Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: De Dominee en zijn Gemeente
Author: Maclaren, Ian, 1850-1907
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "De Dominee en zijn Gemeente" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



  +--------------------------------------------------------------+
  |                                                              |
  |                 OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER:                 |
  |                                                              |
  | Dit boek is een vertaling uit het engels van «Church Folks:  |
  | being practical studies in congregational life" van Ian      |
  | Maclaren, pseudoniem van John Watson.                        |
  |                                                              |
  | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele,   |
  | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te    |
  | moderniseren.                                                |
  |                                                              |
  | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan    |
  | het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld.           |
  |                                                              |
  | In dit boek worden lage en hoge aanhalingstekens gebruikt.   |
  | Deze zijn respectievelijk aangegeven als «aanhalingstekens". |
  |                                                              |
  | De in het origineel als cursief weergegeven tekst is in dit  |
  | e-boek weergegeven als _cursief_.                            |
  |                                                              |
  | Overduidelijke inconsistenties, druk- en spelfouten in het   |
  | origineel zijn gecorrigeerd.                                 |
  |                                                              |
  | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de         |
  | aangebrachte correcties.                                     |
  |                                                              |
  +--------------------------------------------------------------+



DE DOMINEE EN ZIJN GEMEENTE.



                     De Dominee en zijn Gemeente

                                 VAN

                             IAN MACLAREN

         Schrijver van: «Harten van Goud", «Zielenadel" enz.

                                 DOOR

                             W. VAN NES.

                             TWEEDE DRUK.


                              ROTTERDAM,
             J. M. BREDÉE'S BOEKHANDEL EN UITGEVERS-MIJ.


              N.V. DRUKKERIJ V/H KOCH & KNUTTEL--GOUDA.



INLEIDING.


In dit werkje, tintelend van humor en stralend van, soms achter
bittere ironie, op vlijmend sarcasme af, verborgen, liefde voor Kerk
en Gemeente, geeft de ook in Nederland geliefde Engelsche predikant
ons een kijkje achter de schermen van het kerkelijk leven in zijn
land.

Het kerkelijk leven in Engeland verschilt in vele opzichten van het
onze; de positie van den predikant, zijne verhouding tot de Gemeente
is in vele gevallen geheel anders dan ten onzent; maar.... waar het er
voornamelijk op aankomt èn predikant èn lidmaten te beschouwen als
menschen met al hun deugden en gebreken, met al hun grootheid der
ziel, gepaard soms aan kleinheid van geest, met al hun uitwendigen
tooi van vormen naast gemis vaak aan degelijken inhoud--daar vallen
die onderscheidingen weg en komen punten van overeenkomst aan het
licht, die den lezers dit boek tot een aangename, leerrijke,
stichtende--zij het niet stichtelijke--lectuur zullen maken.

Moge het Gode behagen dit geschrift zijn weg te doen vinden tot vele
harten en hoofden!

                                                _De Vertaler_,

                                                          W. VAN NES.



INHOUD.


  Hoofdst.                                             Bladz.

     I. Hoe men het meeste nut trekt van een preek          1

    II. Hoe een Gemeente haar dominee tot de grootste
        volkomenheid brengt                                19

   III. Het «candy-pull" stelsel                           37

    IV. De oproermaker in de kerk                          55

     V. Bejaarde predikanten                               71

    VI. De dominee en het kerkorgel                        87

   VII. Een eigen bank                                    107

  VIII. De fatsoenlijke bedelaars in onze kerken          123

    IX. Is de dominee een leeglooper?                     141

     X. Vacantie                                          160

    XI. Hoe een dominee herleefde                         180



I.

HOE MEN HET MEESTE NUT TREKT VAN EEN PREEK.


Om het rechte nut van een preek te hebben, moeten twee personen
samenwerken en waar een van beiden zijn werk niet goed doet, daar is
de preek mislukt. De eene is de man, die haar voordraagt en de andere,
de vrouw of man, die haar hoort; terwijl er bijna even veel kunst is
in het goed luisteren naar een toespraak als in het samenstellen
ervan.

Practische oefening is de eerste eisch voor den hoorder, want het is
een feit, dat hij, die geregeld een kerk bezoekt, niet alleen meer
hoort, maar ook beter volgt dan wie zoo maar eens om de twee maanden
een kijkje komt nemen. Het spreekt van zelf, dat, indien de predikant
een paar koperen longen heeft en de hoorder niet stokdoof is, deze, al
komt hij maar zelden in de kerk, toch elk woord van den spreker kan
opvangen; maar er is eenig onderscheid tusschen een stoomfluit, die
binnen een gegeven kring doordringt tot elk oor zonder onderscheid en
een muziekinstrument, welks geluid slechts gewaardeerd kan worden door
geoefende hoorders.

De stem van een bevoegd spreker is niet zoo zeer enkel geluid, maar
zij is veel meer muziek, met fijne afwisselingen van toon en teedere
buigingen der stem; de wijze, waarop hij een woord uitspreekt,
verklaart de beteekenis, die hij eraan hecht; de opslag zijner oogen
beteekent een aandoening, die hij ondervindt en wil opwekken; de
strengheid zijner woorden wordt verzacht door het gevoelvolle van den
klank; zijn loflied klinkt liefelijker door de innigheid, waarmee het
wordt voorgedragen. Het oor van een vreemdeling kan zulke
onderscheidingen niet maken; men moet gewoon zijn aan den spreker om
de volle waarde van elke handbeweging, elke verandering van toon te
gevoelen.

Daarenboven, elk spreker, die waard is te worden aangehoord, schept
zich een eigen atmosfeer en men kan zich daarin niet op zijn gemak
gevoelen zonder geacclimatiseerd te zijn. De spreker heeft zijn eigen
standpunt, en men moet zich daarop plaatsen om met hem te kunnen mee
denken; elk woord wordt gefiltreerd in zijn geest en men moet dien
geest kennen om de werking ervan te begrijpen. Toevallige hoorders
zijn als in een doolhof zonder gids, maar de vrienden des sprekers
gevoelen zich tehuis. «Hij zei dit of dat," beweert de toevallige
bezoeker. «O ja," antwoordt de deskundige, «maar als hij dat zegt,
beteekent het iets meer." Misschien zou men kunnen zeggen, dat de
hoofdvoorwaarde voor goed hooren is, dat men den spreker kent, zijn
eigen manier van werken, zijn geliefkoosde studiën, zijn onbewuste
vooroordeelen, zijn bijzondere boodschap, en die kennis kan alleen
verkregen worden door voortgezet hooren.

Een dominee openbaart zich niet in zijn eigenlijke kracht in het
particuliere leven: dat doet hij op den preekstoel. Wanneer men hem
des Zaterdags op de straat ontmoet, dan spreekt hij over het weer of
over een boek en verbergt zich, zooals trouwens elk degelijk man doet,
achter een alledaagsch onderhoud; des Zondags, zonder het te weten,
laat hij zijn masker vallen, totdat gij zijn karakter kunt doorgronden
en in zijn ziel lezen. Er zijn natuurlijk sommige mannen, die in hun
preeken even min zich bloot leggen als in hun gesprekken; maar in dat
geval verliezen de hoorders er niets bij: dezulken hebben geen
persoonlijkheid te openbaren, het zijn eenvoudig leeken in een
geestelijk kleed gestoken. Men heeft een maand noodig om te gewennen
aan een paar zware, nieuwe laarzen en ten minste zes maanden om
gemakkelijk te zitten in een nieuwen studeerstoel; een jaar van
herhaald bezoek wordt geëischt om op zijn gemak te komen met een
nieuwen predikant; maar dan loont het genot ook de moeite.

Het tweede voorschrift is aandacht, wat hierop neerkomt, dat een
hoorder zijn lichaam in de kerk in dienst moet stellen van zijn ziel.
Het kan wel zijn, dat menschen luisteren, terwijl zij bewegingloos en
met gesloten oogen neerzitten en velen verklaren die houding door te
zeggen, dat zij zich op die wijze onttrekken aan een afleidende
omgeving, maar in dat geval behooren zij dan toch van tijd tot tijd
eens teeken van leven te geven, al was het maar om den spreker gerust
te stellen en de omgeving te behoeden voor de zonde van een liefdeloos
oordeel.

Er zijn gemeenten in Schotland, waar een derde gedeelte van de
hoorders schijnt te slapen; maar de predikant krijgt later de
zekerheid, dat diezelfde hoorders het beste verslag van de preek en de
scherpste beoordeeling van zijn rechtzinnigheid kunnen geven. Maar men
kan niet zeggen, dat zij nu juist een opwekkend schouwspel opleveren
voor den spreker en deze komt vaak in de verzoeking eens iets
onrechtzinnigs te zeggen om ze daardoor te dwingen eenig bewijs van
belangstelling te geven.

Indien iemand daarentegen behept is met den boozen geest van
rusteloosheid, die hem ertoe brengt geen oogenblik stil te zitten, hem
nu eens doet opstaan en een poosje later weer onder de bank weg doet
duiken, dan behoort zoo'n man zich thuis te oefenen om zijn kwelgeest
de baas te worden of hij moet ergens gaan zitten, waar hij kan
luisteren zonder gezien te worden.

Ook is het alles behalve dienstig om goed te hooren, wanneer een man
zijn armen over elkaar slaat en achter in zijn bank leunt als iemand,
die, wetende dat er een zware beproeving boven zijn hoofd hangt, een
vast besluit neemt om ten einde toe stand te houden. Een spreker zal
misschien heel vaak de aandacht vestigen op het edele leger der
martelaars, maar hij wenscht toch liefst geen troep martelaars in zijn
eigen kerk toe te spreken. Niets is zeker ontmoedigender voor een
spreker--zelfs zóó dat de woorden besterven op zijn lippen en dat hij
zijn gedachten niet geregeld kan uitdrukken--aan een gehoor, dat alle
kenteekenen draagt van bestudeerde onachtzaamheid en niets is meer
bezielend voor hem dan een onafgebroken rij van meelevende gezichten.

Dan volgt de eisch, dat de hoorder zijn gedachten bepaalt bij het
behandelde onderwerp en hier heeft de geoefende hoorder een zeer groot
voordeel. Als het moeielijk is voor sommige menschen om te luisteren,
dan is het nog tienmaal moeielijker voor andere personen om te volgen,
want het is zeer goed mogelijk, dat iemand luistert en toch niet
volgt. Er zijn maar weinige lieden, die een half uur lang over
dezelfde zaak kunnen denken of zelfs maar denken over wat ook; na een
korte poos verslapt hun belangstelling en zij blijven achter; zij zijn
geheel den draad van de redeneering kwijt geraakt en hebben bijna het
onderwerp vergeten. De preek, die voor zulk een onbestendigen geest
geschikt zou zijn, zou moeten bestaan uit twintig onderafdeelingen,
elk een verhaaltje of een wakker schuddende gedachte bevattende, die
op zich zelf een geheel vormden, zoodat de hoorder, waar hij ook
inviel, dadelijk zich tehuis gevoelde. Menschen met gevoel behoorden
echter te bedenken, dat een opeenvolging van vermakelijke
tooverlantaarnplaatjes niet hetzelfde is als een ernstig kunstwerk en
indien iemand het Evangelie van Christus waardiglijk wil verkondigen,
dan moet hij ernstig overwegen en van zijn hoorders nadenken eischen.
De keten kan van goud zijn, maar de schakels behooren stevig aan
elkaar te zitten en een hoorder moet de sterkte ervan onderzoeken,
terwijl zij hem door de handen gaan. Indien iemand zich geen moeite
geeft bij de poging om een preek te verstaan, dan eindigt hij bijna
zeker met de klacht, dat de spreker langdradig of dat de toespraak
onsamenhangend was. Het is niet de moeite waard naar een preek te
luisteren, waarin de predikant niet zijn volle kracht heeft gelegd; en
het is niet mogelijk een preek goed te verstaan, tenzij de hoorder
eveneens al zijn krachten inspant.

Mijn vierde eisch voor gezegend luisteren is oprechtheid en een
predikant heeft het recht die hoedanigheid van zijn hoorder te vragen.
Indien een lid van een rechtbank zijn zetel inneemt met een gevestigde
meening betreffende de te behandelen zaak, dan is het te vergeefs, dat
een pleitbezorger zich inspant en er is geen hoop op een rechtvaardig
oordeel. Indien een persoon de kerk binnentreedt met vast gewortelde
vooroordeelen in de zaak der waarheid, dan geeft het niets hoe knap of
hoe welsprekend de spreker ook zij, hij kan geen vat krijgen op den
geest van dien hoorder. De eerlijke hoorder is die, welke bereid is
elke bewijsvoering in overweging te nemen en elk besluit te herzien,
uitgenomen natuurlijk dat half dozijn uitgemaakte waarheden, die geen
predikant met goed verstand ooit zal aanvallen en die elk godsdienstig
mensch als vaststaand aanneemt. Er zijn echter vele kanten van waar
men een waarheid beschouwen kan en die een hoorder misschien niet
heeft vermoed en er zijn vele toepassingen eener waarheid, welke zich
nooit aan hem voorgedaan hebben. Hij behoort bereid te zijn, den
spreker te volgen als een gids en ten minste de zaak in zijn eigen
belang te overwegen: hij behoort gewillig te zijn om te onderzoeken,
hoever het woord van den spreker zijn eigen gedrag betreft.

Niets prikkelt een spreker meer en geeft hem grooter vertrouwen bij
het verklaren der waarheid, dan de zekerheid dat elk eerlijk woord,
door hem gesproken, zal overwogen worden door eerlijke toehoorders.
Hij gevoelt, dat, in geval zij het met hem eens zijn, dit alleen zal
wezen, omdat zij overtuigd zijn; indien zij niet met hem instemmen,
dan zal dat zijn omdat naar hun meening hij niet erin geslaagd is een
goed pleidooi te leveren.

En de laatste eisch is christelijke liefde, die dubbele zegen--èn
voor den man, die spreekt èn voor de menschen, die hooren. Geen
atmosfeer doet zoo veel kwaad aan den hoorder en geen is een zoo zware
beproeving voor den spreker, als die van kleingeestige critiek en
boosaardige vertolking. De menschen moeten met milden en edelmoedigen
zin toeluisteren, bedenkende dat de predikant een man is even
onvolmaakt als zij zelf zijn en zich herinnerende dat niemand mag
beoordeeld worden dan met het oog op den inhoud van hetgeen hij
onderwijst. Het is mogelijk, dat iemand op zekeren dag wat mat is--dat
is vaak een gevolg van het weer; het is mogelijk, dat op een anderen
dag hij niet vriendelijk gestemd is--dat is soms een zaak van
spijsvertering; de hoorders zijn verplicht veel door de vingers te
zien bij iemand, die te kampen heeft met den dubbelen hinderpaal van
een weifelachtigen geest en een onvolmaakt lichaam. De hoorders moeten
als regel aannemen, dat niemand altijd dezelfde kan zijn, tenzij hij
zich voortbewege op de vlakke baan der vervelende gemeenplaatsen.

Men vertelt, dat eens eenige afgevaardigden van een vacante gemeente
een doctor in de godgeleerdheid van middelbaren leeftijd gingen
hooren, een man van kalmen aard en zonder eenige bezieling. Na hem een
preek te hebben hooren voordragen, die hij den voorafgaanden
Maandagvoormiddag had gemaakt en zoo als hij er elken volgenden
Maandag voormiddag een had kunnen maken, vroegen zij aan een van zijn
gemeenteleden of dit een goed staaltje was van de gewone prediking des
doctors. «Gij kunt," zei dit lid, «er staat op maken; hem eens te
hooren is zoo goed als hem altijd te hooren; hij is altijd dezelfde;
er is geen hooger of lager, geen beter of minder goed bij den doctor."
Zekerlijk daalde hij nooit beneden het effen peil van het gewone
boerenverstand en even zeker steeg hij nooit tot de hoogten der
bezieling. Menig predikant ondervindt, dat om de vier of vijf
Zondagen, dit verschilt naar omstandigheden, zijn vlucht vermindert,
dat hij heel gelijkvloersch blijft en zich niet kan verheffen.
Doch dan krijgt de gemeente den volgenden Zondag een ruime
schadeloosstelling en de predikant bereikt te beter den top des bergs,
met zijn vergezicht en frissche koelte, naarmate hij dieper was
afgedaald in het dal en enger was ingesloten geweest.

Een van de wreedste onrechtvaardigheden, waaraan de hoorders zich
kunnen schuldig maken is den prediker te verdenken van persoonlijkheid
en in zijn woorden een gedachte te leggen, die niet in hem opgekomen
is. Wanneer het voorkomt, dat een prediker de een of andere bijzondere
fout tot in kleinigheden beschrijft en met een zekere scherpte hekelt,
dan behooren de aanwezigen zich ervan verzekerd te houden, dat hij
bezig is zijn eigen fout te beschrijven, want inderdaad niemand is zoo
goed op de hoogte van anderer fouten als van die, welke hij als zijn
eigene erkent.

Het is het best voor den hoorder te gelooven, dat de prediker bij al
wat hij zegt, slechts gedreven wordt door trouw aan de waarheid en
door liefde voor zijn medemenschen en dat niemand dieper dan hij het
betreurt, indien er eenige tekortkoming of fout in den geest van zijn
onderricht is. Zijn begeerte is te overtuigen en te troosten; zijn
eenige belooning de geestelijke steun, dien hij verleent aan de zielen
zijner medemenschen. Indien door zijne woorden eenige broeder kracht
verkrijgt om zijn arbeid in den loop der week getrouwer te verrichten
of wordt geholpen in de beproevingen des levens, dan is zijn doel niet
mislukt en heeft hij geen berouw van zijn opofferingen. Zijn streven
is het verhevenste, dat de mensch kent en zijn arbeid is de zwaarste.
Daarom worde de meest mogelijke sympathie hem betoond en te zijnen
behoeve stijgen de meest aanhoudende en ernstige gebeden ten hemel!

Geen hoorder is eerlijk geweest tegenover den prediker, indien hij
vergeet, wat aan de deur der kerk gezegd is of als hij een preek
behandelt als een verhandeling, waarover geredetwist moet worden. De
kerk is niet een plaats van uitspanning of een gezelschap tot oefening
in het spreken: het is een school, waar de hoogste kennis wordt
onderwezen--de kennis des levens. De onderwijzingen worden van den
preekstoel af gegeven; het bewijs moet thuis geleverd worden. Meer dan
eenige andere godsdienst is de Christelijke proefondervindelijk en
practisch--niet een verzameling van regels, maar van grondbeginselen
die moet worden uitgewerkt in het leven van elken mensch. Die prediker
heeft zijn taak begrepen en volbracht, die een man tot handelen
beweegt en die hoorder heeft het meeste voordeel van een preek gehad,
die haar in praktijk heeft gebracht. De prediker behoeft geen lessen
uit te deelen, door te zeggen, als tot kinderen: «ge moet dit of dat
doen", want dat zou onverdragelijk zijn en tevens doelloos. De beste
predikers wekken gedachten op, door de menschen zich te doen schamen
over den lagen standaard van hun leven, terwijl zij luisteren naar de
blootlegging der zonde en door hen te brengen tot adeldom der ziel
door de tentoonstelling van de schoonheid der deugd. De eerlijke
toehoorder begint niet goed te handelen omdat het hem gezegd is, maar
omdat hij gevoelt het te moeten doen. Hij heeft zijn hart geopend voor
de boodschap der waarheid, zooals de zachte grond in de lente zich
opent voor het zaad en in die herbergzame woning ontkiemt het zaad en
wast het op.

Boven alles vraagt de Christenprediker twee dingen en deze kunnen
alleen verkregen worden bij gehoorzaamheid van den hoorder. Hij
noodigt zijn gehoor uit om discipelen en dienaren te worden van Jezus;
hij verheerlijkt de genade en de macht des Meesters; hij verzekert
zijn medemenschen, dat in Jezus te gelooven en Hem te volgen, leven
is. Indien de hoorder redeneert en redetwist over Jezus, kan hij nooit
tot de feiten komen en heeft hij niet eerlijk gehandeld met den
prediker. Laat hem de proef nemen en het met Jezus wagen, zooals de
eerste Christenen deden. Als hij dat doet, eerst dan zal hij in staat
zijn de prediking te beoordeelen; doet hij het niet, dan behoort hij
te zwijgen. Nooit is er beuzelachtiger getwist geweest dan met
hoorders, die niet gelooven willen: zij zijn als menschen, die om
het kerkgebouw heenloopen en kibbelen over de geschilderde glazen,
welke alleen van binnen af kunnen gezien worden. Ook doet de
Christenprediker een beroep op de offervaardigheid en het is zijn
plicht de heerlijkheid te roemen van een onzelfzuchtig leven. Hij
vraagt van de menschen, dat zij iets zullen doen dat moeielijk is en
weinig aantrekkelijks heeft en belooft hun een loon, dat geestelijk en
onzichtbaar is. De hoorder is verplicht dezen eisch voor zich zelf
waar te maken en te onderzoeken of het waar is, dat men er gelukkiger
en sterker door wordt, wanneer men niet zich zelf, maar anderen dient.

Het hoofddoel van elke prediking is ten slotte bezieling, en de man,
die in vuur gezet wordt, is de rechtvaardiging van den preekstoel. De
grootste ramp bij de prediking is tegenzin en onverschilligheid. Nooit
was een preek zoo onbeteekenend of zij bevatte meer dan de hoorders in
toepassing konden brengen. Geen preek is mislukt, die, al is het maar
één mensch, heeft verrijkt met één enkele gedachte of opgewekt tot één
brave daad.



II.

HOE EEN GEMEENTE HAAR DOMINEE TOT DE GROOTST MOGELIJKE VOLKOMENHEID
BRENGT.


Tusschen een predikant en zijn Gemeente is een voortdurende
wisselwerking, zoodat de dominee de Gemeente maakt en de Gemeente
eveneens den dominee vormt. Wanneer men spreekt van hetgeen de
predikant doet voor zijn gemeenteleden, dan denkt men daarbij niet aan
bankhuur en opbrengst van collecte en statistiek en scharen, ook niet
aan scholen en wijklokalen en zondagsscholen en bijbellezingen. De
groote taak van den dominee is de vorming van karakters. De
voornaamste vraag, die men te doen heeft in betrekking tot het werk
van den predikant, is daarom: welke soort van menschen heeft hij
gevormd?

En een van de meest belangrijke vragen ten minste, waardoor men zich
een oordeel kan vormen over de lidmaten eener kerkelijke Gemeente, is:
wat hebben zij gemaakt van hun dominee? Hiermede bedoelt men niet,
hoeveel traktement zij hem gegeven hebben of hoe vriendelijk zij voor
hem geweest zijn, maar in hoeverre hij een man is geworden en of hij
in den kring zijner Gemeente tot de voor hem bereikbare hoogte is
gestegen? Sommige Gemeenten hebben hun dominee ten onder gebracht door
hem zoolang te plagen, tot hij den moed en alle zelfbeheersching
verloor en tot hij knorrig en driftig werd. Weer andere Gemeenten
hebben hetzelfde gedaan door den dominee zoo naar de oogen te zien en
te vertroetelen, dat hij ten laatste geen tegenspraak meer kon dulden
en begon te gelijken op een dwingerig kind. Die Gemeente heeft haar
taak het best vervuld, welke een atmosfeer heeft weten te vormen zoo
bezielend en tevens zoo inspannend, dat alle goede eigenschappen in
haar dominee aangekweekt en alle verkeerde neigingen onderdrukt
werden.

Een jonge dominee is een last, gelegd op eene Gemeente en haar eerste
plicht is geduld, vooral ten opzichte zijner prediking. Zeker jong, en
wat niet hetzelfde beteekent, onrijp dominee, begon zijn loopbaan als
hulpprediker in een stadskerk, bekend wegens haar grootschen arbeid en
haar ernst. Zijn werk was het bezoeken van zieken en het zorg dragen
voor de zoogenaamde bijzaken; wijselijk werd hem zelden opgedragen te
preeken. Als hij het deed, dan was zijn toespraak inderdaad een zeer
jongensachtig opstel--ondiep, onpraktisch, vormelijk--en hij was
verstandig genoeg zich te schamen.

Na eenigen tijd werd hij ten gevolge van toevallige en persoonlijke
omstandigheden beroepen in een Kerk in een afgelegen dorp. Vóór hij de
groote stadskerk verliet, kwam een der ouderlingen hem bezoeken om
afscheid te nemen. Deze zei, dat hij het zijn plicht rekende te doen
uitkomen in welk opzicht de hulpprediker was geslaagd en waarin hij
gefaald had.

«Ge zijt zeer oplettend geweest voor de zieken en ... voor ... de
kinderen, en ik mag, zonder vleierij verklaren, dat men veel van u
hield, maar gij weet wel, dat God u niet het talent heeft toebedeeld
van spreken in het openbaar. Ik vrees, dat ge nooit in staat zult zijn
te preeken. Dat belet natuurlijk niet, dat ge toch wel als herder
nuttig en tot zegen kunt wezen."

Het was geen opwekkend vooruitzicht om altijd oude, ziekelijke dames
te bezoeken en dienst te doen bij zondagsschoolfeestjes, maar de jonge
man dankte den vriendelijken ouderling met een benepen hart en ging
naar zijn nieuw arbeidsveld.

Zijn eerste ervaring in de nieuwe parochie scheen de droeve
voorzegging te bevestigen. Den eenen dag raakte hij in de war in het
midden van zijn preek; een anderen keer, terwijl hij bezig was een
Zendbrief van Paulus te verklaren, verdwaalde hij zoo te midden van
zijn gedachten, dat hij van voren af aan moest beginnen en de helft
van zijn tekstverklaring moest herhalen. Bij die gelegenheid was de
jonge predikant zoo ontmoedigd, dat hij op den preekstoel zelf een
overijld besluit opvatte om ziin ontslag te nemen en hij ging zeer
ternedergedrukt de kerkekamer binnen. Daar stond een oude Hooglander,
een ouderling, op hem te wachten; deze nam hem bij de hand en dankte
hem voor «een welsprekende toespraak."

«Het is wonderbaar," zei hij met zijn zoet, minzaam accent, «dat gij
zoo goed preekt, en dat nog zoo jong, en ik zou u willen zeggen, dat
gij u nooit ongerust moet maken, als ge soms eens een punt van uw
toespraak vergeet. Dan laat ge eenvoudig een psalm zingen en neemt wat
rust; wellicht komt het dan weer in uw hoofd terug. Wij hebben
allemaal overvloed van tijd en we houden allen heel veel van u. De
menschen praten erover, wat een goed spreker gij binnen kort zult zijn
en zij zijn nu al trotsch op u."

Den volgenden zondag beklom de dominee den preekstoel vol vertrouwen
en werd gedragen door de lichtverheffende atmosfeer der
vriendelijkheid en daarom haperde hij niet en vergat hij niets en ook
is het sedert dien dag niet noodig geweest, dat hij weer van voren af
aan begon.

Het is inderdaad geen wonder, dat zijn hart nog altijd vanuit de stad,
waar hij thans is, met dankbaarheid en liefde terugdenkt aan die
Hooglandsche parochie; was zijn eerste Gemeente niet zoo vol
christelijke liefde voor hem geweest, dan zou hij nu niet in de
bediening des Woords zijn.

De leden eener Gemeente zijn verplicht hun dominee bij te staan in de
wereld buiten de Kerk. Hij behoort tot hen en zij moeten naijverig
zijn op zijn goeden naam. Indien hij iets zegt of doet, wat niet recht
is dan mogen zij hem dat zeggen onder vier oogen in alle teederheid en
liefde; maar als vreemdelingen hem bevitten, laat dan zijn eigen
menschen hem verdedigen en prijzen. Indien iemands eigen huisgezin hem
trouw blijft, dan wordt zoo iemand niet ter neder geslagen door de
vijandschap van de menschen op de straat. Wanneer dat huisgezin zich
tegen hem keert, dan ontzinkt hem het hart. Niets zal een degelijk man
meer ertoe brengen streng voor zichzelf te zijn en zijn fouten te
erkennen, dan de ontdekking, dat wie hem onder vier oogen berispt, hem
in het openbaar verdedigt.

Het kwam eens voor, dat een voornaam Kerklid het als zijn plicht
beschouwde zijn dominee, aan wien hij overigens zeer gehecht was, te
berispen omdat diens prediking scherp en ongeestelijk was geworden.

Zij waren persoonlijk bevriend en het gesprek werd gevoerd in een
volmaakt passenden vorm; maar de dominee voelde zich toch daarna
eenigszins gegriefd, wat vrij dwaas was, en hij pijnigde zich met de
gedachte, dat zijn vriend en zijne Gemeente iets tegen hem kregen.
Eenige dagen later kreeg hij het bezoek van een collega en terwijl zij
zaten te praten over verschillende zaken, wenschte zijn bezoeker hem
geluk ermee, dat zijn menschen zoo aan hem gehecht waren.
«Bijvoorbeeld: gisteren avond aan een diner was de oude doctor Sardine
bezig te vitten op uw prediking,--hij noemde u een liberaal en zoo
voort--toen de heer Cochrane uit den hoek kwam en den ouden heer
vertelde, dat hij niet wist, waarover hij sprak. Ik bezoek zijn kerk,
zei uw man, en ik weet, dat ik mijn dominee nooit zal kunnen
vergelden, wat hij voor mij en mijn gezin gedaan heeft! Dat was goed
Hollandsch en maakte een geweldigen indruk en daar was ten minste één
dominee, die u zulk een vriend benijdde."

Terwijl zijn vriend hem flink, onder vier oogen als man tegen man, op
zijn fouten had gewezen, en terwijl hij zich persoonlijk had beleedigd
gevoeld, als een dwaas kind, had diezelfde vriend met edelmoedige
geestdrift gewaakt voor zijn goeden naam en de gedachte daaraan wekte
op tot berouw. Het oordeel van zijn vriend kreeg een nieuwe
beteekenis, geheiligd als het werd door zulke bewijzen van oprechtheid
en grootmoedigheid. Zoo kwam de dominee ertoe ernstig na te denken
over zijn toestand en hij gevoelde in uitersten vervallen te zijn.
Niets oefent een weldadiger invloed uit op een rijk begaafd man dan
het gevoel dat een aantal menschen hem vertrouwen en over hem waken.
Dit vertrouwen vervult hem met nederigheid, onderdrukt zijn hoogmoed,
leert hem voorzichtigheid en doet hem zijn groote verantwoordelijkheid
gevoelen, zich in den strijd des levens flink te houden.

Een verstandige Gemeente zal ook beantwoorden aan het hoogste, wat de
dominee geeft en zal onderscheid maken tusschen een tweede- en een
eerste-rangsproduct van zijn brein. Daar is zoo iets als een
«goedkoope" preek, die misschien heel populair en duidelijk is, met
een heel oppervlakkig tintje van knapheid. Vlugge mannen worden vaak
verleid zulke preeken te geven, omdat zij heel gemakkelijk voorbereid
worden en geen inspanning van de ziel eischen. En een Gemeente houdt
wel eens van zulke preeken, omdat zij maar weinig oplettendheid
vragen.

Er is ook zoo iets als een «dure" preek, die heel wat strijd voor
hoofd en hart gekost heeft--een preek vol gedachten en hartstocht.
Zulke preeken worden niet gemakkelijk gemaakt en evenmin gemakkelijk
verstaan. Wanneer de predikant zijn ziel in zijn werk gelegd heeft,
dan moeten de hoorders ook hun ziel wijden aan het hunne. Natuurlijk
zal een sterksprekende persoonlijkheid niet ophouden zijn beste, zijn
voortreffelijkste werk voort te brengen, is er al niemand, die het
goedkeurt en hij zal in geen geval beneden zijn hoogste standpunt
dalen; maar de begeerte naar goedkoope en populaire prediking is een
groote verleiding voor een gewoon dominee, zoodat hij soms in de
verzoeking komt de dwazen in zijn Gemeente te gelieven en zijn eigen
last te verlichten door iets minder goeds te geven, dan hij zou kunnen
doen.

En het is het meest bedroevende en het pijnlijkste verschijnsel in het
kerkelijk leven, wanneer men een man ziet slagen, voor den uiterlijken
schijn ten minste, die zijn talenten heeft begraven en wanneer een
Gemeente gelukkig en schijnbaar tevreden is, na haar dominee te hebben
verwaarloosd.

Indien een predikant vervuld is van een hoog ideaal en een ijzeren wil
heeft, dan zal hij zich zelf tot volmaking brengen in spijt van de
meest ontmoedigende omstandigheden, en ofschoon de lieden vragen om
goedkoope knapheid, zal hij volhouden hen te voeden met de krachtigste
spijzen. Doch vele verdienstelijke mannen zijn noch bijzonder sterk
noch geestelijk en indien hun menschen geen lust hebben in stevig
voedsel, dan voldoen zij hen met het armzaligste van alle
kunstgrepen--godsdienstige liflafjes. Soms is het een evangelisch
praatje, soms maatschappelijke bombast of diepzinnige wartaal, altijd
is het een bijproduct van den geest des mans en minder dan waardeloos
voor de lidmaten zijner Kerk.

Het dient den dominee duidelijk gemaakt te worden, dat zijn Gemeente
verwacht te deelen in de rijpste vruchten zijner kennis en zijn meest
zorgvuldige overdenkingen op prijs zal stellen. Wanneer hij bij een of
andere gelegenheid zijn toppunt bereikt en een «groote" preek preekt,
dan komt het er niet op aan of iedere persoon elk woord heeft begrepen
of dat wellicht eenigen maar ongeveer de helft gevat hebben. Men
behoort hem te zeggen, dat al de leden der Kerk trotsch op hem zijn en
God voor hem danken en dat, indien hij misschien door sommigen niet
bijgehouden is, dit niet een gevolg was van duisterheid, maar van
verheffing, en dat men blij is een dominee te hebben, die op zulk een
hoog peil staat.

Hij moet niet tot hen nederdalen, maar zij moeten trachten tot hem op
te klimmen. Het is een onwaardige zaak voor een dominee om de gewone
praatjes van de gemeenteleden in een toonbaar kleed te steken, zoodat
de mindere man naar huis gaat zich zelf gelukwenschend omdat hij zijn
armzalige denkbeelden netjes aangekleed en opgedirkt heeft herkend.
Het is profetentaak zijn kudde hemelwaarts te leiden zelfs
niettegenstaande de weg soms door de woestijn voert en die kudde
behoort te volgen dicht achter den profeet en hem te doen weten, dat
zij er zijn en dat zij niet zullen ophouden te volgen, totdat hij hen
gebracht heeft midden in het Land van Belofte.

In die omstandigheden zal een man zich verplicht gevoelen de beste
boeken te lezen en door te dringen tot het hart van elke zaak; hij zal
noch verstandelijken arbeid, noch eenige aandoening der ziel schuwen
om te gemoet te komen aan de verwachting van een ernstig, ontwikkeld
gehoor en indien hij er ten laatste in slaagt een leider te worden,
wiens woorden tot in de verte doorklinken, dan zal aan deze Gemeente
de eer daarvan toekomen, die in hem geloofde en groote dingen van hem
verwachtte en meer van hem maakte dan hij ooit, in zijn eerzuchtigste
oogenblikken, gemeend heeft te zullen bereiken.

Het is ook de plicht van de leden eener Gemeente hun predikant aan te
moedigen en zij zouden zich in den regel daartoe meer moeite geven,
indien zij slechts wisten, hoezeer hij die aanmoediging noodig heeft
en hoezeer hij er door zou gedijen. Zij moeten een sterke
verbeeldingskracht hebben om de beproevingen van zijn stand te
begrijpen, die geheel verschillen van die op ieder ander arbeidsveld,
omdat hij werkt bij geloof en niet bij aanschouwing. Wanneer hij in
zijn studeerkamer zit en tegen den middag nog niets geschreven heeft,
omdat zijn gedachten niet toevloeien of wanneer hij het werk van vier
uren verbrandt, omdat het waardeloos is, dan kijkt de dominee eens
naar buiten en benijdt den metselaar, die aan de overzijde der straat
een zeker aantal voeten metselwerk heeft gemaakt, dat zoo goed en
kwaad als het is of wezen kan, vele jaren duren zal. Wanneer hij de
zieken zijner kudde bezoekt, bezorgd uitziende naar een teeken of zijn
woorden van opbeuring en raad eenige degelijke uitwerking hebben
gehad, dan zou hij wenschen een geneesheer te zijn, die kan zien, welk
goed hij doet en die zijn oogenblikkelijke belooning vindt in levens,
die hij redde van den dood--in lichamen, die hij bevrijdde van pijn.
Soms schijnt het den dominee toe, alsof hij week in, week uit zijn
woorden verspilt--hij kon even goed trachten de woestijn in een zee te
veranderen door er emmers water in te werpen. Uit den aard der zaak
kan hij de vrucht van zijnen arbeid niet ontdekken en daarom moeten
anderen hem vertellen, dat hij niet te vergeefs gearbeid heeft. De
menschen zijn er vlug genoeg bij om een preek te critiseeren of er
over uit te weiden, dat het bezoek een weinig minder druk was dan den
vorigen keer, maar is er niets anders dat zij zouden kunnen melden aan
den predikant? Heeft hij nooit eenig licht geworpen over een of ander
moeielijk gedeelte van de Heilige Schrift of het geweten bepaald bij
de beteekenis van eenigen nieuwen plicht of troost gebracht aan het
hart in de een of andere verdrietelijkheid des levens? Waarom moet hij
in onwetendheid gelaten worden, hij die juist zoo smachtend wacht op
nieuws, dat niet komt en dat zooveel zou waard zijn?

Laat ik u eens brengen in een studeerkamer, waar de dominee met
inspanning van alle krachten tegen stroom op roeit en eraan wanhoopt
ooit het strand te bereiken. De morgenpost komt aan en vier brieven
worden op zijn tafel gelegd: de eerste is onbelangrijk, de tweede is
vervelend, de derde is plagerig en de ontmoedigde man opent den
vierden brief met een zucht. Zeker weer een klacht van den een of
anderen twistzoeker; zeker weer een speldeprik toegebracht aan een
vermoeid man? Wat is dat?

«Mijn waarde dominee!--Een tijd lang heb ik u willen schrijven en u
vertellen wat een hulp gij geweest zijt voor personen, die mij zeer
dierbaar zijn. Herhaalde malen is mijn echtgenoot opgebeurd en
aangemoedigd door uwe flinke woorden in zijn strijd om in zijn zaken
te doen, wat goed is. Hij zei mij eens op een avond, dat niets meer
ertoe had bij gedragen om hem eerlijk te doen blijven dan uw preeken.
Gij weet, dat onze Jack ons een tijd lang zeer verdrietig maakte door
zijn zorgeloosheid en onverschilligheid voor het huiselijk leven.
Welnu, hij is in den laatsten tijd geheel veranderd en is zeer
oplettend voor mij en lief voor zijn vader. En op mijn verjaardig
bracht hij mij een zeer mooi geschenk, waarvoor hij bepaald eenige
maanden moet gespaard hebben. Toen ik hem vertelde, hoe dankbaar ik
was, zei hij alleen: «de preek over zoons en moeders heeft het
gedaan!" En nu scheen het mij toe, dat uw preek van verleden Zondag
over bezorgdheid voor mij geschreven was, want ik heb zoo weinig
geloof en ben zoo angstvallig. Daarom moest ik u even vertellen, dat
gij het leven van een geheel gezin hebt bezield en dat wij God danken
voor u.

                                            Uw zeer dankbare
                                              May Harrison."

De brief schijnt misschien niet lang of niet moeielijk te begrijpen,
maar de dominee was toch niet tevreden vóór hij hem zesmaal gelezen
had. En ofschoon het wellicht ook geen geleerde brief schijne, hij
wierp toch zulk een vloed van licht op den tekst, dat de pen van den
dominee over het papier vloog. Hij borg dien brief achter slot in zijn
lessenaar, maar merkte, dat hij een zin vergeten had, zoodat het
wenschelijker was hem in den zak te dragen. Des Zondags oordeelde hij
het noodig dien brief te lezen vóór hij naar de kerk ging en in de
kerkekamer sloeg hij er nog een laatsten blik in. En de dominee
preekte dien morgen met zulk een kracht en zoo vol opgewektheid, dat
zelfs de vitters tevreden waren en de Gemeente ging huiswaarts op
vleugelen.



III.

HET «CANDY-PULL" STELSEL.


Terwijl ik schrijf ligt voor mij op de tafel een beroep op de leden
van een Christelijke Jongelingsvereeniging (Young Men's Christian
Association) en ik schrijf het woordelijk af:

                «Vergeet niet
    De volgende gezellige bijeenkomst,
    De volgende candy-pull,
    De volgende feestelijke samenkomst,
    Den volgenden zangdienst,
    De volgende evangelische samenkomst,
    Het volgende diner met kippenpastei,
    Den volgenden datum, waarop gij den secretaris behoort te
      verblijden met uw penningen."

Deze merkwaardige opsomming van werkzaamheden, waarin evangelische
ijver en bekwaamheid in zaken zich paart aan wat het vleesch aangenaam
is, kan zonder uitleggen begrepen worden; de verschillende punten
geven ons een duidelijke verklaring van een godsdienstige instelling
op de hoogte van den tijd--een waar mengelmoes van een Amerikaansche
Y. M. C. A.

Misschien heeft één afdeeling van het werk eene kleine opheldering
noodig; er zijn wellicht eenige menschen, die in het algemeen goed op
de hoogte zijn van de afdeelingen van Christelijk werk en die toch nog
niet zoo ver met hun onderzoekingen gevorderd zijn, dat zij kwamen tot
een «candy-pull."

Deze afdeeling, als dit het juiste woord is, is een gezelschap jonge
mannen en vrouwen, die te zamen komen om aan reepen kandij te trekken
en men zegt dat in het geval, dat de twee sexen er aan mee doen, de
bezigheid zeer uitlokkend is. Het kan ook zijn, dat dit kandij-trekken
met het oog op de beteekenis van het woord Jongelingsvereeniging zich
beperkt tot één sexe en daardoor beroofd wordt van de helft der
aantrekkelijkheid, maar men mag aannemen dat in deze dagen van
«aangename" godsdienstige avondjes de jonge mannen toch niet behoeven
overgelaten te worden aan hun eigen gezelschap.

De Christelijke Kerk en een Jongelingsvereeniging zijn natuurlijk zeer
onderscheiden instellingen en de laatste is niet gebonden aan eenige
overlevering van strenge waardigheid; maar men mag zich niet erover
verwonderen, dat de Kerk ook eenigszins is getroffen door den geest
van gezelligheid en ook haar best doet om den godsdienst een weinig
onderhoudend te maken. Wanneer men in Amerika binnenkomt in wat men
noemt een plaats van godsvereering, dan verbeeldt men zich in een
salon te zijn. Er ligt een dik kleed op den vloer, er staan rijen
stoelen, zooals men die in een schouwburg verwacht, een groot orgel
trekt het oog en bij de plaats van den predikant vindt men een
monsterbloemruiker; de menschen komen binnen met een vroolijk gezicht
en groeten elkander heel opgewekt; bijna niemand buigt het hoofd tot
een gebed en het gebouw wordt vervuld met een vroolijk gebabbel.

Daar maakt een man zich los uit een gesprek en loopt haastig door het
gedrang naar het platform even vaak zonder een geestelijk kleed, als
niet in leeken-kleeding. Dan treedt een kwartet naar voren en zingt
met het gelaat gekeerd naar het gehoor een lofzang voor de
vergadering, die niet opstaat, en later zingt datzelfde kwartet een
tweede loflied ook voor de vergadering. Dan wordt er een gebed
uitgesproken, er wordt uit de Heilige Schrift gelezen en de
daaropvolgende preek is kort en schitterend. Onder andere wenken,
dringt de dominee aan op het bijwonen van het Avondmaal met Paschen,
waar, zoo als vermeld wordt op een papier, geplakt op de banken,
oesters en vleeschspijzen zullen voorhanden zijn--ik vermoed een
kalkoen--en ijs. Dit maal zal gediend worden in het spreekvertrek der
kerk.

Nauwelijks is de zegen uitgesproken, die een oogenblik een ander
voorkomen aan de bijeenkomst gaf, of de vergadering loopt haastig naar
de deur; en ofschoon niemand kan begrijpen, hoe het in zijn werk is
gegaan, staat de dominee daar reeds, handendrukkend en menschen aan
elkaar voorstellende, ontsnappend aan menig lastig verzoek en in het
algemeen alles luchtigjes opvattend. De een wenscht hem geluk met zijn
«speech"--een nieuwe naam voor een preek--terwijl een ander zegt, dat
het «prachtig" was.

Er zijn ook in Engeland pogingen aangewend om het kerkelijk leven
werkelijk populair te maken, en in zekere stad, die de schrijver kent,
zijn die pogingen in een eigenaardige richting niet geheel mislukt.
Een der Kerken schafte zich een nieuwe verzameling nachtmaalschotels
aan door de alledaagsche kunstgreep van een danspartij; onderscheidene
Gemeenten gaven liefhebberij-tooneelvoorstellingen en een zeer
ondernemend lichaam had een eigen schouwburgzaal. Bijbellezingen
werden besloten, aan het einde van den cursus, met een souper; met
Goeden Vrijdag maakte men landelijke uitstapjes, begeleid door een
militair muziekkorps en een belangrijk deel van de inkomsten der
Gemeente was afkomstig van gezellige vergaderingen van allerlei aard.
Deze bijzondere stad is niets dan een staaltje van den algemeenen
geest, langzamerhand opkomend in de Kerk in Engeland. De eene dominee
gebruikt een tooverlantaarn om kracht bij te zetten aan zijn preek;
een ander heeft een kroeg bij de inrichting van zijn Kerk; een derde
behandelt het laatste moordenaarsschandaal; een vierde heeft een
dienst met zang, een zigeuner of een gewezen bokser om de
belangstelling in het Evangelie te doen herleven. Als het zoo
voortgaat, dan zullen weldra een schouwburg en andere vermakelijkheden
aan de Kerk worden toegevoegd, als aantrekkingsmiddel voor de
jongelieden en om te voorkomen, dat de oude menschen zich gaan
vervelen bij de godsdienstoefening.

Misschien is het door de boosheid van 's menschen natuur, die ons er
toe brengt op nieuwe dingen te vitten en te hunkeren naar den goeden
ouden tijd--die niet altijd goed was in alle opzichten--maar men is
toch niet zeer ingenomen met de nieuwe verschijnselen en in het geheel
niet overtuigd, dat het candy-pullstelsel in eenig opzicht een
verbetering van het verleden is.

Na een weinig ondervinding van aangename sprekers en spreekvertrekken
en soupers met roomijs en landelijke partijtjes, herinnert men zich
met vernieuwden eerbied en diepe waardeering den dominee van den
vroegeren tijd, met zijn eenvoudige kleeding, zijn waardige houding,
zijn gevoel van verantwoordelijkheid, zijn beschaafd voorkomen, en
wien men het aanzag, dat hij in stilte leefde in gemeenschap met God,
terwijl hij sprak als een overbrenger van een boodschap van den
Eeuwige. Hij maakte misschien niet zoo veel drukte bij het uitgaan van
de kerk als zijn opvolger en was misschien ook niet zoo knap in de
spelen en niet in staat om een zoo pakkende speech te houden over
«liefde, vrijerij en huwelijk." De lidmaten van zijn Gemeente hebben
hem wellicht niet genoemd een «schitterend man," en ook niet van hem
gezegd, dat hij een «eerste grappenmaker" was; ook hebben zij hem niet
zoo dikwijls op de «thee" gevraagd en het is zelfs toe te geven, dat
hij bijna te vormelijk was; maar daar staat tegenover, dat zij van hem
spraken als van «een man Gods," en «een goed man" en dat zij om hem
zonden bij de moeielijkheden des levens, wanneer hun geweten hen
pijnigde. Het is mogelijk, dat zij niet zoo met hem dweepten als met
den nieuwerwetschen man, maar zij hadden eerbied voor hem, geloofden
in hem, wat heel wat meer beteekent.

Men wordt ook getroffen door de verandering in de geheele omgeving van
de godsdienstoefening en men kan verschillen van meening erover of het
een voor- of een achteruitgang is. De kerk onzer vaderen was noch goed
verlicht, noch wetenschappelijk geventileerd, noch voorzien van met
zorg bewerkte kussens en het eenige karpet, dat er was, lag op de
treden van den preekstoel. De hedendaagsche kerk is bekoorlijk
versierd, en schitterend van ontelbare electrische lampen.

De dienst was in het verleden uit een muzikaal oogpunt onvolmaakt en
over het algemeen te lang van duur. Tegenwoordig wordt de tenorzanger
van het koor ontslagen, indien zijn stem versleten begint te lijken en
de menschen spreken er van, hoe de lofzang is «voorgedragen" of
«geïntoneerd"--misschien was het «Heilig, heilig, driewerf heilig,
almachtig Opperwezen"--en er wordt bekend gemaakt in de kerkekamer (of
in de spreekkamer van den predikant) dat de bespreking der Heilige
Schrift niet langer moet duren dan vijftien minuten--tien is nog
beter--en dat de gebeden geen inbreuk moeten maken op de muziek en dat
de preek, onverschillig welke het onderwerp ervan zij, al was het de
Oordeelsdag, «belangwekkend" moet zijn. In vroeger tijd noemde de
Gemeente een preek «stichtelijk" of «onderzoekend" of «opbouwend."
Tegenwoordig zegt zij, dat de predikant «in den stijl" was of zij
klaagt er over, dat hij «geen kleur bekende."

Er zijn ongetwijfeld veel punten, waarin de Gemeente van thans
vooruitgegaan is bij die van vroeger, maar toch is niet alle
verandering winst geweest, want het voornaamste bestanddeel van den
eeredienst van het vroegere geslacht was eerbied--de menschen
ontmoetten elkaar in tegenwoordigheid van den Eeuwige, voor Wien elk
mensch minder is dan niets. En het voornaamste bestanddeel is
tegenwoordig voor de kinderen van dat geslacht, die komen luisteren
naar een koor en een knap spreker, zelfbehagen.

Het moet toegegeven worden, dat een van de oorzaken voor de
verandering in den geest van het gemeente-leven een reactie is van het
individualisme en een nieuwe opvatting van het gemeenschapsbegrip der
Christelijke Kerk. Een godsdienstig mensch beschouwt zich zelf niet
langer als een op zich zelf staande eenheid, afgezonderd van elk ander
menschelijk wezen in de wereld en wiens hoofdbezigheid in het leven
is, zijn eigen ziel te behouden. Hij heeft ervaren, dat zijn leven
verband houdt met dat van zijn naasten en dat hij een deel uitmaakt
van een vereeniging die zich over de geheele wereld uitstrekt; dat hij
zijn menschheid niet moet verloochenen en dat hij, door anderen te
behouden ook zich zelf redt. De wereld is niet langer een woestijn,
die hij doortrekt als een pelgrim en vreemdeling, maar zijn
geboorteplaats, waaraan hij de vervulling van een taak verschuldigd is
en godsdienst is niet zoo zeer een ernstige toewijding aan God als wel
een nuttig, liefderijk leven.

Het middelpunt der gedachte is feitelijk overgebracht van de
eeuwigheid op het tijdelijke, van de vereering van God op het dienen
der menschen. De eerste opvatting werd belichaamd in een Puriteinsche
bijeenkomst, waar elke tegenwoordige in beteekenisvolle afwachting
uitkeek naar een teeken van gunst van den Almachtige, of in de
cathedraal, waar de menigte in stille aanbidding wegzonk bij het
opheffen van de hostie. De andere gedachte is voelbaar in het gebouw,
dat meer concertzaal is dan kerk, waar een aantal fatsoenlijke
menschen in opgeruimde stemming en vol van vriendschappelijke
gevoelens samenkomen om te trachten elkander te bewegen tot goede
daden en om liederen te zingen. De oude vreeze des Heeren schijnt
geheel verdwenen en met die vrees is eveneens heengegaan het gevoel
voor het onzienlijke, wat eens de bezieling van den eeredienst
uitmaakte.

Godsdienst, het wordt met grooten nadruk verdedigd, moet niet alleen
voldoen aan de behoeften der ziel, maar ook aan die van geest en
lichaam, opdat een Christen niet buiten de Kerk gelegenheid tot
beschaving of vermaak behoeve te zoeken. Indien hij begeerte heeft
naar ontspanning, dan moet zijn Kerk hem de uitspanningen verschaffen,
zoodat hij niet noodig heeft in de wereldsche maatschappij te gaan en
hoeveel of hoe weinig ontwikkeld zijn verstand ook moge zijn, zijn
geestelijk tehuis moet zijn smaak voldoen. Zijn letterkundige
vereeniging, zijn bijeenkomsten tot oefening in welsprekendheid, zijn
gelegenheid om bezoekers te ontvangen en zijn concertzaal moeten alle
onder één dak zijn, opdat de jonge Christen beveiligd worde tegen
verleiding.

Daar deze neiging tot het gezellig maken van het Gemeenteleven elk
jaar duidelijker wordt en nieuwe uitvindingen op dat gebied
voortdurend gedaan worden, is het vergeefsche moeite aan te dringen op
terugkeer tot den eenvoud van het verledene, toen een Gemeente een
vereeniging van menschen was, die samenkwamen om God te vereeren en
Zijn wil te leeren kennen; maar het kan toch zijn nut hebben, te
bespreken hoe in sommige opzichten een achteruitgang valt aan te
wijzen. Want dat is zeker, indien het Gemeenteleven moet gaan voldoen
aan allerlei andere eischen, dan moet er een ander soort van
predikanten komen.

Voor deze soort van inrichting is er weinig behoefte aan een leeraar
om een Bijbel te verklaren of aan den herder om het karakter zijner
kudde te vormen en voorzeker zou zulk een niet worden gewaardeerd. De
voornaamste eisch, waaraan voldaan moet worden, is dat de predikant
zij een scherpzinnig man, met de talenten van een impressario, een
handelsreiziger en een vendumeester in zich vereenigd, met een heel
klein tintje van een rondreizend evangelist. Inplaats van een
studeerkamer, welks wanden bedekt zijn met boeken van ernstige
godgeleerdheid en klassieke letterkunde, geve men hem een kantoor met
een loketkastje voor zijn programma's en eindelooze briefwisseling;
kasten voor dikke boeken met uitknipsels uit dagbladen en verslagen
van andere genootschappen; een altijd tjingelende telefoon en een
verzameling van handboeken, als: «Hoe men een preek maakt in een half
uur", of «Een duizendtal treffende anecdoten van het zendingsveld".

Hier zit een vlugge, levendige, vindingrijke directeur, met zijn
snelschrijfster aan een hoektafeltje, een dik boek opslaande om te
zien aan wie het eerstkomende bezoek moet gebracht worden, en een
ander boek doorsnuffelende naar bijzonderheden omtrent gezinnen of een
haastig onderzoek instellende in aan een lias geregen voordrachten van
bekende sprekers over eenig onderwerp, dat dienen kan voor den
volgenden Zondag. Van den morgen tot den avond tobt hij zich af met
telephoneeren, telegrafeeren, dicteeren, bij elkaar zoeken,
rondvliegen, hier een gezelligen avond, daar een «schitterende
bijeenkomst" te leiden, «speechen" af te steken, menschen te
ontvangen--hij is een onvermoeid, handig, volhardend man. Niemand kan
nalaten zijn veelzijdigheid te bewonderen of de eerlijkheid van zijn
bedoeling te erkennen; maar als hij nu inderdaad het type is van den
dominee der toekomst, dan zal hij een beter mensch terzijde schuiven
en uitsluiten.

Er zijn menschen, die alle geëischte talenten van geleerdheid bezitten
en aan wier inzicht, toewijding en liefde niets ontbreekt, maar die
toch ten eenemale ongeschikt zijn om een kerk te «drijven" naar de
hedendaagsche manieren. Zij zouden een ziel in geestelijk gevaar
kunnen leiden, maar zij hebben geen talent om jonge lieden te
vermaken; zij kunnen het Eeuwig Evangelie van de Goddelijke Offerande
verklaren, maar zij hebben geen handigheid in het behandelen eener
machine; zij kunnen de beginselen der gerechtigheid uitleggen, maar
zij weigeren zich te bemoeien met een onlangs plaats gehad hebbende
werkstaking van motorbestuurders.

Wat het voordeel betreft, door die nieuwigheden gebracht, is het de
vraag of het gezellig maken van de kerk haar geloof en leven
aantrekkelijk zullen maken? Als er een wedstrijd zou komen tusschen de
vermaken van de kerk (of haar feesten) en de vermakelijkheden der
wereld (en haar feesten,) is er dan één verstandig mensch, die
gelooft, dat de kerk zou winnen? Gelijk aan Caesar biedt de wereld
haar prachtige schouwspelen aan; de Kerk, als Christus, biedt het
overwinnend Kruis.

Waarom zou de Kerk haar verheven standpunt verlaten en nederdalen in
het worstelperk, waar zij beschaamd zal worden? Komen de menschen ter
kerk voor nietige vermaken, alleen geschikt voor kinderen of om te
voldoen aan de behoeften hunner ziel en ter bevestiging van hun
geloof? Zou ooit het Christendom een begin van bestaan gehad hebben,
indien de Apostelen «aangename preekers" geweest waren en
«schitterende mannen", wanneer zij zich hadden ingelaten met
«gezellige bijeenkomsten" en «bazars" of «speeches!" De Kerk
zegevierde door hun geloof, hun heiligheid, hun moed en door deze
verheven deugden moet zij in deze eeuw ook staande blijven. Zij is de
getuige der onsterfelijkheid, het geestelijk tehuis van zielen, de
dienaresse der armen, de beschermster van wie verlaten zijn; en als
zij afdaalt tot een plaats van tweede-rangs-vermakelijkheid, dan ware
het beter dat haar geschiedenis eindigde, want zonder haar geestelijke
vizioenen en ernstige idealen is de Kerk niet waard in stand te worden
gehouden.



IV.

DE OPROERMAKER IN DE KERK.


Om een wereld te maken heeft men alle soorten van menschen noodig, en
bijna even veel worden er vereischt tot het vormen van een kerkelijke
Gemeente; maar dat er ook een oproermaker in komt is niet noodig voor
de gemeentelijke volledigheid. Onder een oproerling verstaat men een
persoon, dien men gemakkelijk kan herkennen en onder wiens bemoeiingen
de meeste Gemeenten van tijd tot tijd geleden hebben. Men moet hem
niet verwarren met een Christen van den ouderwetschen stempel, die bij
zekere gelegenheid in de war is gebracht door een preek over «Gods
Vaderschap" en dan in de studeerkamer van den dominee komt om te
verklaren, dat hij altijd geloofd heeft, dat God een rechter was. Deze
man is volmaakt eerlijk en behoort behandeld te worden met alle
welwillendheid, omdat hij eenvoudig getrouw is aan zijn overgeërfd
geloof en toch wel gaarne het nieuwe Evangelie zou opnemen. Laat hem
een warm hoekje hebben in de kamer, en een gemakkelijken stoel en geef
hem alle gelegenheid om zooveel teksten aan te halen, als hij wenscht
en luister bescheiden naar hem tot middernacht toe. Hij is vatbaar
voor overtuiging en zelfs, indien hij u verlaat zonder overtuigd te
zijn, zal hij toch de Gemeente niet in vuur en vlam gaan zetten. Hij
zal dat niet doen; integendeel zal hij overal gaan verklaren, dat de
dominee een eerlijke studie van den Bijbel maakt en een geduldig
herder is en dat het een voorrecht is bij hem te kerk te gaan als
zelfstandig, verantwoordelijk man.

Ook moet die naam niet gegeven worden aan een van die rustelooze
menschen, die altijd ergens een fout ontdekken en die elkeen vervelen
met hun onverwachte plannen. De eene week schrijft zoo iemand, dat een
vrouw werd weggezonden bij gelegenheid van den bidstond der Kerk,
omdat de zaal vol was--de dominee vindt dat altijd verblijdend en zou
de mytische persoon wel gaarne eens in levenden lijve zien--en hij
oppert het plan om voortaan den weekdienst te houden in de Kerk. Hij
kent honderd menschen, die zouden willen komen--en dit verblijdt den
dominee ook zeer, omdat de goede man zelf bijna nooit tegenwoordig is.
Een volgende week verneemt deze man van een of ander geheimzinnig
persoon, dat deze kou heeft gevat door den tocht uit een van de ramen
en onze vriend schrijft zestien bladzijden om te pleiten voor
gordijnen, die zelfs de St. Pieterskerk afzichtelijk en zeker de
godsdienstoefening onmogelijk zouden maken voor ieder, die eerbied
voor zich zelf heeft. Een maand later is diezelfde man overtuigd, dat
de heele Gemeente als los zand aan elkaar hangt en dat een band
behoorde gelegd te worden door een algemeen bezoek van de zijde der
ambtsdragers, waarvoor hij wel zoo goed is een plan te schetsen; en
elke nieuwe week openbaart hij een nieuw plan in een langen brief,
totdat zijn broeders zoover gebracht worden, dat zij harde woorden
zeggen over zijn bedilzucht.

Zijn broederen behoorden echter liever hun ziel in lijdzaamheid te
bezitten en den waardigen man vriendelijk te behandelen, want er is
geen grein boosheid in hem en ook is er geen goedhartiger mensch in de
heele Gemeente. Hij zal al heel in zijn schik zijn, als hij een
beleefd antwoord ontvangt en ik zou voor zulke gelegenheden dezen vorm
aanraden:

      _«Waarde Heer Jump_,

Ik heb uw belangrijken brief ontvangen en nam goede nota van uw
voorstel omtrent de gordijnen. De zaak is er een, die veel overweging
eischt en ik haast mij u te verzekeren, dat het zeer aanmoedigend is
voor den dominee en de overige ambtsdragers van de Kerk te zien, dat
het welzijn van onze Kerk in elk opzicht u zoo zeer ter harte gaat.
Geloof mij, met de meest vriendelijke gevoelens

                                                «Den Uwe
                                        «JOB HOUVAST, predikant."

Mijnheer Jump zal zeer tevreden zijn met dezen brief en zal binnen
vierentwintig uur vergeten hebben, dat hij ooit een voorstel deed over
gordijnen. Het is de moeite waard voor een Gemeente om, laat ons
zeggen één Jump aan zich te verbinden om gebreken aan te wijzen en de
zaken aan den gang te houden. Twee Jumps zouden misschien te veel zijn
voor de Gemeente en men kan den tweeden beter voor wat anders
gebruiken.

Er is een andere persoon, die ook niet beschouwd moet worden als een
oproermaker, ofschoon hij een echte dwarsdrijver is en veel nadeel kan
berokkenen. Het is de man, die vatbaar is om zich beleedigd te
gevoelen en die er zich aan stoot, zoo als hij zegt, wanneer iemand
hem aan de kerkdeur voorbij loopt zonder spreken of «iets van hem
zegt"--hij weet niet wat,--achter zijn rug, of wanneer een ander zich
verzet tegen een plan, dat hij voorstelde of weigert iets te doen, wat
hij vraagt. Nadat hij zijn vrouw gekweld heeft met de zaak, en zich
zelf de koorts op den hals heeft gehaald tengevolge van gekwetste
ijdelheid, geeft hij iedereen te verstaan, dat hij een grief heeft en
neemt hij een martelaarsvoorkomen aan. Als een vormelijk protest
blijft hij zelfs misschien wel twee Zondagen uit de kerk weg en dan
wordt hij weer boos, omdat niemand bij hem komt om naar de reden te
vragen. Natuurlijk is hij zeer vervelend, maar overigens is er geene
boosaardigheid in den man en hij behoort zachtmoedig behandeld te
worden. Het is meer zijn ongeluk dan zijn fout, dat hij geen opperhuid
heeft en geheel onbeschut is tegen de wrijving des levens. Een zachte
aanraking en een mild gebruik van geestelijke zalf zal zijn wonden--of
liever zijn schrammen--genezen.

De oproerling is van een ander deeg en is een stevig gebouwd
ongeloovige, die, zoodra de gelegenheid zich voordoet en op elk, dien
hij bereiken kan, zijn krachtige vuist zal doen neerkomen. Zijn eenige
begeerte is leed te doen en hoe meer pijn hij veroorzaakt, hoe beter
hij in zijn schik is. Hij schrijft beleedigende brieven aan den
dominee, hem beschuldigende van alle mogelijke zonden, van ketterij
tot leugen toe. Hij begint een openbaar twistgeschrijf over de zaken
der Gemeente in elk nieuwsblad, dat dwaas genoeg is zijn brieven op te
nemen. Hij valt de verstandigste voorstellen aan van de ambtsdragers
en beticht hen van de afschuwelijkste drijfveeren. Hij trekt de
Gemeente door als een brandstichter en zet elk ontvlambaar persoon in
vuur. Wanneer hij in zijn glorie is, dreigt hij met aanklachten bij de
kerkelijke hoven of bij de burgerlijke rechtbank; en ofschoon hij
nooit de bedreigingen uitvoert, daar hij even lafhartig als
schreeuwerig is, doet hij toch de voorbereidende stappen, die
aanleiding geven tot praatjes en kwaad gerucht.

Het behoort ook tot zijn rol om den schijn aan te nemen van groote
oprechtheid en eerlijkheid, een man te zijn van onbuigzame
rechtschapenheid en geestelijke bedoelingen. Wat hij doet, doet hij
altijd om des gewetens wille en met klankvolle welsprekendheid plaatst
hij altijd zich zelf en zijn tegenstanders voor de vierschaar der
eeuwige gerechtigheid. Hij is zoo groot en zoo schreeuwerig en de
eenvoudige menschen zijn zoo liefderijk en zoo gemakkelijk te
overbluffen, dat zij vaak dezen man houden voor den persoon, waarvoor
hij zich uitgeeft en hem zijn zin geven.

Feitelijk is hij niets anders dan een uitermate groot bedrieger in elk
opzicht en hij verdient geen genade te ontvangen. Noch zijn meeningen,
noch zijn gevoelens, noch zijn klachten, noch zijn bedreigingen moeten
één oogenblik in overweging genomen worden. Zijn eerste uitdaging moet
worden aangenomen als een oorlogsverklaring en dan moet de oorlog
gevoerd worden liefst zonder kwartier te geven; en het is opmerkelijk
in hoe korten tijd deze struikroover tot bezinning kan gebracht worden
en tot lafhartige onderwerping.

Mocht hij zich ergens in een Gemeente genesteld hebben en begonnen
zijn van zijn aard te doen blijken, dan is de wijste partij hem te
verzoeken heen te gaan. Het is niet gebruikelijk, dat men aan een
kerklid vraagt die Kerk te verlaten en zeer ongewoon, wanneer het
toevallig een man van beteekenis en stand is, zooals deze knaap
dikwijls schijnt; maar Gemeenten zijn in den regel al te bezorgd om
ieder te behouden en begrijpen veel te laat, dat de afwezigheid van
eenigen veel voordeeliger is dan hun tegenwoordigheid. Hun
aanwezigheid beteekent eenvoudig twist en zielskwelling, hun
afwezigheid vrede en voorspoed; hun tegenwoordigheid verdrijft rustige
menschen, terwijl, als zij wegblijven, men verlost is van een
struikelblok.

Mocht hij vragen toegelaten te worden tot een Kerk, waar zijn karakter
bekend is, dan behoort hij bedaardweg geweigerd te worden. Waarom zou
eenig predikant, als hij er iets aan doen kan, een man opnemen, die
het hart van een anderen dominee half gebroken heeft? Waarom zou een
Gemeente woning geven aan een man, die de zaken van een andere
Gemeente in de war gestuurd heeft? Er is veel kans op, dat hij precies
doet als de legers, die na één land opgegeten te hebben naar een ander
trekken om dat te gaan verwoesten. Als er eenige kracht is in de
Gemeente, waar hij toegang vraagt, laat dan de deur hem voor den neus
worden dichtgeworpen en misschien wordt hij verstandig, als hij zonder
Kerk rondzwerft.

Mocht iemand zeggen, dat wij den muiteling onvriendelijk en
onchristelijk behandelen, dan wordt hij te ver gevoerd door een
overmaat van liefde en let hij niet op de feiten. Wie vriendelijk
handelt met een oproerling is wreed voor den dominee en de Gemeente.
Al staat hij geheel alleen, er is geen eind aan de ellende, die zulk
een man kan teweegbrengen. In ieder geval zal hij den predikant
ernstig schokken en dat op wijzen en langs wegen, die de Gemeente
nauwelijks kan bevroeden. Geen predikant, die dien naam waard is,
schrijft zijn preeken zonder eenig verband met zijn Gemeente, alsof
hij op een andere planeet leefde en alleen maar rekening hield met
afgetrokken denkbeelden. Wanneer hij aan zijn schrijftafel zit, dan
staat hij als op den preekstoel en de Gemeente zit voor hem; hij
spreekt tot de menschen en zij antwoorden; hij ziet het eene hoofd
opgeheven en het andere ter neder gebogen; den een ziet hij ter neder
geslagen en een ander opgebeurd, tot dat zijn studieboeken verdwijnen
en de kamer vervuld is van menschelijk gevoel. In deze atmosfeer maakt
de dominee zijn beste werk en vervult hij het meest zijn roeping.
Veronderstel nu, dat aan het hoofd van een bank--en daar is hij
altijd, de muiteling, op een goed uitkomende plaats--zulk een
oproerling zit, strijdzuchtig, onbeschaamd en wantrouwend: zal hij
niet zijn invloed op de preek uitoefenen?

Ongetwijfeld zijn er menschen, die zooveel verstandelijke
zelfbeheersching bezitten en zoo totaal onverschillig zijn voor
omstandigheden, dat zij kunnen nalaten op hem te letten en zijn
bestaan vergeten. Dit zijn mannen van den hoogsten rang en men kan
niet verwachten, dat zij talrijk zijn onder de predikanten noch in
eenigen anderen stand. Voor hen bestaan er geen regels en ook geen
hinderpaal; zij zijn onverstoorbaar en onweerstaanbaar. Op gewone
menschen oefent de oproerling een verbitterenden en ontstemmenden
invloed uit, zoodat een prediker, bewust of onbewust, altijd rekening
met hem houdt en de volgorde van de punten der preek wordt tot op
zekere hoogte geregeld door het bestaan van dien man. Als de dominee
een vriendelijk en vreesachtig man is, dan kan het gebeuren, dat hij
al te zorgvuldig is en dingen verzwijgt, die hij behoorde te zeggen
uit vrees van te beleedigen. In plaats dat de preek recht op haar doel
afgaat en haar bestemming bereikt met zoo weinig mogelijk verlies van
tijd en ruimte, wordt zij vreesachtig en nederig van stijl. De
prediker maakt allerlei noodelooze omschrijvingen om toch maar niet
gegrepen te worden door zijn vitter of hij maakt voortdurend allerlei
voorbehoud uit vrees aanstoot te geven aan dezen machtigen man. De
menschen zullen een vaag gevoel krijgen van zwakte, maar zij kunnen de
oorzaak ervan niet gissen.

Veronderstel, daarentegen, dat de predikant een sterk en beslist man
is, maar niet behoort tot de geestelijk zeer hoogstaanden van ruimer
opvatting, dan beroert de oproerling hem op eene andere wijze. Zoodra
de predikant begint te spreken, zet hij zich ertoe dezen man onder
handen te nemen en hem tot bezinning te brengen. Diens karakter en
daden worden omschreven, veroordeeld; de prediker bespot en bedreigt
hem. De oordeelen der Heilige Schrift worden hem naar het hoofd
geworpen; hare bevelen worden hem als een last op den rug gelegd; hij
wordt buiten gesloten van de uitnoodigingen van het Evangelie en hij
wordt voorgesteld als sprekend te gelijken op alle slechtaards uit de
Bijbelsche Geschiedenis. Iemand, die de toespeling begrijpt, zal
meenen, dat deze man hard behandeld is; maar wie iets verder in het
geval doordringt, zal inzien, dat de dominee slachtoffer is. De
prediker is bitter en wraakzuchtig geworden; de preek heeft
bevalligheid en teederheid verloren; en ik weet niet, wat erger is:
een prediker zonder grootmoedigheid of een preek zonder adel. Neem
dien man weg van zijn plaats in de kerk en de dominee zal er zich toe
zetten om vromen en zondaars toe te spreken in de liefde Gods.

De oproerling doet zich ook kennen door het belemmeren van de
werkzaamheid der Kerk, zoowel in arbeid als in liefdegaven.

Mocht hij bijvoorbeeld een plaats bekleeden in de Zondagsschool, dan
zal hij twist maken niet het hoofd ervan en met elk der andere
onderwijzers om beurten, totdat hij heel alleen staat voor de school
en dan begint hij te jammeren over het gemis van Christelijke
offervaardigheid. Als hij wordt aangesteld tot penningmeester van een
fonds, in de gedachte, dat hij daardoor iets te doen zal hebben, dan
zal om zijn persoon niemand meer iets willen geven eraan; en als hij
geen penningmeester is, zal hij overal gaan vertellen, dat het fonds
meer kwaad doet dan goed en dat zij, die het goed meenen met de Kerk,
niet eraan moeten bijdragen.

Boven en behalve al deze onheilen, die hij te weeg brengt, vergiftigt
hij het kerkelijk leven zoodanig, dat het in plaats van tot zegen en
eendracht te voeren, slechts bitterheid en krakeel kweekt. Als er een
twist is in de Kerk, dan zal deze man hem opblazen tot een ruzie; en
als het mogelijk is twee menschen tegen elkaar op te zetten, zal hij
het zeker doen. Als er een eerlijk meeningsverschil is, draagt hij
zorg, dat een veete ontstaat en als er een nieuw voorstel te berde
gebracht wordt, dan verbittert hij de bespreking ervan.

Wellicht is de beste handelwijze tegenover zoo'n man hem niet uit te
schelden of tegen hem te razen, maar hem alleen te laten staan. Even
als de natuur soms een ettergezwel vormt en het met de een of andere
stof zoodanig omgeeft, dat het afgescheiden wordt van het lichaam,
zoo moet die man ingesloten worden in een plaats voor hem alleen.

Mocht hij een aanmerking maken op kerkelijke zaken, laat dan een ander
antwoorden met een opmerking over het weer; als hij begint te vitten
op een preek, laat dan iemand hem beklagen over zijn slechte
spijsvertering. Als hij opstaat om te spreken in een kerkvergadering,
laat de stilte dan voelbaar zijn en laat de voorzitter dadelijk, als
hij uitgesproken heeft, tot het volgende punt van bespreking overgaan,
alsof er niets gezegd was. Als men er niet buiten kan hem toe te
spreken, dan is de beste manier hem te behandelen als een
onmogelijkheid en hem te omringen met een net van belachelijkheid,
want daardoor geeft men veel onschuldig vermaak aan andere menschen en
men treft hem in zijn eenige zwakke punt. Zoo verlaten of uitgelachen,
zal hij naar een andere Kerk gaan en dan--dan zinge de verloste
Gemeente een Te Deum!



V.

BEJAARDE PREDIKANTEN.


Te een of ander tijd, en misschien heel plotseling, komt een Gemeente
tot inzicht van het feit, dat een zekere wederwaardigheid den dominee
heeft getroffen, die zijn kracht van dag tot dag sloopt en misschien
zijn leven zoowel als dat van de Gemeente met den ondergang bedreigt.
Het heeft niets te maken met zijn karakter, want hij is werkelijk een
veel heiliger man en misschien ook een veel wijzer man dan hij vóór
twintig jaren was en stellig begaat hij minder vergissingen in woord
en daad dan in de dagen zijner jeugd. Ook staat het niet in verband
met zijn herderlijken arbeid--want hij is meer dan ooit de raadgever
en vriend der menschen, die tot hen spreekt met rijker levenservaring
en grooter liefde. Het zou ook niet geheel juist zijn te zeggen, dat
zijn preeken aanstoot geven, want die zijn waarschijnlijk even
degelijk en nuttig als vroeger. Inderdaad, hij zegt dezelfde dingen,
die hij placht te zeggen tot groote voldoening en op dezelfde wijze
als hij gewoon was ze te zeggen... lang geleden.

Er hapert niets aan hem, tenzij dan dat hij niet meer zoo vlug loopt
als eertijds, dat hij wat langzamer spreekt en dat hij de vorige week
een sterker bril moest aanschaffen, dat hij niet altijd hoort, wat men
tot hem zegt, dat zijn haar van grijs tot wit overgaat, dat hij
vermoeid wordt bij het beklimmen van een heuvel. Er is met hem
gebeurd, wat er met alle andere menschen gebeurt: hij wordt oud.

Zoodra de Gemeente dat feit merkt--en het kan soms jaren duren, eer
men het ziet--beginnen de bestuurders der Gemeente zich minder op hun
gemak te gevoelen. Ouderdom heeft zijn voordeelen in de Bediening des
Woords, maar hij heeft ook zijn duidelijk merkbare nadeelen en wanneer
men de balans opmaakt, heeft de Gemeente misschien gelijk in de
meening, dat zij aan den verliezenden kant is en niet aan den
winnenden onder de Bediening van een oud man. Eén zaak is zeker--en
dat is een zeer ernstige zaak--een dominee wordt op een zekeren
leeftijd bijna ontoegankelijk voor nieuwe denkbeelden. Natuurlijk
verschilt die leeftijd voor onderscheiden mannen en het is gevaarlijk
ook maar een gissing te wagen, daar de lezer altijd wel de een of
andere uitzondering zal weten. Er zijn menschen, die na hun dertigste
jaar geen nieuwe gedachten toelaten tot hen door te dringen--mannen
van hopelooze stompzinnigheid, die al hun levensdagen een nachtmerrie
voor hun Gemeente zijn; en er zijn mannen, wier geest op hun
tachtigste jaar nog open staat voor de nieuwste ideeën--mannen van
buitengemeene verstandelijke frischheid en levendigheid.

Voor den middelmatigen mensch komt er een tijd, dat zijn geest vast
wordt en dat zijn meeningen totaal onveranderlijk blijven. Wellicht
neemt hij geen aanstoot aan de ontdekkingen der jongeren; maar zich
ermee vereenzelvigen doet hij zeker niet. Hij zal zich misschien niet
verzetten tegen nieuwe wijzen van optreden maar ze aannemen zal hij
stellig niet. Zijn prediking kan juist zoo goed zijn als zij vroeger
was, omdat zij dezelfde is, zonder eenige toevoeging of nieuwe
gedachte; maar zij kan wellicht verkeerd zijn, vergelijkenderwijs
sprekend, omdat er eigenlijk nieuwe stof in wezen moest en dat zij ook
meer verband moest houden met den tijd, waarin wij leven.

De middelbare leeftijd is geneigd eenig wantrouwen te koesteren tegen
het opkomend geslacht en een zekere jaloerschheid te gevoelen van zijn
standpunt, zoodat de man van middelbaren leeftijd soms vervalt tot
vitlust en kwaaddenkendheid. Hij wordt langzamerhand een rem aan het
rijtuig en hoewel de rem een nuttig ding is in zekere omstandigheden,
is zij toch niet geschikt om in de plaats van paarden gebruikt te
worden.

Wanneer een predikant geplaatst is in een stad, dan is het een
ernstige vraag of hij, na de zestig eenigen tijd achter den rug te
hebben, nog wel in staat is zijn werk naar behooren te verrichten. De
menigte bijkomende werkzaamheden in een stedelijke parochie, het
drukke leven, de groote inspanning van den geest en de zware
verantwoordelijkheid eischen een man in den bloei des levens, met een
vlug begrip en een sterk lichaam. Zooals de toestand nu is, zou het
heel goed zijn, indien mannen na twintig jaren dienst in een stad zich
terugtrokken en een rustiger arbeidsveld zochten in een landelijke
Gemeente. Zij zouden, als het ware, geplaatst kunnen worden op de
lijst der half gepensionneerden.

Daarenboven is het niet te ontkennen, dat de man van middelbaren
leeftijd door geheel en al afscheid te nemen voor zich zelf van de
jeugd, ook in veel opzichten ophoudt in verbinding te staan met jonge
menschen. Zij mogen eerbied voor hem gevoelen en hij moge belang in
hen stellen, zij hebben niet meer een gemeenschappelijke wijze van
zich uit te drukken en koesteren verschillende sympathieën.

Zij zijn geneigd hem te beschouwen als een «stoffel" (en als man van
middelbaren leeftijd, meen ik, dat wij inderdaad wat onnoozel worden),
terwijl hij hen allicht wat «wuft" vindt. Er zijn weinig menschen, die
de gaping tusschen twee geslachten kunnen overbruggen en even goed
kunnen omgaan met de jongen als met de ouden en de moeielijkheid wordt
eer grooter dan kleiner. En dit alles is het nadeelig gevolg van het
oud worden of zelfs maar het overschrijden van den middelbaren
leeftijd.

Wat moet er dan gedaan worden met dien ongelukkigen man? De
moeielijkheid wordt zoo klemmend gevoeld, dat een voornaam godgeleerde
van onzen tijd--die nu overleden is--voorstelde, dat een dominee,
zoodra hij den bloeitijd des levens was gepasseerd, ergens zou heen
gebracht (ik vermoed naar de een of andere overdekte plaats) en daar
doodgeschoten worden. Zijn meening was, dat rustende geestelijken op
dezelfde wijze zouden behandeld worden als versleten paarden. Het is
altijd gevaarlijk geweest ironisch te spreken in Engeland sedert den
tijd van Swift, want ofschoon het Engelsche volk elke andere deugd van
de wereld bezit, het heeft zeker geen vlug begrip voor humor en ik ben
er niet zeker van, dat er niet menschen waren, die geloofden, dat dit
barbaarsche voorstel ernstig gemeend was. Voorzeker sprak hij in den
geest van eenige ondankbare armzalige Gemeenten, voor wie het een
heele opluchting zou wezen van een ouden dienaar af te komen op de
snelste en goedkoopste manier. Misschien zou het ook een
vriendendienst zijn aan den dominee, wanneer deze bemerkt dat hij een
sta-in-den-weg wordt voor hen, die hij liefheeft en die hem eens
liefhadden, wanneer men hem op de een of andere manier den genadeslag
gaf; maar daar zijn wetten, die deze krachtige methode van wegzending
verhinderen en men moet het denkbeeld van een slachtplaats voor
geestelijken opgeven.

Men heeft dan vier manieren van handelen met dezen ongelukkigen man,
die, indien hij eenig gevoel van gepastheid had gehad, fatsoenlijk zou
gestorven zijn na een kortstondige en hartroerende ziekte in den
leeftijd van zestig jaar en de eerste manier is, dat de Gemeente niets
doet en hem zijn leven laat eindigen op den preekstoel. Naar alle
waarschijnlijkheid placht hij, ongeveer dertig zijnde, te zeggen, dat
hij nimmer dominee zou blijven na het geel worden zijner bladeren; dat
hij er zich over verwonderde, hoe oude menschen niet konden zien, dat
hun tijd voorbij was en dat zij beter zouden doen kool te gaan planten
in een dorpstuintje. Toen hij deze brave dingen zei, stond hij aan den
anderen kant van de heg, en nu, nu hij tweemaal zoo oud is, heeft hij
een heel anderen kijk op de dingen. Hij verklaart, dat hij zich nooit
in zijn leven jonger gevoeld heeft dan thans en nooit geschikter om
te preeken. Bij gelegenheid wordt hij heldhaftig en verklaart, dat,
zoolang hij de preekstoeltrappen kan opklauteren, hij zal voortgaan en
dat hij zal sterven in het harnas.

Dwaze menschen (meestal oude dames) zullen hem wijsmaken, dat hij
nooit zoo gepreekt heeft als den vorigen Zondag en hij zal het oor
leenen aan dezen kleinen kring van bewonderaars en weigeren raad aan
te nemen van verstandige menschen, die zijn welzijn op het oog hebben
en die het plan opperen, dat hij vrijwillig een ambt zal nederleggen,
dat hij zoo eervol vervuld heeft. Zoo zal het er toe komen, dat Kerk
en stad een van de droevigste treurspelen zullen aanschouwen: een man
bezig de Gemeente te verstrooien, die hij eens vergaderd heeft en zijn
goeden naam weg te werpen, dien hij eens won.

Of de Gemeente kan misschien zich verstouten en er op staan dat de
waardige oude heer een medewerker, een collega neemt. «Wij zouden
niet gaarne uwe diensten missen," zoo spreekt de een of andere sluwe
diplomaat, die weet, dat de dominee, om niet te spreken van diens
vrouw, hem voortdurend met wantrouwende blikken gadeslaat. «Wij
wenschen alleen u te ontlasten van het zwaarste gedeelte van uwen
arbeid. Zou het niet goed wezen, dat wij een sterken, jongen man
aanstelden, die de catechisaties op zich nam en al het bijkomstige
werk en die één keer per dag zou preeken om u vermoeienis te besparen
en u gelegenheid te geven van tijd tot tijd eens vacantie te nemen?
Gij zijt wel goed geweest, dat ge geen hulp voor de prediking gevraagd
hebt, maar de Gemeente voelt, dat het niet meer dan plicht is u
blijvende hulp te geven. Daarenboven," en nu verzwakt de afgezant en
voelt, dat de domineesvrouw hem met verachting aanziet als een ontdekt
bedrieger en een verbazend leugenaar, «het zou zoo goed zijn voor een
jong man het voordeel te hebben uw prediking te hooren en uw
raadgevingen in te winnen."

Zeer waarschijnlijk zal de oude heer, na een samenspreking met zijn
vrouw en haar vriendinnen, weigeren iets te maken te hebben met een
collega; hij zal verklaren, dat hij een dergelijken maatregel zal
voorstellen, zoodra hij dien werkelijk noodig acht, en erbij voegen,
dat er niets akeliger is voor een jongen man dan zijn tijd door te
brengen met niets te doen. Misschien zal hij nog erbij zeggen, en met
diep leedwezen zeggen, dat eenige invloedrijke lidmaten van de
Gemeente hem verzekerd hebben, dat de inmenging van een collega al het
werk zou vernietigen, dat hij heeft opgebouwd en oorzaak van scheuring
zou wezen.

Mocht echter de dominee er in toestemmen een collega te hebben, dan
zullen de gevolgen in negen van de tien gevallen bedroevend zijn. Een
van beiden, of de oude man zal zoo heerschen over zijn jongeren
broeder, dat de laatste geen kans zal hebben zelfstandigheid te
ontwikkelen en ooit tot volmaking te komen, of de jonge man zal zich
tegen den ouden inzetten en gesteund door de jongere lidmaten den
ouden dominee uit de Kerk drijven. Het was inderdaad een onverstandige
en onnatuurlijke positie, dat twee mannen gelijke macht zouden
bezitten en dat wordt er te erger op, naarmate beiden meer afhankelijk
zijn van de openbare meening. Heeft men er ooit van gehoord, dat er
twee kapiteins op hetzelfde schip waren, twee opperbevelhebbers van
één leger of zelfs twee machinisten bij één machine? En toch komt het
voor, dat verstandige menschen voorstellen, niet dat een dominee een
hulpprediker zal nemen, maar een collega om met hem gelijk te staan in
macht en verantwoordelijkheid.

Natuurlijk kan een Gemeente het den man, die haar gediend heeft
gedurende de beste jaren van zijn leven, zoo zuur maken, dat hij geen
keus heeft en blij is te kunnen heengaan, zelfs al staan eenzaamheid
en armoede voor de deur. Wanneer een Gemeente dien weg inslaat om den
band te verbreken, dan begint men te wanhopen aan het Christendom. De
laaghartigste koopman, die op een cent dood blijft, zou een ouden
kantoorklerk niet zoo behandelen als Christenen soms een armen en
versleten dominee bejegenen. Zij hebben zijn jeugd en zijn mannelijke
krachten verbruikt en al zijn geestdrift en zijn vuur; zij hebben den
bloesem van zijn geest en den oogst zijner ziel genoten. Voor hen
leefde en dacht hij; voor hen putte hij zich uit in zijn krachtige
dagen elken Zondag en is hij voortgegaan zijn laatste krachten te
verslijten. Al wat er uit hem te halen was, hebben zij genoten en nu,
na een paar jaar hem te hebben gadegeslagen, zijn ze tot het besluit
gekomen, dat zijn beste tijd voorbij is en zij doen hem een misleidend
aanbod en verzoeken hem heen te gaan. Dan gaan zij, met de pet in de
hand, naar den een of anderen bekenden jongen dominee en smeeken om
zijn gunst, verklarende dat hunne harten naar hem zijn uitgegaan en
dat zij gelooven, dat het overeenkomstig Gods wil is, dat hij hun
dominee zij. En hij, op zijn beurt, komt en spoedig hoort men hem
zeggen, dat er geen getrouwer menschen zijn. Laat hem maar een poosje
wachten.

Zou het niet beter zijn, dat elk kerkgenootschap of elke Kerk een plan
voor emeritaat ontwierp op ruime schaal met twee voorwaarden? De
eerste voorwaarde behoorde te zijn, dat elke predikant, zeg op
vijf-en-zestigjarigen leeftijd zou uittreden uit den werkelijken
dienst en dat hij na dien tijd kon optreden als helper zijner
broederen of rustig leven, al naar hij verkoos. De tweede voorwaarde
moest zijn, dat hij een pensioen ontving van niet minder dan de helft
van zijn traktement, tot, laat ons zeggen, een bedrag van drieduizend
zeshonderd gulden (£ 300). Mocht iemand beweren, dat zulk een wet
willekeurig is, dan antwoord ik daarop, dat zeker elke predikant
liever nog door een wet dan door geweld gedwongen zou worden tot
aftreden en dat hij in goed gezelschap zou zijn, want hij zou het lot
deelen van alle zee- en landofficieren en elken burgerlijken ambtenaar
en elken geëmployeerde aan ieder groot lichaam in de gansche
beschaafde wereld.

En de Kerk mag niet onderdoen voor den Staat. Zij moet staat maken op
de personen, die haar dienen, voor haar zichtbaar wèlslagen en haar
doel behoort te zijn, dat elke Gemeente een dominee heeft in de volle
kracht zijns geestes en zijns lichaams, en dat elke man, die zich
heeft afgesloofd in den dienst der Kerk, behoorlijk onderhouden wordt
voor zijn overige levensdagen.

Er is, behalve onzedelijkheid en ongeloof, niets dat een grooter
beletsel is voor de geestkracht der Kerk dan naar verhouding een groot
aantal oude en zwakke dominees in werkelijken dienst. Want dit
beteekent verouderde godgeleerdheid, verwaarloozing van de jongere
leden, ontoegankelijkheid voor de nieuwere denkbeelden, en een
eindeloos gekibbel. Niets zou zekerder bijdragen tot vernieuwing van
de geestkracht der Kerk dan een bij een wet geregeld emeritaat op
voldoende voorwaarden voor elken predikant boven de vijfenzestig jaar.
Want dit zou beteekenen niet alleen een reserve van geschikte mannen,
waarop de Kerk kon rekenen in geval van nood, maar een onophoudelijken
toestroom frissche gedachten.

Tegenwoordig hebben de Gemeenten een grief tegen oude dominees, die
meenen, dat zij jong zijn en oude predikanten hebben een grief tegen
Gemeenten, die geen eerbied hebben voor den ouderdom en tusschen die
twee partijen komen vele onaangenaamheden en vredebreuken voor.

Wanneer de Kerk even goed bestuurd wordt als een koopmanszaak van den
eersten rang, dan zal die bestaande vijandschap verdwijnen en niemand
zal in de Christelijke Kerk meer geëerd en geliefd worden dan de
getrouwe predikant, die haar gediend heeft in de volheid zijner kracht
en nu gedurende zijn welverdiende rust haar verrijkt met zijn
raadgevingen.



VI.

DE DOMINEE EN HET KERKORGEL.


Lofgezangen maken een deel uit van de openbare godsdienstoefening bij
elke Christelijke Vereeniging--behalve bij de Kwakers, die ik soms
benijd--en ik wensch dadelijk te zeggen, dat ik niet voornemens ben te
preeken voor de afschaffing van het loflied. De vromen van het Oude
Testament hadden een muzikalen dienst, die voldoende was om het hart
van een ritualist met wanhoop te vervullen en men kan zich maar
flauwtjes voorstellen wat een zuur leven de priester had, wiens taak
het was het tempelorkest te verzorgen en die moest omgaan met de
bespelers van instrumenten. De heiligen van het Nieuwe Testament
begonnen zonder een orkest, en schenen waarlijk gedurende eenigen tijd
bij de regeling hunner lofzangen de beginselen van het gezond verstand
toegepast te hebben, zingende zoo goed mogelijk met blijde lippen en
kloeke harten in donkere gevangenissen. Maar even als vele andere
beste menschen, wisten ze niet precies, wanneer zij gelukkig waren en
langzamerhand vonden zij zwaarmoedige liederen uit, die een bijzonder
zwak zijn geweest van alle Christenen van alle geslachten.

Men is wel eens benieuwd ernaar, hoe de Kwakers er zoo vreedzaam
kunnen uitzien en waarom hun eeredienst zoo heerlijk is, en ik ben
eenigszins geneigd te gelooven, dat dit komt, omdat zij geen muziek
bij hun godsdienstoefeningen hebben. Hadden wij ze ook niet, dan--zou
ik willen zeggen--zou een vaak voorkomende oorzaak van twist zijn
weggenomen uit menige Gemeente en de dominee zou haast niet weten, wat
hij met zijn tijd moest uitvoeren. Toch wensch ik te gelijkertijd
duidelijk te verstaan te geven, dat ik de muziek beschouw als een
noodzakelijk onderdeel van den eeredienst, dat organisten een gedeelte
van de kracht der Christelijke Kerk uitmaken en dat ieder, die niet
ten volle den leider en de leden van het koor waardeert, een
onwetende, slechtaardige Philistijn is.

Indien er eenige twist in de Gemeente is door de muziek, en indien de
dominee ooit zich ergert, laat ik dan op den voorgrond zeggen, dat
alleen de Gemeente en de dominee te laken zijn. Maar er zijn toch
moeielijkheden en het kan goed zijn er over te spreken in een geest
van gepaste menschlievendheid. In de eerste plaats dan, is de organist
een kunstenaar en elke kunstenaar heeft een bijzonder fijngevoeligen
aard, die de gewone holderdebolder manieren van het dagelijksch leven
niet verdragen kan. Met een man, gevormd uit gewone klei, zoudt gij
spreken op praktische, recht op het doel afgaande, desnoods lompe
wijze; ge zoudt met hem redeneeren, hem berispen en hem terecht zetten
als hij ongelijk had. Maar met een van kostbaar porselein moet niemand
op die wijze handelen of, de kunstenaar zal dadelijk gekwetst worden
en zijn ontslag nemen en zijn hartroerende geschiedenis overal
rondvertellen, want hij staat boven de kritiek en de openbare meening.
Het is onmogelijk hem iets te leeren; het is een beleediging te
veronderstellen, dat er verbetering mogelijk is; het is het best aan
te nemen, wat hij geeft en te erkennen, dat hij recht heeft te doen
zooals hem behaagt en het de plicht is van ieder ander te verklaren,
dat, hetgeen hij doet, bij elke gelegenheid, te liefelijk is om onder
woorden gebracht te worden en dat de uitwerking ervan bijna te sterk
is voor de vermoeide menschelijke natuur. Dit is de schatting, welke
de Gemeente behoort te betalen aan den meest geestelijke onder de
artisten, den organist.

Men wordt werkelijk boos op den dominee, die beter behoorde te weten
en toch zijn eigen plaats vergeet, ten gevolge van gemis aan
waardeering der kunst en van een overschatting van zijn eigen werk.
Hij is aanmatigend tegen den organist en wordt billijkerwijs gestraft.
De dominee behoort zich te herinneren--en de Gemeente mag hem wel eens
erop wijzen--dat zijn werk ondergeschikt is aan dat van den
kunstenaar, en dat het overige gedeelte van den dienst geen andere
bedoeling heeft dan een steun en een achtergrond aan de muziek te
geven. Wat de Gemeente wenscht te hooren is, niet zijn preek, ofschoon
ik nooit een organist zich tegen de preek heb hooren verzetten, tenzij
de prediker te veel tijd in beslag nam. Werkelijk heb ik reden om te
gelooven, dat vele organisten de preek beschouwen als een welkomen
rusttijd voor hun overspannen zenuwen. Wat de Gemeente werkelijk
begeert is een lofzang te hooren en het wèlslagen van den dag hangt af
van den goeden afloop daarvan. Wanneer een predikant dit feit goed ter
harte neemt en zorg draagt, dat de menschen, die opgevoerd zijn tot
een hemel, die niet door menschelijk geluid kan beschreven worden,
niet onbehoorlijk gekweld worden doorzijn domme praatjes, dan is hij
ten minste aan één steen des aanstoots ontkomen.

Het is eveneens zeer kwalijk te nemen, als een dominee zich wil
bemoeien met de keuze der liederen en altijd denkend aan zijn preek,
liederen wil uitzoeken in verband met den inhoud daarvan. Het is best
mogelijk, dat de door hem aangewezen liederen uitstekend passen bij
den tekst en zeer geliefd zijn bij het volk, maar alleen de organist
weet of de wijzen ervan in het liederenboek verheven of platte muziek
zijn. De wijsjes vallen zoo in den smaak van het publiek misschien,
dat ieder er naar haakt ze te zingen met zijn geheele hart en uit
volle borst, maar de organist verbleekt van schrik eenvoudig bij de
gedachte, dat een duizendtal menschen zich, om zoo te zeggen, te goed
zullen doen aan zijn lekkernij. Het is een voorrecht, en op zijn minst
genomen blijft het altijd nog de vraag of het wel een recht is, dat
zij in het geheel mogen zingen; maar als het toegestaan wordt, dan
moeten zij met beving en vreeze hun vreugde genieten.

Een van de voornaamste pogingen van een degelijken beschaafden
organist--er zijn uitzonderingen, dat herinner ik mij nog dankbaar--is
bekende zangwijzen uit te roeien en ze te vervangen door
arrangementen, die geschikt zijn om de Gemeente te leeren zwijgen. Ik
vernam eens een geval--en als ik zoo iets hoor, dan weet ik niet meer,
hoe het met mijn broederen geschapen staat--waarbij een dominee in een
gloeienden toorn ontstak tegen een organist, omdat deze verheven
persoon een wijs op zijn eigen handje had uitgevonden voor «Rots der
Eeuwen," die de vergadering in diepe bewondering deed wegzinken, als
het ware in een schoonen droom. Niets verbittert meer een muzikaal
gestel dan te hooren, dat het volk, dat altijd bezield is met een
ongezonde begeerte om een vreugdevol geraas te maken, zich meester
maakt van een werkelijk schoone wijs en haar later totaal ongenietbaar
maakt voor fijne ooren. Niets is noodzakelijker dan den lofzang der
Gemeente te vrijwaren tegen deze verkeerdheden en daarom dadelijk op
te houden met het gebruiken van al was het de edelste wijze, als de
menschen haar eindelijk gepakt hebben.

Alleen onafgebroken waakzaamheid van de zijde van den organist kan de
muziek behoeden tegen den strooptocht der Gemeente, want de lieden
zijn zoo vol zotte eerzucht, dat zij zelfs er zich toe zullen zetten
om vreemde wijzen te leeren en in den loop van een maand het koor
zullen overstelpen met muziek, die men voornemens was buiten hun
bereik te houden; en de dwarsdrijverij van een predikant, die de
Gemeente helpt bij dien verraderlijken inval op een andermans
grondgebied verdient al de moeielijkheden, die hem daardoor te beurt
vallen.

Er waren tijden--en sommigen onzer, die niet meer tot de jonge lieden
behooren, herinneren ze zich--dat geen enkel instrument werd gebruikt
bij den eeredienst en toen alle hulp van iets dergelijks, met
uitzondering van een stemvork, werd beschouwd als een terugkeer tot
de beginselen van het Oude Testament. Maar dit waren tijden van
duisternis. Heden leven we echter in een meer verlichte eeuw. Een
Gemeente zal misschien tegenwoordig zoo weinig aan een dominee geven,
dat zijn vrouw nauwelijks weet, hoe ze aan fatsoenlijke kleeren voor
het huisgezin moet komen; zij zal wellicht niets, dat de moeite waard
is, bijdragen voor uitwendige zending of voor ziekenverzorging--er is
geen Gemeente, die eerbied voor zich zelf heeft en niet zal zorg
dragen een orgel te bezitten. Menschen, die hun hart verharden tegen
de meest nuttige liefdadigheid zullen bijdragen voor een orgelfonds en
wat niet door inschrijvingen verkregen kan worden, zal door een bazaar
met loterij opgebracht worden. Wanneer het orgel wordt bespeeld door
een erkend musicus, die van verre is gehaald, dan zal de Gemeente dien
man met ontzag aanzien als een bovennatuurlijk wezen en zij zal de
gebeurtenis beschouwen als van meer gewicht dan een herleving van den
godsdienst. Men zal ten zeerste verbaasd staan over de kracht en de
verscheidenheid van het geluid, dat hij uit het instrument haalt en
als hij de Vox-Humana (register der menschelijke stem) gebruikt, dan
kunnen moeders van gezinnen niets meer doen dan elkander aankijken en
met het hoofd schudden, als hoorden zij geluiden uit de andere wereld.
Wanneer hij behendig den donder nabootst door het orgel in volle
kracht te zetten, dan zullen de hoofden der Gemeente zich zelf door
teekenen gelukwenschen, omdat iedereen nu kan zien, dat men volle waar
voor zijn geld heeft gekregen.

Nadat de voordracht is afgeloopen, speelt de groote man nog wat voor
zijn eigen genoegen en wanneer gewone menschenkinderen tot hem kunnen
doordringen, dan vraagt een groep van eerbiedige ambtsdragers hem, wat
hij denkt van het orgel. Wellicht geeft hij dan op beschermende en
voorzichtige manier zijn goedkeuring te kennen, maar hij zorgt er voor
goed het getal registers aan te geven, die nog aangebracht moeten
worden en aan te wijzen, welke verbeteringen nog volstrekt
noodzakelijk zijn. Inderdaad doet hij de gedachte oprijzen, dat zij
nog maar een begin van een orgel hebben en dat de voltooiing ervan
vele jaren zal duren en een eindelooze gelegenheid zal aanbieden tot
het uitgeven van geld. Misschien zal hij zoo goed zijn te zeggen, dat
een duizend gulden drie, vier, besteed voor een of twee verbeteringen,
die hij in de gauwte in schets brengt, het instrument vrij bruikbaar
zullen maken voor een gewoon organist; maar hij zal hen verlaten onder
den indruk, dat de Gemeente minstens tien jaar lang al haar geldelijke
hulpbronnen zal dienen uit te putten om het geschikt te maken voor een
meester, zooals hij.

Indien de Gemeente een weinig in de hoogte gestoken is door het
bezit van een orgel, dan zal niets zoo zeer de ijdelheid en de
zelfmisleiding kastijden dan het bezoek van een musicus, die een
examen heeft afgelegd en verscheidene letters achter zijn naam heeft;
en indien iemand zijn raad verdacht maakt als die van een al te
vitlustig speler en veronderstelt dat er nu verder geen twist over
dat orgel zal wezen, dan is zeker zijn onnoozelheid aandoenlijk en een
bewijs, dat hij nooit iets te maken heeft gehad met muziekinstrumenten
op plaatsen van openbaren eeredienst.

Welke beproevingen de Gemeente te voren moge gehad hebben door tocht
in het gebouw of kwesties over verwarming of geldelijke moeielijkheden
of rustverstoring door oproerlingen, al deze zaken zijn minder dan
niets in vergelijking van de buitensporigheden en eischen in verband
met haar nieuwe orgel. Als de lucht erin gebracht wordt door werken
met de hand, dan blijkt het zoo groot, dat twee blazers noodig zijn en
daarom wordt er voorgesteld een hydraulische machine aan te schaffen.
Deze machine werkt gewoonlijk twee van de vier Zondagen niet, omdat er
geen druk genoeg te krijgen is en dan moeten eenige leden der Gemeente
de blaasbalgen bewerken--als men ten minste zoo wijs is geweest die te
laten zitten voor voorkomende gelegenheden en vóórdat zij klaar zijn
met hun werk hebben de diakens, wel forsch gebouwd maar niet gewoon
aan handenarbeid, een heel nieuwe gedachte omtrent dat orgel gekregen
en bepalen zij zich voortaan bij hun plichtplegingen tot de
Hebreeuwsche taal.

Langzamerhand zal iemand de meening trachten ingang te doen vinden,
dat het orgel behoort bespeeld te worden met electriciteit en de
Gemeente, maar vooral de dominee en zij, die bevel voeren in de
afdeeling muziek, komen nu te weten, wat eigenlijk wederwaardigheid
beteekent. De verandering zal, naar gezegd wordt, zes weken duren en
betrekkelijk weinig te beduiden hebben. Inderdaad is er een jaar mee
gemoeid, met nog eenige maanden als toevoegsel, en gedurende dien tijd
heeft de Gemeente de gelegenheid de verschillende samenstellende
deelen van haar orgel te bezichtigen in de zaal en in de lokalen voor
bijbellezing en de doorgangen en in de nevengebouwen, waar het ligt in
geheimzinnige stukjes en brokjes.

In dien tusschentijd zullen de leden der Gemeente vergeten hebben,
dat het onmogelijk is voor welopgevoede lieden God te loven zonder
instrumentale muziek en in loutere onnadenkendheid zullen zij
hartelijker zingen dan zij in de laatste tien jaar gedaan hebben. Daar
er geen orgel is, moeten bekende wijzen worden opgegeven en de
menschen zullen verlof hebben God te vereeren uit volle borst. Wanneer
onwetende vreemdelingen in de kerk komen, die zich niet herinneren dat
er een orgel is, dan zeggen zij, dat zij nooit in hun leven beter
hebben hooren zingen en het koor zal zich beleedigd gevoelen door de
complimenten over de manier, waarop het de vergadering leidt, daar er
immers geen deftig koor is--een paar uitgezonderd--dat het niet als
een onbeschaamdheid beschouwt, wanneer de Gemeente het durft volgen en
dat er niet op staat alleen zijns weegs te gaan.

Als het orgel eindelijk weer in elkaar zit en de dag aanbreekt, dat er
weer op gespeeld kan worden, beweert de Gemeente verrukt te zijn; maar
zij heeft toch een boosaardig gevoel, dat de dagen harer vrijheid
voorbij zijn. Het was voor de leden der Kerk misschien nog mogelijk,
te trachten uit de verte een orgel te volgen, door water gedreven, en
gesteund door een daaraan geëvenredigd koor; maar zij zullen niet de
stoutheid hebben zich te bemoeien met een orgel, dat electrisch in
beweging gebracht wordt en dat bijgestaan wordt door een nog
verhevener koor. Indien de Gemeente echter al gewillig is uit een
gevoel van beleefdheid te zwijgen, dan wordt het electrische orgel
niet door zulke teere beweegredenen beheerscht, want de
buitensporigheden ervan zijn eindeloos. Als het vrijwillig er in
toestemt vooruit te spelen, dan zal het eindigen in een lang,
welluidend gejank, waarvoor niemand den organist aansprakelijk kan
stellen, en het zal een even welluidend getoet doen hooren onder het
gebed, welke geluiden misschien bedoeld zijn als antwoorden, maar niet
als zoodanig zijn gearrangeerd; en dan midden in een Te Deum zal het,
ten gevolge van den eenen of anderen bijzonderen aanleg tot het
stichten van verwarring, heil zoeken in een hardnekkig zwijgen.
Gedurende de eerste zes maanden na de opening zal het onder dokters
handen blijven en gedurende het daaraanvolgende jaar zal het min of
meer behept blijven met de gewoonten van een vroolijke en wispelturige
jeugd en de Gemeente zal heen en weer slingeren tusschen twee
meeningen, een geheime tevredenheid, wanneer het orgel niet speelt,
zoodat er een kans is op vrijheid bij het zingen en een sterke
begeerte om het op een kar te laden en het in de eerste de beste
rivier te doen werpen.

Wat het orgel, bij bouw en vernieuwing en vergrooting en stemming, elk
jaar kost aan rente van kapitaal en aan loopende uitgaven, zou
voldoende zijn om een zendeling te onderhouden in eenig vreemd land of
om een dominee te steunen in een arme stadswijk; en wat het den
organist, die zoo ongeveer van alles de schuld krijgt, kost aan
bezorgdheid, terwijl de goede man gewoonlijk een uur vóór den dienst
in zijn hemdsmouwen aan het tobben is in zijn schuilhoek en wat het
der Gemeente kost aan voortdurende verbittering, zou, indien het in
gelds waarde kon worden uitgedrukt en vermenigvuldigd met het aantal
der Kerken, die dan van een orgel verlost zouden zijn, voldoende zijn
om de schulden te delgen van de geheele uitwendige zending van de
Angelsaksische wereld.

Mijn eigen ondervinding van een koor en ook van een organist is een
zeer aangename en een van de bijzondere zegeningen, die ik niet
waardig ben; maar ik beweeg mij in de wereld en ik hoor van tijd tot
tijd iets. Daar een koor, zooals men vermoedt, bestaat uit een zeker
aantal uitgelezen personen, mannen en vrouwen, die begaafd zijn met
muzikaal gehoor en prachtige stemmen en die liefde hebben voor de
meest teedere en geestelijke van alle kunsten--de meest beschaafde
lieden feitelijk in een Gemeente--is men geneigd aan te nemen, dat de
heele atmosfeer van een koor vol liefde en vrede is. Toch worden soms
geruchten vernomen, alsof de twisten in sommige kerkkoren alleen in
hevigheid kunnen overtroffen worden door de vurigheid van een
vereeniging van Iersche patriotten en dat er niets zoo kleingeestig en
onbeteekenend kan zijn of het is in staat een koor in vlam te zetten.
Alles is aanleiding tot ergernis, zelfs een niets: de directeur van
het koor geeft iemand een plaats, die hem niet bevalt, laat hem of
haar een partij zingen, die haar of hem niet aanstaat, maakt een
aanmerking of geeft een pluimpje aan den verkeerden persoon, een
korist waagt een opmerking,--dit alles zijn even zoo veel bronnen van
ergernis voor den fijngevoeligen koorzanger. Hij begint te pruilen,
maakt onaangename opmerkingen, neemt ontslag of is oorzaak, dat eenige
anderen het doen en dan bij de een of andere groote gelegenheid nemen
al de koorleden ontslag en nemen een zoo gewichtige houding aan, dat
de gebeurtenis even belangrijk beschouwd wordt als een oorlog. In het
algemeen mag een koor zoo'n standje wel, want het geeft een prikkel
aan een kunstenaarsgestel. Maar er zijn toch eenige menschen, die niet
ten volle deelen in die blijdschap. Een van dezen is de arme dominee,
die zich op een goeden Zondag in de moeielijkheid bevindt zijn eigen
voorzanger te zijn en die als middelaar moet dienst doen bij elk
twistgesprek; en de anderen zijn de lidmaten der Gemeente, die gevaar
loopen ook in vlam gezet te worden door de vonken van dezen muzikalen
brand en die nooit zeker ervan zijn of zij niet den een of anderen
Zondag verplicht zullen zijn zelf te zingen.

Er zijn oogenblikken, maar misschien zijn het dwaze, dat een zeker
iemand met overdreven en beteekenisvollen spijt terugdenkt aan een
dorpskerk, waar een voorzanger het van ouds bekende en geëerde
schotsche wijsje «Martelaarschap" aanhief met een krachtigen toon en
waar een vergadering van mannen en vrouwen met heldere stemmen en
sterke longen die wijs volgde, terwijl geen enkele zweeg en het
geheele lied gezongen werd vol vuur, met hier en daar een bas- en een
tenorstem, zelfs misschien een altstem er tusschen in om de muziek
voller te doen klinken. En er zijn andere tijden, dat diezelfde zeker
iemand, die toch eigenlijk beter moest weten, zeer ontroerd is in
zijn hart, wanneer hij bij een zendingsbidstond de menschen een van
die wijzen hoort zingen die misschien geen zeer goede muziek zijn
en die voornamelijk zich leenen tot luid gezang, maar terecht
opwekkingsliederen genoemd worden, omdat zij de ziel verkwikken en
uitdrukking geven aan de blijdschap dier ziel, die voor het eerst
ervaart, dat God haar lief heeft en tot haar redding Zijn eenigen en
veel geliefden Zoon heeft gegeven.

Het is een goed ding, dat men hij den lofzang ter eere Gods de hulp
heeft van den goeden smaak en de muziek, ondergeschikt aan de rechten
der menschen, maar het beste is, dat de menschen zingen met lippen,
die God opent en uit harten, die verlost zijn op Golgotha.



VII.

EEN EIGEN BANK.


Er zijn heel wat veranderingen gekomen in de inwendige inrichting van
de kerk sinds de tijden onzer vaderen, maar geen verandering is van
meer beteekenis dan die vrije plaatsen, die in verhouding van evenveel
gewicht is als de vermindering van de voorrechten in Engeland en de
afschaffing van staatkundige onbevoegdheid. Men herinnert zich de
goede dagen van ouds, die wij voor een groot gedeelte goed noemen,
omdat zij oud waren en nu omsluierd zijn door een nevel van eerbiedige
genegenheid. Men ziet de lange rijen van familiebanken, elk zorgvuldig
afgescheiden van alle andere en door een deur, die van binnen gesloten
werd met een stevigen grendel of in geval dat de bezitter van hoogeren
stand was met een klein koperen boutje, afgescheiden van het publiek
in de gangen.

Indien de huurder van de bank behoorde tot de hoogste kringen van het
district, dan bedekte hij haar met laken--rood of groen--, legde er
een kussen in van drie duim diep--, dat in zijn plooien het stof
verborg van vijfentwintig jaar--en een kastje voor Bijbels, goed
gesloten, waarin de boeken voor de godsdienstoefening beveiligd waren
tegen vreemde handen. Er waren ook bankjes van een zeer stevige
makelij, niet om er op te knielen--want niemand, die in zulk een bank
thuis hoorde, zou er ooit aan gedacht hebben zulk een ongepaste
houding aan te nemen--maar om er gemakkelijk de voeten op te zetten.

En er was zelfs zoo iets als een plankje, waarop de elleboog
gemakkelijk kon leunen, opdat een arme zitter gelegenheid had zijn
hoofd op te houden met zijn hand, terwijl hij naar de preek luisterde.

Het was een belangwekkend gezicht en men denkt er nog met genoegen
aan, hoe de plaatselijke waardigheidsbekleder des Zondagsmorgens de
kerk inkwam om bezit van zijn sterkte te nemen en deel te hebben aan
den eeredienst. De bankopsluiter, een slimme oude man, opgebracht in
een kerkatmosfeer en op wiens gezicht zelfs de meest duistere
leerstellingen te lezen stonden, die een ambtelijk gesprek had gevoerd
met de diakens en die vijftig leden van de smalle gemeente had laten
voorbij gaan zonder hun meer dan een nauw merkbaar knikje en een
opmerking over het weer waard te keuren--met heel onderdrukte stem
geuit--komt naar voren om de hoofden der synagoge te ontvangen en hen
naar hunne zetels te geleiden. Hij gaat hen voor met statigen tred
door de gangen, noch ter rechter- noch ter linkerzijde omziende,
gevolgd door de vrouw van Dives, achter haar de kinderen, achter dezen
den vreemdeling, die tijdelijk binnen hunne poorten gehuisvest was,
en, eindelijk heel achteraan, den zelf-voldanen en verheven Dives
zelf.

Bij aankomst aan de deur van de versterkte heerenplaats, kijkt de
bankopsluiter, terwijl hij behendig de deur opent met één hand en
ronddraait op één voet, den optocht achter de open deur in het
gezicht, terwijl deze nog halfweg de doorgang is. Hij maakt een lichte
buiging en kijkt recht voor zich uit, eerbiedig, maar toch niet
onbewust van de plaats, die hij inneemt onder de bestuurders der Kerk,
terwijl de leden van de familie een voor een binnenkomen en hunne
plaatsen innemen, totdat er eindelijk nauwelijks plaats overblijft
voor den grooten man zelf. Het is echter voldoende, als hij zich maar
juist kan neerzetten, want in dat geval is de invloed van een zwaar
lichaam zoodanig, dat de ruimte er door ingenomen, langzamerhand
grooter wordt, terwijl de lichtere lichamen in de bank als van zelf
inkrimpen onder den dienst, totdat Dives eindelijk op zijn gemak zit.

Zeker, het had eenige moeite gekost om de deur te sluiten en onder
den dienst hoorde men haar vaak kraken en men kon niet helpen, dat men
hoopte--maar dat was, toen men nog jong was--dat door het een of
andere fortuintje de deur eens zou losschieten, en dat Dives, die er
al te sterk op leunde, terneer zou komen in de doorgang.

De bout echter, om niet te zeggen de scharnieren er bij, was stevig
gemaakt en de bankopsluiter zag wel, dat alles in orde is zoowel met
het oog op veiligheid als op waardigheid, en dan ging hij statig weer
terug naar de kerkdeur, niet onbewust ervan, dat hij zich loffelijk
had gekweten en dat hij tenminste eenigen indruk had gemaakt bij het
plechtstatig nederzetten van den rijken man en zijn familie in hun
bank.

Dives ontsluit het bijbelkastje met een sleutel, die bevestigd is aan
zijn ring en deelt de boeken uit, alsof het een prijsuitdeeling was in
een school, terwijl de moeder van het gezin aan de jongste leden
zoodanig voorraad lekkers geeft als voldoende zal zijn om uitgeputte
schepsels tegen de twee volgende uren te doen stand houden.

Het geval kwam voor, dat Dives ongehuwd was en niets anders had dan
zijn eigen hoogwaardigheid om zijn heerlijkheid te bezetten; maar de
plechtige binnenkomst geschiedde geheel op dezelfde wijze en hij zette
zich met waardigheid aan het einde der eenzame bank. En als gij zoudt
veronderstellen, dat de een of andere vreemde, die een plaats wilde
hebben, in Dives' bank werd ondergebracht, dan zoudt gij toonen geen
verstand te hebben van de bescheidenheid van den bankopsluiter; en als
gij u verbeeldt, dat iemand, die zoo maar eens de kerk binnenliep, zou
probeeren om binnen te dringen in die majestueuze ledige plaats, dan
kan uw verbeelding sterk genoeg zijn, maar zij is nog niet bestand
tegen de uitdrukking op het gelaat van Dives.

Vreemdelingen kwamen in vroeger dagen niet in kerken, tenzij als
gasten van een der families, omdat ieder zijn eigen kerk had en daar
ging hij heen door regen en in de brandende zon, wie er ook preekte en
wat er ook daar of elders te doen was. De menschen pochten er in die
dagen op, dat zij nooit rondzwierven en het had kunnen gebeuren, dat
een geheel onbekende vreemdeling den bankopsluiter had doen wankelen,
maar dan zou hij hem, daar hij steeds zich zelf gelijk bleef, in elke
gebeurlijkheid, naar zijn eigen bank gebracht hebben, die, met het oog
op omstandigheden, dicht bij den preekstoel was, zoodat de zwerver
niet behoefde inbreuk te maken op het eigendom van een en ander en
tevens onder behoorlijk toezicht gesteld werd.

Wanneer de kerk vol was, dan zag men het haar aan, dat zij stevig en
eerbiedwaardig was; dan wekte zij ook de gedachte op aan waardigheid
en welvaart en het is billijk erbij te voegen, dat ook een geur van
gezinseenheid en huiselijken welstand u zeer aangenaam en troostend
aandeed in die gemeente van den ouden tijd.

Als een ouderwetsch man en iemand, die misschien al te zeer ingenomen
is met het verledene, met al zijn fouten, wenscht geschokt te worden,
dan heeft hij alleen maar een van de hedendaagsche kerken te bezoeken
van den nieuwsten trant, die gewoonlijk vrij en open heeten, alsof het
herbergen waren of stukken waardeloos land, waar een hoop vuilnis was
neergegooid. Het open zijn is zoo ver mogelijk uitgestrekt, want niet
alleen zijn er geen deuren aan de banken en geen kastjes voor de
Bijbels en geen rugbekleeding en geen kussens, waarin gij kunt weg
zinken,--misschien zijn er vloermatten en bidbankjes--en is er
nauwelijks eenige afscheiding tusschen de banken, maar wellicht zijn
er in het geheel geen banken, alleen stoelen, en gij steekt uw
psalmboekje in een rekje aan den rug van den stoel van uw voorman, die
gaat verzitten, als gij dat doet en gij knielt tegen dien stoel--als
er tenminste mogelijkheid is om te knielen--en dan geeft gij uw
voorman een duw, wat hij natuurlijk kwalijk neemt. Het spreekt
vanzelf, dat er geen bankopsluiter is, omdat er geen banken behoeven
open gedaan te worden en meer dan dat, er is geen bijzondere plaats
voor u om te gaan zitten, om de eenvoudige reken, dat ge u kunt
nederzetten, waar ge wilt en elken keer ergens anders kunt neervallen,
indien ge dat wilt.

Geen pelgrim of vreemdeling behoeft zich te schamen in een
hedendaagsche kerk, want alle menschen die er zijn, verkeeren in
dezelfde omstandigheden als hij; allen zijn vreemdelingen, daar zij
geen recht hebben op een duim breed gronds, en allen zijn pelgrims,
daar zij geen tweemaal op dezelfde plaats behoeven te zitten. Niemand
kan zich beklagen over de zelfzucht van anderen, want alle dingen zijn
gemeenschappelijk bezit.

Wanneer Dives, opgesloten achter zijn deur, deed denken aan
uitsluiting, dan kan tot zijn verdediging worden aangevoerd, dat het
de uitsluiting was, die huiselijkheid beteekent, en in die bank was
een kleine gemeenschap--die het huisgezin is. En als er iets gezegd
kan worden voor algemeene vrijheid en openheid op grond van de
Christelijke broederschap en menschelijke gelijkheid, dan klampt men
zich toch nog vast aan het geloof, dat men recht erop heeft onder zijn
»eigen" te zijn--dat is te zeggen, met zijn vrouw en zijn eigen
kinderen--in het huis van God, en dat men het best God zal vereeren,
wanneer men in eenigszins afgesloten kring is.

Misschien zal een bezoeker zich vrijer gevoelen in een vrije en open
kerk, maar daar staat tegenover, dat het huisgezin in stukken gebroken
wordt aan de deur en geen gemengde menigte kan ooit een zoo sterke
Gemeente vormen of een, die een zoo geweldigen indruk maakt op het
gezicht als de lange rij van banken, laat ons in dit geval zeggen,
zonder deuren en stoffeering, maar waar toch in elk een huisgezin zit,
met de moeder aan het hoofd van de bank, den vader aan het achtereind
en de jongelingen en jonge dochters tusschen die beiden in. Want de
familie bestond eer dan de Kerk en als de Kerk iets anders zal zijn
dan een priesterlijk eigendom of een zaal voor voordrachten, dan
behoort zij te berusten op het huisgezin.

De bank is een getuigenis voor de familie en behoort gehandhaafd te
blijven, zonder de deuren, en het komt er volstrekt niet op aan of
iemand honderd gulden per jaar huur betaalt voor zijn bank of drie
gulden. De machthebbenden in de Kerk moeten er voor zorgen, dat ieder
gezinshoofd zijn eigen bank heeft, met voldoende ruimte erin voor hem
zelf, zijne vrouw en de kinderen, die God hun gegeven heeft. Er is
geen enkele reden te bedenken, waarom de rijke niet een flinke som zou
betalen voor zijn tehuis in het kerkgebouw. En velen onzer hebben
nooit kunnen begrijpen, waarom niet een handwerksman ook iets zou
geven voor zijn kerkelijk tehuis. Behoort een Christen niet te doen
wat goed is om zijn Kerk te steunen? Ieder man, die zich zelf acht,
wenscht te betalen voor zijn huis, hetzij het groot of klein is, en
iemands eer is er mee gemoeid te wonen in een armhuis, waar hij geen
huur betaalt en afhankelijk is van het publiek. Het is volstrekt niet
noodig, dat dit gevoel voor een eigen tehuis en persoonlijke
onafhankelijkheid verloochend wordt in het Huis Gods, maar het schijnt
eer wenschelijk, dat de man, die werkt en genoeg verdient om een huis
te onderhouden waar hij en zijn kinderen zes dagen van de week in een
zekere weelde en zelfachting samenleven, ook zijn deel draagt in de
onderhouding van het Huis, waar zij God vereeren op den zevenden dag.
Het is een armzalig schepsel, die wil dulden, dat een rijke man zijn
huishuur betaalt voor de zes dagen, en ik ben nooit in staat geweest
eenig onderscheid te zien tusschen het zijn van bedelaar op Zondag of
een bedelaar te wezen op Maandag.

Ik zou er echter willen bijvoegen, en met nadruk, dat het bezit van
een bank in den zin, waarin iemand zijn huis bezit, een maatstaf is
voor karakter en een gelegenheid tot gastvrijheid. Daar is een soort
van menschen, wie het niet alleen spijt, dat zij geen deur aan hun
bank mogen hebben, maar die liefst hun bank zouden willen afsluiten
met een dak, die het een vreemdeling kwalijk nemen als hij er in
komt--ofschoon er overvloed van ruimte is--als was dat een
persoonlijke beleediging en die vreemdelingen zullen verjagen, indien
zij bij ongeluk erin gebracht zijn vóór hun aankomst. Als zoo'n man
maar een halve bank gehuurd heeft, dan durven de kerkedienaars geen
andere huurders aannemen voor de andere helft, omdat hij met hen
twisten zal over de vraag welke helft zij mogen bezetten, over de
kwestie, wie het eerst moet binnen gaan, over een liederenboek, dat
niet op zijn plaats ligt of over een vriend, dien zij eens meebrachten
en die twee duim van zijn plaats in bezit nam. Billijkerwijze zij
gezegd, dat die man in de kerk niet erger is dan elders, want hij is
overal een vlegel--jaloersch, twistziek, onherbergzaam, onhandelbaar.

Maar zet als een tegenwicht tegen zulk een misbruik van de bank nu
eens mijn besten ouden vriend Jeremias Goedhart. Hij is nu alleen met
zijn lieve, beminnelijke gade, want de kinderen hebben zich een eigen
tehuis gevormd; maar hij houdt de familiebank en wil in geen geval die
opgeven. Somtijds lijkt het den bestuurders van de kerk toe, dat
Goedhart wel een banklooze familie bij zich kan nemen, maar zij
dringen niet op de zaak aan, daar zij er aan denken, hoe lang hij en
de zijnen de bank voor zich gehad hebben en hoe goed hij de ledige
ruimte gebruikt. Hij heeft een tal van boezemvrienden, die nu oud en
grijs zijn en die van tijd tot tijd met hem en zijn vrouw naar de kerk
komen en voelen, dat zij in zeer goed gezelschap zijn. Hij heeft ook
een grooten kring van kennissen, die bij honderden geteld kunnen
worden, en de personen van dien kring hebben ook de gewoonte wel eens
binnen te komen en in zijn bank te gaan zitten; en als hij een
vreemdeling aan de kerkdeur ziet, dan kan Goedhart niet laten een
woordje tot hem te zeggen, hem welkom te heeten en het beste te
wenschen. Als de vreemdeling toevallig een jonge man is, dan neemt hij
hem onder den arm en mee naar zijn bank en er bestaat veel kans, dat
hij hem naar zijn huis brengt en ten eten vraagt en hem zegt, dat hij
maar nooit alleen op zijn kamers moet blijven zitten, maar zijn huis
moet beschouwen als een tehuis.

En mevrouw Goedhart vertelt haar vriendinnen met veel voldoening de
grootte van den kalfsbout, dien zij op Zondagen hebben, omdat,
ofschoon hun eigen zoons zijn heengegaan, zij toch nooit nederzitten
zonder eenige jonge mannen als gasten en mijnheer Goedhart leerde hen
kennen door de kerkbank. Indien de een of andere familie in de Kerk
logés heeft en behoefte aan zitplaatsen, wel dan komen de kinderen van
de familie in de bank van Goedhart zitten en worden met open armen
ontvangen. Gezegend mogen zijn witte haren en scherpzinnig gelaat
zijn, nooit is hij volkomen gelukkig of geniet hij de preek ten volle,
tenzij hij zijn behoorlijk aantal gasten heeft; daar zijn tijden, dat
hij er een teveel meebrengt en dan wedijveren de andere bankbezitters
om het eerst een plaats aan Goedhart aan te bieden.

Zooals hij in de kerk is, is hij tehuis, hand en hart geopend, nooit
tevreden, tenzij vrienden komen en gaan, nooit boos dan wanneer zij
niet willen blijven eten bij hem, nooit zoo verheugd als wanneer hij
een flinke wandeling maakt of een praatje houdt over den ouden tijd
met hen, aan wie hij verbonden is door honderd banden van vriendelijke
woorden en daden. Zooals hij gehandeld heeft met alle menschen,
vreemdelingen zoowel als vrienden, in zijn Kerk en in zijn huis, zoo
zal God met hem handelen en wij kunnen als zeker aannemen, dat hem een
gastvrije ontvangst wacht daar waar de kerken der aarde veranderd zijn
in: het Huis onzes Vaders.



VIII.

DE FATSOENLIJKE BEDELAARS IN ONZE KERKEN.


Het is geen overdrijving, wanneer men zegt, dat men in het gebruik dat
iemand maakt van zijn geld een maatstaf is voor zijn karakter en een
openbaring van zijn aard. Er zijn menschen, die geld verliezen door
hun dwaasheden: zoeten inval; daar zijn anderen, die het uitgeven ten
gevolge van hun ondeugden--verkwisters; er zijn menschen, die het
opgaren met jaloerschheid--gierigaards; er zijn er ook, die het
uitzetten in weldaden--zij zijn de wijzen.

Wanneer ik zeg weldoen, dan denk ik niet aan die onberedeneerde
liefdadigheid, die geen onderscheid maakt en die, hetzij zij den vorm
aanneemt van aalmoezen aan een luien vagebond of van een ruime gift
tot het kweeken van armlastigen, een vloek is en geen zegen, een zonde
en niet een plicht. Wij behoeven den raad van onzen Heer aan den
rijken jongeling om zijn bezittingen te verkoopen en aan de armen te
geven niet letterlijk op te vatten, want ofschoon zulks misschien het
eenige bewijs van oprechtheid was, dat hij in die dagen kon geven, zoo
zou het een groote ramp zijn in onzen tijd.

Indien een millionair zijn bezittingen te gelde maakte en de opbrengst
uitdeelde onder dat droes onzer bevolking, dat niet werkt zoolang het
kan bedelen, dan zou hij het grootst mogelijke nadeel doen aan zijn
medemenschen. Indien diezelfde millionair zijn fortuin gebruikt om
gelegenheid te geven tot eerlijken arbeid, waardoor de menschen zich
zelf en hunne gezinnen kunnen onderhouden, dan zal hij aan zijn
medemenschen den grootsten zegen verschaffen, die in zijn macht is.

Wat het geval moge geweest zijn in den ouden tijd, er kan niet ontkend
worden, dat de man, die in onze dagen een fabriek vestigt in een
kleine stad tien maal beter doet dan hij, die zijn kapitaal zou willen
gebruiken om een armhuis te stichten.

Wanneer een man behoorlijk voldaan heeft aan de eischen van zijn
gezin, en waarvan hij goed heeft zorg gedragen voor de aanvulling der
fondsen voor zijne zaken, dan zijn misschien de beste twee dingen, die
hij kan doen met het overtollige van zijn kapitaal, het te gebruiken
om de kennis van God te doen brengen aan hen, die in de duisternis
zitten of de onschatbare gift eener goede opvoeding te doen toekomen
aan hen, die hongeren en dorsten naar kennis. Het is zoo treurig, dat
vele menschen niet hebben geleerd te geven, maar het is even treurig,
dat velen niet weten, waar zij geven moeten. Om goed te geven, moet
men zoowel zijn hoofd als zijn hart raadplegen, en leeren geven is een
oefening van het brein zoowel als van iemands gevoel.

Er zijn Kerken, die zeer onverstandig geven en het geld, dat zij
uitgeven om iets half goed te doen ware beter in de zee geworpen. Zij
onderhouden stichtingen voor inwendige zending in arme wijken der
stad, wat feitelijk niets anders zijn dan inrichtingen, waar
propaganda gemaakt wordt voor pauperisme en de Gemeenten, in die
wijken gevormd, bestaan grootendeels uit lieden, die bezwaar hebben om
tusschen twee maaltijden te werken. Elk jaar worden er verslagen
openbaar gemaakt, die aantoonen hoeveel personen de bijeenkomsten
bezochten en op hartverscheurende wijze rekening doen van de ellende,
die gelenigd is. Het is een feit, dat, wanneer gij aan een bekwaam
organisator zesduizend gulden per jaar geeft om in een flinke
achterbuurt te besteden, die man daar, wanneer ge maar wilt, een
Gemeente zal stichten van een vijfhonderd leden; en als de leden van
de moederkerk er heen wenschen te gaan en tegenwoordig te zijn bij een
geestdriftvolle bijeenkomst, dan is het eenig noodige daartoe, dat een
van de rijke kerkleden dien avond als gastheer fungeert. De
vergadering zal evenmin uit een oogpunt van getalsterkte als uit dat
van geestdrift iets te wenschen overlaten en de lieve menschen van de
rijke Kerk zullen naar huis gaan met het gevoel, dat zij een bloeiende
zending hebben en ontzachelijk veel goeds doen, terwijl er heel veel
kans bestaat, dat zij in den godsdienstigen zin des woords in het
geheel geen zending hebben en dat hun geld onberekenbare schade heeft
berokkend.

Over het geheel genomen komen zendingsinrichtingen, onderhouden op
ruime schaal door rijke Gemeenten precies overeen, wat het zedelijk
resultaat betreft met de armhuizen, gesticht door menschen, die meer
geld hebben dan zij weten te besteden en niet genoeg hersens om te
weten, hoe het te gebruiken.

Wanneer het geld, dat rond gestrooid wordt in soepuitdeelingen en
dergelijke stichtingen tot het instandhouden van bedelaars en hun
gezinnen, gebruikt was voor het bouwen van een dergelijke kerk, waar
de eerlijke armen God konden dienen met behoud van zelfachting, of van
gezonde woningen, waar de werkmenschen netjes konden wonen tegen
matige huur of tot het instellen van een beurs voor studenten, arm in
geld maar rijk in hersens om hun in de gelegenheid te stellen hooger
onderwijs te genieten, dan zouden de maatschappelijke hervormers reden
hebben de Kerk te zegenen en de Kerk zou vrij wat meer goeds
verrichten in de gemeenschap.

Een Kerk van het West-End behoeft echter juist niet naar het Oost-End
te gaan om zulk kwaad te verrichten, want zij kan, als zij dat wil een
kweekplaats van fatsoenlijke landloopers stichten binnen haar eigen
grenzen. Wanneer een dominee en de lidmaten zijner Kerk den naam
hebben van een week hart te bezitten, wat dikwijls beteekent dat zij
wat zwak van hoofd zijn, dan verspreidt zich dat nieuws wijd en zijd
en het aantal bezoekers der godsdienstoefening neemt onmiddellijk toe.
Kleinhandelaars, die hun zaak tot bloei willen brengen en niet
uitsluitend durven vertrouwen op de deugdelijkheid der goederen, die
zij verkoopen; jonge lieden, die hun betrekking verloren hebben, omdat
zij niet willen werken; dames, die het beneden zich achten om iets te
doen voor haar levensonderhoud en deskundigen zijn in wat men zou
kunnen noemen fatsoenlijke strooptochten; onbekwame kooplieden, aan
wie geen bank honderd gulden crediet zou willen geven, maar die hopen
duizend te krijgen door middel van aanhalingen uit de Bergrede--komen
zich gezamenlijk nederzetten binnen de beschuttende muren van deze
Christelijke schuilplaats.

Als men hen wil gelooven, komen zij allen om de uitmuntendste en
aandoenlijkste redenen: omdat bijvoorbeeld hun vorige Gemeente koud
was en zij in een warmer atmosfeer wenschten te leven; omdat zij een
zegen ontvingen onder de prediking van den dominee en het als een
voorrecht beschouwen zijn zielszorg te genieten; omdat zij begeeren
eenig goed werk te doen en uit de verte gehoord hebben van den ijver
van deze Gemeente; maar hoofdzakelijk wegens het hooge geestelijke
standpunt van dominee en lidmaten beiden, dat deze eenvoudige zielen
als een magneet heeft getrokken naar hun natuurlijk tehuis.

Hun eigenlijke reden, om het in zuiver Hollandsch te zeggen, is, dat
zij geen lust hebben te werken voor hun brood, zooals eerlijke
menschen doen en dat zij van plan zijn zich op de Christelijke
liefdadigheid te werpen. Zij stellen niet het minste belang er in, wat
de dominee preekt of is, mits hij maar geen oordeel des onderscheids
hebbe; zij komen alleen en heel eenvoudig om te bedelen. Zij zijn zeer
bekwaam voor hun eigen vak en hebben het fatsoenlijk bedelen opgevoerd
tot de hoogte eener schoone kunst. Zij beginnen niet, zoodra zij
aankomen, te vragen en de allerslimsten onder hen zullen zelfs nooit
over geld spreken. Hun wensch is, zooals zij aan den predikant in zijn
studeerkamer duidelijk maken een bedeesdheid en kieschheid, die een
diepen indruk maken op hem, als hij een eenvoudig vroom man is zonder
ervaring, niets anders dan een hoekje in zijn kerk te hebben, waar zij
kunnen nederzitten en zich drenken met de zuivere melk van het Woord
en het eenige, waarover zij zich bekommerd maken, is, dat zij in de
eerste zes maanden niet in staat zullen zijn eenig plaatsengeld te
betalen of iets bij te dragen in het fonds voor de zending.

Zij hebben betere tijden gekend en toen was geven hun levensgenot. Een
groote tegenspoed heeft de familie gedrukt en zij maken onduidelijke
toespelingen op een groote som, verloren of door slecht gedrag van een
familielid of door een bankroet en nu zijn zij verplicht hoogst zuinig
te leven. Hun strijd om het bestaan, de dominee mag dat aannemen, is
zeer moeilijk; maar zij zijn niet gekomen om over zulke dingen met hem
te praten, doch, alleen om hem te verzekeren, dat hij hun tot zegen
geweest is en om te zeggen, dat zij zoo gaarne zich nuttig zouden
willen maken in zijn Kerk. Al kunnen zij niet geven, zij zijn
tenminste willig om te werken en kiezen in den regel bij toeval een
afdeeling van Christelijken arbeid, waarvan het hoofd rijk is in de
goederen dezer wereld en bekend als mild.

Onder het oog van zulk een chef is er geen eind aan de werkzaamheid
van onze bedelende vrienden. Zij bieden aan om alles te doen. Zij
geven nieuwe plannen voor armenzorg aan de hand; zij brengen de oudere
arbeiders in de afdeeling van de wijs door hun drukte en den een of
anderen avond komen zij, op een ongelegen uur aandragen met een paar
guldens, die zij--zooals toevallig blijkt--uit hun mond gespaard
hebben voor een goede zaak. Daar zij niet in staat zijn om iets bij te
dragen in de kerkelijke fondsen, maken zij met hun eigen handen eenige
onmogelijke kerkezakjes, die zij in alle deftigheid aanbieden aan de
ambtsdragers der Kerk en die ontoonbaar zijn en ongeschikt voor
gebruik.

Daar zij op geen andere wijze hun dankbaarheid aan den dominee kunnen
toonen, komen zij op een avond, man en vrouw samen als collega's in
het bedelvak, en verzoeken hem een groote bouffante aan te nemen, die
zijn keel zal beschermen tegen de winterkoude te midden van zijn
onmetelijken arbeid, maar waarvan de kleuren en het model hem zouden
blootstellen aan een ontslag uit zijn bediening, indien hij het ding
droeg. De voorname leden der Kerk ontvangen met verjaardagen en met
Kerstmis kaartjes, vol vrome spreuken en opmerkingen; en als een kind
het ongeluk heeft eenigszins ernstig ziek te worden, bijv. windpokken
of mazelen krijgt, dan komen de bedelende vrienden regelmatig en op
treffende wijze vragen. Zij willen niet graag de moeder storen, maar
zij hebben zulk een genegenheid opgevat voor den kleinen lieveling,
dien zij in de kerk hebben gadegeslagen, dat zij rust noch duur hadden
voor zij wisten of de lieve jongen een rustigen dag heeft
doorgebracht. Zij willen niet indringerig zijn en zij vergeten niet,
dat hun omstandigheden veranderd zijn, maar zij hopen, dat het niet
als een beleediging zal beschouwd worden, dat zij een kleinigheidje
hebben meegebracht voor het zieke engeltje en zij vragen aan de moeder
om een onoogelijk stukje kandij aan het lieve lammetje te willen
overbrengen. Er zijn moeders en moeders, maar er is kans, dat de
moeder zeer getroffen wordt en in het algemeen, aangenaam aangedaan
door zoo veel belangstelling in haar kind, en ofschoon zij verstandig
genoeg is om de gift in het vuur te gooien, zal zij toch niet nalaten
de gevers met Kerstmis te gedenken.

Wanneer de spinnen het web van fijne draden gespannen hebben, en het
aan alle hoeken der Kerk stevig bevestigd is, dan is het opmerkelijk
hoeveel vliegen en niet enkel onnoozele, er in vast raken en hoe groot
de buit is. De kleerenklasten van de Kerk, zoowel van mannen als
vrouwen, staan te hunner beschikking en elke maand wordt gij bij de
ontmoeting met onzen bedelaar herinnerd aan den een of anderen ouden
vriend en het is zeer belangwekkend de kleeren, die de Gemeente
gewoonlijk droeg in de Kerk in nieuwe omstandigheden te zien
verschijnen. Hun huishuur wordt om beurten betaald door een troepje
barmhartige Samaritanen, waarvan elk gelooft, dat hij de eenige is,
aan wien ooit werd toegestaan den dienst te bewijzen en die het doet
onder belofte van geheimhouding, uit vrees dat schroomvallige
menschen, arm maar trotsch, zich gekrenkt zouden gevoelen en dat zij
de achting voor zich zelf, die nu, zooals zij zeggen, hun eenige
bezitting is, misschien zouden verliezen. De een of andere
vriendelijke dokter in de wijk bezoekt hen in geval van ziekte, zooals
dat vaak gedaan wordt door deze mannen, zonder geld of eenig ander
loon te ontvangen. Medische hulp in den vorm van versterkende
middelen, geleiën, vruchten, lekkernijen stroomen zoo voortdurend toe,
dat het niet bevreemdend is, dat de lieve kleine Alice niet spoedig
herstelt en dat de hulp van het gezin moet worden ingeroepen om de
snoeperij op te krijgen.

Later moet de kleine Alice, die met zorg ingewikkeld in doeken en
blijkbaar erg zwakjes rondgevoerd is om haar weldoeners persoonlijk te
bedanken en die daartoe den meest ongelegen tijd schijnt gekozen te
hebben, uit puur medelijden voor een maand naar buitengezonden worden
en de liefhebbende familie, die niet leven kan zonder Alice--zij
kunnen maar niet vergeten, dat zij vroeger rijk waren--moet
noodzakelijk met de herstellende gaan.

Ik zou te veel tijd noodig hebben om te spreken van al de leeningen,
die zij aangaan met bijna iedereen, rijken en armen. Als zij zoo iets
vragen, dan is het alleen door den uitersten nood gedrongen en onder
bittere schaamte; elke leening is de eerste, die zij ooit aangingen en
binnen veertien dagen zal het geld zeker worden teruggegeven; als pand
voor de richtige nakoming dier belofte wordt een ouderwetsche gouden
broche gegeven--het laatste erfstuk der familie. Niet eer dan nadat de
lange strooptocht geëindigd is en de bedelaars verhuisd zijn naar een
andere deftige Kerk, die op een behoorlijken afstand ligt, beginnen de
menschen hun verschillende aanteekeningen te vergelijken en de
rekening op te maken en dan komt men tot de ontdekking, dat naar de
laagste schatting het gezin op kosten van de Gemeente heeft geleefd
tegen ongeveer twee duizend gulden per jaar.

Deze berekening is natuurlijk, om tot de totale uitgaven te komen, te
vermeerderen met wat zij zelf verdiend hebben; maar in den regel kan
men aannemen, dat de balans daardoor weinig opgevoerd zou worden.
Indien men aan de vrouwelijke helft onzer bedelaars eenigen vorm van
arbeid voorstelt, dan krijgt zij het te kwaad met haar aandoeningen,
maar kan toch het feit niet verbergen, dat zij zeer beleedigd is. Het
is misschien dwaas van haar, verklaart zij onder een tranenvloed, maar
haar arme vader, die gewoonlijk in het leger gediend heeft, heeft vaak
gezegd, dat geen dochter, die zijn naam droeg, ooit tot werken mocht
afdalen en zij voelt aan zijn nagedachtenis verschuldigd te zijn deze
edele houding te blijven aannemen en men is dan natuurlijk zoo
beschaamd over het barbaarsche voorstel, dat men gaarne een
schadeloosstelling betaalt.

Het heeft volstrekt geen nut een betrekking te zoeken voor een jongen
man van deze soort, want de plaats, die gij voor hem vindt is of niet
geschikt voor zijn bijzondere bekwaamheden of nadat hij er drie dagen
geweest is, ontstaat er een geschil tusschen hem en den bestuurder der
zaak, dat bewijst, dat die directeur niet gewoon is geweest met heeren
om te gaan; en natuurlijk, zooals de moeder van den jongen man u
vertelt, kan haar zoon de geschiedenis van de familie niet vergeten.

Als de bedelaar een handelsman is en gij zendt hem klanten, waarom hij
inderdaad gebedeld heeft, dan zijn zijn waren zoo slecht, dat geen
mensch ze gebruiken kan en de prijs is zoo hoog, dat niemand lust
heeft hem te betalen; en daarbij behoort de handelsman gewoonlijk tot
die hooge en machtige klasse, die niet zich wil verlagen tot het maken
van iets op een andere, dan de degelijke, ouderwetsche wijze en die
vooral niet, al moest men van honger omkomen, beneden den prijs wil
leveren. Het feit is--het naakte feit--dat deze verheven handelaar
niet wenscht te werken, zoolang dwaze menschen hem willen onderhouden.

Langzamerhand doorziet de vriendelijkste dominee bij de toeneming van
het onderling verband tusschen de verschillende Kerken deze klasse en
hij komt er toe hen te onderwerpen aan een flinke arbeidsproef,
meenende dat vroomheid en bedelarij niet kunnen samengaan en
weigerende te gelooven, dat ooit iemand zegen geniet onder zijne
prediking, die niet wil werken voor zijn brood. Men mag ook aannemen,
dat een Christelijke Gemeente, al was zij de licht geloovigste
vereeniging op aarde, eindelijk al haar moed bijeen zal garen en
tegelijkertijd haar gezond verstand te werk zal stellen en dan zal
weigeren om de Christelijke kringen te maken tot een jachtveld voor
fatsoenlijke bedelaars, zoodat de godsdienstige levensmoeden een nieuw
middel zullen moeten uitvinden om te ontduiken aan de wet, dat wie
niet werkt, niet zal eten.

En het geld, dat wordt bezuinigd op deze parasieten, worde gevoegd bij
het fonds tot ondersteuning van emeritus-predikanten.



IX.

IS DE DOMINEE EEN LEEGLOOPER?


Niemand heeft meer reden tot dankbaarheid aan zijn publiek dan een
dominee, want ik ken geen dienaar, die vriendelijker behandeld wordt.
Hoewel er ongetwijfeld in een zoo groot lichaam als de Christelijke
Kerk vitlustige en slecht gemanierde Gemeenten zijn, juist zooals er
luie en verwarring stichtende dominees zijn, kan men toch zeggen, dat
over het algemeen de Gemeente liefderijk is in haar oordeel over haren
predikant, geduld heeft met zijn fouten, ten zeerste elk goed werk,
dat hij doet, waardeert en zeer dankbaar is voor al zijn goede
diensten. Er zijn niet veel klachten, die een welwillend dominee met
gezond verstand kan inbrengen tegen een gewone Gemeente, doch hij
heeft soms een grief tegen zijn vrienden, die hij niet openbaart, maar
die voortwoekert in zijn hart. Het is niet iets, dat zij zeggen of
iets, dat zij doen; het is het stille en misschien onbewuste
vermoeden, onbewust van hun zijde, dat hij niet genoeg te doen of dat
hij een aanmerkelijke hoeveelheid ledigen tijd heeft.

Kon hij staat maken op hunne woorden, dan zou dat vermoeden nooit in
hem opkomen, omdat zij slim genoeg zijn, en dat is heel vriendelijk
van hen, des Maandags tegen hem te zeggen, dat hij wel heel vermoeid
moet zijn na tweemaal zoo wondermooi gepreekt te hebben en dus moet
hij wel, daar hij toch maar een mensch is, meenen, dat zij zich
verbeelden, dat hij geheel op is na zulk een verstandelijke
uitputting. Weer een anderen keer vermanen zij hem, zoo langs hun neus
weg, na een praatje over het weer, zich voor overwerking te wachten en
zeggen zij niet te kunnen begrijpen, hoe hij in staat is, zooveel te
doen. Dit alles is heel vriendelijk en opbouwend en de dominee heeft
een aangenaam gevoel, dat zijn werk gewaardeerd wordt en dat hij een
van de hardste zwoegers van de wereld is.

Als hij ouder wordt echter, en meer waarde begint te hechten aan den
inwendigen toestand van het gemoed der menschen, dan aan de los door
hen daarheen geworpen woorden, dan gevoelt hij zich niet op zijn gemak
erbij, dat de menschen toch nog niet zoo bepaald overtuigd zijn van
zijn regelmatige bezigheden en zijn bezette uren. Lieve dames, en alle
dames zijn lief, noodigen hem op een theepartij en dergelijke
feestjes, waarbij hij de eenige heer zal zijn; of als er misschien nog
een is, dan is het een bejaard man, die zich reeds lang uit de zaken
heeft teruggetrokken. Terwijl de dominee de dame dankt voor haar
vriendelijke uitnoodiging, komt het hem in de gedachte, dat haar eigen
man niet op het aangename partijtje zijn zal, evenmin als haar zoon,
omdat zij het te druk hebben en zij zou er niet aan denken, een
advocaat of een koopman of een geneesheer of een dagbladschrijver te
vragen, tenzij het was voor een groote partij, waarop iedereen komt.
Het zou haar een dwaasheid toeschijnen een man van zaken van zijn werk
te halen zelfs om een uur door te brengen met haar en andere even
bekoorlijke vrouwen. De andere mannen zouden niet komen, omdat zij
niet konden. Zij moeten hun werk doen. De dominee wordt uitgenoodigd
omdat, zoo als de gastvrouw veronderstelt, hij geen werk heeft, dat
hem verhindert. En zij zou hem misschien weinig hoffelijk noemen en
zeker heel onvriendelijk, wanneer hij weigerde; en als hij zijn
weigering verdedigde door het bezet zijn van zijn tijd, zou wellicht
haar oordeel liefdeloos worden en kon zij wel eens meenen, dat hij een
andere reden had. Zat hij dan niet in zijn studeerkamer? Waarom kon
hij niet even goed in haar huis zijn? En zij zou nooit kunnen
begrijpen, dat hij juist op dien achtermiddag moest gebruik maken van
een eenige kans om een noodzakelijk boek meester te worden. Was hij
niet een half uur geleden haar huis voorbijgegaan en indien hij kon
uitgaan voor een wandeling, waarom kon hij dan dien tijd niet
doorgebracht hebben in haar tuin, en hij kan haar niet aan het
verstand brengen dat hij een zieke was gaan bezoeken.

Secretarissen van philantropische vereenigingen zijn hem komen vragen
om uit een buitenwijk naar het midden van de stad te gaan, en een
voorstel te steunen op een openbare vergadering van acht bejaarde
heeren en zeven-en-zeventig vrouwen van onzekeren leeftijd, met vier
fatsoenlijke bedelaars, die gekomen zijn om te zien of ze niet eenige
guldens kunnen leenen van den een of anderen barmhartigen Samaritaan.
Het was een uitmuntende vereeniging en ongetwijfeld was het noodig,
dat het bestuur herkozen wordt, en de dominee zei dat na verloop van
tien minuten, maar terwijl hij naar huis ging, moede en geërgerd is de
gedachte bij hem opgekomen of dit nu het beste gebruik was, dat hij
van zijn tijd kon maken en zou de secretaris, hoe onvermoeid die man
ook was en hoe dringend ook, er toe gekomen zijn een man van
zaken--dat is iemand, die werkelijk iets doet--te vragen zijn kantoor
te verlaten te midden van de drukte om drie volle uren van zijn tijd
te besteden om naar een buitenwijk te gaan en daar te zeggen, wat
totaal onbelangrijk was voor de menschen, op wie het geen bijzonderen
indruk zou maken? De dominee weet en de secretaris weet en iedereen
weet, dat de man van zaken met de minst mogelijke woorden neen zou
gezegd hebben, en dat iemand hem dat kwalijk zou hebben genomen,
terwijl iedereen hem een dwaas zou hebben genoemd, als hij er heen was
gegaan.

Zulk een tijdverknoeien is onmogelijk behalve voor overoude heeren en
voor dominees. En, natuurlijk, als de predikanten inderdaad hun tijd
thuis verbeuzelen met het lezen van tijdschriften of het kijken door
de ramen of als zij niets anders doen dan hun wijk rondslenteren om
beleefdheidsbezoeken te brengen en praatjes over het weer te houden,
dan zou het heel goed zijn, al was het maar voor de verandering, als
zij eens een achtermiddag zoek brachten met naar een vergadering te
gaan en het gehoor te overtuigen, dat inderdaad het bestuur behoort
herkozen te worden.

Treuzelaars van allerlei slag dringen de studeerkamer van een dominee
binnen bij voorkeur vóór twaalf uur 's morgens, omdat zij dan zeker
zijn hem thuis te vinden, en leggen hem in verbazend lange verhalen
uit, dat wij de afstammelingen van de verloren tien stammen zijn; dat
alle onzedelijkheid reeds lang uit de wereld verdwenen zou zijn, als
wij maar wortelen in plaats van vleesch aten; dat het werk, gedaan
door zeker iemand, wiens naam de dominee niet kan uitspreken op een
plaats in Klein-Azië, waarvan hij nooit gehoord heeft, het
allerbelangrijkste is onder dat der uitwendige zending, altijd alleen
afgaande op de mededeelingen van den man, die het salaris beurt in
Klein-Azië. Indien een van deze woordenrijke menschen en het zijn er
nog maar drie van een honderdtal, elk met het een of ander bijzonders
in het hoofd, het waagde een koopmanskantoor te bezoeken, dan zou hij
waarschijnlijk niet toegelaten zijn in de kamer van den patroon, en
als hij wel erin was gelaten, zou hij zeker gauw verzocht worden de
deur van achteren te bekijken.

De onbeschaamdheid van een treuzelaar is verbazend, maar zij heeft
grenzen en na eenige ervaring laat zoo iemand den koopman met rust en
in den regel probeert hij niet eens een geneesheer aan boord te komen,
maar hij nestelt zich als bij instinct en met een gevoel van «ik ben
hier thuis" in de studeerkamer van een dominee. Als deze een werkelijk
goed man is, dan is de bezoeker in zijn nopjes, want hij heeft een
hulpeloos slachtoffer gevonden; maar als de dominee maar onvolmaakt
heilig is, dan gaat de zeurkous bijna even vlug de deur uit als bij
den koopman, maar dan weet de dominee ook, dat zijn leven voortaan in
de macht is van de tong des beuzelaars.

Wat den dominee ergert en te meer naarmate hij minder zijn ergenis
luchten kan is, dat al die menschen gelooven, dat hij werkelijk niet
weet, wat hij met zijn tijd moet uitvoeren en dat die tijd tot ieders
beschikking is. Het feit is echter, dat de predikant van een
stadskerk, die getrouw zijn plicht doet, harder werkt dan iemand
anders in de maatschappij, behalve een arts met dagelijksche praktijk,
een dagbladschrijver en een naaister op een atelier, waar de zweep
gebruikt wordt. Hij kan des avonds zoo laat op zitten, als hij wil--en
inderdaad moet hij, laat ons zeggen, tot minstens twaalf uur op
blijven--om niet ten achteren te raken met zijn leesstof, maar hij
moet des morgens weer vroeg bij de hand zijn, omdat wellicht een
koopman hem komt spreken vóór negen uur, en omstreeks dien tijd moet
hij de eerste brievenzending geopend hebben, die zoo ongeveer uit een
twaalftal brieven bestaat en als hij het noodig oordeelt--en het is
noodzakelijk in een stad--moet hij dan ook een blik geslagen hebben
in de feiten, die den vorigen dag voorvielen in zijn stad en in de
wereld. Van negen tot een moet hij zich voorbereiden voor zijn taak op
den preekstoel, voor avondbeurten in de week, voor catechisaties, en
voor toevallig werk in kerk of vergadering, zoo vlug hij kan en het
uur, dat hij verliest met het ontvangen van bezoekers, moet laat in
den avond met interest ingehaald worden. Te een uur veroorlooft hij
zich iets te eten, ofschoon hij vaak niet aan de koffietafel in het
gezin kan verschijnen, omdat de een of andere slimme bedelaar weet,
dat dit de beste tijd is om hem thuis te treffen en, terwijl hij in
het drukst van het gesprek is, betreurt hij het verlies van zijn
maaltijd en verlangt naar den dag, dat Amerikaansche vindingskracht,
vruchtbaar in denkbeelden en spaarzaam met den tijd, een vloeibare
voedingsstof zal uitvinden, die hij door een buis tot zich kan nemen,
terwijl hij studeert.

Indien hij niet beloofd heeft de benoeming te ondersteunen van een
commissie van veertig leden, die een tehuis voor twintig meisjes moet
besturen, dan brengt hij zijn tijd van ongeveer twee tot zeven uur
door met het bezoeken van menschen, die ziek zijn of vrienden verloren
hebben, die lijden onder wereldsche rampen of die pas tot zijn Kerk
zijn toegetreden of haar juist verlaten hebben, die hij wenscht over
te halen tot eenigen arbeid of die hij in langen tijd niet gezien
heeft en waarmee hij voeling wil blijven houden. Hij komt 's avonds
thuis, niet omdat zijn werk gedaan is, want deze soort van werk is
nooit afgedaan en het einde is er nimmer van te zien, zelfs niet al
begon men het des morgens te negen uur en zette men het voort tot 's
avonds negen uur, maar omdat niemand langer dan vijf uur achtereen
bezoeken kan afleggen.

Bij zijn thuiskomst--en ik beken dit vrijmoedig--veroorlooft de
dominee zich weer wat te eten, maar alweer moet het voor hem bewaard
worden, omdat een andere bezoeker, die hem in den namiddag was
misgeloopen, van een onnoozele dienstmaagd, die pas in dienst is
gekomen en nog niet goed op de hoogte is van de taak van een
predikants-dienstbode, het uur heeft vernomen, waarop de ongelukkige
man zijn volgenden maaltijd zal gebruiken en nu reeds een half uur op
hem gewacht heeft om den steun van den dominee te vragen voor een
genootschap van christelijke liefdadigheid, wat in twee van de drie
gevallen slechts een uitwas is van philantropie en in het derde geval
iets waarmee de dominee niet de minste aanraking heeft.

Menschen, die niet beter weten, zouden misschien veronderstellen, dat
de dominee, na zijn zeer bescheiden maal genuttigd te hebben, vrij zal
zijn met zijn vrouw en kinderen in de huiskamer te zitten om zijn
plicht te vervullen als hoofd van het gezin en zoo het grootste genot
van den geheelen dag te smaken. Het is iets zeldzaams als deze
ongelukkige man een avond voor zich zelf heeft, omdat hij gewoonlijk
dadelijk na het eten naar een of andere bijeenkomst in zijn kerk moet
gaan en terwijl de leden der Gemeente zich over de verschillende
avonden verdeelen, wat heel billijk en goed is, moet hij altijd bij
alles tegenwoordig zijn, want is hij er niet, dan begint het
onderdeel, waarvan hij wegblijft, te kwijnen.

Als hij een avond vrij heeft, dan komt een of ander lid van zijn
Gemeente hem vragen een bijeenkomst te bezoeken ten bate van iets,
waarin hij betrokken is en er zijn redenen, waarom de dominee niet kan
weigeren. Het is best mogelijk, dat diezelfde mijnheer de vorige week
gezegd heeft, dat de dominee zich overwerkte en niet zooveel op zich
moest nemen, maar als de tijd komt, dat hij zelf een bijl heeft, die
geslepen moet worden, dan zal hij niet de minste aarzeling hebben den
dominee te vragen den molen te draaien. En inderdaad wordt het
openbare werk van den dominee sterk vermeerderd door zijn eigen
gemeenteleden, die aan de secretarissen, de treuzelaars en de rest van
tijdroovers aanbevelingsbrieven geven met een slot, als: «Ik hoop, dat
ge het verzoek van mijnheer Tootle zult inwilligen als een
persoonlijke gunst aan mij." Dezelfde heer doet dat misschien maar
eens in een halfjaar, maar er zijn er een honderd, die hetzelfde met
tusschenpoozen doen en zoodoende wordt de dominee aan handen en voeten
gebonden door zijn eigen Gemeente.

Was ik een leek en de een of andere gesalariëerde secretaris, die
niets anders te doen heeft--zooals het mij soms toeschijnt--dan
noodelooze brieven te schrijven en vervelende vergaderingen bijeen te
roepen en dominees te ergeren, kwam bij mij en vroeg mij om mijn
dominee te plagen totdat hij zijn eigen werk liet staan en de
bijeenkomst van den secretaris bezocht, dan zou ik dien secretaris
mijn gemoed bloot leggen in de woorden, die een vriendelijke
Voorzienigheid mij op dat oogenblik zou ingeven en één dominee zou ten
minste geen last hebben van dien secretaris. Als het godsdienstig
publiek ooit eenigen twijfel heeft omtrent het geld, dat uitgegeven
wordt aan secretarissen en omtrent het nut van hun arbeid, dan kan
het misschien een troost wezen voor dat publiek, te weten, dat, zoo
lang er gesalariëerde secretarissen van philantropische instellingen
zijn, geen stadsdominee ooit er toe zal kunnen komen zijn tijd te
verluieren, hetzij door moderne godgeleerdheid te bestudeeren of door
te praten met zijn gezin.

Veronderstel echter, dat door den een of anderen buitengewonen zegen,
de dominee een avond vrij heeft, werkelijk vrij--wat zoo ongeveer
zesmaal per winter voorkomt--en hij begint aan zijn vrouw eens iets
voor te lezen, of zij onthaalt hem op wat muziek of de heele familie
bladert een kunstwerk door, of--want ik wil zijn zwakke zijde niet
verbergen--zij spelen een spelletje samen, zijn vrouw, zijn kinderen
en hijzelf. De bel gaat over en de dominee ziet zijn vrouw aan; hij
weet, wat dat beteekent. Het is in zulke oogenblikken, dat zijn geloof
in een persoonlijken duivel, wiens slimheid even groot is als zijn
boosaardigheid, ten sterkste bevestigd wordt.

Niet dat de bezoeker op een vreemde zoo'n duivelachtigen indruk maakt,
want hij is eenvoudig een fatsoenlijk, niet bijzonder opmerkelijk
burgerman, behoorende tot de Gemeente van den dominee of tot die van
een anderen predikant, die even goed op elk ander uur had kunnen komen
en zeker op een anderen tijd zou gekomen zijn, als hij een koopman had
willen spreken, maar die inbreuk maakt op des dominees vrijen tijd met
de stille, doch onbepaalde gedachte, dat, daar de dominee den geheelen
dag voor zich zelf had, de avonduren wel ter beschikking van het
publiek konden zijn. Wat de boodschap van den bezoeker betreft, hij
had even goed kunnen schrijven, maar hij gevoelde, dat het beter kon
behandeld worden bij een persoonlijk onderhoud--een kwartier was lang
genoeg. Wat ten slotte erop uitloopt, dat deze spraakzame heer den
heelen avond bij den predikant in de studeerkamer zit en wanneer hij
heen gaat, vol van spijt, dat hij den dominee zoo lang heeft
opgehouden, dan zijn de kinderen naar bed en de domineesvrouw zit
eenzaam in de leege voorkamer.

Daar is geen tweede mensch, die op deze manier lijdt, zelfs een
geneesheer niet, want de menschen dringen niet in zijn consultkamer en
blijven er zitten, terwijl zij bij hun gezin behoorden te zijn en hij
bij het zijne zou willen wezen. Dokters hebben een hard leven, want
zij kunnen op elk uur worden geroepen en beziggehouden van 's morgens
tot 's avonds, maar zij hebben ten minste geen last van toevallige
bezoeken en beuzelachtige gesprekken om de eenvoudige reden, dat als
iemand bij hen komt, hij niet langer dan een kwartier mag blijven en
hij moet betalen voor den tijd, dien hij blijft. Natuurlijk is een
dominee ten dienste van zijn Gemeente op elk redelijk uur en op elk
uur is hij bereid den stervende en den achterblijvende te dienen; maar
als elke vreemdeling, die geen enkel recht op hem heeft en die tot hem
komt voor zijn eigen zaken, een billijk honorarium moest betalen en
het dubbele ervan, indien hij des avonds kwam, dan zouden wellicht de
kinderen van een predikant hun vader leeren kennen en de domineesvrouw
zou niet behoeven te klagen, dat zij bijna nooit haar man ziet.

Als een koopman zijn kantoor verlaat en naar zijn huis gaat, zou hij
zeer verwonderd zijn, indien daar een makelaar hem kwam opzoeken en
een zaak voorstellen. Een arbeider heeft rust in zijn eigen huis, maar
een domineeshuis is een doorloop, waarin alle soorten van menschen
zich bewegen. Waarom kan het tehuis van een predikant niet even heilig
zijn als dat van een handelaar? Waarom mag hij niet even goed als een
advocaat zijn uren van dagelijksche rust hebben? Wanneer zullen de
Gemeenten en het publiek toch eens begrijpen, dat indien een man
verplicht is op de hoogte te blijven van de beste gedachten van den
tegenwoordigen tijd en zich meester te maken van de schoonste
denkbeelden uit het verleden, wanneer hij zijn herderlijke plichten
behoorlijk moet vervullen en zijn aandeel moet hebben in de
voornaamste zaken der gemeenschap, zijn tijd dan beschermd moet
worden tegen indringers en zijn krachten niet moeten verknoeid worden
in onbeduidende vergaderingen? Wanneer zullen de menschen begrijpen,
dat zijn arbeid even ernstig is en even geregeld is als die van elk
anderen man, die een ambt bekleedt en dat, dewijl zijn tijd behoort
aan zijn Meester, even goed als zijn talenten en al wat hij overigens
bezit, diezelfde tijd niet behoort aan gesalariëerde beambten en
spreekgrage bezoekers? Wanneer dat duidelijk begrepen wordt, dan zal
het voor de eerste maal tot zekere verstanden doordringen, dat, hoewel
de predikant vele zaken moet doen, een daarvan niet is, dat hij in de
maatschappij de plaats moet innemen van menschen, die het druk hebben,
of dat hij een spreekmachine is op tweede-rangs godsdienstige
bijeenkomsten.



X.

VACANTIE.


Daar is geen predikant, met een gezond hoofd en gevoelig hart, die
niet in vrede en vriendschap wenscht te leven met alle afdeelingen
zijner Gemeente, maar in het bijzonder is elke dominee gesteld op den
eerbied en het vertrouwen der jonge lieden. Dit is niet, omdat dezen
wijzer dan de oudere menschen; ook niet omdat zij geestelijker zijn,
maar omdat zij minder vormelijk en in hooge mate oprecht zijn.

Een vrouw zal, uit welwillendheid en eerbied een dominee eer bewijzen,
omdat hij dominee is; een jonge man respecteert hem wegens zijn
persoonlijke eigenschappen. Als de predikant een ondegelijk,
gekunsteld, laf of lui man is, dan, al was hij twaalf maal geordend en
zoo welsprekend als Apollo en al had hij een zalvende stem en
voordracht en al was hij nog zoo innemend in zijn omgang, doorzien
jonge mannen hem; zij verachten hem, willen niets met hem te maken
hebben, en weigeren naar de kerk te gaan om zijnentwil, terwijl zij
daarentegen, al is de dominee niet knap en zijn preek oppervlakkig, al
praat hij maar heel eenvoudig en heeft hij weinig verstand van de
gebruikelijke godsdienstige termen, naar hem zullen gaan luisteren, en
voor hem zullen opkomen, als achter zijn rug over hem gesproken wordt,
hem zullen bezoeken in zijn studeerkamer en hem raadplegen, zoodra zij
in de klem zitten, indien zij hem kennen als een degelijk man, die
hard werkt en den moed zijner overtuiging bezit in woord en daad.

Zij zijn geen rechters in heiligheid en loopen gevaar werkelijk goede
mannen te onderschatten, omdat dezen soms week en verwijfd zijn, maar
zij zijn onfeilbare rechters in manlijkheid en bovenal gelooven zij
in een dominee, die een flink man is. Zij vragen niet van hem, dat hij
meedoet aan hun spelen, want hij wordt misschien al wat oud of heeft
een gebrekkig lichaam, maar zij eischen van hem, dat hij in de
levenssport zich dapper en eervol gedrage.

De ware dominee is er volmaakt mee tevreden geoordeeld te worden naar
den maatstaf der jonge lieden--hoe hij het groote levensspel
speelt--maar het hindert hem soms, dat jonge mannen denken, dat hij op
één punt een bijzonder voordeel heeft, en hij is de laatste man om een
voorgift in den wedstrijd te begeeren. Hij wenscht niet beschut te
zijn tegen kritiek of iets toe te krijgen wegens zijn positie, maar
hij wil zijn werk doen en gebruik maken van zijn goede kansen, hij wil
zijn tegenspoed verdragen en zijn strijd strijden precies als elke
andere man. En daarom is de dominee terecht prikkelbaar omtrent één
punt van beoordeeling en dat is zijn vacantie.

Verleden zomer--willen we aannemen--bracht hij de maand Augustus op
het land door en deed daar niets noemenswaard, behalve wandelen en
klimmen en visschen en kolven en rijden en vijftig andere dingen, die
hij als jongen ook gedaan had. Hij had zijn vacantie verdiend met elf
maanden te preeken, te onderwijzen, te studeeren, vergaderingen te
presideeren, raad te geven, te troosten, te berispen, te bezoeken, te
regelen en vijftig anderen dingen, die hij, toen hij een jongen was,
nooit gedacht heeft ooit te zullen doen. Zijn geweten was aan het
einde van den dag volmaakt zuiver, ofschoon hij geen woord geschreven
had, omdat hij den volgenden Zondag geen preek behoefde te hebben, en
ofschoon hij geen enkel bezoek had afgelegd, omdat er geen mensch te
bezoeken was, en hij wenschte zich zelf geluk, omdat hij in de lange
dagen van ledigheid lichaamskracht opdeed en zijn geest nieuw leven
verwierf voor het werk, dat in den winter hem wachtte.

Eens op een avond kwam een tweewieler langs den eenzamen weg in
vollen spoed en de rijder sprong eraf aan de poort; hij kwam, gekleed
in zijn luchtig costuum en blootshoofd door den tuin; zijn gezicht was
verbrand tot chocolade-kleur toe, hij zelf overdekt met stof, prettig
vermoeid na zijn rit van veertig mijlen, maar vol gezondheid, kracht
en vroolijkheid. Hij daagde den dominee uit als eerlijk man precies te
zeggen of hij hem kende.

Hem kende! de dominee, zonder te kort te doen aan de deugd der
waarheidsliefde, mocht zeggen, dat hij wist, wie hij was; want hij was
immers de jonge man, die Zondags morgens altijd op de punt van de
voorste bank in den zijvleugel zat en des Zondags avonds orde hield in
een jongensschool in het Oost-einde en die altijd bereid was een oogje
te houden op den een of anderen kameraad en die zoo'n flink jongmensch
was, als er maar konden wezen.

Hij werd in vroolijken triomf binnengehaald en na zich gewasschen te
hebben en een stevig maal te hebben gebruikt, zwierven de dominee en
hij rond langs de helling van den heuvel en zij spraken over vele
zaken; toen zij terugkwamen, zetten zij zich neder in den tuin te
midden der geurige bloemen, totdat zij van slaap niet langer konden
spreken. Des morgens beklommen zij den heuvel van de achterzijde en
bekeken de landstreek en toen aanvaardde de jonge man zijn reis weer
en bij een kromming van den weg nam hij afscheid; en terwijl hij
vaarwel zei, schudde hij eenigszins treurig het hoofd, want hij ging
naar het naaste spoorwegstation en den volgenden dag zou hij weer hard
aan het werk zijn in het brandende kantoor in de city. «Mijn laatste
dag", zei hij tot den dominee, toen zij scheidden, «en het is een
allerprettigste geweest" en ofschoon de jonge man den dominee niet
benijdde, dat hij nog veertien dagen vacantie had, kon deze toch niet
nalaten te gevoelen, dat zijn vriend wel dacht, dat de dominee beter
af was dan hij.

Toen die gelukkige zomerdag alleen nog maar in de herinnering bestond,
zaten beiden eens weer te zamen in de studeerkamer van den
dominee--dezen keer voor de brandende houtblokken. Zij spraken over
vele dingen--onder andere ook over dien tuin met zijn rijkdom aan
anjelieren--en de dominee maakte den jongen man deelgenoot van zijn
overdenking en verklaarde te gelooven, dat elke jonge man dezelfde
meening koesterde in den grond van zijn hart. Men kwam overeen, dat
men dadelijk een bespreking zou openen en de dominee nam op zich te
bewijzen, dat hij minder vrijen tijd had dan een kantoorklerk en dat
niet om een belachelijke stelling te verdedigen, maar omdat hij
meende, dat het de waarheid was. De jonge man had er schik in om
tegenpartij te wezen.

Het was inderdaad een eenvoudige rekensom om twee rijen cijfers neer
te zetten op een velletje papier en het kleinste getal van het
grootste af te trekken; het verschil zou over den uitslag van het
twistgesprek beslissen.

Daar de dominee een stadsparochie had en een voorname Gemeente, werd
hij edelmoediger behandeld dan menig ander van zijn collega's en had
hij zes vrije weken per jaar, welke hij verdeelde in twee deelen, een
maand aan het eind van den zomer en veertien daag in de lente, wanneer
het zware winterwerk geëindigd was. En dit maakte samen twee en
veertig dagen. Tusschen Januari en December had hij waarschijnlijk
behalve zijn vacantietijd nog wel eens een dag, dat hij uit de stad
ging of een halven dag, dien hij in de stad naar vrije verkiezing
besteedde. De heele dag buiten werd zeer dikwijls doorgebracht met
kolven en den halven dag in de stad gebruikte hij om in een
bibliotheek te snuffelen en de boekwinkels te plunderen. Laten al die
halve en heelen dagen in het geheel te zamen acht dagen uitmaken,
zoodat des dominees vacantie in alles en alles vijftig dagen bedroeg.

Terwijl de dominee zelf dit totaal nederschreef, meende zijn
tegenstander, dat het nauwelijks de moeite waard was zijn zaak te
verdedigen. Toen de dominee aanhield en den jongen man een blad papier
gaf en een potlood, had het er veel van, dat de geheele zaak niet veel
meer dan op een grap zou uitloopen.

«Twaalf dagen is de regel in ons kantoor en het is een bijzondere
tref, wanneer men in Augustus kan gaan, want het kunnen ook dagen in
April zijn," zei de jonge man. En hij was reeds bezig twaalf af te
trekken van vijftig en benieuwd wat de dominee zou zeggen over een
meerderheid van acht en dertig.

«Tellen de Zondagen mee bij uw verlof?" vroeg de dominee. De jonge man
gaf toe, dat dit niet zoo was en zoodoende werd het getal twaalf
veranderd in veertien, maar dat maakte niet veel verschil.

«Is uw kantoor open op Kerstdag?" ging de dominee voort. «Ik denk van
neen; evenmin als op Nieuwjaarsdag, op Paaschmaandag, of op
Pinkstermaandag. Gewoonlijk is de tweede Kerstdag ook een vrije dag en
Goede Vrijdag ook. Zoo gaan we aardig de hoogte in; dat zijn zes
dagen, die gij niet gerekend hadt en dan is er een vrije beursdag in
het begin van Augustus, dien gij liefst buiten uw jaarlijksche
vacantie sluit. Hoever zijn wij nu? Een en twintig dagen, dat wil
zeggen--drie weken. Het is niet veel voor iemand, die zoo hard werkt;
maar het is toch meer dan gij hadt uitgerekend."

«Ja, het vermindert uw meerderheid, maar die is toch altijd nog
aanmerkelijk--negen en twintig dagen meer voor den dominee dan voor
den klerk."

«Misschien," antwoordde de predikant, «maar uw firma moest zich toch
eigenlijk schamen,--en zij heeft zoo'n goeden naam en doet zulke
groote zaken!--dat haar klerken den geheelen Zaterdag moeten werken
inplaats van een halven vrijen dag te hebben. Niets, zou ik zoo
zeggen, zou voor een jongmensch aangenamer zijn dan eens op zijn fiets
naar buiten te gaan op den Zaterdag-achtermiddag, in den tijd, dat de
bloemen beginnen uit te komen en dat de heggen het eerste groen
vertoonen of op een anderen tijd een paar uur te gaan schaatsenrijden
in het heldere, reine versterkende winterweer. Ik heb medelijden met
u," zei de dominee, «dat gij dien halven vrijen Zaterdag niet hebt.
Gij zijt al even slecht af als ik, voor wien Zaterdag op een na de
drukste dag van de week is."

De predikant stond op en wierp een nieuw blok op het vuur, want hij
was een edelmoedig man, met een tikje humor, en hij wilde zijn vriend
niet verlegen maken.

«Daar heb ik nooit aan gedacht," zei de jonge man rondborstig, «dat is
eerlijk waar. Ik herinner me, dat ik eens medelijden met u kreeg, toen
ik ging schaatsenrijden en bij u aanliep om te vragen of ge meegingt
en dat ge bezig waart met het maken van uw avondpreek."

«Welnu," zei de dominee, «twee-en-vijftig maal een halve dag is
zes-en-twintig heele dagen, en daar afgetrokken de twee halve dagen,
die in uw geregelde vacantie vallen, blijven er vijf-en-twintig heele
dagen over, die moeten opgeteld worden bij uw een-en-twintig dagen,
dat maakt zes-en-veertig, of ik moet heelemaal niet kunnen tellen.

«O!" zei de dominee, «heb ik gelijk of niet? Gij staat nu
zes-en-veertig tegen mijn vijftig. Ik moet u gelukwenschen met uw
minderheid. Geen dominee klaagt over zijn werk, zelfs niet over de
drukte en beslommering van den Zaterdag, maar ik vertel u eerlijk,
Dick, er zijn oogenblikken, dat hij een leek den Zondag benijdt, want
de Zondag is de rustdag van den leek en voor den dominee de dag van
harden arbeid. Op dien dag slapen de meeste menschen des morgens iets
langer--ofschoon gij waarschijnlijk des Zondagsmorgens te vijf uur
opstaat om Duitsch te bestudeeren--en dan ontbijten zij op hun gemak;
want waarom zouden zij zich haasten, het is immers geen werkdag?
Tusschen het ontbijt en den kerktijd praten zij over alle soorten van
zaken en doorbladeren boeken en lezen brieven, die van verre gekomen
zijn en gevoelen zich geheel op hun gemak. Als het mooi weer is,
kiezen zij den langsten weg om naar de kerk te gaan, liefst door een
plantsoen of een park en zij drentelen kerkwaarts met ongedwongen
geest. De vader zit met zijn gezin in hun bank en kan zonder afleiding
en zonder vrees zich geheel wijden aan den eeredienst. Misschien denkt
hij nooit eens aan de domineesvrouw, die als was zij een weduwe in
haar bank zit met hare als verweesde kinderen, want het hoofd des
gezins vervult op dien dag zijn zwaarste taak en heeft zooveel te doen
bij het leiden van de godsdienstoefening der anderen, dat men
nauwelijks kan zeggen, dat hij tijd genoeg heeft om zelf God te
vereeren. Wees zoo goed niet in de rede te vallen"--want de jonge man
gaf teekenen van toenadering om zich over te geven.

«Weet je," zei de dominee, in het dansende vuur starend, «dat ik
eenige jaren geleden eens een Zondag voor mij zelf had met mijn gezin,
en ik kan nog het aangename van dien dag smaken in mijn herinnering.
Wij begonnen na het ontbijt te praten over Bijbelsche personen en
godsdienstige onderwerpen en ik kwam voor het eerst te weten, hoe mijn
jongens er over dachten. Wij zochten boeken op, waarover gesproken
was en ik las mijn geliefkoosde gedeelten uit dichters en liet
zeldzame uitgaven zien en deed mijn kast met gebonden boeken eens
open, waar de banden tegen licht en stof beschermd stonden. We
babbelden, we verbeuzelden onzen tijd een weinig, we vermeidden ons in
onze schatten. We dronken thee in den tuin, we praatten over den ouden
tijd, we maakten plannen voor de toekomst. Wel, ik wandelde met mijn
gezin naar de kerk, met licht gemoed en zonder reden tot haast. Zoo
zeer genoot ik den dag, dat ik besloot er al van te halen, wat te
halen was.

«Denkt gij, dat ik in de kerkekamer ging vóór den dienst, omdat het
mijn consistorie was en dat ik den dominee inlichtingen gaf omtrent de
aankondigingen, omdat het mijn kerk was? Zeker niet. Ik ging binnen
door de voordeur, precies als ieder ander lid van de Gemeente en
knikte vriendelijk de kerkeknechts toe, als ik hen voorbij ging. Ik
liep door de gangen achter mijn gezin en ging zitten aan het eind van
de bank net als ieder ander hoofd van een gezin. Na den dienst ging ik
naar de kerkekamer en na binnen gelaten te zijn, dankte ik den dominee
voor zijn preek als een van zijn hoorders en toen ging ik naar huis en
praatte met mijn jongens over den dienst, want het gesprek liep over
de preek van een ander en ik kon op al de mooie gedeelten wijzen. Dien
achtermiddag tijd te mijner beschikking hebbende, bezocht ik een zaal,
waar een man met een eigenaardige gave aan twee honderd ongeleerde
boeren de beginselen van den godsdienst ontvouwde en kwam tehuis
heerlijk verfrischt en toen lazen wij weer en praatten en mijn gezin
en ik werden heel innig, omdat wij tijd hadden en omdat het Zondag
was.

«Bij de avondbeurt had ik het genoegen een jongen man aan de deur op
te visschen, die op een plaats wachtte en ik nam hem mee naar mijn
bank en legde hem uit, dat hij 's avonds altijd daar kon gaan zitten
en dat ik blij was, dat hij was gekomen, omdat wij stellig een
heerlijke preek zouden krijgen. Hij keek mij eenigszins nieuwsgierig
aan en wilde wat zeggen, toen ik hem voor was en uitlegde, dat ik dien
dag niet de dominee van de kerk was, maar eenvoudig zelf toehoorder.
Ik praatte al weer met mijn gezin na den dienst--het aangename van den
hak op den tak springen, wat echter niet nutteloos behoeft te zijn,
van menschen, die niet vermoeid, overspannen zijn en zoo eindigde de
dag van rust in een vriendelijke gezelligheid en innerlijke rust. Wij
moeten allen iets opofferen, Dick, maar de zwaarste opoffering, die
een dominee heeft te doen is zijn Zondag, want zij is tot schade van
zijn eigen ziel en die van zijn familie. Wees dankbaar voor uw rustige
Zondagen en behoud ze met jaloerschheid voor de rust van geest en
lichaam."

«Ge hebt uw zaak bewezen," zei Dick; «door vijftig Zondagen en vijftig
halve Zaterdagen er bij te voegen, wordt mijn vacantie zes-en-negentig
dagen tegenover vijftig van u."

«Het is laag," zei de dominee, «een verslagen vijand af te maken,
vooral wanneer hij zoo'n goede kerel is, maar cijfers zijn niet
voldoende om de zaak geheel uit te drukken, omdat er ook nog gelet
moet worden op het verschil in den aard van het werk, dat verricht
wordt, laat ons zeggen in een kantoor en in een studeerkamer. Ik weet,
dat zaken nauwkeurigheid vereischen, dat er voortdurende inspanning
noodig is en dat men telkens voor verrassingen staat en voor
teleurstellingen en dat er kans is op grooten tegenspoed, maar de man
van zaken heeft ook zijn eigenaardige voordeelen. In de eerste plaats
is er een grens aan zijn werk, en als hij des avonds thuis komt, laat
hij zijn werk achter. Aan den arbeid van den predikant nu is geen
grens. Hij blijft altijd boven zijn hoofd hangen, roept altijd zijn
gedachten tot zich, zijn werk spant altijd zijne zenuwen bovenmate,
het drukt altijd op zijn geweten. Wanneer hij zich een gezelligen
avond veroorlooft, dan verkeert hij niet in dezelfde gunstige
omstandigheden als de andere gasten, omdat zij hun brieven hebben
afgeschreven en hun geheele dagtaak hebben afgedaan en wanneer zij
naar huis gaan dan zal dat wezen om nog even een laatste hoofdstuk van
een boek te lezen vóór zij naar bed gaan; maar hij rukt zich los uit
werk, dat half af is en als zijn vrienden reeds zijn ingeslapen,
brandt op zijn lessenaar het licht nog. Daarenboven--en, Dick, gij
kunt u niet verbeelden, wat dat beteekent--de koopman weet, dat hij
een zekere hoeveelheid werk in acht uren kan verrichten, omdat het
over zaken handelt; maar de dominee weet nooit wat hij kan doen, omdat
zijn werk betrekking heeft op denkbeelden. De noodzakelijkheid van
voort te brengen, zelfs wanneer de geest niets heeft te uiten, werkt
op de zenuwen van den dominee en kan zijn gezondheid benadeelen.

«De dagbladschrijver schrijft elken dag, maar hij heeft nieuwe
onderwerpen om over te schrijven; de letterkundige werkt wanneer hij
gestemd is; de dominee moet schrijven over een oud onderwerp--ofschoon
het belangrijkste wat de geest kan bevatten--en hij moet schrijven,
onverschillig of zijn geest helder of dof is. Misschien is er niemand,
die zulke oogenblikken van vreugde kent als hij--wanneer hij bezield
is; zeker heeft niemand zulke uren van gedruktheid--wanneer hij niet
tot zijn onderwerp kan opklimmen. Alleen door geduldig lezen en
onophoudelijk gebed kan hij zijn taak vervullen, en dan is hij steeds
zoo sterk mogelijk ingespannen en kent nooit de rust van den man, die
zijn werk verricht met overvloed van tijd, kracht en denkbeelden.
Wanneer de dominee komt te overlijden, terwijl hij nog in de Bediening
is, dan zal hij op zijn sterfbed in zijn laatste oogenblikken van
bewustheid nog iets te zeggen hebben omtrent een brief, die niet
beantwoord is en nog eenige verklaringen te geven hebben aan een
gezin, dat niet bezocht is en wanneer zijn geest begint af te dwalen,
zal hij ronddolen tusschen teksten, waarmee hij gestreden heeft en
pogingen, die niet tot het doel hebben geleid."

«Hij behoorde elk jaar twee maanden te hebben," riep Dick, «en als ik
diaken word, zal ik zorgen, dat mijn dominee daarenboven elke zeven
jaar een half jaar vacantie krijgt, opdat hij daarna weer beginne als
een geheel nieuw mensch, naar geest en lichaam."

«Ge zijt een beste kerel, Dick, en ge zijt verstandig voor uwe jaren
en als de Kerk haar predikanten behandelde op deze wijze, dan zou zij
daar veel voordeel bij hebben. Want elke nieuwe gedachte, die
doordringt tot den geest van den dominee, en elk nieuw boek, dat hij
leest en elke nieuwe landstreek, die hij ziet en elke nieuwe
kunstverzameling, die hij in zijn vacantie bezoekt, vermengt zich met
zijn woorden, met zijn leven en de goede zorg, de edelmoedigheid der
Gemeenten zou met woeker terugkomen tot hun eigen zielen."



XI.

HOE EEN DOMINEE HERLEEFDE.


Men kon niet zeggen, dat de dominee te oud was geworden, want hij was
nog in de kracht des levens; ook niet dat zijn gezondheid wankelend
was, want hij was sterker dan in de dagen zijner jeugd; ook niet, dat
hij had opgehouden te studeeren, want hij las meer dan ooit; ook niet,
dat hij zijn tijd niet begreep, want hij was door en door een denker
van het heden. Men mocht niet denken, dat hij minder ijverig was in
zijn herderlijk werk of minder bekwaam in het regelen van zaken, ook
niet, dat hij twist had gehad met zijn Gemeente of zijn Gemeente met
hem; ook niet, dat de geest van het district was veranderd of dat de
kerk haar lidmaten had verloren. Hij preekte even goed als hij ooit
deed, en met meer kracht en wijsheid dan twintig jaar geleden. Er
waren evenveel leden op de lijst en er werd evenveel geld
gecollecteerd en evenveel werk gedaan en de Kerk had een uitmuntenden
naam. Het was moeielijk den vinger te leggen op eenige wondeplek bij
dominee of Gemeente en toch was de dominee zich bewust en de menschen
hadden een onbepaald gevoel, dat er iets haperde. Er was minder
geestdrift in de Gemeente, de plichtsvervulling was trager, men
haastte zich minder, gehoor te geven aan een verzoek en er was minder
opkomst bij de extra-diensten. Er was minder enthousiasme, minder
vrijwillig werk, minder trouw.

Na vijftien jaren dienst in dezelfde parochie, na al dien tijd
dezelfde menschen te hebben toegesproken, en noodzakelijkerwijze
altijd hetzelfde te hebben gezegd, en altijd zich bewogen te hebben in
dezelfde wijk, was de dominee zonder eenige fout van zijne zijde, maar
eenvoudig tengevolge van de zwakheid der menschelijke natuur, een
weinig moede geworden. Hij had zijn frischheid verloren, niet van
gedachte of van uitdrukking, maar de frischheid van geest; hij had die
lichtheid van ziel, dat hoopvolle in den toon en die eeuwige
opgewektheid in de toespraak verloren, waardoor de menschen eens waren
aangetrokken en waardoor hij hun hart had gewonnen. En van hunne zijde
hadden zij de frischheid verloren te zijnen opzichte; niet dat zij
geen eerbied voor hem hadden of niet dankbaar waren voor vroegere
diensten of voor zijn tegenwoordigen arbeid, maar zij misten nu dat
gevoel van grootsche verwachtingen van hem en zij konden niet meer zoo
liefhebbend genieten in hem en zij spraken niet meer met zooveel
blijdschap over hem. Hunne harten klopten niet sneller, wanneer hij
preekte; het was niet een merkwaardige gebeurtenis, als hij een bezoek
bracht en men voelde geen groot ledig, wanneer hij weg bleef. Er was
nog steeds een eerlijke genegenheid tusschen den dominee en zijn
menschen, maar zij had den hartstocht en het romantische van vroeger
jaren verloren. Zij was nu niet opzienbarend, maar regelmatig;
misschien een ietsje te kalm en ingetogen om liefde te heeten.

De menschen waren zoo gewoon geworden aan hun dominee, aan zijn
voorkomen, zijn stem, zijn denkwijze, zijn eigenaardigheden, dat zij
in staat waren hem te critiseeren en zijn fouten met veel
nauwkeurigheid op te merken. Het kon hem niet schelen of hij
tegengesproken werd, en hij had aanleg om boos te worden, wanneer men
zich tegen zijn plannen verzette; hij was te zeer ingenomen met
zekeren gedachtengang en preekte niet altijd om te stichten; hij had
neiging om zich binnen een beperkten vriendenkring op te sluiten en
was niet voldoende ter beschikking van allen; hij gaf te veel aandacht
aan werk buiten de Kerk en verzuimde soms zijn herderlijke taak; hij
stond erop zijn vrije uren te gebruiken, zooals hem goed docht en
scheen er niet aan te denken, dat hij eigenlijk in het geheel geen
vrijen tijd behoorde te hebben; hij was soms knorrig, wanneer hem
extra-werk werd opgedragen en hij was niet altijd welwillend, wanneer
hij iets doen moest, dat niet tot zijn eigenlijke werk behoorde. Tien
jaar geleden zou niemand hebben durven zinspelen op deze fouten, want
dan zouden de medeleden hem hebben uitgemaakt voor een onredelijk
mensch. De dominee was toen juist zooals hij nu is, maar zijn fouten
werden toen eenvoudig beschouwd als groote opgewektheid en ernst en
vriendschap en toewijding en geestelijk plichtsgevoel. Hij was toen
volmaakt bij de schemering van het morgenlicht; hij is nu een gewoon
mensch, wiens onvolmaaktheden duidelijk gezien worden in den glans van
het volle zonlicht. De dominee ook is nu in staat zijn menschen op een
afstand te beschouwen en hen onpartijdig te beoordeelen, terwijl zij
eens hem allen lief toeschenen zonder vlek of rimpel of iets van dien
aard en gij hadt veiliger het voorkomen van een bruid kunnen gispen in
tegenwoordigheid van haar bruidegom, in de bruidsdagen zelfs, dan dat
gij één fout hadt mogen aanwijzen in de Gemeente van dien man. Hetzij
dat zijn oogen beter hebben leeren zien of dat zijn hart verkoeld is,
hij is niet meer onder bekoring; en ofschoon hij zulke zaken niet in
het openbaar zou willen zeggen, weet hij heel goed wat er hapert aan
zijn menschen. Eenigen van hen zijn hopeloos ingenomen met hun eigen
inzichten en ontoegankelijk zelfs voor het beste licht, wat hij
natuurlijk meent, dat het zijne is. Anderen zijn zoo liberaal, dat zij
bijna in het geheel geen geloof meer hebben en hij vergeet te
bedenken, dat hij verantwoordelijk is voor dit gemis aan geloof. Nog
anderen zijn zoo wereldschgezind, dat de ernstigste godsdienstige
roepstem geen invloed heeft op hun leven en dan zijn er nog, die zoo
liefdeloos zijn, dat zij voor de beste zaak niets over hebben om haar
te steunen. Het doet hem pijn, dat jonge menschen, die hij onderwees
en liefhad niet langer trouw aan hem zijn, maar anderen stemmen dan de
zijne de voorkeur geven en met evenveel geestdrift spreken over
anderen, als zij eens spraken over hem; en hij voelt het gemis van die
kleine vriendelijkheden, die hem zoo dierbaar waren niet om de waarde
ervan, maar omdat zij de heiligheid der vriendschap bezegelden. Hij
gelooft nog, dat zijn Gemeente beter is dan eenig andere; hij denkt
nog aan hun trouw in het verledene; maar de dagen der eerste liefde
zijn voorbij en zijn hart is somtijds bezorgd.

Op een avond waren de ambtsdragers van de Kerk bijeengekomen en toen
de zaken waren afgehandeld, raakten zij aan het praten over het
kerkelijk leven en over hun dominee. Zij waren over het geheel zeer
eerwaarde, gevoelige, goedhartige en oprechte mannen, die wenschten
hun best te doen met hun dominee en hem in geen enkel opzicht te
ergeren; zij droegen altijd zorg, dat hij behoorlijk zijn salaris
ontving en een aangename vacantie had; zij zouden nooit klagen zonder
reden en zouden zeker nooit ervan droomen iemand te vragen heen te
gaan of hem ter zijde te zetten na langen dienst zonder een
fatsoenlijk jaargeld. Maar zij waren niet in hun schik met den gang
van zaken en na veel over-en-weergepraat, na veel half uitgesproken
plannen, veel wenken, veel aanduidingen en veel omschrijvingen was het
bijna een uitkomst, toen de heer Judkin, de voorzitter, en een sterke
persoonlijkheid in woord en daad, uitdrukking gaf aan wat in hen
omging.

«Er is geen mensch," zei hij, «voor wien ik inderdaad dieper eerbied
gevoel dan voor onzen dominee, want hij heeft hard gewerkt en onze
Gemeente er bovenop gebracht. Hij is een zeer belezen man en een goed
prediker en niemand kan de minste aanmerking maken op zijn leven of
zijn gedrag; maar er is geen twijfel en ik meen, dat het beter is zoo
iets te zeggen dan dat het in het geheim gevoeld wordt, dat op de een
of andere wijze onze dominee langzamerhand zijn invloed op de menschen
verliest en dat de Gemeente in toon en in hart niet is, wat zij placht
te wezen. Mijn indruk, broederen, is dat, hoewel het een gevaarlijke
onderneming voor ons is en hoewel wij waarschijnlijk nooit iemand
zullen krijgen, die voor ons doen kan wat onze dominee in het verleden
voor ons gedaan heeft, toch zijn werk hier is afgeloopen en dat het
best zou wezen, dat hij en wij eens veranderden." En toen Judkin de
vergadering rondzag, bemerkte hij, goed begrepen te zijn en daaruit
putte hij aanmoediging voort te gaan.

«Onze dominee staat zoo goed aangeschreven in de Kerk en zijn
reputatie is zoo groot, dat hij gemakkelijk een andere plaats zou
kunnen krijgen, als hij wilde. Inderdaad heb ik reden om te gelooven,
dat hij dikwijls in de gelegenheid is geweest om te veranderen, maar
hij heeft altijd geweigerd een beroep in overweging te nemen. Er is
niemand in de Gemeente, die den dominee zou willen vragen om heen te
gaan--zeker zal ik het niet doen; maar ik maak me sterk, dat een nieuw
begin in een nieuwe plaats het best zou wezen voor hem en ik voel mij
verplicht er bij te voegen, misschien het beste zou zijn voor ons.
Eén zaak zou ik echter nog willen zeggen en dat betreft een geldzaak.
Wij hebben geen arme Gemeente en wij zullen altijd wel in staat zijn
ons te redden, maar wij hebben een vrij groot tekort in kas en bij de
laatste aansporing van den preekstoel is er maar weinig weerklank
gegeven. Als de leden wat beter gestemd waren, zouden de noodige
vijfduizend gulden in een week zijn bijeengebracht."

Er was een pauze, waarin verschillende broederen met knikjes en
blikken den heer Judkin te kennen gaven, dat hij in hun geest
gesproken had en toen werd het stilzwijgen verbroken door den heer
Stonier, die in de Gemeente en er buiten bekend was wegens uiterste
zuinigheid in geldzaken, een totale afwezigheid van gevoel en een
ijselijke openhartigheid in het spreken. Men voelde, toen hij het
woord nam, dat als de heer Judkin een spijker had ingeslagen in de
goede richting, de heer Stonier dien zou inslaan tot aan den kop,
maar... men kan nooit weten! «We kunnen hier," zei mijnheer Stonier,
«veronderstel ik, zeggen wat we denken, en er zijn geen reglementen
of orders van den dag. Wat mij aangaat, ik wist niet, dat wij van
avond hier kwamen om onzen dominee te oordeelen en ik wist niet, dat
de heer Judkin en de overigen van plan waren hem min of meer ronduit
op beschaafde, Christelijke, deftige wijze te vragen naar een andere
plaats om te zien. O jawel, dat is jelui bedoeling, maar ge zijt een
troep van zulke poeslieve menschen, dat ge het woord niet uitspreekt
en niet zegt, wat ge meent! Wat mij aangaat, ik ben vijftien jaar lang
lid van deze Kerk en toen ik hier kwam, was het huis bijna leeg en nu
is het vol en de dominee heeft vijftien jaar lang hard gewerkt. Nu, ik
laat mij er niet op voorstaan, dat ik een philanthroop ben, en ik geef
nooit een cent voor de «bekeering der Joden" en ook niet voor de
«vereeniging tot voeding van de straatslijpers," noch voor eenig ander
plan, waarvoor jelui pleit. Ik ben niet, wat men noemt, een milde
gever, maar ik hoop, dat ik een eerlijk man ben; en ik zal u zeggen,
dat, indien ik een man op mijn kantoor had, die mij vijftien jaar
gediend en zijn werk goed gedaan had, en ik stelde dan voor om hem weg
te zenden, omdat het mij verveelde altijd hetzelfde gezicht aan zijn
lessenaar te zien en hetzelfde handschrift onder de oogen te krijgen,
dan zou ik mijzelf beschouwen als een schavuit; en ik dank God, dat ik
zoo iets nooit gedaan heb met een van mijn bedienden. Als gij iemand
kunt aanwijzen, die in mijn kantoor is werkzaam geweest en dien ik heb
weggezonden, omdat ik een nieuw gezicht wenschte te zien, dan geef ik
vijfhonderd gulden aan Timbucho of aan welke andere zending gij maar
wilt."

Niemand dong naar den prijs, want het was wel bekend, dat, ofschoon de
heer Stonier zoo hard was als ijzer voor liefdadigheid onder
onbekenden, hij een uitmuntend meester was in zijn eigen zaken.

«Wat betreft het tekort in de fondsen der Kerk, indien dat de reden
is, waarom de dominee ontslagen moet worden, dan ben ik bereid om de
geheele som zelf bij te passen; en ik doe dat, versta mij wel, als een
bewijs van eerbied en dankbaarheid--dankbaarheid, ziet ge, heeren,
voor vijftien jaren van harden arbeid!"

Deze man van duidelijke taal was nauwelijks gezeten of de heer
Lovejoy, de vriendelijkste en aangenaamste mensch van de heele
Gemeente, die eenigen tijd lang zeer beweeglijk was geweest, begon te
spreken.

«Ik wensch niet te twisten met de lieve broederen, die gesproken
hebben, want de heer Judkin is te sterk voor mij en niemand zou
broeder Stonier kunnen beantwoorden op zijn schoon aanbod. Zeer
edelmoedig en juist overeenkomstig zijn vriendelijk hart, dat ik
sedert vele jaren heb leeren kennen bij mijn kleine werken der liefde;
maar dat is een geheim tusschen mijnheer Stonier en mij. Wat ik wensch
te zeggen, is, dat ik onzen dominee liefheb om hetgeen hij is en om
hetgeen hij geweest is voor mij in tijden van groote droefheid.
Toen..... ik mijn lieve vrouw verloor, bracht hij dag aan dag troost
aan mijn hart en onze predikstoel zal voor mij nooit dezelfde zijn
zonder onzen dominee."

Dat was alles, wat de heer Lovejoy zei.

Het scheen echter, dat hij een verborgen snaar had aangeraakt in elk
der aanwezigen en de een na den ander had iets te zeggen. Het leek wel
of zij de zaak, waarover gesproken werd, vergeten waren, zoowel als de
kiesche opmerking van den heer Judkin. De een stond op om te zeggen,
dat de dominee hem getrouwd had, en dat hij nooit de toespraak bij het
huwelijk zou vergeten; een ander had eens plotseling een kiemen jongen
verloren en hij geloofde niet, dat zijn vrouw en hij ooit de
beproeving zouden doorstaan hebben zonder het meegevoel van den
dominee; een derde had wereldsche beproevingen doorgemaakt en het was
door een preek van den dominee, dat hij was staande gebleven; en een
vierde, die zooals iedereen weet, aan vreeselijke verleidingen had
blootgestaan, wenschte nederig te verklaren, dat hij dien avond geen
ambt in een Christelijke Kerk zou bekleed hebben zonder de hulp van
den dominee in tijden van moeielijkheid. Anderen keken, alsof ook zij
wel iets te zeggen hadden en een diaken gebruikte heimelijk zijn
zakdoek en eindelijk stond de heer Judkin zelf weer op en toonde zich
een man, waardig een Kerk te besturen en te leiden.

«Broederen," zei hij, «ik drukte de meening uit, die in mijn gemoed
was, en ik ben dankbaar, dat ik haar onder woorden gebracht heb, want
het spreken heeft mij verlicht en u goed gedaan. Ik neem nu terug, wat
ik zei: ik was een weinig moedeloos. Broeder Stonier heeft volmaakt
gelijk en hij heeft ons allen een hart onder den riem gestoken; en als
hij het tekort dekt, waarvoor wij hem allen zeer verplicht zijn, dan
zal ik gaarne zien, mannen broeders, dat ge mij toestaat de kerk in
het najaar te schilderen, want de verf wordt een weinig bleek en ik
zou dat willen doen als een erkentelijkheid voor hetgeen de dominee
geweest is voor mijn vrouw toen onze jongen tusschen leven en dood
zweefde."

Het voorbeeld van den heer Judkin bracht de ambtsdragers op een nieuw
spoor; de een bood aan nieuwe liederenboeken te geven voor de
Zondagsschool, waaromtrent eenige moeielijkheid was gerezen; een ander
verklaarde, dat als de kerk opnieuw geschilderd werd, hij er voor
wilde zorgen, dat ook het wijkgebouw een nieuw kleed kreeg; een derde
bood aan een vierde gedeelte te betalen van het salaris voor een
zendeling om den dominee er van te ontlasten en drie andere
ambtsdragers eigenden zich de overblijvende drievierden toe, totdat er
op het laatst niemand was, die zich niet het recht had verzekerd,
persoonlijk voor zichzelf, om iets te doen, klein of groot, voor de
Kerk, en iedereen deed, wat hij aanbood, uit dankbaarheid aan den
dominee voor al wat hij voor hen was geweest en gedaan had gedurende
vijftien jaar. En ten slotte maakte de heer Lovejoy al zijn broederen
week in een gebed, waarin hij dominee en lidmaten bracht voor den
Troon der Genade en zoo pleitte, dat elk, toen hij de plaats verliet,
voelde, dat de zegen des Heeren op hem rustte.

De preekbeurt in de week werd gehouden op Woensdagavond en werd in den
regel zeer slecht bezocht. Dezen keer was de dominee naar de
consistorie gekomen met een benepen hart, en hij bad om de genade den
heer Lovejoy en een handvol vrome en eerzame vrouwen te kunnen
toespreken zonder blijk te geven van ontmoediging en zonder hen
moedeloos te maken. Daar waren tijden geweest in het verleden, dat de
dienst in de kerk was gehouden en de heer Judkin placht in de stad op
de opkomst te pochen; toen was men uit de kerk naar de groote zaal
gegaan; maar in den laatsten tijd werden de weinigen, die kwamen,
bijeengeroepen in een kamer, omdat het aangenamer is een kamer bijna
vol te zien dan een voor driekwart ledige zaal.

De kamer was vlak naast de kerkekamer en vóór hij naar binnenging, kon
hij tellen of er meer of minder dan het gewone dertigtal zouden zijn.
Dezen avond gingen zoovele voeten voorbij zijne deur en er was zoo'n
levendige drukte, dat hij geloofde, dat er wel veertig zouden wezen,
wat een belangrijk aantal was en hij begon zich lafheid en ongeloof te
verwijten. Hij keek den liederenbundel door om een keus te doen, toen
de deur openging en de heer Lovejoy binnenkwam met zooveel blijkbare
tevredenheid op zijn beminnelijk gelaat, dat de dominee zeker was van
iets prettigs. «Vergeef me, dat ik u stoor," zei de goede man, «maar
ik kwam vragen of gij niet in de groote zaal zoudt gaan van avond? De
kamer is al vol en er komen elke minuut meer menschen. Het zou mij
niets verwonderen, als er honderd, misschien tweehonderd kwamen," en
mijnheer Lovejoy's gelaat straalde en zonder het te weten drukte hij
voor de tweede maal des dominee's hand.

«Ge kunt zeker zijn, dat ik maar al te blij zou zijn, maar.... wat
beteekent dit? Weten zij, dat ik zelf zal preeken?" En de dominee leek
bezorgd, uit vrees dat de menschen misschien toegestroomd waren in de
hoop, dat de een of andere vreemdeling van naam zou spreken.

«Natuurlijk weten zij het en daarom zijn ze gekomen," antwoordde de
heer Lovejoy met groote blijdschap; «voor geen mensch anders zouden er
zooveel gekomen zijn en als gij van avond niet preektet, zou dat de
grootste teleurstelling zijn, die de menschen ooit ondervonden; maar
ik moet mij haasten om toe te zien, dat alles in de zaal in orde
komt," en een minuut later hoorde de dominee het geluid van vele
stemmen, toen de menschen vroolijk verhuisden van de kamer naar de
zaal en zelfs in de consistorie was het te merken, dat er een groote
schare zou zijn. Terwijl hij peinsde over de beteekenis hiervan, werd
al weer de deur geopend en weer kwam de heer Lovejoy binnen.

«We hadden niet genoeg geloof," riep hij, «we hadden dadelijk naar de
kerk moeten gaan. Broeder Stonier zei op zijn gewone besliste manier:
'geen halve maatregelen, vooruit naar de kerk;' maar ik was bang, dat
er niet genoeg zouden zijn. Ik had ongelijk, heelemaal ongelijk, de
kerk zal mooi vol worden van onder tot boven, want de menschen komen
gestadig toestroomen--het is een prachtig gezicht, zoo'n stroom. Ik
zal u komen halen, als zij allen gezeten zijn; maar geef hun tijd,
want het is niet gemakkelijk van de eene plaats naar de andere te
gaan, zooals wij van avond gedaan hebben; maar we zullen het anders
aanleggen den volgenden Woensdag, dan gaan we dadelijk in de kerk
juist als in vroeger tijden" en de heer Lovejoy verliet de consistorie
als op vleugelen.

Toen de dominee in de kerk kwam, was deze bijna vol en hij gaf met
eenige moeite den eersten psalm op, want het schoot in zijn ziel, dat
deze menschen gezien hadden, dat hij moedeloos was en dat dit een
vernieuwde genegenheid was. Het gebed viel hem zelfs zwaarder dan het
lied, ofschoon zijn hart diep bewogen was door dankbaarheid aan God en
teeder pleitte voor de menschen. En toen hij genaderd was aan de
toespraak, wierp hij zijn papier met punten ter zijde, want het leek
hem te koud en te vormelijk en hij las den honderd-zesentwintigsten
psalm langzaam en met bevende stem en in plaats van uitlegging, hield
hij op tusschen de verzen en de menschen begrepen. Toen hij het
laatste vers las: «Die het zaad draagt, dat men zaaien zal, gaat al
gaande en weenende; maar voorzeker zal hij met gejuich wederkomen,
dragende zijne schoven"--aarzelde hij een oogenblik en toen.... sprak
hij den zegen uit. Na een oogenblik stil gebed lichtte hij het hoofd
op en zag, dat de menschen nog wachtten. De heer Judkin stond op, en
naar voren komende voor den lessenaar, dankte hij den dominee
verstaanbaar voor al zijn werk--en toen kwamen zij allen, mannen,
vrouwen en kinderen--en elk zei op eigen manier hetzelfde; en het
gerucht heeft geloopen, dat Richard Stonier, die het laatst kwam en
niets zeide, voor de eerste en eenige maal in zijn leven van zijn stuk
was gebracht.



  +-------------------------------------------------------+
  |                                                       |
  |           OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER:                |
  |                                                       |
  |  De volgende correcties zijn in de tekst aangebracht: |
  |                                                       |
  |  Bron (B:) -- Correctie (C:)                          |
  |                                                       |
  |  B:  VI. De oproermaker in de kerk                    |
  |  C:  IV. De oproermaker in de kerk                    |
  |  B:  op den inhoud van het geen hij                   |
  |  C:  op den inhoud van hetgeen hij                    |
  |  B:  grondbeginselen moet worden uitgewerkt in        |
  |  C:  grondbeginselen die moet worden uitgewerkt in    |
  |  B:  zorgvuldige overdenkingen zal op prijs stellen.  |
  |  C:  zorgvuldige overdenkingen op prijs zal stellen.  |
  |  B:  May Harrison.                                    |
  |  C:  May Harrison."                                   |
  |  B:  dienst met zang een zigeuner                     |
  |  C:  dienst met zang, een zigeuner                    |
  |  B:  Oordeelslag, «belangwekkend" moet zijn.          |
  |  C:  Oordeelsdag, «belangwekkend" moet zijn.          |
  |  B:  Waarde Heer Jump                                 |
  |  C:  «Waarde Heer Jump                                |
  |  B:  jaar geen nieuwen gedachten toelaten             |
  |  C:  jaar geen nieuwe gedachten toelaten              |
  |  B:  Een van de voornaamste pogingen van een          |
  |  C:  [Alinea-break ingevoegd]                         |
  |      Een van de voornaamste pogingen van een          |
  |  B:  Wanneer Eives, opgesloten achter zijn deur       |
  |  C:  Wanneer Dives, opgesloten achter zijn deur       |
  |  B:  zijn geld een maatstaf heeft voor zijn karakter  |
  |  C:  zijn geld een maatstaf is voor zijn karakter     |
  |  B:  Dezelfde heer doet dat misschen maar             |
  |  C:  Dezelfde heer doet dat misschien maar            |
  |  B:  versterkende winterweer. «Ik heb medelijden      |
  |  C:  versterkende winterweer. Ik heb medelijden       |
  |  B:  «Weet je," zei de dominee, in het dansend        |
  |  C:  [Alinea-break ingevoegd]                         |
  |      «Weet je," zei de dominee, in het dansend        |
  |  B:  Wees dankbaar voor uw rustigen Zondagen          |
  |  C:  Wees dankbaar voor uw rustige Zondagen           |
  |  B:  woeker terugkomen tot hun eigen zielen.          |
  |  C:  woeker terugkomen tot hun eigen zielen."         |
  |  B:  te koud en te vormemelijk en hij                 |
  |  C:  te koud en te vormelijk en hij                   |
  |                                                       |
  +-------------------------------------------------------+





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "De Dominee en zijn Gemeente" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home