Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Papieren Kinderen
Author: Maurik, Justus van, 1846-1904
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Papieren Kinderen" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



   +-------------------deze regel heeft nummer 1------------------+
   |                                                              |
   |                  OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER:                |
   |                                                              |
   | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele,   |
   | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te    |
   | moderniseren.                                                |
   |                                                              |
   | De voetnoten zijn verplaatst naar het eind van de            |
   | bijbehorende alinea. Bladzijde-nummering is verwijderd.      |
   | Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn           |
   | stilzwijgend hersteld.                                       |
   |                                                              |
   | De in het origineel als uitgespatieerde weergegeven tekst is |
   | in dit e-boek weergegeven als _uitgespatieerd_.              |
   |                                                              |
   | Overduidelijke inconsistenties, druk- en spelfouten in het   |
   | origineel zijn bijna allemaal gecorrigeerd. Uitzondering     |
   | zijn de verschillen in spelling bij samentrekkingen.         |
   |                                                              |
   | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de         |
   | aangebrachte correcties met bijbehorend regelnummer.         |
   |                                                              |
   +--------------------------------------------------------------+



                           PAPIEREN KINDEREN



                           PAPIEREN KINDEREN

                          NOVELLEN EN SCHETSEN

                                  DOOR

                         JUSTUS VAN MAURIK Jr.

                               AMSTERDAM

                            Tj. VAN HOLKEMA

                                  1888



_EEN BENEFIET_.



EEN BENEFIET.


I.

Daar stond hij dan nu voor de deur, gereed om te schellen.

Met een zucht, die als een zenuwachtige huivering over zijn lippen
gleed, zei hij in zichzelf: „Hier moet ’t zijn,” en keek oplettend
naar de zwarte letters op ’t porseleinen naambordje aan den deurpost.

„W. F. Hostein” ’t stond er duidelijk, hij was dus terecht. Zijn hand
beefde een weinig, toen hij den blank geschuurden koperen schelknop
aanvatte, en als geschrikt van den helderen metaalklank trok hij snel
de hand terug en zocht haastig in den achterzak van zijn jas naar de
garen handschoenen, die hij onder weg had gekocht; hij begon ze aan te
trekken. Ze gingen moeilijk over zijn klamme vingers.

Vragend zag het kleine dienstmeisje, dat de deur opende, hem aan.

„M’neer thuis?”

„Wie bedoelt u? Menheer,—of meneer Hostein, die hier binnenshuis
woont?”

„Meneer Hostein!”

„Jawel, die is thuis, maar.....”

„Niet te spreken misschien?”

„Meneer is aan ’t studeeren voor van avond en....”

„O zoo! Vraag hem dan even: wanneer of ’t schikt dat ik weerom kom.”
Een ietwat smoezelig naamkaartje, dat haar werd toegereikt, deed het
meisje zeggen: „Wacht u dan maar effentjes.”

Terwijl zij de gang doorging, las ze halfluid: „Adriaan Walten,
tooneelspeler a/d. K. S.” en onwillekeurig keek zij even om naar den
ouden man, die met zijn hoed in de hand op de vloermat stond. In een
oogwenk zag zij, hoe afgedragen en oud zijn jasje, hoe grauw zijn
linnengoed was en hoe zonderling zijn grijze pantalon hem op de hielen
hing.

Vóórdat zij nog de trap op kon gaan, riep van boven uit ’t portaal een
welluidende mannenstem: „Is de kapper daar, Antje? Laat hem dan maar
boven komen.”

„Neen, meneer; ’t is een...” ’t Woord „heer” wilde niet vlot over
Antjes lippen. Vlug wipte zij de trappen op en fluisterde zacht: „’t
Is zoo’n raar persoon, weet u, zoo’n...” Zij reikte ’t kaartje over.

Beneden in de gang trok Adriaan Walten met zenuwachtige rukjes den
linkerhandschoen verder aan en wischte zich met de beverige
rechterhand een paar droppels van ’t hooge voorhoofd, terwijl hij in
de spiegelruit van de tochtdeur, die op ’t haakje was vastgezet,
trachtte te ontdekken of zijn das en boord goed zaten.

„Kom boven, meneer Walten!” klonk van het portaal af de mannenstem; ’t
meisje verscheen opnieuw voor den wachtenden oude en zei, lichtlijk
hijgend door ’t haastige trap op- en af snellen: „Gaat u maar naar
m’neers kamer, de trap op linksom; de deur zal u wel zien.”

       *       *       *       *       *

In den deurpost, half beschenen door de zon, die, tusschen de
gedeeltelijk dichtgeslagen overgordijnen door, een baan helder licht
in de kamer werpt, staat een nog jeugdig man, met een joviaal rond,
gladgeschoren gezicht; op ’t kort gesneden haar draagt hij een roode
Fez; een kleurige kamerjapon omgeeft zijn slanke figuur en een witte
pantalon met geborduurde pantoffels voltooien zijn ochtendkleeding.
Den bezoeker afwachtend, roept hij hem vroolijk toe: „Pas op ’t
drempeltje, ouwe heer: ’t is een beetje duister op ’t portaal.”

De „ouwe heer” nadert met zijn hoed in de hand. Nogmaals klinkt hem
een: „voorzichtig!” tegen en dan hoort hij uit een blauwige wolk van
sigarettenrook de woorden: „Leef je nog, papa Walten?—Kom binnen.”

Langzaam komt Walten het vertrek binnen; hij ziet even rond, met een
bijna schuwen blik, vóórdat hij antwoordt.

’t Is alsof die stemmig behangen kamer, met de fraai gesneden
eikenhouten meubels hem ontstemt, alsof dat sierlijke, gemakkelijk
ingericht vertrek hem onaangenaam aandoet, want om zijn mond speelt
eensklaps een pijnlijk droevige trek en zijn wenkbrauwen fronsen zich
merkbaar terwijl hij enkele seconden de oogleden sluit.

„’t Is hier mooi, fijn!” zegt hij zacht, zóó zacht dat de andere ’t
niet verstaat en vriendelijk vraagt:

„Zei je wat, Walten?”

„U woont hier chic, comfortabel, meneer Hostein. Ik hoop niet, dat ik
u erg kom hinderen, maar....”

„Volstrekt niet, papa Walten; voor u heb ik altijd wel een oogenblikje
over.”

„Dat dacht ik wel, meneer Hostein.”

„Hé?”

„Ik zal u ook niet lang ophouden, meneer Hostein.”

„Maar Walten, ben je nou heelemaal.....? Zeg je: „Meneer”—en dàt tegen
mij, je ouwen leerling Willem?”

„Ja, maar meneer Hostein...”

„Ben je gek, ouwe heer; wat beteekent dat? Weet je niet meer hoe ik
heet?”

Een glans van vreugde glijdt bij ’t hooren van dien hartelijken toon
als een zonneschijntje over ’t gelaat van den ouden Walten, en als
toegevend aan een plotselinge opwelling van vertrouwelijkheid steekt
hij beide handen uit naar den vóór hem staanden jongen man, terwijl
een: „Willem, beste jongen!” zijn mond ontsnapt.

„Zoo! dàt mag ik hooren!” Hartelijk drukt Hostein Waltens magere
handen, terwijl hij vraagt: „Waarmee kan ik je dienen, papa?”

Eenige seconden lang ziet Walten den jongen man diep treurig aan met
doffe, moedelooze oogen en dan barst hij plotseling los met:

„Ik ben zoo ongelukkig, Willem!”

Hostein werpt vluchtig een blik op ’t oude beduimelde kaartje, dat hij
in de hand houdt, leest de woorden: „Tooneelspeler a/d K. S.” en
terwijl hij denkt: „Aan den Koninklijken Schouwburg,—dat’s heel lang
geleden, arme vent!” zegt hij met een kleine trilling in zijn stem:
„Is ’t waarachtig?”

„Ja, ik weet nu geen raad meer.”

„Arme ouwe kerel!”

„’t Is hard, hé! dat ik zóó voor jou moet komen staan! Maar....”

„Kom! kom! je zult wel te helpen zijn.—Is ’t alleen dàt?” Hostein
maakt de beweging van geld tellen.

„Niet alleen; maar—toch....”

„Zit je weer in den brand?”

„Neen, lach niet, Hostein; ik ben niet alleen met geld geholpen.—Ik
wou, hum!—’t is zoo ellendig om.... Ik wil niet leenen, begrijp je?
Waarachtig niet, want ik kan ’t nooit teruggeven en....”

„Dat is ook niet noodig.”

„Neen! Willem, dàt wil ik niet. Maar ik—hum! ik wou nog één ding
probeeren en daartoe....”

„Waarom ben je niet eerder gekomen? Je wist toch wel, dat ik en andere
collega’s je met alle liefde wat assisteeren willen en....”

„Ja! ja! dat weet ik wel,” knikt Walten; „maar ik begeer niets te
hebben; ik....”

„Je hart zit nog altijd te hoog, ouwe heer!”

„Te hoog? Och God! neen, die tijd is er geweest, en je ziet immers
wel, dat ik nu dan toch....”

„Ja! ik voel er alles voor; ik ken je immers niet van gisteren.—Ga nu
eerst eens bedaard zitten, dáár in dien fauteuil.—Wil je rooken?—Hier
staan sigaren.—Niet?—’n Sigaret?—Ook niet?—’n Glas port dan?—Kom! dat
zou ik nemen, dat geeft ’n beetje toon in de maag.—Wil je niet?—Nu
wacht dan maar even; ik ken je ouwe gewoonten nog wel!”—Hostein
schelt, en als ’t meisje een oogenblik later is binnengetreden, zegt
hij: „Haal eens een kop bouillon, hiernaast in ’t café—en ’n paar
beschuitjes.”

„Wat heb je dat goed onthouden, Willem?” Een lachje begeleidt die
woorden.

„Niet waar? Ik heb je voorbeeld trouw gevolgd; ik drink iederen dag
bouillon. ’t Is bepaald een behoud voor de stem.”

„Zeker! dat heb ik je ook altijd gezegd en....” Plotseling houdt
Walten op: hij heeft toevallig een blik geslagen in de groote Psyché,
die tegenover hem staat. De zonnestralen vallen, tusschen de gordijnen
door, warm en schitterend op den ouden man die, als hij zijn beeld zoo
fel verlicht in den spiegel weerkaatst ziet, met een zucht over de
bijna witte lokken, die spaarzaam zijn kruin bedekken, heenstrijkt en
droevig zegt: „’k Ben ijselijk oud geworden, hé? De laatste jaren
hebben me kapotgemaakt, en hum!—’k zie er zoo echt sjofel uit.—Neen!
zeg maar niet, dat ik ’t me verbeeld; ’t is de waarheid,—ik word
langzaam aan oud; dat voel ik wel.”

„Kom! kom! Walten, je bent melancholiek, maar....”

„Ik weet heel goed, dat ik er ellendig uitzie; maar ik heb ’t ook zoo
hard gehad in den laatsten tijd.”

„Och! heb je gesukkeld, ben je ziek geweest?”

„Ook al, Willem; maar dat was ’t ergste niet: ’k heb eeuwig en altijd
„Pech” gehad in de laatste jaren.”

„Ja! voor den wind is ’t je niet gegaan, dat weet ik. Maar waarom
sprak je niet?”

„Je weet wel, klagen is nooit mijn zwak geweest; ik wou niemand lastig
vallen en scharrelde er altijd nog zoo wat door. Maar nu....” Walten
zucht een paar malen en trommelt met zijn vingers op de leuning van
den stoel, terwijl hij strak voor zich uit staart.

„Heb je niets om handen op ’t oogenblik?”

„Niets, Willem. Je weet immers ’t ongeluk, dat mij trof met mijn
schouwburgtent?”

„’k Heb er destijds van gehoord.”

„Zoolang ik de kermissen kon afreizen, had ik ten minste een stuk
brood, soms redelijk goed zelfs; maar toen mijn heele rommel afbrandde
en.....”

„Je was toch geassureerd?”

„Ja natuurlijk! maar....” Eensklaps worden Waltens oogen rood en
vochtig, en terwijl langzaam en stil een heldere droppel over zijn
wangen rolt, glinsterend in ’t zonnestraaltje, dat zijn gelaat helder
verlicht, vraagt hij zachtkens: „Je weet immers, hoe ik toen bestolen
ben?”

„Hum ja! ik herinner me wel zoo iets.”

„Ik heb geen cent van ’t geld gezien.”

„Dat ’s een ijselijkheid. En kon je niet nagaan, wie je....?”

„Zeker wel! Ik wist heel goed wie; maar....”

„O! nu herinner ik ’t me weer, ’t is waar ook; dat ’s een ellendige
historie geweest. Je kondt om je dochter geen gevolg aan die zaak
geven; die gemeene schoelje had haar ’t leven toch al zuur genoeg
gemaakt.—Zij is onlangs gestorven, hé?”

„Ruim een jaar geleden. Tot zóólang heb ik haar en haar kinderen ook
nog moeten onderhouden; die stumperds zijn nu in ’t weeshuis.”

„En hij?”

„Zit ergens in Australië, geloof ik.”

„Zoo’n schoelje!—En—Annette, je tweede meisje?”

„Die is nog altijd ’tzelfde.”

„Dus totaal....?” Hostein wijst met den voorvinger op zijn voorhoofd.

„Neen! alleen maar van tijd tot tijd; maar ’t wordt gaandeweg erger,
de buien komen nu zoo gauw achter elkaar, dat ik....”

„Jammer, doodjammer van ’t arme schepsel. Ze had wel wat talent, hé?”

„Of ze talent had? Kerel, Willem!”—Waltens oogen worden minder
dof—„ik heb nooit zoo’n talent gezien als van dàt kind, ’n geboren
tragédienne! En dat zou ze geworden zijn, dat verzeker ik je, wanneer
die geschiedenis maar niet gebeurd was met dien.... Enfin! je weet er
alles van. Wat ’n debuut maakte zij! Heb jij ooit zoo de Ines de
Castro zien spelen? Je was er immers bij, toen ze voor ’t eerst
optrad? Wat ’n stem, hé? Sonoor, mooi en fluweelig.—O! dat geluid
heeft ze nog, maar—’t loopt alles bij haar door mekaar en als ze kalm
is,—zie je, ik bedoel, als ze zoogenaamd normaal is,—zit ze met de
handen over mekaâr en zegt niets.” Walten wacht even, en als spreekt
hij tot zichzelf, herhaalt hij: „Niets, bijna geen stom woord. Die
vervloekte kale mof met z’n gladde tong had m’n arme Netje totaal
ingepakt en....”

„En ’t kind, is dat blijven leven?”

„’t Is drie jaren geworden; toen is ’t goddank gestorven. Wonderlijk,
hé! zij taalde er nooit naar; tusschenbeide was ’t bepaald alsof ze ’t
niet kende. Ja! dàt was al een raar verschijnsel.”

„’t Is treurig.—O! ben je daar met de bouillon, Antje? Zet den kop
maar neer, voor meneer.—Kom, papa Walten, proef nu eens of ze goed
is.—Ja ’t is een droevig geval met je dochter.”

„Ja waarachtig, wel is ’t dat! Dadelijk na haar bevalling is ’t al
eens mis geweest, maar ’t liep er toen niet zoo erg door; ze beterde
en daarom kon ik haar weer laten spelen, begrijp je? Daarna is ze een
paar jaren vrij goed gebleven. Ze was toen nog een heele steun voor
mijn zaak. Later had ik niets meer aan haar: ze kon zelfs ’t kleinste
werk niet meer doen, geen geheugen, sufferig—en dan toch weer
oogenblikken, soms een maand lang, dat je zeggen zoudt: ze is goed in
orde. Ja, ’t is ’n ellende! Die muzikant met z’n sentimenteele oogen
heb ik nooit vertrouwd. Netje is wel honderdmaal voor hem
gewaarschuwd, maar ze was als met blindheid geslagen. Enfin! dat hij
haar heeft laten zitten was nog ’t ergste niet, dat gebeurt meer; maar
dat zij door die hum!—die geschiedenis aan ’t malen is geraakt, dat ’s
fataal.” Walten drinkt langzaam een paar teugen en vervolgt dan: „’t
Is zuiver physiek, zie je, want ik geloof, dat ze niet eens zoo
allemachtig dol op dien vent was, ten minste later niet; en daarom heb
ik altijd nog hoop, dat ze niet ongeneeslijk is. Ik geloof bepaald,
dat ze geholpen kan worden, maar—ze moet goede verpleging en rust
kunnen hebben. Vat je, onder dokters handen, in ’n gesticht en....”

„Zou je dat waarlijk denken, Walten?”

„Waarachtig! Maar gauw zal ’t niet gaan. Jongens, Willem, als ze van
die talentbuien heeft—zoo noem ik ze, weet je?—dan moest je eens
hooren, hoe ze heele brokken uit haar vroegere rollen zegt en goed
zegt, verduiveld goed zelfs! En dan dat heerlijke geluid! God! God!
wat ’n jammer, dat ze zoo....”

„’t Is zonderling!”

„Ja, wel is ’t dàt, en juist daarom wou ik probeeren om haar onder
behandeling te krijgen; lukt me dàt, dan kan ik voor mij altijd nog
wel hier of daar „emplooi” vinden.” Een min of meer ijdel lachje
glijdt vluchtig over Waltens gelaat, terwijl hij vervolgt: „Als ik
wil, kan ik ’t nog wel. Natuurlijk geen eerste komiek meer, dat
begrijp je; maar „père noble”, dat zou best gaan; ik zou nog menig
„jonkie” een lesje kunnen geven.”

Hostein ziet zijn voormaligen leermeester, zonder dat deze ’t merkt,
met medelijden aan en antwoordt; „Ja, je hebt van de piek op gediend,
je hebt alles meegemaakt en ik was nooit geworden wat ik ben, als
ik....”

„Als je niet zoo’n gelukkigen aanleg had gehad. Och! beste jongen,
artisten worden niet gemaakt, wel geboren; ik heb ’t je dikwijls
gezegd: je zult carrière maken, want jij voelt goed, jij pakt wat je
pakken moet.” En Walten ziet met eenigen trots naar Hostein als hij
vervolgt: „’k Heb eer met jou ingelegd—en ik heb je altijd graag mogen
lijden omdat je dezelfde gebleven bent voor je ouwe vrinden—daarom kom
ik nu ook bij jou om hulp.”

„Zoo! En wat kan ik dan eigenlijk voor je doen?”

„Ik wou probeeren om ’n benefiet te geven!”

„Ei! Ei!”

„Ik weet wel, Willem, dat ’t moeilijk zal gaan bij deze directie, want
die kent mij niet. Bij de vorige heb ik eens een benefiet gehad,
maar—dat ’s al lang geleden. Nu dacht ik, dat ’t misschien gaan zou,
als jij mijn voorspraak woudt zijn.”

„Met pleizier! Ik maak me sterk, dat ik ’t wel voor je in orde speel.”

„Zou je denken?—Maar, Willem, ’t moet ’n benefiet zijn, waar ik goed
wat van overhoud; ik heb bij ’t vorige, een jaar of vier geleden, maar
’n kleine tweehonderd gulden gemaakt.”

„Dat’s weinig!”

„Och! je begrijpt, ’t ging voor ’t derde, na aftrek van de
avondkosten; ik was toen al blij, dat ’k ’t kreeg, al had de Directie
er per saldo ook ’n „goeien” avond aan, want ’t was in den slappen
tijd, en daarom deden ze ’t. De zaal was goed bezet, we hadden ook
hard gewerkt met lijsten. We maakten een recette van zoo wat
negenhonderd gulden; daar ging ’n groote driehonderd gulden af voor
armengeld en avondkosten. Ik kreeg één derde: reken dus maar zelf na.”

„Ja, dat’s akkoord!”

„En toen ik ’t geld in handen had, was ’t dadelijk geblazen, want
iedereen, die wat hebben moest, kwam om zijn dubbeltjes; er waren
zelfs lui, die geld van me moesten hebben, ’s avonds aan den
schouwburg. Wat ik overhad, was een mondje vol, meer niet.”

„Weet je wat, papa Walten: laat mij dat zaakje maar eens voor je
opknappen; ik heb nogal een wit voetje bij de Directie. Ik zal ’t wel
zóó voor je rooien, dat je niets anders hoeft af te geven dan de
avondkosten; dan hou je allicht een goeie vijf, zeshonderd pop over.”

„Zou ’t lukken, Willem? Zie je, ’t is wel hard om zoo’n
armoe-benefiet[1] te geven, en ik schaam me eigenlijk wel, maar—och!
’t is voor Netje, en daarom....” De oude man zucht diep bij die
woorden.

[1] Benefiet, geheel ten voordeele van den beneficiant.

„’t Zal wel gaan. Maar .... wil je soms „en attendant” ’n pop of tien
hebben?”

„Graag! Van jou neem ik dat aan; ’k zal ’t dadelijk weerom geven na
mijn benefiet.”

„Ja! dat komt wel terecht; en als ik soms verder iets voor je doen
kan.... Hier heb je een muntje.”

„Dank je, Willem!—Wanneer zou je denken, dat ’k hooren kan of ’t
lukt?”

„’k Zal er morgen dadelijk over spreken.”

„Wil ’k dan overmorgen komen hooren?”

„’k Zal je wel een boodschap sturen. Waar is je adres?”

„Hum! och! ik loop toch, ik kom overmorgenmiddag wel even aan.” En na
een groet en een handdruk verlaat Walten de kamer, begeleid door
Hostein, die hem aan de trap nog naroept: „’k Zal ’t wel voor je
klaren.”

       *       *       *       *       *

Niemand zou, wanneer hij den vervallen ouden man had zien heengaan,
hebben vermoed, dat hij Adriaan Walten den eens zoo gevierden eersten
komiek van den Koninklijken Schouwburg zag, en toch was dat zoo.

Uit fatsoenlijke burgerouders gesproten, had Walten een vrij
zorgvuldige opvoeding genoten en was door zijn vader op een
notaris-kantoor geplaatst, waar ’t droge, iederen dag regelmatig
terugkeerende, werk volstrekt niet met zijn aard en geest strookte. De
kantoorvloer brandde den vroolijken jonkman onder de voeten en over de
brug der Rederijkerij naderde hij, tot ergernis van zijn familie, het
tooneel, waar hij zijn loopbaan met een zeer kleine rol en een nog
kleiner salaris begon.

Allengs „kwam hij op”, zooals men dat in de tooneelwereld noemt en
binnen eenige jaren was hij de lieveling van het publiek. Als Walten
speelde was de schouwburg eivol; zijn naam op ’t affiche bleek
voldoende om een stuk te doen „trekken.”

Beminnelijk en vriendelijk van aard, was en bleef hij bij de collega’s
in aanzien. Ze mochten hem lijden, en de vrouwelijke collega’s, en
niet het minst de priesteressen van Terpsichore, zagen hem maar al te
gaarne: zijn „geluk” bij haar evenaarde zijn succes op de planken; en
zeker zou hij evenals Don Juan zijn veroveringen niet hebben kunnen
tellen, wanneer hij niet na een vlinderachtige jeugd op rijperen
leeftijd nòg fladderend, in ’t net van een Fransche danseuse was
gevlogen, die „le beau Valten” zoodanig de baas werd, dat hij zijn
rug—misschien met een zucht—eindelijk onder Hymens juk kromde. Of hij
’t geduldig droeg, blijft de vraag.

Haar eerzucht, haar drijven en doorzetten waren de oorzaken, die hem
de eerste schreden deden zetten op ’t hellende vlak, waarop hij
langzaam, maar zeker, omlaaggleed.

Zij wilde hem doen stijgen, zij wilde „Madame la Directrice” heeten—en
ze deed hem vallen.

„Een eigen troep” was zijn droom geworden. Ongelukkig genoeg duurde
die droom niet lang; ’t ontwaken er uit was ontnuchterend en akelig.

„De troep” bestond eenigen tijd, werd toen een „troepje” en na veel
tobben, teleurstellingen en wederwaardigheden opnieuw „een troep”,
maar in de andere beteekenis van ’t woord.

Van stad tot stad trekkend, beproefde hij nu hier dan daar zich te
vestigen en aan die stad een eigen schouwburg, een tooneelgezelschap
te schenken. Telkens werden zijn verwachtingen bedrogen en altijd
verder gleed hij voort op de schuine helling, die hem ten slotte in de
kermistent voerde.

Had hij toenmaals nog de kracht bezeten om zich los te maken van die
vrouw, die hem, als ’t ware met magnetische kracht vasthield en
beheerschte, zijn gezond verstand benevelend en op allerlei wijze zijn
ijdelheid prikkelend, hem steeds tot de grootste dwaasheden verleidde,
misschien ware het hem dan gelukt weer op de hoogte te komen. Hij deed
het niet; Walten was, zooals men ’t heet, een goeie vent, een
artistieke natuur, prikkelbaar en opvliegend, maar zwak van karakter,
toegevend soms meer dan noodig was en zonder doorzettingsvermogen
dáár, waar ’t hem inspanning kostte zijn wil door te drijven.

’t Ongeluk bleef hem trouw ter zijde, hij werd arm aan geld en moed,
en toen eindelijk na jaren vol doorworstelde moeilijkheden een
tijdstip kwam, waarop eenige vrienden—gedachtig aan ’t geen hij
vroeger was en rekening houdend met ’t geen hij nog kón zijn—hem een
fatsoenlijk engagement aanboden bij een schouwburg van den 2en rang,
was ’t alweer die vrouw, die hem er toe dreef zijn eischen zóó hoog te
stellen, dat men die niet kon toestaan.

Hij bleef dus wat hij geworden was, een kermis-artisten-directeur,
zich lavend en bedwelmend door de bravo’s en toejuichingen van een
publiek, dat àl te spoedig tevreden is. Allengs begon hij zijn
oorspronkelijkheid te verliezen, hij deed zijn talent geweld aan,
speelde alles, wanneer ’t slechts „DE ROL” was van ’t stuk; ’t
handgeklap van jan en alleman was hem onontbeerlijk geworden, evenals
de flesch aan den dronkaard.

Huiselijke onvrede, verdriet dat hij door zijn kinderen ondervond,
zorg en kommer knakten in hem den „artist” voordat de „mensch” Walten
oud was; en toen hij inderdaad op leeftijd kwam, waren zijn oogen dof
geworden, zij zagen slechts schemerend ’t licht der kunst en straalden
’t niet meer uit. ’t Eenige wat hem voor geheelen ondergang behoedde,
was de omstandigheid dat hij niet dronk; hij had een aangeboren afkeer
van „den drank”, en zeker zou hij zonder dien gelukkigen afschuw nog
veel sneller de maatschappelijke ladder zijn afgedaald.

Arm was hij geworden, zeer arm zelfs, maar een stijfhoofdige trots was
hem bijgebleven. Hij was in zijn eigen oogen—misschien ook in die van
anderen—een „gentleman” gebleven; hij „voelde” zich, niettegenstaande
hij niets meer was.

Dat zijn talent in die worsteling met het leven gebroken was, begreep
hij niet; zijn stem was rauw en heesch geworden, want hij had in
allerlei rollen zijn geluid verschreeuwd voor een publiek, dat brult
en juicht, als ’t degens en dolken ziet, en dat samenvalt van ’t
lachen, als ’t hansworsterij aanschouwt. Walten was de ruïne van een
kunstenaar,—een bouwval echter, waarvan de overblijfselen aantoonden
hoe schoon het geheel eenmaal was.

Eindelijk was de vrouw, die hem niet tot zegen was geweest, gestorven;
zijn ondernemingen volgden haar de een na de andere, en eindelijk was
’t gedaan: er bleef hem niets over dan de herinnering aan zijn
zwerven, de afgodische liefde voor zijn arme krankzinnige dochter,
zijn jongste kind, een nakomertje, dat jaren na het andere was
geboren, en het denkbeeld dat hij weer een emplooi moest zoeken.

Dat „zoeken” vond echter een groot beletsel in de omstandigheid,
dat Walten zijn kind niet kon verlaten, omdat hij de eenige was,
die wist hoe zij behandeld moest worden, als die vlagen van
verstandsverbijstering over haar kwamen. Hij zocht dus en wachtte,
verteerde wat hem nog was overgebleven, en ten slotte vervolgd door
schuldeischers, door den nood geperst, zocht hij hulp en troost bij
zijn vroegeren leerling Hostein, die op dat oogenblik de eerste
acteur, de gevierde artist was bij de Directie en bij ’t publiek.

       *       *       *       *       *

Terwijl de oude man de straat opging, zag Hostein van uit ’t venster
hem na en zei in zichzelf: „Arme kerel! ik zal voor je doen, wat ik
kan”.

Den volgenden dag wendde hij al zijn invloed aan bij de Directie van
den Koninklijken Schouwburg, en toen Walten een dag later hem weer
bezocht kon hij hem met het blijde bericht verheugen, dat binnenkort
een voorstelling zou worden gegeven, waarvan de geheele opbrengst, na
aftrek van de alleronvermijdelijkste kosten, ten voordeele zou zijn
van den ouden komiek en karakterspeler Adriaan Walten.


II.

’t Is even na den middag. ’t Is koud en guur winterweer, zonder
sneeuw, maar met regen aan de lucht en daardoor nattig, doordringend
kil in de atmosfeer. Nu en dan schijnt een schraal, waterig zonnetje
een oogenblik tegen de gevels der oude burgermanshuizen van de straat
der achterbuurt, waar Walten woont, maar ’t is geen zonneschijn die,
weldadig verwarmend, doordringt in de vertrekken, ’t is alleen een
teringachtig schijntje, een flauwe glans, die even spoedig verdwijnt
als komt.

Op ’t open erf, achter het huis van den hokkebaas[1], waarvan Walten
de beneden-achterkamer en een heel klein keukentje in huur heeft,
staat een vrouw van middelbare leeftijd met opgestroopte mouwen aan
de waschtobbe! ’t Is een groote, stoere vrouw met een grof, maar
goedhartig gelaat, waarop de kinderpokken hier en daar eenige
herinneringen hebben achtergelaten. Haar lichtblauwe oogen staan
helder in haar hoofd en vestigen zich nu en dan met welgevallen op een
klein, dik ventje van een jaar of acht, dat met inspanning van al zijn
kracht bezig is om tusschen de voegen der klinkertjes, waarmee ’t
plaatsje bestraat is, een gebroken houten lepel te drijven, door er
uit alle macht met een stuk plank op te slaan, en als wilde hij
bewijzen, dat gewillige last licht is, zingt hij het hoogste lied er
bij uit. Zijn schelle kinderstem snijdt door de lucht, en glimlachend
luistert de moeder naar hem, totdat het kloppen den zang overstemt en
„’t lawaai” haar te erg wordt. „Stil, Keesie!” zegt ze, hem even met
den van zeepsop druipenden vinger dreigend; en als van uit de
achterkamer, voor welks ramen haar waschtobbe geplaatst is, een paar
galmende tonen haar oor bereiken, herhaalt zij een weinig luider en
bevelender: „Stil dan toch, joggie!”

[1] Turf- en houtverkooper.

Die achterkamer is boven het halfgezonken onderstuk, waarin de turf,
het hout en de cokes van den hokkebaas bewaard worden, en daardoor
zijn de twee, vrij groote ramen op iets meer dan manslengte van den
grond. Een paar wit en blauw gestreepte rolgordijnen zijn tot op
eenige centimeters van de vensterbank neergelaten en beletten zooveel
mogelijk het inkijken in Waltens kamer, die tamelijk duister zou zijn,
wanneer niet, door de openstaande deur van ’t kleine keukentje het
volle daglicht binnenviel.

Opnieuw bereiken eenige op luiden, bijna galmend zingenden toon geuite
woorden haar oor, en voorzichtig zet de vrouw de zware tobbe van het
bankje, dat als onderstel dienst doet, herhaalt nog eenmaal haar:
„Stil dan toch, Keesie” en klimt behoedzaam op ’t bankje. Nu reikt ze
met haar hoofd juist tot even boven de vensterbank, zoodat zij naar
binnen in de kamer kan zien.

„Hum!” mompelt zij, „de gordijne benne weer dicht, maar ik ken ze toch
net effetjes zien.” Zij stapt van ’t bankje af en luistert opnieuw,
want binnen klinkt de stem al luider en luider.

„Kind! hou nou toch ereissies eve je snater; ’n mensch kan niks niet
hoore, als jij aldoor zingt; ’t wordt nou net persies mooi.” Zij doet
een paar passen naar rechts op de plaats en roept halfluid: „Juffrouw
Jaling! Juffro-ou-w!—toe Keesie, hou je mond nou—juffrouw, kom nou
gauw! Nou beginne ze weer. Allo! Keesie, jij zoolang naar achtere,
vort! Roep jij de juffrouw ereis gauw, als een knappe jonge!”

Uit de openstaande achterdeur van ’t naburig huis, dat eveneens op ’t
erf uitkomt, klinkt een heesch: „Ik kom al!” en dadelijk daarop
waggelt een buitengewoon zwaarlijvige vrouw, als een vette gans, naar
buiten.

Een katoenen japon hangt haar, als een hier en daar opgeblazen zak, om
’t lijf en haar dikke voeten steken in een paar zwartleeren
pantoffels, die op de straatsteentjes een sloffend gedruisch maken,
als zij nadert.

„Benne ze weer bezig?” vraagt hijgend de dikke juffrouw, terwijl ze
een paar droppels van haar slapen veegt, want niettegenstaande ’t
koude gure weer heeft zij het erg warm, terwijl ze voortschommelt.

„Nou! uwé komt nog bijtijds, juffrouw Jaling; ’t is posetief ’n
extratje vandaag. Uwé kan nou nog net profeteere van de kemedie. Gaat
u maar op ’t bankie staan, dan kan je onder de gordijnfranje door in
de kamer zien; ’t eene raam staat een êndje ope, dat tref je. Je mot
nou meteens je oore maar ereissies de kost geve. Wacht ’k zal je
helpe.—Komaan dan!—Ho!—Huup! Eén ootje, twee ootje, mensch! mensch
wat ben je toch dikkig: als m’n bankie ’t maar uithoudt—drie ootje!
oepla!—Zoo! Hou je nou stiekum! Zachies prate.—Nou ben je d’r.—Zie je
wat?”

„Gut, lieve ziel, wacht effies!—’k Ben blij, dat ik staan, hoor! Voor
’n dikkig persoon is ’t een heele toer om op zoon bankie te komme; ik
ben weer zoo kort van aassem teugenwoordig, weet je? O! nou kan ik
zien.”

„Zie je wat?”

„Nou!”

„Wat dan?—Zeg ’t me maar zoetjes.”

„Kristemensch! wat is ’r ’n herrie in die kamer.”

„Nou hé!”

„Alles leit overhoop; zij zit op ’t bed. O! Gossie! wat ziet ze ’r
raar uit, en hij maakt grimassies voor d’r. Hij buigt. Hè! hè! hè!
hè!”

„Stil! lach niet zoo hard, anders hoort ie ’t!”

„Dat’s allemachtig kemiek: hij zoent ’r hand.—Zeg, ’k kan ommers niet
valle, juffrouw Daters?—Hij doet ’t bij wijs alsof ie ’n onderdaan is
of zoo ies, en.... Sjuut! zij zeit ’n soortement vers op.”

„Nou wat heb ik je gezeid? Allemenschelijk aardig, hé?”

„Stil dan, mensch, laat me nou hoore.”

„Vertel dan ereis, wat ie zeit?”

„Nou persies kan ’k ’t niet verstaan, maar.... Hè! hè! hè! hij gaat op
z’n eene knie legge en zij—o, groote Gerritje, dat’s grappig—zij
vliegt op en pakt die ouwe kerel om z’n hals. Sjuut! nou ken ’k ’r
verstaan. Jij ook?”

„Ja. Hou je nou koest en spreek toch niet zoo hard!”

Een diepe volle altstem zegt binnen in de kamer luid en duidelijk:

  „.... Hernani! ’k beef.... In ’s hemels naam,
  Spoed, spoed u voort van hier.... Kom! vluchten wij te zaâm.”

en Waltens stem, antwoordt:

  „Te zaâm?—Neen! neen!.... Hélaas! dat uur is heengevaren,
  Toen gij mij, Donna Sol! uw hart woudt openbaren;
  Toen gij zoo naamloos goed, tot hulp m’ uw liefde boodt,
  Mocht ik u bieden, wat mijne armoê overschoot.”

„Zeg,” fluistert juffrouw Jaling zich half omwendend, „hij heit ’t
over z’n armoê. Nou! dat ’s geen wonder: ’t is daar ’t noordermarkie
wel.”

„Nou hé?—Pas op dat je niet om valt; ’t bankie is zwak; je mot
stilstaan, hoor!—Wat ’n malle mensche om zoo met mekaar in d’r eentje
komedie te doen.”

„Nou!”

Een poosje luisteren de vrouwen zwijgend en aandachtig toe en, als
eindelijk de vrouwenstem vol innigheid zegt:

  „Neen, ’k volg u, waar gij gaat; ik wil u lijkwa deelen;
  ’k Hecht me aan uw schreden .... ik hoor naar smeeken noch bevelen.”

zegt juffrouw Jaling zachtkens: „Wat ’n mooie stem heit ze’.”

„Jawel, maar luister nou liever, m’n goeie mensch.”

Walten antwoordt:

  ....... Laat mij alleen ontvluchten!

„Gaat ie ’r van door?” vraagt vrouw Daters fluisterend aan de andere,
die voortdurend door de ruiten naar binnen ziet.

„Wel, mensch, ’t is ommers allemaal spul!—Nou begint zij weer, hoor je
wel?”

          ..... „Ge ontvliedt mij!... Hoe ontzind
  Zijn leven te offeren aan den een’gen, dien men mint,
  En, weggestooten, nog ’t geluk te moeten derven
  Na zooveel liefde en smart met hem te mogen sterven.”

Deze laatste strofe is zoo melodieus, zoo goed en met gevoel gezegd
geworden, dat de dikke juffrouw, die, zooals meer corpulente menschen,
gevoelig van natuur is, merkt dat haar oogen vochtig worden en tot de
andere zegt: „’k Heb met ’r te doen, juffrouw; ik word er vol van; je
gaat er niet voor naar de komedie, hoor; ’t is waar wat je zei—hè!
dat’s jammer, hij doet de keukedeur dicht, nou wordt ’t zoo donker dat
’k bekans niets zie—maar hoore kan ’k wel.”

„Haar ken je goed verstaan; ze spreekt zoo duidelijk, is ’t niet?”

„Nou! Maar hij is van de tand—dat hoor je wat goed.”

„’t Is net of ie een aardappel in zijn mond heen en weer draait, als
ie praat. Je ken ’m haast niet verstaan tusschenbeie.—O! daar beginne
ze weer; maar....”

Krak! krak! doet ’t bankje en meteen: „Groote Gerritje, daar heb je ’t
nou,” vangt juffrouw Daters nog bijtijds haar buurvrouw op, houdt haar
tegen en helpt haar veilig op den grond. ’t Bankje is door „de
dikkigheid” van juffrouw Jaling en de bewegingen die zij maakte tot
het uiterste gebracht en bezweken.

Met een: „Da’s nog net bijtijds” blijft de zwaarlijvige juffrouw een
oogenblik staan, hijgend en blazend; en terwijl ze haar opgeschorte
japon en zwarten rok over de ontzagwekkend dikke beenen neerslaat,
vraagt ze:

„En is daar nou alle dage weêr-an zoo’n spektakel?”

„Alle dage, ten minste in den laatsten tijd.”

„Heere, Heere!—’k Wou dat ’k hier eerder was komme wone; ’t
verdiverteert me wel.”

„M’n man is ereis op z’n kamer geweest.”

„Kom?”

„Waarentig!—’n Rommel, m’n goeie mensch, een rommel, van alles en nog
wat!”

„Wel, wel!”

„En speult ie nou nog op den Schouwburg?”

„Wel neenik, hij kan niet meer, dat hoor je wel.”

„Wat je zegt!”

„’t Mot vroeger anders ’n baas zijn geweest.”

„Zoo!”

„Jawel, ’n eerste kemiekeling!”

„Ja! je ken nog wel zien, dat ie kemiekig is, vooral als ie zoo buigt;
anders is z’n gezicht eigentlijk meer mankeliekig, als je ’m zoo
ziet.”

„Nou!”

„Zoo’n beetje verloopen ook, hé?”

„Nou! ’t is een echte ouwe narigheid op sloffen; maar tusschenbeien
zeit ie toch nog wel ereis ’n grappie.”

„Och kom!”

„Ja, als Pietersen komt.”

„Wie is Pietersen?”

„O! ken je dien nog niet?”

„Neen!”

„’t Is ook een eerste kemediant geweest; ze vertelle van hem, dat ie
vroeger bij ’n Fransche opera gezonge heit en gespeuld en later is ie
zooveel als sefleur geworde. O Gunst! juffrouw, dat’s zoo’n mirakel
van ’n vent. Hij heit nog één haar en één tand en de rest is beentjes
met ’n jas van „dankie meneer” er over. ’n Liefhebber van een slokkie,
erg! Maar vinnig, als ’t er op ankomt ook.”

„Zoo? Ja! die kemediante-lui benne door de bank nogal van: berg ’m
maar weg achter je stropdas.” Juffrouw Jaling maakt met twee vingers
van de rechterhand de beweging van iemand, die een glas uitdrinkt.

„Hij vooral! Weet je: als ie genoeg heit, lust ie niet meer, als ie
niks krijgt en... Kijk! als je van den duvel spreekt, dan staat ie om
’n hoekie; daar komt ie waarentig de gang in.—O Pietersen!—O!
Pie-ie-ietersen!”

„Mensch, wat begin je?”

„Nou! mot je ’m niet ereis zien? ’t Is wat ’n smakelijke poelepetaat;
misschien krijgt ie nog idee in je; zoo’n dikke weduwvrouw zonder
kindere zou ’m nog wel lijke.—Dag, Pietersen; hoe gaat ’t?”

De aangesprokene, inmiddels genaderd, is inderdaad een zonderling
type. Lang, mager, min of meer met een knik in de knieën loopend, ziet
hij er uit alsof hij op ’t punt is om door te breken.

Zijn gelaat is groezelig vaalbleek en om den ingevallen mond, zoowel
als op de wangen bewijzen talrijke grijze stoppels, dat de barbier
geen oortje aan hem verdient. Zijn oogen zijn dof, als uitgedoofd, en
’t is alsof hij de oogleden slechts met moeite openhoudt. Nu en dan
sluit hij het linkeroog geheel en ziet met het rechter, eenigszins
scheel en voortdurend knippend, langs den dikken rooden neus. Een
groote breedgerande hooge hoed dekt zijn kalen schedel, terwijl zijn
jas en pantalon er uitzien, alsof ze een aandenken zijn aan een of
anderen menschenvriend.

Door ’t bijna totaal gemis van tanden, klapt zijn tong nu en dan
dubbel tegen de holle wanden van zijn mond en geeft daardoor aan zijn
stem een klank, die aan ’t klokken van een flesch, die uitgeschonken
wordt, doet denken. Pietersen heeft in zijn leven veel meer dan noodig
was aan Bacchus geofferd en behoort nu tot dat soort van menschen, die
eenvoudig niet meer beschonken worden, omdat ze ’t voortdurend zijn.
Zelfs nu op dit oogenblik is hij niet geheel vrij van den invloed des
alcohols: dronken is hij niet, nuchter evenmin; hij is in een
zoogenaamde „pleizierige bui”, die zich bij hem aankondigt door een
kleine moeilijkheid bij ’t uitspreken van enkele woorden en letters.
Overigens is er aan hem niets bijzonders te bespeuren; zijn gelaat
heeft de gewone vervallen comische uitdrukking en met zijn rechteroog
knipt hij niet vaker dan anders.

De vrouwen uit de buurt kennen hem allen en mogen hem lijden, want
Pietersen heeft er slag van om door een of ander grappig woord of een
zoogenaamden „ui” op haar lachspieren te werken; hij is de schim van
een galant man en mengt veel Fransche woorden in zijn gesprek, een
eigenaardigheid die hem bij de vrouwtjes uit de buurt een soort van
overwicht bezorgt. „Hij is vroeger een heer geweest,” zeggen ze, en
hoewel ze hem zoodra ze kunnen in ’t ootje nemen, gaan ze nooit te
ver; „dat ken je niet met ’m risekeeren, want dan wordt ie zoo akelig
beleefd dat je dadelijk snapt dat ie je in de maling neemt,” beweert
vrouw Daters. Intusschen is Pietersen genaderd en vraagt met grappigen
ernst:

„Rr-oept u, schoone dame?”

„Ja, Pietersen!”

„Meneer Pietersen, als ik u verz—zoeken mag!”

Lachend stoot vrouw Daters juffrouw Jaling aan en zegt: „Nou, voor
mijn part mag je „meheer” wezen, maar ’n meheer met angst ben je toch,
ha! ha! ha!”

„Sans peur et sans reproche! Waarom met angst, schoone f-f-fee?”

„Och schei maar uit met je parlevinken; je bent toch ’n oud mirakel.”

„Wanneer u me roept om geridicu—cu—liseerd te worden, beminnelijke,
dan vertrek ik liever vóór ik arriveer, Donna mia.”

Half achter juffrouw Jalings breede schouders verborgen, giegelt vrouw
Daters: „Hij heit ’m te pakke van middag!” en luid zegt ze: „Ouwe
graantjespikker, ga maar naar Walten; die zit zeker al met smart op je
te wachte. Ha! ha! ’n mooi spannetje voor ’n bokkewage die twee.”

„Aangenaam kennis te hebben gemaakt. Que le bon Dieu vous protège!”
Pietersen keert zich om en roept plotseling op allesbehalve aangenamen
toon: „Verdikke! die wasch—tobbe ko—kon je wel ergens anders hebben
gezet, lieveling!”

Schaterend zien de vrouwen, hoe Pietersen, die over de tobbe is
gestruikeld, zijn hoed uit ’t zeepsop opvischt en, tegen den muur
leunend, zijn linker scheenbeen zachtkens wrijft.

„Kom hier, kraantjelek, dan zal ik je ophelpe,” lacht vrouw Daters, en
juffrouw Jaling, die bij de eerste kennismaking niet erg spraakzaam
was, voegt er bij: „Uwes pootjes benne nog al dun; ze benne immers
niet kapot? Ha! Ha! Ha! Mensch! ’t is de pijne waard om te zien.”

Tusschen de tanden iets brommend wat de anderen niet verstaan, gaat
Pietersen, eenigszins hinkend, terug de gang in en bereikt de deur,
die toegang geeft tot de trap, die naar Waltens woning leidt. Hij is
door dien onverwachten stoot tegen den scherpen kant der waschtobbe
uit zijn humeur geraakt en volkomen ontnuchterd.

„Canaille-pak,” zegt hij halfluid, en als hij de deur binnengaat,
keert hij zich nog even om naar de vrouwen, neemt met een spottende
buiging zijn kletsnatten hoed af en roept: „Au revoir, mes anges”.

Hij hoort nog hoe zijn kwelgeesten schateren, vloekt een paar malen
binnensmonds en gaat dan de trap op.

’t Zijn slechts acht of negen treden, die hij behoeft op te klimmen,
maar hij wacht toch even in ’t enge donkere portaal, vóórdat hij naar
boven gaat. Hij luistert, want een hem bekende stem klinkt boven uit
de kamer:

  „Ik volg u!”

„Dat’s Annette,” zegt hij in zich zelf. „Och Heere! zou ’t weer mis
wezen? Jawel zeker, want hij antwoordt haar.”

  „De hertog heeft het al, geluk en goud en eer,”

klinkt boven hem Waltens stem.

„Jongens! jongens! ’t is toch ’n ding voor Walten,” vervolgt hij
hoofdschuddend; en behoedzaam, zacht, zonder gedruisch te maken, klimt
hij de treden op.

Voordat hij aanklopt aan de deur, die in het schier geheel duistere
bovenportaal bijna onzichtbaar is en alleen door een flauwe
lichtstreep onder aan den drempel wordt aangeduid, trekt hij zijn jas
een weinig naar beneden, slaat zijn natten hoed een paar malen uit en
strijkt de enkele haren, die aan zijn slapen welken, glad.

„Binnen!” roept Walten op gesmoorden toon, zoodra Pietersen heeft
aangeklopt.

Nauwelijks heeft hij de deur geopend, of Walten wenkt hem toe, dat hij
zwijgen moet.

Zijn „me voilà monsieur le Directeur” besterft hem op de lippen, als
hij een blik in de kamer werpt. Haastig bijt de oude acteur hem toe:
„Geen grappen, hoor je! ’t Is heelemaal mis, o, zoo erg! ’k Heb ’n
nachtje gehad!—Ze is nu Donna Sol. Begrepen?”

Pietersen knikt, doet een paar passen voorwaarts in de kamer en slaat
dan langs zijn rooden neus een meêwarigen blik op de vrouw, die op ’t
bed achter in de kamer zit. Als zij Pietersen bemerkt, rijst ze
langzaam op, ziet hem met groote, glazige oogen aan, zonder hem te
herkennen en zegt:

  „Wij gaan op morgen saam—ik wil niets anders meer.
  Wil die stoutmoedigheid, hoe vreemd ook, mij vergeven.”

Ongeduldig wenkt zij met de kleine blanke hand, dat Pietersen naderen
moet; en daar deze aarzelt, fluistert Walten hem haastig toe: „Maar
ga dan toch naast haar zitten; je weet immers, hoe ze is. Gauw!”

Met een diepe, hoffelijke buiging treedt de oude souffleur tot voor ’t
bed, kust de hem toegestoken hand en zegt:

  „Ik nader, Donna Sol, ik plaats me aan uw voeten.”

Met de hand zachtkens over Pietersens kalen schedel strijkend,
vervolgt Waltens dochter:

  „O! mijn Hernani, kom! ik kan niet wederstreven.
  Zijt gij de engel of de daemon van mijn leven?
  Geliefde! ’k weet het niet, maar zeker is ’t, o ja!
  _Ik_, ik ben uw slavin. Ga wáár gij wilt, ik ga.
  Blijf of vertrek van hier, ik zal steeds de uwe wezen.
  Waarom?... ’t Is m’ onbewust... Met u noch angst noch vreezen,
  Ik moet u zien altijd! Wanneer gij mij verlaat,
  Is ’t of mijn hart niet meer in d’engen boezem slaat.
  Hernani! spreek dan toch.....”

Met de armen over de borst gekruist ziet Walten, met somberen blik
tegen de deur van ’t keukentje leunend, de zonderlinge groep dáár voor
hem aan, en als Pietersen blijft zwijgen, fluistert hij hem toe: „Zeg
maar wat, als ze je de „de wacht”[1] geeft; anders wordt ze zoo
ongeduldig.”

[1] „Stichwort”—’t laatste woord, waarop de andere speler invallen
moet.

Met zijn eene oog herhaaldelijk knippend; hij doet ’t nu uit
verlegenheid, antwoordt Pietersen:

„’k Heb reeds te lang gehoopt, geliefde Donna Sol.”

Eensklaps lacht de krankzinnige luid en snijdend, ziet den naast haar
zittenden man met groote oogen aan en zegt daarna, schijnbaar kalm:
„Je kent je rol niet; dàt staat er niet. Ha! ha! ha!—wat ’n leelijke
Hernani—maar dat’s minder; ik zal je wel helpen, al ken ik je niet.”

  „Tot morgen Hernani, te middernacht! ’k Zal waken.
  ’t Gevoel dat mij doorgloeit zal mij manmoedig maken.
      Klap driewerf in de hand, opdat ik u herken;
      Aan ’t venster wacht ik u......”

Pietersen, die niet meer weet wàt hij antwoorden moet, ziet met een
angstigen blik en knipoogend naar Walten, die langzaam nadert, de
armen om de hals van zijn kind slaat en de rol van Hernani vervolgend,
op innigen toon vraagt:

  „Weet gij thans wie ik ben?”

Voorzichtig, langzaam neemt Walten de plaats in van den souffleur, die
met een meêwarigen blik op vader en dochter terugtreedt en in een hoek
van ’t vertrek zwijgend blijft staan kijken.

’t Is somber halflicht in die vrij groote achterkamer; onder, tusschen
de rafelige franje der neergelaten gordijnen door, schijnt enkele
malen een flauw, roodgele zonnestraal op ’t vergroende goudgalon van
den purperfluweelen mantel, die over Annette Waltens nachtjapon hangt;
ze weerkaatst eenige seconden in de gekleurde steenen en ’t verguldsel
van den halsketen, waarmee zij getooid is en schittert nu en dan een
ondeelbaar oogenblik in de glazen robijnen en saffieren van de
koningskroon, die op de verward loshangende, zwarte haren van Donna
Sol prijkt. Soms kleurt die zwakke schijn de bleeke wangen der vrouw
met een hooger blosje dat verdwijnt, zoodra de jagende wolken ’t
zonlicht onderscheppen. Eindelijk valt nog een lange matgele
lichtstreep langs de kozijnen heen op den houten vloer der kamer,
blijft daar afwisselend flauwer en helderder een korte poos met de
kwasten en naden van ’t hout spelen en verdwijnt dan, allengs
verbleekend, geheel en al.

’t Is buiten donkerder geworden, een regenbui komt opzetten en door
de grauwe wolken breekt zich geen enkel zonnestraaltje meer baan. In
de kamer is alles grijs van tint, kil en koud evenals te voren; alle
voorwerpen dommelen weg in één mistigen, vaalgrauwen toon.

       *       *       *       *       *

Inderdaad, vrouw Jaling had gelijk, toen zij het „een rommel” noemde
wat ze in die kamer zag, tusschen de gordijnen door.

De enkele meubels, die er aanwezig zijn, kunnen bezwaarlijk op den
naam van „ameublement” aanspraak maken; er is van alles zoo wat. Een
latafel, met half opengetrokken laden, toont dat haar inhoud bestaat
uit oude, versleten tooneelkostumes. Een paar gekleurde tricot-kousen
hangen treurig gescheurd uit de bovenste lade, over een verschoten en
geplet fluweelen kleed, dat met slappe mouwen uit de tweede in de
onderste lade schijnt te grijpen naar een zwart en rood geruite
caricatuurjas, die op haar beurt met een der mouwen een poging doet om
in de tweede lade een paar bontgekleurde vesten te bereiken, die
nieuwsgierig over den rand kijken naar een aantal niet te herkennen
zaken, die òf uit de onderste lade zijn gevallen òf daarvoor moeite
doen. Boven op de latafel staan een paar dansschoenen en een
geellederen ridderlaars, die met zijn spoor verward is geraakt in een
kanten kraag, die moeite doet om een broodbak en een melkkan zonder
oor te bedekken.

Op een der stoelen, die vadzig en gebrekkig achterover tegen den wand
leunt, prijkt Waltens jas, netjes opgehangen over een oud afgedragen
Louis XIIIkostuum, waarvan de degen met zwart gevest zijn einde
verbergt in een zwaar beschadigde infanterietrommel, die onder den
stoel geplaatst, tot bergplaats dient voor een vergulden schepter en
een parapluie, die er eendrachtig uitkijken.

Een eind verder tegen den wand der kamer ziet men aan een kapstok
ettelijke vrouwenkleederen en een drietal versleten pantalons van
verschillende kleur, terwijl een lias met tooneelaffiches, geel en
grauw door stof en vlekken, er naast is opgehangen.

Op de tafel, midden in ’t vertrek, liggen in kunstvolle wanorde
allerlei voorwerpen, die bij het toilet van een actrice noodig kunnen
zijn, dooreen. Een kapdoos met spiegel, een blikken trommel met
benoodigdheden voor ’t grimeeren en blanketten; verschillende
haarvlechten, kapsels en damespruiken rusten naast een drietal
armbanden en colliers met valsche steenen, in verguld montuur, op een
kapmantel, die half over de tafel is gehangen.

Twee vuile witte handschoenen steken hun vingers uit naar een potje
vol rouge de théâtre, met een hazenpootje er in, en een groote
krulstok ligt dwars over een bord met een paar mootjes haring en een
halve boterham heen, terwijl een groote ridderhandschoen geduldig zijn
duim in een half leeggedronken glas met melk doopt.

Een inktfleschje op een schoteltje leunt schuins tegen een penhouder
en een haarborstel aan, en in een oud sigarenkistje er naast huizen
eenige pakjes entree-kaarten, die er gloednieuw uitzien.

Het bed, dat aan de andere zijde in de kamer staat, is zonder twijfel
’t beste meubelstuk dat er aanwezig is. ’t Schijnt òf uit beter tijden
te stammen òf bij vergissing in deze armoedige omgeving te zijn
gekomen, want ’t is een zoogenaamd „Lit trône” met een hemel van
donker gebloemd cretonne er boven; en de aan weerszijden afhangende
gordijnen zijn, wel is waar, hier en daar gescheurd en gerafeld, maar
toch met een zekeren smaak gedrapeerd. Een roodkatoenen deken, geheel
over ’t bed gelegd, verbergt de kussens en lakens en geeft inderdaad
iets troonachtigs aan ’t geheel, vooral nu op die roode deken de
rijzige gestalte van Annette in den purperen mantel en met een kroon
op ’t hoofd gezeten is. Haar bloote voeten, die in met goud
geborduurde Turksche muiltjes steken en even van onder het witte
nachtkleed zichtbaar zijn, dragen er toe bij om de illusie te
vergrooten.

In den tegenovergestelden hoek van ’t vertrek naast een bedstede staat
een geopende koffer, waarvan de inhoud gedeeltelijk op den grond is
verspreid.

Kostuumstukken van verschillende kleur en vorm liggen bij en over een
paar zwaarden en een gebulten en gedeukten helm, terwijl een
Jacobijnenmuts en een koningskroon in roerende eendracht over elkander
liggen op ’t vuilwitte Pierrotpak, dat te zamen met een duffelsche jas
uit den koffer hangt.

Het licht van den reeds scheidenden dag, dat zoo spaarzaam mogelijk in
de kamer dringt, is medelijdend genoeg om voor den oppervlakkigen
beschouwer de versletenheid en verschoten tinten van een en ander te
verbergen, en als een flauw zonnestraaltje zich, bij vergissing, nu en
dan nog even vertoont, lacht het, als droevig, over den schijn, die
hier zoo akelig werkelijkheid wordt.

Pietersen, moe van ’t staan, heeft zonder gedruisch te maken een stoel
genomen, den daarop liggenden zak verwijderd en zit nu met de
ellebogen op de knieën en de handen onder ’t hoofd naar Walten en
Annette, die samen „voortspelen,” te kijken.

„Kom, lieveling,” zegt de oude man op zacht, overredenden toon „houd
op; je wordt moe; je kent je rol uitstekend. Bravo! Bravo!” en zeer
voorzichtig klapt hij zachtjes in de handen. Pietersen weet nu niets
beters te doen, dan deel te nemen aan ’t applaudissement; hij richt
zich op en slaat met kracht zijn knokige handen ineen, terwijl hij
luidkeels „Bravo! Bravissimo!” roept.

„Om Godswil! niet zoo hard; zachtjes, zachtjes, anders schrikt ze,”
fluistert Walten, haastig zich omwendend, hem toe.

„O! dat wist ik niet!”

„Zachtjes applaudisseeren, heel zacht! dan hoort ze ’t graag.—Zóó,—ja
zóó doe je ’t goed.”

De ongelukkige ziet met strakke oogen vóór zich uit, rijst op van haar
bed, neemt Waltens hand, en terwijl zich een glimlach om haar mond
vertoont, doet zij een pas vooruit en nijgt diep, twee- of driemaal,
als voor een onzichtbaar publiek.

„Zie je wel, m’n lieve, dat ze tevreden zijn?—Kom! ga nu wat liggen;
je bent moê, dat zie ik!” smeekt Walten met angstige blikken zijn kind
aanziende.

Langzaam schudt Annette het hoofd en dan, als door een plotselinge
huivering overvallen, rilt ze, wordt bleek en gaat zitten, met de
handen tegen de borst gedrukt.

„Zoo m’n kind! zóó is ’t goed. Ben je nu tevreden? Ja hé?—Dan nu
rusten. Kom! doe ’t maar!”

Nogmaals schudt de krankzinnige zachtkens het hoofd, en opstaande doet
zij een pas of twee vooruit, breidt de armen uit naar Walten, die een
schrede ter zijde is gegaan, en begint dan te zingen, zacht en
langzaam, als droomend, terwijl ze met de diepliggende donkere oogen
voortdurend op één punt staart.

Aangrijpend schoon klinkt haar diepe altstem door ’t vertrek; ademloos
hoort Pietersen toe, als zij mezzo voce zingt:

  „Onder ’t loof der boomen,
    In het donkere woud,
  Is mijn lief gekomen,
    Heb ik hem vertrouwd:
  Hoe ’k hem heb geschonken
    Heel mijn ziel en hart,
  En hoe trouw mijn liefde
    Storm en onweêr tart.”

„Neen, neen! Stil! niet doen,” fluistert Walten haastig tot Pietersen,
die reeds de handen gereedhoudt om zijn bijval te toonen. „Stil! De
bui loopt op z’n einde; als ze gaat zingen, is ’t gauw gedaan.—Wat ’n
geluid, hé? God! hoe jammer toch van ’t kind!—Dat lied is nog ’n
herinnering aan dien—hm! dien moffen-muzikant—dien hm!—Dàt vergeet ze
niet; hij heeft ’t op muziek gezet, weet je?”

Terwijl Annette zingt, doet zij eenige passen vooruit, slaat met een
waarlijk schoone beweging den koningsmantel terug en beweegt de ronde
goed gevormde bloote armen, die halverwege uit de wijde mouwen van de
nachtjapon steken, op de maat van ’t lied sierlijk heen en weder.

De oude souffleur ziet haar, met zijn eene oog knippend, bewonderend
aan en wijst aan Walten door een duidelijke handbeweging, hoe schoon
hij haar bewegingen en gebaren vindt.

Plotseling stoort een zonderling knorrend geluid den zang. Annette,
die nu ’t tweede couplet van ’t lied meer neuriet dan zingt, hoort het
niet; zij gaat zitten en ziet naar de punten van haar muiltjes, die ze
op de maat der melodie op- en neer beweegt. Walten daarentegen is naar
den hoek der kamer gegaan, van waar ’t knorrend geluid komt, schopt
met den voet tegen een pakkist, die met een oud tafelkleed overdekt
Pietersens aandacht ontgaan is, en pruttelt: „Wil jij je bek wel eens
houden?”

’t Knorrend geluid wordt al luider en luider en begeleid door een
hevig gestommel in de kist.

De souffleur blijft onbeweeglijk op zijn plaats zitten, maar vraagt
met een blik uit zijn rechteroog en een optrekken der wenkbrauwen aan
Walten: „Wat is dàt daar?”

Annette neuriet verder en rijst op, langzaam beweegt zij zich voort
naar Pietersen, die haar te gemoet gaat en de hem toegestoken hand met
een eerbiedige beweging aanneemt en kust. Zij slaat haar eenen arm om
zijn hals en zingt luider:

  „Zeg hem luid, gij bloemen,
    Hoe mijn hart verlangt,
  Hoe mijn ziel, mijn leven,
    Aan zijn leven hangt.”

Pietersen knikt haar toe, verwijdert zachtkens haar arm van zijn
schouder, en als wilde hij een schreiend kind troosten, zegt hij
vleiend: „Ja, ja! ma chérie, dat is zoo.—Zeg! Walten, wat heb je toch
in die kist? ’t Lijkt waarachtig wel een....”

„Stil dan toch!”

„Och, ze hoort ’t immers niet.—Ja! ja! m’n beste, je zingt subliem.
Ja! ja! we zullen gaan zitten, hé?—Ze is heelemaal abnormaal zie je
dat niet?”

„Ze kan soms in eens zoo akelig worden; daarom....”

„’k Zal wel zorgen, dat ze kalm blijft.—Wel sacristie! wat ’n
gestommel en ’n geknor; ’t is of dáár een varken in zit. Heb je
soms....?”

„Stil! ’t is een big.”

„Hè?”

„Ja! een big.—Kijk naar Annette: ze wankelt. Laat ze gaan zitten,
gauw!”

„Kom! dan,” herhaalt Pietersen en met zacht geweld doet hij de
krankzinnige plaats nemen op ’t bed; zij omklemt krampachtig zijn hand
en staart opnieuw vóór zich op den grond.

„’t Is een biggetje,” herhaalt Walten, steeds moeite doende om het
dier stil te houden. „Gisterenavond in de Zwarte Zwaan op den Overtoom
.... je weet wel....?”

„Ja!” knikt de andere, „ze hebben er zulk goed oranjebitter.”

„In de Zwaan,” vervolgt Walten, „heb ik ’t gisterenavond getrokken op
’n lootje van ’n kwartje.”

„Ei!”

„Och! ’t was een bof. Ik ging er heen, om wat plaatsen van de zestien
en ’t guldentje kwijt te raken aan ouwe kennissen.”

„En?”

„Toen werd dat zwijntje verloot, en ze hielden niet op: ik moest een
lootje nemen. Jij een lootje op ’t zwijntje, en wij lootjes op je
benefiet, zeien ze, en ik heb er heel wat geplaatst; alle beetjes
helpen; voor m’n benefiet moet ik eerst de kosten hebben. Bij de fijne
lui raak ik die plaatsen niet kwijt.—Kijk naar Annette,
Pietersen.—Stil dan toch beest!”

„Ik nam ’t mee, en omdat ik niet wist waar ik er mee heen moest, heb
ik ’t hier zoolang in die kist ge....”

„Ha! Ha! Ha! Ha!” lacht Pietersen plotseling overluid.

„Lach niet! Groote God! dat kan ze niet velen.”

„O, dat’s waar ook!—Stil! ze snapt ’t niet,—ja toch wel.”

De krankzinnige is, als door een plotselingen schok getroffen,
opgestaan, een huivering siddert door haar lichaam, haar oogen worden
nog grooter en glaziger en eensklaps begint ze mee te lachen, zóó
akelig en snijdend, dat Pietersen er koud van wordt en angstig haar
beide polsen vastgrijpt, omdat hij ziet, dat zij de armen krampachtig
verdraait.

Te laat! Zij heeft de duimen reeds stijf binnen in de hand gedrukt,
stuipachtig trekt zij de armen omhoog, de oogen rollen in hun kassen
en met een luiden snik slaat zij het hoofd achterover in den nek. Haar
lachen gaat over in schreien en eindigt in snikkend gillen, gepaard
met zenuwschokken, die haar achterover op ’t bed doen vallen.

Walten snelt toe en houdt het heen en weer slaande hoofd van zijn
dochter vast. „Water, geef water!” roept hij. De souffleur grijpt
haastig een kom met water van de tafel en bevochtigt Annettes slapen
en polsen. De ongelukkige heeft een toeval en gilt onophoudelijk
voort; in de kist stommelt al knorrend de big.—Walten roept zijn kind
met angstige stem bij haar naam, en terwijl zij afwisselend gilt en
akelig lacht, verschijnen, buiten voor het venster, een paar
nieuwsgierige mannen en vrouwen, die tusschen en onder de
gordijnfranje door naar binnen trachten te zien en lachend de hoofden
bijeensteken om elkander toe te fluisteren: „Nou is de kemedie goed ân
den gang; hoor ze nou ereis angaan. Wat ’n spul! Wat ’n spul!”

       *       *       *       *       *

„De kemedie” is eindelijk uit, want na een benauwd en angstig half uur
is Annette tot kalmte gekomen en staat Walten met Pietersen, vermoeid
en warm van de inspanning om haar vast te houden en voor kneuzingen
van hoofd of lichaam te bewaren, bij ’t bed, waarop de ongelukkige
vrouw, nu met gesloten oogen, schijnbaar rustig ligt te slapen.
Voorzichtig wischt de oude man haar nog een paar kleine schuimblaasjes
van de lippen en eenige kille droppels van ’t voorhoofd, dan brengt
hij den zakdoek aan zijn oogen en zucht smartelijk, diep. Nu en dan
schokt Annettes lichaam zenuwachtig heen en weer en trillen de
oogappels onder de witte, blauwig dooraderde leden, maar de aanval is
voorbij, en als zij straks de oogen weer opent, zal elke herinnering
aan de vervlogen uren voor haar zijn uitgewischt.

Medelijdend schenkt de natuur slaap en verademing aan de arme vrouw,
die allengs rustig wordt en eindelijk met een kalmen lachenden trek om
den mond stil blijft liggen.

„Dat’s me een baantje geweest,” zegt Pietersen, die met zijn mouw
langs zijn voorhoofd strijkt. „Heb je niet een druppeltje van een of
ander in huis, Walten?”

„’k Heb niets; je weet wel, drank gebruik ik niet.”

„Hum! dàt weet ik. Jij bent geen amateur, ik wèl.”

„Dat’s juist je ongeluk; je bent anders waarachtig een goeie vent, als
je maar niet zoo....”

„Pimpelde, hé?—Och! spaar je Philippica’s, die kennen we; ik weet wel,
dat je ’t goed meent, mon Prince, maar ik ben nou eenmaal zoo’n
likkebroêr, en daar is niets aan te veranderen. Heb je nou waarachtig
niks,—niemendal?”

„Neen!”

„Niks ter wereld, rien du tout?” Pietersen ziet den ouden man zóó
doordringend aan met zijn wijdgeopend linkeroog en knipt zoo snel en
guitig met het rechter, dat Walten eindelijk, aarzelend zegt: „Hum!
misschien heb ik nog een druppeltje brandy; ’k heb laatst een flesch
cognac gekocht voor Annette; de dokter wou, dat ze dien met melk zou
drinken.”

„C’est tout ce qu’il me faut, ouwe jongen! Ik wist wel, dat je wat
voor me zoudt opduiken, hè hè hè!”

„Nou ja, maar....”

„Geen excuses, mon Directeur; voor den dag er mee.”

Pietersen lekt zich vol verwachting de dunne lippen; hij is reeds,
voor _zijn_ doen, _te_ lang nuchteren geweest.

Schoorvoetend gaat Walten naar een kast in den muur, haalt de flesch
te voorschijn, vult ’t eenige likeurglaasje dat hij rijk is en zet het
voor den souffleur neer met de woorden: „Daar dan; meer krijg je in
geen geval.”

Voorzichtig brengt Pietersen de hand, met middelvinger en duim tot
grijpen vooruitgestoken, naar ’t glaasje, dat hij knipoogend toelacht;
maar op ’t oogenblik dat hij ’t aanvatten zal, vraagt hij hoffelijk,
met een licht kuchje: „Et vous, mon Directeur? Neem je niet zoo’n
klein, petieterig beetje? Je ziet er zoo betrokken, zoo koud uit.”

„Ik ben niet koud, maar ’k voel me al dagen lang ongesteld duizelig,
onlekker; ik weet zelf niet hoe, maar ’k ben niets wèl.”

„Dan moet je juist zoo’n cognac fine nemen. Une petite goutte, mon
Prince.—Après vous dan!”

„Neen! ga jij je gang maar!”

„Jamais de ma vie!” Pietersen schuift met ware zelfverloochening het
glaasje naar Walten.

„Och zanik nou niet; drink uit.”

„Neen!” Een glimlach omspeelt Pietersens lippen, als hij vervolgt: „Ik
begrijp je: geen glaswerk meer in huis, hé?—Qui se gêne est gêné; dáár
is raad voor.” En vóór Walten recht weet wat de andere wil, grijpt
deze een op tafel staand ledig schoensmeerpotje, spoelt het met
vaardige hand in de waschkom een paar malen om, droogt ’t vluchtig af
met de slip van zijn jas, giet den inhoud van ’t glaasje er in over en
zegt lachend: „Voilà! dee’z beker is voor mij.—A vous!”

Langzaam en weifelend neemt Walten nogmaals de flesch en vult ’t
glaasje, dat hij daarna half ledig drinkt en voor zich op tafel zet
met de woorden: „’k Word er misschien wat pleizieriger door; hè! ’k
ben zoo rillerig.”

„Zenuwen, man! Je hebt je portie ook wel gehad.”

„Ja!”

„En hoe is ’t nu met de lijsten, mon Directeur? Wanneer krijg ik die?”

„Morgenavond. Ze hebben mij beloofd, dat ze klaar zullen zijn.”

„Magnifique! Dan begin ik overmorgen voor je te werken. Ik maak me
sterk, dat ik ’t geheele parterre en ’t amphitheater voor je verkoop;
ik zal er wel een broodje uithalen.”

„Tien percent voor jou, Pietersen.”

„Akkoord! Misschien kan ik nog wat loges ook plaatsen.”

„’t Is te wenschen! Ik moet, vóórdat ik mijn benefiet bepaald
annonceer, zekerheid hebben voor de avondkosten.”

„Hoeveel?”

„Driehonderd gulden!”

„Hm! ze hebben je schappelijk behandeld.—Zeg! die cognac is délicaat.
Smaakt ze jou niet?”

„Ik hou er niet erg van.”

„Ik wèl!” Pietersen schuift met een gebaar vol uitdrukking het
schoensmeerpotje vooruit, ziet Walten schuins aan en zegt grinnekend:
„Da capo, mon Prince.”

„Neen! je hebt genoeg; ’t deugt je niet.”

„Kom!—’n Halfie dan?”

„Nu, in Godsnaam! maar geen droppel meer dan ’n half.”

„Bon! maar ’n slordig halfie, hé? Dan werk ik morgen met meer ambitie
en dubbel hard.”

„Onverbeterlijke nathals, dáár dan!”

„Merci!—Op je gezondheid, hoor!”

„Vader!” klinkt uit ’t bed Annettes stem. „Vader! Een glas water
asjeblieft!”

Walten springt op, neemt de flesch van tafel, bergt die haastig weg,
gaat naar ’t bed en vraagt: „Ben je wakker lieveling? Wou je drinken?
Ben je weer beter?”

„Ik ben zoo moe, ’k heb zoo’n dorst, zoo’n hoofdpijn.”

„Je hebt ook weer ’n toeval gehad, m’n kind; ’t is geen wonder, dat je
arme hoofd dan klopt. Wil ’k er een doek met water op leggen?”

„Nog niet; eerst wat drinken, vader!”

„Goed, Netje! Hier, drink dan maar.”

Als zij met groote teugen, haastig gedronken heeft, richt zij zich op
en vraagt Pietersen, die, om beter te kunnen zien, op den rand der
tafel is gaan zitten, bemerkend: „Wie zit daar?”

„Pietersen.”

„O! zoo, Pietersen.”

„Dag, juffrouw! Is ’t ’n beetje over?—Jongens, jongens, wat had je ’t
benauwd daar straks.”

„Ik weet er niets van. O, God! mijn hoofd. Vader, geef me je hand,
laat me slapen.”

„Hier, lieve kind! Hou mijn hand dan maar vast. Zoo! Is ’t zóó goed?”

„Ja! Ga nu naast me zitten. Ba! wat zie ik er uit! Dien mantel wil ’k
niet omhebben. Wie heeft me dien omgedaan?”

„Ik, lieveling, omdat je zoo koud waart.”

„En die kroon,—wie heeft dat ding op mijn bed gelegd?”

„Ik, kindlief, omdat je ... hm! je vroegt er om, zie je.”

„Deed ik?”

„Ja, weet je, je zei ... hm! je dacht, dat ... hm!....”

„’k Weet het niet meer, maar mijn hoofd klopt ook zoo. Je hand, vader;
hou m’n pols goed vast. Zoo! nu niets meer zeggen, vader!”

Walten zit op een stoel, naast ’t bed en omsluit met zijn rechterhand
Annettes linkerpols; met zijn andere hand strijkt hij zacht
liefkoozend, als bedarend over de witte doorschijnende vingers, die
zich nu en dan zenuwachtig bewegen op de roode deken.

Het is alsof een magnetische stroom van den ouden man uitgaat en
kalmeerend werkt op zijn dochter. Zij sluit de oogen, haar gelaat
wordt rustiger, de neusvleugels bewegen zich nog wel, maar bijna
onmerkbaar gaan ze op en neer; regelmatig daalt en rijst haar boezem.

Pietersen is van de tafel opgestaan en heeft in den hoek op de koffer
plaats genomen, zoodat hij Annettes gelaat kan gadeslaan. Met de
handen om de opgetrokken knieën samengevouwen, zit hij doodstil vader
en dochter aan te zien en mompelt: „Wonderlijk! nu gaat ze slapen,
rustig en kalm; ’t is toch een allerzonderlingste historie: ’k
begrijp er niks van.—Slaapt ze nu, Walten?”

„St!”

Een kleine poos heerscht er een volslagen stilte in ’t vertrek, alleen
nu en dan afgebroken door een zacht, bijna onhoorbaar snorken van de
big, die in de kist ligt te slapen en zich enkele malen beweegt of
heen en weer schurkt.

Annette sluimert. Voorzichtig laat Walten haar hand uit de zijne
glijden, legt behoedzaam den purperen mantel over haar heen, maakt dan
een der cretonnen draperieën los, zoodat ’t gordijn de slapende vrouw
halverwege aan zijn blikken onttrekt en mompelt in zichzelf:

„Goddank! nu heeft ze weer een dag of wat rust.”

„Heeft die bui dezen keer lang geduurd?” vraagt de souffleur
opstaande.

„Van gisterennacht tot nu.”

„Dat’s lang, zoo’n heele nacht.”

„Ik ben ook doodop; ’k voel me zoo naar. Ze was gisterenmorgen al niet
richtig, maar den aanval zelf kreeg ze eerst van nacht, toen ik t’huis
kwam. Ze begon met Ophélia te wezen.”

„Mon Dieu!—En jij?”

„Ik was Hamlet natuurlijk.”

„Heelemaal buiten je emplooi,” merkt Pietersen aan, met ’t ernstigst
gelaat der wereld.

Walten ziet hem even schouderophalend aan en vervolgt dan: „Toen werd
ze in eens Ines de Castro en later Donna Sol.—Dat was ze nog, toen jij
kwaamt en....”

„Ja!—’t Is toch ongelukkig voor je, Walten!”

„Wel is ’t dat,” zucht de oude man, en terwijl hij in stilte een traan
uit den hoek van zijn oog wischt, zegt hij: „En voor haarzelf ’t
ergst.”

„Nu is ze zoo goed, als ’t maar hoeft,—merkwaardig goed, mon
Directeur!”

„Niet waar? En daarom heb ik hoop, dat ze te genezen is; verleden jaar
heb ik dien dokter er nog bij gehaald; je weet wel, dien.....”

„Jawel, van ’t gesticht.”

„Juist!—Hij zei, dat Annette niet ongeneeslijk was, maar dat ze
voortdurend geobserveerd moest worden.”

„C’est clair!—Zeg! dat beestje in die kist is geen eau de cologne. Je
hebt bijgeval geen sigaren in huis? Zwaar of licht, dat’s me ’t
zelfde.”

„Neen! ik rook al sedert lang niet meer.”

„Och kom! en je was vroeger zoo’n liefhebber.”

„Ja! maar Netje kon er niet meer tegen.”

„O!”

Een oogenblik zit Walten in gedachten voor zich te kijken en zegt dan:
„Als ik nu maar ’t geluk heb, dat mijn benefiet zooveel opbrengt, dat
’k haar kan laten genezen, dan.....”

„Hoeveel moet er wezen?”

„’n Goeie vijfhonderd, op z’n minst.”

„Hm! die blijven er wel over, als ’t een beetje vol loopt.”

„Zoo reken ik ook, Pietersen.—Och! als ik haar maar eerst van den
vloer heb, zal ik voor mezelf er wel doorscharrelen,—ik kan nog best
mee;—dan zoek ik weer een emplooi, ouwe rollen en.....”

Pietersen kucht, humt een paar malen en ziet met zijn linkeroog Walten
strak aan, terwijl hij met het rechter voortdurend knipt, als wilde
hij zeggen: „Dat zal er nog om spannen.”

De andere vervolgt: „’t Is wel niet pleizierig om ondergeschikte
rollen te spelen, als je vroeger de keus had; maar och! wat doe je al
niet voor je kind? Wie weet wanneer zij weer heelemaal in orde is, of
ik dan geen furore met haar maak; want talent heeft ze, allemachtig
veel talent, dat heb je daar straks nog gezien. Is ’t niet zoo?”

„Zeker, mon Prince, zeker!” Pietersen spreekt schijnbaar in vollen
ernst.

„En wat ’n geluid, hé?”

„Kolossaal!”

„En wat ’n verschijning!”

„Kapitaal!”

„Ja, je begrijpt, ze is nu vervallen, ze ziet er niet goed uit, maar
als ze beter is, komt dat alles weer bij; ze is op ’t tooneel een
schoonheid; enfin, jij weet het, jij hebt haar gezien, toen ze nog
„goed” was.”

„Oui, mon directeur!”

Intusschen heeft iemand buiten aan de kamerdeur geklopt maar noch
Walten, noch Pietersen hebben ’t gehoord, en daarom zien beiden
verwonderd op, als ze plotseling achter zich een barsche stem hooren
zeggen: „Pin jelui hier toof? ’k Hèv wol dreimaal jeklopft.”

„Wâblief!” vragen beiden ongeveer te gelijk.

Een groote, dikke, onhebbelijk uitziende man, in de gewone vettig
witte kleeding van een spekslager, staat voor hen en vraagt, na een
oogenblik de voor hem zittende personen te hebben aangekeken: „Wer von
jelui ist Walten?”

„Ik! En u is meneer Träger!”

„So! ja noe herken ik je; ’t wordt hier al doenkel.”

„Wat wenscht u?”

„Was ich will?—Noe das soll jij wol begrijpen” en terwijl de dikke man
zijn rechterwijsvinger en duim schuivend over elkander beweegt, zegt
hij: „Ich will de couleur von jou centen ’r is zien.”

„Ik heb waarachtig niets op ’t oogenblik, baas Träger; maar wees niet
bang: je geld zul je hebben.”

„So! soll je denken?”

„Waarlijk, zoodra mijn benefiet voorbij is, zul je....”

„Papperlapap! ’n benefiz—so’n praatje kennen wir; das heb jijlui
komödianten-volk immer bij der hand; wann’s voorbij ist, krijg jelui
gewoonlich kein cent, dann ist alles sjoon op.”

„Maar baas Träger, ik heb je toch altijd eerlijk betaald.”

„Jawol, drei maanden vooruit, oend noe ich so schtom pin geweest om je
das zweite kwartaal zoe creditiren neem jij me peet.”

Waltens wangen kleuren zich eensklaps met een hoogen blos en zijn
lippen trillen, als hij antwoordt: „Ik ben een eerlijk man, baas
Träger, en als ik ’t had, zou je dadelijk geld krijgen; maar....”

„Maar noe hèv je ’t nicht, oend daaroem moess jij janz eenvoudig von
de kamer af; die roemmel, die prulleboel von je, kun je mitnemen, die
is kein cent weerdig, allein die bedstelle ist passabel, maar die wil
’k nicht nehmen weil je kind krank ist.—Oend noen basta! overmorjen
verhuis je,—versta je? Die drei maanden huur kan je me sjoeldig
blijven; dat doe ich omdat jij „Walten” bint, waaroem ich vroeger so
dikwijls jelachen heb. Ik geef je zwei dagen oem zoe verhuizen.—Noe!
bin je zoefrieden?”

Schamper lachend, antwoordt Walten: „O! volkomen”.

„Komân, dat’s joet; dan kennen wir als vrinden sjeiën. Jij bint
allezeit ’n fatsoenlicher kerl geweest oend....”

„Dáárom moet ik met m’n zieke kind op straat? ’t Is mooi, baas
Träger.”

„Kan d’r nichts an thoen! Dabei kommt noch das de hokkepaas, die ’n
puik joeie betaler ischt oend die andere nachbaren d’r over klagen das
jijlui zoo spektakelt.”

„Maar, Träger! Over vier of vijf weken is mijn benefiet; dan ontvang
je ’t zeker en....”

„Das ist mir ejaal. Hèv je jeld?”

„Neen!”

„Dan overmorjen von die kamer af—verschta je?”

Pietersen, die tot dusverre zwijgend het gesprek heeft aangehoord,
vindt nu het oogenblik gekomen om zich in de zaak te mengen en zegt
daarom op tamelijk gezwollen toon: „Mijnheer! ’t is een crime om een
fatsoenlijk mensch zoo maar op straat te zetten. Maar je badineert,
dat zie ik; je hebt wel een dik spekslagerslichaam, maar geen
spekslagersziel. Je hart is gevoelig!—Is ’t niet zoo?”

„Nein! ich will blos jeld.”

„Kom, kom! mon Prince, je meent ’t niet! Nog een wijl geduld en alles
komt terecht. Wil je een borg hebben, disponeer over mij; ik wil
garant blijven, dat....”

„Kottorie! das waar noch besser!” De spekslager ziet Pietersen aan en
nolens volens moet hij lachen.

„Qui rit, est desarmé,” zegt Pietersen, maar bij Walten komt
plotseling de oude trots weer boven.

„Pietersen voor mij borg blijven? Ba!” denkt hij, „’t is al te akelig;
zóó ver is ’t dus met me gekomen.” Hij heft het hoofd hooger op, doet
een pas vooruit en zegt: „Ik zal je betalen, baas Träger, morgen aan
den dag. Hoeveel ben ’k je schuldig?”

„Acht-oen-vierzig joelden!”

„Kom ze morgenavond halen!”

„Was? Morgen! allemaal jekheid, das binnen praatjens; wenn gij nich
dadelich wat op afrekening jeeft, dan....” De spekslager houdt
eensklaps op met spreken, steekt ’t hoofd vooruit en luistert, want
uit den donkersten hoek der kamer vangt hij een hem overbekend geluid
op. Zijn blikken trachten den allengs duister geworden hoek en de
kist, die hij flauw daarin onderscheidt, te doorboren.—Ja! ’t is een
gestommel en een geknor, dat hij dagelijks hoort. „Maar hoe is ’t
mogelijk”, denkt hij, „hier?”

Pietersen, die eveneens dat zonderlinge gedruisch heeft waargenomen,
knipt haastig een paar malen met zijn rechteroog, brengt den
wijsvinger even aan zijn rooden neus, als wilde hij te kennen geven:
„Daar krijg ik op eens een idee” en is met twee stappen bij de kist.

Voordat baas Träger eigenlijk weet wàt hem gebeurt, voelt hij den
snoet van een jong varkentje tegen zijn dikke wangen en omvat hij
schier werktuiglijk het spartelende en luid schreeuwende dier, dat
Pietersen met één greep uit de kist heeft gepakt en hem in de armen
drukt met de woorden: „Il te connait, beau masque! Dáár! neem dat op
afrekening; dat’s voor jou contant geld, mon Prince!”

„Soll der Deibel wissen wo das schweinche von daan kommt,” roept
verwonderd de spekslager en betast inmiddels, als man van ’t vak, de
big, binnensmonds zeggend: „’n Feines diercke, joet soort, moess nog
fett werden, maar drei rijksdalers ist weerdig.”

Evenals een boer op de markt, de vlakke hand uitstekend en met de
andere er in slaande, roept de souffleur: „Voor vier ben je koopman!”

„Drei!”

„Vier!”

„Noen in Kottesnamen, ’t is jekocht.”

„Mooi!” En plotseling gehoorzamende aan den ouden Adam, die in hem
wakker wordt, zegt Pietersen, hoog ernstig: „Neem ’t mee, baas Träger!
Maar zal u ’t goed behandelen? ’t Is zoo’n lief beestje.” En met een
traan in de stem voegt hij er bij: „We waren er al zoo aan gehecht,
niet waar Walten?”

Met een zekere walging wendt de oude man zich zwijgend af.

„Noen, soll ich’s mitnemen voor ’n tientje?”

„Ja, ja! maar laat ’t in Godsnaam niet langer zoo schreeuwen!” Walten
ziet angstig naar ’t bed, waarop zijn dochter rust.

„Sjreeuwen thoen al die ferkens; da’s die natoer.”

„En mag ik je nu verzoeken om heen te gaan? M’n dochter ligt daar ziek
achter dat gordijn en dus...” Met een tamelijk trotsche beweging wijst
Annettes vader naar de deur.

„Kott im Himmel! armoeth hèvt ’n hooge broest ooch nog; allemaal
Komödiantenbluf. Hà! Hà! Hà! Hà!”

„Lach niet, kerel, of...!”

„Maak je niet boos. Dat ’s heelemaal verkeerd, mon Directeur!” zegt
Pietersen, die ’t onbegrijpelijk vindt, dat de schuldenaar zóó tegen
zijn schuldeischer durft opstaan, en tot den spekslager gewend,
vervolgt hij soetsappig: „Meneer Träger, je moet dat zoo hoog niet
opnemen: hij meent ’t zóó niet.—’n Fijn varkentje, hé?”

„Wie er ’s nimmt, kan mijn niet sjeelen; maar wenn ich morjenavond das
overige jeld nicht heb, schtaat hij over zwei dagen mit die janze
rataplan op de jroote schteenen.”

Annette beweegt zich onrustig in haar slaap en mompelt een paar
onverstaanbare woorden.

Walten ziet angstig naar ’t bed en zegt kalm, bijna fluisterend: „Je
_zult_ ’t hebben, baas.”

„Joet, maar noen verder?”

„Verder?”

„Jawol, denk jij dat ich jou op ’s nieuw drei monate zal laten wonen
oend....?”

„’k Zal je nog een maand vooruit betalen ook; maar ga nu heen, wat ik
je bidden mag. Jij en dat dier, jelui schreeuwen om ’t hardst, en mijn
arme Netje _moet_ rust hebben.”

„Jou Netchen kan mir jestohlen worden.”

Verder komt de spekslager niet, want Walten heeft eensklaps den
grooten krulstok van de tafel gegrepen, plaatst zich vlak voor baas
Träger, ziet hem dreigend aan en bijt hem toe:

„Breng me niet tot ’t uiterste; ga heen, man!”

Er ligt iets in Waltens blik, in ’t heesche geluid van zijn stem dat
den ruwen slager onwillekeurig een oogenblik doet schrikken; maar dat
gevoel is dadelijk weer voorbij, en met een tartend lachje om zijn
dikke lippen antwoordt hij, de grove, groote rechterhand heen en weer
bewegend: „Bang machen jeldt nich, maar ich will je wol plaisier doen.
Tot morjenavond dan. Achtoenddreiszig joelden oend ein maand vooruit,
macht samen vieroendfünfzig. Wenn jij die morjenabend vóór negen uur
nich hev’t; logier jij verder in ’s Hôtel blauwe lucht, verschta
je?—Adjé!”

       *       *       *       *       *

Zoodra de huisbaas vertrokken is, zegt Pietersen tot Walten, die, op
den stoel bij de tafel heeft plaats genomen en met de armen slap langs
het lijf hangend, het hoofd vóórovergebogen, in doffe moedeloosheid
voor zich zit te staren: „Jij bent en blijft toch altijd onpractisch,
Walten! Neem me niet kwalijk, maar je kwaamt er heel onzinnig tusschen
met je propositie om morgen te betalen. Ik had dien kerel wel zóóver
gekregen, dat hij....”

„Ik wil van zoo’n vent niets hebben, geen consideratie, geen....”

„Mais, mon Prince! als je zoo royaal bent, blijft er per saldo van je
benefiet niet veel over. Betaal je morgen hém, dan weet overmorgen de
heele buurt het en komen ze je allemaal op den hals. Boven en behalve
dàt zal ’t nog mooi wezen, als de Directie je vier en vijftig gulden
voorschot wil geven op je....”

„Pietersen, hou je in godsnaam stil!”

„Maar heb ik geen gelijk, mon Directeur?”

„Ja! ja! ja! je hebt gelijk, maar schreeuw mijn kind niet wakker: je
hebt zoo’n harde stem. Zij rust nu en dat is al genezing, weet je?—Ga
nu heen asjeblieft en neem wat kaarten mee. ’t Zijn eerste galerijen;
die kun je hier en daar wel plaatsen.”

„Goed! Au revoir dan; morgen haal ik de lijsten.—Hm! heb je soms niet
een versleten gulden voor me ter leen?—”

„Neen!”

„’n Paar kwartjes dan?”

„Och!”

„Nou één dan?”

„Enfin! daar heb je er één. Maak nu dat je wegkomt.”

„Mon Prince! waar er één is, zitten er meer. Kom! geef er nog eentje
bij; ik heb m’n portemonnaie thuis gelaten.”

„Dáár dan!—En nu....”

„„Vertrek, heer graaf,”” zooals Egmond zegt. „Adieu!”

       *       *       *       *       *

Walten blijft alleen; nog een oogenblik zit hij mijmerend op den stoel
en ziet naar ’t flauwe licht van den scheidenden dag, dat door de
groezelige ruiten onder de gordijnen door nog zichtbaar is.

De avond valt; ’t is bijna geheel duister geworden in de kamer. Met
een zucht staat de oude man op, grabbelt in zijn zak naar een doosje
lucifers, ontsteekt er een en daarmede een kleine petroleumlamp, die
hij zóó op de latafel plaatst, dat het licht de zieke niet hinderen
kan. Dan nadert hij het bed en ziet naar zijn dochter. Zij ademt
rustig en kalm, een glimlach zweeft om haar lippen. Liefkoozend neemt
hij haar fijne blanke blauw-dooraderde hand in de zijne, drukt er
voorzichtig zijn lippen op en strijkt even met den rug zijner hand
over ’t zacht bedauwde voorhoofd der slapende.

Langzaam knielt hij neder bij ’t bed, legt zijn wang tegen Annettes
hand, snikt een paar malen en blijft zoo liggen, lang—heel lang.


III.

„Hoe staan we er nu mede, Walten?” vraagt den volgenden dag de
Directeur van den Schouwburg aan den ouden man, die met een
portefeuille onder den arm in min of meer gebogen houding vóór hem
staat.

„Heb je al bepaald, welk stuk je wilt geven?”

„Nog niet, mijnheer. Ik heb gedacht over de rol van Jérôme Duflou in
Arthur of zestien jaren later.”

„Hm! die rol is niet groot voor ’n beneficiant.”

„Wat dunkt u dan van „De Vrek?” Die heb’k altijd met succes gespeeld.”

„Niet kwaad, ten minste wanneer je...” de Directeur zwijgt een paar
seconden en ziet met een zweem van medelijden zijn bezoeker aan—„hm!
wanneer je die rol nog aandurft.”

„Nòg...?” Walten verbleekt een weinig, zijn onderlip beeft.

„Ja! je wordt een dagje ouder en ’t is een zware rol.”

„O, ik ken ze nog wel op mijn duim. ’t Is een van mijn beste creatiën;
ik denk er zelfs over, om, zoodra Annette goed verzorgd is, weer een
engagement te zoeken. ’t Kon soms zijn, dat u hier nog een plaats had,
die vervuld moest worden; dan beveel ik me daarvoor aan; ik zou wel
weer willen optreden.”

In de oogen van den Directeur, die eerst met deelneming op den ouden
man hebben gerust, komt nu een uitdrukking van medelijdende
verwondering; zij zien den sollicitant aan als wilden zij vragen:
„Jij?—Zoek jij nog een engagement? Neen, ’t is niet zoo, je houdt mij
voor ’t lapje.”

’t Is alsof Walten voelt wat de Directeur denkt, want hij voegt er
snel bij: „Ik meen ’t in vollen ernst: als u me kunt emploieeren...”

„Daar zullen we later wel over spreken. Walten.—Vertel me nu eerst
eens: heb je al wat plaatskaarten verkocht?”

„’t Schikt nogal; ik doe natuurlijk mijn best om eerst de avondkosten
bij mekaar te krijgen; nu, die zullen er gauw zijn. Dan zal ik verder
met de lijsten werken; ik heb er nu nog maar boven, laten zetten: _’t
Op te voeren stuk zal nader worden bekend gemaakt._”

„Goed! maar bepaal dat liefst zoo gauw mogelijk; dan heb je meer
succes bij de lui. Hier heb je een lijstje, waarop ik eenige adressen
heb genoteerd van menschen, die ik ken als liefhebbers van ’t tooneel;
ook zullen enkelen ervan zich jou nog wel herinneren van vroeger en
daarom....”

Walten wordt bleek; dat gezegde: „Enkelen zullen zich jou nog wel
herinneren” heeft hem getroffen; onmiddellijk beseft hij de treurige
waarheid er van. Ja! hij leeft eigenlijk alleen nog maar in de
herinnering van enkelen; den Walten van ’t heden kent men nauwelijks
meer. Een paar kille droppels, die op zijn voorhoofd verschijnen,
wischt hij met de hand weg, strijkt even over zijn oogen en dan
antwoordt hij, met schorre zenuwachtige stem: „’k Heb al een paar oude
kennissen opgezocht, en die hebben dadelijk een heele loge genomen;
maar—als u ’t niet kwalijk neemt, meneer Schröder, wou ’k wel gaan
zitten, want....”

„Och neem me niet kwalijk, ik heb vergeten je een stoel aan te bieden,
excuseer mijn lompheid!” En snel opspringend, neemt hij een stoel, die
onder zijn bereik staat, en zet dien naast Walten.

Haastig grijpt de oude man naar de leuning, en terwijl de vale
bleekheid, die zijn gelaat had overtogen, plaats maakt voor een
congestieusen blos, wankelt hij een oogenblik en neemt dan plaats. „Ik
weet niet wat mij mankeert, meneer Schröder, maar in den laatsten tijd
heb ik telkens van die duizelingen, en daarom ben ik zoo vrij om....”

„Wel, m’n goeie man, geneer je niet, neem je gemak.”

„Dank u; ’t gaat nu alweer over. ’t Is een alleronaangenaamst angstig
gevoel; tusschenbeide weet ik één oogenblik niet waar ik ben, dan
draait me alles voor de oogen en zou ik zóó neer kunnen vallen.”

„Dat’s niet goed, Walten. Wil je soms een glas water?”

„O, als u ’t bij de hand heeft, graag.”

Als Walten gedronken heeft, wordt zijn gelaatskleur weer gewoon en is
het alleen aan het eenigszins rood gekleurde wit van zijn oogen te
zien, dat hij nog niet geheel normaal is.

„Ik denk, dat ’t van ’t heen en weer loopen en draven komt,” zegt hij:
„ik ben dat niet meer gewend. Bovendien heb ’k weinig nachtrust gehad
in de laatste dagen: die toevallen van mijn dochter kwamen zoo gauw
achter elkander; vroeger bleef ze wel eens een maand, soms zes weken
vrij. ’t Is treurig, erg treurig.”

„We willen ’t beste hopen, als ze eenmaal onder een geregelde
behandeling komt,” troost de Directeur.

„Juist! dàt heeft ze hoog noodig; in ’t gesticht zou ze....”

„Ja, ja!” valt hem de Directeur haastig in de rede, omdat hij reeds
herhaalde malen ’t relaas van den vader heeft gehoord; en om een
andere wending aan ’t gesprek te geven, vervolgt hij: „Hoe sta je met
de artisten?”

„Goed!”

„Je begrijpt, hoe meer je van de eerste krachten op je programma kunt
krijgen, des te beter.”

„Natuurlijk! Ik heb er alleen een hard hoofd in, dat juffrouw Andrée
zal willen meewerken, als ze de hoofdrol niet krijgt.”

„Hoezoo?—Die moet je vooral hebben, die is op ’t oogenblik „the grand
attraction.””

„Ik heb haar dezer dagen bezocht en gevraagd, of ze mij steunen wou.
Ze was heel beleefd, maar ze zei meteen, dat _ik_ wel begrijpen zou,
dat ze niet anders dan een eerste vrouwenrol, en dan in haar emplooi
vallend, kon aannemen.”

„Zoo, hm! Och! wat zal ik je zeggen, Walten: jij kent de artisten zoo
goed als ik. Ze is een jong ding, dat in den laatsten tijd door haar
aardig bekje veel opgang maakt. Ze heeft een beetje talent, maar ze is
erg van ’t hondje gebeten, nogal over ’t paard getild.... Binnen!”

Walten heeft, evenals de Directeur, het kloppen op de deur gehoord en
rijst werktuiglijk op van zijn stoel.

„Is er belet?” vraagt vriendelijk een aangename vrouwenstem en te
gelijk kijkt een reeds min of meer bejaarde dame, met een zeer
intelligent en prettig voorkomen, om ’t hoekje van de deur.

„Belet? Voor u is er nooit belet; kom binnen, mevrouw Groote!”
antwoordt de directeur, terwijl hij opstaat en de naderbij komende
dame de hand reikt. Met een vriendelijk hoofdknikje begroet zij Walten
en neemt op den haar aangeboden stoel plaats.

„U komt als geroepen, mevrouw!”

„Waarom?”

„Hier is”—de Directeur wijst op den ouden man, die nog naast zijn
stoel staat,—„Walten, die u juist wilde gaan bezoeken om u te vragen
of....”

„Heere! Heere! Walten jij hier? Dat doet me pleizier!” En vriendelijk
lachend staat zij op, legt haar handen op zijn schouders en drukt hem
zachtkens neer op zijn stoel, terwijl zij vervolgt: „Ga eerst weer
zitten, collega. ’k Had je waarlijk zoo gauw niet herkend, maar nu
zie ik het wel. Hoe gaat het je? Hm! je ziet er niet florissant uit.
Ben je ziek geweest?”

„’k Voel me niet wel, mevrouw!”

„Dat’s verkeerd, hoor! Ik heb van Hostein gehoord, dat je in den
laatsten tijd.... hm! hoe zal ik ’t zeggen....”

„Dat ik oud word, mevrouw! Zeg ’t maar.”

„Nu, nu! dat bedoel ik zóó niet, maar.... Zeg! wat denk je voor je
benefiet te geven?”

„Ik hoop „De Vrek”.”

„Ei! dat’s geen kleinigheid. Ben ik er ook in?”

„Ik ben al bij u aan huis geweest, zonder u te treffen; ’k had u
beleefd willen vragen, of u de goedheid zoudt willen hebben om....”

„Om mee te doen? Maar, vadertje, dat spreekt immers vanzelf.”

„Ja?” Met een vroolijk gelaat knikt Walten haar toe.

„Zeker! Er zal toch wel een rolletje voor mij inzitten?”

„Ja, mevrouw, maar eigenlijk is er geen eerste moederrol in, en uw
emplooi....”

„Kom! kom! gekheid, emplooi of geen emplooi, dat komt er niet op aan;
geef me maar wat je wilt; desnoods breng ik een brief op. Voor een
collega en vooral voor iemand zooals jij, die zóó getobd heeft, doe ik
alles. Als ’t niet anders kan, figureer ik zelfs mee,—ten minste als
je mijn naam graag op ’t programma wil hebben,” voegt zij er met een
klein vleugje van ijdelheid bij.

„Wat is u goed, mevrouw Groote!”

„Zie je, Walten, daar spreekt nu ’t artistenbloed,” zegt de Directeur;
en tot mevrouw Groote gewend, voegt hij er bij: „Juffrouw Andrée is
minder toeschietelijk geweest; ze heeft nog niet toegestemd.”

„Wel! wel!” antwoordt mevrouw Groote met een zweem van hatelijkheid
in haar stem. „Nu, zoo’n grrroote artiste mag haar kuif ook wel
opzetten. Zoo’n kolossaal talent wil natuurlijk de eerste rol hebben,
is ’t niet zoo?”

„Ja, mevrouw.”

„’t Is om te lachen,—zoo’n kind! Ze heeft een aardig gezichtje, een
mooi figuurtje,—dat ’s waar! Ze heeft geluid ook, maar dat kan zij
niet helpen. Als ze zooveel talent had als inbeelding, zou ze er wel
komen; maar om een stuk te helpen dragen, zie je! dáárvan heeft ze
geen kaas gegeten. En welke rol had je haar gegeven?”

„Nog geen rol; ’t was maar bij voorbaat, dat zij....”

„Wel goeie hemel! wat ’n drukte voor niemendal!—Luister eens, Walten,
ik ken haar: ze schermt altijd met haar emplooi, hé?”

„Ja, mevrouw; nu zei ze ook, dat als ’t niet in haar...”

„Emplooi viel, dat ze dan er voor passen zou. Jawel, dàt kennen we!”
En plotseling op uitstekend natuurlijke wijze de houding eener
coquette jonge dame nabootsend, zegt mevrouw Groote, met brauwende
stem: „’t Spijt me menèrrh Walten, mèrrh wanneerrh de rrhol niet....
Ha! Ha! Ha! weet je wat, ouwe jongen, laat zij naar de Franschen
loopen; ik zal je anders en beter helpen. Als onze Directeur ’t
goedvindt, laat je haar heelemaal buiten alles—ik heb ’t land aan dat
creatuur—en dan geef je aan juffrouw Berg, mijn élève, een goeie rol.
Dat’s een aardig eenvoudig kind met ’n snoepje van ’n gezichtje en met
meer talent dan die „grrhoote juffrrrhouw Andrrhée.” Dan zetten we op
’t programma: Debuut van Mejuffrouw Berg, élève van Mevrouw
Groote.—Wat zeg je daar van, meneer Schröder?”

„Nu, dat ’s nog zoo kwaad niet,” merkt Schröder, die eigenlijk
juffrouw Andrée ook niet goed lijden kan, aan. „’n Debuut met ’n
benefiet samen is een goed idee.”

„Mevrouw, ’k ben dankbaar, dat ik u hier ontmoet heb.”

„Heel goed, Walten, dat doen we dan zoo.—Kijk!” Mevrouw Groote wrijft
zich eventjes in de handen, „ik ben heusch in m’n schik, dat we die
Andrée er zoo liefjes uitknikkeren; ik moet je eerlijk zeggen: ik kan
haar niet zetten; ze heeft zoo’n paar opera-maniertjes, die ’t publiek
aardig vindt; ze coquetteert met de jongelui, die sprinkhaantjes uit
de stalles, ’t balcon enz. Voilà tout! Voor ’t overige zit alles er
dunnetjes op. Ze is eigenlijk geen artiste, ze heeft voor geen
dubbeltje sentiment, geen opvatting, geen gloed, geen....”

„Och! Och! mevrouw Groote, als ik je niet zoo _heel lang_ en beter
kende, zou ik werkelijk denken, dat hier ’n beetje „jalousie de
métier” in ’t spel was,” hervat Schröder, lachend mevrouw Grootes
woordenvloed stuitend.

„Kom, Schrödertje! dat weet je wel beter; _ik_ heb me waarachtig niet
te beklagen, _ik_ heb succes genoeg gehad”—en met een zelfgenoegzaam
lachje—„en nog succes! Begrijp je, dat’s veel gezegd, als men bijna
vijf en dertig jaren op de planken is.—Maar ik zie, dat je heen wilt
gaan, Walten, en ik wou je toch dit nog zeggen: doe mij nu pleizier en
repeteer zoo spoedig mogelijk. Dan kan ik de kleine Berg nog eens
flink onder handen nemen; je begrijpt, als ze debuteert, wil ’k ook ’n
beetje eer met ’r inleggen.”

„Wanneer dunkt u dan, meneer Schröder?”

„’k Zal er met den régisseur over spreken; overmorgen weet u ’t.”

„Best!”—Walten neemt zijn portefeuille op en grijpt naar zijn hoed.

„Ho, vadertje! wacht nog even; ik wou je nog één raad geven. Je moet
na „De Vrek” een grappig nastukje geven, zoo een van je ouwe comische
rollen; er zijn nog genoeg lui, die je vroeger in die rollen gezien
hebben en die zoo’n dolligheid nog eens weer willen zien, b. v. de
zuster van Jocrisse.—Ja, hm! voor Jocrisse ben je—hm! niet boos
worden!—een beetje af-tandsch. Maar—zing je nog?”

Walten antwoordt kortaf met een zucht: „Neen Mevrouw!”

„Dat’s jammer; anders zou ik je proponeeren: „’t Huishouden van den
schoenlapper” of „De Behanger”.”

De Directeur ziet intusschen zwijgend naar Waltens somber gelaat en
denkt: „Sic transit.”

„Ik weet wat,” gaat mevrouw Groote voort. „Geef als toegift: „De
dochter van Dominique”; dan speel jij voor Nicolaas den knecht—dat kun
je best, en ik zal de Cathérine spelen; dat ’s altijd een
glansrolletje voor me geweest,—al zou ik dat nu alleen maar doen om
aan die Andrée met al haar drukte te laten zien, dat _ik me nog jong
kan_ maken, als mij dat blieft”; en terwijl zij dit zegt, ziet zij den
Directeur even aan.

„Is dat een pique sous l’eau, mevrouw?”

„Onder of boven water, meneer Schröder, zoo je ’t nemen wilt,” lacht
mevrouw Groote en vervolgt: „Nu, Walten, wat denk je daarvan?”

„’k Ben u dankbaar... mevrouw en... ik... zal... God! daar komt ’t
weer. O!”

„Mijn hemel! wat scheelt hem op eens?” roept mevrouw Groote, die nog
juist bijtijds den ouden man om de schouders vat en hem voor vallen
behoedt. Langzaam doet zij hem weer nederzitten en veegt hem met haar
geparfumeerden zakdoek langs voorhoofd en slapen. „Vadertje wat wordt
je bleek. Zeg! wat scheelt je, ouwe heer?—Duizelig?—Zoo, is ’t al weer
over? Jongens! jongens! je moet er ’n dokter over spreken; dat ’s geen
gewone toestand.—Ben je nu weer klaar?—Wat voelde je eigenlijk,
Walten?”

„Duizelig, flauw, ’k werd wee!”

„Zenuwen!—Hier! drink eens.”

„Ja!” Waltens tanden klapperen tegen den rand van ’t glas, dat mevrouw
Groote hem heeft aangegeven.

„Zenuwen zijn ’t, anders niet; van avond Brom-kali nemen en nu gauw in
de lucht. Wil ’k met je meegaan?”

„Neen! neen! dank u.”

„Zeg, Schröder, zou je hem niet iemand meegeven, de trap af?” Mevrouw
Groote vraagt ’t fluisterend, maar Walten heeft het toch verstaan en
zegt haastig:

„Och! asjeblieft niet; ’t is nu heelemaal over. Ik begrijp ’t wel: ik
ben van morgen al vroeg de deur uitgegaan, de bakker was er niet
geweest, en.....”

„Wel Heere! je hebt misschien vergeten te ontbijten, vadertjelief! Dat
kan den besten gebeuren.—Kom! ga met mij mee in de koffiekamer. Toe!
ik heb ook nog geen twaalf-uurtje gehad. Hé, ja, laten wij eens samen
„lunchen”, als ouwe collega’s, recht gezellig. Neen! neen! refuseeren
mag je niet, hoor kameraad!”

Een trek van innige goedhartigheid siert mevrouw Grootes gelaat, als
zij den ouden man familiaar onder den arm neemt en tot den Directeur
zegt: „Excuseer ons, Schröder; wij gaan koffiedrinken.—Ik kom straks
wel terug om af te handelen, waarvoor ik kwam.—Komaan, beau cavalier,
je arm! Ha! Ha! Ha! de booze wereld zal ons oudjes toch wel zoo’n tête
à tête gunnen.”

Walten aarzelt, en mevrouw Groote herhaalt: „Als jij refuseert,
refuseer ik alle rollen, hoor! Kom! ik heb nu juist groote ambitie om
je te schaken.”

Schröder ziet aan Waltens houding en blikken, dat hij nog iets op ’t
hart heeft, en vraagt hem daarom met de oogen: „Heb je nog wat?” De
oude man, die met zachten drang door zijn dame naar de deur wordt
geleid, knikt „ja” zonder dat zij ’t ziet. Daarom roept de Directeur
hem met: „Een oogenblikje, mevrouw Groote; ik wou Walten nog iets
zeggen”, terug.

„Gauw dan; ik wacht hier”, zegt de actrice.

Als ze een paar passen in de kamer zijn, vraagt Schröder: „Wat wou je
me vragen?”

„Meneer Schröder, ik ben genoodzaakt om u te verzoeken om..... ’k Heb
dringend geld noodig; ’t is ellendig, dat ik zoo krap zit, maar ik
moet van avond huur betalen; anders....”

„Heb je veel noodig?”

„’n Kleine zeventig gulden, en dan heb ik zelf nog niets: ’k heb nog
een paar kwartjes in huis.—Zou u me niet ’n honderd gulden voorschot
willen geven?”

„Hum!” Schröder denkt even na.

„’k Geloof toch, dat u er geen kwaad mee kunt. Pietersen heeft
gisteren al vrij wat kaarten geplaatst en....”

„Pietersen, dien ouwen nathals, laat je dien voor je werken?”

„Och ja! hij is jarenlang mijn souffleur geweest; hij is gaar en kent
de lui, die vatbaar zijn, en hij heeft er slag van om hen te laten
teekenen.—Zou u....?”

„Enfin! ’k zal je maar helpen.”

„Kom je nu, kameraad? Mijn maag knort!”

„Dadelijk, mevrouw!”

De Directeur gaat naar zijn bureau, neemt er vier bankjes van ƒ25 uit,
geeft die aan Walten en zegt: „Ziedaar dan, maar meer dan dit geef ik
in geen geval.”

       *       *       *       *       *

Een oogenblik later zitten Walten en de actrice in de koffiekamer en
gebruiken met smaak een eenvoudige „lunch.”

Mevrouw Groote heeft er slag van om den ouden kunstenaar, zooals zij
het noemt, „op zijn gemak” te zetten. Zonder dat hij het zelf merkt,
laat zij hem vertellen, hoe zijn toestand eigenlijk is; met een enkel
deelnemend woord, een blik of gebaar vol sympathie, met den fijnen
tact, sommige ontwikkelde vrouwen eigen, weet zij hem alles te
ontlokken wat zij weten wil. Haar oogen worden nu en dan vochtig—hij
merkt het niet—en met klimmende belangstelling en innig medelijden
ziet zij hem aan, terwijl in haar geest het plan rijpt om met de
andere artisten iets voor den ouwen, armen collega te doen. Plotseling
vraagt zij: „En zou je dochter waarachtig kunnen genezen?”

„Zeker!”

„Voorgoed?”

„Voorgoed!—U zou niet kunnen gelooven, mevrouw, hoe kalm ze soms is;
dan zou je zeggen, ze mankeert niemendal, zooals nu bij voorbeeld.”

„Ik ga met je mee, Walten; ik wil haar eens zien.—Kom! we hebben
gedaan met eten, laten we opstappen.”

„U bij mij aan huis? Neen! dàt kan niet.”

„Waarom niet?”

„Neen! Neen!”

„Kom! ouwe heer, je zult toch niet te grootsch zijn om...? Of ben je
soms bang, dat de booze wereld je reputatie zal bederven door te
zeggen, dat jij „dames seuls” ontvangt? Ha! ha! ha!—Vooruit dan,
kameraad.”

„Neen, mevrouw, ’t is onmogelijk.—Aannemen!”

„Wou je nog iets gebruiken?”

„Neen!—U?”

„Ik ben voldaan!”

„Ik ook.—Hoeveel is ’t, Jan?”

„Twee gulden zeventig, meneer!”

„Hier, wissel me dat bankje eens; ’n dubbeltje voor jou.”

„Maar, Walten, wat doe je?”

„Ik betaal, mevrouw!”

„Ben je nou dwaas? Ik heb je immers...?”

„De eer aangedaan met mij koffie te drinken.”

„Goeie hemel! wat ’n vent!”

„Ik ken Goddank m’n wereld nog wel, mevrouw!”

„Je bent ’n gek, ’n stijfhoofdig monster, een trotschaard; maar toch
ben je n’ aardige kerel, ouwe heer!—Kom! laten we nu even naar je huis
gaan. Toe! laat me je dochter eens zien.”

„’t Kan niet, waarachtig niet!”

Een oogenblik denkt mevrouw Groote na en dan zegt zij plotseling:
„Kom! ’t is maar alleen om eens te hooren, hoe ze de rei uit
Gijsbrecht zegt; ik heb gehoord, dat ze dat zoo uitmuntend doet.”

Waltens oogen verliezen iets van hun dofheid, als hij antwoordt: „Ja,
dat’s waar, dàt doet ze eenig; maar—van wien heeft u ’t gehoord?”

„Hm! ja! Laat eens zien, van wien ook weer?—Hm! hm! O, ja! van
Pietersen, den souffleur.”

Walten heeft ’t oogenblikje van verlegenheid, waaruit mevrouw Groote
zich zoo meesterlijk redde, niet opgemerkt en zegt: „Ja, dat kan wel;
die heeft haar ten minste dikwijls zien spelen, toen ze nog goed was.
’n Mooi geluid heeft ze, mevrouw!”

„Mag ik haar dan niet eens hooren, collega? Toe! asjeblieft!” En met
een coquette beweging legt zij haar nog altijd fraaie, blanke hand op
Waltens arm. „Dat pleiziertje doe je me wel, hé?”

„Maar....” en Waltens blik wordt diep treurig—„dat was vroeger; nu
doet ze ’t niet meer. Ze zit kalm en bedaard, maar zonder spreken bij
me, ziet u? En dat noem ik: ze is goed!”

„Och! dat begreep ik niet, ouwe vrind; ik dacht, dat ze graag een rol
zei of een fragment en....”

„Neen! alleen als ze....”

Mevrouw Groote ziet hem zóó medelijdend en met een licht hoofdschudden
aan, dat hij onwillekeurig zwijgt.

„Laat me haar toch maar eens zien, Walten!”

„’t Is zoo’n heillooze rommel thuis. Wanneer zij zoo’n hevigen aanval
heeft, haalt ze soms alles overhoop en doormekaâr; en je _moet_ ’t
kind haar gang laten gaan. Ik ben waarlijk verlegen om.... U begrijpt,
met zoo’n geval en geen hulp! Ik schaam me er voor, maar....”

„Wat ’n dwaasheid! Ik heb waarentig dikwijls genoeg zelf in een rommel
gezeten. Denk maar eens na: toen we samen nog met den troep van Pavot
in dat kleine gebouwtje „de Variétés” speelden; ik was toen negentien
en pas bij ’t vak. Jij begont toen ook; je was misschien een jaar of
zes ouder.—Kom, ouwe kameraad! we kennen mekaar te lang om
complimenten te maken.”

„Nu, dan in Godsnaam, omdat u ’t _wil_!”


IV.

’t Waren moeielijke dagen, die nu voor den ouden Walten volgden, want
’t loopen met de lijsten voor zijn benefiet viel hem in ieder opzicht
zwaar.

„Oude heer,” had de Directeur Schröder hem gezegd, terwijl hij hem
gemoedelijk op den schouder klopte, „ik vertrouw, dat je ’t
verstandigst handelt door zelf met de lijsten rond te gaan. Geloof me,
wanneer de menschen jou zien, zullen ze bepaald voor een paar plaatsen
teekenen,—eerder dan wanneer je door dien verloopen Pietersen de lijst
laat aanbieden.” Dit laatste zei Schröder er bij, omdat hij op Waltens
gelaat een treurigen pijnlijken trek meende te bespeuren, toen hij zoo
ondoordacht zei: „Wanneer ze jou zien.”

’t Kwam hem plotseling in den zin, dat in die paar woorden een
geheele droevige lijdensgeschiedenis werd verhaald—aan den lijder
zelf, die zijn toestand maar al te goed kende.

Ja! Walten zag er slecht, ellendig slecht en vervallen uit, al had ook
Hostein met mevrouw Groote er voor gezorgd, dat hij ten minste een
fatsoenlijk pak kleeren had gekregen, waarin hij zich bij zijn
bezoeken aan de kunstvrienden en tooneelliefhebbers kon vertoonen. ’t
Was werkelijk alsof de man van dag tot dag lichamelijk verzwakte en
verviel; de vermoeienis van ’t loopen bracht er misschien ook nog toe
bij, dat zijn uiterlijk, hoe fatsoenlijk ’t ook scheen, toch volkomen
geschikt was om medelijden op te wekken.

De diep in hun kassen weggezonken oogen, de dikke blauwige wallen
daaronder, de bolbleeke wangen en nu en dan het beverige schudden van
’t hoofd spraken duidelijker, dan de dunne, bloedelooze lippen hadden
kunnen doen, van kommer, zorg en afgematheid. De vaal-geelbleeke
gelaatskleur, gewoonlijk eigen aan menschen, die zich dagelijks
blanketten en beschilderen, de tallooze kleine rimpels om mond en
oogen en de scherpe trekken langs den neus, gaven aan Waltens gelaat
iets zóó diep zwaarmoedigs, dat het stereotiepe tooneellachje, waarmee
hij zijn korte aanspraak bij ’t aanbieden van de benefiet-lijst
begeleidde, niet bij machte was, die sombere uitdrukking te verbergen.

       *       *       *       *       *

Over ’t algemeen genomen werd hij vrij goed ontvangen, en was zijn:
„Ik ben Walten, de voormalige komiek van den Schouwburg enz. enz.”,
bij de meesten voldoende om hem voor een korte afwijzing te behoeden.
Maar ook bitter vernederende oogenblikken moest hij doorleven, en wel
dáár waar hij die ’t minste verwacht had. Oude goede kennissen,
begunstigers van vroeger, namen met een schuinschen blik op Waltens
droevig uiterlijk de lijst aan, zetten er zwijgend hun handteekening
op of gaven door een kort: „’k Heb al TE VEEL van die dingen aan de
hand” te kennen, dat ze „er niet aan deden”. Een rijk geworden
kroeghouder o. a., die zich de weelde veroorloofde om van „de kunst”
te houden, ontving hem met een dikken, plompen lach van genoegen en
zei: „Wel, wel! ben jij nou Walten?—Manlief, ’t doet me plezier, dat
ik jou nog eens zie. Ik heb, toen jij nog in je goeie tijd was, wat om
jou motte lache, m’n buik heb ik vastgehouwe; je was een eeuwig leuke
pias, hoor! En daarom zal ik nou ook op je benefiet teekene voor mijn
en mijn heele geslacht. Geef me nege plaatse eerste rang; ’k zal je
maar vooruit betale, want om de duite is ’t toch te doen. Dat ’s nege
rikse, hé? Daar heb je een bankie van ƒ25.—; voor dat ééne achterwiel,
dat er over is, mot je maar een paar potjes bier drinke, hoor!”

O! ’t was zoo bitter, zoo kwetsend voor Walten, die ’t hart zoo hoog
droeg, om dàt te hooren. Zwijgend nam hij de lijst weer aan, terwijl
de toornader tusschen zijn oogen zwol en zijn lippen beefden; met
moeite onderdrukte hij een wederwoord, maar——’t was vijf en twintig
gulden op eens, en—hij was zoo moe van ’t loopen, van ’t vragen. „’t
Schijnt bijna bedelen,” dacht hij, terwijl hem ’t bloed naar ’t hoofd
schoot en de stem hem begaf, toen hij een woord van dank trachtte te
uiten.

Hier en daar werd hij kortaf met: „Dank je, ik zal er niet van
profiteeren,” afgewezen; ’t deed hem minder smartelijk aan dan de
woordenrijkheid van „den ploert,” die zoo royaal was.

Slechts enkele malen klonk hem, als zachte muziek, een vriendelijke
stem tegen, die met fijn gevoel, den ouden artist in hem waardeerend,
op zijn vraag antwoordde: „Of ik op uw benefiet wil teekenen, meneer
Walten?—Wel zeker, gaarne! Ik zou ’t u niet vergeven hebben, als u mij
had vergeten, want ik heb u niet vergeten; ’k heb veel genot en
ontspanning door u gehad en velen met mij; ik verheug me er op u nog
eens weer te zien spelen.—Ei zoo! geeft u „De Vrek?” ’n Mooi stuk, een
van uw beste rollen. En den Nikolaas in ’t blijspel „De dochter van
Dominique” toe? Die rol heb ik nooit van u gezien, dáár spits ik me
op. Welke plaatsen heb je nog over? Stalles, balcon of loge, geef me
maar wat je missen kunt, want ik vertrouw, dat er plaatsen te kort
zullen komen.”

Zulk een ontvangst bracht hem als met een tooverslag de oude goede
tijden weer voor den geest en weemoedige tranen in de oogen.
Onwillekeurig strekte hij dan vertrouwelijk bij het heengaan de hand
uit naar die van den man, die hem zoo vriendelijk en met tact te
gemoet kwam.

Ze waren echter zeldzaam die oogenblikken van waardeering en slechts
een kleine vergoeding voor de vele teleurstellingen, die hij in den
vorm van: „Meneer is niet thuis” of: „We houën hier niet van comedie”,
herhaaldelijk ondervond.

Toch kon hij tevreden zijn, want ’t aantal genomen plaatsen was vrij
aanzienlijk geworden, en de eerste rangen waren zoo goed als
uitverkocht.

Pietersen liep, zooals hij ’t zelf eigenaardig uitdrukte, „en tempête”
de heele stad door, en ofschoon hij zijn tochten rijkelijk met
spiritueus genot afwisselde,—„’t hoorde er onvermijdelijk bij”,
beweerde hij, omdat hij voornamelijk koffiehuishouders en slijters
„exploiteerde”,—kwam hij gewoonlijk des avonds in tamelijk goeden
welstand op Waltens kamer, om hem verslag te doen van den oogst, dien
hij had binnengehaald.

Ook aan ’t bureau van den Schouwburg waren, ten gevolge van de
aanplakbiljetten, de advertentiën in de kranten en een paar
welwillende dagbladartikelen, waarvoor Hostein en Schröder hadden
gezorgd, vrij wat plaatsen genomen, zoodat de oude man aan den
vooravond der voorstelling met zekerheid kon berekenen, dat, als er op
den speelavond zelf nog wat publiek „inliep”, er een batig saldo voor
hem zou overblijven, na aftrek van de honderd gulden voorschot,
voldoende om aan zijn dochter de tijdelijke opneming in een gesticht
te verzekeren.

       *       *       *       *       *

Mevrouw Groote had er intusschen voor gezorgd, dat „de rommel” bij
Walten door een werkvrouw eenigermate was opgeredderd en verder
diezelfde vrouw voorloopig als „gezelschap” bij de ongelukkige Annette
gelaten, omdat zij vond, dat „de stumperd” zoo akelig alleen en
verlaten zat, als haar vader uit was. Toen was zij naar Hostein gegaan
en had gezegd: „Luister eens, Willem! Ik ben bij Walten aan huis
geweest; ’t is daar een echt treurige boel, veel armoediger en
ellendiger dan ik me ooit had kunnen voorstellen; wij moesten de
handen ineenslaan en zien of we iets voor hem kunnen doen; de man
heeft in _zijn_ tijd voor menigeen wat overgehad.—’t Is waar, hij was
vroeger ’n beetje bazig en nu soms nog koppig en... Och! maar zoo
heeft iedereen wat.—Ga jij nu bij jou kennissen rond, dan zoek ik de
lui op, die IK ken; allicht halen we wat bij mekaar. Dan geven we hem
dat op den avond van zijn benefiet, netjes in een couvert aan een
lauwerkrans gebonden.—Wat dunkt je?”

„Je bent een kranige vrouw, hoor! en ik doe mee; ik zal de lui wel ’n
beetje opwarmen,” antwoordde Hostein. „Maar hoe is ’t op ’t oogenblik?
Hij heeft een voorschot, hé?”

„Och, beste vrind! ’t was dadelijk op, dat begrijp je, voor huur
enzoovoort. Maar enfin! dáár is al voor gezorgd: ik heb hem wat
gestuurd; je begrijpt, voor de zieke, nam hij ’t graag aan, zoo’n
beetje victualie, en voor de eerste dagen is er over dag een vrouw in
huis.—Zeg! dat kind van Walten, hum! ik bedoel die Netje, viel me mee;
ze was doodbedaard, maar ze sprak geen woord. ’n Mooie vrouw is ’t
zeker, ’n goed tooneelfiguur; maar wáár dat talent zit, waarvan hij
zoo hoog opgeeft, begrijp ik niet. De man is altijd épris geweest van
dat meisje, en haar stem is bepaald mooi, maar zoover ik me herinner,
was ’t verder niets buitengewoons.—Wat dunkt jou?”

Hostein haalde de schouders op en zei glimlachend: „Ieder denkt zijn
uil een valk te zijn; Waltens omgeving was in de laatste jaren ook
niet geschikt om.....”

„Och ja!” viel mevrouw Groote hem in de rede. „Je kunt op hem niet
veel peil meer trekken; ik geloof, dat hij in zijn laatste schoenen
loopt. Op de repetitie’s was ’t niet om aan te hooren; wezenlijk, _ik_
kreeg ’t benauwd voor hem; ’k geloof nooit, dat hij ’t er goed
afbrengt.”

„Kom! ’t is een ouwe tooneelrot; als de avond daar is, doet hij ’t
wel,—hij kent de trucs!”

„Neen, waarachtig, ’t was brabbelen wat hij deed.”

„Was ’t zóó slecht?”

„Abominabel! Hij is op,—totaal op!”

       *       *       *       *       *

„’t Is een steen van mijn hart, Pietersen! dat alles zoo goed is
gegaan; de zaal wordt vol,” zegt Walten op den avond vóór het benefiet
tot den souffleur, die hem als naar gewoonte bezoekt.

„C’est clair, mon Prince!” antwoordt Pietersen, en met een schuinschen
blik uit zijn knippend rechteroog voegt hij er bij: „En is ’t nu wat
beter gegaan op de repetitie?”

„Hoe bedoel je?”

„Wel, zit „De Vrek” er weer goed in?” Pietersen wijst met het boekje,
waaruit hij Walten de rol van Nikolaas uit „De dochter van Dominique”
overhoort, op zijn voorhoofd.

„Ik geloof ’t wel, maar ’k heb nog altijd last van die duizeligheid,
vooral als ik me inspan bij ’t spelen. Zou dat zwakte zijn?”

„Misschien?—’t Is ook een zware rol.”

„’k Zal morgenochtend nog eens memoriseeren, maar de clausen willen er
niet goed meer in. Ik begrijp ’t niet: ik kon „De Vrek” vroeger als
mijn zak, dat weet je wel, en van morgen op de repetitie zat ik
telkens vast. Hoe is het mogelijk? Mijn geheugen is toch goed.”

„Geweest!” denkt de souffleur, terwijl hij ’t boekje opnemend zegt:
„Komaan Walten! willen we dan eens even verder gaan? Ik zal je enkel
maar weer „de wacht” geven. ’t Is een echte lachrol, die Nikolaas.”

„Ja! maar ’t lachen gaat me niet natuurlijk meer af.—Enfin! begin
maar.”

Walten staat nu eens bij den stoel naast de tafel, waaraan de
souffleur, die zijn bril heeft opgezet, met de ellebogen onder ’t
hoofd, zit te souffleeren wat „Nikolaas” zeggen moet, dan weer loopt
hij even heen en weer door de kamer of plaatst zich naast Annette, die
somber voor zich uit ziende, op den rand van ’t bed zit en in hetgeen
in haar tegenwoordigheid voorvalt, geen aandeel schijnt te nemen.

„Heb je weer hoofdpijn, kind?” vraagt Walten bezorgd, terwijl hij
zachtkens met zijn hand over Annettes donker haar streelt.

„Neen!” Zij plukt onrustig met bevende vingers aan haar loshangende
ochtendjapon.

„Waarom is die vrouw weg?”

„Ze is naar huis gegaan, dat weet je wel kind!”

„Neen! ze maakt leven, buiten op de trap.”

„Zij? Wel neen, Netje.—Hoor jij wat, Pietersen?”

„Niets, mon Prince!—St! ze zal ’t in haar hoofd hebben.”

„Bonst ’t weer in je hoofd, kindlief?”

„’t Is zoo warm, dáár, dáár,” en met krampachtig gekromde vingers
grijpt Annette boven op haar kruin.

„Wil je een doek met water erop hebben?”

„Neen!”

„Hindert ’t je, als we spreken?”

„Neen! maar die muziek buiten wèl.”

„Muziek? Er is geen muziek; ’t is doodstil!—God! Pietersen, ze zal
toch niet weer...?”

„Toe! zeg, dat ze ophouden, die keteltrom... O!”

„Maar lieve Netje, ’t is....”

„Ophouden! Ophouden! O, God! wat doen ze me zeer.”

„Drink eens, kind; hier heb je limonade, die heeft die goeie mevrouw
Groote je gebracht.—Pietersen! ’t wordt weer mis: wat moet ik
beginnen?” Walten ziet vol bezorgdheid zijn dochter aan.

„’k Weet het niet, mon Directeur! maar ’t is niet in orde met haar,
cela va sans dire; ik zal Nikolaas maar wegbergen, hé?” Pietersen
slaat ’t boekje dicht, knipoogt en zet zijn bril af.

„Vader! vader! laat ze uitscheien.” Annettes oogen krijgen een wilden,
zonderlingen glans; haar gelaatskleur is afwisselend bleek en
hoogrood; koortsig huiverend, nu en dan sidderend, klemt ze zich
angstig aan Walten vast.

„Als je haar eens ’n klein tikkie cognac liet drinken; wil ’k je de
flesch eens aangeven?” vraagt Pietersen, en een cynisch lachje om zijn
breeden mond doet even de uiterste spits van zijn tong zichtbaar
worden.

Walten antwoordt niet; hij houdt zijn kind omvat, legt zijn
stoppelige wang tegen haar hoofd en sust haar even alsof ze een klein
meisje was.

„Kijk! zoo’n half kelkje—c’est un tonique!—dat zal ’r waarachtig
goeddoen.” Pietersen komt met het glaasje in de hand naar Netje en
Walten, maar drinkt het haastig zelf uit, omdat hij, schier verschrikt
terugdeinst, bij ’t hooren van Annettes lach, die ditmaal zoo akelig
snijdend klinkt, dat hij zich omwendt en snel een grooten slok uit de
flesch neemt om zijn zenuwen te doen bedaren.

Zoo’n proefje smaakt naar meer, en vóórdat Walten het bemerkt, heeft
Pietersen ’t restant cognac achter elkander uitgedronken en de ledige
flesch weer in de kast gezet. Zich de lippen lekkend, hikt hij even,
veegt met den rug der rechterhand langs zijn mond en zegt: „Ze lacht
leelijk van avond; ’t zal een krasse bui worden. Wil ’k ook even naar
den dokter loopen?”

„Ja! ja! asjeblieft. Maar wacht nog even: ik ben bang dat ze zoo
meteen neervalt. Stil! ’t gaat wat over.”

Eensklaps ziet de krankzinnige, die nog voortdurend stuipachtig,
hoewel minder luid, lacht, met een schier helderen blik haar vader en
Pietersen aan, laat den eersten los en vat den anderen, die de deur is
genaderd, bij beide schouders, terwijl zij met gesmoorde stem hem
toesnauwt: „Waarom lach jij niet mee? Ha! ha! ha! Hij wil niet
lachen.”

Een wilde woeste uitdrukking komt op haar gelaat, als zij den
souffleur heen en weer schudt en hem nogmaals toebijt: „Lach!”

„Lach! In Godsnaam, lach dan toch!” fluistert Walten.

Pietersen vertrekt zijn tandeloozen mond tot een mislukte grijns; en
als Annette ziet, dat hij lacht, laat zij hem los en pakt haars vaders
arm. „Jij ook! Lachen zul je, ha! ha! ha!”

Ook Walten beproeft te lachen, maar de tranen springen hem uit de
oogen, zijn hart staat een oogenblik als stil; hij voelt dat hij
stikken zou aan dien lach en machteloos, bevend, wankelt hij en valt
half zittend voorover op ’t bed.

Verwonderd, wezenloos ziet Annette om, haar lach verstomt, ze rilt als
van koude, slaat huiverend de armen over elkander, opent dan wijd en
glazig de groote oogen, werpt ’t hoofd trots in den nek en zegt op
bevelenden toon: „_Mijn mantel!—Don Alfons, breng mij mijn
hermelijn!_”

Walten heeft zich reeds weder opgericht en roept haastig vol angst:
„Daar is ’t weer! Nu blijft ze zóó weer den geheelen nacht, misschien
morgen ook nog. Goeie God! wat moet ik beginnen? Hoe kan ik morgen
avond spelen?” Hij huivert en snikt.

Pietersen, die door het te haastige gebruik van bijna een halve flesch
cognac toch min of meer anders dan gewoonlijk wordt, antwoordt
glimlachend: „Waar is je alma-viva dan, m’n wijfje?”

Walten heeft snel den koninginnemantel opgezocht, hangt hem zwijgend
over Annettes schouders, maar drukt te gelijk haar hand een oogenblik
tegen zijn lippen.

Gedurende eenige minuten staat de krankzinnige zwijgend doodstil
midden in de kamer.

„_Zet mij de kroon op ’t hoofd en blijf hier naast mij staan!_”
Krampachtig houdt zij haars vaders hand vast.

„Toe! Pietersen, gauw de kroon!”

„De kroon? Ik zie ze niet. Wat duivel! gaat me die k—kroon ook
aan?—Verdijd! daar stoot ik m’n elleboog.—Dat bordpapieren ding is er
niet; ’n mooi l—lorrr!”

„Maar geef ze dan toch aan, Pietersen! Dáár, op de latafel; zie je ze
niet? Dáár!”

„Ja, ja! nou zie ’k ze wel; hou je gem—mak, mon P—prince; ik heb ze
al. Tout doucem—ment. Zóó, zet ze op drie haren, sch—oone D—donna.” En
vrij onhandig drukt hij de kroon op Annettes lokken.

„God almachtig! hij is dronken! Pietersen, hoe komt dat op eens? Heb
je...? Je bent bez....”

„Dronken? Waarachtig niet, m—mon Général; ’n beetje tipsy maar,
legèr—re—m—ment ému. Verduivelde goeie cognac hou jij er op na. Ha!
ha! Annette, mon—id—ôle, je zit daar heel leuk. ’n Mooie troon, dat
onopgemaakte mandje!”

  „Gij trouwe ridderschaar zit aan mijn voeten neder
  En luister ned’rig naar mijn Koninklijk bevel!”

declameert de ongelukkige luid en krachtig.

„Pietersen, kom dan toch; ga zitten, hier! gauw! Anders wordt ze woest
en dan is ze straks niet te houwen.”

„H—houwen? Ik heb slaap, verdraaid veel slaap. Zoo dan! Zit ik zoo
naar je zin ma—majesteit, koningin van mijn hart, r—reine de mon
c—c—coeur?”

„God! hij slaapt in.—Pietersen, word wakker!”

„Hé?”

„Kom dan, word wakker; je zoudt voor me naar den dokter gaan; ik kan
haar niet alleen laten. Toe, Pietersen, luister dan toch! Ga niet
slapen!”

„Dokter? Jawel, akkoord, médecin malgré lui, Molière. De cognac was
zuiv—ver sterk....” De souffleur slaapt, hij knikkebolt aan de voeten
van Annette, die hem niet meer schijnt te zien, maar krampachtig de
hand van haar vader vasthoudend verder declameert.


V.

Toen Walten den volgenden avond een half uur vóór den aanvang van ’t
stuk in Hosteins kleedkamer kwam, waar deze bezig was om zich „in ’t
pak te steken”[1] voor de rol van Valerius, had hij nauwelijks kracht
genoeg om te staan. Zijn oogen stonden hol en brandden hem in ’t hoofd
en op zijn wangen toonden een paar roode vlekken, akelig duidelijk,
hoe vermoeid en afgemat hij was.

[1] Tooneelterm voor costumeeren.

„Willem,” zuchtte hij, terwijl hij op den stoel naast Hosteins
kaptafel neerviel en met ’t hoofd vóórovergebogen, de handen slap
langs ’t lichaam hangend, moedeloos bleef zitten. „Willem, ik kan niet
meer!—Zoo erg heeft Netje ’t nog nooit gehad, en die aanval hield maar
niet op: ik ben den heelen nacht en vandaag, tot van avond toe, met
haar doende geweest. Goddank! ze ligt nu eindelijk te slapen! Ik ben
dood, doodaf. Hoe zal ik in Godsnaam spelen?”

Verschrikt zag Hostein, die voor den spiegel stond, om naar den naast
hem zittenden man, lei ’t stuk „vetschmink”, waarmede hij zijn wangen
bestreek, neer en zei: „’t Is verschrikkelijk;” maar toen de oude man
opkeek en hem aanzag, terwijl ’t licht der gasvlam vol op zijn ontdaan
gelaat viel, ontsnapten hem plotseling de woorden: „God! Walten wat
zie je er uit!—Je hoeft je waarachtig niet te grimeeren; schmink je
maar een klein beetje op je wangen en zet een pruik op, dan is ’t
uitmuntend: een Harpagon om te stelen.... Och! neem me niet kwalijk,
dat ontviel me daar zoo plompverloren; ik kan ’t waarachtig niet
helpen, ik dacht alleen om ’t stuk, en jij zit daar precies, even
verslagen, als Harpagon in ’t derde bedrijf, laatste tooneel.”

Walten zag Hostein even aan en lachte smartelijk: „Ik ken je immers
Willem; je meent ’t goed.”

„Wacht maar even, ik zal je dadelijk eens weer op streek helpen.—Je
„pak” hebben ze hier gebracht; ik dacht: je zoudt je hier liever
aankleeden dan alleen. Trek den boel maar al vast aan,—ik ben zóó
terug; ’k zal een hartversterking voor je halen.”

„Och neen! ik kan toch niets gebruiken.”

„Dat zul je wel!”

Toen Hostein verdwenen was, richtte Walten zich met moeite op, trok
zijn jas uit, zette zijn hoed af en nam plaats voor den spiegel, op
den stoel, dien de andere verlaten had.

Een blik in ’t heldere glas riep om zijn lippen een bitter droeven
glimlach te voorschijn. Hij steunde het hoofd in de rechterhand en zag
naar zijn roode ingezonken oogen, de blauw getinte wallen daaronder en
de schier zwarte lijnen van de scherpe trekken langs zijn neus.

„Ja! Willem heeft gelijk,” mompelde hij: „ik heb geen grime noodig.”

Nog een oogenblik bleef hij in gedachten verzonken zitten en toen, met
een uiterste inspanning van zijn wil, richtte hij zich op en begon
langzaam zijn kleederen verder uit te doen. Weer sloeg hij een blik in
den spiegel vóór hem en hij wachtte een oogenblik, starend naar zijn
beeld. Zijn handen beefden, zijn oogen werden verduisterd door de
tranen, die er onophoudelijk in opwelden; hij voelde ze langs zijn
wangen biggelen, hij zag ze één ondeelbaar oogenblik in den spiegel
weerkaatst en hij wischte ze niet af. ’t Kwam hem voor alsof hij in
dien spiegel een gelaat zag, dat hij niet herkende en dat toch ’t
zijne was; ’t scheen hem als hoorde hij een stem, die hem
toefluisterde: „Die man is Walten immers niet?” en hij had het gevoel
van iemand, die na langen, langen tijd afwezig te zijn geweest, weer
terugkomt in bekende streken, maar alleen om alles veranderd en
vervallen terug te vinden.

Werktuiglijk trok hij de zijden kousen en korte broek van Harpagons
kostuum aan en bukte zich om de lage schoenen aan te doen. Dat bukken
viel hem moeielijk; ’t bloed gonsde en bonsde in zijn slapen en een
donkere nevel kwam over zijn oogen, toen hij eindelijk ’t hoofd weer
ophief en rondzag.

„’k Had waarachtig haast geen pruik met een kaal hoofd noodig,” zei
hij in zichzelf, terwijl hij met den haarborstel de weinige grijze
haren, die plat langs zijn klamme slapen gekleefd lagen, naar achteren
streek. „Maar komaan, ’t is eenmaal de traditie zóó!” Hij zette de
pruik op en „schminkte” zijn voorhoofd bij, totdat de afscheiding van
huid en pruik onzichtbaar was; met onvaste hand trok hij een paar
zwarte lijnen onder zijn oogleden en langs zijn neus, maakte zijn
wenkbrauwen wat grijzer en streek een paar malen over zijn stoppelige
wangen. „’k Ben sedert drie dagen niet geschoren. ’k Heb ’t glad
vergeten,” dacht hij, en toen hij nogmaals een blik in den spiegel
wierp, zei hij als tot zichzelf sprekende: „’t Past nu goed in de rol;
hum! ik zal....”

„Ziezoo, papa! dat zal je goeddoen en opknappen. Allons! drink dat nu
eens achter mekaar uit,” en met een vriendelijken lach hield Hostein
hem een glas melk met geklutste eieren voor.

„Je bent toch een goeie kerel, Willem!”

„Jawel! maar zanik nu niet en drink uit. Ik heb er maar één lepel rum
in laten doen; je zult er dus de hoogte niet van krijgen.”

Onder ’t drinken even ophoudend, zei Walten: „Ik kan ’t haast niet
inkrijgen; ’t is alsof ik ’n stuk in mijn keel heb, dat ’k niet
doorslikken kan.”

„Kom, kom! allemaal gekheid! ’t Moet erin.”

„Heelemaal?”

„Achter elkaar, anders helpt ’t niet. Zóó! Je zult eens zien, hoe je
daarvan opknapt. Ga nu nog een oogenblik zitten, dan kalmeer je
heelemaal. ’k Heb zoo’n voorgevoel, dat je van avond een succes zult
hebben.”

Hostein geloofde zelf niet wat hij zei, maar ’t goede hart, dat hij
zijn ouden leermeester toedroeg, deed hem zoo spreken. „Hum!” ging hij
voort, „ik heb van morgen nog van Schröder gedaan weten te krijgen,
dat de souffleur vanavond vrijaf heeft.”

„Wat zeg je daar?” Met schrik zag de oude acteur hem aan en een
ongeloovige trek kwam op zijn gelaat, toen Hostein er lachend
bijvoegde: „We spelen „De Vrek” achter mekaar af, de vijf bedrijven,
zonder scherm neer en we zijn zóó rolvast, dat....”

„Hè, jij zonder souffleur, Hostein?” zei Walten, even glimlachend.

„En jij zonder souffleur?” gaf de andere lachend terug. En terwijl hij
„Harpagon” vertrouwelijk op den schouder klopte, voegde hij er bij:
„Neen! ik maak maar gekheid; ik kan er niet buiten—’k ben van jou
school, papa Walten—maar ik heb van Schröder gedaan gekregen, dat
Pietersen van avond souffleert.”

„Pietersen?”

„Ja! ’k Heb ’t om jou gedaan, Walten; jij bent zoo aan hem gewend, en
ik dacht....”

„Dank je, Willem! Ja, ’t is waar—’k heb hèm liever als dien anderen;
hij kent me beter. Maar.... zeg?”

„Wat?”

„Jelui hebt toch gezorgd, dat hij niets kan krijgen voordat alles
gedaan is?”

„’t Verbod is uitgevaardigd; geen druppel, hoor!”

„Daar wordt geklopt, Hostein.”

„Mag ik binnenkomen?” klonk buiten de deur mevrouw Grootes
vriendelijke stem.

„Entrez!”

Dadelijk daarop kwam de actrice—als Frosine gekleed—Hosteins kamer in
en wendde zich tot Walten, met de woorden: „’k Wou eens even komen
kijken hoe je bent, want ik heb daar juist van Hostein gehoord, dat ’t
weer mis is bij je thuis. ’n Ellendige historie voor je, arme vent! En
is ze nu alleen?”

„Stil! spreek daar nu niet meer van, hij is al zoo zenuwachtig.”
fluisterde Hostein mevrouw Groote haastig toe.

„Heeft zij niemand tot gezelschap, Walten?”

„Uw schoonmaakster is bij haar, mevrouw.”

„O!—En?”

„Die blijft totdat ik terugkom van avond.”

„Goed!—Jongens, jongens! wat ’n zaal vol menschen. Zeg! dat doet je
nog eens goed, hé? Heb je al door ’t scherm gekeken? ’t Is stampvol.
De handjes zullen wel op mekaar komen, als jij opkomt. En wat zeg je
nu van mij?” Mevrouw Groote draaide vlug op haar hielen rond! „Heb ik
me niet mooi gemaakt als Frosine? Waarachtig, Walten, ’k doe ’t voor
jou; anders speelde ik „de koppelaarster” niet.—Hou je nu goed,
hoor!—Heb je vandaag nog kunnen leeren?”

„Ik?—Groote God! wat ’n vraag!”

„Och, dat ’s waar ook, daar dacht ik niet aan.—Nu, dan maar
hengelen,[1] ouwe heer!” Mevrouw Groote zei het vroolijk en opgeruimd,
maar toch klonk in die vroolijkheid een nauw hoorbare toon van angst
en tersluiks zag zij Hostein aan met een blik, die duidelijk de vraag
uitdrukte: „Hoe zal dat afloopen?”

[1] Op den souffleur spelen.

„’k Ben nog nooit zoo zenuwachtig geweest als van avond,” zuchtte
Walten, die inmiddels zijn toilet had voltooid en met een lichten
schrik de stem van den inspiciënt vernam, die, in de gang tusschen de
kleedkamers loopend, riep: „Tot den aanvang, dames en heeren!—Tot den
aanvang!”

Vóór het gewone: „_van ’t tooneel_” en „_aan ’t gordijn!_” van den
inspiciënt weerklonk, drukte mevrouw Groote haar ouden vriend nog even
de hand, klopte hem op den schouder en zei: „Wees nu maar kalm en
bedaard. Hoe is ’t mogelijk, dat je zóó zenuwachtig kunt wezen, zoo’n
ouwe „troupier” als jij...? En denk er vooral om, dat je aan ’t eind
van ’t tweede bedrijf bij je „sortie” nog even ’t hoofd om de deur
steekt, om me „_tot wederziens_” toe te roepen; dan kan ik beter mijn
claus zeggen—en krijg er zeker een applaus op, als ik je zoo uit de
verte toeroep:

„_Dat de duivel je hale, gemeene vrek, hongerige schraapwolf!_”—Denk
er asjeblieft om, want op de repititie heb je ’t telkens vergeten. En
nu: goed succes.—O ja! nog iets, in ’t vierde bedrijf, wanneer ik dat
gesprek met jou en Kleant heb, kun je me als ik „af” moet, nog even
terugroepen; en als ik dan weerom kom, doe je zóó met je hand,—je
maakt zoo’n soort plagerige kushand, begrijp je? Dan zet ik een
woedend gezicht en maak nog een nijdige „dienaresse”; daar heeft ’t
publiek pret in, begrijp je? ’t Is anders zoo’n ellendige „sortie”,
zóó mager, dat, als je er niets van maakt, er geen hand op mekaar
komt; en ik _wil_ applaus hebben van avond, alléén omdat Andrée ’t
bepaald _niet_ krijgt in haar rol als Elize.—’t Verwondert me nog, dat
ze die heeft aangenomen; maar ze durfde niet weigeren om de anderen,
vat je?”

Daar klonk op eens het schelletje en de roep „Halen!” ’t Scherm ging
omhoog en ’t stuk was begonnen.

       *       *       *       *       *

’t Is vol, zeer vol in den Schouwburg, zelfs het „schellinkie” en „de
tien” zijn goed bezet. De korte, eenvoudige titel van het stuk „De
Vrek” heeft de liefhebbers van moord en doodslag ditmaal niet
afgeschrikt om hun penninkske op het altaar der kunst te gaan offeren.

Misschien ook heeft Waltens naam op ’t affiche—men had hem immers
vroeger, toen hij nog in zijn kermistent „alles” speelde, zoowel in
„Rolla”, als in „de komiekigheid” bewonderd—er ’t meest toe
bijgedragen om ook de hoogere rangen vrij voldoende te doen bezetten.

Achter de coulissen staande, ziet Walten met kloppend hart naar de
spelers, die in de eerste twee tooneelen optreden, en als het derde
tooneel komt, waarin hij zijn eerste opkomst heeft, kost het hem
moeite een lichte siddering te onderdrukken. Plotseling voelt hij de
hand van den inspiciënt op zijn schouder en hoort hij zich
toefluisteren: „Asjeblieft, meneer Walten, de beurt is zoo dadelijk
aan u.”

’t Schijnt bijna alsof die aanraking hem moed geeft, want hij richt
zich op uit de ietwat gebogen, luisterende houding, waarin hij staat
en roept met luide stem de enkele woorden van zijn rol, die hij achter
de schermen moet spreken, pakt „Laflèche”, die naast hem wacht, bij
den schouder, duwt hem vóór zich uit op het tooneel en—dan draait en
duizelt alles hem voor de oogen.

Met een daverend handgeklap bij zijn optreden begroet, gaan de
woorden: „_Voort! ’t huis uit, zonder tegenspraak, op ’t oogenblik,
voort! Galgenaas! schelm! maak dat je wegkomt!_” waarmee zijn rol
begint in het applaudissement en bravo-geroep, dat hem verwelkomt,
verloren. Niemand hoort, hoe zijn stem beeft, hoe heesch en schor zijn
geluid reeds is bij dien eersten volzin.

Een paar groene kransen en een bloemruiker worden door onzichtbare
handen op ’t tooneel geworpen. Mevrouw Groote heeft er in stilte voor
gezorgd, omdat zij meende: „’t Zal den ouwen stumperd een riem onder
’t hart steken, als hij goed wordt ontvangen.”

Het „Bravo” dat hem tegenklinkt, het handgeklap dat hij hoort, maakt
hem een oogenblik verward, duizelig, beneveld; de kransen die voor
zijn voeten neervallen, ziet hij nauwlijks, en zonder dat hij er zich
eigenlijk bewust van is, buigt hij twee, drie malen diep voor ’t
publiek, dat hem blijft toejuichen, totdat een paar krachtige „St!
St’s” uit den Engelenbak, die verlangend is om meer te hooren, hem tot
de werkelijkheid terugroepen. Als ontwakend slaat hij de oogen op,
ziet rond, het voetlicht schittert hem weer als vanouds in de oogen en
voor eenige oogenblikken vergeet hij alles, alles! ook zijn ellende;
de artist in hem wordt wakker—hij is „Harpagon de Vrek!”

Het tooneel met Laflèche, waarin hij diens handen en zakken
onderzoekt, wordt inderdaad goed—fijn comisch—door hem gespeeld, en
als hij, in de wijde broekzakken van zijn knecht grabbelend, met
grappige verwondering uitroept:

„_Goeie hemel! wat heb jij groote zakken! Magazijnen, rooversholen
zijn ’t; de politie moest zulke zakken verbieden,_”

Gaat er een luid gelach op uit ’t parterre.

„Hij is toch nog allemachtig komiek,” fluistert een burgerjuffrouw
haar buurman toe, die met gespannen aandacht zit te kijken en, het
hoofd even naar haar omwendend, aanmerkt: „Ja, maar hij spreekt toch
erg onduidelijk; je moet goed opletten, anders versta je ’m niet.”

„Uitstekend gegrimeerd! Ziet u, mevrouw! daaraan herkent men toch
dadelijk „den artist””, zegt in de stalles de verslaggever van een der
bladen tot de naast hem zittende dame, die haar binocle aan de oogen
brengt, scherp en lang naar Harpagon ziet en dan fluisterend
antwoordt

„’t Is fameus goed gedaan, want zelfs door mijn kijker is de grime nog
zóó natuurlijk, bepaald alsof ’t geheel en al zijn eigen gezicht is.
Kijkt u zelf maar eens, meneer!”

„’k Geloof heusch, dat hij er zich goed doorheen werkt, die ouwe
tooneelrot”, zegt glimlachend mevrouw Groote tot den Directeur, die
naast haar staande, achter „den manteau d’arlequin”[1] verborgen,
evenals zij, Waltens spel oplettend gadeslaat.

[1] De draperie, die vóór de zijschermen geplaatst is.

„’t Valt me geducht mee”, antwoordt Schröder en klapt met zijn
rechterhand, zachtjes applaudisseerend, in den linker, als hij
Harpagon het eerste bedrijf hoort sluiten met de ernstig-comisch
gezegde woorden: „_Wat ’n juweel van ’n knecht!—’n Gelukkig mensch,
die er zóó een heeft en zóó goedkoop._”


VI.

In ’t derde bedrijf wordt het reeds zeer merkbaar, dat de beneficiant
niet meer voort kan. Uit de loges en stalles ziet menig vriend van
vroeger hem medelijdend aan en fluistert men elkander toe: „Hij is
totaal op, méér dan op” en van „’t Schellinkie” klinkt nu en dan een
afkeurend gesis. Die schellingsklanten willen goed bediend worden voor
hun geld.

„Je hoort alles tweemaal, wat die ouwe zeit,” roept er een, die, met
minder toegefelijkheid dan ’t overige publiek, opmerkt, dat Walten
zich uitsluitend op den souffleur moet verlaten.

Hoezeer de medespelers ook hun best doen om Harpagon te redden en hem,
zooals men dat noemt, „er door te sleepen”, ’t baat niet; hij raakt
hoe langer hoe meer van streek, verstaat zelfs den souffleur niet
meer, spreekt allerlei wartaal en weet nu en dan in ’t geheel niet
meer wat hij zeggen moet.

Mevrouw Groote helpt hem met oneindig veel takt en routine door de
tooneelen, die zij met hem te spelen heeft heen en gaat eindelijk—een
vergefelijk iets voor iemand van haar talent en temperament—eenigszins
knorrig naar haar kleedkamer, omdat Walten geheel en al vergeet, haar
aan ’t einde van dat tooneel terug te roepen. Daardoor mist zij het
applausje dat zij begeert en zegt zij in zich zelf: „’t Is een
treurige boel,—’k heb geen lust om er verder naar te zien.”

In zenuwachtige spanning staan de meesten der medespelende artisten
tusschen de schermen en zien naar Walten, die achter de deur, waardoor
hij opkomen moet met het boekje in de hand staat te wachten en
trillend van inspanning de woorden, die op het tooneel gesproken
worden, volgt. Eensklaps schreeuwt hij, lezend:

„_Dieven! dieven! roovers! spitsboeven! moord! brand! alarm, ik ben
bestolen!_” werpt haastig het boek achter zich op den grond en snelt
het tooneel op.

Hij moet nu de groote scène spelen, waarin Harpagon, de Vrek, die tot
de ontdekking is gekomen, dat men hem zijn cassette met geld, zijn
schat, heeft ontstolen, der wanhoop nabij is en hemel en aarde bewegen
wil om den schuldige te ontdekken.

Gejaagd en met verwilderde oogen rondziende, loopt hij heen en weer
over het tooneel, ziet links en rechts tusschen de schermen, als zocht
hij dáár hulp; schreeuwt nogmaals luid en akelig: „_Ik ben bestolen.
Wie heeft mijn geld, mijn lief geldje genomen. Wat moet ik doen om
den schelm te vinden? Ik ben in de war, ik weet niet of ’k mezelf
pakken moet of een ander en...._” Plotseling blijft hij stokstijf
stilstaan, spreekt haastig eenige woorden achter elkander en ziet dan
zwijgend, strak op één punt starend, vóór zich uit, even als iemand
die door een hevigen schrik bevangen wordt.

       *       *       *       *       *

„Dat speelt hij waarlijk niet slecht; ’t is wel een zonderlinge
opvatting, dat plotselinge zwijgen, maar er is toch iets verrassends
in” zegt fluisterend een dame in ’t balcon tot een heer naast haar,
die even zachtjes antwoordt: „Ik geloof bepaald dat hij blijft steken,
mevrouw!—kijk, kijk! de souffleur komt bijna geheel zijn hokje uit.”

„Bedaar Arie, blijf in je pothuis!” roept een stem van boven tot
Pietersen, die halverwege zichtbaar is geworden en schier luid de
woorden souffleert: „_nu is het uit met mij; uit, gedaan!_”

„’t Is afschuwelijk om te zien, ja u heeft gelijk, de arme man is de
kluts kwijt,” fluistert de dame, nu zij ziet hoe Walten, met
wijdgeopende oogen voor zich uit starend, langzaam een pas voorwaarts
doet, dan half wezenloos Pietersen aankijkt en werktuigelijk op
smartelijken toon herhaalt. „_Nu is het uit met mij._”

„Ik wou dat ik hier van daan was meneer, ik kan ’t niet langer
aanzien, dàt moet een marteling zijn voor dien ouden man” herhaalt de
medelijdende dame, terwijl zij het hoofd voorover buigt en stipt op
haar programma blijft kijken.

Walten slaat zich met de vuist op de borst, trekt zijn pruik van ’t
hoofd en drukt dien voor zijn gelaat.

„Bravo! Bravo!” schreeuwt lachend van „’t schellinkie” iemand die, in
die akelig wanhopende beweging „spel” meent te zien en als Walten
nogmaals dof en droevig herhaalt: „_uit! uit!_” klinken zelfs een paar
bijvalskreten en een licht handgeklap van de overige rangen.

’t Is erg komiek dat hij zijn pruik aftrekt en ’t komt zoo in de rol
te pas, denkt men eerst, maar al zeer spoedig komt het publiek tot de
ontdekking dat ’t zuiver „natuur” is wat het aanschouwt.

Harpagon loopt radeloos over het tooneel heen en weer, kijkt in ’t
souffleurshok, zwaait zijn pruik op en neer en slaat er zich mee voor
’t hoofd.

’t Wordt mis met Walten, hij blijft steken, denkt Pietersen, zachtjes
zegt hij: „Enfoncé mon Directeur” en, zich zoo ver mogelijk
oprichtend, roept hij, halfluid: „Walten! Walten! luister dan
toch:—_mijn geld, mijn geld, ik word er nog gek van dat ’t weg
is_—alles is weg!”

„_Weg! alles is weg!_” herhaalt de oude man en als versteend blijft
hij staan, vlak voor ’t voetlicht; hij beeft aan alle leden.

Nogmaals schatert een gelach van boven uit den Engelenbak, maar uit
Balcons, Stalles en Loges en andere rangen gaat een toon van
medelijden op, zacht ruischend van mond tot mond, van oor tot oor.

’t Is ook waarlijk niets grappig om daar dien ouden man te zien, die,
wezenloos voor zich uitstarend, met de vuist zich voor de borst slaat,
allerlei onverstaanbare woorden prevelt en eindelijk luid snikkend
uitroept: „ik ben alles kwijt, alles vergeten!”

„Harpagon” hoort niets meer, verstaat niets meer en wankelt als een
beschonkene heen en weder.

„Hij is vet”, roept er een van ’t „schellinkie.”

„Hij heit ’em om, hoor!” gilt een ander.

Zelfs die kreten brengen hem niet tot bezinning; nog een paar maal
opent hij den mond, rukt met de linkerhand zijn halsdoek af, slaat
zich met de pruik herhaaldelijk in ’t gelaat en is op het punt van
neer te vallen op ’t tooneel.

De muzikanten staan op in ’t orchest, en rekken de halzen uit om te
zien wàt er gebeurt, in de Stalles rijst hier en daar een toeschouwer
op en uit Balcons, Parterre en Loges klinkt een verward gefluister. ’t
Is alsof plotseling een angstige, gedrukte stemming over alle
toeschouwers komt—’t wordt stil, men wacht ademloos af wat er verder
gebeuren zal.

       *       *       *       *       *

„Gauw! gauw! een stoel, een glas water gauw!” roept met angstige stem
een acteur die achter de coulissen Walten heeft gadeslagen, en nog
juist bijtijds toesnellend den armen man voor vallen behoedt door hem
onder de armen vast te houden en van ’t tooneel te brengen.

Van alle kanten komen acteurs, actricen, kleedsters en tooneelknechts,
met nieuwsgierig vragende gezichten aangeloopen en omringen „den
beneficiant”, die hijgend, doodsbleek, met losgescheurde kleederen en
verwilderde haren op een stoel, in allerijl door Laflèche aangebracht,
is neêrgevallen.

Waltens oogen zien verwilderd en dwalend rond; de eene hand,
krampachtig gebald, houdt nog Harpagons tooneelpruik, samengeknepen,
vast en de andere woelt met wanhopige bewegingen in de weinige grijze
haren die zijn kruin bedekken.

„Ting! ting! ting!” doet de electrische schel, ’t is het sein voor ’t
begin van ’t 5e bedrijf, dat door den inspiciënt van uit de regiekamer
wordt gegeven.

„God! ’t vijfde,” snikt Walten en werktuiglijk richt hij zich op, maar
valt dadelijk machteloos terug op den stoel, terwijl hij beide handen
voor de oogen slaat.

„Klaar voor ’t vijfde?” roept een stem uit de verte.

„Neen! neen!” schreeuwt Laflèche terug. „’t Doek moet vallen, roep den
inspiciënt!”

Nogmaals beproeft de beneficiant zich op te richten, maar opnieuw
begeven hem zijn krachten; luid schreiend en snikkend laat hij het
hoofd vooroverzinken op de borst, als schaamde hij zich voor zijn
omgeving.

Als ’t beeld van de wanhoop, van de treurigste wanhoop, zit hij daar
te midden van een groep nieuwsgierigen, die hem met groote, de meesten
met onverschillige, oogen aanstaren.

Hostein, Schröder en de régisseur zijn nu, met nog anderen, toegesneld
en allen vragen dooréén: „Wat is er? Wat is er gebeurd?”

Er heerscht op ’t tooneel een verwarring, die zich allengs verder
uitbreidt, tot in de kleedkamers en foyers; de inspiciënt komt haastig
aanloopen, terwijl hij vraagt: „Is er iets niet in orde?”

„Laat ’t scherm vallen, gauw!” roept Hostein, die alles begrijpt, nu
hij zijn ouden leermeester daar voor zich ziet, ineengezonken en als
vernietigd.

„Walten is blijven steken, heeft totaal gebrabbeld,” fluistert
Laflèche den Directeur toe, en deze herhaalt luid: „Doek vallen,
dadelijk! En ’t orchest laten spelen, totdat er een annonce gedaan kan
worden!”

„Hij was niet meer te redden,” fluistert Laflèche, zijn plaats bij
Waltens stoel inruimend en overlatend aan mevrouw Groote, die haastig,
in een peignoir, van uit haar kleedkamer is komen aansnellen.

„Arme kerel! wat is je gebeurd; kom, zeg ’t mij maar? Stumperd, snik
zoo niet?” vleit zij, terwijl zij Waltens hoofd tegen haar boezem doet
rusten.

Allen zwijgen, getroffen door den innig medelijdenden toon van
mevrouw Grootes stem. „Kom!” herhaalt zij, „huil zoo niet, ouwe vrind;
kom ’t zal wel zoo erg niet wezen.”

„Ik—ik b—ben bl.. blijven st...” Luid schreiend slaat de oude man zijn
armen om de voor hem staande vrouw en beweegt zijn hoofd, zenuwachtig
schokkend, heen en weer.

„Stumperd, stakkerd! ben je blijven steken? Ach Heer! moet je dat nu
ook nog gebeuren op je ouwen dag?”

„O God! O God!” kreunt Walten, als plotseling uit de verte een
verward, steeds luider wordend, gedruisch van stemmen,
applaudissement, chuteeren en sissen tot zijn oor doordringt.

„Wat duivel! speelt dat orchest nu nog niet?” schreeuwt de Directeur.
„Hoor ’t publiek eens aangaan.”

Daar klinkt een vroolijke marsch, die al de andere geluiden overstemt.

Walten krimpt opnieuw ineen, als deden die tonen hem pijn. Mevrouw
Groote houdt zijn handen vast en fluistert hem in: „Luister er maar
niet naar, m’n goeierd.—Ja, die muziek is nu erg naar voor je, hé?
Maar ’t kan niet anders. Hier! ruik eens wat Eau de Cologne.”

Plotseling richt Walten zich op. „’k Moet ’t toch uit—spelen—ik moet,
ik moet en—o! ik weet niets meer, alles is weg, mijn God! alles is
weg!”

„Neen, neen, je speelt niet meer van avond; later hoor! later als je
weer beter bent,” troost mevrouw Groote.—„Luister!—Hostein is voor ’t
voetlicht, de muziek houdt op.—Hoor je wat hij zegt? Dat je door een
plotselinge ongesteldheid bent overvallen, ’t gevolg van treurige
familie-omstandigheden.—Hoor! nou applaudisseeren ze heel zachtjes.
Zie je, dat wil zeggen: Och! dat’s ongelukkig. Neen, hou nou op met
schreien, dàt kan ik niet zien. Och! ’t is zoo erg niet, Walten, zoo
iets is immers wel meer gebeurd.”

„Neen! neen!—nooit gebeurd Mevrouw!” snikt de ongelukkige met de
handen voor ’t gelaat.

De Directeur neemt met Hostein en den régisseur in allerijl
maatregelen om aan de verwarring een eind te maken. Een der jongere
acteurs, die toevallig achter[1] is en de rol van „De Vrek” kent,
verklaart zich oogenblikkelijk bereid „Harpagon” verder te spelen.

[1] Achter de schermen aanwezig.

In een oogwenk is hij, zoo goed en kwaad als ’t gaat gecostumeerd en
gegrimeerd, en vóórdat de toeschouwers eigenlijk recht weten wat ze
doen of laten moeten, wordt ’t laatste bedrijf afgespeeld.

       *       *       *       *       *

’t Altijd goedhartige en medelijdende publiek had „de annonce” met een
gemurmel van medelijden ontvangen, was blijven zitten en bleek dermate
voldaan over Waltens plaatsvervanger, dat het stormachtig
bijvalsbetoon aan ’t eind van ’t stuk den Directeur aanleiding gaf om
tot den régisseur die, met hem, het spel van den jongen tooneelspeler
aanzag, te zeggen: „Blikslagers! in dat mannetje zit meer dan ik
dacht; we zullen hem in de volgende maand „De Vrek” eens geheel en al
laten spelen.”

Na de pauseering verlieten drie vierden van de toeschouwers den
Schouwburg, want een nastukje met „één gelezen rol[1]” er in, is niet
aanlokkelijk om te zien, en zelfs een talent als dat van mevrouw
Groote, die de „Dochter van Dominique” uitstekend speelde, was niet
voldoende om het blijspel te redden.

[1] Iemand die de ontbrekende rol voorleest.

Toen eindelijk alles gedaan was, stonden de Directeur, Hostein en
mevrouw Groote in de Directiekamer nog een oogenblik te praten. Zij
waren alle drie nog onder den indruk van het voorgevallene.

„Jammer, doodjammer, treurig afgeloopen”, zei Schröder, en Hostein
voegde er met een weemoedigen blik bij: „Wat ’n eind voor ’n artist;
’t is om ’t te besterven!”

„Arme stakkerd!” zei mevrouw Groote, met tranen in de oogen. „We
hadden nog zóó ons best gedaan bij de vrinden; ’t zou zoo’n aardige
kleine ovatie zijn geweest—en de krans is heel mooi, hé,
Schröder?”—Zij wees op een grooten lauwerkrans, die op tafel lag, en
vroeg toen aan Hostein: „Zou je ’t couvert er maar niet zoolang
afnemen. Er zit ’n goeie tweehonderd gulden in; die hadden we nog bij
mekaâr geklopt.”

„Geef maar hier Hostein, dan zal ik ’t zoolang in mijn brandkast
sluiten, Walten komt morgen toch met me afrekenen; ik denk zoo tegen
den middag, dan kom jelui misschien ook wel even hier om hem den krans
en ’t couvert te geven, hé?—’n Kleine troost voor zoo’n grooten val! A
propos, wie heeft den ouden man thuis gebracht?”

„Een van de tooneelknechts.”

„O, Zoo!”

„Waarom deed jij zelf ’t niet even Hostein?”

„M’n goeie Mevrouw er was geen gelegenheid voor; ’t was hier zoo’n
eeuwige consternatie, ik had hem een oogenblik alleen gelaten in mijn
kleedkamer, en kwam nog net bijtijds anders was hij stilletjes
uitgeknepen.”

„Arme sukkel! ik kon ook niet bij hem blijven,’k moest me kleeden voor
’t nastukje.—Wou de stakkerd zóó heengaan? Och?”

„Ja, Mevrouw! Hij wou zich niet eens uitkleeden, ’k heb gauw een
vigelant laten halen en hem een van de knechts meêgegeven, om zeker te
zijn dat hij goed thuis kwam.”

„Zei hij nog wat Hostein?”

„Niets, Mevrouw! geen woord, hij was compleet suf.”

„Ik ga morgen dadelijk eens naar hem kijken, Schröder.”

„Doe dat Mevrouw en vertel hem dan meteen, als ’t hem troosten kan,
dat ik, globaal berekend, behalve ’t voorschot dat hij ontving, een
zeshonderd gulden voor hem disponibel houd. Met de tweehonderd gulden
die jelui hebt, is ’t toch een kleine achthonderd, die hij in ’t
handje krijgt; dáár kan hij zijn dochter een heele poos voor in
behandeling geven en houdt zelf nog een duitje over. Wat moet die man
in ’s hemels naam beginnen? Een emplooi vinden? Belachelijk! ’t Zal
weêr opnieuw armoe worden; hij is voor niets meer te gebruiken.”


VII.

De dag is aangebroken, een heldere wintermorgen op komst. In ’t oosten
kleurt de kim zich met een roode tint, die langzaam overgaat in
strepen en vegen van helrood, vlammend goud, dat tusschen de violette
wolken door schittert en gloort als de vurige voorbode van zonneschijn
en leven.

Reeds breken enkele zonnestralen zich baan door de nog nevelige lucht
en vergulden de sneeuw op boomen en daken, totdat zij krachtig genoeg
zullen zijn om het vlokkig donzen kleed te doordringen en te doen
vergaan.

       *       *       *       *       *

In Waltens kamer schijnt het licht reeds tusschen en onder de
gordijnen door en werpt een zwakken gelen schijn over ’t bed, waarop
Annette in diepen slaap verzonken ligt.

Haar gelaat draagt nog de duidelijke sporen van den doorgestanen
aanval; zij trekt nu en dan zenuwachtig met de neusvleugels en
herhaaldelijk stoort een snik haar ademhaling.

Voor ’t bed geknield, met het hoofd vóórover op de armen rustend,
ligt Walten, nog in ’t kostuum van den „vrek”, onbewegelijk stil.
Annettes hand beweegt zich even en raakt zijn hoofd; hij ontwaakt er
niet van.

De zon komt hooger, ’t wordt al lichter en lichter; de schoone,
frissche, vroolijke wintermorgen is dáár. Een heldere zonnestraal
verlicht, tusschen de gordijnfranje door, Waltens grijzen kruin; ze
hecht kleine, tintelende lichtpijltjes aan zijn verwarde haren en
glijdt verder voort, over en langs hem heen tot op den vloer, waar ze
een goudachtigen schijn spreidt over zijn hoed en overjas, die daar
bij elkander liggen, als had de oude man ze bij zijn t’huiskomst, in
der haast neergeworpen.

Zóó was het ook.

Terwijl alles op ’t tooneel in rep en roep was en Walten alleen in
Hosteins kleedkamer zat vloog hem het bloed met geweld naar het hoofd,
dat gloeide en brandde, alsof daarbinnen alles verteerde in vuur en
hitte. Toen stroomde het plotseling terug en deed zijn hart
onrustbarend snel en hevig kloppen; hij huiverde en rilde, ’t klamme
zweet brak hem uit en beurtelings werd hij koud en warm, totdat een
krampachtig, zenuwachtig lachen, hem benauwd en angstig ontsnapte.
Slechts één gedachte kon hij in zijn brein verwerken: „Hij, Walten! de
eens zoo gevierde kunstenaar, was gevallen, weg, verloren! voor
altijd!” Hij lachte en snikte en sloeg zich met de vuist voor ’t
hoofd; eensklaps greep hij zijn overjas en hoed en wilde den
schouwburg verlaten.

Hostein hield hem tegen, bracht hem in een rijtuig en hij.... hij liet
alles met zich doen; zijn wilskracht was verlamd. Zonder dat hij ’t
eigentlijk zelf wist, hoe, kwam hij thuis; de tooneelknecht bracht hem
de trap op naar zijn woning en verliet hem voor zijn deur met een „van
harte ’t beste meheer Walten!”

Bevend en wankelend als een dronken mensch trad hij binnen.

De vrouw, die bij Netje oppaste, dommelde op haar stoel, hij zag haar
zitten, flauw verlicht door een nachtlichtje, dat, in een glas met
olie brandend, op tafel stond.

Ze ontwaakte, toen hij naderde, rekte zich geeuwend uit, zag hem
lodderig aan en vroeg: „Is uwes daar; veel pleizier gehad?”

Verder kwam zij niet, want heesch en afgebroken, met een stem die uit
de diepte scheen te komen, zei hij plotseling: „Je kunt—wel
heengaan—ik—blijf thuis.” Hij zag haar niet aan bij die woorden; hij
schaamde zich voor die vrouw!

Haastig wierp hij de deur achter de vertrekkende dicht, deed zijn
overjas uit, smeet die, naast zijn hoed, op den grond en toen.... toen
bleef hij een oogenblik gebogen staan over ’t bed, kuste zijn dochter
zachtkens op haar wang en zonk langzaam met een zwakken kreet op de
knieën voor ’t ledikant.

„Morgen heb ik toch ’t geld,—voor jou,” fluisterde hij en drukte zijn
brandende oogen tegen haar op ’t dek rustende hand.

Een poos bleef hij zóó in die houding, roerloos en stil, maar
eensklaps richtte hij het hoofd hoog op, snikte krampachtig, twee,
drie malen, achter elkander luid en hevig en liet, als ter dood toe
vermoeid, zijn hoofd voorover op zijn armen vallen.

Zóó bleef hij liggen.

’t Nachtlichtje brandde flauw en begon te kwijnen; de olie in ’t glas
was verbrand, ’t pitje spatterde met korte kleine, heftige knallen en
streed al knetterend om zijn leven. Een paar malen nog lichtte het,
met een zwakken weêrschijn, van de opflikkerende vlam, door ’t
vertrek—en toen ging ’t uit.

Een benauwende, vettig riekende damp verspreidde zich in de kamer;
hij merkte het niet, maar Netje begon in haar slaap zachtkens te
hoesten en ontwaakte eindelijk met een kleine kuch.

„Vader, ik heb dorst!” riep zij zwakjes en tastte in ’t duister met
haar hand om zich heen; ze raakte het hoofd van den ouden man even
aan, streelde zacht over zijn haren en vroeg: „Slaap je, vader?”

Geen antwoord.

„Och! hij slaapt,” herhaalde zij, als in zichzelf, wendde zich om en
dommelde weer in.

       *       *       *       *       *

„Niet ankomme! M’n goeie mensch, brand je vingers niet; eerst mot de
polisie er bij weze. Groote Gerritje! wat ’n geval,” roept juffrouw
Daters, die met haar dikke buurvrouw Jaling en een aantal andere buren
in Waltens kamer staat bij ’t bed waarop de oude man, nog onbeweeglijk
in dezelfde houding, ligt.

’t Venster is geopend, en de vroolijke winterzonneschijn verlicht, tot
in de kleinste hoeken, het armoedige vertrek. Netje is door de
werkvrouw, die doodsbleek en verschrikt bij haar staat, in de haast,
met den fluweelen koningsmantel omhangen en zit wezenloos naar haar
bloote voeten te kijken, die onder uit haar nachtjapon steken.

„Goeie genadigheid! wat zal dat schepsel ’n kouwe voete krijge,” zegt
een van de buurvrouwen, doet haar bonten boezelaar af en wikkelt
Netjes voeten daarin, met de woorden: „Hoe kan je zoo’n schepsel nou
zóó op ’n stoel zetten?”

„’k Was al blij, dat ze zat; ’t was me ook een geschiedenis,”
antwoordt de werkvrouw, en tot Annette gewend, vraagt ze: „Zit je zóó
goed, kind?”

„Och! ze antwoordt niet; ze schijnt toch ook wel te hebbe begrepe,
dat ie....”

„Blijf jelui nou toch met je handen van ’m af! Hij mot blijve legge
zoo as ie leit, anders heb je ’r gedoe mee. Is er nou al iemand om de
polisie?” vraagt nogmaals vrouw Daters.

„Jawel! Pieterse haalt ’n agent,” antwoordt de werkster.

„Zouën we den stakkerd toch maar niet liever op ’t bed legge of op ’n
stoel zette?” zegt juffrouw Jaling, maar een van de buren roept
dadelijk: „Hoor die dikke nou? Wel nee! da’s teugens de wet!”

„Maar ’k zou toch zeggen, dat....”

„Och, mensch! schei uit; hij leit immers goed zóó. Groote Goedheid! de
schrik zit me nog in me knieën.” Juffrouw Daters gaat even op een
stoel zitten en vervolgt tot de anderen, die nieuwsgierig toekijken:
„Wat zeg jelui er wel van? Wat ken ’n mensch er toch gauw uit weze!”

Verschillende uitroepen en deelnemende woorden, dooreen geuit en
daardoor onverstaanbaar, geven ’t antwoord op juffrouw Daters’ vraag.

„Dat gekke meissie ziet er waarachtig uit als een prinses, met die
mooiïgheid om,” fluistert een van de omstanders tot een ander, die
doodkalm antwoord: „’t Is wat moois, ’t lijkt wel niks.”

„O! daar komt de agent met den hokkebaas!” klinkt het plotseling bij
de deur.

De bewoner van het onderstuk en een agent van politie, op den voet
gevolgd door meerdere buren en nieuwsgierigen, die elkander stompend,
duwend en vloekend op de trap en in ’t portaal verdringen, komen de
kamer in.

„Laat meheer de agent door, menschen!” roepen verschillende stemmen.

„Wat is hier te doen?” vraagt de politieman.

„’n Dooie, meheer de agent!” zegt juffrouw Daters, en haastig voegt
zij er bij: „Zóó morsdood naast ’t bed gevonde bij dat gekke mensch;
we binne d’r niet ân geweest; hij leit nog net persies as ie lei.”

„Hoe lang ben jelui hier al?”

„’n Groot kertier, meheer!”

„En heb jelui dien man zóó laten liggen?”

„We hebben d’r geen hand an gehad!”

„Dat’s dom genoeg. Misschien is hij niet eens dood!”

„Niet? Nou, as ’n pier hoor,” roept een man, die achter in de kamer
staat. „’k Heb ’m evetjes over z’n hoofd gevoeld en an z’n hande
gepakt: hij is al koud en stijf.”

„Allo! pak eens meê aan; we zullen zien.” De hokkebaas en een paar
anderen tillen met den agent het lichaam van Walten op, om het op ’t
bed neer te leggen.

„Hij is waarachtig al zoo goed als stijf,” zegt de hokkebaas, terwijl
hij met eenige moeite Waltens armen buigt en over de borst legt,
terwijl de anderen het lichaam een horizontale richting doen aannemen.

„Zoo! Leg het laken nou maar zoolang over hem heen, maar laat zijn
gezicht vrij.”

„Hij is dood, meheer de agent, ’k versikureer ’t je. ’k Heb zooveel
dooien gezien van m’n leven. Dek z’n gezicht maar gerust toe,”
antwoordt de hokkebaas en een derde legt een tip van ’t laken over ’t
gelaat van den ouden man, dat met de half gesloten oogleden, nu ’t
volle zonlicht er op schijnt, een vreemde, akelige uitdrukking krijgt,
door ’t „schmink” en de onafgewasschen grimeerlijnen.

„Wat ziet ie er raar uit: z’n gezicht is beschilderd!” roept er een
uit den hoop.

„Wie is ’t?” vraagt de agent.

„Hij hiet Walten en speulde op de kemedie,” antwoordt de hokkebaas.
„Zeg!” hij wendt zich tot de werkvrouw, die naast den stoel van
Annette staande, zwijgend toekijkt, „zeg! jij zelt er wel ’t fijne van
weten?”

„’k Zal ’t uwe vertellen, meheer de agent,” antwoordt de vrouw, en tot
een van de buren gewend: „Let jij ereis op die stumperd, dan zal ik
zeggen wat ’r gebeurd is.”

„Wie ben jij?”

„Ik ben hier zooveul als oppaster, weet u? En hij is Walten, die
vroeger kemiekert is geweest an den Schouwburg; daarvan heit ie nou
nog die korte broek an. Hij is gustere avend thuis gekomme; hij had
z’n benefiesie gespeuld, weet u?—Gut, meheer! ik bin ’r nog besturve
van; zoo’n geval! Ja mensch! hij was wel al lang krukkerig, maar zoo
sebiet is toch....”

„Laat een van jelui gauw een dokter halen! En vertel jij geregeld wat
’r gebeurd is.”

Niemand verroert zich, want allen willen hooren „hoe ’t geval
eigenlijk in mekaar zit”. Daarom herhaalt de agent: „Allo, gauw!” en
een van de naastbijstaanden op den schouder tikkend, zegt hij: „Ga jij
dan maar; op de Prinsengracht, hier dichtbij, woont een dokter.”

Brommend verwijdert zich de man.

„En nou verder. Hoe heet jij?”

„Ikke? Grietje Bruin!”

De politieman noteert dien naam, en als de werkster dat ziet, vraagt
zij angstig: „Ik kan d’r toch geen kwaad bij?”

„Neen! ga gerust je gang; ik schrijf alleen je naam op voor ’t
proces-verbaal.”

„’k Weet van die dinge niet af, want ’k bin ’n fatsoenlijke vrouw,
ziet uwee, en ik zal met ’n woord van waarachtigheid getuige wat ’k
gezien heb.”

„Vooruit dan, vrouwtje!”

„Van morgen was ik ’n beetje later dan anders, ’k heb zelf nog ’n
huishouwe, en daardoor kwam ik eerst teuges ’n uur of twalef, en ik
dacht ook zoo bij m’n eige: hij is gustere-avend in de pret geweest
van z’n benefiesie en zal misschien ’n glaassie wijn gedronke hebbe:
hij zal wel lang slape. Nou kom ik zoo, eve voor twaleve, toevallig
gelijk met Pietersen, hier voor de deur.”

„Ho! Pietersen, wie is dat?”

„Kan uwee dien niet? En hij heit je nogal gehaald,” roept vrouw
Daters, en juffrouw Jaling voegt er bij: „Hij is ’n mirakel van ’n
vent, ’n sefleur, en....”

„Stilte! laat die vrouw verder vertellen.”

„Ik zeg zoo: Pieterse, wat kom jij doen? Ik, zeit ie, ik kom m’n drie
gulde hale voor gustere-avend, ik heb gesefleurd.—Was ’t mooi? zeg ik
zoo vragender wijs.. Mooi? zeit hij toen. Mooi? ’t Was ’n... Nou, toen
zei ie ’n Fransch woord, dat ik niet verstond, maar ik begreep dat ie
wat miserabels bedoelde. Toen klop ik an. Geen antwoord; toen klopt
hij an. Ook geen antwoord. ’k Prebeer of de deur ope is. Jawel hij was
niet op slot. Wij same na binne. Goeie God! ik dacht, dat ze allebei
sliepe.—’k Vond ’t wel raar, dat ie nog zóó in z’n konstuum lei, maar
ik dacht er niks niet bij.”

„Verder!”

„Toen mocht ik zoo roepen: meheer Walten, ’t is twalef uur. Maar zij
werd er wakker van, en hij niet; zij was weêr zoo wat bij d’r
posetieve,—maar hij was dood; dat morken we, omdat ie volstrekt geen
aassem meer gaf, op wat we zeië. Pieterse mork ’t ’t eerst en zei weer
wat op z’n Fransch, ziet uwee; dat wou zooveel zegge as: hij is uit
z’n lije. Z’n dochter riep: vader! vader! En daarom zei ik
natuurlijkerwijs: je vader is zekers dood, kind, voel maar: hij is zoo
koud as ijs. Toen gilde ze evetjes en is dáár gaan zitte en dáár zit
ze nou nog.—Ik was erg geschrokke en gooide ’t raam ope, om de bure te
roepe, en toen is Pieterse gegaan om uwee te hale.”

„Zoo! en waar is die man dan nu?”

„Da’ kan ’k u niet zegge; op avontuur is ie van verbouwereerdheid
weggeloope, of uit z’n eige zelve naar ’n dokter gegaan.—Pieterse is
nogal gevat, weet u?”

       *       *       *       *       *

Eenige oogenblikken later klinkt onder aan de trap een verward
gedruisch van stemmen en eindelijk hoort men de woorden: „Menschen,
gaat wat op zij; daar komt ’n dokter an. Laat de heeren passeeren!”

Geleid door Pietersen, die niets beters had weten te doen dan
onmiddellijk naar mevrouw Groote, zij woonde in de nabijheid, te
snellen, komt de actrice—die juist gereedstond om uit te gaan, te
gelijk met een dokter, dien zij onder weg hadden ontmoet in zijn
koetsje en staande gehouden, de kamer binnen.

Alle aanwezigen wijken ter zijde voor het drietal, dat ’t bed nadert,
waarop Walten is neêrgelegd.

„Hou jelui stil—St!—’t is de dokter”, zeggen fluisterend eenige buren.

Men kan een speld hooren vallen, als de medicus, naast het ledikant
staande, het laken oplicht en na een langen blik op Waltens gelaat te
hebben geworpen, kortaf zegt: „Dood?”

Hij onderzoekt plichtshalve het lijk, en na eenige oogenblikken van
spannende stilte, wendt hij zich tot mevrouw Groote, die herhaaldelijk
haar zakdoek aan de oogen brengt en met een innig medelijdenden blik
op den „Harpagon” van gisteren neerziet:

„Hij is dood, mevrouw! waarschijnlijk al voor een uur of tien
overleden.”

„Wat zou hem gescheeld hebben, dokter?” Mevrouw Groote wischt zich de
tranen van de wangen.

„’k Vermoed een plotselinge stilstand van ’t hart, hij heeft NIET
geleden.”

„Niet geleden? O, dokter! dáár zegt u iets, dat.....” Snikkend buigt
zij zich over het lijk, drukt zachtkens haar lippen op Waltens ijskoud
voorhoofd, en terwijl zij den tip van het laken voorzichtig weer over
het gelaat van den doode legt, zegt ze weêmoedig zacht:

„_Hij is op ’t veld van eer in ’t harrenas gestorven._”[1]

[1] Vondel, Gijsbrecht.

—„Arme ouwe vrind!”

Pietersen, die weenend aan de andere zijde van het bed staat, neemt
langzaam zijn roodkatoenen zakdoek van voor zijn gelaat, ziet ernstig
naar den doode en fluistert: „Den krans van gisterenavond zullen we nu
toch nog voor je gebruiken, mon pauvre Prince, Adieu! En luider vraagt
hij: Mevrouw Groote! wat moet er nu van haar—hij wijst op
Annette—worden?”

„Breng haar maar zoolang bij mij aan huis, Pietersen; wij zullen
zorgen, dat ze in een gesticht komt. Hij”—en zij legt even haar hand
op ’t lijk—„hij heeft het geld er voor, zuur genoeg, verdiend.”



EEN MASSAGEKUUR.



EEN MASSAGEKUUR.


I.

Freiherr von Hattersdorff zu Wiesenbrück was met een tamelijk goed
pensioen en een aanmerkelijke hoeveelheid heupjicht uit den
Pruissischen krijgsdienst getreden en logeerde met zijn corpulente
„Frau Gemahlin” en zijn „Fräulein Tochter,” een spichtige,
achtentwintigjarige, groezelige blondine, met de bevallige vormen
eener asperge, sedert eenige weken te Wiesbaden, om daar, indien
mogelijk, zooal niet genezing, dan toch verlichting voor zijn
pijnlijke kwaal te vinden.

Iederen morgen om halfzeven kon men geregeld het drietal bij den
„Kochbrunnen” vinden. Papa zette voortdurend een gezicht als een
oorwurm en kneep de lippen opeen, waarover elke vijf minuten een
„Himmeldonnerwetter” scheen te zullen rollen, indien hij ze opende
onder den stoppeligen, grijzen knevel. Met de eene hand leunde hij op
den omvangrijken arm van zijn geduldige gade en met de andere op een
stok, die, minder onwillig dan zijn rechterheup, hem eenige
verlichting en gemak bij het gaan bezorgde. Driemaal, vóórdat de klok
in de Kurhalle acht uren sloeg, opende hij zijn aan Rijnwijn en
Beiersch bier gewenden mond, om met echten heldenmoed een groot glas
warm Kochbrunnenwasser te verzwelgen, echter niet zonder bij iedere
teug de woorden: „Grässlich,” „Abscheulich” of „Verdammtes Zeug” te
doen hooren.

Mama dronk eveneens van het zilte vocht, terwijl zij de zoete hoop
koesterde om gedurende de badkuur van den Overste eenige kilo’s aan
gewicht te verliezen; en „Fräulein Tochter” slurpte met een paar
bleeke, spitse lipjes uit een glazen pijpje hetzelfde heilzame nat,
omdat zij wel eens had gehoord, dat ’t Wiesbadener water dikker maakte
en voordeelig op tint, bloedarmoede en huidvlekken werkte.

’t Scheen inderdaad, alsof het geneeskrachtige water gezegend werkte,
want de oude krijgsheld begon eenige verlichting te bespeuren. Na ’t
gebruik van een tiental warme baden en ongeveer zesmaal zooveel glazen
bronwater, liep hij iets minder moeielijk en sleepte zich langzaam aan
naar de beroemde table-d’hôte in ’t Hôtel Dahlheim. Met een zucht van
verlichting, nam hij plaats aan tafel en een glimlach van innig
welgevallen verhelderde zijn gelaat, toen hij zijn min of meer rooden
neus en grijzen knevel weer voelde doortrekken met de geuren van
allerlei spijs en gebraad.

Op zijn kamers—hij woonde met de zijnen in een bescheiden „Hôtel
Garni”—leefde hij uiterst eenvoudig, maar toen het drietal de table
d’hôte weer kon bezoeken, bewezen zij eenparig, dat zij voor meer
uitgebreide diners ook iets voelden en voor de drie Mark, die zij per
hoofd verteerden, het noodige wilden genieten, al was ’t dan ook maar
om den hôtelier de eer te geven die hem toekwam.

Met onbegrijpelijke virtuositeit verwerkte, zoowel de asperge-achtige
jonge dame, als de meer bolvormige mama, groote hoeveelheden gekookte
en gebraden spijs. Papa, die waarschijnlijk het geldelijke evenwicht
voor den hôtelier wilde bewaren, at weinig maar dronk des te meer en
verklaarde elken middag aan het dessert, als hij met glimmend
voorhoofd en kleine oogjes, na de boter en kaas, het laatste teugje
uit zijn glas dronk en zijn grijzen knevel met zijn servet afwischte,
dat „der Wein famos,—das Wasser vom Kochbrunnen aber, unter der Kanone
teufelmässig, niederträchtig gemeines Zeug” was.

Reeds op den eersten dag had de kolonel zijn aanvankelijke beterschap
met een flesch Rijnwijn, gesteund door een flesch ouden Bourgogne en
geholpen door een Hochheimer-mousseux, waarvan Mama en dochter echter
ook het hare kregen, begroet en nu ging hij voort met iederen dag die
beterschap opnieuw te herdenken, afwisselend met Nuits, Château la
Rose of Johannisberger, die hem na ’t diner steeds een hoogere
gelaatskleur, een slaapje en bij ’t ontwaken een knorrige luim
bezorgden.

’t Duurde niet lang of de Ischias, die in den beginne voor ’t in- en
uitwendige water de vlucht had willen nemen, kon de uitnoodiging van
zijn vrienden Bourgogne en Rijnwijn, om weerom te komen, niet
weerstaan, en de Overste zat, na een dag of veertien table d’hôte, op
een morgen in zijn kamer „als een blok” in zijn stoel en met zijn hand
op de heup te kermen.

Een dag later brulde en tierde hij zóó geweldig, dat Mama uit
medelijden tranen met tuiten huilde en Fräulein Tochter het op haar
zenuwen kreeg, doordien zij de meer dan ordinaire soldatenvloeken van
haar lieven papa niet langer kon aanhooren zonder zichzelve erg
onfatsoenlijk te vinden.

„Himmelhöllenhund Sakrement! dat’s te erg. Schwefelelement! laat een
dokter komen!” bulderde de Overste met een stem, als stond hij voor
zijn bataillon.

„Maar welken dokter, lieve man?” vroeg sidderend mevrouw.

„’t Dondert niet! den eerste den besten,—maar niet zoo’n ouwen pruik,
zoo’n lapzalver; ik moet er een van de nieuwe richting, een
specialiteit heb... Au! Schwerenoth! ’k word nog gek van de pijn. O,
sakkrrrement! die satansche heup,” schreeuwde de Overste tot ergernis
van zijn dochter, die met trillende lippen hem toevoegde:

„O! papa, u bezondigt je heusch!”

„Dat’s wel mogelijk!—maar ’t kan me niet schelen. Au!
Himmeldonnerwetter!”

Mama schelde vol angst den kellner en verzocht hem den eersten den
besten dokter te doen roepen.

       *       *       *       *       *

Een paar passen verder in de straat dan het Hôtel Garni stond op een
koperen naamplaat aan den deurpost van een bescheiden woonhuis:

„Dr. Otto Druff, Special-Artz für Massage, etc.”

De kellner wipte met zijn servet over den arm de stoep van het hotel
af, dien van den dokter op en stond een oogenblik later tegenover den
medicus, een knap, vriendelijk man, met een gunstig uiterlijk, die hem
op zijn vraag: „Dokter, of u dadelijk in ons Hôtel wil komen? Overste
von Hattersdorff zu Wiesenbrück, heeft zoo’n verschrikkelijken aanval
van jicht, op No. 26,” onmiddellijk antwoordde:

„Zeker, zeer gaarne!” En toen hij vroeg: „Ik versta je immers goed: ’t
is Overste von Hattersdorff?” schitterde er plotseling iets in het oog
van den dokter, dat men voor boosaardige vreugde had kunnen houden,
indien men niet wist, dat medici gewoonlijk ver boven deze minder
edele aandoening verheven zijn.

„Ik kom oogenblikkelijk; in tien minuten ben ik bij den Overste.”

„Uitstekend, Dokter!”


II.

Een bescheiden tikje klonk op de deur van No. 26.

Twee dames, die eensklaps opsprongen, riepen te gelijk: „Binnen!”

Op den drempel verscheen de dokter en boog.

„O! U is zeker de dokter? Kom binnen, als ’t u blieft! O, mijn man
heeft zoo verschrikkelijk naar u verlangd,” zei de zenuwachtige, dikke
dame, en haar spruit voorstellend, voegde zij er bij: „Mijn dochter
Ildegard,—ook ’n beetje nerveus, want papa is inderdaad half razend en
erg, heel erg ongemakkelijk door de pijn.”

De dokter boog even voor de spichtige Ildegard, die zeer voornaam een
nijging maakte, en terwijl zij uit haar zeegroene oogen een
schaamachtig onderzoekenden blik op Dr. Otto Druff sloeg, zuchtte zij
in stilte: „O! wat ’n lief mensch schijnt dat te zijn.”

„Mag ik u verzoeken, Dokter? Mijn man is in de slaapkamer.”

„Gaarne, Mevrouw!”

De Overste lag in schuinsche houding in een fauteuil en kermde,
vloekte en raasde afwisselend.

„Herr Oberst!”

„Herr Doktor!”

Een paar minuten keek Aesculapius den kranken Mars oplettend aan. Toen
hij hem goed had opgenomen en bekeken, flikkerde het vonkje
boosaardigheid weer een ondeelbaar oogenblik in des dokters oogen en
bewogen zijn lippen zich onmerkbaar tot een glimlach, terwijl hij met
deelnemende stem vroeg:

„U lijdt zeker ontzaglijk veel, Overste?”

„O! om er helsch van te worden, Dokter!”

„Maar lieve man!”

„O foei, Papa!”

„Wees zoo goed eens even op te staan.”

„Opstaan?” De kolonel zag den dokter aan, als wilde hij zeggen: Man!
ben je dol? en herhaalde: „Opstaan?—Onmogelijk!”

„’t Moet, Overste; anders kan ik niet oordeelen over den toestand van
uw been en heupgewricht. Mag ik u dus verzoeken?” Kermend en klagend
werkte de Overste zich langzaam met groote inspanning een eind omhoog,
totdat hij met dikke angstdroppels op ’t voorhoofd, op één been
balanceerend, met beide handen op den fauteuil leunend, den medicus
smeekend aanzag.

De dokter greep snel den kranken voet, rukte dien met geweld naar
beneden en bewoog daarna het been krachtig heen en weer, zoodat de
Overste doodsbleek werd en bijna flauw van pijn, met een zacht
kermend: „Jezus-Maria-Joseph”, in den stoel terugzonk.

Mevrouw was bij dit tafereel achter in een hoek van de kamer gaan
staan, om haar tranen den vrijen loop te kunnen laten, en de dunne
Ildegard zweefde nader, ten einde papa’s kloppende slapen met wat Eau
de Cologne te wasschen. Medelijdend hield zij den zachtkreunenden
lijder haar batisten zakdoekje onder den neus, totdat de dokter op
bevelenden toon zei: „Komaan! kleed u nu maar eens uit.” Toen nam zij
de vlucht, en terwijl zij beproefde te blozen, wierp zij een
vernietigenden blik op den aesculaap, als wilde zij zeggen: „Zulk een
woord in mijn bijzijn...? Foei, mijnheer, foei!”

Mama nam Ildegards plaats in en hielp haar gemaal bij ’t ontkleeden
zijner extremiteiten, totdat de dokter zei: „Zóó is ’t genoeg.—Ga nu
eens voorover op uw bed liggen; dan zal ik u onderzoeken, Overste.”

Met zaakkundige hand bevoelde en betastte de medicus ’t been, ’t
heupgewricht en den rug van den lijder en zei toen, langzaam en met
klem:

„Overste, u kan geheel genezen, maar alleen op twee voorwaarden.”

„Zoo! En die zijn, Dokter?”

„1º. Totale onderwerping aan het diëet, dat ik u voorschrijven zal.”

„2º. Moed om een pijnlijke behandeling te ondergaan. U heeft toch
moed?”

Een flauwe glimlach omspeelde de lippen van den krijgsman, toen hij
antwoordde:

„Moed?—Ik ben soldaat, Dokter!—Maar aan pijn heb ik een verd.mden
hekel. Moet ik soms geopereerd worden?—Ga je gang maar, Dokter; maar
dan onder chloroform, asjeblieft.”

„O God—neen! niet snijden!” steunde mevrouw, doodsbleek wordend.

Uit de andere kamer klonk een klein gilletje; ’t sleutelplaatje viel
plotseling neer voor ’t slot der porte-brisée, waardoor ten
duidelijkste bleek, dat Ildegard uit de andere kamer door ’t
sleutelgat de treurige groep had bekeken en alles had gehoord en
verstaan.

„Snijden?” vroeg de dokter lachend. „Geen kwestie van,
Mevrouw!—Wrijven, masseeren, volgens de methode van Dr. Mezger uit
Amsterdam; ik ben specialiteit in de massage; _’t is het eenige
middel_, waardoor mijnheer uw echtgenoot kan herstellen.”

Een zucht van verlichting ontsnapte den krijgsman, terwijl hij nog
steeds vooroverliggend, met zijn hoofd schuins op het kussen, in zijn
baard bromde: „Anders niet? Maakt de kerel daar zoo’n drukte over?”—en
luid voegde hij den dokter toe: „Dan maar dadelijk, Dokter; hoe
eerder, hoe beter. Knijp dan maar!”

„Uitstekend, Overste; we kunnen dadelijk beginnen”. De dokter trok
zijn jas uit, ontdeed zich van zijn vest, en toen Mevrouw von
Hattersdorff verschrikt vroeg: „Dokter, u gaat u toch niet uitkl...?”
viel hij haar lachend in de rede met: „Pardon! ik maak ’t me alleen
maar wat gemakkelijker; er is nog al kracht noodig voor zoo’n
massage.” Druff knoopte zijn manchetten los, stroopte zijn hemdsmouwen
op, toonde een paar buitengewoon zwaar gespierde armen en vroeg:
„Heeft u ook een weinig zoete olie, Mevrouw? ’k Gebruik anders cold
cream, maar de Overste ligt nu zoo goed in positie, dat ik....”

„O! Dokter, mijn dochter heeft toevallig cold cream op haar
toilet.—Ildegard! geef de cold cream eens!”

De porte-brisée werd zoover geopend, dat Ildegard, die nog
voorzichtigheidshalve de eene hand voor haar kuische oogen hield, de
andere met het potje cold cream er in, om het hoekje kon steken,
terwijl zij fluisterde: „Hier, Mama!”

„Als ’t u blieft, Dokter!”

„Dank u!—Leg u nu een weinig op de linkerzijde, Overste. Wacht! ik zal
u helpen; zoo!”

„Au!—Autsch!—O! Sakkerrrrr!”

„Kalm maar aan, Overste! Zoo—oo—oo! nog een eindje. Mooi! nu zijn we
er; houd u nu maar rustig. Zoo—oo!”

„Wil ik ook liever weggaan, Dokter?”

„Neen, Mevrouw! Ik wilde gaarne, dat u hier bleef; er mag wel iemand
bij zijn, om zoo noodig nog eens te kunnen helpen en dus....”

„Goed, Dokter; best!”

„Dat doet u geen pijn, niet waar, Overste?” vroeg Dr. Druff, terwijl
hij met snelle bewegingen zijner rechterhand de heup, het dijbeen en
de kuit van den lijder rijkelijk met cold cream inwreef.

„Integendeel, dat doet me goed; ’t is aangenaam. Als je zóó doorgaat,
Dokter, dan.... Au! Himmelhöllensakrement—Au!—Hou op!—Hou op! Neen,
Dokter, zóó niet; in Godsnaam schei uit: ik word onwel!”—De Overste
rilde over zijn geheele lichaam als een juffershondje, want de medicus
had plotseling met een forschen greep, het zieke heupgewricht onder
handen genomen en masseerde de pijnlijke plaatsen naar alle regelen
der kunst.

„O, Dokter, dat is heusch niet om aan te zien; dat is een
afschuwelijke marteling,” snikte mevrouw, toen zij zag, dat na een
tiental minuten, waarin de lijder zich onder de hem masseerende handen
kromde als een worm, dokter Druff zijn behandeling besloot met een
allervervaarlijksten slag op het dikste gedeelte van des Oversten
heup, zoodat de patiënt bijna opsprong en brulde: „Gottsdonnerwetter,
dat is àl te erg!”

„’t Is voor vandaag gedaan,” zei doodbedaard de geneesheer, en wischte
zich met den zakdoek een aantal druppels van voorhoofd en slapen.

„O, Goddank!” kreunde de zieke, en toen hij met behulp van mama weer
zoover was aangekleed, dat Ildegard, zonder schaamrood te worden, haar
papa kon zien, hielp de dokter hem in den fauteuil en zei gemoedelijk:

„Ziezoo, nu zit u goed.—Ja! Ja! ’t is geen aangename gewaarwording,
Overste; maar ’t eind zal goed zijn.—En nu zullen wij eens over uw
diëet praten.”

Met matte stem antwoordde de Freiherr:

„’k Ben doodaf!—O, God! die laatste slag! ’t was of ik sterven
zou.—Maar ik geloof toch, dat uw behandeling de ware is; ’t is alsof
ik nu al een weinig soulagement gevoel!—En wat moet ik nu al zoo
vermijden, Dokter?”

„Alles, Overste!”

„Alles?—Hongerlijden?”

„Dat zou u slecht bekomen,” glimlachte Dr. Druff. „Neen! zóó erg is ’t
niet. U mag brood eten, zooveel u lust, maar—zonder boter; en water
kan u drinken ad libitum. Wanneer u besluiten kan, dit strenge diëet
gedurende veertien dagen vol te houden, geef ik u mijn woord van eer,
dat u van hier gaat met den gezwinden pas en loopen kunt als een hert,
terwijl uw geheele constitutie aanmerkelijk beter zal zijn.”

„Veertien dagen op water en brood,” zuchtte de kolonel, „dat is heel
erg, Dokter!”

„Ischias is nog veel erger, Overste!”

„’t Is waar! In Godsnaam dan; ik wil die vervloekte pijn kwijt zijn;
’k zal doen wat u zegt.”

„U heeft groot gelijk, Overste; en u zult zien: finis coronat opus.”

„Blijf me met dat potjes-latijn van ’t lijf, Dokter! Dat versta ik
niet.—Vrouwlief! geef me eens een glas Port; ik ben flauw geworden
door die ranselpartij.”

„Port?—Water! bedoelt u,” zei de dokter en tot mevrouw, die de flesch
met Portwijn reeds van het buffet genomen had, zich wendend, vervolgde
hij: „Mevrouw! wanneer u wil, dat mijnheer uw echtgenoot geneest,
_moet_—en hij drukte op dat woord—_moet_ u zorgen, dat de Overste zijn
diëet houdt. Gebruikt u zelf soms Port, of mejuffrouw uw dochter?”

„Neen, Dokter, nooit!”

„Permitteer me, dan zullen we voorzichtigheidshalve dit restje”—Dr.
Druff nam de nog half volle flesch uit mevrouws handen en goot
eensklaps den inhoud uit ’t venster in den tuin—„verwijderen.—Adieu!
Overste; tot morgen om tien uur; dan kom ik u verder behandelen.”

Stom van verbazing zag de Overste, die meer gewoon was te bevelen dan
te gehoorzamen, den kort-aangebonden medicus na en pruttelde in
zichzelven: „’n Kranige kerel, met een paar handen... Brrrr! en
drommels kort aangebonden, maar dat mag ik wel. Ik geloof, dat zijn
behandeling mij wel zal bevallen; maar die ééne slag was—hum!—zoo—hum!
voor een officier zoo vernederend.”

Voordat Dr. Druff het huis verliet, had hij nog een kort gesprek met
Ildegard en mevrouw, die hem tot op den corridor geleidden.

Op mevrouws vraag: „Dokter, wat dunkt u van mijn man?” schilderde hij
met enkele woorden den toestand van den Overste zoo weinig
rooskleurig, dat de dames, bleek van schrik en bezorgdheid, bij alles
wat haar lief en dierbaar was verzekerden, dat zij er samen voor
zouden zorgen, dat papa volstrekt geen anderen drank dan water, geen
andere spijs dan brood, of droge beschuit, hem bij uitzondering als
versnapering toegestaan, zou krijgen gedurende de eerste veertien
dagen.


III.

Geregeld elken dag, ’s morgens om tien uren verscheen de medicus in
het hotel, waar de Overste logeerde en nu onder zijn handen de
verschrikkelijkste martelingen uitstond, brulde en tierde als een
bezetene, maar zich toch ieder maal na de massage inderdaad iets beter
gevoelde en langzaam aan weer begon te loopen.

Hoeveel „Donnerwetters” en „Sakkrrrements” de oude krijgsheld in de
wereld zond, is niet te bepalen, maar ze waren legio; vooral tegen het
einde van iedere dagelijksche behandeling ontsnapten die
verwenschingen en uitroepen in grooten getale zijn gebaarden mond en
herhaaldelijk verzekerde de Overste aan vrouw en dochter: „Die Druff
is een wonder van knapheid, een kraan van een vent,—maar—een beul. En
weet je waar ik eigenlijk het meest tegen opzie? Tegen dien laatsten,
geweldigen slag, dien hij me na elke massage op mijn—hum!—op mijn—hum!
geeft. ’t Is alsof de vent een os dollen wil! Die ééne vervloekte slag
gaat me door merg en been.”

„Ja, manlief!” had Mevrouw geantwoord, „’t is verschrikkelijk—ik kan
er ten minste niet meer naar zien; ’t is heusch, alsof Dr. Druff al
zijn krachten nog eens extra te samen neemt om je die laatste...”

„Niet waar? Dus dat heb jij ook opgemerkt; ’t is dan ook alsof er een
stuk ijzer op me neer komt.—Je begrijpt dat ik me die mishandeling nu
laat welgevallen, omdat ik _moet_, omdat ik aan dien Druff op genade
of ongenade ben overgegeven en omdat de kerel me waarachtig iederen
dag iets beter maakt, anders, als militair”; en de overste zette een
gezicht, alsof hij de geheele medische faculteit in één grooten hap
had willen verslinden—„anders zou ik bij hoog en bij laag—me zoo’n
vernederende aanraking niet laten welgevallen.—Om den d—nder niet.”

„Foei! foei! papa, vloek toch zoo niet, dat’s niet fijn”, riep
Ildegard verbleekend.

„Neen! zoo’n slag op je—hum!—op je corpus, is fijn.—O! als ik er aan
denk, dat ik daar, als een schooljongen, vóór dien vent leg en
behandeld word, dan kookt mijn bloed, en...!”

„Maar manlief, wind je toch niet zoo op, de Dokter doet ’t toch uit
bestwil, omdat ’t noodig is voor...”

„Noodig! noodig! daar, waar hij nu slaat, heb ik volstrekt geen pijn;
in mijn heup zit het, nergens anders...”

„Och, papa! ’t is heusch verkeerd, dat u zoo aangaat.”

„Aangaan! Hoor me dat freuletje nu eens; ik geloof dat u wel anders
piepen zou, jonge dame, wanneer de Dokter u zoo uit alle macht, dag
in, dag uit, een slag op uw...”

„O, foei! papa, wat ’n ordinaire suppositie.”

Ildegard keerde zich verontwaardigd om.

„Beste man! houd je kalm, je wordt anders weer erger. Wij zullen er
samen eens met den Dokter over spreken—niet waar, Ildegard?”

„Spreekt u er liever alléén over, mama!”

„Nu, goed, dan zal ik ’t doen—ik durf wel.”

       *       *       *       *       *

Een paar dagen later vroeg Mevrouw v. Hattersdorff, toen ze een
oogenblik met Dr. Druff alleen was: „Dokter, is die laatste slag
bepaald zoo onmisbaar? Mijn goede, beste man ziet daar zoo erg tegen
op. Zou u hem dien niet kunnen schenken?”

Met het gewichtigste en ernstigste gelaat van de wereld verzekerde Dr.
Druff: „Mevrouw! die hoort onvermijdelijk bij de kuur; ’t is wel
onpleizierig voor den Overste, dàt geef ik gewonnen, maar ik kan er
niets aan doen,” en, met kalme wreedheid diende hij, na elke
behandeling, den Overste dien vervaarlijken klap toe.

Ook Ildegard, die beter was dan zij zich voordeed, had zich heimelijk
papa’s lijden ter harte genomen en aan den ouden dokter, die een dame
van haar kennis, in ’t zelfde hotel, onder behandeling had, gevraagd:
„Dokter, ’t is misschien wel wat vreemd, dat ik als jong meisje me met
dergelijke zaken bemoei,—maar och! mijn goede papa wordt er zoo door
gedépraveerd weet u,—daarom wou ik u vragen: is dat altijd zoo, dat
men bij een massagekuur den patiënt zoo’n verschrikkelijken slag op,
hum—” zij durfde ’t eigenlijke woord niet goed zeggen en zei dus
blozend: „op de heup toedient?”

Met eenige verwondering had de oude medicus geantwoord: „Neen, Freule,
gewoonlijk niet. ’t Is wel zonderling, maar mijn collega Druff is een
door en door geleerd en kundig man en bovenal specialiteit in de
massage. Hij weet volkomen wat hij doet en zal ’t dus bepaald noodig
oordeelen voor ’t heil van uw papa.”

Derhalve troostten èn moeder èn dochter den gepijnigden Overste, door
eenstemmig te verklaren, dat zij ’t volste vertrouwen in Dr. Druff
hadden, en papa dus maar geduldig moest doorstaan, wat nuttig en
noodig voor hem was.

       *       *       *       *       *

Eindelijk na achttien dagen, vreeselijke dagen voor Freiherr von
Hattersdorff, verklaarde de dokter, dat zijn patiënt volkomen genezen
was; en inderdaad, de Ischias van den Overste behoorde tot het
verledene. Hij liep, ofschoon nog wat zwak, als een kievit door de
kamer en zag er uit als nieuwgeboren; zijn eertijds min of meer
violette gelaatskleur was meer normaal geworden, zijn oogen stonden
helder en de onwillige heup was nu een voorbeeld voor alle heupen.

„Overste!” zei Dr. Druff na den achttienden dag, „ik kom afscheid van
u nemen: u heeft mijn behandeling niet meer noodig.—Is u tevreden?”

„Tevreden, beste Dokter? Tevreden? Neen, verrukt, dankbaar, innig
dankbaar! Ik ben een ander mensch geworden; je hebt van een ouden
kerel weer een jongen vent gemaakt.”

Met tranen in de oogen, drukte mevrouw hem de hand en zei: „O, Dokter!
nooit! nooit zullen we u onze erkentelijkheid genoeg kunnen betuigen!”

Ildegard, die reeds gedurende achttien dagen de smeltendste blikken
uit haar zeegroene oogen op den knappen dokter had geslagen,
fluisterde zachtkens:

„O! lieve Dokter, u is een wonderman, een ideaal van een dokter,” en
zij zag hem daarbij zoo schaamachtig aan, als wilde zij zeggen:
„Spreek met mama, Dr. Druff; voor u verzaak ik mijn ouden adel en word
voor eeuwig Frau Doctorin....”

„Dus mijn behandeling is u per saldo toch niet tegengevallen,
Overste,” zei met een fijn glimlachje de medicus, als antwoord op den
stroom van dankbare woorden, die hem overstelpte.

„O, Dokter!” klonk het in trio.

„Dan heb ik verder hier niets meer te doen, dan u een aangenaam
verblijf te Wiesbaden, een goede thuisreis en voortdurende gezondheid
te wenschen.”

„Hum! Hum!” zei de Overste en eenigszins verlegen voegde hij er bij:
„Dokter, hum!.... Uw declaratie, zou u die liefst nog deze week willen
zenden, want ik reis spoedig naar huis?”

„Mijn declaratie?” vroeg Dr. Druff en onwillekeurig keek hij
glimlachend naar Ildegard, die dadelijk probeerde of zij ook blozen
kon.

„Ik weet wel, Dokter, dat wat u aan mij heeft gedaan eigenlijk niet
met geld te honoreeren is, maar toch zou ik gaarne willen weten wat ik
u schuldig ben....” antwoordde de Freiherr.

„Honorarium, Overste? Volstrekt niet.—U is mij niets schuldig.”

„Wa-a-at?”

„Wij zijn nu quitte, Overste.”

Mevrouw en Ildegard zagen den dokter aan, als wilden zij zeggen: „De
arme man is zeker door de inspanning van streek en niet wel bij ’t
hoofd;” en papa vroeg met onvaste stem: „Quitte? Hoe—be-doelt u dat?”

„Zie mij eens goed aan, Overste. Herkent u mij niet?”

„U, Dokter?—’k Had vóór deze dagen nog nooit de eer....”

„Toch wel, Overste!—Herinner u maar eens. Mijn naam is Otto Druff; ik
heb in ’70 als soldaat bij uw compagnie gestaan, toen u nog kapitein
was. Ik was destijds—nu wil ik het wel bekennen—een nogal lastig
recruut en vrij weerspannig. ’t Ging streng toe in den oorlogstijd, en
daardoor heb ik eens, door uw vriendelijke bemiddeling, veertien dagen
arrest gehad op water en brood en vijftien slagen op mijn—hum...”

„Alle donders!” riep de Overste, opspringend, „’t is waar; nu herinner
ik mij: ’t was te Wezel, toen we de Fransche gevangenen
surveilleerden.”

„Juist!—Ik had misschien wel wat minder verdiend voor mijn
betrekkelijk klein vergrijp; maar ’t was oorlogstijd, en daarom heb
ik, dat in aanmerking nemend, bij wijze van interest, u ook slechts
vier dagen langer arrest en maar drie klappen meer gegeven.”

Schaterend liepen mevrouw en Ildegard de kamer uit, en de verbaasde
Overste riep, terwijl hij onwillekeurig zijn hand tegen ’t dikste
gedeelte der heup wreef: „Himmelhöllenelement, Dokter! jij bent de
kranigste kerel, dien ik ooit heb ontmoet! Je hebt gelijk: nu zijn we
quitte!”

„Volkomen!—U hebt mij tot een goed soldaat gemaakt; ik maakte u op
mijn beurt tot een gezond mensch. We hebben beiden hetzelfde middel
en, naar ik geloof, met succes gebruikt.—Adieu! Overste,—sans
rancune!”

Dr. Druff ging vriendelijk groetend de deur uit.

„Bombenschwerenoth!” riep de Overste lachend, „wat een kranige vent!
Maar”—en zijn gezicht vertrok zich pijnlijk—„’n beetje minder hard had
hij toch wel kunnen slaan!”



_BIJOU_.



_BIJOU_.


I.

’t Was in alle opzichten een model-huishouden, een paar menschen als
voor elkander geschapen; niemand zou den moed hebben gehad dat te
betwijfelen, zoodra hij slechts éénmaal het genoegen had te zien, hoe
mijnheer en mevrouw Straling met elkander omgingen.

Zij was het liefste, blonde vrouwtje, dat ooit met een paar levendige
helderblauwe oogen in de wereld had gekeken.

Niet te groot, niet te klein en goed van vormen, was zij van nature
„sierlijk” in al haar bewegingen. Zonder dat zij het zelve wist, deed
zij haar kleine voetjes bewonderen en trok zij de aandacht op haar
blanke poezelige handjes, waarin talrijke kleine kuiltjes den aanleg
tot een gezellig „embonpoint”—in de verre toekomst verrieden.

Wanneer zij lachte, fonkelde er iets guitigs in haar oogen onder de
donkere, onberispelijk gevormde wenkbrauwen en bewogen zich de
neusvleugels niet meer dan noodig was om haar zenuwachtig temperament
te doen vermoeden, terwijl de paarlwitte tanden juist genoeg zichtbaar
werden om schitterend af te steken tegen de frissche roode lippen, die
’t kleine mondje zoo verleidelijk maakten. Doorzichtig en blank van
tint, werden haar gelaat en wangen, zwakker of hooger gekleurd, al
naarmate de gemoedsbeweging haar frisch, gezond, jeugdig bloed
langzamer of sneller deed stroomen. Soms kon zij bleek, doodsbleek
zien, wanneer ’t een of ander haar plotseling hinderde of zenuwachtig
maakte, maar zelfs die bleekheid stond haar goed; in één woord Marie
was „een dotje van een wijfje,” zooals oom Harmsen de ex-zeekapitein
telkens tegen Frits, haar man, beweerde.

Hij, Frits, kon volkomen aanspraak maken op den naam van „’n schoone
kaerel” hem eveneens door oom Harmsen vereerd. Flink gebouwd, groot en
gespierd van gestalte met een open gelaat, waaruit meer goedheid, dan
wel bepaald hoogere ontwikkeling sprak, was hij een toonbeeld van
levenslust en gezondheid. Zijn bruin krullend haar paste bij zijn
frissche gelaatskleur en de goed verzorgde donkerblonde knevel met den
spits, naar de mode geknipten baard gaven hem een mannelijk en te
gelijk wat men noemt, een prettig voorkomen.

Wanneer zijn donkerbruine oogen met welgevallen op zijn lief vrouwtje
rustten en zij glimlachend tot hem opzag, straalde er een innig warme
gloed uit zijn blikken, en als hij dan haar beide kleine rose handjes
in zijn groote rechterhand nam, terwijl hij met de linker er zachtjes,
voorzichtig liefkoozend, overheen streek, kon men hem aanzien, dat hij
Marie in den volsten zin des woords „vergoodde.”

       *       *       *       *       *

„Jelui bent nog precies een paar geëngageerde lui: dat koekeloert en
kirt me waarachtig als een paar duiven” zei oom Harmsen eens op een
dag, dat hij de Stralings bezocht en ’t echtpaar met een breeden
genoeglijken glimlach aanzag. Zijn gebruind en verweerd zeemansgelaat
nam een buitengewoon zonderlinge uitdrukking aan, een uitdrukking
half weemoedig, half comisch, toen hij er ernstig bijvoegde: „’k Heb
van mijn Jans—God hebbe haar arme ziel—ook weerlichts veel gehouwen,
zie je, maar zóó als jullie hebben wij ’t toch nooit beetgehad.”

Marie kon het heusch niet helpen, dat zij bij die wonderlijke
ontboezeming van oom Harmsen de grootste moeite had om niet in lachen
uit te barsten; met inspanning hield zij zich goed, maar Frits, die
ooms eigenaardigheden langer en beter kende, sloeg, zooals men dat
noemt, met den ouden goedhartigen, maar min of meer ruwen zeeman „op”
en antwoordde lachend:

„Ja, maar tante Jans was ook zoo’n dot niet als mijn Marie. Was ze
wel, oom?”

„Nou, dat ’s maar zooals je ’t nemen wilt, jongen,” zeide oom; „’t was
een flinke driedekker, die goed onder tuig lag. Maar mooi? Neen dat
was ze niet; daarentegen weergaasch bij de hand;—zie je, dat ’s nog
wel zoo goed voor een zeemansvrouw.” En met een knipoogje, dat guitig
moest heeten, maar dat op zijn gezicht vrij cynisch was, voegde hij er
bij: „Ik hoefde niet bang te zijn voor kapers, vat je? Jans was vijf
en dertig, toen we trouwden, en van zessen klaar, hoor! Maar als mijn
wijf zoo’n eeuwig mooi poppetje was geweest als jou Marie.... He!
Hola! nichtje draai ereis bij: waar ga je zoo op eens naar toe?—dan
was ik nooit zoo gerust aan boord gegaan en... Neen, Marie! blijf maar
gerust hier: ik ben alweer fatsoenlijk.”

„Oom, oom, ’t loopt er bepaald overheen,” zei Frits lachend en te
gelijk wenkte hij Marie, die half lachend, half beschaamd de kamer
wilde verlaten, om terug te komen.

„Wàt, wàt? ’t Is de waarheid, anders niet. Kom hier, nichtje Marie,
geef me maar een hand; ik ben ’n beetje ruw, dat weet ik wel, maar ik
meen ’t goed. En jij bent ook zoo bliksemsch mooi, zie je, dat als
_ik_ jou man was geweest, ik je geen maand of acht alleen had durven
laten,—om den dood niet.”

„Maar, oom! foei wat ’n weinig flatteuse gedachten! Neen! laat mijn
hand los; je bent akelig, hoor!” zei Marie, hem beknorrend.

„Gekheid! ik bedoel immers niet, dat ’t aan jou zou gelegen hebben,
maar aan.... Och—sakkerloot—ik, ik... Enfin! Frits, jij begrijpt me
wel, jongen!”

Oom Harmsen voelde onwillekeurig, dat hij toch niet bijzonder kiesch
was geweest, en daarom stond hij op, liep een paar passen door de
kamer heen en weer en trachtte het gesprek een andere wending te
geven, door te zeggen: „Jelui woont hier toch als in Abrams schoot,
hoor!—eeuwig netjes, alles even fijn en chic; je kunt wel zien: die ’t
breed heeft, laat ’t breed hangen. ’t Is tegenwoordig ’n heel andere
thee dan vroeger. Toen ik met m’n Jans onder zeil ging, was ik machtig
blij, dat ’k een bovenhuis met drie kamers had,—een goeie kooi voor
mij en m’n vrouw; een tafel met zes stoelen; bij de gratie Gods een
canapé; een latafel en een chiffonnière voor de losse bagage; een pot
en een pan,—en klaar was Kees!”

„Dat was dan toch erg primitief, oompje; we houden nú van meer comfort
en....”

„Ben je er gelukkiger door? Waarachtig niet, ’t is allemaal gekheid;
zooals ’n mensch went, zoo wil hij. De ouderwetsche lui hadden veel
minder behoeften, en hun kinderen deden als vader en moeder: ze wisten
niet beter of ’t hoorde zóó.—Ja! à propos nichtje Marie, dáár doe
jelui niet aan, hé, aan kindertjes? Kijk me zoo’n paar flinke gezonde
lui ereis aan, die zijn nu waarachtig al vier jaar getrouwd en hebben
nog niemendal op stapel gezet; jelui moest je schamen, en jij vooral
m’n poppetje en.... Zeg, Frits! wat is dat nou? Wat mankeert je vrouw
op eens?—Hum?—ik—heb toch niet... Hè?”

Met een niet benijdenswaardigen trek van schaapachtige verwondering,
dubbel dwaas op zijn door de zon verbrand gelaat, zag oom Harmsen zijn
nichtje na, dat terwijl hij sprak al bleeker en bleeker werd en zich
plotseling omdraaiend de slaapkamerdeur insnelde, gevolgd door Frits,
die, zonder zich om het verbaasde gezicht van den zeekapitein te
bekommeren, de deur achter zich sloot en zijn vrouwtje, dat met haar
zakdoek voor de oogen op de causeuse was neergevallen, zacht en
sussend toesprak, terwijl hij haar schouders liefderijk omvatte: „Kom,
Marie! wees niet dwaas; trek je zoo’n grof woord van oom Harmsen niet
zoo aan. Kom, wijfje, kom! Die ouwe zeebonk moest zich schamen; ik zal
hem....”

„Laat me asjeblieft een oogenblik alleen, Frits; ga jij maar naar
oom.—Ik ben niet boos op hem, hoor!” voegde zij glimlachend, hoewel
met de oogen vol tranen, er bij, als wilde zij een mogelijke botsing
tusschen oom en neef voorkomen.

De zondaar Harmsen was intusschen eenigermate tot besef gekomen, dat
hij, op zijn zachtst genomen, erg onhandig was geweest, en daardoor
min of meer met zijn figuur verlegen. Goedhartig en rond als hij was,
besloot hij onmiddellijk een volledige bekentenis van zonden af te
leggen en te zeggen.... Ja! wàt hij zou zeggen, wist hij eigenlijk
niet goed vóóraf, maar hij gevoelde, dat hij iets goed te maken had
en... Dáár kwam Frits de kamer weer binnen en in ’t zelfde oogenblik
lei de zeekapitein het photographie-album, dat hij werktuiglijk van de
tafel had genomen, neer, terwijl hij halfluid vroeg:

„Er is toch geen kwaad aan boord?—Jelui moet me dat niet zoo kwalijk
nemen. Hum! ik wist niet, dat Marie op dat punt, hum!—zoo hum! zoo
satansch kitteloorig was en....”

„Spreek daar nooit meer over, wat ik u bidden mag, want Maries eenig
verdriet is, dat ze geen....”

„Akkoord, jongen! nou begrijp ik ’t, maar ’k wist het niet.—Zeg aan je
„dot”, dat ’t me allemachtig spijt dat ’k haar hinderde; maar, goeie
God! ik kon toch ook niet weten, dat ze zoo aantrekkelijk is.—Kom!
kom! ze moet er zich maar overheen zetten; uitstel is niet altijd
afstel; Sarah kreeg op ’r negentigste jaar nog wel ’n kleintje.—Ha!
daar is ze weerom.—Kom ereis hier, Marie! Je bent toch niet boos op
me? Verdord! dat zou ik niet kunnen velen. Allo! kom ereis langs zij
en laat ik je af zoenen.—Zoo!.... met je permissie, Frits.—Hè! dat
doet ’n ouwen kerel nog ereis goed.—O! zoo, ben je niet boos
geweest?—Nou des te beter, dan hoef je niet weer goed te worden
ook.—Nou! kinderen, ’t wordt tijd dat ik ga.—Saluut! en compliment van
oom Harmsen en als dàt nou ’t eenige is wat jelui ontbreekt, dan niet
getreurd! Ik word hier nog peetoom, dat voorspel ik je. Dag „dot”;
niet sip meer kijken, asjeblieft! Houd je gemak, ik kom er wel uit.—’t
Ga jelui goed; dag kinderen!”—en weg was oom Harmsen.


II.

Ja! in dat model-huishouden ontbrak iets, een heel klein nietig iets
wel is waar, maar toch een iets, dat de zon in huis zou doen schijnen,
als ’t kwam; dat een zaligen glimlach zou tooveren om de lippen van de
jonge vrouw, die ’t mocht bezitten.

En ’t kwam niet,—’t had zelfs nog nimmer pogingen gedaan om te
verschijnen gedurende de vier jaren, dat ze getrouwd waren.

       *       *       *       *       *

In den beginne van hun huwelijk hadden zij zich, zooals alle
jonggehuwden, illusiën gemaakt, gewacht, gehoopt, gewenscht, geduldig
en lang, maar altijd tevergeefs.

Marie was een tijd lang stil, zéér stil geworden, toen korzelig van
humeur en prikkelbaar; daarna was een soort van zwaarmoedigheid
gekomen, en toen ook die eindelijk was voorbijgegaan, had zij zich
zelve weten wijs te maken, dat ze er eigenlijk niets meer om gaf, dat
’t zóó was en niet anders, en dat ’t wel zoo verkieslijk was. Maar
toch had ze telkens in stilte geschreid, als zij tegenover haar
venster de timmermansvrouw op den drempel van haar woning zag staan,
met een dikken jongen, met roode koonen en zijdeachtig krullend haar
en groote blauwe oogen, op den arm. Zij hield zich echter groot voor
Frits; hij had zich immers—zoo kwam het haar voor—al zeer spoedig met
het denkbeeld „geen kinderen te hebben” verzoend. ’t Verwonderde haar
wel, maar ze vond het gelukkig en toonde hem daarom nooit, dat zij er
nog altijd onder leed.

En hij?—Och! hij was altijd in één humeur en bemoeide zich nooit met
kinderen van anderen; ’t scheen zelfs alsof hij minder van kinderen
hield dan vroeger, en als het teere punt niettegenstaande alle
voorzorgen toch nu en dan werd aangeroerd, kon hij zoo erg goedig
tegen Marie zeggen: „Wijfjelief! we zouën er nu misschien niet eens
meer aan kunnen wennen. ’t Is nog veel beter geen één, dan zoo’n half
dozijn, als bij mijn compagnon bij voorbeeld.”

Zonderling genoeg had hij echter juist tot dienzelfden compagnon een
paar malen gezegd: „Wat heb jij toch heerlijke kinderen!—Hum! ik zou
misschien wel uit de zaken willen; want waar werk ik eigenlijk zoo
hard voor?” Verder zweeg hij er over en leefde met Marie kalm en
tevreden voort. Zij lieten elkanders heimelijke wenschen onbesproken,
gingen altijd _te samen_ uit en kwamen altijd _samen_ weer te huis om,
zonder dat zij ’t elkander wilden zeggen, telkens opnieuw tot de
ontdekking te komen, dat er in hun huis toch iets—een kleinigheid
maar—ontbrak, die geen van beiden meer noemde, omdat zij werkelijk zoo
veel van elkaar hielden.

’t Is een doodgewoon verschijnsel, dat in een huishouden zonder
kinderen, na korter of langer tijd, een of ander huisdier, een kat of
een hond, soms een vogel, als plaatsvervanger dienst doet en dan
gewoonlijk min of meer despotisch regeert.

Wanneer de man van huis is, heeft de vrouw behoefte aan iets levends,
dat om haar heen zich beweegt; zij moet—zooals men dat noemt—„een
aanspraak” hebben, in één woord een wezen, dat, zij het dan ook
slechts in beperkten zin, een deel van haar teederheid kan ontvangen
en beantwoorden.

Dit was ook in Stralings huis gebeurd; bijna een jaar geleden was in
het model-huishouden een kleine tiran binnengekomen en wel in de
gedaante van een leelijken, grauwig gelen bastaard-smoushond.

Frits had hem op een kouden herfstavond, terwijl ’t regende dat ’t
goot, bibberend, nat en verkleumd voor de huisdeur gevonden en,
medelijdend van aard als hij was, ’t kleine diertje binnengebracht en
aan de meid gegeven, om ’t in de keuken wat te doen opdrogen.

Niet zonder een vrij luid protest, had de kraakzindelijke Jaantje „den
leelijken straathond” opgenomen, met een ouden lap zoo goed mogelijk
afgedroogd en in een mandje gelegd, met het vaste voornemen, om hem
den volgenden ochtend weer weg te jagen. Maar ’t zou heel anders
gebeuren, dan zij zich voorstelde. Toen Marie het bibberende diertje
had gezien, dat zoo smeekend van onder zijn verwarde haren tot haar
opzag, als vroeg het bevend: „Och jaag me niet weer weg!” kon zij niet
besluiten om Jaantjes raad te volgen en „het mormel aan den dijk te
zetten”. Integendeel zij bekeek „het mormel” oplettend, vond dat het
aardige, snuggere oogjes had en zóó vriendelijk met zijn kort staartje
kwispelde, dat het zonde en jammer zou zijn om ’t arme dier weer in
zijn vroegere ellende terug te stooten.

Frits had er niets tegen, dat ’t hondje bleef, en met onderling
goedvinden—Jaantjes stem was natuurlijk van onwaarde—werd besloten,
dat de vondeling als huisgenoot zou worden aangenomen en voortaan naar
den naam van „Bijou” te luisteren had.

De naam „Bijou” was een „bon mot” van Frits, die, toen hij lachend
zijn toestemming gaf tot de opneming van ’t diertje, er bij had
gevoegd: „Dan zou ik hem „Bijou” noemen, want ik geloof, dat hij een
juweel van leelijkheid zal worden.”

Marie, meer optimistisch gestemd, verzekerde met allen ernst dat ’t
nog nestharen waren, die ’t hondje ontsierden, en dat hij eenmaal zijn
naam alle eer zou aandoen.

Jaantje, in de keuken, was daarentegen danig uit haar humeur en
beweerde herhaaldelijk tegen de werkster, „dat ’t volk tegenwoordig
maar persies deê wat ’t wou, en dat ’t voor een fersoenlijke
dienstmeid geen doen was om behalve de gewone druktens nog de
akefietjes van zoo’n mormeldier te moeten redderen.”


III.

Bijou was, ’t bleek allengs zonder eenigen twijfel, van zeer bijzonder
plebeïschen oorsprong. Zijn vader—hij had hem nooit gekend—was
vermoedelijk een fikhond geweest, terwijl zijn moeder, naar
menschelijke berekening, meer tot het smoushondensoort scheen te
hebben behoord. Van haar had hij waarschijnlijk het lange geelgrijze
haar en de snuggere oogen gekregen, terwijl zijn vader meer bepaald
schuld had aan zijn lompe pooten en den zonderlingen vorm van staart
en snoet, die beide voor die van een smoushond te spits en voor die
van een fik te stomp waren.

Opvoeding had hij hoegenaamd niet genoten en van zindelijkheid nog
niet het minste besef, zoodat hij een voortdurende ergernis bleef in
Jaantjes oogen. De eerbare keukenmeid was dan ook, van af het
oogenblik zijner komst in Stralings woning, zijn gezworen vijandin,
vooral ook omdat Mevrouw zich niet ontzag, de reinheidsovertredingen
van Bijou op rekening van Jaantjes nalatigheid te schuiven.
Niettegenstaande de tegenwerking van de keukenmeid, groeide de hond
een weinig en wist hij zich door allerlei kleine, behendige greepjes
in ’t hart van Marie en door den weeromstuit in dat van Frits een
vaste plaats te veroveren.

Een rood halsbandje, hem door zijn meesteres vereerd, wekte in den
beginne zijn afkeer en toorn in hooge mate op en herhaaldelijk was
hij, bij zijn pogingen om zijn hals van dat versiersel te ontdoen, op
het punt zich aan zelfmoord te bezondigen. Aan alles went men echter
op den duur, zoo ook Bijou aan zijn halsband.

Langzamerhand verloor hij iets van zijn nestharen en onzindelijke
manieren, en nadat hij, drie maanden na zijn opneming bij ’t
kinderlooze echtpaar, de kunstbewerking van „’t half geschoren
worden” had ondergaan, was hij in zooverre een presentabele hond
geworden, dat hij op een Zondagmiddag na ’t dessert aan oom Harmsen,
die bij de Stralings had gedineerd, kon worden voorgesteld.

„Wel, oom!” vroeg Marie, toen Bijou de kamer intrippelde, „is ’t geen
aardig diertje geworden? Wat blijft hij lief klein, hé! En schrander
is hij, o!”

Oom nam zonder een woord van lof of blaam te vroeg te verspillen „het
aardige diertje” in zijn nekvel, zoodat het zijn roode tong
vervaarlijk ver uitstrekte en zijn oogjes van onder de lange gele
haren naar voren puilden, bekeek het met aandacht en kennis van zaken
en zette het daarna voor Maries voeten op den grond, terwijl hij de
gedenkwaardige woorden uitte: „’t Is een monster!”

Frits lachte, dat de tranen hem over de oogen liepen, en Marie nam
Bijou, die met een schuinschen blik angstig naar oom Harmsen zag, op
haar schoot en kuste zijn zwarten snoet, terwijl ze half knorrig, half
lachend, zei: „Kom jij maar hier, m’n beestje; ik vind je lief, hoor!
Stoor je maar niet aan oom Bullebak!—Dáár heb je een koekje van de
vrouw.”

Oom zweeg, haalde tegen Frits, die stil voor zich in zijn baard zat te
lachen, de schouders op en dacht bij zichzelf: „Ieder zijn meug.”

’t Dient ter eere van Bijou gezegd, dat hij, naarmate hij ouder werd
en fatsoenlijker, zijn uiterste best deed om de liefkoozingen van „de
vrouw” te verdienen. Geen oogenblik liet hij haar alleen; waar zij
was, was ook hij en met stoïcijnsche gelatenheid liet hij zich
herhaaldelijk van al de trappen rollen, omdat hij Maries peignoir bij
den sleep had aangepakt en zijn buit niet losliet, vóór hij
holderdebolder zijn meesteres was nagekogeld.

Was zij van huis geweest, dan zat hij haar deftig op ’t kussen in de
vensterbank af te wachten, en zoodra hij slechts het tipje van haar
neus te zien kreeg, kwam zijn staart in geweldige ontroering terwijl
hij de zonderlingste blijdschapstonen uitte die een hondenkeel ooit
voortbracht. In Maries schoot vergat Bijou gewoonlijk des avonds de
vermoeienissen van den dag en droomde van een zalig niets doen, zooals
alleen een verwend schoothondje droomen kan.

Frits, verre van jaloersch te zijn op den kleinen tiran, die zich
tusschen zijn vrouw en hem had ingedrongen, begon van lieverlede even
gek te worden op „’t monster”, dat van zijn kant die toenadering
waardeerde en spoedig met evenveel blijdschap „den baas” begroette als
„de vrouw”.

„’t Is om je te bedoen,” verzekerde Jaantje, rood van kwaadheid, tegen
haar vertrouwelinge, de werkster: „daar zit me nou ’s middags dat
mormel, tusschen meneer en mevrouw in, aan tafel. Ja! zoo waarachtig
als ik hier voor je sta, m’n goeie mensch! Eerst zat ie op den grond,
maar nou moet ik, God beter’t, al een stoel voor ’m klaarzetten ’s
middags. ’t Mankeert er nog maar aan, dat ’k voor ’m dekken moet ook.”

Inderdaad het was zoo, Bijou had het ver gebracht, zéér ver: hij zat
deftig ’s middags mee aan tafel op een stoel met een voetkussen er op
als verhooging, tusschen zijn twee getrouwe vazallen in. Maar hij was
ook zoo verbazend aardig, die kleine dwingeland; ’t was zoo grappig om
te zien, hoe hij telkens met zijn pootje op Maries arm tikte en zoo
vleiend zijn brutale bedelaarsneus nu eens links dan rechts naar zijn
buren wendde. ’t Was heusch alsof hij guitig knipoogde tegen dengeen,
die hem ’t eerst wat gaf.

Frits en Marie vermaakten zich met hun kleinen dischgenoot, die
onvermoeid was in ’t dankbaar aannemen.

’t Is onberekenbaar hoeveel dankbaarheid een hondenmaag kan bevatten,
en Bijou was zóó dankbaar, dat hij liever aan tafel zou zijn
doodgebleven dan één enkele bete te weigeren, die Maries slanke
vingers of de vork van Frits hem aanboden. Na tafel hield hij, om geen
naijver op te wekken zijn siësta beurtelings bij „den baas” en bij „de
vrouw”, die iederen dag meer schik in hun lieveling kregen en zich
geduldig onder zijn schepter kromden.

       *       *       *       *       *

Bijou regeerde dus bijna despotisch in den huize Straling, maar—niet
overal. In de keuken was zijn macht zeer beperkt, schier nul, want
Jaantje was en bleef zijn geslagen vijandin. Zij kon „het mormel”,
volgens haar eigen getuigenis, „niet luchten of zien, en zou hem”—’t
waren haar eigen woorden—„wel ereis geknauwd hebben, als ze maar
gedurfd had vanwegens ’t volk.” Was ’t alleen de herinnering aan de
talrijke „akefietjes,” die Bijou haar eertijds bezorgd had, waardoor
het hart der brave Jaantje zoo onvrouwelijk vol bitteren haat klopte?
O! neen, de oorzaak van haar afkeer had een veel dieperen grond, een
geldiger oorzaak:—de cavalerie!

Sedert ruim een jaar namelijk, had de brave keukenmeid een eerlijke
verkeering met Tienus, een cavalerist, die, omdat hij oppasser was van
den k’rnèl en bekend stond als knap, fatsoenlijk en finaal vrij van
sterken drank, des Zondagsavonds, als ’t Jaantjes thuisblijfdag was,
in de keuken mocht komen om....?

Ook een keukenmeid draagt in den vollen boezem een gevoelig, warm
kloppend hart, en een rechtgeaard cavalerist weet dat te waardeeren,
voornamelijk op avonden dat ’t stil is en rustig in huis en „’t volk”
boven zit te schemeren.

Waarschijnlijk was het een gevolg van Bijou’s bloedmenging of een
erfelijkheid van vader of moeders kant, dat hij een buitengewonen
afkeer had van de cavalerie-uniform. Reeds bij zijn eerste intrede in
Stralings huis, in ’t prilste van zijn jeugd, had hij daarvan de
doorslaandste bewijzen gegeven, door woedend blaffend en keffend op de
vetleeren laarzen van den „finaal-vrijen dragonder” aan te vliegen en
daardoor Jaantje de wreedaardige uitnoodiging op de lippen te leggen:
„Geef hem ’n doodschop, Tienus!”

De dappere krijgsman echter behandelde zijn kleinen vijand
grootmoedig, tilde Bijou eenvoudig op bij zijn staart en zette hem in
’t kolenhok, waar hij zich na tallooze vruchtelooze pogingen ter
ontsnapping eindelijk huilend en jankend in ’t gruis ter ruste legde,
om den volgenden morgen als een onooglijk vies en zwart ondier te
voorschijn te komen en Jaantje een strenge berisping van Mevrouw op
den hals te halen.

Bijou kon waarschijnlijk dien vreeselijken nacht in de kolen nooit
vergeten; zijn hondenhart zon op wraak.

De vetleeren laarzen en de lakensche cavalerie-pantalon met lederen
inzetsels waren hem, zooals hij had ondervonden te machtig, en zijn
eigen staart was hem te dierbaar om een tweeden aanval op Tienus te
durven wagen; daarom bepaalde hij zich voortaan alleen tot een kort,
knorrig brommen, wanneer hij ’s Zondagsavonds de nadering van Jaantjes
vriend bespeurde; maar hevig blaffend en brommend stoof hij naar de
kamerdeur, wanneer hij op andere dagen door zijn neus of ooren
gewaarschuwd werd, dat de cavalerie in aantocht of binnengerukt was.

Juist die „verraaierlijkheid” kon Jaantje niet verdragen, zij deed
haar maagdelijk hart schier bersten van toorn, en toen zij eenige
malen door Bijou’s vriendelijke tusschenkomst van Mevrouw „een
compelement” had gekregen, omdat Tienus op andere dagen dan de
gepermitteerde in de keuken was geweest, ten einde zich over
ettelijke kliekjes te ontfermen, zei ze tot haar uitverkoren held:
„Tienus, als jij een kerel bent, dan draai je dien Judas van een
Besjoe gewoon z’n nek om.”

„’k Zal ’m bij gelegenheid wel ereis waarnemen,” was ’t antwoord
geweest van den dragonder, die met zijn vlakke rechterhand de
overblijfselen van een karbonade uit zijn rossigen knevel verwijderde,
om daarna op Jaantjes bolle wangen twee vette afdrukken achter te
laten, toen hij haar ijlings verlaten moest, omdat „die stinkende
hond” boven op eens zoo aanging en Mevrouw in aantocht was, ten einde
te komen zien, of Bijoutje ’t weer bij ’t rechte eind had.

Ditmaal gelukte het der cavalerie nog om tijdig den aftocht te blazen
en zei de keukenmeid, met oogen glinsterend van voldoening: „Ziet uwé
nou wel, Mevrouw, dat die lieve Besjoe drukte maakt voor niemendal?”


IV.

’t Was stil in Stralings woning; ’t had er iets van alsof er een doode
in huis was,—zóó droevig zagen èn Marie èn Frits er uit. Zij zat met
een bekommerd gelaat op de canapé in de huiskamer, en hij stond naast
haar met zijn hoed op en een demi-saison aan.

„Niets? Heb je niets van hem gehoord,” vroeg Marie tragisch; en toen
Frits op een ietwat weemoedigen toon in zijn stem antwoordde: „Niets,
beste, niemendal,” zuchtte ’t lieve vrouwtje diep en smartelijk,
terwijl ze zei: „Arme lieveling! Als hem maar niets overkomen is.”

Frits zweeg, hoewel een zwart vermoeden, een duister voorgevoel, dat
de cavalerie wel meer van de zaak zou weten, in zijn hart opdoemde.

Sedert vier dagen was Bijou plotseling verdwenen, spoorloos
verdwenen; zonder afscheid van zijn vazallen te nemen, was de tiran
heengegaan. Waarheen?—Niemand wist het. Zelfs de politie had hem nog
niet kunnen ontdekken en een in verschillende dagbladen aanstonds
uitgeloofde belooning voor het terugbrengen van den vluchteling was
tot dusver zonder eenig gevolg gebleven.

Jaantje was, haar bekende afkeer van Bijou in aanmerking genomen, door
Straling scherp verhoord en menig „’t is zonde, meheer” of „hoe kan
uwee nou zoo ies veronderstellen” was met diepe verontwaardiging aan
haar lippen ontsnapt, toen zoowel Marie als Frits niet ontveinsden,
dat zij haar verdachten van medeplichtigheid aan Bijou’s
raadselachtige verdwijning.

Met de hand op ’t hart en bleek van schrik, had zij op het tot haar
gerichte kruisvuur van vragen geantwoord: „’k Zal hier staande
sterven, meheer en mevrouw, als ik er iets van weet. Ik kan uwee
alleen maar zeggen, dat Besjoetje soms wel ereis met een ander hondje
uit de buurt stoeide, als ik ’m uitliet; maar met een woord van
waarachtigheid kan ik u ook verzekeren, dat ’k hem juistement dáárom
in den laatsten tijd nooit anders dan aan ’t touwetje heb uitgelaten.”

„En weet Tienus er niets van?” vroeg Frits, terwijl hij Jaantje, die
onwillekeurig bij ’t noemen van dien naam de oogen neersloeg,
doordringend trachtte aan te zien. Marie rilde even en dwong met
geweld haar tranen terug, want plotseling kwam haar het beeld van den
stoeren dragonder, Bijou’s antipathie, voor den geest.

„Tienus?” riep Jaantje bijna verontwaardigd. „Tienus, meheer! die is
de goeïgheid zelf. O heere neen! die heeft er geen part of deel an,
die zou ’m subiet hebben weerom gebracht, als hij ’m iewers had
ontmoet.”

Het onderzoek leidde dus tot niets, de ondankbare hond was en bleef
weg; hij had zijn weldoeners, zijn pleegouders zonder één enkel
gemoedsbezwaar, zonder wroeging snood verlaten, om.... Neen! laten we
over Bijou’s afdwalingen zwijgen; zelfs het hondenhart heeft
wonderlijke gangen en ’t past den redelijken mensch niet om ’t
redelooze dier te veroordeelen, dáár waar het zondigt—uit liefde.

Aan oom Harmsen, die toevallig in die dagen van beproeving bij de
Stralings was komen aanwippen, werd—zooals vanzelf spreekt—het geheele
verhaal van Bijou’s vlucht in geuren en kleuren door Marie medegedeeld
en niet zonder dat een weerspannige traan zich op de wangen van „’t
dotje” vertoonde.

Frits, die als rechtgeaard echtgenoot, minstens de helft van ’s
vrouwtjes verdriet wilde overnemen, vertelde met doffe stem, dat hij
er „waarlijk veel weet van had,” een verzekering, die oom Harmsens
lippen in een zonderling ondeugende plooi bracht en den goeden man
eindelijk in een hartelijk gelach deed uitbarsten.

„’t Is bij mijn ziel om te stikken,” riep de oude zeekapitein, terwijl
hij een lachtraan uit zijn bakkebaard wischte. „Jelui bent allebei
groote kinderen, hoor! ’t Is waarachtig alsof er een sterfgeval in de
familie is: dáár zitten me nu twee groote menschen met gezichten van
een el lang te lamenteeren over een mormeldier, een monster, een
schuinsmarscheerder, die ’t verzuipen niet waard is. Ben jelui wel
goed frisch, allebei?—Nou kijk me zoo boos maar niet aan, mijn
poppetje; lach liever ereis mee om je eigen gekheid.”

„Ik heb zoo’n idee, dat hij t’ avond of te morgen wel terugkomt,”
bracht Frits in ’t midden; maar oom viel hem in de rede, door aan
Marie te vragen: „En zou je dan dien doordraaier weer in huis
nemen?—Wat! zeg je: ja? Hoor eens, meid, als je niet zoo’n lieve dot
was, zou ik je eens onder handen nemen; ik geloof waarachtig, dat,
als je man je zoo’n poets bakte als nou dat kleine monster, je hem
niet eens zoo dadelijk weer in genade zoudt aannemen!”

„Oom, oom! je slaat weer door,” riep Frits lachend, en Marie schoot
insgelijks in een lach, toen zij oom aanzag, die met een
tragi-comische uitdrukking op zijn gelaat zijn rede besloot met de
woorden: „Ik zou in jou plaats in den zwaren rouw gaan.”

„Ouwe barbaar!” zei Marie, toen oom uitgelachen had; maar in haar
oogen tintelde weer een vonkje van de vroegere vroolijkheid, en toen
Frits ook een opgeruimd gezicht zette, zijn arm om haar midden sloeg,
een kus op haar frissche lippen drukte en schertsend vroeg: „Met uw
permissie, oom,” riep de vroolijke zeeman: „Zóó mag ik het zien.
Jongens! geneer je niet, ga je koers maar; ik geloof, dat jelui al
wijzer wordt.—Kijk nu zoo’n paar lui eens aan: ze zouën waarachtig om
zoo’n leelijk misbaksel van ’n hond vergeten, dat ze mekaâr nog
hebben. Als één van jelui beiden er stiekum van door was gegaan, à la
bonne heure, dan zou ik ’t natuurlijk vinden, dat de andere zijn dek
schrobde. En wil jelui met geweld een hond in je huis hebben, dan zal
ik je een van de mijne geven; ’k heb nog vier jonge fikken
thuis,—mooie bastaards. Ze zijn tot je dispositie.”

       *       *       *       *       *

Veertien dagen later verscheen Bijou op een morgen onverwachts aan de
voordeur. Jaantje sloeg juist de vloermat uit en bleef een poosje met
open mond en groote oogen den teruggekeerden vluchteling, die met den
staart tusschen de beenen zich eensklaps voor haar vertoonde,
aanstaren; toen liet ze de mat vallen, sloeg de handen ineen en uitte
een doordringend: „Daar is ie!—daar is ie! Mevrouw, kom ereis gauw
beneden; Besjoe is weerom!”

Marie, in wier gevoelig hart eensklaps de oude, sluimerende teederheid
voor haar lieveling met nieuwe kracht ontwaakte, stoof „en négligé” de
trappen af en ontwaarde een onooglijk, vuil, gehavend ondier, dat
kwispelstaartend, maar min of meer schuw—zelfs een hond heeft
gewetenswroegingen—haar langzaam naderde.

Was dat Bijou?

„Kristenen-zielen, Mevrouw! wat ziet ie er verloopen uit; hij is
effetief aan den scharrel geweest, dat kun je hem aanzien,” zei
Jaantje, terwijl ze naast mevrouw in de gang staande den
teruggekeerden vagebond oplettend beschouwde. „’k Zal ’m maar eerst
meenemen naar de keuken en eens een goed vet zeepsoppie geven, want
uwee avontuurt, dat ie niet alleenig terugkomt. Kijk z’n oogen ereis,
en z’n neus vol krabbels: hij is in den slag geweest! Wel! Wel! wat is
ie mager geworden! Nou! die weet, dat ie een slippertje heit gemaakt.”

Wel werd de teruggekeerde lieveling weer in genade aangenomen, toen
hij, gewasschen en opgeknapt, met luid vreugdegeblaf en gehuil tegen
zijn meesteres en den baas opsprong en hem en haar onstuimig de handen
likte, maar—met zijn despotieke heerschappij was ’t voorgoed gedaan;
hij werd voortaan behandeld als een constitutioneel vorst, wiens
grillen slechts dan werden geëerbiedigd, als ze niet in tegenspraak
waren met de grondwet.

Frits en Marie waren beiden door ’t zien van Bijou’s verloopen
uiterlijk verstandiger geworden, en dachten na over de mogelijkheid,
dat hij nog niet volkomen van zijn erotische grillen zou kunnen
genezen zijn. Ze overlegden, dat ’t best zou kunnen gebeuren, dat hun
lieveling nogmaals voor de verleiding bezweek; daarom namen ze
voorloopig een afwachtende houding aan en duldden hem nu dáár, waar
hij vroeger werd vergood en vertroeteld.

Arme Bijou! Beklagenswaardig slachtoffer van „de liefde.”


V.

Ongeveer een jaar later was in Stralings huis een groote verandering
ophanden. Sedert een paar dagen was het geheele huishouden in rep en
roer; er zweefde als ’t ware een zekere zenuwachtige gejaagdheid in de
lucht, waarvan al de huisgenooten in meerdere of mindere mate den
invloed ondervonden. Mijnheer bleef zooveel te huis als hij maar
eenigszins kon, en ’t was opmerkelijk, dat zijn goedhartig gelaat
voortdurend een zonderlinge mengeling van angst en trotsche vreugde
vertoonde, als stond hem een groot geluk te wachten, dat hij met
angstige spanning verbeidde.

Mevrouw had herhaaldelijk geheime onderhandelingen gevoerd met een
groote, dikke vrouw, die een onberispelijke neepjesmuts, een lichte
katoenen japon en een zwartzijden boezelaar droeg, en Jaantje
pruttelde in zich zelve, terwijl zij in de keuken haar werk
verrichtte: „Dat mensch begint me derekt al te commandeeren; ze hangt
me nou al de keel uit. Zoo’n armoede en grootheid! Wat verbeeldt ze
d’r eigen wel?”

Het „mensch”, dat Jaantjes ontevredenheid opwekte, was juist weer in
de slaapkamer met Mevrouw aan ’t onderhandelen en verzekerde op
stelligen toon: „dat ’t vandaag posetief nog gebeuren zou en dat
meneer den meester maar vast moest gaan waarschuwen.”

Nog nimmer hadden Maries lieve blauwe oogen zoo vol voldoening en
geluk geschitterd, haar blosje was hooger dan anders en ’t blonde haar
„en bandeaux” langs de slapen gelegd en van achteren tot één vlecht
gestrengeld had haar nog nooit zóó goed gestaan als op dien dag.

In een gemakkelijken fauteuil gezeten, zag zij met een zenuwachtig,
maar gelukkig glimlachje naar de baker, die met kalme bedrijvigheid in
de kamer heen en weer drentelde om alles voor de komst van „den
Ooievaar” voor te bereiden; en toen Frits eindelijk binnenkwam en de
onderhandeling stoorde met een: „Alles is in orde, mijn schat”, wenkte
Marie haar man tot zich, stak uit de kanten mouwen van haar luchtigen
peignoir beide poezelige handjes naar hem uit en trok toen blozend
zijn bruinen krullebol naar beneden. Eerst kustte zij hem zachtkens op
zijn oor en fluisterde hem toen iets in, dat zijn hart sneller deed
kloppen en op zijn trillende lippen de woorden: „Zou ’k waarachtig zóó
gelukkig zijn,—een jongen?” bracht.

Met de armen onder de borst gekruist zag de baker met half spottenden,
half goedigen glimlach de twee echtgenooten aan en dacht bij zichzelf:
„Dat geeft minstens een gouden tientje, als ’t heusch een jongen is.”

       *       *       *       *       *

En...?

’t Was een jongen! En wel „een dikke gezonde knaap, als uit meheers
gezicht geformeerd,” zooals op den avond van dienzelfden dag de baker
met een hoog wijs gezicht verklaarde, terwijl zij den stamhouder der
Stralings het vanouds gebruikelijke bakkertje opzette, om hem daarna,
stijf ingebakerd als een pakje, aan Papa te vertoonen en met
ongeëvenaarde handigheid het haar dientengevolge heimelijk in de hand
gedrukte goudstukje in den witten zak onder haar japon weg te
goochelen.

Frits was opgewonden van vreugd en geluk; hij had de geheele wereld
wel willen omarmen,—de oude baker incluis.—Een zoon was hij rijk! Wat
kon hij meer verlangen?

Onophoudelijk kwam hij niettegenstaande bakers allengs ernstiger
wordend protest eens even om ’t hoekje der kamer kijken, waar Marie,
schoon en liefelijk als een witte roos, sluimerde in ’t sierlijke
ledikant en achter de zorgvuldig neergelaten kanten gordijnen haar
eersten droom van moedervreugd droomde, totdat het ontwaken haar de
zekerheid schonk, dat alles werkelijkheid was.

In Stralings huis was plotseling een waas van rustig, vredig geluk
verspreid geworden; ’t hing warm en bedwelmend in de vertrekken, waar
’t de sprekenden noopte hun stemmen te dempen, en ’t hield den al te
snellen voet in gang en portalen terug, opdat geen onnoodig gedruisch
de kalmte mocht verstoren.

       *       *       *       *       *

Slechts twee wezens gevoelden zich in dat gelukkige huis, op dien dag,
ellendig, misdeeld, ongelukkig en diep-rampzalig: ’t waren Bijou en
Jaantje!

Bijou was reeds eenige weken vóórdat de ooievaar op Stralings dak
neerstreek, naar het sousterrain verbannen; zijn rijk in salon en
huiskamer was uit en de liefkoozingen, die in vroegere, betere tijden
met zoo kwistige hand aan hem werden verspild, bepaalden zich sedert
lang reeds tot niet meer dan een gedachteloos aaien, een strijken over
zijn kop of rug, als had de hand, die het deed, slechts werktuiglijk
een oude gewoonte gevolgd.

Een mand met een stuk karpet, in den kelder geplaatst, diende hem nu
des nachts tot legerstede, en hij, die vroeger sybaritisch in Maries
schoot of op de knieën van Frits zijn siësta hield, moest zich thans
tevredenstellen met den schoot en den vettigen bonten boezelaar van
Jaantje, die niet langer zijn aartsvijandin was.

Het ongeluk had hen samengebracht, beproeving en smart hen tot
vrienden gemaakt.

Hoe dat gekomen was? Eenvoudig zóó!

Enkele dagen na Bijou’s verbanning naar ’t sousterrain had de
brievenbesteller onder etenstijd een ongefrankeerden brief gebracht
van Tienus, die sedert ruim een maand naar een ander garnizoen was
overgeplaatst. Jaantje betaalde met vreugd de tien cents porto, want
haar liefdevol hart klopte teeder en warm, toen zij het adres had
gelezen; en zonder verwijl opende zij het couvert om aan de
keukentafel zittend, tusschen een restant kalfsgehakt en een bord met
bloemkool, waarvan ze enkele minuten geleden nog met smaak iets had
genuttigd, de hartsgeheimen en de ontboezemingen van haar getrouwen
cavalerist te lezen. „’t Volk” zat nog aan ’t dessert, en daarom had
ze tijd genoeg, vóórdat er gescheld werd om af te nemen.

Toen zij den brief had geopend en ontvouwde, viel er iets uit en in de
bloemkoolsaus. ’t Was een portret,—haar eigen beeltenis. Zij had nog
vijf gelijke en gelijkvormige in voorraad van ’t half dozijn, dat de
photograaf had vervaardigd ter eere van Tienus.

Ze schrikte, vischte het kaartje met duim en vinger uit de saus, zei:
„Jaan, wat gebeurt je nou” en likte met kloppend hart „haar beeltenis”
haastig af.

Wat moest dat beteekenen? Zij begon over haar geheele lichaam te
beven; de zenuwen werden haar de baas, zoo zelfs, dat ze een oogenblik
niets hoorde of zag.

Bijou maakte dadelijk van Jaantjes verwarring gebruik; hij sprong op
een stoel, daarna op tafel en bespaarde in minder dan geen tijd der
keukenmeid de moeite, haar gehakt op te eten; vervolgens ontfermde hij
zich over de bloemkool, en eerst toen hij „niet meer kon”, bleef hij
tegenover Jaantje, die met door tranen verduisterde oogen op Tienus’
brief zat te staren, zitten en sloeg met zijn staart een zachten
roffel op de tafel, als kwispelde hij zichzelf een „bravo” toe over ’t
volvoerd boevenstuk. Terwijl hij zijn zwarten snoet welbehaaglijk
aflikte, keek hij met schuins gehouden kop belangstellend naar zijn
overbuur, alsof hij zeggen wilde: „Wat mankeert jou?”

Wat haar mankeerde?—Alles!—Zij had den brief gelezen en haar minnend
hart was op ’t punt van te breken; hevig zwoegde onder ’t opgespelde
eva’tje de eerlijke boezem, waarop Tienus’ hoofd in een doublé
medaillon nog altijd schommelde.

’t Rood van Jaantjes wangen was van glimmend karmijn eensklaps tot
bleekgrijs steenrood overgegaan en aan haar wimpers parelden dikke
druppels, die afwisselend langs den tip van haar neus en over de
heuvelen harer wangen afvloeiden. Zij herlas Tienus’ schrijven
langzaam, bij ieder woord ophoudend om te zuchten of te snikken.

Bijou keek haar meelijdend aan en krabde met zijn rechterachterpoot
zijn oor, als wilde hij zeggen: „Jaan! Jaan! dat is een ijselijkheid
voor je.” Toen kwam hij nader, legde zijn poot op haar arm en keek
onbescheiden mee in den brief.—„Mejuvfrou”, schreef Tienus. Ach! dat
ééne woord had onmiddellijk aan de arme Jaantje _alles_ gezegd;
vroeger schreef hij immers: „Zwaar beminde Jaan,” en nu: „Mejuvfrou.”
O! ’t was verschrikkelijk, verpletterend! Vooral de verdere inhoud van
den epistel gaf haar den genadeslag.

     „Hierbij U petret in Dank terug, U gouwe Dasspeld en de
     Sarrifarie aan mijn kettink zel ik maar als gedagtenis
     bewaare. Het zal Uw wel speiten, als dat ik uw nu schrijft,
     dat van trouwe Voorshans geen sprake zijn ken, overwegens ik
     heeft overgeteekent voor den Oost, bij de Artlerie en
     vermits wij Zirka twee jaar met genoeglijkheit samen heeft
     verkeerd zoo ken ik niet nalaate om uw Voorspoet en Geluk te
     wensen, allerwegens, Zoo verblijf ik uw Dwillege vrient

                                          vroeger u minnaar
                                                    MARTINUS PLUIT.

     P.S. hartelijke Groetenis!”

Toen de diepgetroffen keukenmeid den brief nogmaals doorgelezen had,
veegde zij met haar hand, die nog min of meer zwart was van ’t
fornuis, langs wangen, neus en oogen, zich zelve tatouëerend zonder
dat ze ’t wist, pakte eensklaps den naast haar zittenden Bijou bij
zijn kop, drukte haar lippen tegen zijn verwilderde gele haren en
snikte: „Ja, stom dier, jij hadt toch wel gelijk, toen je dien Judas
naar z’n beenen vloogt. Ja! kom jij maar hier, stakker; jij zit nou
ook in de serijbel; jij bent een goed beest, maar hij is een valsche
hond; voor mijn part vreten ze ’m derekt op in den Oost—zoo’n Judas!
Verleden week stuurde ik ’m nog een guldens postwissel.”

Van af dien gedenkwaardigen middag waren Bijou en Jaantje trouwe
bondgenooten, onafscheidelijke kameraads.


VI.

’t Doopmaal was allergezelligst geweest; een klein, maar uitgelezen
gezelschap had aan den rijk voorzienen disch alle eer bewezen en
gedurende het dessert was de jongeheer Straling als een rooskleurige
„bonbon” in een wolk van witte kant, op een sierlijk kussen, door de
deftig in zwarte zijde gehulde baker aan de gasten vertoond. Men had
op zijn wangetjes getikt, onder zijn kinnetje „kiele kiele!” gedaan en
op zijn klein neusje met den vinger heen en weer gewiegeld, totdat het
hem begon te vervelen en hij een keel opzette, die een der gasten tot
de opmerking verleidde: „’n Stem als een klok, hoor!” en den dominee,
die de eer had genoten hem te doopen de deftige woorden ontlokte: „’t
Ventje heeft zich van morgen in de kerk uitmuntend gedragen; we kunnen
hem dus nu zijn protesteeren van harte vergeven.”

„Wat ’n wonder!” riep oom Harmsen, die zijn glas Champagne noch vol,
noch ledig liet staan, „’t wurm sliep als een marmot; jammer genoeg,
want je hebt ’m hartelijk toegesproken, dominee.” En toen de predikant
min of meer zuurzoet, maar toch statig glimlachend antwoordde:
„Gezegend zij die slapen kunnen als de kinderkens.” voegde de joviale
zeeman er bij: „Ja, tusschenbeide is zoo’n tukkie in de kerk niet
onlekker.—Maar gekheid op een stokje, dominee, ik kan wel niet tegen
je optornen wat de welbespraaktheid betreft, maar ik wou toch wel een
paar woorden zeggen, om mijn neef Frits en zijn dot van ’n wijf—Marie,
dat ’s een lijntje à part met jou, hoor! Daar ga je!” hij dronk even
een glas Moët—„hartelijk te feliciteeren. ’t Heeft wel vijf jaren
geduurd, eer jelui dat knaapje van stapel lieten loopen, maar ’t ziet
er van voren en van achteren goed uit, en daarom: Lang zal het leven!
Nu er eenmaal een begin is, zul je zien, dat er geen ophouden aan is.
Frits!—Marie!”

Oom nam zijn glas op en boog zich over de tafel, om met de jonge
ouders te klinken.

„Nou zachtjes aan, hoor jongens! dan breekt het lijntje niet; één voor
één asjeblieft en geen filipientjes er bij. Leve de stamhouder, Hiep,
Hiep! Hoera!”

       *       *       *       *       *

„Hoor ze daarboven ereis aangaan! Wat ’n herrie om zoo’n wurm!—Dat
mensch met die zwarte samaar an, maakt er alleenig nog een goed
slaatje uit en ik blijf nuchter van de fooien,” pruttelde Jaantje, die
in de keuken met Bijou op haar schoot bij de tafel zat. Onverschillig
staarde zij op een bord met een stuk taart en tevergeefs vonkte een
glas Champagne haar verleidelijk toe. Zij had geen sjenie in taart,
zij lustte geen „sampanje”, want in haar ziel was ’t nacht,
stikdonkere nacht gebleven, sedert de cavalerist zoo wreedaardig haar
hart had gebroken.

Met zachte hand liefkoosde zij Bijou en sprak: „Jou kunnen ze nou ook
missen als kiespijn, arme sukkel!” Met een blik vol weemoedig
verlangen keek de hond naar ’t bord met taart, als dacht hij: „Tienus
had met dat brokje wel raad geweten; voor mij is ’t te groot, maar ’k
zou toch mijn best doen, als ’k mocht.”—„Daar, stumperd, proef maar
eens: ’t is roomtaart,” zuchtte Jaantje, terwijl zij, als raadde zij
Bijou’s verlangen, hem een stukje van ’t gebak vereerde.

Haar gramschap over Tienus’ ontrouw had zich langzamerhand opgelost in
een stil, maar hartverterend verdriet, in een weemoedig herdenken aan
die tijden van Olim, waarin haar ’t kletteren van sporen en zwaard als
muziek in de ooren had geklonken. Zij kon de cavalerie nog maar niet
vergeten, hoeveel moeite ze daar ook toe deed, hoeveel eerlijk
gemeende pogingen zij ook aanwendde.

Toch was er voor haar eenig licht gekomen in de zwarte duisternis van
haar gemoed, want sedert het 6e regiment infanterie de plaats van de
dragonders had ingenomen, was des avonds tusschen licht en donker aan
de deur van het onderhuis een „ko’praal” verschenen, die aan „juffrouw
Jaantje” met militair salut had verkondigd, dat zij, door een kennis,
aan hem „gerikmedeerd was als een geschikt meissie voor ’n milletèr.”

„’t Is in ’t geheel geen onknap persoon,—is ’t wel Besjoe?—maar ’n
piot—daar kan ik zoo in eens niet toe besluiten,” zei de gevoelige
keukenmeid tegen haar bondgenoot, die in haar kuischen schoot
knipoogend zijn verloren Paradijs weinig scheen te betreuren en
behaaglijk geeuwend de tong tegen haar uitstak, toen ze ’t woord tot
hem richtte.

„’k Zal ’m nog maar geen uitsluitsel geven en wij zullen maar bij
mekaar blijven, hé stom dier! En als ik t’avond of te morgen
verhuis,—want ’t wordt me hier veelste druk met dien
schreeuwleelijk,—dan ga jij met Jaantje mee, arme stakkerd.” In een
aanval van teederheid greep zij een van Bijou’s voorpooten en drukte
dien als ware ’t een vriendenhand.

De hond jankte even en trok zijn pootje terug, een beweging die zijn
vriendin deed zeggen: „’t Is zonde, da’s waar ook, je heit een zeeren
poot, en dat is notabene de schuld van je eigen baas: hij most z’n
eigen schamen om jou zoo te schoppen. Kom hier, m’n beessie, ik zal je
ereis wrijven; dan wordt ’t beter.—Zóó, m’n hondje, zóó! Dat doet je
goed, hé?”

Was dàt waar? Had Frits zich zoover kunnen vergeten om zijn vroegeren
lieveling wreedaardig een schop te geven?

Ja! en de eerlijkheid gebiedt te erkennen, dat Bijou die kastijding
had verdiend.

Waarschijnlijk was het den banneling opgevallen, dat hij zijn
achteruitzetting niet geheel en al aan zijn uitspattingen te danken
had, maar dat er zich iemand tusschen hem en zijn pleegouders had
weten in te dringen, aan wien hij het te danken had, dat hij nu
letterlijk als een hond werd behandeld. Hij zou geen rechtschapen dier
zijn geweest, wanneer hij niet tot elken prijs daarvan de zekerheid
had zoeken te erlangen. In een onbewaakt oogenblik had hij het
sousterrain verlaten en een verkenningstocht naar zijn vroeger rijk
ondernomen.

Onbemerkt naderde hij tot aan de huiskamer; op den drempel bleef hij
staan en stak zijn kop nieuwsgierig om ’t hoekje van de deur.

Wat hij dáár aanschouwde, was meer dan voldoende om zijn toorn gaande
te maken.

Daar zat „de vrouw,” stralend van geluk, blozend van gezondheid in den
fauteuil, waarvan hij de zachte zitting maar al te goed kende; en op
zijn plaats, in haar schoot spartelde een klein rooskleurig wezen,
dat zij met een blik vol innige teederheid beschouwde en liefkoozend
toesprak.

Dat was te veel, te tergend; met één sprong was hij in de kamer. Een
kort, scherp, droog blaffen ontsnapte hem eer hij ’t zelf wist, en met
een toornigen gloed in zijn donkere oogen trachtte hij tegen dien
verraderlijken schoot op te springen om aan het kleine wezen, dat hem
ongelukkig maakte, zijn blikkerende tanden te toonen en hem kort en
vinnig toe te blaffen: „Jij was ’t dus, jij! Om jou ben ik
verstooten.”

„Marie! Marie! pas op dien hond: hij is jaloersch; hou ’t kind weg!”
riep Frits, die tegenover zijn vrouwtje zat, en haastig opstaande,
diende hij Bijou een schop toe, die hem hinkend en jankend, in aller
ijl de kamer deed verlaten.

Jaloersch! ja, helsch jaloersch was Bijou; hij kon het kleine kind
niet zetten, en zoodra het toevallig op moeders arm in zijn nabijheid
kwam, gromde en blafte hij of liet de tanden zien.

„Als ’t niet mogelijk is om dien hond uit de kamers te houden, moet
hij weg, de deur uit,” bromde Frits tegen Jaantje, die als goede
kameraad voor Bijou partij trok door te zeggen: „Dat kan uwes geen
meenens wezen, meheer; ’t stomme dier heit er toch geen part of deel
an, dat er ’n kleintje gekommen is.” Die logische opmerking ontwapende
Frits’ gramschap en behoedde Bijou voor ’t wegjagen.

De keukenmeid, die met de werkster niet meer over Tienus sprak, omdat
zij eens gezegd had: „’t is de peine nog al waard om over zoo’n
paarderijer zoo te kremieten”, hechtte zich uit verfijnd egoïsme hoe
langer hoe meer aan den kleinen hond, die dankbaar was voor de
beentjes en het brood dat Jaantje hem verstrekte. Soms nam zij hem des
avonds, als ze „uit ’r werk was”, op den schoot en kamde hem met haar
eigen kam, omdat „’t beessie er zóó boschduvelig uitzag, dat ’t
rejeel schande was voor ’n deftig huis”; en terwijl ze zijn geele
haren ontwarde, dacht ze aan den rossigen knevel van Tienus, en
zuchtend vertelde ze aan Bijou van die „ondankbare honden van
cavalleristen”. Dan leefde zij in de bitterzoete herinnering aan ’t
geen Tienus eenmaal voor haar was, en overlegde in de binnenkameren
van haar hart, of de infanterie wel ooit geheel in staat zou zijn om
haar droefheid te lenigen.

Slechts korten tijd mocht de arme hond zich nog in Jaantjes
bescherming verheugen; een nieuwe, zware beproeving wachtte hem.

Bijna zes maanden lang was zijn vriendin treurend gebleven, maar de
tijd heelt met zijn kalme, genezende hand zelfs de diepste
hartewonden, vooral wanneer hij een helper vindt in langzaam
ontluikende nieuwe sympathieën, waartoe door een beminnend individu de
eerste kiem met geduld is gelegd.

Een kaartlegster had eenmaal aan Jaantje uit hartenboer, vereenigd met
ruiten zeven en klaveren heer, voorspeld, „dat zij zooveul als een
voorbeschikking had om in ’t Milletère verkeering te hebben.” De
sybille had goed gezien, want na zes maanden van leed en droefheid
rukte de infanterie, die haar met ijzeren volharding was blijven
belegeren, triomfantelijk binnen de bolwerken van haar boezem en
bezette dáár het vroegere kwartier van de cavalerie.

Nu heette hij Janus, was donker van uitzicht, tenger van postuur en
„ko’praal bij ’t 6e.”

Hoewel minder zwaar van bouw en niet zoo krijgshaftig van uiterlijk
als Tienus, bleek hij toch evengoed te kunnen beminnen en ontwikkelde
hij een eetlust, welke, fabelachtig groot, dien van zijn voorganger
verre overtrof.

Bijou beschouwde, van den dag af dat „de ko’praal” zijn eerste kliek
aan Jaantjes zijde verorberde, zich als zijn vriend, sprong wellevend
tegen de infanterie-pantalon op en likte zelfs het zijdgeweer des
krijgers. Helaas! zijn toenadering werd niet gewaardeerd. Janus
onthaalde hem op een „allo vort!” en verklaarde, al kauwend, aan zijn
uitverkorene, „dat hij ’t zuur ân honden had.”

Opnieuw had de arme Bijou gelegenheid om kennis te maken met ’t
egoïsme van den mensch, want met den dag verkoelde Jaantjes
genegenheid en al naarmate haar liefde voor „den ko’praal” grooter
werd, verminderde haar vriendschap voor den armen Bijou, die
eindelijk, treurig en alleen, soms dagen achtereen, in ’t sousterrain
ronddoolde. Zijn mand met ’t stuk karpet zag hij niet meer; hij sliep
dus afwisselend in den turfbak, den kolenemmer of achter ’t fornuis,
en soms wentelde hij zich grimmig in ’t kolengruis, als wilde hij zich
in den rouw steken over zijn eigen verval. Zijn eten?—Hij stal het. O!
’t was ver, zeer ver met hem gekomen!

Soms waagde hij zich tersluiks een oogenblik naar boven om als een
Peri aan de poorten van ’t paradijs nog eens die verloren heerlijkheid
te aanschouwen. Dan keek hij met sprekende blikken naar binnen, als
wilde hij vragen: „Ontferm u over mij, heb medelijden; ik was toch
ééns uw lieveling. Wanneer zal de tijd mijner beproeving voorbij
zijn?”

       *       *       *       *       *

Het had er inderdaad iets van alsof die tijd van beproeving voor Bijou
tot in eeuwigheid zou verlengd worden, want zijn plaatsvervanger werd
hoe langer hoe grooter en begon reeds op handen en voeten over de
vloerkleeden te kruipen, zoodat zelfs de hond schik kreeg in het
kleine menschje, dat hem—den viervoeter—zoo natuurlijk nabootste en nu
en dan, op zijn beide handjes steunend, het hoofdje ophief en tegen
Mama lachend: „Ma-Ma,” stamelde.

Bijou zou ongetwijfeld naar binnen zijn geloopen om, alle jaloezie en
afgunst vergetend, met den kleinen jongen te gaan stoeien, indien de
herinnering aan Frits’ bottine hem niet had teruggehouden; daarom
bepaalde hij er zich toe om van uit de verte toe te zien en van tijd
tot tijd, als niemand op hem lette, zijn voorpooten en kop vooruit te
brengen, heel zachtjes even blaffend een korten sprong voorwaarts te
doen en dan ijlings weer achteruit te springen, in de hoop dat de
jonge wereldburger hem zou zien en den eersten stap tot verzoening en
toenadering doen.

Eenige maanden verliepen, zonder dat er verandering in Bijou’s lot
kwam; verstooten en verwaarloosd sleepte hij zijn leven voort, totdat
een onverwachte gebeurtenis verandering in zijn toestand bracht.

Op een namiddag was oom Harmsen even komen kijken hoe zijn peetekindje
het maakte, en de goede man verheugde zich met „Mama” over de
omstandigheid, dat de stamhouder aanhoudend pogingen deed om „het
staan”, dat hij al sedert lang verstond, in loopen te veranderen.

„Potdori, Marie! daar steekt hij waarachtig van wal. Hou je roer
recht, jongen! Ferm zoo! toe maar! Zorg dat je koers houdt,” riep
vroolijk lachend de oude zeekapitein, toen hij zag, dat ’t jonge
mensch zijn standplaats bij den fauteuil verliet en naar Marie, die
van de canapé haar armen naar hem uitstrekte, kwam toewaggelen.

„Hij is er! Dat’s ’n kerel als Cats.—Marie, ik feliciteer je.”

„Dank u, oom! Kom, beste jongen, nu nog eens geprobeerd. Nu naar oom;
toe dan!”

„Komaan maat, zeil maar voor ’t lapje weg,” riep oom en stak de handen
uit.

„Waf!—waf! waf!” Bijou, die aan de deur had staan, kijken, kon ’t nu
niet langer uithouden; hij wilde meedoen aan dat spelletje, dat hem
zoo aardig toescheen, ’t kostte dan wat het kostte! En hij stormde
eensklaps naar binnen.

Blaffend sprong hij tegen den kleinen man op, en deze, tegen dien
schok nog niet bestand, wankelde, verloor zijn evenwicht, viel op den
grond en rolde over Bijou heen.

„O God! oom! Gauw! gauw! Die hond is zoo jaloersch. Akiss! vort! Hij
zal ’t kind kwaad doen,” gilde Marie haastig opspringend.

„Da!—da!” riep de kleine lachend, en in ’t minst niet verschrikt of
angstig greep hij Bijou bij den kop en drukte zijn eigen blond
krullebolletje tegen de vuilgele met kolenstof bezoedelde haren van
den hond, die uit alle macht de wangen van Straling junior likte.

„Wat praat je van jaloersch? Er is geen kwaad aan boord bij dien hond,
hoor! Kijk maar, ze zijn al dikke vrinden; ’n verduiveld aardig
gezicht om die twee daar met mekaar te zien rollebollen. Kijk dien
kleinen rakker hem eens in z’n wammes nemen. Nou, ’t is een lobbes van
’n hond, wat ik je zeg! Die doet je jongen waarachtig geen kwaad; laat
ze maar gerust met mekaar spelen.—Toe dan, Bijou, hou je goed,—pak
ze.—Ha! ha! daar duikelt hij waarachtig over z’n kop,” riep oom
Harmsen, die schik had in de evolutiën van hond en petekind en lachend
voegde hij er bij: „Maar als ik je een raad schuldig mag wezen, laat
’t mormel dan eerst eens wasschen.”

„Neen, maar oom! nu wordt het heusch te erg, hij zal ’t kind
bezeeren”, riep de jonge moeder, die toch nog met een zekere angst in
’t hart toekeek en nu verschillende pogingen deed om Bijou en ’t kind
te scheiden.

„Allo! marsch jij, vort! Toe oom, help me dan toch eens. Vort,
Bijou!—Ze laten elkaar niet los.—Oom, kom dan toch?”

„Waarom? Laat ze maar begaan.”

„Toe, ventje, kom jij maar weer bij Mama—’t is nu genoeg”—zei Marie,
en trachtte den kleinen man op haar schoot te tillen.

Maar neen!—de jongeheer had er nog niet „genoeg” van, hij zette een
keel op, spartelde met handen en voeten tegen, en de hond sprong zoo
vriendelijk kwispelstaartend om haar heen, dat zij eindelijk wel
toegeven moest en de twee speelmakkers met een: „Nu, ga dan in
Godsnaam jelui gang maar”, te zamen op den grond zette.

Juist kwam Frits binnen, en toen hij daar vóór zich op ’t vloerkleed
dat aardige groepje zag en Marie met Oom zoo hartelijk hoorde lachen
om de zonderlinge geluiden, die het stoeiend tweetal voortbracht, riep
hij vroolijk: „Zoo is ’t goed. Toe maar, jongens!—Marie, wat dunkt je:
zullen wij den vriend van onzen zoon maar niet weer in genade
aannemen?”

       *       *       *       *       *

Een paar weken later zat Bijou, netjes geschoren en gewasschen, deftig
op zijn oude plaats in het salon en zag oplettend naar zijn vriend,
die op Mama’s schoot in Zondagstenue werd gestoken; maar intusschen
zei Jaantje tot den infanterist, die na kerktijd even was komen
aanwippen en in de keuken front maakte voor een restant vleesch,
groente en aardappelen, dat de liefde hem opgewarmd als lunch aanbood:
„Janus, ik ga verhuizen; ’t is hier reëel in huis niet meer uit te
houwen, want nou heb ik twee mormels te bedienen in plaats van één. ’t
Volk lijkt wel gek daarboven: verbeeld je, ’s middags zitten Besjoe en
’t kind ieder op een stoel aan tafel tusschen de ouwe lui in! Zoo ies
kan geen fatsoenlijke meid verdragen!”



HENRI DE SNOEPER.



HENRI DE SNOEPER.


AMSTERDAMSCH TYPE.

Hij is sedert lang overleden en van den arme begraven,—vrede zij zijne
assche!—maar velen zullen zeker, met mij, zich nog herinneren, dat „de
Snoeper” lang Amstels straten liep, als de schaduw van een man, die ’t
eenmaal beter had gehad. Menigeen, die dit stukje leest, zal
ongetwijfeld met een glimlach terugdenken aan den tijd, toen „Henri”
den spotlust der straatjeugd opwekte en, als een halve idioot
voortsukkelend, altijd aan den huizenkant der grachten liep, nu en dan
stilstaande om de kwajongens, die hem het hatelijke woord „meheer
kauwbeen” of „snoeper” nariepen, met zijn stok te dreigen en bevend
van kwaadheid te roepen: „Kwède jongens, indien ge mij nog lènger
insoleert, zèl ik ’n ègent hèlen!”

Ik zie hem nog duidelijk voor mij. Een klein, verdroogd mannetje met
een tanig, verschrompeld gezicht zonder noemenswaarde uitdrukking. De
sterk gebogen neus, die in breede beweeglijke vleugels uitliep, hing
als ’t ware boven een ingevallen mond, waarin hier en daar zwarte
stompjes tand, als de overblijfselen van roofsloten aan een meer,
zichtbaar waren. Zijn dunne bloedelooze onderlip vereenigde zich met
de lange, vooruitstekende, spitse kin, die, min of meer naar boven
geheven, met den krommen neus iets havikachtigs aan het geheele
profiel gaf. Enkele spaarzaam ingeplante haartjes deden pogingen om op
de naar achteren getrokken bovenlip een knevel voor te stellen en
ettelijke grauwwitte stoppels aan kin en wangen trachtten het
menschdom te doen gelooven, dat Henri een baard had kunnen krijgen,
wanneer de grillige natuur dien niet in zijn wasdom had gestoord.

Zoolang de man zijn ouden, slaprandigen en gedeukten hoogen hoed, die
gewoonlijk met een rossigen rouwband was omgeven, ophield, bleef men
in den waan, dat hij nog hoofdhaar bezat; maar zoodra hij dat
hoofddeksel afnam, verdween die illusie en ontwaarde men een min of
meer onzindelijk, biljartbalachtig hoofd, dat van achteren en aan de
slapen zeer sporadisch voorkomende, kort afgebroken, grauwe haartjes
vertoonde. Wenkbrauwen had hij eenmaal bezeten, en zijn oogen—wanneer
men de glanslooze, groezelige, met bloed doorloopen weeke massa, die
de haarlooze en roodgerande openingen vulde, zóó kan noemen—waren
steeds half dichtgeknepen, als schuwden zij het licht, en met moeite
onderscheidde men een paar matte, bijna geheel met een grijsachtig
vlies bedekte oogappels, die onomstootelijk bewezen, dat „de Snoeper”
zeer slecht van gezicht was.

Een dunne, gevaarlijk dunne, hals verbond het min of meer te groote
hoofd aan een lichaam, dat kegelvormig, schier zonder schouders
eindigde in een paar kromgetrokken beentjes, rustende op twee
damesvoetjes, met in staat van ontbinding verkeerende bottines
bekleed, of in schoenen gestoken, die bij iederen tred dreigden uiteen
te vallen. Zijn kleeding was „shabby genteel” in de vijfde macht en
bestond ’s zomers uit twee, ’s winters uit een drietal jassen zoodanig
over elkander aangetrokken, dat de ondereinden, de panden,
amphitheatersgewijs zichtbaar waren en rafelend bewezen, dat zelfs
goed laken of andere beste stoffen den tand des tijds niet kunnen
weerstaan. Met een minimum van knoopen werden die jassen dichtgehouden
over een vest dat.... Neen! laat ik over dat vest liever zwijgen; ’t
was rijp voor den papiermolen.

Een pantalon, aan de ondereinden omgeslagen, omdat de kleermaker die
eenmaal voor langere en meer gevulde beenen aanmat, fladderde als ’t
ware om de dunne loopzuilen van den Snoeper, die, met een sterken knik
in de knieën loopend, zich door de hulp van een scherp gepunt stokje
in evenwicht hield, zoodra ’t glad was of glibberig op straat. Iets
was er echter aan den man, dat hem bepaald behalve „shabby” ook
„genteel” maakte, en dat iets was een tamelijk zindelijk halfhemdje en
een boordje, dat met een vrij helder blauw, rood of groen dasje zijn
sterk naar voren komenden adamsappel en pijpesteelachtigen hals
omsloot. Wáár hij dat halfhemdje telkens weer deed wasschen, stijven
en strijken, zal wel altijd een raadsel blijven, evenzeer als ’t nog
steeds in ’t duister ligt van waar hij de steeds min of meer witte
manchetten kreeg, die zijn polsen omgaven en sterk afstaken tegen de
glacé-handschoenen die hij droeg, winter en zomer.

Die handschoenen bleken op zichzelf een studie waard; zonder twijfel
waren ze niet van ’t nummer, dat hij had moeten dragen, want meestal
zagen ze om zijn handen er uit als de opperhuid van een tachtigjarige
negerin. Hij versmaadde alle knoopjes en schalks keken zijn
vingertoppen door ’t leder, terwijl zij nagels, die in diepen rouw
waren over ’t verval van hun eigenaar, lieten zien. Afwisselend waren
die handschoenen bruin, chamoiskleurig of zwart; soms zelfs droeg hij
links een zwarten, rechts een bruinen of gelen Jouvin; daarop lette
hij niet zoo heel nauwkeurig; misschien ook speelde hem zijn slecht
gezicht daarbij een part.

Het stokje, dat hem trouw vergezelde, was evenzeer een curiositeit,
want ’t had voorheen in een parapluie dienst gedaan en was op de
behoorlijke lengte gebracht door een timmerman aan wien Henri—hij zag
hem op straat aan een schaafbank werken—gevraagd had: „Och! vrind, zèg
me eens twee centimeters vèn dit stokje èf.” Een vriendelijke
blikslager had het stokje van een ijzeren punt voorzien, doch verzuimd
de verraderlijke knipveertjes, onder en boven, te verwijderen. Met een
zekere „chic” droeg hij bij goed weder dat stokje onder den arm of
over den schouder, soms draaide hij het zwierig rond, terwijl hij op
zijn langzaam sukkeldrafje verder liep; in ’t barre jaargetij
gebruikte hij het als balanceerstok.

Gemeenlijk gluurde uit zijn borstzak een wit of rood tipje, dat
daarbinnen een zakdoek deed vermoeden, en als het lente was of zomer
werd, stak naast dien zak, in het verminkte knoopsgat, iets geels of
iets groens,—waarschijnlijk het lijk van een lang verloren kind van
Flora, dat hij gevonden had.

In zijn bewegingen was hij langzaam, afgemeten en deftig; nooit
versnelde hij zijn pas, zelfs dan niet, wanneer de straatjeugd hem het
leven zuur maakte en „meheer kauwbeen!” riep.

Met de grandezza van een Castiliaanschen Hidalgo en stoïcijnsch als
een Spartaan vervolgde hij zijn weg, zonder zich om de verschillende
epitheta, die men hem nariep, te bekommeren. Maar trof hem het een of
andere projectiel, dan ontwaakte zijn gevoel van eigenwaarde, en
bovenal wanneer dit werptuig een hippologisch spoor op zijn jas of
hoed achterliet, keerde hij zich, met zijn stokje dreigend, om en
riep, inwendig ziedend van toorn, niet zonder eenig valsch pathos:
„Kwède jongens,” „insolente jongens”, of „onbeschèmd rèpèlje!”

Zijn stem klonk min of meer heesch en rauw als van iemand, die ’s
avonds van te voren veel Chambertin heeft gedronken of lichtelijk
verkouden is; daarbij was zijn uitspraak beschaafd, zelfs eenigszins
geaffecteerd, ietwat „Hègsch.” Meestal volgde bij de jeugd een
uitbarsting van hilariteit op zijn woorden en ging er een gejuich op,
dat hem schouderophalend deed zeggen: „Onbeschèfd en dom tuig! Dèr is
niets vèn te wèchten.” Hoofdschuddend vervolgde hij dan zijn weg.

Waarvan hij leefde?

Weinig menschen wisten het; men geloofde, dat hij bedelde, maar dàt
was zoo niet; misschien zou hij niet te trotsch zijn geweest om van
deze of gene medelijdende ziel iets aan te nemen, maar hij vroeg nooit
en aan niemand.

Hij leefde van zijn vroegere vrienden, die—gedachtig aan de dagen van
Olim, toen zij, met hem, op de met alle comfort ingerichte kamers, die
hij „en garçon” bewoonde, gastreerden—hem wekelijks een kleine toelaag
gaven.

Wanneer de arme man geen „passies” had gehad, zou die toelaag, met
eenige bijverdiensten, die hij als welopgevoed man door schrijfwerk of
iets dergelijks zeker had kunnen vinden, hem voor gebrek hebben behoed
niet alleen, maar zelfs een bescheiden stuk brood hebben verschaft.
Helaas! hij had wèl passies, de ongelukkige,—en die hartstochten
waren: _beminnen_ en _smullen_.

Toen hij nog „le beau petit Henri” en „in bonis” was, had hij veel
liefgehad, maar altijd op een nette, kranige manier. Als een
veroveraar was hij rondgegaan en had zijn zegekar triomfantelijk
gereden, totdat hij moede van ’t overwinnen zich rust had gegund bij
een vriendin, die hem, naar hij beweerde, op de handen droeg, maar die
hem zonder twijfel op diezelfde poezele handjes naar de Ommerschans
of Veenhuizen zou hebben gebracht, indien zij niet een weinig te vroeg
gestorven was, hem niets nalatende dan eenige onbetaalde rekeningen en
een lichte aandoening van ’t ruggemerg, die hem beverig en
schrikachtig maakte. Die goede vriendin had hem na aan ’t hart
gelegen, zóó na, dat hij bijna ontroostbaar was en alles aanwendde om
verstrooiing te vinden voor zijn sombere gedachten. Eindelijk gelukte
hem dit in ’t gezelschap van eenige dames, die de lieve overledene
hadden gekend en vriendelijk haar best deden om door liefde en
toegenegenheid Henri zijn bitter leed te doen vergeten. Hij werd
minder somber, zelfs vroolijk, soupeerde, dineerde en adoreerde
evenals vroeger; en hadden niet nu en dan zijn maag en rug hem
gehinderd, hij zou geheel en al weer de oude zijn geworden.

Uit vermogende ouders geboren, opgevoed—neen! juist niet opgevoed,
maar verwend—door een al te toegevende, dwaze moeder, die vroeg weduwe
werd, had hij al de weelde leeren kennen, die een rijk patriciër zich
kan en mag veroorloven. Vóór den tijd meerderjarig verklaard, na
moeders dood, en in ’t bezit gekomen van een vrij goed fortuin, was
hij door goede vrienden, zoowel als door lieve vriendinnen, die
volgens eigen zeggen „trotsch op hem waren”, geworden hetgeen hij was:
een doeniet, een „noceur” die nimmer één enkelen cent had weten te
verdienen, maar met chic wist uit te geven en uitgaf, totdat zijn
passiva de activa verre overtroffen.

„En privé!” zoo geheel „onder onsjes” was Henri toen „over den kop
gegaan”; zonder veel drukte of omhaal werd alles netjes en vlot
beredderd, en toen hij „schoongemaakt” was, zooals de vrienden zeiden,
bleef hem niets over dan zijn bed, zijn garderobe en—zijn passies!

De vrienden waren in die omstandigheden hartelijk genoeg geweest; ze
hadden hem van alles beloofd—en waren toen hun eigen weg gegaan, en
zijn vriendinnen schreiden en klaagden, totdat zij met een hartelijken
kus van innige deelneming hem verlieten. Zij konden zijn verval niet
met droge oogen aanzien: daarvoor waren zij veel te zenuwachtig en te
gevoelig georganiseerd.

„Pauvre petit Henri!” zei de laatste, die met hem had gesoupeerd.
„Pauvre garçon, probablement nous ne nous reverrons jamais!” Zij sprak
slechts Fransch—die lieve dame, maar zij meende het daarom even goed.

Henri zag haar zuchtend na; hij had altijd fijne vriendinnen gehad,
die Fransch spraken, een „pâté aux truffes de Périgord” wisten te
waardeeren en op een prik het onderscheid proefden tusschen Volnay en
Château du Pape. Nu vreesde hij, dat hij die conversatie zou moeten
opgeven.

Van zijn vrienden hoorde of zag hij weinig; allen hadden, de een meer,
de ander minder, hun handen vol met allerlei zaken, die al hun tijd in
beslag namen. Enkelen waren getrouwd en verzekerden hem met tranen in
de stem, dat zij hem „gaarne, o! zoo gaarne bij zich aan huis zouden
ontvangen om van tijd tot tijd door een familiaar diner, zijn soupers,
diners en soirées van vroeger te réciproceeren, maar ... hum!—zij
hoopten niet, dat hij ’t kwalijk zou nemen—hun vrouwen hadden de reuke
van heiligheid, waarin Amice Henri stond, reeds van verre vernomen en
daarom ... hum! hum! ’t Speet hun ijselijk en ’t lag heusch alleen aan
de vrouw, maar .... hum! hum! Als zij hem dus misschien—altijd zonder
hem te beleedigen—konden assisteeren met een tientje of een bankje,
dat hij later kon teruggeven, als ’t hem convenieerde, dan .... hum!
van harte, hoor!—van harte!”

Henri was een goeie jongen, in ’t geheel niet trotsch; hij voelde zich
in ’t minst niet gekrenkt of beleedigd door dat aanbod; hij zou ’t
immers, zoodra hij een betrekking had, in dank restitueeren en—zonder
blozen deed hij zoo’n tientje of meer in zijn toen nog elegante
portemonnaie verdwijnen.

Slechts één enkele vriend had hem geen geld, maar een bescheiden
plaats op zijn kantoor aangeboden; ’t salaris was wel is waar niet
groot, maar toch voldoende om van te leven, wanneer hij slechts de
tering naar de nering zette.

Dat was een uitkomst! De elegante Henri maakte plaats voor den
kantoorbediende? O, neen! het kantoor werd alleen een eleganten
bediende rijk, dat was alles.

De chefs konden er niet beter „gesoigneerd” en „fijner” uitzien dan
Henri, die met de betrekking en het daaraan verbonden salaris ook zijn
passies—hoewel min of meer gewijzigd—met nieuwe kracht voelde
ontwaken.

Op het kantoor werd niet veel, bijna niets van zijn werkkracht
gevergd; dat beviel hem zeer; hij was er en deed dus meestal alsof hij
er niet was.

Men duldde dat, wijl de beschermende vriendenhand, die machtig genoeg
was om het _te kunnen doen_, zich bleef uitstrekken over Henri’s
hoofd, waaromheen de haren langzamerhand de gedaante van een aureool
begonnen aan te nemen. Eenige jaren bleef alles gaan, zooals ’t ging,
totdat de aureool verdween te gelijk met de beschermende hand.

„Er was niets met dien panier percé aan te vangen”, beweerden de
patroons, en gedachtig aan het „en leid ons niet in verzoeking”
verwijderde men Henri van cassa en lessenaar. Met een „douceur” als
afscheid vertrok hij, onbetreurd en onbemind, niet naar zijn kamers,
maar naar een vriendin, die hem na zijn oorspronkelijke onttroning nu
en dan aanhankelijkheid had getoond.

Hij nam bij haar zijn intrek. Zij was geen bloem van vreemden bodem,
maar had bij een der Françaises, die Henri vroeger kende, „meheer wel
ereis ontmoet, als zij bij ’t schoonmaken hielp”. Zij was niet jong
meer, ook niet schoon, maar ze had een goed hart en nogal „kennisjes”,
die aan meheer, toen hij nog in goeden doen was, wel eens verplichting
hadden gehad. Hier en daar vond hij nu, als oude bekende, een uurtje
van gezellig verkeer; maar toen ook de douceur, ja zelfs de opbrengst
van zijn garderobe en de weinige kostbaarheden die hij bezat waren
omgezet in liefde, punch en wijn met gebak, bleven zelfs de meest
vervelooze kamerdeuren voor hem gesloten en zocht hij zijn heil op de
straat; ook daar maakte hij soms nog kennissen, maar—ze waren er dan
ook naar. Die kennismakingen op de straat en de avondlucht waren
verderfelijk voor Henri: hij werd er ernstig ziek van en in ’t
gasthuis had hij lang, zeer lang, tijd om na te denken, hoe hij zoover
gekomen was.

Sedert jaren reeds had hij ’t werkwoord beminnen niet meer in ’t
Fransch, maar in zijn moedertaal vervoegd; de toekomende tijd was er
voor hem reeds geweest en na zijn herstel verdween ook de
voorwaardelijke te gelijk met zijn laatsten cent.

Lichamelijk en geldelijk had hij afgedaan; alles was op!

Hij was de ruïne van een mensch: droef en akelig ging zijn zon onder,
voordat ze de volle middaghoogte had bereikt, en de volle maan
bescheen zijn bouwval.

Kil en koud sloop hij verder door ’t leven. In ’t gewoel der groote
stad in den menschenstroom verdween hij en bleef langen tijd
verscholen—onder water—totdat op zekeren dag bij een van de oude,
gezellige vrienden van vroeger, een mannetje verscheen, dat op de
schaduw geleek van Henri, die allen zoo goed hadden gekend. Als de
doffe echo van een bekende stem, weerkaatsend langs de brokkelende
wanden van een uitgebranden krater, klonk zijn bede om hulp,—om brood!

Nogmaals ontfermden zich eenige vrienden over den gastheer van
voorheen; zij sloegen de handen ineen en brachten een klein
wekelijksch inkomen tot stand voor Henri—met zijn passie: want één
passie was hem nog trouw gebleven, namelijk „het smullen.”

„Le beau petit Henri des dames” was in ’t gasthuis en in het
straatvuil overleden,—het Amsterdamsche type „Henri de Snoeper”, alias
„meheer Kauwbeen” was geboren.


II.

„Bonjour, m’nèr!” zegt „de Snoeper”, in een der voornaamste
Amsterdamsche sigarenmagazijnen binnenkomend.

Met schrik bemerkt de winkelier den van dag tot dag zich onsmakelijker
voordoenden klant, maar goedhartig als hij is en gedachtig aan de
tijden van weleer, toen hij Henri gaarne in zijn winkel zag komen, wil
hij hem niet bot-af de deur wijzen en antwoordt flauwtjes: „Morgen,
m’neer!” maar brengt, te gelijk eenige op de toonbank open uitgestalde
kistjes sigaren in veiligheid, omdat hij bij ervaring weet, dat „de
Snoeper” de gewoonte heeft om in de kistjes te grabbelen, de sigaren
„en fin connaisseur” in de hand te nemen, te bekijken, te beruiken—en
o, die handen......!

„Èngenèm weer vèndèg”, klinkt het verder uit den mond des bezoekers,
die intusschen zijn gebulten hoed afneemt en voorzichtig nederzet,
terwijl hij zijn stokje er naast legt of tegen den kant der toonbank
doet leunen.

Medelijdend glimlachend ziet de winkelier zijn bezoeker aan, als deze
zijn glacé-handschoenen uittrekt, ze nonchalant in zijn hoed werpt en
dan, uiterst beleefd, vervolgt: „Ik wenschte wel, dèt u mij eens een
pèr soorten sigèren liet zien vèn zes à ècht cents ’t stuk, mèr met
Hèvènè-dek; ènders kèn ik ze niet rooken, en, èls u ze heeft, tèmelijk
zwèr.”

Om alle onaangenaamheden te voorkomen biedt de winkelier zijn klant
geen kistjes aan, maar legt hem van verschillende soorten sigaren
eenige stuks voor en wacht.

Voorzichtig, chic, tusschen duim en wijsvinger, neemt „de Snoeper”
achtereenvolgens van elk de ter keuze gelegde soorten een sigaar, op,
ruikt er aan, tracht met zijn halfblinde oogen de kleur van ’t dekblad
te onderkennen en vraagt:

„Welken nèm hebben ze?”

„Flor de Sevilla, Conchas.”

„Èh jè! connu, die heb ik vroeger ook veel gerookt; die wèren niet
slecht, mèr wèt heel zwèr. En die ènderen?”

„Cuba es mi Patria.”

„Uitstekend! Die heb ik èltijd gèrne gerookt; ik zèl dèrvèn een nemen
èls monster.—Zes cent, niet wèr?”

„Pardon, acht cent!”

„O! ik wès in den wèn, dèt ze zestig gulden wèren; mèr ’t is zoo, ik
herinner me, ze wèren vèn tèchtig. Ik zèl deze eerst probeeren:
wènneer ze me bevèllen, wil ik er wel meer vèn hebben.”

De sigaar wordt opgestoken en met een: „Au revoir, m’nèr” zet „de
Snoeper” zijn hoed op, neemt zijn stokje in de hand, slaat er een
trois-quarts-parade mee door de lucht en verlaat den winkel,
medelijdend nagestaard door den winkelier, die hem de sigaar gaarne
had willen schenken uit oude connectie. Hij heeft het zelfs eenmaal
geprobeerd, en toen hij zeide: „Houd het geld maar, u kunt de sigaar
toch wel opsteken”, trots ten antwoord gekregen: „Merci! ik kom èls
klènt, niet èls bedelèr.”

Sedert dien tijd behandelt hij „de Snoeper”, niettegenstaande diens
afschuwelijk uiterlijk, toch met een zekere medelijdende
onderscheiding.

Langzaam de sigaar genietend gaat de ongelukkige verder tot aan een
comestibelen-magazijn; ook dáár kent men hem, en de juffrouw stoot
giegelend den winkeljongen aan, als „Kauwbeen” binnenkomt. Ook daar
neemt hij „gentlemanlike” den hoed af, maar zet dien niet op de
toonbank, omdat de patroon hem eens gezegd heeft: „Meneer! de toonbank
is wel eens vettig; ik zou u niet raden uw hoed er op te zetten.” Die
comestibelenhandelaar was een verkapte diplomaat!

„Geef mij eens een ons gèlèntine aux truffes, mèr wees zoo beleefd het
goed in te wikkelen in pèpier.” Begeerig snuift hij in dat magazijn de
lucht van Fromage de Brie, Emmenthaler, Saucisse de Boulogne,
Ossentong en Salamie op; hij maakt volstrekt geen haast om weg te
komen, zoekt langzaam de twintig centen voor het ons galantine bijeen,
bergt het zorgvuldig in den achterzak van een zijner jassen en trekt
langzaam zijn handschoenen weer aan, die hij had uitgedaan om
gemakkelijker het geld te kunnen tellen—of om tijd te winnen. ’t Is
alsof hij zich aan die mengeling van geuren wil te goed doen; zijn
neusvleugels worden wijder en onbewust opent hij zijn mond een paar
malen, als kon hij door ’t inademen dier vluchtige deelen van kaas en
vleesch verzadigd worden.

Zijn derde bezoek gold een bakkerswinkel.

Met den bakker maakt hij weinig omslag; ’t artikel brood is ook te
gewoon. Met den hoed op ’t hoofd, zijn stokje in de hand, koopt hij
twee „pains de luxe”, maar vraagt: „In pèpier, s’il vous plait!”

De broodjes verdwijnen in een zijner zakken en hij wandelt verder tot
aan een banketwinkel. Ook daar schijnt hij een vaste klant te zijn,
want zoodra de juffrouw zijn nadering bemerkt, schuift zij de schotels
met taartjes en cakes zoo ver mogelijk buiten ’t bereik van den klant,
die zich niet ontziet om ze, vóórdat hij ze koopt, liefkoozend te
bevingeren.

„Wil u de beleefdheid hebben, mij ’n pèr zèndtèrtjes te geven?” vraagt
hij, na te zijn binnengetreden.

„Van ’n stuiver ’t stuk?” klinkt het min of meer ondeugend van de
lippen, der juffrouw; zij kent immers zijn stereotiep antwoord:

„Pèrdon! voor ditmèl mèr vèn ’n hèlven stuiver.”

Soms veroorlooft hij zich nog de weelde van een roomhorentje of een
confituurtaartje, dat hij o! zoo chic en o! zoo langzaam vóór de
toonbank verorbert, tot ergernis van de juffrouw, die, zooals zij ’t
noemt, haar hart vasthoudt dat er op ’t oogenblik, dat „meheer
Kauwbeen” er is, dames zullen binnenkomen. Hij haast zich volstrekt
niet en praat al etend met de winkeldochter: „Ik heb indertijd
dikwijls vèn die côtelettes en robe de chèmbre hier vèndèn gehèd; dèr
hèd de pètroon bepèld slèg vèn om ze èppètissènt te prépèreeren,” zegt
hij, kruimken voor kruimken kauwend. „Ik woonde toen ter tijd op
kèmers op ’t Rokin; ’t is onèngenèm voor me, dèt ik me lèter min of
meer moest ... hum!... Enfin! ik heb...” Daar komen eenige dames
binnen, en de winkeljuffrouw, die hem tot dusverre heeft aangehoord,
zegt eensklaps: „Ik krijg zeven en een halven cent van u!”—„Oui,
Voilè!” De Snoeper betaalt en verwijdert zich na eene hoffelijke
buiging tegen de binnentredende dames te hebben gemaakt en met een
glimlach om zijn tandeloozen mond de woorden te hebben geuit: „Sèlut à
lè beauté!”

Nog is zijn proviand-tocht niet ten einde, want na een vrij lange
wandeling is hij in een van de achterbuurten der stad gekomen. Voor
een koffiehuis van den achtsten rang staat hij stil, grijpt even met
zijn hand in den zak en telt, zonder dat iemand het ziet, zoo gelooft
hij ten minste, de rest van zijn geld; ’t bedrag valt hem zeker mede,
want in plaats van het „koffie- en chocolaadhuis” binnen te gaan,
keert hij op zijn schreden terug en treedt een koomenij binnen, koopt
daar—niemand ziet het immers—een ons zoetemelksche kaas en twee
gesmeerde kadetjes, maar beide „in pèpier.”

In ’t chocolaadhuis zitten eenige werklieden, die, zoodra hij
binnenkomt, beginnen te lachen en hem toevoegen: „Zoo, papa Kauwbeen!
ben je daar weer? Kom je schaften?” Hij antwoordt niets, maar ziet hen
met diepe verachting over den schouder aan, als hij zoo ver mogelijk
van hen af aan een tafeltje gaat zitten en kortaf roept: „Een kop
chocolèd!”

Dan ontvouwt hij het „pèpier”, belegt met zijn vingers de twee
kadetjes met het ons kaas, breekt ieder broodje in vier stukken en eet
met smaak, nu en dan zijn maal afwisselend door een teug
melk-chocolade.

„Zeg, Snoeper!” schreeuwt een van de werklieden, die, met beide
ellebogen op tafel steunend, uit een kom koffie drinkt en een dikke
boterham met roggebrood voor zich heeft liggen, „zeg, waar heb jij nou
weer die kaas opgedoken?”

„Och, laat hem zitten, hé!” vraagt de bedienende kastelein, en
glimlachend voegt hij er bij: „Meneer doet jou immers niks!”

„Meneer? ’n Mooie meneer!” grinnikte de werkman. „’k Wou om de dood
niet graag zoo’n heer wezen.”

„Och hij is halfsuf, laat ’m zitten, Karel; hij is toch vroeger ’n
heer geweest,” zegt de kastelein halfluid, en zachter voegt hij er
bij: „Hij is van voornaam komaf, maar z’n femielie is sjofel geworden
net als hij zelf; ’t is ongelukkig genoeg, dat ie nou van de gift
leven moet.”

„Wat weêrga, laat ’m dan gaan werken: wij moeten ’t toch ook doen.”

„Hij werken? Kijk ’m ereis goed an: daar is ie veel te petieterig
voor.”

„Hum ja! je hebt gelijk: daar is hij te miserabel voor.—Afijn laat ’m
voor mijn part maar zitten; ik wil nog niet eens met ’m ruilen met al
zijn komaf.”

Intusschen eet de Snoeper, die ’t gesprek niet gehoord heeft, zijn
broodjes; de laatste kruimeltjes, die op ’t papier liggen, tipt hij
één voor één met een vingertop op en ’t laatste druppeltje chocolaad
heeft hij met een stukje brood uit den kop geveegd.

Hij betaalt, steekt het eindje van zijn sigaar weer op en vertrekt
zonder iemand der aanwezigen te groeten; alleen den kastelein knikt
hij heel voornaam even toe, als hij de deur uitgaat.

De voorraad, dien hij in zijn zakken heeft, dient nu als teerkost op
den weg; want—hij wandelt, wandelt als Ahasverus, zonder rust, zonder
verpoozing. Dan ziet men hem hier, dan weer daar, en altijd peuzelt
hij uit zijn zak; zijn kakebeenen zijn voortdurend in beweging, en
heeft hij niets te kauwen in werkelijkheid, dan nog bewegen zich zijn
kaken werktuiglijk heen en weer als een perpetuum mobile.

Zóó was de Snoeper, zóó zag ik hem, toen ik mij de moeite gaf hem na
te gaan en te volgen, zonder dat hij ’t wist. Wat ik verder over hem
vernam was dit. Hij vroeg nooit aan oude bekenden om ondersteuning,
maar hij had er toch een zekeren slag van om langs diplomatieken weg
zijn financiën voor ’t oogenblik te verbeteren, en wel op de volgende
manier. Wanneer hij den een of anderen kennis van vroeger ontmoette,
die niet tot de wekelijks contribueerenden behoorde, hield hij hem
staande en zei: „Hé bonjour! Hoe mèk je ’t? ’k Hèd in leng ’t
genoegen niet je te zien; ik zou je wel eens hebben opgezocht,
mèr—c’est triste a dire—mijn gèrderobe is op ’t oogenblik niet premier
choix. Ik heb hélès! veel geld verloren, mèr juist doordien ik
fètsoenlijk mensch wou blijven. Ik heb nu èlleen ’n kleine lijfrente
wèrvèn ik existeer; wènneer je dus eens iets voor me hoort, de een of
èndere betrekking, die niet déshonorèbel is, dèn zul je me obligeeren
door me te recommèndeeren; wènt, sèns bèdinège, ik heb ’t zeer noodig,
ik kèn je èls ouwen kennis wel entre-nous vertellen, dèt ik ’t hoog
noodig, zelfs zeer hoog noodig heb.”

Wanneer dan de aangesprokene, bewogen door des „Snoepers” ellendig
uiterlijk, hem een gulden, soms zelfs een rijksdaalder in de hand
wilde leggen, weigerde hij dien eerst met een: „Pèrdon! zóó wès ’t
niet mijn intentie; ik ben goddènk nog geen bedelèr, mèr èls ik er je
genoegen mee doe, wil ik ’t momenteel wel èccepteeren, op conditie dèt
ik ’t je, zoodrè ’t me convenieert, in dènk restitueer. Èdieu! ik hoop
me spoedig te revèncheeren.”

Van dat „revèncheeren” is nooit iets gekomen—alleen de natuur nam
„revanche” op de afwijkingen van „Kauwbeen”, want vóór zijn 48e jaar
stierf hij in ’t Buitengasthuis aan herzenverweeking. Niemand beweent
hem, niemand verliest iets aan hem—want hij had voor niemand geleefd
dan voor zichzelf. Een onnut leven is geëindigd, een zonderling
straattype is verdwenen—ziedaar zijn grafschrift!



DIRK DE SNORDER.



DIRK DE SNORDER.


Een bitter koude, donkere winteravond!

Zwaar van hagel en sneeuw, dreigen de wolken in het uitspansel, gereed
om hun last over de koude, harde aarde uit te storten, zoodra de
scherpe oostenwind hen niet meer bedwingt door zijn kracht.

Nu en dan, als hij zijn verstijvenden kouden adem een oogenblik
inhoudt, ontsnappen aan de wolkgevaarten kleine scherpe ijskristallen,
die naar den grond dwarrelen, als de geeselende voorboden van nog
strenger vorst. De maan heeft zich verscholen in het donzig wolkenbed,
en slechts dan wanneer de wind de wollige sprei, die haar gelaat
bedekt, even scheurt of oplicht, gluurt zij, uit een bleekrooden
krans, naar de wereld onder haar.

Slaperig en beneveld ziet zij op de slechts hier en daar nog met witte
plekken bestipte daken der huizen, of in de straten en stegen, waarin
de sneeuw grootendeels reeds is weggevroren of verpoeierd opstuift,
als een windstoot gierend tusschen de huizen blaast.

Donker en somber teekenen zich gebouwen en torens af tegen de vale
plekken in de lucht. Hier en daar smelten alle omtrekken samen tot één
vormeloozen, zwarten klomp, nauwelijks te onderscheiden van de dikke,
zware wolken, die den nacht bijna volkomen maken.

Heldere strepen, vierkanten en ruiten van rosachtig geel licht breken
op verschillende plaatsen, lager of hooger, krachtig door dat duister;
’t zijn de verlichte vensters van de huizen.

Het Centraal-station staat tegen de donkergrijze lucht, als een zwarte
massa, alleen gebroken door een groote, langwerpig vierkante plek
helder licht, den ingang. De schijn der gasvlammen blinkt tegen de
ijskegels, aan den gevel en tintelt in de sneeuwdeeltjes, die op de
houten trappen van het gebouw glinsteren.

Een lange rij lichten, op gelijke afstanden van elkaar staande, links
van het station, wijst de standplaats aan der huurrijtuigen, op de
reizigers wachtend, die met den laatsten trein moeten aankomen.

’t Is kwartier voor elven.

Om elf uur drie minuten moet de trein het station binnenstoomen en zal
de betrekkelijk vrij groote kalmte, die nu bij, om en in het gebouw
heerscht, plaats maken voor zenuwachtige drukte en haast.

De koetsiers van „de aapjes” en vigilantes trappelen op en neer naast
de geduldig onder hun dekens stilstaande paarden, waarvan een enkel nu
en dan met den kop schudt of een der voorpooten oplicht, om met zijn
hoef de straatsteenen te krabben, als wilde het dier de beweging van
zijn meester nadoen.

De wachthebbende politie-agent heeft tijdelijk een schuilplaats
gezocht in de vestibule bij de middendeur en ziet met verlangen uit
naar het oogenblik, waarop hij zijn kouden post voor het warme bureau
zal kunnen verwisselen.

Een eind voor het station, bij het begin van den oprit, staan een paar
vigilantes, die telkens, als een passagier instapt, beven en sidderen
voor zich zelve en voor den roekelooze, die zich waagt aan vehikels
met paarden er voor, die betere dagen hebben gekend en rijp zijn om
binnen korten tijd te veranderen in zoolleer, goedkoope biefstuk of
best rookvleesch.

’t Zijn een paar „snorders”, zooals men te Amsterdam dat soort van
vervoermiddel noemt.

De stationneerde rijtuigen behooren tegenwoordig aan eene
maatschappij, die ze tegen een bedongen prijs, hooger of lager, al
naarmate van de standplaats die zij innemen, verhuurt aan koetsiers,
die volgens een door burgemeester en wethouders bepaald tarief moeten
rijden en hun verdienste vinden in het verschil tusschen het geld, dat
zij voor de ritten ontvangen en den huurprijs dien zij betalen.
Gewoonlijk houdt de koetsier van een gestationneerd rijtuig of aapje
een tamelijk goed weekloon over en kan daarvan, wanneer Bacchus hem
niet de baas is, met een gezin vrij goed, soms zeer goed leven. De
„snorder” daarentegen is in den regel in dienst bij een baas, die één
of twee invalide oude rijtuigen bezit en even zooveel afgeleefde
knollen op stal heeft. Soms rijdt de baas ook zelf, maar dan is
gewoonlijk het voertuig zoo onaanzienlijk en van een zoodanig verweerd
en vermolmd soort, dat het, evenals de uilen, alleen des nachts op
straat komt en in ’t duister ontsnapt aan ’t valkenoog der inspecteurs
van het voerwezen, of oogluikend wordt toegelaten, als die ambtenaren
menschelijk genoeg zijn om den armen baas een stukje brood te gunnen.

Zulke open of dichte wagentjes worden meestal alleen door benevelde of
vroolijke nachtvogels gebruikt, en nergens weten de kreupele paarden,
die er voor zijn gespannen, zoo goed den weg als op den Zeedijk en in
de Nes.

De „snorder”, die door een knecht gereden of bestuurd wordt, staat,
hoewel geen sport, toch iets hooger op de ladder van ’t voerwezen.
Hij vertoont zich den geheelen dag en doet afbreuk aan de rijtuigen
der maatschappij en der grootere stalhouders. ’t Is in zeker opzicht
een vrijbuiter. Hij neemt wat hij krijgen kan, zonder zich aan een
tarief te houden, loert aan de stations op argelooze passagiers, die
geen ander rijtuig meer konden krijgen, en rijdt verder stapvoets dan
hier dan daar rond langs pleinen en straten, om een vrachtje op te
snorren.

’t Is voor den knecht meestal een schraal stukje brood, want de baas
betaalt hoogstens 4 à 5 gulden ’s weeks en laat verder zijn koetsier
aan de weldadigheid der passagiers over. Is zoo’n knecht niet eerlijk,
dan... Doch ’t is plicht te gelooven, dat ieder mensch als „goud” is,
en daarom nemen we aan, dat de beide snorders, die op den kouden
winteravond in de nabijheid van het Centraal-station hebben heen en
weer gereden en nu naast elkander, op eerbiedigen afstand van den
politie-agent stilstaan, voor de belangen van hun respectieve bazen in
alle deelen opkomen zooals ’t behoort.

„’t Is weerlichts koud van avond”, zegt de een tot den ander, die
evenals hij, naast zijn paard staat te trappelen.

„Nou sicuur, hoor! M’n beenen vallen haast af.—Zeg, Bobberd! heb je
nog tabak?” is ’t antwoord.

„Geen draadje meer, manke! Anders... Viegelantje, meheer?” De Bobberd
spreekt een heer toe, die hem rakelings voorbij gaat, en slaat met
kracht zijne koude handen samen, als applaudisseerde hij zijn eigen
woorden. „Viegelantje, meheer?”

„De manke” biedt evenals zijn kameraad herhaaldelijk zijn rijtuig met
een: „Rijtuig, meheer?” of „Viegelant assieblieft?” aan de enkele
menschen aan, die iemand of iets van ’t station moeten halen en die
zich om die vraag even weinig bekreunen als om den jongen, die op een
sukkeldrafje de menschen naloopt en met bibberend stemgeluid vraagt:
„’N doossie lucifers, heeren?”

„Zeg, Bobberd?”

„Nou?”

„Er staan een boel gestationneerden van avond; ’t is bepaald weer mis;
’k heb vandaag nog geen gulden gemaakt aan fooien! en geen enkele
sigaar: ’n kale boel. Ba!”

De Bobberd is een roodneuzig, opgezet drankvet-individu, die dezen
bijnaam aan zijn lichaamsomvang dankt. Met heesche stem antwoordt de
Bobberd:

„Ik ook niet, ’k ben casuweel zonder; anders heb ik altijd sigaren
plentie: ’k rij nogal veel heeren, weet je?”

„Ja, jij bent gelukkig,—je hebt haast altijd volk; maar ik—ik veeg[1]
gewoonlijk. ’t Is een miserabele tijd: de menschen worden hoe langer
hoe schrieler.”

[1] Geen volk opdoen om te rijden.

„Dat komt door de algemeene melaise, manke!”

„Wat is dat?”

„Dat weet ik niet; maar iedereen zeit het, en dan zal ’t wel waar
wezen. Ik geloof, dat het zooveel beduidt alsdat er in zaken van
handel temet niks niet te doen is. Maar je hebt gelijk, ’t is benauwd
tegenwoordig; ik heb verleden week nog geen tien gulden gehaald met
fooien en al.”

„’k Wou, dat ’k ze maar alle weken had”, antwoordt de manke met een
zucht, terwijl hij de toppen van zijn wanten in den mond steekt en er
uit alle macht op blaast.

„Wat heb jij vast bij je baas?”

„Ik, Bobberd? Vijf gulden tien!”

„Blikslagers! dan ben jij ’t heertje, hoor! Dan heb jij een halven
gulden meer dan ik.—Daar moet ’k mijn baas ereis over
aanspreken.—Prrr! knol sta stil!”

„’k Had vroeger ook vijf gulden, maar een jaar geleden sloeg die ouwe
dragonder—je hebt hem wel gekend, ’t was een witvoet, een nijdige
rakkerd zoo oud als hij was,—m’n linkerbeen stuk. ’k Heb dertien weken
in ’t Gasthuis gelegen, en toen ik er uitkwam, gaf de baas me twee
kwartjes verhooging.”

„Nou, dan mag jij onzen lieven heer wel danken voor dat beentje; dat
’s vijftig centen per week waard.”

Terwijl hij dit zegt, lacht de Bobberd zóó, dat zijn breede,
tabaksbruine mondhoeken zich bijna tot zijn ooren vertrekken. „En ben
je er nou al rijk door? Neen, hé? Je bent even sjofel als ik; vroeger
had ik regelier een gulden of acht aan fooien in de week en nou nog
geen vijf.”

„Nou, en ik had verleden week nog geen vier gulden; en ’k geloof
waarachtig, dat ’k van deze week ze niet eens haal.”

„Klagers hebben geen nood, manke!—Prrrrr! Jan, hou je gemak, jongen;
we gaan zoo naar stal.—Ja, wat ik zeggen wou: jij bent immers
getrouwd, hé?”

„Ja, natuurlijk!”

„Kinderen?”

„Zeven!”

„Godzegenme!—Satansche knol! wat mankeert jou van avond?—Een hok vol.
Zie je, daar heb ik nou geen last van; ik heb geen kinderen.”

„Ei! hoe komt dat zoo, Bobberd?”

„Omdat ’k geen vrouw heb; ’k ben een vrije jongen!”

„Ja, dat ’s waar ook, daar dacht ik niet aan. En klaag jij dan nog
over den slechten tijd?”

„’n Mooi ding! Een vrije jongen leeft altijd duurder dan een getrouwd
mensch.”

„Ei!”

„Natuurlijk! Eerstens je kostgeld; tweedens je borreltje. Dat moet een
mensch toch....”

Het gillend fluiten van een locomotief, het sein van den aankomenden
trein, doet hem plotseling verstommen; haastig werkt hij zich op den
bok van zijn rijtuig, bukt zich voorover en trekt de deken van zijn
paard naar zich toe. Vlugger dan men van den manke zou verwacht
hebben, is ook deze ten troon gestegen en zegt, met de leidsels in de
hand, tot zijn collega: „Daar komt ie; als er nou maar volk genoeg
is.”

Nogmaals gilt de stoomfluit naderbij; dan nog eens lang en schril; de
trein stoomt binnen. Een oogenblik later komt bij, om en in het
station, alles in beweging.

Stoomwolken uitsissend, blazend en hijgend met gloeienden adem, is de
locomotief langs het perron komen aanstuiven, en plotseling in zijn
vaart bedwongen door de Westinghouse-rem, staat hij nu als een
vermoeid en amechtig mensch te kuchen voor den langen trein van
verlichte wagens, die, als zij geopend worden, met de passagiers ook
de warme lucht uitlaten, die opwolkt en dampt in den kouden
winternacht.

„Bagasie, heeren! Bagasie!—Niemand bagasie?” roepen de langs de
waggons snellende kruiers.

Een hoopje bibberende hotelportiers verwelkomt aan den uitgang van ’t
station de reizigers met: „Hôtel du Doelen, Rondeel! Bible-Hôtel!
Hôtel Central! Pays-Bas!” enz.

In bouffanten en cachenez, pelzen en overjassen, mantels en doeken
gehuld en gestoken, komen halfbevroren derde-klasse reizigers en
huiverende eerste- en tweede-klasse passagiers door den uitgang.
Sommigen hollen wat ze kunnen, om de tram te bereiken, voordat alle
plaatsen bezet zijn; anderen loopen hard, om warm te worden; en weer
anderen haasten zich naar de gereedstaande rijtuigen.

In draf rijden de verschillende „gestationneerden” de snorders
voorbij. Met wangunstige blikken zien de twee koetsiers, hoe ’t eene
rijtuig na ’t andere, met koffers op bok of imperiaal, hen
voorbijrolt.

Of ze al met hun zweepen wenken en op den bok staande roepen:
„Viegelant?” de passagiers zijn voor hen, naar ’t schijnt, niet
aangekomen.

’t Begint zachtjes te sneeuwen; dat helpt den Bobberd aan een klant.
Met lachend gezicht rijdt hij weg en hoort de spijtige woorden niet
van den manke, die hem naroept: „Gelukkige vent, jij bent er alweer
uit met een prijs!” Verlangend ziet de overgebleven snorder naar de
reizigers, die in steeds kleiner aantal hem voorbijkomen.

Eindelijk zijn al de rijtuigen voor ’t station verdwenen; hij wacht
nog even, dan rijdt hij zachtjes voor ’t plein op en neer: misschien
komt er ook nog iemand voor hem.

Neen! ... de stationsportier sluit het hek reeds dicht; er is voor den
manke geen vrachtje.

„Zou ’k van avond alweer vegen?” mompelt hij verdrietig, terwijl hij
de zweep in den koker zet en den rechterarm tegen zijn lichaam slaat
om gevoel in de vingertoppen te krijgen. „In godsnaam dan, vort! Brrr!
wat is het koud.”

’t Is hem alsof hij nu eerst recht den snerpenden wind voelt en ’t
snijden van de vorst.

„Hort, bles! dan maar naar stal.”

Reeds heeft hij zijn paard aangezet, als een: „Hola, koetsier! stop!”
hem de teugels strak doet trekken. Hij richt zich overeind op den bok,
ziet achterom en ontwaart een paar gestalten, die langzaam naar hem
toe komen.

„Viegelant?” roept hij hun vragend tegen.

„Ja! keer maar om!”

Een ruk aan de leidsels, een aanmoedigend klappen met de tong voor
zijn paard en ’t rijtuig is naast dengene, die hem roept. Werktuiglijk
herhaalt hij zijn vraag: „Viegelant?”

Een conducteur, die een oud heer ondersteunt, antwoordt: „Jawel! hier
heb je een passagier, die in de wachtkamer ongesteld is geworden.
Breng meneer zoo gauw als je rijen kunt naar ’t Amstel-Hôtel.”

De oude heer, in een fijnen pels gedoken, voegt er met matte stem bij:
„’k Zal je een flinke fooi geven, als je gauw rijdt.—Dank je,
conducteur; zet mijn koffertje en dat valiesje maar binnenin, op de
voorbank. Ziedaar, dat’s voor je moeite.”

„Dank u, mijnheer!—Beterschap!—Vooruit, koetsier!”

De manke legt de zweep over zijn paard en rijdt zoo spoedig de stijve
beenen van bles het veroorloven in de aangewezen richting voort.

„Dat valt mee,” denkt hij onder weg, „’n goeie fooi, hm! misschien
maakt die zieke ouwe man mijn dag nog goed. Hort! vooruit dan, ouwe
jongen.—’k Zal de Kalverstraat nemen,” zegt hij bij zichzelven, „dat
rijdt lekker. Hm! wat zou dien man mankeeren? Misschien heeft hij te
veel gegeten en pijn in z’n lijf. Och! wat kan ’t ons schelen, hé,
bles? Als hij mij maar een paar kwartjes fooi geeft, is ’t me
onverschillig waar hij mankement heeft, al had hij ook....”

Tikken tegen het raampje stoort hem in zijn overpeinzing. Hij houdt
even op; de passagier steekt zijn hoofd uit ’t portier en vraagt
knorrig: „Waar breng je me heen, dat je zoo door de Kalverstraat
rijdt?”

„Naar ’t Amstel-Hôtel, zooals u gezeid heeft, maar ik neem de
Kalverstraat, omdat ik veronderstel, weet u, dat voor een ziek mensch
dat asphalt zachter en....”

„O, zoo! is ’t daarom; dat’s wat anders, dank je. Wat is je nummer?”

„Honderd een en tachtig, meneer!—Doorrijen?”

„Ja, asjeblieft!”

„Hort, bles!—Wat weerga, waarom vraagt die vent op eens mijn nummer?
Ik heb hem toch niet veraffronteerd,—is ’t wel, ouwe bles? Nou, ’t zal
mij een zorg wezen, al was hij zoo nijdig als een spin; maar hij zei:
„Dank je!” Blikslagers, misschien recommandeert hij No. 181 als een
geschikt persoon. Ook goed!—Kom, bles, vooruit dan, we moeten, allebei
naar stal.”

’t Is een eigenaardige gewoonte van den manke, om met zijn paard te
praten, als hij rijdt; misschien doet hij ’t, zonder dat hij ’t zelf
weet, uit verveling, of om zijn ros aan te moedigen. „Komaan!”
vervolgt hij, „daar hebben we de Utrechtsche straat al; moet je nou de
zweep eens eventjes proeven? Ja, steek je ooren maar op; ’k zal....
Wat weerga! wat schokt daar zoo? Valt daar iets in m’n viegelant?
Phu-u-u-t!” de koetsier fluit tusschen de tanden.

Bles staat stil en zijn bestuurder klimt van den bok, om te zien wat
er gebeurd is. Hij opent het portier en brengt even de hand aan zijn
hoed, als hij vraagt: „Neem me niet verkwalijk, meneer, maar....
Allemachtig! hij is van zijn stokkie gevallen en ’t koffertje met ’t
valies leit naast hem.”

„Hei! zeg eens, ouwe heer: scheelt er wat aan? Ben je niet goed?—Dat’s
een mooi ding! Op avontuur is hij dood: dan ben ik gesjochten voor
mijn vracht.”

Een paar voorbijgangers blijven staan en zien nieuwsgierig naar den
manke, die zijn best doet om den passagier weer op de bank te zetten.
Met hulp van een paar mannen richt hij den ouden heer op, die met een
zucht weer tot zichzelven komt en flauwtjes zegt: „’k Werd—weer—zoo
benauwd; rij in Godsnaam voort!”

„Zou uwé ’t dan nou zóó kennen rooien?”

„Ja! ja! rij gauw weg.—Wat doen die mannen hier?”

„Ze hebben zooveel als een handje geholpen.”

„O, zoo!—Dank jelui.”

’t Portier wordt dichtgeslagen en een „vooruit!” van den koetsier
brengt de vigilante weer op weg.

Eenige minuten later is het Amstel-Hôtel bereikt en wordt de zieke man
door den portier behoedzaam uit het rijtuig geholpen. De manke hoort
hem zeggen: „Betaal den koetsier en geef hem een gulden fooi!” ziet
hem langzaam de trappen opgaan en in de vestibule verdwijnen. Iets
later ontvangt hij de vracht met de fooi en zal wegrijden. Vóórdat hij
dat doet, kijkt hij werktuiglijk nog eens in de vigilante en ontwaart
het valies, dat op den bodem is blijven liggen. Met een: „Hé, portier,
de ouwe heer heit nog wat vergeten,” reikt hij de reistasch over,
klimt op den bok en rijdt weg.

„Zoo, jongen! nou als de wind naar stal.—’n Gulden fooi! Zeker en
bepaald een fijn mensch.—Kom! dat’s een meevallertje; even een hapje
nemen voor de kouwe voeten, dat kan er nou wel af.”

’t Hapje wordt gebruikt, een sigaar van de vijf er bij genomen en dan
draaft bles verder. Hij heeft nu geen zweep meer noodig, want ’t paard
weet, dat hij naar stal gaat. Zijn baas zit genoeglijk te dampen en
laat af en toe de leidsels van de eene in de andere hand overgaan, om
dan de vrije hand tegen zijn lichaam warm te slaan.

Bij de brug, die van ’t Leidsche plein naar de Stadhouderskade voert,
wordt hij aangeroepen door iemand, die met den hoed in den nek tegen
een lantarenpaal leunt.

„Hé! Hola, koetsier!”

„Phu-u-ut! Prrr!—Ho, bles!—Wou uwé rijen?”

„Ja! Ben je vrij?”

„Om je te dienen, meneer.”

Een jongmensch, netjes in de kleeren, maar ietwat aangeschoten en in
vroolijke stemming, neemt de kruk van ’t portier in de hand en vraagt
met min of meer bezwaarde tong:

„Schroef jij ’s avonds dien knol uit mekaar? Ha! ha! ha! ’t Beest valt
om, als je niet oppast. Zeg, Autómedon! zou je me nog zonder
ongelukken naar Kras kunnen rijen?”

„’t Zal wel lukken, meneer! Stap maar in; maar ’t is dubbel tarief na
elven. Weet u ’t?”

„Daar vraag ik je niet na, Autómedon.”

„Zeg ereis, meneer, als je me uitscheldt, rij ik niet.”

„Die is goed. Ha! ha! Heel goed!”

„Kom, stap nou maar in, ’t is al mooi laat.”

„Verduiveld! Die ouwe kast van jou draait. Hou ’m recht, kerel! Dat’s
zot, dat’s—hm! Die vervloekte tree zit niet vast. Ho dan!”

„Wil ik je ook even helpen, meneer?”

„Neen! ’t Is in orde.—’n Verdraaid gemeene rammelkast! Niet steady.
Zóó, ik zit. Vooruit!”

Van den bok reikend slaat de manke het portier met een harden slag
dicht. Een „hort, bles!” en het rijtuig komt in beweging.

Onder weg zegt de snorder tot zijn paard:

„Dat valt mee voor den baas, maar niet voor jou; maar er is niets aan
te doen. Kom, ouwe jongen, vooruit!”


II.

’t Is een armoedige, kleine woning, die door Dirk De Vries, bijgenaamd
„de manke”, met zijn groot gezin wordt bewoond.

Het lage bouwvallige huisje, dat zich in een slop, uitkomende in de
Passeerderstraat, bevindt, bestaat slechts uit één vertrek, met een
klein hokje, een zoogenaamd keukentje er naast.

De deur, die niet goed meer gesloten kan worden, en een smal venster
laten nauwelijks licht en lucht genoeg in voor zooveel ademende
wezens. Alles draagt daarbinnen de kenteekenen van verval en ouderdom,
maar niettegenstaande de wormstekige betimmering, de brokkelende muren
en den molmenden vloer is het er vrij zindelijk, want Dirks vrouw
houdt, zooveel zij kan, aan alles de hand.

Aan de linkerzijde van het vertrek is de bedstede en daarnaast een van
oude ongeschilderde planken getimmerde slaapplaats, waarin twee
kinderen, meisjes van negen en zes jaren, eendrachtig liggen te
slapen; onder de tafel, op een stroozak, rusten twee jongens, dertien
en elf jaren oud, onder een oude wollen deken, en eenige
kleedingstukken, die hen ternauwernood voor de felle koude beschutten.
Rechts naast de deur, die tot het keukentje toegang geeft, staat op
den grond een soort van houten bak met eenig beddegoed, waarin een
mager meisje van vijf en een aardig, klein, dik roodwangig kereltje
van drie jaren sluimeren.

Door de geopende deur ziet men de roode wang van een snorrende
potkachel. Op de platte kachelpijp staat een aarden pan met kool en
aardappelen te dampen, zoodat de reeds benauwde lucht in het huisje
niet frisscher wordt door de uitwaseming van ’t snerkende eten. Bij de
kachel, die aldus den dubbelen plicht van verwarmings- en kooktoestel
vervult, zit bij het licht van een petroleumlamp vrouw De Vries het
jasje te verstellen van haar oudsten, die op een sigarenfabriek als
stripjongen reeds eenige stuivers verdient.

Haar gelaat toont duidelijke sporen van zorg en kommer; ’t vroegtijdig
gerimpelde voorhoofd, de ingevallen wangen en de bleeke lippen spreken
van harden strijd en afmattende bezigheden, maar toch is de
uitdrukking van dat vrouwengelaat niet ontevreden. Er ligt een trek
van goedhartigheid en kalmte om den mond, en de groote bruine oogen
met zachten, min of meer matten opslag weerspreken dezen niet.

Zij heeft niettegenstaande haar armelijke kleeding iets fatsoenlijks
in haar wezen, dat den indruk geeft, als had zij eenmaal betere dagen
gekend, als ware zij niet uit het plebs, zelfs niet uit de heffe des
volks ontsproten.

Daar klinkt uit de bedstede een zwakke, pijnlijke kreet. Langzaam, met
een zucht, staat vrouw De Vries op, legt draad en naald ter zijde en
gaat naar het bed, waarop zij haar jongste kind, een bleek, ziekelijk
jongentje van bijna anderhalf jaar heeft neergelegd.

Als zij op is gestaan, kan men zien, dat, zij eenigszins gebogen gaat;
haar lange, vrij grof gebouwde gestalte is min of meer krom in den rug
geworden door arbeid en door ’t rondom haar sluimerende zevental, dat
zij ’t levenslicht schonk.

„Wat is er dan, Jan?” vraagt zij, over ’t bed gebogen, met een licht
Overijsselsch accent. „Heb je pijn in je mondje? Ben je koud,
kereltje? Kom dan maar bij moeder.” Zij wikkelt het kind vaster in den
doek, waarin het te slapen is gelegd, geeft het een teugje water met
melk en sust het, totdat ’t al kreunend weer indommelt.

Als zij hem op bed wil leggen, ontwaakt en schreeuwt Jan opnieuw;
daarom neemt zij hem op den schoot en gaat weer bij de kachel zitten.

’t Kind wordt bedaarder en slaapt in. Over zijn kleine gestalte legt
zij voorzichtig het buisje en vervolgt, zoo goed en kwaad als zij kan,
haar lapwerk. Soms licht zij het buis even op en ziet naar ’t kind,
dat, zwaar ademhalend, met gloeiende wangen en brandend hoofdje,
onrustig slaapt.

„Hij is niet goed; ’k geloof, dat ’t schaap koorts heeft; wat gloeit
hij,” zegt ze tot zichzelve; „dat moet er nog bijkomen!”—Zij luistert,
want buiten in de gang klinkt een onregelmatige tred. „Dat ’s Dirk,”
denkt zij en ziet naar de deur, die een oogenblik later wordt
opengedaan.

’t Is de „manke”, die thuis komt.

Zijn jas en hoed zijn vol sneeuw, die hij op den drempel zooveel
mogelijk afschudt.

„Doe gauw de deur dicht, Dirk! De zomer komt er niet in,” roept de
vrouw hem te gemoet.

„’k Snapte daar net een bui.—’n Avond, Mijntje! Ben je nog op?”

„Ja; ’k moest Gerrits buis wat opknappen: hij moet toch fatsoenlijk op
’t fabriek komen. Hè! wat breng je een kou mee; ’t is vinnig weer
buiten; ik kon mijn vingers niet gebruiken, daarom heb ik de kachel
weer aangelegd; ’k moest je eten toch ook warm houden. Hoe is ’t
vandaag geweest?”

Terwijl de man zijn groote jas en vochtige laarzen uitdoet, zegt hij
opgeruimd:

„’k Dacht eerst, dat ’t vandaag weer miserabel zou wezen, maar de
avond heeft ’t goed gemaakt. Dáár heb je een gulden, twee kwartjes en
een dubbeltje. ’k Had van avond een paar goeie vrachies. Geef me mijn
eten, ’k heb trek.”

„Ik kan niet opstaan, Dirk: ’t kind ligt op mijn schoot; hij is niet
goed; vandaag aldoor onrustig geweest. Twee en dertig stuivers: ’k
wou, dat je ze alle dagen meebracht!”

„Dat schaap is dan erg aan ’t sukkelen, vrouw; zouën ’t de tanden
wezen?” antwoordt Dirk, neemt de pan van de kachel, ziet even naar
kleinen Jan, en begint dan met smaak de kool en aardappelen te
verorberen.

Al etend verhaalt hij, hoe hij den zieken heer naar ’t Amstel-Hôtel
moest rijden en een gulden fooi heeft gekregen, en lachend vertelt hij
van het aangeschoten jongmensch. „Zie je, Mijn, hij had een flink stuk
in zijn kraag, want toen ik bij Kras voor de deur stilhield, was hij
ingedut. Ik maakte hem wakker en zei: „We bennen er, meneer!” Maar ’k
moest hem schudden, zoo lekker was hij ingedommeld. Hij keek me aan
met een paar lodderige oogen en zei: „Goeie morgen! Ik heb ’n
verduivelden dorst!—Die rammelkast van jou is geen cent waard,” maar
hij gaf me toch een kwartje fooi. Nou! mijn een zorg hoe of hij mijn
spul vindt. ’k Heb anders in den laatsten tijd allemachtig weinig
verval gehad.”

Zuchtend antwoordt de vrouw: „Dat heb ’k gemerkt.”

Zij werkt een poosje zwijgend verder en zegt dan op eens: „Zeg, Dirk!”

„Nou?”

„Kierssen is er geweest.”

„Hm!”

„Hij kwam zeggen, dat zijn patroon mooi nijdig is.”

„Hm!”

„’t Is nou met mekaar zestien gulden en een stuiver.”

„’k Weet het wel, maar ’k heb het niet, vrouw!”

„En ook niets meer om „weg te brengen.”[1] Kierssen zei, dat hij, als
Vrijdag ’t geld er niet was...”

[1] Naar den lommerd brengen.

„Nou, wat dan?”

„Ons op straat zou zetten. Ik zei nog: „Meneer Kierssen, je weet wel,
dat wij knappe menschen zijn; we hebben je altijd prompt de huur
betaald, maar nou ’t zoo slecht is van den winter met de verdiensten,
moest je nog wat geduld hebben en...””

„En wat zei hij?”

„Kierssen zelf is de kwaadste niet. Hij zei: „Ik zou je wel willen
laten wonen, maar ik moet als opzichter doen wat mijn patroon zeit;
laat je man zelf eens naar hem toe gaan.””

„Och! dat geeft toch niets; die huisbazen staan je niet eens te
woord.”

„Maar als Kierssen ’t nou toch zeit, Dirk?”

„Praatjes! ze steken samen onder één deken.—Breng morgen dien daalder
maar aan den opzichter op afrekening; dat zal...”

„Maar Dirk, er is geen cent meer in huis, en ’k heb al overal op de
lat[1] gehaald: ’k moet toch zorgen, dat de kinderen wat te eten
hebben. Dan moeten Gerrits schoenen worden gehalvezoold; Piet heeft
ook bijna niets aan zijn voeten, en Klaasje heeft geen...”

[1] Op crediet.

„Schei maar uit; ik weet het wel, vrouw, maar ik kan ’t niet van mijn
lijf snijen.” Dirk wordt knorrig en zijn humeur verergert, als Jantje
onrustig begint te kreunen en eindelijk luidkeels schreeuwt.

„Dat zal me een nachtje geven,” bromt hij, terwijl hij zich ontkleedt.
Met de woorden: „’k Moet er morgen weer vroeg uit; hou dat kind toch
stil, Mijn!” stapt hij in bed en kruipt zoo diep mogelijk onder de
oude, dunne dekens.

„Leg mijn jas er nog maar op: ’t is vervloekt koud en de kachel heeft
gênacht gezeid,” zegt hij tot zijn vrouw, die den schreeuwenden kleine
in haar armen sust en tot bedaren tracht te brengen. Een paar van de
slapende kinderen ontwaken door de pijnlijke kreten van hun broertje,
en de arme, geduldige vrouw is tot laat in den nacht bezig, om zooveel
zij kan de rust te bewaren, die haar man noodig heeft.

Koud en huiverig is Dirk opgestaan; zijn dikke, verkleumde handen
weigeren haar dienst bij ’t aankleeden.

Alles slaapt nog in zijn woning, want eindelijk heeft zich ook de
vrouw, met ’t zieke kind aan haar borst gedrukt, naast hem kunnen
neerleggen.

Hij moet naar den stal, om zijn vigilante, schoon te maken en in te
spannen; want eerst tusschen acht uur en halfnegen komen de
stationneerende rijtuigen op den Dam of elders, en de snorder kan
juist vóór dien tijd soms een vrachtje krijgen.

’t Is nog geheel donker. Hij steekt de lamp aan en wascht zich in ’t
keukentje; vóórdat hij vertrekt, wekt hij den oudsten jongen, die om
half acht op de sigarenfabriek moet wezen.

Slaperig wrijft de knaap zich de oogen en hoort hoe zijn vader tot hem
zegt: „Sta op, Gerrit, haal een cent water en vuur en leg de kachel
aan voor je moeder. Laat ze mijn koffie klaarmaken. Als ik in den stal
gedaan heb, rij ik wel even aan om m’n boterham te halen.”

       *       *       *       *       *

Buiten is ’t nog bijna nacht; de straatlantarens branden en werpen
haar licht op de hard bevroren sneeuw en de gladgeloopen straat, die
glimt en glinstert, als met diamantpoeder bestrooid.

De baas is reeds op, als Dirk in den stal komt, en de kleine, morsige
jongen, die zoo wat „handje voor alles” is, heeft al een paar
oorvijgen beet, omdat hij nog niet goed wakker is kunnen worden.

„Gêmorgen, Dirk!—Satans koud!” roept de baas hem tegen.

„Nou, baas!”

In den stal brandt een petroleumlamp en verlicht vrij onvoldoende de
kleine ruimte, waar ternauwernood plaats is voor twee paarden en een
bok, die nijdig naar Dirk stoot, als hij naast den uit de ruif
etenden bles gaat staan en zegt: „Komaan, ouwe jongen, eerst zullen we
jou een beetje opknappen en dan de viegelant. Hu! op zij! Hu dan! Heb
je nou nog je bekomst niet, vreetzak?”

Hij roskamt zijn paard, en als hij daarmee gereed is, roept hij tot
den jongen, die tegen de haverkist staat te dutten: „Allo, Jaapie!
geef jij bles nog een emmertje water; dan ga ik den wagen
schoonmaken.”

Jaapie rekt zich geeuwend uit en gaat langzaam naar de
waterleidingkraan, zóó langzaam, dat Dirk, die naar het zoogenaamde
koetshuis gaat, hem toeroept: „Kun je nog langzamer?”

„Jawel!” is ’t brutale antwoord.

„’k Zal je straks wel krijgen, onbeschofte rekel!—Waar is de schuier?”

„Vraag ’t hem zelf!”

Gelukkig voor Jaapie, hoort de „manke” deze laatste vriendelijke
woorden niet, want hij heeft juist gevonden wat hij zocht en is reeds
begonnen met het afschuieren der rijtuigkussens. Daarna neemt hij de
mat, die op den bodem der vigilante gelegen heeft op, en schudt die
uit.

Als hij haar weer neerleggen wil, voelt hij een voorwerp, dat hij nog
niet had opgemerkt; ’t is een klein zwart lederen taschje.

„Hé! wat is dat?” zegt Dirk eensklaps, bijna luid, zoodat Jaapie, die
den emmer met water voor Bles schuins op zijn knie houdt, zijn hoofd
omdraait en vraagt:

„Wat mot je?”

„Niks!”

„’k Dacht, dat je riep.”

„Neen!—Kijk naar je emmer.”

Haastig stopt de manke het gevonden voorwerp, zonder het verder te
bezien, tusschen zijn boezeroen en baaien borstrok en doet dan, alsof
er niets gebeurd was, zijn werk; alleen fluit hij er nu en dan een
deuntje bij, iets wat anders nooit voorvalt.

Dirk is in spanning, omdat hij begrijpt, dat in het taschje wel iets
van waarde kan zitten; daarom schiet hem de gedachte door ’t hoofd:
„Wie weet, of je daar geen fortuintje hebt?” Hij tracht zich zoo
onbevangen mogelijk voor te doen en doet daardoor juist iets
ongewoons, zoodat de baas, die weer in den stal is gekomen, hem
toeroept:

„Nou, jij schijnt van morgen in je knollentuin te wezen.”

„Ik, baas?”

„Ja, jij! Je fluit als een merel; dat ben ’k niet van je gewend.”

„Hm! Ja! Neen! ’k fluit, omdat ’k zoo koud ben, baas.”

„Zoo!”

Een oogenblik denkt Dirk: „Je moet dat taschje aan den baas geven om
te bewaren,” maar dadelijk overlegt hij er bij: „Gekheid! eerst kijken
wat er inzit; is ’t de moeite waard, dan breng jij ’t liever zelf
terug aan den... Blikslagers! van wien zou ’t wezen? Van dien zieken
heer voor ’t Amstel-Hôtel, of van dien jongen snuiter, die den prins
gesproken had? Hm! misschien zit er wel een adres in of....”

In den stal wil hij er niet naar kijken, want dan loopt hij gevaar,
dat de baas het ziet en—zijn baas neemt veel te graag zelf een fooi
aan.

Eindelijk is hij met schoonmaken gereed en spant in. ’t Begint te
schemeren, als hij wegrijdt, en er zijn nog weinig andere menschen op
straat dan werkvolk dat naar karrewei gaat, of reizigers die zich met
haast naar de stations spoeden.

Toch oordeelt hij het beter om zoodra hij kan de Heerengracht op te
rijden.

’t Is daar nog doodstil; hij komt er niemand tegen dan den
dienstdoenden politie-agent, die bibberend en koud in den
voorgeschreven pas op de kleine steentjes aan de huizenkant loopt en
hem even toeknikt als antwoord op zijn groet.

Zoodra hij een gracht verder is, laat hij zijn paard stappen, neemt de
leidsels in de eene hand en haalt met de andere het taschje te
voorschijn.

Voorzichtig doet hij ’t open en houdt den inhoud, een pakje papier,
tusschen zijn vingers.

„Waarachtig! ’t zijn bankies,” zegt hij in zichzelf, en terwijl hij
met moeite de cijfers onderscheidt, mompelt hij: „Dat’s een vondst!
Een van vijf en twintig. Een, twee, drie van honderd. Allemachtig!
drie, vier, zes, zeven van veertig! Dat’s al zeshonderd.—Godzegenme,
één van duizend!”

Het bankpapier ritselt in zijn hand; hij is er van geschrikt, want
zooveel geld heeft hij nog nooit bijeen gezien. „Zestienhonderd en
vijf gulden samen! Geen bagatel,” denkt hij, en als hij verder niets
hoegenaamd meer in het taschje vindt, vouwt hij de banknoten weer op
en bergt schielijk een en ander weg,—nu echter tusschen zijn baaien
hemd en het bloote lijf: daar is ’t zekerder! Terwijl hij verder rijdt
en werktuiglijk den weg naar den Dam inslaat, denkt hij: „Wie zou dat
verloren hebben?” Hij weet bepaald, dat er niets van dien aard in zijn
vigilante lag, toen hij ’s avonds te voren aan het station ging staan,
want even vóór dien tijd heeft hij de mat, omdat er ingeloopen sneeuw
op lag, nog uitgeschud. ’t Moet dus van een der twee laatste
passagiers zijn.

Wat zal hij met dat geld doen? Zal hij het naar ’t bureau van politie
brengen? „Hum!” overlegt hij bij zichzelf, „’k zal zoo dwaas niet weer
wezen; ’k heb eenmaal een gouden ring gevonden en naar het
politiebureau gebracht; daar is hij afgehaald door den eigenaar en
zelfs geen fooitje is er voor „den manke” overgeschoten; dat doe ik
nooit weer.—Maar wat dan? ’t Geld houden, nu en dan een bankje
wisselen?” Hij is ’t nog niet met zichzelven eens. „Een bankje van
vijf en twintig, desnoods van veertig gulden, dat zou nog gaan; maar
dat van duizend, dat’s te gevaarlijk! En....”

Werktuiglijk is hij voortgereden, zonder zich te herinneren, dat hij
nog thuis zou aanrijden om zijn brood te halen. Hij heeft den Dam
reeds bereikt, als hij er aan denkt. Voorzichtig voelt hij buiten op
zijn jas naar de kleine verhevenheid, die door het verborgen taschje
met bankpapier ontstaat; ’t is alsof hij zich telkens opnieuw wil
overtuigen, dat hij waarlijk zooveel geld bij zich heeft.

„Wat zal moeder de vrouw er wel van zeggen, als zij ’t hoort”, denkt
hij, terwijl hij op den nog duisteren Dam heen en weder rijdt. Hij
glimlacht, want hij weet wel, dat zij zeggen zal: „Dadelijk naar ’t
bureau brengen, Dirk! Eerlijk duurt het langst”, en—zijn hart klopt:
zóóveel geld en zóó arm!


III.

Eenige dagen waren verloopen en nog altijd was de tasch met bankpapier
in ’t bezit van „den manke”. Hij was, na lang beraad met zichzelven,
tot het besluit gekomen om ’t geld zoolang te houden, totdat er
navraag in de kranten kwam.

Iemand, die zooveel geld verloren heeft, dacht hij, doet natuurlijk
moeite om het terug te krijgen, en zet ’t allereerst een advertentie
in de dagbladen, om den eerlijken vinder op te sporen.

Hij was vast besloten om, zoodra hij wist wáár of aan wien zich te
wenden, het geld aan den eigenaar terug te brengen; er zou, zoo
rekende hij uit, voor hem toch stellig een belooning, misschien wel
één of een paar bankjes van veertig gulden, opzitten.

Elken avond had hij in „’t Vroolijke Schuttertje”, een kroeg waar
gewoonlijk de maats verkeerden, de dagbladen nagezien, maar zonder
gevolg.

Eens zelfs had de Bobberd, de trouwste bezoeker van ’t Schuttertje,
toen hij Dirk zoo aandachtig het _Handelsblad_ en ’t _Nieuws van den
Dag_ zag doorsnuffelen, droogjes aan hem gevraagd: „Lees jij
tegenwoordig de kranten?”

„Ik? Hoe zoo?”

„Wel, je was er vroeger geen liefhebber van en nou snor je sedert een
paar dagen zoo in die kranten. Heb je misschien wat gevonden in je
kar?”

Dirk schrikte. Zou de Bobberd iets weten? Waarom zei hij dit zoo
eensklaps? ’t Zweet brak hem uit, want ’t kwam hem voor, dat hij hem
zoo wonderlijk aankeek bij die woorden, en verlegen stotterend
antwoordde hij: „Ne-ne-neen! Hoe kom je daarbij?”

„Nou! ik dacht het maar zoo, manke!”

„Waarom?”

Zijn breeden mond tot een leelijken grijns vertrekkende, zei de
Bobberd: „Wel! ’t is me ook ereis gebeurd, dat ik wat vond; ’t was
maar een bagatel, ’n kleine parelmoeren damesportemonnaie; toen heb ik
ook gekeken naar de advertenties.”

„En?”

„’k Zag er eindelijk een staan, maar ’k had de duiten al op. Ha! ha!
ha! ’t was nogal de moeite waard om het te bewaren; er zat maar een
gulden of acht in; ’k heb die dubbeltjes wat lekker gebruikt. Zie je,
als ’t nou meer was geweest, dan had ik misschien.... Afijn! ik kon
ook m’n vingers niet branden, want geld is geld, ’t is allemaal even
rond, en aan een rijksdaalder kun je niet zien of hij van mijn is of
van jou.”

„Ja! hm! maar Bobberd, ’t was toch niet....!”

„Zeg, ouwe jongen! hang nou maar niet den vrome uit. Jij zou ’t
evengoed hebben gehouwen als ik.—Je begrijpt, ’t portemonnaietje had
ik subiet in de kachel gestopt. Geen haan kraaide er naar.”

„Maar als ’t nou eens bankies waren geweest, dan zou je toch aan de
lamp hebben kunnen likken, als de nummers bekend waren.”

„Gekheid! ’k zou ze dadelijk hebben gewisseld. Nou, zeg! zóó mal niet,
hoor, manke! Als een arm mensch wat vindt, is het een bestiering van
de Voorzienigheid, dan _moet_ hij ’t hebben, ten minste als ’t niet
zóóveel is, dat je er door in den kijker loopt. En de nummers bekend?
Dat ’s een praatje. Ja!—de menschen schrijven daar op, welke nummers
ze in d’r zak hebben, kun je begrijpen! Als ’t een loterijbriefie is,
dan is ’t wat anders; maar bankies,—gekheid!—Sakkerloot, manke! wat
kijk je me raar an.—Neen! waarachtig, ik meen het, en als je er eentje
gesnapt hebt, al was ’t er ook een van honderd gulden, geef maar hier!
Voor een rijksdaalder zal ik ’t wel voor je wisselen.—Nou! biecht maar
ereis op: wat heb je?”

„Niks! Je kletst.—Gênacht!”

       *       *       *       *       *

Dirk gaat naar huis. Het gesprek met den Bobberd heeft hem ontstemd,
en terwijl hij, huiverend en bibberend door de koude nachtlucht, zijn
pas versnelt, denkt hij na over dat gezegde: „Geld is geld, ’t is
allemaal even rond en....” Wonderlijk! op eens komt hem zijn moeder
in de gedachten: ’t was zoo’n brave, eerlijke vrouw, die niemand voor
een halven cent zou te kort doen. Zonderling! dat hij juist nu aan
haar denken moet; ze is al zoo lang geleden gestorven en begraven. ’t
Gebeurt zelden, bijna nooit, dat hij zóó aan haar denkt. Hoe komt hij
nu plotseling aan die herinnering? ’t Is toch bepaald vreemd, want hij
kan het niet van zich afzetten; ’t komt hem voor, alsof hij haar
eensklaps weer voor zich ziet, zooals zij altijd thuis bij de tafel
zat, met haar ernstig, vriendelijk gelaat; ’t is alsof hij de kracht
van haar blik voelt, evenals vroeger toen hij nog een jongen was,
wanneer zij hem aanzag, als hij iets had gedaan wat hij niet mocht.
Hij is onrustig en stapt steeds sneller voort. Gelukkig! hij is in
zijn woning; vrouw Mijntje zit als naar gewoonte nog op en is aan ’t
werk.

„Gênavond, moeder!” zegt hij binnenkomend.

„Gênavond, Dirk.”

„Wat scheelt eraan? Je hebt gehuild! Waarom, Mijntje?”

„Ach, God! weet je ’t nog niet? We moeten er uit; in de andere week
al.”

„Wat zeg je daar? Is ’t waarachtig?”

„Kierssen is er weer geweest, van morgen. ’k Had geen cent meer en van
middag is hij toen nog weerom gekomen, om te zeggen, dat zijn patroon
geen geduld meer hebben wil; morgen over acht dagen moeten we
verhuizen.”

„Zoo! hm!” Werktuiglijk grijpt de manke naar het taschje.

„’t Is een ijselijkheid. Waar moeten we met die schapen van kinderen
naar toe?”

„Zoo’n kerel! En we hebben toch altijd goed betaald, Mijntje.”

„Wist ik maar raad, Dirk!” Opnieuw barst zij in tranen uit.

Dirk richt zich op als iemand, die plotseling een besluit genomen
heeft, en met de vlakke hand op zijn knie slaande, zegt hij: „Huil
niet, vrouw! Ben je gek om je ongerust te maken. Wat n’alterasie om
zoo’n lamme vent, hé? Nou, maar morgen zal hij zijn geld hebben en we
zoeken een andere woning; een betere, hoor!”

„Wat zeg je daar, Dirk? Heb je dan geld, en van wien?”

„Geld, neen! Hm! ja! neen! Maar ’k zal den baas om voorschot vragen
en....”

„Och heer! reken daar niet op; die is niets scheutig.”

’t Duurde lang eer Dirk dien nacht den slaap kon vatten; onrustig
woelde hij op zijn legerstede en een paar malen vroeg Mijntje: „Ben je
niet goed, man? Slaap je nog niet?”

Neen! hij kon niet slapen; dat taschje op zijn borst drukte hem; ’t
was alsof hij er de nachtmerrie mee kreeg. Dat ook juist nu die
huisheer om zijn geld moest komen; t kon nooit beter en nooit slechter
treffen; ’t geld was er immers, en toch... Hij wendde zich links en
rechts, maar ’t wou hem niet gelukken om in te slapen; onophoudelijk
kwamen de woorden van den Bobberd hem voor den geest: „als een arm
mensch wat vindt, dan is ’t een bestiering, dan moet hij het hebben.”
Waarachtig, ’t scheen wel zoo, ten minste nu. Als hij een bankje van
vijf en twintig gulden er af nam, was hij voorloopig uit den brand.

Hij luisterde naar het slapen van de kinderen; het geluid van hun
regelmatige ademhalingen bereikte zijn oor en de vrouw naast hem
snikte nu en dan zenuwachtig in den slaap; zij had zich overstuur
gemaakt.

„Arme ziel!” dacht Dirk, „je hebt toch ook je portie; ’k zal zorgen,
dat je ten minste niet zonder woning bent. Zoo’n rijke kerel, die ’t
verloren heeft, zal er misschien niet eens verlet van hebben; en
ik...” Hij sliep in.

Den volgenden dag wisselde „de manke” bij een winkelier in de buurt
een bankje van vijf en twintig gulden en betaalde den huisheer.

Met een paar rijksdaalders en wat klein geld in den zak stapte hij ’s
avonds „Het Vroolijke Schuttertje” binnen. De Bobberd was er nog niet;
gauw dus de kranten nog eens nagezien!

„Alweer niets. Komaan! dat gaat goed,” dacht Dirk; „er schijnt geen
navraag naar te komen; ’k zal nog een dag of wat wachten en dan...”
Ja, wat zou hij dan doen? Hij wist het nog niet recht, want om Mijntje
deelgenoot te maken van zijn geheim ging volstrekt niet aan. Hij moest
iets verzinnen, een leugen;—ze zou natuurlijk vragen van waar
plotseling dat geld kwam; en zonder ’t zelf te weten, zat hij te
soezen over de krant. Hij zag de letters en hij zag ze toch eigenlijk
niet. Waarom stond er nu niet zoo’n eenvoudig „Verloren” in, dat
betrekking had op zijn vondst?

Kon hij niet aan zijn vrouw vertellen, dat hij uit de loterij had
getrokken? Neen! dat wist ze wel beter; hij speelde immers nooit een
briefje. Een voorschot van den baas? Ze kende den baas even goed als
hij, en—nu ja, een kleinigheid zou die geven, maar nooit een...

       *       *       *       *       *

Daar komt de Bobberd binnen, en als Dirk hem ziet, krijgt hij
plotseling een onaangenaam gevoel; hij wil naar huis gaan, maar de
Bobberd houdt hem terug met de woorden: „Wou je nu al heengaan, manke?
Zijn de centjes alweer op?”

„Wat bedoel je?” Dirk ziet onrustig en, na onwillekeurig even te
hebben omgekeken, zijn ondervrager aan.

„Niks bijzonders, ouwe jongen!” grinnikt de dikke, en met zijn
waterige oogjes knippend, voegt hij er bij: „Je hebt van morgen bij
Van der Wielen een vijf-en-twintigie gewisseld. ’k Stond juist in ’t
opkamertje,—dat dacht je niet, hé?—ik dronk even een kommetje troost
bij de juffrouw.”

De manke verbleekt en stottert! „Zoo! ei!—Nou! en wat zou dat?”

„Niks. Je moogt wisselen wat je wilt; maar ik dacht niet, dat je zoo’n
stiekemerd was om ’t voor een ouwen kennis stil te houden, dat je een
pennetje[1] hadt gehad.”

[1] Fortuintje (volksuitdrukking).

„Wie zeit je dan, dat ’t zoo is?”

„Hè! hè! hè! hè! Kijk die nou! Wou je mijn nou wijsmaken dat je...”

„Och, Bobberd! hou je grooten mond; bemoei je met je eigen.”

„Ho! ho! maak je niet dik, manke; ik zal je niet lastig vallen; maar
een paar proppies[1] moet je geven, hoor! Anders ben je een kale
jakhals.”

[1] Borreltjes.

„Nou, als ’t daarom alleen te doen is, dan... Kobus! geef ons ieder
een klare, van die dubbelgebeide, hoor!”

„Met suiker!” roept de andere, en tegenover Dirk plaats nemend, zegt
hij: „Kom, manke, ’n spulletje?”

„Neen! ’k ga naar huis.” Dirk staat op.

„Zeg! mot je de kinderen soms verschoonen?” Uitdagend lachend ziet de
Bobberd hem aan.

„Neen! maar....”

„Nou, ga dan nog even zitten. Of wil moeder de vrouw ’t niet hebben?
Als ik zoo’n vent was als jij, zou ’k me waarachtig niet aan een
spulletje laten kennen,—Kobus! geef de kaarten ereis!—vooral niet als
je pas een bankie hebt gewisseld. Kom, manke! jij geeft. Kijk! daar
komt Kees ook. Mooi! nou kunnen we een pandoertje maken.”

Dirks wilskracht is als verlamd; hij weet niet hoe ’t komt, maar hij
blijft zitten. De Bobberd heeft hem telkens, zoo meent hij, met een
vreemden, spottenden blik aangezien: zou hij vermoeden, dat hij meer
geld heeft gevonden dan die gewisselde vijf en twintig gulden? De
manke durft het voorgeslagen „pandoertje” niet weigeren, neemt
langzaam de kaarten op en zit eindelijk angstig, als op heete kolen,
te spelen.

Zijn gedachten bij het spel bepalen kan hij niet, en niettegenstaande
hij veel goede kaarten krijgt verliest hij telkens, zoodat Kees en de
Bobberd hem er over in ’t ootje nemen en de laatste eindelijk, met een
reeds bezwaarde tong, hem toevoegt:

„Zie je wel, manke, dat je duiten te veel hebt?”

’t Is lang over eenen, als hij ’t Schuttertje verlaat. Hij heeft ruim
twee gulden verloren en veel meer gedronken dan hij verdragen kan;
geheel dronken is hij echter niet, maar toch is zijn tred onvast en
worden zijn bewegingen loom en onzeker, als hij thuis komt. Met
eenigszins dubbelslaande tong antwoordt hij zijn vrouw, die ongerust
over zijn lang uitblijven nog wakker in bed zit, op haar vragen,
zoodat zij verschrikt opstaat en ’t licht aansteekt, bij de woorden:
„Goeie God! Dirk, je hebt te veel. Man! man! dat ben ik niet van je
gewend! Hoe komt dat? Ben je uit geweest?”

Gelukkig is Mijntje verstandig genoeg om niet verder te vragen, maar
hem te bed te brengen. Als een kind laat hij zich helpen; nu en dan
zegt hij een paar onverstaanbare woorden, en als hij te bed ligt,
snorkt hij spoedig zwaar en luid.

De geduldige vrouw ziet bezorgd den ronkenden man en haar kinderen
aan, zucht: „Moet dat er nou nog bijkomen!” en weent zich eindelijk in
slaap.

       *       *       *       *       *

Den volgenden dag was Dirk ontstemd en knorrig; hij had zwaar
gedroomd en was met een angstkreet wakker geworden, want op de
kentering van slapen en ontwaken had hij gedroomd, dat de Bobberd voor
zijn bed stond en hem met geweld het taschje wilde ontnemen; daardoor
was hij met den uitroep: „Blijf er af, valsche hond!” wakker geworden
en zag met schrik Mijntjes donkere, zwaarmoedige oogen, die hem stil
verwijtend aanstaarden, op zich gericht. Zwijgend gaf zij hem zijn
koffie; hij had zich verslapen en haastig spoedde hij zich naar den
stal, waar de baas hem met een: „Wat mankeert jou van morgen?”
ontving.

Dirk had, zooals men dat noemt, het land; hij wist niet waar hij ’t
zoeken moest om weer op zijn verhaal te komen.

Brommend en knorrig deed hij zijn werk en zijn humeur werd er niet
beter op, toen hij, even na den middag, zonder een enkel vrachtje te
hebben gehad, weer aan stal kwam en de baas zei: „’t Is weer vegen
vandaag. Ga maar naar huis om te schaften; misschien is er van avond
wat werk.”

„Wat zal Mijntje zeggen?” dacht hij onder ’t naar huis gaan; ’t drukte
hem loodzwaar, dat zijn vrouw hem ’s morgens geen enkel verwijt had
gedaan; zij had geen woord gezegd, ze was even kalm en goed geweest
als altijd; dat hinderde hem. „Had ze maar opgespeeld, was ze maar
begonnen met te zeggen, dat ik ... hm!... ’t Is toch een goed
wijf!—Verdord! waarom heb ’k nou op eens geen courage meer om nog
zoo’n briefje te wisselen. Als ik maar wist wat ik haar zeggen zou,
als ze vraagt waar ’t geld vandaan komt, dan deed ik ’t wel,” mompelde
hij in zichzelven, terwijl hij zijn woning naderde.

       *       *       *       *       *

Nu is hij voor de deur; hij weifelt nog een oogenblik. Weer krijgt hij
de gedachte: „’k Zal er toch maar een wisselen en haar zeggen,
dat....” Daar hoort hij Mijntjes stem. ’t Is alsof zij ongenoegen met
iemand heeft, want zij spreekt luider en op scherper toon dan
gewoonlijk.

Daarom blijft hij staan en luistert.

Luid en met nadruk hoort hij haar zeggen: „Hoe kom je er aan? Ik wil
het weten; geef antwoord, Gerrit!”

„Gekregen, moeder!” ’t Is Gerrits stem, die antwoordt.

„Dat is niet waar. Zooveel sigaren krijg je niet; ik weet heel goed,
dat je er nooit meer dan een stuk of zes hebt; en nu een heel pak van
vijf en twintig, en met zoo’n mooi lint er om, dat is niet
zuiver!—Allo! zul je antwoord geven?”

De manke staat besluiteloos achter de deur. Zal hij binnengaan en den
jongen onder handen nemen? Zal hij blijven luisteren? Werktuiglijk
doet hij het laatste, en tegen een der stijlen geleund, met de
rechterhand op den deurknop, blijft hij onbeweeglijk staan.

„Gekregen”, herhaalt Gerrit, „van den meesterknecht gekregen”.

„Zoo. En waarvoor, waarom? Wat heb je er voor gedaan?—Je krijgt een
kleur, je liegt!”

„Zoo maar, moeder, voor een aardigheid.”

„Leugenaar! ik zie aan je gezicht, dat ’t niet waar is.”

„Gerust, moeder, ik heb ze....”

„Zwijg! kwaje jongen! Denk je, dat moeder zoo onnoozel en dom is om
dat te gelooven? Neen, ik zal het je wel zeggen: je hebt ze
weggenomen. Kind! ’t is ijselijk, dat ik dat van je moet beleven: mijn
Gerrit een dief....!”

„Neen, moeder! ’k ben geen dief!”

„Niet? Noem je dat dan geen stelen? Ja! of je nou huilt en grient, ’t
is de waarheid: je bent een dief; of je geld steelt of sigaren, dat is
precies hetzelfde.”

„Maar, moeder....”

„Hou je mond, jongen; ik kan je niet hooren, niet zien. Ga uit mijn
oogen, leelijke dief! Wat moet er van jou groeien, als je nu al begint
met sigaren te stelen? Geef hier dat pakje; ik zal ’t....”

„Moeder, ik heb ’t waarachtig niet gestolen; ik ben geen dief!”
schreit de knaap.

Een oogenblik heeft Dirk een onbeschrijfelijk akelig gevoel gehad bij
Mijntjes woorden: „Ga uit mijn oogen, leelijke dief!” Hij heeft
gebeefd en is op ’t punt geweest om binnen te gaan en Gerrit zelf te
ondervragen; hij kan niet gelooven, dat zijn jongen opzettelijk
gestolen heeft, en daar valt ’t hem ook als een pak van ’t hart, als
hij den knaap op zoo stelligen toon hoort zeggen: „Ik ben geen dief.”

Hij luistert verder, en al kan hij niets zien, hij weet, hij merkt,
dat Mijntje dichter bij den knaap is komen staan, want ze spreekt nu
minder luid en heftig.

„Kom, Gerrit! zeg mij de waarheid, kind! Hoe kom je aan die sigaren,
en waarom verstopte je ze, toen je mij zaagt? Als ’t een eerlijke zaak
was, hoefde je dàt toch niet te doen. Och, jongen! ik meen het zoo
goed met je. Kom! zeg het moeder maar.”

„Nou dan, moeder, ik heb ze gevonden, eergisteren, in ’t portaal bij
de sorteerkamer.—Neen! moeder, huil nou niet. ’k Ben toch geen dief,
moeder, zie je wel? Ik heb ze niet weggenomen; ik spreek de waarheid,
geloof me nou toch! Ik heb ze gevonden.—Toe, moeder, huil niet zoo; ik
ben toch niet slecht, maar....”

„Kind! kind! waarom loog je dan? Is ’t wel wezenlijk waar?”

„Gerust, moeder! ze leiên op ’t portaal; een van de sorteerders zal ze
verloren hebben en de....”

„Zoo! dus gevonden. Maar daarom zijn ze toch nog niet van jou, wel?
Waarom heb je ze niet dadelijk teruggebracht, Gerrit? Dat had je
moeten doen, dat was je plicht geweest.”

„Ja, moeder, maar...”

Dirk hoort alles duidelijk. Hij huivert en onwillekeurig brengt hij
zijn hand op de plaats, waar ’t taschje verborgen is; ’t kost hem
moeite zich staande te houden, als hij de ernstige stem van zijn vrouw
weer verneemt, die, tot Gerrit sprekend, zegt:

„En weet je wel, Gerrit, dat nou misschien de sorteerder, die ze
verloren heeft, als dief wordt aangezien door jou schuld en...”

„Maar ik dacht....”

„Foei, kind!—Ja! nou sta je te huilen; maar... Nou, wat wou je
zeggen?”

„De sigaren worden eerst morgen door den meesterknecht ingenomen en
nageteld, en...”

„Goddank! dan is het nog niet te laat; breng ze morgenochtend weerom
en zeg ... hm!... Ja, wat zul je nou zeggen, dat je ’t pak sigaren al
twee dagen gehouwen hebt? Zie je, daar heb je ’t al; nou moet je
alweer liegen, omdat...”

„Maar, moeder!”

„Zeg dan maar, dat je ’t mee naar huis hebt genomen omdat ... hm!...
Heere! Heere! wat maak je nou toch een verlegenheid door zoo’n
ding!—Wat zal ik zeggen?”

„Och, moeder!”

„Zeg, dat je vader ’t je had afgenomen en opgeborgen en dat je ’t
daardoor niet eerder kon...”

„Vader?”

„Neen! zeg maar niets. ’k Zal er zelf heengaan; ik zal ’t dan wel voor
je beredderen voor dezen keer. Maar! kind! jongen! doe ’t in Godsnaam
nooit weer—en houd je maar stil, doodstil voor je vader.”

„Zal u ’t ’m dan ook niet zeggen, moe?”

„Neen, jongen! ’k zal mijn mond houwen. Geef ’t pakje maar hier; ik
zal ’t wegbergen tot morgen, want als je vader ’t wist, dan zou je wat
beleven: de man is zoo eerlijk als goud. Als hij hoorde, dat jij twee
dagen een andermans goed onder je hadt gehouwen,—hij sloeg je
halfdood!”

„Och God, moeder! zeg ’t hem dan niet; ik zal ’t nooit weer doen; maar
ik dacht, ’t zijn maar sigaren, en....”

Meer hoort de manke niet, want ’t is hem draaierig in ’t hoofd
geworden bij de laatste woorden van Mijntje. Stil als een hond, die
slaag heeft gehad, sluipt hij weg van de deur.

Als hij het slop uit is en in de straat, komt het hem voor alsof de
keien tegen zijn hoofd springen; werktuiglijk loopt hij voort. Met
geweld verdringen zich allerlei gedachten in zijn brein en de woorden:
„de man is zoo eerlijk als goud,” klinken hem zóó duidelijk, zóó luid
in de ooren, als vernam hij ze pas op ’t oogenblik zelf.

„Maar ben ik dan niet eerlijk? Heb ik dan niet iederen avond trouw de
advertenties nagekeken, en ’t geld is er immers nog? Die vervloekte
Bobberd met zijn praatjes! die is eigenlijk schuld, dat ik er aan ben
geweest. En dan die huisbaas! Ik kon me toch niet op straat laten
zetten met geld in mijn zak. Wat duivel! weet ik ook van wien ’t is?
Mijn jongen wist ten minste, dat die sigaren door den sorteerder waren
verloren en...”—„Als dief aangezien door jou schuld!”—„Wat weêrga! wie
zei dat daar?” mompelt Dirk in zich zelf: „’t Is precies alsof ik ’t
iemand hoorde zeggen,” denkt hij, en eensklaps komt hem het beeld van
het jongmensch, dat boven zijn bier was en dat hij naar Kras reed,
voor den geest. „Hij zag er zoo wat uit als een handelsreiziger; ’t
zou toch kunnen zijn, dat zoo’n jongmensch voor zijn patroon geld
ontvangen en, een beetje vroolijk geworden, ’t verloren had.—Neen!
maar dan had hij er toch wel werk van gemaakt. Wist ik maar van wien
het was! Hm! ’k Had toch wel eens aan ’t Amstel-Hôtel kunnen vragen
naar dien zieken heer, die.... Wat weêrga! wat belet me, dat ik ’t nog
doe, dadelijk?”

       *       *       *       *       *

Een half uur later staat Dirk in de vestibule van het Amstel-Hôtel en
zegt tot den portier:

„’k Heb een dag of tien geleden, ’s avonds van den laatsten trein,
hier een passagier gebracht....”

„Dat’s wel mogelijk; ’t is hier zoo druk, dat rappeleer ik me niet.”

Met zijn hoed in de hand, staat Dirk min of meer verlegen voor den
welgedanen portier, die met een zeker „air” hem van het hoofd tot de
voeten opneemt, als wilde hij zeggen: „Wat moet die armoedige snorder
hier?”

„En nou wou ik u vragen, of die heer er nog is.”

„Weet je niet hoe hij heet? Moet je geld van hem hebben?”

„Neen!”—de manke glimlacht even—„’t Is die passagier, die ziek
aankwam. U heeft me nog een gulden fooi moeten geven!”

Eenigszins gevleid door ’t beleefde „U”, antwoordt de portier iets
vriendelijker:

„O! zoo! ja—’k herinner mij. Jawel, die logeert nog hier. Wat wou je?”

„Goddank!” denkt Dirk, en Mijntjes woorden: „Dan is ’t nog niet te
laat,” komen hem eensklaps weer in de gedachte. Hij richt zich op uit
zijn ietwat deemoedige houding en ziet den portier flink aan, terwijl
hij zegt: „’k Moet hem dadelijk spreken. Is hij thuis?”

„Ja! maar....”

„Zeg asjeblieft, dat No. 181 er is.”

„Zoo! Hm! Kun je mij niet vertellen wat je wilt? Ik weet niet, of de
baron wel te spreken is.”

„Is ’t een baron, portier?”

„Natuurlijk!—’t Is baron Van der Weyden; hij is pas aan de beterhand.”

„Ja, dat kan wel wezen; hij was ten minste lang niet goed ’s avonds;
onder weg had hij nog zoo’n soort van flauwte. Och kom! is hij toen
naarder geworden?”

„Heel erg; hij zit pas sedert een dag of drie op.—Kom dus liever eens
terug,—later.”

„Neen! dat kan ik niet,” antwoordt Dirk, en hij denkt er bij: „’k Durf
Mijntje niet weer onder de oogen te komen, vóórdat de zaak in orde
is.” Daarom herhaalt hij nog eens dringend: „’t Heeft haast, portier!
Ik zal den baron niet lang ophouden—Och! doe me ’t plezier en vraag of
ik....”

„Nu, goed dan, ik zal je helpen,” en zich tot den kleinen groom, die
in de portiersloge op een lei zit te krabbelen, wendend, zegt de
portier: „Ga eens naar boven, naar No. 12, en vraag of de baron te
spreken is voor dien snorder.”

„Voor No. 181,” roept de manke den jongen, die inmiddels de trappen
opwipt, nog na.

Terwijl de groom zijn boodschap verricht, verwaardigt zich de portier,
die op ’t oogenblik niets beters te doen heeft, met den manke een
praatje te houden. Hij vertelt hem met een paar woorden, dat baron Van
der Weyden, in denzelfden nacht van zijn aankomst in ’t hotel, ernstig
ongesteld is geworden, en sedert door de freule, zijn dochter, die
telegraphisch werd ontboden, is verpleegd.

„’t Zijn schatrijke lui, beste menschen! Maar je kunt zoo zien, dat ’t
een baron van het land is: er zit geen echte adeltrots bij! Neen! dan
heb ik ze hier wel anders, hoor! die geen mensch aankijken van
voornaamheid,” zegt de portier op ’t oogenblik dat de groom
terugkeert, en met een vragenden blik voegt hij tot den jongen er bij:
„Wel?”

„Boven komen”, is ’t lakonieke antwoord.

„Dat tref je!—Allo! wijs jij dien man den weg eens naar No. 12.”

„Kom dan maar mee!” zegt knorrig de groom en gaat vóór Dirk de trappen
op.

Zenuwachtig en besluiteloos staat de manke voor de kamerdeur, maar
zoodra hij heeft aangeklopt, wijkt dat angstig gevoel en kalm treedt
hij, na een zacht: „Binnen!” door een vrouwenstem geuit, het vertrek
in.

Met zijn hoed in de eene hand en in de andere het taschje, dat hij uit
zijn borstrok te voorschijn heeft gehaald, staat Dirk in de kamer en
ziet rond.

Dat moet dan die passagier zijn! Nauwelijks herkent hij hem nu; hij
heeft hem ook alleen maar ’s avonds gezien, en dan nog wel in een
dikken pels gedoken. Maar als de baron hem vraagt: „Ben jij No. 181?”
herinnert hij zich zijne stem en onwillekeurig zegt hij: „Jongens!
Jongens! meneer, wat zie je er slappies uit,”—en als schaamde hij zich
plotseling over die gemeenzame woorden, stamelt hij: „Dat viel er zoo
uit, meneer, neem me niet kwalijk,” en blijft verder zwijgend staan,
totdat de dame, die naast den ziekenstoel staat, hem vriendelijk
toevoegt: „Wat wenscht u?”

„Mevrouw—juffrouw—ik .... hm! ik....” stottert de manke, nog altijd
eenigermate verward door de vreemde omgeving: „ik ben de snorder, die
den baron ’s avonds hier heeft gebracht en ik wou....”

„Heb je soms de beloofde fooi niet gekregen? Vraag dan maar aan den
portier of....”

„O, neen! meneer,” valt Dirk snel in, „dat is ’t ’m niet; ’k blijf u
nog wel dankbaar voor dien gulden, maar ’t is een heel andere
zaak.—Heeft u bij geval ook iets verloren?”

„Goddank! ’t woord is er uit,” denkt de manke, en alsof ’t hem nu
gemakkelijker valt om te spreken, herhaalt hij: „Iets van waarde
verloren?”

„Ik?—Niet dat ik weet, beste vriend!”

„Och God! zou hij ’t nou toch niet wezen?” denkt Dirk; maar hij
vervolgt: „’k Heb wat in m’n viegelant gevonden, een kleine zwarte
tasch met....”

„Met bankpapier, een leeren taschje, een bankje van duizend er in
en...?”

„Juist, meneer! juist!—Hier is ’t, asjeblieft!”

De freule neemt het aan en reikt het over aan haar vader, die ’t
nauwkeurig bekijkt en dan den man, die voor hem staat, scherp en
oplettend aanziet.

„Wanneer vond je dat?”

„’s Morgens vroeg, toen ik m’n wagon schoonmaakte. Als ik maar had
geweten, dat ’t van u was, zou ik ’t dadelijk hebben teruggebracht,
maar ik had na u nog een passagier; hij was, met uwés verlof, ’n
beetje sikker, en daarom dacht ik: misschien heeft hij ’t laten
vallen. Ik wist ook niet wie ’t was en ’k dacht: eerst hier
informeeren en .... daarom, weet u .... geloofde ik....” Dirk verwart
zich in zijn eigen woorden, omdat hij denkt: „Wat zal ik zeggen,
waarom ik ’t zoo lang gehouden heb?”—’t Is een akelig ding, dat die
woorden van Mijntje hem zoo voortdurend door ’t hoofd spoken.

De baron redt hem uit de verlegenheid door te zeggen:

„Ja!—’t is van mij; ’t is geld, dat ik pas van mijn notaris had
ontvangen,” en tot de freule: „Zie je, Constance, ik heb door mijn
ziekte er in ’t geheel niet meer aan gedacht. ’t Zat in mijn valiesje;
dat sloot niet goed en....”

„Dat kan wel wezen, meneer; dan is ’t er uitgevallen, toen u
uitstapte: het valies lei open op den grond, dat weet ik, want ik heb
’t nog dichtgeknipt, voordat ik ’t aan den portier gaf. ’t Taschje had
ik niet gezien; anders....”

„Zoo!—dus je vondt ’t ’s morgens en je zaagt, dat er geld in zat.”
Intusschen laat de baron het bankpapier door zijn vingers glijden en
ziet telkens met vriendelijker oogen den manke, die nog altijd met den
hoed in de hand voor hem staat, aan. „’k Weet niet juist meer hoeveel
geld er in was, goeie vrind, maar ’t zal wel akkoord wezen.”

In dat oogenblik schiet met de snelheid des lichts door Dirks brein de
gedachte: „Hij wist niet hoeveel er in was; je hoeft dus niets te
zeggen van dat vijf-en-twintigje.” Maar ’t is alsof een inwendige stem
hem toefluistert: „Neen, neen! je moet het juist wel zeggen; doe je
werk niet ten halve,” en, eer hij ’t zelf weet, zijn hem de woorden
ontsnapt: „Neen, meneer, ’t is niet in orde.” En hij kleurt als een
jongen, dat voelt hij, als hij er bijvoegt: „Kijkt u maar goed na, dan
zal u wel zien dat ik—hm!—’t spijt me wel—maar...”

De baron heeft nogmaals den inhoud nagezien, en na een oogenblik te
hebben gedacht, zegt hij: „Zoo! Zoo! En hoeveel was dat wel, goeie
vriend?”

„Vijf en twintig gulden, meneer!”

„Hum!” De oude heer richt zijn oogen scherp op den snorder en vraagt
met een zweem van misnoegen in zijn stem: „En waarom deed je dat?”

Een oogenblik is het doodstil in ’t vertrek, dan zucht de manke
hoorbaar, diep, draait zijn hoed rond in zijn handen en zegt dan
zachtjes, met trillende stem:

„Ik ben zoo arm!”

Er is iets in de houding van den snorder dat voor hem pleit; hij staat
daar bescheiden, kalm en rustig. De Baron glimlacht met een heimelijke
traan in ’t oog en freule Constance, die gedurende het geheele gesprek
den manke goed heeft opgenomen en zijn gelaat, zonder dat hij ’t
merkt, trek voor trek bestudeert, slaat een innig meewarigen blik op
den koetsier, die nog steeds zijn hoed in de hand ronddraait en met
alle oplettendheid naar die beweging schijnt te zien.

„Ben je getrouwd?” vraagt zij zacht.

„Ja, juffrouw!”

„En heb je kinderen?”

„Om u te dienen, zeven. Ja! we hebben ’t van de winter hard genoeg
want de verdiensten zijn schraal; er zit geen geld onder de menschen
en dan loopen ze, als ze maar even kunnen, u begrijpt dus dat ’t geen
vetpot is....”

„Ja dàt kan ’k begrijpen,” de freule ziet medelijdend hoofdschuddend
den snorder en dan, vragend, haar vader aan.

„De huisheer had gedreigd om ons op straat te zetten. Midden in den
winter mijn vrouw en kinderen zonder dak te laten, God! dàt kon ik
niet;—vooral niet toen ik opeens zooveel geld in handen kreeg: ik hoop
dus dat u ’t me niet kwalijk zal nemen dat ik er wat afnam—maar ik
dacht misschien krijg ik wel zooveel fooi, als ik ’t weerom breng.
Kleine Jan was zoo ziek; de huisbaas wou geen uitstel meer geven en
toen...”

„Kom eens hier, man! Hoe heet je?” roept eensklaps de baron, het
verhaal van Dirk afbrekend.

„No. 181; och, neen! Dirk de Vries,” is ’t verwarde antwoord.

„Kom hier, kerel!” Do oude heer rijst van zijn stoel op en herhaalt
zenuwachtig: „Kom dan!”

Dirk aarzelt en ziet nu eens den ouden heer, dan weer de freule,
verlegen aan.

„Maar kom dan toch bij me!”

De manke nadert.

„Geef me je hand, De Vries! Zoo! ’n fermen handdruk. Zoo! jij bent een
eerlijke vent, hoor! God weet, of ik in jou plaats ’t wel zóó had
getracteerd.—Hm! waar woon je? Vertel me eens wat van je familie.—Je
hebt zeker een brave vrouw, hé?”

„Ja, meneer, die heb ik Goddank. ’t Is een best wijf, die m’n kinderen
grootbrengt met God en met eere,” antwoordt de manke, uit de volheid
zijns harten.

„Dat dacht ik wel.—Constance, schel eens om wat port; laat den man een
stoel nemen, en ga jij hier bij ons zitten.—Kom, vrind! vertel me nu
alles eens. Wat verdien je wel en...?”

Een lange poos zit de manke met den ouden baron te praten; hij
verhaalt hem van Mijntje, van zijn kinderen en eindelijk ook van
Bles—dat dier ligt hem na aan ’t hart. „Wil u wel gelooven meneer! dat
hij me als een hondje naloopt, aardig hé? Dat deden alle paarden die
ik gehad heb.” Dirks oogen beginnen te glinsteren als hij vervolgt:
„’k heb altijd liefhebberij gehad in mijn vak en toen ik nog
ongetrouwd was en bij baas Halswijk diende, hield ik men span in orde,
dat beloof ik je—maar wat krijg je bij zoo’n snorder onderhanden? Ouwe
dragonders, een enkel afgedankte artillerist, meestal dampig, ja! als
ik weer eens een span goeie Bovenlanders of Friezen mocht rijen, zou
ik nog eens kunnen laten zien, dat ’k weet wat ’n paard is en wat het
toekomt.”

Met toenemend welgevallen ziet de oude heer, achterover in zijn stoel
geleund, naar Dirk, die bescheiden, maar zonder schroom, voortgaat met
over paarden en rijtuigen te spreken—telkens weer opnieuw uitgelokt
door een of andere vraag of opmerking van den Baron. Dirk merkt dat
niet maar Freule Constance wèl; zij knikt, achter den snorder staande,
een paar maal levendig met het hoofd, als wilde zij zeggen: „Ik
begrijp u papa—’t is goed wat je wilt doen.”

Eindelijk weet de Baron wat hij weten wil, neemt zijn zakdoek, brengt
die even aan ’t voorhoofd en zegt tot den snorder:—„En nu, goeie
vrind, wil ik wel weer alleen zijn, ik dank je. Ik word wat moe; ’k
voel toch, dat ik nog zwak ben, maar jou gezicht heeft me heel veel
goedgedaan.—Ziedaar! neem dat mee, dat’s voor den eerlijken vinder;
doe mijn groeten aan je vrouw en zeg haar, ze is immers ook van
Overijssel, dat ik een landsman van haar ben—maar pak dan toch aan,
man—dat ’s om je kinderen eens te tracteeren. Zeg aan je vrouw, dat ze
een brave vent heeft en dat ze later wel meer van mij hooren
zal—Adieu!” Dirk krijgt nog een ferme handdruk van den Baron en
verlaat het vertrek. Als hij in den corridor staat, ziet hij een
banknoot in zijn hand—nauwelijks gelooft hij zijn oogen.

„Godallemachtig! Honderd gulden!—Nou naar Mijn! Kristenenzielen, wat
zal ’t wijf blij zijn!”

Hij stormt de trappen af, en als hij den portier voorbijkomt, vraagt
deze, uit zijn hokje ziende: „Heb je den baron gesproken?”

„Nou! dat zou ’k je verzoeken.—Dag, portier!”

Dirk maakt, dat hij wegkomt.

Of de baron woord hield?

Vraag dat maar eens aan Dirk of liever aan zijn vrouw, die, gedurende
het jaar dat zij in het ruime luchtige koetsiershuis van het
buitengoed „Weijdenstein” boven Zutphen wonen, er welgedaan en gezond
is gaan uitzien. De kinderen groeien als kool, eten als wolven, en er
is altijd genoeg.

Als Dirk zijn zevental dan zoo gelukkig bijeen ziet, denkt hij:
„Vrouw! ’t is eigenlijk jou schuld, dat we ’t nu zoo goed hebben”, en
zijn vrouw zegt dikwijls tegen de kinderen: „Neem een voorbeeld aan
jelui’s vader: die is zoo eerlijk als goud!”



DE FASHIONABELE DINEUR.



DE FASHIONABELE DINEUR.


Voor den man, van wien ik in deze regelen het portret en de
beschrijving wil leveren, weet ik inderdaad geen goeden Hollandschen
naam.

„De fatsoenlijke eter”? Neen! dat drukt niet uit wat hij is.—„De
deftige gast”? Evenmin!—„De tafelvriend van goeden huize”? Misschien
zou die naam iets beter zijn, maar ’t is toch de rechte niet. Neen! er
is bepaald in onze taal geen geheel geschikte uitdrukking om aan te
toonen, wat ik met „den fashionabelen dineur” bedoel.

’t Is zonderling, maar het mengsel van Engelsch en Fransch schijnt
noodig te zijn om met twee woorden den persoon te kenschetsen, dien ik
op ’t oog heb; misschien ligt er wel het bewijs in, dat hij
oorspronkelijk een „niet inheemsch” type is, maar—ik ben er zeker
van—velen van hen, die dit schetsje lezen, zullen hem hier of daar
hebben ontmoet.

Wellicht wisten zij vóór dezen niet, dat de hoogstfatsoenlijke gast,
dien zij aan tafel ontmoeten, mijn model is geweest; misschien komen
zij, na ’t lezen van dit opstel, tot de gevolgtrekking, dat de uiterst
beleefde, spraakzame, beschaafde en bovenal vormelijke man, die hun
over- of nabuur was, tot het gild der „dineurs” behoorde.

Valt u dus voor hem een goede kernachtige naam in, geachte lezer,—ik
houd mij aanbevolen om dien over te nemen.

       *       *       *       *       *

De fashionabele dineur is meestal een man op zekeren leeftijd,
ongehuwd en van goede, dikwijls van aristocratische familie; ik
heb er zelf een gekend, die rechtstreeks van een oud Provinciaal
regeeringsgeslacht afstamde en nooit verzuimde om die
familiebetrekking, in den loop van zijn gesprek, op even handige als
kiesche manier, een oogenblik te laten doorschemeren.

Hij had bepaald een zeker talent om op die afstamming te wijzen,
zonder dat het den argeloozen toehoorder opviel hoe hij het deed. Met
een peinzende uitdrukking op zijn gelaat en een vriendelijk glimlachje
om zijn lippen, kon hij met zijn zacht brouwende stem tegen den een of
ander, die hem geschikt voorkwam, zeggen, zoo natuurlijk mogelijk:
„Hoe meer ik u aanzie, hoe meer ’t mij frappeert, dat u sprekend
gelijkt op Jonker Van Daelen, den intiemsten vriend van mijn oom Baron
Van Rompselaar. Of is u misschien inderdaad familie van de Van
Daelens?—Niet? O! maar de gelijkenis is bepaald buitengewoon frappant,
kolossaal!”

Een tweeden niet onhandigen „truc” gebruikte hij, wanneer er geen
gelegenheid was om van de toevallige gelijkenis partij te trekken. ’t
Is niet moeilijk om aan tafel het gesprek langzaam aan tusschen de
soep en den pudding zoodanig te leiden, dat men eindelijk komt waar
men wezen wil. Zoo wist hij het dikwijls, door verschillende
wendingen, op liefdadige instellingen te brengen, en als hij ’t op de
hoogte had, waar hij zijn moest, begon hij met een zeker pathos:
„Liefdadige instellingen, Mevrouw?—Ik acht en vereer ze; maar! ....
mij hebben ze drie ton gekost.—U lacht? Neen! ’t is parôle d’honneur,
de zuivere waarheid. Voor een jaar of twaalf was ik, of werd ik
beschouwd als de eenige erfgenaam van Barones Van Bronkenhorst,
geboren Freule Sprang van Schramade, de eenige zuster van mijn moeder.
Zij was weduwe en kinderloos; ik was haar petekind.—Wat blijkt nu na
haar dood? Ze heeft haar geheele vermogen aan liefdadige instellingen
vermaakt, behalve een klein legaat aan mijn neef Jonkheer Van
Brijnen,—notabene om daarvoor een hondenasyl te stichten!
Ridicuul!—Ja, zij was altijd excentriek, hoogst excentriek.”

In de meeste gevallen zou de fashionabele dineur een Mr. voor zijn
naam hebben gehad, wanneer hij niet met een onoverwinnelijke vrees en
afschuw voor examens ware ter wereld gekomen, een vrees, die hij trots
jaren van studie, niet kon overwinnen en die hem noodzaakte om vóór
het „summa cum laude” afscheid van de universiteit te nemen. Familie
en vrienden deden alles wat zij konden om hem te doen vergeten, dat
hij nooit kon slagen in het vinden van een voor hem passende
betrekking; ’t was ook zoo moeilijk, want hij kon en mocht, om zijn
afstamming, niet maar ’t eerste ’t beste baantje aannemen.

Een huwelijk uit berekening mislukte hem evenzeer als een verbintenis,
die hij uit zuivere genegenheid trachtte te sluiten, en daarom werd
hij, bewust dat zelfs het pogen grootsch is in ’t worstelperk des
huwelijks, als célibatair te oud om zich nogmaals aan Amors grillen te
wagen. Misschien ook hielden andere redenen van meer ingrijpenden aard
hem terug van Hymens boot; hij was immers lang „jongeheer” geweest
en...... Niemand zou hebben kunnen of willen zeggen wàt hem
terughield, maar iets of meerdere ietsen kunnen soms geldige
beletselen zijn om..... Neen! laten we niet verder vragen: de man is
te fashionabel om zoo onbescheiden te zijn.

Niemand zal, wanneer hij een fashionabelen dineur voor ’t eerst
ontmoet, in hem een man vermoeden, die met een verleden heeft te
kampen gehad, om eindelijk op meer dan rijpen leeftijd door ’t
onverbiddelijke noodlot te worden gedoemd, om, zooals men ’t wel eens
vulgair uitdrukt, „zijn kostje hier en daar op te halen.”

Toch is het de waarheid: want rijk is hij nooit, behoeftig zelden, arm
nog minder. Zijn vermogen staat eenvoudig niet in evenredige
verhouding tot zijn eigen stand en afstamming, en evenmin past het bij
de maatschappelijke stelling van hen, bij wie hij dineert.

Meestal bestaat hij van een kleine lijfrente, die hem door een of
anderen aristocratischen oom of tante is nagelaten; in ’t adresboek
komt hij daardoor onder de rubriek „particulieren” of „renteniers”
voor. Zoodra ge hem ziet, zegt ge dadelijk: dat is een hoogst
fatsoenlijk man, goed verzorgd in alle opzichten, wat kleeding en
vormen betreft; en als ge hem hoort spreken, wordt ge aanstonds
overtuigd, dat alles wat naar ’t ordinaire zweemt, hem volkomen vreemd
is. In den loop van het gesprek, zal hij u voortdurend in verbazing
brengen door den onmetelijken schat van gemeenplaatsen, die hem ten
dienste staan. Hij vertelt u met een beminnelijk glimlachje, dat hij
gestudeerd heeft, ten minste dat hij student is geweest; en met een
zekeren weemoed fluistert hij u in, zoodra hij na een of ander
familie-diner de pianino ziet openen, dat hij „au beau milieu de sa
jeunesse” veel aan muziek heeft gedaan, maar dat, door alles wat hij
ondervonden heeft, zijn stem niet meer is wat ze eenmaal was. Soms is
die vertrouwelijke mededeeling een verkorte bede om hem tot zingen(?)
te verleiden.—Wee u, zoo ge u laat vangen!

„J’ai dit la romance”, vertelt hij aan een ieder, die ’t hooren wil;
en wanneer hij dat zachte woordje: „dit” met een soort van zoetelijken
glimlach over zijn min of meer gastronomisch ontwikkelde lippen, doet
suizelen, herinnert hij u onwillekeurig aan den troubadour van
voorheen, die aan de minnehoven, voor adellijke jonkvrouwen en
burchtdames stem en speeltuig liet klinken.

„De romance moet niet _gezongen_ worden”, beweert hij; „il faut la
dire.” Wees voorzichtig, dat ge niet in den lach schiet, want hij zou
’t u hoogst kwalijk nemen, al zou het timbre van zijn stem u ook
dadelijk „volkomen vergeving van zonden” verzekeren. Ge kunt u immers
zonder gerechte vroolijkheid uit zijn Lucullisch ontwikkelden mond
geen „Rêve parfum au frais murmure” voorstellen, evenmin als ge u
verbeelden kunt, dat de opgepofte, korte handjes van den min of meer
dikbuikigen heer, die u met diepen ernst van zijn talenten staat te
vertellen, ooit citersnaar of pianotoetsen hebben gestreeld.

Natuurlijk houdt ge uit beleefdheid uw gelaat in bedwang; bovendien,
de man is geen gewone bluffer of ophakker. Integendeel, hij is door en
door fijn, fatsoenlijk en net; alle gewone ploertigheid is hem vreemd.

In zijn spreken, uiterlijk en manieren is en blijft hij „een
gentleman” van top tot teen. Of niet nu en dan door de poriën van zijn
volmaakt fashionabel omhulsel een klein reukje van bekrompenheid en
bescheiden grootspraak heenwasemt, wil ik niet beslissen, maar in
allen gevalle wordt dat toch belangrijk gewijzigd door den geur van
Jockey-club of New-mown-hay-essence, die u uit zijn zakdoek
tegenwaait, wanneer hij dien met voorname deftigheid even in de hand
neemt, om daarmee voorzichtig zijn veelal iets te hoog voorhoofd af te
betten, als hij, na de vermoeiende bezigheid van het dineeren, van
tafel opstaande, u plechtig verzekert, dat hij „gecharmeerd is van uw
alleraangenaamst gezelschap”.

Met tact weet hij des winters na ’t diner, zonder dat iemand hem ook
maar in de verste verte van onbescheidenheid zou kunnen beschuldigen,
het beste plaatsje aan den open haard te bezetten, en met echte
virtuositeit kiest hij in een ondeelbaar oogenblik uit het kistje
Regalia-comme-il-faut, dat men hem aanbiedt, de beste sigaar. Terwijl
hij zijn koffie „savoureert”, geniet hij „als kenner” die Havana,
zonder te dampen als een stoomboot en daardoor een ander overlast aan
te doen. Hij zou iemand „lastig zijn?” O, foei! dat is onmogelijk. Hij
is—vraag het maar aan al de dames, die hij kent—de meest galante, de
beleefdste en voorkomendste cavalier, die zonder onderscheid voor alle
vrouwen—mits fatsoenlijke—een kleinen dienst overheeft, een dienstje
soms zóó klein, dat een „gewoon heer” het niet zou durven bewijzen.
Daardoor nemen de dames hem dan ook algemeen „en amitié”. Hij zegt het
zelf en derhalve zal het wel waar zijn, want—jokken, neen! daarvoor is
hij veel te fashionabel.

Komt het eens voor, dat hij een enkele maal van ’t een of ander een
niet geheel juiste voorstelling geeft, dan doet hij dat alleen, omdat
het volstrekt onvermijdelijk, noodzakelijk is om—„en amitié” te
blijven; waar ’t doel goed is, wordt ook voor hem ’t middel spoedig
heilig.

Eigenaardig is het, dat hij dit goede doel nooit uit ’t oog verliest
bij families, waar hij zijn „vasten dag” heeft, en treffend is het om
te aanschouwen, hoe hij op die „vaste dagen” prijs stelt. Ontvalt hem
zoo’n steunpilaar van zijn bestaan, oogenblikkelijk ziet hij rond naar
een plaatsvervanger. Gewoonlijk vindt hij dien, door zich bij vrienden
van vrienden in te leiden met een: „Veroorlooft u mij Mevrouw, dat ik
u eens een visite kom maken? Ik ben zoo gecharmeerd van uw aangenaam
gezelschap, dat....”

Meestal gelukt hem die manoeuvre, want ’t is voor veel familiën, die
nogal eens diners geven, wel iets waard iemand „au besoin” te hebben:
meestal toch doen de heeren opgeld.

Ook als „_veertiende_” komt de „dineur” niet zelden uitmuntend te
stade; terwijl hij als „chapeau” voor dames van een zekeren leeftijd,
die niet in de termen vallen om door de jongelui te worden begeleid,
veel dienst kan doen, als de kruier te vroeg of in ’t geheel niet
komt.

       *       *       *       *       *

’t Is inderdaad een genot om hem te zien dineeren; want hoewel hij een
lekkerbek is in den overtreffenden trap, een epicurist, die met
ongeloofelijke juistheid op de punt van zijn tong den jaargang der
wijnen weet te schatten en onfeilbaar vast elke afwijking in geur of
smaak van een of ander gerecht ontdekt, is hij, zoodra hij in zijn
hoedanigheid van „dineur” optreedt, volkomen optimistisch gestemd. Hij
verzekert u met zooveel plechtige overtuiging, dat de ossenhaas „om te
zuigen” is, dat ge waarlijk meent een trouweloosheid van uw gebit te
ontdekken, als ge zelf met moeite die vezelachtige zelfstandigheid
vermaalt.

Zoodra hij met een zekere, aandoenlijke beslistheid verkondigt, dat de
doperwtjes „superber” en „délicaat” zijn, schaamt ge u, dat ge een
oogenblik den moed hebt gehad er iets aangebrands aan te proeven.

Wanneer ge gevoel hebt voor de kunst van dineeren, gaat ge, bijna
zonder het zelf te weten, hem navolgen in de meesterlijke wijze,
waarop hij de punt van zijn servet in de holte tusschen adamsappel en
halsboord steekt; hij doet dat zóó handig, zóó zorgvuldig en „chic”,
dat ge onmiddellijk beseft, hoe hoog de man staat als „Dineur”, hoe
ver hij het heeft gebracht in de kunst van hoogst fatsoenlijk
dineeren. Let op! hoe hij vork en mes hanteert; ’t is met volkomen
meesterschap. Zie naar hem, als hij, tusschen duim en wijsvinger, zijn
wijnkelk opneemt. Doet hij het niet juist alsof hij een bedauwd
rozenblaadje aanvat? Geef u de moeite op te merken, hoe keurig hij
zijn lepel in evenwicht houdt, en met hoeveel sierlijke zorgeloosheid
hij met zijn stukje brood weet te spelen, als er niets gewichtigers
voor hem te doen is. Aan ’t dessert zoekt hij zijn wederga in ’t
ontkleeden van een Chinaasappel, waarvan hij de schil tot allerlei
aardige doeleinden weet te gebruiken; niemand dan hij, ontdoet, met
zooveel innige toewijding en snelheid, een sappige perzik van haar
donzig huidje, maar ontegenzeggelijk is hij een phoenomeen, als ge
ziet hoe hij noten ontleedt en bereidt in de perelende „Oeil de
Perdrix”, die hem steevast een vriendelijken glimlach om de lippen
toovert. In dat gewichtig oogenblik geeft hij gewoonlijk één of, als
de champagne bijzonder goed is, twee „uien” van zijn répertoire ten
beste. Uit beleefdheid en omdat hij toch waarachtig zoo’n „uitstekend
nette vent” is, lachen enkele gasten die hem kennen om die anecdoten,
al zijn ze ook even oud als zijn gewoonte om vóórdat hij begint te
vertellen te zeggen: „Misschien kennen de heeren en dames deze
aardigheid al, maar...”

Verlies hem geen seconde uit het oog, want ge kunt ontzaglijk veel van
hem leeren; hij verstaat het „dineeren”, zooals niemand anders. Geen
wonder: ’t is ook het eenige wat hij met voorliefde doet, het eenige
waarmee hij zijn leven verslijt—neen! in stand houdt.

       *       *       *       *       *

Zijn gesprekken aan tafel zijn ongetwijfeld voor den opmerker uiterst
leerrijk en belangwekkend, ten minste wanneer die opmerker te gelijk
leeren wil, hoe men onder ’t eten zijn dame moet bezighouden. Opéra’s,
concerten enz. bezoekt de fashionabele dineur, uit den aard van zijn
beurs en vak, niet of hoogst zelden, maar toch weet hij er met tact
over te babbelen; hij put zijn gunstig of ongunstig oordeel, zonder
dat iemand het merkt, uit de kranten, die hij elken avond van a tot z
leest, en zonder aarzelen geeft hij zijn meening te kennen over deze
of gene zangeres of acteur, soms zelfs zóó apodictisch, dat men
dadelijk begrijpt dat zijn geoefende voelhorens hem hebben
medegedeeld, dat hij naast of over iemand zit, die er nog minder
verstand van heeft dan hij zelf. Zijn onderhoud met anderen, regelt
zich altijd naar de geaardheid en gezindheid van hem of haar, die het
toeval naast hem plaatst. Mevrouw X, zijn tafelbuurtje, is streng
orthodox; oogenblikkelijk dweept hij met dominé Heiler of vindt de
preeken van den zendeling Indicus overheerlijk en dierbaar. Is de
coquette, maar min of meer bekrompen en oppervlakkige juffrouw Y hem
als dame toebedeeld, dan verbaast hij u door zijn kennis van „robes
Présidente, coiffure à la Japonnaise” en „plissés en biais;” wanneer
ge hem met haar hoort, praten, zoudt ge—indien ge hem niet als
„medegast” kendet, oogenblikkelijk uw neus er onder willen verwedden,
dat hij een dames-kleedermaker is of een confectie-magazijn bestuurt.
Doet hij—in veel gevallen gebruiken bijgeloovige families den braven
man daarvoor—als veertiende gast dienst en plaatst het toeval hem niet
naast een dame, maar naast een heer, dikwijls nog wel een heer, op
wien ’t minder aankomt, dan is hij politicus, maar altijd
occasie-politicus, dat wil zeggen: hij verkent eerst zorgvuldig zijn
nevenman, en al naarmate deze behoudend, radicaal, liberaal of
clericaal is, sympathiseert hij beurtelings met een dier richtingen;
hij verandert als een kameleon van kleur, zoodra de omstandigheden het
gebieden.

Over whisten, omberen en trekjes redeneert hij met grondige kennis en
niet zonder recht, want hij speelt fijn, uiterst oplettend en meestal
zóó gelukkig, dat hij minstens de fooi van meid of knecht verdient; ’t
hoort ook geheel en al bij zijn vak, want bij veel families wordt ’s
winters, na ’t diner een kaartje gelegd. Ligt zijn naamkaartje op het
servet, naast het slabbetje van een der kleinen, dan is hij dadelijk
een hartstochtelijk kindervriend; maar vindt hij het nevens dat der
kinderlooze Mevrouw A, dan is hij het oogenblikkelijk volkomen met
haar eens, dat kinderen heel aardig kunnen zijn, maar dat het toch
oneindig veel beter is: er géén, dan zoo „plebeïsch veel” te hebben.

Alle richtingen, alle gezindheden, liefhebberijen, voorliefden en
hekels zijn in hem vertegenwoordigd, en daarom vindt iedereen hem „een
aangenaam welopgevoed mensch”, namelijk zoolang men hem aan eet- en
speeltafel ontmoet.

Zoodra de tafel is opgeheven, kunt ge den man, dien ge nog slechts
voor de helft hebt gezien en leeren kennen, geheel bestudeeren.

Met een glimlach van voldaanheid, overtuigd dat hij naar plicht en
geweten, als een ridder zonder blaam of vrees, heeft gedaan wat zijn
mond vond om te doen, kunt ge hem dan rond zien kijken met een blik,
die beter dan woorden zegt: „Ik tart een ieder om mij te overtreffen.”

Beschouw hem nu eens goed. Zaagt ge ooit een beter pas gesneden en
zorgvuldiger afgewerkten zwarten rok dan den zijnen? Namelijk als ’t
groot diner is; bij meer huiselijke maaltijden verschijnt hij in een
zwart lakensche sluitjas van goed fatsoen en voldoende qualiteit. Zijn
overhemd is altijd onberispelijk wit en gesteven evenals zijn staande
boord, en een beter gemaakte pantalon dan de zijne hebt ge nooit
ontmoet.

Keurige manchetten kijken uit zijn mouwen en de gouden knoopen van
circa 2 centimeters middellijn schitteren als kleine zonnen boven het
sneeuwwit linnen, dat zijn goed verzorgde handen omvat.

’t Is een lust om zijn „au fainéant” of „au chinois” gegroeide en
gesneden nagels te bekijken. Wit gebrabd aan den uitersten rand,
gepolijst op de ronding en rozig getint aan den wortel, passen ze
volkomen bij zijn dikke vleezige handjes, die door haar blanke
reinheid, zoowel als door haar week, zacht uiterlijk zijn trots
uitmaken. Ze bewijzen duidelijk, dat zij geen ander werk kunnen doen
dan ’t onvermijdelijkste bij het toilet van haar meester of ’t
allernoodigste aan de speeltafel. Nauwelijks kan men gelooven, dat
zulke ronde, weeke, wasachtige vingers onschuldige pianinotoetsen zoo
onbarmhartig kunnen martelen.

Wáár de „dineur” zich scheren laat, wordt zeker met opzet niet
bekendgemaakt, want ongetwijfeld zou de barbier, die zulk een
kunstwerk kan verrichten, _al te veel_ te doen krijgen, immers met een
loep zelfs is geen stoppeltje aan kin en wangen te ontdekken; en waren
de aristocratisch gesneden bakkebaarden niet op ’s mans gelaat als
tegenbewijs te zien, niemand zou willen gelooven, dat hij ooit aanleg
had tot een baard.

Dat hij „rouge de théâtre” of „carmin des bayadères” gebruikt, is niet
met grond aan te nemen, al schijnen zijn lieve bolle koontjes het u
ook lachend toe te blozen. O! neen, hij heeft geen hulpmiddelen der
kunst noodig, want de vriendelijke natuur goot dien dageraadschijn
over de verhevenheden van zijn vleezig gelaat, zoodat de
maanlichtachtige bleekheid der overige meer vlakke gedeelten evenals
de kleine, maar helderblauwe oogen er grillig bij afsteken. Als het
alpengloeien in den avondstond, spelen na het diner rozige tinten op
de punt van zijn regelmatig gevormden neus, en om de zinnelijk
gesneden lippen van zijn meestal te grooten mond.

Als hij eet of lacht, ontwaart ge twee en dertig tanden, die door hun
buitengewone regelmatigheid en witte kleur u een oogenblik in
verlegenheid brengen, omdat ge niet weet of moeder natuur, dan wel een
mannelijk tandheelkundig individu uw bewondering verdient. ’t Zwarte
haar, dat hij eenmaal in overvloed bezat, is nu voor het grootste
gedeelte ergens anders. Zijn voorhoofd is daardoor buitengewoon hoog;
maar aan de slapen en soms ook bij den eersten halswervel is nog haar
genoeg overgebleven om het bewijs te leveren, dat de goede man
inderdaad met eere grijs wordt. Een paar volle zware, zwarte
wenkbrauwen trachten intusschen het tegendeel te betoogen, tenzij de
kapper, die de eer heeft hem te bedienen, uit de school wou klappen of
de „teinture capillaire”, die hij verkoopt, wel overal met even goed
gevolg aan te wenden is. Op zijn neus, en afwisselend op zijn vest ter
hoogte van zijn fraaie horlogeketting, vertoont zich een pince-nez,
die er „gedistingeerd” uitziet; en wanneer ge den „fashionabelen
dineur” over het mollige tapijt in de kamer langzaam en deftig ziet op
en neer wandelen, blinken zijn verlakte schoenen, behoudens hier of
daar een enkel spatje bovenop, u zoo nieuw en krakend tegen, dat ge
onmiddellijk begrijpt, dat ze voor deze gelegenheid expresselijk
vervaardigd of bewaard zijn en door gutta-percha overschoenen in
plaats van door een rijtuig weldadig beschermd werden.

       *       *       *       *       *

Ziehier dan het beeld van den „fashionabelen dineur” geschetst,
wanneer hij in zijn kwaliteit als zoodanig optreedt. Hoe hij er
uitziet en wat hij doet, zoodra zijn plicht hem niet meer roept, zal
ik trachten nog met korte woorden mee te deelen.

’t Is reeds lang morgen; bijna is het middag en de zon schijnt
vriendelijk tusschen de franjes door van de neergelaten gordijnen,
voor de vensters der voorkamer, zoodat op het min of meer verschoten
vloerkleed enkele heldere plekken en strepen het patroon doen
herleven. Een vrij goed, maar erg ouderwetsch en met hoezen voorzien
ameublement dommelt in ’t gedempte licht, en slaperig, stijf, voornaam
kijken eenige familieportretten uit hun grauwig gouden lijsten u na,
als ge u langs een tafel—waarop eenige boeken liggen, die eertijds in
prachtband werden gebonden—naar de achterkamer begeeft.

Ontbloot eerbiedig uw hoofd, want ge zijt in ’t heilige der heiligen!
Ge hebt een drempel overschreden, waarover nog nooit een van de
fashionabele kennissen en vrienden des „dineurs” den voet zette. Ge
zijt er nu eenmaal, maak dus van de aangeboden gelegenheid gebruik, en
zie rond. Nu is hij thuis, dat is te zeggen voor u—omdat ge
onzichtbaar zijt; voor ieder ander sterveling is hij altijd „UIT.”
Alleen op zijn verjaardag ontvangt hij eenige belangstellende vrienden
en kennissen; dan zien de meubelen er versch gewreven uit en de
voorname familieleden schijnen op hun portretten te glimlachen over de
advokaten borrel, die hij—ge moet niet zeggen dat ik het u verklapt
hebt—’s morgens zelf heeft gemaakt, „omdat hij dan zeker is dat er
alles in komt.” Kom nu met mij mede, zachtjes? Hij slaapt misschien
nog. Neen! het met groen saai omhangen ledikant herbergt hem dien we
zoeken, niet meer. Over een kleerknaap hangt rustend de zwarte rok,
dien gij onlangs zoo mooi vondt, en daaronder droomt het vest,
verpoozend van de uitspanning des vorigen maaltijds. Netjes in tweeën
gevouwen vleit zich de pantalon op den stoel er naast, tegen het
onbesmette overhemd, dat met vermoeide slappe mouwen over de leuning
bungelt, terwijl de manchetten bijna den grond raken en de gouden
knoopen daaraan ondeugend fonkelen in een zonnestraaltje, dat onder de
reet der deur doorsluipt.—Onwillekeurig ziet ge rond naar de eigenaar
van de bottines, die zorgvuldig met een wit doekje bedekt, naast den
stoel verscholen, zich, alleen door één van haar glimmende neusjes
verraden hebben. Ge ontwaart hem niet. Hij staat ook niet voor de
waschtafel, waarop tal van flesschjes en potjes met geheimzinnigen
inhoud u allerlei onbescheiden vragen op de lippen brengen; ook voor
den scheerspiegel op standaard is hij niet bezig; evenmin ontdekt ge
hem zittend aan de kleine tafel, waarop hij boord en das met zijn
horloge en den verderen inhoud van zijn zakken heeft neêrgelegd. Hij
is nergens te vinden. Zou hij reeds weer bezig zijn met het uitoefenen
van zijn...? Stil, laat hij uw vraag niet hooren: ge zoudt hem
plotseling voor goed en geheel onzichtbaar maken. Houd u dood—doodstil
en volg de kleine lichtschemering die u, uit een tot nog toe niet
opgemerkte zijdeur, wenkt.

Hij is in het allerheiligste van het heilige der heiligen, en waant
zich onbespied. In ’s hemelsnaam voorzichtig. Houd uw adem in, indien
ge hem zien wilt, want, bemerkt hij uwe nadering ook maar bij
instinct—als met een tooverslag zoudt ge hem geheel en al zien
verdwijnen; en .. ’t is heusch de moeite waard om hem gade te slaan.

Stil dus! sluip, onhoorbaar zacht, nader. Ziet ge hem nu? Niet?—Wat
ziet ge dan? Zeg ’t mij maar zachtjes, ik ben bescheiden, zoolang het
noodig is.

Een man gehuld in een emeritus kamerjapon, die wanhopige pogingen doet
om, behalve een beverschen borstrok met witbeenen knoopen en een dito
onderbroek met loshangende bandjes, twee somber afhangende sokken te
verbergen, omdat zij treurig over neergetrapte pantoffels zakken.

Een geelig witte nachtdas begrenst van onderen een slaperig gelaat,
dat over ’t voorhoofd den met gaatjes gebreiden rand van een gruwelijk
burgerlijke pluimmuts voelt streelen.

Maar dat is immers de man niet, dien wij zoeken? Ja zeker! hij is het
wel, maar ge hebt hem nog niet anders dan „in zijn vak” ontmoet en in
huisgewaad ziet iemand er, gemeenlijk, eenigszins anders uit dan in
„gala.” Hij is pas opgestaan; ge kunt het hem niet kwalijk nemen, ’t
diner bij de Verhovens duurde gisteren buitengewoon lang en de
Bourgogne was erg zwaar; hij drinkt ze gaarne, maar voelt er zich
nooit „heel lekker” op den volgenden dag—’t kan echter niet anders,
zijn vak brengt dergelijke kleine „misères” mede.

Houdt u nog een oogenblik bedaard en zie naar ’t geen hij doet.

Hij gaapt. Hemel! wat gaapt hij leelijk, lang en lui. Welk een minimum
van tanden, en hoe waterig kijkt hij uit zijn oogen! Hij rekt zich
uit, met de armen omhoog en gaapt nog eens. Wat doet hij nu? Hij kijkt
naar een petroleumtoestel dat op het aanrecht—waarachtig! we zijn in
een keukentje verzeild—staat. Hij draait de pitten wat op en ziet met
alle aandacht naar het water dat hij warmt om zich te kunnen
scheren....?

Neen! dat denkt ge maar. Kijk dan ook oplettender s. v. p.: hij heeft
immers geen keteltje, maar een pannetje boven de vlam staan....

Wat zou daarin zijn? Wellicht het een of andere chemische preparaat;
wie weet! misschien is de „fashionable dineur” een verkapt alchimist
die, in zijn vrijen tijd, naar „’t levens Elixir” of naar „den steen
der wijzen” zoekt.

St! ziet ge hem nu naar dien donkeren hoek van keukentje sluipen? ’t
Is alsof hij vreest dat men hem hooren zal, zoo zachtjes loopt hij.
Ha! dáár bewaart hij zijn ingrédiënten, dáár in dat geheime kastje in
den muur. Laten we nu goed toekijken, misschien komen we er achter,
hoe hij goud maakt. Hebt ge opgemerkt, dat hij een zwart geheimzinnig
uitziend fleschje in de eene hand heeft genomen? Ziet ge wel dat hij
in de andere een blikken busje houdt?

Hoe jammer! daar draait hij zich om en staat met den rug naar ons toe;
nu kunnen we niet zien welke bestanddeelen hij in ’t pannetje
werpt.—Ga een eindje met mij achter uit. ’t Mocht eens gevaarlijk goed
zijn, dat ontploft en uw gelaat zengt, en.....

Groote Goden! hij neemt een lepel, steekt dien in ’t pannetje en ....
heusch! hij proeft van—de hemel mag weten, wàt—hij kookt.

Onnoozele, begrijpt ge nu nog niet, wat ge daar ziet?

Och ’t is zoo doodeenvoudig. Kijk maar eens even op den scheurkalender
in de voorkamer.

Nu, welken datum?

Acht en twintig Maart!

Juist, ’t is in ’t laatst van de maand: dan houdt hij om geldige
redenen niet van restauratie of table d’hôte en—toevallig heeft hij
heden geen uitnoodigingen.

O!.....

Vat ge ’t nu?

Ik geloof het wel, arme fashionabele man!



HOE JETJE GEZOEND WERD.



HOE JETJE GEZOEND WERD.


’t Is voor een eerzaam kruidenier, die min of meer pokdalig,
weduwnaar en kippig is en een drukke zaak heeft, bepaald een ongeluk,
wanneer hij een mooie dochter bezit, die jolig en goedlachsch, niet
besluiten kan om als een hofjesjuffrouw achter de neteldoeksche
schuifgordijntjes van een sombere binnenkamer te blijven kniezen, maar
nu en dan zich verstout, met dezen of genen winkelklant een praatje te
houden, of in den deurpost staande, naar ’t vroolijke zonnetje en de
voorbijgangers te kijken.

Laat ik u daar eens iets van vertellen, tot nut en leering van alle
brave kruideniers, alle ondeugende jongelui en aardige meiskens.

       *       *       *       *       *

Op den Nieuwendijk woonde sedert jaren een zekere Bommers, die een
ouderwetschen kruidenierswinkel hield en jaar in jaar uit, met een
vettig glimmend lustren jasje aan en een dito petje op ’t hoofd,
achter zijn toonbank stond, om naast een winkelknecht, die er even
oudbakken en kleverig uitzag als hijzelf, koffie, krenten, suiker en
andere zoetigheid af te wegen, of petroleum, stroop en patentolie te
verkoopen.

Bommers was niet alleen kruidenier, maar tevens vader en wel van een
Jetje, dat in de buurt, om haar frisch blozend gelaat, lachende blauwe
oogen en kastanjebruin haar als „mooi Jetje” bekend, door de jongelui,
die in de nabijheid woonden, meer bijzonder „’t lachebekje” werd
genoemd, omdat ze zoo’n vriendelijk rood mondje had, dat met twee
schalksche kuiltjes in haar donzige wangen zoo aardig en prettig
lachte, als deze of gene klant, generis masculini, met haar een grapje
maakte, als zij toevallig in vaders winkel stond of op de stoep een
luchtje schepte.

Behalve vijgen, sukade, rozijnen en andere versnaperingen, verkocht
Bommers ook sigaren, die, hoe gevaarlijk groenachtig geel en
gespikkeld ze er ook uitzagen, eensklaps bij de omwonende jongelui
bijzonder in trek kwamen, zóó zelfs dat Jan de winkelknecht er zich
over verwonderde en grinnikend aan zijn meester durfde zeggen: „Ik
geloof, dat die spreeuwen”—Jans geliefkoosde benaming voor de spes
patriae—„een stuk leer in d’r mond hebben in plaats van ’n tong; want
als ze die bokkies lekker vinden, dan....” Jan liet den volzin
onvoltooid en ’t was misschien maar gelukkig. Als eenig antwoord
meesmuilde de patroon, zette den handel in sigaren met kracht door, en
bracht meteen den prijs der „bokkies” van zes op vier voor een
dubbeltje. „Je moet maar zeggen, dat ze opgeslagen zijn, hoor Jan! Ze
nemen ze toch”, zei hij op zekeren dag. Jan pruttelde in zich zelf:
„Smakelijk rooken!” en hij dacht er bij: „Als Jetje in den winkel is,
kan ik ze voor drie centen evengoed verkoopen.” ’t Was geen onlogische
Jan!

       *       *       *       *       *

Vlak tegenover Bommers’ winkel, woonde op een kamer van de eerste
verdieping Herman Stam, een jolig medisch student, die, wanneer hij
niet studeerde, zijn beenen en pantoffels op de vensterbank voor ’t
publiek ten toon stelde, of zijn vroolijk, open gelaat naar buiten
stak en deftig rookend uit een lange pijp, dikwijls vrij lang en
vrijmoedig in den kruidenierswinkel tegenover hem tuurde. Waarom? Och!
eenvoudig uit belangstelling om te zien of er veel klanten inliepen.
Zóó beweerde hij ten minste tegen zijn hospita, die hem eenmaal had
gevraagd: „Meheir! wat ziet uwee toch an dien ouwen kruideniersrommel?
Ik heb al driemaal geklopt, maar uwee hoorde me niet, zóó was je an ’t
kijken.” ’t Goede mensch had niet gezien, dat de jonge juffrouw
Bommers juist op dat oogenblik in den kruidenierswinkel stond en wel
in de geopende deur, van waar zij, ze kon het heusch niet helpen,
Hermans bruine oogen en den dampenden kop van zijn gouwenaar kon zien.
Zij vond, dat hij zoo gezellig en deftig rookte, en knikte—uit louter
buurschap—hem toe.

’t Was opmerkelijk, dat sedert dien tijd de zware en lichte van de
vier, die Bommers verkocht, bij Herman en eenigen van zijne vrienden,
buitengewoon in trek begonnen te komen. Elken dag verschenen geregeld
drie of vier van die vroolijke snaken in den winkel en vroegen ieder
voor één dubbeltje Puantos Infamos van de vier, zwaar of licht, naar
dat ’t zoo uitkwam,—’t was hun om ’t even. De winkelknecht had reeds
een paar malen bescheiden aangemerkt: „Ze heeten Upmann-sigaren,
heeren!” Maar met het leukste gezicht van de wereld had Herman, namens
zijn vrienden, geantwoord: „O zoo! heeten ze Upmann? Dank je voor de
communicatie, ’t is wel mogelijk, maar wij kennen ze niet onder dien
naam en zeggen dus kortheidshalve: „Puantos Infamos”.” Jan zweeg
tegenover dit argument.

De oude Bommers zag wel is waar met genoegen, dat zijn debiet in
sigaren iederen dag toenam, maar toch kon hij zich niet ontveinzen,
dat die Puantos-klanten ijselijk lang bleven praten, niet met hem,
maar met zijn aardig levenslustig dochtertje, dat heel toevallig
altijd in den winkel stond, als de jongelui kwamen, en tegen hen, maar
in ’t bijzonder tegen Herman Stam, heel erg vriendelijk was.

Met schrik en een vaderlijke hartklopping—ook een kruidenier heeft een
gevoelig hart—zag de oude Bommers, dat Herman soms tweemaal op één dag
zich aan de Infamos te goed deed, en eens zelfs had Bommers, zonder
dat de student het wist, gezien, dat de medische jongeling het
oogenblik dat hij zich omdraaide, om uit den oliebak een paar kan
patentolie af te meten, bliksemsnel waarnam om Jetjes middel te
omvatten en een poging te doen om haar een kusje te ontstelen. Wel is
waar had de roover, in plaats van een zoen, een fermen duw tegen den
schouder gekregen, maar Jetje had daarbij zoo smakelijk gelachen en
zoo glunder gekeken, dat vader het toch raadzaam oordeelde om na dien
dag, zoodra de heeren studiosi in den winkel kwamen, zijn dochter met
een: „Kind, ga jij ereis van den zolder wat touw voor me halen”, te
verwijderen. Jan de winkelknecht grinnikte dan inwendig van plezier,
maar vroeg te gelijk met ’t leukste gezicht van de wereld: „Opsteken,
meneer?” en streek met kracht een ouderwetschen lucifer over ’t
doosje, zoodat de phosphor knetterend ontvlamde en de zwavellucht den
klanten in den neus kwam, een beleefdheid waardoor hij zich
herhaaldelijk een: „Vade retro, Satanas!”—dat hij niet begreep—op den
hals haalde.

Ten gevolge van deze niet onhandige vaderlijke manoeuvre van Bommers,
nam het debiet der Puantos Infamos niet meer toe, want nadat ’t
herhaaldelijk was gebleken dat Jetje, zoodra „de heeren” zich
vertoonden, onzichtbaar werd, begonnen Herman en zijn vrienden
allerlei aanmerkingen te maken, en noemden met een zekere minachting,
de heerlijke Puantos „bokkies”, een woord dat den winkelbediende een
heimelijken glimlach ontlokte, als wilde hij zeggen: „Ge komt langzaam
aan tot de jaren des onderscheids, vriendjes!”

’t Debiet verliep eindelijk totaal, en toen het laatste kistje was
leegverkocht aan schippers en buitenlui, die ze „voor de acht” kregen,
omdat het—zooals Bommers zei—een opruiming was, besloot de kruidenier
den handel in sigaren voorgoed op te geven en zich voortaan alleen tot
’t Koloniale vak te bepalen.

Nauwelijks was de laatste der Infamos verdwalmd tusschen de lippen van
een Marker visscher, die haar als toegift op een ons suiker en een
half ons thee had aangenomen, of Jetjes aardig gezichtje kwam weer te
voorschijn in den winkel.

Zonderling! een paar dagen later ontdekten Herman en zijn vrienden een
plotselinge dagelijksche behoefte aan vijgen, rozijnen en amandelen.

Bommers had inwendig het land en behandelde de jongelui zoo stuursch
mogelijk, maar zij bleven van hun kant uiterst beleefd en fatsoenlijk,
informeerden altijd naar den staat van „meneers gezondheid”, prezen
zijn goede waar en kochten elken dag à contant een zekere hoeveelheid
vijgen of rozijnen.

Toen ten gevolge daarvan Jetje weer onzichtbaar werd, vroegen zij
belangstellend, of de juffer soms ongesteld of grieperig was, terwijl
Herman, als semi-arts, dadelijk een gratis behandeling aanbood. De
kruidenier sloeg min of meer onheusch dit aanbod af en zei zelfs een
woord, dat naar „zoetekauwen” of „snoepende jongens” zweemde. De
studenten lachten vriendelijk, presenteerden hoffelijk het gekochte,
eerst aan Jan en daarna aan den patroon, met de woorden: „Geneert
jelui niet; proeft maar eens mee!” en kwamen den volgenden dag terug
met de verzekering, dat ze nergens zulke puike, overheerlijke waar
konden krijgen en dat ’t hun speet, dat Jetje zoo onzichtbaar bleef.

Om den handel in vijgen enz. evenals dien in sigaren, plotseling op te
geven, ging evenmin aan, als om zijn levenslustig dochtertje
voortdurend in de achterkamer opgesloten te houden, en daarom besloot
de kruidenier voor het meisje bij een bloedverwant buiten de stad
belet te vragen en haar uit logeeren te zenden.

Bommers was zoo dom niet als hij er wel uitzag en keek scherper dan
men van zijn kippigheid zou hebben durven verwachten. Glimlachend,
neen! grinnikend, zag hij op den middag dat hij Jetje uitliet, toen
zij met Jan den knecht, die haar koffertje bracht, naar ’t station
ging, hoe Herman Stam zijn krullebol uit ’t venster stak en met groote
verwonderde oogen ’t meisje naziende, zuchtend uitriep: „Dag Jet—dag
engel—goeie reis! Denk aan me!”

Hij zag wel, dat Jetje weer omkeek en vriendelijk knikte, maar dàt
hinderde hem niet. Handenwrijvend ging hij weer achter zijn toonbank
staan en meesmuilde: „Dat valt je tegen, hé knaapie!” En toen een
oogenblik daarna een paar van de vijgen-habitués binnenkwamen, woog
hij buitengewoon ruim en zei vriendelijk: „Pas ontvangen, ’n versche
zending, heeren,—echt Smirnaasch goed!”

       *       *       *       *       *

Op Hermans kamer ging het den volgenden avond zeer levendig toe. Dikke
rookwolken maakten het achttal jongelieden, dat er bijeen was, bijna
onzichtbaar en deden de lamp walmen, zóó erg, dat ’t zelfs voor
studentenlongen nauwlijks houdbaar werd in het niet al te groote
vertrek. Als de stem van een Jupiter Tonans uit de wolken, klonk
eindelijk die van Herman, boven het gelach en gepraat uit. „Kerels!”
riep hij: „luistert nu eens een oogenblik en zet de deur wat open,
want waarachtig de lamp gaat anders uit.”

’t Rumoer bedaarde en de nevel trok een weinig op. Toen vervolgde hij,
op de tafel zittend en met een flesch, bij gebrek aan een
presidentshamer, stilte gebiedend: „Mannen, broeders! wat moeten we
met den snoodaard doen, die, als een krenterige, pokputtige Paris, mij
mijn Helena, vulgo Jetje, ontroofde?”

„Laat ’m Puantos Infamos rooken tot in eeuwigheid, dat ’s straf
genoeg!” riep er een.

„Voer hem krenten, totdat er de dood op volgt!” schreeuwde een ander.

„Doe ’m hertrouwen, dat’s nog erger!” meende een derde.

„Vul hem met keukenstroop en vijgen en noem hem dan „zoetekauw”,”
lachte een vijgenklant. Ieder gaf een andere manier van wraakneming
aan en allen schetterden, schreeuwden en lachten dooreen, totdat het
geraas zóó sterk werd, dat Herman met zijn flesch nogmaals stilte
moest gebieden en met heftige stem, vol nadruk, sprak: „Mijne heeren!
ik stel deze motie voor: Laten we kalm overleggen, hoe we op
exemplaire wijze den aterling zullen straffen, die ’t pronkjuweel der
schepping, Jetje, uit onze nabijheid durfde verbannen.—Ja! meneeren,
de ellendeling kon de zon niet in het water zien schijnen; hij
gedoogde niet, dat ik zijn spruit—de hemel weet, hoe hij zulk een lief
dochtertje gekregen heeft—kuste. Een kus in eeren, mag niemand
weren!—Toch heeft deze krenten- en vijgenploert zich verstout zulks te
doen. De smaad, mij en mijn commilitones aangedaan, eischt wraak,—niet
waar, mijne heeren?—Wraak!”

„Wraak! Wraak!” klonk het in koor, begeleid door een gestamp en
gestommel, zóó hevig, dat Hermans grijze hospita verschrikt naar boven
en de kamer binnenkwam, terwijl ze vroeg: „Meheeren, breekt den boel
asjeblieft niet af!”—Juist op dat oogenblik gilde een van de acht:
„Zij zal gezoend worden, dat zweren we!”—een eedsaflegging, die de
oude hospita met een: „’t Is zonde—wat zal me nou overkomen!” eerst de
handen ineen deed slaan, om ze oogenblikkelijk daarna schaamachtig
voor de oogen te brengen.

Deze maagdelijke beweging ontlokte aan een der wraaklustigen de
vriendelijke woorden: „Vrees niets, eerzame, eenzame, deugdzame: wij
zijn geen antiquaren.”

„We hebben wel de antieken lief, maar we kussen slechts moderne
individuen,” riep een ander. En Herman voegde er bij:

„Van uw eerbiedwaardigen toer zal geen haar worden gekrenkt; ga heen
in vrede.” En toen de juffrouw met een schouderophalend gesproken:
„Jelui bent nog niet droog achter je ooren,” vertrokken was, vervolgde
hij:

„Mannen broeders! zweert met mij, dat Jetje Bommers zal gezoend
worden.”

„Dat zweren wij!” brulde ’t koor.

„Gezoend in tegenwoordigheid van den ouden krentenkooper!”

„Wij zweren!”

De vergadering ging over in geheime zitting.

       *       *       *       *       *

Sedert ruim drie weken was in Bommers’ winkel geen enkele vijg of
amandel, geen lood rozijnen zelfs, aan studenten verkocht geworden en
met een glimlach van voldoening dacht de vader-kruidenier er over na,
dat ’t in zijn winkel nu veel stemmiger en rustiger toeging dan
vroeger. Ook Jan de knecht had reeds eenige malen aangemerkt: „’t Is
toch wel zoo plezierig achter de toonbank, nu die jonge spreeuwen hier
den boel niet meer opscheppen; ze hadden ook altijd wat anders te
reclameeren, dan over u, dan over mijn. Soms zeien ze met een
vrindelijk gezicht: „Zeg, winkel-os! goed wegen, hoor je!” Dan weer
vroegen ze beleefd: „Is jou kippige patroon waarachtig de heuschelijke
vader van Jetje?” Ze namen eeuwig en altijd een loopje met uwe en mijn
en toch waren ze altijd netjes; maar voor mijn part kan zoo’n
klandizie wegblijven.” En in stilte dacht hij er bij: „De
jongejuffrouw ook, want als zij terugkomt, zal ’t lieve leven wel weer
van voren af aan beginnen.” Bommers zweeg, grinnikte, wreef zich de
handen en—verkocht koloniale waren.

       *       *       *       *       *

Aan alle aardsche zaken komt een einde, zoo ook aan Jetjes logeeren
bij de tante buiten. Ze was bijna een maand lang van huis geweest en
zou ’s avonds met den trein van 7.30 terugkomen. Voor de deur van den
kruidenierswinkel stond een vigilante met een imperiaal er op en vader
Bommers was juist gereed, om Jetje in eigen persoon van ’t station te
gaan afhalen, toen een welgekleed jongmensch, met een gunstig, deftig,
ja! bijna stemmig uiterlijk, zijn winkel binnentrad en beleefd vroeg:

„Heb ik ’t genoegen meneer Bommers te zien?”

„Om U te dienen.”

„U handelt in koloniale waren?”

„Natuurlijk!”

„Ook en-gros?”

„Zeker!”

„Kan ik U een oogenblik spreken?”

„Ja, hm!.... ik sta op ’t punt om uit te gaan.”

„’t Is een dringende zaak, meneer, een particuliere aangelegenheid,
die geen uitstel duldt.”

„Hum! Hum! ik moet iemand van ’t spoor halen, maar..” Bommers keek op
zijn horloge, „een paar minuten heb ik nog over. Wanneer u dus....”

„In ’n paar minuten? Neen, mijn waarde heer, dat gaat niet. ’t Spijt
me, maar dan zal ik u niet langer ophouden. ’t Was anders een zaak
geheel in uw eigen belang, waarover ik u wilde spreken; een
spoedeischende zaak, die ik u alleen onder vier oogen kan
toevertrouwen. Enfin! als ’t u onmogelijk is, dan....”

Het jongmensch zag er zóó bedaard en fatsoenlijk uit, sprak zóó kalm,
overtuigend en met klem, dat Bommers te gelijk nieuwsgierig en
verlegen werd.

Wat te doen?—Een oogenblik aarzelde hij nog, maar toen nam hij zijn
hoed af, zette dien op de toonbank, krauwde even in ’t spaarzame
grijze haar, dat zijn schedel versierde, mompelde: „’t Is meer dan
hoog tijd,” en zei toen luid tot den winkelknecht: „Jan! ga jij dan
maar met de vigilante naar ’t station en haal de jongejuffrouw; dan
zal ik dezen heer te woord staan.” Bommers zag niet, hoe een fijn
glimlachje van voldoening over ’t gelaat van zijn bezoeker vloog.

Jan trok haastig zijn jas aan, zette in vergissing den hoed van zijn
patroon op en holde den winkel uit; onder ’t heengaan wierp hij nog
een blik op den bezoeker en pruttelde in zich zelf: „’t Is me toch
precies alsof ik dien snuiter al ereis meer heb gezien.”

Toen de knecht vertrokken was, vroeg Bommers: „Nu, meneer?”

Het jongmensch boog even en sprak uitermate beleefd: „Meneer! laat me
in de eerste plaats u beleefdelijk dank zeggen voor de heusche,
gentlemanlike manier, waarop u mij behandelt; ik had nauwelijks durven
hopen, dat u mij eenige oogenblikken van uw kostbaren tijd zou willen
afstaan.”

De kruidenier zag zijn bezoeker min of meer verwonderd aan en mompelde
iets als: „O! volstrekt niet, integendeel,” enz. Hij stond met zijn
rug naar de straatdeur gekeerd en zag daardoor niet, dat eenige
vroolijk lachende gezichten om het hoekje van de deur naar binnen
keken, maar aanstonds weer verdwenen, zoodra hij zich slechts even
bewoog. Hij zag evenmin, dat, terwijl de bezoeker verder sprak, door
een hand een grooten ouderwetschen heerenhoed om ’t hoekje van de deur
in den winkel werd gezet.

„Meneer Bommers,” zei ’t beleefde jongmensch, „ik ben hier gekomen om
met u over ’t artikel stroop te spreken.”

„Over stroop?”

„Juist meneer, over stroop—s-t-r-o-o-p!”

„Maar had dat dan zoo’n haast, dat u...?”

„Oordeel zelf, meneer Bommers. Stroop is een artikel dat een toekomst
heeft: primo omdat in iedere huishouding stroop wordt gebruikt:
secundo omdat de geheele wereld stroop noodig heeft....”

„Maar meneer!”

„Wees zoo goed mij even te laten uitspreken. De wereld—dat wil zeggen
de menschen—zijn allen vatbaar voor stroop; die ’t meest met den
strooppot loopt, komt ’t snelst vooruit. Zegt niet de vanouds beroemde
Judels in zijn onovertreffelijke chansonnette S-t-r-o-o-p, dat ieder
mensch, wanneer zijn eigenbelang het vordert, dit nuttige, zoete
voedingsmiddel gebruikt? Judels was niet alleen een komiek, maar ook
een philosoof.—O, mijnheer, wanneer u eerst, slechts begrijpen kunt,
hoever men met stroopsmeren komt, dan zult u beseffen hoe....”

De oude Bommers was onder dit gesprek langzaam aan tot achter zijn
toonbank teruggeweken; hij keek het jongmensch met groote oogen aan,
als wilde hij zeggen: „Ik geloof, dat jij niet goed bent,” en toen de
deftige jonkman verder ging met zijn beschouwingen over stroop, ’t nut
en de aanwending daarvan in ’t maatschappelijk leven, zich daarbij in
vuur redeneerde, herhaaldelijk heftig gesticuleerde en met de vlakke
hand eenige malen op het blad der toonbank sloeg, werd Bommers
angstig, want zulke taal was voor hem te machtig, en ’t zweet brak hem
uit, toen hij zijn bezoeker hoorde zeggen: „_Stroop_, meneer Bommers,
is de melk der samenleving, de quintessence der beschaving en de
hefboom waarmee het sociaal evenwicht kan worden geregeld. S-t-r-o-o-p
geeft in zes letters de oplossing van ’t moeielijk probleem: vrijheid,
gelijkheid en broederschap.”

„Maar dat is een gek, een ongelukkige uit Meerenberg ontsnapt,” dacht
de kruidenier, die eindelijk kans zag om in den woordenstroom, die hem
dreigde te overstelpen, een dam te werpen door stotterend te vragen:
„Maar meneer, wat beduidt nu dit alles?”

Weer wenkte een hand om ’t hoekje van de deur, maar de kruidenier zag
het niet; ’t jongmensch wèl, en toen Bommers, zijn vraag kalmer
herhalend, zei: „Wat wou u nu eigenlijk?” klonk het antwoord hem als
een donderslag in de ooren: „Vijf pond beste stroop, als ’t u blieft!”

„Vijf pond str-o-o-p?—Waarin?”

„In dezen hoed, waarde heer.” Met een snelle wending had de jonkman
den gereedstaanden hoed gegrepen en voor den verbaasden winkelier op
de toonbank gezet.

„In dien h-oe-d?”

„Juist!—Maar den hoed eerst tarren asjeblieft! Ik wil mijn gewicht
hebben,” en de klant zag hem dreigend aan.

Bommers’ oogen werden achter zijn bril zoo groot en rond als
theeschoteltjes en, met een zekeren angst, zag hij zijn overbuur aan.
Ja, in de oogen van dien klant schitterde een waanzinnige vonk: ’t was
ongetwijfeld zóó, als hij reeds had gedacht,—een gek. Bliksemsnel
vloog hem de gedachte door ’t hoofd: met zulke menschen moet men
voorzichtig zijn en toegevend; daarom veranderde hij dadelijk zijn
gelaatsuitdrukking en zei met zachte stem, als sprak hij tot een
verwend knaapje:

„’n Aardig idee, meneer,—stroop in een hoed.”

„Ja, hé? En als je eerst eens wist, burger Bommers, waarom ik die in
een hoed haal!”

Terwijl Bommers den hoed tarde en daarna langzaam de vijf pond stroop
er in liet loopen, vervolgde zijn bezoeker, op eenigszins somberen
toon:

„’t Is een drama, meneer!—neen! een tragédie.—Zal u goed wegen, vijf
pond?”

„Ja! ja!—Kijk maar, ruim gewogen!” en de winkelier zette den hoed met
stroop vlak voor zijn klant neer; deze nam het hoofddeksel met beide
handen bij den rand op, rook er in en sprak toen op somberen toon
verder: „’t Ruikt bijna als bloed!”—Bommers verschoot van kleur.—„Weet
u wat de Nemesis is?—Niet?—O, neen! u is immers niet klassiek
ontwikkeld.—Luister dus.—Een vriend van mij, een boezemvriend, is
doodelijk beleedigd door een poen, een wanschapen vaderlijk wezen, dat
Amor in ’t gezicht slaat en Venus haat.—O! meneer! dat eischt wraak!
Wrr-a-a-k!”

Bommers kreeg ’t nog benauwder dan een oogenblik van te voren, want ’t
jongmensch begon nu heusch te doen, alsof hij „stapel” was. Plotseling
wierp hij een rijksdaalder op tafel, maar hield de hand er op en zei:
„Daar ligt geld, meneer,—’t slijk der aarde”, en toen plotseling
vriendelijk lachend: „Ik krijg ƒ1.50 terug asjeblieft.”

Bommers kon van achter de toonbank niet zien, dat de hand, die om ’t
hoekje van de voordeur voortdurend wenken had gegeven, nu eensklaps
zeer duidelijke en heftige bewegingen maakte. Hij wilde zich reeds
bukken, om uit de winkellade een daalder kleingeld te nemen, toen zijn
klant den rijksdaalder nogmaals vasthield en uitriep:

„Weet ge wat mijn wraak zal zijn, meneer? Den ellendeling, die mijn
vriend heeft beleedigd en gehoond, zet ik dezen hoed op!”

Daar schoot de kruidenier plotseling in een lach; ’t denkbeeld, iemand
met zoo’n hoed op te zien, was zelfs voor hem te comisch om er niet om
te lachen, en giegelend riep hij:

„Origineel! heel origineel! Dat ’s een koopje voor wien ’t treft—hè!
hè! hè! hè!”—Bommers lachte, dat hij schudde.

„Ja, edele vriend! dat is ’t zeker!” antwoordde ’t jongmensch; hij
liet den rijksdaalder los, en Bommers, die kippig was en zich ongaarne
met wisselen vergiste, bukte voorover naar de winkellade.

Juist op dat oogenblik vernam men op straat een luid gejoel en
gedruisch: een open kales, waarin vier studenten waren gezeten, hield
stil voor den kruidenierswinkel; een der studenten, die een
reusachtigen bouquet in de hand hield, sprong nog voordat het rijtuig
geheel stilstond er uit, en opende het portier van de vigilante, die
met Jan op den bok en Jetje binnenin er achter reed.

Hoffelijk buigend hielp hij de schoone bij het uitstappen, en vol
verwondering zag Bommers op,—om zijn dochter te zien.—Neen!—plotseling
zakten vijf pond stroop hem door de haren en over de oogen en dreef
een krachtige slag den ouden „kachelpijp” over zijn neus. De arme
vader zei juist: „Genadige hemel! daar is...” ’t Woord Jetje stierf
reeds in den zoeten zondvloed, die hem overstelpte, maar toch kon hij
nog verstaan, dat de zonderlinge bezoeker hem daemonisch lachend zijn
eigen woorden teruggaf: „Origineel! heel origineel! Een koopje voor
wien ’t treft!”

Er was niets aan te doen; Jan werd eenvoudig boven op de toonbank
gezet en onschadelijk gemaakt. En Jetje? Zij werd—o!
snoodheid—achtmaal in eer en deugd gezoend, onder de oogen .... neen!
in tegenwoordigheid van haar vader, die, toen hij een half uur later
na veel moeite, ontstroopt was, aanging als een razende Roeland en op
die „vervloekelingen” schold, totdat Jan hem toevoegde: „Meheer, neem
me niet kwalijk, maar je zag d’r toch effetief komiek uit!” Toen
stortten de fiolen van zijn toorn zich eensklaps uit over den armen
winkelknecht en eerst ’s avonds laat kwam hij tot kalmte en vond zijn
winkeliers- neen! vaderlijken glimlach terug, omdat zijn dochter hem
vertelde, dat zij buiten bij tante een vrijer had opgedaan, die heusch
en echt van trouwen sprak en—niet met stroop liep.



INHOUD.


                              Blz.

  EEN BENEFIET                  1.
  EEN MASSAGEKUUR             101.
  BIJOU                       119.
  HENRI DE SNOEPER            155.
  DIRK DE SNORDER             173.
  DE FASHIONABELE DINEUR      217.
  HOE JETJE GEZOEND WERD      235.



 +------------------------------------------------------+
 |                                                      |
 |           OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER:               |
 |                                                      |
 | De volgende correcties zijn in de tekst aangebracht: |
 |                                                      |
 | Plaats       Bron                 Correctie          |
 |                                                      |
 | Regel   78   [Niet in bron]       „                  |
 | Regel   79   [Niet in bron]       ”                  |
 | Regel   85   [Niet in bron]       ”                  |
 | Regel  126   ochtenkleeding       ochtendkleeding    |
 | Regel  143   „                    [Verwijderd]       |
 | Regel  160   ”                    [Verwijderd]       |
 | Regel  172   ontstapt             ontsnapt           |
 | Regel  211   collegas             collega’s          |
 | Regel  214                        .                  |
 | Regel  239   ,                    [Verwijderd]       |
 | Regel  295   [Niet in bron]       ”                  |
 | Regel  324   mekâar               mekaâr             |
 | Regel  335   ”                    [Verwijderd]       |
 | Regel  346   [Niet in bron]       ,                  |
 | Regel  346   muziekant            muzikant           |
 | Regel  666   [(alinea-break)]     [Verwijderd]       |
 | Regel  668   „                    [Verwijderd]       |
 | Regel  676   [Niet in bron]       ”                  |
 | Regel  684   [Niet in bron]       ”                  |
 | Regel  694   [Niet in bron]       ”                  |
 | Regel  696   [Niet in bron]       ”                  |
 | Regel  764   [Niet in bron]       ”                  |
 | Regel  787   ”                    [Verwijderd]       |
 | Regel  836   ’N liefhebber        ’n Liefhebber      |
 | Regel  989   [Niet in bron]       ”                  |
 | Regel 1278   Walter               Walten             |
 | Regel 1434   [Niet in bron]       ”                  |
 | Regel 1792   Ha                   Hà                 |
 | Regel 1800   [Niet in bron]       ”                  |
 | Regel 1869   [Niet in bron]       ”                  |
 | Regel 1897   lâtafel              latafel            |
 | Regel 1944   Walter               Walten             |
 | Regel 1997   ”                    [Verwijderd]       |
 | Regel 2070   [Niet in bron]       ”                  |
 | Regel 2133   [Niet in bron]       „                  |
 | Regel 2163   regisseur            régisseur          |
 | Regel 2174   Walter               Walten             |
 | Regel 2177   [Niet in bron]       ”                  |
 | Regel 2230   colléga’s            collega’s          |
 | Regel 2238   [Niet in bron]       ”                  |
 | Regel 2281   [Niet in bron]       ”                  |
 | Regel 2452   [Niet in bron]       „                  |
 | Regel 2597   [Niet in bron]       „                  |
 | Regel 3034   aplaudissement       applaudissement    |
 | Regel 3051   oogenblikben         oogenblikken       |
 | Regel 3070   [Niet in bron]       ”                  |
 | Regel 3157   [Niet in bron]       „                  |
 | Regel 3216   Balkons              Balcons            |
 | Regel 3216   Loge’s               Loges              |
 | Regel 3249   Laflêche             Laflèche           |
 | Regel 3277   Laflêche             Laflèche           |
 | Regel 3318   applaudiseeren       applaudisseeren    |
 | Regel 3324   ”                    [Verwijderd]       |
 | Regel 3349   [Niet in bron]       ”                  |
 | Regel 3384   [Niet in bron]       „                  |
 | Regel 3387   [Niet in bron]       ”                  |
 | Regel 3452   Hostein’s            Hosteins           |
 | Regel 3460   [Niet in bron]       ”                  |
 | Regel 3516   [Niet in bron]       ,                  |
 | Regel 3531   ”                    [Verwijderd]       |
 | Regel 3536   [Niet in bron]       ”                  |
 | Regel 3543   ïe                   ie                 |
 | Regel 3551   Zouen                Zouën              |
 | Regel 3558   kniëen               knieën             |
 | Regel 3560   [Niet in bron]       „                  |
 | Regel 3569   [Niet in bron]       „                  |
 | Regel 3581   [Niet in bron]       ’                  |
 | Regel 3611   ”                    [Verwijderd]       |
 | Regel 3676   Jalink               Jaling             |
 | Regel 3792   Himmel-donnerwetter  Himmeldonnerwetter |
 | Regel 3899   [Niet in bron]       ”                  |
 | Regel 3936   ondeel baar          ondeelbaar         |
 | Regel 4228   word                 wordt              |
 | Regel 4731   siesta               siësta             |
 | Regel 5078   beeldtenis           beeltenis          |
 | Regel 5128   [Niet in bron]       ”                  |
 | Regel 5224   [Niet in bron]       „                  |
 | Regel 5251   sous-terrain         sousterrain        |
 | Regel 5296   ”                    [Verwijderd]       |
 | Regel 5341   sous-terrain         sousterrain        |
 | Regel 5388   ”                    [Verwijderd]       |
 | Regel 5922   [Niet in bron]       „                  |
 | Regel 6101   mench                mensch             |
 | Regel 6135   andwoordt            antwoordt          |
 | Regel 6244   tweede klasse        tweede-klasse      |
 | Regel 6334   n                    N                  |
 | Regel 6441   [Niet in bron]       .                  |
 | Regel 6500   Overijselsch         Overijsselsch      |
 | Regel 6548   zouen                zouën              |
 | Regel 7263   [Niet in bron]       ”                  |
 | Regel 7496   [Niet in bron]       .                  |
 | Regel 7525   [Niet in bron]       ”                  |
 | Regel 7526   [Niet in bron]       „                  |
 | Regel 7576   [Niet in bron]       is                 |
 | Regel 7996   ,                    .                  |
 | Regel 8051   we                   wel                |
 | Regel 8052   houd                 houdt              |
 | Regel 8056   [Niet in bron]       .                  |
 |                                                      |
 +------------------------------------------------------+





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Papieren Kinderen" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home