Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Vóór vier Eeuwen - Een Volksboek over de Ontdekking van Amerika
Author: Louwerse, Pieter, 1840-1909
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Vóór vier Eeuwen - Een Volksboek over de Ontdekking van Amerika" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



produced from images generously made available by The
Internet Archive)



   +-------------------------Regelnummer 1------------------------+
   |                                                              |
   |                  OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER:                |
   |                                                              |
   | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele,   |
   | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te    |
   | moderniseren.                                                |
   |                                                              |
   | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan    |
   | het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld.           |
   |                                                              |
   | De illustraties zijn alleen beschikbaar in de html-versie    |
   |                                                              |
   | In dit boek worden lage en hoge aanhalingstekens gebruikt.   |
   | Deze zijn respectievelijk aangegeven als »aanhalingstekens«. |
   |                                                              |
   | Overduidelijke inconsistenties, druk- en spelfouten in het   |
   | origineel zijn gecorrigeerd. Inconsistent gebruik van        |
   | verbindingsstreepjes is behouden.                            |
   | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de         |
   | aangebrachte correcties met bijbehorend regelnummer.         |
   |                                                              |
   +--------------------------------------------------------------+

                           Vóór vier Eeuwen.

                 [Illustratie: CHRISTOPHORUS COLUMBUS.]



                           Vóór vier Eeuwen.

                             EEN VOLKSBOEK

                                  OVER

                       DE ONTDEKKING VAN AMERIKA,

                                  DOOR

                              P. LOUWERSE.

             Met Portretten en verschillende Illustraties.


                                 SNEEK.

                           J. F. VAN DRUTEN.



HOOFDSTUK I.

INLEIDING.


De aardappel is oorspronkelijk een Amerikaansch gewas, tenminste, men
houdt Chili of Mejico voor het vaderland ervan, en met zekerheid weet
men, dat deze plant vroeger in heel Europa niet te vinden was. In 1565
was er echter een Engelschman, John Hawkins geheeten, die het
dagelijksch brood, en waarschijnlijk wel meer dan dat, als
slavenhandelaar verdiende. Daar, door eene langdurige reis, zijn
scheepsvoorraad aan levensmiddelen in Amerika noodwendig moest
aangevuld worden, zoo nam hij te Santa Fé, eene stad in de nabijheid
van de Rio la Plata, bij gebrek aan wat beters, een soort van knollen
aanboord, welke daar groeiden en door de inlanders gegeten werden. Van
deze knollen had hij nog over toen hij eene Iersche haven binnenliep.
Deze knollen waren niets anders dan aardappelen. Ze schenen evenwel
niet bevallen te zijn, want aan het poten van de vrucht dacht de Ier
niet. Negentien jaar later bracht de Engelsche Admiraal Walter Raleigh
dezelfde knollen, als wat nieuws, uit Virginia, een' van de Vereenigde
Staten van Noord-Amerika, in Engeland, en in 1589 wist Clusius,
Hoogleeraar te Leiden, eenige knollen te bekomen, welke zorgvuldig in
den Hortus werden aangekweekt. Langzamerhand verspreidde dit gewas
zich over geheel Europa. Van een algemeen gebruik was evenwel nog zóó
weinig sprake, dat Frederik II, de Groote, Koning van Pruisen, de
koppige boeren met geweld moest dwingen om aardappelen te teelen. Men
vond dit bevel een' dwang gelijk.

En hoe is het tegenwoordig gesteld met het verbouwen der aardappels?

In jaren van misgewas worden in ons land duizenden Hectoliters uit
Saksen ingevoerd. En wat zou Ierland, het arme Ierland, zijn zonder
aardappelen?

Moesten bijna twee eeuwen na het bekend worden dezer plant nog
dwangmaatregelen genomen worden om haar te verbouwen, thans is hare
vrucht over een groot deel van Europa het hoofdvoedsel van millioenen
menschen.

Doch waarom een boek over de ontdekking van Amerika begonnen met eene
korte geschiedenis van den aardappel?

Hierom. Ik wist met geen beter voorbeeld uit het dagelijksch leven te
beginnen, om aan te toonen, hoe lang het dikwijls duurt eer eene
ontdekking of uitvinding van algemeen nut wordt.

Een voorbeeld, op het gebied der uitvindingen, levert de geschiedenis
van den stoom.

Ja, het is waar, de stoom is eigenlijk niet uitgevonden, want het was
iets, dat bestond, maar de toepassing van den stoom op fabriekswezen,
scheepvaart en middelen van vervoer is wél eene uitvinding, en wel
eene, die zulke groote afmetingen in hare gevolgen heeft, dat de
toestand der heele maatschappij er door gewijzigd is geworden, en nog
veel meer wijzigingen noodig heeft. Welk eene tijdruimte ligt er
tusschen het heden, waarin de stoom als wereldkoning heerscht, en het
oogenblik waarop de beroemde wis- en natuurkundige Hero van
Alexandrië, die anderhalve eeuw vóór onze tijdrekening leefde, de
aeolipile of dampkogel uitvond! Zonder volkomen bekend te zijn met de
kracht, die door den stoom uitgeoefend wordt, was het niet mogelijk
zulk een' dampkogel uit te vinden. Zelfs de Celtische heidenpriesters
schijnen met de kracht van den stoom bekend geweest te zijn. En lezen
we ook niet van Blasco de Garay, een' zeeman, die ten tijde van Keizer
Karel V, dus drie eeuwen geleden, in de haven van Barcelona eene
openbare proef gaf van het voortstuwings-vermogen van schepen door
middel van stoom? Door geleerde onderzoekers wordt deze toepassing van
stoomkracht door Blasco de Garay tegengesproken, doch een feit is het,
dat Papin reeds in 1681 een werk uitgaf, waarin hij de mogelijkheid
aantoonde, dat schepen door stoomkracht konden voortbewogen worden. Om
de proef op de som te geven, voer hij langs het riviertje de Fulda van
Cassel naar Münden met eene raderstoomboot, die volgens zijne
aanwijzingen gemaakt was. Bekend is het ook, dat de schippers, woedend
dat men hun met deze uitvinding het brood uit den mond nemen zou,
zijne eerste stoomboot vernielden. De proef was geleverd, wat
stoomkracht vermocht, doch het moest toch 1787, dus ruim eene eeuw
later worden, vóór zekere Patrick Miller in Schotland, op de Firth of
Forth, stoom op zijn vaartuig gebruikte. Langzaam, zeer langzaam begon
men nu ook in andere landen de stoomkracht op de scheepvaart toe te
passen. Wanneer bij ons te lande van de eerste stoomboot gebruik
gemaakt werd, ben ik niet te weten kunnen komen, doch het is ons allen
bekend genoeg, hoe ook bij ons het aantal stoombooten, zoowel voor de
zee- als binnenvaart, met het jaar toeneemt. En dan, welk eene
uitbreiding heeft de toepassing van den stoom op de nijverheid
verkregen!

Is het nu met den stoom niet gegaan als met de aardappelen?

Dat eene uitvinding soms eeuwen noodig heeft eer ze voor de heele
maatschappij beteekenis gekregen heeft, bewijst niet enkel de
geschiedenis van den stoom. Ook het kompas heeft ongeveer dezelfde
geschiedenis doorloopen. Wanneer het kompas bekend is geworden, is bij
geene mogelijkheid te bepalen, want het mannetje, dat de Tataren en
Chineezen op hunne tochten in de woestijnen gebruikten, eeuwen vóór
een zekere Flavio Gioia, van het Italiaansche stadje Amalfi, leefde,
was toch ook een soort van kompas. Het was eene magnetische pop op
een' wagen geplaatst, welke pop steeds met de eene hand het zuiden
aanwees. Maar Flavio Gioia, de wakkere Italiaansche zeeman, die in de
laatste helft der dertiende eeuw stierf, moge al »_onschuldig_ zijn«
aan de _uitvinding_ van het kompas, toch bracht hij er verbeteringen
aan, en juist die verbeteringen waren het, welke voor de zeevarende
volken van Europa langzamerhand een einde maakte aan het gevaar van
»buiten westen zijn«.--Die kleine verbetering,--welke het geweest is,
is onbekend,--bracht, maar alweer na verloop van vele jaren, zulk eene
verandering in den toestand der menschelijke maatschappij, dat er een
nieuw tijdperk aanbrak, welk tijdvak den naam draagt van »Nieuwe
Geschiedenis«.

Men zegt wel eens, dat de Nieuwe Geschiedenis in 1492 een' aanvang
neemt, en wel met de ontdekking van Amerika. Wáár, ontegenzeggelijk
wáár is het, dat het vinden van een nieuw werelddeel op den toestand
der heele maatschappij van onberekenbaar grooten invloed was, maar dat
alleen de ontdekking van Amerika aan de Middel-geschiedenis een einde
maakte en de nieuwe deed beginnen, is toch wat al te boud gesproken.

De Nieuwe Geschiedenis, met al hare veranderingen, begon met den
geest, die in dien tijd alle zeevarende volken bezielde, om hunne
kennis van de aarde uit te breiden. Er was eene behoefte naar weten,
een dorst naar kennis ontstaan. Die begeerte en die dorst breidden
zich steeds meer en meer uit; zij brachten de Portugeezen, om Kaap de
Goede Hoop heen, in den rijken Oostindischen Archipel; zij voerden de
Spanjaarden naar de landen, waar goud en zilver opgetast lagen.

Die behoefte naar weten en die dorst naar kennis maakten aan de
Middel-geschiedenis, met al hare ruwheid, dichterlijk als eene woeste
bergpartij, een einde. Eene nieuwe maatschappij moest ontstaan; ze was
niet meer te keeren.

Zóó zullen misschien eenmaal de geschiedschrijvers ook het tijdvak der
Nieuwe Geschiedenis in deze eeuw doen ophouden, om eene »Nieuwste
nieuwe« te stellen. Die krijgt dan wellicht den naam van
»Stoom-Geschiedenis«.

Eigenlijk is die Nieuwste-nieuwe geschiedenis er al een vijftig jaar,
want de maatschappelijke toestand der volken van den tegenwoordigen
tijd, gelijkt zoo goed als niets op dien van het einde der vijftiende
eeuw.

Over den stoom en zijne gevolgen willen we evenwel niet schrijven; een
ander moge dat doen, als de stoom afgedaan heeft, zooals nu eene
zeereis met een zeilschip bijna tot het verleden behoort. Toch blijven
ook die eerste groote zeereizen merkwaardig genoeg om er vier eeuwen
later nog eens op terug te komen. Over al die zeereizen kunnen we
echter niet spreken, en daarom zullen we enkele maar terloops
aanstippen, en ons bepalen bij die reizen, welke ten gevolge hadden:
de ontdekking van Amerika, het werelddeel, dat voorbestemd schijnt te
zijn in den zoogenaamden »cirkelgang der beschaving« aan de beurt te
komen om uit de schatkameren van den menschengeest schooner en rijker
schatten te voorschijn te roepen, dan hare rijke goud- en zilvermijnen
eenmaal in edele metalen den Spanjaard aanboden.

Eer we echter de ontdekking van Amerika gaan beschrijven, willen we
even stilstaan bij de zeevaart der oude volken en die van de volken
der Middel-geschiedenis.



HOOFDSTUK II.

DE ZEEVAART DER OUDE VOLKEN.


Wie zou toch wel het eerste schip gebouwd hebben en de eerste schipper
geweest zijn?

De Bijbel spreekt ons van den Zondvloed, en laat Noach met zijn gezin,
en van de dieren des velds elk een paar, in de ark aan de algemeene
verdelging van het menschen- en dieren-geslacht ontkomen.

In de godsdienst-geschriften der Chaldeërs wordt een zekere Xisuthrus
met vrouw, kinderen, bloedverwanten, vrienden en eenige dieren, bij
een' vloed, die de heele wereld overdekte, behouden.

Op steenen, die George Smith, een Engelschman, in de bouwvallen van
Ninivé vond, las men, na de ontcijfering van het schrift, dat er in
gekrast of gehouwen was, dat Bel besloten had om de heele wereld door
een' watervloed te verdelgen. Een andere God, Aö geheeten, die als
geest over de wateren zweefde, kreeg, toen hij het besluit van God Bel
vernam, medelijden met een' zekeren Sisithrus. Hij waarschuwde hem
voor Bels plannen, en gaf hem den raad om vóór dien tijd een houten
huis te bouwen van verbazende afmetingen, en zich daarin met zijn
gezin en eenige dieren te begeven, als de overstrooming begon.

De Indiërs spreken van een' man, die Manoe heette, en die door een'
visch gewaarschuwd wordt voor een' wereldvloed. Hij krijgt ook den
raad om lijf en leven van zichzelven en zijn gezin in eene drijvende
woning te redden. Manoe hoort naar dien raad; de vloed komt, en hij en
de zijnen blijven behouden.

De Grieksche godenleer, ook mythologie genoemd, houdt Deukalion voor
den stamvader der Grieken of Hellenen, en deze Deukalion en zijne
vrouw Phyrrha waren de eenigen van al de menschen, die bij een hoogen
watervloed het leven behielden, door op raad van zijn Vader Prometheus
zich te begeven in een vaartuig, dat vooraf opzettelijk gebouwd was.

Maar nóch Noach, nóch Xisuthrus, Sisithrus, Manoe of Deukalion was de
eerste, die met een soort van schip de wateren bevoer. Wanneer wij nu
nog de onbeschaafde volken in een' uitgeholden boomstam de rivieren,
ja, soms de zee langs de kust zien bevaren, dan komen we er als
vanzelf toe om het er voor te houden, dat de menschen lang vóór Noach
of een' der andere genoemde mannen, ook in uitgeholde boomstammen al
gevaren hebben, en vóór men werktuigen had, was wellicht slechts een
stam met takken en al het eenige vaartuig.

Uit dit alles blijkt, dat het met geene mogelijkheid op te geven is,
niet alleen wie de kunst van varen uitvond, maar zelfs niet welk volk.

Dat het met de kennis onzer aarde in de grijze oudheid al zeer vreemd
gesteld was, laat zich begrijpen, doch hiervoor behoeven we nog niet
tot de oudheid terug te gaan, want zelfs vijftien eeuwen na het begin
van onze tijdrekening hadden de menschen nog de vreemdste denkbeelden
van den vorm en de grootte onzer aarde. Dit zullen we later zien, en
liever dan ons in allerlei fabelen te verdiepen, welke toch nog wel
eens zullen genoemd worden naast gissingen, die men geopperd heeft,
willen we met elkander eens een' volksstam bezoeken, welke zich eene
woonplaats gekozen had aan de Oostkust der Middellandsche Zee. Dit
kustland droeg den naam van Phoenicië of Purperland, en zijne bewoners
heetten Phoeniciërs.

Wat de Engelschen in onzen tijd zijn, dat waren de Phoeniciërs in de
oudheid. Reeds elf eeuwen vóór onze tijdrekening durfden ze met hunne
schepen de tegenwoordige Straat van Gibraltar uitzeilen. Zij stichtten
volkplantingen op de eilanden der Middellandsche Zee en de noordkust
van Afrika. Het beroemde Carthago, waarvan we later zullen spreken,
was ook door hen gesticht. Zij bezochten met hunne schepen niet alleen
Engeland, de Noord- en de Oostzee om tin, barnsteen, mogelijk ook hout
en graan te halen, maar ze kwamen zelfs op het eiland Madeira, en de
Kanarische Eilanden. Dit nu weet men zeker, maar men gist nog veel
meer, en die gissingen mogen thans bijna waarheden genoemd worden.

In den eenvoudigen bijbelstijl heet het: »En zij,« namelijk de
Koningin van Scheba, »gaf den Koning Salomo honderdtwintig talenten
gouds en zeer veel specerijen en kostelijk gesteente. Als deze
specerij, die de Koningin van Scheba den Koning Salomo gaf, is er
nooit meer in menigte gekomen. Verder ook de schepen van Hiram, die
goud uit Ophir voerden, brachten uit Ophir zeer veel almuggimhout en
kostelijk gesteente.«

Wie die Koningin van Scheba was, en waar Scheba lag, weten we niet
zeker. Maar Hiram was Koning van de Phoenische stad Tyrus en zeer met
Salomo bevriend. En het goudland Ophir? Moest men enkele jaren geleden
nog zeggen, dat de ligging van dat land met geene zekerheid te bepalen
was, de tochten in Afrika, welke in onzen tijd zulk eene groote
uitbreiding verkregen, hebben omtrent Ophirs ligging, zoo al geene
zekerheid, dan toch een sterk vermoeden van waarschijnlijkheid
gebracht. Dat steenen spreken kunnen, zagen we reeds, waar we gewag
maakten van Smiths nasporingen in de ruïnen van Ninivé; en de
bouwvallen in Zuid-Afrika, door de bewoners, als iets heiligs, lang
voor Europeanen verborgen gehouden, doch nu gevonden, spreken in deze
ook. De Phoeniciërs moeten ook hier geweest zijn.

Herodotus, de beroemde Griek, die ook wel »Vader der geschiedenis«
genoemd wordt, en die in het jaar 484 vóór Chr. geboren werd, verhaalt
het volgende:

»De Phoeniciërs voeren uit de Roode Zee af en kwamen in de Zuidzee.
Toen het herfst werd, gingen zij aan land en begonnen eenige akkers te
bezaaien, en eerst toen ze geoogst hadden, zett'en zij hunne reis
voort, zoodat ze, na eene afwezigheid van twee jaren, in het derde
jaar door de »Zuilen van Hercules« weder in Egypte kwamen. Zij
vertelden, dat zij om Libye gezeild waren en de zon aan den
rechterkant gehad hadden, wat ik evenwel niet gelooven kan.«

Deze tocht geschiedde omstreeks 600 jaar vóór Chr. op bevel van Necho,
Koning van Egypte. Afrika heette toen Libye, en de zeeëngte van
Gibraltar droeg den naam van »Zuilen van Hercules«.

Hoe naïef klinkt Herodotus' gezegde: »wat ik evenwel niet gelooven
kan.« En na hem verliepen eeuwen aan eeuwen, en die tocht der
Phoeniciërs werd steeds als eene fabel beschouwd. »Hoe kon men nu de
zon aan den rechterkant, dat is in het Noorden, hebben? Dat was toch
onmogelijk. Hoe hoog des zomers de zon ook klimmen mocht, zoodat ze
bijna in het toppunt kwam, de zon in het Noorden zien, dát behoorde
tot de verzinsels, waarin de Phoenicische zeelieden zeer sterk waren.«
Zoo redeneerde men eeuwen lang, en eerst de Nieuwe Geschiedenis moest
komen om met zekerheid te kunnen zeggen, dat Herodotus het gerust had
kunnen gelooven, want dat het waar was.

Zoo hebben dus de Phoeniciërs Afrika omgezeild, en denkelijk zullen ze
nog wel verder gegaan zijn ook, doch dit vertelden ze niet graag. Ze
begrepen zeer goed, dat andere volken eveneens gebruik konden maken
van de ligging huns lands aan zee, om ook handel in allerlei vreemde
waren te gaan drijven. Wanneer ze dit deden, dan zou Phoenicië
ophouden de stapelplaats van den handel te zijn en de welvaart zou
afnemen. Dit nu moest men voorkomen, en dat deden ze door allerlei
vreeselijke ontmoetingen te vertellen. Daar buiten die »Zuilen van
Hercules«,--»ze waren er geweest, ze kwamen er nòg, omdat ze wel
moesten, maar anders ... neen, liever bleven ze dichter bij honk.
Verbeeldt u ook, hoe vreeselijk! Niet zoo heel ver het Westen in was
er niets anders dan water en zwarte duisternis. De verschrikkelijkste
gedrochten leefden daar, en men zag er zelfs geene sterren meer
waarnaar men den tocht richten kon!«

Waarom zouden de andere volken dit niet geloofd hebben? Verdween de
zon dan niet in het Westen in zee, en als zij zich in de wateren
gedompeld had, kon ze immers geen licht meer geven?

Dat de aarde rond was, niemand kon dat gelooven, en dat er steeds
evenveel oppervlakte der aarde door de zon beschenen werd, als er in
duisternis lag, geen mensch, die er aan dacht.

Hoe stelde men zich de aarde voor?

  Homerus            stelde de aarde voor als een schijf.
  Anaximander          »    »    »    »    »   »  rol.
  Heraclitus           »    »    »    »    »   »  boot.
  Anaximenes           »    »    »    »    »   »  tafel.
  Pythagoras           »    »    »    »    »   »  kubus.
  Xenophanes           »    »    »    »    »   »  kegel.
  Leucippus            »    »    »    »    »   »  trommel.
  Eudoxus van Cnidus   »    »    »    »    »   »  langwerp. vierk.

Doch onverschillig welken vorm men aan de aarde gaf, allen stelden
zich voor, dat de aarde op het water dreef. Slechts de beroemde Thales
van Milete, die zeshonderd jaar vóór Chr. leefde, geloofde dat de
aarde een bol was, welke met water en land één geheel vormde. Zelfs
vermoedt men, dat hij reeds eene zonsverduistering voorspeld heeft.
Het kan evenwel zeer goed zijn, dat de Chaldeërs, de Arabieren, de
Indiërs of de Chineezen met Thales van hetzelfde gevoelen waren, want
dat de wetenschappen in die oude tijden hooger stonden dan wij wel
vermoedden, is zeker. Alleen de gebrekkige middelen van verkeer, welke
oorzaak waren, dat de volken in afzondering van elkander leefden,
waren oorzaak, dat kennis en beschaving tot één land beperkt bleven en
geen gemeen goed werden zooals ze het nu zijn.

Doch keeren we tot onze zeevaarders terug.

Eene der volkplantingen van de Phoeniciërs was Carthago. Ongeveer op
dezelfde plaats waar nu Tunis ligt, werd, zoo luidt de overlevering,
door Dido of Elissa, de dochter van een' Koning van Tyrus, eene
volkplanting en meteen eene stad gesticht, welke den naam van Carthago
kreeg. Dit geschiedde ongeveer acht eeuwen vóór onze tijdrekening.
Bezield met denzelfden ondernemingsgeest, als hunne stamgenooten in
Phoenicië, trachtten de Carthagers door scheepvaart de welvaart huns
lands te bevorderen. De scheepvaart van dit volk, dat geen land, maar
slechts eene stad bewoonde, nam eene verbazende vlucht, en gerust kan
men in den bloeitijd van Carthago de bevolking dezer stad op meer dan
zevenhonderdduizend inwoners stellen. Meer nog dan de Phoeniciërs
dreven ze handel op Afrika's westkust, maar wie zal ons zeggen hoevele
schepen wel heengingen, doch nimmer wederkeerden? Wie zal bewijzen,
dat al de schepen, waarvan men later nooit meer hoorde, vergingen?
Kunnen er geene schepen steeds verder en verder in het Westen gevoerd
zijn om eindelijk in ontredderden toestand in het land te komen,
hetwelk wij thans Amerika noemen?

[Illustratie: WERELDKAART van Toscanelli.]

Men beweert, dat de uitdrukking »buiten westen zijn«, welke beteekent:
»in stervenden toestand buiten kennis liggen«, haren oorsprong heeft
in het gevaar, dat de schepelingen dreigde, wanneer ze met hunne
schepen zoo ver van de kust gingen, dat ze het land niet meer zagen.
Maar geloofden de Phoeniciërs, en na hen de Carthagers, daaraan ook?
Het is niet aan te nemen, want om op Madeira te komen moesten ze zóó
ver het Westen in, dat er van de Afrikaansche kust niets meer te zien
was. Hoe kwam Toscanelli, een beroemd Italiaansch sterrenkundige, die
in de vijftiende eeuw ná Chr. leefde, er aan om op zijne wereldkaart,
hoe gebrekkig die ook ware, in de zee tusschen Europa en Azië een
eiland te leggen, hetwelk hij Antilia noemde? Hij zelf, arts van
beroep, was nimmer in dezen Atlantischen Oceaan geweest, en hij moest
dus alleen bij overlevering bekend zijn met dit eiland. Van wie die
overleveringen kwamen, is niet moeielijk te gissen. Ze kwamen van de
Phoeniciërs, de Carthagers, de Romeinen of Noormannen. Had niet reeds
Plato, de beroemde Grieksche dichter, die in het jaar 420 vóór Chr. te
Athene geboren werd, een dichterlijk verhaal opgesteld van een eiland
Atlantis, dat, ver buiten de »Zuilen van Hercules«, in den
Atlantischen Oceaan had gelegen? En Plato's Atlantis was maar niet een
eilandje, neen, hij beschreef het, als grooter dan Azië en Afrika
samen, en dichtte er eene beschaving aan toe, zoo aanzienlijk en hoog,
dat hij ze »De gouden eeuw« noemde. De bewoners waren evenwel zeer
boos en slecht, en daarom was het door de goden verdelgd. Zij riepen
eene aardbeving te voorschijn, en bijna heel Atlantis verdween, en
eenige eilandjes bleven er alleen over. Dit eiland Atlantis bestond
niet enkel in de dichterlijke verbeelding van Plato, want hij had een
oud Egyptisch verhaal in poëzie oververteld.

Dit berijmde verhaal van Plato, of liever die oud Egyptische sage, is
wel zeer merkwaardig, want als wij later in Mejico en Peru komen,
zullen we daar eene beschaving vinden, welke ons onwillekeurig denken
doet aan de beschaving der Egyptenaren, waarvan de overblijfselen nog
zoo duidelijk spreken. Ze zal ons verbaasd doen vragen: »Van waar toch
bij zooveel verschil nog zooveel overeenstemming?« Ze zal ons doen
stilstaan, en onze gedachten terugvoeren in den grijzen voortijd. De
menschen hebben al zoo lang geleefd, en de beschaving is niet van
gisteren. Het bekende Salomo's gezegde: »Er is niets nieuws onder de
zon«, is zoo onwaar niet, als men wel eens beweert. Menigeen vindt wat
nieuws uit, dat eigenlijk wat ouds is en er vroeger al was, doch zóó
verloren ging, dat niemand het meer kende. Dat eene kunst en eene
wetenschap verloren kunnen gaan, behoeft niet bewezen te worden.
Iedereen toch weet op welk een' hoogen trap van beschaving de Grieken
en Romeinen stonden bij den aanvang van onze tijdrekening. Toch wil ik
één voorbeeld noemen, waaruit duidelijk blijkt, hoe eene wetenschap
kan verloren gaan. Ik zeide reeds, dat Thales van Milete 600 jaar vóór
Chr. leerde dat de aarde rond was, en dat hij ook waarschijnlijk eene
zonsverduistering berekende. Welnu, in het hartje der Middel-eeuwen,
dus bijna tweeduizend jaar na Thales, was er een Aartsbisschop van
Salzburg, die beweerde, dat er op aarde menschen moesten wonen, wier
voeten tegen de onze gekeerd zijn. Die zoogenaamde »Tegenvoeters«
werden natuurlijk ook door Thales aangenomen en het kon dus geene
nieuwe vinding van onzen Aartsbisschop zijn. Toch had onze
middeleeuwsche denker om deze leer allerlei aanvallen te verduren, en
was hij genoodzaakt haar in te trekken. Hoe was dit nu mogelijk?

Het is bekend, dat aardbevingen en uitbarstingen van vulkanen zulke
geweldige omkeeringen in de natuur te weeg gebracht hebben, dat de
oppervlakte der aarde, na zulke vreeselijke gebeurtenissen, er heel
anders uitzag dan vóór dien tijd. Het is evenwel niet alleen in het
rijk der natuur, dat die omkeeringen kunnen plaats hebben, maar ook in
het rijk van beschaving en wetenschap. Aan de beschaving van Grieken
en Romeinen werd een einde gemaakt door den inval van de ruwe en
onbeschaafde Hunnen, die heel Europa overdekten, en, òf de toenmalige
bewoners, arm en berooid, van de eene landstreek naar de andere
dreven, òf hen tot zulk een' staat van dienstbaarheid en slavernij
brachten, dat er aan beschaving en wetenschap niet meer gedacht werd.
Geene sprinkhanenplaag heeft in Egypte aan den oogst ooit grooter
verwoesting aangebracht, dan de Hunnen-plaag bracht aan de Europeesche
beschaving.

Toch ontbrak het in die woeste tijden niet aan menschen, die, zonder
dat ze dit wilden, in dienst der wetenschap waren. Het waren de
Noormannen en Denen, die, gedreven door roofzucht, stoute zeetochten
ondernamen. En al gingen hunne ontdekkingen ook alweer verloren, toch
brachten ze aan de scheepvaart die verbeteringen aan, welke later
noodig waren, om andere volken instaat te stellen op hunne beurt
stoute zeetochten te ondernemen. Men bedenke ook wel dat de
scheepvaart in die tijden bijna het eenige middel was om het eene volk
met het andere in aanraking te brengen. Dat onderlinge verkeer
bevordert beschaving en wetenschap, zoodat ieder, die de scheepvaart,
al was het ook met een slecht doel, verbeterde, in dienst van beiden
stond.

De tochten der Noormannen zijn te merkwaardig om er ook niet een en
ander van te vertellen.

De Noormannen waren bewoners van Zweden, Noorwegen en Denemarken. Zij
waren oorspronkelijk Germanen, en omdat het land, dat zij bewoonden,
bij hunne gebrekkige kennis van landbouw, niet genoeg opleverde om hen
van het noodige te voorzien, zoo trachtten ze het te kort door roof
aan te vullen. Onder aanvoering van Earls, Jarls en Zeekoningen deden
ze, onder den naam van »Wikingers« dat »Strijders« beteekent, stoute
strooptochten ter zee, en overal waar ze kwamen, brachten ze schrik en
ontsteltenis met ellende. Een Zeekoning, Earl of Jarl, was dus niet
veel anders dan een rooverhoofdman ter zee, die er roem op droeg, den
drinkhoorn nooit aan den huiselijken haard, maar steeds aanboord
geledigd te hebben, en die liever onder de berookte balken van zijn
klein, maar sterk vaartuig sliep, dan aanwal, onder een gezellig
huisdak. Hunne vaartuigen waren aanvankelijk zoo klein, dat er wel
drie- of vierhonderd noodig waren, om eene bende van een paar duizend
man naar het eene of andere land te voeren. Vele scheepjes hadden
zelfs geen dek, en vaak zag men de Noormannen, om van de eene rivier
in de andere te komen, de vaartuigen, die ze in hunne dichterlijke
taal »met schuim bedekte golvenberijders« noemden, op de schouders
nemen en wegdragen. Met zulke scheepjes waagden ze zich niet alleen op
de Noordzee, neen, ze voeren er mee door het Kanaal, door de Bocht van
Frankrijk, door de Spaansche Zee, door de Straat van Gibraltar, en
waagden zich zelfs in de Middellandsche Zee. Nog verder gingen ze. Na
eerst Ierland veroverd te hebben, trokken ze noordwaarts, namen de
Shetlands-eilanden in bezit en daarna de Far-öer, om ten slotte ook
IJsland aan te doen en zich daar te vestigen. Deze tochten waren
evenwel niet in den tijd van eenige jaren afgeloopen; ze duurden een
paar eeuwen. En hoe onbeschaafd die mannen ook waren, ja, met welke
minachting zij neerzagen op alles, wat naar beschaving geleek, ze
hadden toch oogen in het hoofd om te zien, dat er bij die beschaving
voor hen heel veel bruikbaars was. Het noodzakelijk gevolg hiervan
was, dat een Wiking, die onder Keizer Karel den Grooten een inval in
ons land deed, een heel ander man was, dan een Wiking van twee eeuwen
later, die van Wodan-dienaar zelfs Christen geworden was.

De stoutste tochten van deze Noormannen waren niet enkel die, welke
naar IJsland ondernomen werden. Toen ze dit eiland gekoloniseerd en
daar eene maatschappij gevormd hadden, deden ze van hier uit reeds
verre tochten naar het Zuiden.

In Noorwegen regeerde een zekere Koning Harald Haarfager of
»Schoonhaar« niet naar den zin van zijne Wikingers; misschien wel,
omdat hij te veel gewoonten van andere Europeesche vorsten aannam.
Een der Jarls, die het in het geheel niet met hem kon vinden, een
zekere Ingolf, nam met de zijnen en een groot aantal ontevredenen de
wijk naar IJsland, en vestigde zich daar. Merkwaardig is het, hoe
langzamerhand daar op dat afgelegen en koude eiland eene bevolking
kwam, welke in vele opzichten beschaafder en reiner van zeden werd,
dan menig volk in Europa. Een der IJslandsche kolonisten, Gunnbjörn
geheeten, was, kort na Ingolfs vestiging, uitgezeild om in eenig ander
naburig land te halen, wat op IJsland niet was, en wat men toch noodig
had om daar te kunnen leven. Een enkele blik op de wereldkaart zal
ieder doen zien, dat, westelijk van IJsland zich een verbazend groot
land bevindt, waarvan we nu nog niet weten, of het zich tot aan de
Noordpool uitstrekt of niet. Dit land heet Groenland, en wordt
gerekend te behooren tot Amerika. Natuurlijk was men in dien tijd met
het bestaan van dit land nog niet bekend. Maar wat gebeurde?
Gunnbjörn, die mogelijk wel naar de Far-öer wilde, werd door den storm
naar het Westen geslagen, en kwam op de kust van dat onbekende land
terecht. Hij gaf er den naam van »Gunnbjörns rots« aan, en keerde
terug, bevindende, dat de afstand tusschen het nieuw ontdekte land en
IJsland zóó klein was, dat men op de helft der zeeëngte, die beide
landen van elkander scheidt, op een' helderen dag, zoowel Groenlands
hoogten, als IJslands bergen zien kon. Thuis gekomen deelde hij zijne
ontdekking mede, doch daar het gevonden land al even arm en
onvruchtbaar scheen te zijn als IJsland, zoo stelde men er geen belang
in, en eene eeuw verliep, zonder dat het iemand in het hoofd kwam,
»Gunnbjörns rots« op te zoeken.

In 985 kwamen er nieuwe bewoners op IJsland. Een Jarl, Erik geheeten,
en bijgenaamd »de Roode«, had, óók voor eene overtreding, met zijne
Wikingers het Vaderland moeten verlaten. De bodem van IJsland leverde
nu niet zoo heel veel op om onder de kolonisten de komst van nieuwe
bewoners met blijdschap te begroeten, en toen nu Erik hoorde, dat er
ten westen van IJsland nog een ander land was, besloot hij er met de
zijnen heen te trekken. Hij bleef er drie jaar, en toen eens naar
IJsland teruggekeerd, vertelde hij van het nieuwe land zóóveel goeds,
dat de arme IJslanders veel lust kregen om te gaan verhuizen, naar het
land, dat Erik den mooien naam van »Groenland« gaf, omdat er
uitgestrekte weidevelden gevonden werden. Geheel overdreven had Erik
niet, want aan de hellingen der hooge bergen bevonden zich werkelijk
weidevelden, en daar het bekend is, dat IJsland in vroegere eeuwen een
warmer klimaat had dan het tegenwoordig heeft, zoo kan het ook best
zijn, dat het Groenland van toen er aantrekkelijker uitzag dan het er
in onzen tijd uitziet.

In alle gevallen werkten de vertellingen van Erik dit op de IJslanders
uit, dat hij kort daarna met vijfentwintig scheepjes vol kolonisten
zich naar Groenland begaf. Men had alles medegenomen, wat voor een
vast verblijf daar noodig was, doch slechts vier scheepjes kwamen er
aan. De overige schijnen teruggekeerd of vergaan te zijn.

Tot de Wikingers, die het geluk hadden te landen, behoorde ook
Heerjolf, een der stoutste zeevaarders, die zijn zoon Bjarni evenwel
op dien tocht niet mede genomen had, omdat deze op reis naar Noorwegen
was. Toen nu Bjarni op IJsland terugkwam, en daar vernam, dat zijn
vader met Erik den Rooden naar Groenland vertrokken was, besloot hij
om er ook heen te gaan, en dat wel onmiddellijk, zonder zijne lading
te lossen. Geheel onbekend met het vaarwater en den koers, dien hij
nemen moest, duurde het evenwel verscheidene weken eer hij bij zijn'
vader aankwam. Op dien langen tocht had hij wel telkens land gezien,
doch daar het niet overeenkwam met hetgeen men hem op IJsland ervan
verteld had, was hij er niet aanwal gegaan, niettegenstaande zijn volk
graag gewild had. Hoewel Vader Heerjolf zich vrij goed ingericht had,
beviel het onzen Bjarni al heel weinig in dat land, en sprak hij ervan
om weer zoo spoedig mogelijk naar Noorwegen terug te keeren. Het kan
echter zijn, dat Bjarni nog andere redenen had om niet hier te
blijven, want iedereen vond het verkeerd van hem gedaan, dat hij in
die landen niet aanwal gegaan was. Blijkbaar waren deze streken immers
veel vruchtbaarder dan Groenland?

Er werd in de Kolonie veel over de zaak gesproken, en het kwam er
zelfs toe, dat Erik een' familieraad belegde, om hierin uit te maken,
of men het land, door Bjarni gezien, opzoeken zou, ja of neen. Er werd
besloten het te doen, en nu was het eerste werk der familie om
Bjarni's schip, dat vrij groot en een uitmuntend zeevaarder was, voor
dien tocht te koopen.

Vijfendertig stoere gezellen, waaronder ook Bjarni was, begaven zich
aanboord, en Erik zelf zou aanvoerder van den tocht zijn. Toen Erik
evenwel naar de haven reed, struikelde zijn paard en hij viel er af.

»Dat is een wenk van de Goden om thuis te blijven,« zeide hij. »Mijn
oudste zoon Leif zal uw Jarl zijn! Gehoorzaamt hem!«

Hoewel Leif liever gewild had, dat zijn Vader het bevel op zich
genomen had, aanvaardde hij evenwel den tocht.

Wanneer we nu eene kaart van Noord-Amerika raadplegen, dan vinden we
tusschen eene menigte eilanden, die ten Noorden van het vaste land
liggen, en Groenland, eene breede zeestraat, onder den naam van Straat
Davis. Ook deze straat, was Bjarni op zijn' tocht naar Groenland
overgestoken, toen hij zag dat die landen niet de kusten waren waar
hij zijn' vader kon vinden. Het land dus, dat Bjarni het laatst gezien
had, zag men nu het eerst.

Men ging aanwal en vond er achter de rotsen, die den oever omzoomden,
eene groote vlakte met bosschen overdekt, doch hier en daar
afgewisseld met uitgestrekte, eentonige heidevelden.

Leif noemde dit land, om die groote vlakten, Helluland, omdat het als
een vlakke steen was, en het woord »hella« ook »vlakke steen«
beduidde.

Dit Helluland was niets anders dan het groote eiland New-Foundland,
dat eene oppervlakte heeft driemaal grooter dan ons land, en gelegen
is op ongeveer dezelfde breedte. Het klimaat is er echter op den duur
veel guurder dan bij ons.--Dit nam echter niet weg, dat het toch veel
beteer bewoonbaar was dan Groenland.

Bjarni had zuidelijker evenwel nog andere landen gezien, en daarom
beval Leif het anker te lichten, en verder te stevenen.

Na eenigen tijd zag men weer land, en daar aanwal gegaan, scheen het
heele land niets anders te zijn dan een groot bosch. Om deze reden
noemde Leif het »Waldland«. Op de kaart vindt ge het tegenwoordig
geteekend, als een schier-eiland met den naam van Nieuw-Schotland.

Met een' stevigen noordoosten wind verlieten de wakkere Wikingers dat
Waldland, en voeren twee dagen lang in zuid-oostelijke richting voort,
totdat ze nogmaals eene kust ontdekten. Daar het weder inmiddels zeer
ongunstig geworden was, ging Leif met de zijnen op een eilandje aan
den wal om beter weer af te wachten. Zoodra dit kwam, werd de reis
langs de kust voortgezet, en eindelijk voer men eene rivier op. De
ankers werden uitgeworpen en men besloot hier te overwinteren.

Welk een land was dit! Hoe vruchtbaar was het er! Welke schoone
bosschen! Welke heerlijke weiden! Welk een plantengroei! Deze ruwe
mannen, die in hun geheele leven nog niet veel anders gezien hadden
dan ijs, sneeuw, naakte rotsen en schrale weilanden, waren vol
verrukking. En nog hooger steeg hunne vreugde, toen één hunner, in de
bosschen dwalende, heerlijke, rijpe wijndruiven in overvloed vond. Vol
vreugde begonnen zij ze te verzamelen; men at er van zooveel men
lustte, doch de voorraad was te groot, en daarom werd er besloten, ze
te drogen en dan naar Groenland mede te nemen. In het voorjaar begon
men met rijke lading de terugreis. Behouden kwamen de moedige
ontdekkers in Groenland aan, en het is te begrijpen hoe gretig men
luisterde naar de vertellingen van de wonderen waaraan »Wijnland«, zoo
noemden ze deze streek, zoo rijk was.--De Kolonisten van Groenland
bleven altijd nog met die van IJsland in voortdurende gemeenschap, en
ook op hunne beurt onderhielden de IJslanders nog de betrekking met
het moederland Noorwegen, waar men, na eenige jaren, van bijna niets
anders sprak dan van »Wijnland« en van den ontdekker »Leif den
Gelukkige.«

Of Leif voor en na nog meer tochten naar Wijnland deed, vertelt de
geschiedenis niet. Wel deelt ze mede, dat Leif naar Noorwegen
terugkeerde, en er het Christendom aannam, wat de oude Erik, die aan
den Wodansdienst getrouw bleef, minder aangenaam vond. Hij stierf
echter kort daarop, en nu werd Leif in zijn Vaders plaats Jarl.
Waarschijnlijk vond hij het nu beter om, volgens de wijze van
Christen-vorsten, thuis te blijven om zijn volk te besturen, dan dat
hij altijd op zee was. Hij gaf daarom zijn schip aan zijn' broeder
Thorwald, en deze ging nu in Wijnland overwinteren om met het voorjaar
nog verder te trekken, en kwam op een schoon en vruchtbaar eiland, in
eene groote baai gelegen. Het eiland waar hij overwinterd had, was
eigenlijk een schier-eiland, en het kan wel niets anders geweest zijn
dan het schier-eiland, dat nu Rhode-Island heet. Het eiland in de
groote baai ligt er nóg, en heet Long-Island. Tegenover dit eiland
ging Thorwald met de zijnen aan den wal, en deze landstreek moet
geweest zijn, waar tegenwoordig New-York ligt.

Terwijl men hier alles voor een vrij langdurig verblijf gereed maakte,
vonden enkele Noormannen drie booten, die met huiden overtrokken
waren. Ze waren als tenten opgesteld, en hieronder vonden ze slapende
... menschen. Ja, menschen waren het, en wel Eskimo's, maar naar de
meening van de Noormannen konden er alleen menschen in de »wereld«
wonen, en het land, dat ze nu tijdelijk bewoonden, lag immers buiten
de wereld in en aan de streek der eeuwige duisternis? Nu wil het
geval, dat de lichaamsbouw en het aangezicht van de Eskimo's juist
voor Europeanen niet schoon te noemen zijn, en het is dus geen wonder
dat de Noormannen hen niet »Menschen« maar »Skrällings« noemden, wat
zoo veel beduidt als »wangedrochten«, »uitschot van de menschen«. De
Noormannen meenden dan ook eene zeer goede daad te doen door de
wereld, al was het ook de buitenwereld, van die gedrochten te
verlossen en doodden hen. Eén evenwel had het geluk te ontkomen, en
dit was Thorwalds ongeluk.

Zonder er aan te denken dat die »wangedrochten« ook eene taal hadden
waarmede ze aan hunne broeders konden mededeelen, wat gebeurd was,
bleven de Noormannen hun lui en gemakkelijk leven leiden, en zett'en
zelfs geene enkele wacht uit.

Midden in een' nacht dat allen rustig lagen te slapen, naderden opeens
honderden Skrällingers en overvielen, onder een afgrijselijk
geschreeuw en gehuil, het kamp der Noormannen, die met achterlating
van alles, wat ze aan den wal hadden, naar hun schip vloden, en zich
daar achter de verschansing verscholen om veilig te zijn voor de
hagelbui van pijlen, die op hen afgeschoten werden.

Eindelijk gelukte het den Noormannen om de kust te ontvluchten.
Slechts één hunner was gewond, doch die eene was Jarl Thorwald. Hij
trok zich den pijl uit de wonde en zeide: »Dat is mijn dood!«

Toen ze nog op Rhode-Island waren, had hij, verrukt door den
heerlijken aanblik van het land, uitgeroepen: »Hier zou ik wel een
huis willen bouwen om er te blijven wonen.«

Zoodra hij nu voelde, dat de wonde van den pijl, die zeker vergiftigd
was, zijn' dood ten gevolge zou hebben, beval hij, dat men hem naar
dat land brengen zou, en zoodra hij er voet aanwal gezet had, sprak
hij zacht: »Het is wel een voorspellend woord geweest toen ik zeide,
dat ik hier een huis zou willen bouwen om er te wonen. Thans zàl ik er
blijven voor immer en altijd. Men zal er mij begraven; op mijn graf
zal men een kruis planten en den naam van dit land zal zijn:
»Krossanes«, dat is »Kruis«.«

Alles geschiedde zooals Thorwald voorspeld had. Hij stierf er, werd
begraven onder de dennen op een' heuvel; een kruis werd op zijn graf
geplaatst, en deze landstreek heette onder de Noormannen voortaan
»Krossanes.«

De Noormannen keerden in treurige stemming terug, doch Thorstein,
Eriks jongste zoon, begaf zich weldra aanboord van zijn schip om zijn
broeders lijk van »Kruis-kaap« of »Krossanes« te halen, en het dan
dicht bij dat van Erik te begraven. Zijn tocht was echter vergeefsch,
en tot de zijnen weergekeerd, had hij geene begeerte meer om Wijnland
of een der andere ontdekte landen op te zoeken. Hij werd evenwel
hierin ook door den dood verhinderd, die hem kort na zijne thuiskomst
overviel.

Erik had ook eene dochter Freydis nagelaten, die gehuwd was met
Thorward, een' Noorman geheel van den ouden stempel. Deze liet zich
niet afschrikken door hetgeen zijn' zwager wedervaren was. Hij sloot
een verbond met den rijken koopman Thorfin Karlsafna, die met Gudrid,
de weduwe van zijn' broeder Thorstein gehuwd was, en deze twee
familiën scheepten zich naar Wijnland in. In 1007 verlieten ze
Groenland met twee welbemande schepen, die van alles voorzien waren om
eene Kolonie te kunnen stichten. Hoogstwaarschijnlijk kwamen zij op
dien tocht nog veel zuidelijker dan New-York ligt. Zij schijnen
evenwel teruggekeerd te zijn, en zich gevestigd te hebben in de
omstreken van New-York. Men heeft in den Staat Massachusetts een'
mark- of grenssteen gevonden, waarop in het Noorsche runenschrift
staat: »Nam Thorfin«, wat beduidt: »Grond van Thorfin«. Die steen kon
door Skrällingers daarheen gebracht zijn, zoodat hij nog geen bewijs
kan wezen, dat de Noorman Thorfin daar eenmaal grondbezit had. Een
ander bewijs evenwel maakt duidelijk dat die steen daar best kan
gestaan hebben, want Leif teekende aan, dat daar ter plaatse, waar hij
overwinterde, de zon om half acht opkwam en om half vijf onderging. En
wat nu op aarde veranderen moge aan de oppervlakte, de lengte van dag
en nacht bleef eeuw in en eeuw uit dezelfde, zoodat men met die
aanwijzing der daglengte er vanzelf toe komt, om met zekerheid te
kunnen bepalen waar het Wijnland der Noormannen lag.

Maar wat gebeurde met de nieuwe Kolonisten?

De Skrällingers kwamen hen, en thans met geene kwade bedoelingen, maar
wel om ruilhandel te drijven, opzoeken. Het scheen dat de Noormannen
begrepen, dat die wezens geene »wangedrochten«, maar menschen waren
als zijzelve, doch van een ander ras. De ruilhandel bracht den
Noormannen bovendien veel voordeel, want een Skrällinger gaf voor een
stuk van een' rooden doek gaarne eenige kostbare pelzen, en toen de
Noormannen geene roode doeken meer hadden, ruilden de Skrällingers
kostbare huiden voor een' schotel melkpap. Voordeeliger zaken kon men
waarlijk niet doen, en het liet zich aanzien, dat de Noormannen met
het koloniseeren van Wijnland op weg waren om schatten te verzamelen.

Een klein ongeval maakte evenwel aan dien gunstigen toestand een
einde.

Eens dat de baai, waaraan de Kolonie lag, weer overdekt was met
kano's, wier eigenaars aan den wal handel dreven, brak een der stieren
van Karlsafna los, en viel onder woest gebrul te midden der vreedzame
pelsjagers. Verscheidenen werden gedood en de anderen gingen op de
vrucht. Ze bleven echter niet weg. Meenende dat die »Witgezichten« met
opzet den stier op hen losgelaten hadden, keerden ze bij duizendtallen
terug, en overvielen de Kolonie, die geen kwaad vermoedde. In den
vreeselijken strijd, die nu volgde, moesten de Noormannen het
onderspit delven. Stellig zouden alle Noormannen omgekomen zijn, zoo
niet Freydis, als eene echte Wikinger-dochter, een zwaard gegrepen, en
zich te midden der Skrällingers geworpen had. Dezen hierdoor
verschrikt, sloegen nu op hunne beurt op de vlucht, en de overgebleven
kolonisten waren behouden. Ze waren evenwel zoo verzwakt, dat ze
besloten, de Kolonie te verlaten, en naar Groenland terug te keeren.
Thorfin vestigde zich weer op IJsland, en besteedde daar zijne
rijkdommen om aanzienlijke goederen te koopen. Zijne vrouw Gudrid
echter, ging naar Rome, bleef er eenigen tijd en keerde toen naar
IJsland weder als Non. Haar zoon Snorro Sturleson, die in Wijnland
geboren was, werd naderhand een beroemd geleerde. Natuurlijk is het,
dat Gudrid, toen ze in Rome was, wel verteld zal hebben van dat
wonderland aan gene zijde der wateren, en de herinnering aan die
vertellingen kan aan Toscanelli aanleiding gegeven hebben om aan
Plato's dichterlijk eiland »Atlantis« eenig geloof te hechten, zoodat
hij midden in de groote zee tusschen Europa en Azië het eiland Antilia
plaatste.

Dat die ontdekkingen der Noormannen zoo geheel vergeten werden, en
alleen in allerlei dwaze vertellingen hier en daar nog eenigszins
herinnerd werden, mag vreemd schijnen, doch er zijn redenen voor.

De IJslanders zelf lieten heel Wijnland varen, en onderhielden alleen
gemeenschap met de Kolonisten van Groenland, die allen tot den
Christelijken godsdienst overgegaan waren. Omstreeks het jaar 1350
heerschte evenwel in heel Europa eene vreeselijke ziekte, »Zwarte
Dood« geheeten, welke in alle landen duizenden slachtoffers eischte.
Zij woedde ook op IJsland, stak naar Groenland, raapte daar de heele
Kolonie door den dood weg, of maakte haar zóó klein, dat men er later
niets meer van hoorde.

Nog eene andere oorzaak is er.

Zien we niet dagelijks, dat eene zaak, die eerst niet gewild was en
een armzalig leven voortsleepte, later een ongekende vlucht nam? Dat
die zaak aanvankelijk niet opnam, kwam omdat het volk nog niet rijp
was om er de waarde van te beseffen. Eerst dán, als duizenden door één
gevoel gedreven worden, komt dat, wat eerst niet geacht werd, opeens
tot aanzien. De Bijbel noemt die onverklaarbare, algemeene
volksbegeerte zoo kernachtig »de volheid der tijden«.

Phoeniciërs vonden den weg om Afrika, en die weg werd vergeten;
Noormannen ontdekten een aanzienlijk deel van Amerika en dat land werd
onbekend. Eerst eeuwen later, toen er een geest naar onderzoek bij
alle volken ontwaakte, en men niet meer bij toeval, maar langs
wetenschappelijken weg, wat trachtte te vinden, kon men zeggen, dat er
behoefte ontstond om een' zeeweg naar de rijke Indiën op te sporen.
Die behoefte deed Kaap de Goede Hoop ontdekken, en een nieuw
werelddeel vinden. En juist omdat, èn ontdekking, èn vinding aan eene
behoefte voldeed, juist omdat het toeval of goed geluk niet voorop
stond, behield men, wat men ontdekte of vond.

Ik schreef boven dit hoofdstuk »De zeevaart der oude volken« en
handelde het breedvoerigst over de ontdekkingen der Noormannen, die
men bezwaarlijk tot de oude volken rekenen kan. Ik deed dit echter,
omdat hunne ontdekkingen even goed verloren gingen als die van
Phoeniciërs en Carthagers. Thans echter dien ik een volgend hoofdstuk
te beginnen, om reden we van een volk zullen hooren, dat hield, wat
het gevonden en veroverd had, tot het op zijne beurt door een ander,
en wel door een beschaafd Christenvolk, verdrongen werd.



HOOFDSTUK III.

DE ISLAM EN HET CHRISTENDOM.


Een van de merkwaardigste landen, niet alleen van Azië, maar zelfs van
heel de wereld, is Arabië, een groot schiereiland aan de Roode Zee,
den Indischen Oceaan en de Golf van Perzië gelegen.

Zooals men uit de gewijde verhalen weet, had de Aartsvader Abraham bij
zijne dienstmaagd Hagar een' zoon, Ismaël geheeten, van wien God tot
de Moeder zeide: »Hij zal een woudezel van een mensch zijn; zijne hand
zal tegen allen zijn, en de hand van allen tegen hem.« En tot Abraham
sprak dezelfde stem van dezen zoon: »Twaalf Vorsten zal hij gewinnen,
en ik zal hem tot een groot volk stellen.«

Deze Ismaël nu werd, naar men beweert, de stamvader der Arabieren.

Wij, Nederlanders, zouden al weinig ingenomen zijn met een' zoon van
wien voorspeld werd: »hij zal een woudezel zijn,« doch dit komt
alleen, omdat wij dit dier niet kennen. Nergens, in Bijbel, Koran of
een Oostersch verhaal, wordt minachtend van dit dier gesproken, en
ieder, die eenmaal in het Oosten den ezel gezien heeft, moet erkennen,
dat dit dier daar niet alleen een mooi, maar bovenal een nuttig dier
is. De ezel behoort niet thuis in ons vochtig en guur klimaat, en wie
een' ezel houdt, houdt hem gewoonlijk op een koopje, en laat hem
paardewerk verrichten, terwijl men voor zijne verzorging zich bijna
nimmer eenigen tijd gunt. Hoe anders is dat in het Oosten. Geen paard
wordt hier beter verzorgd dan ginds een ezel. Het dier is daar
bovendien in zijn Vaderland, en bezit er heel andere eigenschappen.

Ismaël zou als een woudezel worden.

Een woudezel is een wilde ezel, die de tegenwoordigheid der menschen
niet opzoekt, maar ontvliedt. De eenzaamste plaatsen zoekt hij bij
voorkeur op. Hij is schuwer dan eenig ander dier, doch omzichtig in
hooge mate. Hij beklimt met de meeste zekerheid steile rotsen, en
siddert niet wanneer hij aan zijne voeten een' gapenden afgrond ziet,
en met wellust kan hij, staande op eene rotspunt, den koelen bergwind
opsnuiven.

Of hij nu in alles het beeld van den voormaligen en tegenwoordigen
Arabier is?

Neen, niet in alles, maar toch in veel.

De echte Arabier van onzen tijd, op wien de geest der eeuwen zóó
weinig invloed gehad heeft, dat hij bijna nog dezelfde zeden en
gewoonten heeft, als de Arabier ten tijde van Job, haat nog immer den
Fellah, die zich een verblijf binnen de muren der steden gekozen
heeft. Hij is een merkwaardig man. Hij is nimmer zwaar van
lichaamsbouw, doch van statige, iets meer dan middelmatige lengte,
sterk en gespierd. Zijne behoefte aan spijs en drank voldoet hij, maar
in het gebruik ervan is hij altijd matig. Een Arabier, die dronken is,
werd nimmer gevonden, en evenmin een, die een zwelgend leven leidde.
Zijn lichaam, nimmer vertroeteld, is gehard tegen alle vermoeienissen,
en meest altijd heeft hij een opgeruimd humeur en eene dichterlijke
verbeeldingskracht. Gewoon in de woestijn om te dwalen en dus altijd
eene uitgestrekte vlakte voor zich te zien, wordt zijn gezicht zóó
scherp, dat hij op verren afstand reeds het aantal naderende ruiters
telt, als een ander nog niets ziet. De sobere omgeving waarin hij
leeft, doet hem acht geven op alles, en alles kennen tot in de
kleinste bijzonderheden. Hij ziet aan het voetspoor in het zand der
woestijn, of het van een' vriend of wel van een' vijand is, hij ziet
er aan of de voetganger vermoeid of niet vermoeid was, of hij een'
last droeg of niet. Zonder kompas vindt hij den weg door de woestijn,
die in hare eentonigheid _ons_ geen enkel herkenningsteeken geeft,
maar _hem_ honderden. Bij nacht is de heldere hemel met al zijne
sterren hem een boek, waarin hij altijd leest, zonder ooit aan de
laatste bladzijde te komen. Die sterren geven aan zijne dichterlijke
verbeeldingskracht elken avond eene hoogere vlucht. Geboren jager of
herder, is hij ook geboren koopman, altijd er op uit om zijn eigen
voordeel te behartigen. Zijne scherpzinnigheid doet hem bij alles
rekenen; zijne hebzucht doet hem zelfs onder vrienden, vijanden
vinden. En te midden van dit volk, zóó berekend, zóó scherpzinnig, zóó
hebzuchtig en zóó strijdlustig, kwam Mohammed met zijne nieuwe leer,
wier grondstellingen zoo volkomen pasten bij het karakter van die
woestijn-bewoners niet alleen, maar ook bij dat van de Fellahs of
steden-bewoners. Het loon, aan den strijd voor het geloof verbonden,
deed hen naar de wapenen grijpen om den geloofsstrijd te voeren; en
daar het Christendom in dien tijd in het Oosten zeer in verval was,
zoo verspreidde de nieuwe leer, gepredikt door mannen, die vol
geestdrift het zwaard in de rechter-, en den Koran of Mohammedaanschen
bijbel in de linkerhand droegen, zich buitengewoon snel. De nieuwe
leer deed den woudezel zijne woestijn, en den Fellah zijne steden
verlaten om de wassende maan, het symbool waaronder zij streden, tot
waarheid te maken. De aarde moest vol worden van den Islam, alle
monden moesten getuigen: »Er is maar één God, en Mohammed is zijn
Profeet.«

Wat Mohammed zelf wel nimmer zal vermoed hebben, is, dat zijne leer de
Arabieren maken zou tot veroveraars, reizigers en landontdekkers, ja,
tot mannen, die in dichtkunst, geneeskunde, wijsbegeerte, wiskunde,
sterrenkunde, en bouwkunde, ver boven de Westersche volken stonden.

Een machtig Oostersch rijk, dat der Kaliefen, ontstond, hetwelk naar
alle zijden zich ontwikkelde, naar alle kanten zijn' invloed deed
gelden. Door de Arabieren gesticht, was het na verloop van eene eeuw
grooter dan het Romeinsche Keizerrijk ooit geweest was. Sommige
Kaliefen waren zeer bekwame Regenten, en moedigden de kunsten en
wetenschappen op alle mogelijke wijzen aan. Handel en nijverheid
bereikten eene verbazende hoogte, en bijna alle streken der Oude
wereld werden door de Arabieren bezocht. Zij kwamen in China; ze
kenden zelfs Japan; zij bereisden Voor- en Achter-Indiën, ze kwamen op
Sumatra en Java. Niet alleen Egypte en Afrika's noordkust bezochten
ze, maar ze drongen zelfs dieper in het »Zwarte werelddeel« door, dan
iemand vóór hen ooit gedaan had. En overal waar ze kwamen, predikten
ze den Islam. Bleef China ook grootendeels voor hen gesloten, Voor- en
Achter-Indië, de Indische Archipel, Egypte en Noord-Afrika bleven dat
niet, en bijna overal verdrong daar de Islam den heidenschen
godsdienst. Aan de uitgestrekte macht der Arabieren kwam evenwel
spoedig een einde, want het rijk werd door binnenlandsche twisten
verdeeld, en in onderscheidene Staten gesplitst, welke ieder van
elkander onafhankelijk waren. Eén stam heeft zich zeer bekend gemaakt
door den stoot, dien ze gaf aan de opwekking van den Europeeschen
handel en de zeevaart. De bewoners van Toeran of Toerkistan, een woest
volk, hadden in de achtste eeuw reeds den Islam omhelsd. Dit belette
echter niet, dat zij jegens de Arabieren zeer vijandig gezind waren,
en, bij de verzwakking van het Kalifaat, maakten zij zich ook meester
van het Heilige Land, dat in handen der Arabieren was. Ook Jeruzalem
viel in hunne handen.

Jeruzalem! Wie kent niet Da Costa's:

    »Aan Babels wateren gezeten,
      denk ik aan Sion en verteer.
    Jeruzalem, hoe zoude ik U vergeten?
      mijn' rechterhand vergeet' zichzelf veeleer.«

Roerend en treffend schoon is Da Costa's klaagzang; maar eindelijk
gaat het klaaglied langs Golgotha over in een' juichtoon, en jubelend
klinkt het:

    »Maar neen! Gij zult weer ademhalen.
      Maar neen! Jeruzalem sterft nooit.«

Da Costa had gelijk! Hoe ook door de Romeinen verwoest en bijna ledig
gelaten, hoe ook door de Turken veroverd, uitgemergeld en verarmd,
Jeruzalem leeft nog, Jeruzalem sterft nooit, zoolang er nog één
Christen of één Israëliet leeft, want voor beiden is het oude Sion de
stad der steden. Nog altijd weent er de Israëliet bij den ouden muur
van Salomo's tempel, nog altijd knielt en bidt de Christen bij het
graf van zijn' Heiland.

Dat Israëlieten ter bedevaart opgaan naar de stad hunner Vaderen mag
eene zeldzaamheid heeten, maar dat de Christenen het doen naar het
Heilige graf, is eene vrome gewoonte, die bijna op denzelfden tijd
ontstond toen de Paaschgang der Israëlieten naar Salomo's tempel
ophield.

Men noemde zulke Christenen bedevaartgangers of pelgrims naar het
Heilige Land. Aan zulke tochten waren evenwel groote moeielijkheden
verbonden, doch wie telde in die tijden moeielijkheden waar het den
godsdienst betrof? Een Duitsch schrijver zegt: »Tot de scherpst
uitkomende karaktertrekken dier eeuwen mag wel in de eerste plaats
genoemd worden eene godsdienst-overtuiging, die bijna tot dweperij
oversloeg, een gloeiend leven van het hart. Ze vervulde den geest, ja,
die geloofs-overtuiging was de ziel der menschheid zelve.«

En van het Heilige Land heet het bij dezen schrijver: »Heilig was daar
iedere voetbreed gronds, en van aanbidding stroomde over het hart des
pelgrims, die dezen grond betreden mocht. Zijn geestelijk oog zag de
poorten des hemels daarbij geopend.«

Zouden zulke geloovigen angstvallig eerst alle moeielijkheden wikken,
alle zwarigheden wegen, alle gevaren tellen? Neen, men ging zonder dat
alles te doen; men bestreed vol vreugde de moeielijkheden; men
trotseerde vol verlangen alle zwarigheden; men tartte vol geloofsmoed
alle gevaren, als men maar in het Heilige land komen mocht en als men
maar bidden kon aan het graf van zijn' Heiland en Heer.

Maar, waar de Arabieren die bedevaarten geduld hadden, ook omdat ze
vele voordeelen aanbrachten, daar begonnen de woeste en dweepzieke
Turken de Pelgrims te mishandelen, te plunderen en soms te dooden.

Wat moesten de Christenen van Europa doen?

Ze duldden jaren lang den smaad hun door de Turken aangedaan; de tijd
scheen nog niet rijp voor een' grooten geloofsstrijd.

Maar in het jaar 1094 verscheen te Jeruzalem, als Pelgrim, een
voormalig krijgsman uit Normandië, die het strijdveld verwisseld had
met de kluizenaarshut, en deze alweer had verlaten om den pelgrimsstaf
op te nemen.

Hij was een klein en onaanzienlijk man, die »Peter de Kluizenaar« of
»Peter de Heremiet« heette. Maar in die eeuw van ijzer, staal,
mannenkracht en dapperheid, zou deze eenvoudige man, alleen gewapend
met eene wegsleepende welsprekendheid en een' brandenden geloofsmoed,
de heele Christenwereld in beweging brengen en bezielen tot een'
strijd op leven en dood tegen de overweldigers van alles, wat den
Christen dierbaar was. Toen hij in Jeruzalem zag, wat de Christenen
van de Turken te lijden hadden, vatte hij een grootsch plan op. Hij
keerde naar zijne Vaderstad Amiens, terug, doch nam zijn' weg over
Rome, waar hij, toegelaten tot Paus Urbanus II, met de treffendste
kleuren den ellendigen toestand der Christenen in Palestina schetste,
en hij wist met zulke bezielende woorden te spreken over de
noodzakelijkheid, dat alle Christen-vorsten de wapenen moesten
opnemen, ter verovering van het Heilige Land, dat de Paus hem terstond
zijne medewerking beloofde. Hij hield die belofte ook trouw, en begon
met Peter aanbevelingsbrieven te geven aan de voornaamste Vorsten van
Europa. En Peter ging van land tot land, van het eene Vorstenhof naar
het andere, en overal predikte hij met eene wegsleepende kracht, die
allen bezielde, die alle harten deed ontbranden, het lijden en de
verdrukking der Christenen. Hij was onweerstaanbaar, en vol geestdrift
togen Vorsten, Edelen, Bisschoppen en voorname Heeren naar Clermont,
waar de Paus eene groote Kerkvergadering houden zou. Daar was het, dat
de Paus met eene welsprekendheid, welke misschien die van Peter de
Heremiet nog overtrof, voor duizenden eene toespraak hield en den
Kruistocht predikte.

O, het moet een oogenblik geweest zijn, zooals de heele
wereldgeschiedenis maar enkele oogenblikken telt, toen door die
duizenden den kreet aangeheven werd: »God wil het! God wil het!«

Bij die uitroepen bleef het niet; men ging over tot daden, en onder
aanvoering van Godfried van Bouillon, Hertog van Lotharingen, werd den
vijftienden Juli van het jaar 1099 Jeruzalem ingenomen, nadat over en
weer door zwaard en ziekten duizenden en nogmaals duizenden gevallen
waren. Het Christen-koninkrijk Jeruzalem werd gesticht, en daar naast
ontstonden de Christen-graafschappen Tripolis en Edessa, benevens het
Vorstendom Antiochië.

Slechts achtentachtig jaar bleef dit Koninkrijk Jeruzalem bestaan, en
in 1291 ging met Tyrus, dat de Christenen aan hunne vijanden moesten
overgeven, de laatste Christen-vestiging in het Heilige Land verloren.
Ruim zes millioen Christenen waren bij die Kruistochten, men rekent er
meest altijd zeven, omgekomen, en schatten gelds hadden ze verslonden,
maar--de gevolgen waren onberekenbaar groot.

Vindt men nu nog op sommige plaatsen enkele menschen, die hun dorp of
hunne stad nimmer verlaten, en dus eene zeer bekrompen
wereldbeschouwing hebben, ze worden toch met den dag zeldzamer, en men
wijst hen bijna aan, als eene merkwaardigheid, met: »Kijk, die man
daar, hij is, zoo oud als hij is, nooit verder geweest dan zijn dorp
of zijne stad.«

Maar in die eeuwen was de toestand aanvankelijk juist omgekeerd, en
hij, die het gewaagd had, ver van huis te gaan, werd als eene
merkwaardigheid met den vinger aangewezen.

De Kruistochten brachten hierin eene verbazend groote verandering. Men
deed verre tochten; men kwam in een heel ander land, in een heel ander
klimaat; hier zag men dit, daar dat; hier merkte men het eene, daar
het andere op. De blik werd verruimd, en men leerde nieuwe behoeften
kennen. Vooral de mannen van den derden stand, de poorters en dorpers,
door het deelnemen aan een' Kruistocht van Lijfeigenen in Vrijen
herschapen, begonnen zulk een krachtig leven te ontwikkelen, dat ze,
in macht en rijkdom, Vorsten en Edelen boven het hoofd wiesen.

Overal ontwaakte onder hen een ondernemingsgeest, die voor geene
gevaren terugdeinsde, en die geest was de grondvester van machtige
steden, van Venetië en Genua bovenal. Die ondernemingsgeest, hoewel
hoofdzakelijk tendoel hebbende, eigen voordeel te bevorderen, dwong
echter ook om niet alleen vreemde talen te leeren, maar ook om de
aardrijkskunde en sterrenkunde te beoefenen.

Zoo iets van: »Er is maar één God en Mohammed is Zijn Profeet«, paste
vóór de Kruistochten elk land ook op zichzelf toe. Men wist het, ja,
dat er nog andere landen waren, doch ze kwamen bij het eigen land zoo
goed als niet in aanmerking. Na de Kruistochten was dat evenwel anders
geworden; de volkeren van Europa hadden elkander leeren kennen, en die
kennismaking leidde tot handelsbetrekkingen. Men begon gewassen te
verbouwen en voorwerpen te maken, met het doel om uit te voeren;
nieuwe handwerken, andere kunsten werden beoefend. De strijd om het
bestaan, vroeger tot de bewoners van elk land beperkt, werd nu
gestreden tusschen de volken onderling, en hij bracht leven en
beweging. Die strijd scherpte het verstand, spitste het brein en
maakte de hand vaardig. Werkelijk, de Kruistochten hebben het
dommelende Europa wakker geschud; ze zijn oorzaak geweest, dat van de
vijf werelddeelen, Europa _het_ werelddeel werd, en meteen de zetel
van beschaving, wetenschap en welvaart.

We noemden zoo even twee namen van steden, en wel Venetië en Genua.
Beide steden hebben door haren handel en hare macht in de
Middel-eeuwen eene te groote rol gespeeld om er hier niet van te
spreken.

Venetië ligt ten noorden van de Adriatische Zee, aan eene golf, die
denzelfden naam als de stad draagt. Bij den inval der Hunnen namen
vele bewoners van het vasteland de vlucht naar de menigte eilanden,
die in deze zee gelegen zijn. Waren dezen eerst afhankelijk van het
Grieksche en later van het Duitsche Keizerrijk, ze wisten voor een
groot deel zich daarna onafhankelijk te maken, en vormden eene
Republiek. Het hoofd van die Republiek droeg den naam van Doge, en de
Republiek zelve heette weldra, naar hare grootste stad, Venetië. Reeds
lang vóór de Kruistochten dreven de Venetianen een' levendigen handel
op Azië, doch het toppunt van bloei bereikte de Republiek eerst tegen
het einde der veertiende eeuw. Zij dreef vooral handel op Alexandrië
en Joppe in producten, die daar met karavanen aangebracht werden uit
de Indiën, en ze had zelfs, vooral door de bemoeiingen van den
beroemden Venetiaanschen reiziger Marco Polo, die diep in het rijk der
Mongolen drong, en de gunst wist te verwerven van den Khan of
Oppervorst der Tataren, handelsbetrekkingen aangeknoopt met het
tegenwoordige China. Door de reistochten van Marco Polo, diens Vader
Niccolo en neef Maffeo, werd vooral de aardrijkskundige kennis van
Azië zeer uitgebreid, en men ontwierp zelfs kaarten waarop, behalve
het bekende deel van Europa, bijna heel Azië voorkwam. Wel had,
volgens de Venetiaansche kaarten, dit werelddeel een voorkomen,
hetwelk in latere tijden bijna geheel gewijzigd moest worden om met
den waren toestand overeen te komen, maar veel vindt men er toch ook
op waaruit blijkt, dat men bij het vervaardigen ervan niet enkel op
overleveringen of phantastische verhalen vertrouwde, maar zelf
waargenomen had.

Niet minder dan vierentwintig jaar duurde hunne reis, en onnoemelijk
rijk keerden ze alle drie terug. Zóó rijk was Marco, dat de Venetianen
hem den bijnaam gaven van »Meester Millioen.«

Verwondering kan het niet baren, dat Marco Polo met zijne schatten den
lust bij anderen opwekte om ook in die verre landen der Tataren zaken
te gaan doen, en nog meer werd die lust opgewekt toen de beroemde man
zijn reisverhaal liet te boek stellen. Hij stierf echter in 1323, dus
vóór de uitvinding der boekdrukkunst, en deze alleen was instaat om
die reisbeschrijving algemeen te maken. En hoe prettig wist hij te
vertellen!

In zijn' tijd was de tegenwoordige Chineesche stad Hang-Chow-Foe aan
de rivier Tsien-Tang, de hoofdstad van het Chineesche of Tataarsche
rijk. Nu nog telt zij meer dan één millioen inwoners, doch Marco
zeide, dat hare bevolking toen één millioen zesmaal honderdduizend
_huisgezinnen_ bevatte; bovendien gaf hij aan deze stad den naam van
Quin-sai.

Om mijn' lezers eenig denkbeeld te geven, niet alleen van Polo's
verhaaltrant, maar ook over den toestand van China in onze
middeleeuwen, wil ik een gedeelte van zijn verhaal hier laten volgen.

»Quin-sai, de hoofdstad, verdient haar' naam: »Stad des Hemels«, ten
volle door hare grootte, schoonheid, rijkdom en welvaart. Zij is een
Paradijs op aarde. Naar mijne schatting heeft ze een' omvang van
vierenveertig Kilometers, dat is acht uur gaans. Zij ligt dicht bij de
zee aan eene groote rivier, wier wateren door tallooze kanalen in alle
richtingen door de stad stroomen, en alle vuilnis medevoeren naar zee,
zoodat er de grootste zindelijkheid heerscht, en de lucht er steeds
frisch is. Wel twaalfduizend bruggen verbinden de verschillende
stadsdeelen met elkander, en naast de kanalen heeft men breede
straten. De meeste bruggen hebben zulke groote bogen, dat de schepen
er onderdoor kunnen varen zonder de masten te strijken. Er zijn
verscheidene groote pleinen tot markt ingericht, en elk plein is
omgeven door steenen gebouwen, waarvan de beneden-verdiepingen als
winkels in gebruik zijn. De verschillende straten loopen alle op de
marktpleinen uit, en overal vindt men inrichtingen tot het nemen van
koude of warme baden, waarvan ieder van zijne jeugd af, gebruik maakt
eer hij aan den maaltijd gaat. Op tien groote plaatsen wordt driemaal
in de week markt gehouden, en ongeveer vijftigduizend menschen begeven
zich telkens naar iedere markt om daar het noodige tot levensonderhoud
te koopen. Wild en gevogelte vindt men er in overvloed en tegen
billijke prijzen. Zoo betaalt men voor een paar ganzen met nog vier
eenden slechts tien penningen. Ander vleesch kan de werkman niet eten,
want het vleesch van runderen, schapen en geiten is zóó duur, dat
alleen de rijken het betalen kunnen. Onverschillig in welk jaargetijde
men de markten bezoekt, altijd vindt men er een' rijken voorraad van
het heerlijkste ooft. Visch is er steeds in overvloed te vinden. Welk
een omzet op deze markten is, kan blijken uit de opgaaf van één
artikel, dat verhandeld wordt, namelijk peper, waarvan de Tataren
groote liefhebbers zijn. Elken dag zet men meer dan tienduizend pond
van deze specerij om.

»De inwoners hebben eene blanke gelaatskleur, en kleeden zich steeds
in zijde, die hier in den omtrek veel gewonnen wordt. Er zijn twaalf
hoofdambachten, en iedere zoon is verplicht het ambacht van zijn'
Vader te leeren. De rijke werkbazen doen niets anders dan op het werk
wat rondloopen om toezicht te houden. De vrouwen pronken den heelen
dag met hare prachtige zijden kleederen en schitterende juweelen, of
brengen in sierlijk ingerichte vertrekken, den dag met nietsdoen door.

»De huizen, die gewoonlijk van hout zijn, hebben sierlijke voorgevels,
voorzien van mooi snijwerk en beschilderd met allerlei wonderlijke
figuren. Van oorlogvoeren weten de bewoners van Quin-sai niet, en
zelfs oproer en rooverij behooren bijna tot de onmogelijke
gebeurtenissen.

»De uitspanningen op het water overtreffen alle andere, en de stad met
haar onnoemelijk groot aantal paleizen, tempels, villa's, tuinen en
boomen, allen aan het water gelegen, biedt daardoor, den ganschen dag
door, eene bonte afwisseling.

»Is de dagtaak afgeloopen, dan denkt niemand aan wat anders dan aan
uitspanning. Met schuiten en wagens begeven de mannen zich in
gezelschap hunner vrouwen of kinderen naar tuinen, die alleen voor
openbare uitspanningen bestemd zijn.

»In elke straat is stellig één steenen gebouw, in den vorm van een'
toren. Het is zeer groot, en wanneer nu een brand uitbreekt, wat met
die houten huizen niet zelden het geval is, dan vluchten al de
bewoners van die straat met hunne kostbaarste have binnen dit steenen
gebouw.

»Op de voornaamste bruggen staat een wachthuis, dat steeds door tien
man bezet is. In elk wachthuis is een wateruurwerk, en het is nu de
hoofdtaak van die mannen, om aan het einde van elk uur met een houten
blaas-instrument en een metalen voorwerp, hiervan aan de bewoners
kennis te geven.

»Gedurende den nacht trekken wachters door alle straten. Hunne taak is
het, minder tegen diefstal te waken, dan wel te zorgen, dat iedere
bewoner op den bepaalden tijd in zijn huis geen licht of vuur meer
brandt, en dat niemand zich meer op straat begeeft.

»Elk hoofd van een gezin is verplicht om boven den ingang zijner
woning eene naamlijst van de bewoners te hangen. Sterft er een, dan
wordt de naam doorgestreept, en wordt er een geboren, dan wordt zijn
naam terstond onder de lijst geschreven. Zelfs zij, die vreemdelingen
en reizigers herbergen, zijn verplicht in een boek, niet alleen de
namen hunner gasten te schrijven, doch er moet tevens bij vermeld
staan wat ze zijn, wat ze komen doen, wanneer ze kwamen, wanneer ze
heengaan, en wáár ze heengaan.

»De inkomsten van den Groot-Khan,--thans noemt men hem
Keizer,--bedragen, alleen nog maar van het zout, niet minder dan zes
millioen vierhonderd duizend dukaten, en zijn heele inkomen wordt
berekend op ruim drieëntwintig millioen dukaten.

»Komt men eenmaal buiten de eigenlijke stad Quin-sai, dan zou men
wanen nog in de stad te zijn, ja, het is zelfs zóó, dat, vele
dagreizen afstands om Quin-sai, alles slechts ééne stad gelijkt.«

Van Japan, dat Marco Polo den naam gaf van Zipangu of Nipon, verhaalt
hij het volgende:

»De inwoners van Zipangu hebben eene heldere gelaatskleur en zijn zeer
beschaafd. Ze worden geregeerd door een' Koning, die geheel
onafhankelijk is van den Groot-Khan. Goud wordt er in overvloed
gevonden, doch het mag niet uitgevoerd worden. Het paleis van den
Koning is zoowel van binnen als van buiten, en van onder tot boven,
geheel met gouden platen belegd, ja, eenige meubelen zijn zelfs van
massief goud. Het heele Koninkrijk bestaat uit zeker meer dan
zevenduizend eilanden, die alle bewoond zijn, en specerijen en goud in
overvloed opleveren.«

Onze reiziger kwam ook in den Indischen Archipel. Hij vertelt van
Groot-Java, Klein-Java en Zeylan of Ceylon, welke eilanden alle rijk
zijn in goud en specerijen. Zelfs het tin-eiland wordt evenmin
vergeten, als de parelvisscherijen. Hij spreekt van afstanden over zee
in mijlen, en honderd, zevenhonderd, ja, vierentwintighonderd mijlen
afstands worden door hem genoemd. Maar trots die verbazende afstanden
kwamen de Tataren met hunne schepen daar bijna overal, en brachten
ongehoorde schatten in hun land terug.

Men begrijpt lichtelijk hoe deze reisbeschrijving, toen ze meer
algemeen bekend werd, de gemoederen in Europa in beweging, en de
hoofden tot denken bracht.

Wat er met schepen gedaan kon worden, bewezen de Tataren dat niet, die
honderden mijlen ver er zich mede waagden op zeeën, waarvan men niet
beter wist of er was geen einde aan?

En wat nu de Tataren konden doen, zouden dat de Europeanen niet
kunnen?

Ja, Marco Polo kon overdreven hebben, en waarom zou hij dat niet? Het
lag immers geheel in den geest van zijn' tijd om aan het fabelachtige
de voorkeur te geven boven het wetenschappelijke?

Wie kende niet de reisbeschrijving van den Missionaris Oderich van
Portenau? Veel van hetgeen Marco Polo verteld had, werd door Oderich
bevestigd, maar hoeveel fabelachtigs haalde deze Oderich er niet bij?

Had ook niet Marignola, Huis-kapelaan van Keizer Karel IV, als
Zendeling, zijne reistochten beschreven? Het boek, dat eigenlijk eene
Kroniek van Bohemen heeten moest, begon, omdat de schrijver
waarschijnlijk van Bohemen niet veel wist, van Adam en Eva in het
Paradijs af, en het wemelde van allerlei fabelachtige verhalen.

Niet veel beter, ja, misschien nog erger, maakte het de Engelsche
Ridder John Mandeville. Ook deze volbracht eene langdurige wereldreis,
want, in 1327 vertrokken, keerde hij pas in 1355 terug. Zijn
geschreven reisbericht gaf hij aan Koning Eduard III van Engeland, en
zelden verscheen er een boek, waarin zooveel zotternijen, die voor
waarheden moesten doorgaan, verteld werden.

Een ander reiziger, Johannes Schiltberger uit München, deed eene reis,
die van 1394 tot 1427 duurde. Als jong soldaat was hij in den slag bij
Nikopolis, in 1396, door de Turken gevangengenomen. Sultan Bajazid
liet al de gevangenen onthoofden, doch Schiltbergers leven bleef
gespaard, omdat hij nog maar zestien jaar oud was. Hij kwam in dienst
van den Sultan, en deze werd later op zijne beurt verslagen door
Tamerlan, waardoor onze gewezen soldaat, als slaaf, in dienst kwam van
dezen beruchten en wreeden Khan der Mongolen. Waar Tamerlan of Timoer
kwam, daar kwam ook Schiltberger, zoodat hij, eindelijk in zijn land
terugkomende, zeggen kon, dat hij in Klein-Azië, Egypte, Perzië,
Indië, de landen van de Kaspische Zee en in Zuid-Rusland geweest was.
Het ligt voor de hand, dat deze man, die in eene zeer ondergeschikte
betrekking, en tegen zijn' zin, die reizen makende, landen en volken
weer anders bekeek en beschreef dan Marco Polo en de Missionarissen
dit gedaan hadden. In vele opzichten kwamen echter allen met elkander
overeen. Het Oosten was een schoon en rijk land, met bewoners, die er
eene heel andere beschaving op nahielden dan de Christenen in Europa.
Het was onnoemelijk groot, en op sommige plaatsen buitengewoon
vruchtbaar, op andere weer woest en dor. De bewoners waren, óf
Heidenen, óf Mohammedanen, en sommigen woonden in steden, grooter dan
menig Vorstendom in Europa.

Dat alles was bij alle schrijvers te lezen, en het wekte hier de zucht
op van den koopman om schatten te gaan verdienen, en dáár de begeerte
om onder Mohammedanen en Heidenen het Kruis te gaan prediken. In beide
gevallen werd de aardrijkskundige kennis uitgebreid, en hiermede ook
menige andere wetenschap. Wanneer wij enkel oordeelen naar hetgeen de
Missionarissen der Middel-eeuwen _schreven_, dan zouden wij een zeer
verkeerd oordeel over hun gewichtig werk vellen. Doch ook zelfs zij
brachten veel tot stand, en helderden op, wat onduidelijk was. Hun
werk was het, dat de Genueezen een' handels- of karavanenweg kregen,
van de rivier de Don naar Peking, en hun werk was het ook, dat men
ophield te gelooven, dat de Kaspische Zee met de IJszee in verbinding
stond en derhalve geene open zee was. En, vóór een Marco Polo met de
zijnen in het land der Tataren en in hunne hoofdstad kwam, waren er al
Missionarissen geweest, zoodat men niet te veel beweert, als men zegt,
dat China, òf, zooals het door de Tataren genoemd werd, Kataï, ontdekt
werd door de Missionarissen.

Trouwens, zelfs in onzen tijd wordt het werk van Zendelingen en
Missionarissen maar al te veel zeer scheef beoordeeld. Ik gebruik hier
twee woorden, die eigenlijk hetzelfde beteekenen, alléén, omdat de
Protestant steeds van Zendelingen, en de Katholiek van Missionarissen
spreekt.

Terecht zegt de Duitsche schrijver Löwenberg, waarlijk geen man wien
men verwijten kan, dat zijne clericale gevoelens hem de zaak doen
overdrijven: »De ontdekker is de voorlooper van den zendeling, de
zendeling zelf dikwijls weder, ontdekker. Waar handelsverbintenissen
aangeknoopt worden, daar vestigt zich de Zendeling, en waar men
Zendelingsposten vestigt, daar ontstaat de handel.«

Willens blind moet men wel zijn, als men het werk van mannen, die in
onze eeuw leefden, zooals: Gutzlaff, Huc en Gabet in China, of van
Livingstone in Afrika, van weinig beteekenis voor de wetenschap
beschouwt. Maar ook reeds in de Middeleeuwen dreef het bevel van den
Heer Jezus: »Gaat dan henen, onderwijst alle volkeren, ze doopende in
den naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes, leerende hen
onderhouden alles, wat ik u geboden heb,« tal van ernstige en vrome
mannen aan, om naar verre en onbekende landen te trekken, teneinde
daar het Evangelie te prediken, en, zonder dat ze het wilden, dienden
ze daardoor wetenschap en beschaving meteen. Het een _moest_
noodwendig met het andere samengaan.

Veel zoude er van die zendelingsreizen te verhalen zijn, doch daar het
mijn doel is, een boek te schrijven over de ontdekking van Amerika,
mag ik met de inleiding tot dit werk niet te uitvoerig zijn. Te meer
mag ik dit niet, omdat ik later toch op die Missies noodwendig wijzen
moet.

Wij verlaten dus voor een oogenblik de Lagunen-stad, zooals Venetië
ook wel eens genoemd wordt, om met enkele woorden te schetsen, wat
Genua voor den zeehandel, en daarmede voor de aardrijkskundige
wetenschap geweest is.

In het jaar 774 kwam Genua onder het rijk der Franken, doch toen na
den dood van Keizer Karel den Grooten, diens machtig gebied verdeeld
werd, bekwam Genua hare onafhankelijkheid. Haar heerlijk klimaat, maar
veel meer nog hare gunstige ligging voor den zeehandel, waren oorzaak,
dat zij in uitgebreidheid, aanzien en macht steeds toenam, en niet
weinig werd ze bevoordeeld door de Kruisvaarders, die zich het liefst
in hare havens voor den tocht naar het Heilige Land inscheepten.
Gaandeweg breidde zij dan ook hare macht uit, en veroverde niet alleen
het eiland Corsica, maar ook een groot deel van het eiland Sardinië.
De Keizer van het Byzantische rijk gaf hun zelfs in twee voorsteden
van Constantinopel vrijdom van tollen, en verleende hun de vrije vaart
op de Zwarte Zee. De Genueezen stichtten nu volksplantingen aan de
kusten dier zee, en maakten zich zelfs van het heele schier-eiland »De
Krim« meester. In gemeenschap met kooplieden uit Florence en Pisa
brachten ze ook langs een' karavanenweg, goud, edelgesteenten,
verfsoorten, vernis, vuurlak, porselein, thee, rabarber, zijden
stoffen, katoen, pelswerk, ja, ook Indische specerijen uit China naar
Europa, waar al deze waren buitengewoon veel aftrek vonden. Nog
grooter werden de voordeelen, welke de Genueezen behaalden, toen
Alexandrië en Joppe voor de Venetianen niet langer de stapelplaatsen
konden zijn van de Indische producten, omdat beide steden, na den val
van het Koninkrijk Jeruzalem, bijna altijd in handen der Turken waren.
Wel sloot Venetië menigmaal met de Mohammedaansche Vorsten een
handelsverbond, doch maar al te vaak werd dit alweer verbroken. Dat
hierdoor tusschen deze twee machtige handelssteden een naijver
ontstond, welke tot botsingen, ja, zelfs tot oorlogen aanleiding gaf,
is te begrijpen. Toch zou het te bezien gestaan hebben, wie op den
duur overwinnaar bleef, indien er niet heel wat anders gebeurd ware.

Tamarlan of Timoer, van wien we reeds gesproken hebben, maakte aan de
handelsbetrekkingen tusschen China en de Zwarte Zee een einde. Hij
veroverde in 1406 de landen om deze zee gelegen, en--Genua, beroofd
van haren voornaamsten handelsweg, moest nu vanzelf onderdoen voor
Venetië. De Venetianen, die altijd buiten de Zwarte Zee gehouden
waren, sloten nu andermaal verbonden met de Saracenen, en den Sultan
van Egypte en Syrië. Dezelfde voordeelen, die de Genueezen eenmaal te
Constantinopel verkregen, genoten nu de Venetianen te Alexandrië.

Verbazend is de macht, die Venetië ontwikkelde. Hare schepen bezochten
alle Europeesche havens, en omgekeerd bezochten Engelschen, Vlamingen,
Duitschers, Franschen, Portugeezen en Spanjaarden de havens der
beroemde Republiek, die, gesteund door haren rijkdom, voor heel Europa
het brandpunt werd van kunsten, wetenschappen en beschaving. Hoe ver
de Venetianen het in de aardrijkskunde gebracht hadden, bewijzen de
wereldkaarten, die ze maakten. Vooral zijn de twee kaarten van Fra
Mauro beroemd geworden. Eene ervan wordt nog altijd te Venetië
bewaard, en de andere kwam te Lissabon in handen der Portugeezen.
Natuurlijk zijn op die kaarten alleen Europa, Azië en Afrika
afgebeeld, en wanneer wij die afbeeldingen vergelijken met de
tegenwoordige, dan ontbreekt er zeer veel aan, maar voor dien tijd
waren ze zóó uitstekend, dat men niets beters wenschen kon.

Hoe die eene wereldkaart van Fra Mauro in Lissabon kwam, weet ik niet,
maar de Venetianen hadden wel mogen wenschen, dat dit niet gebeurd
ware, want de Portugeezen maakten er zulk een gebruik van, dat het de
ondergang, niet alleen van Genua, maar ook van de oppermachtige
Republiek Venetië ten gevolge had. Hoe dit geschiedde, zullen we in
een volgend hoofdstuk zien.



HOOFDSTUK IV.

DE PORTUGEEZEN.


Alvorens tot de beschrijving van de ontdekkingsreizen der Portugeezen
over te gaan, dien ik even te wijzen op de algemeene verarming van
Europa aan goud en zilver. Eeuwen lang had Azië in Europa ingevoerd,
en dit zou natuurlijk ook in het voordeel van Europa geweest zijn, als
dit maar naar Azië had kunnen uitvoeren. Dit was evenwel het geval
niet, want de Europeesche producten vonden onder de Aziaten bijna
geen' enkelen afnemer.

Men had in Europa ook goud- en zilvermijnen, doch deze waren ten
laatste zoo goed als geheel uitgeput, en het gevolg daarvan was, dat
alles, wat in ons werelddeel verbouwd of gemaakt werd, in prijs
daalde, en de volksarmoede hand over hand toenam. Zelfs de ongekende
weelde, die in de Brabantsche en Vlaamsche gewesten, in Genua, en
vooral in Venetië heerschte, kon den eenvoudigen blik van iemand, die
wat verder keek dan zijne naaste omgeving, niet bedriegen. Bleef die
staat van zaken bestendigd, dan zou ten slotte zelfs de weelde in de
genoemde landen verdwijnen, en het Christelijke Europa arm, ellendig
en van alles beroofd, zou nederig het hoofd moeten buigen voor
Heidenen en Mohammedanen, die meester van den handel waren, en prijzen
bedongen, die nergens naar geleken. Door hoevele handen gingen niet de
Oostersche producten eer ze in Europeesche schepen overgeladen waren!
Van handelswaren uit de tweede hand hebben, er was geene sprake van;
men kreeg ze misschien wel uit de twintigste hand.

Zoo was men te weten gekomen, dat de Indische specerijen, te
Alexandrië driemaal duurder waren dan te Calicoet, dat in Voor-Indië
ligt en toen de stad was, waar men de specerijen uit den Archipel
aanvoerde. Wilde men wierook, te Mecca betaalde men er vijfmaal minder
voor dan te Alexandrië. Zoo ging het met alles, en het kon niet
anders, zóó moest de welvaart van Europa ten gronde gaan.

Dit zagen ook twee Genueesche Edellieden, Thedisio Doria en zijn'
broeder Vivaldo, in, en daarom wilden zij beproeven of men niet langs
de zee, om Afrika heen, in de Indiën komen kon. Vol moed scheepten zij
zich in, doch nimmer keerden ze weder.

Dat was koren op den molen van de half-wetenschappelijke klagers.

Europa was er slecht aan toe, zoo redeneerden zij. Zag men niet
iederen avond de zon in zee ondergaan? Wat hielp het, al durfde men,
als de Tataren, honderden mijlen ver zich op den Oceaan wagen? Ging
men het Westen in, men kwam dan immers achter de zon en in eene
streek, waar steeds volslagen duisternis heerschte, en die
waarschijnlijk door afschuwelijke wezens bewoond werd. Voer men het
Zuiden in, dan zou men ten laatste in een land komen, waar de
zonnewarmte alles verbranden deed, en waar de hitte zóó groot was, dat
al het zeewater verdampte, en slechts het zout achterliet. Kwam men op
het land, men zou er alles verschroeid en verbrand vinden.

Hoogstwaarschijnlijk zullen er wel geweest zijn, die het er ook voor
hielden, dat de Aarde eene bolronde gedaante had, en die redeneerden:
»Gaat men op de aarde van het Noorden naar het Zuiden, dan wordt ten
laatste de hitte zóó groot, dat alles er door verteerd wordt. Het
omgekeerde moet echter ook waar zijn, als men van het Zuiden naar het
Noorden gaat.« Die redeneering hielp evenwel zoo goed als niets, want
Noordelijken en Zuidelijken konden nimmer bij elkander komen. De hitte
wierp tusschen beiden eene grens op, welke niet te overschrijden was.
Die hittelijn, die we nu kennen onder den naam van Aequator,
Evennachtslijn of Linie was toen dus wel bekend, maar--als eene lijn
der verschrikking, die niet overschreden kon worden.

Of er meer waren, die aan de waarheid ervan sterk twijfelden, weet ik
niet, maar de geschiedenis wijst ons op iemand, die er niets van
geloofde, en alle krachten inspande, om aan die dwaze
veronderstellingen een einde te maken.

[Illustratie: PRINS HENDRIK DE ZEEVAARDER. (Geb. 1394, overl. 1460.)]

Hij heette Dom Henrique, of, zooals wij hem noemen zouden, Prins
Hendrik, en was de vierde zoon van Johan I, Koning van Portugal. Deze
Prins, geboren den vierden Maart van het jaar 1394, onderscheidde zich
reeds in zijn' knapen-leeftijd boven al zijne makkers. Geen als hij
was zoo vlug en stout in het behandelen der wapenen, en hierin was hij
dan ook geheel een kind van zijn' tijd. In een ander opzicht was hij
dat evenwel volstrekt niet, want als lans, zwaard en schild hunne taak
gedaan hadden, zocht hij geene andere uitspanning bij wijnbeker en
dobbelkroes, maar in de boeken, en het liefst van al studeerde hij in
aardrijks-, wis-, sterren- en zeevaartkunde. Eene ridderlijke figuur,
die door schoonheid, gepaard met dapperheid, de harten van alle
schoonen veroverde, als hij in het tornooi alle tegenstanders overwon,
was hij evenmin. Om lof der vrouwen bekommerde hij zich zóó weinig,
dat hij van zichzelven getuigde, dat hij van den dag af, dat er een
scheermes op zijn gelaat gebruikt was, nimmer aan eene vrouw een' kus
gegeven had. Nu, de schoonen waren er niet boos om, want zijn
vierkant, hoekig gelaat, met oogen, die nimmer eenige warmte
verrieden, trok niemand, althans geene vrouw aan. En dan, waar een
ander Ridder den beker ledigde, ter eere der Edelvrouwen, daar zag men
Prins Hendrik het hoofd met walging van den wijn afwenden. Bovendien
was hij ook nog half Geestelijke. Toen in 1312 de Orde der
Tempelridders opgeheven werd, stelde Dionysius, Koning van Portugal,
de Christus-orde in, en Paus Johannes XXII keurde ze goed. Deze Orde
verving die der Tempelridders, en bezat in Portugal groote schatten.
Door zijn' Vader werd Prins Hendrik er tot Grootmeester van
aangesteld.

Het doel der Christus-orde was, uitbreiding van de Christelijke Kerk,
en om dat te bereiken, sloeg de Vorstelijke Grootmeester het oog op
Afrika's westkust, waar hij voor zijn' werkkring een uitgestrekt veld
meende te zullen vinden. Dat in dit geval de prediking van het
Evangelie met het zwaard moest vergezeld gaan, was zóó geheel in den
geest van dien tijd, dat we er ons niet over verbazen moeten. Het moge
ons onmogelijk schijnen, de leer der hoogste Liefde ingang te doen
vinden langs den weg van bloed en tranen, toen meende men dat het zoo
goed als de eenige weg was. Een, die anders dacht, zou eenvoudig
aangeduid worden, als iemand, die het onmogelijke wilde.

Op eenentwintigjarigen leeftijd veroverde hij, in 1415, de sterke stad
Ceuta in Afrika, bij de Straat van Gibraltar gelegen, op de Mooren.
Thans behoort deze stad nog altijd aan Spanje, doch reeds kort nadat
hij ze ingenomen had, hadden de Mooren haar belegerd, en stellig zou
de zwakke bezetting haar hebben moeten overgeven, als niet Prins
Hendrik, aan het hoofd eener vloot, haar was komen ontzetten.

Koning Johan ziende, hoe het hart zijns dapperen zoons brandde van
verlangen, om de Saracenen of Mooren in Afrika te bestrijden, en hoe
hij de heele westkust van dit werelddeel, zelfs tot in onbekende
streken, beschouwde als het tooneel zijner werkzaamheid, droeg hem de
behartiging van Portugals belangen in dat werelddeel geheel op.

Om hierin beter te kunnen slagen bouwde de Prins aan een' zeeboezem,
die eene uitnemende, natuurlijke haven met reede aanbood, in Algarvië,
dus ten zuiden van Portugal, een kasteel, dat den naam kreeg van Villa
de Iffante, en later dien van Sagres. Hier stichtte onze Grootmeester
nu eene school, waar jongelieden onderwijs in de zeevaart konden
ontvangen, en behalve een arsenaal, verbond hij er eene sterrenwacht
aan. Vooral bestemde hij deze school voor de jonge Portugeesche
Edellieden, want hij begreep zeer goed, dat voor het kleine Portugal
de wijde zee een beter veld was om eer en wapenroem te behalen dan het
land. Genua en Venetië, ook klein in Europa, waren immers door de zee
machtig geworden? Hij deed dus alles, wat hij kon, om den lust voor de
zeevaart aan te moedigen, en op kosten der Orde, mogelijk ook uit
eigen middelen, rustte hij ieder jaar een schip uit, om hiermede
ontdekkingsreizen te gaan doen.

Tristam Vaz en Gonsalves Zargo, twee Portugeesche Edellieden, op zulk
een' tocht uitgegaan zijnde, werden door een' storm aangegrepen en
geheel uit den koers geslagen. Ze waren dus, wat men toen als een veeg
teeken beschouwde, »buiten westen«, doch zie, in dien hoogen nood
ontdekten zij het eiland Porto Santo, en daarna Madeira. Dit laatste
was reeds, zooals we weten, door de Phoeniciërs bezocht geworden,
zoodat het ons niet bevreemden moet, dat men op eene kaart van 1351,
ter plaatse waar nu Madeira ligt, een eiland vindt met den naam van
Isola di Legname, dat is »Houteiland«. Waarschijnlijk is het niet, dat
men nog bij overlevering van de Phoeniciërs wist, dat dit eiland zoo
houtrijk was, en denkelijk zal een Spanjaard, Portugees of Italiaan er
nog wel eens geweest zijn, doch zeker is het, dat niemand er aan
gedacht had om zich hier te vestigen. Prins Hendrik, alles vernomen
hebbende, besloot om het voor Portugal in bezit te nemen en te
bevolken. Het kreeg den naam van Madeira of »Woud-eiland«, omdat het
bijna over zijne heele uitgestrektheid met een bosch bedekt was. Door
onvoorzichtigheid van de Kolonisten, ontstond er evenwel een
boschbrand, die negen jaar aanhield, en bijna al het houtgewas van het
eiland vernielde. Het heerlijke klimaat, en de vruchtbaarheid van den
bodem waren oorzaak, dat het eiland de ramp spoedig te boven kwam. Hoe
schoon en vruchtbaar het eiland ook mocht zijn, toch meenden de
Portugeezen, dat al die zoogenaamde ontdekkingsreizen van Prins
Hendrik tot niets konden leiden, dan tot verarming van het land en
achteruitgang van den landbouw, waaraan nijvere handen onttrokken
werden. De Prins, hoe ook tegengewerkt, hield wakker stand, en wist
van geen wijken, hoewel hij verscheidene jaren moest laten
voorbijgaan, zonder wat meer te kunnen doen, dan Madeira en Porto
Santo zoo winstgevend mogelijk maken.

Eerst in 1431 begon men de eigenlijke ontdekkingen weer voort te
zetten. De Edelman Gonsalvez Velho Cabral ontdekte in dat jaar de
Formigas-eilanden, en een jaar later het eiland Santa Maria, dat het
eerste was van een' kleinen Archipel, later bekend onder den naam van
Azorische Eilanden, die achtereenvolgens van 1444 tot 1453 ontdekt
werden. Op een dezer eilanden vestigde zich eene Vlaamsche kolonie,
waarom de Nederlanders en Belgen dan dezen Archipel ook wel den naam
van Vlaamsche Eilanden geven.

We zijn thans evenwel onzen tijd vooruitgeloopen, en moeten weer
eenige jaren terugkeeren.

Langs de westkust van Afrika maakte men geene groote vorderingen, want
men kwam niet verder dan eenige graden ten zuiden van de Kanarische
Eilanden. Daar ligt op het vaste land Kaap Bojador. Zij is een
voorgebergte, en wel het westelijke gedeelte van het gebergte
Dsjebel-el-Aswad. Zij strekt zich vrij ver in zee uit, en tot op
grooten afstand van de kust is er de zee vol rotsen, riffen en
ondiepten, waar eene vreeselijke branding staan kan, welke voor de
scheepvaart zeer gevaarlijk is.

Hier was, volgens het gevoelen der Portugeesche kustreizigers, het
zuidelijkste punt der wereld, dat te bereiken viel, en hoewel deze
kaap reeds in 1291 door de Genueesche broeders Thedisio en Vivaldo
Doria omgezeild was, en tusschen de jaren 1364 en 1365 Fransche
zeelieden de Goudkust bereikt hadden, zoo was er in den tijd van Prins
Hendrik niets meer van bekend, en telkens als de Portugeezen tot deze
kaap genaderd waren, keerden ze terug.

Toen echter in 1432 de Portugees Gil Eanes, of, zooals hij algemeen
genoemd wordt, Gilianes, hier kwam, nam deze het stoute besluit, de
kaap om te zeilen, en tot verbazing van zijne manschappen, die slechts
met groote moeite en allerlei beloften over te halen waren geweest, om
hem te gehoorzamen, gelukte de poging. Gilianes behaalde met deze
koene onderneming wel roem, maar om roem alleen was het niet, dat men
zijn leven waagde en schatten van geld aan die ontdekkingstochten
besteedde. Men wilde er ook voordeelen van genieten, en deze waren al
zeer gering. Slechts wat robbenvellen en meer niet, bracht men van de
reis mede, zoodat de ondernemende Grootmeester steeds meer
tegenwerking ondervond.

Maar, men was zoo gelukkig om twee handels-artikelen te vinden, welke
ook de hebzucht konden tevreden stellen. Eén voornaam artikel was
stofgoud, dat men eens van eene reis medebracht, en we zagen het
reeds, goud had men in Europa meer dan noodig, en de hoop, dat men van
deze begeerde stof nog veel meer zou vinden, gaf alweer nieuwen moed.

Toch was stofgoud niet het voornaamste der twee artikelen.

Men was begonnen, Negers, die geen kwaad vermoedden, en met goede
bedoelingen bezield, de Blanken ontvingen, die op hunne kusten
landden, op te vangen, en mede te nemen als slaven. Zoo één flinke
Neger was dan ook heel wat waard, want gaarne werd er in Portugal eene
som van veertig lires voor betaald, dat ongeveer vijfhonderd gulden in
onzen tijd zou zijn.

Prins Hendrik staat algemeen bekend als een werkelijk vroom en edel
man. Hem moesten die slavenjachten dus zeer tegen de borst stuiten,
maar zijn verbieden zou gelijk gestaan hebben met een laten varen van
al zijne ontdekkings-plannen, welke niet mogelijk waren, als hij de
hebzucht er geene rol in liet spelen. Men dient ook wel in acht te
nemen, dat de algemeene geest van dien tijd heel anders was dan nu.
Waren die Negers wel menschen, die evenals de Blanken eene ziel
hadden? Stonden ze in het rijk der Schepping niet veel lager dan de
Christenen? Wat meer is, deed men er geen goed werk mede, met de aarde
van die zwarte monsters te verlossen?

Weet ge wat een zekere Azoerasa schreef?

Dit.

»God, Die alle goede daden beloont, behaagde het eindelijk om voor al
de ellende in Zijn' dienst geleden, hun,«--den schepelingen
namelijk--»een' roemrijken dag te verschaffen, en eene ruime
vergoeding te verleenen, voor al de onkosten, die gemaakt waren, want
men ving niet minder dan honderdvijfenzestig mannen, vrouwen en
kinderen!«

De arme Negers, die tegen de vuurwapenen der Portugeezen alleen hunne
vergiftigde pijlen konden gebruiken, waren nu op hunne hoede. Zij
zett'en wachters uit, en wanneer dezen in de verte een schip
ontdekten, waarschuwden zij hun' stam, en terstond werd dan de vlucht
genomen, diep in de bosschen ten Oosten, of verder langs het strand
het Zuiden in.

De Portugeezen werden dit gewaar, en ze begrepen zeer goed, dat aan
een najagen in de bosschen of langs het strand niet te denken viel, en
daarom besloten ze, heel wat verder het Zuiden in te zeilen, en dan op
eene plaats te landen, waar de vluchtelingen nog niet konden zijn, en
de bewoners derhalve niet gewaarschuwd waren voor het dreigende
gevaar.

De slavenjachten waren derhalve de eenige oorzaak, dat Prins Hendrik,
die in 1460 stierf, het nog beleven mocht, dat niet alleen Kaap Verd
werd omgezeild, want dit geschiedde in 1445, of dat men de rivieren de
Senegal en de Gambia ontdekte, want dit had plaats in 1445 en 1446,
maar dat men ook de kusten van Guinea bereikte, waar men peper en goud
vond.

Het voorname doel, dat de Grootmeester gemeend had te bereiken, van om
Afrika heen een' zeeweg naar de Indiën te vinden, was hem dus slechts
tendeele gelukt. Men was op weg om hem te vinden, doch nog een half
menschenleven zou moeten verloopen eer men Afrika's zuidelijkste punt
bereikte.

Eer we verder gaan, moet ik evenwel nog eene daad van onzen
ondernemenden Prins mededeelen, omdat ze eene zeer wijde strekking
had.

Zoodra hij begreep, dat Afrika grooter was dan men vermoedde, vormde
hij het voornemen om de grenzen van het betrekkelijk kleine Koninkrijk
zijns Vaders uit te breiden. Daarom vroeg hij aan den Paus eene
oorkonde, waarin deze verklaarde, dat al het land in Afrika, van kaap
Non tot in de Indiën, voor zoo ver het door de Portugeezen ontdekt
werd, tot Portugal behooren zou. Deze oorkonde werd verleend, en was
van zeer veel gewicht, want ook bij andere volken was de lust ontstaan
om op ontdekkings-tochten uit te gaan. Daar men evenwel nu zulk een'
verbazend langen weg moest afleggen, eer men aan eene streek kwam,
waar de Portugeezen nog niet geweest waren, en omdat men, vóór dien
tijd, nergens aan wal mocht komen, om reden de Paus het verboden had,
zoo zett'en ze die gedachten uit het hoofd, en peinsden ze op andere
ontdekkingstochten. Dat men dit vooral deed in Genua, welks handel
door Venetië dreigde ten gronde gericht te worden, is duidelijk, en
niet te stout is het beweren, dat dezelfde Pauselijke oorkonde, die
aan de Portugeezen zoovele voordeelen verschafte, ook eene voorname
oorzaak is geweest van de ontdekking van Amerika. Vandaar dus dat ik
zoo even de daad van Prins Hendrik van zulk eene wijde strekking
noemde.

Toen de man, die de ziel van alle ondernemingen geweest was, in zijn
zeeslot Agres, den laatsten adem uitgeblazen had, scheen ook de
Portugeesche ondernemingsgeest met hem gestorven te zijn. Gelukkig was
die geest slechts schijndood. De voormalige tegenstanders van den
Prins wisten echter te bewerken, dat Koning Alfonsus V, die van 1438
tot 1481 over Portugal regeerde, zich om dien schijndooden geest niet
veel bekommerde. Wel draagt hij in de geschiedenis den bijnaam van »de
Afrikaan«, doch dit is alleen daaraan toe te schrijven, dat onder
zijne regeering zulk een groot deel van Afrika ontdekt werd, waaraan
hij, ronduit gezegd, part noch deel had. Hijzelf deed niets anders,
dan in het noorden van Afrika oorlog voeren tegen de Saracenen. Ook
met Spanje lag hij telkens overhoop, en hij liet zich zelfs tot Koning
van Kastilië en Leon uitroepen. Van deze eigenmachtige verheffing
beleefde hij evenwel niet veel vreugde, want in 1476 werd hij bij Toro
geslagen, en na nog een vrij avontuurlijk leven geleid te hebben,
stierf hij in 1481. Deze oorlog in Spanje heeft meer met de
ontdekkings-tochten te maken dan men misschien wel denkt. De Edelen en
Ridders wilden veel liever roem behalen te land dan ter zee. Een
_paard_ was een' Ridder en Edelman waard, maar een _schip_ niet. Een
schip was voor een' matroos, voor een' koopman, en niet voor een'
Edelman. De Edelen verachtten de zee, en dit belette Portugal reeds
vroeger te worden, wat het later gedurende eenigen tijd werd: het
brandpunt van den Europeeschen handel.

Toch had onder Koning Alfonsus' regeering een zeer merkwaardig feit
plaats. De schijndoode geest was, zonder dat de Koning het wist,
ontwaakt, en vervolgde Prins Hendriks werk door de ontdekkingen langs
de Afrikaansche kust voort te zetten. In 1471 passeerde een
Portugeesch schip de Linie, en eenige graden ten Zuiden ervan ging men
aan wal.

Dit was eene gebeurtenis van buitengewone beteekenis, wat ieder
duidelijk zijn zal, als hij zich herinnert, wat we op de 42ste
bladzijde zeiden omtrent die onoverkomelijke grens tusschen het
Noordelijke en Zuidelijke halfrond van de Aarde.

Men had die hitte-lijn nu niet alleen bereikt, men had haar zelfs
overschreden.

Waar was nu het land waar alles verschroeid en verbrand was? Waar was
de verdampte zee? Had men ergens door eene pekelmassa, als door eene
zoutwoestijn, moeten varen? Was niet het land schoon en heerlijk als
een Paradijs? Was niet de zee, even als overal, vloeibaar?

Wat zouden nu de ongeluks-kraaiers, die zóóveel verschrikkelijks van
die grens tusschen Noord en Zuid hadden verteld, zeggen? Wat zouden ze
anders doen dan zwijgen of ruiterlijk bekennen, dat ze gedwaald
hadden?

Waarlijk, het overschrijden der Linie was een buitengewoon feit, en
met verbazing hoorde men, bij den terugkeer der schepelingen, in
Portugal het verslag van hun' merkwaardigen tocht aan. Er was dus
uitgemaakt dat het Noordelijke en Zuidelijke deel der aarde met
elkander volkomen één waren, en het is geen wonder, dat nu opeens
iedereen al zijne gedachten op dat onbekende Zuiden richtte. Zelfs de
Edelen en Ridders moesten er aan denken, maar evenmin als vroeger
wilden ze nu het oorlogspaard verwisselen met het schip; ze wilden het
zwaard niet prijsgeven voor het roer. Alle pogingen wendden zij aan,
om den Koning te bewegen, geen gehoor te geven aan dien drang naar
ontdekkingen. Zij bereikten hun doel, zeer tegen den zin van Prins
Johan, die zijn' Vader eens opvolgen zou, doch die nu nog machteloos
was.

Toen echter Koning Alfonsus overleden, en zijn zoon Johan II Koning
was, besloot deze het grootsche werk van Prins Hendrik voort te
zetten, doch wilde hij dat goed doen, dan moest er eerst een zeer
gewichtig werk verricht worden.

Ten Zuiden van de Linie toch waren andere sterrenbeelden zichtbaar
geworden, dan die, welke men ten Noorden ervan kende, en daar de
sterrenbeelden, met het kompas, zooals men dat toen had, de gidsen van
den zeeman op den Oceaan moesten zijn, zoo diende men in de eerste
plaats eene nieuwe sterrenkaart te maken.

Nu wilde het geval, dat zich in 1480 te Lissabon een zekere Duitscher
bevond. Hij heette Bohemus Behaim of, zooals anderen hem noemen,
Martinus Behaim. Hij was, zooals hij zelf beweerde, van geboorte een
Edelman uit Bohemen, doch had zich in Neurenberg aan den handel
gewijd. Om zich hierin meer te bekwamen, begaf hij zich naar Mechelen,
en legde zich daar vooral op den lakenhandel toe. Hij was evenwel geen
alledaagsch koopman, want in zijne vrije uren oefende hij zich in de
studie van aardrijks-, wis- en sterrenkunde, en weldra ontstond ook
bij hem de begeerte om reizen te gaan doen. Zoo ging hij van Mechelen
naar Antwerpen en van Antwerpen naar Lissabon, waar hij zich
inscheepte naar Afrika's westkust. In 1585 weer in Lissabon
teruggekeerd, sloeg Koning Johan II hem, ter belooning voor zijne
aardrijkskundige verdiensten, tot Ridder, en benoemde hem tot lid
eener Junta of Raad, die door den Koning belast was, met het
vervaardigen van eene nieuwe sterrenkaart.

Inmiddels waren de tochten langs Afrika's westkust voortgezet, en in
1484 had zekere Diago Câno de rivier de Congo ontdekt, en aan den
zuidelijksten mond van dezen machtigen stroom een' steenen grenspaal
opgericht. Die palen moesten geplaatst worden, opdat andere dan
Portugeesche zeevaarders, die hier kwamen, weten zouden tot hoever het
gebied van Portugal zich uitstrekte.

Men bevond dat de bewoners van den Congo geregeerd werden door een'
Koning, die over een machtig en zeer uitgestrekt gebied te bevelen
had. Hiervan wilden de Portugeezen gebruik maken door eenige
handels-verbintenissen met dezen Vorst aan te gaan, wat werkelijk ook
gelukte. Tegelijk hiermede begon men ook het bekeeringswerk, doch dat
maakte minder goede vorderingen, dan men wel gehoopt had.

Toen men eindelijk in Lissabon met de sterrenkaart klaar gekomen was,
besloot de Koning er onverwijld gebruik van te maken. Veel was er
indertijd ook verteld geworden, dat ergens in Afrika, en in de
nabijheid der Roode Zee, te midden van Mohammedanen en Heidenen, een
Christelijk Koninkrijk lag, dat geregeerd werd door een' Koning, die
den naam droeg van »Aartspriester Johannes«, en die een fabelachtig
man was, want sommigen plaatsten zijn Koninkrijk in Azië, te midden
der Tataarsche landen, en bijna ieder hield hem voor den Apostel
Johannes, die nog altijd op aarde leefde.

Later bleek het, dat dit Christelijke rijk er werkelijk was. Het was
het tegenwoordige Abessinië, dat bevolkt was met zoogenaamde Koptische
Christenen, die wel de Christelijke leer beleden, doch zóó vermengd
met allerlei Heidensche en Mohammedaansche begrippen, dat die leer in
de oogen der Europeesche Christenen volstrekt geene genade kon vinden.

Nu was men door de ontdekkingen te weten gekomen, dat Afrika, naarmate
men zuidelijker kwam, in breedte afnam, wat juist tegen het algemeene
gevoelen in was, want ieder, die zich eenigszins met de aardrijkskunde
inliet, geloofde dat Afrika steeds breeder werd. Daar het nu gebleken
was, dat men hierin verkeerd gezien had, zoo vormde Koning Johan II
het plan om Afrika te laten omzeilen. Kon men dat gedaan krijgen, dan
moest men dat Christelijke rijk op Afrika's oostkust opzoeken, en
vervolgens trachten, om, in verbinding met die Christenen, Indië te
bereiken.

Eene kleine vloot werd nu uitgerust, en het bevel hierover ontving een
zeeman, die zich door zijne vroegere reizen reeds een' grooten naam
gemaakt had. Hij heette Bartholomeus Diaz.

In 1486 verliet Diaz met zijne drie schepen, en begeleid door de beste
wenschen en zegenbeden van den Koning, de haven van Lissabon.

Hij had den tijd van afreis evenwel slecht gekozen, want al spoedig
werd hij door stormen overvallen, en was hij genoodzaakt, wilde hij
geen gevaar loopen op de kusten schipbreuk te lijden, de ruime zee te
kiezen.

Was dit zeer tegen den zin der bijgeloovige bemanning, weldra dacht
deze nu bovendien, dat het voor goed met haar gedaan was.

Een storm stak op, een storm, zóó hevig en langdurig, als niemand er
nog een beleefd had. Drie dagen en drie nachten vlogen de logge
vaartuigen, met eene ongekende snelheid, langs den woedenden Oceaan.
Wat al doodsangsten stond men uit! Altijd en altijd maar door joeg men
het Zuiden in. Het verbrande land en de pekelzee begonnen weer in hun
ontsteld brein te spoken, tot een der matrozen tot de ontdekking kwam,
dat het water niet warmer, doch wel koeler werd. Dat stelde wat
gerust, en toen eindelijk de storm ging liggen, en men de aangebrachte
schade zoo goed mogelijk hersteld had, kwam men ook tot nadenken. Wat
moest er nu gedaan worden? Men raadpleegde sterrenkaart en kompas, en
eindelijk werd besloten den steven in oostelijke richting te wenden,
ten einde zoo doende Afrika's westkust te bereiken.

Het was evenwel om moedeloos te worden. Dagen aaneen zeilde men in die
richting voort, doch Afrika's kust, zoo vurig begeerd, doemde niet aan
de kimmen op.

Wat moest men ook niet ver van de heete luchtstreek verwijderd zijn!
Inplaats van last van de warmte te hebben, waren de matrozen soms zoo
verkleumd van koude, dat ze het werk in het scheepswant en op het dek
bijna niet verrichten konden.

Het is moeielijk te bepalen, hoe ver Diaz op dien tocht, waarop hij,
veertien dagen lang, op geene honderden mijlen na wist, waar hij zich
bevond, wel geweest is.

Gedwongen door zijn volk van koers te veranderen, richtte hij nu den
steven noordwaarts, en thans smaakte men na eenige dagen zeilens de
onbeschrijfelijke vreugde van in het gezicht der kust te komen.

Men had Afrika weer teruggevonden.

Op welke breedte?

Wat gaf dat? Afrika was het, en meer behoefde men niet te weten.

Hoe zullen die mannen te moede geweest zijn, toen ze weer den vasten
bodem onder hunne voeten voelden!

Maar,--het land was veranderd, want hier heerschte niet die
ondraaglijke warmte van Guinea en van de Congokust. De plantengroei
was ook een heel andere, en de bewoners, die ze terloops gezien
hadden, doch die met hunne koeien, die ze bij zich hadden, vol vrees
het land in gevlucht waren, neen, dat waren niet de kroesharige Negers
van het warme gedeelte van Afrika.

Al deze gegevens versterkten Diaz in zijn geloof, dat men hier dicht
aan de zuidelijkste punt van Afrika moest zijn, en dat men deze maar
om te zeilen had, om in de Indiën te komen.

Met groote moeite kreeg hij het van zijn volk gedaan om nog wat
zuidelijker te stevenen.

Al dieper en dieper kromp de kust naar het Oosten in. Hij zou er
komen! Hij zou zijn doel bereiken!

Daar ontdekte hij eene buiging naar het Zuiden.

Het was bij eene kaap, en--wat was daar aan de andere zijde?

Maar vreeselijke stormen beroerden ginds de wateren; de matrozen
wilden niet verder. Ze waagden niet andermaal hun leven op dien
woesten Oceaan, om daar te verdrinken of van koude om te komen. Ze
zouden en ze moesten terug.

Diaz was overtuigd, dat hij Afrika's zuidpunt gezien had, en noemde
die kaap »Cabo de todos los Tormiëntos«, dat is »Voorgebergte der
Kwellingen« of »Stormkaap«.

De terugreis werd thans aangenomen, en na eene afwezigheid van zestien
en eene halve maand kwam hij in het Vaderland terug, waar hij den
Koning verslag van zijne gewichtige reis deed.

Koning Johan was verrukt van blijdschap, en vol hoop dat men thans den
zeeweg naar de Indiën om Afrika heen vinden zou, veranderde hij den
naam van »Stormkaap« in dien van »Cabo de Buéna Esperanza« of »Kaap de
Goede Hoop«, en zóó heet Afrika's zuidelijkste punt nóg altijd.

De hoop van den Koning, om, met medewerking van de Christenen uit het
rijk van den »Aarts-priester Johannes«, de Indiën te kunnen bezoeken,
was niet vervuld, en thans besloot hij een' anderen weg in te slaan.
Hij zond twee ondernemende mannen, Covillam en Payva, die beiden met
het Arabisch bekend waren, uit, om over land dat Koninkrijk te
bezoeken. Beiden kwamen te Caïro en scheidden daar van elkander. Payva
had genoeg inlichtingen verkregen om er niet aan te twijfelen, of dat
Christenrijk lag ten Zuiden van Egypte. Hij ging er heen, doch keerde
nimmer weder. Covillam daarentegen scheepte zich naar de Indiën in, en
kwam op die reis niet alleen te Calicoet, maar ook te Goa. Hij keerde
nu naar Caïro terug, en liet vandaar den Portugeeschen Koning bericht
geven van alles, wat hij in de Indiën gezien had. En dat bericht was
zóó gewichtig, dat de Koning besloot om er nu met alle krachten naar
te streven, over zee die rijke gewesten te laten opsporen. Wanneer hem
dát gelukte, dan waren Venetië en Genua ten ondergang gedoemd, en zou
Lissabon hare plaats vervangen! Welk eene schoone toekomst lachte hem
tegen!

De grootste voordeelen van den handel genoten immers de gehate
Mohammedanen, die zich met het goud en zilver der Christenen
verrijkten! Gelukte het hem, den weg over zee naar de Indiën te
vinden, dan verkregen de Portugeezen, dus de Christenen, alle zoo
vurig begeerde Oostersche producten uit de eerste hand. Schatten
zouden dan Portugal, en, ja, ook Europa binnenstroomen. De macht van
het goud zou in handen der Christenen komen, en den val van den Islam
bewerken.

Arme Koning!

Te midden zijner schoone droomen werd hij uit het leven gerukt. En die
droomen waren nog niet eens altijd even schoon geweest, want de angst
van te laat te komen, deed hem er telkens uit wakker schrikken.

De Spanjaarden immers hadden, onder aanvoering van een' Genuees,
zooals men beweerde, de Indiën gevonden op eene westelijke vaart?

Koning Johan twijfelde eraan.

Had men de rijke Indiën wel gevonden? En zoo ja, wie kon zeggen hoe
oneindig groot dat rijk was, en of het voordeel niet aan de zijde der
Portugeezen zijn zou, wanneer ze de Indiën bereikten door het Oosten
in te slaan.

Het was een tijd van spanning, zooals men er op het Pyreneesche
schiereiland nog nimmer een beleefd had.

Te midden van die spanning, die worsteling liever, legde Johan II voor
goed het hoofd neder, en werd opgevolgd door den verlichten en
geleerden Dom Emanuel, die in de geschiedenis den bijnaam draagt van
»de Groote«, of ook wel »de Gelukkige«.

Na de regeering van het land verbeterd te hebben, was thans zijn
eerste werk om het plan van zijn' wakkeren en ondernemenden voorganger
uit te voeren.

Vier schepen werden uitgerust, en het bevel ervan droeg hij op aan
Admiraal Vasco de Gama. Een der Onderbevelhebbers was de welbekende
Bartholomeus Diaz.

Gelukkiger keuze had Koning Emanuel wel niet kunnen doen, want meer
nog dan Diaz, was Gama van een doorzettend en onbevreesd karakter,
terwijl hij ook, als zeeman, zeer veel ondervinding opgedaan had.

Hij zeilde den achtsten Juli 1497 uit, doch ook deze tijd had beter
kunnen zijn, evenals die van Diaz, want kort na het vertrek hadden de
schepen, die met honderdzestig koppen bemand, en zeer goed bewapend
waren, met tegenwind te kampen, ja, het duurde niet lang, of ook zij
werden door stormen aangegrepen, en buitengewoon ver uit den koers
geslagen. Hij kwam zelfs zóó ver het Westen in, dat enkele
geschiedschrijvers niet alleen melden, dat hij Brazilië ontdekte, maar
dat hij het zelfs op de gebruikelijke wijze voor zijn' Koning in bezit
nam.

[Illustratie: VASCO DE GAMA. (Geb. omstr. 1469, overl. 1524.)]

Na een' moeielijken tocht vol gevaren, die het volk alweer bewogen om
oproerig te worden, kwamen de schepen eindelijk aan Kaap de Goede Hoop
aan, en--den twintigsten November 1497 had men Afrika omgezeild, en
kon men den koers noordelijk richten.

Merkwaardig was deze reis in alle opzichten, want welk eene verbazende
uitgestrektheid lands bracht men nu niet aan de kroon van Portugal!
Wat maakte men niet al kennis met voortbrengselen van allerlei aard,
voortbrengselen, die uitmuntten door hunne hooge waarde, en
voortbrengselen, die zich vooral kenmerkten door de buitengewone
voordeeligheid in de dagelijksche samenleving.

Merkwaardig was deze reis vooral, omdat men thans de Indiën bereiken
zou langs een' heel anderen weg dan de Spanjaarden. En door schepen,
die Portugal reeds aan de kusten der Roode Zee had laten uitrusten,
was men verzekerd geworden, dat de rijke Indiën dáár lagen, waarheen
men den koers richtte. Die wetenschap gaf zelfs den morrenden matroos
moed, en den twintigsten Mei 1498 liet de moedige en volhardende
Admiraal het anker vallen voor de groote en rijke handelsstad Calicoet
in Voor-Indië.

Gaarne zouden wij deze reis zoo uitvoerig beschreven hebben, als zij
het verdient, maar wij moeten naar Europa terug om te vernemen, wat
daar is voorgevallen met de Spanjaarden, die reeds zes jaren vroeger,
zooals zij meenden, de Indiën gevonden hadden.

[Illustratie: CHRISTOPHORUS COLUMBUS. (Geb. te Genua? 1446?-Overl. te
Valladolid 1506.)]



DE ONTDEKKING VAN AMERIKA.



HOOFDSTUK V.

DE DAGERAAD DER NIEUWE GESCHIEDENIS.


In het vorige hoofdstuk spraken we met een paar woorden van zekeren
Martinus Behaim, die te Lissabon vertoefde, en daar door den Koning,
om zijne vele verdiensten tot Ridder geslagen werd, terwijl hij tevens
zitting kreeg in de Junta, die eene nieuwe sterrenkaart ontwerpen zou.

Met opzet verzuimden we te melden met wien de Koning onzen Behaim daar
in kennis bracht, daar we den naam van één' man nog niet wilden
noemen, omdat de noodzakelijkheid zou medegebracht hebben dan ook een
en ander van hem te zeggen. Nu we echter gereed staan om van dezen man
zeer veel mede te deelen, kunnen we zeggen wie er door den Koning aan
Behaim voorgesteld werd.

Die man was Christophorus Columbus.

Er zijn zoo enkele personen in de geschiedenis, van wien bijna ieder
mensch wat gehoord heeft, en al brengen grondige nasporingen en
nauwgezet onderzoek ook al aan het licht, dat men den bewusten persoon
te veel verheerlijkt heeft, en dat hij veel minder deed dan men
geleerd had, toch wischt al het water van de zee zijne daden niet uit,
welke van hem in het boek der geschiedenis staan aangeteekend, en
geene reuzenmacht is instaat den invloed te keeren, door hem op de
geheele wereldgeschiedenis uitgeoefend.

Zulk een man was Christophorus Columbus, de ontdekker van Amerika, of,
zooals we uit de reizen der Noormannen gelezen hebben, de
weder-ontdekker van dat werelddeel.

Het zal iedereen wel eens opgevallen zijn, dat men van de jeugd van de
meeste beroemde mannen zoo weinig zekers weet mede te deelen. Dit is
echter zeer natuurlijk. Van Vorstenkinderen weten we vooraf, dat ze,
als volwassenen, reeds door geboorte zoowel als door afkomst, zich
boven alle andere menschen zullen verheffen, al maken zij zich ook
niet door hunne daden beroemd. Heel anders is dat met een kind, wiens
Ouders tot de gewone burgers of volksklasse behooren. Dat kind leeft
geheel met andere kinderen mede, en niemand denkt er aan om
aanteekeningen van zijne jeugd te maken, ten einde later in de
gelegenheid te zijn, om eene volledige levensbeschrijving te kunnen
geven.

Een kind zulk eene opleiding geven, dat het een beroemd man _moet_
worden, is ten eenenmale onmogelijk, want het karakter en de aanleg
van het kind, benevens de omstandigheden waaronder het opgroeit,
hebben een' beslissenden invloed. Geene duizend Professoren waren
instaat, Piet Hein er toe te brengen, dat hij de Spaansche Zilvervloot
nam, dat De Ruyter den Vierdaagschen Zeeslag won, dat Rembrandt zijne
»Anatomische les« wist te scheppen, dat Cromwell een' Koning op het
schavot kon brengen, dat Washington de machtigste Republiek der Nieuwe
Geschiedenis grondvestte, en dat Napoleon zich eene Keizerskroon op
het hoofd drukte.

Nu is het met Columbus op dezelfde wijze gegaan, als met al de
beroemde mannen hier zoo even genoemd. Van de kinderjaren weten we van
hem zelfs nog minder, want nog altijd zoekt men naar het jaar en de
plaats zijner geboorte.

Als geboortejaren van Columbus worden vermeld 1435, 1436, 1446, 1447
en 1456. De meeste schrijvers van onzen tijd houden het er voor, dat
hij omstreeks 1446 geboren werd. Als zijne geboorteplaats noemt men
meestal Genua, doch zonder hieromtrent eenige zekerheid te kunnen
bijbrengen. De beroemde Engelsche geschiedschrijver William Robertson
zegt eenvoudig, dat hij »een onderdaan uit het Gemeenebest Genua« was.
Anderen zoeken zijne geboorteplaats op Corsica. De Spanjaarden, die
hem haatten, gaven hem den scheldnaam van »Liguriër«, en daar Genua in
de landstreek ligt, die oudtijds Liguria heette, zou men lichtelijk er
toe kunnen overgaan, te gelooven, dat de Spanjaarden hem althans voor
iemand hielden, die in Genua geboren was. Maar die scheldnaam is ook
al geen bewijs, want het eiland Corsica, dat door de Genueezen
veroverd werd, schijnt ten tijde der Romeinen, en ook nog later, door
Liguriërs bewoond geweest te zijn.--Robertson echter, die geene
plaats, maar alleen een land noemt, houdt zich stellig het dichtst bij
de waarheid, want dat schijnt dan toch onomstootelijk waar te zijn,
dat de beroemde man in het gebied van Genua geboren werd. Hij was dus
een Genuees, en heeft bovendien in de stad Genua gewoond.

Zijne Ouders?

Robertson deelt mede, dat hij afstamde van een' aanzienlijk geslacht,
dat tot armoede vervallen was.

Washington Irving zegt, dat Fernando, een zoon van Columbus, schreef:
»Het zou naar mijne meening voor mij niet zoo vereerend zijn, wanneer
mijne Voorouders tot een adellijk geslacht behoorden, dan dat ik de
zoon van zulk een' Vader ben.«

Irving zelf beweert: »Columbus' Vader was een wolkammer, die geruimen
tijd in de stad Genua heeft gewoond.«

Columbus zelf heeft echter gezegd, zoo lees ik bij een Duitsch
schrijver van onzen tijd: »Men mag mij eene afkomst geven, welke men
wil. David was eenmaal schaapherder, en ik ben een dienaar van
denzelfden God, die hem tot den troon verhief. Of mijn stamboom
adellijk of niet adellijk is, daarop komt het al heel weinig aan.
Genoeg, mijn bloedverwant of Stamvader Columbus stamde met mij van de
oudste familiën der aarde af, en zonder mij te bedenken, durf ik mijn'
stamboom bij Adam beginnen.«

Winkler Prins zegt in zijne Encyclopædie, dat hij een bloedverwant van
Admiraal Domenico Columbus was, doch als we lezen, dat een kleinzoon
van Admiraal Piet Hein aan den Amsterdamschen Magistraat zich bekend
maakte, als een »spellebaas«, die om een plaatsje voor zijne tent
vroeg, dan zegt de bloedverwantschap van Admiraal Columbus al heel
weinig. Admiraal de Ruyter, die als Hertog stierf, kan wel neven gehad
hebben, die in lompen door 's heeren straten gingen.

Maar wat doet die afkomst er ook toe? Als een bierdragers-jongen een'
Vierdaagschen Zeeslag kon winnen, dan kon ook een wolkammers-zoon wel
een werelddeel ontdekken.

»Gij zijt van geene edele afkomst,« duwde een trotsch en zeer voornaam
Athener den wijsgeer Socrates toe.

»Daarom verdien ik ook meer eer,« antwoordde Socrates »omdat mijn
adeldom bij mijzelven begint.«

Ook Columbus had zulk een fier, maar hooghartig antwoord kunnen geven.

Maar zijn naam? Hoe heette hij toch?

Als Italiaan heette hij Colombo; de Spanjaarden zett'en zijn' naam in
hunne taal over, en noemden hem Colon; waar men zijn' familie-naam in
de Latijnsche taal gebruikt, heet hij Columbus, en wanneer hij een
Nederlander van geboorte was, zou zijn familie-naam »Duif« zijn.

Ook zijn voornaam wordt verschillend geschreven. Wij, Nederlanders,
zouden hem alweer »Stoffel« noemen, wat eene verkorting is van
Christoffel. De Latijnsche naam _Columbus_ eischt Christophorus, en de
Spaansche naam _Colon_ eischt Christoval. De naam beteekent
»Christusdrager«, en zie, dat wenschte de man werkelijk te zijn. Hij
wilde niets liever dan als een wereldlijk Missionaris overal het
Evangelie verkondigen.

Hoe eenvoudig en arm zijn Vader ook ware, toch gaf deze Christophorus
eene zeer goede opvoeding, ja, we zouden haast geneigd zijn te zeggen:
hij gaf hem eene opvoeding boven zijn' stand.

Al heel vroeg toonde de knaap, dat de zee en verre landen hem meer
aantrokken dan de eenvoudige wolkammerij des Vaders, en daarom liet
deze den jongen onderwijs geven in de Latijnsche taal, en in de wis-,
aardrijks-, sterren- en teekenkunst. In het schrijven maakte hij zulke
verrassende vorderingen, zegt Las Casas, Bisschop van Chiapas in
Mejico, wiens Vader een reisgezel van Columbus was, dat hij, als hij
niet op eene andere wijze door de wereld gekomen was, hiermede zijn
brood had kunnen verdienen. Zelfs zou hij, volgens denzelfden
schrijver, ook instaat geweest zijn om met schilderen, of het geven
van onderricht in het rekenen en teekenen zich in het dagelijksch
onderhoud te kunnen voorzien. In hoever dit waarheid is, durf ik niet
verzekeren. Misschien, dat dankbaarheid hier wel wat overdreef, want
Columbus was oorzaak geweest, dat Las Casas te Salamanca kon
studeeren.

Behalve onzen Christophorus had Vader Columbus nog twee zoons,
Bartholomeus en Giacomo, welke laatste door de Spanjaarden in hunne
taal Diego genoemd wordt. Ter eere van onzen Christophorus mag het
gezegd worden, dat hij later voor die twee broeders uitnemend zorgde.
Ook had hij eene zuster, doch hiervan lezen we niets anders, dan dat
ze gehuwd was met een eenvoudig burger, die Giacomo Varello heette.

Dat Christophorus, of, zooals ik hem voortaan liever noem, Columbus,
op jeugdigen leeftijd zooveel lust toonde te hebben voor de
aardrijkskunde en alle aanverwante vakken, kan niemand bevreemden. De
aardrijkskunde was toen de wetenschap bij uitnemendheid, en in alle
plaatsen, die zeehandel dreven, en vooral in de kloosters, stond ze
zóó hoog aangeschreven, dat vele kloosterlingen van dat vak hunne
lievelings-studie maakten. Menig beroemd aardrijkskundige was van
beroep wat anders, en vooral onder de Artsen telde men vele
beoefenaars van deze wetenschap.

Zoo heel laag stond die wetenschap ook niet meer. Wel bewaarde men
eene groote globe, die Behaim te Neurenberg gemaakt had, als een
wonderstuk van vernuft, en bevatte ze menige dwaasheid, maar Arabische
geleerden, te Sennaar vergaderd, verstonden reeds de kunst om een'
lengtegraad te meten, en op de uitgestrekte vlakten van Mesopotamië
berekenden zij den omtrek der aarde. Neemt men hierbij in aanmerking,
dat de handelssteden, aan de Middellandsche Zee en in Spanje en
Portugal, begrepen, dat haar eigenbelang medebracht om andere
handelswegen te zoeken, dan zal ieder het natuurlijk vinden, dat
Columbus zoo vroeg mogelijk trachtte, zich in de aardrijkskunde te
bekwamen, en het geluk diende hem, dat hij een' bloedverwant had, die
Admiraal was.

Op zijn veertiende jaar ging hij naar zee, en als hij tot dien tijd
school gegaan heeft, dan kan hij, want zijn hoofd was buitengewoon
helder, als een wel ontwikkeld jongeling aanboord gekomen zijn. Al
dadelijk dient echter gezegd, dat zijn eerste Kapitein niet zijn
bloedverwant was.

Zijne eerste tochten deed hij in de Middellandsche Zee, doch weldra
maakte hij grootere reizen, en niet alleen naar Engeland, misschien
ook Antwerpen, maar zelfs naar IJsland, dat toen Thule genoemd werd.

Hoe lang hij daar in het hooge Noorden bleef, is niet bekend, doch de
IJslanders van dien tijd waren zeer beschaafde menschen, en stellig
zal Columbus daar wel wat vernomen hebben van het fabelachtige
»Wijnland«, dat hunne Voorvaderen eenmaal bezocht hadden, doch dat
daar nu ver in het Zuiden geheel vergeten lag. Van IJsland werd de
reis zelfs nog noordelijker voortgezet, zoodat hij eenige graden over
den Noordpool-cirkel kwam. Handelsbelangen kunnen hem daar niet heen
gevoerd hebben, zoodat we aannemen mogen, dat deze Noordpool-tocht
alleen in het belang der wetenschap, en een gevolg van de Pauselijke
bul aan Portugal was.

Van die groote reis teruggekeerd, trad hij in dienst van zijn'
bloedverwant, den Admiraal Columbus, die evenwel alweer niet veel
verder kwam dan de Middellandsche Zee, om de Genueesche koopvaarders
tegen de Venetianen en de Noordafrikaansche of Barbarijsche zeeroovers
te beschermen.

Eens echter bevond hij zich met de vloot in de Spaansche Zee, in de
nabijheid van de Portugeesche kust. Daar raakte men met eenige
Venetiaansche schepen, die uit Nederland kwamen, slaags. Columbus
gedroeg zich dapper, doch zijn schip werd in brand geschoten, en om
zijn leven te redden, sprong hij in zee. Met behulp van een
losgeslagen roer wist hij de Portugeesche kust te bereiken, en nu hij
daar eenmaal was, besloot hij naar Lissabon te gaan, waar hij zeker
was, landgenooten te vinden, want door het verloopen van den
Genueeschen handel, zochten velen elders hun geluk. Hij bleef daar
geruimen tijd, en geraakte in kennis met eene schoone, Felipa Monnis
de Palestrello. Haar Vader was een Italiaansch Edelman, die zich te
Lissabon gevestigd had. Dat Donna Felipa, niettegenstaande zij eene
adellijke Jonkvrouw was, zich zóó tot den Genueeschen zwerver
aangetrokken gevoelde, dat zij met hem in het huwelijk trad, is wel
verklaarbaar. »Columbus,« zoo zegt Las Casas alweer, »was een lang en
kloek gebouwd man, met eene edele en waardige houding. Zijn langwerpig
rond gelaat was niet bol, maar eer mager; het had eene heldere kleur,
en tusschen de lichtblauwe oogen, die van fierheid glinsterden, had
hij een' schoonen arendsneus. Wat hem vooral van zijne landgenooten
onderscheidde, was, dat hij blond hoofdhaar had, dat in rijke lokken
zijn sprekend gelaat omlijstte.« Als eene groote bijzonderheid merkt
dezelfde schrijver aan, dat »de zorgen des levens en eene gestadige
studie hem op zijn dertigste jaar reeds geheel grijs deden zijn.«
Indien dit waar is, dan zullen de zorgen des levens hiervan wel niet
de oorzaak geweest zijn, want tot op den dag van zijn huwelijk kon hij
waarlijk niet klagen, dat zijn leven zoo stormachtig en onrustig was.
Alleen de gedwongen zeereis op een drijvend scheepsroer, was het
ergste, wat hem wedervaren was, doch dit was voor een goed zeeman toch
geene reden, om het zich zóó aan te trekken, dat hij wit werd als eene
duif. Eer is het te denken, dat èn zijn naam »Duif«, èn zijn blond
haar, door de zuidelijke zwartharigen met elkander in verband gebracht
zijn, en dat de »blonde Columbus«, heel dichterlijk, »wit als eene
blanke duif« zal genoemd zijn.

Na het overlijden van zijn' Schoonvader kwam Columbus in het bezit van
eene plantage op het eiland Porto-Santo. Hij vestigde er zich
metterwoon, en het scheen dus, dat hij als een eerzaam planter zijn
leven zou eindigen, zonder dat hij nog nieuwe zeereizen gedaan had.
Dit scheen echter maar zoo, want het verbouwen van suikerriet en
wijnstokken, in eene aangename luchtstreek, op een vruchtbaar eiland,
mocht anderen aantrekken en behagen, Columbus was er de man niet voor,
om in zulke landelijke bezigheden zijn genoegen te vinden.

Dikwijls liep hij langs de kust van zijn betrekkelijk klein eiland, en
meestal vergenoegde hij zich niet uitsluitend met het gezicht op het
heerlijke Madeira, dat hij heel in de verte, als eene nevelstreep, kon
zien liggen. Hij woonde hier aan het uiterste einde der wereld, zeide
men. En daar ginder in het verre Westen, achter de plaats waar de zon
onderging, was het land of de zee der eeuwige duisternis. Ja, dat had
men hem ook geleerd, maar, was het wel zoo? Zag men, als men in de
Middellandsche Zee was, ook niet de zon ondergaan in de golven van
dezelfde zee? En wanneer men op eene groote vlakte stond, zag men dan
de zon ook niet ondergaan op dezelfde vlakte? En lag er achter de
avondplek der Middellandsche Zee, of achter de avondplek van de
vlakte, niet nog menige streek waar het toch niet duister was, en waar
men morgen en avond had, evenals te Genua, te Alexandrië, te Lissabon,
en hier op het afgelegen Porto-Santo? Bevond de mensch zich niet
altijd in het middelpunt van een' cirkel, en was de afstand van de
plaats waar hij zich bevond tot de morgenplek, niet even groot, als
die tot de avondplek? Was er niet iets, iets, nu ja, iets dat men
gezichts-einder noemt? En--de aarde was rond. Velen, en daaronder
groote geleerden, noemden dien ronden vorm der aarde eene hersenschim,
maar Thales van Milete had twintig eeuwen geleden toch al geleerd, dat
de aarde rond was, en de beroemde Florentijner Arts, Paolo Toscanelli,
had immers duidelijk bewezen, dat Behaims globe wel niet goed
geteekend was, maar dat er aan den vorm, dien hij aan de aarde gaf,
niets ontbrak! Had niet diezelfde Toscanelli verklaard, dat het vaste
land der aarde veel breeder was dan de zee, die ten Westen van Europa
en Afrika lag, en het vasteland doorsneed? Was dat zoo, wat zochten de
Portugeezen dan een' langen zeeweg naar de Indiën om Afrika's zuidpunt
heen? Die weg moest toch veel langer zijn, dan die door het Westen? En
áls de aarde rond was, en hij _was_ overtuigd, dát ze het was, welnu,
dan _moest_ men óók in de Indiën komen, als men steeds westelijk voer.
Dat kon niet anders.

Maar, had die Toscanelli wel gelijk? Was langs de zee de afstand
tusschen Europa en Afrika aan de eene, en Azië, met het reusachtig
groote rijk Kataï, benevens Zipangu, aan den anderen kant, wel zoo
gering? Was die weg niet veel langer?

Zoo dacht en peinsde de planter Columbus, als hij van zijn eiland af,
in westelijke richting zijne blikken langs den uitgestrekten Oceaan
liet gaan.

Een schipper, die wat ver het westen ingezeild was, zoo vertelde men,
had, midden in zee, een kunstig besneden stuk hout opgevischt. Vanwaar
was dat gekomen, en waar woonde de man, die dit hout bewerkt had?

Op Madeira's en Porto-Santo's westkust, had men menigmaal ongemeen
zwaar riet zien aandrijven. Vanwaar kwam dat?

Een ander had hem verteld, dat er zelfs wel eens heele boomen
aandreven. Dit verbaasde Columbus niet, want op Thule en in de
Noordelijke IJszee had hij zoo menigmaal drijfhout gezien. De
stroomingen der zee, ook dat had hij ondervonden, liepen niet steeds
in dezelfde richting, zoodat een stuk hout, een boom of een riet, al
eene heel vreemde reis langs het water konden gedaan hebben, eer ze
hier op de kusten aanspoelden.

Daar kwam zijn Zwager Dom Pedro Correa, die ook op Porto-Santo woonde,
hem een besneden stuk hout brengen, hetwelk hij op de westkust van het
eiland gevonden had.

Het was merkwaardig, dat toch alles op die westkust aankwam,--zeer
merkwaardig. En dat hij hier te doen had met het werk van eene
geoefende hand, dat bewezen de kunstige figuren en lijnen. Dat moest
het werk zijn van een bewoner van Kataï of van de Indiën. Hij had
immers de reisbeschrijvingen van Marco Polo niet gelezen, maar
verslonden, en wist dus op welk een' hoogen trap van beschaving die
volken stonden!

Een nieuw gerucht kwam onzen peinzenden planter ter oore. Er waren op
de westkust van Madeira twee menschenlijken aangespoeld.

Matrozen van een Europeesch vaartuig waren het niet, en evenmin waren
het negers van Afrika's westkust. Geel als de Tataren of Mongolen
waren ze ook niet, en evenmin blauwachtig als de Indiërs. Ze hadden
lange, sluike, zwarte haren, en hun gelaat en hunne huid waren
roodachtig of koperkleurig geverfd.

Alweer en alweer maar die westkust, en nu geen stuk gesneden hout,
geen boomstam, geen riet, neen, menschenlijken, en dan nog wel lijken
met vreemdgeverfde huid en vreemde hoofdharen!

Wat moest hij ervan denken?

Zou dan soms het verhaal van dien Plato niet maar zoo eene phantasie
van den dichter geweest zijn? Vertelde hij niet van een eiland
»Atlantis«, grooter dan Azië en Afrika samen? De goden hadden dat
eiland verdelgd, luidde het verhaal, maar hier en daar waren er toch
nog eilandjes overgebleven.

Was dan Plato's verhaal wel enkel verdichting, en waren die lijken
niet afkomstig van afstammelingen van de bewoners van dat eiland
»Atlantis«? En was dit eiland »Atlantis« wellicht niet hetzelfde, als
het groote »Goudland«, waarvan Marco Polo vertelde, dat het ten Oosten
van Kataï lag, en Zipangu heette?

Al deze vragen bestormden den planter van Porto-Santo, en ze lieten
hem nimmer met rust. Ze vervolgden hem overal, des daags bij het werk,
des nachts in den droom.

Ten slotte kwam hij er toe, om op al die vragen slechts één antwoord
te geven, een antwoord vol overtuiging: »Daar in het Westen liggen de
Indiën, en ze liggen dichter bij dan men vermoedt.«

Hij kon niet langer het kalme en eentonige plantersleven op zijn
afgelegen eiland blijven leiden. Hij moest, of hij wilde of niet, dien
westelijken tocht naar de Indiën gaan maken.

Maar hoe? Aan zulk eene onderneming waren verbazend groote kosten
verbonden, en hijzelf had slechts over zeer beperkte middelen te
beschikken. Het was ook geene onderneming voor één' man, maar voor een
volk.

Hij dacht aan zijn geliefd Genua, hoe machtig het eens was, en hoe
vervallen nu. Maar rijkdommen waren er toch nog te vinden, en hoe zou
hij zich verheugen, als hij dat geliefde Genua weer eens tot vroegeren
luister brengen kon! Vroegeren luister? Dwaasheid! Als hij den
Genueezen den westelijken weg naar de Indiën wees, en men kreeg dan
van den Paus dezelfde voorrechten voor het Westen, die Prins Hendrik
voor Portugal in Afrika voor het Oosten verkregen had, dan zou Genua's
voormalige grootheid niet in de schaduw kunnen staan van de grootheid,
die haar binnen luttelen tijd wachtte.

Bezield met dit heerlijke denkbeeld verliet Columbus zijne plantage en
zijn eiland, en begaf zich naar Genua, waar bijna niemand den zwerver
meer kende. Hij zocht de rijkste kooplieden op, doch dezen waagden het
niet, om aan een plan, dat in de lucht hing, als het dichterlijkste
luchtkasteel, zooveel geld te besteden. De Regeering van Genua had er
nog minder ooren naar. Men mocht immers het Gemeenebest, dat toch al
zoo verarmd was, geene grootere lasten opleggen, om een' avonturier in
de gelegenheid te stellen, eene hersenschim na te jagen?

Helaas, de achteruitgang van den handel had Genua's oude veerkracht
verlamd, haar' ondernemingsgeest gedood. Columbus bleef aan
doovemans-deuren kloppen; niemand deed hem open.

Columbus was vervuld van bitterheid, en wij, die nu leven, en weten
welk een prachtig werelddeel Amerika is, wij lachen misschien om de
domheid der Genueezen, en van allen, die later geene ooren hadden voor
Columbus' voorstel. Toch, ik mag het niet verzwijgen, verraadt ons
lachen juist _onze_ domheid, en de ontdekking van Amerika is een
bewijs, dat Columbus' tegenstanders groot gelijk hadden, met hem op
wetenschappelijke gronden te bewijzen, dat hij niets anders dan eene
hersenschim najoeg. Columbus moge een oogenblik gedacht hebben aan een
eiland »Atlantis«,--aan een eiland, dat grooter was dan Azië en Afrika
samen, geloofde hij niet; hij bracht Plato's eiland slechts in verband
met de Indiën, Kataï en Zipangu, en zijne grootste fout was wel deze,
dat hij aan den Oceaan, die de Indiën van Europa scheidde, slechts
honderdtwintig graden breedte gaf. De geleerden, die Columbus'
tegenstanders waren, geloofden niet aan die geringe breedte, en ze
beweerden, dat Toscanelli in zijne voorstellingen volkomen onwaar was,
en dat die afstand veel, zeer veel grooter was.

En hadden ze ongelijk?

Wanneer we de globe voor ons nemen, dan zien wij, dat de afstand
tusschen het vasteland van Europa en dat van Azië nog meer dan
tweehonderdvijfentwintig graden is. De tegenstanders hadden derhalve
gelijk.

Ik geef terstond toe, dat de tegenstrevende geleerden dit ook niet zoo
precies wisten, maar Columbus vergiste zich, door Toscanelli's
uitspraken, deerlijk, zoodat de partijen volkomen gelijk stonden, en
Columbus het niet beter wist dan zijne tegenstanders. Had Columbus
Amerika niet ontdekt, ware dat werelddeel er niet geweest, hij en de
zijnen zouden op hunne westelijke vaart ongetwijfeld omgekomen zijn,
eer Azië bereikt was.

Columbus' fout is vereeuwigd in den naam van de eilanden van Amerika,
welke »West-Indië« genoemd worden. Zijne fout is ook vereeuwigd in den
naam der oorspronkelijke inwoners van Amerika. Men noemt hen immers,
altijd nog, volgens hem, »Indianen«?

Ik voer dit alles niet aan om Columbus' roem te verkleinen, want hij
_was_ een groot, een ondernemend man, doch men plaatse hem niet op den
top van een »Wijsheids-berg«, en geve aan zijne tegenstanders geene
plaats op den diepen bodem van den »Domheids-afgrond«. Columbus en
zijne tegenstanders zijn daar geheel misplaatst.

Ze staan samen even hoog, doch hij _met_, en de anderen _zonder_
eenige energie.

In Genua geen gehoor vindend, besloot Columbus zich te wenden tot de
Portugeezen. Hij kende den koenen ondernemingsgeest van dat volk, en
hij wist ook, hoe hun Koning, Johan II, geene gelegenheid liet
voorbijgaan om de ontdekkingstochten uit te breiden. Daar zou men zijn
plan niet afwijzen; daar zou men zijne voorstelling geene hersenschim
noemen.

Gewapend met Toscanelli's aanbeveling, begaf hij zich naar het
Portugeesche Hof, en ontmoette waarschijnlijk in die dagen aldaar
Martinus Behaim, den man, die bij den Koning zoo hoog aangeschreven
stond.

Tot zijne verbazing, vond zijn plan bij den Koning niet dien bijval,
welken hij gewacht had.

Het is natuurlijk ook; want al valt het moeielijk te bepalen, in welk
jaar Columbus met zijne plannen in Lissabon kwam, wij weten toch, dat
hij daar Behaim leerde kennen, en dat Koning Johan dezen aanstelde tot
lid van den Raad, die eene nieuwe sterrenkaart ontwerpen moest. De
Portugeezen hadden in Afrika derhalve de Linie al overschreden, en den
Congo zelfs reeds bereikt, zoodat men meende nu goed op weg te zijn,
om langs de ontdekte wateren in de Indiën te komen. De kansen stonden
goed, waarom nu nog nieuwe onkosten te maken voor een ander plan, dat
nog geheel in de lucht hing?

Toch was de Koning verstandig genoeg, om zelf geene beslissing in die
zaak te nemen, hoewel hij door het schrijven van aardrijkskundige en
sterrenkundige werken bewijzen had gegeven, dat het hem aan geene
bekwaamheden ontbrak. Niemand zou hem dan ook van verwaandheid
beschuldigd hebben, zoo hij in deze zaak beslissend opgetreden was.

De Koning gevoelde echter, dat de zaak zeer gewichtig was, en
beschouwde hij den Genuees nu ook al als een soort van dweper, toch
had diezelfde man steun in den beroemden Toscanelli, die, jaren
geleden, aan den geleerden Kanunnik Ferdinand Martinez van Lissabon
zijne zeekaart van den Oceaan tusschen Europa en Azië gezonden had. En
bij deze kaart was een brief, die luidde:

»Aan den Kanunnik Ferdinand Martinez te Lissabon, zendt de
Natuurkundige Paolo Toscanelli zijn' groet.

»Het bericht, dat ik ontving van uw' vertrouwelijken omgang met Zijne
Majesteit den Koning, was mij des te aangenamer, omdat ik u reeds
vroeger gesproken heb over een' korteren weg naar de Specerij-landen,
dan die is, welke langs Guinea leidt. De Koning begeert nu van mij
eene meer overtuigende opheldering, zoodat zelfs de eenvoudigste man
instaat is, ze te begrijpen. Hoewel ik weet, dat men dit door een'
bol, die de aarde voorstelt, duidelijk aantoonen kan, zoo heb ik,
omdat er minder kennis voor noodig en minder moeite aan verbonden is,
besloten, dezen weg door eene kaart duidelijk voor te stellen. Ik zend
daarom aan Zijne Majesteit eene kaart, die ik zelf ontworpen en
geteekend heb. Op die kaart vindt ge nauwkeurig aangegeven al uwe
kusten en eilanden, vanwaar de weg begint, welken men altijd in de
richting naar de avondzijde des hemels volgen moet, benevens de
landen, waar men dan zal aankomen. Verder is er op aangewezen, hoever
men van de Pool en van den Evenaar afwijken moet, terwijl ook in
mijlen de afstanden bepaald zijn om te komen in die landen, welke zulk
een' onuitputtelijken voorraad van edelgesteenten en specerijen
bezitten. Verwonder er u niet over, dat ik die landen »Westelijk
gebied« noem, daar men de »Specerij-landen« altijd beschouwt als
»Oostelijk« gelegen. Ik doe dat uit overtuiging, dat men ook door eene
westelijke vaart vinden zal, wat men voortdurend oostelijk zoekt.
Derhalve beduiden de lijnen, die ik op de kaart rechtuit van het
Oosten naar het Westen teekende, den afstand, terwijl daarentegen de
transversale (overdwarse) lijnen, den afstand van het Zuiden naar het
Noorden aanwijzen. Ik heb op de kaart verscheidene landen geteekend,
waar men, volgens de nauwkeurigste berichten, welke de reizigers ons
verschaft hebben, komen kan, al is het ook, dat men door tegenwind of
andere omstandigheden, in eene geheel andere streek komt, dan die,
welke men zich voorgesteld had. Ik deed het ook, om den inwoners te
toonen, dat de zeevaarders, die langs dezen weg komen, reeds met hun
land bekend waren, eene omstandigheid, welke hun aangenaam zijn moet.
Op die eilanden wonen evenwel geene andere menschen dan kooplieden.
Men verzekert, dat alleen in de haven van Zaïton zulk eene groote
menigte koopvaardijschepen is, dat er meer zijn, dan op al de overige
deelen der wereld te zamen. Men beweert, dat jaarlijks uit de genoemde
haven meer dan honderd schepen vertrekken, welke met peper geladen
zijn, en dan komen er nog die bij, welke andere specerijen vervoeren.
Dat land is dicht bewoond, en bevat zeer vele provinciën, staten en
tallooze steden. Het staat onder het bestuur van een' Vorst, die tot
titel heeft »Groot-Khan«, wat hetzelfde beteekent als: »Koning der
Koningen«. Meestal houdt hij zich op in zijne residentie, die in de
provincie Kataï gelegen is. Zijne Voorvaderen wenschten met de
Christenen in onderling verkeer te komen, en reeds voor tweehonderd
jaar vroegen ze den Paus om geleerden, die hun onderricht in de
Christelijke leer konden geven. Die geleerden ontmoetten evenwel op
hunne reis zooveel moeielijkheden, dat ze terugkeerden. Ook ten tijde
van Paus Eugenius«--(Paus Eugenius IV van 1431 tot 1447)--»kwam een
Afgezant van den Groot-Khan binnen Rome, en bevestigde de
welwillendheid van den Vorst jegens de Christenen. Ikzelf heb met dien
Gezant een langdurig gesprek gevoerd over de uitgebreidheid van de
Koninklijke paleizen, over de ontzaglijk lange en breede stroomen, en
over de menigte steden, die aan hunne oevers liggen. Aan één' stroom
liggen ongeveer tweehonderd steden, en marmeren bruggen, met zuilen
versierd, en van eene verbazende lengte en breedte, verbinden in groot
aantal de oevers met elkander. Dit land is waard, dat het door de
Latijnsche volken opgezocht wordt, en dat niet alleen om de
fabelachtige schatten van goud, zilver en allerlei edelgesteenten, die
daar gevonden worden, niet alleen ook om den onnoemelijken voorraad
van specerijen, maar ook om de vele geleerde mannen, wijsgeeren en
sterrenkundigen, die er wonen, en om te zien, met welk eene wijsheid
dat land geregeerd wordt, en hoe men er oorlog voert.

»Van Lissabon naar het Westen, in eene rechte lijn tot de prachtige en
buitengewoon groote stad Quin-sai, zijn op de kaart zesentwintig
ruimten of afstanden aangebracht, en elke ruimte beslaat
tweehonderdvijftigduizend roeden.--De stad Quin-sai heeft een' omtrek
van honderdduizend roeden en tien bruggen. De naam »Quin-sai« beduidt:
»Stad des Hemels«. Van de menigte der kunstenaars, die men daar vindt,
en van de rijkdommen dier stad wordt zóóveel verhaald, dat het aan het
ongeloofelijke, ja, aan het wonderbare grenst.--Deze afstand bedraagt
ongeveer het derde gedeelte van den heelen omtrek der aarde. De stad
Quin-sai ligt in de provincie Mangi, in de nabijheid van Kataï, in
welk gewest de Groot-Khan zijne residentie heeft. De afstand van het
bekende eiland der oudheid: »Antilia«, naar het beroemde eiland
Zipangu bedraagt tien ruimten. Dat eiland Zipangu is buitengewoon rijk
aan goud, parelen en edelgesteenten, en met zuiver goud zijn de
paleizen en tempels gedekt. Zóó moet men langs onbekende, doch niet
lange wegen de ruimte van den Oceaan doorsnijden.

                                          Florence, 25 Juni 1474.«

De brief is niet in' sierlijken stijl geschreven, en onder het lezen
bemerkt men duidelijk, dat de reisbeschrijving van Marco Polo aan
onzen Florentijner Arts niet onbekend was. Maar niet om die
beschrijving van Quin-sai of Zipangu was het, dat die brief den Koning
van zooveel gewicht scheen. Het was om het kernachtige, maar
veelzeggende slot: »Zóó moet men langs onbekende, doch niet lange
wegen de ruimte van den Oceaan doorsnijden.«

Die uitdrukking: »zóó moet men«, gaf te denken, vooral in 1474, toen
men, voor zoover ik heb kunnen nagaan, nog niet tot den Congo gekomen
was. Jaren lang was die brief met die kaart in het bezit geweest van
den Koning, en als niet Diego Câno doorgedrongen was tot eenige mijlen
bezuiden de Linie, en een' grenssteen geplaatst had aan den
zuidelijken oever van den Congo, wellicht dat hij dan tot andere
gedachten zou gekomen zijn, en Toscanelli's raad opgevolgd had. Maar
toen Columbus in Lissabon kwam, had Diego Câno zijn' grenssteen al
geplaatst, en het was bewezen, dat Afrika naar het Zuiden steeds
smaller werd, zoodat de hoop om Afrika heen te kunnen zeilen, geene
hersenschim meer kon genoemd worden, maar veel kans had, vervuld te
worden.

Begrijpelijk is het derhalve, dat de Portugeesche Koning het voorstel
van Columbus niet met beide handen en terstond aangreep, maar dat hij
het in bedenking nam, en aan het oordeel van een' Raad van geleerden
onderwierp.

Dat Columbus veel van Toscanelli gehoord had, weten wij, doch brief en
kaart waren hem onbekend. Van den brief nam hij een afschrift en de
kaart teekende hij na; het een zoowel als het ander zou hem te pas
kunnen komen. Hier in Portugal echter zou hij er niets mede aanvangen.

De Junta of Raad, aan wien de Koning het voorstel van Columbus ter
beoordeeling voorlegde, had tot zijn' Voorzitter den Biechtvader des
Konings. Hij heette Diego Ortiz, doch naar de plaats in Spanje, waar
hij geboren was, voegde men meestal nog »de Cazadilla« bij zijn' naam.
Hij was bovendien Bisschop van Ceuta, en derhalve een man van invloed,
zoowel aan het Hof, als onder de voornaamste Edelen. Twee andere leden
van dien Junta waren de geschiedschrijvers Rodrigo en Joseph. Na
nauwkeurig en langdurig onderzoek bracht de Junta als zijne meening
uit, dat het voorstel van Columbus niet kon of mocht aangenomen
worden, daar de wetenschap er tegen opkwam. De Voorzitter ging zelfs
nog verder, en wilde, dat de Koning ook de ontdekkingstochten in
Afrika niet voortzette, doch hierop vatte Dom Pedro de Meneses, een
oud vriend van Prins Hendrik, vuur, en deze wist in eene welsprekende
rede den Junta en de Regeering te bewegen, om die ontdekkingen met
alle macht en kracht voort te zetten. Men verhaalt ook, dat men
Columbus op eene listige wijze wist te bewegen om zijne aanteekeningen
en kaarten af te staan, en toen men deze had, rustte men een schip
uit, om den weg, door het Westen naar de Indiën, te zoeken. Dit schip
bracht het echter niet verder dan eenige mijlen bewesten de
Kaap-Verdische eilanden, en keerde toen terug. De proef op de som was
geleverd, meende men, en Columbus' voorstel daarmede veroordeeld.
Denkelijk is dit verhaal niets anders dan een verzinsel.

Hoe lang Columbus in Lissabon vertoefd heeft, wordt niet vermeld, doch
wat anders verzwijgt de geschiedenis niet. In dien tijd overleed zijne
vrouw, en liet haar' man met zeer berooide geldmiddelen achter. Dit
laatste is zeer wel te verklaren, want voor zijn plan had hij zich
heel wat opofferingen getroost, terwijl hij bovendien op eigen kosten
zijne twee broeders te Genua had laten studeeren.

Met zijn zoontje Diego verliet hij nu Lissabon in het jaar 1484, en
zijn' broeder Bartholomeus, dien hij naar Lissabon had laten
overkomen, zond hij naar Engeland, ten einde daar te beproeven, of hij
Koning Hendrik VII kon overhalen tot het plan. Bartholomeus werd
echter op zijne reis derwaarts door zeeroovers overvallen, en zóó
uitgeplunderd, dat hij, toen hij in Engeland kwam, onmogelijk aan het
Hof verschijnen kon. Met kaarten-teekenen wist hij nu zooveel te
verdienen, dat hij het vier jaar later waagde bij den Koning gehoor te
vragen. Dit gehoor werd hem verleend, doch de Koning, die met allerlei
binnenlandsche staatkundige woelingen te worstelen had, wilde er niets
van weten.

Het voornemen van Columbus was geweest, om, nu zijn voorstel door
Portugal afgewezen was, zich naar Frankrijk te begeven. Hij schijnt er
evenwel niet heengegaan te zijn. Ik zeg »schijnt«, want gedurende
eenige jaren verliest de geschiedenis hem geheel uit het oog, en het
zijn niet veel meer dan gissingen, dat hij zelfs zijne plannen aan de
Regeering van Venetië voorgelegd heeft. Indien dit waar is, dan moet
hij wel bittere teleurstellingen ondervonden hebben, want Genua en
Venetië waren immers geslagen vijanden, en naarmate Genua's handel
meer en meer kwijnde, terwijl die van Venetië zich nog met groote
inspanning staande hield, nam de vijandschap, versterkt door naijver,
nog toe.--

Eindelijk echter komt de groote man weer te voorschijn.

In Andalusië ligt eene kleine stad; ze heet Palos de Moguer. Nog heden
ten dage bevindt zich in de nabijheid van dit plaatsje een oud
klooster. Dat klooster was er ook al in dien tijd, en werd door
Franciscaner monniken bewoond. Het was gewijd aan Santa Maria de
Rabida, en de Prior heette Juan Perez de Marchena.

Aan de poort van dat klooster nu, klopte op zekeren avond een schamel
gekleed man aan, die zijn zoontje bij zich had, en op de vraag van den
portier, wat hij begeerde, luidde het antwoord: »Wat brood en water
voor dit kind!«

Die bedelaar was Columbus; dat hongerige en dorstige kind was zijn
zoontje Diego.

De Prior, die in de nabijheid was, hoorde de stem van den man, en het
viel hem terstond op, dat hij de Spaansche taal, als een vreemdeling
sprak. Toen nu de portier hem de vraag van den armen man overbracht,
gaf hij last te onderzoeken, vanwaar hij toch wel kwam. Columbus, die
geene redenen had om zijn' naam te verzwijgen, vertelde den portier
een en ander, en het gevolg hiervan was, dat hem de poort van het
klooster geopend werd, en hij binnen mocht komen.

De Prior was een geleerd man, en had natuurlijk wel eens wat van
Columbus' plannen opgevangen, zoodat hij weldra met hem in een ernstig
gesprek verdiept was, en toen Columbus, na door spijs en drank
versterkt te zijn, aanstalten maakte om weer verder te gaan, wilde de
Prior hiervan niets weten, en zeide, dat een man als Columbus niet als
bedelaar van de eene plaats naar de andere mocht trekken, en althans
dezen nacht de gast van het klooster bleef.

In het stadje zelf woonde Garcia Fernandez, die Arts van beroep was,
doch meteen zich toegelegd had op de studie van de aardrijks- en
sterrenkunde, waarin hij zelfs grooten naam gemaakt had. De Prior, die
met dezen Arts zeer bevriend was, liet hem roepen, en weldra waren de
drie mannen nu in een zeer geleerd gesprek verdiept.

In dat klooster begon voor den armen zwerver het sterretje der hoop
weer door de nevelen der teleurstellingen te schijnen; want Prior Juan
Perez de Marchena droeg ook den titel van Biechtvader van Koningin
Isabella.

Spanje was toen een heel ander land dan tegenwoordig, dat wil zeggen,
op staatkundig gebied. Op het Pyreneesche schiereiland vond men toen,
behalve het Koninkrijk Portugal, ook de Koninkrijken Navarre, Kastilië
en Aragon, benevens het Mooren-gebied Granada. Over Aragon regeerde
Koning Ferdinand, en over Kastilië, Koningin Isabella. Deze twee
Vorstelijke personen waren met elkander gehuwd, zoodat na hun
overlijden de kronen van beide landen op één hoofd kwamen. In den tijd
evenwel waren beide rijken nog geheel gescheiden. In karakter
verschilden Koning Ferdinand en Koningin Isabella buitengewoon veel
met elkander, doch in ééne zaak stemden ze vrij wel overeen, en deze
was: »uitbreiding van het gezag der beide Koninkrijken door de
scheepvaart.« Den Prior nu, was die zucht zijner machtige biechtelinge
niet onbekend, en daar hij hoog bij haar aangeschreven stond, wist hij
te bewerken, dat Columbus aan haar Hof geroepen werd, om daar zijn
plan voor te leggen.

Het was stellig ver met den voormaligen planter gekomen, want, om in
eene eenigszins geschikte kleeding aan het Hof te kunnen verschijnen,
zond Isabella hem drieënvijftig dukaten.

Om te bewerken, dat Columbus voor Koningin Isabella verschijnen mocht,
schijnt Don Louis de la Cerda, Hertog van Medina Celi, die een
schatrijk Edelman was, eene groote rol gespeeld te hebben. Zelfs had
deze wel heel alleen Columbus willen helpen, doch hij vreesde daardoor
de Koningin in moeielijkheden met het Portugeesche Hof te zullen
brengen, wat hij liever niet wilde.

In 1486 verscheen Columbus voor Isabella, en met de geestdrift van
een' dweper, die reeds zijn geheele vermogen aan zijn plan opgeofferd
had, deelde hij haar alles mede. De Koningin hield toen haar Hof te
Cordova.

Isabella zelve had er wel ooren naar, maar--de uitvoering van het plan
kostte geld, en hierover had zij niet te beschikken, vooral nu niet,
daar ze in een' kostbaren oorlog met de Mooren gewikkeld was. Of het
uit geldgebrek was, dan wel om andere redenen, is alweer niet bekend,
maar zeker is het, dat Isabella het voorstel van Columbus aan het
oordeel van de geleerdste mannen van Salamanca onderwierp. Deze stad
had toen eene bloeiende hoogeschool, en was voor heel het Pyreneesche
schiereiland het brandpunt der wetenschappen.

De Voorzitter van den Raad, die over Columbus' plannen te beslissen
had, was Don Fernando de Talavera, Prior van Prado. Hij was een zeer
geleerd man, en had een edel karakter, doch het bleek al heel spoedig,
dat hij met de plannen van den Genuees niet bijzonder ingenomen was.

De beraadslagingen duurden lang, en gedurende dezen tijd kwam
Columbus, die zich in beschaafde en deftige kringen gemakkelijk wist
te bewegen, in kennis met vele voorname Edelen en Grooten. Een dezer
was Don Pedro Gonzalez de Mendoza, Aarts-bisschop van Toledo en
Groot-Kardinaal van Spanje, een man, die aan het Hof van Ferdinand en
Isabella niet alleen in hoog aanzien stond, maar er ook veel invloed
had. Bij dezen Kerk-vorst vond Columbus een luisterend oor, en eene
genegen hand om hem te helpen.

Met dat al kon de Groot-Kardinaal voor zijn' beschermeling in de
eerste jaren niets gedaan krijgen. De Mooren, tot in hunne laatste
sterkte verdreven, hielden hardnekkig stand, en zoolang deze oorlog
duurde, viel er niet aan te denken, om geld uit te geven aan een'
ontdekkingstocht.

Eindelijk moesten de Mooren het hoofd in den schoot leggen, en zich
aan Ferdinand en Isabella onderwerpen. Thans meenden Columbus'
vrienden, dat de tijd gekomen was, om aan zijn voorstel gevolg te
geven, en trots den tegenstand der geleerden, die niet moede werden te
bewijzen, dat men aan het Portugeesche Hof goed gezien had met het
heele plan slechts de hersenschim van een' dweper te noemen, zouden
Ferdinand en Isabella bereid geweest zijn, aan Columbus' voorstellen
gevolg te geven, als niet Columbus zelf zijne eigene zaak bedorven
had.

Hoe hij dat kon doen?

Toen dan het plan op het punt stond om aangenomen te worden, stelde
Columbus de volgende voorwaarden, die stellig niet pleiten voor zijne
nederigheid en liefde voor de wetenschap.

Vooreerst verlangde hij, als hij bewezen had, dat zijn plan geen
droombeeld geweest was, verheffing tot den Adelstand en tot Grande van
Spanje.--Een Grande werd als zulk een aanzienlijk persoon beschouwd,
dat hij met gedekt hoofd voor den Koning en de Koningin mocht
verschijnen.--Ten tweede eischte hij den titel van »Atlantisch
Admiraal«, eene waardigheid, die slechts één rang lager was dan
»Veldheer der Kroon«. Ten derde vorderde hij zijne benoeming tot
Onder-Koning in de landen, die door hem ontdekt, en voor Spanje in
bezit zouden genomen worden. Ten vierde wilde hij, dat die waardigheid
op zijne mannelijke nakomelingen zou overgaan. Ten vijfde stelde hij
de voorwaarde, dat een tiende deel van alle inkomsten der kroon in die
landen, hem, als geldelijke vergoeding, zouden uitgekeerd worden, en
ten zesde verlangde hij het achtste deel van het
monopolie,--uitsluitend recht om in een' Staat alleen handel te mogen
drijven,--dat in de ontdekte landen, als iets dat vanzelf sprak,
terstond zou ingevoerd worden.

Dat waren eischen, die zelfs velen zijner vrienden veel te ver gingen,
en zijne geheime tegenstanders, die in talrijkheid voor zijne openbare
vijanden niet onderdeden, wisten nu bij Koning Ferdinand gedaan te
krijgen, dat deze alleen om deze eischen, niets meer van het heele
plan wilde weten.

Hoe Columbus, die toch zoo menige teleurstelling ondervonden had, en
die gedurende zijn langdurig verblijf in Cordova wel had moeten
ontdekken, dat tal van Edellieden hem, den Genuees of den »Liguriër«,
zooals men hem smadelijk noemde, haatten; zulke verregaande en
trotsche eischen stellen kon, is onverklaarbaar. Alleen door aan te
nemen, dat het bij hem onwrikbaar vast stond, dat zijn plan _moest_
gelukken, kan men zijne houding eenigszins verklaren.

Nadat Koning Ferdinand zich aan de zaak geheel onttrokken had, zou
Columbus verder dan ooit van zijn doel gestaan hebben, indien niet Don
Louis de Sant Angel, die in de beide Koninkrijken de waardigheid
bekleedde, welke wij met »Minister van Financiën« zouden betitelen,
Koningin Isabella had weten te bewegen, om Columbus niet in de
noodzakelijkheid te brengen aan andere Hoven zijn geluk te beproeven.
De redeneering van dezen aanzienlijken Edelman sneed ook vrij goed
hout.

»Bereikt Columbus de Indiën niet,« zoo sprak hij, »dan is er niets
verloren, dan het geld aan de uitrusting voor den tocht bestemd, want
in dat geval vervallen al zijne eischen. Bereikt hij echter de Indiën
wel, dan is voor Spanje eene onuitputbare goudmijn geopend, welke
stellig waard is, dat men hem zijne eischen inwilligt. Bovendien zou
Spanje, indien de weg door het Westen naar de Indiën gevonden werd,
het machtigste Christenrijk van heel de wereld worden, en kon Koningin
Isabella, naar den vurigsten wensch van haar vroom hart, de leer des
Evangelies doen prediken van den op- tot aan den ondergang der zon.«

Isabella, die door alle geschiedschrijvers beschreven wordt, als eene
vrouw »van middelbare lengte, welgemaakt, vol Vorstelijke waardigheid
en lieftalligheid,« bezat, volgens hen, ook »een standvastig karakter,
en een innig, vroom hart.« De oorlogen tegen de Mooren, en de
tirannieke wijze, waarop zij hen behandelde, toen ze gedwongen waren
geworden, zich te onderwerpen, mogen de maatstaf niet zijn, waarmede
men haar karakter afmeet. Zij handelde in deze zaak geheel in den
geest van haar' tijd, welke geest sprak van: »dwing ze om in te gaan.«

Maar al te veel plaatsen we ons bij het beoordeelen van daden van
Vorsten, en voorname personen uit vroegere eeuwen op het standpunt van
onzen tijd, zonder een oogenblik te bedenken, hoe wij zouden gehandeld
hebben, indien wij in die dagen geleefd hadden. Een oordeel over een
karakter is niet zoo gemakkelijk uitgesproken, als men wel denkt. Er
behoort eene diepe kennis toe van de geschiedenis der beschaving en
der wetenschap. Dat er, zonder die diepe kennis, toch zoo menig
oordeel uitgesproken wordt, is zeker, maar het gevolg daarvan is, dat
ook zoo menig oordeel geheel verkeerd is.

Waarom ik dit hier zoo zeg?

Omdat we later met Cortez in Mejico, en met Pizarro in Peru zullen
zijn, en daar het Evangelie zullen zien prediken op eene wijze, die
ons, negentiende-eeuwers, tegen de borst stuit, en ook omdat we, met
het oog op dien voormaligen bekeerings-ijver der Katholieken, er zoo
gemakkelijk toe komen, om het werk der tegenwoordige Missionarissen er
mede gelijk te stellen.

De zachte wateren der zee ronden de scherpe kanten van den harden
steen wel af, en zou de beschaving van vier eeuwen niet de hoekige
uitwassen van het menschelijke hart afgerond hebben?

Isabella dan bleef Columbus, ook om zijn' bekeerings-ijver, dien hij
openlijk beleed, genegen, en de woorden van Don Louis de Sant Angel
vonden bij haar ingang, maar--de oorlog tegen de Mooren had de
schatkist uitgeput; ze had geen geld om de uitrusting te bekostigen.
Zij stelde nu voor, hare juweelen te verpanden, doch Don Louis
voorkwam dat. Hoogstwaarschijnlijk geholpen door den schatrijken
Hertog van Medina Celi, die nu was, waar hij zijn wilde, schoot Don
Louis haar al het geld voor. Columbus' eischen zouden, als hij
werkelijk langs den voorgestelden weg in de Indiën kwam, alle
ingewilligd worden. Den zeventienden Maart 1492 kwam de overeenkomst
volkomen tot stand, en Columbus repte zich nu zijn doel te bereiken.
Hij toog naar het zeestadje Palos, en rustte daar twee karveelen en
een transport-schip uit, doch stuitte nu op eene zwarigheid, die hij
niet verwacht had: het ontbrak aan mannen, die hem op dezen tocht
wilden vergezellen. Zelfs een Koninklijk besluit, dat ieder, die aan
dezen tocht deelnam, twee maanden na zijne thuiskomst voor geen enkel
misdrijf, ja, voor geene enkele misdaad zou gestraft worden, kon de
zeelieden niet bewegen, Columbus te volgen. Eindelijk had hij het
geluk, om in de gebroeders Pinzon, zoons van een aanzienlijk geslacht,
dat te Palos woonde, hulp te verkrijgen. Zij zelven zouden medegaan,
en hun voorbeeld vond zooveel navolging, dat de drie scheepjes
voldoende bemand waren. Honderdtwintig zeelieden zouden de reis
medemaken, en deze honderdtwintig mannen togen in den avond van den
tweeden Augustus naar het vredige Franciscaner-klooster van Santa
Maria de Rabida, om daar, na het gebruiken van het Heilige Sacrament
des Avondmaals, Gods zegen op de grootsche onderneming af te smeeken.

Den derden Augustus 1492 voeren de »Santa-Maria«, de »Pinta« en de
»Nina« de haven van Palos uit. Ze droegen den morgen van een' nieuwen
dag, den dageraad van de eeuwen der Nieuwe Geschiedenis op het broze
scheepsdek, den Atlantischen Oceaan in. Ze voeren den avond tegemoet,
en zouden den morgen brengen.



HOOFDSTUK VI.

EERSTE REIS VAN COLUMBUS.


Eer we met Columbus den tocht gaan medemaken, dienen we te zeggen, dat
Martinus Alonzo Pinzon, die het bevel over de »Pinta«, en Vicente
Yanez Pinzon, die de »Nina« kommandeerde, twee mannen waren, die als
kloeke en ervaren zeelieden bekend stonden, en Columbus niet alleen
hartelijk genegen waren, maar daarenboven ook dweepten met zijn
grootsch plan. Zonder de Pinzons, zou Columbus zijn doel stellig niet
bereikt hebben. Martin toonde echter later, dat hij eigenbelang ver
boven vriendschap en eerlijkheid stelde.

De kaart van Toscanelli had Columbus voorloopig niet noodig te
raadplegen, want zijn doel was om pas van de Kanarische Eilanden
westwaarts te zeilen. Van dit gedeelte des Oceaans bestonden toen
reeds zeer vele zeekaarten, en Columbus zelf had dezen weg zoo
dikwijls afgelegd, dat hij daarvoor ook geene kaarten behoefde.

[Illustratie: De drie schepen van Columbus.]

Alvorens met ons verhaal verder te gaan, moet ik u weer verzoeken eens
even eene wereldkaart voor u te leggen, of eene globe te raadplegen.

Beschouwen we den Atlantischen Oceaan, die de Oude van de Nieuwe
wereld scheidt, dan zien we, dat die Oceaan op de eene plaats veel
breeder is dan op de andere. Zijne grootste breedte is tusschen
Senegambië en Mejico; zij bedraagt daar niet minder dan 9000
Kilometers. De geringste breedte bevindt zich tusschen Noorwegen en
Groenland, want daar bereikt ze maar 1445 Kilometers. De breedte
tusschen Afrika en Georgië bedraagt 7225, tusschen Kaap de Goede Hoop
en Kaap Hoorn ook 7225, tusschen Brest en New-York 5550, en tusschen
Kaap San Roque en Sierra Leone 3100 Kilometers.--

In den Atlantischen Oceaan is het water natuurlijk ook aan eb en vloed
onderworpen, doch behalve deze beweging van het water, welke op
gezette tijden wederkeert, heeft men er ook verschillende stroomingen.
De voornaamste zijn de Noordelijke Aequatoriaal-stroom, de Zuidelijke
Aequatoriaal-stroom, de Guinea-stroom, de Benguela-stroom, de
Braziliaansche stroom, de Florida-stroom, de Groenland-stroom, de
Noordkaap-stroom, de Labrador-stroom, en de zeer merkwaardige
Golfstroom. Evenals het water eener rivier, nu eens snel, dan eens
langzaam, maar altijd in dezelfde richting vloeit, zoo vloeien de
zeestroomingen ook bijna altijd op bepaalde tijden in dezelfde
richting. Soms echter kunnen er aanmerkelijke storingen in plaats
grijpen. Den Golfstroom noemden we zeer merkwaardig, en wie zou dat
niet doen? Hij neemt een aanvang in de Golf van Mejico, en loopt in
noordoostelijke richting, doch na zich verscheidene malen verdeeld te
hebben, tot Nova-Zembla in de Noordelijke IJszee. Met eene snelheid,
die de snelheid van den Mississipi overtreft, stroomt hij voort, en
voert zijne warme wateren ver het Noorden in. Aan de hooge temperatuur
van het water van dezen stroom, welke hoogte natuurlijk afneemt,
naarmate de stroom meer het Noorden nadert, is West-Europa zijn
vochtig klimaat verschuldigd. Die vochtigheid houdt ook de felle koude
tegen. Vandaar komt het, dat het in den winter te New-York meestal
veel kouder is dan te Amsterdam, niettegenstaande New-York ruim tien
graden zuidelijker ligt. De stad Hammerfest in Noorwegen ligt op
zeventig graden noorderbreedte, en toch komen er menigmaal winters,
dat in hare havens bijna geen ijs te zien is, terwijl op dezelfde
breedte in Azië en Amerika eene koude heerscht, welke wij het best
kennen onder den naam van »Siberische koude.«

Behalve die geregelde zeestroomingen, vinden we op onze wereldkaarten
ook geregelde luchtstroomingen of winden aangeteekend. De voornaamste
zijn de Noordoost-passaat en de Zuidoost-passaat.

Van deze regelmatige stroomingen en winden, waarvan we, in een boek
als dit, geene verklaring kunnen geven, maken de zeelieden van den
tegenwoordigen tijd gebruik, om de reis aanzienlijk te bekorten, doch
al had Columbus op Porto-Santo en op zijne tochten in de Noordelijke
IJszee ook kunnen waarnemen, dat er regelmatige stroomingen in den
Oceaan waren, en dat sommige winden gedurende geruimen tijd vrij
regelmatig woeien, het was er verre af, dat hij er op zijn'
ontdekkings-tocht opzettelijk gebruik van maakte. Daar de heele zee
ten Westen van de Kanarische Eilanden onbekend was, kon hij ook met de
meerdere en mindere breedte van den Oceaan geene rekening houden.

De reis vorderde niet snel, wat met den lompen bouw der schepen,
zooals we op onze afbeelding kunnen zien, ook niet mogelijk was.
Daarenboven had Columbus ook niet de beste schepen, die er in dien
tijd te vinden waren. De beperkte, zelfs geringe middelen, waarover
hij te beschikken had, dwongen hem om in zijne keus niet al te
kieskeurig te zijn. Denkelijk had slechts één der drie schepen een
doorloopend dek, terwijl de beide andere alleen hooge voor- en
achterstevens hadden, waarin zich de hutten van de bemanning bevonden.
Niet zonder reden was het dus, dat Columbus zooveel moeite gehad had,
om de noodige manschap te vinden. Veel meer dan thans het geval is,
waren de zeelieden toen aan de grootste gevaren blootgesteld. Daarom
bleef men ook het liefst zoo dicht mogelijk bij de kusten, en dat
niet, omdat men de kompassen niet vertrouwde, maar wel, omdat de
schepen er niet op gebouwd waren, om de stormen en de golven te kunnen
trotseeren. En Columbus zou de eerste zijn, die opzettelijk zich van
de kust verwijderde, steeds verder, al door verder, op een' tocht, die
in het oog van de meesten toch niets anders was dan een zeer
avontuurlijke. Waarlijk, we dienen ons eer te verbazen, dat Columbus
zelfs nog eenige misdadigers vond, die met hem de reis wilden
meemaken, dan dat we verbaasd zijn, dat er geen fatsoenlijk zeevolk
voor zijne onderneming te vinden was.

Reeds op den derden dag na de afvaart, seinde de »Pinta« averij. Het
roer was gebroken, en Columbus meende, dat twee mannen, die de
eigenaars van deze karveel waren, en die de reis tegen hun' zin
medemaakten, opzettelijk die averij aangebracht hadden, om daardoor
een voorwendsel te kunnen vinden om terug te keeren. De wind woei te
hevig om de »Pinta« ter hulp te komen, doch Martinus Pinzon, die een
ervaren en stoutmoedig zeeman was, wist zich te redden, door, zoo goed
en kwaad het ging, het roer met touwen te bevestigen. Columbus begreep
zeer goed, dat men zóó den Oceaan niet kon oversteken. Hij hield dus
op de Kanarische Eilanden aan, en liet op het eiland Gomera het schip
herstellen, toen alle pogingen vergeefsch bleken te zijn, om een ander
te vinden. Men bleef daar tot den zesden September, en in dien tijd
had de bemanning gelegenheid om eene uitbarsting van den vulkaan op
het eiland Teneriffe te zien, iets waardoor de mannen zeer beangst
geworden waren, want niettegenstaande ze wisten, dat er een Etna en
Vesuvius was, hielden ze hier rekening met de vreeselijke verhalen,
die omtrent de groote, onbekende zee in omloop waren.

Op Zondag den negenden September verdween Ferro, het laatste der
Kanarische Eilanden aan den oostelijken horizon, en men zag nu,
volgens zeemans-uitdrukking, niets dan lucht en water.

De kaart van Toscanelli was thans voor Columbus de eenige wegwijzer
voor de richting, die men volgen moest, om het eiland Antilia, en
daarna Zipangu te bereiken.

Zonder het te weten, bevond Columbus zich in den gordel van den
Noordoost-passaat, en was er niet zooveel kunst aan, den koers steeds
westelijk te houden. Uit vrees echter, dat de drie scheepjes, door
storm of stroom, elkander uit het oog zouden kunnen verliezen, gaf hij
den beiden Pinzons last, om in dit geval geen oogenblik den
westelijken koers te verlaten. Hadden ze zóó zevenhonderd uur
voortgezeild, dan moesten ze bijleggen, doch naar zijne stellige
meening, zouden ze lang vóór dien tijd reeds land ontdekt hebben. De
schepen bleven evenwel zonder veel moeite bij elkander, en dat was
nog eenige troost voor de manschap, die al begon te vreezen, dat er
geen einde zou komen aan die zee, en ook geen einde aan dien
onveranderlijken wind. Vooral die wind maakte hen beangst. Zeilden ze
nu zonder bezwaar steeds westelijk, hoe zouden ze terug kunnen keeren,
als de wind steeds uit die streek bleef waaien?

Den dertienden September, toen men reeds meer dan tweehonderd uur van
Ferro verwijderd was, bemerkte Columbus des middernachts, dat de stand
van de Poolster niet in de richting was, waarin het kompas wees. Ook
op de beide andere schepen was dat opgemerkt, en al hadden Columbus en
de Pinzons het aanvankelijk ook voor het volk verzwegen, het kwam er
toch achter, en de angst nam met elk oogenblik toe. Gelukkig wist
Columbus het volk gerust te stellen, met eene uitlegging, die
eigenlijk niet veel anders heeten mocht, dan er zich met een Jantje
van Leiden af maken, doch de mannen waren te onervaren om te beseffen,
dat hun Admiraal hen met een kluitje in het riet stuurde.

Dat niet alleen het volk, maar ook Columbus met de Pinzons op die
eentonige vaart van alles notitie namen, is natuurlijk, en dat ze van
hetgeen ze zagen, allerlei uitleggingen gaven, kon wel niet anders. Nu
eens namen ze een' drijvenden mast nauwkeurig op, en berekenden zelfs,
dat hij afkomstig moest zijn van een schip van honderdtwintig ton. Dan
weer verblijdden ze zich over het zien van een' grooten vogel, die
veel op een' reiger geleek, en maakten ze de gevolgtrekking, dat ze
dicht bij land waren. Op een' nacht zagen ze groote vuurvlammen uit de
zee opstijgen, althans, ze maakten er vuurvlammen van, en de
vreeselijke verhalen van den onbekenden, donkeren Oceaan, rezen weer
in hunne ontstelde verbeelding op. Langzamerhand kwamen onze reizigers
nu meer onder den rechtstreekschen invloed van den Noordoost-passaat,
en meteen ook meer in de heete of verzengde luchtstreek. De lucht was
zóó zacht warm, en zóó heerlijk om in te ademen, dat men, zooals
Columbus zich uitdrukte, »zich in Andalusië waande, en het gezang der
nachtegalen slechts ontbrak.«

Ook het scheepsvolk was weer wel te moede en opgeruimd, doch toen men
de zee, zoo ver als men zien kon, overdekt vond met een groen gewas,
dat zóó dicht in elkander groeide, dat de vaart der schepen er door
belemmerd werd, verloor men opnieuw den moed. Aanvankelijk dacht men,
dat er land in de nabijheid zou zijn, en toen het maar al te ras
bleek, dat dit niet waar was, kwam de vrees boven, dat men zich op de
plek bevond, waar eenmaal het groote eiland Atlantis gelegen had, dat,
volgens het oude verhaal, door de Goden verdelgd was. Het dieplood,
dat uitgeworpen werd, bereikte echter op tweehonderd vademen nog geen'
grond, zoodat er geene vrees bestond, dat de schepen hier aan den
grond zouden geraken. Columbus herinnerde zich een verhaal van
Aristoteles, waarin voorkwam, dat eenige schepen, bij Cadiz zeilende,
door een' storm waren aangegrepen, en zóó ver in den Oceaan geslagen
werden, dat ze eindelijk gekomen waren bij eene plek, waar de zee zóó
begroeid was met groene planten, dat ze wel een weideveld van
oneindige uitgestrektheid scheen. Zij gaven er den naam van »Wier-zee«
aan, en hadden het geluk om den koers te wenden, zoodat ze behouden in
Europa terug kwamen. Men had dit verhaal tot de fabels gerekend, doch
thans zag Columbus, dat het waarheid bevatte. Vreemde vogels, die zich
aan hunne oogen vertoonden, deden het volk weer eenigen moed vatten,
en in de hoop, van nu heel spoedig het gezochte land te zullen zien,
werd er veertien dagen lang, zonder dat er gewanhoopt werd, tegen deze
waterweide geworsteld.

Nog altijd bevindt zich in den Atlantischen Oceaan, tusschen negentien
en vierendertig graden Noorder-breedte, en vierendertig en zesendertig
graden Westerlengte van Greenwich, deze Planten-zee. Men heeft haar
den naam gegeven van »Sargasso-zee«, doch omtrent de oorzaak, dat de
soort van wierplant, die deze zeeweiden vormt, hier in zulk eene
verbazende hoeveelheid aangetroffen wordt, verkeert men in het
onzekere.

Nog altijd kwam de wind, die hen voortdreef, uit dezelfde streek, en
toen men na zooveel dagen worstelens, nog in het geheel geen land
ontdekte, was de angst van het scheepsvolk verklaarbaar, dat men
nimmer zou kunnen terugkeeren. Steeds voort, altijd voort, het verre,
het oneindig verre Westen in! Was de plek er dan niet, waar, in den
Oceaan, de zon in de baren dook? De kusten van het vasteland hadden ze
steeds voor hunne oogen zien wijken, en eindelijk zien verdwijnen! Zoo
was het ook gegaan met het eiland Ferro. En nu! Zestien dagen en
zestien nachten was men ongestoord het Westen ingezeild, en nog altijd
bleef de afstand van de ondergaande zon even groot. Dat moest wel, het
kon niet anders. Columbus wist dat ook wel, en hij trachtte zijn volk
duidelijk te maken, dat de aarde een bol was, en dat de zon nergens in
den Oceaan dook, maar op elk punt van de aarde steeds op denzelfden
afstand van den beschouwer bleef ondergaan.

Ach ja, men geloofde hem wel, men begreep dat het zóó wel zijn moest,
maar--die wetenschap bracht het land, waarnaar met brandend verlangen
uitgezien werd, toch niet in het gezicht, dat moede werd van het
vruchtelooze staren.

En als men geen land vond, dan zou men van honger en dorst moeten
omkomen, want de voorraad verminderde sterk, en het stond te bezien,
of dit toch niet het geval zou zijn, wanneer men nu den steven wendde,
en met dezelfde snelheid van vaart terugkeerde.

Terugkeeren? Kon dat wel? Was de wind dan voor de terugreis niet
tegen?

De angst en ongerustheid namen steeds toe, totdat op den
tweeëntwintigsten September de wind van richting veranderde.

Geen »Land vooruit!« had op dit oogenblik meer blijdschap kunnen
verwekken, dan het zien, dat de wind omgeloopen was. Het was, in
waarheid, voor allen een groot pak van het hart.

Men was in een heel ander deel der wereld, dan men ooit geweest was,
dat bleek uit alles; en opnieuw werd de angst opgewekt, toen, bij
geene verheffing van wind, de zee opeens hol begon te staan.

Geslingerd van hot naar haar, werd het volk elken dag, elk uur. Nu
eens vol moed, dan weer vol vrees.

Den vijfentwintigsten September kwam Alonzo Pinzon, die meestal met
zijn schip vooruit voer, omdat de »Pinta« hoe oud en bouwvallig ook,
toch de beste zeiler was, bij den Admiraal aanboord met het bericht,
dat hij land gezien had. Anderen bevestigden dit.

Columbus was op het vernemen van dit bericht diep ontroerd, en door
een dankbaar gevoel aangedreven, viel hij op de knieën, en zong vol
innige vroomheid het heerlijke lied, dat hij zoo dikwijls in de kerk
onder de Mis had hooren klinken: »Gloria in excelsis Deo, et in terra
pax hominibus bonae voluntatis. Laudamus te! Benedicimus te! Adoramus
te! Glorificamus te!« dat is: »Glorie aan God in den allerhoogste, en
vrede op aarde, den menschen van goeden wil! Wij loven U! Wij zegenen
U! Wij aanbidden U! Wij verheerlijken U!«

Maar--Pinzons blijde tijding liep op eene groote teleurstelling uit,
want het land, dat men meende te zien, werd niet gevonden. Wolken en
nevelen hadden hun bedrieglijk spel gespeeld.

Om den moed van het volk levendig te houden, schijnt Columbus reeds
eenige dagen vroeger eene lijfrente van zesentwintig dukaten
uitgeloofd te hebben aan hem, die het eerst land zag, en Alonzo
Pinzon, die gehoopt had de belooning te zullen ontvangen, zag zich nu
natuurlijk zeer teleurgesteld.

Toen den volgenden morgen de zon opkwam, en nog velen de kooi
verlieten om het land te aanschouwen, zag men--water en lucht, wat men
nu al zoovele dagen gezien had.

Gelukkig was het weder bij uitstek schoon, en de zee was zóó kalm, dat
menig matroos, zonder aan haaien te denken, overboord sprong om wat
rond te zwemmen. De eentonigheid werd ook dikwijls afgebroken door het
visschen naar dolfijnen, of het vangen van vliegende visschen, die op
de schepen nedervielen.

Neen, eerlijk moest het scheepsvolk toch erkennen, dat het hier veel
anders was, dan eenige dagen geleden bij die Wier-zee, waaraan men nog
wel niet geheel ontkomen was, maar die toch minder moeielijkheden
opleverde. Nu eens zag men groote vogels in scharen aan den
gezicht-einder verdwijnen, en dan weer ontdekte men enkele vogels, die
te klein waren om ver van het land in zee te kunnen vliegen.

Aan den morgen van den zevenden October meenden de wachthebbende
matrozen van de »Santa Maria«, in het Westen land te zien, doch ze
waagden het niet, om er den Admiraal kennis van te geven.

Opeens echter klonk een kanonschot langs de stille wateren.

De »Nina«, die nu vooruit voer, had het gelost, en tot overmaat van
vreugd zag men, dat de vlag aan den mast geheschen werd, en dit was
het teeken voor de »Santa Maria« en de »Pinta«, dat men »Land
vooruit!« had.

Met luid gejubel werden kanonschot en vlag begroet. Allen zagen uit,
en ontdekten land. Maar--het land verdween, loste zich in de blauwe
lucht op, en--men zag zich weer door eene wolk bedrogen.

Op deze nieuwe teleurstelling volgde groote ontevredenheid, en
Columbus zag zeer goed, dat zijn volk op het punt stond, alle hoop te
verliezen. Dat ze hem dwingen zouden om terug te keeren, hij begreep,
dat dit niet gebeuren zou; want voor eene lange terugreis naar het
verlaten land, was er geen voorraad van levensbehoeften genoeg. Maar
door wanhoop gedreven, kon men hem te lijf gaan en dooden. En dan? Ja,
dan was ook voor hen alles verloren, want hij alleen had het logboek
gehouden, doch hier en daar een paar onwaarheden vermeld, om het volk
niet al te wijs te maken. Hij wist echter volkomen, hoe hij gevaren
was, en kon ook den terugweg vinden. Zijn volk daarentegen, zou met
het logboek verkeerd uitkomen.

Toch gaf hij den moed niet verloren, en althans voor het oog van zijn
volk was hij vol hoop en blijde verwachtingen.

Steeds kalmer en rustiger werd de zee, zoodat Columbus den achtsten
October uitriep: »God zij geloofd! De lucht is zoo zacht, als in April
te Sevilla. Met wellust ademt men haar met volle teugen in, want zij
is doortrokken van de heerlijkste geuren!«

Weer gingen drie dagen in onafgebroken kalme, westelijke vaart
voorbij, en was het Donderdag, de elfde October.

Daar komt Alonzo Pinzon bij den Admiraal aanboord, en toont hem een
riet en een' gesneden stok aan. Zijn volk had die voorwerpen
opgevischt, en men had ook een' boom zien drijven.

Iets nieuws was voor Columbus nòch boomstam, nòch riet, nòch gesneden
stok, want dat alles had hij jaren geleden reeds op Porto-Santo
gezien. Toch greep hij deze gelegenheid aan, om daardoor den
wankelenden moed van zijn volk op te beuren.

Het was in waarheid eene reis, zóó vol moeielijkheden en
teleurstellingen, dat men Columbus bewonderen moet, dat hij den moed
niet verloor, en eerbied dienen wij te hebben voor zijne sterke
overtuiging, voor zijn ongeschokt vertrouwen en voor zijne vastheid
van wil. Zoo we Columbus groot noemen, nergens was hij grooter dan op
die eerste ontdekkingsreis.

Maar, wat is dat?

Daar nadert Vicente Pinzon in eene boot, die zoo pas de »Nina«
verlaten heeft. Wat reppen die roeiers zich! Wat is er eene haast!
Oproer aanboord soms? Weigert men langer het Westen in te gaan? Men
buigt zich over de verschansing. Vicente komt aanboord en--van onder
zijn kleed haalt hij een soort van rozetak met nog half gave bloemen
te voorschijn. Zijn volk heeft dien tak opgevischt, en thans biedt hij
den Admiraal de eerste, frissche, levende bloemen der Indiën aan.

Boomstammen, rieten, gesneden stokken, ja, zelfs menschenlijken kunnen
van zeer verre komen aandrijven, maar eene zwakke rozebloem is niet
tegen den golfslag bestand; ze moet vernield worden, zelfs door de
nauw merkbare rimpelingen van de wateren dezer lauwe zee.

Als de duif, die in de Ark aan Noach een' olijftak bracht, is Vicente
Pinzon, nu hij Columbus levende bloemen komt aanbieden.

Het volk op de drie schepen verkeert in eene ongekende spanning.

Het staart met brandende blikken naar den gezicht-einder.

Maar, als gisteren en eergisteren, en, ach, als zoovele dagen terug,
ging de zon ver, ver in het Westen onder,--stevenden de schepen het
Westen in--en viel de nacht.

Columbus echter bleef uitstaren. Het »Land der Bloemen« kon niet ver
af zijn.

Door de duisternis boren zijne, blikken heen en ...

Zag hij daar geen lichtschijnsel?

Eene ster mogelijk! Misschien een werkende vulkaan op mijlen afstands!

Neen, geene ster, geen vulkaan, want zie, het verandert van plaats.

Hij roept Pedro Gutierrez, een' Edelman van het Koninklijke Hof, bij
zich, en wijzend naar de plaats, waar hij het bewegende licht ziet,
vraagt de Admiraal gejaagd, en met kloppend hart: »Wat ziet gij daar?«

»Niets, Senor! Ik zie niets!«

»Ziet gij dan geen licht, geen licht dat zich beweegt?«

»Ja, ja, ik zie het! Ik zie licht!« luidt het antwoord.

Anderen worden er bij geroepen. De een ziet het; de ander ziet het
niet.

Men hoort die woorden, haalt de schouders op, doch gelooft het niet.
Men is immers in deze zee vol vreemde verschijnselen reeds zoo
menigmaal teleurgesteld, zoo menigmaal bedrogen!

Zonder eenige merkbare spanning doen de matrozen van de »eerste wacht«
hun' dienst, en wekken de »mannen van de »hondenwacht.««--Zij gaan
slapen, en met loomen tred komt de »hondenwacht« boven.

De »eerste wacht« is van des avonds acht uur tot middernacht. De
»hondenwacht« is van middernacht tot vier uren in den morgen. De
»dagwacht« duurt van vier tot acht uren in den morgen.

De zandlooper wijst aan, dat het vier uren in den morgen is. Het volk
van de »hondenwacht« vindt er geen behagen in om op te blijven. Zij
wekken de mannen van de »dagwacht«, die op hunne beurt ongaarne de
kooi verlaten en op het scheepsdek komen.

Columbus waakt. Geen slaap is op hem neergedaald. Dat hamerende hart
vol onrust belette hem in te sluimeren. Geen wonder! Hij gevoelt, dat
hij op het punt staat zijn doel te bereiken, zijn doel, waarvoor hij
alles, alles opgeofferd heeft, waarvoor hij als bedelaar, om brood en
water aan de poort van een klooster klopte.

Hoe dacht hij op dat oogenblik aan den bedeltocht, die hem tot voor
dat klooster bracht, waar hij slechts brood en water voor zijn zoontje
vroeg, en niet alleen dàt kreeg, ook voor zich zelven; maar nog veel
meer. De vriendelijke Prior had hem zijne hulp aangeboden ter
bereiking van het doel, dat hem, den voormaligen planter, tot den
bedelstaf gebracht had.

Wel lag er tusschen het oogenblik, dat hij het klooster binnentrad, en
dat waarop hij van Palos uitzeilde, een lange tijd met veel moeite en
teleurstelling, maar toch had hij gezegevierd; hij mocht aan zijn plan
uitvoering geven.

En nu, hij gevoelde het, en zijne borst zwol van gelukkigen trots, nu
stond hij op het punt, dat hij heel de wereld zou kunnen toeroepen:
»Waar zijn ze nu, die mijn plan nog de hersenschim van een' dweper
durven noemen?«

Neen, het fel bewogen gemoed van den koenen, vurig geloovenden man,
ontnam hem de behoefte aan slaap. Hij kon niet anders dan waken.

De »dagwacht« echter telde niet één' dweper; ze bestond uit half
onverschillige, half moedelooze mannen, die hunne taak op de gewone
wijze volbrachten. Waarom zouden zij het ook op buitengewone wijze
doen? Er was immers toch niets bijzonders?

Dat beweeglijke licht? Ei kom, wat zou dat? Een spel der verbeelding
was het geweest, en niets anders.

De »hondenwacht« had wel wat gemompeld van eene donkere plek, die heel
wat anders leek dan eene wolk, maar wat beduidde dat? Zij zagen
dezelfde donkere plek ook, doch het kon niets anders zijn dan een
nevel aan de kimmen, of eene laaghangende wolk, waaruit de verbeelding
van Admiraal, Kapiteins en Volk, zoo dikwijls reeds land getooverd
had!

Onverschillig liep men langs het dek heen en weer, en verlangde maar
naar de opkomst der zon, die hare komst in de landen tusschen de
keerkringen niet met zulk eene lange schemering aankondigt, als in de
gematigde luchtstreek het geval is.

Reeds aanboord der »Pinta« had men even na middernacht het geroep van
»Land! Land vooruit!« gehoord, doch geheel overgegeven aan eene doffe
onverschilligheid, hechtte men er geene waarde aan.

Eindelijk braken de eerste lichtstralen der schemering door, en
nauwelijks werd het donker van den nacht eenigszins verdreven, of een
matroos, Rodrigo de Triana, die niet steeds als de anderen het Westen
inkeek, ontdekte ten Noorden van de »Santa Maria« land. Vol vreugde
snelde hij naar den Admiraal, om hem de blijde tijding te brengen, ten
einde daardoor in de gelegenheid te zijn, om de uitgeloofde belooning
te ontvangen van zesentwintig dukaten, benevens het zijden wambuis,
dat de Admiraal een paar dagen vroeger nog uitgeloofd had aan hem, die
het eerst land zag.

Waaraan het ligt, weet ik niet, doch over die uitgeloofde belooning
wordt zeer verschillend gesproken. De een zegt, dat het een jaargeld
of lijfrente was, en de ander, dat het eenvoudig eene belooning was,
welke ineens, maar ook niet meer dan eens uitgekeerd werd. Volgens den
een was die belofte reeds schriftelijk gegeven door Ferdinand en
Isabella, en volgens den ander deed Columbus die belofte in zijne
betrekking als Onder-koning van al de landen, die hij ontdekken zou,
in naam van zijne Meesters. Volgens den een was het eene som van
tienduizend maravedis, wat dan zooveel zou wezen, als vijfendertig
gulden van onze munt. Een ander spreekt van dertien escados of
zoogenaamde schilddaalders, wat ongeveer veertig gulden zou bedragen
hebben. Die sommen ontloopen elkander niet veel, maar over het
toekennen ervan verschilt de eene schrijver aanmerkelijk met den
ander. Er zijn schrijvers, die beweren, dat Columbus dat jaargeld, of
die belooning voor één keer en aan zichzelven uitbetaalde, omdat hij
de eerste was geweest, die het beweeglijke licht ontdekt had, hetwelk
blijkbaar van het land kwam. Een ander schrijver spreekt wel van de
uitgeloofde belooning, doch rept er met geen enkel woord van, wie ze
kreeg, terwijl weer een derde zegt, dat Rodrigo de Triana ze ontving,
doch inplaats van dezen matroos deel te laten uitmaken van de
bemanning der »Santa Maria«, plaatst hij hem op de »Pinta«, en is hij
de man, dien hij even na middernacht het geroep van »Land vooruit!«
laat aanheffen. Zeker is het, dat als aan iemand de belooning moest
uitgereikt worden, deze niet toekwam aan Columbus, want hij had zich
wel gewacht om stellig te verklaren: »Land vooruit!« Ook aan het volk,
dat bij hem aanboord was, kwam die belooning niet toe, want het volk
der »Pinta« was hun voor geweest.

Behalve over die belooning, loopen de schrijvers ook zeer uiteen,
omtrent het gedrag van het scheepsvolk op die moeielijke en langdurige
reis. Volgens sommigen sloegen de matrozen meer dan eens tot oproer
over, en was Columbus zelfs genoodzaakt, om, wilde hij het leven
behouden, de belofte af te leggen, dat ze zouden terugkeeren, indien
men na drie dagen nog geen land gevonden had.

Later zullen we nog dikwijls genoodzaakt zijn, om achter eene daad van
Columbus een vraagteeken te zetten, en de oorzaak hiervan laat zich
hieruit verklaren.

Columbus was een vreemdeling, die hooge eischen stelde. Als
vreemdeling was hij in Spanje reeds gehaat, en telde men de hooge
eischen, die hij stelde, niet, omdat men er toch aan twijfelde of hij
den weg naar de Indiën wel vinden zou. Maar toen hij dien weg beweerde
gevonden te hebben, en er bijna niemand was, die aan de waarheid
twijfelde, bracht men die eischen wèl in rekening. Columbus schijnt
verder iemand geweest te zijn, die gaarne zijn gezag liet gelden, doch
die geen overleg bezat om dat op eene verstandige en omzichtige wijze
te doen. Hoe het zij, hij had in Spanje veel meer vijanden dan
vrienden. Zijne vijanden berokkenden hem veel kwaads, en wisten
allerlei minder goede dingen van hem te vertellen, om hunne houding
tegenover hem te rechtvaardigen. Zijne vrienden, hierover gebelgd,
aarzelden niet om Columbus' deugden breed uit te meten en zijne
gebreken òf te bewimpelen, òf te verzwijgen, òf wel te loochenen.
Nemen we verder in aanmerking, dat zijn logboek niet in den haak was,
en dat het dagboek, hetwelk hij aangelegd en zorgvuldig bijgehouden
had om het Ferdinand en Isabella terhand te stellen, natuurlijk eigen
fouten verzweeg, dat verder zijne levensgeschiedenis, die het meest
aangehaald wordt, naar het heet, geschreven werd door zijn eigen zoon,
dan zullen we ons niet zoo zeer verwonderen, dat de berichten omtrent
zijn persoon en zijne handelingen, zoo zeer uiteen loopen.

Zoodra Columbus de blijde tijding vernam, snelde hij naar het dek,
en--hij ook, hij zag het land!

Welk eene algemeene vreugde er aanboord van de drie scheepjes
heerschte, kan niet beschreven worden. Zelfs de ruwste zeerobben, die
zich wellicht zouden schamen om in hun eigen land te laten zien, dat
ze nog tranen hadden, weenden van blijdschap en omarmden elkander. Het
was geen wonder ook. De vele teleurstellingen, die ze ondervonden, en
de angsten, die ze uitgestaan hadden, maakten de blijdschap des te
grooter, en vol dankbaarheid hieven ze, doch nu niet in het gezicht
van eene wolk, die ze voor een eiland hielden en zich in de lucht
oploste, maar in het gezicht van een echt land, een »Te Deum laudamus:
Te Dominum confitemur. Te aeternum Patrum, omnis terra veneratur« aan,
dat is: »U, o God, loven wij! U, o Heer, belijden wij! U, o Eeuwige
Vader, vereert de gansche aarde!«

Neen, het was nu geen gezichtsbedrog, want zie, toen de zon geheel
boven de kimmen verrezen was, en de schepen het land naderden, wemelde
het strand van inboorlingen, die vol verbazing de schepen zagen
naderen.

Zij wisten niet, wat zij zagen, want de zeilen deden hen denken aan
vleugels, en de rompen der schepen werden daardoor in hunne oogen tot
vogels herschapen.

[Illustratie: Op Vrijdag-morgen, 12 October 1492, aan de kust van het
Watlings-eiland.]

Vrijdag, de twaalfde October van het jaar 1492, is en blijft, hoe men
ook over Columbus denken moge, een dag die een der merkwaardigste in
de wereld-geschiedenis heeten mag. Die drie scheepjes, met hunne
honderdtwintig mannen, deden hier meer dan zelfs een Godfried van
Bouillon voor Jeruzalem deed. Was deze, door zijne grootsche daad, bij
machte om aan Europa's maatschappelijke instellingen eene andere
richting te geven, Columbus met zijne mannen gaf aan de heele
maatschappij, zooals ze over de Oude, en nu ook de Nieuwe wereld
verspreid was, een' ruk, die haar niet alleen van koers deed
veranderen, maar ook in eene heel andere stelling bracht.

Na het eindigen van den lofzang, werden de booten uitgezet, om, op
Portugeesche wijze, bezit van het land te gaan nemen.

Columbus was de eerste, die den voet aanwal zette, en toen allen, die
in de booten geland waren, zich om hem heen schaarden, plantte hij den
standaard van Kastilië en Aragon op het strand, en verklaarde plechtig
het land in bezit te nemen voor Zijne Majesteit Koning Ferdinand en
Hare Majesteit Koningin Isabella.

Dat Columbus met al zijne tochtgenooten in de stellige overtuiging
was, dat hij de Indiën langs den westelijken weg bereikt had, weten
we. Dat men nog verscheidene jaren daarna dit geloofde, en niet wist,
dat men Plato's fabelachtig Atlantis gevonden had, weten mijne lezers
uit dit boek nog niet, maar toch is het zoo.

Volgens de nauwkeurigste onderzoekingen, was het eiland, dat Columbus
het eerst ontdekte, het eiland Watling, dat behoort tot die groep
eilanden, die zich boogvormig uitstrekt ten Noorden van Cuba en Haïti
en bekend is onder den naam van Bahama-eilanden. Op sommige atlassen
staat er ook de naam Guanahani bij, en wordt er bij vermeld, dat het
voorheen San Salvador heette, en het eerst ontdekte eiland van
Columbus was.

Van de inboorlingen, die vol aandacht de handelingen der vreemde
mannen gadesloegen, vernam Columbus, zoo goed en kwaad dit met de
gebarentaal ging, dat het eiland door hen »Guanahani« genoemd werd.
Hij echter, bezield met het voornemen, den Christelijken godsdienst
over de heele Indiën te laten prediken, noemde het San Salvador, wat
in onze taal beduidt: »Heilige Verlosser«.

Vreemd moet het ieder schijnen, dat de inboorlingen zoo weinig vrees
aan den dag legden, en bij de landing niet vol angst voor die
zonderlinge wezens in hunne bosschen vloden. Hiervoor bestond echter
eene oorzaak, die de Spanjaarden eerst later vernamen. Er was onder de
inboorlingen van Mejico, dat later door Cortez ontdekt werd, eene oude
voorspelling in omloop, waarover we bij de geschiedenis van Cortez
breedvoeriger spreken zullen. Het zij voldoende hier te melden, dat de
Mejicanen de komst dier »kinderen van de zon« verwachtten. Dat geloof
was zelfs zóó sterk, dat een voornaam inboorling eens aan een'
Spanjaard vroeg, hoe ze uit den hemel neergedaald waren, op vleugels
of op wolken? Hoogstwaarschijnlijk was die voorspelling ten deele ook
doorgedrongen tot de eenvoudige bewoners der Bahama-eilanden.

Eenvoudig, ja, dat waren ze, en wel tot groote teleurstelling der
Spanjaarden. Om goud te verkrijgen, hadden ze zich tot het doen van
dezen gevaarlijken tocht verbonden; aan goud dachten ze elken dag van
hunne lange reis. Het woord »goud« was instaat, de vrees in moed te
veranderen. Vertellingen, waarin goud eene hoofdrol speelde, hadden
het eentonige leven aanboord eenigszins verlevendigd; van goud
droomden ze. En zie, de inboorlingen liepen bijna naakt, en van
paleizen en tempels, gedekt met gouden platen, was niets te zien.
Alleen hadden sommigen den neus doorboord, en droegen in die opening,
als sieraad, kleine gouden staafjes. Wapenen van metaal kenden ze zóó
weinig, dat een hunner in Columbus' zwaard liep, en zich daardoor
deerlijk verwondde.

Waarlijk, de teleurstelling was al te groot, waar de verwachting zoo
buitengewoon gespannen was. Toch, de menschen hadden goud, al was het
weinig, en toen men, natuurlijk steeds met gebaren, hun gevraagd had,
vanwaar ze dat goud hadden gekregen, wezen ze naar het Zuiden.

Zoodra men dit vernomen had, wilde Columbus niet langer op dat kleine
eiland blijven, en reeds twee dagen later verliet hij het, om zijne
ontdekkingen voort te zetten. Met het doel hun op den verderen tocht
eenig Spaansch te leeren, opdat ze dienst zouden kunnen doen als
tolken, nam hij zeven inboorlingen mede, en zette koers naar het
Zuiden. Hij zag nu verscheidene eilanden en eilandjes, doch daar geen
dezer het gezochte »Zipangu« kon zijn, deed hij er slechts drie aan,
en zeilde de andere voorbij. Ook op de drie eilanden, die hij bezocht,
vond hij dezelfde, onbeschaafde, arme, doch goedige inboorlingen, die,
als sieraad, een gouden staafje door den neus droegen, en op zijne
vraag, vanwaar ze dat goud hadden, hun antwoord, door gebaren,
geregeld deden luiden: »Uit eene streek ten Zuiden van hier!«

In den vroegen morgen van den achtentwintigsten October, kreeg men
echter eene kust in het gezicht, welke niet aan een eilandje, als de
reeds ontdekte, kon behooren. Het moest de kust zijn van een zeer
groot eiland, of van het vasteland. De monding eener rivier ziende,
liep Columbus deze binnen, niet alleen met het doel om dit land in
bezit te nemen voor Spanje of het te laten onderzoeken, maar ook om de
schepen, die op den tocht veel geleden hadden, eens goed te laten
herstellen.

Bij het naderen der schepen, waren twee kano's hun te gemoet geroeid,
doch toen Columbus de zeilen liet strijken en de ankers liet vallen,
namen ze de vlucht.

Zoodra men aanwal was, werd het land op de gebruikelijke wijze in
bezit genomen, en door Columbus »Juana« genoemd. Thans draagt het den
naam van Cuba. Het is nog altijd in het bezit der Spanjaarden, en voor
hen, wat Java voor de Nederlanders is, hoewel het voor Spanje zoo vele
voordeelen niet oplevert. In grootte ontloopen deze twee eilanden
elkander zoo heel veel niet, daar Java slechts tweehonderd vierkante
geographische mijlen meer oppervlakte heeft. Het binnenland is
bergachtig, en de hoogste top heeft eene hoogte van
vijfentwintighonderd Meters. Tal van rivieren, die uit den aard der
zaak niet groot kunnen zijn, stroomen naar de kusten, en maken den
vruchtbaren grond zeer geschikt voor den landbouw. Suiker, koffie,
katoen, tabak, cacao, indigo, maïs, rijst, ananassen, bananen,
allerlei zuidvruchten en kostbare houtsoorten zijn de tegenwoordige
voortbrengselen uit het plantenrijk. Als men echter weet, dat slechts
het elfde deel van de heele oppervlakte des eilands vrij goed bebouwd
wordt, en dat de overige tien elfde deelen zoo goed als geheel
verwaarloosd worden, dan springt het terstond in het oog, dat de
Spanjaarden van deze heerlijke bezitting al heel weinig voordeel
trekken.

De vraag der eerste ontdekkers: »Is er goud?« besliste over het
toekomstige lot van alle landen, die door de Spanjaarden ontdekt
werden.

Op eene vraag, die men eens aan Cortez deed, waarom de Spanjaarden
toch zoo altijd naar goud verlangden, luidde het antwoord: »Wij lijden
aan eene ziekte, waartegen goud het eenige geneesmiddel is.« En zóó
was het. De goudkoorts was Spanjes ziekte, en het scheen, dat zij zich
verhief, naarmate men het geneesmiddel meer vond.

»Is er goud?« Men kon die vraag nu niet aan de inboorlingen doen, want
dezen lieten zich aanvankelijk niet zien. Nu stuurde Columbus eenige
gewapende mannen, vergezeld van een paar eilanders van San Salvador,
het binnenland in.

De mannen drongen meer dan zestig mijlen landwaarts in, en toen ze
terugkwamen, deelden ze aan hunne nieuwsgierige makkers mede: »Het
land is buitengewoon vruchtbaar, zeer goed bebouwd, en vol prachtige
bosschen. Wij zijn op een dorp geweest, en werden daar niet alleen
vriendelijk ontvangen, maar men kuste ons zelfs de voeten, als wilde
men ons goddelijke eer bewijzen. Zij gaven ons volop te eten, en wel
een soort van wortels, die, als ze gekookt waren, in smaak veel
geleken op kastanjes. Het brood, dat we kregen, was uitnemend om te
eten, en gebakken van een meel, dat ze »cassave« noemden. Wilde dieren
hebben we nergens gezien, ja, we ontdekten zelfs geene andere
viervoetige dieren dan eene soort van honden, die niet kunnen blaffen,
en diertjes, die wel wat op konijnen geleken.«

»»En is er goud?««

»De inwoners van het dorp liepen niet zoo naakt, als die van San
Salvador, maar hunne hutten waren zeer eenvoudig, ja, bijna armoedig
ingericht. Slechts door den neus droegen velen een gouden staafje. Wij
hebben eenigen van hen overgehaald, om ons te volgen. Daar zijn de
lieden; oordeelt nu zelf!«

De medegebrachte inboorlingen werden voor Columbus gebracht, en nadat
deze, met behulp der tolken, wat evenwel nog zeer gebrekkig in zijn
werk ging, hun een en ander gevraagd had, wees hij op de gouden
neusstaafjes, en vroeg: »Vanwaar krijgt gij dat goud?«

De inboorlingen antwoordden: »Uit Cubanacan,« wat beteekende: »Uit het
binnenland van ons eiland.«

Columbus, die niet beter wist, dan dat hij werkelijk de eilanden, die
ten oosten van Azië lagen, bereikt had, en die Cuba voor Zipangu
hield, meende nu uit »_Cubanacan_« te moeten verstaan: »_Groot-Khan_«.

Thans was, indien hij nog bestond, alle twijfel opgeheven. Dit eiland
wás Zipangu, en ten zuiden lag het goudland. Dat kon niet anders zijn
dan Kataï, want daar woonde immers de »Groot-Khan«?

Al heel spoedig echter werd Columbus tot eene andere dwaling gebracht.

Drie der tolken, die aanboord van de »Pinta« waren, herkenden het land
zeer goed, en nu zeiden ze tot Martin Alonzo Pinzon, dat achter de
kaap, die daar voor hen lag, eene rivier was, en slechts vier
dagreizen daarvan verwijderd was het zoogenaamde »Cubanacan«.

Pinzon gaf hiervan aan Columbus terstond bericht, en nu redeneerde
deze: »Als vier dagreizen van deze rivier Cubanacan gevonden wordt,
dan is dat niet het eiland Zipangu, maar dan hebben we het vasteland
van Azië vóór ons, en bevinden we ons in de nabijheid van het machtige
Tataarsche rijk Kataï.«

Hij vatte het plan op om er heen te zeilen en dan een Gezantschap naar
den Groot-Khan te zenden, doch hoe men zocht, nergens werd eene
geschikte ankerplaats gevonden, zoodat de reizigers weder den steven
wendden naar de plaats, die ze verlaten hadden.

Onder den ruilhandel, die andermaal gedreven werd, vernam Columbus,
dat de Vorst van het land vier dagreizen ver in het binnenland woonde,
en nu besloot hij, er toch een Gezantschap heen te zenden.

Bij hem aanboord diende Louis De Torres, een bekeerde Israëliet, die
niet alleen Hebreeuwsch en Chaldeeuwsch, maar zelfs Arabisch verstond.
Aan het Hof van den »Groot-Khan« zouden er stellig zijn, die ook
Arabisch spraken, en daarom werd De Torres met nog een' anderen
Spanjaard uitgezonden om den »Groot-Khan« de komst bekend te maken van
een' Afgezant van den machtigen Koning van Aragon en de Koningin van
Kastilië. Voor de zekerheid gaf Columbus echter ook een' der tolken
mede.

Na verloop van eenige dagen keerde De Torres terug, met het
teleurstellende bericht, dat hij den Vorst gezien had, maar dat hij
niet met hem had kunnen spreken. Dit had de tolk moeten doen, en het
was geen wonder, want van den »Groot-Khan« was geene sprake. Inplaats
van de groote stad »Quin-sai«, waar alles van goud, zilver, diamanten
en parelen moest blinken, hadden ze een dorp gevonden van hoogstens
vijftig ellendige hutten. De bewoners, ten getale van ongeveer duizend
zielen, liepen ook bijna geheel naakt, en de Koning van het land was
een alledaagsch man, zonder eenige uiterlijke teekenen van zijne hooge
waardigheid. Het merkwaardigste, dat ze gezien hadden was, dat de
inboorlingen droge bladeren, die ze »tobacco« noemden, in elkander
rolden, in den mond en dan inbrand staken om den rook in wolken uit te
blazen. Zij waren met allerlei eerbewijzen ontvangen, dat was waar;
men had hen, als boden des hemels of zonen der goden vereerd, dat was
óók waar. Het land was verder overal even schoon, en vruchtbaar, vol
prachtige boomen, bloemen, vruchten en veldgewassen, het kon niet
tegengesproken worden, maar--van goud, zilver, diamanten of parelen
was geene sprake. Om Columbus te overtuigen van de waarheid van
hetgeen ze zeiden, hadden ze drie mannen uit het dorp medegebracht.

Dit was dus eene nieuwe teleurstelling, en daar de nachten koel
begonnen te worden, vreesde hij, dat hij in den winter vervallen zou,
zoo hij in bijna noordelijke richting voortzeilde. Men keerde dus
terug, en voer naar het Oostzuidoosten zonder het eiland ergens aan te
doen. Op dien tocht had Columbus met veel tegenwind te worstelen, en
toen hij eindelijk ten oosten van Cuba weer aan alle kanten de zee
had, ontdekte hij ver in het Zuidoosten land. Hopende dat dit het
verlangde rijk van den »Groot-Khan« zijn zou en dat daar het goudland
was, zeilde hij er heen, doch een sterke tegenwind dreef hem ver van
den koers. Opeens ook ontdekte hij, dat de »Pinta« afhield, en hoe er
ook geseind werd, niet terugkwam. Intusschen viel de avond, doch toen
den volgenden dag de zon opkwam, was de »Pinta« verdwenen.

Columbus zeide, dat Martin Pinzon niet tegen wind en zee had kunnen
opwerken, en nu, ver van het land geslagen, misschien wel verloren
was.

Hij vergiste zich echter. Een der tolken had op zijne manier zoo
duidelijk het goudland aangewezen, dat Martins hebzucht overhand kreeg
over de vriendschap. Hij had besloten op eigen gelegenheid, en zonder
Columbus, dat goudland op te zoeken.

Andere geschiedschrijvers stellen het zóó voor, alsof Columbus zeer
goed wist, wat zijn Onder-bevelhebber in het schild voerde. Hij
vreesde evenwel, zoo zegt men, dat mogelijk ook Vicente het voorbeeld
zijns broeders zou volgen, als hij wist, dat Martin het waagde, den
Admiraal ongehoorzaam te zijn. Mogelijk zou zelfs het volk van de
»Santa Maria« daardoor oproerig durven worden. Door nu te vertellen,
dat de »Pinta« door storm en hooge zeeën uit den koers geslagen en
denkelijk verloren was, kon hij die ongehoorzaamheid voorkomen. Toen
later Martin weer bij Columbus kwam, liet de laatste echter niet
blijken, dat hij hem wantrouwde, hoewel dit toch wel degelijk het
geval was. Dit bleek later uit Columbus' daden.

Pas den vijfden December kwam Columbus bij dat nieuwe land aan. Het
duurde lang eer hij eene geschikte plaats kon vinden om er te ankeren,
en op dien tocht langs de kust zag hij dat het ook een schoon en
vruchtbaar land was met bergen, die met verbazend groote en trotsche
wouden overdekt waren.

Eindelijk zag hij eene kleine baai, die hij binnenliep. De enkele
inboorlingen, die men af en toe gezien had, hadden allen de vlucht
genomen, doch ten slotte wisten de matrozen zich meester te maken van
eene jonge vrouw, die ze bij Columbus brachten.

De Admiraal begreep dat hij door middel van deze vrouw met de
inboorlingen misschien vertrouwelijk zou kunnen worden. Hij vroeg haar
niet veel, doch gaf haar eenige glazen koralen en een paar andere
kleinigheden en liet haar toen weer teruggaan.

Dat middel had geholpen, want nu kwamen de bewoners spoedig van alle
kanten opdagen om ruilhandel te drijven. Met de meeste vriendelijkheid
en gastvrijheid boden ze den Spanjaarden cassave-brood, visschen en
vruchten. Zij waren blanker en schooner van gestalte dan alle
inboorlingen, die men tot op dit oogenblik gezien had, doch ze liepen
ook bijna naakt, en schenen niet alleen zeer onwetend, maar ook zeer
arm te zijn, en het gebruik van het ijzer kenden ze niet, want hunne
wapenen bestonden slechts uit eene soort van lansen, die aan de punt
van eene scherpe, doch groote vischgraat voorzien waren.

Op de vraag hoe hun land heette, gaven ze ten antwoord: »Haïti«.

Columbus nam er weer plechtig bezit van, en noemde het »Hispaniola« of
»Klein Spanje«. Later gaf hij het den naam van »San-Domingo«.

Hoe vriendschappelijk ook door de inboorlingen ontvangen, er ontbrak
wat aan. Hoe schoon het eiland, van de kusten gezien, ook schijnen
mocht, er haperde wat aan.

Men vond slechts weinig goud.

Blijkbaar waren de bewoners zeer vredelievende menschen, die tevreden
en gelukkig leefden te midden van eene onuitputtelijk rijke natuur, en
onder het bestuur van een' Vorst, die den titel van Kazike droeg, en
die geen tiran of dwingeland, maar een zachtzinnig en goed man was.
Wat wilde men meer?

Ja, dat die onnoozele menschen tevreden en gelukkig waren, wilden de
Spanjaarden wel aannemen, zulke onbeschaafde wezens hadden ook zooveel
niet noodig, en de staat van onbeschaafdheid, waarin zij leefden,
maakte ook de behoeften zeer gering. Maar zij, de beschaafde
Spanjaarden, hadden een heel ander begrip van het woord _behoefte_, en
om aan die behoeften te voldoen, hadden ze goud, zilver, parelen of
diamanten noodig. En juist dát alles vonden ze hier niet, en daarom
togen ze steeds verder langs de kust, overal zoekende, overal vragende
naar goud en naar niets anders dan goud.

Op dien tocht liepen ze eene kleine, natuurlijke haven binnen, en
hoewel de bewoners aanvankelijk zeer schuw waren, gelukte het den
Spanjaarden toch ook met hen vertrouwelijk te worden. Columbus kreeg
zelfs een bezoek aanboord van een' jongen Vorst of Kazike, en deze
vereerde den Admiraal een' sierlijk afgewerkten gordel en twee stukken
goud. Inruil hiervoor gaf Columbus hem een' lap laken, een paar
schoenen van gekleurd leder, eene flesch met water van oranjebloesem
en eenige glazen koralen. Meer dan elders lachte deze schoone streek
den Spanjaarden toe, zoodat ze besloten er eene soort van vestiging te
bouwen, waar men vertoeven kon, als men niet aanboord was. Midden op
het dorpje, als men de verzameling van huizen althans zóó noemen mag,
maakten ze bovendien een zeer groot houten kruis, en zoowel aan het
woonhuis, als aan het kruis, arbeidden de inboorlingen trouw mede. Ja,
toen het kruis klaar was, en de Spanjaarden er voor nederknielden,
bogen ook de goedhartige en eenvoudige inwoners de knieën. Was het
wonder, dat Columbus, dit ziende, overtuigd was, dat de prediking van
het Evangelie hier in vruchtbare aarde vallen zou?

Eenige dagen daarna, het was op den tweeëntwintigsten December,
ontving Columbus een bezoek van Guacanagari, blijkbaar den
voornaamsten Vorst van het heele eiland. Vooraf echter kwam de eerste
dienaar van dien Vorst en gaf den Admiraal, uit naam van den Kazike,
eenige geschenken. Tot die geschenken behoorde een gordel, waaraan
gekleurde balletjes en kunstig bewerkte beentjes waren, en verder was
er ook bij een houten menschenhoofd, met ooren, neus en tong van goud.
Na deze geschenken te hebben overgereikt, verzocht hij Columbus aan
het verzoek van den Kazike te willen voldoen, door met zijne schepen
een weinig oostelijker eene baai binnen te loopen.

Columbus voldeed hieraan, en zoodra hij binnen de bedoelde baai lag,
zond hij eenigen van zijn volk naar de plaats waar de Kazike
waarschijnlijk zijne residentie had en de Afgezanten wachten zou.

De Spanjaarden werden met allerlei bewijzen van eerbied en hoogachting
ontvangen, en toen de Kazike aan ieder hunner een katoenen kleed
gegeven had, kwamen ook de inboorlingen aandragen met eene groote
menigte van de heerlijkste vruchten.

De Kazike had de Afgezanten gaarne bij zich willen houden, doch dezen
waren verplicht om naar hunne schepen terug te keeren. Bij hun vertrek
gaf hij hun voor den Admiraal eenige tamme papegaaien en een paar
stukken goud mede.

Terwijl de Afgezanten op bezoek bij den Kazike waren, kwamen talrijke
kano's langszij de schepen van Columbus, en alle inboorlingen, die hem
het een of ander aanboden, verzekerden hem, dat het land niet alleen
schoon en vruchtbaar, maar ook buitengewoon rijk aan goud was. Zij
hadden bij het noemen van goud naar het Oosten gewezen, en den naam
»Cibao« genoemd.

Later bleek het, dat dit Cibao eene streek in het midden van hun
eiland was, welke ten oosten van deze baai lag. Columbus echter bracht
alles, wat hij hoorde of zag, in verband met de Indiën, en de namen
van volken, landen en steden, welke genoemd werden in de
reisbeschrijving van Marco Polo. Zoo verwarde hij »Cibao« met
»Zipangu«, en die verwarring ontstond nog te eer, omdat de eenvoudige
Haïtiërs hem mededeelden, dat de Kazike van dat land gouden huizen en
gouden banieren had.

Wie zich over de onnoozelheid van Columbus verbaast, waar deze van
Cibao,--men spreekt de _ao_ uit als onze _ou_,--eenvoudig Zipangu
maakte, vergeet, dat het spreken met deze menschen nog zeer gebrekkig
ging, daar men in een paar maanden tijds geene vreemde taal leert in
een land, waar zelfs, voor de bezoekers, kunst- en
natuurvoortbrengselen vreemd zijn.

Dit land Cibao, of zooals hij dan dacht, Zipangu, wilde hij opzoeken,
en daartoe verlieten de schepen weer de baai. Nauwelijks echter was
men buiten, of de Stuurman van de »Santa-Maria«, die met de klippen en
riffen van het vaarwater onbekend was, liet zijn schip op eene blinde
klip loopen. Het zat muurvast, en tot overmaat van smart bleek het
weldra, dat het ook gebroken was. Thans was het »haast-je, rep-je,« om
alles, wat aanboord was, op de »Nina« over te brengen, en daar de wal
gelukkig nog gemakkelijk te bereiken viel, zoo werden daar tal van
voorwerpen gebracht, waarvoor op de »Nina«, die zeer klein was, niet
zoo dadelijk plaats kon gevonden worden. De goedige Haïtiërs, die
getuigen van de ramp waren geweest, bewezen, bij het bergen, met hunne
kano's goede diensten.

Het verlies van de »Santa Maria« was voor Columbus bijna eene
onherstelbare ramp, vooral nu de »Pinta«, die bijna even groot als het
verloren Admiraalsschip was, hem verlaten had.

Hoe Columbus over de Haïtiërs dacht, vooral na deze schipbreuk, blijkt
uit hetgeen hij schreef in het Journaal, dat hij aan Ferdinand en
Isabella wilde geven.

»Zoo liefderijk, zoo meegaande en zoo vreedzaam zijn deze eenvoudige
lieden, dat ik aan Uwe Majesteiten de plechtige verzekering geef, dat
er op heel de aarde geene betere menschen zijn, en dat er nergens
eenig land is, dat beter zou kunnen genoemd worden. Zij hebben hunne
naasten lief, als zichzelven, en uit al hunne gesprekken straalt
liefelijkheid en zoetheid. Hun mond heeft steeds een' vriendelijk
lachenden trek, en al loopen ze ook bijna naakt, toch zijn ze in al
hunne manieren onberispelijk en betamelijk.«

Zeer neergedrukt door het verlies van de »Santa-Maria« zat den
achtentwintigsten December Columbus in de kleine kajuit van de »Nina«,
toen de goedhartige Kazike Guacanagari hem kwam bezoeken, en deze had
zooveel medelijden met het leed des Admiraals, dat hij zijne tranen
niet weerhouden kon.

Terwijl beide mannen daar bij elkander zaten, kwamen er matrozen in de
kajuit, die zeiden dat er inboorlingen uit het Zuiden des lands
gekomen waren, om stukjes en klompjes goud te verruilen tegen kleine
valken-belletjes. Deze belletjes had Columbus vóór dien tijd al eens
gegeven, en het scheen wel, dat de Haïtiërs hierop zeer gesteld waren;
men zegt, dat ze op de maat van die belletjes godsdienstige dansen
uitvoerden.

Op het hooren van dit belangrijke bericht verhelderde Columbus'
gelaat, en de verbaasde Guacanagari vroeg waardoor dit kwam.

Columbus deelde het hem mede, en eenigszins minachtend haalde nu de
Kazike de schouders op, en zeide, dat er op grooten afstand in het
gebergte zooveel goud te vinden was, dat men er weinig waarde aan
hechtte. Gaarne wilde hij zorgen, dat de Admiraal hiervan een' goeden
voorraad kreeg. Ook Guacanagari noemde dat land »Cibao«, en natuurlijk
was het, dat Columbus nu alweer aan Zipangu dacht. Maar in alle
gevallen, Columbus sloeg dat aanbod niet af, en beloofde den Kazike
den volgenden dag bij hem een bezoek te zullen brengen. Dit geschiedde
ook, en toen de overvloedige maaltijd afgeloopen was, en de Kazike
door zijne onderdanen eenige spelen liet uitvoeren, gaf Columbus bevel
aan een' der zijnen om vanboord een' Moorschen boog met pijlkoker te
halen, en dan meteen den Kastiliaan mede te brengen, van wien het
bekend was, dat hij een uitnemend boogschutter was. Toen deze voor den
Vorst en zijne onderdanen de noodige proeven geleverd had van hetgeen
er met dit wapen kon gedaan worden, waren de Haïtiërs opgetogen van
verbazing en verwondering, en de Kazike zeide, dat, als zijne
onderhoorigen ook zulke wapenen hadden, die dan menigmaal te pas
zouden komen.

»Of ze dan zooveel oorlog voerden?« vroeg Columbus.

»Nooit,« antwoordde Guacanagari. »Maar ver uit het Zuiden komen vaak
de Caraïben, in kano's, van hunne eilanden om ons hier te vangen, te
slachten en te verslinden. Wij kunnen geene tegenweer bieden en niets
anders doen dan in onze bosschen vluchten.«

Thans werd het Columbus duidelijk waarom de Cubanen en ook de Haïtiërs
zoo schuw waren en van het strand vluchtten, zoodra ze de schepen
zagen. Men zag hen aan voor Caraïben. Dat de bewoners van Guanahani
heel anders gehandeld, en veel minder vrees betoond hadden, kwam
zeker, omdat de Caraïben het niet waagden met hunne kano's zich zoo
ver in zee te begeven.

Intusschen bracht de geheel argelooze mededeeling van den Kazike den
Admiraal op een denkbeeld.

Hij was nu al zoo lang uit Spanje afwezig geweest, en het werd tijd om
weer terug te keeren, niet alleen om verslag van zijne ontdekkingen te
doen en de belooningen te ontvangen, welke hij geëischt had, maar ook
om nieuwe schepen te krijgen. Met de kleine »Nina« kon hij niets van
belang uitvoeren, en bovendien, waar moest hij al het volk bergen en
wáár alles laten, wat op de »Santa-Maria« geweest was?

Als hij hier eens eene sterkte liet bouwen en een deel van de
bemanning achterliet, als bezetting? De kanonnen, het kruit, de kogels
en de wapenen, die op de »Santa-Maria« geweest waren, konden dan in
het fort blijven, en de »Nina« kreeg daardoor laadruimte vrij, en deze
had hij hard noodig. Hij wilde toch aan Ferdinand en Isabella een en
ander uit die vreemde wereld laten zien. Ze zouden hem dan beter
gelooven, en zijn' tegenstanders zou hij er het zwijgen door opleggen.

Hij deed Guacanagari dit voorstel en vol vreugde nam deze het aan,
waarop men terstond aan het bouwen ging van het houten fort. De
onnoozele Haïtiërs, door den Kazike onderricht, welk een groot
geschenk de »Zonen der zon« hun geven wilden, hielpen met alle macht
aan den bouw mede, en binnen een paar dagen was het fort, dat van
Columbus den naam van »La Navidad« kreeg, voltooid. Om te laten zien
welk eene uitwerking het geschut had, liet Columbus een paar kanonnen
afschieten. Doodelijk verschrikt zagen de Haïtiërs welke vreeselijke
verwoestingen de kogels konden aanrichten, maar ze begrepen ook, dat
ze onder bescherming van zulke wapenen tegen de Caraïben volkomen
bestand waren.

Zoo ongemerkt had de »Nina« toch nog al eene vrij rijke lading
ingekregen, welke lading nog in waarde won door het vreemde waaruit ze
bestond, want wat Columbus ook van de Westkust van Afrika te Lissabon
had zien binnenkomen, en wat hij ooit in Genua gezien had, dat uit de
Indiën aangevoerd was, nooit had hij gezien, wat hij aanboord had, en
zijn volk ook niet.

Toch bleef Columbus standvastig in zijn geloof, dat hij de Indiën
gevonden had, al weersprak dit ook bijna de heele lading. Het moet
inderdaad vreemd genoemd worden, dat Columbus zelf dat niet inzag.

Veertig mannen, die zichzelven daartoe vrijwillig aangeboden hadden,
liet hij als bezetting van »La Navidad« achter, en den vierden Januari
van het jaar 1493 verliet de »Nina«, onder het gebulder der
saluutschoten, het heerlijke eiland Haïti of Hispaniola, met zijne
hartelijke bewoners.

Twee dagen na zijn vertrek ontmoette Columbus de »Pinta«, die, zooals
later bleek, een' vruchteloozen tocht gedaan had. Columbus deed, alsof
hij de verontschuldigingen van Martin Pinzon aannam, en zeilde langs
Haïti verder, hier en daar nog eenige baaien binnenloopende, om
ruilhandel te drijven, en ten slotte om zich van een' goeden voorraad
cassave-brood en water te voorzien.

Den zestienden Januari staken de »Nina« en de »Pinta« den Oceaan in,
doch nu op eene hoogere breedte dan ze gekomen waren, zeilden ze het
Oosten in.

Aanvankelijk was de wind voor den terugkeer niet gunstig, doch daar
het weder voortdurend goed en zonnig was, maakte niemand zich
ongerust. Langzaam stak men de breede wateren over, en reeds had men
de Azorische Eilanden in het gezicht, toen de twee schepen door een'
woedenden storm overvallen werden. Dagen lang werden de vaartuigen
heen en weer over de baren geslagen. De »Nina«, een oud en slecht
schip, liep het grootste gevaar, en, alsof het werk sprak, van de
»Pinta« was geene hulp te verwachten, want die was alweer verdwenen.
Vergaan was ze niet, dat wist ieder van Columbus' mannen, die evenwel
geen van allen gissen konden, dat Martin Alonzo Pinzon ten tweeden
male opzettelijk de »Nina« verlaten had.

Columbus echter doorgrondde dien man volkomen. Martin zou beproeven,
met zijn sterk schip Spanje te bereiken, want de »Nina« moest, naar
zijne meening, stellig vergaan. Dan zou Martin ten Hove ijlen, en daar
mededeelen, dat hij, en niet Columbus, de Indiën op de westelijke
vaart gevonden had.

Nu, _moest_ de »Nina« vergaan, dan zou ook de Admiraal zijn graf in de
golven vinden, en hij zou er geene schade bij kunnen hebben, als een
ander de eer der ontdekking zich toeëigende.

Maar Columbus was bij al zijne deugden zeer eerzuchtig, en hij wilde,
dat ook na zijn' dood zijn' naam met eere zou genoemd worden door
Spanjaard en vreemdeling, door vrienden en tegenstanders.

Of die eerzucht alleen sprak?

Columbus was ook Vader, en hij had te Cordova op eene der
kloosterscholen zijne twee zoons achtergelaten om hen op te voeden en
te onderrichten in alle wetenschappen, en wanneer nu een ander de eer
kreeg, de Indiën gevonden te hebben, wat zou er dan van zijne kinderen
worden?

Neen, bij al de eerzucht, die hem beheerschte, sprak ook de
Vaderliefde, die hem bezielde, en die Vaderliefde denkelijk nog wel
het meest.

Hij haalde het Journaal, dat hij voor Ferdinand en Isabella zoo trouw
bijgehouden had, nam er, onder het schommelen en slingeren van het
machtelooze schip, een afschrift van, en schreef daaronder een roerend
slot, een afscheid aan de wereld. Hij deed dit op perkament, wikkelde
het in eene waterdichte stof en verzegelde het. Daarop liet hij het in
eene ton kuipen en--het werd aan de golven toevertrouwd. Het
origineele Journaal werd op dezelfde wijze ingepakt en in eene ton
gedaan, welke aanboord bleef. Verging de »Nina«, deze ton zou óók
drijven, en waar uit de »Indiën« zoo menigmaal voorwerpen op Madeira
of Porto-Santo waren aangedreven, daar zou toch wel ééne van die twee
tonnen ook in handen van Europeanen komen.

Deze maatregelen van voorzorg waren evenwel niet noodig geweest. De
storm bedaarde, en hoewel met zware averij, de »Nina« bleef behouden.
Ze kwam op het eiland Santa-Maria aan, en velen der bemanning
verlieten daar het schip, om in de Kerk God voor hunne redding te
danken. De Portugeesche Gouverneur, meenende, dat de Spanjaarden naar
Guinea geweest waren, waar ze volgens het besluit van den Paus niet
mochten komen, liet deze mannen gevangennemen, doch toen Columbus de
zaak opgehelderd had, werden ze weer vrijgelaten en de terugreis werd
voortgezet. Andermaal werd echter, den derden Maart, de »Nina« door
een' vreeselijken storm aangevallen, en de Admiraal was genoodzaakt de
Taag binnen te loopen. Zoo was hij dan andermaal te Lissabon, waar
zijne komst alle gemoederen in beweging bracht, vooral toen men zag,
niet alleen welke waren en handels-artikelen, maar ook welke vreemde
menschen en dieren hij aanboord had.

Al heel spoedig ontwaarde Columbus, dat de Portugeezen heel ontstemd
waren, dat de Spanjaarden den weg door het Westen naar de Indiën
gevonden hadden. Eenige aanzienlijke mannen sloegen Koning Johan II
zelfs voor, den gehaten Columbus te overvallen en te dooden, doch de
Koning, hoeveel spijt hij ook mocht hebben, dat hij indertijd
Columbus' voorstel niet aangenomen had, wilde van zulk eene
laaghartige handelwijze niets weten. Integendeel hij vereerde den
moedigen en stouten ontdekker eene som van twintig ducaten, die hij
aan den Stuurman der »Nina« moest uitkeeren, en den dertienden Maart
vertrok Columbus uit Lissabon. Twee dagen later kwam hij te Palos aan.
Het was de vijftiende Maart van het jaar 1493, en ontegenzeglijk mag
deze datum een der merkwaardigste uit de Spaansche geschiedenis
genoemd worden. Niet zoodra was het schip in het gezicht, of het heele
stadje liep naar de haven.

Nauwelijks lag het schip aan den wal gemeerd, of Columbus gaf gehoor
aan den aandrang van zijn vroom gemoed. Gevolgd door zijne
schepelingen begaf hij zich terstond naar de kerk om God voor Zijne
bescherming te danken. Spoedig was bekend geworden, dat Columbus de
Indiën werkelijk ontdekt had, en de heele stad werd vervuld van het
gejuich der opgetogen bewoners. Alle werkzaamheden werden gestaakt; de
handelaars sloten hunne winkels, en, als op een' hoogen feestdag,
werden alle klokken geluid. Geen' Koning kon meer eer bewezen worden
dan Columbus tendeel viel.

Het eerste werk van den Admiraal, welke titel hem nu ten volle
toekwam, was te vernemen, waar het Hof zich thans ophield, en toen hem
gezegd was, dat de Koning en de Koningin zich te Barcelona bevonden,
was hij aanvankelijk van voornemen om met de »Nina« er heen te zeilen.
Daar het vaartuig op de reis echter veel geleden had, zag hij van dat
plan af, en besloot hij, de reis naar de residentie over land te
maken. Aan den avond van denzelfden dag kwam ook de »Pinta« te Palos
aan. Voortgejaagd door den storm, of met opzet Columbus
vooruitgezeild, was Martin Alonzo Pinzon toch zóó afgedwaald, dat hij
te Bayonne in Frankrijk aangekomen was. Terstond stuurde hij eene
boodschap naar Koning Ferdinand om dezen bekend te maken, dat de
Indiën gevonden waren, en hem meteen te vragen of hij aan het Hof
komen mocht om verslag van de ontdekking te doen. Of Pinzon nu
werkelijk geloofde, dat Columbus en de zijnen in den storm omgekomen
waren, dan wel of hij de eer der ontdekking zich wilde toeëigenen, is
nog altijd de vraag. De vreemde handelwijze van dezen Pinzon doet
evenwel het vermoeden aan de hand, dat hij Columbus onderkruipen
wilde. Koning Ferdinand, die waarlijk den Genuees niet al te zeer
genegen was, schijnt ook begrepen te hebben, dat Pinzons handelwijze
niet in den haak was, want hij liet hem weten, dat hij wel aan het Hof
verschijnen mocht, doch alleen in het gevolg van den Admiraal. Zoo nu
deze Pinzon hoopte toch nog voor den Koning te zullen verschijnen, als
ontdekker van de Indiën, omdat Columbus omgekomen was, dan zal die
hoop wel dadelijk verdwenen zijn, toen hij des avonds te Palos kwam,
en daar niet alleen de »Nina«, maar ook den Admiraal vond. Hij trok,
naar het schijnt, zijn' tegenspoed zich zóó aan, dat hij kort daarop
stierf.

Nauwelijks van de vermoeienissen uitgerust, begaf Columbus zich nu
over Sevilla op reis naar Barcelona. Dat moet voor den man een
onvergetelijke tocht geweest zijn, want overal waar hij doortrok, werd
hij als een machtig Koning ontvangen. Niet te ontkennen is het, dat
Columbus zelf aan zulk eene ontvangst medewerkte, want al wat hij in
die vreemde gewesten gevonden en naar Spanje medegebracht had, werd
voor hem uitgedragen. Zelfs zes Indianen openden den tocht, en hadden
met hunne beschilderde of gekleurde huid, en hun hoofdtooisel van
vogelvederen buitengewoon veel bekijks.

[Illustratie: Ontvangst van Columbus in Barcelona.]

Het is eigenaardig, dat men zich altijd vergist heeft met te beweren,
dat de oorspronkelijke bewoners van Amerika geboren roodhuidige
menschen zijn. Dr. H. F. C. Ten Kate Jr. zegt in zijn »Reizen en
onderzoekingen in Amerika«: »Eens en voor al moet ik hier wijzen op de
onjuistheid der benaming »Roodhuiden«, eene benaming, die niet alleen
zeer populair is, maar die zelfs haar' weg in wetenschappelijke werken
heeft gevonden. De Indianen hebben geene roode huid, evenmin als
Hindoes, Javanen, Maleiërs of Polynesiërs, en ik geloof, dat men
veilig kan aannemen, dat de Noord-Amerikaansche Indianen al de
huidschakeeringen hebben van de zoo even genoemde rassen, en dikwijls
zelfs lichter van kleur zijn. Bij de Moqui- en Zuïn-Indianen heb ik
vrouwen gezien, die eene lichtere gelaatskleur hadden dan menige van
hare zusters in Zuid-Europa. Het is echter de gewoonte, die bij zeer
vele Indiaansche stammen bestaat, om zich het gelaat gedeeltelijk met
eene roode kleurstof in te smeren, die den onjuisten naam »Roodhuiden«
in zwang heeft doen komen.«

Wie zou na het lezen van Coopers en Aimards werken gedacht hebben, dat
er geene geboren »Roodhuiden« waren!

Met dat al verschilden de Indianen toch zooveel van de Spaansche
bevolking, dat ze iedereen terstond in het oog vielen, en dat ze zelfs
hem, die nu nog niet gelooven kon, dat Columbus vreemde landen in het
Westen gevonden had, terstond overtuigden, dat het land, dat zulke
menschen zag geboren worden, een onbekend land moest zijn. Dat bewezen
ook de dieren, die in den optocht waren, en vooral de bonte papegaaien
verkondigden door hunne prachtige vederen, dat ze uit vreemde streken
kwamen.

Eindelijk naderde Columbus met zijn gevolg Barcelona, en zoodra dit
den Koning en de Koningin bericht was, begaven ze zich naar het groote
marktveld, waar men alles voor Columbus' plechtige en schitterende
ontvangst had laten gereedmaken. Het Vorstelijk paar nam op eene
tribune plaats, en ten aanschouwe van duizenden nieuwsgierigen mocht
Columbus zich bij Ferdinand en Isabella neerzetten om verslag van
zijne reis te doen. Hoogere eer kon Columbus al niet bewezen worden,
dan te mogen _zitten_ in het bijzijn van zijne Monarchen. Geen wonder
dat dit eerbewijs onzen Columbus onder de trotsche Spaansche
Edellieden nog meer vijanden bracht dan hij reeds had. Tegenover dien
vreemdeling te moeten erkennen dat men zich vergist had, toen men zijn
plan eene hersenschim noemde, was al erg genoeg, en dan nog te moeten
zien, dat hem een voorrecht vergund werd, hetwelk den meesten onder
hen nimmer verleend zou worden, dat was om de ergernis ten top te doen
stijgen. Columbus' vijanden waren evenwel zoo wijs om in die eerste
dagen van algemeene geestdrift te zwijgen. Ze begrepen, dat ze hem dan
nog meer tot den man van den dag zouden maken. Ze kenden Koning
Ferdinand ook te goed, om niet te weten, dat diens geestdrift voor den
Genuees spoedig genoeg bekoeld zou zijn, en daarom zouden ze hun' tijd
wel afwachten. De latere lotgevallen van Columbus zullen bewijzen, dat
zijne vijanden volkomen hun doel bereikten. Ze mochten nu ook al niet
doen, als de vereerders van den »Liguriër«, en hem op alle mogelijke
wijzen vleien en verheerlijken, ze mochten hem zelfs zoo nu en dan in
het geheim doen gevoelen, dat ze hem haatten en minachtten, in het
openbaar hielden ze zich, alsof zij volkomen eenstemmig over Columbus
dachten, als alle anderen. Of Columbus zich door hen liet verschalken,
het is niet te denken. Maar hij trok er zich niets van aan, want de
Koning en de Koningin hadden hem in al de bedongen waardigheden
bevestigd. Hij was »Admiraal van den Oceaan« en »Onder-koning van de
Indiën«. En zóó hoog geplaatst, zóó dicht bij den troon staande, en
zóó gesteund door duizenden en duizenden uit het volk, gevoelde hij
zich tegen alle aanslagen bestand. Dat wie hoog geklommen is, laag
vallen kan, bedacht hij niet, en hieraan kon hij ook niet denken. Niet
door vleierij, niet door slaafsche onderworpenheid, maar door
grootsche daden had hij dat hooge standpunt bereikt, en--deze daden en
die, welke hij nog verrichten zou, ze zouden hem handhaven in zijne
waardigheden, want daden vielen niet weg te cijferen. De geschiedenis
meldt die gedachten van Columbus niet, maar uit alles, wat hij een
tijdlang deed, blijkt het dat hij aan geen »laag vallen« dacht.

Het groote nieuws dat de weg naar de Indiën door Columbus gevonden was
door het Westen in te zeilen, verspreidde zich als een loopend vuurtje
door al de landen van Koning Ferdinand en Koningin Isabella. Had het
plan van Columbus bijna allen onverschillig gelaten, nu het bleek, dat
het plan uitgevoerd was, en dat men, het Westen inzeilende, werkelijk
in de Indiën kwam, zag men die onverschilligheid opeens verdwijnen en
plaats maken voor de begeerte om in die verre landen Ridderlijke
avonturen na te jagen, of zich te verrijken met het goud, dat er in
overvloed was. Vooral de Spaansche Edelen, die eeuwen lang in een'
voortdurenden strijd, of, als er geen oorlog was, in veete met de
Mooren geleefd hadden, waren geboren »mannen van wapenen«. Nu waren de
Mooren geheel onderworpen, en de meeste Ridders liepen zich op hunne
landgoederen vervelen. De Indiën brachten uitkomst; dáár konden ze den
wapenroem van zichzelven en hun geslacht door nieuwe heldendaden
vermeerderen en verhoogen.

»Wapenroem? Bah!« zoo dachten de kooplieden, wier zaken in wanorde
waren, of zij, die zonder veel moeite en bijna zonder werken,
schatrijk wilden worden. Het woord »goud« bracht hen in verrukking, en
deed bij hen de begeerte ontstaan om te trekken naar die vreemde
gewesten.

Overal kwam leven, overal beweging, overal een verlangen, om, onder
aanvoering van Columbus, naar de Indiën te gaan, om daar ridderlijk te
kampen, gemakkelijk rijk te worden, of om het Evangelie onder de
Heidenen te verkondigen. Geen wonder was het dus, dat er nu met spoed
aan eene nieuwe uitrusting gewerkt werd. En thans zouden het geene
drie scheepjes zijn, tendeele bemand met booswichten, dieven en
moordenaars! Neen, eene vloot zou men in zee brengen, en deze vloot
zou bemand worden met de keur van Castiliës Edelen, met de kundigste
zeelieden en met de meest berekende handelaars. Vrome en ijverige
Monniken en Geestelijken zouden medegaan, en misplaatste spaarzaamheid
zou niet aan het woord zijn, waar het gold de vloot van alles te
voorzien.

De slimme Koning Ferdinand echter trachtte ondertusschen zich van de
ontdekte landen niet alleen te verzekeren, maar ook alle andere volken
den pas af te snijden, om door het Westen heen naar de Indiën te gaan.
Een Pauselijke bul was daartoe voldoende, en daar Paus Alexander VI
Borgia, een geboren Spanjaard was, en op het oogenblik zelfs in Spanje
vertoefde, zoo repten Ferdinand en Isabella zich om van die schoone
gelegenheid gebruik te maken. De Paus, die als een groot Staatsman
bekend staat, begreep dat het verstandig was om zich naar de begeerten
van de beide Monarchen te schikken, en door eene bul van den derden
Mei 1493, en nog door eene andere van den volgenden dag bepaalde hij,
dat alle ontdekkingen, die door de Spanjaarden in het Westen zouden
gedaan worden, uitsluitend aan de Kroon van Spanje zouden behooren.
Eene denkbeeldige lijn, die op honderd Spaansche mijlen afstands ten
Westen van de Azorische Eilanden en van pool tot pool liep, zou de
grensscheiding zijn tusschen Oost en West, wat in dit geval beduidde:
tusschen Portugal en Spanje. Naar den zin van den Portugeeschen Koning
was dat niet. Het schijnt dat deze begreep, dat die lijn niets te
beduiden had, en er nog eene tweede noodig was. Immers, als hij het
Oosten ingaande ook de Indiën vond, en hij vertrouwde dat dit gebeuren
zou, dan moesten, het kon niet anders, Spanjaarden en Portugeezen op
een bepaald punt der ronde Aarde elkander naderen? Hij wendde derhalve
allerlei pogingen aan om die denkbeeldige grenslijn op te heffen. Dit
gelukte hem evenwel niet, en hij kreeg alleen gedaan, dat bij eene bul
van den zevenden Juni 1494 die grenslijn verlegd werd tot op
driehonderd zeventig Spaansche mijlen afstands ten Westen van de
Kaapverdische Eilanden.

Tot die beslissing hadden de Spaansche Monarchen echter niet gewacht
met het uitzenden van Columbus op een' tweeden ontdekkingstocht, en
toen die grenslijn verlegd werd, was Columbus reeds lang andermaal in
de Nieuwe wereld. Op die tweede reis willen wij hem volgen.



HOOFDSTUK VII.

LASTER EN NAIJVER.


Zoodra de eerste gunstige beschikking door den Paus genomen was, begon
men alle krachten aan het uitrusten der vloot te wijden, en weldra
lagen in de haven van Cadiz drie groote koopvaardijschepen en veertien
karveelen te wachten op--geschikte manschappen. Twaalfhonderd mannen
zouden medegaan, doch de aanvragen om mede te mogen trekken, waren zóó
talrijk, dat men er nog driehonderd man bij deed. Ongelukkig genoeg
waren onder die vijftienhonderd menschen slechts zeer weinigen, die
zeeman van beroep konden genoemd worden, en daar de matrozen zich niet
zoo gemakkelijk lieten vinden als de avonturiers, zoo werd het nog de
vijfentwintigste September 1493 eer Columbus kon uitzeilen. Gedurende
dien tijd had Columbus reeds menigmalen tegenwerking ondervonden.
Koning Ferdinand had Don Juan Rodriguez De Fonseca benoemd om toezicht
op de uitrusting te houden en meteen voor het welbesteden van het geld
te zorgen. Fonseca behoorde tot de geheime tegenstanders van Columbus,
en eer deze uitzeilde, was het over de bezoldiging van het
schitterende gevolg des Admiraals tot onaangenaamheden gekomen, daar
Fonseca en de Betaalmeester, Don Juan De Soria, die bezoldiging
weigerden uit te betalen. Koningin Isabella bleef hem in deze netelige
omstandigheden, die tot groote moeielijkheden aanleiding konden geven,
trouw ter zijde staan, zoodat Columbus triumfeerde, en zich machtig
genoeg gevoelde om zijn' tegenstanders trotsch het hoofd te bieden.

Terstond na zijn vertrek richtte Columbus den koers naar de Kanarische
Eilanden. Bij Gomera, op Groot-Kanarië, werd het anker uitgeworpen.
Men voorzag daar de vloot van versch water en brandhout, nam er
kalveren, geiten, schapen en varkens aanboord, en zorgde meteen om
zich te voorzien van allerlei zaden van planten, met het oogmerk, om
die dieren en planten naar de Indiën over te brengen. Toen de vloot
gereed was om het Westen in te stevenen, gaf Columbus aan iederen
Scheepsbevelhebber een' verzegelden brief, met last, dien slechts te
openen, wanneer zijn schip van de overige schepen afgedwaald was. In
dien brief zou hij dan kunnen zien hoe hij varen moest om op het
eiland Hispaniola aan te komen. Er ligt iets geheimzinnigs in deze
handelwijze van Columbus, dat eenige opheldering behoeft. Columbus
wilde de _wegwijzer_ blijven, om aan de Spanjaarden de gelegenheid te
ontnemen, op eigen hand op ontdekkingen uit te gaan en zich daardoor
bij de Monarchen verdienstelijk te maken. Deze mededingers zouden voor
het behoud zijner hooge waardigheid gevaarlijk worden, en dat er vele
Edelen aanboord waren, die hem gaarne den voet lichten zouden, wist
hij maar al te goed, en zijn broeder Diego, die hem op deze reis
vergezelde en die meer voor Geestelijke dan Krijgsbevelhebber geschikt
was, en daardoor bij velen in zekere minachting stond, kon vaak
ervaren, dat er tal van Edelen en Ridders op de vloot aanwezig waren,
die slechts gedwongen Columbus als hun' Opperbevelhebber beschouwden,
en zich aan zijn gezag zouden onttrekken, zoodra zij meenden, dat er
aan hunne waardigheid van Hidalgo te kort gedaan werd.

De tocht, die door Columbus thans veel zuidelijker gemaakt werd dan op
de eerste reis, in de hoop de eilanden der Caraïben te zullen vinden,
waarvan de inboorlingen hem verteld hadden, was vrij voorspoedig. De
schepen bleven steeds in elkanders gezicht, en den dag, na dien waarop
men op de heele vloot het feest van Allerheiligen gevierd had, werd
een eiland ontdekt. Het was het eerste der Caraïbische Eilanden. Men
ging er niet aan wal, en toen de vlotelingen, ongeduldig om toch aan
land te gaan, er bij hem herhaaldelijk op aandrongen, gaf hij dit
eiland den naam van »Deseada«, dat »Verlangen« beteekent. Op den
Zondag, die daarop volgde, ontdekte men opnieuw een eiland. Columbus
noemde het naar den dag waarop het ontdekt was, »Dominica«, doch daar
hij nergens eene geschikte plaats vond om te ankeren, zoo besloot hij
verder te zeilen, en vond nu achtereenvolgens de eilanden, die hij den
naam gaf van »Marie Galante« en »Guadaloupe«. Dezen laatsten naam gaf
Columbus aan dit schoone eiland, omdat hij den Abt van het klooster
Onze Lieve Vrouwe van Guadaloupe in Estramadura beloofd had, een nieuw
ontdekt deel der Indiën naar zijn klooster te noemen.

Toen men in de nabijheid van dit eiland eene goede reede gevonden had,
liet men het anker vallen en begaf een deel der schepelingen zich aan
wal, om het eiland nader te verkennen. Zoodra de Spanjaarden in booten
den wal naderden, hadden de bewoners met zooveel overhaasting de
vlucht genomen, dat ze zelfs eenige kinderen achterlieten. Het volk,
aan den wal gekomen, deed den kinderen geen leed, integendeel, men gaf
hun allerlei snuisterijen, vooral belletjes, waarop de Indianen verzot
waren. Men hoopte door deze kleine geschenken de Ouders te winnen,
doch dit mislukte. De Spanjaarden zagen evenwel, dat de bewoners van
dit eiland beschaafder moesten zijn dan die van de eilanden, welke
Columbus op zijne vorige reis gevonden had. De bouworde der woningen
was veel doelmatiger, en ook de inrichting van binnen bood meer
gemakken aan. Tot hunne verbazing vonden ze in eene dezer woningen
een' achteroploop of hekbalk van een schip van Europeesche makelij.
Hoe dit hier gekomen was, scheen velen een raadsel, doch Columbus
vermoedde, dat het afkomstig was van de »Santa-Maria«, die hij, zooals
we weten, op de eerste reis door schipbreuk verloren had. Zeer wel
mogelijk kan het ook zijn, dat een Portugeesch schip, door storm
afgedwaald, hier in de nabijheid van dit eiland vergaan was, en die
mogelijkheid wordt er grooter op, als we weten, dat de Spanjaarden in
een der huizen ook een' ijzeren pot vonden. Intusschen bleek uit
alles, dat de bewoners dezer eilanden menscheneters waren, want
behalve dat men in de woningen vele bekkeneelen vond, ontdekte men op
tal van plaatsen ook deelen van menschelijke geraamten. Dat de
Caraïben menscheneters waren, valt niet tegen te spreken, maar of ze
het wel in die mate waren, als ze door de Spanjaarden, zelfs van veel
lateren tijd, afgeschilderd werden, mag betwijfeld worden. Vele
oorspronkelijke bewoners van Amerika hadden de gewoonte om het
stoffelijk overschot van bloedverwanten en vrienden in hunne
onmiddellijke nabijheid te bewaren. Dit kan ook de gewoonte der
Caraïben geweest zijn. De Spanjaarden hadden echter geene moediger
tegenstanders dan juist deze Caraïben, en--van zijn' vijand vertelt
men immers zelden wat anders dan kwaad?

Vruchtbaar was Guadaloupe in hooge mate, doch dat, wat de meesten naar
de Indiën gedreven had, was er niet. Men vond geen goud. Columbus vond
dat niet zoo heel erg; want goud zouden ze in overvloed vinden, als ze
bij het fort La Navidad aangekomen waren. De achtergelaten Kolonisten
zouden gedurende den tijd zijner afwezigheid van de goedige en
hartelijke inboorlingen, op de gemakkelijkste wijze, groote schatten
verzameld hebben. Dat La Navidad trok hem zóó machtig aan, dat hij er
niet aan dacht om, nu hij de Caraïbische Eilanden gevonden had, ook
dat groote vasteland op te zoeken, dat volgens de mededeelingen van
Guacanagari en zijne vrienden in het Zuiden lag. Niet te verwonderen
is het dus, dat hij zoo spoedig mogelijk het fort wilde opzoeken, en
zeer ontstemd was, toen hij tegen zijn' zin bij Guadaloupe eenige
dagen opgehouden werd. Diego Marque, een Kapitein van eene karveel,
was met acht man aan wal gegaan en niet teruggekomen. Stellig was hij
in de dichte bosschen van het eiland verdwaald, en hem met de zijnen
achterlaten, dat kon niet. Na een paar dagen te vergeefs gewacht te
hebben, bood Alonzo De Hojeda zich aan om met veertig man de vermisten
op te sporen. Columbus nam dat aanbod aan, en onder de schepelingen
behoefde men niet lang te zoeken naar veertig man, die onder De Hojeda
het eiland wilden doorkruisen. Alonzo De Hojeda was de moedigste,
krachtigste, dapperste en onverschrokkenste avonturier van geheel
Spanje. De daden van dezen Ridder, die, als knaap, in den oorlog tegen
de Mooren reeds de sterkste proeven van zijne vermetele dapperheid
gegeven had, grenzen bijna aan het ongeloofelijke. Vol moed begaven de
dapperen zich op weg, doch keerden ze terug met allerlei berichten
over de schoonheid en vruchtbaarheid van dat eiland, de vermisten
brachten ze niet mede. Nu besloot men de mannen aan hun lot over te
laten en de ankers te lichten, doch juist terwijl men hiermede bezig
was, verschenen de verlorenen op het strand, en in een' deerlijken
toestand, het gevolg van al de ellende, die ze geleden hadden, keerden
ze op de vloot terug. Voor de overtreding der krijgstucht waren ze
door al de ellende, waaraan ze dagen lang overgegeven waren geweest,
stellig genoeg gestraft, maar ze hadden Columbus door het veroorzaakte
oponthoud verbitterd, en daarom werd Kapitein Diego Marque in arrest
gesteld, en de acht mannen, die hem vergezeld hadden, werden gestraft
door het inkorten van hun rantsoen.

Thans echter werd niet langer vertoefd, en vol moed nu spoedig de
Kolonie te bereiken, richtte men den steven noordwaarts. Talrijke
eilanden werden nog op die vaart ontdekt, en ieder kreeg een' naam.
Bij een van die eilanden, door de inboorlingen »Ayay« genoemd,
geraakten eenige matrozen in een bloedig gevecht met zes Caraïben,
vier mannen en twee vrouwen. Zelfs toen hunne kano door de boot der
Spanjaarden overzeild was, zett'en de mannen zoowel als de vrouwen den
strijd nog voort, en niet dan met groote moeite werden er vijf
gevangengenomen. Een der Caraïben was gesneuveld. In dit gevecht
maakten de Spanjaarden ook kennis met de vergiftigde pijlen der
inboorlingen, want een matroos, die er door gekwetst was geworden,
stierf korten tijd daarna onder de vreeselijkste pijnen. Vele eilanden
latende liggen, zette Columbus de reis voort en kwam eindelijk bij een
groot en schoon eiland, dat door de gevangenen »Boriquen« genoemd
werd, doch dat van den Admiraal den naam ontving naar Johannes den
Dooper: »San Juan Baptista«, bij welken naam later nog gevoegd werd
»de Puerto Rico«, dat zeggen wil: »Van de Rijke Haven«. Tegenwoordig
kent men het alleen onder den naam van Portorico. Op den tocht van
Deseada tot hier had men op enkele eilanden eenige vrouwen aanboord
gekregen, die de vlucht naar de schepen genomen hadden. Door de
Caraïben gevangengenomen, ontkwamen ze zóó het treurige lot, dat haar
wachtte. De meeste vrouwen waren van dit eiland afkomstig, en van haar
vernam Columbus, dat het niet alleen schoon en vruchtbaar, maar ook
rijk en machtig was, en dat het door één' Kazike bestuurd werd. Eene
goede ankerplaats gevonden hebbende, ging men er aanwal, en kwam heel
spoedig bij een dorp, dat er buitengewoon net en welvarend uitzag. Het
was blijkbaar de verblijfplaats van een Opperhoofd, misschien wel van
den Kazike. Niemand echter kon hun inlichtingen geven, want bij hunne
nadering waren de bewoners naar het binnenland gevlucht, en de
vrouwen, die aanboord waren, schenen niet te weten welk volk er
woonde. Slechts twee dagen vertoefde Columbus daar, en na eenigen
levensvoorraad ingenomen te hebben, werd de tocht weer voortgezet. Den
tweeëntwintigsten November zag men de kusten van een groot eiland, en
weldra bleek het, dat het Hispaniola was. De grootste vreugde
heerschte op de vloot, want dat was immers het eiland, dat men als zoo
schoon, en zoo rijk, zoo groot en zoo machtig had afgeschilderd? Hier
zouden nu mannen als De Hojeda hunne begeerte naar krijgsroem en
avonturen kunnen bevredigen. Hier weer zouden ze, als in den strijd
tegen de Mooren, zich door heldendaden onderscheiden! Hier zouden ze
het echte leven eens Ridders kunnen leiden! Voor mannen, die gekomen
waren om hunne verwarde financiën te herstellen, of eenvoudig, om van
doodarm, schatrijk te worden, zonder er veel voor te doen, was het in
het gezicht komen van het eiland niet minder eene bron van vreugde. In
hunne verbeelding zagen ze reeds het blinkende goud bij stapels voor
zich, en bouwden ze reeds in hunne gedachten kasteelen in Spanje.

Voor hen, die vol vromen ijver medegegaan waren om het Evangelie onder
de Heidenen te brengen, was de nadering van het eiland eene bron van
het hoogste genot. Hier zouden zij kerken bouwen, trotsch als de
Kathedraal van Sevilla! Hier zouden ze, aangehoord door gedoopte
Christenen, de gewijde gezangen laten weerklinken, en duizenden,
duizenden door het geloof in de Leer des Kruises tot God brengen.

Wat al verschillende redenen tot blijdschap!

En samen hadden ze nog dezelfde reden. Ze zouden weer voet aan land
kunnen zetten, niet in een onbekend land, waar verbleekte bekkeneelen
en doodsbeenderen van afschuwelijke gewoonten vertelden, maar in een
land, bewoond door landgenooten en eene bevriende bevolking.

Geene verwachting kon ooit stouter, geene verbeelding ooit sterker,
geene hoop ooit grooter zijn dan hier het geval was.

En--alles, alles viel zóó tegen, dat ons Nederlandsch: »kasteelen in
de lucht bouwen«, mogelijk dààrom wel in het Fransch luidt: »Bâtir des
Chateaux en Espagne.«

Zacht voor den wind langs de kust voortzeilende, zond Columbus eene
sloep naar den wal om den matroos, die ten gevolge van de wonde, door
den vergiftigden pijl aangebracht, overleden was, te laten begraven.
Door de inboorlingen werden ze in deze plechtigheid niet bemoeielijkt
en zelfs kwamen eenigen hunner op de vloot, om, uit naam van den
naburigen Kazike, Columbus uit te noodigen aan den wal te komen, daar
er veel goud was. Zij wisten dus, wat zoo velen herwaarts dreef, en
dat het woord »goud« op hen eene tooverachtige uitwerking had.
Columbus gaf aan die uitnoodiging geen gehoor, en stevende verder.
Drie dagen later werd in eene geschikte baai geankerd, doch toen het
volk aan den wal ging, vond het daar de geraamten van een' man en een'
jongen. De man had een koord om den hals, en de armen waren geboeid.
Men twijfelde eraan of het geene Spanjaarden waren, doch zekerheid had
men er niet voor. Den volgenden dag evenwel vond men weer twee lijken,
en nu zag men aan den knevelbaard van het eene lijk, dat men hier de
overblijfselen van Spanjaarden voor zich had.

Treurige vermoedens rezen op. Wat kon er gebeurd zijn?

»Naar La Navidad! Dan weten we het! Dan zal men ons daar mededeelen,
wat er met enkele Kolonisten geschied is.«

Zoo dacht men, en vol belangstellende nieuwsgierigheid kwam men den
zevenentwintigsten November, toen de nacht al ingevallen was, voor La
Navidad ten anker. Te laat om nu nog aan den wal te gaan, liet
Columbus door twee kanonschoten aan de Kolonisten bericht geven.

Met koortsachtig ongeduld hoopte men van het fort nu antwoord te
ontvangen, en iedereen op de vloot luisterde naar het schot, dat van
den wal moest komen.

Stil bleef het echter, stil als de tropische nacht, die hen omringde,
en die zelfs de klotsende golfjes inslaap scheen gewiegd te hebben.

Geen enkel seinlicht werd van het fort gegeven.

Niet één op de heele vloot, die niet in angstige spanning verkeerde;
niet één, die gerust ter kooi ging. Men waakte op bijna alle schepen.
Wanneer het gemoed zoo gejaagd is, slaapt men niet.

Eindelijk, stil, daar ziet men wat naderen!

Het is eene kano met inboorlingen bemand, en een dezer vraagt naar den
Admiraal, en als men hun de »Marie Galante« heeft aangewezen,
verdwijnt de kano in de duisternis om het Admiraalsschip te bereiken.

Columbus staat op het dek, en laat door den eenigen tolk, dien hij nog
aanboord heeft, vragen wat het doel hunner komst is.

»Wij willen den Admiraal spreken,« luidt het antwoord, en als Columbus
zegt, dat hijzelf de Admiraal is, gelooven ze hem niet, vóór de
bemanning toortsen ontsteekt om zijn gelaat te verlichten.

Thans herkennen ze hem, en deelen ze mede welke de redenen van hunne
komst zijn. De tolk verstaat hen slechts gebrekkig, doch Columbus komt
toch te weten, dat van La Navidad niets meer over, en dat er van de
Spanjaarden niet één meer in leven is. Ziekten hadden enkelen ten
grave gesleept; in onderlinge twisten waren velen gestorven, en ten
slotte had de machtige Kazike Caonabo de zwakke sterkte met de gedunde
bezetting overvallen, en gedood, wie van de Kolonisten, na ziekten en
twist, nog in het leven gebleven waren. Maar trouw was de Kazike
Guacanagari den Spanjaarden gebleven tot het einde, en zelfs was hij
in den strijd tegen Caonabo zoo gewond geworden, dat hij onmogelijk
komen kon om zijn' vriend, den Admiraal, welkom te heeten en alles te
vertellen.

Treuriger tijding hadden de Spanjaarden wel niet kunnen ontvangen, en
slechts één lichtpunt was er in dit alles voor Columbus, dat de
inboorlingen en de Kazike, waarmede hij vriendschap gesloten had, hem
niet ontrouw geworden waren, of aan laag verraad zich hadden schuldig
gemaakt.

Had hij niet in het reis-journaal van den eersten tocht, hetwelk voor
de Monarchen bestemd was, geschreven: »Deze lieden zijn zoo
liefderijk, zoo handelbaar en zoo vreedzaam, dat ik voor Uwe
Majesteiten zweer, dat er geene betere menschen op de wereld zijn, en
geen beter land is. Zij beminnen hunne evenmenschen als zichzelven.«?

Hoewel Columbus van grootspraak en oppervlakkigheid in dat journaal
niet vrij te pleiten is, had hij deze woorden toch naar waarheid en
stellig met zijn heele hart geschreven.

Wat de Afgezant van Guacanagari mededeelde, bevestigde hem in zijn
geloof aan de oprechte trouw van den Kazike en de zijnen. La Navidad
mocht dan verwoest, de Kolonisten mochten gedood zijn, niet alles was
verloren, en veel kon nog goed gemaakt worden.

Des morgens vroeg liet Columbus zich aan den wal brengen, waar hij van
de waarheid der mededeeling dadelijk overtuigd werd, doch hoe alles in
zijn werk gegaan was, vernam hij natuurlijk niet. Eerst later, als hij
Guacanagari,--die denkelijk zich maar hield, alsof hij gewond was, om
bij Columbus niet in verdenking te komen,--zelf gesproken had, zou hij
weten, dat de achtendertig mannen, die hij onder bevel van Don Arada
achtergelaten had, al heel spoedig na het vertrek van den Admiraal
toonden, dat men het ongebonden leven, hetwelk men in Spanje geleid
had, wilde voortzetten. Dat kon gemakkelijk immers? Guacanagari en
zijne onderdanen waren toch de goedheid zelven? Ja, dat waren ze,
zoolang de Spanjaarden zich gedroegen als »hoogere wezens«, waarvoor
de eenvoudige inboorlingen hen aanvankelijk hielden. Maar toen ze door
hun laaghartig gedrag, hun ongestoord toegeven aan dierlijke driften
en hunne onverzadelijke begeerte naar goud toonden, dat ze in deugden
verre beneden de Indianen stonden, verloren ze den stralenkrans der
heiligheid en verhevenheid, die bij de onnoozele bewoners tot eerbied
en ontzag gedwongen had, en vonden ze in iederen Indiaan een' vijand,
die hen slechts onderdanig bleef, omdat hij wel wist, dat ze door
hunne geweldige oorlogswapenen de overmacht hadden. Anders dacht
Caonabo, de fiere en dappere Kazike van Cibao, er over. Hij liet de
Spanjaarden, die in driesten overmoed rondzwierven, den een na den
ander overvallen en worgen, en toen ziekten de gedunde gelederen der
bezetting teisterden, en Don Arada, òf reeds gesneuveld, òf ziek was,
en dus geene macht meer kon uitoefenen, liet hij La Navidad
overrompelen, uitmoorden en vernielen.

Zóó treurig was het uiteinde van de eerste Kolonie in de Nieuwe
Wereld.

Allerminst mocht men Columbus hiervan een verwijt maken. Men kon geene
vijgen van distelen lezen, en iedereen, die nadacht, zou tot de
overtuiging komen, dat alleen het lage, zedelijke gehalte van het
volk, waarvan hij zich had moeten bedienen, de oorzaak van alles was.
Toch besefte Columbus al te goed dat die ongelukkige afloop van zijne
eerste onderneming koren op den molen zijner tegenstanders was, en dat
zij er wel wapenen uit zouden weten te smeden, om hem bij de Monarchen
in gunst te doen dalen. Maar, klagen hielp niet; hij moest handelen.
Hij moest, wilde hij niet in ongenade vallen en daardoor het heele
doel van zijn leven voor goed verliezen, zich met kracht boven de
slagen van het noodlot verheffen. Hij deed dit, maar, niet altijd
waren de middelen om zijn gezag staande te houden, en zich in zijne
hooge betrekking te handhaven, edel te noemen.

Zijn eerste werk was nu aan den wal te gaan om zijn' trouwen vriend en
bondgenoot Guacanagari een bezoek te brengen. Deze lag, door zijne
vrouwen omringd, in een hangbed, en was op het gezicht van den
Admiraal zeer bedroefd. Hij betuigde alles gedaan te hebben, wat in
zijn vermogen was, om den noodlottigen afloop te keeren, en om te
bewijzen hoe genegen hij den Admiraal was, liet hij hem mooie steenen,
eene gouden kroon en eenige kalebassen vol stofgoud geven. Een der
Spanjaarden, die Arts was, drong er nu op aan om de wonde van het
been, dat geheel omwikkeld was, te onderzoeken, doch toen men de
windselen losgemaakt had en geene enkele wonde vond, vertelde de
Kazike, dat hij niet gewond was geworden, maar dat men een' steen
tegen zijn been gesmeten had. Toen hij de plek waar de steen hem trof,
had aangewezen, en de Arts dat plekje, waar ook niets te zien was,
aanraakte, schreeuwde hij het uit van pijn.

Pater Boyle, een der aanwezige Spanjaarden, beschouwde de heele
handelwijze van den Kazike, en denkelijk niet ten onrechte, als
komedie-spel, en stelde Columbus voor, op Guacanagari en al de
inboorlingen eene bloedige wraak te nemen. Columbus echter wilde in
Guacanagari's gedrag geen komedie-spel zien en bleef hem zijn
vertrouwen schenken. Dit zette bij Pater Boyle en de meeste
Spanjaarden kwaad bloed. Als vreemdeling was hij met de gevallenen
niet verbroederd; hun treurig uiteinde liet hem koud; hij was geen
man, die wat gevoelde voor Castiliaansche eer! En--toch waren ze
verplicht hem, den vreemdeling, den »Liguriër«, te gehoorzamen! Ja,
men zou hem gehoorzamen, zoo lang ongehoorzaamheid gevaarlijk was,
langer niet.

Merkwaardig genoeg vergezelde Guacanagari Columbus nog denzelfden dag
naar de vloot, zonder, naar het scheen, eenig ongemak van zijn been te
hebben. Een' grooten indruk van de Spaansche macht gaven hem de
gevangen Caraïben, want een volk, dat deze gevreesde vijanden durfde
wederstaan en kon overwinnen, was machtiger dan iemand anders. En dan
die paarden daar aanboord der schepen! Nog nimmer had hij zulke groote
dieren gezien! Toch waren ze onderworpen aan die Blanken! Hoe groot
moest niet hunne macht zijn! Maar trots dat alles, de Kazike had te
veel van de Kolonisten gezien, om nog te gelooven, dat de Blanken
bovenaardsche wezens waren, en mocht hij vroeger ook al getoond
hebben, dat hij den Christelijken godsdienst niet ongenegen was, nu
dacht hij er anders over, en niet zonder tegenstand geboden te hebben,
liet hij zich door Columbus een Heiligen-beeldje om den hals hangen.
Die handelwijze van den Kazike verbitterde allen, die gekomen waren om
de leer des Evangelies te prediken, en niet het minst Pater Boyle.

Gaarne had Columbus den Kazike dien nacht aanboord willen houden, doch
dit gelukte hem niet, hoewel het Opperhoofd buitengewoon aangetrokken
werd door de schoonheid van Catalina, eene der vrouwen, die op de
Caraïbische Eilanden bescherming op de vloot gezocht en ook gevonden
hadden, doch die geheel als gevangenen beschouwd en behandeld werden.

Toen de Kazike het Admiraalsschip verlaten had, bleven de Spanjaarden
in een soort van besluiteloosheid ook aanboord, en toen ze den
volgenden morgen aanwal gingen, bemerkten ze onder de inboorlingen,
die zich vertoonden, volstrekt niets van de hartelijkheid, die
Columbus zoo hoog geprezen had. Er was blijkbaar te veel gebeurd, dat
den eenvoudigen Indianen vrees voor de Spanjaarden inboezemde. Tegen
den avond kwam de broeder van Guacanagari weer aanboord bij Columbus
en onderhield zich geruimen tijd met Catalina en hare medegevangenen.
Hij verliet op de gewone wijze het schip en des nachts wisten de
vrouwen overboord te springen en zwemmende den wal te bereiken. Toen
Columbus den volgenden dag bij Guacanagari de vluchtelingen wilde
laten opeischen, vond men den Kazike nergens. Hij was, althans voor
het oogenblik, den Spanjaarden ontweken, en velen, die met Columbus
hem aanvankelijk voor onschuldig hielden aan de gepleegde gruwelen,
begonnen hem nu ook te verdenken. Guacanagari, wiens gedrag tegenover
de eerste Kolonisten nimmer opgehelderd is, kan aan den moord
onschuldig geweest zijn, doch niet tegen te spreken valt het, dat hij
handelde, alsof zijn geweten niet zuiver was, en eenigszins te
bevreemden was het, dat Columbus, trots dit alles, geen oogenblik het
volste vertrouwen in hem verloor.

Dit vertrouwen belette evenwel niet, dat de Admiraal besloot om eene
nieuwe sterkte niet op de plaats van het verwoeste La Navidad te
bouwen. Niet al de Kolonisten toch waren vermoord, maar velen waren
gestorven aan ziekten, die aan deze streek eigen bleken te zijn,
vooral ook, omdat ze vrij laag en moerassig was. Er werd dus eene
betere gelegenheid gezocht, en deze vond hij oostelijk van de oude
nederzetting aan eene ruime baai, die eene vrij hoog gelegen
landstreek bespoelde, welke bovendien in de nabijheid lag van Cibao,
welk binnenland hem reeds op de eerste reis aangewezen was, als het
land, waar veel goud te vinden was.

Zoodra Columbus nu besloten was, hier eene stad te bouwen, liet hij de
schepen lossen en met het medegebrachte werkvolk begon hij den arbeid.
Het werk vorderde bijzonder goed, maar--het klimaat bleek voor zwaren
arbeid niet geschikt, en elken dag kwamen er onder het werkvolk nieuwe
zieken. Columbus zelf werd door overspanning ook ziekelijk, en toen
hij, om de stad klaar te krijgen, bijna iedereen bevel gaf om te
arbeiden, ondervond hij van alle kanten zooveel tegenwerking en
ontevredenheid, dat hij er zwaarmoedig onder werd. Die tegenstand en
ontevredenheid waren te verwachten geweest. Van het oogenblik af, dat
de twee kanonschoten door La Navidad niet beantwoord werden, was de
teleurstelling gekomen, en niets werkt de ontevredenheid en het verzet
meer in de hand dan juist teleurstelling.

En nu moeten gaan werken! In Spanje had geen enkele Ridder ooit het
werk van een' ambachtsman, of den arbeid van een' werkman verricht.
Een Ridder was een man van het zwaard, niet een man van het
gereedschap. Het laatste was voor een' Ridder eene vernedering.

Om schop en spade te hanteeren, daarvoor was de berooide koopman, die
zich even goed een' Hidalgo gevoelde als de voornaamste Edelman, niet
over zee gegaan. Hij was er heen getrokken om goud te verzamelen en
hiermede zijne verwarde geldmiddelen te herstellen.

Om te arbeiden, als een daggelder, was ook de Geestelijke niet naar
die onbekende streken getogen. Hij was gekomen om het Kruis onder de
Heidenen te prediken. Het was er verre af dat men dit doen kon.

Maar, voorloopig zweeg Ridder, Koopman, Geestelijke. Er werd gearbeid,
doch onder voortdurend mokken, en niemand deed iets meer dan hij
moest. Eindelijk was de stad, door Columbus naar zijne Beschermster
»Isabella« genoemd, zoo goed als voltooid. Er was niet alleen eene
kerk, maar ook een paleis voor den Onderkoning en er waren magazijnen
voor levensmiddelen, kleederen en oorlogsbehoeften. Vooral met het oog
op de levensmiddelen, die niet door de inboorlingen aangebracht
werden, diende men ook den vruchtbaren grond te bebouwen. De
inboorlingen zelven leefden buitengewoon matig, en maakten zeer weinig
werk van den landbouw. Dit voorbeeld schenen ook de Spanjaarden te
willen volgen, althans er werd aan het zaaien niet veel gedaan, en,
eerlijk gezegd, daarvoor stonden hunne handen geheel verkeerd. Men had
er, bij het uitzenden der vloot, niet aan gedacht om boerenarbeiders
te laten medetrekken. Dat was immers ook niet noodig, want de bodem
was ongekend vruchtbaar en de inboorlingen waren de vriendelijkheid en
behulpzaamheid in persoon? De treurige gevolgen van die zorgeloosheid
bij het uitrusten der vloot en de volslagen lusteloosheid, die thans
onder de nieuwe Kolonisten, die door koortsen en ziekten verzwakt
waren, heerschte, zouden niet achterblijven.

Intusschen werd het ook meer dan tijd dat de schepen, die hunne lading
gelost hadden, voor een deel terugkeerden naar Spanje. Die schepen,
dat begreep ieder, en niet het minst Columbus, werden in de Spaansche
havens terug verwacht met een ongeduld, dat evenredig was aan de
geestdrift, waarmede zij uitgezonden waren. Columbus zelf had in die
blijde verwachting gedeeld. Te La Navidad de Kolonisten vroolijk
begroeten, de schepen lossen en terstond weer bevrachten met den
onnoemlijk grooten voorraad van goud en zeldzaamheden, door diezelfde
Kolonisten verzameld, dit was zijn plan. De rijkdommen en
heerlijkheden der ontdekte landen zouden in Spanje iedereen uit het
vol geladen scheepsruim tegenblinken.

Hoe deerlijk was hij teleurgesteld! Hij, o, dat gaf niets! Hij bleef
den moed behouden; hij wist, dat hij de rijke Indiën ontdekt had; hij
was onwankelbaar in zijne hoop, ongeschokt in zijn vertrouwen. Maar
hij was Koning Ferdinand niet, en nog minder een De Fonseca, De Soria
of een ander zijner bittere tegenstanders. O, hij voorzag, wat er
gebeuren zou, als men daar in Spanje in het scheepsruim der
teruggekeerde vaartuigen blikte, en teleurstelling en ontevredenheid,
niets anders dan deze, uit de ledige diepte den bezoeker bijna
toeschreeuwden: »Bedrogen door den Genuees, juist zooals we voorspeld
hadden!« En wat dan de gevolgen zouden zijn, ook dát begreep hij
levendig. Er moest dus wat gedaan worden eer de schepen vertrokken. Op
goud en zilver hoopte men in Spanje, en brachten de schepen dat ook al
niet terstond aan, ieder der mannen, die de reis gedaan had, moest
toch volmondig erkennen kunnen: »Er is goud, overvloed van goud in dat
nieuw ontdekte land!«

Om hiervan de zekerheid te hebben, besloot hij eene afdeeling
krijgsvolk op expeditie uit te zenden, en niemand vond hij beter
geschikt om aan het hoofd daarvan te staan dan De Hojeda. Deze nam dat
voorstel gaarne aan en begaf zich met een veertigtal stoutmoedige
mannen, waaronder eenige ruiters waren, op weg. Die ruiters vooral
maakten onder de eenvoudige bevolking, die nimmer zulke groote
viervoetige dieren als de paarden, gezien had, een' buitengewonen
indruk. Zij hield ruiter en paard voor één wezen. Misschien maakte de
vrees de inboorlingen vriendelijk, want overal waar De Hojeda met de
zijnen kwam, werden ze gastvrij ontvangen. Had men gedacht om op dien
tocht groote steden te vinden met paleizen, die gouden wanden en daken
hadden, dan was men opnieuw teleurgesteld, want men vond niets dan
eenvoudige hutten en inwoners, die naakt liepen en van eenige
beschaving geen begrip schenen te hebben. Toch trokken onze
avonturiers zich dat niet aan, want inplaats van bewerkt goud, zagen
ze, dat het zand der bergstroomen schitterde van de vele goudkorrels,
die het bevatte. De Indianen, ziende dat de vreemdelingen dit stofgoud
zoo gaarne hadden, verzamelden een' aanzienlijken voorraad en schonken
dat den Spanjaarden. Er waren zelfs plaatsen, waar men maar te bukken
had om een' klomp gouderts op te rapen. De gevolgtrekking lag voor de
hand: de bodem bevatte groote schatten, die nog onaangeroerd lagen,
want van het mijnwezen en de kunst om uit erts goud te halen, hadden
de Indianen geen begrip. Zij verzamelden slechts stofgoud en hadden
hieraan voor hunne geringe behoeften ook meer dan genoeg. Verheugd,
den Admiraal zulk eene goede tijding te kunnen mededeelen, keerde De
Hojeda met zijne manschappen naar »Isabella« terug, en pas had hij den
Admiraal verslag van zijne ontdekking gedaan, of Corvalan, een Ridder,
die met eenige mannen van een' anderen kant het landschap Cibao binnen
gedrongen was, keerde terug en vertelde hetzelfde.

Dit was ten slotte nog eene ongedachte uitkomst, en daar de tijd van
het jaar juist geschikt was om uit te zeilen, zoo liet Columbus twaalf
schepen naar Spanje vertrekken en gaf zooveel goud en zeldzaamheden
mede, als er op het oogenblik voorhanden waren. Zelfs de gevangen
genomen Caraïben zond hij mede. De Bevelhebber der vloot was Don
Antonio De Torres, en deze kreeg voor de Monarchen een' brief mede,
welke van het begin tot het einde, doch in vrij bloemrijken stijl, den
waren toestand schetste. Hij drong er op aan, dat men hem zoo spoedig
mogelijk werkvolk sturen zou, dat geschikt was om de rijke mijnen van
Cibao te ontginnen. Paarden en werktuigen waren ook daarbij onmisbaar.
Zond men hem bovendien nog eenige Ingenieurs, dan stond hij er voor
in, dat hij weldra schepen vol goud naar Spanje kon bevrachten. Vooral
echter vroeg hij ook om levensmiddelen, daar de Kolonisten, gewoon aan
krachtig voedsel, door de voortbrengselen van Hispaniola niet
voldoende gevoed konden worden. Eer men van de overgevoerde granen en
andere zaden oogsten kon, duurde nog te lang. Verder drong hij er op
aan om hem veel vee toe te zenden, en zoo men er tegen opzag om al die
uitgaven te maken vóór er goud was, dan zou hij zorgen, dat er een
groot aantal Caraïben gevangen en, als slaven, naar Spanje gezonden
werden. Deze laatste raad mishaagde Koningin Isabella, die bij het
vertrek van Columbus er ten sterkste op aangedrongen had, dat men de
inboorlingen op de liefderijkste en vriendelijkste wijze moest
behandelen en in de Christelijke leer onderwijzen. Elke Spanjaard, die
het waagde een' dezer menschen leed te doen of te benadeelen, moest
door Columbus streng gestraft worden. Dit bevel had hem sterk gemaakt
tegenover Pater Boyle en alle anderen, die van meening waren, dat de
dood der eerste Kolonisten voorbeeldig gewroken moest worden. De
bijvoeging van Columbus, dat die Caraïbische slaven tot heil hunner
ziel in Spanje tot Christenen konden bekeerd worden, redde zijn
voorstel niet, want hij kreeg er op ten antwoord, dat men over dit
voorstel nog eens moest nadenken, en Koningin Isabella schreef hem
zelfs, dat hij de bekeering der heidenen ter harte moest nemen, en wel
terstond in het land, waar hij ze vond. Verstond hij de taal dier
menschen niet, in Spanje verstond men deze immers evenmin?

Met over het antwoord te reppen, hetwelk Columbus op zijn' brief
ontving, loopen we de geschiedenis wel wat vooruit, maar het was
noodig om er hier over te spreken, omdat er uit blijkt, dat Columbus
zelf nu en dan maatregelen nam, welke niet te verdedigen waren, zelfs
niet in een' tijd toen men over den slavenhandel heel anders dacht dan
tegenwoordig.

De Kolonisten hadden met droefheid of ergernis de twaalf schepen zien
vertrekken. Wat zou hun lot worden? Velen hunner waren ziek, en zij,
die ziek geweest waren, konden niet op krachten komen. De Admiraal
zelf was ook dikwijls bedlegerig en ging onder de omstandigheden
gedrukt. De levensvoorraad minderde met den dag en van de zijde der
inboorlingen kwam geene toenadering. Zoo nam de ontevredenheid hand
over hand toe, en ten laatste werd er, onder aanvoering van Don Bernal
Diaz De Pisa, eene samenzwering gesmeed, welke ten doel had, zich van
de vijf andere schepen meester te maken, naar Spanje terug te keeren,
en Columbus, als een bedrieger, in staat van beschuldiging te stellen.
Vóór de samenzwering tot eene uitvoering kwam, werd ze ontdekt, en in
een der schepen vond men nu een schotschrift tegen Columbus, zóó vol
laster en leugen, dat men moeite had te gelooven, dat het door een'
der Kolonisten kon opgesteld zijn. En toch was dit wel degelijk het
geval. Don Bernal Diaz De Pisa, die aan het Hof van den Onderkoning
met het bestuur der geldmiddelen belast was, had het geschreven en
gebruik gemaakt van de leugens, die zekere Fermin Cado geliefde op te
disschen. Deze laatste was als essayeur medegegaan, doch zeer
onbekwaam in zijn vak. Hij zeide, dat er slechts zeer weinig goud op
Hispaniola was en dat de inwoners het weinige, dat er was, sinds
eeuwen wellicht, verzameld en telkens gesmolten hadden, om op die
wijze klompen van eenige grootte te verkrijgen.

Nu zulk eene gevaarlijke samenzwering ontdekt was, diende Columbus als
rechter op te treden. Hij deed dat ook, doch inplaats van streng te
straffen, vergenoegde hij zich met de twee hoofdaanleggers eenvoudig
gevangen te laten zetten, en om te voorkomen, dat men niet andermaal
eene dergelijke samenzwering smeedde en ten uitvoer bracht, liet hij
al den krijgsvoorraad en wapenen, benevens de zeevaartkundige
instrumenten van de vijf schepen op één schip overbrengen. Dit eene
schip werd bemand met personen, die volkomen te vertrouwen waren. De
straf was zacht, te zacht zelfs, want velen dachten nu dat Columbus,
aangeklaagd door zijn geweten, niet strenger straffen durfde, en dat
zelfs die zachte straf onrechtvaardig was.

Na de samenzwering verijdeld en de twee belhamels gevangen gezet te
hebben, besloot Columbus om, nu hij weer van zijne ziekte hersteld
was, zelf Cibao te gaan bezoeken. Hij stelde zijn' broeder Diego tot
zijn' plaatsvervanger in het bevel over de stad aan en vertrok aan het
hoofd van eene schitterende krijgsmacht van vierhonderd man het gebied
van Caonabo binnen. Die tocht was wel geschikt om den terneergeslagen
moed op te beuren. Men stond verstomd bij het aanschouwen van de
wondervolle natuurpracht der heele omgeving, die een Paradijs geleek.
»Vega Real«, dat is »Koninklijke Vlakte«, zoo noemde Columbus deze
streek, en niemand was er, die wat op dien naam af te dingen had, want
Koninklijk was alles, tot zelfs het met goud getooide rivierzand, dat
de leugens van den onbekwamen Fermin Cado ten duidelijkste liet
uitkomen. Na een' tocht van twee dagen, waarop men van de zijde der
inboorlingen, na vrees, niets dan hartelijke gastvrijheid ontvangen
had, kwam het leger in eene ruwe bergstreek. De natuur verloor hier
hare Paradijsachtige schoonheid en werd steenachtig, wat geheel in
overeenstemming was met den naam Cibao, die »steen« beteekent.
Opmerkelijk mag het heeten, dat Columbus' volk telkens zoo gauw den
moed verloor, want niettegenstaande men overal in het zand der beken
en rivieren stofgoud vond, wat een bewijs was, dat in het gebergte
zich goudaderen moesten bevinden, haalden de meesten ongeloovig de
schouders op, toen Columbus bevel gaf om hier eene houten sterkte te
bouwen, teneinde de goudmijnen en het volk, dat er in werken zou, te
beschermen. Naar dat ongeloof der zijnen noemde Columbus dat fort
zelfs »San-Thomas«. Terwijl hij toezicht hield op het bouwen van het
fort, zond hij Ridder Juan De Luxan met eenige mannen uit om het land
nader te verkennen, en gedurende dien tijd kwamen de inboorlingen van
alle kanten aan om ruilhandel met hem te drijven. Al spoedig wisten
ze, dat ze voor goud alles konden krijgen, wat in hun oog eenige
waarde had, en spoedig had Columbus nu eene vrij aanzienlijke
hoeveelheid stofgoud verzameld. De inboorlingen, die voor ééne
onnoozele valkenbel soms wel stukken goud gaven, die een ons zwaar
waren, verzekerden, dat er verder in de vallei ook stukken goud ter
grootte van een' oranje-appel, ja, van een kinderhoofd gevonden
werden. Toen De Luxan van zijn' tocht terugkwam, deelde hij den
Admiraal mede, dat overal waar hij geweest was, zich, te midden eener
vruchtbare en schoone natuur, sporen van goud vertoonden.

Thans wist Columbus genoeg, en besloot hij naar Isabella terug te
keeren, het fort San-Thomas, onder het bevel van zijn' gunsteling Don
Pedro Margarite met zesenvijftig man achterlatend.

Was Columbus op dezen tocht tot de overtuiging gekomen, dat De Hojeda
en Corvalan hem waarheid hadden medegedeeld, hij had meteen de
inboorlingen nader leeren kennen. Hij wist nu, dat ze niet zoo goedig
en vreedzaam waren, als hij gedacht had, en dat ze ook een soort van
godsdienst hadden, en dat de dansen, die ze zoo dikwijls hielden, een
godsdienstig karakter hadden. Nu wist hij ook waarom zij zoo verzot
waren op de onnoozele valkenbellen, omdat ze op het geluid daarvan
dansen konden. Later zou hij nog meer van hun' godsdienst leeren
kennen, en zou hij het volgende weten. Zij geloofden aan een
Opperwezen, dat onsterfelijk, onzichtbaar en almachtig was, doch dat
te hoog boven hen verheven stond om het rechtstreeks aan te roepen.
Door middel van halve Goden, die ze »Zemi's« noemden, hielden ze
gemeenschap met Hem. Bijna elke natuurkracht, elk
dampkringsverschijnsel, was het werk van zulk een »Zemi«, die ze soms
in gedrochtelijke afbeelding om den hals of op het hoofd droegen. Zij
wisten ook te vertellen van een' zondvloed, die bijna de heele aarde
had overstroomd, en aan een leven na dit leven geloofden zij ook. De
zielen der zalige afgestorvenen leefden in eene heerlijke vallei aan
de westzijde van het eiland. Overdag verborgen zij zich voor de
levenden, maar in de stilte van den nacht kwamen zij zich voeden met
de vruchten der velden en der boomen, welke daarom door de levenden
ook nimmer geoogst of geplukt werden. Hunne Priesters waren
getatoeëerd of beschilderd met afbeeldingen, zoo gedrochtelijk als
maar mogelijk was, van allerlei »Zemi's«. Priester en Medicijn-man of
Geneesheer zijn, was zoo ongeveer hetzelfde. In de geneeskundige
kracht der kruiden waren ze zeer bedreven, doch bij de ingetogen en
eenvoudige leefwijze der inboorlingen waren er maar zelden zieken.
Wanneer een Kazike op het punt van sterven stond, en de Medicijn-man
verklaarde, dat de zieke niet meer herstellen kon, dan zou het voor
het stervende Opperhoofd eene oneer geweest zijn, indien men hem niet
geworgd had, dat de dood er op volgde. Stond een voornaam inboorling
op het punt van sterven, dan droeg men hem vaak naar de woning van den
Kazike, en wanneer deze dan den lijder eene hooge eer wilde bewijzen,
gaf hij vergunning hem te worgen. Andere lieden, die den dood nabij
waren, gaf men brood en water aan het hoofdeinde en verliet hen dan,
om hen in eenzaamheid te laten sterven.

Werkzaam waren de inboorlingen geen van allen. Hunne behoeften waren
bij uitstek gering, zoodat de natuur, zonder dat zij veel werkten, hun
alles opleverde, wat ze noodig hadden. Door die weinige behoefte
leidden ze zulk een vreedzaam, kalm en gelukkig leven, dat wij er
onszelven, in onze eeuw van duizenden behoeften voor lichaam en geest,
geene voorstelling van maken kunnen. Petrus Martyr, een tijdgenoot van
Columbus, eindigde een zijner brieven over de Indianen van Haïti of
Hispaniola met de woorden: »Alles brengt er geluk en zegen aan.«
Columbus zag dat zeer goed, en daar hij inderdaad een man was, die een
goedig en liefderijk hart bezat, is het voor de inwoners eene ramp te
noemen, dat haat, naijver en laster hem daden konden doen bedrijven
waaraan zijn hart geen deel kon nemen.

Bij zijn' terugkeer te Isabella werd hij al dadelijk uit zijne
gelukkige stemming gebracht door den geest van ontevredenheid of doffe
onverschilligheid, dien hij er vond: een gevolg van de vele ziekten,
die er heerschten. Het was echter niet alleen het vochtige en heete
klimaat, dat die ziekten te voorschijn had geroepen. Velen leidden een
zedeloos en liederlijk leven, en allen leden onder het gebrek aan
goede levensmiddelen. Zelfs het eten, dat zoo goed als bedorven was,
moest bij porties, die steeds kleiner werden, uitgedeeld worden. Meel
had men niet meer, zoodat het weinige koren, dat men nog had, bij
gebrek aan watermolens, met handmolens moest gemalen worden. De
Admiraal begon terstond alles te doen, wat in zijn vermogen was, om
den algemeenen nood te bestrijden, doch pas was hij hiermede bezig, of
er kwam eene boodschap van San-Thomas. De Bevelhebber Margarite vroeg
om versterking, daar de inboorlingen vijandelijke gezindheden aan den
dag legden. De versterking werd gezonden, doch Columbus begreep, dat
het niet veel baten zou, want de oorzaak van die vijandelijke houding
der inboorlingen, zat in het wangedrag der bezetting, welk wangedrag
waarschijnlijk grooter afmetingen zou krijgen, waar de bezetting
talrijker werd. Dreigende vijanden in het binnenland, ziekten in de
stad en eene ontevredenheid onder de zijnen, welke weldra tot verzet
oversloeg, maakten den toestand van Columbus zeer hachelijk, en wilde
hij niet, dat de heele Kolonie andermaal te gronde ging, dan was hij
genoodzaakt als straffend Rechter op te treden. Hij deed dat ook, en,
ziedaar, alweer eene nieuwe reden om den gehaten vreemdeling, den
»huichelachtigen Liguriër«, nog meer vijandig te zijn. De ongunstige
gezondheids-toestand dwong hem ook om iedereen aan den arbeid te
zetten; hij stelde niemand vrij. Ridders en Priesters, die nimmer
handenarbeid geleerd hadden, dwong hij hetzelfde en evenveel werk te
doen, als een geboren werkman. Wanneer men niet genoeg werk verricht
had, werd dit niet aan onmacht om meer te doen, maar aan onwil
toegeschreven. Door deze handelwijze kreeg het verzet bij velen
redenen van bestaan, want eenige Edelen, die aan aanzienlijke
geslachten in Spanje verwant waren, stierven ten gevolge van
uitputting, en toen men hiervan in Spanje de tijding kreeg, rees, zeer
natuurlijk, de vraag: »Mag Columbus zoo willekeurig handelen?«

Aan dien ongelukkigen toestand moest op de eene of andere manier een
einde gemaakt worden en Columbus beraamde daartoe het volgende plan,
dat hij ook ten uitvoer bracht. Hij zelf zou met drie karveelen een'
nieuwen ontdekkingstocht gaan doen. De krijgslieden, die nog gezond
waren, zouden dan in dien tijd onder aanvoering van Don Margarite het
eiland in alle richtingen doorkruisen, en Don De Hojeda zou het bevel
over San-Thomas op zich nemen. Zijn broeder Diego zou met de zieken,
de oppassers en enkele soldaten in de stad blijven. De Geestelijken
zouden, òf het leger, òf hem vergezellen, en tendeele ook in de stad
blijven om de Kerk te bedienen. De Junta aan welks hoofd hij zijn'
broeder stelde, en die hij in Isabella achterliet, bestond uit Pater
Boyle, Pedro Fernandez Coronel, Alonso Sanchez Caravajal en Juan De
Luxan. Na dit alles geregeld te hebben, verliet hij de baai van
Isabella, doch met de drie kleinste schepen, omdat de twee andere,
waaronder het Admiraalsschip, te veel diepgang hadden voor de
onbekende wateren en kusten, die hij opzoeken wilde. Naar zijne
meening moest hij het rechte goudland vinden, waarheen de inboorlingen
hem telkens heengewezen hadden.

Het was den vierentwintigsten April van het jaar 1494 toen Columbus
Isabella verliet om een' nieuwen ontdekkingstocht te beginnen. Zijn
doel was om het eiland Cuba te naderen, op de hoogte, waar hij het bij
zijne eerste reis verlaten had. Vandaar zou hij dan oostelijker zeilen
om zich te overtuigen, dat zijn vermoeden zekerheid was, dat Cuba geen
eiland, maar het vasteland, en derhalve een deel van Kataï was. Vijf
dagen later had hij dat punt bereikt. De inboorlingen namen bij de
nadering der schepen de vlucht, doch de tolk van Guanahani wist hen
over te halen om met de Spanjaarden vriendschap te sluiten. Langzaam
werd de tocht voortgezet, en overal waar Columbus kwam, vond hij bij
de bevolking eerst vrees, doch daarna groote vriendelijkheid en
gastvrijheid. Natuurlijk werd al weer druk naar het goudland gevraagd,
en geregeld wees men hem naar het Zuiden. Columbus verliet daarom de
kust van Cuba, zeilde zuidelijk en weldra zag men hooge bergen zich
aan den horizon verheffen. Vol hoop dat dit het goudland was, naderde
men de nieuwe kust. Werkelijk scheen men hier met een heel ander volk
te doen te hebben, want de oevers wemelden van bont opgesierde mannen,
die in geregelde slagorde naar het strand kwamen, en onder het zwaaien
met lansen en een luidklinkend krijgsgeschreeuw plaats namen in
kano's, waarvan enkele keurig versierd waren. Eenige kleine geschenken
brachten de krijgers tot bedaren, doch Columbus achtte het minder
wenschelijk hier te landen en toog verder. Toen nu evenwel bleek, dat
zijn schip lek geworden was, zocht hij eene geschikte baai op om daar
het vaartuig te laten herstellen. De inboorlingen schenen besloten te
hebben, niet te dulden, dat de Spanjaarden landden. Eene groote
menigte van hen verzamelde zich, gewapend met werplansen, bogen en
pijlen op het strand, en scheen besloten, elke landing onmogelijk te
maken. Columbus liet zich echter niet afschrikken, want hij was
gedwongen te landen, niet alleen om zijn schip te laten kalefaten,
maar ook om versch drinkwater in te nemen. Hij liet dus eenige booten
bemannen en naar den wal roeien. Een oorverdoovend krijgsgeschreeuw
der Indianen weerklonk langs den oever, doch de Spanjaarden schoten
hunne kruisbogen af, wondden verscheidene vijanden, stapten aanwal en
vielen den troep aan. Tegen de Europeesche wapenen waren de
verdedigers van hun land niet bestand, en toen men ten slotte een'
bloedhond op hen aanhitste, werd de vlucht algemeen. Het gebruiken van
deze honden had hier voor het eerst plaats, en zou later op treurige
wijze herhaald worden. Op de gewone plechtige wijze nam Columbus voor
de Spaansche Kroon bezit van het land en al zijne bewoners. Hij gaf
het den naam van »San-Jago«, en later kreeg het dien van Jamaïca. Toen
de inwoners tot de ervaring gekomen waren, dat ze te doen hadden met
lieden, die veel machtiger waren dan zij, werden ze zeer handelbaar en
voorzagen, in ruil tegen kleine voorwerpen, de schepen ruimschoots van
levensmiddelen en vruchten. Goud vond men er niet meer dan elders, en
toen men zekerheid had, dat het een eiland was, begreep Columbus, dat
dit »San-Jago« niet het goudland zijn kon en hij stak weer naar Cuba
over om daar langs de kust nog meer westelijk te zeilen. Dagen
achtereen ging het steeds verder het Westen in; de moeielijkheden om
den tocht voort te zetten namen met elk oogenblik toe. Tal van
eilanden en blinde klippen belemmerden de vaart; stormen en onweders
schenen hier onafgebroken te woeden; de levensmiddelen verminderden
sterk en een groot deel der equipage begon te lijden aan koortsen.
Verscheidene malen deed men eene landing, doch niets wees er op, dat
men eene meer beschaafde streek naderde. Het waren steeds dezelfde
menschen, dezelfde onaanzienlijke woningen, dezelfde boomen en
vruchten. Vroeg men aan de bewoners of hun land een eiland was, dan
wisten zij het niet. Zij wisten alleen, dat de kust nog veel verder
doorliep. Het moest dus het vasteland zijn, het kon niet anders, zoo
meende Columbus, die nog moed genoeg bezat om den moeielijken en
gevaarlijken tocht voort te zetten. In zijne verbeelding zag hij zich
reeds in de Roode Zee. Hij zou eene bedevaart doen naar Jeruzalem, en
als eerste omzeiler van de wereld, triomfantelijk uit het Oosten
terugkeeren in Spanje, dat hij, het Westen ingaande, verlaten had. De
wil om dien tocht te doen, was bij hem aanwezig, maar zijn volk, door
ziekte en zwaar werk afgemat, werd oproerig, en Columbus was
genoodzaakt, zijne reis te staken en terug te keeren. Eer hij hiertoe
overging, wilde hij echter door allen erkend zien, dat Cuba niets
anders was dan het vasteland van Azië. Hij liet door een' beambte een
stuk opstellen waarin dat verklaard werd, en toen Columbus dit stuk
had, las hij het aan de heele bemanning voor. Wie niet geloofde, dat
dit het vasteland van Azië was, mocht nu nog zijne bedenkingen
inbrengen. Had men het stuk eenmaal, als waarheid, bezworen, dan zou
iedere Officier, die het tegensprak, gestraft worden met het verlies
van zijn' rang, en eene boete van drie dukaten. Waagde een der
minderen den bezworen inhoud tegen te spreken, dan zou hij honderd
geeselslagen ontvangen.

Het volk, dat nu eenmaal terug wilde, aarzelde niet om den inhoud van
dat stuk met een' eed te bekrachtigen. Ongeveer driehonderd
vijfentwintig Spaansche mijlen was men voortgezeild, zonder het einde
van de kust te bereiken, en derhalve te ervaren, dat Cuba een eiland
was. Denkelijk geloofden allen dan ook wel, dat men hier het vasteland
voor zich had, en de terugtocht werd aanvaard onder nog veel meer
tegenspoed dan men reeds gehad had. Zelfs Columbus werd ziek van
inspanning. Zijne gedachten werden beneveld; zijn geheugen scheen
verloren te gaan, en menigmaal werd hij, zelfs midden op den dag, door
den slaap overvallen. In dezen toestand kwamen hij en de zijnen, na
eene afwezigheid van honderddrieënvijftig dagen, den vierentwintigsten
September te Isabella aan. En wat hij hier vond? Iets dat den armen
kranke geheel opbeurde; hij vond er zijn' broeder Bartholomeus, dien
hij in geene dertien jaren gezien had. Deze was van zijne omzwervingen
in Engeland en Frankrijk eindelijk in Spanje gekomen, en daar had hij
vernomen, dat Christophorus de Indiën reeds ontdekt had. Hij spoedde
zich nu naar het Hof der Monarchen, in de hoop er zijn' broeder te
ontmoeten, doch deze was reeds voor de tweede reis uitgezeild.
Ferdinand en Isabella ontvingen Bartholomeus met de meeste
onderscheiding, verhieven hem in den Adelstand, ze gaven hem drie
schepen, die behoorlijk bemand en ruimschoots van levensmiddelen voor
de Kolonie voorzien waren, en lieten hem naar de Nieuwe Wereld
vertrekken. Deze Bartholomeus was een buitengewoon stoutmoedig man en
een onverschrokken zeevaarder. Hij had een fier en standvastig
karakter, een helder verstand en een' vasten wil, zoodat Columbus niet
ten onrechte verheugd was, hem hier te vinden. Zulk een man was hem
meer waard dan eene sterke afdeeling soldaten. En zulk een' man had
hij meer dan noodig, want de toestand der Kolonie was zorgwekkend.
Margarite, de man aan wien hij opgedragen had, het eiland te
onderzoeken en dien hij volkomen vertrouwd had, was een ondankbare en
ontrouwe geworden. Met zijne soldaten had hij gemoord en geplunderd,
en de heele bevolking tegen de Spanjaarden in bittere vijandschap
gebracht. Ten slotte was hij met een groot aantal ontevredenen,
waartoe ook Pater Boyle behoorde, op een der drie schepen, waarmede
Bartholomeus gekomen was, naar Spanje teruggekeerd. Wat die
ontevredenen daar bewerken zouden, was voor Columbus geen raadsel.
Inmiddels had de onverschrokken Kazike Caonabo al de Opperhoofden van
het heele eiland tot een verbond tegen de Spanjaarden weten te
bewegen, en ware De Hojeda, die Columbus trouw bleef, niet zoo
weergaloos dapper en stoutmoedig, zoo geslepen en slim geweest,
Columbus zou in Isabella mogelijk een tweede La Navidad gevonden
hebben. Te midden van dezen ongelukkigen toestand bleek het, dat de
Kazike Guacanagari trouwer was dan men waande, want hij liet Columbus
weten, dat de heele bevolking van het eiland, onder aanvoering van
Caonabo tot den ondergang der Spanjaarden besloten had. De dappere De
Hojeda stelde Columbus nu voor om dien Caonabo, die blijkbaar de ziel
der heele onderneming was, door list gevangen te nemen. Hoe? Men wist,
dat de Indianen vol bewondering luisterden naar de klokketonen van de
kerk te Isabella. Men moest nu eene zware, klinkende keten maken, en
die Caonabo, alsof het een geschenk was, om den hals hangen en hem er
dan mede boeien. Wat er verder geschieden moest, zou van de
gebeurtenissen afhangen. Het plan was meer dan gewaagd, doch De Hojeda
wilde het ten uitvoer brengen, en zoo er één was, die het kon, dan was
hij het. Columbus nam het voorstel aan; de keten werd gemaakt, en door
slechts tien mannen, even groote waaghalzen als hij, vergezeld, trok
hij Cibao binnen, verscheen voor Caonabo, kuste hem de hand en bood
hem de rammelende, klinkende keten aan. Caonabo zag in die keten niets
anders dan een »Zemi« van de Spanjaarden, en geloofde den Spanjaard
terstond, toen deze zeide, dat Caonabo eerst in de rivier een bad
moest nemen, eer hij die keten dragen kon. De lichtgeloovige Kazike
ging nu in gezelschap van De Hojeda en diens metgezellen naar de
rivier, baadde zich en liet zich de keten omhangen. Pas was dit
geschied of de Spanjaarden maakten er eene boei van, wierpen hem op
een paard en--op dollen draf ging het nu naar Isabella, waar Caonabo
in de kelders van het steenen huis des Onderkonings gevangen werd
gezet. Hoewel de inboorlingen van hun' Aanvoerder beroofd waren,
besloten ze toch de Spanjaarden aan te vallen. Te midden van al deze
bedrijven was de Admiraal geheel van zijne ziekte hersteld, doch was
het ook Mei van het jaar 1495 geworden. Columbus begreep, dat
krachtig, doortastend handelen alleen de Kolonie redden kon, en aan
het hoofd van slechts tweehonderd man voetvolk en twintig ruiters,
doch vergezeld van een aantal bloedhonden, vertrok Columbus, na zijn'
broeder Diego met eenige schepen, tendeele met goud en slaven beladen,
naar Spanje afgezonden te hebben. Tijdens zijn' krijgstocht zou Don
Bartholomeus te Isabella achterblijven om de gewone zaken der Kolonie
te besturen.

Tot hun ongeluk hadden de Bondgenooten een openlijken strijd gekozen,
en zich gelegerd in de »Vega Real«, niet begrijpende, dat ze, hoe
talrijk ook, in het open veld niet tegen de zwaargewapende Europeanen
bestand waren. Columbus viel hen aan, en verschrikkelijk was de
nederlaag, die de arme Indianen leden. Negen maanden lang toog de
Admiraal met zijne gevreesde ruiters, wraakgierige soldaten en
verschrikkelijke bloedhonden, doodend, brandend en verwoestend door
het geheele bekende deel van het eiland. De onderwerping der
Verbondenen was volkomen, en daar Columbus er steeds op uit was om
schepen, rijk geladen met goud, katoen en andere voorwerpen van waarde
naar Spanje te zenden, zoo maakte hij van deze onderwerping gebruik,
om de overwonnenen te straffen door het betalen van schatting. In alle
gewesten waar goud gevonden werd, moest elke inboorling, die boven de
veertien jaar oud was, alle drie maanden eene Vlaamsche valkenbel vol
stofgoud leveren. Zulk eene valkenbel stofgoud zou in onzen tijd
ongeveer veertig gulden waarde hebben. De Kaziken moesten nog veel
meer opbrengen; zoo was één hunner verplicht om alle drie maanden eene
kalebas vol stofgoud te leveren, dat naar onze munt ongeveer
vierhonderd gulden was. De inboorlingen der katoen-districten moesten
op dezelfde termijnen vijfentwintig pond katoen, als schatting,
inleveren. Bij het inleveren der schatting kreeg men eene koperen
medaille, die om den hals moest gedragen worden, en wie zonder die
medaille gevonden werd, werd in de gevangenis gezet of moest boete
betalen.

Is het te verwonderen, dat de arme inboorlingen het oogenblik
verwenschten, waarop de »Blanke zonen des hemels« den eersten voet
aanwal zett'en? Is het nu nog een raadsel, waarom de prediking van de
Christelijke leer onder die heidensche menschen zooveel tegenstand
vond? Hadden die vreemdelingen dan niet onmeedoogend hun
Paradijsachtig leven geheel verstoord, en hen gedwongen tot den
zwaarsten en vernederendsten arbeid? Hadden die Blanken niet hunne
hutten verbrand, hunne velden verwoest, hunne vrouwen en dochters
beleedigd, hunne ouden van dagen en kinderen als slaven weggevoerd?
Bij duizenden vloden ze naar de ontoegankelijke bergstreken, om daar
te sterven aan honger, gebrek en pest.

En eenmaal in die richting begonnen, moesten de Spanjaarden er in
volharden, wilden ze niet alles verliezen. Toen er in 1877 sprake was
van Columbus onder de Heiligen op te nemen, gebeurde dat niet, omdat
»afgezien van de groote daad van Amerika's ontdekking, het privaat en
openbaar leven van Columbus zich te veel gekenmerkt had door daden,
die berispelijk waren.« Nu, al moeten we toegeven, dat Columbus door
allerlei omstandigheden, waarvoor niet hij, maar een ander
aansprakelijk gesteld moet worden, gedwongen werd tot zulke daden,
berispelijk zijn en blijven ze, al doen we nog zoo ons best om ze in
de lijst van haar' tijd te plaatsen.

Terwijl Columbus op Hispaniola zoo werkte, werkten zijne vijanden en
tegenstanders in Spanje ook, maar tegen hem. Pater Boyle en Margarite
waren daar aangekomen en hadden den toestand in de Nieuwe Wereld met
zulke schrille kleuren geschetst, zij hadden zoovele bewijzen, ware en
gezochte, bijeengebracht, om aan te toonen, dat Columbus, zooal geen
bedrieger en avonturier, dan toch stellig de man niet was om aan het
hoofd der zaken te staan, dat Ferdinand en Isabella besloten, iemand
naar de Nieuwe Wereld te zenden om de zaken onpartijdig te
onderzoeken. Niemand achtten zij daartoe beter geschikt dan een hunner
aanzienlijke Hovelingen, een zekere Don Juan Aguado. Columbus zelf had
dezen Edelman bij de Monarchen aanbevolen als iemand, die door stand
en karakter verdiende om aanzienlijke betrekkingen te bekleeden,
zoodat Columbus in de zending van dien man eer een bewijs van
vriendschappelijk vertrouwen, dan eene onedele verdenking zou zien. De
Monarchen hadden zich echter zeer vergist. Bij al de fouten, die
Columbus beging, moet ook, en waarlijk niet in de laatste, maar bijna
in de eerste plaats genoemd worden, dat hij veel te lichtvaardig was
in het schenken van vertrouwen, en het koesteren van wantrouwen. Hij
maakte daardoor vijanden tot zoogenaamde vrienden, en echte vrienden
tot ware vijanden en tegenstanders. Don Margarite had de bewijzen van
dat onverdiende vertrouwen reeds geleverd, en Don Aguado zou ze
leveren. Gezonden door de Monarchen om _onder_ den Admiraal onderzoek
naar den stand van zaken te doen, overschreed Don Aguado, zoodra hij
te Isabella aangekomen was, zijne lastgeving door zich _boven_
Columbus te plaatsen, en hem, ten aanzien van ieder, met grove
minachting te bejegenen. De voormalige gunsteling had gehoopt, dat de
Admiraal hem openlijk tegenstand zou bieden, doch Columbus wilde met
den laaghartigen man in geene woordenwisseling komen, en behandelde
hem beleefd, doch met eene koele hooghartigheid, die den trouwelooze
geheel uit het veld sloeg.

Te Isabella aangekomen, werd hij door zijn' broeder met een aangenaam
bericht verrast. Een knecht van Don Bartholomeus was in twist geraakt
met een' makker, en had dezen zoo gewond, dat hij dood scheen. Miguel
Diaz, zoo heette de knecht, nam nu met een vijftal anderen, die er ook
aan medeplichtig waren, de vlucht, en kwam eindelijk aan de Zuidkust
in het gebied eener vrouwelijke Kazike, die de vluchtelingen niet
alleen vriendelijk opnam, maar zelfs Diaz tot haar' echtgenoot
verhief. Het leven te midden der wilden verveelde Diaz al heel gauw en
hij kreeg het heimwee naar zijne landgenooten. Zijne vrouw, die
Catharina genoemd wordt, zag dat, en vreezende dat hij haar verlaten
zou om nimmer terug te keeren, kwam ze er toe om hem te zeggen, wat
nog geen enkel Spanjaard wist. Zij wees hem de goudmijnen, die in haar
gebied lagen, en gaf den raad om de heele Spaansche Kolonie, uit het
ongezonde Isabella naar haar gebied te verleggen waar de lucht veel
gezonder was. Gewapend met zulk eene goede tijding, hoopte Diaz van
Don Bartholomeus vergiffenis te ontvangen en ging naar Isabella, waar
hij den gewaanden doode in leven en volkomen gezond vond. Bartholomeus
hoorde het bericht met blijdschap aan, schonk Diaz vergiffenis en toog
met hem naar Catharina's gebied aan de rivier Ozema, ter plaatse waar
thans San-Domingo ligt. De goudmijnen werden nu door hem bezocht en
gevonden. Bij deze gelegenheid deed men bovendien eene andere en zeer
merkwaardige ontdekking. Men wist, dat de inboorlingen slechts de
kunst verstonden om uit het rivierzand stofgoud te wasschen, en dat
dan te smelten om er zeer kunstlooze en leelijke voorwerpen van te
maken. Om uit het ruwe erts het goud af te zonderen was eene kunst,
die ze niet verstonden, en dat bevreemdde niemand, want ze kenden
zelfs geene werktuigen om dat erts uit te graven. En wat zag Don
Bartholomeus nu? Sommige mijnen waren op wetenschappelijke wijze
ontgonnen, en zij, die dit gedaan hadden, moesten derhalve ook bekend
geweest zijn met de wijze, waarop men het edele metaal uit het erts
kreeg, en bovendien voorzien zijn geweest van werktuigen om het erts
uit te graven. De heele toestand van het eiland wees op geen enkel
teeken van eenige beschaving; geene enkele oudheid werd gevonden, die
bewees, dat hier vroeger een ontwikkeld volk gewoond had, en de
leefwijze van de bevolking toonde duidelijk aan, dat men er eeuwen
lang geleefd had zooals nu. Wie hadden dan daar in die mijnen gouderts
gedolven? Welk beschaafd volk had dan, eeuwen geleden, reeds hier
vertoefd? Don Bartholomeus en Columbus vertelden van die vondst niets
aan Don Aguado, doch voor Columbus waren die ontgonnen mijnen niet
zulk een raadsel. Hij geloofde immers in Cuba het vasteland van Azië
gevonden te hebben? Het rijk der beschaafde Tataren moest dus niet zoo
ver af liggen, zoodat hij aannemen kon, dat diezelfde Tataren daar
gouderts gedolven hadden. Die ontgonnen mijnen versterkten hem
derhalve alleen in zijn dwaalbegrip, maar wij, die weten, dat hij
dwaalde, staan bij die ontginning der goudmijnen nog altijd voor eene
vraag, die niet beantwoord is. Waren het de Egyptenaren, de
Phoeniciërs, de Israëlieten, de Grieken, de Karthagers of de Romeinen?
Waren het latere Europeesche volken, die door stormen op dit eiland
gekomen waren, en daar goud vindende, begonnen met hunne werktuigen
erts te graven? Zoo ja, waar waren ze dan gebleven? Waren het de
beschaafde Mejicanen of Peruanen, die hier goud haalden? De laatste
meening is zeer onwaarschijnlijk, want Mejico en Peru bezaten rijke
goudmijnen in hun eigen land, waarom zouden ze nu een afgelegen eiland
opgezocht hebben om daar te halen, wat ze thuis ook krijgen konden?
Trots al de studie, die er tegenwoordig gemaakt wordt van de Oudheid,
blijft de geschiedenis van Amerika met hare bevolking, die in een paar
landen zoo fijn beschaafd was, een groot, en een zeer groot raadsel
ook. Slechts dat blijkt uit alles, òf dat Amerika eenmaal een' tijd
heeft gehad, en een' tijd van zeer langen duur, dat het in verbinding
stond met de Oude Wereld, òf dat Kolonisten van een beschaafd volk
zich hier neergezet hebben, en de beschaving van hun eigen land
voortplantten. Wanneer we later met Cortez in Mejico, en met Pizarro
in Peru komen, zullen we nog voor veel meer vragen staan, waarop men
reeds toen een antwoord zocht, en dat men nu nog niet gevonden heeft.
Liever dan ons aan allerlei gissingen wagen, welke toch geen'
historischen grond hebben, keeren we tot Columbus terug.

Dat de mededeeling van de gevonden goudlagen Columbus tot vreugde
verstrekte, behoeven we nauwelijks mede te deelen. Het spreekt zoo
vanzelf, dat hij er zeer verheugd over moest zijn. De vraag naar goud
beheerschte alles; het antwoord er op te geven zou beslissen over den
heelen toestand in de landen door hem gevonden. Van de groote vondst
aan de rivier Ozema werd daarom tegenover Aguado geen woord gerept, en
van eene mogelijke verplaatsing van de hoofdstad der Kolonie sprak men
natuurlijk ook niet. Onze vriend Miguel Diaz was weer bij zijne Kazike
Catharina, leefde met haar, nu ze ook Christin geworden was, zeer
gelukkig en wachtte bedaard den loop der gebeurtenissen af. Zijne
makkers schenen niets te weten of ook besloten te hebben om te
zwijgen, althans ook van deze zijde lekte niets uit. Columbus meende
daarom nu zelf naar Spanje te moeten gaan, om daar aan zijne Monarchen
mededeeling van de vondst te doen en een onbewimpeld verslag te geven
van den heelen stand van zaken. Dat moest wel noodig zijn, want Pater
Boyle, Margarite en al de ontevredenen, die Hispaniola verlaten
hadden, zouden tegenover den Koning en de Koningin hem van allerlei
verkeerde handelingen beticht hebben. Don Aguado, die door de Kaziken
zich had laten inlichten, en van hen niets anders vernomen had dan wat
strekken kon tot nadeel van den Onder-Koning, wilde ook naar Spanje,
en wat deze daar mededeelde, zou hem, den ontdekker der Indiën, den
genadeslag geven. Hij liet daarom twee schepen gereed maken en
bevrachten met goud, katoen en gevangenen. Onder deze laatsten
behoorde ook de dappere en geslepen Kazike Caonabo, die zelfs in zijne
boeien geen oogenblik zijne trotschheid verloren had, doch die Spanje
niet zien zou, omdat hij op de langdurige reis overleed. Zoodra de
beide schepen gereed waren, benoemde Columbus zijn' broeder
Bartholomeus tot Adelantado of Stadhouder, en moest hij komen te
vallen vóór de Onder-Koning alweer teruggekeerd was, dan zou Diego,
die ook weer in de Kolonie was, hem vervangen. Na op alles orde
gesteld te hebben, verliet hij den tienden Maart 1496 de baai van
Isabella, met twee schepen. Op het eene schip was hij, op het andere
Don Aguado. De reis duurde buitengewoon lang, en daar men bij de
uitrusting der schepen op een' veel korteren tijd gerekend had met het
aanboord nemen van levensmiddelen, waarop men in de Kolonie zoo zuinig
moest zijn, zoo ontstond er weldra zulk een nijpend gebrek, dat de
bemanning begon te morren en het voorstel deed om de gevangenen, als
onnutte monden, overboord te werpen. Columbus wilde hiervan niets
weten, doch als men kort na dit voorstel niet Cadiz bereikt had, zou
hij er wel gevolg aan hebben moeten geven. Het was den elfden Juni
toen ze daar aankwamen. Columbus vond in de haven drie schepen, die
met levensmiddelen geladen waren en gereed lagen om, onder bevel van
Don Pedro Alonzo Nino naar Hispaniola te vertrekken. Columbus las de
brieven, die Nino voor hem vanwege de Monarchen bij zich had en
ontdekte uit den inhoud, dat Pater Boyle, Margarite en alle andere
ontevredenen het toch niet gedaan hadden gekregen om hem in ongenade
te doen vallen. Hij schreef nu een' brief aan zijn' broeder, drukte
hem daarin op het hart om toch op alle mogelijke wijzen de ontdekte
goudmijnen te laten ontginnen, en vooral te zorgen, dat de
inboorlingen onder bedwang bleven. Na dezen brief in handen te hebben,
vertrok Nino, en thans zond Columbus aan den Koning en de Koningin
bericht van zijne aankomst. De brief, dien hij eenigen tijd daarna van
de Monarchen ontving, was zeer welwillend, en vriendelijk werd hij
uitgenoodigd om, als hij van de vermoeienissen van de reis hersteld
was, te Burgos ten Hove te verschijnen. Columbus wachtte niet lang,
maar trok spoedig, als »zegevierend Veldheer«, naar de bepaalde
plaats. Op dien tocht deed hij alles, wat hij kon om het volk te laten
zien welke rijke schatten hij uit die verre gewesten medebracht. Om
bovendien te toonen hoe de halfnaakte en zeer onbeschaafde Kaziken van
dat land zich met goud versierden, liet hij in elke stad, die hij
doortrok, den broeder van Caonabo, die ook tot de gevangenen behoorde,
een' gouden halskraag omdoen, welke eene waarde had van bijna
achtduizend gulden. Nieuwsgierigen vond Columbus genoeg, doch met
toejuichingen werd hij nergens ontvangen. Er was te veel kwaads van
hem en zijne ontdekkingen verteld geworden om hem weer zoo feestelijk
te begroeten, als bij zijn' eersten terugkeer. Ook te Burgos
verschilde de ontvangst zeer veel met die te Barcelona. Columbus had
echter veel ergers verwacht, en daarom viel de ontvangst, ten Hove
vooral, hem zeer mede. Hij kon aan niets ontdekken, dat hij ook maar
eenigszins in achting en gunst gedaald was. Boven alles stelde de
ontdekking van de goudmijnen Koning Ferdinand tevreden, want meer nog
dan in de dagen toen hij oorlog voerde tegen de Mooren, had hij goud
noodig. Door de staatkundige huwelijken, die hij zijne kinderen wilde
laten sluiten, was hij druk bezig om de toekomstige macht van Keizer
Karel V te grondvesten, doch dit had hem in een' kostbaren oorlog met
Frankrijk gewikkeld. De kosten aan dien oorlog verbonden deden evenwel
nog onder voor die, welke hij maakte om eene prachtige vloot uit te
rusten. Die vloot, honderd schepen sterk, en bemand met twintigduizend
koppen, moest naar Vlaanderen, om de Infante Johanna derwaarts te
brengen, want deze zou in het huwelijk treden met Filips, den
machtigen Hertog van Bourgondië, Heer van bijna de halve Nederlanden
en zoon van Keizer Maximiliaan van Duitschland. Dat er dus op het
oogenblik geene schepen waren om naar de Nieuwe Wereld te stevenen,
ligt voor de hand, en dat er geen geld was om ze voldoende uit te
rusten, teneinde de ontdekte mijnen oordeelkundig en met spoed te
ontginnen, spreekt vanzelf. Toen Columbus dus vroeg om acht uitnemend
uitgeruste schepen, waarvan er twee rechtstreeks naar Hispaniola
zouden zeilen met alles, wat voor het onderhoud der Kolonie noodig
was, en zes zouden dienen om hem nu op een' derden tocht aan het
vasteland van Azië, in het schatrijke Kataï, te brengen, kreeg hij
terstond de belofte, dat dit geschieden zou, maar de vervulling der
belofte lag nog in een ver verwijderd tijdstip. Dat we hier niet alles
op rekening van het geldgebrek en Koning Ferdinands staatkundige
bemoeiingen te schrijven hebben, zal ieder wel begrijpen. Waar
Columbus' vijanden en tegenstanders hunne pogingen om hem in ongenade
te zien vallen, mislukt zagen, daar bereikten ze voor een deel toch
hun doel met de uitrusting te vertragen. De kleingeestigste middelen
werden aangegrepen om Columbus in al zijne plannen te dwarsboomen, ja,
men schaamde zichzelven niet door zelfs aan den roem zijner ontdekking
te tornen. Het moet in dezen tijd geweest zijn, dat Columbus zich in
gezelschap van Aanzienlijken en Geleerden bevond, dat een dezer
laatsten op smadelijken toon te kennen gaf, dat de ontdekking van de
Indiën door het Westen in te zeilen, niet zulk een moeielijk en
gewichtig werk was, en dat iedereen dit wel gedaan kon hebben zonder
nog geleerd, dapper, ondernemend of nadenkend te zijn.

[Illustratie: Columbus doet de proef met het ei.]

Het was zeker moeielijk voor Columbus om hierop een afdoend antwoord
te geven, want, waarlijk, nu de ontdekking geschied was, moest
iedereen verbaasd staan, dat men aan zulk een' eenvoudig iets niet
veel vroeger gedacht had. Columbus, zoo zegt het verhaal, nam nu een
ei, en vroeg wie der Heeren het op zijn punt kon zetten, zonder dat
het omviel; hij kon het, zei hij. De Heeren begonnen dit kunstje te
beproeven, doch het gelukte natuurlijk niemand. Eindelijk uitgenoodigd
om het zelf dan te doen, tikte Columbus voorzichtig een plat vlakje
aan de punt, en zette het ei op dat vlakje neer.

»O,« was het algemeene geroep, »als we geweten hadden, dat we dit
mochten doen, dan zouden wij het ei ook wel op zijn punt gezet hebben.
Zoo is er geene kunst aan.«

»Juist, Mijne Heeren,« zeide Columbus, »nu gij het weet, is er geene
kunst aan. Op vooraf weten komt het aan, en zoo is het ook met de
ontdekking van de Indiën.«

Vele schrijvers houden dat voorval van het ei voor verzonnen, maar
verzonnen of waar, het karakteriseert volkomen het streven van
Columbus' tegenstanders en Columbus zelven.

Doch keeren we terug tot hetgeen geschiedenis is.

Nino was inmiddels alweer in Spanje terug gekomen, en inplaats van aan
de Monarchen de brieven te zenden, welke de Adelantado hem medegegeven
had, berichtte hij zijne terugkomst met de drie schepen, geladen met
goud. Thans dacht Columbus alles gewonnen te hebben, want met Nino's
schatten, zeker afkomstig uit de rijke mijnen, werd het bewijs
geleverd van de waarheid van hetgeen hij gezegd had, en was er meteen
ook van geldgebrek geene sprake meer. Koning Ferdinand maakte aan dien
droom al dadelijk een einde, door te verklaren, dat hij het geld niet
missen kon, omdat hij het noodig had voor den oorlog tegen Frankrijk.
Werd Columbus' zoete droom wreedelijk verstoord, ook die van den
Koning zou verstoord worden. Toen men bij Nino kwam om goud te halen,
vond men slechts zeer weinig. Hij had gevangenen aanboord, antwoordde
hij, en als men die op de slavenmarkten verkocht, had men óók goud.
»Ander goud is er niet veel meer op Hispaniola,« zeide hij smadelijk,
en hing verder een zeer droevig tooneel van heel de Kolonie op. Thans
kostte het Columbus kracht om zich staande te houden, en zelfs zij,
die hem genegen waren, wezen op de arme gevangenen en riepen spottend:
»Zie daar het zeldzame goud der Nieuwe wereld!« Dat door deze
teleurstelling de uitrusting der vloot nog meer vertraagd werd, ja,
zelfs gevaar liep geheel nagelaten te worden, dat zag ieder. Columbus
zag het ook, en, hij leed er onder. Er kwamen leelijke plooien in zijn
karakter, welke hem vreemd zouden gebleven zijn, zoo hij niet in zulk
eene omgeving van laster en naijver geleefd had. Eene slechts bleef
hem trouw ter zijde staan, ten minste, zij sloeg niet zulk een
onvoorwaardelijk geloof meer aan al de beschuldigingen, die tegen den
grooten man ingebracht werden. Die ééne was Koningin Isabella, die
zelfs hielp om Koning Ferdinand over te halen een besluit uit te
vaardigen, dat, op Columbus' verzoek, alle ontdekkingsreizen, die op
eigen kosten, dus buiten de Regeering om gedaan konden worden,
verboden werden.

Een Duitsch historie-schrijver van onzen tijd noemt deze eisch van
Columbus niets anders dan »kleingeestige zelfzucht om zichzelven en
zijne familie een monopolie van ontdekkingen te verzekeren.« De
aanmerking is niet vriendelijk, doch behalve dat zij onvriendelijk is,
is ze ook zeer oneerlijk. Had Columbus er dan geen recht op dat zijn
onvermoeid streven, hetwelk met zulk een' goeden uitslag bekroond was,
beloond werd? Indien hij eenvoudig gezwegen had, zouden de
particuliere Spaansche ontdekkers, gebruik makende van zijne
ontdekking, het zóó ver gebracht hebben, dat ze hem uit de Indiën
drongen, en, zonder eenige vergoeding. Dit streven zijner vijanden om
hem, den gehaten »Liguriër«, van de vruchten van zijne vlijt en moeite
te berooven, spreekt uit de kroniek van den dag.

Na het uitvaardigen van dit bevel werd nu weldra het besluit genomen
om de schepen gereed te maken ten einde Columbus eene derde reis te
laten doen, doch de uitrusting had heel wat voeten in de aarde. De
Kroon had geen geld; het Volk had geen' lust.

Om nu toch het aantal mijnwerkers te kunnen medenemen, wist Columbus
het gedaan te krijgen, dat de Regeering Hispaniola tot een soort van
Straf-kolonie maakte. De misdadigers werden nu naar dit eiland
gebannen, en de Rechters, zoo beweert men, deden hun best om op deze
gemakkelijke manier van een aantal schelmen en deugnieten af te komen.
Wel moet Columbus ten einde raad geweest zijn om zulk een ondoordacht,
ja, bijna onzinnig voorstel te doen. Zulk werkvolk, het kòn niet
anders, zou eene ramp voor hem en voor de heele Kolonie worden.

Met dat al ging de zaak zóó langzaam voort, dat Columbus pas den
dertigsten Mei 1498 met zes slecht uitgeruste schepen den derden
ontdekkingstocht aanvaarden kon, en de Admiraal was over deze
vertraging zóó woedend, dat hij Ximeno De Breviesca, die hem op den
dag der afvaart beleedigde, aangreep, op den grond smeet en eenige
schoppen toedeelde. Deze Ximeno was de Schatmeester van De Fonseca,
Columbus' heftigsten en gevaarlijksten tegenstander. Toen Koningin
Isabella vernam, wat Columbus gedaan had, was zij hierover zeer
gebelgd, en hoewel de Admiraal later in een' brief, vol berouw
vergeving aan de Monarchen vroeg voor zijne daad in drift gepleegd,
nimmer werd de goede Koningin meer voor hem, die ze zoo lang en zoo
trouw geweest was.



HOOFDSTUK VIII.

AMERIGO VESPUCCI.--COLUMBUS IN KETENEN.


Welk een verschil den dertigsten Mei 1498 op de reede van San Lucar de
Barrameda aan den mond van den Guadalquivir, of den vijfentwintigsten
September 1493 voor de haven van Cadiz. Nu een armzalig uitgerust
vlootje, bemand met Spanjes uitschot, toen eene prachtige vloot, rijk
van alles voorzien met eene bemanning, samengesteld uit Spanjes
aanzienlijkste Edelen. Nu nergens geestdrift, toen alles vol opgewekt
en vurig leven. Nu een Admiraal die schoppen uitdeelt en zijne oogen
mismoedig over de zee laat waren, toen een Admiraal wiens mond niet
stilstond met het vertellen van de heerlijkheden, die men zien, den
roem, dien men behalen, den rijkdom, dien men zich verwerven zou, een
Admiraal wiens vurige oogen reeds, aan gindsche zijde van den Oceaan,
de schatrijke Indiën, die hij gevonden had, zagen.

Behalve de gewone matrozen en manschappen had Columbus nu slechts
tweehonderd man geleide hij zich. Op de hoogte van Ferro zond hij drie
zijner schepen onmiddellijk naar Hispaniola, want hij begreep dat
zijne broeders in de Kolonie met reikhalzend verlangen naar toevoer
van levens- en krijgsvoorraad zouden uitzien, al waren er ook in
Januari reeds twee schepen heen gezonden.

Met de drie andere schepen zeilde hij naar de Kaap-Verdische Eilanden.
Hij wilde ditmaal den tocht in eene richting maken, die veel
zuidelijker liep, om het vasteland, dat in zijn oog het ware
»goudland« was, op eene heel andere plaats te bereiken dan op den
tweeden tocht. Hij verkeerde in de meening dat alle menschen daar
zwart waren evenals de negers in Afrika.

Die zuidelijke koers bracht Columbus en de zijnen echter onder de
Linie en in de gevaarlijke streek van windstilte en vreeselijke hitte.
Deze laatste was werkelijk ondragelijk. Op het dek was er zelfs des
nachts geen koeltje te voelen en beneden in het scheepsruim was de
hitte zoo groot, dat de hoepels van de wijn- en watervaten sprongen.
Te sterven aan dorst en aan hitte scheen ieders toekomst te zijn, en
wanneer we nu in aanmerking nemen, dat de bemanning voor een groot
deel uit moordenaars en dieven bestond, dan moeten we verbaasd staan,
dat de Admiraal onder zooveel tegenspoed het hoofd niet verloor en den
moed niet opgaf. Gelukkig kwam er een klein koeltje opzetten en de
Admiraal hiervan gebruik makende, kwam nu onder den invloed van den
passaat. Hij zag zelf wel in dat zijne schepen door eene hitte, die
het pek uit de naden deed smelten, te ontredderd waren om nog
zuidelijker te varen. Bovendien bevond men dat er den eenenderdigsten
Juli op elk schip maar één vat water meer over was. Hij moest dus
trachten zoo spoedig mogelijk land te bezeilen en een zucht van
verlichting steeg uit aller borst toen de uitkijk des middags van
denzelfden dag luide hooren deed: »Land vooruit!« Men kreeg eerst drie
hooge bergtoppen in het gezicht, en het land, dat later bleek een
eiland te zijn, ontving naar deze drie bergtoppen, den naam van »La
Trinidad,« d. i. »De Drie-eenheid.« Pas den volgenden dag vond hij
een' geschikten ankergrond en zond nu sloepen aan wal om water in te
nemen en eene plaats te zoeken waar de schepen konden gekalefaat
worden. Water vond men, en de vreugde hierover deed vergeten, dat men
genoodzaakt was met de ontredderde schepen verder te trekken, omdat er
geene goede haven gevonden werd. Columbus stond verbaasd over den
weelderigen plantengroei, dien hij hier aantrof, want hij had stellig
verwacht eene landstreek te vinden, waar alles door de hitte
verschroeid was. Dat viel hem tegen, want hij was het vreemde geloof
toegedaan, dat het fijnste goud, de zuiverste edelgesteenten en de
schoonste parelen alleen in zulk eene streek konden voorkomen.
Zuidelijk van La Trinidad was nog eene kust zichtbaar en aanvankelijk
hield Columbus dit voor een ander eiland. Hij vergiste zich echter
zeer, want de kuststreek, die hij zag, behoorde wel degelijk tot het
vasteland van Zuid-Amerika. Hij was hier aan de breede monding van den
Orinoco, wiens melkwitte wateren tot op grooten afstand in den Oceaan
nog zichtbaar zijn. De oevers van dezen machtigen stroom, wiens
monding slechts honderdzestig uur van zijn' oorsprong verwijderd is,
doch welke zulk een' bochtigen loop heeft, dat zijne heele lengte
vierhonderd vijftig uur bedraagt, zijn schilderachtig schoon. Ook toen
vertoonde de natuur er zich in volle pracht. Columbus was echter
ziekelijk en behalve dat hij veel aan ontstoken oogen leed, werd hij
ook erg gekweld door de jicht, zoodat de lust bij hem niet groot was
om lang in deze streken te vertoeven. Hij wilde naar Hispaniola om
daar, door eenige weken rust, tot herstel te komen om dan, als de
jicht hem niet meer kwelde en de oogen weer hersteld waren, van
Hispaniola uit, naar deze streken op ontdekkingen uit te gaan. Dat
men in de kolonie behoefte aan krijgs- en levensvoorraad hebben zou,
geloofde hij niet, want de drie schepen, die hij er van Ferro
rechtstreeks heengezonden had, zouden nu reeds te Isabella aangekomen
zijn. Maar de levensvoorraad, die hij met zijne schepen ook voor de
Kolonie aan boord had, had door de hitte verbazend geleden en zou
misschien geheel onbruikbaar worden, als hij den tocht in deze streken
te lang voortzette.

[Illustratie: Een Indianen-dorp ten tijde van Columbus.]

Er werd dus besloten om slechts een deel van de kust langs te zeilen
om de overtuiging op te doen, dat een nader bezoek aan deze streek de
moeite loonen zou.

Het was een heerlijk, schoon land, dat Columbus en zijne reisgenooten
te zien kregen, en op onzen Admiraal, die zoo gaarne aan zijne
dichterlijke gedachten de vrije vlucht gaf en dan voor waarheid hield,
wat toch eigenlijk niets anders was dan eene poëetische vinding,
maakte dit land zulk een' indruk, dat hij waande in de nabijheid van
het Paradijs te zijn.

Over de plaats waar dit Paradijs eenmaal lag, werd in die dagen zeer
veel getwist, zelfs door geleerden. Dat evenwel hunne uitspraken kant
noch wal raakten, is duidelijk, omdat hunne kennis van de gedaante en
oppervlakte der aarde zeer gebrekkig was. Eene algemeen aangenomen
meening in Columbus' tijd was, dat het Paradijs op de Oostkust van
Azië gelegen had, en er eigenlijk nog lag. Bij den Zondvloed was het
door zijne eigenaardig hooge ligging gespaard gebleven van de
overstrooming.

Toen nu bij het aanschouwen van die schoone kust, waar zoo menig
vriendelijk gelegen Indianen-dorp zich vertoonde de dichterlijke
verbeelding des Admiraals opgewekt werd, begon hij ook naar den berg
of de hoogte uit te zien waarop het Paradijs lag. Hij schreef zijne
meening hierover aan de Monarchen, en om dezen duidelijk te maken, dat
hij zich maar niet iets ongerijmds voorstelde, deelde hij hun de
kersversche wetenschap mede: »De Aarde heeft den vorm eener peer en
verlaat den bolvorm op de plek waar bij eene peer de steel zit, en in
de nabijheid van de Linie, in den Indischen Oceaan, is het hoogste
gedeelte en nadert de Aarde het meest den Hemel.«

Tot den vijftienden Augustus bleef Columbus zijn' tocht langs de
heerlijke kust voortzetten, en had hij gelegenheid om te zien, dat de
inwoners hier veel beschaafder waren dan de inboorlingen van
Hispaniola. Aanvankelijk ontweken ze bij het naderen der schepen hunne
kustdorpen en namen de vlucht in de bosschen. Zij hadden nimmer
zeilschepen gezien, en later bleek het, dat ze de schepen voor
reusachtige waterdieren hielden, die niet alleen zwemmen, maar ook
vliegen konden. De zeilen waren dan hunne vleugels, en in dat geloof
moesten ze wel versterkt worden, als ze zagen hoe die »zeedieren«, als
ze ophielden met zich voort te bewegen, de vleugels sloten. Elke
beweging van de zeilen beschouwden ze als eene vrijwillige beweging
met de vleugels. Om met de bewoners, die zich niet zien lieten, in
aanraking te komen, liet Columbus den zesden Augustus op een deel der
kust, waar zich sporen van landbouw vertoonden, eenige sloepen
landden. De matrozen zagen uit alles duidelijk, dat kort geleden hier
menschen moesten vertoefd hebben, want ze vonden zelfs vuren, die nog
niet uitgedoofd waren. Eindelijk wierpen de schepen de ankers in de
monding eener rivier uit, en thans zag men eene kano waarin een
viertal mannen zaten, de karveel naderen, welke het dichtst bij den
wal lag. Een zonderling middel om de kennismaking met deze menschen
aan te knoopen, bracht de Kapitein van de karveel in practijk. Hij
sprong van zijn schip in de kleine kano, die daardoor omkantelde. De
Wilden trachtten zwemmende den oever te bereiken, doch werden door de
Spaansche matrozen achterhaald en gevangengenomen. Sidderend en bevend
verschenen ze voor Columbus, die hen vriendelijk toelachte, en na hun
eenige valkenbelletjes, koralen en wat suiker gegeven te hebben, weer
naar den wal liet brengen. Die geschenken hadden de gewenschte
uitwerking, want de gevangengenomen Wilden hielden, toen ze alweer bij
de hunnen waren, de geschenken, die ze gekregen hadden, niet
verborgen, wat ze ook bezwaarlijk konden doen, daar ze geene kleederen
droegen en de gordel om het middel geene zakken had om de valkenbellen
te verbergen. Hun hoofd was gedekt met een voorwerp, dat van katoen
gemaakt was. Nu eenmaal de vrees voor de vreemde dieren en de vreemde
menschen overwonnen was, kwamen de Indianen van alle kanten opdagen,
en met hunne kano's, die soms heel aardig versierd waren, aan boord
van de schepen. Ze maakten op Columbus en de zijnen een' zeer
gunstigen indruk. Hunne lichaams-gestalte, hoewel niet boven het
middelmatige, was kloek en krachtig en tot groote verbazing van den
Admiraal, die gedacht had hier, zoo dicht onder de Linie een
verschroeid land en zwarte menschen, met wol in plaats van haar op het
hoofd, te vinden, had hij al sinds eenige dagen gezien dat er van een
verschroeid land in de verste verte geene spraak was. Hij zag
daarenboven niet alleen menschen, die lang zwart haar hadden, maar die
tevens eene huidkleur bezaten, welke al heel weinig verschilde met de
gebruinde kleur zijner manschappen. Ja, er waren meisjes, zóó bevallig
en schoon, en zóó blank, dat ze menige beroemde Andalusische schoone
evenaardden, zelfs overtroffen. In het schieten met den boog waren ze
zeer ervaren, en om hunne naakte lichamen tegen de pijlen der vijanden
te beschermen, gebruikten ze een klein soort van houten schilden. Heel
eigenaardig was ook het gebruik, dat ze van den neus maakten. Het
zintuig van den reuk scheen, evenals alle andere zintuigen, sterk
ontwikkeld te zijn, wat nog het geval is bij volken, die bijna in den
natuurstaat leven. In plaats van, zooals wij zouden doen, de
voorwerpen en menschen, die ons vreemd zijn, te betasten, begonnen zij
alles te beruiken. Op de vraag, natuurlijk door teekenen gedaan, hoe
hun land heette, gaven ze ten antwoord: »Paria!« en ze deelden meteen
ook mede dat het land in het Westen veel sterker bevolkt was. Zij
gaven Columbus wegwijzers mede om dat land op te zoeken, en toen hij
en zijn volk er aankwamen, stonden ze letterlijk verbaasd op het
gezicht van zooveel natuurschoon als hier heerschte. Natuurlijk was
Columbus' eerste werk om, nu hij aan wal gekomen was, het land voor
zijne Monarchen in bezit te nemen, en dit geschiedde op dezelfde
wijze, als bij gelegenheid, dat hij den eersten voet op het gebied der
Nieuwe-Wereld zette. In de keuze der woorden was hij wel eenigszins
vrij, omdat er omstandigheden konden zijn, die wijziging in eene
voorgeschreven formule noodzakelijk maakten, doch de plechtigheden,
die er mede gepaard gingen, waren wel degelijk voorgeschreven door het
Hof waar eene zeer strenge etiquette heerschte. De toespraak van
Columbus was steeds kort, en eindigde met een' nieuwen eed van trouw
door hem en zijne manschappen afgelegd. Later kwam het onder Don
Alonzo De Hojeda in gebruik om eene ellenlange toespraak te houden in
het bijzijn van de inboorlingen. De plechtige toespraak geschiedde in
het Spaansch, waarvan de arme menschen natuurlijk geen woord
verstonden, en als we dan lezen hoe de inboorlingen hunne plichten
voorgeschreven werden tot in de kleinste bijzonderheden, dan klinkt
het al zeer naïef, als het ten slotte luidt: »Indien gij het niet
doet, of voorbedachtelijk en listig uitstelt, het te doen, verzeker ik
u, dat ik met Gods hulp, u met geweld zal aanvallen, en u overal en op
alle wijzen zal beoorlogen. Ik zal u onderwerpen aan de macht en aan
de gehoorzaamheid der Kerk en van Zijne Majesteit. Uwe vrouwen en
kinderen zal ik als slaven wegvoeren, en zoodanig over hen beschikken
als Zijne Majesteit zal bevelen. Ik zal uwe bezittingen wegnemen en u
al het leed en verdriet aandoen, dat in mijne macht is, omdat gij
vasallen zijt, die hun' Souverein niet willen gehoorzamen of erkennen,
maar die zich tegen hem verzetten en hem tegenstand bieden. Ik
verklaar bij deze, dat gij de ellende en jammeren, die ge langs dezen
weg uzelven veroorzaakt, eenig en alleen aan uzelven en niet aan Zijne
Majesteit, aan mij of aan deze krijgslieden, die mij vergezellen, zult
te wijten hebben.«

[Illustratie: Spanjaarden in de Nieuwe-Wereld, die den huldigings-eed
zweren.]

Het was gesproken, en of de inboorlingen er nu ook geen enkel woord
van verstaan hadden, dat hinderde niet. Wanneer ze nu niet in alles
naar den zin en wil van de Spanjaarden handelden, dan meenden deze
laatsten in hun volle recht te zijn om hen, als oproerlingen te
behandelen, want »met luider stem waren hunne verplichtingen
afgekondigd.« Waarlijk, indien deze voorgeschreven toespraak niet in
de archieven bewaard was gebleven, dan zou men niet kunnen gelooven,
dat ze gehouden werd.

Ja, dat de heele toespraak van het begin tot het einde volgens de
voorgestelde formaliteiten gehouden wàs, werd telkens door een'
Notaris verzekerd, en deze was dan verplicht hiervan een schriftelijk
bewijs aan den Spaanschen Bevelhebber, die de toespraak hield, over te
reiken. Men zou anders, wanneer men las, dat deze of gene
ontdekkings-reiziger een' Notaris bij zich had, lichtelijk kunnen
vragen: »Wat doet nu toch zulk een Ambtenaar hier?« Thans weet men
het. Er waren Notarissen bij elken ontdekkings-tocht om de rechten van
de Spaansche Kroon op de gevonden landen tegenover alle vreemde
Mogendheden vast te stellen. Dat de inboorlingen er niets van
begrepen, leverde geen bezwaar op; er was aan den vorm voldaan en die
vorm redde alles.

Nadat de plechtigheid van de huldiging afgeloopen was begon Columbus
zich met de inboorlingen bezig te houden. Zij waren blijkbaar nog
beschaafder dan die, welke hij reeds ontmoet had en tot zijne vreugde
zag hij, dat ze ook heel andere versiersels bezigden. Om den blanken
en sierlijken hals droegen de jonge vrouwen en meisjes snoeren van
kostbare parelen, en de mannen hadden om hals, armen en beenen banden
van een zeker soort van goud, dat ze »gaunin« noemden, en dat, zooals
ze zeiden, afkomstig was uit een land, dat niet zoo heel ver af lag.
Ook de parelen kwamen er vandaan, maar de bewoners van dat land waren
menscheneters. Indien dit laatste waar was, wat nauwelijks te
veronderstellen is, dan moeten het bijna wetenschappelijk ontwikkelde
menscheneters geweest zijn, want later bleek dat »gaunin« een mengsel
was van goud, zilver en koper, dat zelfs kunstig bearbeid was. Dat
»gaunin« uit die bestanddeelen bestond, wist Columbus niet, maar dat
belette hem niet te twijfelen aan de waarheid van hun beweren. Hij
hield het ervoor dat ze hem niet zeggen wilden waar het »gaunin« en de
parelen gevonden werden, omdat ze vreesden dat de vreemdelingen er hen
van berooven zouden. Nu, de Spanjaarden gaven tot zulk een valsch
beweren dan zelf ook aanleiding, want hunne begeerte om parelen en
»gaunin« tegen allerlei snuisterijen te verruilen was te groot om
zelfs de inboorlingen niet terstond te laten begrijpen, dat ze alles
wegnemen zouden, als ze de plaats maar wisten, waar het te vinden was.

Columbus, die met het »gaunin« niet zooveel ophad, sloeg een
begeeriger oog op de parelen, en hij hield zich overtuigd, dat deze
kostbare voorwerpen hier in de nabijheid moesten gevonden worden.
Immers, een geleerd Romein, Plinius, had eeuwen geleden reeds
geschreven, dat parelen ontstonden door dauwdruppels, die tusschen
geopende oesterschelpen vielen. Oesters vond men hier in menigte, en
de dauw viel er sterker dan hij ergens elders gezien had. Hij zeilde
daarom langs de kust verder in de hoop dat hij hier op »Paria«, dat
hij steeds voor een eiland bleef houden, de plek vinden zou, waar de
pareloesters leefden, en in de stellige meening dat hij hier in het
land der parelen was, noemde hij eene der vele golven, die hij op dien
tocht vond: »Parelgolf.«

Zijn zoeken was echter vergeefsch, en daar zijne oogen bovendien zoo
ontstoken werden, dat hij bijna blind werd en hij genoodzaakt was om
alles aan zijn' Stuurman over te laten, wat zeer gevaarlijk was, omdat
de zee op vele plaatsen buitengewoon ondiep werd, zoo besloot hij de
verdere onderzoekingen voorloopig te staken en de reis naar Hispaniola
aan te nemen. Was hij eenmaal dáár, dan zou hij tot volkomen herstel
van zijne geschokte gezondheid en van zijne zieke oogen, rust nemen,
en inmiddels zijn' broeder Don Bartholomeus met karveelen, die niet
zoo diep gingen als zijn Admiraalsschip, op verdere ontdekking van dit
heerlijke land uitzenden.

Veel leed Columbus, maar de zieke oogen straalden van vreugde, als hij
er aan dacht, welke schatten hij aan de Spaansche kroon brengen, en
hoe hij dan een kostelijk loon op al zijn streven vinden zou.

Dat land der parelen deed hem denken aan de schriftelijke beloften,
die hij bij de ontdekking der Nieuwe Wereld aan zijne Monarchen gedaan
had, namelijk om te zorgen dat hij binnen zeven jaar uit de
voordeelen, welke zijne ontdekkingen hem zouden aanbrengen, een leger
van vijftigduizend man voetvolk en vijfduizend ruiters zou kunnen
uitzenden om een' nieuwen Kruistocht tegen de Ongeloovigen te doen, en
het Heilige Land te heroveren.

De belofte was gedaan, en hij stond aan de grens van de zeven jaar,
nu, zoo hij meende, verzekerd dat hij die belofte met ladingen parelen
zou kunnen inlossen.

Arme man, hoe zou hij bedrogen uitkomen! Maar hoe blijkt het alweer
uit deze onvoorzichtige belofte, dat hij bij al zijne kennis, al zijn'
moed, al zijne ervarenheid, in vele opzichten een onpraktisch man was,
die zich aan allerlei dichterlijke droomen overgaf. Zulk een man, het
kon niet anders, was niet berekend om de gewichtige en moeielijke
betrekking van Onder-Koning te bekleeden. Hij moest al zijn wenschen
en hopen, meestal door eigen schuld, zien mislukken; want wie niet,
als hij, zulk eene dichterlijke verbeelding had, diende hem wel voor
een' grootspreker of bedrieger te houden. De tegenstand, dien hij
vond, ging werkelijk niet altijd van kwaadwillige en hebzuchtige
menschen uit.

Aan dat alles dacht echter onze gelukkige Admiraal, vooral op dit
oogenblik, niet.

Den negentienden Augustus kwam hij, door sterke stroomen en door eene
miswijzing van het kompas, of mogelijk wel, omdat hij zelf, zoo goed
als blind, den koers niet bepalen kon, op een zeer afgelegen deel van
Hispaniola aan, en terstond zond hij een scheepje af naar Isabella om
Don Bartholomeus bericht te geven van de aankomst van hem, den
Admiraal.

Reeds vóór zijn broeder bij hem kwam, zag Columbus een' inlander, die
met een' Spaanschen kruisboog gewapend was, en terstond rees de bange
gedachte bij hem op: »Zou ik wellicht te Isabella een tweede La
Navidad vinden?«

Die gedachte was niet zoo ongegrond. Hoe kwam die inlander aan een'
kruisboog? Het zou immers al te groote dwaasheid geweest zijn om de
Indianen, die reeds overvloedige bewijzen gegeven hadden van hunne
vijandelijke gezindheid, te oefenen in den handel met wapenen, die
dienen moesten om hen in bedwang te houden. Had die Indiaan evenwel
een' Spanjaard gedood om zich van zijn' boog meester te maken, dan was
het nog erger, want dan leverde immers hij het bewijs, dat de
Kolonisten gedood of onmachtig waren om den overmoed der Indianen met
afdoende middelen te keer te gaan.

Tot den dertigsten van die maand bleef Columbus, die slechts langzaam
verder zeilde, in eene pijnlijke onzekerheid. Op dien dag echter kwam
Don Bartholomeus bij hem aanboord en vernam hij van dezen dat de
toestand der Kolonie hachelijk stond.

Wat was er dan toch gebeurd?

Heel veel.

Twee ijverige Monniken hadden op het eiland het Christendom gepredikt
en het geluk gehad, een gezin van zestien personen te bekeeren. Nu
wendden zij zich met hunne pogingen tot den machtigen Kazike
Guarionex. Deze hield zich aanvankelijk, alsof hij wel ooren had naar
de Leer van het Kruis, en leerde het Pater noster, het Ave Maria en
het Credo. Hij gaf zijne huisgenooten niet alleen bevel dit ook te
leeren, maar beval tevens, dat men het elken dag driemaal moest
opzeggen. De ijverige Monniken waren vol hoop, doch zagen weldra zich
deerlijk teleurgesteld. De een zegt, dat de naburige Kaziken hem er
toe kregen om niet meer naar de Monniken te luisteren, terwijl een
ander beweert, dat een Spanjaard de lievelingsvrouw van den Kazike
beleedigd had. Het laatste schijnt het meest de waarheid nabij te
komen. Zooveel is echter zeker, dat de Monniken hunne pogingen opgaven
en elders heentrokken. Zij namen het hoofd van het bekeerde gezin
mede, doch lieten vooraf voor de vijftien achterblijvenden eene kleine
kapel oprichten. Nauwelijks echter waren de Spanjaarden vertrokken of
de inlanders vernielden het gebouwtje en begroeven het altaar, het
crucifix en een paar Heiligen-beeldjes in den grond.

Deze daad moest streng gestraft worden. De plunderaars werden
opgezocht, en toen men hen gevonden en gevangengenomen had, werden ze
veroordeeld, levend verbrand te worden, welk vonnis ook aan hen
voltrokken werd.

De Indianen besloten nu den dood hunner broeders te wreken. Zij
vereenigden onder hunne Kaziken de verschillende benden en bedreigden
de fortjes, die Don Bartholomeus had laten aanleggen. Toen de
Adelantado hiervan bericht kreeg, besloot hij, omdat de Kolonisten
door gebrek aan goed voedsel misschien niet bestand zouden zijn om de
opstandelingen te bestrijden, de Kaziken door list gevangen te nemen.
Die list gelukte, en de opstand werd daardoor den kop ingedrukt.

Nu liet de Adelantado het bevel zijns broeders ten uitvoer leggen en
bouwde aan den mond der rivier Ozema, in de nabijheid der goudmijnen,
de stad San-Domingo, en toen deze voltooid was, besloot hij met een
groot gevolg eene reis te maken naar het machtige rijk Xaragua, dat
ten Westen van Hispaniola lag en nog nimmer door Spanjaarden bezocht
was. Wat zou men er ook doen? Schoon moest het er zijn,
onvergelijkelijk schoon en vruchtbaar. Wat men eenmaal onder de
beschaafde Grieken en Romeinen de »Elyseesche Velden« noemde, dat was
Xaragua voor Hispaniola. Maar, men vond er geen goud en slechts
katoen, bloemen, heerlijke vruchten en visch.--Over Xaragua regeerden
de Kazike Behechio en zijne zuster, de beeldschoone Anacaona, weduwe
van den bekenden Caonabo. In Xaragua aangekomen, werden Don
Bartholomeus en de zijnen ingehaald door een groot aantal jonge
meisjes van buitengewone schoonheid, en de ontvangst was zoo
hartelijk, als men maar wenschen kon. Na daar te midden van zooveel
schoons eenigen tijd doorgebracht te hebben, kwam de Adelantado onzen
Behechio mededeelen, dat hij hem voortaan ook schatting in katoen
moest opbrengen. Behechio had hierin niet veel lust, doch Anacaona,
die wist hoe haar echtgenoot door zijn' opstand tegen de Spanjaarden
zichzelven slechts schade berokkend had, gaf haar broeder den raad om
de schatting te voldoen. De Kazike luisterde er naar en zeide, dat hij
bericht zenden zou als de schatting bijeen was. Thans vervolgde de
Adelantado zijne reis, doch toen hij eenigen tijd daarna te Isabella
aankwam, vond hij er een treurig tooneel. Wel driehonderd der
Kolonisten waren aan koortsen bezweken of leidden een treurig leven
tengevolge van gebrek aan het noodige voedsel. Gelukkig brachten de
drie schepen onder bevel van Nino eenige verademing, doch weldra was
de aangebrachte voorraad verteerd. Nu nam het gebrek alweer
onrustbarende verhoudingen aan. Men begon te morren en te klagen, dat
Columbus te midden van de feesten aan het Spaansche Hof, de Kolonie
geheel vergat. Dat hij-zelf daar in Spanje leed onder allerlei
tegenwerking en teleurstelling, bevroedde niemand. Dat bevroedde zelfs
Ridder Francisco Roldan niet, en deze had toch zeer goed kunnen weten
dat de oorzaak van al de ellende onmogelijk bij Columbus gezocht moest
worden.

Toen Columbus nog bij zijne tweede reis op Hispaniola vertoefde, was
Roldan dagelijks met hem in aanraking geweest, en hij had zooveel
werkkracht en zooveel goeden wil getoond, dat de Admiraal hem meer dan
anderen genegen was. Die genegenheid droeg vruchten, want toen
Columbus naar Spanje vertrok, benoemde hij dezen Roldan tot
Opperrechter, en beval hem zijn' broeder aan, als een man, die zijn
volste vertrouwen verdiende. Columbus had echter in de keuze van
Roldan andermaal getoond hoe bitter weinig menschenkennis hij bezat,
want Roldan behoorde tot zijne grootste vijanden, en pas was de
Admiraal weg, of de valschaard begon reeds zijne rol te spelen. En
toen ten slotte, door gebrek en ziekte, de ellende der Kolonie ten top
gestegen was, beschuldigde hij Don Bartholomeus en diens broeder Don
Diego van allerlei oneerlijke handelingen ten opzichte der Kroon, en
wist hij verscheidene Kolonisten over te halen om met hem alle
gehoorzaamheid aan den Adelantado op te zeggen.

De sluwe Kaziken, hoewel nog buiten den twist gehouden, zagen zeer
goed hoe erbarmelijk zwak de toestand der heele Kolonie was, zoodat
Don Bartholomeus, wilde hij althans van Isabella geen tweede La
Navidad gemaakt zien, verplicht was om tegenover de opstandelingen met
de uiterste gestrengheid op te treden.

In dien treurigen toestand vond de Admiraal de schoone Kolonie, toen
hij er den laatsten Augustus aankwam.

En hier was hij dan nu gekomen om uit te rusten en van zijne ziekten
te herstellen!

Roldan zelf hield zich ver van Isabella buiten het bereik des
Admiraals, doch zijn aanhang was over het geheele eiland verspreid en
leefde daar in de liederlijkste ongebondenheid. Vooral was het
heerlijk schoone Xaragua het tooneel waarop Roldan en de zijnen hun
brooddronken leven leidden. Op zekeren dag zagen zij drie schepen
naderen. In het eerst meenden ze, dat de Adelantado die op hen
afgezonden had, doch weldra wisten ze dat het de drie schepen waren,
die Columbus vooruit gezeild waren om de Kolonie terstond van krijgs-
en levensvoorraad te voorzien. Roldan begon hier zijne rol nu nog
uitgebreider te spelen, en weldra had hij door list het scheepsvolk,
dat uit de grootste deugnieten bestond, overgehaald om hier te
blijven, en niet naar de ongeluksstad Isabella te gaan. De bemanning
der schepen, die door allerlei tegenspoeden afgedwaald en nu pas op
dit punt aangekomen waren, verkoos natuurlijk dat »Luilekkerland«, en
de samenzwering was al in vollen gang, toen de Kapiteins der schepen
er alles van te weten kwamen. Het was te laat, en verscheidene
deugnieten in Xaragua achterlatende, omdat ze geene kans zagen, hen
weer aanboord te krijgen, zett'en ze koers naar San-Domingo, waar ze
met een' voorraad van bedorven levensmiddelen eindelijk aankwamen.

Thans was de ellende ten toppunt gestegen, en Columbus wist geen'
anderen uitweg dan de schepen waarmede hij gekomen was, naar Spanje
terug te zenden. Hij zou brieven aan de Monarchen medegeven, waarin
hij een onbewimpeld verslag van den stand van zaken zou doen. Eenmaal
hiertoe besloten, vroeg hij aan zijne Souvereinen om een kundig man,
als Opperrechter, naar Hispaniola te sturen, ten einde deze de
bestaande geschillen beslechten zou, en hij eindigde zijn' brief met
den raad om, als die Rechter er niet in slaagde, de rebellen dan
eenvoudig te verdelgen. Met deze schepen gaf Roldan evenwel ook
brieven aan de Koningin en den Koning mede, en hierin had de geslepen
Rechtsgeleerde allerlei beschuldigingen tegen den Admiraal en zijne
broeders aangevoerd. De leeperd wist bovendien hoe hij het aanleggen
moest om bij Koningin Isabella een gunstig gehoor te erlangen. Hij
deed zich voor als iemand, die in zijne betrekking van Opperrechter
gestadig te worstelen had met den Admiraal en zijne broeders om geene
arme inboorlingen als slaven aanboord der schepen naar Spanje te
zenden, omdat zulk eene onbarmhartige handelwijze een' Christen
onwaardig was. Het was heel gemoedelijk van Roldan, en zijne woorden
zou Columbus zelf bevestigen, want met de terugkeerende schepen gaf
hij een groot aantal gevangenen mede om die in Spanje, als slaven te
verkoopen. Dat deze meeste gevangenen daar gekomen waren, omdat zij
geweigerd hadden, schatting te betalen, dat verzweeg Roldan, en nog
veel minder maakte hij bekend, dat hij-zelf en niemand anders het
geweest was, die de arme Indianen ingeblazen had, geene schatting te
betalen, zoodat hij feitelijk de oorzaak was, dat die lieden, als
veroordeelde opstandelingen, naar Spanje gevoerd werden.

Met die schepen, waarop een groot aantal ontevredenen naar Spanje
terugkeerden, doen we ook die reis en verlaten dus voor een oogenblik
den grooten man, die op een ongelukkig oogenblik zijne aangewezen
betrekking als landontdekker vereenigd had met die van gezaghebber.
Hij had het nooit moeten doen, want hij miste geheel den tact om met
zulk een hoog gezag bekleed te worden, waar hij, als vreemdeling,
dagelijks aan laster en naijver bloot stond. Het was evenwel niet
geheel zijne schuld, want echte Spanjaarden, van ouden stam en
onverdachten Adel, zouden naderhand ondervinden, dat zij zichzelven
ongelukkiger maakten, naarmate ze meer deden, meer landen ontdekten,
meer voordeel aan de Kroon bezorgden. Het ellendige goud was oorzaak,
dat te midden van zooveel edels en schoons, tienmaal meer onedels en
slechts zich vertoonde, dat daden, die ons met bewondering vervullen,
met groven ondank beloond werden.

Zooals te denken is, brachten de ongelukkige brieven aan het Hof niet
veel goeds voor Columbus, en vooral Koningin Isabella was vertoornd
dat hij steeds voortging met slaven naar Spanje te sturen, en dan nog
wel zulke onschuldige (?) menschen, zooals uit de brieven van Roldan
ten duidelijkste bleek. Welk een man was dan toch die Genuees, die
Spanjaarden schopte, onschuldige inboorlingen tot slavernij doemde, en
ten slotte in zijn' brief kon spreken van een »verdelgen« van de
oproermakers? Haar eerste bevel was om al de slaven naar de Nieuwe
Wereld terug te zenden en hen daar weer vrij te laten.

Een geleerd Rechter naar de Indiën zenden, dit had Columbus zelf
gevraagd, en daardoor een bewijs van eigen onmacht gegeven. Geheel met
hem breken, neen, dat wilde Koning Ferdinand niet, maar dat wilde
stellig en zeker Koningin Isabella ook niet. Wel kon ze niet meer voor
hem zijn, wat ze vroeger geweest was, maar vergeten welke groote daden
hij verricht had, dat ging niet.

Er werden terstond aanstalten gemaakt om De Bobadilla naar de Nieuwe
Wereld te zenden, maar als altijd was er geen geld genoeg om den
nieuwen Stadhouder, want dat was hij door de brieven, die hij
medekreeg, metterdaad, met een eskader, dat aan zijn' rang paste, naar
Hispaniola over te brengen. Het werd zelfs Juni van het jaar 1500 eer
hij kon afreizen, en in dien tusschentijd was er in Europa andermaal
een groot nieuws verbreid.

De tijding dat Columbus door steeds het Westen in te zeilen de lang
gezochte Indiën gevonden had, was voor de ondernemende Portugeezen
geene reden geweest om nu moedeloos hunne ontdekkingsreizen te staken.
Met allen ernst hadden ze hun doel vervolgd, en met den besten uitslag
waren hunne pogingen bekroond: Vasco De Gama had om Afrika's Zuidpunt
heen óók de Indiën gevonden, en de berichten van die ontdekking waren
van zulk een' aard, dat de Spanjaarden zelven moesten erkennen, dat de
Indiën, van die zijde genaderd, meer gelijkenis hadden met de landen
door Marco Polo beschreven, dan het deel der Indiën dat men gevonden
had, het Westen inzeilende. Intusschen, de Portugeezen waren nu óók in
de Indiën, en dit feit kan strekken om de handelingen der Spaansche
Monarchen ten opzichte van Columbus eenigszins te vergoelijken. Als
Columbus het land al niet regeeren kon wanneer de Portugeezen hem niet
bemoeielijkten, hoe zou hij het dan kunnen, als de Portugeezen er
werkelijk ook kwamen? Men begreep wel dat die ontmoeting nog wel niet
in de eerste weken of maanden plaats hebben zou, omdat de afstand
tusschen de Oostelijke en Westelijke kusten van de Indiën
onbegrijpelijk groot was, maar de ontmoeting _moest_ eenmaal plaats
hebben, dat kon niet anders, en in dat geval diende er aan het hoofd
der Spaansche Indiën een man te staan, die Spanjes gezag met macht en
kracht wist te handhaven. En hoe men over Columbus ook denken mocht,
niet één zou durven beweren, dat hij in dit geval de rechte man was om
de orde te bewaren.

In Spanje had evenwel nog iets meer plaats gegrepen. Columbus had in
een' zijner brieven ook een wijdloopig verhaal gedaan van de landen,
die hij op zijn' laatsten tocht gevonden had. Op de gewone manier had
hij zich vaak aan allerlei dichterlijke bespiegelingen overgegeven en
die voor waarheid gegeven. Vooral dat Paradijsachtige van de landen,
die »Paria« genoemd waren, en den schat van parelen, dien men daar
vinden zou, had hij met de sprekendste kleuren gemaald, en menigeen
brandde van verlangen om dat heerlijke Paria op te zoeken. Geen
evenwel wenschte dit zoo vurig als onze bekende Don Alonzo De Hojeda,
die niet met Columbus op de derde reis medegegaan was. Maar onze
avontuurlijke Ridder miste, wat het noodigste was om zulk een' tocht
te doen, en dat was geld. De overeenkomst tusschen de Monarchen en
Columbus, dat niemand der Spanjaarden bijzondere ontdekkings-reizen
mocht doen, bestond, dat wist heel Spanje en dat wist De Hojeda ook,
maar wat zou die overeenkomst? Was ze niet gesloten tusschen de
Monarchen eenerzijds en den Onder-Koning anderzijds? Was Columbus door
de benoeming van De Bobadilla niet van zijne waardigheid ontzet en
slechts »Admiraal van den Oceaan« gebleven? De overeenkomst had
derhalve hare kracht geheel verloren, en als hij nu maar een'
machtigen steun verkrijgen kon, dan zou hij, De Hojeda, wel uitzeilen
om dat Paria te vinden en aan de Kroon van Spanje te brengen.

Die machtige steun was spoedig gevonden in zijn' neef, den Eerwaarden
Vader Alonzo De Hojeda, een der Groot-Inquisiteurs van Spanje, en wat
meer zegt, een der beste vrienden van Bisschop Don Juan Rodriguez De
Fonseca, den volhardenden tegenstander van Columbus.

De Fonseca gaf, zeker wel met goedvinden van Koning Ferdinand, aan
onzen avonturier een' lastbrief, waarin hij gemachtigd werd om eene
vloot uit te rusten, ten einde het vasteland van Amerika nader te
onderzoeken. Waar De Bobadilla uit geldgebrek der Kroon nog niet
uitzeilen kon, daar was het De Hojeda duidelijk, dat hij bij de Kroon
niet om geldelijke bijdragen behoefde te komen. De rijke kooplieden
van Sevilla zouden hem evenwel helpen aan het uitrusten der schepen,
want er waren, als hij die Parel-landen vond, groote voordeelen van te
verwachten. De naam van den dapperen Alonzo De Hojeda was in heel
Spanje bekend, en weldra had hij dan ook aanboord van vier schepen,
die te Port Santa-Maria in de nabijheid van Cadiz lagen, manschappen
zoo goed als hij ze maar wenschen kon, want wie der zeelieden nog
aarzelde om onder bevel van een' Ridder dien tocht te maken, die
aarzelde niet meer toen hij wist, dat Juan De la Cosa, als Eerste
stuurman de reis zou medemaken. Afkomstig van Biscaye en als het ware
op zee geboren en oud geworden, stond hij als Spanjes beste Stuurman
bekend, terwijl hij daarenboven in de Indiën geen vreemdeling was,
omdat hij de heele tweede reis met Columbus had medegemaakt.

Den twintigsten Mei 1499 ging Alonzo De Hojeda onder zeil. Geholpen
door de kennis van zijn' Eersten stuurman, zijne eigene ervaringen en
de kaarten en aanwijzingen van Columbus zelven, kwam De Hojeda, na
eene voorspoedige reis van eenentwintig dagen, in dat gedeelte van de
Nieuwe Wereld aan, hetwelk thans Guyana heet, doch wat hij er vond,
geen goud en geene parelen. Het doel van den tocht was dus niet
bereikt, doch den zorgloozen en verkwistenden De Hojeda was het meer
om avonturen dan om schatten te doen. Hij zette daarom spoedig den
tocht voort, leverde op een der Caraïben-eilanden slag met de
inboorlingen, die zich dapper verweerden, doch het onderspit moesten
delven, en kwam eindelijk bij een eiland, dat hij den naam gaf van
»Giganten-« of »Reuzen-eiland«, omdat het, zoo het heette, bewoond
werd door menschen »waarvan elke man een Antaeus en elke vrouw een
Penthesiléa was.« Naderhand kreeg dit eiland den naam van Curaçao,
doch niemand heeft er ooit een' man of eene vrouw gevonden, die aan de
personen uit de fabelleer Antaeus of Penthesiléa deed denken. Toch was
hij, die dit in zijn dagboek »Quatuor navigationes« schreef, een man,
die zich later bekend maakte door nog enkele tochten in de Nieuwe
Wereld te doen en van die tochten uitvoerige beschrijvingen te geven.
Het was Amerigo Vespucci, en naar dezen man kreeg het nieuwe
werelddeel den naam van Amerika.

[Illustratie: AMERIGO VESPUCCI. (Geb. 1451, overl. 1512.)]

Amerigo Vespucci werd in 1451 te Florence geboren, en betoonde al heel
vroeg eene groote voorliefde te hebben voor de studie der natuur-,
aardrijks- en sterrenkunde. Hij was afkomstig uit een aanzienlijk
geslacht, niet onbemiddeld, en trachtte door reizen in Europa zijne
kennis uit te breiden. In 1490 bevond hij zich in Spanje en bleef daar
tot 1499, wanneer hij zich als Stuurman inscheepte met Don Alonzo De
Hojeda. Reeds het volgende jaar was hij weer in Spanje terug om eenige
weken later een' nieuwen tocht naar de Indiën te doen, bij welke
gelegenheid hij enkele eilanden ontdekte. Die tocht werd nog door
eenige andere reizen gevolgd, en daar hij den slag had om op eene
luchtige en vroolijke manier te vertellen, zoo werden de boeken,
waarin hij zijne reizen beschreef, weldra in alle landen van Europa
gelezen. De boekhandelaar Martin Waldseemüller, die de werken van
Vespucci, in het Duitsch vertaald, opnam in een grooter boek, schijnt
het voorstel gedaan te hebben om het nieuw gevonden werelddeel,
waarvan men toen reeds wist, dat het niets met de Indiën te maken had,
den naam van »Amerika« te geven. Dat is zeker, dat de naam »Amerika«
reeds voorkomt op kaarten van 1520 en 1522. Ongetwijfeld was deze
Amerigo Vespucci een zeer geleerd man, doch als ontdekker heeft hij
toch veel te weinig gedaan om zijn' naam aan de Nieuwe Wereld gegeven
te zien. Het heeft daarom, vooral in den laatsten tijd, niet aan
geleerden ontbroken, die vroegen: »Is het wel waar, dat Amerika naar
dezen Amerigo genoemd is?« Sommigen zijn er toe gekomen om het sterk
te betwijfelen en wijzen op vele namen in Middel-Amerika, die op
_ique_ en _acao_ eindigen. Anderen weer houden het ervoor, dat de naam
afgeleid is van »Amarca«, wat de heilige naam der Peruanen was. Het
zal evenwel een zoeken en gissen blijven, en al vinden we het nu
jammer, dat dit groote werelddeel niet »Columbia« heet, het zal niet
baten, en »Amerika« zal het wel blijven heeten.

Na deze noodzakelijke uitweiding tot De Hojeda terugkeerend, treffen
wij hem aan voor eene diepe en wijde golf. Stoutmoedig zeilde hij de
golf binnen en bevond dat ze veel eer op een kalm meer dan op eene zee
geleek, en naarmate hij er dieper in kwam werd het water steeds
kalmer. Eensklaps echter werden op een' morgen aller oogen getrokken
door een dorp, dat midden op het water gebouwd was. Zulk een dorp van
paalwoningen was in De Hojeda's tijd een zeer vreemd iets en bijna
vier eeuwen moesten nog na hem verloopen om de ontdekking te doen, dat
diezelfde paalwoningen ook in de Europeesche meren, inzonderheid in de
Zwitsersche en Italiaansche gebouwd werden, toen Europa nog slechts in
de Grieksche gedeelten beschaafd was. Op het gezicht van die
paalwoningen dacht De Hojeda onwillekeurig aan Venetië, dat ook op het
water gebouwd was, en terstond gaf hij deze streek den naam van
»Venezuela«, dat »Klein Venetië« beteekent. De inwoners echter, die
eerst zeer schuw in hunne woningen bleven, doch al heel spoedig een'
aanval op de vreemdelingen waagden, welke natuurlijk in hun nadeel
uitviel, noemden het land »Coquibacoa.« Na dit gevecht drongen de
Spanjaarden de golf steeds dieper in en kwamen eindelijk in het Meer
van Maracaïbo, waar de inwoners buitengewoon vriendelijk waren en
alles deden, wat ze konden om den vreemdelingen te behagen.
Merkwaardig mag het genoemd worden, dat De Hojeda in het verslag van
zijne reis melding maakt van Engelsche reizigers, die hij te
Coquibacoa ontmoette. Dit bericht bracht in Spanje heel wat pennen en
gemoederen in beweging, want, hoe kwamen die Engelschen daar? Wanneer
De Hojeda zich niet vergist had, dan hadden die Engelschen immers niet
veel meer dan den draak gestoken met de Pauselijke bul, die alleen aan
Spanje en Portugal het recht gaf om de landen, aan den Atlantischen
Oceaan en in de Indiën gelegen, te bezoeken, er handel op te drijven
en ze zich toe te eigenen. Er werden dan ook terstond maatregelen
genomen om de Engelschen te beletten de Indiën te naderen. Intusschen
is in de Engelsche geschiedenis niets bekend van dien tocht, zoodat De
Hojeda vermoedelijk de blanke inlanders met Engelschen zal verward
hebben. Een ander vermoeden bestaat er ook nog, doch dat zal eerst
geopperd worden in een volgend hoofdstuk, als we over Giovanni Caboto
en van zijn' beroemden zoon Sebastiano met enkele woorden spreken.

Het kostte De Hojeda en den zijnen groote moeite om van deze goedige
menschen te scheiden en dit heerlijke land te verlaten, en als we dat
lezen, dan overvalt ons een gevoel van treurigheid bij de gedachte,
dat later, door de ellendige gouddorst der Spanjaarden, deze menschen
halve duivels werden en dat, vier eeuwen na de ontdekking, deze landen
de broeinesten van jammer, ellende en revolutie zijn. Hoe bitter wreed
werd het Paradijsachtige leven van deze goedige en gelukkige menschen
verstoord! Waarlijk, wie er ook jubelen mogen bij het vierde eeuwfeest
van Amerika's ontdekking, de weinige nakomelingen van de
oorspronkelijke bewoners hebben er allerminst redenen toe. Bij het
gejubel der Blanken mogen zij weenen bij de bouwvallen van hun
voormalig Paradijs. En hoe lang nog? Met ieder jaar dringen de Blanken
steeds verder, en wijken de Indianen. Met ieder jaar neemt hun aantal
af, want allerlei ziekten, door Europeanen aangebracht, dunnen op eene
verschrikkelijke wijze hunne gelederen. Het viel bijna allen
ontdekkers op, dat de inboorlingen niet door de pokken geschonden
waren; die ziekte kenden de Indianen niet, doch de Europeanen brachten
ze over, en geene ziekte woedde er ooit heviger onder hen dan juist
deze.

Al wat laag en liederlijk was, mocht bij hen bijna onbekend heeten,
doch het uitschot van volk, dat de Spaansche Regeering naar deze
landen zond, was oorzaak, dat de inboorlingen er mede bekend werden,
en, als Renegaten in de ondeugd, toonden ze ook de eigenschappen van
Renegaten te hebben, en overtroffen ze weldra hunne leermeesters.

Na dit heerlijke land verlaten te hebben, zette De Hojeda zijn' tocht
nog een eindweegs voort, doch besloot toen om den steven naar
Hispaniola te richten. Het lijkt onschuldig maar het was alles behalve
onschuldig. Wat De Fonseca had durven doen, hij had den moed niet
gehad, De Hojeda vrijheid te geven om te reizen waar deze wilde. In
zijn' lastbrief stond uitdrukkelijk vermeld, dat hij geene landen
mocht aandoen, welke door de Portugeezen in bezit genomen waren, en
ook geene, die door Columbus vóór 1495 ontdekt werden. Den inhoud van
zijn' lastbrief volgende, mocht hij derhalve niet op Hispaniola komen.
Hij was evenwel de man niet om te vreezen dat die overtreding hem
kwaad zou doen. Hij kende Koning Ferdinand; hij wist wie De Fonseca
was, en bovendien begreep hij zeer goed, dat Columbus op dat eiland op
geene rozen sliep, en dat hij, om het eens platweg uit te drukken
»Onder-Koning af« was, en dat de toestand in de Kolonie nog ellendig
zou zijn.

En wel was die toestand meer dan treurig. Bijna door allen verlaten,
was Columbus genoodzaakt om met Roldan en de zijnen een soort van
vergelijk te treffen, doch wie nu weet welk een man die Roldan was en
welk een geest zijn' aanhang bezielde, moet terstond inzien, dat een
deugdelijk vergelijk tot de onmogelijkheden behoorde en dat er telkens
nieuwe twisten moesten ontstaan. Roldan, door Columbus weer als
Opperrechter hersteld, vervolgde den aanhang van Columbus zooveel hij
kon, doch van de lieden, die tot zijne partij behoorden zag hij alles
door de vingers. De vriendelijkheid en toegevendheid van Columbus
jegens hem telde hij niet; hij wist dat Columbus hem bij de Monarchen
aangeklaagd en tevens op zijn ontslag aangedrongen had. Wel kwam er
uit Spanje geen antwoord, doch eenmaal zou het komen, en dan zou, òf
Columbus, òf hij moeten wijken. Maar hij kende de kaart van zijn land
al te goed en kon bijna voorspellen, dat alles eindigen zou met den
val van den Admiraal. Er zat voor hem, hoe hij de zaak beschouwde,
geen voordeel in om te trachten weer in de gunst van den Onder-Koning
te komen. Zóó stonden de zaken toen Columbus besloot naar Spanje terug
te keeren. Hij was zwak en ziekelijk en gevoelde zich onmachtig om de
zaken met vaste hand te besturen. En wat wilde hij nu? Het
Onder-Koningschap over de Indiën was in zijn geslacht erfelijk
verklaard en aan het Spaansche Hof diende zijn zoon Diego als Page.
Diego was nu geen kind meer, maar een jongeling vol kracht. Hem zou
Columbus halen; samen zouden ze dan de Indiën besturen en Don Diego
zou van alles volkomen op de hoogte zijn, als de Vader het moede en
matte hoofd voor altijd te slapen legde. Die Vader gevoelde het wel,
dat zijn levensuurwerk spoedig afgeloopen zou zijn.

Aan dit voornemen werd evenwel geen gevolg gegeven, want onverwachts
kwam er tijding, dat er in het Westen van het eiland vier vreemde
schepen aangekomen waren en meteen verspreidde zich het gerucht, dat
enkele Kaziken weer plan hadden om tegen de overheersching op te
staan. Nu zond hij nog twee karveelen naar Spanje met mannen, die niet
in de Kolonie wenschten te blijven. Het was niet veel meer dan
gespuis, dat van die gelegenheid gebruik maakte, en dat, in Spanje
gekomen, niet nalaten zou om allerlei beschuldigingen tegen Columbus
en zijne broeders in te brengen. Om het kwaad, dat ze hem brouwen
zouden, zooveel mogelijk te voorkomen, deed de Onder-Koning twee
zijner getrouwen de reis medemaken. Ze waren Miguel Ballester en
Garcia De Barrantes. Met opzet worden die twee mannen hier genoemd,
omdat ze waarlijk edele harten bezaten en nog nimmer bezweken waren
voor de schoone beloften van Roldan. Deze twee getrouwen kregen
brieven van Columbus aan de Monarchen mede, en hierin vroeg Columbus
nogmaals om toch een Opperrechter te zenden. Hij verklaarde er in dat
hij en zijne broeders van wreedheid beschuldigd werden, doch dat zijn
geweten hem daarvan niet alleen vrij sprak, maar hem zelfs verweet te
zachtmoedig en te toegevend te zijn. Zond men nu een eerlijk en
geleerd Opperrechter dan zouden Roldan en de zijnen inzien, dat ze
valsche beschuldigingen ingebracht, en dat hij, de Onder-Koning, en
zijne broeders het recht niet met voeten getreden hadden. Welk een
geworstel!

De karveelen vertrokken en Columbus moest nu weten welke schepen er in
het Westen van het eiland aangekomen waren. Spoedig vernam hij, dat
hij met een eskader te doen had, dat onder bevel van Don Alonzo De
Hojeda stond. Columbus kende dien man en wist dat hij tot alles in
staat was, en daarom zond hij er Roldan heen om dien gevaarlijken gast
weg te krijgen. Roldan nam die taak gaarne op zich en vertrok met twee
karveelen naar het genoemde punt en wist De Hojeda, die met slechts
vijftien man aan den wal was, zoo te verrassen, dat hij niet meer naar
zijne schepen kon terugkeeren. De Hojeda, door de inwoners
gewaarschuwd, was de man niet om den moed te verliezen, en hij kende
Roldan ook genoeg om te weten hoe hij de zaak moest aanleggen om niet
in moeielijkheden te komen. Zoo brutaal mogelijk ging hij Roldan
tegemoet en toen deze hem vroeg om den vrijbrief te toonen, welke De
Hojeda noodig had om op dit eiland te komen, vertelde de slimme
avonturier, dat die vrijbrief aan boord van zijn schip was, dat hij
een' belangrijken ontdekkingstocht gedaan had en dat hij van plan was
om met zijne schepen, zoodra hij deze had laten herstellen, naar
San-Domingo te komen om daar den Onder-Koning van alles bericht te
geven. Noodig achtte hij het niet, want, vervolgde hij: »Columbus is
aan het Hof geheel in ongenade gevallen, doch mijn Ridderplicht zou ik
te kort doen, als ik niet naar San-Domingo kwam.«

Slechts één punt van De Hojeda's mededeeling boezemde Roldan
belangstelling in en dat was: »Columbus in ongenade.«

Roldan liet evenwel niets van zijne vreugde over dit bericht blijken,
hield zich, alsof hij geloofde dat De Hojeda te San-Domingo komen zou
en vertrok om Columbus mede te deelen, wat het plan van den avonturier
was. Wie er echter te San-Domingo kwam, De Hojeda niet en al spoedig
bleek het, dat hij er niet aan dacht om te komen. Nu werd Roldan er
andermaal op uitgezonden en niet dan met de grootste moeite, en op
vechten af, slaagde hij er in om eindelijk den avonturier verwijderd
te krijgen. Deze had zich onder de ontevreden Spanjaarden heel wat
vrienden gemaakt, en daar deze laatsten het moeielijk verkroppen
konden, dat Roldan, die eerst met hen samengespannen had, nu alweer de
rol van Opperrechter vervulde, zoo ontstond er opnieuw gevaar, dat er
onder de kolonisten, die zich nu nog al tamelijk rustig hielden, een
opstand uitbarsten zou. Dat gevaar vermeerderde nog toen Columbus een'
zekeren Don Hernando De Guevara naar Xaragua gezonden had, met bevel
zich daar aanboord van De Hojeda in te schepen, omdat hij voor de
kolonie een gevaarlijk persoon was. De Hojeda was evenwel vertrokken
en de woelzieke Ridder kreeg van Roldan vergunning om te Xaragua te
blijven. Doch wat gebeurde? Roldan had het oog laten vallen op
Hignameta, de schoone en bevallige dochter van Anacaona, en De
Guevara, die haar ook leerde kennen, begeerde haar eveneens tot vrouw.
Thans spande Roldan alle krachten in om den gehaten medeminnaar te
verwijderen, doch deze wist zich ook een' aanhang onder Roldans
vroegere makkers te verzekeren en bleef bedaard waar hij was. Toch
gelukte het Roldan om zijn' tegenstander gevangen te nemen, maar als
een loopend vuur verspreidde zich het gerucht van deze daad en
bereikte ook de ooren van Don Adrian De Moxica, een' neef van Guevara.
De Moxica trok zich de zaak van den neef aan en--de opstand tegen het
gezag brak opnieuw uit. Mocht Columbus nu ook al andermaal
toegevendheid hebben willen toonen, Don Bartholomeus wist hem te
beduiden, dat er heel wat anders gebeuren moest, en dat alleen door
het invoeren van een schrikbewind de Kolonie te redden was. Columbus
luisterde naar dien raad, en werkelijk het schrikbewind werd met eene
ongekende wreedheid ingevoerd. Er ging geen dag voorbij of er werd een
doodvonnis geveld en voltrokken.

Zeven Spanjaarden waren pas geleden opgehangen en vijf zaten in de
gevangenis hun vonnis af te wachten, toen den drieëntwintigsten
Augustus 1500 twee karveelen in het gezicht van San-Domingo kwamen.
Don Diego voerde daar, bij afwezigheid zijner broeders, bevel, en
wanende dat die karveelen Columbus' zoon Diego zouden brengen, zond
hij eene sloep uit om hem welkom te heeten.

Het was niet Don Diego, die daar kwam; het was Don Francisco De
Bobadilla, de nieuw benoemde Opperrechter, het was de feitelijke
Onder-Koning, die Columbus van zijne waardigheid kwam ontzetten.

De mannen, die hem met de sloep tegemoet geroeid waren, deelden hem
mede met welk eene strengheid Columbus in den laatsten tijd het gezag
uitgeoefend had, en toen De Bobadilla de haven van San-Domingo
binnenliep, bewezen de galgen op het galgenveld, dat men hem geene
leugens opgedischt had.

Het was De Bobadilla's verlangen geweest, Columbus schuldig te vinden,
om dan met meer recht tegen hem te kunnen optreden en hem het hooge
gezag te ontnemen. Of Columbus wel schuldig was, en of de gehangenen
hun lot niet verdiend hadden, wilde hij niet onderzoeken, en daardoor
overtrad hij den lastbrief, dien de Monarchen hem hadden medegegeven.
Ja, de bedoeling van Ferdinand en Isabella was het geweest om De
Bobadilla het hoogste gezag in handen te geven, doch hij moest
Columbus daarbij niet meer krenken dan zij hem al gekrenkt hadden.

Niettegenstaande Don Diego's protest, gedroeg De Bobadilla zich
terstond als opperste Gezaghebber, en vereischte de loslating der
gevangenen en het overleggen der proces-stukken. Slechts voor geweld
bukte Don Diego; hij begreep dat langer tegenstand bieden toch niets
baten zou. Zoodra Columbus vernam, dat de nieuwe Opperrechter
aangekomen was, heette hij hem schriftelijk welkom, want ter
onderdrukking van den opstand bevond hij zich in het binnenland. Hij
gaf hem den welgemeenden raad om voorzichtig te wezen in het verleenen
van vrijdom naar het zoeken van goud, en zeide hem verder, dat hij
binnenkort te San-Domingo komen zou. Hij zelf zou dan naar Spanje
terugkeeren en hem in het voorloopig bewind over het eiland
achterlaten.

Op dien brief kwam evenwel geen antwoord, en toen Columbus vernam hoe
De Bobadilla te werk ging, Roldan en zijn' aanhang begunstigde en dat
hij zelfs zijn' intrek in het huis des Onder-Konings genomen en daar
alles zich toegeëigend had, geloofde Columbus met niemand anders te
doen te hebben dan met een' driesten avonturier en bleef hij
voorloopig waar hij was, niet wetende hoe in deze zaak te handelen.

Het duurde evenwel niet lang of hij zou weten, wat hij doen moest. De
Bobadilla zond Francisco Velasquez en Juan De Trasierra naar Columbus,
en toen deze twee te Bonao aankwamen, waar de Onder-Koning zich
ophield, lieten ze hem den geloofsbrief van De Bobadilla zien. Het was
een stuk, onderteekend met: »Ik, de Koning« en »Ik, de Koningin«, en
bevatte voor hem het bevel om De Bobadilla »in alles te vertrouwen en
te gehoorzamen.«

Te gehoorzamen? Het stond er maar al te duidelijk. Hij, de
Onder-Koning, moest gehoorzamen hem over wien hij te bevelen had. De
Monarchen wilden dat.

Wat zou hij doen?

Wie Columbus kende, behoefde dat niet te vragen. Te trotsch om de
bevelen van anderen te volgen, volgde hij onvoorwaardelijk de bevelen
zijner Monarchen en zoo goed als geheel alleen begaf hij zich op weg
naar San-Domingo.

»Columbus komt, maar vergezeld van zijne vrienden, de Kaziken met
hunne legerbenden,« zoo vertelden zij, die te San-Domingo gekomen
waren om »de opgaande zon« te aanbidden en van hem allerlei gunsten te
verkrijgen.

Er was geen woord van waar, doch De Bobadilla greep dat gerucht met
blijdschap aan, want het gaf immers een schijn van recht aan alle
handelingen, die hij reeds gepleegd had en die hij ten opzichte van
Columbus nog plegen zou?

Al wat een wapen dragen kon, werd in de wapenen geroepen om den
verwaten Admiraal met zijne wilde legerhorden te keeren, en als een
bewijs, dat deze maatregelen van voorzorg hoognoodig waren, liet De
Bobadilla terstond Don Diego in boeien slaan en zoo aanboord van een
der schepen brengen.

Vol spanning wachtte men op den bode, die het bericht brengen zou: »De
Admiraal komt!«

Met eene bespottelijke heldhaftigheid, die aan Don Quichotterie doet
denken, werden de kruisbogen gespannen, de zwaarden getrokken, de
vuurroeren geladen, de pieken geveld.

Eindelijk... »De Admiraal komt! Hij komt alleen!«

»Men sla hem in boeien!« beveelt De Bobadilla, en laat de rammelende
keten voorbrengen.

Columbus wordt gevangengenomen, maar hem boeien, hem, van wien ze toch
niet zeker weten, of hij wel in ongenade gevallen en van zijne
waardigheden ontzet is,--hem, die zóó lang hun heer en meester was,
neen, dat kunnen, dat willen ze niet. Zelfs zij, die zoo menigmaal
tegen zijn gezag waren opgestaan, weigeren.

Eindelijk verschijnt Espinosa, de kok van Columbus, en wat een ander
niet wilde doen, dat doet deze: hij slaat zijn' meester in de boeien.

De arme Columbus werd naar de gevangenis gebracht en daar wel bewaakt,
doch hiermede was De Bobadilla's gezag nog niet bevestigd. Don
Bartholomeus leefde nog in vrijheid, en het was algemeen bekend, dat
deze niet zoo handelbaar was als zijn broeder en bovendien onder de
Kaziken een' grooten aanhang had. Wat moest men doen, als hij met eene
sterke legermacht kwam om den Admiraal te bevrijden?

Of De Bobadilla zelf het middel vond om dat gevaar te bezweren, is
onbekend, maar het werd gevonden en was zoo laaghartig mogelijk. Men
had nu gezien dat Columbus zich zonder tegenstreven onderwierp aan
het: »Ik, de Koning« en »Ik, de Koningin.« Welnu, hij moest een' brief
aan Don Bartholomeus schrijven en hem daarin gelasten, onmiddellijk
naar San-Domingo te komen om zich aan het gezag van De Bobadilla te
onderwerpen, omdat dit de wil der Monarchen was. Als Columbus dat
schreef, dan zou Don Bartholomeus gehoorzamen, dat wisten ze.

Columbus schreef dien brief; Don Bartholomeus kwam, en werd ook
gevangengenomen en in boeien geslagen.

Men mag deze daad van Columbus beoordeelen zoo men wil, doch men moet
niet vergeten, dat de acht jaren na 1492 veel meer dan dubbel voor hem
geteld hebben. Hij was een grijsaard geworden te midden van allerlei
tegenspoed en rampen, te midden van allerlei miskenning. Zijne
gezondheid was geknakt; zijne oogen waren verzwakt; zijne hoop was
vervlogen. Alleen de trouw, de onwrikbare trouw aan zijne Souvereinen
was gebleven, en hij twijfelde er geen oogenblik aan of hij zou, als
hij maar in Spanje ten Hove verschijnen mocht, de vuige lasteringen
van zijne vijanden zóó weerleggen, dat men hem niet alleen in zijne
eer, maar ook in al zijne waardigheden herstelde.

Hij wilde naar Spanje, hoe dan ook, doch hij was er nog niet, en een
man als De Bobadilla was tot alles in staat, zelfs om hem het hoofd
voor de voeten te leggen. Daarom was hij onderworpen tot de grenzen
der lafheid; daarom schreef hij zijn' broeder dien ongeluksbrief. En
waarom zou hij het ook niet gedaan hebben? Al was Don Bartholomeus ook
zoo gelukkig hem te bevrijden, hoe zou hij, de gevallene, dan nog
gezag kunnen uitoefenen? Reeds toen hij er nog rechtstreeks mede
bekleed was, gehoorzaamde men hem niet, en moest hij zelfs een' man
als Roldan naar de oogen zien, hem alle overtredingen vergeven en
allerlei gunsten verleenen. Nu hem het gezag ontnomen was, zouden
zelfs zijne getrouwen aarzelen om hem te gehoorzamen.

Naar Spanje terugkeeren was zijn eenig redmiddel, doch telkens bekroop
de vrees hem, dat dit niet gebeuren zou.

Eindelijk waren de schepen gereed om met de gevangenen te vertrekken,
doch Columbus, die nog altijd in den kerker zat, wist nergens van.

Daar treedt eensklaps Ridder Alonzo De Villejo met de wacht binnen.

Columbus verbleekte, dacht aan het schavot, en vroeg met bevende stem:
»De Villejo, waarheen brengt ge mij?«

Deze De Villejo was een rechtschapen Ridder, en zeide, zonder een
oogenblik zijne onderdanigheid tegenover den Admiraal te verliezen:
»Naar het schip, Excellentie, om aanboord te gaan.«

»Om aanboord te gaan,« riep Columbus verheugd. »De Villejo, spreekt
gij waarheid?«

»Bij het leven van Uwe Excellentie,« hernam de Ridder, »het is de
waarheid.«

De Admiraal had zijn' zin; hij zou naar Spanje gaan, en zich daar
kunnen verantwoorden.

Toch moet die gang van de gevangenis naar het schip voor den
hooghartigen man een oogenblik van duldelooze kwelling geweest zijn.

Het gemeen wachtte den gevangene op, en begroette hem met
scheldwoorden.

[Illustratie: »Spanje moge getuige zijn van den smaad mij aangedaan.«]

Verloopen Ridders, die als gemeene deugnieten voor hem gesidderd
hadden, en bijna als bedelaars hadden moeten rondzwerven, stonden daar
in sierlijke kleeding, trotsch op de gunst waarin ze bij De Bobadilla
gekomen waren, en lachten hem sarrend uit.

Geen' tred mocht Columbus in zijne eigen woning doen. Al, wat zich
daarin bevond, was door De Bobadilla in beslag genomen. Alles, zijne
boeken, instrumenten, meubelen, gouden en zilveren sieraden, zijn geld
en goed, ja, zelfs zijne brieven en papieren waren verbeurd verklaard,
doch reeds voor een groot deel gebruikt om Columbus' vijanden te
verrijken.

Er is een bekend Latijnsch gezegde: »Sic transit gloria mundi!« dat
is: »Zoo gaat de heerlijkheid der wereld voorbij!«

Weinig voorbeelden zijn in de geschiedenis der wereld aan te wijzen,
waar dit gezegde in zijne volle beteekenis zoo kan toegepast worden,
als hier.

Het was in het begin van October 1500 toen de karveelen het anker
lichtten en de reis naar Spanje aannamen, onder het opperbevel van Don
Alonzo De Villejo. De Kapitein van de karveel, waarop Columbus als
gevangene was, heette Andreas Martin. Deze deed voor De Villejo in
edelmoedigheid niet onder, en behandelde den Admiraal met de meeste
onderscheiding.

Zoodra men de ankers gelicht en de haven verlaten had, gaf De Villejo
bevel om Columbus de boeien af te nemen, doch toen men kwam om dit te
doen, weigerde Columbus beslist, ze zich te laten ontnemen.

»Neen! Spanje moge getuige zijn van den smaad, mij aangedaan,« zeide
hij. »Hunne Majesteiten hebben mij bevolen om De Bobadilla in alles te
gehoorzamen. Hij heeft mij in boeien doen slaan in Hun' naam, en ik
zal ze dragen tot zij bevelen, ze mij af te doen. Dan zal ik ze
bewaren, als eenig loon voor alles, wat ik voor Hunne Majesteiten en
voor Spanje gedaan heb.«

Er lag bitterheid in die laatste woorden, doch wie zal ze Columbus
euvel duiden? Als bedelaar klopte hij eenmaal aan eene kloosterpoort,
en jaren later, na Spanje, zoo hij meende, de Indiën gegeven te
hebben, was hij armer dan in die dagen. Toen genoot hij nog de gulden
vrijheid; thans was hij in kluisters geklonken.

Columbus' zoon, Don Ferdinand, zegt: »Ik zag die ketenen steeds in
zijn kabinet hangen, en menigmaal deed hij ons het verzoek om, wanneer
hij gestorven zou zijn, ze bij hem in de kist te leggen.«

Toen Columbus de tochten bestuurde, had hij nimmer in zulk een' korten
tijd den zeeweg van Hispaniola naar Spanje afgelegd als nu. Zonder
eenigen tegenspoed kwamen de karveelen reeds in November te Cadiz aan.
Thans vroeg hij den edelen De Villejo de gunst om de brieven, die hij
onderweg geschreven had, met eene boot naar den wal te mogen laten
brengen, en te willen zorgen, dat een renbode ze onmiddellijk aan het
Hof bezorgde. Hij vreesde dat zelfs de weg naar het Hof hem zou
afgesloten zijn, wanneer de Koning en de Koningin De Bobadilla's
brieven vóór de zijne ontvingen.

De Villejo stond dit verzoek gaarne toe, en eer de karveelen aan den
wal gemeerd lagen, was de renbode reeds met Columbus' brieven weg.

Aanvankelijk hadden de bewoners van Cadiz de twee karveelen met
onverschilligheid zien naderen. Wat anders zouden ze alweer brengen
dan ongelukstijdingen? Men verwachtte niets goeds, maar,--de
nieuwsgierigheid kwam boven en deed vragen.

En daar luidde het antwoord: »Wij hebben den »Admiraal van den
Oceaan«, den gewezen »Onder-Koning van de Indiën« en zijne twee
broeders, in boeien geslagen, bij ons aanboord. Zijne Excellentie De
Bobadilla heeft het zoo bevolen.«

Eene huivering beving ieder, die dit hoorde.

Ja, duizenden en nog eens duizenden hadden Columbus een' avonturier
genoemd, die aan Spanje nog niets dan schade gebracht had, maar nu men
hem in boeien geklonken naar Spanje zond, werd ieders gelaat van
verontwaardiging gekleurd. Dat was eene schande, eene onuitwischbare
schande. Het waren zelfs Columbus' oudste tegenstanders en vijanden,
die dit luide getuigden.

Het bericht liep van mond tot mond, en zelden klonken er zoovele
kreten van diepe verontwaardiging. Ook Koning Ferdinand en de goede
Koningin Isabella stonden ontzet toen ze de tijding ontvingen; ze
konden het niet gelooven. De renbode bevestigde evenwel van woord tot
woord het gerucht, en de brieven deden de waarheid nog erger zijn dan
het gerucht. Stellig had zóó iets zelfs niet in de bedoeling van
Koning Ferdinand gelegen, en van Koningin Isabella nog veel minder. De
Bobadilla had den inhoud van den lastbrief niet gevolgd, en op eigen
gezag daden gepleegd, waaraan de Monarchen niet schuldig konden of
wilden zijn. Alle gekroonde Hoofden in Europa zouden er schande van
spreken, en de Spaansche naam zou veracht worden door heel de wereld.

Onmiddellijk na het lezen van Columbus' brieven werd er een courier
naar Cadiz gezonden, met het Koninklijke bevel, om oogenblikkelijk
Columbus en zijne broeders van hunne ketenen te verlossen en in
vrijheid te stellen. En niet alleen in vrijheid stellen, neen, meer
dan dat. Het bevel luidde dat men den Admiraal en zijne broeders
overeenkomstig hun' hoogen rang behandelen zou, en eene som van ruim
twintigduizend gulden moest Columbus ter hand gesteld worden, om zich
het noodige aan te schaffen, teneinde op waardige wijze aan het Hof te
kunnen komen.

Na van de vermoeienissen en ziekten eenigszins hersteld te zijn, begaf
Columbus zich op reis naar Granada, waar de Monarchen toen hunne
residentie hadden, en den zeventienden December verscheen hij ten
Hove.

Ontroering greep ieder aan, die den grooten man zag.

Met waggelenden tred, gebogen rug en doffe oogen schreed hij tusschen
de Hovelingen door naar den troon der Vorsten. Daar knielde hij neer
en--brak in een luid gesnik uit. Hij had zich groot willen houden,
doch hij kon niet.

Koningin Isabella was de eerste, die op hem toetrad, hem zacht bij den
arm greep, en vriendelijk verzocht om op te staan.

Het woord eener vrouw kan eene tooverachtige kracht hebben, en voor
Columbus had het woord zijner Koningin meer dan eene tooverachtige
kracht.

God, de Heilige Maagd en zijne Koningin, geen, die hij meer vereerde.

Hij richtte zich op, en toen hij tranen in de oogen van Isabella zag,
kreeg hij weer alle hoop terug. Die hoop maakte hem welsprekend, en
zoodra hij zijn pleidooi geëindigd had, smaakte hij de voldoening, dat
Koning Ferdinand, ten aanhoore van al de Hovelingen, verklaarde, dat
De Bobadilla de grens zijner macht verre overschreden had, en dat zij
nimmer last hadden gegeven, hem en zijne broeders gevangen te nemen,
en nog veel minder om hen op zulk eene onteerende en vernederende
wijze te behandelen. Columbus werd in al zijne rechten en waardigheden
hersteld, doch hoe hij er ook op aandringen mocht, het
Onder-Koningschap van de Indiën konden ze hem niet toevertrouwen.
Columbus had zich letterlijk onmogelijk gemaakt door de verkeerde
maatregelen, die hij in die waardigheid genomen had, en toen de
Monarchen hem verzekerden, dat zijn leven zelfs gevaar liep zoo hij
andermaal, met het hoogste gezag bekleed, te San-Domingo kwam, zeiden
ze dit niet zóó maar, want werkelijk, er bestond alle grond voor, dat
het gebeuren zou. Toch hielden de Koning en de Koningin hem de handen
boven het hoofd, door oogenblikkelijk De Bobadilla van zijn ambt te
ontzetten, en in zijne plaats te benoemen Don Fray Nicolas De Ovando,
een Edelman, die om zijne deugden en bekwaamheden de achting genoot
van al wat Spanjaard heette.

Dat Columbus, trots dit alles, geen' vrede met dat besluit kon hebben,
is natuurlijk, doch hij zweeg, en zou later wel zien terug te krijgen,
wat hem, naar zijne meening eerlijk toe kwam. Hij hoopte zich door
nieuwe ontdekkingen nog verdienstelijker te maken, en dan zou alles
wel weer terecht komen. Naar zijne stellige overtuiging had hij Marco
Polo's »Zipangu« en de Oostkust van Azië ontdekt. Hij wilde nu een'
tocht maken om den zeeweg naar de eigenlijke Indiën te vinden. Een
groot deel van dien weg had hij immers al afgelegd?

De Monarchen vonden dit plan uitnemend, maar .... eerst moest er geld
voor de uitrusting der schepen zijn, en dat was er nog niet, zoodat
onze Admiraal tijd had om in Spanje, door rust, weer tot de vorige
krachten terug te keeren of--door ergernis over het dralen, nog meer
averechtsche plooien in zijn karakter te krijgen. Dat uitstel van de
vierde reis, die ook zijne laatste zou zijn, geeft ons gelegenheid om
in een volgend hoofdstuk eerst over de ontdekkingstochten van andere
ondernemende mannen te spreken, en dan ten slotte hem op dien laatsten
tocht te volgen.



HOOFDSTUK IX.

LAATSTE REIS VAN COLUMBUS.


Het ligt geheel in den aard der zaak om aan te nemen, dat het gerucht
van Columbus' ontdekking ook nog andere volken dan de Portugeezen
prikkelen zou om het voorbeeld der Spanjaarden te volgen, wanneer ze
maar een land bewoonden, dat aan zee gelegen was. De Italianen hadden
er ook wel lust in, vooral de Genueezen, Florentijnen en Venetiërs,
maar wanneer dezen uitzeilden om ontdekkingen te gaan doen, dan
moesten ze de enge Straat van Gibraltar passeeren en waren daardoor
geheel in de macht van Spanje, dat natuurlijk met Argus-oogen uitzag
of een ander volk het niet waagde om het voorrecht, door den Paus aan
Spanje gegeven, als van geene kracht te beschouwen. Italië zag zich
derhalve gedwongen, bedaard toe te zien. Portugal repte zich om zijne
ontdekkingen in Afrika voort te zetten, en wij weten reeds met welk
een' gunstigen uitslag. Frankrijk had echter onder de regeering van
Koning Lodewijk XII de handen te vol om den verwarden staat van
binnenlandsche zaken te ordenen, en een waakzaam oog te houden op de
uitbreiding der macht van het Habsburgsche Huis. Hoe gunstig ook voor
de zeevaart gelegen, het kon zich niet met ontdekkingstochten inlaten.
De Nederlanders dreven in dien tijd wel veel zeehandel, ze waren ook
ondernemend en belust genoeg om ontdekkingen te gaan doen, maar, er
was iets, dat hun de handen bond. Graaf Filips de Schoone toch, die
Heer was over bijna al de Nederlanden, was gehuwd met de Infante
Johanna, dochter van Koning Ferdinand en Koningin Isabella. Nu sprak
het toch vanzelf, dat de Nederlanders op zee geene mededingers mochten
of konden worden van een bevriend en machtig land, en toen later Karel
V Koning van Spanje werd, en meteen dus ook Heer der Nieuwe Wereld,
waren de handen der Nederlanders nog veel meer gebonden. Dat het hun
aan geen' ondernemingsgeest of moed faalde, bewezen ze bijna op
hetzelfde oogenblik, dat ze zich aan de macht van Spanje onttrokken,
en veilig kan men aannemen, dat die zucht om op ontdekkingen uit te
gaan, en het toch niet te kunnen doen, eene der vele redenen is
geweest, dat er tusschen de Nederlanders en Spanjaarden zulk een
volkshaat bestond.

Nu we de redenen opgenoemd hebben waarom de Italianen, Franschen en
Nederlanders geen deel aan de ontdekkings-tochten namen, rest ons nog
om over de Engelschen te spreken, want de Duitschers en Noren rekenden
in dien tijd niet mede; hunne scheepvaart bepaalde zich bijna
uitsluitend tot de Noordzee en de Oostzee.

Dat de pogingen van Don Bartholomeus in Engeland schipbreuk leden,
meldden we reeds. Men vertrouwde den vreemdeling niet genoeg, en
Koning Hendrik VII bleef er zelfs vrij koel onder, toen de ontdekking
der Nieuwe Wereld, of zooals men meende, de Indiën, ook in Engeland
bekend werd.

In die dagen woonde echter te Bristol een vermogend en geleerd
Italiaansch koopman. Hij was van Venetië afkomstig, en heette Giovanni
Caboto, doch de Engelschen noemden hem eenvoudig John Cabot. Met leede
oogen zag deze man het aan, dat de Spanjaarden door hunne ontdekkingen
den handel van zijne vaderstad Venetië ten gronde zouden doen gaan,
maar zeer goed zag hij in, dat Venetië onmogelijk als mededingster op
den Oceaan kon optreden. Nu besloot hij, als Venetiaan, zich te
wreken, en trachtte den Koning van Engeland over te halen om aan hem
en aan zijne drie zonen volmacht te verleenen om in het Westen op
ontdekkingen uit te gaan. De Pauselijke bul was natuurlijk ook in
Engeland bekend, doch Hendrik was er de man niet naar om zich aan die
bul te storen. Geen recht was heilig bij hem, als hij er maar voor
zichzelven voordeel in zag het te verbreken. Toch werd Cabots voorstel
op de lange baan geschoven, en eerst in 1495 verleende de Koning hem
die volmacht. Het werd evenwel nog 1497 eer Cabot met vier
transportschepen en een Koninklijk vaartuig de haven van Bristol
verliet. De volmacht was hem verleend op voorwaarde, dat hij een
vijfde deel van de behaalde winst aan den Koning zou afstaan, terwijl
de Koning, inruil daarvoor, hem het uitsluitend recht waarborgde om
met zijne zonen op de ontdekte landen handel te drijven. De Cabots
waren beter wiskunstenaars dan Columbus, zoodat ze overtuigd waren
dat, op eene hoogere breedte, den weg naar de Indiën nader moest zijn
dan op de lagere, die Columbus gekozen had. Vader Cabot hield den
koers ook westelijk, en den vier-en-twintigsten Juni 1497 ontdekte hij
het vasteland van Noord-Amerika, derhalve veertien maanden vroeger dan
Columbus het vasteland van Zuid-Amerika aanschouwde. Amerigo
Vespucci's beweren, dat hij de eerste Europeaan geweest was, die het
vasteland van de Nieuwe Wereld gevonden had, vervalt door deze
ontdekking natuurlijk geheel. Columbus had het moeielijk kunnen
tegenspreken, want het eiland Cuba werd door hem voor het vasteland
gehouden, en Paria hield hij voor een groot eiland. Wel twijfelde hij
er nu en dan aan, of Paria wel een eiland was, omdat het water eener
rivier tot op mijlen afstands buiten den wal, den Oceaan nog zoet
maakte, doch op een heel groot eiland konden ook groote rivieren zijn.
Zelfs vóór hij zijne vierde reis ondernam, en de ontdekkingen van
Zuid-Amerika reeds overal in Spanje bekend waren, hield hij het er
voor, dat de ontdekte kusten aan een eiland behoorden, hetwelk ten
zuiden van de Indiën lag. Het moest, zoo redeneerde hij verder,
slechts door eene zeeëngte van de Indiën en het vasteland van Azië
gescheiden zijn. Wanneer we hem op zijn' vierden tocht volgen, zullen
we hem terugvinden, die zeeëngte nog steeds zoekend ten Zuiden van het
gewaande »vasteland Cuba.«

Van eene vrij voordeelige reis teruggekeerd, maakte Johns zoon
Sebastiaan in 1498 een' tweeden tocht en bereikte zelfs Kaap Florida,
die zich nog zuidelijker bevindt dan het noordelijkste van de
Bahama-eilanden, waarvan Columbus zoo ongeveer het middelste ontdekte.
Van Sebastiaans broeders vond ik nergens wat vermeld, zoodat het
mogelijk zou kunnen zijn, dat ze behoorden tot de Engelsche reizigers,
die De Hojeda op zijn' tocht ontmoette, en waarvan wij met een paar
woorden gewaagden. Mogelijk ook is het, dat de voordeelige tocht der
Cabots andere Engelschen bewogen heeft om geheel op eigen gelegenheid,
en zonder eenige volmacht, eene reis naar de Nieuwe Wereld te maken,
doch dat ze schipbreuk leden en zoo in de streek kwamen waar De Hojeda
hen ontmoette.

De opvolger van Hendrik VII, was de beruchte Hendrik VIII, die zelf
zooveel als Paus wilde zijn, en zich derhalve niets liet gelegen
liggen aan Pauselijke bullen. Misschien was dit wel de oorzaak, dat
Sebastiaan Cabot Engeland verliet en in Spaanschen dienst trad. Hij
deed dat in 1512, doch vijf jaar later was hij weer in Engeland terug.
Hij zeilde toen met den Vice-Admiraal Perth uit, om langs Amerika's
Zuidpunt de Oost-Indiën te bereiken. Er blijkt uit deze onderneming,
die evenwel mislukte, dat er in de aardrijkskunde in zoo weinige jaren
verbazende vorderingen waren gemaakt. Zoowel voor Engeland als voor
Spanje was het te bejammeren, dat deze ervaren zeeman zulk een'
wispelturigen aard had, want in 1525 was hij weer in dienst van
Spanje, om ten slotte in 1530 opnieuw in Engeland te zijn en aldaar
benoemd te worden tot Opper-piloot. In die voorname betrekking was hij
de voorlooper van Jacob van Heemskerk en Barendsz., want ook hij
geloofde, dat men de Indiën bereiken kon door de Noordelijke IJszee.

Met dezen zwerver langer te volgen, loopen we groot gevaar in de
Noordelijke IJszee boven Azië te komen en de Nieuwe Wereld uit het oog
te verliezen. Wij laten hem derhalve tot zijn' dood, die in 1557
voorviel, zwerven en keeren terug naar Spanje om deel te nemen aan
andere ontdekkingstochten.

Toen het in Spanje ruchtbaar werd, dat De Fonseca aan Don Alonzo De
Hojeda eene volmacht tot eene ontdekkingsreis gegeven had, waren er
terstond anderen bij, die De Hojeda's voorbeeld wilden volgen. Geen
echter zoo vlug als Pedro Alonzo Nino, die Columbus op zijne eerste en
derde reis vergezeld had. Hij ontving van De Fonseca eene zelfde
volmacht, als De Hojeda gekregen had, en in gezelschap van Christoval
Guerra stak hij, slechts weinige dagen nadat De Hojeda vertrokken was,
van Palos in zee met een klein vaartuig, dat slechts vijftig ton
inhoud had. Aan den weg, dien Columbus bij zijne zeereizen genomen
had, was genoeg bekendheid gegeven, hoewel tegen den zin van den
Admiraal, die vreesde, dat men van de landen en zeeën, die hij
gevonden en in kaart gebracht had, gebruik maken zou om hem te
benadeelen. De beide moedige gelukzoekers volgden De Hojeda, als het
ware, op den voet en kwamen twee weken na hem op dezelfde kust van
Paria aan.

Zij zeilden nog westelijker dan De Hojeda gedaan had en kwamen in eene
streek waar de menschen woester en dapperder waren dan ergens elders,
doch ze hadden het geluk om toch een groot aantal voorwerpen, die in
Spanje geene waarde hadden, tegen een' schat van de kostbaarste
parelen te verruilen. Meer dan voldaan over hun' voordeeligen handel,
namen ze den terugtocht naar Spanje aan, hopende daar het loon voor
hun streven te ontvangen. De reis was voorspoedig en in het midden van
April, nog twee maanden vóór De Hojeda, liepen ze te Bayona in
Galicië, binnen. De lust om nog eens zulk een' tocht te doen, zal hun
wel ontnomen zijn, want inplaats van beloond te worden, werden ze
beschuldigd van parelen achtergehouden te hebben en in de gevangenis
geworpen. Koning Ferdinand, die dit bevolen had, omdat hij meende, dat
hem te kort gedaan was, scheen niet alleen »Liguriërs«, maar ook
geboren Spanjaarden uit de beurs der ondankbaarheid te betalen.

Nog in hetzelfde jaar dat De Hojeda en Nino eene ontdekkingsreis
ondernamen, rustte Vincente Yanez Pinzon, dezelfde, die Kapitein op de
Nino was, waarop Columbus van de eerste reis terugkeerde, op eigen
kosten vier schepen uit en vertrok hiermede naar de Nieuwe Wereld. Hij
hield den koers ook zuidelijk, en toen hij den zesentwintigsten
Januari 1500 land ontdekte, ging hij er aan wal en nam het op de
voorgeschrevene wijze plechtig in bezit voor den Koning en de
Koningin. De kust waar hij landde lag op 28° Zuiderbreedte en was
niets anders dan een deel van het tegenwoordige Brazilië, ter hoogte
waar Kaap Sint-Augustinus ligt. De tocht naar deze streek was zeer
moeielijk geweest en menigmaal hadden de gezellen van Pinzon op het
punt gestaan om den moed op te geven. Hij alleen bleef vertrouwen, dat
men eindelijk land vinden zou, en toen hem dat gelukte, was het geen
wonder, dat hij het den naam van »Santa Maria de la Consolation« gaf.
Hij vond de kust verlaten, en welk eene moeite hij zich gaf om de
gevluchte inboorlingen tot zich te lokken, het gelukte hem niet. Een
weinig verder had hij evenwel eene ontmoeting, zooals hij er wel geene
zal gewenscht hebben. Met eenige booten aan den wal gegaan, ontdekten
ze een groot aantal inboorlingen, die zich hielden, alsof ze geen
kwaad in den zin hadden. De Spanjaarden lieten zich hierdoor misleiden
en toen ze zich meer verdeeld hadden, deden de Wilden zulk een'
verwoeden aanval met hunne pijlen, dat acht der Spanjaarden gedood
werden, ja, eene der booten viel den Wilden zelfs in handen. Pinzon
zag wel in, dat er op eene kust waar de bewoners zoo machtig en tevens
zoo vijandig gezind waren, geene kans bestond om eenigen ruilhandel te
drijven. Hij zette den tocht nu veertig mijlen in eene noordwestelijke
richting voort en kwam toen in een deel van den Oceaan, waar het water
niet zout, maar zoet was. Zonder aan den wal te gaan, liet hij de
vaten met dat water vullen en stuurde nu dichter onder den wal, waar
hij een groot eiland en eenige kleinere ontdekte.

De reizigers stonden verbaasd en Pinzon deed, zoo zegt men, luide de
vraag: »Mare an non?« wat beduidt: »Zee of geene zee?«

Spoedig zag hij dat het geene zee, maar een ontzaglijk groote rivier
was, welke zij daar voor zich zagen, en ze wisten haar geen' beteren
naam te geven dan »Mare an non,« wat later verbasterd werd tot
Maranon, onder welken naam de Amazonen-rivier, de grootste stroom der
geheele Aarde, tegenwoordig nog altijd bij de Spanjaarden en
Portugeezen bekend staat.

Terwijl de ontdekkers vol verwondering op den breeden mond van dien
reuzenstroom staarden, vertoonde zich op eenmaal een zeer vreemd
natuurverschijnsel. Eensklaps rees de vloed meer dan vijf vademen;
hooge golven dreigden de scheepjes in den grond te slaan, en er werd
een vreeselijk geluid vernomen. Gelukkig ontkwamen Pinzon en de zijnen
dat dreigende gevaar. Zij hadden kennis gemaakt met de »Pororoca,« of
»zeevloed.« Deze, opgehouden door het uitstroomende rivierwater,
krijgt eindelijk de overhand, en met een donderend geraas, dat wel
anderhalve mijl ver gehoord kan worden, bruist de machtige zeevloed
over het rivierwater heen. Niet veel lust bezittende om, òf met de
gewapende Wilden, òf met dien hoogen vloed nog eens kennis te maken,
zette Pinzon den tocht in dezelfde richting voort, en bereikte op
zijne beurt den Orinoco en het land »Paria.« Wie nu een' blik op de
kaart slaat en ziet welk een groote afstand er ligt tusschen Kaap
Sint-Augustinus en het eiland Trinidad, dat voor de zoogenaamde Golf
van Paria lag, zal moeten erkennen, dat geen der Spaansche ontdekkers
nog zulk een aanzienlijk deel van de Nieuwe Wereld gezien had, als
Pinzon. Zonder eenige aanmerkelijke voordeelen behaald te hebben, kwam
hij eindelijk op Hispaniola aan, doch de thuisreis vervolgende, had
hij bij de Bahama-eilanden het ongeluk door een' vreeselijken storm
twee van zijne schepen te verliezen. Dat was voor Pinzon eene ramp te
noemen, welke hij nimmer te boven zou komen. Al zijn geld had hij aan
deze vier schepen besteed, en om ze voor den tocht doelmatig uitgerust
te krijgen, had hij bij de kooplieden van Sevilla alles op krediet
moeten koopen. Deze hebzuchtige lieden hadden van Pinzons verlegenheid
gebruik gemaakt, en hem de goederen honderd procent boven de waarde
aangerekend. Toen hij nu met slechts twee scheepjes, bijna arm en
berooid te Palos aangekomen was, legden zijne schuldeischers beslag op
beide vaartuigen, zoodra de moedige reiziger naar Granada vertrokken
was, om daar den Koning van zijn' belangrijken tocht verslag te doen.
Nog te Granada zijnde, vernam hij dat de schuldeischers de scheepjes
met alles wat er op, aan en in was, verkocht hadden om aan hun geld te
komen. Hij deed zijn beklag bij den Koning en zeide dat de
driehonderdvijftig centenaars verfhout, die hij medegebracht had,
alleen zooveel waard waren als zijne heele schuld bedroeg, waarom hij
verzocht, dat de kooplieden hem alles, wat ze verkocht hadden, zouden
teruggeven. De Koning vond dien eisch billijk en Pinzon ontkwam zoo
aan de handen zijner onbarmhartige schuldeischers. Ook hij scheen nu
geen' lust meer te hebben om op ontdekkingstochten uit te gaan en werd
graanhandelaar. Later evenwel deed hij nog twee tochten om de zeeëngte
op te sporen, welke door Columbus vermoed, gezocht en niet gevonden
werd, omdat ze niet bestond. Pinzons tochten waren derhalve ook
vergeefsch, maar dat belette niet, dat Keizer Karel V hem en zijne
familie, uit erkentelijkheid voor zijne groote verdiensten, tot den
Adelstand verhief.

Niet ontmoedigd door de weinig winstgevende tochten, die reeds gemaakt
waren, en ook niet afgeschrikt door den ondank waarmede bijna alle
landontdekkers betaald werden, zeilde Diego De Lepe, ook een inwoner
van Palos, kort na het vertrek van Pinzon met twee karveelen het
Westen in om ontdekkingen te doen. Jammer genoeg is van deze reis zoo
goed als niets bekend, en toch was het deze De Lepe, die het waagde
Kaap Sint-Augustinus om te zeilen en nog veel dieper langs de
Braziliaansche kust het Zuiden in te gaan. Het eenige, wat van dezen
zeereiziger verder bekend is, is dat hij bij zijne terugkomst in
Spanje voor De Fonseca eene kaart van de ontdekte kusten maakte, welke
vrij goed was en gedurende eenige jaren dan ook trouw gevolgd werd.

Bijna tegelijk met De Lepe meldde zich om een' lastbrief Don Rodrigo
De Bastides bij den Koning aan en hij verkreeg dien ook. Don De
Bastides was een zeer vermogend man en Notaris te Traniana, eene der
voorsteden van Sevilla. Het contract, dat hij met den Koning sloot,
was voor dezen laatsten, die er geen geld aan ten koste behoefde te
leggen, zeer voordeelig, want De Bastides zou het vierde gedeelte van
alles, wat hij winnen mocht, aan de Kroon afstaan.

Hij zeilde met twee karveelen, die hij op eigen kosten uitgerust had,
uit, doch was zoo wijs geweest om als Stuurman, onzen ouden bekenden
Juan De la Cosa mede te nemen, want deze had op de reis met De Hojeda
immers de kusten bezocht waar goud en parelen te vinden waren? En
daarheen was het doel van den tocht. Niet om ontdekkingen te doen of
om krijgsmansroem te verwerven, maar om goede zaken te maken ging de
slimme De Bastides naar de Nieuwe Wereld. Dat men meer vliegen vangt
met één' druppel honig dan met een heel vat azijn, scheen hij
onvoorwaardelijk aan te nemen, want eenmaal in het rijke land
aangekomen, was hij voor de inboorlingen vriendelijker en hartelijker
dan nog één Spanjaard geweest was. De goedige inwoners van dat land
stelden dit ook zeer op prijs en het gevolg hiervan was, dat De
Bastides schitterende zaken deed. Gaarne had hij hier nog langer
willen blijven, doch De la Cosa kwam hem wat mededeelen, dat hem dwong
om zoo spoedig mogelijk te vertrekken, teneinde Hispaniola te
bereiken. Dit was hoognoodig, want de houtwormen, die in deze zeeën
buitengewoon talrijk waren, hadden de schepen op verscheidene plaatsen
lek geknaagd, wat gemakkelijk geschieden kon, omdat men in die tijden
nog van geene gekoperde schepen iets af wist. De terugreis werd
derhalve met spoed aanvaard, doch alleen met de grootste moeite waren
de schepen vlot te houden. Eindelijk bereikten ze een klein eiland op
de kust van Hispaniola waar ze de deerlijk gehavende vaartuigen zoo
goed mogelijk herstelden. Vol hoop, dat men nu wel thuis zou komen,
zeilde men weer verder, doch tegenwind en stormen hielden de reis
tegen en de houtworm kreeg weer de overhand. Zij repten zich nu
zooveel zij konden om de parelen en het goud, benevens eenige
handelsartikelen op Hispaniola aan den wal te brengen, en pas was dit
geschied, of de schepen verdwenen met alles, wat nog aan boord was, in
de diepte. Goede raad was thans duur! Wat te doen? De Bastides
verdeelde zijn volk in drie hoopen om, langs verschillende wegen, te
trachten San-Domingo te bereiken. Iedere afdeeling droeg in eene
groote kist de parelen en het goud mede, benevens allerlei
snuisterijen om die op hun' weg bij de inboorlingen tegen spijs en
drank te verruilen. Toen deze zonderlinge landreis aanving, was De
Bobadilla nog niet afgezet en regeerde hij derhalve nog als
Onder-Koning. Weldra werd hem bericht, dat er schepen geland waren en
dat de bemanning ruilhandel met de inboorlingen dreef. Hij zond nu
gewapende benden uit, en weldra werden De Bastides en de zijnen
aangetroffen en voor den Onder-Koning gebracht. We weten het reeds,
dat De Bobadilla kort recht kon maken, als hij dat wilde, en als hij
meende, dat het in zijn belang was. De zwervers werden dan ook maar
zonder verhoord te zijn, gevangengezet en de kisten werden verbeurd
verklaard. De Bastides was echter de man niet om zich dat alles maar
te laten welgevallen; hij verzette zich, door duidelijk te maken, dat
hij geen' ruilhandel gedreven had. Hij had, na zijne schepen verloren
te hebben, met hetgeen hij bij zich had, alleen spijs, drank en gidsen
betaald, meer niet, en betalen, wat men tot dat doel noodig had, mocht
geen ruilhandel heeten. De verdediging was glashelder, en hoeveel De
Bobadilla ook durfde, hij waagde het niet om De Bastides te
veroordeelen, maar zeide, dat hij hem met de eerstvolgende gelegenheid
naar Spanje zou zenden, dan kon daar de zaak door het Hof onderzocht
worden.

Weinig vermoedde De Bobadilla, dat met die eerstvolgende gelegenheid
niet alleen De Bastides naar Spanje zou gebracht worden, maar ook
hijzelf en zijn vriend Roldan.

Don De Ovando was aangekomen om De Bobadilla van zijn ambt te
ontzetten en met Roldan gevankelijk naar Spanje te laten voeren.

De vloot, die hen overbracht, we zullen hierover later nog spreken,
werd door een' vreeselijken orkaan overvallen, en De Bobadilla en
Roldan vonden hun graf in de golven. De Bastides echter was zoo
gelukkig om met zijne drie ongeschonden kisten in Spanje aan te komen,
waar hij natuurlijk terstond buiten alle vervolging gesteld werd. Het
vierde gedeelte van de medegebrachte parelen en andere schatten werd
eerlijk aan den Koning gegeven, en dat vierde deel was van zulk eene
groote waarde, dat Koning Ferdinand opeens een' aanval van
dankbaarheid en mildheid kreeg en hem levenslang een inkomen schonk
uit de opbrengsten van het land Uraba, dat hij bezocht had en dat zoo
rijk bleek te zijn. Eene zelfde belooning ontving ook de oude De la
Cosa, die tot Bestuurder van dat gewest benoemd werd.

Veel merkwaardigs ten opzichte van de aardrijkskundige wetenschap had
die reis niet opgeleverd, en toch diende ze genoemd en in het kort
beschreven te worden, omdat juist De Bastides getoond had, hoe men
doen moest om de reis- en ontdekkingstochten in de Nieuwe Wereld
productief te maken. Jammer maar, dat hij met zijn goed voorbeeld
bijna alleen bleef staan en zoo goed als geene navolging vond.

Eindelijk was ook met groote moeite, omdat de uitrusting op kosten der
Regeering geschiedde en De Fonseca wel zorgde, dat er voor dit doel
steeds geld te kort was, een vlootje van vier karveelen klaar gekomen,
en stond Columbus op het punt, te vertrekken, in gezelschap van zijn'
zoon Don Ferdinand en zijn' broeder Don Bartholomeus. Wijl de
Monarchen vreesden, dat de komst van Columbus op Hispaniola, dat met
groote moeite tot rust gebracht was, aanleiding zou geven tot
wanordelijkheden, zoo werd hem verboden om op zijne heenreis de
Kolonie aan te doen. Op de terugreis echter zou het hem vergund zijn
om eenigen tijd te San-Domingo van de vermoeienissen uit te rusten, en
als het noodig was zijne schepen te laten herstellen. Verder beloofden
de Monarchen hem, dat hij, als eenmaal op Hispaniola alles tot orde en
rust gekomen en hij alweer teruggekeerd was, andermaal in al zijne
waardigheden zou hersteld worden. Zij deden dat schriftelijk, doch
Columbus, die bij ervaring wist, hoe hij tegengewerkt werd en hoe
weinig men zich stoorde aan alles, wat beloofd was, liet van alle
beloften en brieven afschriften maken, door de Alcaldes van Sevilla
behoorlijk legaliseeren, en stelde een der duplicaten in handen van
een vertrouwd vriend, terwijl hij het andere bezorgde bij den Gezant
van Genua, die aan het Spaansche Hof vertoefde. Later zou het blijken,
dat hij zeer verstandig gedaan had met deze maatregelen te nemen. Nu
hij alles verricht had, wat er te doen viel, nam hij afscheid van
zijn' zoon Don Diego, die op verzoek van Koning Ferdinand in Spanje
achterbleef om de belangen zijns Vaders te behartigen, en den negenden
Maart 1502 aanvaardde hij de reis, wijzer dan vroeger, zoo meende hij,
omdat hij zich overtuigd hield, dat tusschen Cuba en Paria, welks
kusten in den laatsten tijd zoo ver bezocht waren, de zeeëngte moest
zijn, waardoor hij in de echte Indiën komen kon.

De heenreis was voorspoedig, doch toen hij het kleine eiland
Martinique aangedaan had, kon hij de begeerte niet wederstaan, om,
trots het verbod, toch te San-Domingo binnen te loopen. De groote man
toonde zich hier wel wat klein; hij stelde er prijs op om allen, die
hem, in boeien geklonken, hadden zien vertrekken, te toonen dat hij in
zijne eer hersteld was. Als voorwendsel om de haven van San-Domingo
binnen te loopen, gebruikte hij de kleine averij, die eene zijner
karveelen bekomen had, doch De Ovando, die zijne instructies omtrent
Columbus reeds ontvangen had, nam het voorwendsel niet aan en verbood,
hoewel in zeer beleefde termen, het binnenloopen der haven. Aangenaam
was dit voor onzen Admiraal niet, doch hij had zich door eigen schuld
die beleediging, als het er eene was, op den hals gehaald.

Toen Columbus te San-Domingo aankwam, lagen er niet minder dan
achtentwintig schepen gereed om met eene rijke lading aan goud,
parelen en katoen naar Spanje uit te zeilen, wel een bewijs, dat de
toestand der Kolonie eene heel andere was dan onder zijn bestuur. Aan
boord der schepen bevonden zich, zooals we vroeger opmerkten, zijne
vijanden De Bobadilla en Roldan, benevens De Bastides. De ervaringen,
die Columbus als zeeman en als reiziger in deze streken opgedaan had,
deden onzen Admiraal aan alle verschijnselen zien, dat er een zware
storm op handen was. Hij gaf dus den welgemeenden raad om het
uitzeilen nog eenige dagen uit te stellen. Men hield het er evenwel
voor, dat Columbus dit alleen zeide, omdat hij jaloersch was, dat er
zóó spoedig onder het bestuur van een' anderen Onder-Koning zulk eene
rijk geladen vloot naar Spanje vertrekken kon, en dat hij daarom
alleen de afvaart wenschte te vertragen. Men hoorde dus niet naar
zijn' raad en--twintig vaartuigen verdwenen met kostbare lading en
manschappen, tengevolge van een' verschrikkelijken storm in de diepte,
en slechts acht kwamen in ontredderden toestand in Spanje aan. Over De
Bobadilla en Roldan zou derhalve geen vonnis uitgesproken worden; de
dood belette dat, maar in het voordeel van Columbus was dit niet, want
veel, waarover de Admiraal terecht geklaagd had, kwam nu niet aan het
licht.

Zoo spoedig hem dit mogelijk was, had Columbus eene veilige ligplaats
voor zijne schepen gezocht en doorstond daar, zonder eenige schade te
lijden, den storm.

Toen het noodweer bedaard was, richtte Columbus den steven naar Cuba
en van daar voer hij in zuidwestelijke richting naar de Baai van
Honduras. Op dien tocht had hij eene ontmoeting, die hem bewees, dat
hij in eene streek gekomen was, waar het volk vrij goed beschaafd was.
Op een eiland, dat hij om de dennen, die er groeiden, »Isla de Pinos«
noemde, aan wal gegaan zijnde, vond hij er bewoners met een zeer laag
voorhoofd, die in beschaving echter boven andere eilanders stonden.
Daar hun voorhoofdsvorm juist het tegendeel zou doen vermoeden,
moesten er redenen voor die betere ontwikkeling zijn, en naar die
redenen behoefde men niet lang te zoeken, want terwijl Don
Bartholomeus op zekeren dag aan het strand vertoefde, zag hij eene
verbazend groote kano, die uit één' boomstam gemaakt was, naderen. In
het midden van die kano was eene hut van palmbladen gebouwd, en in
deze hut bevond zich een Kazike met zijne vrouw en kinderen. De kano
werd geroeid door meer dan twintig Indianen, die niet naakt, maar
evenals de Kazike en zijne vrouw en kinderen gekleed waren.

Zonder eenige vrees of verbazing te toonen, kwamen ze bij Columbus aan
boord, en nu vernam deze, dat de kano eene lading van cacaoboonen en
vele andere handels-artikelen in had. Zij waren ook in het bezit van
allerlei keukengereedschap, ja, zelfs van bijlen, die van koper
gemaakt waren. Verder hadden ze katoenen doeken en mantels, kroezen om
metalen te smelten, kortom alles, wat duidelijk bewees, dat ze uit
eene zeer beschaafde streek afkomstig waren. Ongelukkig kon Columbus
niets van hunne taal verstaan, en de Arabische tolken, die hij mede
genomen had om hem van dienst te zijn, als hij in de eigenlijke Indiën
aangekomen was, konden hen natuurlijk ook niet verstaan. Na een' zeer
voordeeligen ruilhandel gedreven te hebben, namen ze vriendelijk
afscheid en vertrokken in eene richting, die ons thans met eenige
zekerheid kan doen zeggen, dat ze uit Yucatan afkomstig waren. Had
Columbus maar niet voorgenomen om de zeeëngte, die niet bestond, te
vinden, en ware hij deze kano gevolgd, dan zou zijne vierde
ontdekkingsreis de beste en rijkste geweest zijn, welke hij of eenig
ander nog gemaakt had. Maar die zeeëngte wilde en zou hij vinden, en
daarom ging het alweer, en nu in zuidoostelijke richting, verder.
Weldra had hij de kusten van Middel-Amerika bereikt. Dewijl zijn doel
niet daar lag, zoo deed hij slechts nu en dan eene landing, en telkens
zag hij bij zulk eene gelegenheid, dat hij meer en meer het goudland
naderen moest, want de bewoners droegen allerlei gouden versierselen,
die ze gaarne, vooral tegen valkenbellen, inruilden. Het goud kwam uit
een land, zoo berichtte men hem door teekenen, dat bewoond werd door
een zeer beschaafd volk, dat in het bezit was van lastdieren en in
huizen woonde, half van goud gebouwd. Hij meende verder te verstaan,
dat dit land »Ciguare« heette en negen dagreizen over land verder lag
in westelijke richting en--aan de zee.

Thans liet de Admiraal zijne verbeelding weer spelevaren op de wateren
der valsche voorstelling en meende hij verzekerd te zijn, dat hij zich
op slechts negen of tien dagreizen afstands bevond van de beroemde
Indische rivier de Ganges. Vol moed stevende hij nu verder, doch toen
hij eindelijk kwam, waar de Landengte van Panama het smalst is, werd
hij overvallen door een' storm, die negen dagen aanhield. De regen
viel al dien tijd bij stroomen neer, en de bemanning der karveelen
verkeerde in de grootste gevaren en in de bitterste ellende. Het
voedsel was door de hitte en de overslaande zeeën zóó bedorven en zóó
vol maden en wormen, dat het volk de duisternis te baat nam om het
maal te doen, ten einde dan niet te zien, wat er gegeten moest worden.

Toen de storm ten slotte bedaard, en de zee weer kalm geworden was,
bevond men door waarnemingen, dat de schepen ver naar het Noorden
teruggeslagen waren. Nog eens denzelfden weg afleggen, er was geen
denken aan, want de houtworm had ook deze schepen aangetast. Gelukkig
vond men kort daarop land, en kon het volk zich aan den wal van de
doorgestane ellende herstellen. Het was een land, rijk aan goud, en
bewoond door vriendelijke menschen, die veel beschaafder waren dan al
de inboorlingen, die hij nog ontmoet had, en geregeerd werden door
een' Kazike, die den titel van »Quibian« droeg. De Vorst van dit land,
dat »Veragua« genoemd werd, ontving Don Bartholomeus en de zijnen, die
hem bezochten, bij uitstek vriendelijk, en de ruilhandel in goud was
nog nergens zoo voordeelig geweest. Blijkbaar was deze streek
bijzonder rijk aan dit metaal, en daarom drong Columbus er op aan, dat
zijn broeder bij den Kazike onderzoek zou doen waar die mijnen zich
bevonden. De Quibian, die werkelijk geen kwaad in den zin had, gaf Don
Bartholomeus twee gidsen mede, die hem bij de mijnen bracht, en wat
men daar vond, was zulk een rijkdom in edel metaal, dat Columbus
besloot om hier eene volkplanting te stichten, welke onder het
opperbevel van zijn' broeder zou staan. Aanvankelijk scheen het dat de
streek niet alleen gezond en vruchtbaar, maar ook bewoond was door
menschen, die zeer vredelievend en gastvrij van aard waren. De soort
van sterkte, waarin de Kolonisten leven zouden, was reeds bijna
voltooid, toen Don Bartholomeus vernam, dat de Quibian zijn volk te
wapen geroepen had. Waarom dat gedaan was? Om oorlog te voeren met
een' naburigen stam, bij welke gelegenheid de Quibian zelf gewond
werd. Don Bartholomeus legde het evenwel anders uit en meende, dat de
Quibian zijne sterkte wilde aantasten. Om dit te voorkomen vormde hij
het plan den Vorst op te lichten, en door een aantal gewapende
manschappen vergezeld, begaf hij zich naar het dorp waar de Quibian
zijn verblijf hield. De Vorst ontving zijne bezoekers vriendelijk, en
toonde hun de wonden, die hij in den strijd bekomen had. Op een
gegeven teeken echter werd de Vorst op den grond gesmeten, gekneveld
en weggevoerd. In de nabijheid van het Admiraalsschip waagde de
ongelukkige het, zijn leven te redden. Hij sprong in zee, zwom naar
den oever, en was van dat oogenblik af de verbitterdste vijand der
Spanjaarden. Hij viel met de zijnen de sterkte aan, doch werd
teruggeslagen. Bij een' tweeden aanval echter, werd eene heele
afdeeling Spanjaarden, die uitgegaan was om voedsel, water en hout te
halen, op één' man na, door de inboorlingen gedood, en Columbus zag nu
wel in dat er geene mogelijkheid bestond om hier eene Kolonie achter
te laten. Het plan werd dus opgegeven, en de ellendige toestand waarin
de schepen verkeerden dwong den Admiraal tot den terugtocht.

Wat zal hij dien vol teleurstelling aanvaard hebben! Tijd om in
treurige gedachten verzonken te blijven was er echter niet. Eene der
karveelen liep op de riffen vast; men moest manschap en lading
overbrengen op de drie andere schepen, die door dag en nacht pompen
slechts vlot konden blijven. Een van deze drie schepen kon, wat men
ook beproefde, de reis weldra niet meer voortzetten, en ook dat moest
men, na het ontladen te hebben, aan de golven prijsgeven. De twee
overgebleven karveelen werden met den dag steeds lekker. Het volk
matte zich vruchteloos aan de pompen af, en toen men het geluk had om
Jamaïca te bereiken, was er geen ander middel tot behoud over dan de
beide bodems op strand te laten loopen. Het ruim stroomde terstond vol
water, en Columbus, die vreesde dat zijne mannen aan den wal, de
vriendelijke bevolking slecht behandelen zou, liet daarom de twee
scheepsdekken tot verblijf inrichten.

Wilde de Admiraal hier met zijn volk niet omkomen, dan moest hij eene
bede om hulp naar Hispaniola zenden. Diego Mendez en Bartholomeus
Fiesco boden zich aan om in twee kano's naar San-Domingo over te
steken, ten einde De Ovando in kennis te stellen met den treurigen
staat waarin de expeditie van den Admiraal zich op Jamaïca bevond. De
twee moedige mannen kwamen behouden te San-Domingo aan in hunne
kano's, die met zes Spanjaarden en tien Indianen bemand waren, en
dadelijk deed Diego Mendez den Onder-Koning verslag van den ellendigen
toestand van Columbus en de zijnen, en vroeg hij hem een schip om de
schipbreukelingen af te halen. De Ovando zag hierin evenwel eene list
van Columbus om in de Kolonie aan wal te komen, en draalde om hulp te
verleenen. Eerst zeven maanden later gaf hij zijne toestemming om een
schip te huren, doch hiermede was Diego Mendez nog niet verder, want
om een schip te huren moest er een schip zijn, en er was nergens eenig
vaartuig tot dat doel beschikbaar. Die tusschentijd was door De Ovando
gebruikt geworden om een' zijner gunstelingen naar Jamaïca te zenden,
teneinde zich te overtuigen of de Admiraal werkelijk in zulk een'
ellendigen toestand verkeerde. Escobar, zoo heette de man, die den
dienst van spion moest verrichten, kwam op Jamaïca, en vond daar niet
alleen alles zooals Diego Mendez het geschetst had, maar nog veel
erger. De bemanning der karveelen was in opstand tegen Columbus
gekomen, en gaf op het eiland zich aan allerlei ongebondenheden over,
nadat zij vruchteloos beproefd had om in kano's het eiland te
verlaten. Met welk eene vreugde had Columbus, die ziek was, het schip
zien komen, hopende dat het zijne getrouwen zijn zouden, die hem
kwamen afhalen! Hoe groot moet zijne teleurstelling geweest zijn, toen
hij in Escobar een' zijner vijanden en een' aanhanger van Roldan
herkende, die hem uit naam van den Onder-Koning een stuk spek, een
vaatje wijn en een' brief gaf. De Ovando beloofde in dien brief hulp
te zullen zenden en verwachtte van den Admiraal bericht of hij ze nog
begeerde. Het grensde aan spotternij, zoo niet erger. Toch schreef
Columbus den brief, en toen Escobar dezen had, vertrok hij, Columbus
achterlatende in een' toestand, te ellendig om ze in woorden te
schetsen. Inmiddels gingen de opstandelingen met hun ongebonden leven
voort, en het gevolg was dat de inboorlingen weigerden, Columbus en de
zijnen den noodigen levensvoorraad te verschaffen. De hongerdood
scheen allen beschoren, toen Columbus gelukkig berekende dat er eene
maansverduistering zou plaats hebben. Hiervan maakte hij terstond
gebruik en liet aan de inwoners weten, dat de maan diep bedroefd was,
dat men aan de kinderen der zon geene spijzen bracht, en dat zij
daarom dien avond zich verbergen zou. De inboorlingen lachten er wat
mede, doch toen des avonds de maan totaal verduisterd werd, dreef hun
bijgeloof hen aan om Columbus en de zijnen een' grooten voorraad van
levensmiddelen te zenden. Hierdoor waren de arme schipbreukelingen
aanvankelijk geholpen, doch hoe lang zou het duren? Gelukkig,
eindelijk kwam er uitkomst, want de trouwe Diego Mendez en
Bartholomeus Fiesco hadden niet gerust voor ze een schip hadden, en
dit schip kwam aan en bracht de arme lijders naar Hispaniola over.

Columbus werd daar met alle bewijzen van eerbied ontvangen, maar--het
was te laat. Zijne kracht was geknakt; zijne hoop verdwenen.

Met welbehagen toonde De Ovando hem den bloeienden toestand waarin de
Kolonie verkeerde, en somde de schatten op, die hij gedurende zijn
bestuur reeds naar Spanje gezonden had en nog zenden zou.

De Ovando verstond de kunst om de Kolonie productief te maken en zoo
bij den geldzuchtigen Koning Ferdinand in hooge gunst te komen. Geen
Spanjaard moest een' slag werk doen; in de Kolonie was elke Spanjaard
een Hidalgo, die alleen toezicht hield op den arbeid der arme
inboorlingen, en als beul optrad, wanneer de lieden niet hard genoeg
werkten of zich verzett'en. Gewoon aan een matig leven, hadden die
inboorlingen zich nimmer met zwaren arbeid bezig gehouden; ze konden
dien ook niet verrichten, want het warme en vochtige klimaat verbood
hun dit. Nu moesten ze het zwaarste werk en nog zonder eenig loon
doen. Mishandelingen hadden ze dag aan dag te verduren, en dat van
mannen, die ze bij hunne komst vriendelijk en met open armen als
hemelsche wezens ontvangen hadden, terwijl het hun geene moeite zou
gekost hebben om te beletten, dat zij zich in hun Paradijs vestigden!
Is het wonder, dat ze bij duizenden onder dien zwaren arbeid op het
veld, bij de goudwasscherijen of in de mijnen bezweken? Is het wonder,
dat zij zich menigmaal verzett'en met de overtuiging, dat het verzet
hun het leven kosten zou? Maar ze wilden liever sterven dan zóó leven,
en hoevelen door zelfmoord een einde aan hun leven maakten, valt niet
te zeggen. Een geschiedschrijver, die alle vertrouwen verdient, meldt
dat al het volk van eene plantage zich door ophanging van het leven
wilde berooven. De opzichter snelde er heen en trachtte hen te
weerhouden, doch te vergeefs. Niet wetende, wat hem te doen stond, als
zijne heele plantage zonder werkkrachten was, riep hij uit: »Dan hang
ik mij ook op!« Verschrikt wierpen de Indianen hunne stroppen weg,
omdat ze geloofden, dat hij hen dan toch ook na den dood zou
vergezellen om hen te mishandelen. Hoe diep moet de vrees in die
eenvoudige zielen post gevat hebben om zóó te handelen!

En het waren niet enkel de opzichters of soldaten, die zoo beestachtig
te werk gingen.

Wie herinnert zich de schoone en zachtzinnige Anacaona niet? Na den
dood haars broeders regeerde zij als vrouwelijke Kazike haar schoon
land met zijne zachtzinnige inwoners. Trouw betaalde ze met elken
termijn de schatting in katoen, trouw bleef ze den Spanjaard,
onverschillig wie te San-Domingo zetelde: Columbus, De Bobadilla of De
Ovando. Maar een Spanjaard klaagde haar bij De Ovando aan, dat zij en
haar volk aan eene samenzwering tegen de Spanjaarden deelgenomen
hadden. Zonder te onderzoeken of die aanklacht gegrond was, ging De
Ovando met eene afdeeling soldaten naar Xaragua. Op de gewone wijze
werden de Spanjaarden door de Kazike en hare onderdanen met
eerbewijzen en vriendelijk ontvangen, en weer gaf Anacaona ter eere
van hare gasten een spiegelgevecht. Toen dit afgeloopen was zeide De
Ovando, dat hij zijne soldaten ook eens een spiegelgevecht zou laten
houden. Anacaona betrok nu met tachtig van hare volgelingen eene
woning waaruit ze die vertooning goed kon zien. De soldaten keken De
Ovando aan. Hij zou een teeken geven, als ze beginnen moesten. Dat
teeken was: met den vinger zijne halsketen aanraken. Het werd gegeven,
en inplaats van een spiegelgevecht te gaan houden, vielen ze de woning
van Anacaona aan, vermoordden haar gevolg, en sleurden haar als
gevangene mede. De arme vrouw! Het loon voor al hare trouw was een
strop, waaraan ze opgehangen of waarmede ze geworgd werd!

En als de Geestelijkheid, zooals later vaak gebeurde, zich tegen
dergelijke gruwelen verzette, dan eischten de gouddorstige Spanjaarden
straf voor den moedigen man, die de Kolonie in gevaar bracht.

Dat Koningin Isabella zich met zulk eene wreede dwinglandij en zulk
eene verdrukking niet vereenigen kon, bleek, want zij schreef De
Ovando, dat zij hem verbood langer zoo voort te gaan. De Ovando
antwoordde haar evenwel, dat bij eene andere handelwijze de heele
Kolonie te gronde zou gaan, en de Koningin was gedwongen zich bij al
die gruwelen neer te leggen.

Wat Columbus, die vier weken te San-Domingo vertoefde, gedacht heeft,
toen hij zag hoe De Ovando de teugels van bewind voerde, en welke
middelen hij te baat nam om rijke ladingen naar Spanje te sturen, wij
weten het niet, want de historie-schrijver teekent geene gedachten
aan. Het ligt echter voor de hand om aan te nemen dat zijne hoop, om
andermaal als Onder-Koning te San-Domingo te komen grooter was. Als
hij aan het Hof maar eenmaal Koningin Isabella gesproken had, dan zou
deze stellig wel vergelijkingen maken tusschen hem en De Ovando, en de
balans zou dan in zijn voordeel doorslaan. Met die hoop bezield
verliet hij San-Domingo, en kwam na eene moeielijke en gevaarlijke
reis den zevenden November 1504 ziek in Spanje aan, en terwijl hij te
Sevilla in eenige dagen rust herstel zocht, ontving hij het bericht
dat zijne hooge beschermster, op wie hij al zijne hoop gevestigd had,
overleden was. Zij stierf den zesentwintigsten November van hetzelfde
jaar.

Toen Columbus eenigszins hersteld was, schreef hij een' brief aan
Koning Ferdinand, om De Ovando te willen gelasten hem uitbetaling te
doen van hetgeen deze zich wederrechtelijk had toegeëigend toen hij De
Bobadilla in het opperbestuur verving. Hij was wel gedwongen om dat
geld te vragen, want al zijne middelen waren met de laatste reis
uitgeput, en toch hield men het er in Spanje voor, dat hij onnoemelijk
rijk was.

Dat Columbus bij veel, wat hij deed, zijn eigen belang op het oog had,
valt niet tegen te spreken, doch dat eigenbelang gold meer zijne eer
dan zijne geldmiddelen. Zoo had hij op den laatsten tocht allerlei
omwegen gemaakt om de zoogenaamde »Zeeëngte« te vinden, en kon hij
daarom aan den Koning schrijven: »Niemand is bij machte om van dezen
tocht een nauwkeurig verslag te geven. De kusten van het vasteland heb
ik wel met het kompas opgenomen, maar niemand van het volk weet op
welke breedte die kust ligt. De Stuurlieden mogen zeggen, als ze het
kunnen, waar Veragua ligt. Het eenige, wat ze kunnen mededeelen is,
dat ze aan eene kust geweest zijn, waar schatten van goud te vinden
waren, doch als ze er weer heen wilden varen, zouden ze den weg aan de
visschen moeten vragen.«

Had Columbus goud boven de eer gesteld, wat zijne manschappen graag
gezien hadden, dan zouden ze inplaats van te zoeken hetgeen er niet
was, hebben kunnen nemen, wat er in overvloed was. En wie het
kleingeestig vindt, dat Columbus den afgelegden weg zoo geheim hield,
die vergeet, dat de Admiraal maar al te veel de bittere ervaring
opgedaan had, dat zijne benijders de voordeelen trokken van hetgeen
hij gevonden had. Hij had, om het uit te drukken zooals het is, tegen
eene onedele concurrentie te strijden. Ongaarne zou ik dan ook het
oordeel van den Duitschen historie-schrijver, Adolf Streckfuss, als
het mijne willen aannemen, waar deze in eene noot van zijne Algemeene
Geschiedenis zoo maar klakkeloos neerschrijft: »Het was, helaas, den
hooggeprezen, beroemden ontdekker van Amerika nooit te doen om der
wetenschap en der menschheid een' dienst te bewijzen, maar alleen om
zijn' eigenen, dikwijls hoogst bekrompen eigenbaat te bevredigen.«

Dat geheim houden van den koers van den laatsten tocht noemt
Streckfuss een sprekend bewijs voor zijn veroordeelend woord.

In de berooide geldmiddelen van Columbus bracht Koning Ferdinand
behoorlijk orde, maar toen de Admiraal bij hem aandrong om in al zijne
waardigheden, ook in die van Onder-Koning van Hispaniola en de heele
Nieuwe Wereld, hersteld te worden, volhardde de Koning, en dit was
niet meer dan natuurlijk, bij zijn vroeger besluit. Columbus bezat nu
eenmaal geen tact om te regeeren, en hem weer Onder-Koning maken, zou
ongetwijfeld oorzaak geworden zijn van rampen en verliezen van
allerlei aard.

Columbus, die zichzelven blijkbaar niet genoeg kende om in te zien,
dat hem de eigenschappen van een goed Regent ontbraken, zag in des
Konings weigering niets anders dan eene schending van beschreven
beloften, en was niet tevreden te stellen met het behouden van zijn'
titel »Admiraal van den Oceaan«, zijn aandeel in de inkomsten, die
Spanje uit de Nieuwe Wereld trok, en het aanbieden van een Graafschap
in Castilië. Hij trok zich die zaken zeer aan, en daar hij door zijne
gevaarvolle reizen, waarop hij, met den minste uit de bemanning,
hetzelfde geleden had, oud, zwak en ziekelijk geworden was, zoo gaf
die teleurstelling nieuw voedsel aan zijne ziekte. Zijn toestand werd
met den dag bedenkelijker, en eindelijk overleed hij den twintigsten
Mei 1506 te Valladolid, in den ouderdom van ongeveer zestig jaar.

Dat »ongeveer« wordt bijna bij alle schrijvers gevonden, doch daar dit
woord, vooral hier, eene zeer rekbare beteekenis heeft, is het niet
mogelijk door hem »ongeveer zestig jaar oud« te geven, daardoor met
juistheid zijn geboortejaar te bepalen.

Hij werd begraven in het klooster San-Francisco te Valladolid, doch
zeven jaar later werd zijn lijk overgevoerd naar het
Carthuizer-klooster van Las Cuevas te Sevilla. In 1536 werd het lijk
alweer overgebracht naar Hispaniola, om eene rustplaats te vinden in
de Hoofdkerk van San-Domingo. Toen evenwel het eiland Hispaniola in
1795 aan de Franschen werd afgestaan, bracht men met zeer veel
plechtigheid de laatste overblijfselen van Columbus, van zijn' zoon
Diego en van zijn' broeder Don Bartholomeus naar de Hoofdkerk te
Havana op het eiland Cuba.

Zijn zoon Diego bekwam, èn door zijn proces tegen de Kroon, waarbij de
gelegaliseerde papieren van zijn' Vader uitnemend dienst deden, èn
door zijn huwelijk met Maria van Toledo, eene dochter van een' der
voornaamste Spaansche Edelen, al de waardigheden, welke zijn Vader
bekleed had, en werd derhalve ook Onder-Koning van de Nieuwe Wereld.
Met een' kleinzoon van dezen Diego stierf het geslacht van
Christophorus Columbus in de mannelijke linie uit. Don Bartholomeus
overleed in 1564 op hoogen leeftijd, als Directeur van de mijnen op
Cuba. Waar en wanneer Don Diego, de broeder van Columbus stierf, vond
ik nergens vermeld, en eveneens bewaart de geschiedenis het
stilzwijgen over Columbus' zoon Ferdinand, en is alleen van hem
bekend, dat hij eene levensbeschrijving van zijn' Vader gaf, en dat
hij in 1546 op zijn kasteel aan een' der oevers van den Guadalquivir
overleed, eene bibliotheek van twaalfduizend boeken nalatende, welke
hij aan een klooster te Sevilla vermaakte.

[Illustratie: Gedenkteeken van Columbus te Genua.]

Te Genua, waar Christophorus Columbus waarschijnlijk geboren is, heeft
men ter eere van den grooten ontdekker een prachtig gedenkteeken
opgericht.



HOOFDSTUK X.

ONTDEKKINGSIJVER.


Wie van avonturen houdt, kan zijn hart terdege ophalen bij het lezen
van de ontdekkingsreizen in de Nieuwe Wereld, minder nog die van
Columbus, dan die van de reizigers, die als het ware onder zijne
leiding gevormd werden. Vreemder ontmoetingen, romantischer
handelingen, vreeselijker gevaren, grooter ellende, stouter
ondernemingen, edeler karakters, lager zielen dan in deze
ontdekkings-reizen geschetst worden, kunnen bezwaarlijk in een
verdicht verhaal voorkomen. Het kost groote moeite hier niet te
uitvoerig te worden, want zonder bezwaar zou er een onderhoudend boek,
veel grooter dan dit, geschreven kunnen worden, over alles, wat hier
in één hoofdstuk bij elkander gebracht is. En als men dat lijvige boek
gelezen had, en men zag eens op de kaart na, welk een betrekkelijk
klein gedeelte van Amerika door die belangwekkende en moeitevolle
tochten ontdekt werd, dan zou men zich verbazen. Juist, omdat er op
die tochten zulk een klein gedeelte van Amerika ontdekt werd, willen
we, na de reizen van Columbus vrij uitvoerig beschreven te hebben,
liever hier niet te veel over de leerlingen zijner school uitweiden.

In het vorige hoofdstuk lazen we dat Columbus op zijne laatste reis
een deel van het vasteland ontdekte, hetwelk thans bekend staat onder
den naam van Centraal- of Middel-Amerika. Wij lazen ook, dat hij hier
veel goud vond, en dat hij in de nabijheid der mijnen van Veragua eene
volkplanting wilde achterlaten, welk plan evenwel door de ondoordachte
handeling van Don Bartholomeus geheel mislukte. Intusschen, er was
dáár goud, en veel meer dan ergens elders in de ontdekte landen, _die_
tijding had Columbus in Spanje gebracht, en wekte de begeerte bij
velen op om dat land voor de Spaansche Kroon in bezit te nemen.
Verwonderen zal het ons niet, dat in de eerste plaats zich daartoe
aanmeldde: Don Alonzo De Hojeda, dien we reeds eene ongelukkige reis
zagen maken. De tocht, dien hij nu ondernemen wilde, zou evenwel niet
zijn tweede maar zijn derde zijn.

Nog vóór Columbus Spanje verliet om voor de vierde maal naar de Nieuwe
Wereld te stevenen, zeilde De Hojeda in Januari van 1502 de haven van
Cadiz uit. Waarom? Hij had op zijne eerste reis in de streken, waaraan
hij den naam van »Venezuela« gaf, doch die door de inboorlingen
»Coquibacoa« genoemd werden, Engelschen ontdekt, zoo beweerde hij
althans, en om nu die vreemde indringers te weren, vond Koning
Ferdinand het raadzaam om in die uiterste deelen der ontdekte landen
een' post uit te zetten. Dat de stoutmoedige De Hojeda hiervoor de
aangewezen man was, zal ieder beamen. Zoodra hij dus vergunning vroeg
om een' tweeden tocht te mogen doen, verkreeg hij ze. Hij mocht tien
schepen uitrusten en met deze naar Coquibacoa trekken om er eene
kolonie te vestigen, waarvan hij de Gouverneur zou zijn. Als de tocht
goed slaagde, dan waren er schatten mede te verdienen, en dit was de
reden dat De Hojeda, die zelf geen geld bezat om maar eene halve
karveel uit te rusten, twee mannen vond, die hem hielpen, onder
voorwaarde, dat de winsten eerlijk gedeeld zouden worden. Deze twee
deelgenooten heetten Don Garcia De Campos en Juan De Vergera, die het
samen zoo ver brachten, dat er vier karveelen voor de reis gereed
gemaakt konden worden. De tocht naar Coquibacoa, dat in de nabijheid
van het Meer van Maracaïbo lag, was zeer voorspoedig, doch al heel
gauw was De Hojeda genoodzaakt om De Vergera naar Jamaïca te zenden,
teneinde levensbehoeften te halen. Gedurende diens afwezigheid leden
de overige tochtgenooten een vreeselijk gebrek en het duurde bovendien
niet lang of er ontstond ontevredenheid en wantrouwen. Men meende dat
De Hojeda zich verrijkte ten koste van de anderen, en het gevolg was,
dat de heele tocht hiermede eindigde, dat de Kolonisten Coquibacoa
verlieten en De Hojeda in boeien gesloten op Hispaniola brachten.
Later werd hij door Koning Ferdinand wel buiten alle vervolging
gesteld, doch hiermede was De Hojeda niet geholpen en hij bleef een
berooid man.

Nieuwe hoop had hem bezield toen hij van »Veragua« hoorde gewagen,
doch juist toen hij zich bij De Fonseca aanmeldde om dat land voor de
Spaansche Kroon in bezit te nemen, verkreeg hij een' mededinger in Don
Diego De Nicuesa, een aanzienlijk Edelman, die in alles wel een
tweelingbroeder van hem geleek. Koning Ferdinand wist evenwel raad.
Het land Veragua, dat door de Caraïbische Golf bespeeld werd,
verdeelde hij in twee Stadhouderschappen, die de namen kregen van
Goud-Castilië en Nieuw-Andalusië. De grens tusschen deze twee gewesten
zou de Golf van Dariën of van Uraba zijn. Over het eerstgenoemde
gewest zou De Nicuesa en over het andere De Hojeda Stadhouder worden.
Vertrouwende dat er veel bij te winnen en niets bij te verliezen viel,
namen beide Stadhouders gaarne de verplichting op zich om zelf de
kosten der uitrusting te dragen. Om dat goed te doen, stak De Nicuesa,
die nog krediet had, zich tot over de ooren in de schulden en rustte
vier schepen naar behooren uit. De Hojeda had, naar het scheen, bij de
avonturiers, die geld te missen hadden, al zeer weinig vertrouwen,
doch hij was zoo gelukkig om in den beroemden Stuurman, den ouden Juan
De la Cosa, die te San-Domingo vrij goede zaken gemaakt had, een
helpend vriend te vinden, die twee schepen voor hem uitrustte. Ten
slotte wist de slimme De Hojeda nog den Advocaat Martin Fernandez De
Enciso over te halen zijne spaarpenningen, die ruim vijfentwintig
duizend gulden bedroegen, in de zaak te steken en met hem mede te
trekken. Het had heel wat voeten in de aarde eer De Hojeda uitzeilde.
Don Diego Columbus, die toen de betrekking bekleedde, welke men zijn'
Vader ontnomen had, was niet van plan om het eiland Jamaïca, dat zoo
dicht bij Hispaniola lag, aan twee mannen over te laten, die bij hem
zeer laag aangeschreven stonden. Nu reeds daagde de een den ander uit,
wat zou er dan van terecht komen, als die twee samen één eiland
besturen moesten? Trots Koning Ferdinands beschikking, zond de
Admiraal nu Don Juan De Esquibel met zeventig man uit om het eiland te
bezetten en te zorgen, dat het niet in handen van die twee avonturiers
viel. Toen De Hojeda dit vernam, was hij woedend en zwoer dat hij, als
hij op het eiland kwam, dien De Esquibel het hoofd voor de voeten zou
leggen.

De Hojeda was de eerste, die uitzeilde met twee schepen, die met
driehonderd personen bemand waren. Daar hij bij ervaring wist, welk
een' indruk de ruiters op de inboorlingen maakten, zoo nam hij ook
twaalf paarden met hunne veulens mede. De Enciso bleef nog te
San-Domingo, doch beloofde, dat hij hem weldra volgen zou met een
schip, geladen met levens- en krijgsbehoeften.

Op de hoogte van het tegenwoordige Cartagena--eene zeehaven van de
Republiek Columbia,--gekomen, begaf De Hojeda zich, tegen den raad van
den ouden De la Cosa, aan wal om de inboorlingen te overvallen,
teneinde een aantal slaven buit te maken om hiermede zijne schulden te
San-Domingo te betalen. Het plan gelukte hem en hierdoor overmoedig
geworden, besloot hij met eene bende van zeventig man naar de
binnenlanden te trekken om de Caraïben andermaal te verslaan. Nogmaals
verhief De la Cosa zijne waarschuwende stem, maar De Hojeda was doof
voor allen goeden raad. Toen De la Cosa zag, dat de Gouverneur niet
hooren wilde, trok hij met hem mede. De uitslag was zoo treurig
mogelijk. De Caraïben versloegen de heele bende en slechts De Hojeda
gelukte het, den dood te ontkomen. Toen de achtergebleven schepelingen
hem vonden, was hij geheel uitgeput. Kort daarop kwam zijn mededinger
De Nicuesa met zijne schepen aan, en deze vergetende, dat De Hojeda
hem beleedigd en uitgedaagd had, kwam hem nu te hulp en in een
vreeselijk gevecht namen de Spanjaarden wraak over den dood van De la
Cosa en al de anderen. Na zoo zijn' plicht, als Ridder, vervuld te
hebben, toog De Nicuesa verder om Goud-Castilië op te zoeken. De
Hojeda achtte het onraadzaam om hier zijn fort te bouwen en zocht meer
westelijk eene geschikte plaats, en toen hij die meende gevonden te
hebben, begon hij een fort te stichten, hetwelk hij den naam van
San-Sebastian gaf. Het duurde niet lang of er kwam gebrek aan
levensmiddelen, want de inboorlingen vertoonden zich alleen, wanneer
ze kwamen om hunne vergiftigde pijlen op de Spanjaarden af te zenden,
wat maar al te veel plaats had. Het was derhalve geen wonder, dat De
Hojeda, die te midden van de ontevreden zieken en hongerlijders de
tucht met galg en zwaard wist te handhaven, met verlangen uitzag naar
het schip van zijn' deelgenoot De Enciso. Maar wie er komen mocht, De
Enciso kwam niet. De ellende werd daardoor van dag tot dag erger, en
naarmate zij toenam, vermeerderden de aanvallen der Indianen, die ten
laatste ook De Hojeda met een' vergiftigden pijl wisten te treffen.
Zulk een pijl bracht eene rillende koude en dan den dood. Die rillende
koude wilde De Hojeda voorkomen om zich zóó het leven te redden, en
hij beval zijn' Geneesheer met twee gloeiende ijzeren staven die
wonden uit te branden. De Geneesheer weigerde, doch De Hojeda zeide
heel eenvoudig, dat hij hem dadelijk zou laten ophangen, als hij het
niet deed. Voor zulke bedreigingen zwichtte onze Chirurg; de staven
werden witgloeiend gemaakt en hiermede liet De Hojeda zich, zonder
éénig gekreun te laten hooren, de wonden uitbranden, en wonder boven
wonder, het vreeselijke middel hielp en hij bleef in het leven om te
strijden tegen eene onbeschrijfelijke ellende. Eindelijk, eindelijk
kwam er een schip, doch dat van De Enciso was het niet. Een aantal
bankroetiers, oplichters, dieven en andere schelmen hadden San-Domingo
in stilte verlaten, een schip afgeloopen, de bemanning vermoord en
kwamen nu hier bij De Hojeda hun geluk beproeven. Tegen schreeuwend
hooge prijzen kocht De Hojeda de levensbehoeften, die ze aanboord
hadden, doch toen deze verteerd waren en De Enciso nog altijd
wegbleef, besloot De Hojeda zelf naar San-Domingo te stevenen om hulp
te halen. Hij zou dat doen op het schip en met de mannen, die op zulk
eene vreemde wijze te San-Sebastian aangekomen waren, en als hij
binnen vijftig dagen nog niet terug was, dan moesten de Kolonisten het
fort verlaten en met de schepen waarmede ze gekomen waren, naar
Hispaniola terugkeeren. Gedurende zijne afwezigheid zou zijn
Onder-bevelhebber Francisco Pizarro, het bevel over de Kolonie voeren.

De Hojeda vertrok, doch moest het geroofde schip, dat door de
zeewormen bijna verteerd was, op het eiland Cuba op het strand laten
loopen. Met zeventig man begon De Hojeda nu een' tocht dwars door de
moerassen heen, welke dertig dagen duurde, en eene aaneenschakeling
van de ontzettendste toestanden was. Eindelijk kwamen ze, na met eene
kano eene boodschap naar Jamaïca gestuurd te hebben, op dat eiland
aan. Don De Esquibel, die zeer goed wist, dat De Hojeda hem gedreigd
had, het hoofd voor de voeten te leggen, bewees De Hojeda alle
mogelijke diensten en liet hem en de zijnen naar San-Domingo brengen.
De Hojeda kwam daar arm aan; zijn deelgenoot De Enciso was uitgezeild,
en niemand was er, die zich De Hojeda's lot aantrok. De een zegt, dat
hij Monnik werd, en de ander dat hij vóór eene kloosterdeur in armoede
stierf. Zijn levenseinde was in alle gevallen treurig; hij was een der
vele slachtoffers van het goud. De schipdieven waren, tot op de helft
in de Cubaansche moerassen gestorven, slechts te San-Domingo
aangekomen om de doodstraf te ondergaan.

En hoe was het met den Stadhouder van Goud-Castilië, De Nicuesa,
gegaan?

Eer wij over dezen Ridder spreken, willen wij eerst naar San-Sebastian
terugkeeren. Met de achtergebleven Kolonisten komen we dan vanzelf bij
De Nicuesa in Goud-Castilië.

Nog wat langer dan de gestelde vijftig dagen bleef Pizarro op De
Hojeda's terugkomst wachten. Wat er zooal gebeurd is in dien tijd van
ongeëvenaarde ellende, niemand, die het zeggen kan, want Pizarro, die
de onechte zoon was van een' Spaansch Officier en eene arme vrouw uit
de volksklasse, had de jaren zijner jeugd wel doorgebracht achter de
zwijnen, maar niet op de schoolbanken. Hij kon niet lezen of
schrijven, en was uit Spanje weggeloopen om in de Nieuwe Wereld, als
gemeen soldaat, zijn fortuin te beproeven. Hij was een man van
beteekenis in die woelige dagen, en bij groote dapperheid bezat hij
een' ijzeren wil en een helder, natuurlijk verstand, maar meteen eene
weergaloos wreede inborst. Te midden van eene ellende, die de heele
Kolonie tot op zestig ziekelijke en verzwakte manschappen deed
inkrimpen, handhaafde hij de tucht. Eerst toen hij begreep, dat De
Hojeda niet terugkeeren zou, besloot hij om in de twee vaartuigen
San-Sebastian te verlaten. Die terugtocht was al even rampspoedig als
het verblijf in het fort, en door een' zwaren storm overvallen,
verging een der twee schepen met man en muis. Het schip waarop Pizarro
was, bleef behouden en ontmoette, na eenige dagen zwervens, in de
haven van Cartagena, waar De la Cosa gesneuveld was, de karveel van De
Enciso, die, vernomen hebbende hoe het met de volkplanting afgeloopen
was, zich nu als hoofd van den tocht en als Gouverneur van
Nieuw-Andalusië beschouwde, zoo lang De Hojeda er niet was. Hij beval
daarom naar San-Sebastian terug te keeren. Met tegenzin gehoorzaamden
Pizarro en de zijnen aan dit bevel, doch eer ze het verlaten fort
bereikt hadden, verging de karveel van De Enciso in de Golf van
Dariën. Met groote moeite werden nog eenige levensmiddelen gered, en
zoo kwam men alweer met één vaartuig en eene half verhongerde
bemanning op de plaats aan waar het fort eens gestaan had. Gestaan
had, ja, want de inboorlingen hadden het verbrand. De Enciso's schoone
hoop om in deze landstreken, wanneer het regen-seizoen ingetreden was,
in de bergen goud met netten te vangen, wat men hem wijsgemaakt had,
was als rook vervlogen. Wat nu te doen? Thans trad zekere Vasco Nunez
de Balboa te voorschijn en zeide, dat hij op den tocht van De
Bastides, dien hij vergezeld had, in de Golf van Uraba eene plaats
gezien had, waar veel goud was en waar de inwoners nooit vergiftigde
pijlen gebruikten; hij bood zich meteen aan om de Kolonisten derwaarts
te voeren. Het voorstel werd aangenomen en De Balboa had het geluk het
schip in de rivier Dariën te brengen. De inboorlingen, die de landing
wilden beletten, werden verslagen en behalve vele levensmiddelen en
katoen behaalden de Spanjaarden ook een' buit aan goud, die anderhalve
ton waarde had. Dit herstelde den moed en men besloot hier te blijven.
Het fort, dat er gesticht was, kreeg den naam van »Santa-Maria De la
Antiqua del Dariën« en vol hoop gingen de Kolonisten nu de toekomst
tegemoet. De Enciso verbood echter aan zijne onderhebbende manschappen
om voor eigen rekening met de inboorlingen ruilhandel te drijven. Dit
stuitte vooral Nunez tegen de borst, en daar deze een dapper en
schrander man en bij zijne makkers zeer gezien was, zoo kostte het hem
weinig moeite om hen te bewegen, het gezag van De Enciso niet te
erkennen. Hij ging hierbij zeer slim te werk en ving den Advocaat met
een echt Advocaten-net. De grenslijn, die Koning Ferdinand tusschen
Goud-Castilië en Nieuw-Andalusië getrokken had, liep midden door de
Golf van Uraba. Deze lijn was overschreden en derhalve was men in het
gebied van De Nicuesa. De Kolonisten zett'en dus De Enciso af en
verkozen tot Aanvoerders Vasco Nunez De Balboa, Zamudio en Valdivia.
Onder het bestuur van dit nieuwe Driemanschap, liep alles weldra in
het honderd, doch toen men er toe kwam om één' Bevelhebber te kiezen,
waren de gevoelens zóó verdeeld, dat men besloot om De Enciso weer
maar in het gezag te herstellen. Hierover nog aan het kibbelen, kwamen
onverwachts twee karveelen de golf binnenloopen. Ze stonden onder
bevel van zekeren Colmenares en waren met levensmiddelen en
oorlogsbehoeften bevracht voor den Stadhouder van Goud-Castilië.
Colmenares wist nu de Kolonisten te bewegen om De Nicuesa als
Gouverneur te erkennen, en na levensmiddelen, kruit, lood en eenige
wapenen uitgedeeld te hebben, begon hij langs de kust naar het fort
van De Nicuesa te zoeken. Na eenige dagen ontmoette hij een scheepje,
dat door den Stadhouder uitgezonden was om levensmiddelen te halen en,
begeleid door dit scheepje, kwam Colmenares te »Nombre de Dios,« de
zoogenaamde Residentie van Don De Nicuesa aan, om eene ellende te
vinden, welke die van San-Sebastian misschien nog wel overtrof. Het
was met dezen Ridder gegaan als met De Hojeda.--Stormen vernielden
zijne schepen en sleurden zijne levens- en krijgsbehoeften in de
golven. Oproer aan boord en ziekten waren zijn deel geweest. Met een
moedeloos: »Laten wij hier _en el nombre de Dios_ (in Godsnaam) ons
nederzetten,« van De Nicuesa, waren zij hier gekomen en hadden ze het
fort gebouwd, dat »Nombre de Dios« genoemd werd. De verjaagde
inboorlingen lieten zich ook hier niet zien dan om aanvallen op de
sterkte te doen. Van goud verzamelen in »Goud-Castilië« was geene
sprake, men vond er zelfs geen cassave-brood. De eene opstand na de
andere brak uit, en de ellende was ten top gestegen toen Colmenares
aankwam. Zoodra De Nicuesa van de Kolonie te Santa-Maria gehoord had,
besloot hij aldaar zijne residentie te vestigen en zond een schip met
zieken en zwakken er heen; hij zelf zou later komen. Het
vooruitgezonden volk bewerkte evenwel zijn' val, want te Santa-Maria
vertelden ze allerlei leelijks van De Nicuesa en zeiden ook, dat ze al
het goud, hetwelk ze verzameld hadden, zouden moeten afstaan, en dat
De Balboa, die nog altijd de betrekking van Alcalde of Rechter
bekleedde, zijn ambt zou moeten neerleggen. Dit nu stond den
Kolonisten en vooral De Balboa niet aan. Hij haalde het volk over om
De Nicuesa niet te erkennen en toen deze eindelijk met zijne twee
schepen te Santa-Maria verscheen, werd hem de landing belet. Het
eenige, wat hem toegestaan werd, was dat hij, slechts vergezeld door
een' Page, aan den wal kwam. Nu wist De Balboa, die vooraf reeds alles
met de zijnen afgesproken had, De Nicuesa mede te deelen, dat het
noodig was, dat hij zich aan eene keuze der Kolonisten, die eigenlijk
toch onder De Hojeda stonden, onderwierp. De stemming volgde en--De
Balboa werd verkozen. Te vergeefs smeekte De Nicuesa nu om de gunst om
toch te Santa-Maria te mogen blijven. Op eene brigantijn, die meer een
wrak dan een schip was, noodzaakte men hem, elders zijn geluk te
beproeven. Hij heeft het nooit gevonden, want het wrakke schip zonk
met zijne bemanning in de diepte.

Thans beschouwde Vasco Nunez De Balboa zich als Gouverneur van de twee
Stadhouderschappen: Goud-Castilië en Nieuw-Andalusië, wat natuurlijk
niet overeenstemde met de gevoelens van De Enciso. Deze werd echter in
het ongelijk gesteld, gevangengenomen en veroordeeld. De weinige
vrienden van den ongelukkigen Advocaat vonden dat vonnis evenwel te
hard, en wisten gedaan te krijgen, dat hij naar San-Domingo of Spanje
mocht terugkeeren, doch met achterlating van alles, wat hij het zijne
mocht noemen. De Balboa begreep zeer goed, dat De Enciso te
San-Domingo of in Spanje in het gelijk zou gesteld worden, doch om op
het gemoed der Rechters te werken, liet hij met hetzelfde schip ook
zijn' vriend Zamudio medegaan. Deze zou wel zorgen, dat de groote
verdiensten van De Balboa met »de breede roede uitgemeten« werden.
Hierop nog niet genoeg vertrouwende, liet hij Valdivia ook den tocht
medemaken, en dezen gaf hij eene kist van het fijnste goud mede, om
dat, als een geschenk van De Balboa, in handen te stellen van Don
Miguel De Pasamonte, die te San-Domingo de betrekking van
Schatbewaarder des Konings bekleedde. Verlost van De Enciso, en ook
buiten bereik van de twee andere leden van het voormalige
Driemanschap, begon De Balboa thans de zaken te besturen, en het mocht
gezegd wezen, dat ze voortreffelijk gingen. Hij verstond de kunst om
zich bij de Kaziken bemind of gevreesd te maken, en daar hij wel wist,
dat hij bij Koning Ferdinand zijne zaak, al was deze nog zoo
onrechtvaardig, winnen zou, als hij hem maar schatten van goud
toevoerde, zoo deed hij al, wat hij kon, om zich van goud meester te
maken, en dit gelukte hem boven wensch. Binnen korten tijd kon hij
twee schepen, rijk met goud bevracht, naar San-Domingo afzenden. Hij
maakte van deze gelegenheid meteen gebruik om Don Diego, den
Onder-Koning, te vragen om eene aanstelling als Kapitein-Generaal van
Goud-Castilië. De buitengewoon rijke lading der twee schepen was zóó
in zijn voordeel, dat Don Diego geen oogenblik aarzelde om hem die
aanstelling te verleenen. Hij zond hem bovendien de schepen met
allerlei levens- en krijgsbehoeften benevens honderdvijftig soldaten
terug. Hoewel De Balboa nu door Don Diego in het gezag bevestigd was,
meende hij nog wat meer te moeten doen om ook den Koning voor hem te
winnen, want de genegenheid van den Onder-Koning, die zelfs in Spanje
nog te worstelen had tegen De Fonseca en al de oude vijanden zijns
Vaders, was hem niet genoeg.

Eens nu dat hij van een' Kazike eene groote hoeveelheid goud ontvangen
had, ontstond, over de verdeeling er van, twist onder de Spanjaarden.
De eenvoudige inboorlingen verbaasden zich hierover en één hunner
zeide nu tot De Balboa: »Hoe kunt gij twist maken over zulk een weinig
goud? Indien gij wilt, zal ik u eene plaats aanwijzen, waar gij
zooveel goud zult vinden, als gij maar begeert. Gij moet evenwel met
eene sterke bende derwaarts gaan, want het goudland is in het gebied
van machtige Kaziken, die den Spanjaard vijandig gezind zijn. En
wanneer gij er heen gaat, dan kunt ge zelfs van den top van een'
hoogen berg eene zee zien, onmetelijk groot. Zij wordt bevaren door
schepen, evenals die van u.«

De Balboa's oog straalde van vreugde. Zou die zee dan de zeeëngte
zijn, welke Columbus gezocht had? Lag dan daar aan gindsche zijde der
bergen het heerlijke, rijke land, dat men de »Indiën« noemde? Als hij
dát land vond, dan, hij wist het, dan zou hij zijne zaak ook in Spanje
winnen. Hij aarzelde niet lang. Den eersten September 1513 begaf hij
zich met honderdvijftig Spanjaarden en zeshonderd Indianen op weg, en
begon zulk een' stouten en gewaagden tocht, dat hij in vele opzichten
dien van Hannibal over de Alpen overtreft. Wanneer we een' blik op de
kaart slaan, zal het ons tamelijk vreemd voorkomen, dat deze tocht zoo
moeielijk en gevaarlijk was, want De Balboa bevond zich bijna op het
smalste gedeelte van de Landengte van Panama. Dit blijkt ook uit de
verzekering van den Indiaan, die sprak dat men van »gindschen berg,«
de groote zee aan de overzijde kon zien. De »gindsche berg« moest dus
met den vinger aangewezen kunnen worden, en kon, hemelsbreed, niet zoo
ver verwijderd zijn. Dat alles is waar, doch men moet niet vergeten,
dat de bergen en dalen, òf overdekt waren met bijna ontoegankelijke
wouden, òf bewoond door Indianen, die weinig geleken op de eenvoudige
bewoners der afgelegen Westindische eilanden. Zwaard en musket,
kruisboog en harnas vermochten hier wel veel, doch lang niet alles.
Wilde De Balboa tusschen zijn klein leger en Santa-Maria, bij wouden
en bergen, ook geene vijandige Indianen hebben, dan moest hij alle
Kaziken, die hij op zijn' tocht ontmoette, tot vrienden maken. Dit
gelukte hem schier overal, want de persoonlijkheid van dezen koenen
avonturier schijnt eene zeer innemende geweest te zijn. Gelukte het
hem niet om, door bewijzen van vriendschap, de Kaziken aan zich te
verbinden, dan wist hij door beleidvol wapengeweld hen tot
onderwerping te dwingen, en dikwijls werden zelfs de Kaziken, die hij
met geweld had moeten winnen, zijne warmste vereerders en trouwste
bondgenooten.

Eindelijk, eindelijk was hij bij »gindschen berg« aangekomen. De
beklimming was zóó moeielijk, dat velen beneden bleven. Vol ongeduld
klauterde en klom De Balboa de zijnen vooruit. Daar was hij op een'
der toppen en--een groote Oceaan lag in de verte vóór hem. Bij dat
gezicht viel hij op de knieën om God te danken, dat het hem vergund
was, de eerste Europeaan te zijn, die deze wereldzee zag.
Onbeschrijfelijk groot was de vreugde der zijnen toen ze bij hem
aankwamen en ook den Oceaan zagen. Er werd van steenbrokken een kruis
opgericht, en Andrez De Vara, een Priester, die De Balboa vergezelde,
begon, vol dankbaarheid en geloofsgloed, het »Te deum laudamus« te
zingen, waarin hij door allen gevolgd werd. Het moet daar op die
rotspunt der Cordillera's een buitengewoon schoon en aangrijpend
tooneel geweest zijn, en als we dan weten, dat de Indianen in de
vreugde der Spanjaarden deelden, dan moeten we het goud verwenschen,
dat instaat was, om met moord en doodslag te doen eindigen, wat zóó
schoon met gebed en lofzang begonnen was.

[Illustratie: Vasco Nunez De Balboa neemt den »Stillen Oceaan« in
bezit.]

Van de ontdekking van den »Stillen« of »Grooten Oceaan« werd op
staanden voet een protocol opgemaakt, dat door al de Spanjaarden
onderteekend werd. De derde onderteekenaar, die als handteekening maar
een kruisje zette, was Pizarro, en misschien maakte hij toen het plan
reeds om in het gezicht van dezen Oceaan voor Spanje nieuwe landen te
veroveren. Na afloop der plechtigheid en na uitgerust te zijn, werd de
tocht voortgezet, en den negenentwintigsten September bereikte men het
zeestrand aan eene baai, waaraan de moedige ontdekker den naam van
»San-Miguel« gaf. Het was peillaag water en het strand bestond niet
uit zand, maar uit zwarte modder en klei. De Balboa bleef met de
zijnen wachten tot het water hoog was. Toen nam hij de Rijks-banier,
wierp zijn schild op den schouder, trok zijn zwaard, trad tot aan de
knieën in het water en nam daarop, met dezelfde formaliteiten, alsof
het land was, van den Oceaan bezit voor de Spaansche Kroon.

Was deze ontdekking reeds gewichtig, nog gewichtiger scheen ze te zijn
door den overvloed van parelen, die hier in de omstreken te bekomen
waren. Zwaar beladen met goud en parelen werden er nu aanstalten
gemaakt om den terugtocht aan te nemen. Dat er ver ten Zuiden van de
baai van San-Miguel een groot en beschaafd land lag, waar nog veel
meer goud te vinden was dan hier, zooals de inboorlingen mededeelden,
en dat niet zoo heel ver van de kust een groep eilanden lag, die onder
het bestuur van een' roofzuchtigen Kazike stonden en een'
buitengewonen rijkdom van parelen bevatt'en, mocht voor een oogenblik
de begeerte opwekken om reeds nu dat »Goudland« en die
»Parel-eilanden« op te zoeken, men stelde dit toch liever tot eene
volgende gelegenheid uit, en den negentienden Januari 1514 kwamen onze
moedige ontdekkers, zonder op dien merkwaardigen tocht één' man
verloren te hebben, te Santa-Maria aan. Het was thans De Balboa's
eerste werk om een schip, geladen met de verkregen schatten, naar
Spanje te zenden. Dat men aan het Hof alles zou doen, wat maar
mogelijk was, om den dood van De Nicuesa op hem te wreken en om den
verongelukten De Enciso recht te verschaffen, behoefde men niet in
twijfel te trekken; maar als Koning Ferdinand zag, welke rijkdommen
aan goud en parelen diezelfde veroordeelde avonturier wist aan te
brengen, dan zou alles veranderen en de Koning zou hem wel in zijn
gezag bevestigen. Het rijk geladen schip, waarover Pedro De Arbolancha
het bevel voerde, kon evenwel pas in Maart zee kiezen en had op reis
naar Spanje met veel tegenwind te worstelen, en toen het eindelijk in
Spanje aankwam, was het te laat om geheel te herstellen, wat gebeurd
was. Op aanraden toch van De Fonseca, die met De Nicuesa bevriend was
geweest, en die zich ook de zaken van De Enciso aangetrokken had, was
Don Pedro Arias De Avila, gewoonlijk Pedrarias genoemd, aangesteld tot
Stadhouder van Goud-Castilië, met bevel om de daden en handelingen van
De Balboa ten strengste te onderzoeken. Nog waren na die benoeming
slechts eenige dagen verloopen toen De Arbolancha met zijne schatten
en merkwaardige berichten aankwam. Die schat van goud, die menigte
parelen, die berichten van de ontdekking van den nieuwen oceaan,
brachten heel Spanje in beweging, en Koning Ferdinand moest nu wel het
veroordeelend vonnis terugtrekken, hetwelk uitgesproken was over een'
man, die zulke schatten aanbracht en zulke gewichtige ontdekkingen
gedaan had. Don Pedrarias bleef in het gezag gehandhaafd, doch kreeg
in last om dien De Balboa te vriend te houden en hem in alle zaken van
het bestuur te raadplegen. Van alle kanten stroomden de avonturiers nu
weer toe, om met den nieuwen Gouverneur naar dat »Dorado« te trekken.
Het waren thans geene schatten, die alleen in het dichterlijke brein
van een' tweeden Columbus bestonden, maar werkelijke parelen en echt
goud, die hen aandreven om daar in het verre Westen rijkdommen te
verzamelen. Eene vloot van tweeëntwintig schepen, rijkelijk voorzien
van allerlei zaken, die voor de Kolonie onmisbaar waren, en bemand met
vijftienhonderd koppen, stak weldra in zee, aangevoerd door Pedrarias,
wiens echtgenoote, Donna Isabella De Bobadilla, hem zelfs vergezelde.

Zonder noemenswaardig oponthoud kwam deze schoone vloot weldra in de
Golf van Uraba in de nabijheid van Santa-Maria aan, doch Pedrarias,
die vreesde door de Kolonisten slecht ontvangen te worden, liet al het
volk aan boord blijven en zond alleen een' Ridder naar den wal om daar
het bericht te brengen, dat Don Pedro Arias De Avila aangekomen was
om, als Gouverneur over Goud-Castilië, op te treden.

De Balboa had niet stil gezeten sinds hij het rijkgeladen schip naar
Spanje gezonden had. Nieuwe schatten aan goud en parelen lagen in de
magazijnen opgehoopt; nieuwe vriendschaps-verbonden had hij met vele
Kaziken gesloten door zijn tact om met die menschen om te gaan. De
Kaziken, die vijandig tegen hem opgetreden waren, had hij met behulp
van zijne soldaten en bloedhonden tot onderwerping gedwongen. Het was
nog niet alles. De Balboa wist ook bij ondervinding hoe gebrek aan
levensmiddelen dikwijls den ondergang van heele Koloniën ten gevolge
had. Dat wilde hij voorkomen, en waar hij den eenen dag met het harnas
om de leden, het schild aan den linkerarm en het zwaard in de
rechterhand, als Veldheer overwinningen behaalde, daar zag men hem den
volgenden dag in een' katoenen werkmanskiel met den grooten stroohoed
op, als boer, de velden bebouwen om Goud-Castilië, wat levensmiddelen
betreft, geheel onafhankelijk van Spanje te maken. Hij zelf woonde in
eene groote stroohut en ging zijn volk voor in eene matige leefwijs.
Op Heiligdagen liet hij feesten vieren en wist hij altijd wat te
bedenken, dat zijnen Spanjaarden aangenaam was en dat den Indianen
genoegen verschafte. Hij, aan wien het gegeven ware geweest om al de
Koloniën der Nieuwe-Wereld van 1492 af te bezoeken, zou, te
Santa-Maria komende, hebben moeten getuigen, dat dit eene
»Model-Kolonie« was, en meteen zou hij hebben moeten bekennen, dat dit
te danken was aan den »Model-Gouverneur.«--

Wat keek de prachtig uitgedoste Ridder vreemd op, toen hij, voor de
Balboa gebracht, inplaats van een' Ridder, een' man voor zich zag,
gekleed met katoenen kiel en broek, een' stroohoed op het hoofd, en
met ruwe handen, die van zwaren veldarbeid spraken! Toch naderde de
Ridder hem met eerbied en bracht hem zijne boodschap over.

Hoe moet De Balboa teleurgesteld geweest zijn toen hij vernam, dat de
Koning een ander tot Gouverneur aangesteld had! Hij hield zich evenwel
goed en gaf den Ridder ten antwoord: »Zeg aan Don Pedrarias De Avila,
dat hij welkom is en dat ik hem met zijne behouden aankomst geluk
wensch. Zeg hem verder, dat ik bereid ben om hem met al mijne
manschappen gehoorzaam te zijn en dat wij zijne bevelen zullen
opvolgen.«

Met deze boodschap keerde de Ridder naar het Admiraalsschip terug,
doch dat bijna de heele Kolonie verontwaardigd was, dat de Koning De
Balboa niet tot Stadhouder benoemd had, kon hij niet vertellen, omdat
hij van die verontwaardiging, door De Balboa slechts met groote moeite
bedwongen, geen getuige geweest was. Slechts enkelen verheugden zich
in Santa-Maria over den val van den algemeen beminden man. Ze waren de
aanhangers van De Nicuesa en De Enciso, die slechts gezwegen hadden,
omdat ze niet spreken durfden.

Met een schitterend vertoon, waarbij de eenvoudige kleeding van De
Balboa in een schreeuwend contrast stond, deed de nieuwe Gouverneur,
te midden van een' stoet prachtig gekleede Ridders, en vergezeld van
zijne Gemalin en Juan De Quevedo, nieuw-benoemd Bisschop van Dariën,
zijn' intocht in Santa-Maria, de hoofdstad van »Castilla del Oro« of
»Goud-Castilië.« De Balboa ontving de aanzienlijke gasten in zijne
eenvoudige woning en bood hun een feestmaal aan, dat bestond uit
cassave-brood, maïskoeken, eenige vruchten en water.

Wat zullen die Ridders zich in hunne verwachtingen bedrogen hebben
gezien! Cassave-brood, maïskoeken en water, aangeboden in eene
stroohut, door een' Bevelhebber, gekleed in een' werkmanskiel! Hoe
zullen ze zich verheugd hebben, dat niet de man met de vereelte handen
hun Gouverneur was, maar wel een schitterend Ridder, in Spanje
algemeen bekend als »El Galan« of »De Galante.« Toch schijnt er één
geweest te zijn, die terstond zag, dat alleen een man als De Balboa de
noodige geschiktheid had om eene Kolonie tot bloei en welvaart te
brengen. Deze man was Bisschop De Quevedo, die er steeds op uit was om
in het belang der Kolonie De Balboa te begunstigen en in moeielijke
gevallen voor te spreken. Zelfs de Gemalin van den Stadhouder schijnt
dat ingezien te hebben, want ook zij sprong later menigmaal voor den
miskenden man in de bres. De Avila evenwel ging van eene geheel andere
meening uit. Hij zag zeer goed hoe de kern der oude Kolonisten De
Balboa met hart en ziel genegen was, en hij had wel blind moeten zijn,
wanneer hij niet bemerkt had, met welk een' weergaloozen tact dezelfde
avonturier met de Kaziken en de inboorlingen wist om te gaan. Die man
kon hem gevaarlijk worden, en vreezende dan het lot van De Nicuesa of
De Enciso te zullen ondergaan, stond hij overal tegenover hem als zijn
vijand, en wist hij de oude aanhangers van De Nicuesa en De Enciso in
zijne belangen over te halen. En terwijl Pedrarias zoo in het geheim
werkte, deden de nieuwaangekomene Ridders en soldaten niet veel anders
dan een lui en ongebonden leven leiden. Aan werken dacht men niet; men
was gekomen om rijkdommen te verzamelen. Geen De Balboa was er nu, die
langs vriendelijken weg de Kaziken bewoog goud en parelen te ruilen
voor eenvoudige voorwerpen. Met blanke wapenen trok men de bergstreken
en de dalen in om met geweld te nemen, wat men met zachtheid had
kunnen verkrijgen. Als met een' tooverslag werd de toestand omgekeerd,
zoodat De Balboa naar Spanje schrijven kon: »De Kaziken en Indianen
zijn van lammeren in leeuwen veranderd.« En te midden van dien
toestand deed de vreeselijke, gele koorts hare intrede in Santa-Maria,
waar ze in de ontzenuwde lichamen der Spanjaarden een' vruchtbaren
bodem vond om zich met ontzettende snelheid te verbreiden. Zij maakte
meer dan vijfhonderd slachtoffers, en alsof de ellende nog niet groot
genoeg was, werd, door onvoorzichtigheid, het magazijn, dat de laatste
levensbehoeften bevatte, een prooi der vlammen en vernielden de
sprinkhanen den te veld staanden oogst.

De tijdingen van deze rampen kwamen ook in Spanje, dat schepen met
schatten verwachtte en nu slechts wrakke vaartuigen met ellende
ontving. Thans zag Koning Ferdinand in dat hij, alsof hij gedoemd was
om door schade en schande nimmer wijs te worden, alweer eene groote
domheid begaan had door De Balboa niet tot Gouverneur van
Goud-Castilië aan te stellen. Die domheid kon goed gemaakt worden,
wanneer hij Pedrarias terugriep en De Balboa tot Gouverneur benoemde.
Hij deed het niet, doch stelde De Balboa aan tot Adelantado van de
»Zuidzee,« zooals de »Groote« of »Stille Oceaan« vaak genoemd werd, en
tot Gouverneur van Panama en Coyba, maar--onder het oppergezag van
Pedrarias.

De brieven, die deze benoeming bevatt'en, werden in een pak met nog
andere aan den Gouverneur gezonden, die meteen van De Balboa's
benoeming in kennis gesteld werd. Pedrarias had De Balboa zijne
dochter tot vrouw beloofd. Dat dit van de zijde der Moeder, Donna
Isabella, ernstig gemeend was, mag aangenomen worden, doch van de
zijde van den Vader was het niet gemeend. Terwijl deze De Balboa in
het openbaar, als zijn' aanstaanden schoonzoon behandelde, zette hij
in het geheim het proces in de zaak van De Nicuesa en De Enciso tegen
hem voort. Inplaats van hem een' tocht naar de Parel-eilanden te laten
ondernemen, gaf hij Pizarro last dien te doen, en toen De Balboa er
later tòch nog een, en met veel voordeel, naar die eilanden maakte,
trachtte Pedrarias niet alleen zijn' roem te verkleinen, maar zelfs
zijne eer te bezoedelen. Was er eene onderneming te doen, welke geene
kans van slagen had, dan werd De Balboa er mede belast. Was hij zoo
gelukkig van toch te slagen, dan werd het voor niet veel meer dan
kennisgeving aangenomen; slaagde hij niet, dan waren verwijten en
beschuldigingen zijn deel, zelfs als hij wonderen van dapperheid
verricht had en gewond te Santa-Maria terugkwam.

Nu waren de brieven van zijne verheffing gekomen, en thans beging
Pedrarias de laagheid om in zijn' Raad, die voor het grootste deel uit
zijne aanhangers samengesteld was, de vraag te doen, of men De Balboa
die aanstellingen wel geven zou, omdat hij altijd nog in staat van
beschuldiging stond. Gelukkig was Bisschop De Quevedo ook aanwezig, en
deze kwam met zooveel kracht en klem voor de rechten van De Balboa op,
dat de Gouverneur niet langer durfde weigeren om zijn' tegenstander de
benoemingen ter hand te stellen. Nauwelijks echter was de benoeming
van De Balboa bekend, of zijne talrijke vrienden toonden de
uitbundigste bewijzen van blijdschap, wat den Gouverneur weer ergerde,
die hierin eene samenzwering tegen zijn gezag meende te moeten zien.
Een schip, dat De Balboa indertijd uitgezonden had, kwam terug met
allerlei benoodigdheden voor een' ontdekkingstocht in den »Grooten
Oceaan« en de Kapitein liet in stilte De Balboa waarschuwen. De
Gouverneur kwam er evenwel achter en had nu werkelijk iets, waarvan
hij De Balboa beschuldigen kon. Deze dacht evenwel aan geen verraad en
begon vier schepen te laten bouwen en wel aan deze zijde van het
gebergte, omdat dit aan de andere zijde niet geschieden kon. De bouw
van die schepen en het vervoer van alle materialen over de bergen,
vormt op zichzelf reeds stof voor een heldendicht, en zie, juist stond
De Balboa gereed om met driehonderd wakkere mannen, als Adelantado,
een' ontdekkingstocht te gaan aanvaarden, toen Francisco Pizarro bij
hem kwam en hem in naam des Konings gevangennam, omdat hij eene
samenzwering tegen het gezag gesmeed had. Ongetwijfeld had De Balboa
tegenover De Nicuesa en De Enciso zeer verkeerd gehandeld, en de wijze
waarop hij schepen uitzond met een doel, dat voor den Gouverneur
geheim moest blijven, pleit ook tegen hem, maar dat Pedrarias het
wagen zou om het doodvonnis over hem uit te spreken, dat had niemand,
zelfs de Bisschop niet vermoed. En toch, dat gebeurde. Tal van
Kolonisten sprongen voor hem in de bres en verlangden dat Koning
Karel,--dezelfde, die als Karel V, later Keizer van Duitschland
werd,--in deze recht zou spreken. Alles was vergeefsch, en de man aan
wien Spanjes schatkist millioenen schats te danken had, werd in 1517
op tweeënveertigjarigen leeftijd onthoofd.

De schepen waarmede De Balboa den ontdekkingstocht wilde doen, kwamen
nu onder bevel van Don Gaspar De Espinosa, die juist een' voordeeligen
tocht over de Cordillera's gemaakt had. Niet zuidelijk voer hij, maar
wel in eene noordelijke richting, en, na eene betrekkelijk korte
afwezigheid, kwam hij met groote schatten terug. Zijn voorbeeld werd
gevolgd door Don Gonçalez De Avila, die met honderd man een' stouten
tocht in de binnenlanden van het tegenwoordige Nicaragua deed. Wat hij
hier vond, deed al zijne makkers verbaasd staan. Steden, waarin zich
groote huizen van steen gebouwd bevonden, met een veertig duizend
beschaafde inwoners, die allen gekleed waren en naar vaste wetten
geregeerd werden, waren geene zeldzaamheid. Naast schitterenden
rijkdom vonden ze er evenwel ook afzichtelijke armoede.

De Spanjaarden werden door den Kazike van Nicaragua met de meeste
voorkomendheid ontvangen en met schatten overladen, doch toen Gonçalez
De Avila te paard in het groote meer van Nicaragua sprong en dat in
bezit nam voor Koning Karel, hielden de vriendschapsbewijzen op en
werden de Spanjaarden zelfs door de Indianen aangevallen, zoodat ze
slechts met groote moeite hunne schepen konden bereiken.

Breidde men zoo in Middel-Amerika de ontdekkingen op het vasteland
steeds uit, ook de groote eilanden-wereld dezer streken werd gaandeweg
meer bekend en aan Spanje onderworpen. Don Juan Pince De Leon, een oud
soldaat, die reeds in den oorlog tegen de Mooren bijna grijs geworden
was, had door zijn' moed en beleid in de Nieuwe Wereld het zóó ver
weten te brengen, dat hij Bevelhebber eener provincie op Hispaniola
geworden was. Dit kalme en deftige leven kon den ouden krijger evenwel
niet behagen, en daar hij bij helder weder dikwijls het eiland
Boriquen of Portorico kon zien liggen, kwam de begeerte bij hem op om
ook dit eiland, dat nog altijd als vergeten daar lag, voor Spanje in
bezit te nemen. De Onder-Koning Ovando verleende hem verlof daartoe,
en in 1508 stak de moedige krijgsman naar dit eiland over, en na daar
nog al vrij veel goud verzameld te hebben, liet hij een deel der
bemanning van zijn schip op het eiland achter en stak naar San-Domingo
over, om den Onder-Koning het goud te laten zien. Ovando meende dat
het in bezit nemen van dit eiland voor Spanje gewichtig genoeg was, en
vertrouwde dat werk aan onzen De Leon toe, die evenwel nog eerst naar
Portorico terugkeerde om te onderzoeken of die onderwerping ook zonder
bloedvergieten kon plaats hebben. Zijn onderzoek liep gunstig af, en
in 1509 was De Leon, hoewel met veel moeite, Gouverneur van het
eiland, welks bewoners zich vrijwillig onderworpen hadden. Het duurde
niet lang of ze begrepen zeer verkeerd gedaan te hebben, doch het was
nu te laat om zonder wanhopigen strijd zich vrij te maken. In hunne
eenvoudigheid geloofden de bewoners, dat de Spanjaarden onsterfelijk
waren, doch toen ze met zekeren Salzedo eene proef namen, kwamen ze
tot andere gedachten. Ze droegen hem over een water, lieten er hem,
zoogenaamd bij ongeluk, in vallen, en gingen eenigen tijd op hem
zitten. Toen hij nu uit het water aan den oever gebracht was, en men
zag dat hij werkelijk dood was, besloot men de »sterfelijke«
overweldigers te verdrijven. De Leon evenwel wist door dapperheid en
krijgsbeleid den opstand te onderdrukken en stond, toen dit geschied
was, willig zijn Gouverneursbetrekking af aan Juan Ceron en zocht door
nieuwe daden zich te onderscheiden. De ouderdom kwam evenwel ook bij
hem met gebreken, en toen hij eenige oude Indianen eens hoorde
verhalen, dat er ten Noorden van hun eiland een land was, waar niet
alleen goud in overvloed, maar ook eene bron gevonden werd, waarin men
door een bad zich kon verjongen, besloot hij dat land op te zoeken en
misschien wel eene heele nieuwste Nieuwe Wereld te zullen ontdekken.
Als hij dan bovendien het geluk mocht hebben die bron te vinden, dan
zou een scheepsruim vol parelen hem niet zoo rijk kunnen maken, als
die ééne bron. Hij vond haar natuurlijk niet, maar wel vond hij op
Palmzondag van het jaar 1512 het vasteland van Noord-Amerika. Hij nam
het heerlijk schoone land voor Spanje in bezit en noemde het
»Florida«, onder welken naam dat land nog altijd bekend staat. Dat hij
het vasteland ontdekt had, wist hij bij zijn' terugkeer echter niet;
hij hield het voor een groot eiland. Op dien terugtocht nog altijd de
»Verjongings-bron« zoekend, kwam hij bij een groot aantal eilandjes.
Een' groep gaf hij den naam van »Schildpadden-eilanden,« omdat zijne
matrozen er in één' nacht honderd zeventig schildpadden vingen, en
een' anderen groep noemde hij »Oude-vrouwen-eilanden,« omdat hij er
slechts ééne oude vrouw vond. Hij nam haar aan boord, en door hare
kennis met deze zee diende ze hem als loods. Goed en wel kwam hij op
Portorico terug en stevende toen naar Spanje om den Koning bericht van
zijne ontdekking te geven. De Koning benoemde hem tot Adelantado van
Florida, doch inplaats van die betrekking te aanvaarden, nam hij het
bevel over een vlootje op zich om de Caraïben te tuchtigen. De tocht
mislukte en weer kwam hij op Portorico terug, dat hij evenwel later
andermaal verliet om, als Adelantado, van Florida bezit te gaan nemen.
De bewoners sloegen hem evenwel terug en zwaar gewond kwam hij op het
eiland Cuba aan, waar hij kort daarna in hoogen ouderdom overleed. En
nu we met De Leon op Cuba gekomen zijn, rijst misschien bij eenigen de
vraag: »Was dat eiland nog steeds in de macht der inboorlingen en
meende men nog altijd, dat het stellig het vasteland van Azië was?« We
beginnen met het laatste gedeelte der vraag en antwoorden, dat alleen
Columbus bij zijn overlijden nog geloofde, dat Cuba een deel van het
Aziatische vasteland was. De Portugeesche ontdekkingen hadden voor
anderen reeds zonneklaar bewezen, dat Columbus niet de »Indiën,« maar
eene geheel nieuwe wereld ontdekt had. Cuba behoorde derhalve niet tot
Azië, dat wist men reeds geruimen tijd, en dat het een eiland was,
schooner, vruchtbaarder, rijker en veel grooter dan Hispaniola, ook
dát wist men reeds, toen De Leon er den laatsten adem uitblies in
1520.

In 1511 had Don Diego Columbus aan Don Diego Velasquez, een' der
oudste volksplanters van Hispaniola, vergunning gegeven om dat eiland
voor Spanje in bezit te nemen. Aan het hoofd van driehonderd
ondernemende mannen en vergezeld door Las Casas en Hernando Cortez,
vertrok hij derwaarts en op voorzichtige wijze te werk gaande, wist
hij langzamerhand al de Kaziken aan zich te onderwerpen. Er was veel
stofgoud te vinden, en van alle kanten kwamen Kolonisten om zich van
dat goud meester te maken, doch daar zij zelven liever niet werkten,
en Velasquez voorzichtigheidshalve de inboorlingen van Cuba vooreerst
nog niet dwong om slavenarbeid te verrichten, zoo zond hij Don
Francisco Hernandez De Cordova uit om op het vasteland, dat westelijk
gelegen moest zijn, doch dat nog niet bezocht was, Indianen te gaan
rooven. Dit geschiedde in 1517, en De Cordova ontdekte op den eersten
Maart van dat jaar Kaap Catoche van Yucatan, doch meteen zag hij, dat
hij hier niet wezen moest om onnoozele inwoners, als slaven, op te
vangen. Had Don Gonçalez De Avila aan de westzijde van de landengte,
in het rijk van Nicaragua, steden met beschaafde inwoners gevonden,
hier ging het onzen De Cordova eveneens, en reeds uit zee ontdekte hij
in de verte eene stad met torens en witte, steenen huizen. Ook hier
toonden de inboorlingen zich niet zoo bijzonder verbaasd bij het zien
van de Spanjaarden, en de Kazike noodigde hem zelfs uit om een bezoek
in zijne stad te brengen. De Cordova voldeed hieraan en stond niet
weinig verwonderd, dat hij bij zooveel beschaving ook zag, dat hij
hier onder menscheneters was, die afgodendienaars waren. Wat wel
opmerkelijk heeten mag is, dat die afgodsbeelden allen het kruisteeken
droegen. De Cordova ontdekte echter, dat men hem en zijn volk in eene
hinderlaag trachtte te lokken, en hij verliet daarom de stad en
trachtte verder op de kusten slaven te vangen. Het mislukte hem echter
overal, en zonder slaven, maar met het bericht, dat hij een land van
beschaafde menscheneters gevonden had, kwam hij op Cuba terug. De
Velasquez zond nu zijn' neef, Don Juan De Gryalva met een vlootje uit
om die merkwaardige kusten nauwkeuriger te verkennen. Hij kwam in
hetzelfde land, doch den tocht van Kaap Catoche nog westelijker
voortzettend, ontdekte hij onder de bewoners steeds meer beschaving.
Vooral de bouwtrant der huizen deed hem aan zijn vaderland denken,
waarom hij dat land den naam van »Nieuw-Spanje« gaf. Hij ging er aan
den wal en begon met de bewoners, die zich Azteken noemden, ruilhandel
te drijven. Goud was er onder de Azteken in zulke groote hoeveelheden,
dat ze er bijna geene waarde aan hechtten, en groote klompen voor
eenvoudige ijzeren gereedschappen gaarne inruilden.

Zij toonden evenwel heel duidelijk, dat ze nu juist voor zulk een
klein aantal mannen met baarden niet zoo bevreesd waren, en daarom
hoorde De Gryalva niet naar het voorstel zijner tochtgenooten om daar
eene Volkplanting achter te laten. Dubbel tevreden met de
onbegrijpelijk groote schatten, die hij aan boord had, keerde hij naar
San-Jago de Cuba, de hoofdplaats van het eiland, terug. Welke de
gevolgen waren van de berichten en de schatten, die hij aanbracht, zal
in een volgend hoofdstuk verhaald worden, doch eer we dat doen, dienen
we nog even te spreken over een ander beroemd reiziger, die als het
ware als een nieuwe Christophorus Columbus optrad.

[Illustratie: FERDINAND DEL MAGELHANES. (Geb. 1440, overl. 1521.)]

De Portugeezen hadden hun gebied in de Indiën ook steeds uitgebreid,
zoodat om Afrika's Zuidpunt eene zeer drukke scheepvaart plaats had.
Een der Portugeezen, die zich zeer beijverd had om de macht van
Portugal in de Indiën te vergrooten, en die door zijne tochten reeds
heel veel voordeelen aangebracht had, was zekere Ferdinand Del
Magelhanes, een Portugeesch Edelman uit een oud, maar arm geslacht.
Zijne diensten werden slecht beloond, en dit was ongetwijfeld wel de
oorzaak, dat hij zich tot Koning Karel van Spanje wendde, om dezen
Vorst zijne diensten aan te bieden tot het volvoeren van het plan, dat
Columbus zich reeds voorgesteld had te zullen volbrengen. Ook
Magelhanes hield zich overtuigd, dat men, het Westen inzeilende,
eindelijk in de Indiën aankomen moest. Dat de aarde den vorm eener
peer had, mocht Columbus nog beweerd hebben, reeds vóór hem leerden
velen, dat de Aarde eene bolronde gedaante had, zoodat er mogelijkheid
op bestaan moest, dat men eene reis om de Aarde deed. De groote vraag
was maar: »Is er eene zee om die reis met een schip te doen?«
Magelhanes, die uitgestrekte tochten in den Indischen Archipel gemaakt
had, was opmerkzaam geworden op den vorm der landen ten Zuiden van de
Oude Wereld. Groote schiereilanden met eene landengte zoo breed, dat
men ze moeielijk schiereilanden noemen kon, liepen werkelijk
peervormig naar het Zuiden. Dit was zoo in den Indischen Oceaan, dat
was het geval met Afrika ook. Waarom zou nu de Nieuwe Wereld, door
Columbus ontdekt, eene uitzondering maken? Voor dien vorm der landen
moest immers eene oorzaak zijn? En de oorzaak, die gold voor de Oude
Wereld, gold ook voor de Nieuwe. Bijgevolg hield Magelhanes zich
overtuigd, dat de westelijke tocht naar de Indiën tot de mogelijkheden
behoorde. Het blijkt niet, dat hij met dit plan reeds aan het
Portugeesche Hof geweest was, toen hij het Koning Karel voorstelde,
doch zeker is het, dat de Koning er dadelijk ooren naar had. De vraag
alleen was maar: »Mag die tocht gedaan worden met het oog op de
Pauselijke bullen, en zal hij, die het waagt ze te overtreden, met den
Kerkelijken ban gestraft worden?« Slechts enkelen konden die vraag in
ernst meer doen, want het was voor iedereen duidelijk, dat de deellijn
tusschen het Spaansche en Portugeesche ontdekkings-gebied, zooals die
door Paus Alexander bepaald was, eenvoudig niet kon getrokken worden,
en met het oog op diezelfde lijn, viel het Del Magelhanes niet
moeielijk om Koning Karel te bewijzen, dat de »Molukken« of
»Specerij-Eilanden« tot het ontdekkings-gebied van Spanje behoorden.
Het zou hem even gemakkelijk gevallen zijn om den Koning van Portugal
te bewijzen, dat die eilanden niet door Spanje in bezit mochten
genomen worden. Koning Karel was evenwel gerust gesteld; hij wist nu
dat hij, zonder de bul te overtreden, de Molukken bij zijn gebied
trekken kon, en benoemde Magelhanes, die met zijne korte, maar
krachtige gestalte en fier uiterlijk een' uitnemenden indruk maakte,
tot Ridder van San-Jago, tot Opperbevelhebber over de vloot, die
uitgerust zou worden, en tot Gouverneur der Molukken. Het was in 1519
toen Magelhanes met dit voorstel aan het Spaansche Hof kwam, doch
dezelfde kleingeestige tegenwerking, die Columbus ongeveer dertig jaar
geleden vond, vond Magelhanes ook. Onze moedige Ridder liet zich
evenwel niet afschrikken, en de jonge Koning, die zelf, als
vreemdeling, ook bij de echte Spanjaarden veel tegenstand ontmoette,
ondersteunde Magelhanes zóó krachtig, dat reeds in Augustus eene vloot
van vijf schepen, in alles uitmuntend uitgerust, in de haven van
San-Lucar de Barrameda, gereed lag. De inscheping werd wat vertraagd,
en zoo kwam het, dat Magelhanes pas den twintigsten September 1519 in
zee stak. Bijna zeker van de wetenschappelijke overwinning, die hij
behalen zou, had hij zijn Admiraalsschip den naam van »Victoria«
gegeven. Den twaalfden Januari 1520 bereikte men de monding van de Rio
La Plata, doch eer men daar was, had Magelhanes reeds ondervonden, dat
men hem, den vreemdeling, slechts gedwongen gehoorzaamde. Moeite doen
om zich onder het volk bemind te maken, scheen niet in het plan van
den Admiraal te liggen, want toen men hem vroeg: »Waarheen wilt gij
ons toch brengen?« gaf hij het hooghartige antwoord: »Vraagt niets!
Het is uw plicht mij te volgen. Mijne vlag zal u over dag en mijn
seinlicht bij nacht den weg wijzen.« Dat dit antwoord de trotsche
Spanjaarden krenken moest, had hij vooraf kunnen begrijpen, en er
ontstond ook algemeen gemor, dat oversloeg tot opstand. Men wilde
Magelhanes dwingen, zijn plan te laten varen, en om de Kaap de Goede
Hoop heen naar de Molukken te stevenen, en toen dit beslist geweigerd
werd, zeiden drie Kapiteins hem hunne gehoorzaamheid op. Met behulp
van zwaard en strop wist de Admiraal het oproer te dempen, doch
gedurende den strengen winter, die volgde, terwijl ze in eene baai
lagen, kostte het niet weinig kracht om het gezag te handhaven. De
baai, waar de schepen lagen, bevond zich op ruim 49° Zuiderbreedte,
dat is ongeveer op dezelfde breedte, als Parijs ten Noorden van de
Linie ligt. Het klimaat van Zuid-Amerika kan evenwel op die breedte
gerust gelijk gesteld worden met dat van Stockholm, zoodat het ons
niet bevreemdt, dat de Spanjaarden, aan milder klimaat gewoon, er
ontzettend veel koude leden en er tegen opzagen om nu nog verder het
Zuiden in te gaan. Tot hoe ver? »Vraagt niets; het is uw plicht mij te
volgen,« had Magelhanes gezegd. Tot in Augustus waren ze genoodzaakt
in die baai te blijven, en toen eerst waren ijs en sneeuw opgeruimd,
en was de weg naar het Zuiden weer vrij. Pas echter was hij op weg, of
een der schepen liep op een rif, en de bemanning had juist nog den
tijd om zich het leven te redden, doch al het overige, dat aanboord
was, verdween in de golven. Het weder werd steeds onstuimiger, en de
Admiraal was verplicht om naar de baai, waar hij overwinterd had,
terug te keeren. Opnieuw brak er oproer uit en moesten zwaard en strop
de orde herstellen. Eindelijk werd het weder gunstiger; de vaart werd
voortgezet, en den twintigsten October had Magelhanes het geluk
Amerika's Zuidpunt te bereiken. De zeeëngte, welke hem van den
Atlantischen naar den Grooten Oceaan bracht, kreeg den naam van
»Straat van Magelhanes.« Ware hij nu de kust gevolgd, dan zou hij ook
Chili en Peru ontdekt hebben. Hij deed het evenwel niet, en zond
alleen twee zijner schepen uit om de heele zeeëngte nauwkeurig te
onderzoeken. Het volk van een dezer schepen, nu buiten toezicht van
den Admiraal, sloeg tot oproer over, en dwong de Officieren om naar
Spanje terug te keeren. Met drie schepen stevende Magelhanes thans den
Oceaan in, dien hij, omdat hij op de heele verdere reis geen' hevigen
wind had, den naam van »Stillen Oceaan« gaf. Mag het vreemd genoemd
worden, dat hij in dezen Oceaan, waar evenzeer stormen heerschen, als
in elken anderen, meer dan drie en eene halve maand lang kalm weder
had, nog vreemder was het, dat hij in al dien tijd niet één der
eilanden zag waarmede deze Oceaan als bezaaid is. Alle levensbehoeften
waren reeds verbruikt, en met graagte werden de ratten en muizen
gegeten, welke men beneden in het scheepsruim ving, toen men eindelijk
den zesden Maart land ontdekte. Men was in den Archipel gekomen, waar,
tusschen de 13 en 20 graden Noorderbreedte, de groote groep eilanden
zich bevindt, welke bekend staan onder den naam van »Ladronen« of
»Dieven-eilanden«. Met gejuich werden deze eilanden begroet, en
hoopvol zette men, na een' rijken voorraad levensmiddelen aan boord
genomen te hebben, de reis voort. In het begin van April bereikte men
de »Filippijnsche Eilanden«, waar eene vrij lange rust zou genomen
worden om de schepen wat te herstellen. De natuur was er heerlijk en
de bewoners waren vrij beschaafd en vriendelijk, zoodat Magelhanes
begon met hier het Christendom te laten prediken. De Koning van het
eiland Zeboe liet zich zelfs doopen, doch de Koning van het eiland
Matan verkoos hiertoe niet over te gaan, en toen Magelhanes hem met
geweld wilde dwingen om het Christendom te omhelzen, viel de Koning
hem onverwachts aan, en doodde hem. Thans van hun' Aanvoerder beroofd,
vloden de reizigers naar hunne schepen, doch daar door honger en
ziekten, en nu door het gevecht met den Koning van Matan, hun aantal
veel te gering geworden was om drie schepen te bemannen, zoo werd één
schip in den grond geboord. De andere twee kwamen pas den derden
November op Tidori, een van de Molukken, aan. Zij vonden dat eiland
echter door de Portugeezen bezet, en dezen stonden verbaasd te kijken,
dat men uit het Oosten tot hen gekomen was. Men deed hen evenwel geen'
overlast, en stond hun zelfs toe om de »Victoria« met specerijen te
laden. Het andere schip de »Trinidad« moest daar blijven, om hersteld
te worden. Nu werd de thuisreis aangenomen, en den zesden September
1522 kwamen de eerste aardomzeilers te San-Lucar aan. Van de vloot van
vijf schepen waarmede Magelhanes uitgezeild was, waren slechts twee
schepen terug gekomen, en een van deze was reeds halverwegen den tocht
naar Spanje gezeild. De »Trinidad« bleef op Tidori, en van hare
bemanning kwamen slechts drie matrozen en een Geestelijke in Spanje
weder. Op de »Victoria« waren bij de aankomst in San-Lucar slechts
dertien Spanjaarden, zoodat van de tweehonderd veertig mannen, die
uitgezeild waren, maar zeventien de heele reis om de Aarde gedaan
hadden. Gelukkig behoorde tot die zeventien de geleerde aardrijks- en
geschiedkundige Pigafetta, die dezen merkwaardigen tocht beschreef en
daardoor aan de wetenschap een' buitengewoon grooten dienst bewees.



HOOFDSTUK XI.

CORTEZ IN MEJICO.


Met groote schatten aan goud was Don Juan De Gryalva te San-Jago op
Cuba teruggekeerd, doch toen hij verslag deed van de landen en volken,
die hij ontdekt had, was Velasquez zeer ontevreden, dat De Gryalva de
gelegenheid niet waargenomen had om in die landen eene Kolonie aan te
leggen, en inplaats van dank voor de schatten, die hij medebracht,
ontving hij eene strenge berisping. Dat zijne tochtgenooten vol waren
over hetgeen ze gezien hadden en de gewoonte van vele reizigers
volgden om waarheid en verdichting met elkander te vermengen, is iets,
dat vanzelf spreekt. Men was op Cuba niet uitgesproken over
»Nieuw-Spanje«, en van alle kanten ontwaakte een streven om dat land
voor de Spaansche Kroon te veroveren. Don Velasquez zag echter wel in,
dat hier bedaard en met veel overleg diende gehandeld te worden, wilde
men niet alles, wat men nu in de Nieuwe Wereld aan de Spaansche Kroon
gebracht had, verloren zien gaan. Het gold hier geene in bezitneming
van kuststreken met eene kinderlijk eenvoudige en onbeschaafde
bevolking, maar van een groot en beschaafd volk, dat tegenover de
Europeesche wapenen eene goed georganiseerde overmacht stellen kon,
waartegen diezelfde Europeesche wapenen niet opgewassen waren. Hij,
die zich aan het hoofd der onderneming stelde, moest dus iemand zijn,
die dapperheid aan beleid, en moed aan list wist te paren. Hij moest
iemand zijn in de volle kracht van het leven, gehard tegen alle
ongemakken, en tevens gezien en geëerd bij al zijne volgelingen.
Wonder genoeg, zichzelven achtte hij niet voor die groote taak
berekend, en ten slotte wist hij niemand, die beter aan al de gestelde
eischen beantwoordde, dan Hernando Cortez.

[Illustratie: HERNANDO CORTEZ. (Geb. 1485, overl. 1547.)]

Deze Hernando of Ferdinando Cortez werd in 1485 geboren te Medellin in
Estramadura, uit een oud en aanzienlijk geslacht. Aanvankelijk
studeerde hij aan de beroemde Hoogeschool te Salamanca in de rechten,
doch zijn vurige en ridderlijke geest kon in den deftigen tabbaard der
Rechtsgeleerden geen behagen vinden; hij haakte naar zwaard en schild.
Hij trad derhalve in den krijgsdienst, en na een paar jaren in Spanje
zich geoefend te hebben in alles, wat een krijgsman weten moest,
vertrok hij naar Hispaniola, om aan Ovando zijne diensten aan te
bieden. Op Hispaniola heerschte evenwel rust, en zoo kwam het, dat
onze naar krijgsroem dorstende Edelman van 1504 tot 1511 een eerzaam
planter was. Toen echter Velasquez naar Cuba overstak om dat eiland te
veroveren, sloot Cortez zich bij hem aan, en toonde weldra hoe goed
hij hier op zijne plaats was. Met welke onderneming hij belast werd,
steeds had hij het geluk te slagen, zoodat Velasquez hem benoemde tot
zijn' Secretaris, want de pen en het zwaard waren hem beide even goed
toevertrouwd. Cortez was bovendien, èn door zijn fier voorkomen, èn
door zijn vroolijk en geestig karakter, bij allen, niet het minst bij
de Donna's, gezien, en weldra was hij dan ook verloofd met de schoone
Catalina, eene bloedverwante van eene vriendin van Velasquez. Cortez
was echter als eene bij, die van de eene bloem naar de andere vliegt,
en hoe schoon Catalina ook wezen mocht, hij had geene begeerte om haar
alleen te behooren. De trouwbelofte werd dus verbroken, en Velasquez
nam de partij der beleedigde vriendin op. Hij ontsloeg Cortez als
Secretaris en begon hem het leven onaangenaam te maken. Dat was Cortez
natuurlijk niet naar den zin, en hij smeedde eene samenzwering tegen
het gezag van Velasquez. De samenzwering werd tijdig ontdekt en Cortez
terdood veroordeeld. Toen Cortez evenwel geboeid in de gevangenis zat,
om na eenige dagen, als een gemeene misdadiger zijn leven aan de galg
te eindigen, wist hij te ontvluchten. Hij werd echter spoedig gevat en
opnieuw gevangen gezet. Toch wist hij andermaal te ontsnappen, en zijn
leven te redden door Velasquez te melden, dat hij bereid was, de
schoone Donna Catalina te huwen. Velasquez nam hiermede vrede, en gaf
het jonge paar eene uitgestrekte landstreek, als huwelijksgave.
Andermaal was de man, die naar krijgsroem dorstte, dus een eerzaam
planter, en wel zulk een, die wist hoe men rijk worden kon. Toch zag
hij begeerig naar alle kanten uit om als krijgsman op te treden, en
toen hij van Nieuw-Spanje hoorde, wist hij een paar zijner vrienden
over te halen, hem heel voorzichtig en langs bedekte wegen bij
Velasquez aan te bevelen, als de eenige man, die meer dan iemand
geschikt was om deze landstreek te veroveren. Meende Velasquez dus dat
hijzelf en niemand anders Cortez tot die gewichtige taak riep, dan
vergiste hij zich. Zoodra Cortez de opdracht ontvangen had, sloeg hij
de handen aan het werk, en wel met zulk een' ijver, dat het de
achterdocht van Velasquez opwekte. Niet alleen offerde hij zijn
verbazend groot vermogen, verworven uit de goudmijnen van zijn
huwelijksgoed, op, maar hij verpandde zelfs al zijne bezittingen, en
kwam daardoor aan het hoofd van eene uitrusting, waarmede hij
gemakkelijk geheel Cuba onderwerpen kon aan zijn gezag. Toen de
prachtige vloot op de reede van San-Jago gereed lag om, na het innemen
van levensvoorraad, uit te zeilen, vernam Cortez, dat Velasquez hem
ten slotte verbieden zou om te vertrekken. Dit wilde Cortez voorkomen,
en zonder er kennis van te geven liet hij zijne vloot zee kiezen, en
wel midden in den nacht. Vooraf echter had hij bij al de slagers den
geheelen voorraad van vleesch, dien ze hadden, met geweld afgekocht.
De slagers spoedden zich nu naar het paleis van Velasquez en deelden
hem mede, wat er gebeurd was. Velasquez liet terstond alarm slaan en
rende aan het hoofd der zijnen naar den mond der baai, waaraan
San-Jago gelegen is. Toen Cortez hem bij het licht van den
aanbrekenden dageraad zag, ging hij in eene welgewapende sloep en liet
zich dicht onder den wal roeien om zoogenaamd te vragen, of er wat
bijzonders aan de hand was. Velasquez zeide, dat hij het vreemd vond,
dat Cortez, zonder van iemand afscheid te nemen, vertrokken was, en
dat hij alleen daarom zich hier bevond, waarop Cortez ten antwoord
gaf, dat de zaak voortgang eischte, en dat hij derhalve vertrokken
was. Hiermede was het onderhoud geëindigd, en spoedig was de vloot,
maar half uitgerust, uit het gezicht. Eer Cortez het eiland Cuba voor
goed verliet, wist hij evenwel op vele kustplaatsen nog aanzienlijke
hoeveelheden levensmiddelen aan boord te nemen, zoodat de driehonderd
mannen, die onder zijne bevelen stonden, geen gevaar liepen honger te
zullen moeten lijden. Het mag vreemd schijnen, dat ik in een boek, dat
uitteraard zeer beknopt moet zijn, tot zulke kleinigheden afdaal, maar
het vervolg van Cortez' geschiedenis zal niemand nu doen vragen, wat
toch de reden was, dat Cortez in Velasquez zulk een vijandig
tegenstander vond. Eene der laatste plaatsen, die Cortez op Cuba
aandeed, was Trinidad, waar Don Verdugo bevel voerde, en deze had door
een' ijlbode van Velasquez in last gekregen om Cortez gevangen te
nemen en naar San-Jago te zenden. Verdugo zag evenwel geene kans om
dat te doen, en liet den ijlbode naar Havana vertrekken om daar den
last van den Stadhouder aan den Gouverneur Don Pedro Barba over te
brengen. Cortez wist ook deze te verschalken, en zoo kwam het, dat hij
ten slotte Cuba geheel verliet, en aan het hoofd stond van elf schepen
met honderdtweeënzestig matrozen bemand. Zijn landingsleger bestond
uit vijfhonderd en acht soldaten, waarvan er dertien met musketten en
tweeëndertig met armborsten gewapend waren. De overigen hadden
zwaarden en lansen. Verder had hij nog veertien kleine kanonnen en
zestien paarden, en daar in deze landen het dragen van zware
wapenrustingen hinderlijk was, zoo waren allen voorzien van katoenen
harnassen met watten gevoerd, sterk genoeg om pijlschoten te weren.
Naar het aantal zijner schepen had hij zijn legertje in elf
afdeelingen gesplitst, en elke afdeeling kreeg een vaandel met een
Kruis, waaronder stond: »In hoc signo vinces«, wat zeggen wil: »In dit
teeken zult gij overwinnen.« Hij gaf dus, geheel in den geest van
zijn' tijd, aan zijn' veroveringstocht het karakter van een'
geloofskrijg, en als een bewijs, dat het hem hiermede ernst was, had
hij ook gezorgd twee Geestelijken in zijn gevolg mede te nemen. Als
loods had hij een' zekeren Antonio Alaminos, die reeds driemaal in
deze streken geweest was. Op het eiland Cozumel kreeg hij nog een'
Geestelijke aan boord, die acht jaren lang onder de inboorlingen
verkeerd had, en niet alleen ingewijd was in de taal van het volk,
maar ook in hunne wijze van oorlog voeren. Om zijn leven te behouden,
had deze Geestelijke zelfs als krijgsman onder de inboorlingen
gediend. Cortez zeilde daarop het geheele schier-eiland Yucatan om,
liep de rivier de Tabasco op en nam de stad van dien naam in. De
inwoners onderwierpen zich, en beloofden Cortez om aan den Koning van
Spanje schatting te zullen betalen. Reeds dadelijk begonnen ze
hiermede door goud en slavinnen te leveren. Tot deze slavinnen
behoorde eene Prinses, die de bewoners van Tabasco bij een' oorlog in
de binnenlanden gevangengenomen hadden. Zij heette Marina, en was niet
alleen jong, maar zóó schoon, dat Cortez, toen hij haar zag, terstond
dacht aan Anacaona, wier schoonheid op Hispaniola spreekwoordelijk
was. De vereerder van het schoone geslacht gevoelde zich tot haar, die
zoo schoon en lieftallig was, buitengewoon aangetrokken, en nog meer
wenschte hij haar steeds in zijne nabijheid te hebben toen hij
ontdekte, dat ze eene zeer beschaafde en verstandige vrouw was, die de
taal der inboorlingen van Nieuw-Spanje sprak, en daarenboven volkomen
op de hoogte van de zeden en gewoonten was. Deze Marina was in vele
opzichten menigmaal Cortez' goede geest. Zij nam gaarne het
Christendom aan, en daar Cortez wel oppaste om haar te zeggen, dat hij
gehuwd was, en dat de Christelijke leer hem verbood eene vrouw buiten
wettig huwelijk te hebben, zoo leefde ze met hem als eene gade, die
haar echtgenoot grenzenloos liefhad en onbezweken trouw was. Na te
Tabasco enkele inboorlingen overgehaald te hebben om zich te laten
doopen, trok hij verder en kwam op Witten Donderdag bij een eiland,
dat hij den naam van »San-Juan De Ulloa« gaf. Hij wierp hier de ankers
uit, en kreeg al aanstonds bezoek van de inwoners der stad, die in de
onmiddellijke nabijheid op het vasteland lag. De Geestelijke Aquilar,
dien hij op Cozumel aan boord genomen had, kon de menschen niet
verstaan, doch thans trad Marina als tolk op. Zij zeide in eene taal,
die Aquilar verstond, wat de inboorlingen spraken, en Aquilar
vertolkte dat alweer in het Spaansch. Deze gebrekkige manier van zich
met het volk te onderhouden was maar van korten duur. De begeerte om
te kunnen spreken met hem, dien ze zoo oprecht en innig liefhad, deed
Marina in korten tijd de Spaansche taal zoo goed leeren, dat zij haar
sprak, alsof ze hare opvoeding in Andalusië ontvangen had.--Uit
hetgeen Cortez verteld werd, kwam hij te weten, dat De Gryalva vroeger
hier al geweest was, dat het land »Mejico« genoemd en geregeerd werd
door een' Vorst, dien ze een' titel gaven, welke eenige overeenkomst
had met dien van Keizer, en dat hij Montezuma heette. Onbekendheid met
het schrift en de taal van dat volk mag wel oorzaak zijn, dat de naam
van dezen Vorst zoo verschillend geschreven wordt, en dat we
Montezuma, Moctheuzema, Muteczama, Motezuina en Montecuhcuma naast
elkander zien staan, als namen voor een' en denzelfden persoon. Den
eenentwintigsten April, juist op Goeden Vrijdag, landde Cortez, en na
het hooge feest met de zijnen aan den wal plechtig gevierd te hebben,
begon hij terstond met het inrichten van de legerplaats, die een
versterkt fort en daarna eene stad moest worden. Daar de stichting er
van op Goeden Vrijdag begonnen was, kreeg ze den naam van »Villa Rica
de Vera Cruz,« wat »Rijke stad van het Ware Kruis« beteekent. Terwijl
men zoo aan het werk was, kwamen twee Kaziken, die aan Montezuma
onderworpen waren en Pilpatoe en Teutile heetten, met schatten beladen
bij Cortez. Zij boden hem alles, wat ze bij zich hadden,
vriendschappelijk ten geschenke aan, doch vroegen hem meteen, wat hij
met dat bouwen toch van plan was. Cortez zeide dat hij hier voor den
Koning van Spanje eene stad wilde stichten, doch Pilpatoe en Teutile
meenden, dat men dit eerst wel eens aan Keizer Montezuma diende te
vragen. Zij stuurden daarom boden met brieven naar den Keizer en
eenige dagen later kwamen die boden met een Gezantschap terug. Waren
de schatten, die de beide Kaziken gebracht hadden, reeds onnoemelijk
groot, ze verzonken in het niet bij hetgeen de Gezanten brachten, als
een geschenk van den Keizer aan zijne blanke vrienden. Er was evenwel
een bevel bij dat ze terstond moesten vertrekken, en deden ze dat
niet, dan zouden ze aan de Goden geofferd worden. Dit »aan de Goden
geofferd worden« was eene parlementaire uitdrukking voor »opgegeten
worden.«

[Illustratie: MONTEZUMA, Alleenheerscher van Mejico. (Overl. 30 Juni
1520.)]

Eer we verder gaan, dienen we eerst eens in vluchtige trekken den
toestand van Mejico te schetsen, zooals die was ten tijde, dat Cortez
er landde. Misschien hebben sommige lezers ook reeds vreemd opgekeken,
waar ze van »brieven« hoorden spreken en denken ze dat hier eene
vergissing plaats greep, of dat er met »brieven« heel wat anders
bedoeld werd. Hooren ze nu dat hier wel degelijk sprake is van echte
brieven, dan moet de vraag wel rijzen: »Maar welk land was dat Mejico
dan toch, dat men er zelfs van brieven sprak?«

Wat Pizarro later in Peru vond, dat vond Cortez in Mejico: een volk
met eene hooge en fijne beschaving, die evenwel geheel onafhankelijk
van de Europeesche, en in den loop der eeuwen zelfstandig ontstaan
was. Ze bewoonden, we zagen dit reeds elders, steenen huizen en
droegen prachtig geweven katoenen kleederen, die met kleuren en goud
rijk versierd waren. De geschiedenis van het land was beschreven in
teekens, die veel overeenkomst hadden met de Egyptische hiëroglyphen,
en met deze teekens voerden ze ook onder elkander briefwisseling,
zoodat er zelfs een vrij goed ingericht postwezen was. Door het heele
rijk heen vond men op bepaalde afstanden huizen, die bewoond werden
door ijlboden of hardloopers. De eene hardlooper bracht de brieven bij
den anderen, en zoo kwamen ze in handen van hen, aan wie ze gericht
waren, en dat wel in een' onbegrijpelijk korten tijd, want menige
hardlooper kon een rennend paard bijhouden. Volgens de weinige
historische oorkonden, die onder de Spaansche overheersching niet
vernietigd werden, moeten, omstreeks de zevende eeuw van onze
jaartelling, beschaafde Indianen, Tolteken geheeten, uit het
Noordwesten in deze streken gekomen zijn en daar de stad Tecla
gesticht hebben.--De bouwvallen, die men van deze stad, die ook wel
Tollan of Toela genoemd wordt, gevonden heeft, bewijzen op welk een'
hoogen trap van beschaving dit volk stond. Later, wellicht in de
twaalfde eeuw, kwamen de Azteken, die hunne eigen beschaving aanvulden
met die der overgebleven Tolteken en stichtten het machtige rijk,
zooals Cortez dat vond. De Vorst van het land, die uit de
afstammelingen van de oude, Koninklijke familie gekozen werd door vier
der aanzienlijkste Edelen, voerde de heerschappij met bijna onbeperkte
macht. Eer hij evenwel als Vorst erkend was, moest hij een' veldtocht
doen en slechts dan, wanneer hij als overwinnaar terugkeerde, werd hij
door den Vorst van Tezcuco tot Alleenheerscher gekroond. Die kroon was
eene bonte muts of hoofdband, versierd met prachtige vederen en een
schat van parelen, edelgesteenten en het fijnste goud. De Vorst
bewoonde een verbazend groot en prachtig paleis, dat zich bevond in de
hoofdstad van het land, welke stad gelegen was midden in een meer en
door de Azteken »Tenochtitlan« genoemd werd. Kunstige dammen en
bruggen, welke gemakkelijk konden weggenomen worden om den toegang tot
de stad voor vijandelijke stammen af te sluiten, verbonden de
residentie met den vasten wal, terwijl tal van sierlijke kano's het
uitgestrekte meer in allerlei richtingen bevoeren. De oevers en de
naaste omstreken van het meer waren schilderachtig mooi, en geen
's-Gravenhage, Utrecht of Arnhem bezit schooner villa's en
buitenplaatsen dan het »Meer van Tenochtitlan« bezat. Eene ongekende
welvaart heerschte in het geheele land, waar handel, nijverheid en
landbouw bloeiden. In de bewerking der metalen hadden de Azteken eene
ongekende hoogte bereikt, en zelfs verstonden ze de kunst om uit een
mengsel van koper en tin gereedschappen en wapenen te maken, welke in
hardheid voor de stalen niet veel onderdeden. Was de regeering van den
Vorst des lands bijna onbeperkt, toch werd ze gevoerd naar geschreven
wetten, doch deze werden door hemzelf gemaakt met behulp der
aanzienlijkste Edelen, die hij, door hun leengoederen te schenken, aan
zijn' dienst verbond. De Azteken zelven, deden weinig werk, doch ze
lieten het verrichten door slaven, en het gevolg hiervan was, dat de
slavenhandel in dit rijk op groote schaal gedreven werd. Hun
godsdienst was de heidensche en ging gepaard met menschenoffers. Een
talrijke Priesterstand zorgde, dat de dienst voor de dertien
Hoofdgoden en tweehonderd en tien Ondergoden behoorlijk verricht werd,
en wat zeer merkwaardig was, ja, bijna een raadsel mag genoemd worden,
de Azteken verbonden aan hun' godsdienst niet alleen doop, biecht en
vasten, maar ze gebruikten zelfs het kruisteeken, en het kloosterleven
was er met vaste instellingen aan verbonden. Vanwaar dat alles toch?
Ondenkbaar is het aan te nemen, dat men hier met eene toevallige
overeenkomst te doen heeft. De Tolteken of Azteken moeten op eene of
andere wijze reeds eeuwen vroeger met Christenen in aanraking gekomen
zijn, en wanneer we deze Christelijke instellingen voegen bij hunne
hiëroglyphen, dan zouden we bijna geneigd zijn om aan te nemen, dat
Koptische Christenen de grondvesters zijn geweest van de oude,
Mejicaansche beschaving, en onwillekeurig denken we daarbij aan het
fabelachtige rijk van den raadselachtigen »Aartspriester Johannes,«
van wien we reeds vroeger spraken. Intusschen week de godsdienst toch
ook alweer zeer ver van den Christelijken af door de menschenoffers,
die vooral aan den Hoofdgod Huitzilopotchli, den God des oorlogs,
gebracht werden. Uit de bewaarde oorkonden bleek het, dat men in 1486,
bij gelegenheid van de inwijding van een' nieuwen tempel voor den
eeredienst aan den Krijgsgod bestemd, niet minder dan zeventigduizend
krijgsgevangenen offerde. Die offers werden ook gegeten, doch wie nu
denkt aan een' Kannibalen-maaltijd, waar het vleesch verslonden wordt,
vergist zich. De beschaving had hier koks en keukenmeesters, die het
menschenvleesch met allerlei kruiden en vruchtensappen, als een
gerecht vol afwisseling, lieten ronddienen op den rijk versierden
feestdisch. Het gevolg van deze menschenoffers en afschuwelijke
feestmaaltijden was, dat de Azteken een volk waren, dat weinig vatbaar
was voor edele aandoeningen.

De schatten, die de Afgezanten van Montezuma bij Cortez brachten,
hadden echter eene heel andere uitwerking dan Montezuma gehoopt had.
Hij meende dat dit goud en die edelgesteenten de »bleeke zonen van den
God der lucht,« zooals hij hen met al de Azteken noemde, zóó blij zou
maken, dat ze als kinderen, die wat moois gekregen hadden, terstond
naar huis loopen zouden, om daar vol vreugde te laten kijken welke
schatten ze hadden ontvangen. Het gezicht van dat goud en die
edelgesteenten wekte echter den lust op om de stad en het volk te
zien, welke zulke schatten bezaten. Enkelen onder de Spanjaarden waren
er evenwel, die al dat schoons en al dien rijkdom ook wel zouden
willen zien, doch die zich vrees lieten aanjagen door de bedreiging,
dat ze »aan de Goden zouden geofferd«, dus, opgegeten worden. Anderen
nog, die het er wel op durfden wagen, vroegen zich af, of ze zich niet
blootstelden aan gevangenis of galg, wanneer ze Cortez bleven
gehoorzamen. Immers, duidelijk was het gebleken, dat de Gouverneur
Velasquez niet wilde hebben, dat Cortez zich aan het hoofd van den
veroveringstocht stelde, en zoo zij hem nu bleven gehoorzamen, dan kon
Velasquez hen als rebellen beschouwen en als zoodanig behandelen.
Cortez zag dat zeer goed in en hij begreep ook wel, dat men hem bij
den minsten tegenspoed de gehoorzaamheid ontzeggen zou en dat hij dan
het recht niet had om gehoorzaamheid te _eischen_. Hij was evenwel de
man er niet naar om moedeloos het hoofd te laten hangen, en gelukkig
voor hem gebeurde er wat, dat hem licht gaf. Terwijl hij nog bezig was
met het bouwen van »Vera Cruz« kwam tot hem een Gezantschap van vijf
Indianen, die blijkbaar tot een' anderen stam behoorden dan de
Azteken. Ze zeiden dat ze Totonaken waren en in de bergen woonden,
doch door Montezuma onderworpen waren en nu schandelijk verdrukt
werden, waarom ze Cortez kwamen vragen hen te helpen, waar ze dit
dwangjuk wilden afschudden. Verder kwam hij te weten, dat de
tegenwoordige Keizer eigenlijk voor een groot deel zijner onderdanen
een vreemdeling en bij velen in minachting was. Thans was het voor
Cortez zaak, hiervan partij te trekken en hij deed dat op eene wijze,
welke den naam van eerlijk niet verdient. Zoodra Montezuma hoorde, dat
de Totonaken in Cortez' legerkamp waren en een verbond met hem
gesloten hadden, zond hij eenige Edelen naar Vera Cruz met de
boodschap aan de Afgezanten der Totonaken: »Gij hebt zonder mijne
voorkennis een verbond met de vreemdelingen gesloten en moet mij nu
tot straf twintig van uwe jonge mannen en vrouwen zenden om aan de
Goden geofferd te worden.« Reeds wilden de verschrikte Indianen
toegeven, toen Cortez de Edelen der Azteken liet boeien en in de
gevangenis werpen. Na deze daad konden de Totonaken niet meer
terugtreden; ze hadden zich bij Montezuma onmogelijk gemaakt. Des
nachts evenwel bevrijdde hij twee der Edelen en liet ze in stilte met
vriendelijke groeten aan den Keizer vertrekken. Toen den anderen dag
de Totonaken hoorden, dat twee Azteken ontkomen waren, wilden ze de
anderen dooden. Cortez sprong evenwel voor hen in de bres en liet ook
dezen in vrijheid naar Tenochtitlan vertrekken. Door deze sluwe
handelwijze had hij het den Totonaken geheel onmogelijk gemaakt om hem
te verlaten, terwijl hij aan den anderen kant Montezuma te vriend
hield. In troebel water meende Cortez het best te kunnen visschen.
Eindelijk was Vera Cruz in zooverre voltooid dat het, met eene
voldoende bezetting, weerstand kon bieden aan een' aanval, en thans
besloot Cortez zijn' laatsten slag te slaan. Vóór hij zijne plannen nu
verder doorzette, moest hij een wettig gezag hebben. Dit zou hij
verkrijgen als zijne tochtgenooten zelven hem tot Aanvoerder kozen.
Ontstond er dàn verdeeldheid, dan had hij het recht om te zeggen: »Gij
zelf hebt mij tot uw' Bevelhebber gekozen, bijgevolg kan ik van u
eischen, dat ge mij gehoorzaamt.« Hij stelde nu een' Raad over Vera
Cruz aan, en den schijn aannemende, dat hij naar Cuba wilde
terugkeeren, omdat zijn gezag onwettig was, legde hij zijne
waardigheid neder. Nu gebeurde echter, wat hij voorzien had, dat
gebeuren zou, en met bijna algemeene stemmen verklaarden de
Spanjaarden, dat zij hem tot hun' Bevelhebber uitriepen en niemand
anders begeerden. Zóó door het volk zelf in zijn gezag bevestigd,
besloot Cortez naar Tenochtitlan te trekken en daar Montezuma het
bezoek te brengen, hetwelk deze beslist geweigerd had te ontvangen.
Vooraf echter zond hij twee schepen met eene buitengewoon rijke lading
aan goud, edelgesteenten en kostbaarheden rechtstreeks naar Spanje, in
de hoop dat Koning Karel hem dan in zijn gezag bevestigen zou. Na dit
alles gedaan te hebben, aanvaardde hij, in het volste vertrouwen dat
alles hem gelukken zou, den tocht naar de wonderstad, waarvan men hem
reeds zooveel verhaald had. Waar hij kon, daar sloot hij met de
leenroerige Kaziken een verbond van vriendschap en meteen trachtte hij
hen voor het Christendom te winnen. Dit nu deed hij in zijn' ijver
niet altijd met de noodige bezadigdheid, en zelfs zou hij er, door
onbekendheid met de taal der Totonaken, eenmaal het leven bij
ingeschoten hebben, als men hem niet tijdig gewaarschuwd had. Toch
liet Cortez de afgodsbeelden vernietigen en toen de Totonaken zagen,
dat de Goden die heiligschennis niet wreekten, gingen velen hunner
vrijwillig tot het Christendom over. Op eenmaal echter vernam hij, dat
er ook onder de aanhangers van Velasquez eene samenzwering gesmeed was
en dat dezen met een der schepen naar Cuba wilden terugkeeren. De
Aanvoerders van die samenzwering liet Cortez terdood brengen en de
overigen geeselen, en om te voorkomen, dat men op den een' of anderen
dag toch niet met een schip naar Cuba ontvluchten zou, liet hij, na
eerst alles, wat van de schepen gehaald kon worden, aan den wal
gebracht te hebben, zijne heele vloot vernielen, onder voorwendsel,
dat al de schepen zóó door den zeeworm gehavend waren, dat ze niet
langer konden gebruikt worden. Lezen we later van onzen Prins Maurits,
die op het strand van Nieuwpoort de schepen wegzond, en aan zijn volk
de keus gaf om te overwinnen of de zee ledig te drinken, dan zien we
hier, dat Salomo's gezegde: »Er is niets nieuws onder de zon« al weer
door Cortez bevestigd werd. Eén, slechts één der kleinste schepen,
liet hij ongeschonden, doch toen hij verklaarde, dat dit toch nog te
groot was voor de enkele lafaards, die hem niet durfden volgen, was er
niet één, die er gebruik van wilde maken om naar Cuba terug te keeren,
en vol geestdrift aanvaardde men den avontuurlijken tocht.

Ongetwijfeld was Montezuma een zeer machtig Vorst, maar hoe machtig
ook, den vrijstaat Tlascala had hij niet tot onderwerping kunnen
brengen. De Tlascalanen waren een moedig en dapper bergvolk, dat
Cortez op zijn' tocht naar de hoofdstad des rijks niet misloopen kon.
Hij hoopte evenwel, dat hij met hen ook wel een soort van verbond zou
kunnen sluiten, zooals hij met de Totonaken gesloten had, en daar hij
op zijn' moeielijken weg, over bergen en door dalen, van alle Kaziken
de vriendelijkste hulp ontvangen had, zoo twijfelde hij er niet aan,
of de Tlascalanen zouden zich met hem vereenigen, als ze maar wisten
dat de »Zonen van den God der lucht« gekomen waren om hunne
erfvijanden, de Azteken, van wie ze overigens in godsdienst,
beschaving, zeden en gewoonten niet te onderscheiden waren, te helpen
bestrijden. De gesloten verbonden met de Kaziken, die met Montezuma
bevriend waren, klopten echter niet met het voorstel, dat Cortez door
zijne Afgezanten den Tlascalanen liet doen om de Azteken te
bestrijden, en het gevolg was, dat in den Raad der Tlascalanen
besloten werd, de vreemdelingen als vijanden te beschouwen. Cortez'
heele leger bedroeg niet meer dan vierhonderd Spaansche voetknechten,
vijftien ruiters en dertienhonderd Indiaansche krijgslieden. Verder
had hij enkele musketten en zeven kleine kanonnen, doch over deze
geringe macht had hij nog niet eens geheel op het slagveld te
beschikken, omdat er altijd nog een deel overblijven moest om de
bagage te bewaken. Toch trok Cortez moedig voorwaarts en versloeg tot
tweemalen, vooral met behulp zijner kanonnen, den overmachtigen
vijand. Op eenmaal echter stond hij in eene vlakte tegenover een leger
van vijftigduizend Tlascalanen, die blaakten van krijgsmoed en
hunkerden om de vreemdelingen aan te vallen. De kans stond hachelijk,
want met den moed der wanhoop liepen de dappere verdedigers van hun
vaderland tegen het vuur der kanonnen in, en lieten zich bij honderden
tegelijk doodschieten. Reeds stond het kleine hoopje Spanjaarden
gereed om op de vlucht te slaan, toen Cortez op dat gevaarlijke
oogenblik met het zwaard in de vuist, onder het geroep van »Santiago!
Santiago!« en gevolgd door de veertien andere ruiters, moedig op den
vooruitdringenden vijand toesnelde. Wat de kanonnen niet hadden kunnen
doen, dat deden de ruiters. Vol schrik en ontzetting gingen de
Tlascalanen nu op de vlucht, achtervolgd door al de Spanjaarden.
Verschrikkelijk was de nederlaag, die de Tlascalanen leden en
onvoorwaardelijk onderwierpen de overgeblevenen zich thans. Cortez
aarzelde geen oogenblik om die onderwerping aan te nemen, en inplaats
van zich te wreken, behandelde hij hen vriendschappelijk en prees hun'
weergaloozen moed. Deze handelwijze van Cortez deed hem de trouw en
genegenheid van het dappere bergvolk verwerven, en onder het gejuich
der menigte werd hij in de hoofdstad van den Vrijstaat ontvangen. Bij
de eerste pogingen, die hij aanwendde om zijne nieuwe vrienden tot het
Christendom te bekeeren, bemerkte hij echter, dat hij gevaar liep
hierdoor hunne genegenheid te verliezen, waarom hij dan ook de zaak
der bekeering rusten liet.

[Illustratie: Cortez met zijne ruiterij in den slag tegen de
Tlascalanen.]

Toen nu Montezuma zag, dat het kleine hoopje vreemdelingen een volk
overwinnen kon, dat hij niet ten onder had kunnen brengen, hield hij
op met Cortez nog langer te verbieden om in de hoofdstad te komen. Hij
ging zelfs verder en zond Gezanten om hem uit te noodigen wél te
komen, doch dan zijn' weg te nemen over Cholula. De Tlascalanen, die
Montezuma kenden, gaven Cortez den raad om den Keizer niet te
vertrouwen en niet over Cholula te gaan, doch hij hoorde er niet naar,
en zijn geleide van zesduizend Tlascalanen bevolen hebbende achter te
blijven, deed hij zijn' intocht in Cholula, dat feestelijk versierd
was en slechts inwoners scheen te bevatten, die hem met oprecht
gemeend gejuich begroetten. De schoone Marina evenwel waakte met
Argusoogen voor haar' beminden vriend, en door zich te houden, alsof
ze door de Spanjaarden mishandeld werd, won ze het vertrouwen van de
vrouw van een' Kazike van Cholula en kwam er achter, dat men bij een
groot offerfeest de argelooze Spanjaarden overvallen en dooden zou.
Zoodra Cortez met dit plan in kennis gesteld was, viel het hem niet
moeielijk het in zijn voordeel aan te wenden. Hij bracht zijn volk op
de hoogte der zaak en deelde toen op een bezoek, dat eenige voorname
ingezetenen hem brachten, zijn voornemen mede om den volgenden dag te
vertrekken, en vriendelijk vroeg hij of men wel zoo goed wilde zijn om
hem tweeduizend mannen te geven, die zijne bagage naar Tenochtitlan
wilden dragen. Omdat dit voorstel zoo geheel in hun plan greep,
beloofden ze gaarne om hem die lastdragers te bezorgen, en vol
vertrouwen, dat men den volgenden dag vierhonderd vreemdelingen aan
den Krijgsgod zou kunnen offeren, gingen de Cholulanen ter ruste.

Nauwelijks was de dag aangebroken of de Kaziken kwamen, zonder eenig
kwaad vermoeden, op het ruime plein waarop Cortez zich met de zijnen,
gereed om te vertrekken, opgesteld had. De duizenden, die zich
voorgenomen hadden om de gehate vreemdelingen aan te vallen, als zij
zich op marsch begaven, stonden in dicht opeengepakte hoopen in de
nabijheid. Toen trad Cortez vooruit, en de Kaziken aanziende, verweet
hij hun het laaghartige plan, dat ze hadden willen volvoeren. De
Kaziken stonden verslagen en één hunner riep uit: »Hij is als één van
onze Goden; voor hem is niets verborgen.«

Thans vroeg Cortez hun waarom zij zulk een plan gesmeed hadden, en
eerlijk bekenden ze, dat Montezuma hun bevolen had zoo te handelen,
omdat hij de Spanjaarden liever niet in zijne hoofdstad ontvangen
wilde. Cortez nu genoeg wetend, nam een musket en schoot het af. Het
was het afgesproken sein, en op hetzelfde oogenblik braakten de
kanonnen, in batterij opgesteld, dood en verderf uit te midden der
opeengepakte Cholulanen. De musketiers volgden het voorbeeld en daarna
vielen al de Spanjaarden op de menigte aan. Het was geen strijd meer;
het werd eene algemeene slachting. De achtergebleven Tlascalanen, van
alles onderricht, snelden mede toe en in een' ontzettend korten tijd
was Cholula's val beslist en lagen duizenden bij duizenden gedood op
pleinen en straten. Eene week lang bleef Cortez in de uitgemoorde stad
om haar te plunderen en trok toen, overladen met schatten, naar
Mejico. Telkens kwamen er nu Afgezanten van Montezuma om Cortez te
bevelen terug te keeren, doch toen deze hiernaar niet luisterde,
verschenen er andere Afgezanten om hem schatten aan te bieden, als hij
deze streken verliet. Hoe meer de Spanjaarden de hoofdstad naderden,
hoe grooter de voordeelen werden, welke Montezuma hun aanbood, als ze
maar niet naar de hoofdstad kwamen. Zelfs de minste trosdrager onder
de Spanjaarden begreep, dat alleen vrees de Azteken en hun Keizer zoo
deed handelen, en toen Montezuma inzag, dat het gevaar niet te keeren
was, besloot hij de Spanjaarden te ontvangen, alsof hij hen tot het
houden van een' triomftocht binnen Tenochtitlan uitgenoodigd had. Het
was te laat. De beschaafde Vorst der Azteken mocht slim en geslepen
zijn, tegen Cortez was hij niet opgewassen. Den achtsten November 1519
bereikte Cortez met zijne dappere schaar avonturiers eene hoogte bij
het Meer van Tenochtitlan. Onbeschrijfelijk was de indruk, dien dit
meer met de machtige stad in het midden er van op de Spanjaarden
maakte. Het is historisch zeker, dat Tenochtitlan toen meer dan
zestigduizend huizen, paleizen en tempels telde. Duizenden inwoners
verdrongen zich op de dammen of voeren in kano's op het meer om de
verschrikkelijke mannen met baarden te zien, en onder de Spanjaarden
was er op dat oogenblik niet één, die er aan dacht om den man, die hen
tot hier gebracht had, ontrouw te worden.

Een schitterende stoet Edelen der Azteken kwam Cortez en de zijnen
namens Montezuma begroeten, doch toen de Spanjaarden over eene
ophaalbrug de stad binnentraden, sloeg velen de vrees om het hart, dat
ze hier in de val liepen. Lang tijd om er over na te denken hadden ze
echter niet, want, gezeten in een' gouden draagstoel, getooid met al
de versierselen zijner Keizerlijke waardigheid en omringd door al de
Edelen van zijn Hof, op het prachtigst uitgedost, kwam Montezuma hen
te gemoet en heette »Malinche,«--met dien naam sprak hij Cortez
aan,--en al zijne »Zonen van den God der lucht« welkom in
Tenochtitlan. Hij zelf geleidde hen, doch altijd gezeten in zijn'
draagstoel, naar een prachtig paleis, dat aan een groot plein stond,
en zoodra ze daar waren wees hij op het paleis, en zeide tot Cortez,
die met zijn gevolg van ruiters ook te paard naast den draagstoel
reed: »Malinche, zie daar voor u en de uwen eene woning! Eet en drinkt
er, verkwikt u en neemt uw vermaak. Ik zal binnen weinige oogenblikken
weer bij u terug zijn!«

Montezuma liet zich nu wegdragen, en Cortez betrok het huis. Hij
verdeelde de talrijke vertrekken onder de zijnen, doch zorgde dat de
kanonnen, steeds geladen en in batterij, voor den ingang van het huis
goed bewaakt werden. Schildwachten werden overal uitgezet, en toen dit
alles gedaan was, begaf hij zich aan den rijken disch, waarop keur van
spijzen en dranken waren.

Nog niet lang was de maaltijd afgeloopen, toen Montezuma binnentrad om
zich met »Malinche« te onderhouden. Natuurlijk moest Marina hier als
tolk dienst doen, en deze had al heel gauw bemerkt, dat Montezuma maar
op een geschikt oogenblik wachtte om al de vreemdelingen met één slag
gevangen te nemen, en dan aan Huitzilopotchli te offeren. Cortez zag
echter ook zeer goed in, dat al die eerbewijzen, die onderdanigheid en
vriendschap slechts gehuicheld waren, en om te maken, dat hij niet in
de val liep, had hij zijn plan reeds gemaakt toen Marina hem kwam
waarschuwen.

Montezuma, die bij de komst der Spanjaarden ongeveer veertig jaar oud
schijnt geweest te zijn, had eene rijzige gestalte en een innemend
gelaat vol Vorstelijke waardigheid, doch het wellustig leven, dat hij
leidde, had maar al te duidelijk zijn stempel op hem afgedrukt.--

Om duidelijk te maken welk eene machtige en schoone stad Tenochtitlan
was, willen wij er even eene kleine wandeling in afleggen. Wij zullen
dan nog beter begrijpen welk een merkwaardig land dit Mejico was. We
beginnen bij het paleis van Montezuma. Zijn hoofdpaleis had twintig
poorten of deuren, en drie voorhoven. Op een' dezer voorhoven bevond
zich eene fontein, die het zuivere water door zeer doelmatige
leidingen in al de kamers van het paleis bracht. Het paleis bestond
uit verschillende afdeelingen, en elke afdeeling bevatte meer dan
honderd kamers, die bijna allen van badtoestellen voorzien waren. De
muren waren van marmer, jaspis, porfier en bonte steenen gebouwd. Het
timmerwerk was van zeer licht hout, doch stevig in elkander gezet,
terwijl de daken en schoorbalken, zoowel als de zolders, van uitnemend
en zwaar timmerhout gemaakt waren. Waar dit maar mogelijk was, had men
het hout gebeeldhouwd of was het kunstig gesneden. De wanden waren
beschilderd, en op de vloeren lagen zware tapijten, die meest gemaakt
waren van konijnenhaar. In alle kamers stonden metalen,--meestal
gouden,--vuurpannen met reukwerken te branden en de wanden waren
versierd met prachtige vogelvederen, zeer bevallig en kunstig
gerangschikt. Tafellakens, servetten en handdoeken waren van geweven
katoen en hagelwit. Een zeer groot gedeelte van het paleis was
ingenomen door het serail, want de Vorst had op zijn minst duizend
vrouwen. Verder waren er aan de hofhouding een groot aantal narren,
dwergen, mismaakten, kunstenmakers, dansers, muzikanten en andere
lieden verbonden, wier taak het was om het leven van den Monarch op te
vroolijken. Zijne gebeden verrichtte de Vorst des nachts in eene
kapel, die in de nabijheid van zijn slaapvertrek was. Deze kapel was
honderdvijftig voet lang en vijftig breed, en de wanden van onder tot
boven beladen met goud, edelgesteenten en parelen. Behalve dit paleis
in de stad had Montezuma nog verscheidene landhuizen in de prachtige
omstreken van het Meer van Tenochtitlan. Het weelderige en wellustige
leven, dat de Keizer leidde, werd door alle Hofgrooten nagevolgd, en
ieder deed dit naarmate van zijn vermogen, zoodat het oude Capua, waar
Hannibal overwinterde, en door de wellustige levenswijze der Capuanen
zijn leger geheel liet verderven, nog niet in de schaduw van
Tenochtitlan staan kon. De verfijnde zedeloosheid, verbonden aan eene
dierlijke wreedheid, een grof bijgeloof en eene zucht om te
schitteren, had er haar toppunt bereikt. Daar de stad midden in het
meer gebouwd was, waren de beste wegen de waterwegen, en wedijverden
de Aanzienlijken alweer onder elkander om de prachtigste kano's te
hebben. Langs die waterwegen liepen evenwel ook straten, die geplaveid
waren met eene soort van harde klei. Zoowel die straten als grachten
werden buitengewoon zindelijk gehouden, en van vuil of afval in het
water of op straat werpen was geene sprake; het was ten strengste
verboden. Het water uit het meer werd niet gebruikt om te drinken,
want het was brak. Het drinkwater kwam door zeer doelmatige leidingen
uit de naburige bergen, en op de markten en pleinen vond men voor den
minderen man, die vaak met zes of zeven gezinnen één huis bewoonde,
openbare fonteinen. Op die groote en ruime pleinen werden geregeld
markten gehouden, want winkelhuizen waren er onbekend. Al wat men
noodig had aan eten, drinken, kleederen, opschik, gereedschap,
bloemen, vederen of huiselijke godsdienstplechtigheden, werd op die
markten verkocht, en steeds onder streng toezicht der Overheid. Naar
het verbazend aantal Hoofd- en Ondergoden, dat de Azteken vereerden,
was ook het aantal tempels. Een dezer was de Hoofdtempel en heette
»Teucalli«, dat zooveel beduidt als »Godshuis«. Het was een vierkant
steenen gebouw van verbazende grootte. Een oud schrijver zegt: »Van
hoek tot hoek had men een' afstand van een roerschot ver.« Een roer
was een musket, doch die oude musketten droegen niet veel verder dan
honderd Meters. Het geheel geleek op eene afgeknotte vierzijdige
pyramide, die op twee hoeken zware en vrij hooge torens droeg. Met
trappen, aan den buitenkant aangebracht, beklom men het platte dak en
kwam men ook in de torens, die eveneens tot godsdienstige doeleinden
dienden.

[Illustratie: Tenochtitlan of Oud-Mejico, residentie van Montezuma.]

Was het wonder, dat de Spanjaarden in zulk eene stad bijna de oogen
uit het hoofd keken? Ook Cortez deed dat, maar hij zorgde er voor,
zich niet te laten verblinden, en weldra kwam hij er achter, dat het
doel van Montezuma en de Azteken was om hem en de zijnen in een'
zorgeloozen roes van wellust en weelderigheid te brengen. Cortez hield
zich evenwel, alsof hij het niet zag, en het mag ter eere van de
meeste Spanjaarden gezegd worden, dat zij van zulk een leven walgden.
De matigheid van Cortez in het gebruik van spijs en drank, en de zucht
om het lichaam te harden, had een' gunstigen invloed op zijn volk. Met
afgrijzen zagen ze ook de bloedige offerfeesten aan de Afgoden aan, en
het werk der bekeering werd met kracht begonnen, doch zonder veel
baat. De godsdienst der Azteken had zich veel te veel vereenzelvigd
met het heele maatschappelijke leven om hem dadelijk door het
Evangelie te vervangen, dat terstond ook eene omkeering in het
dagelijksche doen en laten zou brengen. Toen nu Cortez zag, dat hij
niet vorderde met het invoeren van het Christendom, en dat er ook
geene sprake was van eenige onderwerping aan den Koning van Spanje,
begreep hij niet langer te moeten dralen. Er was meer, dat hem tot
handelen dwong. De bezetting van Vera-Cruz was door de Azteken
aangevallen, en hoewel de Spanjaarden de overwinning behaald hadden,
hadden ze toch één' man in den strijd verloren. De Azteken hadden
dezen Spanjaard onthoofd, en het hoofd naar Montezuma gezonden. Het
bijgeloof, dat de »Zonen van den God der lucht« onsterfelijk waren,
hield dus op te bestaan, en juist dit bijgeloof was Cortez' grootste
kracht. Hij nam nu met overleg en goedvinden van zijne
Onderbevelhebbers Montezuma, toen deze in het paleis van de
Spanjaarden op bezoek was, gevangen, en hield hem in zijne
onmiddellijke nabijheid. Alle besluiten, die Montezuma nam, en alle
bevelen, die hij uitvaardigde, kwamen nu ter kennis van Cortez, die
weigerde ze uit te voeren wanneer ze tegen zijn' zin waren.
Aanvankelijk verzette Montezuma zich wel, doch toen de aangeklaagde
Stadhouder van Vera-Cruz, die den Spanjaard had laten onthoofden, met
zijne onderhoorigen voor Montezuma verscheen, gaf deze hen aan Cortez
over om er recht over te spreken. Het was een kort recht, dat gehouden
werd, en het vonnis luidde, dat de Gouverneur en de zijnen levend
verbrand zouden worden. In de hoop van hun leven te redden, zeiden de
veroordeelden nu, dat ze op bevel van den Keizer gehandeld hadden,
waarop Cortez den Keizer, die alles ontkende, als verrader in ketenen
liet leggen. Het vreeselijke vonnis werd voor het paleis voltrokken,
en pas toen de laatste rookwalmen van de brandstapels verdwenen waren,
liet Cortez hem de ketenen afnemen. De verwijfde Vorst, die alle
ziels- en geestkracht miste, schikte zich nu in alles, wat Cortez
wilde, zoodat deze feitelijk het heele rijk regeerde. Montezuma nam
den Christelijken godsdienst aan, en erkende Koning Karel als zijn
Opperheer, ja, hij ging in zijne lafhartigheid zelfs zóó ver, dat hij
zijn volk liet weten, dat hij geheel vrijwillig zich te midden van
zijne vrienden, de Spanjaarden, bevond, en meteen gaf hij bevel om
een' der prachtigste tempels van Tenochtitlan aan de vreemdelingen af
te staan, opdat dezen daarin hunne godsdienst-plechtigheden zouden
kunnen verrichten. Een storm van verontwaardiging stak thans onder de
Priesters en het volk op, en de toestand werd zóó dreigend, dat zelfs
Montezuma alweer moed begon te krijgen, en Cortez beval om niet alleen
de stad Tenochtitlan, maar het heele rijk te verlaten. Om tijd te
winnen, zeide Cortez, dat hij dit doen zou, maar dat hij dan eerst
schepen moest laten bouwen. Waren deze klaar, dan zou hij vertrekken,
maar tegelijk Montezuma als gijzelaar medenemen. Zoodra de Keizer dit
hoorde, begon hij alweer heel anders te spreken en was Cortez in alles
ter wille. Het scheen dus dat het groote rijk der Azteken al op eene
heel gemakkelijke en onbloedige wijze aan de Spaansche Kroon zou
komen, doch Cortez had buiten den waard gerekend, en deze waard was
zijn onverzoenlijke vijand Velasquez, die, jaloersch op de
welgeslaagde onderneming van zijn' tegenstander, eene vloot van
achttien schepen, onder bevel van Don Panfilo De Narvaëz naar
Vera-Cruz zond. Aan boord der schepen bevonden zich negenhonderd
uitstekend gewapende soldaten, negentien ruiters en twaalf kanonnen
met een' grooten voorraad van kruit en lood. Zoodra Cortez de landing
van dit leger vernam, liet hij Don Pedro de Alvarado met
honderdvijftig man ter bewaking van Montezuma in Tenochtitlan achter,
en met slechts tweehonderdvijftig man trok hij met geforceerde
marschen naar Vera-Cruz, overviel Narvaëz, die geen kwaad vermoedde,
en versloeg hem. De verwarring was zóó groot, dat er slechts weinigen
sneuvelden, en allen gevangengenomen werden. Door list en
toegevendheid wist Cortez het nu zoo ver te brengen, dat bijna geheel
het leger van Don Narvaëz hem met alles, wat het bij zich had,
toeviel, en thans bezat onze stoute avonturier eene macht, waarmede
hij naar zijne meening, heel gemakkelijk, desnoods met geweld, het
gansche rijk van Montezuma onderwerpen kon. Pas echter was hij bezig
met zijn leger te ordenen, toen hij de tijding kreeg, dat er te
Tenochtitlan eene gevaarlijke opstand uitgebroken was. Aanvankelijk
had De Alvarado, op raad van Cortez, de Azteken met veel toegevendheid
behandeld, en stond hij zelfs toe dat de Opperhoofden in den tempel
van den Krijgsgod feest mochten vieren, indien men er maar geen
menschenoffers bracht, en de Hoofden ongewapend verschenen. Wel
zeshonderd Edelen zonder wapenen, doch beladen met goud en juweelen,
waren in den tempel, toen De Alvarado van de Tlascalanen vernam, dat
er onder die bijeenkomst der feestelingen heel wat anders school dan
feestvreugde, en dat het plan er gesmeed werd om de Spanjaarden aan te
vallen en Montezuma te bevrijden. Zonder onderzoek te doen naar de
waarheid van dit beweren, greep De Alvarado de ongewapenden aan, en
richtte met de zijnen een vreeselijk bloedbad aan, waarna de
goudgierige Spanjaarden zich op de lijken wierpen om ze te plunderen.
Had De Alvarado gedacht met deze handeling de Azteken door vrees te
verpletteren, er gebeurde heel wat anders. De geheele stad kwam in
opstand en begon het paleis der Spanjaarden te belegeren. De
vreeselijke kanonnen mochten er honderden dooden, het hielp niet; voor
honderd gevallenen kwamen dubbel zooveel wanhopige strijders in de
plaats. Eindelijk verscheen Cortez in de nabijheid van Tenochtitlan,
en Montezuma, die vol verlangen zijne terugkomst verbeid had, zond hem
Gezanten tegemoet. Cortez evenwel, vernomen hebbende, dat Montezuma
niet alleen in stilte met zijn volk onderhandelde, maar zelfs met
Narvaëz in betrekking stond, beleedigde de Gezanten, en schold den
Keizer uit voor »hond van een' Koning«. Hoogstwaarschijnlijk was er nu
van verraad van Montezuma geene sprake, en dezelfde man, die tot
lafhartigheid toe zich aan Cortez onderworpen had, was thans, door de
beleediging hem aangedaan, diep verontwaardigd en gegriefd, en wat
Cortez, wien aan de genegenheid en onderwerping van den Keizer bijna
alles gelegen was om de oude verhouding te herstellen, ook deed, het
gelukte hem slechts maar tendeele.

[Illustratie: Keizer Montezuma door pijlen en steenen zwaar gewond.]

Intusschen werd de toestand der belegerden met ieder oogenblik
dreigender, en thans verlangde Cortez, dat Montezuma als bemiddelaar
optreden zou, doch deze weigerde dit te doen. Eindelijk echter liet
hij zich overhalen; hij kleedde zich, en met al de waardigheden van
zijn' rang versierd, beklom hij den toren boven het paleis der
Spanjaarden, en vertoonde zich aan het volk. Dadelijk heerschte onder
den hoop, die bijna schouder aan schouder voor het paleis op het plein
stond, eene sombere stilte, doch toen Montezuma begon te zeggen, dat
hij verlangde dat al zijne onderdanen de wapenen zouden neerleggen, en
dat hij een vriend van de Spanjaarden was, steeg er een woest
geschreeuw op; pijlen snorden door de lucht, en groote steenen vielen
in de richting van het torenplat. Getroffen door steenen en pijlen
werd de arme Keizer door de Spanjaarden weggedragen en zorgvuldig
verbonden. Cortez wilde hem in het leven behouden, doch in een
onbewaakt oogenblik rukte Montezuma de verbanden van de wonden, die nu
onherstelbaar waren, en den dertigsten Juni 1520 overleed hij.

Grooter ramp had Cortez op dat oogenblik niet kunnen treffen, en er
zat voor hem nu niets anders op dan de stad te verlaten. Dat moest
evenwel in alle stilte geschieden. In den nacht tusschen den eersten
en tweeden Juli maakte Cortez zich voor den aftocht gereed. De
Keizerlijke versierselen en kroon-juweelen, die een' onnoemlijken
schat vertegenwoordigden, liet hij op een paard laden, doch zijn volk
verzocht hij zoo weinig goud mogelijk mede te nemen, omdat dit hun op
den tocht last veroorzaken kon. Zijne oude soldaten gehoorzaamden hem,
doch de soldaten van Narvaëz, die gedroomd hadden van schatten te
zullen verzamelen, en die inplaats daarvan wanhopig hadden moeten
strijden, luisterden er niet naar, en staken alle zakken vol met goud,
juweelen en parelen.

Eindelijk toen de heele stad in duisternis gehuld was, verliet Cortez
met de zijnen en met de Tlascalanen zoo stil mogelijk het paleis.
Reeds waren ze op een' der laatste dammen gekomen, en meenden ze in
veiligheid te zijn, toen de Aztekische schildwachten den aftocht
gewaar werden en alarm maakten. Oogenblikkelijk was de heele stad in
beweging. De Priesters hitsten van de daken der tempels het volk tot
wraakneming aan. Het meer zag zwart van kano's, tot zinkens geladen
met woeste krijgers.

»Voorwaarts! Voorwaarts!« klonken de bevelen van Cortez en zijne
Bevelhebbers.

Maar de orde werd verstoord, want zij, die achteraan kwamen, en dus
het meest te lijden hadden van de steenen en de pijlen der Azteken,
begonnen te duwen, te dringen en te schreeuwen. Ten deele waren de
bruggen, die de dammen met elkander verbonden, weggenomen of
afgebroken, en zij, die nu bij zulk eene afgebroken brug kwamen,
werden door de opdringende menigte onbarmhartig in het meer geduwd. Er
ontstond eene ontzettende verwarring en naar bevelen werd niet meer
geluisterd; ieder trachtte zich te redden, zoo goed hij kon. De
soldaten van Narvaëz echter, die zich zoo zwaar met goud beladen
hadden, werden door het gewicht van hun' roof verhinderd te zwemmen en
moesten verdrinken of werden levend gevangengenomen om als krijgsbuit
aan den Oorlogsgod geofferd te worden.

[Illustratie: Cortez in den »Nacht der treurigheid« op een' dam van
Tenochtitlan.]

Cortez verrichtte wonderen van dapperheid en wendde bijna
bovenmenschelijke pogingen aan om de orde te herstellen. Het was
echter alles vergeefsch, en pas tegen het aanbreken van den morgen
bereikte hij met het overschot van zijn legertje den oever. Het was
een treurig overschot, want meer dan de helft zijner soldaten had in
het meer een' akeligen dood gevonden of wachtte in de gevangenis het
verschrikkelijke oogenblik af om aan den Krijgsgod geofferd te worden.

»_Noche triste!_« riep Cortez met tranen in de oogen uit, en thans
noemt men nog altijd in Mejico iets, dat vreeselijk treurig is een
»Noche triste« of »Nacht der treurigheid.«

Al zijn geschut was verloren gegaan, en slechts enkele paarden waren
overgebleven. De heele ruiterij bestond maar uit drieëntwintig man. De
musketten waren weggeworpen; kruit en kogels lagen bij de kanonnen op
den bodem van het meer.

Hadden de Azteken, inplaats van in dolle vreugde het offerfeest te
vieren, zich terstond op Cortez' bende geworpen, de Spanjaarden zouden
dan onherroepelijk verloren zijn geweest. Nu echter hadden Cortez en
de zijnen tijd om wat uit te rusten, en zich voor den tocht naar
Vera-Cruz gereed te maken. Eer ze evenwel nog halverwegen waren,
ontmoetten ze een ontzettend groot leger van Azteken, te wapen
geroepen door Cuitlahuac, den broeder en opvolger van Montezuma.

»Overwinnen of sterven, broeders,« sprak Cortez tot de zijnen, en
allen beaamden het ten volle, en geloofden dat het »sterven« zijn zou,
want zonder kanonnen of musketten konden ze zulk eene verpletterende
overmacht niet keeren. Dat »zich overgeven« hetzelfde was, als »aan de
Goden geofferd worden,« ieder wist dat, en zoo ving men den ongelijken
kamp aan, vast besloten zijn leven zoo duur mogelijk te verkoopen. De
aanval werd zelfs door de Spanjaarden en trouwe Tlascalanen gedaan,
doch reeds scheen voor Cortez alles verloren te zijn, toen hij den
Aanvoerder van het vijandelijke leger in het oog kreeg, die met
opgeheven banier den slag bestuurde. Het was eene wanhopige poging,
maar het eenige middel tot behoud.

»Santiago! Santiago! Volgt mij!« riep hij, en vergezeld door enkele
ruiters rende hij op den Aztekischen Bevelhebber toe, ontrukte hem de
banier en doodde hem.

De heilige krijgsbanier in handen van den vreeselijken »Malinche!«
Ontzetting greep de Azteken aan, en zij die op het punt stonden om
alle Spanjaarden te dooden, sloegen nu op de vlucht, achtervolgd door
Spanjaarden en Tlascalanen, die de moordbijl zwaaiden tot vermoeidheid
hen dwong ze neer te leggen. Deze schitterende overwinning behaalde
Cortez den achtsten Juli 1520 bij Otumba.

Zwaar gekwetst kwam Cortez in de hoofdstad van zijne getrouwe
Tlascalanen aan, en verscheidene dagen lag hij daar tusschen leven en
dood. Zijn sterk gestel echter zegevierde; hij herstelde. En wat hij
in het ijlen der wondkoorts uitgeroepen had: »Ik zàl Mejico
onderwerpen!« dat begon hij nu, waar hij weer de oude, veerkrachtige
man was, terstond te beproeven. Na den verschrikkelijken slag bij
Otumba schenen de Azteken met verlamming geslagen te zijn, want dat
dit kleine hoopje Spanjaarden op honderdduizenden de overwinning
behalen kon, dat moest iets goddelijks zijn; het kon niet anders. De
eene stad na de andere werd dan ook door Cortez ingenomen, en toen
Velasquez, niet wetende, dat Narvaëz in boeien lag, andermaal
versterkingen zond, lieten de nieuw aangekomen benden, toen ze
vernamen hoe de zaken stonden, zich gemakkelijk overhalen om onder
Cortez' vanen dienst te nemen. Bij de eerstvolgende wapenschouwing,
die gehouden werd, bleek dat het leger bestond uit zeshonderd
voetknechten, gewapend met hellebaarden, lansen en zwaarden, tachtig
musketiers, veertig ruiters en ongeveer tweehonderd duizend
Tlascalanen en andere Indianen. Verder had hij nu alweer twaalf
kanonnen en een' voldoenden voorraad van kruit, lood en
levensbehoeften. Wat belette hem thans om den dood te wreken van hen,
die in den »Noche triste« gevallen waren? De vrees en schrik zaten er
bij de Azteken in, en Cortez meende, dat hij veilig kon overgaan om
Tenochtitlan in te nemen en te plunderen. Was de hoofdstad gevallen,
dan zouden daarbij duizenden en duizenden Azteken omgekomen zijn en de
verdere verovering van het land zou niet veel moeielijkheden baren.

Thans hield Cortez in dien geest eene toespraak tot het leger en de
Spaansche soldaten waren terstond bereid om met hem op te trekken, en
toen Marina de toespraak ook vertaald had voor de Tlascalanen en
andere bondgenooten, toonden ook dezen zich bereidwillig om den
»Malinche« te volgen. Wilde hij echter met hoop op een' goeden uitslag
het beleg van Tenochtitlan ondernemen, dan had hij schepen noodig,
welke in den omtrek van het meer zouden gebouwd worden. Gedurende den
tijd, dat men aan die schepen werkte, werden er benden uitgezonden,
die de steden, daar in den omtrek gelegen, innamen en plunderden.
Bijna nergens werd tegenweer geboden. Eindelijk waren de schepen klaar
en Cortez liet ze door de Tlascalanen naar het meer dragen en te water
brengen, en toen men dit gedaan had, kreeg Narvaëz, ditmaal uit
Hispaniola, eene versterking van tweehonderd man, tachtig paarden en
een groot aantal kanonnen. Wat voor Narvaëz gekomen was, nam Cortez,
en de mannen waren met dien ruil van Bevelhebber zeer tevreden.

Te midden van al deze bedrijven was het inmiddels al Juli van het jaar
1521 geworden. Het volk werd ongeduldig en wilde, nu men eene
voldoende macht bijeen had, ook maar aanstonds de verovering van
Tenochtitlan beginnen, doch Cortez, die zijn' vijand maar al te goed
kende, en wist hoe alleen voorzichtigheid en beleid hier zegevieren
konden, maande tot geduld en kalmte aan. De broeder van Montezuma was,
na zijne korte regeering, gestorven, en door zekeren Guatemozin, een
verklaard vijand van de Spanjaarden en een geducht krijgsman,
opgevolgd. Hiermede diende rekening gehouden te worden, want de Keizer
zoowel als zijne onderdanen begrepen, dat het te doen zou zijn om den
ondergang der Azteken en van het Mejicaansche rijk, of om den
ondergang der Spanjaarden. In een' krijgsraad werd nu, tegen den zin
van Cortez, besloten, om den derden Juli reeds een' aanval op de heele
stad te doen. Wel trachtte Cortez dit tegen te houden, doch men
luisterde niet naar hem. Gereed staande om den aanval te beginnen,
waarschuwde Cortez nog, om niet te snel voort te trekken, zelfs dan
niet, als ze een open terrein voor zich hadden. Hij kende de manier
van oorlogvoeren der Azteken en wist, dat ze den schijn zouden
aannemen, van te vluchten. Ook deze raad van Cortez werd niet
opgevolgd, en vol overmoed kwamen de soldaten over de dammen tot diep
in de stad. Op eenmaal echter liet Guatemozin van zijn paleis den
krijgshoorn klinken, en de vluchtelingen werden aanvallers. Cortez
snelde toe om zijne makkers bij te staan en viel gewond in het meer.
»Malinche! Malinche!« joelden de Azteken, en verscheidene handen waren
gereed hem gevangen te nemen, toen een der Spaansche soldaten zijn
leven opofferde om zijn' Veldheer te redden. Met zware verliezen waren
de Spanjaarden afgeslagen, en aan den oever van het meer gelegerd,
zagen ze des nachts, dat hunne gevangengenomen makkers, bij
fakkellicht, boven op de daken der tempels, aan de Goden geofferd
werden. In zijn' overmoed liet nu Guatemozin tot ver in het land
verkondigen, dat de Krijgsgod door de laatste offers voldaan was, en
dat binnen acht dagen geen enkele Spanjaard meer over zou zijn. Door
deze profetie verschrikt, verlieten de meeste Bondgenooten, waaronder
zelfs vele Tlascalanen waren, de legerplaats van Cortez, die alleen
zeide: »Trekt maar niet te ver, want over acht dagen zult gij zien,
dat alle Spanjaarden er nog zijn!« Toen nu werkelijk eene week later
zelfs niet één Spanjaard gevallen was, kwamen al de Bondgenooten terug
en Cortez had gewonnen spel. Gewonnen spel had hij ook door te zeggen,
dat de eerste aanval mislukt was, omdat men niet naar zijn' raad
geluisterd had.

»Men moet met behoedzaamheid langzaam voorwaarts dringen,« zeide hij.
»Komt men bij een huis, men breke het af en gebruike het puin om de
grachten te vullen en de dammen te versterken.«

Zoo deed men meer dan eene maand lang. De prachtigste paleizen lagen
in puin en vulden de grachten of het meer. De eene straat na de andere
verdween en steeds kleiner werd de plek, waar de verdedigers stand
hielden, te midden van den vreeselijksten hongersnood. Den derden
Augustus 1521 werd de laatste versterking ingenomen en met den grond
gelijk gemaakt, en--het schoone Tenochtitlan was verdwenen van de
oppervlakte der Aarde. Guatemozin werd gevangen voor Cortez gebracht
en zeide: »Malinche, ik heb alles gedaan, wat een krijgsman doen kon.
Het hielp mij niet. Neem nu uw zwaard en dood mij, want het leven is
mij eene ergernis.«

»Neen, Guatemozin, vrees niet! Malinche doodt geene helden als gij
zijt,« antwoordde Cortez. »Uw leven is veilig!«

Het was te veel gezegd. Waar waren de onbegrijpelijk groote schatten
aan goud, edelgesteenten en parelen gebleven? Niemand kon ze vinden,
en nu eischte het volk, dat men Guatemozin op de pijnbank leggen zou,
opdat hij bekende, waar ergens al die schatten gebleven waren. Cortez
wilde er eerst niets van weten, doch toen het volk tot oproer dreigde
over te slaan, gaf hij toe. Het pijnigen hielp niet, en welk een moed
Guatemozin had, bleek wel hieruit, dat hij een' klagenden vriend, die
ook op de pijnbank gefolderd werd, kalm toevoegde: »Denkt gij dan,
mijn vriend, dat ik in een bad lig?« Cortez, dit pijnigen moede, liet
beide Vorsten wegvoeren.

Na de verwoesting van Tenochtitlan, waarbij, den eersten aanval
uitgezonderd, slechts weinig Spanjaarden gesneuveld waren, had de
verovering van het Mejicaansche rijk zooveel moeite niet meer in,
zoodat Cortez, na eenigen tijd, aan Koning Karel melden kon, dat hij
een land aan Spanjes Kroon gebracht had, veel grooter dan het heele
gebied zijns Konings in Europa, en zóó rijk, dat de schatten eenvoudig
niet te overzien waren.

Er heerschte in dat bericht geene overdrijving, want Mejico was langs
den Stillen Oceaan zevenendertighonderd en vijftig, en langs den
Atlantischen Oceaan drieduizend Kilo-meter lang. Nog steeds grooter
werd dit wingewest door de ontdekkingen en veroveringen, die enkele
Veldheeren van Cortez deden. Zoo veroverde De Alvarado, die onder de
Azteken den bijnaam van »Tonatiuk«, dat is »Zoon der Zon«, ontvangen
had, in 1523 dát deel van Middel-Amerika, hetwelk wij thans onder den
naam van Guatamala kennen, terwijl een ander Veldheer, wiens naam ik
niet vermeld vond, in hetzelfde jaar Honduras aan de Kroon van Spanje
bracht.

Het bericht van die groote ontdekkingen bewoog in Spanje tal van
lieden zich onder Cortez' vanen te scharen teneinde nieuwe
veroveringen te doen. Maar honderden kwamen ook, wien het alleen om
goud te doen was, en deze laatsten juist waren het, die alweer onrust
en verdeeldheden in de Kolonie brachten. Zoo lang deze lieden maar
niet in hunne handelingen gestoord werden, en Cortez hen hielp wanneer
ze door hunne hebzucht in moeielijkheden kwamen, ging alles goed, doch
wanneer hij ook voor de rechten der Azteken opkwam, en dezen durfde
verdedigen, liep het mis, zoodat de positie van Cortez ten slotte al
niet veel beter werd dan die van Columbus eenmaal was. Bovendien, De
Fonseca leefde nog altijd, en deze was een vriend van Velasquez,
zoodat we niet behoeven te vragen, wat gebeurde. Op zijn aanraden werd
door Koning Karel een' zekeren Don Christoval De Tapia naar
Nieuw-Spanje gezonden om als Stadhouder op te treden. Toen De Tapia
evenwel te Vera-Cruz aangekomen was, zag hij wel in, dat er geene
sprake was van Cortez eenvoudig af te zetten, want niemand wilde er
naar luisteren. Hij ging dus weer terug naar Spanje en wist daar zelfs
voor den grooten held zóó te werken, dat Koning Karel Cortez den
vijftienden October 1522 tot Stadhouder, Opperbevelhebber en
Opperrechter van »Nieuw-Spanje,« zoo werd Mejico voortaan genoemd,
aanstelde.

Drie jaar lang heerschte Cortez als zoodanig, en de Azteken en andere
onderworpen volksstammen mochten van geluk spreken, want hij was niet
wreed of bloeddorstig en strikt rechtvaardig. Het is waar, hij liet
Guatemozin terdood brengen, en Cortez' vijanden zeiden, dat hij
onschuldig terdood veroordeeld werd. De vrienden van Cortez
daarentegen beweerden, dat Guatemozin deelgenomen had aan eene
samenzwering en dus wel degelijk schuldig was.

Hoewel Cortez nu eene schitterende betrekking bekleedde, dreef zijn
onrustig karakter hem aan om telkens nieuwe tochten te doen, welke nu
juist niet altijd even voordeelig voor hem afliepen. Zoo deed hij in
1528 eene reis naar Spanje, en zijn onmetelijk vermogen stelde hem in
staat om aan het Spaansche Hof te verschijnen met eene ongeëvenaarde
pracht. Hij en zijn talrijk gevolg van Aztekische Edelen spreidden
een' luister en een' rijkdom ten toon, welke noodwendig heel wat
anders dan verblinden moest, waar de naijver door zijne heldendaden
nog lang niet tot zwijgen gebracht was. Cortez was naar Spanje gekomen
met het doel, zich te verdedigen tegen de beschuldigingen, die tegen
hem ingebracht waren. Men had hem beticht, dat hij misbruik van zijn
gezag maakte, dat hij de Azteken steeds behandelde, alsof hij hun beul
was, alleen om zichzelven rijkdommen te verschaffen, dat hij den
Godsdienst niet ijverig liet prediken, en zelf voorging in eene
onzedelijkheid, die met het Evangelie niet te rijmen was, door zijne
Gemalin Donna Catalina schandelijk te verlaten en met Marina te leven.

Nu, veel ervan was waar, want vroom en deugdzaam was Cortez
allerminst, doch de beschuldigingen waren toch onbillijk. Cortez was
in zijn privaat leven niet beter, maar ook niet slechter dan alle
andere Ridders en Edelen, en onwaar was het, dat het hem met de
prediking van het Evangelie geen ernst was. Hij had echter aan zijne
trouwe Tlascalanen gezien, hoe uiterst voorzichtig hij met de
Evangelie-verkondiging moest te werk gaan. Zijne meening was het
Christendom zóó te prediken, dat men er toe kwam, het vrijwillig en
niet gedwongen aan te nemen. Ongetwijfeld waren er velen, die hem
hierin gelijk gaven, doch de ijveraars waren er niet mede tevreden.
Dat Cortez zich verrijkte, ten koste der Azteken, was ook waar, doch
indien hij dat recht niet had, dan had de Spaansche Kroon het toch ook
niet. Mejico was veroverd zonder dat de Azteken van hunne zijde iets
gedaan hadden, dat den Spanjaarden daartoe eenig recht gaf.

Intusschen maakte Cortez door den luister, dien hij tentoon spreidde,
er zijne zaak niet beter op. Wel wist hij alle beschuldigingen te
wederleggen, en werd hij door Koning Karel in het gelijk gesteld, maar
hiermede had hij zijn pleit nog niet gewonnen. Koning Karel was een
zeer staatkundig Vorst, die, wilde hij zich als Koning van Spanje,
Keizer van Duitschland, Heer der Nederlanden en Oppermachtig Gebieder
der Nieuwe Wereld handhaven, verplicht was, hier en daar toe te geven
waar hij, zoo hij vrij geweest ware, dit stellig niet zou gedaan
hebben. Zeer goed zag Koning Karel in, dat hij moest toegeven aan den
drang van Cortez' vijanden. Hij gaf hem daarom den titel van Markies
Del Balle, en schonk hem in Nieuw-Spanje de landstreek Oaxaca als
Leen. Verder benoemde hij hem tot Opperbevelhebber over het leger en
tot Admiraal van den Stillen-Oceaan, doch tot Onder-Koning werd
benoemd Don Antonio De Mendoza.

Teleurgesteld keerde Cortez naar Nieuw-Spanje terug, na inmiddels,
daar hij weduwnaar geworden was, in zijn Vaderland met eene Gravin in
het huwelijk getreden te zijn. Hij vestigde zich in zijn nieuw Leen,
dat zeer rijk en vruchtbaar was, en in grootte menig Europeesch
Koninkrijk overtrof. Hoewel hij aanvankelijk zich in zijn lot scheen
te zullen schikken, en als een machtig Land-edelman leefde, had hij er
op den duur geen behagen in, en begon hij zich uit te rusten voor
nieuwe ontdekkingen en veroveringen. Dat er ver in het zuiden een
»Goudland« was, dat wist hij, en hij had zelfs Pizarro hierin reeds
wenken gegeven. Zelf wilde hij daar niet heen, want naar zijne meening
lagen er ten Noorden van Nieuw-Spanje ook landen, die nog rijker aan
goud waren dan het land der Azteken. Die landen wilde hij ontdekken en
veroveren. Met opoffering van het grootste deel van zijn vermogen
mocht het hem gelukken om in 1536 Californië te ontdekken, doch zonder
voordeel, want de rijke mijnen, die daar aangetroffen werden, zouden
pas driehonderd jaar later gevonden worden.

Teleurgesteld in alles keerde hij in 1540 naar Spanje terug, waar men
hem zoo goed als links liet liggen. Verdrietig trok hij zich nu uit
het openbare leven terug, en de man, wiens naam genoemd zal worden,
zoolang het menschdom bestaat, stierf als een vergeten burger op een
landgoed in de nabijheid van Sevilla, den tweeden December 1547 aan
eene ingewands-ziekte.

       *       *       *       *       *

Nog altijd wordt Cortez zeer verschillend beoordeeld, doch naar mijne
meening begaan zij, die hem veroordeelen, de groote fout, dat zij de
onrechtvaardige handelingen van een geheel Volk laden op één' man, en
hem zóó het uitgestrekte veld der Historie injagen, zooals vroeger de
Israëlieten den bok, beladen met de zonden des volks, de woestijn
injoegen. Trots al zijne ondeugden en gebreken kan ik in Cortez niets
anders zien dan een' man, die in groote daden en zelfs in vele deugden
uitblonk boven duizenden zijner tijdgenooten. In alle gevallen plaats
ik hem ver boven den man, die Peru aan de Spaansche Kroon bracht.



HOOFDSTUK XII.

ZUID-AMERIKA ONDER SPANJAARDEN EN PORTUGEEZEN.--NEDERLANDERS EN
ENGELSCHEN IN AMERIKA.


Jaren lang had men den Archipel tusschen Noord- en Zuid-Amerika reeds
doorkruist, kustlanden had men er ten Zuiden, ten Westen en ten
Noorden van gevonden, maar nog altijd lag het vasteland in het Zuiden
zoo goed als onbekend. Zelfs een Del Magelhanes kon dat groote
Zuidelijke vasteland omzeilen, zonder er aan te denken om te
onderzoeken of het ook waar was, wat al de Wilden, zonder eenige
uitzondering, aan Columbus verteld hadden, dat het land, waar veel
goud was, ten Zuiden lag.

En dat land was er werkelijk, en één man was er, die reeds geruimen
tijd geleden begeerige blikken naar die onbekende streken geworpen
had. Wij hebben hem reeds tegenover De Balboa zien staan, en hoorden
hem toen Francisco Pizarro noemen.

Buiten huwelijk in 1478 geboren, weggeloopen van achter de zwijnen,
die hij hoeden moest, en als soldaat in dienst getreden, kwam hij in
de Nieuwe Wereld aan om daar eene rol te spelen, welke in schitterende
krijgsdaden, die van Cortez misschien wel overtrof. Dezelfde man, die
niet lezen of schrijven kon, zou Spanje in de gelegenheid stellen,
zich in schatten te kunnen baden, en wat aan een beschaafd en wel
onderwezen man, als Columbus of Cortez, niet gelukt was, dat gelukte
dezen soldaat van fortuin: hij wist zich in zijn gezag te handhaven
tot hij viel onder de dolken zijner vijanden.

[Illustratie: FRANCISCO PIZARRO. (Geb. 1478, vermoord 1541.)]

Na onder De Hojeda en Pedrarias, als ondergeschikt Bevelhebber gestaan
te hebben, werd hij eindelijk Stadhouder van het landschap Uraba, doch
het was er verre af, dat deze aanzienlijke betrekking zijne eerzucht
bevredigde; hij wilde meer zijn, en zonder ophouden dacht hij aan dat
land ver in het Zuiden, waarvan de inboorlingen van Uraba hem zoovele
wonderen wisten te verhalen.

Het was werkelijk een wonderland, zooals later bleek. Het heette Peru,
en bevatte door zijne ligging bijna alle planten der wereld en het
bezat ook groote dieren, die, tam gemaakt, den mensch groote diensten
bewezen. Deze dieren waren de lama's of kameelschapen. Het goud was in
dat land in zulk een' overvloed aanwezig, dat men er bijna hetzelfde
gebruik van maakte, als heden ten dage van het ijzer in onze streken.
Maar dat land onderscheidde zich door nog wat anders dan door rijkdom
aan voortbrengselen uit de drie rijken der natuur, het onderscheidde
zich door beschaving en door regeeringsvorm. De beschaving der
Peruanen was evenwel eene heel andere dan die der Azteken, en stellig
is dit voor een groot deel toe te schrijven aan het bezit van dieren,
die men tot trek- en lastdieren afgericht had. Het is moeielijk te
bepalen hoe heel anders onze eigen Maatschappij zijn zou, zoo we geene
koeien en paarden hadden. Nog veel meer dan nu het geval is, zouden we
onzen geest gericht houden op het vinden van machines om de werkkracht
te vermeerderen. Daar de meeste machines echter met de kennis der
natuur in verband staan, zoo spreekt het vanzelf, dat de Azteken er al
heel weinig hadden, doch ze trachtten dat te vergoeden door het houden
van slaven. In Peru was, voornamelijk omdat men er trek- en lastdieren
had, de slavernij zoo goed als onbekend, en daardoor waren ook de
zeden zachter. Om slaven te verkrijgen moesten de Azteken telkens
oorlog voeren, en daardoor is het geen wonder, dat de Krijgsgod hun
voornaamste God was. Ook de Peruanen voerden oorlogen, doch niet om
slaven te verkrijgen, maar alleen om het Rijk uit te breiden en andere
Volken te regeeren volgens de wetten van Manco Capac.

Eeuwen geleden, zoo vertelde men, waren de Peruanen wilde en woeste
menschen. Eensklaps echter verschenen onder hen een man en eene vrouw
van eene prachtige gestalte en eene heerlijke gedaante. Ze hadden
kleederen aan, en wisten zooveel als de Goden. De man heette Manco
Capac en de vrouw Mámá Ocollo.--Manco Capac leerde den mannen allerlei
mannelijke bedrijven en handwerken, en Mámá Ocollo leerde aan de
vrouwen spinnen, weven en velerlei huiselijk werk. Na den dood dezer
twee zette hun zoon het werk zijner Ouders voort, en gaarne erkenden
de Peruanen ook dezen tot hun Opperhoofd of Inka. Manco Capac en Mámá
Ocollo hadden den vrede bemind, en beschaving van den geest hooger
gesteld dan ruw wapengeweld. Zij hadden den Peruanen ook geleerd, dat
er een Wezen was, dat alles, wat op Aarde is, geschapen heeft. Om dat
geschapene te onderhouden, had Hij iemand aangesteld tot Hoofdgod, en
dezen alleen moesten alle menschen dienen en aanbidden. Deze Hoofdgod
was de Zon.

Wie die Manco Capac en Mámá Ocollo geweest zijn, niemand, die het
weet. De beschaving der Tataren en Indiërs echter, waarvan Marco Polo
zooveel verhaald heeft, de wijze waarop ze gekleed gingen en hunne
huizen bouwden en versierden, geven veel zekerheid aan de meening, dat
Peru beschaafd werd door Mongolen, Indiërs of Perzen, en
waarschijnlijk wel door de laatsten, want de Zonnedienst der Peruanen
kwam in vele opzichten overeen met dien der Perzen.--Dat een Hoofdgod
als de Zon, die slechts goed doet, eene heel andere richting aan de
beschaving moest geven dan een Hoofdgod, die zich bloedige
menschenoffers laat brengen, gevoelt ieder. Het Rijk der Inka's was
dan ook in den loop der eeuwen een land geworden met instellingen,
waarvan de Spanjaarden bijna niets begrepen. De heele oppervlakte van
het Rijk was in drie deelen verdeeld, en die deelen behoorden aan den
Hoofdgod, den Inka en zijn geslacht, en het Volk, doch alle drie de
deelen moesten door het Volk bearbeid worden. Geen land werd veroverd,
of de bodem werd terstond staatseigendom, en op de bepaalde wijze
verdeeld. Met de opbrengst van het Kroonland, als wij het zoo noemen
mogen, bezoldigde de Inka niet alleen zichzelven en zijne familie,
maar ook de Edelen en alle anderen, die hij wilde begunstigen. De
Peruanen bestonden uit drie standen, en wel uit den Priester- en
Adelstand en uit het Volk. De familie der Inka's behoorde tot geen'
stand; daartoe was ze te verheven. Kunsten en wetenschappen werden
vlijtig beoefend door den Priester- en Adelstand, doch altijd onder
toezicht van den Inka. Aan eenige ontwikkeling van het Volk werd niet
gedacht. Het Volk was er alleen tot welzijn van het Peruaansche Rijk,
als geheel, en om dat welzijn nu te bevorderen, zorgden de Inka's
steeds, dat het Volk alles had, wat het als »dier« noodig had om te
leven. We zouden het Peruaansche Volk dan ook geen' beteren naam
kunnen geven dan »uitmuntend onderhouden machine«. Veel nadenken
vereischt het echter niet, dat hetzelfde Volk, hoe de ontwikkeling van
den geest ook onderdrukt werd, bij het dagelijksch zien der verfijnde
beschaving van Inka's, Priesters en Edelen, vanzelf langzamerhand aan
dat machinale leven en werken moest ontgroeien, en dat men maar op
eene gelegenheid wachtte om zich uit dien vernederenden staat op te
heffen. Die gelegenheid kwam. We zeiden hierboven reeds, dat het
geslacht der Inka's eigenlijk tot geen' stand behoorde, en daarom was
er bepaald, dat de zoons uit dat geslacht slechts met de dochters uit
dat geslacht, sommigen beweren met hunne eigen zusters, mochten huwen.

Ook Inka Huana Capac had dat gedaan, en uit dit huwelijk had hij een'
zoon Huascar geheeten. Weduwnaar geworden, veroverde hij het machtige
Rijk Quito, en, tegen alle wetten in, huwde hij voor de tweede maal
met eene dochter van den Koning van Quito. Ook uit dit huwelijk werd
hem een zoon geboren, dien hij den naam van Atahualpa of Athabaliba
gaf. Had het veler ontevredenheid verwekt, dat Huana Capac de oude
wetten met voeten trad, toch had men gezwegen, want hij was een
uitnemend Vorst. Bij zijn overlijden had hij echter bepaald, dat
Huascar hem in Peru, en Atahualpa in Quito zou opvolgen, en dit was
andermaal eene inbreuk maken op de wetten, die bepaalden, dat de
oudste zoon van den Inka, bij den dood zijns Vaders, Inka werd over
het geheele Peruaansche Rijk. Geen land, hoe groot of klein ook, of
het behoorde, zoodra het veroverd was, tot het Inka-gebied, dat één en
ondeelbaar was. Nauwelijks was dan ook Huana Capac, als mummie, op
een' gouden stoel in de schitterende begraafplaats der Inka's
gebracht, of de strijd tusschen de broeders uit de twee verschillende
huwelijken ontbrandde. Het behoeft niet gezegd te worden dat zij, die
alle oude vormen en wetten onveranderd en ongeschonden wilden bewaren,
zich schaarden aan de zijde van Huascar, terwijl zij, die gaarne
verandering gebracht zagen in het machinale leven en werken, de partij
kozen van Atahualpa.

We hebben lang stil gestaan bij iets, wat men alweer geene »ontdekking
van Amerika« noemen kan, doch daar het woord »ontdekking« steeds
vergezeld is door het woord »verovering«, zoo moeten wij dit hier
doen, want zonder dien strijd tusschen de Peruaansche Conservatieven
en Revolutionnairen uit het begin der zestiende eeuw, zou het Pizarro
nimmer gelukt zijn, zich meester te maken van het rijk en van de
schatten der Inka's. Het zij evenwel terstond gezegd, dat Pizarro en
de zijnen niets wisten van die binnenlandsche verdeeldheid, waar ze
een »Goudland« gingen zoeken, dat volgens de geruchten ergens in het
Zuiden lag. Ze vernamen dat later.

Toen Pizarro eenmaal besloten had om dat onbekende, rijke land op te
sporen, verbond hij zich met zekeren Diego Almagro, en beiden zeilden
met twee kleine scheepjes uit. Hun tocht was evenwel zeer rampspoedig,
en bijna een jaar later kwamen ze onverrichter zake terug, zonder
evenwel den moed opgegeven te hebben. Een rijk man Gaspar De Espinosa,
die te Santa-Maria of daar ergens in den omtrek woonde, liet zich door
Hernando De Luque, een' Priester, overhalen om geld voor de werving en
het bouwen van twee schepen voor te schieten. Waar De Luque met de
twee avonturiers een verbond aanging, meende De Espinosa voldoende
waarborg te hebben voor de twintigduizend onsen goud, die hij in deze
onderneming stak.

Deze tweede tocht scheen voordeeliger te zullen zijn dan de eerste,
want nog niet heel lang waren ze onderweg, of ze veroverden een dorp,
en bemachtigden daarbij zooveel goud, dat Almagro met zijn schip, rijk
geladen, naar Panama terugkeerde. Men deed dit vooral om avonturiers,
die aan den goeden uitslag getwijfeld hadden, te lokken met Almagro
terug te keeren naar het schip van Pizarro, die inmiddels den tocht
zou voortzetten. Toen evenwel Almagro met versterking terugkwam, moest
men de verdere reis voor eene poos staken, omdat het jaargetijde in
hun nadeel was. Toen eindelijk weer en wind zóó waren, dat men verder
trekken kon, kregen ze het bij het kleine eiland Gallo, bij de kust
van Quito gelegen, met de inboorlingen zóó te kwaad, dat er besloten
werd dat Almagro andermaal naar Panama om versterking zou gaan, en in
dien tusschentijd zou Pizarro op dit eiland Gallo hem afwachten.

De nieuwe Landvoogd van Goud-Castilië en Nieuw-Andalusië, die
Pedrarias opgevolgd was en Don Pedro De los Rios heette, wilde evenwel
niets van nieuwe wervingen weten, en zond zelfs een schip uit om
Pizarro van het eiland Gallo terug te halen, en hem te verbieden, den
ontdekkingstocht voort te zetten. Het schip van De los Rios vond
Pizarro met de zijnen in een' ellendigen toestand, doch Pizarro was
niet te bewegen om naar Panama terug te keeren, en toen Almagro en De
Luque hem eindelijk eenige versterking en levensmiddelen zonden,
besloot hij den tocht voort te zetten.

Zijne volharding werd met den meest begeerden uitslag bekroond, want
eindelijk kwam hij op de kust van Peru aan. Hoe stond hij verbaasd
daar eene schoone havenstad te vinden! Voor de haven en zelfs tot diep
in zee wemelde het van uitmuntend gebouwde booten, die van zeilen en
roer voorzien waren. De inwoners waren allen zeer goed gekleed,
beleefd en voorkomend. Zij vertelden, dat hunne stad Toembez heette,
en een paar mannen van Pizarro's schip kregen zelfs vergunning om aan
den wal te komen en den zonnetempel binnen te treden. Weer aanboord
teruggekeerd, waren ze niet uitgesproken over de schatten van goud en
zilver, die ze gezien hadden. Pizarro voer nog een heel eind het
Zuiden in, doch hoe verder hij kwam, hoe meer hij zag, dat hij hier
niets uitrichten kon. De inwoners waren volstrekt niet bevreesd voor
de mannen met baarden, en beschouwden hen alleen, als een soort van
hemelsche wezens, aan wie donder en bliksem onderworpen waren. Wilde
men hier wat in het belang van de Spaansche Kroon verrichten, dan was
er eene veel sterkere macht noodig, en daarom keerde Pizarro naar
Panama terug, in de hoop, dat zijne verhalen van hetgeen hij en zijn
volk gezien hadden, tal van mannen bewegen zou om te beproeven, dat
machtige land met al zijne schatten te veroveren. Om het niet te laten
enkel bij verhalen, bracht hij ook eene groote hoeveelheid goud mede,
dat hij op eene gemakkelijke manier tegen kleinigheden ingeruild had.
Van Toembez had hij bovendien twee inwoners aanboord, die vrijwillig
met hem medegegaan waren.

Toen hij evenwel te Panama aankwam, was Don Pedro De los Rios nog
altijd even vijandig aan het plan. Hij diende nu, van achteren bezien,
wel de wetenschap niet, maar hij toonde toch, dat hij eene groote
uitzondering op vele Spanjaarden maakte, want hij verbood alle
werving, en zeide, dat er al meer dan genoeg menschenlevens geofferd
waren voor een handvol gouds en een paar Peruaansche schapen, die
Pizarro medegebracht had. Wilde het driemanschap hun plan doorzetten,
dan moest men andere middelen te baat nemen, en hiertoe werd besloten.
Men wilde, om tot het groote doel te geraken, niet langer den
kostbaren tijd zoek maken door met een' koppigen Gouverneur te
onderhandelen, maar sloeg den Koninklijken weg in. Pizarro zou naar
Spanje gaan, en daar den Koning om zijne hulp vragen. Na eene
voorspoedige reis kwam Pizarro in zijn Vaderland, en verscheen bijna
tegelijkertijd met Cortez aan het Hof. Hij werd daar zeer goed
ontvangen, en Koning Karel aarzelde geen oogenblik om den moedigen
avonturier en twee deelgenooten te steunen met zijne volkomen
goedkeuring. Geld of schepen vroeg Pizarro niet, zoodat Koning Karel
hem gemakkelijk veel beloven, en goedkoop veel geven kon. Den
zesentwintigsten Juli 1529 werd dan ook tusschen den Koning van Spanje
en Pizarro het volgende verbond gesloten. Pizarro verbond zich van
zijne zijde om het machtige en rijke Peru te veroveren voor de
Spaansche Kroon, en was hem dit gelukt, dan stelde Koning Karel van
zijne zijde Pizarro aan tot Stadhouder en Opperbevelhebber van Peru,
terwijl Almagro als Bevelhebber van Toembez tot den Adelstand verheven
werd, in welke laatste eer Pizarro natuurlijk ook deelde, daar de
Koning hem tot Ridder van San-Jago sloeg. De Luque zou Bisschop van
Toembez worden, doch alle benoemingen, zoo van Officieren als
Ambtenaren, zou een recht zijn, dat alleen aan het Stadhouderschap
verbonden was. Aan dit laatste voordeel was het bezwaar verbonden, dat
Pizarro al de kosten voor zijne eigen rekening zou nemen. Nu, dat
wilde de avonturier wel, want niet alleen had hij voor zijn plan de
Koninklijke goedkeuring verworven, hij had ook een' raad ontvangen,
die het welslagen zijner onderneming zoo goed als verzekerde. Cortez
had hem namelijk aangeraden met Atahualpa te doen, wat hij indertijd
met Montezuma gedaan had, en Pizarro, die ontwaard had, dat de
Peruanen zeer argeloos waren, meende dat Atahualpa even goed in de val
gelokt zou worden als Montezuma.

Verlokt door de schitterende aanbiedingen, die hij deed, nam hij uit
Spanje, behalve vier zijner broeders, nog een groot aantal mannen
mede, die onder zulk een' Aanvoerder het wel eens wagen wilden een
land vol goud en zilver te veroveren. Almagro en De Luque waren met de
tijdingen, die Pizarro medebracht, niet zeer ingenomen. Zij handelden
immers in gemeenschap? En waarom moest hij dan zoo hoog boven hen
verheven worden? Er ontstond tusschen Pizarro en Almagro een hevige
twist, die nog hooger liep toen de vier broeders van Pizarro er zich
in mengden, en reeds bestond het gevaar, dat de heele onderneming in
duigen vallen zou, toen De Luque en De Espinosa, die beiden reeds
zulke groote sommen voorgeschoten hadden, de zaak wisten bij te
leggen, door Pizarro over te halen, afstand te doen van zijne
benoeming tot Opperbevelhebber of Adelantado.

Nu men weer zoo ver was, begon men met kracht aan de uitrusting van
eene vloot en een leger, maar dit plan mislukte deerlijk. Vertrouwde
men De Luque en De Espinosa al, Almagro vertrouwde men niet, en nog
veel minder vertrouwde men Pizarro met zijne vier broeders, zoodat de
verbondenen zich ten slotte moesten tevreden stellen met drie
scheepjes, honderddrieëntachtig mannen, waaronder, tot Pizarro's
geluk, nog vijfentwintig ruiters waren, eenige musketten en een paar
kanonnen.

Vol moed en vertrouwen aanvaardde men evenwel den tocht en hadden
Pizarro en Almagro aanvankelijk ook te strijden tegen oproerige
handelingen van goudgierige manschappen, die niets vonden dan
onbevolkte kusten en verlaten dorpen, toch bleven ze volharden.
Eindelijk kwamen ze aan de kuststreek, die »Coaque« genoemd werd, en
hier vonden ze in de huizen, waaruit ze de inwoners verdreven hadden,
goud in overvloed. Voor het welslagen van den tocht was dit eene
gelukkige gebeurtenis. Het regen-seizoen was op handen en indien men
nu nog geen goud gevonden had, dan zou de oproerige manschap Pizarro
stellig tot den terugtocht gedwongen hebben. Nu in het bezit van goud,
en met het gegronde vooruitzicht van nog meer goud te zullen
verkrijgen, wilde men den regentijd, die steeds van stormen en
onweders vergezeld ging, wel op het eiland Poena, in de nabijheid der
kust, overblijven. Dat er gebrek aan levensmiddelen zou komen,
behoefde men niet te vreezen. Toen het weder zich weer in hun voordeel
veranderd had, zette men den tocht voort en aan de monding van de
rivier de Pioera besloot Pizarro een fort te bouwen en daar eene
Kolonie achter te laten. Het fort kreeg den naam van San-Miguel de
Pioera, en het kan de eerste Spaansche stad in Peru genoemd worden.

Een der Peruanen uit Toembez had met Pizarro de reis naar Spanje
medegemaakt, vrijwillig zeiden we. Nu ja, Pizarro had hem niet
gedwongen, maar Felipillo, zoo heette de man, had wat op zijn geweten,
en zou door Inka Atahualpa hoogstwaarschijnlijk niet zoo heel
vriendelijk behandeld zijn. Deze Felipillo nu was met den anderen
Peruaan alweer bij Pizarro aanboord. Beiden hadden in dien
tusschentijd voldoende Spaansch geleerd om als tolk op te treden, en
van hen had Pizarro later vernomen, dat er een burgeroorlog in het
Inka-rijk woedde en wel tusschen twee Kroon-pretendenten. Hier te
San-Miguel nu hoorden de tolken, dat Inka Atahualpa, na eerst het
onderspit gedolven te hebben, thans weer overwinnaar was en dat hij
zijn' broeder, Inka Huascar, die zijn tegenstander was gevangen hield.
Verder werd er verteld, dat Atahualpa met zijn overwinnend leger een
kamp in het gebergte betrokken had, niet ver van de staat Caxamalca,
om in een' volgenden veldtocht de laatste aanhangers van zijn' broeder
te onderwerpen.

Zoodra Pizarro dit alles hoorde, nam hij het stoute besluit om Inka
Atahualpa in zijn kamp een bezoek te brengen. Daar hij even vóór zijn
vertrek weer versterking van manschappen en krijgsmaterieel uit Panama
ontvangen had, kon hij eene voldoende bezetting achterlaten in het
kleine fort om met de overige mannen den stouten tocht te ondernemen.
En wel mocht die tocht stout, zoo niet meer genoemd worden. Zijn
geheele leger bestond uit slechts zevenenzestig ruiters, honderdtien
lansknechten, zeventien boogschutters en drie musketiers benevens
eenige kleine kanonnen, en uit hetgeen Pizarro van Felipillo begrepen
had, kon de Inka gemakkelijk tegenover één Spanjaard duizend Peruanen
stellen. Het zou dan ook groote dwaasheid geweest zijn om met dit
legertje Peru door een' oorlog te veroveren, en Pizarro, die niet
alleen een geboren Veldheer, maar ook een geboren Staatsman was, had,
zooals we weten, een heel ander plan.

Met behulp der tolken werd men overal zeer vriendelijk en voorkomend
ontvangen, wat niet te verwonderen was, want het bevel van Pizarro,
dat niemand eenig geweld mocht plegen, werd stipt gevolgd. Ook hier
waren, even als elders in de Nieuwe Wereld, de ruiters het voorwerp
van verbazing en vrees, want nimmer had men het veelgebruikte
kameelschaap afgericht tot het dragen van een' ruiter, en de forsche
paarden met hunne fiere gestalte maakten op sommige plaatsen zooveel
indruk, dat men gouden sieraden, als een offer, voor hen neerlegde. Na
eene lange en afmattende reis, omdat de kanonnen moeielijk te
vervoeren vielen en men ze toch niet wilde achterlaten, kreeg men, op
eenige dagreizen afstands van Caxamalca, bezoek van enkele Afgezanten,
die de vreemdelingen namens den Inka welkom heetten en hun eenige
geschenken aanboden. Pizarro ontving de Gezanten vriendelijk en zond
hen met enkele voorwerpen van Europeesch maaksel, als een geschenk
voor den Inka, terug. Toen men eindelijk te Caxamalca aankwam, was het
half November geworden. Pizarro vond de groote en schoone stad geheel
verlaten en zond nu zijn' broeder Hernando, aan het hoofd van eenige
ruiters, naar het Peruaansche kamp om den Inka vriendelijk uit te
noodigen een mondgesprek te willen komen houden met den Veldheer van
den machtigen Keizer uit verre landen.

Het kamp van Atahualpa kon uit Caxamalca gemakkelijk gezien worden, en
één blik erop was voldoende om elken avonturier den schrik om het hart
te doen slaan. Gelegerd tegen de hellingen van het gebergte, was het
kamp niet te overzien. Duizenden en duizenden soldaten bewoonden daar
tenten, die met de meeste orde opgeslagen waren, en nergens was iets
te ontdekken, dat op gebrek aan krijgstucht wees. De soldaten waren
goed gewapend en uit alles bleek, dat ze ook aan eene soort van
exercitie onderworpen waren en den oorlog voerden naar krijgsregelen.
Wat moest men hier beginnen? Pizarro zou het zijn volk duidelijk
maken, en hij had het voorbeeld van Cortez in zijn voordeel. Het was
een waagstuk den Inka gevangen te nemen, dat gevoelde ieder, maar àls
het plan gelukte, dan zou men alles gewonnen hebben, geloofde men
algemeen. Eindelijk kwam Hernando Pizarro met zijn gevolg terug en hij
bracht het bericht mede, dat de Inka den volgenden dag in persoon
komen zou, doch meteen was er het bevel bij om in Caxamalca slechts
eenige huizen, aan een groot plein gelegen, te mogen betrekken. Dat
Inka Atahualpa een zeer trotsch man was, die hen uit de hoogte
behandeld had, vertelden zij ook, en deze mededeeling was niet zeer
geschikt om den Inka de hoogachting van de Spanjaarden te verzekeren.

Met eene zekere onrust verbeidde men nu den volgenden dag, den
zestienden November van het jaar 1532. Deze datum zou een der
merkwaardigste worden in de geschiedenis der Nieuwe Wereld.

[Illustratie: ATAHUALPA, Inka van Peru. (Geworgd 19 Aug. 1533.)]

Reeds een groot gedeelte van den dag was verloopen en men begon al te
vreezen, dat de Inka geen woord zou houden, toen men eene groote
beweging in het Peruaansche kamp gewaar werd. Aan het hoofd van eene
kleine afdeeling van zijn leger werd de Inka, getooid met al de
versierselen van zijne waardigheid, op een' massief gouden stoel
gedragen door de voornaamste Edelen, allen op het sierlijkst
uitgedost. De »kleine« legerafdeeling bestond evenwel uit niet minder
dan dertigduizend man en hieruit laat zich de sterkte van het heele
leger gemakkelijk begroeten. Met een gevolg van slechts vijfduizend
ongewapende mannen kwam hij in de stad; de overigen moesten buiten
blijven. Tot groote verbazing van den Inka was nergens een Spanjaard
te zien. Vol verontwaardiging over zulk eene ontvangst riep hij uit:
»Waar zijn dan nu de vreemdelingen?« toen een Geestelijke verscheen en
op den Inka toetrad. Crucifix en Brevier in de handen houdende, begon
de Geestelijke terstond voor den Inka het Evangelie te prediken, doch
het slot was, dat de Inka zich diende te onderwerpen aan het gezag van
den machtigen Keizer Karel en dat hij zich moest laten doopen en
Christen worden. Deze toespraak, door een' tolk, zin voor zin,
vertaald, maakte aanvankelijk op Atahualpa, die er waarschijnlijk al
zeer weinig van begreep, den gewenschten indruk niet. Het slot evenwel
begreep hij zooveel te beter en vol van verontwaardiging gaf hij ten
antwoord dat hij, de machtigste Vorst der Wereld, aan geen' enkelen
anderen Vorst zich wilde onderwerpen. Was deze tevreden met zijne
vriendschap, dan was hij bereid hem die aan te bieden. Wat het
aannemen van een' anderen godsdienst betreft, hiertoe was hij in het
geheel niet te bewegen, en hij begreep niet, wie of wat den Priester
den moed had kunnen geven om zoo tot hem te spreken.

»Dit boek beveelt het mij,« zeide de Priester.

Atahualpa nu het Brevier in handen nemende, hield het tegen het oor,
en geene spraak hoorende, wierp hij het met een verachtelijk gebaar op
den grond en zeide: »Dit boek zegt niets.«

Die onnoozele daad van Atahualpa rijmt niet zeer met de hooge
beschaving der Peruanen en ze vereischt derhalve eenige opheldering.

De beschaving in Peru kende de kunst wel om gedachten in zichtbare
teekenen uit te drukken. Wanneer een Peruaan dat wilde doen, nam hij
een koord van ongeveer zeven deci-Meter lengte. Het was uit
verschillend gekleurde draden gevlochten en bevatte bovendien ook
verschillend gekleurde franje. Nu had de kunst bedacht om door het
kiezen van de kleur en de rangschikking der draden en der franje
zoowel als door het leggen van knoopen in het koord, zichtbare figuren
aan te nemen om er gedachten door uit te drukken. Dit kan wel; men
denke slechts aan het oude, telegraphische schrift, dat bestaat uit
punten en strepen, die letters vervangen. Het schrift der leessnoeren,
die den naam droegen van »Quippos« was echter veel gebrekkiger en veel
ingewikkelder dan het genoemde telegraphisch schrift, zoodat het niet
te verwonderen valt, dat alleen Inka's, leden van zijn geslacht,
Priesters en Edelen de »Quippos« lezen konden. Van boeken had men
derhalve geen begrip, en nu we dat weten, wordt de handeling van den
Inka minder onnoozel.

De Priester, die waarschijnlijk gehoopt had, dat zijne prediking in
goede aarde zou vallen, raapte zijn Brevier op, liep naar het vertrek
waar Pizarro zich bevond en deelde hem, vol geloofs-verontwaardiging,
mede, wat de Inka gedaan had. Zulk eene daad moest gestraft worden.

Pizarro schijnt echter wel geweten te hebben hoe de zaak afloopen zou;
dat blijkt uit alles. Hij gaf het afgesproken teeken; de Spanjaarden
kwamen te voorschijn; de musketten knalden; de kanonnen donderden en
onder het geroep van: »Santiago! Santiago!« viel men de verschrikte en
ongewapende Peruanen aan. De ruiters, de kanonnen en de musketten
deden wonderen. Men dacht aan geen tegenweer en wat niet vluchten kon,
liet zich dooden. Het was een verschrikkelijk bloedbad waarmede aan
den avond van dien dag de verovering van het machtige Inka-rijk in de
straten van Caxamalca een' aanvang nam.

Het eerste werk van Pizarro was geweest om Atahualpa gevangen te
nemen. Hij bracht hem in een groot huis en behandelde hem met de
achting aan zijn' hoogen rang verschuldigd. Hij stond zelfs toe, dat
zijn eigen mannen hem bedienden en dat hij met de Edelen en
Bevelhebbers van zijn leger mondelinge gesprekken had om zijne bevelen
te geven. »Quippos« echter mochten door hem niet verzonden worden, en
bij elk gesprek, dat hij hield, was Felipillo tegenwoordig en daar
deze tegen den Inka eene grief had, zoo behoefde Pizarro niet te
vreezen, dat hem wat van het onderhoud zou verzwegen worden.

De tijding dat Atahualpa door de vreemdelingen gevangengenomen was,
maakte in heel het Peruaansche Rijk een' ontzettenden indruk.

Kort geleden had eene zons-verduistering plaats gehad, en waar nu de
Peruanen in de Zon hun' Hoofdgod hadden, daar behoeven we niet te
vragen, welke droevige voorspellingen er naar aanleiding van die
verduistering gedaan werden. Het is nog niet eens zoovele jaren
geleden, dat in de Christelijke maatschappij zons- en
maansverduisteringen, als voorboden van onheilen en rampen beschouwd
werden. De voorspellingen waren ditmaal uitgekomen; de Inka's, die
elkander beoorloogden, waren beiden gevangen. Men gevoelde het: Peru
stond aan den vooravond eener vreeselijke revolutie. De Spanjaarden
konden nu doen, wat zij wilden: stelen, rooven, moorden, branden,
vrouwen en meisjes mishandelen; men liet hen begaan, want men vreesde,
dat de geringste mishandeling, die een Spanjaard onderging, gewroken
zou worden op den Inka. De Spanjaarden maakten hiervan een schandelijk
misbruik en Atahualpa zag zeer goed in, dat goud het eenige middel was
om hem zijne vrijheid te doen herkrijgen. Hij bewoonde een vertrek van
bijna tien Meter lengte en vijf Meter breedte, en nu deed hij Pizarro
het voorstel om dit vertrek, ongeveer drie Meter hoog, binnen twee
maanden met goud te vullen, als hij dan zijne vrijheid terugkreeg.
Pizarro bedacht zich geen oogenblik en nam het voorstel aan, wel
wetende, wat hij doen zou, als de losprijs er was. Van alle kanten
kwam men nu met goud aandragen, doch eer de bepaalde hoeveelheid er
was, begon men het al tot baren te smelten en te verdeelen. Veilig mag
men berekenen, dat de waarde van dien losprijs twintig millioen gulden
bedroeg. Het leeuwendeel van dat goud was natuurlijk voor Koning
Karel, Pizarro, Almagro, De Luque, De Espinosa en de Bevelhebbers,
doch dat nam niet weg, dat zelfs de minste lansknecht door zijn deel
een rijk man werd. Velen verbrasten den gemakkelijk verkregen schat,
doch enkelen wilden nu terug. Pizarro hield deze laatsten niet tegen
en gaf hun gaarne verlof. Hij begreep wel dat één rijk teruggekeerde
avonturier er tien of twintig bewegen zou om naar Peru te komen. Zijne
berekening faalde niet, want heel Spanje was in rep en roer bij het
vernemen van den gouden oogst; ieder wilde daar gaan maaien en oogsten
van hetgeen hij niet gezaaid had.

Atahualpa, die wel inzag, dat hij met zijn' losprijs nooit klaar zou
komen, meende evenwel nu al genoeg betaald te hebben en drong thans op
zijne vrijheid aan. Vele edeldenkende Spaansche Ridders ondersteunden
het billijke voorstel. Een zekere Don Hernando De Soto was voor die
Ridders de woordvoerder. Dit voorstel aan te nemen lag niet in het
plan van Pizarro, en daarom wendde hij het over een' anderen boeg.
Onder den schijn van de zaak tusschen Atahualpa en Huascar te willen
onderzoeken, had hij Atahualpa voorgesteld om Huascar uit de
gevangenis te ontslaan en bevel te geven, dat men hem naar Caxamalca
zou brengen. Atahualpa had hierin echter geen' lust, want ongetwijfeld
zou Pizarro, zoo meende hij, Huascars rechten erkennen, en wat er dan
gebeuren zou, was hem geen raadsel. Inplaats dus van bevel te geven
Huascar te ontslaan en naar Caxamalca te voeren, beval hij, dat men
hem in de gevangenis dooden zou en dit geschiedde ook. Toen nu
Felipillo nog verklaarde dat de Inka eene samenzwering smeedde tegen
het leven der Spanjaarden, werd Atahualpa, beschuldigd dat hij zijn'
broeder had laten vermoorden, dat hij eene samenzwering tegen de
Spanjaarden smeedde en dat hij volhardde in zijn Heidensch geloof,
door Pizarro's rechtbank veroordeeld om levend verbrand te worden.

Bij het hooren van dit vreeselijke vonnis verloor de arme Vorst al
zijn' moed en zijne geestkracht. Bijna weenend smeekte hij om het
behoud van zijn leven, en als men het hem schonk, dan beloofde hij nog
dubbel zooveel goud te geven, als hij voor zijn' losprijs reeds
betaald had. Pizarro, die nu gedurig versterkingen in soldaten,
musketten en kanonnen gekregen had en dus zoo zwak niet meer stond als
in het begin, sloeg dat aanbod af en was alleen te bewegen om den dood
op den brandstapel door eene andere straf te vervangen, als de Inka
Christen worden en den doop ondergaan wilde. De Inka, geheel
ontmoedigd en van alle fierheid en geestkracht beroofd, stemde toe.
Hij nam het Christendom aan, liet zich doopen en--werd geworgd. Het is
zoo natuurlijk als iets, dat de dood van Atahualpa, die gestorven was
zonder omtrent de opvolging eenige beschikking gemaakt te hebben, de
grootste wanorde te voorschijn roepen moest. Een Inka werd niet
gekozen door Priesters van de Zon, door Edelen of Krijgsbevelhebbers.
Een Inka volgde eenvoudig op, en als dat de oudste zoon uit het
voorgeschreven huwelijk niet was, dan was het een broeder of ander
familielid van den overledene. Maar welke gevallen van opvolging zich
ook mochten voordoen, Priester noch Edelman of Volkskind liet er zich
mede in; het was eene zaak, die enkel het geslacht van Manco Capac
aanging. Thans was er ineens in het regeeringsstelsel eene verbazend
groote verandering gekomen. Wat de stok doet, dien men door het
spinneweb slaat, dat had de hand van Pizarro met het geslacht der
Inka's gedaan, en letterlijk was hier het Bijbelwoord van toepassing:
»Ze dwalen als schapen, die geen' herder hebben.« Aan dien toestand
wilde Pizarro een einde maken. Hij zou den Inka benoemen en hem even
als Atahualpa bij zich en onder zijn rechtstreeksch toezicht houden.
Een broeder van Huascar werd gevonden en deze heette ook Manco Capac,
doch als Pizarro had gemeend in dezen jongen Vorst een werktuig te
vinden, dan had hij zich vergist. Na het in bezit nemen van Cuzco, de
oude hoofdstad van Peru, waar de Spanjaarden alweer opgestapelde
schatten vonden, deed Pizarro Manco Capac kronen. Toen dit geschied
was, liet hij den Inka te Cuzco, welke stad door een' Spaanschen Raad
zou bestuurd worden, en zelf trok hij met een groot deel van zijn
leger uit, om, in de nabijheid der zee, eene andere hoofdstad van de
Kolonie te stichten, dewijl Cuzco te diep in het binnenland gelegen
was, wat, met het oog op de verbinding met Spanje, op den duur te
lastig was. In eene heerlijke landstreek stichtte hij nu, dicht bij
den Stillen-Oceaan, zijne hoofdstad en noemde die »Ciudad de los
Reyes,« wat »Stad der Koningen« beduidt. Naar den kuststroom Rio Lima,
aan welks oevers ze gelegen is, kreeg ze later den naam van Lima.

Thans begon Pizarro zich met alle macht en kracht toe te leggen op de
verdeeling van het land, en hoeveel men hem, helaas, ten laste leggen
moet, hij toonde een »organiseerend talent« te hebben, als slechts
weinigen. Met krachtige hand voerde hij de teugels van bewind, en
handel, nijverheid en landbouw konden overal en altijd op zijne
krachtige ondersteuning rekenen, maar--alles ten voordeele der
Spanjaarden. Aan de belangen der millioenen Peruanen werd niet
gedacht, en hun grond, het »Staatseigendom«, werd eenvoudig aan
Spanjaarden gegeven, want van die oude grondverdeeling wilde Pizarro
niets weten. Daar de heele Inka-regeering met dat algemeene grondbezit
alleen bestaanbaar was, zoo gevoelde de Inka, dat hij, wilde hij in
handen der Spanjaarden geene ledepop zijn, iets doen moest om hieraan
een einde te maken. Hij wist de waakzaamheid van den Spaanschen Raad,
waaronder Pizarro's broeders Gonzalo en Juan waren, te verschalken,
ontvluchtte Cuzco, en stelde zich aan het hoofd zijns Volks.

Wie herinnert zich niet de laatste bedrijven van den Fransch-Duitschen
oorlog van 1870-71? Wie gevoelde geene warme sympathie voor den
Franschman? Geen militie-plichtig of gehuurd leger was het, dat onder
den dapperen Generaal Baptiste d' Aurelle de Paladine aan de Loire
streed. Het waren nu de zonen des Volks, die hun hartebloed wijdden
aan de verdediging van hun' geboortegrond, en--geen heftiger
tegenstanders hadden de Duitschers dan deze Patriotten.--Zoo ging het
ook in Peru. Onder aanvoering van den dapperen en beleidvollen Manco
Capac aanvaardden de Peruanen den strijd tegen hunne onderdrukkers en
overweldigers. Het scheen zelfs, dat het lot hun gunstig was, want
weldra brak ook onder de Spanjaarden een broederoorlog uit. Almagro,
die, en niet ten onrechte, meende dat hij aan de verovering van Peru
een even groot aandeel had als Pizarro, kon het niet verkroppen, dat
deze laatste alle macht en gezag aan zich trok. Wel had Koning Karel
hem tot belooning van zijne diensten benoemd tot Stadhouder van de
Zuidelijke gewesten van Peru, doch hiermede was Almagro niet tevreden.
Een tocht naar Chili, dat hij in 1535 ontdekte, leverde hem geene
voordeelen op. In den strijd tegen Pizarro om het bezit van de oude
hoofdstad Cuzco, moest hij het onderspit delven, en de man, die
zooveel gedaan had voor de ontdekking van Peru, werd, op last van
Pizarro's broeder Hernando, op bijna vijfenzeventigjarigen leeftijd in
de gevangenis geworgd en daarna onthoofd. Zoo eindigde de man, die in
1464 bij Almagro te vondeling gelegd was, zijn beroemd leven, dat
alleen, omdat het geketend was aan dat van Pizarro, van al te veel
bloedige tooneelen getuige was. Tijdgenooten noemen hem een edel man,
doch juist zou zijn edel karakter ook al zijn ongeluk geweest zijn,
als hij inplaats van Pizarro aan het hoofd der onderneming gestaan
had. Thans regeerde Pizarro zoo goed als oppermachtig Vorst, doch de
wraak sliep niet, al behaalde Pizarro op Inka Manco Capac, die zelfs
te paard zijne legers aanvoerde, de eene overwinning na de andere. Een
zoon van Almagro smeedde eene samenzwering tegen het leven van den
dwingeland, en deze werd nu op Zondag den twintigsten Juni 1541
vermoord. De regeeringloosheid van het land duurde niet lang, want
kort na Pizarro's dood kwam de nieuwbenoemde Onder-Koning Don Vaca De
Castro, die het land met beleid en zachtheid regeerde, doch daardoor
ook in Spanje den goud- en zilveraanvoer verminderde. Zulke mannen kon
men niet gebruiken, en zóó zag men te Lima, beurtelings onder dezen
dan dien Onder-Koning, het oude Inka-rijk langzaam, maar zeker ten
gronde gaan. Het mocht voor het geslacht van Manco Capac zelfs niet
baten, dat Sayri Capac in 1557 vrede met de Spanjaarden sloot en
afstand van de Regeering deed ten behoeve van Koning Filips van
Spanje, want in 1571 werd het geheele Inka-geslacht eenvoudig onthoofd
of geworgd. Het schoone en vruchtbare Chili werd in 1550 door Don
Pedro Valdivia onder het bestuur van Lima's Onder-Koning gebracht.

Terwijl Zuid-Amerika langs den Stillen Oceaan zoo in het bezit van
Spanje gebracht werd, trachtten de Portugeezen zich meester te maken
van de landen aan den Atlantischen Oceaan gelegen. Ze werden, we lazen
dit vroeger, ontdekt door Vincente Yanez Pinzon, doch na hem kwam er
de Portugees Pedro Alvarez De Cabral. Het was niet het doel van hem
geweest om dit land te naderen, doch op eene reis naar de Oost-Indiën
werd hij door storm hierheen geslagen. Hij nam deze kust voor Portugal
in bezit, en noemde ze »Terra da Vera-Cruz,« dat is »Land van het Ware
Kruis.« Later kreeg het naar het verfhout »pao do brazilia« den naam
van Brazilië. Onder de regeering van Koning Johan III van Portugal
hechtte de Paus zijne goedkeuring aan deze in bezitneming. Eerst in
1549 echter kwam er onder het bestuur van Don Thomas Da Souza, die
door Koning Johan tot Gouverneur aangesteld was, in de Koloniën eenig
leven van beteekenis, en tot eer van Portugal, dat toch óók een
Katholiek volk was, en alles deed, wat het kon om het Evangelie te
verbreiden, moet gezegd worden, dat de Koloniën zich in vrede
ontwikkelden, en dat er van een bloedvergieten als in Mejico, Peru en
Chili geene sprake was. Ongelukkig echter kwam Portugal in 1580 onder
den Koning van Spanje, en zoo werd Brazilië ook Spaansch. Het was voor
de Kolonie zoo goed als haar ondergang, want hoewel meest door
Portugeesche Stadhouders bestuurd, moesten dezen zich toch schikken
naar den zin en den wil van den Spaanschen Koning, die hun in de
Nederlanders vijanden bezorgde, die medetellen konden. De
Tachtigjarige Oorlog toch tegen Spanje, deed in Holland de later zoo
machtige Oostindische Compagnie in 1602, en in 1621 de Westindische
ontstaan. Deze Westindische Compagnie was het, die eerst onder
Admiraal Piet Hein, de Braziliaansche Koloniën fel liet bestoken, om
later, in 1630, Graaf Johan Maurits van Nassau, als Stadhouder naar
deze nieuwe Westindische bezitting te zenden. Eenendertig jaar lang
bleef Brazilië nu in het bezit der W. I. Compagnie, doch daar
inmiddels Portugal zijne zelfstandigheid als Koninkrijk weer herkregen
had, en de zaken der Compagnie in dat groote land niet naar wensch
gingen, zoo werd het in 1661 eenvoudig aan Portugal teruggegeven voor
eene som van ruim vier millioen gulden. Deze Compagnie, die al te veel
bedacht was geweest op groote uitkeeringen van winst, was daardoor in
schulden geraakt, en moest in hetzelfde jaar ontbonden worden. Wel
werd er terstond weer eene nieuwe opgericht, maar van deze ging
slechts een zwak leven uit, waaraan het wel toe te schrijven is, dat
onze Westindische bezittingen niet tot bloei geraakten en meestal
schadeposten waren, niettegenstaande de Kolonie Suriname, veel meer
dan de eilanden, die daar tot onze bezittingen behooren, rijke bronnen
van welvaart bevat.

Verlaten we nu Zuid-Amerika om een' blik te werpen op de noordelijke
helft der Nieuwe Wereld bekend onder den naam van Noord-Amerika.

Wij kwamen er reeds met de Noormannen langs de kusten tot bij de
plaats waar nu New-York ligt; met Juan Ponce De Leon en de Cabots in
Florida, en met Cortez in Mejico en Californië.

De omstandigheid, dat het verarmde Europa zooveel behoefte had aan
goud, mag wel oorzaak genoemd worden, dat de geschiedenis van
Noord-Amerika zulk een geheel andere is dan die van Zuid-Amerika. Wie
hier Koloniën stichten wilde, had heel wat anders te doen dan goud te
verzamelen. Slechts krachtige en nijvere handen, mannen bezield met
lust tot den arbeid en niet krachteloos gemaakt door een lui,
wellustig en weelderig leven, konden in dit gedeelte der Nieuwe Wereld
Koloniën stichten. Zoo kwamen hier onder de regeering van Koningin
Elisabeth, in 1585, de Engelschen onder Sir Walter Raleigh. Zij
vestigden zich op het eiland Roanoke, bij de kust van Noord-Carolina,
en Sir Walter gaf aan zijne Kolonie den naam van »Virginia« of »Maagd«
ter eere van zijne Koningin, die ongehuwd was. In 1606 echter begonnen
de Koloniën, die daar aangelegd waren, eerst van eenige beteekenis te
worden, daar Koning Jacobus I er op bedacht was om er geschikte
landbouwers en handwerkslieden heen te zenden. Deze Kolonisten waren
dus Planters, die hunne plantages slechts zeer langzaam naar het
binnenland uitbreidden. Met het musket op den schouder en pistolen en
dolken in den gordel, bebouwden ze het land, dat ze in bezit genomen
hadden, telkens aangevallen en verontrust door de Indianen, die wel
ruw en onbeschaafd waren, doch niet, als Azteken en Peruanen, door een
weelderig leven verzwakt waren geworden. De strijd om het bestaan werd
daardoor voor de Planters een felle strijd, en iemand, die gaarne
klakkeloos rijk wilde worden, zocht allerminst de Noordamerikaansche
wouden en prairiën op. Kloeke mannen, kerels waar pit in zat, waren
die Engelsche Planters.

Weldra zouden ze eene zeer gewenschte versterking ontvangen ook in
lieden, die terwille van den Godsdienst hun land verlieten. Koning
Jacobus I, die gaarne de rol van groot godgeleerde speelde, begon al
heel spoedig na zijne troonsbeklimming de
Presbyterianen,--Protestanten, die zich tegen de Bisschoppelijk
Protestantsche Kerk verzett'en,--te onderdrukken en te vervolgen. Zijn
zoon, Koning Karel I, was als zijn Vader, een heftig tegenstander van
de Presbyterianen, en tal van dezen nu namen de wijk naar de
Noordamerikaansche Koloniën, waar ze met open armen ontvangen werden,
als ernstige mannen, die vast besloten hadden, in het aangenomen
Vaderland zich eene positie te veroveren.

Het waren evenwel de Engelschen alleen niet, die Koloniën in
Noord-Amerika gevestigd hadden. Henry Hudson, een Engelschman, was in
dienst van onze Oostindische Compagnie getreden, en op zijne reis om
eene noordoostelijke doorvaart te vinden, ontdekte hij den derden
September 1609 het eiland Manhattan. Een deel der bemanning bleef hier
achter en stichtte er eene Kolonie, die weldra uit het Vaderland de
noodige versterking ontving. Er werd nu een fort gebouwd, dat den naam
kreeg van »Nieuw-Amsterdam«. De Kolonie nam, in korten tijd, in omvang
toe, en het fort werd een zeer welvarend, echt Hollandsch stadje. Echt
Hollandsch was men ook te werk gegaan met het in bezit nemen van het
eiland, want men had het voor de som van vierentwintig dollars van de
Indianen gekocht. Die som moge bespottelijk klein heeten, het feit
blijft toch bestaan, dat de Nederlanders aan de Indianen den grond
maar niet eenvoudig met het recht van den sterkste ontnamen. Dat
koopen van grond hielden zij vol toen ze, ter uitbreiding van hunne
Kolonie, gronden aan de rivier de Delaware en het Staten-eiland noodig
hadden. Aan deze handelwijze zal het dan ook wel te danken geweest
zijn, dat de Kolonisten steeds in welvaart en macht toenamen, want de
Indianen dreven met hen gaarne handel in pelterijen, en waren er niet
op uit om hen te scalpeeren, als ze hen wat ver van hunne Kolonie
aantroffen. Nieuw-Amsterdam breidde zich steeds meer en meer uit, en
de welvaart nam met den dag toe. Doch wat gebeurde?

[Illustratie: Nieuw-Amsterdam of New-York vóór derdehalve eeuw.]

Met Karel II was het huis der Stuarts weer op den Engelschen troon
gekomen, en hoeveel Koning Karel ook aan de Nederlandsche Republiek te
danken had, hij bleef haar levenslang vijandig, en niet lang was hij
aan de Regeering, of hij verklaarde de Republiek den oorlog.
Schitterend werd deze zee-oorlog, vooral door het beleid van onzen
grooten De Ruyter, door de Republiek gevoerd, maar, de Kolonie
»Nieuw-Nederland«, zooals de Nieuw-Amsterdammers hun land noemden,
ging er bij verloren. Koning Karel II, wiens geldmiddelen steeds in
een' berooiden toestand verkeerden, moest zijn' broeder Jacobus,
Hertog van York, toch ook eenige inkomsten geven, en daar hij zelf
geen geld had, zoo gaf hij de Kolonie Nieuw-Nederland aan hem. Door
vier Engelsche fregatten werd deze streek in bezit genomen, en ter
eere van den nieuwen Vorstelijken eigenaar kreeg de stad den naam van
»New-York«. De Hollanders, die hier eigendommen hadden, en niet heel
erg bemoeielijkt werden, bleven er voor het grootste gedeelte wonen,
en nog altijd kan men in New-Yorks adresboek honderden namen vinden,
die of nog geheel Hollandsch zijn, òf tendeele hun' Hollandschen klank
behouden hebben. Hoe die afstammelingen van onze wakkere Voorvaderen
ons gezind zijn, blijkt uit tal van voorbeelden, en waar men nu
gedachtenis viert van Columbus' groote ontdekking, daar blijven de
New-Yorkers niet achter om ook de geschiedenis van hunne stad door den
druk algemeen bekend te maken, en de wijze waarop ze met lof spreken
van de kloeke stichters van deze wereldstad, kan ons tevreden doen
zijn en steekt scherp af bij de oordeelvellingen, die in den vreemde
ons land en volk meestal tendeel vallen. Trouwens van New-Yorks
grootheid en aanzien legden die Oud-Hollandsche familiën--er is geen
Amerikaan, die dat tegenspreekt--den hechten grondslag. Trotsch zijn
ze op hunne Oud-Hollandsche namen, en hoe hunne zeden en gewoonten in
den loop der tijden ook veranderd mogen zijn, zóó zelfs, dat zij geen
woord meer van onze taal verstaan, toch sluiten zij zich gaarne aaneen
om in de groote wereldstad eene vereeniging te vormen, waarin men,
stellig eenmaal in het jaar op het aartsvaderlijke Sinterklaasfeest,
nog eens op zijn Oud-Hollandsch feest viert, en een aanzienlijk aantal
hunner is, uit sympathie voor het geboorteland hunner Vaderen, lid van
de Leidsche »Drie October vereeniging«. Daar onder de leden van die
Vereeniging tal van mannen gevonden worden, die zeer vermogend zijn,
zoo wordt het duidelijk, dat zelfs de Engelsche Amerikanen rekening
houden met de leden van de »Hollandsche Club«.



HOOFDSTUK XIII.

DE EERSTE REPUBLIEK IN AMERIKA.


De omstandigheid, dat onder de Kolonisten van Noord-Amerika zeer velen
waren, die Engeland verlaten hadden om in vrijheid hun' godsdienst te
belijden, heeft in het karakter der Kolonisten eene zeer groote rol
gespeeld. Ze hadden waarlijk niet zoo heel veel redenen om een land te
beminnen, waar voor hen en hun geloof geene plaats was, en steeds
waren ze er op uit om de Regeering van Engeland tegen te streven,
wanneer deze hen ook hier het leven bemoeielijkte. Dat ze er prijs op
stelden om althans hier God naar de inspraak van hun hart vrijelijk te
dienen, is duidelijk, maar even duidelijk is het, dat ze ook prijs
stelden op hetgeen ze met zooveel moeite en kosten hadden tot stand
gebracht. Veel wilden ze dulden, maar ten opzichte van het geloof en
handelszaken waren ze zeer prikkelbaar. Dit bleek helder als de dag in
1642, toen de Engelsche Regeering een algemeen handels-monopolie
eischte, waarop de Kolonisten van Virginië eenvoudig antwoordden, dat
ze niet genegen waren dat handels-monopolie te erkennen, omdat
»vrijheid van handel het bloed en leven is van een' Staat.« Men ziet
uit deze woorden dat de »freetraders«, die heden ten dage nog zoovele
pennen in beweging brengen en zoovele hoofden warm maken, niet van
vandaag of gisteren zijn.

Met zulk een handelsbeginsel en zulk een Republikeinsch streven kon
het den Kolonisten in Noord-Amerika natuurlijk niet welkom zijn, toen
in 1664 de verschillende Koloniën meer rechtstreeks onder den invloed
der Engelsche Regeering kwamen. Wel toonde deze laatste aanvankelijk
het zoo heel kwaad niet te meenen. Zij trachtte door schenkingen en
giftbrieven van allerlei aard aan de Koloniën eene soort van
staatkundige onafhankelijkheid te verleenen. Aan de eene Kolonie
schonk zij dit en aan de andere dat voordeel, en daar vele Koloniën
later Staten werden, zoo kwam het, dat er tusschen deze Staten
onderling dikwijls tweedracht en twist ontstond. Die twisten wilden de
Staten liever onder elkander uitmaken, doch de Engelsche Regeering
begreep dit anders, en trad tusschenbeiden door gegeven voorrechten op
te heffen, wat natuurlijk van de zijde der Kolonisten tot
ontevredenheid aanleiding gaf. Zoo waren de verschillende Koloniën of
Staten telkens in botsing met de Regeering, en daar zij zich sterk
uitbreidden, kwamen ze ook menigmaal in verzet. Onderwerping was dan
meestal het geval, omdat ze te zwak waren om zich tegen Engelands
macht te verzetten. Dat men zich slechts noode onderwierp, ligt in den
aard der zaak. Om hunne belangen krachtiger te kunnen behartigen,
hadden de Kolonisten van Connecticut, Rhode Island, New Hampshire,
Vermont en Maine in 1643 een verbond met elkander gesloten, dat den
naam kreeg van »Unie der Koloniën van Nieuw-Engeland«. Was het vooral
gericht tegen de Nederlanders en Franschen, die zich op hunne kosten
wilden uitbreiden, later gebruikte men die Unie toch ook tegenover de
onbillijke eischen van Engeland. Na den val van Koning Jacobus II, en
de verheffing van Willem van Oranje tot Koning van Groot-Britannië en
Ierland in 1688, kon men in de Amerikaansche Koloniën niet veel
verbetering in den toestand gewaar worden. Alles bleef bij het oude,
ja, het duurde niet lang, of men maakte zich vanwege de Regeering aan
handelingen schuldig, welke nieuwe grieven te voorschijn riepen.
Handel en nijverheid werden gesteund, ja, maar altijd in het belang
van Engeland, nimmer in dat van de Kolonisten.

»Vrijheid van handel is het bloed en leven van een Staat,« hadden de
Virginiërs reeds in 1642 gezegd, maar Engeland ging voort met die
stelling niet aan te nemen, en beperkte den handel op kleingeestige
wijze.

De »Acte van Navigatie«, door Cromwell in het leven geroepen, vooral
om den koophandel en de vrachtvaart van Holland te kortwieken, werd
ook hier toegepast, want in de verschillende havens mochten geene
andere schepen dan Engelsche binnenloopen.

Den handel werkten de Engelsche Regeering en het Koloniaal Bestuur
door allerlei hooge belastingen tegen, en het binnenlandsche verkeer
kwijnde onder tal van lastige en kleingeestige maatregelen.

Hadden de Kolonisten kleederen, gereedschappen, werktuigen of
voorwerpen van huiselijk gebruik noodig, dan mochten ze die uit geen
ander land laten komen. In Engeland moesten ze alles koopen en
verkoopen.

Dat drukte vooral op den landbouw en de nijverheid, die werktuigen en
gereedschappen noodig hadden. De ijzer-industrie mocht, wanneer het
ander werk beoogde dan gewoon smidswerk, niet gedreven worden, en
schandelijk genoeg maakten de Engelsche ijzer-fabrikanten hiervan
gebruik door hun fabrikaat met grove winsten aan de Kolonisten te
verkoopen.

Voor het verbouwen van suikerriet was de bodem in vele streken
uitnemend geschikt, maar wie dacht er aan om suiker-plantages aan te
leggen, waar de Regeering op de suiker-raffinaderijen zulke hooge
lasten legde, dat het verbouwen van suikerriet niets anders dan schade
opleverde?

Uit alles bleek het duidelijk, dat Engeland de Koloniën alleen
beschouwde als zijn' citroen, dien het met alle recht mochten
uitknijpen tot de pitten droog van tusschen de schillen vielen.

Wat Freiligrath van Ierland dichtte, zou met verandering van woorden
op de toenmalige Koloniën toegepast kunnen worden:

      »De visscher, herder, jager zien
        Beroofd de landstreek rond;
      Hier diep moeras, daar weel'gen, maar
        Nog onontgonnen grond.
      O, dit gedempt, en dien bebouwd...
        »Laat af! Gij zult niet!«--
                                  Hoe?--
    Niet aan den _Ier_ hoort de _Iersche_ grond
        Hij komt den _landheer_ toe.«

en die _landheer_ is dan een Engelschman, waarvan het snijdend scherp
heet:

    »En dan te _Londen_ of _Parijs_
      Er de opbrengst van verspeelt.«

Inmiddels was ook van eene andere zijde de toestand der Kolonisten
niet rooskleurig.

Hadden de Spanjaarden, zoo het volgens de overlevering heet, hoog ten
Noorden van den Amerikaanschen Archipel een land gevonden, waarvan ze
eenparig getuigden: »Aca nada!« dat is: »Hier is niets!« toch had
omstreeks 1500 een zekere Italiaan Giovanni Verragani, die in
Franschen dienst was, dit land, dat later den naam van »Canada« kreeg,
voor Frankrijk in bezit genomen. Frankrijk vond dat goed, doch deed er
niets mede, en honderd jaar moest er verloopen eer de eerste Fransche
Kolonie zich daar nederzette. Kardinaal De Richelieu was het, die wist
door te drijven, dat er zich een handels-genootschap vestigde, hetwelk
niet minder dan zestienduizend handwerkslieden en landbouwers
derwaarts brengen zou. Deze Fransche Kolonie nu, leverde door
landbouw-producten en pelterijen-handel groote voordeelen op, zoodat
de Kolonie zich steeds uitbreidde, en ten laatste in aanraking kwam
met de Engelsche Kolonisten.

Het was natuurlijk, dat nu de vraag geopperd werd waar de grenzen
waren tusschen de Fransche en de Engelsche Koloniën, en dit was maar
niet met een paar woorden uit te maken.

Over die grensscheiding ontstond een oorlog tusschen Frankrijk en
Engeland, die niet alleen in Europa, maar ook in Amerika gevoerd werd.

Het was voor de Engelsche Kolonisten werkelijk niet alles om goed en
bloed in dien strijd te wagen, en toch deden ze het, en wel met zulk
een' goeden uitslag, dat Frankrijk in 1763 Canada aan Engeland
afstond, welk Rijk deze veroverde Kolonie als een zelfstandig geheel
beschouwde en geheel van de andere Koloniën afscheidde.

De man, die had weten te bewerken, dat de Engelsche Kolonisten zich in
dezen oorlog zoo wakker weerden, was William Pitt, de beroemde
Staatsman, die echter in de oogen van Koning George III geene genade
vinden kon. Te vergeefs was het, dat Pitt zich beijverde om aan de
Engelsche Koloniën, ter belooning voor hunne onwaardeerbare diensten
in den oorlog tegen Frankrijk, eene eigen Wetgeving en een eigen
Bestuur te verleenen. De stijfhoofdige Koning wilde, opgestookt door
lieden, die Pitt's tegenstanders waren, hiervan niets weten. Hij wilde
in die Koloniën niets anders zien dan een winstgevend bezit. Ware het
daarbij nu nog maar gebleven, wellicht dat men in de Koloniën zou
gezwegen hebben. Maar Koning George had nog andere plannen. De oorlog
tegen Frankrijk had Engeland een' schat van geld gekost, en om de
rente van de nieuwe staatsschulden te kunnen betalen, besloot hij de
belastingen in de Koloniën te verhoogen.

Was het wonder, dat deze Vorstelijke willekeur alle Kolonisten in
verzet bracht tegen de Regeering? Toch bleef het verzet lijdelijk, en
bepaalde het zich alleen tot gemor. Minder lijdelijk verdroegen ze de
verklaring van den Minister, in het Parlement gegeven, dat de
Koloniale Staten zich onvoorwaardelijk onderwerpen moesten aan de
uitspraken van Kroon en Parlement. In vinnige geschriften en vurige
redevoeringen werd dit recht van Kroon en Parlement betwist.

Koning George, die het er inderdaad op scheen toe te leggen om den
opstand der Koloniën in het leven te roepen, voerde nu eene zegelwet
in, die niemand begeerde, en hij liet ook bekendmaken, dat de
Kolonisten verplicht waren aan de Koninklijke troepen huisvesting en
verpleging te verschaffen, waar en wanneer de Koning zulks begeerde.

Het was een tijd van gisting in Europa, en de »onschendbare rechten«
van den mensch vonden hare predikers in James Otis, John Adams, en
vooral in den Franschen wijsgeer Jean Jacques Rousseau.

Met de geschriften en prediking van die mannen bleef men in de
Amerikaansche Koloniën niet onbekend. Allerwegen verrezen
vereenigingen van »Vrijheidszonen«, die zich ten doel stelden om als
Apostelen van de onschendbare rechten van den mensch op te treden. Te
midden van dien algemeenen tegenstand verordende de Koning de
invoering der zegelwet, doch men moest dit nalaten, omdat de zegels
gestempeld moesten worden, en er niemand was, die zich aanbood om de
betrekking van stempelaar te aanvaarden.

Met elken dag werd de toestand steeds meer gespannen.

In December 1773 liepen te Boston eenige overmoedige Kolonisten, die
zich als Indianen verkleed hadden, een Engelsch schip af. Het was met
thee geladen, en de heele lading, die eene waarde had van ruim twee
ton, werd in zee geworpen.

Deze handeling was de ouverture van het heele spel.

Boston werd door de Regeering in staat van beleg verklaard, en eenige
regimenten werden naar de Kolonie gezonden om de inwoners van Boston
te straffen, en de oproerige menigte tot zwijgen te brengen. Een adres
aan de Regeering, om het gebeurde niet zoo hoog op te nemen, werd
eenvoudig terzijde gelegd. Dit ging den Kolonisten te ver, en in
September 1774 kwamen de vertegenwoordigers van twaalf Koloniën of
Staten bijeen om den toestand te bespreken en dan onder elkander uit
te maken, wat er gedaan moest worden. Het was het eerste Congres der
Revolutionnairen.

De besluiten, die genomen waren, konden zeker niet strekken om eene
verzoening met het Moederland tot stand te brengen, want ze waren zoo
vijandig mogelijk, ja, er werd eenvoudig besloten, dat men, als
zelfstandig land in het Koninkrijk, zitting en stem in het Parlement
hebben zou, en zoo lang de Regeering weigerde aan dien eisch te
voldoen, zoo lang zou men ook alle verkeer met Engeland afbreken.

De teerling was geworpen; de opstand in de Kolonie was uitgebroken.

Men kon in die dagen nog mannen huren, die er het ambacht van soldaat
op nahielden, en er waren ook wel enkele Duitsche Vorsten, die hunne
soldaten aan een' vreemden Koning tegen eene billijke vergoeding, die
de Vorsten in den zak staken, afstonden.

Koning George wist zoo eenige regimenten van die geoefende
vechtersbazen te bekomen en zond ze naar Amerika. In het eerst scheen
het, dat de ongeordende troepen »Vrijheidszonen« het op de gehuurde
soldaten winnen zouden, doch weldra bleek het, dat orde en tucht onder
die »Vrijheidszonen« al te veel ontbraken, zoodat de huurbenden niet
zooveel moeite hadden om de overwinning te behalen. De eerste
nederlaag van aanbelang leden de opstandelingen bij Bunkershill. Thans
was goede raad duur. Wat moest men doen?

In dien dreigenden toestand verscheen een redder in den persoon van
den Kwaker, George Washington, die op het tweede Congres, dat de
opstandelingen hielden, den tienden Mei 1775, tot Opperbevelhebber
over het leger benoemd was geworden. Weinig beroemde mannen zijn er,
die zóó de algemeene achting van vriend en vijand genoten hebben, als
deze George Washington, eene der beminnelijkste historische figuren
uit de achttiende eeuw, de Wilhelm Tell van Amerika. De nederlaag bij
Bunkershill had hij niet kunnen beletten, en evenmin kon men hem
aansprakelijk stellen voor den noodlottigen winterveldtocht van
Montgomery tegen Canada, in November 1775. Zijne heele aandacht was
gevestigd op de geduchte toebereidselen, die Engeland maakte om door
kracht van wapenen den opstand ineens te onderdrukken. Engeland zond
veertigduizend man geoefende troepen, en hiertegen over kon Washington
slechts zeventienduizend ongeoefende plaatsen. Washington deed, wat
hij kon, maar was aanvankelijk niet gelukkig. Dit belette evenwel
niet, dat de opstandelingen minder dan ooit eraan dachten om het hoofd
in den schoot te leggen. Integendeel, dertien Staten of Koloniën
gingen verder dan ze reeds gegaan waren, en op een nieuw Congres
verklaarden ze zich onafhankelijk van Engeland, en namen den naam aan
van »Vereenigde Staten van Noord-Amerika.«

Dit gedenkwaardig besluit werd genomen den vierden Juli 1776, en--de
eerste Republiek in Amerika was gegrondvest.

Zwaar, ontzaglijk zwaar viel de strijd, maar Washington bezielde
alles, zelfs na eene nederlaag, en waar hij in de Koloniën alles deed
om de zaak der vrijheid te doen zegevieren, daar was zijn vriend
Benjamin Franklin buiten de Koloniën in Europa bezig, om de belangen
van de opstandelingen aan het Fransche Hof te bepleiten, en hij deed
dit met zulk eene warmte en met zóóveel overleg, dat Koning Lodewijk
XVI in 1778 de onafhankelijkheid van de Vereenigde Staten van
Noord-Amerika erkende. Spanje volgde met het sluiten van een
handelsverdrag met deze Vereenigde Staten, hetwelk vanzelf de
erkenning als Mogendheid inhield, het volgende jaar.

Bij deze erkenning van Frankrijk bleef het niet.

Dit mag ons verbazen van een' Koning van Frankrijk, doch we moeten
niet vergeten, dat Koning Lodewijk XVI gedreven werd door den wil van
het Fransche volk, dat doortrokken was van Rousseau's leer over de
onschendbare rechten van den mensch. Er heerschte in Frankrijk een
zelfde geest van verzet, als in de oproerige Engelsche Koloniën,
zoodat Koning Lodewijk genoodzaakt was te doen, wat met zijne
beginselen streed.

Den tienden Juli 1780 stapte een Fransch hulpleger van zesduizend man
op Rhode Island aan wal, om tegen de Engelschen op te trekken.
Generaal Rochambeau, die de Fransche troepen aanvoerde, stelde
Washington bovendien nog eene som van zestien millioen livres terhand,
welke ten deele door het Fransche volk geschonken, tendeele geleend
werden.

Stonden de zaken van Engeland al hopeloos vóór de Franschen hulp
zonden, nu zag ieder verstandig mensch terstond in, dat de Koloniën
onherroepelijk voor Engeland verloren waren.

Alleen Koning George wilde dat niet zien, en hield met eene
hoofdigheid, die het Rijk op millioenen ponden sterling te staan kwam,
den strijd nog anderhalf jaar vol, en men ging pas tot
onderhandelingen met de opstandelingen over toen een vrijzinnig
Ministerie »Rockingham-Shelburne« aan het roer kwam. Den dertigsten
November 1782 kwam er een verdrag tot stand, waarbij Engeland
voorloopig de onafhankelijkheid van de Vereenigde Staten van
Noord-Amerika erkende. Voor goed werd die onafhankelijkheid erkend bij
den vrede van Versailles in 1783.

Het was onmogelijk om in een boek van dit bestek waarin zoovele
gebeurtenissen moesten opgenomen en geschetst worden, over dezen
vrijheidsoorlog breedvoeriger te zijn. Deze oorlog is waard om door
ieder uitgebreider gelezen te worden, al ware het alleen om de twee
groote en schoone figuren, George Washington en Benjamin Franklin, in
hunne volle kracht te leeren kennen.

Geen wonder was het, dat de Vereenigde Staten, nu ze eenmaal, en zelfs
door Engeland, erkend waren, de handen ineen sloegen tot het ontwerpen
eener Constitutie, en toen volgens de bepalingen dezer Constitutie een
President moest gekozen worden, verbaasde niemand zich, dat George
Washington de uitverkorene was. Dat men verder de stad, waar de zetel
der Regeering gevestigd werd, »Washington« noemde, is verklaarbaar
voor iedereen, die gaarne aanneemt, dat dankbaarheid geene
vreemdelinge in de Vereenigde Staten is.--

De verschoonbare geest van verzet tegen de Europeesche Souvereinen
heerschte evenwel niet uitsluitend in de Engelsche Koloniën van
Noord-Amerika. Die geest doorreisde de heele Nieuwe Wereld, en
gaandeweg verklaarde, op het voorbeeld der Vereenigde Staten, de eene
Spaansche Kolonie na de andere zich onafhankelijk.

De geschiedenis van al die nieuwe Republieken te verhalen is
ondoenlijk, en wij willen volstaan met alleen eene opgaaf te doen van
de jaren waarin ze ontstonden.

Peru verklaarde zich onafhankelijk en werd eene Republiek in 1824;
Chili had zichzelf reeds in 1818 vrijgemaakt en tot Republiek
verklaard. Mejico was in 1824 eene Republiek geworden. Wat de andere
Republieken betreft, valt dit zeer moeielijk te zeggen, want geene
kaart waarop de staatkundige indeeling der landen afgebeeld is,
onderging zoovele malen eene verandering, als die van Middel-Amerika.

Van de Republiek Mejico dient evenwel nog wat vermeld.

Keizer Napoleon III, die eenmaal President van de Fransche Republiek
was, maar die zich tot Keizer van Frankrijk had weten te verheffen,
kon met geene goede oogen eene Republiek aanzien, en trachtte met de
verwikkelingen, die voortdurend in Mejico heerschten, zijn voordeel te
doen. Zich verbonden hebbende met een deel ontevreden Mejicanen, zond
hij, onder Bazaine, een Fransch leger naar het voormalige Azteken-rijk
en weldra was een groot deel van dat land veroverd. Nu wist Keizer
Napoleon een' broeder van den Keizer van Oostenrijk te bewegen om,
aanvankelijk onder het protectoraat van Frankrijk, Keizer van Mejico
te worden. Deze Aartshertog heette Maximiliaan en hij was een
innemend, vriendelijk en zachtmoedig man. Als zoodanig was hij reeds
ongeschikt om de Mejicaansche Keizerskroon te dragen. Zij werd hem
eene smartelijke doornenkroon, en na haar drie jaar gedragen te
hebben, kreeg de partij der revolutie de overhand, omdat Frankrijk
zijn' beschermeling zoo goed als aan zijn lot overliet, en de arme
Keizer werd den negentienden Juni 1867 gefusilleerd. Na dien tijd is
zijne ongelukkige Gemalin, Keizerin Charlotte, eene zuster van Koning
Leopold II van België, krankzinnig.

Merkwaardig is het, dat na de ontdekking van de Nieuwe Wereld en den
ondergang der oorspronkelijke Monarchale Rijken, in heel Amerika
slechts twee Keizerrijken geweest zijn, door Christen-keizers
bestuurd. Beiden werden het nog niet eens door vrije keuze, doch door
een' samenloop van omstandigheden.

Het Keizerrijk Mejico onder Maximiliaan hield zich slechts drie jaar
stand; vele jaren langer bleef het Keizerrijk Brazilië bestaan.

Nadat de W. I. Compagnie dit land aan Portugal verkocht had, bleef het
ook in het bezit van dat Rijk, doch toen Keizer Napoleon I in 1808 het
Portugeesche Koningshof tot wijken dwong, verlegde dit den zetel der
Portugeesche Regeering van Lissabon naar Rio de Janeiro, de hoofdstad
van de Kolonie Brazilië.

De komst van de Vorstelijke familie was voor de Kolonie, die bijna
altijd in kwijnenden toestand verkeerd had, van groote beteekenis. Er
ontstond een heel nieuw leven, want vele voorname Portugeezen, die in
Brazilië bezittingen hadden, maar nimmer, zoo lang ze in Portugal vrij
leven konden, er aan gedacht hadden om op die bezittingen te gaan
wonen, kwamen nu ook in Brazilië, dat eensklaps van Kolonie in een
Koninkrijk Portugal veranderd was, want over het Europeesche Portugal
had Koning Johan tijdens de Fransche overheersching natuurlijk niets
te zeggen. Toch bleef het land Brazilië heeten, zelfs toen Koning
Johan het in 1815 tot een Koninkrijk verhief, dat evenwel afhankelijk
zou zijn van het inmiddels herstelde Koninkrijk Portugal. De
Brazilianen wilden echter meer, en toen Koning Johan in 1821 naar
Lissabon terugkeerde, hield men niet op, of de Kroonprins Dom Pedro
moest, als Koning, achterblijven. Koning Johan gaf toe, doch eenmaal
weer in Lissabon zijnde, zond hij Dom Pedro bevel om naar Portugal te
komen. De Brazilianen echter meldden den Koning, dat men, als dit
bevel gehoorzaamd werd, terstond na het vertrek van Dom Pedro, de
Republiek zou uitroepen.

Dom Pedro besloot nu te blijven, doch verkeerde in het moeielijke
geval van heel dikwijls besluiten te moeten nemen welke lijnrecht
indruischten tegen de belangen zijns Vaders. De
Cortes-vergadering,--wij zouden zulk eene vergadering »Tweede Kamer«
noemen,--ging inmiddels steeds verder, en in 1822 verklaarde zij het
Koninkrijk Brazilië onafhankelijk van Portugal onder de regeering van
Dom Pedro, die met zijne Gemalin tot Keizer en Keizerin van Brazilië
uitgeroepen werd. In 1825 erkende de Koning van Portugal het
Keizerrijk Brazilië, doch het geleek er niet naar, dat de Brazilianen
nu tevreden waren. In 1831 zag Keizer Dom Pedro zich genoodzaakt
afstand van de regeering te doen ten behoeve van zijn' zoon, die hem
onder den naam van Dom Pedro II opvolgde, doch onder voogdijschap,
want hij was pas vijf jaar oud. Thans echter is Brazilië ook eene
Republiek. Dom Pedro II heeft jaren lang de Braziliaansche
Keizerskroon gedragen, en alleen door zijn buitengewoon helder
verstand, maar vooral door zijn vriendelijk en innemend karakter, kon
hij zich op den troon staande houden. Zijne langdurige regeering was
echter een even langdurige strijd van de Monarchale tegen de
Republikeinsche beginselen, en het einde was, dat hij in 1889, door
een' opstand, gedwongen werd om afstand van de regeering te doen. Daar
zijn eenig kind, de Infante Isabella, gehuwd met Hertog Lodewijk van
Orleans, Graaf van Eu, verre van bemind was, zoo dacht hij er niet
aan, ten behoeve van haar afstand te doen. Hij verliet, zonder dat
iemand hem eenige moeielijkheden in den weg legde, zijn Rijk en
vertrok naar Europa, en oogenblikkelijk werd nu in Rio de Janeiro de
Braziliaansche Republiek uitgeroepen.

Thans telt heel Amerika van Noord tot Zuid geene enkele Monarchie
meer; Amerika is het werelddeel der Republieken.



HOOFDSTUK XIV.

NA VIER EEUWEN.


Het jaar 1892 is een jaar van feesten waaraan de geheele beschaafde
wereld deelneemt.

Genua huldigt zijn' grooten zoon en Spanje viert schitterend feest ter
eere van zijn' grooten ontdekker.

Christophorus Columbus is de man van 1892.

Wie met zijn' tijd medeleeft, en wie dit boek en nog veel meer andere
boeken over hem en zijne ontdekking gelezen heeft, vraagt niet meer
»waarom?« want hij weet het, en stellig stemt hij in met het
kernachtige onderschrift van de plaat in »De Nederlandsche Spectator«
van den dertienden Augustus van dit jaar:

    »Voor vier eeuwen verwon Columbus 't kampioenschap der wereld.
    Wie onzer sportsmen slaat hem ooit in dit reuzen-record?«

Men moge denken over Columbus, zooals men wil; men moge de ontdekking
van Amerika eene ramp noemen voor de oorspronkelijke bewoners, de daad
blijft groot en grootsch, en de gevolgen van die daad waren
onberekenbaar voor het verarmde, maar krachtige Europa, voor de Nieuwe
Wereld zelve en--ook voor het Zwarte Afrika.

Europa heeft zich eeuwen lang verrijkt met den onnoemelijk grooten
schat van goud en zilver, gedolven uit de mijnen der Nieuwe Wereld, of
eenvoudig weggenomen uit tempels en paleizen. Met dat goud en zilver
deed Europa verbazend veel; het werd de bron van stoffelijke en
geestelijke welvaart. Maar ook het plantenrijk van Amerika heeft eene
ontzettende rol gespeeld, waar het zwarte slaven behoefde om den grond
te bebouwen, teneinde katoen, suiker, cacao en tabak te kunnen
oogsten.

De slavenhandel is thans afgeschaft, maar niet te tellen zijn de
Negers, die er de slachtoffers van werden. Voor Afrika werd dus in dit
opzicht, Amerika's ontdekking eene ramp.

Dit was evenwel niet de schuld van Columbus. De wijze waarop de
Spanjaarden en Portugeezen koloniseerden draagt de schuld van al de
rampen. En nog zijn de gevolgen van die slechte kolonisatie niet ten
einde. Wie van de Republiek Mejico steeds Zuidwaarts trekt, vindt
overal nog de nawerking van Spanjes gouddorst en bloedig bestuur. Men
heeft er, over het heele vasteland, Spanjes gezag afgezworen, maar
daarmede brak voor de ongelukkige landen de gouden eeuw van vrede en
welvaart niet aan. Integendeel, nu begon eerst de grootste ellende
voor de nakomelingen der Kolonisten.

Meer kwaad dan ooit de verdrukking van een' Koning deed, doen daar
thans de eer- en heerschzucht van de mannen, die zich, als President,
aan het hoofd van de groote en kleine Republieken stellen. Even als
ten tijde van Cortez en Pizarro wordt de dolk er gehuldigd, en ziet
een eerzuchtige geene kans om in eene Republiek den President te
verwijderen, teneinde in zijne plaats te komen, geen nood! Die
eerzuchtige vindt zijne partij en vestigt eene nieuwe Republiek, tot
hij op zijne beurt alweer verdrongen wordt door een ander.

Onder zulk staatkundig gemartel, dat steeds met burgeroorlog gepaard
gaat, kunnen handel, industrie, kunsten en wetenschappen met geene
mogelijkheid zich ontwikkelen. Al wat liefelijk en schoon is, wordt
verbannen, en al wat ruw en leelijk is, vat er post. Wordt de
wetenschap er beoefend, dan is het minder om het welzijn van het volk
te dienen, doch meer om te kunnen offeren op het altaar der laagste
hartstochten.

De toestand van heel Zuid-Amerika is treurig, en waren er geene
Republieken, als de Vereenigde Staten van Noord Amerika en Zwitserland
nu, was er niet eenmaal eene Republiek der Vereenigde Nederlanden
geweest, was er nu nog niet eene Fransche Republiek, die, trots hare
verdeeldheid, toch krachtig en welvarend is, dan zou men er toe komen
om den Republikeinschen Regeeringsvorm den slechtsten te noemen, die
er bestaan heeft en nog bestaat.

    »Och, waren alle menschen wijs
      En wilden daarbij wel,
    Deze Aarde was een Paradijs;
      Nu is ze vaak een hel.«

Zoo zong de gemoedelijke Camphuyzen een paar eeuwen geleden en hij
sprak daarmede eene groote waarheid uit. De menschen zijn, helaas,
niet allen wijs en willen niet allen wel, en hierin zit de groote
oorzaak van den ongelukkigen stand van zaken in de Amerikaansche
Republieken van Mejico tot Patagonië. Hoe verstandiger en edeler de
menschen zijn, hoe minder het er op aankomt, onder welken
Regeeringsvorm men leeft. Maar eeuwen lang zijn in de Spaansche
Koloniën de geesten uitgedoofd en was wetenschap er de uitbestede
wees. Eeuwen lang heeft men er het volk in een' staat van trotsche
domheid en verregaande onwetendheid gehouden. Toen de Peruanen geene
Inka's meer hadden, waren ze als dwalende schapen zonder herder. Maar
de geschiedenis van den val van het Inka-rijk is voor de Republikeinen
van Amerika te vergeefs geboekt geworden, want toen men het juk van
Spanje afwierp, was men niet instaat zichzelven te regeeren; de
overgang geschiedde te plotseling, en na de
onafhankelijkheids-verklaring heeft men den tijd niet gehad om door
goed onderwijs en eene uitmuntende opvoeding de hoofden te verrijken
en de harten te veredelen.

Dikwijls echter hangt alles af van één' man, die aan zulk een'
ongelukkigen toestand een einde maakt. Maar dat moet een man zijn met
een helder hoofd en eene ijzeren wilskracht, een soort van Pizarro,
maar veel beter nog, een soort van De Balboa. Jaren van rust zijn,
onder elken Regeeringsvorm, in een land noodig om het volk wijzer en
beter te maken. Scholen moeten er kunnen gebouwd en geld moet er voor
goed onderwijs kunnen besteed worden, zal er orde en welvaart zijn.

Of die tijd voor de ongelukkige Amerikaansche Republieken ooit komen
zal? Of ze, zooals een dagblad-correspondent zich onlangs uitdrukte,
nog lang zullen moeten bestaan »als afschrik voor de Europeanen, die
de Republikeinsche denkbeelden zijn toegedaan«? Wie zal het zeggen?
Wie waagt zich in deze aan eene voorspelling?

Zou de wetenschap, die tegenwoordig zulk eene hooge vlucht neemt, en
in onbegrijpelijk korten tijd verbazende veranderingen teweeg brengt,
ook eenmaal de booze hartstochten bedwingen en de menschen wijs maken?

Als dàt zoo is, dan zal die toestand spoedig genoeg veranderen, zelfs
zonder hulp uit de Oude Wereld. Het land, dat eenmaal Azteken en
Peruanen had, staat op het punt om aan de spits der beschaving te
komen; want wat Amerika vooral in zijne Vereenigde Staten, die bijna
voor iederen Europeaan »het Amerika« uitmaken, nu is, kan reeds ieders
verbazing wekken, en steeds neemt de wetenschap er hooger vlucht.
Zooals het oliezaad in een pas ingedijkten polder van goede klei veel
weliger en krachtiger groeit en meer zaad oplevert dan op een' reeds
lang gebruikten en toch goed bemesten grond, zoo ook schijnt de
wetenschap op den maagdelijken akker van den geest veel forscher en
krachtiger te wassen dan op den akker, die al zoo vele jaren oogst
opleverde. Kunnen we het vierde eeuwfeest van de ontdekking der Nieuwe
Wereld nu nog vieren met Amerika náást ons, het staat te voorzien, dat
het vijfde eeuwfeest zal gevierd worden met Amerika bòven ons. In eene
geestige causerie, die wel den naam van »studie« kan dragen, heeft Mr.
H. A. des Amorie van der Hoeven in zijn reeds vroeger even
aangehaalden »Cirkelgang der beschaving« er eenige jaren geleden reeds
op gewezen. De landen ten Oosten van ons, vroeger zoo beschaafd, staan
thans verre achter ons. Zullen wij ook eenmaal voor Amerika die
»landen ten Oosten« zijn? We hopen het niet; maar het eene ramp te
noemen, wanneer Amerika ons vóór gaat, dat zeggen we nog zoo gauw
niet. De trekgans, die aan de spits van eene vlucht makkers, als
voorvlieger, de lucht klieft, gaat willig achter in de rij om
volgeling te zijn, ten einde in de daardoor verkregen rust krachten te
verzamelen om straks alweer op hare beurt voorvlieger te kunnen
worden.



INHOUD.


                                                              Bladz.

  INLEIDING                                                        1
  DE ZEEVAART DER OUDE VOLKEN                                      5
  DE ISLAM EN HET CHRISTENDOM                                     24
  DE PORTUGEEZEN                                                  41
  DE DAGERAAD DER NIEUWE GESCHIEDENIS                             59
  EERSTE REIS VAN COLUMBUS                                        83
  LASTER EN NAIJVER                                              121
  AMERIGO VESPUCCI.--COLUMBUS IN KETENEN                         158
  LAATSTE REIS VAN COLUMBUS                                      193
  ONTDEKKINGSIJVER                                               216
  CORTEZ IN MEJICO                                               245
  ZUID-AMERIKA ONDER SPANJAARDEN EN PORTUGEEZEN.--NEDERLANDERS
      EN ENGELSCHEN IN AMERIKA                                   279
  DE EERSTE REPUBLIEK IN AMERIKA                                 303
  NA VIER EEUWEN                                                 314



 +------------------------------------------------------+
 |                                                      |
 |           OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER:               |
 |                                                      |
 | De volgende correcties zijn in de tekst aangebracht: |
 |                                                      |
 |  Plaats         Bron               Correctie         |
 |                                                      |
 |  Regel   128    .                  ,                 |
 |  Regel   364    Lencippus          Leucippus         |
 |  Regel   435    [Niet in Bron]     «                 |
 |  Regel   732    [Niet in Bron]     «                 |
 |  Regel   782    [Niet in Bron]     .                 |
 |  Regel   992    [Niet in Bron]     »                 |
 |  Regel  1499    specerijën         specerijen        |
 |  Regel  1587    Saraceenen         Saracenen         |
 |  Regel  1856    Canjo              Câno              |
 |  Regel  2223    zet'ten            zett'en           |
 |  Regel  2374    Miléte             Milete            |
 |  Regel  2423    peizenden          peinzenden        |
 |  Regel  2447    Westen             Oosten            |
 |  Regel  2887    ----               --                |
 |  Regel  2996    de de              de                |
 |  Regel  3374    «                  ««                |
 |  Regel  3438    Friana             Triana            |
 |  Regel  3655    werden             werden.           |
 |  Regel  3917    Nina'              Nina«             |
 |  Regel  4298    had.               had,              |
 |  Regel  4575    onsteekt           ontsteekt         |
 |  Regel  4986    zieken             zieken.           |
 |  Regel  5348    Mejikanen          Mejicanen         |
 |  Regel  5454    Kathaï             Kataï             |
 |  Regel  5778    Majesteit.         Majesteit,        |
 |  Regel  5954    Romeimen           Romeinen          |
 |  Regel  6183    Phenthesiléa       Penthesiléa       |
 |  Regel  6190    [Niet in Bron]     (                 |
 |  Regel  6190    [Niet in Bron]     )                 |
 |  Regel  6238    Coquibacao         Coquibacoa        |
 |  Regel  6244    Coquibacao         Coquibacoa        |
 |  Regel  6394    Anocaona           Anacaona          |
 |  Regel  6404    Barthelomeus       Bartholomeus      |
 |  Regel  6527    Barthelomeus       Bartholomeus      |
 |  Regel  6912    Janez              Yanez             |
 |  Regel  7075    Ovado              Ovando            |
 |  Regel  7134    Ovanda             Ovando            |
 |  Regel  7284    Fiësco             Fiesco            |
 |  Regel  7841    de Balboa          De Balboa         |
 |  Regel  7868    De Balbao          De Balboa         |
 |  Regel  7976    Ariaz              Arias             |
 |  Regel  8086    de Balboa          De Balboa         |
 |  Regel  8089    De Balbao          De Balboa         |
 |  Regel  8274    de Gryalva         De Gryalva        |
 |  Regel  8283    geb.               Geb.              |
 |  Regel  8338    Barameda           Barrameda         |
 |  Regel  8410    Portugeeschen      Portugeezen       |
 |  Regel  8572    Anacoana           Anacaona          |
 |  Regel  8709    Huitzilspotchli    Huitzilopotchli   |
 |  Regel  9316    Mejikaansche       Mejicaansche      |
 |  Regel  9897    Crusifix           Crucifix          |
 |  Regel 10322    Connecticut        Connecticut,      |
 |  Regel 10591    Saten              Staten            |
 |                                                      |
 +------------------------------------------------------+





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Vóór vier Eeuwen - Een Volksboek over de Ontdekking van Amerika" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home