespotting geklonken hebben.--"Och Juffrouw! zij praten
en rammelen allen door elkaar en wijzen maar altijd door op het
huis.--Och!--waren wij maar hier vandaan."

--"Zouden wij niet naar den tuin, Juffrouw! en over de schutting een
goed heenkomen zoeken?" vraagt Klaasje.

--"Wegvluchten!" roept hare meesteres op een toon van verontwaardiging:
"het huis alleen laten? Sinjeur zou 't aardig opnemen, als hij
terugkwam;--maar toch, je doet me daar aan iets denken.-- Aagje! jij
bent de jongste en de vlugste: zie jij, dat je over de schutting komt,
in den tuin van buurman Smit, en vraag hem, of hij ons eens van raad
wil komen dienen. Hij is kloek en bedaard en weet met dat slag van
volk om te gaan: hij zal misschien kunnen uitvorschen wat zij toch
eigenlijk verlangen."

--"Wil ik het anders ook doen?" vraagt de keukenmeid, zonder te
bedenken dat zij te log en te zwaarlijvig is om acrobatische oefeningen
te verrichten, en alleen het vooruitzicht in 't oog hebbende om
veilig van de plaats te komen;--maar haar aanbod komt wat laat of
is althans overbodig: Aagje heeft nimmer aan een ontvangen bevel
met zooveel spoed en bereidvaardigheid gehoorzaamd: zij is de gang
reeds ten einde, de achtertrap reeds af--den tuin reeds ingesneld,
heeft het houten trapje, dat bij den schoonmaak dienst doet, uit het
berghok gehaald en tegen de schutting gezet, is deze overgesprongen,
heeft bij de buren, van wie zij niets bespeurt, omdat die allen in
't voorhuis naar den oploop zitten kijken, een ladder, die tegen een
pereboom stond, van zijne plaats gehaald en is met behulp daarvan
de tweede schutting overgeklauterd, en veilig geland in den tuin van
Wessel Smit:--bij dezen loopt zij 't huis in, terstond naar boven, en
den man zelven tegen 't lijf, die, geheel gekleed, met den hoed op,
den rotting in de hand, sjerp en ringkraag om den hals en den degen
op zijde, in de gang staat.

Dat Mevrouw De Ruyter aan Wessel Smit gedacht heeft, is licht te
verklaren: niet alleen is hij haar buurman, een welgesteld koopman
en kapitein van een Burgervendel, maar zijne dochter is bovendien,
als reeds gezegd is, met Jan Pauluszoon Van Gelder getrouwd en er
bestaat alzoo een nauwe band tusschen hem en de vrouw des Admiraals.

Maar al bestond die band niet, men heeft, om den man vertrouwen te
schenken, hem maar aan te zien, zooals hij daar voor ons staat, met
zijne reusachtige gestalte, met zijne breede borst en wakker gelaat,
met die sprekende donkerblauwe oogen, die van onder de zware bruine
wenkbrauwen u gewoonlijk zoo gul en welwillend, maar op zijn tijd ook
zoo streng en gebiedend kunnen aanzien, met dat hooggewelfde voorhoofd
en die goedhartig spottende uitdrukking der breede, doch welgevormde
lippen: in 't kort met een voorkomen, dat--behoudens eenig verschil in
kleederdracht, door een tijdsverloop van bijna vijf-en-twintig jaren
teweeggebracht--ons volkomen een dier kloeke hoplieden herinnert,
door Van der Helst op zijn Schutters-maaltijd afgebeeld.

--"Jij hier, Aagje!" vraagt hij: "hoe drommel ben jij zoo opeens uit
de lucht komen vallen?"

--"Uit de lucht, Sinjeur!" herhaalt Aagje: "neen Sinjeur! uit den
tuin; ik ben achterom gekomen, weet UEd? want het is voor niet veilig:
en nu laat de juffrouw vragen, of Sinjeur 'reis bij haar wou komen
om raad te schaffen."

--"Dat had ik juist al gedacht, dat zij dien noodig zou hebben." zegt
Smit: "en zoo had ik den Japanschen rok uitgetrokken en de plunje
aangeschoten, waar ik t' avond mee op wacht denk te gaan, om eens
naar de Juffrouw heen te kuieren. Ga dan gerust weer naar haar toe:
ik zal er misschien zoo gauw zijn als jij."

--"Maar wil Sinjeur ook niet door de tuinen gaan?" vraagt Aagje.

--"Och ja, Sinjeur!" roepen uit één mond de beide dienstmaagden van
Smit, die, nieuwsgierig met wie haar meester toch in gesprek kon
zijn, inmiddels uit het voorvertrek zijn toegeschoven: "Och ja! 't
is moedwillig in 't gevaar loopen, nu op straat te gaan."

--"Gekheid!" zegt Smit, de schouders ophalende: "waar is Willem?"

--"Op 't kantoor," antwoordt eene der meiden: "bezig alles goed weg
te sluiten, zoo 't rapalje eens binnen mocht dringen."

--"Roep hem hier."

De meid loopt naar beneden en keert weldra met den jongen
kantoorbediende terug.

--"Willem!" zegt Smit: "ik ga naar buurvrouw De Ruyter: krijg jij
intusschen de lijsten van de Schutters, die tot mijn vendel behooren:
loop bij Sergeant Joosten hier op den hoek, geef er hem een van,
draaf dan met u beiden bij al mijne Wilde Ieren rond, en gelast hun
uit mijn naam zich onmiddellijk te wapenen en naar 't huis van den
Vendrig te begeven: stuur voorts iemand naar 't Stadhuis om kennis
te geven van den oploop, en onzen trommelslager, dien je met zijne
kameraden op den Dam zult vinden, alarm te laten slaan. Verstaan?"

--"'t Zal gebeuren Patroon!" zegt Willem, met een schalkschen lach,
waaruit men kan opmaken, dat reeds het vooruitzicht van het standje,
dat plaats zal hebben, hem vermaak verschaft, en hij haast zich weer
naar 't kantoor, terwijl Aagje inmiddels langs den weg, dien zij
gekomen is, terugkeert, en Smit, zich naar de voordeur begevende,
die ontsluit en uittreedt op zijne stoep.

Daar iedereen in de buurt uit vrees zijne deur gesloten houdt, wekt
het opengaan van die van Smit noodwendig de aandacht der menigte en
zoo wenden zich de oogen opeens van het huis van De Ruyter af en naar
het zijne.

--"Wat is er aan de hand, mannen?" vraagt hij, zich schijnbaar
verwonderd houdende, en intusschen zijne scherpziende blikken over
den volkshoop latende weiden.

--"Wat er aan de hand is?" roept een varensgast: "daar hebben we jou
althans geen rekenschap van te geven."

--"Tut, man!" zegt Smit: "ik betaal schot en lot, kaai- en leggeld:
en als de vrije doortocht voor mijn huis belemmerd wordt, dan heb ik
recht, geloof ik, om te vragen, wat men voorheeft."

--"Wat praatje van recht?" schreeuwt nu een uit den hoop, een vent,
met een rood buis, en met een gelaat alsof hij zoo even van de galg
gedropen was: "kom maar van de stoep, jou dikke schelm, men zal je
op zijn Jan De Witts trakteeren."

Op het oogenblik, dat deze weinig geruststellende toezegging gedaan
wordt, is Willem met de lijsten onder zijn wambuis de deur uitgekomen,
die hij achter zich sluit.

--"Ei zoo!" zegt Smit, terwijl hij langzaam de stoep afkomt en den
doordringenden blik strak gevestigd houdt op den spreker: "wou jij
dat doen?--Nu! als ik het verdiend heb, ga dan vrij je gang;--maar
ik hoop, dat er hier genoeg vrome lui zijn, die Wessel Smit kennen,
en die wel weten, dat hij geen landverrader is."

"Wel neen!" mompelen terstond onderscheidene stemmen: "Wessel Smit
is geen landverrader:--wij hebben niks teugens jou, Sinjeur!"

--"Zoo! dat meende ik ook," herneemt hij, terwijl hij bedaard verder
stapt.

Willem heeft behendig gebruik gemaakt van het oogenblik, dat aller
oogen op zijn patroon gevestigd zijn met die eerbiedige verbazing,
welke eene rustige kloekheid altijd bij de menigte verwekt, is de
stoep afgesneld en onopgemerkt langs de huizen verder geslopen.

Wessel Smit is voor de stoep van De Ruiters huis gekomen, die vol
menschen staat. Zich wel wachtende van iemand aan te raken, wat
gevaarlijke gevolgen zou kunnen hebben, vergenoegt hij zich,--rechts
en links te verzoeken, dat men hem doorlate;--doch zijn verzoek klinkt
als een bevel, en onwillekeurig gehoorzaamt men. Hij staat op de stoep,
hij schelt aan: Margrietje, die voor het bovenkruisvenster gegluurd
en hem herkend heeft, snelt naar voren, laat hem binnen en haast zich,
de voordeur weer achter hem te sluiten.

--"Goddank! dat UEd. gekomen is, buurman Smit!" zegt Mevrouw De Ruyter,
opstaande en hem de handen drukkende: "wij zitten hier in doodelijke
verlegenheid, wat te doen."

--"Wat te doen?" herhaalt Smit: "te beginnen met deur en vensters
open te zetten, een goed gelaat te toonen, en dat rapalje met goede
woorden te paaien tot er ontzet komt."

--"Den boel openzetten!" roept Grietje met verbazing uit: "maar dan
zullen zij binnenkomen en ons plunderen."

--"Dat zouden zij toch al hebben kunnen doen," zegt Smit: "en dat
jelui 't ontkomen zijt, is alleen, omdat het hun aan een hoofdleider
mangelt. Zooveel althans heb ik er al van gezien, dat zij nog
besluiteloos zijn: en daarom: openzetten! door u schuil te houden,
versterkt gij slechts die lieden in hun kwaad vermoeden.--Het gepeupel
slacht de honden: als men hun ontloopt of voor hen wegschuilt,
blaffen en bijten zij: als men hen fiks in de oogen kijkt, loopen
zij druipstaartende weg."

--"Ik geloof, dat buurman gelijk heeft," zegt Mevrouw De Ruyter, die
met de komst van Smit haren moed, die door 't gejank van dochter en
meiden wat gezakt was, geheel had voelen herleven; en, meteen naar
't raam tredende, opent zij de vensters, schuift de grendels van de
luiken en stoot deze naar buiten.

Nu ontstaat er een dof en rondloopend rumoer onder 't grauw, maar toch
blijkt het, dat de raad van Smit goed geweest is; want vooralsnog
blijft de volkshoop zich bepalen bij uitroepen, als: "kijk daar is
ze! en 'er dochters ook! wat 'n astrantigheid, dat ze d'r brutale
bakkes zoo vertoonen durven!"

--"En nu, buurvrouw!" herneemt Smit: "houd het mij ten goede zoo ik
u voor een oogenblik weer verlaat. Zoo men u iets vraagt, geef goed
bescheid, en maakt men het u te lastig, dan ben ik in een ommezien
weer bij u. Ik blijf in de buurt; want ik ga niet verder dan Dirk
Duizend, om met hem te overleggen hoe wij u best helpen: en ik hou
vandaar een oog in 't zeil."

En, de daad bij 't woord voegende, stapt hij weder ter deure uit, door
den volksdrom heen, tot aan het vierde huis, dat door zijn Vendrig,
Dirk Duizend, wordt bewoond. Ook deze heeft reeds voorzien, dat zijn
dienst zal gevorderd worden en staat zijn hopman in de deur te wachten.

--"Dat is een gekke boel, Duizend!" zegt Smit, zoodra hij binnen is.

--"Dat zeg je wel, Kapitein!" is 't antwoord: "maar wat is er nu van
je orders?"

--"Ik heb reeds om de manschappen gezonden," zegt Smit: "plant jij nu
't vendel in je stoep, dan weten zij, waar zich te vereenigen."

--"Al ree!" zegt Duizend, en het vendel, dat in een hoek der kamer
klaar stond, opnemende, begeeft hij met Smit zich naar buiten en steekt
het door de ijzeren ringen, te dien einde aan de leuning bevestigd.

--"Wat moet dat?" wordt straks van alle kanten geschreeuwd, door hen,
die een duister vermoeden hebben van hetgeen volgen zal: "wat moet
dat Vendel?"

--"Wel mannen!" antwoordt Smit: "zie je niet aan mijn ringkraag en
bandelier, dat ik vandaag de wacht heb? Of hadt jelui liever, dat de
Muiderpoort onbezet bleef, en de Françoizen er op hunne sloffen binnen
konden komen?--Jelui lijkt wel stapel zot, om je over zoo'n natuurlijke
zaak te verwonderen, als dat ik mijn vendel opsteek, waar mijn volk bij
vergaderen moet. Kom, maakt wat ruimte! ik moet weer naar mijn huis."

En met deze woorden de gemoederen, wat het opsteken van 't vendel
betreft, gerustgesteld hebbende, begeeft hij zich weder naar den
kant der bedreigde woning heen, waar hij heeft bespeurd dat zijne
tusschenkomst noodwendig gevorderd wordt. Immers is daar, terstond
na zijn vertrek, het rumoer al meer en meer luidruchtig geworden:
woeste kreten, scheldwoorden, bedreigingen, volgen elkander op:
menige vuist is gebald, menige arm heeft zich opgeheven: en reeds
heeft dezelfde fielt met het roode buis, die Smit gedreigd had met
het lot van De Witt, zich gebukt om een steen los te maken en zoo
het eerste sein tot vernieling en plundering te geven.

--"Hei wat!" zegt Smit, den vent plotseling bij den arm grijpende:
"wie heeft jou tot Stads-stratemaker aangesteld?" en voorts, ziende
dat zijne vraag de omstanders doet lachen, gaat hij, zich nu tot hen
wendende, voort:

--"Is er een onder jelui, die dezen man kent?--Niet?--Nu! dan zullen de
rakkers van den Schout hem wel kennen." En meteen stoot hij den boef
van zich af, die, bemerkende, dat hij voor 't oogenblik de lachers
niet op zijne zijde heeft, zich brommende onder de menigte terugtrekt.

--"En nu," vervolgt Smit, terwijl hij, met een voet op de onderste
trede van De Ruyters huisstoep, met de eene hand den knop van de
leuning omvat, de andere, waarin zijn geduchte rotting geklemd is,
zoover mogelijk uitgestrekt houdt en in die houding als 't ware post
vat om de woning te beschermen: "en nu, vertel jelui mij eens, wat
je hier toch komt zoeken?"--

Ieder, zoowel de vrouwen, die daar binnen doodsbleek voor 't raam
staan, als de volksmenigte daar buiten, begrijpt, dat het hachelijk
oogenblik gekomen is, dat aan den staat van spanning, waarin men over
en weder verkeert, een einde maken moet. Er is eene minuut stilte,
en dan klinkt het opeens:

--"Dat weet je immers wel!'"

--"Hoe drommel wil ik 't weten?" vraagt wederom Smit, "als niemand
het mij zeit. Ziet, je kent mij allen voor een Amsterdammer van ouder
tot ouder, en die 't wel meent met den Prins, met de Stad en met de
Burgerij, en heb je reden van klagen, dan zal ik je voorspraak wezen,
al was 't bij Burgemeesteren:--en zegt nu wat je te zeggen hebt."

--"Wel!" roept een stevige varensgast: "als je 't dan niet weet,
dan zal ik het je zeggen. De Admiraal, die schelm, heit zich deur De
Witt laten ompraten om 's Lands vloot aan de Françoizen te leveren."

En nu er een het ijs gebroken heeft, raken alle tongen los.

--"Hij heit er honderdduizend kroonen voor ontvangen," roept eene
vrouw.

--"Hij zou voor ieder van onze arme mannen een dukaton genieten,"
roept eene andere.

--"Maar hij is gelukkig intijds gepakt, voordat hij het schelmstuk
volbrengen kon," schreeuwt een derde.

--"Ja sekuur," roept de guit met het roode buis, die nu weer de poppen
aan 't dansen hoopt te brengen: "ik heb hem gisteren, aan handen en
voeten geboeid, in Den Haag op de Voorpoort zien brengen."

--"Heb je?" vraagt Smit, droogjes weg: "ja vriend! ik geloof wel,
dat je met de Voorpoort en andere gevangenissen goed bekend bent;
maar of je den Admiraal juist kent, dat 's een tweede.--En nu
buurvrouw! je hoort, wat die menschen zeggen: wat heb je daar nu
op te antwoorden?--Stilte daar!--wij kunnen wel te gelijk zingen;
maar niet te gelijk spreken."

--"Ja! ja! stilte!" roepen nu de bezadigdsten onder den hoop: "wij
moeten hooren, wat de vrouw te zeggen heit."

Mevrouw De Ruyter was bij de eerste beschuldigingen, tegen haren man
ingebracht, niet weinig van haar stuk geraakt; want zij gevoelde,
dat zij niet veel anders daar tegen in kon brengen dan betuigingen,
die geen geloof zouden verdienen; maar de logen, door den man in 't
rood uitgekraamd, hoe kwaadaardig ook, is haar welkom, omdat zij dien
voor 't minst met een onwederlegbaar bewijs kan tegenspreken. Bemoedigd
steekt zij dan ook het hoofd naar buiten en roept met heldere stem:

--"Die man dáár vergist zich, ik heb vandaag nog een brief van mijn
man, die gisteren is geschreven, en waarin hij mij bekend maakt,
dat hij met 's Lands vloot eerstdaags de vijanden weer hoopt te
gaan opzoeken."

--"Hoor jelui 't?" vraagt Smit; en toen, zich haastig naar Mevrouw De
Ruyter keerende: "den brief! den brief!" zegt hij: "spoedig!--Nu zel
jelui 't zelven lezen," vervolgt hij tot het grauw: "Hier! is er een
onder jelui, die met de hand van den Admiraal bekend is?" en meteen
houdt hij den brief, dien Mevrouw is gaan halen en hem toegestoken
heeft, geopend in de hoogte.

--"Ik! ik!" roepen eenige stemmen: en een half dozijn burgers treden
na voren: met een snellen blik op hen te werpen, overtuigt zich Smit,
dat er onder hen althans twee of drie zijn, wier uitzicht vertrouwen
inboezemt, en zonder aarzelen stelt hij den brief aan een van dezen
ter hand.

--"Daar." zegt hij, "lees, en je zult zelf erkennen, dat bedriegers
't volk misleiden en dat al wat men van omkooperij en gevangenis
spreekt, louter verdichtselen zijn."

--"Ja waarachtig!" roept de toegesprokene, na den brief gelezen te
hebben, "'t is de hand van den Admiraal, en dag en plaats komen uit!"

--"'t Is zoo, bij me zolen!--ja zeker het is zoo!" zeggen anderen,
die, om den eersten spreker heengedrongen, mede een kijkje in den
brief gekregen hebben.

--"'t Is een nagemaakt schrift," mompelt Roodbuis, terwijl hij
nader sluipt.

--"Kan jij dat daar van daan zien?" vraagt Smit: "dan moet je al
bijster goeje oogen in je bol hebben.--In allen gevalle, als jelui
beter zekerheid wilt hebben, gaat om naricht naar 't Stadhuis of naar
de Admiraliteit."

--"Wel ja!--hij wil ons met een kluitje in 't riet sturen!" roept
hij met het roode buis en eenige andere van zijne gasten: "of wij
gek waren!--zoo laten wij ons niet afschepen."

--"Maar 't is toch zijne hand," voeren de meest bezadigden hiertegen
in: "en als de Admiraal niks gedaan heeft, dan is 't uit!"

--"Neen, 't is niet uit!" bulkt een ander, "al is de man niet gevangen,
daarom blijkt het nog niet dat hij geen landverrader is: hij kan wel
aan zijne vrouw schrijven wat hij wil."

--"Wij moeten eerst onderzoeken," zegt een van de welgezinden.

--"Wat onderzoeken! Jij heult misschien ook al met die landverraders."

--"Ik met verraders heulen! Een schelm, die 't zeit."

--"Hawaar!" brult de ander, hem een slag gevende;--en nu ontstaat
er een gevecht tusschen de twee, waarin straks anderen zich mengen,
't zij om te scheiden, 't zij om aan te hitsen.

--"Tijd gewonnen! Alles gewonnen!" roept Smit met een zegevierenden
glimlach Mevrouw De Ruyter toe:--"en nu, kanaljes! scheer je de stoep
af! Holla hier mannen!"

Hij had reeds hellebaarden en sabels zien glinsteren voor de stoep
van zijn Vendrig, en nu, terwijl hij met sterke vuist een voor
een drie of vier van de knapen, die op de stoep hadden post gevat,
in de kraag neemt, drijft hij hen met rottingslagen vandaar, waarop
hunne makkers, voor dezelfde behandeling beducht, een goed heenkomen
zochten. Onderwijl rukt Duizend met het vaandel en een dozijn gewapende
schutters aan en vat nevens hem post voor het huis.

--"Wat beduidt dit?" roepen nu niet weinigen onder 't volk, hunne
dreigende gebaren hernieuwende.

--"Dat beduidt," antwoordt Smit, op forschen toon, "dat ik met
mijn volk naar de poort moet, waar de Françoizen hun eersten aanval
zullen doen, en er bijtijds moet wezen, om hen af te wachten. En nu,
ruimbaan! daar komen mijne Wilde Ieren!"

En inderdaad, eene geheele compagnie, die in de wandeling met
dien naam geheeten wordt, komt in 't volle geweer van den kant der
West-Indische pakhuizen aangerukt, dringt door den volkshoop heen en
schaart zich voor het huis. Terstond deelt Smit nu zijne bevelen uit,
laat de nieuwe Schipperstraat door drie gelederen musketiers bezetten,
met last, indien 't grauw wilde doorbreken, daaronder te schieten:
en zijne overige manschappen, wel tweehonderd sterk, voorgaande,
drijft hij met rottingslagen de menigte tot aan zijn huis terug. Nu de
handen wat ruimer hebbende, geeft hij den zijnen bevel, zich gereed
te maken, en gebiedt, dat, bij de minste verdachte beweging van
't gepeupel, de musketiers zullen aanleggen en de piekeniers hunne
pieken vellen. Maar nog bedaart het woest getier der menigte niet,
die weer naar voren en op de pieken aandringt. Hoe gaarne Smit eene
bloedstorting wil voorkomen, hoe hij aarzelt last tot schieten te
geven, toch vreest hij, er toe te zullen moeten overgaan, wanneer
zijn getrouwe Willem hem op zijde komt.

--"Patroon!" fluistert hij: "zie je die tjalk wel, daar in 't water,
die niet verder kan? Als wij die eens praaiden."

Smit wendt het oog naar de hem aangewezen richting, en ziet werkelijk
een dier gewapende uitleggers, welke ik hierboven verhaald heb, dat
de Regeering in dienst genomen had, die met moeite zich een weg zoekt
te banen tusschen de schuiten, die, propvol met toekijkers geladen,
in het IJ liggen:--zonder zich lang te bedenken, haast hij zich naar
den walkant en roept:

--"Kaptein! ben je genegen den vromen Admiraal van dienst te zijn,
en zijn huis tegen dat geboefte te beschermen?"

--"Den Admiraal De Ruyter?" antwoordt de bevelvoerder van den
uitlegger: "wel zeker ben ik: ik heb niet voor niemendal zeven jaren
bij hem aan boord gevaren. Hier mannen!--duwt me die schuiten eens
aan een zij; haalt de stukken boven, en dan zullen wij zien, of wij
de kust niet schoon kunnen houden."

Zoo gezegd zoo gedaan: het vaartuig werkt zich tot voor den wal! Zes
stukken geschuts vertoonen weldra op het dek hunne gapende monden, en
worden met schroot geladen, tot niet weinig schrik van de opeengepakte
rumoermakers!--en, om hunne ontsteltenis nog te vergrooten, doet zich
van verre hoefgetrappel hooren en komen weldra achttien gewapende
ruiters, door Burgemeesteren, op 't bericht van Smits Luitenant,
naar 't bedreigde punt gezonden, in vollen galop aangerend. Smit
ziet met wat ongestuime drift zij toesnellen, en hoe zij, op die
wijze voortgaande, allicht een honderdtal van de op elkaar gepakte
menigte in 't water zullen drijven: en, nu zelf het grauw in zijne
bescherming nemende, treedt hij hun te gemoet en verzoekt hen, zich in
't gelid te stellen en zachter te rijden. Maar nauwelijks heeft hij
hen voor het huis en onder zijn bevel, of hij hernieuwt met hunne
hulp zijne poging, om de moedwilligen terug te dringen, die hij dan
ook werkelijk tot voorbij de nieuwe Bantammerstraat weet te drijven;
terwijl hem dit pas gelukt is of de Oud-Schepen en Raad Kornelis Roch
komt aan 't hoofd van zijn burgervendel gezegde straat uit tot zijn
bijstand. Geen half uur is er verloopen, of vier andere vendels zijn
in de wapenen aangerukt, en 't grauw, zijn toeleg verijdeld ziende,
is van lieverlede naar alle zijden en van 't eiland verstoven.

--"Zie zoo, Buurvrouw!" zegt Smit tot Mevrouw De Ruyter, "nu kan je
gerust deur en vensters weer sluiten en een glaasje voor den schrik
drinken. Ik kuier met mijn vendel naar de Muiderpoort, doch er blijft
volks genoeg achter om u te beschermen."

En, zonder de dankbetuigingen der gerustgestelde vrouwen af te wachten,
zet hij zich aan 't hoofd van zijn vendel en trekt naar zijne wacht;
terwijl het Waalseiland dien dag en den geheelen nacht door de vier
versch gekomen compagniën bewaakt blijft, die er niemand op laten
dan wie er thuis behoort.

Het logenachtige van de verspreide geruchten was inmiddels gebleken:
die ter goeder trouw er aan geloofd hadden, zagen in, dat zij bedrogen
waren geweest, en die ze met een boos opzet uitgestrooid hadden,
dat hun kans vervlogen was.

Zoo was, door de kloeke welberadenheid van één man, eene beroerte
gestild, die de schromelijkste gevolgen had kunnen hebben; en dat,
zonder dat er een droppel bloeds vergoten was.



In de gracht.

Nog steeds staan wij aan den IJkant, waar wij ons aan het slot
van het vorige Hoofdstuk bevonden. Maar, vijf-en-dertig jaren zijn
verloopen, en anders, maar niet minder levendig en gestoffeerd is de
watervlakte. Toen de voorvallen plaats vonden, die stof gaven tot
het laatste, door ons geschilderde tafereel,--was de vijand in 't
land en op de kusten, en waren de toegangen tot de machtige koopstad
van alle zijden belemmerd. Thans, al moge ook de Staat, de krachtige
politiek van Willem III voortzettende, nog voortdurend met Frankrijk
in oorlog zijn, en al moge ook nu en dan een kaper van Duinkerken
onzen handel afbreuk doen, de schepen der bevriende natiën weten
den weg naar Amsterdam te vinden en geene vlag, die niet hier voor
onze oogen wappert, geen koopwaar, onbewerkt of bewerkt, die niet
hier aangebracht of vanhier vervoerd wordt. Maar ook de schepen,
op eigen erf gebouwd, woelen en krioelen hier in steeds toenemende
hoeveelheid dooreen: 't zij die uit Ceylon, uit den Indischen Archipel,
of uit de havens van den Indischen zeeboezem gekeerd, hier de geurige
specerijen, of stofgoud of elpenbeen, of andere kostbare en kostelijke
voortbrengselen van die gewesten met zich voeren: 't zij die in de
West-Indiën hunne ladingen koffie, suiker en verfhout hebben ingenomen:
't zij die geurige thee en prachtig porselein uit China, of tin uit
het verre Japan, of pelterijen uit Archangel, of hout uit Noorwegen,
of ijzer uit Zweden, of graan uit Dantzig aanbrengen, of uit de
Levant de zijde, waarmede de vermogende Amsterdammers zich zelven,
of den ballast van prachtig marmer, waarmede zij hunne gangen en
voorportalen zullen versieren: 't zij die van de walvischvaart keeren
met overvloed van traan en walrustanden, of van Spanje met de goud-
en zilverertsen van Mexiko en Peru.

Maar het zijn niet alleen de groote zeekasteelen van uit- of
inheemschen bouw, die hier de breede watervlakte vullen: 't zijn,
tusschen hen door en om hen heen, de kleinere vaartuigen voor de
kustvisscherij of voor die op de binnenwateren bestemd: 't zijn de
tallooze beurt- en marktschepen, tjalken en smakken uit de eilanden
en uit al de havens aan IJ of Zuiderzee hier samengekomen: 't zijn
boeiers en speeljachten, in de Stad zelve, aan de Zaan, te Haarlem,
te Hoorn, ja waar niet al thuis behoorende: 't zijn lichters, die
de diepgaande koopvaarders van hunne lading hebben ontlast: 't zijn
sloepen, die bij de oorlogsvaartuigen behooren, op Pampus geankerd:
't is in éen woord elke soort van vaartuig, klein of groot, welke
zich de verbeelding schier zou kunnen voorstellen, alle zeker, welke
de scheepsbouwkunst in 't wezen geroepen heeft.

Tusschen al die vaartuigen door baant een klein, maar vlugzeilend
jacht zich een weg:--het voert geen in goud gevat wapen op den
spiegel, noch eenig ander teeken, dat van den rang des eigenaars
getuigt: het is geen adviesjacht; want het heeft geen wimpel met het
wapen van eenige Admiraliteit in top: het is geen pleziervaartuig;
want het mist dat kunstige snijwerk, die prachtige kleuren, dat
blinkend goud en verlaksel, waarmede het in dat geval zou pronken;
het is blijkbaar alleen gebouwd met het oog op stevigheid, kracht en
snelheid: en wie eenige kennis van het zeewezen bezit, kan met een
oogopslag onderscheiden, dat dit vaartuig moedig den storm het hoofd
zal bieden, ongedeerd menigen stoot verduren, en, uit welken hoek de
wind ook waaie, zich niet licht de loef door een mededinger zal laten
afsteken:--en wij, die gaarne een zoodanig vaartuig zien en trachten
te weten, wien het toebehoort, wij volgen het met het oog, nu het met
eene zwierige wending, eerst door eene der openingen in het paalwerk,
dat de stad omheint, vervolgens door de geopende Kikkerbil-sluis
heenzwaait en voortstrijkt langs de Kalkmarkt. Terwijl zeilen en
mast gestreken worden, springt een flinke knaap, oogenschijnlijk van
ongeveer twintigjarigen ouderdom, haastig aan wal met de opgeschoten
lijn, waarvan hij reeds het uiteinde aan een klamp aan boord bevestigd
heeft; die lijn ontrolt zich naarmate hij ijlings verder spoedt, en
hij maakt zich gereed, het vaartuig voort te trekken: eene flinke
deern, wier gelaatstrekken u geen oogenblik doen twijfelen of zij
is de zuster van gemelden knaap, neemt een handboom op, stoot het
vaartuig van wal, en begint met rustige kracht te boomen.--Het
moge voor ons gevoel iets stuitends hebben, zulk een zwaren arbeid
door eene vrouw te zien verrichten, toch beweert de "ongevoelige"
faculteit, dat eene malsche vrouweborst, hoe teeder en zwak in schijn,
daartegen, zoowel als tegen het in 't lijntje loopen beter bestand
is dan de ruige borst ook des sterksten mans.--Aan 't roer staat een
kloekgebouwde grijsaard, die, terwijl hij met welgevallen de oogen
om zich heen slaat, met niet minder welgevallen den geurigen damp
schijnt te genieten, die uit het neusbrandertje voortkomt, dat hij
tusschen de tanden houdt vastgeklemd. Eene vrouw, weinig jonger dan
hij, en een aankomend meisje, houden zich intusschen bezig met het
aftuigen en wegwerpen der zeilage; 't is klaar, dat men vooreerst
geen plan meer heeft die te gebruiken.

Het is onbetwistbaar een huisgezin, dat wij voor ons hebben, een
huisgezin, dat uit man, vrouw en drie kinderen bestaat:--immers in de
gelaatstrekken, zoo van den knaap als van de beide vrijsters, vinden
wij die van vader en moeder terug:--en even onbetwistbaar schijnt
het, dat dit huisgezin de geheele bemanning uitmaakt. Nu! 't zijn
ook allen krachtige, door zon en wind verbrande en verweerde tronies,
waarop de echte zeemans ongedwongenheid en zeemans-koenheid te lezen
is: en toch, er is iets in de levendigheid van den blik, die allen,
ouderen en jongeren, onderscheidt, dat ons aan iets anders, dan aan
gewone varenslieden denken doet. Wie zijn zij? Vanwaar komen zij?--De
vader is een Hollander, zoo wij op gelaat en voorkomen afgaan; maar
hadden wij een der kinderen afzonderlijk ontmoet, wij zouden geaarzeld
hebben in het wagen eener gissing aangaande den landaard, waartoe het
behoort. Het raadsel wordt ons echter opgelost, wanneer wij de moeder
met aandacht beschouwen: die gekroesde roodblonde haren toch, die
sterk geteekende kinnebakken, die zomersproeten zelfs, bij ongewone
regelmatigheid van trekken en ongemeene doorschijnendheid van vel,
't welk b. v. aan den nek, waar het niet door den invloed van zon
en luchtsgesteldheid geleden heeft, met hagelblankheid tusschen de
krullende lokjes doorschittert:--dat alles te zamen spreekt van 't oude
Angel-Saxische bloed, en zij, die wij voor ons zien, kan niet anders
wezen dan eene dochter van Albion. Zelfs schijnt het, dat zij voor 't
eerst in Amsterdam zich bevindt; want, al gaat zij ijverig voort met
den arbeid, waar zij aan bezig is, toch werpt zij nu en dan een blik
om zich heen, die van nieuwsgierigheid getuigt. Wel is waar--en dit
toont aan, dat zij een echte telg van Engeland is--geen trek op haar
gelaat ontplooit zich en zij schijnt over de wonderen der wereldstad
noch opgetogen, noch verbaasd, op zijn best bevreemd. Nu en dan een
zweem van goed-, niet zelden een zweem van afkeuring is al, wat hetgeen
zij opmerkt, bij haar teweegbrengt. Maar sterkeren indruk maakt het
tooneel, dat haar omringt, op het zestienjarige dochtertje: de oogen
van het meisje tintelen als sterren van vroolijke opgewondenheid en,
keer op keer, wanneer in de rij der huizen, die zij langs varen,
een fraai gestoffeerd magazijn, een sierlijke gevel, of wat ook door
praal of bouwtrant de aandacht wekken mag, of wanneer op de kaai deze
of gene Friesche of Zaanlandsche vrouw met haar prachtig hoofdtooisel,
of een Armeniër met zijn tulband en kaftan, of een Perziaan, of een
Amsterdamsche pronker, of zelfs een citroenjood met zijn baard en zijn
samaar zich aan hare oogen voordoet, tikt zij, met een vroolijken lach,
soms met een uitroep van dartele blijheid, hare moeder op den arm,
om de aandacht van deze op dat ongewone voorwerp te vestigen.

De lijn is alreeds een paar keeren in- en weder uitgegooid: en het
jacht is de Sint Antonies-, is de Zwanenburgerbrug door-, den breeden
Amstel opgevaren; ook hier moet de lijn weder ingenomen, zoodra men
de Blauwbrug is doorgekomen, want aan wederzijden ligt het vol van
Keulsche aken en die Samereuzen-(Sambre et Meuse) schepen, naar
welke de hooge Amstelbrug daar in de verte bij sommigen den naam
voert van Samereuzen-brug--een naam, zoo kluchtig in de dagen der
omwenteling, Franschgezindheid en sentimentaliteit vertaald met pont
des amoureux;--wat echter nog minder gek was dan de later in zwang
gekomen benaming van "Hooge Sluis." Immers, verliefden mag men er nu
en dan aantreffen; maar een sluis is niet dan op eerbiedigen afstand
te vinden.

Om tot ons jacht weder te keeren, de broeder is, nu het trekken
onmogelijk werd, weder aan boord gesprongen, en helpt zijne oudere
zuster in het verrichten van hare moeitevolle taak. Maar het zwaarste
is volbracht. Het jacht zwaait rechts de Keizersgracht in, en,
na nog de brug, die de Utrechtsche-straten aan elkander verbindt,
onderdoor te zijn gevaren, houdt het op de kaai aan, wordt aan een
paar ringen vastgelegd en kiest hier als in veilige haven, zijne
ligplaats voor dezen tijd. De schipper heeft zijn roer vastgezet:
zijne vrouw en jongste spruit hebben alles geborgen wat te bergen
viel: broeder en zuster de handboomen weder in de mikken gelegd, en
het geheele gezelschap zich binnen de kajuit begeven, om na gedaan
werk eene welverdiende rust te smaken, en zich met een stevig ontbijt
te ververschen.

Wij zouden hen wel willen volgen, om nadere kennis met hen te maken;
want, al kunnen wij ons geen bepaalde rekenschap geven waarom, het
gezin boezemt ons belangstelling in, en, wij weten het, het kostte ons
weinig moeite: de verbeelding is voor ons de ring van Gyges, die ons
onzichtbaar alom doet tegenwoordig zijn, het "Zeezaad open u!" [48]
waardoor elke deur, hoe vastgegrendeld ook, zich ontsluit. Maar ik
wil den lezer eene verrassing besparen, en daarom ons bezoek tot
morgen uitstellen, en de goede menschen heden in hunne stille rust
niet bespieden.



De dag van morgen is gekomen: het jacht ligt nog terzelfder plaatse
aan de kaai vastgemeerd; doch niemand is op het dek te zien. Zouden
allen het verlaten hebben? Wij willen dit eens onderzoeken en
ten dien einde stappen wij aan boord, treden de kajuit binnen,
en.... staan geheel versteld van het onverwachte schouwspel, dat zich
aan ons voordoet. Niets, dan alleen de achteroverhellende stelling der
vensters tegenover ons, herinnert, dat wij ons hier in een vaartuig,
en in het gewone verblijf eens schippers bevinden; al het overige
roept ons toe: gij betreedt eens schilders werkplaats, of liever,
om geen twijfel aangaande de beteekenis van die twee woorden over te
laten, een atelier.

Rechts, links, tegenover de vensters, is, van boven tot onder, de wand
bedekt met teekeningen, met platen, met schilderijen, in de meeste
waarvan, zoo niet dezelfde manier, dan zeker dezelfde hand niet te
miskennen valt. In de schaarsche tusschenruimte hangen linialen, haken,
teekenstokken en verdere behoeften eens kunstenaars. Op de tafel en
op de vensterbank staan pleisterbeeldjes, bronzen en houten figuren,
van allerlei vorm en soort, modellen van schepen en gebouwen, tusschen
rollen prenten en teekenpapier. De zitting van de vaste bank zelve is
gedeeltelijk opgeslagen en toont ons, in de holte daarvan verborgen,
een aantal doozen, met penseelen, kwasten, doezelaars, potlooden,
krijt, kokers, tempermessen en wat dies meer zij, of met blazen verf
gevuld: ook potten, sponzen en anderen noodwendigen voorraad. De
half uitgehaalde tafellade zien wij insgelijks voorzien van teeken-
en schilderbehoeften, en wel voornamelijk van de zoodanige die bij den
arbeid het onontbeerlijkst zijn, of die de meeste waarde bezitten. Aan
de tafel zit een jong mensch, ijverig bezig eene der schilderijen,
die tegenover hem aan den wand hangt, na te teekenen. 't Is een
jongeling van een bevallig voorkomen, en al zit hij, om beter op zijn
gemak te zijn, zonder rok aan 't lijf, toch kan men het hem aanzien,
dat hij niet onverschillig is omtrent zijn uiterlijk voorkomen, en
dat hij smaak met zorg vereenigt bij zijn streven om er betamelijk,
ja behaaglijk uit te zien: want zijne fraaie bruine lokken glinsteren
u welriekend tegen: zijne hemdsmouwen zijn van fijn en helderblank
linnen, en eene rijke kanten das is niet zonder zwier om den hals
gestrikt: het lichtbruine satijnen vest is bezaaid met zilveren
bloempjes, de broek, van grijs satijn, boven de knieën vastgestrikt
met rooskleurige linten: rooskleurige satijnen kousen bedekken de
beenen, en Moorsche pantoffels, van gouddraad gestikt, versieren de
voeten. Nevens hem, in 't midden der kajuit, staat een bruinhouten
schildersezel, waarop een half afgewerkte schilderij, een riviergezicht
voorstellende, met welks voltooiing zich de ontwerper daarvan bezig
houdt: deze is een man, naar 't schijnt van den middelbaren leeftijd,
wien eene fraaie blonde pruik over de schouderen hangt. Zijn rok
van bruine sergie is eenvoudig, maar net en voegende aan zijn stand;
even eenvoudig vest en broek: en de kousen van fijn touwwerk, zoowel
als de hooge zwarte schoenen van deugdzaam Spaansch leder, spreken
evenzeer van stemmigen eenvoud. Op de bank, aan een der hoeken, zit
eene reeds op hare jaren komende en toch niet onbevallige vrouw aan
een borduurraam te werken. Hare kleeding, hoewel geen bepaalde zucht
tot opschik, veelmin eenige wansmaak verradende, heeft toch, door
snede en kleurmengeling iets, dat als ongewoon de aandacht wekt. De
moesjes, waarmede 't gelaat spaarzaam bezaaid is, mogen al eene zeer
gebruikelijke tooi zijn en het kapsel niets hebben dat bijzonder
afwijkt van de heerschende mode, de achter op 't hoofd gedragen hooge
kanten muts, hoedanige wij uit de afbeeldingen van dien tijd kennen,
verschilt eenigszins in fatsoen van die, waarmede in Holland de dames
gewoon zijn uit te gaan: en de laatstgemelden zouden oordeelen, dat
de oranjekleurige samaar wel wat scherp afsteekt tegen het blauwe
onderkleed; ook zouden zij het vreemd vinden, dat de onbekende, bij
't borduren, de gemslederen handschoenen niet heeft afgelegd, die de
handen en een gedeelte van den arm bedekken. Maar gewis zouden zij
geene aanmerkingen maken op de smaakvolle kleeding der twee lieve
meisjes, bij elkander in een hoek der kajuit gezeten, en waarvan de
oudste zich met naaiwerk bezighoudt, terwijl de andere een boek in
handen heeft, waar zij overluid aan 't gezelschap uit voorleest. Beider
dracht is gelijk van stoffage en kleur en snede: parelgrijze samaren
met rozeroode garneersels, over groene onderkleeden: het haar gekapt
à la Sévigné en grijze zijden kousen met goudlederen schoentjes.

Gewis, een tafereel, als 't geen zich hier aan u voordoet, waart
gij verre van te verwachten; maar uwe verwondering moet nog hooger
stijgen; want nu gij aandachtiger de gelaatstrekken der aanwezigen
opneemt, nu begint bij u een vermoeden te ontstaan, dat--ja, al
schijnt het ongeloofelijk, het is zoo--weldra bij u tot zekerheid
wordt:.... de personen, die gij voor u ziet, zijn dezelfden, die
gij gisteren zaagt: die net gekleede teekenaar droeg gisteren een
schippersbuis en liep in 't lijntje: die zedig gekleede jonge juffer
boomde gisteren het vaartuig door de stadsgrachten: die matrone in 't
oranjekleurig damast hielp gisteren de zeilage bergen: die schilder
eindelijk stond gisteren in zijn duffelsche pij als stuurman aan 't
roer.--Zulk eene hervorming brengt verandering van uiterlijke dracht
teweeg; vooral als eene blonde pruik dienst doet om grijze haren,
moesjes om zomersproeten, handschoenen om de vereelte handen te dekken,
en een nieuwmodisch fatsoen van kleedij om aan de gestalte en ledematen
een schijnbaar geheel anderen vorm en andere bewegingen bij te zetten.

Maar wie is nu die huisvader, die beurtelings schipper en schilder
is?--Een weinig geduld, lezer! wij zullen 't weldra vernemen.

"Leg nu het boek van den vromen ouden Bunyan maar terzijde," zegt de
man, en wel in 't Engelsch, tot zijne dochter; "het is elf uren en ik
denk, dat wij weldra bezoek zullen ontvangen.--En gij, Robbert! mocht
wel denken, uw rok aan te trekken: het past niet, dat men u in uwe
hemdsmouwen aantreffe."

"'t Is zoo warm, vader!" antwoordt de jonkman: "ik begrijp zelfs
niet, hoe gij 't uithoudt met die pruik. En dan, voor wien zou ik
mij geneeren? Voor dien ouden beunhaas, dien wij wachten?"

"Gerrit Van Uilenburg is een man, die zijn vak verstaat, en zelf
schilder geweest is," herneemt de vader: "bovendien de vraagbaak van
al wie schilderijen koopen of bestellen wil, de man, die reputaties
kan maken of afbreken naar verkiezing, en dien het in geen geval
zaak zou zijn, ontevreden te maken; bij dat alles, en dit ware reeds
genoeg, een man van jaren;--doch al kwam er niemand, gij weet bij
ondervinding, ik hou er niet van, dat een der mijnen er verwaarloosd
of verwilderd uitziet. Hoe meer wij ons, zoo dikwerf wij op reis zijn,
in eenvoudige varenslieden vervormen, hoe meer het noodig is, dat wij
met het schipperspak ook alle plompheid en ongemanierdheid afschudden
en als deftige lieden voor den dag komen. Zoo gij op een enkel punt
vergeet, u als een gentleman voor te doen, gij loopt alras gevaar, u
in meer dingen te veronachtzamen, en wanneer ik mij die lastige pruik
getroost, kunt gij u een rok getroosten; daarom niet langer gedraald."

Robbert zwijgt, en, zij het met een zuur gezicht, hij trekt den rooden
rok met gewerkte knoopen aan, die aan een knop hangt. Terwijl legt
zijne moeder ook nog een loodje in 't zakje.

"Ja," zegt zij, "wat men wordt als men zich zelf verwaarloost, dat
blijkt uit het onderscheid tusschen de boeren hier en in Engeland. Bij
ons in Engeland wascht een boer zijne handen als hij thuis komt,
trekt zijn werkbuis uit, doet zijn rok en schoon linnen aan, kleedt
zich als een gentleman en is in niets van Lord A. of Sir John B. te
onderscheiden; hier in 't land smijt een boer ook zijn buis uit, maar
wascht zich niet, trekt niets aan, valt plomp aan de etenstafel neer,
en eet, bless my life, in zijne hemdsmouwen en met den hoed op den
kop!--en zoo blijft hij ook een kinkel in de oogen van iedereen."

Het blijkt dat de vermaning juist bijtijds gegeven is; want hier wordt
de vrouw--van den huize had ik bijna gezegd--in hare rede gestoord
door een tikken op de kajuitsdeur, die terstond daarop geopend wordt:
een oud mannetje in deftige burgerkleeding brengt eerst het hoofd,
vervolgens het geheele lichaam binnen.

"Welkom, sinjeur Gerrit Uilenburg!" zegt de vader des huisgezins,
deze reis niet in 't Engelsch, maar in een Hollandsch, waarvan hem
de uitspraak terstond als een echten Amsterdammer kenmerkt: "dat is
braaf van je, dat je me zoo terstond komt opzoeken."

"Stil! stil!" zegt Uilenburg, den wijsvinger voor den mond brengende
en half bedeesd achter zich ziende: "ik ben niet alleen," en meteen,
ter zijde schuivende, laat hij den doortocht vrij aan een heer in
't bruin fluweel, met een rijkgeboorden hoed, een kolossale pruik en
een stok, met een hoogen knop, van amber en gouden kwasten voorzien,
en fluistert: "Burgemeester Pancras!"

Op dien naam buigen vader en zoon zich diep en nijgen moeder en
dochter eerbiedig tot den grond: terwijl allen het stilzwijgen bewaren,
dat voegt tegenover zoo aanzienlijk een personage.

"Ik ontmoette Zijn Edel Achtbare juist op de Reguliersgracht en
Z. Ed. A. was zoo goed mij staande te houden om wat over kunst te
praten, en toen Z. Ed. A. hoorde, dat ik naar u toeging, behaagde het
Z. Ed. A. te zeggen, dat Z. Ed. A. zelf zulk een ongewone vertooning
wenschte te zien, als eene schilderswerkplaats in een vaartuig."

"Het is niet alleen om het ongewone der vertooning, dat ik trek
gevoelde mij hierheen te begeven," zegt de Burgemeester met een
hoffelijke hoofdbuiging, "de naam en de verdiensten van monsieur Jan
Griffier zijn mij genoeg bekend om mij te doen verlangen, hem zelven
en het een of ander van zijne laatste werken te leeren kennen, en
dit zal, hoop ik, mij bij hem tot verschooning strekken, dat ik dus
ongenoodigd en onverwacht zijn heiligdom betreed."

"Al te veel eer," is al wat "Monsieur" Griffier kan uitbrengen, en
werkelijk, wat valt er ook veel meer te antwoorden op het beleefde
gezegde van een groot heer als de Burgemeester is, die genoeg overtuigd
mag zijn, dat hij geen verontschuldigingen behoeft in te brengen,
wanneer hij zich zooverre vernedert, om een schilder in diens eigen
werkplaats te bezoeken? Wij mogen er hard aan twijfelen, of hij
zoodanig bezoek wel gebracht zou hebben, indien het vreemde van de
zaak, eene werkplaats in de stadsgracht, hem niet had verlokt. Men
laat anders, in deze achttiende eeuw, den schilder tot zijnent komen,
evenals den rijtuigmaker, den behanger, den stukadoor en wie men al
meer noodig heeft om huis of stal op te pronken, en men gaat niet bij
hem. Dat mogen Frans I of Karel V gedaan hebben;--maar die vorsten
leefden in een tijdvak, toen men nog niet wist hoe het hoorde, en
waren Roomsch bovendien;--en zoo Karel II van Engeland zich ook iets
van dien aard mag veroorloofd hebben, het is genoeg bekend hoe die
monarch zijn fatsoen te grabbelen gooide. In allen gevalle, hetgeen
wij hier zien gebeuren, is bijzonder genoeg, om ook alleen uit het
bijzondere der oorzaak verklaard te kunnen worden.

Intusschen hebben de twee meisjes, op een wenk van hare moeder, de
kleppen van de bank dichtgeslagen en op de eereplaats twee kussens op
elkander gestapeld, ten einde den bezoeker een zetel te bereiden. Hij
zegt met een vriendelijken hoofdknik dank voor de attentie; doch
maakt er vooreerst nog geen gebruik van, en neemt de kunstwerken,
die langs den wand hangen, in oogenschouw.

"Hm!" zegt hij, "dat is de Rijn bij Coblents, niet waar? Ja, ja, ik
heb dat gezien, in mijn jongen tijd, toen ik van de academie kwam en
de gewone reis door Duitschland en Frankrijk deed.... Heel aardig,
op mijn woord! En dat, wat moet dat verbeelden, Uilenburg?"

Is het, om den graad van topographische kennis des ouden mans op de
proef te stellen, dat Pancras zijne vraag tot hem, en niet tot den
kunstenaar zelven richt? of oordeelt hij, dat de achtbaarheid van
stand er bij lijden zou, indien hij zich in een gemeenzaam onderhoud
met den laatstgemelde begaf? Wij durven dit niet beslissen.

"Het zal de Teems moeten voorstellen, Edel Achtbare!" antwoordt
Uilenburg, met eene diepe buiging.

"De Teems bij Wolwits [49]," voegt de schilder er op bescheiden
toon bij.

"Wat dunkt er u van?" vraagt opnieuw Pancras aan den kunstkooper.

"Lief van behandeling," antwoordt deze, terwijl hij met den knijpbril
op den neus het stuk van nabij bekijkt en Griffier wederkeerig op hem
het oog, niet zonder angstigen schroom, gevestigd houdt, "geestig
van stoffage, helder van koloriet; er kon wel wat meer water in de
lucht, wat meer lucht in 't water zijn,.... maar over 't geheel is
't een lief stukje."

Griffier haalt adem; want de uitspraak van den gevreesden kunstkenner
is over 't geheel gunstig.

Maar wie is die Uilenburg, die hier over de waarde of onwaarde van
de aanwezige kunstgewrochten beslissen moet?

Wie hij is, lezer? Sla Vondels Poëzie op, bij voorraad nog de
4o. uitgave, Deel I bladz. 378, Deel II bladz. 372, en gij zult reeds
eenigszins op de hoogte komen. Hoor slechts het kortere der beide
daar geplaatste, in 't nog bange jaar 1673 vervaardigde gedichten in
zijn geheel, en het slotcouplet van het andere.


        Op de verkoopinge der Italiaansche Schilderyen,
        ten huize van Geeraert Uilenburg, Schilder.

        Noch spant de Schilderkunst de kroon by brave Heeren,
          En zwicht voor onverstant, noch geen grimmas van Nijt.
        Zy wil de nieuwe zael van Uylenburgh stoffeeren
          Met Italjaensche kunst, in dezen droeven tijd:
        Schoon Mars, in 't harrenas gewapent, ten bederve
          Des volx, de landen zet in vier en gloet uit wraeck,
        Dees tiende Kunstgodin, verkoren bij Minerve,
          Spreekt door haer schoone verf en stomme beeldenspraeck.
        Een ieders hart verlangt naer prijs in 't vrolijk loten,
          De Godt Apollo komt, vol levens en vol geest,
        In dees vergadering. Hy groet de kunstgenooten,
          En speelt op zijne harp in 't midden van dit feest.
        De mist der lastertong verstomt door 's kenners klaerheit.
        De logentael verdwijnt voor 't helder licht der waerheit.

                            t' Amsterdam 23 van Sprokkelmaent 1673.


En nu de "Toezang" van den Zege der Schilderkunst:


                  In Amsterdam trotseert de kunst
                Van Italjaen en Nederlander
                Den opgerechten oorlogsstander,
                  En wint by alle kenners gunst
                Daar Uilenburg [50] zijn Schilderyen,
                In spijt van alle razernyen,
                  Hoe elk ons dreigt te vier en zwaerd',
                Met winst vertiert, bedankt van Heeren,
                Dien 't lust hun zalen te stoffeeren
                  Met zulk een rijkdom, lang vergaert.
                Dies hoe de krijgselende treffen,
                De schilderkunst mag 't hooft verheffen.


Wij leeren uit de bovenstaande verzen, dat Uilenburg, reeds in 1673,
handel in schilderijen dreef, en wel, in weerwil dat de oorlog nog
woedde, met voordeeligen uitslag: wij vinden ook, dat hij, in het
opschrift van 't eerste gedicht, "schilder" wordt genoemd: en werkelijk
had hij in zijne jeugd het penseel gehanteerd. Doch, ondervindende dat
de verkoop van eigen werk hem geen brood gaf, kwam hij bijtijds tot
het gelukkig besluit, zich door den verkoop van 't werk van anderen,
niet alleen brood, maar zelfs een ruim bestaansmiddel te verschaffen
en de beoefening der kunst vaarwel te zeggen voor de critiek der
kunst. Het door hem gekozen beroep was, als zoodanig, nog nieuw, en
de keuze daarvan bewees, dat hij, zoo al geen kunstgenie, dan voor
't minst doorzicht bezat. Lang zonder mededingers, wist hij de rijke
Amsterdammers naar zijne tentoonstellingen te lokken, en zoodoende
met hen in aanraking te komen. Weldra was hij hun raadsman, hun gids,
hunne vraagbaak in 't vak van kunst, en werd er nauwelijks eene
schilderij gekocht of besteld, dan door zijne tusschenkomst. Reeds
bijna vijftig jaren had hij nu zijn vak uitgeoefend, en hoe ouder
hij geworden was, hoe dieper de eerbied, welke men voor zijne "rijpe
ondervinding" gevoelde, hoe machtiger zijn invloed, hoe min betwistbaar
zijne uitspraken waren geworden. Is het wonder, dat de kunstenaars
niemand gelijk hem ontzagen, en hem luide als hun beschermer, hun
goeden genius, hun voorzienigheid roemden?--al mochten sommigen hem
in hun hart verwenschen.

"En dit landschapje hier?" vraagt Burgemeester Pancras: "wat stelt
dat voor? 't Is in eene heel andere manier dan de vorige stukken."

"Uw Ed. Achtbare zal toch wel niet twijfelen of 't van dezelfde hand
is," zegt Uilenburg: "maar anders, ja, Uw Ed. Achtb. ziet volkomen
juist: 't is in geheel verschillenden trant geschilderd: en men erkent
hier het streven om de manier van Lingelbach na te volgen."

"Ik geloof, dat ik slechter modellen zou kunnen kiezen," zegt Griffier,
eenigzins gevoelig over den toon, waarop de toelichting gegeven was:
"voor 't overige, 't is eene fantasie:.... ik wil ook nu en dan wel
eens iets anders voorstellen dan rivier- en zeegezichten."

"En dit, Sinjeur Uilenburg?" vraagt Pancras, op een klein schilderijtje
wijzende, dat een paard voorstelt bij eene herberg: "dat is toch
stellig niet van dezelfde hand."

Men lette op het Sinjeur. Griffier was maar een kunstenaar, en werd
dus als Monsieur aangesproken; Uilenburg een koopman, al was het dan
ook maar in kunst, en stond dus hoog genoeg op de maatschappelijke
ladder om den titel van Sinjeur te voeren.

"Volkomen juist aangemerkt, Edel Achtbare!" zegt de toegesprokene:
"het is een aardig Wouwermannetje: Ei! ei, monsieur Griffier! tref
ik een mededinger in u aan, dat je ook al stukken van anderen
vent. Nu! men moet leven en laten leven."

"'t Is niet van Wouwerman," zegt Griffier; "'t is van mijn zoon
Robbert, dien ik de eer heb UEd. A. voor te stellen."

Zie, hoe blijde de gelaatstrekken van Robbert staan, en met hoeveel
trots en geheime vreugde de blikken van moeder en zuster zich op
hem vestigen, nu men zijn jongelingswerk voor dat van den grooten
Wouwerman aanziet; maar ook, hoe kijkt onze oude kunstkooper op den
neus, hij, die juist bij zich zelven voornam, het schilderijtje bij
de eerste gelegenheid aan den eigenaar af te koopen en er winst mede
te doen:--zich zóó vergist te hebben! het werk van een aankomeling met
dat eens beroemden meesters te verwarren! 't Is om nooit te vergeten.

"Van uw zoon?"--herhaalt Pancras, verbaasd: "Sinjeur Uilenburg,
is dat geloofbaar?"

"Ja Edel Achtbare!" antwoordt deze: "als de man het zelf erkent!.... ik
zou het trouwens bij nauwlettender onderzoek wel gemerkt hebben.--Mijne
oogen worden er niet beter op met de jaren, en zoo meende ik, bij
den eersten opslag, dat ik een Wouwerman vóór mij had.--Nu, 't is
in allen gevalle eene goede kopie. Die linker voorpoot kon wel wat
helderder uitkomen.... en de achtergrond is wat verward;.... maar
voor een eerstbeginnende is 't heel wel."

Burgemeester Pancras heeft weinig aandacht op deze soort van
rekantatie geslagen. Door opleiding en ambtsbetrekkingen geleerd,
menschen te bestudeeren en te beoordeelen, is hij onwillekeurig
getroffen geworden door de laatste woorden van Griffier: hij heeft
den blik van de schilderij afgewend om dien te vestigen op den man,
die nu niet meer alleen door de zonderlinge keuze van verblijfplaats,
maar ook om andere redenen zijne opmerkzaamheid waardig schijnt. Er
ontstaat een algemeen stilzwijgen: 't welk de achtbare burgervader
eindelijk afbreekt met te zeggen:

"Dat is meer eerlijk dan politiek van u gehandeld, monsieur
Griffier! hadt ge gezwegen, ge hadt dat stuk voor een Wouwerman aan
den man kunnen brengen."

"Ik mag niemand misleiden," hervat Griffier, "en, al ware ik minder
nauwgezet, ik geloof toch dat, in een geval als dit, ook bij den
hebzuchtigsten mensch de trek naar voordeel zou hebben ondergedaan voor
hoogmoedige blijdschap over de zegepraal, door zijn kind behaald. Zie,
Edel Achtbare! als een kenner gelijk Sinjeur Uilenburg, zij het ook
maar voor een oogenblik, er mee bedrogen is geweest, dan moet mijn
jongen er toch niet vergeefs naar getracht hebben, de manier van
Wouwerman na te doen;--want eene kopie is 't niet."

"Goed gesproken," herneemt Pancras met een hoofdknik, die van
welgevallen getuigt: "ge moet mij eens iets meer vertellen van wat
u aangaat en hoe gij er toe gekomen zijt, zulk een avontuurlijk
leven te leiden." En meteen, na op zijn horloge gezien te hebben,
neemt hij de plaats in, die voor hem was gereedgemaakt: een blijk
van welwillendheid, dat de verbazing van Uilenburg wekt en de
kajuitsbewoners niet weinig verheugt; want het schijnt zooveel te
kennen te willen geven, als dat de machtige Burgervader ook hun ten
beschermer wil zijn.

"Ge zijt, zoo ik vernomen heb, een Amsterdammer," vervolgt Pancras.

"In 1645 hier geboren," antwoordt Griffier.

"Zoo! in 't tijdperk dus, dat de kunst hier 't meest gefloreerd heeft:
geen wonder, dat een jong mensch toen trek gevoelde om in dat vak te
werken. Van der Helst en anderen hebben er nog al wat aan verdiend,
aan dat stoffeeren van 't stadhuis en van zooveel andere gebouwen."

"'t Was toch niet zoozeer hun voorbeeld," herneemt Griffier, "of
het voordeel, dat hun kunstvak hun bezorgde, dat mij voornamelijk
aantrok. Ik was een Amsterdammer, maar toch hield ik van de
buitenlucht en de vrije natuur meer dan mijne stadgenooten dat
gewoonlijk doen.... ik wilde boomen, ik wilde landschappen teekenen,
ik zag ze niet; en zoo stelde ik mij een tijdlang tevreden met bloemen
af te beelden. Maar dat was mij weldra niet genoeg: ik moest meer
verscheidenheid van voorwerpen, ik moest uitgebreider tafereelen
hebben, en om daarin te slagen begaf ik mij onder leiding van Rogman."

"Niet onverdienstelijk," merkt halfluid Uilenburg aan: "maar wat ruw
en slordig."

"Door hem," vervolgt Griffier, zonder zich aan de aanmerking te storen,
"raakte ik in kennis met Lingelbach, met Adriaan Van de Velde...."

"Knappe lieden, beiden in hun vak," bromde Uilenburg er tusschen.

"Met Ruisdael, met Rembrandt."

"Hm! die zijn lang uit den smaak," bromt dezelfde basstem voort,
"de een is al zwarter en onbehaaglijker dan de andere."

--"Heiligschennis!" hoor ik hier den lezer roepen: "Ruisdael en
Rembrandt onbehaaglijk? En 't is nog een zoogenaamde kunstkenner,
die zoo iets beweert."

Val er den goeden sinjeur Uilenburg niet te hard om, lieve lezer! hij
spreekt alleen het gevoelen uit, dat toen, dat vijftig jaar vroeger,
dat vijftig jaar later, nog het algemeen heerschende was. In 1714 zal
men voor een landschap van Ruisdael f 17, in 1734 voor een kapitaal
dito, gestoffeerd door Adriaan van de Velde, f 20 geven,--dat is,
omstreeks evenveel penningen als het later guldens zal opbrengen.--En
wat Rembrandt betreft, bij zijn leven werd hij onder de kunstenaars
van den derden rang gesteld; en schier al wat men, eene eeuw na zijn
dood, bij Wagenaar [51] aangaande hem leest, is eene aanhaling uit het
"gebruik en misbruik des tooneels" van Pels, voornamelijk strekkende
om hem in een ongunstig, ja bespottelijk daglicht te stellen.--Dat
echter ten dezen Griftier niet volmondig instemt met het oordeel,
door Uilenburg geveld, bewijst de trek van wrevel en minachting,
die zich even op zijne omgekrulde lip vertoont; doch hij houdt zich
als had hij niets gehoord en gaat rustig voort met zijn verhaal.

"Ik kreeg vergunning, hen in hunne werkplaatsen te bezoeken en ik
genoot het voorrecht, mij met hen te onderhouden over de geheimen,
zoowel als over de eischen der kunst. Bij het beschouwen hunner
meesterstukken, bij het hooren hunner lessen, zag ik wat aan
mijne opleiding ontbrak, en trachtte, op hun voorbeeld, lucht en
kleurschakeering en helderheid in mijn werk te brengen. Intusschen was
't gebeurd, dat een mijner medeleerlingen bij Rogman, Jan Loten, naar
Engeland was gegaan en er door zijn penseel een onafhankelijk bestaan
verworven had. Bij een bezoek, dat hij in 1667 aan zijne geboortestad
bracht, verhaalde hij er mij zooveel van, dat mij de lust bekroop,
hem bij zijn terugkeer te vergezellen. Ik had geen ouders meer, en
niemand, die zich mijner aantrok; ik had altijd een afkeer gehad van
een zittend leven, op dezelfde plek doorgebracht; ik wilde eens wat
anders zien: en zoo nam ik de gelegenheid waar en ging mee. Eenmaal
in Engeland zijnde, zag ik al spoedig in, dat mijn belang medebracht,
er te blijven. Ik vestigde mij te Londen en bevond er mij niet kwalijk
bij; want de stukken, die ik maakte, schonken mij eenigen naam en
genoegzaam voordeel. Toch was ik te onrustig van aard om daar ter
plaatse, of waar dan ook, hetzelfde zittende leven te leiden, dat
mij te Amsterdam had verveeld; en al bleef Londen de plaats waar ik
te bevragen was, ik veroorloofde mij uitstapjes, nu te water, dan te
land, om de natuur, die ik liefhad, te bestudeeren; en dan bracht ik
van mijne zwerftochten telkens wat nieuws voor de kunstliefhebberij
terug:--zoo kreeg ik allengskens genoeg bij elkaar om aan trouwen te
denken, en kon ik het beter treffen? Ik vond in moeder, die daar zit,
juist eene vrouw die ik verlangen kon, de dochter van een schipper, en
die menigmalen haren vader naar Oost en West had vergezelschapt, die
niet bang was alzoo om ook aan mijne watertochtjes deel te nemen. De
fortuin was mij meer en meer gunstig en zoo schafte ik mij een jacht
aan, sierlijk en gemakkelijk, en een goede zeiler bovendien, en dat ik
geheel naar behooren inrichtte, dat het mij tot magazijn en werkplaats
dienen mocht. Ik zei mijne huishuur op, betrok met vrouw en kinderen
mijn drijvend logies en toog daarmede nu her- en derwaarts heen, waar
mijne luim mij heenvoerde. Dat waren gelukkige dagen, waarbij arbeid
en uitspanning hand aan hand gingen, en over 't algemeen zag ik nooit
de rivier van Londen weer, of mijne kajuit was wèl gestoffeerd met
land- en watertafereelen, afbeeldingen van Italiaansche bouwvallen,
uitgewerkte riviergezichten, landschappen, bloemen en vogels, en wat
dies meer zij, in olie- of sapverf, somtijds ook in plaat, want ik had
mij mede op het etsen toegelegd. Maar zie, een mensch verlangt toch
altijd weer naar zijn geboorteland, en zoo ging het mij ook naarmate
mijne jaren klommen. Ik besloot, de reis naar Holland te aanvaarden;
doch ik kon daar niet met leege handen komen, ik moest eigen werk
meebrengen om te toonen wat ik kon, en werk van goede schilders om
van den verkoop daarvan te leven, zoolang ik mijn eigen werk niet
verkocht had. Ik stak, onvoorzichtig genoeg, bijna al wat ik had
in schilderijen en andere kunst; ik scheepte die in en begaf mij op
reis met de mijnen. Pas waren wij in volle zee, of het weer, dat tot
dien tijd gunstig was geweest, begon te veranderen, een storm stak op
uit den Zuidwesten, en, spijt al wat wij vermochten, het jacht werd
bij Goeree op den Hinder geworpen. Daar zaten wij, een etmaal lang,
met een schip vol water, en niets anders dan den dood voor oogen,
toen Onze Lieve Heer uitkomst schonk. Een visschersvaartuig daagde ter
redding op, en wij brachten er het lijf af,--maar ook niets dan dat,
ik moest mijn sierlijk jacht verliezen, en den geheelen kunstschat,
dien het bevatte...."

"Waren er nog al kapitale stukken onder?" vraagt Uilenburg haastig.

"De catalogus is mede naar den kelder gegaan," antwoordt Griffier
droogjes, en de trekken des Burgemeesters, die, op het verhaal van
den geleden ramp, eene medelijdende uitdrukking hadden aangenomen,
ontplooien zich tot een glimlach.

"Het is wonder," zegt hij, "dat ge dien slag te boven zijt gekomen. En
waart gij dus alles kwijt?"

"Alles," antwoordt Griffier, "op een rolletje gouden dukaten na,
dat mijn oudste dochter in een gordel om haar lijf had geborgen,
en, in plaats van, gelijk ik gehoopt had, de Maas met vlag en wimpel
en eene kostbare lading triomfantelijk op te varen, kwamen wij als
arme en beroofde schipbreukelingen aan wal. Maar toch gaf ik den
moed niet op. Ik dacht, zoolang ik door Gods goedheid nog teekenpen,
kwast en etsnaald hanteeren kan, zal ik niet van honger omkomen, en,
al heb ik vijf kruisen achter den rug, ik zal zien of ik de geleden
schade niet herstellen kan. Er zijn sedert dien tijd dertien jaar
verloopen, en ik ben al mooi op weg. Ik zette mij te Rotterdam neer,
waar ik terstond na mijn aankomst de deernis en hulpvaardigheid van
kunstbeschermers ondervonden had. Door hun bijstand, en eerlang door
het vervaardigen en verkoopen van nieuwe schilderstukken zag ik mij
na een jaar of wat in staat gesteld, mij een ander vaartuig aan te
schaffen, dit, waar Uw. Ed. A. zich thans op bevindt, wel niet zoo
rijk en prachtig als het oude, maar toch sterk en stevig gebouwd,
en ruim genoeg voor zijne bestemming. Ik betrok het met mijne vrouw,
die ik tot mijn eerste stuurman verhief, en mijne kinderen, die, naar
hunne jaren en geschiktheid, voor bootsman, hofmeester, matroos of
putjer moesten spelen. Dat spaarde huishuur en dienstbodengeld. Van
dien tijd af heb ik geene andere woning gehad en als een zwerver op
de binnenwateren geleefd, nu en dan eens den Rijn, de Schelde of de
Maas opvarende, maar zelden mij ver van honk begevende. Op reis zijn
wij eenvoudige varenslieden en doen zelven het noodige werk; liggen
wij stil, dan verwisselen wij de schippersplunje tegen de gewone
burgerkleeren. Nu laatst was ik te Deventer, en toen bekroop mij een
onweerstaanbare trek om mijne vaderstad terug te zien,--en zoo ben ik
den IJsel afgezakt en gisteren hier gekomen. Dat de eerste persoon,
die bij mij aan boord komt, de Heer Burgemeester is, strekt mij wis
tot een gunstig voorteeken; en ik durf er nu voorwaar gerust op zijn,
dat het mij en de mijnen wél zal gaan, zoolang ik hier vertoef. Ik
moet nu Uw. Ed. A. verschooning verzoeken, dat ik zoolang over mij
zelven gesproken heb, en hoop maar Uw Ed. A. niet te veel kostbaren
tijd ontroofd te hebben."

"Wel!" zegt Pancras, na nogmaals op zijn uurwerk gekeken te hebben,
"'t heeft mij niet verveeld, u te hooren, en ik prijs uw loffelijken
moed, die zich door geene harde fortuin liet afschrikken. Maar zeg
mij nu eens, hoe maakt ge het toch, als ge met ruw weer op het water
zijt? Ge kwaamt gisteren over de Zuiderzee en daar kan het ook soms
ongemakkelijk spoken. Mij dunkt, dan moet al die rommel hier in de
kajuit als een knippelspel door elkander raken."

De schilder glimlacht; doch antwoordt voor 't oogenblik niets,
of liever, hij antwoordt op duidelijker wijze dan hij 't met den
mond had kunnen doen: hij spreekt alleen 't woord range! (redder
op!) uit, en terstond geschiedt er iets, dat den Burgemeester, en
meer nog den Amsterdammer kunstkooper, met verbazing vervult. Met
schier ongeloofelijke vaardigheid zijn door Robbert en de meisjes al
de op tafel en op de bank aanwezige teekeningen en platen in groote
omslagboeken geborgen en deze achter twee koperen banden, die de
bank over hare geheele lengte langs loopen, vastgestoken. Niet
minder snel verdwijnen penseelen, kwasten, tempermessen en alle
verdere kleinere gereedschappen in de lade der tafel: de blazen en
potjes met verf, de beeldjes, modellen en andere groote voorwerpen
in doozen, die door het opslaan van eene klep in de bank hare plaats
vinden: paletten en linialen worden aan koperen knoppen opgehangen,
de schildersezel ineengeslagen en in 't lang tegen de bank aan lederen
riempjes vastgemaakt, in één woord, als door een tooverslag is alles
zoo net en handig opgeruimd als geene Amsterdamsche schoonmaakster
het in een halven dag had kunnen doen.

"Uw Ed. Achtb. ziet," zegt Griffier, "dat alles zijne plaats heeft,
en gauw genoeg uit den weg is. De tafel is goed aan den vloer,
gelijk de schilderijen aan den wand bevestigd: zoolang er geen
water in de kajuit komt, hebben wij voor geen schade te vreezen,
en de schilder kan gerust in den schipper overgaan. Maar al is de
boel geborgen, ik ben toch altijd bij machte om, weer of geen weer,
eene schets te maken in 't voorbijgaan. Hier in dezen bak," en hij
wijst op een blikken bakje, naast de deur tegen den wand gespijkerd,
"zijn bestendig teekenpen, houtskool, potlood, krijt, O.-I. inkt,
een paar penseelen, eene passerdoos en wat dies meer zij, bij de
hand, en in mijn duffelsch buis zit een schetsboek, zoodat ik nooit
verlegen ben, zelfs bij stormweer, om in vluchtige trekken hetgeen
mij opmerkenswaardig voorkomt op 't papier te stellen."

"Ik zie dat alles goed ingericht is," zegt de Burgemeester, "maar
nu, dat werk daar ge aan bezig waart, mag men dat niet zien?"--En
meteen wijst hij op de half afgewerkte schilderij, die Griffier, bij
't opruimen, van den ezel genomen had en nog steeds in de hand houdt.

"Met genoegen," zegt de kunstenaar en houdt aan zijn minzamen bezoeker
het kunstwerk voor, dat een gezicht vertoont op Antwerpen, van de
Schelde genomen. Hoewel Pancras nog moeilijk kan oordeelen over de
uitwerking, die het stuk maken zal als 't voltooid is, toch staat
hij versteld en opgetogen over de uitvoerige netheid der behandeling,
en vooral over den rijkdom van schepen, schuiten en andere vaartuigen
en der ontelbare menigte figuren, hier afgebeeld.

"Wat dunkt u, Uilenburg!" zegt hij, "zou dat niet een aardigen
tegenhanger vormen voor mijne Van de Velde?"

"Oud en nieuw past niet samen. Edel Achtbare!" merkt Uilenburg aan:
"met dat al, 't stuk is niet onaardig; maar men zal het eerst kunnen
waardeeren als 't af is."

"'t Is besteld," zegt Griffier met eene buiging.

"Nu, dan spreken wij er niet langer over," zegt Pancras, terwijl
hij nogmaals op zijn horloge kijkt: "ook zal het mijn tijd worden,
monsieur Griffier dank te zeggen voor hetgeen ik gezien heb. En,
wacht, ge moet eens tot mijnent komen, morgen b. v. vóór tien uren;
ik wil ook iets van u hebben,--mijne slaapkamer buiten is nieuw
opgemaakt; maar er ontbreekt nog een schoorsteenstuk; daar zult ge
zoo'n riviergezicht in dezen trant voor schilderen. Ik zal u de maat
dan opgeven.... of liever, ge zult zelf eens naar mijn buiten gaan
en de gelegenheid opnemen. Gij kunt dan meteen de behangsels in de
eetzaal zien, die monsieur Moucheron heeft geschilderd.--En nu vaarwel,
monsieur Griffier, en veel voorspoed in onze goede stad van Amsterdam."

En na eene halve buiging tegen Griffier en de zijnen gemaakt te
hebben, verlaat hij de kajuit, door vader en zoon gevolgd, die, na
hem uitgeleide gedaan en behouden aan wal te hebben zien stappen,
tot de hunnen terugkeeren.

"Een minzaam heer is Burgemeester Pancras, niet waar?" vraagt de
kunstkooper, terwijl hij, van 't lange staan vermoeid, de ledig
gelaten zitplaats inneemt.

"Zeer minzaam!" zegt Griffier: "hij laat mij de schouwe op zijne
slaapkamer behangen."

"Minzaam!" herhaalt de moeder des huisgezins, terwijl eene diepe
ademhaling het geluk aantoont, dat zij gevoelt, na een zoo langdurig
gedwongen stilzwijgen weder te mogen spreken: "minzaam!" vervolgt
zij in gebroken Hollandsch, "wel, hij heeft ons geen single
wordtoegesproken en juist notice van ons genomen, alsof wij stomme
meubelen hadden geweest."

"Hoe! wat had de madam dan gewild?" vraagt Uilenburg, die de pretentie
van mejuffrouw Griffier vrij ongerijmd vindt, "mij dunkt, 't is
al iets om nooit te vergeten, dat zulk een heer je met een bezoek
vereert.--En wat praat jij van behangen, monsieur Griffier?--Wat
Holsteyn, Moucheron, Verkolje en zoovele anderen doen, en waar
Honthorst zich in zijn tijd ook niet voor geschaamd heeft, daar zul
je toch geen te groot heer voor zijn;--en 't geeft goed, hoor!--beter
dan al die kabinetstukjes. Je kunt je gelukkig gesternte wel danken,
dat je hierheen heeft gevoerd, en mij ook, die den heer Burgemeester
zoo gunstig over je gesproken heb.--En kom! nu moeten wij eens zien
of wij zaken samen kunnen doen?"

Op dat woord van "zaken doen" hervat de moeder haar borduurraam,
en de dochter haar brei- en naaiwerk, en wij.... wij haasten ons,
weder uit de kajuit te verdwijnen en de beide heeren achter te
laten aan een onderhoud, dat hun zeker veel, ons hoegenaamd geen
belang inboezemt. Wij hebben gezien wat wij zien wilden--eene
schilderswerkplaats in de stadsgracht.



Nog een kort woord ten slotte om den lezer, zoo hij er belang in stelt,
mede te deelen hoe het verder met onzen schilder afliep.

Of Griffier werkelijk het schoorsteenstuk voor Burgemeester Pancras
vervaardigde, durf ik met geen zekerheid zeggen; wel, dat zijn verblijf
te Amsterdam hem niet onvoordeelig was en hij er vrij wat schilderijen
aan liefhebbers verkocht. Hij vertoefde er dan ook een geruimen tijd,
gedurende welken, naar Wagenaar verhaalt, zijn vaartuig nu eens in
deze, dan weder in gene der hoofdgrachten stil lag. Intusschen begon,
gelijk hij vroeger naar zijn geboorteland, zijne vrouw weder naar
het hare te verlangen, en hij vond te minder bezwaar, haar daarin te
wille te zijn, omdat een zeker soort van bijgeloof hem inblies, dat een
terugtocht naar Engeland hem vergoeden zou, wat de tocht vandaar hem
gekost had. Hij stak dan nogmaals de zee over, en werkelijk was niet
alleen de reis ditmaal voorspoedig, maar ondervond hij te Londen zeer
spoedig de gunst en bescherming van aanzienlijke mannen, inzonderheid
die van den Hertog van Beaufort. Hij zag dan ook geen reden om de stad
weder te verlaten en bleef er wonen tot aan zijn dood, die, naar men
beweert in 1718 voorviel.--Inmiddels was zijn zoon Robbert te Amsterdam
gebleven, waar hij zich door zijn penseel een ruim bestaan verwierf
en, evenals zijn vader zich onderscheidde door de veelsoortigheid van
zijn talent. Ongelukkig, niet zoozeer voor zijn tijdelijk belang als
voor zijn kunstroem en dien van Nederland, nam hij het aanbod aan,
dat hem de oude Uilenburg deed, om diens vennoot in den kunsthandel te
zijn, welk vak hij, na 's mans dood, zoo hier als in Engeland bleef
uitoefenen: wat hem natuurlijk den tijd ontroofde, dien hij aan de
behandeling van 't penseel had kunnen besteden. Te meer moeten wij het
betreuren, wanneer wij in aanmerking nemen, welke schoone vruchten
de rijpere leeftijd had kunnen opleveren van een man, die reeds in
zijne prilste jeugd zooveel schoons en voortreffelijks geleverd had.



In de Klok.

Bij onze laatste wandeling bevonden wij ons in het begin der 18de
eeuw en stonden wij aan of liever op een vaartuig in de Keizersgracht
bij de Reguliersgracht. Wij springen weer een zeventigtal jaren terug
en.... waar zijn de sierlijke huizen, die wij aan weerskanten zagen
prijken? Waar de volkrijke straat, die wij voorbij, waar de bruggen,
onder welke wij door zijn gevaren? Wij vinden ze niet meer,--om ons
juister uit te drukken--wij vinden ze nog niet;--maar toch de merkpalen
zijn al aanwezig, die aanwijzen waar ze komen moeten, en uit al wat
wij om ons heen zien blijkt, dat hier spoedig de weilanden, tuinen en
molenwerven, die ons omringen, zullen plaats maken voor deftige kaaien
en volkrijke straten. Immers in den jare 1657 is door de Vroedschap
besloten, Amsterdam voor de vierde reize, en wel aan de Zuidzij, te
vergrooten: in 1657 is een aanvang gemaakt met het graven van nieuwe
grachten en het bouwen van veertien nieuwe, met steen bemuurde, door
hooge gordijnen aan elkander verbonden bolwerken: en in 1663 is door
's Lands Staten aan Amsterdam octrooi verleend tot onteigening van alle
landen, tuinen, erven en gronden, die met de voorgenomen uitlegging
binnen de stad getrokken worden.

Alles is hier nu drukte en gewoel, honderden van arbeiders zijn hier,
zijn ginds aan 't werk in die weeke pap, die noch aarde, noch zand,
noch klei, noch veen, noch water is, maar een mengsel van dat alles
te zamen, aan 't heien van palen, aan 't baggeren, aan 't kruien, aan
't uitdiepen en ophoogen: landmeters, bazen en opzichters beschouwen of
besturen den arbeid: karren, wagens en schuiten voeren de benoodigde
bouwstoffen aan of keeren terug om nieuwen voorraad te halen: en een
tal van nieuwsgierigen waart om de planken schuttingen, die het veld
omgrenzen, in de hoop van, 't zij over 't beschot, waar dat laag
genoeg is, 't zij door een openstaande deur, 't zij door een reet
of opening in of tusschen de planken, te kunnen begluren wat daar
binnen geschiedt.

Wij willen ons daarmede niet bezighouden; wij zoeken weer het bewoonde
gedeelte der stad op en wel bepaald dat gedeelte, waar de nieuwe
Keizersgracht zich bij de reeds bestaande zal aansluiten.

Die aansluiting zal plaats hebben aan den ouden stadswal, die vlak
tegenover de Beulingstraat loopt, en waar Heeren-, Keizers- en
Prinsengracht tegen stuiten; maar aan wier buitenzijde men bezig is
de vaart te graven, die den naam van Leidschegracht zal voeren: en het
is nu aan de binnenzijde van dien wal, op den hoek der Keizersgracht,
dat wij de woning vinden, waar wij thans voornemens zijn een bezoek
af te leggen, en die eene gebeeldhouwde klok in den gevel voert.

Het huis is klein en onaanzienlijk: het schijnt dat van een gewoon
ambachtsman; maar toch is de bewoner meer dan dat: hij is een
kunstenaar van de hoogste bekwaamheid in zijn vak, en zijn naam
is wijd en zijd door Amsterdam en vandaar geheel de wereld door
verbreid. Wanneer wij dan ook den kunstig bewerkten hamer, die op
de voordeur hangt, oplichten, bij den bewoner aankloppen en aan
de dienstmaagd, die ons opendoet, vragen, of wij Monsieur Hemoni
kunnen te spreken krijgen, doen wij, schoon onbekenden, niets, dat
hare bevreemding wekken kan, want zij is het sedert lang gewend,
dat lieden van elken rang en stand en landaard, op dezelfde wijze,
zich aanmelden en zich verlangend toonen om den arbeid van haren
meester gade te slaan en de kunstgewrochten, door hem vervaardigd,
van nabij te leeren kennen.--Op onze vraag wordt dan ook dadelijk
met een bevestigenden hoofdknik geantwoord, waarop de bemoedigende
toespraak volgt: "als de heerschappen maar over de plaats willen gaan,
Mesjeu is op den winkel."

Er zoude nog anderhalve eeuw verloopen, eer men het woord atelier
gebruikte.

Wij volgen de aanwijzing, gaan de korte huisgang door, het kleine,
met klinkers belegde plaatsje over, stooten daar eene deur van ruwe
planken open, en verschaffen ons zoo den doortocht tot de opene ruimte,
binnen welke zich de werkplaats van Hemoni bevindt.

En luister, pas zijn wij aldaar gekomen, of op eens, als ware het ter
onzer verwelkoming, daar vangt, zwaar en luid, ja oorverdoovend, maar
toch zuiver en vol harmonie, de muziek aan van een tal van klokken van
metaal, en doet ons voor een poos stilstaan, zoo omdat het onverwachte
geluid ons verrast, als omdat wij vreezen, in de nabijheid daarvan,
noch ons zelven noch anderen te zullen verstaan.--Maar ook al hadden
wij willen voortgaan, wij zouden 't niet hebben durven doen; want uit
de werkplaats tegenover ons is plotseling iemand, die ons bespeurd
had, voor den dag gesprongen, en hij legt den vinger op den mond en
maakt terugwijzende gebaren, een en ander kennelijk om ons te doen
begrijpen, dat wij noch naderen, noch geluid geven, noch ons zelfs
verroeren mogen. Gehoorzaam aan dien wenk blijven wij dan ook staan,
en wachten af tot het verbod moge zijn opgeheven. Doch niet zoo
spoedig wordt aan dit verlangen voldaan: het bekende deuntje:


                Wel mag ik u Laura vragen,


is afgespeeld en nog blijft van verre de terugwijzende hand opgeheven:
wij arme bezoekers zien elkander verlegen en besluiteloos aan en
onze oogen schijnen te vragen of wij ook het erf weer verlaten
zullen en ons bezoek op een geschikter tijd hervatten; maar toch,
een vriendelijk knikje van den man daar tegenover ons geeft ons
weer moed; want wij maken er uit op, dat het oponthoud, 't welk wij
ons getroosten, maar tijdelijk zijn zal: en inderdaad, na nog eenige
minuten verwijls gaat de deur der werkplaats weder open, en een nieuw
personage treedt te voorschijn, wenkt den wachter, die buiten stond,
weder binnen, en komt naar ons toe.

"Ah bonjour mijn 'eer," zegt hij onder 't naderen: "ikke pardon
vraak voor u te ebbe late wakkete, ikke bezik was an te probeer die
klokkespel en dan ikke onkaarne kestoor, vous comprenez?"

En wij treden bemoedigd voorwaarts en lichten den hoed af; want wij
beseffen, dat de kloeke grijsaard, die tot ons spreekt, niemand is
dan de beroemde klokkegieter, monsieur Hemoni zelf.

"Indien wij ongelegen komen...," zoo luidt de afgebroken volzin, dien
wij 't beleefdheidshalve noodig achten hem toe te voegen, al ware
't maar om hem welwillend jegens ons te stemmen.

"Oh! pas du tout, kom binne!" klinkt het, en, zijne uitnoodiging
gevolg gevende, bevinden wij ons weldra binnen de ruime loods, die
des eigenaars gieterij, werkplaats en magazijn bevat.

Het is 't magazijn, of, zooals men gewoonlijk zegt, de winkel, die
't eerst ons ontvangt: de winkel, hoog en omvangrijk, als vereischt
wordt uit aanmerking van het getal en de grootte der voorwerpen, die er
in bewaard worden. Het eerste, dat dan ook onze oogen trekt, zijn zes
kolossale beelden van metaal: vier daarvan stellen even zoovele deugden
voor, als: Voorzichtigheid, Rechtvaardigheid, Matigheid en Wakkerheid;
het vijfde den Vrede, het zesde een zwaar gebouwden, grofgespierden
man, in de houding als torste hij een last, die echter onzichtbaar is.

"Ja," zegt Hemoni, in antwoord op onzen vragenden blik, "dat zijne
de beeld, die motte kom te staan op de nieuwe stattuis, boven de
frontispice, foor en akketer, datte de werk van monsieur Artus
Quellin."

"Ja gewis," merken wij aan, "die beelden zijn voortreffelijk en
gemakkelijk te erkennen voor wat zij moeten voorstellen;--maar die
man?.... wien moet hij verbeelden?"

"Die man?" herhaalt Hemoni, "dat isse den Atlas, die de emelbolle
traak; maar de emelbolle is er nok niet op: ij zal nok lank kenoek
ebbe de plaisir van die te foel op sijne nekke; die emelbolle lekke
in de werkplaasse: sij nok niet keëel klare. Soo aanstons wij sullen
sien datte, comprenez-vous.--Maintenant," gaat hij voort, terwijl
hij wijst naar eene der talrijke klokken, die aan 't gewelf hangen:
"ier isse de klok voor de poorte, die sel koom te staan an de ende
van de nieuwe strate, ofer de Eilike-Wek, nok eene eele end ferder
dan de Eilike-Weks-poorte, en die sel iet de Leise poorte: en dan
komme er nok twee poort, waarfoor ik bestel eb kekreek de klokken,
namelik de Utrekkese poorte en de Weesseper poorte, allebei kroote
mooie poorte, comprenez-vous?"

"Volkomen;--maar voor welk gebouw moet die klok dienen, met die keurig
bewerkte beeldjes om den bovenrand?"

"Aha! die klok, en al die andere klok, die er bij staan, isse de
klokkespel foor die kroote kerke à Rotterdamme, comprenez-vous? Sij
eersstaak sal worde afke'aalt. Is eene eele werk kewees, te make alle
die beeldjes en relief;--maar esse généralement seer kepreese. Monsieur
Artus Quellin, ij mij seide: "friente Emoni," seide hij, "al adde
ik selleve die beeldjes kemaak, ikke sou mij daar niet over skaam,"
en de Bourguemestre van Rotterdamme, als ij ware ier, ij ook daarmee
ware bijzonder kontent."

"Wel! hij zou wel ongemakkelijk zijn, of weinig gevoel voor de kunst
hebben, zoo 't anders ware," zeggen wij, terwijl wij in opgetogenheid
het fraaie beeldwerk beschouwen, op die klokken aangebracht, en waar
't slechts jammer van is, dat ze op eene plaats zullen komen te hangen,
waar weinigen ze zoo op hun gemak kunnen zien, als wij nu doen.

"Gij hebt vele dergelijke klokken gemaakt, monsieur Hemoni?" vragen
wij verder.

"Meer dan er ier sou kunnen 'ang, al wasse de winkel sesmale soo
kroot," is het antwoord, en nu verhaalt hij ons, hoe hij de kerken
te Hoorn, Enkhuizen, Delft, Utrecht, Amersfoort, Leiden, Arnhem,
Kampen, Groningen, Middelstum, Purmerend, Medemblik, den Briel,
enz. van klokken heeft voorzien, en er hem nu nog voor de Groote Kerk
te Hoorn en voor andere gebouwen meer besteld zijn.

"En wat was uw proefstuk hier te lande?" vragen wij: "gij zijt een
Lotharinger, niet waar?"

"Van Levecourt kebore, ja welle! Mijn eerste werke wasse in 't
jaar 46, te Zutfen, waar ik met mijn broeder Pieter eb kekoot, die
ses-en-twintik klok voor de Wijnuistoor, en in 47 die vijf-en-twintik
klok voor die kerke van Saint Levin te Deventre. Maar toen eb ikke
kedok, Amsterdamme is de rekte plaasse foor een artist, en ikke pen
kekoom ier, waar mij de Magistrat ep afgestaan deze erf om daar te
bouw mijne kieterij, en daar eb ik ook al mijn klok kekoot, en voor
de Oude kerke dat speelewerk, van vijf-en-dertik klok, en daarvoor
eb zij mij betaal f 28,716: en nu sijn mij bestel die klok voor de
nieuwe stattuis te kiet binnen ses maand; daar sullen aan kespendeer
worden 27000 pond metaal. En as die sinjeurs nu eens wille koom in
mijne werkplaas, sij sullen nok ander keurige dink sien."

Wij geven gaarne aan de uitnoodiging gehoor en verlaten de loods,
waar wij ons bevinden, voor eene tweede, die tot het bewerken en
beproeven der gegoten voorwerpen dient, en vanwaar ons reeds een
voor 't gehoor min aangenaam krassend geluid van ijzer, dat geveild
of afgeschraapt wordt, is te gemoet gekomen. Was het in den winkel
eenzaam en stil, hier in de werkplaats heerscht bedrijvigheid en
gewoel. Eene uit een aantal klokken, die van den zolder afhangen
en de muziek hebben doen hooren, waarop wij straks vergast werden,
is door de werklieden met kabels afgelaten en, met behulp van een
kunstig uitgedacht werktuig, omgekeerd in een soort van ijzeren
rasterwerk opgevangen en vastgezet. Iemand, die over den rand dier
klok is heengebogen, en wiens bovenlijf er geheel in verdwijnt, is
bezig, daar die knarsende geluiden voort te brengen, die wij hoorden;
terwijl een ander bij de tafel daarnevens staande, met een blad in
de hand, vol aanteekeningen en figuren, die blijkbaar pas geschreven
zijn--want de inkt is nog nat--den arbeid gadeslaat.

"Ah! monsieur Verbeek!" zegt Hemoni tot dezen laatste: "iere sijn
sinjeurs, die mijne winkel en kieterij koom bekijk. Sij koom net van
passe, om te zien oe wij probeer die klok."

Wij groeten monsieur Verbeek, wiens naam als kunstenaar ons reeds
bekend is uit de navolgende rijmen van den eerzamen Melchior Fokkens:


    De kunst in d' avond-stondt der werelt, nu gebooren,
    Doet met verwonderingh 't Muzyck der klokken hooren,
    Ons ooren zijn verbaest, den ouden tijd verdwijnt,
    Vermits een grooter licht in 't nieuwe ons verschijnt.
    Wie zou dit zoet geluydt der nieuw ghegoten klocken
    Van over hondert myl niet herwaerts konnen locken?
    Noyt was ons Amsterdam met sulck vermaeck geciert;
    Dit zoet gespeel door Straet en Boom en Burghwal zwiert.
    Laet varen Griecken Landt met zijn verzierde droomen,
    Parnassus groen geberght en noyt gevonde stroomen,
    Hier is een and'ren klanck, dat noyt de wijze Grieck',
    Noch het beroemde Atheen, dat staegh om wijsheidt ziek,
    Zijn krachten leydt te kost, en mochten oyt gebeuren
    Gheen volck, hoe woest het is, die dit niet goet zou keuren
    Wanneer ons hier Verbeeck, door 't klocken zoet gespeel
    En 't klinckende Muzyck ons hert en ooren streel:
    Wat 's van Apollos harp, Orfeur kunstigh zinghen,
    't Heeft uyt met dit gelaet en oud vermufte dingen:
    Wanneer men dit gheklanck in Amsterdam begluurt,
    Ons levenstijdt is kort, de kunst gestadigd duurt.


Die regels zijn zeker niet fraai: zij laten, wat stijl, taal en maat
betreft, vrij wat te wenschen over; maar zij kunnen als een staaltje
dienen van de ingenomenheid, die de Amsterdammers hebben met hun
klokkenspel, en met den bekwamen kunstenaar, die ze zoo tot aller
voldoening weet te bespelen. Inderdaad ontlokt Verbeek, niet enkel
geleid door zijn juist gehoor, maar ook door onmiskenbaar kunstgevoel
gedreven, aan het klokkenspel nog schooner akkoorden dan zelfs den
vervaardiger mogelijk was toegeschenen. Gaarne neemt dan ook Hemoni
zijn raad in bij den arbeid, en gaarne staat hij Hemoni met dien raad
ter zijde.

De meester voert ons thans de werkplaats rond, waar t' elker zijde
zijne handlangers en leerlingen zich kwijten, ieder van zijne
verschillende taak. Hier ziet men er aan 't schoonmaken, schuren,
polijsten, vernissen van klokken en andere gegoten voorwerpen; daar is
men bezig aan 't uitbeitelen van letters, cijfers, beeld- of loofwerk
of andere sieraden, die er op moeten prijken: wat verder is de een
bezig met ingewikkelde berekeningen, en de ander met het uitwerken
op grooter schaal van geteekende schetsen van verschillenden aard,
door Hemoni ontworpen. Wij zien en verwonderen ons over al het fraaie,
dat ons getoond wordt, maar wat in bijzondere mate onze opgetogenheid
wekt, is eene sfeer van koper, waarop eene bedreven hand de geheele
oppervlakte des aardbols met de graveernaald schetst, naar het
voorbeeld van eene houten sfeer, uit den winkel van den grooten
aardrijkskundige Blaeu. Het is de bol, waar Hemoni zoo straks van
gewaagde, die op de schouders van het Atlasbeeld, dat wij in den
winkel zagen, zal komen te rusten.

Maar terwijl wij nog staren op dit meesterstuk, daar houdt eindelijk
het gekras binnen de omgekeerde klok op en duikt daaruit de bekwame
werkman op, die het had voortgebracht. Aan zijne jaren en aan de
onderlinge gelijkenis herkennen wij Pieter Hemoni, den broeder van
François. Hij legt den beitel neder, waarmede hij een werk verricht
heeft, dat aan geene onervaren handen mocht worden toevertrouwd: de
klok wordt weder met de opening naar beneden gewenteld, en opgehaald,
doch slechts op twee derden eener manshoogte van den grond, zoodat
de beide broeders en Verbeek er hunne hoofden in kunnen steken, om
het verrichte in oogenschouw te nemen. Monsieur François is tevreden,
althans hij geeft een goedkeurenden knik; maar Verbeek wil nog nadere
overtuiging: hij tilt een zwaren hamer op en slaat daarmede tegen de
klok, die terstond een zilveren klank laat hooren.

"Ik geloof dat wij het nu meester zijn," zegt hij, "en dat niets het
volmaakt akkoord meer storen zal. Haal nu maar op; dan kunnen wij
't nog eens beproeven."

"Silence!" roept Hemoni, terwijl de klok naar boven gaat; en plotseling
zwijgt elk geluid in de werkplaats: al de aanwezigen--ook wij--houden
den adem in: Hemoni en Verbeek staan in gespannen aandacht, met een
blad papier in de eene en eene pen in de andere hand, gereed, elke
valsche noot, elk min juist akkoord, elk gebrek aan overeenstemming op
te teekenen; en het klokkenspel begint opnieuw. Maar thans ruischen de
melodieën zuiver als kristal, en alleen aan de nabijheid, waarin wij
geplaatst zijn, is het te wijten, zoo zij op ons niet die aangename
uitwerking doen, welke zij eens uit de hoogere verblijfplaats, voor
welke het klokkenspel bestemd is, in de ooren van marktbezoeker en
wandelaar weerklinken zullen.

"Bravo! bravo!" roepen wij, zoodra de muziek ophoudt: "hoe kan 't zijn,
dat zulke zware instrumenten zulk eene liefelijke samenstemming van
tonen kunnen teweegbrengen!"

"Ja," zegt Verbeek, terwijl zijn gelaat van welgevallen schittert bij
't ophalen der verdiensten zijns vriends: "dat had niemand kunnen
denken, voordat onze meester hier de kunst uitvond. Tot op zijn tijd
hing het treffen van den juisten toon van een tal berekeningen af, die,
wanneer zij ongelukkig faalden, het geheele werk deden mislukken. Dan
moest er weer opnieuw gevormd, en opnieuw gegoten worden, totdat men
eindelijk een gunstiger uitkomst verkregen had; maar dan mocht het
eer toeval heeten dan kunst: en de meeste klokkenspelen lieten nog
veel te wenschen over. Maar onze meester François kwam het eerst op
het wijze denkbeeld om de zwaarte van het gietwerk iets ruimer te
nemen, en ook den toon wat hooger dan te voren, en dan de klokken
met stalen beitelwerk uit te draaien, tot zij op den juisten toon
waren gebracht en alle volstrekt samenstemden. Dat stemmen nu wordt,
zooals de heerschappen gezien hebben, altijd zoo nauwlettend verricht,
dat niemand bij 't geluid mag spreken en wij onze aanmerkingen
schriftelijk opteekenen, om ze elkander eerst mede te deelen als
het spel heeft opgehouden. Ja hij heeft het zoover gebracht, dat het
gewone klokkeluiden, dat elders spoedig verveelt, hier te Amsterdam
iets welluidends heeft. Immers er zijn vier groote klokken van hem,
waar men mee luidt, van welke de kleinste en de grootste, of de hoogste
en de laagste, net een octaaf verschillen en de twee middelsten op
een quint of tertie tusschen beide gaan, zoodat, 't zij men ze alle
vier, of er maar twee of drie van luidt, zij altijd een geluid geven
dat muzikaal accordeert."

"Ja," zegt Pieter Hemoni, met een vroolijken glimlach: "sij lank soek',
eer sij tekenwoordik op de wereld eene stad vind', soo voorzien van
kunstikke klok' als Amsterredamme."

"Bah!" zegt François: "watte isse er, dat bij Amsterredamme is te
verkelijk? Waar finde men erkens eene smid, asse meester Wouter
Geurtsgen, die soo excelleer in 't smeeden van ijzeren traliën met
loofewerke en krullen, soo net met den 'amere kemaak, dat men niet
zou kunnen et soo keurig maak in de kieterij? Nu, ij dan ook lever
sijn werk aan den konink van Sweden en andere uit'eemsche prinsen. En
waar vinde men kastemakere, die zoo kunstik inlekwerk weten te maak,
dat door de eele wereld kezok wor? En waar mozaïsten als meester Dirk
Van Rijssewijk? 't Mot alles van ier koom, waar de foorname liede
te Londre of Paris unne saal en pronkkamer mee versier, en anders is
't niet koet."

En nu brengen wij, op 's mans voorstel, een bezoek aan de gieterij. Wij
zullen er niet anders van zeggen, dan dat, had Schiller anderhalve
eeuw vroeger geleefd, men zou hebben kunnen denken, dat hij hier
de inspiratiën geput had, die hem zijn heerlijk "Lied van de klok"
deden schrijven, en dat wij versteld staan, wij, die 't gebruik der
stoomwerktuigen kennen, hoe, zonder hun hulp, en met de middelen,
die hem ten dienste stonden, Hemoni, in betrekkelijk korten tijd,
zoo ontelbaar vele meesterstukken uit zijne gieterij heeft kunnen
afleveren.

Bij het keeren van daar, en voordat wij afscheid nemen van onze
heusche kunstenaars, wijst Pieter Hemoni ons nog, in een hoek van de
werkplaats, die tot kantoor gebezigd wordt, boven den schrijflessenaar
een vers, in plano gedrukt en in een koperen lijst gevat, en van den
volgenden inhoud:


                                 Op het
                               Klokmusyk
                             t' Amsterdam.
                          Nec mortate sonans.


                    Laet al d' oude Grieken zwijgen,
                      Stoffende, zoo trots en fier,
                      Van Amfions goude lier,
                    Op wiens klank de vesten stijgen,
                      Bacchus zijn geboortestadt [52]
                    Van den hemel zagh bescheenen,
                    Daer zoo veel vertrooide steenen
                      Zich verhieven uit het plat,
                    Op de maat van snaer en zanger,
                    Wij verwondren ons niet langer.

                      Droom en kluchten gaven stof
                    Aen de lichtgelovende ouden,
                    Die gedroomde steden bouden,
                      Dat versieren ging te grof.
                    Grieken, dartel in zijn vonden,
                      Zoekt uit duisternisse licht,
                      Diende zich van ydel dicht,
                    Aan geen schijn van reên gebonden,
                      Toen het geestigh logens goot,
                      En zijn verf niet eens verschoot.

                    Wij, verlicht door ryper klaerheit,
                      Mogen spreecken, rijck van roem,
                      Zonder dat men 't werck verbloem',
                    In der daedt, en in der waarheit:
                      Gysbrechts stad wordt rontom heen,
                    Op muzyk van torenklokken
                    Met een steenen muur omtrokken,
                      Wordt gekloncken hecht aan een,
                    Wijl Verbeek met voet en vingeren
                    Klancken weet daaraan te slingren.

                      Hij verdooft met klokgeluit
                    D' allereêlste kerkkooraelen,
                    Speelt met klokken, als cymbaelen,
                      's Hemels kooren kycken uit,
                    Op de heele en halleve uuren,
                      En de vierendeelen mee,
                      Steeckt de Koningin der zee
                    't Hooft nu trotser uit haer muuren,
                      Gort haer vruchtbren schepetuin
                      Met een gordel van arduin.

                    Ik verhef mijn toon in 't zingen
                      Aen den Aemstel en het Y,
                      Op den geest van Hemony.
                    D' eeuwige eer van Loteringen,
                      Die 't gehoor verlekkren kon
                    Op zijn klokspijs, en zijn nooten,
                    Ons zoo kunstrijk toegegoten.
                      't Lust ons op de klokketoon,
                    Ons doorluchte torentranssen,
                    Eenen klokkedans te danssen.

                      Cybelé behaelt geen prijs
                    Door geschal van keteltrommen,
                    Nu de torentransen brommen
                      Met een liefelijker wijs,
                    Dan haer dolle Korijbanten.
                      Geen of een alleen vermagh
                      Om te voeren nacht en dagh
                    Eenen rey van musikanten.
                      Voert dien klokhelt op 't altaer,
                      Eens gezien in duizent jaer.

                                    MDCLXI.
                                    J. v. d. Vondel.



In de paarlemoeren Schelp.

Wij hebben de woning van Hemoni verlaten en, onzen weg langs de
Keizersgracht vervolgende, zien wij uit de Wolvestraat drie heeren
komen, wier deftig voorkomen en sierlijke kleedij ons doen vermoeden,
dat zij tot den aanzienlijksten stand behooren. Zij spreken een
uitheemsche taal, maar toch meenen wij, aan de wijze waarop zulks
door twee hunner geschiedt, zoowel als aan hunne gelaatskleur,
houding en manieren, stadgenooten te herkennen. Alleen de derde, die,
op de eereplaats, in 't midden gaat, is blijkbaar een vreemdeling. De
kwistige overvloed van bonte pluimen, die rondom den bol van zijn hoed
golven, de zwier, waarmede de oranjekleurige, met goud gestikte mantel
van den linkerschouder afhangt, de gouden ketens, die zich kruisen
onder en over de slippen van eene das, uit het fijnste kantwerk
vervaardigd, de omgekeerde piramide van veelkleurige linten, die
't onderlijf bedekt, de breede kanten, die over de omgeslagen randen
neervallen der laarzen, met gouden sporen voorzien, die weelderige
opschik in één woord, en daarbij die gele, doorschijnende tint van
het gelaat, die blinkende raafzwarte vlechten, die in natuurlijke
krullen tot ver over de schouders heen dartelen, die levendige,
als sterren vonkelende oogen, en die welluidende uitspraak van de
liefelijkste aller talen, stellen het buiten allen twijfel dat wij
hier een Italiaan voor ons uit zien gaan, en wel, dat wij de lingua
romana in bocca toscana hooren spreken.

En zoo is het ook. Die vreemdeling, die op de plaats van eere gaat, is
niet slechts een Toskaner, maar een Florentijner, en niet slechts een
Florentijner, maar een zoon uit het doorluchte Huis van Medicis, die
de groote wereldstad bezoeken en kennis komt maken met de rijkdommen
en merkwaardigheden, waardoor zij zich op dit tijdstip--wij tellen nu
1667--boven alle andere van Europa onderscheidt. De Medicis, dien wij
daar voor ons zien, is Kosmo III, zoon van den Groothertog Fernando, en
de heeren, die aan weerszijden van hem wandelen, zijn--de Burgemeester
Andries De Graeff, die van de reizen, welke hij, op 't voorbeeld der
meeste jongelieden van goeden huize, in de dagen zijner jeugd naar
Frankrijk en Italië deed, zooveel van de taal van Petrarca onthouden
heeft, dat hij zich nog verstaanbaar daarin kan uitdrukken--en
de Heer Albertus Benzi, de voorname Amsterdamsche koopman, die,
Italiaan van afkomst, groote zaken doet met zijne stamgenooten,
de belangen van de Medicissen en andere doorluchte Florentijnsche
geslachten te Amsterdam waarneemt, en thans den Prins tot gids en
tolk verstrekt. Wij bemerken nu, dat de vijf of zes andere heeren,
die de reeds genoemde op korten afstand volgen, tot hun gezelschap
behooren. Twee daarvan zijn edellieden van 's Prinsen gevolg, de
overige zijn jeugdige leden van Amsterdamsche Regeeringsfamiliën,
den doorluchtigen bezoeker als eene soort van eerewacht toegevoegd.

Wij zijn toch nieuwsgierig te weten, wat de Prins en zijne geleiders
elkander alzoo te vertellen hebben, en, gebruik makende van ons
voorrecht, om alles te hooren en te zien, zonder zelven opgemerkt te
worden, voegen wij ons bij hen.

"Ik betuig uwe Edelheid," zegt Kosmo, terwijl hij even stilstaat, om
het vergezicht gade te slaan, dat hem van de brug af, waar hij zich
op bevindt, rechts en links wordt aangeboden, en zich te verlustigen
in het bont gewoel der talrijke schaatsenrijders, die hier op en af
langs de baan zwieren, "bij al de wonderen, waarvan ik reeds ooggetuige
geweest ben in deze uwe stad, niet te begrijpen, hoe er nog iets zou
kunnen zijn, dat mij verwondering baarde."

"Uwe Doorluchtigheid is te welwillend," zegt De Graeff: "wat is
Amsterdam toch, in vergelijking met Florence, Venetië, Genua, en het
eenige Rome? Wij zijn er hier al grootsch op, als wij eenig marmer
binnen onze nederige woningen hebben, terwijl ten uwent geheele
paleizen uit marmer rijzen."

"En ziedaar juist wat mij met verbazing slaat," hervat Kosmo:
"dat gij, een land bewonende, dat noch marmer, noch steen, noch
timmerhout oplevert, toch eene stad als deze op palen hebt weten
te stichten, en op die palen huizen gezet, in een bouwtrant, die,
van den onzen verschillende, minder statig en grootsch, maar tevens
minder eentonig, en oneindig vroolijker, bevalliger en netter is,
en die huizen van binnen hebt weten te stoffeeren, niet enkel met
het kostelijkste marmer, maar ook met pracht van tapijten, gordijnen,
behangsels en meubelen, zoo kunstig en prachtvol als waarvan men bij
ons in de verste verte geen denkbeeld heeft. Gij moet dan gruwzaam
rijk zijn, gij Heeren Amsterdammers."

"Ik weet niet," verstout Benzi zich op te merken, "of uwe
Doorluchtigheid hier wel te recht den tegenwoordigen tijd van 't
werkwoord bracht. Die laatste Engelsche oorlog heeft ons vrij wat
achteruitgezet."

"Men kan 't niet merken," zegt de Prins, lachende: "en dan," vervolgt
hij: "wat al kunstenaren in alle vakken! Gij hebt schilders, wier
manier van de Italiaansche verschilt, doch die op hunne wijze met
het penseel weten te tooveren en begoochelingen teweegbrengen,
waardoor men de natuur zelve waant te aanschouwen: gij hebt
bouwmeesters en beeldhouwers, zoogoed als zij ergens te vinden zijn:
uw orgelspel overtreft al wat ik ooit gehoord heb; uwe schrijnwerkers,
juweliers, goudsmeden en andere kunstenaars van dien stempel zijn
de voortreffelijksten, die men vinden kan: uwe drukkerijen zijn
de beste van Europa; in elk ambacht levert gij de meest gezochte
stukken werks:--ja ik zou niet weten in welk vak eenige stad u den
prijs kon afwinnen."

"Indien het mij geoorloofd is, dit te zeggen," merkt 's Prinsen
Hofmeester, Signor Filippo de Neri, aan, die, met de overige heeren
de brug opgekomen zijnde, de uitboezeming van den Prins gehoord heeft:
"dan zou ik willen doen opmerken, dat Amsterdam geene mozaïsten bezit,
gelijk Florence die bij menigte telt."

"Om in 't mozaïek te werken," zegt Kosmo, de schouders ophalende,
"moet men de onderscheidene soorten van marmer en gesteenten, die
men behoeft, maar voor 't grabbelen om zich heen vinden, en hoe zou
een kunstenaar daar te Amsterdam aan geraken?"

"'t Is zooals Z. Doorluchtigheid te recht aanmerkt," zegt meesmuilende
Benzi: "de materialen ontbreken hier:--intusschen, Signor Filippo
heeft nog niet alles gezien, wat er in Amsterdam te zien valt."

"Neen, waarschijnlijk niet," zegt Kosmo: "doch waar gaan wij nu
eigenlijk heen?"

"Naar een winkel in de straat hier recht tegenover ons, zoo 't Uwe
Doorluchtigheid goeddunkt," zegt De Graeff.

"Ik volg blindelings het geleide van Uwe Edelheid," antwoordt Kosmo:
"als wel wetende dat ik dan onmisbaar goed te recht kom."

En wederom zet zich het gezelschap in beweging. 't Werd ook tijd;
want de voorbijgangers, nieuwsgierig als de Amsterdammers van oudsher
geweest zijn, en wel steeds zullen blijven, hebben zich langzamerhand
om het gezelschap heenverzameld en staan den "vreemden Prins" reeds
op eene vrij onbescheiden wijze aan te gapen. Doch de wandeling, die
men te doen heeft, is niet groot, en men is spoedig van 't lastige
bekijk verlost; halverwegen de Beerestraat vertoont zich een gewoon
burgerhuis, dat zich in niets van de overige onderscheidt, dan door
de kolossale gekleurde schelp, die, bij wijze van uithangbord, boven
de luifel uitsteekt. Het is deze woning, welke de Burgemeester zijn
voornamen gast verzoekt binnen te treden, en, gevolgd van het geheele
gezelschap, begeven zij zich, door de openstaande voordeur en het
donkere voorhuis, naar eene ruime, goed verlichte achterkamer, die
tot werkplaats dient, en waar zich, op dat tijdstip, drie personen
bevinden. Van die drie is er een, die blijkbaar de bewoner van
het huis is, achter eene tafel gezeten, op welke het blad eener
andere tafel gelegen is. De man is reeds van gevorderden leeftijd:
hij draagt eene kalot op het hoofd, en een knijpbril op den neus,
en is bezig, uit platgemaakte schelpen, waarmede verschillende houten
bakken naast hem gevuld zijn, de zoodanige te kiezen als hem dienstig
zijn voor zijnen arbeid. Wat de knaap, die zich achter hem bevindt,
uitvoert, is moeielijk te zeggen; want, reeds op het eerste gerucht van
aankomende bezoekers, heeft hij een kleed geworpen over de tafel, bij
welke hij aan 't werk is. De derde persoon, die zich in de werkplaats
bevindt, is een bejaard man in eenvoudige burgerkleeding, die bij het
binnentreden des Burgemeesters terstond is opgerezen van de houten
schabel, waarop hij gezeten was, en zich bescheiden in een donkeren
hoek van de kamer terugtrekt. Ook de heer des huizes is, zoodra hij,
van zijn arbeid opkijkende, de qualiteit der bezoekers heeft bespeurd,
opgestaan, om hen te begroeten en hunne bevelen af te wachten.

"Gij houdt het mij ten goede, meester Dirck," zegt De Graeff, "dat ik u
hier den Prins van Toskane breng, die wel zien mag, dat men ook elders
dan in Florence tafels weet in te leggen naar de wijze der mozaïsten."

"'t Zal mij veel eer zijn," antwoordt meester Dirck, "en," voegt hij
er met eene niet ongepaste zelfverheffing bij, "hij zal de eerste
groote sinjeur niet geweest zijn, die zich overtuigd heeft, dat de
Amsterdammers ook nog wat kunnen uitvoeren."

Kosmo heeft van deze woordenwisseling natuurlijk niets verstaan; doch
hij heeft er ook geene moeite toe gedaan; zijne aandacht is, reeds
van 't eerste oogenblik, aangetrokken geweest door het kunstwerk,
dat hij voor zich ziet en geheel verdiept in de beschouwing van dat
ronde blad van toetssteen, waarop, binnen een half voltooid randwerk
van loofwerk, bloemen en vruchten, eene vaas is afgebeeld, mede gevuld
met gebloemte van alle soort, rondom hetwelk bontkleurige kapellen,
juffers, bijen, gouden torren en andere gevleugelde insecten vliegen,
en dat alles, in plaats van met verven, met paarlemoer afgebeeld,
zoo kunstig en natuurlijk, dat gij elk diertje, elk blad, elke bloem
of vrucht als in leven waant voor u te zien.

De Prins heeft een tijdlang in zwijgende verbazing de oogen op dat blad
gevestigd gehouden; maar nu richt hij ze op naar den kunstenaar, en,
terwijl zijn gelaat de minzaamste uitdrukking aanneemt, geeft hij hem
door blik en gebaren de opgetogenheid te kennen, die het aanschouwen
van dit meesterstuk bij hem heeft verwekt.

"Het is gelukkig," zegt hij vervolgens, zich tot Filippo de Neri
wendende, "dat gij met den Heer Benzi geene weddenschap hebt aangegaan
over het al of niet bestaan van mozaïsten te Amsterdam: gij ziet nu,
dat ook in dezen opzichte, Amsterdam niets aan Florence te benijden
heeft."

"'t Is er mede als met de schilderijen, Uw Doorluchtigheid," zegt
de Neri, die zich niet als verwonnen wil beschouwen: "de manier van
werken tusschen onze en de Hollandsche meesters is verschillend;
maar elke heeft hare eigene verdiensten."

"En is dit alles uit louter paarlemoer vervaardigd?" vraagt Kosmo.

De kunstenaar, aan wien De Graeff de vraag heeft overgebracht,
vergenoegt zich, tot antwoord, aan den Prins de bakken voor te
houden, waar de materialen zich in bevinden, die hij tot zijn arbeid
gebruikt. Die bakken bevatten een aantal dunne, platte schijfjes en
schilfers, elk van eene verschillende kleurschakeering, van donkerbruin
tot zilverwit.

"En hoe weet gij nu die deelen, waar de ruwe, holle schelp uit is
samengesteld, dus van elkander te scheiden en plat te slaan, zoodat zij
tot het gebruik kunnen dienen, waarvoor gij ze bestemt?" vraagt Kosmo.

"Indien ik hem dat vertelde," zegt Meester Dirck, op het vernemen der
vraag, en terwijl hij met een ondeugenden glimlach naar de overdekte
werktafel achter hem omziet, "dan zouden zij het te Florence ook
spoedig weten."

"Onze brave kunstenaar heeft geene te hooge gedachten van mijne
bescheidenheid," zegt lachende Kosmo, nadat hem het antwoord van
meester Dirck is overgebracht: "en toch, ik kan hem geen ongelijk
geven.--Met dat al, 't is niet het werktuiglijke van zijne kunst,
dat hier 't meest in aanmerking komt: 't is het scheppend genie,
dat bij den arbeid heeft voorgezeten, dat die bloemen en dat
loofwerk van den rand zoo los en bevallig dooreen heeft weten te
slingeren, dat bij het samenstellen van den ruiker in die vaas eene
zoo verwonderlijke schikking heeft weten in acht te nemen, waardoor
elke bloem en bloemstengel evenzeer uitkomt, en er toch niets is, dat
rammelt of aan de werking van het geheel schade doet. Voorwaar, die
man is, als teekenaar, als schilder, grooter nog dan als kunstwerker,
en wel waardig dat de dichters zijn lof bezingen."

"En dat hebben zij ook gedaan," zegt Benzi: "ginder," vervolgt hij,
op den man wijzende, die bij de komst van 't gezelschap zich in een
hoek der werkplaats begeven had, en daar in eerbiedige houding is
blijven staan: "ginder staat onze puikdichter, die reeds meer dan
een halve eeuw alles bezongen heeft wat Amsterdam goeds en grootsch
opleverde en ook meester Dirck Van Rijswijk niet heeft vergeten."

Kosmo wendt den blik naar den persoon, die hem wordt aangewezen, en
beschouwt met aandacht die flinke gestalte, dat wakker en open gelaat,
dat breede voorhoofd, en dat oog, waaraan het wicht van tachtig,
vaak kommervolle jaren, niets van zijn gloed ontnomen heeft.

"Men kan het dien man aanzien, dat hij een dichter is," zegt hij
tegen De Graeff.

"Hij wordt voor den besten gehouden, dien wij hebben," zegt de
Burgemeester: "jammer maar, dat zijne financiën in geen beteren staat
zijn: de poëzie moge eene schoone zaak zijn, zij geeft geen brood."

Vondel had in vroegere dagen ook een weinig aan 't Italiaansch gedaan:
hij heeft er genoeg van onthouden, om de woorden te verstaan, door
De Graeff gesproken, en een smartelijke glimlach zweeft om zijn
mond. Kosmo heeft dien opgemerkt, en hij wil een pleister op de wond
leggen, die hij gevoelt dat den dichter geslagen is.

"De poëzie geeft meer," zegt hij: "zij geeft de onsterfelijkheid
niet alleen aan den zanger, maar ook aan hen, die hij tot stof zijner
zangen kiest."

"Verstaat gij, sinjeur Vondel! wat zijne Doorluchtigheid zegt?" vraagt
De Graeff, op een half spottenden toon, aan den dichter: "hij zegt,
dat gij mij onsterfelijk gemaakt hebt; want ik behoor tot dezulken,
op wie gij rijmen gemaakt hebt."

"Ik heb het verstaan," antwoordt de grijsaard, terwijl hij met
een vriendelijken blik en eene nederige hoofdbuiging den Prins voor
zijne heuschheid dankt: "intusschen," vervolgt hij, zich weer naar De
Graeff richtende, "heeft Uwe Edelachtbaarheid wel gezorgd, dat haar
naam vereeuwigd blijft, zonder dat ik daar iets aan kan toe of afdoen."

"Gij verstaat dan ook Italiaansch?" vraagt Kosmo, met jeugdige drift,
om de tafel heen, naar Vondel toeloopende.

Vondel maakt eene diepe buiging; terwijl hij bij zich zelven zich
beklaagt, niet machtig te zijn in dezelfde taal, waarin hij wordt
toegesproken, behoorlijk te antwoorden; doch zijne tegenwoordigheid
van geest redt hem uit de verlegenheid en, het Latijn te baat nemende,
betuigt hij aan den Prins zijn leedwezen, dat onkunde en ongewoonte
hem verhinderen, zich van den schoonen tongval te bedienen, waarin
Petrarca en Guarini hadden gedicht.

"Maar gij kent hen toch," zegt Kosmo, zich mede van de Latijnsche
taal bedienende: "en Tasso, hebt gij hem gelezen?"

"Eene mijner dierbaarste vriendinnen [53], nu helaas! mij sedert
lang ontvallen, heeft," antwoordt Vondel, "zijn meesterstuk in ons
Neerduitsch overgebracht: zij placht mij haar vertrouwen te schenken
en zoo nam zij mijn raad daarbij in: en de uren, door mij besteed,
om haren arbeid na te zien en met het oorspronkelijke te vergelijken,
reken ik onder de zoetste van mijn leven."

"De vriendin, waar ge van spreekt," zegt Kosmo, "bewees eene vrouw van
smaak en oordeel te zijn: van smaak, dat zij het "verlost Jeruzalem"
op prijs stelde, van oordeel, dat zij den raad innam van een zoo
voortreffelijk dichter, als waarvoor gij, naar ik hoor, bekend
staat. Uw naam is...."

"Justus Vondelius, Uwe Doorluchtigheid."

"Het spijt mij nu dubbel, uwe taal niet te verstaan; want daardoor
is mij het genot ontzegd, uwe schoone zangen te lezen. Gij hebt,
hoor ik, ook de wondere gewrochten van gindschen kunstenaar bezongen."

"Ik heb twee van zijne tafels bezongen," antwoordt Vondel, "de eene,
niet ongelijk aan degene, waar meester Dirck thans aan bezig is, en
die tot een geschenk moest strekken aan wijlen den Directeur-Generaal
Hulft; de andere van meer omvang, en het feestmaal der Goden
voorstellende."

"Die tienduizend gulden heeft gegolden," voegt Benzi er bij.

"Tienduizend gulden!" herhaalt de Prins: "maar dat is een rantsoen voor
een Vorst; en ik zal mijne kas wel aandachtig mogen raadplegen, eer
ik mij veroorloof, hier eene bestelling te doen.--Nu, Signor Justus,
gij zult mij verplichten, indien gij mij die beide gedichten wilt
doen toekomen: ik zal ze hier ter stede door een bekwamen tolk in
't Italiaansch laten overbrengen en ze als een gedachtenis medenemen."

En met eene minzame hoofdbuiging afscheid nemende van den dichter,
begeeft hij zich weder naar de tafel en laat aan Meester Dirck vragen,
of hij ook werkstukken heeft, die voltooid en te koop zijn. Rijswijck
geeft hierop een wenk aan zijn dienaar, en deze, eene kast openende,
haalt daar eenige schenkbladen en andere voorwerpen uit, van
minderen omvang dan het kunststuk, dat nu onder handen is, doch,
wat de bewerking aangaat, niet minder keurig en uitvoerig. Immers
ook van deze kan men, met Vondel, zeggen:


            ....Hier blinckt de schoone regenboog
              Van bloemen loofwerck en festoen,
              Uit root en blaeu en geel en groen
            En gout gemengelt, in ons oogh....
            ....Hier geeft genoffel, [54] leli, roos
              Gemengt uit onderscheiden kleur,
              Trots Indisch velt, een lucht en geur,
            Hier praelt robijn, saffier, turkoos.
            Hier blinckt de gout- en zilvermijn.
              Hier rijst de witte morgenstar.
              Zy voert den dagh af op haer kar
            En boodschapt ons den zonneschijn....
            ....Hier legt de schilder zijn palet
              En rijck penceel uit zijne hant.
              De juwelier acht diamant
            Noch dier gesteente, in gout gezet.
            Dees kunst schept, uit een ruwe schulp,
              Gesteente, en tulpen, knoppen, blaên
              Gestarnte, en licht, en zon, en maen.
            Zy neemt vernis noch verf te hulp.
            De schilderkunst verschiet haer verf,
              Gelijck de maaght haer frissche jeught,
              De tulpen zien haer waerde en vreught
            Verwelckt of schrikken voor bederf.
            De rijp, de nevel en de mist
              Verstickt de tulp: een felle storm
            Verslijt haar leven, eer men 't gist:
            De paerlemoerbloem, op haar steel,
              Volght d' eeuwigheit in duurzaemheit
              En blijft tot dat de werelt scheit,
            Waer bloeide ooit eêler bloempriëel!....


of ook, op eene andere maat;


            ....Hier weit het oogh in allerhande bloemen,
                    De kunst verdooft de stof.
            ....Stoft d' Indiaan op d' endeloze rente
                    Van 't vrolijck ooftsaizoen.
            Dat eeuwigh duert: het is hier eeuwigh lente.
                    Geen kou verbijt dit groen.
            ....Dees veltzwarm ziet den dischbeemt nooit verdorren.
                    Het leeft er overal
            Van krekel, vliegh, wywouter, goude torren,
                    En joffren zonder gal,
            De maenebloem, de starrebloemen locken
                    Die vlugge zielen uit.
            De morgenstar, de korenbloem, de kloeken
                    Ontluiken op 't geluit.
            De kivitsbloem, en keur van schoone tulpen,
                    Die, als 't kameleon,
            Met menigh slagh van verwen zijn behulpen,
                    Bekooren zelf de zon,
            Genoffel, of eenverwigh, of gemengelt,
                    Gezegent met een lucht
            Van nagelpoêr [55], in zoo veel kleurs gesprengelt,
                    Het hart verquickt, als 't zucht....
            ....Wat quist men tijt om 't eeuwige bewegen
                    Te heffen op het hooft!
            Dat uurwerck speelt en draait u eeuwigh tegen
                    En flikkert onverdooft.
            Dees zonnebloem volght met haar drijvende oogen
                    De zon, haar bruidegom.
            Zy lonckt haar aan, van zuivre min bewogen
                    En zoeckt zijn gunst alom.
            Wanneer haar lief zijn hooft en gouden luister
                    Des avondts onderhaelt,
            Dus leentze noch den zonneglans by duister,
                    Hoe diep hy nederdaelt....


"Welnu!" zegt eindelijk Kosmo, nadat hij eene der tentoongestelde
voorwerpen heeft uitgekozen: "gij zult dit aan mijn logement doen
bezorgen, Signor Van Rijswijck, en hier," op Filippo de Neri wijzende,
"is mijn schatmeester, die er den brenger de honderd dukaten voor
uitbetalen zal, die gij er voor vraagt. Ik stel er mij een feest van
voor, dit kunstwerk aan de mozaïsten in mijn vaderstad te wijzen:
en hou u maar goed, Signor! als deze of gene onder hen hier komt en
u de kunst poogt af te zien."



Het bezoek is afgeloopen en het hooge gezelschap heeft de werkplaats
van Meester Dirck Van Rijswijck verlaten.

"Een nobel Heer, die Prins van Medicis," zegt Vondel, na hun vertrek,
tegen zijn vriend den kunstenaar: "zie, onze groote Heeren hier zijn
brave, eerbiedwaardige mannen, en toonen zich bij wijlen ook wakkere
Mecenaten; maar toch ontbreekt hun iets, dat deze vreemdeling bezit."

"Wat dan?" vraagt meester Dirck, verwonderd.

"Wat?--het echte kunstgevoel," antwoordt Vondel, spijtig voor zich
ziende.

"Ei wat," herneemt Rijswijck: "zij hebben toch mijn feestmaal der
Goden met tienduizend gulden betaald."

"Ja, dat hebben zij," zegt Vondel, peinzende, en het gevoel
onderdrukkende, dat bij hem ontstaat op de vraag, die in weerwil
van hem zelven bij hem oprijst, waarom of zijne verzen, die toch
ook een kunstig gevlochten, en de eeuwigheid verdurenden krans
vormen van bloemen, loofwerk en vruchten, of niet, of met eene
aalmoes betaald worden: "dat hebben zij: maar zij hebben uw werk,
zij hebben de schilderijen van Van der Helst of Stockade, en de
beelden van Quellijn betaald, zooals zij 't een kostelijk meubel,
een pronkstuk in hun vertrek of voorportaal doen:--en zij achten in
den grond noch uw kunstwerk, noch die schilderijen of beelden meer
dan een nieuwmodisch behangsel of vloertapijt, dat veel geld kost:
en zij kunnen er den hoogeren geest niet in herkennen, die u en die
andere groote kunstenaars bezield heeft. Maar die Italiaan is in eene
andere lucht gewonnen en gevoed: op dien bodem, die voorheen Maro's
en Flaccussen gekweekt heeft, waar de liefde tot de kunst eeuw in eeuw
uit van de vaderen op hunne nazaten is overgegaan, en waar, nog heden,
zoowel de Heilige Vader op 't Vaticaan, als de nederigste landbouwer
op 't veld, de verzen van Virgilius en die van Tasso of Petrarca in
den mond heeft en zich buigt voor de kunstgewrochten van Titiaan en
Rafaël en Michel Angelo. Zie!--daar had ik moeten geboren zijn."

"Gij, vader Vondel!" zegt Rijswijck: "'t mocht wat: al zijt gij van
Keulen hierheen gedwaald, gij zijt en blijft toch een Amsterdammer
in uw hart."

"Nu ja, dat is waar," herneemt de grijsaard, wederom als tot zich
zelven sprekende: "want het is te Amsterdam, dat ik geleefd en geleden,
en schier al wat mij dierbaar is begraven heb."

"Wat mij betreft," hervat Rijswijck, na een langdurig stilzwijgen van
weerszijden: "ik verheug mij, dat ik hier woon; want ik twijfel of
ergens, behalve hier, mijne tafels zoo goeden aftrek zouden vinden
tot den prijs, waar ik ze op gezet heb."



Den volgenden dag ontving Kosmo van Medicis het bestelde schenkblad;
gelijk mede de verlangde gedichten; doch bij deze laatsten was de
navolgende tweespraak gevoegd, die Vondel ter eere van 's Prinsen
verblijf te Amsterdam had vervaardigd:


Amsterdam.

                Wat glori komt mijn hooft beschijnen,
                  In 't hartje van den wintertijt!


Italiaen.

                De morgenstar der Florentijnen,
                  Een eeuwige eer, uw kroon benijt.


Amsterdam.

                Wat telgh is 't? Uit wiens stam gesproten?
                  Spreekt duitlijck Duitsch. Hoe luit die naem?


Italiaen.

                De jonge Kosmo van den grooten,
                  De waerelt kenbaer door zijn faem.


Amsterdam.

                Een godtheit daelt, als uit de wolcken
                  Om laegh in 't vrye Nederlant.


Italiaen.

                Onthaelt van zeven vrye volcken,
                  Daar gy alleen de zeekroon spant.


Amsterdam.

                Zoo zagh voorheen de groote moeder
                  Der koningen [56] mijn groote stadt.


Italiaen.

                De moeder van den Franschen hoeder,
                  Geheilight door het lelibladt.


Amsterdam.

                Zy gaf Gaston, zijn broeder [57], 't leven,
                  Nu schoonvaêr der Toskaensche spruit.


Italiaen.

                En eert u noch in hare neven.
                  Gy zeilt hun havens in en uit.


Amsterdam.

                Fernandus zagh mijn bloedvlagh paelen,
                  Toen 't Britsch kasteel ten hemel voer;


Italiaen.

                Dat uwen waterleeuw van Galen
                  Den doot in 's Hertoghs haven zwoer.


Amsterdam.

                De zoon kan hier het graf aanschouwen,
                  't Welck 's helts gebeent en naem bewaert;


Italiaen.

                En daeden, op de zerk gehouwen.
                  Zoo blijft de deught alom vermaert.


Amsterdam.

                Dees prins ziet hier mijn schiltkroon proncken,
                  Ten prijs van zijn voorvaders [58] stam.


Italiaen.

                En keizers gifte uw trouw geschoncken,
                  Zoo blinckt Florence te Amsterdam.


Amsterdam.

                Mijn kapitool, bij zijn gebouwen
                  Geleken, zal te pover staan.


Italiaen.

                Ik zweer, 't gezicht wil hem noit rouwen,
                  Hat wijckt Sint Mark, noch Vatikaen.


Amsterdam.

                Maer d' Arno schenckt gezonder luchten
                  En ooft, dan d' Aemstel hem kan biên.


Italiaen.

                Uw mastbosch draeght ook goude vruchten,
                  Een bosch, van Princen waert bezien,


Amsterdam.

                Prins Kosmo dreight den Griekschen roover
                  Te ketenen op Tunis strant.


Italiaen.

                Scheept Putten [59] met uw krijghsvloot over,
                  Zoo wordt die zeepest uitgebrant.


Amsterdam.

                Dan keerenze met Kriste-slaven,
                  En Smyrna ziet den handel vry.


Italiaen.

                En d' Aemstelheer onthaelt zijn braven
                  Met zeekortouwen langs het Y.


Amsterdam.

                Dan brult de zeeleeuw van Venedigh,
                  En Kandië schept verschen moedt.


Italiaen.

                Hy wet zijn klaauwen eens zoo snedigh
                  En Villa dempt al 't helsch gebroet.


Amsterdam.

                Dan krijgt Europe een nieuw gestalte,
                  En 't kruis braveert de Turksche maen.


Italiaen.

                Gansch Barbarye schrikt voor Malte.
                  Dat Asië en haar maght houdt staen.


Amsterdam.

                Geene afgunst groey noch rijze tusschen
                  Den Hertogh en 's lants vrijen staet.


Italiaen.

                De Batavier omhels Hetrusschen
                  Zoo lang de zon te water gaet.



Bij Burgemeester Witsen.


Uit de Beerestraat op onze schreden teruggekeerd en de brug weder
overgegaan zijnde, begeven wij ons rechts de Keizersgracht op, naar het
fraaie huis met een hardsteenen gevel, dat ginds over den Schouwburg,
Costers oude Academie, zeven-en-twintig jaren geleden--wij zijn nu
in 1688--door den bewoner werd gesticht. Die bewoner is Mr. Nikolaas
Witsen, sedert 1671 Raad, sedert 1673 Schepen, in 1682, 1685, en
ook nu wederom, Burgemeester van Amsterdam. Wij komen de stoep op te
gelijk met een welgekleed Heer, die er aanschelt, en terwijl hij wacht,
dat hem opengedaan wordt, hebben wij den tijd, hem in oogenschouw te
nemen; wat wij beter kunnen doen, omdat hij in 't volle licht staat
der ondergaande Augustuszon. Mij dunkt, hij komt ons niet geheel
onbekend voor: neen inderdaad, wij hebben dat gelaat meer gezien,
en wel op eene dier schilderijen, aan de Stad behoorende, en die
nog steeds op eene voegzame verblijfplaats wachten. Maar dáár is hij
voorgesteld als een jong en krachtvol man, met levendigen oogopslag,
wakker en blozend gelaat, donkerbruin haar, dat in weelderige vlechten
over 't voorhoofd en langs hals en schouders nedergolft, terwijl zijn
eenige opschik bestaat in een omgeslagen halsboord en een oranjesjerp,
die zijn wambuis omsluit;--terwijl nu datzelfde gelaat zich taankleurig
en gerimpeld, de houding gebogen, de wangen flets en voos vertoonen,
eene krulpruik het hoofd bedekt, eene kanten das met wit lint om
den hals is gestrikt, en kanten manchetten uit de breede omslagen
van den zwartfluweelen rok te voorschijn komen. En toch hebben wij
wel denzelfden persoon voor oogen, maar, sedert hij op de schilderij
werd afgebeeld als Sergeant der burgerij, zijn er jaren verloopen,
en thans bekleedt hij de Burgemeesterlijke waardigheid. Geen wonder,
dat er verschil bestaat tusschen den Jean Appelman van toen en den
Jean Appelman van heden.

De deur gaat open: de knecht antwoordt op de hem gedane vraag, of
zijn Heer thuis is, wel toestemmend, maar toch eenigszins aarzelend,
laat den bezoeker in de zijkamer, en begeeft zich de trap op, naar
het studeervertrek van zijn meester, binnen 't welk wij hem volgen.

Wij behoeven niet te vragen of wij ons in de kamer eens geleerden
bevinden. Niet omdat talrijke boekenkasten de wanden bedekken, zoodat
alleen hier of daar het goudlederen behangsel doorschijnt;--want het
bezit eener rijke boekverzameling begint reeds eene der noodwendigheden
te zijn, die een man van vermogen--ook al slaat hij er nimmer een
oog in--zich wel getroosten moet, wil hij niet voor een plomperd
worden aangezien: neen, wat ons tot de zoo even vermelde overtuiging
brengt, is, vooreerst, de meer bijzondere aard dezer boekerij, die,
schoon verre van arm in werken, die tot godgeleerdheid, rechts- en
staatswetenschap betrekking hebben of over letterkunde handelen,
toch vooral waarde heeft door de volledige verzameling, die zij
bevat, van hetgeen in vroegere en latere tijden over wiskunde in
al hare onderdeelen is geschreven, en alzoo bij den bezitter eene
bepaalde voorliefde aanwijst voor dat vak van studie:--ten andere,
de omstandigheid, dat, waar de voorhang is opengeschoven, zich menige
opene ruimte vertoont, getuigende dat aldaar óf een geheel werk óf een
deel van eenig werk is uitgenomen, en dat, wanneer wij rondkijken, wij
het ontbrekende boek op eene schrijftafel of op een stoel terugvinden,
niet zelden open of met talrijke papiertjes bestoken, als zoovele
aanduidingen, dat men het geraadpleegd heeft en nogmaals raadplegen
wil:--ten derde, omdat de aanwezige aard- en hemelglobes niet, als
in de meeste boekerijen het geval is, bij wijze van sieraden op de
bovenhoeken der middelste kast prijken, zorgvuldig met hoezen tegen
stof bewaard, maar open op eene tafel staan; terwijl evenzeer de
talrijke wiskundige, optische en physische werktuigen, in kwistigen
overvloed op tafeltjes, buffetten en consoles of zelfs op den grond
uitgestald, de bewijzen met zich dragen, dat zij niet voor den pronk
zijn aangekocht, maar wel degelijk aan hun bezitter aanhoudende
diensten bewijzen:--en eindelijk, omdat de tafels overladen zijn
met kaarten, boeken en schrifturen, en wij onder deze laatsten eene
menigte opstellen van des bewoners eigen hand erkennen.

Wij bedriegen ons dan ook niet; de man, die daar zit, is werkelijk
een der voornaamste wis- en sterrekundigen, waar Nederland op roemen
mag, en zoowel de verhandelingen over de Zon en de Kometen, die hij
als jongeling schreef, als het werk over de "Aloude en hedendaagsche
Scheepsbouw en bestier," dat hij, als vrucht van rijpere ervaring,
in 1671 in 't licht gaf, getuigen niet enkel van doorgaande en
onvermoeide studie en werkzaamheid, maar vooral ook van grondige
kennis der onderwerpen, door hem behandeld.

En toch zijn 't, behalve een zee-atlas en eenige zeekaarten, en eenige
tabellen, met weerkundige waarnemingen, geen boeken of papieren, tot
het vak der wiskunde behoorende, die op dit oogenblik onder Witsens
onmiddellijk bereik gelegen zijn:--neen: 't is Grotius, de jure
belli et pacis, 't is een exemplaar van de Engelsche magna charta,
't zijn proclamatiën en pamfletten, betrekking hebbende tot de jongste
gebeurtenissen, in Engeland voorgevallen: en zoo het voorhoofd nog
meer gefronst, de wenkbrauwen nog meer samengetrokken, de vorens om
den mond nog dieper gegroefd zijn dan gewoonlijk, 't is niet op eenig
wiskundig problema, dat het schrandere brein thans bezig is te peinzen.

Doch Witsen is het niet alleen, die onze aandacht wekt, en, wanneer wij
bloot op 't uiterlijke afgaan, vinden wij ons meer aangetrokken tot
den man, die tegen hem over gezeten is, en wiens vlug en vroolijk
uitzicht, wiens levendige geestige oogopslag, wiens nu en dan
spotachtige glimlach, tot zoovele bewijzen strekken, dat de last
van een reeds gevorderden ouderdom hem niet zwaar valt en de lust
des levens hem te midden van aanhoudende staatszorgen niet begeven
heeft. Die wakkere grijsaard is Cornelis Geelvinck, Heer Van Castricum,
sedert 1652 Raad, sedert 1657 Schepen, in 1673 voor de eerste-, nu voor
de vierdemaal Burgemeester, Grooter contrast dan tusschen hem en den
ernstigen, meest zwaartillenden Witsen is moeielijk uit te denken: en
desniettemin--misschien wel juist daarom--bestaat voortdurend tusschen
hen beiden de beste overeenstemming en verstandhouding. Al drukken
zij, als 't zaken betreft, hun gevoelen uit op geheel verschillende
wijze, de slotsom komt meestal op 't zelfde neer: Witsen schaamt
zich somtijds zijne zwaarmoedigheid, wanneer hij een ambtgenoot van
hoogere jaren en langer ondervinding, zoo moedig en voortvarend ziet,
en Geelvinck toont zich minder haastig en luchthartig, wanneer hij
de bezwaren heeft gehoord, hem ontwikkeld door iemand, wiens diepe
kunde en helderheid van inzichten hij hoogschat.

"Burgemeester Appelman vraagt, of mijnheer geen belet heeft," zegt
de bediende, terwijl hij de deur half open houdt.

De beide Heeren zien elkander aan en eene wolk van misnoegen maakt voor
een oogenblik het reeds zoo strakke gelaat van Witsen nog donkerder
dan gewoonlijk. Hij bedwingt echter zijn wrevel en zegt:

"Laat den Heer Burgemeester hier.... maar luister!--ik ben voor
niemand verder te spreken, dan voor den Heer De Wildt: dien brengt gij,
als hij komt, naar de zaal, en komt mij dan waarschuwen."

De knecht buigt het hoofd en verwijdert zich.

"Juist nu een bezoek van onzen collega Appelman!" zegt Witsen tegen
Geelvinck: "zou hij lont geroken hebben?"

"Geroken misschien," zegt Geelvinck met een geruststellenden glimlach:
"maar hij zal lang rondsnuffelen eer zijn neus hem bij de aangelegde
mijn brengt. In allen gevalle, als hij bij ons komt visschen, zullen
wij hem met een kluitje in 't riet sturen."

"Stil!" zegt Witsen, "daar is hij."

Appelman komt binnen, en de beide Heeren rijzen op, om hem te
groeten. Uit de koel beleefde wijze, waarop Witsen zich buigt en hem
den leunstoel aanwijst, dien de knecht heeft gereed gezet, en uit de
achteloosheid, waarmede Geelvinck na eene snelle buiging met het hoofd,
weder in den pas door hem verlaten zetel terugvalt, mag men opmaken,
dat de nauwe betrekking, waarin zij tot den bezoeker staan, tot heden
nog maar weinig sympathie, ja zelfs geen gemeenzaamheid tusschen hen
verwekt heeft, en de toon, waarop het gesprek aanvangt en voortgezet
wordt, versterkt die opvatting niet weinig.

"Ik hoop niet, dat ik de Heeren stoor," zegt Appelman, zoodra hij
gezeten is.

"De komst van een ambtgenoot moet ons altijd welkom zijn," zegt Witsen,
wederom met eene beleefde buiging.

"Maar misschien ben ik nu over," zegt Geelvinck, "en heeft de Heer
Appelman iets aan den Heer Witsen te zeggen, dat ik niet hooren mag:
in dat geval zal ik het veld ruimen."

Hoe oogenschijnlijk beleefd deze woorden klinken, men mag twijfelen
of zij oprecht gemeend zijn: immers onder 't spreken werkt Geelvinck
zich nog dieper in zijn stoel, slaat het eene been over 't ander en
neemt in alle opzichten de houding aan van iemand, die zich recht op
zijn gemak zet.

"Verre van dien," antwoordt de nieuwgekomene: "het is mij integendeel
dubbel aangenaam, twee mijner ambtgenooten hier vereenigd te vinden:
ik zal zoodoende een dubbel licht ontvangen."

"Onze waarde collega scherst," zegt Geelvinck, "hij zal ons toch
niet willen doen gelooven, dat hij in duisternis verkeert en wij in
't volle licht gezeten zijn."

"Wij zullen in allen gevalle gaarne vernemen, welke inlichtingen de
Heer Appelman verlangt," zegt Witsen, met deftige hoffelijkheid.

"Om dan terstond tot de aanleiding van mijne komst over te gaan,"
hervat Appelman; "zij is gelegen in mijne bezorgdheid over den keer,
dien de politieke zaken nemen, en waarover ik volgaarne de gedachten
der beide Heeren zou hooren."

"En wat is er gebeurd," vraagt Witsen, "dat juist nu stof geeft tot
die meer bijzondere bezorgdheid?"

"Mij dunkt," antwoordt Appelman, "dat die stof nog al voor de hand
ligt; wanneer wij al die toerustingen zien te water en te land,
die troepen, die op de Mookerheide bijeenkomen, die drukte op de
Landswerven, die inspectiereizen, die Z. Hoogheid doet, en honderd
andere dergelijke teekenen van onrustige beweging, dan moet men wel
tot de slotsom komen, dat er iets buitengewoons op til is."

"Wat zal ik u zeggen?" merkt Witsen aan: "wij hebben een tijd beleefd,
toen er te weinig zorg voor de defensie gedragen werd, en dat is ons
in 72 zwaar genoeg opgebroken."

"Zie eens," vervolgt Appelman, terwijl hij twee nummers van de Opregte
Haarlemmer Courant voor den dag haalt, "de nieuwsmaren zelven brengen
't uit voor wie ooren heeft om te hooren. Wat lezen wij hier in
die van Dinsdag: "'s-Gravenhage den 16 Augusti. Gisteren zijn de
Heeren Van Massis en Van Coeverden haer Ho. Mo. Gedeputeerden, na
't Noorder Quartier vertrocken tot 't bywonen van de Bestedinge van
eenige nieuwe oorlogschepen," en nu in die van gisteren: "tot het
campement of de generale Revue over de troepen, dat op de Moocker
Heyde in 't laatst van deze ofte in het eerst van de andere maent
staet gehouden te werden wort alles vervaerdigt.""

"Ik heb in dat nummer van gisteren eene betere tijding gelezen,"
zegt Geelvinck: "die van de behouden aankomst der retourvloot met
vierd'half millioen aan waarden."

"Nu, dat behoefde de Haarlemmer Courant ons niet te melden," zegt
Appelman, de schouders ophalende: "er zijn immers reeds gisteren
twee van de Heeren Bewindhebberen naar Texel gegaan om de schepen te
ontvangen. Maar die krijgstoerustingen, waar kunnen die op zien?"

"Mij dunkt," antwoordt Witsen: "daar is nog al grond voor te
vinden. Heeft Frankrijk niet, om aan Keulen een Aartsbisschop naar
zijne keuze op te dringen en evenzeer in Luik zijn haan te doen
koning kraaien, de beide Bisdommen met zijne troepen bezet? En
als aan onze grenzen onrust heerscht, is het dan zoo vreemd, dat
de Staten maatregelen nemen, om onze veiligheid te verzekeren? dat
Z. Hoogheid de grensvestingen in oogenschouw neemt, en dat er troepen
op de Mookerheide samentrekken, om aan onze buren te doen begrijpen,
dat wij niet slapen?"

"Nu ja, dat kan wezen: maar dan dat ongehoord versterken onzer
zeemacht?"

"Mijn waarde ambtgenoot ziet mij aan alsof ik het helpen kon,"
zegt Geelvinck: "het is hem toch bekend, dat ik reeds sedert het
voorjaar mijne betrekking tot de Admiraliteit heb opgegeven, en niet
verantwoordelijk ben voor 't geen zij besluit."

"Zeker niet," zegt Appelman: "maar toch zou de gissing misschien
niet te gewaagd zijn, dat de Heer Van Castricum met het doel dier
uitrusting bekend was en daarom juist zijn ontslag genomen heeft."

"De Heer Van Castricum wordt oud," hervat Geelvinck, droog weg:
"en op zijne jaren heeft men aan het Burgemeesterschap al meer dan
genoeg te dragen.--Maar anders, wat het bouwen van schepen betreft,
hebben wij ze niet noodig, om de Algerijnen te tuchtigen? Wanneer
hebben die zeeschuimers de stoutheid ooit zoover gedreven als nu,
dat zich hunne galeien zelfs in 't gezicht onzer kusten, ja in onze
zeegaten durven vertoonen? Is 't niet meer dan tijd, aan zulk een
overmoed paal en perk te stellen en hun, eens voor altijd, te toonen,
dat wij nog als vanouds den bezem in den mast kunnen voeren en de
Zee vrijvegen van zulk schuim?"

"De Heer Van Castricum is dus overtuigd, dat de vermeerdering der
vloot geen ander doel heeft dan een expeditie tegen die van Algiers,"
zegt Appelman op een spottend schertsenden toon.

"Weet de Heer Appelman er een ander aan te wijzen?" vraagt Witsen,
een ernstigen blik op hem vestigende.

"Hm!" antwoordt Appelman: "dat zou misschien zoo zwaar niet
vallen;--maar van wat anders: is aan de Heeren dat schotschrift onder
de oogen gekomen, dat in Den Haag verschenen is, en waarin de echtheid
van de geboorte des Prinsen van Wales wordt in twijfel getrokken?"

"La couronne usurpée et l'enfant supposé bedoelt mijnheer?" zegt
Witsen: "ik heb daarvan gehoord, en tevens, dat men den drukker voor
't Hof ter verantwoording zal roepen."

"En hem het loon geven dat hij verdient," voegt Geelvinck er bij.

"Nu ja," herneemt Appelman: "men zal hem straffen, maar daarmede toch
den indruk niet wegnemen, dien 't geschrift bij velen heeft opgewekt."

"Bij koffiewijven en klappeien," valt Witsen in, terwijl hij de
schouders ophaalt: "maar welk man van gezond verstand hecht eenige
waarde aan dergelijken naamloozen laster?"

"Misschien niet aan den laster zelf," antwoordt Appelman: "maar wel aan
het doel, waarmede gelasterd wordt. De uitgave van dat schotschrift
is geen alleenstaand feit: heeft men niet sedert een geruimen tijd
allerlei geruchten in omloop zoeken te brengen, ten einde te doen
gelooven, dat de Koningin van Groot-Brittannië, reeds eene maand voor
den tijd, dat zij bevallen heet te zijn, van een dood kind verlost
was? Heeft het grauw die praatjes niet opgevangen met een gretig
oor? en hebben wij daaraan niet te wijten, dat toen, nu eene maand
geleden, de Engelsche Consul alhier een feest gaf ter viering van
die heuglijke geboorte, de glazen bij hem werden ingesmeten en zijne
gasten genoodzaakt bij de buren te vluchten?"

"Een droevig geval," zegt Witsen, het hoofd schuddende.

"Ja," gaat Appelman voort, "en het toont weinig diligentie van de
zijde der Justitie, dat men nog geen der belhamels gevat heeft. Is 't
geen schande voor Amsterdam, dat zulke oproerige bewegingen, bij eene
gelegenheid als deze, waar nog wel vreemde Ministers en andere notabele
lieden tegenwoordig waren, straffeloos hebben kunnen plaats vinden?"

"Het lokaas, dat de Justitie voorhield, was toch nog al aardig,"
merkt Geelvinck aan: "duizend gulden voor hem, die den eersten
steensmijter verklikte!--honderd dukatons voor het aanbrengen van een
handdadige!--'t Schijnt dat niemand tegenwoordig geld noodig heeft;
niet eene enkele aanwijzing is er gedaan, zelfs geene valsche."

"En toch," herneemt Appelman, "ware, naar mijne gedachte, mits men
zich wat moeite getroost had, deze of gene der schuldigen wel op te
sporen geweest. Enkele lieden onderstaan zich dan ook, te beweren,
dat de Regeering die beweging niet ongaarne gezien heeft, en zich
wel wachten zal, angstvallig naar de bewerkers daarvan te zoeken."

"Dat zijn wij van ouds gewoon," zegt Geelvinck, "dat men ons de schuld
geeft, als een boef zijne straf niet krijgt. Onze waarde collega zal
zich toch niet storen aan domme praatjes? Hij moet veel brij hebben,
die ieders mond wil stoppen."

"Ik zie er intusschen geen bezwaar in," zegt Witsen, "dat
Burgemeesteren nog eens aandringen bij den Heer Boreel, om ijveriger
nasporingen te doen."

"'t Is nog de vraag," zegt Appelman, "of de Heer Hoofd-Officier niet
misschien een wenk van eene andere zijde gekregen heeft, om in dezen
niet met rigueur van Justitie te ageeren."

"Hoe!" roept Witsen uit: "zou mijnheer dan denken, dat dergelijke
oproerige manifestatiën door de Hooge Regeering werden goedgekeurd?"

"Dat wil ik juist niet zeggen; maar wij hebben meer dingen zien
gebeuren, die stof tot nadenken gaven. Toen, nu zestien jaar geleden,
de Heeren De Witt werden om hals gebracht, werd zulks als een enorm
en ongehoord feit gedeploreerd;--maar wie werd er voor gestraft? Wie
zelfs er voor geapprehendeerd?--Immers niemand."

"Wie had men kunnen straffen?" vraagt Geelvinck: "men had den halven
Haag moeten ophangen."

"De Prins is geen huichelaar," zegt Witsen: "en ik heb mij overtuigd
gehouden, dat hij diep getroffen was door dat beklaaglijke voorval."

"Juist!" zegt Appelman: "men is bij zulke gelegenheden diep getroffen;
maar men profiteert van het gebeurde."

"Alzoo," herneemt Witsen, "ziet, naar uwe meening, Z. Hoogheid eenig
voordeel in de manifestatiën tegen zijn koninklijken schoonvader
gericht?"

"Wel!--was Mevrouw de Prinses geen erfgename van de Britsche kroon? en
zijn hare aanspraken niet vervallen sedert aan de Koningin een zoon
geboren is? En steekt er iets vreemds in, dat zij, en vooral de Prins
haar man, niets liever zouden zien dan de bewijzen, dat die Prins
Van Wales een ondergeschoven kind is? ja dat zij, ook bij mangel van
dergelijke bewijzen, met welgevallen elken twijfel zullen opnemen
aan de wettigheid van zijne geboorte."

"Onverbiddelijk logisch," zegt Witsen.

"En wanneer men daarbij in aanmerking neemt de overkomst van
den Admiraal Herbert en van zoovele andere Engelsche Heeren van
qualiteit, als dag aan dag het voorsalet van Z. Hoogheid belegeren,
en 't luid verkondigen, hoe de zaken in Engeland niet op die wijze
kunnen voortduren, en hoe 't Koninkrijk, zoowel als de Protestantsche
Kerk aldaar beiden te gronde gaan, tenzij eene krachtige hand dien
verwarden boel kome herstellen, zou dan de onderstelling zoo vreemd
zijn, dat de Prins wel gaarne de man ware, om die hand te leenen?"

"Alzoo," zegt Witsen, "is mijnheer ook de meening toegedaan van hen,
die beweren, dat er eene onderneming tegen Engeland op til is?"

"Wat mijne meening aangaat," zegt Appelman, "die is, dat de Heer
Witsen beter dan iemand mij zeggen kan, of zulk een vermoeden juist
is of niet. De Heer Witsen heeft in den laatsten tijd meer dan eens
een keer naar Den Haag gedaan, en gewis niet zonder daar gewichtige
informatiën op te doen."

"De beide Heeren," zegt Witsen, "zijn herhaaldelijk ter dagvaart
geweest, en 't is hun zoogoed bekend als mij, dat men in Den Haag ook
niet altijd te weten komt wat men verlangt te weten. Z. Hoogheid is
de man niet, om zich onvoorzichtig uit te laten en 't moet een fijn
diplomaat zijn, die uit kan vorschen wat heimelijk bij hem broeit."

"Maar," herneemt Appelman, "niemand zal mij van overdrijving of
vleierij beschuldigen, als ik zeg, dat ik den Heer Witsen houde voor
een fijn diplomaat: voor iemand, die weet te doorzien wat voor den
kortzichtige verborgen blijft--ja, die misschien in 't geheim is."

"Waarom niet?--Maar zoo dit laatste het geval ware, dan zou daaruit
alleen volgen, dat ik mij over het onderwerp niet mocht uitlaten."

"Ha zoo!" zegt Appelman, met een zegepralenden blik: "nu, dan geloof
ik te weten, waar ik mij aan moet houden."

"En ik geloof," zegt Witsen, "dat mijnheer zich zou kunnen vergissen,
indien hij onderstelde, dat ik eene geheimzinnige houding aanwendde,
als wilde ik doen denken, dat ik meer van de zaak af wist dan het
geval is."

"Wat meent mijnheer?" vraagt Appelman, eenigszins verwonderd opziende.

"Zie, mijn waarde Heer," vervolgt Witsen, "ik wil u rondborstig mijne
meening zeggen. Gesteld, de Prins had het voornemen, dat hem door u
wordt toegeschreven, zou daar, naar uwe meening, ooit iets van kunnen
komen zonder medewerking van Amsterdam? En zou, in zulk geval, er
van zijne zijde geen stap moeten gedaan worden, om de Vroedschap in
't belang der zaak te winnen?"

"Zonder tegenspraak."

"Welnu! Tot heden is niets van dien aard geschied.--Wat volgt
hieruit? Of, dat er geen voornemen bestaat, als door u wordt
ondersteld: óf, dat de plannen van Z. Hoogheid nog niet tot rijpheid
zijn gekomen.--Ware het, in zulk een staat van zaken, niet gevaarlijk,
zelfs onverantwoordelijk, vermoedens te helpen verbreiden, die op
een valschen grondslag kunnen rusten, en bij onze naburen, vooral bij
Frankrijk, den argwaan, dien men wellicht reeds koestert, versterken?"

"Maar," vraagt weder Appelman, "zou die argwaan niet veel beter
worden weggenomen door eene ronde verklaring van 's Prinsen zijde,
dat hij geen oorlog tegen zijn schoonvader bedoelt?"

"Dat zou zeker het geval zijn," antwoordt Witsen: "alleen moet ik u
doen opmerken, dat Z. Hoogheid moeielijk uit eigen beweging zoodanige
verklaring kan afleggen, of antwoord geven, voordat hem de vraag
gedaan is."

"Wel! misschien wordt die vraag hem wel eerstdaags gedaan," zegt
Appelman.

"Ei zoo?" merkt Geelvinck op, zich wederom in 't gesprek mengende,
"de Heer Appelman vroeg zooeven, of onze ambtgenoot Witsen in 't
geheim was van 's Prinsen bedoelingen; ik zou nu op mijn beurt gaan
vermoeden, dat de Heer Appelman in 't geheim was van de bedoelingen
der Heeren d'Albeville of d'Avaux."

"Ik hoop, dat mijn geachte collega schertst," zegt Appelman,
eenigszins geraakt.

De Heer Van Castricum kan alleen eene scherts bedoelen," zegt Witsen,
op verzoenenden toon: "want hij weet zoogoed als een onzer, hoe althans
de Heer d'Avaux er volstrekt geen geheim van maakt, dat die wapening
hem verontrust, en hij er rekenschap van denkt te vragen. En gebeurt
dat, dan zullen Hunne Hoogmogenden dienen te weten wat zij hem hebben
te antwoorden,--altijd ondersteld, dat zij zelven op de hoogte zijn."

"Wat vooralsnog stellig het geval niet is," voegt Geelvinck er bij. "Ik
heb althans van meer dan een Afgevaardigde ter Generaliteit dezelfde
klachten vernomen als nu van den Heer Appelman, dat hij namelijk
niets kon te weten komen van wat toch de Prins eigenlijk wilde."

"Ik zie wel," zegt Appelman, "dat mijne komst vruchteloos is, enik niet
veel wijzer zal heengaan dan ik gekomen ben:--en toch smart het mij;
want mijne stelling wordt gedurig moeielijker tegenover zoovelen,
die dagelijks van mij willen weten wat er gaande is."

"Beata ignorantia!" zegt Geelvinck: "zalig die niets te zeggen
hebben, omdat zij niets weten: want die loopen nimmer gevaar zich
te verspreken."

"Wat er van zij," vervolgt Appelman, zonder de scherts van Geelvinck
op te nemen, "ik schroom niet te zeggen aan wie 't hooren wil, dat
de Prins als een onzinnige zou handelen, indien hij in ernst op eene
onderneming dacht die nooit gelukken kan."

"En dewijl de Prins een verstandig man is," zegt Witsen, "mogen wij
ook vertrouwen, dat hij zich in geene zaak zal steken, die geene kans
biedt van slagen."

"Hoe zou daar kans toe zijn?" vraagt Appelman, "Lodewijk XIV zal
Koning Jakobus niet verlaten."

"Dat zou althans niet met zijn gewoon staatsbeleid overeenkomen,"
zegt Witsen.

"Ten andere, gelijk door u zelf is opgemerkt, de Prins vermag niets
zonder medewerking van Amsterdam, en de Stad zal nimmer toestemmen hem
te ondersteunen in een opzet, dat op bederf van haren handel uit zou
loopen;--om niet te spreken van de spanning, die nog altijd tusschen
haar en Z. Hoogheid bestaat, ondanks de quasi-verzoening."

"Zeker zal Amsterdam den Prins nooit tot den oorlog aansporen,"
zegt Witsen: "ik althans zou 't niet doen."

"En dan nog, om eene vloot in zee te brengen met eenige hoop op goeden
uitslag, dient er een Admiraal te wezen, in wien zoowel de Prins als
de equipage een onbepaald vertrouwen stelt. De Graaf Tromp, de man,
aan wien als Luitenant-Admiraal-Generaal het bevel zou toekomen,
is ontevreden op Z. Hoogheid, sedert die hem in Februari jl. maar
veertiend'halfduizend gulden heeft toegewezen, in plaats van f 100.000,
die hij wegens achterstallen vorderde."

"Inderdaad," zegt Geelvinck, "ik geloof dat Z. Hoogheid thans
moeielijk veel dienst van den Heer Tromp zou kunnen bekomen, indien
't eene onderneming tegen Engeland gold. Ofschoon de Heer Tromp
ongelijk heeft, aan den Prins te wijten, wat hij moest wijten aan de
Admiraliteit. Z. Hoogheid heeft alleen het advies gevolgd, hem door
deze gegeven. Intusschen, ik zie niet in, dat, als de Prins werkelijk
plan had op eene onderneming, hij die zou moeten opgeven, omdat de
Heer Tromp niet als Admiraal gebood. Wij hebben nog zeevoogden van
verdiensten, als de Heeren Evertsen, Almonde, Schepers en anderen,
die ik noemen kon."

"Dus gelooft de Heer Van Castricum toch, dat er wel iets gebeuren
kon?" vraagt haastig Appelman, terwijl Witsen Geelvinck met eenige
bevreemding aanziet over hetgeen hij als eene onvoorzichtigheid van
die zijde aanmerkt.

"Wel!" antwoordt Geelvinck, met een onnoozelen blik, "is er dan geene
Mogendheid, die men zou kunnen bestrijden, en tegen welke juist de
Graaf Tromp zich moeielijk kan laten gebruiken?"

"Inderdaad!" roept Appelman uit, op den toon van iemand, wien een
licht opgaat: "dat zou kunnen zijn: mijnheer bedoelt, dat men Zweden
wil helpen, en dat het op Denemarken gemunt is."

"De Heer Appelman gelieve wel op te letten, dat ik het niet ben,
die zoo iets beweer," zegt Geelvinck.

"Neen, gewis niet," herneemt Appelman, op een toon van tevredenheid,
"'t is natuurlijk enkel onderstelling, maar ja wel, de Admiraal
Tromp heeft zijn Gravetitel aan den Koning van Denemarken te danken,
en dus.... ja, zoo zou zich alles ophelderen."

"Ik geloof," zegt Witsen, "dat het voorzichtigste in dezen is, aan
geene gissingen, van welken aard ook, toe te geven."

"Natuurlijk! de Heer Witsen heeft gelijk, als altijd," zegt Appelman,
"doch," vervolgt hij, meteen opstaande, "het zal nu mijn tijd worden
en ik verzoek mijne geachte collega's nogmaals om verschooning,
indien ik hen wellicht in een belangrijk onderhoud heb gestoord."

"'t Waren familie-aangelegenheden, die wij te bespreken hadden,"
zegt Geelvinck: "anders niet."

"Wij willen intusschen met den Heer Appelman hopen en bidden,"
zegt Witsen op plechtigen toon, "dat, wat er ook gebeure of niet,
het tot welzijn van den Staat moge gedijen."

De beide Heeren zijn onder 't spreken ook opgestaan, de bezoeker neemt
zijn afscheid en na wederzijdsche groete verlaat hij het vertrek. Pas
heeft Geelvinck hem de trap hooren afgaan, of hij zegt lachende
tot Witsen:

"Nu! wat hij hier vernomen heeft, mag hij, voor zooveel mij betreft,
gerust overbrieven aan den Heer d'Avaux."

"Indien het waar is," zegt Witsen, "dat hij met dezen in betrekking
staat. Maar ik kan zoo ongunstig niet van hem denken, en zelfs de
Prins, toen hij mij verzocht voor hem te verbergen, wat hij mij
aan Waveren en u verzocht mede te deelen, betuigde mij, hem om geene
andere reden te mistrouwen, dan omdat hij hem voor een onvoorzichtigen
babbelaar hield."

"En Z. Hoogheid had geen ongelijk," zegt Geelvinck. "Nu, de man moge
thans rondbabbelen wat hij hier gehoord heeft; niemand zal er wijzer
door worden."

"Intusschen," zegt Witsen, "laat ik het voor uwe rekening, wat gij
hem omtrent die familie-aangelegenheden hebt wijsgemaakt, die wij te
behandelen hadden."

"Heb ik dan onwaarheid gesproken? Geldt het geene familie-quaestie? Een
aanstaanden krijg tusschen schoonzoon en schoonvader?"

De nauwgezette Witsen schudt het hoofd; want voor zijn gevoel is er
weinig onderscheid tusschen een gezegde, dat logen behelst, en een
gezegde, dat, hoewel niet bepaald logenachtig, toch ten doel heeft
te misleiden; hij houdt echter zijne meening daaromtrent voor zich en
vergenoegt zich, te zeggen: "'t Is een drukkende last, een geheim van
zulken aard als ons is toevertrouwd, en ik wenschte wel in de plaats
van onzen ambtgenoot te zijn en van niets af te weten. Wat zouden wij
b. v. hebben moeten doen, indien hij ons eens op den man af gevraagd
had, of ons iets stelligs van de zaak bekend was?"

"Mij dunkt," antwoordt Geelvinck, "hij heeft de vraag, zij het
dan eenigszins ingewikkeld, toch vrij verstaanbaar gesteld en wij
hebben er ons uit gered. 't Is intusschen in één opzicht gelukkig,
dat onze ambtgenoot Hudde verhinderd is geweest hier te komen. Had
onze vriend Appelman ons alle drie bij elkaar gevonden, hij had gewis
kwaad vermoeden opgevat."

"En nog beter is het, dat hij niet een half uur langer is gebleven,"
zegt Witsen: "want er ware dan kans geweest, dat hij bij 't
heengaan den man, dien wij wachten, op de stoep ware tegen 't lijf
geloopen. Doch waarlijk, 't wordt al duister, en onze Heeren zullen
niet lang meer wegblijven: het is tijd, dat ik dien overeenkomstig
mijne bevelen geef."

Hij schelt, doch er verloopt eenige tijd eer de knecht zich
vertoont. Evenals al zijns gelijken loopt Jan niet gaarne tweemaal en
zoekt dus eerst te raden wat men van hem begeert, meenende er nog dank
voor in te oogsten als hij zijns meesters wenschen voorkomt. Eindelijk
komt hij binnen met twee aangestoken kaarsen in de hand.

Witsen is een man, die zijne wereld te goed kent, om zijn dienstbode in
't bijzijn eens derden te beknorren. Hij bepaalt er zich bij, hem een
straften blik toe te werpen, die genoeg aan Jan zijne ontevredenheid
te kennen geeft over het ongepaste van zijn bevel vooruit te loopen
en hem te laten wachten--en vraagt vervolgens:

"Zijn de lichten in de zaal opgestoken?"

"Nog niet, Edel Achtb.!" zegt Jan bedremmeld, "ik dacht...."

"'t Is onverschillig wat gij dacht. Ga ze terstond opsteken, zet den
wijn klaar en kom mij bericht brengen als alles gereed is."

Jan vertrekt en beneden gekomen, poogt hij door dubbelen spoed den
beganen bok weder goed te maken; zoodat hij alras in staat is het
verwachte bericht te brengen. De beide Heeren begeven zich hierop
naar beneden, in de rijk gestoffeerde zaal, waar talrijke waslichten,
van de groote hangkroon, van de luchters voor den schoorsteen en van
de zilveren kandelaren, haar helder licht verspreiden. Op de tafel
spiegelen zich in het gladgewreven ebbenhout een flesch Rijnsche wijn,
twee zilveren blaadjes, waarvan het eene een viertal groene roemers
van het fijnste glas draagt, het andere twee zilveren trommeltjes,
die gesneden Deventer koek en bitterkoekjes bevatten, een mandje
van fil de grain, tot aan den rand met klontjes suiker gevuld,
en een lepelkistje van 't zelfde. Aldra slaat de klok halfacht:
bijna op 't zelfde oogenblik houdt voor het huis eene toeslede stil,
waaruit twee heeren stappen, die terstond worden binnengelaten en
naar de zaal geleid. Daar gekomen, blijft de oudste van de twee in
bescheiden houding op den achtergrond staan, en laat den jongere
vooruittreden naar het midden van 't vertrek, waar reeds de beide
Burgemeesters hem zijn tegemoetgegaan. Uit de eerbiedige wijze,
waarop de machtige Regenten den bezoeker, die hun zoon kon zijn,
begroeten, kan men afleiden, dat zij hem als een personage van gewicht
beschouwen, en werkelijk hebben wij hem slechts aan te zien, om ons
overtuigd te houden, dat hij de onderscheiding, die zij hem bewijzen,
niet onwaardig is. Al is zijne kleeding doodeenvoudig, als die eens
reizigers, zijn gansche voorkomen duidt den man van geboorte aan, die,
gewoon in de hoogste kringen te verkeeren, zich overal op zijn gemak
gevoelt:--zelfs tegenover Burgemeesters van Amsterdam. En geen wonder:
indien Alexander eenmaal van Hephestion zeide: "deze is een tweede
Alexander," zoo ziet ook Willem III zijn anderen ik in Hans Willem,
Baron Bentinck. En hij doet dit op goede gronden; want geen vorst
heeft immer hartelijker blijken van trouw en verknochtheid genoten,
dan die Bentinck aan den Prins gegeven heeft. Vraagt gij mij, waarin
die bestaan hadden, dan wijs ik u op de enkele naden en pokputten,
die dat anders zoo fraai en regelmatig gelaat schijnbaar ontsieren,
maar inderdaad, voor al wie er de geschiedenis van kent, er een
luister aan geven zoo schoon als ooit een borst ontleende aan ster
of ridderketen. En welke is die geschiedenis? In April 1675 werd
Willem III door de kinderziekte aangetast, en het stond te vreezen,
dat hij het slachtoffer worden zou van die zelfde gruwzame kwaal,
die eenmaal zijn vader op schier gelijken leeftijd ten grave had doen
dalen. Immers de pokken wilden niet uitkomen, en de geneesheeren
wisten geen ander middel daartoe aan de hand te doen, dan dat een
jong, gezond persoon, na het innemen van een zweetmiddel, zich bij
den zieke te bedde lei en, door zijne natuurlijke warmte, bij dezen
de uitwaseming opwekte. Nauwelijks zou men met kracht van goud iemand
gevonden hebben, die zich liet overhalen, om een dienst te bewijzen
van zoodanigen aard en die hem den dood kon kosten; Bentinck, toen
een van 's Prinsen kamerjonkers, bood zich vrijwillig daartoe aan,
en werkelijk had het middel den gewenschten uitslag. Maar al kwamen
de pokken voor den dag, de zieke was nog verre van buiten gevaar. Nu
echter voltooide Bentinck zijn werk: zestien dagen en zestien nachten
week hij niet van de sponde des lijders, en de Prins getuigde na zijn
herstel, niet te weten of Bentinck al dien tijd geslapen had of niet,
maar wel, dat hij nooit zijn naam genoemd had, zonder altijd een
vaardig antwoord van hem te hebben gekregen. Maar 't gevolg was dan
ook geweest, dat, toen de Prins weder op de been was, Bentinck naar
huis ging, om eenige dagen welverdiende rust te genieten, deze zelve
door de kinderziekte aangetast werd en in doodsgevaar verkeerde. Zijn
gezond en sterk gestel had echter de bovenhand, zoodat hij zelfs in
staat was, zij het dan nog maar half hersteld, reeds in Mei den Prins
bij 't heropenen van den veldtocht te vergezellen. Was het wonder, dat
de Prins van toen af aan Bentinck al zijne dankbaarheid had gewijd,
en dat hij, de meest geslotene onder alle vorsten, voor Bentinck
alleen geene geheimen had. Zijne dankbaarheid had hij hem bewezen,
door hem, toen hij de Heerlijkheden Drimmelen en Rhoon verkregen had,
ofschoon geen geboren Hollander, in de Ridderschap van Holland te doen
beschrijven en zelfs de eerste plaats bekleeden: zijn vertrouwen,
door hem naar Engeland te zenden, om de hand van Prinses Maria voor
hem te verwerven, en hem telkens in gewichtige onderhandelingen te
bezigen; gelijk dit ook thans weder het geval was geweest. Wel is
het dan ook aan Witsen en aan Geelvinck bekend, dat zij hier niet een
blooten zendeling of lasthebber van den Prins voor zich hebben, maar
diens vertegenwoordiger in den volstreksten zin des woords; en die
bewustheid geeft hun tevens het natuurlijke richtsnoer aan de hand,
hoe zich tegenover hem te gedragen.

Maar geen mindere belangstelling verdient van onze zijde, al houdt
hij zich bescheiden op den achtergrond, de man, die aan Bentinck tot
geleide strekt. Wij kennen Huib de Wildt uit de keurige afbeelding,
die Ferdinand Bol van hem geleverd heeft--en die wij, óf ten huize van
's mans waardigen nazaat, óf voor eenige jaren op de tentoonstelling
van oudheden in Arti hebben kunnen zien--óf althans uit de teekening
door Couwenberg daarnaar gemaakt en gesteendrukt in De Jonges
"Geschiedenis van 't Zeewezen." Wel is waar, sedert dat De Wildt
voor Bol gezeten heeft, zijn er eenige jaren verloopen. Hij telt er
thans een en vijftig; maar nog teekent zijn gelaat dezelfde wakkere
opgeruimdheid, dezelfde schranderheid van geest, als u uit zijne
afbeelding tegenblinken. Is de kruin al meer en meer kaal geworden en
heeft het hoofdhaar een zilveren tint gekregen, de lokken golven nog
in weelderigen overvloed over hals en schouders; en ook in zijn deftig
zwart gewaad heeft De Wildt nog altijd een vlug en innemend voorkomen.

"Wij vinden ons zeer vereerd met uw bezoek, mijnheer Bentinck,"
zegt Witsen, "alleen doet het ons leed, u te moeten melden, dat onze
ambtgenoot, de heer Hudde, door onpasselijkheid verhinderd is, bij
dit mondgesprek tegenwoordig te zijn."

"Ik wil niet hopen, dat de ziekte van den Heer Hudde van ernstigen
aard is," zegt Bentinck.

"Hij lijdt aan zijne gewone kwaal, de jicht," herneemt Witsen,
om alle vermoeden van eene voorgewende ongesteldheid weg te nemen:
"Ik heb nog heden morgen tijding van hem vernomen; hij is buiten en
kan zijne kamer niet verlaten.--Mijnheer De Wildt, ik verheug mij,
u te zien."

"Hoe maakt het de Heer Secretaris?" vraagt Geelvinck, aan De Wildt de
hand reikende: "wij zien elkander tegenwoordig, tot mijn leedwezen,
zelden meer."

"Ik wenschte," zegt De Wildt, "dat dit leedwezen zoo groot ware, dat
zich de Heer Geelvinck genoopt voelde, bij de Admiraliteit terug te
keeren, die hij ter kwader ure verlaten heeft."

"Vergun mij vóór alles," zegt Bentinck, terwijl hij op den hem
aangeboden armstoel plaats neemt, en ook de overige Heeren zich zetten,
"eene onbescheiden vraag; maar de campagnes, die ik heb medegemaakt,
hebben mij geleerd, dat het bij alle gelegenheden goed is, te weten,
niet alleen hoe men ergens aankomt, maar ook hoe men er weder vandaan
raakt, en daarom veroorloof ik mij, mij bij uwe Achtbaarheden te
vergewissen, of ik heden nacht de stad zal kunnen verlaten?"

"De Heer De Wildt had mij onderricht, dat het uw wensch was,"
zegt Witsen, "en de noodige bevelen zijn dienaangaande gegeven. En
thans," vervolgt hij, de roemers volschenkende, "zij het mij vergund,
mijn edelen bezoeker welkom te heeten in 't vaderland en te mijnen
huize. De Heer Bentinck heeft zoo pas het land verlaten, waar de
wijnstok groeit, en zal ongetwijfeld beteren wijn gedronken hebben
dan ik hem kan aanbieden."

"Ik ben den Heer Witsen grooten dank schuldig voor zijne heusche
ontvangst," zegt Bentinck: "voor 't overige kan ik wat zijn
Ed. Achtbare zegt niet opvatten dan als eene loutere scherts; de
bovenlanders weten zeer goed, als zij den edelen wijnstok planten
en snoeien, dat het beste druivennat uitsluitend bestemd is, om de
kelders der Heeren van Amsterdam te voorzien; maar wat daarvan zij,
ik ben, ja, aan den Rijn geweest, en zelfs nog een weinig verder: en
't is om aan de Heeren verslag te doen van mijn wedervaren aldaar,
dat ik zoo vrij ben geweest, bij hen gehoor te verzoeken."

De beide Burgemeesters buigen zich zwijgend, en de spreker, dit
stilzwijgen aanmerkende als eene vergunning, om voort te gaan,
vervolgt aldus:

"Ik behoef niet aan de Heeren te herhalen wat hun bekend is,
dat Z. Hoogheid, bewogen met den toestand der Kerk in Engeland,
en bovendien bezorgd voor alle inbreuk op de rechten, welke aan de
Prinses krachtens hare geboorte toekomen, het zich tot plicht heeft
gerekend, aan de roepstem gehoor te geven, die van over zee tot
hem gekomen is, en die, in 't voorbijgaan gezegd, zich al luider en
luider doet hooren. Zou het opzet gelukken, dan waren er drie dingen
noodig: schepen, krijgsvolk en geld; en dat een en ander--wat de
zaak niet gemakkelijker maakte--op de meest bedekte wijze te zamen
gebracht. Wat de scheepsmacht betreft, die moest uit den aard der
zake aanzienlijk wezen; immers men mag de kans niet loopen, dat
's Konings vloot aan de onze te gemakkelijk het landen belette. Hoe
men heeft beproefd, te dezen opzichte in de behoefte te voorzien,
is aan de Heeren grootendeels bekend, inzonderheid aan den Heer Van
Castricum, door zijne betrekking als Lid der Admiraliteit?"

"Wellicht weet de Heer Bentinck niet, dat ik met Mei als zoodanig
ben afgetreden," zegt Geelvinck.

"Ik weet dit," hervat Bentinck, "doch ook, dat de gewichtigste
maatregelen aldaar nog met uwe voorkennis genomen zijn. Intusschen,
de Heer De Wildt is bij machte, aan de Heeren, gelijk Z. Ed. dit
reeds aan mij gedaan heeft, volkomen opgave te doen van de hier en
elders verkregen uitkomsten."

"Met genoegen," zegt De Wildt, "indien de Heeren 't mij
vergunnen. Behalve de een en twintig schepen van oorlog, die, volgens
hetgeen in December van 't vorige jaar besloten was, zijn uitgerust
en met Mei gereed waren, om zee te kiezen, is, overeenkomstig den
last, door Z. Hoogheid in 't laatst van Februari aan de Admiraliteiten
verstrekt, zorg gedragen, alle schepen van oorlog, zonder onderscheid,
in bruikbaren staat en onder hun want te brengen, en nu drie dagen
geleden is mij een ander bevel van Z. Hoogheid geworden om al degene,
die nog hier beneden de 145 voet aanwezig zijn, naar de zeegaten op
te zenden."

"En dat nader bevel vond gewis mijn wakkeren vriend niet onvoorbereid,"
viel Geelvinck in, wel wetende, hoe, in al wat het zeewezen betreft,
Willem III, evenals vóór hem Jan De Witt, niets besluit of beveelt,
zonder voorafgaand overleg met De Wildt.

"Ik had er iets van gehoord," antwoordt De Wildt met een glimlach, "en
daarom ook zorg kunnen dragen, dat, van heden af, bij tusschenpoozen,
om geen opzien te verwekken, niet alleen dagelijks eenige schepen
kunnen vertrekken, maar dat bovendien ieder schip zal voorzien zijn van
ettelijke gewapende sloepen, bekwaam om bij eene landing gebezigd te
worden, en van andere vaartuigen, om voor branders of adviesjachten
te dienen; terwijl ik tevens onder de hand door vertrouwde lieden
onderscheiden galjoten en fluiten heb doen huren, tot transport voor
krijgsvolk, paarden, vivres en ammunitie.--Naar mijne berekening,
opgemaakt uit hetgene mij van de Maas en van 't Noorderkwartier bekend
is, zal de vloot kunnen bestaan uit omstreeks 50 schepen van oorlog
en fregatten, en, als men daaronder rekent de branders, adviesjachten,
transportschepen enz., uit omstreeks 400 zeilen. Daarmede is in allen
gevalle wat aan te vangen, en is de tijd daar, dan zullen er nog wel
eenige pinken kunnen bijgevoegd worden om de landing te bevorderen."

"De werkzaamheid van den Heer De Wildt is ons genoeg bekend," zegt
Witsen, "alsmede, dat wat hij voorneemt ook geschiedt, zoo hier als in
't Noorderkwartier, ja zelfs aan de Maze."

"Het zal," herneemt Bentinck, "aan de Heeren bekend zijn, dat het
commando over de vloot bij instructie van 22 Mei j.l. is opgedragen
aan den Luitenant-Admiraal Evertsen, volgens welke instructie zij
alleen moet dienen, om onzen handel te beschermen en inzonderheid te
waken tegen de Algerijnen; en in zooverre heeft zij dan ook aan den
last voldaan, als reeds, volgens de laatste berichten, de retourvloot
behouden voor Texel is aangekomen."

"En," vraagt Witsen, "heeft de Heer Evertsen, behalve die officiëele
instructie, waar UEd. van spreekt, geen geheimen lastbrief ontvangen
omtrent de ware bestemming van de vloot?"

"Dit is nog niet raadzaam geoordeeld," antwoordt Bentinck: "de Heer
Tromp alleen is in 't geheim; doch hij zal niet met het uitvoeren
van den tocht belast worden;--en dit acht hij, met den Prins, in
't belang der zaak zelve."

"Hoe kan dat zijn?" vraagt Witsen.

"Ik heb," voegt Geelvinck er bij, "hooge achting voor de verdiensten
van den Heer Tromp; maar ik kan toch niet vermoeden, dat hij,
de Luitenant-Admiraal-Generaal, de belangen der onderneming beter
zou verzekerd achten in de handen van een ander en die nog wel een
minderen rang bekleedt."

"Dat is ook het geval niet," zegt Bentinck: "maar de Heer Evertsen
zal evenmin het bevel voeren over de onderneming."

"Niet?" roept Witsen: "ik hoop toch niet, dat men de fout begaan zal,
die den Staat eenmaal zoo duur kwam te staan, van het opperbevel der
vloot toe te vertrouwen aan een Generaal der Landmacht?"

"Neen, dat niet," antwoordt Bentinck; "maar de Prins heeft geoordeeld,
dat, wil men de gevoelens der Engelschen niet krenken, alle schijn moet
vermeden worden, alsof men als vijand, en met eene veroveringsvloot
kwam aanzetten. Die vloot moet alle waarborgen aanbieden, dat zij ter
hulpe opdaagt geheel voor een Engelsch belang: en geen betere waarborg
was daarvoor uit te denken, dan door haar onder 't commando te stellen
van een Brit. 't Zal den Heeren niet bevreemden, wanneer ik hun zeg,
dat die Brit geen ander zijn zal dan de Admiraal Arthur Herbert,
die zich, als bekend is, sedert eene maand hier te lande bevindt. De
Heer Tromp heeft zelf de aandacht op hem gevestigd: de zaak heeft
haar beslag en zijne benoeming tot Luitenant-Admiraal-Generaal zal
weldra plaats hebben. Hij heeft een tal van vrienden op 's Konings
vloot en het is zijne en onze verwachting, dat, zoodra zij weten,
dat hij op onze vloot het bevel voert, geen hunner zich genegen zal
betoonen eenigen weerstand te bieden, ja dat wij spoedig de helft
der Officieren en matrozen tot ons zien overkomen. Het eenig bezwaar,
dat zich zou kunnen voordoen, bestaat in de wijze, waarop ons zeevolk
en vooral onze Vlootvoogden de zaak zullen opnemen; doch ik vlei mij,
dat ook dit vraagpunt eene gunstige oplossing zal bekomen. De Heeren
Evertsen en Almonde zijn verstandige lieden, en de Prins bezit de
gave der overreding--althans," voegt hij er bij, "wanneer hij met
geene al te zwaartillende Heeren te doen heeft."

"Zeer waar," zegt Witsen: "er behoort moed toe, om 't met Z. Hoogheid
oneens te blijven."

"Dit nu," vervolgt Bentinck, "wat de Zeemacht betreft; met opzicht
tot de troepen had het verzamelen daarvan wel geen bezwaar in,
maar wel de kunst, om dit zoo te doen, dat er geen achterdocht
ontstond. Z. Hoogheid rekent 9000 voetknechten en omstreeks 4000
ruiters noodig te hebben voor den tocht: die waren licht te vinden;
doch door ze uit de bestaande krijgsmacht te nemen, zou men deze te
veel verzwakken, en 't ging niet aan, Engeland te verlossen, om zelve
de prooi van een ander te worden. Bovendien, die vermindering onzer
krijgsmacht kan niet geschieden buiten bewilliging der Staten: en om
deze te verkrijgen, zou de Prins hen van zijn oogmerk hebben moeten
doen kennis dragen, en, ware dit geschied, de Markies van Albeville,
althans de Graaff d'Avaux, had er spoedig de lucht van gehad. De Prins
rekende op zijne geluksster en die was gunstig: het binnentrekken
der Franschen in Keulen gaf een geschikt voorwendsel: en de wensch,
dat de grensplaatsen zouden versterkt en ons grondgebied behoorlijk
beveiligd worden, werd uitgesproken door de Staten zelven."

"Wat hun Fagel had ingegeven," zegt Geelvinck, binnensmonds.

"Aan de Heeren, die tot dat einde gecommitteerd werden, en waartoe
ik," vervolgt Bentinck, "ook behoorde, ontdekte de Prins zijn toeleg,
en nu, terwijl Keulen de dekmantel was, bevorderden zij met hem het
verzamelen van krijgsvolk."

"Wij hebben zoo iets vermoed," zegt Witsen, zich de kin wrijvende.

"Intusschen," herneemt Bentinck, "het werven van krijgsvolk is een
werk van langen nasleep en onzekeren uitslag en dat in ons geval te
veel gerucht zou gemaakt hebben; er moest dus een ander middel gevonden
worden, om ons doel in dezen te bereiken, en Z. Hoogheid droeg mij de
taak op, dat middel te beproeven. Ik werd naar Berlijn afgevaardigd,
quasi om bij den nieuwen Keurvorst den rouw te beklagen over zijns
vaders dood; doch inderdaad, om hem bekend te maken met onzen toeleg en
zijn bijstand te verzoeken. Met die zelfde boodschap heb ik de Hertogen
van Lunenburg-Zels en van Wurtemberg, en den Landgraaf van Hessen
bezocht, en allen bereid gevonden, om 's Prinsen toeleg te begunstigen,
in geval van oorlog met Frankrijk de Staten bij te staan, en desnoods
de manschap aan te vullen, die van hier over zee gezonden wordt."

"Ik twijfel er niet aan," mompelt Geelvinck; "of men zal die Duitsche
Vorsten steeds bereid vinden, hun onderdanen in te wisselen tegen
Hollandsche dukaten."

"En wat meer is," vervolgt Bentinck; zich houdende of hij de aanmerking
niet gehoord had, "de Hertog van Hanover zal niet aarzelen in elk
geval partij voor ons te kiezen."

"Hoe?" vraagt Witsen, eenigszins verrast: "in weerwil van zijne
verbintenis met Frankrijk?"

"Wanneer ik zeg, de Hertog," herneemt Bentinck, glimlachende, "dan
meen ik, onder ons gezegd, de Hertogin. Zij heeft niet vergeten, dat
zij eene kleindochter is van Koning Jacobus I, en, bij 't afsterven
van de Prinses van Oranje en die van Denemarken zonder wettig oir, de
naastgerechtigde tot de kroon van Groot-Brittannië. De gesprekken van
den Heer Burnet hebben de staatzuchtige vrouw vuur doen vatten en zij
heeft haar Vorstelijken gemaal zoodanig weten te bewerken, dat ik hem,
bij mijn bezoek, geheel op onze hand vond.--Voeg hier nu bij, dat wij
op het bondgenootschap van Zweden kunnen rekenen, zoodat eerstdaags
een tractaat met Koning Karel XI staat gesloten te worden, waarbij
het ons zesduizend man toezegt, die in onze soldij zullen komen.--De
Heeren zien dus, dat twee der hoofdbezwaren bereids zijn overwonnen,
en het was Z. Hoogheid nuttig en noodig voorgekomen, mij hierheen te
schikken, om hiervan Uwe Achtbaarheden kennis te doen dragen."

Wederom eene wijl stilte. De Burgemeesteren zien elkander een oogenblik
aan, als wilde de een den ander de eer laten om 't woord te voeren:
eindelijk vat Witsen, als gastheer, het op.

"Ik geloof ook in naam van mijn ambtgenoot te spreken, wanneer ik Uwe
Edelheid dank zeg voor de ons bewezen eer; maar ik geloof evenzeer
in zijn naam te spreken, als ik er bijvoeg, dat Uwe Edelheid zich de
moeite der reis had kunnen sparen. De Heer Bentinck versta ons wel;
zijn bezoek is ons welkom en zijne tegenwoordigheid vereert ons huis;
maar de mededeeling van nieuwe en meer staatsgeheimen verzwaart den
last, die al reeds op ons drukt en ons hoe langer hoe meer in eene
valsche stelling doet verkeeren tegenover onze mederegenten, wie wij
niet mogen waarschuwen voor de kans, die zij loopen, om hunne schepen
of goederen in Frankrijk of Engeland te zien in beslag nemen. Hadden
wij tot de onderneming geraden of ons zelfs bijzonder gunstig daarover
uitgelaten, de zaak ware verschillend; doch, wat mij althans betreft,
ik heb daar ten allen tijde bedenkingen tegen aangevoerd, en ik geloof,
dat de Heer Van Castricum daarover niet anders denkt dan ik."

"Ik dank den Heer Witsen voor zijne rondborstigheid," zegt Bentinck;
"doch hij zal mij wel willen toegeven, dat een iegelijk onverstandig
handelt, die, als hij zijn vertrouwen iemand schenkt, hem zijne
geheimen maar ten halve mededeelt: en dewijl nu de Heeren van den
aanvang af door Z. Hoogheid zijn geraadpleegd geworden, geboden
plicht en noodzakelijkheid, dat zij niet onkundig bleven van den
tegenwoordigen stand der zaak. Maar bovendien, ik heb gezegd, dat
twee der voorwaarden, zonder welke de onderneming niet kan doorgaan,
zijn vervuld: over de derde heb ik nog niet gesproken. De zenuw van den
krijg is--geld:--en Amsterdam heeft de koorden van de beurs in handen."

"Ik verbeeldde mij," zegt Witsen, "dat de geldzaak in orde was,
althans geen bezwaar kon maken."

"Ja, en neen.--'t Is waar, de Admiraliteiten hebben ter dezer
gelegenheid goedgunstig toegestaan--iets wat zelfs de Heer De Witt
indertijd nooit van haar heeft kunnen verkrijgen--de uitrusting bij
wijze van voorschot voor hare rekening te nemen;--doch de huur der
transportschepen, de soldij van het te verwachten krijgsvolk en de
hemel weet hoeveel meer nog, moet betaald worden, en daartoe zal geld,
en niet weinig ook, benoodigd zijn."

"Dat zal te zijner tijd aan de Staten dienen gevraagd te worden,"
merkt Witsen aan.

"Ja, dat zal kunnen geschieden, als eens de Staten in 't geheim
zijn genomen; doch de tijd daartoe is nog niet geboren--en het
is den Prins thans maar alleen te doen, om te weten, of, naar de
meening van de Heeren, Amsterdam genegen zal bevonden worden, om ter
Staten-Vergadering tot onderstand te raden, en desnoods de middelen
aan te wijzen, om de zaak te bevorderen."

"Ik heb vroeger," zegt Witsen, "reeds mijn twijfel te kennen gegeven,
of een voorstel in dien geest hier bij de Vroedschap wel zou doorgaan."

"Dat weet ik," herneemt Bentinck: "maar er zijn sedert dien tijd
twee maanden verloopen en de verontwaardiging over de tirannieke
handelwijze van Koning Jacobus heeft meer en meer veld gewonnen: de
gemoederen zullen wellicht thans meer ten voordeele der onderneming
gestemd zijn, dan vroeger het geval is geweest."

Hier vat De Wildt, die tot nog toe bescheiden gezwegen heeft, het
woord op, om 's Prinsen vertegenwoordiger te steunen: "Ik weet zeker,"
zegt hij, "dat bij niet weinigen een kruistocht ten behoeve der
Protestantsche Kerk als eene Gode behaaglijke daad wordt beschouwd."

"Juist!" voegt Bentinck er bij: "en men vergete niet, dat, toen de
Heeren 't eerst over deze zaak onderhouden werden, er geen Prins van
Wales meer verwacht werd, dewijl het gerucht vrij algemeen liep, dat
de Koningin een miskraam had gehad. Mocht men toen de hoop voeden,
dat de staat van zaken in Engeland alleen van tijdelijken aard was,
en dat, als, na het overlijden van den Koning, Prinses Maria de kroon
aanvaardde, alles daar weder op den ouden voet zou terugkeeren,
thans is alles veranderd; men is op eene wijze, die ik niet zal
qualificeeren, voor den dag gekomen met een Prins van Wales: komt
morgen Jacobus II te sterven, er is niets veranderd, men behoudt een
Jezuïeten-regeering, en, in stede van een Protestantsch, een Roomsch
Engeland. Daartegen dient gewaakt, en kon men vroeger beweren, dat
alleen de belangen van Z. Hoogheid, als echtgenoot der Prinses-royaal,
in de zaak gemengd waren, thans is het onze geheele Republiek, die
belang heeft, een einde te maken aan den toestand, die ginds bestaat."

"Ik heb vroeger gezegd, en zeg het nog," hervat Witsen, "dat,
waar het de belangen van den godsdienst geldt, men die Gode alleen
behoort over te laten.--Houdt de meerderheid in Engeland krachtig
aan de Protestantsche Kerk vast, dan zal zij ook bij machte zijn,
de Paperij te weren, en desnoods Koning Jacobus te behandelen als
zij vroeger zijn vader heeft gedaan.--Als wij echter de zaak niet als
theologanten, maar--wat geloof ik, onze plicht is--als staatslieden
beschouwen, dan komt zij mij voor, eene minder aanbevelenswaardige
zijde te hebben. De onderneming gelukke al of niet: wij maken ons
Frankrijk ten vijand, dat enkel op een voorwendsel wacht, om den krijg
te hervatten: en, hebben wij herhaaldelijk met roem oorlog gevoerd,
een land van commercie, als het onze, heeft behoefte aan vrede."

"De Heeren," zegt Bentinck, "hebben mij echter vroeger de verzekering
gegeven, dat zij zich niet tegen het verleenen van onderstand zouden
verklaren."

"Ongetwijfeld," zegt Geelvinck: "en de Heer Witsen wil alleen het
gevoelen uitdrukken van hen, die de zaak bloot van een politieke
zijde beschouwen."

"Wel," hervat Bentinck, "verbeuren wij de vriendschap van Frankrijk,
waar toch al niet veel op te roemen valt, wij verzekeren ons van die
van Engeland:--en 't is vooral dat Rijk, onze mededinger op zee, waar
wij in goede harmonie mee moeten leven. Verdeeld hebben wij alles te
vreezen: dit heeft 't jaar 72 genoeg geleerd:--vereenigd kunnen wij
geheel Europa tarten."

"Wij zullen," zegt Witsen, "dan wachten tot wij officieel worden
uitgenoodigd, de Vroedschap te raadplegen, en dan wil ik den Heer
Bentinck gaarne ons voornemen mededeelen, 't welk strekken zal te
verklaren, dat, zoo de Prins volhardt in zijn plan, wij het betamelijk
achten dat de Regeering hem ondersteune, mits men met de Engelsche
Natie op een goeden voet blijve, en, zoo mogelijk, worde schadeloos
gesteld voor de opofferingen, ten haren behoeve gedaan.--En nu,
mijne Heeren! het avondmaal wacht: de Heer Bentinck zal niet weigeren
het geringe voor lief te nemen en voor eene wijl, aan mijn disch,
met ons, alle staatszorgen en politieke quaestiën aan eene zijde te
stellen en ons 't een en ander te vertellen van het merkwaardige,
dat hij op zijne reizen bespeurd heeft. Hij is toch een Ulysses


mores hominum qui vidit et urbes [60]


en wij kunnen van hem vernemen, hoe het in die Duitsche steden er
uitziet, sedert wij ze in onze jeugd bezochten."

Bentinck buigt zich, wel inziende, dat voor 't oogenblik elke poging
om tot het behandelde onderwerp terug te keeren, geheel vergeefs
zou wezen, en de vier Heeren begeven zich naar de eetkamer, waar
een prachtige en overvloedige maaltijd is aangerecht. Wat onder
het nuttigen daarvan gesproken wordt, hebben wij hier niet te
vermelden: alleen dit, dat, als op het nagerecht Bentinck aan de
beide Burgemeesters afvraagt of zij niet met hem een roemer willen
ledigen op den goeden uitslag der onderneming, zij zich beleefdelijk
daarvan verschoonen.

De tijd van scheiden komt. Bentinck, die zijne bekomst heeft van
het schokken en hossen in de toeslede, en niet bevreesd is, dat nu,
bij donkeren nacht, hem iemand herkennen zal, verkiest zich te voet
naar den Overtoom te begeven, waar de karos hem wacht, die hem naar
Honselaarsdijk bij den Prins zal brengen. Hij neemt afscheid van de
Burgemeesters en vertrekt, met De Wildt, die hem tot buiten de poort
vergezellen zal.

"Slechte troost, die men mij gegeven heeft," zegt hij, zoodra zij op
straat zijn, tot zijn geleider.

"Wees niet bekommerd, mijnheer!" antwoordt deze: "de Heer Witsen
is--wat zelden voorkomt--tevens een man van strenge nauwgezetheid en
een doorslepen diplomaat. Hij wil niet bepaald afraden wat wellicht
ten voordeele van den godsdienst strekken kan, en evenmin kans loopen,
dat men hem, als de onderneming verkeerd uitvalt, ten laste legge,
die met woord of daad te hebben aangemoedigd, maar wordt eens
de zaak in de Vroedschap aangebracht en aldaar, waar ik niet aan
twijfel, tot het ondersteunen van den Prins besloten, dan zal hij,
dan zullen de Heeren Van Waveren en Van Castricum, niets onbeproefd
laten wat dienen kan, om die ondersteuning zoo krachtig mogelijk te
doen zijn. Overhaasting alleen had ons voornemen kunnen verijdelen:
de zaak moet zooverre gevorderd zijn, dat het terugtreden onmogelijk
is, en de Stads-Regeeringen zelven dit inzien."

En de uitkomst leerde dat De Wildt de waarheid had voorspeld. Toen
de Raadpensionaris Fagel bij omzendbrief van 9 September aan de
Steden verzocht, haren Afgevaardigden ter dagvaart te gegelasten,
een besluit te nemen tot verdediging van den Staat, en te Amsterdam
de regeerende Burgemeesters benevens eenige Gemachtigden uit den Raad
werden verzocht van voorlichting te dienen, werd zoowel door dezen
geadviseerd als bij de Vroedschap begrepen, dat, onder de bestaande
omstandigheden, er geene keuze meer overbleef dan aan den Prins den
verlangden steun op de meest afdoende wijze te verleenen: en hoe
zich Witsen daarin tot genoegen zoowel van den Prins als van zijne
Vaderstad kweet, bleek daaruit, dat hij, toen, gelijk men weet, de
onderneming met goeden uitslag bekroond was, tot Buitengewoon Gezant
naar Engeland werd afgevaardigd, om den nieuwen Koning met zijne
troonsbestijging geluk te wenschen, en dat deze hem, tot loon voor
zijne diensten eene baronie wilde verleenen en het Curatorschap der
Leidsche Hoogeschool. Hij bleef echter ook toen zich zelven gelijk
en sloeg titel en waardigheid af, geen rang of voorrechten voor zich
begeerende te trekken uit eene gebeurtenis, waarvan het bevorderen
aan zijne stadgenooten wel veel eer en oogenschijnlijk ook veel
blijdschap had gegeven, maar tevens, door den oorlog met Frankrijk,
die nu ontstond, onmetelijke nadeelen had toegebracht.



I.

Costers Academie.


Wij willen nu, van het huis van Witsen naar de overzijde gaan, om
stand te houden voor dat poortje, tusschen de Run- en Beerestraten,
en eens te zien, wat op die smalle strook papier te lezen staat, die
er is aangeplakt en de aandacht van de voorbijgangers niet weinig
schijnt te trekken. Daar zijn wij er, en, vergeet dit niet, het is
op een Decemberdag van 't jaar. Zie maar; gij behoeft er uw bril niet
voor op te zetten: de letters zijn groot en duidelijk genoeg. Er staat:


                             I. v. Vondels
                              Gebroeders,
                               Treurspel.

    't Gerecht des hemels haet het gruwlijck bloedvergieten,
      Verdelght al Sauls huis en zijn gedachtenis.
    Al schijnt het aen den tijd hier jaren lang te ontschieten,
      Hoe langh de wraeck vertrecht, zij komt in 't end gewis.

                                        Ten vier uren presijs [61].


Eilieve! een stuk van den ouden Joost! dat zal wel de moeite waard
zijn, dat wij 't eens gaan kijken. Maar 't is nog geen drie geslagen:
wij hebben nog den tijd, en terwijl wij een straatje omwandelen, zal ik
u inmiddels eens vertellen, waar wij Amsterdammers dien schouwburg, die
daar nu eerst sedert drie jaren staat, eigenlijk aan te danken hebben.

Gij weet, naar ik onderstel, dat, reeds vóór de hervorming, het
in de Nederlanden krioelde van zoogenaamde Kamers van Rhetorijke,
of Rederijkers-Gezelschappen, in welke men moralisatiën of "Spelen
van Sinne" vertoonde, prijsverzen opgaf en beantwoordde, plechtige
optochten hield en zich en anderen op verschillende wijze poogde te
vermaken. De geestelijke heeren, die toen juist allen geen heiligen
waren, kregen er in die zedespelen niet zelden ongenadig van langs:
en zij getroostten zich dat: al sedert de dagen van "den vos Reynaert"
waren zij het gewend, dat men met hen schertste. De leus van Mazarin:
"laat ze gerust zingen als zij maar betalen," was ook toen de hunne,
en zoolang noch hun gezag noch hun inkomen schade leed, lieten
zij dat Rederijkersvolkje gerust zijn gang gaan, ja vermaakten
zich nog wel over de uitgekraamde zedelessen en schimpscheuten,
die zij, natuurlijk ieder op zijn frater, en niemand op zich zelven
toepasten. Maar zie! daar kwam Luther; daar vond zijne stem, en die
zijner medestanders weerklank hier te lande, en dat wel bijzonder
in de Kamers van Rhetorijke, die, hoezeer dan op kleine schaal,
toch de critiek vertegenwoordigden, evenals in latere eeuwen de
dagbladpers. Nu veranderde de zaak van natuur. Wat men uit den mond
van de predikers der hervorming niet hooren wilde, dat wilde men
even zoomin hooren van de Rederijkers: en zoo werden op vele plaatsen
de kamers verboden en de leden gestraft. Te Amsterdam, waar in 1553
eene dier Kamers een batement of blijspel vertoond had, in 't welk
de zeden der geestelijken wat onvoorzichtig waren doorgestreken,
werden de negen liefhebbers, die 't stuk gespeeld hadden, tot eene
bedevaart heel naar Rome veroordeeld: wat hun althans belette, in de
eerste maanden zulk een waagstuk te herhalen.

Van dien tijd af schijnen alle Kamers voor eene wijl uit Amsterdam
verdwenen te zijn, op eene na, die, ook na de Regeeringsverandering
in 1578, in stand bleef, en de "Oude Kamer" genoemd werd. Zij voerde,
tot blazoen, een kruisbeeld met een egelantier onder de doornen, en
tot zinspreuk In Liefde Bloeyende. Werkelijk bloeide zij dan ook, niet
enkel door het getal en het aanzien harer leden, waaronder schier al de
voornaamste Regenten geteld werden, maar ook door hare werkzaamheden,
als een school, waar de regelen der schrijftaal door mannen als
Coornhert, Spieghel en Roemer Visscher onderzocht en het Nederduitsch,
zooals wij het thans spreken en schrijven, gevormd zou worden.

In 't jaar 1585, na 't overgaan van Antwerpen, kwamen twee Brabantsche
Kamers vandaar naar Amsterdam over. De eene, die niet lang in wezen
bleef, had tot blazoen "het Vijgeboomken," met de zinspreuk Het zoet
vergaeren: de andere heette "De Witte Lavender," met de zinspreuk Uit
levender jonst. Tusschen deze laatste en de "Oude Kamer" ontstond alras
groote naijver: op de Oude Kamer werden sommige stukken van Hooft,
op de Brabantsche in 1612 Vondels "Pascha," op beide de geestige
kluchten van Bredero vertoond. Maar de naijver ontaardde in twist,
eerst tusschen de beide Kamers, toen tusschen de leden onderling; het
personeel was van lieverlede niet meer wat het vroeger geweest was;
schier alle mannen van aanzien en smaak hadden zich onttrokken aan een
gezelschap, waar lieden zonder opvoeding den boventoon voerden. De
gelijkheid van allen op het gebied der kunst is op zich zelve eene
schoone zaak; maar evenals elke andere gelijkheid, mist zij veelal
hare toepassing, wanneer zij in practijk gebracht en aan vaste regelen
moet onderworpen worden. Het mocht een schoon denkbeeld heeten, dat
in de Rederijkerskamer de nederige ambachtsman zich eene plaats kon
verschaffen naast den vermogenden handelaar of den deftigen regent:
dat, waar alleen iemands letterkundige verdiensten in aanmerking
kwamen, de winkelier Vondel of de smid Krul eene hoogere plaats innamen
dan deze of gene Schepen of Commissaris; maar niet alle winkeliers en
ambachtslieden, die in de Kamer werden opgenomen, waren mannen van
bekwaamheid en studie als Vondel en Krul. Velen waren onbeschaafd,
lieden, die handwerk en huisgezin verwaarloosden, om zich toe te
geven aan onbeduidende rijmelarij: lieden, die geen behoefte naar
onderricht, geen zucht tot veredeling van hunnen smaak, geene liefde
tot de kunst als zoodanig naar de Kamer dreef, maar het verlangen om
lof in te oogsten voor hun erbarmelijk broddelwerk, om hunne ijdelheid
gestreeld te zien door zich in denzelfden kring te bevinden met hunne
Magistraten, of wel, wat nog erger was, om zich bij kroes en kan te
vermaken in gezelschap van "vroolijke jongens" gelijk zij. Was het
wonder, dat, toen die "vroolijke jongens" den boventoon kregen, de
meer beschaafden zich allengs terugtrokken? Was het wonder dat een man
van kiesche vormen en keurig in zijn omgang als Pieter Corneliszoon
Hooft, toen in 1611 de Schepen Dr. Jan ten Grootenhuis eene poging
aanwendde tot herstel der Kamer, zijne medewerking alleen verbond
aan de voorwaarde, dat "den onnutten en ongebondenen, die alleen
tegen de geregeltheid schoorvoeten, uit naam der Heeren Magistraten
beluit werden, op boete van geweldt, haar der Kamer te onthouden." Hoe
weinig ook de vroolijke blijspeldichter Gerbrand Adriaensz. Bredero,
van wien men anders een min gestreng oordeel over de leden der Kamer
verwacht zou hebben, met hen was ingenomen, bleek uit de benaming van


    Dit wraeck-goed, dat uitschot, dees onwetende buffels,


die hij den toenmaligen toongevers naar 't hoofd wierp, en uit de
naastvolgende vergelijking, welke hij tusschen de vroegere en latere
leden der Kamer maakte:


    Besiet de kaerten self en overleest de namen
    Van over twintigh jaer, gy zult schrickend u schamen,
    Dat ghy nu met dit schuym soudt wonen hier ten pronck
    Of in de schouplaets, daer eerst niet dan goud in blonck.


Toch was er een man, blakende van liefde voor de kunst, en die er niet
aan wanhoopte, door zijne pogingen aan de Kamer eene betere toekomst te
bereiden. Die man was Dr. Samuel Coster. Met echt Hollandsch overleg
begreep hij, dat, wilde men eene goede uitkomst verkrijgen, men vóór
alles moest beginnen met de financiën der Kamer op een geregelden
voet te brengen.

Vroeger had de Stad de onkosten gedragen, die op het spelen liepen;
nu wisten Coster en zij, die hem ter zijde stonden, met de Regenten
van het Oude-mannenhuis eene schikking te treffen, die aan weerszij
de voordeeligste uitkomsten opleverde. Men liet de toeschouwers
eene kleinigheid betalen en stond de ontvangen penningen af aan
het genoemde gesticht, uit welks inkomsten daarentegen de kosten
vergoed moesten worden tot het spelen gemaakt. Het voordeelig slot
van rekening had omstreeks 't jaar 1615, in minder dan tien maanden
tijds, f 2000 beloopen; terwijl de Kamer, nu geene uitgaven hebbende,
in dien tusschentijd merkelijk verrijkt was geworden. De verkregen
uitkomsten moedigden Coster aan, met des te meer kracht de handen aan
't werk te slaan, om eene algeheele hervorming der Kamer tot stand te
brengen. Wel is waar, de tegenkanting, die zijne pogingen ondervonden,
was niet gering. Aan de eene zijde had hij te kampen met velen uit de
Rederijkers zelven, die hij voor een troep "moolikken" schold: aan de
andere zijde verhieven de kerkelijken hun krachtige stem. De dominees
hadden, tevens met de onverdraagzaamheid der priesters en der monniken,
ook hun haat tegen de Rederijkers overgenomen, en bij hun afkeer van
alle wereldsche vermaken konden zij het aan Coster niet vergeven, dat
hij in zijn treurspel "Ifigenia" de geestelijke heerschzucht in den
persoon van Eurypilus had tentoongesteld. Maar Coster was de man niet,
om zich aan het gekef van ontevreden Rederijkers of aan het gebulder
van vergramde predikanten te storen: te minder, daar hij een krachtigen
steun vond in de "politieken," gelijk men de zoodanigen noemde, die het
evenwicht tusschen de partijen zochten te bewaren, en den Staat buiten
of liever boven allen kerkelijken twist te houden. Coster scheidde zich
met zijn aanhang af van dien ordeloozen hoop en richtte de Kamer van
nieuws af op, onder den naam van "Academie," en wel in een gebouw,
op zijne kosten gesticht op het erf, dat wij zooeven verlieten, en
dat hem de Regeering daartoe had afgestaan. Inmiddels was tusschen
hem en de Regenten van het Burger-Weeshuis op 23 September 1617 eene
overeenkomst gesloten, waarbij bepaald werd, dat het Weeshuis al de
kosten dragen en gedurende de eerste zes jaren een derde gedeelte
van de ontvangsten genieten zou, en hij de overige twee derden: na
verloop dier zes jaren zouden partijen de winsten gelijkelijk deelen.

Nog in 't zelfde jaar 1617 werd de Academie ingewijd met een voorspel,
"Apollo" genaamd, en vervaardigd door zekeren Siffridus Sixtinus,
na hetwelk men het treurspel gaf van G. Van Hoogendorp "de Moord
beghaen aan Willem Prince van Oranien." Des anderen daags vertoonde
men "Warenar met de Pot," die allervermakelijkste klucht van Hooft.

Of nu, toen de termijn, bij de overeenkomst bepaald, begon te naderen,
Coster geld noodig had, of zijne praktijk als geneeskundige hem
geen tijd genoeg overliet, om zich met de beslommeringen van eene
tooneeldirectie te bemoeien, dan of hij er door andere redenen
toe genoopt werd, zeker is het, dat hij op den 9den Augustus 1622
aan het Weeshuis het erf, den opstal en al den theatralen toestel
overdeed voor eene som van--schrik niet!--f 6850, en eene kusting
van f 3200 ten behoeve van Lammert Lammertsz., die er op kleefde en
ten laste van 't Weeshuis werd overgeteekend. En ik kan er u bij
vertellen, waar die theatrale toestel in bestond: ja, 't was niet
min, en de merkwaardigheden van 't Doolhof zelf konden er niet bij
halen. Luister maar:

 1º. Eenige geschilderde omdraaiende doeken.
 2º. 22 wapens van de voornaamste prinsen, op ovalen geschilderd.
 3º. 9 vierkante wapens van de Unie en 6 prinsenwapens op doek.
 4º. 3 groote schilden, daar de lampen aan hingen, aan de andere
     zijde geschilderd, met hunne blokken en koorden.
 5º. Het dalende hemelwerk met zijne loopstangen, koorden en blokken.
 6º. 3 tafels, met hare schragen en banken.
 7º. Nog eene tafel, wat kleiner, met twee schragen.
 8º. 3 stukken, daar het tooneel mee vergroot wordt.
 9º. Eene gevangenisdeur, traliesgewijze gemaakt.
10º. Twee groote houten traliën, in het spel van Hersilia gemaakt.
11º. De blaffeturen, gemaakt tot hemelwerk.
12º. 2 groote zwarte linnen gordijnen, daar het tooneel mee gesloten
     wordt.
13º. Al de losse deelen op de hoogste zoldering.
14º. Het graf van Achilles.
15º. De triumfwagen.
16º. Het vierkante autaartje.
17º. Vormen van tienwerk, op zolder liggende.

Ziet ge, al dat moois, die blaffeturen en dat graf van Achilles,
die ovale wapens en die gevangenisdeur, en wat er meer op den
catalogus stond, met nog een huis en erve op den koop toe, voor even
f 10,000! Men kan niet zeggen, dat Dr. Samuel die Heeren te erg het
vel over de ooren gehaald heeft.

Maar terwijl de Academie nu voor rekening van het Weeshuis speelde,
bleef dat gedeelte van de leden der Oude Kamer, dat Coster niet gevolgd
was, zijne vertooningen in zijn oude lokaal boven de vleeschhal
in de Nes voortzetten voor rekening van het Oude-mannenhuis: en
wat men al praten moge van de voordeelen eener vrije concurrentie,
goede tooneelspelers zijn zoo dik niet gezaaid, dat men ze maar voor
't vragen heeft, en dewijl de stukken van onze vrienden Hooft, Coster,
Bredero, Vondel, enz. doorgaans elk voor 't minst een dozijn bekwame
tolken vereischen, wat al zooveel was en nog is als de stad met moeite
oplevert, zoo spreekt het wel van zelf, dat men met den bestaanden
voorraad van goede tooneelspelers maar op zijn best één schouwburg
gerieven kon, en dat, zoolang de bestaande krachten tusschen twee
wedijverende Kamers verdeeld waren, geen van beiden meer dan half
werk kon leveren. Zoo sukkelde men aan weerszij een jaar of wat
voort: men poogde elkander zooveel mogelijk de loef af te steken en
men onttroggelde elkander de goede spelers; gaf men in de Nes een
nieuw stuk, dan moest men het op de Keizersgracht ook geven; hield
men hier optochten bij feestelijke gelegenheden, dan moest ginds ook
hetzelfde groot spektakel vertoond worden: 't ging hard tegen hard:
de Regenten over en weer konden elkander niet langer luchten of zien,
en de beide godshuizen leden er niets dan schade door. Burgemeesteren
begrepen eindelijk, dat het zóó niet langer gaan kon en drongen
er op aan, dat de twee inrichtingen, de Oude Kamer en de Academie,
goedschiks of kwaadschiks, zich tot één lichaam zouden vereenigen;
maar het duurde toch nog tot in 't jaar 1635, eer die zaak haar beslag
kreeg en het Weeshuis een derde gedeelte van den Schouwburg met diens
toebehooren, aan het Oude-mannenhuis verkocht. Eens echter, tot een
vergelijk gekomen zijnde, begreep men, geen half werk te moeten doen,
en, in plaats van de houten loods, waarin men tot nog toe gespeeld
had, een fiks gebouw van kalk en steen te zetten: en de Regenten der
godshuizen konden met te meer gerustheid daartoe besluiten, omdat zij
in hun midden den bouwmeester bij de hand hadden, wien zij 't werk
konden opdragen: den Mederegent van 't Weeshuis en Vroedschaps-Lid
Nicolaas Van Campen.

Aan den naam van Van Campen hecht zich bij u, als bij iederen
Amsterdammer, menige herinnering, niet waar? en misschien wenscht gij
te weten of en in hoeverre de man, dien ik u noemde, met den beroemden
bouwmeester van 't Stadhuis in betrekking stond. Gelukkig ben ik
in staat tot zekere hoogte aan uwe nieuwsgierigheid te voldoen. Er
leefden in de zestiende eeuw twee gebroeders, Willem en Jacob, en eene
zuster, wier doopnaam ik niet gevonden heb. Willem was de grootvader
van den bovenvermelden Nicolaas, Jacob had twee zoons, Cornelis en
Pieter. Cornelis, in 1564 geboren, was een man van hooge beschaving
en fijngevormden smaak; op gevorderden ouderdom was hij, bij zijn
verbazend geheugen, nog de vraagbaak van velen. Vondel zong hem zijn
"Koninklijke Harp" toe en Hooft raadpleegde bij 't schrijven zijner
Nederlandsche Historiën hem over al, wat betrekking had tot hetgeen
te Amsterdam in de Spaansche tijden en bij 't "geus worden" der stad
was voorgevallen. Hij, Cornelis, was getrouwd geweest met Catharina
Quekels, die hem twee kinderen schonk, Jacob, in 1598 geboren, en
de bekoorlijke Machteld, haar, die door Constantijn Huygens bemind
werd, en op wier dood in 't bloeien harer jeugd Vondel zulk een
alleraandoenlijkst gedichtje schreef. Pieter, de broeder van Cornelis,
in 1568 geboren, had bij zijne vrouw, Gerritje Claessen, vrouwe van
Randenbroek, twee dochters, Margaretha en Geertrui, en een zoon,
Jacob, den bouwheer van 't Stadhuis.--En nu de zuster van Willem en
Jacob? Ik zeide u, dat haar naam mij niet bekend was; maar des te meer
die van haren man en hare drie dochters. Die man was Roemer Visscher,
de drie dochters Anna, Geertrui en Tesselschade.

Gij ziet alzoo, dat de familie zich over hare leden niet te schamen
had, en gij ziet tevens, dat, toen ik u bij eene vorige gelegenheid
[62] verhaalde, hoe 't op Tesselschades bruiloft toeging, ik recht had,
Machteld Van Campen aldaar als speelnoot in te leiden, wier vader,
hoewel toen reeds bij de zestig, een volle neef was van de jonge bruid.

Het was dan aan Nicolaas Van Campen, dat, als ik u straks zeide, het
bouwen van den nieuwen schouwburg werd opgedragen. Die bouw, waaraan
ruim f 29,000 besteed werden, was in 't jaar 1637 voltooid. Op 3
Januari 1637 werd het gebouw ingewijd, en wel, gelijk gij weet, met de
vertooning van Vondels Gijsbrecht van Aemstel, en in tegenwoordigheid
van Schout, Burgemeesteren, Schepenen en Raden--wat natuurlijk niet
weinig ergernis gaf aan de predikanten, die al zoo tegen de Academie
geijverd hadden. Hoe voortreffelijk de bouwmeester zich van zijne taak
gekweten heeft, zou ik u kunnen aantoonen uit de verzen, die Vondel tot
zijn lof zong; doch 't is eenvoudiger en beter, dat gij er met eigen
oogen over oordeelt en, dewijl wij nu de plek weer genaderd zijn en
wij, al zijn de twee groote lantaarns boven de poort reeds opgestoken,
nog een half uurtje den tijd hebben, kunnen wij dit besteden, om de
localiteiten op te nemen. Ik ben bij Regenten en suppoosten bekend
en kan u overal binnen brengen, ook waar 't publiek geen toegang heeft.



II.

De nieuwe Schouwburg.


Hier hebt gij nu, om te beginnen, de hardsteenen poort, van Dorische
orde gebouwd, en zeer eenvoudig, wat ook niet meer is dan naar
behooren; want maakt men den ingang van een gebouw te mooi, dan valt
somtijds het binnenste af. Kijk, die twee borstbeelden boven de poort
zijn Herakliet en Demokriet; in het frontespies leest gij het woord
"Schouwburg," en daaronder, in gouden letteren, de gouden spreuk,
door Vondel berijmd:


            De wereld is een Speel-Tooneel,
            Elck speelt sijn rol en krijgt sijn deel, [63]


wat onlangs een spotter aldus parodiëerde:


            De wereld is een pijp kaneel,
            Elk zuigt er aan en krijgt niet veel.


Binnengaande, vinden wij hier rechts 't "Comptoyr," waar wij ieder ons
lootje nemen!--tweemalen in de week wordt er gespeeld, 's Maandags en
Donderdags; wij stappen het binnenplein over en treden, door de tweede
poort, die van 't gebouw zelf, het portaal binnen. Hier mangelt het
voorwaar niet aan verzen: lees dit maar, al wederom van Vondel, en dat
u meteen de verklaring geeft van de twee borstbeelden boven den ingang:


          Tooneelspel quam in 't licht tot leersaem tijdverdrijf,
        Het wijckt geen ander spel, nocht konincklijke vonden,
          Het bootst de weereld na: het ketelt siel en lijf;
        Het prickelt ze tot vreughd of slaet ons soete wonden,
          Het toont in 't klein bestek al 's menschen ydelheyd,
        Daar Demokryt om lacht en Heraklyt om schreyt.


en dan dat andere, van den glazenmaker Jan Vos:


        De Godsdienst roept de ziel: het lijf de zorg voor 't leven,
        Elck heeft haer eygen tijt, wie die hier tegen streven,
          Wie tijt in tijden vint, wort geen tooneel ontseyt.
          Zoo leert men door het spel noch deught in ledigheyt.


Vindt gij, zooals ik, die regels wat volle hoogdravend, en daardoor
wat duister, zoo lees deze, die zijn eenvoudig en verstaanbaar;
doch zij zijn ook weer van Vondel:


                Geen kind den Schouburgh lastigh sy,
                Tobackspijp, bierkan, snoepery
                Nocht geenerley baldadigheyd.
                Wie anders doet wordt uytgeleyd.


Eene nuttige waarschuwing inderdaad! Boven in de vleeschhal zaten zij
niet zelden onder hun pijpje en hun biertje naar de Kameristen te
luisteren; maar hier hebben de Regenten begrepen, dat wie op zijne
tabak en zijne kan verzot was, naar de kroeg kon gaan, en alleen
beschaafde lieden hier behoorden te worden toegelaten. En nu gaan
wij links deze breede trap op naar de Regentenkamer. Zie, 't ruime
vertrek staat vol met beelden van goden en godinnen, die nog van de
"Oude Kamer" hierheen zijn verhuisd, en boven de ruime Schouwe leest
gij dit raadseltje van Vondel:


                    Geluckigh is het Land,
                Daer 't kind sijn moer verbrant.


Hierboven zijn de woonvertrekken van den kastelein; daar zult gij
niet veel vinden, om uwe belangstelling op te wekken. Wij keeren dus
maar naar 't portaal terug, en gaan, langs de trap tegenover de poort,
de schouwburgzaal binnen.

Wij bevinden ons nu in 't "ruim," waar de kijkers mogen staan, doch in
vergoeding vrijheid hebben heen en weer te loopen; wij zullen dan ook
gedurende de vertooning hier niet blijven, maar ons zetten in een van
die "cierlijke huisjes of kamerkens," die, ieder tusschen twee fraaie
pilasters in Korintischen stijl, in twee rijen boven elkander, om 't
"ruym" heenloopen. Daarboven is de gaanderij, met oploopende banken,
voor hen, die niet verkiezen te staan, en voor wie die "huisjes" te
duur zijn. Achter de banken, tegenover het tooneel, is een halfrond
kerkraam, dat, als de dagen lengen, vrij wat licht geeft en vrij
wat kaarsen spaart; echter is de kerkkroon, die in 't midden hangt,
bereids opgestoken.

Van het tooneel is nog niets te zien, behalve de voorgrond,
waar de muren aan weerskanten als gevangenis geschilderd zijn. De
achtergrond is afgesloten door het groote gordijn, waarvan de banen
met de stadskleuren afwisselen, zwart, wit en rood, en dat daar van
dien ijzeren dwarsstang afhangt. Moet het tooneel eene gevangenis
voorstellen, dan blijft het gordijn hangen; anders gaat het open en men
ziet.... wat gij zien zult. Maar van boven kunt gij over 't gordijn
heenzien, en bemerkt alzoo, dat de zoldering, die zich in 't midden
tot een hoog gewelf verheft, over zaal en tooneel doorloopt. Pas
op! daar beginnen al langzamerhand toekijkers op te dagen. Zie, die
man daar op de gaanderij, met zijn donker uitzicht, zijn platten neus
en smallen, doorloopenden knevel, dien gij voor een Oosterling zoudt
aanzien, en die toch een geboren Amsterdammer is, ja geen andere taal
spreekt dan zijne eigene, is Jan Vos, de schilder-glazenmaker, wiens
verzen gij zooeven gelezen hebt, en die jonkman met dat levendige oog,
die met hem spreekt, is de boekverkooper Otto Barentsz Smient. Hij
heeft, twee jaar geleden, eene der uitgaven van Vondels "Gijsbreghd"
bezorgd; maar het is niet als uitgever van boeken, dat hij zijn
naam zal vereeuwigen; neen, hij herkauwt een plan, waar hij nu nog
om wordt uitgelachen, maar dat hij eenmaal, zij het ook na jaren,
zal verwezenlijken: [64] hij wil namelijk eene "loopmare" of courant
uitgeven, die niet, gelijk nu, bij bijzondere gelegenheden alleen,
maar eens, ja meermalen in de week, de nieuwstijdingen, zoo uit het
vaderland als van elders in de wereld, mededeelt. Gij schudt het
hoofd, gij acht het onmogelijk, dat een dergelijk ontwerp ooit tot
stand kome: gij vreest, dat de schrijver van eene zoodanige courant
zich dikwijls verlegen zal vinden, om geschikte stof; maar Smient
is vol moed en voorspelt zelfs, dat er eenmaal een tijd zal komen,
waarin de courantiers het formaat hunner bladen vergrooten zullen,
wanneer die bladen niet meer eens of tweemalen 's weeks, maar dagelijks
in 't licht zullen komen: wanneer hun getal bestendig zal toenemen,
zonder dat de concurrentie hinder doet aan 't debiet: wanneer zij eene
macht in de wereld zullen worden, opwegende tegen die van Vorsten en
Parlementen en legers, en wanneer men de beschaving van een land zal
afmeten naar het getal zijner couranten, en dan zal het voor ons land
geene geringe eer zijn, het eerste gewest te zijn, dat geregelde, goed
geschrevene en met juiste berichten voorziene couranten geleverd heeft.

Maar dat afdwalen naar de toekomst, die de "loopmaren" wacht,
moet ons niet doen vergeten, dat wij in den schouwburg zijn, en dat
gij nog wel andere personen wilt leeren kennen dan Jan Vos of Otto
Barentsz Smient. Gij kijkt naar die Juffer, die daar zoo meteen in
een der kamerkens van de benedenste gaanderij heeft plaats genomen:
nu! ik kan het u niet ten kwade duiden; de fiere Katharijne Baeck is,
al telt zij reeds 38 jaren, nog altijd


            levend, helder, welgedaen, [65]


en


            Die schrander, snel en even jeughdigh siet, [66]


eene der schoonste onder de Amsterdamsche schoonen. Zij is de dochter
van den rijken koopman Lourens Baeck, en zoowel zij als haar vader en
al de zijnen hebben altijd veel vriendschap aan Vondel bewezen: wat
hij hun dan ook ruim vergolden heeft door de bevallige gedichtjes, die
hij hun heeft toegezongen, of waarmede hij hunne hofstede Schei-beek
bij de Beverwijk vereeuwigd heeft. Hij plaagde er haar vroeger mede,
dat zij alle vrijers afsloeg; doch was zij lang


            Katrijn, die met Diaen ten reie ging, [67]


zij schijnt begrepen te hebben, dat er een tijd voor alles is; althans
op 18 November j.l. heeft zij zich onder 't juk begeven, en wel met
dien deftigen Heer, die achter haar zit, den directeur Hillebrand
Bentes. Vondel heeft, als te verwachten was, een bruiloftslied op hen
gemaakt, en nu komen zij hem hun dank bewijzen, door bij de eerste
vertooning van zijne "Gebroeders" tegenwoordig te zijn. Er behooren
nog twee heeren tot haar gezelschap: de oudste is de geneesheer De
Haes uit de Beverwijk, de ander is haar broeder Joost, de zwager en
boezemvriend van den Drost. Of de Drost zelf zal komen, daar zou
ik schier aan twijfelen. Er is, sedert dat Vondel, nu eene maand
of wat geleden, tot de Roomsche Kerk is overgegaan, wat verkoeling
ontstaan in de vriendschap, die Hooft hem vroeger bewees; niet dat
deze juist zoo streng Gereformeerd is: ik geloof, om de waarheid te
zeggen, dat hij tot geheel geene Kerk behoort; maar hij is afgepast
en voorzichtig in handel en wandel, en een vijand van al wat naar
manifestatie en ostentatie zweemt. Bij hem wordt het hart altijd door
het hoofd beheerscht, bij Vondel regeert het hart het hoofd: en zoo
zullen die twee het op den duur nimmer samen kunnen vinden. Maar wie
in zijne genegenheid voor Vondel onwankelbaar blijft is de grijsaard,
die daar een paar kamertjes verder komt zitten, de geleerde professor
Vossius. Onze dichter heeft hem zijn treurspel opgedragen, en na de
lezing bracht Vossius er zijn oordeel over uit met twee woorden:
scribis aeternitati. [68] Dat lief en tenger meisje, dat met hem
gekomen is, is zijne zeventienjarige dochter Johanna, aan welke hij,
sedert het noodlottig omkomen van hare begaafde zuster Cornelia, [69]
in dubbele mate gehecht is. Arme vader! geen drie maanden zullen er
verloopen zijn, of eene kwaadaardige koorts zal u ook deze telg van
't hart scheuren en van geheel uw eenmaal zoo bloeiend gezin niet
eene enkele overblijven, om u de oogen te sluiten. [70]

Wilt gij nog meer bekenden van onzen puikdichter zien, zoo wend uwe
oogen eens eene verdieping hooger naar het echtpaar, dat in 't vierde
kamertje van het tooneel af gezeten is. De man is de waterschout
Nikolaas Van Buyl, de vrouw is Truitje Roemer Visschersdochter. Zij
had zich nog gevleid, dat hare zuster Tesselschade uit Alkmaar zou
overkomen, maar die keurde het seizoen minder tot reizen geschikt:
de lucht stond naar sneeuw, en als het sneeuwt, is de toegang tusschen
Alkmaar en Haarlem doorgaans belemmerd. Toch heeft de weduwe Crombalgh
zich aanbevolen om bericht, hoe 't stuk voldaan had; want al onderhoudt
Tesseltje voortdurend nauwe betrekking met hooggeplaatste lieden als
Huygens en Hooft, zij vergeet toch haar ouden vriend Vondel niet; en
't zou haar ook kwalijk passen, nu hij haar onlangs zijn "Elektra"
heeft opgedragen en haar geloofsgenoot geworden is bovendien. Zie, de
grijsaard nevens Juffrouw Van Buyl, is haar neef Cornelis Van Campen,
van wien ik u zooeven sprak, en twee plaatsen van hem zit Abraham De
Wees met zijne familie, de boekverkooper op den Middeldam, [71] die
thans bij voorkeur door Vondel met het drukken van diens gedichten
begunstigd wordt, wat hem geen windeieren leit. Op dezelfde rij wijs
ik u een tal van vrienden en verwanten van Vondel, meest buren uit
de Warmoesstraat, maar toch ook van den Nieuwendijk, van 't Rok-in
en elders. Daar hebt gij, om te beginnen, 's mans zwager Hans De
Wolff, die zich de zijde-kramer noemt, ofschoon hij wel handelaar
mag heeten, als men de uitgebreidheid in aanmerking neemt der zaken,
die hij drijft: bij hem zit zijn zoon, die Hans heet als hij, maar
zich liever Joan laat noemen, en diens aanstaande, Cornelia Block, en
daarachter, ja waarlijk, daar houdt onze dichter zelf zich schuil. 't
Is opmerkelijk, hoe de man, die met de pen in de hand zoo stout is
en voor niemand terugdeinst, zich in gezelschap zoo schroomvallig
toont en zich liefst op den achtergrond plaatst. Intusschen, dat
ziet men meer. Zie, daar verder op, nevens hen, die ik noemde, hebt
gij nog drie zijdehandelaars: David Rutgers en Daniël De Neufville,
en den ouden Abraham van Halmael, met zijne dochter Sara en haren
man, Warner Van Lennep, van Emmerik, wien de booze wereld nageeft,
alleen om hare hand te bekomen Mennist geworden te zijn en het
bedrijf van goudsmid opgevat te hebben, tot groote ergernis van
zijne familie. Zijne vrouw is machtig op 't comediespel gesteld:
de tooneelspeler Adam Carelsz. heeft dan ook nog onlangs haar lof
hemelhoog verheven in de opdracht eener bij hem gedrukte vertaling
van Horace, een treurspel van zekeren Corneille, die in Frankrijk
naam begint te maken als tooneeldichter, welke vertaling het werk is
van zekeren Jan De Witt van Dordrecht. De verzen zijn juist niet te
best; maar men zegt, dat de jonkman in andere dingen niet onknap is en
zijn weg wel maken zal. Om tot Juffer Sara terug te keeren, gij ziet,
dat zij hare kinderen vroegtijdig smaak in de kunst wil geven, want
zij heeft hare beide zoontjes, Jacob en Jan, en haar dochter Betje
meegebracht. 't Zal te bezien staan, of zich de liefhebberij in haar
nakroost zal voortplanten. Die brunette daarnevens is Maria Ansloo,
dochter van Jan Claesz. Ansloo, kruidenier op 't Water, en de jonkman
achter haar is haar vrijer, Anselmus Hartsen van den Nieuwendijk. Maar
pas op, daar komen de Regenten van de godshuizen, die 't tevens van
den Schouwburg zijn, hunne plaatsen innemen. Daar hebt gij, van 't
Weeshuis, Nicolaas Van Campen, den bouwmeester, Cornelis Jan Witsen,
Willem Van Loon en Guillaume Lindemone;--van 't Oude-Mannenhuis
Tijmen Jacobsz. Hinlopen, die, evenals zijne geheele talrijke
familie, veel met Vondel opheeft, en hem dikwijls te Eikhof op zijn
buitengoed bij Bussum noodigt; voorts Gijsbert Michielsz. Hoppesack,
Dirk Aertse Koek en Jan Michielsz. Blaeuw. Gerbrand Claesz. Pancras
behoorde ook vroeger tot de weesvaders, maar hij zit nu in hooger
waardigheid--daar komt hij het kamertje binnen, voor Burgemeesteren
bestemd, en met hem zijne ambtgenooten Abraham Boom en ridder Willem
Backer, vanouds begunstigers der Remonstranten en daarom bij Vondel
in goeden reuk. Wat Jan Cornelis Geelvinck betreft, ik geloof niet,
dat wij hem zullen zien; die valt niet erg comedieachtig. De vierde
man in hun kamertje is de Schout, Dr. Jan Ten Grootenhuis: nog altijd
dezelfde, die Vondel er door geholpen heeft, toen deze wegens zijn
Palamedes vervolgd werd en men hem naar den Haag opeischte, om hem
te hangen. En daarachter hen ziet gij het vroolijke gelaat van den
Stads-secretaris Daniël Mostert, Vondels grooten vriend, en die beter
dan eenig tooneelist de kunst verstaat, om 's dichters verzen voor te
dragen, dat zij roeren en treffen. Het Kamertje daarnevens is voor
de Schepenen bestemd. Daar ziet gij Dirk Tholinx, die met de zuster
van Hooft is getrouwd, en Henrick Dircksz. Spieghel, die eerlang
tot hooger waardigheid klimmen zal, en Reinier Joan Huydecoper, die
meer dan iemand er prijs op stelt, als een kunstminnaar erkend en
gevierd te worden. Maar ook de Vroedschap is heden avond niet slecht
vertegenwoordigd: daarover ons zit de grijze Jacob De Graeff, die,
in 1619 uit den Raad gezet, in 1630 daar weder inkwam op den eed,
door hem in 1603 gedaan; wat verder de oud-burgemeester Gerard Schaep,
die op de Bloemmarkt woont, met zijne nog altijd bekoorlijke vrouw,
Maria Spieghel, die als kind op Vondels schoot gezeten heeft, toen
hij nog bij haren oudoom, den beroemden zededichter, verkeerde. Het
verloop der jaren en het veranderen der omstandigheden hebben
een grooten afstand doen geboren worden tusschen de vrouw van den
aanzienlijken Regent en den eenvoudigen winkelier, maar toch betoonen
man en vrouw zich jegens hem minzaam als altijd en schuilt er achter
den eerbiedigen toon der verzen, die Vondel hun toewijdt, toch eene
vroolijke scherts, die van gemeenzaamheid getuigt. Eindelijk wijs ik
u nog Jan Claesz. van Vlooswijck, denzelfden, om wiens benoeming tot
Kapitein bij de schutterij elf jaren geleden zooveel te doen was en
heel wat volks ontschutterd werd. [72] Maar 't zal nu wel haast vier
uren zijn, zoodat wij ook een gemakkelijk plaatsje innemen: het spel
zal wel zoo aanstonds beginnen.

Ja waarlijk! de gordijnen worden over de dwarsstang
heengeslingerd. Nu! wat zegt gij? is 't niet een fraai tooneel,
met zijn prachtigen troon in 't verschiet, tusschen standbeelden
in nissen? Dat borstbeeld boven den troonhemel is dat van Prins
Frederik Hendrik, en hooger nog ziet ge op een schilderij de goden
van den Olympus, en in 't frontespies de Bijkorf. De zijwanden worden
gevormd door uitspringende balkons, met kolommen en pilasters van
Korintische bouworde. 't Is waar, het eene balkon is nu gedekt door
een geschilderd rotsscherm, dat er tegen aangezet is; wat te kennen
geeft, dat de handeling in de open lucht voorvalt; gij moet u alzoo
den troon en al 't getimmerte wegdenken en u voorstellen dat gij in
een bergachtig landschap kijkt. Een weinig verbeelding is er bij
noodig: maar bovendien, Vondel zorgt altijd in zijne stukken, dat
zijn personages aan den toeschouwer eene dichterlijke en toch zeer
juiste en nauwkeurige beschrijving geven van de plaats, waar zij zich
bevinden. Pas op! daar vertoont zich de Hoogepriester Abjathar met
zijne priesters op 't in een rots verkleed balkon; hij wordt ondersteld
nedergedaald te zijn van den bergtop, waar Gabaa gelegen is. Gij zoudt
voorwaar in dien deftigen grijsaard, wiens hoogepriesterlijks kleeding
Vondel zelf tot in de kleinste bijzonderheden heeft voorgeschreven,
den vroolijken offeraar aan de godin Bierana en den god Brandemoris,
Harmen Van Ilt, niet herkennen. Die voor de Rei van Priesteren 't
woord voert, is de letterzetter Frans Schuylingh. En daar treedt van
de andere zijde, zoo 't heet uit de vallei, de bontwerker Jan Lemmers
te voorschijn als Koning David, die den Hoogepriester komt raadplegen
over de middelen, om Gods toorn te verzoenen en de droogte te doen
eindigen. Voor de Levieten, die hem volgen, spreekt Adam Carelsz. van
Zjermesz, dezelfde, die ik u zooeven noemde als uitgever van den
vertaalden Horace--een uitmuntend tooneelspeler. En nu geluisterd....

Het eerste bedrijf is uit. Heerlijke verzen, niet waar? en hoe prachtig
is niet die beschrijving van de driejarige droogte en de daaruit
voortgesproten rampen! En hebben zich die vier zangers, Barend Van
Hoorn, Jacob Willemse, Jan en Jelis Noseman, niet voortreffelijk van
hunne taak gekweten? Ofschoon ik beken, dat ik de Reien liever hoorde
zeggen dan zingen; er gaat met dit laatste te veel van de woorden
verloren. Nu zullen die wraak- en moordlustige Gabaonners optreden,
voorgesteld door Thomas De Keyser, van wien Gansneb Tengnagel zong:


                't Cieraad onzer treurtoneelen,
                  Tomas Keyzer meen ik, die
                Ziel en zinnen plagt te streelen,
                  Ik, als Keyser, naad'ren zie

                Die de wereld zoo verbeelde,
                  Stem noch uytspraaks weerga had,
                Zelf ook met zijn wesen speelde,
                  Als hij maar 't toneel betrad.


Hoor! de Gabaonners zijn verlangend te weten, welk antwoord de Koning
van God ontvangen heeft; doch hunne nieuwsgierigheid wordt maar half
bevredigd. Maar nu komt David zelf uit het heiligdom en meldt hun,
dat Gods toorn alleen te stillen is door verzoening van het kwaad,
aan die van Gabaa door Saul gedaan. Dat is den Gabaonners koren op
hun molen en zij vorderen nu bloed--den dood van Sauls onschuldige
zonen. De Koning is alles behalve geneigd, om hun dien harden eisch
toe te staan; maar de Hoogepriester wijst hem op Gods geopenbaarden
wil, en Benajas--door Paulus Pierson voorgesteld--voegt er politieke
redenen bij.

Nu hebben wij 't derde bedrijf. Daar komen Rispa en Michal, Sauls
weduwe en dochter, in zwart en wit rouwfloers uitgedost. Voor Rispa
had De Bray moeten spelen, die uitmunt in de vrouwenrollen; maar hij
heeft het tooneel verlaten en nu neemt Isaac Verbiest zijne plaats
in. Michal is Jacobus De Villiers: beiden zijn goede tooneelisten; doch
't is te hopen, dat er eens een tijd komt, waarin wij de vrouwen ook
door vrouwen zien vertegenwoordigen. Nu komen die niet anders op het
tooneel dan als er gezongen moet worden; maar in een hoofdrol heeft
tot nog toe geene vrouw zich gewaagd. [73]

Volgt het gevangennemen der zeven gebroeders, voor wie Jan Heerhuyzen
de barbier het woord voert, en de jammerklachten der bedrukte moeders,
die in 't vierde bedrijf tot radeloosheid overslaan, wanneer zij van
David geen genade hebben kunnen verwerven en de zeven gebroeders aan
de Gabaonners overgeleverd en door hen ter strafplaats geleid worden.

De gordijnen worden nu nedergehaald; zeker zal er aan den toestel
veranderd moeten worden. Ik hoor al dat er gesjouwd en getimmerd wordt.

Daar gaat het tooneel weer open; ja, ik dacht wel, dat ons eene
verrassing bereid was: daar hebben wij zoowaar een tusschenspel! Daar
hangen de zeven broeders--net eene galg vol--van Gabaonners,
Staatsjuffers en Levieten omringd. De Keyser zegt er de verzen bij
op, die wij op het aanplakbiljet lazen. Zie! daar treedt eene van
de staatsjuffers voor, om eene weeklacht uit te boezemen. Hoor, hoe
er in de handen geklapt en gejuicht wordt! Ja, zulke vertooningen
kan ons publiek niet buiten:--hoe gruwzamer en hoe akeliger hoe
mooier, en ik ken er zelfs onder de zoogenaamd deftige lieden, die,
wanneer zij hun hart recht uitspreken, zullen bekennen meer vermaak
te scheppen in zulk een poppenspel, dat eigenlijk bij Lingelbach in
't Doolhof thuis behoorde, dan in 't aanhooren der fraaie verzen van
onzen puikdichter. Maar ik merk, dat gij niet van dat gevoelen zijt,
gij wordt bleek: dat schouwspel maakt u wee en gij verlangt naar
frissche lucht. Goed! dan zullen wij de rest maar voor gezien houden
en zoowel den Schouwburg als het jaar 1639 verlaten.



III.

De herbouwde Schouwburg.


Nauwelijks vijf en twintig jaren zijn verloopen, sedert dat wij ons
bezoek aan den Schouwburg brachten; maar als te Amsterdam een gebouw
25 jaren gestaan heeft, dan heeft men tegenwoordig er al genoeg van,
en dan moet het noodwendig veranderd, verfraaid of, liever nog,
geheel hernieuwd worden: adres aan het Pesthuis, dat pas gezet
was of het werd weder elders opnieuw herbouwd, aan de geheel van
gedaante veranderde Beurs, aan het spiksplinternieuwe Stadhuis, aan
het Zeemagazijn, aan de Heiligewegs- en andere stadspoorten, die,
pas gebouwd, weer gesloopt werden, om door fraaiere vervangen te
worden. Neen! men houdt in Amsterdam niet van lapwerk! bevalt iets
niet, dan moet het weg, om voor wat beters plaats te maken, en ieder
gebouw moet zijn eigen en passend karakter hebben. Zoo behoort het
ook en lang moge het zoo duren!

Evenals met zoovele andere gebouwen is het ook met den Schouwburg
gegaan. Zie, zulk een vast tooneel, dat voldeed op den duur
niet langer; altijd op zoo'n troon te kijken, ook al kwam er in
't stuk geen troon te pas, en dat nog wel sedert dat men in Italië
beweegbare schermen was begonnen te maken en zulks te Parijs en elders
was nagevolgd. 't Is waar, men had zinkluiken, om geesten te doen
opkomen, en eene wolk, met het opschrift: Jupiter omnibus idem, om
goden en engelen te doen nederdalen; maar dan was ook het voornaamste
gezegd. En dan was er, wanneer 't vol liep, gebrek aan zitplaatsen,
terwijl fatsoenlijke lieden er voor bedankten om in 't ruim onder 't
gepeupel te staan. Om aan deze en andere bezwaren te gemoet te komen,
vonden Regenten dan ook maar goed, geen halve maatregelen te nemen:
zij smeten 't gansche gebouw onder den voet en op 24 Maart 1663 lei
Mietje Vos, het dochtertje van den dichter, den eersten steen van de
nieuwe stichting. Niets bleef er bewaard van wat er geweest was, dan
alleen de beelden van Melpomené en Thalia, die naast den troon plachten
te staan en nu den voorgrond van het tooneel versieren. En willen
wij 't nieuwe gebouw, nu 't voltooid is ('t heeft f 36,663 gekost:
't getal des Beestes tusschen twee drietjes, zeiden de vrome lui),
niet weder eens gaan bekijken?--Tot uwen dienst; maar dan wachten
wij, zoo 't u hetzelfde is, liever nog eene goede honderd jaren: ik
breng u dan in de zaal op een merkwaardiger tijdsgewricht en ik geef
u meteen een kort overzicht van wat er intusschen met betrekking tot
den Schouwburg is voorgevallen.

Wij verplaatsen ons alzoo naar het jaar 1772 en wel naar Maandag den
11den Mei van dat jaar. Wederom staan wij op de Keizersgracht voor den
ingang, die zijne gedaante nagenoeg behouden heeft, doch Herakliet
en Demokriet zijn van boven de poort verdwenen en de lantaarns
tegen de zijmuren aangebracht. Ook het kantoortje, waar wij onze
lootjes nemen, bevindt zich nog op de oude plaats. Het voorplein
overgaande, bevinden wij ons, evenals voorheen, voor eene tweede
poort, naar welker bovenlijst de beide zooeven genoemde borstbeelden
in 1668 zijn verhuisd. En nu treden wij nogmaals het portaal binnen
en geven links onze plaatsbewijzen aan 't kantoor af. Helaas! geen
verzen hier meer aan de muren; doch daarentegen, in stede van eene,
drie deuren tegenover ons, die naar de zaal geleiden, en links eene
deur en eene trap. Die trap opgaande, komen wij in de Regentenkamer
boven 't portaal, een fraai en ruim vertrek, nog onlangs, in 1765,
rondom vergroot, met kasten voorzien en prachtig beschotwerk, en
van boven koepelsgewijze bepleisterd. De schoorsteenmantel is geheel
naar den nieuwerwetschen smaak opgebouwd en versierd; maar daarbij
zijn ook alweer de twee regels van Vondel verdwenen, en evenzoo is
't het geval met al het beeldwerk, dat vroeger aanwezig was.

Eer wij de Regentenkamer weer verlaten, een enkel woord over de
veranderingen, die de wijze van bestuur heeft ondergaan. Behalve
de Regenten der godshuizen, die niet altijd komediegangers waren
en zeker niet allen verstand van tooneelzaken hadden, waren er
oorspronkelijk ook letterkundigen (of die er voor doorgingen) als Jan
Vos en dergelijken, door Burgemeesteren tot hoofden van den Schouwburg
aangesteld. Doch juist deze lieden, van wier medewerking men zooveel
goeds hoopte, gaven aan alle zijden stof tot beklag. Vondel moest op
zijn ouden dag ondervinden, dat men zijne treurspelen door tooneelisten
van den tweeden en derden rang en met versleten kleeren spelen liet,
en de ernstige lieden riepen wraak over de goddelooze stukken, die
men vertoonde. Dat de klachten niet ongegrond waren, bleek daaruit,
dat in 1672 de Regeering den Schouwburg deed sluiten, die eerst in
1678 weer geopend werd. Maar ook toen ging het in de eerste jaren met
het bestuur daarvan alles behalve vlot: 't eerste jaar vertrouwde men
het aan zes personen, van stadswege aangesteld; maar toen klaagden
de Regenten der godshuizen, dat zij niets te zeggen hadden, waar
't hunne eigen stichting gold, en men gaf hun deel aan 't bestuur,
ja men droeg hun in 1680 het geheele bewind over de ontvangsten en
uitgaven op, waardoor nu op hunne beurt de andere hoofden ontevreden
waren en hun afscheid namen. Maar 't zij dat die van de godshuizen,
nu zij alleen weer meester zijnde, begonnen in te zien, dat zij voor
hunne taak min geschikt waren: of dat die hun te lastig viel, 't zij,
dat zij eene zekere boven eene onzekere rente verkozen, zij verhuurden
in 1681 den Schouwburg voor f 20,000 in 't jaar. De huurders maakten
er echter geene rekening bij; in 1687 verzochten zij vermindering
van den huurprijs tot op f 17,000 en in 't volgende jaar finaal
ontslag. Zoo namen de Regenten der beide godshuizen het bewind weer
tot zich, doch kregen een paar bezoldigde assistenten of directeurs
onder zich, om hun behulpzaam te zijn in het aannemen van stukken en
in de huishoudelijke beschikkingen, en zoo is de toestand nog.

Dat er keuren betreffende den Schouwburg gemaakt zijn, behoef
ik u niet te zeggen: niet alleen ten opzichte der levenmakers en
rustverstoorders, die, als zij 't te grof maken, achteraf gebracht
worden; niet alleen ten opzichte van de acteurs en actrices, die,
als zij hunne verbintenissen niet nakomen, met boete, onthouding
van gage, en, als zij den eerbied te buiten gaan, aan 't publiek
verschuldigd, met een verblijf van soms 24 uren in de kortegaard
gestraft kunnen worden; maar ook ten opzichte der poëten, aan wie het
volstrekt verboden is, ten nadeele van den Schouwburg samen te spannen
(!) Maar bedenk ook, welke voorrechten die heeren genieten. Wanneer
Regenten iemand als Poëet erkennen, dan heeft hij voor een jaar en
zes weken vrijen toegang tot den Schouwburg; en bovendien, als er een
stuk van hem gegeven wordt, krijgt hij, wanneer 't een voorspel in
vijf bedrijven is, zes lootjes, en is 't een nastuk of kluchtspel,
drie. Voorts geschiedt hem nog de eer, dat zijn stuk buiten zijne
kosten gedrukt, maar dan ook uitsluitend en onaantastbaar eigendom
van den geprivilegiëerden schouwburgdrukker wordt. Men ziet, het is
aanlokkelijk genoeg, poëet van den Schouwburg te zijn.

Maar dit tot daaraan toe: wij gaan de trap weder af, en de deur links
binnentredende, nemen wij een kijkje in de woning des kasteleins. Hij,
die thans met deze betrekking begunstigd is, waaraan, behalve
vrije woning, vuur en licht en eenige percenten op 't bespreken der
plaatsen verknocht zijn, is niemand anders dan de beroemde acteur en
plaatsnijder Jan Punt. Kijk! daar hangt zijn portret, in 't karakter
van Achilles, met Griekschen helm en gepoederde pruik, schild en
witte das, rijk versierde tuniek, in den vorm van een hoepelrok en
kanten lubben, sandalen en cabretten handschoenen--keurig uitgevoerd,
niet waar? en daartegenover hangt zijn jong en aardig vrouwtje,
Cornelia Fokke, die de première amoureuse speelt, in 't karakter van
Zaïre, met een tulband en eene stijve panier. Nog andere platen en
vooral vignetten zien wij hier, door de bekwame graveernaald van
Punt vervaardigd, en nog vrij wat meer zou hij u kunnen toonen,
als hij zijne kunstboeken voor u ontsloot. Ook heeft hij bij de
schilderloods, die achter het tooneel aan de noordzijde gebouwd is,
eene rijke verzameling teekeningen en schilderijen. Doch de tijd van de
vertooning begint te naderen en wij willen dan ook maar binnengaan. Van
de drie deuren in 't portaal brengt die aan 't noorden naar de loges
(zooals men tegenwoordig noemt wat men vroeger "kamertjes" of "huisjes"
heette) en de middeldeur naar den bak. Zij, die op de gaanderij of
op de staanplaats moeten wezen, gaan de deur ten zuiden in, doch
als de voorstelling is afgeloopen, verlaten zij den Schouwburg langs
eene trap, die naar een keldergang en zoo in een zijgang voert, welke
laatste op de Prinsegracht uitloopt, wat het gedrang en tevens de vrees
voor zakkenrollers, heel wat vermindert. Dat alles is in 't vorige
jaar zoo geschikt, nadat de zaal vrij wat vertimmering had ondergaan.

Wat ons betreft, wij zullen de deur ingaan, die naar den bak geleidt:
wij hebben daar het beste overzicht van 't geheel.

Zooals gij ziet, er zijn twee rijen, en achter de bovenste eene
gaanderij, waarvan de zitbanken tot aan de zoldering oploopen. In
plaats van het "ruim," waar men vroeger staan moest, hebben wij nu den
"bak," met een aantal ruime zitplaatsen, en de staanplaats is naar
achteren gebracht, tegenover het tooneel en diep onder de loges,
zoodat, al maakt men er wat rumoer, het geluid gedempt wordt en
voor de rest van 't publiek niet hinderlijk is. Heden avond zal
't ons echter in geen geval storen; 't is eene voorstelling met
verhoogde prijzen en de staanplaats wordt niet gebruikt. Het orkest,
dat vroeger ter zijde van het tooneel was, is nu daarvoor gebracht,
en, terwijl het tot voor een paar jaren slechts het middelste gedeelte
daarvan besloeg, beslaat het thans de geheele breedte. En let eens op
die fraaie beelden van Melpomené en Thalia tusschen de Korintische
kolommen van 't portiek, van achteren met pilasters gedekt, en op
de goede uitwerking, die de als wit marmer geschilderde ornamenten
doen tegen den roodgevlekten grond. Gij ziet, dat het gordijn nog
de vereeniging van de Academie met de Oude Kamer herinnert, als
vertoonende den Bijenkorf, omvlochten met den bloeienden egelantier,
daarboven het woord yver, daaronder de regels van Vondel:


        De Byen storten hier het eêlste datze lezen,
        Om d' ouden stok te voên en d' ouderlooze weezen.


En mij dunkt, op de verlichting valt ook niet aan te merken: vijf
kroonen, die van den boog hangen, ieder met twaalf kaarsen: twaalf
luchters, ieder met drie kaarsen, langs de bovenste loges, en even
zoovele lantarens langs de zijmuren van den bak, om nog niet eens
van het voetlicht te spreken: ik verzeker u, dat kaarsesnuiter en
lampeknecht hunne handen vol hebben.

Maar zie! er begint al vrijwat volks te komen, en uitgelezen gezelschap
daarbij. In de loges, in den bak, tot zelfs op de 12stuiversplaats de
elegantste damestoiletten: altemaal nieuwe voorjaarsmodes en juweelen
bij de vleet. Geen wonder: het Vlaamsche Operagezelschap van Neyts,
dat met verlof van Regenten gedurende den zomer zijne gaven hier
ten toon zal spreiden, geeft heden avond zijne tweede voorstelling,
en zoo het groote ergernis geeft aan de gestrenge voorstanders van
het nationaal tooneel, het lokt den beau monde hierheen.

't Mag nog al toevallig heeten, dat wij hier weder onder de
toeschouwers lieden van denzelfden naam en hetzelfde geslacht
aantreffen als die wij bij de voorstelling van "de Gebroeders"
opmerkten. Die jongeling met zijn bruinen rok, in gindsche loge,
is Joan De Wolff, en heeft, evenals zijn voorzaat, een Joost tot
zwager, wel geen Joost Van Vondel, maar een Joost Van Eik, van de
Heerengracht over de Driekoningenstraat, die met zijne vrouw en drie
kinderen nevens hem zit. Die dikke man vlak boven hen op de gaanderij
is Bram De Haes, kantoorbediende bij Colonius en achterkleinzoon van
den dokter in de Wijk. Vlak bij u in een bak zit Koo Van Lennep,
ook al een afstammeling van die Sara, die gij in 1639 zaagt, en,
nevens hem, Cornelia Bierens, zijne echtgenoote, met hun' zoon en
dochter. Om u nog eenigen der aanwezigen te noemen: die heer, die
daar een bank verder zit, is Govert Lubs, die rijk uitgedoste dames
zijne vrouw en dochter en die jongeling zijn zoon: die vrouw met dat
prachtige garnituur is Mevrouw Teixeira De Mattos, eene vermogende
Portugeesche jodin, en om hare weldadigheid bekend: die heer met zijn
gouden knop aan zijnen rotting is de rijke Waalsche koopman Louis
André, van over de Gouden Ketting; die vrouw in het parelgrijs, de
weduwe Van Oostveen, van de Leliegracht, met hare zoons; die.... doch
genoeg!.... de orkestmeester heeft zijne plaats ingenomen en het
voorstuk, "de kwalijk bewaarde dochter," gaat beginnen.

De opera-buffa is afgespeeld. Het spijt mij, dat u hedenavond de
middelmatige zang en het Vlaamsch accent dier operisten niet bevalt;
zeker hadt gij er meer belang in gesteld, Jan Punt te hooren en den
zeventigjarigen, maar nog altijd voortreffelijken Isaak Duim, en de
uitmuntende tragédienne Cornelia Bouhon, of een blijspel te zien,
waarin Nicolaes Evers in de karakterrollen, Pieter Zuyderhout als
Frontin en Maria De Bruyn als soubrette uitmunt; maar dat kan nu niet,
en ik heb bovendien mijne reden, waarom ik juist den avond van heden
heb uitgekozen, om u hier te brengen.

Ziezoo! de twee eerste bedrijven van Sedaines bevallige opera "de
Deserteur" zijn afgespeeld. Ik hoop, dat gij op de fraaie decoratiën
gelet hebt, waar onze verdienstelijkste schilders aan gearbeid
hebben. Wij hebben nu in het derde bedrijf weer, om te beginnen,
de gevangenis, en dewijl het tooneel donker moet zijn, heeft men de
schuiven voor de smeerkokers tusschen de schermen laten vallen. Ik
hoor reeds menschen klagen, dat die Vlaamsche troep, uit zuinigheid,
een slechter smeersoort gebruikt dan de gewone, en zeker riekt het
alles behalve liefelijk; er is een walm, die iemand tegen de borst
slaat, en Mevrouw Teixeira heeft al driemalen in de vijf minuten
haar kostbaar gouden, met robijnen omzet lodderein-doosje aan den
neus gebracht. Wij willen hopen, dat het ongerief zal ophouden, als,
bij 't vijfde tooneel, de gevangenis in een landschap verandert, en
't weer licht moet worden. Maar zie! merkt gij dat vlammetje wel, dat
daar aan de noordzijde van 't portret schuins boven 't beeld van Thalia
flikkert? Ha! er zijn er meer, die 't merken. Daar stijgen de lieden
rechts en links en overal met bleeke aangezichten van hunne plaatsen
op: daar hoort men hier en daar een kreet van angst; maar zacht! Most,
die voor Montauciel speelt, poogt ons gerust te stellen. Een van
de Regenten heeft een suppoost geroepen, en na ontvangen inlichting
verklaart de man ons uit zijne loge, dat er geen stof tot bezorgdheid
is; en daar komt de Directeur van de stads-gebouwen, Rauws, ons
dezelfde verzekering geven. Een van de vaste tooneelknechts heeft een
bak vol water gehaald, om dien in de smeerkamer over de vlam te gieten;
maar o wee! het ophalen van de schuif heeft lucht in den koker gebracht
en daar slaat de vlam bruisend tegen de zoldering aan! daar heeft zij
reeds het eerste scherm bereikt! Haal neder dat scherm, eer het het
volgende aansteke! "Brand! brand!" klinkt het uit honderden van monden:
geen enkele kreten meer, een algemeen noodgegil doet zich hooren en
ieder is op 't middel bedacht om zich langs den kortsten weg door de
vlucht te redden. De acteurs hebben 't eerst het hazenpad gekozen,
de muzikanten springen uit het orkest op het tooneel, om langs den
uitgang op de Prinsegracht weg te komen, de toeschouwers uit de loges
snellen naar de trap. Op het tooneel woedt de vlam voort. De friezen
en zijschermen branden lichterlaie: daar heeft het vuur de koorden,
waar de lichtkronen aan hangen, aangetast en zij storten, de eene
voor de andere na, brandende naar beneden: daar valt ook het gordijn:
wij zien eene wijl niets anders dan de flikkering daarachter; maar de
verblindende damp dringt tot ons door: hoor dien slag! 't is een der
evenwichten, dat naar beneden stort. En nog een!--nog een!--friezen,
schermen, wolkgevaarten, al wat het vuur bereikt, ploft met donderend
geweld op en door elkander op den vloer.

En toch, op 't gevaar af van verplet te worden, zijn er wakkere
mannen, die zich wagen in dien gloed. De Directeur Rauws, de grijze
tooneelmeester Brinkman, de machinist Teffers en twee der vaste
timmerlieden blijven op het tooneel het woedend element trotseeren en
pogen te redden wat te redden is. Doch weldra zien de beide laatsten
het vruchtelooze in hunner pogingen; zij vluchten en 't gelukt hun
door een open raam in den zijgang te springen, en de Prinsegracht
te bereiken. Maar vergeefs hadden zij, eer zij zich op weg begaven,
de drie anderen zoeken over te halen, van hun ijdel waagstuk af te
zien: het heldhaftige drietal blijft zich in dien laaien vuurgloed,
in die wolken van stikdamp, tot in het uiterste kwijten: eerst over
zeven dagen zal men hunne schier onkenbare overblijfselen van onder
't smeulend puin kunnen opdelven.

Maar om ons heen, in de zaal zelve! De snelle voortgang van den brand,
de drift om het gevaar te ontvlieden, de angstige bezorgdheid, door
echtgenooten, ouders, kinderen, vrienden en verwanten voor elkander
gevoed, alles loopt te zamen, om eene verwarring te weeg te brengen,
die den nood nog vermeerdert. Wijd genoeg is de deur, zoo die uit den
bak als die uit de loges naar buiten geleid; maar de samenpersing van
dien hoop menschen, die gelijktijdig een uitweg zoeken, belemmert den
doortocht: ieder wil de eerste zijn en de eene houdt den ander tegen;
menigeen raakt in 't gedrang onder den voet: anderen vallen duizelend
neder, half gestikt door den ingeademden damp. Sommigen zoeken zich
een uitweg over de staanplaats; doch daar, aan den buitensten uitgang
gekomen, vinden zij dien gesloten en zij moeten op hunne schreden
terugkeeren naar die hel van smook, die zij verlaten hebben, en,
nu de achterste zijnde, achten zij hunne kans op lijfsbehoud nog
verminderd door de gedane poging, om die te verbeteren.

Maar nog erger is het op de bovenste gaanderij gesteld. De deur aldaar,
door welke de toeschouwers gekomen zijn, is gesloten; de deur naar de
Prinsegrachtzijde, langs welke zij 't gebouw verlaten moeten, is nog
niet geopend. Radeloos hollen zij heen en weder en vergeefs pogen zij
de deur op te loopen. Daar trachten sommigen zich in de loges neder
te laten; daar waagt de zwaarlijvige De Haes een sprong naar beneden:
hij valt op de vloertegels in den bak en, helaas! om nimmer weder op
te staan.

Ha! eindelijk hebben zij de deur opengerammeid. Als onzinnigen stormen
zij naar beneden, en meer dan een raakt in 't nederdalen van de been,
en komt dan gekneusd en hinkend op 't portaal.

Maar ook zij, wien 't gelukt is, van verschillende zijden dat portaal
te bereiken, zijn daarom hun leven nog niet zeker. Zoo heftig is het
samenhorten van hen, die hier uit drie deuren komen aanstroomen, dat
ook hier de eene den ander het verder gaan belet. Nog erger! evenals de
opene sluisdeuren door 't geweld van den daarachter tegen op stuwenden
waterstroom, zoo sluiten zich hier achtereenvolgens de beide halve
buitendeuren door 't geweld der golvende menschenstroomen, die er van
achteren tegen worden opgedrongen en die zich zelven alzoo een uitweg
versperren, dien zij zoeken. De ontzetting, de schrik, vermeerderen
met ieder oogenblik, en, ik ijs op het verhaal: bij de ijselijkheid
van hun toestand, voegt zich nog de tegenwoordigheid van booswichten,
die, geen gevaar ontziende, waar zij hunnen rooflust bevredigen kunnen,
als echte duivels, naar deze hel als naar hun element zijn toegesneld
en nu aan weerlooze vrouwen hare versierselen, haren kostbaren tooi van
hoofd en hals afscheuren, of, onder schijn van hulp te willen bieden,
in de woning van den kastelein dringen en zich meester maken van al
wat eenige waarde bezit. [74]

Het aan stukken slaan van het raam aan de noordzijde van 't portaal,
waardoor men naar buiten klautert, en het verminderen hierdoor van
het gedrang heeft ten gevolge, dat de buitendeuren weder open geraken;
dit verschaft eindelijk den uittocht aan de menigte, in het portaal te
zamen gepakt. Maar, zoo verreweg de meesten, zoodra zij het voorplein
bereikt hebben, zich haasten dat oord van schrik te verlaten en hunne
bezorgde huisgenooten gerust te gaan stellen, talrijk is nog het
getal van hen, die hier vertoeven en dooreen dwalen, om de naaste
panden te zoeken, van welke zij gescheiden zijn. Hoe ontzettend is
de vertwijfeling van hen, die vruchteloos om hunne geliefden roepen,
hoe blijde de vreugdekreet van hen, die ze behouden wedervinden!

"Waar is uwe moeder?" vraagt Van Lennep aan zijne kinderen, die hem in
de armen snellen.--"Was zij niet bij u, vader?" klinkt de wedervraag,
die hem door 't hart snijdt.--"Mijn God! uwe moeder!" roept hij:
"eene halve ton voor wie mijne vrouw redt!" schreeuwt hij luide. "Gij,
redt u van hier, ik moet haar wedervinden!" en onder 't geroep van
"Keetje! Keetje!" snelt hij terug naar de plaats des onheils. Hij
dringt binnen, hij klieft de walmende rookwolken door, hij stort zich
in den bak, ja.... daar bij den ingang vindt hij haar, die hij miste,
maar spraak- en roerloos nedergezegen. Hij poogt haar op te heffen:
de leden zijn reeds verstijfd, en terwijl hij in radeloozen angst
haar omhelst, bedwelmt ook hem de stikdamp: morgen zal men beider
samengeklemde lijken terugvinden.

"Waar is Piet?" krijt angstig Mevrouw Van Eik. Zij zelve heeft
een harer kinderen, haar man het andere met zich gered; zij vinden
elkander, zij vindt haren broeder op de straat terug, doch waar is
haar zevenjarige Pieter? Van Eik, even bezorgd als zij, wil zich weder
naar den brandenden Schouwburg begeven, doch zijn zwager De Wolff
houdt hem terug. "Gij moet voor vrouw en kinderen gespaard blijven,"
zegt de edelmoedige jongeling; "maar ik ben een vrijgezel, aan wien
niets gelegen is. Ik zal gaan en zonder hem niet keeren!" En met deze
woorden van Arend Van Aemstel verlaat hij hen: doch beter dan Arend
Van Aemstel, die terugkeerde, maar zonder Gijsbrecht, houdt hij zijn
woord: hij keert niet, en eerst aanstaanden Zondag zal men zijn lijk
en dat van het kind van onder de ingestorte balken halen.

Waarom ben ik niet in staat, bij de namen van die beide slachtoffers
ook den naam te vermelden van dien knecht des Heeren Verhamme, die,
tot hulp zijns meesters, zich in het brandende gebouw waagt en er
den dood vindt? of dien van den knecht van Mevrouw Teixeira, die
tot tweemalen toe het doodsgevaar trotseert ter wille zijner brave
meesteres, en niet terugkeert dan na de overtuiging te hebben, dat
alle verdere nasporing onmogelijk ware. [75] Waarom niet de namen
dier beide timmerlieden, die, gelijk wij straks vermeld hebben,
door de achtergang gevlucht waren, en die gij wellicht van laffe
zelfzucht verdacht hieldt. Neen, na hun leven te hebben gered, willen
zij ook dat van anderen redden. Nauwelijks op straat, zijn zij de
Runstraat omgesneld, naar de Keizersgracht, en zoo weder langs den
vooringang binnen het gebouw. Geen damp, geene benauwdheid schrikt
hen af; zij zoeken het portaal rond, zij vinden nog hier en daar een
bedwelmde of machtelooze liggen, dien zij ophelpen en in veiligheid
brengen: onder hen een Oud-Regent, dien een hunner op de schouders
neemt en naar 't belendende huis van den schepen Hope draagt. Met
het reeds verrichte niet tevreden, keert hij terug, ontsteekt eene
kaars en begeeft zich daarmede in den nu stikdonkeren bak. De hier
heerschende damp doet het licht uitgaan; maar de onverschrokken man
wil zijne taak voortzetten: hij gaat en keert terug, deze reis met
eene lantaarn. Wederom dooft de stiklucht de vlam, nog geeft hij den
moed niet op: ten derdenmale bezoekt hij den bak met zijn brandend
licht, telkens keer op keer roepende: "Is hier nog iemand? dan zal ik
hem helpen." Maar eindelijk hoort hij overal om zich heen de binten
kraken: hij hoort de onzichtbare vlammen langs de zoldering, over de
gaanderijen sissen, schuifelen, gonzen, loeien: de wanden dreigen in
te storten en in spijt van zich zelven is hij gedwongen, die plek,
waar hij geen nut meer stichten kan, te verlaten, en nauw is hij in
het voorportaal gekomen of alles achter hem stort in puin en asch over
den bak dooreen. [76] In minder dan twee uren tijds is de prachtige
Schouwburg met al zijn toestel in rook en vlammen opgegaan. Maar is het
onmogelijk geweest, den voortgang van het vuur daarbinnen te stuiten
en is het zelfs aan den ijver der brandmeesters, straks van overal met
hunne spuiten toegesneld niet mogelijk geweest, tijdig genoeg te komen,
om te beletten, dat de brand ook een paar belendende stallen in asch
lei en eenige der naaste huizen aanstak, toch heeft men te twee uren
's nachts allen verderen voortgang van de vlam gestuit. [77]

Evenals ik u, waarde lezer, den Schouwburg heb binnengeleid, om u
getuige te doen wezen van akelige en hartverscheurende tafereelen,
[78] had ik u aldaar bij de viering van vroolijke en heuglijke feesten
kunnen doen tegenwoordig zijn; doch mijn doel was, u den opgang,
den voortgang en den uitgang van den eersten Schouwburg te schetsen
en dat doel meen ik in deze schets bereikt te hebben. Ik besluit
die met u te doen opmerken, hoe die Schouwburg, die gedeeltelijk
zijn ontstaan te danken had aan eene Vlaamsche Kamer, naar Amsterdam
overgekomen, weder te gronde ging ten gevolge, althans bij gelegenheid,
der overkomst van Vlaamsche operisten. [79]



PLAT AMSTERDAMSCH.


Samenspraak tusschen

Den Verhaler, een verver                    Haarlemmerdijkers.
Schele gijs, een tapper
Zwarte Sander, een Oostindie-vaarder        Kattenburgers.
Klaas de Bobbert, Matroos om de Noord, en
Hein Rip, een Heerenknecht


Herre jee, Piet, wat 'n lol hebbe da-ar gehat gustere navend bij
scheele Geis in de tapperei; weetje, da-ar de freweele kurreketrekker
oithangt. Ik weet niet of jem kent, scheele Geis? maar 't is een
sekure: hebbek jou da-ar. De keerel is zoo loizig bang, om zen
klante oitter lemeur te brenge, dattie ze om nog zoo veul niet zou
teugen spreeke, en ze alteit maar geleik geeft al liege ze, dat de
stra-atstiene der van zweete. Nou motje weete, dat gustere navend waren
we dan bij meka-ar op de boitekant; ikke, zwarte Sander, die verleede
week oit Ostinje is gekomme; Klaas De Bobbert, die zen va-ader op
Noorweege va-art, en Hein Rip, die heereknecht is bei den avekaat Van
Pingele. Nou ra-ake we zoo an 't pra-ate over Geis, en hoe ie alteit
de mense naa-de mont pra-at; zoo maggek al zoo zegge, "'t Zou al een
keerel weeze, zei ik zoo, die 'n dink vertelde, da-ar hei geen ja-a op
zei." "Nou, zeit zwarte Sander, ik wil dan wel zien, zeit ie, of ik
'm dan jandomi zoo ver niet krijg, dattie teugen me zeit, dat 'k 't
lieg.--"'k Wet van niet," zeit Kla-as.--"Waarom?" zeit Sander. "Om
'n zoopie," zeit Kla-as. "Top," zeit Sander, "Dat gaat." "Nou,
weet-je wat," zeit Hein: Da-ar moste we 'n grap van hebbe. We zelle,
potverdomme, alle vier, zoo as we hier zijn, ijder op zen beurt een
leuge vertelle, en de-genige, waarteugen ie zijt, dattiet liegt, die
zel van de andere vrij gehoue worde." Nou, dat was goet. We koieren
dan met ons viere na-a de freweele kurreketrekker.--"Gen avend,
moeder de vrouw!" zeit Sander, "Genavond, Scheele! geef me rijs een
taaie van je, assieblief; ik bin da-ar straks van een ouwe jiffrouw
geskrokken, en ik mot er de skrik euiwtdrinke."--Nou, Geis geeft m' 'n
slok. We gane zitte, en we nemen ook ijder 'n slok. We peipe reis an,
en zoo beginne we over koetjes en kallefies te pra-ate. Nou hadde-we
afgesproke, we zouwen om beurte vertelle, eerst ikke, dan Hein Rip,
dan Klaas, en dan Sander voor 't la-ast. Nou vraagt me Hein voor de
foef, "Jan!" zeittie, "hebjen 't druk op de winkel, da-ar je nou op
bint."--"Dat mag wel zoo weeze," zei ik; "'t is tegenwoordig al heel
krappies, en er valt niks te verdiene, zoo as ook wa-ar is. Alleenig
gepisseerde week hebbek nog een karreweitje gehat; ma-ar da-ar haddek
ha-ast het hacchie bij ingeskoten."--"Ei," zeittie, "en wa-ar kwam
dat bei?" zeittie.--"Dat zellek je zegge," zei ik: "der most de poi
van 'n hois op de Binne-namstel opgeschilderd worde, en dar hadde we
de leêr oit 't soldervenster oitgestoken mit 'n plank er boven op,
en da-ar zat ik ouwer gewoonte nop, zoo as ik honderd en doizend
ma-alen geda-an heb. Nou, da-ar zat ik dan op en wist van de prins
geen kwa-ad: alleen mottek je zegge, ik hat passies te voore teuge de
kou een hartversterkinkie genoomen en 'n trap-op-je hart toe: 'n mens
is toch geen trekpot! en of 't nou da-ar van was, weet 'k niet; ma-ar
terwijl ik sat te schildere, da-ar keik ik zoo kasseweel na benede,
en da-ar wort 'k in eens zoo ra-ar om men hart en zoo drizilig as
'k nog nooit geweest ben. Ik weet er anders niks van, ma-ar nou was
't net of de stra-atstienen een galapaade danste teugens men an. Da-ar
raak ik, hoe weet ik zelvers niet, de tra-amonta-ane kweit, en doikel
ik perdoes van de leêr langs de geut na-ar benee-en dat 'k poddoome
niks anders docht, of 'k zou zoo van boovenneêr met me donderement op
straa-at gevalle we-eze. Ma-ar gelukkig zie ik onder 't valle iets
zwarts teuge de muur; da-ar denk 'k, heb ik jou da-ar? Ik klem me
vast met me beide hande, en bleif zoo hange tot ze me met een leêr
komme helpe. En wat denkje nou dat dat zwarte was, da-ar ik men an
vast hiel?"

"Wel!" zeienze, "wie kan dat raaie?"

"Nou," zei ik, "dan zal ik 't je zegge; 't was de schaduw van de geut
van 't hoekhois an de overzei, die vlak teuge de poi scheen."

"Nou, dat zel ook wa-ar weeze," zei Sander; "geloof jij dat, Gijs?"

"Och," zeit Geis, "wat zek er veul van zegge; 't kan makkelik waar
weeze, as ik dat zoo eens na'adenk Onze lieven Heer is allemachtich."

Nou, ik zeie niks: 't was voor mijn al mis. We namme nog een
afzakkertje, en toe begonne we, alweer voor de foef, Hein Rip te
pla-agen, en we vroegen em alzoo, wattie zen koite toch wel te
vreete gaf, dat zen haar zoo krulde?--want je weet, Piet, Hein Rip
is 'n rechte poppegek met zen krulletjes en zen scheijing in zen
hooft. "Nou," zeit ie, "op dat apperpoo zel ik je wat vertelle. Laast
hat ik voor onze Mevrouw na de Fransche kapper geweest in 't
selon, en daar hat ie mijn 'n prommenaadepot angesmeerd van acht
steuivers. Daar groeiden 't haar van zoo gaauw men 't er op smeerde,
zij de kapper. Nou ik dacht, ik kon 't rieskeeren; an acht steuivers
binne we niet bedurve. Daar most ik met men volk na den Haag met de
spoorweg; ikke in de wegonn, en men volk in de dielzans. Daar komme
we te Haarlem, en ik kijk zoo rijs euiwt na de loopende motief: maar
net toitert de conterleur en we ganen vort, en daar blijf ik me met
mijn krullen in de krulle van het hek verwart zitte. Daar dacht ik
niet anders, of me kop gink of, maar gelukkig kreeg ik 'n trankielen
inval, ik haalde me potjen euiwt me sak, en smeerde me al maar deur
an de krulle, die vast zatten. Daar begon me krul te groeien, te
groeien al maar deur, en ik maar zonder ophoue te smeere zoo hart
ik kon, tot dat 't potje leeg was. Maar gelukkig ware we toe net an
't staatsie-on van de Voogelesank, en daar hield de trijn op. Toe
vroeg ik een skaar te leen an 'n juffrouw, die skeuins over me zat,
en ik knipte me de krul of. Ik heef, toen ik weerom kwam, men haar
weerom gevraagd: maar, ja wel! Ze hadden 't in mekaâr gedraaid,
en gebreuiken 't as 'n kabel, om de ankers mee te winden."

"Wel," zei ik teuge Geis, "geloof jei dat? Ikke niet."

"Och!" zeit Geis, "as ik zoo nadenk, onze lieven Heer is allemachtig;
't kan makkelik waar weeze."

Das ook al mis, dacht ik. Nou! we namme nog en opfrissertje, en toen
vroege we an Kla-as of ie ons niks te vertelle hat van sen laaste
reis. "Wel," zeit ie, "wat zou ik veul zegge? Heel veul merkwaardigs
is me jeuist niet overkomme: alleenig toch één dink, dat nog al aardig
was. Daar waare we op de hoogte van Drontem, en leggen er te kooi op
'n soomerse nacht, dat gunter om de Noort geen nacht is, om zoo te
spreeke; daar voele we altemaal een schok as of we beroerd wieren. We
loope na boove, niet anders denkende, of we hadden op 'n klip gestoote;
en ik zei al teugens me maat: "Pas op je telle, Frans! We binne der
omkoudt." Maar ja wel! 't was geen klip, maar een lomp bakbiest van
'n wallefis, die te slaape lag, en die we dwars over zen ruggestreng
waare heen gelaveerd. Daar wort me dat biest zoo vergiftig nijdig,
dattet wel duizend voet euiwt 't water opspringt en vlak boven onze kop
weer neerkomt. "O, Kreemenie!" dacht ik, "we binnen om zeep." Maar wat
beurt er? Die dikke grobbejanus komt met zen buik net op de grote mast
te land, en blijft er op vast zitte as en wimpel. Den ouwe werd bang,
dattet skip topswaar zou worde, en sond ons met alleman na boove. We
hakten nu zen buik open, we lieten de traan en 't vet in de tonne
loopen, en zoo kwame we te Drontem an met 'n wimpel, die nog nooit
op zee vertoond was geweest."

"Wel, potdome, die is sterk!" zei Hein, "Geloof jij die, Gijs?"

"Wel," zei Geis, "Onze lieven Heer is allemachtich! 't Kan makkelik
waar weeze, as ik et zoo naadenk."

"En jij," zei Hein teugen Sander. "Hij jij niets te vertelle?"

"Wat zou ik?" zei Sander. "Ik heb nooit veul beleefd, en wat ik je
vertellen kan, beteekent bezonder weinig, maar die 't beter weet, mot
't zegge, en daar huurt de schipper zen volk op. We zellen onderwijl
rijs anpijpen en nog en slaapmussie neme; dan zel ik je net zegge,
waar 't op staat, en wat me gepisseerde jaar in straat Sunda is
wedervaare. Op 'n dag, dat 'k den ouwen an wal had gebracht, kwam men
'n Snees op zij, en praaide men, of ik ook ijzer of touwwerk had om
te verkoope? Wacht, zij ik, jou kromhouts-gast! Ik zal 's eventjes
met jou hoofd speule. Met één kreeg ik hem bij zijn slinger-perdoen,
en liet 'm teugens de zolen van men schoenen angieren, dattie
noordoost lag. Wat doet de kabaaispringer? Hij zet zen staande
en loopende want weer an, en zijt "Toang bagoes." Ik docht dat je
handel deê." Dat doe ik ook, zwabberkappetijn van de duivel, zei
ik, maar 't is in kraak-amandelen, en je ribbe selle de pitten sijn;
versta-je? Hij lachte as de pleuimgraaf tegen de snertbalie, en vroeg,
of ik 't met hem wou afdrinken? "Alree, man!" zei ik, en we gingen in
de tapperij, en zoo al keuvelende vertelden ie me, datter veul geld
met rijstkadraaijen te verdienen was, en dattie een prauwmajang hat,
die ie me daartoe verhuren wou. "Kom an!" dacht ik, "dat mot je wage,
Sander!" Toe nam ik van onze veertig-persenter twee maanden op 't
swarte boek, en met verlof van den ouwe, huurden 'k de praauwmajang
met twee zee-Deventer-koeken, en liep straat Sunda in, maar dwars
van Anjer krijg 'k de Vrouweverdriet vlak op steven. Het waaide dat
gene zes heereknechts 'n mand met breuid-seuikers tegen een sleuis op
zouwen getrokken hebbe. Ik keek maar na 't valle van de panne; maar toe
de zee me in me nek keek, toe dacht 'k: "Genacht Sander! Je bent ook
'n lief kind op je moeders bont boeselaar geweest." En 'k wier dingsig
onder me baatje. Kijk, maats! toe was 't, as of me zo'n Engel in me
nek schopte, en zei: "Bid, beest!" Ik viel op mijn murgpijpen, en wier
met de pitjalling an wal gesmete op 'n onbewoont eilant. Daar zag 'k 'n
gallig staan, en daar honge vier kerels an te waaie. Den eene dat was
en bakker, die vals gewicht gebreuikt had; de tweede was 'n knaappie,
die de ribbekast van zen maat voor de scheê van zen mes had aangezien;
de derde dat was 'n kouwelikke pottentaat, die van zen buurmans heuis
'n Sint Maartens vuurtje gestookt hat om zich te warmen."

"En de vierde?" vroeg Geis, toe Sander ophiel met vertelle.

"De vierde," zei Sander teugens hem, "dat was jou vader, Gijsmaat."

"Dat liegje," zei Geis; "mijn vaader is op 't Karthoiser kerkhof
begrave."

Met klapte men allemaal in de hande, dattet zoo daaverde, en gawen
Sander de weddinkschap gewonne. Geis lachte zelf mee, toen ie hoorde,
wat 't geval eigentlijk was, en we hebben er wat 'n lolligen avond
mee gehat, Piet! Jaa, 't is een rare keerel die Sander.



                              AANMERKINGEN
                                 OP DE
                     PLATAMSTERDAMSCHE SAMENSPRAAK
                                  VAN
                           MR. J. VAN LENNEP.


Amsterdam, vergeleken met de oudste steden van ons vaderland, mag
inderdaad wel eene zeer jonge stad genoemd worden. Niet voor de
12de en 13de eeuw heeft de geschiedenis zekere bescheiden van haar
aanwezen, en de beginselen, uit welke zij toen haren oorsprong nam,
waren zoo nietig, dat ze de melding der tijdgenooten geheel ontglipt
zijn, en wij aan onze eigene gissingen schier ten eenenmale worden
overgelaten. Met groote waarschijnlijkheid mogen wij echter aannemen,
dat de boorden van IJ en Amstel, waar zij samenvloeien, in den beginne
met visschers bezet waren, die hunnen tijd tusschen de vischvangst en
het melken van eenig vee verdeelden, en dat de verspreide buurten,
in welke zij woonden, allengs door scheepvaart en handel vergroot,
ten laatste die uitbreiding erlangd hebben, dat zij aan elkander
stieten en tot eene stad versmolten.

Wanneer ik de ondervinding raadpleeg, welke ik omtrent de
verscheidenheid der dialecten in visschersbuurten, op kleine
afstanden van elkander gelegen, heb opgedaan, dan blijft er bij mij
geen twijfel over, of die eerste gehuchtjes van Amsterdam, schoon
door tusschenruimte slechts van halfuren van elkander gescheiden,
hebben zich door merkbare verscheidenheden in hunnen tongval
onderling gekenmerkt; verscheidenheden, welke een smelting van
zes eeuwen nog niet geheel heeft kunnen vereffenen op die punten
der stad, wier verwijdering de minste aanraking gedoogde. Ik
bedoel den Haarlemmerdijk ten Noordwesten, en Kattenburg aan den
Noordoostelijken uithoek der stad gelegen. Het verschijnsel is
bekend en mijn geestige vriend J. Van Lennep heeft het onderscheid
in acht genomen in de zamenspraak, die hier voorgaat. Zoo bezigt de
Kattenburger eui, waar de Haarlemmerdijker oi zegt; b. v. Kattenb.:
leuizig, deuizend, keuiren, euiwt; Haarlemmerd.: loizig, doizend,
koiren, oit. De Kattenburger bezigt ij, waar de Haarlemmerdijker ei
aanneemt; b. v. Kattenb.: bij, hij, zij, jij, tapperij, zijt, trijn,
rijs, Gijs, Haarlemmerd.: bei, hei, zei, jei, tapperei, zeit, trein,
reis, Geis. In het eerste geval hebben de Kattenburgers de a, in de
oorspronkelijke au, veranderd in e, en de Haarlemmerdijkers in o; de
Kattenburgers de u in ui en de Haarlemmerdijkers in i. In het tweede
geval hebben de Kattenburgers de ij uitgestrekt niet alleen over de i,
zooals in hij, jij, maar ook over ei zooals trijn, spoortrein, zijt,
zeit, zegt; terwijl de Haarlemmerdijkers de ei toegepast hebben
ook op de i, zooals tapperei, hei, jei, enz.; eene neiging, die,
ware zij in de schrijftaal gevierd geworden, nog meer verwarring en
eentonigheid in het Hollandsche klinkerstelsel zou gebracht hebben,
dan er werkelijk reeds in heerschen. Ondertusschen is het onderscheid,
helaas! tusschen ij en ei in de midden en lagere volksklasse hier des
te merkwaardiger, daar het gehoor der beschaafde Amsterdammers niet
in staat is om eenig verschil tusschen deze klanken op te merken,
en zij alzoo rijzen en reizen, klein en klijn niet anders dan volgens
een spelboek, of op het geheugen af, goed weten te schrijven.

Er is in den Haarlemmerdijkschen tongval een geheel eigenaardige
toon, op welken alle woorden uitgebracht worden, en die ontstaat
uit de eigenschap om diep uit den lossen en wijdgeopenden gorgel
te spreken. Min of meer iets van dien aard aan de Hollandsche
taal eigen in het algemeen, waarom de vreemdelingen onze g, die
als keelletter het sterkst door dien toon gekleurd is, zulk eene
ondragelijke rochelletter vinden; maar de echte Haarlemmerdijkers
drijven dien toon tot zijne uiterste grenzen. Dit voortstooten uit
den bodem des slappen strots duldt geene teedere vocalen, die alle
breed gapen, en alleen in staat zijn aan de tegenwoordige spelling
met twee a, o, of e's, die een aanhouden op denzelfden klank en
toon onderstellen, te rechtvaardigen. In vele woorden dus, waar de
tegenwoordige spelling eene enkele vocaal wil, heeft de Hr. Van Lennep
zeer juist twee geplaatst, zoo als naa, raaden, slaape, waare; weeze,
keerel, boove, oopen, voor na, vader, slapen, varen, waren; wezen,
ketel; boven, open. Het ligt in de natuur der a die eene zuivere
keelvocaal is, even als der g, dat zij boven alle andere door den
gapenden uithaal moest gekenmerkt worden, zoodanig dat de Hr. Van
Lennep het noodzakelijk heeft geacht om de a in het Haarlemmerdijksch
niet alleen te verdubbelen, maar het tweetal door een streepje van
elkander te scheiden, even of het begin en het einde der vocaal door
eene golving der stem gesplitst weerden. Zoo ziet men dan geschreven,
b. v. ma-ar, la-ast, pra-ate, stra-at; ja-a, na-a, voor maar, laast,
haast, praten, straat, ja, na.

Deze neiging om diep uit den lossen gorgel te spreken vereischt
eene inspanning der benedenkeel, die de spraakorganen in den mond
niet toelaat om in het eigenste oogenblik met dezelfde inspanning
werkzaam te zijn, en niet alleen eene buikspreekachtige heeschheid in
den toon, maar tevens eene zekere onbestemdheid in de uitspraak der
consonanten teweegbrengt. Bij de Kattenburgers is de toon scherper,
hooger, krijtender, om mij zoo eens uit te drukken, en zij bijten u
de consonanten als het ware toe.

Overigens valt er ten opzichte der dialecten in het algemeen zeer
weinig merkwaardigs te zeggen. De toevloed van vreemdelingen uit
alle oorden der wereld, en van Nederlanders uit alle provinciën
der republiek in het bijzonder, had de noodwendige strekking om
de eigenheden, door welke de taal der burgers zich onderscheidde,
reeds zeer spoedig af te slijten. Wie zich van deze waarheid wenscht
te overtuigen, hebbe slechts eenige bladzijden met een taalkundigen
blik te lezen in de klucht van Oene, welke Jan De Vos in de eerste
helft der 17de eeuw in den Amsterdamschen tongval geschreven heeft,
en sedert dien tijd zijn er nog vele afwijkingen van den gemeenen
schrijftrant vervloeid, die in het Amsterdamsch van onzen tijd niet
meer te vinden zijn. Van degene, die overbleven, schijnen mij de
volgende de merkwaardigste.

De doffe e in de lettergreep, die het woord eindigt, is niet in
staat om de volgende n op te houden. De apocope van zoodanige n is
bestendig. Gustere, liege, brenge, Noorwege enz. staan voor gisteren,
liegen, brengen, Noorwegen.

Het gevoel voor de welluidendheid is echter bij de Amsterdammers
zoo levendig, dat zij, om zoo veel mogelijk hiatus te mijden, eene
n tusschen de twee vocalen inschuiven, met welke de eerste syllabe
sluit en de volgende begint, hetzij dat zij die n hechten achter de
eerste lettergreep of doen voorafgaan aan de volgende. Zoo zeggen zij
mijn, al, zen, om, zen alteid, jen assieblief, wen ofgesproken, den
een hoorden ik, voor mij, ze = zij, je = jij, we = wij, de, hoorde;
daarom dan ook toe begonne we, toe net, maar toen ik. De n voor de
volgende syllabe, zoo als gustere navond, binne-namstel, gewoonte nop,
in plaats van avond, Amstel, op.

De Amsterdammers sluiten gaarne met de tennis, waar onze boekentaal
de media plaatst; eene echt Nederlandsche neiging der spraakorganen,
waarvan wij echter ook eene menigte voorbeelden aantreffen in
Grieksch en Latijn. Zij zeggen dink, mant, lant, noort, wet, hat,
goet, voor ding, mand, land, noord, wed, had, goed; eene menigte
voorbeelden van dien aard zal men bij Maerlant en zijn tijdgenooten
aantreffen. Deze neiging, in den blinde bot gevierd, zoude verwarring
veroorzaken. Er is b. v. geene wet in de natuur der spraakorganen,
die ons verbiedt te zeggen hard, geld; zegt men hart, gelt, gelijk
hier, dan heeft men durus en cor, pecunia en valet, door elkander
geward. Men vindt hier ook hooft, in plaats van hoofd; doch niemand
heeft ooit anders gesproken of kunnen spreken dan hooft, en de spelling
met fd is eene ongerijmdheid, ten minste zoo oud als Kiliaan. In de
woordenboeken b. v. van Joannes Bogard te Leuven 1563, van Petrus
Dasypodius te Antwerpen 1569, van Plantijn te Antwerpen 1573, om
van anderen te zwijgen, vindt men nog de ware spelling van hooft,
hoofden. Het verraadt eene diepe onkunde in de natuur der tennis en
mediae bij onze spelmeesters, dat zij fd wilden vereenigen ten einde
het singularis gelijk te maken aan het pluralis: het was nog erger,
dan dat de Latijnsche spelmeesters gezegd hadden: "Omdat gij reges
in het meervoud spelt, zult gij ook regs en niet reks = rex spellen."

De media dentalis vervloeit tusschen twee vocalen, b. v. gehoue,
beie, zeien, zouwen, voor gehouden, beiden, zeiden, zouden. Somtijds
ontwikkelt de u alsdan in plaats der d hare consonantische lipblazing
w, en de i hare consonant j, zoo als in ouwe, scheijing, voor oude,
scheiding.

Omgekeerd ontwikkelt de j in de diminutive terminatie je of jes (=
tse, tsen, ken, kens,) eene i achter k, versterkinkie, versterkingje;
achter p, krappies, krapjes, knaappie, knaapje; achter f kallefies,
kalfjes: achter de s passies, pasjes, om de samenkorting van kj, pj,
fj, sj te ontduiken. De p en s worden hier in het schrift, maar niet
in de uitspraak verdubbeld, dewijl volgens de wet der Nederlandsche
spelling pasies, krapies, zoude gelezen worden pa-sies, kra-pies en
niet pas-ies, krap-ies. Ik voeg deze aanmerking er alleen bij om het
vermoeden voor te komen, dat de tweede p of s uit eene assimilatie der
j aan de p of s zoude geboren zijn. In assieblief is assie zamengesteld
uit as 't je, en daar is 't geassimileerd aan s en dus dubbel in het
gesproken woord en schrift beide.

In vele woorden houden zij bij de opening nog de oude sk aan in plaats
der Hoogduitsche sch; b. v. skaar, skeuins, skoten, skrokken, voor
schaar, schuins, schoten, schrokken. Aan de Zaan vertoont zich dit
overblijfsel der zuivere taal nog algemeener en uitgedrukter. Zoo
hoort men ook nog dikwerf de zuivere s in plaats van dat gebroken
halfslachtig ding, hetwelk wij z schrijven; b. v. sou zoude.

De samenhorting van op elkander volgende consonanten wordt door
dezen tongval dikwerf gemeden, zoowel door j in i te veranderen, als
wij straks zagen als door er eene vocaal tusschen beide te voegen,
en het woord alzoo met eene lettergreep te verrijken. Zoo vinden wij
hier, ten opzigte der l, althans voor eene andere consonant, hetzij
met die consonant vereenigd in dezelfde lettergreep, gallig, voor
galg, hetzij in twee lettergrepen gescheiden, wallefis, allemagtig,
kallefies, voor walvisch, almachtig, kalfjes. Op het einde des woords
mijdt men de samenhorting ld door d weg te laten, als in hiel, voor
hield. Met rd gebeurt hetzelfde aan de d in het midden des woords, in
wieren voor wierden, en met ft door t weg te laten, als in assieblief,
voor blieft, belieft. De bl vloeit gemakkelijk.

De ie voor de ê = ei, die ten tijde van J. De Vos dezen tongval
onderscheidde, b. v. ien, een: miester, meester; geried, gereed,
enz. is thans bijna tot de ê bekeerd; er zijn evenwel nog sporen van,
zoo als in straatstiene, straatsteenen, biest, beest, enz.

Een oppervlakkig beschouwer zou licht in den waan komen, dat in het
Amsterdamsche nogal het een en ander land- en stad-Friesch zat;
doch wie nauwkeuriger toeziet, zal in sommige gelijkheden niets
anders dan toenaderingen tot de eerste algemeene taal vinden. Zoo
zegt het land-Friesch murg-pîpen en de Amsterdammer murgpijpen,
voor mergpijpen; doch e is hier de karakterlooze ontaarding van
eene vroegere a in het OudHd. marag, die met ea, eo en ü tgs. mearg,
meorg, Fris. mürg, gelijk stond. De stad-Friezen zeggen even als de
Amsterdammer bedurven, praes. bederf; maar bedurven in plaats van
bedorven, is het ware praeteritum, dat wij nog hooren in nood-durft,
thans nooddruft. OudHd. darf; praet. durfta. Maar de o in of voor a is
zuiver Anglo-Friesch; Ags. Oud-Friesch, land-Friesch, Engelsch, of, af.

De korte vocaal, of die daarvoor bij de Amsterdammers geldt, verharden
zij dikwerf door haar op den volgenden klinker te doen stuiten,
b. v. nam-men, ge-kom-me, kouwelik-ke, pot-tentaat, kas-seweel, in
plaats van na-men, geko-men, kou-delij-ke, po-tentaat. ca-sueel. Mot
in plaats van moet is verharding der ô, die gehoord wordt in
het Goth. Oud-Sax. motan, kunnen; Ags. Oud Fr. mot. In moet is de
Hoogduitsche vocaal van muoz. Het Land-Friesch gebruikt de harde korte
a, matte, moeten; mat, moet; gelijk de Amsterdammer de harde korte
o in motte; mot. Deze verharding verschraalt de u in Juffrouw zelfs
tot i, zoodat het als bij de stad-Friezen somtijds Jiffrouw luidt.

Vele samentrekkingen van lettergrepen hebben hier, gelijk in elke
volkstaal, plaats. De voornaamste zijn, hebbe, hebben we; komme, komen
we; ik zeie, ik zeg je: hij, hebt gij, (verkort in hê-y, hij.) 'kt,
ik het; zek, zal ik; 'm, hem; jem, je hem; mekaâr, malkander; gen
avend, goeden avond; Snees, Chinees, (van daar, dat is een Snees,
een bedrieger) das, dat is. Nu zijn er nog eene menigte misselijke
uitspraken van vreemde woorden, die hoe ongeregeld in schijn, echter
op bekende en door de spraakorganen geliefde verwisselingen steunen;
zoo als b. v. de r voor l achter f, in freweele, fluweele, alleen om
de monotinie met de volgende l te mijden, gelijk n voor r om monotinie
met eene voorgaande r te mijden, in Kremeenie, Christus Maria. De
liquida l voor de aspiratie in lemeur voor humeur; de oplossing der u
in w om hiatus te mijden in kasseweel, casueel; omzetting van letters,
aperpo, apropos; gewone overgang van a in e, selon, salon de coëffure;
wegonn, wagon; vervloeiing van d tusschen twee klinkers (de v of w
bekleedt dan de plaats van d) avekaat, advocaat.

Verder, deelzans, diligence; conterleur, conducteur; prommenadepot,
pommadepot. Het ligt in den geest van elke taal om vreemde woorden
door eene kleine verandering tot hare eigene kinderen te maken;
het voorbeeld van loopende motief, voor locomotief is zeker wat
buitensporig, maar eene menigte geijkte woorden zijn aan dit beginsel
hun bestaan verschuldigd. Onder deze behoort buffel voor duffel, en
Jan, het is een jan, in houding vol moed en kracht, voor nan, gelijk
nog de Friezen, van Goth. nanths, andax; Oud Ned. nenden, andere. Het
woord grobbejanus is niet alleen Amsterdamsch, maar ik mag wel zeggen
Nederlandsch, het beduidt een groven lomperd van lichaam en manieren
beide, en het Hoogduitsche woord grob, in plaats van het Holl. grof,
is hier tot thema gekozen, omdat de Westfaalsche grasmaaiers in
dit land als onbeschofte botterikken aangeteekend stonden.--Verder
beteekent een sekure iemand, die voorzichtig is tot bangheid toe,
en trankiel, wat wij met een even onduitsch woord kordaat noemen,
van het Fransche tranquille, stil, die niemand stoort, doch hier
genomen in den Nederlandschen zin van rustig, die door geen gevaar
in de kalmte en vastheid zijns gemoeds gestoord wordt.

De overige aanmerkingen, die onder geene hoofdsoorten te brengen
zijn, zal ik thans naar de orde der woorden, op welke zij gemaakt
zijn volgen laten.



Lol, pret. Thee-lol, theebezoek met het noodige gekakel. In dien zin is
lol uit lodel samengetrokken. Lodel is gezang, van het frequentativum
lodelen, contr. lollen, lullen, bij Kiliaan numeros non verba
canere; frivola loqui. Lol, lul, ratio harmonica. Het primitivum is
't Goth. linthon, canere, waarvan 't Holl. luit; (luden) luiden. Van
luden is ludelen, contr. lullen.--Van lol is ook lollig, prettig.

In Beijeren geldt nog ludel, sauggefass für kleine Kinder. Bij ons lul,
de koperen pijp aan de slangbrandspuit, en veretrum.

Nog is er een ander lol, segnities. Eng. to lull, recumbere; lolle-pot,
een stoof met vuur, waarover men zich lui zit te koesteren: lollen,
over een stoof met vuur zitten.--In de geslachtlijst van Bilderdijk
zijn deze thematha onder elkander geward.

Loizig, bezet met luizen. Een lichaamsplaag veranderd in een vloek,
zooals afgemiterd, belazerusd, bezukt, enz. alles tot versterking der
beteekenis, gelijk het Fransche peste, of ons duivelsch, bliksemsch,
enz.

Jou, u, dat. en accus. van nom. Jij, Gij, Friesch Jou, Eng. You, id.

Klante, klanten, uit het Fransche Chaland.

Zen, de regelmatige dativus van zij, gelijk hun van hij. Zij, illi,
behelpt zich anders in de casus met de verbuigingen van hij, hun,
hen. Oud Nederlandsch, plur. si, illi; dat. hem, thans zij, hun.

Veul, veel, stad-Friesch feul, in eenige oude land-dialecten van
het Friesch füle, Twentsch fulle. Oud Nederl. voel, waaruit veul,
gelijk uit togen is teugen contra. De eu heeft zich in den loop
der eeuwen verplat tot e. De oude vocaal in de wortelsyllabe was o,
welke men hoort in het Gr. polus, het land-Friesche folle, multum,
het Scandinavische met den voorslag der i, fiöl, die eindelijk
de oorspronkelijke vocaal van hare plaats drong.--Goth. Oud
Hd. filu. Hd. viel. Bij de Angelsaxen goldt oorspronkelijk de a, die
nog in het Estnische palio, veel, is. Angels, feala, waaruit feola,
het Friesch der oude wetten, fel.

Ie, hij. De h in hij heeft reeds het oudste bekende Nederlandsch,
en toch is die aspiratie betrekkelijk nieuw, gelijk men hoort in
het Goth. is, Oud Hd. ir, Oud Sax. he, maar in gen. nog is dat, imu,
acc. ina. Reeds in het Angels, en oud Friesch treedt ook de h voor
in alle casus. Het Grieksch heeft in dit woord de aspiratie hos
hê maar het Latijn, dat ouder is, niet, is, ejus. De Amsterdammer
onderscheidt het aan- en afwezen der aspiratie in de uitspraak zeer
nauwkeurig. Hij zal nooit zeggen de has in de aardkolk, zoo als hier;
de ie is dus een oude vorm, des te verwonderlijker omdat hij tegen
het bestendig gebruik der Amsterdammers ook de oude waarde der i,
die thans meest ei is, bewaard heeft.

Zoopie, slok jenever. Ik zuip. praet. ik zoop, van waar zoop-ken,
stad-Friesch soop-ke, Holl. zoopje, zoopie, uit zoap-tsje. De Fries
zegt ik sûp (soep) ik zuip, met eene zuivere u, de Hollandsche oe;
maar in praet. ik sûep, (soep) met eene uitgehaalde meer door de o
aangedane u. De oude Friezen zeggen daarom ien sûepke (saepke) en de
Hindelopers ien sûep (soep) een slok haustus. Scand. sûp, jusculum,
Fransch soupe; Friesch sûpe, (soepe) karnemelk.

Top, aangenomen! Het zij zoo! Topp heeft het plat Duitsch in
dezelfde beteekenis. Het woord is zoo oud als toen de Franken,
Nederduitschers van afkomst, dit woord in Gallië brachten, waarvan
nog overig is het tusschenwerpsel tope, j'y consens, en toper,
consentir à une proposition. De laatste Fransche etymologisten
leggen dit woord af van het Hebreeuwsche TOV, goed, en Hull haalt
tot voorbeeld aan dat Bathseba door Adonias gebeden om aan Salomo
voor hem Abisag ten huwelijk te vragen, antwoordde, TOV, c'est
bon. Goed! Best! Het is mij onmogelijk eenen Franschman in zijne
geleerde vlucht te volgen, en mij wat korter aan den Germaanschen
grond houdende zie ik in top het overblijfsel der vergrijsde
gewoonte om met de toppen der duimen elkander te stooten, gelijk
men thans elkander in de hand slaat, bij het sluiten van koop of
overeenkomst. Outsen heeft nog in Noord-Friesland gezien, dat een oude
grootvader met zijn kleinzoontje overéénkwam, dat zij elkander woord
zouden houden, en ten teeken daarvan de duimen omkeerende de toppen
op elkander drukten. Outsen. Glossarium der Friesischen Sprache,
in voce Topp. Daarom zegt men in Osnabrug mit einem toplichten,
voor het met iemand houden. Top, ook tipp holden, zijn woord houden,
overal in het Platduitsch. Bij Haltaus op het woord aufstippen vindt
men mit oren vingheren upstippen, met hunne vingeren tegen elkander
stooten ten teeken der waarheid, ook alleen upstippen. De handpenning
dien men elkander gaf ten teeken van geslotenen koop, of verhuring,
noemde men daarom ook topschilling. Nu verstaat men ook wat het in
het Fransch wil zeggen: Je lui tape la main. De herkomst en de ware
beteekenis dezer gewoonte moet gezocht worden bij de volken, die uit
midden-Azië opgerukt een tijdlang aan de boorden der (Pontus Euxinus)
Zwarte Zee gewoond hebben, en van daar verder voortgestooten, als onze
vroegste voorouders, onder verschillende benamingen in Europa gevallen
zijn. Onder die volkeren of hunne naburen behoorde een deel van het
rijk van Mithridates, van wier koningen Tacitus verhaalt, dat zij, een
verbond aangaande, de eene zijne rechterhand sloot in die des anderen,
waarna men vervolgens beide duimen wel vast aan elkander bond. Nadat
op deze wijze het bloed in de toppen der duimen gedreven was, opende
men door eenen lichten slag eene wonde, waaruit het vloeiende en
zich mengende bloed door beiden gelekt werd. Oorspronkelijk was het
dus een verbond door de plenging en nuttiging van het wederzijdsche
bloed bevestigd, hetwelk zich tot het opleggen van de toppen der
duimen zonder wijders beperkte. Taciti Annales XII. 47.

Een taaie, een sterke kerel, die het lang uithoudt, hier voor een
glaasje sterken drank of jenever genomen.

Geskrokken, thans geschrikt, Ik schrik, praet. ik schrak, ik
schrok. Dit is het ware praeteritum door misbruik in de gelijkvloeiende
overgegaan en als zoodanig in de boekentaal met duizend andere
dwaasheden opgenomen.

Euiwt-drinke, voor uit. De u ontwikkelt hier hare eigene consanantische
lipblazing w. Ook in het Friesch van Gijsbert Japix, die steeds uwt
schrijft. Deze eigenschap klimt op tot in de spraak van het hooge
Noorden; want de IJslander spreekt hûs, ût, dûkr uit alsof er stond
huvs, uvt, duvkr, hetwelk G. Japix spelt huws, huis, uwt, uit, doek,
doek. Zie Anvisning till Isländskan af E. C. Rask. p. 12.

We peipe reis an, wij steken de pijp eens aan, het Duitsche anpfeifen.

Koetjes en Kallefies, deze spreekwijze, in gebruik door geheel
Nederland, is herkomstig van die oude eenvoudige tijden, toen
de bewoners dezer landen zich met het melken van een paar koeien
geneerden, en hun gewoon dagelijksch gesprek over hunne koetjes en
kalfjes liep. Koeties kent de Amsterdammer niet.

Ikke, voor ik, evenals datte voor dat, wanneer men met eenigen nadruk
van zich zelven spreekt. De Fries vraagt verbaasd, als hij beticht
wordt, Ikke? Ik heb dezen vorm in de Germaansche talen nergens
aangetroffen dan in de Glossen van Kero, Ihha, egomet. Overigens is
het klaar, dat uit ego moest worden eko, en dat dus het Goth. ik,
Scand. ek, Angels, ic enz. de tweede lettergreep verloren hebben. Het
Skrt. akam, ik, heeft ook twee lettergrepen.

Foef, schijn van welstandigheid om een ander te misleiden; pots,
grap. Overijsel, foefe id. Foef is gezegd voor foech, door eene
gewone verwisseling van ch met f. Hanover fiecheln, valsch spelen,
vleijen. Bij Frisch fuckeln, vleijen. In het Pruissische wegfûkeln,
wegmoffelen; tofukeln heimelijk in de handen steken. Het schijnt met
foeken één te zijn, dat oorspronkelijk vouwen, in de vouw slaan,
schikken, plooien, passen of betamen beteekent. Neder-Saxisch,
Twentsch, Overijselsch foeke, een zak b. v. in een behang, valsche
plooi in een kleed: Osnabr. fuken, passen, betamen. Kil. foeken
accommotare, decere. Ital-foggia, forma, modus, ritus.

Niks, ook de stad-Friezen, voor niets. In het oud-Saxisch is het
nowiht; Angel-Saxisch nawiht; oud Hd. niwiht, uit ni en wiht, eene
zaak, wezen, schepsel; geen ding, dus. Bij de samentrekking van den
genitivis niwihtes, verloor de volkstaal de t in niks, en de boekentaal
de k in niets.

As, voor als, gelijk de Friezen en Engelschen. Hetzelfde lot heeft de
andere liquida der tong r voor de s bij de Friezen, die waes, baes,
voor waers, baers, warsch baars, zeggen.

Karreweitje, verkleining van karwei, het Fransche corvée. Karrewei
voor karwei, en ballekon voor balkon.

Hacchie, leven. Hack, hak, beteekent het uiterste puntje, het uiteinde
van een ding. Scand. haki, extremitas alicujus rei. Hachje, vleesch,
spek, gelijk men zegt hoekje voor een stukje en in Noordholl. een
endje stik voor een boterham;


        "Dat hachje leijter toe, het mach er ligge rotte,
        't Is beter daer as voor de muysen of de rotte."


Tr. Corn Klucht 1345 Hier voor endje leven. Hij schoot
er het hachje bij in, is zooveel als het endje leven, zijn
leven. Kil. hacke, ultimus, extremus, postremus, meest zegt Kil. in
eenen kwaden zin. Vandaar buitensporig, die in uitersten loopt,
onberaden. Scand. hackr, homo praeceps, vehemens. Ons hachie, waaghals,
in oud-Nederl. hach, het uiterste gevaar; thans nog over in hach-lijk.

Poi, pui, thans balkon, het uitstek aan den gevel van een stadhuis,
vanwaar de raadsbesluiten en wetten afgelezen worden; later het
gedeelte van den gevel onder de puie, waarvoor de pilaren stonden,
die de pui ondersteunden.

Van den prins geen kwaad weten. Iedereen heeft op prinsen en
hun bestuur wat te zeggen. Die van den prins dus in 't geheel
geen kwaad weet, moet wel zeer argeloos zijn en van niemand kwaad
vermoeden. Misschien dagteekent deze spreekwijze van de worstelingen
der zoogenaamde Loevesteinsche factie tegen de prinsen van Oranje.

Schilderen, verven. Fijnschilder, schilder. Het Amsterdamsch neemt
schilder nog in den ouden oorspronkelijken zin, toen dit woord
iemand beteekende die de krullen, kleuren en figuren op een schild
verfde, hetwelk meer fabriek- dan kunstwerk was. Nadat eindelijk
de schilderkunst hieruit geboren was, noemde men hare beoefenaars
in tegenoverstelling der ververs van schilden, fijnschilders. Fijn
is in oud Nederduitsch, wat in zijne soort het toppunt van kunst en
bevalligheid bereikt heeft. Zie Kiliaan.

Drieselig, huiverig, schril, schrikachtig. Eng. dread, vreezen. Oud
Hd. ih, intratu, vereor, er intriet, verebatur, in welk praeteritum de
ie van drieselig teruggevonden wordt. Van dried heeft waarschijnlijk
een verbum frequentativum driedelen bestaan, zooals van het Friesche
griza, afgrijzen, gevoelen, grizelen, waaruit driedelig of drieselig
en griezelig, rillende van koude of angst.

Tra-amonta-ane. Tramontane, de overbergsche, namelijk, wind en ster
bij de Italianen die door berg hier verstaan het Alpische gebergte,
waarover te hunnen opzichte de Noordstar schijnt en van waarover
de noordenwind komt. Perdre la tramontana zeggen de Spanjaarden,
voor de noordstar uit het gezicht verliezen, en dus niet weten in
welke richting op zee te sturen. Figuurlijk, zijn hoofd verliezen,
radeloos worden. De Spanjaards hebben deze spreekwijze hier in de
gewone taal gebracht.

Perdoes, hals over hoofd, ook bij de Friezen gebruikelijk. Het is
het Fransche perdu, of liever het Italiaansche perduto, verloren. De
Engelschen hebben perdu in den zin van eene wacht in hinderlage op
eenen gevaarlijken post. To lay perdue.

Donderement. Op zijn bliksem of donder krijgen, is in matrozentaal,
op zijn lichaam krijgen, namelijk slagen. Naar sacrement, fondament,
element, enz. vormde het gemeen uit donder, donderement.

Afzakkertje, een glas jenever om de plassen koffie en thee, welke men
geslurpt heeft, af te drijven. In het laatst der zeventiende eeuw [80]
begon men hier de thee en de koffie niet in te voeren, of dadelijk won
de leer veld, dat men al dat warm water afdrijven en de verslappende
kracht er van herstellen moest door sterken drank. Van dat oogenblik
dagteekent het dagelijksch gebruik van den schandelijken jenever,
die thans, en dieper, en zekerder, en duurzamer verwoestingen in
ons volksleven slaat, dan alle nationale rampspoeden der laatste 50
jaren met elkander, en het zal eene der eerste en allerdringendste
werkzaamheden van den Nederlandschen wetgever, die de voortduring van
het onafhankelijk volksleven zijns vaderlands beoogt, moeten uitmaken,
om aan dezen kanker van zedelijkheid en nationale kracht eindelijk paal
en perk te zetten. Onze eerzucht heeft hoop ik, nog een edeler doel
te beschieten, dan de eerste natie van dronkaards in Europa te zijn.

Koite, kuiten. Het Scandinavisch heeft van dit woord twee vormen,
eenen met k, en een anderen met g voorop. Kyta en gytn, of gota, in
den zin van den eijerstreng der wijfjesvisschen, piscicum ovarium,
terwijl het Scand. zegt at gióta, gyt, praet. gaut, voor het ter
wereld brengen der jongen van vogels en visschen. De oude Nederl. vorm
was kijte en kiete, zie H. Junius Nomenclator, 73, en Kil. Eng. cut,
Fris. kunta, pudendum muliebre. Grimm (Gram. II. 19.) brengt dit tot
Goth. giuntan, ons gieten, in den zin van het Latijnsche fundere
telen. Ags. geotan praet. geat, pl. guton, fuderunt. Vandaar
met eene u gudsen, gutsen, geweldig vloeien, Vlaamsch gusselen,
fundere. Landfr. guusje, guwsje, (vloeien) weenden. Deze vorm heeft
ook het Zeeuwsche guus in den zin van kroost aangenomen; de guus
is zoowel het kind als de kinderen. Gieten wordt hier dus toegepast
zoowel op het kroost van menschen als van vogelen en visschen, evenals
kind bij de Scandinaviers zoowel een dier als een kind, dus ieder
schepsel beteekent. In al deze woorden heerscht dezelfde ellypsis;
het Friesche barn, bern, van bera, ferre uterum, baren is voluit [81]
moeder-baren (moederschepsel) zooals het bij de oude Nederlanders
luidde. Oud Sax. kind proles, samengetrokken uit kinned (Ags. cennan,
parere, cenned, productus), beteekent bij de Scand. een mensch, wanneer
het met man samengesteld, mankind (mensch-schepsel) luidt, en gelijk
kinned zoo wel het geteelde als den geteelde aanduidt zoo is mankind
den Engelschen het menschdom. Kind luidde bij ons in deftigen stijl
nog voluit menschen-kind, om een mensch-schepsel, dat is, mensch aan
te duiden. Vergelijk Huydecoper op M. Stoke. I. 243. Andreae Lex. 144,
en het Glossarium Saxonicum op den Heliand door den voortreffelijken
Schmeller op kind.

Maar welk verband is er nu tusschen vischkuit (ovariam piscium)
en het kuit (sura) van den mensch? de kuiten, en den naamsoorsprong
tusschen onze kuiten, en krulhaar? Men moet de kuiten eerst een zeker
voeder geven om krulhaar te krijgen!--De kuiten hield het algemeen
volksbegrip voor een der zetels van de teelkracht, even als het kuit
in de visschen er het voortbrengsel van was, en dus niet slechts voor
het sieraad, maar ook voor de kracht des mans, terwijl kuiteloos en
ontzenuwd voor woorden derzelfde beteekenis golden. Hja binne murg in
kuwten quyt, zij zijn merg en kuiten kwijt, zegt Gijsbert Japix van de
lichtmissen in de steden. Wie zijne kuiten had verspeeld kon als man
niet meer optreden in de res venerea. Aan krulhaar verbond men niet
zoo zeer het denkbeeld van dadelijke kracht als wel van wulpschheid,
zoodat iemand met krulhaar als bijzonder proclivis in venerem geacht
werd. Van daar ook het spreekwoord, Krul haar, krul zin, Krul leven zit
er in. Doch niets bevestigt de waarheid van dit verband meer, dan het
relletje, dat de Friezen den onbekende lieten uitspreken, om te weten
of hij Fries was: Der is myn klirck sa krol as Klyrkamster krolheerede
klirck; aller klyrcken is hi to krol. Idsinga, Staatsrecht I. 251. Daar
verder lust de dochter van kracht is, had men de kuiten slechts braaf
te voederen om het haar sprong en tier bij te zetten. Holl. Krolsch,
salax; krolsche kater. Kil. krol, fastuosus.

Toitert, op den horen blaast. Tuiten, canere cornu; van waar het
frequentativum tuiteren, Amst. toitere. Dit woord is ten minste 15
eeuwen oud; reeds Ulfilas gebruikte het in zijn bijbelvertaling op
1 Cor. XV 52, en 1 Thess. IV 16 voor salpinx, bazuine; thuthaurn,
zegt hij, bij Kiliaan tuythoorn.

Met mijn krullen in de krulle van; Krullen omdat eene vocaal volgt;
Krulle, omdat een consonant volgt. Zie de algemeene aanmerkingen boven.

Smeerde men al maar deur, dit men, mij, versterkt de uitdrukking;
zoo ook jen als de 3de persoon optreedt. Dat gaf je daar een stank
om te bezwijken; dat zuipt je daar als tempelieren.

Ik heef, ik heb. Zij die niet verder zien dan hun spelboek, trekken
zeker van dezen vorm den neus op als een grof misbruik in den mond
van het gemeen. Ondertusschen is heef even regelmatig als heb. Ik
heb conjugeert immers den 3den persoon nog hij heeft, van het oude
ik heef. Zoo ook het Ags. habbe, ik heb; haefst, gij hebt; haefth,
hij heeft. Doch het Scandinavisch heeft de f door de 3 personen en
beide numeri heen; hefi, ik heb; hefir, gij hebt, hij heeft; höfum,
wij hebben; hafith, gij hebt; hafa, zij hebben. Landfr. ik haf,
dou heste, hi het; wi jimme, hja hauwe, etc.

Opfrissertje, als 't den hemel belieft! De jenever strijkt 's morgens
den dauw van de maag en doodt de pieren! De jenever beschermt den
mensch tegen de guurheden der buitenlucht! De jenever is voor de
maag wat de zweep voor een oude knol is, en doet ons lekker eten! De
jenever bezorgt ons een lekker knippertje na den maaltijd! De jenever
is een hond, die ons bijt en geneest tevens: hij doet ons delicieus
en copieus theedrinken, en zet de thee weder af! En onder alle die
zegenrijke werkingen voor onze gezondheid verschilt hij nog hierin van
de Apothekers dranken, dat hij heerlijk smaakt, en wat veel, oneindig
veel, zegt, in de ellende en armoede den doffen geest opfrischt. Er
is maar ééne ziekte en één geneesmiddel, en dat is de jenever!

Gunter, ginder: t en d beiden goed. Ginder is uit het oud-Hd. gendra;
maar het Goth. heeft 2 vormen jaindré, en jainthro, die gewis ook in
het oud Nederlandsch gebloeid hebben. Uit jainthro is gunter.

Koudt, dood.

Bakbiest, eigenlijk, een spekbeest, een zwaar varken. Kil. back,
porcus. Eng. bake, spek.

Den ouwe, de oude, d. i. de kapitein van het schip. Het bij alle
volken heerschende denkbeeld, dat ouderdom regt tot gebieden geeft,
heeft deze beteekenis aan dit woord gehecht: de matrozen noemen daarom
dan ook eenen Kapitein van 25 jaren den oude.

Geloof jij die, Gijs? Algemeen laat de volksspraak in Nederland de t
(oudtijds th in plur.) achter de f weg in den tweeden persoon als
er gevraagd wordt, geloof jij? is het bevestigend dan blijft t, jij
gelooft; maar in den derden persoon en hij gelooft en gelooft hij,
beiden met t.

Slaapmussie, slaapmutsje. Men zet eene muts op om te beter te
slapen, en men drinkt bij het te bed gaan een glaasje jenever om te
beestachtiger te slapen. In het woord mutsje is echter deze speling,
dat het zoo wel een maatje van sterken drank als een hoofddeksel
aanduidt, men zegt immers een mutsje jenever. In den laatsten zin is
het mudde, koornmaat; diminut, muddeke, muddetje, contr. mutsje.

Kromhouts gast, een scheldnaam aan boord voor reizigers, die
medevaren. Een matroos is op het dek of klimt in het want; een soldaat
of ander kerel, die als passagier medevaart, is onder deks, en dus
tusschen de kromhouten, die als de ribben van het schip zijn. Een
kromhouts gast is dus een soldaat of ander landkrab, die op zee zijn
verblijf tusschen de kromhouten heeft; hier is 't in figuurlijken
zin een naam van verachting, welken Sander aan den Chinees geeft,
hoewel een zeeman.

Slinger-perdoen; perdoen is een touw, hetwelk tot stevigheid aan de
stag vast is, en ter zijde der puttings door een perdoens blok wordt
vastgemaakt. Thans geldt perdoen aan boord ook wel voor touw in het
algemeen. Slinger perdoen is een slingertouw, waarmede Sander den
langen staart van gevlochten hair bedoelt, dien de Chinees in den
nek draagt.

Teugens, tegen, en teugen. Oud Hd. gagan, contra. Ags. gegen,
gan, gean, gen; met an en on, angean, ongean,
Eng. again. Ags. angeans. Eng. against. Uit gegens is ons jegens,
maar uit het Ags. to geanes en to genes is dit togens of tegen met
verrukking van den klemtoon, die op gens ligt, naar to. Teugens is ook
weder stad-Friesch; het oude Friesch heeft het Eng. again verzacht in
aien, door de Land-friezen verkort tot jin. Maar bij de verkorting
van to gen laten zij gen, waar de accent op valt, onaangeroerd en
versmelten de o van to in tsjn. Het Ags. geanes is een genitivus zoo
als wij van voort, voorts, van een, eens, van regt, regts maken.

Angieren, met eene kromme bocht ergens tegen aanzwaaien. Zeer
eigenaardig wordt het gezegd van een voorwerp, dat aan een touw zit
en zich dus in eenen cirkelboog beweegt om het punt dat het touw
vasthoudt. Dus zegt men een gierbrug, en de Chinees door Sander
bij zijnen langen staart gegrepen en geslingerd, gierde tegen zijne
zolen aan, dat is tegen zijne, den Chinees trappende, voeten. Van
gyrus, kring, hebben de middeleeuwen gevormd girare, eenen steen
met eene bocht uit eenen slinger werpen. Oud Fransch girer, thans
virer. Van daar Giro, lacinia. Fransch giron, de bogt van den schoot
eens zittende.

Noordoost, geheel verslagen, in onmacht. Deze uitdrukking is
plaatselijk. Hier te lande van eenen boozen wind sprekende noemt
men bij uitnemendheid den zuidwesten wind; waarvan de stormhoed der
zeelieden, die met breeden rand achter over den nek hangt, nog den
naam van zuidwester voert. Wie nu door den Zuidwesten wind op strand
geworpen wordt, valt Noordoost. Van iemand die in zwijm ligt, zegt
men op dezelfde wijze, dat hij buiten westen is.

Klabaaispringers, Klabaien even als klabaerden bij Kil. is geraasmaken
door een of ander werktuig. De Chinezen dansen al springende op de
hurken, waardoor de schelletjes die zij op het hoofd dragen, bengelen.

Toang bagoes! Mooie heer! Een compliment, een eerenaam, dien de
Chinees aan den Europèer geeft, wien hij bedriegen wil.

Zwabber-kappetijn; van het oud-Hoogd. suebon, in de golven omgesold
worden, is het frequentativum suebaron, heen en weder dobberen;
ons zwabberen, over land en zee her- en derwaarts omgevoerd worden,
zwalken. Een zwabber, is ook een scheepsdweil aan het einde van een
stok gebonden, anders stokdweil genoemd. Zwabber-kapitein is hij,
die meester van den zwabber is, d. i. de aanveger der vuiligheden op
het schip.

Onze matrozen houden de Chineezen voor aanbidders van den duivel, wien
zij dagelijks allerlei lekkere beetjes voorzetten, latende, God aan
eenen kant, en zulks om reden, dat God, uit zich zelven goed zijnde,
niet behoeft aangeroepen te worden om hem genegen tot ons te maken,
terwijl men den duivel moet vereeren, opdat hij ons geen kwaad zal
doen. Daarom is de Chinees hier een zwabberkapitein van den duivel,
die aan boord van den duivel het werk van scheepsjongen doet. Dien
duivel noemt de Chinees joosje, volgens onze matrozen, die uit onze
Oostersche bezittingen dien naam overgebracht hebben op den duivel van
Europa; in de wandeling daarom joost genaamd. Ieder kent de joosjes
thee, den naam voor de perelthee, de beste soort van groene thee.

Pluimgraaf, eertijds een hoog ambtenaar bij den graaf des lands, die de
heffing der tollen bewaakte, en tevens zorgde, dat niemand zwanen hield
dan met zijne toestemming. Het scheepsvolk heeft dezen hoogen titel
volgens zijnen gewonen stijl toegepast op den varensgezel, die voor de
hoenders en de varkens van den kapitein zorgt. Evenwel werd het woord
ook elders op lagere bedieningen toegepast, gelijk in Overijsel op de
mannen, die het beheer der gemeenteweide hebben, welke men weidegreven
noemt. In den oorsprong beteekent dit woord ook in het algemeen: die
een ander ten dienste staat. Het is buiten twijfel, dat reef het thema
des woords zij, en ge het bekende augmentum. Het Engelsche reeve, voor
steward, bewijst het onbetwistbaar; want reeve zou niet van ge kunnen
gescheiden worden, indien ge tot het thema behoorde. Het Angels, heeft
dan ook ge-refa, graaf, en in eene menigte verba, waar de Angelsaxen
ge voorzetten, missen het de Nederlanders. De Fries heeft feer waar de
Angels heeft gerefa. Wat is nu refa? Het is één met het Scand. rifr,
largus; Neerl. rijve, id. Fris. ri, id. De oude vocaal was echter
e, gelijk wij zien uit het perfectum van e in ge-rijven, commodare,
officium proestare; praet. geruf; thans verloopen tot gerijfde. Ge-refa
is dus, qui officium praestat. Mijn vriend Grimm volgt een geheel
ander gevoelen, te vinden Rechtalt. 753. Tegen deze e in gerefa staat
dikwerf een Hoogduitsche a over als in grafo Gr. I. 91, 361.

Snertbalie, Balie is eene scheepstobbe, snert noemt men aan boord
groene erwten, voor het snarren, snerren, snerten, crepitum ventris
edere. De snert-balie, de bak met gekookte groene erwten wordt door den
pluimgraaf, die liever boutjes lust, met eenen viezen lach aangekeken.

Alree. De Engelsche zeelieden zeggen daarvoor, All clear! wanneer
niets meer in den weg ligt om eene scheepsmanoeuvre ten uitvoer te
brengen. In jachten en boeiers, die laveren, roept de man te roer,
op het oogenblik, dat hij wenden wil, aan den fokkeman, Ree! of Alree!

Rijstkadraaijen, met een klein vaartuig de rijst van de kust
afhalen. Kadraai is in de scheepstaal het vaartuig, waarmede zoetelaars
aan boord van groote schepen varen om hunne ververschingen uit te
venten; ook zulk een zoetelaar zelf. Dewijl deze zoetelaars alle kaaien
omvaren, waar schepen liggen, en om die schepen hengelen en draaien,
worden zij kadraaien genoemd, zegt Winschoten in zijnen Zeeman op
dat woord.

Praauwmajang: een kleine prauw.

Veertig-percenter, woekeraar, die 40 ten honderd neemt, iets dat
onder de Chinezen niet ongewoon is.

Zwarte boek, schuldboek.

Zee-Deventer-koeken, inboorlingen van het eiland Bali ten Oosten van
Java, Deventer koeken genaamd, om hunne bruine kleur, en zee-Deventer
koeken om hunne geschiktheid voor de kustvaart.

Vrouwe-verdriet, de westmoesson, die de terugkomst van het scheepsvolk
in het vaderland tot verdriet hunner vrouwen vertraagt.

Breuidseuikers, zijn de zakjes met suikererwtjes enz. welke de rijken
voormaals aan hunne vrienden en bloedverwanten door de knechten
brengen lieten, als zij trouwden. Thans is het nog in zwang bij
burger- en boerenlieden, terwijl rijke bruidegoms hypokras zenden. Het
huwelijk oudtijds een koop zijnde, waarbij de bruid uit de macht van
vader, voogd, broeder, of wie recht op haar had, tegen zekeren prijs
losgekocht werd, zoo schijnt het schenken dezer zoetigheden door den
bruidegom aan de bloedverwanten der bruid nog een overblijfsel van
het losgeld te zijn voor de bruid, waarom het dan ook waarschijnlijk
bruidssuiker genoemd wordt.

Sluis, gelijk bekend is, te Amsterdam elke steenenboog, die tot
brug over het water dient. Sluis, geboren uit het Middeleeuwsche
exclusa, of sclusa, beduidt anders eene afsluiting van water, door
middel van schutdeuren; maar sedert sluis elken vrijen doortocht
van water beteekende, die door eenen steenen boog gedekt is, viel
men in den pleonasmus om schutsluis voor eene waterschutting door
middel van deuren te zeggen; woordelijk eene schutafsluiting. De
Fries gebruikt het Germaansche woord sile, in de steden verlaat,
beide voor schutsluis.

Valle van de panne, breken van het tuig, dat hem op het hoofd dreigde
te vallen.

In mijn nek keek, de zee stortte over de achterplecht, dat is, in
den nek van het schip.

Moeders bont-boeselaar; in de boezelaars of voorschoten der Hollandsche
vrouwen, wanneer zij fijn uitgedoscht waren, was voortijds eene
uitgelezene pracht. De voorschoten waren bont, dat is, geruit,
vooral met roode kleuren van verschillende diepte. De Oostindische
bonten waren te dien einde de gezochtste, en voor een lapje, waaruit
een smal voorschootje kon gemaakt worden, betaalde men tot 60 gulden
toe, wanneer het staal keurig en zeldzaam tevens was. De Hindelopers,
die midden in hunne steigerende welvaart de Nederlandsche dracht nog
aanhielden, waren bij uitstek weelderig in deze bonte boezelaars,
en schoon mijne verzameling nog op verre na niet volledig zij,
bezit ik echter nog over de honderd bekende stalen, elk met zijnen
eigenen Hindeloper naam. Wanneer nu de moeder een schoon aanminnig
kind had, en met dat kind, netjes in de punten, op haren Zondagschen
bont-boezelaar zat te prijken, dan voorspelde zij zich van den knaap
eene toekomst van goud en geluk; maar die volgens het volksgeloof
eene toekomst van tegenspoed en ontijdigen dood werd, wanneer alles
zich zoo uitstekend fraai liet aanzien. Dewijl men al te schoone
kinderen voor de voorwerpen der afgunst van tooverkollen hield, waren
de Friesche bakers voorheen gewoon, om zulk een lief voorwerp in het
gezicht te spuwen; dan immers had de nijd van kwade geesten geenen
vat op hen. Nu begrijpen mijne lezers, waarom Sander, toen hij op
het punt van verdrinken stond, zeide, "Genacht, Sander! Je bent ook
'n lief kind op je moeders bont-boeselaar geweest!"

Dingsig, akelijk, misselijk, een soort van wee-gevoel, waarvoor men
geenen naam weet, en hetwelk men met den algemeenen naam dingsig
aanduidt, die van ding afgeleid is. Zoo zegt men van iemand, wiens
naam men zich niet herinnert, Mijnheer dings. De Franschen gebruiken
in het dagelijksch gesprek dikwerf, Va dire à chose, zeg aan Mijnheer
dings. Ding wordt ook gebezigd van deelen, welke de welvoeglijkheid
niet bij hunnen eigenen naam wil genoemd hebben. Zie Kil. op dingh
in de noot.

Baaitje, duffelschen overbuis van eenen matroos in Friesland,
onderborstrok, die over het hemd aangetrokken wordt. Dit woord
is weder buiten den regel met zijne b, die p behoorde te zijn als
in het Goth. paida, rok, en het Oud-Saxische péda. Het Grieksche
woord immers is baita, een rok van vellen. Zie Pollucis Onomasticon
p. 1364. Ed. Hemsterhusii.

Murg-pijpen, mergpijpen, schenkels, waardoor hij zijne beenen verstaat;
ik knielde, wil hij zeggen.

Gallig, Goth. galga. In de algemeene aanmerkingen hier boven, heb ik
de diastole in dit en andere woorden opgemerkt. De Engelschen doen
hetzelfde maar met verandering der g in de verwante w. Uit zwelgen
(swalgen) is hun swallowe, to swallow, en uit galges gallowes,
gallows. Ihre leidt dit woord te recht af van gagl, tak van eenen boom.

Ribbekast, lichaam, ook ribbejak genoemd.

Pitjalling, als ik mij niet bedrieg, in het Maleisch een vaartuig.

Alvorens deze aanmerkingen te sluiten, wil ik den lezer nog
verwittigen, dat de Heer Van Lennep alleen op mijn aanzoek de
Samenspraak heeft opgesteld. Om het oogmerk mijner letterkundige
vrienden te Berlijn te bereiken, heb ik den beroemden schrijver de
dubbele taak opgelegd, om eene proeve van den plat-Amsterdamschen
tongval te leveren, en tevens door deze proeve, die in haar onderwerp
van zijne eigene vinding behoorde te zijn, zooveel mogelijk den
Amsterdamschen gesprekstoon uit te drukken. Niemand mijner aanzienlijke
vrienden in de hoofdstad zal zich, hoop ik, ergeren aan dat woord
Amsterdamsch. Bij den navorscher van oude talen en gebruiken, (en
in dat karakter trad ik hier op) is het gemeen eigenlijk het volk,
omdat het zingt gelijk het gebekt is, en zich aan den voorgang van
vreemden in het minste niet gewoon is te storen. De taal ontspringt
hier aan de bron der ruwe nationaliteit zelve. Het aanzienlijker deel
der maatschappij daarentegen volgt in dezen, iets, waarover men in
de zoogenaamde bonne Société is overeengekomen, eene conventionele
taal, die van alle belang voor de taalvorschers ontbloot is. Door
Amsterdammers kan ik hier dus geene anderen verstaan dan burgerluitjes,
die den tongval der hoofdstad op den oudsten en allerplatsten toon
uitbrengen.

Wat mij betreft, ik ben van oordeel, dat de Heer Van Lennep zich
door deze samenspraak in eene rij geplaatst heeft met twee der
aanzienlijkste staatsmannen en doorluchtigste geesten van het oude
Nederland: ik meen met den Ridder Hooft, toen hij zijnen Warenar,
en met Constantijn Huygens, toen hij de klucht van Tryntje Cornelis
schreef. Mochten echter onze tijdgenooten, die niet zeer gemakkelijk te
voldoen zijn, deze gelijkheid berispelijk vinden, zoo neem ik alles,
wat zij in de samenspraak ruw en onwelvogelijk vinden, voor mijne
rekening. Ik heb het uitgelokt: ik alleen moet er voor boeten. Zoo ben
ik, Lezers! Ik moet anderen de eer laten om smaak te vinden in de taal
der zakkenrollers en lichtekooien van Parijs, voor wier schoonheden
ik gansch ongevoelig ben. Ik houd meer van die platte taal, waarin de
bevelen gegeven, overgebracht en ontvangen werden, toen onze kanonnen
Neerlands macht en glorie over den Oceaan uitdonderden, hetzij bij het
verbranden van den Royal Charles op de rivier van Chatham, hetzij in
den driedaagschen zeeslag, hetzij in zoovele watergevechten, waarbij
de Jantjes van Amsterdam of de Friesche tsirlen de vlag van den mast
der vijandelijke schepen streken. Ik weet, ik belijd openlijk, dat
ik mij daarmede zwaar tegen den tijdgeest bezondigd heb, en ik buig
deemoedig het schuldige hoofd om de berisping en den hoon te ontvangen,
welke ik meer dan verdiend heb.



LAURENS REAEL.


Gij zult zeker wel eens gehoord hebben, mijne Lezers! of misschien
zelven wel hebben opgemerkt, dat de geschiedenis van meest alle
beroemde natiën een bijzonder tijdvak oplevert, van al de overige
onderscheiden door de ontwikkeling van volkswelvaart, door den bloei
van kunsten en wetenschappen, door het opkomen van groote en beroemde
mannen; een tijdvak, bij hetwelk men, onder het lezen of bestudeeren
der geschiedenis, met welgevallen vertoeft, en 't welk men zich te
gemakkelijker herinnert, omdat het doorgaans den naam draagt van het
doorluchtigste personage, dat er in leefde. Zoodanig tijdvak was,
voor Griekenland, de eeuw van Perikles: voor het oude Rome, de eeuw
van Augustus: voor het latere Italië, de eeuw der Medicissen: voor
Frankrijk; de eeuw van Lodewijk XIV: voor ons vaderland, de eeuw van
Frederik Hendrik.

Ik onderstel, dat het u niet onbekend zal zijn tot welk een hoogen
trap van welvaart, roem en macht ons jeugdig en krachtvol Gemeenebest
zich gedurende het leven van Frederik Hendrik verheven had, en welke
uitstekende mannen het had voortgebracht. Gij zult u inderdaad geen
vak van kunst of wetenschap voor den geest kunnen brengen, waarvan
Nederland in die dagen niet een vertegenwoordiger opleverde, wiens roem
voor of na hem schaars geëvenaard, veel min overtroffen werd. Denkt
maar aan Oldenbarneveldt, aan De Groot, aan Maarten Harpertszoon
Tromp, aan Hooft, aan Vondel, aan Rembrandt, aan zoovele anderen,
die in verschillende opzichten medewerkten tot het bevorderen van den
luister van ons vaderland. Van de mannen, die ik u daar noemde, hebt
gij zeker meermalen hooren spreken, hun levensgeschiedenis, hun werken,
hunne verrichtingen zullen u niet geheel onbekend zijn;--maar buiten
hen leverde die eeuw van Frederik Hendrik nog zoo menigen staatsman,
krijgsman, dichter, geleerde of kunstenaar op, wien gij nooit of niet
dan terloops hebt hooren vermelden, en die toch evenzeer verdient,
dat gij met hem bekend raakt. Welnu! ik wil u een kort overzicht geven
van het leven en bedrijf van een man uit dat tijdvak, die tevens
staatsman, krijgsman, dichter en geleerde was, en die zich in elke
dier zoo uiteenloopende hoedanigheden de bewondering en de achting
zijner tijdgenooten verwierf. Die merkwaardige man was Laurens Reael.

De vader van Reael was een rijke graanhandelaar, van Hollandsche
afkomst. Hij had eerst kantoor te Dantzig gehad, doch zich omtrent
de helft der zestiende eeuw nedergezet te Amsterdam. In dien tijd en
nog lang naderhand hadden de meeste menschen nog geene familienamen:
de een onderscheidde zich van den ander, òf door het aannemen van
zekeren bij- of toenaam, aan de plaats zijner geboorte, aan zijn
beroep of aan andere bijzondere omstandigheden ontleend; òf en dit
in de meeste gevallen, door eenvoudig den naam zijns vaders achter
den zijnen te plaatsen. Zoo noemde de een zich Jan Pieterszoon, de
ander Klaas Dirkszoon, een derde Harmen Tijmenszoon en zoo heette
ook onze graanhandelaar, toen hij te Amsterdam kwam wonen, Laurens
Jakobszoon. Dan, sedert hij een huis had betrokken op het Water over
de Papenbrugsteeg, in den gevel van welks huis een gouden reael was
afgebeeld, gaf men hem, ten einde hem niet te verwarren met andere
Jakobszonen, den toenaam van Reael.--Gij weet, hoop ik, wat een reaal
was en hoevele oude duiten, zulk een geldstuk gold.

Laurens Jakobszoon Reael had niet lang te Amsterdam gewoond, toen
de onlusten ter zake van den godsdienst een aanvang namen. Gij weet
ongetwijfeld, hoe onder Karel V en vooral onder Pilips II de Inquisitie
alle pogingen in 't werk stelde, om de Hervorming, die hier te lande
vele aanhangers telde, te onderdrukken. Reael behoorde ook onder
hen, die de leer der Hervormden omhelsd hadden, en hij wist zelfs,
met vier andere vermogende burgers te bewerken, dat het aan hunne
geloofsgenooten werd toegestaan, openbare godsdienstoefeningen binnen
Amsterdam te houden. In weerwil daarvan bleef hij zeer gezien bij de
toen nog Roomschgezinde Overheid der Stad, en niet zonder reden. Het
was gedeeltelijk aan zijne bemoeiingen te danken, dat de beeldenstorm,
die elders zoo hevig woedde, te Amsterdam geen plaats had: en hij
wist op verzoek der Regeering, zelfs met levensgevaar, een oproer
te stillen. Ook blonken zijn beleid en voorzichtigheid uit in het
bevorderen der rust ten tijde van Brederodes kortstondig verblijf te
Amsterdam. Prins Willem I had aan hem groote verplichting; onder andere
leende Reael hem eens f 10,000--in die dagen, toen het geld vrij wat
meer waarde had dan tegenwoordig, een aanzienlijke som. Toen Amsterdam
in 1578 tot 's Prinsen partij overging en een nieuwe Magistraat koos,
behoorde Reael tot de leden der nieuwe vroedschap en handhaafde,
in 1587, als kolonel der Burgerij, krachtdadig het gezag der Stad
tegen den Graaf van Leicester.

Reael had bij zijne vrouw, Grietje Nieuwes Pietersdochter,
verscheidene kinderen gekregen, waarvan Laurens, die op den 22sten
October 1583 geboren werd, de jongste was. Zijn aanzienlijk vermogen
stelde hem in staat, aan die kinderen een goede opvoeding te geven
en hij spaarde daartoe ook geene kosten. Zoo leerde onze Laurens,
behalve de Latijnsche en Grieksche talen, wier kennis in die dagen
hoog noodig was, ook de Fransche, Engelsche en Italiaansche. Wel
had hij het ongeluk reeds in 1600 zijn vader te verliezen; doch hij
vond vaderlijke vrienden in zijn oudere broeders Jakob en Pieter,
en vooral ook in den man van zijn zuster Lijsbestjen. Deze laatste
was getrouwd met den Hoogleeraar Jakobus Arminius, denzelfden, die
zich zoo bekend maakte door zijn godgeleerde twisten met Gomarus,
en naar wien de Remonstranten wel eens Arminianen genoemd worden. Ik
moet u echter in 't voorbijgaan waarschuwen, dat, ofschoon men wel
de benaming "Lutherschen" of "Mennisten" bezigen kan zonder aanstoot
te geven, die van "Arminiaan" voor een scheldnaam gehouden wordt, en
gij u dus moet wachten, dien te gebruiken.--Arminius nu trok zich zijn
jongen zwager bijzonder aan, er boezemde hem een groote zucht in voor
de wiskunst, waarin de jonge Laurens dan ook bijzondere vorderingen
maakte, welke hem later uitmuntend te stade kwamen. Hij studeerde
bovendien te Leiden in de rechtsgeleerdheid.

Maar bij dit alles toonde Reael, reeds van jongs af, veel aanleg voor
de poëzie, en vervaardigde al vroeg, zoowel in zijn moedertaal als in
't Latijn, verdienstelijke gedichten. Zoo vereerde hij onder anderen,
toen Arminius in 1606 overleed, diens afbeelding met een Latijnsch
bijschrift, 't welk evenzeer van zijn bekwaamheid als van zijn
dankbaarheid getuigde.

De vader van Reael was zelf een niet ongelukkig beoefenaar der
dichtkunst geweest, en had omgang gehad met vele lieden van smaak,
met wie nu ook de zoon in kennis kwam. Onder de zoodanigen behoorde
Roemer Visscher, wiens woning een verzamelplaats was van schrandere
vernuften. Roemer Visscher had twee dochters, beiden nog beroemder
dan hij zelf. De oudste, Anna, was van de jaren van Reael, de
andere, Tesselschade, vrij wat jonger: beiden waren dichteressen, in
verscheidene talen bedreven, zongen en speelden verrukkelijk, wisten
fraai te borduren, letters en figuren in 't glas te snijden, in 't
was te boetseeren: in 't kort, zij hadden allerlei begaafdheden: doch
waren tevens, wat nog meer zegt, hoogst beschaafd van manieren, braaf
van karakter en alleraangenaamst in den omgang. Geen wonder alzoo,
dat men haar gezelschap zocht, en dit ook van den gunstigsten invloed
was op Reael. Er is niets, dat voor jonge lieden zoo heilzaam en nuttig
is als de omgang met welopgevoede, verstandige en deugdzame vrouwen;
en zoo Reael naderhand een goed figuur gemaakt heeft aan de Hoven
van Vorsten en Grooten, hij heeft dit gewis daaraan voornamelijk dank
mogen wijten, dat hij van jongs af in zoo goed gezelschap had verkeerd.

Ten huize van Roemer Visscher ontmoette Reael den grooten dichter en
geschiedschrijver Pieter Corneliszoon Hooft, die van zijne jaren was,
en met wien hij een vriendschap sloot, die hun leven lang voortduurde.

De betrekking, die tusschen Arminius en Reael bestond, had dezen
al vroeg in kennis gebracht met aanzienlijke Remonstrantsgezinden,
als De Groot, Uyttenbogaert, en anderen, en hierdoor ook met den
beroemden advocaat van Holland, Mr. Joan Van Oldenbarneveldt. Deze,
die spoedig zag, wat er in iemand school, begreep van de bekwaamheid
des jongen Reaels partij te moeten trekken en bezorgde hem een ambt
bij de geldmiddelen, ten gevolge waarvan Reael zijn woonplaats naar
's Gravenhage overbracht, waar hij tot in 1611 vertoefde om een nieuwe
en nog luisterrijker loopbaan in te treden. Ik zal u verhalen wat
daartoe aanleiding gaf.

Onder andere belangrijke diensten, welke Oldenbarneveldt aan het
vaderland bewezen had, was ook deze, dat hij een der voornaamste
bevorderaars was geweest van de stichting der Oost-Indische
Maatschappij. Onze macht in de Oost was toen nog niet wat zij later
werd, noch waren onze bezittingen zoo uitgebreid: de inrichting was
nog in haar beginselen en het vestigen van het gezag der Hollanders in
die verwijderde gewesten was alles behalve een gemakkelijke taak. Men
had in de Oost te kampen niet alleen tegen de doorgaande vijandige
Mahomedaansche, Indische of Chineesche ingezetenen, maar ook tegen
de Spanjaards en Portugeezen, die mede in die streken bezittingen
hadden, welke zij begeerden te behouden, ja uit te breiden. Zelfs
toen het twaalfjarig Bestand in 1609 met Spanje gesloten, en alzoo in
Europa de strijd tusschen de oorlogvoerende partijen gestaakt werd,
bleef die in de Koloniën voortduren. De middelen van gemeenschap
tusschen Holland en de Oost waren nog traag, ongeregeld en onzeker,
en er moest veel worden overgelaten aan hen, die zich ginds aan
't bestuur der zaken bevonden. Ongelukkig waren velen onder de
bevelvoerders louter gelukzoekers, die meer hun eigen belangen dan
die der Maatschappij voor oogen hielden, die de bevelen van den
Gouverneur-Generaal niet nakwamen of zelfs tegenwerkten, en die door
hun onbehoorlijke handelingen de Hollanders bij de Oosterlingen in
een kwaden naam brachten. Dit kon naar het oordeel der Bewindhebbers
zoo niet blijven voortduren. Er moest eenheid in het bestuur komen,
en het bevel over de volkplantingen niet worden toevertrouwd dan
aan mannen, die aan moed en bekwaamheid ook eerlijkheid en braafheid
paarden, in één woord, op wie men vertrouwen kon. Zoodanig een man
meende Oldenbarneveldt in Reael gevonden te hebben, en hij beval hem
daarom den Bewindhebbers aan, die eerlang besloten, hem het bevel
over een onderneming, naar de Oost bestemd, toe te vertrouwen. Zeker
was het geen geringe eer voor iemand van nog zoo jeugdigen leeftijd,
met een zoo gewichtige zending te worden belast; maar tevens behoorde
er moed en zelfvertrouwen toe bij iemand, die tot nog toe de stille,
rustige betrekking van ambtenaar aan een landsbureau bekleed had, zoo
op eenmaal de taak van krijgshoofd te aanvaarden. Reael zag hier echter
te minder tegen op, omdat zijn wiskunstige studiën hem er als van
zelven toe gebracht hadden om zich ook in de zeevaart- en krijgskunde
te oefenen. Hij nam dus het hem opgedragen bevel aan, en stak, in 1611,
als Commandeur over vier schepen in zee. Overeenkomstig de bevelen,
welke hij van de Bewindhebbers ontvangen had, stevende hij naar de
Molukken, die gedeeltelijk in handen der Spanjaards waren en welke
het hem was opgedragen, geheel onder het gezag der Maatschappij te
brengen. Zich in Ternate gevestigd hebbende, gaf hij aldra blijken van
kloekheid en beleid. Het eene fort voor, het andere na, wist hij op de
Spanjaards te veroveren; verscheidene kleine eilanden werden door hem
bezet; met de meeste Inlandsche Vorsten ging hij overeenkomsten aan
in 't belang der Maatschappij, en hij vestigde den handel in landen,
waar vroeger de Hollandsche naam nauwelijks bekend was geweest.--Wel
rustten de Spanjaards een vloot in Manilla uit, bestemd om de onzen
te verdrijven uit hunne bezittingen; doch Reael had al de plaatsen
onder zijn gebied in zulk een goeden staat van verdediging gesteld,
dat de onderneming geen gevolg had.

Geen wonder was het, na zulk een voordeeligen uitslag, dat het
Gouvernement over de Molukken, hetwelk Reael eerst maar voorloopig
gevoerd had, hem door de Bewindhebbers bepaald werd opgedragen; geen
wonder, dat, toen in 1616 de Gouverneur-Generaal Reynst overleed,
Reael met eenparige stemmen tot zijn opvolger gekozen werd. Deze
keuze werd algemeen gebillijkt: alleen waren er, die het gevaarlijk
vonden, juist voor zijn groote bekwaamheid, dat hem zulk een groot
gezag werd toevertrouwd: immers, beweerden zij, men waagde, dat hij
zich van alles meester zou maken, en zich tot onafhankelijk hoofd
der Koloniën verheffen. Die vrees bleek echter door de uitkomst ijdel
en onnut te zijn: want Reael was niet alleen bekwaam maar ook vroom
en getrouw.--Hij rechtvaardigde volkomen de goede verwachtingen,
welke zijn lastgevers van hem hadden opgevat. Zoolang hij in de
Oost het bewind voerde, wist hij het gezag der Maatschappij te doen
eerbiedigen. Met zijn bondgenooten leefde hij in vrede en aan zijn
vijanden boezemde hij zulk een ontzag in, dat zij het niet waagden
de rust te verstoren. Dit een en ander was iets geheel nieuws in de
geschiedenis onzer volkplanting, waar, tot dien tijd, voortdurend
strijd was gevoerd geweest.--Maar Reael deed nog meer; hij wist
het vertrouwen der Inlandsche vorsten en volkeren te winnen, in de
eerste plaats door zorg te dragen dat hetgeen men hun verkocht van
goede hoedanigheid was, en al wat men kocht prompt betaald werd:--in
de tweede plaats, door de ambtenaren binnen de grenzen van hun
plicht te houden en elk vergrijp streng te straffen. "Dat heet eerst
regeeren!" zeide Hooft van hem. De wijsheid en rechtvaardigheid, door
Reael aan den dag gelegd, droegen spoedig goede vruchten: het krediet
der Hollanders rees boven dat der Engelschen en Portugeezen, en het
beloop der retouren--of terugvrachten--gedurende zijn bewind naar het
Moederland gezonden, bedroeg bijna het dubbel van dat van vorige jaren.

Reael was echter niet gezind, zijn leven in de Oost te slijten. Hij
verzocht en verkreeg zijn ontslag en droeg in Juni 1618 het gezag op
aan zijn opvolger, den beroemden Jan Pietersz. Koen. Echter verliet hij
de Oost niet, voor dat hij dezen behoorlijk in 't bestuur gevestigd
zag. Hij ging daarom met hem over Amboina naar Jacatra, bleef bij
hem, tot dat deze plaats veroverd was, en beraamde met hem de noodige
maatregelen tegen de vijandelijke Javanen en tegen de Engelschen, die
hen opstookten. Zoo legden zij samen de grondvesten van Batavia, met
welks stichting eigenlijk de vastheid der Maatschappij haar aanvang
nam.--In Augustus 1619 zette Reael weder koers naar het vaderland,
waar hij in 't begin des volgenden jaars behouden aankwam.

Allerluisterrijkst was de ontvangst, die hem te Amsterdam te beurt
viel: alles liep uit om hem te zien en te verwelkomen. Dan, hoezeer de
bewijzen van achting en genegenheid, welke hij van zijn stadgenooten
ondervond, hem bijzonder streelden, hij moest van een anderen kant vrij
wat smart en teleurstelling ondervinden, bij 't zien, hoe de staat
van zaken intusschen veranderd was. Zijn beschermer Oldenbarneveldt
was veroordeeld en ter dood gebracht: velen onder zijne vrienden, als
De Groot, Uyttenbogaert en anderen, ten lande uitgeweken: en er was
weinig kans, dat de partij, die thans aan 't hoofd was, hem vooreerst
tot staatsbedieningen roepen zou. Hij zelf kon niet verlangen een
Regeering te dienen, met welker inzichten hij niet overeenstemde.

Voor iemand, die alleen staats- of krijgsman ware geweest, zou
het leiden van een ambteloos leven op zijn zeven en dertigste jaar
allervervelendst zijn geweest: maar niet voor Reael, die in zijn
uitlandigheid de zucht voor de fraaie letteren niet verleerd had, en
in hare beoefening bezigheid en troost kon zoeken. Hij begaf zich op
zijn hofstede in de Beverwijk, waar hij, onder andere genoegens van het
buitenleven, de nabuurschap genoot van den geleerden Amsterdamschen
koopman Laurens Baeck en diens kinderen, allen groote minnaars van
poëzie en letterkunde. Vondel was bij Baeck een welkome gast; hij
had vroeger Reael bij Roemer Visscher ontmoet, hernieuwde thans
zijn betrekking met hem en droeg hem, onder andere bewijzen van
vriendschap en hoogachting, zijn meesterlijk dichtstuk: "het lof
der zeevaart" op. Met Vondel en den gewezen Pensionaris van Zeeland
Antonis De Huybert, legde Reael geregelde bijeenkomsten aan, waar
hij zich gewoonlijk toelegde op het stellen van regels, betreffende
de taalschikking, de woordvoeging, de bepaling der geslachten en de
spelling, alle zaken, waarover men tot dien tijd nog weinig gedacht,
veel min geschreven had; ook hielp hij Vondel aan de vertaling van
het treurspel de Troas, uit het Latijn van Seneca.

Doch al wist Reael zijn ledigen tijd dus op een aangename en
nuttige wijze met letteroefeningen te korten, hij bleef daarom niet
onverschillig omtrent de algemeene belangen, en, kon hij den Staat
niet dienen, hij deed in verschillende opzichten dienst aan zijn
geboortestad Amsterdam. Deze moest, vanwege den toenemenden aanwas der
bevolking, gedurig vergroot en uitgelegd worden: en hoe Reael daartoe
medewerkte blijkt uit het in zijnen tijd met huizen volgebouwde en
naar hem genoemde Reaelen-eiland.

Zoolang Prins Maurits leefde, en nog een wijl na zijnen dood,
bleef Reael een ambteloos leven leiden. Niet alleen stelde Hooft
vruchtelooze pogingen in 't werk om hem in 1623 tot Gezant te
Venetië te doen benoemen, maar zelfs, toen in hetzelfde jaar
onderhandelingen waren aangevangen tot vereffening der geschillen
tusschen de Engelsche en Hollandsche Oost-Indische Maatschappijen,
werd hij, de gewezen Gouverneur-Generaal, die meer dan iemand hier
te lande ondervinding en kennis van het onderwerp bezat, niet bij de
onderhandelaars gesteld. Het duurde echter niet lang meer, of men begon
het onbillijke en verkeerde in te zien om iemand van zijne bekwaamheden
buiten betrekking te laten. Het gebeurde, dat de Staten-Generaal noodig
keurden een vloot in zee te zenden, die, gezamenlijk met een Engelsche
vloot, de Spanjaards op hun eigen kusten bestoken zou. Willem Van
Nassau, zoon van Prins Maurits, was destijds Admiraal van Holland;
de Staten achtten het noodig, hem een Vice-Admiraal toe te voegen,
die kunde paaide aan moed en beleid--en zij droegen die betrekking
op aan Reael. De zeetocht had plaats, doch had niet die uitkomsten,
welke men gehoopt en verwacht had, en de vloten keerden terug zonder
iets bijzonders te hebben uitgericht. Dit was niet de schuld van Reael,
die zich op lofwaardige wijze van zijne taak gekweten had, maar van
verschil van meeningen tusschen de bevelhebbers der beide vloten; en in
't algemeen ziet men zelden iets goeds komen van ondernemingen, waarbij
legers of vloten van verschillende natiën moeten samenwerken. Nationale
zoo wel als persoonlijke jaloezie en wangunst brengen dan meestal
teweeg, dat die gewenschte samenwerking in tegenwerking verandert.

Hoe men de verdiensten van Reael nu erkende, bleek daaruit, dat
hij, schier onmiddellijk na zijn terugkomst, tot Bewindhebber
der Oost-Indische Compagnie werd aangesteld, in welke betrekking
hij--gelijk men zegt--in zijn element was en de belangrijkste
diensten bewees. In 1626 werd hem een nieuwe eerepost opgedragen,
namelijk om Koning Karel I van Engeland, bij diens kroning te
begroeten. Dit was, zult gij zeggen, nog al geen moeielijke zending;
het is toch een zoodanige, welke men niet opdraagt, dan aan menschen,
die zich zekeren naam hebben verworven en zich door het gemakkelijk
spreken van onderscheidene talen, door goede manieren en fijnen smaak,
onderscheiden. Maar bovendien had Reael, behalve deze openbare zending,
nog een geheimen last, namelijk om de belangen zijns vaderlands bij de
Engelsche Oost-Indische Maatschappij voor te staan en hij kweet zich
daarvan op loffelijke wijze. Koning Karel I erkende zijn verdiensten
door hem tot Ridder te slaan en in den adelstand te verheffen.

Twee jaren later werd aan Reael een nieuwe zending opgedragen, die
van min gemakkelijken aard was. De Keizer van Duitschland, toen in
oorlog met de Protestantsche vorsten, had verscheidene plaatsen aan de
Oostzee bezet, en dreigde zelfs zich meester te maken van de Sond. De
Staten besloten Reael naar Denemarken te zenden, ten einde den staat
van zaken te onderzoeken, en de noodige betrekking aan te knoopen om
zich tegen de aanslagen van den Keizer te verzetten. Hij ging scheep
naar Kopenhagen, ter welker gelegenheid Vondel dit gedicht onder zijn
afbeelding vervaardigde.


      Zoo maelde Keizers hand den wackeren Reael.
      Den Ridder, den Ghezant, den grooten Generael,
    Voorzien met breijn in 't hoofd, met heldenmoed in 't harte,
    't Was hij, die Spanjen op sijn eyghen bodem tarte.
      Vaer heen, ghelauwerd hoofd! geluckighlijck door zee,
      En brengh voor 't vaderland ontelbre kranssen mee.


De wensch van den dichter werd niet vervuld. Wel genoot Reael aan
't Deensche Hof een beleefd onthaal, maar het gelukte hem niet, den
Koning van Denemarken tot een gemeenschappelijken oorlog tegen den
Keizer te bewegen. Het was al spijtig genoeg voor hem, dat hij het doel
zijner zending miste, maar de tocht was bestemd om op alle manieren
noodlottig voor hem af te loopen. Op de terugreis van Kopenhagen had
hij met schipbreuk te kampen. Het vaartuig, waar hij zich op bevond,
strandde op de kust van Jutland, en te nauwernood kwam hij levend
aan wal. Hier vervolgde hem zijn ongeluksster; want dat gedeelte der
kust was met Keizerlijke troepen bezet, die hem gevangen namen en,
als een prijs van aanbelang, opzonden naar Weenen.

Wel wendden de Staten-Generaal ernstige pogingen aan, om zijn
ontslag te bevorderen; doch de Keizer wilde in den aanvang van niets
hooren. Groot was de bekommernis der talrijke vrienden van Reael
en ook zij lieten 't niet aan aanzoeken ten zijnen voordeele bij
invloedrijke lieden aan 't Duitsche Hof ontbreken. De gevangenschap van
Reael was intusschen zeer dragelijk: niet alleen genoot hij vrijheid
zich te Weenen ongehinderd te bewegen, maar ook werd hij aldaar met de
meeste achting en voorkomendheid behandeld: ja ieder stelde er eer in,
beleefdheden te bewijzen aan een man, die zich op zoo veelsoortige
wijzen roem verworven had, en zijne vriendschap te winnen. Men vindt
zulks bevestigd door een schrijver van dien tijd, die onder anderen
van Reael vertelt, dat hij te Weenen gekomen als een gevangene, er
vandaan ging als een vorst. Zijn ontslag had plaats in 1629, wanneer
hij, in 't Vaderland teruggekeerd, aan de Staten-Generaal verslag
deed van zijn verrichtingen, en deswege op eervolle wijze werd bedankt.

Het schijnt dat Reael nu echter genoeg had van zendingen buiten
's lands en liever tot een rustig burgerleven wenschte terug te
keeren. Althans hij trouwde nog in datzelfde jaar met zekere juffer,
Suzanna De Moor geheeten, en weduwe van H. De Pikker; terwijl hij
zich in het volgende liet welgevallen tot lid van den Raad der stad
Amsterdam benoemd te worden. Acht jaren lang leefde hij nu stil en
ongestoord voor zijn huiselijke en burgerlijke betrekkingen, weinig
uitgaande dan om zijn ambtsplichten te vervullen, zoodat zelfs zijn
nauwste vrienden, als Hooft en anderen, klaagden, dat zij niets meer
aan hem hadden. In 't jaar 1637 echter scheen zich voor hem weder een
nieuwe en glorierijke loopbaan te zullen ontsluiten. De betrekking
van Luitenant Admiraal van Holland was opengevallen en er moest
een nieuwe keuze door den Prins worden gedaan. Te dien einde werd
hem een lijst van zes personen aangeboden, aan wier hoofd zich Reael
bevond. De Staten van Holland bevolen hem zeer bijzonder aan, en gewis
ware hij tot die luistervolle bediening geroepen geworden, indien de
Voorzienigheid het niet anders beschikt had. Een besmettelijke ziekte,
die op dat tijdstip Amsterdam teisterde, trof ook zijn huis. Zijn
beide zoontjes, Laurens en Bartholomeus, werden hem ontrukt, en
hun dood schokte hem zoozeer, dat hij tot volslagen lusteloosheid
verviel. Bij die ongesteldheid voegde zich een heete koorts, die hem
op den 10den October 1637, ten grave sleepte. Zeker was zijn dood te
bejammeren en toch, kan men daaruit wederom leeren, hoe wijs de wegen
der Voorzienigheid zijn. Immers nu werd tot Admiraal benoemd Maarten
Harpertszoon Tromp, die na Reael op de lijst stond, en die, zoo hij
al in andere opzichten voor Reael moest onderdoen, hem in ondervinding
en praktische kennis van 't zeewezen en den zeeoorlog ver overtrof, ja
een zeevoogd was, wiens gelijke de wereld nauwelijks opgeleverd heeft.

Met dat al, de dood van Reael was een bittere slag voor het vaderland,
voor de Oost-Indische Maatschappij, voor de stad Amsterdam, voor
's mans gezin en ook voor de wetenschap. Wel is waar, hij had deze
laatste meer bevorderd door haar overal ijverig voor te staan,
dan door iets in het licht te geven, want hij verzuimde nooit de
werkzaamheden, welke zijn plicht of zijn betrekking hem oplegden, voor
enkel liefhebberijwerk. Vandaar liet hij maar weinige lettervruchten
na, van welke er nog vele verloren zijn gegaan, en onder deze laatste
eene latijnsche elegie of klaagzang over de rampen van zijn tijd, na
zijn terugkomst uit de Oost vervaardigd, een werkje, getiteld Raad voor
hen, die zich naar Indië willen begeven; eenige Observatiën over den
Magneetsteen, of de magnetische kracht der aarde, en een briefwisseling
met den beroemden Galileï: Over het vinden van de lengte op zee. Wij
bezitten nog van hem allerliefste  minnedichtjes, door hem in zijn
jeugd vervaardigd, en het grafschrift op den zeekapitein Cornelis
Jansz., bijgenaamd het Haantje, dat nog in de Oude Kerk te Amsterdam
op diens graf te lezen staat en aldus luidt:


            Hier rust de helt, die van zijns vijants schepen
            In sevenmaal quam seven vlagghen sleepen,
            En gaf voor 't laatst op twee so dapper vonck
            Dat 't eene vloot en 't ander bij hem sonck.



DE NIEUWEKERK TE AMSTERDAM.


Nog steeds wordt Amsterdam bij den vreemdeling aangemerkt als
vertegenwoordigende het land, waarvan het de Hoofdstad heet; minder
echter om die reden, dan wel uithoofde der herinneringen, die zich
aan de stad verbinden, als voortdurend de voorgangster en leidsvrouw,
niet zelden de gebiedster der voormalige Republiek. Datzelfde type,
't welk Amsterdam als zoodanig biedt op uitgebreide schaal, biedt
ons, meer dan eenig ander gebouw, binnen zijn muren, de Nieuwekerk
op een verkleinde schaal aan. Worden in de hoofdkerken van andere
Rijken veelal de herinneringen bewaard van Vorsten, die er gezalfd
werden, of wier gebeente er onder marmeren gedenksteenen rust, wekt
haar beschouwing bij den bezoeker de gedachte op aan monarchieën,
die te niet zijn gegaan, aan koninklijken luister en bisschoppelijke
praal, bij hem, die de Nieuwekerk te Amsterdam binnentreedt, rijzen,
't zij hij hare stichting en lotgevallen overdenke, 't zij hij de
oogen om zich heen sla, geene andere denkbeelden voor den geest, dan
die in verband staan met de ontwikkeling van vrije en krachtvolle
burgers. Hoeverre die kerk dan ook in de oogen van oppervlakkige
of onkundige toeschouwers schijne achter te staan in belangrijkheid
bij gebouwen als de Abdijen van Westminster en St.-Denis, zij mag,
vooral wie zich door uiterlijke pracht noch hoogklinkende namen
laat bedwelmen, een gelijken rang innemen met beide; immers zij ook
bewaart de overleveringen van vroegere grootheid en macht; en rusten
onder haar zerken geen Koningen of Vorsten, zij bevat het stoffelijk
overschot van hen, die Koningen en Vorsten ontzag inboezemden; zij
is het Westminster en St.-Denis van den Derden Stand.

Verlangt men bewijzen dat ik hier niet overdrijf, dat geene dwaze
ingenomenheid met een der weinige praalgestichten, die Amsterdam
nog aanbiedt, mij doet spreken, ik hoop mijne gezegden te handhaven
en aan te toonen dat het geene ijdele machtspreuk was, die ik mij
heb veroorloofd.

Beschouwen wij daarom in de eerste plaats de stichting der Kerk,
eene stichting, die reeds als eene profetie kan aangemerkt worden
van hare latere bestemming.

Het was in den aanvang der 15de eeuw: nog in die dagen, toen de
geschiedenis der volkeren niet veel meer scheen te zijn dan de
geschiedenis hunner regeerders en de krijg niet gevoerd, noch de
vrede gesloten werd om de belangen eener natie maar om die van den
Souverein of van het regeerende stamhuis te dienen. Men had toch in
de Nederlanden, bij de uitbreiding van handel en nijverheid, reeds
sedert meer dan een eeuw de stem der burgerijen, en reeds dikwijls
luid en krachtig doen hooren en ook in Holland was de invloed der
groote steden begonnen tegen dien van den adel op te wegen. De Vorsten
hadden leeren inzien hoe hun waar belang het medebracht om zich van
de toegenegenheid der poorters te verzekeren en de jammerlijke moord
door verbitterde edellieden aan Floris V gepleegd, had zijne nazaten
op den gravenzetel niet afgeschrikt om zijn voorbeeld te volgen. Het
bloed der martelaren is altijd vruchtbaar.

Met dat al, indien de Graven van Holland, die voor Willem VI kwamen,
het niet beneden zich geacht mogen hebben, nu en dan bij iemand
van onedele geboorte te rade te gaan, niet één hunner had het
nog gewaagd, een zoodanige te bekleeden met een dier eerambten of
hooge staatsbedieningen, die bij uitsluiting voor den adel schenen
weggelegd. Groot was derhalve de verbazing, de verontwaardiging,
de verbolgenheid der Hollandsche Edelen, toen in 1410 de Gentenaar
Willem Eggert, die zich te Amsterdam had nedergezet en er handel
dreef, door den genoemden Vorst tot Trezorier van de Grafelijkheid
werd benoemd. Wel had de Amsterdamsche koopman, zoogoed als zij,
mannen van wapenen uitgerust om den Graaf in den Arkelschen krijg
te dienen: wel had hij bovendien door aanzienlijke voorschotten in
geld, den Graaf in de mogelijkheid gesteld dien krijg te voeren,
maar die gedachte zelve, dat een eenvoudige poorter meer doen kon
en ook meer deed dan zij, moest reeds strekken om hen tegen Eggert
te verbitteren, en de overweging dat iemand, die aan finantiëele
kennis een helder doorzicht in zaken en een onkreukbare eerlijkheid
paarde, beter dan een van hen geschikt was om de orde in de verwarde
geldmiddelen te herstellen, gold weinig bij lieden, die tot dien tijd
juist die betrekking van Trezorier hadden aangemerkt als een middel
om hem, die haar bekleedde,--en niet het Land--te verrijken. De gift,
van de Ambachtsheerlijkheid van Purmer en Purmerend, waardoor de
Trezorier het recht kreeg een adellijken titel te voeren, was niet
geschikt om de afgunst van 's Graven evenknieën te verminderen: ja
er was, om de uitbarsting van hun wrevel tegen Eggert te voorkomen,
eene uitdrukkelijke verklaring van Willems zijde noodig, "dat hij
't op hen verhalen zou, indien zijn vriend een tegel van het dak op
't hoofd viel."

Maar zoo Willem Eggert, 't zij als gedeeltelijke en billijke voldoening
zijner schuldvordering, 't zij om zijn doorluchtigen beschermer
niet voor 't hoofd te stooten, de giften, hem gedaan, in dank had
aangenomen, niet voor zich zelven alleen had hij partij getrokken
van 's Graven dankbaarheid; 't was voornamelijk Amsterdam, dat er de
vruchten van genieten moest. Verknocht aan de stad, waarin hij gastvrij
ontvangen was, en zijne rijkdommen verworven had, was het voor haar
meer dan voor zichzelven dat hij de goede gezindheid zijns meesters
inriep, en werkelijk gelukte het hem zulke treffelijke privileges voor
haar te verwerven, dat naar de uitdrukking eens kroniekschrijvers nooit
eenig burger dezer stad "profytelijcker ofte aengenaemer" is geweest
dan hij.--Doch dit was hem niet genoeg. Oordeelende dat zijne kinderen
na zijn dood genoeg zouden vinden om onbekrompen te leven, besloot
hij, al wat zijn ambt hem bezorgde, en een aanzienlijk deel zijner
overwinsten uit den handel bovendien, te besteden aan eene stichting,
waar Amsterdam, bij den toenemenden aanwas van bevolking, behoefte
aan begon te gevoelen. Hij liet ten dien einde een boomgaard rooien,
die niet verre van zijne woning te Amsterdam, aan den Nieuwendijk
gelegen was en op dien grond was het dat in 1414 met den opbouw eener
kerk aangevangen en 't werk met krachtigen spoed werd doorgezet. Drie
jaren verliepen er en nu barstte boven 't hoofd van Willem Eggert het
onweer los, dat zoolang had gedreigd. Op 31 Mei 1417 overleed zijn
Vorstelijke beschermheer en nauwelijks had deze de oogen gesloten of
de lang bedwongen gramschap gaf zich lucht, en uit alle adellijke
sloten stroomden ontzeg- en uitdaagbrieven den Heer van Purmerende
tegen. Bij de smart over het verlies van zijn weldoener paarde zich
nu in Eggerts hart de angst, dat hij nergens meer veilig wezen zou
en reeds op 15 Juli 1417 bezweek hij onder 't gewicht dier dubbele
gemoedsaandoeningen. Maar vóór zijn dood had hij voor 't minst zijn
stichting voltrokken gezien, en was hij op het Purmerslot gestorven,
het was in zijn geliefd Amsterdam, binnen de gewijde muren van de Kerk,
door hem gebouwd, dat hij zich een graf bereid had. Nog rust daar
zijn gebeente, ter zijde van het koor, waar zijn grafschrift luidt:

"Anno MCCCC ende XVII den XV dagh in Julio sterft den eerbaeren
Heer Willem Eggaert, fundateur van dese Kapelle, gedoyteert met twee
Vicariën, medefondateur van dese Kerck, die begraven is onder deze
blauwe serck."

Zoo had dan de Nieuwekerk het aanzijn te danken aan den vromen zoon
des volks, die niet alleen als koopman, den bloei der jeugdige stad tot
eene vroeger ongekende hoogte had gebracht, maar die ook, als bekwaam
en eerlijk raadsman zijns Vorsten, den deerlijk vervallen toestand der
schatkist had weten te verbeteren, daarbij de eerste der handelaren,
die in Holland heerlijke rechten bekwam en uitoefende. Met hem mag men
alzoo die lange reeks doen beginnen van regenten uit den handelsstand,
die, twee eeuwen na hem, zich koningen gelijk stelden.

En wie waren 't die, toen Eggerts ontijdige dood belette dat de
Nieuwekerk zoo treffelijk volbouwd en voltooid werd als in het
oorspronkelijke plan des Stichters gelegen was, wie waren het, die
verder tot haar opluistering bijdroegen? 't Waren, behalve de gilden,
die er de koren en altaren stichtten, naar hen genoemd--meest poorters
en poorteressen als Eggert, begeerig als hij, om aan den openbaren
Godsdienst een voornaam deel te wijden van hetgeen handel en nijverheid
hun hadden doen verkrijgen. 't Waren, om hen 't eerst te noemen,
zijn zoon Jan, die reeds in 1418 twee eeuwige kapellerijen, en zijn
nazaat Willem, die in 1509 twee vicariaten in Willem Eggerts kapelle
stichtte; 't waren ten tijde van de eerste vestiging der Kerk, de
kooplieden Jan Dirksz. Sill Jacob Meeuwszoon en Jacob Aemsz. Verburg,
't waren zoo ter dier gelegenheid als bij twee latere, leden uit het
burgemeesterlijke geslacht van Loen en uit dat van Boel, welks bloed
door de aderen van al de toekomstige Amsterdamsche Patriciërs stroomen
zou; 't waren in de 15de de regeeringsleden Bartel Doos Dirksz., Jan De
Waal, Jacob Van Berck of Berge, Meeuw Gerbrantsz. en Arent Barendsz.,
en de Apotheker Huygen Jansz. en Geert Jacob Bickersdochter zijn
huisvrouw; de Priesters Willem Bruynincx en Pieter Bije Jacobsz. en
Katharina Bicker, Weduwe Meeuw Gerbrantsz; in de 16de de Priesters
Willem Cloes en Vechter Dirksz., de Weduwe van Jan Duijn, Anna
Bruning, Niclaes Steyn Niclaesz., man en voogd van Wendelmoet,
dochter van Heijman Van IJlp; 't waren op min bekende tijdstippen
Gerijt Paeuw, Grebber Dircksz., Albert Gerritsz., Jacob Florisz.,
Steven Reijersz. en zoovele anderen meer; maar onder al die namen,
min of meer bekend, ja, waarvan sommigen later beroemd werden, geen,
die niet aan nederige poorters of ingezetenen behoorde--geen enkele
naam van eenig, 't zij wereldlijk, 't zij kerkelijk Vorst of Heer--wat
zelfs te Amsterdam met opzicht tot een paar andere kerken het geval
is--verbindt zich aan de stichting of voltooiing der Nieuwekerk, maar,
even gelijk de Burgerstand, aan wien zij haar opkomst te danken had,
den Adel boven 't hoofd wies, evenzoo verhief zich haar roem boven dien
van menige andere kerk, die op aanzienlijker stichters bogen mocht.

En thans, de nederige zerk van Willem Eggert, bij welke wij de
geschiedenis der stichting herdacht hebben, verlatende en meteen
die kapellen om het hoofdkoor, sedert bijna drie eeuwen aan haar
oorspronkelijke bestemming onttrokken, willen wij verder de Kerk
intreden en, ons midden in het kruis stellende, ons oog in 't rond
laten weiden.

Gewis, al moge de oorspronkelijke vorm bewaard zijn gebleven, geheel
anders doet ook hier het gebouw zich aan ons voor, dan toen het voor
't eerst aan den dienst van God geheiligd werd. Niet alleen had, reeds
vier jaren na Eggerts dood, een hevige brand het gebouw aangetast,
waaruit het met herboren glans te voorschijn kwam, maar ook herkennen
wij niets meer van de innerlijke pracht, die het in de 16de eeuw
nog vertoonde. Toen bevatte de kerk, behalve vier en dertig keurig
gebeeldhouwde altaren, de kostbaarste kerksieraden: een verguld kruis,
dat 26 mark zilver woog, een verguld zilveren sacramentshuis van 38 en
een zilveren Lieve Vrouwenbeeld van 32 mark. Toen stonden in 't midden
der kerk en in 't midden van het hoofdkoor de prachtige beelden van de
beide Patronessen, aan wie de kerk was toegewijd, Maria en Katharina:
toen versierden standbeelden de pilaren en schilderijen de muren. Dat
alles had op den 2den September 1578 een doldriftige hoop ijveraars,
die met geweld de kerk waren binnengedrongen, vernield en vergruisd,
verscheurd en aan flarden gereten. Doch volvoerde de moedwil
hier, wat in de Oudekerk, op last der Regeering--doch ordelijk en
bedaard--bereids geschied was, een noodlottig toeval deed, ruim vijf en
zestig later, gewichtiger schade. Op den 11den Januari 1645 op vollen
middag, begingen loodgieters, die in de goot gearbeid hadden, en aan
't schaften waren gegaan, eene dier onvoorzichtigheden, die telkens
bezuurd en betreurd, telkens weder plaats hebben; het achterlaten
namelijk van een pot met vuur voor een open dakvenster. De tocht deed
de vlam opflikkeren, die door een fellen wind aangeblazen, eerst
in 't droge houten dak sloeg, en spoedig zoo geweldig om zich heen
woedde, dat in een halfuur tijds, het geheele gebouw in lichterlaaie
stond. Vergeefsch waren alle pogingen om den brand te stuiten,
vooral aan gebrek aan die middelen tot blussching, welke sedert
werden uitgevonden. Ten drie uren stortten dak, gewelf, torentjes,
orgels en schoorbalken, met wat er aan vast was, van boven in de Kerk,
den kunstig bewerkten predikstoel, de banken en gestoelten en al wat
zich verder daarbinnen bevond, onder hun wicht verpletterende.

In weinige jaren echter werd de Kerk--thans op kosten der stad--weder
opgebouwd. Het was toen een geheel andere tijd als dien wij thans
beleven; men zocht niet, óf hetgeen vervallen was, zoogoed mogelijk op
te lappen, óf bestaande gebouwen zoo goed en zoo kwaad mogelijk in te
richten tot een doel, waartoe een bouwheer ze oorspronkelijk nooit had
denken te bestemmen; men brak af en bouwde op, 't zij het een poort,
een raadhuis of een kerk gold, en wat men bouwde was hecht en stevig en
geschikt den knagenden tand des tijds te wederstaan, en toch, men was
toen nog altijd oorlogvoerende, terwijl men thans de zegeningen des
vredes geniet. Maar toen ook waren de stadsregeeringen onafhankelijk
in hare bewegingen en de grootsche gedachten, die bij haar oprezen,
konden, bij ruim voorziene kassen, ook in haar volledigen omvang worden
verwezenlijkt, daar noch het belemmerend--zij het ook nuttig--toezicht
van hooger gezag, noch de bemoei- en bedilzucht van medebestuurders
de zuivere ontwikkeling van die gedachten onmogelijk maakten.

Niet alleen bouwde men de Kerk weder op met zulk een wakkeren spoed
dat er op den 10den Mei 1648 weder in kon gepredikt worden, maar zelfs
besloot de Vroedschap een hardsteenen toren aan de westzijde op te
richten, hooger en zwaarder als er eene hier te lande gevonden werd,
een toren, die de Nieuwekerk werkelijk tot een Dom- of Hoofdkerk
maken zou. Met het graven der grondslagen werd in Mei 1646 een
aanvang gemaakt, met het leggen van 't roosterwerk en met het heien
der palen in Augustus begonnen en tot in Juni 1647 voortgegaan,
op den zesden van welke maand de laatste der 4593 zware masten in
den grond geslagen werd. Behalve deze waren er nog 1715 stopmasten
gebezigd. Op den 20sten Juli daaraanvolgende werd door Cornelis Backer,
zoon van den burgemeester Willem Backer, de eerste steen van 't gebouw
gelegd, zuidwaarts naar 't Stadhuis toe en daaronder een geschenk
in goud van f 200.--Nog eenige jaren zette men den arbeid voort, en
reeds was de toren op de helft van de hoogte der Kerk opgetrokken,
toen men den arbeid liet staken. De reden daarvan is nimmer aan
den dag gekomen. Aan geld faalde het niet; sommigen beweren dat
de grondslagen te zwak waren, anderen dat, nu men begonnen was het
nieuwe Raadhuis te bouwen, men niet begeerde, dit gebouw, 't welk het
pronkstuk der stad moest worden, door een zoo reusachtigen toren in
zijne onmiddellijke nabijheid te laten overschreeuwen. Zonder ons te
verdiepen in het opsporen van de redenen, die de leden der Vroedschap
geleid kunnen hebben om hun oorspronkelijk plan te verlaten, willen
wij liever aannemen dat een hooger invloed dan waarvan zij zelven
bewust waren, hen er toe geleid heeft af te zien van een voornemen,
waardoor aan de kerk een meer feodaal en middeleeuwsch karakter zou
zijn geschonken en zij niet meer de vertegenwoordigster der vrije
burgerij zou geweest zijn.

Ééne zaak echter had met reden stof tot gisping kunnen geven; dat
namelijk de Kerk, bij elken herbouw, haar oude en oorspronkelijke
gedaante behield. Zonderling is het, maar zij, die hier te lande
de leer en den eeredienst hervormd hadden, dachten nimmer aan eene
hervorming der kerkgebouwen. Zij kwamen nimmer tot het besef dat,
waar men den hoogsten prijs stelde op de prediking van het Woord,
dat daar de plaats waar dit geschieden moest, ook zoodanig behoorde te
worden ingericht, dat men er overal goed en gemakkelijk die prediking
kon hooren. Men bleef hechten aan het woord "Kerk": men kon zich de
Kerk niet anders voorstellen dan als een gebouw met een toren, dat
schrikkelijk groot, ruim en tochtig wezen en waar een buitengewone
galm in heerschen moest. Gelukkig in zeker opzicht waren zij, die
niet tot de Gereformeerde of Hervormde kerk behoorden. Aan hen was
het niet vergund kerken te hebben maar alleen bedehuizen; hiervan was
het gevolg dat zij wel genoodzaakt waren, in plaats van getorende,
gewelfde, gemarmerde tempels met koren en zijgangen, waarin niet alleen
overal de koude wind den toehoorders om de ooren woei, maar ook de
overtollige ruimte het aan de meesten onder hen onmogelijk maakte den
spreker te verstaan--zich beknopte en toch ruime, goed verlichte, voor
verwarming geschikte, tegen den tocht beschutte lokalen in te richten.

Met dat al, aan ons, die de Nieuwekerk zijn binnengetreden, terwijl
er geen dienst gedaan wordt en die nu onze oogen om ons heen slaan,
doet zij zich nog altijd plechtig, grootsch en indrukwekkend voor. Wij
blijven eene poos onder dien indruk staan, om langzamerhand aan
de merkwaardigheden, die de Kerk bevat, meer in 't bijzonder onze
aandacht te wijden. En dan vestigen wij van zelf 't eerst onze
opmerkzaamheid op den predikstoel, het werk van Albert Vinkebrinck
en een dier wonderen van snijwerk, waar de 17de eeuw zoo hoogen prijs
op stelde. Onderaan zijn, in vier vakken, voor en ter zijde, de vier
Evangelisten afgebeeld. Nevens die historische staan allegorische
figuren: de Sterkte, 't Geloof, de Liefde, de Hoop, de Gerechtigheid
en de Voorzichtigheid. Hooger vertoonen zich de Zeven werken van
Barmhartigheid, geestig vertoond met kleine aardige beeldjes, in diepe
verschieten geplaatst. De leuning is met wingerdbladen doorwerkt,
waarover een dik en bochtig touw is heengeworpen, op 't bedriegelijkst
uit hout gesneden. Het klankbord boven den stoel is met fraai lofwerk
versierd en draagt een toren met verscheidene omgangen, waarop
kleine beeldjes zich als wandelende vertoonen. Dat alles draagt den
stempel van het tijdvak, waarin het vervaardigd werd; uit het geheele
kunststuk spreekt, wat uit alles sprak, dat in die dagen verricht werd:
vlijt, netheid, zorg en taai geduld. Wel heeft het niets dat het hart
aandoet, niets dat een edele, laat staan een geestverheffende gedachte
inboezemt; men moge 't zelfs poppig heeten--doch 't vertoont in 't
groot, wat de pronkvertrekken en kunstladen der deftige burgers uit
die eeuw in 't klein vertoonden, en daarom is het in harmonie met de
hoofdgedachte, die naar ons gevoel het beschouwen van de Nieuwekerk
moet doen oprijzen. Geen marmeren gestoelte voegt bij den eenvoud
van den Hervormden Godsdienst, maar evenmin zou het voegen in een
kerk, door een koopman gesticht, in een kerk, waar zelfs de banken
der Regenten bijna alleen bezeten werden door de zoodanigen, die aan
handel, nering of ambachten, door hen of door hun voorouders gedreven,
het voorrecht verschuldigd waren, die plaatsen der eere te bekleeden.

Ook die plaatsen der eere, onveranderd gebleven zooals zij
oorspronkelijk waren, spreken van dien tijd, toen Kerk en Staat
nog één waren, toen de Overheidspersoon, niet slechts als Christen,
als lidmaat, maar ook dikwijls vooral als Overheidspersoon ter kerke
verscheen; toen van den hoogen kansel herhaaldelijk vermaningen en
bestraffingen klonken, die niet den broeder, niet den medechristen,
golden, maar den Regent, en toen wederkeerig uit de ronde bank
daartegenover de Regent niet zelden met gefronst gelaat, met toorn in
't oog en een krampachtig bijten op de lippen, zat te luisteren naar
de verwijtingen, aan de Wethouderschap gedaan en hij bij zich zelven
den Leeraar een berisping op Burgemeesterskamer, misschien wel eene
schorsing of uitzetting beloofde, ten einde 't hem af te leeren zich
met de politiek van den dag te bemoeien of althans daaromtrent andere
gedachten te durven hebben dan de "Heeren".--In onze dagen, nu Kerk
en Staat gescheiden zijn, nu de leden der Wethouderschap meermalen
niet tot de vroeger heerschende Kerk behooren, nu de Predikanten
geen staatkunde meer op den kansel brengen, nu, zoo al geen zuiver
plichtsbesef, dan toch stellig geen politiek doel de lieden ter kerke
drijft, nu geen maatschappelijke rang of stand in de bedehuizen meer
in aanmerking komt, zijn de Hooge-, Overheids-, Raden-, Commissaris-,
Krijgsraadsbanken enz. een ongerijmdheid geworden en zoo men ze nog
behoudt, het is alleen om door te werken op de ijdelheid van hen,
wien men er eene zitplaats in verkoopt, de kerkelijke kassen te
stijven. Maar zoo men op vele plaatsen hun oorspronkelijken vorm
aanmerkelijk gewijzigd heeft, in die kerken, waarin men, gelijk hier
in de Nieuwe, ze nog in hunne oude gedaante gelaten heeft, blijven
zij dan ook voor ons een luid sprekende overlevering uit die dagen,
toen de man, die uit het midden van die Burgemeestersbank het ruim
beneden hem beheerschte met zijn blik, de oogen der saamgevloeide
schare vooral niet minder trok dan de man, die tegenover hem het
woord Gods stond te verkondigen.

Wij wenden den blik thans van de banken af, zoowel als van het orgel,
't welk op alle groote orgels gelijkt, en vestigen nu onze aandacht
een wijl op het groote glasraam in 't Noorderkruispand. Daar voor 't
minst komt een geschilderd tafereel op voor, dat ons vorstelijke praal
en pracht herinnert; daar zien wij Graaf Willem den Vierden, de stad
met haar driekruisig wapenschild beschenkende. Maar alleen schijnbaar
is hieruit af te leiden, dat de schilderij den algemeenen indruk,
dien de Kerk op ons maakt, zou bederven. Behalve dat het voorgestelde
feit, historisch onwaar zijnde, alleen een oppervlakkige beschouwing
verdient, die geen blijvenden indruk achterlaat, zoo kan het tafereel,
als allegorie aangemerkt, eer getuigen van een hulde door den Landsheer
gebracht aan de Burgerij, die hier bevoorrecht wordt, dan van een hulde
aan den Vorst, die 't voorrecht schenkt. Eene gelijke gedachte moest
de glasschilderij doen ontstaan, die voorheen boven den ingang van
't Zuiderkruispand prijkte en den Aartshertog Maximiliaan voorstelde,
aan de stad vergunnende boven haar wapen de Roomsch-Koninklijke kroon
te voeren. Wij leeren het uit de woorden van het privilege zelf,
dat de Vorst op 11 Februari 1488 (1489) aan Amsterdam schonk. Zoowel
die schenking als eene andere, vijf dagen vroeger gedaan en waarbij
de rechtsban der Stad werd uitgebreid--geschiedde, "overmits die
menickvoudige getrouwe diensten, die de Coopstede en waer vele en
diversche Coopluijden woonden" den Vorst "gedaen had, in diversche
manieren daghelycx deed" en omdat de Stad nog met geen behoorlijk wapen
"geciert" was, terwijl intusschen haar "Poorteren ende inghesetenen
dagelijck, met haren scepen ende goeden, te water ende te lande,
in vele verre ende vreemde Rijcke ende Landen converserende waren
in Coopmanschappen."--Wie ziet hier niet de majesteit des Vorsten,
die afhaalde, die zich--wil men--vernederde tot de machtige poorters
en koopluiden, wier bijstand hij ondervonden had en nog voortdurend
behoefde. Het was op beide glasramen alzoo de Amsterdamsche handelaar,
die den toeschouwer scheen toe te roepen: "zoover hebben wij 't door
zeevaart en nijverheid gebracht, dat wij de Landsheeren genoodzaakt
hebben onze hulp en ondersteuning door schitterende voorrechten
te koopen."

Maar liever dan naar die glasramen keeren wij ons nu Oostwaarts, naar
het hooge koor. Door het prachtige hek van gegoten koper, dat op eene
marmeren borstwering rust en welks zware lijst met het Stadswapen is
versierd, valt het oog op een aanzienlijk praalgraf, hoedanig weinige
Vorsten, ja Koningen, bezitten, en dat de geheele ruimte beslaat, die
in Roomsche kerkkoren, het outer des kerkheiligen met zijn toebehooren
inneemt. 't Is waar, de man, die hier begraven ligt, was gerechtigd
geweest een Hertogskroon te voeren; 't is waar zijn deugden hadden hem,
indien hij in de eerste Christeneeuwen geleefd had, misschien heilig
doen verklaren--en toch, wie aan Michiel Adriaanszoon De Ruijter
denkt, dien zweeft geen beeld voor den geest, dat óf de gouden kroon
eens Hertogs, óf de stralenkroon eens martelaars draagt; maar veeleer
dat van den wakkeren knaap, den zoon van behoeftige ouders, die, de
lijnbaan verlatende om de baan der eere te betreden, als zeeman alle
rangen doorliep en geen anderen roem kende dan dien van God en de
Heeren Staten te dienen; het beeld van den meest nederige, den meest
eenvoudige, meest burgerlijke onder de groote helden van alle tijden,
en tevens, als toonbeeld van moed, van beleid, van volharding, van
vertrouwen op hoogeren bijstand, mede een type der deugden van de oude
Republiek.--Schonken drie Koningen van Europa hem adellijke wapenen,
ridderlijke eeretitels en een vorstenrang, meer gewicht hechtte hij,
hechtten zijne landgenooten aan het Groot-Poorterschap van Amsterdam,
hem door de Wethouderschap verleend. Men raadplege Brandt, die in dezen
eenvoudig uitdrukte, wat een ieder hier te lande dacht en gevoelde. Dat
De Ruijter Vice-Admiraal, Luitenant-Admiraal, Opper-Admiraal werd,
dat hij brieven van adeldom en een Hertogstitel ontving, dat was
zeker veel; maar het waren verhoogingen, die in den gewonen loop
der dingen elkander wel moesten opvolgen;--doch dat De Ruyter 't
Groot-Burgerschap van Amsterdam bekwam, dat zei in de oogen van zijn
levensbeschrijver vrij wat meer,--want, vervolgt hij na 't vermelden
van het feit--"de Admiraal werd daardoor in staat gestelt dat hij in
tijt en wijle tot de hoogste ampten van stadsregeeringe kon worden
gekozen." Een ampt van Stadtsregeeringe! dat beteekende in de oogen
der Amsterdammers nog heel wat anders dan een Vlootvoogds-staf of een
Hertogskroon! En toch, zooverre mocht De Ruijter het niet brengen,
dat hij ooit in Amsterdam zoodanig ambt, zelfs geen Commissariaat van
Kleine Zaken verwierf! Hij verwierf er meer: Hij verwierf er een graf,
en was het wel niet de Stad, waren het de Staten, die aan De Ruijter
dat marmeren gedenkteeken stichtten, het was toch uit aanmerking
van het Burgerschap, door De Ruijter te Amsterdam bekleed dat Hunne
Edelmogenden besloten het lichaam des Helds aldaar ter aarde te doen
bestellen en niet in Rotterdam, dat op die eere had aanspraak gemaakt.

In dat zelfde koor, waar thans door landgenoot en vreemdeling de
graftombe van De Ruyter met eerbied beschouwd wordt, zien wij ook aan
een der zijwanden een ander gedenkteeken ophangen ter nagedachtenis
van Wolter Jan Baron Bentinck, een der helden van de Doggersbank en
aan de gevolgen eener daar bekomen wond op 24 Augustus 1781 overleden;
ook hij in een strijd, meer bijzonder door 't belang van den handel
uitgelokt en tot bescherming van dat belang gevoerd.

En nabij dat koor, aan de Zuidzijde, vinden wij tusschen twee pilaren,
de grafstede van David Sweers, den wakkeren kapitein ter Zee bij
de Admiraliteit van Amsterdam, te vroeg voor het Vaderland, maar
tijdig reeds voor zijn roem, gesneuveld in dien merkwaardigen slag
voor Solebaai, die op 21 Augustus 1673 tegen de Konings-vloten van
Frankrijk en Engeland geleverd werd; gesneuveld, evenals de beiden
vroeger genoemden, op 't bed van eer in de armen der overwinning.

Wenden wij ons van 't koor Noordwaarts af: schuins achter den
predikstoel zien wij het marmeren praalgraf van den Commandeur Jan Van
Galen, den ontembaren schrik der zeeën, den held, wiens reuzenarm daden
verrichtte, die ons de fabelachtige wapenfeiten der Paladijnen uit
de oude ridderromans in 't geheugen roepen, en wiens kloek beleid als
Scheeps- en Vlootvoogd de zege won, waar zijn vlag zich vertoonde. Ook
hij kocht zijn laatste overwinning met zijn bloed, in den zeeslag
bij Livorno, 14 Maart 1653 gestreden. Maar met zwijgend hoofdschudden
gaan wij de volgende graftombe, die van den Admiraal Van Kinsbergen,
aan de Noordwestzijde der Kerk, voorbij; want geene herinneringen,
die den indruk van 't geheel levendig houden, wekt zij, zooals de
gedenkteekenen, die wij straks bezochten, bij ons op. Immers welken
roem zich Van Kinsbergen op zee verworven, welke achting hij als
mensch, als staatsdienaar, als voorstander van letteren, wetenschappen
en kunsten, moge verdiend hebben, op een praalgraf in de Nieuwekerk
had hij geen recht, want op zijne tombe kan niet, als op elke andere,
hier ter eere eens helds gesticht, het dulce et decorum est pro patria
mori gelezen worden. Alleen aan de dapperen, die in dienst van den
Staat en aan de wonden, in diens dienst ontvangen, het leven verloren,
kende 's Lands Regeering eene graftombe toe onder de gewelven harer
kerken:--en welke aanspraak kon hij, de man, die 't grootste deel
zijns levens in vreemden dienst doorbracht en rustig op zijn bed den
adem uitblies, dan maken op een eer, welke aan geen Meppel, aan geen
Aert Van Nes, aan geen Kornelis Tromp te beurt was moge vallen! Al
mogen wij onderstellen, dat Van Kinsbergen te veel vreemdeling in
de geschiedenis zijns eigen Lands geworden was om zich dat alles te
herinneren, toch mogen wij het voor 's mans eer betreuren, dat hij een
lofwaardige, ja in vele opzichten glansrijke loopbaan besloot met eene
daad van ijdelheid, door zich zelven na zijn dood een gedenkteeken
te doen stichten en dat op eene plaats, waar hij niet behoorde.

Maar--daar tegenover het zijne, aan de Zuidwestzijde, daar willen wij
een poos verwijlen bij het eenvoudiger, maar voor 't minst verdiend
gedenkteeken, aan de nagedachtenis van den Amsterdamschen burgerwees
gewijd en zoo wel passend in de Burger-kerk. Kort was de loopbaan
van Van Speyk en zij werd maar door een buitengewoon feit gekenmerkt
en tevens besloten, maar dat feit had, toen het voorviel, eenen
gewichtigen invloed. Het leerde aan den vreemdeling dat de aloude
heldenaard, dien men in de Hollandsche harten waande uitgedoofd,
zich nog krachtvol openbaren kon, ja, den dood boven de schande deed
verkiezen;--en het deed bij den ontmoedigden landgenoot de hoop en
't vertrouwen herleven. De vlag, die op 5 Februari 1831 ten hemel
vloog, was het voorteeken van de glorie, in de tien Augustusdagen
van dat zelfde jaar verworven.

Van Galen, Sweers, De Ruijter, Bentinck, Van Speyk, 't was in
verschillende tijdperken dat zij den dood trotseerden, maar 't was
voor eene zaak: voor de onafhankelijkheid van den Staat, aan welken zij
trouw gezworen hadden en waarvan de vlag hun ten zinnebeeld verstrekte.

De Zuidzijde langs gegaan, komen wij terug naar de plaats, door
ons verlaten, in het kruis der kerk; wij laten eene bank, hier in de
nabijheid, ter zijde schuiven en vestigen de oogen op de zerk No. 231,
die voor ons ligt; die zerk draagt een versleten, nauwelijks leesbaar
opschrift, dat aldus luidt:


                           Hic Jacet Vondelus
                        Phoeboe et musis amicus.


dat is al; 't is of het Kerkbestuur zich geschaamd heeft, dat geen
aanzienlijker gedenkteeken de plaats aanwijst, waar het gebeente van
Neerlands hoofddichter rust en dat het daarom zorg heeft willen dragen,
die zerk aan de oogen der bezoekers te onttrekken. Maar, al hadden wij
ook die zerk niet gezien, en al riep ons van gindsche pilaar, van onder
de lijkbus, door 't Genootschap Diligentia Omnia aldaar geplaatst, de
naam van "Vondel" het ons niet toe, wij wisten het, in de Nieuwekerk
slaapt de onovertrefbare Bard, die haar verwoesting door den brand op
zoo treffende wijze had bezongen. En wie meer dan hij was een graf
waardig in die Kerk, door de Aristocratie van den handel gesticht,
en de Aristocratie, die uit den handel was, vertegenwoordigende? Wie
meer dan hij, de zoon des volks, de eenvoudige winkelier, die zijn
genie bij zijne geboorte ontvangen, maar zijn roem aan nauwgezette
studie, aan onverpoosd streven naar kennis, aan gestadige volharding,
te danken had? De Keulenaar, die tevens, ondanks zijne artistieke,
Zuid-Nederlandsche richting, zijne onderworpenheid aan Rome en zijn
eerbied voor 't goddelijk gezag der Vorsten, toch, steeds Hollander
in 't hart en Amsterdammer bovenal, nimmer zweeg, waar het de eer
van Holland en die van de Stad zijner inwoning gold, toch voor de
Amsterdamsche Patriciërs schier gelijken eerbied koesterde als voor
den Paus, toch zelfs den Koning uit het hem zoo dierbare Huis der
Stuarts, toen die zich aan de Republiek vergreep, den krachtigen
banvloek des Dichters naar 't hoofd durfde slingeren? Ja gewis,
de Kerk, die waardig was het stoffelijk overschot te ontvangen van
Neerlands beroemdsten zeeheld, was het ook om het gebeente te bewaren
van Neerlands beroemdsten dichter. En even als De Ruyter, indien
hier de dooden hunne zerken verlieten, door wakkere zeehelden, zoo
ook zou Vondel zich omringd zien door wakkere letterhelden. Immers
in die Nieuwekerk rusten, verstrooid en verspreid, zoo velen, die
met Vondel sieraden waren onzer letterkunde, de meesten evenwel zijn
vrienden en geestverwanten. Daar


                     Sluimert Baerle neffens Hooft.


Van Baerle, de geleerde, de smaakvolle Latijnsche en Nederduitsche
Zanger, en daarbij jaren lang Vondels medestrijder tegen de
Contra-Remonstrantsche partij; Hooft, de Tacitus van Nederland,
de beste geschiedschrijver zijner eeuw, de beschaafde, fijne,
vernuftige, schrandere Aristocraat, die in den tijd der hevigste
staatsgeschillen elke klip wist te vermijden en, geheel zijn leven
door, zijn invloed wist te bewaren, zoo bij den Prins, wiens gezag
hij vertegenwoordigde en handhaafde, schoon zijn voorliefde niet
zoo bij de Prinsenpartij was, als bij de Amsterdamsche Magistraten,
schoon hij nimmer onder hun getal werd opgenomen. Nog zoo velen,
vrienden, vereerders en beschermers van Vondel vonden daar in de
Nieuwekerk eene laatste rustplaats, en zoo aan hem, aan die allen
een gedenksteen ware opgericht, die Kerk zou aan Westminster of aan
het Pantheon niets te benijden hebben.

En al die groote mannen, wat waren zij? schier zonder uitzondering
zonen van die eeuw, waarin zich de burgers van 't vrijgevochten
Vaderland, den weg ter eere wisten te banen. Geen vorst noch
koningszoon rust hier; de boekdrukker ligt er naast den geneesheer, de
winkelier naast de Stadsregenten, maar die boekdrukker, die geneesheer,
die winkelier hebben zich een roem verworven, die menigen vorstenroem
verdonkert, en die Regenten zelven, zij mogen met luidklinkende titels
van aangekochte of aangeërfde Heerlijkheden pralen, zich met vreemde
ridderteekens omhangen of zelfs geslachtslijsten ontrollen, om een
ware of vermeende adellijke afkomst te bewijzen, de oorsprong van
hun aanzien en gezag ligt alleen in hun poortrecht, als burgers van
Amsterdam, dat hun de bevoegdheid gegeven heeft om op te treden als
handhavers der vrijheden, als verdedigers der onafhankelijkheid, als
bevorderaars van den bloei en de macht der stad hunner inwoning. Dat
poortrecht, gevoegd bij de schatten, die zij of hunne vaderen in den
handel hebben verworven, bracht hen in de Regeering, die Regeering
weder in 't Staatsbestuur en zoo breidde zich hun invloed al verder
en verder uit om overwegend te gelden in al de deelen der wereld.

Zoo hebben wij onze beschouwing volbracht en zoo wij ons vleien het
bewijs geleverd dat de Nieuwekerk als een type van Amsterdam kan
beschouwd worden.

't Is waar, drie malen heeft de Nieuwekerk eene plechtigheid binnen
hare muren zien vieren, oogenschijnlijk bestemd om een anderen indruk
te verwekken, dan die tot nog toe ontvangen werd.--Drie Koningen
zijn er achtereenvolgens gehuldigd met de praal en den luister,
onafscheidelijk van dergelijke plechtigheid. Dan zag men boven
den opgerichten koningstroon het koningswapen blinken van onder het
fluweelen verhemelte: dan zag men de Vertegenwoordigers der Mogendheden
van Europa, in de luistervolle kleeding, passende aan hun rang,
met breede ordelinten, vlammende sterren en schitterend borduursel
overdekt, vereenigd, om getuigen te zijn hoe nu een nieuwe Regeerder
op zou treden in de Vorstenrij, dan zag men de hooge Staatsambtenaren,
de leden der Wetgevende Vergadering, de Hooge Colleges van Staat, de
Staatslichamen, aan wier zorg de belangen van wetenschap en kunst,
van handel en nijverheid en wat niet al meer, waren opgedragen,
in plechtgewaad opgekomen, dan flonkerde het goud en zilver van
de prachtige monteeringen der krijgsoversten en van de zwierige
pronklivreien der hoogere en lagere hofbeambten; dan werd het oog
verblind bovenal door al dat ruischende satijn, door al die wolken
van gaas en zwanendons, door al die festoenen van kostbaar kant
en gebloemte, die pluimen en zijde, door al die puikgesteenten en
paarlen, waarmede het schoon verhoogd werd dier aanzienlijke vrouwen,
met Neerlands nieuwe Koningin aan 't hoofd alhier verschenen, opdat
aan den luister der plechtigheid niets ontbreken zou; dan kondigde
de stem des Wapenkonings van de trappen des troonzetels den volke
aan dat Nederland een nieuwen Koning had verkregen.

Maar wanneer wij, niet tevreden met de beschouwing van de oppervlakte
der dingen, tot de zaak zelve doordringen, wanneer wij die plechtigheid
op zichzelve nemen, in haar zin en strekking, ontdaan van dien
feestelijken tooi, van al wat bloot uiterlijk vertoon en alleen
bestemd is om de zinnen te bedwelmen, wat is dan die beteekenis,
welke die driewerf herhaalde huldiging met zich bracht? Het gold hier
het sluiten van een verbond tusschen den Koning en de Natie, waar
wederkeerig eeden van trouw werden gegeven en ontvangen, en hier zweeft
ons voor den geest het denkbeeld aan een maatschappelijk verdrag,
aan instellingen, verkregen door de toepassing van die begrippen
van vrijheid, verdraagzaamheid en verlichting, die in Nederland het
eerst gepredikt, voorgestaan, verdedigd en gehandhaafd, allengs ook
elders overgeplant en door tijdsverloop ontwikkeld werden. Inderdaad
heeft alzoo die plechtigheid der huldiging zoomin iets, dat ons de
majesteit van het souverein gezag voor oogen roept, als de straks
besproken schenking van het Stadswapen door Graaf Willem IV, of die
van de koningskroon boven dat wapen door Maximiliaan, integendeel
is zij eene erkentenis, door den Vorst gedaan, dat hij voor en met
de Natie regeeren moet, en niet van zijne geboorte alleen, maar ook
van haar, zijn recht tot het opperbestuur ontleenen wil: eene hulde
dus wederom aan dien geest voor onafhankelijkheid, waarvan Amsterdam
aan de Oude Republiek zoo krachtig het voorbeeld had gegeven.



VAN AMSTERDAM NAAR PARIJS.


Van iemand, die voor het eerst van zijn leven Parijs bezocht heeft en
daar dan slechts ééne maand heeft doorgebracht, kan men niet verwachten
dat hij het publiek op de hoogte zal stellen van den toestand dier
wereldstad, van het leven aldaar en van alles wat de belangstelling
wekken kan. Het zou vermetel zijn om stoutweg te laken of te prijzen,
zonder zelf de overtuiging te bezitten of men wel goed gezien en goed
begrepen heeft. Wie een volk naar waarheid beoordeelen wil, moet er
jaren onder geleefd hebben en den tijd hebben gehad om de vooroordeelen
af te schudden door opvoeding, vooringenomenheid of betrekkingen, bij
hem ingeworteld; maar wie, na een verblijf van slechts ééne of enkele
maanden, het wagen durft een volk in zijne gebruiken te beoordeelen,
kan slechts uiterst oppervlakkig werk leveren.

Om een verslag te geven van mijne ontmoetingen met beroemde en
beruchte personen; te vertellen hoe zij mij ontvangen en wat zij met
mij gesproken hebben; te schetsen hun aard en wandel en den indruk,
dien zij bij mij achtergelaten hebben: men wachte dit niet van
mij. Die menschen hebben mij beleefd ontvangen, mij een leunstoel
en een kopje thee, ja somwijlen een goed middagmaal aangeboden,
zich zelfs, wanneer de aard van het gesprek zulks toeliet, met
openhartigheid jegens mij uitgelaten en zou ik nu tot belooning hen
daarvoor in druk tentoonstellen? Dit zou ik als een misbruik van goede
trouw beschouwen. Wacht alleen mijn wedervaren op mijne reis zonder
sieraden of bijontmoetingen en zoo mijn verhaal niets belangrijks
bevat, zal het ten minste deze zonderlinge eigenschap bezitten,
dat het van het begin tot het einde letterlijke waarheid zal behelzen.



I.

Er zijn menschen, die altijd een uur te vroeg klaar zijn en anderen,
die eeuwig den tijd hebben. Beide soorten van wezens maken mij
ongeduldig, doch vooral de laatstgenoemden. Ik word knorrig, wanneer
ik sommige lieden zie, die, wanneer zij te vijf uren hier of daar
ten eten verwacht worden, reeds te halfvier uit hun partijtje loopen
en naar huis gaan om zich te kleeden, zonder dat men aan hun toilet
iets bespeuren kan, dat zulke zorg vereischte, maar ik spring uit
mijn vel, wanneer ik, na tien minuten aan het bureau der diligence
doorgebracht te hebben, op het oogenblik dat alles opgepakt is,
terwijl de wagenknecht den laatsten lederen riem van het overtrek
door den gesp haalt en de conducteur zich gereed maakt om op te
stijgen, dezen of genen mijner vrienden aan het eind der gracht,
met den bedaardst mogelijken stap, als had hij nog uren den tijd, zie
aanwandelen, zonder dat het geroep van: "komaan, Mijnheer! wij moeten
voort!" eenige versnellingen in zijne bewegingen kan teweegbrengen. Den
wrevel alzoo kennende, welke ik tegen zoodanige lieden voed, zult
gij niet verwonderd zijn van te vernemen dat het denkbeeld van zelf
te laat te komen, mij het bloed doet koken en dat ik in het bijzonder
op den 29sten April klokke vier uren op het punt was een zenuwtoeval
te krijgen. Ik had--ik weet niet waarom--eene plaats genomen op den
wagen, die te halfvijf van Amsterdam naar Rotterdam vertrekt, en
daar stond ik op mijn stoep en wachtte vruchteloos op het rijtuig,
dat mij en mijne goederen derwaarts zou voeren. Zeker moet ik aan
mijne overburen een kluchtig schouwspel hebben opgeleverd, zooals ik
daar stond, omringd van de mijnen, die vergeefsche pogingen deden om
mij neder te zetten, en mij zochten te beduiden dat ik nog al den tijd
had; troostgronden, die echter met elke minuut al flauwer en flauwer
werden. Nu eens vloekte ik op den sleepersbaas en al zijne meiden en
knechts, die de bestelling zeker vergeten of verkeerd verstaan zouden
hebben en naar wiens stal ik reeds twee mijner knapen achtereenvolgens
had heengezonden; dan eens riep ik de meid en verweet, haar, dat
zij zeker de boodschap niet goed gedaan had; dan weder beknorde ik
mijne goede vrouw, die, zeide ik, zeer wel wist dat de brommersman
altijd te laat kwam en hem dus veel vroeger had moeten bestellen,
dan wilde ik naar de diligence loopen en zond ik mijn knecht naar den
kruier om het goed te halen, dan weder riep ik hem terug, bewerende,
dat ik toch te laat zou komen; in 't kort, ik was gedurende dien tijd
ondragelijk voor mij zelven en voor anderen.

Maar ik was eenigszins verschoonbaar. Miste ik de diligence, dan miste
ik ook de stoomboot te Rotterdam en miste ik de stoomboot dan miste ik
den spoortrein van Antwerpen en miste ik den spoortrein, dan miste ik
ook de messageries en kwam eenen dag later te Parijs en een dag zegt
veel, wanneer men slechts ééne maand verlof heeft en naar Parijs gaat.

Eindelijk echter kwam de zoolang verwachte vigilante en na een afscheid
dat nu wel overhaast moest wezen, rolde ik naar de Oude Leliestraat,
waar ik gelukkig nog juist intijds kwam om bezit te nemen van mijne
plaats in de diligence van Van Koppen, Veldhorst en Co.



II.

O, hoe schoon was het weer en hoe lieflijk waren, op dien 29sten April,
de zoomen van den grooten heirweg tusschen Haarlem en Den Haag. Nimmer,
neen nimmer was mij Holland zoo bekoorlijk toegeschenen, als nu ik het
voor een tijd verlaten ging. Overal stonden de boomgaarden in vollen
bloei en waren de velden met de heerlijkste voorjaarsbloemen getooid,
terwijl duizenden vogels door het malsche groen fladderden of in den
top der boomen den lentezang aanhieven. Maar waarom pogingen aangewend
om datgene te beschrijven, wat reeds duizenden malen en nooit naar
eisch beschreven is. Genoeg zij het te zeggen, dat ik waarlijk op dit
oogenblik berouw gevoelde, die verrukkelijke natuur vaarwel te zeggen,
juist nu zij in haar schoonste tijdperk was.

Het was middernacht toen ik te Rotterdam aankwam en reeds een geruimen
tijd daarover eer mijne goederen en die mijner reisgenooten op den
handwagen geladen waren. Niet één dezer heeren had, gelijk ik, het plan
om met de Boot te vertrekken en ik zag dus mijn ongeduld wederom op de
proef gesteld en mij genoodzaakt om, alvorens mijne bestemmingsplaats
te bereiken, hen een voor een aan hunne huizen of logementen te
vergezellen en hun bagage te zien ontladen. Niettegenstaande het
daardoor veroorzaakte oponthoud, kwam ik nog intijds aan de Boot,
die mij weldra deed denken aan de Edimburgsche diligence, welke
niet vertrok, dan nadat men de overtuiging bekomen had, dat er geen
passagiers meer te verwachten waren. Er bestond echter een onderscheid
tusschen de Edimburgsche diligence en de Rotterdamsche stoomboot;
namelijk dat eerstgemelde vruchteloos op meerdere passagiers bleef
wachten en dat in laatstgemelde, lang na het uur, voor het vertrek
bepaald, nog een aanzienlijk gezelschap aankwam en wel niet meer of
minder dan de leden der Fransche Opera in Den Haag. Die brave lieden
konden dan ook wel niet vroeger komen, want toen ik Den Haag doortrok,
stonden de rijtuigen nog voor den schouwburg en mijne aanstaande
reisgenooten, die toch kwalijk in hun tooneelkostuum konden afreizen,
waren dus verplicht geweest, zich, eer zij Den Haag verlieten, nog
in hunne dagelijksche plunje te steken.

Wie de beschrijving eener stoomboot en van de gemakken, welke zij
aanbiedt, wenscht te lezen, kan die aan mijn goeden vriend Hildebrand
gaan vragen, die ze in zijn Camera obscura zoo geestig en tevens zoo
naar waarheid heeft voorgesteld, dat het dwaas en vermetel zou zijn,
eene poging te wagen, om hem te willen verbeteren. Dit alleen mag
ik ten opzichte mijner bijzondere ondervinding zeggen, dat weinige
dingen zich zoo onaangenaam en aanstootelijk voordoen, als de groote
kajuit eener stoomboot bij nacht, het inhebbend gezelschap (zooals
sommige couranten zouden zeggen) daaronder begrepen. Men late slechts
zijne blikken rondweiden en neme zijne tochtgenooten in oogenschouw,
voor zooverre het flauwe schijnsel der lamp, die in de meer en meer
toenemende stiklucht gestadig flauwer brandt, zulks veroorlooft. Ieder
ziet er even smerig, verveeld, vermoeid en landerig uit. Alle smaak,
alle welstand, alle decorum, alle beleefdheid schijnt aan wal te zijn
achtergelaten. Wie eerst komt, neemt de beste plaats in. Is het een
man, hij strekt zich zoolang hij is op de bank uit en monopoliseert
al de kussens, die onder zijn bereik zijn; vergeefsch is het dat men
hem verzoekt een gedeelte der ruimte, welke hij beslaat, aan eene
eerwaardige matrone of aan eene jonge schoone af te staan; hij heeft
allen eerbied voor ouderdom en alle gevoel voor schoonheid verloren en
zijn luid gesnork duidt aan dat hij slaapt of althans voor slapende
wil doorgaan. Wie niet, gelijk deze innerlijk door het gezelschap
vervloekten slaper, zich eene gemakkelijke ligplaats heeft weten te
verschaffen, zoekt zich zijn toestand zoo dragelijk te maken als de
omstandigheden zulks veroorloven; en al die verschillende houdingen
leveren de zonderlingste doch meest alle onbehaaglijke contrasten
op. Hier ziet gij een paar (waarschijnlijk jonggetrouwden) bij gebrek
aan beter, beurtelings elkanders schouder tot kussen gebruiken; wat
verder zitten er twee, die vermoedelijk reeds aan elkanders gezicht
gewend zijn, rug tegen rug, en vormen een caricatuur van het wapen
van Oostenrijk, (den dubbelen arend); sommigen liggen met het hoofd
op de tafel, anderen gebruiken een der kolommetjes, waar het dek op
rust, tot steun; enkelen liggen op den vloer uitgestrekt of leunen
tegen het beschot. Niet min verschillend zijn de hoofddeksels, bij
die gelegenheid gebezigd en men vindt er monsters van alle soorten,
van den witten slaapmuts af tot den zijden foulard toe. En dan,
tusschen al die slapende of rustende wezens in, zult gij er altijd
drie of vier vinden, die nog honger en dorst hebben en nog brood
verlangen en wijn, of grog of seltzerwater en die zich vlak bij u
neerzetten en eten en drinken en praten en rammelen en u de eenige
hoop op slapen, die u nog overschoot, voor goed ontnemen. Vergeten
wij ook niet, dat er doorgaans eenige kinderen aan boord zijn die,
omdat zij gewoonlijk te acht uren naar bed worden gebracht, het heel
aardig vinden, ter dezer gelegenheid op te moeten blijven; kinderen,
die gedurig verzekeren dat zij volstrekt geen slaap hebben en weerstand
bieden aan al de pogingen van mama, die hun zoo graag beduiden wou dat
het slapen in een stoomboot zoo dol plezierig is: die de kajuit tot een
renbaan maken en, worden zij eindelijk met geweld op de bank gebracht,
geen oogenblik stilzitten, u bij elke beweging, welke zij maken,
een duw of een schop geven, en weer opspringen, juist op het tijdstip
dat gij iets begint te gevoelen, dat naar sluimering zweemde. [82]

Ziedaar, hetgeen men doorgaans bij nacht in de stoombooten aantreft
en wat mij ook op den 30sten April 1841 niet ontbrak. Daar al mijn
reisgenooten zich echter den volgenden dag beleefd en vriendelijk
jegens mij gedroegen, wil ik geen hunner ten toon stellen, door de
plaats aan te wijzen, welke hij of zij in het hierboven opgehangen
tafereel bekleedde. Ik zal mij vergenoegen met te zeggen dat ik blijde
was toen het daglicht aanbrak en ik mij haastte, op het dek de frissche
morgenlucht te gaan inademen. Daar het vrij koud was, zette ik mij
tegen de kast van het raderwerk aan, waar ik tegen den wind beschut
was, en de warmte genoot, die uit de machine opsteeg. De prima donna,
een zachtaardig, vriendelijk vrouwtje, had reeds vóór mij aldaar plaats
genomen met haar vierjarig zoontje, terwijl haar echtgenoot verdiept
stond in de beschouwing der machinerie en in beraad scheen of hij
zijn beroep niet tegen dat van ingenieur zou verwisselen. Niet lang
duurde het of de overige leden van het tooneelgezelschap kwamen ook
boven: men zag er een eersten Tenor met een geweldigen zwarten baard
en een grooten New-foundlander, een Basso met een taankleurig gelaat
en een vleermuismantel om het lijf; een Laruette met een zeer deftig
voorkomen, een Seconde amoureuse van 50 jaren met haar man en twee
dochters, waarvan de eene regelrecht naar Marseille trok om er lauweren
in te oogsten en de andere een kind van vijf jaren was. Behalve
deze artistis dramatiques bevond zich nog een oude Franschman aan
boord, voorzien van een wit pokdalig gezicht, een karpoetsmus, een
pluisjas, eene dochter en een witten poedel, welke laatste tegen den
New-foundlander dien afkeer, met vrees vermengd, scheen te voeden,
welke de middelmatige wezens in 't algemeen tegen de meer verhevene
bezielt. Voorts hadden wij nog een Duitscher, die een iegelijk beurt
aan beurt noodzaakte de mooie vogeltjes te bewonderen, welke hij in
twee kooien op het dek had staan: een gehuwd paar, dat het te druk
met elkander had, om zich met de rest van 't gezelschap te bemoeien,
en een zeer beschaafden, hoogst wellevenden Vlaming, met wien ik een
zeer aangenaam onderhoud had. Er was ('t geen op zoodanig eene reis
zeer vreemd is) niet ééne kennis bij, behalve de stoomboot zelve, die
ik, ofschoon zij, de oude coquette, haar naam veranderd had en hare
jaren wenschte verborgen te houden, weldra voor dezelfde herkende,
waarmede ik vroeger meermalen den Rijn was opgevaren. Zij was dan ook
op haar ouden dag slecht ter gang geworden, en liet ons al den tijd
om de Zeeuwsche stroomen op ons gemak te bewonderen; ja, eens zelfs
bleef zij, ofschoon er niets bijzonders te zien was, geheel stil
liggen en was niet dan met veel moeite te bewegen om verder te gaan.

Er waren dan ook reeds twaalf uren sedert onze afreis verloopen, eer
wij ons op de Schelde bevonden, en wij begonnen reeds te wanhopen om
Antwerpen tijdig genoeg te bereiken; in allen gevalle was het duidelijk
dat wij, zoo wij van den trein van vier uren gebruik wilden maken dat
er dan geen tijd meer zou overschieten om te Antwerpen het middagmaal
te gebruiken. De vraag, of wij aan boord zouden eten, werd dus, hoewel
niet zonder morren over de traagheid van den voortgang der reis, door
de meesten toestemmend beantwoord. Het leed dan ook niet lang, of
wij zaten aan den disch, en ik moet zeggen, dat aan de weltoebereide
spijzen behoorlijke eer werd aangedaan. Geen der passagiers kweet
zich echter zóó dapper van zijne taak als onze New-Foundlander. Wel
had onze Tenor, toen de hofmeester hem vroeg, of er niets voor den
hond moest klaargemaakt worden, geantwoord dat zulks niet noodig was,
en dat hij-zelf hem wel na den eten een schoteltje zou bereiden; maar
de schrandere zanger had wel van te voren berekend, hoe hij het trouwe
dier buiten zijne kosten zou doen smullen. Van alle zijden vlogen
stukken van biefstuks, karbonaden, rundvleesch, ham en worst van
de borden der passagiers in den muil van het reusachtige dier, waar
zij als in een bodemlooze kolk verzwolgen werden, en toen eindelijk
de beloofde hutspot hem door zijn meester werd voorgezet, sloeg hij
die binnen met eene uitdrukking van onverschilligheid op het gelaat,
welke duidelijk aantoonde, dat hij 't alleen uit beleefdheid deed om
den goeden man niet te bedroeven.

Intusschen waren wij op de hoogte van Lillo gekomen en dáár, zeide men,
zoude de Belgische douane aan boord komen. "De douaniers terwijl wij
aan tafel zitten," riep ik, "dat is een ongeluk"!--"O, dat is niets,"
zeide de Tenor, "ik ken den Officier der Douanes zeer goed en dat
zal wel losloopen" en meteen zag hij rond met een blik, die te kennen
gaf dat hij ons allen in zijn hooge bescherming nam. Nu, dat hadden
wij ook wel aan hem, althans aan zijn New-Foundlander verdiend.

Nog zaten wij aan het nagerecht toen inderdaad de Luitenant der
Douaniers de groote kajuit binnentrad; een man met een zeer beschaafd
voorkomen en een zeer bevallige uniform. Hij verzocht ons beleefdelijk,
ons niet te dérangeeren, ging de tafel rond om onze paspoorten op te
halen en drukte in 't voorbijgaan zijn vriend, den Tenor, de hand. Niet
zonder eenige bekommering zag ik, of verbeeldde mij althans te zien
dat hij mijn paspoort met een bijzondere opmerkzaamheid beschouwde. "O
wee!" dacht ik nu zullen mij het Dorp aan de grenzen en alle dergelijke
aardigheden worden ingepeperd! Dat ik ook over België moest gaan!"

Intusschen viel het geheel anders uit: eenige minuten waren voorbij,
het middagmaal was afgeloopen en ik zat met den Vlaamschen heer op het
dek te praten, terwijl ik somtijds zijdelings naar den Luitenant keek,
die met den Tenor in gesprek was. Opeens draait de Belg zich om, laat
den Tenor staan, over wien hij zich niet verder bekommert en komt naar
mij toe. Hij zet zich naast mij neer, spreekt mij bij mijn naam aan,
vangt een belangrijk en onderhoudend gesprek met mij aan en zet het
voort tot aan de kaai van Antwerpen toe; terwijl hij, vernemende dat
ik haast had en nog dien avond verder wilde reizen, mij met zooveel
hulpvaardigheid behandelde, dat ik reeds in den spoorwagen zat,
toen de bagage van onzen Tenor nog onder de handen der Douaniers was.

Het was ongeveer halfvier uren toen ik van mijn reisgenooten afscheid
nam. Het was echter niet heelhuids, dat ik de stoomboot verlaten
mocht. Bij het opnemen van een valiesje, dat ik in de kajuit had
laten liggen, voelde ik plotseling eene geweldige pijn aan den voet
en nederziende, ontdekte ik den poedel van den Franschman, die,
zeker wanende dat ik zijne meesteres beleedigen wilde, zijne tanden
op eene geduchte wijze in mijn vleesch had gezet.

--Och, Mijnheer! vrees niets!--zeide de juffer--mijn poedel zal u
niet bijten!

"Neen, Mevrouw! want het is al gebeurd en ik ga nu maar heen, om te
maken dat hij zich niet opnieuw schuldig maakt."



III.

Mijn Vlaamsche stoombootkennis had met mij het voorrecht gehad van
spoedig gevisiteerd te zijn geweest, en wij zaten dan ook weldra naast
elkander achter den locomotief in een dier rijtuigen, waaraan wij in
plaats van de Nederlandsche benaming wagen de daarvan afgeleide van
waggon geven, 't geen omtrent even zot is als om fiche voor vischje
te zeggen. De ondervinding heeft mij deze soort van rijtuigen doen
verkiezen. Door den grooteren last van passagiers, dien zij voeren,
zijn zij minder aan schudden en stooten onderhevig: zij zijn geheel
open en men heeft er bij meerdere lucht minder tocht; men kan er in
rooken ('t geen in een damprijtuig zeer eigenaardig is) het gezelschap
is er meer gemengd en amusanter en bij al die voorrechten komt nog
dit dat men er beterkoop in zit.

Te Mechelen is, gelijk bekend is, het brandpunt, waar al de ijzeren
spoorwegstralen zich naar geheel België verspreiden en waar zij
terugkeeren; en merkwaardig is, naast de oude stad van hout en
steen, de nieuwe ijzeren stad, die aldaar als met een tooverslag is
opgerezen. Vreemd zeker is de eerste indruk, die haar beschouwing
op u verwekt. In plaats van straten ziet men onafzienbare rijen
van rijtuigen en locomotieven, naast elkander staande als de
kermiskramen op een markt;--daaromheen--in stede van paleizen of
publieke gebouwen--fabrieken, smederijen, stookplaatsen, magazijnen,
ontzettend van getal en omvang, en--in stede van torens--schoorsteenen,
hoog als Oostersche minarets en sierlijk als antieke kolommen. Dat
alles is treffend, grootsch, prachtig, maar gelijk alles, wat nieuw
en extra-nuttig is, alles behalve schilderachtig.

Met een spoortrein reist men niet, maar men verplaatst zich en ik
zal dus ook niets vertellen van mijn tocht naar Brussel, waar ik
een paar uren in het prachtige hotel de l'Univers uitrustte en mijn
gewonden voet verbond, op den witten poedel vloekende, die mij zoo
leelijk had beetgehad. Ik voorzag dat ik den volgenden dag slechts een
sober, althans een haastig maal zoude doen, en dat het voorzichtig
zoude wezen op het voorbeeld der kameelen, wanneer zij de woestijn
ingaan, een goeden ballast in te nemen en hoewel ik te twee uren in
de boot reeds zeer goed gegeten had, hield ik mijn goeden Vlaming,
die zulks verzuimd had, gezelschap aan een tweeden disch, terwijl hij,
ter viering onzer kennismaking, mij op La Fitte onthaalde, dien ik
allen kan aanbevelen, wie het toeval in het voortreffelijke hotel
van den heer Pieron voert. Om tien uren zat ik in de coupé van de
Messagiers La Fitte et Caillard, waar zich reeds een heer met zijn
vrouw in bevond. Ik sprak hem in 't Fransch aan: het accent, waarin
het antwoord gegeven werd, wekte terstond een vermoeden bij mij op, dat
spoedig daarna bevestigd werd, toen de Heer tot zijne echtgenoot zeide:

--Ik moet toch ook eens in dat hoekje zitten.

--Of, zeide ik, indien Mevrouw nu en dan ter afwisseling eens mijn
hoekje probeeren wil?...

Beiden berstten in een schaterend gelach uit.

--'t Zal misschien even gemakkelijk zijn, Hollandsch te spreken,
vervolgde ik, mede lachende.

Maar hoewel ik lachte, was ik in mijn ziel knorrig als een spin:
want ik ging niet op reis om landgenooten te ontmoeten, die ik te
huis genoeg kan zien. Intusschen had ik het slechter kunnen treffen:
want mijne reisgenooten waren hupsche, hartelijke menschen, die zich
tot Parijs toe alleszins beleefd en gedienstig jegens mij gedroegen.

Het is met de Fransche diligences als met de Engelsche: is men
er eenmaal in gezeten, dan behoort men zich zelf niet meer,
maar men wordt, met al wat men bij zich heeft, een meubel van de
Onderneming, en men moet zijn eigen ik, zijn individualiteit volstrekt
verloochenen. Op het bepaalde uur de wisselplaats te bereiken, ziedaar
het eenige waar de conducteur op doelt; of hij de passagiers onderweg
verliest, of zij van de Impériale vallen en hals en beenen breken,
of wel in de rotonde een beroerte krijgen, dat scheelt hem, zooals
de oude Maerland zegt, niet een twint. Gelukkig zijn de Franschen
over 't algemeen zeer sober, en hebben zij geene behoefte aan die
kopjes koffie, boterhammen, bittertjes en andere versnaperingen,
welke onze Hollandsche reizigers aan onze wisselplaatsen zoo gretig
verorberen. In het gebied der Messageries mag niemand denken om eten,
drinken, of de gevolgen van dien, tenzij daar, waar de Onderneming
goedgevonden heeft hare vaste pleisterplaatsen te bepalen.

Klage wie wil over den last en het oponthoud, door de Douane
veroorzaakt, mij was het een rechte verademing, toen mij op de
grenslinie veroorloofd werd, den wagen uit te stappen, de frissche
morgenlucht in te ademen en mijne verstijfde leden te bewegen.

Het onderzoek der goederen was gestreng en niets werd ongeopend
gelaten, doch ik moet aan de Fransche Douaniers de eer geven, dat
zij alles met voorzichtigheid behandelden en na de beschouwing netjes
weder inpakten.

Te Valencyn was de eerste pleisterplaats. Daar werden onze paspoorten
tegen verlofbrieven verwisseld, kneusde ik mijn arm bij het uitstappen,
en verschroeide tong en verhemelte door het te haastig gebruik van
heete bouillon. Het was de eerste Mei, de feestdag van den Koning
der Franschen; het garnizoen maakte zich gereed om parade te gaan
houden en uit de ramen der publieke gebouwen en van enkele huizen
staken vlaggen uit, of liever vuile lappen, met dien naam bestempeld,
en machtig verschillende met het sierlijke dundoek, dat bij dergelijke
gelegenheden zoo statig over onze straten golft.

Wat mij, als merkwaardigheid, meer trof dan al wat ik overigens in
die oude vestingplaats zag, was een affiche voor de poort van den
schouwburg, inhoudende dat de heer N. N. Professeur de Magnétisme te
dier plaatse, een vertoog over die wetenschap zou geven en met proeven
staven, terwijl de heer Auguste*** Premier Somnambule, zoude antwoorden
op de hem gerichte vragen, geheimen uitvorschen enz. Van premier
funambule had ik gehoord, maar premier somnambule was iets nieuws.

Wij verlieten de stad toen de conducteur begreep dat het tijd was,
en zonder dat een der nauwelijks van het politie-bureau teruggekeerde
reizigers zijn vrijbrief nog bekomen had, 't geen ons geene kleine
ongerustheid veroorzaakte, te meer, daar de voerman, zoodra hij de
laatste poort uit was, zijne paarden in den galop zette. Onze zorg
bleek echter ijdel te zijn, want een kwartier buiten de stad haalde
een politiedienaar (die zeker de bijpaadjes geloopen had) den wagen
in en stelde ons de onmisbare documenten ter hand.

Het was warm, zelfs drukkend weer; ik had de beide vorige nachten geen
oog toegedaan en was nu eindelijk, ten gevolge van de hitte, in den
dut geraakt, toen ik mij opeens bij den arm voelde trekken en mij een
barsch: "Komaan, Mijnheer! gij moet er uit!" hoorde toeduwen. Versuft
en halfdronken van den slaap stond ik op en stapte uit den wagen,
zonder het minste besef te hebben van hetgeen men verlangde. Het was
een nieuw bezoek van de Douane, die nu het rijtuig doorsnuffelde,
alles betastte en bevoelde en geen werkmandje of breizak ondoorzocht
liet, de passagiers middelerwijl op den grooten weg latende staan,
ten prooi aan de zon en de bedelaars. Na dit lastige bezoek werd het
overige gedeelte van dien dag en van den daaropvolgenden nacht door
niets opmerkenswaardig gekenmerkt en men zal mij gaarne ontslaan van te
spreken over het eentonige landschap, of over de leelijke vuile steden,
welke wij doortrokken. Het was ongeveer zes uren in den morgen, toen
wij de voorstad bereikten van Parijs, dat, wanneer men van die zijde
binnenrijdt, niets bekoorlijks of treffends heeft en de grootsche
verwachtingen, welke men gevormd mocht hebben, geheel onbevredigd
laat. Een uur later waren wij op het binnenplein der Messageries.

Nu was ik te Parijs, maar dat belette niet, dat ik mijn toestand
alleronaangenaamst vond. Daar stond ik, vermoeid, versufd, versoezeld,
bestoven, omringd van al de drukte, welke op dat morgenuur aan de
Messageries heerscht, en verplicht om aan honderd dingen te denken,
nu ik zoo gaarne aan niets gedacht zou hebben. Met veel moeite zocht
ik uit de ontladen bagage mijn eigen goed bijeen, maar nauwelijks
had ik het ter zijde gezet of er kwam eene nieuwe diligence met
geweld binnenrijden en noodzaakte mij mijn koffer, wilde ik dien
niet verpletterd zien, van plaats te doen veranderen; en pas had ik
dit gedaan, of een derde wagen kwam en wierp zijn vracht af en zoo
ging het voort, terwijl er geen middel was om weg te komen. Het was
acht uren eer ik mij zelf en mijn eigendom in een fiacre gepakt en
op weg was naar de Rue Racine, waar mijn vriend Marmier mij een paar
allerliefste kamers had besproken. Waarom ik aldaar, in het quartier
latin en niet in de nabijheid der drukke Boulevards een verblijf had
verlangd, zal ik hier niet ontvouwen, daar het mijn verhaal nutteloos
rekken zou en den lezers tamelijk onverschillig zal zijn.

Na mij in het bad en met een goed ontbijt verkwikt, mijn bagage ontpakt
en naar huis geschreven te hebben, ging ik uit, bezocht den Luxembourg
en de Tuileries, legde eenige bezoeken af, rustte in den schouwburg uit
en wandelde tegen middernacht huiswaarts. Dat ik, na in drie nachten
niet uit mijne kleeren geweest te zijn en slapeloos doorgebracht te
hebben, naar een goed bed verlangde, zal wel niemand verwonderen,
maar ach! die zoete rust zou mij zoo spoedig niet geschonken worden
en ik had eerst nog te ondervinden, welke teleurstelling hem wacht,
die niet met de Parijsche gewoonten bekend is.

Aan de deur van mijn hotel gekomen, schelde ik aan; maar hoewel ik
zulks twee, drie reizen herhaalde, nog zag ik niemand komen. Verbaasd,
bekommerd en verlegen, gelijk wijlen Patroclus [83] zag ik reeds
met schrik het vooruitzicht te gemoet, om, deed men mij niet open,
den nacht op straat door te brengen en het corps de garde tot eenig
toevluchtsoord te hebben, toen ik, de handen tegen de deur slaande,
bemerkte dat deze, misschien reeds sinds een geruimen tijd, door een
onzichtbare hand geopend was. Toen herinnerde ik mij aan hetgeen ik
wel gelezen had nopens zeker koord, door middel waarvan de portier
zonder zijn loge te verlaten, de deur weet te ontsluiten. Ik trad
binnen, liep naar achteren, maar.... vond niemand. Ik riep, schreeuwde,
vloekte:--geen antwoord. Eindelijk kwam madame la concierge uit haar
slaapvertrek voor den dag, bromde eenige onverstaanbare woorden
tegen mij, waaruit ik alleen begreep dat ik vroeger had moeten
thuiskomen. Terwijl ik van mijn kant te kennen gaf, dat ik volstrekt
niet beloven kon, in 't vervolg beter op mijn tijd of liever op haar
tijd te zullen passen, ging plotseling de gaslamp uit, die de trap
verlichtte, en slechts (gelijk ik later begreep) tot 12 uren branden
mocht. Wij stonden in volkomen duisternis; de portierster verliet mij
en snelde naar boven. Ik volgde op den tast, onwetend waar mij heen te
wenden en zonder besef, hoe dit eindigen zoude. Terwijl ik mij aldus op
een der portalen bevond en de koude nachtlucht mij, die mooi bezweet
was, door een open venster tegenwoei en mij het vooruitzicht op eene
duchtige verkoudheid schonk, ging er, vlak bij mij, eene deur open,
en uit een kamer, welke ik meende de mijne te zijn, kwam een hoofd
met een slaapmuts en een bloote arm met eene kaars voor den dag.

"Wilt gij uw licht aansteken, Mijnheer?"

"Pardon, Mijnheer! ik wacht op mijne kaars en mijn sleutel: men zal
ze mij zeker dadelijk brengen."

"Ah zoo!" zeide de Heer: weg ging zijn hoofd; de deur ging dicht en
ik stond weer in 't donker.

Toen hoorde ik boven aan de trap zware rusie.

"Dat is hier niet pluis," dacht ik, "hoe zal dat afloopen?" Eindelijk
kwam de knecht beneden met licht. Ik begreep de zaak als een grap te
moeten beschouwen en voegde hem lachend toe:

"Welnu, Dominique! is het te Parijs de gewoonte de menschen op het
portaal te laten verkleumen, voordat men ze veroorlooft naar bed
te gaan?"

"Och, Mijnheer!" antwoordde hij: "het is niet om mee te lachen; de
onnoozele portierster wist niet dat gij hier overnachten zoudt en
heeft een anderen heer op uwe kamer gebracht."

Het was werkelijk de deur van mijne kamer, waar ik voor stond en waar
die vreemde Heer zijn neus had uitgestoken. Wij gingen binnen en hij
moest vertrekken.

"Hij vermoedde reeds iets," zeide hij, terwijl hij zich aankleedde. Nu
dat was geen wonder, want mijn goed lag uitgepakt en op tafels en
stoelen verspreid.

Den volgenden morgen kwam de juffrouw van den huize mij hare
verontschuldigingen aanbieden.



DE OMROEPER.


Oudtijds, en voor het bestaan der nieuwsbladen, was de omroeper zeker
een der onontbeerlijkste stadsbeambten, en zijne verschijning op 's
heeren straten bracht bij het publiek geen minderen indruk te weeg,
dan die van den befaamden Jan Claaszen of den liedjeszanger met het
nieuw beschilderd bord, ja, de klank, dien hij deed hooren, lokte meer
nieuwsgierigen dan de muziek van den wandelenden orgelman. O! het
was schoon, hem te zien, zooals hij, in zijn deftig gewaad, waar
het stadswapen op prijkte, met het koperen bekken achteloos aan den
linkerarm gehangen, het bekken, dat door vorm en glans den beroemden
helm van Mambruno in het geheugen terug riep, en met den metalen
stok, hem meerder waard dan een veldheersstaf, in de rechterhand,
de straten afliep, altijd vergezeld van een bont en talrijk gevolg,
dat wel is waar, niet door achtbaarheid en kleederpracht uitblonk,
maar welks gewone straatjongensbaldadigheid verdween en zich oploste
in eerbied en bewondering voor den achtbaren man, wiens voetstappen
het drukte. Op elken kruisweg, bij elke sluis of dwarsgracht, stond
het gewichtige personage stil; hij liet den ernsthaftigen blik om zich
heen weiden, langzaam hief hij het koperen armschild op, en het metaal,
op het metaal herklinkende, verkondigde zijne tegenwoordigheid en riep
de aandacht der vrome burgers in op de woorden, die hij spreken zoude.

Dan stroomde van alle zijden de goede gemeente toe, en zelfs de
bewoners der naastbijstaande huizen vergaten hun beroep en bedrijf,
om te hooren wat er gaande was. De kuiper, die zijn winkel in de
nabuurschap had, nam de pijp uit den mond en bleef met opgeheven hamer
staan; de rijknecht, die het paard naar de smidse had gebracht, en
de smid, die het beslaan zoude, traden toe op dat geluid, zonder zich
te bekreunen over de ongemakkelijke houding, waarin de arme viervoet
hun terugkomst stond af te wachten; de winkelierster, die achter de
toonbank bezig was een lood snuif af te wegen, en de oude keukenmeid,
die voor de toonbank in haar knipje frommelde om het vereischte
getal duiten te zoeken, braken, als bij wederzijdsch akkoord, haar
handel voor een oogenblik af en bleven met uitgerekten hals staan
luisteren:--de sleeper, die voor het wijnhuis aan den hoek zijn halfje
kocht, toefde met den roemer aan de lippen te brengen, uit vrees dat
het klokken van den jenever hem een woord zou doen missen;--overal,
uit voor- en pothuizen, uit kelder- en zoldervensters kwamen hoofden
en aangezichten te voorschijn; terwijl in diepe stilte en gespannen
verwachting, elk de ooren spitste om de orakeltaal des gewichtigen
mans te vernemen.

Eindelijk, wanneer deze den kring, waarvan hij het middelpunt vormde,
genoegzaam zag aangegroeid, opende hij den mond: en met een langzame,
slepende, eentonige, maar toch luide en verstaanbare stem, ontvouwde
hij het doel zijner zending.

Soms was het een publicatie der achtbare Magistraat;--en dan,
helaas! was het niet zelden bedroevend om te aanschouwen, hoe de
meesten der toehoorders, die het toeval hier verzameld had, het
hoofd weer omwendden, hun bedrijf en bezigheden hervatteden, en even
weinig oplettendheid aan het gesprokene schonken, als de hedendaagsche
dagbladlezers toewijden aan de eerste kolom der officieele couranten.

Soms was het de aankondiging eener te houdene verkooping, een oproeping
van werkvolk, een bericht, den handel, de zeevaart, de visscherij, de
nijverheid betreffende:--en, ofschoon dan de massa meer belangstelling
toonde, teleurstelling of onverschilligheid waren op menig gelaat
te lezen.

Maar, wanneer de aanhef luidde: er is verloren! en wanneer het slot:
al wie dezelve terug brengt bij den stads-omroeper, wonende enz., met
de belofte eener ruime belooning sloot, dan was en bleef de aandacht
gespannen, dan ging men vergenoegd uit elkander, dan vertelde men rond
wat men gehoord had: en menigeen streelde zich reeds met de gedachte,
dat het ook hem zoude kunnen gebeuren, de gelukkige vinder te zijn.

Soms ook wekte de eenvoudige voordracht des omroepers meer levendige
aandoeningen in de gemoederen der omstanders op: wanneer hij sprak
van vermiste kinderen, door bedroefde ouders vergeefs gezocht: van
uit het water opgehaalde lijken, waaromtrent men naricht verlangde;
van jongelingen of jonge dochters, die het ouderlijk huis heimelijk
verlaten hadden: van voortvluchtige boosdoeners of deserteurs, wier
signalement hij opgaf: in 't kort, wanneer het een dier onderwerpen
gold, geschikt om de nieuwsgierigheid te prikkelen, tot gissingen
aanleiding te geven en voor veertien dagen lang stof te verschaffen
aan de babbelarijen en commentariën der buurwijven.

En, wanneer nu de redenaar zijn mededeeling had ten einde gebracht,
dan, zonder zich te bekommeren over den indruk, dien zij had
achtergelaten, liet hij den linkerarm zakken, stapte met groote
schreden dwars door den terugwijkenden en zich verspreidenden volkshoop
heen, en begaf zich, van een nieuwen zwerm omstuwd, weder verder,
om op een volgenden viersprong zijn litanie te herhalen.

Die aankondigingen, op last des Bestuurs, der Admiraliteiten, der
Compagniên, der Gilden enz. gedaan, die bestendige berichten van
bijzondere personen, welke hij te vermelden had, leverden aan den
omroeper een ruim en deftig bestaan op: en meer dan een onder de
beambten, die sedert eeuwen het woord op pleinen en straten voerden,
vond zich bij zijn dood in staat een aanzienlijk kapitaal aan zijn
erven na te laten. Maar wat is op aarde bestendig? De invallen
der Barbaren hebben den Romeinschen adelaar de wieken geknot, en
de nieuwerwetsche beschaving heeft den luister van het bekken des
omroepers doen tanen. De drukpers, die door het verspreiden van
liedeboekjes en zedespreuken, den minnezanger en spreukspreker
deed zwijgen, die, door het vermenigvuldigen van caricaturen en
kleine journalen, den hofnar deed verdwijnen, de drukpers met
haar duizend stemmen heeft den met slechts éénen mond voorzienen
omroeper overschreeuwd. Welk nut zoude het in hebben, hem op alle
hoeken kennisgevingen en aankondigingen te doen uitkraaien, welke,
op gebouwen en wachthuisjes aangeplakt, dank zij de hoogte van het
hedendaagsche onderwijs, door den minsten ambachtsman kunnen gelezen
worden? Wie zoude hem voortaan belasten met het vermelden van geleden
verliezen, die hij slechts ter kennisse van enkelen brengen kan, nu
talrijke en overal verspreide nieuwsbladen de gelegenheid verschaffen,
die aan duizenden gelijktijdig te berichten?

Schaars wordt dan ook meer het ministerie des eenmaal zoo onmisbaren
mans ingeroepen: zelden meer lokt het helklinkend geklep van zijn
staf de nieuwsgierigen aan het venster: en de menigte ziet hem met
onverschilligheid aan, wanneer hij nog enkele malen, van zijn vroegeren
luister beroofd, en zonder gevolg, zich aan haar vertoont als een
verschijnsel uit den verledenen tijd, als een herinnering aan die
vroegere dagen, toen de kappers met pruikedoozen op den rug liepen,
en de slagersknechts driekante hoeden droegen.



HET WAFELMEISJE.


Wie kent het wafelmeisje niet, het nette, het zindelijke, het minzame
wafelmeisje, met haar Frieschen kap, haar zilveren oorijzer, haar
glanzend jakje, haar helder boezelaar, haar groene muiltjes en het
bord in haar hand, waarover een blank servet is gespreid, dat de


                    Wafels diep gheruyt,
                Wel ghesuyckert, wel ghecruyt,
                Wel met boter overdroopt,


tegen den invloed der lucht en de snoepzucht der vliegen
beveiligt?--Als de ooievaar of, wilt gij 't liever, als de zwaluw,
die in het voorjaar terug komt en ons tot een voorbode strekt der
lentevreugd, zoo ook keert het wafelmeisje jaarlijks in hetzelfde
seizoen, op dezelfde plaats terug om er haar woning te bouwen en
aan een ieder te verkondigen, dat de kermis-vermakelijkheden een
aanvang hebben genomen. Alles op deze wereld is voor verandering
en veroudering vatbaar; maar, wat ook de tijd doe wisselen of
vervallen, of te niet gaan, naar het wafelmeisje heeft hij zijn hand
nooit uitgestrekt: nimmer heeft hij de leliën op hare wangen doen
verwelken, noch rimpels op haar glinsterend voorhoofd doen rijzen,
noch de luchtigheid van haren tred veranderd, noch haar vlekkelooze
kleeding bezoedeld. Met iederen jaarkring treedt zij even vroolijk
en bevallig weer te voorschijn, blozend als de bloemen op het veld,
maar niet vatbaar, gelijk deze, om te verwelken. Al wat op kermis en
jaarmarkt onze aandacht trekt, wordt afgesleten, verouderd, vernieuwd
of vervangen; de Saqui's, de Opré's, de Baptistes, de Martins, en
zoo veel meerderen, zijn afgetreden en hebben voor anderen plaats
gemaakt; maar het wafelmeisje blijft, altijd jeugdig, altijd hare
gaven ronddeelende, onveranderlijk en onvergankelijk als het noodlot.

En niet zij alleen, maar al wat zich om en nevens haar beweegt
en bevindt in de tent, waar binnen haar zwervend bedrijf wordt
uitgeoefend, is even onwankelbaar, even onsterfelijk als zij
zelve. Ondervraagt slechts uw geheugen, kermisbezoekers! Heeft niet
die wafelkraam altijd uit dezelfde planken bestaan, van buiten grijs,
van binnen kanariegeel geschilderd? Treedt gij den houten vloer
op, gij ziet tegenover u de, u sinds jaren bekende, glad gewreven
commode of chiffonnière, rechts en links geflankeerd door een prent
in gele lijst, de ramp van Leiden, den watervloed, de historie van
den verloren zoon of die der schoone Genoveva voorstellende: op de
commode herkent gij de witte kopjes met gouden randen en den ruiker
van papieren bloemen: daarvoor, de stoelen met matten zittingen; in
den hoek, het sijsje in zijn kooi; rechts, het eikenhouten beschot,
van twee boogsgewijze ingerichte toegangen voorzien, op de Oostersche
manier met gordijnen afgesloten en tot twee kamertjes geleidende,
als de roef eener trekschuit geheel ingenomen door een smalle tafel
en een rondloopende bank. Links, door toonbank en fornuis van de
straat gescheiden, zit de bakster bij het vuur, de bakster, die er
altijd gezeten heeft en nooit hare plaats verlaat: en nevens haar,
het wafelmeisje. Wanneer ik zeg, het wafelmeisje, dan meen ik: de
drie wafelmeisjes; want, even als er drie Gratiën, drie Parken, drie
Furiën, drie Cyklopen zijn, zoo zijn er ook altijd drie wafelmeisjes,
die de voorschreven bakster moeder noemen. Wat een vader betreft,
dien ziet men niet en die is er waarschijnlijk nooit geweest: en hoe de
baksters het aanleggen, om juist altijd drie dochters, nooit meer noch
minder te hebben, zal wel altijd een raadsel blijven. Bewijs genoeg,
dat zij en haar maagden en haar kraam, alles, als de Myrmidonen van
ouds, gelijktijdig zijn ontstaan.

Van de drie wafelmeisjes zal ik er slechts ééne beschrijven; want,
wie er eene ziet, heeft ze allen gezien: en de bloemen des velds en
de wafelen, die zij rondbrengen, kunnen onderling niet meer gelijkenis
hebben dan zij.

Het wafelmeisje is welgevormd van leden, regelmatig van gestalte,
schoon eenigszins overhellende tot gezetheid, en haar bewegingen
hebben een bevalligen zwier; haar vel is blank en doorschijnend;
malsch als zijde, maar niet zeer veerkrachtig; haar lichtblauwe oogen
hebben een kalme, zachtzinnige uitdrukking, die getuigt, dat in het
hartje, 't welk achter dien donzigen boezem klopt, geene driften noch
stormen gewoed hebben. Van het haar zal ik niet spreken; want daar
het bestendig onder den nijdigen kap verborgen blijft, kan men alleen
bij gissingen besluiten, of het zwart dan blond van kleur is. Uit
de donkere tint der wenkbrauwen zoude ik het eerste opmaken; maar ik
onderwerp mij gaarne aan de beslissing van al wie beter onderricht is.

Het karakter van het wafelmeisje is geheel lijdelijk; zij gehoorzaamt
aan de bevelen en wenken der bakster, en brengt de wafelen naar de
plaats van haar bestemming: zij dekt de tafeltjes in de vertrekjes, zij
bedient de bezoekers, en wanneer zij niets te bezorgen of niemand te
bedienen heeft, dan gaat zij zitten voor de meergenoemde chiffonnière,
dus vlak over den ingang. Maar gaande of staande, loopende of
rustende, bezig of ledig, nooit raakt haar gelaat uit zijn plooi,
en niets is in staat de rustige kalmte van haar gemoed een oogenblik
te verstoren. Zij hoort met denzelfden glimlach de bestellingen der
gasten, de zoutelooze kwinkslagen der jolige dienstmeiden, de ruwe
scheldwoorden des dronkaards, de suikerzoete vleierijen van den ouden
vrijer en de meer duidelijke voorstellen des opgewassen schoolknaaps
aan. Met denzelfden onverschilligen blik ziet zij de liefkozingen
van een vrijend paar, en den strijd van twee pakkendragers om een
nieuwe Helena. Nog meer! Een dartele jongeling, niet te vreden, van
haar zijn liefdebrand met woorden te hebben geschilderd, zal, om aan
zijn betuigingen meerdere kracht bij te zetten, haar poezel handje
vatten; zij zal het niet terugtrekken; maar ook den handdruk niet
beantwoorden; de vermetele zal zich nog meer verstouten; haar mond,
haar wangen met gloeiende kussen bedekken; zij zal hem stil laten
begaan; maar op eens bespeurt hij met verbazing en teleurstelling,
hoe weinig hij haar zinnen of zelfs haar aandacht boeide, en hoe zij,
hem als een schim ontweken, bezig is een glaasje anijs over te reiken
aan een naaistertje, dat met een kantoorknecht in een der vertrekjes
een tweede dozijn wafels zit te verorberen.

Uit dit alles blijkt overvloedig, dat het wafelmeisje een afzonderlijk,
op zich zelf staand wezen is, aan de gewone zwakheden der menschelijke
natuur niet onderhevig, en met de dochters van Eva alleen in
gedaante overeenkomende. Intusschen, er zijn sceptici, die hebben
durven beweren, dat zij, 's middags ongeveer te half een uur, een
wafelkraam voorbij gaande, de bakster en haar maagden hebben zien
aanzitten rondom een schotel van groen aardewerk, aardappelen etende
als gewone stervelingen. Zoolang echter dit feit niet door stellige,
onwraakbare getuigenissen bewezen is, meen ik het er voor te moeten
houden, dat de verhalers, of schaamteloos jokken, of door hun oogen
misleid zijn geworden.



DE AANSPREKER.


Droevig en ernstig is de gedachte aan den dood: en waarom dan
is de bode, die ons het overlijden van een onzer natuurgenooten
komt verkondigen, bestemd, om onzen onwillekeurigen lachlust op
te wekken? Waarom vinden wij, bij alle volkeren en in alle tijden,
bestendig, in het sterfhuis, naast de lijkbaar en op de rustplaats der
afgestorvenen, die verschijning terug van onverschillige, belachelijke
medevertooners, wier tegenwoordigheid de aandoenlijkste plechtigheid
in een bittere parodie herschept?

In gindsche woning heeft een geliefde vader, een teederbeminde
echtgenoote, een bloeiende dochter, den laatsten tol aan de natuur
betaald. De huisgenooten zijn vereenigd: de stille smart wordt
slechts nu en dan afgebroken door een uitboezeming des harten, door
een lofspraak op den overledene, door snikken en schreien. Maar op
eens, evenals de Clown in het Engelsche drama op het meest pathetisch
oogenblik te voorschijn treedt, daar vertoont zich de Aanspreker:
zijne verschijning brengt bij al de aanwezigen ongeveer dezelfde
gewaarwording te weeg, welke een valsche noot in de muziek bij
den kenner doet ontstaan: alles bij hem is in wederspraak met het
aanwezige gezelschap: zijn kostuum; want hij draagt den rouw aan 't
lijf, dien de huisgenooten nog maar alleen in 't hart dragen:--zijn
gelaat; want het staat alleen koud en onbewogen tusschen al die nat
bekreten wangen:--zijne redenen: want, terwijl de overigen alleen
wenschen te spreken over de deugden des ontslapenen en de grootte van
hun verlies, spreekt hij van ceêlen, van zwart lak, van timmerlui, van
rouwpapier, van koetsiers en van begrafenis-boete:--zijne innerlijke
gemoedsbewegingen; want, terwijl leed en droefheid den boezem zijner
lastgevers vervullen, loopen zijne gedachten over het vermoedelijk
bedrag van het loon, dat hem wacht, en berekent hij, uit hetgeen hem
van den staat des boedels bekend mag zijn, of de fooien min of meer
aanzienlijk zullen wezen.

Het noodige is afgehandeld: de Aanspreker is vertrokken: hij heeft
zijn kameraden ontboden, die kohort, waarin het bevel nu bij dezen,
dan bij genen berust: niet volgens onderlinge keuze of schikking:
niet naar vaste beurten: neen: hij, die het eerst aan het sterfhuis
ontboden was, is de hopman, aan wiens bestier zich de overigen,
zonder morren, zonder tegenspraak, onderwerpen.

De lijsten zijn gemaakt: de ure is gekomen, waarop het rondzeggen
beginnen zal. Zie op gindsche brug den besturenden Aanspreker zijn
bevelen ronddeelen en aan elk zijn taak aanwijzen. Welke ernst op 's
mans gelaat! welke wichtigheid in zijn gebarenspel! 't Is Agamemnon,
die den aanval tegen Troje gebiedt: en, op zijn wenk, verspreidt zich
het gevolg van snelvoetige Achillessen en draaft langs burgwal en
straten, en doet overal de schellen klingelen. De deuren gaan open:
de Aanspreker (mits het een deftig huis zij, waar hij voorstaat)
legt de rechterhand aan den punthoed, doet hem een hoek van 46 graden
beschrijven en heft, met een hoogdravende stem, in dezer voege aan:

--"Maak bekend, dat overleden is, de Hoogwelgeboren Vrouwe Sara
Catharina Augusta Wilhelmina van Hevelen tot Heffenberg, Douairière
den Hoogwelgeboren Heer Jonkheer Willem Hendrik Lodewijk Baron van
Hoogenlinde."

Hij doet zijn hoed nogmaals een boog beschrijven, dekt zich weder
en voegt er, als ter bevestiging, in een platten Amsterdamschen
tongval bij:

--"De ouwe Mevrouw van Hoogenlinde, schoins hierover in 't hoekhois:
zelje 't niet vergeten, vrijster?"

--"Herrejee!" roept de vrijster: "is die dood: nou kijk! mensch! 't
Is wat te zeggen! ja, er sterft al heel wat rijkdom tegenwoordig."

Maar reeds is de Aanspreker, zonder zich den tijd te gunnen om het
oor te leenen aan de wijsgeerige aanmerkingen der dienstmaagd, een
paar huizen verder zijn plechtige formule gaan herhalen.

De dag der begrafenis is daar: het is een deftig lijk: en zoodanige
worden nooit ter aarde besteld, zonder dat het een boete kost aan
den erfgenaam:--een boete, vermeerderende naar evenredigheid van
het vroegere ochtenduur, waarin de plechtigheid voorvalt, en nog
hooger stijgende, wanneer die 's avonds plaats heeft: een speculatie,
gegrond op de ijdelheid onzer menschelijke natuur, die zich in zulke
oogenblikken minst verloochent;--maar het is niet over de ijdelheid
der naastbestaanden, het is over den Aanspreker, dat ik u onderhouden
moet. Zie hem en zijn gevolg aan weerszijden op de trappen van
die stoep geschaard, terwijl de dragers, in verschillende groepen
verdeeld, op straat staan, en de lijkkoets een paar huizen verder
vertoeft. Elke bloedverwant, die het sterfhuis binnengaat, moet de
gelederen der zwarte bende door: de punthoeden vliegen af bij zijn
naderen, maar beschrijven nu den halven cirkelboog vol uit, terwijl
het aangehechte krip met bevalligheid golft, en het bovenlijf zich
eerbiedig nederbuigt. Alles is gereed: de kist wordt uitgedragen: de
lijkkoets ontvangt haar vracht, en weldra neemt de optocht een aanvang.

Voorheen zag de Aanspreker, wanneer hij aan 't hoofd der lijkstaatsie
optrok, met welgevallen rond op de talrijke schaar, die aan alle
kanten kwam samengevloeid, om met gretige belangstelling de prachtige
livreien, de fraaie paarden en de glinsterende koetsen te bewonderen:
of wier nieuwsgierige blik, op het gelaat der achteraan volgende
erfgenamen, de mate van hun rouw zocht te beoordeelen: maar och! en
tot zijn groote ergernis, de Aanspreker heeft die tijden overleefd,
en beklaagt er zich bitter over, hoe men tegenwoordig zich den
nauwelijks gestorven bloedverwant reeds schijnt te schamen, en,
in stede van het lijk te volgen, langs een anderen weg op snellen
draf de plaats der bestemming bereikt! Dit is voorzeker treurig:
maar kan men ook niet van den Aanspreker zelven zeggen:


                        Quantum mutatus ab illo?


't Is waar, nog bestaan de punthoed, de lamfer, de korte broek; maar
waar is de majestueuse, de eerbiedwekkende, de in talrijke batterijen
verdeelde, de wit gepoederde pruik gebleven? Waar is zij?--De echo
antwoordt: Waar?

In de kerk, op den Godsakker, wordt de optocht herhaald; maar nu wordt
de baar op de schouders der dragers rondgevoerd, en de bloedverwanten
sluiten den omgang. De kist wordt nedergelaten in 't graf: de
Aanspreker en chef deelt aan de, langs hem defileerende Aansprekers,
Dragers, Dienders en Dekkers de verzegelde pakjes uit, welke hun
loon bevatten: elk hunner, na zijn gift ontvangen te hebben, gaat de
bloedverwanten voorbij en maakt een meer of minder zwierige buiging:
en alles gaat uiteen; de Aansprekers, om nieuwe sterfgevallen te gaan
verkondigen; de bloedverwanten, om de te huis gebleven familie te
gaan vermelden, dat alles volbracht is: de dragers, om naar de kroeg
te loopen. Wat de dienders doen, weet ik niet: en al wist ik het,
ik zoude het niet durven zeggen.



DE HOLLANDSCHE WERKMEID.


Onder de zoodanige typen, welke men alleen op Hollandschen bodem
ontmoet, en welke mitsdien in een galerij als deze niet kunnen
gemist worden, komt voorzeker een eereplaats toe aan de Hollandsche
Werkmeid. Ook zij heeft recht om op te treden, als vertegenwoordigster
van ons zedelijk volkskarakter, en biedt ons in haar bedrijf twee
eigenschappen aan, welke van oudsher die van onze natie zijn geweest:
werkzaamheid en zindelijkheid.

Van de eerste dier eigenschappen behoeven wij niet te spreken, noch
zelfs haar aanwezen bij de Werkmeid te betoogen, daar zij reeds
in den naam zelven ligt opgesloten en luie Werkmeid een anomalie,
een contradictio in adiecto zoude wezen. De dienstmaagd, waar wij
van spreken, heet Werkmeid, omdat zij is aangenomen om werk te doen,
en dus niet verondersteld kan worden anders dan werkzaam te zijn. Is
zij dit niet, dan valt zij zoomin onder onze beschouwing, als een
knaap, die niet rijden kan, in een werk van Engelsche typen, onder
de rubriek Jockey zoude kunnen bedoeld worden.

Zij is dus werkzaam,--en het doel van haar werk is--aan al wat zij
aanraakt een knap en helder voorkomen te geven. De zindelijkheid,
waarvan zij de type is, moet dus minder beschouwd worden als een
aangeboren hoedanigheid, als een deugd, welke haar versiert, dan
wel als een gevolg van haar bestemming; men prijst in de Werkmeid
niet zoozeer haar zindelijken aard, als het zindelijk werk, dat zij
levert; en ten dezen opzichte vooral is zij een afschaduwing onzer
Hollandsche natie.

Immers, men moet zich van de Hollandsche zindelijkheid geen verkeerd
denkbeeld voorstellen, noch er te luide op roemen, gelijk meermalen
uit verkeerden trots gedaan wordt. Zindelijk was vanouds bij ons
minder een deugd, dan een noodzakelijkheid, een voorwaarde van
ons bestaan. In een vochtig klimaat als het onze zouden de planken
spoedig wegrotten, de goten opgestopt raken, het water in de bakken
bederven, de kelders vol paddestoelen, de zolders vol schimmel,
de stoepen vol modder staan, indien men eens dorst afzien van dat
aanhoudend schrobben en boenen en schuren en wrijven. Maar, heeft men
die uiterlijke zindelijkheid van huis en huisraad dikwijls tot een
belachelijk uiterste gedreven, men heeft van een anderen kant in ons
land de zindelijkheid op zichzelven misschien te weinig toegepast: en
niet geheel zonder grond beweren de Engelschen, ja zelfs de Franschen,
dat zij van nature netter zijn dan wij. Wel zijn bij hen de huizen
verveloos, de stoepen en gangen niet zoo blank geschuurd als bij ons,
de trappen niet zoo zuiver van stof en smet, de koperen ketels niet zoo
glanzend;--maar daarentegen zijn kapsel, baard, handen, nagels, ja het
geheele lijf, meer dan bij ons, het voorwerp hunner bestendige zorg,
en halen zij van verbazing de schouders op, wanneer zij vernemen,
dat in de hoofdstad van Nederland slechts eene bad-inrichting kan
bestaan, welke bij uitsluiting door reizigers, en door stedelingen
niet als bij ordonnantie van den geneesheer, bezocht wordt.

Maar, keeren wij tot onze Werkmeid terug. Zij is gehuurd om het huis
met aanhoorigheden en meubelen schoon te houden, en deze bezigheid,
welke zij in den aanvang louter als plicht beschouwt, gaat weldra
bij haar tot liefhebberij, tot hartstocht over. Zie slechts, hoe zij,
ondanks de barre winterkoude, reeds lang voor den dag het koesterende
bed verlaat, om geknield voor den haard, die haar geen warmte geeft,
de asch van den vorigen avond weg te ruimen en voorts, de kruimels,
de pluisjes en todjes en al die andere naamlooze voorwerpjes, welke
ook in het knapste huishouden zich over het vloerkleed verspreiden,
op haar blik te vegen. Dit werk is volbracht: de stoffer wordt in
haar half bevrozen handen door den wrijflap vervangen: en, nog altijd
geknield, beijvert zij zich de plaat te schuren en aan het koper van
kachel of vuurhaard den getaanden luister terug te geven. Eindelijk
rijst zij op en verlaat het vertrek: nu worden de trap, de gang,
de stoep, al de meest beloopen plaatsen, aangeveegd of gestoft. Zij
treedt op de plaats, of bij gemis van die, op straat, met vloer- en
gangmat: en de teenen klopper gaat klapperend op en neer. Nu moeten
de kleeden er aan: een kameraad, of wel een gedienstige buurvrijster,
door het geklop oplettend gemaakt, komt haar hulp bieden, en de kleeden
worden uitgeslagen, onder een vrolijk gelach ten koste van den armen
voorbijganger, die op zijn even te voren uitgeschuierde plunje een
duim dik stof bekomt.

Ziedaar, met het beddenopmaken en ruimen der slaapvertrekken, (voor
zooverre dit ook tot de attributen der Werkmeid behoort) de bezigheid
van het morgenuur: maar dit is slechts een voorspel van het eigenlijke
werk, dat nu eerst beginnen zal. Elke kamer in het huis heeft haar
beurt: 't zij eens in de week, 't zij om de veertien dagen: en naar
die kamer begeeft zich thans de Werkmeid, als naar haar koninkrijk,
waar zij oppermachtig heerscht, en, benevens haar, tocht en stof en
theebladen en koude en ragebol en verwarring. Wee den onbezonnene,
die het waagt er binnen te treden: met schrik zal hij terugdeinzen,
bij het zien dier opeengestapelde stoelen, dier uit haar plaats
verschoven tafels en kastjes, dier door elkander gehutselde boeken
en papieren en sieraden en nondescripts: het is een chaos; maar,
als de Werkmeid het vertrek weer verlaat, zal uit dien chaos alles
schooner en heerlijker te voorschijn zijn gekomen.

Maar wie de Werkmeid in haar volle kracht wil aanschouwen, wandele op
een fraaien Zaterdag-morgen de Amsterdamsche hoofdgrachten langs. Dan
staan alle voordeuren open, al wijst ook de thermometer 10 graden
onder nul: dan stroomt het water bij emmers vol over stoep en gangen,
al moest het zich terstond herscheppen in een vloer van ijs, waar
het halve huisgezin op uitgleed en den hals brak: dan schijnt er aan
het boenen en schrobben geen einde te zullen komen. En o! dan is zij
heerlijk te aanschouwen, de Werkmeid, met haar blanke kornet, die
echt nationale dracht, met haar geruit boezelaar, haar opgestroopte
mouwen, haar witte kousen en hare holsblokken, welke juist de minst
sierlijke deelen van haar lichaam aan het oog onttrekken: dan is elke
beweging, welke zij aanneemt, geschikt om de vormen van haar kloeke
gestalte voordeelig te doen uitkomen: 't zij, dat zij den emmer in de
eene hand dragende, de heup aan de tegenovergestelde zijde met zwier
doet rijzen; 't zij dat zij, voorover gebukt, de rokken tusschen de
knieën geknepen houdt en tot model voor een studiebeeld verstrekt:
't zij, dat de ronding van den arm bevallig uitkomt bij het hanteeren
van den luiwagen: 't zij eindelijk, dat zij den glazewasschersspuit,
dat oorspronkelijk Hollandsch werktuig (hetwelk eens heel Bordeaux
in opschudding bracht, toen een Hollandsche vrouw, welke zich aldaar
had neergezet, het, benevens haar Werkmeid, met zich bracht), in
handen neemt en het geheele lichaam zich (zooals Bilderdijk het
ergens uitdrukt)


                Slingert en buigt en verwringt.


Wat beklaagt men zich dan, dat er in onze voorname steden geene
fonteinen zijn? 's Zaterdags is elke burgwal, elke hoofdstraat een
fontein, waar honderden stroomnajaden, niet van brons of marmer, maar
vol kracht en leven, het water in sierlijke bogen naar boven persen,
het met vrolijk geklater tegen de hooge glasruiten doen ruischen,
en door de geheele buurt frischheid en koelte verspreiden.



DE KRUIER VAN AMSTERDAM.


Indien men zich buiten 's lands het type van den echten Hollander
voor den geest wilde brengen, dan stelde men zich de beeltenis voor
van een wel doorvoeden burgerman, met een onbewegelijke tronie,
driedubbele kin en vooruitpuilenden buik, het dikke hoofd met een
pruik en punthoed bedekt, een korten broek, kuit- en schoengespen,
en de onmisbare lange pijp in den mond, zittende aan een tafeltje,
waarop een kwispeldoor, een glas jenever, een koopmansjournaal en
eenige geldzakken, als passende zinnebeelden paradeeren.

Wat mij betreft, ik wil tot type onzer natie een ander voorwerp kiezen,
en haar voorstellen onder de gedaante van den eenigen man, die in
onze verbasterde eeuw nog de hoedanigheden vereenigt en bewaart, welke
aan onze voorouders eer, achting en rijkdommen hebben doen verwerven:
in den Kruier van Amsterdam.

Vlijt, bedaardheid, nauwkeurigheid, spaarzaamheid, zindelijkheid,
matigheid, eerlijkheid vooral, ziedaar de deugden, welke onze natie van
ouds gekenmerkt hebben: ziedaar de deugden, welke wij terugvinden in
den man, wiens beschrijving wij ons hebben voorgesteld: de hoofdtrekken
van zijn karakter, de voorwaarden van zijn bestaan. Men oordeele:

De Kruier is vlijtig:--Men versta mij echter wel: hij loopt het werk
niet na, noch dringt zijne diensten met onbescheidenheid op.--Neen! Ook
hierin verloochent hij zijn landaard niet: men wachte zich ook, hem
met den sjouwerman te verwarren; de man, dien wij bedoelen, is, in
zijn stand, een deftig burger, die zijn fatsoen weet te bewaren: in
zijn pothuis gezeten, wacht hij af, welke boodschappen zijne kalanten
verkiezen hem op te dragen; maar ontvangt hij die, dan zijn zij ook
dadelijk volbracht.

De Kruier is bedaard: hij loopt, maar draaft niet; want hij weet,
dat hij, na de boodschap, welke hij verricht, er nog vele andere
zal te verrichten hebben: en hij wil zich niet buiten adem brengen
of noodeloos vermoeien: is hij aan den mangel, aan de wasch, aan een
verhuisboel werkzaam, hij volbrengt zijn plicht in stilte, en zonder
noodelooze opschudding of beweging; hij stoeit en dartelt niet met de
dienstmeisjes, waarmede zijn beroep hem in gedurige betrekking brengt,
noch geeft aan de eene de voorkeur boven de andere; want hij weet,
dat dit een bron is van nijd en van krakeel: en hij moet meesters en
dienstboden beiden te vriend houden. Daarom behandelt hij de eersten
met bescheiden eerbied, de laatsten met terughoudende minzaamheid,
en het is veel, indien hij in het koffij- of etensuurtje zich een
onschuldige boerterij veroorlooft.

De Kruier is nauwkeurig: hij is een man van de klok, en op het
bepaalde uur aanwezig, geen minuut vroeger of later. Geeft men hem
een mondelinge boodschap, hij luistert met aandacht, en geen letter
zal, bij het overbrengen, ontbreken. Heeft hij goederen te bezorgen,
geen pakje, geen mandje, hoe klein ook, dat onder zijn waakzaam oog
verloren gaat. Heeft hij zijn arbeid te verrichten in eene, te voren
hem onbekende, woning, hij let op alles, slaat elke inrichting, elke
gelegenheid gade, en kent, bij het uitgaan, het huis, de verdeeling
der kamers, de plaats van elk meubelstuk zoo goed, als ware het
zijn eigendom; want hij weet, dat hij er weer zal worden geroepen,
en gebeurt dit, dan zal hij er thuis zijn, en zijn handen zullen niet
verkeerd staan.

De Kruier is spaarzaam: hij is het op zijn tijd; want ook hij weet,
hoe kostbaar die is, en hoezeer het er op aankomt, daarmede te
woekeren. Zijn hem vele, uiteenloopende boodschappen opgedragen,
zijn geest heeft de woonplaatsen, de afstanden, dadelijk berekend:
en alles wordt volbracht, zonder dat hij met terugloopen of heen en
weer gaan een oogenblik verliest. Hij is spaarzaam op zijn woorden;
want hij weet met Salomo, dat in de veelheid daarvan de overtreding
niet ontbreekt. Daarom ook is hij een vijand van klappen en van uit het
eene huis in het andere te praten, en het noodwendig vertrouwen, dat
in hem gesteld wordt, te misbruiken. Maar ook met zijn verdiensten is
de Kruier spaarzaam; want hij wil gaarne aan zijn kinderen een burger
kapitaaltje nalaten: en dat moet hij met dubbeltjes bijeenkrijgen:
hij doet dan ook geene noodelooze uitgaven; maar is zuinig op zijn
dagelijksche en onveranderlijke plunje: alleen des Zondags, wanneer
zijn bezigheden hem vergunnen, met de zijnen naar de kerk te gaan,
toont hij zich, wel niet zwierig, maar toch netjes, ja deftig
uitgedost.

De Kruier is zindelijk: zijn linnen buis is altijd helder: zijn gelaat
moge door de zon verschroeid zijn en zijn handen vereelt, maar geen
van beide zijn immer zwart of onrein: en ook de teêrste pakketjes,
de op rose papier geschreven briefjes, kunnen veilig aan die handen
worden toevertrouwd, zonder dat men vrees behoeft te voeden, dat
eenige vlek of smet die zal bezoedelen.

De Kruier is matig: een dronken Kruier is iets onbekends. Moet hij
niet eenmaal 's jaars helpen verhuizen? Eenmaal 's maands den mangel
bestieren? Eenmaal 's weeks mejuffrouws hondje dragen, als zij van
haar salet komt? Viermaal 's daags de kinderen naar en uit de school
geleiden? En wie zoude zijn meubelen, zijn mangel, zijn hondje, zijn
kinderen toevertrouwen aan iemand, die beticht kon worden, van zich
slechts eenmaal aan sterken drank te buiten te zijn gegaan?--Neen de
Kruier is als de vrouw van Cesar: op hem moet zelfs geen vermoeden
rusten.

Maar bij en boven dat alles, de Kruier is eerlijk. Waar treft men
elders, ik zeg niet, in geheel Europa, maar in de geheele wereld, de
stad aan, waar iemand, wie hij zij, burger of vreemdeling, aan een hem
onbekenden man, dien hij te voren nooit gezien, van wien hij te voren
nooit gehoord heeft, maar dien hij, op den hoek van de straat, uit zijn
pothuis roept, een som gelds ter bezorging, een wissel ter ontvangst,
een bankbriefje ter verwisseling kan toevertrouwen, zonder dat hij
eenige vrees behoeft te koesteren voor schade of bedrog? En ziedaar,
wat te Amsterdam dagelijks plaats heeft, zonder dat de ondervinding
van achtereenvolgende eeuwen door een enkel voorbeeld heeft kunnen
aanwijzen, dat er misbruik is gemaakt van het goede vertrouwen,
in den Kruier gesteld.--Ook ten dezen opzichte heeft hij den roem
volkomen gehandhaafd, door zijne natie verdiend.

Eere den Hollandschen geest!

Eere den Kruier!



DE KWEEKELING VOOR DE ZEEVAART.


Al had ook, na de roemrijke dagen van Willem den III, ons vaderland
zich niet weten te handhaven in den rang, welken het onder de
natiën van Europa bekleedde: al had het, bij zwakheid van bestuur,
bij overvloed en weelde, de kracht, die naar buiten werkt, verloren:
al voerden zijn legers in het veld, zijn gezanten aan de hoven, zijn
vloten op den Oceaan niet meer dien toon van overwicht en gezag,
waar vroeger koningen naar luisterden: toch toonde nog somtijds het
door overdaad verslapte, door gebrek aan oefening versletene lichaam
enkele oogenblikken, waarin de oude veerkracht scheen te herleven:
flikkeringen, welke aan den glans van een schitterend verleden deden
herdenken: phosphorische schokken, die nog voor een tijd lang de
ontbinding tegengingen, schoon zij die niet wisten te voorkomen.

Niet een echter van die verschijningen, welke getuigden, dat het
levensbeginsel nog niet was uitgedoofd, deed, toen zij plaats vond, een
treffender uitwerking dan de zeeslag bij de Doggersbank: een wapenfeit,
door beide partijen met den, aan elk betwistbaren, naam van overwinning
bestempeld, en dat, ofschoon het, als zoodanig, niet slechts geen
beslissend voordeel, maar een materieel verlies met zich bracht, echter
niet geheel zonder uitkomsten bleef. In de eerste plaats deed het zien,
dat de naneven der Trompen en De Ruiters nog niet van hun voorgangers
waren ontaard; en, dat, zoo onze zeemacht niet meer zoo geducht was
als voorheen, de schuld daarvan althans niet bij het zeevolk moest
gezocht worden. In de tweede plaats streelde het de eigenliefde der
bevolking, welke in dit luisterrijk voorval den dageraad van een nieuw
tijdperk, en niet het avondrood zag van een tijdperk dat eindigde:
het wekte den nationalen trots uit zijn sluimering op, opende een
blij verschiet voor velen, en deed aan de ouderen van dagen met
meer gelatenheid het hoofd ter ruste leggen. Ten derde schonk het
gelegenheid tot het aanrechten van prachtige maaltijden en blijde
volksfeesten: tot het uitdeelen van eeredegens en medailles: tot
het vervaardigen van fraaie vuurwerken en slechte verzen. Eindelijk,
en dit was van al die resultaten het beste en duurzaamste: het gaf
aanleiding tot het stichten van de Kweekschool voor de Zeevaart.

In 1785 te Amsterdam opgericht uit het voordeelig saldo der tot
aanmoediging van 's Lands zeedienst bijeengebrachte gelden, weldra
beroemd en bloeiend en aan haar doel voortreffelijk beantwoordend,
zag, tijdens de Fransche overheersching, en nauwelijks drie maanden
na de viering van haar vijf-en-twintig-jarig bestaan, de Kweekschool
haar vernietiging te gemoet: ja slechts de vaderlandsche trouw en
het verstandig dralen van hen, die door hun betrekkingen in deze
gebeurtenis gemoeid werden, hadden de wegvoering van haar fondsen
naar Frankrijk verhinderd, toen de omwenteling van 1813 haar in het
aanzijn behield. Gewis, het was een schoone dag, en die na acht en
twintig jaren nog levendig als de dag van gisteren voor mijn geheugen
staat, die dag van 28 Februari 1814, waarop dat feest van herstel werd
gevierd; die dag, waarop de man, aan wien de Kweekschool bijna alles
verschuldigd was, de groote, de beroemde, de beminnelijke Van Swinden
voor een luisterrijke schaar het woord voerde: waarop de Nederlandsche
vlag het scheepje op het binnenplein weder versierde: waarop één
gevoel van herademing en vreugd en dankbaarheid allen vereenigde.

Aan het uiteinde van den Buitenkant, met het uitzicht op de
Landswerf en het Oosterdok, verheft zich de gevel van het gebouw,
waarin voortdurend ruim honderdvijftig knapen tot de zeevaart worden
opgeleid. Maar niet allen zijn tevens in het gesticht aanwezig: een
derde heeft reeds de theorie met de praktijk verwisselt en oefent
zich op de verre baren in die stuurmanskunst, welke hun eens een
bestaanmiddel moet opleveren. Doch, hoe verwijderd ook, zij zijn
de zorg, de aandacht van het Bestuur der inrichting niet ontgaan;
want zij zijn slechts afgereisd om terug te keeren, om zich weder
onder de schooltucht te begeven, om verdere opleiding te erlangen:
en het is slechts na de tweede reis volbracht, of een achttienjarigen
ouderdom bereikt te hebben, dat de onmiddellijke zorg, maar niet de
voortdurende belangstelling van dat Bestuur hun ontgaat.

De Kweekeling, wel gekleed, wel gevoed, in gezonde en nuttige
lichaamsbewegingen geoefend, in al wat hem dienstig kan zijn
onderwezen, niet geplaagd met onnoodig onderwijs, geniet een gelukkig
lot: één voorrecht vooral heeft hij boven zijn tijdgenooten, en dit
stelt hij zeer op prijs. Hun vooruitzicht, immers van de zoodanigen
als een wetenschappelijke opleiding genieten, is onbestemd en
onzeker: zij weten niet, of jaren van arbeid en geduld hen ooit
aan den kost zullen helpen: of zij zich niet, na lang zwoegens,
met een sobere hulppredikersplaats, een onderwijzerspostje aan een
instituut, een praktijk, die geen brood geeft, of een mager ambtje,
waarbij al het geleerde niets baat, zullen moeten vergenoegen. Niet
zóó de Kweekeling: hij weet, dat, als hij zijn driejarigen cursus
behoorlijk heeft doorloopen, hij dadelijk met nut voor zich zelven
en voor anderen, zal kunnen werkzaam zijn. Wel paait de toekomst hem
met geene hersenschimmen, welke de wezenlijkheid zoo treurig teleur
stelt: wel acht hij (daar, sedert de instelling van het Instituut te
Medemblik, de Kweekschool uitsluitend tot de koopvaardij opleidt) zich
niet langer geroepen om een De Ruiter te worden: maar een stuurmans-,
een schippersplaats, 't zij aan boord van een Koopvaarder, 't zij in
dienst der Koloniale Marine, 't zij in die der Indische reederijen, een
eerlijk bestaan in één woord, dat mag hij toch zonder te hooggespannen
verbeelding als een bereikbaar doel beschouwen. Vrijwillig (want dit is
een voorwaarde zijner plaatsing), de Zeevaart tot zijn bedrijf gekozen
hebbende, is hij reeds zeeman op de school: hij draagt het zeemanspak,
eet als zeeman aan den bak, slaapt als zeeman in de hangmat, klimt als
zeeman in het want, leert als zeeman zeilen aanslaan en reven, het
schip op- en onttakelen, het touwwerk kennen, behandelen, splitsen,
knoopen, in één woord, hij mist van het zeeleven alleen de zee zelve
en haar gevaren. En is hij eenmaal aan boord, dan zal hij die gevaren
niet als onbekende schrikbeelden, maar als de noodwendige volmaking
zijner opvoeding beschouwen.



DE SLECHTE MAALTIJD.

Een ware gebeurtenis.


Niemand is er, of hij kent de fabel van den Vos en den Ooievaar en de
grappige wijze, waarop de langgebekte vogel den listigen Reijnaert het
slechte onthaal betaald zette, dat hij bij dezen genoten had. Nimmer
misschien werd deze fabel op een meer krachtige wijze verwezenlijkt,
dan bij gelegenheid van het voorval, mij onlangs door een geachten
vriend verhaald. Zijne waarheidsliefde staat mij borg voor de echtheid
van het verhaalde 't welk ik, tot in de kleinste bijzonderheden
uit zijnen mond heb opgeschreven en merkwaardig genoeg acht om mede
te deelen.

Het was, zeide mijn vriend, in den nazomer van 1815, dat ik mij te
Aken bevond, om aldaar, door het gebruik der baden, van een zware
rheumatische ongesteldheid, welke mij het gebruik mijner beenen schier
geheel ontnomen had, te herstellen. De beroemde Keizersstad was te
dien tijde opgepropt van Pruisische, Russische en andere officieren der
Gealliëerden, die er deels in garnizoen lagen, deels de vermoeienissen
van den grooten krijgstocht tegen Napoleon in blijde ledigheid kwamen
vergeten. Gelijk doorgaans geschiedt hokten de krijgslieden van
denzelfden landaard en van hetzelfde korps bij elkander, en vandaar
was elk hotel tot een soort van hoofdkwartier herschapen, waarin men de
zeeghafte vertegenwoordigers van dezelfde natie dagelijks bij elkander
aan de table d' hôte ontmoeten kon. Zoo verzamelden zich tegen het
middaguur de Pruisische officieren bij uitsluiting in het hotel van
Mad. D., waar ik mijn intrek genomen had, en dag aan dag, wanneer de
etensbel luidde, hoorde ik hunne sabels tegen de trappen kletteren
en zag ik hen een voor een, slank van leest, maar stijf als harken,
met hunne prachtige uniformen, en hoog opgekrulde snorrebaarden, de
groote zaal binnentreden en zich aan den langen disch scharen, waar
zij als meesters regeerden. Ik zeg: als meesters; maar ik had moeten
zeggen als dwingelanden; immers, onverdraaglijk was het despotismus,
't welk zij aan de vroeger zoo gezellige en zooveel verscheidenheid
aanbiedende tafel van Mad. D. uitoefenden. 't Zij dat de roem, in de
vlakte van Waterloo en in zoo menig anderen veldslag behaald en de
daarop gevolgde zegevierende tocht naar Parijs hun krijgsmanstrots
ten top had gevoerd, 't zij, dat hunne militaire opvoeding en het
gemis van vroegtijdig gemeenzamen omgang met menschen van andere
natiën en standen (een onvermijdelijk gevolg van lange jaren van
oorlog), min gunstig op hen gewerkt had, zij waren zoo geheel met
hun krijgsmansstand en verworven glorie ingenomen, dat zij niemand
dan die als zij, den militairen rok droeg, aan den disch, welken
zij met hunne tegenwoordigheid vereerden, wilden dulden. 't Is waar,
zij gingen niet zooverre, dat zij hem, die in burgerkleeding aan de
publieke tafel verscheen, met geweld verdreven, maar de wijze van
uitsluiting was wellicht nog hatelijker. De arme dischgenoot, die
het voorrecht niet bezat van een uniform te dragen, mocht zich vrij
aan de etenstafel plaatsen, hij kon verzekerd zijn, even hongerig
en dorstig weder op te staan, als hij bij zijne komst was geweest:
de bedienden toch hadden in last, op straffe der hooge ongenade van
de heeren Pruisen, hem niet éénen schotel aan te bieden, hem, zoo hij
zelf iets op zijn bord nam, dat bord terstond te ontnemen, en op zijn
vragen naar een flesch wijn geen acht te slaan. Toonde deze of gene
min geduldige gast zich over deze behandeling ontevreden, of begon hij
te reclameeren, niemand stoorde zich er aan: en beklaagde hij zich op
eenigszins luidruchtige wijze, terstond waren er tien, twaalf zijner
krijgshaftige buren gereed, twist met hem te zoeken, en hem door
hunne gebaren te toonen, dat hij slechts de keuze had tusschen een
spoedigen aftocht of een tweegevecht met het halve korps. Het spreekt
van zelf, dat weldra niemand, die niet tot de geprivilegieerde kaste
behoorde, zich meer aan de tafel van Mad. D. vertoonde, en dat de
tegenwoordigheid van dames althans geheel buiten kwestie was. Zelfs
zoodanige vreemdelingen en badgasten als in het hotel logeerden,
wilden zich of de hunnen aan geene beleedigingen wagen, en gingen
buiten af hun middagmaal zoeken. Vergeefs waren de vertoogen van
Mad. D. bij de Pruisische officieren, wier systema van uitsluiting
haar niet slechts van de voormalige habitué's, maar van lieverlede van
alle vreemde gasten beroofd en daardoor een aanzienlijke winstderving
veroorzaakt had. De heeren bleven hardnekkig hun beginsel volhouden.

Ik was de eenige, wien hun banvloek niet getroffen had. De
omstandigheden, dat ik reeds voor hun komst de tafel bezocht, en hen
daar als 't ware ontvangen had, maar vooral mijn hulpelooze toestand,
had hun ten mijnen behoeve eene gunstige uitzondering doen maken. Ook
was ik in den aanvang, en eer nog de maatregel zoo scherp werkte,
met enkelen hunner in kennis geraakt en men beschouwde mij, om zoo te
zeggen, als boven de wet. Intusschen, deze zelfde gunst mij betoond,
moest een menschenleven kosten.

Onder andere verdienstelijke vreemdelingen, die zich op dat tijdstip
te Aken bevonden, had ik kennis gemaakt met zekeren Klein, Adjudant
van den Generaal Wittgenstein, en Officier bij de Keizerlijk-Russische
Garde. Ofschoon in den regel niet dan leden van adellijke familiën
bij dat wapen werden aangenomen, en Klein eenvoudig de zoon was van
een koopman uit Riga, was er ten zijnen opzichte voor 't eerst, zoo ik
meen, eene vereerende uitzondering gemaakt, en zoude hij zich met recht
hebben mogen verhoovaardigen op eene onderscheiding, welke hij niet aan
geboorte of voorspraak, maar aan zijne zeldzame verdiensten te danken
had. Intusschen, de voorspoed had hem niet ijdel of trotsch gemaakt:
ja zelfs, terwijl de meeste andere officieren er prijs op stelden, om
in hunne uniformen te pronken, droeg hij het krijgsmansgewaad niet dan
wanneer de dienst zulks voorschreef, en vertoonde hij zich liefst in
een eenvoudigen, maar keurig netten zwarten rok, met pantalon, zijden
vest en kousen van dezelfde kleur; en, daar zijne tengere gestalte,
een zacht blauw oog, en een blankheid, welke eene jonge juffer zoude
benijd hebben, hem alles behalve een krijgshaftig uitzicht gaven,
zoude men hem allicht voor een jongen geestelijke hebben kunnen
aanzien, had niet zijn uitgeplooide jabot, zijn lange witte das,
met een schitterende juweelen speld op het hemdslinnen vastgemaakt,
en de keurig gewerkte gouden kuit- en schoengespen hem eerder het
voorkomen van een gezantschaps-secretaris of auditeur gegeven. Aan
hoogst beschaafden toon en manieren paarde Klein een grondige kennis,
welke zich niet slechts tot het vak, waarin de omstandigheden hem
gebracht hadden, bepaalde, maar wezenlijk algemeen mocht genoemd
worden. Zijne conversatie was altijd aangenaam en meestal leerzaam
tevens, want hoe jong hij nog wezen mocht (hij telde toen even vijf en
twintig jaren), hij had veel gezien en bijgewoond, en het tijdperk,
dat hij beleefd had, was meer dan eenig ander vruchtbaar in rijke
en groote gebeurtenissen, en wel geschikt om aan menigen jongeling
grootere ondervinding mede te deelen, dan in gewone dagen zelfs
grijsaards kunnen verwerven. Maar in alle tijden zoude Klein, met zijn
vlug verstand, veel omvattende kunde en beminnelijke hoedanigheden,
zich de achting en vriendschap verworven hebben van al, wie zijn
omgang mocht genieten. Wat mij betrof, die toen nog eenige jaren
jonger was dan hij, ik stelde er hoog belang in, zijne kennis aan te
kweeken, en was niet weinig trotsch op de welwillendheid, welke hij
mij bewees. Meermalen toch, wanneer ik, na het gebruiken van het bad,
op mijne gewone plaats in 't zonnetje gezeten was en de meer gelukkigen
dan ik, als bonte vlinders voor mij heen en weer zag wandelen, gebeurde
het, dat hij zich van de uitgelezenste en aanzienlijkste gezelschappen
afscheidde, om zich naast mij neder te vlijen, en een uurtje met mij,
armen verlamde, te keuvelen.

Eens had ons onderhoud zich zoo lang uitgestrekt, dat alleen de
verschijning der draagstoel, welke mij naar mijn logement terug moest
brengen, ons herinnerde, dat het tijd was te scheiden.--"Kom!" zeide
hij met een minzamen lach, "ik heb u heden wat laat opgehouden, en
ons onderwerp is nog lang niet uitgepraat. Wat dunkt u, indien wij
het morgen aan tafel voortzetten?"

"Ik verlang niets liever," was mijn antwoord: "maar daar ik te weinig
mobiel ben om mij naar uw kwartier te verplaatsen, zult gij mij het
genoegen dienen te doen, van mijn gast te wezen."

"Met genoegen," zeide hij; "waar eet gij?"

"Aan mijn hotel, bij Mad. D., klokke één uur."

"Ik zal er zijn," hernam hij, mij de hand tot afscheid gevende;
"sans adieu, tot morgen."

"Maar ééne zaak moet ik u verzoeken," zeide ik, mij de gewoonte mijner
dischgenooten herinnerende; "vergeet niet, in monteering te komen."

"In monteering? en waarom dat?" vroeg Klein, met dezelfde woorden,
welke Almaviva tegen Figaro bezigt.

"Omdat mijn Pruisische tafelvrienden ongaarne iemand toelaten, die
als Pekin gekleed is, en gij u wellicht onaangenaamheden op den hals
zoudt halen."

"Bah!" riep Klein, met een gullen glimlach, doch waarin iets
ongeloovigs gemengd was; "gij weet," vervolgde hij, na een oogenblik
zwijgens, "dat ik niet van dien onnoodigen opschik houd."

"'t Is waar," hernam ik: "maar zonder u eenige les te willen geven,
't geen mij zeer slecht passen zou, wat hebt gij er aan, om.... om...."

"Om ruzie te zoeken, meent gij," viel Klein in, ziende dat ik eene
uitdrukking poogde te vinden, welke hem niet kwetsen mocht, "wees
gerust, ik heb nog nooit ruzie gezocht, maar evenmin zie ik reden
om van mijn vrijheid afstand te doen en van toilet te veranderen
ter voldoening aan de grillige luim uwer dischgenooten. Nogmaals,
tot morgen."

Na dit afscheid kon er wel geen twijfel meer bij mij bestaan, dat
Klein besloten had, zich aan de gedane waarschuwing niet te storen, het
interdict, door de Pruisen tegen alle burgerkleeding uitgesproken, te
trotseeren, en er de gevolgen van af te wachten. Evenmin twijfelde ik
aan den moed van mijn Rigaschen vriend: ik was overtuigd dat hij zich
niet straffeloos zoude laten beleedigen, en niet zonder bezorgdheid
zag ik den uitslag van een hoogstwaarschijnlijk tweegevecht te gemoet;
want hoe wakker, vlug en behendig Klein ook wezen mocht, hij scheen
mij toch bij lang niet opgewassen tegen de ijzervreters, die zich
aan de table d' hôte vereenigden.

Den volgenden dag verbeidde ik dan ook zijne komst met die
koortsachtige nieuwsgierigheid, welke zich van ons meester maakt
zoo dikwerf een belangrijke doch hachelijke gebeurtenis op handen
is. Somtijds wenschte ik wel, dat ik de uitnoodiging niet gedaan had,
of dat het een of ander toeval mijn vriend verhinderen mocht daarvan
gebruik te maken; maar spoedig maakte die opwelling weder plaats voor
het verlangen, om te weten op welke wijze hij zich zoude gedragen in
de moeilijke positie, welke hem te wachten stond.

Het etensuur naderde. Reeds had ik een geruimen tijd op mijne, door
ancienniteit verworven, plaats aan het boveneinde der tafel gezeten:
reeds begon zich de eene snorbaard na den anderen in de eetzaal te
vertoonen, de pijpen werden al weggezet en de vluchtig in de hand
genomen dagbladen op zijde geworpen: de eene stoel voor, de andere
na, werd door zijn gewonen bezitter ingenomen; alleen die naast mij
leunde nog voorover tegen de tafel, ten teeken dat zij besproken
was, en ik begon reeds mij zelven af te vragen, of Klein ook bij
nadere overdenking, beter geacht had niet te komen. Daar ging de
etensbel! Ieder zette zich; de kelners rukten aan met de kokende
soep--en ziet: onmiddellijk achter hen, trad mijn vriend de zaal
in, zoo net alsof hij uit een doosje kwam, doch, gelijk ik trouwens
verwachtte, in een kleeding, waaronder Lavater zelf geen krijgsman
herkend zou hebben.

Daar, gelijk ik reeds zeide, mijne plaats aan het hooger einde der vrij
lange tafel was, moest Klein die geheel langs loopen om naast mij te
komen, en kon zijn verschijning des te minder onopgemerkt blijven. Ik
merkte dan ook dadelijk op, hoe menige wenkbrauw zich fronste, hoe
menige zijdelingsche wenk door de officieren onderling gewisseld en
menige glimlach over de aanstaande pret, welke men zich voorstelde,
ter nauwernood werd onderdrukt. Klein was intusschen den afstand,
die de deur van mijn plaats scheidde, met een bedaarden tred ten
einde geloopen, de aanwezigen nu en dan met een bescheiden en minzame
hoofdbuiging groetende. Alleen trof het mij, dat de uitdrukking der
helderblauwe oogen, welke hij in 't voorbijgaan op hen richtte,
hoe beleefd ook, toch iets onderzoekends had, als wilde hij zich
vergewissen met welk slag van menschen hij zou aanzitten.

Recht tegenover mij was zekere ritmeester Voss gezeten, een krachtig
gespierde forsche krijgsman, met een gelaat of het uit brons gegoten
was, en knevels van eene buitengewone lengte en breedte: een man,
die altijd en bij alle gelegenheden het hoogste woord voerde, die
meer dan een zijner kameraden het stelsel van uitsluiting tegen alle
Pekins had doorgedreven, wien de uniform aan 't lijf gegroeid scheen,
zoodat het mij niet verwonderd zou hebben, indien mij verhaald ware
geweest, dat hij er in sliep;--in 't kort, een sprekend tegenbeeld
van mijn vriend Klein. Aan de table d'hôte oefende hij de volkomenste
heerschappij uit; want geen zijner medeofficieren was er op gesteld
met hem in twist te raken: de bedienden sidderden voor hem en vlogen
op zijn wenken; het was dan ook die man, van wien ik verwachtte,
dat het sein zoude gegeven worden om mijn armen vriend de stoutheid
in te peperen, waaraan hij zich had schuldig gemaakt.

Ik bedroog mij niet. Nauwelijks had Klein mij de hand gedrukt en
plaats genomen, of de ritmeester Voss zag den Oberkelner aan en wierp
toen, schoon bijna onmerkbaar, een zijdelingschen blik op den nieuw
aangekomen gast. Die wenk, hoe snel ook gegeven, was echter bemerkt
en begrepen geworden, zoowel door hem, tot wien hij gericht was,
als door hem, die er het slachtoffer van wezen moest. De soep werd
gediend: ik bekwam het eerste bord: mijn buurman werd overgeslagen:
ik bood hem mijne portie aan; doch nauwelijks had hij er zijn lepel
in gedoopt, of, op een nieuwen wenk van Voss, nam hem een knecht het
volle bord voor den neus weg. Gelijk met de soep, zoo ging het met
het vleesch, met de groenten, met de pudding, in 't kort, met alles;
en slechts bij toeval, of wanneer deze of gene kelner wat onhandig was
in 't snel verruilen der borden, kon het Klein gelukken een mondvol
van het een of ander behouden binnen te brengen. Gewis had Sancho op
het eiland Barataria geen zoo slechten maaltijd gedaan als nu mijn
vriend, die niet eens, als Sancho, den troost had, dat de genomen
maatregel uit zorg voor zijn gezondheid plaats had.

In weerwil dier teleurstelling, of wel misschien, omdat hij voorzien
had, wat er gebeuren zoude, en het slechte maal, dat hij genoot,
dus niet als teleurstelling beschouwde, bleef Klein bedaard en
zelfs even opgeruimd als altijd, onderhield zich met mij over
de nieuwtjes van den dag, en gedroeg zich, zoolang de maaltijd
duurde, als bemerkte hij niets van de tegen hem in 't werk gestelde
uithongeringsmaatregelen. Met nieuwsgierigheid sloegen zijn overburen
hem gade; maar de schijnbare onverschilligheid, welke hij voorwendde,
strekte slechts om hen des te feller te maken in den oorlog, welken
zij aan zijn maag hadden verklaard. Ik had een flesch Rudesheimer
besteld; maar na lang toeven kwam de kelner, aan wien zeker de
ritmeester Voss zijn les had voorgezegd, mij in 't oor fluisteren,
dat de dokter mij den wijn verboden had ('t geen ook waar was),
"en aan dien heer ook," voegde hij wat luider, met een half lachend,
half benauwd gezicht er bij.--"Welnu! dan zullen wij water drinken,"
zeide Klein met den goedhartigsten glimlach van de wereld: en zette
terstond het gesprek weder voort over onverschillige dingen.

Zoo duurde het tot het nagerecht op tafel was, en Klein als door
tooverij de onder zijn bereik staande schaaltjes in een oogenblik
door de vaardigheid zijner buren van peren, pruimen, abrikozen en wat
er verder geschaft was, ontledigd zag. Toen eerst stond hij op, nam
mij bij de hand en beet mij zachtjes toe: "ik heb van middag slecht
gegeten, maar die man daarover (hier wees hij op den ritmeester Voss),
zal morgen nog een slechteren maaltijd hebben, en op zijn nagerecht
zal hij zich althans niet beroemen. Wees zoo goed en bewaar mij
morgen deze zelfde plaats."--Dit gezegd hebbende, vertrok hij, in
't heengaan even kalm en vreedzaam rondziende en even bescheiden
groetende, als hij bij 't komen gedaan had.

"Ik denk niet, dat wij spoedig de eer zullen hebben uw vriend weder
hier te zien!" riep, zoodra Klein verdwenen was, de Pruisische
ritmeester mij over tafel toe, terwijl hij zijn grooten Meerschaum
stopte.

"Integendeel, Ritmeester!" antwoordde ik; "ik wacht hem morgen
weer terug."

"Verd....! dan heeft de man courage en is met weinig tevreden,"
hernam Voss. "Wat mag de vent zijn? zeker een Commis-voyageur of een
gouverneur bij eene adellijke familie?"

"Ik heb u gezegd, dat hij morgen terugkomt, Ritmeester," zeide ik
droogjes weg, "dan kunt gij het hem zelf vragen.--Tot de eer van u
weder te zien."

En meteen liet ik mij uit de zaal en naar mijn kamer rollen, met nog
meerder ongeduld dan te voren den volgenden dag afwachtende.

Wederom was de disch gespreid: wederom waren de gasten om de tafel
vergaderd: wederom luidde de etensbel en wederom trad Klein de zaal
binnen; maar quantum mutatus ab illo! Niet meer in de eenvoudige
burgerkleeding van den vorigen dag verscheen hij thans, maar in de
prachtige, met goud gestikte en geborduurde rusting van zijn rang, de
hooggewelfde borst met ordeteekenen overladen, den zwaren pallas aan
de zijde en den gordel met rijk gemonteerde pistolen voorzien. Achter
hem volgden twee reusachtige, zwaargebaarde kozakken; met dezen
onderhield hij zich een oogenblik, terwijl hij hen met den vinger
op den ritmeester Voss wees, en stapte toen, de tafel langs, naar
zijne zitplaats.

"Wel!" zeide ik, "gij hebt het vandaag beter overlegd om goed bediend
te worden."

"Stil!" zeide hij, een blik op onzen overbuurman werpende, "en let
op het diner van den Ritmeester. Kelner! een bord soep en een flesch
bourgonje."

Deze reis toonden zich de knechts even gedienstig als zij den vorigen
dag onbeleefd waren geweest en zochten, door beleefde voorkomendheid
jegens den Adjudant van generaal Wittgenstein, weder goed te maken
wat zij tegen den onbekenden burgerman verkorven hadden. Maar minder
lette ik hier op, dan op het kluchtige schouwspel, dat zich aan de
overzijde vertoonde. Rechts en links achter den ritmeester Voss had
zich een der kozakken geplaatst om den last uit te voeren, hun door
Klein gegeven: een last, die in deze korte waarschuwing was vervat
geweest: "Indien de ritmeester Voss een enkele bete of een enkele teug
van wat het ook zij in den mond neemt, schiet ik u dood."--Men kent
de onbepaalde gehoorzaamheid, welke de Russen aan hunne superieuren
bewijzen en bovendien, de kozakken zagen hun officier vlak tegenover
zich, met twee geladen pistolen in den gordel, waarvan hij zich--ook
dit wisten zij--bij de minste onachtzaamheid hunnerzijds, zonder
complimenten bedienen zoude, om zijne bedreigingen ten uitvoer
te brengen. Was het wonder, dat zij een streng toezicht hielden,
en dat noch van de rechter-, noch van de linkerzijde een schotel
onder het bereik des Ritmeesters kwam? Vergeefs zat deze zich te
verbijten van woede: vergeefs riep hij de kelners een voor een bij
name toe, om hem eten te bezorgen: de meesten hunner hadden te veel
ontzag voor de norsche satellieten, die achter zijn zetel stonden,
om zich in hunne nabijheid te wagen; en was er soms een, die, uit
ouden eerbied voor den Ritmeester, aan de oproeping gehoorzaamde en
hem een bord met spijs voorzette, dan was het altijd weggehaald eer
hij, voor wien het bestemd was, had kunnen zien wat het bevatte.

Opmerkenswaardig voor 't overige was de diepe stilte, welke
aan de geheele tafel, bij de anders zoo luidruchtige gasten
heerschte. Voorzeker had het hun geen moeite gekost zich te vereenigen
en gezamenlijk de kozakken ter deure uit te werpen; maar het was, of
de plotselijke verschijning van Klein allen, ik zeg niet met schrik
geslagen, want het waren moedige kerels, maar in beelden veranderd had:
zoo onbeweeglijk zaten zij hem en den Ritmeester aan te gapen. Gewis
gevoelden zij het billijke der zonderlinge weerwraak, door den
Rus genomen, en daar zij bijna zeker konden nagaan wat daarvan het
gevolg zoude zijn, begrepen zij waarschijnlijk, dat het hun niet paste
tusschenbeide te komen, maar dat zij het aan Voss moesten overlaten,
zich de noodige voldoening te verschaffen.

Wat Klein betrof, deze haalde zijn schade in van den vorigen dag, at en
dronk voor vier en onderhield zich met mij over onverschillige zaken,
op even vroolijken en ongedwongen toon als anders, terwijl hij zich
vergenoegde, nu en dan een blik op de kozakken te slaan, om zich te
overtuigen, dat zij aan den hun opgedragen last voldeden. Eindelijk,
toen het middagmaal was afgeloopen en het nagerecht stond te worden
opgebracht, begreep hij dat het tijd werd om het koddige blijspel,
tot nu toe gespeeld, te doen ophouden, en het treurspel te doen
aanvangen. Hij rees overeind, en, Voss vlak in 't aangezicht ziende:
"heeft u de maaltijd wel gesmaakt?" vroeg hij hem overluid.

"Schwernaut!" was alles wat de woedende Ritmeester kon uitbrengen,
terwijl hij oprees, met de gebalde vuist op de tafel sloeg, en zijn
gebronsd gelaat de kleur van rood koper aannam.

"Ik ben thans bereid u het dessert toe te dienen," hernam Klein,
zich buigende en tevens een teeken aan de kozakken gevende, dat zij
zich konden verwijderen.

De Ritmeester antwoordde geen syllabe, maar greep naar zijn hoed en
gaf een wenk, die zooveel wilde te kennen geven, als dat hij gereed
was; waarna hij een der in zijne buurt zittende officieren op den
schouder tikte. Deze begreep de zwijgende uitnoodiging, rees op en
maakte zich gereed om mede te gaan.

"Mijn getuige wacht ons reeds buiten," zeide Klein: "derangeert u
niet, mijne Heeren!" vervolgde hij tot de overige officieren, waarvan
sommigen insgelijks onwillekeurig waren opgestaan. "Vaarwel! B.!" mij
met een hoofdknik groetende, "ik ben terstond weder hier."

Met deze woorden vertrok hij, terwijl Voss en diens getuige hem
onmiddellijk volgden. Ieder hernam zijn plaats en wachtte, terwijl
men het nagerecht opbracht, met gespannen verwachting wat de uitslag
wezen zoude van den kamp, die buiten plaats had.

Geen tien minuten waren er verloopen, of Klein keerde, maar thans
geheel alleen, terug. Aller oogen waren op hem gevestigd; maar
zijn kalme en effene gelaatstrekken waren even ondoordringbaar
als altijd. Intusschen, zijne terugkomst zelve zeide, na hetgeen
voorgevallen was, reeds genoeg.

Hij nam weder aan mijne zijde plaats, schonk zich in, at van de
fruit, die hem werd aangeboden, en hervatte ons gesprek waar hij het
had afgebroken, als ware er nooit een ritmeester Voss in de wereld
geweest. Eerst des avonds, na zijn vertrek, vernam ik, 't geen ik
trouwens wel vermoedde, dat de Pruis, en wel op het eerste schot,
levenloos gevallen was. Toen zijne makkers zich over het gebeurde
bij den Veldoverste beklaagden, haalde deze de schouders op, zeide,
dat Voss zijn verdiende loon ontvangen had en dat hij hoopte, dat
het voorval ook hun tot les zoude verstrekken.

Tweegevechten waren voor 't overige te dien tijde zoozeer aan de
orde van den dag, dat men spoedig de geheele gebeurtenis vergat,
of er althans niet meer van gewaagde.

Nog eenmaal, en wel op den volgenden dag, verscheen Klein aan de table
d'hôte van Mad. D.; doch deze reize wederom in burgerkleeding. Niemand
kreeg in 't hoofd hem in zijn maaltijd te storen.



MARIA VAN BOURGONDIË.


Scheen er ooit een Vorstin door haar geboorte bestemd om een
schitterende rol op het wereldtooneel te vervullen, dan was het gewis
de dochter van Karel den Stoute. Andere rijken in Europa mochten
het in uitgebreidheid van het zijne winnen: niet één was er, hetwelk
zulk een keur van vruchtbare en door natuur of ligging bevoorrechte
Vorstendommen, zulk een aantal groote, bevolkte en machtige steden,
zulk eene menigte welgelegene havens, zooveel bronnen van welvaart,
zooveel handel, nijverheid en landbouw vereenigde, als het gebied, dat
hij door erfrecht verkregen, of door de wapenen aan zich onderworpen
had. Tot dat gebied toch behoorden, behalve Bourgondië, Fransch Comté
en de overige erflanden van het Bourgondische Huis, al de bezittingen,
die vroeger, 't zij aan de Hertogen van Brabant, van Gelre en van
Gulik, 't zij aan de Bisschoppen van Luik en van Utrecht, 't zij aan
de Graven van Vlaanderen, van Henegouwen, van Holland, 't zij aan de
Heeren van Friesland, van Mechelen en van zoovele andere landschappen
of steden waren onderworpen geweest. En toch, toen de held, die geheel
Europa met den roem van zijn naam vervulde, toen de fiere en machtige
Vorst, die reeds van een Koningskroon droomde, in den strijd voor
Nancy gevallen was en zijn heerschappij aan zijn een en twintigjarige
dochter overliet, kon men zeggen dat haar eenig erfdeel bestond in
de bloote titels, die zij voerde. Immers Bourgondië en Fransch Comté
waren reeds vermeesterd door de wapenen, maar vooral door het goud van
den onverzoenlijken tegenstander haars vaders, den sluwen Lodewijk XI,
die haar dringen wilde, zich te verloven aan den zevenjarigen Dauphin,
terwijl, van de andere zijde, de Keizer van Duitschland, Frederik III,
reeds zijne legers samentrok om haar te noodzaken, aan haars vaders
woord gestand te doen en zijn zoon Maximiliaan te huwen. En had zij
nog maar alleen de geheime lagen of het geweld van buitenlandsche
vijanden te vreezen gehad; maar gevaarlijker nog dan dezen voor haar
gezag, waren haar eigen onderzaten. De dood van den gevreesden Karel
was het sein tot hernieuwing dier tooneelen van oproer en tegenstand,
welke zijn krachtige arm zoo vaak beteugeld had. Terwijl Holland,
den hulpeloozen toestand der arme Jonkvrouw misbruikende, haar dat
beruchte Groot-Privilege afperste bij 't welk haar, 's Lands wettige
Gravin, de vrijheid ontnomen werd van buiten toestemming van 's Lands
Staten te trouwen, van schattingen te eischen, van munt te slaan,
van tollen te heffen, van recht uit te oefenen, van dagvaarten
te beschrijven, in 't kort, van eenige daad van souvereiniteit te
verrichten, haasteden zich de altijd woelige Gentenaren de door Karel
aangestelde overheidspersonen af te zetten, eenigen der aanzienlijkste
Edelen door beulshanden te laten ombrengen, aan Maria de teruggave
af te dwingen van hunne vroeger verbeurd verklaarde voorrechten en
vrijheden, in één woord, geheel den meester over haar te spelen.

Haar eenige hoop op uitkomst scheen gelegen in het aantal zelfs harer
onderdrukkers en in hunne verschillende inzichten en belangen, die
onvermijdelijk tot onderlingen twist moesten leiden. Weldra borst die
twist dan ook geweldig uit. Lodewijk XI namelijk had een gezantschap
naar Maria gezonden, zoo 't heette, om haar van zijn deelneming in haar
verlies te verzekeren, doch eigenlijk om het vuur des oproers levendig
te houden. En dan nog welk een gezantschap? Aan een dochter van Karel
van Bourgondië, aan een Vorstin uit den Huize van Frankrijk zond hij,
in stede van een zijner Staatsdienaren of Rijksgrooten, Olivier Le
Daim, zijn barbier!--Dan onder al haar wederwaardigheden verloochende
Maria haar rang en afkomst niet, weigerde Lodewijks boosaardigen
vertrouweling te zien, en liet hun weten, dat zij vooreerst noch
lating, noch Spaansche vlieg behoefde. Niet veel echter bekommerde
zich de baardschraper over deze afwijzing; de bedoelingen, waarmede
hij gekomen was, konden daarom evengoed bereikt worden; en, Maria's
Staten rondreizende, wist hij, zoo in Vlaanderen als in Henegouwen,
onderscheidene steden voor 's Konings belang te winnen.

De Gentenaren echter, die het hierin met hun Vorstin eens waren,
dat zij van geene Fransche overheersching gediend bliefden, zonden
van hunne zijde een Gezantschap aan Lodewijk, en verzochten hem,
zijn vordering van Maria's hand voor zijn zoon te laten varen en
vooral geen oorlog tegen haar te voeren; daar niet Maria, maar de
Staten des Lands de regeering op zich genomen hadden. Lodewijk toonde
hun aan, dat hun voorgeven logenachtig was, en dat de Hertogin aan
hare moeder Margaretha, aan de Heeren van Himbercourt en Hugonet en
aan Adolf van Kleef, volmacht gegeven had tot het bestuur. Hierdoor
werden de Gentenaren zeer verbitterd en beschouwden zich als bedrogen
door hun Hertogin. Himbercourt en Hugonet werden door het gepeupel
gegrepen, op de pijnbank gebracht en op het schavot onthoofd, ondanks
de tranen van Maria, die in persoon de oproerlingen om het leven van
haar staatsdienaars kwam bidden.

Intusschen zagen de Vlamingen een oorlog tegen Frankrijk op handen
en daarom ook naar een bekwaam krijgshoofd om, die hen ten strijd
zou voeren. Nu bevond zich in den kerker van Kortrijk die Adolf van
Egmond, die vroeger zijn vader Aernout met geweld van Gelres zetel
gestooten, in den kerker gesmeten en wiens Hertogdom Karel de Stoute
zich toegeëigend had. Op dezen woesteling sloegen de Gentenaren
't oog, haalden hem uit zijn gevangenis, stelden hem aan het hoofd
van hun leger, ja zeiden hem zelfs, ter belooning voor de diensten,
die zij van hem verwachtten, de hand toe hunner Hertogin.

Met drift greep Adolf de gelegenheid aan om de verloren macht te
herwinnen en, na jaren van diepe vernedering, met des te schitterender
luister weder voor den dag te treden. Immers, de Gelderschen, die,
nog steeds aan hem gehecht, in hem den ontaarden zoon voorbijzagen
om alleen den wettigen Vorst uit het oude stamhuis in hem te eeren,
hadden hem opnieuw tot hun Heer uitgeroepen, en, zoolang zijn
afwezigheid duren moest, het bestuur der zaken aan zijne zuster
Katharina opgedragen. Wat had niet Maria van den heerschzuchtigen
onverlaat te vreezen, als deze, gelijk men verwachten kon, in
Vlaanderen oppermachtig werd en dan eerlang naar hare hand zou
dingen. Gelukkig voor haar echter werden Adolfs heerschzuchtige
droomen niet verwezenlijkt: reeds bij zijn eerste krijgsverrichting,
een aanval op de stad Doornik, sneuvelde hij met de wapens in de hand
en onder het uiten van zijn oorlogskreet: "Gelre! Gelre!" Een dood,
meer roemrijk dan hij had mogen hopen of verdienen; doch die Maria's
hart, dat van zulk een echtgenoot gruwde, met blijdschap vervulde.

Nu zond Keizer Frederik een statig Gezantschap, uit Bisschoppen
en Rijksvorsten samengesteld, naar Gent, om de hand der Hertogin
plechtig af te vragen. Intusschen had zich een ander mededinger
daarvoor opgedaan, namelijk de zoon van Hertog Jan van Kleef. Deze
laatste, die zich binnen de stad ophield, stelde alle middelen in 't
werk om Maria te overreden, dat zij 's Keizers voorstel in beraad zou
houden. Maria echter had reeds haar besluit genomen, en, zoomin als
haar vader of grootvader, was zij van wat zij eenmaal bepaald had af
te brengen. Toen derhalve het Gezantschap, ter volle raadsvergadering
toegelaten, haar den verlovingsbrief vertoonde, met den diamant, welken
zij vroeger, op last haars vaders, aan Maximiliaan gezonden had, en
haar vroeg of zij dien erkende, antwoordde zij ronduit, dat zij zulks
van ganscher harte deed. Al de omstanders waren verbaasd, Hertog Jan
en de Kleefschen niet weinig verslagen, en de Gezanten verrukt over
deze rondborstige verklaring. Van dit tijdstip af ging alles als van
zelf. De Raad van Regeering zoowel als de Staten bekrachtigden de
toestemming der Vorstin, en deze werd met den Hertog van Beijeren,
namens Maximiliaan, ondertrouwd. Weldra kwam de bruidegom zelf met
een gevolg van twaalfhonderd Vorsten en Edelen. Hij zelf was op 't
schitterendst uitgedost in een zilveren harnas met goud ingelegd,
en, gelijk zijn gevolg, met den Bourgondischen sluier omhangen. Den
18den Augustus werd het huwelijk voltrokken, en Maximiliaan in het
volgende jaar plechtig als Momboir of Voogd van Vrouw Maria, in haar
Staten erkend.

De stap, door Maria zoo onverhoeds gedaan, met die vaste beradenheid,
eigen aan het geslacht, waar zij uit sproot, was niet slechts
gerechtvaardigd door de omstandigheden, waarin zij zich bevond, maar
ook door de persoonlijke hoedanigheden van den man, aan wien zij
haar toekomstig lot vertrouwde. Maximiliaan werd alom, wegens zijn
zachtmoedig, bedaard en minzaam karakter, zoowel als wegens zijn goed
verstand en oordeel geprezen. In den oorlog was hij dapper en ervaren,
en door eene bijzondere tegenwoordigheid van geest onderscheiden. Aan
het Duitsche hof, waar velen, ook onder de aanzienlijkste Edelen, aan
brasserij en dronkenschap waren overgegeven, onderscheidde hij zich
door matigheid in spijs en drank; kunsten en wetenschappen beschermde
hij, en in de muziek was hij zeer bedreven. Zijn hoofdgebrek was een al
te groote toegeeflijkheid, die somtijds in zwakheid en ongestadigheid
ontaardde.

Nu door deze echtverbintenis het bestier van lands- en krijgszaken
weder onder één opperhoofd gebracht was, en alles een geregelder gang
verkreeg, herstelde zich spoedig het krijgsgeluk, dat Maria den rug
had toegekeerd. Lodewijk zag zich genoodzaakt een bestand te sluiten
en Bourgondië te ontruimen. Met Engeland werd een verbond van vrijen
handel aangegaan, en de betrekkingen ook met de overige naburen op
een vasten voet gebracht.

In het jaar 1478, den 20sten Juni werd aan Maria een zoon geboren,
die later bestemd was om onder den naam van Filips I, de kronen van
Kastilië en Arragon te voeren.

Was Vlaanderen nu tot rust gekeerd, en eerbiedigden de Zuidelijke
gewesten Maria's heerschappij, in het Noorden was deze nog zoo licht
niet te vestigen. In Holland werd de tegenstand voornamelijk gevoerd
door de Hoekschen, daarin gesterkt door Maria's Stedehouder zelven,
Wolfert Van Borselen. Reeds onmiddellijk na Karels dood hadden zij, in
de meeste steden, hunne tegenpartij uit de regeering weten te krijgen;
thans had deze de overhand weder bekomen en op sommige plaatsen, als
te Leiden en te Haarlem, de Hoekschen ter stad uitgedreven. Vergeefs
was het, dat Borselen te Rotterdam een dagvaart beschreef van Edelen
en Steden: de Baljuw der stad, Jan Van Reimerswael, niet zonder
reden beducht, dat de dagvaart zelve meer aanleiding tot tweespalt
dan tot herstel der rust zou geven, liet de poorten bezetten,
weigerde den intocht aan de Afgevaardigden der Hoeksche steden,
en verzocht den Stadhouder zelven de stad te verlaten. Hieruit
ontstond nieuwe verbittering: al de steden, vooral 's-Gravenhage,
werden tooneelen van gestadige vechtpartijen. De valkeniers van den
Stadhouder, die Hoeksgezind waren, schoten uit de ramen van het hof op
de Kabeljauwschen, die, op hunne beurt, door de Haarlemmer, Leidsche,
Delftsche en Amsterdamsche poorters ondersteund, het Hof overvielen en
plunderden. Borselen hernam het, doch zag zich kort daarop genoodzaakt
het aan zijn tegenpartij over te geven, en naar Rotterdam te wijken, 't
welk hij intusschen bemachtigd had, en waar hij zijn hof vestigde. Ook
daar kon hij het niet houden, en trok naar zijn stad Veere, Rotterdam
ter bewaring latende aan Joris, Bastaard van Brederode.

In Gelderland was het inmiddels even weinig rustig. Inweerwil hunner
verslagenheid over den dood van Adolf, hadden de Staten van dat
Hertogdom terstond het besluit genomen om zijne zuster Katharina met
het voortdurend bestier en tevens met de voogdij over zijne onmondige
kinderen te belasten. Te gelijk was door hen een gezantschap gezonden
aan Lodewijk XI, die, daar beloften hem nooit iets kostten, hun zijne
ondersteuning tegen Maximiliaan toezeide. Intusschen begeerde Willem
Van Egmond, Hertog Aernouts broeder, de voogdij over zijn achterneven,
en maakte zich meester van Arnhem, terwijl de Hertog van Kleef, die
toch eenig deel begeerde van de erfenis van Karel den Stoute, nu de
hand van Maria zijn zoon was ontgaan, dezen laatste tot Hertog van
Gelre wilde doen aannemen. En, als had men nog geen Heeren genoeg,
het Graafschap Zutfen werd door de Staten verpand aan Hendrik
Van Schwartsenberg, Bisschop van Munster, en deze kort daarop tot
beschermer van het gansche Hertogdom aangenomen; terwijl de jonge
Karel, Adolfs zoon, als Hertog erkend werd.

Het was Maximiliaan, nog voortdurend met Frankrijk in krijg gewikkeld,
langen tijd onmogelijk zijn tegenstanders binnen 's lands te
beteugelen: eindelijk echter liet hem de overwinning, bij Guinegate in
Artois op Lodewijk behaald, de handen vrij. Naar Holland overgekomen,
en door de Kabeljauwschen wel ontvangen, ontsloeg hij Borselen van zijn
Stadhouderschap, 't welk hij opdroeg aan Joris Van Lalaing;--en de rust
eenigszins hersteld ziende, maakte hij een verdrag met Katharina van
Gelre, waarbij zij de rechten zijner Gemalin op het Hertogdom erkende
en zich tevreden stelde met de stad en voogdij van Gelder levenslang te
behouden. Leiden werd intusschen door de Hoekschen onder Broekhuizen,
het Hoeksgezinde Dordrecht daarentegen door de Kabeljauwschen onder Jan
van Egmond bemachtigd, die kort daarna zich ook van Gouda, Schoonhoven
en Oudewater meester maakte. Maximiliaan, weder in Holland gekeerd,
bekrachtigde het door Egmond en de Kabeljauwsche partij verrichtte,
liet de vierschaar spannen over de Hoekschen, verscheidenen uitbannen
en sommigen onthoofden. Door deze gestrengheid werd de rust in Holland
hersteld, ofschoon de burgerkrijg in het Sticht te heviger bleef
woeden. Weldra onderwierpen zich de Geldersche Staten, van alle zijden
bestookt, aan den Aartshertog, die nu met zijn Gemalin in de meeste
steden plechtig werd gehuldigd. Wel bleef Arnhem nog in handen van Jan
van Kleef; maar het liet zich aanzien, dat die stad, zoowel als het
Sticht, op den duur aan de zegevierende wapenen van Maximiliaan geen
weerstand zoude kunnen bieden. Maria had haar gezag nagenoeg gevestigd
gezien, en de tijd scheen voor haar gekomen, dat zij, na zooveel
stormen en gevaren in rust en vrede het geluk zou kunnen smaken,
dat haar als gade, als moeder en als vorstin tegenlachte, en dat zij
zoowel verdiende. Dan helaas! zij mocht alleen den dageraad van die
blijde toekomst beleven. Buiten Brugge uitgereden, stortte zij van 't
paard en bezeerde zich deerlijk aan het been. Nog zou de kunst wellicht
middelen tot haar herstel hebben gevonden, had vrouwelijke kieschheid
haar niet weerhouden om de bekomen kwetsuur aan de beschouwing en
het onderzoek der heelmeesters te onderwerpen. Dit had ten gevolge,
dat de gewonde deelen, niet naar behooren verzorgd, spoedig door
het koudvuur werden aangetast, en zij, weinige dagen na haren val,
den 27sten Maart 1482, in nauwelijks zes en twintigjarigen ouderdom
binnen Brugge overleed, tot groote droefheid van haar echtgenoot,
die haar teeder beminde en altijd met hartelijke genegenheid herdacht.



DE ZEDEN ONZER VOORVADEREN MET DE ONZE VERGELEKEN.


Een mijner geachte vrienden, aan wiens bekendheid met de vroegere
gewoonten, gebruiken, oudheden en maatschappelijke toestanden van ons
Vaderland de stad Amsterdam niet weinig verschuldigd is, vergastte
sommige onzer letterkundige kringen op een vertoog, waarin hij de
ingetogenheid en eenvoudigheid in handel en wandel van de voorvaderen
afschilderde en ten voorbeelde stelde. Na den afloop der vergadering
hem dankende voor het gehoorde, gaf ik hem te kennen dat al het door
hem bijgebrachte volkomen waarheid behelsde, doch dat ik niettemin zou
durven aannemen, op de eerstvolgende bijeenkomst eene verhandeling
voor te dragen, waarin ik juist het tegendeel zou bewijzen van
hetgeen door hem was betoogd, en alzoo tot eene uitkomst geraken,
lijnrecht met de zijne in strijd. Dit mijn eenigszins vermetel
beweren gaf natuurlijk stof tot een vriendelijken redetwist, die
echter uit hoofde van plaats en gelegenheid toen niet lang kon gerekt
worden. Ik had te dier gelegenheid op het aangezicht der weinige
getuigen van ons gesprek hunne verbazing meenen te bespeuren over
mijn blijkbaren twijfel aan de voortreffelijkheid in alle opzichten
onzer voorouders boven ons: eene voortreffelijkheid welke zij en wij
allen toch van kindsbeen af gewoon zijn geweest, zoo breed te hooren
uitmeten, en ik hield mij overtuigd dat zij mij verdacht hielden,
uit zucht tot plagerij of tegenspraak een grillige paradox te hebben
opgeworpen. Dit had tengevolge dat ik werkelijk in 't naar huis gaan
mij zelven afvroeg, of ik mij inderdaad niet had laten vervoeren door
die zekere neiging, den lieden van levendige verbeelding ingeschapen,
om ook de ongerijmdste stellingen, zoodra zij maar iets aanlokkelijks
hebben, te verdedigen en daarbij aan het vernuft vrij spel te geven,
ten koste van de waarheid en het gezond verstand;--ja of inderdaad
het door mij beweerde geen paradox was. Dan, hoe meer ik nadacht en
peinsde over de zaak, hoe meer zich nieuwe gronden ter bevestiging
mijner stelling voor mijnen geest opdeden, hoe meer ik tot de slotsom
geraakte, dat, zoo werkelijk de vroegere tijdperken onzer geschiedenis
en bepaaldelijk die der zeventiende eeuw, zich vrij wat roem- en
luisterrijker voordoen dan het onze, het er echter verre af is, dat
men de zeden en gewoonten dier eeuw ons ter navolging behoeft aan
te bevelen. Het zijn de gronden voor die stelling, welke ik thans
voornemens ben aan het oordeel mijner lezers te onderwerpen.

Al dadelijk, wanneer wij den toestand der maatschappij in den
aanvang der zeventiende eeuw met dien van onze dagen vergelijken,
bekomen wij de overtuiging van een onloochenbaar feit, te weten,
dat de vormen der samenleving zich toen vrij wat minder beschaafd
en gepolijst vertoonden dan tegenwoordig. En geen wonder! men was
nog zooverre niet verwijderd van de dagen toen het vuistrecht boven
alles gold en er schier geene andere wet gekend werd dan die des
sterksten. Geene stad in ons Vaderland die niet, nog maar kort te
voren, en velen onder haar herhaaldelijk door religieveeten, door
burgertwisten, belegering, uitmoording, door het beurtelings uitwijken
en gewapenderhand terugkeeren harer wakkerste burgeren, geleden had:
geen dorp, waar niet de brand en alarmklok geklept, waar moord en
plundering en pijnbank niet gewoed hadden. Hoe zouden, onder zulke
omstandigheden en indrukken, de zeden een zachte, een beschaafde
plooi genomen hebben? 't Is waar, de wedergeboorte der letteren,
wetenschappen en schoone kunsten had haren invloed op de hoogere
kringen uitgeoefend en werkelijk schenen de toon en vormen aldaar op
de algemeene ruwheid een uitzondering te maken, maar inderdaad bestond
deze grootendeels niet veel meer dan in schijn. De hoffelijkheid en
zwier, welke men ten hove en in de omgeving daarvan, waarnam, waren
toen, evenals altijd, niet veel meer dan een vernis, dat aan de schors
een meer bevallig aanzien gaf, maar dat de kern onaangeroerd liet. En
dat liefelijke waas, 't welk geleerdheid en kunsten verspreiden, het
had nog geen tijd gehad, om tot de ziel door te dringen, het deed,
op weinige uitzonderingen na, evenzeer nog maar alleen de oppervlakte
aan. De beschaving der hoven, zoowel als de classieke beschaving,
beide waren niet veel meer dan een geleend zondagspak, waarmede men
zich bij feestelijke gelegenheden tooide, doch dat den mensch als
mensch geheel liet gelijk hij was. Wil men een bewijs? Men vestige
eens onbevooroordeeld en zonder conventioneelen bril te gebruiken
het oog op Hooft en zijne vrienden van het Muiderslot. Ik twijfel
er niet aan of zij wisten er zich ongemeen te vermaken, maar waarin
bestaat, wel beschouwd, hunne zoo hoog geprezene verfijning? Immers
grootendeels in loutere navolging, wij zouden bijna zeggen naäperij van
de gewoonten, vormen en spraakwendingen der ouden. Leest hunne brieven
en gedichten, althans, die, waarin zij hun best doen om zwierig of
aardig bij uitnemendheid te wezen. Vinden wij niet meestal Latijnsche
denkbeelden, in verlatijnscht Nederduitsch uitgedrukt? Treffen wij niet
telkens, en dat bij de ernstigste zaken, bij vriendschapsbetuigingen,
bij rouwbeklag, bij uitboezemingen, die alleen uit het hart moesten
voortkomen, iets aan, dat gemaakt, dat gekunsteld is, dat de natuur
uitsluit en de waarheid verkracht? En slaat nu die zelfde mannen eens
gade, wanneer zij de pronkgewaden van hoffelijkheid en classicismus
afleggen, om eens echt Hollandsch te wezen. Dan schrijft Hooft zijn
Warenar en Huijgens zijn Trijntje Cornelisz.;--beide allergeestigst en
vernuftigst;--maar bij de lezing waarvan wij toch al tot zonderlinge
gevolgtrekkingen moeten geraken ten opzichte der toenmalige begrippen
van betamelijkheid. Neen voorwaar, eene natie, welker vrouwen uit
deftigen stand een Warenar konden aanhooren zonder blozen,--hoffelijke
kringen, die behagen konden scheppen in het vertoonen der klucht van
Huijgens--die natie, die hoffelijke kringen verkeeren nog, ondanks
allen geleenden beschavingstooi, in een staat van zedelijke ruwheid.

Of, waren de hier genoemde kluchten uitzonderingen op den regel, en
juichte men die alleen toe, omdat zij door beroemde mannen als den
Drost van Muiden en den geheimschrijver van zijne Hoogheid geschreven
waren?--Uitzonderingen waren zij zeker, in zooverre als zij nog
modellen van kieschheid mochten heeten, vergeleken bij de morsige,
vuile, liederlijke voortbrengselen, die, hoe onschatbaar ook voor de
kennis der begrippen, zeden en gebruiken van die dagen, door niemand
zonder een gevoel van ergernis en walging kunnen gelezen worden. De
letterkunde is een spiegel van de beschaving eener natie; doch
waarlijk, als wij de kluchtspelliteratuur van die dagen nagaan, dan
bekomen wij van die beschaving al een zeer ongelukkig denkbeeld,--en
niet gunstiger wordt ons oordeel, wanneer wij, ons tot eene andere
soort van volks-letterkunde wendende, de pamfletten doorloopen,
over theologische of politieke geschilpunten gewisseld. De meest
freysinnige broodschrijver van thans maakt het op verre na met schelden
en lasteren zoo erg niet als de vrome theologen en deftige politieken
van die dagen.

En wel drong die ruwheid dan ook de schors uit en openbaarde zij zich,
wanneer het op handelen aankwam. Waar ziet men in onze tijden, gelijk
toen, de lieden beboeten, pijnigen, inkerkeren, bannen, geeselen,
hangen, radbraken, om overtredingen, welke men thans nauwelijks met
dien naam bestempelen zou? En mocht de beboete, de gepijnigde, de
gekerkerde, de gebannene, de gehangene, al verdedigers vinden, mocht
men hem als onschuldig, als ten onrechte veroordeeld beschouwen,
niemand was er, die in 't afgetrokkene de straf onevenredig aan
het misdrijf oordeelde. Wil men bewijzen? Ik behoef er maar één
aan te voeren, doch dat reeds luide genoeg spreekt. Het lot, dat
's Lands Advocaat, J. Van Oldenbarneveld, trof, zal het mij aan de
hand doen. Ik wil hier in geen betoog treden over zijne schuld of
onschuld: maar zeker is het dat in onze dagen een Minister, al gaat
hij eens wat buiten 't spoor, er gemakkelijker afkomt. Hevig was de
verontwaardiging, hevig de verbolgenheid van 's mans aanhangers over
het tegen hem geslagen vonnis, maar toch, de afkeuring van dat vonnis
vloeide alleen voort uit de veronderstelling dat hij niet strafschuldig
was: en aan niemand kwam het in 't hoofd te beweren, dat, indien hij
werkelijk bedreven had wat men hem ten laste leide, hij niet, ondanks
alle vroegere diensten, aan den Staat bewezen, dubbel en dwars den
dood zou verdiend hebben. Wat wij alzoo uit de voorbijgegane dagen
terug mogen wenschen, zeker niet de lijfstraffelijke rechtspleging.

"Goed" zal men zeggen, "maar bij die ruwheid, welke in onze voorouders
niet te miskennen valt, waren zij toch matiger, ingetogener,
eenvoudiger, zedelijker dan onze tijdgenooten." Waren zij dit
inderdaad? Laten wij dit eens punt voor punt onderzoeken.

Waren zij matiger? Ik weet het niet; maar ik geloof dat op het punt
der dronkenschap alleen onze eeuw zich gunstig van de zeventiende
onderscheidt. Men loope eens een winkel van antiquiteiten binnen, men
beschouwe eens de glazenkasten bij de nakomelingen onzer voormalige
Patricische huisgezinnen, of de eigendommen onzer godshuizen,
Doelens, Dijk- en Polderbesturen, enz. en men lette op den omvang en
inhoudsruimte der bokalen en fluiten, die uit vroegere eeuwen zijn
overgebleven. Of twijfelt men er aan, dat die roemers, die anderhalve,
soms twee of meer flesschen bevatteden, ooit geledigd werden? Eilieve,
er leven nu nog menschen van gevorderden leeftijd, die zich herinneren,
zulks of zelven gedaan te hebben, of te hebben gezien of gehoord hoe
zulks door anderen was gedaan geworden. Neen voorwaar, wat men nu
van drinken prate, het was de zeventiende eeuw vooral, die van deze
kunst eene wetenschap maakte. Wie twijfelt, hij leze maar o. a. de
volgende regels uit de Wonderwerken van Bacchus van Pers:


    Veel menschen zijn alleen, ja schijnen slechts geboren
    Opdat sij in de lust haer leven lang versmoren:
      Wien 't swelgen is haer wit en 't suypen haer vermaak
      Haer alder-grootste vreughd en aengenaemste saek.
    Al wat haer breyn vermagh, of konstigh weet te dencken,
    Om zelf een sober man in sijn vernuft te krenken,
      Wordt kloeklijck hier versiert: hier brenght men voor den dagh
      Een Meulen die men blaest en niet versetten magh,
    Of daer men nae 't getal de uren weet te tellen,
    Of soo de teerlinck loopt syn nagebuur te quellen,
      Het sy op acht of tien, of so de uren staen,
      So vele worter mee aen elck bescheijd gedaen.
    Of noch een ander vond, een beker om te henssen,
    Een horen na de hoest, dat moet men dan uitflenssen,
      En suypen dat men steent, en puil-ooght om den kop,
      En daer past dan terstont een barckemeyer op.
    Hier is een schuyt of schip, daar een Boerin geladen,
    Hier moet de ballast uijt of in den emmer baden,
      So lang de belle klinckt, so mach het aen de mond,
      Of anders moet de kroes noch eenmael tot de grond.


Wellicht zal men meenen dat dit zwelgen van bekers en roemers iets
buitengewoons was, 't welk alleen bij bijzondere gelegenheden plaats
vond, en dat men in het dagelijksche leven over 't algemeen matig en
ingetogen was. Het is mogelijk; maar even als de mannen nu naar de
sociëteit gaan, gingen zij toen naar de herberg en zij dronken er vrij
wat meer dan heden ten dage gebeurt, nu in de meeste dier plaatsen van
vereeniging meer water met suiker dan wijn gebruikt wordt,--en wat de
vrouwen betreft, wáár in ons land gebeurt het thans, dat zij zich tot
wijndrinken vereenigen, als dezelfde Pers in 't aangehaalde werk haar
verwijt dat zij deden in zijnen tijd? En gewis zoude die schrijver
het niet noodig geoordeeld hebben, twee uitvoerige gedichten tegen de
dronkenschap te schrijven, indien die ondeugd niet zoo algemeen ware
geweest. Hoe de adel daarbij de gemeente voorgegaan was, behoeven wij
nauwelijks te herinneren: de brieven van Hendrik van Brederode riekten
naar den wijn, en zijne meeste daden waren in overeenstemming met
zijne brieven! Hohenlo, die nietige zwager van den grooten Maurits,
was zelden nuchteren, en zelfs de bedaarde bedachtzame Willem I was
niet afkeerig van een "Duitschen dronk". Verlangt men echter nog
een sterker sprekend staaltje van de zoogenaamde matigheid van die
dagen? In de reglementen van den Hove van Holland niet alleen, maar
van onze meeste Baljuwschappen kan ieder het met zijne eigene oogen
lezen, hoe aan de Taalmannen en Advocaten gelast werd, niet anders
dan nuchteren voor de Vierschaar te verschijnen; zij waren alzoo
in den regel niet nuchteren, anders zou het bevel geen beteekenis
gehad hebben; en gewis moet de gegeven ergernis al heel groot zijn
geweest, dat men zijne toevlucht moest nemen tot eene bepaling,
die in onze dagen als eene duldelooze beleediging door de Balie zou
worden opgenomen.

"Maar," zullen onze afschaffers zeggen: "'t was toen alleen aan wijn
dat men zich te buiten ging, en dat is heel vergeeflijk; doch toen
was men nog onbekend met de gruwzame jeneverpest." 't Is waar, wij
lezen bij de oude schrijvers niet van jenever, des te meer echter
van koren- brandewijn en Pers vergeet in zijne Suijpstad naast de
tempelen van Bacchus en Bierana ook dien van Brandemoris niet.

"Kan men niet ontkennen, dat de dronkenschap van onze voorouders vrij
algemeener was dan tegenwoordig, in andere opzichten toch was hunne
levenswijze meer matig en ingetogen."--Zoo is men gewoon elkander na
te praten en dan worden doorgaans de voorbeelden er bijgehaald van
De Ruijter, die als een burgerman leefde en van Jan De Witt, die maar
één mannelijken dienstbode had.--Krachtige bewijzen inderdaad! Wat De
Ruyter betreft, die als kind nooit weelde gekend en van jongs af op
zee gezwalkt en zich met scheepskost gevoed had, ik wilde wel eens
weten, waar hij den smaak van fijne spijzen zou hebben opgedaan,
of hoe hij zich in eene weelderige levenswijze zou hebben kunnen
schikken? Hij was door afkomst, door opleiding, door neiging, een
man uit de volksklasse en noch hoogen rang in den zeedienst, noch
ridderkruis of hertogstitel konden van hem iets anders maken dan hij
was: zijn voorbeeld bewijst dus niets. Maar Jan De Witt dan? Die
was toch een volbloed aristocraat, die leefde in Den Haag in de
groote wereld en had in weerwil van dat alles maar éénen knecht! Ik
zou kunnen antwoorden dat de meesten onzer tegenwoordige Ministers
er ook niet meer hebben;--maar ik wil den schijn niet aannemen die
Heeren te vleien, door hen met Jan De Witt te vergelijken. Ik zal
eene andere vraag doen: toont juist het gestadig ophalen van dat
feit, dat de groote Raadpensionaris maar één knecht had, niet aan,
dat men zulks iets vreemds, iets ongewoons achtte? Werd het niet zelfs
door zijne vijanden als een bewijs, niet van eenvoudigheid, maar van
schrielheid aangemerkt? 't Is waar, zij verweten evenzeer aan Cornelis
De Witt zijne praalzucht, dat hij zich met een dozijn bont opgeschikte
lijfwachten tot den tocht tegen Engeland inscheepte, en moge Jan De
Witt dan maar éénen knecht gehad hebben, die bij extra-gelegenheden
eene livrei aantrok en achter op eene huurkoets stond, de leefwijze in
Den Haag was in zijn tijd en reeds onder Frederik Hendrik alles behalve
eenvoudig. Zeker volksvertegenwoordiger vertelde, nu een jaar geleden,
ter gelegenheid van eene der discussiën over de tafelgelden des
Ministers van Buitenlandsche zaken dat men, toen de Triple Alliantie
gesloten werd, geen festijnen gaf. Gemelde volksvertegenwoordiger--ik
ben gelukkig zijn naam vergeten--toonde al bijzonder weinig kennis
van literatuur of historie te hebben. Van literatuur: want had hij
de Media Noche van onze vriendin Bosboom-Toussaint gelezen, hij had
niet langer in den waan verkeerd, dat de diplomatie in de zeventiende
eeuw de hulp van gast- en feestmalen ontberen kon; van historie:
of hij had uit Gowwille, uit St.-Simon, uit madame De Sévigné,
uit zoovele anderen, kunnen lezen of men ergens iets belangrijks
zonder gastmalen verrichtte. Doch wat haal ik Fransche schrijvers
aan? Leest onzen Valkenier, waar hij zegt: "De spijzen smaken niet,
zoo ze niet met een Fransche saus zijn overgoten en naar Fransche wijze
toebereid. Tot inkoop van wijnen en delicatessen worden jaarlijks vele
millioenen vervoerd, vooral naar Frankrijk, hetwelk ze ten verderve
van Nederland misbruikt."

't Is waar--om nog eens op de mannelijke dienstboden terug te komen--in
Amsterdam hadden de aanzienlijkste ingezetenen er in de zeventiende
eeuw ook maar één of hoogstens twee, om de doodeenvoudige reden dat
men, volgens de stadskeuren, in Amsterdam niet dan met sleden rijden
mocht, het houden van rijtuig er dus van zelf verviel en koetsiers
of palfeniers er geheel onnutte meubels zouden geweest zijn.

Over de kleeding behoef ik niet te spreken: ieder zal toestemmen
dat die der mannen in de zeventiende eeuw vrij wat zwieriger en
kostelijker was dan heden--en wanneer onze aanzienlijke vrouwen eens
recht fraai voor den dag willen komen, dan tooien zij zich met de
kanten en paarlen harer bet-overgrootmoeders.

Wat dit geheele punt der beweerde eenvoudigheid betreft, wij willen
het samenvatten in de aanhaling van wat Karel II, een bevoegd rechter,
in 1660 over Holland schreef: "Geene koopmanschappen te groot, geene
bruiloften te breed, geene Staten te aanzienlijk, geene huizen te
kostelijk, geene kleederen te opzichtig, geene fatsoenen te nieuw,
geene neringen te ergerlijk."

Deze laatste woorden leiden ons als van zelve tot de zeden. Waren
die ingetogener, dan zij het heden zijn?

Ik gevoel dat ik, deze vraag zullende beantwoorden, mij op glibberig
ijs begeve, want zij betreft veelal handelingen, die in 't verborgen
plaats hebben en zooveel mogelijk verborgen worden gehouden. Dit is
echter zeker, dat, wat het uiterlijke aangaat, onze eeuw voordeelig
afsteekt bij de zeventiende, en dus in allen gevalle toont, een grooter
gevoel van welvoeglijkheid te bezitten. Daarbij, de betrekking tusschen
de beide kunne is thans over 't algemeen van kiescher, van fijner,
van edeler aard. Bij het denkbeeld, dat wij ons vormen van het woord
liefde, brengen wij ons meer uitsluitend eene gemoedsneiging voor
den geest. Van zoodanige onstoffelijke, reine beweging des harten
schijnt men in het gulden tijdperk der zeventiende eeuw nauwelijks
een flauw denkbeeld gehad te hebben. Immers, leest--ik zeg niet de
vuile kluchten van die dagen, waarvan ik u integendeel de lezing
ten sterkste afraad--maar de gedichten van onze beste schrijvers,
van Vondel, van Hooft, van Cats, van Huygens, waar zij van minnarijen
handelen;--schier overal vindt gij de liefde voorgesteld als bloot
zinnelijke, schier dierlijke drift, of, poogt de dichter enkele
reizen van haar te gewagen als van een meer zuiveren hartstocht,
dan valt het terstond te bespeuren, hoe hij zich niet op zijn
gemak bevindt, zich geen recht helder denkbeeld van de zaak maakt
en zich moet redden door eene navolging der classieken, meestal
even gezwollen van stijl als onnatuurlijk van uitdrukking. Alleen
de wijze, waarop de huwelijksliefde bezongen wordt, maakt eene
loffelijke uitzondering:--maar hieruit volgt nog geenszins dat er
toen minder echtbreuk en minder schandalen plaats hadden dan later; de
schotschriften van die dagen zoowel als de jaarboeken der rechtbanken
kunnen het tegendeel bewijzen.

Maar de menschen waren over 't algemeen godsdienstiger, vromer
dan heden.

God alleen weet dit; maar op welke wijze uitte zich die
godsdienstigheid? In de ergerlijke religietwisten? In het gedurig
verketteren van elkander? In het vervolgen van andersdenkenden? Liever
over dat alles een mantel geworpen. Onze voorouders waren ten dien
opzichte geen haar beter dan wij.

Waar echte vroomheid huist, daar openbaart zij zich ook in handel
en wandel. En waren de denkbeelden aangaande het mijn en dijn, de
handelwijze van den mensch jegens zijn naaste in die eeuw zooveel
zuiverder, zooveel gemoedelijker vooral dan tegenwoordig? Laten wij
hier wederom den toetssteen der vergelijking bezigen.

Wij verheugen ons heden ten dage in het bezit van onbesproken
Rechtscolleges, en ik herinner mij niet, zoolang ik leef, een
Nederlandschen rechter te hebben hooren beschuldigen dat hij uit gunst
of gewinshalve tegen zijn geweten zoude hebben rechtgesproken. Maar hoe
herhaaldelijk herkennen wij in de zeventiende eeuw den onmiddellijken
invloed der politieke en godsdienstige begrippen op de uitspraken
des rechters. Ziet slechts, om een paar voorbeelden te noemen, het
verhaal der rechtspleging, tegen Vondel ingesteld wegens de uitgave
van den Palamedes. De rechtsvraag wordt in het geding bijna niet
aangeroerd. De zaak wordt geheel uit het oogpunt der staatkunde
behandeld en de Schepenen, die ter vierschaar zitten, stemmen voor
vrijspraak of veroordeeling al naardat zij Staats- of Prinsgezinden
zijn.--Of ziet de wijze, waarop de zaak tegen den ongelukkigen Buat
is behandeld en overtuigt u, of er oogendienaars bij onze voormalige
rechters waren. Spreken de aangehaalde voorbeelden niet luide genoeg
ter uwer overtuiging, of acht gij de omstandigheid, dat men in die
dagen de staatkunde nog niet van de rechtspraak wist te scheiden,
als eenigszins ter verschooning der rechters te kunnen aanvoeren,
welnu! ik zal u een ander staaltje geven van de wijze, waarop men
in die dagen de rechtsbedeeling verstond, een staaltje, uit het
burgerleven getrokken en waarbij de staatkunde hoegenaamd geen rol
speelt. In H. Van Muyrs klucht van Frans Joppen en Gerritje De Licht,
gespeelt bij de kamer, Vernieut uijt Liefden, tot Gornichem op vasten
avont 's jaers 1643 wordt Proper Elsge, de vrouw van den ouden boer,
Frans Joppen geheeten, beschuldigd van een verboden minnehandel met
zekeren Jaep Jongh-Bloet. De zaak wordt aangebracht bij den officier,
en hoewel het bij de instructie blijkt, dat er inderdaad juist niet
zooveel kwaads bedreven is, begrijpt de magistraatspersoon het geval
toch hoog ernstig te moeten opnemen. Ik laat hier zijn onderhoud met
de belanghebbende partijen volgen:


Jaep.

        Heer officier ik garen accordeeren met dy,
        Ick weet dat ick mij een weinig heb verloopen.


Elsje.

        Met U 't accordeeren is oock al mijn hopen,
        Doet ons schant niet open, maar houtet toch secreet.


Ketel-Boeter (Een vriend van Elsjes man.)

        Ja heer officier, maket doch dat niemant en weet
        Haer bedreven leet, men salt u wel betalen.


Jaep.

        Voor mijn deel beloof ick u twee silveren schalen,
        Daar voor sonder langh dralen, u sal meê vereeren.


Boer (De man van Elsje).

        En ick zal met een vetten os u keucken stoffeeren,
        Op dat daarin mijn wijfjen mach blijven van dees daet,
        En siet Elsge dat ge sulcken spel voortaen laet,
        Of 'k soude worden quaet en het u niet vergeven.


Elsje.

        Och Frans 'k en sal niet weer doen van al mijn leven,
        Ik salder voor beven, en houden mij soo 't betaemt.


Officier.

        Op hoop van beterniss ben ick te vreden met 't geen ghij raemt,
        Daarom voortaen u schaamt van sullicx meer te plegen,
        Doch eer dat wij oprijderen onze wegen,
        Soo laat ons ter degen geven een stichtige leer
        Van 't geen bij ons hier is voorgedragen weer. enz.



Gij ziet het, dezelfde magistraatspersoon, die hier voor een os en een
paar schalen het recht verkoopt, spreekt de zedenles van het stuk uit:
een klaar bewijs, dat feiten, waarvoor men heden ten dage een rechter
volgens de Wet zou straffen, en aan de openbare verachting prijsgeven,
toen als zeer natuurlijk en geoorloofd beschouwd werden.

En wat de Praktizijns betreft, dat er in onze dagen ook kaf onder het
koren schuilt, zal ik niet weerspreken; maar over 't geheel koestert
men achting voor den stand van Advocaat en van Procureur. Doorloopt
de kluchten van de eerste helft der zeventiende eeuw en ziet, hoe
men er toen over dacht. Moeten wij de helft gelooven van hetgeen wij
daar lezen, dan was de dronkenschap hun minste ondeugd en dan was de
beroemde Patelijn, bij de meesten van hen vergeleken, nog een heilige.

Hebben wij thans gelukkig eene betere samengestelde Balie, wij missen
ook twee zaken, welke men toen bezat, de politieke uitzetting en
een wettelijk stelsel van verklikking. De politieke uitzetting was
een recht, 't welk zich de Stadsregeeringen aanmatigden, om iemand,
buiten vorm van proces, binnen 24 uren de stad te doen ontruimen met
verbod van er weer in te komen.

Volgens het stelsel van verklikking, in 1652 uitgevonden door Jan De
Witt, werd aan den Procureur-Generaal en andere officieren gelast,
a. zich in de veerschuiten en anderszins te informeeren door expresse
personen op hen, die seditieuse propoosten voeren en uitbreiden;
b. de seditieuse personen aan de poorten te doen aanhouden; c. de
drukkerijen te bezoeken, en, daar zij werkelijke suspicie vinden, de
letters en personen na zich te nemen; d. bij notificatie alle goede
ingezetenen te animeeren en te waarschuwen om op zoodanige personen
regard te nemen en ze bekend te maken, met belofte van recompens.

Wij mogen waarlijk aan de tegenwoordige lofredenaars van Jan De
Witt wel vragen, hoe zij eene dergelijke Resolutie rijmen met
de hoedanigheid van liberaal, welke zij hem toekennen of met de
burgerlijke vrijheid, welke zij beweren, dat in die dagen bestond.

En nu de kooplieden? Waren zij zooveel gemoedelijker dan die in
onze dagen? Ik zal hier de archieven der O. I. Maatschappij niet
ontrollen; ik zou gewis te wijdloopig worden, maar ik vraag, of
men in onze dagen kooplieden zou vinden, die, ingeval van oorlog,
kruit en lood aan den vijand verkochten, zooals zij 't zich in de
dagen van Frederik Hendrik veroorloofden? Of, deden zij het al, zij
zouden zich er ten minste voor schamen en het antwoord niet geven,
't welk een Amsterdamsche koopman gaf, toen iemand hem dit landverraad
verweet en hem vroeg of hij dan met den duivel zelf negotie zou doen?

"Och!" zeide hij, "viel er wat aan te verdienen, ik zou er een gezegend
zeil aan wagen!"

Ik geloof hiermede te hebben bewezen, dat behoudens al den eerbied,
dien wij onzen voorouders schuldig zijn voor het vele groote, goede
en schitterende, dat door hen verricht is geworden, wij niet te
lichtvaardig noch in 't algemeen hen als modellen ter navolging aan
het nageslacht mogen voorstellen. Menschen blijven menschen d. i. te
zeggen, zwakke en zondige schepselen.



DE DRIE JONGE MEISJES.

Een bedrijf in eene samenspraak.


Clara (zit bij het open raam, aan een klein tafeltje, in een register
te schrijven: van tijd tot tijd dwalen hare oogen van het dikke boek
naar de straat: de klok slaat zeven uren.)

Reeds zeven uren en hij is nog niet eenmaal voorbijgekomen! Kom,
het is tijd, dat ik mijn arbeid staak. Mijne vriendinnen zullen
spoedig komen. En, ik weet niet waaraan ik het toe moet schrijven,
maar sedert eenige dagen wil het werk zoo goed niet meer vlotten. Ik
zet gedurig verkeerde cijfers.--Ik zal morgen niet aan het raam gaan
zitten; dan heb ik geene afleiding;--maar het is achter zoo donker.

(Terwijl zij het voorgaande zegt, of beter, denkt, heeft zij het boek
weggelegd en zich aan eene grootere tafel neergezet, waarop zij het
theegoed in orde schikt. Vervolgens neemt zij eene groote werkmand
vol kousen en zet zich aan 't mazen).

't Is ook beter, dat ik zit te werken, wanneer zij komen, dan dat zij
mij met die registers bezig vonden. Zij zouden denken, dat ik het uit
affectatie deed. Daar wordt gescheld. Hier Fanny! gij wordt verzocht
niet te keffen tegen de dames.

Louise. (Binnenkomend). Bonjour Clara!

Clara. Dag Louise! hoe gaat het! en hoe maakt Oom het al?

Louise. (terwijl zij hoed en sjaal aflegt). Zooals doorgaans met het
been in 't kussen. 't Was eene uitkomst, dat ik bij u gevraagd werd,
want anders moet ik met hem jassen of piketten, van dat de dag nog
aan den hemel is tot aan het souper toe, en somtijds tot wij naar
bed gaan: recht vermakelijk!--Dag Fanny! Ben je van daag in een goede
luim?--He! wat laat het beest zijn tandjes weer zien.

Clara. Kom je zoo alleen? Mij dunkt, Caroline had u wel kunnen
afhalen. Zij moet toch één weg met u uit.

Louise. Wel ja! afhalen! Denk je dat de paarden van mijnheer Z. een
omweg mogen maken.

Clara. Een paar grachten! 't Is wel de moeite waard om van te spreken.

Louise. Om geen geld van de wereld! Zoo hij één paard had, dan
zou het kunnen gaan; maar als men er zooveel heeft dan schikt dat
nooit. Let maar op, als zij er straks over begint. Stil! daar hoor
ik een rijtuig. Ja! daar is zij.

Clara. O! welk een allerliefste équipage!

Louise. Beeldige paarden, nietwaar? Net zulke beestjes als de Graaf
van B. had, met wiens dochter ik school lag, en waar wij mede afgehaald
werden als ik er eten ging; maar deze zijn beter onderhouden:--nu! dat
is natuurlijk.

Caroline (treedt binnen: de dames zeggen elkander goeden dag, en er
wordt over en weder naar den welstand enz. gevraagd).

Caroline. En ik hoor, Louise! dat uw oom weder eene àttaque van
podagra gekregen heeft.

Louise. Och ja! Ik geloof, dat hij ook al een losse jongen in zijn tijd
is geweest: en dat breekt hem nu op; want, zooals onze schrijfmeester
op school placht te zeggen: niemand krijgt meer dan hij verdient.

Caroline. Foei, Louise!--àpropos! ik heb eene boodschap bij u gezonden,
om te laten weten, dat ik u wel te huis zou brengen.

Louise. Dat is allerliefst van u: ik hoor, dat uw nieuwe coupé zoo
gemakkelijk is, en ik wil haar graag eens probeeren.

Caroline. Neen maar, ik krijg de coupé niet, ik ga met een slee heen.

Louise. (stoot Clara met den voet aan). Een slee! Nu! als oom zooveel
paarden op stal had als uw vader, zou ik hem wel beduiden, dat hij
mij geen slee stuurde.

Caroline. Ja maar, lieve meid! de paarden zijn van morgen al naar
de kerk geweest en van middag heb ik in de plantage gereden, en papa
moet morgen vroeg naar buiten om een verkooping.

Louise. Kom! er zijn er immers wel zes of acht bij u op stal.

Caroline. Nu ja, maar de nieuwe blessen moeten gemenageerd worden;
en gij wilt de chaispaarden niet voor de coupé spannen?

Louise. Als ik meerderjarig ben en mijn geld binnen heb, zal ik doen
als mijn broer Willem: die heeft twee paarden; maar zij rijden den
heelen dag.

Caroline. Dat is mogelijk; maar wanneer men zijn boel wat netjes
wil houden....

Clara. Allebei suiker en melk, nietwaar?

Caroline. Als 't u belieft. En hoe maakt uw vader het, Clara?

Clara. Wel; maar hij heeft het bijzonder druk; ik zie hem nauwelijks
als aan tafel en wanneer wij collationneeren.

Louise. Zoo! dan heeft hij toch tijd om zijn twaalf-uurtje te kunnen
gebruiken. Hij zal ook als oom, op zijn koffie gesteld zijn.

Clara. Je verstaat mij verkeerd. Ik bedoel, wanneer wij de minuten
vergelijken.

Caroline. Daar begrijp ik niemendal van.

Louise. Uw vader is toch geen horlogiemaker geworden?

Clara (begint aan de dames uit te leggen wat zij door collationneeren
en minuten verstaat. Hare vriendinnen houden zich, uit beleefdheid
of zij haar begrijpen.)

Clara. Wat een allerliefst patroon! Wat moet dat worden? Een
lampekleedje?

Caroline. Neen: een rand voor het tapijt van de groote zijkamer buiten.

Clara. Hemel! welk eene onderneming! Een rand voor die groote kamer!

Caroline. Maak je ook veel tapisseriewerk?

Clara. Ik?--Neen, waarlijk niet: ik heb geen tijd. En wat maakt
gij Louise?

Louise. Een kruintje voor een mutsje voor het aanstaande kind van
mijn schoonzuster.

Clara en Caroline. Charmant! Allerliefst! enz. enz.

Clara. Ik durf mijn werk haast niet voor den dag halen.

Louise. He! wat een kousen!

Clara. Ja! Ik weet niet hoe mijn vader doet. Hij is een best man;
maar hij verslijt schrikkelijk veel kousen.

Louise. Net als oom. Dat komt van die pantoffels.

Caroline. En waarom laat je die niet mazen? Vind je dat werk zoo
vermakelijk?

Clara. Neen; maar dat mazen kost een schrikkelijken boel geld, en of
ik dit doe of wat anders is wel hetzelfde.

Louise. Je doet het keurig netjes, dat moet ik zeggen.

Caroline. Ja, uw werk is meer nuttig dan het onze: enz. enz.

Louise. Wel Caroline! Ben je niet in den derden hemel, nu de ma chère
afgetrokken is?

Caroline. Foei Louise! 't Is mij wel een ijselijk vide, nu zij weg
is. En het spijt mij inderdaad.... als men zoo aan iemand gewoon is....

Louise. Ja! maak mij dat niet wijs. Ge vindt het misschien amusant
van zoo den godganschelijken dag te hooren: tenez vous donc droite:
n' appuijez pas le coude sur la table: prenez du pain dans votre main
gauche. En dan te moeten vragen: Mademoiselle, est-ce que j'ose avoir
de cici? Mademoiselle, est-ce que j'ose faire cela?

Caroline. Dat is geen Fransch: en Juffrouw Siloin sprak zeer goed
Fransch.

Louise. Dan is zij wel de eerste van alle gouvernantes, die niet van
est-ce que en j'ose sprak.--En hou je de correspondentie trouw aan?

Caroline. O! spreek er mij niet van. Ik moet haar volstrekt schrijven;
maar ik heb niets geen plezier in 't brieven schrijven.

Clara. Heb je goede tijding van haar?

Caroline. O ja! maar zij heeft het ongelukkig getroffen; want de
tante bij wie zij zou gaan inwonen, kan haar nog niet ontvangen:
en met haar broeder harmonieert zij beter van verre dan van nabij:
en nu heeft zij eene kamer moeten huren bij een slager, waar zij
's nachts niet slapen kan van 't geweld, en waar het heel vuil is;
maar er is een oude neef van haar, die haar tot gezelschap wil hebben.

Louise. Nu 't is heerlijk! Ja kijk! die dames hebben altijd, als zij
hier zijn, een pietlut op haar lijf nog zoo: niets is haar goed genoeg,
en altijd roemen zij op haar dierbaar land: alsof zij er niet blijven
zouden, wanneer zij het er zoo goed hadden. En komen zij dan te huis,
dan is het ellende met zuur bier. Hier willen zij op zijn best een
theedoek aanvatten: en daar kunnen zij zelven hare kamer stoffen.

Clara. 't Is waar: maar ik beklaag die menschen toch; want al hebben
zij het hier nog zoo goed, zij zijn toch altijd in eene afhankelijke
positie: ik schrobde toch ook liever de straat, dan dat ik van vreemden
af moest hangen, enz. enz. Wil je nog een koekje, Caroline!

Caroline. Ik weet niet of ik wel durf: Ik ben niet gewoon, iets bij
de thee te gebruiken.

Clara. Kom, doe het maar; Juffrouw Siloin ziet het niet.

Caroline. Ik bemin dat gebak anders zeer.

Louise. Ik bemin dat gebak: je l'aime beaucoup! Wel mijn lieve
Caroline! Spreek liever Fransch. Ha! ha! die is goed!

Caroline. Nu dan: ik hou er van.--Maar 't is waar, ik ben zoo gewend,
van in 't Fransch te denken, dat ik de Fransche uitdrukkingen wel
eens letterlijk vertaal.

Louise. Apropos van beminnen. Vertel ons eens Clara-lief! Wij zitten
hier toch onder ons: is het waar, wat mij verhaald is? Heb je Mijnheer
O. bedankt?

Clara. Men weet ook alles. Wie heeft u dat nu weer overgebabbeld? 't
Is waar; maar ik wilde, dat men er niet over sprak. De Heer O. is
zulk een achtenswaardig man.

Louise. Ja; maar ik geloof dat hij een pruik draagt. Ik zou geen man
willen hebben, die een pruik droeg.

Caroline. En hij is al zoo oud.

Louise. Neen; zoo heel oud niet. Even over de dertig; maar een pruik
draagt hij: en men kan ook wel nagaan, waarvan hem al het haar zoo
uitgevallen is.

Caroline. Hoe dat? Ik versta u niet.

Louise. Niet?--Neen. 't Is waar: Juffrouw Siloin zal u dat niet
verteld hebben.

Clara. Louise! Ik geloof, dat gij al rare dingen op school geleerd
hebt. Maar ik heb altijd gehoord, dat de Heer O. een man was van
onbesproken gedrag.

Louise. En hij heeft geld ook.

Caroline. Is hij het niet, die dat lieve wagentje met die
kaneelkleurige paardjes rijdt?

Louise. Juist! En hij heeft, hoor ik, uitgestrekte goederen bij
Doetinchem.

Caroline. Doetichem! Waar ligt dat? dat heb ik nooit hooren noemen.

Louise. Wat! weet je niet waar Doetichem ligt? O! ik dacht er niet
aan. Je zult zeker beter te huis zijn in les Cantons.--Maar onder
ons gezeid, lieve Clara! de menschen zijn verwonderd dat gij hem niet
genomen hebt.

Clara. Inderdaad?

Louise. Wel ja! Iemand, die een lief vermogen en veel verstand heeft,
en er niet kwaad uitziet.

Clara. Ik kan mijn vader zoo niet alleen laten.

Caroline. Maar mij dunkt, uw vader zal wel in zijn schik zijn, als
gij een goede partij deedt.

Clara. Daar heb ik waarlijk mijn naaldenkoker boven laten
liggen.--Excuseert mij: ik kom zoo weer terug.

Louise. 't Is larie van dien naaldenkoker, zij loopt weg, omdat zij
er niet meer over hooren wil.

Caroline. Maar wat verwacht zij dan beter, dan dien Mijnheer O.? Zij
heeft immers geen fortuin hoegenaamd.

Louise. O! dat weet je zoo niet. Haar vader kan haar niet missen. Zoo
zij het huis uitgaat, moet hij zich dadelijk een klerk meer
aanschaffen, zij doet bijna al het schrijfwerk.

Clara, (terugkomende.) Caroline! Speel je nog veel piano?

Caroline. O ja. Ik heb laatst op mijn verjaardag een charmante piano
gekregen:--die moest je eens komen zien.

Clara. Ja! ik wilde wel, dat ik er een had; al was zij zoo heel
uitheemsch niet; maar er is hier geen plaats om haar te zetten. Ik
ben alles vergeten, wat ik geleerd heb: 't is een eeuw geleden,
dat ik muziek heb gehoord of gezien.

Caroline. Nu! Ik zal u eens meenemen naar de Fransche komedie, als
men een mooie opera geeft.

Clara. Ga je nooit naar de Duitschers?

Caroline. Ja! ik ben er verleden winter een paar keer geweest, maar
dat is mij te geleerd; en ik ken er niemand.

Louise. Oom wil niet hebben, dat ik naar de Fransche komedie ga;
hij zegt, dat zij daar zulke indecente stukken geven. Maar wat zou
dat? dan houden wij ons maar of wij het niet begrijpen.

Caroline. Ik begrijp het ook waarlijk niet.

Louise. Juist! zoo moet je zeggen....; maar wat ligt daar voor
een boek?

Clara. Dat is een roman, dien mijn nicht B. mij gezonden heeft,
Ik heb er nog niet veel van gelezen; maar het begin is heel grappig.

Louise. Laat zien.... un bon enfant.... Wel zoo Clara! mag je de
romans van Paul De Kock lezen?

Clara. Och! ik heb zooveel omhanden, dat ik het weer vergeten ben
als ik het uit heb. En dan heb ik liever wat vroolijks, daar ik om
lachen moet, dan al die hoogdravende of treurige boeken.

Louise. Maar hoe vindt je nog tijd om te lezen?

Clara. O! er is tijd voor alles: 's morgens aan het ontbijt lees ik
stichtelijke boeken en 's avonds wat grappigs.

Louise, tegen Caroline. Heb je de romans van Paul De Kock al gelezen?

Caroline. Neen; die mag ik niet lezen.

Louise. Kom! kom! als je naar de Fransche komedie moogt gaan, dan
zullen u die ook geen kwaad doen. Wat lees je dan?

Caroline. Ik heb Trevillian geeindigd en ga nu Godolphin lezen.

Louise. Nu dat is zeker stichtelijk! dan hou ik het met Paul De Kock.

Clara. Ik ook. Ik heb wel hooren zeggen, dat die heel gekke boeken
minder schadelijk zijn, dan die, waarin de hartstochten op eene
meer bevallige wijze worden geschilderd: omdat de laatsten dieper
indruk nalaten.

Louise. Ja! schadelijk of onschadelijk: ik weet voor mij zelve wel
wat mij kwaad zal doen of niet. Bij ons op school mochten wij ook
geene andere boeken hebben, dan die mevrouw X. ons gaf; maar wij
wisten er wel raad op.

Caroline. Hoe deedt je dan?

Louise. Er kwam driemaal in de week een dansmeester uit de stad:
die bezorgde ons boeken uit een leesgezelschap.

Clara. 't Zal een verheven keus van lectuur geweest zijn.

Caroline. Foei!

Clara. En hoe deedt je dan om die onopgemerkt te lezen?

Louise. O! dat ging zeer goed:--ik sliep met nog drie meisjes op een
klein kamertje apart. Als wij in bed waren, werd het licht weggenomen,
maar dan leverde elk op zijn beurt een waskaars. Die werd op een flesch
gezet en met een lucifer aangestoken, en dan lagen wij in bed te lezen,
tot wij slaap kregen. En ook als Mevrouw niet in de schoolkamer was,
dan hielden wij de boeken op den schoot, en keken daarin, in plaats
van op ons werk.

Caroline. En werd dat nooit gemerkt?

Louise. O! eens:--dat was een grap. Juffrouw Faribole, de secondante,
was er achtergekomen; maar terwijl zij bezig was ons geducht de les te
lezen, kwam de meid binnen met een klein mooi ingebonden boekje, dat
zij op de trap gevonden had en vroeg aan wie het behoorde. Juffrouw
Faribole schoot dadelijk toe, als een visch door het water, om het
aan te nemen; maar het was reeds, uit gedienstigheid, zes of zeven
handen doorloopen en de titel overluid gelezen. Het waren de Contes
de Lafontaine. Sedert dat oogenblik sprak zij geen woord meer over
ons lezen.

Caroline. Lafontaine! maar ik heb altijd gehoord, dat die een heel
goede schrijver was; ik heb ten minste fabels van hem gelezen.

Louise. Ja, maar er zijn er twee. [84]

Clara. O ja! Er is ook August Lafontaine, die romans geschreven
heeft. Ik heb er wel van gelezen, maar dat is ijselijk sentimenteel
en schwermerisch.

Louise. Dat is wel mogelijk; maar het boek van juffrouw Faribole
was geen roman, en moet al een heel slecht boek geweest zijn; want
toen ik het in de vacantie aan Oom vertelde, heeft hij aan Mevrouw X
geschreven, dat ik niet weer op school zou komen, tenzij de secondante
werd weggezonden. Maar zij was al weg om eene andere reden.

Caroline. En welke?

Louise. Zij had een vrijerijtje aan de hand met een officier, die
toen te B. in garnizoen lag;--een knappe jongen; maar mij beviel
hij toch niet recht. Nu sprak zij hem bijna alle avonden aan 't eind
van het perk: wij wisten het allemaal wel;--maar wie wil zulke dingen
vertellen? Eens hebben wij een grap gehad: die moet je hooren. Men was
bezig de boerderij te witten: daar nam eene van ons, die strafwerk
gekregen had, en het de juffrouw betaald wilde zetten, den kalkpot
en den witkwast, en besmeerde er het boerenhek mede, waarover de
twee gelieven zich gewoonlijk met elkander onderhielden. De maan
scheen juist, en belette hun dus de poets, die hun gespeeld werd, te
ontdekken. 's Avonds kwam, zooals ik naderhand hoorde, de Officier met
twee witte mouwen op de sociëteit, en de sjaal van juffrouw Faribole
was glad bedorven.

Caroline. Foei! dat was toch wat te erg.

Clara. Van wie is die koets, die daar voorbijgaat?

(De drie dames kijken het raam uit. Op dit oogenblik gaat een
welgekleed heer in politiek, maar met knevels en eene militaire
houding, voorbij en groet. De meisjes beantwoorden zijn groet en
treden alle drie terug.)

Louise. Wel, is het mogelijk! als men van den wolf spreekt.... maar
waarom kleur je zoo. Clara?

Clara. (verlegen) Kleur ik? (Zij neemt Fanny op haar schoot en
streelt hem).

Louise. En gij ook, Caroline! zoo waar ik leef.

Caroline. Ik? Maar wat meen je toch? Je kleurt zelve het meest van
ons drieën.

Louise. Wel geen wonder! dat zal ik u dadelijk zeggen. Ken je dien
Officier?

Caroline. Het is de Heer van T., die hier in garnizoen ligt.

Louise. Wel nu! Hij is het juist, van wien ik u vertelde, en daarom
ontstelde ik, toen ik hem zoo op eens terug zag. Nu! hij heeft toch
niet mooi met juffrouw Faribole gehandeld; want toen de intrige
ontdekt, en zij naar huis gestuurd was, heeft hij zich volstrekt niet
meer over haar bekommerd; hij had juist zooveel andere minnarijtjes
aan de hand.

Caroline. (verlegen) Ja! ik heb het wel gehoord, dat al de heeren niet
veel deugen. Hij is anders iemand die een zeer aangename conversatie
en een perfecten toon heeft; en zoo hij al een los grapje gehad heeft,
het is aan zijn stand en jaren toe te geven, en misschien heeft hij
zich gebeterd.

Louise. Waarlijk! daar begint onze deftige Caroline op eenmaal vuur
te vatten. Nu spijt het mij, dat ik u zooveel verteld heb.

Clara. Mij niet: en ik vraag u ernstig af, Louise! of het alles
waar is, wat gij van den Heer van T. verteld hebt, dan of het maar
praatjes zijn?

Louise. En zij ook al? Maar mij dunkt, waarlijk, dat uwe oogen
glinsteren. Zou die Luitenant de bien aime zijn? Aha! Nu begrijp
ik waarom mijnheer O. bedankt werd. Zij kon papa niet verlaten, het
lieve kind! Clara! Clara! pas op! Wij noemden op school den Luitenant:
l'amoureux des onze mille vierges.

Caroline. (de toppen harer vingers bekijkende) Maar als hij zich nu
toch voor goed wil etablisseeren.

Louise. Juist, hij zal nu gaan zingen:


            Oui, c'en est fait: je me marie enz.


Maar de vraag is: met wie van u beiden?

Clara. Niet met mij, want na hetgeen ik van hem gehoord heb, zou ik
hem hartelijk bedanken.

Caroline. (Een weinig scherp). Maar heeft hij u dan gevraagd?

Louise. Hier zal nog twist en misverstand komen, zoo ik het niet
verhoed. Komt, laat ons doen gelijk wij op school deden, wanneer
er oneenigheid was. Wij zullen rechtertje spelen. Ik zet mij hier
neer. Maar nu moet gij beiden trouw de waarheid spreken.

Caroline. Ik weet niet of....

Louise. Geen genade! Biechten moet je. Maakt de Luitenant u zijn hof?

Clara. (In hevige spanning) Caroline! Ik bezweer u: zeg mij, maakt
Mijnheer Van T. u zijn hof?

Caroline. (half schreiende) Ik weet niet.... ik geloof.... van ja.

Clara. Dan is hij een diep verachtelijk wezen.

Caroline. Hoe!.... gij zegt.... (zij begint sterk te beven) Zoo ik
durfde.... maar.... (zij tast in haar boezem en een briefje vertoont
zich)

Louise. Zoo! ben je al in correspondentie samen? Ik dacht, dat je
niet hield van brieven schrijven.

Caroline. Ik heb hem nog niet geantwoord.... ik wist niet.... ik
was altijd gewoon, alles wat ik ontving aan Juffrouw Siloin te
vertoonen:.... ik wist niet aan wie ik dit briefje zou laten
zien.... ik was bang dat papa....

Louise. Geef! (zij doorloopt den brief) Waarlijk een formeele
declaratie! Het spijt mij voor u, Clara!--en voor mij zelve; want
ik zal het maar gul bekennen: hij heeft mij, toen ik school lag, ook
het hof gemaakt; maar ik had geen zin in hem. Hij had een kameraad,
die mij veel beter beviel. Ik herken zijn hand nog: hij schreef lieve
briefjes op rosé papier.

Clara. Mij heeft hij niet geschreven; maar dat verstaat zich. Hij wilde
zich met mij niet compromitteeren. Gij beiden zijt rijke partijen;
dat was heel wat anders;--maar mij--mij dus te misleiden, die in
den waan verkeerde, dat het louter liefde was, die hem dreef!--O die
lafaard!--Caroline, van welke dagteekening is dat briefje?

Caroline. Van gisteren. Hij heeft het mij in de komedie in de hand
gestopt.

Clara. En hij had mij, een oogenblik te voren, op deze plaats
eeuwige liefde gezworen! O, hoe ben ik gestraft! Nu zie ik, wat zijne
bedoelingen waren! Gerechte Hemel! ben ik dan zoo verachtelijk, dat
een zoogenaamd fatsoenlijk man zich niet schaamt mij met oneerlijke
oogmerken zijn hof te maken? Is mijne familie niet zoogoed als die
van iemand hier?

Caroline. Mijn lieve Clara! Ik kan het waarachtig niet helpen. Ik
wist niet.... ik ben recht ongelukkig....!

Louise. (zingende) Ah! que les hommes sont méchants.

Caroline. Wie kon ook zoo iets verwachten?

Louise. Stil! en wenscht elkander liever geluk, dat u de oogen zijn
opengegaan; want die schelm was op weg, om eene van u, zoo niet beiden,
ongelukkig te maken.

Caroline. Ik wil niets meer van hem weten.

Clara. Ik ban hem voor altijd uit mijne gedachten.

Caroline. Ik zal hem zijn briefje verscheurd terugzenden.

Louise. Neen! nog beter: laat Clara het in eene enveloppe doen en
hem doen toekomen met de vermaning, van in 't vervolg liever in 't
geheel niet te schrijven;--want, zooals een oud philosoof zeer juist
heeft aangemerkt: woorden vervliegen, maar letters blijven. Zij kan
dan met de les van Vader Cats besluiten:


                    Twee op eenen tijdt te vrijen
                    Siet men selden wel bedijen.


De raad der vroolijke Louise werd gevolgd, en hare beide vriendinnen
hebben naderhand geen last meer van de aanzoeken des Luitenants
gehad. Tot verder naricht kan ik vermelden, dat de beminnelijke Clara,
het ware boven den schijn hebbende leeren op prijs stellen, thans de
bruid is van den achtingswaardigen Heer O., die zich gelukkig door eene
eerste weigering niet uit het veld heeft laten slaan. Louise speelt
nog trouw jassen met haar Oom, en dit stille leven, benevens den
omgang met hare lieve schoonzuster, begint hare schoolsche wildheid
wat te temperen. Caroline erlangt, sedert zij op zich zelve staat,
zachtjes aan meer vastheid van karakter. Aan minnaars ontbreekt het
haar niet; maar zij aarzelt nog eene keuze te doen. Hooren wij eens
iets meer bepaalds omtrent haar, wij zullen niet nalaten, zulks aan
onze Lezeressen mede te deelen.



DRIE JONGENS BIJ 'T BELEG VAN LEIDEN.

Hoe de jongens in de zestiende eeuw krakeelden en vochten, gelijk in
de negentiende.


Gij kent waarschijnlijk allen, mijn jonge vrienden! althans in
de hoofdtrekken--of 't zou wel schande wezen--de geschiedenis van
't beroemde beleg van Leiden. Immers, waar van den opstand onzer
voorvaderen tegen Spanje gesproken of geschreven wordt, daar vergeet
men niet, melding te maken van de standvastigheid, waarmede de Leidsche
burgers, maanden achtereen, niet alleen tegen den vijand, maar ook,
wat nog bezwaarlijker was, tegen hongersnood, pestziekte, gebrek,
verraad, verleiding en tweespalt kampten. Daar ik alzoo onderstel,
dat u de voornaamste bijzonderheden van dat beleg bekend zijn, is
het geenszins mijn plan, u hier te herhalen, wat gij elders beter en
breedvoeriger lezen kunt, maar wil ik u enkel eenige schetsen leveren,
waarin ik knapen opvoer nog van jeugdigen leeftijd evenals gij, doch
die ter gelegenheid van dat beleg geene geheel onbelangrijke rollen
speelden. Ik vlei mij, dat gij, wat ik u omtrent hen heb mede te
deelen, niet zonder genoegen en nut zult lezen. Vooraf echter moet ik
u waarschuwen, dat ofschoon mijn verhaal, wat de hoofdzaken betreft,
niet van de historische waarheid zal afwijken, ik echter enkele
omstandigheden van luttel gewicht uit mijn verbeelding heb bijgebracht,
om daardoor aan mijn vertelling meer kleur en ronding te geven:--waarom
ik u dan ook aanraad, later bij onze geschiedschrijvers of bij
voorbeeld in het belangrijke boekje, getiteld: Leidens belegering en
ontzet in 1573 en 1574 (te Leiden bij D. Noothoven Van Goor, 1853)
de geschiedenis nog eens aandachtig na te lezen: gij zult dan vanzelf
gewaar worden, wat in mijn vertelling waar is, en wat waar kon wezen.



Het was op Maandag den 23sten Juni 1572, dat de stad Leiden de zijde
van den Prins van Oranje gekozen en den Hertog van Alva tot vijand
verklaard had. Hoewel zulks zonder merkbare opschudding had plaats
gehad, waren er echter hier en daar eenige baldadigheden aan kerken,
kloosters en geestelijke gestichten bedreven, die natuurlijk den wrevel
en 't misnoegen der Roomschgezinde ingezetenen hadden opgewekt. De
Overheid, begrijpende, dat alleen eensgezindheid onder de burgers
in staat was, de stad tegen den algemeenen vijand te beschermen,
vaardigde hierom een publicatie uit, waarbij zij hen tot eendracht
maande en de zoodanigen met straf bedreigde, die iets verrichtten wat
de goede harmonie en orde konde storen. Doch hoe wijs en verstandig
zulk een maatregel ook wezen mocht, en hoezeer hij belette, dat de
burgers eenige dadelijkheden tegen elkander bedreven, hij kon niet
verhinderen, dat zij, die in politieke en godsdienstige denkwijze
van elkander verschilden, elkander met den nek bleven aanzien en er
nu en dan ergerlijke tooneelen plaats hadden.

Tusschen de volwassenen bepaalde zich dit echter bij woorden, maar niet
alzoo tusschen de jonge knapen. De kinderen van die dagen, zelfs die
van deftigen huize, leefden meer op straat dan tegenwoordig plaats
heeft, en zoo waren zij veel meer in de gelegenheid elkander ieder
oogenblik te ontmoeten. Nu scholden de knapen, wier ouders de Hervormde
leer waren toegedaan, de zoons van Roomsch-Katholieke ouders voor
Papisten en Kardinalisten (aanhangers van den Kardinaal Granvelle),
en wederkeerig gaven de laatstgenoemden aan de andersdenkenden den
scheldnaam van Geuzen. Van woorden kwam men niet zelden tot daden:
en menige jongen kwam thuis met een blauw oog, een bebloeden neus of
een buil in den kop, met eenige vlokken haar minder op 't hoofd en
eenige gaten of scheuren meer in zijn wambuis of broek: ja 't liep
zoo grof, dat men zich aan weerskanten tot partijen vormde, tusschen
welke eerlang regelmatige gevechten plaats hadden, waarin nu de eene,
dan de andere zijde het onderspit dolf.

Dat was zeer verkeerd, elkander dus uit te jouwen en te slaan, omdat
men tot een verschillend kerkgenootschap behoorde. Doch ik wil er die
knapen niet hard over vallen, immers zij leefden in een tijd, toen
de strijd over geloofspunten schier overal de lieden tegen elkander
in 't harnas had gejaagd: toen de Hervormden aan de Roomschgezinden
verweten dat dezen hun geloof door brandstapels en schavotten wilden
doen zegevieren, en de Roomschgezinden wederkeerig aan de Hervormden,
dat dezen zich niet ontzagen kerken en kloosters te verwoesten en
onschuldige priesters en nonnen te mishandelen.

Nu zegt het spreekwoord:


                    Als de ouden zongen,
                    Zoo piepen de jongen,


en dat spreekwoord was ook hier bewaarheid geworden.

Wanneer menschen, groot of klein, zich tot het een of ander doel
vereenigen, dan kiezen zij zich doorgaans een of meer hoofden
of leidslieden: en zoo hadden zich ook weldra de beide vechtende
partijen elk een aanvoerder gekozen: de Roomschgezinde jongens zekeren
Gijsbrecht Korneliszoon Schaeck, een dikken, stevigen krullebol, zwart
van haar en wenkbrauwen, met een breeden platten neus, een frissche
gezonde kleur, een wijden mond, van hagelwitte tanden voorzien, en een
paar groote heldere, vroolijke blauwe oogen:--de Protestanten zekeren
Willem Aelbrechtz Berkheij, of Barkeij, een knaap, wiens ouders van
Schotsche afkomst waren. Deze knaap had wit blond haar en lichtbruine
oogen: zijne trekken waren regelmatig en fijn, en, hoezeer zijn gelaat
mager en bleek, ja eenigszins van de kinderziekte geschonden was,
had hij over 't geheel een innemend voorkomen. Beide knapen waren
ongeveer van gelijken leeftijd, tusschen de veertien en vijftien jaar;
Schaeck muntte meer uit door lichaamskracht en kloekheid; Berkheij
door behendige vlugheid en schrander overleg. Schaeck was een bol in
't kaatsen en kegelen; Berkheij had zijn gelijke niet in 't knikkeren
en balgooien. Schaeck was sterk als een stier en wist stompen en
stooten te geven, die iemand omver deden tuimelen; Berkheij was glad
als een aal en volleerd in de kunst van zijn weerpartij 't beentje
te lichten. Nu ging er bijna geen dag om, of de twee partijen waren
handgemeen, en hunne ouders, in stede van zulks te verbieden, lieten
hun stil hun gang gaan, zoo zij hun dwaasheid niet nog aanmoedigden.


Van de groote kloppartij bij de Pieterskerk.

Eens, in 't laatst van Augustus van datzelfde jaar 1573, stond Schaeck
weder met een hoop jongens op het plein bij de Pieterskerk, toen hij
van verre Berkheij en de zijnen langs de Kloksteeg naderen zag.

"Past op, jongens!" riep hij: "daar is dat Geuzenvolkje weer: dezen
keer zullen zij den dans niet ontspringen.--Hier Olfert! gij met drie
jongens achter de kerk: gij, Piet Pietersz. met drie anderen ginds
om den hoek achter 't Begijnhof, ik blijf hen met de overigen hier
afwachten: wij trekken samen terug: zij vervolgen ons, en als zij
voorbij zijn, dan springt gij van weerszijden uit uwe schuilhoeken
voor den dag en toffelt hen op den rug, dat zij voorover buitelen."

Aan het bevel werd gehoorzaamd: de beide toegesproken knapen met hun
makkers begaven zich in de hun aangewezen hinderlagen: en Schaeck,
de overigen om zich heen houdende, veinsde met hen in een diep gesprek
te zijn en den naderenden vijand niet te bemerken.

De krijgsmanoeuvre, hoeveel eer zij deed aan de tactiek van
den bevelhebber, was echter niet zoo vlug in haar werk gegaan,
of Berkheij had er van verre iets van bespeurd en terstond van zijne
zijde besloten, daarvan partij te trekken ten zijnen eigenen voordeele
en ten verderve van den vijand. Zijn oogmerk met één woord aan zijne
kameraden bekend gemaakt hebbende, trad hij bedaard vooruit; doch
nauwelijks was hij op de hoogte van 't Begijnhof, of, in plaats van
op Schaeck aan te vallen, zwenkte hij met zijn geheele bende rechts,
stormde den hoek van 't Begijnhof om, en trok daar Piet Pietersz.,
eer deze 't verhoeden kon, de beide beenen van onder 't lijf weg,
zoodat de arme jongen op een alles behalve zachte wijze achterover
rolde, terwijl zijn drie makkers door die van Berkheij deerlijk werden
toegetakeld en zoogoed als buiten 't gevecht gesteld.

"Weergasche Geuzen!" riep Schaeck, die inmiddels tot ontzet der zijnen
aansnelde: "dat zult gij mij betaald zetten," en onder 't uitspreken
dezer woorden deelde hij rechts en links stompen uit, ten gevolge
waarvan een zijner weerpartijders met bebloeden neus van het slagveld
terugweek, en een ander, die een vuiststoot in de maag ontvangen had,
langen tijd vruchteloos naar zijn adem hijgde. Berkheij, nederduikende,
sloeg den arm om de knie van Schaeck, met oogmerk om hem van de baan
te lichten; doch de andere pakte hem zoo geweldig bij den strot, dat
hij het been moest loslaten en zijne handen gebruiken om zich van den
greep zijns vijands vrij te maken. Intusschen was de strijd algemeen
geworden: en er waren al verscheidene oogen blauw en verscheidene
wambuizen gescheurd, toen iemand, wiens tusschenkomst niet verwacht
noch voorzien werd, zich in den strijd kwam mengen. Het was een deftig,
welgekleed heer, wiens voorkomen den aanzienlijken burger, en, meer
nog den kloeken en welberaden man verkondigde. Met een zijner vrienden
van achter de kerk omkomende, had hij het gevecht nauwelijks gezien,
of, begrijpende dat het onnut ware hier woorden of bedreigingen
te verspillen, trad hij toe en trommelde de vechtende knapen met
zijn rotting zoo geducht op de knokkels of op den rug, dat zij huns
ondanks wel moesten uitscheiden. Zijn medgezel volgde dit voorbeeld
en weldra waren al de vechtenden rechts en links teruggestoven, en
bleven alleen Schaeck en Berkheij nog over, die beiden met bebloed
gelaat en vaneengereten kleederen op den grond lagen te worstelen en
het niet schenen te willen opgeven.

"Schaamt gij u niet?" vroeg de onbekende, hen met geweld van elkander
rukkende: "is dit manier van doen tusschen Leidsche jongens onder
elkander? Komt! staat spoedig op, en geeft elkaar de hand."

"Hij scheldt mij voor Geus uit," bracht Berkheij al hijgende en
stotterende uit.

"En gij hem voor Papist," zeide de vreemde heer: "dat weten wij
al lang. Maar dat is nu juist wat de Heeren van de Regeering niet
hebben willen. Aan dat uitschelden moet een einde komen en niemand
mag om zijn geloof gemolesteerd worden. Komt! geeft elkander geen
namen meer; gij zijt immers allen brave jongens onder mekaar. Geeft
elkander liever de hand en laat het uit zijn."

Berkheij voldeed, hoewel schoorvoetende, aan de uitnoodiging; doch
Schaeck keerde zich wrevelig om, en al mompelende, dat de "menheir"
goed spreken had en zeker zelf waarschijnlijk wel een Geus was,
droop hij knorrig af. Het gevecht werd toen echter niet hervat, en
evenmin de volgende dagen, vermits er op den 30sten dierzelfde maand,
ten gevolge der dringende vertoogen, door dien zelfden vreemden
heer bij de Regeering gedaan, een publicatie verscheen, waarbij
die straatgevechten verboden werden op een boete van drie gulden
voor ieder jongen, door de ouders of opzichters te betalen; terwijl
wie geen geld had, op water en brood gezet zou worden. Dit werkte;
want noch de ouders van Schaeck, noch die van Berkheij, noch die van
Olfert of Piet Pietersz. waren lieden, wien 't erg zou geschikt hebben,
om den wille hunner baldadige jongens drie gulden boete te betalen;
waarom zij hun dan ook het vechten wel streng verboden;--maar met
dat al was tusschen de knapen de wrevel niet geweken en meermalen
had men Schaeck hooren zeggen, dat borgen geen kwijtschelden was,
en dat hij zijn leed nog eens geducht op Berkheij zou wreken.


Waar het koekhakken al toe leiden kan, en hoe Schaeck wraak nam
van Berkheij.

Niet lang na het gebeurde was Haarlem door de troepen van Alva
belegerd geworden en dit had aanleiding gegeven, dat er bezetting
in Leiden gelegd werd. Zoo was op 8 October de Heer Van Assendelft
met een vendel aldaar gekomen, die op 3 Februari 1573 door Jonkheer
Jacob Van Egmond vervangen werd. De krijgsknechten in die dagen waren
gewoonlijk vergezeld van een hoop zoetelaars, vrouwen en knapen,
allen tot den tros of trein behoorende en bestemd om den soldaten
onderscheidene diensten te bewijzen. Er bestond in die dagen nog in
't algemeen weinig krijgstucht; maar vooral was dit het geval met
de zoogenaamde huursoldaten. Dezen waren doorgaans niet veel meer
dan een samenraapsel van ongebonden gelukzoekers, die schrale soldij
bekwamen en ten koste van vriend en vijand teerden. Maar waren zij
overal, waar zij zich vertoonden, een plaag en een last voor burgers
en boeren, nog bonter maakten zij het, die tot den tros behoorden, en
dit was te Leiden ook het geval:--zoodat er door de Magistraat aldaar
meer dan eene publicatie werd uitgevaardigd om de vrouwen en kinderen
van de uitheemsche soldaten te weren. Dat er tusschen die trosknapen
en de Leidsche jongens ook nu en dan vechtpartijen ontstonden zal
men licht beseffen, en dit had ten gevolge, dat de publicatie van
30 Augustus, waarvan hierboven gesproken is, den 18den Februari
1573 moest worden hernieuwd; terwijl bij publicatie van 21 Maart
door het Bestuur nogmaals een besluit werd afgekondigd, waarbij aan
alle soldaten-vrouwen en jongens gelast werd, de stad te verlaten,
op veertien knapen na, die tot de dienst der Fransche Kapiteins
Androssy en Chevalier en des Graven Baselot werden uitgezonderd.

Eens--het was nu in 't laatst der maand Mei--gebeurde het, dat onze
vriend Schaeck zich met zijn trouwe makkers Olfert en Pietersz. naar
de Hoogewoerd begaf (waar sedert de komst der bezetting voortdurend
kramen stonden met koek en krakelingen), ten einde aldaar zich
met koekhakken te vermaken. Dan nauwelijks waren zij in 't gezicht
van het einddoel hunner wandeling gekomen, of zij bespeurden reeds
dat aldaar iets buitengewoons, waarschijnlijk weer een vechtpartij
plaats had. 't Was toen evenals heden: is er ergens een standje,
dan moeten de jongens er bij zijn: en zoo draafden ook Schaeck
en zijn vrienden, zoo hard als hun holsblokken het maar toelieten,
naar de koekkramen toe. Hoezeer zij al nader en nader bijkwamen, viel
het hun echter moeilijk te onderscheiden wat er eigenlijk gaande was,
want er stond een kring soldaten en leegloopers om de vechtenden heen;
doch eindelijk ontwaarden zij dat het twee vechtende jongens waren,
waarvan de nederliggende, de kleinste van de twee, deerlijk door den
grootste geslagen werd. De omstanders lachten of keken onverschillig,
en er was niemand, die er aan dacht de vechtenden te scheiden.

"Foei!" zeide Schaeck, toen hij bespeurde wat er gaande was, "is dat
niet een schandaal, dat de grootste den kleinste slaat?"

"Laat hem maar begaan," zeide Olfert, zijn handen wrijvende: "zie
je niet, wie het is, die daar zijn vet krijgt, 't is Berkheij, nu,
dat heeft hij lang verdiend."

"Om 't even," zeide Schaeck: "Berkheij moge een Geus zijn, 't is
in allen gevalle een Leidsche jongen, en die andere is een vreemde
trosknaap, dus, ik trek voor de Leidenaars partij." En meteen door de
omstanders heendringende, sprong hij op de twistenden toe, en pakte
den vreemden trosknaap bij den kraag.

"Hei daar!" riep hij: "laat dien jongen los: je ziet immers, dat het
je portuur niet is."

"Dank je, Schaeck!" zeide Berkheij: "zonder jou ging die vervloekte
Waal mij wurgen."

De trosknaap, een lange, vijftienjarige, sterkgespierde jongen, die,
bij 't leger opgevoed, boven de Leidsche knapen het voordeel had
van in de scherm- en vechtkunst wel geoefend te zijn, trad met een
grimmigen blik op Schaeck toe.

"Dat zul je mij betaald zetten," zeide hij: "waar bemoeit gij je
mee?" En meteen hief hij zijn arm op en bracht Schaeck een slag toe,
die hem zou nedergeveld hebben, doch die nu, daar de andere even
bukte, alleen het gevolg had, dat die hem de muts van den kop deed
vliegen; hij ontving echter van dezen een stomp terug die ook niet
mis was, en nu gingen zij voort met elkander stompen en slagen toe
te dienen. De vreemde knaap had, als ik zooeven zeide, het voordeel
van meer geoefend te zijn, doch hij was reeds wat vermoeid door
zijn vorig gevecht, terwijl Schaeck nog frisch en krachtvol was:
't geen de kans meer eenigszins gelijk maakte. De omstanders, verre
van een poging aan te wenden om hen te scheiden, vermaakten zich met
den strijd te aanschouwen, en moedigden zelfs de beide kampvechters
aan: "Braaf zoo, Leeuwtje!" riepen de soldaten: "geef hem van de
korteletten!" [85]--"Pas er op!" schreeuwden de Leidenaars, "laat u
door dien Waal niet overbluffen!" en zoo vochten zij voort alsof een
van beiden er bij moest neervallen.

Maar nu klonk eensklaps een barsche stem:

"Hoe is het? Worden de publicatiën op deze wijze in acht genomen?"

De omstanders zagen om: de burgers weken eerbiedig terug en de
soldaten maakten bedremmeld plaats: een hunner nam den trosknaap bij
de schouders en schoof hem op zijde, terwijl Berkheij, die inmiddels
bekomen was, Schaeck bij de mouw trok en hem influisterde: "Pak u weg,
daar is onze nieuwe Burgemeester."

Schaeck keek op en herkende nu in den nieuwaangekomene denzelfden
heer, die hem nog eens in een vuistgevecht gestoord had, en die
niemand anders was dan de beroemde Pieter Adriaansz., bijgenaamd
Van der Werff, die, na lang rondgezworven te hebben, ten vorigen
jare in zijn geboortestad teruggekomen en nu onlangs (den 17den Mei)
tot Burgemeester benoemd was. Nu wilde Schaeck zich wegmaken; maar
een van de omstanders, die zeker zijn ijver wilde toonen, hield hem
vast en trok hem voor Pieter Adriaansz.

"'t Is goed zoo!" zeide deze tot den burger: "maar gij hadt
beter gedaan hem straks het vechten te beletten, dan hem nu aan te
houden. Waarlijk!" vervolgde hij, den knaap beschouwende, "ik geloof
dat dit niet de eerste keer is, dat ik u zie plukharen.--En waar is
die andere gebleven?"

"Die is hier," zeide een heer, die met den Burgemeester gekomen was,
en den trosknaap had vastgehouden op het oogenblik dat hij ontsnappen
wilde: "bij mijn ziel! een wakkere knaap!" voegde hij er binnensmonds
bij.

"Ik dank u, Hopman!" zeide Pieter Adriaansz.: "Ik zie, dit is hier
weer een twist, uit het koekhakken voortgekomen. 't Is hoog tijd,
dat daartegen gewaakt worde. Hoe is uw naam?" vervolgde hij, zich
tot den trosknaap wendende: "gij zijt niet van hier, geloof ik."

"Ik heet Roelof Arentsz., bijgenaamd 't Leeuwtje," antwoordde de knaap:
"en behoor bij het vendel van den Kapitein Baselot."

"Nu! gij zult nader van mij hooren," hernam de Burgemeester: "ik
heb geen macht om u te straffen; doch ik zal dit aan uw Kapitein
overlaten. En gij"--hier nam hij Schaeck bij den kroeskop en keek
hem vlak in 't aangezicht: "hoe heet gij?"

"Gijsbrecht Korneliszoon Schaeck," antwoordde deze, hem met
vrijmoedigheid aanziende.

"Welnu, Gijsbrecht Korneliszoon Schaeck! dit is de tweede reis dat
ik u met eigen oogen vechten zie, en daar het mij blijkt, dat gij een
verstokte zondaar zijt, zult gij acht dagen op water en brood zitten
op den Gravesteen."

"Mijnheer! dat is niet billijk!" zeide Berkheij, zich plotseling voor
den Burgemeester stellende.

"En waarom is dat niet billijk, jonge spring-in-'t-veld?" vroeg deze,
de wenkbrauwen alles behalve vriendelijk samentrekkende.

"Omdat!" antwoordde Berkheij, "zoo er iemand op water en brood moet
zitten, ik het in dit geval moet wezen; want ik heb eigenlijk met dien
anderen jongen gevochten omdat wij ruzie kregen over 't koekhakken,
en Schaeck is mij komen ontzetten."

"Ja, ja! dat is zoo!" riepen Olfert en Piet Pietersz. ter bevestiging.

"Ei zoo?" zeide Pieter Adriaansz.: "maar mij dunkt.... waart gij
de knaap niet, wien ik verleden zomer vechtende vond met denzelfde,
die u thans te hulp is gekomen?"

"Ja, Heer Burgemeester!" antwoordde Berkheij.

"Juist! Hij wilde u toen de hand niet geven. Zijt gij dan sedert
goede vrienden geworden?"

"Dat juist niet," zeide Schaeck: "maar hij is een Leidsche jongen,
en die andere is een Waal."

"Jou moeders zoon moge een Waal zijn!" riep Roelof Arentsz., bijgenaamd
het Leeuwtje: "mijn moeder was van Leiden, en heeft gediend als
zoetelaarster onder den Graaf van Egmond, wiens ziel bij God is."

"En gij dient nu als trosknecht bij Kapitein Baselot?" vroeg de Hopman,
die den Burgemeester vergezelde;--"en zoudt gij geen zin hebben zelf
de piek te dragen?"

"Dat beloof ik u," antwoordde het Leeuwtje, terwijl zijn oogen
glinsterden.

"Welnu! ik ben de vrij-vechtmeester [86] Andries Allertsz., wien de
Heeren van de stad gecommitteerd hebben, om de namen op te schrijven
van al wie vrijwillig ten dienste der goede stad Leiden de wapenen
opvatten. Ik geloof dat gij aanleg hebt en ik zal aan uw Kapitein
vragen, of hij u aan mij wil overdoen: ik zal zien of ik een goed
soldaat van u maken kan."

"Zeer goed zoo," hernam de Burgemeester: "maar zoo hij een Leidenaar
is, dan moet hij mij ook beloven met de andere Leidsche jongens in
vrede te leven en hun daarop de hand geven; en gijlieden zult onderling
hetzelfde doen," vervolgde hij tot Schaeck en Berkheij, "onder die
voorwaarde alleen zal aan elk uwer de straf worden kwijtgescholden."

De knapen, blijde er zoo af te komen, haastten zich aan het bevel te
voldoen, en dit te gereeder, omdat zij werkelijk geen wrok meer tegen
elkander voedden. Berkheij was aan Schaeck dankbaar voor de hem bewezen
hulp: en deze achtte Berkheij voor zijn edelmoedige tusschenkomst bij
den Burgemeester. Zij werden dan ook van dit oogenblik even trouwe
vrienden als zij vroeger vijanden geweest waren, en hielden eveneens
goede kennis met het Leeuwtje, sedert zij in dezen een stadgenoot
erkenden. Het koekhakken werd bij publicatie verboden.

Maar wat dunkt u van de wraak, die Schaeck genomen had?


Hoe het met het Leeuwtje afliep.

Hopman Allertsz. had zijn woord gestand gedaan, en, met toestemming van
den Waalschen Kapitein, den jongen Arentsz. aangenomen bij het vendel,
dat ter beproeving van het ontzet van Haarlem werd opgericht. Dat
ontzet mislukte, gelijk u bekend is: Haarlem zag zich verplicht, zich
aan den Spanjaard te onderwerpen en billijk konden die van Leiden
verwachten, dat zich de vijand eerlang bij hen voor de poort zoude
vertoonen. De bezetting werd er ook aldra belangrijk vermeerderd, wat
aan de eene zijde den burgers wel eenige gerustheid kon inboezemen,
doch aan de andere zijde nieuwe aanleiding tot gedurige twisten
en krakeelen gaf: zoodat er nieuwe proclamatiën moesten worden
uitgevaardigd, waarbij aan de soldaten op doodstraf verboden werd
baldadigheden te plegen. Eene dier proclamatiën gold wederom de
jongens, aan wie verboden werd, "voortaen eenijghe kouck met bijlen,
houwmessen oft dergelijcke instrumenten te hacken, houwen of slaen,
op verbeurte van heur opperste cleet ten behouven van 's Heeren
dienaers--dat men nochtans" zoo luidde 't verder, "zou mogen lossen
voor VI st., ende sal bovendien de cramer of craemster, die deselve
hackinge off houwinge sal gehengen, telcken van gelijcken verbeuren
VI st. ten behouve als voren."

Intusschen waren de Spanjaards reeds begonnen eenige schansen om
Leiden op te werpen: en in October nam het beleg een aanvang. De
beroemde Juliaan Romero leide zijn troepen in de omliggende dorpen
en trok voorts naar Brabant, het bevel aan Valdez overlatende, die
eerlang de stad nauw insloot.

Welke maatregelen de Regeering van Leiden in deze omstandigheden nam,
om den vijand af te weren, hoe er orde gesteld werd om met de aanwezige
eetwaren toe te komen, hoe er noodmunten geslagen werden van papier,
hoe er door deftige vrouwen inzamelingen werden gedaan ten behoeve der
noodlijdenden, dit alles zal ik hier niet ophalen: veel min daarover
in bijzonderheden treden. Want ik schrijf hier geen geschiedenis van
't beleg, maar vertel alleen deze en gene omstandigheid, sommige
Leidsche jongens betreffende. Ik spring dus eenige maanden over, en
zal u herinneren hoe, toen in Februari 1574 Graaf Lodewijk van Nassau
dien inval aan de zijde van de Maas deed, die hem een maand later zoo
duur kwam te staan, de Landvoogd Requesens het krijgsvolk uit Holland
ontbood om hem te keer te gaan. Het gevolg daarvan was dat Leiden van
't beleg ontslagen en op den 25sten Maart de poorten werden opengezet.

Nauwelijks van den vijand verlost, zorgde men ook den overlast van
binnen kwijt te raken en zond alle soldaten de stad uit, behalve
alleen de vrijwilligers van Andries Allertsz. Men ging weer aan 't
bouwen en beplanten van de omgeworpen muren en tuinen: men maakte
zich gereed, de kermis als vanouds, vroolijk te vieren; men luidde
die op 23 Mei meteen sierlijken omgang der schutters in; en, maar
twee dagen later stond Valdez opnieuw met een aanzienlijke krijgsmacht
voor de poort. Het was bij het eerste alarm, door 's vijands nadering
verwekt, dat de Hopman Andries Allertsz., die hem met een dertigtal
burgers en soldaten was tegengetrokken, als eerste slachtoffer van
dit tweede beleg moest sneuvelen. Het Leeuwtje, dat zich wakker onder
hem gekweten had, ging nu dienen onder den Heer van Noordwijk, den
beroemden Johan van der Does, die hem alreede onderscheiden had.

De stad was ingesloten, de nood werd al grooter en grooter en de
gemeenschap met de vrienden, die men buiten had, al meer en meer
afgesneden. Men was overtuigd, dat door den Prins maatregelen beraamd
werden om de stad te ontzetten: doch het was noodig te vernemen,
van welken aard die waren, ten einde er zich naar te gedragen. Het
was echter een hachelijke onderneming, brieven of boodschappen
over te brengen; want voor hem, die in handen der Spanjaards viel,
was, bij zoodanige gelegenheid, geen genade te wachten. Onder deze
omstandigheden liet Van der Does op zekeren avond in 't begin van Juli
den wakkeren Roelof Arentsz. bij zich ontbieden. De knaap verschenen
zijnde, vond hem met den Burgemeester Pieter Adriaansz. in gesprek.

"Leeuwtje!" zeide Van der Does: "hebt gij moed en lust om een hachlijke
onderneming te wagen, waarmee gij de stad van groote dienst zult zijn?"

"Wat moet het zijn?" vroeg 't Leeuwtje met een glimlach: "hoe
hachlijker hoe liever."

"Ik moet u vooruit waarschuwen, dat er uw leven mede gemoeid is,"
hernam Van der Does.

"Nu!" zeide de knaap: "dat heb ik meer gewaagd. En bovendien ik ben
een wees, en heb bovendien niemand, die om mij treuren zou."

"En gij zult deftig beloond worden, zoo gij slaagt in uwe zending,"
zeide de Burgemeester.

"Nu!" hernam het Leeuwtje: "als ik den Spanjaard eens sekuur betrekken
kan, zal ik loons genoeg hebben."

"'t Is wel!" zeide de Burgemeester. "Zie hier is een holle kogel, dien
steekt gij bij u, gij poogt des vijands verschansingen door te sluipen,
gij begeeft u naar Delft, en brengt den kogel aan zijn Excellentie."

"En ik breng antwoord terug, niet waar?" vroeg de knaap: "'t is wel,
morgen zal ik zorgen hier terug te zijn."

"Maar in allen gevalle is het zaak, dat de brief noch het antwoord
in handen van den vijand valle," hervatte Van der Does.

"Begrepen!" zeide 't Leeuwtje: "de Spanjaard is gauw; maar hij zal
zijn man aan mij vinden,--morgen ben ik weer hier, of nooit."

"Braaf gesproken," zeide Pieter Adriaansz., "en nu, mijn jongen,
God zij met u." Dit zeggende stak hij hem de hand toe, vatte die van
den knaap en drukte die met kracht.

"En nu niet langer gemard," zeide Van der Does: "gij zult een
geschreven volmacht behoeven, om de stad uitgelaten te worden. Welke
poort denkt gij uit te gaan?"

"Ik geloof niet een," antwoordde Arentsz.: "doch laat dat maar over
aan mij. Ik zal wel de noodige voorzorgen nemen. Geef mij maar den
last voor den wachthebbenden Hopman aan den toren van Bourgondië,
dan zal ik de zaak wel verder beschikken."

De Heer van Noordwijk gaf hem 't gevraagde en, nadat de beide Heeren
nogmaals den knaap hartelijk de hand geschud en goede reis gewenscht
hadden, verliet hij hen en begaf zich naar de woning van Berkheij,
aan de Lange Vest bij de Marepoort. Het regende een weinig doch
desniettemin--of liever juist daarom--zat Berkheij op zijn stoep met
een kopje naast hem, waarin hij het regenwater opving en er een harde
korst roggebrood indoopte, 't welk hij met smaak ophapte.

"O jou lekkerbek! o jou smulpaap!" zeide 't Leeuwtje, schertsende:
"dat had ik niet van je verwacht, dat je zulke weelde zoeken zoudt.

"Ja!" zeide Berkheij, lachende: "dat is ook een extra saus, die de
Hemel ons toezendt, en waarvan wij gebruik moeten maken. Maar wat is
er aan de hand?"

"Ik moet op een karrewei uit," antwoordde Arentsz.: "en daarin kunt
gij mij helpen. De schuit van uw vader ligt nog altijd in de Vliet?"

"Zoo doet zij," zeide Berkheij.

"Best!" hernam Arentsz.: "dan zult gij mij daarmede van avond buiten
de stad brengen."

"Buiten de stad," herhaalde Berkheij verwonderd.

"Ja! ik heb een boodschap van den Burgemeester voor.... om 't even
wien. Ik moet door de Spaansche schansen heen, en morgen hier terug
wezen. Wil je doen wat ik je vraag?"

"Met genoegen," antwoordde Berkheij: "en dus moet ik je morgen nacht
terug verwachten. Tegen hoe laat?"

"Te middernacht," antwoordde Arentsz.: "ben ik met het aanbreken van
den dag niet terug, dan reken je maar, dat ik den Spanjool in handen
gevallen en dood ben als een pier."

"Kan ik niet meegaan?" vroeg Berkheij.

"Onmogelijk," antwoordde 't Leeuwtje: "vooreerst is 't een zending,
die mij alleen belast is: in de tweede plaats kan een er lichter
doorkomen dan twee. Hou je nu maar klaar met de schuit, van avond
tegen halftwaalf uren."

Berkheij deed als hem gelast was, en 's avonds te halftwaalf uren gleed
de schuit een der bogen nabij de Koepoort uit, en de Vliet op. Aan de
overzijde gekomen, kroop Arentsz. behendig aan wal, en terwijl Berkheij
naar stad terugkeerde, sloop hij, de Vliet langs, door de weide, tot
hij op de hoogte van de te Lammen opgerichte schans was gekomen. Daar
zwom hij 't water over, school bij het minste gerucht in de biezen weg,
vervorderde, meestal op handen en voeten kruipende, zijn weg, bedroog
de waakzaamheid der Spaansche wachters, trok Zoeterwoude voorbij en
draafde toen als een hollend ros de weiden door, tot hij geheel buiten
's vijands bereik was. Toen stapte hij stevig door, kwam met den dag
te Delft, meldde zich daar bij den Prins aan, en overhandigde hem den
kogel, die hem was toevertrouwd. De Prins opende dien, nam het briefje,
dat er in verborgen was, er uit, liet den knaap een middagmaal geven,
als hij er nooit een gehad had, en nimmer weder smaken zou, ontbood
hem toen weer bij zich en gaf hem den kogel terug.

"Gij vreest niet den terugtocht te ondernemen?" vroeg de Prins.

"Neen, Uwe Excellentie!" antwoordde de knaap: "ik ben er eenmaal
doorgekomen, en met Gods hulp hoop ik, dat het mij weder gelukken zal."

"Hij zij met u, mijn brave jongen," hernam de Prins, hem de hand op
't hoofd leggende: "ga in vrede."

Bemoedigd en vroolijk nam onze knaap den terugtocht aan. Langzaam
ging hij voort; want eerst met het vallen der duisternis moest hij
aan de schansen terug zijn. Het was werkelijk bereids halfelf toen
hij die naderde, en even behoedzaam als te voren langs sloop. Gelijk
een slang kroop hij langs den grond om niet ontdekt te worden, en
wederom een tijd lang met hetzelfde goede gevolg als den vorigen
avond. Reeds was het hem weder gelukt het water voorbij de schans
te Lammen door te zwemmen, reeds was hij de weide aan de overzijde
doorgekropen, reeds was hij de stadsvest genaderd, reeds meende hij
het geklokklok der schuit van Berkheij door 't water te hooren, toen
op eens een forsche stem het "sta!" naast hem uitriep en een forsche
vuist hem bij den kraag vatte. 't Was die van een soldaat van Valdez,
die hier achter een wilg verscholen op de wacht stond. Men had 's
morgens de voetstappen van Arentsz. in de natte klei bespeurd en,
in het gegrond vermoeden, dat de persoon, die hier langs was gekomen,
terug kon keeren, wachtposten uitgezet.

Hoe donker het ook ware, Arentsz. werd terstond twee dingen gewaar:
vooreerst, dat een half dozijn Spanjaards op 't alarm afkwamen, ten
anderen, dat Berkheij met zijn schuitje midden in de vest lag. Hij
besefte tevens, dat, zoo hij een poging deed om zich los te rukken,
en die poging mislukte, niet alleen hij, maar ook de hem toevertrouwde
brief in handen des vijands zouden blijven: en dat het er op aan
kwam in de eerste plaats dien brief te redden. Met de rechterhand,
welke hij nog vrij had, tastte hij in de borst, greep den kogel, die
aldaar verborgen was en smeet hem, onder het uiten van den kreet:
"vang!" met zooveel behendige wisheid over 't water, dat de kogel
juist voor de voeten van Berkheij in 't schuitje viel. Op 't zelfde
oogenblik waren de Spanjaards toegeschoten en de arme knaap door een
zestal handen aangepakt. Twee of drie soldaten brachten de lont aan
hun vuurroers en schoten op Berkheij; doch deze, beseffende dat hij
toch zijn vriend niet zou kunnen verlossen, had de schuit met een
fikschen riemslag weder naar stad doen keeren, en zich toen dadelijk
op den bodem van het vaartuig geworpen, zoodat de kogels over hem
heen floten en hij ongedeerd weder aan de overzijde kwam, waar hij
afstapte en het hem toevertrouwde pand naar den Burgemeester bracht.

Wat den armen Arentsz. aangaat, ik wil het lot dat hem trof niet
uitvoerig beschrijven. De omstandigheid, dat door zijn tegenwoordigheid
van geest de brief, waarmede hij belast was, hun ontgaan was,
verdubbelde de woede der Spanjaarden. Binnen de schans te Lammen
gesleept, onderging hij een kort verhoor, waarbij hij volstandig
weigerde te antwoorden op de hem gedane vragen; daarna werden hem,
op last van den bevelvoerenden Hopman, zonder deernis met zijn jeugd,
met de wreedheid, aan die tijden en toenmalige krijgsmanier eigen,
neus en ooren afgesneden, en toen werd hij aan een van zijn teenen
opgehangen. Gauw als water klom hij tegen zijn eigen been omhoog,
doch werd nu door zijn beulen doorschoten. Zijn treurig lot werd door
Van der Does in treflijke Latijnsche verzen herdacht.


Wat een onnoozel botje soms beteekenen kan.

Gelijk ik hierboven reeds meer gezeg heb, waarde lezers, ik onderstel,
dat de geschiedenis van het Beleg van Leiden u bekend is. Gij weet
dan, hoe dapper zich de burgers tegen den vijand kweten en hoe de
stad door klimmende ellende, hongersnood, pest en oproer gekweld
werd. Gij weet ook, hoe de Staten het kloekmoedig besluit namen, ter
verlossing der stad het zeewater over de velden te laten spoelen,
en hoe die opoffering aanvankelijk zonder gevolg scheen, daar het
water wel Delfland overstroomde, maar het hooger gelegen Rijnland
niet bereikte. Wel doorstak men dijken en aarden wallen: wel naderde
de vloot van den Admiraal Boisot door vaarten en vlieten, maar dit
naderen ging met gedurige schermutselingen gepaard en, bij gebrek
aan water, niet dan langzaam in zijn werk. Reeds was men diep in de
maand September gevorderd: men wist binnen de belegerde stad dat de
schepen, die hulp aanbrachten, niet verre meer verwijderd waren,
en toch, het liet zich aanzien, dat de hulp te laat komen en de
burgerij door nood gedrongen, tot de overgave zou moeten besluiten. De
Spanjaards, ziende hoe, niettegenstaande al de aangewende pogingen,
de Zeeuwsche Vlootvoogd zijn doel, het onderwater zetten van Rijnland,
niet bereikte, schertsten en spotteden met een onderneming, die zij
ijdel achtten en riepen, dat het even onmogelijk was de sterren uit
de lucht te grijpen, als Leiden uit hunne macht te verlossen.

In de stad begon men evenzeer te wanhopen aan ontzet: moedeloosheid en
vertwijfeling hadden de plaats ingenomen van moed en vertrouwen. Reeds
hadden er samenscholingen plaats gehad, reeds had men van overgave
gesproken, en al de standvastigheid en volharding van mannen als
Van der Werff, Van der Does en Van Hout waren noodig geweest, om
de gemoederen in rust en de stad in vrede te houden. Maar 't stond
te vreezen, dat ook hun gezag en achtbaarheid eerlang hun invloed
verliezen zouden op gemoederen, door wanhoop verteerd.

Eens--het was op den 29sten September--had zich wederom een volkshoop
verzameld op het bolwerk bij den toren van Bourgondië en zat van daar,
met donkere blikken, naar buiten op de Lammenschans te turen. Het
was akelig die menschen aan te zien, die meer geraamten dan levenden
schenen, en met holle oogen, uitpuilende beenderen, gerimpeld vel, de
bleekheid des doods op het wezen verspreid, in het gras nederzaten:
nederzaten, zeg ik, want de meesten hunner waren nauwelijks in
staat meer het op de beenen te houden. De eenige die stond was de
schildwacht, die niemand anders was dan onze vriend Schaeck, doch thans
geheel verschillend van den knaap, dien ik u in den aanvang van mijn
verhaal geschilderd heb. Weg waren zijn roode kleur en bolle wangen:
het eens te enge wambuis hing hem slap om 't lijf, en, zoo hij stond,
't was niet dan met moeite en leunende op zijn musket. Toch was hij
het nog, die moed poogde in te spreken aan de om hem zittende burgeren,
en hun bestrafte over hun gebrek aan vertrouwen.

"Geduld nog een weinig, mannen!" zeide hij: "het ontzet nadert alras:
hebt gij niet gisteren nog het schieten gehoord achter Zoeterwoude.

"Wat baat dat?" vroeg een der burgers: "de noord-oosten wind drijft
telkens het water terug. Boisot kan ons niet naderen dan langs de
weteringen, en die zijn alle door schansen gedekt. Ja, al werden
Zoeterwoude en Voorschoten verlaten, dan nog zou die vervloekte schans
daar--hier wees hij op de Lammenschans--hem het doordringen beletten."

"'t Moest vandaag springtij wezen," zeide een ander, "maar daar
bespeur ik ook niets van: het water is nog geen duim gewassen."

"'t Zou ook weinig baten, zoolang de wind noord blijft," zei een derde.

"Kom!" zeide Schaeck: "wij hebben het zoolang uitgehouden: 't is nu
misschien maar om een kwade dag zes, zeven meer te doen."

"Gij spreekt als een kind," bromde een groote, schrale kerel naast hem:
"eer zes dagen om zijn, leeft er niemand in de heele stad meer. Mijn
arm kind is reeds gestorven, omdat mijn vrouw geen zog meer had;
zij zelve zal het ook geen vier en twintig uren meer uithouden, en
ik heb in acht dagen niets geproefd dan rotte koolbladeren, die ik
uit den mesthoop heb gezocht. Er moet een eind aan komen."

"Wat wilt gij dan?" vroeg Schaeck: "de stad overgeven, opdat wij
uitgemoord worden als die van Naarden en van Haarlem?"

"Beter een korte dood door 't staal dan die marteldood door den
honger," zeide de laatste spreker.

Schaeck antwoordde niet, maar eensklaps zijn geweer schouderende,
liep hij met fiere stappen en het hoofd recht houdende, het bolwerk
op en neêr.

"Wat scheelt hem nu?" vroegen de burgers terwijl zij hem verwonderd
aanzagen. Maar weldra volgden hunne blikken de zijne en ontdekten
zij eenige Spaansche soldaten, die aan de overzijde der vest met
gekruiste armen naar de stad stonden te kijken. En nu begrepen zij,
dat Schaeck zich voor hen goed wilde houden.

"Kom!" riep Schaeck: "gij deedt beter, hier niet zoo lui en lam te
liggen: wat moeten die Spanjolen ginds van u denken zoo zij u zien?"

"Eilaci!" zeide er een zuchtende, "of zij ons zien of niet, zij zijn
toch wel overtuigd, dat wij aan alles gebrek hebben."

"Dat zal ik hun wel anders beduiden," riep een stem achter den
spreker. Deze zag om en ontwaarde Berkheij, die, met een aker en een
vischhengel in de hand, den wal opkwam.

"Berkheij!" riep Schaeck, "wel man, ben je aan 't visschen geweest?"

"In de vest bij de Koepoort," antwoordde Berkheij: "en wil je eens
zien, wat ik gevangen heb?"

Dit zeggende hief hij zijn hengel omhoog en lichtte uit den aker een
visch op, die nog aan 't snoer vastzat.

"Een botje!" riepen de omstanders.

"Ja! maar welke soort?" vroeg wederom Berkheij: "hebt gij een van
allen ooit in onze wateren zulke bot zien komen?"

"'t Is waarachtig een zeebot!" zeide een der burgers, nadat hij het
vischje meer nauwkeurig bezichtigd had.

"En een bewijs, dat het zeewater binnenstroomt, en de verlossing op
handen is," vervolgde Berkheij: "hier Sinjoren!" schreeuwde hij uit
al zijn macht, terwijl hij naar de Spanjaards keek en zijn hengel
heen en weder slingerde: "hier is versche zeebot! en morgen toon ik
u een schelvisch, zoo gij niet voor dien tijd verzopen zijt."

"Een zeebot! een zeebot!" riepen de burgers, bij wie op eens weder
de hoop was aangewakkerd. "Een zeebot!" riepen zij, zich met moeite
opheffende, en hun laatste krachten inspannende, om met hoeden en
mutsen te wuiven.

Verwonderd keken de Spanjaards en luisterden. In den beginne begrepen
zij niet, wat dat gejuich en dat heen en weder gewaai van dien visch
beduiden moest; maar eindelijk gelukte het hun de van den muur gegalmde
kreten op te vangen en wrevelig keerden zij naar hun legerplaats terug.

Maar binnen in de benarde vest werd die kreet teruggekaatst en liep het
gerucht van mond tot mond: "er is een zeebot in de vest gevangen! Het
zeewater stroomt binnen!" En inderdaad, de springvloed had een aanvang
genomen en nog dienzelfden dag veranderde de wind, zoodat het water
naar Leiden stroomde. Terstond maakte Boisot van de gelegenheid
gebruik, rukte met zijn vaartuigen voort, dreef den vijand terug en
drong voorbij Zoeterwoude, welke post, door Valdez verlaten werd. Op
den 2den October was reeds de vloot in het Papemeer gekomen en had
de schans van Lammen aangetast: doch deze, van een kloeke bezetting
en diepe grachten voorzien, was te wel versterkt, om bij verrassing
genomen te worden, en nog liet het zich aanzien, dat deze hinderpaal
onoverkomelijk wezen of althans het ontzet nog lang vertragen zou.

In de stad was men in gespannen verwachting, en den geheelen dag
zat al wie de leden roeren kon op de muren naar verlossing uit te
zien. Doch de hoop werd dien dag nog verijdeld en mismoedig keerden
de meesten met den invallenden nacht naar hun woningen terug. Niet
allen echter hadden zich verwijderd: als ik u verhalen zal.


Welken dienst Schaeck aan Leiden bewees.

De wakkere Bevelhebber, aan wien de zorg voor de stad was toevertrouwd,
Van der Does, had zich in den nanacht voor eenige oogenblikken, geheel
gekleed, in zijn armstoel ter ruste gelegd, toen hem werd gemeld,
dat een paar knapen hem verlangden te spreken. Hij rees op, gelastte
dat men hen bij hem zoude laten en herkende in de binnenkomenden,
Schaeck en Berkhey.

"Is er onraad?" vroeg hij.

"Neen, Mijnheer!" antwoordde Schaeck: "maar ik geloof, dat de Spanjolen
Lammen hebben ontruimd."

"Ontruimd!" herhaalde Van der Does: "en waaruit maakt gij dat op?"

"Wel Mijnheer!" hernam Schaeck: "wij zijn zoo even, ik en Berkhey,
nog eens op den wal geweest, en daar hebben wij gezien, hoe zich vele
brandende lonten uit de schans naar buiten hebben bewogen, die niet
zijn teruggekeerd."

"Misschien een uitval tegen de vloot," merkte Van der Does aan.

"Dan zouden zij reeds handgemeen zijn," zeide Berkhey: "want de nacht
is al ver gevorderd en het is nu al ruim een paar uur geleden, dat
wij de lonten hebben zien branden, zonder dat er iets gevolgd is. 't
Is doodstil in en om de schans."

"Dat zou inderdaad een uitkomst zijn, indien uw gissing bewaarheid
werd," zeide Van der Does.

"Wat belet het te onderzoeken?" vroeg Schaeck: "indien uw Edelheid
mij verlof geeft, dan ga ik naar de schans, en zie, hoe het daar
gesteld is."

"En," zeide Berkhey, terwijl Van der Does op het antwoord peinsde,
dan verzoek ik verlof, om hetzelfde te gaan onderzoeken te
Leiderdorp. Indien de Spanjolen Lammen verlaten hebben, dan hou ik
het er voor, dat zij binnen Leiderdorp niet gebleven zijn.

"Dat geloof ik met u," zeide de Bevelhebber, "en ik sta u beiden het
gevraagde verlof toe. Gij zijt beiden wakkere knapen, doch ik zou u
het waagstuk, dat gij ondernemen wilt, nimmer hebben durven bevelen:
maar nu gij zelven het voorstelt, nu zeg ik er amen op."

In dit zelfde oogenblik meldde zich wederom iemand bij den Bevelhebber
aan: 't was een soldaat, door den wachthebbenden vendrig van de
Koepoort afgezonden, met de tijding, dat, tusschen die poort en den
toren van Bourgondië een stuk der vest en borstwering ter lengte van
ongeveer zestien voet, was ingestort.

"Dan voorwaar," zeide Van der Does in zich zelven, "moge de hoop,
ons door dien knaap gegeven, bevestigd worden; want is de vijand nog
om Leiden, dan zie ik geen kans meer hem, zoo hij die bres bestormen
wil, er buiten te houden."

En meteen zijn woning verlatende, trok hij met den boodschapper en de
beide knapen naar de bedoelde plaats, waar reeds een aantal burgers
in diepe neerslachtigheid en wankelmoedigheid verzameld was. Van der
Does sprak hun moed in en beurde hen op door de mededeeling van wat
Schaeck hem bericht had. Het begon al te schemeren, toen Schaeck in een
schuitje zittende naar de Lammerschans roeide, door de nieuwsgierige
blikken van Van der Does en de Leidenaars achtervolgd. Nabij de schans
gekomen, zette hij voet aan wal, klom tegen het buitenste bolwerk
op, zag niemand, sprong naar binnen: vond de brug nedergelaten, de
poort open, en, gelijk hij vermoed had, nergens eenigen zweem van
menschen. Al meer en meer bemoedigd stapte hij het wachthuis binnen:
alles was ledig en verlaten, en slechts nog eenig huisraad overig. Toen
snelde hij weer naar buiten, beklom het bolwerk, en wuifde met zijn
hoed tegen de Leidenaars op den stadsmuur. Dit was het teeken, dat
hij met Van der Does was afgesproken, en op het gezicht waarvan de
burgers een gejuich aanhieven, dat hem ondanks den afstand in de
ooren terugklonk.

"Bij mijn heiligen Patroon," zeide hij toen tegen zich zelven, "nu
kon ik toch wel eens gaan kijken, of er hier niet nog wat buit te
behalen is. Ik heb de vesting veroverd en heb recht, zou ik denken,
op wat zich daarbinnen bevindt."

Zoo gezegd, zoo gedaan: hij liep terug naar het wachthuis, doch vond
er niets wat hij zijn gading achtte, toen hij, naast de schouwe, een
ijzeren pot gewaar werd: hij naderde, en zie! er waren nog stukken
hutspot in, overblijfselen van het avondmaal der bezetting. Men
kan zich de vreugde voorstellen van iemand, die in de laatste zes
weken geen vleesch geroken had, dan een stuk paardedarm, over zulk
een vondst. Hij nam zijn hoed nogmaals af, bad een "Vader ons" en
zette zich toen aan 't schransen. Reeds was de helft van hetgeen de
pot bevatte in zijn holle maag gedaald, toen hij een voetstap hoorde
naderen. Met schrik sprong hij op: doch was weldra gerust gesteld,
op het zien van een der Leidsche vrijwilligers, dien Van der Does
hem had nagezonden, om zich te verzekeren, dat de schans werkelijk
verlaten was, en dat Schaeck niet altemet door den vijand gedwongen
was geweest het bepaalde vreugdesein te geven.

"Hier, kameraad!" riep de knaap, toen hij de gretige blikken zag,
die de nieuw aangekomene op den pot wierp, "neem en eet, maar den pot
behou ik. En nu is mijn maal gedaan: nu kon ik den Admiraal wel gaan
verwittigen, dat hij vrij de stad kan naderen."

En het nog overgebleven vleesch in een aarden schotel omkeerende,
snelde hij met den pot naar buiten, de schans uit, en waadde door het
verdronken land naar de zijde der vloot. De Zeeuwen van Boisot werden
hem aldra gewaar en wisten eerst niet, wat van den knaap te maken:
doch toen hij met pot en hoed begon te zwaaien, en te schreeuwen:
"vooruit maar! vooruit maar! de doortocht is vrij!" toen raakte
alles in beweging; toen zeilden en roeiden de schuiten op de stad
aan, toen verwelkomden zij aan de schans den Hopman Van der Laen,
met zijn vrijwilligers, die uit Leiden getrokken, er reeds bezit van
genomen had--en Leiden was ontzet.--

's Middags, toen Schaeck en Berkhey te zamen aan den Rijn eenige
haringen zaten te orberen en er een goede teug bier bij dronken,
haalde laatstgenoemde den buit voor den dag, door hem bemachtigd in
de mede verlaten schans te Leiderdorp, welke hij 't 'eerst beklommen
had. 't Waren ettelijke spellen zoogenaamde tarokkaarten, die nog
bestaan, en onder anderen in 't jaar 1824, toen het vijfde halve
eeuwfeest der belegering gevierd werd, op het Raadhuis te Leiden
werden tentoongesteld.

Berkhey werd, ter belooning voor de door hem gedurende het beleg
bewezen diensten, door de Magistraat met een zilveren penning
beschonken, en met een wapen, waarin het zeebotje, eenmaal door hem
gevangen en aan den vijand vertoond, was afgebeeld.

Wat Schaeck betreft, hij genoot de eer, dat hij bij den plechtigen
optocht, die den 3den October 1577 ter viering van 't ontzet gehouden
werd, aan 't hoofd der gewapenden optrekken mocht. Voorts vinden
wij zijn wakkere daad in een der versjes, op het ontzet gemaakt,
in de navolgende regels herdacht:


                  Doen Godeshant
                  Dreef den vijandt
                Bij nacht uijt Lammen-schans,
                  Creech Schaeck dees pot,
                Riep aen Boijsot;
                Moocht over dammen thans.



HET CASINO.


De tijd der genoegelijke wintervermaken is eindelijk verschenen: de
huisgezinnen, welke de koude van December het langst getart hebben,
zijn de stedelijke huis-goden vroeger of later komen terugvinden:
de bezendingen der nieuwste modes zijn uit Parijs aangekomen, de
modemaaksters doen hunne winkels met de uitgezochtste waren pronken:
de koetsiers, in de bonte pelsen gestoken, hebben dag of nacht geen
rust meer, doch rijden van huis naar den Amstel, van den Amstel naar de
modemaakster, van de modemaakster naar huis, van huis naar de diners,
van de diners naar komedies, soupers, soirée's, concerten, ja naar de
welsprekendheid, (bijaldien er iemand leest die bij de groote wereld
bekend is). Kleedermakers en naaisters, schoenmakers en hoedenmakers
kunnen ter nauwernood al hunne kalanten voldoen: alles is in de eerste
kringen als ontwaakt uit den zomerschen slaap: alles is beweging,
woeling, drukte, gepraat, geroep, gekakel, gebabbel, gelaster.

Welk een heerlijk veld opent zich voor een opmerker? Geen jaargetijde
als dit is zoo rijk voor de nieuwtjes, de tijdingjes, de praatjes,
de intriges, de historietjes, de schandaaltjes. Overal hoort men
gefluister en geklap; overal ziet men gegluur en gelonk: het hoofd
wordt zoo opgevuld en gepropt met de menigte van logens en waarheden,
die door een gekoeskoest zijn voorgedragen, dat het geene moeite
meer is, de vertellingen te zoeken of na te sporen: maar wel om
die uiteen te houden en in eene bekwame schikking voor te dragen,
tot welk laatste wij echter niet gehouden willen zijn.

Dan, wat ook in dit seizoen stof tot gepraat moge verschaffen, er is
geen voorval dat de eerste coterie van Amsterdam zoo lang, zoo tot
walgens toe bezig houdt dan het Casino. Reeds in de lente van het
voorafgaande jaar, dadelijk na het sluiten der winterfeestvermaken,
begint men elkander met angstige oogen aan te zien en half bevend
toe te fluisteren, dat er in 't vervolg geen Casino meer zijn zal;
dat de onkosten te groot zijn; dat de helft der Sociëteit zich wil
afscheiden; dat de dansende heeren bedanken, en de etende het feest
alleen niet in stand kunnen houden enz. Anderen, minder afgeschrikt
door de gemaakte zwarigheden, houden staande dat alles op den vorigen
voet blijven zal, en dat er voor de afvallende leden genoeg nieuwe
zullen opkomen: anderen weder nemen een middelweg, en verhalen dat,
ja, het Casino zal instorten, doch als een Feniks veel schooner uit
zijne assche herrijzen zal, gelouterd van al het onreine, dat zijn
vroegeren luister is komen bezoedelen.--Deze woordenwisselingen duren
tot aan het begin van November: dan begint de hoop op een Casino in
aller hart veel schooner dan ooit te herleven: doch nu is de vraag
welke commissarissen de zorg van een zoo belangrijk vermaak op zich
zullen nemen: beurtelings worden alle rijke ingezetenen, alle hoofden
van groote huizen gedoodverfd; de heeren, aan welke hun gewicht in
de fatsoenlijke wereld aanspraak op dien post geeft, beginnen al de
zwarigheden en onaangenaamheden, daaraan verknocht, op te tellen, om
op zulk eene wijze dubbele eer en dank te behalen in geval zij de op
hen gevallen keuze aannemen.--Nu worden de convocatiën gedaan. Zes of
zeven heeren verschijnen daarop en representeeren de massa der leden;
bedeesd en verschrikt zien zij elkander aan; en willen uit elkanders
oogen lezen, wie de opengevallen commissaris-plaatsen vervullen
moeten. Een hunner waagt het eindelijk, binnensmonds den naam van een
der aanwezigen te mompelen; en als van de moeielijkste taak verlost,
haast nu elk der aanwezigen, met dien naam het stembriefje in te
vullen. De gekozene commissaris verbergt zijn genoegen onder een
scheven lach, haalt de schouders op, murmelt eene verontschuldiging,
die, als van zelf spreekt, niet aangenomen wordt, en laat zich de hem
opgedragene lasten welgevallen.--Vergenoegd komen de mans en broeders
terug; de minnaars, meisjes en Moeders zijn in de wolken; het vaderland
is gered! het Casino staat meer onwankelbaar dan ooit. Eene tweede
convocatie geschiedt; de voorgestelde nieuwe leden worden geballoteerd
en bijna eenparig aangenomen; die, welke bedankt hebben voor hun
lidmaatschap met verwondering rondgenoemd: de redenen dezer aftreding
onderzocht: de daad bij allen afgekeurd. "Deze," zegt men, "bedankt
omdat hij niet danst: nu, maar men moet betalers ook hebben:--die,
omdat hij een ongelukkige inclinatie heeft, en dat het hem te hard
valt, zijn meisje te ontmoeten en niet met haar te mogen dansen:
goed, maar hij moest toch lid blijven om er zijne zusters te kunnen
brengen, die nu geen cavalier hebben: die weder is in den rouw: ja,
maar hij kon die uitgaaf toch wel doen, toekomende jaar wordt hij
weder lid:--die heeft het te druk; maar hij moest blijven om het
Casino in stand te houden," enz.

Thans beginnen onder de Dames de vragen: "gaat gij naar het eerste
Casino?--denkt gij dat het brillant wezen zal?--wat doet gij aan?--zou
die en die er komen?--ik ben benieuwd of A en B. het weder zoo druk
samen zullen hebben?" en de antwoorden: "neen, op het eerste Casino ga
ik nooit, dat is nooit geanimeerd:--ik denk wel dat hij er wezen zal,
doch hij zal zich wel stil houden, omdat Papa C. er ook komt,--neen,
met A. en B. is het glad af.--Ik denk mijn japon van voorleden jaar
aan te doen en mij niet en frais te stellen," enz.

Dan, de dag van het feest, is eindelijk gekomen. Reeds van den vroegen
morgen af snorren Ferminet en Teissier in hunne cabriolets van de
eene schoone naar de andere; menige jonge vrouw, bij welke zij vast
beloofd hadden te twee uren te komen, zit vruchteloos tot negen uren
hen af te wachten; zij verwaarloozen de getrouwde dames, parce qu'elles
ont toujours la ressource des toques. Hoe klopt het hart der jonge
meisjes, die voor de eerste maal in de wereld verschijnen zullen,
op het gezicht der fraaie tooisels, welke haar aangeboden worden,
op het denkbeeld der op haar wachtende genoegens. Eindelijk zijn zij
klaar; de kapper is niet gekomen, doch de moederlijke handen hebben
haar werk gedaan; hoe juicht die verrukte moeder, nu zij hare telg,
geheel naar haren zin, zoo lief en bevallig voor haar ziet staan;
hoe oplettend gaat zij het gansche toilet nog eenmaal na, om alles
weg te ruimen wat misstaan mocht, om alles bij te brengen wat
meer aanlokkelijkheid geeft. Eene slede houdt voor de deur stil:
het is de oude grootmoeder, welke haar petekind, haar juweeltje,
toch ook eens opgeschikt zien wil: het lieve meisje gaat voor haar
staan, draait en wendt zich om en om, verhaalt van wie zij die kam
ontving, hoe mama van hare eigene bloedkoralen een snoer voor hare
dochter afgestaan heeft: waar zij de bloemen gekocht heeft, die het
eenvoudig kleed garneeren, enz. Grootmoeder hoort dit gesnap, en ziet
het onschuldige hartje aan met dat melancholieke genoegen, hetwelk
den gevorderden leeftijd bevangt bij het aanschouwen van de jeugd
in al hare kracht en verbeelding. Nu komen ook de jongste zusjes en
broertjes om Marie te bewonderen: "hé wat is Mietje mooi! ga je naar
't Casino, Mietje? Zal ik ook zoo mooi wezen mama, als ik groot ben
en naar 't Casino ga?" hoort men de kleintjes nu uitroepen.

Het is acht uren geslagen: ik verlaat dit huiselijk tooneel, en snel
naar den Garnalen Doelen, waar nog maar alleen de Commissarissen
gereed staan om de dames in te leiden; en de recipiëerende vrouwen
om eene dienaresse aan de Heeren te maken.

Nog bibberen wij van koude in het tochtig en weinig comfortable lokaal:
doch dit is de schuld onzer voorouderen, welke meer gezorgd hebben
voor groote kerken dan voor groote feestzalen, en aan welke men het
verwijten moet, indien men zich met de lage, stoffige en koude kamers
van den Doelen vergenoegen moet.

Daar begint het geraas van koetsen, brommers en sleden; daar schaart
zich het nieuwsgierig gemeen om de deur van het Hotel, ten einde de
fraaie kleedingen te zien. Wie is die zwarte mantel, welke zich onder
dien volkshoop bevindt? Helaas! het is die ongelukkige minnaar, die
in het Casino niet verschijnen durft, en echter zijne onvergetelijke
zielsgodin bij het verlaten van haar rijtuig, al is het maar voor
een oogenblik, wil bewonderen.

De entreezaal wordt voller en voller: de heeren en dames scheiden
zich bij het inkomen van elkaar, en vormen twee afgezonderde groepen,
Wie is die vrijpostige, die het waagt, zich reeds dadelijk tot de
dames te wenden en om de gunst eener wals te vragen?--Dertig duizend
gulden aan jaarlijksch inkomen geven hem die stoutheid. De meisjes
zien hem steelswijze aan: arme schapen! hij is voor u verloren;
met het voorjaar gaat hij naar Parijs; en de aanlokkelijkheden der
groote stad zullen hem aldaar voor altijd kluisteren.

Een ander volgt hem, nog stoutmoediger dan hij. Van zijn inkomen zal
ik maar niet spreken; op zijn Stichtschen adel is hij hoovaardiger
dan de eerste op zijne rijkdommen.... doch wij zullen Langendijk
niet napraten.

Ter zijde wat, mijne heeren! daar komt Mevrouw X. aan: al de jonge
vrouwen regelen zich naar haar, wat kleeding, spreekwijze, kapsel
en manieren betreft: de heeren vliegen om haar als de vlinders om de
kaars: zij ontvangt hunne eerbewijzingen met een blik van protectie,
glimlacht en meesmuilt bij beurten, beschouwt zich zelve dikwijls met
welgevallen, en verbleekt op het gezicht van Mevrouw Y., die fraaier
garnituur heeft dan zij.

Bedeesd en beschroomd komt de jonge V. de dames ten dans vragen: de
nufjes zien hem naderen en verschuilen zich achter de andere dames,
of dringen zoo diep zij kunnen tusschen de menigte om zijn lastig
aanzoek te ontwijken. Eéne echter wordt door hem aangeklampt; dan,
ofschoon haar danskaartje nog bijna geheel openstaat, veinst zij zich
voor alle dansen geëngageerd: de arme sukkel keert verslagen terug;
hij ontdekt wel in het vervolg van den avond dat hij bedrogen is,
doch heeft het hart niet wraak te nemen of zich te beklagen.

Daar komt Mevrouw Z. binnen met hare dochters. Dezen hebben het vorige
jaar, in stilte en van alle vermaken verstoken, tehuis doorgebracht:
thans echter hebben zij hare belijdenis gedaan. God heeft het zijne
gehad: nu komt de beurt aan de wereld; want dat beider dienst zich
niet zoude laten vereenigen, is eene lang vergeten les; alles heeft
zijn tijd: godsdienstige gedragingen komen in de kerk te pas, doch zijn
allergevaarlijkst, verpestend, doodelijk voor den goeden smaak.... dan,
ik begin waarlijk te moraliseeren.... och neen! ik praat maar na.

Mevrouw Z. presenteert hare dochters aan de recipiëerende dames, en,
naardien Mevrouw Z. eene vrouw is, welke veel menschen ziet en hare
gasten uitmuntend ontvangt, spreekt het van zelf dat de meisjes een
bij uitstek gunstig onthaal genieten:--Clara slaat bedeesd de blauwe
oogen neder en durft ze niet naar Mevrouw V. te richten, hoe deze
ook door voorkomende vriendelijkheid haar zoekt gerust te stellen:
Corinna daarentegen snapt en keuvelt, totdat een blik van mama haar
blozend doet ophouden.

Daar laat de muziek zich hooren: daar beweegt zich de opeengepakte
massa: de cavaliers halen hunne dames af, de sjaals, palatines en
fichus worden aan de zorg der moeders of niet dansende zusters
toevertrouwd; de andere dames trachten eene goede zitplaats te
verkrijgen, en de wals begint.

"Met wie danst Henriëtte?" vraagt eene bezorgde moeder aan hare
buurvrouw. "Met een der nieuwe leden, geloof ik; ik heb hem ten minste
nooit meer gezien."--"Zoo! dat kan ik niet gelooven: ik heb haar
verboden met iemand te dansen, die mij niet gepresenteerd is."--"Wat
heeft Mejuffrouw S. een fraai garnituur topazen! Heeft haar vader eene
erfenis gekregen?"--"'t Is schande dat men zijne dochters zoo zwierig
opschikt als men zijne crediteuren niet betaald."--"Wat ziet Sijlvia
er zot uit."--"Hebt ge die veeren wel gezien van Mevrouw P., die komen
dan volstrekt niet met de rest van hare kleeding overeen."--"Zie eens,
hoe Annette zich aanstelt met dien Engelschman, en wat walst die heer
bespottelijk."--"Hebt gij mijn, Hansje al zien walsen? zij danst
al zeer lief."--"Zoo, waar heeft Mevrouw Q. dien nieuwen adorateur
opgedaan?"--"Hé, dat is al een oude kennis; maar hij komt niet meer
bij haar aan huis, want haar man.... (gefluister)"--"Het verwondert mij
dat Keetje nog dansen durft, zij is immers al drie maanden ver."--"Wat
zeg je van de historie van.... (gefluister) o het is alles weder in der
minne geschikt."--"Ja, dat is tegenwoordig mode; ik ga ook toekomende
jaar eens met een ander op het pad."--"Het verwondert mij hoe Juffrouw
N. zich nog durft vertoonen na wat in de familie gebeurd is."

Het wordt later; de speeltafeltjes worden opgezet en de bejaarde of
niet dansende lieden gaan zich met hombre en whist vermaken.

Wie zijn die twee jongelieden, welke in de quadrille al de passen
bederven, al de figuren in de war maken? Die heer is anders een goed
danser en de juffrouw eene der beste elèves van Guédon en naderhand van
Nys. Ach! zij vergeten de quadrille, den dans, de menschen, het casino:
zij hebben alleen oogen voor elkander. Deze dans is gedaan: Het meisje
zoekt een eenzaam hoekje: de jongeling gaat een anderen kant op, doch
alleen voor de leus: daar zitten zij naast elkander: zij praten, zij
gloeien, hunne oogen schieten vlammen, hunne.... onvoorzichtigen! hoe
afgelegen gij zit, morgen weet de geheele stad, hetgeen gij vruchteloos
voor indiscrete verspieders zoekt te bedekken.

Mijn goede mijnheer H., hoe loopt gij zoo de kamer op en neer? Is het
uwe vrouw, die gij zoekt? och! de limonade, welke gij haar brengen
wilt, komt te laat. Een ander is u reeds voorgekomen, en de conversatie
van dezen is uwer beminde veel te aangenaam, dan dat zij u voor uwe
vriendelijkheid dank zoude weten.

Hoe ziet gij zoo droevig, arme F.? Is uwe aangebedene schoone
niet gekomen? Mij dunkt, ik zie haar in gindschen hoek der zaal,
luidkeels lachende met hare vriendinnen.--Of is zij hedenavond niet zoo
vriendelijk jegens u als naar gewoonte?--Heeft zij haren arm voor het
souper u geweigerd? Ha! ik raad het al, nu gij zulke straffe blikken
op gindschen pronker werpt: gij hebt gedaan, arme F.! uw rijk is uit.

Wie zijn toch die meisjes, welke er zoo lief en innemend uitzien,
en welke niemand ten dans vraagt? Wacht daar gaat er toch een
heer op af.--Neen, hij kiest de mottige freule X. Wat mag toch de
reden van zulk eene dwaze handelwijs zijn? Die is zeer eenvoudig:
de freule is naar de mode; en al wordt zij tachtig jaren, zoolang
zij dansende blijft, zal zij uit routine gevraagd worden; die meisjes
daarentegen zijn met al hare bevalligheden en verstand weinig bekend,
en daardoor minder in trek.--O! zoo ik slechts jongere beenen had,
hoe gaarne zou ik die onbillijkheid goedmaken!

Hoe beminnelijk ziet Marianne er uit! Met al de verrukking der
zuiverste onschuld geeft zij zich aan de vermaken toe, welke hare jeugd
zoo eigen zijn. Hoe gloeien de rozen op hare frissche wangen! hoe
zwoegt haar wassende boezem! voor haar zijn op het gevaarlijk pad,
hetwelk zij betreden gaat, nog geene doornen zichtbaar, schoon
zij weet dat die zich aldaar bevinden; maar zij vreest die niet:
te rein is hare ziel dan dat het denkbeeld zelf aan afwijking van
hare plichtsbetrachting ooit bij haar op zoude komen. Eene brave
moederlijke vriendin heeft de uitmuntende zaden in haar ontkiemend
gemoed met overleg opgekweekt en tot heerlijken wasdom gebracht. Van
die vriendin door den loop der omstandigheden gescheiden, zijn de
gedachten van Marianne echter bij haar; en de vreugde, welke zij
thans smaakt, is te grooter wanneer zij zich het genoegen voorstelt,
die vreugde aan hare vriendin te zullen mededeelen.

Hoe mal zit gindsche zot te kijken! met de beide handen in den zak,
het hoofd op zijde, de beenen wijd uitgestrekt en vaneen gespreid,
en het bovenlijf overdwars gebogen. Nu en dan gaapt hij met eene
uitnemende gratie en fluit hardop, alsof hij in een paardenstal ware,
de muziek na. Heeft de knaap geene opvoeding gehad; acht hij zich van
de voorschriften der beleefdheid ontslagen? Of waant hij dat zijne
buffelachtigheid voor gracieux zal doorgaan? Zoo men hem aanmerkingen
wegens zijn onbehoorlijk gedrag doet, antwoordt hij met een lompen
jordaanschen vloek, dat hij daarvoor zijn geld betaald, en niet
verkiest om zich voor iemand te geneeren. Heet dit tegenwoordig dan
savoir vivre bonton? Waarlijk, dan zoude men de petits marquis uit den
tijd van Molière bijna terugwenschen; want al is geveinsde beleefdheid
slechts vleierij, zij is toch altijd beter dan geveinsde lompheid.

De speeltafeltjes worden weggeruimd, of liever in eettafels herschapen;
de jonge dames zoeken hare plunje wederom op en nemen de armen der
aanwippende heertjes: zij, welke geen cavalier vinden, klampen zich
aan hare voorgangsters alsof zij hansje sjokken speelden, en niet
zelden trekt een ridder zes à zeven dames als aan een touw de eetkamer
in. Nu ziet men rond naar eene aangename plaats. Helaas! de beste zijn
overal reeds genomen. Het spreekt van zelf dat de elegante Mina en de
bevallige Julia, dat de trotsche Margaretha en de rijke Bertha (welke
vier altijd samen partij maken,) de heeren vragen, in plaats van door
dezen gevraagd te worden het spreekt van zelf, zeg ik, dat dezen de
beste plaatsen voor zich en voor hare uitverkoornen genomen hebben. En
waarom, vraagt men nu, hebben deze dames aanspraak op eene betere
plaatsing dan anderen? Zijn hare mans Commissarissen? Neen.--Doen zij
de honneurs? Geenszins.--Wat dan? Wel, zij brengen er zich zelven,
is dit niet genoeg? Zij verbeelden zich in goeden ernst, dat zonder
haar het Casino onmogelijk zoude kunnen bestaan: verbeelden zich dit
en niet zonder reden; want elke gekskap zegt het haar: intusschen zijn
het vier ijdelheden, die men zonder den fraaien opschik, de paarlen,
de juweelen de kanten enz. enz., waarmede zij behangen zijn, als
volkomene nulliteiten zoude aanmerken.

Men schuift door: men dringt, stoot, roept, hemt, duwt, kijft, geeft
stoelen aan, zet tafels bij, langt borden aan, laat wijn komen, en
begint te eten. De tafeltjes leveren wederom een groot verschil op:
aan het eene praat men: aan een ander lacht men: hier vrijt men:
daar gluurt men: hier werken de oogen: daar de handen: ginds de
voeten: hier eet men: daar drinkt men: hier wordt gerammeld: daar
gezwegen. Eene tafel, waaraan acht heeren zitten, is de stilste van
alle: de verveling is op elks gelaat te lezen. Dan deze, waaraan zes
jonge meisjes, doch welke reeds meer Casino's beleefd hebben, zich
door eenige studenten tot het proeven van Champagne laten overhalen,
en, angstig naar mama omziende, eens even de lippen aan het lekkere
vocht zetten, deze is een weinig luidruchtiger.--Wat hijgen en draven
die knechts, die heeren, die Commissarissen! Eén man slechts is
impassibel: het is de groote Weimer, die als een waakzaam generaal,
alleen de oogen overal laat weiden, en het oppertoezicht houdt.

Het souper is afgeloopen, en wordt door den luchtigen wals
vervangen. Zwaaiende en zuizende staat men op: luchthartig en gezwind
snort en snelt alles dooreen: Er is geen band, geen hindernis, geen
stijfheid, geen decorum meer. De vrijer, die vóór het souper het niet
zoude hebben durven wagen, het hem geweigerde meisje aan te spreken,
gaat nu brutaal weg met haar walsen, ja walst de ouders der schoone
bijna omver. De lokken der dames worden achter de haren weggestreken,
of hangen, als Meduza's kapsel, in 't rond: de jabots verliezen plooi
en witheid: de bloemen zijn verflenst: de cabretten handschoenen
laten, door scheur op scheur, de meerdere of mindere blankheid der
handjes beschouwen: en aan hem, die thans eerst de zaal binnentrad,
zoude het geheel, dat zij nu oplevert, geen bekoorlijk, neen, maar
veeleer een aanstootelijk schouwspel vertoonen.

De tijd verloopt: de bouillon wordt alom ingezwolgen: de meesten
der aanwezigen vertrekken of nemen geen deel aan den dans meer: de
cirkels der walsen, de omvang der quadrillen verwijden zich, alleen
de onvermoeide springers huppelen nog op het maatgeluid en vermaken
zich des te meer, naarmate zij meerdere ruimte hebben verkregen. Dan
alle aardsche vreugde moet een einde nemen, en de schrikkelijke wenk
van den dansmeester kondigt het besluit der laatste Santeuse aan:
nu worden mantels, sjaals, doeken, palatines, enz. door de bezorgde
moeders en nog bezorgder minnaars opgezocht, de heeren steken zich
in den ruigen schanslooper of pyjakker, of omhangen zich met den
breeden, met fluweel gevoerden mantel, en halen de sigaar voor den
dag, die hen naar huis moet verzellen. Overal buigt en neigt men:
de sleepers rijzen uit hun slaap en uit hunne sleden op en staan aan
de voordeur vergaderd: de benedenzaal van Weimer is te klein om al de
menschen te bevatten, die tot nog toe vruchteloos op het voorkomen
hunner rijtuigen wachten: dan eindelijk raakt de een vroeger, de
ander later, in de voor hem bestemde equipage: en Morpheus houdt zich
gereed om den verkwikkenden slaap over de vermoeide leden van de hem
verwachtende dansers uit te storten.



EEN STAATS-EXAMEN IN 1851.


De dag, waarop de examina een aanvang nemen, is aangebroken. Ten
gevolge van het Besluit, waardoor aan allen, of zij wat weten of niet,
de toegang tot de Academische lessen is verzekerd, hebben zich 7000
candidaten aangemeld. Onder hen bevinden zich:

1000 Leerlingen van al de klassen der verschillende gymnasiën.

1000 Leerlingen van onderscheiden inrichtingen van middelbaar
onderwijs.

500 Jongelieden, die vroeger privaat-onderwijs genoten hadden, doch
sedert Juli 1850 zuinigheidshalve hun leermeester hebben afgeschaft.

2000 Leerlingen van scholen van lager onderwijs.

50 Knapen, die te Breda, Medemblik of Delft zijn afgewezen geworden.

De overigen hebben nimmer eenig onderwijs genoten.



De voorzitter der staats-commissie, tot de jongelieden, die tegenover
zijne tafel staan: Jongelieden! dewijl uw getal zoo aanzienlijk
is, dewijl het toch maar een examen is voor de leus, en dewijl wij
geleerde lui wel wat anders en wat pleizierigers te doen hebben dan het
ondervragen van botterikken, zoo zullen wij er maar met den Franschen
slag doorheen slaan, u het Examen bij paren afnemen, en u in elk vak
eenige korte vragen voorstellen, genoeg om te oordeelen, hoever gij
het gebracht hebt. Laten er dus twee uwer voor de tafel komen. Gij,
jongelief, hoe is uw naam?

Jongeling. Jan Blokkert.

De voorzitter. Goed! gij zult voor een tijd uw naam verliezen,
evenals aan 't bagno, en No. 1 heeten. Waar hebt gij onderwijs genoten?

No. 1. Aan het Gymnasium te X.

De v. Best. Hebt gij een ontslag of getuigschrift?

No. 1 reikt het papier over met een triomfantelijken blik.

De v. Hm! hm! summa cum laude!.... Ja! daar geven wij niet om. Wij
zien uit eigen oogen. (Tot een ander) En gij, hoe is uw naam?

De andere jongeling. No. 2.

De v. Hm! hm! Niet dom! Maar ik dien uw doop- en familienaam op
te teekenen.

No. 2. Pietje Vlug.

De v. En bij wien hebt gij onderwijs genoten?

No. 2. Bij niemand.

De v. Niet!--nu, dat is 't zelfde. Gij zijt dus een autodidakt?

No. 2. Neen, ik ben een biljartjongen.

De v. Zoo! en gij hebt liefhebberij gekregen voor de studie?

No. 2. Volstrekt niet voor de studie; maar wel om student te zijn,
evenals de Heeren, die ik dagelijks in 't koffiehuis zie.

De v. Ei!--Nu, gij kunt uit hun gesprekken misschien wat hebben
geprofiteerd.--Gaat nu met u beiden in de kamer hier naast: daar
zullen de Heeren bij u komen.



Onderzoeker. Jongelieden! Ik zal u het examen in 't Latijn
afnemen. Maar weet gij mij ook vooraf te zeggen, wat dat woord examen
beteekent?

No. 1. Dat beteekent eigenlijk een bijenzwerm.

Ond. Aliquid decis! (Tegen No. 2) En wat weet gij er bij te voegen?

No. 2. Dat het zooveel beteekent, als dat het dubbel en dwars uit is.

Ond. Dat het uit is! Hoe verstaat gij dat?

No. 2. Wel ja. Ex is "uit:" en amen is ook "uit," ten minste onze
Pastoor zeit het altijd als wij naar huis kunnen gaan.

Ond. Egregie! uitmuntend!--Daar had ik nooit op gedacht. (tegen No. 1)
Weet gij wel wat een Pons asinorum is?

No. 1. (Zit zich te bedenken).

No. 2. Wel! Pons asinorum is klaar water.

Ond. Hoe meent gij dat?

No. 2. Hebt gij ezels ooit andere pons zien drinken als klaar water,
Mijnheer?

Ond. Inderdaad, gij hebt gelijk. Nu zullen wij eens zien, of gij iets
van de Dichters begrijpt. Lees eens deze ode van Horatius.

No. 1. (Leest) Persicos odi puer apparatus.

Ond. Hoe vertaalt gij dat?

No. 1. "O knaap! Ik haat den Perzischen toestel."

Ond. Niet kwaad, maar wat te letterlijk.

No. 2. Ik zou 't anders vertalen.

Ond. Hoe dan?

No. 2. Wel, 't is klaar, dat Horatius zich in een koffiehuis bevond,
en dat hij tot den knecht zei: "dank je Jan! ik lust geen ingemaakte
perziken."

Ond. Inderdaad! dat is eene remarkable interpretatie, die mij nog nooit
was voorgekomen! Wij zullen eens tot eene andere ode overgaan. Hoe
verklaart gij dezen regel:

Tecum vivere amen, tecum obeam libens?

No. 1. "Met u zoude ik willen leven, met u gewillig sterven."

Ond. Niet kwaad! (tegen No. 2) en gij?

No. 2. Wel, Horatius zit weer in zijn koffiehuis en zeit: "met thee
wil ik leven en sterven."

Ond. (Met een goedkeurenden hoofdknik). Zeer merkwaardig!--Daar had
ik nooit aan gedacht! dat zou bewijzen, dat het theedrinken in die
dagen al was uitgevonden. Wij willen nu Virgilius eens bij de hand
nemen. Lees en vertaal dezen regel, No. 1!

No. 1. (Leest) Formosum pastor Corydon ardebat Alexin, Delicias domini.

"De herder Koridon beminde zeer den schoonen Alexis, de vreugde
zijns meesters."

Ond. Dat is nu niet woordelijk genoeg.

No. 2. Neen, dat zeg ik ook.

Ond. Hoe zoudt gij 't maken?

No. 2. Wel: "de Pastoor Jacob (of Koo) Rydon braadde een mooien haring,
een delicieus hapje voor een heer."

Ond. Egregie!--Gij hebt zeker de overzetting van Bilderdijk
gelezen;--doch de uwe is nog nauwkeuriger. (tegen No. 1) Die Ecloga
zal u waarschijnlijk te zwaar wezen: Lees en vertaal liever deze eens.

No. 1.


        Tityre, tu patulae recubans sub tegmine fagi,
        Silvestrem tenui musam meditaris avena.


"Gij, Tityr! nederliggende onder het dak der schaduwrijke beuk,
speelt op uw dunne schalmei een landelijk lied."

Ond. Hm! Tenuiter! gedrongen en stijf! (tegen No. 2) Hoe vertaalt
gij deze regels?

No. 2. Wel, dat is dood gemakkelijk. "Gij, Titi! (wie Titi is weet
ik uit den Sarivari) liggende onder het beukenberceau, denkt, dat ik
de dochter van den boschwachter in het hooi heb beetgehad.

Ond. Egregie! eximie! Dat is om alle Commentatores van spijt te doen
barsten. Gij zult een eerste criticus worden, dat voorspel ik u. Ik ga
u thans verlaten en plaats ruimen voor den examinator in het Grieksch.



Wij zullen aan onze lezeressen het examen in 't Grieksch sparen
('t is al wel, dat wij ze op Latijn trakteeren) en tot dat in de
Wiskunde overgaan.



Onderzoeker in de wiskunde. Waarom wordt wiskunde aldus genoemd?

No. 1. Omdat het eene wisse kunde is.

Ond. Tenuiter! (tegen No. 2) Hoe denkt gij er over?

No. 2. Wel, 't is van wisschen en kunde.

Ond. Van wisschen en kunde?

No. 2. Wel ja. Ik heb dat wel eens bijgewoond. De meester, of de
jongen, staat voor 't bord, met eene liniaal, een stuk krijt en eene
spons: en de heele kunst bestaat daarin, om wat lijnen, letters of
cijfers, daar geen drommel uit wijs kan worden, op te schrijven en
gauw weer uit te wisschen.

Ond. Egregie! Wel doordacht. Gij geeft ten minste reden van uw
zeggen. (tegen No. 1) Voor wie is de meetkunst vooral nuttig?

No. 1. Voor hen, die hun verstand willen scherpen.

No. 2. Voor de snijers en schoenmakers.

Ond. Egregie! Wat is een driehoek?

No. 2. Een steek.

Ond. Welke is de kortste weg tusschen twee gegeven punten?

No. 1. De rechte lijn.

No. 2. Mits er geen sloot tusschen ligt of geen beeren op zijn.

Ond. Daar is veel van aan:--Nu zal ik u eenige problemen ter
oplossing geven: reken eens uit: Wanneer een heer en eene dame in
een logement een kalfslever voor hun ontbijt ordonneeren, de heer
1/52 ons Nederl. eet, en de dame een half-vierendeel oud gewicht,
hoeveel blijft er dan over?

Terwijl No. 1 zich aan 't cijferen zet, antwoordt

No. 2. Niemendal, als er maar een hond in de kamer is.

Ond. Precies.--Een heer laat een huis bouwen van drie verdiepingen;
doch als de tweede klaar is, bemerkt hij dat hem het geld ontbreekt
voor de derde. Wat doet hij om zijn huis te voltooien?

No. 1. Hij vraagt geld te leen.

No. 2. Hij neemt de eerste verdieping weg, zet die op de tweede en
krijgt op die manier zijn derde verdieping.

Ond. Maar dan stort immers de tweede onmiddellijk in.

No. 2. Daar geeft hij niet om: hij bewoont alleen de derde; de tweede
verhuurt hij.

Ond. Wel gevonden.--Nu het een en ander over cijferkunst: wat was de
helft van twaalf bij de Romeinen?

No. 1. Zes.

No. 2. Neen, zeven.

Ond. Recte. Wat is optrekken?

No. 2. Hetzelfde als opkuieren.

Ond. Wat is boekhouden?

No. 2. Een boek niet weerom geven.

Ond. Wat verstaat gij door een deficit?

No. 2. Een heer zonder neus.

Ond. Wat door een surplus?

No. 2. Iemand met een bochel.

Ond. Wat is XXX in de algebra?

No. 2. Het merk van oude Engelsche ale op 't vat.

Ond. Wat is speculatie?

No. 2. Sinterklaas-gebak.

Ond. Wat is eene breuk?

No. 2. Iets daar men terstond den meester bij moet halen.

Ond. Perfect! Wanneer een schip in volle zee, de wind Z. O., en de
schipper 45 jaar oud is, hoe lang is dan de groote mast?

No. 1. Dat kan niet uitgerekend worden, omdat de deelen der
vergelijking niet tot elkander....

No. 2. Gekheid: ik zal 't wel zeggen: de mast is in dat geval zoolang
als de afstand van den wimpel tot het dek.

Ond. Eximie! (tegen No. 1) Maakt eene vink een koppel?

No. 1. Neen.

No. 2. En ik zeg al!

Ond. Hoe bewijst gij dat?

No. 2. Wel, ik vraag aan No. 1: maken twee vinken een koppel?

No. 1. Ja.

No. 2. Dus maakt een vink (namelijk een vink meer) een koppel.

Ond. Egregie!--Hoeveel staarten heeft eene kat?

No. 1. Maar een.

No. 2. En ik zeg: drie,

Ond. Hoe bewijst gij dat?

No. 2. Op de volgende wijs;


    Geen kat heeft twee staarten. Een kat heeft een staart meer dan
    geen kat,

                dus

    heeft een kat drie staarten.


Ond. Voortreffelijk! Nu eene vraag over de logica. Wat is een non
sequitur?

No. 1 (bedenkt zich.)

No. 2. Eene trekschuit, waarvan de lijn breekt.

Ond. Eximie. Wij zullen tot de aardrijkskunde overgaan. Wat is
de aarde?

No. 1. Rond.

Ond. (tegen No. 2.) Duidt gij haar beter aan.

No. 2. De aarde is iemand, die vijf zonen heeft, waarvan er twee
bevroren zijn.

Ond. Hoeveel vossestaarten zijn er noodig om van de aarde tot de maan
te reiken?

No. 1. (verlegen). Dat weet ik niet.

No. 2. Eene, als ze maar lang genoeg is.

Ond. Hoevele mijlen ligt Amsterdam van Java?

No. 1 (overijld). Eene, als ze maar lang genoeg is.

Ond. Male.

No. 2. Evenveel mijlen als Java van Amsterdam.

Ond. Hoe diep is de zee?

No. 1. Dat zal wel verschillend wezen, naarmate.... (hij stottert).

No. 2. Overal een steenworp diep.

Ond. In welk land wonen de meeste dronken lieden?

No. 1. Dat weet ik niet.

No. 2. In Lapland.

Ond. Welke bergen worden door de reizigers het meest bezocht?

No. 1 (verlegen). De Mont-Blanc.... neen.... de Chimborasso.

Ond. Gekheid! die worden maar zeer zelden bestegen. (tegen No. 2)
Weet gij het?

No. 2. De herbergen.

Ond. In welke steden komt men gewoonlijk 's nachts eerst aan?

No. 2. In de bedsteden.

Ond. Noem eene kaap, waar weinig dooven wonen.

No. 2. Aan kaap Hooren.

Ond. En eene gastvrije kaap.

No. 2. Kaap Kom-maar-in (Comorin).

Ond. Wat is eene rivier?

No. 2. Eene rivier is iemand, die naar zee gaat.

Ond. Welke plaatsen zijn bekend wegens den grooten invoer van wijn
en van snuif?

No. 2. Termonde en Terneuze.

Ond. Wat houdt men algemeen voor het beste goud?

No. 1 (aarzelende). Dat van Californië komt.

No. 2 Dat men in zijn zak heeft.

Ond. Egregie. Ik verlaat u thans en ruim mijn plaats in voor den
examinator in de Geschiedenis.



Onderzoeker in de geschiedenis. Ik zal u eenige vragen doen uit de
algemeene geschiedenis. Waarom zeilden de Argonauten naar Kolchos?

No. 1. Om het gulden vlies te halen.

Ond. (tegen No. 2). En hoe denkt gij er over?

No. 2. Omdat zij geen kans zagen er over land te komen.

Ond. Egregie. Weet gij, hoeveel koningen van Rome er geweest zijn?

No. 1. Zeven.

No. 2. Acht.

No. 1. Wel neen:--Romulus, Numa Pompilius, Tullus Hostilius, Ancus
Martius, Tarquinius Priscus, Servius Tullius en Tarquinius: dat
is zeven!

No. 2. En de zoon van Keizer Napoleon maakt acht.

Ond. Mooi! eximie! daar had ik zelf nooit aan gedacht.--Zeg mij nu
eens welk volk der oudheid het meest gedrukt heeft?

No 1. De Chineezen.

Ond. Male!

No. 2. De Persen.

Ond. Egregie!--Welke soort van haar had Bucefalus, het paard van
Alexander?

No. 1. Bruin haar.

Ond. Male. Gij slaat er maar een slag in. (tegen No. 2) Weet gij het?

No. 2. Paardenhaar.

Ond. Egregie. En aan welke zijde het meeste?

No. 1 (verward). Aan de rechterzij.

Ond. Pessime!

No. 2. Aan de buitenzij.

Ond. Juist! Van paarden gesproken, welke zijn de makste?

No. 1. Die 't best onderwezen zijn.

Ond. (haalt medelijdend de schouders op).

No. 2. De paarden in de bedsteden.

Ond. Voortreffelijk. En welke de koppigste?

No. 2. De stokpaarden.

Ond. En waarom mag een dood paard niet meer loopen?

No. 2. Omdat men anders doode paarden voor levende verkoopen zou.

Ond. Uitmuntend! Weet gij welke paus vóór de invoering van het
Christendom geleefd heeft?

No. 1. Toen kon er nog geen Paus zijn.

No. 2. Wis en drie!--Paus-anias.

Ond. Zeer goed! Hoe heette zijne vrouw?

No. 1 (Ziet beteuterd voor zich).

No. 2. Pausani-japon.

Ond. En hoe heette hij toen hij klein was?

No. 2. Pausani-buis.

Ond. Eximie. En hoe heette Mozes, toen hij klein was?

No. 1 (geheel van de wijs.) Mo-buis.

Ond. Male! (tegen No. 2) zeg gij het eens.

No. 2. Mozesje.

Ond. En hoe heette de vader van Mozes?

No. 2. Mo-vijf.

Ond. Egregie. En waarom verdronken de Egyptenaren in de Roode Zee?

No. 2. Omdat zij niet aan wal waren gebleven.

Ond. Zeer goed. Nu nog een paar vragen uit de nieuwere geschiedenis
en staatkunde. Waarom zal het Rusland nooit gelukken, de Poolsche
nationaliteit geheel te vernietigen?

No. 1. Omdat.... omdat....

No. 2. Omdat er altijd twee polen zullen overblijven.

Ond. Perfect! noem mij eens een tijdgenoot van Corneille?

(No. 1 is van zijn stuk en weet niet wat te zeggen.)

No. 2. Zijn snijer.

Ond. Wij hebben onlangs verkiezingen gehad. Wie hebben het meeste
verstand van kiezen?

No. 1. De beschaafde lieden.

Ond. Male. Gij zijt een aristocraatje. (tegen No. 2) Wie hebben het
meeste verstand van kiezen?

No. 2. De tandmeesters.

Ond. Egregie!--Welke Europeesche kronen hebben zich het best tegen
den revolutie-geest gehandhaafd?

No. 1 (stotterende). Rusland.... en....

No. 2. De Amsterdamsche Drie Kronen.

Ond. Mirifice! Mijn tijd is om: Ik groet u. Een der andere Heeren
zal u over de Geschiedenis des Vaderlands en de Taalkunde ondervragen:



Onderzoeker. Waarom, mijne jonge vrienden, kwam Alva naar de
Nederlanden?

No. 1. Om den opstand te dempen.

No. 2. Omdat de Nederlanden niet naar Alva kwamen.

Ond. Waarom werden Egmond en Hoorne onthalsd?

No. 1. Omdat men hen van hoogverraad betichtte....

No. 2. Omdat zij van adel waren, anders waren zij gehangen geworden.

Ond. Recte! Van adel gesproken, waarom zond Lodewijk XIV aan De Ruyter
de orde van St.-Michiel?

No. 1. Omdat.... omdat....

No. 2. Omdat De Ruyter die nog niet had.

Ond. Egregie. Brandt schreef de geschiedenis van De Ruyter. Welke
geschiedenissen zijn beter dan die van Brandt?

No. 2. Die van blusschen.

Ond. Bene. Wat was het eerste, dat De Ruyter deed, als hij 's morgens
uit zijn bed stapte?

No. 1. Bidden.

Ond. Male!

No. 1. Ontbijten.

Ond. Pessime.

No. 1. Zich wasschen.

Ond. Ik verlang niet dat gij er naar raadt. Weet gij het of niet?

No. 1. (huilende). Neen.

Ond. (tegen No. 2). En gij?

No. 2. Wel zeker:--het eerste wat hij deed, als hij uit zijn bed
stapte was: plaats maken.

Ond. Rectissime!--En welke logeergast had De Ruyter op zijne kamer,
die alle ochtenden vroeg uitging, zonder 't huis te verlaten?

No. 2. Zijne nachtkaars.

Ond. Voortreffelijk. Nu nog eenige staat- en landhuishoudkundige
vragen. Wat is hier te lande de hoogste post?

No. 1. Koning.

Ond. Dat is geen post.

No. 2. De duivepost.

Ond. Optime! Wat zou, sinds de spoorwegen, nog de beste vaart in ons
land zijn?

No. 1. De vaart op de Oost.

Ond. Is die in ons land? (No. 1 kijkt bedrukt voor zich.)

No. 2. Welvaart.

Ond. Wat noemt men een landeigenaar?

No. 2. Iemand, die 't land heeft.

Ond. Welke boeren gaan meestal naar 't leger?

No. 2. Boeren die vaak krijgen.

Ond. Wat is de beste kaas?

No. 2. Presentkaas.

Ond. Wat zijn de duurste inlandsche steenen?

No. 2. Jan-Steenen.

Ond. Welk bier pakt iemand terstond bij 't hoofd?

No. 2. Een barbier.

Ond. Welk een haas laat zich hier te lande gemakkelijkst vangen?

No. 2. Een ossehaas.

Ond. En welke zijn de goedkoopste hammen?

No. 2. De boterhammen.

Ond. Gij wilt student worden. Is er ooit onder de groenen een vermaard
man geweest?

No. 2. Jan Gras.

Ond. Heeft hij kinderen nagelaten?

No. 2. Ja, een broer, Dorus-Gras.

Ond. Wat is de meest geliefkoosde les van een student?

No. 2. Een kales.

Ond. En zijn geliefkoosd nastuk.

No. 2. Een stuk-in.

Ond. Welke is thans de eerste leerstoel hier te lande?

No. 2. De tafelstoel.

Ond. Egregie! Wij zijn zoo van lieverlede op Onderwijs en Taal
gekomen. Hoeveel soorten van letters zijn er?

No. 1. Twee: klinkers en medeklinkers.

Ond. (tegen No. 2) En volgens u?

No. 2. Vier: schrijfletters, drukletters, rooie letters en
sinterklaasletters.

Ond. Egregie. Welke letters zijn nat?

No. 1. Die pas geschreven zijn....

Ond. Male.

No. 2. A en Y.

Ond. Welke letter is eene vrouw?

No. 2. K.

Ond. Met welke kan men meten?

No. 2. Met de L.

Ond. Welke gebruikt men na den eten?

No. 2. De T.

Ond. Eximie! Wat is de vocativus van kat?

No. 1 (half wanhopend). O kat!

Ond. Male. (tegen No. 2) Wat is de vocativus van kat?

No. 2. Poes!

Ond. Excellentissime. Het examen is afgeloopen.



(De beide jongelieden worden binnengelaten om hunne bewijzen van
toelating te ontvangen. No. 1 heeft 3 punten, No. 2 heeft er 25,
en de Voorzitter schrijft een vertrouwelijken brief aan Prof. Y. te
X., met aanbeveling om laatstgemelden jongeling honoris causa het
Doctoraat in de letteren te doen opdragen).



AAN DE BESCHAAFDE VROUWEN IN NEDERLAND.


LIEVE VRIENDINNEN!


Misschien vindt gij deze wijze van u toe te spreken wel wat heel
familiaar; maar wanneer men eens mijnen leeftijd bereikt heeft,
aan jicht en rheumatiek lijdt, het vroeger blond der haren in
afschuwelijk muisvaal heeft zien veranderen, zonder nog van eene
menigte andere lastige voorboden des ouderdoms te gewagen, dan heeft
men er ten minste dit bij gewonnen, dat men weder, evenals op zijn
vijftiende jaar, zich jegens de schoone sekse wat meer gemeenzaamheid
veroorloven mag. Men is dan weder iemand sans consèquence geworden,
of gaat er althans voor door.

En dan, hoe zou ik u anders betitelen? Hadt gij liever:


MEVROUWEN, JONKVROUWEN EN JONGE JUFFROUWEN?


Dat ware, dunkt mij, wat lang, en, hoe algemeen ook, nog niet algemeen
genoeg: er zouden vitters zijn, die beweerden, dat er juffrouwen
gevonden worden, die niet jong zijn.

Of wel:


LIEVE DAMES?


Foei! dat ware een aanhef, goed voor een goochelaar, die zijne toeren
begint, of voor een calicot, die zijne sitsjes aanprijst.--

Of anders:


BEVALLIGE SCHOONEN?


Zoo iets zegt men van den katheder; maar al onderstel ik zeer gaarne,
dat gij allen schoon zijt, zoo is het niet uit dat oogpunt, dat ik
u deze reis beschouwe.

Maar waarom niet eenvoudig, zonder er veel omslag bij te maken:


   Aandachtige  Lezeressen?
of Welwillende
of Bescheiden
of Waarde


Daar zou ik op zich zelf niet tegen hebben; maar het is juist als
Vriend, dat ik u iets heb te verzoeken en aan te raden: en bij
vriendschappelijken raad en verzoek wordt vriendschap over en weder
ondersteld.

Alzoo:--ik blijf bij:


LIEVE VRIENDINNEN!


Mijn uitgever, of, om juister te spreken, de uitgever van Holland,
is een beste, hupsche vent, met wien ik het altijd en in alle zaken
uitnemend heb kunnen vinden: er is maar één punt, waarover ik, sedert
ik hem als Redacteur ter zijde sta, het gedurig met hem aan den stok
heb gehad.

Hij beweert namelijk, dat wij bij de inrichting van onzen Almanak,
wat de keuze van de onderwerpen, zoo der stukken als der plaatjes,
betreft, er hoofdzakelijk naar moeten streven om u te behagen.

Dit ben ik volkomen met hem eens: maar hij beweert, dat ik zulks niet
genoeg in 't oog houde.

Hij zegt, dat ik er te veel in laat sluipen, van bloot
wetenschappelijken aard: dat de dames niet gediend believen van
zoodanige lectuur; dat die voor haar te droog is: dat ik in den
Almanak wat meer bloempjes en krulletjes en lieve portretjes moet
zien te krijgen: ja de hemel weet, wat hij mij al vertelt.

Op al die vertoogen heb ik hem steeds geantwoord, dat hij niet weet wat
hij zegt: dat ik 25 jaar langer dan hij ondervinding heb van hetgeen
aan beschaafde Dames al dan niet behaagt: dat onze Nederlandsche
vrouwen, vooral onze Nederlandsche meisjes, er in 't geheel niet op
gesteld zijn, beschouwd en behandeld te worden als wezens, die alleen
van futiliteiten gediend believen: dat zij even gaarne op zijn tijd
smaak vinden in een goed stuk ossevleesch en ingeleide snijboonen,
als in taartjes en ulevellen; of, om niet metaphorisch te spreken, dat
een historisch, ja ik zou haast zeggen een wijsgeerig vertoog haar nu
en dan even welkom is als eene romance of een liefdesverhaaltje. Ik
heb hem gewezen op de talrijke opkomst van het schoone geslacht
in de Rederijkerskamers, bij de opvoering der ernstigste en meest
classieke stukken: op het aantal beschaafde vrouwen, dat zich telkens
verdringt waar begaafde sprekers zich over bloot wetenschappelijke
onderwerpen doen hooren: op zoovele genootschappen, wier strekking
geheel ernstig is, en die in de jongste tijden uitsluitend door
vrouwen zijn opgericht, niet alleen tot een weldadig of godsdienstig
doel, maar ook tot het lezen en bestudeeren onzer dichters, ja
zelfs tot het ontvangen van onderricht in de sterrekunde, in de
natuurkunde of in de geschiedenis van China.... ik weet niet wat
ik er niet al heb bijgehaald. Maar 't heeft niet mogen baten. Hij
blijft--ja, zoo zijn die Boekverkoopers!--hij blijft maar beweren,
dat vermits almanakken als de "Holland" tot de werkjes behooren,
bestemd en (advertentie-stijl) bijzonder geschikt tot St.-Nicolaas-
of verjaarsgeschenken, het er eigenlijk minder toe doet--hier komt
het hooge woord er uit--hoe de Dames, die den Almanak misschien lezen,
maar zeker niet koopen, hem vinden dan wel, hoe haar vrijers enz. er
over denken. Dezen toch, naar een boekje uitziende, dat zij als een
welgevallig cadeau zouden kunnen aanbieden, letten daarbij minder op
de soliditeit van den inhoud, dan wel op een behaaglijk en smaakvol
uiterlijk, en zijn vooral gesteld op verguldsels, mooie plaatjes en
aanlokkelijke titels.

In één woord, hij meent, dat zoo ik, in plaats van een geleerd stuk,
als ik eerst voornemens was, eene bijdrage in den Almanak lever,
waarbij ik in 't bijzonder de Dames aanspreek en mij richte naar den
smaak, dien hij in haar veronderstelt, zulks hem wel een paar honderd
exemplaren meer zal doen verkoopen.

Bij een dergelijken redetwist moet een Redacteur wel altijd de
minste wezen.

Ik heb derhalve moeten eindigen met hem te beloven, dat ik aan
zijn verlangen zou voldoen:--en ik ben terstond gaan overleggen,
welk onderwerp ter bereiking van het vereischte doel het meest
geschikt ware.

Laat ik mij haasten u te zeggen,--eer gij mij beschuldigt van in
herhalingen te vallen, dat ik deze reize volstrekt niet verlegen was
om stof. Neen! die had ik in overvloed:--het kwam er alleen op aan,
eene goede keuze te doen.

Ik moet een onderwerp vinden, dat reeds door de aanlokkelijkheid
van zijn titel eene aangename lectuur beloofde, dat heel pleizierig,
heel vermakelijk, heel onderhoudend is, waarvan de bloote vermelding
elken anderen almanakschrijver deed bersten van klinkklare spijt,
dat hij er niet op gekomen was: in één woord, iets dol prettigs en
behaaglijks:--en ik vestigde daarom mijne keus op.... de spraakkunst.

Mij dunkt, dat ik reeds vanhier de gezichten zie, welke gij trekt,
en hoe gij opkijkt, als wildet gij vragen: "is het ernst?--of is het
eene flauwe mystificatie? wil Mr. Jacob Van Lennep den spot met ons
drijven? of is hij waarlijk van plan ons te onderhouden over het boekje
van A-SPA, of over dat oudere met een "Haan" voorop, of wel over die
dikke boeken, die men zegt dat Dr. Bril, of Dr. De Jager, of wijlen
de geleerde Heeren Bilderdijk en Kinker geschreven hebben? Nog eens,
is 't meenens, of is 't gekheid?"

Elke dezer beide onderstellingen zoude u kunnen nopen, zoo niet om den
Almanak geheel dicht--dan althans om de volgende bladzijden over--te
slaan en iets te zoeken, dat u meer belangwekkende lectuur beloofde.

Eilieven! doet dat niet: al ware 't maar, opdat mijn uitgever niet
zou kunnen zeggen, dat hij gelijk had.

Hoort ten minste vooraf wat ik bedoel wanneer ik zeg, dat ik u over
spraakkunst onderhouden wil.

Ik heb volstrekt geen plan om Philamintes of Belises van u te maken:
ik ken niets onverdraaglijkers dan eene geleerde vrouw:--of het
moesten twee geleerde vrouwen zijn.

Ik ben dan ook geenszins voornemens, mij in grammaticale bespiegelingen
te begeven: u van geslacht, getal en naamval, van onderwerp, voorwerp
en gezegde enz. enz. aan 't oor te malen. Wanneer ik van de spraakkunst
gewaag, neem ik dat woord in zijne eenvoudige beteekenis als de kunst
om goed en zuiver te spreken: en dan richt ik hetgeen ik daarover
zeggen wil tot u, omdat, over 't geheel, gij alleen de taal onzer
vaderen--ik moest liever zeggen onzer moederen--nog welluidend,
zuiver en onvervalscht spreekt.

Velen zullen beweren, dat hetgeen ik daar zeg eene paradox is: en
misschien zijt gij zelven nederig genoeg, om het er insgelijks voor te
houden. Ik wou dat gij te dien opzichte gelijk had: 't is een groot
voorrecht, eene paradox te hebben uitgevonden: en er is nauwelijks
een onder de mannen der wetenschap, van de wijsgeeren der oudheid af
tot aan den eersten lofredenaar eener belasting op de inkomsten toe,
die zich zonder dat een naam zou gemaakt hebben.

Ongelukkig is mijne bewering geene paradox, maar de uiting eener
eenvoudige waarheid, van welke ik sedert lang overtuigd ben, en die
ik, des gevergd, door bewijzen staven kan.

En toch--stellen de roman- en novellenschrijvers, als zij
hedendaagschen zeden beschrijven, onze Nederlandsche vrouwen niet voor,
als haar dagelijksche gesprekken met Fransche woorden doormengende?

Alleen een bewijs, dat die roman- en novellenschrijvers geene
beschaafde vrouwen kennen, of wel, dat zij elkander gedachteloos
napraten. Eene zoodanige voorstelling mocht geldig zijn veertig jaar
geleden: tegenwoordig laat hier te lande eene beschaafde vrouw, wanneer
zij hare moedertaal spreekt, zich bij ongeluk niet de honderdste
part uitheemsche en bastaardwoorden ontvallen, die sommigen onder
onze taalkundigen, mijn vriend Alberdingk Thijm bijvoorbeeld, zich
met opzet veroorloven.

Daarbij, lieve vriendinnen! het zuiver spreken zit hem niet in het
angstvallig vermijden van uitheemsche woorden of terminatiën. Ik zal er
u nooit hard over vallen, dat gij mij vraagt naar mijne familie en niet
naar mijn gezin: gij drukt u, mijns inziens, veel juister uit, wanneer
gij zegt mijne verklaring van straks voor een gracieus compliment
te houden, dan wanneer gij die eene bevallige plichtpleging noemt;
en ik hoor u liever een werk van mij amusant dan vermakende noemen.

"Maar," zult gij vragen, "wat dan verstaat gij er door, wanneer gij
zegt, dat wij alleen nog zuiver Nederduitsch spreken."

Ik zal u dit ophelderen: zuiver Nederduitsch te spreken is, naar mijn
begrip, onze taal naar den eisch te doen hooren, zoo wat vormen als
klanken betreft.

In beide opzichten hebt gij nog de oude, gezonde overleveringen
behouden, die de Dagbladschrijvers aan de eene zijde, en de
Schoolmeesters aan de andere, mooi op weg zijn te vernietigen.

Ik zal u eerst eens vertellen, aan welke misdrijven tegen de Taal
die Heeren zich dagelijks schuldig maken en vervolgens aantoonen,
dat gij u daarvan zuiver houdt, en waarom.

Vooreerst, wat de Dagbladschrijvers betreft, onder welke rubriek
ik mede rangschik de schrijvers van maand- of weekbladen en de
vertalers.--Daar hun bedrijf grootendeels bestaat in het overbrengen
van volzinnen uit eene taal, welke zij ten halve, in eene taal, welke
zij slecht verstaan, en zij daarbij doorgaans gejaagd en overhaast
te werk moeten gaan, zoo is het hun niet zoo erg kwalijk te nemen,
dat er over 't algemeen een pot-pourri uit hunne handen komt, waarvan
wel de woorden nu en dan Hollandsch, de samenstelling echter Fransch,
Engelsch of Hoogduitsch is.

En daar hun geschrijf de meeste lezers heeft, zoo sluipen
ongemerkt--met en benevens politiek, zedelijk en allerlei ander venijn,
waarmede wij ons hier niet hebben op te houden--die door hen gebezigde
vormen van samenstelling de schriften en de taal des onnadenkenden
binnen: en zoo hooren wij dagelijks volzinnen als:

"Zij hebben zich ontmoet en gesproken." (gallicisme).

"Die vrouw, schoon als zij is (anglicisme), zou mij niet weten te
behagen." (gallicisme).

"Die zakdoeken wasschen zich niet te best." (gallicisme).

"Ziedaar een opvallend verschijnsel." (germanisme).

"Er waren meerdere menschen aanwezig." (germanisme).

"In het eind, zij bedankte hem." (gallicisme).

"Ik durf" (voor: "ik mag") daar niet van eten, al laat gij het u
goed smaken."(germanismen).

"Zij zag hem met onwil aan," voor: "met tegenzin." (germanisme).

"Nu, wij willen zien." (anglicisme).

"Het gezelschap zat rond de tafel." (anglicisme, en, voor zooverre
Rotterdam eene voorstad is van Engeland, rotterdamisme).

"Ik heb van den zomer eene reis naar Londen gemaakt." (gallicisme).

"Wandelingen worden bij de vleet (en helaas! niet het minst door de
dames) gemaakt (gallicisme): afgezien van de moeite, aan het maken
van zulke dingen verknocht." (germanisme).

"Bij manden vol worden ons dagelijks bemerkingen aangevoerd, en worden
wij aan allerlei dwaasheden herinnerd." (germanismen).

"Zij was reeds dicht de zestig genaderd," (anglicisme).

"Een baardige Heer en zijn blondlokkig dochtertje." (allerlei-isme).

"U is wel goed." (geen taal ter wereld) enz. enz. enz. Ik zou er drie
jaargangen van "Holland" mee kunnen vullen.

En nu de schoolmeesters.

Ik bedoel hier natuurlijk het ras, de kaste, niet de individu's.

Wanneer een Franschman spreekt van épiciers dan meent hij daarmede
niet alle "kruideniers" zonder onderscheid.

Zoo ook geldt niet allen Schoolmeesters, en evenmin allen
Dagbladschrijvers of Vertalers, hetgeen ik hier van hen zeg. Er zijn
er onder, die zeer knap en verdienstelijk zijn, en, om met Boileau
te spreken:

Il en est jusqu'à trois que je pourrais nommer, maar ééne zwaluw
maakt geen lente, en de uitzondering bevestigt slechts den regel.

De Schoolmeesters dan--om tot hen terug te keeren--behandelen de
taal evenals Le Nôtre en zijne navolgers de tuinen en perken,
die zij hadden aan te leggen: alles moet precies even stijf en
regelmatig zijn: de rustbanken op gelijke afstanden en eene groote
bank aan 't eind: geen slingerbochten, geen verrassende wendingen,
geen bevallige ongelijkheden vooral, en dan alles volkomen geharkt,
geschoffeld en gesnoeid.

Volgens hen mag men b. v. nooit zeggen: "de plaats, waar hij van daan
kwam;"--maar: "de plaats, waar van daan hij kwam."

Nooit: "ik heb een huis gekocht, en er het dak afgenomen;" maar:
"het dak van hetzelve afgenomen."

En met de uitspraak, die zij zich geroepen achten te leeren, maken zij
't nog vrij wat erger.

Zij zijn zoo bevreesd, aan eene letter of syllabe onrecht te doen
ten koste eener andere, dat zij aan alle dezelfde waarde geven.

Zoo lezen en zeggen zij b. v.:

"Ik heb dikWIJLS aan mijNEN zoon geZEGD: joN-GelIN-G, het is eenE
moeielIJKE en kunstIge zaak, met mensCHen om te gaan."

In plaats van:

"'K heb dikw'ls an m'n zoon gezeid: jong'ling, 't is 'n moeil'ke en
kunst'ge zaak, met mens'n om te gaan," enz. enz.

Wat nu de mans betreft, voor zooverre zij geen dagbladschrijvers of
schoolmeesters zijn:

Een gedeelte hunner schrijft niet en spreekt er daardoor niet
slechter om.

Een ander gedeelte bezit eenige opvoeding;--doch, wanneer zij in de
noodzakelijkheid komen te schrijven en zich alzoo een zekeren stijl
te vormen, mistrouwen zij zich zelven en gaan te rade, waar zij
de beste voorbeelden meenen te zullen vinden, of wel zij schrijven
gedachteloos na.

Sommigen, en daaronder vooral de publicisten, de staathuishoudkundigen
enz., vormen hun stijl naar dien der politieke journalen.

Anderen, als de kooplieden, de winkeliers enz., vervallen ongemerkt
in den stijl, waarin de beursberichten of aankondigingen zijn vervat.

Weer anderen, en daaronder de praktizijns, de ambtenaren, de
bureaulisten, doorspekken hun gruwelijk Nederduitsch nog met de
stadhuis- en kanselarijtermen, die zij in hun beroep dagelijks hooren.

En dan boven en behalve dat, wanneer zij 't recht mooi willen maken,
flikken zij hun taal nog op met wat schoolmeestersgekunsteldheid.

Een lief Hollandsch, dat men per slot bekomt.

Met u, mijn waarde vriendinnen! is het anders gesteld:

In de eerste plaats, wanneer geleerde Taalkenners Hand-
of Woordenboeken schrijven, doen zij zulks, volgens hun eigen
prospectussen, alleen voor de (beschaafde?) mans, maar met de vrouwen
bemoeien zij zich niet. Uit den aard der zaak behoeft gij alzoo de
Taal niet te kennen.

Gij schrijft uw huishoudboek, de waschlijst, en voorts nu en dan een
enkelen brief aan ouders, kind of vriendin:--aan de zoodanigen in één
woord, voor wie gij u niet geneert. Uw stijl behoeft niet mooi, niet
kunstig, niet sierlijk te zijn: uwe taal niet zoo precies Siegenbeeksch
of Weilandsch: mits men maar verstaat wat gij bedoelt. En daardoor
juist blijft uw stijl los en ongedwongen, ja vormt hij zich zelven
en verkrijgt iets eigenaardigs;--en daardoor juist blijft uwe taal
in overeenstemming met uwe gesprekken, en vrij van stijve gemaaktheid.

In bedoel natuurlijk de zoodanigen onder u, die geene auteurs zijn,
en haar geweten niet bezwaard hebben met het lezen van politieke of
staathuishoudkundige vertoogen.

En wat uwe uitspraak betreft: gij spreekt uwe taal nog zooals gij
die van uwe moeders gehoord hebt, en de lessen van den "Hollandschen
meester" zijn gelukkig lang door u vergeten. Gij bewaart alzoo,
't zij dat gij schrijft, 't zij dat gij spreekt, nog het palladium
onzer Taal en Spraak: en ik ga mijn betoog hieromtrent evenals de
oplossing van een wiskundig voorstel sluiten, met te zeggen:

"Wat te bewijzen was."

Maar, wat nu verder?

Verder niets, of niet veel:--ik wilde in de eerste plaats u mijn dank
betuigen, en u den lof toebrengen, waar gij recht op hebt. Mogen allen
het met mij erkennen, dat, zoo nog hier of daar redelijk Neerduitsch
gesproken wordt, wij het alleen aan u te danken hebben.

Zoo uwe kinderen of broertjes op de scholen geoefend zijn geworden
in 't kunstmatig (!) lezen,--gij hebt er ten minste voor gewaakt,
dat zij natuurlijk bleven spreken.

Zoo men hun vertelde, dat men, van zaken gewagende, niet hy of zij,
maar dezelve gebruiken moest, gij hebt gezorgd, dat dit leelijke
woord althans nooit in de conversatie voorkwam.

Zoo men hun pa-ard en wee-reld, pa-ars en vers, si-jerp en pagie,
van-gen en Fran-schen, knip-je en doos-je leerde zeggen, gij hebt hun
geleerd, naar de wijze uwer moeders en grootmoeders, paird en waireld,
pairs en vairs, cherp en page, vang'n en france'n, knippi en dauche
[87] uit te spreken.

Nogmaals, voor dat alles dank ik u.

En nu mijn raad en mijn verzoek:

De eerste strekt alleen daartoe, dat gij u nooit laat wijsmaken, dat
de Grammaire, veel minder dat de Schoolmeesters de spraak beheerschen
moeten.

Waar het op taalwetten te pas komt, zijn de Schoolmeesters even slechte
beoordeelaars, als, waar sprake is van Landswetten, de Advocaten.

En toch, indien deze mijne stelling waar is, is zij dit ten opzichte
van de twee hier genoemde rassen uit twee volkomen tegenovergestelde
redenen.

Immers, de Advocaten willen altijd de bestaande wetgeving veranderd
hebben: en de Schoolmeesters daarentegen schreeuwen over elke
voorgestelde verandering moord en brand.

De eerstgemelden zijn mannen van beweging: de laatstgenoemden mannen
van behoud.

Nu, tegen dit laatste zou ik mij niet zoozeer verzetten,--indien
hetgeen die Heeren behouden willen, niet juist zoo willekeurig en
nieuwerwetsch ware; terwijl hetgeen gij behouden wilt, de aloude
vrijheid is in spraak en stijl.

Blijft--dit is nu ten slotte mijn verzoek--blijft die even wakker als
voorheen verdedigen: onderhoudt met elkander en bij uwe lievelingen die
wendingen in de volzinnen, die ongedwongen losheid in de uitdrukking,
die in 't oneindige genuanceerde verscheidenheid in de klanken, die
bevallige zachtheid in de uitspraak, welke onze Taal vanouds in den
mond van beschaafde vrouwen gekenmerkt heeft, en welke, in naam der
Heilige Eenparigheid, ons barbaarsch geslacht van Taalkenners ten
eenenmale zou wenschen uit te roeien en te doen vervangen


        Door sijfflend mondgebies en rochlend keelgegrom,
        Door kwekkend kwaakgeklep en snorkend neusgebrom.


Gij zult daarbij steeds een ijverig bondgenoot vinden in

    Uwen Onderdanigen Dienaar en
        bestendigen Bewonderaar,

                            J. van Lennep.



AANTEEKENINGEN


[1] Ik spreek hier natuurlijk niet van de kleeding der dames: dezen
kleeden zich thans wel geheel anders dan hare overgrootmoeders;
maar--maar als vanzelf spreekt--natuurlijk altijd even sierlijk.

[2] Over het voorkomen van Amsterdam in eene vorige eeuw.

[3] Het wapen, dat Wagenaar in zijne Beschr. v. Amst. opgeeft als
dat van Willem Eggert, is het zijne niet, maar dat van een lid van
zijn geslacht.

[4] Ik heb van deze dochter een der heldinnen gemaakt van mijne
Legende getiteld: "Jacoba en Bertha".

[5] Ik geef hier het grafschrift, zooals er behoorde te staan, zooals
er nog tot even na 1700 stond, en zooals het bij Fokkens en Le Long
is overgenomen. Maar voor 200 jaren vergiste zich Izaak Commelin in 't
overschrijven en liet de hier cursief geplaatste woorden weg, waardoor
Eggert en niet de Kapel gedoyteert werd. Dapper, Van Domselaar,
C. Commelin, Van Nidek, Wagenaar zelf, schreven de fout trouwhartig na,
en wat vreemder is, bij 't overschilderen der letters volgde men niet
den oorspronkelijken tekst van 't grafschrift, maar de verminkte kopie.

[6] De Burgemeesteren Klaas Meeuwiszoon en Jacob Gerrit Teeuwiszoon.

[7] "Wandeling in het midden der zeventiende eeuw, door Joannes
Aurelius." Amst. Gebr. Kraay, 1859.

[8] Ik voor mij heb althans, 't zij in 1831 België, 't zij later
de Krim of Italië het tooneel des oorlogs was, de krijgsoperatiën
nergens beter dan op de kaarten van Blaeu kunnen volgen.

[9] Vermakelijker zeker dan hetgeen Vondel hier zegt, en wel den
geest kenmerkende van den tijd, waarin zij geschreven werden, zijn
de uitdrukkingen, waarvan kok in zijn Vaderl. Woordenb. op 't artikel
Blaeu (Joan) zich bedient: "Al ware 't ook, dat de aanzienlijke rang
van een der zes en dertig Raaden van 't machtig Amsterdam te zijn,
zijnen naam niet vereeuwigde, zijn uitgegeven Atlas en Stedeboeken
zouden dien voor den roest des tijds genoeg beveiligd hebben."

[10] Zie deze meer omstandig vermeld in mijn Iets over D. P. Pers en
zijne werken, geplaatst in het tijdschrift Nederland. Jaargang 1853,
bl. 249-298.

[11] Vondel spreekt van dien wijngaard aldus:


          De wijngaard aen de straet, geleyt van maegdenhand
          Tot daer 't gehemelt deckt de nonneledikant,
        Hingh swanger, in een nacht, van rijpe muskadellen.


Zie mijne uitgave Deel II, bladz. 192.

[12] D. i.: "huwelijksmaker" en niet heiligmaker zooals velen
zeggen--eene zeer bekende koeksoort.

[13] "Kameraadjes, vriendinnetjes," van cara: "dierbare, lieve."

[14] Betuttelen is: "critisch nazien," 't Fransche: mettre les points
sur les i.

[15] Baeren is hier "bruisen."

[16] "Blijf ik."

[17] Noch is: "neen."

[18] Versteen ick: "word ik onbeweeglijk en ga niet."

[19] De kortste gelegenheid om van Den Haag naar Amsterdam te komen,
was toen over 't Haarlemmermeer.

[20] Versta: "laat hen klappertanden, terwijl zij onder den schoorsteen
kruipen om zich te warmen."

[21] Is hier een woordspeling te zoeken, zooals de kapitale letter
schijnt aan te duiden, dan had wellicht de bruiloft in den Doel of
Doelen plaats.

[22] "Amsterdam, rijk aan ponden" (geld).

[23] De ooren van den Winter namelijk. Zie vers 1.

[24] Hij wil zeggen: "indien het te slecht weer is, dan zal ik over
't Sparen (d. i. over Haarlem), en zoo verder van daar naar Amsterdam
met rijtuig gaan."

[25] Adelaer is Allart Crombalgh zelf, die, als ik boven zeide, door
den zang van Tesselschade uit het "kerkgewelf" tot haar gelokt was.

[26] Glaukus is hier de Zuiderzee, waar de Vechtstroom zich bij Muiden
in uitstort, wat in deze regels dichterlijk wordt voorgesteld.

[27] Lees: "sta niet naar uw leven (begeef u niet roekeloos in gevaar),
vermits ik bevreesd ben dat gij mocht omkomen."

[28] Dat is: "zonder huif of kaper op 't hoofd." De huif was bepaald
de dracht der getrouwde vrouwen.

[29] Anna en Tesselschade:--diertje wordt hier voor "meisje" gezegd,
evenals dikwijls bij Cats.

[30] Het eerste onlangs staat hier in den zin van: "niet lang geleden,"
het ander in dien van "sedert kort."

[31] De toortsen van Cupido.

[32] Men herinnere zich, dat Machteld met laurieren gekapt was.

[33] Naam, dien hij aan de gelaurierde schoone geeft.

[34] Men store zich niet aan de wijze, waarop Hooft die namen geheel
verschillend spelt dan zij elders luiden. Men gaf in die dagen
volstrekt niets om de spelling van voor- of geslachtsnamen.

[35] Bij letterkeer voor Kampen. Hooft wil, evenals Huyghens gedaan
had, den naam verbloemen.

[36] Vastert of vasthart is eene overzetting van den naam Constantijn.

[37] "Cupido, de Minnegod."

[38] "Om menschen in zwijnen te veranderen," als Circe deed.

[39] "Aangewaaid."

[40] Darren is "durven," 't Eng. To dare.

[41] "Wilt gij, dat ik tot haar spreke als Alard tot mij deed?"--Het
slaat op 't verzoek, door Huyghens gedaan. Zie blz. 90, reg. 33
en volgg.

[42] "Hij voelt geen echte liefde, die er zoo luide over spreken kan."

[43] "Daar liefdebrand in woont."

[44] Zoo althans schijnt Brandt (Leven van De Ruyter, bl. 77) er over
te denken, waar hij zegt, dat door dit Grootburgerschap De Ruyter
in staat werd gesteld, "tot de hoogste ambten van Stadsregeeringe
te komen. Men vergete niet, dat in de hiërarchie van die dagen een
Regeeringslid, al was hij maar Commissaris, nog altijd een hooger
personage werd geacht, dan een dienaar der Regeering, al was hij ook
Veldmaarschalk of Admiraal.

[45] Zie dit breeder ontwikkeld in mijn verhaal, getiteld: de Twee
Admiralen.

[46] Leven van de Ruyter, blz. 741.

[47] Men weet, dat De Ruyter kort voor zijn overlijden door den Koning
van Spanje met den titel van Hertog was vereerd geworden, doch dat
Engel, op wien die bij zijns vaders dood overging, uit besef van de
wangunst en opspraak, die zoo geheel ongewoon eene benaming hier te
lande verwekken zou, den Koning verzocht, die te verwisselen tegen
die van Baron, als ten onzent meer gebruikelijk:--welk verzoek dan
ook door den Koning werd toegestaan.

[48] De aanhaling der zoo beroemde formule uit de bekende vertelling
der "Veertig roovers, door eene slavin verdelgd," brengt mij
onwillekeurig de voorstelling te binnen, welke ik eens in den
schouwburg bijwoonde van een drama--natuurlijk uit het Fransch
overgezet--hetwelk uit die vertelling getrokken was. Toen nu het
tooneel de spelonk verbeeldde, waarin de schatten der bandieten
verborgen waren, en hun hoofdman zich aan den ingang vertoonde,
riep hij met luider stemme:


                        "Sesamé, open u!"


De vertaler had gewis het Fransche woord Sésame voor een onvertaalbaar
tooverwoord of voor een eigen naam aangezien en daarom de moeite niet
genomen, een woordenboek in te zien, wanneer hij zou gevonden hebben,
dat Sésame (zeezaad) eene soort van oliezaad is, bij den Levantschen
handel zeer bekend. Maar hadden dan noch hij, noch de tooneeldirecteur,
noch de regisseur, noch de acteur, die de rol vervulde, of vroeger,
of althans ter dezer gelegenheid, de Arabische Nachtvertellingen
nageslagen?

[49] Woolwich.

[50] Hier Uilenburg, in 't vorige vers, reg. 3, Uylenburgh, en toch
zijn de twee gedichten terzelfder gelegenheid gemaakt. Waarschijnlijk
kwamen zij bij verschillende boekverkoopers uit, die verschillende
correctors bezigden; en in allen gevalle stoorde zich toen niemand aan
de wijze waarop een eigen naam, 't zij voor- of toenaam, gespeld werd.

[51] In zijn Amsterdam, VI Deel, III Boek.

[52] Thebe.

[53] Tesselschade:--hare vertaling is nimmer in druk verschenen en
het handschrift zoekgeraakt.

[54] Nagelbloem, giroflé.

[55] Nagelpoêr staat voor nagelpoeder, "fijngestampte kruidnagel."

[56] Maria van Medicis.

[57] Gaston van Frankrijk, broeder van Hendrik IV.

[58] Kosmo stamde van moeders zijde van de Duitsche keizers af.

[59] De tocht naar Chattam, onder 't beleid (zoo 't heette) van
Cornelis De Witt, Ruwaard van Putten, had kort te voren plaats gehad.

[60] "Die veler lieden zeden zag en steden."

[61] En niet ten vier ure, zooals door een abuis bij 't overschrijven,
drukken of corrigeeren verkeerdelijk op blz. 645 van 't IIIe deel
mijner uitgave van Vondel staat: tegen welke wanspelling van ure voor
uren achter 't getal, die eerst in de laatste jaren is opgekomen,
de Heer Te Winkel met recht zijne stem verheven heeft.

[62] Zie In Roemers Visscher, blz. 72 dezer Uitgaven.

[63] Tot recht verstand van dezen regel herinnere men zich, dat, in
die dagen, de tooneelspelers nog geen vaste jaarwedde genoten, maar
hun deel of belooning kregen bij den keer, voor 't spelen der rol,
hun toegedeeld.

[64] 't Was eerst in 1655, dat Smient van Burgemeesteren verlof kreeg
tot het uitgeven der Fransche Amsterdamsche Courant; wat hij echter
reeds eenigszins vroeger, door middel van zekeren Jan van Hilten, had
gedaan, en waarbij hij later de hulp had van Cornelis Jansz. Swoll. Hij
zelf bleef echter, door de uitgebreide correspondentie, die hij zich
had weten te verzekeren, voortdurend de ziel van de onderneming.

[65] Zie Vondels Leven en Werken, II. 224.

[66] Aldaar, II. 223.

[67] Aldaar, II. 223.

[68] Gij schrijft voor de eeuwigheid.

[69] Zie mijne vertelling, Cornelia Vossius, geplaatst in de
Romant. Werken, Dl. XIV.

[70] Izaak, de eenige van zijn kinderen, die hem overleefde, was bij
den dood zijns vaders uitlandig.

[71] Zie Wagenaar, Amst., IV. 416.

[72] Zie Wagenaar, Amst. (op 't jaar 1628).

[73] Bij de rolverdeeling, van Vondels hand geschreven, en voorkomende
in een exemplaar van "de Gebroeders," dat in mijn bezit is, komen
alléén mannen voor: en toch vermeldt de plaat, waar de platte grond
van den toenmaligen Schouwburg op is afgebeeld, eene Personenkamer
voor vrouwen.

[74] Bij den kastelein Punt werd al 't zilver weggeroofd, en de waarde
der juweelen, enz., op dien avond gestolen of vermist, werd op bijna
een millioen gulden begroot.

[75] Als een tegenhanger dier voorbeelden van zelfopoffering diene het
voorbeeld van zelfzucht, mij indertijd verhaald door wijlen mijn ouden
leermeester Prof. H. C. Cras. Deze was mede in den Schouwburg en had
zijn lijf niet dan met moeite gered, toen hij op het voorplein werd
aangehouden door een welgekleed heer, die volstrekt zijne medehulp
wenschte te hebben, om te zoeken naar zijn .... hoed.

[76] Het gedeelte van het gebouw naar de zijde der Keizersgracht
bleef staan: de kamers van den kastelein leden maar weinig, die van
de Regenten geheel niet van het vuur.

[77] De vlam was zoo sterk, dat die door geheel Holland, zelf op Texel,
gezien werd.

[78] Het getal der slachtoffers van den brand bedroeg niet meer dan
achttien, zijnde gevonden lijken van:


     1. J. de Neufville Van Lennep.             Allen Dinsdag
     2. Cornelia Bierens, zijne vrouw.            voormiddag.
     3. Louis André.
     4. Mw. Lubs, geb. Feitama.
     5. Hare dochter.
     6. De jonge François Van Oostveen.
     7. De dochter van den waagdrager Wijland.
     8. Abraham de Haes.
     9. De kleêrmaker van den troep Van Neyts.  Donderdag.
    10. De tooneelmeester Brinkman.             Vrijdag nam.
    11. Mw. Teixeira de Mattos.                 Zat. morgen.
    12. De machinist Teffers.                   Zondag morgen.
    13. P. van Eik.
    14. De knecht van Verhamme.                 Zondag morgen.
    15. De Directeur Rauws.
    16. Js. de Wolff.


Terwijl vertrapt en aan ontvangen kwetsing in zijn huis is overleden:


    17. Johannes Roos.


en van het dak des Schepens Huydecoper gevallen is:


    18. Gerrit Kuik, een pijpgast.


[79] Dat die Vlaamsche Operisten alles behalve liefderijk werden
behandeld in de pamfletten, na het ongeval uitgekomen, en hun de
schuld daarvan gegeven werd, zal niemand verwonderen, evenmin als
dat er een heftige pennestrijd in proza en in rijmelarij ontstond
tusschen hen, die in den brand een Godsoordeel wilden zien en hunne
tegenstanders. Het getal der prulschriften in rijm en onrijm bij die
gelegenheid uitgegeven, is niet te bepalen: ik bezit er voor 't minst
150. Hooger verdiensten hebben daarentegen sommige der menigvuldige
platen, waarop de brand, zoo binnen als buiten het gebouw, de ruïne
daarvan, enz. enz., zijn voorgesteld.

[80] Ao 1679 gaf Doctor Cornelis Bontekoe zijn Tractaat van het
Excellenste kruyd Thee aan het licht.

[81] Moederbaren komt tweemaal voor in den Roman der Kinderen van
Limburg, H. S. Maatsch. Ned. Lett. te Leiden, p. 7. C. 4.

"Soenes moederbaren, die weet wanen hes gheboren."

Verder nog eens p. 19. C. 2.

[82] De lezer bedenke dat de hier geschetste toestand op eene stoomboot
was zooals ruim 40 jaren geleden.

[83] Huijdecoper, Achilles IIe bedrijf.

[84] De dames zijn hier blijkbaar in de war; maar hoe minder zij
daaruit geholpen worden, hoe beter.

[85] Wat dit gezegde, 't welk gij, mijn lezers, wel eens gehoord of
misschien zelve gebezigd zult hebben, eigenlijk beteekent, durf ik met
geen zekerheid bepalen. Wel weet ik, dat kortelas een verbastering
van contelas of conteau (mes) is: en zoo luidde het oorspronkelijk
misschien: "geef hem sneden, snij hem met uw mes." In denzelfden zin
zou, "geef hem van de neuten", wezen: "zend hem van uw kogels toe."

[86] Zooveel als "Schermmeester."

[87] Ik bedoel namelijk, volgens de Fransche uitspraak van ai, ch,
ge, ang, ce en au.





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Vertellingen van vroeger en later tijd" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home