Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid
Author: Schlimmer, Dr. J. G., Boer, Dr. Z. C. de
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



            WOORDENBOEK DER GRIEKSCHE EN ROMEINSCHE OUDHEID

                                  Door
               Dr. J. G. Schlimmer en Dr. Z. C. de Boer.


                              Tweede Druk

                              Herzien door
              Dr. Z. C. de Boer en Dr. C. G. Th. W. Koch.


                               Derde Druk

                              Herzien door
                         Dr. C. G. Th. W. Koch,
                  Conrector van het gymnasium te Tiel.


                  Met houtgravures tusschen den tekst.


                                Haarlem,
                           De Erven F. Bohn.
                                 1920.



VOORBERICHT VOOR DEN EERSTEN DRUK.


In den zomer van het jaar 1887 wendden De Erven F. Bohn zich tot mij
met de vraag, of ik de bewerking op mij wilde nemen van een nieuw
zoogenaamd klassisch woordenboek, meer in het bijzonder bestemd
voor leerlingen aan de nederlandsche gymnasiën, van minderen
omvang en lageren prijs dan het bekende werk van Lübker en ook
dan de nederlandsche bewerking daarvan door wijlen Mr. J. D. van
Hoëvell, omstreeks 30 jaar geleden bij den heer Braat te Dordrecht
verschenen. Alleen durfde ik echter deze taak niet op mij te nemen
en ik verzekerde mij dus van de hulp van mijn ambtgenoot Dr. Z. C. de
Boer, die zich bereid verklaarde den arbeid met mij te deelen.


                                                        J. G. Schlimmer.


Waaraan dit woordenboek zijn ontstaan verschuldigd is, is in
bovenstaande regelen medegedeeld. Er blijft nog over, rekenschap te
geven van de bewerking. Het boek was in de eerste plaats bestemd voor
de gymnasiën, doch het belang van de uitgevers bracht mede, dat het
debiet niet uitsluitend daartoe wordt beperkt, maar dat het boek ook
geschikt zou wezen voor beoefenaars der klassieke letterkunde en der
oude geschiedenis, ook buiten het gymnasiaal onderwijs staande. Met
het oog op het hoofddoel kwam het ons voor, dat wij zooveel mogelijk
lange monografieën moesten vermijden en wel in het oog moesten houden,
met welk doel een gymnasiast een artikel zou opslaan. Wanneer hij
b.v. den naam van een land opzocht--zoo meenden wij--dan zou dit niet
wezen om er eene uitvoerige aardrijkskundige beschrijving in te vinden,
met opgaaf van bergen, rivieren, steden, enz. Toen eenmaal het plan
van bewerking was vastgesteld, moest de arbeid worden verdeeld. De
eerste ondergeteekende nam datgene voor zijne rekening, wat tot Italië
behoorde of zich daarbij aansloot, om het zoo eens uit te drukken,
het rom. gedeelte, benevens de geheele geografie der oude wereld,
terwijl de tweede ondergeteekende zich met het grieksche gedeelte en
de geheele mythologie en godenleer belastte. De lijst der op te nemen
artikels werd telkens door ons gemeenschappelijk opgemaakt en daarbij
werd met zorg overwogen, of naar onze meening te verwachten was, dat de
leerling dit of dat woord in ons woordenboek zou opzoeken. Wij meenden
verder, ons te moeten beperken tot het gebied der oude geschiedenis
en niet op dat der middeleeuwen te moeten treden.

Een ander punt van ernstige overweging was de spelling der grieksche
namen, wanneer zij met latijnsche letter worden geschreven. Al ras
bleek het, dat een dubbel stelsel--n.l. voor latijnsche en grieksche
woorden afzonderlijk--met het oog op de alphabetische volgorde niet
houdbaar was, al ware het alleen reeds hierom, dat de volgorde van
het alphabet in beide talen niet dezelfde is. Het gevolg zou slechts
verwarring en last voor de gebruikers zijn geweest. Zoo kwamen wij
tot het besluit, in alles de latijnsche spelling te volgen. Nu was
het echter consequent, ook de latijnsche volgorde der letters in acht
te nemen. Dientengevolge [1] staan ook de woorden, die met grieksche
letters geschreven zijn, dáár waar zij naar het latijnsche alphabet
behooren te staan. Zoo staat b.v. Autonomia tusschen Autonoë en
Autonoüs, Eukleia tusschen Euïus en Eulaeus, doch nu moest, om geen
verwarring te stichten, overal de y op ééne lijn gesteld worden met
u, ten minste in de grieksche woorden, die geen eigennamen zijn en
daarom in grieksche letters zijn gespeld. Zoo staat b.v. symmoriai
na Summanus en niet na Symmachus. Woorden, die met een geaspireerden
klinker beginnen, vindt men onder H. Een ander gevolg van deze regeling
is geweest, dat wij zooveel mogelijk de latijnsche uitgangen hebben
verkozen en men b.v. niet Delos moet opzoeken, maar Delus. Moge ook
deze of gene hiertegen bezwaren koesteren, het gemak der gebruikers
stond op den voorgrond.

Thans nog enkele opmerkingen [2]. De romeinsche wetten, voorzoover
zij zijn opgenomen, staan niet vermeld onder een algemeen artikel
lex, maar naar haren naam. Zoo moet b.v. eene lex Aemilia onder
Aemilia (lex) gezocht worden. De romeinsche familiën staan, althans
wat den tijd der republiek betreft, zooveel mogelijk naar gentes
gerangschikt. Voor den keizertijd was dit om zeer begrijpelijke
redenen niet vol te houden. De keizers vindt men geboekt onder den
naam, waaronder zij in de geschiedenis gewoonlijk voorkomen. Niet
alle eigennamen, welke bij oude schrijvers voorkomen, worden in dit
woordenboek aangetroffen. Namen, die slechts op eene enkele plaats
voorkomen en waarvan niets anders te vermelden was dan wat op die
plaats wordt gevonden, hebben wij in den regel als onnutten ballast
beschouwd, tenzij vermelding noodig scheen om verwarring met anderen
te voorkomen. Wat het geografische gedeelte aangaat, hebben wij ons
tot het, in ons oog, noodzakelijke beperkt. Wie b.v. Sequana opzoekt,
dien zal het wel voldoende zijn, te weten dat dit de Seine is,
en hij zal niet vragen, waar deze ontspringt en welke rivieren zij
opneemt. Als men vindt, dat Abnoba mons het tegenwoordig Schwarzwald,
of dat Baetis de oude naam is van den Guadalquivir, dan zal zulks
voor den gebruiker van dit woordenboek wel voldoende wezen. Bij de
stedennamen is er naar gestreefd, zoodanige aanwijzing te geven,
dat het opzoeken op de kaart gemakkelijk werd gemaakt. Ook moest er
eenige rekening worden gehouden met hetgeen op de gymnasia al of niet
gelezen wordt, en zoo wij b.v. Pausanias en Plinius veronachtzaamd
hebben, dan zal men ons toch moeten toestemmen, dat hieraan weinig
is gelegen, daar men bij het lezen van zulke schrijvers vanzelf weet
in welken hoek der wereld men zich bevindt. Nu en dan is naast den
ouden ook de tegenwoordige naam vermeld, wanneer b.v. deze laatste een
algemeen bekende naam is of waar de naam van een volk nog voortleeft
in dien van hunne vroegere hoofdstad.

En hiermede--habeat sua fata libellus.


Tiel, Juni 1890.                                                J. G. S.
                                                             Z. C. de B.


[1] Een voorbericht wordt zeer dikwijls niet gelezen. Toch zal het
bij het opzoeken van een woord dikwerf moeite besparen, wanneer men
althans van deze mededeeling nota neemt.

[2] Ook van belang voor den gebruiker.



VOORBERICHT VOOR DEN TWEEDEN DRUK.


Hoewel wij in deze tweede uitgave, waarbij de tweede ondergeteekende
dat deel voor zijne rekening heeft genomen, dat in den eersten druk
door den heer Schlimmer is bewerkt, zooveel mogelijk getrouw zijn
gebleven aan het hierboven uiteengezette werkplan, konden toch
de resultaten van het wetenschappelijk werk van twintig jaren
niet zonder invloed blijven op de behandeling van verscheiden
artikelen. Gewijzigde opvattingen omtrent oude geschiedenis,
rom. eeredienst, antiquiteiten, enz. moesten, voor zoover zij door
ons gedeeld werden, ook hier uitdrukking vinden, zoude het boek op
de hoogte van zijn tijd blijven, en ook onder de meeningen, die wij
niet als met zekerheid juist durfden aannemen, waren er niet weinige
die ons in ieder geval vermelding waard schenen. Bovendien is het
geografisch gedeelte in vele gevallen uitgebreid door uitvoeriger
aanwijzingen, om het zoeken op de kaart gemakkelijker te maken, en
met hetzelfde doel is een aantal minder bekende plaatsen opgenomen,
die in de eerste uitgave niet vermeld waren.

Andere wijzigingen dienen tot het verbeteren van onjuistheden, bij het
gebruik opgemerkt, of danken hun ontstaan aan opmerkingen van anderen,
die wij ons dankbaar hebben trachten ten nutte te maken. Zoo is het
art. acies, dat in den eersten druk weggelaten was, nu wèl opgenomen,
de leges agrariae tot één art. vereenigd, enz. Het een en ander,
waarbij nog komt de toevoeging van een aantal nieuwe afbeeldingen,
heeft de uitbreiding van het werk met een viertal vellen druks ten
gevolge gehad.

Lange klinkers zijn alleen in de voorlaatste lettergreep van meer-
dan tweelettergrepige woorden van een teeken voorzien, korte op enkele
bizondere gevallen na in het geheel niet; dit scheen ons voldoende
om de juiste uitspraak, vooral van eigennamen, aan te geven.

Wat hierboven over het volgen van de latijnsche spelling gezegd is,
bracht onzes inziens mede dat geen trema geplaatst werd op een klinker,
die met den voorgaanden klinker in het Latijn geen tweeklank kan
vormen, dus niet meer Nausicaä, Antinoüs e. dgl. Eu moet in grieksche
eigennamen als een tweeklank gelezen worden, behalve natuurlijk
wanneer het tegendeel blijkt, in latijnsche woorden niet; zoo zijn
bijv. Erechtheus, Creusa en balneum, alle van drie lettergrepen.

Mogen de aangebrachte veranderingen blijken verbeteringen te zijn!


Tiel, September 1910.                                        Z. C. de B.
                                                         C. G. Th. W. K.



VOORBERICHT VOOR DEN DERDEN DRUK.


Terwijl er tusschen het verschijnen van den eersten en den tweeden
druk twintig jaren verloopen zijn, volgt deze derde druk reeds na ruim
negen jaren. Het spreekt dan ook bijna van zelf, dat deze druk veel
minder afwijkt van den vorigen, dan de tweede van den eersten, daar
in de laatste vijf jaren het wetenschappelijk onderzoek vrij wel stil
gestaan heeft. Wegens het overlijden van mijn betreurden ambtgenoot
Dr. Z. C. de Boer, heb ik ook het Grieksche gedeelte van het werk
op mij genomen. Zijn werk echter bleek bij nauwkeurig onderzoek zoo
verdienstelijk in elkaar te zitten, dat in dat gedeelte slechts weinig
veranderingen, voornamelijk op het gebied der literatuurgeschiedenis,
behoefden aangebracht te worden. Waar dit niet het geval was,
heb ik bij de belangrijkste Grieksche schrijvers de voornaamste
werken opgesomd, met bijvoeging zoo mogelijk van het jaar van
verschijning. Verder heb ik nieuw opgenomen al wat de praktijk van
het lesgeven mij als leemte had doen gevoelen: het werk behoort in
hoofdzaak voor schoolgebruik bestemd te blijven, al maken ook, naar
mij gebleken is, vele studenten en jongere collega's er gebruik van.

Van nieuwigheden noem ik behalve taxis, dat de vorige maal uitgevallen
was, o. a. eranos, agones en ludi; verder woorden als koine,
Hellenismus, proselytoi; ook een klein artikel over Paulus--de
Romeinsch-Grieksche cultuur der 1ste eeuw n. C. is zonder hem
niet te begrijpen--en in verband hiermede, eene bijvoeging onder
Galatia.--Verder heb ik de voornaamste Attische vazenschilders en
fabrikanten opgenomen; ze komen zoo vaak bij het onderwijs te pas, dat
een aanwijzing van den tijd, waarin ze thuis hooren, niet ongewenscht
leek. Van één dezer kunstenaars, Brygus, wist ik het accent niet--de
naam schijnt later niet meer voor te komen, en in zijn dagen schreef
men geen accenten; ik heb er dus maar wat van gemaakt.

Nieuwe houtgravures zijn ditmaal niet opgenomen, ééne, afschuwelijke,
Equuleus, die bovendien onjuist was, heb ik weggelaten.

Ten slotte is het mij een behoefte dank te zeggen aan de Bestuurders
der Buma- en der Leidsche Bibliotheek, zonder wier liberaliteit
in het uitleenen een dergelijk werk moeilijk had kunnen tot stand
gebracht worden.

Moge het werk ook ditmaal zijn weg vinden.


Tiel, Maart 1920.                                        C. G. Th. W. K.



VERKORTINGEN IN DEN TEKST.


        v. s. = volgens sommigen.
        v. a. = volgens anderen.
        e. a. = en andere(n).
        e. e. = en elders.
        d. Gr. = de Groote.
        rom., Rom. = romeinsch, Romeinen.


Waar niet bepaald het tegendeel blijkt, zijn de jaren gerekend vóór C.



A.


Abacus, abax, abakion, 1) Soort van rekenbord of telraam.--2)
Vierkant bord, met zand bestrooid, voor het teekenen van wiskunstige
figuren.--3) Soort van speeltafel of speelbord.--4) Pronktafel of
buffet, meest vierkant, zelden rond, meestal zeer kostbaar van blad
en pooten. Men bezigde hiertoe marmer, soms ook zilver, of wel zeer
kostbare houtsoorten.--5) Marmeren paneelplaat aan de muren, ook wel
de bonte vakken in een vloer van mozaïekwerk.--6) Dekplaat eener zuil
(zie Columna).

Abae, Abai, zeer oude stad der Abanten in Phocis, op de grenzen van
Boeotië, met een tempel en een orakel van Apollo.

Abalus, een Noordzee-eiland, waar veel barnsteen gewonnen werd,
waarschijnlijk Burchana (Borkum), zie verder Glaesariae insulae.

Abantes, Abantes, oud-grieksche volksstam, de oudste bewoners van
Euboea. Nog vroeger hadden zij in Phocis gewoond en daar de stad
Abae gesticht.

Abantiades, Abantiades, Acrisius, Perseus, e. a. afstammelingen
van Abas.

Abantias, Abantias, -tis, 1) vrouwelijke afstammeling van Abas,
bijv. Danaë.--2) Euboea, oude woonplaats der Abanten.

Abaris, Abaris, priester van Apollo bij de Hyperboreërs of Scythen,
van wien vele wonderen verteld worden, bijv. dat hij van Apollo
een gouden pijl had gekregen, waarop hij door de lucht reed, dat
hij zonder voedsel leefde, de toekomst voorspelde, ziekten genas,
enz. Hij leefde v. s. in de 8ste, v. a. in de 6de eeuw.

Abas, Abas, 1) zoon van Lynceus en Hypermnestra, koning van Argos. Hij
was in het bezit van het schild van zijn grootvader, Danaüs, waarvan
het gezicht een oproerig volk tot bedaren kon brengen. V. s. is
hij de stichter van Abae, v. a. is dit een naamgenoot van hem, zoon
van Poseidon en Arethusa. Hij was de vader van Acrisius.--2) zoon
van Metanira, die Demeter bespotte, toen zij met gretigheid dronk,
en daarom door de godin in een hagedis werd veranderd.

Abdalonymus, afstammeling van de oude koningen van Sidon, die in
groote armoede leefde, totdat Alexander hem in de waardigheid zijner
voorouders herstelde en zijn gebied zelfs vergrootte.

Abdera, ta Abdera, stad op de thracische kust aan den mond van
den Nestus, eene volkplanting van Clazomenae, doch vervolgens
door de Thraciërs verwoest (653), en ruim een eeuw later (545)
door inwoners van Teos, die zich niet aan Cyrus onderwerpen wilden,
weder opgebouwd en bevolkt. Abdera had in de perzische oorlogen zware
offers aan de legermacht van Xerxes te brengen, doch kwam daarna,
als lid van den delisch-attischen bond, tot grooten bloei. In de 4de
eeuw verloor de stad haar beteekenis tengevolge van een ongelukkigen
strijd tegen de Triballers, een thracischen stam aan de Donau, die in
376 plunderend het eigenlijke Thracië binnenviel, en de Abderieten
versloeg. In den oorlog der Romeinen tegen Perseus werd Abdera door
den praetor L. Hortensius stormenderhand ingenomen en geplunderd
(170), en werden de inwoners omgebracht of als slaven verkocht, omdat
zij aan de hebzucht van den romeinschen veldheer niet spoedig genoeg
voldeden. De rom. senaat schonk hun de vrijheid terug en verklaarde
Hortensius' handeling voor onbillijk. In den lateren tijd hadden de
Abderieten den naam van stompzinnig te zijn en allerlei dwaasheden te
doen. De wijsgeeren Democritus en Protagoras en de geschiedschrijver
Hecataeus waren te Abdera geboren.

Abderus, Abderos, een gunsteling van Heracles, die door de paarden
van Diomedes (z. a. no. 1) verscheurd werd. Te zijner nagedachtenis
bouwde Heracles de stad Abdera.

Abella of Avella, stad in Campania in de bergen ten O. van Nola,
met beroemde ooftteelt, vandaar malifera genoemd.

Abellinum, stad op de grenzen van Campania en Samnium, t. O. van
Abella.

Abelux, Abilyx, een voorname Spanjaard, die de spaansche gijzelaars,
door Hannibal te Saguntum opgesloten, aan de twee Scipio's in 217 in
handen speelde. Zie Bostar.

Abia, Abia, stad in Messenia aan de oostzijde van de messenische golf.

Abii, Abioi, scythisch nomadenvolk, volgens Homerus een van de
rechtvaardigste volken. Ook in den tijd van Alexander d. G. worden
zij genoemd.

Abila, ta Abila, stad in Coele-Syria, ten N. W. van Damascus.

Abisares, Abisares, indisch vorst, die zich aanvankelijk vijandig
tegen Alexander gedroeg, en zich later met Porus tegen hem wilde
vereenigen. Hij onderwierp zich echter tijdig, waarvoor Alexander
hem de regeering liet en zelfs zijn gebied vergrootte.

Abnoba mons, later Marciana Silva, het tegenwoordige Schwarzwald.

Abobrica, stad in Hispania Tarraconensis, in Gallaecia, aan de
Westkust, ten N. van den Minius (Minho), tgw. Bayona.

Abolla, een mantel van dubbel linnen, oorspronkelijk een
soldatenmantel. In den keizertijd was deze dracht vrij algemeen. Dat
de abolla destijds nauwsluitend was, bewijst een epigram van Martialis
de abolla Crispini, waarin hij den dieven aanraadt, liever eene toga
om te slaan. Abolla maior was een wijdere mantel, waarin de grieksche
wijsgeeren, vooral de cynische, zich plachten te wikkelen.

Abonitichos, Abonou teichos, stad in Paphlagonia, ten O. van Sinope,
met het orakel van den door Lucianus gehekelden leugenprofeet
Alexander.

Aborigines, doch gr. aborigines, een oud-italische volksstam.

Absis, hapsis, ion. apsis, -idos, halfrond uiteinde eener overigens
rechthoekige zaal, vooral bij basilicae en aan romeinsche tempels
van den keizertijd voorkomende.

Absyrtides insulae, twee eilandjes aan de illyrische kust, waarvan
het grootste later Apsorus, Apsoros, heette.

Absyrtus = Apsyrtus.

Abulites, Aboulites, satraap van Susiana onder Darius Codomannus. Hij
onderwierp zich vrijwillig aan Alexander (331) en behield daarom
zijn satrapie; maar daar hij zich gedurende Alexanders tocht naar
Indië aan plichtverzuim schuldig maakte, werd hij met zijn zoon ter
dood gebracht.

Abus, Abos, 1) rivier aan de Oostkust van Britannia, misschien de
Humber.--2) berg in Armenia, tgw. Ararat of Arghatagh, met de bronnen
van den Euphraat.

Abydus, Abydos, 1) stad aan den Hellespont op de aziatische kust,
tegenover Sestus, kolonie van Miletus. Te Sestus woonde Hero, te
Abydus Leander. Hier hield Xerxes zijne legertelling. Spreekwoord:
ne temere Abydum (sc. eas), omdat de stad wegens hare zedeloosheid
berucht was.--2) stad in Boven-Aegypte, ten noorden van Thebae, beroemd
door het graf en een tempel van Osiris, alsmede door het nabijgelegen
Memnonium. De tabula Abydena is eene onder de puinhoopen der stad
gevonden geslachtslijst van de koningen der 18de dynastie. Later,
in 1864, is er nog een tweede geslachtslijst gevonden, die veel
belangrijker is.

Abyla, Abile, kaap in Afrika aan den ingang der middellandsche zee
(tgw. Ceuta), met den tegenoverliggenden berg Calpe de zuilen van
Hercules genoemd.

Academia, Akademeia, 1) wandelplaats en worstelperk aan den Cephisus
bij Athene, waar door Plato en zijn opvolgers (Academici, Akademikoi,
hoi apo tes Akademeias) onderwijs gegeven werd. Cimon had aan de
verfraaiing der Ac. veel ten koste gelegd. De naam wordt afgeleid
van den heros Academus.--2) villa van Cicero hij Puteoli, zoo genoemd
naar de Academica, die hij daar schreef.

Acamantis, Akamantis, een van de 10 phylae, waarin de bevolking van
Attica door Clisthenes verdeeld werd.

Acamas, Akamas, 1) zoon van Theseus en Phaedra, die met Diomedes als
gezant naar Troje gezonden werd om Helena terug te vragen. Later
nam hij deel aan den tocht tegen Troje en was hij een van hen,
die met het houten paard in de stad kwamen. Bij de verovering vond
hij zijne grootmoeder Aethra en bracht haar naar Athene terug, waar
hij later de heerschappij in handen kreeg. Hij stierf op Cyprus,
waarheen hij een atheensche kolonie geleid had.--2) zoon van Antenor,
een van de dapperste Trojanen.--3) zoon van Eüssorus, aanvoerder van
de thracische hulptroepen der Trojanen.--4) een Cycloop.

Acanthus, akanthos, bereklauw, een plant die in het zuiden zeer veel
in het wild voorkomt. Haar bladeren hebben tot voorbeeld gediend voor
het kapiteel der Corinthische zuil, zie Columna.

Acanthus, Akanthos, stad op Chalcidice, aan de noordzijde van de
doorvaart, die Xerxes voor zijne vloot liet graven.

Acarnan, Akarnan, zoon van Alcmaeon en Callirrhoë; hij en zijn broeder
Amphoterus waren nog zeer jong toen hun vader vermoord werd, maar op
het gebed van hun moeder liet Zeus hen buitengewoon snel tot mannen
opgroeien. Daarop doodden zij de moordenaars van Alcmaeon (z. Phegeus)
en vluchtten zij uit Arcadië naar Epirus, waarvan zij later een deel
onder den naam van Acarnania beheerschten.

Acarnania, Akarnania, het meest westelijke landschap van eigenlijk
Hellas (zoogen. Midden-Griekenland), in den mythischen tijd bewoond
door allerlei stammen: Taphiërs, Teleboeërs, Lelegers, Cureten,
later aan de kusten door Corinthiërs bevolkt. Voor de geschiedenis
heeft Ac. geen belang. De Acarnaniërs waren een ruw, kloek volk,
berucht om hunne rooftochten te land en ter zee.

Acastus, Akastos, 1) zoon van Pelias, nam deel aan de jacht op het
calydonische zwijn en aan den tocht der Argonauten. Bij de spelen,
die hij gaf ter gelegenheid van de begrafenis zijns vaders, zag zijne
gemalin Hippolyte of Astydamea voor het eerst Peleus en werd op hem
verliefd, doch daar hare liefde onbeantwoord bleef, beschuldigde zij
hem bij haar echtgenoot, dat hij haar had willen verleiden. Hierover
vertoornd nam Ac. Peleus mede naar een jachtpartij op den Pelion,
en toen P. vermoeid was ingeslapen, liet hij dezen alleen achter,
na hem zijn zwaard te hebben ontnomen, in de meening, dat hij dus
moest omkomen. En inderdaad werd hij door de Centauren aangevallen;
hij werd echter door Hermes (v. a. Hephaestus of Chiron) gered, trok
naar Iolcus en doodde Ac. en zijne gemalin.--2) koning van Dulichium.

Acatus, Acatium, akatos, akation, 1) klein en snelzeilend schip, als
passagiers- en transportschip en vooral bij zeeroovers in gebruik; de
achtersteven was binnenwaarts gekromd, de voorsteven van een snebbe
voorzien. Ook de boot van Charon (z. a.) heette akatos.--2) de 2de
mast op een schip.--3) een soort drinkschaal in den vorm van een boot.

Acca Larentia of Larentina, volgens de sage de vrouw van den herder
Faustulus en de voedster en pleegmoeder van Romulus en Remus;
oorspronkelijk eene godin, aan wie op de Larentalia (z. a.) geofferd
werd.

Accensus. 1) Oorspronkelijk hadden niet beide consuls te Rome
gelijktijdig lictores cum fascibus et securibus. Degene, die ze niet
had, liet zich dan voorafgaan door een accensus of ordonnans. Later
echter werd het gebruikelijk, dat de magistratus cum imperio behalve
hun lictoren toch nog een accensus hadden. Tusschen de accensi en de
overige apparitores of dienaren der magistraten is dit onderscheid,
dat de accensus niet in vasten staatsdienst was, maar door den
ambtenaar persoonlijk in dienst genomen werd, en bij diens aftreden
ook ophield accensus te zijn. De accensi werden vooral gebruikt tot
het doen van dagvaardingen. Meestal waren het vrijgelatenen.--2) Bij
de legerorganisatie van Servius Tullius waren accensi eene reserve,
die een afzonderlijke centuria vormde, en evenals de twee centuriae
fabrum en de twee centuriae tubicinum et cornicinum, buiten de
classes stond. Zij vochten als ongeregelde troepen, niet in linie,
maar tirailleursgewijze, en deden dikwerf dienst als steenwerpers. Ook
namen zij in den strijd de plaats der gesneuvelden in de slaglinie in
en streden dan met de wapenen van hen, die zij vervingen. Velati heeten
zij in tegenstelling met de eigenlijke soldaten, die sagati (= met
een krijgsmantel bekleed) zijn. Ze hebben dus gewone burgerkleeding en
zijn ongewapend. Uit deze accensi werden oorspronkelijk de burgerlijke
accensi gekozen.

Accius, romeinsch treurspeldichter, z. Attius no. 6.

Ace, Ake, beroemde vesting in Phoenice, door Ptolemaeus I verfraaid
en in Ptolemaïs verdoopt, in de geschiedenis der kruistochten bekend
als St. Jean d'Acre.

Acerra, 1) een doos of kistje tot het bewaren van wierook.--2) een
klein, draagbaar altaar, waarop wierook gebrand werd bij een lijk.

Acerrae, stad in Campania, door Hannibal verwoest, later herbouwd.

Aceruntia, stadje op de grens van Apulia en Lucania, op den berg
Vultur gelegen, tgw. Acerenza.

Acesines, Akesines, 1) rivier op de oostkust van Sicilië, ten Noorden
van den Aetna.--2) rivier in Pendschab, die den Hydaspes opneemt,
en zelf in den Indus uitstroomt.

Acestes, Aegestes, Egestes, Akestes, Aigestes, zoon van een Trojaan of
van den riviergod Crimisus en Segesta of Egesta. Hij was op Sicilië
geboren, waar hij zich na afloop van den trojaanschen oorlog ging
vestigen. De stad Segesta of Egesta was door hem gesticht of naar
hem genoemd. Aeneas werd bij zijn komst op Sicilië gastvrij door
hem ontvangen.

Acetabulum, kleine rom. inhoudsmaat = 0.067 liter. Eigenlijk beteekent
het woord in de eerste plaats een azijnfleschje, ook wordt het gebezigd
van een beker voor goocheltoeren.

Achaei, Achivi, Achaioi, een van de hoofdstammen der Grieken
(z. Hellenes). Uit Thessalia gekomen, vermeesterden zij de
Peloponnesus, met uitzondering van Arcadia en Ionia en bovendien een
deel van Creta. Bij Homerus en in navolging van hem ook bij latere
gr. en rom. dichters worden de gezamenlijke Grieken voor Troje meestal
Ach. genoemd. Toen de Doriërs de Peloponnesus binnendrongen, werden de
Achaeërs voor een gedeelte onderworpen, een gedeelte echter verdreef
de Ioniërs en gaf aan Ionia den haam Achaia.

Achaeisch verbond. De twaalf democratisch bestuurde steden van
Achaia vormden van oudsher een verbond, dat echter alleen bij
gemeenschappelijke offers als zoodanig optrad. Dit verbond viel onder
Alexander d. Gr. uiteen, doch omstreeks 280 sloten de ach. steden,
in dien tijd tien in getal, zich opnieuw bij elkander aan. Van toen
af werden geregeld jaarlijks minstens twee gewone bondsvergaderingen
gehouden, terwijl in bizondere gevallen een algemeene vergadering
bijeengeroepen werd, waaraan ieder burger boven 30 jaar kon deelnemen,
terwijl het bestuur aan twee strategen (sedert 256 slechts één), een
grammateus, en tien damiurgi was opgedragen. Door de bekwaamheid zijner
strategen (Aratus, Philopoemen) kreeg het verbond weldra groote macht
en kon het ook buiten Achaia verschillende peloponnesische staten tot
bondgenooten maken of aan zich onderwerpen (Sicyon 249, Corinthe 242);
zelfs Sparta werd in 188 veroverd. Doch dit streven naar de hegemonie
in de Peloponnesus, vooral door het aetolisch verbond tegengewerkt,
bracht het verbond soms in groote moeilijkheden en daardoor werd
weldra het oorspronkelijke doel, handhaving der grieksche vrijheid
tegenover Macedonië, uit het oog verloren; in 223 zag Aratus zich
zelfs genoodzaakt de hulp van den macedonischen koning tegen Sparta
in te roepen. Sedert dien tijd was het verbond steeds min of meer
afhankelijk van Macedonië, en had het zijn behoud alleen te danken
aan de twisten met Rome, waarin dit rijk weldra geraakte. Toen na
den slag bij Cynoscephalae (197) het verbond tot de romeinsche zijde
overging, steeg zijne macht weldra ten top; maar toen in 148 Macedonië
een romeinsche provincie geworden was, bestond er voor de Romeinen geen
reden meer het te sparen, en in het volgende jaar werd, naar aanleiding
van een geschil met Sparta, de eisch gedaan, dat de voornaamste steden
van het verbond losgemaakt en autonoom gelaten zouden worden. Dit deed
het verbitterde volk naar de wapenen grijpen; maar in 146 werden zij
eerst onder aanvoering van Critolaus door Metellus (z. Caecilii no. 6)
bij Scarphe, en daarna onder aanvoering van Diaeus bij Leucopetra op
den Isthmus door L. Mummius verslagen, waarop het verbond door den
senaat opgeheven en Griekenland onder den naam Achaia een romeinsche
provincie werd. Corinthe werd door Mummius gesloopt.

Achaemenes, Achaimenes, 1) stamvader van het eerste perzische
koningsgeslacht, de Achaemeniden.--2) vorst van Persis onder Phraortes
(omstreeks 640).--3) broeder van Xerxes en stadhouder van Aegypte,
werd bij den opstand van Inarus tegen Artaxerxes gedood (462).

Achaeus, Achaios, 1) zoon van Xuthus en Creusa, mythisch stamvader
der Achaeërs. In Aegialus geboren, keerde hij later naar Thessalië
terug, van waar zijn vader verdreven was, en kwam daar na den
dood van zijn oom Aeolus aan de regeering.--2) treurspeldichter,
te Eretria geboren, jongere tijdgenoot van Sophocles, maker van 24
(of 44) treurspelen, waarvan slechts één den prijs behaalde. Hij werd
in den alexandrijnschen canon als eerste na de drie groote tragici
opgenomen.--3) stadhouder van koning Antiochus III, heroverde de aan
Attalus verloren deelen van het syrische rijk, doch toen hij zich
in Kl.-Azië onafhankelijk wilde maken, werd hij te Sardes gevangen
genomen en gedood (214).

Achaia, Achaïa, 1) landschap langs de noordkust van de Peloponnesus,
in ouden tijd Aigialos, kustland, geheeten. Voordat het land door
de Achaeërs (z. a.) veroverd werd, was het door Ioniërs bewoond,
die zich nu genoodzaakt zagen uit te wijken en deels naar Attica,
deels naar de aziatische kust trokken. Het land was arm aan havens. In
den omtrek van de stad Patrae bloeide de teelt van den byssusstruik,
weshalve men er vele weverijen aantrof.--2) stamland der Achaeërs,
in het zuiden van Thessalia, gewl. ter onderscheiding van no. 1 Achaïa
Phthiotis genoemd.--3) naam van Griekenland (Peloponnesus en Hellas)
als rom. provincie, sedert 146, na de verwoesting van Corinthus door
den rom. veldheer L. Mummius.

Acharnae, hai Acharnai, ook Acharne, Acharne, vlek in Attica, op drie
uur afstands ten noorden van Athenae gelegen. De bevolking leefde
van wijn- en olijventeelt en vooral van kolenbranderijen. Het was een
krachtig, doch ruw slag van menschen. Een der stukken van Aristophanes
is Acharnes getiteld.

Achates, Achates, 1) de trouwe makker van Aeneas, fidus Achates.--2)
riviertje op de zuidkust van Sicilia, waarnaar de achaatsteen
genoemd is.

Acheloïades, Acheloides, de Sirenen, dochters van Achelous;
alg. riviernimfen.

Achelous, Acheloos, 1) nu Aspropotamo, de grootste rivier van
Griekenland, ontspringt op den Pindus, loopt met snellen stroom
zuidwaarts, scheidt Acarnania en Aetolia, en stort zich tegenover
de Echinadische eil. in zee.--2) de god van bovengenoemde rivier,
de oudste der 3000 rivieren, zonen van Oceanus en Thetys, v. a. zoon
van Helius en Gaea, en vorst aller rivieren; vandaar wordt de naam
Ach. soms voor water, Acheloia pocula voor drinkwater gebruikt. Hij
vocht met Heracles om het bezit van Deianira; bij dit gevecht maakte
hij gebruik van zijn vermogen om zich in een slang of in een stier
te veranderen, maar in alle drie gedaanten moest hij het onderspit
delven; zelfs verloor hij als stier een horen, die, door de Najaden met
bloemen en vruchten gevuld, de hoorn van overvloed werd. V. a. behield
Heracles den horen, totdat Ach. dien van Amalthea er voor in ruil
gaf. Hij was de vader der Sirenen en van Dirce.

Acheron, Acheron, rivier in Epirus, die voor een gedeelte onder den
grond en dan volgens de meening der ouden rondom de onderwereld stroomt
en over welke Charon de zielen der afgestorvenen voerde. Hij stroomt
door de Acherusia palus. Een zijrivier hiervan was de Cocytus (z. a.).

Acheruntici libri, godsdienstige boeken, afkomstig van een etrurischen
god of koning Tages, en handelende over de uitvaart en vereering
der afgestorvenen.

Acherusia, sc. palus, he Acherousia limne, meer in Epirus, waardoor de
Acheron stroomde. Ook andere meren en diepten, welke men meende dat
met de onderwereld gemeenschap hadden, komen onder dezen naam voor,
zoo o.a. ten zuiden van Cumae in Campanië (tgw. Lago del Fusaro), wel
te onderscheiden van het lacus Avernus, dat ten oosten van Cumae ligt.

Achillas, Achillas, voogd van Ptolemaeus XII, de moordenaar van
Pompeius. Bij de onlusten, die kort daarna ia Alexandrië ontstonden,
streed hij niet zonder geluk tegen Caesar, maar spoedig ruimden zijne
tegenstanders hem door sluipmoord uit den weg.

Achilles, Achil(l)eus, zoon van Peleus en Thetis, de dapperste,
schoonste, vlugste, in het algemeen de voortreffelijkste aller
grieksche helden voor Troje. Door zijne moeder werd hij zorgvuldig
opgevoed, zelfs poogde zij hem onsterfelijk te maken en tot dat
einde zalfde zij hem bij dag met ambrosia, terwijl zij hem bij
nacht in het vuur legde, maar toen eens zijn vader hem zoo vond en
hem uit de vlammen wilde redden, moest zij hare pogingen opgeven;
zij verliet haar echtgenoot en keerde naar de zee terug. Daarna werd
hij door Phoenix in de welsprekendheid en krijgskunde, door Chiron
in de geneeskunde onderwezen en was hij met Patroclus reeds als kind
bevriend. Van zijne moeder wist Ach. dat hem een lang en roemloos
of een kort en roemvol leven beschoren was; hij koos het laatste en
nam dan ook gaarne deel aan den tocht tegen Troje, waartoe Nestor
en Odysseus hem kwamen uitnoodigen. V. a. had zijne moeder hem van
den tocht willen terughouden, daar zij voorzag dat hij daarbij zoude
omkomen; toen dus voorspeld was dat Troje zonder hem niet kon worden
ingenomen, en Odysseus uitgezonden werd om hem te halen, zond zij
hem naar Scyrus, waar hij in vrouwenkleeren te midden van de dochters
van koning Lycomedes verborgen gehouden werd. Maar Odysseus vond hem
ook hier en herkende hem door list; hij kwam namelijk als koopman
verkleed en liet voor de meisjes allerlei sieraden uitstallen,
maar daarnevens ook wapenen; terwijl zij nu bezig waren dit alles
te bezien, hoorde men plotseling schreeuwen en vechten, waarop de
meisjes verschrikt vluchtten, maar Ach. de wapenen greep om zich te
verdedigen. Voor Troje verrichtte hij onder bescherming van Hera
en Athena groote heldendaden; hij verwoestte 12 steden ter zee en
11 te land. In het tiende jaar van den oorlog echter trok hij zich,
door Agamemnon beleedigd (z. Briseis), terug en Thetis wist van Zeus
te verkrijgen dat de krijgskans den Trojanen gunstig zou zijn, totdat
aan Ach. voldoening gegeven zou zijn. Deze wijst, hoe hoog de nood ook
bij de Grieken stijgt, ieder aanbod tot verzoening af; eerst toen de
Trojanen in het leger gedrongen waren en begonnen waren de schepen in
brand te steken, gaf hij gehoor aan de beden van Patroclus en stond
hij toe dat deze zich aan het hoofd van de Myrmidonen in het gevecht
mengde. Om den Trojanen schrik aan te jagen bekleedt Patroclus zich
met de wapenrusting van Ach., maar hij wordt door Hector gedood en
de wapenrusting valt in de handen der vijanden. Verdriet over het
verlies van zijn vriend en de zucht om daarover wraak te nemen,
bewegen Ach. nu zich met Agamemnon te verzoenen, en van dezen tijd
af neemt hij weer deel aan den strijd. Reeds den eersten dag daarna
wordt een hevig gevecht geleverd, waaraan verscheiden goden deelnemen,
en waarin Hector door Ach. gedood wordt. Niet lang daarna werd ook
Ach. door Paris en Apollo gedood, hetzij in een gevecht, hetzij
in een tempel van Apollo, waar hij gekomen was om met Polyxena, de
dochter van Priamus, te trouwen; hij werd door het geheele leger,
door zijne moeder, de muzen en de zeenimfen 17 dagen lang beweend;
aan het strand van den Hellespont werd een grafteeken opgericht,
waarin zijne beenderen met die van Patroclus en Antilochus begraven
werden. Latere dichters verhaalden nog, dat Thetis, om Ach. onkwetsbaar
te maken, hem in den Styx doopte en dat dit het gewenschte gevolg
had voor het geheele lichaam met uitzondering van den hiel, waaraan
zij hem had vastgehouden en waaraan hij ook later doodelijk gewond
werd. Ach. werd op vele plaatsen van Griekenland als halfgod vereerd,
het eiland Leuce was hem geheel gewijd, en naar men meende, was
hij daar gehuwd met Helena en leidde hij er een gelukzalig leven in
gezelschap van andere helden en heldinnen.

Achilles Tatius, Achilleus Tatios, geb. te Alexandrië, schreef
vóór het begin van de 4de eeuw n. C. den roman ta kata Leukippen
kai Kleitophonta.

Achilleum, Achilleion, 1) stadje bij kaap Sigeum in Troas, met den
grafheuvel van Achilles.--2) stadje bij Smyrna.

Achilleus dromos, Achilleios dromos, landtong aan den N-kant van de
Zwarte zee, ten N.W. van

Achillis insula of Leuce, eiland aan den mond van den Borysthenes. Men
nam aan, dat hier de verblijfplaats van Achilles en andere helden na
hun dood was.

Achillides, Achilleides, Neoptolemus (Pyrrhus), zoon van Achilles.

Achivi, Achaioi, z. Achaei.

Achradina, Achradine, een der vijf deelen, waaruit de stad Syracusae
bestond.

Acidalia mater, Venus, zoo genoemd naar de bron Acidalia bij Orchomenus
in Boeotië, waar zij en de Gratiën zich plachten te baden.

Acies, Taxis, slagorde, opstelling van het leger voor den slag. 1)
Bij de Grieken, zie Taxis.--2) Bij de Romeinen moet men voor de
opstelling drie perioden onderscheiden; voor de oudste periode
tot op den tijd van Camillus zie men Centuria. Het leger werd
toen in ééne aaneengeschakelde (grieksche) phalanx opgesteld,
waarvan de kern gevormd werd door de zwaargewapende burgers van de
drie eerste klassen der serviaansche indeeling; achter hen waren
de lichtgewapenden opgesteld, terwijl de ruiterij op de flanken
stond. Deze slagorde was in de gevechten met de Galliërs ondoelmatig
gebleken, en vervangen door een indeeling in manipels, waarvan
de artikelen centuria, cohors, hastati en legio een voorstelling
geven. Elk legioen werd in drie liniën in slagorde geschaard; vooraan
stonden de manipels der hastati, dan die der principes, eindelijk die
der triarii. Tusschen de verschillende manipels werd eenige ruimte
gelaten, zoodat ieder manipel op zichzelf een geheel vormde, terwijl
zij zich zoo noodig elk oogenblik konden aaneensluiten; hierdoor
kreeg het leger een groote gemakkelijkheid van beweging. In den slag
stonden meestal de beide legioenen in het centrum, de socii en de
ruiters op de flanken. Oudtijds stond het leger in ééne lange lijn
(fronte longa). Later vindt men o.a. de acies obliqua, waarbij een
deel van het leger aanvalt en het andere voorloopig buiten gevecht
blijft, de acies sinuata, wanneer de vleugels den aanval beginnen
en het centrum achterblijft; zie ook cuneus en forceps. De oorlogen
met de Cimbren en Teutonen gaven Marius aanleiding, deze indeeling
te vervangen door eene in cohorten, waarbij telkens één manipel der
hastati, principes en triarii tot eene cohors van 600 man vereenigd
werd; tien cohorten vormden eene legio; zie verder cohors. De
Romeinsche ruiterij werd nu afgeschaft; zij komt het laatst voor
in den oorlog tegen Jugurtha.--Onder Caesar telde het legioen 3000
à 3600 man, ingedeeld in 10 cohorten van 3 manipels, ieder van twee
centuriae. Gewoonlijk was de slagorde de acies triplex. Vier cohorten
van ieder legioen vormden de prima acies, drie de secunda acies, en
drie de tertia acies. Vóór Camillus is dus de taktische eenheid de
centuria, in den tijd van Polybius de manipulus, na Marius de cohors.

Acilia (lex) de repetundis van 122, van den volkstribuun M'. Acilius
Glabrio, den vader van den bij de gens Acilia onder no. 3 genoemden
consul. Omtrent den inhoud dezer wet is weinig zekers bekend. Slechts
weten we, dat bij de quaestiones perpetuae door deze wet de
verplichting werd opgelegd tot ampliatio (z.a.), zoodra meer dan 1/3
der rechters N. L. (non liquet) stemde, en dat hieruit langzamerhand
de comperendinatio (z. a.) ontstaan is. Zie verder Servilia (lex).

Acilia Calpurnia (rogatio), de ambitu van de consuls M'. Acilius
Glabrio en C. Calpurnius Piso (67). Zie Calpurnia (lex) de ambitu. Daar
M'. Acilius Glabrio zich vóór de aanneming der wet teruggetrokken had,
wordt de wet alleen naar den tweeden voorsteller genoemd.

Acilii, plebejisch geslacht, waartoe familia Glabrionum behoorde. Dit
was de beroemdste familie dezer gens, waartoe ook nog de familiën
der Aviolae en Balbi behoorden. 1) M'. Acilius Balbus, consul
150.--2) M'. Acilius Glabrio, consul 191, versloeg den syrischen
koning Antiochus III bij de Thermopylae en verdreef hem uit
Griekenland. Vervolgens wendde hij zich tegen de Aetoliërs, die zich
bij Antiochus hadden aangesloten, overwon hen en hield over hen te
Rome een zegetocht. In den slag bij de Thermopylae had hij een tempel
aan de Pietas beloofd, die in 181 door zijn zoon M'. Acilius Glabrio
gewijd werd, waarbij deze voor zijn vader een standbeeld oprichtte, het
eerste vergulde standbeeld in Italia.--3) M'. Acilius Glabrio was in 70
als praetor repetundarum voorzitter van het gerechtshof in het proces
van Cicero tegen Verres. In 67 was hij consul met C. Calpurnius Piso,
met wien hij de lex Acilia Calpurnia de ambitu voorstelde (z. a.). Hij
bestreed in dit jaar, doch vergeefs, het wetsvoorstel van Gabinius,
om aan Pompeius de uitroeiing der zeerooverij op te dragen. Daarop
ging hij naar de provincie Bithynia, met de bestemming Lucullus in het
opperbevel in den mithradatischen oorlog op te volgen. Hij verrichtte
echter niets en werd door de komst van Pompeius spoedig van zijne taak
ontheven. Zijn zoon M'. Acilius Glabrio komt als legaat van Caesar
voor, en werd tweemaal in eene res capitalis door Cicero verdedigd.--4)
Livius maakt melding van een annalist C. Acilius die in het Grieksch
annales schreef, welke althans tot het jaar 184 liepen.

Acinaces, akinakes, korte, rechte dolk, die door Perzen e. a. barbaren
aan de rechterzijde gedragen werd, dikwijls met goud en edelgesteenten
bezet.

Acis, Akis, zoon van Faunus en Symaethis. Hij beminde Galatea en
werd door haar bemind; toen zijn medeminnaar Polyphemus hen eens
met elkander verraste, vluchtte A.; maar Polyphemus wierp naar hem
met een rotsblok, dat hij van den Aetna had afgebroken en waardoor
A. verpletterd werd; zijn bloed veranderde in een rivier, Acis genaamd,
die onder dit rotsblok ontspringt.

Aclys (aclis), een korte werpspies, met uitstekende, scherpe punten,
waaraan een riem bevestigd was om de spies na den worp weer naar zich
toe te trekken, een zeer ouderwetsch wapen van de oude bewoners van
Campania (de Osci).

Acmonia, Akmonia, stad in Phrygia ten Z. van het gebergte Dindymus.

Acmonides, Akmonides, naam van een Cycloop.

Acoetes, Akoites, zoon van een maeonisch visscher. Toen eens de
matrozen van het schip waarop hij stuurman was, op Chius aan land
gegaan waren, brachten zij aan boord een schoonen knaap, dien zij
slapend gevonden hadden en als slaaf wilden wegvoeren. Ac. die in den
knaap een god herkende, verzette zich daartegen, maar te vergeefs,
de matrozen ontnamen hem het bestuur van het schip en voeren
weg. Plotseling werd schip, tuig, riemen, enz., door wijnranken
omgeven, het bleef onbeweeglijk liggen, en in plaats van den knaap
stond Dionysus, bekranst en den thyrsusstaf zwaaiend, te midden
van tijgers, lynxen, enz., die zich aan zijne voeten neervlijden. De
matrozen sprongen in zee en veranderden in dolfijnen. Ac. alleen bleef
gespaard en werd op Naxus priester van Dionysus. Later door Pentheus
gevangen genomen, werd hij op wonderdadige wijze gered.

Acontius, Akontios, van Ceos. Eens reisde hij naar het feest van
Artemis op Delus en zag daar de schoone Cydippe, de dochter van een
zeer voornaam Athener. Hij werd op haar verliefd, maar daar hij zich
niet aanzienlijk genoeg achtte om haar ten huwelijk te vragen, bedacht
hij een list om haar tot vrouw te krijgen. Toen zij eens in den tempel
zat, wierp hij haar een appel toe, waarop geschreven stond: Ik zweer
bij het heiligdom van Artemis, dat ik met Acontius zal trouwen. Het
meisje nam den appel op, las het geschrevene overluid, en wierp hem
daarna weder weg, waarop Ac. naar Ceos terugkeerde om den loop der
gebeurtenissen af te wachten. Later wilde Cydippe's vader haar aan een
ander uithuwen, maar het meisje werd kort voor den voor het huwelijk
bepaalden dag ziek, en daar zich ditzelfde driemaal herhaalde, vroeg
haar vader het delphische orakel om raad. Tot antwoord werd hem gegeven
dat de woorden, in den tempel gesproken, door Artemis gehoord waren,
en dat zij geen ander huwelijk kon aangaan zonder zich aan meineed
tegenover de godin schuldig te maken. Daarop gaf de vader zijne
toestemming tot haar huwelijk met Ac.

Acra, Acrae, Akra, Akrai, naam van een aantal op hoogten gelegen
steden in Acarnamia, op Sicilia en elders. Ook een heuvel bij Jerusalem
heette aldus.

Acraephia, Akraiphia, of Acraephium, Akraiphion, stad in Boeotia,
aan de oostzijde van het meer Copaïs; in de nabijheid de beroemde
tempel van Apollo Ptoos, zie Ptoum.

Acragas, Akragas, -antos, grieksche naam van Agrigentum op Sicilia
z. a.

Acrisione, Akrisione, Danaë, dochter van Acrisius.

Acrisioniades, Akrisioniades, Perseus, kleinzoon van Acrisius.

Acrisius, Akrisios, zoon van Abas en Ocalea of Aglaïa, koning van
Argos. Hij verdreef zijn tweelingbroeder Proetus, maar werd later
door diens schoonvader Iobates gedwongen zijn rijk met hem te deelen,
zoodat hij Argos behield en Proetus Tiryns kreeg. Daar hem voorspeld
was, dat de zoon zijner dochter Danaë hem zou dooden, hield hij haar
in een onderaardsch vertrek of in een ijzeren toren opgesloten; maar
Zeus wist toch als gouden regen toegang tot haar te krijgen, en Danaë
werd bij hem moeder van Perseus. Eenige jaren werd het kind in den
kerker verborgen gehouden; toen verried het zich door geschreeuw, en
Acr. liet moeder en kind in een kist in zee werpen. De kist werd bij
Seriphus door Dictys uit het water gehaald en later keerde Perseus
met zijne moeder naar Argos terug. Zich het orakel herinnerende,
vluchtte Acr. naar Larisa, maar Perseus trof hem daar aan en bij de
lijkspelen des konings wierp hij toevallig zijn discus op den voet
van zijn grootvader, die aan de gevolgen hiervan overleed.

Acroama, virtuoos, die aan tafel de gasten onderhield, hetzij door
voorlezingen, hetzij door muziek en zang of door grappen.

Acroceraunia, ta Akrokeraunia, kaap der montes Ceraunii (Keraunia ore)
aan de noordpunt der epirotische kust, berucht door de zich aldaar
samenpakkende onweders en losbrekende stormen.

Acrocorinthus, Akrokorinthos, de burcht van Corinthus.

Acropolis, Akropolis, akra polis, burcht of citadel, altijd een steile
of van nature sterke heuvel, in overeenstemming met de plaatselijke
gesteldheid bebouwd en bevestigd. Op de atheensche acropolis vond
men de heiligdommen der voornaamste beschermgoden van den staat. Zie
verder Athenae.

Acrorea, he Akroreia, bergachtige landstreek in Elis, in het
noordoosten, rondom de bronnen van den Peneus en den Ladon.

Acrotatus, Akrotatos, 1) zoon van Cleomenes II. Hij was de eenige die
zich verzette tegen het volksbesluit, volgens hetwelk de gevluchte
Spartanen uit den slag bij Megalopolis (331) van alle straffen
zouden vrijgesteld worden. Daardoor maakte hij zich zeer gehaat, en
toen in 314 Agrigentum om een spartaansch aanvoerder verzocht tegen
Agathocles van Syracuse, nam hij vrijwillig die taak op zich. Wegens
zijn gewelddadige handelwijze moest hij echter spoedig weder naar
Sparta vluchten, waar hij kort daarna stierf.--2) kleinzoon van den
bovengenoemde. Hij volgde op jeugdigen leeftijd, in 265 zijn vader
Areus I als koning van Sparta op, maar sneuvelde reeds spoedig (±
260) tegen Aristodemus van Megalopolis.

Acrothoi, Akrothooi, stad op den berg Athos.

Acta. Over het algemeen verstaat men onder acta de officieele
aanteekeningen, notulen, protocollen omtrent hetgeen gebeurd of
verhandeld is, b.v. acta fori, gerechtelijke protocollen, acta
militaria, verslag van militaire zaken, acta triumphorum, relaas
van zegetochten. Op twee soorten van acta echter moeten wij in het
bijzonder de aandacht vestigen.

Acta diurna urbis of populi, of ook wel kortweg diurna geheeten, eene
soort van dagblad, allerlei dingen bevattende, die voor het publiek
belangrijk konden zijn, als: geboorte-, huwelijks- en doodsberichten,
marktprijzen, aankondigingen van feesten, verkoopingen, aanbestedingen,
enz., en voorzeker ook belangrijke nieuwstijdingen. Deze diurna werden
op openbare plaatsen tentoongesteld, waar men ze kon gaan lezen of
laten afschrijven.

Acta senatus, officieele notulen van het in den senaat verhandelde,
eerst slechts kort, later ook met vermelding der discussiën. C. Julius
Caesar gaf aan deze acta eene groote openbaarheid, die echter
door Augustus weer afgeschaft werd. Ze werden echter geregeld door
de geschiedschrijvers, vooral door Tacitus, geraadpleegd. In den
lateren keizertijd verloren zij hoe langer hoe meer van hun belang,
en ontstond uit de samensmelting met de diurna de officieele hof-
en staatscourant, voor welker verbreiding tot in de verst afgelegen
provinciën van het rom. rijk van regeeringswege gezorgd werd.

Actaeon, Aktaion, zoon van Aristaeus en Autonoë, werd door Chiron in
de jacht onderwezen, waarvan hij zulk een groot minnaar was, dat hij
50 honden hield. Hij werd, omdat hij Artemis met hare nimfen bespied
had, terwijl zij zich in het dal Gargaphia bij Plataeae baadden, door
de vertoornde godin in een hert veranderd, waarop hij door zijn eigen
honden verscheurd werd. V. a. trof deze straf Actaeon, omdat hij zich
beroemd had een beter jager te zijn dan Artemis. Nog laat werd de rots
getoond, van waar Act. de godin gezien zou hebben. Reeds de ouden zagen
in de mythe van Act. een toespeling op de alles verterende hitte der
hondsdagen; vandaar dat zijn beeld op rotsen en bergen geplaatst werd,
om de nadeelige gevolgen daarvan af te wenden.

Acte, Akte, in het algemeen kustland; meer in het bijzonder oude naam
voor Attica (= Actica). Ook de landtong met den berg Athos.

Actia, Aktia, spelen ter eere van Apollo Actius te Actium, door
Augustus na den slag bij Actium uitgebreid en overgebracht naar
Nicopolis. Het feest werd in den keizertijd om de 4 jaren gevierd,
evenals de Olympische en andere spelen, ter eere van de overwinning
door Augustus behaald. Ook te Rome zijn een tijd lang Actia gevierd.

Actio, in juridischen zin de behandeling eener zaak voor den rechter,
het proces, ook wel reeds alleen de aanklacht. Ook de pleitrede wordt
actio genoemd. Zie Legis actio.

Actium, Aktion, noordelijkste kaap van Acarnania aan den ingang der
ambracische golf, Octavianus won hier in Sept. 31 den zeeslag op
Antonius en Cleopatra. Ter herinnering hieraan stichtte hij later
aan de overzijde, in Epirus, de stad Nicopolis.

Actor of petitor, de eischer of klager in een iudicium privatum, ook de
aanklager in een causa publica; daar de vormen van het privaatproces op
het quaestionenproces worden overgebracht, neemt men ook verschillende
woorden daarvan over.--Actor is ook de slaaf of vrijgelatene, die
de zaken zijns meesters bestuurt, zooveel als rentmeester.--Actores
publici waren onder de keizers de rentmeesters der staatsdomeinen.

Actoriones of Actoridae, Aktoriones, Aktoridai, ook Moliones,
Molionidae, Molione, Molionidai, en Aktorione Molione genoemd,
Eurytus en Cteatus, tweelingzonen van Poseidon en Molione, die met
Actor gehuwd was. Nog zeer jong namen zij deel aan den krijgstocht
van de Epeërs tegen Pylus. Ook onder de deelnemers aan de calydonische
jacht worden zij genoemd. Bij de lijkfeesten van Amarynceus overwonnen
zij Nestor in den wedren, in een gevecht tegen Heracles vonden zij
den dood; hun graf was te Cleonae in Argolis. Soms worden de twee
broeders voorgesteld als aaneengegroeid (diphyeis, symphyeis) met
twee hoofden, vier handen en vier voeten.--Ook Patroclus als kleinzoon
van een anderen Actor wordt Actorides genoemd.

Actuaria (navis), snel varend schip, snelzeiler, schip met laag boord,
met slechts ééne rij roeibanken.

Actuarius, snelschrijver, verslaggever van het gesprokene in
eene vergadering; in het leger van den keizertijd ook: foerier of
kwartiermeester.

Aculeo, zie Furii no. 15.

Acusilaus, Akousilaos, van Argos, logograaf uit de 5de eeuw.

Acypha, Akyphas, zie Pindus no. 2.

Ada, Ada, dochter van Hecatomnus, zuster van Maussolus en Artemisia en
met haar broeder Idrieus gehuwd. Na zijn dood (343) bleef de regeering
over Caria slechts vier jaar in handen van Ada; daarna werd zij door
haar jongsten broeder Pixodarus met perzische hulp van den troon
gestooten, en na diens dood werd zijn schoonzoon Orontobates door
den koning van Perzië in de regeering bevestigd. Ada behield slechts
de vesting Alinda, die zij vrijwillig aan Alexander d. G. overgaf,
toen hij in 334 tegen Halicarnassus oprukte, terwijl zij hem tot zoon
aannam; daarvoor gaf Alexander haar na de verovering dezer stad (333)
de regeering over geheel Carië terug.

Adamas, adamas, stof waarvan, naar men zich voorstelde, verschillende
voorwerpen ten gebruike van goden en goddelijke wezens gemaakt waren;
later ook diamant.

Addicere, addictio, addictus. Addicere beteekent in de taal der augurs:
toestemmen, een gunstig voorteeken geven. Het werd gebezigd van de
auguria ex avibus. Waren de teekenen gunstig, dan sprak de augur:
aves addicunt; zoo niet, dan zeide hij: alio die. Als rechtsterm wordt
addicere gebezigd, wanneer de praetor het betwiste voorwerp aan een der
twistende partijen toewijst. Deze handeling heet addictio. Addictus
was oudtijds degene, die zijne schulden niet kon betalen en derhalve
door den praetor ten gevolge van een vonnis (addictio) aan den
schuldeischer werd toegewezen. Betaalde de addictus niet binnen 60
dagen, dan kon de schuldeischer hem trans Tiberim verkoopen en zelfs
dooden. Waren er meer schuldeischers, dan mochten zij het lichaam van
den addictus verdeelen (corpus secare); zie ook nexum. Toen in 326 de
lex Poetelia Papiria de persoonlijke inbeslagneming des schuldenaars
had afgeschaft, werd de naam addictus gewoonlijk gebezigd van iemand,
die veroordeeld was om te betalen.

Addua, rivier in Gallia Cisalpina, thans Adda, die door den lacus
Larius (meer van Como) stroomt, en in den Padus (Po) uitloopt.

Adeia, waarborg tegen de nadeelige gevolgen, die men door het
verrichten van eene of andere gevaarlijke of verboden handeling zou
kunnen ondervinden; het is dus bijv. een vrijgeleide, verlof tot het
doen van voorstellen die bij de wet verboden zijn, e. dgl. De adeia
werd door het volk verleend. Adeia aan vreemdelingen verleend = asylia.

Adherbal, Atarbas. 1) Deze naam droegen enkele carthaagsche veldheeren
in den eersten en tweeden punischen oorlog.--2) Adherbal was de oudste
zoon van den numidischen koning Micipsa. Hij en zijn broeder Hiëmpsal
werden door hun neef Jugurtha omgebracht, hetgeen aanleiding gaf tot
den Jurgurthijnschen oorlog (112-106).

Adiabene, Adiabene, landschap in het N.O. van Assyria, ten oosten
van den Tigris.

Adimantus, Adeimantos, 1) Corinthiër, aanvoerder der corinthische
schepen in den oorlog tegen Xerxes. Themistocles bewoog hem
door geschenken, bij Artemisium te blijven, hoewel hij zich wilde
terugtrekken. Later verzette hij zich dikwijls tegen de voorstellen
van Themistocles, en, naar het zeggen der Atheners, dat echter door
anderen tegengesproken werd, zouden de corinthische schepen aan den
slag bij Salamis geen deel genomen hebben.--2) atheensch admiraal
in den slag bij Aegospotami, waarin hij, naar men zeide, verraad
gepleegd had; hij was de eenige der atheensche admiraals, die door
Lysander in het leven gelaten werd.--3) broeder van Plato.

Adlecti, 1) in het algemeen degenen, die in een collegie nog
bij- of nagekozen worden, om het voltallig te maken.--2) =
conscripti. Z. Patres.

Admete, Admete, dochter van Eurystheus; voor haar haalde Heracles
den gordel der Amazonenkoningin Hippolyte.

Admetus, Admetos, 1) zoon van Pheres, koning van Pherae. In zijn jeugd
nam hij deel aan de calydonische jacht en aan den Argonautentocht. Hij
was een gastvriend van Heracles en een gunsteling van Apollo, die, uit
den hemel verbannen, negen jaar als herder bij Admetus diende. Toen
Adm. naar de hand van Alcestis dong, beloofde haar vader Pelias
zijne toestemming te geven als hij haar kwam halen in een wagen
met leeuwen en evers bespannen; door de hulp van Apollo gelukte hem
dit. Onder andere weldaden die deze god hem bewees, was ook deze, dat
hij van de Moerae de gunst verwierf dat, wanneer Adm.'s levensdraad
afgesponnen was, een ander in zijne plaats zou mogen sterven. Toen nu
het noodlottig uur gekomen was, begaf Alcestis zich vrijwillig voor hem
in den dood; maar juist toen Adm. dit vernam en zich aan de grootste
wanhoop overgaf, kwam Heracles toevallig bij hem en haalde haar
terug. V. a. zou Persephone haar vrijwillig teruggezonden hebben.--2)
koning der Molossers, bij wien Themistocles op zijne vlucht uit Athene
eenigen tijd vertoefde (± 466). Hoewel Adm. rechtmatige grieven tegen
hem had, weigerde hij hem aan de Atheners uit te leveren en zorgde hij,
dat hij veilig naar Pydna kwam.

Admissio, onder de rom. keizers de toelating tot den vorst, de
audiëntie. Officium admissionis, het ambt van den ceremoniemeester, die
de audientiën regelt. Prima, secunda admissio, eerste, tweede klasse
van audiëntie, naarmate men een hoogeren of lageren rang bekleedde.

Adonia, Adonia, feest ter eere van Adonis, dat in het oosten bij
het begin der lente, maar in Griekenland en later ook te Rome bij
het begin van den zomer gevierd werd. Het duurde twee dagen; op den
eersten werd met veel klachten en gejammer het verdwijnen van Adonis
naar de onderwereld, op den tweeden met buitensporige vreugde zijn
terugkomst herdacht. Onder het zingen van klaagliederen, Adoniasmos,
die Aphrodite's liefde voor Adonis en haar smart bij het vernemen
van zijn dood en bij het vinden van den stervende bezongen, liepen
vrouwen naar het beeld van Adonis te zoeken; nadat dit gevonden was,
werd het met het beeld der godin op een pronkbed ten toon gesteld en
eindelijk onder luide jammerklachten begraven of in zee geworpen. Ook
plaatste men potten met kort bloeiende planten in de deuren der huizen
en in de voorhoven der tempels (tuinen van Adonis, Adonidos kepoi).

Adonis, Adonis, zoon van Cinyras en Myrrha of van Phoenix en
Alphesiboea, van Cinyras en Metharme, van Theas en Myrrha. Om zijne
buitengewone schoonheid werd hij door Aphrodite, die vandaar Adonias,
Adonia heet, bemind. Toen hij op de jacht door een wild zwijn gedood
was, verkreeg deze godin van Zeus, dat hij slechts de helft van het
jaar bij Persephone behoefde te blijven, de andere helft brengt hij
bij de andere goden op den Olympus door. Uit zijn bloed ontstond de
teedere en kort bloeiende anemone. V. a. zou Aphrodite hem als knaap
aan Persephone te bewaren gegeven hebben; doch deze, eveneens op hem
verliefd geworden, weigerde hem terug te geven. Toen besliste Zeus dat
Adonis een derde van het jaar bij Aphrodite en een derde van het jaar
bij Persephone zou blijven, terwijl hij over een derde vrij zou kunnen
beschikken. Ad. verkoos ook dien tijd met Aphrodite door te brengen.

Adoptio, aanneming als kind van iemand, die nog niet sui iuris
was. Het middel hiertoe was eene driemaal herhaalde mancipatio. De
werkelijke vader stond door een driemaal herhaalden schijnverkoop
zijn zoon af aan een tusschenpersoon, die hem de eerste twee keeren
weder aan den vader teruggaf. De vader had namelijk het recht zijne
kinderen te verkoopen; doch als hij een zoon driemaal verkocht had,
was de patria potestas verbroken. Na den derden schijnverkoop werd
de zoon door dengene, die hem nu in handen had, ten overstaan van den
praetor afgestaan aan den adoptiefvader en aan dezen door den praetor
toegewezen (addictio). Hij gold nu voor een wettigen zoon van zijn
adoptiefvader en voerde voortaan diens familie- en geslachtsnaam. De
aanneming als zoon van iemand, die sui iuris was, werd arrogatio
geheeten (z. a.) en ging met andere vormen gepaard. Een bijzondere
vorm van adoptio was deze, dat een erflater bij testament iemand
tot erfgenaam en tevens tot zoon aannam. Onder welken vorm de pater
naturalis dan zijne toestemming gaf, wordt niet gemeld.

Adoratio, proskynesis, 1) Vereering der goden. Bij Grieken en Romeinen
bestond de adoratio hierin, dat men de hand naar het beeld der godheid
uitstrekte, ze vervolgens aan den mond bracht (ad os, vandaar adorare)
en met halfgebogen knie het beeld een kushand toewierp. Ook werd het
beeld vaak gekust.--2) Vereering der vorsten, z. adulatio.

Adramyttium, Adramyttion, atheensche volkplanting aan de golf van
dien naam, tegenover het eiland Lesbos.

Adrana, rivier in Germania, thans de Eder, een zijtak van de Fulda.

Adranum, Adranon, stad op Sicilia, aan den voet van den Aetna, in
400 door Dionysius gesticht. In de nabijheid was een tempel voor
den vuurgod Adranus, waar volgens het verhaal duizend tempelhonden
gehouden werden, bestemd om beschonken lieden naar huis te brengen.

Adrastea, Adrasteia, bijnaam van de phrygische godin Cybele en van
Nemesis. Ook eene nimf, die met hare zuster Ida op Creta den jongen
Zeus opvoedde.

Adrastus, Adrastos, 1) zoon van Talaüs en Lysimache. Toen zijn vader
gedood werd, werd hij door Amphiaraus uit Argos verjaagd en vluchtte
hij naar zijn grootvader Polybus, dien hij in de regeering over Sicyon
opvolgde. Later verzoende hij zich met Amphiaraus, kreeg aandeel aan de
regeering over Argos, en gaf hem zijne zuster Eriphyle tot vrouw. Een
orakel had hem gezegd, dat hij zijne dochters aan een leeuw en een wild
zwijn moest uithuwen; toen nu Tydeus en Polynices, de een uit Calydon,
de ander uit Thebe voortvluchtig, in een stormachtigen nacht voor zijn
paleis kwamen en daar in twist geraakten, kwam Adr. op het geraas
aanloopen, en daar ieder van hen met de huid van een der genoemde
dieren bekleed was, of het afbeeldsel van een dier dieren óp zijn
schild had, zag Adr. daarin de vervulling van het orakel en gaf hij hun
zijne beide dochters, terwijl hij beloofde hen weder naar hun vaderland
terug te brengen. Met zijne bondgenooten ondernam hij nu eerst een
krijgstocht tegen Thebe (den tocht der zeven tegen Th.), die echter
ongelukkig afliep: alle aanvoerders sneuvelden, behalve Adr., die het
aan de snelheid van zijn paard te danken had dat hij naar Attica kon
vluchten. Tien jaar later ondernam hij voornamelijk ondersteund door
de zonen der gesneuvelden (epigonen), een tweeden tocht tegen Thebe,
die een gunstiger uitslag had; in dezen oorlog verloor hij echter zijn
zoon Aegialeus en uit verdriet hierover stierf hij op den terugtocht te
Megara. Adr. werd te Athene, Sicyon en Megara als halfgod vereerd.--2)
zoon van den phrygischen koning Gordias, die wegens een onvrijwilligen
moord naar Lydië vluchtte, en daar door Croesus vriendelijk ontvangen
werd; bij ongeluk doodde hij echter op de jacht ook diens zoon, en
uit wanhoop hierover bracht hij zichzelf om het leven.--3) naam van
verschillende trojaansche aanvoerders in de Ilias.

Adria of Hadria, Adria, naam van twee steden: de eene, waaraan de
adriatische zee haren naam ontleende, lag in het gebied der Veneters,
nabij den Padus; het was oudtijds een belangrijke stad der Etruscers
en de uitvoerhaven voor het van het Noorden komende barnsteen, zie
Eridanus; de andere lag in Picenum. Ook de genoemde zee zelve komt
onder den naam Adria, Adrias, voor. Ook de spelling Hatria wordt
gevonden.

Adrianus, zie Hadrianus.

Adrumetum of Hadrumetum, Adrymeton of Adrymes, -etos, stad in het
gebied van Carthago, en wel in het gewest Byzacene of Byzacium,
waarvan het onder de keizers de hoofdstad werd. Het lag aan de kust.

Aduatuca, eene sterkte in het gebied der Eburonen, z. Tungri. Het
lag misschien bij Limburg in het dal van de Vesdre.

Aduatuci, germaansche volksstam aan de linkerzijde van de Maas,
afstammelingen van de Cimbern en Teutonen, later met andere stammen
onder den naam van Tungri saamgesmolten.

Adulatio, proskynesis, kruipende vereering der vorsten. Zij bestond
hierin, dat men zich met het aangezicht ter aarde wierp en den grond
kuste. Deze gewoonte, bij oostersche volken te huis behoorende en
door lage vleiers ook tegenover de rom. keizers in praktijk gebracht,
werd onder keizer Diocletianus voorschrift.

Adula mons, een berggroep in Oostelijk Zwitserland, brongebied van
den Rijn en den Addua.

Adule, Adoulis, voorname handelsplaats in Aethiopia, aan een inham
der arabische golf gelegen, bekend om het monumentum Adulinanum,
brokstukken van twee opschriften, door Cosmas Indicopleustes, een
grieksch zeevaarder uit den tijd van keizer Justinus, afgeschreven. Het
eerste stuk heeft betrekking op een Ptolemeus Euergetes, het tweede
op een later inheemsch vorst.

Adynatoi zwakken of gebrekkigen, die niet in hun eigen onderhoud
konden voorzien. Te Athene werd in den regel aan zulke menschen bij
volksbesluit eene ondersteuning van 1 of 2 obolen per dag toegekend.

Adversaria (scil. scripta), aanteekenboek of journaal, waarin men
voorloopig ontvangsten en uitgaven opteekende, om ze later in het
kasboek (tabulae of codex accepti et expensi) over te brengen.

Advocatus, iemand, die bij een rechtsgeding ten behoeve van een der
partijen tegenwoordig is, niet om te pleiten, maar om door zijne
aanwezigheid eenigen invloed uit te oefenen en, zoo noodig, raad te
geven. De pleiters werden causarum patroni geheeten, (z. Patronus
no. 2). Onder de keizers verdween dit onderscheid.

Adyrmachidae, Hadyrmachidai, een volk van Libya, dat ten westen van
Aegypte langs de kust woonde.

Adytum, adyton, penetrale, een geheim, voor de leeken verborgen vertrek
achter in een tempel, somtijds gedeeltelijk onder den grond. Niet aan
alle tempels was een adytum aangebracht, maar vooral aan die, waar
godspraken werden gegeven. Het adytum had dikwijls een geheimen ingang,
terwijl naar de tempelruimte verborgen spreekbuizen liepen, waardoor de
woorden drongen, welke de geloovigen voor de stem der godheid hielden.

Aea of Aeaea, Aia, Aiaia, het (verre) land. Men stelde zich voor dat
zoowel aan het westelijk als aan het oostelijk einde der aarde een
Aea lag; het eerste was het fabelachtige eiland van Circe, het laatste
het land van waar de Argonauten het gouden vlies haalden. Volgens de
meening der latere Grieken was het westelijke Aea = Circeii in Latium,
het oostelijke = Colchis.

Aeaces, Aiakes, 1) vader van Polycrates, Pantagnotus en Syloson.--2)
zoon van Syloson, tyran van Samus. Door Aristagoras van Milete
verjaagd, wist hij de Samiërs te overreden om in den slag bij Lade
(497) de vloot der ionische Grieken te verlaten; daarvoor gaven de
Perzen hem na het onderdrukken van den Ionischen opstand (494) de
regeering over Samus weder.

Aeacides, Aiakides, Peleus, Achilles, Neoptolemus e.a. als
afstammelingen van Aeacus.

Aeacus, Aiakos, zoon van Zeus en Aegina, koning van Aegina, stond
om zijne vroomheid in hooge gunst bij de goden. Toen Aegina door de
pest ontvolkt was, liet Zeus op het gebed van Ae. een hoop mieren
in menschen veranderen, die vandaar Myrmidonen genoemd werden. Ook
bewerkte hij eens door zijn gebed het ophouden van eene langdurige
droogte, die geheel Griekenland teisterde. Hij hielp Apollo en Poseidon
bij het opbouwen van de muren van Troje, en daardoor kon later de
stad veroverd worden, wat niet het geval zou geweest zijn, indien
het werk geheel door die goden verricht was; ook gaf reeds dadelijk
bij het voleindigen van den bouw een wonderteeken te kennen dat het
door Ae. gebouwde gedeelte door zijn zoon (z. Telamon) en door zijn
achterkleinzoon (z. Neoptolemus) zou bestegen worden. Hij was de vader
van Telamon en Peleus. Na zijn dood werd hij door Zeus als rechter in
de onderwereld geplaatst en op Aegina en te Athene als halfgod vereerd.

Aeaea, z. Aea.

Aeantis, Aiantis, een van de 10 phylae, waarin de bevolking van Attica
door Clisthenes verdeeld werd.

Aebutia (lex) de formulis, plebisciet, van ± 200, tot invoering van
het formulierproces. Zie formula.

Aebutia (lex), dat, wanneer bij eene opzettelijke wet aan iemand
een last werd opgedragen, noch de ontwerper der wet noch een zijner
bloedverwanten of ambtgenooten daarbij benoembaar was. Dit plebisciet
is van onzekeren tijd.

Aebutii, patricisch geslacht, dat in de eerste eeuw der republiek
enkele consuls leverde. Het cognomen Elva of Helva is later in de
fasti bijgevoegd.

Aeculanum, stad der Hirpini in Samnium, niet ver van Beneventum.

Aedepsus, Aidepsos, stad in het N. van Euboea, met warme baden.

Aedes. Terwijl dit woord als plurale een woonhuis aanduidt, wordt het
enkelvoud gebezigd in den zin van godshuis, tempel. In het meervoud
zegt men voor tempels aedes sacrae. Evenmin als elk templum een aedes
is, evenmin is elke aedes een templum. Daartoe moet de aedes met
een bepaald formulier volgens vaste regels aan de godheid opgedragen
(dedicatio) en door een augur gewijd worden (consecratio).

Aediles, agoranomoi. De aediles zijn oorspronkelijk geweest opzichters,
men zou kunnen zeggen kerkvoogden, van den in 493 door Sp. Cassius
Viscellinus gestichten tempel (aedes) van Ceres (z. a.). Waarschijnlijk
hebben ze sedert 471, toen de plebs haar vertegenwoordiging kreeg in
de 4 tribuni plebis, naast de priesterlijke ook politieke functies
vervuld, en zijn tot aediles plebis geworden. Ze waren helpers deels
van de consuls, deels van de volkstribunen, en hadden het toezicht
over het plebejisch archief in aede Cereris. Zij werden gekozen uit
de plebs. Bij de reorganisatie van den staat, in 366, werden er naast
de twee plebejische aedilen twee patricische aedilen (aediles curules)
gekozen, die ongeveer denzelfden werkkring hadden als de plebejische,
maar niet met hen één collegium vormden. Het verhaal van Livius,
dat, toen in 366 de ludi Romani ter eere der verzoening tusschen de
patriciërs en de plebs met een dag verlengd waren en de plebejische
aedilen weigerden, zich de kosten te laten welgevallen, zich patriciërs
daartoe aangeboden hadden, en zoo de curulische aediliteit is ontstaan,
is onjuist. De aed. cur. hadden de toga praetexta, de sella curulis,
en later het ius imaginum. Reeds vrij spoedig werd het ambt afwisselend
door patriciërs en plebejers bekleed. De aedilen hebben steeds in
rang boven de tribuni plebis gestaan.

Werkkring der aedilen. In de eerste plaats behoorde hiertoe de cura
urbis, waartoe te rekenen zijn het algemeen politietoezicht op de
openbare veiligheid, het toezicht op gebouwen, op de reinheid en
het onderhoud, van wegen en waterleidingen en dgl. Ten tweede ging
hun de cura annonae aan, welke cura zich niet tot den graanhandel
bepaalde, maar het geheele handelsverkeer en marktwezen omvatte. Het
derde gedeelte was de cura ludorum, n.l. de zorg voor zekere spelen,
waarvoor de senaat wel eene bijdrage uit de staatskas toestond, die
echter niet toereikend was om aan de steeds klimmende eischen van
het volk te voldoen, zoodat eerzuchtige mannen zich vaak te gronde
richtten, om de volksgunst te verwerven. De aedilen kunnen voor sommige
misdrijven van niet-politieken aard boeten opleggen; overschrijdt
de boete de provocatiegrens, dan brengen de aediles curules de zaak
voor de comitia tributa, de aed. plebis voor het concilium plebis. De
aediles curules hebben ook rechtspraak in handelsgeschillen.

De aediles plebis werden onder voorzitterschap der volkstribunen in
de concilia plebis, de aediles curules in de comitia tributa onder
voorzitterschap van een consul of praetor gekozen. Onder de keizers
werd hun werkkring zeer beperkt, tot zij ten laatste ophielden
te bestaan.

Aediles Cereales. C. Julius Caesar droeg de cura annonae, meer bepaald
de zorg voor den korenaanvoer, aan twee aedilen op en belastte hen
tevens met het geven der Cerealische feesten.

Aediles municipales. Ook in de municipia vindt men stedelijke overheden
met den naam van aedilen.

Aedituus, naophylax, hierophylax, neokoros (z. a.), tempelwachter,
belast met de bewaking en het toezicht op het schoonhouden van
het gebouw.

Aedon, Aedon, dochter van Pandareüs, gehuwd met koning Zethus. Daar
zij slechts één zoon had, was zij naijverig op Niobe, die rijk met
kinderen gezegend was, en wilde zij den oudsten zoon van deze dooden,
doch bij vergissing doodde zij haar eigen zoon. Zij werd daarop door
Zeus in een nachtegaal veranderd, die steeds om haar zoon jammert.

Aedui, Aidouioi, een machtige gallische volksstam, tusschen den Liger
(Loire) en den Arar (Saône) gevestigd, het eerste volk in Gallia,
dat met de Romeinen een vriendschapsbond sloot en hiervoor den titel
van fratres et consanguinei populi Romani verwierf. Caesar bevrijdde
hen van de overheersching van den Germaan Ariovistus. Later lieten de
Aeduërs zich overhalen om deel te nemen aan den grooten gallischen
opstand onder Vercingetorix, doch werden door Caesar niet daarvoor
gestraft. In 21 n. C. stonden ze op onder Sacrovir (z. a.). In
hun gebied lagen de steden Bibracte, de hoofdstad, later verdoopt
in Augustodunum (Autun), Noviodunum (Nevers), Cabillonum (Châlons
sur Saône).

Aeetes, Aietes, zoon van Helius en Perseïs of Antiope, koning van
Colchis. Onder zijne regeering kwam Phrixus het gulden vlies naar
Colchis brengen en kwamen de Argonauten het weder halen.

Aeëtias, Aietis, Medea, dochter van Aeetes.

Aefula, hoog gelegen stadje ten Z. van Tibur.

Aegae, Aigai, naam van onderscheidene steden, als: 1) in Achaia, met
een beroemden Poseidontempel;--2) op de westkust van Euboea;--3) in
het macedonische landschap Emathia, oude hoofdstad en begraafplaats
der macedonische koningen, later Edessa geheeten, z. a.;--4) in
Aeolis op de kust van Klein-Azië, ook Aegaeae, Aigaiai geheeten;--5)
belangrijke havenstad in Cilicia, aan de golf van Issus.

Aegaeisch tijdperk noemt men het oudste tijdperk der grieksche
geschiedenis, waarvan wij slechts kennis hebben door overblijfselen,
welke men langs de kusten en op de eilanden der Aegaeïsche zee
vindt. Deze overblijfselen leeren ons dat reeds toen tusschen al deze
landen verkeer bestond, zoodat de beschaving, hoewel nog op een lagen
trap staande (er worden bijv. meest steenen gereedschappen gebruikt),
overal ongeveer dezelfde was. Het aeg. tijdperk wordt geacht omstreeks
1500 te eindigen.

Aegaeon, Aigaion, door de goden Briareos genoemd, een van de
Centimani. Toen Hera, Poseidon en Athena of Apollo eens Zeus wilden
boeien, riep Thetis Aeg. te hulp, en door hem werden zij genoodzaakt
van hun plan af te zien.

Aegaeum mare, Aigaion pelagos, welke naam in de middeleeuwen door de
Venetianen tot Archipelago is misvormd, vanwaar ons woord Archipel,
de zee tusschen Griekenland en Klein-Azië, met tal van eilanden. De
oorsprong van den naam is onzeker; de mythe brengt dien in verband
met koning Aegeus, den vader van Theseus.

Aegaleos, Aigaleos, berg op de kust tegenover Salamis, vanwaar Xerxes
in 480 de nederlaag zijner vloot aanschouwde. De Aegaleos scheidt de
Atheensche vlakte van de Thriasische, waarin Eleusis ligt.

Aegates, hai Aigoussai, de geiteneilanden, eilandengroep ten westen
van Sicilia. Bij een van deze eilanden, Aegusa, won de rom. consul
C. Lutatius Catulus in 241 den laatsten beslissenden zeeslag in den
eersten punischen oorlog.

Aegeis, Aigeis, een van de 10 phylae, waarin de bevolking van Attica
door Clisthenes verdeeld werd.

Aegestes, Aigestes = Acestes.

Aegeus, Aigeus, zoon van Pandion no. 3. Na den dood van zijn vader
heroverde hij Athene met de hulp van zijne broeders en kreeg hij daar
de regeering. Later door de zonen van zijn broeder Pallas verjaagd,
werd hij door zijn zoon Theseus weder op den troon gebracht. De
Panathenaeën werden door hem ingesteld of uitgebreid. Toen eens bij
deze feesten Androgeos, de zoon van Minos, alle prijzen behaalde,
liet Aeg. hem uit afgunst dooden. Minos deed hem den oorlog aan en
dwong hem op gezette tijden zeven jongelingen en zeven jonge meisjes
naar Creta te zenden om aan den Minotaurus tot spijs gegeven te
worden. Van dezen smaad werd Athene spoedig door Theseus bevrijd,
maar daar hij bij zijne terugkomst van Creta verzuimde het zwarte
zeil, waarmede het schip was uitgegaan, door een wit te vervangen, wat
volgens afspraak voor zijn vader het teeken van den gunstigen afloop
der onderneming zoude zijn, meende Aeg. dat ook zijn zoon het offer
van den Minotaurus geworden was en stortte hij zich in de zee, die
hiernaar de Aegaeïsche zee genoemd wordt.--Aegeus is ook een bijnaam
van Poseidon en oorspronkelijk niemand anders dan deze god zelf.

Aegiale, Aegialea, Aigiale, -aleia, dochter van Adrastus en Amphithea,
gemalin van Diomedes (z. a.).

Aegialos, Aigialos, het kustland, oude naam voor Achaia.

Aegialeus, Aigialeus, zoon van Adrastus, sneuvelde bij de onderneming
der epigonen.

Aegides, Aigeides, 1) Theseus, zoon van Aegeus.--2) burger van de
attische phyle Aegeis.

Aegilia, Aigilia, 1) attische demos.--2) eilandje tusschen Creta en
Cythera.--3) eilandje tusschen Attica en Euboea.

Aegimius, Aigimios, de mythische stamvader der Doriërs, aan den Pindus
woonachtig. In een oorlog tegen de Lapithen riep hij de hulp van
Heracles in en beloofde hem daarvoor een derde van zijn land. Heracles
versloeg de Lapithen, maar nam de toegezegde belooning niet aan. Uit
dankbaarheid nam Aeg., die twee zonen had, Pamphylus en Dymas, ook
den zoon van Heracles, Hyllus, tot zoon aan, en van deze drie personen
hebben de dorische phylen hare namen: Pamphyli, Dymanes, Hylles.

Aegina, Aigine, Aigina, dochter van den riviergod Asopus, die door Zeus
naar het eiland Oenone gebracht werd en daar Aeacus (z. a.) ter wereld
bracht. Naar haar werd het eil. sedert dien tijd Aegina genoemd. Dit
kleine en vruchtbare eiland in de saronische golf werd daarna met
Myrmidonen, die tot den achaeischen stam behooren, bevolkt en door
Aeacus geregeerd; toen echter diens zonen het eiland verlaten hadden,
werd de bevolking grootelijks vermeerderd door epidaurische kolonisten
(Doriërs) en bleef Aeg. langen tijd in nauwe betrekking tot Epidaurus
staan. In oude tijden bereikte Aeg. door handel, nijverheid en kunst
een hoogen trap van bloei (bekend is de tempel van Aphaia, waarvan
het beeldwerk (de zoogenaamde Aegineten) te München bewaard wordt);
na 480 werd het echter door Athene overvleugeld en de langdurige
vijandelijkheden eindigden hiermede, dat in 456 Aeg. schatplichtig
werd, de muren der stad afbreken en de schepen uitleveren moest;
in 429 werden zelfs de oude inwoners geheel verdreven en hoewel
zij na den slag bij Aegospotami door Lysander teruggebracht werden,
kwam de oude macht en welvaart toch nooit terug. Sedert 318 behoorde
Aeg. tot Macedonië, sedert 229 wordt het genoemd als een lid van het
achaeïsch verbond, sedert 196 als een deel van het gebied van Attalus
van Pergamus; in 129 kwam het onder de Romeinen.

Aegiplanctus, Aigiplankton oros, kaap in Megaris, aan de corinthische
golf.

Aegira, Aigeira, stad in het oostelijk gedeelte van Achaia, waarvan
nog bouwvallen bestaan.

Aegirusa, Aigiroussa, aeolische stad in Klein-Azië.

Aegis, Aigis, schild van Zeus met honderd gouden kwasten versierd. Hij
gebruikte dit schild om door eene beweging er mede den menschen
schrik in te boezemen; men stelde zich voor dat het het Medusahoofd en
schrikwekkend beeldwerk droeg. V. a. was de aeg. een mantel, gemaakt
van het vel der geit, die Zeus gezoogd had. Bij Homerus staat Zeus de
aeg. dikwijls aan Athena, eens ook aan Apollo ten gebruike af, later
echter kende men aan Athena zelve een aeg. toe, nu eens als mantel, dan
als harnas gedacht, altijd met het Medusahoofd, met slangen omkranst,
enz. V. a. was deze aegis het vel van een vuurspuwend monster, dat
door Athena gedood was.

Aegisthus, Aigisthos, zoon van Thyestes en diens dochter Pelopea. Hij
werd door zijne moeder te vondeling gelegd en door herders gevonden,
die hem door een geit lieten zoogen. Hij werd verder door Atreus
opgevoed, die hem, toen hij volwassen was, opdroeg Thyestes te
vermoorden; maar Aeg., die nog tijdig vernam, dat Thyestes zijn vader
was, doodde Atreus bij een offer en maakte zich met Thyestes van de
regeering over Mycenae meester, waaruit hij evenwel na den dood van
Thyestes door Agamemnon weder verdreven werd. Terwijl Agamemnon met
het leger voor Troje was, wist Aeg. diens echtgenoote Clytaemnestra
te verleiden, en toen Ag. terugkwam ging Aeg. hem te gemoet, noodigde
hem tot een maaltijd, maar doodde hem met behulp van Clytaemnestra
in het bad. Hij zelf werd zeven jaar later, zooals hem voorspeld was,
door Agamemnons zoon Orestes gedood.

Aegium, Aigion, stad in Achaia, na de vernieling van Helice door de
zee (373) de hoofdplaats van het achaeïsch verbond. Aratus van Sicyon
stierf hier, 213.

Aegle, Aigle, 1) de schoonste der Naiaden, moeder der Gratiën.--2)
gemalin van Theseus.

Aegon, Aigon, koning van Argos, die na het uitsterven der Heracliden
deze waardigheid kreeg.

Aegospotamos, Aigos potamoi, geitenrivier, riviertje en stad in de
Chersonesus Thracica, aan den Hellespont, tegenover Percote, waar in
den peloponnesischen oorlog de laatste atheensche vloot in den herfst
van 405 door Lysander genomen werd.

Aegosthena, ta Aigosthena, vlek in Megaris, aan de NW.-kust gelegen.

Aegusa, Aigoussa, een der Aegatische eil., ten westen van Sicilia,
z. Aegates.

Aegyptus, he Aigyptos, het bekende Nijlland. Van Syene en Philae op
ongeveer 24° N.B. tot omstreeks 27 1/2° N.B. strekte zich Opper-Aegypte
of Thebaïs, het land van Thebe, uit; vandaar tot even beneden Memphis
Midden-Aegypte of Heptanomis, het land der zeven distrikten; dan volgde
het naar zee breed uitloopende Delta-land. De geschiedenis van het
land kan in vier hoofdtijdperken worden gesplitst: 1) Het aegyptische
tijdperk, van de oudste tijden af tot aan de verovering van het rijk
door den perzischen koning Cambyses in 525.--2) Het perzische tijdperk,
tot aan de onderwerping des lands aan Alexander den Gr. in 332.--3)
Het macedonische tijdperk, tot de inlijving bij het rom. rijk door
Octavianus (Augustus) in 30. Dit is het tijdvak der Ptolemaeën,
die grieksche beschaving, zeden, gewoonten en godsdienst zochten
in te voeren en onder wie Aegypte een tijdperk van grooten bloei en
welvaart beleefde.--4) Het rom. tijdperk, tot aan de verovering door
de Arabieren, 638 na C. Als rom. provincie had Aegypte eene bijzondere
organisatie. In de plaats der koningen trad een stadhouder, praefectus
Aegypti, doch de vorm van bestuur, plechtigheden en ceremoniën,
alles bleef, zooals het te voren onder de Ptolemaeën was geweest;
zelfs bleef het Grieksch de officieele taal. De stadhouder had ook
niet, zooals overal elders, lictoren met bijlbundels. Alexandrië
bleef de residentie.

Aegyptus, Aigyptos, zoon van Belus en Anchinoë. Hij onderwierp zich
het land der Melampoden en noemde dit Aegyptus. Hij was de vader van
vijftig zonen, waarvan 49 in één nacht door de Danaïden (z. Danaüs)
gedood werden. Aeg. kwam daarop naar Argos om den dood zijner zonen
te wreken, maar door zijn eenig overgebleven zoon Lynceus overreed,
zag hij hiervan af. V. a. stierf hij van verdriet.

Aeinautai, magistraten te Milete. De afleiding van den naam is onzeker.

Aeisitoi, heetten te Athene de personen, die krachtens hun ambt of
eene bijzondere vergunning dagelijks op kosten van den staat in het
Prytaneum (later in den Tholus) hun maaltijd hielden. De prytanen
(z. prytaneis) zijn niet onder dien naam begrepen.

Aelana, ta Ailana, handelsstad in Arabia Petraea, aan den
noordoostelijken inham der arabische golf (de Roode Zee), welke
inham naar de stad sinus Aelanites of Aelaniticus werd geheeten. Hier
werden onder koning Salomo de joodsche handelsvloten naar het land
Ophir uitgerust.

Aelia (leges) et Fufia, de auspiciis, twee wetten van de volkstribunen
Q. Aelius Paetus en M. Fufius, omstreeks 156. Zie servare de caelo.

Aelia Sentia (lex), van de consuls Sex. Aelius Catus en C. Sentius
Saturninus, 4 n. C. Deze wet bepaalde, dat vrijgelatenen, die als
slaven onteerende straffen hadden ondergaan, geen cives, maar dediticii
zouden zijn. Ook onderwierp zij het burgerschap van vrijgelatenen
beneden 30 jaar aan zekere voorwaarden.

Aelia Capitolina, naam dien keizer P. Aelius Hadrianus aan Jerusalem
gaf, waarheen hij eene rom. kolonie zond (130 n. C.). Een geweldige
opstand was hiervan het gevolg (zie Hadrianus). Jerusalem werd door
de keizerlijke troepen ingenomen en verwoest, doch op 's keizers
last herbouwd.

Aelianus, 1) Ailianos ho taktikos, leefde tijdens de regeering van
keizer Hadrianus, en schreef een werk over taktiek.--2) Claudius
Aelianus, geboren te Praeneste, leefde in het begin der derde eeuw
na C. en schreef o. a. onder den titel Poikile hiotoria, Varia
Historia, in 14 boeken een verzameling verhalen en anecdoten. Meer
waarde heeft een ander werk van hem: Peri zoon in 17 boeken, eveneens
eene verzameling verhalen, die alle betrekking hebben op het leven
der dieren.

Aelii, een aanzienlijk geslacht, waarvan de Paeti en de Tuberones de
meest bekende familiën zijn. O. a. behoorden nog tot de Aelia gens de
familiën Catus, Lamia, Ligur, Staienus. 1) P. en Sex. Aelius Paetus,
twee broeders, beiden als rechtsgeleerden beroemd, vooral de laatste,
die hierdoor den bijnaam Catus verkreeg. P. Aelius was consul in
201, Sex. Aelius in 198. Sextus Aelius heeft een werk geschreven,
Tripertita geheeten, waarvan nog fragmenten over zijn. Het bevatte
1o den tekst der XII tafelen, 2o de verklaring daarvan, 3o de legis
actiones, een uitbreiding van het ius Flavianum.--2) Q. Aelius
Tubero, schoonzoon van L. Aemilius Paullus, nam onder dezen aan den
oorlog tegen Perseus deel.--3) Q. Aelius Tubero, zoon van no. 2,
zusterszoon van Scipio Africanus minor, rechtsgeleerde en aanhanger
der stoïcijnsche wijsbegeerte, staatkundig tegenstander der Gracchen,
is dezelfde, die in Cicero's geschrift de republica sprekende
wordt ingevoerd.--4) L. Aelius Tubero, boezemvriend van Cicero,
met wien hij samen onderricht had ontvangen, koos evenals Cicero
de partij van Pompeius, doch verzoende zich later met Caesar.--5)
Q. Aelius Tubero, zoon van no. 4, had aan den slag bij Pharsalus
tegen Caesar deelgenomen, doch zich ook met dezen verzoend. Het
was tegen zijne aanklacht dat Cicero de oratio pro Q. Ligario
hield. Hij was redenaar, schrijver over rechtskundige onderwerpen en
annalist. Zijn geschiedwerk reikte van de oudste tijden tot aan de
oorlogen van Caesar en Pompeius.--6) L. Aelius Lamia, rom. ridder,
werd in 58 verbannen, omdat hij Cicero durfde verdedigen; zijne
beide zoons Q. en L. behoorden tot de vrienden van den dichter
Horatius. Van dezen is L. (consul 3 n. C.) de meest bekende.--7)
L. Aelius Stilo Praeconinus, uit Lanuvium, beroemd taalgeleerde en
leermeester van Varro en ook van Cicero. Vooral maakte hij studie van
het oud-Latijn.--8) L. Aelius Seianus, zoon van L. Seius Strabo, door
adoptie in de gens Aelia opgenomen, was praefectus praetorio van 14 tot
31 na C. onder Tiberius, eerst met zijn vader, na diens dood alleen. In
23 n. C. legde hij voor de cohortes praetoriae, die tot nu toe in de
stad verspreid waren, een vast kamp aan buiten de porta Viminalis,
ten N.O. van de stad, de Castra praetoria (z. a). Toen Tiberius hem te
Rome de vrije hand liet, heerschte Seianus als eigenmachtig tyran. Ten
einde zichzelven den weg tot den troon te banen, liet hij 's keizers
zoon Drusus Caesar door toedoen van diens vrouw Livia door vergif
uit den weg ruimen (23). Ook Agrippina, de weduwe van Germanicus, en
hare beide zonen vielen als offers zijner eerzucht (29). Ten slotte
echter werden Tiberius door Antonia minor (Antonii no. 11) de oogen
geopend; Seianus werd in hechtenis genomen, door den senaat gevonnisd
en met zoon, dochter en een aantal vrienden ter dood gebracht.--9)
Aelius Gallus, rom. ridder en onder Augustus praefectus van Aegypte;
hij ondernam op bevel van Augustus een expeditie tegen Arabia Felix
(25-24), die mislukte.--10) P. Aelius Aristides, beroemd grieksch
redenaar, geb. te Hadriani in Mysia in 129 n. Chr. Van hem zijn 55
veel bewonderde redevoeringen overgebleven, die echter voor een groot
deel niet bestemd waren voorgedragen te worden. Hij volgt daarin met
voorliefde Isocrates en Demosthenes na. Hij reisde veel en kwam ook
te Rome, doch bij voorkeur hield hij zich te Smyrna op, waar hij ±
189 stierf. Toen deze stad door een aardbeving verwoest was, wist hij
keizer Marcus Aurelius te bewegen haar te laten herbouwen, daarom werd
te Smyrna een standbeeld voor hem opgericht, dat nog bestaat.--11)
P. Aelius Hadrianus, keizer, zie Hadrianus.--12) Aelius Donatus,
zie Donatus (Aelius).

Aëllo, Aëllopus, Aello, Aellopous, een van de Harpyiën.

Aemilia (lex) de censura, van den dictator Mamercus Aemilius 434
(Aemilii no. 6) beperkte den duur van het censorschap tot achttien
maanden. Zie echter onder Censor.

Aemilia (lex) sumptuaria, van den consul M. Aemilius Scaurus (Aemilii
no. 11), van 115. Zij beperkte de tafelweelde, door het verbod van
sommige als lekkernij beschouwde spijzen, o.a. veldmuizen, schelpdieren
en vreemde vogels.

Aemilia (lex) de libertinorum suffragiis, van denzelfden, eveneens
van 115, bepaalde, dat de vrijgelatenen in de 4 tribus urbanae moesten
ingeschreven worden.

Aemilia (via). Deze weg, in 187 aangelegd door den consul M. Aemilius
Lepidus (Aemilii no. 2), liep van Ariminum in rechte lijn naar
Placentia aan de Po. Deze weg heeft zijn naam gegeven aan de VIII
regio Italiae (tgw. Emilia). Een andere weg van gelijken naam, in
109 aangelegd door den censor M. Aemilius Scaurus (Aemilii no. 11),
liep van Pisa langs zee tot aan Vada, en van daar over de Apennijnen
naar Dertona. Het eerste gedeelte van dezen weg wordt later, omdat
het een voortzetting der via Aurelia is, ook Aurelia genoemd.

Aemilianus (M. Aemilius), stadhouder van Pannonia en Moesia, werd in
253 na C. door zijne legioenen tot keizer uitgeroepen. Hij overwon
keizer Gallus, doch werd op zijn beurt verslagen door Valerianus en
hierop door zijne eigene troepen om het leven gebracht.

Aemilii, een oud, beroemd, patricisch geslacht, waartoe o. a. de
familiën Lepidus, Mamercinus, Paullus, Scaurus, Barbula, Papus
behoorden. 1) M. Aemilius Lepidus, zoon van no. 2, bracht door zijn
moed veel bij tot het winnen van den slag bij Magnesia (190) tegen
Antiochus III van Syrië.--2) M. Aemilius Lepidus, consul in 187 en
175, censor in 179, streed gelukkig tegen de Liguriërs. Als consul
legde hij de via Aemilia, van Ariminum naar Placentia, aan. Als censor
bouwde hij met zijn ambtgenoot M. Fulvius Nobilior (Fulvii no. 11), de
basilica Aemilia et Fulvia, die gewoonlijk Aemilia genoemd wordt. Zijne
krachten wijdde hij aan den staat tot zijn dood toe. Twee zoons van
hem bekleedden ook het consulaat, in 137 en 126. Een kleinzoon was--3)
M. Aemilius Lepidus, consul in 78, het jaar van Sulla's dood. Uit
gegronde vrees, dat hij zou pogen, zich van het gezag meester te
maken, had de Senaat hem Gallia opgedragen, doch Lepidus verzamelde
een leger in Etruria om tegen Rome op te trekken. Hij werd echter
door Pompeius en den consul Q. Lutatius Catulus (Lutatii no. 5)
verslagen en vluchtte naar Sardinia, waar hij in 77 stierf. Zijn
onderbevelhebber M. Perperna week naar Hispania en sloot zich daar bij
Sertorius aan.--4) M. Aemilius Lepidus, de bekende drieman, was een
zoon van no. 3. Hij was een aanhanger van Caesar, door wiens toedoen
hij in 49 praetor en in 46 Caesars medeconsul werd. Hij bezorgde in
49 aan Caesar de dictatuur en werd zelf in 45 magister equitum. In
44 droeg Caesar hem het kommando op in Hispania citerior en zuidelijk
Gallia. Na Caesars vermoording vereenigde Lepidus zich met Antonius,
werd pontifex maximus en in 43 met Antonius en Octavianus lid van het
driemanschap, waarbij hij voor zijn deel Africa kreeg. Toen hij echter
in 36 Sextus Pompeius uit Sicilia had helpen verdrijven, doch zelf
de hand naar dit eiland uitstak, werd hij door zijn leger verlaten
en door Octavianus genoodzaakt, zich geheel uit het staatsbestuur
terug te trekken; alleen de waardigheid van pontifex maximus behield
hij. Hij leefde nog tot 13 op een landgoed te Circeii, onder bewaking,
in eene vermomde gevangenschap.--5) M. Aemilius Lepidus Porcina,
consul in 137, wordt als redenaar geroemd. Als proconsul van Hispania
citerior ondernam hij in 136 tegen den wil des senaats een hoogst
onrechtvaardigen oorlog tegen de Vaccaeërs, doch leed een zware
nederlaag. In 125 werd hij wegens geldverkwisting door de censoren
tot eene boete veroordeeld.--6) Mamercus Aemilius, dictator in 437,
434 en 426. Uit zijn tweede dictatorschap is de lex Aemilia de censura
afkomstig, welke den duur van het censorschap tot achttien maanden
beperkte. Zie echter onder Censor. Uit wraak brachten de eerstvolgende
censoren hem onder de aerarii.--7) L. Aemilius Mamercinus Privernas,
consul in 341 en 329, dictator 335 en 316. Zijn bijnaam Privernas
had hij te danken aan de inneming der stad Privernum in het gebied
der Volscen.--8) M. Aemilius Paullus, consul 302, versloeg bij
Thurii den spartaanschen avonturier Cleonymus, die eene landing in
Italië beproefde.--9) M. Aemilius Paullus, consul in 219 en 216,
versloeg in 219 Demetrius van Pharus en onderwierp het illyrische
kustland. In 216 verloor hij met zijn ambtgenoot C. Terentius Varro den
noodlottigen slag tegen Hannibal bij Cannae, waarin hij sneuvelde. Hij
had den slag ontraden, doch Varro, die op dien dag het opperbevel
voerde, luisterde niet naar hem. Aemilius Paullus viel, omdat hij
te hooghartig was om zich door de vlucht te redden. Hierom wordt
hij door Horatius magnae animae prodigus genoemd.--10) L. Aemilius
Paullus, zoon van no. 9, tuchtigde in 182 als consul de Liguriërs,
en overwon in zijn tweede consulaat, 168, bij Pydna koning Perseus
van Macedonië, dien hij gevangen naar Rome medevoerde. Deze oorlog,
waarin hij ook Epirus op vreeselijke wijze verwoestte, verschafte hem
den bijnaam Macedonicus. Hij stortte na den oorlog zooveel geld uit den
buit in het aerarium, dat het tributum (z. a.) afgeschaft werd. Hij
hield eene schitterende zegepraal te midden van grievend huiselijk
leed, daar een zijner zoons vijf dagen vóór, en een ander drie dagen
na den triumftocht overleed. Twee andere zoons waren door adoptie
in andere geslachten overgegaan, n.l. Q. Fabius Maximus Aemilianus
(Fabii no. 18) en P. Cornelius Scipio Aemilianus Africanus minor, de
veroveraar van Carthago (Cornelii no. 18).--11) M. Aemilius Scaurus,
consul in 115, streed gelukkig tegen volksstammen in de Alpen en werd
in 112 als gezant naar Jugurtha, koning der Numidiërs gezonden. In
111 was hij legaat van den consul L. Calpurnius Bestia in den
jugurthijnschen oorlog. Beiden lieten zich door Jugurtha omkoopen;
doch alleen L. Calpurnius werd aangeklaagd; Scaurus wist zich niet
alleen aan eene vervolging te onttrekken, maar werd zelfs lid der
commissie van onderzoek in deze zaak. Als censor liet hij in 109 de
Milvische brug herstellen en eene via Aemilia over de Appennijnen
naar Dertona aanleggen.--12) M. Aemilius Scaurus, zoon van no. 11,
was quaestor van Pompeius in den laatsten mithradatischen oorlog
(66). Later was hij (in 55) propraetor van Sardinia en werd in 54
van afpersingen aangeklaagd. Cicero en Hortensius verdedigden hem
en pleitten hem vrij; doch in 52 van omkooping aangeklaagd, werd hij
overeenkomstig Pompeius wensch veroordeeld.--13) M. Aemilius Scaurus,
zoon van no. 12, volgde zijn halfbroeder Sex. Pompeius naar Azië,
doch leverde hem aan Antonius' legaten C. Furnius en M. Titius in
handen.--14) Mam. Aemilius Scaurus, zoon van no. 13, een talentvol
dichter en redenaar, doch zeer loszinnig, werd onder de regeering van
keizer Tiberius wegens verschillende misdaden vervolgd, en benam zich
met zijne vrouw Sextia op hare aansporing het leven.--15) Aemilius
Macer, zie Macer.--16) Aemilia Lepida, echtgenoote van P. Sulpicius
Quirinius (Sulpicii no. 21).

Aenaria, Ainaria, ook Pithecusa, Pithekoussa, (aapjeseiland) en door
Virgilius Inarime geheeten, vulkanisch eiland met warme bronnen,
in den sinus Cumanus (golf van Napels), tgw. Ischia.

Aenea, Aineia, stad in het westen van Chalcidice, aan de Thermaeische
golf.

Aeneadae, Aineadai, patronymicum voor de tochtgenooten van Aeneas,
ook voor de Romeinen als afstammelingen daarvan.

Aeneades, Aineades, patronymicum voor Aeneas' zoon Ascanius.


                             Zeus.
                              |
                           Dardanus.
                              |
                          Erichtonius.
                              |
                            Tros.
                        /-----^----\
                    Assaracus.    Ilus.
                        |           |
                      Capys.    Laomedon.
                        |           |
                    Anchises.    Priamus.
                        |
                     Aeneas.

                    Genealogie van Aeneas.


Aeneas, Aineias, 1) de bekende trojaansche held, zoon van Anchises en
de godin Aphrodite (Venus), op den berg Ida geboren en te Dardanus,
bij Alcathoüs, den man zijner zuster Hippodamea, opgevoed, nam
eerst geen deel aan den strijd tusschen Trojanen en Grieken, totdat
hij bij zijne kudden op den Ida door Achilles werd overvallen en
beroofd. Sedert dezen tijd was hij met Hector de steun der Trojanen,
onversaagd, door goden en menschen bemind en geëerd om zijn vroomheid
en wijsheid. Evenals Achilles is Aeneas de zoon eener godin en heeft
hij goddelijke paarden; hij wordt door Priamus gehaat, gelijk Achilles
door Agamemnon. Homerus ziet in Aeneas den toekomstigen beheerscher
van het herbouwde Troje, en de rom. sage, welke Aeneas na tal van
omzwervingen en lotgevallen in Italië laat landen, is dus van lateren
tijd dan de Ilias. De wijze, waarop Aeneas uit het brandende Troje
ontkwam, wordt verschillend verhaald. Livius laat hem bij verdrag
aftrekken. Virgilius laat hem vluchten met de Penaten van Troje in
de eene en zijn jeugdigen zoon Ascanius of Iulus aan de andere hand,
zijn ouden vader op de schouders dragende en gevolgd door zijne vrouw
Creusa, die hij echter bij de nachtelijke vlucht verliest. Zijne
lotgevallen zijn uitvoerig geschilderd in de Aeneïs. Het eerste
boek van dit epos verplaatst ons in het zevende jaar van Aeneas'
zwerftochten, op het oogenblik dat de wraakzuchtige Juno den god der
winden, Aeolus, verzoekt, de vloot van Aeneas door een hevigen storm te
doen vergaan. Doch Neptunus brengt golven en winden tot bedaren en met
verlies van slechts één enkel schip landt Aeneas op de afrikaansche
kust, waar hij bij Dido, de stichteres van Carthago, een gastvrij
onthaal vindt. In boek 2 en 3 verhaalt Aeneas den ondergang van Troje
en zijn eigene redding, hoe hij met 20 schepen het trojaansche gebied
verliet, eerst in Thracia eene stad wilde stichten, doch door ijselijke
wonderteekenen werd afgeschrikt, hoe het delische orakel hem beval,
het oude moederland der Dardaniden op te zoeken, en hoe zij toen
op Anchises' raad den steven naar Creta wendden, vanwaar Teucer, de
schoonvader van Dardanus en dus een van de stamvaders der Trojanen,
afkomstig was (volgens een andere mythe werd Teucer de schoonzoon
van Dardanus). Eene pestziekte verdrijft de Trojanen weder van Creta,
terwijl de Penaten in een droom aan Aeneas verkondigen, dat Italia het
bedoelde moederland is, vanwaar Dardanus gekomen was. Het verhaal der
verdere lotgevallen, tot het vertrek van Sicilia, waar Anchises stierf,
en den storm, vullen verder het derde boek. Boek 4 behelst de door
Venus opgewekte liefde van Dido voor Aeneas, diens overhaast vertrek op
bevel van Jupiter, en Dido's zelfmoord. In boek 5 en 6 wordt de tocht
naar Italië en de afdaling van Aeneas in de onderwereld beschreven,
waar hij tal van oude trojaansche helden weerziet, die voorbeschikt
zijn om later als Romeinen weder op de aarde te verschijnen. De
volgende boeken behelzen de lotgevallen van Aeneas in Latium,
zijn voorgenomen huwelijk met Lavinia, dochter van koning Latinus,
den daarop gevolgden oorlog met zijn medeminnaar Turnus, koning der
Rutuliërs, en eindelijk het tweegevecht, waarin Turnus door de hand van
Aeneas valt. Hiermede eindigt de Aeneïs. De sage laat vervolgens Aeneas
in den Numicus verdrinken of onder donder en bliksem ten hemel varen,
waarna hij vereerd werd als Iupiter indiges.--2) Aen. Tacticus, Ain. ho
Taktikos, tijdgenoot van Xenophon, schrijver van een werk over taktiek,
waarvan een uittreksel bestaat onder den titel taktikon hypomnema.

Aenesidemus, Ainesidemos, of Aines. 1) sceptisch philosoof uit
Cnossus, tijdgenoot van Cicero. In zijne werken, logoi Pyrroneioi,
verdedigde hij de leer van Pyrrho; hij vond echter, naar het schijnt,
weinig aanhangers.--2) vader van Theron van Agrigentum.

Aenianes, Ainianes, oude grieksche volksstam, die op verschillende
plaatsen gewoond heeft in Thessalia, later in het dal van den Spercheus
en op de hellingen van het Oetagebergte.

Aenus, Ainos, 1) oude aeolische stad op de thracische kust, aan de
monding van den Hebrus, waarvan de stichting door Virgilius aan
Aeneas wordt toegeschreven. In de Ilias wordt zij reeds genoemd,
en onder de Rom. was zij eene belangrijke handelsstad.--2) berg in
het zuiden van het eiland Cephallenia.--3) rivier in Raetia, thans
de Inn, met Aeni pons, bij Rosenheim in het Z. van Beieren gelegen.

Aeoles of Aeolii, Aioles, heet de bevolking van Lesbus, Tenedus en
Aeolis (z. a.); hun hoofdzetel schijnt oudtijds Thessalia geweest te
zijn. Vandaar zijn ze gedeeltelijk naar Boeotia, en over Aulis naar
Klein-Azië getrokken. De dialekten dezer drie streken zijn dan ook
nauw verwant. Uit de omstandigheid, dat de stamheros Aeolus als vader
van een talrijk kroost wordt voorgesteld, ontstond bij de Grieken het
vermoeden, dat de Aeoliërs eene verzameling van verschillende kleine
stammen waren, die oudtijds in verschillende deelen van Griekenland
werden aangetroffen.

Aeolia, bij Hom. Aiolie, het mythische eil., waar Aeolus, de god der
winden, zijn zetel had.

Aeoliae insulae, de Liparische of Vulcanische eilanden, ten noorden
van Sicilia, tien in getal.

Aeolis, Aiolis, 1) oude naam van Thessaliotis, waar de Aeoles
oorspronkelijk woonden, hoofdplaats Arne.--2) kuststreek van
Klein-Azië, van den Hellespont zuidwaarts tot aan de Hermaeische golf,
bevolkt door Grieken van aeolischen stam. De voornaamste aeolische
steden in Troas zijn: Ilium, Assus, Gargara, Antandrus, Cebren,
Scepsis, Neandrea. Het aeolische bondgenootschap was beperkt tot
een kring van 12 kleine steden, die dicht opeenlagen in de heuvels
tusschen de mondingen van den Caïcus en den Hermus. Het waren de
volgende: Cyme, Larisa, Neontichos, Temnus, Cilla, Notium, Aegirusa,
Pitane, Aegae, Myrina, Grynea, Smyrna; doch de laatstgenoemde stad
werd in 688 door de aangrenzende Ioniërs vermeesterd. Ook de eilanden
Lesbus en Tenedus behoorden tot Aeolis. Nadat de aeolische steden
achtereenvolgens door de koningen van Lydië waren onderworpen,
deelden zij ook in de lotswisselingen van Voor-Azië.

Aeolus, Aiolos, 1) oudste zoon van Hellen en de nimf Orseis,
beheerscher van Magnesia in Thessalië, stamvader der Aeoliërs. Bij
zijne gemalin Enarete had hij zeven zoons en vijf dochters. De zonen
vestigden zich in verschillende plaatsen, vandaar dat de aeolische stam
zich verder verbreidde dan een van de andere grieksche stammen.--2)
Aeolus Hippotades (Hippotades), zoon van Hippotes, afstammeling van
den bovengenoemden, koning van een der Aeolische eilanden. Hij was
een vroom en menschlievend man, die den menschen het gebruik van
zeilen leerde en het waaien van den wind voorspelde; daarom was hij
een lieveling der goden en kreeg hij, vooral door voorspraak van
Hera, het recht om deel te nemen aan hunne maaltijden en tevens het
bestuur over de winden. Op zijn met hooge rotsen en metalen muren
omgeven eiland leeft hij gelukkig met zijn vrouw, zes zonen en zes
dochters, die met elkander gehuwd zijn; hij zit op een hooge rots,
waarbinnen in een groot hol de winden opgesloten zijn. V. a. waren
deze Aeolus en zijn tweelingbroeder Boeotus zonen van Poseidon en
Arne, een achterkleindochter van den eerstgenoemden Aeolus. Haar
vader, vertoornd over de geboorte van deze kinderen, gaf haar aan
een vreemdeling, die haar medenam naar Metapontum en de kinderen
op bevel van een orakel als de zijne opvoedde. Toen zij volwassen
waren, maakten zij zich van de heerschappij over Metapontum meester,
en later doodden zij Autolyce, hun pleegmoeder, die met Arne in twist
leefde. Uit vrees voor de wraak van hun pleegvader vluchtte nu Aeolus
naar de Aeolische eilanden, die van hem hun naam ontvingen. V. a. was
de moeder van Aeolus en Boeotus Melanippe, de dochter van Desmontes
of van een anderen Aeolus, en werden de kinderen te vondeling gelegd
en door herders gevonden. Toen nu Metapontus, de koning van Icarië,
zijne gemalin Theano wilde verstooten, omdat zij geen kinderen kreeg,
nam zij de knaapjes van de herders over en gaf ze aan Metapontus als
haar eigen kinderen. Maar dit berouwde haar, toen zij zelve twee zonen
baarde, vooral daar Metapontus de vondelingen wegens hun schoonheid met
voorliefde behandelde. Toen dus hare zonen volwassen waren, verhaalde
zij hun wat er gebeurd was en spoorde hen aan Aeolus en Boeotus
te dooden. Maar in het gevecht, dat nu volgde, vielen de zonen van
Theano en zij doodde zichzelve. Aeolus en Boeotus vluchtten, maar nu
ontdekte Poseidon hun ware afkomst en deelde hen mede, dat hun moeder
door haar vader van het gezicht beroofd en in de gevangenis geworpen
was. Daarop doodden zij ook hun grootvader, bevrijdden Melanippe,
en keerden met haar naar Metapontus terug, die haar tot vrouw nam.

Aepea, Aipeia, stad in Messenia, aan zee, op de plaats van het
latere Corone.

Aepytus, Aipytos, 1) zoon van Elatus, koning van Phaesana. Na
den dood van Clitor regeerde hij over Arcadië; hij stierf aan een
slangebeet.--2) zoon van Hippothoüs, koning van Arcadië; hij betrad den
tempel van Poseidon te Mantinea, wat aan geen sterveling geoorloofd
was, dientengevolge werd hij blind en stierf hij kort daarna.--3)
zoon van Cresphontes en Merope. Zijn vader en broeders werden bij een
opstand gedood, terwijl hij bij zijn grootvader in Arcadië was. Later
veroverde hij echter met de hulp der Arcadiërs en Doriërs Messenië
weder.--4) zoon van Neleus, stichter van Priene.

Aequi, ook Aequicoli (Aequicolani) geheeten, een landbouwende, doch
tevens krijgszuchtige stam ten N.-O. van Latium, in de dalen van
den Boven-Anio, de Himella en den Tolenus, verwant met de Volsci,
met wie ze samen in de 5de en 4de eeuw geregeld tegen de Romeinen en
het Latijnsch verbond oorlog gevoerd hebben. In de 5de eeuw is een
gedeelte van Latium o.a. de steden Bola en Labici en vooral de berg
Algidus een tijdlang in hun bezit geweest. In 304 wordt de stam door
den consul P. Sempronius Sophus (Sempronii no. 16) geheel onderworpen
en het grootste gedeelte van het gebied aan de militaire kolonies
(col. Latinae) Alba Fucens (Fucentia) en Carseoli toegewezen. Wat
er overschiet van het volk, komt als civitas sine suffragio voortaan
voor onder den naam Aequicoli (Aequiculani).

Aequicoli (Aequiculani), zie Aequi.

Aequimaelium. Een plein aan de zuidzijde van het Capitool, beneden den
tempel van Jupiter Capitolinus, waar eenmaal het huis van Sp. Maelius
had gestaan. Zie Maelii.

Aequum Faliscum, zie Falerii.

Aerarii waren zulke rom. burgers, die niet in eene tribus waren
ingeschreven en wien dus het stemrecht ontzegd was. Om namelijk
dit recht uit te oefenen, moest men tot eene tribus behooren. Zij
betaalden geen tributum (z. a.), maar een hoofdgeld (aera, vandaar hun
naam), en waren van den dienstplicht uitgesloten. Onder de aerariërs
gebracht te worden, was eene straf, die dikwerf door de censoren werd
toegepast. Dan werd men ook niet belast naar den gewonen maatstaf,
maar willekeurig hoog in de belasting aangeslagen. Inter aerarios
referri en in tabulas Caeritum referri zijn synonieme uitdrukkingen,
omdat de inwoners der etruscische stad Caere (z. a.) de eersten waren,
die als burgers zonder stemrecht onder bezwarende voorwaarden bij
Rome werden ingelijfd.

Aerarium was de schatkist van den rom. staat, ook de plaats waar de
kas bewaard werd en waar tevens het staatsarchief was geborgen, tot
dat hiervoor door Q. Lutatius Catulus het tabularium (z. a.) gebouwd
werd. Tijdens de republiek was het aerarium in den tempel van
Saturnus. Het stond onder beheer der quaestores urbani, die echter
geene uitgaven mochten doen dan op last van de consuls of van den
senaat. De keizers echter droegen het beheer ook aan anderen op,
b.v. aan praetoren of aan praefecti aerario, terwijl het aerarium
zelf meer en meer tegenover den door Augustus ingestelden fiscus
(z. a.) of bijzondere kas des keizers aan beteekenis verloor. In de
3de eeuw n. C. werd het de kas van de stad Rome.

Aerarium sanctius, reserve-kas voor tijden van grooten nood, waarin
o. a. de vicesima manumissionum (5% der waarde van vrijgelaten slaven)
werd gestort.

Aerarium militare, door Augustus ingesteld en gevoed door nieuwe
belastingen, zooals de centesima rerum venalium, diende voor het
onderhoud van het leger.

Aërope, Aerope, dochter van Catreus, gehuwd met Atreus en v. s. ook
met Plisthenes. Zij maakte zich schuldig aan overspel met Thyestes,
en gaf hem zelfs het gouden lam, dat hem de heerschappij over Mycenae
moest verschaffen. Toen Thyestes nu, eenmaal door Atreus verdreven,
toch terugkeerde en met hulp van Aërope zijn broeder van den troon
trachtte te stooten, werd zij door Atreus in zee geworpen.

Aerugo, eene soort van roest van schitterend groene kleur (patina),
welke zich door den tijd op het brons vormde en de waarde der
beeldwerken zeer verhoogde. Om al te sterke oxydeering tegen te
gaan, bestreek men de koperen voorwerpen met olie of vloeibaar pek
of asphalt.

Aes is oorspronkelijk koper en wat daarvan vervaardigd is; ook het uit
koper en tin gemengde brons heet aes. Daar de oudste munt uit koper
geslagen was, werd het woord ook voor munt gebezigd. Aes signatum =
gemunt geld. Aes grave is de zware oude rom. munt, toen de as, zijnde
de waarde van een pond koper, nog het volle gewicht had (as libratis),
z. as. Aes alienum is schuld, het passief vermogen, in tegenstelling
van aes suum, actief vermogen.

Aes Corinthium, eene legeering van koper met verschillende andere
metalen, zoo genoemd naar Corinthe, waar het bronsgieten op den
hoogsten trap stond.

Aes equestre, de toelage, die de equites equo publico uit de schatkist
ontvingen tot aankoop van een paard.

Aes hordearium, toelage aan de equites tot onderhoud van hun paard. Het
aes equestre en het aes hordearium werden opgebracht door de orbi et
orbae (z. a.). Zie ook tribuni aerarii.

Aes militare, soldij. Aere dirutus is degene, wien tot straf soldij
wordt onthouden.

Aes uxorium, belasting op de ongehuwden.

Aesacus, Aisakos, zoon van Priamus en Arisbe. Toen Hecabe droomde dat
zij een brandend stuk hout ter wereld bracht, voorspelde Aes. dat zij
een zoon zou baren, die den ondergang van Troje zou veroorzaken; op
zijn raad werd het kind (Paris), zoodra het geboren was, te vondeling
gelegd. Na den dood zijner echtgenoote Asterope was hij ontroostbaar en
werd hij in een vogel veranderd. V. a. heet zijne moeder Alexirrhoë,
en wordt hij verliefd op Hesperia, de dochter van een riviergod; toen
zij voor hem vluchtte en hij haar vervolgde, werd haar door een adder
een doodelijke wonde toegebracht. Uit smart wierp Aes. zich in zee,
maar werd door Tethys in een duiker veranderd.

Aeschines, Aischines, 1) Athener, een zoon van arme ouders, leefde
zelf ook voortdurend in groote armoede, maar was een ijverig leerling
van Socrates en voorstander van diens leer, die hij in zeven, bijna
geheel verloren gegane, dialogen nader trachtte te ontwikkelen. Na
Socrates' dood leefde hij eenigen tijd aan het hof van Dionysius van
Syracuse, maar na diens val (356) keerde hij naar Athene terug, waar
hij zich bezighield met het geven van onderwijs en het schrijven van
pleitredenen.--2) Athener, geb. omstreeks 390. Zijne ouders Atrometus
en Glaucothea waren menschen van geringen stand en Aesch. werd slechts
met moeite onder de burgers opgenomen. Hij begon zijn loopbaan als
klerk (grammateus) bij Aristophon en Eubulus, trad later zonder bijval
te vinden als tooneelspeler (tritagonist) op, en nam deel aan de
veldslagen bij Mantinea en Tamynae. Spoedig trad hij ook als redenaar
op; door zijn groote welsprekendheid speelde hij sedert dien tijd in de
politiek eene voorname rol als hoofd der vredespartij en tegenstander
van Demosthenes. Toen hij namelijk in 347 met Demosthenes e.a. als
gezant gezonden was om met Philippus over vrede te onderhandelen,
wist deze hem door zijn innemend gedrag voor zich te winnen, en reeds
dadelijk bij het tweede gezantschap, dat Philippus den vrede moest
laten bezweren, was Aesch. door zijn talmen de oorzaak, dat Philippus,
voordat de eeden afgelegd waren, zich verscheiden belangrijke
voordeelen wist te verzekeren. Hierom door Demosthenes en Timarchus
aangeklaagd, bracht hij eerst een tegenaanklacht tegen Timarchus in,
die wegens onzedelijkheid veroordeeld werd en dus onbevoegd werd als
aanklager op te treden, maar Demosthenes nam de aanklacht weder op
en Aeschines' redevoering (peri parapresbeias), schijnt de rechters
niet volkomen van zijn onschuld overtuigd te hebben; toch werd
hij, mede door den invloed van Eubulus, vrijgesproken (343). Later
(339) gaf Aesch. door zijn gedrag als afgezant bij de vergadering
der Amphictyonen (pylagoras) aanleiding tot den tweeden heiligen
oorlog, waarvan een gevolg was dat Philippus tot in het binnenste
van Griekenland kon doordringen en door de overwinning bij Chaeronea
(338) aan Athene de macht kon ontnemen, hem in zijne verdere plannen
tegen te werken. Grievend was het voor Aesch. dat, in weerwil van zijn
tegenstreven, aan Dem. het houden van de lijkrede over de in dien slag
gevallenen werd opgedragen; nog iets ergers was hem vroeger gebeurd,
toen het volk hem als vertegenwoordiger bij een geschil met Delus
verkozen had, maar de Areopagus weigerde die keuze te bekrachtigen,
omdat men aan zijne welgezindheid twijfelde. En toen in 336 zekere
Ctesiphon het voorstel deed, dat Demosthenes wegens zijne verdiensten
met een gouden krans vereerd zou worden, verzette Aesch. zich hiertegen
als tegen een onwettig voorstel. Door omstandigheden bleef de zaak
tot 330 hangende; toen had het geluk der Macedoniërs en daarmee ook
de invloed der macedonische partij te Athene zijn toppunt bereikt,
en achtte Aesch. het oogenblik gekomen om eene beslissing uit te
lokken in dit proces, dat in naam tegen Ctesiphon gericht was, maar
waarvan de uitslag inderdaad een van de twee groote tegenstanders
voor goed uit het openbare leven moest doen wijken. En in weerwil van
de voortreffelijke rede door Aesch. bij deze gelegenheid gehouden,
behaalde Demosthenes, die als verdediger van Ctesiphon optrad, zulk
eene schitterende overwinning, dat Aesch. een langer verblijf te
Athene onmogelijk vond en zich naar Rhodus begaf, waar hij, naar men
zegt, onderwijs in de welsprekendheid gaf en op 75-jarigen leeftijd
stierf. Als redenaar wordt Aesch. door de ouden zeer hoog geschat,
zijne drie redevoeringen werden de Gratiën, zijne negen brieven
de Muzen genoemd. De brieven zijn onecht, de redevoeringen zijn:
1º. kata Timarchou, 2º. peri parapresbeias, 3º. kata Ktesiphontos.--3)
geb. te Neapolis, leefde omstreeks het einde der 2e eeuw als leeraar
der academische wijsbegeerte te Athene.

Aeschrion, Aischrion, van Samus, iambendichter omstreeks 322.

Aeschylus, Aischylos, zoon van Euphorion, de eerste der drie groote
atheensche treurspeldichters. Hij werd geb. 525, behoorde tot een
adellijk geslacht en streed mede bij Marathon, Salamis en Plataeae. In
477 ging hij, waarschijnlijk op uitnoodiging van Hiero, naar Syracuse,
en sedert bracht hij een groot deel van zijn leven op Sicilië door;
hij stierf in 456 te Gela. Men meent, dat hij zich niet ongaarne
buiten Athene ophield, daar hij zich niet kon schikken in de nieuwe
politieke en maatschappelijke toestanden, en zich niet kon vereenigen
met de richting, door de bovendrijvende partij in de latere jaren
van zijn leven ingeslagen; daarop zou dan ook het verhaal doelen,
dat hij eens wegens ontheiliging van de mysteriën zou aangeklaagd
zijn. Hoe dit zij, na zijn dood werd hij als kunstenaar hoog geëerd,
zijn standbeeld werd in den schouwburg geplaatst en zijne stukken
werden ook na zijn dood menigmaal opgevoerd, terwijl de staat, hoewel
waarschijnlijk zonder gevolg, trachtte ze tegen vervalsching te
bewaren. Inderdaad was het treurspel, sedert Aesch. niet veel ouder
dan 25 jaar voor het eerst als dramatisch dichter was opgetreden,
door zijn invloed zoozeer vooruitgegaan, dat men hem niet zonder
reden vader en schepper van die dichtsoort genoemd heeft; in ieder
geval heeft hij haar de eervolle plaats verschaft, die zij sedert in
het openbare leven innam, en den overwegenden invloed, dien zij op
de verstandelijke en aesthetische ontwikkeling der Atheners had. Door
het invoeren van een tweeden tooneelspeler maakte hij een dialoog en
ten minste een begin van handeling mogelijk, weldra trad de dialoog
geheel op den voorgrond, en werden de koorliederen niet slechts in
omvang beperkt, maar ook met de handeling in nauw verband gebracht
en aan den voortgang er van dienstbaar gemaakt. Ook maakte hij
het eerst gebruik van decoraties en machinerieën, terwijl hij door
eigenaardige kleeding, schoeisel en maskers aan zijne tooneelspelers
een indrukwekkend uiterlijk wist te geven. Volgens gewoonte trad hij
in zijne stukken zelf als tooneelspeler op, bovendien oefende hij
(als chorodidaskalos) zijne koren in zang en dans, en leidde hij de
geheele voorbereiding voor de opvoering zijner stukken. Van zijne
werken--meer dan 70 titels worden genoemd--zijn 7 bewaard gebleven;
het zijn chronologisch gerangschikt de volgende: Supplices, Persae
(opgevoerd in 472), Septem adversus Thebas, Prometheus vinctus, en de
trilogie Agamemnon, Choephoroe, Eumenides, waarmede Aeschylus in 458
den eersten prijs won; zij munten uit door ernst en verhevenheid, de
karakters zijn edel en waardig, de taal is daarmede in overeenstemming,
en de toestanden zijn zoo gekozen, dat ieders eigenschappen ten
volle aan den dag komen; de inhoud wijst overal op de onverbiddelijke
heerschappij der goddelijke macht over den mensch.

Aesculapius = Asclepius. Toen in 293 te Rome de pest woedde, en op
bevel der sybillijnsche boeken gezanten naar Epidaurus gezonden waren
om Aesc. van daar te halen, kwam de god in de gedaante van een slang
uit eigen beweging op hun schip, en ging eveneens uit eigen beweging
op het Tibereiland aan land, waar hij sedert een tempel had.

Aesepus, Aisepos, rivier in Mysia, die op den berg Ida ontspringt en
zich bij Cyzicus in de Propontis stort. Hij vormt de oostgrens van
het landschap Troas.

Aesernia, stad in Samnium, dicht bij de bronnen van den Volturnus,
sedert 263 rom. kolonie.

Aeserninus, beroemd zwaardvechter evenals Pacideianus. Vandaar
spreekwoordelijk: Aeserninus cum Pacideiano van twee even groote,
met elkaar wedijverende mannen.

Aesis, rivier en stad op de grenzen van Umbria en Picenum.

Aeson, Aison, zoon van Cretheus en Tyro, vader van Iason. Pelias
beroofde hem van zijn aandeel in de regeering van Iolcus, en doodde hem
later, terwijl Iason op zijn tocht naar Colchis was, of Aes. voorkwam
hem door zich zelf van het leven te berooven. V. a. leefde Aes. nog
bij de terugkomst der Argonauten, en werd hij door de tooverkunsten
van Medea verjongd.

Aesonides, Aisonides, Iason, zoon van Aeson.

Aesopus, Aisopos, grieksch fabeldichter, tijdgenoot van Solon,
een mismaakte dwerg, in Thracië of Phrygië geboren. Hij diende als
slaaf verschillende heeren, doch kreeg later de vrijheid en ging
reizen. Zoo kwam hij o. a. ook bij Croesus, die hem met eene zending
naar Delphi belastte, waar hij wegens godslastering van een rots
geworpen werd. Wegens dezen moord werden de Delphiërs door allerlei
rampen getroffen. De meeste berichten over Aes. komen echter eerst
bij late schrijvers voor en verdienen weinig geloof, zelfs twijfelt
men of hij inderdaad bestaan heeft; zeker zullen de fabels, die zijn
naam dragen (mythoi of logoi Aisopeioi), en die wegens hunne lessen
van praktische levenswijsheid zeer populair waren, niet alle van hem
afkomstig zijn. Deze fabels waren oorspronkelijk in proza geschreven,
maar werden later meermalen in verzen omgezet, o. a. hield Socrates
zich in de gevangenis met zulk een omzetting bezig. Dientengevolge
is het zeer onzeker, hoeveel van den oorspronkelijken vorm nog over
is in de bewerkingen, die wij nu nog er van hebben. De voornaamste
bewerkingen in dichtvorm zijn van Phaedrus (z. a.), Babrius (z. a.) en
Avianus (z. a.).

Aesopus (Claudius), beroemd tooneelspeler ten tijde van Cicero,
die veel van hem leerde wat voordracht betreft. In 55 verloor hij,
bij de inwijding van het theatrum Pompei, onder het spelen op eenmaal
zijn stem. Hij liet een groot vermogen na, dat door zijn zoon spoedig
werd doorgebracht.

Aestii, een aan de Oostzee, van de monden van den Weichsel tot aan de
Finsche Golf wonend volk, de stamvaders der latere Letten en Lithauers.

Aesula, verschrijving voor Aefula (z. a.).

Aesymnetes, Aisymnetes, iemand, die met onbeperkte macht, maar
op wettige wijze, aan het hoofd van den staat gesteld wordt. Dit
geschiedde vooral in tijden van burgertwisten, en het was dan de
taak van den Aes. pogingen te doen om de partijen te verzoenen, de
geschilpunten uit den weg te ruimen, de noodige veranderingen in de
wetten te maken, enz.--In sommige staten werd daarna de naam voor
een van de gewone overheden behouden.

Aethalia, Aithalia, of Ilva, eiland in de tyrrheensche zee, thans
Elba. Het hoorde tot de etruscische stad Populonia, die de rijke
ijzermijnen van het eiland exploiteerde.

Aethalides, Aithalides, zoon van Hermes en Eupolemea, heraut der
Argonauten. Hij had een zeer sterk geheugen, dat hem ook in de
onderwereld bijbleef, zoodat, toen zijne ziel na vele omzwervingen
in het lichaam van Pythagoras terechtkwam, zij zich nog alles wist
te herinneren, wat zij had ondervonden in de verschillende lichamen,
waarin zij gehuisd had.

Aether, Aither, de hoogere lucht, die de hemelruimte en de woning
der goden vult, in tegenstelling van de lagere lucht (aër), die de
aarde omgeeft. De aether werd beschouwd als een der grondstoffen
van het heelal, in de orphische hymnen als de wereldziel, waaruit
alle leven ontstaan is. Bij dichters is Aether de zoon van Erebus
en Nyx of van Chaos en Caligo, en de vader van Aarde, Hemel, Zee,
e. a. Als schenker van den vruchtbaren regen is soms Aether = Zeus.

Aethiopes, Aithiopes, oorspronkelijk alle donkerkleurige menschen,
zoowel in Azië als in Afrika; zij wonen aan het einde der aarde, en
verheugen zich om hun vroomheid in de bizondere gunst der goden, die
hen dikwijls bezoeken om plechtige offers in ontvangst te nemen. Later
onderscheidde men de oostelijke Aeth. met sluike haren (in Gedrosia
e. e.) van de westelijke met krullend haar, die in Aethiopië woonden
en meer in het bijzonder met dien naam aangeduid werden.

Aethiopia, Aithiopia, aan den Nijl. Het lag ten zuiden van Aegypte
en was beroemd door zijne beschaving, die van Aegypte uit zich
dáár verbreidde. In de oudheid wordt op verschillende tijden van
verschillende rijken melding gemaakt. In het noorden lag Napata,
tijdens keizer Augustus het rijk der oorlogzuchtige koningin
Candace. Tusschen de Nijlarmen Astapus en Astaboras had men in
overoude tijden den priesterstaat Meroë, die over talrijke negerstammen
heerschte. Nog meer zuidelijk lag het rijk van Axoma of Auxume (z.a.),
waarschijnlijk ontstaan door de 240,000 krijgslieden, die onder de
regeering van koning Psammetichus of Psamtik uit Aegypte uittogen.

Aethra, Aithre, dochter van Pittheus, gemalin van Aegeus, moeder
van Theseus. Toen Theseus Helena geschaakt had, plaatste hij haar te
Aphidnae onder de hoede van zijne moeder, maar toen Helena door de
Dioscuren teruggehaald werd, namen zij ook Aethra mede. Sedert leefde
zij als slavin van Helena, en zoo kwam zij later met haar te Troje;
na de inneming van deze stad werd zij echter door haar kleinzonen
Acamas en Demophon herkend en naar Attica teruggebracht.

Aëtion, Aetion, beroemd schilder in den tijd van Alexander den Gr.;
onder zijne werken muntte vooral uit de schilderij, voorstellende de
bruiloft van Alexander en Roxane.

Aëtius, rom. veldheer, die in 451 n. C., verbonden met Franken,
Westgothen en Burgundiërs, in de Catalaunische velden (de vlakte van
Châlons-sur-Marne) de Hunnen onder Attila versloeg. Hij werd later
door keizer Valentinianus III uit achterdocht omgebracht (454).

Aetna, Aitne, de bekende vulkaan op Sicilia, waaronder volgens de mythe
de Gigant Typhon of Enceladus bedolven lag en waarbinnen Hephaestus
of Vulcanus met zijne Cyclopen de bliksems voor Jupiter smeedde. In
den Aetna wierp zich de wijsgeer Empedocles (z. a.). Aan den voet van
den berg lag de stad Aetna, door de uit Catana verdreven Syracusanen
en Peloponnesiërs gesticht op de plaats van het vroegere Inessa (461).

Aetolia, Aitolia, landschap in Hellas, met ruwen bodem, rijk
aan bergen en bosschen, met eene half barbaarsche, uit allerlei
bestanddeelen saamgesmolten, roofzuchtige bevolking. Onder de oudste
inwoners worden Cureten, Lelegers, Hyanten genoemd, waarbij zich
Eleërs voegden. Er waren veel wilde dieren. De inwoners spraken een
voor Grieken onverstaanbaar patois, en leefden meestal in dorpen
verspreid. Onder den invloed van corinthische volksplantingen op de
kust verspreidde zich de beschaving, hoewel eerst laat. Na Alexander
den Gr. hebben de Aetoliërs nog eene rol in de geschiedenis gespeeld
(zie Aetolisch verbond). In Aetolia behooren de mythen te huis van
Meleager en het calydonische zwijn, den strijd tusschen Heracles en
den riviergod Achelous, de straf der Echinaden. Men onderscheidde
Oud-Aetolia (ten archaian Ait.), zijnde de grootste westelijke helft,
en ten epikteton Ait., het later bijgevoegde.

Aetolisch verbond. De steden van Aetolië waren tengevolge van
hun afgesloten ligging wel altijd vreemd gebleven aan de grieksche
beschaving, zoodat de inw. zelfs veelal barbaren genoemd werden, maar
hadden zich door dezelfde oorzaak ook altijd van vreemde overheersching
vrijgehouden. Na den dood van Alexander den Gr. sloten zij zich nauwer
hij elkander aan en vormden zij een verbond (to koinon ton Aitolon)
onder leiding van een strateeg en een grammateus, bijgestaan door
een raad van synedroi, of apokletoi, terwijl minstens eenmaal in
het jaar een algemeene vergadering werd gehouden. Hun hoofdstad was
Thermum, Thermon (z. a.). Toen nu Antipater en Craterus tevergeefs
getracht hadden hen voor hunne deelneming aan den lamischen oorlog te
tuchtigen, begon het aet. verbond naar uitbreiding te streven. Dit
gelukte: het maakte zich meester van Locris, Phocis, enz., en zelfs
verscheiden peloponnesische staten behoorden tot het verbond; ook
veroverden zij Delphi (290), wat aanleiding gaf tot den laatsten
oorlog der Amphictyonen. Aanvankelijk met Macedonië verbonden,
verbraken de Aet. dit bondgenootschap weldra en vooral sedert het
achaeisch verbond zich aan Macedonië had aangesloten, hielden zij
de zijde der Lacedaemoniërs. Toen de Romeinen begonnen te trachten
invloed in Griekenland te krijgen, sloten ook zij zich aan bij den
vrede van Naupactus (217 z. Philippus no. 5), doch door Philippus
in hun verwachtingen teleurgesteld, zochten zij later nu en dan
de vriendschap der Romeinen en in den slag bij Cynoscephalae (197)
streden zij met dezen tegen Philippus. Door hen met ondank behandeld,
riepen zij Antiochus d. G. ter bevrijding van Griekenland op, en
na diens nederlaag moesten zij zich onvoorwaardelijk aan den consul
M. Fulvius Nobilior (Fulvii no. 11) overgeven (189). Sedert 146 waren
de aetolische steden een deel der provincie Achaia.

Aetolus, Aitolos, 1) zoon van Endymion en Asterodia of Chromia of
Hyperippe. Hij volgde zijn broeder Epeus in de regeering over Elis
op, maar nadat hij door onvoorzichtigheid Apis gedood had, vluchtte
hij naar de omstreken van den Achelous, die door de Cureten bewoond
werden; sedert dien tijd heet dit land naar hem Aetolië.--2) zoon van
Oxylus en Pieria, die jong stierf, en wien de gymnasiarch te Olympia
jaarlijks een lijkoffer bracht.

Afer (Domitius), uit Nemausus (Nîmes) in Gallia, een zeer beroemd
redenaar ten tijde van Tiberius en Caligula. Hij trad meermalen als
beschuldiger op. Hij behoorde niet tot de rom. gens Domitia.

Afranii. Er zijn verschillende personen van dezen naam bekend. Eene
gens Afrania wordt niet genoemd. 1) L. Afranius, blijspeldichter,
omstreeks 150 geboren, wordt voor den voornaamsten dichter der comoedia
togata gehouden. Er zijn slechts fragmenten van hem overgebleven.--2)
L. Afranius, een man van geringe afkomst, had onder Pompeius in
Spanje en Azië gediend, en werd door diens invloed in 60 tot consul
verkozen. Later was hij Pompeius' legaat in Spanje, en streed aldaar
in den burgeroorlog tegen Caesar. Toen hij genoodzaakt werd, den
strijd in Spanje op te geven, begaf hij zich met zijn medelegaat
Petreius tot Pompeius en woonde den slag bij Pharsalus bij, waar
Pompeius door Caesar werd verslagen. Afranius vluchtte naar Africa,
nam dáár in 46 deel aan den slag bij Thapsus, werd door P. Sittius
(z. Sittii) gevangen genomen en door de soldaten van Caesar gedood.--3)
Sex. Afranius Burrus, meest onder den naam Burrus bekend, was onder
keizer Claudius, sedert 51 n. C. praefectus praetorio, en bewerkte na
diens dood de verheffing van Nero. Met den wijsgeer L. Annaeus Seneca
trachtte hij op Nero steeds een invloed ten goede uit te oefenen,
en weigerde standvastig, aan den moord op Agrippina en Octavia deel
te nemen. Naar men beweerde, heeft Nero hem door vergif uit den weg
geruimd (62 n. C.). De Romeinen betreurden hem zeer.

Africa. Het werelddeel Afrika was bij de ouden bekend als Libya, Libye,
en eerst onder de rom. heerschappij ging de naam van de provincie
Africa (het vroegere gebied van Carthago) op het geheele werelddeel
over, althans voorzoover dit bekend was. Tot in de vijfde eeuw vóór
Chr. werd Afrika niet als een afzonderlijk werelddeel beschouwd,
maar nu eens tot Europa, dan weder tot Azië gerekend. Alleen het
noordelijkste gedeelte was bekend. Hoewel de aegyptische koning Necho
Afrika door phoenicische zeevaarders liet omzeilen, ging de hierdoor
verworven kennis niet op de lateren over; men verbeeldde zich, dat
Afrika naar het zuiden steeds breeder werd, en Claudius Ptolemaeus,
de beroemde geograaf uit den tijd der Antonijnen, laat zelfs de
afrikaansche kust bezuiden den indischen oceaan omloopen en zich,
achter den indischen archipel om, met de kust van China vereenigen,
waardoor de indische zee tot eene groote binnenzee wordt. De
verschillende deelen der noordkust, van het W. naar het O. gaande,
waren, volgens de indeeling van Ptolemaeus, de volgende: Mauretania,
Numidia, Africa, Tripolis, Cyrenaïca, Marmarica, Aegyptus. Het
Nijldal werd dikwijls nog tot Azië gerekend. Bij Herodotus wordt
Afrika verdeeld in Aegyptus, Aethiopia en Libya, welk laatste weder
onderscheiden wordt in het door menschen bevolkte (oikoumene), het
door wilde dieren bewoonde (theriodes), en de woestijn (he psammos).

Africa propria, of alleen Africa, dat na de verwoesting van Carthago
rom. provincie werd (146), omvatte ongeveer het tegenwoordige
Tunis. Het werd verdeeld in twee districten: Zeugitana, de noordelijke,
en Byzacium, de zuidelijke helft. De Rom. trokken er veel koren uit.

Africa nova = de Romeinsche provincie Numidia, zie Ampsaga en Numidia.

Africanus, bijnaam zoowel van P. Cornelius Scipio, die in 202 Hannibal
bij Zama versloeg en Carthago tot den vrede dwong, als van P. Cornelius
Scipio Aemilianus, die in 146 Carthago innam en verwoestte. De eerste
wordt Africanus maior, de andere minor geheeten.

Africus, Lips, de Zuidwestenwind, is meestal stormachtig, zie
Windstreken.

Agamedes, Agamedes, zoon van den orchomenischen koning Erginus. Hij en
zijn broeder Trophonius waren zeer bekwame bouwmeesters, o. a. bouwden
zij voor Hyrieus, koning van Hyria of voor Augias, koning van Elis,
een schatkamer, die zij zoo maakten, dat zij van buiten een steen uit
den muur konden nemen, en dus binnen konden komen zonder de sloten
te verbreken. Toen zij nu eenigen tijd van de daar bewaarde schatten
gestolen hadden, werd Ag. in een strik gevangen en uit vrees voor
ontdekking sneed Trophonius hem het hoofd af en nam het mede. Tot
straf voor dezen moord werd hij in het bosch van Lebadea bij het
graf van Ag. door de aarde verzwolgen. Hier was later het orakel van
Trophonius (z. a.). V. a. waren Ag. en Trophonius de bouwmeesters van
den delphischen tempel; toen zij dit werk voltooid hadden, vroegen zij
Apollo om eene belooning, en de god antwoordde, dat zij zeven dagen in
vroolijkheid moesten doorbrengen en daarna hun loon zouden ontvangen;
op den achtsten dag werden de beide broeders dood gevonden.

Agamemnon, Agamemnon, zoon van Atreus of Plisthenes en Aërope. Toen
Thyestes Atreus vermoord en zich van de regeering over Mycenae meester
gemaakt had, vluchtte Ag. met zijn broeder Menelaus naar Sparta
bij Tyndareos, en huwden zij met de dochters van dezen: Ag. met
Clytaemnestra, Menelaus met Helena. Later verdreef Ag. Thyestes
weder of hij volgde hem na zijn dood op; door veroveringen breidde
hij zijn rijk uit en werd hij de machtigste vorst van Griekenland. In
den trojaanschen oorlog, waarvoor hij 100 schepen leverde, werd hij
tot opperbevelhebber gekozen; in deze hoedanigheid betoonde hij zich
zoowel een goed vorst, als een dapper strijder. Toch hadden zijne
daden dikwijls voor het leger nadeelige gevolgen. Te Aulis doodde hij
door onvoorzichtigheid een hinde van Artemis, waarover deze godin zich
wreekte door windstilte te zenden, waaraan eerst een einde kwam, toen
Ag. haar zijne dochter Iphigenia als offer had aangeboden. Voor Troje
beleedigde hij den priester Chryses, waarvoor Apollo het leger met
pest strafte. Bizonder noodlottig voor de Grieken was zijn twist met
Achilles (z. Briseis). Na de verovering van Troje keerde hij, na lang
op zee rondgezworven te hebben, naar zijn rijk terug, maar Aegisthus,
die gedurende de afwezigheid van Ag. diens vrouw Clytaemnestra tot
overspel verleid had, doodde hem terstond na zijne aankomst bij
een maaltijd, of Clytaemnestra wierp een net over hem, toen hij in
het bad was, waarop Aegisthus hem doodde. Hij werd op verscheiden
plaatsen in Griekenland als halfgod vereerd. De kinderen van Ag. en
Clytaemnestra zijn: Iphianassa (Iphigenia), Chrysothemis, Laodice
(Electra) en Orestes.

Agamemnonides, Agamemnonides, Orestes, zoon van Agamemnon.

Agamiou graphe, aanklacht wegens het niet aangaan van een
huwelijk. Straffen op het niet aangaan van een huwelijk komen,
voorzoover wij na kunnen gaan, alleen voor in Sparta en Creta. Zij,
die na een zekeren leeftijd ongehuwd bleven waren atimoi, waren
uitgesloten van de Gymnopaediae (z. a.) en hadden ook overigens veel
smaad te verduren.

Aganippe, Aganippe, 1) dochter van den riviergod Termessus, nimf
van de bron Aganippe bij Thespiae, die door den hoefslag van Pegasus
ontstaan was, en waarvan het water dichterlijke bezieling gaf.--2)
= Eurydice no. 2.

Aganippides heeten de Muzen, naar de bron Aganippe.

Agasias, Agasias, beeldhouwer uit Ephesus, die op het einde der
2de eeuw te Rome werkte. Een van zijne werken, een zwaardvechter
voorstellend, is nog bewaard gebleven.

Agatharchides, Agatharchides, grieksch geschiedschrijver en geograaf
uit de 2de eeuw. Van zijne historische werken is weinig over: van
zijn werk over de Roode Zee is nog een uittreksel bewaard van het
1ste en 5de boek.

Agatharchus, Agatharchos, van Samus, zoon van Eudemus, leefde te
Athene omstreeks het midden der 5de eeuw. Hij was een zeer gezocht
schilder, hielp Aeschylus bij het inrichten van zijn tooneel, en was
de eerste tooneelschilder. Over tooneelschilderwerk (skenographia)
zou hij een werkje geschreven hebben.

Agathemerus, Agathemeros, grieksch geograaf, die waarschijnlijk in
de 4de eeuw na C. leefde; van zijn werk bestaan nog fragmenten.

Agathocles, Agathokles, 1) zoon van Carcinus, een pottenbakker te
Thermae op Sicilië, waar Ag. in 360 geboren werd. Daar deze stad toen
aan de Carthagers behoorde, en een orakel verkondigd had, dat deze
knaap eens groot onheil over Carthago brengen zou, vluchtte zijn
vader, toen dit orakel bekend geworden was, met hem naar Syracuse,
en werd daar burger. In den krijgsdienst getreden, onderscheidde
Ag. zich reeds vroeg, hij werd de gunsteling van den rijken Damas,
en na diens dood volgde hij hem als veldheer op en trouwde hij met
diens weduwe. De oligarchische partij, die toen aan het roer was,
wantrouwde hem echter en bewerkte zijne verbanning, daarop trad hij
in tarentijnschen dienst, en daar hij alle ontevredenen uit Syracuse
tot zich wist te trekken, was hij weldra sterk genoeg om aan de
oligarchische heerschappij een einde te maken. Reeds toen verdacht
men hem echter van het streven naar de alleenheerschappij, en spoedig
werd hij weder verbannen; toen hij echter eenmaal door geweld verkregen
had dat hij teruggeroepen werd, kreeg hij door zijn verstandig gedrag
in korten tijd de macht om zijne plannen uit te voeren. Hij zocht de
gunst van het leger te verwerven, en daarop steunende, liet hij een
groot aantal oligarchen dooden, een nog grooter aantal verjoeg hij,
en daarop liet hij zich het oppergezag opdragen (317). Door Tarentum
ondersteund, kon hij het hoofd bieden aan de moeilijkheden, waarin
de verbannenen hem wikkelden, en Agrigentum, dat hen hielp, werd
tot vrede gedwongen (313). Twee jaar later geraakte hij in oorlog
met Carthago; hij voerde dien oorlog in het begin niet zonder geluk,
maar in 310 leed hij een groote nederlaag bij de Himera, waarna de
carthaagsche veldheer Hamilcar hem in Syracuse kwam belegeren. In
deze omstandigheden had Ag. nog de vermetelheid den oorlog naar Afrika
over te brengen; met 60 schepen, voornamelijk met huurtroepen bemand,
sloeg hij zich door de vijandelijke vloot heen en landde hij op de
afrikaansche kust. Daarop drong hij met zijne troepen het land in,
en versloeg hij een driemaal sterker leger der Carthagers, zoodat
Hamilcar van Sicilië uit hulp moest zenden; door beleid, wreedheid
en trouweloosheid wist hij zich bondgenooten te verschaffen en zich
te gelegener tijd weder van hen te ontslaan (z. Ophellas), ook een
gevaarlijken opstand in zijn leger onderdrukte hij, en eindelijk
zou hij Carthago zelf aanvallen, toen berichten van de toestanden op
Sicilië hem noopten terug te keeren. Maar de aristocratische partij,
door Agrigentum gesteund, had zich gedurende zijne afwezigheid zoo
versterkt, dat hij toen niets kon uitrichten, daarom keerde hij spoedig
naar Afrika terug, waar zijn zoon intusschen ook groote verliezen
geleden had, en waar hij het leger in den uitersten nood vond. Het
gelukte hem niet het verlorene te herwinnen, en toen het gerucht
zich in het leger verspreidde, dat hij van plan was te vluchten,
werd hij door zijn eigen soldaten gevangen gehouden; weldra werd hij
echter vrijgelaten, en toen vluchtte hij inderdaad naar Sicilië (306),
waarop de verbitterde soldaten zijne zonen vermoordden en grootendeels
tot de Carthagers overliepen. Nu vond Ag. het geraden vrede te sluiten
met de Carthagers; voor een som geld liet hij hen de sicilische steden
behouden, waarop zij aanspraak maakten, en ook met de aristocraten kwam
het tot een verstandhouding. Daarna nam hij den titel van koning der
Siciliërs aan en sedert schijnt hij minder hard geregeerd te hebben;
hij bevestigde zijne macht door oorlogen in Italië, veroverde ook
Corcyra (298) en dacht er altijd over, ook den strijd tegen Carthago
te hernieuwen, maar voordat hij zijne plannen ten uitvoer kon brengen,
stierf hij (289) na een regeering van 28 jaar. Men verhaalde, dat hij
een door zijn kleinzoon vergiftigden tandenstoker gebruikt had, en dat
hij, om zich te bevrijden van de daardoor veroorzaakte ondragelijke
pijnen, zich levend had laten verbranden. Hij was een man van groote
gaven, en een groot veldheer, en hoewel hij, om zijn doel te bereiken,
voor geen wreedheid terugdeinsde, was hij toch bij het volk zeer
geliefd.--2) zoon van Lysimachus, onderscheidde zich in de oorlogen
door zijn vader gevoerd. Door zijne stiefmoeder belasterd, werd hij
op last van zijn vader door Ptolemaeus Ceraunus vermoord (284).

Agathon, Agathon, zoon van Tisamenus, atheensch treurspeldichter,
geb. vóór 436. Hij was een schoon, rijk en fijnbeschaafd man, opgevoed
in de school der sophisten, en bevriend met Plato en Euripides;
een gedeelte van zijn leven (na 407) bracht hij aan het hof van
Archelaus van Macedonië door. Van zijne werken bestaan nog slechts
eenige fragmenten.

Agathyrna of Agathyrnum, Agathyrna of -non, stad op de noordkust van
Sicilia, tusschen Tyndaris en Calacte.

Agathyrsi, Agathyrsoi, vreedzaam en rijk sarmatisch volk aan de rivier
Maris, afstammelingen van Agathyrsus, zoon van Heracles. Het is een
thracisch volk, dat in den Romeinschen tijd onder den naam Dakoi,
Daci optreedt, z. Dacia. Zij plachten zich te tatoueeren (picti).

Agave, Agaue, dochter van Cadmus, moeder van Pentheus.

Agbatana, ta Agbatana = Ecbatana.

Agdistis, Angdistis, een te gelijk mannelijk en vrouwelijk monster, uit
Zeus gesproten. Later werden de twee helften van elkander gescheiden,
en ontstond uit het mannelijk gedeelte een amandel- of granaatboom,
die door een wonder de vader werd van Atys. De vrouwelijke helft
werd Cybele.

Agedincum, thans Sens, ten Z.O. van Parijs, hoofdstad der Senones.

Ageladas, Ageladas, naam van twee beeldhouwers uit Argos; de eerste
leefde omstreeks het einde der 6de, de andere omstreeks het midden
der 5de eeuw.

Agele, in dorische staten, vooral op Creta, vereenigingen, waarvan
jongelingen boven 17 jaar tot hun huwelijk leden waren. De leden
(agelastoi of agelatai) woonden bij dag, en gewoonlijk ook bij nacht,
in een gemeenschappelijk gebouw, en hielden met elkander spelen,
oefeningen, jachtpartijen, enz. Bij hun intreden in de ag. legden
zij den eed af, dat zij de staatsregeling trouw zouden verdedigen;
zij stonden onder de leiding van den vader van den oprichter der ag.,
gewoonlijk een aanzienlijk man.

Agema, Agema, koninklijke lijfwacht, keurbende der macedonische
ruiterij, gevormd uit jongelieden van voorname familiën, die als
pages (paides basilikoi) aan het hof opgevoed waren. Een ander agema
(pezikon, basilikon) z. hypaspistes.

Agennum = Aginnum.

Agenor, Agenor, 1) zoon van Poseidon en Libye, vader van Cadmus en
Europa, stamvader der Phoeniciërs en dus ook der Carthagers.--2)
zoon van Antenor en Theano, een van de dapperste trojaansche helden,
door Neoptolemus gedood.

Agenorides, Agenorides, zoon of afstammeling van Agenor, bijv. Cadmus,
Perseus, e.a.

Agentes in rebus, in de 4de eeuw n. C. een corps bereden boodschappers
van den keizer, staande onder den magister officiorum. Ze moesten
de bevelen des keizers naar de provincies overbrengen, hadden het
toezicht over de postdienst, en waren berucht als spionnen van de
keizerlijke regeering en om hun afpersingen.

Ager publicus. Wanneer de Romeinen eene landstreek onderworpen hadden,
werd gewoonlijk een gedeelte, meestal een derde, van den veroverden
bodem door den rom. staat in beslag genomen en tot staatsdomein,
ager publicus, gemaakt. Met dezen grond werd zeer verschillend
gehandeld. Een gedeelte werd door de quaestoren ten bate der schatkist
verkocht, ager quaestorius. Andere stukken werden aan rom. burgers
weggeschonken, soms in persoonlijken eigendom (ager assignatus of
ager viritanus), soms in gemeenschap, b.v. aan eene kolonie (ager
colonicus). Weder andere gedeelten, met name weiland, ager compascuus,
werden tegen eene jaarlijksche vaste pacht, aan de oude bewoners
in gebruik afgestaan of tegen een bepaald weidegeld (scriptura) aan
publicani verpacht (ager scripturarius). Doch het belangrijkste deel
werd afgestaan aan rom. burgers, tegen eene erfpacht. In den beginne
waren het alleen patriciërs, die perceelen van het staatsdomein
in bezit konden nemen, en later alleen de meervermogenden, daar de
perceelen te groot waren en te veel bedrijfskapitaal vereischten, om
door den kleinen man te kunnen worden aanvaard. Zulke gronden werden
agri occupatorii of arcifinales geheeten. Het bezit er van was geen
dominium, maar slechts possessio. In naam werden zij uitgegeven tot
wederopzeggens toe; doch daar de staat van zijn recht van opzegging
geen gebruik maakte, werd de possessio langzamerhand als eene soort
van eigendom beschouwd, vooral wanneer zij eenige malen door erfenis
in andere handen was overgegaan. In overeenstemming met dit begrip
was op deze gronden veel ontgonnen en verbeterd, en wanneer nu door
enkele wetten het bezit van groote perceelen er van verboden en de
teruggave gelast werd van hetgeen men te veel bezat, ten einde den
minderen man te gemoet te komen, dan lag in die plotselinge opzegging
eene hardheid. Vandaar de tegenstand, dien zulke leges agrariae
vonden. Zie verder agrariae leges.

Ager Gallicus, het land, dat de Senonische Galliërs (zie Senones) in
Umbrië bezeten hadden, en dat na hun vernietiging met Rom. kolonies
bevolkt werd.

Agesander, Agesandros, rhodisch beeldhouwer uit de 2de helft der 1ste
eeuw, die medewerkte aan de beroemde Laocoöngroep.

Agesilaus, Agesilaos, naam van eenige spartaansche koningen. Beroemd
is: 1) de zoon van Archidamus II, geb. 444, die na den dood van Agis
I, daar diens zoon Leotychides als onecht beschouwd werd, tot koning
verheven werd (398). Op het gerucht van krijgstoerustingen van den
kant der Perzen, ging hij met een leger naar Azië (396). De satraap
Tissaphernes, die nog niet voor den oorlog gereed was, stelde een
wapenstilstand van drie maanden voor, Ag. nam dit voorstel aan,
en maakte zich dien tijd ten nutte om de verwarde toestanden in de
aziatische steden te regelen, waarbij hij zich door zijn innemend,
vastberaden en vooral streng eerlijk gedrag algemeen bemind maakte;
zoowel toen als later gaf hij aan zijne soldaten een uitstekend
voorbeeld van gehardheid tegen de ongemakken van het soldatenleven,
wat te meer indruk maakte, daar hij klein van gestalte en mank
was. Toen nu Tissaphernes, wien het slechts te doen was geweest om
tijd te winnen, den wapenstilstand brak, trad Ag. aanvallend op,
en versloeg hem na eenige kleinere gevechten in een grooten slag bij
den Pactolus (395). Terwijl nu Ag. in Azië overwinnend verder trok,
stelde Tithraustes, de opvolger van Tissaphernes, (v. a. Pharnabazus
(z. Tithraustes)), de vele vijanden der Spartanen in Griekenland
door aanzienlijke geldzendingen in staat den oorlog tegen hen
te beginnen. Athene, Thebe, Corinthe en Argos vereenigden zich,
en na den slag bij Haliartus zag men zich te Sparta genoodzaakt
Ag. terug te roepen. Terstond na zijne terugkomst in Griekenland won
hij den slag bij Coronea (394). Met roem streed hij in den hierop
volgenden corinthischen oorlog, maar toen deze in 387 met den vrede
van Antalcidas geëindigd was, en door dien vrede de vrijheid der
aziatische Grieken was opgeofferd, bepaalde zich zijne werkzaamheid
tot het behartigen van de belangen zijner vaderstad. Met gestrengheid
handhaafde hij tegenover anderen de bepaling van den vrede, dat iedere
staat autonoom moest zijn; daarentegen vond de partij, die kort daarna
door de bezetting van de Cadmea meende Thebe aan Sparta te onderwerpen,
in hem een steun. Zoo duidelijk toonde hij altijd zijn vijandige
gezindheid tegen Thebe, dat hij, toen in 378 de oorlog tusschen beide
staten uitbrak, niet terstond het opperbevel op zich wilde nemen,
uit vrees dat men hem als de aanleiding van den geheelen oorlog zou
beschouwen. Later echter, toen de loop van zaken Sparta niet gunstig
was, liet hij zich overreden weder handelend op te treden, en ofschoon
hij in het veld niet gelukkig was, had men toch aan zijne verstandige
maatregelen te danken, dat de Thebanen tweemaal (369, 362) na een inval
in Lacedaemon onverrichter zake moesten terugtrekken. Aan den slag
bij Mantinea (362) nam hij geen deel en de vrede, die daarop volgde,
werd zeer tegen zijn zin gesloten. Ontevreden over den toestand, waarin
Sparta door al deze gebeurtenissen gebracht was, ging hij nog in het
volgende jaar, in weerwil van zijn hoogen leeftijd, naar Aegypte,
om Tachos en na dezen Nectanabis tegen Artaxerxes te helpen. Met
rijke geschenken beladen verliet hij Aegypte, maar voordat hij Sparta
bereikte, overleed hij, 84 jaar oud (360).--2) z. Agis no. 4.

Agesipolis, Agesipolis, 1) Ag. I, zoon van Pausanias II, werd na de
vlucht van zijn vader koning van Sparta (395). In 388 of 387 deed
hij een inval in Argolis, in 385 werd hem opgedragen Mantinea te
kastijden, en door het afdammen van de rivier Ophis, die door de
stad stroomde, dwong hij de inwoners tot overgave. Nadat Teleutias
bij het beleg van Olynthus gesneuveld was, werd Ag. gezonden om de
stad tot onderwerping te dwingen, maar kort na zijne aankomst stierf
hij (380).--2) Ag. II, kleinzoon van den vorigen, koning van Sparta
(371-370).--3) Ag. III, volgde zijn oom Cleomenes III als koning van
Sparta op, maar werd door zijn ambtgenoot Lycurgus van de regeering
ontzet (219). In 195 was hij het hoofd der Spartaansche ballingen,
die in den oorlog der Romeinen en Achaeërs tegen Nabis op terugkeer
in het vaderland hoopten, hetgeen echter niet gelukte. In 183 werd
hij op reis naar Rome door zeeroovers vermoord.

Agger, Choma, is de naam van elke door menschenhanden opgeworpen
hoogte, hetzij deze tot dam, wal of iets anders dient. In het bijzonder
is de agger een oploopende dam tegen den muur eener belegerde stad,
met het doel om daarop belegeringstorens (turres ambulatoriae) en
geschut (ballistae, catapultae, enz.) te plaatsen. Ten einde het werk
te bespoedigen, werd tot het opwerpen van zulk een agger niet enkel
aarde, maar veel hout en takkenbossen gebezigd, zoodat de belegerden
er soms in slaagden, het werk door brand te vernielen. Binnen in den
agger kon men, zoo noodig, gangen uitsparen en trappen aanbrengen.

Aginnum, thans Agen, voornaamste stad der Nitiobriges, aan de Garumna
of Garonne.

Agis, Agis, 1) zoon van Eurysthenes, stamvader van het spartaansche
koningshuis der Agiden (Agidai, Agiadai).--2) Ag. I, zoon van
Archidamus II, koning van Sparta (427-401), deed in het begin van
den peloponnesischen oorlog eenige malen een inval in Attica. In den
oorlog tegen Argos had hij eens, naar men meende, eene zeer voordeelige
positie ingenomen, toen hij zich tot een wapenstilstand liet overreden;
hierdoor haalde hij zich het misnoegen zijner medeburgers op den
hals, maar in het volgende jaar (418) maakte hij de begane fout
weder goed door de schitterende overwinning bij Mantinea. Gedurende
het laatste gedeelte van den peloponnesischen oorlog (sedert 413)
hield hij Decelea bezet tot groot nadeel van Athene, en toen Lysander
Athene belegerde, vereenigde Ag. zich met hem. In 402 ondernam hij
een veldtocht tegen Elis, dat zich in het volgend jaar, toen Agis
wederom tegen Elis op wilde trekken onderwierp. Kort daarop stierf
hij. Hij was een van de beste koningen van Sparta.--3) Ag. II,
zoon van Archidamus III, werd in 338 koning van Sparta. Gedurende
Alexanders tochten in Azië vatte hij het plan op de Macedoniërs uit
de Peloponnesus te verdrijven; hij zocht daartoe steun bij eenige
perzische satrapen, die hem ook met geld en schepen hielpen. Met een
leger van 8000 huurlingen maakte hij zich eerst van Creta meester,
daarna viel hij in de Peloponnesus en bemachtigde hij een groot
deel daarvan. Eindelijk kwam Antipater, stadhouder van Macedonië,
met een leger opdagen; bij Megalopolis, voor welke stad Ag. het beleg
geslagen had, werd een bloedige slag geleverd, waarin de Macedoniërs
overwonnen en Ag. na eene heldhaftige verdediging sneuvelde (331).--4)
Ag. III volgde in 245 zijn vader Eudamidas als koning van Sparta op,
en wijdde zich terstond aan het wegnemen der misbruiken, die te Sparta
in den loop der tijden in staat en maatschappij waren ingeslopen. Het
aantal burgers was tot 700 verminderd, die alle grondbezit in handen
hadden; uit hen werden de ephoren gekozen, zoodat de staatsregeling
geheel oligarchisch geworden was; bovendien waren de oude wetten en
instellingen grootendeels vergeten. Door eenige weinige aanzienlijke
mannen en vrouwen gesteund, trachtte Ag. met jeugdig vuur en groote
zelfopoffering aan dien toestand een einde te maken; nadat eenige
zijner aanhangers ephoren geworden waren, deed hij het voorstel het
aantal burgers tot 4500 te vermeerderen en het land onder die burgers
en 15000 perioeken te verdeelen, tevens zouden alle schuldbrieven
vernietigd en de wetten van Lycurgus hersteld worden. Hijzelf bood
om te beginnen zijn aanzienlijk vermogen ter verdeeling aan. Maar
de tegenstand van zijn ambtgenoot Leonidas en de onwil van den raad
deden het plan mislukken, en het onverstandig gedrag van zijn oom
Agesilaus, die bekend stond als de eerste zijner partijgenooten, nam
het volk zoozeer tegen hem in, dat de ephoren hem, toen hij van een
ongelukkigen veldtocht tegen de Aetoliërs terugkeerde, ter dood konden
veroordeelen, 240. Met hem werden ook zijne moeder en grootmoeder ter
dood gebracht, die met geestdrift aan de beweging hadden deelgenomen.

Aglaïa, Aglaïa, 1) eene van de drie Chariten.--2) dochter van
Mantineus, moeder van Acrisius en Proetus.

Aglaophon, Aglaophon, 1) beroemd schilder, vader van Polygnotus.--2)
kleinzoon van den vorigen, eveneens schilder van naam.

Aglaurus, Aglauros = Agraulus.

Agmen is de naam van het leger in marschorde. De voorhoede wordt
primum agmen, de achterhoede novissimum agmen genoemd. Agmen quadratum
is eene marschorde, waarbij het leger zoo opgesteld was, dat het
bij een aanval onmiddellijk front tegen den vijand maken kon, met
den legertros, impedimenta, in het midden, òf wel de verschillende
legerafdeelingen, elke met haren tros, zoo opgesteld waren.

Agnati en cognati. Terwijl cognatio de natuurlijke bloedverwantschap
is, beteekent agnatio de verwantschap, voor zoover zij in het
romeinsche burgerlijk recht geldig is, en omvat de door mannen verwekte
of geadopteerde leden der familie. Iemands agnati zijn degenen, met
wie hij onder dezelfde patria potestas staat, dus moeders, broeders,
zusters en in sommige gevallen nog neven en nichten. Treedt hij
echter vóór 's vaders dood uit de patria potestas uit, dan gaat
het agnaatschap verloren, terwijl de geadopteerde de leden zijner
adoptieffamilie tot agnaten krijgt. Daar bij het ontbreken van nadere
erfgenamen de agnaten tot de erfenis konden geroepen worden, is het
agnaatschap in het romeinsch recht een belangrijk punt. Agnati zijn ook
de later geboren kinderen, d. w. z. die kinderen, die geboren worden na
den dood des vaders, of nadat hij reeds zijn testament gemaakt heeft.

Agnomen, zie nomen.

Agones, wedstrijden. Het houden van wedstrijden op elk denkbaar gebied
is voor de Grieken een levensbehoefte; het is één van de meest in
het oog vallende karaktertrekken van het Grieksche volk. De raad,
dien Hippolochus zijn zoon Glaucus, en Peleus zijn zoon Achilles
medegeeft, als ze ten oorlog trekken: aien aristeuein kai hypeirochon
emmenai allon was elken Griek naar het hart gesproken. Zelfs de oorlog
wordt door hen als een wedstrijd beschouwd, en de voordeelen van de
overwinning zijn dan de altha, de kampprijzen. Wanneer Xenophon in
de Anabasis de officieren van Proxenus aanvuurt, om den ongelijken
strijd tegen de Perzen vol te houden, zegt hij, na al de rijkdommen
en de overvloedige levensmiddelen in Perzië te hebben opgesomd: Al
dat goede ligt nu als kampprijzen ten toon gesteld voor wie van ons
beiden (Grieken en Perzen) het dapperst zich gedragen, en kamprechters
zijn de Goden (agonothetai d' hoi theoi eisin). Bij alle feestelijke
aangelegenheden worden wedstrijden georganiseerd, maar als oudsten vorm
vindt men ze als spelen ter eere van een afgestorvene; de bekendste
zijn die ter eere van Patroclus, door Achilles gehouden. Overigens
vindt men ze overal in de mythologie vermeld, waarbij het soms ruw
toeging. Ook in Etrurië, dat sterk onder Griekschen invloed staat,
vindt men deze lijkfeesten, z. ook gladiatores.

Verder vormen de spelen een hoofdbestanddeel der Grieksche
godsdienstige feesten. De oude schrijvers onderscheiden hierbij:
ag. gymnikoi, hippikoi en mousikoi. De vier groote nationale feesten
zijn die te Olympia (z. a.), Delphi (z. Pythia), Corinthe (z. Isthmia),
en Nemea (z. a.), waarbij dan in den Romeinschen tijd nog de Actia
(z. a.) komen. Zie verder Ludi.

Agonium of Agonale. Er zijn vier dagen in den kalender, die dezen
naam dragen: 9 Januari, 17 Maart, 21 Mei en 11 December. De beteekenis
van het woord is onbekend.

Agora, markt, oorspronkelijk de plaats, waar volksvergaderingen
gehouden werden, verder het middelpunt van het openbare leven en
vooral van het handelsverkeer, lag in zeesteden meestal aan het
strand, in andere steden aan den voet van de acropolis. Markten,
die in lateren tijd aangelegd waren, waren gewoonlijk vierkant, door
zuilengangen omgeven, en met tempels, standbeelden e. dgl. versierd.

Agoracritus, Agorakritos, beeldhouwer van Parus, leerling van
Phidias. Onder zijne werken was vooral beroemd een kolossaal beeld
van Nemesis, te Rhamnus geplaatst en, naar men zeide, gehouwen uit
een blok marmer, dat de Perzen naar Marathon hadden meegebracht,
om een zegeteeken er van op te richten.

Agoranomoi, tien beambten te Athene, van welke vijf in de stad en
vijf in den Piraeüs met de marktpolitie belast waren; zij hielden het
toezicht op de te koop geboden goederen en op maten en gewichten,
ontvingen de marktgelden, enz. Voor kleinere overtredingen konden
zij boeten opleggen. Ook de rom. aediles worden door gr. schrijvers
ag. genoemd.

Agraphiou graphe, aanklacht tegen iemand, die den staat geld schuldig
is en, zonder zijne schuld betaald te hebben, zich van de lijst der
staatsschuldenaars heeft laten schrappen. De aanklacht werd bij de
thesmotheten ingediend, de straf is onbekend.

Agrariae (leges). Deze wetten kunnen in twee rubrieken verdeeld
worden; 1º. de talrijke wetten betreffende het uitvoeren van coloniae,
aan wier bevolking dan in den omtrek hunner nieuwe woonplaats de
noodige akkergrond ter bebouwing werd aangewezen, 2º. de eigenlijke
akkerwetten, om het genot van den ager publicus (zie aldaar) meer
algemeen te maken. De voornaamste dezer wetten volgen hier. De
uitvoering evenwel werd vaak verijdeld, nu eens door geweld en moord,
dan weder door de zaak op de lange baan te schuiven.

Lex Cassia agraria, in 486 voorgesteld door Sp. Cassius Viscellinus,
die toen ten derden male consul was. Zij beoogde de toewijzing van
staatsgrond aan de plebejers; doch Sp. Cassius werd in het volgende
jaar beschuldigd van perduellio, en ter dood gebracht. Het bericht
omtrent dit wetsvoorstel is onhistorisch, zie Cassii no. 1. Slechts
staat vast, dat Cassius wegens perduellio veroordeeld is.

Lex Licinia Sextia agraria, 367, van de volkstribunen C. Licinius
Stolo en L. Sextius, dat niemand meer dan 500 iugera staatsdomein
in erfpacht mocht bezitten (één iugerum = omstreeks 1/4 hectare),
of meer dan 100 stuks groot vee of 500 stuks klein vee op de gemeene
weide mocht hebben; de grondbezitters zouden verder een aantal vrije
daglooners in dienst moeten hebben, geëvenredigd aan het aantal
hunner slaven. Deze wet, die slechts korten tijd toegepast is, is
niet van Licinius en Sextius, maar dateert uit de 2de eeuw; ze wordt
vermeld in het jaar 167, en is waarschijnlijk uit het jaar 196, toen
C. Licinius Lucullus (Licinii no. 21) tribunus plebis was.--Sommige
geleerden meenen, dat de wet wel uit 367 dateert; in dat geval moet
men aannemen, dat de wet in het begin van de 2de eeuw hernieuwd is.

Lex Flaminia de agro Gallico viritim dividendo, strekkende om grond
in Picenum en Cisalpina onder het volk te verdeelen, in 232 door den
volkstribuun C. Flaminius voorgesteld en in 228 tot uitvoering gekomen.

Lex Sempronia agraria van den volkstribuun Ti. Gracchus van 133,
tot uitvoering der lex Licinia Sextia, met deze verzachting evenwel,
dat men voor een zoon in potestate patris nog 250, en voor een
tweeden evenzoo nog 250 iugera zou mogen bezitten. Bovendien werd
voor verbeteringen en voor gebouwen, op de ingetrokken landerijen
aangebracht, aan de vroegere possessores een schadeloosstelling
toegestaan. Een commissie van drie elk jaar opnieuw te kiezen leden
(IIIviri agris iudicandis adsignandis) zou uitmaken, wat ager publicus
en wat particulier eigendom was (ut triumviri iudicarent, qua publicus
ager, qua privatus esset), en tevens de vrijgevallen gronden in
stukken van 30 iugera tegen een kleine erfpacht toedeelen aan arme
burgers, met de bepaling, dat de toegedeelde stukken onvervreemdbaar
waren. Voor de eerste maal (in 133) werden gekozen: Tib. Gracchus,
die spoedig vermoord werd, zijn broer C. Gracchus, en zijn schoonvader
Appius Claudius Pulcher (zie Claudii no. 12). De wet werd werkelijk
uitgevoerd, en werkte heilzaam. In 131 wilden de toenmalige IIIviri
M. Fulvius Flaccus (zie Fulvii no. 7) en C. Papirius Carbo ook den
ager publicus, die in handen der socii was, aan de bepalingen der wet
onderwerpen (waarschijnlijk omdat het andere land reeds opraakte),
hetgeen onaangenaamheden met de socii tot gevolg had. In 129 werd de
rechtspraak (zie hierboven) van de IIIviri overgebracht op de consuls,
waardoor de wet feitelijk buiten werking werd gesteld.

Lex Sempronia agraria van C. Gracchus, volkstribuun in 123, een
hernieuwing van de wet van zijn broer, waarbij de iurisdictio aan de
commissie teruggegeven werd. Deze wet is meer voor den vorm ingediend
en aangenomen, daar feitelijk alle ager occupatorius reeds verdeeld
was. Daarnevens liet C. Gracchus een nieuwe wet op den ager publicus
aannemen, waarbij het staatsland in Italië, dat tot nu toe verpacht
werd (zie ager publicus), bestemd werd tot het stichten van koloniën
(ager colonicus), en wel te Capua en te Tarentum; verder bracht hij
6000 Italianen over naar Carthago, die daar eene colonia civium
Romanorum, colonia Junonia geheeten, zouden vormen. Het verschil
tusschen de boeren, volgens de akkerwet van Tiberius Gracchus op
staatsland geplaatst, en deze kolonisten bestaat daarin, dat de eersten
afzonderlijk stonden (men spreekt dan van assignationes viritanae),
de tweeden daarentegen te zamen een gemeente vormden (zie colonia
no. 2). Na Gracchus' dood werden Carthago en Capua weder opgeheven;
het eigen gemeentebestuur verviel dus, maar de boeren mochten op hun
land blijven; Tarente werd bij de oude Grieksche gemeente ingedeeld.

Rogationes Liviae agrariae van den volkstribuun M. Livius Drusus 122
v. C. ingediend om de macht van C. Gracchus te breken:

1º een wetsvoorstel, waarbij aan de eigenaars van agri assignati
(zie lex Sempronia agraria) de erfpacht werd kwijtgescholden,
en de bepaling, dat de toegedeelde stukken onvervreemdbaar waren,
werd opgeheven.

2º een wetsvoorstel tot het stichten van 12 coloniae in Italië.

Het tweede wetsvoorstel is òf niet aangenomen òf ingetrokken; van
het eerste is de tweede bepaling al spoedig wet geworden, de eerste
eerst bij de

Lex Thoria agraria van 118 of 114 doorgevoerd, terwijl tegelijkertijd
verdere assignatio van ager publicus verboden werd.

Nu volgde eene

Lex agraria van 111, waarbij zoowel de ager assignatus als de ager
occupatus tot privaateigendom werd verklaard, zoodat de vroegere
possessores nu niets meer te vreezen hadden.

Lex Appuleia agraria van 103 en

Lex Appuleia agraria van 100, van den volkstribuun L. Appuleius
Saturninus. Van de eerste wet is niets bekend; de tweede bepaalde, dat
het land, dat in Gallia Cisalpina door de Cimbern in bezit genomen,
maar hun door den slag bij Vercellae weer ontnomen was, aan arme
burgers, vooral aan de veteranen van Marius, en aan arme italiaansche
bondgenooten zou uitgedeeld worden. De wet is aangenomen, maar na
den dood van Appuleius ongeldig verklaard. Misschien is echter de
stichting van Eporedia, in het land der Salassers in 100, een gevolg
van deze wet. Zie ook Appuleiae (leges) no. 2.

Lex Titia agraria van 99, van den volkstribuun Sex. Titius, een
hernieuwing van de wet van Appuleius. Deze wet had geen gevolg;
misschien werd ze niet eens aangenomen.

Leges Liviae agraria et de coloniis deducendis van 91, van den
volkstribuun M. Livius Drusus. Het land, dat men voor de kolonies in
Italië noodig had, zouden de socii moeten afstaan, die als vergoeding
het burgerrecht zouden krijgen. Na Livius' dood werden zijn wetten
door den senaat ongeldig verklaard.

Leges Corneliae agrariae van 81, van den dictator L. Cornelius
Sulla, waarbij aan de inwoners van een aantal democratisch gezinde
municipia hun land ontnomen werd, en aan de soldaten van Sulla werd
toegewezen. De tengevolge van deze wetten gestichte kolonies worden
gewoonlijk militaire kolonies genoemd.

Rogatio Servilia agraria van 63, van den volkstribuun P. Servilius
Rullus, tot aankoop van grond, om dien onder de arme burgers te
verdeelen. Waarschijnlijk wilde men vooral de veteranen van Pompeius,
die weldra terug verwacht werd, met land voorzien. Vooral de ager
Campanus, tot nu toe gespaard, was hiervoor aangewezen. Cicero, die
consul was, maakte in drie redevoeringen (de lege agraria contra
P. Servilium Rullum) het wetsvoorstel zoozeer af, dat het niet in
behandeling kwam, en door den voorsteller werd ingetrokken. Vooral
viel Cicero het voorstel aan om het beginsel, dat een commissie van
10 mannen voor vijf jaar met uitgebreide volmacht tot uitvoering
der wet zou gekozen worden, decem reges.... orbis terrarum domini,
zooals Cicero zich uitdrukt.

Lex Plautia of Plotia agraria, van onbekenden datum, van dezelfde
strekking als de volgende.

Lex Flavia agraria van 60, van den volkstribuun L. Flavius, een
herhaling in zachteren vorm van de lex Servilia van 63. L. Flavius
stelde de wet voor in opdracht van Pompeius; de bedoeling was, de
soldaten van Pompeius aan land te helpen. De wet werd niet aangenomen.

Lex Julia agraria van 59, ook lex Campana geheeten, van den
consul C. Julius Caesar, tot verdeeling van den Campus Stellas of
Stellatis bij Cales, en van het gebied van Capua (den ager Campanus)
onder arme burgers, die minstens drie kinderen hadden. Verder werd
bepaald, dat ook elders in Italië de nog aanwezige ager publicus zou
gebruikt worden, en men uit de staatskas land ter verdeeling moest
aankoopen. Deze wet werd door Caesar doorgedreven, en tengevolge
daarvan verhuisden 20.000 arme romeinsche burgers naar den ager
Campanus. Capua werd nu wederom een municipium.

Lex Antonia agraria van 44 van M. Antonius, waarvan de inhoud
niet juist bekend is, maar die ten doel schijnt gehad te hebben,
in Italia een aantal landbouwkolonies te stichten ten behoeve van
arme burgers. Deze wet werd in het volgend jaar weer opgeheven.

Dit is de laatste eigenlijke lex agraria, want de volgende hebben
uitsluitend betrekking op militaire koloniën, waarbij het land van
gezeten burgers aan oudgedienden werd gegeven.

Agraulus, Aglaurus, Agraulos, Aglauros, 1) dochter van Actaeus,
gemalin van Cecrops.--2) dochter van Cecrops, stortte zich, om Athene
te bevrijden van een langdurigen oorlog, waardoor het geteisterd
werd, vrijwillig van de acropolis, daar een orakel voorspeld had,
dat zulk een offer een einde aan den oorlog zoude maken. V. a. was
Hermes verliefd op hare zuster Herse, en toen Agr. hem eens uit
jaloerschheid wilde beletten Herse te bezoeken, veranderde hij
haar in een steen. V. a. had Athena aan haar en hare zusters een
kistje toevertrouwd, waarin de jonge Erichthonius bewaard was; uit
nieuwsgierigheid opende Agr. met Herse het kistje, maar nauwelijks
was dit geschied, of beide zusters werden waanzinnig, en wierpen
zich van de acropolis in de diepte. Agr. werd als een goddelijk
wezen vereerd. Men bracht haar zoenoffers, en in haar tempel deden
de achttienjarige Atheners bij het ontvangen hunner wapenen den eed
van trouw aan het vaderland. Haar dienst hangt nauw samen met dien
van Athena zelve, die ook den bijnaam Agr. heeft.

Agri decumates. Onder dezen naam verstaat men de streek land, begrepen
tusschen den Rijn, den Main en den Neckar, die door keizer Domitianus
bij het rijk werd gevoegd, en aan gallische boeren tegen betaling van
tienden ter bewoning werd overgelaten. Later komt dit gebied binnen
den germaansch-raetischen limes (z. a.) te liggen.

Agrianes, Agrianes, thracisch volk aan den Strymon. In het leger
van Alexander d. G. bewezen zij als lichtgewapenden of boogschutters
voortreffelijke diensten.

Agricola (Cn. Iulius), te Forum Iulii (Fréjus) in 40 na C. geboren,
was de zoon van Julius Graecinus, die op last van Caligula werd ter
dood gebracht, en Julia Procilla. Onder de leiding zijner verstandige
moeder genoot hij in Massilia eene zorgvuldige en wetenschappelijke
opleiding. In 59 ging hij als jong soldaat onder Suetonius Paullinus
naar Britannia, keerde in 61 naar Rome terug, waar hij met eene dame
van aanzien huwde, werd in 63 quaestor in Asia, later (74-76) legaat
in Aquitania, consul suffectus (77) en ten slotte in 77 stadhouder
van Britannia. Daar streed hij met goed gevolg tegen de Caledoniërs,
en veroverde Schotland tot aan de Tava (Tay). Door keizer Domitianus
uit argwaan teruggeroepen, leefde hij van 85 tot aan zijn dood in
93 in stille afzondering. Volgens sommiger meening zou hij op last
van den keizer vergiftigd zijn. Zijne wapenfeiten en voortreffelijke
eigenschappen zijn door zijn schoonzoon, den geschiedschrijver Tacitus,
in eene meesterlijke beschrijving vereeuwigd.

Agrigentum, Akragas, thans Girgenti, een der belangrijkste en fraaiste
steden van Sicilia, met Syracusae de oogen des lands genoemd,
werd door Doriërs uit Gela omstreeks 582 gesticht, in 405 door de
Carthagers verwoest, doch later (338) door Timoleon herbouwd. De
wijsgeer Empedocles was hier geboren. Te Agrigentum heerschte omstreeks
500 de tyran Phalaris, en omstreeks 480 de om zijne rechtvaardigheid
beroemde Theron. Het nieuwe Agrigentum heeft nimmer het oude in luister
geëvenaard. In 261 viel de stad in handen der Romeinen en moest met
hen een bondgenootschap aangaan. In 255 werd het weer ingenomen en
geplunderd door de Carthagers onder Carthalo. Na den val van Syracusae
in 212 werd Agr. in 210 veroverd en de burgers als slaven verkocht;
in 207 werd de stad opnieuw van kolonisten uit andere steden voorzien.

Agrionia, Agrionia, feest ter eere van Dionysus Agrionius, dat ieder
jaar des winters te Thebe, Argos en vooral te Orchomenus in Boeotië
gevierd werd, en zich door groote woestheid kenmerkte. In de oudste
tijden moest de priester van den god een maagd uit het geslacht
van koning Minyas naloopen en, als hij haar inhaalde, haar dooden;
in lateren tijd vermeed men dit.

Agrippa (Herodes), zie Herodes.

Agrippa (Menenius), zie Menenii.

Agrippa (Vipsanius), zie Vipsanii.

Agrippina. In het huis van Augustus komen drie vrouwen van dezen naam
voor (zie Iulii):

1) Vipsania Agrippina, z. Vipsanii no. 5.

2) Agrippina, de vrouw van Germanicus. Zij was de dochter
van M. Vipsanius Agrippa en Julia, de dochter van Augustus. Zij
vergezelde steeds haren echtgenoot op diens veldtochten. Na zijn dood
(19 n. C.) uit Syria naar Rome teruggekeerd, werkte zij Tiberius
voortdurend tegen. Eindelijk werd zij door den invloed van Seianus
in 29 naar Pandataria verbannen, waar zij in 33 den hongerdood
gestorven is.

3) Agrippina, de moeder van keizer Nero, de zuster van Caligula. Zij
was de dochter van Germanicus en Agrippina (no. 2) en geboren in het
Oppidum Ubiorum, dat later te harer eer verdoopt werd in Colonia
Agrippina (Keulen). Zij huwde driemaal, eerst met Cn. Domitius
Ahenobarbus, bij wien zij een zoon kreeg, den beruchten Nero,
vervolgens met zekeren Crispus Passienus en voor de derde maal
met haar vaders broeder, keizer Claudius (50 n. C.). Dezen laatsten
bracht zij door vergif om het leven (54), om haar zoon Nero in plaats
van Claudius' eigen zoon Britannicus op den troon te brengen. Zij
bedroog zich echter in hare verwachting, dat zij over Nero zou
kunnen heerschen. Integendeel, de keizer, hare heerschzucht moede,
liet zijne moeder ombrengen (in Maart 59).

Agrippinenses = Ubii. Zie ook Agrippina no. 3.

Agrius, Agrios, 1) zoon van Portheus of Porthaon en Eryte, broeder
van Oeneus, die te Calydon regeerde. Zijn zonen ontnamen Oeneus de
regeering en gaven die aan hun vader, doch later werden zij allen door
Diomedes gedood.--2) zoon van Odysseus en Circe, broeder van Latinus,
heerscher over de eilanden van de Tyrrheensche zee.

Agron, Agron, 1) zoon van Eumelus, leefde met zijne zusters Byssa en
Meropis op het eiland Cos. Zij vereerden Gaea, doch behandelden de
overige goden met minachting, en werden daarom met hun vader door
Hermes, Athena en Artemis, die gepoogd hadden hen te overreden aan
een offerfeest deel te nemen, maar met scheldwoorden en bedreigingen
beantwoord waren, in vogels veranderd.--2) koning van Illyrië,
ondersteunde Demetrius II in den oorlog tegen de Aetoliërs; kort
daarna stierf hij aan de gevolgen zijner onmatigheid (231). Hij werd
opgevolgd door zijne gemalin Teuta (z. a.).

Agrotera, Agrotera, bijnaam van Artemis als jachtgodin.

Agyrtes, bedelaar of kwakzalver, in het bijzonder iemand die horoskopen
en orakelspreuken verkoopt, of iemand die geld inzamelt voor den
dienst van niet erkende godheden. Z. metragyrtes.

Agyieus, Aguieus, bijnaam van Apollo als beschermer van straten en
wegen; ook de naam van de fetisch, voor de Grieksche huizen opgesteld,
soms in den vorm van een steen, soms als statue; verder het huisaltaar
vóór het huis: Aguieus bomos.

Agylla, Agylla, oude naam van de etrurische stad Caere (z. a.).

Agyrium, Agyrion, zeer oude stad in het binnenland van Sicilië, in
de buurt van Henna; geboorteplaats van den geschiedschrijver Diodorus
Siculus, die ten tijde van Caesar leefde.

Agyrrhius, Agyrrios, atheensch demagoog, die wegens oneerlijkheid
gevangenisstraf onderging, maar later veel invloed kreeg, en na
den dood van Thrasybulus (389) zelfs vlootvoogd werd, in welke
hoedanigheid hij echter niets van belang verrichtte. Onder de door hem
ingevoerde nieuwigheden wordt genoemd de invoering of verhooging van
het ekklesiastikon en de vermindering van de belooning der dramatische
dichters.

Ahalae, zie Servilii.

Aharna = Arna.

Ahenobarbi, zie Domitii.

Aiax, Aias, 1) de kleine, zoon van Oileus, koning van Locris, gedroeg
zich bij de belegering van Troje als een van de dapperste helden,
was een voortreffelijk boogschutter en werd in vlugheid alleen door
Achilles overtroffen. Bij de verovering der stad drong hij in den
tempel van Athena, en sleepte hij Cassandra, die bij het altaar
bescherming had gezocht, met geweld mede; daarom liet Athena hem op
de terugreis bij de rots Gyrae in het zuiden van Euboea schipbreuk
lijden. Door de hulp van Poseidon redde hij zich op de rots, maar
toen hij daarop in zijn overmoed uitriep: daar ben ik ontsnapt in
weerwil van de goden, greep Poseidon zijn drietand en verbrijzelde
de rots. Door de opuntische Locriërs werd hij als heros vereerd,
en lang bleef het bij hen de gewoonte een plaats in de gelederen
voor hem open te laten.--2) de groote, zoon van Telamon, koning van
Salamis, en Eriboea, nam mede aan den tocht tegen Troje deel. Hij
was de sterkste en meest geduchte der helden na Achilles, en toen
deze zich aan den strijd had onttrokken, muntte hij in dapperheid
boven allen uit; zelfs hield hij alleen de Trojanen tegen, toen zij
in de grieksche legerplaats gedrongen waren en de schepen poogden
in brand te steken. Toen dus na den dood van Achilles diens wapenen
door Thetis werden uitgeloofd aan dengene die ze het meest waardig
was, maakte Aiax er aanspraak op, en alleen Odysseus durfde ze hem
betwisten. Door zijne welsprekendheid en door den steun van Athena
was Odysseus overwinnaar, en dit ergerde Aiax zoozeer, dat hij zich
in zijn zwaard stortte. V. a. werd hij van woede waanzinnig, en viel
hij des nachts op het vee aan, waaronder hij een vreeselijke slachting
aanrichtte in de meening dat hij met de Atriden, die bij den wedstrijd
rechters geweest waren, en met Odysseus te doen had; tot bezinning
gekomen, doodde hij zich van schaamte. Uit zijn bloed ontsproot de
hyacinth. De Salaminiërs eerden hem als halfgod met een tempel en
met een feest Aiantia, de Atheners noemden naar hem de phyle Aeantis.

Aïdes, Aidoneas, Aides, Aidoneus, z. Hades.

Aigikores, zij die tot de derde der vier oude attische phylae
behoorden.

Aigophagos. Onder dezen bijnaam werd Hera te Sparta en Corinthe met
geitenoffers vereerd. Toen de altijd door Hera vervolgde Heracles bij
eene van zijne ondernemingen geen tegenwerking van haar ondervond,
wilde hij haar daarvoor zijne dankbaarheid betuigen, en daar hij
niets anders had, offerde hij eene geit en stichtte hij den tempel
van Hera Aigophagos.

Aikias dike, aanklacht wegens het opzettelijk mishandelen van een
vrije; de aanklager schatte het toegebrachte letsel in een geldsom,
die hem bij veroordeeling door den aangeklaagde betaald moest worden.

Aiora, z. Erigone.

Aisa, z. Moera.

Aius Locutius. Toen de Galliërs in 389 op Rome lostrokken, hoorde men
in het holle van den nacht eene geheimzinnige stem, die de nadering
der vijanden aankondigde. Na den aftocht der Galliërs bouwde men een
tempel ter eere van den onbekenden god, die gewaarschuwd had en dien
men Aius Locutius noemde (van aio en loquor).

Ala. 1) Onder alae verstaat men afdeelingen krijgsvolk, die op de
vleugels van het leger geplaatst waren en door de bondgenooten of de
provinciën geleverd werden. Zij bestonden hoofdzakelijk uit ruiterij en
stonden somtijds onder aanvoerders uit hun eigen volk.--2) Alae zijn
kleine kabinetjes in de romeinsche huizen ter zijde van het atrium,
waarvan zij niet door deuren, maar door voorhangsels of gordijnen
gescheiden waren.

Alabanda, genit. -ae en -orum, ta Alabanda, bloeiende stad in Caria,
doch berucht om de weelde en de losse zeden die er heerschten.

Alalcomenae, Alalkomenai, oude boeotische stad, dicht bij den zuidoever
van het meer Copaïs, met een tempel van de godin Athena, die, naar
men zeide, hier geboren was. Er waren nog meer steden van dezen naam.

Alalia, zie Aleria.

Alamanni, zie Alemanni.

Alani, Alanoi, een nomadenvolk, dat sedert het begin van den
keizertijd ten N. van de Caspische zee en den Caucasus de plaats
der voormalige Scythen innam. Er hooren verschillende scythische
stammen toe, o. a. de Aorsi. Uit de woestijn Gobi komend, hebben de
Hunnen hen voor zich uitgedreven, en tegen het einde der 3de eeuw
n. C. onderworpen. Gedeeltelijk smolten zij met de Hunnen samen,
gedeeltelijk trokken zij met Vandalen en Sueven naar Hispania en
later met de Vandalen naar Africa (429 n. C.).

Alaricus, Alarik, bijgenaamd Baltha (de Stoute), aanvoerder (dux) der
Westgothen, die eerst Macedonië, Thessalië en Griekenland verwoestte
(395/98 n. C.) en vervolgens in 401 voor de eerste maal naar Italië
trok, maar door Stilicho genoodzaakt werd naar Illyricum terug te
keeren. Na de vermoording van Stilicho (408) kwam hij in Italië
terug. Keizer Honorius sloot zich in het sterke Ravenna op; doch
Alarik trok regelrecht op Rome aan en sloot de stad in, die zich
ditmaal van plundering vrijkocht, doch in het volgende jaar, omdat
Honorius niet naar Alariks voorstellen wilde luisteren, vermeesterd
en drie dagen lang geplunderd werd. De christenkerken bleven echter
gespaard. Kort daarna stierf Alarik te Consentia in Bruttium en werd
in de bedding van den Busento begraven (410 n. C.).

Alarii, troepen, tot de alae behoorende.

Alastor, Alastor, wraakgeest in het leven geroepen door het plegen
eener misdaad; door wraak te vorderen voor de bedreven misdaad drijft
hij tot nieuwe misdaden, die op hare beurt gewroken moeten worden. Meer
algemeen een booze geest, die tot zonde verleidt en daardoor onheil
sticht. Ook bijnaam der Erinyen en van Zeus als wreker van onrecht.

Alatrium of Aletrium, oude stad in Latium in het gebied der Hernici,
later municipium.

Alba, Albas, mythisch koning van Alba Longa.

Alba, naam van verschillende steden, waarvan de volgende de
belangrijkste zijn. 1) Alba Fucens, op eene rots aan het meer Fucinus
gelegen, in het land der Aequi, latijnsche kolonie (in 303 aangelegd)
en staatsgevangenis. Koning Perseus van Macedonia werd hierheen
gebracht.--2) Alba Longa, in Latium, aan den voet van den mons Albanus,
de hoofdstad van den ouden Latijnschen bond en de moederstad van
Rome, volgens de overlevering door Aeneas' zoon Ascanius gesticht
en door Tullus Hostilius verwoest.--3) Alba Pompeia, in Liguria,
geboorteplaats van keizer Pertinax.

Albani, 1) inwoners van Alba Longa.--2) inwoners van het caucasische
landschap Albania.

Albania, Albania, bergland van den Caucasus, aan de Caspische zee
gelegen, met eene krijgszuchtige bevolking, die in den mithradatischen
oorlog troepen tegen Pompeius leverde. Men houdt de bewoners van
deze landstreek ten onrechte voor de latere Alanen. De hoofdstad
heette Albana.

Albaniae portae, bergpas, die toegang tot Albania verleende.

Albanum, thans Albano. Aan den Z.W. kant van den Albanus lacus op
de helling van het gebergte lagen een aantal buitenverblijven van
aanzienlijke Romeinen, o.a. van Pompeius, Brutus, later ook van Nero,
Domitianus. Naar romeinsche gewoonte werd zulk een buitenverblijf naar
de plaats Albanum geheeten. Hieruit ontstond aldaar een municipium
van dien naam.

Albanus lacus, een klein, maar zeer diep; en bekoorlijk meer aan den
voet van den albaanschen berg. Het uitwateringskanaal, indertijd door
Camillus, v. a. in 97 aangelegd, bestaat nog.

Albanus mons, berg in Latium, thans Monte Cavo, aan welks helling
eenmaal Alba Longa lag. Op den top stond de tempel van Jupiter
Latiaris. Op dezen berg werden jaarlijks de groote feriae Latinae
gevierd.

Albenses, de inwoners van alle steden, die Alba heetten, behalve
van Alba Longa, die Albani genoemd werden. Populi Albenses zijn de
30 gemeenten, die tot den oudsten Albaanschen bond gehoord hebben,
en die ook in later tijd bij de feriae Latinae werden opgeroepen voor
het in ontvangst nemen van het offervleesch. De meeste zijn onbekend,
maar waarschijnlijk hebben alle in het binnenland rondom het Albaansch
gebergte gelegen, en zijn later opgegaan in de steden: Rome, Tibur,
Praeneste, Tusculum, Aricia en Gabii.

Albici, Albioikoi, een ruw herdersvolk, in de bergstreken benoorden
Massilia (Marseille).

Albii. Tot dit geslacht behoorde de dichter Albius Tibullus, vriend
en tijdgenoot van Ovidius. Hij werd omstreeks 54 uit eene rijke
ridderfamilie geboren, maakte met zijn beschermer M. Valerius Messala
Corvinus een veldtocht in Aquitania mede, doch leefde verder meestal
stil op zijn landgoed. Zijne dichtsoort was de elegie, doch van de vier
boeken, die op zijn naam staan, kunnen slechts de eerste twee geheel
aan hem worden toegekend. Het 3de boek is van een onbekenden dichter
Lygdamus, van het 4de is het 1ste gedicht een loflied op Messalla,
van een onbekenden dichter, 4, 2-6 hebben tot onderwerp de liefde
van Sulpicia, een jong meisje van goeden stand (z. Sulpicii no. 23)
voor Cerinthus, 4, 7-12 zijn van Sulpicia zelf. De verzen van Tibullus
zelf (de 2 eerste boeken) zijn aan twee minnaressen gewijd, Delia en
Nemesis. Zijn stijl is natuurlijk en eenvoudig, meer liefelijk dan
verheven. Hij stierf in 19.

Albini, zie Postumii.

Albinovanus, zie Celsus en Pedo.

Albinus (Clodius) was bij den dood van keizer Commodus (192 na
C.) stadhouder in Britannia. Dit bleef hij onder Pertinax. Na diens
dood weigerde hij Didius Julianus als keizer te erkennen, doch wees
zelf het keizerschap, hem door zijne legioenen aangeboden, van de
hand. Septimius Severus, die eerst zijn mededinger Pescennius Niger
wilde ten onder brengen, benoemde Clodius Albinus tot mederegent,
doch zocht na Nigers dood ook Albinus uit den weg te ruimen. Hierop
trok deze tegen Severus op. Bij Lugdunum (Lyon) kwam het tot een
slag. Albinus werd verslagen en op de vlucht achterhaald en gedood
(197.)

Albion, Alouion, Albion, oude inheemsche naam voor Britannia =
bergland.

Albis, rivier, thans Elbe geheeten. De Rom. leerden haar (9) onder
Drusus kennen en zagen ze voor het laatst onder Tiberius (5 n. C.).

Albogalerus, wit bonten of vilten muts van den flamen Dialis en andere
priesters, uit het vel van een offerdier vervaardigd. Bovenaan zat
eene soort van pompoen, bestaande uit een olijftakje, met een witten
draad omwonden.

Albula, oude naam van den Tiber.

Albulae Aquae, zwavelbronnen in de vlakte halverwege tusschen Rome
en Tibur, als herstellingsoord veel bezocht; v. s. was de voornaamste
gewijd aan Albunea of Albuna (z. a.).

Album, wit gekalkt of geverfd bord, bestemd om beschreven en
tentoongesteld te worden. De merkwaardigste zijn: 1) album pontificum,
waarop de annales maximi of kroniek van Rome werd geschreven
(z. annales),--2) het album praetoris, waarop de praetor zijn edictum
schreef,--3) het album senatorum, de senatorenlijst,--4) het album
iudicum, waarop de jaarlijksche lijst der iudices was vermeld.

Album Ingaunum en Album Intimilium, twee steden aan de ligurische kust,
beide in later tijd municipia; het eerste = Albenga, het tweede ten
oosten van Ventimiglia.

Albunea, nymph van een zwavelbron bij Tibur, in wier heilig bosch zich
een droomorakel van Faunus bevond. De domus Albuneae van Horatius is
waarschijnlijk de Grotta di Nettuno, onder aan de watervallen van Tibur
(Tivoli); de hoofdstroom van den Anio liep hier vroeger door. Albunea
werd ook tot de Sibyllae gerekend. V. a. is zij de nymph van een der
zwavelbronnen van Aquae Albulae (z. a.).

Alburnus mons, boschrijk, woest gebergte achter Paestum, in Lucania.

Albus Notus, Leukonotos Phoinikias, de Zuid-Oostenwind, zie
Windstreken.

Alcaeus, Alkaios, 1) zoon van Perseus en Andromeda, vader van
Amphitryo.--2) = Alcides.--3) van Mytilene, lyrisch dichter omstreeks
het einde der 7e eeuw. Hij streed mede in den oorlog tegen Athene om
het bezit van Sigeum, maar liet eens zijne wapenen op het slagveld
achter. Met meer standvastigheid, maar met weinig geluk, voerde hij,
als lid van een edel geslacht en van de aristocratische partij,
oppositie tegen de toen in zijne vaderstad heerschende democratie,
en tegen de tyrannen Melanchrus (z. a.) en Myrsilus (z. a.), en toen
Pittacus tot aisymnetes (z. a.) was aangesteld, moest hij met vele
partijgenooten jaren in ballingschap leven, van welken tijd hij
een deel in vreemden krijgsdienst doorbracht. Eene poging om met
geweld terug te keeren mislukte; zelfs viel hij daarbij in handen
van Pittacus, die hem echter vergiffenis en de vrijheid schonk; de
laatste jaren van zijn leven heeft hij in Mytilene doorgebracht. Zijne
gedichten, meestal in de naar hem genoemde alcaeïsche strophe
geschreven, zijn grootendeels verloren; zooals de overblijfsels toonen,
gaven zij met groote bevalligheid getuigenis van het hartstochtelijk
karakter en de welgevestigde staatkundige overtuiging van den dichter;
zij worden verdeeld in politieke gedichten, drink- en minneliedjes
(stasiotika, sympotika, erotika) en hymnen op de goden. Horatius
volgt hem bij voorkeur na.

Alcamenes, Alkamenes, van Athene of Lemnus, beroemd beeldhouwer en
bronsgieter, naar veler meening slechts door zijn leermeester Phidias
overtroffen. Bij de opgravingen aan den tempel van Zeus te Olympia
zijn belangrijke fragmenten van standbeelden gevonden, die vroeger
ten onrechte voor werk van Alc. gehouden werden.

Alcathoë, Alkathoe, 1) dochter van Minyas, koning van Orchomenus,
z. Minyades.--2) z. Alcathoüs.

Alcathoüs, Alkathoos, zoon van Pelops en Hippodamea, doodde op den
Cithaeron een leeuw, die den zoon van koning Megareus verscheurd
had; tot belooning hiervoor gaf de koning hem zijne dochter Euaechme
tot vrouw en benoemde hij hem tot zijn opvolger. Hij herbouwde de
muren van Megara, die door de Cretensers geslecht waren, met behulp
van Apollo, die bij dit werk eens zijn lier op een steen nederlegde,
waaruit sedert dien tijd bij elke aanraking de klank van het goddelijk
instrument gehoord werd. Naar hem wordt de burcht van Megara Alcathoë,
moenia Alcathoi genoemd. Alc. doodde later door een misverstand zijn
zoon Callipolis, dien hij ten onrechte van gebrek aan eerbied voor
de goden beschuldigde. Te Megara werd hij als halfgod vereerd, en
werden te zijner eer spelen gevierd, Alkathoia genoemd.--2) Trojaan,
die met een dochter van Anchises getrouwd was en Aeneas opvoedde. Bij
de bestorming van het grieksche kamp werd hij door Idomeneus gedood.

Alcestis, Alkestis, dochter van Pelias, de eenige die zich verzette
tegen het plan van Medea om Pelias te verjongen. Later werd zij de
vrouw van Admetus (z. a.), voor wien zij vrijwillig stierf. Om hare
kinderlijke liefde en huwelijkstrouw, wordt zij als voorbeeld voor
alle vrouwen genoemd.

Alcetas, Alketas, naam van verscheiden Macedoniërs, o.a. van: 1)
veldheer van Alexander d. G., broeder van Perdiccas. Toen deze gedood
was (321), wist Alc. de Pisidiërs te bewegen hem in den strijd tegen
de vijanden van het koninklijk huis bij te staan; bij den eersten
slag leed hij echter de nederlaag en werd hij door eenige burgers
van Termessus aan zijne vijanden verraden; om niet in hunne handen
te vallen doodde hij zich zelf.--2) koning van Epirus (313-307). Hij
werd door Cassander gesteund, maar zijne woestheid en wreedheid,
waarom zijn vader hem van de regeering had willen uitsluiten,
verbitterden zijn volk zoozeer, dat men hem doodde, en zijn neef
Pyrrhus tot koning uitriep.

Alcibiades, Alkibiades, Athener, zoon van Clinias en Dinomache,
geb. omstreeks 450; nadat hij op driejarigen leeftijd zijn vader
verloren had (gesneuveld bij Coronea, 447), werd hij door zijn voogd,
den beroemden Pericles, opgevoed. Hij was een man van buitengewone
schoonheid en geestesgaven, uiterst beminnelijk in den omgang
en welsprekend, bovendien zeer rijk; in deze omstandigheden gaf
hij aan zijn zucht om altijd op den voorgrond te treden in zijn
jeugd toe door allerlei buitensporige en moedwillige streken. Zijn
omgang met Socrates kon evenmin als zijn huwelijk met Hipparete,
de dochter van den rijken Hipponicus, aan zijn losbandig leven een
einde maken. Gedurende het eerste gedeelte van den peloponnesischen
oorlog diende hij als ruiter; men verhaalt dat Socrates hem bij het
beleg van Potidaea (432), hij daarentegen Socrates in den slag bij
Delium (424) het leven gered had. Na den vrede van Nicias was hij
het vooral, die steeds tot het hervatten der vijandelijkheden dreef,
hetzij omdat hij inderdaad het voortzetten van den oorlog voor Athene
voordeelig achtte, hetzij omdat hij het voor zijn eigen belangen meer
geraden vond zich bij de oorlogspartij aan te sluiten, die sedert den
dood van Cleon zonder leider was, terwijl Nicias aan het hoofd van de
vredespartij stond. Door zijn toedoen dan sloot Athene een verbond met
Argos, Mantinea en Elis (420), maar nadat de troepen dier bondgenooten
bij Mantinea door de Lacedaemoniërs verslagen waren (418), kwam de
oligarchische partij in de peloponnesische staten weder aan het roer,
en werd het bondgenootschap met Athene opgezegd; twee jaar later werd
het echter door bemiddeling van Alc. hernieuwd. Intusschen was uit
Segesta een verzoek tot Athene gericht om bijstand tegen Syracuse, en
Alc. die van zulk eene onderneming veel roem en voordeel verwachtte
en misschien nog van verdere veroveringen droomde, wist het volk
tot een krijgstocht tegen Sicilië over te halen in weerwil van den
tegenstand van Nicias; hijzelf, Nicias en Lamachus werden tot strategen
benoemd. Maar kort voor den dag, waarop de vloot zoude vertrekken,
werden in een nacht al de Hermesbeelden in Athene omvergeworpen en,
te recht of ten onrechte, Alc. werd van medeplichtigheid aan die daad,
later ook van ontwijding der eleusinische mysteriën, beschuldigd. Hij
verlangde dringend dat de zaak (Hermocopidenproces) nog voor zijn
vertrek zoude behandeld worden, maar zijne vijanden, die zijn invloed
vreesden, dreven door dat het gerechtelijk onderzoek tot na zijn
terugkomst zou uitgesteld worden; zoodra hij echter vertrokken was
(415), werden opnieuw geruchten verspreid, die weldra zulk een onrust
bij het volk te weeg brachten, dat tot een onmiddellijk onderzoek
besloten werd, en een schip werd uitgezonden om Alc. terug te
halen. Hij begaf zich eerst aan boord, maar te Thurii gekomen, wist
hij te ontsnappen. Toen hij nu vernam, dat hij in zijne afwezigheid
ter dood veroordeeld was en zijne goederen verbeurd verklaard waren,
begaf hij zich naar Sparta, waar hij weldra grooten invloed kreeg. Hij
bewerkte dat van daar uit een leger onder aanvoering van Gylippus aan
de Syracusanen te hulp gezonden werd (414), dat Decelea versterkt
en door een spartaansch leger bezet werd (413), en bovenal dat een
vloot werd uitgerust, waarmede hij zelf naar Azië zeilde om een
verbond tusschen de Spartanen en Tissaphernes tot stand te brengen
en de ionische steden tot afval van Athene te bewegen. Het duurde
echter niet lang of zijn overwicht wekte de afgunst der spartaansche
veldheeren op, vooral van koning Agis, die bovendien vermoedde dat hij
zijne echtgenoote Timaea tot overspel verleid had, en spoedig wist men
hem zoo verdacht te maken, dat hij naar Tissaphernes moest vluchten om
zijn leven te redden (412). Hier bracht hij het door zijne raadgevingen
zoo ver, dat Tissaphernes niet slechts veel minder ijver voor zijne
lacedaemonische bondgenooten aan den dag legde, maar zelfs geneigd
scheen de zijde van Athene te kiezen, terwijl Alc. onderhandelingen
aanknoopte met de atheensche vloot die bij Samus lag, en beloofde een
verbond met Tissaphernes, ja zelfs met den koning van Perzië tot stand
te brengen, indien de democratische regeeringsvorm te Athene door eene
oligarchische vervangen werd. Deze omwenteling had inderdaad plaats
(z. tetrakosioi), maar was zoo weinig naar den zin van het leger op
Samus, dat het in opstand kwam, Alc. uit de ballingschap terug riep,
en hem met Thrasyllus en Thrasybulus tot aanvoerder verkoos. Alc.,
die intusschen had ingezien, dat hij weinig kans had zijne beloften
te kunnen nakomen, was met dezen loop van zaken zeer tevreden, en
maakte zich reeds dadelijk verdienstelijk door te beletten dat men
naar Athene trok om de oligarchen te verdrijven, die trouwens spoedig
genoeg weder voor de democratie moesten plaats maken. Met Alc. scheen
het geluk bij de atheensche wapenen teruggekeerd te zijn; hij overwon
de Spartanen in verscheidene kleinere gevechten en in twee groote
slagen bij Abydus en Cyzicus (411, 410), ontnam hun 200 schepen,
en veroverde Byzantium, Chalcedon e. a. steden. Tissaphernes koos
nu spoedig weder beslist de zijde der Spartanen en liet Alc. zelfs
gevankelijk naar Sardes voeren, vanwaar deze echter na korten tijd
ontsnapte. Eindelijk keerde hij naar Athene terug (407), waar hij met
gejuich ontvangen en, na vernietiging van het over hem gevelde vonnis,
tot opperbevelhebber van leger en vloot benoemd werd. Na dien tijd
was hij echter minder gelukkig. Niet alleen mislukte hem een poging
om Andrus te onderwerpen, maar zelfs verloor in zijne afwezigheid
zijn onderbevelhebber Antiochus een zeeslag tegen Lysander, en het
volk, dit aan de nalatigheid van Alc. toeschrijvend, verkoos andere
strategen in zijn plaats. Alc. verdedigde zich niet en trok zich terug
naar zijne bezittingen in de thracische Chersonesus. Toch bleef hij den
loop der gebeurtenissen met belangstelling gadeslaan, en toen eenige
jaren later de Spartanen oppermachtig geworden waren, achtten zij hem
nog zoo gevaarlijk, dat hij reden had voor zijn leven te vreezen;
hij begaf zich dus naar Pharnabazus om dezen, en zoo mogelijk den
koning van Perzië, voor Athene te winnen, maar Pharnabazus, die eerst
veel vriendschap voor hem getoond, had, gaf eindelijk, bevreesd voor
de bedreigingen van Lysander, bevel hem te vermoorden. Zijn huis werd
in brand gestoken en omsingeld, en toen hij zich uit de vlammen wilde
redden, werd hij van alle kanten met pijlen neergeschoten (404).

Alcidamas, Alkidamas, van Elaea, in Aeolis, tijdgenoot van Isocrates,
leerling van Gorgias en leeraar der welsprekendheid. Eene redevoering
van hem en enkele fragmenten zijn bewaard.

Alcides, Alkeides, oorspronkelijke naam van Heracles (z. a.).

Alcimede, Alkimede, dochter van Phylacus en Clymene, moeder van Iason.

Alcinous, Alkinoos, kleinzoon van Poseidon, koning der Phaeaciërs op
het eiland Scheria of Drepane. Hij nam Odysseus gastvrij op en zond
hem met vele geschenken naar zijn vaderland terug. Ook de Argonauten
werden op hun terugtocht zeer goed door hem ontvangen, en hij weigerde
Medea uit te leveren aan de Colchiërs, die haar uit naam van haar vader
kwamen opeischen. Daar zij niet naar hun vaderland durfden terugkeeren,
bleven de colchische afgezanten toen bij de Phaeaciërs wonen.

Alciphron, Alkiphron, grieksch sophist, die in het laatste gedeelte
der 2de eeuw n. C. leefde. In den vorm van brieven, die door taal
en stijl uitmunten, heeft hij belangrijke schetsen van de toenmalige
toestanden te Athene nagelaten.

Alcmaeon, Alkmaion, Alkmeon, 1) zoon van Amphiaraus en
Eriphyle. Evenals Eriphyle zich door het halssnoer van Harmonia
had laten omkoopen om Amphiaraus te bewegen aan den tocht der zeven
tegen Thebe deel te nemen, zoo was de peplos van Harmonia de prijs,
waarvoor zij Alcm. overreedde met de Epigonen mede te trekken. Als een
der aanvoerders verrichtte Alcm. vele dappere daden en Thebe moest
dezen keer vallen. Zijn vader, die zijn eigen lot voorzien had, had
echter voor hij ten strijde trok aan zijne zonen Alcm. en Amphilochus
opgedragen hem op hun moeder te wreken, en nadat Alcm. zelf uit den
oorlog teruggekomen was en een orakel hem bevolen had de opdracht zijns
vaders uit te voeren, te meer daar zijne moeder ook hem aan hetzelfde
gevaar had blootgesteld, doodde hij Eriphyle. Terstond maakten zich
de wraakgodinnen van hem meester; door haar vervolgd, zwierf hij
in waanzin rond, zonder ergens rust te vinden. Eindelijk kwam hij
in Psophis bij koning Phegeus, die hem van zijne schuld trachtte
te zuiveren en hem zijne dochter Alphesiboea of Arsinoë tot vrouw
gaf. Doch de middelen door Phegeus aangewend, vermochten op den duur
niet de wraakgodinnen van Alcm. af te houden, zijn waanzin keerde terug
en weder zwierf hij rond, nu zonder hoop ooit rust te vinden, daar een
orakel hem gezegd had, dat dit alleen zou kunnen geschieden wanneer
hij een plek vond, die tijdens zijn misdaad nog niet door de zon
beschenen was. Eindelijk echter vond hij die plek, het was de grond,
die sedert den moord aan de monding van den Achelous aangeslibd was,
de Echinades. Hier vestigde hij zich en trouwde hij met Callirrhoë,
de dochter van den riviergod. Nadat hij eenigen tijd hier rustig
geleefd had, verzocht zijne gemalin hem het halssnoer en den sluier
voor haar te halen, die op zijn leven van zooveel invloed geweest
waren. Hij gaf toe aan haar dringend verlangen en trok naar Psophis,
waar hij die sieraden van zijn eerste vrouw terugnam, zeggende dat hij
ze aan Apollo wilde wijden. Nauwelijks had Phegeus echter bemerkt dat
dit slechts een voorwendsel was, of hij zond zijne zonen om Alcm. te
vervolgen; zij haalden hem in en doodden hem. De zonen van Alcm. en
Callirrhoë, Acarnan en Amphoterus, wreekten later den moord van hun
vader. V. s. had Alcm. bij Manto, de dochter van Tiresias, een zoon
en een dochter, die hij aan Creon, den koning van Corinthe, gaf om
op te voeden. Uit jaloerschheid liet de vrouw van Creon het meisje,
toen zij volwassen was, als slavin verkoopen en zoo kwam zij onbekend
toevallig bij haar vader. Alcm. had te Thebe een tempel waar hij als
halfgod vereerd werd.--2) achterkleinzoon van Nestor, die bij den
inval der Doriërs in de Peloponnesus naar Athene uitweek; hij was de
stamvader der Alcmaeoniden.--3) atheensch archont, de laatste die voor
zijn leven tot deze betrekking verkozen werd (752).--4) van Croton,
schrijver van geneeskundige werken in de 5de eeuw.

Alcmaeonidae, Alkmaionidai, Alkmeonidai, een rijke en aanzienlijke
familie in Athene, afstammend van Alcmaeon no. 2. Zij zijn vooral
bekend door de oppositie, die zij voerden tegen de alleenheerschappij
der Pisistratiden, waarbij Megacles hun aanvoerder was. Toen zij door
Pisistratus verbannen waren, wisten zij de priesters van Delphi voor
hunne belangen te winnen door den herbouw van den tempel, die kort
te voren was afgebrand, aan te nemen, en hem, gedeeltelijk op hun
eigen kosten, veel prachtiger te herstellen, dan hij te voren geweest
was. Van Delphi ging dan ook sedert herhaaldelijk eene aansporing
tot de Spartanen uit, om Athene van de tyrannen te bevrijden, waaraan
eindelijk ook gehoor gegeven werd (z. Cleomenes en Hippias). Ook te
voren hadden de Alcmaeoniden eenigen tijd in ballingschap doorgebracht,
omdat zij, naar men beweerde, eenige aanhangers van Cylon bij de
altaren der goden gedood hadden. Hoewel deze ballingschap niet van
langen duur geweest kan zijn, werd de familie toch altijd door die
heiligschennis bezoedeld geacht, en werd den Atheners meermalen hun
verblijf in de stad verweten. Ook Clisthenes was een Alcmaeonide en
Alcibiades en Pericles waren van moederszijde met hen verwant.

Alcman, Alkman, een der oudste grieksche lierdichters, Ioniër uit
Sardes, werd krijgsgevangene en kwam als slaaf naar Sparta, maar
werd daar vrijgelaten en schijnt zelfs onder de burgers opgenomen te
zijn. Hij leefde omstreeks 620. Van zijne gedichten, die in een met
aeolische en epische vormen gemengd dorisch dialect geschreven waren,
is slechts weinig over. Hij is vooral bekend om zijne Parthenia,
liederen voor meisjeskoren, waarvan er één bewaard is.

Alcmene, Alkmene, Alcumena, dochter van Electryon, koning van
Mycenae. Zij was gehuwd met Amphitryo, en terwijl deze buitenslands
oorlog voerde, werd zij door Zeus, die de gedaante van haar echtgenoot
had aangenomen, bezocht en zoo werd zij moeder van Heracles; bij
Amphitryo, die den volgenden dag terugkeerde, kreeg zij een zoon
Iphicles. Bij de geboorte van Heracles, had zij veel van den haat van
Hera te lijden. Na den dood van Amphitryo huwde zij met Rhadamanthys,
met wien zij ook op de eilanden der gelukzaligen vereenigd gedacht
wordt. Toen haar zoon gestorven was, moest zij voor Eurystheus
vluchten, zij kwam naar Athene, maar ging later naar Thebe terug waar
zij in hoogen ouderdom stierf. Te Thebe en ook te Athene genoot zij
goddelijke eer.

Alcyone, Alkyone, 1) dochter van Aeolus en Enarete, gehuwd met
Ceyx. Dit huwelijk was zeer gelukkig, maar in hun trots noemden zij
elkander Zeus en Hera; tot straf hiervoor werd hij in een zeemeeuw,
zij in een ijsvogel veranderd.--V. a. kwam Ceyx bij een schipbreuk om,
en stortte Alc. zich uit wanhoop in zee, waarop beiden in ijsvogels
veranderd werden. Wanneer deze vogel broedt, omstreeks een week voor
en een week na den kortsten dag, laat Aeolus alle winden rusten,
vandaar heeten die dagen Alcyonii dies, Alkyonides hemerai, welke naam
overdrachtelijk gegeven wordt aan een rustigen, gelukkigen tijd.--2)
eene van de Pleiaden, bij Poseidon moeder van Hyrieus.

Alcyoneus, Alkyoneus, 1) een van de Giganten, die Heracles op de
landengte van Corinthe of op het schiereiland Pallene aanviel, toen
hij met de runderen van Geryones daar langs kwam. Met een rotsblok
verpletterde hij 24 van Heracles' makkers en 12 van zijne wagens,
maar toen hij het rotsblok tegen hemzelf slingerde, sloeg Heracles het
met zijn knots terug, en doodde hem met denzelfden slag.--2) zoon van
Diomus en Meganira. Hij werd door het lot aangewezen om volgens een
orakel ten offer gebracht te worden aan een monster, dat de omstreken
van den Parnassus verwoestte, maar toen hij bekranst naar het hol van
het monster gebracht werd, ontmoette hem Eurybatus, die, door zijne
schoonheid getroffen, besloot zich in zijne plaats op te offeren. Hij
ging in het hol, greep het monster en stortte het in de diepte.

Alcyonium mare, Alkyonis thalatta, ook Alcyonius sinus genoemd,
noordoostelijke inham der Corinthische golf.

Alea, Alea, bijnaam der godin Athena, onder welken naam zij vooral
in de stad Alea, in Arcadia, ten Z. van Stymphalus gelegen, maar ook
elders vereerd werd.

Alea. Het dobbelspel was bij de Romeinen zeer in zwang. Men speelde
met tesserae en met tali. De tesserae waren gewone dobbelsteenen;
men wierp met drie steenen tegelijk. De tali waren aan twee zijden
afgerond, en vertoonden alleen de getallen 1, 3, 4, 6. Men wierp met
vier zulke steenen. De beste worp was de iactus Venereus, wanneer al
de steenen verschillende cijfers aanwezen. De slechtste worp was alle
éénen en werd canis genoemd.

Alecto, Alekto, eene der drie Erinyen.

Alectryon, Alektryon, dienaar van Ares, die op den uitkijk stond als
de god Aphrodite bezocht. Eens viel hij in slaap, zoodat de minnenden
door Helius ontdekt konden worden. Tot straf hiervoor werd hij in
een haan veranderd.

Aleïus campus, Aleion pedion, waar Bellerophon in zijne zwaarmoedigheid
ronddoolde. Homerus plaatst deze uitgestrekte vlakte in Lycia; zij ligt
echter tusschen den Sarus en den Pyramus, twee rivieren van Cilicia.

Alemanni, Alamanoi, groote volkerenbond, uit germaansche stammen
van zuidwestelijk Duitschland bestaande, waarvan de Suevi (Zwaben)
het hoofdvolk waren. In 213 na C. kwamen zij onder dezen bondsnaam
voor het eerst met de Romeinen in botsing en liet keizer Caracalla
zich v. s. den bijnaam Alemannicus geven naar de overwinning, die hij
over hen behaald had. In werkelijkheid nam hij den bijnaam Germanicus
aan. Sedert hadden de Romeinen veel last van hunne invallen in de agri
decumates. In de tweede helft van de 3de eeuw bezetten zij de geheele
streek binnen den limes (z.a.), en in de 4de eeuw ook den Elzas.

Aleria, Aleria, vroeger Alalia, Alalie geheeten, volksplanting der
Phocaeërs op Corsica (565), in den eersten punischen oorlog door de
Romeinen veroverd (259), onder Sulla kolonie.

Alesa, zie Halesa.

Alesia, vesting in het kleine gebied der Mandubii, aan den zuidkant van
het tegenwoordige plateau van Langres. Zij is bekend door het beroemde
beleg in den strijd van Caesar tegen den grooten gallischen aanvoerder
Vercingetorix (in 52). Na de inneming verwoestten de Romeinen de stad;
zij werd echter later herbouwd (thans Alise-Ste-Reine).

Alesus, zie Halesus.

Aletes, Aletes, 1) zoon van Aegisthus. Op het bericht dat Orestes in
het land der Tauri aan Artemis geofferd was, maakte hij zich van de
regeering over Mycenae meester, maar bij de terugkomst van Orestes werd
hij gedood.--2) zoon van Hippotas, die bij den inval der Heracliden
de Sisyphiden uit Corinthe verdreef en daar zelf koning werd.

Aletrium, zie Alatrium.

Aleuadae, Aleuadai, afstammelingen van Aleuas, een Heraclide, die
zich van de heerschappij over Larissa meester maakte en om zijne
wreedheid door zijn eigen volk gedood werd. De Aleuaden waren lang het
machtigste vorstengeslacht van Thessalië (tagoi, z. tagos), totdat
de tyrannen van Pherae zich verhieven; in de twisten die tusschen
de beide familiën ontstonden, werd nu eens de hulp der Macedoniërs,
dan die der Thebanen ingeroepen, totdat Philippus in 356 Thessalië
tot een macedonische provincie maakte, waarbij hij de Aleuaden door
vele onderscheidingen voor zich won.

Alexander, Alexandros, 1) = Paris.--2) neef van den tyran Polyphron
van Pherae, dien hij doodde en wiens opvolger hij werd, 369. Zijne
wreedheid en trouweloosheid noodzaakte de thessalische steden
meermalen de hulp van Macedonië en Thebe in te roepen. Eerst werd hij
door Pelopidas tot een meer gematigde regeering gedwongen; later,
toen hij Pelopidas en andere Thebanen trouweloos gevangen genomen
had, dwong Epaminondas hem de gevangenen los te laten; ten derden
male trok Pelopidas tegen hem op en overwon hem in den slag bij
Cynoscephalae (364). In 358 werd hij op aandrijven zijner gemalin
Thebe door hare broeders vermoord.--3) Al. I, koning van Epirus. Met
behulp van zijn zwager Philippus van Macedonië verdreef hij zijn oom
en zijn neef (342) en maakte hij zich van de regeering meester. Toen
zijne zuster Olympias door Philippus verstooten was, vluchtte zij tot
hem en trachtte zij hem tot een oorlog aan te sporen, maar Philippus
bevredigde hem door hem zijne dochter Cleopatra tot vrouw te geven. In
332 werd hij door de Tarentijnen tegen de Bruttiërs en Lucaniërs te
hulp geroepen, in 331/330 verloor hij een slag bij Pandosia en kwam
hij in de rivier Acheron om.--4) Al. II, koning van Epirus, zoon
en opvolger van Pyrrhus 272-ong. 250; hij maakte zich voor korten
tijd van Macedonië meester, maar werd spoedig door Demetrius, een
broeder van Antigonus Gonatas van daar en zelfs uit Epirus verdreven,
totdat hij bij een opstand der Epiroten teruggeroepen werd. Hij
stierf omstreeks 250.--5) Al. I, koning van Macedonië 498-454, zoon
en opvolger van Amyntas I. Bij Xerxes' inval in Griekenland werd
Al. gedwongen zich bij diens leger aan te sluiten; toch trachtte hij
heimelijk de Grieken te helpen.--6) Al. II, koning van Macedonië, zoon
en opvolger van Amyntas II. Na eene regeering van twee jaren werd hij
door zijn stiefbroeder Ptolemaeus Alorites gedood (369).--7) Al. III
de Groote, koning van Macedonië, geb. 356, volgde zijn vader Philippus
in 336 op. Hij was opgevoed eerst door den ruwen krijgsman Leonidas,
daarna door den hoveling Lysimachus, eindelijk sedert zijn 13de jaar
door den beroemden wijsgeer Aristoteles. Reeds vroeg had Al. blijken
gegeven van ontembare eerzucht, van streven naar het buitengewone en
bovenal van grooten persoonlijken moed; Homerus was zijn geliefkoosde
dichter en Achilles zijn ideaal. Geen wonder, dat de twintigjarige
jongeling, die zich reeds bij het leven van Philippus o. a. in den
slag bij Chaeronea onderscheiden had, zoodra hij den troon besteeg,
besloot het plan van zijn vader, de verovering van het perzische
rijk, tot uitvoering te brengen, al moest hij ook voorshands zijne
krachten wijden aan de bevestiging zijner regeering tegen binnen- en
buitenlandsche vijanden. Terwijl hij zijn oom Attalus en anderen, die
hem de heerschappij konden betwisten, uit den weg liet ruimen, trok hij
kort na den dood van zijn vader naar Griekenland, waar in verschillende
steden anti-macedonische bewegingen hadden plaats gehad, en bewerkte
hij door zijn krachtig optreden, dat hij door de Amphictyonen en later
op een congres op de landengte van Corinthe door alle grieksche staten,
behalve Sparta, erkend en tot opperbevelhebber in den oorlog tegen
Perzië verkozen werd. Na zijn terugkomst in Macedonië hield Al. zich
bezig met de onderwerping der ten noorden van zijn rijk wonende
barbaren, Triballers, Geten, Illyriërs, enz., die op het bericht van
den dood van Philippus opgestaan waren. Velen in Griekenland koesterden
de hoop dat Al. nooit van deze moeielijke en gevaarlijke tochten naar
ver verwijderde landen zou terugkeeren, en toen het gerucht van zijn
dood verspreid werd, vond het dan ook gereedelijk geloof. Maar toen
op dit gerucht in de meeste staten nieuwe bewegingen ontstonden,
verscheen Al. plotseling, voordat iemand het mogelijk had geacht,
in Griekenland, en rukte voor Thebe, van waar de macedonische
bezetting verdreven was; na een kort beleg werd de stad bestormd,
ingenomen en volgens besluit der boeotische steden verwoest, waarbij
alleen de tempels en het huis van Pindarus gespaard werden. Daarop
onderwierpen zich ook de andere grieksche staten (335). In Macedonië
teruggekeerd, besteedde de koning den winter met ijverige toerustingen
voor den tocht naar Azië, en in het voorjaar van 334 trok hij over
den Hellespont met een klein, doch geoefend leger (± 40.000 man),
aangevoerd door bekwame officieren, en met een vloot van 160 schepen,
terwijl Antipater in Macedonië achtergelaten werd om Griekenland en
de noordelijke barbaren in bedwang te houden. De eerste ontmoeting
met de vijanden had plaats aan de rivier den Granicus, waarvan de
overzijde door een aanzienlijke perzische macht bezet gehouden werd;
niettemin trok Al. met geweld er over, versloeg de Perzen en ook hunne
grieksche huurtroepen en won met dien slag geheel Klein-Azië tot het
Taurusgebergte; wel verdedigde Miletus zich eenigen tijd en vorderde de
inneming van Halicarnassus zelfs een vrij lang beleg, maar de overige
grieksche steden ontvingen Al. vrijwillig of na korten tegenstand,
toen hij langs de kust naar het Zuiden en terug door Lycië, Pamphylië
en Pisidië naar Gordium, de oude hoofdstad van Phrygië, trok. In het
voorjaar van 333 van daar opgebroken, ging hij door Paphlagonië en
Cappadocië naar Cilicië, en toen Darius zelf hem daar trachtte tegen
te houden, versloeg hij in November bij Issus diens leger van 600,000
(?) man, nog versterkt door 30,000 grieksche huurlingen, in weerwil
van hun dapperen tegenstand. Na deze overwinning, waarbij een rijke
buit en ontelbare gevangenen, o.a. de moeder, vrouw en twee dochters
van Darius in handen der Macedoniërs vielen, veroverde Al. Syrië en
Phoenicië, waar Tyrus hem echter hardnekkig weerstand bood, zoodat hij
die stad eerst na een merkwaardig beleg van zeven maanden kon innemen
(332); evenzoo verdedigde zich Gaza geruimen tijd. In Aegypte werd
Al. daarentegen met open armen ontvangen. Van hier ondernam hij een
tocht door de libysche woestijn naar het orakel van Zeus Ammon, wiens
priester hem als een zoon van dien god begroette, en trok daarna naar
Azië terug. Zonder moeilijkheden ging hij over den Euphraat en den
Tigris, maar in de vlakte van Babylon ontmoette hij weder Darius met
zijn leger, dat nu uit 1,000,000 (?) man voetvolk en 40.000 ruiters
bestond; hoewel Al.'s leger nog geen 50,000 man sterk was, waagde
hij den aanval en behaalde hij in den slag bij Arbela en Gaugamela
(30 Sept. 331) de beslissende overwinning, die hem tot heer van Azië
maakte. Darius vluchtte naar Ecbatana, en toen verscheiden satrapen
zich bij den overwinnaar aansloten, en Al., na de onderwerping van
Susiana, de Uxiërs en Persis, ook naar Medië oprukte, trok hij zich
terug naar Bactrië, maar werd op weg door een van zijne satrapen,
Bessus, die den titel van koning en den naam van Artaxerxes IV
aannam, gevangen genomen. Toen Al. dit vernam, vervolgde hij Bessus
met versnelde marschen, en daar deze zich niet in staat zag met den
gevangen koning snel genoeg weg te komen, liet hij Darius, na hem
doodelijk verwond te hebben, op weg achter. De meeste perzische en
medische satrapen onderwierpen zich nu, en nadat Al. nog een tocht naar
Hyrcanië ondernomen en een opstand in Aria bedwongen had, vervolgde
hij Bessus, die eerst naar Sogdiana, later over den Oxus gevlucht was,
maar daar gevangen genomen en later aan een rechtbank ter veroordeeling
gegeven werd. De verovering van Bactrië en Sogdiana, waar een groot
aantal sterke vestingen één voor één genomen moesten worden, nam nog
geruimen tijd in beslag, en eerst in 327 kon Al. den veldtocht naar
Indië ondernemen. In weerwil van groote moeilijkheden trok hij met
een leger van 120,000 man, waaronder vele Aziaten, over den Indus,
Hydaspes, Acesines en Hydraotes, en ofschoon hij menigmaal hevig
verzet moest overwinnen, onderwierp hij alles op zijn weg. Eindelijk
bereikte hij den Hyphasis; hijzelf had gaarne zijne tochten nog verder
uitgestrekt, maar nu bleek het onmogelijk den onwil van zijn leger
tegen verdere ondernemingen te overwinnen; zelfs zijne bedreiging,
dat hij alleen met de goedgezinden over de rivier zou gaan en de
anderen aan hun lot overlaten zou, had geene uitwerking, en toen
nu ook de offerteekenen ongunstig waren, gaf hij toe. Nadat hij tot
den Hydaspes teruggetrokken was, ging hij verder met een vloot van
2000 schepen, die onder het bevel van Nearchus stond, de rivier af,
tot aan den mond van den Indus, terwijl het grootste gedeelte van
het leger langs de beide oevers marcheerde. De aan de rivier wonende
volken onderwierpen zich, alleen bij de Malli vond Al. tegenstand,
die eerst door de bestorming hunner hoofdstad gebroken werd. Nadat in
Augustus 325 de mond van den Indus bereikt was, zeilde de vloot naar
de perzische golf, terwijl de koning met het leger door Gedrosia naar
Carmania trok, waar hij na een tocht van zestig dagen door de gloeiende
zandwoestijn, en nadat een niet gering deel van het leger ten gevolge
van hitte, vermoeienissen en gebrek omgekomen was, behouden aankwam,
en waar hij ook Nearchus met de vloot aantrof. Hier zoowel als in
Persis, te Susa, Ecbatana en Babylon werden groote feesten gegeven,
de soldaten rijk begiftigd, de satrapen bestraft, die zich veelal,
daar niemand gedacht had, dat Al. ooit uit Indië terug zou komen,
aan onderdrukking en afpersing schuldig gemaakt hadden, kortom alles
gedaan wat Al. dienstig achtte tot de bevestiging der eenheid tusschen
de door hem geregeerde volken. Maar terwijl hij zich te Babylon met
groote plannen voor de toekomst bezig hield,--hij wilde Arabië en ook
Italië veroveren, groote vloten bouwen, enz.--werd hij door een ziekte
overvallen, die in weinige dagen (Juni 323) een einde aan zijn leven
maakte. Hij was slechts 33 jaar oud geworden, en stierf zonder een
rechtstreekschen opvolger na te laten. Zijn uitgestrekt rijk werd na
zijn dood de twistappel tusschen zijn voornaamste veldheeren en werd
eindelijk onder hen verdeeld, wat te gemakkelijker was, daar Al. zijn
ideaal, de versmelting van Grieken en barbaren tot één volk, slechts
voor een klein gedeelte bereikt had. Met dit oogmerk waren door hem
in verschillende deelen van het rijk nieuwe steden gesticht, meest
Alexandria genaamd, die, door Grieken en Macedoniërs bevolkt, zoowel
moesten dienen om het overwonnen land in bedwang te houden, als om
grieksche beschaving onder de onderworpen volken te verspreiden. De
voornaamste van deze, Alexandrië in Aegypte, werd na den val van
Tyrus spoedig, zooals de stichter ook bedoeld had, een middelpunt van
den wereldhandel en bleef lang eene van de belangrijkste steden der
oude wereld. Eveneens om de gelijkheid tusschen zijne onderdanen tot
stand te brengen, liet Al. reeds kort na den dood van Darius Aziaten
in zijne legers inlijven en op dezelfde wijze als de Macedoniërs
wapenen en oefenen, een maatregel die, zooals te begrijpen is,
bij Grieken en Macedoniërs hevige ontevredenheid verwekte, en toen
kort voor Al.'s dood te Opis van alle kanten van deze nieuwe troepen
aangebracht werden en de oude en onbruikbaar geworden soldaten naar
huis teruggezonden zouden worden, kwam het tot openlijk verzet (324),
waarbij de koning groote vastheid moest toonen om den weerspannigen tot
onderwerping aan zijn wil te brengen. In weerwil van dit voorval en
van de weigering der troepen om hun aanvoerder ook over den Hyphasis
te volgen, kan men zeggen dat Al. bij zijne soldaten zeer bemind
en hoog geëerd was. Niet in dezelfde mate was dit echter het geval
bij de hoogere officieren, die meer persoonlijk met hem in aanraking
kwamen, daardoor de minder aangename zijden van zijn karakter beter
kenden, en zich bovendien door Al.'s streven meermalen in hun trots
en in hunne belangen gekrenkt achtten. Inderdaad valt het niet te
ontkennen, dat Al., in zijn ijver om zijne nieuwe onderdanen niet
bij de oude achter te stellen, dikwijls meer aandacht aan de nieuwe
dan aan de oude schonk; het kon Grieken en Macedoniërs niet anders
dan onaangenaam aandoen, dat Al., die vroeger steeds de grieksche
afkomst van het macedonische koningshuis op den voorgrond gesteld had,
later de perzische teekenen der koninklijke waardigheid aannam; zijne
beweerde afkomst van Zeus Ammon kon door hen niet worden aangenomen,
zijne pogingen tot invoering der proskynesis konden bij hen geen
gunstig onthaal vinden. Zoo ontstond er dikwijls ontevredenheid in de
omgeving des konings, ja zelfs hoorde men nu en dan van samenzweringen,
die dan met gestrengheid onderdrukt en met den dood der verdachten
bestraft werden. Ten gevolge van zulke geruchten werden in 330 Philotas
en zijn oude vader Parmenio, beiden zeer verdienstelijke officieren,
in 327 verscheiden adellijke jongelieden en de wijsgeer Callisthenes
gedood. Doch in het veld wist Al. door zijn persoonlijken moed en
door zijn dikwijls grootmoedig gedrag tegenover overwonnen vijanden
aller liefde en bewondering te winnen, en meer dan eens bleek het, dat
zijne vrienden niet schroomden, wanneer hij zich al te zeer in gevaar
begeven had, hun leven voor het zijne te wagen. Want het is licht te
begrijpen, dat Al. bij zijne vele veldtochten dikwijls in levensgevaar
kwam; reeds bij den Granicus redde Clitus, dezelfde dien hij later in
dronkenschap doodde, hem het leven, door een perzisch ruiter den arm
af te houwen, die reeds het zwaard boven Al.'s hoofd opgeheven had;
bij het beleg van Gaza kreeg hij een vrij zware wond in den schouder,
en bij de bestorming van de hoofdstad der Malli, toen hij bij het
breken van een stormladder zich met slechts zeer enkelen boven op
den muur der vijanden bevond en, van alle kanten beschoten, geen
andere keus had, dan van den muur in de stad te springen, kreeg hij
een zeer gevaarlijke wonde in de borst en werd hij door Peucestes en
Leonnatus nauwelijks levend uit de handen der vijanden gered. Van zijn
kant gaf Al. menigmaal aan zijne vrienden blijken van gehechtheid en
waardeering; het is zelfs niet onmogelijk dat het wel wat overdreven
verdriet, waarvan hij blijken gaf na den dood van Hephaestion,
die kort voor hem overleed, zijn eigen dood verhaast heeft. Maar
meer dan dit, en misschien meer dan de buitengewone vermoeienissen,
waaronder Al. bijna zijn geheel leven had doorgebracht, hadden de
zwelgpartijen, waaraan hij zich in zijne latere levensjaren meer en
meer overgaf, zijne lichaamskracht ondermijnd, en zoo stierf hij in
den bloei van zijn leven aan eene ziekte, die aanvankelijk blijkbaar
niet van ernstigen aard was. Hij had drie aziatische vrouwen: Roxane,
Barsine, de oudste dochter van Darius, en Parysatis; van deze bracht
eerstgenoemde eenige maanden na zijn dood een zoon ter wereld, die naar
zijn vader Alexander genoemd werd.--8) Al. Aegus, zoon van Alex. den
G. en Roxane, eenige maanden na den dood van zijn vader geboren. Hij
werd tot koning uitgeroepen, en onder voogdij van Perdiccas, daarna
van Pithon, eindelijk van Antipater geplaatst. Antipater leverde in
320 hem met zijne moeder aan Philippus Arrhidaeus uit. In het volgende
jaar stierf Antipater en vluchtte Roxane met haar zoontje naar Epirus
tot hare schoonmoeder Olympias, maar later vielen zij weder in handen
van Cassander, die in 311 beiden in de gevangenis liet vermoorden.--9)
Al. Lyncestes, schoonzoon van Antipater, de eenige der deelnemers
aan de samenzwering tegen Philippus, die, door Alexander terstond
als koning te huldigen, zijn leven redde. Toen Al. naar Azië trok,
werd hij aanvoerder der thessalische ruiterij. Toch werd hij ook later
betrapt op onderhandelingen met Darius en van 334 gevangen gehouden,
totdat hij in 330, naar men zeide op aandringen van het leger,
gedood werd.--10) zoon van Cassander en Thessalonica, vluchtte nadat
zijne moeder door zijn broeder Antipater gedood was, naar Pyrrhus van
Epirus; met diens hulp en met die van Demetrius Poliorcetes verjoeg
hij Antipater. Toen Demetrius echter ook na Antipater's dood Macedonië
niet wilde verlaten, trachtte Al. hem uit den weg te ruimen, maar
Demetrius was vlugger en doodde hem in 294 bij een gastmaal.--11)
Al. I Balas, een man van lage afkomst, gaf zich voor een zoon van
Antiochus IV Epiphanes uit en nam, met goedvinden van den romeinschen
senaat, in 150 den troon van Syrië in bezit, nadat hij Demetrius Soter,
een neef van Antiochus, overwonnen had. In 145 werd hij echter door
diens zoon, Demetrius Nicator, verdreven en kort daarna vermoord.--12)
Alexander II Zabina (de slaaf), zoon van een aegyptisch koopman, gaf
zich voor een aangenomen zoon van Antiochus Sidetes uit en maakte
zich in 128 van den syrischen troon meester, maar werd in 122 door
Antiochus Grypus verslagen, door zijn volk verlaten en op last van den
overwinnaar gedood.--13) Al. Helius, zoon van M. Antonius en Cleopatra,
met zijne zuster Cleopatra door Octavia, de verlaten gemalin van
Antonius, opgevoed.--14) Al. Aetolus, treurspeldichter uit Pleuron,
de eenige aetolische dichter (bloeitijd ongeveer 280); hij was onder
Ptolemaeus Philadelphus aan de alexandrijnsche bibliotheek geplaatst
en werd onder de tragische pleias opgenomen. Ook dichtte hij elegieën,
waarvan nog eenige schoone fragmenten bestaan.--15) Al. Polyhistor,
geb. te Myndus in Carië, onderwezen te Pergamus, kwam als
krijgsgevangene naar Rome, doch werd door Cornelius Lentulus,
v. a. door Sulla, vrijgelaten (82), later werd hij de leermeester van
M. Crassus, dien hij op al zijne tochten vergezelde. Van zijne zeer
talrijke geschriften, voornamelijk van geschied- en aardrijkskundigen
inhoud, is niets behouden.--16) peripatetisch wijsgeer, geb. te Aegae,
leermeester van Nero.--17) van Abonitichos (z. a.), de leugenprofeet
door Lucianus gehekeld.--18) ho exegetes, zoo genoemd als verklaarder
en verdediger der leer van Aristoteles. Hij was geboren te Aphrodisias
in Carië en leefde onder Septimius Severus. Zijne werken zijn
grootendeels in latijnsche vertaling bewaard gebleven.--19) Alexander
Severus, Romeinsch keizer, z. Severi no. 2.

Alexandra = Cassandra.

Alexandria, Alexandreia. Er zijn niet minder dan tien steden van
dezen naam bekend, die alle haar ontstaan aan Alexander den Grooten
te danken hebben. De beroemdste is

1) Alexandria in Aegypte, volgens het plan van den bouwmeester
Dinocrates (v. a. Dinochares) in den winter van 332/1 op de smalle
landtong tusschen het mareotische meer en de middellandsche zee
gebouwd en dus uitstekend voor handel en verkeer gelegen. De stad had
een langwerpigen vorm, met rechte straten, die elkander rechthoekig
kruisten. De beide hoofdstraten, met vierdubbele zuilengangen
versierd, waren 14 meter breed. Hoewel in Aegypte gelegen en onder
de Ptolemaeën tot den zetel der regeering verheven, was Alexandrië
volstrekt geene aegyptische stad, maar eene wereldstad, waar
het grieksche en het joodsche element het meest vertegenwoordigd
waren. In het zuidwestelijke gedeelte, Rhacotis geheeten, woonde
de lagere volksklasse; daar vond men de acropolis en den beroemden
Serapis-tempel. De joden woonden meest in het noordoostelijk gedeelte,
terwijl het middengedeelte, Bruchium, het grieksche kwartier was,
waar men het koninklijk paleis, het gymnasium, het stadium, het museum
en andere openbare gebouwen vond. Een dam van zeven stadiën lengte,
heptastadion, liep van de stad naar het eilandje Pharus, op welks
ééne punt de beroemde vuurtoren stond, die in 283 door Ptolemaeus
Philadelphus was gebouwd en voor een van de zeven wonderen der
wereld gold. Ter weerszijden van het Heptastadium lagen twee havens:
de westelijke werd Portus Eunostus (Eunostos, haven der behouden
terugkomst) geheeten, en had nog eene binnenkom, kibotos (kast); een
kanaal voerde naar het mareotische meer. De oostelijke haven heette de
groote haven, portus maior. In het heptastadium waren twee overbrugde
doorvaarten. Eene binnenkom der groote haven heette de kleine haven
en diende tot ligplaats der koninklijke galeien. Alexandrië was ook
een brandpunt van wetenschap en geleerdheid. De beroemde bibliotheek
in Bruchium bevatte 90000 werken, met de dubbele exemplaren 400000
rollen uitmakende. Eene tweede bibliotheek in het Serapeum telde 42800
rollen. Bij den alexandrijnschen oorlog, dien Caesar na Pompeius' dood
hier te voeren had, ging de bibliotheek in het Serapeum door brand te
niet. Dit verlies werd later hersteld door de 200000 rollen uit de
bibliotheek van Pergamus, die Antonius aan Cleopatra ten geschenke
gaf. Doch ook deze verzameling ging met den tempel te gronde, toen
in 389 de christenen, door den aartsbisschop Theophilus tegen de
overblijfselen van het heidendom opgeruid, het Serapeum bestormden
en in brand staken. De groote boekerij werd in een vleugel van het
koninklijk paleis bewaard, en is waarschijnlijk in de troebelen der
jaren 272 en vv. voor een groot gedeelte vernield. Het nabijgelegen
Museum was een gebouw, waar beroemde geleerden in alle vakken van
wetenschap kosteloos huisvesting en onderhoud vonden en zich bezig
hielden met het ordenen, verklaren en verbeteren der handschriften
en met het verwerken der rijke stof, die in de bibliotheken lag
opgehoopt. Dit zijn de alexandrijnsche geleerden. Uit het streven naar
classificatie ontstonden de zoogenaamde canones (kanones) of lijsten
van de voortreffelijkste schrijvers en dichters op elk gebied, wier
werken tot richtsnoer moesten strekken voor het nageslacht. Zoo omvatte
b.v. de canon der tragische dichters de volgende namen: Aeschylus,
Sophocles, Euripides, Ion en Achaeus, die der geschiedschrijvers:
Herodotus, Thucydides, Xenophon, Theopompus, Ephorus, Anaximenes,
Callisthenes; die der redenaars: Antiphon, Andocides, Lysias,
Isocrates, Isaeus, Aeschines, Lycurgus, Demosthenes, Hyperides,
Dinarchus.

2) Alexandria in Arachosia, thans Kandahar.

3) Alexandria in Aria, thans Herat.

4) Alexandria aan den Caucasus d.w.z. aan den indischen Caucasus,
thans het gebergte Hindoe-koh.

5) Alexandria aan den Indus.

6) Alexandria bij Issus, op de syrisch-cilicische grenzen.

7) Alexandria aan den Oxus, in Bactria.

8) Alexandria in Sogdiane, het noordelijkste, daarom eschate genoemd,
aan den Iaxartes.

9) Alexandria in Susiane, later verdoopt in Antiochia, ten slotte
na een lateren herbouw Spasinu Charax geheeten, nabij de monding van
den Tigris. Zie Charax no. 1.

10) Alexandria Troas, op de kust van het vroegere trojaansche rijk,
tegenover het eiland Tenedos. De stad was door Antigonus vergroot en
heette toen een tijd lang Antigonia. Later werd zij eene bloeiende
romeinsche kolonie, die om hare ligging in het vermeende stamland
der Romeinen zeer begunstigd werd. Caesar en Constantijn de Groote
moeten er zelfs aan gedacht hebben, den zetel van het rijk daarheen
over te brengen.

Alexikakos, onheil afwerend, bijnaam van Apollo, soms ook aan andere
goden en heroën gegeven.

Alexis, Alexis, geb. omstreeks 372 te Thurii, doch atheensch
burger. Hij zou 106 jaar oud geworden zijn en 245 blijspelen geschreven
hebben, die natuurlijk niet alle even hoog gesteld kunnen worden,
maar over het algemeen, zooals de talrijk overgebleven fragmenten
aantoonen, geestig en smaakvol zijn. De in de nieuwe comedie zoo
belangrijke rol van den parasiet kwam, naar men zegt, het eerst in
een van zijne stukken voor.

Alfen(i)us Varus, uit Cremona, een rechtsgeleerde van grooten naam,
die eerst in zijne geboorteplaats het bedrijf van schoenmaker had
uitgeoefend. Waarschijnlijk is hij dezelfde, die, door Octavianus
met de akkerverdeeling in Transpadana belast, Vergilius zijn landgoed
liet behouden.

Algidus mons, een ruw en boschrijk gebergte in Latium, tusschen
Velletri en Tusculum, met eene bergvesting, Algidum, op een der
toppen. Zie Aequi.

Alimenti, zie Cincii.

Alipes, met gevleugelde voeten, bijnaam van Mercurius.

Aliphera, Alipheira of Aliphera, bergstad in het landschap Cynuria,
in het Zuidwesten van Arcadia, bezuiden den Alpheus. De inw. namen
deel aan den bouw van Megalopolis.

Aliptes, aleiptes, badknecht. Zie balneum.

Aliso, vesting, door Drusus aan de Luppia (Lippe) gesticht in het
jaar 11; v. s. heeft het gelegen bij Haltern, v. a. bij Oberaden,
ten W. van Hamm; in beide plaatsen is een Romeinsch kamp opgegraven.

Allia of Alia, van links invallend zijriviertje van den Tiber,
waarbij de Romeinen in 390, v. a. in 387, de beruchte nederlaag door
de Galliërs leden. Waarschijnlijk moet men het slagveld tegenover de
Allia, op den rechter Tiberoever zoeken. De dies Alliensis (18 Juli)
bleef steeds een dies ater.

Allifae, stad in Samnium aan den Volturnus, in eene vruchtbare
streek gelegen. Door de Romeinen ingenomen in 310, werd het eene
praefectura. Naar het schijnt was het bekend door de wijde bekers,
die men er vervaardigde.

Allobroges, oorlogzuchtig volk in Gallia Narbonensis, tusschen den
Rhodanus (Rhône) en de Alpen. Hunne hoofdstad was Vienna (Vienne). Na
harden tegenstand werden zij in 121 door Q. Fabius Maximus onderworpen,
die den bijnaam Allobrogicus kreeg. Het kostte echter voortdurend
moeite hen in onderwerping te houden.

Almo, beek, die even beneden Rome van links in den Tiber vloeit, en
waarin de priesters van Cybele jaarlijks het beeld der godin reinigden.

Almopi, Almopoi, of -pes, volksstam in het Noorden van Macedonia.

Aloadae, Aloidae, Aloadai, Aloeidai, Otus en Ephialtes, de zonen
van Iphimedea en Poseidon of Aloeus. Zij waren geweldige reuzen,
die op hun negende jaar 9 el dik en 27 el lang waren, en traden
vijandig tegen de goden op. Ares hielden zij eens dertien maanden in
ketenen, totdat Hermes, door hun stiefmoeder Eriboea gewaarschuwd,
hem bevrijdde. Zij dreigden den Ossa op den Olympus en den Pelion op
den Ossa te stapelen en zoo den hemel te bestormen; toen echter Otus
de hand van Artemis en Ephialtes die van Hera eischte, werden zij
door Apollo met pijlen doorboord.--V. a. bewerkte Artemis hun dood
door in de gedaante eener hinde tusschen hen heen te springen, toen
namelijk beiden te gelijk hunne speren naar dit dier wierpen, troffen
zij elkander doodelijk. In de onderwereld stonden zij ruggelings met
slangen aan een zuil gebonden, waarop een uil zit, die hen door zijn
aanhoudend gekrijsch kwelt. In een ander verhaal komen zij voor als
beschaving verbreidende heroën, die den muzendienst aan den Helicon
ingevoerd, en Ascra e. a. steden gesticht zouden hebben.

Alociae, Alokiai, eilanden aan de Sleeswijksche Westkust, de
tegenwoordige Halligen.

Aloeus, Aloeus, zoon van Poseidon en Canace, met Iphimedea gehuwd. De
Aloadae zijn naar hem genoemd.

Alogiou graphe, aanklacht tegen beambten, die geen rekening en
verantwoording van hun beheer hadden afgelegd (z. Euthynai). De
aanklacht werd waarschijnlijk bij de logisten ingediend, de straf
is onbekend.

Alope, Alope, dochter van Cercyon, werd bij Poseidon moeder van
Hippothoon. Het kind werd te vondeling gelegd en door herders
opgenomen; toen deze echter twist kregen over het kleed, waarin
het kind gewikkeld was, riepen zij Cercyon als scheidsrechter
in, die het kleed zijner dochter herkende en dus de geheele zaak
ontdekte. Vertoornd liet hij zijn dochter levend begraven, maar
Poseidon veranderde haar in de bron Alope in Eleusis.

Alope, Alope, 1) stad in Locris tegenover Euboea.--2) stad in
Thessalia, aan de Zuidkust van Achaia Phthiotis, tusschen Larisa
Cremaste en Echinus.--3) bron bij Eleusis, genoemd naar de schoone
Alope (z.a.).

Alopece, Alopeke, Alopekai, demus van Attica ten oosten van Athene. Uit
dezen demus stamde Socrates.

Alopeconnesus, Alopekonnesos (vosseneil.), stad op de westzijde van
de thracische Chersonesus.

Alpenus, Alpenos, Alpenoi, stad in Locris ten oosten van de
Thermopylae.

Alpes, Alpeis, van het keltische alb = hoog, de bekende bergmassa,
die nog dezen naam draagt. Toppen schijnen de ouden slechts zeer
weinige bij naam gekend te hebben. De verschillende takken vindt men
nu eens met het enkelvoud Alpis, dan weder met het meervoud Alpes
aangewezen. De zuidelijke hellingen der Alpen werden eerst bij Italië
ingelijfd onder Augustus, die tegen sommige bergvolken een zwaren
strijd voerde.

Alpes maritimae, parathalassidiai, de Zeealpen, tot aan den mons
Vesulus (M. Viso).

Alpes Cottiae, aldus genoemd naar koning Cottius, die daar een rijkje
had en zich aan Augustus onderwierp. Zij liepen tot den mons Cenisius
(M. Cenis). Alpis Cottia = Mont Genèvre.

Alpes Graiae, waarover waarschijnlijk Hannibal trok. De naam hangt
samen met dien der Graioceli, die aan de westzijde woonden. Alpis
Graia = kleine St. Bernhard.

Alpes Poeninae, aldus genoemd naar een keltischen god Poeninus, die op
den mons Poeninus, ook Alpis Poenina geheeten (grooten St. Bernhard)
een tempel had en door de Romeinen met Jupiter werd vereenzelvigd.

Alpes Lepontiae, tot aan den mons Adula (z.a.), naar het volk der
Lepontii genoemd.

Alpes Tridentinae, de Tiroler en Tridentinische Alpen, naar de stad
Tridentum (Trente of Trient).

Alpes Raeticae en Noricae, naar de landschappen Raetia en Noricum.

Alpes Carniae, naar het volk der Carni, ten O. van de Alpes
Tridentinae.

Alpes Venetae, waarover Caesar een weg baande, naar wien zij ook
Alpes Iuliae geheeten worden.

Alpes Dalmaticae, langs de Adriatische zee.

De Romeinen hadden verscheidene wegen over de Alpen aangelegd; de
meest bezochte was die, welke over de Cottische Alpen en de Alpis
Cottia (mont Genèvre) naar Gallia Transalpina voerde.

Alphesiboea, Alphesiboia, ook Arsinoë genaamd, dochter van Phegeus,
gemalin van Alcmaeon. Toen Alcmaeon door hare broeders gedood
was, en zij hun deze daad telkens verweet, werd zij door hen aan
Agapenor van Tegea overgegeven met de beschuldiging, dat zij den
moord gepleegd had. Hier vond zij den dood. V. a. doodde zij hare
broeders uit wraak.--2) moeder van Adonis.--3) ook Anaxibia genoemd,
dochter van Bias en Pero, gemalin van Pelias.--4) indische nimf,
die door Dionysus bemind werd, maar hem weerstand bood tot hij zich
in een tijger veranderde en haar zoo beangstigde, dat zij zich over
de rivier, die daarnaar Tigris heet, liet dragen.

Alpheus, Alpheios, de voornaamste rivier in de Peloponnesus,
die in Arcadië ontspringt, door Elis en langs Olympia naar zee
stroomt. Mythisch is Alph. een zoon van Oceanus en Tethys. De
omstandigheid dat het water der rivier gedurende haar loop eenige
malen onder de aarde verdwijnt en verderop weder te voorschijn komt,
gaf aanleiding tot de meening, dat de god zich ook onder de zee een
weg wist te banen naar Ortygia, om daar zijne wateren met die van de
bron Arethusa te vereenigen. Deze bron zou namelijk vroeger een Nereïde
geweest zijn, voor welke Alph. een vurige liefde opvatte, die echter
onbeantwoord bleef; toen nu eens Alph. uit zijne wateren oprees en haar
vervolgde, vluchtte zij zoolang zij kon, maar toen de krachten haar
begaven, riep zij Artemis om hulp aan, die haar in een bron veranderde
en naar Ortygia verplaatste.--V. a. vervolgde Alph. Artemis zelve tot
Ortygia of tot Letrini in Elis, waar zij zich met slijk besmeerde om
zich onkenbaar te maken; op beide plaatsen was een tempel van Artemis
Alpheaea, te Letrini met een beeld van zwart marmer.

Alsium, oude etrurische stad, haven van Caere, later rom. kolonie,
met een landgoed van Pompeius, Alsiense.

Altare, zie Ara.

Althaea, Althaia, dochter van Thestius en Eurythemis, echtgenoote
van Oeneus, moeder van Meleager (z.a.), na wiens dood zij zichzelve
om het leven bracht.

Althaemenes, Althaimenes, zoon van Catreus, koning van Creta; daar
een orakel voorspeld had dat hij zijn vader zou dooden, verliet
hij met zijn zuster Apemosyne zijn vaderland en begaf hij zich naar
Rhodus. Daar leefde hij geruimen tijd rustig en door zijn medeburgers
geacht. Intusschen kon zijn vader zijn gemis niet verdragen, en ging
hij eindelijk zelf naar Rhodus om hem te halen en hem de regeering
over te geven. Toen hij nu met zijn gevolg des nachts op Rhodus wilde
landen, hielden de inwoners hen voor vijanden en trachtten zij hun het
landen te beletten; er ontstond een gevecht, waaraan ook Alth. deelnam
en waarbij hij zijn vader doodde zonder hem te kennen. Toen hij nu
merkte dat het orakel vervuld was, zwierf hij op eenzame plaatsen
rond, totdat hij van droefheid stierf.--V. a. zoude op zijn gebed de
aarde zich geopend en hem verzwolgen hebben. De Rhodiërs vereerden
hem later als heros.

Altinum, welvarende koopstad in het land der Veneti, aan de adriatische
zee. Het was de stapelplaats voor den handel tusschen Italië en het
Noorden, en was omringd door tal van prachtige villa's, weshalve
het het Baiae van het Noorden werd genoemd. Toen Attila in 452
n. C. Altinum en Aquileia verwoestte, stichtten de vluchtelingen
op de eilandjes aan den mond van den Medoacus (Brenta) de latere
stad Venetië.

Altis, Altis, het heilige bosch bij Olympia.

Aluntium of Haluntium, stad aan de noordkust van Sicilia op een hoogte
gelegen, met veel wijnteelt.

Alveus. Dit woord geeft in het algemeen een uitgehold of buikvormig
voorwerp te kennen: een bak, het hol eener boot of schuit, een bekken,
een bijenkorf, enz. Het beteekent ook een speelbord of speeltafel met
opstaanden rand, alsmede een badkuip. In de badhuizen vond men groote
in den vloer gemetselde badkuipen voor warme baden met zitplaatsen
aan het eene einde, zóó dat het water tot aan den hals kwam.

Alyattes, Alyattes, zoon van Sadyattes, vader van Croesus, koning van
Lydië (612-563). Evenals zijn vader beoorloogde hij Miletus, maar hij
moest vrede sluiten om zich te kunnen verdedigen tegen de Mediërs,
die onder koning Cyaxares uit het oosten voorwaarts drongen. De
oorlog werd echter, voor het tot een slag kwam, ten gevolge eener
zonsverduistering, die van 28 Mei 585, door Thales voorspeld, door
een verdrag geëindigd. In de laatste jaren zijner regeering hervatte
hij zijne aanvallen op de grieksche steden in Kl.-Azië en veroverde
hij Smyrna en Colophon. Zijn kolossaal graf bij Sardes bestaat,
naar men meent, nog.

Alyzia, Alyzia, acarnanisch zeestadje.

Amafinius (C.), epicureïsch wijsgeer vóór Cicero's tijd en een der
eerste schrijvers bij de Romeinen over wijsbegeerte. Hij wordt door
Cicero ongunstig beoordeeld wegens zijn slechten stijl.

Amalthea, Amaltheia, 1) de geit die Zeus op Creta zoogde. Toen zij eens
door tegen een boom te stooten een hoorn brak, nam een nimf dien op,
vulde hem met vruchten, omwond hem met versche kruiden en gaf hem aan
Zeus; deze gaf haar echter den horen terug met de belofte dat zij alles
wat zij wenschte er uit zou kunnen krijgen.--V. a. is Amalthea de naam
van deze nimf, die Zeus met de melk der geit zou opgevoed hebben. De
horen werd zoo de beroemde horen van overvloed (cornu copiae). Later
gaf Amalthea hem aan Achelous, die zijn eigen horen, in een gevecht
met Heracles afgebroken, daartegen inruilde.--2) een Sibylle van Cumae.

Amaltheum, ook Amalthea, landgoed van T. Pomponius Atticus in Epirus,
aldus geheeten naar een vroeger daar aanwezig heiligdom der nimf
Amalthea. Het was rijk aan plataanboomen. Naar het model van Atticus
legde Cicero te Arpinum een dergelijk zomerverblijf aan.

Amanicae portae, Amanikai pylai, naam van twee bergpassen in het
Amanusgebergte, z. Amanus.

Amantia, Amantia, stad in het Noorden van Epirus, nabij Oricum.

Amanus, Amanos, een hoog en steil gebergte, dat zich in het noordoosten
van Cilicia van den Taurus afscheidt en in twee takken het dal aan de
golf van Issus insluit. De bergpas in den westelijken tak, waardoor
Alexander de Groote uit de cilicische vlakte het dal van Issus
binnentrok heet pylai Amanikai of Amanides. In den oostelijken tak
lagen de pylai Kilikias kai Syrias, die Cyrus de jongere op zijn tocht
tegen Artaxerxes Mnemon doortrok, en die van weerszijden versterkt
waren, waarop, indien men als Alexander den weg naar Phoenice insloeg,
nog een pas, portae Syriae, volgde. Noordelijker in den oostketen lag
de pas, waardoor koning Darius in den rug van Alexanders leger kwam,
zoodat deze terug moest trekken om den vijand te ontmoeten. Deze
noordelijke pas wordt ook slechts aangewezen door den naam portae
Amanicae. De Amanus was een waar rooversnest, waar zich in den
romeinschen tijd de zoogenaamde Eleutherocilices of vrije Ciliciërs
ophielden. Cicero voerde als stadhouder van Cilicia strijd tegen hen
en verwierf zich den titel van imperator.

Amardi of Mardi, Amardoi, Mardoi, een oorlogzuchtige en machtige stam
in Media, ten Z. van de Caspische zee.

Amarynceus, Amarynkeus, zoon van Onesimachus of Alector of Pyttius,
koning der Epeërs. Hij stond Augias bij in zijn strijd tegen Heracles
en werd daarvoor door hem tot mederegent aangenomen.

Amarynthus, Amarynthos, vlek aan de W.-kust van Euboea, behoorende
tot het gebied van Eretria, met een beroemden Artemistempel.

Amasenus, riviertje in Latium, dat door de pontijnsche moerassen liep
en zich in den Ufens (z.a.) ontlastte.

Amasia, beter Amasea, Amaseia, versterkte stad in Pontus, residentie
der pontische koningen, geboorteplaats van den geograaf Strabo. Door
de stad stroomde de Iris. De hooggelegen burcht werd voor onneembaar
gehouden.

Amasis, 1) Amosis, eerste koning van de 18de aegyptische dynastie,
die de Hyksos uit Aegypte verdreven heeft. Daar men de Hyksos als
stamvaders der Israëlieten beschouwde, wordt Amasis (Amosis) vaak
bij Joodsche en Christelijke schrijvers genoemd.--2) Amasis, een
Aegyptenaar van lage afkomst, vertrouwde van koning Apriës. Toen hij
eens door dezen was uitgezonden om een opstand in het leger te dempen,
vereenigde hij zich met de opstandelingen; Apriës werd onttroond
en Am. tot koning verheven (569). Hij bevorderde de vestiging der
Grieken in Aegypte, gaf hun Naucratis, en trouwde zelfs met eene
cyrenaeïsche vrouw. Onder hem bereikte Aegypte den hoogsten bloei,
aan een oorlog met Nebucadnesar wist hij zonder verlies een einde te
maken, maar daar hij zijn bondgenoot Croesus tegen Cyrus had geholpen
of had willen helpen, haalde hij zich de vijandschap van dezen op den
hals, en ook om deze reden viel Cambyses later Aegypte aan. Am. stierf
echter nog voor dien tijd (526).--3) Schilder van zwartfigurige vazen,
omstreeks het midden van de 6de eeuw, te Athene.

Amastris, Amestris, Amestrine, Amastris, Amestris, Amastrine, 1)
gemalin van Xerxes, moeder van Artaxerxes I, om haar wreedheid
berucht.--2; dochter van een broeder van Darius Codomannus. Bij de
groote bruiloft te Susa werd zij aan Craterus tot vrouw gegeven. In
322 scheidde zij van hem en huwde zij met Dionysius, den tyran van
Heraclea, en na diens dood (306) met Lysimachus van Thracië (302). Toen
deze haar twee jaar later verstooten had, regeerde zij over Heraclea,
totdat zij door haar eigen zoons vermoord werd (285). De groote schoone
stad Sesamus, op eene landengte in Paphlagonië gelegen, werd door
haar tot residentie gekozen, vergroot en naar haar Amastris genoemd.

Amastris, Amastris, stad in Paphlagonië, vroeger Sesamus, door Amastris
no. 2 (z. a.) tot residentie gekozen.

Amata, echtgenoote van koning Latinus, had hare dochter Lavinia
aan Turnus, koning der Rutuliërs, toegezegd en verzette zich tegen
Lavinia's huwelijk met Aeneas. Na Turnus' dood hing Amata zich
op. Zie Aeneas.

Amathus, genit. -untis, Amathous, 1) overoude phoenicische stad op
de zuidkust van Cyprus, met een beroemden tempel voor Aphrodite en
Adonis, en met kopermijnen in de nabijheid.--2) plaats in Palaestina,
van den stam Gad, in Peraea.

Amatius, zie Marii no. 5.

Amazones, Amazones, Amazonides, een mythisch volk van krijgshaftige
vrouwen, in en om de stad Themiscyra gevestigd. Zij duldden geen
mannen bij zich dan voorzoover dit voor de instandhouding van haar
geslacht noodzakelijk was, de mannelijke kinderen werden gedood of
aan hun vaders gezonden. Soms worden zij dochters van Ares genoemd;
of zij zouden hare mannen deels gedood, deels verjaagd hebben, of zij
worden beschouwd als de overgebleven vrouwen van een scythisch volk,
waarvan de mannen allen in den oorlog omgekomen waren. Nevens Ares
vereerden zij alleen Artemis Tauropolus. In zeer oude tijden deden de
Amazonen groote veroveringstochten naar Thracië, Syrië en Klein-Azië,
waar zij ook verscheiden steden stichtten, zooals Ephesus e. a. Het
graf van een harer koninginnen, Myrina, was bij de stad Troje te
vinden. Met de grieksche heroën kwamen zij dikwijls in aanraking. Bij
een veldtocht naar Lycië werden zij door Bellerophon verslagen,
en toen zij in Phrygië een inval gedaan hadden, streed Priamus,
toen nog een jong man, als bondgenoot der Phrygiërs tegen haar. Een
van de werken van Heracles was dat hij den gordel van Hippolyte,
de koningin der Amazonen, haalde, waarbij hij met het geheele volk
te strijden had. Ook Theseus beoorloogde de Amazonen, hetzij op eigen
hand, hetzij als bondgenoot van Heracles; bij die gelegenheid won hij
de liefde van Antiope, de zuster van Hippolyte, en voerde haar mede
naar Athene. De andere Amazonen deden daarop een inval in Attica, maar
werden teruggeslagen. Na den dood van Hector kwamen zij Priamus te hulp
en streden zij dikwijls dapper tegen de Grieken, totdat de koningin
Penthesilea door Achilles gedood werd.--Nog ten tijde van Alexander den
G. wordt eene koningin der Amazonen, Thalestris, genoemd. Overigens
komen zij in den historischen tijd niet voor; men verhaalde dat zij,
niet bestand tegen de aanvallen der grieksche helden, naar Libye
verhuisd waren, of dat zij eindelijk hun eigenaardige leefwijze
hadden laten varen, zich met scythische jongelingen verbonden en
met hen het volk der Sauromaten voortgebracht hadden. Zij worden
dikwijls in oude beeldhouwwerken voorgesteld als sterke vrouwen met
een krijgshaftig uiterlijk, gewapend met speer, strijdbijl, schild,
pijl en boog, een gordel om de heupen en een zwaard aan een bandelier
over de borst hangend, maar nergens vindt men het verhaal bevestigd dat
zij de jonggeboren meisjes de rechterborst zouden afgebrand hebben,
opdat zij later gemakkelijker den boog zouden kunnen spannen, zoodat
dit verhaal slechts als een mislukte poging tot verklaring van den
naam Amazonen (als = amazoi) kan beschouwd worden.

Ambarri, volk in Gallia Transpadana ten W. van de Rhône, en aan beide
zijden van den Arar (Saône). Lugdunum (Lyon) lag in hun gebied.

Ambarvalia, een jaarlijksch landelijk feest, in Mei, waarbij de
landlieden een offer aan Ceres (vroeger aan Mars) brachten voor het
goed gedijen der veldvruchten. Het offerdier werd, alvorens geslacht te
worden, de velden rondgeleid; vandaar de naam. Zie ook Arvales fratres.

Ambiani, volk in Belgica. Hun naam is nog te herkennen in het
tegenwoordig Amiens, vroeger Samarobriva, aan de Samara (Somme).

Ambibarii, gallisch volk aan het Kanaal.

Ambiorix, aanvoerder der Eburones, die langs de Mosa (Maas) woonden
(van Namen tot Roermond). In den winter van 54/53 bewerkte Ambiorix
een opstand der Eburonen tegen Caesar en sleepte ook de Nerviërs
hierin mede.

Ambilareti, zie Ambivareti.

Ambitus. Oorspronkelijk beteekent dit woord alleen het rondgaan en het
aanspreken der menschen, ten einde hen om hunne stem te verzoeken; doch
allengs kreeg het de beteekenis van stemmenwerving door ongeoorloofde,
strafbare middelen. Omkooping bij verkiezingen werd te Rome op
groote schaal gedreven. Er waren geheime stemmenmakelaars, divisores,
interpretes, die tegen betaling op zich namen een zeker aantal stemmen
voor dezen of genen candidaat te leveren, en ook de politieke clubs,
sodalicia, speelden in de omkoopingen eene groote rol. Strenge wetten
hielpen niet; of de schuldigen bedreigd werden met zware boeten,
met verbanning, met uitsluiting van alle ambten, het kwaad bleef
voortwoekeren, totdat de monarchie aan de verkiezingen door het volk
een einde maakte. Wel hadden er toen nog bij den senaat en later bij
de keizerlijke ambtenaren en gunstelingen kuiperijen plaats om een
of ander ambt te verkrijgen, doch deze ambitus was niet stelselmatig
georganiseerd, zooals onder de republiek.

Ambivareti, Ambilareti of Ambluareti, gallisch volk, cliënten der
Aeduërs.

Ambivariti, belgisch volk aan de Maas, in den omtrek van het
tegenw. Namen.

Ambivius Turpio (L.), beroemd tooneelspeler ten tijde van Terentius.

Ambracia, Ambrakia, en Ambracius sinus. De ambracische golf, thans
golf van Arta, is een inham der ionische zee, tusschen Acarnania en
Epirus. Ten noorden daarvan, aan den Arachthus, lag de stad Ambracia
(Arta), eene Corinthische volksplanting, ± 660 gesticht. De stad
kwam spoedig tot bloei, en beheerschte den omtrek, maar in 426 leden
de inwoners een zware nederlaag tegen de verbonden Acarnaniërs en
Atheners. Koning Pyrrhus van Epirus verhief Ambracia tot residentie
en versierde het met fraaie gebouwen. In 189 werd de stad door
M. Fulvius Nobilior (zie Fulvii no. 11) veroverd, en werden de
kunstwerken naar Athene vervoerd. Augustus bracht de bevolking van
Ambracia gedeeltelijk over naar Nicopolis, dat door hem aan de kust
gesticht werd ter gedachtenis aan den zeeslag bij Actium.

Ambrones, Ambrones, waarschijnlijk een germaansche stam, die zich
bij de Teutones aansloot en met dezen door C. Marius in 102 bij Aquae
Sextiae verslagen werd.

Ambrosia, Ambrosia. 1) Evenals ambrosios als bepaling wordt toegevoegd
aan allerlei zelfstandigheden die ten gebruike der goden of van
goddelijke wezens dienen, zoo worden sommige van die zelfstandigheden
zelve ambrosia genoemd, bijv. zalfolie der goden, voeder voor hunne
paarden, enz. Later was ambrosia in het bijzonder de spijs der goden,
terwijl zij volgens oudere begrippen alleen den godendrank, nectar,
gebruikten, die ook soms ambrosia genoemd wordt.--2) eene der Hyaden,
die Dionysus te Dodona opvoedden.

Ambrosus, Ambrysus, Ambrosos, Ambrysos, Amphrysos, stad in Phocis,
ten zuiden van den Parnassus. Niet ver vandaar lag de driesprong,
waar Oedipus zijn vader Laius doodde.

Ambubaiae, vrouwelijke muzikanten, tevens danseressen, die in herbergen
en publieke plaatsen optraden en niet in den besten reuk stonden. De
naam schijnt uit het Syrisch te zijn afgeleid.

Ambulatio, een wandelweg, hetzij overdekt (= porticus) in particuliere
huizen, en in de stad, hetzij onoverdekt, op buitenplaatsen (=
xystum, z. a.). In het krijgswezen beteekent het de oefening in
het marcheeren. De gewone pas heet plenus gradus, de versnelde pas
decursio.

Amburbium, een reinigingsfeest, waarbij, evenals bij de Ambarvalia
(z. a.) de akkers, de stad gereinigd werd door de offers er om heen te
dragen, en dan te slachten. Het feest komt nog in den laten keizerstijd
voor, en wordt gewoonlijk op den 2den Febr. gevierd.

Ambusti, zie Fabii no. 8-13.

Amenanus, Amenanos, riviertje op Sicilia, dat door Catana stroomde
en nu en dan uitdroogde.

Ameria, oude stad in Umbria, romeinsch municipium, met wijnbergen,
de geboorteplaats van S. Roscius (z. Roscii no. 1).

Amestratus, Amestratos, stad op de noordkust van Sicilia, dicht
bij Calacte.

Amida, thans Diarbekir, stad in Armenia in het landschap Sophene
nabij de bronnen van den Tigris. Onder keizer Constantius werd het
een belangrijke vesting. In 359 na Chr. werd de stad door Sapor,
den koning van het Nieuw-Perzische rijk ingenomen.

Aminias, Ameinias, Athener, die na den slag bij Salamis met den prijs
der dapperheid bekroond werd. V. s. was hij een broeder van Aeschylus.

Amipsias, Ameipsias, atheensch blijspeldichter; ofschoon Aristophanes,
wiens tijdgenoot hij was, met minachting over hem spreekt, behaalde
hij in 414 den eersten prijs.

Amisia, thans de Eems. De Bructeri werden in 12 door Drusus in een
scheepsgevecht op deze rivier verslagen.

Amisus, Amisos, aanzienlijke pontische stad, aan den sinus Amisenus,
eene golf der Zwarte zee. De stad was eene der residentiën van koning
Mithradates VI.

Amiternum, oude stad der Sabijnen, geboorteplaats van den
geschiedschrijver Sallustius.

Ammianus Marcellinus, een Griek uit Antiochia in Syria, die tot
omstreeks 400 na C. leefde. Tijdens keizer Constantius diende hij
in het aanzienlijke corps der protectores domestici, en maakte als
adjudant van den magister equitum Ursicinus al diens veldtochten
(353-360) mede; in 363 nam hij deel aan den Perzischen veldtocht van
keizer Julianus. Daarna woonde hij langen tijd ambteloos te Antiochia,
tot hij ten slotte na lange reizen zich te Rome vestigde. Daar schreef
hij een zeer belangrijk en uitvoerig verhaal der gebeurtenissen van
den dood van Domitianus tot op dien van Valens (96-378), rerum gestarum
libri XXXI, waarvan echter de eerste 13 boeken verloren zijn. Hetgeen
over is, omvat den tijd van 353 tot 378.

Ammon, Ammon, een aegyptisch god, die later door Grieken en
Romeinen als Zeus of Jupiter vereerd werd. Zijn voornaamste tempel
met orakel, in de oase Ammonium in de woestijn Sahara gelegen, werd
door Alex. d. G. bezocht. Hij werd voorgesteld als een ram, of met
een ramskop op een mannelijk lichaam. Wanneer het orakel geraadpleegd
werd, droegen de priesters het beeld van den god rond in een verguld
scheepje, waarin aan beide kanten zilveren schalen hingen, terwijl
vrouwen en meisjes het volgden en in een eenvoudig lied den god om
een duidelijk antwoord smeekten.

Ammonium, Ammoneion, de oase der libysche woestijn, waar de tempel
van Jupiter Ammon stond.

Ammonius, Ammonios, 1) academisch wijsgeer uit de 2de helft van de
eerste eeuw na C., leeraar van Plutarchus.--2) gewoonlijk naar zijn
vroeger beroep Sakkas, (zakkendrager), door anderen Theodidaktos
genoemd, leefde tusschen 175 en 250 na C. te Alexandrië. Om
het christendom, waartoe hij aanvankelijk zelf behoord had, te
bestrijden, vereenigde hij de leerstellingen der oude wijsgeeren,
vooral van Plato en Aristoteles, tot een nieuw stelsel, de zoogenaamde
nieuw-platonische leer. Hij vormde vele leerlingen, die later naam
verworven hebben, o.a. Plotinus en Longinus. Ook Origenes behoorde
tot zijn leerlingen.--3) grammaticus, leefde omstreeks 400 na C. te
Alexandrië; hij schreef een werk over synonymen, dat bewaard gebleven
is. Waarschijnlijk is het werk oorspronkelijk van Herennius Philo
(zie Philo no. 8), en heeft Ammonius het slechts overgewerkt.

Amnestia, lex oblivionis, eene verklaring die soms na eene omwenteling
door de overwinnende partij gegeven werd, waarbij zij beloofde
het kwaad, haar door de tegenpartij aangedaan, niet te gedenken
(me mnesikakesein), zoodat niemand voor hetgeen hij in dien tijd als
staatsman gedaan had vervolgd konde worden. Vooral wordt dikwijls de
amnestie genoemd die, op raad van Thrasybulus, na de verdrijving der
dertig uit Athene (403) gegeven werd.

Amnisus, Amnisos, havenstad van Cnossus, op Creta.

Amompharetus, Amompharetos, een spartaansch lochaag, die in den
slag bij Plataeae roemrijk sneuvelde, nadat hij door zijn onwil
om tegenover de vijanden zijn plaats te verlaten de bewegingen der
Spart. vertraagd had.

Amor, z. Eros.

Amorgus, Amorgos, een der Sporadische eilanden in de Aegaeische zee,
geboorteplaats van den iambendichter Simonides (de lierdichter was
van Ceos). Onder de Romeinsche keizers was Amorgus een verbanningsoord.

Ampelius (L.), schrijver uit den keizertijd van een boek, getiteld
liber memorialis, dat in het kort handelt over kosmographie,
geographie, mythologie en geschiedenis.

Ampelus, Ampelos, Satyr uit het gevolg van Dionysus, die in een
wijnstok veranderd werd.

Ampelus, Ampelos, naam van drie kapen, op Chalcidice, op Samus en op
de oostkust van Creta.

Ampelusia, kaap van Mauretania nabij het fretum Gaditanum (straat
van Gibraltar).

Amphea, Ampheia, grensstad van Messenia. De roof van laconische
meisjes, in den nabijgelegen tempel van Artemis door messenische
jongelingen gepleegd, deed den eersten messenischen oorlog uitbreken.

Amphianax, Amphianax, koning van Lycië. Hij gaf aan Proetus, die door
Acrisius uit Argolis verdreven was, zijne dochter tot vrouw en voerde
hem naar zijn vaderland terug. Sedert bleef hij in Tiryns wonen,
dat de Cyclopen voor hem met een muur omgaven.

Amphiaraides, Amphiaraïdes, Alcmaeon, de zoon van Amphiaraus.

Amphiaraus, Amphiaraos, zoon van Oïcles of Apollo en Hypermnestra,
beroemd argivisch profeet en dapper held, zooals hij bij de
calydonische jacht en bij den Argonautentocht toonde. Hij had eerst
Adrastus uit Argos verdreven, maar later verzoenden zij zich en huwde
Amph. met Eriphyle, de zuster van Adrastus, bij wie hij twee zoons,
Alcmaeon en Amphilochus, en twee dochters, Eurydice en Demoanassa,
had. Toen Adrastus den tocht tegen Thebe ging ondernemen, hield
Amph. zich schuil, daar hij voorzag dat hij zou omkomen, indien hij aan
dien tocht deel nam. Maar Eriphyle, omgekocht door het gouden halssnoer
van Harmonia, verried hem en dus was hij genoodzaakt mede te gaan. Voor
zijn vertrek droeg hij aan zijn zonen op hem te wreken. In weerwil van
zijne heldendaden werd Amph. toch bij de vlucht van de belegeraars
meegesleept en zou hij in de handen der vijanden gevallen zijn, zoo
niet Zeus de aarde door een bliksemstraal had doen opensplijten,
zoodat de vrome held door de opening verzwolgen werd. Bij Oropus,
waar hij als god uit de aarde opgestegen zou zijn, was later een
zeer rijke tempel, waarbij de bron van Amph. gelegen was, met een
beroemd orakel. Zij die dit orakel kwamen raadplegen, offerden een
zwarten ram en sliepen 's nachts in den tempel op de vacht daarvan;
in hunne droomen ontvingen zij dan de mededeelingen van den god. Ook
bij Thebe waar hij in de aarde verdwenen was, en op andere plaatsen
waren tempels van Amph.

Amphicaea, Amphiclea, Amphikaia, Amphikleia, stadje in Phocis, aan
den noordelijken voet van den Parnassus gelegen.

Amphictyon, Amphiktyon, 1) koning van Athene. Hij huwde met eene
dochter van den attischen koning Cranaüs en verdreef zijn schoonvader
om in zijne plaats te regeeren, maar na twaalf jaren werd hij op
zijne beurt door Erichthonius verjaagd. Aan de gastvrije ontvangst die
Dionysus bij hem ten deel viel, schreef men de verplaatsing van den
Dionysusdienst van Eleutherae naar Athene toe.--2) zoon van Deucalion
en Pyrrha, de stichter van het Amphictyonenverbond.

Amphictyones, Amphiktyones, zooals gewoonlijk geschreven wordt,
of Amphiktiones, zooals waarschijnlijk de juistere spelling is,
heetten de volken, die rondom een voornamen tempel woonden, wanneer
zij zich tot een verbond (Amphictyonie, Amphiktyonia) vereenigd
hadden, waarvan het doel was dit heiligdom te beschermen. Uit
zulk eene overeenkomst ontstonden licht weder andere betrekkingen,
vooral verbonden zich de leden der Amphictyonie tegenover elkander
zekere regels van het volkenrecht in acht te nemen. De beroemdste
Amphictyonie is die van Delphi en Thermopylae, die dikwijls kortweg de
Amphictyonie genoemd wordt. Zij bestond uit twaalf volken met hunne
koloniën, (Thessaliërs, Boeotiërs, Doriërs, Ioniërs, Perrhaeben,
Magneten, Locriërs, Oetaeërs of Aenianen, phthiotische Achaeërs,
Maliërs, Phocensers, Dolopen). Dit zeer oude verbond belastte zich
voornamelijk met het beheer en de verdediging van den delphischen
tempel en later ook van de pythische spelen; ter bespreking van
de gemeenschappelijke aangelegenheden hield het jaarlijks twee
vergaderingen, in het voorjaar en in het najaar, te Delphi en te
Anthela bij den tempel van Demeter Amphictyonis. Elk der twaalf leden
van het verbond zond naar zulk eene vergadering (synedrion) zijne
afgevaardigden, die deels hieromnemones, deels pylagorai genoemd
worden, hoewel het niet bekend is, in welke betrekking die twee
soorten van afgevaardigden tot elkander stonden. Misschien vormden de
eerstgenoemden een soort permanent bestuur, terwijl de pylagorai alleen
als afgevaardigden de vergaderingen bezochten. Gehoorzaamheid aan de
besluiten der vergadering werd, zoo noodig, door de verbonden staten
met geweld afgedwongen, en meer dan eens in den loop der geschiedenis
werden zij tot den zoog. heiligen oorlog opgeroepen (z. Phocis en
Amphissa). Sedert den macedonischen tijd schijnt het aanzien van het
verbond gedaald te zijn, en Augustus voerde eene nieuwe organisatie in,
waarbij de stemmen geheel willekeurig verdeeld werden.--Verder worden
nog genoemd de Amphictyonieën van Calauria, van Onchestus en van Delus.

Amphidamas, Amphidamas = Iphidamas no. 1.

Amphidromia, een huiselijk feest, dat eenige dagen na de geboorte
van een kind gevierd werd. Na verschillende reinigingsplechtigheden
werd de jonggeborene door een van de vrouwen, gevolgd door de andere
feestgenooten, in snellen pas rondom den haard gedragen, waarop een
maaltijd volgde, waartoe vrienden en bloedverwanten bijdragen plachten
te zenden. Bij deze gelegenheid verklaarde de vader of hij zich al
of niet met de opvoeding van het kind wilde belasten.

Amphilochia, Amphilochia, berglandschap ten Oosten der ambracische
golf, eerst tot Acarnania, later tot Aetolia behoorende, en bewoond
door een epirotischen stam. De hoofdstad heette Argus Amphilochicum.

Amphilochus, Amphilochos, zoon van Amphiaraus en Eriphyle. Hij trok
met de Epigonen tegen Thebe op, hielp Alcmaeon bij het dooden hunner
moeder en nam ook deel aan den tocht tegen Troje. Hij was een beroemd
waarzegger en deed na afloop van den trojaanschen oorlog met Calchas en
Mopsus een reis door Klein-Azië, waar zij verscheiden orakels stichten,
o.a. dat te Mallus in Cilicië, waar Amph. Mopsus achterliet, toen hij
naar Argos terugkeerde. Doch toen hij later terugkwam en aandeel aan
de regeering verlangde, ontstond er tusschen hen een strijd waarbij
beiden vielen. Hij of een andere Amph., zoon van Alcmaeon, wordt de
stichter van Argos Amphilochicum genoemd. Na zijn dood werd hij te
Athene, Sparta, Oropus, Mallus en andere plaatsen als halfgod vereerd.

Amphion, Amphion, zoon van Zeus en Antiope. Met zijn tweelingbroeder
Zethus werd hij op den Cithaeron te vondeling gelegd en door herders
opgevoed. Later, toen Antiope door haar oom Lycus gevangen gehouden en
door Dirce, zijne gemalin, mishandeld werd, zocht zij hare zonen op,
die haar wreekten door Dirce aan de horens van een woedenden stier
te binden, een lot, dat zij Antiope had toegedacht; op bevel van
Hermes spaarden zij Lycus echter, die nu de heerschappij over Thebe
aan Amph. afstond. Deze regeerde sedert dien tijd gelukkig en huwde
met Niobe (z. a.). V. a. moest hij echter na den dood van Dirce Thebe
verlaten en zich naar Athene begeven. Amph. was een beroemd zanger,
hij had van Apollo, Hermes of de Muzen een gouden lier gekregen,
die hij zoo meesterlijk bespeelde, dat op het geluid de steenen zich
van zelven tot een muur vormden, die de stad Thebe omgaf. Hij en
Zethus liggen te Thebe in hetzelfde graf en worden daar op gelijke
wijze vereerd als de Dioscuren te Sparta. Op verscheidene plaatsen
in Boeotië zouden zij steden en orakels gesticht hebben.

Amphipolis, Amphipolis, stad in dat deel van Macedonië, dat vroeger
tot Thracië gerekend werd, op een heuvel in een bocht van de rivier
den Strymon gelegen, waaraan de naam ontleend is. Aan den mond van den
Strymon lag de haven Eïon. Oorspronkelijk heette het ennea hodoi, en
schijnt toen reeds eene belangrijke plaats van het landschap Edonis
te zijn geweest. Althans, zoowel van Miletus als van Athenae uit,
werden herhaalde pogingen aangewend, om daar eene volksplanting te
stichten; doch de krijgshaftige Edoniërs sloegen de aanvallen af,
totdat het in 437 aan de Atheners gelukte, zich van de stad der negen
wegen meester te maken. De band tusschen Amphipolis en Athene was
echter nooit sterk, daar onder de volksplanters betrekkelijk weinig
geboren Atheners waren. In 424 viel het in handen van den Spartaan
Brasidas, die in 422 met den Athener Cleon hier sneuvelde. In 358 kwam
Amphipolis in het bezit van Philippus van Macedonië, voor wien het
door het bezit der rijke goud- en zilvermijnen in den nabijgelegen
mons Pangaeus eene groote aanwinst was; onder de Romeinen werd de
stad hoofdplaats van eene der vier republieken, waarin Macedonia na
Perseus' nederlaag tijdelijk werd verdeeld.

Amphiprostylus, amphiprostylos, tempel of ander gebouw met een open
portaal vóór en achter zooals op nevenstaande teekening is aangegeven.

Amphis, Amphis, blijspeldichter uit het middelste tijdperk der comedie,
die in zijne 26 stukken meerendeels maatschappelijke toestanden tot
onderwerpen koos.

Amphissa, Amphissa, stad der ozolische Locriërs op eene door bosschen
ingesloten hoogvlakte. Doordat de inwoners beschuldigd werden,
landerijen in bezit genomen te hebben, die aan den delphischen
tempel toebehoorden, ontstond de laatste heilige oorlog (340-339),
waarin Philippus van Macedonië Amphissa verwoestte, doch zich tevens
van de phocensische bergvesting Elatea meester maakte. Later werd
Amphissa herbouwd en onder de romeinsche heerschappij was het eene
civitas libera.

Amphitheatrum, amphitheatron, rond of ovaalrond gebouw,
met open binnenruimte, voornamelijk bestemd voor dieren- en
gladiatorengevechten. De buitenmuur bestond uit twee of meer rijen
bogen of arcaden boven elkander, meestal zóó, dat de verschillende
verdiepingen door zuilen van verschillende bouworden gedragen
werden. In het midden van de binnenruimte was de arena, het strijdperk,
omgeven door de zitplaatsen voor de toeschouwers. Deze arena was
door een muur omringd, waarin verschillende deuren, die toegang
gaven tot de hokken der wilde dieren en tot het lijkenhok, waarheen
de lijken der gedoode zwaardvechters werden gesleept. Deze laatste
deur werd porta Libitina geheeten, naar Libitina, de oud-italische
doodsgodin. Boven den ringmuur verhief zich veiligheidshalve nog
een stevig traliewerk. Onmiddellijk achter dit traliewerk had men
het podium (A), een balcon of loge voor overheden en senatoren en
vreemdelingen van rang. Hierachter kwamen gewoonlijk in drie rangen,
caveae, de overige zitplaatsen, trapsgewijze opklimmende. Deze rangen
verhieven zich weder verdiepingsgewijze boven elkander en werden
gescheiden door muren (baltei), die ze als gordels omgaven, zoo dat
in elken balteus de poorten (B, C) waren, die toegang verleenden tot
den daarvoor gelegen rang. Geheel in de hoogte achteraan was nog eene
overdekte galerij (D) voor vrouwen. Overigens waren de zitplaatsen
onder den blooten hemel; doch tot beschutting tegen zonneschijn en
regen werden boven de hoofden zeilen (vela, velaria) uitgespannen,
die door masten omhoog werden gehouden. De zitplaatsen werden door
gangpaden in wigvormige afdeelingen, cunei, gesneden. Wij hebben
hierboven voor de duidelijkheid gesproken van rangen; daarbij denke
men slechts aan verschil van plaats, niet van stand of prijs; want de
spelen waren geschenken, aan het volk aangeboden, en de toegang was
derhalve kosteloos.--De amphitheaters dagteekenen uit de eerste eeuw
v. Chr.; het eerste van steen werd eerst tijdens Augustus opgericht
door Statilius Taurus. Het grootste is het amphitheatrum Flavium,
door Vespasianus begonnen en in 80 na Chr. door Titus ingewijd,
met 50000 zitplaatsen. Een gedeelte er van is nog te Rome in wezen
en bekend als il Colosseo (onderste gravure).

Amphitrite, Amphitrite, eene Nereïde. Poseidon dong naar hare hand,
maar daar zij ongehuwd wilde blijven, vluchtte zij naar Atlas, die haar
verborg. De dolfijn van Poseidon spoorde haar echter op en zoo werd
zij de gemalin van den god, wien zij drie kinderen baarde, Triton,
Rhode en Benthesicyme. Haar naam wordt dikwijls als personificatie
van de zee gebruikt.

Amphitryo, Amphitryon, zoon van koning Alcaeus van Tiryns. Toen de
Taphiërs de kudde van zijn oom Electryon geroofd hadden en deze ten
strijde trok om ze terug te halen, gaf hij zijn rijk aan Amph. met
de belofte, dat hij hem, wanneer de roof gewroken zou zijn, zijne
dochter Alcmene tot vrouw zoude geven. Door een noodlottig toeval
doodde Amph. zijn oom voordat de oorlog beslist was, waarom hij
door Sthenelus uit Tiryns verjaagd werd; hij ging naar Thebe en
Alcmene volgde hem. Creon, zijn moeders broeder, reinigde hem van
zijn bloedschuld en beloofde hem hulp tegen de Taphiërs, wanneer hij
den wilden vos, die toen het land verwoestte, wist te vangen of te
dooden. Hoewel de vos volgens een orakel niet ingehaald konde worden,
nam Amph. die taak op zich en leende van een Athener, Cephalus, een
hond, die alles konde inhalen. Zeus veranderde beide dieren in steenen,
waarop Creon de toegezegde hulp verleende. Amph. veroverde Taphus en
schonk het rijk aan Cephalus, terwijl hij naar Thebe terugkeerde en
met Alcmene huwde, bij wie hij vader werd van Iphicles. Hij sneuvelde
in een slag tegen de Minyers.

Amphitryoniades, Amphitryoniades, Heracles, als zoon van Alcmene,
de gemalin van Amphitryo.

Amphora, amphoreus, amphiphoreus, soort van groote kruik met twee
ooren, van onder in een punt uitloopende, zoodat zij niet kon
blijven staan zonder steun. Wilde men eene kostbare amphora op
een pronktafeltje zetten, dan moest er in het blad een gat of eene
uitholling zijn. Voornamelijk dienden de amphorae tot bewaring van
wijn. Ook werd amphora gebruikt als maat voor natte waren = ruim 1/4
hectoliter, waaruit blijkt, dat men zich de amphora niet te klein
moet voorstellen. Soms heeft zij een tuit.

Amphoterus, Amphoteros, 1) z. Acarnan.--2) broeder van Craterus,
bevelhebber op de vloot van Alexander.

Amphrysus, Amphrysos, 1) riviertje in Z.O. Thessalia, dat in de
Pagasaeische golf uitstroomt, en aan welks oevers Apollo de kudden
van Admetus weidde. Daarom spreekt Vergilius van Amphrysia vates =
Sibylla.--2) = Ambrosus.

Ampia Labiena (lex) de Cn. Pompeio, 63, een plebisciet van de
volkstribunen T. Ampius Balbus en T. Labienus, waarbij aan Pompeius
werd toegestaan, bij de openbare spelen een lauwerkrans te dragen en
zich bij de circensische spelen in liet gewaad van een zegepralend
veldheer te vertoonen.

Ampii, plebejisch geslacht.

Ampliatio, verdaging van de verdere behandeling eener rechtzaak. Zie
Acilia (lex) de repetundis.

Ampsaga, kustrivier in Noord-Africa, waaraan Cirta lag. Sedert 25
vormde ze de westgrens van de nieuwe provincie Numidia of Africa Nova.

Ampsanctus lacus, meertje bij Aeculanum in Samnium. Er stegen
verpestende dampen uit op; daarom hield men het voor een van de
ingangen tot de onderwereld.

Ampsivarii, volk aan de Beneden-Eems. Ten tijde van Nero werden
ze door de Chauken uit hun land gejaagd, en wilden toen een strook
lands aan den rechter oever van den Rijn in bezit nemen, dien eerst
de Chamaven, daarna de Tubanten en Usipii en ten slotte de Friezen
voor een korten tijd bezet hadden. Dit stonden de Romeinen niet toe,
en na lang ronddolen werden nu de Ampsivarii door de omwonende stammen
bijna geheel vernietigd. Wat er van over bleef, vormde later een
onderdeel van de Franken.

Ampulla, flesch of karaf. Men vond ze evenals nu in allerlei vormen
of fatsoenen, tot de met leder omwonden jacht- of reisflesch toe. Ook
het latijnsche woord voor lekythos (z.a.).

Ampycides, Ampykides, Mopsus, zoon van den Lapithe Ampyx.

Amulius, de broeder van Numitor, die dezen van de regeering over Alba
Longa beroofde en Romulus en Remus in den Tiber liet werpen.

Amyclae, Amyklai, 1) stad in Laconica, ten Z.O. van Sparta. Ook na de
dorische verovering bleef te Amyclae nog bijna twee eeuwen lang een
achaeïsch staatje gevestigd, tot eindelijk de Spartanen bij verrassing
de stad bezetten. Hier behoort de mythe te huis van Leda en de zwaan;
de Dioscuren worden ook wel Amyclaei fratres genoemd.--2) stad in
Latium, ook Amunclae geheeten, in het gebied van Fundi, tusschen
Tarracina en Caieta (Gaëta) aan de kust gelegen, in eene moerassige
streek, doch door de inwoners verlaten wegens de menigte slangen of
adders. Vandaar de woorden tacitae Amyclae.

Amyclaeus, Amyklaios, bijnaam van Apollo, onder welken hij te Amyclae
vereerd werd. Daar was een overoud, zeer hoog standbeeld van den god,
bestaande uit een rechte metalen zuil, waaraan een met een helm bedekt
hoofd, voeten en handen met een boog en lans gezet waren. Later werd
het beeld met een kunstig gebouwde kapel omgeven.

Amyclides, Amykleides, Hyacinthus, de zoon van Amyclas, koning in
Laconië, den stichter van Amyclae.

Amycus, Amykos, de zoon van Poseidon en de nimf Melië, koning
der Bebrycen, dwong alle vreemdelingen, die in zijn gebied kwamen,
zich in het vuistgevecht, dat hij had uitgevonden en waarin hij zeer
ervaren was, met hem te meten. Door Polydeuces, die met de Argonauten
in zijn rijk landde, werd hij overwonnen en gedood of aan een boom
gebonden; v. a. kocht hij zijn leven door te zweren, dat hij een
bron, die hij tot nu toe voor vreemdelingen gesloten had gehouden,
voor ieders gebruik zou openstellen.

Amymone, Amymone, dochter van Danaüs. Toen zij door haar vader, na
zijne aankomst te Argos, werd uitgezonden om water te halen, werd
zij door een Satyr aangevallen en door Poseidon gered. Zij vatte
liefde voor haar redder op en werd bij hem moeder van Nauplius. De
bron Amymone bij Argos was naar haar genoemd.

Amynander, Amynandros, koning der Athamanen, bondgenoot van de
Romeinen en Aetoliërs in de oorlogen tegen Philippus III, (208-205,
200-197). Gedurende den oorlog der Romeinen tegen Antiochus d. G. werd
hij door Philippus uit zijn rijk verjaagd (191); hij vluchtte
naar de Aetoliërs, die hem eenige jaren later de regeering terug
bezorgden. Hoewel hij de partij van Antiochus gekozen had en de consul
M'. Acilius Glabrio zijne uitlevering van de Aetoliërs geëischt had,
schijnt hij later met de Romeinen weder op vriendschappelijken voet
gekomen te zijn.

Amyntas, Amyntas, 1) naam van eenige macedonische koningen, o.a. van
den vader van Philippus (Am. III), die in 393 den overweldiger
Pausanias van den troon stiet. Hij stierf in 370.--2) bevelhebber
eener taxis in het leger van Alexander d. G., die zich meermalen
door dapperheid onderscheidde. Hij werd met zijne drie broeders
verdacht van medeplichtigheid aan de samenzwering van Philotas, maar
vrijgesproken; kort daarna sneuvelde hij (330).--3) een Macedoniër,
die bij Darius Codomannus in dienst ging en na den slag bij Issus naar
Aegypte vluchtte, waar hij spoedig met de Aegyptenaren twist kreeg
en gedood werd.--4) schrijver, later veldheer van koning Deiotarus
van Galatië. Na den dood van Cassius liep hij met zijne troepen
tot Antonius over, die hem tot belooning koning over Galatië maakte
(36), welke waardigheid ook Octavianus hem na den slag bij Actium
liet behouden. Hij stierf in 25.

Amyntiades, Amyntiades, Philippus van Macedonië, zoon van Amyntas.

Amyntor, Amyntor, koning van Eleon in Thessalië, of van de
Dolopen, vader van Phoenix, dien hij uit minnenijd vervloekte en
verjoeg. Heracles, wien hij den toegang tot zijn gebied geweigerd had,
doodde hem.

Amyrtaeus, Amyrtaios, de moeraskoning, die zich, nadat de opstand
van Aegypte tegen Artaxerxes (z. Inarus) bedwongen was, nog geruimen
tijd in de moerassen staande hield. Zijn zoon Pausiris behield later
de regeering onder perzische heerschappij.

Amythaon, Amythaon, zoon van Cretheus en Tyro, stichter van Pylus in
Messenië, vader van Bias en Melampus.

Amythaonidae, Amythaonidai, zonen en afstammelingen van Amythaon.

Anabathmoi, eene rij zitplaatsen, die bij wijze van een trap
oploopen, ook eene zaal met zulke zitplaatsen, die voor voordrachten,
muziekuitvoeringen en dgl. verhuurd werd.

Anacea, Anakeia, feest, dat in de meeste achaeïsche en dorische
staten en ook te Athene, ter eere der Dioscuren gevierd werd. De
Lacedaemoniërs vierden het zelfs wanneer zij in het veld waren.

Anaceum, Anakeion, tempel der Dioscuren, zooals men in zeer vele
steden, ook te Athene, vond.

Anacharsis, Anacharsis, een scythisch prins, die uit weetgierigheid
groote reizen ondernam, ook in Griekenland kwam, en te Athene met Solon
kennis maakte. Hij wijdde zich daar aan de studie der wijsbegeerte
en trok de algemeene aandacht door zijn vernuft en zijne eenvoudige
leefwijze. In zijn vaderland teruggekeerd, wilde hij griekschen
godsdienst en zeden invoeren en werd hij daarom door zijn broeder,
koning Saulius, gedood. De brieven en gedichten die zijn naam dragen
zijn onecht.

Anacreon, Anakreon, lyrisch dichter uit Teos. Nadat Ionië door
Harpagus onderworpen was (545), begaf hij zich naar Abdera en later
naar Samus, waar hij tot aan den dood van den tyran Polycrates (522)
aan diens hof bleef. Vervolgens werd hij door Hipparchus naar Athene
geroepen en bleef daar tot den val der Pisistratiden. Waarheen hij
later gegaan is, is onzeker; hij stierf 85 jaar oud, te Teos of
Abdera. Van zijne liederen, die door bevalligheid en eenvoudige taal
uitmunten en door de ouden hoog geroemd en nog lang na zijn dood
veel gezongen werden, bestaan nog slechts eenige overblijfselen;
de zoogenaamde anacreontische liedjes (Anakreontika, -teia) zijn uit
den alexandrijnschen tijd afkomstig.

Anactorium, Anaktorion, kaap en havenstad in Acarnania, aan de invaart
der ambracische golf. De stad was een corinthische kolonie. Evenals
de bevolking van Ambracia, werd ook die van Anactorium door Augustus
naar het door hem gestichte Nicopolis gelokt.

Anadikia = palindikia.

Anadyomene, Anadyomene, de "uit zee opstijgende," bijnaam der uit
het schuim der zee geborene Aphrodite. Zoo werd zij voorgesteld op
een schilderij, die voor het meesterstuk van Apelles gold en in den
tempel van Asclepius op het eiland Cos hing, waar zij door Augustus
voor 100 talenten gekocht en naar Rome medegenomen werd.

Anaea, Anaia, stad in Ionia, ten Z. van Ephesus, tegenover Samus.

Anagnia, Anagnia, hoofdstad der Hernici in Latium, op een berg gelegen
met schoone omstreken. In 306 viel de stad van Rome af, en werd, na
het bedwingen van den opstand door den consul Q. Marcius Tremulus
(Marcii no. 18), tot een praefectura gemaakt. Cicero had hier een
landgoed, Anagnium.

Anagnostes, Anagnostes, een slaaf, die zijn heer aan tafel, in het bad
en in ledige uren voorlas. Ook iemand die in het openbaar voordrachten
houdt. In den christelijken tijd een kerkelijk ambt (= lector).

Anagogia, Anagogia, een feest dat op den berg Eryx op Sicilië ter eere
van Aphrodite gevierd werd bij gelegenheid van hare jaarlijksche reis
naar Libye, vanwaar zij na negen dagen terugkeerde, vgl. Catagogia. Ook
op Delus werd een dergelijk feest ter eere van Apollo gevierd.

Anaitis, Anaiitis, eene godin, die in verscheiden aziatische landen
vereerd werd. Hare priesters waren tot een afgesloten stand met
eigen bezittingen verbonden. De Grieken zagen in haar een maangodin
en identificeerden haar met Aphrodite of Artemis.

Anakalypteria, de tweede of derde dag van het huwelijk, waarop
de vrouw zich het eerst ongesluierd vertoonde. Ook de geschenken,
die op dien dag aan de jonggehuwden gegeven en met een plechtigen
optocht naar hunne woning gebracht werden. Ter eere van het huwelijk
van Hades en Core werden op Sicilië en elders anakalypteria gevierd.

Anakrisis, voorloopig onderzoek, in het bizonder de instructie in een
proces, die aan de behandeling voor de rechtbank voorafging en door
een magistraat geleid werd. Bij de anakrisis werden getuigen gehoord,
bewijzen onderzocht enz. Wanneer de aanklager hierbij niet verscheen,
verviel de aanklacht, terwijl hij, indien het eene graphe betrof,
1000 drachmen verloor en het recht om later zulke aanklachten te doen;
de aangeklaagde werd, wanneer hij wegbleef, in contumaciam veroordeeld.

Anaphe, Anaphe, eilandje in de Aegaeische zee, tot de Sporaden
behoorende, ten oosten van Thera gelegen.

Anaphlystus, Anaphlystos, attische demus behoorende tot de phyle
Antiochis, in het zuidoosten van Attica gelegen, met een versterkte
haven.

Anapus, Anapos, naam van twee rivieren, waarvan de eene in Acarnania
lag, een zijtak van den Achelous, en de andere op Sicilia, die ten
zuiden van Syracusae zich door moerassen in zee stort. Als riviergod
komt laatstgenoemde stroom bij Ovidius o. a. voor als de minnaar der
bronnimf Cyane.

Anarrysis, de tweede dag der Apaturia.

Anartes, volksstam in Dacia, aan beide oevers van den bovenloop van
den Theiss.

Anas, rivier in Hispania, thans Guadiana. Ze vormt de grens tusschen
de provincies Baetica en Lusitania.

Anathema, anathema, heet alles wat aan een god gewijd en in zijn
tempel of heiligdom nedergezet wordt, dikwijls voorwerpen van groote
kostbaarheid en kunstwaarde.

Anatocismus, anatokismos, het berekenen van rente op rente. Had dit
plaats telkens na afloop van een jaar, dan sprak men van anatocismus
anniversarius.

Anaumachiou graphe of dike, aanklacht wegens het niet deelnemen aan een
zeeslag. De zaak werd voor de strategen behandeld, de straf was atimie.

Anava, ta Anaua, stad in Phrygia, tusschen Celaenae en Colossae,
aan het zoutmeer Ascania.

Anax, Anax, vorst, heer; met dien bijnaam worden ook verschillende
goden genoemd; de Dioscuren dragen dikwijls kortweg den naam Anactes,
ook Anaces (Anaktes, Anakes).

Anaxagoras, Anaxagoras, geb. te Clazomenae omstreeks 500, kwam, na
vele landen bezocht te hebben, in 456 te Athene, waar hij als leeraar
der wijsbegeerte optrad. Tot zijne leerlingen behoorden Euripides
en Thucydides, terwijl hij met Pericles zeer bevriend werd. Volgens
An. bestaat de stof, zelfs in hare kleinste deelen, uit een oneindig
aantal soorten, de stofdeeltjes van elke soort zijn echter gelijk,
zoowel aan elkander, als aan de lichamen die er uit bestaan. De
stof lag oorspronkelijk onbewegelijk in eene verwarde massa,
totdat de geest (nous) er op werkte en eene scheiding (diakrisis)
van ongelijksoortige en vereeniging (synkrisis) van gelijksoortige
stofdeeltjes veroorzaakte. De hierdoor ontstane lichamen kan men dus
homoiomere noemen, hoewel nooit eene volkomen scheiding of vereeniging
tot stand komt en dus ieder lichaam vreemde stofdeelen bevat; alleen de
onstoffelijke nous is eenvoudig, onvermengd, zuiver. De stofdeeltjes
zelve noemde An. spermata of chremata, lateren homoiomereiai. Wegens
deze leer werd An. kort voor den peloponnesischen oorlog, naar men
zegt door politieke tegenstanders van Pericles, van goddeloosheid
aangeklaagd. V. s. werd hij ter dood veroordeeld, maar door Pericles
in staat gesteld te vluchten, v. a. werd hij verbannen, of hij werd
vrijgesproken, maar verliet uit ontevredenheid de stad. Zooveel is
zeker dat hij zich na dit proces naar Lampsacus begaf, waar hij,
72 jaar oud, stierf.

Anaxander, Anaxandros, koning van Sparta, hij leefde tijdens den
tweeden messenischen oorlog.

Anaxandridas, Anaxandridas, 1) naam van eenige spartaansche koningen,
o. a. van den vader van Leonidas.--2) geb. te Camirus, leefde omstreeks
375 als blijspeldichter te Athene, waar hij in hoog aanzien stond
als een aangenaam en verstandig mensch en fijn opmerker. Van zijne
65 stukken, de eerste waarin liefdesavonturen voorkomen, is bijna
niets over.

Anaxarchus, Anaxarchos, van Abdera, leerling van Democritus,
vergezelde Alex. d. G. op zijne veldtochten en werd eudaimonikos
bijgenaamd. Volgens het verhaal zou hij door den tyran Nicocreon
van Cyprus, wegens een hem aangedane beleediging, in een vijzel
verpletterd zijn.

Anaxarete, Anaxarete, een cyprisch meisje, dat door den herder Iphis
bemind werd, maar hem zoo koel behandelde, dat hij zich voor hare
deur ophing. Toen zij zelfs bij het zien van zijn lijk niet getroffen
werd, veranderde Aphrodite haar in een steenen beeld. Hetzelfde wordt
verhaald van Arsinoë en haar minnaar Arceophon.

Anaxibia, Anaxibia, 1) dochter van Plisthenes, gemalin van Strophius,
moeder van Pylades.--2) eene nimf die door Helius bemind en vervolgd
werd, en naar den tempel van Artemis Orthia aan den Ganges vluchtte,
waar zij verdween. Sedert dien tijd gaat de zon van die plaats,
voortaan Anatole genaamd, op.--3) Zie Alphesiboea.

Anaxibius, Anaxibios, bevelhebber der spartaansche vloot in Byzantium,
toen Xenophon met de rest van de 10000 daar aankwam. Daar hij het
leger door beloften misleidde, veroorzaakte hij groote verwarring, en
kwam hij persoonlijk in groot gevaar. In 389 werd hij als harmost naar
Abydus gezonden, maar het volgende jaar viel hij in een hinderlaag,
hem door Iphicrates gelegd, en sneuvelde hij.

Anaxilaus, Anaxilaos, 1) tyran van Rhegium (494-476), uit Messenië
afkomstig, die omstreeks 480, met hulp van Samiërs en Milesiërs,
Zancle op Sicilië veroverde, welke stad hij met Messeniërs bevolkte
en Messana noemde. Hij stierf in 476 en liet twee zonen na, die
gedurende hun minderjarigheid onder voogdij van een getrouwen slaaf,
Micythus, bleven, in 467 aan de regeering kwamen, en na zes jaren
verdreven werden.--2) dichter van achttien blijspelen, waarvan nog
eenige fragmenten bestaan, die van het geheel geen zeer hoogen dunk
geven.--3) pythagoreïsch wijsgeer uit Larisa, door Augustus in 28
wegens tooverij uit Italië verbannen.

Anaximander, Anaximandros, geb. te Miletus in 610, de eerste grieksche
schrijver over wijsbegeerte, was een vriend en leerling van Thales,
leefde aan het hof van Polycrates van Samus en stierf in of kort
na 547. In zijn werk peri physeos neemt hij als grondstof van het
heelal iets oneindigs (apeiron) aan, dat hij niet nader bepaalt,
maar dat hij goddelijk, onsterfelijk en onvergankelijk noemt. Hij
zoude het eerst een zonnewijzer, een hemelbol, enz. gemaakt hebben.

Anaximenes, Anaximenes, 1) geb. te Miletus, waarschijnlijk tusschen
560 en 550, door sommigen een leerling van Anaximander genoemd, nam
als grondstof van het heelal de zich in het oneindige uitstrekkende
lucht aan, waaruit door verdikking (pyknosis) en verdunning (manosis,
araiosis) alles ontstaan zou zijn, en die de geheele wereld omgeeft
en bijeenhoudt.--2) geschiedschrijver uit Lampsacus, vriend van
Alexander d. G., schreef Hellenika, eene soort algemeene geschiedenis,
en Philippika, de geschiedenis van Philippus, ta peri Alexandron,
die van Alexander bevattende. Als rhetor was hij een tegenstander
van Isocrates. De rhetorike pros Alexandron, die onder de werken van
Aristoteles is opgenomen, wordt te recht aan hem toegeschreven. Van
zijne andere werken is slechts weinig bewaard gebleven.

Anaxo, Anaxo, dochter van Alcaeus en Hipponome, gemalin van Electryon,
moeder van Alcmene.

Anazarbus, Anazarbos, aanzienlijke stad hij een gelijknamigen berg
in Cilicia, aan den Pyramus, door Augustus Caesarea (ad Anazarbum)
genoemd. De beroemde arts Dioscorides Pedanius, die waarschijnlijk
onder de regeering van Nero leefde, was hier geboren. Evenzoo Appianus.

Ancaeus, Ankaios, 1) zoon van den arcadischen koning Lycurgus en
Eurynome, een van de Argonauten en calydonische jagers. Hij werd door
het Calydonische zwijn gedood.--2) zoon van Poseidon en Astypalaea,
koning der Lelegers op Samus, na den dood van Tiphys stuurman der
Argonauten. Eens werd hem door een waarzegger voorspeld, dat hij van
druiven, die hij bezig was te planten, geen wijn zou drinken. Toen hij
nu den beker met den wijn gevuld in de hand hield en den waarzegger
bespotte, sprak deze het later tot een spreekwoord gewordene: polla
metaxy pelei kylikos kai cheileos akrou. Op hetzelfde oogenblik werd
de tijding gebracht dat een ever het land verwoestte, de koning zette
den beker neder, snelde naar buiten, en werd door den ever gedood.--3)
een Aetoliër, bij de begrafenis van Amarynceus door Nestor in een
vuistgevecht overwonnen.

Anchesmus, Anchesmos, berg ten N. O. van Athene, met een tempel
van Zeus.

Anchiale, Anchiale, naam van twee steden, in Thracia aan den Pontus
Euxinus, en op de kust van Cilicia tusschen Tarsus en Soli. Ook de
vorm Anchialus komt voor.

Anchises, Anchises, was de zoon van Capys en van Themis, de dochter
van koning Ilus. Bij Aphrodite, die hem om zijne schoonheid liefhad,
verwekte hij den beroemden held Aeneas. Toen hij zich eenmaal op zijne
verbintenis met Aphrodite verhoovaardigde, sloeg Zeus hem met blindheid
of met verlamming. Bij Vergilius draagt Aeneas zijn verlamden vader
op de schouders uit het brandende Troje weg. Anchises vergezelde zijn
zoon op diens lange omzwervingen, tot hij eindelijk op Sicilia stierf
en op den berg Eryx begraven werd.

Anchisiades, Anchisiades, patron. = Aeneas.

Ancile, heilig schild, volgens de sage uit den hemel gevallen tijdens
het koningschap van Numa Pompilius. Daar de nimf Egeria den koning
verkondigde, dat het lot en het voortbestaan van Rome aan het behoud
van dit schild verbonden was, liet Numa door den bekwamen wapensmid
Mamurius Veturius nog elf andere ancilia vervaardigen, die alle zoo
nauwkeurig nagemaakt waren, dat men het echte niet van de overige kon
onderscheiden. De bewaring was toevertrouwd aan het priestercollegie
der Salii, die op bepaalde tijden een rondgang door Rome hielden,
waarbij sommige de schilden aan stokken over den schouder droegen, en
andere al dansende met metalen staafjes tegen de schilden sloegen. De
ancilia waren langwerpig rond, in het midden aan weerszijden
uitgesneden op de wijze eener viool, doch zonder hoeken of punten.

Ancona, he Ankon, belangrijke havenstad in Picenum aan de adriatische
zee. Het droeg zijn naam, omdat het in eene door twee kapen gevormde
elleboogvormige bocht lag. Ancona was in 390 door syracusaansche
uitgewekenen gesticht; onder de Romeinen werd het kolonie. Het had
eene voortreffelijke haven, een beroemden Venustempel, een zegeboog
van Traianus, purperververijen, wijn- en graanteelt in de omstreken.

Ancora, ankyra. Voordat de ijzeren ankers in gebruik kwamen, gebruikte
men groote steenen (eunai) als zoodanig. De oudste ijzeren ankers
hadden slechts één tand (ankyra heterostomos); de latere waren, evenals
de onze, tweetandig (amphistomoi). Het noodanker, dat voor het uiterste
gevaar bewaard werd, werd het heilige geheeten; vandaar sacram ancoram
solvere = tot het laatste redmiddel zijn toevlucht nemen.

Ancus Marcius, vierde koning van Rome (641-617) van wien de romeinsche
geschiedschrijvers het volgende vertellen: Hij was een zoon van Numa's
dochter. In zijne oorlogen met de Latijnen lijfde hij een deel van
hun gebied bij Rome in en bracht de bevolking van een viertal steden
geheel of gedeeltelijk naar Rome over, waar hun de mons Aventinus
ter bewoning werd ingeruimd. Uit deze ingelijfde Latijnen ontstond de
plebs. Hij versterkte den mons Ianiculus, over den Tiber gelegen, en
verbond dezen met de stad door een houten paalbrug, pons sublicius. Ook
stichtte hij aan den mond van den Tiber de havenstad Ostia. Hoewel
hij meermalen de wapenen tegen zijne naburen moest voeren, legde hij
zich toch bij voorkeur op de werken des vredes toe.

Ancyra, Ankyra, naam van eene stad in Phrygia en van eene in
Galatia. De eerste ligt in Phygia Abbaitis, aan den Macestus, ten
N. van het gebergte Temnus. De laatstgenoemde is nog tegenwoordig
onder den naam Angora bekend. Zij was door een der Midassen gesticht;
hare ligging aan den grooten karavanenweg door Galatia bracht haar tot
groote bloei. Augustus verfraaide de stad, die uit erkentelijkheid een
kostbaren tempel voor hem stichtte, onder welks overblijfselen men
sedert 1553 het marmor Ancyranum ontdekt heeft, een in latijnschen
en griekschen tekst in marmer gebeitelde opgaaf van 's keizers
regeeringsdaden, zooals hij er eene aan de Vestaalsche maagden had ter
hand gesteld, en zooals er eene in zijn mausoleum werd aangetroffen.

Andabatae, een soort van zwaardvechters, die een gesloten helm zonder
vizier droegen en dus in den blinde op elkaar lossloegen, hetgeen
tot menig komisch tooneel aanleiding gaf.

Andania, Andania, oude residentiestad der messenische koningen,
in het N. van Messenië gelegen.

Andecavi, gallisch volk aan den benedenloop van den Liger (Loire),
in het latere Anjou. Hunne hoofdstad was Iuliomagus, thans Angers.

Andes, 1) = Andecavi.--2) vlek bij Mantua, geboorteplaats van
Vergilius.

Andocides, Andokides, 1) zoon van Leogoras, geb. te Athene omstreeks
440, de tweede in de rij der 10 attische redenaars. Hij behoorde
tot de aristocratische partij en voerde het bevel over de vloot,
die in het begin van den peloponnesischen oorlog door de Atheners
uitgezonden werd om Corcyra te helpen. Van medeplichtigheid aan de
verminking der Hermesbeelden verdacht en gevangen genomen (415),
redde hij zich door de namen der ware of gewaande schuldigen,
o.a. zijn vader en vier broeders op te geven. Hij werd echter met
atimie gestraft en zag zich genoodzaakt, Athene te verlaten. Sedert
woonde hij als koopman op Cyprus en in Elis; wel trachtte hij onder
de regeering der 400 in Athene terug te keeren, maar toen moest hij
terstond weder vluchten; beter werd hij ontvangen na den val der 30,
en zelfs kreeg hij toen spoedig weder invloed op de staatszaken,
maar in 391 werd hij op nieuw verbannen. Hij zou 44 redevoeringen
geschreven hebben, waarvan 4 bewaard gebleven zijn. Hiervan zijn
zeker echt: peri tes heautou kathodou (uit 407) en peri ton mysterion
(uit 399); waarschijnlijk echt is ook peri tes pros Lakedaimonion
eirenes (uit 392/391); onecht is de rede kat' Alkibiadou.--2) Attisch
vazenschilder uit de 2de helft van de 6de eeuw. Hij heeft zoowel in
den zwartfigurigen als in den roodfigurigen stijl geschilderd.

Andraemon, Andraimon, 1) echtgenoot van Gorge, de dochter van Oeneus,
dien hij in de regeering over Calydon opvolgde.--2) zoon van Oxylus,
echtgenoot van Dryope.

Andrapodismou graphe, aanklacht wegens het verkoopen van vrije
menschen als slaven, eene misdaad waarop de doodstraf stond. De zaak
werd behandeld door de elfmannen.

Andreia = syssitia. Ook de groepen, waarin de tafelgenooten verdeeld
waren, heetten andreia.

Andriscus, Andriskos, gaf zich uit voor een natuurlijken zoon
van koning Perseus, met name Philippus, en wordt daarom ook wel
Pseudo-Philippus geheeten. Hij verwekte in 149 in Macedonia een
opstand tegen de Romeinen en behaalde aanvankelijk vele voordeelen,
doch werd overwonnen en gevangen genomen (148), en moest den zegetocht
van Q. Caecilius Metellus (Caecilii no. 6) opluisteren.

Androcles, Androkles, een demagoog, die na den val van Alcibiades
leider der volkspartij te Athene werd; bij de omwenteling van 410
werd hij door de oligarchische partij vermoord.

Androclidas, Androkleidas, een Thebaan die, door Perzië met geld
ondersteund, in 395 Thebe tot oorlog tegen Sparta aanzette, waardoor
de terugkomst van Agesilaus uit Azië noodzakelijk werd.

Androclus, Androklos, weggeloopen slaaf van een romeinsch proconsul
in Africa, die door een leeuw, uit wiens poot hij een splinter had
getrokken, van voedsel werd voorzien. Toen hij later gevangen was
genomen en veroordeeld om voor de wilde dieren te worden geworpen,
gebeurde het, dat hij toevallig in het amphitheater zijn ouden
makker tegenover zich kreeg. De leeuw herkende hem, begroette hem
kwispelstaartend en likte hem. Voor den keizer geroepen, verhaalde
hij zijn wedervaren, waarop hij in vrijheid werd gesteld en den leeuw
ten geschenke kreeg, die nu weder zijn trouwe metgezel werd.

Androgeos, Androgeos, zoon van Minos en Pasiphaë. Hij was te Athene,
toen voor het eerst de Panathenaea gevierd werden, en behaalde daarbij
alle prijzen; uit afgunst hierover liet Aegeus hem verraderlijk
vermoorden.

Androlepsia. Wanneer een Athener in een vreemde staat vermoord was,
en die staat weigerde daarvoor voldoening te geven, dan hadden de
bloedverwanten van den vermoorde het recht zich van hoogstens drie
personen uit dien staat meester te maken en hen te Athene voor de
rechtbank te brengen. Dit recht heette androlepsia. Hoe het proces
verder gevoerd werd, is onbekend.

Andromache, Andromache, dochter van Eëtion, de edele en liefhebbende
gemalin van Hector. Na het einde van den troj. oorlog werd zij door
Neoptolemus naar Epirus medegenomen, waar zij bij hem drie zonen
kreeg. Toen Neoptolemus gedood was, huwde zij volgens zijne beschikking
met haar zwager Helenus, die tevens voogd over haar kinderen werd. Na
den dood van Helenus ging zij met haar jongsten zoon Pergamus naar
Azië; zij stierf in de door hem gestichte stad Pergamus, waar zij later
een heiligdom had. V. a. had zij bij Neoptolemus slechts één zoon,
Molossus, en wil Hermione met hulp van Menelaus haar uit jaloerschheid
dooden; Peleus redt haar echter, waarna zij op bevel van Thetis met
haar kind en Helenus naar Molossië vertrekt.

Andromeda, Andromeda, dochter van Cepheus en Cassiopea. Daar hare
moeder zich beroemd had schooner te zijn dan de Nereïden, zond Poseidon
een zeemonster, dat het land verwoestte, en waarvan men zich, volgens
een orakel, alleen kon bevrijden door Andr. op te offeren. Toen zij
aan een rots gebonden was in afwachting dat het monster haar kwam
verslinden, verscheen Perseus, die het monster doodde. Na een hevigen
strijd met Phineus, wien zij vroeger tot vrouw beloofd was, voerde
Perseus haar met toestemming van haar vader mede naar Griekenland,
waar zij de moeder werd der beroemde Perseïden. Andr. werd later
onder de sterrenbeelden geplaatst.

Andron, Andronitis, dat gedeelte van het huis waar ook vreemde mannen,
bij bezoeken, symposia, enz., toegelaten werden. De hiertoe behoorende
vertrekken, meer in het bizonder andrones genoemd, lagen rondom een
open plaats (aule), die aan alle vier zijden met overdekte zuilengangen
omgeven was. Van de voordeur kwam men door een gang terstond in deze
aule. De Romeinen noemen andron een gang, waarschijnlijk de gang,
die naast het tablinum het atrium met het peristylium verbindt.

Andronicus (Livius), rom. dichter. Zie Livii no. 11.

Androsthenes, Androsthenes, admiraal van Alexander d. Gr., beschreef
een tocht langs de arabische kust.

Androtion, Androtion, leerling van Isocrates, schrijver eener
geschiedenis van Athene, die door lateren veel gebruikt is.

Andrus, he Andros, het noordelijkste eiland der Cycladen, met eene
gelijknamige stad en eene voortreffelijke haven, om zijn wijnteelt aan
den god Dionysus geheiligd. Reeds vroeg bezat het eene aanzienlijke
zeemacht en zond het een aantal volkplantingen uit.

Anemorea, Anemoreia, stad ten O. van Delphi.

Anemurium, Anemourion, kaap en stad in West-Cilicia.

Angitia of Anguitia, slangengodin of ook "wurgster," oud-italische
godheid, in het bijzonder door de Marsen en Marruciners te Lucus
Angitiae aan den Fucinus lacus vereerd. Vergilius maakte ze tot eene
zuster van Medea.

Anglii of Angili, Angeilai, germaansche volksstam, van de Elbe tot
in de Chersonesus Cimbrica (Sleeswijk en Jutland), van waar zij in de
vijfde eeuw na Chr., met Saksers en Jutten vereenigd, naar Britannia
overstaken. De Anglii behoorden tot die volksstammen, die de godin
Nerthus vereerden.

Angrivarii (Engeren), germaansch volk aan den Visurgis (Weser),
in den regel bevriend met de Romeinen.

Anguis. De slang gold in Oud-Italia als zinnebeeld van den
genius loci. Men vond dikwerf slangen op de muren geschilderd, als
waarschuwing om die plaats niet te verontreinigen. Ook als zinnebeeld
der geneeskunst en gezondheidsleer komt de slang voor, zoo kronkelt
zich b.v. eene slang om den staf van Aesculapius. Ten tijde van keizer
Traianus werd de anguis of draco bij de rom. legers als veldteeken
der cohorte ingevoerd. Het bestond uit een nauwen langen zak, met
een slangekop met open muil en zilveren tong, op een lansschacht
bevestigd. Wanneer de wind nu in den geopenden muil blies, maakte
het lichaam allerlei kronkelingen en wendingen. Dit veldteeken was,
naar men zegt, overgenomen van de Parthen.

Anguitia, zie Angitia.

Anicii, plebejisch geslacht.

Anigrus, Anigros, bij Hom. Minyeios geheeten, klein stinkend
kustriviertje in Triphylia.

Anio, g. enis, Anion, rivier in Latium, die bij Tibur de beroemde
watervallen vormt en zich boven Rome bij Antemnae in den Tiber
stort. Twee waterleidingen, de Anio vetus en de Anio novus voerden
het water dezer rivier naar Rome. De eerste leiding was in 272 door
de censoren M'. Curius Dentatus en L. Papirius Cursor gebouwd uit den
op Pyrrhus behaalden buit; de andere was begonnen onder Caligula en
onder Claudius voltooid.

Anius, Anios, zoon van Apollo en Creusa of Rhoeo, op Delus geboren,
waar Apollo hem tot zijn priester en tot koning over het eiland
maakte. Aeneas werd op zijn tocht vriendschappelijk door hem
ontvangen. Zie Lavinia.

Anna, dochter van Belus, vluchtte met hare zuster Dido uit Tyrus naar
Africa, waar Dido Carthago stichtte. Volgens een rom. verhaal zou
Anna na Dido's dood door den numidischen koning Iarbas uit Carthago
verdreven zijn, op hare vlucht op de kust van Latium schipbreuk
hebben geleden en door Aeneas opgenomen en aan de vriendschap zijner
echtgenoote Lavinia aanbevolen zijn. Door Dido echter in den droom
gewaarschuwd tegen Lavinia's ijverzucht, stortte Anna zich in het
riviertje Numicius en verdronk, waarna zij als stroomnimf onder den
naam Anna Perenna werd vereerd. Perenna zou dan uit per en amnis
moeten gevormd zijn.

Anna Perenna, oud-romeinsche godin van het jaar, wier feest de Romeinen
op de idus van Maart vierden, met de bede, ut annare perennareque
commode liceret, d.w.z. dat men het jaar goed mocht beginnen en ten
einde brengen. Anna heet de godin dus met betrekking tot het begin,
Perenna met het oog op het einde van het jaar. Zie ook Anna.

Annaei, 1) L. Annaeus Seneca, ter onderscheiding van zijn gelijknamigen
zoon gewoonlijk pater of rhetor genoemd, te Corduba in Hispania (±
54) geboren, had te Rome het onderwijs der beroemdste redenaars van
zijn tijd genoten en had zelf grooten naam als rhetor. Hij stierf ±
39 n. C. Van hem bestaan nog Controversiae (5 boeken) en Suasoriae
(1 boek), declamaties in den vorm van verdichte pleidooien en
verhandelingen over verdichte gevallen.--2) L. Annaeus Seneca,
zoon van den vorigen, aanhanger der stoicijnsche wijsbegeerte,
geboren te Corduba in 4; kwam vroeg naar Rome en wijdde zich aan
den staatsdienst. Onder keizer Claudius moest hij een achttal jaren
(41-49 n. C.) als balling op Corsica doorbrengen. Teruggeroepen
zijnde, werd hij door Agrippina tot leermeester van haar zoon Nero
aangesteld. In den beginne had hij op Nero grooten invloed; zoodoende
heeft Seneca met den praef. praet. Burrus eenige jaren lang den
staat voortreffelijk kunnen besturen; doch allengs werd de keizer ook
jegens Seneca wantrouwend, deze werd in eene samenzwering betrokken
en ter dood veroordeeld, waarbij hem de keuze van zijn dood werd
gelaten. Hij liet zich de aderen openen (65 n. C.) Een aantal werken
zijn nog van hem overig: 124 epistolae ad Lucilium, de ira (3 b.), de
clementia (2 b.), de beneficiis (7 b.), naturalium quaestionum l. VII,
ad Helviam matrem de consolatione, enz. Ook zijn er acht treurspelen
van hem bewaard gebleven: Hercules furens, Thyestes, Phaedra, Oedipus,
Troades, Medea, Agamemno, Hercules Oetaeus, en een paar fragmenten. Ze
hebben grooten invloed uitgeoefend op het moderne tooneel, vooral
op Vondel. Niet van Seneca is de praetexta Octavia. Verder heeft
Seneca een bijtende satyre op keizer Claudius kort na diens dood
uitgegeven, de apokolokyntosis. Door zijn geschriften, waarin hij de
denkbeelden der Stoa verdedigt, heeft Seneca grooten invloed geoefend,
ook op volgende geslachten.--3) M. Annaeus Lucanus, kleinzoon van
den rhetor Seneca, ook van Corduba geboortig (39 n. C.), was eerst
als episch dichter bij Nero in aanzien, totdat diens naijver werd
opgewekt. Lucanus nam toen deel aan eene samenzwering en werd met
anderen gedwongen de hand aan zichzelf te slaan (65). Van hem is
niets overgebleven dan het epos Pharsalia (10 b.), eene beschrijving
van den tweeden burgeroorlog tot aan den alexandrijnschen oorlog.--4)
L. Annaeus Cornutus, geb. te Leptis in Africa, stoicijn onder Nero,
die hem haatte en verbande (65 n. C). Er zijn van hem geschriften
over in het Grieksch en in het Latijn. Cornutus was een vriend van
den satirendichter Persius.--5) Annaeus (Anneus) Florus, zie Florus.

Annales, chronika. Oudtijds werden ook te Rome de namen der
overheidspersonen en enkele gedenkwaardige gebeurtenissen door de
pontifices kroniekmatig opgeteekend. Deze opteekeningen gingen bij
de verwoesting van Rome door de Galliërs verloren, zoodat de latere
annales maximi, ook wel annales of commentarii pontificum geheeten, die
aan het einde van de 2de eeuw waarschijnlijk door den pontifex maximus
P. Mucius Scaevola in 80 boeken zijn uitgegeven, slechts weinig omtrent
den oudsten tijd van Rome vermeld kunnen hebben. Later legden zich een
groot aantal schrijvers op het schrijven van jaarboeken toe en worden
hiernaar annalisten geheeten. De oudsten, Q. Fabius Pictor, L. Cincius
Alimentus, C. Acilius, A. Postumius Albinus, schrijven hun jaarboeken
nog in het Grieksch. Eerst met M. Porcius Cato (234-149) en diens
Origines begint de romeinsche historiografie. Op hem volgen L. Cassius
Hemina, Q. Fabius Maximus Servilianus (consul 142), L. Calpurnius Piso
(c. 133), C. Sempronius Tuditanus (c. 129), S. Fannius (c. 122),
Cn. Gellius, Vennonius, allen tijdgenooten. In eenigszins anderen
geest schrijft Sempronius Asellio, en dan komen de annalisten uit den
tijd van Sulla, die allen de oudere geschiedenis vervalschen in een
bepaalde richting, en hun werken opsmukken door invoeging van tallooze
redevoeringen. Het zijn Q. Claudius Quadrigarius, Valerius Antias,
C. Licinius Macer, Aelius Tubero. Op hun werken berust grootendeels
onze kennis der oudste romeinsche geschiedenis.

Annalis (lex), zie Villia lex (annalis).

Anniceris, Annikeris, cyrenaeïsch wijsgeer, ongeveer gelijktijdig met
Epicurus; hij trachtte de leer van Aristippus te veredelen en zocht het
hoogste geluk in het genoegen, dat men vindt in vriendschap, gezellig
verkeer, streven naar eer en dgl. Zijn aanhangers heetten Annikereioi.

Annii, waartoe o.a. de. Aselli, de Bellieni, de Lusci, de Milones
behoorden. 1) T. Annius Luscus, consul 153, als redenaar bekend. Hij
trad in 133 heftig op tegen Ti. Gracchus.--2) T. Annius Luscus Rufus,
consul 128.--3) T. Annius Milo Papianus, zoon van C. Papius Celsus
uit Lanuvium, doch door zijn grootvader van moederszijde tot zoon
aangenomen. Hij was in 57 volkstribuun, en geraakte met P. Clodius
(z. Claudii no. 17) in hevigen strijd, omdat hij diens vijandschap
tegen Cicero niet deelde. Daar beiden zich met benden zwaardvechters
omgaven, kwam het tot openbare gewelddadigheden. Intusschen begunstigde
Milo Cicero's terugroeping uit de ballingschap. In 52 ontmoette Milo,
die op reis naar Lanuvium was, bij Bovillae aan de via Appia Clodius,
die van zijn landgoed naar Rome terugkeerde. Tusschen beider gewapend
gevolg ontspon zich een strijd, waarbij Clodius, die toesnelde, door
een van Milo's slaven gewond en vervolgens op last van Milo zelf gedood
werd. Groote opgewondenheid te Rome en oproerige tooneelen volgden,
waarbij zelfs de curia Hostilia afbrandde. Milo, de vi aangeklaagd,
werd veroordeeld en ging in ballingschap naar Massilia. Cicero was door
de buitengewone maatregelen van den consul Pompeius tot handhaving
der orde zoo in verwarring gebracht, dat hij Milo slechts zwak
verdedigde. De oratio pro Milone, welke wij bezitten, is niet die,
welke in werkelijkheid door Cicero is uitgesproken.--4) A. Annius
Gallus, veldheer van keizer Otho, streed in den slag bij Bedriacum
tegen Vitellius. Later komt hij voor in den oorlog tegen Claudius
Civilis en de Batavieren.--5) P. Annius Florus, zie Florus.--6)
L. Annius Verus, praetor in Hispania, werd door keizer Hadrianus tot
zoon aangenomen en heette toen L. Aelius Verus, doch stierf nog vóór
Hadrianus. Hij had twee zoons, die beiden door keizer Antoninus Pius
werden aangenomen, en dus tot de Aureliussen overgingen, z. Marcus
Aurelius en Verus.

Annona, de jaarlijksche opbrengst der akkers, als godin afgebeeld
met den hoorn des overvloeds in de eene en korenaren in de
andere hand. In het bizonder werd aldus het koren genoemd, dat
de senaat in Sicilia en Africa op staatskosten liet opkoopen,
om aan minvermogende burgers om niet of tegen lage prijzen uit
te deelen. De cura annonae was aan de aedilen opgedragen; Caesar
stelde zelfs eene nieuwe aediliteit in door twee aediles Cereales
te doen benoemen, terwijl Augustus de administratie van aanvoer
en uitdeeling van koren opdroeg aan een praefectus annonae. In den
beginne verkochten de aedilen het koren slechts tot zulk een prijs,
dat de graanhandelaars er door verhinderd werden woekerwinst te maken
en dat in tijden van schaarschte hongersnood werd geweerd. Doch in 123
riep C. Sempronius Gracchus de eerste lex frumentaria in het leven,
volgens welke een paterfamilias uit de korenmagazijnen van den staat
eene bepaalde hoeveelheid koren per maand zou kunnen koopen tegen 6
1/3 as den modius, ongeveer den halven marktprijs. Eene lex Appuleia
van den volkstribuun L. Appuleius Saturninus verlaagde den prijs tot
5/6 as, doch werd weder opgeheven, daar de schatkist dit niet kon
dragen. Eene lex Octavia van onbekenden datum bracht den prijs meer in
overeenstemming met de marktwaarde. Sulla hief de korenuitdeelingen op,
maar in 73 riep de lex Terentia et Cassia ze weder in het leven en
stelde den prijs per modius opnieuw op 6 1/3 as. De lex Clodia, 58,
beval de uitdeelingen om niet. Wanneer men nagaat, dat het aantal
bedeelden, hoewel door Pompeius beperkt, in den burgeroorlog tot
minstens 300000 aangroeide, door Caesar tot 150000 werd teruggebracht
en sedert op dit cijfer bleef, dan kan men begrijpen, hoe drukkend
deze uitdeelingen voor de schatkist waren. De gerechtigden ontvingen
eene tessera frumentaria, een abonnementsplankje. Zoodanige tessera
was alleen te verkrijgen, wanneer men als burger in eene tribus was
ingeschreven. Toen het volk alle staatkundige rechten had prijsgegeven
en de kans om, zoo er eene plaats openviel, eene tessera te bekomen,
het eenige voorrecht der tribus was, werden in den mond van het volk
beide woorden van gelijke beteekenis en zeide men zoowel tribum emere
als tesseram frumentariam emere.

Annulus, beter anulus, daktylios, sphragis. Aan den ringvinger
der linkerhand droeg de Romein een zegelring; senatoren, ridders
en overheden droegen hem van goud. Onder de keizers werd met het
ius anuli (aurei) zeer lichtvaardig omgesprongen, en werd het zelfs
aan vrijgelatenen toegestaan, die hierdoor met vrijgeborenen werden
gelijkgesteld. Ten laatste droeg elk fatsoenlijk man een of meer gouden
ringen, dikwijls met kostbare edelgesteenten.--Ook voor huishoudelijke
zaken had men allerlei ringen, evenals bij ons, b.v. gordijnringen,
anuli velares, enz.

Annus, to etos. Het grieksche jaar was verdeeld in 12 maanmaanden,
gerekend van de eene nieuwe maan tot de andere, en telde dus 354
dagen, terwijl de maanden afwisselend 29 en 30 telden. Die van 30
heetten menes plereis, de andere koiloi. Om de 3 jaren schoof men eene
schrikkelmaand in (men embolimaios); het schrikkeljaar heette daarom
trieteris. De namen der maanden en de indeeling van het jaar zijn in
de meeste Grieksche staten verschillend. Het attische jaar telde de
volgende 12 maanden: 1) Hekatombaion (van midden Juli-midden Aug.),
genoemd naar het feest der hecatomben.--2) Metageitnion (Aug.-Sept.),
de verhuismaand (waarin men van geitones, buren, verwisselde).--3)
Boedromion (Sept.-Oct.), naar het feest der Boedromia, ingesteld
ter gedachtenis aan de overwinning van Theseus op de Amazonen.--4)
Pyanepsion (Oct.-Nov.), naar het feest der Pyanepsia, het boonenfeest,
ter eere van Apollo, waarop men een gerecht van boonen of peulvruchten
at.--5) Maimakterion (Nov.-Dec), naar het feest der Maimaktreria,
ter eere van Zeus Maimaktes (= de razende, de god der stormen).--6)
Poseideon (Dec.-Jan.), naar Poseidon.--6*) In een schrikkeljaar
werd een tweede Poseideon ingeschoven.--7) Gamelion (Jan.-Febr.),
huwelijksmaand.--8) Anthesterion (Febr.-Mrt.), naar de Anthesteria,
een driedaagsch bloemenfeest ter eere van Dionysus.--9) Elaphebolion
(Mrt.-Apr.), naar de Elaphebolia, het hertenjachtfeest, ter eere van
Artemis.--10) Mounychion (Apr.-Mei), naar het feest der munychische
Artemis.--11) Thargelion (Mei-Juni), naar de Thargelia, een feest
ter eere van Apollo en Artemis.--12) Skirophorion (Juni-Juli),
naar de Skirophoria, een feest ter eere van Athena Sciras (skiron
is een witte parasol, dien de priesteressen van Athena bij dit feest
droegen). De maand werd verdeeld in drie dekaden, waarvan de laatste
naar omstandigheden 10 of 9 dagen telde. De eerste dekade heette men
histamenos of archomenos, de tweede men meson, de derde men phthinon,
apion, legon of pauomenos. De dagen der beide eerste dekaden werden
van 1 tot 10 geteld, die der laatste echter omgekeerd. Hoe men
dan bij maanden van 29 dagen deed, of dan de 21ste dag enate of
dekate phthinontos heette, is niet zeker. In het laatste geval
moest de deutera phthinontos worden uitgelaten; want de laatste
dag der maand heet altijd hene kai nea, als zijnde de dag, waarop
oud en nieuw elkander raakten, omdat eigenlijk op het oogenblik,
waarop de nieuwe maan inviel, ook de nieuwe maand begon. Hene kai
nea is dus de dag, die voor een deel de laatste dag der maand is
(de eerste van achteren af gerekend) en tevens voor een deel reeds
tot de nieuwe maand behoort.--Het romeinsche jaar was evenzeer
een maanjaar van 354 dagen. Het telde sedert Numa twaalf maanden,
waarvan oorspronkelijk Maart de eerste was, later Januari. De
namen zijn adiectiva. 1) mensis Ianuarius, naar den god Janus.--2)
m. Februarius, van de februa of doodenoffers, waarmede oudtijds het
jaar werd besloten.--3) m. Martius, aan Mars gewijd.--4) m. Aprilis,
van aperire, het openen der bloemknoppen.--5) m. Maius, naar Maia.--6)
m. Iunius, aan Juno geheiligd.--7) m. Quinctilis, oorspronkelijk de
vijfde maand, later ter eere van Caesar verdoopt tot m. Iulius.--8)
m. Sextilis, ter eere van Augustus tot m. Augustus verdoopt.--9-12)
m. September, October, November, December. Om de twee jaar schoof
men een schrikkelmaand in, mensis mercedonius of intercalarius, die
echter niet in het midden van het jaar, maar midden in de tweede helft
van Februari werd ingevoegd. Door onachtzaamheid van de pontifices,
die voor de tijdrekening moesten zorgen, en ook wel doordat men om
politieke bijoogmerken het invoegen van een schrikkelmaand achterwege
liet, waren ten tijde van Caesar de maanden niet minder dan 80 dagen
verschoven, weshalve hij als pontifex maximus het jaar 46 op 445
dagen stelde en verder het jaar op 365 dagen met één schrikkeldag
om de vier jaren. Eene groote verwarring in de rom. chronologie is
ook hierdoor ontstaan, dat eerst sedert 153 het burgerlijk jaar op
1 Jan. begint. Vóór dien tijd begon het met de ambtsaanvaarding der
consuls, en wanneer nu door eene of andere stoornis deze aanvaarding
werd vertraagd of ook wel door omstandigheden vervroegd, dan versprong
het begin van het burgerlijk jaar, totdat eene nieuwe storing het
weder op een anderen datum bracht.

In elke maand had men drie dagen, die een bijzonderen naam droegen:
Kalendae, Idus, Nonae. De Kalendae waren de eerste dag, aldus geheeten,
omdat op dien dag een der pontifices van de curia Calabra de nieuwe
maand afkondigde, die oorspronkelijk met de nieuwe maan samenviel. De
Idus (van iduare = dividere) vielen in Maart, Mei, Juli en October op
den 15den, anders op den 13den der maand en deelden dus de maand in
tweeën. De Nonae vielen negen (volgens onze telling acht) dagen vóór de
Idus, dus op den 5den of 7den. Men telde nu bij de vermelding van een
datum terug van de eerstvolgende Kalendae, Nonae, Idus. Zoo was b.v. 24
Febr. volgens rom. telling de zesde dag vóór 1 Maart, en dus ante diem
sextum Kalendas Martias. Deze zesde dag werd in een schrikkeljaar
verdubbeld en telde dan 2 maal 24 uren, die onderscheiden werden in
bissextilis prior en posterior. De laatste was dus de schrikkeldag.

Anquisitio, de aanklacht met opgaaf der geëischte straf, wanneer een
der overheden een beschuldigde voor de comitiën daagde.

Anser, romeinsch dichter ten tijde van Augustus, die bij Antonius in
gunst stond en van hem een landgoed ten geschenke kreeg. Hij was een
bediller van Vergilius en wordt door Ovidius procax genoemd.

Antae, parastades, vierkante pilasters, waarin de zijmuren van een
gebouw uitloopen, wanneer deze met het dak vooruitspringen, zoodat
zij vóór den ingang een open voorportaal vormen. Een tempel met zulke
antae werd een templum in antis (en parastasi) genoemd.

Antaeus, Antaios, zoon van Poseidon en Gaea, een geweldige reus,
die over Libye regeerde en alle vreemdelingen dwong met hem te
worstelen. Daar hij bij iedere aanraking met zijne moeder (de aarde)
nieuwe kracht kreeg, was hij onoverwinnelijk en versloeg hij zooveel
tegenstanders, dat hij van hun schedels een tempel voor Poseidon konde
bouwen. Ook Heracles weerstond hij lang, maar toen deze zijn geheim
ontdekte, hief hij hem van den grond op en worgde hem zoo. Als men
aarde van zijn graf, dat bij Tingis was, afnam, begon het terstond
te regenen.

Antalcidas, Antalkidas, een Spartaan, die in 393 naar den
perzischen generaal Tiribazus gezonden werd, om te trachten door
zijn tusschenkomst den perzischen koning te bewegen zijne hulp aan
de Atheners te onttrekken. Dit gelukte echter eerst toen de Atheners
den koning vertoornden door Euagoras van Cyprus te ondersteunen;
toen bewerkte Ant. dat Artaxerxes den Spartanen hulp beloofde,
indien de Atheners en hunne bondgenooten hunne vredesvoorstellen niet
aannamen. Zoo werd in 387/386 de Koningsvrede of vrede van Antalcidas
aan de oorlogvoerende staten voorgeschreven, waarbij bepaald werd,
dat iedere staat in Griekenland autonoom zoude zijn, de grieksche
steden in Azië aan de Perzen overgelaten werden, en ieder die zich
niet aan deze voorwaarden onderwierp, voor algemeen vijand verklaard
werd. Ant. zou later, geërgerd door de smadelijke bejegening hem door
Artaxerxes aangedaan, vrijwillig den hongerdood gestorven zijn.

Antandrus, Antandros, stad in Troas of in Mysia, aan de golf van
Adramyttium. Aeneas zou hier scheep zijn gegaan. Hier werd na den
slag bij Cyzicus (410) met perzisch geld een nieuwe vloot voor
Sparta gebouwd.

Antaradus, Antarados, havenstad van Aradus, in het Noorden van
Phoenicië. Aradus zelf lag op een eilandje in zee, Antaradus er
tegenover op de kust.

Anteambulones, cliënten (in de latere beteekenis van het woord),
die voor aanzienlijke personen uitgingen, om in het straatgewoel ruim
baan voor hen te maken.

Antea, Anteia, dochter van Iobates, z. Bellerophon. Na het vertrek van
Bellerophon bracht zij zichzelve van verdriet om het leven. V.a. komt
Bellerophon later weder bij haar, beweegt haar met hem te vluchten,
en werpt haar bij het eiland Melos in zee.

Antecessores of antecursores, lichte troepen, vooral ruiterij,
die de spits van het leger op marsch uitmaakten en op verkenning
vooruitgingen.--Ook overdrachtelijk: baanbrekers, wegwijzers in eenig
vak van wetenschap, vooral in de rechtsgeleerdheid, exegetai.

Anteius (P), gunsteling van Agrippina, doch om deze reden door Nero
gehaat. Beschuldigd zijnde, dat hij de sterren had geraadpleegd
aangaande Nero's dood, en eene veroordeeling voorziende, nam hij
eerst vergif in; toen dit echter te langzaam werkte, opende hij zich
de aderen (66 n. C.).

Antemnae, oude latijnsche stad, dáár gelegen, waar de Anio zich in
den Tiber stort. De stad is reeds spoedig bij Rome ingelijfd.

Antenor, Antenor, zoon van Aesyetes en Cleomestra, zwager van Priamus,
die gedurende den trojaanschen oorlog altijd op inwilliging van de
billijke eischen der Grieken aandrong. Daarom werd later verhaald,
dat hij de stad aan de Grieken verraden zou hebben en daarvoor zijn
leven en zijne bezittingen bij de plundering gespaard zouden zijn. Over
zijne verdere lotgevallen vindt men verschillende berichten. Hij zou
de helft van Priamus' bezittingen gekregen en op den Ida een nieuw
rijk gesticht hebben, of met Menelaus scheep gegaan en te Cyrene
gebleven zijn, waar de Antenoriden als halfgoden vereerd werden,
of met de Heneti, een paphlagonisch volk, naar Thracië en vervolgens
naar Italië gegaan zijn en daar de stad Patavium gesticht hebben.

Antepilani. Voordat door Marius de verdeeling van het legioen in
tien cohorten werd ingevoerd, vormde het drie slagliniën, zóó, dat
in de eerste de hastati, in de tweede de principes, in de derde de
triarii of pilani stonden. Hierom werden de beide eerste liniën ook
antepilani genoemd. Zie voor het geheel onder Acies.

Anteros, Anteros, de god der wederliefde, broeder van Eros. Daar
Eros niet groeien wilde, gaf Aphrodite hem op raad van Themis dezen
broeder tot speelmakker, en nu werd Eros krachtig en gezond; miste
hij hem echter, dan was hij weder treurig als vroeger. Ant. treedt
ook op als wrekend god, die het versmaden van liefde straft.

Antesignani, 1) = antepilani, omdat de standaard van het legioen, de
adelaar, bij de triariërs was.--2) In Caesars tijd was antesignani
de naam eener vaste keurbende bij ieder legioen, zonder bagage en
dus altijd slagvaardig.

Antestatio. Wanneer een Romein zijne tegenpartij op straat ontmoette
en hem uitnoodigde naar den praetor te gaan (in ius venire, in ius
ambulare), en de tegenpartij dan onwillig was, dan kon de eischer
hem met geweld voor den praetor brengen, mits hij den betoonden
onwil door de verklaring van een getuige kon staven. Daarom nam men
den een of anderen voorbijganger tot getuige, met de vraag: licetne
antestari? Stemde de gevraagde toe, dan raakte de vrager even diens
oorlel (auricula) aan, omdat men dáár den zetel van het geheugen zocht.

Anthedon, Anthedon, stad aan de noordkust van Boeotia. De bewoners
leefden vooral van vischvangst en purperschelpvisscherij. Anthedon,
de vader van den onder de zeegoden opgenomen Glaucus, zou hier
geleefd hebben.

Anthele, Anthele, plaatsje aan den ingang der Thermopylae, met een
tempel van Demeter, waar de vergaderingen der Amphictyonen werden
gehouden.

Anthemus, he Anthemous, stad op Chalcidice, door Philippus van
Macedonië aan de Olynthiërs afgestaan.

Anthemusia, Anthemousia, stad en landschap in het mesopotamische
gewest Osroene, ten Z.W. van Edessa.

Anthene, Anthene, vlek in Thyreatis of Cynuria.

Anthesteria, Anthesteria, een van de groote feesten ter eere
van Dionysus, te Athene den 11-13 Anthesterion (Februari-Maart)
gevierd. Den eersten dag (Pithoigia, opening der vaten) vierde men
het aftappen van den jongen wijn; op den tweeden dag, het kannenfeest
(Choes), werd een openbare maaltijd gehouden, waarbij men om het
hardst van den nieuwen wijn dronk; wie het eerst zijn kan geledigd
had, kreeg een prijs. Dit was de voornaamste dag van het feest, waarop
zelfs jonge kinderen zich met bloemen bekransten, en waarop de vrouw
van den archon basileus onder geheime plechtigheden en offers in het
Lenaeum aan den god uitgehuwd werd. De derde dag heette Chytroi,
pottenfeest, omdat men dan potten met peulvruchten als offer voor
den chthonischen Hermes en de zielen der afgestorvenen gereed zette.

Anthesterion, Anthesterion, 8ste maand van het Attische jaar
(Febr.-Maart), z. Annus.

Anthylla, Anthylla, stad in de Nijldelta tusschen Canopus en Naucratis.

Antias, zie Valerii no. 36.

Anticlea, Antikleia, dochter van Autolycus, gemalin van Laërtes,
moeder van Odysseus; zij stierf van smart over de lange afwezigheid
van haar zoon, die, volgens een later verhaal, niet Laërtes, maar
Sisyphus tot vader had.

Anticirrha of -cyra, Antikirra, -kyra, naam van twee steden, de eene
in Phocis, de andere in het landschap Malis, aan den Spercheus. Beide
steden, doch vooral die in Phocis, waren in de oudheid bekend om de
teelt van nieskruid, dat als geneesmiddel tegen zwaarmoedigheid en
krankzinnigheid werd aangewend.

Antidosis, ruiling. Te Athene kon iemand, wien naar zijne meening
ten onrechte een kostbare liturgie opgedragen was, eischen dat een
ander, die eerder daarvoor in aanmerking moest komen, de liturgie
van hem overnam, of dat hij anders zijn geheel vermogen met hem zou
ruilen. Wanneer deze eisch gedaan was, werden terstond de bezittingen
van beide partijen verzegeld, en binnen drie dagen werd een beëedigde
inventaris (apophasis) overgelegd, waarnaar de rechters te beslissen
hadden, ofschoon niet uitsluitend het verschil in vermogen in
aanmerking kwam, maar ook o.a. de vraag wie van beide partijen reeds
vroeger liturgieën bekostigd had, hoeveel geld daaraan besteed was,
enz. Indien de eisch werd toegewezen, nam de verliezende partij de
liturgie op zich; voor zoover ons bekend is, heeft eene werkelijke
ruiling nooit plaats gehad.

Antigone, Antigone, 1) dochter van Oedipus en Iocaste
of Euryganea. Toen haar blinde vader in ballingschap ging,
vergezelde zij hem bij al zijne omzwervingen en deelde geduldig zijn
ongelukkig lot, totdat hij in Attica stierf. Naar Thebe teruggekeerd
gedurende de twisten tusschen hare broeders Eteocles en Polynices,
waagde zij het, in weerwil van Creon's verbod, den gesneuvelden
Polynices te begraven. In het grafgewelf der Labdaciden, waar zij
wegens die daad werd opgesloten, hing Ant. zich op, waarna haar
bruidegom Haemon, Creon's zoon, zich aan haar zijde van het leven
beroofde.--V. a. ontkwam zij door de hulp van Haemon en leefde
zij nog jaren lang op het land in geheimen echt met hem, totdat
Creon haar ontdekte en Haemon haar en zichzelf doodde. Haar edel
gedrag tegenover vader en broeder wordt dikwijls door attische
treurspeldichters vermeld.--2) dochter van Eurytion, gemalin van
Peleus. Toen Peleus de liefde van Astydamea onbeantwoord liet, zond
deze aan Ant. het onware bericht, dat hij op het punt was met Sterope
in het huwelijk te treden. Hierdoor misleid, hing Ant. zich op.--3)
dochter van Laomedon. Zij was zoo trotsch op haar schoone lokken,
dat Hera haar strafte door ze in slangen te veranderen, waarop de
goden medelijden met haar kregen en haar in een ooievaar veranderden.

Antigonea, -nia, Antigoneia, -nia, naam van onderscheidene steden,
als: 1) in Syria aan den Orontes, residentie van Antigonus, den
gewezen veldheer van Alexander den Grooten. Later bracht Seleucus
Nicator het grootste gedeelte der inwoners naar het door hem in de
nabijheid gestichte Antiochia over.--2) in Macedonia aan den Axius.--3)
in Chalcidice.--4) in Epirus aan den Aous. Ook Alexandria Troas en
Nicaea in Bithynia hebben een tijd lang dezen naam gedragen.

Antigonus, Antigonos, 1) Kyklops of Monophthalmos, afstammend van
de vorsten van Elymiotis, een man van een heerschzuchtig, maar vast
karakter, een van de voortreffelijkste veldheeren van Alex. d. G.,
die hem in 333 tot satraap van Phrygië aanstelde. Bij de verdeeling
van het rijk na den dood van Alex. (323), kreeg Ant. Groot-Phrygië,
Lycië en Pamphylië, maar daar hij zich tegen de bevelen van Perdiccas
verzette, was hij genoodzaakt naar Antipater te vluchten. Toen deze
na den dood van Perdiccas rijksbestuurder werd, kreeg Ant. zijne
landen terug (321) en werd hem tevens het opperbevel opgedragen
tegen Eumenes, den standvastigen verdediger der rechten van het huis
van Alex. Na den dood van Antipater (319) vereenigde Ant. zich met
Cassander, Ptolemaeus en Seleucus tegen Polyperchon, en toen Eumenes
door verraad in de handen van zijn vijand gevallen was, was Ant. heer
over geheel Voor-Azië en Syrië (316). Maar deze groote macht wekte
bij zijne bondgenooten wantrouwen op, en toen Ant. nu ook Seleucus van
het stadhouderschap over Babylonië beroofde, vereenigden zij zich met
Lysimachus tegen hem (315). Nu ontstond een lange oorlog, die in Azië,
Griekenland en Aegypte met afwisselend geluk gevoerd werd, en waarin
Ant. door zijn dapperen zoon Demetrius Poliorcetes bijgestaan werd. De
nederlaag door dezen in 312 bij Gaza geleden, dwong Ant. wel vrede
te sluiten, doch spoedig werd de oorlog hervat, en in 306 behaalde
Demetrius in den zeeslag bij Salamis op Cyprus eene groote overwinning
op Ptolemaeus, waarna Ant. den titel van koning aannam, welk voorbeeld
weldra door zijn tegenstanders gevolgd werd. Eindelijk werd in den
grooten slag bij Ipsus (301), waarin Ant. sneuvelde en Demetrius op
de vlucht gejaagd werd, het lot van Azië ten gunste der verbondenen
beslist.--2) Gonatas (zoo genoemd naar zijn geboorteplaats Goni of
Gonnus of naar een ijzeren band, dien hij om de knie droeg), zoon van
Demetrius Poliorcetes, wist zich in de Peloponnesus te handhaven,
toen zijn vader uit Macedonië verdreven werd (287). Na diens dood
(283) werd hij koning van Macedonië, ofschoon hij tot 276 eerst door
Seleucus, later door Ptolemaeus Ceraunus verhinderd werd de regeering
te aanvaarden. Later werd hij nog tweemaal uit zijn rijk verjaagd,
eerst door Pyrrhus, vervolgens door Alexander van Epirus, maar telkens
keerde hij terug en eindelijk onderwierp hij zich ook Epirus. In
277 overwon hij de Galliërs in een grooten slag bij Lysimachia,
later bestreed hij het achaeïsch verbond, maar zonder gevolg. Hij
stierf in 240.--3) Doson (die altijd geven zal, maar nooit geeft) of
Epitropos, kleinzoon van Demetrius Poliorcetes, bestuurde Macedonië na
den dood van Demetrius II (229), met wiens weduwe hij later trouwde,
als voogd van Philippus III en later als koning. In het begin van zijn
regeering was hij genoodzaakt een oorlog tegen verschillende grieksche
staten te beëindigen door een vrede, waarbij de onafhankelijkheid
van bijna geheel Griekenland erkend werd. In 224 werd zijn hulp
ingeroepen door Aratus, die het achaeïsch verbond onder macedonische
bescherming stelde. Ant. trok naar de Peloponnesus, overwon Cleomenes
(z. a. no. 4) in den slag bij Sellasia (221), dwong Sparta tot het
achaeïsch verbond toe te treden en vestigde door zijne overwinningen
opnieuw den macedonischen invloed in Griekenland. Spoedig na zijn
terugkomst in Macedonië overleed hij.--4) van Carystus, leefde
aan het hof van Attalus I en was schrijver van een aantal werken
over geschiedenis, biografie, kunst, enz. Bewaard gebleven is een
verzameling van merkwaardigheden op natuurhistorisch gebied.

Antigrapheus, controleur over het geldelijk beheer van den raad
(ant. tes boules) of van den schatmeester (ant. tes dioikeseos),
in beide gevallen door het volk verkozen.

Antigraphe, verweerschrift, eigenlijk antwoord op eene graphe;
de antigraphe bevatte echter niet altijd eene verdediging tegen de
aanklacht, maar konde ook de bevoegdheid van rechtbank of aanklager
betwisten, enz. Aanklacht en verweerschrift worden soms te zamen
antigraphai genoemd.

Antilibanus, Antilibanos, bergketen ten Oosten van en evenwijdig met
den Libanon of Libanus.

Antilochus, Antilochos, zoon van Nestor en Eurydice of Anaxibia, een
van de dapperste helden voor Troje, en na Patroclus de dierbaarste
vriend van Achilles. Hij werd door Memnon verslagen, terwijl hij
zijn vader uit een groot gevaar redde, daarom wordt hij Philopator
genoemd. Zijn asch werd bij die van Achilles en Patroclus bijgezet.

Antimachus, Antimachos, 1) atheensch volksredenaar, tijdgenoot van
Aristophanes.--2) dichter en grammaticus uit Colophon, omstreeks 400,
door Plato hoog geschat. Zijne voornaamste werken waren een epos
Thebaïs, waarin hij de thebaansche oorlogen, en een elegisch gedicht
Aude, waarin hij eene reeks heldengeschiedenissen behandelde. De
Alexandrijnen noemden hem den grootsten epischen dichter na Homerus.

Antinoöpolis, Antinoou polis, prachtige stad aan den Nijl, in het
Zuiden van Midden-Aegyptus, door keizer Hadrianus gesticht ter
gedachtenis aan zijn lieveling Antinoüs, die hier verdronk.

Antinoüs, Antinoos, 1) zoon van Eupithes, de overmoedigste en
onbeschaamdste onder Penelope's vrijers, ook de eerste, die door
Odysseus' pijlen werd getroffen.--2) een beeldschoon jongeling,
de lieveling van keizer Hadrianus, dien hij op diens reizen
vergezelde. Hij verdronk in den Nijl. De keizer stichtte op de plaats
van het ongeluk de stad Antinoöpolis, liet te Mantinea voor hem een
tempel bouwen en hem nog andere eer bewijzen. Hij werd door tal van
stand- en borstbeelden vereeuwigd; ook een sterrenbeeld werd naar
hem genoemd.

Antiochia, -ea, Antiocheia, naam van een aantal steden. 1)
Ant. Epidaphnes (he epi Daphnes), aldus naar een naburig laurierbosch
genoemd, de prachtige hoofdstad van het syrische rijk, omstreeks
300 door Seleucus Nicator gesticht en naar zijn vader Antiochus
genoemd. Door zijne opvolgers nog verfraaid en uitgebreid, bestond
het ten laatste uit vier afzonderlijk ommuurde steden. Prachtige
zuilengangen, ter lengte van een uur gaans, doorsneden de stad in
rechte lijn. Handel en wetenschappen bloeiden er. De stad lag aan den
Orontes. Hier kwam voor het eerst de naam van Christenen in gebruik,
later werd het de zetel van een patriarch. In 260 na C. werd A. door
den nieuw-perzischen koning Sapores I gedeeltelijk verwoest, en in 538
door Chosroës. Keizer Justinianus liet het op kleiner schaal herbouwen
en zóó komt het nog voor in de geschiedenis der kruistochten.--2)
Ant. ad Maeandrum, in Caria, met eene beroemde brug over de rivier,
door Antiochus I Soter (281-261) gesticht.--3) Ant. ad Pisidas, in
Phrygia nabij de pisidische grens, later Caesarea (z. a. no. 7).--4)
Ant. Margiana, thans Merw, in Margiane.--Ook andere steden, zooals
Adana aan den Sarus, in Cilicia, Nisibis in Mesopotamia, Edessa,
hebben tijdelijk den naam Antiochia gedragen.

Antiochis, Antiochis, een van de 10 phylae, waarin de bevolking van
Attica door Clisthenes verdeeld werd. De meeste van de demen, die er
toe behoorden, lagen in het oosten van Attica.

Antiochus, Antiochos, 1) veldheer van Philippus van Macedonië,
vader van Seleucus Nicator.--2) Ant. I, Soter bijgenaamd na eene
overwinning op de Galliërs behaald, zoon en opvolger van Seleucus
Nicator, geb. 324, regeerde van 281-261, maar voor dien tijd was hij
reeds sedert 293 mederegent zijns vaders geweest, en had toen het
oostelijk gedeelte van het groote Seleucidenrijk bestuurd. Verliefd op
zijne stiefmoeder Stratonice en die liefde voor hopeloos houdende,
werd hij ernstig ziek, maar toen zijn vader de oorzaak zijner
ziekte vernomen had, stemde hij in het huwelijk met Stratonice toe
(293). Gedurende zijne regeering had hij dikwijls met de Galliërs
te kampen, die hij meermalen overwon, maar eindelijk sneuvelde hij
in een slag tegen hen bij Ephesus, 261. Ook tegen Eumenes I van
Pergamus voerde hij oorlog, maar zonder gevolg.--3) Ant. II, na de
verdrijving van den milesischen tyran Timarchus Theos bijgenaamd,
zoon en opvolger van Ant. I. Een ongelukkige oorlog, dien hij
tegen Aegypte voerde, eindigde daarmede, dat hij zijne gemalin
Laodice verstiet, Berenice, de dochter van Ptolemaeus Philadelphus,
tot vrouw nam (250), en beloofde dat, wanneer uit dit huwelijk een
zoon geboren werd, deze hem zou opvolgen. Toen echter na den dood
van Ptolemaeus Laodice teruggeroepen werd, vergiftigde zij hem,
Berenice en hun kind (246). Onder zijn regeering begonnen één voor
één de oostelijke provinciën van het Seleucidenrijk af te vallen en
maakten zich onafhankelijk. Zie Arsaces.--4) Ant. Hierax, jongere
zoon van Ant. II, betwistte zijn broeder Seleucus II de regeering;
na verscheidene nederlagen moest hij vluchten en werd hij na vele
omzwervingen door roovers gedood (227).--5) Ant. III de Groote,
geb. 242, zoon van Seleucus II Callinicus, kwam, na de korte regeering
van zijn broeder Seleucus III Ceraunus, in 223 aan de regeering
(223-187). In 219 begon hij een oorlog tegen Ptolemaeus Philopator,
die hem Phoenicië en Coele-Syrië ontnomen had, maar opstanden
van verschillende stadhouders in het Oosten, die gedeeltelijk door
Ptolemaeus ondersteund werden, beletten hem den oorlog met kracht te
voeren. Eerst in 217 had hij alle binnenlandsche vijanden overwonnen en
konde hij zich weder tegen Aegypte wenden, hij verloor echter den slag
bij Raphia en werd genoodzaakt vrede te sluiten. In 209 ondernam hij
een oorlog tegen de Parthen en Bactriërs, dien hij met geluk voerde,
ofschoon hij hen niet konde onderwerpen; sedert dien oorlog werd hij
"de Groote" bijgenaamd. Na den dood van Ptolemaeus IV Philopator
(z. Ptolemaeus no. 8) (205), die door een zoon van nog geen 5 jaar
opgevolgd werd, meende Ant. dat de kans schoon was om zijn verloren
gebied te hernemen, en verbonden met Philippus III van Macedonië
slaagde hij inderdaad hierin door de overwinning bij Panion aan den
Jordaan (200). waarop een vrede volgde, die later door het huwelijk
van zijne dochter Cleopatra met Ptolemaeus Epiphanes bevestigd
werd. Door de Romeinen misleid, die hem van een krijgstocht tegen
Eumenes van Pergamus hadden teruggehouden, besloot hij Philippus in
den oorlog tegen hen te ondersteunen; hij stak naar Europa over (196),
maar vond den oorlog reeds ten gunste der Romeinen beslist, die nu
van hem eischten, dat hij de reeds bezette steden aan den Hellespont
en in de Chersonesus zoude ontruimen en aan Ptolemaeus het veroverde
land zoude teruggeven. Door deze eischen verbitterd en door Hannibal,
die uit Carthago tot hem gevlucht was, tegen de Romeinen opgezet,
bereidde hij zich tot den oorlog voor, en toen eindelijk zijne hulp
door de Aetoliërs ingeroepen werd, trok hij met een groot leger naar
Griekenland (192); hier vond hij echter weinig steun, terwijl hij de
raadgevingen van Hannibal niet opvolgde, Philippus door zijn overmoedig
gedrag beleedigde en geruimen tijd werkeloos op Euboea bleef. In 191
werd hij door M'. Acilius Glabrio bij de Thermopylae verslagen en
zag hij zich genoodzaakt naar Azië terug te keeren. Met zijn vloot
was hij niet gelukkiger, zoodat L. Cornelius Scipio, na een groote
overwinning ter zee bij Myonnesus, in Azië kon landen en Ant. in den
slag bij Magnesia aan den Sipylus zulk een nederlaag toebracht, dat hij
om vrede moest vragen (190); deze werd hem gegeven, maar ten koste van
al het land aan deze zijde van den Taurus, al zijne oorlogsschepen en
olifanten en eene oorlogsbelasting van 15000 talenten. Toen Ant. nu
in zijne geldverlegenheid een inval in het land der Elymaeërs deed
en daar een tempel van Zeus plunderde, werd hij door het volk gedood
(187).--6) Ant. IV Epiphanes (spottend noemden velen hem epimanes,
zoon van Ant. III, volgde in 175 zijn broeder Seleucus Philopator
op, nadat hij 14 jaar te Rome als gijzelaar had doorgebracht. Ook
hij begon spoedig een oorlog tegen Aegypte, en bemachtigde ook weder
Phoenicië, Palaestina en Coele Syrië; ook in Aegypte zelf, waar twee
broeders elkander de regeering betwistten (z. Ptolemaeus no. 10),
drong hij door, eerst om een van hen te helpen, en toen zij zich later
verzoend hadden, als vijand van beiden. Reeds was hij met zijn leger
Alexandrië genaderd, toen de rom. gezant C. Popillius Laenas hem het
bevel van den senaat kwam brengen den oorlog te staken en Aegypte
te verlaten, aan welk bevel Ant., verschrikt door het ruwe optreden
van den gezant, (z. Popilii no. 3) gehoorzaamde (168). Den Joden
trachtte hij tevergeefs den griekschen godsdienst op te dringen,
zijne wreede vervolgingen dreven hen integendeel tot openlijken
opstand, en aangevoerd door de heldhaftige Maccabaeërs, wisten zij
zich zelfs tegen het leger van Ant. staande te houden. In 165 stierf
Ant. te. Tabae in Perzië.--7) Ant. V Eupator, zoon van den vorigen,
was bij den dood van zijn vader nog zeer jong. De veldheer Lysias
en de gunsteling van Ant. IV, Philippus, betwistten elkander met de
wapenen de voogdij over den knaap, maar nauwelijks had Lysias zijn
tegenstander overwonnen, toen Demetrius, zoon van Seleucus Philopator,
die tot nu toe als gijzelaar te Rome geweest was, de regeering kwam
opeischen, Ant. en Lysias gevangen nam en hen ter dood liet brengen
(162).--8) Ant. VI Theos, zoon van Alexander Balas, wierp zich in
144 tegen Demetrius Nicator als koning op en maakte zich bijna van
het geheele rijk meester; hij werd echter in 142 vermoord door
Tryphon, die toen zelf den troon besteeg.--9) Ant. VII Sidetes
(te Side opgevoed) verdreef Tryphon (137), dwong den joodschen
vorst Johannes Hyrcanus tot onderwerping (132) en sneuvelde in een
slag tegen de Parthen (129).--10) Ant. VIII Philometor of Grypos
(haviksneus) moest na den dood van zijn vader, Demetrius Nicator,
eenige jaren met diens tegenstander, Alexander Zabina (z. Alexander
no. 12), om de regeering strijd voeren; eindelijk verjoeg hij hem door
de hulp van Aegypte. Later (sinds 117) betwistte zijn halfbroeder,
Ant. Cyzicenus, hem de regeering; eer deze langdurige twist beslecht
was, werd Ant. vermoord (97). Deze broedertwisten en die der volgende
vorsten zijn grootendeels de oorzaak van het verval en den ondergang
van het rijk der Seleuciden geworden.--11) Ant. IX Kyzikenos (hij
had te Cyzicus gewoond) moest na den dood van Ant. VIII den oorlog
tegen diens zoon, Seleucus Epiphanes voortzetten en sneuvelde reeds in
95.--12) Ant. X Heusebes, zoon van Ant. IX, overwon Seleucus Epiphanes,
versloeg bij den Orontes (94) Antiochus Philadelphus en Philippus,
twee andere zonen van Ant. Grypus, die een opstand tegen hem verwekt
hadden, en sneuvelde in een slag tegen de Parthen (na 83).--13)
Ant. XI Philadelphos, z. no. 12. Na den ongelukkigen slag aan den
Orontes verdronk hij op de vlucht in die rivier (94).--14) Ant. XII
Lionysos vatte de wapenen op tegen zijn broeder Philippus (86), maar
sneuvelde spoedig in den strijd tegen een arabischen volksstam.--15)
Ant. XIII Asiaticus, zoon van Ant. X, de laatste der Seleuciden. Nadat
het syrische rijk sedert den dood van Ant. XII bij Armenië ingelijfd
was geweest, werd het door Lucullus hersteld en Ant. XIII op den troon
geplaatst (68). Pompeius ontnam hem echter weldra de regeering weder
en maakte Syrië tot een rom. provincie (64). Deze Antiochus is het,
die als prins op zijn reis van Rome naar Antiochia door Verres te
Syracuse beroofd werd.--15a) Antiochus I, koning van Commagene, zoon
van Mithradates I van Commagene, regeerde 69-34. Hij hielp Pompeius
met troepen tegen Caesar; hij stierf kort voor 31.--16) Ant. II,
koning van Commagene, die wegens een moord door Augustus met den dood
gestraft werd (29).--17) Ant. III, koning van Commagene, die in 17
na C. stierf, waarop zijn rijk tot 38 een rom. provincie werd.--18)
Ant. IV Epiphanes, kreeg in 38 n. C. van Caligula weder de regeering
over Commagene; hij hielp Nero tegen de Parthen en Vespasianus tegen
de Joden, in 72 rezen er echter vermoedens tegen hem en werd hem
de regeering ontnomen. Commagene werd weder ingelijfd en met Syria
vereenigd.--19) stuurman onder Alcibiades, die hem tijdelijk het bevel
over de vloot opdroeg. In strijd met zijne bevelen, gaf Ant. door
zijne roekeloosheid aanleiding tot het ongelukkige zeegevecht bij
Notium, waarin Lysander de atheensche vloot op de vlucht joeg en 15
schepen buit maakte (407).--20) Ant. van Syracuse, ouder tijdgenoot
van Thucydides, schreef eene geschiedenis van Italië en Sicilië,
die met lof genoemd wordt.--21) Ant. van Ascalon, leerling van Philo
no. 6, stichter der zoogen. vijfde academie, die de leer der academie
met die der stoa tracht in overeenstemming te brengen. Hij erkent,
dat de deugd voldoende is voor een gelukkig leven, maar beweert dat
voor eene vita beatissima nog andere dingen noodig zijn. Cicero en
Varro behoorden tot zijne leerlingen.

Antiope, Antiope, 1) dochter van Asopus of van Nycteus, om hare
schoonheid door Zeus bemind, wien zij Amphion en Zethus baarde. Toen
zij gevoelde dat zij moeder worden zoude, vluchtte zij uit vrees voor
den toorn van haar vader naar Sicyon. Nycteus doodde zich uit verdriet
hierover, en droeg aan zijn broeder Lycus op hem te wreken. Deze
haalde Ant. terug, die intusschen met Epopeus, koning van Sicyon,
gehuwd was, en gaf haar als slavin aan zijne gemalin Dirce, die haar
twintig jaren lang de wreedste behandeling liet ondergaan. Eindelijk
vluchtte zij naar hare zonen, die op Dirce wraak namen (z. Amphion),
maar daardoor het misnoegen van Dionysus opwekten; deze liet Ant. in
waanzin rondzwerven, totdat Phocus, een kleinzoon van Sisyphus, haar
genas en tot vrouw nam.--2) z. Amazones. Zij werd bij Theseus moeder
van Hippolytus. In den strijd dien de Amazonen tegen Athene voerden,
werd Ant. gedood, of v. a. wist zij een vrede te bewerken.

Antipater, Antipatros, 1) een van de veldheeren van Philippus
van Macedonië. In die hoedanigheid had hij zooveel bewijzen van
bekwaamheid en trouw gegeven, dat Alexander hem gedurende zijne
buitenlandsche veldtochten als stadhouder van Macedonië en Griekenland
achterliet. Ook deze betrekking bekleedde hij met roem, hij dempte een
opstand der Thraciërs en versloeg de Lacedaemoniërs, die onder Agis II
Griekenland van de macedonische heerschappij trachtten te bevrijden,
in den slag bij Megalopolis (330). In 324 riep Alexander, ongeduldig
geworden door de herhaalde klachten van zijne moeder, die steeds
met Ant. in onmin was, hem naar Azië, maar door zijn spoedig daarop
gevolgden dood bleef dit bevel onuitgevoerd, vandaar het verhaal dat
Ant. Alex. door vergif zou hebben laten dooden. Terstond na den dood
van Alexander vereenigden de Grieken zich weder om zich van Macedonië
los te maken; Ant. werd in Lamia ingesloten (323), maar de komst van
Leonnatus noodzaakte de belegeraars hem uit de stad te laten trekken,
en door Craterus geholpen, versloeg hij het grieksche leger bij Crannon
en maakte daarmede aan den oorlog een einde (322). Tegen het streven
van Perdiccas om zich van de regeering over het geheele rijk meester
te maken, vereenigde zich Ant. met Antigonus, Craterus en Ptolemaeus,
en toen Perdiccas vermoord was, werd hij tot rijksbestuurder benoemd
(320). In het volgende jaar stierf hij, nadat hij Polyperchon als
zijn opvolger had aangewezen.--2) kleinzoon van den vorigen, zoon
van Cassander, werd in 296 koning van Macedonië. Hij doodde zijne
moeder Thessalonica, omdat hij meende dat zij zijn broeder Alexander
begunstigde; deze verjoeg hem daarop met de hulp van Demetrius
Poliorcetes; hij vluchtte naar zijn schoonvader Lysimachus, die hem in
287 liet ter dood brengen.--3) Ant. van Tarsus, opvolger van Diogenes
den Babyloniër als hoofd der stoicijnsche school. Hij leefde in het
midden van de 2de eeuw. Hij was de leermeester van Panaetius.--4)
Ant. van Tyrus, hoofd der stoicijnsche school, leermeester en vriend
van den jongen Cato, stierf te Athene omstreeks 45.--5) Caelius
Ant. z. Caelii no. 1.

Antiphanes, Antiphanes, geb. op Rhodus, een geestig en bekwaam attisch
blijspeldichter, wien 260 stukken worden toegeschreven. Zijne eerste
werken verschenen omstreeks 387.

Antiphates, Antiphates, de wreede vorst der Laestrygonen, die een van
de gezellen van Odysseus verslond, en elf van diens schepen door zijn
volk liet verbrijzelen, zoodat slechts één schip konde ontkomen. Zijn
naam wordt soms spreekwoordelijk voor een wreedaard gebruikt.

Antiphilus, Antiphilos, 1) schilder, tijdgenoot van Apelles.--2)
na den dood van Leosthenes (323) aanvoerder van het grieksche leger
in den lamischen oorlog.

Antiphon, Antiphon, 1) geb. te Athene omstreeks 480. Hij ontving
van zijn vader Sophilus, een sophist, het eerste onderwijs in de
welsprekendheid, waarin hij later uitmuntte, zoodat hem in den
alexandrijnschen canon der attische redenaars de eerste plaats
gegeven werd. Slechts eenmaal trad hij zelf als redenaar op, en
wel om zichzelven te verdedigen. Daar hij n.l. ijverig deelgenomen
had aan de invoering van de regeering der 400, werd hij, nadat de
democratie hersteld was, door Theramenes van hoogverraad aangeklaagd
en in weerwil van zijn meesterlijke verdediging ter dood veroordeeld
(411). Hoewel wegens zijn aristocratische gezindheid niet populair,
was hij zeer gezocht als schrijver van pleitredenen (logographos). Van
deze zijn drie bewaard gebleven; bovendien hebben wij nog van hem
twaalf ontwerpen van redevoeringen, verdeeld in drie tetralogieën,
ieder bevattend aanklacht, verdediging en beiderzijdsche replieken in
een gefingeerde moordzaak. Hij gaf ook onderwijs in de redekunst en
schreef eene techne rhetorike, die verloren is.--2) treurspeldichter,
die eerst te Athene en later aan het hof van den tyran Dionysius
leefde; hij hielp dezen bij het maken zijner treurspelen, maar werd
wegens zijne vrijmoedigheid gedood.

Antipolis, Antipolis, stad op de Zuidkust van Gallia Narbonensis,
nabij de grenzen van Italië, thans Antibes.

Antiquo. Bij het stemmen in de volksvergadering over wetsvoorstellen
beteekende de letter A: antiquo = ik ben voor het oude, dus: ik ben
tegen het voorstel.

Antirrhium en Rhium, Antirrion en Rhion, twee kapen tegenover elkander,
de eerste ten N., de andere ten Z., aan de invaart der corinthische
golf.

Antissa, Antissa, havenstad aan den N. W. kant van Lesbus.

Antisthenes, Antisthenes, Athener, geb. omstreeks 444 en gestorven op
den leeftijd van 70 jaar. Nadat hij in zijne jeugd van den sophist
Gorgias onderwijs had gehad en later zelf sophistisch onderwijs had
gegeven, leerde hij Socrates kennen en bleef hij tot diens dood zijn
leerling. Na dien tijd trad hij weder als leeraar op en stichtte hij
eene nieuwe school, die de cynische genoemd wordt naar het gymnasium
Cynosarges, waar hij onderwijs gaf. Zijne vrij eenzijdige opvatting van
de leer van Socrates was, dat de deugd voldoende is voor een gelukkig
leven, dat zij bestaat in het onafhankelijk zijn van behoeften en
in het vermijden van het kwaad, dat genot op zichzelf een kwaad is,
omdat het ongeschikt maakt te streven naar het bereiken van deugd. Door
zijne leefwijze, waarin hij deze leer streng in praktijk bracht, en
door zijne overredingskracht verwierf hij zich vele aanhangers. Van
zijne talrijke geschriften zijn twee onbeduidende werkjes bewaard
gebleven, aan welker echtheid door velen getwijfeld wordt.

Antistii, een plebejisch geslacht. 1) P. Antistius, op last van den
jongen Marius omgebracht (82), was een goed redenaar en pleiter.--2)
Pacuvius Antistius Labeo, een van Caesars moordenaars, bracht na
den slag bij Philippi zich zelf om.--3) M. Antistius Labeo, zoon van
no. 2, vurig republikein, weigerde het consulaat, hem door Augustus
aangeboden. Hij was een groot rechtsgeleerde en stichtte eene beroemde
school, die den geest der wetten van het oude Rome huldigde. (Zie
Proculi no. 2.) Tegenover zijne philosophische richting stond de
historische richting van den niet minder beroemden Ateius Capito.

Antitaurus, Antitauros, bergketen, die zich van den Taurus afscheidt
en zich midden door Armenia minor in N. O. richting uitstrekt.

Antitimasthai z. timema no. 3.

Antium, Antion, oude stad in Latium, op eene ver vooruitspringende
landtong gesticht en door zeeroof zeer berucht. Toen na den koningstijd
de Volsci de vlakte ten W. van hun bergen veroverden, kwam Antium
in hun bezit, en werd nu hoofdstad van het Volscische land, en
handelsconcurrent van Ostia. In 340 sloot het zich bij de afgevallen
latijnsche steden aan, en moest in 338 zich overgeven en zijne vloot
uitleveren, terwijl eene nieuwe kolonie er heen gezonden werd. De
snebben der zes overgeleverde schepen werden als zegeteeken aan het
spreekgestoelte op het romeinsche forum bevestigd (rostra). Sedert
werd Antium volkomen machteloos gehouden; doch tegen het einde der
republiek was het een geliefkoosd verblijf der romeinsche grooten, die
hier paleizen en buitenverblijven hadden. Onder de tempels was vooral
de Fortuna-tempel beroemd door een orakel (sortes Antiatinae). Antium
was de geboorteplaats van de keizers Caligula en Nero.

Antomosia, de eed, waarmede de aanklager en de aangeklaagde in een
proces hunne verklaringen bekrachtigen.

Antoniae (leges), van den drieman M. Antonius, 44. Het eerste tweetal
der hieronder genoemde wetten werd nog bij Caesars leven aangenomen,
de overige na zijn dood. 1) lex de Quinctili mense Iulio appellando,
ter eere van Caesar (zie annus).--2) dat aan de circensische spelen
ter eere van Caesar een vijfde dag zou worden toegevoegd.--3) de
dictatura in perpetuum tollenda, tot afschaffing der dictatuur.--4)
lex agraria zie agrariae (leges).--5) lex iudiciaria tot wederinvoering
eener derde decuria van rechters, zonder census (zie iudex).--6) lex
de provocatione, dat zij, die de vi en de maiestate veroordeeld waren,
in hooger beroep bij het volk konden komen (zie provocatio).--7) lex de
provinciis, waardoor het stadhouderschap over de consulaire provinciën
op 6 jaar werd vastgesteld.--8) lex de provinciarum permutatione, dat
o.a. Antonius in plaats van Macedonia Gallia Cisalpina zou krijgen,
dat aan D. Brutus ontnomen werd, terwijl C. Antonius (z. Antonii no. 5)
Macedonia kreeg.--9) lex de actis Caesaris confirmandis, waarbij alle
verordeningen van Caesar rechtsgeldig werden verklaard.

Antonii. 1) M. Antonius orator, een der beste redenaars van
zijn tijd, die in Cicero's werk de oratore een der hoofdpersonen
van het gesprek is. In 143 geboren, was hij in 99 consul, in 97
censor. In den burgeroorlog koos hij de partij van Sulla en werd in
87 op last van Marius en China omgebracht, waarna zijn hoofd op de
rostra werd tentoongesteld. Hij was de grootvader van den lateren
triumvir.--2) M. Antonius Creticus, zoon van no. 1, voerde, althans
in naam, in 74 als propraetor oorlog tegen de zeeroovers. Hoewel met
buitengewone macht bekleed, voerde hij weinig meer uit, dan dat hij
Sicilia plunderde. Een aanval op Creta mislukte; Antonius leed eene
schandelijke nederlaag, die hem den spotnaam Creticus bezorgde, en
stierf van hartzeer in 71.--3) O. Antonius, bijgenaamd Hybrida, ook
een zoon van no. 1, was in 63 Cicero's ambtgenoot in het consulaat. Hij
was sinds 87 met Sulla in Asia, pleegde op den terugweg rooverijen in
Griekenland, wist met Sulla's vogelvrijverklaringen zijn voordeel te
doen, doch werd in 70 om zijne roofzucht uit den senaat gezet door de
censoren L. Gellius Poplicola en Cn. Cornelius Lentulus Clodianus. Hij
was in het geheim deelgenoot van Catilina's samenzwering, doch
Cicero wist hem door eene ruiling van provinciën daarvan af te
trekken. Antonius trok echter niet zelf tegen Catilina op, maar
zond, onder voorwendsel van voeteuvel, zijn legaat A. Petreius. Als
proconsul van Macedonia leed hij eene nederlaag tegen de bergvolken,
en werd in 59 aangeklaagd en niettegenstaande de verdediging van
Cicero veroordeeld. De punten van aanklacht, en de quaestio, waarbij
de aanklacht in behandeling kwam, staan niet vast. Hij ging naar het
eiland Cephallenia, eene civitas libera, in ballingschap, maar werd in
44 door Caesar teruggeroepen.--4) M. Antonius, zoon van no. 2, werd
in 82 geb., diende onder A. Gabinius in 58-55 in Syria en sloot zich
in 54 bij Caesar aan, door wiens toedoen hij in 52 quaestor en in 50
augur en volkstribuun werd. Bij de toenemende spanning tusschen Caesar
en Pompeius was hij een ijverig kampioen voor Caesar en trotseerde
de woede van diens vijanden in den senaat, zoo zelfs, dat hij en zijn
medetribuun Cassius vermomd uit Rome moesten vluchten (Jan. 49). Dit
was voor Caesar een voorwendsel om den oorlog te beginnen. Toen Caesar
bezit van Rome had genomen en naar Hispania vertrok, liet hij Antonius
als legatus pro praetore in Italia achter. In den slag bij Pharsalus
(48) voerde Antonius het bevel over den linkervleugel van Caesars
leger. Later geraakte hij echter met Caesar in onmin, doch verzoende
zich in 45 met hem en werd in 44 consul. Hij was het ook, die aan
Caesar (15 Febr. bij het feest der Lupercalia) den koningsdiadeem
aanbood. Zijn eigenlijke rol begon hij na Caesars dood te spelen. Hij
wilde de erfgenaam worden van Caesars macht, maakte zich meester
van Caesars papieren, wond door eene hartstochtelijke lijkrede het
volk op, en wist van den senaat de wettigverklaring te verkrijgen
van alle besluiten en verordeningen, die nog onder Caesars nagelaten
papieren gevonden werden. Antonius bracht nu allerlei beschikkingen
voor den dag, waarmede hij zelfs handel dreef. In plaats van de
provincie Macedonia, die aan M. Brutus ontnomen, en hem toegewezen
was, verlangde hij van den senaat Gallia Cisalpina, doch deze, meer
en meer verbitterd en aangevuurd door Cicero's zoogen. philippische
redevoeringen, weigerde, waarop Antonius eene wet uitlokte, waarbij
D. Junius Brutus als stadhouder van Cisalpina door hem vervangen
werd. Intusschen was, zeer te onpas voor Antonius, Caesars neef
en aangenomen zoon Octavianus op het tooneel verschenen. Een derde
persoon was M. Aemilius Lepidus, die als Caesars magister equitum
op den dag van diens moord aan het hoofd van een leger stond, dat
naar Hispania zou uittrekken. Toen nu Antonius tegen D. Brutus was
opgetrokken en dezen in Mutina (Modena) belegerde, zond de senaat
een leger uit onder de beide consuls C. Vibius Pansa en A. Hirtius
en den negentienjarigen Octavianus. Antonius werd verslagen (43);
Hirtius en Pansa kwamen in den strijd om. Antonius, inziende dat hij
Octavianus te licht had geteld, verbond zich met Lepidus en verzoende
zich vervolgens met Octavianus. Toen kwam het driemanschap tot stand;
onder den naam van triumviri reipublicae constituendae lieten zich
de drie bondgenooten voor den tijd van vijf jaren met alle gezag
bekleeden. Hun eerste zorg was de uitroeiing der republikeinsche
partij. Meer dan 2000 ridders en senatoren werden vogelvrij en hunne
goederen verbeurd verklaard. Onder de slachtoffers was ook Cicero,
tegen wien Antonius een doodelijken haat koesterde, zoowel om diens
hevige bestrijding, alsook omdat Antonius' stiefvader, P. Cornelius
Lentulus Sura, als eedgenoot van Catilina, op Cicero's last ter dood
was gebracht. Na vervolgens met Octavianus het republikeinsche leger
onder Brutus en Cassius bij Philippi in Macedonia te hebben verslagen
(Nov. 42), begaf Antonius zich naar Azië en leerde te Tarsus in Cilicia
de schoone Cleopatra kennen, die hij weldra naar Aegypte volgde (herfst
van 41). Inmiddels zocht zijne gemalin Fulvia in Italië het gezag
van Octavianus te ondermijnen en zette haren zwager L. Antonius tot
een oorlog aan (bellum Perusinum 41), terwijl Sex. Pompeius met eene
vloot den korenaanvoer naar Rome onderschepte en vasten voet in Italië
en op de nabijgelegen eilanden zocht te verkrijgen. Antonius, hoewel
bedreigd door een inval van de Parthen, begaf zich naar Italië, doch
weifelde, of hij zich bij Sex. Pompeius zou aansluiten of niet. Onder
den drang der verschillende legers kwam toen te Brundisium (Sept. 40)
en later met Pompeius te Misenum (39) de vrede tot stand. Antonius
kreeg het Oosten, Octavianus het Westen, Lepidus Africa, Pompeius
Sicilia, Sardinia, Corsica en de Peloponnesus. Daar Fulvia inmiddels
overleden was, sloot Antonius een tweede huwelijk met Octavianus'
zuster Octavia. Het triumviraat werd in den herfst van 37 te
Brundisium voor vijf jaren (tot einde 33) hernieuwd. Toen echter
S. Pompeius vermoord (36) en Lepidus op zijde gezet was, kon de
band tusschen Octavianus en Antonius niet lang meer bestaan. In de
armen van Cleopatra vergat Antonius zijne vrouw, de edele Octavia,
en zijne waardigheid. Steeds tot genot en uitspattingen geneigd,
werd hij nu een schandvlek voor den romeinschen naam. Aan Cleopatra
en hare kinderen schonk hij provinciën, de pergameensche bibliotheek
werd naar Alexandrië overgebracht; hij gaf het ongehoorde feit te
aanschouwen, dat hij binnen deze stad een triomftocht hield over den
onttroonden koning Artavasdes van Armenia (34); hij bedreigde ook
rechtstreeks de belangen van Octavianus, door Caesarion, den zoon van
Cleopatra en Caesar, tot erfgenaam zijns vaders te verklaren. Toen
werd de breuk onvermijdelijk (begin 32). Bij Actium ontmoetten de
mededingers elkander (2 Sept 31). De vloot van Antonius had bijna de
dubbele sterkte van die zijner tegenpartij, die door M. Vipsanius
Agrippa werd aangevoerd; doch reeds in het begin van den strijd
ging Cleopatra met de aegyptische schepen op de vlucht. Antonius,
die niet buiten zijn geliefde kon, volgde haar. Ten laatste,
door bijna allen verlaten en misleid door een valsch bericht van
Cleopatra's dood, stortte hij zich in zijn zwaard (1 Aug. 30).--5)
C. Antonius, broeder van no. 4, diende als legaat onder Caesar
(49) en kreeg vervolgens het stadhouderschap over Macedonia (44),
dat eerst aan zijn broeder Marcus was gegeven. Macedonia was echter
reeds in handen van Brutus. C. Antonius werd (begin 43) te Apollonia
ingesloten en moest zich overgeven. Hij werd gevangen gehouden, maar
na de vermoording van Cicero in het begin van 42 op last van Brutus
gedood.--6) L. Antonius, ook een broeder van no. 4, liet zich in 41,
tijdens zijn consulaat, door zijne schoonzuster Fulvia overhalen,
den oorlog met Octavianus te beginnen (bellum Perusinum). Diens
veldheeren M. Vipsanius Agrippa en Q. Salvidienus Rufus sloten hem
echter binnen Perusia op. Door honger gedwongen moest de stad zich
overgeven (winter van 41/40). Octavianus schonk aan L. Antonius
genade en benoemde hem zelfs tot praetor in Hispania. Zijn verdere
levensloop is niet bekend.--7) M. Antonius, zoon van no. 4 uit diens
huwelijk met Fulvia, werd in 30, na den dood van zijn vader, door
Octavianus ter dood veroordeeld. Bij de Grieksche schrijvers heet
hij gewoonlijk Antyllos.--8) Iulus Antonius, jongere zoon van no. 4
en Octavia, werd door Augustus vriendelijk behandeld en zelfs tot
consul verheven (10). Later werd hij in eene liefdesgeschiedenis
verwikkeld met Julia, de zedelooze dochter van Augustus, en ter
dood gebracht (2); v. s. voorkwam hij zijn terechtstelling door
zelfmoord te plegen.--9) L. Antonius, zoon van no. 8, stierf als
balling te Massilia (Marseille) in 25 na C.--10) Antonia maior,
oudste dochter van no. 4 en Octavia, huwde L. Domitius Ahenobarbus en
was de grootmoeder van Nero.--11) Antonia minor, zuster van no. 10,
beroemd door deugd en schoonheid, huwde met Drusus en was de moeder
van Germanicus en keizer Claudius.--12) Antonia, dochter van keizer
Claudius, werd door Nero ter dood gebracht (tusschen 66 en 68 n. C.).

Niet tot de familie der Antonii behooren:--13) M. Antonius Felix,
vrijgelatene van Antonia minor, gehuwd met eene kleindochter van
M. Antonius en Cleopatra. Onder Claudius en Nero was hij procurator van
Iudaea (52-60 n. C.), dat veel van zijne hebzucht te lijden had. In
58 liet hij den Apostel Paulus gevangen nemen, en hij hield hem
gevangen. Pallas, de invloedrijke vrijgelatene onder keizer Claudius,
was zijn broeder.--14) Antonius Musa, lijfarts van Augustus, dien
hij (23) door eene koudwaterkuur van een zware ziekte genas.--15)
M. Antonius Primus, uit Gallia, diende onder Galba en koos daarna de
partij van Vespasianus en versloeg de troepen van Vitellius tweemaal
bij Cremona (einde Oct. 69 n. C.). Hierop (20 Dec.) nam hij Rome
in en liet Vitellius smadelijk ombrengen.--16) Antonius Polemo, uit
Laodicea, beroemd rhetor onder Traianus en later, stichtte te Smyrna
eene rhetorenschool. Toen de jicht hem het leven ondragelijk maakte,
liet hij zich doodhongeren.

Antoninus Pius, keizer van het rom. rijk werd in 86 n. C. te
Lanuvium in Latium geboren uit eene familie, die uit het Zuiden van
Gallia afstamde. Zijn volledige naam was T. Aurelius Fulvus Boionius
Arrius Antoninus, naar zijn vader T. Aurelius Fulvus en zijne beide
grootouders van moederszijde, Boionia Procilla en Arrius Antoninus. Hij
werd door keizer Hadrianus tot zoon en opvolger aangenomen (begin
138) zonder dat hij evenwel diens geslachtsnaam Aelius aannam. Hij
had Hadrianus innig lief en hield dezen in zijne laatste levensjaren
van meer dan ééne wreede daad terug. Na 's keizers dood (10 Juli 138)
verdedigde hij diens nagedachtenis in den verbitterden senaat en eerde
hem ook door het stichten van tempels, hetgeen hem den bijnaam Pius
bezorgde. Hij was een der beste keizers, zachtmoedig, rechtvaardig,
mild, eenvoudig en huiselijk. Zijne regeering (138-161) wordt als een
tijdperk van vrede en welvaart geroemd, toch zijn er ook duidelijke
teekenen waar te nemen van verarming, vooral van Italië, en van
verval van het rijk. Slechts een paar maal moest hij oorlog voeren,
in Britannia (142), waar hij de grenzen van het rijk uitbreidde,
door een nieuwen grenswal in Schotland aan te leggen (z. Vallum
Antonini), en tegen de Mauren in Afrika; een oproer in Iudaea werd
met weinig moeite onderdrukt. Overeenkomstig Hadrianus' verlangen nam
hij M. Aelius Verus (keizer M. Aurelius) en diens broeder L. Verus
tot zoons en opvolgers aan, zie Annii no. 6.

Antron, Antron, stad in Phthiotis (Thessalia), aan den mond der
malische golf.

Antyllos z. Antonii no. 7.

Anubis, Anoubis, aegyptische godheid, als een jakhals of als een
mensch met den kop van een jakhals voorgesteld. De Grieken maakten
daarvan een hondekop, en daar hij de zielen der afgestorvenen naar
de onderwereld geleidde, stelden zij hem gelijk met Hermes. Bij de
Romeinen werd hij als helhond vereerd.

Anulus = Annulus.

Anxur, later Tarracina geheeten, oude stad der Volscen, aan zee en aan
de via Appia gelegen, nabij de pomptijnsche moerassen, in 406 door de
Romeinen veroverd, maar in 402 weer verloren gegaan, 400 weer heroverd,
sedert 329 romeinsche kolonie. Op eene steile kalkrots lag het kasteel,
en nabij de stad een tempel der godin Feronia.

Anytus, Anytos, rijk leerkooper te Athene, een van de leiders der
democratische partij bij de verdrijving der 30, die hem verbannen
hadden. Hoewel lang met Socrates bevriend, trad hij later als een van
zijne aanklagers op. Waarschijnlijk werd hij later weder verbannen,
hij stierf te Heraclea in Pontus.

Aoede, Aoide, z. Musae.

Aones, Aones, oude volksstam in Boeotia, in de streek Aonia, aan den
Helicon. De Muzen, aan wie de Helicon geheiligd was, worden meermalen
Aoniae sorores of Aonides genoemd, en de wateren der bron Aganippe
Aoniae aquae. Als stamvader der Aoniërs wordt Aon, Aon, een zoon van
Poseidon, genoemd.

Aornus, Aornos, naam van eenige hooggelegen plaatsen, als: 1o. stad
in Bactria, 2o. bergvesting aan den Indus, ten N. van de uitmonding
van den Cophen in den Indus. Zie ook Avernus lacus.

Aorsi, Aorsoi, machtig handelsvolk ten Noorden en Westen der Caspische
zee.

Aous, Aoos, Aoos, rivier in het Zuiden van Illyria, die zich ten
Z. van Apollonia in de ionische zee stort.

Apagoge. Te Athene had in sommige gevallen ieder, die als aanklager
wilde optreden van een misdadiger, die op heeterdaad betrapt was
of aan wiens schuld geen twijfel bestond, het recht den misdadiger
zelf te vatten en voor den magistraat te brengen, die het proces
moest leiden, meestal de elfmannen. Deze handeling heette apagoge,
evenals de schriftelijke aanklacht die tegelijkertijd ingediend moest
worden. Werd de aanklacht door den magistraat aangenomen, dan moest de
beschuldigde drie borgen stellen of hij werd gedurende de behandeling
der zaak gevangen gehouden.

Apame, Apama, Apame, 1) eerste echtgenoote van Seleucus I Nicator,
moeder van Antiochus I.--2) v. s. Arsinoe geheeten, dochter van
Antiochus I, echtgenoote van Magas, stadhouder van Cyrene. Na diens
dood (258) ontbood zij den zoon van Demetrius Poliorcetes, om met hare
dochter Berenice (z. a. no. 3) te trouwen, die reeds met Ptolemaeus
III verloofd was. Zij werd echter zelve op Demetrius' zoon verliefd,
en verwekte daardoor zooveel misnoegen bij het volk, dat het hem in
hare armen doodde, en haar alle macht ontnam.

Apamea, Apameia, naam van onderscheiden steden, meest aldus geheeten
naar Apama, de echtgenoote van Seleucus Nicator, den stichter van
het Seleucidenrijk.--1) Apamea ad Orontem, vroeger Pella geheeten,
door Seleucus vergroot en verfraaid, waarnaar het omliggende
landschap Apamene werd geheeten.--2) Apamea Cibotus (he Kibotos =
kast, stapelplaats), de belangrijkste stad van Groot-Phrygia, in de
onmiddellijke nabijheid van Celaenae gelegen.--3) Ap. in Bithynia
vroeger Myrlea aan de Propontis, door Prusias I vergroot en naar zijne
gemalin Apama genoemd.--Verder had men nog steden van dezen naam aan
den Boven Euphraat, in Osroene, aan de samenvloeiing van Euphraat en
Tigris, en in Media.

Apaturia, Apatouria, een feest dat in alle ionische staten gevierd
werd. Te Athene viel het in de maand Pyanepsion (Oct.-Nov.) en duurde
het drie dagen, die dorpia, anarrysis en koureotis heetten. Op den
derden dag werden de jonge kinderen op de lijsten der phratriën
ingeschreven, na aan de leden der phratrie te zijn voorgesteld; voor
ieder kind werd door den vader een schaap of bok geofferd. Gestemd
werd over de opneming alleen wanneer iemand er tegen protesteerde,
wat men doen kon door het offerdier van het altaar weg te leiden. Op
den derden dag gaven ook jongens, die de school bezochten, proeven
van hunne vorderingen, vooral in het declameeren; zij die daarin
uitmuntten kregen prijzen.

Apeleutheros, vrijgelaten slaaf. Slaven, die aan den staat een
of anderen gewichtigen dienst bewezen hadden, werden dikwijls van
staatswege tegen vergoeding aan hun heer vrijgelaten. Had een slaaf
geld om zich zelf vrij te koopen, waartoe de toestemming van den heer
noodig was, dan was daarbij de medewerking van een burger noodig;
meestal trad een priester als tusschenpersoon op. Natuurlijk stond
het den heer vrij zijne slaven ook zonder losprijs de vrijheid te
geven. Aan de vrijlating waren dikwijls zekere voorwaarden verbonden,
z. apostasiou dike.

Apeliotes, Apeliotes, de Oostenwind. Zie Windstreken.

Apella, naar het schijnt, een te Rome veelvuldig voorkomende of
althans zeer bekende jodennaam.

Apelles, Apelles, de beroemdste schilder der oudheid (356-308), geb. te
Colophon of te Ephesus, leerling van Pamphilus. Zijne werken muntten
uit door waarheid en bevalligheid, vooral in de laatste eigenschap
was hij onovertroffen. Alex. d. G. schatte hem zeer hoog; onder de
vele portretten die hij van dien vorst schilderde, was vooral beroemd
de "bliksemslingerende Alexander", die in den tempel van Artemis te
Ephesus hing. Als het meesterstuk van Ap. gold de Aphrodite Anadyomene
(z. Anadyomene).

Apellicon, Apellikon, van Teos, vond omstreeks 100 een aantal
onuitgegeven handschriften van Aristoteles en bezorgde een uitgave
daarvan. Bij de inneming van Athene (87) viel zijn kostbare bibliotheek
in handen van Sulla, die haar naar Rome overbracht.

Apenninus mons, Apenninos, de Apennijnen, de bekende bergketen,
die Italië doorsnijdt. V. s. beter Appenninus.

Apex, een met wol omwonden olijftakje, dat op de punt der vilten
priestermuts was bevestigd (zie albogalerus). Ook wordt het woord
wel voor het geheele hoofddeksel gebezigd. Soms wordt apex gebruikt
voor de spits toeloopende tiara der perzische koningen en beteekent
in figuurlijken zin de kroon, het teeken der hoogste waardigheid.

Aphaca, ta Aphaka, stad in Phoenice, op de helling van den Libanon,
met een tempel en een orakel van Aphrodite.

Aphaea, Aphaia, eene aan de Cretensische Dictynna verwante godin, die
op Aegina vereerd werd. Aan haar was de beroemde tempel gewijd, waarvan
het beeldhouwwerk in München bewaard wordt. De naam wordt afgeleid
van het verdwijnen der godin, toen Andromedes, een visscher die
haar van Creta overgebracht had, haar met zijn liefde vervolgde. Zie
Britomartis.

Aphaireseos dike. Wanneer een slaaf weggeloopen was, dan konde zijn
heer of ieder ander belanghebbende hem vatten waar hij hem vond, en
naar zijn huis medenemen. Tegen dengene, die zich daartegen verzette,
konde de aphair. d. ingebracht worden, en wanneer hij in het ongelijk
gesteld werd, moest hij den aanklager eene schadevergoeding en den
staat eene boete betalen.

Aphamiotai = klarotai.

Apharetidae, Apharetidai, Idas en Lynceus, de zonen van Aphareus,
koning van Messenië, namen deel aan de calydonische jacht en aan
den tocht der Argonauten. Zij waren met de Dioscuren opgegroeid,
maar kregen eens twist met hen over de verdeeling eener kudde, of om
de dochters van Leucippus, die met de Apharetiden verloofd waren en
door de Dioscuren ontvoerd werden. Het kwam tot een gevecht, waarbij
Castor door Idas, Lynceus door Polydeuces verslagen werd. Idas werd
daarop echter door Zeus met den bliksem gedood. Hun graf werd later
te Sparta getoond.

Aphareus, Aphareus, 1) zoon van Perieres, vader der Apharetidae.--2)
zoon van den sophist Hippias, door Isocrates als zoon aangenomen,
redenaar en treurspeldichter. Hij schreef 37 treurspelen, waarvan 4
den eersten prijs behaalden. Zijne werken vallen tusschen 369 en 342.

Aphetae, Aphetai, stad in Zuid-Thessalia, ten O. van de invaart in
de Pagasaeische golf.

Aphetoi hemerai heetten te Athene dagen, waarop geene
raadsvergaderingen of rechtszittingen gehouden werden, zooals
feestdagen en aopophrades hemerai.

Aphidna, Aphidnae, Aphidna, Aphidnai, versterkte stad in Attica,
ten N. van Marathon gelegen. Toen Theseus met Pirithous naar de
onderwereld ging, gaf hij Helena en Aethra aan zijn vriend Aphidnus,
die te Aphidna woonde, ter bewaring. De Dioscuren namen de stad in
en voerden de beide vrouwen weg.

Aphrodisia, ta Aphrodisia, feesten ter eere van Aphrodite door geheel
Griekenland en het plechtigst te Paphus op Cyprus gevierd.

Aphrodisias, Aphrodisias, naam van steden, aan Aphrodite geheiligd. 1)
In Caria, met een prachtigen tempel, waarvan nog overblijfselen
aanwezig zijn. In den burgeroorlog omhelsde de stad de zaak van Caesar
en werd eene civitas libera.--2) In Cilicia tracheia, met een ruime
haven.--Ook een eiland op de kust van Cyrenaïca heette zoo.

Aphrodite, Aphrodite, Venus, dochter van Zeus en Dione, of van Uranus
en Hemera of, volgens het meest bekende verhaal, uit het schuim der zee
geboren en bij Cyprus geland (Aphrogeneia, Anadyomene, Kyprogeneia),
oorspronkelijk godin der lente, der vruchtbaarheid en der algemeene
voortplantingskracht in de natuur (Ourania), vandaar ook godin van het
huwelijk, van het huisgezin en dus van de grondvesten van den staat
(Pandemos), eindelijk en voornamelijk van liefde en schoonheid; deze
laatste hoedanigheden traden mettertijd zoozeer op den voorgrond, dat
men ook de namen Ourania en Pandemos daarmede in betrekking bracht,
en haar den eersten gaf als beschermster der reine, kuische liefde en
van het huwelijk, den anderen als godin van zinnelijk liefdegenot. Zij
is het, die de lente met bloemen tooit en haar bekoorlijkheid verleent,
die den menschen schoonheid geeft en die hun al of niet liefde voor
elkaar inboezemt Epistrophia, Apostrophia. Zij wordt door de dichtkunst
en de beeldende kunsten voorgesteld als een ideaal van schoonheid
en lieftalligheid, Chryseie, Philomeides; zij draagt den gordel,
die alle toovermiddelen der liefde bevat en die goden en menschen aan
hare macht onderwerpt; steeds vergezellen haar de Horen en Chariten,
Peitho, Eros, Pothus en Himerus. Haar eeredienst, hoezeer door de
Grieken veredeld, bleef altijd toch nog vele sporen van oostersche
afkomst vertoonen, en kenmerkte zich veelal aan den eenen kant door
uitgelaten vroolijkheid, aan den anderen door buitensporige smart (zie
Adonia). De duif, de haas, de dolfijn, de roos, de papaver, de myrte,
de appel waren haar gewijd. In vele tempels van Aphrodite mochten geene
bloedige offers gebracht worden. Hoewel gemalin van Hephaestus, maakte
zij toch vele andere goden en menschen door hare liefde gelukkig;
Ares, Hermes, Adonis, Anchises, e.a. Door hare verhouding tot Ares
wordt zij ook in zekeren zin eene oorlogsgodin Areia, ofschoon de
werken van den oorlog haar vreemd zijn en zij eenmaal, toen zij ter
verdediging van Troje zelve op het slagveld verscheen, door Diomedes
gewond werd. Vooral in zeeplaatsen werd zij hoog vereerd en daar men
gewoon was haar om een gelukkige vaart te bidden, kreeg zij den naam
van Euploia. Eindelijk had zij nog vele bijnamen naar de plaatsen waar
hare heiligdommen stonden: Kypris, Paphia, Kythereia, Erykine, e.a.

Aphroditopolis, Aphrodites polis, naam van verschillende steden in
Boven-, Midden- en Neder-Aegypte.

Aphthonius, Aphthonios, een sophist, die in de vierde eeuw n. C. te
Antiochië leefde; hij was een leerling van Libanius en schreef een
handboek der redekunst, Progymnasmata, dat nog tot de 17e eeuw bij
het onderwijs gebruikt werd.

Aphytis, Aphytis, stad op het macedonische schiereiland Pallene,
met een tempel van Zeus Ammon.

Apia, Apie, Apia ge, oude naam voor de Peloponnesus, afgeleid van
een oud-argivisch koning Apis.

Apicius, naam van een drietal groote lekkerbekken, tijdens Sulla,
Tiberius en Traianus. De tijdgenoot van Tiberius, M. Gabius Apicius,
nam, toen hij het grootste deel van zijn vermogen door de keel had
gejaagd, vergif in, uit vrees te moeten verhongeren, wanneer hij niet
meer naar hartelust kon smullen. Op naam van Caelius Apicius bestaat
nog een kookboek, uit de derde eeuw na C., de re culinaria.

Apidanus, Apidanos, rivier in Thessalia, zijtak van den Enipeus,
die in den Peneus uitstroomt.

Apion, Apion, alexandrijnsch grammaticus, die onder Tiberius, Caligula
en Claudius te Alexandria en Rome onderwijs gaf, een pronkerige
en ijdele zwetser, vandaar Mochthos geheeten. Als hoofd van de
anti-semitische partij te Alexandria, voerde hij het woord als afgezant
van deze partij bij keizer Caligula (40 n. C.) (zie ook Flavius
Josephus). Hoofd van de tegenpartij was Philo (z. a. no. 7). Van zijne
talrijke werken is bijna niets overgebleven, want de Glossai Homerikai,
die zijn naam dragen, zijn slechts een uittreksel uit een werk van hem.

Apis, Apis, 1) zoon van Phoroneus en Teledice of Laodice: hij
was koning van Argos en trachtte zich van de heerschappij over de
Peloponnesus meester te maken. Naar hem zou de Peloponnesus Apia
(Apia ge) heeten.--2) zoon van Azan, werd bij de lijkfeesten voor
zijn vader bij ongeluk door Aetolus gedood.--3) de heilige stier
der Aegyptenaren, die vooral te Memphis een prachtigen tempel had,
waar hij door zijne priesters op koninklijke wijze verzorgd werd en
uit gouden vaatwerk at en dronk. Elk jaar was er ongeveer een maand
lang te zijner eere een feest, dat met zijn verjaardag eindigde. Als
hij 25 jaar oud werd, werd hij op een geheime plaats verdronken,
gebalsemd en in een gouden kist bijgezet; stierf hij vroeger, dan
was geheel Aegypte in rouw, totdat eene nieuwe stier gevonden was,
die de vereischte eigenaardigheden van kleur enz., had; deze werd
dan met groote feesten en plechtigheden naar Memphis gebracht. De
Aegyptenaren meenden dat de Apis door een lichtstraal voortgebracht
was en dat hij de drager was van de ziel van Osiris.

Apocleti, apokletoi, z. Aetolisch verbond.

Apodektai, ontvangers, te Athene tien ambtenaars, die de
meeste staatsinkomsten moesten innen en aan de verschillende
bestuursdepartementen overdragen.

Apodoti, Apodotoi, een half barbaarsche volksstam in Aetolia op de
grenzen van Locris.

Apodyterium, apodyterion, ontkleedkamer in de openbare badhuizen,
waar men zijne kleederen in bewaring gaf en zich na het baden weder
aankleedde. In de badvertrekken begaf men zich slechts ongekleed.

Apographe, iedere officiëele opgave van personen, gelden, goederen,
enz., in het bizonder: 1) kadaster ten behoeve van den census en
de verdeeling in klassen aangelegd. Dit kadaster werd jaarlijks of
om de twee of vier jaar naar eene nieuwe schatting vernieuwd; het
was bij de demarchen in bewaring.--2) inventaris van aan den staat
behoorende goederen en aanklacht tegen hen, die zulke goederen aan
den staat trachtten te onthouden.

Apoikia, eene nederzetting van Grieken in een vreemd land, colonia,
die een zelfstandigen staat vormt, onafhankelijk van de moederstad, in
tegenstelling met emporion, handelsfactorij, die geen eigen gemeente
vormde, en met klerouchia, een kolonie, waarin de burgers hun oude
burgerrecht behielden. Worden de kolonisten opgenomen in een reeds
bestaande stad, dan spreekt men van epoikia (z. epoikoi).

Apollinares (ludi), in den tweeden punischen oorlog ingesteld (212),
om van Apollo de afwering van verdere oorlogsrampen, v. a. van ziekten
te verkrijgen. Zij werden onder leiding van den praetor urbanus in
den circus maximus gevierd, in Juli.

Apollinis promunturium, Apollonos akron, ook prom. pulchrum genoemd,
op de kust van Africa, ten Noorden van Carthago.

Apollinopolis, Apollonos polis, naam van twee steden aan den Nijl,
waar de aegyptische god Horus = Apollo bijzonder vereerd werd. De eene,
maior bijgenaamd, lag boven Thebae, aan den linker oever der rivier;
de andere, minor, aan den rechteroever stroomafwaarts van Thebae.

Apollo, Apollon, zoon van Zeus en Leto, geboren op Delus (Delios)
aan den voet van den berg Cynthus (Kynthios), te gelijk met
Artemis. Oorspronkelijk was hij een zonnegod (Phoibos, de lichte,
reine); later ging deze beteekenis van Apollo nagenoeg verloren en
werd hij beschouwd als de beschermer van het goede en schoone, de
handhaver van wet en orde. Als zoodanig straft hij, de vertreffende
boogschutter, met de pijlen van zijn zilveren boog (Hek(at)ebolos,
Hekaergos, Argyrotoxos, Klytotoxos, Arcipotens, Arcitenens) de slechten
en overmoedigen, maar brengt aan den anderen kant heil aan en weert
het verderf af (Alexikakos, Soter). De geneeskunde, later aan zijn
zoon Asclepius toegeschreven, behoorde oorspronkelijk tot zijn wezen
(Akesios, Paion, Paian, Medicus). Zijne zorg strekt zich ook over het
vee en de veldvruchten uit; hij beschermt niet slechts de kudden tegen
de aanvallen van den wolf (Lykoktonos), maar dient ook zelf als herder
(Nomios) bij Laomedon en Admetus; ook de jagers bidden hem om geluk
op de jacht (Agreus). Hij voltrekt niet alleen de besluiten van Zeus,
maar verkondigt den menschen ook diens wil als orakelgevend god, hoewel
zijne uitspraken dikwijls voor het beperkte menschenverstand duister
zijn (Loxias). Door zijn orakels heeft hij den grootsten invloed
op het openbare leven der Grieken, en heeft hij vooral dikwijls
den eersten stoot gegeven tot de stichting van volksplantingen
(Archegetes, Ktistes); hij beschermt de openbare orde in de steden
(Aguieus, Agoraios) en over het algemeen het geordende stadsleven;
hijzelf heeft de muren van Troja en Megara gebouwd en tal van steden,
waarvan vele naar hem Apollonia genoemd werden, beschouwden hem als
haar stichter. Ook de zedelijke wereldorde staat in zekeren zin onder
zijn hoede: reinigingsoffers aan Apollo gebracht ontlasten den mensch
van de schuld der zonde, vooral bloedschuld, en bevrijden hem van de
onvermijdelijk daaropvolgende straf; hijzelf boette het dooden van
den draak Python (Pythios) of den moord der Cyclopen door geruimen
tijd als herder te dienen, voordat hij zich van zijn schuld reinigen
konde. Vandaar het gebruik zich op gezette tijden en in het bizonder
na zware misdaden en algemeene rampen, die het bestaan van schuld
doen vermoeden, door reinigingsoffers met den god te verzoenen,
wat zoowel door enkele personen als door vereenigingen, ja door
geheele staten gedaan werd.--Nadat Hermes de lier had uitgevonden,
gaf hij die aan Ap. in ruil voor kudden, die hij hem ontvreemd had;
sedert dien tijd bespeelt Ap. dit instrument in de vergaderingen der
goden en daardoor wordt hij de god der muziek, later van gezang en
dichtkunst, eindelijk stelt hij zich als beschermer van alle schoone
kunsten aan het hoofd van de Muzen (Mousagetes). De dienst van Apollo
was door geheel Griekenland verbreid; naar de verschillende plaatsen,
waar hij heiligdommen en orakels had, en waarvan Delphi de voornaamste
was, heet hij Amyklaios, Abaios, Ismenios, Klarios, enz. In Attica
werd hij als Ap. Patroos nevens Zeus Herkeios als beschermer van het
familieleven vereerd. De zwaan, de dolfijn, de wolf, de olijfboom,
de palmboom en de laurier waren hem gewijd.--Door de Romeinen werd het
delphische orakel reeds vroeg geraadpleegd, en onder den invloed der
sibyllijnsche boeken werd de dienst van Ap. ook bij hen ingevoerd. Na
de pest van 433 werd de eerste tempel voor Ap. Medicus te Rome gewijd;
in 399 werden, mede bij gelegenheid van eene pest, voor het eerst
lectisternia ter eere van Ap., Latona en Diana gehouden. Augustus
beschouwde zich als een beschermeling van den god en geloofde dat hij
door zijne gunst den slag bij Actium had gewonnen, daarom vergrootte en
verrijkte hij zijn tempel op dat voorgebergte, verhoogde den luister
waarmede zijne feesten daar gevierd werden en bracht die feesten ook
naar Rome over; bovendien stichtte hij ook op den Palatijnschen berg
een prachtigen tempel voor Ap. Palatinus.--De beelden van Ap. stellen
hem gewoonlijk voor als jeugdig, hoog van gestalte, met edele trekken
en schoone, golvende lokken (Akersekomes).

Apollodorus, Apollodoros, 1) Athener, wiens bloeitijd omstreeks
144 valt, stoicijnsch wijsgeer en geleerde, een zeer vruchtbaar
schrijver. Zijne werken, die van wijsgeerigen en geschiedkundigen
inhoud waren en waaronder eene wereldgeschiedenis in verzen, waaruit
latere schrijvers veel geput hebben, zijn verloren gegaan. Een
mythologisch werk onder den titel Bibliotheke, dat zijn naam draagt,
is òf een uittreksel uit een werk van Ap. òf het heeft een lateren
naamgenoot tot schrijver. Het is uit de 2e eeuw n. C.--2) van
Pergamus, als rhetor te Apollonia onderwijzer van Octavianus, met
wien hij naar Rome kwam, waar hij een eigen school stichtte.--3) twee
blijspeldichters, de oudste, een tijdgenoot van Menander, van Gela,
de andere geb. te Carystus; twee stukken van een van hen zijn door
Terentius in het Latijn bewerkt.--4) van Tarsus, treurspeldichter.--5)
van Tarsus, grammaticus.--6) beroemd atheensch schilder, omstreeks
400, een van de eersten die perspectief in hun werk brachten.--7)
van Damascus, beroemd bouwmeester, die de meeste groote bouwwerken
van Traianus uitvoerde; later viel hij bij Hadrianus in ongenade. Hij
was ook schrijver van een werk over belegeringskunst.--8) Ephillus,
stoicijn, omstreeks 100.--9) Epicurist, die meer dan 400 boeken
schreef, omstreeks 140-100.

Apollonia, Apollonia, naam van verschillende steden, als 1)
in het land der ozolische Locriërs;--2) op Chalcidice;--3) niet
ver vandaar in Macedonia;--4) de havenstad van Cyrene, eene van
de vijf steden der pentapolis Cyrenaïca;--5) op de Noordkust van
Sicilia, onzeker waar;--6) op de Zuidkust van Creta;--7) in Mysia,
aan het meer Apolloniatis, waardoor de Rhyndacus stroomt;--8) in
Zuid-Phrygia;--9) op de kust van Palaestina;--10) in Lycia;--11) in
Lydia, halverwege tusschen Sardes en Pergamum;--12) en 13) op de kust
van Thracia, waarvan een aan de Strymongolf en een aan den Pontus
Euxinus (Zwarte zee), de laatste met een beroemden tempel en een
reuzenbeeld van Apollo.--14) Het meest beroemd echter was Apollonia
op de illyrische kust, aan den Aous, he kat' Epidamnon, kolonie van
Corinthus en Corcyra, eene bloeiende handelsstad, uitmuntende door
voortreffelijke wetten en nauwgezette handhaving van het recht en
liefde voor wetenschap.

Apollonis, Apollonis = Apollonia no. 11.

Apollonius, Apollonios, 1) van Alexandrië, tijdgenoot, v.s. leerling
van Callimachus, met wien hij later wegens verschil van richting in
ernstigen twist geraakte. Ap. streefde n.l. er naar, den eenvoud
van Homerus in zijne werken te doen herleven, terwijl de werken
van Callimachus meer door geleerdheid dan door dichterlijke waarde
uitmuntten. De invloed van Callimachus was echter zoo groot, dat
Ap., toen hij zijn groot epos Argonautika voordroeg, geen bijval
vond. Hij begaf zich daarop naar Rhodus, waar hij na lezing van zijn
gedicht het burgerrecht kreeg (vandaar wordt hij Rhodius genoemd)
en waar hij geruimen tijd als rhetor onderwijs gaf. Later keerde hij
echter naar Alexandrië terug, en nu viel zijn werk, dat hij op Rhodus
omgewerkt had, zoo in den smaak, dat hij op zeer hoogen leeftijd (±
200) tot bibliothecaris benoemd werd, welke betrekking hij tot zijn
dood behield. Een ander groot werk van Ap., Ktiseis, benevens zijne
kleinere gedichten zijn verloren gegaan. Zijne Argonautica werd door
romeinsche dichters dikwijls nagevolgd. Bewaard gebleven is die van
C. Valerius Flaccus, zie Valerii no. 41.--2) van Alabanda, omstreeks
120 leeraar der welsprekendheid op Rhodus.--3) Ap. Molon, eveneens
geb. te Alabanda, gaf op Rhodus onderwijs in de welsprekendheid. In 87
en 81 kwam hij als gezant der Rhodiërs te Rome, waar Cicero toen reeds
van zijn onderwijs genoot. In 78 heeft Cicero op Rhodus zijn lessen
gevolgd; ook andere Romeinen, o.a. Caesar, hebben hem bezocht.--4)
Ap. Sophista, alexandrijnsch grammaticus, tijdgenoot van Augustus. Het
Lexikon met verklaringen van woorden uit Homerus, dat op zijn naam
staat, is uit later tijd.--5) Ap. ho dyskolos, van Alexandrië, een
zeer geleerd en scherpzinnig grammaticus, de eerste die taalstudie
wetenschappelijk behandelde. Hij leefde eenigen tijd te Rome onder
Marcus Aurelius, later keerde hij naar Alexandrië terug. Vier van
zijne werken over verschillende hoofdstukken van vormleer en syntaxis
zijn bewaard gebleven.--6) van Perga, reeds door de ouden "de groote
wiskundige" genoemd, was 250-220 leeraar te Alexandrië en Pergamus,
en schreef o.a. een werk over kegelsneden, dat nu nog wetenschappelijke
waarde heeft. Ook uit taalkundig oogpunt is zijn werk van belang, omdat
het het eerste werk is, dat in de Koine (z.a.) geschreven is. Hij was
een leerling van Archimedes.--7) van Tyana, leefde in de 1ste eeuw
n. C. Nadat hij zijn vermogen aan de armen gegeven had, trok hij
als leeraar der wijsbegeerte de geheele wereld door en kwam zoowel
in Indië als in Spanje en Aethiopië, tweemaal kwam hij naar Rome,
eindelijk vestigde hij zich als leeraar te Ephesus, waar hij in hoogen
ouderdom stierf. Zijn leer, grootendeels aan Pythagoras ontleend,
maar sterk doortrokken met nieuwplatonische en oostersche begrippen,
zijne vele avonturen, zijne buitengewoon strenge levenswijze en de
wonderen die hij, naar men zeide, verrichtte, baarden veel opzien,
zoo zelfs, dat hij in den strijd tusschen den ouden godsdienst en het
Christendom menigmaal als een tegenhanger van Christus voorgesteld
is. Zijne levensbeschrijving door Philostratus schijnt meer romantisch
dan historisch te zijn.--8) z. Tauriscus.

Apomagdalia, broodkruimels, tot deeg gekneed, die de Grieken bij gebrek
aan servetten gebruikten om zich bij het eten de vingers af te vegen.

Aponi fons of Aponus fons, badplaats met zwavelbronnen bij Patavium
(Padua), ook aquae Pativinae geheeten. Er was een orakel.

Apopempein. Wanneer te Athene een man echtscheiding verlangde,
behoefde hij slechts zijne vrouw met hare huwelijksgift naar het
huis van haar vader of voogd terug te zenden. Dit heette apopempein,
apopompe, apopempsis. Eene vrouw, die echtscheiding wenschte, verliet
het huis van haar man, (apoleipein, apoleipsis), doch moest bij den
archont een met redenen omkleedde schriftelijke verklaring daarvan
geven (apoleipsin graphesthai). Daar ook processen apopempseos en
apoleipseos vermeld worden, schijnt het dat, in weerwil van deze
eenvoudige vormen, de echtscheiding niet geheel van den wil van eene
der beide partijen afhing; misschien betroffen deze processen echter
alleen geldzaken. Het onderscheid tusschen apopempein en apoleipein,
enz., wordt niet altijd streng in het oog gehouden.

Apophasis, aangifte, aanwijzing; de aangifte van gevaarlijke personen
bij den Areopagus; inventaris (z. Antidosis); ook rechterlijk vonnis.

Apophora, 1) de bijdrage, die iedere staat aan Sparta gaf, zoolang deze
staat in den perzischen oorlog de hegemonie had.--2) de belasting,
die de heloot aan zijn heer geven moest, bestaande in eene bij de
wet bepaalde hoeveelheid gerst, wijn en olie.--3) de huur, die te
Athene de slaven dagelijks aan hunne heeren betaalden, wanneer zij
voor eigen rekening mochten werken.

Apophoreta, Apophoreta, lekkernijen, die de gasten van een maaltijd
mede naar huis kregen, verder ook andere geschenken. Het veertiende
boek epigrammen van Martialis, waarmede hij geschenken aan zijne
vrienden begeleidde, draagt tot titel Apophoreta.

Apophrades hemerai, dagen die om een of andere reden voor ongeluksdagen
gehouden werden, waarop geen rechtszittingen waren, en waarop men
geen zaak van eenig gewicht begon. In het bizonder de dagen waarop
men aan de dooden offerde.

Aporreta, verboden dingen; 1) handelsartikelen, die niet van Athene
uitgevoerd mochten worden.--2) sommige scheldwoorden, waarvan men
zich op boete van 500 drachmen onthouden moest.--3) godsdienstige
mysteriën, die niet verraden mochten worden.

Apostasiou dike, aanklacht tegen een vrijgelatene, die zijne plichten
tegenover zijn vroegeren heer niet vervulde; zulke aanklachten werden
bij den polemarch ingediend. Bij veroordeeling verviel de aangeklaagde
weder in slavernij, bij vrijspraak werd hij van alle verplichtingen
tegenover zijn vroegeren meester ontslagen.

Apostoles, tien ambtenaren te Athene, die te zorgen hadden dat de
triërarchen hunne verplichtingen als zoodanig nakwamen; zij hadden
zelfs het recht hen, die daarin te kort schoten, gevangen te nemen.

Apostropeia, z. Aphrodite.

Apotheca, apotheke, magazijn of bergplaats, vooral voor fijne
wijnsoorten, die reeds afgetapt waren. De apotheca was bij de
Rom. meestal op de bovenverdieping van het huis, veeltijds boven
de badkamer, zoo dat de rook van het vuur er in kon doordringen,
waardoor de wijn en de kruiken of flesschen spoediger het merk van
ouderdom kregen.

Apotheosis, apotheosis, vergoding van menschen. Het eigenlijk
latijnsche woord is consecratio. Reeds vroeg geloofde men, dat helden
onder de goden konden worden opgenomen en dacht men eenvoudig aan eene
verplaatsing, waardoor het sterfelijk lichaam onsterfelijk werd. Later
evenwel meende men, dat het stoffelijk overschot door het vuur van
den brandstapel zoo werd gelouterd, dat het onsterfelijk gedeelte van
het sterfelijke werd afgescheiden en opwaarts steeg naar de goden. In
het historisch tijdperk nam de apotheose dezen vorm aan, dat door eene
godspraak of door de uitspraak van eenig bevoegd priestercollegie aan
den afgestorvene goddelijke eerbewijzen werden toegekend en altaren
voor hem werden opgericht, zooals b.v. na Lycurgus' dood te zijner eer
geschiedde. Eén stap verder en men deed hetzelfde voor den levende;
Lysander was de eerste Griek, voor wien nog bij zijn leven altaren
werden opgericht. Alexander de Groote en de Diadochen, vooral de
Ptolemaeën, lieten zich als god vereeren; voor hen werden eerediensten
ingesteld. In Aegypte heet de koning reeds bij zijn leven Theos, in
Azië eerst na zijn dood.--De consecratio van romeinsche keizers en
soms van keizerinnen had op de volgende wijze plaats, en geschiedde
volgens het besluit van den senaat of van den troonsopvolger. Een
wassen borstbeeld van den overledene werd plechtig zeven dagen lang
in het paleis tentoongesteld. Dan werd op den campus Martius een
brandstapel opgericht in den vorm van een altaar met drie of vier
verdiepingen (rogus). Te midden van reukwerk werd het borstbeeld op den
brandstapel geplaatst, die door den nieuwen keizer werd aangestoken. Te
gelijker tijd werd van den top van den toestel een adelaar losgelaten,
die de ziel des overledenen hemelwaarts moest voeren. Van nu af was
hij divus. Doch de kruipende vleierij van den romeinschen senaat
tegenover dwingelanden was oorzaak, dat aan sommige keizers reeds
bij hun leven goddelijke vereering ten deel viel.

Apotropaios, afwerende; bijnaam dien men iederen god gaf, wanneer
men hem aanriep met de bede ramp of gevaar af te wenden.

Apparitores. Onder dezen naam verstaat men de bezoldigde dienaren
der rom. magistraten, als scribae, lictores, viatores, praecones en
accensi. De eerstgenoemde vier soorten waren voortdurend in dienst van
den staat; over de accensi z. accensus no. 1. Voor apparitores boden
zich slechts mingegoede burgers of vrijgelatenen aan. De scribae of
bureauschrijvers waren het meest in aanzien. Cicero noemt hen een
ordo honestus.

Appellatio is het beroep op de hulp van een overheidspersoon, om
door zijne tusschenkomst (intercessio) beveiligd te worden tegen een
dreigend onrecht. De intercessio kon aangewend worden tegen alle
overheden van gelijken of minderen rang, en door de volkstribunen
tegen alle andere overheden behalve den dictator. De appellatio
moet wel onderscheiden worden van de provocatio of het beroep op de
volksvergadering als hoogsten rechter. Onder de keizers ontstond eene
reeks van lagere en hoogere rechtbanken en dus ook van appellen in
verschillende instanties, terwijl ten slotte de keizer zelf de hoogste
rechtsmacht vormde, die alle vonnissen kon wijzigen of vernietigen. Dit
geldt evengoed voor civiele zaken als voor strafzaken.

Appianus, Appianos, van Alexandrië, leefde omstreeks het midden der
2e eeuw n. C. te Rome, en werd later procurator van den fiscus in
Aegypte. Onder den titel Rhomaïka schreef hij eene geschiedenis,
waarin ieder volk afzonderlijk behandeld wordt tot zijn opgaan
in het rom. rijk, en waarin bovendien de geschiedenis van de
rom. burgertwisten beschreven wordt. Van de 24 boeken, waaruit dit
werk bestaan heeft, zijn nog bewaard gebleven: Iberike (l. 6),
Annibaïke (l. 7), Libyke (l. 8), Syriake (l. 11), Mithridateios
(l. 12), Illyrike (2de deel van l. 9), en de 5 boeken Emphylia,
de burgeroorlogen (l. 13-17), benevens fragmenten van eenige andere.

Appia (via). Deze weg liep van Rome over Aricia, Anxur of Tarracina,
Minturnae en Formiae naar Capua, en was de eerste heerbaan, die van
Rome uit werd aangelegd (312). Hij was zóó breed, dat twee wagens
elkander zonder moeite konden voorbijrijden, en was geplaveid
met groote vierhoekige steenen, zóó zorgvuldig zonder gapingen
aaneengevoegd, dat hij in de zesde eeuw na Chr. nog in goeden toestand
was. Met recht werd deze weg, door den censor Appius Claudius Caecus
gebouwd, de regina viarum geheeten. Eene latere verlenging van Capua
over Caudium, Beneventum, Aquilonia, Canusium, Barium naar Brundisium
heette via Appia Nova.

Appias, de nimf der Appische fontein te Rome.

Appii, zie Claudii no. 1, 2, 4, 5, 6, 8, 9, 12, 14, 15, 21.

Appuleiae (leges) van den volkstribuun L. Appuleius Saturninus, 100. 1)
lex agraria, zie onder agrariae leges.--2) lex de coloniis deducendis,
hangt nauw samen met de lex agraria en maakt er misschien een deel
van uit. Er zouden koloniën gesticht worden in Sicilia, Africa,
Achaia en Macedonia. De wet is niet uitgevoerd. Deze wet (van 100)
is met de lex agraria eene uitbreiding van eene lex agraria van
denzelfden Saturninus uit het jaar 103.--3) lex frumentaria, waarbij
de prijs van het door den staat verkochte koren (zie annona) op 5/6
as werd gesteld. Op het betoog van den quaestor Q. Servilius Caepio,
dat dit de kracht der schatkist te boven ging, besloot de senaat,
dat Saturninus, ingeval hij de wet in stemming bracht, tegen den staat
handelde. De overige volkstribunen intercedeerden nu, doch Saturninus
ging zijn gang. Hierop kwam Caepio met eenige vastberaden mannen,
wierp de stembussen om en belette den voortgang der stemming.--4)
lex de maiestate minuta, tegen degenen, die de onschendbaarheid der
volkstribunen aantastten.

Appuleii. Behalve een consul Q. Appuleius Pansa in 300, behooren de
leden van dit geslacht, die in de geschiedenis van Rome voorkomen,
tot de familie der Saturnini of hebben geen cognomen. 1) L. Appuleius
Saturninus was de beruchte volksmenner te Rome ten tijde van
Marius. Hij was tweemaal volkstribuun (103 en 100). Langs allerlei
wegen trachtte hij de optimates te krenken en te vernederen en zich
aanhang te verwerven bij den grooten hoop (zie Appuleiae leges). Na
zijn eerste tribunaat wilde de censor Q. Caecilius Metellus Numidicus
hem uit den senaat stooten, hetgeen zijn ambtgenoot C. Caecilius
Caprarius belette. Toen hij in het jaar 100 zijne lex agraria met
geweld had doorgedreven, en bij deze (of bij eene andere) wet de
bepaling had gevoegd, dat alle senatoren binnen vijf dagen de wet
moesten bezweren, was de genoemde Metellus het eenige senaatslid,
dat weigerde, waarvoor hij dan ook in ballingschap moest gaan. Toen
Saturninus, die voor geen geweld terugdeinsde, ter wille van zijn
medestander, den praetor C. Servilius Glaucia, diens mededinger
naar het consulaat, C. Memmius, in de volle volksvergadering liet
overhoop steken, werd zelfs het volk verbitterd. Door den senaat tot
vijand des vaderlands verklaard, door Marius (toen ten zesden male
consul) verlaten, week hij naar het Capitool, terwijl de senaat met
de gewone formule videant consules (z. senatus consultum ultimum) den
staat aan de bijzondere hoede der consuls aanbeval. Daar de consuls
nu de buizen der waterleiding lieten afsnijden, kon Saturninus
zich op het Capitool niet staande houden; hij wist nog naar de
curia Hostilia aan het forum te wijken, waar hij echter met zijne
trawanten bestormd en door het woedende volk onder de dakpannen van
het gebouw bedolven werd (10 Dec. 100).--2) L. Appuleius Saturninus,
uit Atina, was in 58 praetor in Macedonia. Diens zoon Cn. Saturninus
diende in 68/67 onder Q. Caecilius Metellus (zie Caecilii no. 19) op
Creta.--3) Sex. Appuleius, consul in 29, hield in 26 een zegetocht
over de Hispaniërs.--4) C. Appuleius Decianus, volkstribuun in 99,
aanhanger van Saturninus, bekend door zijne aanklacht tegen den
aedilis L. Valerius Flaccus (zie Valerii no. 24).--5) Appuleius
Decianus, zoon van no. 4, aanklager van den jongen Valerius Flaccus
(z. Valerii no. 25), die door Cicero verdedigd werd (59).

Buiten dit geslacht staat--6) de schrijver L. Appuleius, te Madaura
in Africa geboren onder de regeering van keizer Hadrianus. Hij
had te Carthago en te Athene zijne opleiding genoten en later veel
gereisd. Met voorliefde beoefende hij wijsbegeerte en letteren. Hij
schreef eenige wijsgeerige werken, doch het meest bekend is zijn
romantisch verhaal Metamorphoseon sive de asino aureo libri XI,
waarin zekere Lucius tot straf voor zijne ondeugden in een ezel
wordt veranderd, doch door de mysteriën (waarvan App. een warm
voorstander was) in een beter mensch wordt herschapen. Onder de vele
episoden in dit werk is die van Amor en Psyche de meest bekende. Eene
nederlandsche bewerking van deze ezelsgeschiedenis vindt men in de
geschriften van Mr. P. van Limburg Brouwer. Van de andere werken
is van belang: Apologia sive de magia, waarin hij zich verdedigt
tegen de beschuldiging van tooverij, en veel aangaande zijn leven
vertelt. Het werkje de herbarum virtutibus, dat op zijn naam staat,
is uit de 5de eeuw n. C.

Apriës, Apries, in het O. T. Hophra, koning van Aegypte. Hij ondernam
een krijgstocht tegen Cyrene, en toen deze ongelukkig afliep,
beschuldigde men hem dat hij de kaste der krijgslieden had willen
vernietigen, en werd hij door Amasis onttroond. Hij regeerde 588-569.

Apronii. 1) Q. Apronius, handlanger en medeplichtige van C. Verres bij
zijne afpersingen op Sicilia.--2) L. Apronius, een romeinsch ridder,
legatus van Germanicus in 15 n. C., in Germania, in welke betrekking
hij de signa triumphalia verwierf, en proconsul van Africa 18-21
n. C. Onder zijn bewind versloeg zijn zoon L. Apronius Caesianus in
20 den Numidiër Tacfarinas. In 28 werd de vader als stadhouder van
Germania inferior door de Friezen verslagen.

Aprostasiou graphe, aanklacht die men bij den polemarch kon indienen
tegen een metoikos, die zich geen burger tot patroon gekozen had,
of zijn metoikion niet betaalde.

Apsis = Absis.

Apsorus, Apsoros, z. Absyrtides insulae.

Apsus, Apsos, rivier en stad in Illyria ten N. v. Apollonia.

Apsyrtus of Absyrtus, Apsyrtos, zoontje van Aeetes. Toen Iason met
Medea vluchtte sneed Medea het lichaam van het kind in stukken,
opdat Aeetes, die hen vervolgde, door het opzoeken van de stukken
tijd zou verliezen. De bijeengeraapte leden werden te Tomi begraven,
dat daaraan, naar men zegt, zijn naam (van temnein) ontleend heeft.

Apteros, ongevleugeld, naam van een beeld van de godin der overwinning
(eigenlijk van Athena Nike), dat in haar tempel op de acropolis te
Athene stond. V. s. had de kunstenaar haar tegen de gewoonte zonder
vleugels voorgesteld, om aan te duiden dat zij de stad nooit zou
verlaten.

Apuani, volksstam in zuidoostelijk Liguria, op de grens van
Midden-Italië, door de Romeinen na dapperen tegenstand overwonnen en
in 180 gedeeltelijk naar Samnium overgebracht. Hunne stad heette Apua.

Apuleii, zie Appuleii.

Apulia, Apoulia, omvatte in ruimeren zin het zuidoostelijke gedeelte
van Italia, met inbegrip van Calabria, in engeren zin alleen de
landstreken Daunia en Peucetia. De oude bevolking, Apuli, bij de
Grieken Iapyges genoemd, waren van illyrischen stam, terwijl grieksche
kolonisten zich aan de kust vestigden en er reeds vroeg de grieksche
taal en grieksche kunst en kunstnijverheid inheemsch maakten. Het
klimaat was heet, en in sommige tijden van het jaar had men last van
den Sirocco, hier Atabulus genoemd. Over het algemeen is het land
niet onvruchtbaar, de vlakten zijn echter arm aan water. De bewoners
stonden als niet bizonder schrander bekend. In de samnitische oorlogen
werd Apulia door de Romeinen onderworpen (317). Ten gevolge van den
tweeden Punischen en den bondgenootenoorlog werd het land, dat vroeger
door handel en industrie gebloeid had, ontvolkt. Augustus vereenigde
Apulia met Calabria en Zuid-Samnium tot de tweede regio Italiae.

Apulum, belangrijke stad in Dacia, sinds 107 n. C. standplaats van
de legio XIII gemina, onder M. Aurelius municipium en colonia.

Aquae, naam van een aantal geneeskrachtige bronnen en badplaatsen. Vele
dezer gezondheidsoorden zijn genoemd naar eene nabijgelegen stad,
zooals de aquae Cumanae (later Baiae) bij Cumae in Campania, de
aquae Patavinae (Aponi fons) bij Patavium in Cisalpina, de aquae
Vetuloniae bij Vetulonia in Etruria, de aquae Pisanae in Etruria,
de aquae Segestanae op Sicilia e. a. Andere hebben hun naam naar
het volk, b.v. aquae Statiellae bij de Statielli in Liguria, aquae
Mattiacae (thans Wiesbaden) bij de Mattiaci. Merkwaardig waren de
aquae Cutiliae, nabij de reeds vroeg verwoeste stad Cutilia (z. a.) in
het sabijnsche land.--Geschiedkundig bekend door de nederlaag der
Teutonen zijn de aquae Sextiae (thans Aix in Provence), in Gallia
Narbonensis, gesticht door C. Sextius Calvinus. Onder de tegenwoordig
meest bekende badplaatsen zijn er verscheidene, die ook onder de
Romeinen bezocht waren, zooals Baden-Baden, aquae Aureliae, Vichy,
aquae calidae Arvernorum, Bagnères de Bigorre, aquae Convenarum,
Bath, aquae Sulis, Aken, Aquae Grani, enz.

Aqua et igni interdictio. Het doodvonnis, te Rome over een burger
uitgesproken, had den vorm van een ban. Binnen Rome was de veroordeelde
vogelvrij; niemand mocht hem huisvesting of voedsel verstrekken,
ieder mocht hem straffeloos dooden, de overheden waren er zelfs toe
verplicht. De ban kon nog verzwaard worden, door hem tot geheel Italië
uit te strekken, of zelfs wel tot het geheele romeinsche rijk, zooals
bij de proscripties tijdens de burgeroorlogen het geval was. Daar de
ban inging op hetzelfde oogenblik, waarop het vonnis werd uitgesproken,
moest men, om zijn leven te redden, vooraf Rome verlaten en in
vrijwillige ballingschap gaan (in liberum exsilium ire). Aanzienlijke
en rijke Romeinen vonden dan licht een toevluchtsoord in eene of andere
civitas foederata; doch minder gegoeden hadden een ondragelijk leven;
iedereen kon zich aan hen vergrijpen, terwijl zij tegen niemand eene
aanklacht konden inbrengen.

Aquaeductus, hydragogeion. De oudste Grieksche waterleidingen zijn die
van Pisistratus te Athene, en uit denzelfden tijd die door Polycrates
op Samos was aangelegd; de architekt van deze laatste leiding was
Eupalinus. Ten einde Rome van goed en overvloedig water te voorzien,
werden in verschillende tijden een aantal waterleidingen aangelegd. De
oudste was de aqua Appia, in 312 aangelegd door denzelfden censor
Appius Claudius, die de via Appia liet bouwen. Deze waterleiding liep
grootendeels door onderaardsche buizen, evenals de Anio vetus, die
het water uit den Anio aanvoerde, en de Virgo, die het koudste water
had en onder de regeering van Augustus door Agrippa was aangelegd,
om de door hem gebouwde badinrichtingen van water te voorzien. De
langste leiding was de Anio novus, die omstreeks 16 uren gaans lang
was en over de dalen gedragen werd door bogen, soms ter hoogte
van meer dan 100 voet. Soms liepen twee aanvoerkanalen een eind
verdiepingsgewijze boven elkander, b.v. de Anio novus boven de aqua
Claudia; zelfs komt eene vereeniging van drie leidingen voor: de Marcia
beneden, de Tepula in het midden, de Iulia boven. De Marcia was om
haar heerlijk water beroemd: het slechtste water voerde de Alsietina
aan. Ook vele aanzienlijke steden van Italia en de provinciën werden op
gelijke wijze van water voorzien. Van den trotschen bogenbouw kunnen
o.a. nog de overblijfselen bij Nîmes (Pont du Gard), bij Tarragona
en Segovia getuigen. Bij sommige leidingen was aan het boveneind een
groot bekken aangebracht, waar men het water liet bezinken, alvorens
het naar de stad te voeren. In de stad werd het water in reservoirs
(castella aquae) verzameld, vanwaar het door buizen (fistulae, tubi)
naar de lacus of groote waterkommen, fontes salientes of fonteinen,
piscinae of vijvers, badhuizen en bijzondere woningen werd geleid. Ook
op verscheidene plaatsen in Griekenland zijn overblijfselen van oude
waterleidingen gevonden.

Aquaeductus en aquaehaustus, erfdienstbaarheid, waarbij de
rechthebbende over eens anders grond water mocht leiden of uit eens
anders bron water mocht putten.

Aquarii, werklieden bij den dienst der waterleidingen, meest servi
publici. Ook slaven in de openbare badhuizen, die water aandroegen
om de baders af te spoelen en de waschbekkens te vullen.

Aquarius, Hydrochoos, het sterrenbeeld de Waterman, waarin men
Ganymedes, Deucalion of Cecrops meende terug te vinden. Hij maakt,
naar het heet, het jaargetijde somber, want als de zon in dit teeken
komt, begint de regentijd.

Aquila, aetos. Oudtijds hadden de verschillende afdeelingen voetvolk en
de ruiterij in de Romeinsche legers verschillende standaarden, als: een
wolf, een everzwijn, een minotaurus, een paard, een hond, e. a. Deze
voorwerpen waren boven op een stok bevestigd. Sedert Marius was de
legioenstandaard een adelaar met uitgespreide vlerken, uit zilver of
brons, onder de keizers ook wel uit goud vervaardigd. Hij stond onder
de bijzondere hoede van den primipilus of eersten centurio van het
legioen. In de legerplaats stond de standaard naast de veldheerstent in
den grond geplant. Ging het leger op marsch of in den slag, dan trok
de primipilus den adelaar uit den grond en overhandigde hem aan den
aquilifer of standaarddrager. Ging dit uittrekken met moeite gepaard,
dan was dat een slecht voorteeken.

Aquila. 1) Iulius Aquila, romeinsch jurist, van wien brokstukken in
de Pandecten voorkomen.--2) Aquila Romanus, rhetor en taalgeleerde uit
de derde eeuw na C., schrijver van een boek de figuris sententiarum et
elocutionis.--3) Aquila, een Griek uit Pontus uit de tweede eeuw na C.,
die eene zeer geroemde vertaling van het O. T. in het Grieksch schreef.

Aquilaria, stad op de Oostkust van Zeugitana, nabij de golf van
Carthago.

Aquileia, Akyleia, romeinsche kolonie aan het noordelijkste gedeelte
der Adriatische zee, op de grenzen van het land der Veneters en
van Histria, in 181 als bolwerk tegen invallen uit het Noordoosten
gesticht. Het was eene sterke vesting en ontwikkelde zich door zijne
ligging spoedig tot eene bloeiende handelsplaats. Als sleutel van
Italië vervulde het eene belangrijke rol tegen de barbaren, die
Italië zochten binnen te dringen, tot het in 452 na C. door Attila
werd ingenomen en verwoest. De vluchtelingen uit Aquileia en Altinum
legden den grondslag tot de tegenwoordige stad Venetië.

Aquillia (lex), plebiscitum van onbekenden datum, misschien tusschen
289 en 286, wijzigde de bepalingen omtrent damnum iniuria datum,
die reeds in de leges XII tabularum voorkomen.

Aquillii. 1) M'. Aquillius, consul in 129, maakte een einde
aan den opstand van Aristonicus in Pergamus, door de bronnen te
vergiftigen. Door de Romeinen zelven werd deze handelwijze als
een nefas beschouwd. Daartoe omgekocht, had hij Groot-Phrygië aan
Mithradates Euergetes afgestaan, maar deze afstand werd door den Senaat
niet bekrachtigd.--2) M'. Aquillius, zoon van no. 1, consul in 101,
bedwong in 100 den slavenopstand op Sicilia onder Athenio. In 98 werd
hij wegens afpersingen aangeklaagd; toen zijn verdediger M. Antonius
(orator) te midden zijner pleitreden op eenmaal hem de tunica
openscheurde en de litteekenen op de borst van Aquillius toonde,
werd deze om zijne dapperheid vrijgesproken. In 88, bij den inval
van Mithradates VI in de romeinsche provincie Asia, viel Aquillius,
die destijds legaat van den proconsul Q. Oppius was, in handen van
den pontischen koning. Deze liet hem eerst, op een ezel gebonden,
onder zweepslagen in de voornaamste steden rondleiden en vervolgens
gesmolten goud in den mond gieten.--3) C. Aquillius Gallus, een vriend
van Cicero, redenaar en beroemd rechtsgeleerde.

Aquilo, de Noordoostenwind, soms ook = de Noordenwind, zie Windstreken.

Aquilonia, stad in het N. van Samnium, in 293 door de Romeinen onder
L. Papirius Cursor verwoest. De stad lag niet ver van Cominium,
en dicht bij het dal van den Sagrus. Een ander Aquilonia ligt in
Zuid-Samnium in het land van de Hirpini.

Aquinum, stad in het land der Volscen in Latium, rom. municipium,
geboorteplaats van den dichter Juvenalis, met purperververijen.

Aquitania, gewest in Gallia. Tijdens Caesars komst in Gallia verstond
men onder dezen naam slechts het zuidwestelijk gedeelte, tusschen de
Pyrenaeën en den Garumna (Garonne). De bewoners waren van iberischen
stam, verwant met de Vascones (Basken), die zich later onder hen
mengden en naar wie de landstreek later ook Vasconia (Gascogne) werd
geheeten. Volgens Plinius heette deze streek vroeger Aremorica.--Onder
Augustus (tusschen 16 en 13) onderging de indeeling van Gallia eene
geheele verandering, en strekte Aquitania zich uit tot aan den Liger
(Loire) en den mons Cebenna (Cevennes). Na Constantijn vindt men deze
streek tot drie provinciën verknipt. Het zuidwestelijke deel, van de
Pyrenaeën tot nabij den Garumna vormde de provincie Novempopulana,
met de hoofdstad Elimberris (Auch) (v. a. Elusatium civitas,
tgw. Eauze). De streek tusschen den Garumna en den Liger was verdeeld
in een oostelijk en westelijk deel: Aquitanica I, met de hoofdstad
civitas Biturigum, vroeger Avaricum (Bourges), en Aquitanica II,
hoofdstad Burdigala (Bordeaux). Deze twee noordelijke deelen behouden
nog lang den naam Aquitania, die dan later in Guyenne overgaat.

Ara, bomos. Een altaar was van aarde, zoden of steen, vaak van
marmer gemaakt, hetzij in ronden, hetzij in vierhoekigen vorm, van
boven eenigszins hol en met eene opening op zijde of aan den voet,
om het vocht der plengoffers of het bloed der offerdieren te laten
wegvloeien. Altaria is eigenlijk het bovenste gedeelte van het altaar,
doch gewoonlijk worden de woorden dooréén gebruikt, waarbij de naam
altaria meer in verheven stijl en bij dichters voorkomt.--Ook een
sterrebeeld in het zuiderhalfrond.

Ara Ubiorum, oorspronkelijk een altaar in het land der Ubii, ter
eere van Augustus opgericht = oppidum Ubiorum; zie Ubii en Colonia
Agrippina.

Arabia, Arabia, het thans nog onder dien naam bekende schiereiland. De
ouden verdeelden het in drie deelen: 1) Arabia Petraea, he kata
Petran (niet vertalen door: steenachtig Arabië), de streek ten O. van
Palaestina zuidwaarts tot aan de beide inhammen, die de Arabische golf
(thans Roode zee) in het Noorden vormt. Daar lag, aan den Oostkant,
halverwege tusschen de Doodezee (Asphaltites lacus) en den Aelaniticus
sinus, de stad Sela (= rots), door de Grieken Petra genoemd, de
hoofdstad van Idumaea of Edom, en aan dit Petra is de naam ontleend. In
het Zuiden vond men het granietgebergte Sinaï.--2) Arabia deserta, he
eremos Arabia, omvatte de noordelijke zandwoestijnen, tusschen Syria en
Babylonia.--3) het overige, verreweg grootste gedeelte, het eigenlijke
schiereiland, was alleen aan de kusten bekend, en daar de Westkust zeer
vruchtbaar was, werd dit geheele land Arabia felix, he eudaimon Arabia,
geheeten, hoewel het binnenland slechts eene dorre zandzee is. De
bewoners, Arabes, Arabes, waren van semietischen stam en dreven reeds
vroeg een levendigen handel met Indië. Talrijke karavanen met wierook,
goud, edelgesteenten, ivoor, oostersche specerijen, trokken uit Arabië
door de woestijnen noord- en noordwestwaarts. Arabia Petraea is voor
een gedeelte in 105 na C. door Traianus in bezit genomen en vormde
toen de provincie Arabia, later Palaestina III; doch overigens bleef
Arabia vrij van vreemde overheersching. Eene expeditie, door Augustus
in 25 onder Aelius Gallus uitgezonden, mislukte (z. Saba).--Onder
de stammen, die Arabia bewoonden, verdienen vermeld te worden:
de Minaei met de steden Macoraba (Mekka) en Jathrippa (Medina),
de Sabaei, in het tegenw. Yemen, met de steden Mariana en Saba,
van waar veel wierook werd aangevoerd, de Nabataei in Petraea, die
de vroegere Edomieten, Midianieten, Amalekieten, enz., vervingen,
en de Saraceni in de nabijheid van Syria.

Arabicus sinus, kolpos Arabikos, thans Roode zee geheeten, terwijl
de Roode zee der ouden, mare Erythraeum, thans den naam van Indische
zee draagt. In het Noorden verdeelt de Arabische golf zich in twee
kleine inhammen, den sinus Heroöpolites of Heroöpoliticus ten W.,
den sinus Aelanites of Aelaniticus ten O., aldus geheeten naar de
steden Heroöpolis (op de landengte van Suez) en Aïla of Aelana.

Arabis of Arabius, Arabis, Arabios potamos, rivier in Gedrosia, ten
W. van den Indus. In hare nabijheid woonden de Arabitae, Arabitai,
Arbies.

Arachnaeum, Arachnaion, berg in oostelijk Argolis, tusschen Argos
en Epidaurus.

Arachne, Arachne, een lydisch meisje, dochter van een purperverver te
Colophon. Zij had van Athena weven geleerd en bereikte in die kunst
zulk eene hoogte, dat zij haar leermeesteres zelve tot een wedstrijd
durfde uitdagen. Toen die uitdaging aangenomen was, vervaardigde
zij een weefsel, waarin zij de liefdesavonturen der goden voorstelde
en dat Athena niet kon overtreffen; uit spijt hierover en uit toorn
over het onderwerp, dat Ar. had gekozen, verbrak de godin haar werk,
waarop Ar. zich van verdriet ophing. Athene riep haar in het leven
terug en veranderde haar in een spin.

Arachosia, Arachosia, eene der oostelijke provinciën van het perzische
rijk, ten Oosten door den Indus begrensd. Zij ontleende haren naam aan
de rivier Arachotus. In het tijdperk der Seleuciden was de hoofdstad
Alexandria Arachoton, Al. Arachoton, thans Kandahar.

Arachthus, Arachthos, rivier in Epirus, die zich in de golf van
Ambracia stort, thans de Arta.

Aracynthus, Arakynthos, gebergte in het Z.W. van Aetolia.

Aradus, Arados, door ballingen uit Sidon op een klein, rotsachtig
eiland nabij de phoenicische kust gesticht. De naam (phoen. Arvad)
beteekent toevluchtsoord. De stad dreef een bloeienden handel en
wedijverde met Sidon en Tyrus. Haar grootsten bloei bereikte ze in
den tijd van het verval van het rijk der Seleuciden. Daar het kleine
eilandje op den duur te klein was, ontstond op het vaste land eene
voorstad, Antaradus, die later op hare beurt weder het oude Aradus
in de schaduw stelde.

Arae Philaenorum, hoi Philainon bomoi, de grens tusschen Cyrene en
Carthago. Tot regeling van een grensgeschil tusschen de republiek
Cyrene en Carthago waren beide staten overeengekomen, dat uit beide
steden een gezantschap op denzelfden tijd zou vertrekken, en dat
de plaats der ontmoeting als grenspunt zou worden aangenomen. De
carthaagsche gezanten echter, de beide gebroeders Philaeni, werden door
die van Cyrene beschuldigd, dat zij vroeger van huis waren gegaan,
dan de afspraak was. Om het daardoor verkregen voordeel echter te
behouden, lieten zij zich levend begraven op de plaats der ontmoeting,
aan de kleine Syrte, waar ter gedachtenis aan hunne vaderlandslievende
zelfopoffering twee altaren werden opgericht. Ook later is dit de
grens tusschen Cyrenaïca en Tripolis.

Arai, wrekende godinnen, opgeroepen door den vloek van het slachtoffer
eener misdaad = Erinyes.

Arar, Arar, rivier in Gallia, later Sauconna, thans de Saône, die
bij Lugdunum (Lyon) in den Rhodanus (Rhône) valt.

Aratus, Aratos, 1) zoon van Clinias, geboren 271 te Sicyon en te Argos
opgevoed. 20 jaar oud stelde hij zich aan het hoofd der ballingen
uit zijn vaderstad en verdreef hij met hunne hulp den tyran Nicocles;
daarop bewerkte hij dat de stad tot het achaeïsch verbond toetrad. Door
Antigonus Gonatas tegengewerkt, zocht hij hulp bij Ptolemaeus
Philadelphus, die hem inderdaad met aanzienlijke geldsommen steunde. In
245 werd hij tot strateeg van het verbond gekozen, dat onder zijne
leiding tot hoogen bloei geraakte, terwijl vele peloponnesische
steden vrijwillig of gedwongen zich als leden lieten opnemen. Toch
was Ar., hoewel kleingeestig en voor iedere mededinging bevreesd,
meer staatsman dan veldheer. Toen dus Sparta door het krachtig streven
van Cleomenes III de hegemonie in de Peloponnesus scheen te zullen
herwinnen, schroomde hij niet, in strijd met de beginselen van het
verbond, de hulp van den macedonischen koning Antigonus Doson in te
roepen (224). De nederlaag, die deze aan Sparta toebracht, deed den
invloed van Ar. ten top stijgen; niet alleen werd hij herhaaldelijk
als strateeg herkozen,--in het geheel heeft hij deze betrekking 17 maal
waargenomen--, maar ook liet de opvolger van Antigonus, Philippus III,
zich langen tijd geheel door zijne raadgevingen leiden, totdat hij
bevond dat Ar. aan zijne verdere plannen in den weg stond, waarop
hij hem door vergift liet uit den weg ruimen (213). Te Corinthe werd
een standbeeld voor hem opgericht en te Sicyon werd jaarlijks op zijn
sterfdag een lijkfeest gevierd. Zijne gedenkschriften (Hypomnemata),
door Polybius e. a. dikwijls als bronnen gebruikt, zijn verloren
gegaan.--2) van Soli, leefde langen tijd aan het hof van Antigonus
Gonatas en schreef (tusschen 276 en 274) een leerdicht in hexameters,
Phainomena kai Liosemeiai, dat nog bewaard is gebleven en door de
ouden hoog geprezen werd. Cicero, Germanicus e. a. vertaalden het in
het latijn.

Arausio, stad der Cavares, aan den Rhodanus (Rhône), thans Orange. Bij
deze stad verloren de Romeinen in 105 een bloedigen slag tegen de
Cimbren. Twee legers werden vernietigd. Uit den romeinschen tijd
zijn nog belangrijke bouwwerken over, o.a. een theater. NB. Hiernaar
wordt de titel prins van Oranje in het Latijn vertaald door princeps
Arausiacus.

Aravisci, keltische volksstam in Neder-Pannonië, verwant met de Osi.

Araxenus campus, Araxenon pedion, de vruchtbare vlakte, waardoor de
armenische Araxes stroomde.

Araxes, Araxes, 1) rivier in Armenia, die zich in de Caspische zee
stort. In zijn benedenloop is hij door een zijarm met den Cyrus
verbonden. Hij vormt de noordelijke grens van Medië. Herodotus
verwart hem met den Oxus (z. a.), die vroeger ook Araxes heette.--2)
riv. in Persis, nabij Persepolis.--3) zijtak van den Euphraat, ook
wel Chaboras of Aborrhas genoemd, in Mesopotamia.

Arbaces, Arbakes, z. Sardanapalus. Hij wordt de stichter der medische
dynastie genoemd, die met Astyages eindigt.

Arbela, ta Arbela, stad in Assyria, waarbij de laatste en beslissende
veldslag tusschen Alex. d. G. en Darius Codomannus plaats vond (331).

Arbiter, een scheidsrechter. Terwijl de iudex in zijne beslissing
aan het strenge recht gebonden was, kon de arbiter uitspraak doen
volgens de aequitas. Zie ook het art. iudex op het einde.

Arbiter bibendi, ook wel magister bibendi, rex convivii, de door
het lot gekozen voorzitter bij een feestmaal, die de tafelwetten
vaststelde en zijne voorschriften gaf omtrent het aanmengen van den
wijn en het getal schepjes, dat in de bekers moest worden gedaan,
omdat men niet, als bij ons, inschonk, maar met een lepel of schepje,
cyathus, de bekers uit het mengvat vulde.

Arca, Arka, oude stad in Phoenice aan den voet van den Libanon, ten
N. van Tripolis, geboorteplaats van keizer Alex. Severus; ter eere
van hem werd de stad Caesarea ad Libanum genoemd.

Arca, kibotos, in het algemeen kist of koffer, meer in het bijzonder
de geldkist, hetzij van metaal, hetzij met ijzer of brons beslagen. Ook
doodkist, alsmede strafcel voor slaven.

Arcadia, Arkadia, landschap in het midden der Peloponnesus gelegen,
door bergen omgeven en doorsneden, het grieksche Zwitserland. De
inwoners, Arcades, Arkades, beschouwden zichzelven als het oudste volk
der aarde, ja zelfs als ouder dan de maan (proselenoi). De afgesloten
ligging van hun land behoedde hen voor vreemde overheersching, daar
vooral in het Noorden en Oosten slechts weinige hoofdwegen naar de
naburige landschappen voerden. Het land stond eerst onder koningen,
doch loste zich in de zevende eeuw in een aantal kleine republieken op,
waarvan Mantinea, Tegea, Orchomenus de voornaamste zijn. De Arcadiërs
waren een vroolijk, krachtig bergvolk, liefhebbers van muziek, doch
stonden, wat hunne verstandelijke ontwikkeling betreft, niet hoog
aangeschreven, zoodat de uitdrukkingen iuvenis Arcadius, Arkadikon
blastema, gebezigd worden voor een onnoozelen hals. Onderlinge naijver
en veeten verdeelen hen; vandaar dat de poging van Epaminondas tot
stichting eener groote bondsstad Megalopolis op den duur mislukte. Na
den dood van Alex. d. G. voegden zij zich bij het achaeïsch verbond,
waarbij zelfs hun landgenoot Philopoemen van 208 tot 183 achtmaal de
hoogste waardigheid, die van strateeg, bekleedde.--Arcadia is rijk
aan mythen. Het sneeuwgebergte Cyllene in het N. O. is bekend als de
geboortegrond van Hermes; dicht daarbij vond men het Stymphalische
meer, de verblijfplaats der vogels, die Heracles verjoeg, alsmede
de Styx. Op den berg Erymanthus in het N. ving Heracles het groote
everzwijn; op den berg Maenalus zetelde Pan. Verder behooren in Arcadia
de mythen te huis van Lycaon en van Callisto en haar zoon Arcas.

Arcadius, Arkadios, 1) taalgeleerde uit de vijfde eeuw na C., schrijver
van een werk over de accenten, peri tonon.--2) de oudste zoon van
Theodosius den Grooten, kreeg bij de deeling van het rom. rijk in 395
n. C. de oostelijke helft. Hij was geheel en al het werktuig zijner
gunstelingen (Rufinus, Eutropius, Gainas), en later zijner frankische
gemalin Eudoxia. Hij stierf, 30 jaar oud, in 408.

Arcanum, landgoed van Q. Cicero, halverwege tusschen Aquinum en
Arpinum in Latium gelegen.

Arcas, Arkas, zoon van Zeus en Callisto. Toen Zeus eens bij Lycaon
gast was, wilde deze beproeven of de god werkelijk alwetend was;
hij slachtte daarom Arcas en zette zijn vleesch aan Zeus voor. Maar
deze veranderde Lycaon in een wolf, doodde al zijne zonen en riep
Arcas in het leven terug. Later ontmoette Arcas op de jacht zijne
moeder, die in een beer veranderd was, en wilde haar dooden, maar zij
ontvluchtte hem tot in den tempel van den Lycaeischen Zeus, die beiden
van de aarde wegnam en onder de sterren plaatste; Callisto werd de
groote beer, Arcas de kleine. V. a. werd Arcas koning der Arcadiërs,
wien hij het gebruik van wol en het bakken van brood leerde; aan hem
ontleenden het volk en het land hun naam.

Arceophon, Arkeophon, Arkeophron, z. Anaxarete.

Arcera, overdekte wagen, waarin men rechtuit op eene matras kon liggen,
tot vervoer van zieken en ouden van dagen.

Arcesiades, Arkeisiades, Laërtes, de zoon van Arcesius.

Arcesilaus, Arkesilaos, 1) naam van vier koningen van Cyrene uit het
geslacht der Battiaden: Arc. I 591-575; Arc. II Chalepos 570-550, die
zijne broeders verdreef en later zelf gedood werd; Arc. III 530-514,
die wegens zijne pogingen om de koninklijke macht weder uit te breiden
(z. Battus no. 3) verdreven werd; Arc. IV gestorven omstreeks 450;
na zijn dood werd Cyrene een republiek.--2) van Pitane, geb. 315,
kwam na den dood van zijn vader naar Athene en woonde de lessen van
Theophrastus en Polemo bij. Hij volgde Crates als hoofd der academie
op en werd de stichter der tweede academie. Hij bestreed vooral
het dogmatische der stoicijnsche leer en ging daarbij zoo ver, dat
hij eindelijk alle zeker weten ontkende en alleen zekeren graad van
waarschijnlijkheid aannam, zoodat hij door de ouden somtijds tot de
sceptici gerekend wordt. Hij stierf in 241.

Archagathus, Archagathos, de eerste grieksche geneeskundige die zich
te Rome kwam vestigen (219).

Archairesiai, te Athene verkiezing der magistraten, ook de vergadering
waarin zij gekozen werden, z. Cheirotonia. Behalve de ambtenaren,
die met de defensie en de financiën belast waren, werden de meeste
overheden door loting aangewezen.

Archandropolis, Archandrou polis, stad in Beneden-Aegyptus, aan den
canobischen Nijlarm.

Arche, algemeene naam der overheden in een republikeinschen staat. Te
Athene werden zij door het volk gekozen, later in vele gevallen
door het lot aangewezen. Voordat zij hun ambt aanvaardden, werd een
onderzoek (dokimasia) ingesteld, waaruit blijken moest dat zij waren
van echt atheensche geboorte, zonder lichaamsgebreken en in het volle
genot hunner burgerrechten. Ook mocht niemand twee overheidsambten te
gelijk of tweemaal hetzelfde ambt bekleeden. De overheden werden in
den regel niet bezoldigd, waren gedurende hun ambtsjaar onschendbaar,
maar moesten na afloop daarvan rekenschap (euthynai) van hun beheer
afleggen.

Archegetes, z. Apollo.

Archeion heet ieder gebouw waar overheden zitting hielden, in het
bijzonder het archief.

Archelaus, Archelaos, 1) Heraclide, zoon van Temenus, die voor zijne
broeders naar Macedonia vluchtte en daar de stad Aegae stichtte.--2)
koning van Sparta, tijdgenoot van Lycurgus.--3) koning van Macedonia
(413-399), zoon van Perdiccas II. Hoewel hij door broedermoord zich den
weg tot den troon had gebaand, regeerde hij verdienstelijk, zocht het
land te beschaven, liet wegen aanleggen en steden stichten, en lokte
grieksche letterkundigen en kunstenaars aan zijn hof, o.a. Euripides
en Zeuxis. Ook was hij de eerste, die een soort legerorganisatie
inrichtte.--4) een Cappadociër, veldheer van den pontischen koning
Mithradates VI. In 87 viel hij met een groot leger in Griekenland,
doch werd in 86 door Sulla verslagen, eerst bij Chaeronea en daarna
bij Orchomenus in Boeotia. Hij was het, die den vrede tusschen den
koning en Sulla tot stand bracht, doch daar Mithradates meende dat
hij daarbij te veel aan Sulla had toegegeven, viel hij in ongenade
en ging hij (83) tot de Romeinen over.--5) zoon van no. 4. Pompeius
stelde hem in 63 tot opperpriester van Comana in Pontus aan; doch in
56 ging hij, terwijl hij zich voor een zoon van Mithradates uitgaf,
naar Aegypte, huwde de aegyptische prinses Berenice, die haren vader,
den algemeen gehaten Ptolemaeus XI Auletes, had verdreven, en werd zóó
koning van Aegypte, doch sneuvelde in den strijd tegen den romeinschen
proconsul A. Gabinius, die Auletes op den troon kwam herstellen
(55).--6) zoon van no. 5, volgde zijn vader als opperpriester van
Comana op, doch werd door Caesar in 47 afgezet.--7) zoon van no. 6,
werd door M. Antonius, om der wille zijner schoone moeder Glaphyra,
tot vorst van Cappadocia verheven (41) en later (36) door Octavianus
in de regeering bevestigd, doch na een regeering van 50 jaar door
Tiberius afgezet en naar Rome ontboden, waar hij weldra stierf (14
n. C.). Aan zijn zoon, die eveneens Arch. heette, werd slechts een
klein deel van het rijk zijns vaders gelaten.--8) zoon van Herodes
den Grooten (z. a.). Van zijns vaders rijk kreeg hij (4 v. C.) met
den titel van ethnarch de landschappen Samaria, Judaea en Idumaea;
doch om zijne wreedheid werd hij door Augustus afgezet en naar Vienna
in Gallia verbannen (6 n. C.).--9) leerling van Anaxagoras, volgens
sommigen leermeester van Socrates.

Archemorus, Archemoros, eigenlijk Opheltes, het zoontje van Lycurgus,
koning van Nemea, en Eurydice. Toen de zeven vorsten tegen Thebe
optrokken en in de nabijheid van Nemea water zochten, lieten zij zich
door Hypsipyle, die op het kind passen moest, den weg wijzen. In hare
afwezigheid werd Opheltes door een draak gedood. Daar Amphiaraus deze
gebeurtenis als een slecht voorteeken beschouwde, noemde men den knaap
Archemorus (voorganger in den dood); de zeven vorsten begroeven hem
plechtig en stelden tot zijne nagedachtenis de nemeïsche spelen in.

Archermus, Archermos, van Chius, beeldhouwer uit 600-550. Men vertelt,
dat hij het eerst de Nike gevleugeld voorgesteld heeft; of echter
de gevleugelde godin, die bij de opgravingen op Delus gevonden is,
van hem is, wordt tegenwoordig betwijfeld.

Archestratus, Archestratos, 1) atheensch veldheer in den
peloponnesischen oorlog, sneuvelde in 406 bij Mytilene.--2) van Gela,
tijdgenoot van den jongen Dionysius. Zijn leerdicht in hexameters,
Hedypatheia, over kookkunst en gastronomie, werd wegens zijne
wetenschappelijke waarde door Aristoteles als bron voor zijne
natuurlijke historie der visschen gebruikt.

Archias, Archias, 1) een Heraclide uit Corinthe, stichter van Syracusae
(734).--2) een Thebaan, die mede de Cadmea aan de Spartanen overgaf
(382) en door hun invloed polemarch werd. Bij de terugkomst der
verbannenen werd hij met de zijnen aan tafel gedood (379).--3)
A. Licinius Archias z. Licinii no. 37.

Archidamus, Archidamos, naam van vijf spartaansche koningen: 1)
Arch. I regeerde tijdens den tweeden messenischen oorlog.--2)
Arch. II, zoon van Zeuxidamus (468-427). Na langen strijd bedwong
hij den opstand der Messeniërs en Heloten, die op de aardbeving van
465 volgde. Bij het begin van den peloponnesischen oorlog, dien hij
tevergeefs ontraden had, voerde hij jaarlijks het spartaansche leger
naar Attica. Naar hem wordt dikwijls het eerste tijdperk van dien
oorlog (431-421) archidamische oorlog genoemd.--3) Arch. III, kleinzoon
van den vorigen, voerde nog voordat hij aan de regeering kwam (361)
dikwijls het leger der Spartanen aan, in 368 versloeg hij de Arcadiërs
en Argiven bij Midea; daarentegen leed hij in 364, toen hij trachtte de
Arcadiërs het beleg van Cromnus te doen opbreken, eene nederlaag; ook
verdedigde hij in 362 Sparta tegen den aanval van Epaminondas. In 338
sneuvelde hij in een bloedig gevecht tegen de Lucaniërs, tegen welke
de Tarentijnen zijne hulp hadden ingeroepen.--4) Arch. IV, kleinzoon
van den vorigen, werd in 294 door Demetrius Poliorcetes verslagen.--5)
Arch. V, kleinzoon van den vorigen, broeder en opvolger van Agis III,
trachtte Cleomenes III in zijn strijd tegen de ephoren te steunen,
maar werd reeds bij het begin zijner regeering (227) gedood.

Archilochus, Archilochos, van Parus, bloeide omstreeks 650. In zijn
jeugd leefde hij grootendeels op Thasus, waarheen zijn voorvader
Telesicles eene kolonie gebracht had. Zijn later leven bracht hij
meestal in armoede onder allerlei avonturen en onaangenaamheden in
vreemden krijgsdienst door. Later keerde hij echter naar zijn vaderland
terug en sneuvelde hij in een gevecht tegen de Naxiërs. Arch. kan als
de eigenlijke schepper der iambische poëzie beschouwd worden, hij was
de uitvinder van den iambischen trimeter en van verscheiden andere
metra, en voerde ook een nieuwe wijze van voordragen in. Onrustig en
prikkelbaar van aard, leefde hij met zijne tijdgenooten op gespannen
voet, en zeide hij hun in zijne hekeldichten, menigmaal met groote
bitterheid, harde waarheden. Vooral de familie van Lycambes, die zijne
dochter Neobule aan Arch. tot vrouw beloofd, maar later zijn woord
gebroken had, werd zoo zonder genade door hem bespot en gehoond, dat
zij, naar men zegt, zich allen uit schaamte en wanhoop ophingen. Van
de gedichten van Arch., die door de ouden zeer hoog geschat werden
en die Horatius meermalen nagevolgd heeft, zijn slechts weinige
fragmenten bewaard gebleven.

Archimedes, Archimedes in 287 te Syracusae geboren, een van de meest
beroemde wis- en werktuigkundigen der oudheid, heeft zijn naam door
tal van ontdekkingen vereeuwigd. Hij was een leerling van den beroemden
alexandrijnschen wiskundige Euclides. Op wiskundig gebied vond hij de
verhouding van de middellijn tot den cirkelomtrek, de inhoudsformules
voor den bol en den cylinder, enz., en schreef verschillende werken,
die ten deele bewaard gebleven zijn. Op het gebied van waterweegkunde
ontdekte hij de naar hem genoemde wet, dat een lichaam, in eene
vloeistof gedompeld, zooveel aan zwaarte verliest, als het gewicht
der verplaatste vloeistof bedraagt. In de werktuigkunde vond hij de
katrol uit, de naar hem genoemde archimedische schroef of schroef
zonder einde en de waterschroef tot het uitmalen van water. Tijdens
het beleg van Syracusae door de Romeinen wendde hij zijne bekwaamheden
aan om door vernuftig uitgedachte werktuigen den Romeinen afbreuk te
doen. Toen eindelijk in 212 de stad door Marcellus werd ingenomen,
had deze wel uitdrukkelijk last gegeven, Archimedes te sparen, doch
een soldaat, die den beroemden man niet kende en in diens woning
doordrong, vond hem verdiept in meetkundige berekeningen, terwijl
hij een aantal figuren op den grond getrokken had. Verstoord over
de waarschuwing om niet door zijne figuren heen te loopen, doorstak
de soldaat hem. Op zijn graf werd, overeenkomstig zijn verlangen,
een cylinder met een bol geplaatst, doch in Cicero's tijd lag het
vergeten in een wildernis van struiken.

Archimimus, directeur of hoofdacteur van een gezelschap mimi of
kluchtspelers.

Archinus, Archinos, een Athener, die Thrasybulus hielp bij het
bestrijden van de dertig en bij de wederinvoering der democratie. Hij
stelde voor, het ionische alphabet in Athene in te voeren, en schreef
daarover ook een brochure.

Archippus, Archippos, atheensch blijspeldichter, omstreeks 410. Hij
is een navolger van Aristophanes.

Architheoria, Architheoria, een liturgie, bestaande in het dragen van
een deel der onkosten van de feestgezantschappen, die naar Olympia,
Delus e. e. gezonden werden.

Archontes eigl. de naam van alle overheden en officieren,
in het biz. die van de hoogste overheid der atheensche
republiek. Oorspronkelijk was waarschijnlijk de archon een ambtenaar,
die evenals de polemarchos onder den koning stond, langzamerhand gingen
rechten en bevoegdheden van laatstgenoemden op de beide anderen over,
zoodat ten slotte alle drie in rang en macht gelijk stonden. Onder
het koningschap van de Medontiden werden deze ambten voor het geheele
leven gegeven, sedert 752 voor tien jaar, omstreeks 682 werd de duur
ervan tot een jaar beperkt, en tegelijk werd het aantal archonten
door toevoeging van zes thesmothetai op negen gebracht, zooals het
sedert dien tijd gebleven is. Aanvankelijk waren alleen eupatriden
verkiesbaar, sedert Solon pentakosiomedimnen, in verloop van tijd
werd het archontaat toegankelijk voor alle burgers, misschien
met uitzondering van de theten. De archonten werden oudtijds door
den Areopagus benoemd en werden na afloop van hun ambtsjaar leden
daarvan, sedert Solon werden zij bij loting aangewezen uit candidaten
(ek prokriton), van welke iedere phyle 10 verkoos, en tot deze
methode keerde men, nadat een proef met directe verkiezing door
de volksvergadering genomen was, na korten tijd terug; sedert 487
werden de candidaten aangewezen uit de demen, en het geheele aantal
candidaten tot 500 uitgebreid; in lateren tijd, waarschijnlijk in de
4de eeuw, toen het aantal candidaten weer tot 100 teruggebracht was,
wees zelfs het lot in iedere phyle de candidaten aan, die om het
archontaat moesten loten. De loting was zoo ingericht dat uit iedere
phyle een persoon uitkwam; de laatst uitgekomene was grammateus.--De
macht en bevoegdheid dezer overheden zijn in den loop der tijden
zeer verminderd en in den tijd der onbeperkte democratie is hun niet
veel meer opgedragen dan het bezorgen van offers en feesten en het
voorzitterschap van sommige rechtbanken. Toch worden de archonten
altijd als de eerste overheden beschouwd, en werden zij, voordat
zij de gewone dokimasia mochten ondergaan, aan een onderzoek door
den raad onderworpen. De eerste archont, gewoonlijk alleen archon,
ook wel, omdat het jaar met zijn naam aangeduid werd, archon eponymos
genoemd, leidde processen over familie- en erfrecht, benoemde voogden,
enz. De tweede, op wien de priesterlijke waardigheid van den koning
was overgegaan, en die daarom den naam basileus behouden had,
had in overeenstemming daarmede toezicht en leiding bij al wat den
godsdienst betreft, en had ook kennis te nemen van alle aanklachten
die op godsdienstige aangelegenheden betrekking hadden. De derde,
polemarchos genoemd, wien oudtijds zonder twijfel de zorg voor het
krijgswezen was opgedragen, komt na den slag bij Marathon niet meer in
die betrekking voor; als rechter is hij voor vreemdelingen en metoiken,
wat de eerste archont voor burgers is. De overige zes archonten dragen
gezamenlijk den naam van thesmothetai; zij zijn voorzitters bij alle
rechtzaken, die niet voor andere magistraten behooren.--Nog in den
rom. tijd vindt men ath. archonten vermeld.

Archytas, Archytas, van Tarente, pythagoreïsch wijsgeer, waarschijnlijk
leerling van Philolaus. Als staatsman zeer verdienstelijk, als
veldheer onoverwonnen, als wis- en werktuigkundige beroemd, werd hij
bovendien om zijn edel karakter door zijne medeburgers hoog geëerd,
zoodat hij in strijd met de wet telkens weder tot strateeg benoemd
werd. Zijn invloed redde Plato, toen deze door het wantrouwen van
Dionysius van Syracuse in levensgevaar verkeerde. Naar men verhaalde,
zou hij bij een schipbreuk nabij het voorgebergte Matinus het leven
verloren hebben. Zijn bloeitijd was 400-365.

Arcitenens, bijnaam van Apollo en Diana.

Arconnesus, Arkonnesos, 1) eiland op de kust van Ionia, westwaarts
van Colophon.--2) eilandje voor de haven van Halicarnassus.

Arctinus, Arktinos, van Miletus, cyclisch dichter omstreeks 776,
behandelde in een episch gedicht, Aithiopis, de heldendaden van
Penthesileia en Memnon, den dood van Achilles en Aiax, enz.

Arcturus, Arctophylax, Arktouros, Arktophylax. Zie Bootes.

Arctus, Ursa, Plaustrum, Currus, Septentrio, Arktos, Hamaxa,
naam van twee sterrenbeelden, door de toevoegsels maior en minor,
megale en mikra onderscheiden: de Groote en de Kleine Beer, beide
van groot belang voor de scheepvaart, daar zij nooit ondergaan. In
den grooten beer herkende men gewoonlijk Callisto, in den kleinen
haar zoon Arcas. V. a. waren het twee berinnen, die Zeus op Creta
een jaar lang verborgen en gevoed hadden, en tot belooning onder de
sterren verplaatst waren.

Arculas of -lum, een rondgevouwen doek of draagkussen op het hoofd,
ten einde met meer gemak een mand er op te kunnen dragen. Ook een tak
van den granaatappelboom, om het hoofd gebogen bij wijze van krans,
waarvan de einden door een wit wollen band waren saamgebonden; deze
werd door de flaminica Dialis gedragen bij alle offerplechtigheden,
soms ook door de vrouw van den rex sacrificulus.

Arcus, 1) het bekende schietwapen, toxon, waarvan hier geene verdere
verklaring noodig is. Wij geven hierboven twee afbeeldingen van bogen;
de onderste wordt arcus sinuatus geheeten.--2) in de bouwkunde elke
uit bouwstoffen vervaardigde boog, meer in het bijzonder eerepoorten en
eerebogen. Onder de republiek waren zij meestal slechts tijdelijk, of
van gewonen gehouwen of gebakken steen opgetrokken, en werden fornices
genoemd; doch onder de keizers werden zij met de meest mogelijke
pracht van marmer en beeldhouwwerk als blijvende gedenkteekenen
opgericht. Vijf zulke triumfbogen zijn te Rome bewaard gebleven: de
arcus Drusi, de a. Titi (zie bovenstaande afbeelding) de a. Septimii
Severi. de a. Gallieni en de a. Constantini.

Ardea, Ardea, in Latium, oude hoofdstad der Rutuliërs, sedert 442
romeinsche kolonie, later vervallen.

Ardeas, zoon van Odysseus en Circe, stichter van Ardea in Italië;
v. a. echter was deze stad door Danaë gesticht.

Ardericca, Arderikka, plaats aan den Euphraat, ook eene plaats nabij
Susa, waarheen Darius de gevangene Eretriërs overbracht.

Ardescus, Ardeskos, onbekende zijrivier van den Ister in europeesch
Sarmatië, mythologisch een zoon van Oceanus en Tethys.

Ardettus, Ardettos, heuvel ten Z. O. van Athene, bij het Stadion,
waar de heliasten jaarlijks hun eed aflegden.

Arduenna silva, in Belgica, thans de Ardennen en de Eifel.

Ardys, Ardys, zoon en opvolger van Gyges, koning van Lydië,
654-617. In het begin van zijn regeering valt de inval der Cimmerii
(z. a.). Gedurende de laatste jaren van zijn leven veroverde hij
Priene en voerde hij met kracht oorlog tegen Miletus, zonder dat het
hem gelukte die stad in te nemen.

Area, in het algemeen eene open ruimte, vooral eene opzettelijk
vrijgelaten ruimte, zooals het voorplein vóór een tempel, waar
het altaar stond, de voorhof van een huis, en dgl.--Vooral werd
de uit leem vastgestampte, soms ook geplaveide dorschvloer, halos,
aloe, aldus geheeten. Hij lag nabij de boerderij, in de open lucht,
eenigszins hoog ten behoeve eener goede afwatering. Het koren werd
uitgetreden door vee of door zware blokken (tribula), waarvoor een
trekdier was gespannen, of met knuppels en dorschvlegels uitgedorscht.

Area, Areia, 1) z. Aphrodite. De dienst van Aphrodite Area was te
Sparta inheemsch, waar zij een tempel met een gewapend beeld had,
en werd later naar Corinthe, Cythera en Cyprus overgebracht.--2)
bijnaam van Athene. Onder dien naam had zij een gewapend beeld in
den tempel van Ares. Orestes zou na zijne vrijspraak voor het eerst
een altaar voor haar hebben opgericht.

Areïthous, Areithoos, koning van Arne, geducht strijder, om zijn
ijzeren knots korynetes bijgenaamd. De arcadische koning Lycurgus
doodde hem en ontnam hem zijne wapenen.

Arelas, Arelate of -tum, Arelate, thans Arles, stad in Narbonensis,
ter weerszijden van den Rhodanus (Rhône) gelegen, met belangrijke
overblijfselen uit den rom. tijd, sedert 46 rom. kolonie. Arelas was
eene bloeiende koopstad.

Aremorica, de kuststreek van Gallia ten N. van den Liger (Loire) en
langs den Oceanus Britannicus (het kanaal). De naam wordt afgeleid
van het keltische ar = aan, bij, en môr = zee. Bij Plinius is het de
oude naam voor Aquitania in engeren zin (z. a.).

Arena, het met zand bestrooide strijdperk in het amphitheater, waar de
gevechten van dieren en van zwaardvechters plaats vonden. Bloedvlekken
werden telkens onzichtbaar gemaakt door er nieuw zand over te
strooien. Overdrachtelijk wordt arena ook gebruikt voor het geheele
amphitheater, voor den strijd zelf en ook voor elke soort van wedstrijd
en van oefenplaats.

Arenacum, Arenatium, Arenatio, stad in het gebied der Batavieren,
aan den weg tusschen Castra Vetera (Xanten) en Noviomagus (Nijmegen),
misschien het dorp Rindern bij Kleef.

Areopagus, Areios pagos, heuvel in Athene, waar de oudste en beroemdste
rechtbank (he en Areio pago of ex Ar. p. boule) zitting hield. Deze
rechtbank, volgens het meest bekende verhaal samengesteld bij het
proces van Orestes en volgens beschikking van de godin Athena
ook voor het vervolg behouden, behandelde onder indrukwekkende
formaliteiten de zwaarste misdaden, zooals opzettelijken moord,
brandstichting en dgl., waarop doodstraf of verbanning stond. De
aangeklaagde had gedurende de vier maanden, die tusschen de aanklacht
en het vonnis moesten verloopen, geen toegang tot publieke plaatsen;
hij kon zich echter, behalve in geval van vadermoord, vrijwillig in
ballingschap begeven. Wanneer over het vonnis de stemmen staakten,
volgde vrijspraak, daar Athena dan verondersteld werd, evenals bij
het proces van Orestes, voor vrijspraak gestemd te hebben (calculus
Minervae).--Sedert 683 wordt de Areop. jaarlijks aangevuld uit de
gewezen archonten, die voldoende verantwoording van hun beheer gegeven
hadden en voor hun leven zitting hadden; hij had het toezicht over de
geheele staatsregeling en over de wetten, zeden en tucht. Solon maakte
hem tot een politiek gerechtshof, waarbij men klachten kon indienen
tegen de ambtenaren. Welke bevoegdheden met het toezicht op de wetten
verbonden waren, vindt men nergens nauwkeuriger omschreven; ook zijn de
gevallen waarin de Areop., hetzij uit eigen beweging, hetzij volgens
opdracht van het volk, optrad, van zeer verscheiden aard; overal ziet
men echter dat hij, wanneer hij optrad, door het groote vertrouwen,
dat hij genoot, grooten invloed kon uitoefenen. Doch met zijne uit den
aard der zaak conservatieve gezindheid schijnt dit lichaam de volkomen
ontwikkeling der democratie in den weg te hebben gestaan, en omstreeks
462 werd het door Themistocles en Ephialtes, later nog door Pericles,
van zijne politieke macht beroofd. Sedert dien tijd is de Areopagus
bijna uitsluitend gerechtshof in gevallen van moord en doodslag. In
den rom. tijd is het weder het voornaamste regeeringslichaam.

Ares, Ares, Mars, zoon van Zeus en Hera, god van het krijgsgewoel
en van bloedige gevechten. In gezelschap van zijne kinderen Deimos
en Phobos, van zijne zuster Eris en van de moordgodin Enyo, begeeft
hij zich in den strijd, waar hij zich evenmin bekommert om orde
en regelmaat, als om het recht der strijdende partijen. Om zijn
onstuimigheid en zijn bloeddorstigen aard is hij zelfs bij Zeus meer
dan eenig ander god gehaat. Telkens geraakt hij in strijd met Athena,
de godin van het krijgsbeleid, en telkens moet hij het onderspit
delven; zelfs aan stervelingen gelukt het door hare hulp den god
te wonden.--De eeredienst van Ares was waarschijnlijk uit Thracië
ingevoerd en werd in Griekenland nooit algemeen. De wolf, het paard
en de haan waren hem heilig. Zijne beelden vertoonen gewoonlijk eene
jeugdige, gespierde gestalte, donkere gelaatstrekken, kleine oogen,
wijd geopende neusgaten en kort haar.

Arestorides, Arestorides, Argos, de zoon van Arestor.

Aretaeus, Aretaios, uit Cappadocia, beroemd geneesheer te Rome uit
de 2de helft van de 2de eeuw na C.

Aretalogus, een persoon, die den kost verdiende door bij feestmalen
de dischgenooten te vermaken, vermoedelijk door, als een soort van
nar, te zwetsen en te bluffen. Oorspronkelijk is het echter iemand,
die op eentonige wijs de deugden en de macht van de een of andere
oostersche godheid verkondigt, of van allerlei wonderen opsnijdt.

Aretas, naam van eenige vorsten der Nabataeërs in Arabia Petraea. Een
hunner, die zich in de joodsche zaken mengde, werd op bevel van
Pompeius door diens quaestor M. Aemilius Scaurus verdreven en in
de stad Petra belegerd (64). Een andere Aretas, wiens dochter met
Herodes II Antipas gehuwd, doch ter wille van Herodias verstooten
was, viel in Judaea ten tijde van Tiberius. Diens overlijden (37
n. C.) verhinderde het uitbarsten van een oorlog. Toen Paulus uit
Damascus ontsnapte, stond de stad onder het bevel van den stadhouder
(ethnarches) van Aretas.

Arete, Arete, 1) gemalin van Alcinoüs. Zoowel Odysseus als Medea
werden door haar gastvrij ontvangen en in bescherming genomen.--2)
dochter van Aristippus, den stichter der cyrenaïsche school; zij
beoefende zelve ijverig de wijsbegeerte en onderrichtte haar zoon
daarin.--3) dochter van Dionysius I van Syracuse, gehuwd met Dio,
en gedurende zijne afwezigheid aan Democrates tot vrouw gegeven. Na
zijne terugkomst nam Dio haar weder tot zich, en nadat hij vermoord
was, werd zij eerst gevangen gehouden en toen in zee geworpen.

Aretho, Araithos, Aratthos = Arachthus, rivier in Epirus.

Arethusa, Arethousa, 1) bron op Ortygia (z. Alpheus).--2) bron in
Elis.--3) bron op Ithaca.--4) bron op Euboea.--5) bron bij Thebae.--6)
stad in Syrië aan den Orontes.

Areus, Areus, koning van Sparta (310-265). Met Ptolemaeus II verbonden,
voerde hij oorlog tegen de Aetoliërs, maar leed bij Cirrha een volkomen
nederlaag. In 272 sloeg hij den aanval van Pyrrhus op Sparta af,
ook verleende hij hulp aan Argos tegen hem. Hij sneuvelde in den
Chremonideïschen oorlog in een gevecht bij Corinthe.

Arevaci en -cae, machtige en dappere volksstam in Hispania
Tarraconensis, tot wier gebied de stad Numantia aan den Boven-Durius
(Douro) behoorde.

Argadeis, naam van de laatste der vier oude attische phylae, naar
Argades, een zoon van Ion.

Argaeus, Argaios, 1) koning van Macedonië, zoon van Perdiccas I.--2)
koning van Macedonië, die in 393 aan Amyntas III de regeering ontnam
en deze twee jaar behield.--3) zoon van Ptolemaeus Lagi, werd door
zijn broeder Ptolemaeus Philadelphus gedood.

Argaeus mons, Argaion oros, sneeuwgebergte in het midden van
Cappadocia.

Arganthonius, Arganthonios, koning van Tartessus in Hispania, die
120 jaar leefde, waarvan hij 80 jaar regeerde. Zeelieden uit Phocaea,
die omstreeks 550 bij hem kwamen, werden zeer goed door hem ontvangen,
zelfs trachtte hij hen te overreden met al hunne landgenooten in zijn
rijk te komen wonen.

Arganthonius mons, Arganthonion oros, berg in Bithynia, op eene
landtong, die tusschen twee golven in de Propontis (zee van Marmara)
vooruitspringt. In de nabijheid zou Hylas door de nimfen geroofd zijn.

Argea, Argeia, 1) dochter van Adrastus, gehuwd met Polynices.--2)
zuster van Theras, gehuwd met Aristodemus no. 1.

Argei, naam van 27 offerplaatsen te Rome, volgens de overlevering door
Numa gewijd, waar, naar het schijnt, door of vanwege de pontifices
op zekere tijden offers werden gebracht. Ook verstaat men onder
Argei aangekleede poppen, opgevuld met stroo of met biezen, die
ten getale van 27 op 15 Mei van de houten paalbrug (pons sublicius)
in den Tiber werden geworpen, ten overstaan van de pontifices, de
vestaalsche maagden en den praetor urbanus. Men gelooft vrij algemeen
hier te doen te hebben met een zoenoffer aan de rivier, oorspronkelijk
waarschijnlijk een menschenoffer. Argei zijn namelijk oorspronkelijk
Grieken, die als landsvijanden jaarlijks sedert de 2de helft der 3de
eeuw volgens de aanwijzing der Sibyllijnsche boeken Graeco ritu gedood
werden; men vergelijke het herhaaldelijk dooden van een Gallus en eene
Galla, eveneens volgens aanwijzing dier boeken. Spoedig echter zijn
deze bloedige offers door het afwerpen van stroopoppen (simulacra
hominum scirpea) vervangen. Bij senaatsbesluit van het jaar 97 werd
elk menschenoffer verboden.

Argentarius. De werkkring der argentarii was tamelijk veelzijdig. Zij
bezorgden geld- en handelszaken voor anderen, belastten zich met koop
en verkoop en vervulden alzoo de rol van makelaars, van wisselaars
en van bankiers. In deze laatste hoedanigheid gaven zij ook wissels
af op andere plaatsen, namen geld voor anderen in ontvangst en deden
op last hunner lastgevers uitbetalingen. De uitdrukking per mensam
solvere beteekent dus: eene aanwijzing op zijn bankier geven. Hunne
zaken deden zij meest in de tabernae argentariae veteres en novae
aan het forum, die door den staat gebouwd en aan hen verhuurd werden.

Argentoratum, rom. municipium aan den Rijn in het land der Triboci,
met groote wapenfabrieken, thans Straatsburg. In de nabijheid van
deze stad versloeg Julianus als Caesar (onderkeizer) in 357 n. C. de
Alamannen, die in den Elzas gevallen waren, en een groot gedeelte
van Gallië plunderden.

Arges, Arges, een cycloop.

Argi, oorspronkelijke latijnsche naam voor de stad Argos.

Argias graphe, aanklacht, die men oorspronkelijk bij den Areopagus,
later bij den archon eponymos kon indienen tegen iemand, die geen
beroep uitoefende en daardoor zijn nabestaanden tot last was. Dit
werd eerst met eene boete, bij herhaling met atimie gestraft.

Argiletum, eene buurt in Rome, tusschen den mons Quirinalis en
het forum. In deze buurt waren vooral boekwinkels en winkels van
handwerksnijverheid. De naam wordt zoowel afgeleid van argilla (dus
zooveel als kleibuurt), als verklaard door den dood van Evander,
die hier zou vermoord zijn.

Argilus, stad op de macedonische kust aan de golf van den Strymon,
kolonie van Andrus.

Arginusae, Arginoussai, groep van drie eilandjes tusschen Lesbus
en de kust van Aeolis. Hier behaalde de atheensche vloot in den
peloponnesischen oorlog hare laatste overwinning op de Spartanen (406);
doch niettemin werden de atheensche veldheeren te Athene ter dood
gebracht, omdat zij verzuimd hadden de drenkelingen op te visschen.

Argiphontes, Argeiphontes, Argusdooder, bijnaam van Hermes.

Argippaei, Argippaioi, stompneuzige en kaalhoofdige nomadenstam in
Sarmatia. Het is waarschijnlijk een turksch volk, dat ten Z. van het
Altaïgebergte woonde. De oost-aziatische handelsweg naar den Pontus
liep door hun land.

Argissa, Argissa, stad in Pelasgiotis in Thessalia, later Argura
genaamd.

Argiva, Argeia, bijnaam van Hera.

Argivi, Argeioi, zie Argos.

Argo, Argo, het schip, waarmede Iason en zijne metgezellen
(de Argonauten) naar Aea voeren. Het was gebouwd van hout dat op
den Pelion gegroeid was, en werd door vijftig roeiers in beweging
gebracht. Athena zelve hielp bij het bouwen en voegde er een stuk van
den sprekenden eik van Dodona in. Bij zijne terugkomst wijdde Iason
het schip op de landengte van Corinthe aan Poseidon, later werd het
onder de sterren geplaatst.

Argolis, Argolis, oude en door de Romeinen op nieuw in zwang gebrachte
naam van het landschap Argos in de Peloponnesus (zie Argos).

Argonautae, Argonautai, Iason en zijne metgezellen, die met het
schip Argo naar Aea voeren, om het gouden vlies terug te halen,
dat daar door Phrixus in een woud van Ares was opgehangen. Ofschoon
de sage van den Argonautentocht bij de Minyers ontstaan is, was hare
groote vermaardheid oorzaak, dat in verloop van tijd de meeste helden
die in dien tijd geleefd konden hebben, ook uit andere grieksche
stammen, onder de vijftig deelnemers aan den tocht geteld werden,
o.a. Heracles, Castor en Polydeuces, Peleus, Theseus, Tydeus, Meleager,
Orpheus. De Argonauten stonden onder de bizondere bescherming van
Hera en Athena; zij bereikten dan ook hun doel, in weerwil van vele
gevaren en avonturen. De heenreis gaat van Iolcus over Lemnus, door
den Hellespont, langs Cyzicus, door de Symplegadische rotsen en verder
langs de kust van de Zwarte zee; op de terugreis werd v. s. dezelfde
weg genomen; doch volgens de meeste verhalen werd het schip door storm
op een verkeerden weg gedreven en kwamen de reizigers eerst na lange
omzwervingen in Iolcus terug. Er is dan ook bijna geen land, of de
Argonauten zijn er volgens een of ander verhaal geweest, zelfs zouden
zij in twaalf dagen door de libysche woestijn getrokken zijn, terwijl
zij het schip Argo op hunne schouders droegen; ook bezochten zij Circe,
voeren voorbij de Sirenen, Scylla en Charybdis, enz.--Men gelooft dat
de sage van den Argonautentocht, die zeer oud is, herinneringen bevat
aan de vroegste zeetochten, die door de Minyers, een zeevarend volk,
ten behoeve van handel en kolonisatie werden ondernomen.

Argos, to Argos. De naam beteekent volgens Strabo vlakte en wordt dus
bij meer dan ééne plaats gevonden. Het homerische pelasgikon Argos
is de vlakte bij Larissa aan den Peneus in Thessalia, en in ruimeren
zin ook wel het geheele thessalische vlakland. To Achaiikon Argos bij
Homerus is òf de stad Argos in de Peloponnesus, de woonplaats van
Diomedes, òf het landschap Argos, ook wel Argolis geheeten, òf ook
wel de geheele Peloponnesus, evenals de naam Argivi bij de dichters
nu eens voor de Argoliërs, dan weder voor de gezamenlijke Grieken
wordt gebezigd, omdat hun aanvoerder in den trojaanschen krijg,
Agamemnon, koning te Mycenae in Argos was. Het landschap Argos was
het oostelijkste van de Peloponnesus. Het was bergachtig en niet
zeer vruchtbaar, omdat het arm was aan water. De vlakte, waarin de
steden Argos, Mycenae en Tiryns lagen, was vruchtbaarder en geschikt
voor paardenfokkerij, hippoboton Argos bij Homerus. Ook Argos werd,
evenals Messene en Laconica, door de Doriërs veroverd, doch dezen
waren hier minder sterk, zoodat de oud-achaeische elementen minder
onderdrukt werden en de regeering minder aristocratisch werd dan
te Sparta. In Argos behooren de mythen te huis van de Danaïden, van
Danaë en Perseus, van Heracles, van de gruwelen der Atridenfamilie. De
stad Argos lag aan het riviertje den Inachus, op een steilen heuvel
lag de burg Larissa. Na den trojaanschen oorlog was nu eens Argos,
dan weder Mycenae de zetel van het bestuur, de Doriërs maakten Argos
voor goed tot hoofdstad. Aan den perzischen oorlog kon Argos geen deel
nemen, ten gevolge eener vreeselijke nederlaag, die het kort te voren
van de Spartanen had ondergaan bij Tiryns. De beroemde beeldhouwer
Polycletus was te Argos (of te Sicyon) geboren. In den tempel van
Hera, tusschen Argos en Mycenae gelegen, stond het beroemde, door
hem gemaakte beeld der godin.--Ook in het landschap Amphilochia
tusschen Aetolia en Epirus lag eene stad Argos, ter onderscheiding
Amphilochicum geheeten.--Nog een ander Argos, Hippium bijgenaamd,
zou na den trojaanschen oorlog in Apulia gesticht zijn en uit Argos
hippion zou dan de naam Arpi zijn ontstaan.

Argura, Argoura = Argissa.

Argus, Argos, 1) zoon van Zeus en Niobe, volgde zijn grootvader
Phoroneus als koning van Argos op.--2) zoon van Agenor, Arestor of
Inachus, wiens geheele lichaam met oogen bezaaid was (panoptes). Toen
Io in eene koe veranderd was, plaatste Hera hem als wachter bij
haar, maar Hermes deed hem door zijn fluitspel inslapen en doodde
hem daarna. Zijne oogen plaatste Hera daarna in den staart van den
pauw.--3) zoon van Phrixus en Chalciope. Hij keerde uit Aea naar
Orchomenus terug en bouwde voor Iason de Argo. V. a. leed hij met
zijne broeders schipbreuk bij het eiland Aretias, waar de Argonauten
hen later vonden en medenamen naar Aea.

Argyraspides, Argyraspides, eene keurbende van zware infanterie in
het macedonische leger, zoo genoemd naar hunne met zilver beslagen
schilden. Na Alexanders tocht door Indië werd dit corps opgericht of
v. a. werden alle overblijfsels zijner oude grieksche troepen toen
erin opgenomen. Later werden zij door Polyperchon onder bevel van
Eumenes geplaatst, zij kwamen in opstand en verrieden hun veldheer
aan Antigonus, die weldra het corps wegens zijne aanmatigingen
ontbond.--Ook de lijfwacht der Syrische koningen bestond uit
Argyraspides.

Argyripa, oude naam voor de stad Arpi in Apulia.

Aria, Areia, eene der oostelijke provinciën van het perzische rijk,
een vruchtbaar bergland, waardoor de Arius, die bij Herodotus Aces,
Akes, heet, stroomde. De bewoners heetten Arii, Areioi, welke naam
niets te maken heeft met den naam Ariërs, waarmede de Indo-Germanen
worden aangeduid. De hoofdstad was Artacoana. Op hare plaats of in de
nabijheid er van werd later een Alexandria gesticht, Areion bijgenaamd,
thans Herât.

Ariadne, Ariadne, dochter van Minos en Pasiphaë. Zij vluchtte
met Theseus uit Creta, nadat zij hem door een kluwen touw in staat
gesteld had zijn weg in het labyrinth te vinden en den Minotaurus te
dooden. Terwijl zij op het eiland Naxus ingeslapen was, liet Theseus
haar achter en vervolgde alleen de reis naar Athene. Toen zij ontwaakte
en zag wat er gebeurd was, wilde zij zich in zee storten, maar juist op
dat oogenblik landde Dionysus, van zijn tocht naar Indië terugkeerend,
op Naxus en, door hare schoonheid getroffen, nam hij haar tot zijne
bruid. Sedert dien tijd vergezelde zij den god altijd, en nam zij, op
een panther of een olifant zittende, de eerste plaats onder zijn gevolg
in. Haar bruidskrans werd onder de sterren opgenomen en v. s. kreeg
zij zelve een plaats op den Olympus.--V. a. was zij op Naxus door
Artemis gedood, of had Dionysus Theseus bewogen haar te verlaten. Bij
vele feesten van Dionysus werd ook Ariadne vereerd. Z. afbeelding.

Ariaeus, Ariaios, voerde in den slag bij Cunaxa het bevel over den
linkervleugel van Cyrus' leger. Na diens dood ging hij tot Artaxerxes
over, en gedeeltelijk door zijn toedoen vielen de grieksche strategen,
die onder Cyrus gediend hadden, in de handen van Tissaphernes.

Ariana. Deze naam, waaronder men het oostelijk gedeelte van het
perzische rijk verstaat, was aan de oude Grieken onbekend. Door
bergranden van Armenia en van de Euphraat-Tigrislanden gescheiden,
strekt Ariana zich uit tot aan den Indus, en omvat dus ongeveer het
tegenw. Irân, Afghanistân en Beludchistân. De scherpe afwisseling van
gloeiende zomerhitte met felle winterkoude en het gebrek aan water
maakten, dat het land schaars bevolkt was. Behalve nomadenstammen van
elders, was de bevolking arisch. Behalve Media en Persis, die niet
altijd onder Ariana begrepen worden, maar toch door hunne ligging er
toe behooren, omvat Ar. de landstreken Carmania, Gedrosia, Arachosia,
Drangiane, Aria, het Paropanisadenland, Bactriane, Sogdiane, Parthyaea,
Hyrcania.

Ariarathes, Ariarathes, cappadocische koningsnaam. Ariarathes I werd
in 322 door Perdiccas, den rijksbestuurder na Alexander den Grooten,
verslagen en ter dood gebracht. Zijn zoon, Ar. II, herwon het vaderlijk
gebied (302). Ar. IV hielp zijn schoonvader Antiochus III van Syria in
den oorlog tegen de Romeinen, doch sloot later met hen een verbond van
vriendschap (188). Ar. V had zijne opvoeding te Rome ontvangen. Bij den
dood zijns vaders (162) betwistte een ondergeschoven zoon van dezen,
Holophernes, hem met syrische hulp het rijk, zoodat hij naar Rome moest
vluchten, waar men eene verdeeling tot stand bracht. Later hielp hij
de Romeinen in den oorlog tegen Aristonicus van Pergamus, waarbij hij
sneuvelde (130). Onder de volgende Ariarathessen maakte Mithradates
van Pontus zich van Cappadocia meester en zette er zijn eigen zoon
Ariarathes op den troon, terwijl de Romeinen Ariobarzanes I tot koning
aanstelden (95). Een latere Ariarathes, zoon van Ariobarzanes III,
werd door den drieman M. Antonius afgezet (zie Archelaüs no. 7).

Ariaspae, Ariaspai, ruitervolk in Drangiane. Zij zijn ook bekend om
hun korenbouw, en hadden hun land vruchtbaar gemaakt door talrijke
bevloeiïngen.

Aricia, Arikia, zeer oude stad van Latium aan den appischen weg,
ten Z. van den Albanus lacus, sedert 338 civitas sine suffragio,
vervolgens een bloeiend municipium. In de buurt vond men den lacus
Nemorensis (tgw. Lago di Nemi), aan welks oever een Diana-tempel
stond. Hiernaar werd het meer ook speculum Dianae genoemd. De priester
van dezen tempel, met den titel rex Nemorensis, was in later tijd
een weggeloopen slaaf, die zijn ambt zoolang bekleedde, tot er een
sterkere kwam, die hem in een gevecht overwon. De Diana Aricina is
eene in Latium inheemsche godin, die de vrouwen in verschillende
omstandigheden haars levens steunt.

Aries, stormram of muurbreker, bestaande uit een zwaren balk, van
voren met een zwaren metalen ramskop voorzien. Hij hing op de wijze
van een schommel aan touwen of kettingen, werd dan achteruitgetrokken
en losgelaten, zoodat hij met kracht tegen den vijandelijken muur
beukte. Om de kracht te vermeerderen, waren de arietes geweldig zwaar
en soms aan het achtereinde nog van zware gewichten voorzien, zoodat
er dikwijls 1500 manschappen noodig waren om ze te bedienen. Bij het
beleg van Carthago gebruikte Scipio twee rammen voor welks bediening
hij 6000 man noodig had. De gewone lengte van den balk was 80 tot
100 voet. Flavius Josephus beschrijft een stormram, waarvan de kop
eene dikte van tien mannen en elk der beide horens eene mansdikte
had. De aries stond, ter beveiliging der manschappen onder een sterk
schutdak, testudo arietaria. Wilde de belegerde stad voorwaarden van
overgave bedingen, dan moest zij dit doen, voordat de stormram de
muren had aangeraakt.

Arima, ta Arima, een berg ergens in Klein-Azië, waaronder de reus
Typhoëus bedolven lag. De bewoners heetten Arimi. De woorden ein
Arimois als één woord gelezen, hebben aanleiding gegeven tot de
meening, dat het eiland Inarime of Aenaria in de golf van Napels
was bedoeld.

Arimaspi, Arimaspoi, fabelachtig volk in het verre Noordoosten van
Europa of in Libye. De Grieken stellen hen voor als eenoogige menschen,
die om het goud in hun bergen een eeuwigen strijd met de griffioenen
voeren. Sommigen zien hierin een dichterlijke inkleeding van geruchten
aangaande den mijnbouw in den Oeral.

Ariminum, Ariminon, bloeiende zeestad in Umbria, door de via Flaminia
met Rome, en door de via Aemilia met Cisalpina verbonden. Een
tijd lang was het in bezit der senonische Galliërs, doch na hunne
verdrijving keerde de umbrische bevolking terug en werd de plaats in
268 rom. kolonie. Thans Rimini.

Ariobarzanes, Ariobarzanes, veldheer van den perzischen koning Darius
III Codomannus, die nog eene laatste vruchtelooze poging deed om den
voortgang der Macedoniërs te stuiten; hij werd, nadat hij zich had
overgegeven, door Alexander eervol behandeld.--Ook werd deze naam
gedragen door een drietal koningen van Cappadocia. Ar. I werd in 95
door de Romeinen als koning aangesteld, doch meermalen door Mithradates
van Pontus verdreven. Als spotnaam noemde men hem Philoromaeus of
Romeinenvriend. Hij werd in 63 opgevolgd door zijn zoon Ar. II,
en deze in 51 door Ar. III, die in den burgeroorlog eerst de partij
van Pompeius, maar later die van Caesar koos, en in 43 door Cassius
werd omgebracht.

Arion, 1) Arion, van Methymna, beroemd dichter, zanger en citherspeler,
die het eerst bij de Dionysusfeesten den dithyrambus door koren liet
voordragen. Hij leefde langen tijd aan het hof van Periander van
Corinthe, bij wien hij in hooge gunst stond. Toen hij van eene reis
door Italië en Sicilië naar Corinthe terugvoer, besloten de matrozen,
begeerig naar de schatten die hij bij zich had, hem te dooden. Op
zijn verzoek werd hem toegestaan voor zijn dood een lied te zingen;
hij trad naar den voorsteven, van waar hij zich bij het einde van zijn
gezang in zee stortte. Maar een van de dolfijnen, die door de heerlijke
muziek aangelokt waren, nam hem op den rug en bracht hem behouden
naar Taenarum, van waar hij zijne reis naar Corinthe voortzette. Kort
daarna kwam ook het schip te Corinthe aan en Periander, reeds van
het gebeurde op de hoogte, liet de matrozen gevangen nemen en voor
zich brengen. Eerst loochenden zij alle schuld en beweerden dat Arion
te Tarente gebleven was, maar toen deze plotseling zelf verscheen,
bekenden zij alles, waarop Periander hen liet ter dood brengen. Op kaap
Taenarum stond eeuwen lang een bronzen beeld van Arion, op een dolfijn
zittende. De lier en de dolfijn werden onder de sterren geplaatst.--2)
Areion, het bliksemsnelle, met spraak begaafde paard van Adrastus,
door Poseidon bij Demeter verwekt.

Ariovistus, germaansch aanvoerder, die in 71 met 15000 Germanen den
Rijn overtrok, om in Gallia de Arverners en Sequaners tegen de Aeduers
te ondersteunen. Hij versloeg eerst zijne vijanden en onderwierp toen
zijne bondgenooten. De rom. senaat verleende hem den titel van vriend
en bondgenoot. Toen echter in 58 de onderdrukte gallische volken
Caesars hulp hadden ingeroepen en Ariovistus Caesars eischen afwees,
bracht Caesar hem in den Boven-Elzass eene zóó afdoende nederlaag toe,
dat Ariovistus over den Rijn naar Germania terugvluchtte.

Ariphron, Ariphron, van Sicyon, dithyrambendichter uit de vierde eeuw.

Arisbe, Arisbe, 1) dochter van Merops, echtgenoote van Priamus, moeder
van Aesacus.--2) trojaansche stad nabij Abydus, waarbij Alexander
na den overtocht van den Hellespont zijn leger opsloeg.--3) stad op
Lesbus, ten Z. van Methymna, die door eene aardbeving verwoest werd.

Aristaenetus, Aristainetos, van Nicaea in Bithynië, grammaticus en
rhetor, verloor het leven bij eene aardbeving te Nicomedea (358 na
C.). De vijftig brieven vol avontuurlijke liefdesgeschiedenissen,
die zijn naam dragen, zijn van veel lateren tijd.

Aristaeus, Aristaios, zoon van Uranus en Ge of van Apollo en Cyrene,
een god der oudste Grieken, wiens wezen later met dat van Zeus en
Apollo samensmolt. Hij was de beschermer van den landbouw, van de
kudden (Nomios), de jacht (Agreus), de bijen (Melisseus), enz. Hij
werd vooral in Thessalië, in Cyrene en op het eiland Ceos vereerd.

Aristagoras, Aristagoras, volgde zijn schoonvader Histiaeus als
tyran van Miletus op, toen deze naar Susa aan het hof van Darius
geroepen was. Op verzoek van eenige ballingen uit Naxus, bewoog hij
Artaphernes, en door diens tusschenkomst Darius, eene vloot uit te
zenden om dat eiland te veroveren en de ballingen terug te brengen;
de onderneming mislukte echter, daar de perzische admiraal met
Aristagoras twist kreeg en de Naxiërs waarschuwde. Uit vrees voor
de ontevredenheid van Darius en aangespoord door een bode van zijn
schoonvader, bewerkte Arist. nu een opstand van de ionische steden,
die omstreeks 500 uitbrak en waarbij de Ioniërs door de Atheners
en Eretriërs met schepen ondersteund werden. Hoewel aanvankelijk
voorspoedig, werden de Grieken weldra weder door de Perzen bedwongen
en Arist., het ergste vreezende, verliet met anderen Miletus om te
Myrcinus in Thracië eene volksplanting te stichten; reeds het volgende
jaar sneuvelde hij echter in een gevecht tegen de thracische Edoni.

Aristarchus, Aristarchos, 1) van Athene, een van de hevigste oligarchen
ten tijde van de regeering der vierhonderd (411), die met anderen van
pogingen tot verraad verdacht werd. Toen de democratie hersteld werd,
vluchtte hij en maakte hij op de vlucht van zijne betrekking als
strateeg gebruik om Oenoë aan de Boeotiërs over te geven.--2) van
Tegea, treurspeldichter, tijdgenoot van Euripides.--3) van Samus,
alexandrijnsch wis- en sterrenkundige omstreeks 280. Hij leerde
dat de aarde zich om de zon en om haar eigen as beweegt. Een werk
van hem over de grootte en de afstanden van zon en maan is bewaard
gebleven.--4) van Samothrace, de beroemdste taalkundige der oudheid,
onderwijzer van een zoon van Ptolemaeus Philometor (Ptolemaeus
no. 10). Door Ptolemaeus Physcon (z. Ptolemaeus no. 11) vervolgd,
ging hij naar Cyprus, waar hij, 72 jaar oud, stierf (± 144). Van
de vele oudere grieksche dichters, die hij grammatisch en critisch
behandelde, besteedde hij de meeste zorg aan Homerus, wiens werken hij
met verbeterden tekst en met voortreffelijke verklaringen uitgaf. In
de scholiën op Homerus vindt men eenige overblijfsels van zijn werk.

Aristeas, Aristeas, 1) van Proconnesus, schreef een gedicht over
de Arimaspen, vol fabelen. Men verhaalde van hem, dat hij van tijd
tot tijd van de aarde verdween en na een lang tijdsverloop weder
verscheen. Te Metapontum had hij den dienst van Apollo ingevoerd.--2)
een andere Ar. werd door Ptolemaeus Philadelphus naar Jeruzalem
gezonden, om de zeventig vertalers van het Oude Testament te halen. Dit
verhaal staat te lezen in een brief, die uit de eerste helft der 1ste
eeuw v. C. dateert.

Aristides, Aristeides, 1) Athener, zoon van Lysimachus, geb. omstreeks
540, bijgenaamd de Rechtvaardige. Hij werkte mede aan de hervormingen
van Clisthenes, en streed bij Marathon. Na de daar behaalde overwinning
was hij archont. Als voorstander eener meer behoudende politiek
verzette hij zich tegen de voorstellen van Themistocles, vooral
tegen die betreffende de uitbreiding der zeemacht, en zoo scherp
stonden de beide tegenstanders tegenover elkander, dat in 482 het
ostracismus toegepast moest worden, en Ar. voor tien jaar verbannen
werd. In den slag bij Salamis vervoegde hij zich echter weder bij de
atheensche vloot en na de overwinning werd hij uit zijne ballingschap
teruggeroepen. Bij Plataeae voerde hij de Atheners aan en later voerde
hij het bevel over de vloot. Zijn gedrag was mede oorzaak, dat de
hegemonie door de Grieken aan de Atheners aangeboden werd. Zoo algemeen
was het vertrouwen dat hij genoot, dat hem de inrichting van de nieuwe
symmachie werd opgedragen; hij bepaalde hoeveel ieder voor de vloot
moest bijdragen en maakte Delus tot bewaarplaats van de bondskas. De
groote gebeurtenissen van zijn tijd hadden hem ook in de binnenlandsche
politiek van inzicht doen veranderen, en ook onder zijne medewerking
werden de burgerlijke rechten, benoembaarheid tot verschillende ambten,
enz., aan een grooter deel der bevolking gegeven. Hij stierf in 467
zeer arm; de staat bekostigde zijne begrafenis, zorgde voor zijn
zoon en gaf aan zijne dochters een huwelijksgift.--2) van Thebae,
beroemd schilder uit den tijd van Alexander d. G.; hij muntte vooral
uit in groote en uitvoerige stukken, die veldslagen of veroveringen
voorstelden.--3) van Miletus, in de voorlaatste en laatste eeuw v. C.,
schrijver van Milesiaka, fabulae Milesiae, romantische verhalen uit het
leven te Miletus. Het werk was bij de Romeinen zeer gezocht, Sisenna
(Cornelii no. 56) leverde eene latijnsche vertaling ervan. Slechts
weinige fragmenten zijn overgebleven.--3) grieksch redenaar, zie
Aelius Aristides (Aelii no. 10).

Aristion, Aristion, een epicureïsch wijsgeer, die zich met behulp
van Archelaus no. 4 tot tyran van Athene opwierp; toen Sulla de stad
veroverd had, liet deze hem ter dood brengen (86).

Aristippus, Aristippos, 1) van Cyrene, geb. omstreeks 435, werd
in 416 door zijn vader naar Athene gezonden om het onderwijs van
Socrates te genieten; na diens dood trad hij eerst te Aegina, later
aan het hof van den jongeren Dionysius, vervolgens ook in verscheiden
andere steden, o. a. in zijn vaderstad en te Athene als leeraar op. Hij
stierf op hoogen leeftijd, misschien op het eiland Lipara. De leer van
Aristippus, die de cyrenaeïsche of hedonische genoemd wordt, noemde
als hoogste goed het genot, mits men zich niet erdoor liet beheerschen
(to kratein kai me hettasthai hedones). Verstand en geestbeschaving
stellen den mensch daartoe in staat. Genot is eene zachte beweging,
die men met bewustheid ondergaat.--Aristippus was de eenige onder de
leerlingen van Socrates, die zich voor zijn onderwijs liet betalen,
vandaar dat hij soms sophist genoemd wordt.--2) kleinzoon van den
vorigen, door zijne moeder Arete in de wijsbegeerte van zijn grootvader
onderwezen (metrodidaktos).

Aristius Fuscus, rom. tooneeldichter en taalgeleerde, vriend van den
dichter Horatius.

Aristobulus, Aristoboulos, 1) tochtgenoot van Alexander d. Gr.,
stelde diens daden te boek; zijn werk was een van de voornaamste
bronnen waaruit Arrianus geput heeft.--2) joodsch peripatetisch
wijsgeer (± 150), die in verscheiden werken trachtte aan te toonen,
dat de grieksche philosophie aan joodsche e. a. oostersche bronnen
ontleend was.--3) zoon van den joodschen vorst-hoogepriester Alexander
Jannaeus, leefde sedert den dood zijner moeder (69) in oorlog met
zijn broeder Hyrcanus, die door Aretas, koning der Nabataeërs, werd
ondersteund. Aristobulus riep de hulp in van Pompeius (64); doch
toen hij dezen zocht te misleiden, werd hij zelf gevangen genomen en
Hyrcanus op den troon geplaatst. Later ontkwam Aristobulus wel, doch
hij werd opnieuw gevangen, en toen eindelijk Caesar hem in vrijheid
had gesteld en hem troepen had gegeven om Judaea te vermeesteren
(49), werd Ar. door zijne vijanden door vergif uit den weg geruimd.

Aristocrates, Aristokrates, 1) koning van Arcadië, die in den tweeden
messenischen oorlog de Messeniërs helpen zoude, maar zich door de
Spartanen liet omkoopen om hen te verraden. Als verrader werd hij
door de Arcadiërs gesteenigd, waarna zij de koninklijke waardigheid
afschaften (668).--2) Athener, een van de admiraals die den slag bij
de Arginusen wonnen en ter dood veroordeeld werden (406). Vroeger
had hij tot de 400 behoord.--3) Spartaan, schrijver van Lakonika,
phantastische verhalen. Hij leefde waarschijnlijk in de 1ste eeuw v. C.

Aristodemus, Aristodemos, 1) een Heraclide, vader van Eurysthenes en
Procles, die bij den terugtocht naar de Peloponnesus te Naupactus door
den bliksem gedood werd. De Lacedaemoniërs verhaalden echter dat hij
nog in Lacedaemon geregeerd had en dat zijne beide zonen in Lacedaemon
geboren waren.--2) de held van den eersten messenischen oorlog, die
ingevolge een orakel zijne dochter voor het vaderland opofferde. Later
werd hij tot koning verkozen en voerde hij den oorlog langen tijd met
groote dapperheid; toen echter de verdere verdediging hopeloos was,
beroofde hij zich bij het graf zijner dochter van het leven (724).--3)
tyran van Cumae in Campanië, erfgenaam van Tarquinius Superbus, die
zijne laatste levensjaren bij hem doorbracht.--4) de eenige Spartaan
die bij de Thermopylae niet sneuvelde; in Sparta werd hij daarom als
een lafaard geschuwd, later sneuvelde hij echter roemrijk bij Plataeae.

Aristogiton, Aristogeiton, 1) z. Harmodius.--2) atheensch redenaar,
bijgenaamd kyon, tegenstander van Demosthenes, Dinarchus, Lycurgus
en Hyperides.

Aristoi, een van de namen, waarmede de edele geslachten in
aristocratische republieken zich noemden. De naam berust op
vooronderstelde voortreffelijkheid in deugd, beschaving, krijgskunst,
enz.

Aristomachus, Aristomachos, zoon van Cleodaeus, achterkleinzoon
van Heracles. Steunende op een orakel, deed hij eene poging om
de Peloponnesus te heroveren, maar daar hij het orakel verkeerd
uitgelegd had, mislukte de onderneming en hijzelf sneuvelde door de
hand van Tisamenus.

Aristomenes, Aristomenes, 1) Messeniër, die zijne landgenooten tot een
opstand tegen Sparta aanspoorde (684), waarvan de tweede messenische
oorlog het gevolg was. De koninklijke waardigheid, die hem wegens
zijne uitmuntende dapperheid werd aangeboden, wees hij af; toch was
hij de ziel van den oorlog en bracht hij de vijanden meer dan eens
in het nauw. Meermalen geraakte hij in het grootste levensgevaar,
driemaal viel hij in handen der Spartanen, maar telkens ontkwam hij
den dood op wonderdadige wijze, zelfs toen hij reeds te Sparta in den
Caeadas geworpen was. Toen met den val der vesting dra de oorlog ten
nadeele der Messeniërs eindigde, ging Arist. naar Ialysus, waar hij
na zijn dood als heros vereerd werd.--2) atheensch blijspeldichter,
tijdgenoot van Aristophanes.--3) Acarnaniër, die onder Ptolemaeus
Epiphanes minister was en Aegypte verstandig bestuurde (202-192);
aanvankelijk zeer door den koning bemind, werd hij, toen zijne
vrijmoedigheid dezen lastig begon te worden, vergiftigd.

Ariston, ontbijt, werd in de oudste tijden vroeg in den morgen,
later tegen den middag gebruikt (= prandium). Wat men 's morgens
vroeg nuttigde, heette akratisma of ariston proinon of ook wel
alleen ariston.

Ariston, Ariston, 1) van Chius, stoicijnsch wijsgeer omstreeks
275. Ofschoon hij een leerling van Zeno was, liet hij een groot deel
van diens leer als nutteloos vallen; volgens hem bestaat er niets
tusschen deugd en ondeugd; de deugd is het hoogste goed, al het
andere is den wijze onverschillig. Om hem van zijn naamgenoot te
onderscheiden wordt hij soms Seiren of Phalanthos bijgenaamd.--2)
van Ceus, volgde omstreeks 226 zijn leermeester Lyco als hoofd der
peripatetische school op.

Aristonicus, Aristonikos, 1) atheensch redenaar, aanhanger van
Demosthenes, werd in 322 door Antipatrus gedood.--2) tyran van
Methymna op Lesbus, door Alexander den Gr. gevangen genomen en aan
de verbitterde Methymnaeërs uitgeleverd, die hem den marteldood deden
ondergaan.--3) natuurlijke zoon van Eumenes II van Pergamus. Toen zijn
broeder Attalus III in 133 zijn rijk aan de Romeinen naliet, beproefde
Aristonicus zich met de wapenen tegen de uitvoering van het testament
te verzetten, doch hij werd ten slotte door M. Perperna overwonnen, in
zegepraal door Rome gevoerd en vervolgens in de gevangenis gewurgd.--4)
alexandrijnsch taalgeleerde, tijdgenoot van Cicero, die zich vooral
met de studie van Homerus bezig hield.

Aristophanes, Aristophanes, 1) de grootste der atheensche
blijspeldichters, waarschijnlijk geb. in 444, gest. in 385. Over
zijn leven is weinig bekend. In zijne stukken, die zich bijna alle
op politiek gebied bewegen, kiest hij zeer beslist partij tegen het
rustelooze drijven van de oorlogspartij en tegen de demagogen en de
door hen meer en meer ontaardende democratie. Misschien beoordeelt
hij in zijne bewondering voor het voorgeslacht zijn eigen tijd wel
wat al te streng, in ieder geval spreekt uit zijne werken oprechte
vaderlandsliefde, en kan het niet verwonderen dat hij vurig verlangde
naar rustiger en gelukkiger tijden dan die, waarin hij werkzaam
was. Hij werkte voor het tooneel van 427-388, in dien tijd schreef hij
40 (v. a. 50) stukken, terwijl nog vier door sommigen aan hem, door
anderen aan Archippus toegeschreven werden. Hiervan bestaan, behalve
een groot aantal fragmenten, nog elf, de eenige overblijfsels der oude
attische comedie die in hun geheel bewaard zijn. Het zijn de Acharnes,
opgevoerd bij de Lenaia (Jan.-Febr.) van het jaar 425, Hippes (Lenaea
424), Nephelai, (oorspronkelijk opgevoerd bij de Dionysia van het jaar
423, toen het stuk gevallen is; over is slechts de omwerking), Sphekes
(opgevoerd Lenaea 422), Eirene (Dionysia 421), Ornithes (Dionysia 414),
Lysistrate (Lenaea 411), Thesmophoriazousai (Dionysia 411), Batrachoi
(Lenaea 405), Ekklesiazousai (389, v. s. 392), Ploutos (388). Zij
munten uit door taal en versbouw, vinding en geest, al moge de scherts
ons dikwijls wat ruw toeschijnen.--2) van Byzantium, geb. omstreeks
260, studeerde te Alexandrië onder Zenodotus en Callimachus en werd
een uitstekend taalgeleerde. Hij bezorgde uitgaven van Homerus en
andere dichters en voerde het gebruik van accenten in. Hij stierf,
77 jaar oud, als bibliothecaris te Alexandrië.

Aristophon, Aristophon, 1) atheensch redenaar en staatsman na de
verdrijving van de dertig.--2) ho Azenieus, invloedrijk redenaar en
staatsman, bij wien Aeschines schrijver was.

Aristoteles, Aristoteles van Stagirus, zoon van den arts Nicomachus,
geb. 384, ging in 367 naar Athene, waar hij tot den dood van Plato
diens leerling bleef. Toen deze in 347 gestorven was, begaf hij zich
naar zijn vriend Hermeas, vorst van Atarneus, en na diens val (345)
naar Mytilene, van waar hij echter spoedig (342) naar Macedonië
geroepen werd om de opvoeding van Alexander op zich te nemen. Deze
toonde ook in later jaren steeds de hoogste achting voor zijn
leermeester; Stagirus, dat door Philippus verwoest was, werd weder
opgebouwd en ontving eene staatsregeling, die Ar. ontworpen had; ook
bij zijne natuurkundige studiën ontving de wijsgeer veel steun van den
koning, die hem met groote kosten het noodige materiaal verschafte. In
335 kwam hij weder te Athene en trad hij als leeraar der wijsbegeerte
op; reeds bij zijn eerste verblijf aldaar had hij onderwijs gegeven
in de welsprekendheid en had hij zich als een tegenstander van
Isocrates doen kennen. Na den dood van Alex. werd hij door de
antimacedonische partij van godslastering aangeklaagd en vluchtte
hij naar Chalcis op Euboea, waar hij spoedig stierf (322).--Zijne
voordrachten hield Arist. al wandelend in de schaduwrijke dreven
(peripatoi, vandaar de peripatetische school) van het Lyceum voor eene
talrijke schare toehoorders, en wel des morgens voor zijne eigenlijke
leerlingen over meer bepaald wijsgeerige vraagpunten (akroamatika
of esoterika), des avonds voor een groot publiek over populaire
onderwerpen (exoterika). Zoo waren ook zijne buitengewoon talrijke
werken (minstens 146 titels zijn bekend) deels populair, deels streng
wetenschappelijk. Van de laatste soort zijn er genoeg bewaard gebleven
om ons zijn veelomvattende kennis zoowel als zijne wetenschappelijke
methode te doen bewonderen. Volgens Ar. is de wijsbegeerte het
onderzoek naar de eerste oorzaken van het bestaande, en om met vrucht
aan zulk een onderzoek te kunnen beginnen is eene uitgebreide kennis
van het bestaande, berustend op nauwkeurige waarneming, noodig; tot
het opbouwen van een wijsgeerig stelsel moeten dus alle wetenschappen
te hulp geroepen worden, en inderdaad behandelen zijne werken zoowel
logica, rhetorica, poëzie en kunst in het algemeen, als wiskunde,
botanie, zoölogie, physiologie en psychologie, om eindelijk te komen
tot ethica, staatswetenschap en, wat hij de eerste philosophie noemt,
methaphysica. Al wat bestaat heeft stof en vorm, in de stof ligt
de mogelijkheid, kiem, aanleg (potentieel bestaan, dynamis), van de
individuen, maar eerst de vorm geeft hun individueel wezen (actueel
bestaan, energeia, entelecheia), daarom staat vorm hooger dan stof,
en is het volmaakste dat men zich kan voorstellen, d. i. de godheid,
volstrekt onstoffelijke vorm of geest. Voor den mensch ligt het
grootste geluk in verstandige en deugdzame werkzaamheid, die uit den
aard der zaak door genot bekroond wordt.--Ar. heeft bij zijn leven
slechts weinige wetenschappelijke werken uitgegeven; de meeste van
zijne handschriften met zijn geheele bibliotheek liet hij aan zijn
leerling Theophrastus na; eerst door Apellicon van Teos werden zij
gevonden en uitgegeven. Een van zijne werken is eerst 1890 in Egypte
gevonden. De leer van Ar. schijnt bij de Romeinen niet veel beoefenaars
gevonden te hebben, in de middeleeuwen echter en nog tot het midden der
17e eeuw werd zij aan alle hoogescholen als de eenige ware onderwezen,
totdat zij door nieuwere stelsels verdrongen werd.

Aristoxenus, Aristoxenos, van Tarente, een van de beste leerlingen
van Aristoteles; van zijne werken is eene verhandeling over de muziek
bewaard gebleven. Bovendien beschreef hij de levens van wijsgeeren,
dichters enz.

Aristus, Aristos, 1) van Salamis op Cyprus, beschreef, in de eerste
helft der 2de eeuw, de geschiedenis van Alexander d. G.--2) van
Ascalon, omstreeks het midden der eerste eeuw hoofd der academie te
Athene, vriend van Cicero en onderwijzer van M. Brutus.

Arius, omstreeks 260 n. C. in Cyrenaïca geboren, was onder de regeering
van Constantijn den Grooten presbyter te Alexandrië en begon in die
hoedanigheid een strijd, welke de christelijke kerk in twee vijandige
kampen verdeelde. Volgens hem was Christus door den goddelijken wil
uit niets geschapen en had alzoo niet van eeuwigheid af bestaan,
en was dus niet gelijk aan (homoios), maar eenswezend (homoiousios)
met God. Tegenover hem hielden Alexander, bisschop van Alexandrië,
en diens opvolger Athanasius staande, dat Vader en Zoon gelijk waren
en beiden van alle eeuwigheid af hadden bestaan. Op het concilie van
Nicaea (325 n. C.) werd de leer van Arius veroordeeld en hijzelf uit
de kerk gestooten. De keizer evenwel, gebelgd dat men een vonnis had
geveld buiten hem om, en willende toonen, dat hij heer was ook over
de kerk, verleende Arius gratie, riep hem later naar Constantinopel en
verbande daarentegen Athanasius. Bij eene processie in Constantinopel
kwam Arius plotseling op raadselachtige manier om het leven (336
n. C.). De strijd in de kerk tusschen het Arianisme en de orthodoxe
leer werd omstreeks twee eeuwen lang met groote heftigheid gevoerd. De
Gothen waren Arianen.

Ariusia, Ariousia chora, kuststreek aan den N. W. kant van het eiland
Chius, waar de beste wijn groeide.

Armene, Armene, stad aan de kust van Paphlagonia, ten W. van Sinope.

Armenia, Armenia, uitgestrekt bergland ten Z. en Z. W. van de
Caucasusgewesten, met de bronnen van den Euphraat en den Tigris,
terwijl de Araxes en de Cyrus naar de Caspische zee stroomen. Ten
W. van dit land, door den noordelijken Euphraat-arm er van gescheiden,
lag Armenia minor, dat somtijds tot Cappadocia werd gerekend, ook
een tijd lang met Pontus was vereenigd, en later ook als zelfstandige
staat voorkomt. De bevolking van Armenia bestond uit twee standen, den
armenischen adel, die van arischen stam was, en lijfeigene boeren,
afstammelingen eener vroegere bevolking. Het land was een soort
van feudaalstaat en omvatte een aantal gouwen en vorstendommen, als
Chorzianene, Sophene, Arzanene, Moxoene, Gordyene, enz., die ten deele
slechts middellijk onder den koning stonden. Buiten de vorstelijke
residentiën, als Armauria, Artaxata, Tigranocerta, bevatte het land
weinig belangrijke steden. Armenia maakte achtereenvolgens deel uit
van het assyrische, het babylonische, het perzische, het macedonische,
het syrische rijk, tot het, omstreeks twee eeuwen v. C. zich van dit
laatste losscheurde. De eerste koning van Armenia maior was Artaxias,
een gewezen veldheer van Antiochus III, terwijl een ander generaal,
Zariadres, Klein-Armenië in bezit nam. De armenische koning Tigranes
(97-56) breidde zijne heerschappij zelfs over Syria uit, dat hem echter
door de Romeinen weder werd ontrukt. Sedert werd Armenia van Rome
afhankelijk, doch werd nu en dan overheerd door de Parthen. Traianus
maakte er, 114 na C., eene rom. provincie van, doch Hadrianus liet
het weder los. Marcus Aurelius heroverde het in 163, doch slechts
voor korten tijd. Wanneer in lateren tijd van eene provincie Armenia
sprake is, moet hieronder Armenia minor worden verstaan.

Armilla, armband. Vooral bij de oostersche volken werden zij door
personen van rang en aanzien gedragen, ook bij de Galliërs. In
Griekenland waren de armillae hoofdzakelijk een sieraad voor
vrouwen; bij de Romeinen komen zij ook voor als eereblijken voor
krijgslieden. Men vond ze in verschillende fatsoenen, zoowel in
spiraalvorm, als in den gewonen ringvorm. Als sieraad droeg men ze
zoowel om den pols en den benedenarm (psellion, perikarpion), als om
den bovenarm, en ook wel om de enkels (perisphyrion).

Armillum, eene soort van wijnkruik. Het spreekwoord anus ad armillum
wordt gebezigd voor personen, die gedurig weder tot hunne oude gebreken
of gewoonten vervallen.

Armilustrium, een jaarlijksch wapenfeest, op 19 Oct. door de Romeinen
gevierd op het Armilustrum, aan den voet van den mons Aventinus.

Arminius, zoon van Segimer, opperhoofd der Cheruscers, had in de
rom. legers gediend en was door Augustus met het burgerrecht en het
ridderschap vereerd. Hij was het, die in 9 n. C. de drie legioenen
van den rom. veldheer Quinctilius Varus in het Teutoburgerwoud
in eene hinderlaag lokte en vernietigde. Door Germanicus werd hij
bij herhaling verslagen (15 en 16 n. C.); zijne vrouw Thusnelda en
zijn zoon Thumelicus vielen den Romeinen in handen en moesten den
zegetocht des overwinnaars opluisteren. Thumelicus stierf later
als zwaardvechter. Arminius zelf streed daarna met geluk tegen de
Marcomannen onder Maroboduus, maar viel in 19 (v. a. in 21) door
sluipmoord, door zijn eigen bloedverwanten beschuldigd dat hij naar
de heerschappij stond.

Armorica = Aremorica.

Arna, Arna, stad in Umbria ten O. van Perusia.

Arnae, Arnai, stad op Chalcidice.

Arne, Arne, z. Aeolus.

Arne, Arne, 1) stad in Thessaliotis, later Cierium geheeten.--2)
stad in Boeotia, in het Copaïsche meer verzonken.

Arnissa, Arnissa, stad in het macedonische landschap Eordaea.

Arnobius, te Sicca in Numidia geboren en hierom Afer bijgenaamd,
was een geacht rhetor ten tijde van Diocletianus. Hij omhelsde het
christendom en is bekend als schrijver van een werk in zeven boeken,
adversus gentes (ethne = heidenen).

Arnon, Arnon, rivier in Palaestina ten O. van den Jordaan, die zich
in de Doode zee stort.

Arnus, voornaamste rivier van Etruria, thans Arno.

Aromata, ta Aromata, kaap en stad aan de invaart der Arabische golf,
de oostelijke punt van Afrika, thans kaap Guardafui.

Arpi, stad in Apulia, volgens de sage gesticht door Diomedes, toen
deze op zijn terugtocht uit Troje door storm op de daunische kust
was geworpen. De plaats zou toen eerst Argos hippion hebben geheeten,
welke naam verbasterd zou zijn tot Argyripa en vervolgens tot Arpi. Het
was eene bloeiende handelsstad tot in den tweeden punischen oorlog. Na
den slag bij Cannae namelijk koos Arpi de zijde van Hannibal (216),
doch werd drie jaar later door de Romeinen heroverd en met het verlies
zijner vrijheid gestraft, waarna het spoedig in verval kwam.

Arpinum, volscische stad in Latium ten N. van Fregellae, sedert 303
met de civitas sine suffragio, in 188 ook met het stemrecht begiftigd,
geboorteplaats van Marius en van Cicero, wiens vaderlijke woning en
landhuis dáár lag, waar de bergbeek Fibrenus in den Liris stroomt.

Arretium, thans Arezzo, eene der oude 12 hoofdsteden van Etruria, aan
den voet der Apennijnen gelegen, nabij de bronnen van den Tiberis en
den Arnus, in eene vruchtbare streek. De stad bloeide door industrie en
was beroemd door hare wapenfabrieken en vooral sedert de eerste eeuw
v. Chr. door hare vazen, uit fijne, roode porceleinaarde gebakken en
smaakvol met figuren en relief versierd. Deze vazen werden niet op
de schijf gedraaid, maar in vormen geperst.

Arrha of arrhabo, arrabon, ook arra en arrabo geschreven, handgift,
godspenning, bij het sluiten eener overeenkomst gegeven, ook wel bij
contracten van koop en verkoop. Ook bruidsgeschenk bij eene verloving.

Arrhephoria, Arrephoria, feest dat jaarlijks in de maand Scirophorion
(Juni-Juli) te Athene ter eere van Athena gevierd werd. Twee meisjes
van 7 tot 11 jaar, die een jaar te voren door den Archon Basileus
benoemd waren, en het geheele jaar op de Acropolis vertoefd hadden en
aan den dienst van Athena Polias verbonden waren geweest (arrephoroi),
brachten des nachts uit den tempel der godin een korf, waarvan de
inhoud aan niemand bekend was, naar een naburige grot en brachten
van daar een pak terug, waarvan men evenmin den inhoud wist. Daarop
werden zij ontslagen.

Arrhidaeus, Arridaios, zoon van Philippus van Macedonië en de danseres
Philine. Na den dood van Alexander d. G. werd hij onder den naam van
Philippus tot koning uitgeroepen, hij was echter wegens zijne zwakke
geestvermogens niet in staat zelf te regeeren, zoodat in werkelijkheid
de veldheeren van Alexander alle macht in handen hielden. In 317 werd
hij met zijne gemalin Eurydice door Olympias vermoord.

Arria, echtgenoote van Caecina Paetus. Toen deze onder de regeering
van keizer Claudius wegens samenzwering ter dood was veroordeeld
(42 n. C.), en aarzelde zichzelf om het leven te brengen, stiet Arria
zich eerst den dolk in de borst en reikte hem toen haren echtgenoot
toe met de woorden: "Paetus, het doet geen pijn." Hare dochter Arria
was gehuwd met Paetus Thrasea, die op last van Nero moest sterven,
omdat hij te onverholen zijn afkeer van diens daden te kennen gaf.

Arrianus (Flavius), Arrianos, van Nicomedië, stoicijnsch wijsgeer
en geschiedschrijver, leerling van Epictetus. Door de gunst van
keizer Hadrianus werd hij, hoewel Griek, senator en tusschen 121
en 124 n. C. consul suffectus, daarna (131-137 n. C.) stadhouder van
Cappadocië, in welke betrekking hij met roem tegen de Alanen streed. Na
147 woonde hij te Athene, waar hij het burgerrecht, archontaat
e. a. eerambten kreeg. Van zijne geschiedkundige, krijgskundige
en wijsgeerige geschriften zijn eenige bewaard gebleven, daaronder
zijn voornaamste werk, de geschiedenis der veldtochten van Alexander,
Anabasis Alexandrou, in stijl en bewerking een navolging van Xenophon,
dat reeds bij de ouden voor het beste boek over dit onderwerp gehouden
werd. Zie ook Epictetus.

Arrius (Q.), een man van geringe afkomst, die het echter tot praetor
had weten te brengen, is bekend door het prachtige feestmaal, dat
hij bij zijns vaders uitvaart gaf, in 59, om daardoor stemmen te
werven voor zijne verkiezing tot consul. Hiervan onderscheiden is een
andere Q. Arrius, die als rom. veldheer in den zwaardvechtersoorlog
voorkomt, in 72, toen hij Crixus versloeg, en die eigenlijk Verres
als pro-praetor van Sicilië had moeten opvolgen, hetgeen door de
moeilijkheden van den zwaardvechtersoorlog verhinderd werd.

Arrogatio heette de aanneming tot zoon van iemand, die sui iuris
was. Dit was voor hem, die zich liet arrogeeren, eene capitis deminutio
(z. a.). Hij verloor den status familiae; er ging dus eene familia
verloren. Uit dien hoofde werd hiertoe telkens eene wet vereischt,
die door de curiën moest worden goedgekeurd. Daar elke familia hare
sacra had, zoo moest aan de stemming eene verklaring der pontifices
voorafgaan, dat uit het oogpunt van godsdienst geen bezwaar tegen de
arrogatio was. Hoewel nu de aangenomen zoon den geslachts- en den
familienaam van zijn adoptiefvader aannam, zoo werden toch mannen,
die reeds op rijperen leeftijd zich tot zoon lieten aannemen, dikwijls
nog bij hun ouden naam genoemd. Zie ook adoptio.

Arruns = Aruns.

Arruntii, plebejisch geslacht.

Arsaces, Arsakes. In het midden der derde eeuw kwam zekere Arsaces,
volgens sommigen van scythische, volgens anderen van perzische
afkomst, in opstand tegen den syrischen koning Antiochus II. Het
gelukte hem, rondom de stad Hecatompylos een klein rijk te stichten,
dat onder zijne opvolgers door veroveringen zich uitbreidde tot
het later zoo machtige parthische rijk. De door Arsaces I gestichte
dynastie wordt die der Arsaciden genoemd. De eigenlijke grondlegger
van de macht der Parthen was de broeder en opvolger van Arsaces I,
Arsaces II Tiridates (248-211), die na eene schitterende overwinning
op de Syriërs (238) zijne regeering over Hyrcania, Aria, Drangiana
en Sogdiana uitbreidde. Na hem regeerden nog acht of negen en twintig
koningen, die allen, behalve hun anderen naam, ook den naam of titel
Arsaces hebben gevoerd. De laatste, Artabanus IV, kwam in 227 na C. om,
toen, in plaats van het parthische, een nieuw-perzisch rijk verrees,
onder de dynastie der Sassaniden.

Arsacia, Arsakia, stad in Media, door Arsaces, den stichter van het
parthische rijk, gebouwd, hetzij op de plaats, waar de door eene
aardbeving verwoeste stad Rhagae of Europus had gestaan, hetzij op
weinige uren afstands van daar.

Arsamosata, sterke vesting in het armenische landschap Sophene.

Arsanias, naam van den zuidelijksten der beide rivierarmen, die te
zamen den Euphraat vormen.

Arses, Arses, jongste zoon van Artaxerxes Ochus, werd door Bagoas
na het vergiftigen van zijn vader op den troon gezet (338), doch
werd op zijne beurt na eene regeering van drie jaar door denzelfden
Bagoas vermoord.

Arsia, grensrivier tusschen Histria en Liburnia, sedert Augustus,
die Histria bij Italië gevoegd heeft, grensrivier tusschen Italië
en Liburnia.

Arsia silva, woudstreek op de grenzen van Etruria en Latium, waar
L. Junius Brutus in den slag tegen de Tarquiniussen sneuvelde (509).

Arsinoe, Arsinoe, 1) voedster van Orestes, die hem uit de handen
van Clytaemnestra redde.--2) z. Anaxarete.--3) z. Alphesiboea.--4)
z. Asclepius.--5) z. Barsine.--6) moeder van Ptolemaeus I.--7) dochter
van Ptolemaeus I en Berenice, huwde met Lysimachus (z. a.). Na diens
dood leefde zij eerst te Ephesus, daarna te Cassandrea in Macedonië,
van waar zij door haar stiefbroeder Ptolemaeus Ceraunus verjaagd
werd. Later (tusschen 278 en 274), nadat zij Arsinoe no. 8 had
laten verbannen, huwde zij met haar broeder Ptolemaeus II, die haar
naam aan vele steden en aan een district in Aegypte gaf en na haar
dood groote gedenkteekenen te harer eere liet oprichten. Zij was
een buitengewoon heerschzuchtige vrouw.--8) dochter van Lysimachus,
gehuwd met Ptolemaeus II, smeedde een aanslag tegen hem uit haat tegen
zijne zuster Arsinoë, en werd daarom naar Coptus in Boven-Aegypte
verbannen.--9) ook, maar ten onrechte, Eurydice of Cleopatra genoemd,
dochter van Ptolemaeus III, gehuwd met haar broeder Ptolemaeus IV. Zij
nam deel aan den slag bij Raphia (217). Later (tusschen 210 en 205)
liet haar echtgenoot haar om onbekende redenen vermoorden.--10)
dochter van Ptolemaeus XI Auletes, gedurende de gevangenschap van
haar broeder koningin van Aegypte, werd later door Caesar in triomf
naar Rome gevoerd; zij werd daarna vrijgelaten, maar op aanstoken
van Cleopatra liet Antonius haar te Ephesus (41) vermoorden.--11)
echtgenoote van Magas, verschrijving voor Apama (z. a. no. 2).

Arsinoe, Arsinoe, naam van verschillende steden, waaronder ééne op
Cyprus (z. Marium), ééne in Cilicia, ééne in Cyrenaica, die vroeger
Tauchira heette, en twee in Aegyptus. Van deze laatste lag de eene,
te voren Crocodilopolis geheeten, aan het meer Moeris, ten W. van den
Nijl; de andere lag aan den noordwestelijken inham der Arabische golf.

Artabanus, Artabanos, broeder van den perzischen koning Darius
Hystaspis, en dus oom van Xerxes, ontried vruchteloos aan beide vorsten
den tocht tegen Griekenland.--Een andere Artabanus, een Hyrcaniër,
bevelhebber van Xerxes' lijfwacht, wilde het koningshuis uitroeien
en bracht in 465 den koning en diens oudsten zoon om het leven; de
tweede zoon evenwel, Artaxerxes I, voorkwam den moordenaar, die nu
zelf ter dood werd gebracht.--Onder de parthische Arsaciden vindt
men een viertal koningen, die den naam Artabanus dragen.

Artabazanes, Artabazanes, oudste zoon van Darius Hystaspis, die voor
zijn halfbroeder Xerxes van zijne aanspraken op de troonopvolging
moest afzien, omdat hij geboren was voordat Darius aan de regeering
kwam. Hij sneuvelde in den slag bij Salamis.

Artabazes, Artabazes = Artavasdes.

Artabazus, Artabazos, 1) perzisch veldheer, die Xerxes naar Griekenland
volgde, Olynthus veroverde en na den slag bij Plataeae onder de
grootste moeilijkheden met 40000 man over land naar Byzantium
terugtrok. Hij diende als tusschenpersoon bij de onderhandelingen
tusschen Xerxes en Pausanias.--2) veldheer onder Artaxerxes II en
satraap van Lydië en Phrygië onder Artaxerxes III. Tegen laatstgenoemde
kwam hij in 356 in opstand, maar hoewel hij gevangen genomen werd,
schonk de koning hem genade. De buitengewone getrouwheid, waarmede hij
Darius Codomannus diende, bewoog Alexander, hem satraap van Bactrië
te maken, welke waardigheid hij om zijn hoogen leeftijd echter slechts
kort behield.

Artace, Artake, stad en haven ten W. van Cyzicus. Ook een eilandje
daar vlak bij.

Artaphernes of Artaphrenes, Artaphernes, -phrenes, 1) broeder van
Darius Hystaspis, satraap van Lydië, z. Aristagoras.--2) zoon van den
vorigen, een van de aanvoerders der Perzen in den slag bij Marathon,
en van de lydische en mysische troepen in den slag bij Salamis.

Artaunum, vesting, door Drusus aangelegd en door Germanicus versterkt,
vermoedelijk ergens in het Taunusgebergte.

Artavasdes of Artabazes, Artabazes, Artabasdes, 1) koning van Armenia,
zoon van Tigranes I, koos in de oorlogen der Romeinen tegen de Parthen
tijdens Crassus en later tijdens Antonius (36) de zijde der Romeinen,
doch verliet hen weder. Antonius maakte zich van zijn persoon meester
en liet hem geboeid te Alexandrië voor zijn triumfwagen uitgaan. Na
den slag bij Actium werd hij op last van Cleopatra omgebracht
(30).--2) zoon van no. 1, gewoonlijk Artaxes geheeten, moest voor
de Romeinen vluchten en week naar de Parthen, die hem op den troon
herstelden. Later riepen de Armeniërs zelven de hulp der Romeinen tegen
hem in; doch voordat nog het rom. leger het armenische gebied had
bereikt, was de koning reeds door samenzweerders vermoord (20).--3)
koning van Media Atropatene, was een bondgenoot van Antonius tegen
zijn armenischen naamgenoot, doch werd later zelf door de verbonden
Parthen en Armeniërs uit zijn eigen rijk verjaagd.

Artaxata, ta Artaxata, sterke vesting en hoofdstad van Armenia, door
den eersten armenischen koning Artaxias aan den Araxes gebouwd (189)
volgens een ontwerp van Hannibal, die een poos bij hem verblijf
hield. De stad werd in 58 n. C. door de Romeinen onder Corbulo
veroverd en verbrand, maar kort daarop door koning Tiridates onder
den naam Neronia herbouwd. Ook in later tijd heet de stad echter
gewoonlijk Artaxata.

Artaxerxes, Artaxerxes, naam van perzische koningen: 1)
Art. I Makrocheir (Longimanus), zoon van Xerxes (z. Artabanus),
reg. 465-425, gedurende welken tijd hij met vele opstanden te kampen
had. Vooral gevaarlijk en moeilijk te onderdrukken was de opstand der
Aegyptenaren onder Inaros, die door de Atheners met schepen ondersteund
werd. Omtrent den Cimonischen vrede z. Cimon a. h. e.--2) Art. II
Mnemon, zoon en opvolger van Darius II, reg. 404-358. Reeds dadelijk
bij het begin zijner regeering trachtte zijn jongere broeder Cyrus,
satraap van Lydië, Phrygië en Cappadocië hem van den troon te stooten,
hij sneuvelde echter in den slag bij Cunaxa (401). In 400 zonden de
Spartanen, die door de aziatische Grieken te hulp geroepen waren,
een leger naar Azië, dat, vooral onder Agesilaus, aanmerkelijke
voordeelen behaalde op de satrapen Tissaphernes en Pharnabazus,
zoodat Agesilaus reeds hoop voedde op de verovering van het geheele
perzische rijk, welks inwendige zwakheid in dezen oorlog duidelijk
gebleken was. Het gelukte Art. echter in Griekenland zelf een oorlog
tegen de Spartanen te verwekken, waardoor zij genoodzaakt waren
Agesilaus terug te roepen. Ook tegen Aegypte, dat onder Nectanebis
weder opgestaan was, tegen Euagoras van Cyprus en tegen vele afvallige
satrapen moest Art. langdurige en moeilijke oorlogen voeren. Even
ongelukkig was hij in zijn familieleven. Bij de vele hofintriges,
die dikwijls een bloedig einde hadden, kwam nog het slechte gedrag
zijner zonen, waarvan de oudste, Darius, tot troonopvolger bestemd,
een zamenzwering smeedde om zijn vader te laten vermoorden, en daarom
op diens bevel ter dood gebracht werd.--3) Art. III Ochos, zoon van
Art. II, reg. 358-338, een wreed tiran, die bijna zijne geheele familie
liet vermoorden. Met de hulp van grieksche huurtroepen onderwierp hij
Aegypte en Phoenicië en bedwong hij den opstand van Artabazus. Hij
regeerde geheel onder den invloed van zijn gunsteling, den Aegyptenaar
Bagoas, die hem eindelijk vergiftigde.--4) Artaxerxes I, stichter van
het nieuw-perzische rijk 227 n. C. (v. s. 224 n. C.) en van de dynastie
der Sassaniden. Hij regeerde in Perzië sedert 211, maar versloeg den
laatsten koning der Parthen, Artabanus, in 227, en noemde zich sedert
dien tijd "koning der koningen van Iran." Hij stierf in 241 of 242
en werd opgevolgd door zijn zoon Sapores I. In 223 voerde hij oorlog
met den romeinschen keizer Severus Alexander. Zie verder Sassanidae.

Artaxes = Artavasdes no. 2.

Artaxias, Artaxias, generaal van den syrischen koning Antiochus III,
en stadhouder van Armenia, maakte zich omstreeks 188 onafhankelijk
en stichtte het armenische rijk. Antiochus IV Epiphanes versloeg hem
wel en nam hem zelfs gevangen, doch kon Armenia niet heroveren. Ook
de volgende koningen van Armenia maior komen, behalve onder hun eigen
naam, ook onder den naam of titel Artaxias voor.

Artemidorus, Artemidoros, 1) alexandrijnsch taalgeleerde uit de 1ste
eeuw v. C., leerling van Aristophanes. Hij schreef over het dorisch
dialect en gaf de bucolici uit.--2) van Ephesus, beschreef omstreeks
100 zijne reizen in een geographisch werk, dat door latere schrijvers
veel gebruikt werd en waarvan nog een uittreksel bestaat.--3) van
Ephesus, leefde te Rome onder Hadrianus en schreef een Droomboek
(Oneirokritika), dat zoowel over de mythologie als over de zeden van
zijn tijd belangrijke bizonderheden bevat.

Artemis, Artemis, Diana, dochter van Zeus en Leto, tweelingzuster van
Apollo, met wien zij vele punten van overeenkomst heeft. Evenals hij,
brengt ook zij met hare pijlen een plotselingen dood, vooral aan
vrouwen, en straft zij hen, die de wetten en het recht overtreden,
maar ook eveneens is zij eene ongelukafwerende, heilaanbrengende
godin (Soteira). Vooral vrouwen neemt zij onder hare bescherming,
geeft schoonheid en gezondheid aan jonge meisjes en staat de vrouwen
bij in barensnood (Eileithuia); ook doet zij jonge kinderen opgroeien
(Kourotrophos), zooals zij hare zorgen uitstrekt over alles wat in de
natuur jong en zwak is. Hier en daar komt zij voor als verzoenende
en orakelgevende godin, of als godin der schoone kunsten; zelve
vermaakt zij zich met hare nimfen gaarne met den dans, en ook op
den Olympus voert zij den reidans aan. Bijzonder treedt zij op den
voorgrond als godin der jacht (Agrotera), zij begunstigt de jagers
en geeft hun goede vangst, en zelve maakt zij van hare nimfen
vergezeld, op het wild jacht, vooral in de wouden en op de bergen
van Arcadië en Lacedaemon. Voor liefde is zij ontoegankelijk, zij
is en blijft de maagdelijke godin (Earthenos), die alle aanslagen
op hare eerbaarheid streng bestraft en ook bij sterfelijke vrouwen
de kuischheid beschermt. Oorspronkelijk was Artemis eene maangodin
en ook later wordt zij dikwijls voor dezelfde gehouden als Hecate en
Bendis. In de oudste tijden werden haar menschenoffers gebracht, die
later wel afgeschaft werden, maar waarvan op enkele plaatsen altijd
sporen overbleven. Te Sparta bijv. werden jaarlijks voor het altaar
van Artemis Orthia knapen gegeeseld, tot hun bloed op het altaar
spatte. De Grieken zelf beweerden dat de Artemis, die zulke bloedige
offers eischte, de taurische was (Tauropolos), in wier dienst Iphigenia
in Tauris priesteres geweest was en wier beeld en eeredienst Orestes
vandaar naar Griekenland had medegebracht. De ephesische Artemis was
eene aziatische godin, een verpersoonlijking van de voortbrengende
en voedende kracht der natuur. De dienst van Artemis was, evenals die
van Apollo, door geheel Griekenland verbreid. De hond, het hert, het
zwijn, de beer en de kwartel zijn haar gewijd. Zij wordt gewoonlijk
voorgesteld als eene slanke en vlugge jageres, met hoog opgeschorte
kleederen, hooge schoenen, pijl en boog; in hare tempels stonden echter
ook beelden met lange kleederen, die behalve den boog nog een fakkel
droegen. Bij de beelden der ephesische Artemis daarentegen was het
geheele lichaam ingewikkeld als eene mummie en geheel met borsten
bezet, zinnebeeld van de voedende kracht der godin.

Artemisia, Artemisia, feesten van Artemis.

Artemisia, Artemisia, 1) dochter van Lygdamis, koningin van
Halicarnassus, nam met vijf schepen deel aan den tocht van Xerxes
tegen Griekenland, en toonde in den slag bij Salamis veel moed en
beleid.--2) dochter van Hecatomnus, zuster en gemalin van Mausolus,
wiens nagedachtenis zij eerde door de oprichting van een grafmonument,
het Mausoleum, dat onder de zeven wonderwerken der oudheid gerekend
werd. Zij volgde hem in de regeering over Carië op en stierf in 351.

Artemisium, Artemision, kaap en kuststreek in het Noorden van het
eiland Euboea, bekend door den zeeslag tusschen Perzen en Grieken
in 480.

Artolaganum, artolaganon, broodkoek, een gebak, dat bereid werd uit
meel, wijn, melk, olie en peper, en als lekkernij geprezen wordt.

Aruns, Arrouns, etruscisch woord = jongere zoon, bij de Romeinen
eenigszins tot eigennaam geworden. Aldus worden genoemd: een broeder
van Tarquinius Priscus, een broeder en een zoon van Tarquinius
Superbus, een zoon van Porsenna.

Arvales fratres, een romeinsch priestercollegie van twaalf priesters,
wier ambt levenslang was en zelfs door gevangenis of verbanning
niet kon verloren worden. Aan hun hoofd stond een magister collegii,
die voor den tijd van een jaar uit hun midden werd gekozen. In Mei
hielden zij ter eere der Dea Dia (waarschijnlijk Ceres of Tellus),
een plechtig offerfeest, de Ambarvalia (z. a.) waarbij een oud lied in
saturnische versmaat werd gezongen, en dat met een kostbaren maaltijd
werd besloten. Daarbij had een plechtige omgang plaats. Hunne taak
was, zooals Varro zegt: sacra facere propterea ut fruges ferant
arva. Volgens de sage zou Romulus' pleegmoeder, Acca Larentia, twaalf
zonen hebben gehad, en zou Romulus, na den dood van een hunner,
diens plaats hebben ingenomen en de broederschap gesticht hebben. In
het laatst van de republiek hield het college op te bestaan, maar
nadat de dienst een tijdlang door de pontifices was waargenomen,
werd het door Augustus in 21 hersteld. Sinds dien tijd bepaalde de
plechtigheid zich tot een heilig terrein om een tempeltje van Dea Dia,
5 mijlen ten Z. van Rome aan de via Campana gelegen. Hier zijn in
1570 n. C. en later de verslagen van 96 jaarfeesten op marmer gegrift
gevonden, de z.g. acta fratrum arvalium. De fratres droegen bij hun
feest kransen van korenaren.

Arverni, welke naam nog voortleeft in Auvergne, waren een der
hoofdvolken van Gallia. Ze woonden aan den Elaver (Allier) en in
de omliggende bergen, en beheerschten ten tijde van Caesar geheel
westelijk Gallia tusschen Liger en Garumna. Hunne hoofdstad was
Nemossus, later in Augustonemetum herdoopt (z. a.). Het sterke
Gergovia, door Caesar in den strijd tegen Vercingetorix tevergeefs
belegerd, lag ook in hun gebied. Vercingetorix zelf was ook een
Arverner. Bij de reorganisatie onder Augustus werd hun land bij
Aquitania (z. a.) gevoegd.

Arx, akropolis. In ouden tijd had elke aanzienlijke stad eene arx of
acropolis, binnen de muren op eene hoogte gelegen, ten einde bij eene
overrompeling den inwoners een toevluchtsoord te verschaffen. Over
de meeste dezer akropoleis valt niets bizonders te zeggen. Waar iets
bizonders er van te vermelden is, zooals bij die van Athene en Rome,
zie men de plaatsbeschrijving dezer steden.

Arybas of Arybbas, Arybas, vorst der Molossiërs, oom van Olympias,
werd in 342 door zijn neef Alexander van Epirus met de hulp van
Philippus verjaagd. De Atheners beloofden hem hulp, maar konden
die niet verschaffen. Hij heeft lang in Athene geleefd en stierf in
ballingschap. V. a. is hij later naar Epirus teruggekeerd.

Arzanene, Arzanene, landschap van Armenia maior, ten zuiden door den
Tigris begrensd.

As, afgeleid van heis, rom. munt, de waarde van een rom. pond (=
ongeveer 1/3 kilo) koper voorstellende. Oorspronkelijk gebruikte men
vee (pecus) als ruilmiddel. Later kwam het koper in gebruik, eerst in
den vorm van gewichten. Een pond koper (pondo aeris) noemde men as
(één); dit was verdeeld in 12 unciae. Zoo kon het koper, vooral in
kleinere bedragen, het daarvoor minder geschikte vee als ruilmiddel
vervangen. Men noemde het daarom pecunia. De overlevering wil, dat
men reeds in den koningstijd een in een vorm gegoten hoeveelheid
koper van staatswege met een teeken kon laten voorzien, als het
gewicht juist was (aes signatum), zoodat het dan niet meer telkens
behoefde te worden nagewogen. In 430 bepaalde de lex Julia Papiria
(z. a.), dat bij betalingen aan den staat een schaap door tien as
(d. i. 10 pond koper) en een koe door 100 as zou worden vervangen;
vroeger hing de waardebepaling (aestimatio) van het goedvinden der
ambtenaren af. Omstreeks 375 werd de eerste munt te Rome gemaakt,
bestaande in groote koperen schijven, nagenoeg een Romeinsch
pond zwaar, as libralis geheeten. Ze vertoonden op de eene zijde
den voorsteven van een schip, op de andere den kop eener godheid
(Janus). De halve as was meest met een Jupiterskop en aan de keerzijde
weder met een voorsteven gestempeld, en droeg de letter S (semissis)
tot onderscheidingsteeken, terwijl op den geheelen as het merk I was
aangebracht. De overige onderdeelen van den as droegen verschillende
stempels en zooveel ronde knopjes, als zij unciae waard waren. Het
waren de triens = 4 unciae, de quadrans of teruncius = 3 unciae,
de sextans = 2 unciae en de uncia. Omstreeks 268 begon men zilveren
munten te slaan en wel in drie waarden, den denarius (10 as), den
quinarius (5 as), den sestertius (2 1/2 as) z. a.; tot voorbeeld
diende de Attische drachme, waarmede de denarius altijd is gelijk
gesteld. Tevens muntte men een nieuwen as, die slechts een derde
(triens) woog van den oude, den z.g. as trientalis. In 250 werd de as
sextantarius ingevoerd, die een zesde (sextans) van het oude gewicht
bedroeg = 2 unciae, maar den as trientalis moest vervangen, zoodat er
ook van dezen as tien in een denarius gingen. De as werd dus sinds
dezen tijd teekenmunt. In 217 werd het gewicht van den as op 1 ons
gebracht (as uncialis) en gelijk gesteld met 1/16 van een denarius en
1/4 van een sestertius. Inmiddels werden de oude stukken (aes grave),
zoolang ze bestonden, voor een hoogeren prijs verhandeld. Waar in
oude wetten, dus ook in boeten, het woord as voorkwam, werd die niet
gelijkgesteld met den as uncialis, maar als een sestertius (4 as)
berekend. Later werd de as tot op een half ons verkleind, maar de
waarde bleef dezelfde = 1/4 sestertius. Hij diende voortaan als
pasmunt.--Hoewel de as de oorspronkelijke munteenheid was, werden
geldsommen berekend met sestertii. De sestertius (= semistertius,
derdehalf) was eerst, overeenkomstig zijn naam, gelijk aan 2 1/2 as,
doch werd later (in 217) aan 4 as gelijkgesteld. Z. sestertius.

Asander, Asandros, zoon van Philotas, veldheer van Alexander d. G. Hij
werd in 334 stadhouder van Lydië en voltooide de verovering van
Halicarnassus door een grooten slag, waarin hij met Ptolemaeus aan
Orontobates de nederlaag toebracht.--2) zoon van Agathon. Na den dood
van Alex. werd hij stadhouder van Carië, en daar Perdiccas hem die
provincie wilde afnemen, ging hij tot de partij van Antigonus over
(321). Later sloot hij zich weder bij de vijanden van Antigonus aan,
maar moest zich in 313 aan hem onderwerpen.--3) veldheer van Pharnaces
II, koning van Bosporus, dien hij bij de nadering van Caesar liet
dooden om in zijne plaats te regeeren (47). Caesar liet hem afzetten,
doch Augustus gaf hem later de regeering terug.

Asarotum, asaroton, vloer van mozaiekwerk voor een eetzaal, zóó
ingelegd, dat het den schijn had, alsof er allerlei overblijfselen van
een maaltijd op lagen en hij niet was aangeveegd (sairo). Wanneer dan
een der dischgenooten werkelijk iets morste, viel dit niet in het oog.

Asbestus, asbestos (onbrandbaar), asbest of amiant, eene delfstof,
waarvan de vezels zich als vlas laten verwerken en waarvan men in
de oudheid het asbestinum linum vervaardigde, om er de dooden in te
wikkelen, alvorens zij op den brandstapel werden gelegd, opdat hunne
asch niet zou verontreinigd worden door die van het hout. Daar zulke
lijkwaden zeer kostbaar waren, konden slechts de gegoeden zich deze
weelde veroorloven.

Asbolus, Asbolos, een Centaur, die op de bruiloft van Pirithoüs met
de Lapithen vocht en later door Heracles gekruisigd werd.

Ascalaphus, Askalaphos, 1) zoon van Ares en Astyoche, koning der
Orchomeniërs, nam deel aan den Argonautentocht en sneuvelde voor
Troje. V. a. werd hij na de verovering van Troje koning van het
eiland Aretias in de Zwarte zee.--2) zoon van Acheron en Gorgyra of
Orphne. Toen Persephone uit de onderwereld zou vrijgelaten worden,
indien zij er nog niets genuttigd had, verried hij dat zij van een
granaatappel geproefd had. Tot straf begroef Demeter hem onder een
zwaren steen, en toen Heracles hem later daarvan bevrijdde, veranderde
zij hem in een nachtuil.

Ascalon, Askalon, voorname vesting der Philistijnen, later een
belangrijke hellenistische stad, op de kust van Palaestina.

Ascania, Askania, 1) meer en omgeving in Bithynia, bij de stad
Nicaea.--2) zoutmeer in zuidelijk Phrygia tusschen Colossae en
Celaenae.

Ascanius, Askanios, zoon van Aeneas en Creusa, door Vergilius
en anderen ook Ilus of Iulus genoemd, ten einde de afstamming van
Augustus en de gens Iulia uit Aeneas aan te wijzen, werd door zijn
vader uit Trojes ondergang gered en kwam met hem in Latium aan,
waar hij Alba Longa stichtte.

Asciburgium, stad aan den linkeroever van den Rijn, in het gebied
der Gugerni in Belgica. Het ligt tusschen Vetera en Gelduba.

Asciburgius mons, thans het Reuzengebergte.

Asclepiadae, Asklepiadai, priesters en, naar men meende, afstammelingen
van Asclepius. Op Cos, te Cnidus e.e. vormden zij vereenigingen voor
de bestudeering en uitoefening der geneeskunde. Te Rome was het de
algemeene naam voor geneeskundigen.

Asclepiades, Asklepiades, 1) naam van verscheiden
geneeskundigen. Beroemd is de geleerde Ascl. van Prusa in Bithynië,
die omstreeks 50 te Rome zijne kunst uitoefende.--2) van Myrlea,
beroemd grieksch rhetor te Alexandria, en later te Rome (150-50). Hij
heeft een theorie der geschiedbeschrijving samengesteld, waarvan de
grondslag is een soortgelijke indeeling in drieën, als men bij de
rhetorica vindt, en b.v. door Cicero is uitgewerkt en toegepast. Ook
in den keizertijd blijft dit systeem in gebruik.

Asclepiodorus, Asklepiodoros, beroemd schilder, tijdgenoot van Apelles.

Asclepius, Asklepios, Aesculapius, zoon van Apollo en Coronis, dochter
van Phlegyas, of Arsinoë, dochter van Leucippus, geb. in Thessalië,
te Epidaurus of in Messenië. In de oudste gedichten wordt hij
voorgesteld als een heros, die, door Apollo aan Chiron toevertrouwd,
door dezen opgevoed werd en van hem o. a. de geneeskunde leerde,
waarin hij het zoover bracht dat hij niet alleen vele zieken genas,
maar zelfs dooden deed herleven. Toen echter werd hij door Zeus,
die niet wilde dat de menschen geheel van de vrees voor den dood
bevrijd zouden worden, met den bliksem getroffen en, op verzoek
van Apollo, als sterrenbeeld aan den hemel geplaatst. Later werd
Ascl. algemeen vereerd als de genezende god, eene hoedanigheid die
eigenlijk tot het wezen van Apollo behoort, en had hij heiligdommen
in verscheiden plaatsen, vooral zulke die wegens schoone en gezonde
ligging, bronnen e. dgl. veel bezocht werden door hen die genezing
van ziekten zochten. Daartoe legde men zich, na het vervullen van
nauwkeurig omschreven plechtigheden, in of bij den tempel neer, waarop
men in den slaap de gewenschte voorschriften van den god ontving, die
echter meestal door de priesters verduidelijkt moesten worden. Vooral
beroemd was zijn tempel te Epidaurus, rijk begiftigd met de geschenken
van herstelde zieken, waar om de vijf jaar te zijner eer een groot
feest, Asklepieia, gevierd werd; later was Pergamum de hoofdzetel
van zijn eeredienst. De haan, de hond en de geit waren hem gewijd,
maar bovenal de slang, waarmede hij steeds afgebeeld wordt en onder
welker gedaante de god zelf zich soms vertoont. Z. Aesculapius.

Asconius Pedianus (Q.), geboren te Patavium weinige jaren v. C.,
overleden 88 na C., v. a. 76 n. C., schrijver van belangrijke
aanteekeningen op Cicero's redevoeringen. In 1416 heeft men te
St. Gallen een (thans verloren) handschrift gevonden met een gedeelte
zijner aanteekeningen, waaronder echter ook van jonger hand.

Ascra, Askra, stadje in Boeotia, aan den voet van den Helicon,
geboorte- of verblijfplaats van Hesiodus.

Asculum, naam van twee steden in Italia. 1) Asculum (Ausculum)
Apulum, op de grenzen van Apulia en Samnium, waar de Romeinen in
279 door Pyrrhus, koning van Epirus, werden verslagen. (Zie Decii
no. 3). Horatius duidt het plaatsje aan door de woorden: oppidulum
quod versu dicere non est.--2) Asculum Picenum, hoofdstad van Picenum
en romeinsch municipium, in den bondgenootenoorlog verwoest, doch
weder opgebouwd.

Asebeias graphe, aanklacht wegens beleediging en bespotting van door
den staat erkende goden of wegens heiligschennis. Zulke zaken werden
door den archon basileus voor den Areopagus, soms voor de Heliaea
gebracht. De straf was niet bij de wet bepaald.

Asia, Asia, Oceanide, moeder van Prometheus.

Asia, Asia. Deze naam heeft verschillende beteekenissen. Vooreerst
verstaat men er het werelddeel onder, dat van Europa door den Tanaïs
(Don), de Palus Maeotis (zee van Azow) en verder door zeeën was
gescheiden, en slechts voor een klein gedeelte bekend was. Als
scheiding tusschen de werelddeelen Azië en Afrika werd eerst het
Nijldal, later de Arabische golf beschouwd. De ouden spraken van
Beneden- en Boven-Azië, en namen dan als scheiding den stroomloop van
den Halys of wel het Taurusgebergte met den Antitaurus aan (ta kato en
ta ano Asias, Asia he entos en ektos tou Halyos of tou Taurou). Het
oudst bekende gedeelte omvatte niet veel meer dan het oude perzische
rijk; de tochten van Alexander den Grooten brachten eenige meerdere
kennis omtrent India aan. In de vierde eeuw na C. sprak men van Asia
minor en maior. Asia minor, thans Anatolië of Natolië, omvatte het
groote vooruitspringende schiereiland, dat ten N. door den Pontus
Euxinus, ten W. door de Aegaeïsche zee, ten Z. door de Middellandsche
zee tot aan de golf van Issus werd omspoeld. Al wat daarachter lag,
was Asia maior.

De romeinsche provincie Asia was ontstaan door het testament van den
laatsten koning van Pergamus, Attalus III, die in 133 zijn rijk en
zijne schatten aan het romeinsche volk naliet. Zij omvatte in het eerst
de volgende landschappen: Mysia met Aeolis, Lydia met Ionia, Caria met
Doris (129). Eenige jaren later (116) werd Phrygia er aan toegevoegd,
dat wel tot Pergamus had behoord, doch eerst aan Mithradates V van
Pontus was afgestaan. Onder keizer Vespasianus werden ook Rhodus en
Lycia ingelijfd. Asia werd eerst door propraetors bestuurd, doch werd
later eene proconsulaire provincie. Ephesus was de hoofdstad.

Tijdens keizer Traianus omvatte het romeinsche gebied in Azië de
volgende gewesten: 1 de bovengenoemde provincie Asia, 2 Bithynia, 3
Paphlagonia, 4 Galatia, 5 Lycaonia, 6 Pisidia, 7 Lycia, 8 Pamphylia,
9 Cilicia, 10 Cyprus, 11 Cappadocia, 12 Pontus, 13 Armenia minor,
14 Armenia, 15 Mesopotamia (noordwestelijk gedeelte), 16 Commagene,
17 Syria met inbegrip van Phoenice en Judaea, 18 Arabia Petraea,
die echter niet alle afzonderlijke provinciën vormden. Bij de latere
indeeling van het rom. rijk in 116 provinciën werd de oude provincie
Asia in zeven deelen gesplitst, waarvan Asia proconsularis de westkust
bevatte van de golf van Adramyttium af tot aan den Maeander.

Asia prata, Asios leimon, ook wel Asia palus geheeten, de vruchtbare
vlakte in Lydia, die door den Cayster doorsneden wordt, ten Zuiden
van den berg Tmolus.

Asinarus, Asinaros, rivier op Sicilia, een eind bezuiden Syracusae,
bij welke de Atheners in 413 door de Syracusanen en den Spartaan
Gylippus verslagen werden en Nicias zich moest overgeven.

Asine, Asine, 1) stad aan de Argolische golf.--2) stad aan de
Messenische golf, gesticht door de dryopische bewoners van no. 1,
die uit hunne woonplaats waren verdreven.--3) kustplaats in Laconia,
bij Gytheum.

Asinii, 1) C. Asinius Pollio, uit Teate Marrucinorum afkomstig,
geboren 75 v. en gestorven 5 n. C., was als geschiedschrijver,
als treurspeldichter, als redenaar en als criticus een der meest
gevierde mannen van zijn tijd. Het meest bekende en belangrijkste
was zijn werk over de burgeroorlogen, waarin hij nu en dan belangrijk
schijnt afgeweken te zijn van de officieele lezing. In den burgeroorlog
tusschen Pompeius en Caesar had hij de partij van den laatste omhelsd,
en bij Pharsalus, in Africa en Hispania gestreden. Na Caesars dood
behoorde hij tot de republikeinsche partij en sloot hij zich noch
rechtstreeks bij Antonius, noch bij Octavianus aan, maar poogde door
zijne bemiddeling botsingen te voorkomen. In Gallia Cisalpina belast
met de landverdeeling onder de veteranen van Octavianus, bezorgde
hij aan zijn vriend Vergilius tijdelijk diens landgoed terug. In 39
behaalde hij als proconsul eene overwinning op de Parthini in Illyria,
doch onttrok zich na zijn zegetocht aan het staatkundig leven, hoewel
hij als lid van den senaat aan diens werkzaamheden ijverig deel bleef
nemen. Pollio stichtte te Rome de eerste openbare bibliotheek, en
evenals Maecenas trad hij op als beschermer van jeugdige talenten. Van
zijne vele werken is niets tot ons gekomen.--2) C. Asinius Gallus,
zoon van den vorigen, huwde met Vipsania Agrippina, de gescheiden
echtgenoote van Tiberius. Door zijne vrijmoedigheid beleedigde hij
den keizer, werd gevangen genomen en stierf in 33 n. C., vrijwillig
of gedwongen, den hongerdood. Hoewel hij niet zijns vaders talenten
schijnt te hebben bezeten, had hij toch eene groote voorliefde voor
de beoefening der wetenschappen.

Asisium, tgw. Assisi, klein plaatsje in Umbria, ten O. van Perusia,
geboorteplaats van Propertius.

Asius, Asios, van Samus, een van de oudste grieksche elegische
dichters.

Askolia, een spel dat op den tweeden dag der kleine Dionysusfeesten
in Attica gespeeld werd; het bestond daarin, dat men op een opgeblazen
en met olie glibberig gemaakten zak hinkte (askolizein, askoliazein),
die van het vel van een aan Dionysus geofferden bok gemaakt was.

Asopiades, Aeacus, de kleinz. van Asopus.

Asopis, Asopis, Aegma, de dochter van Asopus.

Asopus, Asopos, 1) rivier die bij Phlius ontspringt, door de vlakte
van Sicyon loopt en in de Corinthische golf valt.--2) rivier die bij
Plataeae ontspringt, door Boeotië loopt en op attisch gebied in de
Euboeïsche zee valt, de grens tusschen het gebied van Plataeae en
van Thebae.--3) riviertje bij de Thermopylae.--4) stad in Laconica,
aan den oostkant van de Laconische golf, met een beroemden tempel
van Asclepius.--5) de stroomgod van een der beide eerstgenoemde
rivieren. Hij was de zoon van Oceanus en Tethys en bij Metope de vader
van twee zoons en twaalf of twintig dochters, die bijna allen namen
dragen van steden, in de nabijheid dier rivieren gelegen. Vele zijner
dochters werden door goden ontvoerd, bijv. Aegina door Zeus. Toen
Asopus deze dochter zocht en van Sisyphus vernomen had, wie haar
geroofd had, vervolgde hij Zeus en wilde hij met hem strijden, maar
Zeus verjoeg hem met den bliksem, waardoor hij in zijn bedding werd
teruggedreven.

Asparagium, stad in Illyria, nabij Dyrrhachium,

Aspasia, Aspasia, 1) van Miletus, dochter van Axiochus, kwam naar
Athene en wist daar door hare schoonheid, verstand, geestigheid en
bekwaamheden ieders aandacht te trekken. De voornaamste mannen, ook
Socrates, zochten haar omgang, en Pericles verstiet om harentwille
zijne gemalin. Door hem oefende zij, naar men zeide, ook op de
staatszaken grooten invloed uit, het is echter slechts scherts
wanneer Aristophanes beweert dat zij den oorlog met Samus en den
peloponnesischen oorlog veroorzaakt zou hebben. De vijanden van
Pericles klaagden haar aan van asebeia, maar zijne welsprekendheid,
die zich bij deze gelegenheid in al hare kracht vertoonde, bewerkte
dat zij vrijgesproken werd. Na zijn dood huwde zij met den demagoog
Lysicles, die door haar grooten invloed kreeg.--2) van Phocaea,
dochter van Hermotimus, eigenlijk Milto geheeten, minnares van den
jongeren Cyrus, die haar om hare schoonheid en verstand den naam
Aspasia gaf. Na den slag bij Cunaxa viel zij in handen van Artaxerxes,
en toen zijn zoon Darius haar aan hem betwistte, maakte hij haar
priesteres van Anaitis. V. s. was dit de reden waarom Darius tegen
zijn vader opstond, wat hij met zijn leven boette.

Aspasii, Aspasioi, indisch volk ten N. van den Cophen, daar, waar de
Choaspes er in uitstroomt.

Aspendus, Aspendos, welvarende stad in Pamphylia, aan den Eurymedon,
oorspronkelijk eene argivische volksplanting.

Asphaltites lacus, de Doode zee in het zuiden van Palaestina, waarin
zich de Jordaan stort.

Asphodelus, asphodelos, een plant met kleine knollen aan den wortel,
die in de oudste tijden, en later nog door de armen, gegeten
werden. Men plantte ze op de graven en meende dat zich door de
onderwereld een groot stuk land uitstrekte dat daarmede beplant was.

Aspis, z. Clipeus.

Aspis, Aspis, kaap en stad, oostelijk van Carthago, gesticht door
Agathocles, den tyran van Syracuse, in den eersten punischen oorlog
tijdelijk door de Romeinen bezet (256) en sedert Clupea genoemd. In
46 werd het tegelijk met Carthago Romeinsche kolonie.

Aspledon, Aspledon, oude stad der Minyers in Boeotia, ten Noorden
van het meer Copaïs.

Asprenas (L. Nonius), schoonzoon van Varus en een der weinigen, die
uit den slag in het Teutoburgerwoud ontkwamen. Later (in 14 n. C.) was
hij proconsul van Africa. Hij was een groot vriend van Augustus.

Assa, Assera, Assa, Assera, stad op Chalcidice, aan de Singitische
golf.

Assaceni, Assakenoi, indische stam in het Indus-gebied, aan de
Westzijde, ten N. van den Cophen, verwant met de Astaceni.

Assaracus, Assarakos, zoon van Tros, overgrootvader van Aeneas.

Asser, in het algemeen een balk of boom of dikke lat, b.v. de
draagboomen van een draagstoel, doch altijd een bewerkt en geen ruw
stuk hout. De asser in den zeestrijd was een aries in het klein,
een balk, die aan touwen in het want hing en door zijn beuken het
want of den romp van het vijandelijk schip moest vernielen.

Assertor. In eene causa liberalis, d.i. een geding over de vraag,
of iemand vrij of slaaf was, kon de persoon, wiens vrijheid betwist
werd, niet als zijn eigen verdediger optreden. Hiertoe was een assertor
noodig, iemand, die rechtspersoonlijkheid bezat en staande hield, dat
de betwiste persoon een vrije was, bij welke verklaring hij zijne hand
of een staf (festuca of vindicta geheeten) op diens hoofd legde. Dit
komt voor bij de manumissio vindicta; voor assertor fungeerde vaak een
lictor (zie manumissio no. 1). Vanhier de uitdrukking aliquem manu
asserere in libertatem = iemands vrijheid verdedigen. Ook asserere
in servitutem, een als vrij beschouwd man als zijn slaaf opeischen.

Assessor. Wanneer te Rome aan iemand werd opgedragen, als iudex in
eene rechtzaak uitspraak te doen, eischte de gewoonte, dat hij eenige
vrienden uitnoodigde, de zitting bij te wonen en hem als consilium met
hun raad bij te staan. Evenzoo vormden de stadhouders in de provinciën
bij hunne rechtspraak een consilium uit hunne officieren. Onder de
keizers evenwel kwam meer en meer de geheele rechtspraak in handen der
overheden, die geregeld een vasten bijzitter kozen, assessor geheeten,
gewoonlijk een rechtskundige, die de geheele zaak instrueerde, en
het vonnis opstelde.

Assesus, Assesos, stad in Ionia, bij Miletus, met een Athena-tempel.

Assidui, gezeten burgers, werden te Rome die burgers geheeten,
die in eene der vijf classes waren ingeschreven, in tegenstelling
der proletarii.

Assignationes viritanae, zie Colonia no. 2.

Assorus, Assoros, stad op Sicilia, ten N.O. van Henna.

Assus, Assos, aeolische stad aan de Zuidkust van Troas, beroemd door
voortreffelijke tarwe en door eene steensoort, lapis Assius, die de
voorwerpen deed versteenen en daarom sarkophagos genoemd werd. Men
maakte er o. a. lijkkisten van.

Assyria, Assyria. Onder dezen naam kan men vooreerst het groote
oud-assyrische rijk verstaan, dat eenmaal zich over Armenia, Media,
Persis, Babylonia, Mesopotamia, Syria, Phoenice en Palaestina
uitstrekte en 672-656 zelfs over Aegypte heerschte, doch vervolgens
uiteenspatte en omstreeks 606 met de verwoesting der hoofdstad
Niniveh te gronde ging. Zie Ninus.--Het landschap Assyria in engeren
zin omvatte ongeveer de streek tusschen den Tigris en het Zagrus-
of Choatrasgebergte ten W. en ten O., en Babylonia en Armenia
ten Z. en ten N. Na den val van het oud-assyrische rijk maakte het
achtereenvolgens een deel uit der medische, perzische, macedonische,
syrische, parthische en nieuw-perzische rijken.

Asta, 1) stad in Liguria, rom. kolonie, aan den Tanarus, een zijtak
van den Padus (Po). Tegenwoordig Asti.--2) rom. kolonie in Baetica,
nabij Gades (Cadix).

Astaboras, Astaboras, thans Atbara, zijtak van den Nijl, in Aethiopia.

Astaceni, Astakenoi, indisch volk, aan den benedenloop van den Cophen,
verwant met de Assaceni.

Astacus, Astakos, 1) stad in Acarnania aan de Ionische zee.--2)
megarensische kolonie in Bithynia, aan een inham der Propontis; zij
werd door de Atheners versterkt en Olbia genoemd, door Lysimachus
verwoest, doch door Nicomedes I herbouwd en onder den naam van
Nicomedea tot de prachtige hoofdstad van Bithynia gemaakt.

Astapa, Astapa = Ostippo.

Astapus, Astapous, zijtak van den Nijl in Aethiopia. Tusschen dezen
en den Astaboras ligt het schiereiland Meroe.

Astarte, Syria dea, Astarte, Syria theos, phoenicische godin, die
in het Oosten hoog vereerd werd; vooral bekend is haar tempel te
Tyrus. De Grieken vergeleken haar met Aphrodite.

Asteria, Asteria, dochter van Coeüs en Phoebe. Om aan de liefkoozingen
van Zeus te ontkomen, stortte zij zich, in de gedaante van een kwartel,
in zee en veranderde in een eiland, dat eerst haar naam droeg, later
Ortygia, en eindelijk Delus genoemd werd.

Asterion, Asterion, zoon van Teutamus, koning van Creta, die met
Europa huwde en hare kinderen, Minos, Radamanthys en Sarpedon, als
de zijne opvoedde.

Asterope, Asterope, z. Aesacus.

Astrabacus, Astrabakos, een oud-laconisch heros. De spartaansche
koning Demaratus was, volgens het verhaal zijner moeder, een zoon
van Astrabacus of van Aristo.

Astraea, Astraia, dochter van Zeus en Themis of van Astraeus en Eos,
godin der gerechtigheid, die in de gouden eeuw op aarde onder de
menschen leefde. In de zilveren eeuw verscheen zij nog nu en dan,
maar toen de verdorvenheid der menschen toenam, verliet zij, hoewel
later dan alle andere goden, eindelijk ook de aarde en bleef sedert,
als het sterrenbeeld de Maagd, aan den hemel.

Astraeus, Astraios, zoon van Crius en Eurybia, echtgenoot van Eos,
vader der winden en sterren.

Astragaloi, dobbelsteenen met vier vlakke zijden en aan twee kanten
rond. De vlakke zijden waren met oogen gemerkt, zoodat 1 en 6, 3 en 4
tegenover elkander stonden. Men wierp met vier steenen; de beste worp,
wanneer 1, 3, 4 en 6 boven lagen, heette Aphrodite, Midas, Herakles, de
slechtste, wanneer alle vier éénen boven lagen, heette kyon. Zie Alea.

Astynomoi, overheidspersonen die te zorgen hadden voor politie,
straatreiniging, handhaving der bouwverordeningen, enz. Te Athene
waren er tien, vijf voor de stad en vijf voor den Piraeus. Ze komen
sinds de 4de eeuw voor.--Ook bijnaam van verschillende goden als
beschermers der steden.

Astura, riviertje in Latium, met eene gelijknamige stad aan den mond
er van.

Asturia, Astouria, landstreek in het Noorden van Tarraconensis, met
de hoofdstad Asturica Augusta (Astorga). De Astures waren een woest
bergvolk, in het tegenw. Asturië en noordelijk Leon.

Astyages, Astyages, zoon van Cyaxares, laatste koning der Mediërs
(585-550), grootvader van Cyrus, die hem van den troon stiet en het
perzische rijk stichtte, z. Alyattes.

Astyanax, Astyanax, zoon van Hector en Andromache. Zijn eigenlijke
naam was Scamandrius, maar ter eere van zijn vader noemde het volk
hem Astyanax (heer der stad). Na de verovering van Troje werd hij,
hoewel nog een kind, van den muur geworpen.

Astydamas, Astydamas, 1) zoon van Morsimus. Hij zou 240 treurspelen
gedicht hebben, waarvan 15 den eersten prijs behaalden. In zijn
jeugd was hij een leerling van Isocrates.--2) zoon van den vorigen,
treurspeldichter.

Astydamea, Astydameia, gemalin van Acastus.

Astyoche, Astyoche, dochter van Actor, moeder van Ascalaphus en
Ialmenus.--2) dochter van Laomedon, gehuwd met Telephus. Omgekocht
door een gouden wijnstok, overreedde zij haar zoon Eurypylus, aan de
verdediging van Troje deel te nemen.

Astypalaea, Astypalaia, stad en eiland der Sporaden, in de Aegeïsche
zee ten O. der Cycladen.

Astyra (gen. ae), ta Astyra, stad in Mysia bij Antandrus, aan de golf
van Adramyttium met een tempel van Artemis Astyrene. Ook een plaatsje
bij Abydus.

Asylia, door de wet gewaarborgde veiligheid voor slaven en misdadigers,
gewl. verbonden aan het verblijf in zekere tempels of heiligdommen. In
den keizertijd werd dit recht, dat aan vele tempels toekwam, omdat het
tot misbruiken aanleiding gaf, beperkt en gedeeltelijk opgeheven. Ook
werd soms van staatswege aan vreemdelingen asylia verzekerd, waardoor
zij evenzeer als de burgers tegen aanvallen op hun persoon en eigendom
beschermd waren.

Atabulus, naam in Apulia voor den uit Afrika overwaaienden verzengenden
Sirocco (Zuidenwind).

Atabyris, Atabyrius, Atabyris, Atabyrion oros, hooge berg op het
eiland Rhodus, met een beroemden tempel van Zeus Atabyrius.

Atagis, zie Athesis.

Atalante, Atalante, uit Arcadië, dochter van Iasus en Clymene. Haar
vader, die liever een zoon gehad had, liet haar terstond bij hare
geboorte te vondeling leggen; zij werd door eene berin gezoogd,
groeide op te midden van jagers en werd zelve eene buitengewoon vlugge,
sterke en moedige jageres. Zij nam deel aan de calydonische jacht
en bracht aan het zwijn de eerste wond toe; op grond daarvan kende
Meleager, die door hare schoonheid getroffen was, haar den prijs der
overwinning toe, en Atalante, hierdoor gestreeld, stemde er in toe
zijne vrouw te worden, terwijl zij vroeger tal van huwelijksaanzoeken
had van de hand gewezen. Ook aan den Argonautentocht zou zij hebben
deelgenomen of willen deelnemen.--V. a. was het niet Meleager, maar
Milanion, die door zijn trouwe liefde haar hart wist te winnen, hoewel
zij ook voor hem lang koud bleef.--V. a. was Atalante de dochter van
den boeotischen koning Schoeneus, en had zij verklaard alleen hem te
zullen huwen, die haar in den wedloop zou overwinnen. Reeds velen
hadden den strijd gewaagd, maar waren overwonnen en gedood, totdat
Milanion of Hippomenes door de hulp van Aphrodite de overwinning
behaalde. De godin had hem namelijk drie gouden appels gegeven,
waarvan hij onder het loopen telkens een voor de voeten van Atalante
wierp; deze bukte om de prachtige kleinoden op te rapen, maar verloor
daardoor zooveel tijd, dat haar minnaar, voor wien zij intusschen
zelve ook liefde had opgevat, het eerst het doel bereikte.--Atalante
en haar echtgenoot werden later in leeuwen veranderd, omdat zij een
aan Cybele gewijd bosch ontheiligd hadden. Hun zoon was Parthenopaeus.

Atalante, Atalante, 1) eilandje op de kust van Locris, nabij de stad
Opus.--2) rotseilandje ten Oosten van Salamis.--3) stad in Macedonia
aan den Axius.

Atanagrum, stad der Ilergetes in Tarraconensis, door Scipio in 218
verwoest.

Atarantes, Atarantes, volksstam in het midden van Africa, tusschen
de Garamantes en de Atlantes.

Atarbechis, Atarbechis, stad in Beneden-Aegyptus, in de landstreek
Prosopitis, met een beroemden tempel der aegyptische Aphrodite
(Hathor).

Atargatis, z. Dercetis.

Atarneus, Atarneus, stad op de kust van Aeolis tegenover Lesbus,
op den berg Cane. Aristoteles vertoefde hier eenigen tijd (348-345)
bij den tyran Hermeas.

Atax, Atax, thans Aude, een kustriviertje, dat zich in den sinus
Gallicus (golf v. Lyon) stort. Aan den Atax lagen de steden Carcaso
(Carcassonne) en Narbo Martius (Narbonne). De bewoners, die tot
de Volcae Tectosages behoorden, werden naar de rivier ook Atacini
genoemd, zooals de letterkundige P. Terentius Varro Atacinus, die in
82 te Narbo geboren werd.

Ate, Ate, dochter van Zeus of van Eris, godin der blinde drift, die
eens zelfs Zeus tot een onberaden eed verleidde. Tot straf werd zij
van den Olympus op aarde geslingerd, waar zij met lichten tred over
de hoofden der menschen zweeft, terwijl zij hen tot kwaad verleidt,
maar hen straft wanneer zij het bedreven hebben.

Ateii. 1) C. Ateius Capito, naam van een volkstribuun, die het den
consuls C. Pompeius en M. Licinius Crassus in hun tweede consulaat
(55) zeer lastig maakte en later door den censor App. Claudius Pulcher
(zie Claudii no. 15) berispt werd wegens leugenachtige auspicia.--2)
C. Ateius Capito, beroemd rechtsgeleerde te Rome ten tijde van Augustus
en Tiberius. Hij stichtte eene rechtsgeleerde school, die niet minder
vermaard werd dan die van zijn tegenstander Q. Antistius Labeo. Terwijl
Labeo aan de rechtsstudie eene meer philosophische richting gaf en den
strengen geest der oud-rom. wetgeving huldigde, was Capito's richting
meer historisch en nam hij meer het gewoonterecht tot grondslag, zooals
het zich in den loop der tijden had ontwikkeld. Zie Sabiniani.--3)
Ateius, bijgenaamd Praetextatus, een atheensch letterkundige van naam,
een vriend van Asinius Pollio en van Sallustius.

Ateleia, vrijstelling van alle of van bepaald aangewezen diensten of
betalingen ten behoeve van den staat, vooral van liturgieën.

Atella, oud-oscische stad in Campania tusschen Capua en Neapolis,
later romeinsch municipium, vooral bekend door de Atellanae fabulae.

Atellanae fabulae, ook wel Osci ludi genoemd, eene soort van landelijke
kluchtspelen, waarin boert en spot den boventoon voerden. Zij werden
meestal opgevoerd in de volkstaal of in een plattelandsdialect, dikwerf
grof en plomp; het doel was dan ook niet fijn of geestig te wezen,
maar de toeschouwers te laten lachen. Zij kunnen vergeleken worden met
Jan Klaassen- of Harlekijnskluchten. Er kwamen eenige vaste rollen
in voor, zooals Maccus, een domme, vraatzieke hansworst of Pierrot,
Pappus, een soort van vader Pantalon, enz. In den beginne waren het
slechts schetsen, die op het tooneel door improvisatie verder werden
uitgewerkt; later werden ook uitgewerkte stukjes geschreven. Soms
werden zij ook als nastukjes (exodia) na een drama gegeven. In de
Atellanae als speler op te treden, werd den rom. burger niet onwaardig
geacht; zij werden opgevoerd door vrijgeboren rom. jongelieden.

Aternia Tarpeia (lex) de multis, 454, van de consuls M. Aternius Varus
Fontinalis en Sp. Tarpeius Montanus Capitolinus, dat het aan alle
magistraten zou vrijstaan, boeten tot een zeker bedrag in vee op te
leggen, terwijl hoogere boeten alleen door de comitia tributa konden
worden opgelegd. De multa suprema was 2 schapen en 30 ossen. Voor
de boete in vee werd in 430 door de lex Iulia Papiria (z. a.) eene
evenredige geldboete in de plaats gesteld.

Aternum (ook Ostia Aterni geheeten) aan de Adriatische zee, havenstad
der Marrucini, Vestini en Peligni, drie kleine stammen tusschen
Picenum en Samnium.

Aternus, riviertje, dat bij Aternum in zee valt.

Atesis = Athesis.

Ateste, rom. kolonie in het land der Veneti, aan de Athesis (Etsch)
gelegen. Thans Este.

Athamania, Athamania, landstreek in Epirus op de grenzen van Thessalia,
met de hoofdstad Argithea. De Athamanes, Athamanes, stonden op een
zeer lagen trap van beschaving.

Athamantiades, Athamantiades, Palaemon, zoon van Athamas.

Athamantis, Athamantis, Helle, dochter van Athamas.

Athamas, Athamas, zoon van den thessalischen Aeolus, koning van
Orchomenus in Boeotië. Hij was gehuwd met de godin Nephele en had bij
haar twee kinderen, Phrixus en Helle; hij nam echter nog eene andere
vrouw, Ino, de dochter van Cadmus, waarom Nephele hem verliet. Ook Ino
kreeg bij Ath. twee kinderen, Learchus en Melicertes, voor de kinderen
van Nephele was zij echter eene slechte stiefmoeder en zelfs bewoog
zij Ath. hen aan Zeus Laphystius te offeren, maar Nephele zond hun
een ram met gouden vacht, waarmede zij uit het land vluchtten. Toen
dit offer alzoo mislukt was, zoude Ath. zelf geofferd worden, maar ook
dit werd door Heracles belet (z. Cytissorus). Later werd hij door Hera,
die vertoornd was op Ino, omdat zij Dionysus had opgevoed, zoo razend
gemaakt, dat hij Learchus doodsloeg en Ino voor hem moest vluchten
en zich met Melicertes in zee stortte. Met bloedschuld beladen moest
Ath. vluchten, hij vestigde zich in Phthiotis, huwde met Themisto,
die hem vier kinderen schonk, en stichtte de stad Halus.

Athanagia = Atanagrum.

Athanasius, geb. te Alexandrië in 295 n. C., nam aan het concilie van
Nicaea (325 na C.) een zóó werkzaam aandeel, dat hij in 326 benoemd
werd tot opvolger van Alexander als bisschop van Alexandrië. Toen hij
tegen het bevel van keizer Constantijn den tot ketter verklaarden
Arius uit de kerk weerde, werd hij verbannen. Na 's keizers dood
keerde hij naar Alexandrië terug, doch werd door den nieuwen keizer
Constantius andermaal in ballingschap gezonden. Door bemiddeling van
den bisschop van Rome, Julius I, werd hij in zijn ambt hersteld, doch
later voor de derde maal gebannen, tot hij eindelijk, onder Jovianus,
voor goed terugkwam (366 n. C.). Hij stierf te Alexandrië in 373. Hij
heeft vele geschriften nagelaten, waarvan sommige voor de geschiedenis
van zijn tijd belangrijk zijn.

Athanatoi, eene keurbende van 10,000 man in het perzische leger,
zoo genoemd omdat zij, wanneer er iemand aan ontviel, terstond weder
voltallig gemaakt werd door anderen, die te voren daarvoor waren
aangewezen.

Athena, Athenaia, Athena, Pallas Athene, Minerva, oorspronkelijk
waarschijnlijk eene godin van den aether, wier dienst in verband
stond met dien van Poseidon, en die uit het meer of de rivier Triton
ontstaan was (Tritogeneia). Volgens de gewone voorstelling was zij
de dochter van Zeus, uit wiens hoofd zij volwassen en gewapend te
voorschijn kwam, nadat hij zijne eerste gemalin, Metis, verslonden
had. Als een van de machtigste wezens der godenwereld, oefent zij op
velerlei wijze een heilrijken invloed op het menschdom uit. Vooreerst
is zij de onoverwinnelijke godin van den oorlog (Atrytone), die
staten en individuen in den rechtvaardigen strijd helpt; zij geeft
haren beschermelingen den moed en het beleid, die hun de overwinning
verzekeren, en betreedt in het heetste van het gevecht dikwijls
zelve het slagveld, waar dan alles voor haar moet wijken, en zelfs
andere godheden, die het wagen haar te weerstreven, het veld voor haar
moeten ruimen. De grootste helden staan onder hare bescherming en de
steden verdedigt zij tegen de aanvallen der vijanden (Rhysiptolis,
Promachos, Polias, Akraia). De krijgstrompet, de fluit en de wapendans
Pyrriche zijn door haar uitgevonden. Vervolgens is zij de godin van
alle wetenschappen, kunsten en handwerken (Ergane), en bevordert zij
landbouw en nijverheid door allerlei vindingen. Zoo is de ploeg en de
hark door haar uitgevonden, zoo heeft zij den menschen geleerd hoe zij
het vuur moeten gebruiken, hoe zij paarden kunnen temmen en voor den
wagen spannen (Hippia), zoo bouwt zij voor Danaus het schip waarmede
hij naar Griekenland vlucht en is zij behulpzaam in het bouwen van
de Argo; ook het spinnen en weven behoort tot hare werken, en het
grootste geschenk, dat de Atheners haar jaarlijks brengen, is een
kunstig bewerkt kleed (peplos). Alles wat eene beschaafde maatschappij
kenmerkt staat onder hare hoede; den staat, zijne onderdeelen en
grondslagen, recht en wet, beschermt zij, en vandaar ook rechtbanken
en volksvergaderingen (Boulaia, Agoraia, Phratria); zij zelve heeft te
Athene de rechtbank van den Areopagus ingesteld.--Over het algemeen is
zij de beschermgodin van hen die door verstand, bekwaamheid en overleg
uitmunten; zij zelve bezit die eigenschappen in de hoogste mate, daar
zij als het ware de gepersonifiëerde wijsheid van Zeus is.--Eindelijk
geeft zij, als godin van den zuiveren aether, gezondheid en weert
zij ziekten af (Hygieia, Paionia).--De dienst van Athena was door
geheel Griekenland verbreid, maar nergens werd zij hooger vereerd
dan te Athene, de naar haar genoemde stad, waar alle instellingen of
van haar afkomstig waren, of tenminste door haar in stand gehouden
werden. Zelfs wordt het geheele land Attica als het eigendom der godin
beschouwd. Wel had aanvankelijk ook Poseidon erop aanspraak gemaakt,
maar toen Zeus beslist had dat het land gegeven zou worden aan dengene,
die het met het nuttigste geschenk zou begiftigen, schiep Poseidon het
paard, Athena den olijfboom, en de goden kenden haar de overwinning
toe. Sedert dien tijd is de olijfboom haar boven alles geheiligd,
van de dieren zijn de uil, de haan en de slang aan haar gewijd.--Zij
wordt meestal afgebeeld met eene eenigszins mannelijke gestalte,
met heldere en ernstige gelaatstrekken, dikwijls draagt zij schild,
helm en lans en is zij met de Aegis bekleed.

Athenae, Athenai, hoofdstad van Attica, door de Atheners to asty
geheeten, tegenover he polis (akropolis), de burcht. De oudste
nederzetting is waarschijnlijk op de acropolis geweest. Daar
zijn nog de overblijfselen gevonden van een koningspaleis uit den
Myceenschen tijd. De burcht zelf was versterkt met een muur, uit
onbewerkte rotsblokken opgetrokken. De stad breidde zich eerst uit
ten Zuiden (Kydathenaion), en ten Westen (z. Pelasgikon, Pelargikon,
(teichos)), en sedert den tijd der Pisistratiden ten Noorden van de
Acropolis, in den Kerameikos, waar door Pisistratus de nieuwe markt
ten Noorden van den Areopagus werd aangelegd (de oude markt lag ten
Z. daarvan). Hoe de stad er overigens vóór de perzische oorlogen
uitzag, is ons onbekend; doch zelfs in zijn bloeitijd was Athene
niet, wat wij eene fraaie stad zouden noemen. De straten waren niet
breed, niet regelmatig, en de huizen muntten niet uit door prachtige
gevels. Er was echter te Athene aan openbare gebouwen meer schoons te
zien, dan in eenige andere stad van Griekenland. De stad zelve was in
onregelmatig ronden vorm gebouwd. In het midden lag de akropolis,
de oude burcht, oudtijds Kranae, de ruwe rots, later Kekropia,
vervolgens eenvoudig acropolis geheeten. Deze rots, ongeveer 150 voet
hoog, was slechts aan de Westzijde toegankelijk, overigens steil
en nog bovendien aan den Noordkant door de zoogenaamde pelasgische
muren, aan de Zuidzijde door den muur van Cimon versterkt. Om op
de acropolis te komen, moest men eerst twee poorten doorgaan, dan
stond men voor de prachtige Propylaea, ta Propylaia, op voorstel van
Pericles door den bouwmeester Mnesicles gebouwd. In het midden liep
een rijweg opwaarts, aan weerszijden daarvan een marmeren trap van 64
treden. Zóó kwam men in het voorportaal van den burcht. De voorgevel
van dit portaalgebouw werd gedragen door zes reusachtige dorische
zuilen, die vijf doorgangen vormden, terwijl ter weerszijden van den
middenweg drie ionische zuilen de zoldering schraagden. Vijf deuren
scheidden dit eerste portaal van een tweede, dat iets hooger lag en
kleiner was en weder in eene rij van zes dorische zuilen eindigde en
zóó tot het vlak van den heuvel toegang gaf. Dit prachtwerk, geheel
van marmer, kostte meer dan 2000 talenten en vijf jaren tijds. Op
het heuvelvlak had men dan aan de rechterhand het Parthenon, den
tempel der maagdelijke Pallas Athena, onder opzicht van Pericles
door Callicrates en Ictinus gebouwd, ruim 200 voet lang en 100 voet
breed, met acht dorische zuilen in het front en zeventien in de lange
zijden (z. fig. vorige pag.). Gevelveld en friezen waren met heerlijk
beeldhouwwerk versierd, dat tafereelen uit het leven der godin en den
grooten optocht bij de feesten der Panathenaeën voorstelde. De hier
bijgevoegde plattegrond geeft eene voorstelling van de inrichting des
tempels. (A) is de omringende zuilengang, het peristylium, peristasis,
(B) de pronaos, tusschen welks zes zuilen ijzeren hekken aangebracht
waren, waarachter wellicht tempelgeschenken werden tentoongesteld,
(C) is de 100 voet lange cella, hekatompedos neos waar in (a) het
beeld der godin stond, terwijl men niet alleen aan de twee lange
zijden, maar ook aan de achterzijde (op de teekening niet aangegeven)
ionische zuilen vond in twee stellingen boven elkaar. Het beeld der
godin, 12 meter hoog, uit goud en ivoor bewerkt, was het meesterwerk
van Phidias. Op de uitgestrekte rechterhand droeg zij het zes voet
hooge gevleugelde beeld der Overwinning. De gouden mantel der godin
werd omstreeks 300 door zekeren Lachares, volksmenner en vervolgens
tyran te Athene, geroofd. Afgesloten van de cella (de twee deuren,
op de teekening aangegeven, zijn uit het christelijk tijdperk)
was het opisthodomos, dat verdeeld was in het eigenlijke Parthenon
(D), ook Megaron genoemd, waarin de schatten van de godin en van
de andere goden bewaard werden, en het eigenlijke opisthodomos
(E), waarin zich de staatsschat bevond. Het Parthenon werd in het
christelijk tijdperk in een kerk der maagd Maria en door de Turken
in eene moskee herschapen. In 1687, in den oorlog tusschen de
Turken en de republiek Venetië, vloog een gedeelte van den tempel,
door de Turken als kruitmagazijn gebruikt, door eene bom uit de
venetiaansche batterijen in de lucht. In 1799 liet de britsche gezant
bij de Porte, lord Elgin, met goedvinden der turksche regeering,
het nog overgebleven beeldhouwwerk uitbreken en met tal van andere
kunstwerken naar Engeland overvoeren. Door het vergaan van een der
schepen bij Cerigo ging een deel dezer kunstschatten verloren; het
overige ging in 1816 voor 35000 L.st. aan het Britsch Museum over,
waar het nog onder den naam van Elgin marbles prijkt. Tegenover het
Parthenon ligt het Erechtheum, aan Poseidon Erechtheus geheiligd,
met den daartegenaan gebouwden tempel van Athena Polias, waarin het
oude houten beeld der godin stond, dat éénmaal 's jaars gereinigd
werd. Deze tempel werd in 407 voleindigd. (A) is de pronaos van Athena
Polias, (B) de cella; aan de andere zijde kwam men langs een trap in
het voorportaal (F) van den Erechtheustempel; het is een open hal,
waarvan het dak door caryatiden (Korai) werd gedragen; (D) is de
pronaos, (C) de cella van den tempel, terwijl (E) de noordelijke
uitbouw is, waarin zich het drietandteeken van Poseidon bevindt;
(G), (H) en (I) zijn doorgangen. Onder den pronaos was de zoutbron,
en ter zijde daarvan de heilige olijf, door Athena geplant. Een derde
standbeeld van Athena was nog de Athena Promachos, een door Phidias
gegoten metalen reuzenbeeld. Reeds bij het omvaren van kaap Sunium
kon men de gouden punt harer speer in de zon zien schitteren. Het
tempeltje der Nike apteros lag wel op de acropolis, doch buiten de
Propylaeën. Ten slotte vermelden wij, dat er voor de Perzische oorlogen
dichtbij het Erechtheum een andere tempel van Athena gestaan heeft,
die gewoonlijk Hecatompedon of archaios neos genoemd wordt. Wanneer
men van de acropolis in noordwestelijke richting ging, kwam men op
de markt, agora, vanwaar een weg naar den Pnyx voerde, een heuvel,
die tot plaats voor de volksvergadering diende. Langs de markt liepen
zuilengangen, waarvan de stoa poikile of beschilderde galerij de
meest beroemde was. Op hare wanden prijkten tafereelen uit den slag
bij Marathon en andere veld- en zeeslagen, waarin de Atheners roem
hadden ingeoogst. Aan de markt lag het bouleuterion, waar de raad,
de boule, zitting hield, benevens de tholos of rotonde, waar de
prytanen hun maaltijden gebruikten. Niet ver van de markt verhief
zich de vrij steile Aresheuvel of Areopagus, Areios pagos. Onder
de openbare gebouwen en monumenten in de stad verdienen vermelding:
het Prytaneum, het theater van Dionysus, dat tegen de Zuidzijde van
de Acropolis aangebouwd was, het Museum, het Theseum, het Odeum van
Pericles voor muzikale wedstrijden. Een ander Odeum van later tijd
was dat van Herodes Atticus. Het choragisch monument van Lysicrates,
van omstreeks 330, ook wel met den naam van lantaarn van Diogenes
bestempeld, is een sierlijk gebouwtje met zes corinthische zuiltjes,
die op een vierkanten onderbouw rusten en een marmeren dekstuk dragen,
met beeldwerk versierd en waaruit eene acanthusplant oprijst. Het
gebouwtje, 34 voet hoog, diende om den drievoet (choregikos tripsys)
te dragen, dien Lysicrates als prijs in den choragischen wedstrijd
had gewonnen. Eene straat in de stad heette de straat der drievoeten,
omdat daar een aantal zulke gedenkteekenen stonden. De toren der
winden was een fraai achthoekig gebouw, waarin een wateruurwerk was
aangebracht en waarop een windwijzer stond. Hij dagteekent uit de
1ste eeuw. Vele aanzienlijke mannen, zelfs vorsten lieten te Athenae
praalgebouwen oprichten, om hun eigen naam te verheerlijken.

Buiten de stadsmuren vond men nog beroemde plaatsen, als: de Academia,
Akademeia of -mia, een wandelpark met gymnasium, waar Plato zijn
onderwijs gaf, het Lyceum, ook een park met een tempel van Apollo
Lycius, waar Aristoteles zijne peripatetische lessen gaf, den heuvel
Cynosarges, met een gymnasium, in een van welks zalen Antisthenes,
de stichter der cynische school, als leeraar optrad.

Ten Westen van de stad stroomde de Cephisus, in het Z.O. de
Ilisus. Van de stad liepen de lange muren, ta makra teiche, ook wel
de beenen van Athenae genoemd, ta skele ton Athenon, ter lengte van
omstreeks anderhalf uur gaans naar de havens. De havens Phalerus
en Munychia waren klein; maar de Piraeus (Peiraieus) vormde eene
kleine stad op zichzelve, met scheepswerven, tuighuis, magazijnen,
handelshaven, oorlogshaven, ja zelfs met een theater. De muren
waren in zee vooruitgebouwd; de invaart, die met kettingen kon
worden afgesloten, liep met eene sterke kromming tusschen twee
muren door. Voor de geschiedenis van Athenae moeten wij naar de
geschiedboeken verwijzen. Ook onder rom. heerschappij bleef Athenae
nog lang eene civitas libera met een betrekkelijk uitgebreid gebied,
waartoe, behalve Attica, ook een deel der cycladische eilanden
behoorde. Het bleef ook lang een zetel van kunst en wetenschap, en
tal van jonge aanzienlijke Romeinen gingen erheen, om hunne opleiding
te voltooien. De stad leed in 86 veel door Sulla's belegering; bij
die gelegenheid ging de Piraeus te gronde; keizer Hadrianus zocht in
later tijd de stad te doen herleven door aan de verfraaiing ervan veel
ten koste te leggen. Het aantal inwoners van Athenae wordt tegen het
einde van de regeering der Pisistratiden op 20,000 à 25,000 geschat;
bij het uitbreken van den Peloponnesischen oorlog bedroeg de bevolking
van stad en havens ruim 100,000; een eeuw later evenveel, maar toen
was de Piraeus meer bewoond, en begon de stad reeds verlaten te worden.

Behalve de talrijke tempels, waarvan wij slechts zeer enkele konden
vermelden, was de stad zeer rijk aan standbeelden.

Athenaeum, Athenaion, in het algemeen elke aan Athena gewijde
plaats. In het bizonder verstond men hieronder de door keizer
Hadrianus te Rome opgerichte school voor hoogere vorming. Hoewel
enkele uitstekende onderwijzers reeds onder Augustus en Vespasianus
eene toelage uit de schatkist genoten, was er te Rome toch alleen
bizonder onderwijs; Hadrianus voerde het openbaar onderwijs in met
onderwijzers, die door den staat werden bezoldigd, teneinde invloed
op den geest van het onderwijs te kunnen uitoefenen en eene niet
gewenschte republikeinsche richting te keeren.

Athenaeus, Athenaios, 1) sicilisch werktuigkundige, tijdgenoot van
Archimedes.--2) taalgeleerde uit Naucratis, omstreeks 230 na C.,
die eerst te Alexandrië, later te Rome leefde. Zijn uitvoerig werk
Deipnosophistai, dat bijna geheel bewaard gebleven is, behandelt in
den vorm van gesprekken allerlei bizonderheden uit het dagelijksch
leven der ouden, en heeft vooral groote waarde door de talrijke
aanhalingen uit oudere schrijvers, wier werken verloren gegaan zijn.

Athenagoras, Athenagoras, van Athene, leeraar der academische
wijsbegeerte te Alexandrië in de 2e eeuw n. C.; later ging hij tot het
Christendom over, dat hij ijverig en op wijsgeerige gronden verdedigde.

Athenais, Athenais, 1) bijgenaamd Philostorgos, gemalin van den
cappadocischen koning Ariobarzanes II.--2) dochter van den sophist
Leontius, de schoone en bekwame gemalin van keizer Theodosius II;
na hare bekeering tot het Christendom noemde zij zich Eudocia. Zij
heeft verschillende epische gedichten gemaakt, die oud-testamentische
en christelijke onderwerpen behandelen.

Athenio, een herder, aanvoerder der opgestane slaven op Sicilia in
102 en 101. De consul M.' Aquillius versloeg hem in 100 met eigen
hand. Cicero gaf aan Sext. Clodius, den vrijgelatene van P. Clodius
(Claudii no. 17) den schimpnaam Athenio, omdat laatstgenoemde aan
het hoofd van een troep slaven te Rome onlusten verwekte.

Athenis, z. Bupalus.

Athenodorus, Athenodoros, 1) een Griek, die door Alexander d. G. met
eene kolonie naar Bactra gezonden werd en zich den titel van koning
wilde aanmatigen, maar door Bito vermoord werd.--2) bijgenaamd
Kordylion, van Tarsus, stoicijnsch wijsgeer, opzichter der bibliotheek
te Pergamus. Hij zou getracht hebben de werken der oudere stoicijnen
te zuiveren van alles wat hem minder goed voorkwam, maar zijn toeleg
werd ontdekt. De jongere Cato nam hem in 70 mede naar Rome, waar
hij stierf.--3) van Tarsus, zoon van Sandon, waarschijnlijk leerling
van Posidonius van Rhodus, leeraar der stoicijnsche wijsbegeerte te
Apollonia in Epirus, waar Octavianus hem leerde kennen. Deze nam hem
mede naar Rome, echter keerde hij later naar Tarsus terug, waar hij
de gedurende zijne afwezigheid uitgebroken burgertwisten bijlegde
en de wetten verbeterde.--4) een van de drie beeldhouwers van de
Laocoongroep z. Laocoon.

Athesis, Atesinos, thans de Adige of Etsch, die op de Rhaetische Alpen
ontspringt en zich in de Adriatische zee stort. In zijn bovenloop neemt
hij (bij Bozen) den Atagis Atagis, of Isarcus (Eisach) op. V. s. is
Atagis een andere naam voor den Athesis.

Athletae, athletai, athleteres, werden bij de Grieken diegenen
genoemd, die bij de nationale spelen te Olympia of elders in den
wedstrijd voor lichaamsoefening en spierkracht naar de overwinning
dongen. Langzamerhand werd hiervan een beroep gemaakt en kreeg men
athleten, die op hunne kunst reisden en voorstellingen gaven. Zulke
worstelaars werden van jongs af geoefend en volgden een bepaalden
leefregel. Ook bij de Romeinen vonden nu en dan bij de openbare
spelen dergelijke voorstellingen plaats, waarvoor men dan tegen hoog
loon (auctoramentum) grieksche athleten huurde. Bij het worstelen,
dat geheel naakt geschiedde, smeerde men zich met olie in, om aan de
tegenpartij minder vat te geven, wat deze dan weder nutteloos trachtte
te maken, door zijn tegenstander met zand te werpen.

Athlothetai, oorspronkelijk zij, die bij de wedstrijden prijzen
uitloofden, later bij de groote nationale feesten kamprechters
en commissarissen. Zij werden tien maanden vóór het feest benoemd,
ontvingen de aangiften van de mededingers in de wedstrijden en zorgden
voor alles wat voor eene waardige feestviering noodig was. Door een
plechtigen eed verbonden zij zich tot onpartijdigheid. Gedurende
het feest droegen zij een purperen kleed, lauwerkrans en staf, ook
werden zij begeleid door dienaars die staven droegen (rhabdouchoi). Te
Athene werden om de vier jaar 10 athlothetae door het lot aangewezen,
die bij de feesten, vooral de Panathenaea, het oppertoezicht hielden
en uitspraak deden over de wedstrijden.

Athos, Athos, naam van een der Giganten, die den hemel wilden
bestormen. Hij nam een berg uit Thracia op en slingerde dezen naar
de goden. De bliksem van Zeus weerde echter het gevaar af en deed
den bergklomp aan de macedonische kust neerstorten, waar hij zich nog
als mons Athos (thans Monte Santo of Hagion Oros) op de chalcidische
landtong Acte tot eene hoogte van 6350 voet verheft. Xerxes liet den
hals der landtong bij Sane doorgraven. Oudtijds lagen tegen den berg
een vijftal bloeiende steden; thans vindt men er slechts een aantal
grieksch-katholieke kloosters, die in het bezit van belangrijke oude
handschriften zijn.

Atii, zie Attii.

Atilia (lex) de dando tutore, onzeker van welk jaar, doch vóór
188. Waar een voogd noodig was en bij ontstentenis van nabestaanden
geen voogd was en door den overledene ook geen voogd bij testament
was aangewezen, werd volgens de lex Atilia een voogd benoemd door
den praetor urbanus onder medewerking der volkstribunen.

Atilia Marcia (lex), 311, van de volkstribunen L. Atilius en
C. Marcius, dat van de 24 krijgstribunen, die jaarlijks voor vier
legioenen noodig waren, 16 door het volk zouden worden gekozen.

Atilii. Tot de gens Atilia behooren o. a. de familiën Bulbus,
Calatinus, Longus, Regulus, Serranus.--1) A. Atilius Calatinus,
consul in 258 en in 254, streed op Sicilia tegen de Carthagers en
veroverde Panormus (Palermo). In het jaar 249 was hij als dictator op
Sicilia, en was als zoodanig de eerste dictator, die buiten Italia eene
rom. legermacht aanvoerde.--2) M. Atilius Regulus werd als consul in
294 door de Samnieten bij Luceria verslagen. Toch heeft hij een triumf
gevierd.--3) M. Atilius Regulus, geen zoon van den vorigen, was consul
in 267 en 256. In zijn eerste consulaat overwon hij de Sallentini in
Calabria, hij veroverde Brundisium, en genoot de eer eener zegepraal;
in zijn tweede, waarin hij consul suffectus was in plaats van den
overleden Q. Caedicius, ondernam hij den voor hem noodlottigen tocht
naar Carthago. Met zijn ambtgenoot L. Manlius Vulso met eene vloot
van 330 schepen in zee gestoken, versloeg hij eerst de carthaagsche
vloot bij Ecnomus aan de Zuidkust van Sicilia, landde toen in Africa,
en veroverde de stad Aspis, die door de Romeinen in Clypea of Clupea
werd verdoopt. Manlius keerde naar Rome terug; Regulus bleef in Africa
en bracht Carthago zoo in het nauw, dat het om vrede vroeg. De hardheid
zijner voorwaarden echter drong de Carthagers nog eenmaal het uiterste
te beproeven, en onder aanvoering van den Spartaan Xanthippus behaalden
zij de overwinning. Regulus werd gevangen genomen; 30000 der zijnen
sneuvelden (255). In 250 zonden de Carthagers gezanten met Regulus naar
Rome, in de verwachting, dat hij voor een vrede zou pleiten; in den
senaat toegelaten, ontried hij den vrede ten sterkste. Overeenkomstig
een door hem gezworen eed, keerde hij als gevangene naar Carthago
terug, waar hij onder folteringen zou ter dood gebracht zijn. Het
geheele verhaal van Regulus' zending naar Rome en zijn marteldood is
onhistorisch.--4) C. Atilius Regulus, dikwijls ten onrechte Serranus
(Saranus) bijgenaamd, versloeg als consul in 257 de carthaagsche vloot
bij de Liparische eilanden en hield een zegetocht. In 250 was hij ten
tweede male consul en sloeg hij het beleg voor Lilybaeum, maar kon de
stad niet innemen.--5) M. Atilius Regulus, zoon van no. 3, was consul
in 227, en consul suffectus in 217 in plaats van C. Flaminius, die bij
het Trasimeensche meer gesneuveld was. Als censor in 214 was hij zeer
streng tegen hen, die na den slag bij Cannae het plan hadden gehad,
Italië te verlaten, verder die door woordbreuk zich aan Hannibal's
gevangenschap hadden onttrokken, en ten slotte tegen hen, die in de
laatste 4 jaren zich zonder voldoenden grond aan den krijgsdienst
hadden onttrokken.--6) C. Atilius Regulus, misschien een broeder van
no. 5, was consul in 225.--7) C. Atilius Serranus streed in 218 als
praetor tegen de opgestane Bojers in Gallia Cisalpina en vereenigde
zich vóór den slag aan den Ticinus met den consul P. Cornelius
Scipio, die hem daarop naar Rome terugzond.--8) A. Atilius Serranus,
praetor in 192, komt in den oorlog tegen Antiochus III van Syria
voor. In 172 maakten hij en Q. Marcius Philippus (zie Marcii no. 15)
het gezantschap uit, dat de Grieken moest weerhouden, gemeene zaak
met Perseus te maken.--9) C. Atilius Serranus Gavianus, uit de gens
Gavia geadopteerd, quaestor in 63, trachtte als volkstribuun in 57
Cicero's terugroeping te verhinderen.--10) M. Atilius, middelmatig
tooneeldichter uit de tweede eeuw, schrijver van eene Electra.

Atimia, gemis van enkele (at. kata prostaxeis) of van alle (at. tou
somatos) burgerlijke rechten. Deze rechten konden een burger bij
rechterlijk vonnis ontnomen worden, of zij konden wegens het niet
vervullen van zekere verplichtingen tegenover den staat verloren
gaan. Hij die alle burgerlijke rechten mist (atimos), mag bijv. niet
in rechten optreden, de volksvergadering of de markt niet bezoeken,
enz. Hiermede ging soms nog verbeurdverklaring van goederen gepaard
(at. tou somatos kai ton chrematon), vooral tegenover hen, die aan
den staat verschuldigde gelden niet betaalden. Deze toestand van
atimia hield op, zoodra de schuld betaald werd, maar ging anders bij
den dood van den schuldenaar ook op zijne kinderen en kleinkinderen
over. Te Sparta werden de burgerlijke rechten o.a. aan hen ontnomen,
die zich uit lafheid aan een gevecht onttrokken hadden (tresantes).

Atina, volscische stad hoog in de bergen, ten N. van Casinum, in
Latium, later rom. municipium.

Atinia (lex), van 197, een plebisciet van den volkstribuun C. Atinius
Labeo, ut quinque coloniae in oram maritimam deducerentur, n.l. naar
Puteoli, Vulturnum, Liternum, Salernum, en naar Buxentum.

Atinia (lex), een plebisciet (± 102), waardoor de volkstribunen
zitting kregen in den senaat.

Atinia (lex), de rebus furtivis, onzeker van wanneer, bepaalde,
dat verjaring geen eigendomsrecht opleverde van gestolen zaken.

Atintanes, Atintanes, volksstam in het N.-W. van Epirus.

Atlantes, Atlantes, volksstam in Africa bij het Atlasgebergte, het
verst af wonende volk, dat bij Herodotus bekend was. Zij hadden in
hun gebied zoutgroeven, en bouwden volgens het verhaal zelfs hutten
van zout, daar in hun gebied nooit regen viel.

Atlantiades, Hermes en Hermaphroditus, kleinzoon en achterkleinzoon
van Atlas.

Atlantides, Atlantiades, Atlantides, de Pleiaden en Hyaden, dochters
van Atlas.

Atlantis, Atlantis. De overlevering bij de ouden gewaagde van een groot
en heerlijk eiland ten Westen van de zuilen van Heracles, waarnaar de
Atlantische oceaan zijn naam droeg. De vorsten van dit eiland zouden
eenmaal zegevierend tot bij Griekenland zijn doorgedrongen. Om het
zedenbederf der inwoners echter was het eiland door eene hevige
aardbeving geteisterd en in één etmaal door de zee verzwolgen.

Atlas, Atlas, een Titan, zoon van Iapetus en Clymene of Asia, die
met de andere Titanen de goden beoorloogde en tot straf daarvoor
veroordeeld werd met hoofd en handen den hemel te steunen of de zuilen
te dragen waarop de hemel rust.--V. a. een afrikaansch koning, die
weigerde Perseus te ontvangen en wegens zijn gebrek aan gastvrijheid
versteend en in den berg Atlas veranderd werd. V. a. een zeer oud
arcadisch sterrenkundige die de eerste hemelglobe maakte.

Atlas, Atlas, (Adtla = sneeuwgebergte), het nog aldus genoemde
noordafrikaansche hooggebergte.

Atossa, Atossa, dochter van den ouden Cyrus, eerst met Cambyses,
later met Darius Hystaspis gehuwd.

Atrae, Hatra, Atrai, ta Atra, sterke vesting in een oase van
Zuid-Mesopotamië door Traianus (117 n. C.) en Alexander Severus (198
n. C.) tevergeefs belegerd. De stad lag in eene woestijn; de inwoners,
van arabischen stam, heetten Atreni.

Atratini, familienaam in de gens Sempronia z. Sempronii no. 1-5.

Atrax, Atrax, thessalische stad aan den Peneus, nabij Larissa. Atracius
= thessalisch; atracia ars = tooverkunst.

Atrebates, Atrebatioi, belgische volksstam in het latere Artois. Hunne
hoofdstad was Nemetacum of Nemetocenna, thans Arras.

Atreus, Atreus, zoon van Pelops en Hippodamea. Hij en zijn broeder
Thyestes vermoordden hun stiefbroeder Chrysippus en werden daarom door
Pelops weggejaagd. Zij werden opgenomen door hun zwager Sthenelus,
koning van Mycenae, en nadat diens zoon Eurystheus in den strijd tegen
de Heracliden gevallen was, volgde Atreus hem op. Hierop naijverig,
verleidde Thyestes de vrouw van Atreus, Aërope, ten einde in het
bezit te komen van het gouden lam, met welks bezit de heerschappij
over Mycenae verbonden was. Hij werd uit het land verjaagd, maar om
zich te wreken zond hij Plisthenes, een zoon van Atreus, die door
Thyestes opgevoed was, naar Mycenae terug om Atreus te vermoorden,
deze verijdelde echter dien aanslag door Plisthenes, dien hij niet
herkende, te dooden. Thyestes werd nu teruggeroepen en schijnbaar
weder in vriendschap opgenomen, maar bij een gastmaal liet Atreus
diens beide zonen slachten en zette hij hun vader het vleesch en bloed
als spijs en drank voor. Toen Thyestes deze gruwelijke daad vernam,
vervloekte hij zijn broeder en verliet hij het land, dat na dien tijd
door pest en hongersnood bezocht werd. Op bevel van een orakel gaat
Atreus op reis om Thyestes terug te halen, en bij koning Thesprotus
vindt hij Pelopea, de dochter van Thyestes, en neemt haar zonder haar
te kennen tot vrouw. De zoon van Thyestes en Pelopea, Aegisthus, werd
door Atreus als zijn eigen zoon opgevoed en later overgehaald Thyestes,
die door Agamemnon en Menelaus teruggehaald en in de gevangenis gezet
was, te vermoorden, maar vader en zoon herkenden elkander nog bij
tijds en doodden nu te zamen Atreus, terwijl hij aan het offeren was.

Atria, zie Adria.

Atrides, Atreides, Agamemnon en Menelaus, zonen van Atreus.

Atriensis, slaaf, wien de zorg voor het atrium was opgedragen, en die,
omdat het eene betrekking van vertrouwen was, tot de bevoorrechte
slaven van het huis behoorde.

Atrium, eene der onmisbare deelen van een romeinsch huis, het
woonvertrek, oudtijds het middelpunt van het huiselijk leven, waar
het huwelijksbed, de huiselijke haard en de geldkist zich bevonden,
alsmede de weefstoelen, waaraan de huisvrouw en hare slavinnen
arbeidden. Met het toenemen der weelde evenwel werden deze voorwerpen
naar andere gedeelten van het huis verbannen en werd het atrium meer
eene receptiezaal. Het atrium was het eerste vertrek, als men den gang
doorkwam (z. domus). Rondom waren kleine vertrekken of kabinetjes
aangebracht, die licht en lucht alleen uit het atrium ontvingen,
en cubicula heetten, wanneer zij door deuren, en alae, wanneer zij
alleen door gordijnen waren afgesloten. Een dezer vertrekjes was het
lararium, de huiskapel, waar het altaar der huisgoden stond en bij
de nobiles de imagines maiorum bewaard werden. In het midden der
zoldering was eene vierkante opening gelaten, waardoor het licht
naar binnen viel en de rook van den haard naar buiten trok, en die
compluvium werd geheeten, omdat zij ook den regen doorliet. Daaronder
was in den vloer een soort regenbak, impluvium. Soms was het atrium
met bloemen en beelden versierd. Op de eerste teekening ziet men
achter het atrium een vertrek, dat aan de voorzijde open is, het
tablinum, de werkkamer of het bureau van den heer des huizes, en
daarachter een met eene gaanderij omgeven binnenplaats of cavaedium,
ook peristylium geheeten. De tweede teekening stelt het atrium voor
van een oud-italisch huis zonder peristylium; door het tablinum en de
aansluitende porticus ziet men in den tuin. Oorspronkelijk behoorde het
atrium geene zuilen te hebben, doch toen de afmetingen grooter werden,
werd het dak aan de hoeken van het impluvium door kolommen gedragen.

Atropatene, Atropatene, het noord-westelijke deel van Media, dat
door Alexander den Grooten in handen van den satraap Atropates werd
gelaten. Hoofdstad Gazaca, nabij een groot zoutwatermeer.

Atropates, Atropates, satraap van Medië onder Darius Codomannus
en later ook onder Alexander d. G. Zijne nakomelingen regeerden
onafhankelijk in het N.W. van het land (Atropatene).

Atropus, Atropos, de onafwendbare, eene der drie Moerae.

Attalia, Attaleia, stad aan de kust van Pamphylia, door Attalus II
gesticht, tgw. Adalia.

Attalus, Attalos, 1) veldheer van Philippus van Macedonië. Bij diens
dood stond hij met een leger aan den Hellespont om den veldtocht
tegen Perzië te beginnen. Maar Alexander, die hem niet vertrouwde,
liet hem, terstond na het aanvaarden der regeering vermoorden.--2)
zoon van Andromenes, veldheer van Alexander den G., werd verdacht
van medeplichtigheid aan de samenzwering van Philotas (330), maar
vrijgesproken. Na Alex. dood sloot hij zich bij Perdiccas aan, en
toen deze vermoord was, ging hij met de vloot naar Tyrus om troepen
te werven; hij werd echter door Antigonus verslagen (320) en sedert
dien tijd gevangen gehouden, drie jaar later werd hij gedood.--3)
Attalus I, regeerde 241-197 over Pergamus en nam na eene overwinning
op de Galliërs den koningstitel aan. Hij vergrootte zijn rijk ten
koste van Syrië, doch moest weldra de gemaakte veroveringen weder
afstaan. Om zich tegen dit machtige rijk te kunnen verdedigen,
verbond hij zich met de Romeinen en ondersteunde hen vooral met
zijne vloot in den oorlog tegen Philippus van Macedonië. Hij stierf
72 jaar oud aan eene beroerte. Hij was een beschermer van kunsten en
wetenschappen en stichtte met groote kosten de beroemde bibliotheek
van Pergamus.--4) Attalus II, Philadelphos, zoon van den vorigen,
nam na den dood van zijn broeder Eumenes II (159), dien hij sedert
167 te Rome vertegenwoordigd had, als voogd over diens kinderen
de regeering in handen en behield die tot zijn dood (138). Hij
ondersteunde de Romeinen in hunne oorlogen tegen Macedonië en het
achaeïsch verbond en trachtte Alexander Balas te helpen in zijn
streven naar de regeering over Syrië. Van de Romeinen ontving hij
hulp in zijne oorlogen tegen Bithynië. Ook hij was een beschermer
van kunsten en wetenschappen.--5) Attalus III, Philometor, zoon van
Eumenes II en Stratonice, opvolger van den vorigen, was te zwak van
geestvermogens om zelf te regeeren; hij leefde in afzondering en bracht
zijn tijd met tuinbouw en beeldhouwen door. Hij stierf in 133 en liet
bij testament zijn rijk en zijne bezittingen aan de Romeinen na.--6)
romeinsch praefect, die tweemaal (409, 414 na C.) door de Westgothen
tegenover Honorius tot keizer uitgeroepen werd. Hij werd beide keeren
echter spoedig door zijne aanhangers verlaten en viel eindelijk in de
handen van zijne vijanden, waarop hij naar Lipara verbannen werd.--7)
stoicijnsch wijsgeer, leermeester van Seneca.

Atthis, geschied- en aardrijkskundige beschrijving van Attica, zooals
in de vierde en derde eeuw in groot aantal geschreven werden. Van de
meeste schrijvers zijn slechts fragmenten over. De bekendste zijn:
Philochorus, Hellanicus, Clitodemus, Androtion, Phanodemus en Demon.

Attia (lex) of lex Labiena van den volkstribuun T. (Attius) Labienus,
63, tot wederinvoering der lex Domitia de sacerdotiis, die door eene
lex Cornelia van L. Cornelius Sulla was opgeheven.

Attica, Attike, het oostelijkste landschap van Midden-Griekenland
of Hellas, werd oudtijds Acte of Actica (Akte, Aktike) geheeten,
omdat het zulke uitgebreide kusten bezit. Volgens Strabo is de naam
Attica uit Actica ontstaan. Ook werd het vroeger wel Ionia genoemd. De
natuur verdeelde het in drieën: 1) Diacria, het hoog- of bergland, het
noordoostelijk gedeelte, waarin men den mons Pentelicus of Brilessus
en den Parnes vond,--2) Pedias, het noordwestelijk vlakland,--3)
Paralia, het westelijk en zuidelijk kustland. De Pentelicus leverde
eene beroemde, witte marmersoort (pentelesios lithos), de Hymettus,
meer naar het Zuiden, ten O. van Athenae, was met geurigen tijm
begroeid en vermaard om zijn voortreffelijken honig. Ten Oosten van den
Hymettus lag nog eene kleine binnenvlakte, Mesogaea en ten N. daarvan,
in de Diacria, de vlakte van Marathon. De berg Laurium, geheel in het
Zuiden, leverde zilvererts. Ook het attisch zout was beroemd, zoowel
in letterlijken, als in overdrachtelijken zin. Over het algemeen was
het land berg- en heuvelachtig; de vlakten, zooals die van Eleusis
en van Athenae, waren niet groot. Koren werd er weinig verbouwd;
de olijfboom en de vijg tierden er echter welig. Er werd veel aan
schapen- en geitenfokkerij gedaan; voor de teelt van rundvee was de
steenachtige bodem minder geschikt.

De bevolking van Attica was ionisch, doch vermengd met een oudere
bevolking, die gewoonlijk als "pelasgisch" aangeduid wordt; maar
tot welken stam die behoort, weten we niet. In elk geval heeft ook
hier de "myceensche" beschaving geheerscht. De Atheners beschouwden
zich als autochthonen wegens hun pelasgische afkomst, terwijl de
Ioniërs ongeveer in 1000 over zee, waarschijnlijk uit het Noorden
het land binnengetrokken zijn, en hun taal en eerediensten aan de
oorspronkelijke bevolking hebben opgedrongen. Als stichter van den
atheenschen staat geldt Theseus, die de twaalf verschillende gemeenten
of demoi tot één geheel vereenigde, met Athenae als hoofdstad, ter
gedachtenis waarvan het feest der Panathenaeën werd ingesteld. Athenae
was to asty; twee andere plaatsen, Eleusis en Brauron, maakten
aanspraak op den naam van polis. De bevolking was eerst verdeeld
in 4 phylae (Geleontes, Argadeis, Aigikores, Hopletes) totdat door
Clisthenes eene verdeeling in 10 phylae en meer dan 100 (later 174)
demi werd ingevoerd (± 508). Na Theseus heerschten in Attica koningen,
van welke Codrus de laatste was. Toen volgden er archonten, eerst één
voor zijn leven, daarna één voor tien jaar, sedert 683 jaarlijks
negen archonten (zie Archontes). Door Solon werden de burgers
naar hunne inkomsten in vier klassen verdeeld: pentakosiomedimnoi,
triakosiomedimnoi of hippes, zeugitai, en thetes. De volksvergadering
bestond uit de burgers boven 20 jaar. De senaat, boule, bestond eerst
uit 400 leden, 100 uit elke phyle, doch sedert Clisthenes uit 500
leden, n.l. uit elke der nieuwe phylae 50. De areopagus, he boule
he en Areio pago, was door Solon ingesteld als wachter der wetten
en als hoogste gerechtshof, doch werd later teruggebracht tot een
gerechtshof in zaken van moord. De heliaea, heliaia, was een rechtbank
van gezworenen, uit 6000 door het lot gekozen burgers bestaande. Meer
bizonderheden zal men in de afzonderlijke artikels vinden.

In Attica behooren de mythen te huis van Cecrops en diens dochters
Pandrosus, Herse en Aglaurus, van Erechtheus en vooral de sagen van
Theseus. Ook Pandion, de vader van Philomele en Procne, wordt een
Athener genoemd.

Atticistae, Attikistai, heeten de latere grieksche schrijvers, die
niet in het toen gebruikelijke dialect (koine dialektos) schreven,
maar zooveel mogelijk de oude attische schrijvers navolgden,
bijv. Lucianus. Deze richting in de Grieksche literatuur begint
ongeveer 200, als reactie tegen de willekeur der Aziatisch-Grieksche
schrijvers, en bereikt haar hoogtepunt in den tijd van Cicero; men
legt zich nu toe op de mimesis ton archaion. Ook worden zoo genoemd
taalkundigen, die lijsten van echt attische woorden en uitdrukkingen
gemaakt hebben.

Atticus, Cicero's vriend. Zie Pomponii no. 5.

Atticus Herodes (Tiberius Claudius), een schatrijk Marathoniër,
leermeester van keizer Marcus Aurelius, een hooggeprezen redenaar,
die veel heeft bijgedragen tot verfraaiing van Athene en o.a. een
Odeum stichtte.

Attii, 1) Attius (of Attus) Navius, augur tijdens koning Tarquinius
Priscus, verzette zich tegen de verdubbeling van het getal
riddercenturiën en sneed, om zijne onfeilbaarheid te bewijzen,
een slijpsteen met een scheermes door. Er stond een standbeeld van
hem met omhuld hoofd (capite velato) op het Comitium, en daarbij
de ficus Navia of Ruminalis, z. Rumina.--2) T. (Attius) Labienus
zie Labieni no. 1).--3) Q. (Attius) Labienus, zoon van no. 2, zie
Labieni no. 2).--4) P. Attius Varus, propraetor van Africa in ± 51,
koos de partij van Pompeius, voor wien hij vruchteloos het landschap
Picenum zocht te behouden, stak vervolgens naar Africa over, waar hij
echter door Caesars legaat Curio (z. Scribonii no. 6) verslagen werd,
en sneuvelde later bij Munda.--5) M. Attius Balbus, praetor vóór het
jaar 59, gehuwd met Julia, de zuster van C. Julius Caesar, gaf zijne
dochter Attia tot vrouw aan Cn. Octavius, den vader van den lateren
keizer Augustus.--6) L. Attius (Accius), zoon van een vrijgelatene,
beroemd rom. treurspeldichter, schrijver van talrijke stukken, ook
nationale (als Decius, Brutus), naar grieksch model gevormd. Er zijn
slechts fragmenten van overgebleven. Hij leefde van 170 tot ongeveer
94.--7) Attia, moeder van Octavianus, zie no. 5.

Attila, koning der Hunnen, bijgenaamd de geesel Gods, regeerde eerst
(434 na C.) met zijn broeder Bleda, dien hij echter liet ombrengen
(444). In 441 en 442 en later in 447 en 448 verwoestte hij het
oost-romeinsche rijk en noodzaakte hij keizer Theodosius II hem om
vrede te verzoeken en schatting te betalen. Vervolgens richtte hij
zich naar het Westen, drong met een leger van 500000 man in Gallia
door, doch werd in de Catalaunische velden (bij Châlons-sur-Marne,
v.a. bij Troyes) verslagen door de vereenigde legers van den
romeinschen veldheer Aëtius, den frankischen koning Meroveüs en den
westgothischen koning Theodorik (451). Attila verloor in dezen slag
een vierde van zijn leger. Met het overschot viel hij in Italië,
veroverde en verwoestte o.a. het sterke Aquileia, doch spaarde Rome
op de bede van paus Leo I (452). Naar Pannonia teruggekeerd, stierf
hij in 453, waarop het rijk der Hunnen te niet ging.

Attuarii, germaansch volk aan den Rijn. Zie Chasuarii.

Attus Navius, z. Attii, no. 1.

Aturus, riv. in Aquitania, thans de Adour.

Atys, Atis, Attys, Attis, Attes, Attin, Atys, Attys, Attis, Attes,
1) een schoon jongeling, die door Rhea bemind werd, en toen hij
eene sterfelijke vrouw wilde huwen, door haar razend gemaakt werd,
zoodat hij zichzelven gruwelijk verminkte en aan zijne wonden stierf;
na zijn dood werd hij onder de goden opgenomen. De dienst van Atys,
die meer aziatisch dan grieksch was en altijd met dien van Rhea nauw
verbonden bleef, geleek door buitensporige vertooning van droefheid
en vreugde veel op dien van Adonis; de pijnboom was het zinnebeeld
van zijn sterven, het viooltje dat van zijn herleven.--2) stamvader
van de lydische dynastie der Atyaden.--3) zoon van Croesus, die door
Adrastus (no. 2) bij ongeluk op de wilde zwijnenjacht gedood werd.

Auctio, in algemeenen zin elke openbare verkoop bij opbod;
vandaar de naam, afgeleid van augere, omdat elke volgende
bieder het bod verhoogt. In engeren zin is auctio eene private
verkooping, in tegenstelling van sectio, verkooping bij executie
van staatswege. Aanslagbilletten en catalogussen (album, tabula,
libellus auctionis) had men oudtijds evengoed als thans. Men had ook
venduhuizen, atria auctionaria. Een omroeper, praeco, vervulde de rol
van afslager. Bieden was liceri, supra adicere. Het toeslaan van den
koop heette addictio. De betaling geschiedde contant.

Auctor is zoowel degene, die eene zaak in het leven roept, als hij,
die ze steunt en bevordert. Auctor legis kan dus synoniem zijn met
lator legis, maar ook met suasor legis. Ook het bekrachtigen eener wet,
b.v. door de patres is auctorem esse. In het ius civile is auctor de
lastgever, de raadsman, de uitvoerder en dgl.

Auctoritas (patrum), zie Patres.

Aufidena, 1) stad in Noord-Samnium nabij de bronnen van den Sagrus.--2)
stad in Apulia aan den mond van den Aufidus.

Aufidia (lex) de ambitu, plebisciet van Aufidius Lurco, 61, eene der
vele wetten tot bestrijding van dit euvel, waarbij het beloven van
geld niet strafbaar werd gesteld, doch het geven van geld met zware
levenslange jaarlijksche geldboete werd gestraft. Dit wetsvoorstel
is niet aangenomen.

Aufidia (lex) de feris Africanis, onzeker van welk jaar, waarbij
de invoer van wilde dieren uit Africa voor de openbare spelen werd
toegestaan.

Aufidii, 1) Cn. Aufidius, praetor in 104, schreef eene
rom. geschiedenis in het grieksch. In zijn ouderdom was hij
blind, doch bleef zich toch met staatszaken bemoeien.--2) Aufidius
Lurco, volkstribuun in 61, bracht de gewoonte in zwang, pauwen te
mesten.--3) Aufidius Bassus, onder Augustus en Tiberius, beschreef
de burgeroorlogen en de oorlogen in Germania. Zijne werken zijn
verloren.--4) Aufidius Luscus, hoogste magistraat te Fundi, door
Horatius bespot.

Aufidum = Aufidena no. 2.

Aufidus, snelstroomende rivier van Apulia, waaraan Horatius'
geboorteplaats Venusia lag. Ten Zuiden v. a. ten N. van deze rivier
is de slag bij Cannae (z. a.) geleverd.

Auge, Auge, Augeia, dochter van Aleüs, koning van Tegea, en Neaera,
werd bij Heracles moeder van Telephus. Daar een orakel voorspeld
had dat haar kind de zonen van Aleüs zoude dooden, gaf deze haar,
toen hij hare zwangerschap bemerkte, aan Nauplius over, met last om
haar in zee te werpen; deze echter, getroffen door hare schoonheid,
vluchtte met haar en bracht haar naar Teuthras, koning van Mysië,
die haar tot vrouw nam. V. a. werd zij door Teuthras als dochter
aangenomen en later door Telephus naar haar vaderland teruggebracht.

Augias, Augeias, zoon van Phorbas of van Helius, koning der Epeërs
in Elis, had in een stal 3000 runderen staan, en daar deze stal in
30 jaren niet gereinigd was, scheen het onmogelijk den mest er uit
te verwijderen. Daarom droeg Eurystheus aan Heracles op, die taak
in één dag te volbrengen, en deze kweet zich van die opdracht door
het water van de rivieren Alpheus en Peneus door den stal te leiden,
zoodat de mest van zelf weggespoeld werd. Augias, die niet gedacht had
dat de onderneming zoude gelukken, had eerst aan Heracles het tiende
gedeelte zijner kudde beloofd, indien hij zoude slagen, maar toen hij
later vernomen had dat de held op last van Eurystheus gehandeld had,
weigerde hij zijne belofte te vervullen. Daarom deed Heracles hem
later den oorlog aan, en ofschoon zijn leger eerst, terwijl hijzelf
ziek was, door de Molioniden werd verslagen, verwoestte hij later,
toen hij hersteld was, het land en doodde hij Augias met al zijne
zonen, behalve Phyleus, die zijn goed recht erkend had en tot loon
daarvoor met de regeering begiftigd werd.--Bij deze gelegenheid
stichtte Heracles de olympische spelen.

Augila, ta Augila, oase in de libysche woestijn ten W. van Aegypte,
met veel dadelpalmen, door een stam der Nasamones bewoond.

Augures, oionoskopoi, romeinsch priestercollegie, welks taak het
was, volgens vaste regelen den wil der godheid op te sporen en als
deskundigen voorteekenen te verklaren. Wanneer een der magistraten
eene gewichtige handeling wilde verrichten, b. v. wanneer een consul
de centuriaatcomitiën wilde bijeenroepen, dan moest hij zich vooraf
vergewissen, of de goden zijn plan goedkeurden. Het recht om dit
onderzoek te gelasten, heette spectio en kwam den overheidspersoon
toe; het onderzoek zelf en de mededeeling van den uitslag heette
nuntiatio en kwam den augur toe. Daar het den augurs niet verboden
was, overheidsambten te bekleeden, kon zich het geval voordoen, dat
spectio en nuntiatio in ééne hand waren, zonder eenige contrôle. De
augurs konden aan vele zaken godsdienstige belemmeringen in den weg
leggen, ja zelfs konden zij gehouden verkiezingen vernietigen door
de verklaring, dat er bij de waarneming der teekenen een vitium, een
verzuim of eene fout, had plaats gehad en dat dus de gekozenen vitio
creati waren, hetgeen ten gevolge had, dat zij hun ambt weder moesten
neerleggen en anderen gekozen moesten worden. De eenige waarborg tegen
misbruik was, dat alle uitspraken door het geheele collegie éénstemmig
moesten geschieden. Het augursambt was oorspronkelijk patricisch,
eerst waren er drie, later vijf (v. a. zes). De keuze had plaats door
coöptatie. In 300 evenwel bracht het plebisciet van de volkstribunen
Q. en Cn. Ogulnius het getal op negen, en wel vier uit de patriciërs en
vijf uit de plebejers. Het plebisciet van den volkstribuun Cn. Domitius
Ahenobarbus van 104 bracht de keus aan het volk, en wel zoo, dat het
lot de kleinste helft (17 van de 35) tribus zou aanwijzen, en dat hij,
die door deze bij meerderheid van stemmen zou worden voorgedragen,
door het collegie zou worden gecoöpteerd. Deze coöptatie was voor het
leven. Al de priesters, die tot de sacerdotes populi Romani gerekend
werden, en dus ook de augurs, moesten vóór de aanvaarding van hun ambt
geïnaugureerd, d. i. door een augurium gewijd worden; doch hoe deze
inauguratio plaats had, wordt niet in bizonderheden vermeld. Bij elke
wijding, zoowel van personen als van plaatsen, was de hulp der augurs
noodig. Tot de insignia der augurs behoorden de trabea, en de lituus.

Auguria. Wat de Grieken betreft, verwijzen wij naar het artikel
manteia. Bij de Romeinen heeft zich de leer der voorteekenen op
een geheel andere wijze, veel kunstmatiger, ontwikkeld dan bij
de Grieken. Er zijn ongezochte voorteekenen, die zich van zelf
voordoen, auguria of auspicia oblativa, en andere, die men van de
goden afsmeekt, impetrativa. Tot de eerste soort behooren de ostenta,
prodigia, monstra, portenta, omina. Hoewel het verschil niet altijd
in acht wordt genomen, beteekenen prodigium en monstrum buitengewone
verschijnselen in de menschen- en dierenwereld, portentum en ostentum
in hetgeen daarbuiten ligt. Een monstrum is een verschijnsel, dat met
de wetten der natuur in strijd is. Staan prodigia en omina tegenover
elkander, dan is een prodigium een zichtbaar, omen een hoorbaar
teeken. Doch de algemeene naam voor alle teekenen is signa. Hadden
er nu buitengewone verschijnselen plaats, die de gemoederen
verontrustten, dan bepaalde de senaat, wat behoorde te gebeuren;
hij liet door de decemviri sacris faciundis (z. decemviri no. 4) de
heilige orakelboeken raadplegen; hij ontbood uit Etruria buitengewone
haruspices (z. a.) om de ingewanden der offerdieren te onderzoeken,
enz. Doch zulke buitengewone voorvallen en verschijnselen worden niet
tot de eigenlijke auguria gerekend. Hieronder verstaat men de teekenen,
die niet buiten den gewonen kring der gebeurtenissen vallen.--1)
Signa ex avibus. Wanneer een magistraat spectio wilde houden, begaf
hij zich omstreeks middernacht met een der augurs naar het auguraculum
of waarnemingspunt op den burg. Dáár gekomen trok de augur met zijn
kromstaf of lituus op den grond een streep van het Noorden naar het
Zuiden, cardo genoemd en een anderen van het Oosten naar het Westen,
decumanus geheeten. Om het kruispunt heen beschreef hij een kwadraat
en maakte door een formulier de ruimte daarbinnen tot eene gewijde
plaats, een templum. Op dit templum nu sloeg hij een linnen tent op
(tabernaculum capere) met de opening naar het zuiden. Dan ging hij
in de opening staan, teekende met zijn staf vier denkbeeldige lijnen
aan den hemel af, als het templum, waarbinnen hij zijne waarnemingen
zou doen. Intusschen zat de overheidspersoon binnen in de tent, met
een doek om de ooren gebonden, capite velato. Ook de augur omwond zich
het hoofd, want het minste geraas--altijd, als men het hoorde--stoorde
de waarneming. Zoo was de stoel, waarop de overheidspersoon zat, uit
één stuk, opdat hij niet zou kraken. Wat nu de waarneming zelve der
vogels betreft, die zich binnen het aan den hemel afgebakende templum
vertoonden, had de augur te letten op de soort van vogels, de hoogte
waarop, de richting waarin, en de wijze waarop zij vlogen. Vogels,
die door hun geschreeuw of gezang den wil der goden uitdrukten, werden
oscines genoemd; die het door hunne vlucht deden, alites. In den
regel was wat van het Oosten, d.i. van de lichtzijde, dus van links,
kwam, gunstig, wat van de Westzijde kwam, ongunstig. Niet voor alle
vogels evenwel golden dezelfde regels; de kraai b.v. moest van de
linkerzijde, de raaf van den rechterkant krassen. Sommige vogels
waren bepaald ongeluksvogels; andere golden alleen voor bepaalde
gevallen. Men kan hieruit zien, dat de leer der vogelwichelarij vrij
ingewikkeld was. Waren nu de teekenen gunstig, dan zei de augur: aves
addicunt; zoo niet, dan bezigde hij de woorden: alio die.--2) Signa
ex caelo. Dit waren bliksem, fulmina--weerlicht, fulgura--donder,
tonitrua. In de taal der augurs werden deze natuurverschijnselen
manubiae geheeten. Zij werkten storend op volksvergaderingen,
zóó zelfs, dat reeds de aankondiging van een overheidspersoon, se
servaturum de caelo esse, d. i. dat hij zou zoeken, of niet ergens
een bliksemstraal of weerlicht te zien was, voldoende werd om de
volksvergadering te storen. De leer van den bliksem was vooral in
Etruria sterk ontwikkeld, waar men zelfs twaalf verschillende soorten
er van onderscheidde.--3) Signa ex tripudiis. Bij de romeinsche legers
voerde men in den regel een mand of hok heilige hoenders mede. Werden
deze losgelaten en aten zij het toegeworpen voeder gretig op, zoo
was dit een gunstig voorteeken; vielen zij er zóó gulzig op aan, dat
de brokken hun uit den bek vielen, dan was het teeken zeer gunstig
(tripudium sollistimum). Wilden zij echter niet vreten, dan was het
voorteeken slecht.--4) Signa ex quadrupedibus. Deze behoorden tot de
oblativa, de ongezochte voorteekenen, en konden slechts in zooverre
tot de auguria behooren, als de augurs ze volgens vaste regels
verklaarden. Wanneer men b.v. met eenig plan uitging en een hond,
een vos of eenig ander viervoetig dier over den weg zag loopen, dan
kon men dit als een voorteeken beschouwen.--5) Signa ex diris. Deze
bestonden in het breken van een schoenriem, het stooten van den voet,
het gekras van een uil en dergelijke toevalligheden. De augurs hadden
er dan slechts mede te maken, wanneer ze hun ter verklaring werden
medegedeeld.--6) Hoewel elk toevallig voorteeken een omen kan genoemd
worden, verstond men onder omina toch vooral de hoorbare voorteekenen,
en daarom vermeed men zooveel mogelijk onheilspellende woorden,
vooral bij gewichtige gelegenheden, bij feesten, plechtigheden,
enz. De eerst uitgebrachte stem bij eene verkiezing, het gevoelen
van den eersten spreker in den senaat gold voor een omen. Men offerde
met omwonden hoofd (capite velato), om niet toevallig een ongunstig
woord, door een der omstanders onvoorzichtig uitgesproken, te moeten
hooren. Hoewel ongezochte voorteekenen slechts waarde hadden voorzoover
men ze zelf aannam, en men ze kon afwenden door woorden als: omen non
accipio, non pertinet ad me, waren de Romeinen veel te angstvallig
en bijgeloovig om dit middel dikwijls toe te passen. Dit bijgeloof
heeft ook tot naamsveranderingen aanleiding gegeven. Evenals de
Grieken pontos Axeinos in Euxeinos veranderden, hebben de Romeinen
Maleventum in Beneventum veranderd en aan Epidamnus zijn ouden naam
Dyrrhachium teruggegeven.

Augurinus, familienaam in de gens Genucia en de gens Minucia.

Augusta, naam van een aantal steden, hetzij op last van Augustus
gesticht, hetzij door hem verfraaid of uitgebreid, o. a.:

Augusta Emerita, in Lusitania, aan den Anas (Guadiana), thans Merida.

Augusta Iulia Gaditana, vroeger Gades, in Baetica, thans Cadix.

Augusta Nemetum, vroeger Noviomagus, aan den Rhenus (Rijn), thans
Spiers.

Augusta Praetoria, gesticht door de praetoriaansche bezetting in het
land der Salassiërs, aan de Poenische Alpen, thans Aosta.

Augusta Rauracorum (Rauricorum), in Belgica, thans Augst bij Basel.

Augusta Suessionum, in Belgica, thans Soissons.

Augusta Taurinorum, vroeger Taurasia, aan den Padus (Po), thans Turijn.

Augusta Trevirorum, aan de Mosella, thans Trier.

Augusta Vindelicorum, aan den Licus (Lech), thans Augsburg.

Augusta Viromanduorum, in Belgica, thans St. Quentin.

Augustales, zie municipium.

Augustamnica. Verschillende beheerschers van Aegypte--Ramses II of
Sesostris, Necho, Darius Hystaspis, Ptolemaeus I en II--hebben
pogingen aangewend om de Arabische golf met de Nijldelta te
verbinden. Telkens echter werd het kanaal aan zijn lot overgelaten
en verzandde het weder. Onder Traianus werd het op nieuw uitgegraven
en amnis Augustus genoemd, waarnaar de landstreek onder Diocletianus
den naam Augustamnica kreeg.

Augustinus (Aurelius), de grootste kerkvader van het Westen, geboren
te Tagaste (Thagaste) in Numidia in 354 n. C., zoon van Patricius
en Monica, ontving zijne opvoeding te Madaura en te Carthago, was
eerst leeraar te Tagaste, daarop leeraar in de welsprekendheid te
Carthago, daarna te Rome (383) en te Milaan (384), waar hij onder
invloed van Ambrosius tot het Katholicisme overging en zich in 387 liet
doopen. Daarop keerde hij naar Africa terug, werd in 391 presbyter te
Hippo Regius, en was van 396 tot zijn dood (430) bisschop van Hippo
Regius. Van zijne theologische geschriften zijn de meest bekende:
Confessionum libri XIII en de civitate Dei libri XXII.

Augustobona, stad der Tricassers in Gallia, aan de Sequana (Seine),
thans Troyes.

Augustodunum, vroeger Bibracte, groote, volkrijke stad der Aeduers
in Gallia, thans Autun.

Augustonemetum, vroeger Nemetum, Nemossus, hoofdstad der Arverners
in Gallia, thans Clermont, naar een nabijgelegen berg, clarus mons.

Augustoeuphratensis of Euphratensis, naam van de onder Diocletianus
en Constantijn tot ééne provincie vereenigde gewesten Commagene
en Cyrrhestice.

Augustoritum, stad der Lemovicers in Gallia, thans Limoges.

Augustus, Augoustos, Sebastos, "de gewijde", ons "Majesteit", door
de Romeinen afgeleid van augur, doch tevens in verband gebracht met
augere, evenals de oud-duitsche keizers ook den titel van "Mehrer des
Reiches" voerden. Deze titel werd aan C. Julius Caesar Octavianus,
nadat het volk hem reeds als Augustus had begroet, in het begin
van het jaar 27 door den senaat plechtig toegekend, op voorstel
van L. Munatius Plancus, terwijl de keizer later bij testament zijne
gemalin Livia tot Augusta verhief. De titel Augustus maakte den keizer
tot een gewijd persoon en plaatste hem als het ware boven het overige
menschdom. De titel ging daarna op de volgende keizers over, eerst
bij senaatsbesluit, later vanzelf als iets wat bij de keizerlijke
waardigheid behoorde. Hij werd evenwel alleen door regeerende keizers
gedragen, nooit door den vermoedelijken troonopvolger.--Over het
leven van keizer Augustus zie men Julii no. 14.

Aula, Aule, z. andron en gynaikeion.

Aulaeum, he aulaia, voorscherm van een tooneel. Wanneer de voorstelling
begon, werd het scherm niet, zooals bij ons, opgehaald, doch men liet
het omlaag zakken in eene sleuf, waaronder het dan tegelijkertijd
op eene rol werd opgerold. Was de voorstelling ten einde, dan werd
het scherm omhooggehaald.--Ook verstaat men onder aulaea tapijten,
die als tochtschermen tusschen de zuilen eener galerij of van het
atrium werden opgehangen, of dienden om in plaats van een deur een
vertrek af te sluiten, en bij dichters ook wel de dekkleeden, die
over de aanligsofa's bij den maaltijd werden uitgespreid.

Aulerci, voorname gallische volksstam, in vier takken verdeeld,
waarvan drie tusschen Sequana (Seine) en Liger (Loire) woonden, n.l. de
Aulerci Eburovices, z. Eburovices;--de Aul. Cenomani, met de hoofdstad
Suindinum of Subdinum, thans Mans,--de Aul. Diablintes. Een vierde tak,
de Aul. Brannovices, cliënten der Aeduers, woonde zuidelijk van deze
laatsten, tusschen den Boven-Liger en den Arar (Saône). De Cenomani
(z. a.) komen ook in Gallia Cisalpina voor.

Aulis, Aulis, havenstad in Boeotia aan den Euripus, verzamelplaats
der grieksche vloot voor den trojaanschen oorlog.

Aulon, Aulon, 1) landstreek en stad in Messenia, n.m. het dal van
de Neda, die Messenia van Triphylia scheidt, met een tempel van
Asclepius.--2) vruchtbare, druivenrijke streek nabij Tarentum.--3)
stad en dal in Macedonia, aan de strymonische golf.--4) havenstad in
Illyria ten N. van Acroceraunia.

Aurelia (lex), iudiciaria van den praetor L. Aurelius Cotta (Aurelii
no. 7), 70. Volgens deze wet moesten de gerechtshoven, die sedert Sulla
alleen uit senatoren bestonden, samengesteld worden uit senatoren,
ridders en tribuni aerarii (z. a.).

Aurelia (lex), tribunicia van den consul C. Aurelius Cotta (Aurelii
no. 5), 75. Deze wet veroorloofde aan gewezen volkstribunen wederom
naar hoogere ambten te dingen, wat hun door Sulla verboden was.

Aurelia (via). Deze weg liep van Rome uit langs de etruscische
kust. Hare voortzetting vormt de via Aemilia Scauri.

Aureliani (civitas), latere naam voor Genabum, thans Orleans.

Aurelianus (L. Domitius), uit geringen stand geboren, werd in 270
n. C. door de legioenen aan den Donau tot keizer uitgeroepen, in een
tijdperk, toen het romeinsche rijk door legeroproeren tot ontbinding
dreigde over te gaan. Reeds had M. Aurelius Claudius Gothicus (268-270)
de Gothen en Alemannen teruggeslagen; na zijn dood zette Aurelianus
het werk voort, verdreef de Alemannen, Iuthungen en Marcomannen uit
Italië, waarin zij een inval hadden gedaan, omringde Rome met een
nieuwen vestingmuur, heroverde vervolgens de oostelijke gewesten,
die door Zenobia, koningin van Palmyra, van het rom. rijk waren
losgescheurd (272 n. C.), versloeg daarna den tegenkeizer Tetricus
in Gallia en voerde hem en Zenobia als gevangenen mede naar Rome,
waar zijn zegewagen door vier olifanten werd getrokken. Hij herstelde
de krijgstucht in het leger, strafte nog eenige oproeren en werd met
recht restitutor imperii genoemd. Hij was hard en ruw, doch met hart
en ziel soldaat, en daardoor juist een geschikt keizer voor zijn
tijd. Dacia, dat door Traianus veroverd was, werd door Aurelianus
prijsgegeven, daar hij het veiliger achtte, den Donau als grensrivier
te behouden. De rom. bevolking uit Dacia verplaatste hij naar een deel
van Moesia, dat hiernaar den naam kreeg van Dacia Aureliani. In 275
werd Aurelianus, terwijl hij tegen de Perzen optrok, vermoord door
een zijner vrijgelatenen.

Aurelii. De gens Aurelia was een plebejisch geslacht, waartoe
o.a. de familiën der Scauri en der Cottae behoorden.--1) C. Aurelius
Cotta, consul in 252 en 248, streed voorspoedig op Sicilia tegen de
Carthagers.--2) C. Aurelius Cotta, consul in 200.--3) L. Aurelius
Cotta, volkstribuun in 154, consul in 144, twistte met zijn ambtgenoot
Ser. Sulpicius Galba (Sulpicii no. 11) heftig over de vraag, wie als
veldheer tegen Viriathus naar Lusitania zou gezonden worden. Scipio
Africanus minor (Aemilianus) bewerkte toen, dat geen van beiden werd
gezonden, maar zijn eigen broeder Q. Fabius Maximus Aemilianus (Fabii
no. 18), die reeds in Spanje was, het commando behield.--4) L. Aurelius
Cotta, consul in 119, verzette zich te vergeefs tegen de lex Maria
de suffragiis ferendis (z.a.).--5) C. Aurelius Cotta, consul in 75,
maker van de lex Aurelia tribunicia, door Cicero als redenaar geprezen,
wordt door dezen sprekende ingevoerd in zijne boeken de oratore en de
natura deorum. In 91 was hij na den moord van zijn vriend M. Livius
Drusus in ballingschap gegaan, tengevolge der lex Varia de maiestate,
die den bondgenooten-oorlog deed uitbarsten.--6) M. Aurelius Cotta,
broeder van no. 5, consul in 74, voerde met L. Licinius Lucullus
den oorlog tegen koning Mithradates VI van Pontus, door wien hij
echter bij Chalcedon te land en ter zee verslagen werd. Cotta had het
bestuur over Bithynië en het opperbevel ter zee, terwijl Lucullus
met Asia en Cilicië het opperbevel te land had.--7) L. Aurelius
Cotta, broeder van no. 5 en 6, opende als praetor in 70 door zijne
lex iudiciaria voor de ridders weder den toegang tot de iudicia en
nam ook de tribuni aerarii onder de rechters op. In 65 werd hij
met L. Manlius Torquatus consul, daar de eerst gekozenen wegens
ambitus veroordeeld werden.--8) M. Aurelius Cotta Maximus Messalinus,
een sterk aanhanger van keizer Tiberius. Hij was een zoon van den
redenaar M. Valerius Messala Corvinus (z. Valerii no. 28 en 29),
doch door de familie Cotta geadopteerd. Hij was een doorbrenger, die
de rol van verklikker speelde. Ovidius heeft uit Tomi minstens drie
gedichten tot hem gericht.--9) L. Aurelius Orestes, consul 126, ook
als redenaar niet zonder naam, ging als consul naar Sardinia, en hield
in 122 een zegetocht over de Sarden.--10) M. Aurelius Scaurus, consul
in 108, streed in 105 als legatus van den consul Cn. Mallius Maximus
ongelukkig tegen de Cimbren en viel door de hand van hun aanvoerder
Boiorix.--11) L. Aurelius Verus, z. Verus.--12) S. Aurelius Victor,
geschiedschrijver uit de vierde eeuw n. C., onder keizer Julianus
stadhouder van Pannonia. Van hem bestaat nog een beknopt en zaakrijk
werkje de Caesaribus, dat tot op Constantius loopt. Een paar andere
werkjes (epitome de Caesaribus, origo gentis Romanae, en de viris
illustribus) staan ten onrechte op zijn naam.--13) Aurelia, uit de
familie Cotta, moeder van C. Julius Caesar.

Aurelius (Marcus), meer volledig M. Aurelius Antoninus, bijgenaamd
Philosophus, was de zoon van den praetor L. Annius Verus (Annii no. 6),
doch werd door keizer Antoninus Pius als zoon aangenomen, wiens dochter
Faustina hij ook huwde. Hij was in 121 na C. te Rome geboren, had eene
zeer zorgvuldige opvoeding genoten en kwam in 161 aan de regeering,
waarop hij zijn jongeren broeder L. Aurelius Verus tot mederegent
aannam. Terwijl Verus door zijne legaten de Parthen liet beoorlogen,
waarbij Seleucia en Ctesiphon den Romeinen in handen vielen (164),
had M. Aurelius te kampen met invallen der Marcomannen, Quaden
en Sarmaten (Iazygen), die nu en dan ook nog door andere stammen,
zooals de Hermunduren, Vandalen en Langobarden ondersteund werden. De
barbaren drongen zelfs tot Aquileia door, terwijl nog daarenboven
het leger van den keizer door pest werd geteisterd. Onderwijl stierf
Verus in 169. In 175 trok M. Aurelius naar Azië, om den opstand te
bedwingen van zijn stadhouder Avidius Cassius, die echter door zijn
eigen officieren werd vermoord. In 179 en 180 streed hij wederom
met geluk aan den Donau tegen de Marcomannen, toen hij onverwachts
te Vindobona (Weenen) stierf. Zijne zedekundige geschriften, ta eis
heauton, ademen een stoicijnschen geest, doch zijne zachtmoedigheid
van karakter drong hem, de strengheid dezer leer tegenover anderen
te verzachten. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Commodus.

Aureus, nummus aureus of solidus, rom. gouden munt van 25 denariën of
100 sestertiën. Onder Augustus, toen de munt nog onvervalscht was,
had de aureus eene innerlijke waarde van ruim f12,50 van onze munt;
men moet echter in het oog houden, dat destijds de waarde van het
goud tegenover het zilver geringer was dan thans, hetgeen ook uit de
gelijkstelling met 100 sestertiën = f10.--zilver blijkt. Sedert de
derde eeuw na C. nam de vervalsching sterk toe.

Auriga, heniochos. Bij de Perzen, Aegyptenaren, Trojanen, Grieken,
komen in den oorlog strijdwagens voor, waarop de eigenaar van
het span als krijgsman staat, terwijl een mindere de paarden
bestuurt. Natuurlijk moest dan de andere zijn wagenmenner met zijn
schild dekken. Daarom trof het de Romeinen bij de verovering van
Britannia, dat bij de Britten de hoofdpersoon zijn span mende en
een dienaar voor zich liet vechten.--Bij wedrennen droeg elke wagen
slechts één persoon. Bij de nationale spelen in Griekenland treden
niet de eigenaars der paarden als menners op; zij lieten hunne
twee- of vierspannen besturen door vrienden of door geoefende
jongelingen, en niemand behoefde het zich tot oneer te rekenen,
als wagenmenner dienst te doen. Anders was het bij de Romeinen. De
aurigae of agitatores waren menschen, die van hunne kunst een beroep
maakten. In den beginne waren het slaven of vrijgelatenen of menschen
uit lageren stand; eerst toen een keizer als Nero het niet beneden
zich achtte zelf als menner in het strijdperk te verschijnen, ging
de slaafschheid zóóver, dat ook aanzienlijken als menners van hun
eigen paarden optraden. De aurigae vormden vier clubs of factiones:
alba, wit--russata, roodachtig,--veneta, blauw--prasina, zeegroen. Zij
droegen eene tunica zonder mouwen en hadden het bovenlijf met riemen
omsnoerd. Hun uniform, hun wagen, het tuig der paarden droeg de
kleur hunner factio. Om de handen vrij te hebben tot het aanzetten
der paarden, bonden de menners zich de teugels om het lichaam
vast; om te vieren of strak te houden, hadden zij zich dus slechts
vóór of achterover te buigen. Om ingeval van een ongeluk zich te
kunnen vrijmaken, droegen zij een kort mes tot het doorsnijden der
teugels. Bij elken wedren reed één wagen van elke factio mede. Keizer
Domitianus voegde aan de vier bestaande factiones twee nieuwe toe:
eene aurata en eene purpurea, die echter na zijn dood weder werden
opgeheven. Over de wedrennen zelve zie men het artikel circus.

Aurora, z. Eos.

Aurunci, een der oude volken van Latium en Campania. In de laatste
helft der vierde eeuw waren zij beperkt tot het zuidelijk deel
van Latium, en in 314 werden zij door de Romeinen zoo goed als
uitgeroeid. In hun land werden door de Romeinen aangelegd de
Latijnsche coloniae: Cales, Suessa Aurunca en Pontia, en de coloniae
civium Romanorum: Sinnessa en Minturnae. In hun gebied lagen de mons
Massicus en de ager Caecubus, beide beroemd om den wijn, die er werd
geteeld. Zie ook Ausones.

Ausci, Auskioi, volksstam in Aquitania, met de hoofdstad Elimberris,
later Augusta, thans Auch.

Ausculum = Asculum Apulum.

Ausenses, Auseis, libysche stam, ten Zuiden van Numidia bij het
meer Tritonis.

Ausetani, volksstam in het Noordoosten van Hispania Tarraconensis,
met de stad Gerunda (Gerona).

Ausones, Ausonia, Ausones, Ausonia. De Ausoniërs vormden de oude,
voor-rom. bevolking van Midden-Italië, van Apulia, Campania en het
zuidelijk gedeelte van Latium. Zij worden ook Opici, Opikoi, en Osci,
Oskoi, genoemd. De naam Ausones is dezelfde als Aurunci. Waarschijnlijk
was de ausonische stam verwant met den umbrischen. Dichterlijk wordt
Ausonia ook voor Italia gebezigd.

Ausonius (Decimus Magnus), romeinsch dichter uit Burdigala (Bordeaux)
en leeraar in de welsprekendheid. Zijn vader was lijfarts van keizer
Valentinianus I (364-375 n. C.), hij zelf werd de opvoeder van diens
zoon Gratianus. Achtereenvolgens werd Ausonius quaestor, praefectus
praetorio en consul (379) in Gallia; doch na Gratianus' dood (383)
trok hij zich uit het staatsleven terug. Hij overleed in 392, ruim 80
jaar oud. Onder de gedichten van Ausonius is zijn stroomdicht Mosella,
dat hij te Augusta Trevirorum schreef, het meest beroemde.

Auspicia. Oorspronkelijk duidt dit woord de vogelwichelarij aan, doch
werd later ook toegepast op alle andere middelen om te zien of de goden
hunne goedkeuring hechtten aan een beraamd plan. De wijze, waarop dit
geschiedde, is onder het artikel auguria medegedeeld. Auspicia privata
kon ieder voor zich nemen; doch auspicia publica ten behoeve van den
staat konden slechts genomen worden door magistratus populi Romani. De
volkstribunen, tribuni plebis, als zijnde slechts overheden van de
plebs, en niet van den populus, hadden dus geen ius auspiciorum,
en de door hen in het leven geroepen concilia plebis, waren niet
aan voorafgaande auspiciën gebonden, wat met de centuriaatcomitiën
wel het geval was. Toen echter de macht van het volkstribunaat
overwegend werd en plebiscita met leges waren gelijkgesteld, achtte
men het wenschelijk ook aan de volkstribunen auspiciën toe te kennen,
minder als voorrecht, dan wel als middel tot beteugeling. Niet alle
auspicia waren van gelijken rang; zoo stonden die der consuls en
praetoren hooger dan die van andere overheden. Auspicium nu beteekent
zoowel het waarnemen als het waargenomen teeken, doch bovendien ook
het recht om den goden hun ja of neen af te vragen. Dit recht nam de
overheidspersoon van zijn voorganger of van de patres (de patricische
leden van den senaat) over, wanneer hij bij de aanvaarding van zijn
ambt de voorgeschreven godsdienstige plechtigheden vervulde. Had hij
geen onmiddellijken opvolger, was hij vitio creatus, of kwam hij
in zijn ambt te overlijden, dan keerden de auspicia tot de patres
terug. Ook de veldheer, die met een leger uittrok, moest vooraf
auspicia nemen en zich hierdoor het recht verschaffen, ook in het
veld den wil der godheid uit te vorschen. Door het veronachtzamen
van zekere vormen, b.v. bij het overtrekken eener rivier--want een
water verbrak de auspicia, tenzij men een formulier uitsprak--kon hij
zijne auspicia verliezen. Was hij nu in den strijd bij voortduring
ongelukkig, dan ontstond het vermoeden, dat zijne auspicia door eenig
verzuim vitiata waren, in welk geval hem niets anders restte, dan
naar Rome terug te keeren om nieuwe auspicia te halen. Daar alleen de
veldheer auspicia had, beteekent de uitdrukking sub auspiciis alicuius:
onder iemands opperbevel.

Auster, de Zuidenwind, tgw. Scirocco genoemd, zie Windstreken.

Autariatae, Autariatai, volksstam in Dalmatia.

Autochthones, Aborigines, heetten de grieksche volken, die beweerden
dat hunne voorouders niet uit den vreemde waren gekomen, maar in het
land zelf, als het ware uit den grond (vandaar de spotnaam gegeneis)
waren ontstaan. De Atheners en de Arcadiërs beroemden zich van zulke
autochthonen af te stammen.

Autololes, Autololai, gaetulische volksstam op de Westkust van Afrika,
buiten de zuilen van Heracles en ten Zuiden van den Atlas.

Autolycus, Autolykos, zoon van Hermes en Chione, van moederszijde
grootvader van Odysseus, de sluwste dief en bedrieger der oudheid. Hij
woonde op den Parnassus en ondernam van daar uit verscheiden
rooftochten, van welke hij altijd rijken buit medebracht, terwijl
hij nooit ontdekt werd, daar hij het vermogen bezat zichzelven en
de gestolen goederen onzichtbaar te maken of van gedaante te doen
veranderen. Maar de runderen van Sisyphus, die hij ook gestolen had,
moest hij teruggeven, daar deze aan den hoef gemerkt waren en dus
gemakkelijk herkend werden.--Autol. was ook zeer bekwaam in het
worstelen en leerde Heracles deze kunst.

Automedon, Automedon, zoon van Diores, wagenmenner en strijdmakker
van Achilles; de naam wordt soms spreekwoordelijk voor een wagenmenner
gebruikt.

Autonoe, Autonoe, dochter van Cadmus en Harmonia, moeder van Actaeon.

Autonomia, het recht van een staat om zichzelf wetten te geven,
voornaamste kenmerk van politieke onafhankelijkheid; onder de Romeinen
was hiermede verbonden het recht om eigen munten te slaan.

Autonous, Autonoos, een heros, die te Delphi vereerd werd en den
delphischen tempel tegen de troepen van Xerxes verdedigde.

Autrigones, volksstam in Hispania Tarraconensis tusschen den Iberus
(Ebro) en het mare Cantabricum (golf v. Biskaye).

Autronii.--P. Autronius Paetus, in 65 met P. Cornelius Sulla wegens
ambitus veroordeeld, redenaar met sterke stem. Hij nam deel aan de
Catilinarische samenzwering en werd in 62 volgens de lex Plautia de
vi veroordeeld, en ging in ballingschap naar Epirus. Dit geslacht
heeft bovendien een paar consuls opgeleverd.

Auxesia, Auxesia, godin van den wasdom, waarschijnlijk een bijnaam
van Demeter. Z. Damia.

Auxilia, troepen, die door de Romeinen uit de provinciën werden
getrokken of door verbonden volken en vorsten geleverd werden. De
italische volken leverden geene auxilia; zij waren socii, omdat Italia
geen provincie was. Toen Italia het burgerrecht kreeg, waren er geene
socii meer in het leger.

Auximum, aanzienlijke stad, sedert 157 rom. kolonie, in Picenum,
ten zuiden van Ancona.

Auxo, Auxo, eene van de Gratiën.

Auxume, Auxoume of Axome, Axome, thans Axoem, in Aethopia, nabij
de bronnen van den Astaboras (Atbara), in den keizertijd hoofdstad
van een machtigen handelsstaat. Volgens het geschiedverhaal zou
onder de regeering van koning Psamtik of Psammeticus een deel van de
kaste der krijgslieden, ten getale van 240000 man, Aegypte verlaten
hebben en zich zóóver van Meroë gevestigd hebben, als Meroë van Syene
ligt. Vermoedelijk is hierdoor het rijk van Auxume ontstaan. De bloei
dateert eerst uit den tijd na den val van Meroë.

Avaricum, thans Bourges, ten Z. van den Liger (Loire) in Gallia,
hoofdstad der Bituriges, in den grooten gallischen opstand (52) door
Caesar veroverd, waarbij van de 40000 menschen, die er een toevlucht
hadden gezocht, slechts 800 aan het bloedbad ontkwamen. Later was
het de hoofdstad van Aquitania I.

Avella = Abella.

Avenio, aanzienlijke stad in Gallia Narbonensis, in het gebied der
Cavari, thans Avignon, aan den Rhodanus (Rhone).

Avens (t.g.w. Velino), riviertje in het Sabijnsche land, zijtak
van den Nar. In de nabijheid van Reate vormde het groote moerassen,
paludes Reatinae, die de consul M.' Curius Dentatus in 290 grootendeels
drooglegde door het dóórsteken van een berg (zie Reate), zoodat slechts
een meertje, lacus Velinus, overbleef. Even beneden dien doorsteek
stort de Avens zich langs den beroemden waterval van Terni (oudtijds
Interamna), in het italiaansch le Cadute of le Cascate delle Marmore
geheeten, in den Nar (t.g.w. Nera) uit.

Aventicum, hoofdstad der Helvetiërs, in de 4de eeuw n. Chr. reeds
verlaten. Thans Avenches aan het meer v. Neufchâtel.

Aventinus (mons), een der zeven heuvels van het oude Rome, die, evenals
de mons Capitolinus, wel binnen den stadsmuur, doch buiten het pomerium
lag. Op dezen heuvel lag een tempel van Diana, door Tarquinius Priscus
als gemeenschappelijk rom.-latijnsch heiligdom gesticht.

Avernus (lacus), Aornos limne, aan den sinus Cumanus (golf v. Napels),
een uitgebrande krater, waarin zich een meer gevormd had, omgeven door
een donker cypressenwoud. Zwaveldampen verpestten de lucht boven dit
meer, waar geen visch in leefde en geen vogel over heen vloog (vandaar
de naam). Bij Vergilius woont hier de sibylle van Cumae in eene grot,
waardoor Aeneas in het schimmenrijk afdaalt. Onder de regeering van
Augustus legde Agrippa hier in 37 de oorlogshaven portus Julius aan,
die later vervangen werd door den portus Misenus. Sinds dien tijd
behoort de lacus Avernus met den lacus Lucrinus tot de luxebadplaats
Baiae. Aardbevingen hebben aan deze streek een ander voorkomen gegeven.

Averruncus, Apotropaios, bijnaam van iederen god, die onheil of gevaar
afwendt, bijv. Apollo.

Avianus Flavius, rom. fabeldichter uit den tijd van Theodosius den
Grooten.

Avidius (Cassius), z. Cassii no. 18.

Avienus (Rufus Festus), rom. dichter uit den tijd van Theodosius den
Grooten, heeft vertalingen in dichtmaat geleverd van oude grieksche
leerdichten. Vooral belangrijk om den inhoud is zijn ora maritima,
een bewerking van een griekschen periplous uit de 4de eeuw v. C.,
waarvan echter slechts de grootste helft van het eerste boek over is.

Aviones, volk in Noord-Germania over den Albis (Elbe), een van de
volkeren, die de godin Nerthus vereerden.

Axamenta, oude liederen in saturnische maat, die door de Salii bij
hunne optochten werden gezongen. Zie ook ancile.

Axia, kasteel in Etruria, in het gebied van Tarquinii.

Axierus, Axiocersa en Axiocersus, Axieros, Axiokersa en Axiokersos,
samothracische Cabiren, geïdentificeerd met Demeter, Persephone
en Hades.

Axius, Axios, thans Vardar, voorname rivier van Macedonia, die zich
in de Thermaeische golf ontlast.

Axona, rivier in Gallia, thans Aisne, zijtak van den Isara (Oise). Aan
den Axona lag Augusta Suessionum (Soissons).

Axones, ook kyrbeis genoemd, witgemaakte houten borden, die om een as
kunnen draaien, waarop de wetten van Solon geschreven waren. Zij waren
opgesteld in het Prytaneum te Athene, v.s. hadden zij oudtijds op den
burcht gestaan en waren zij eerst door Ephialtes verplaatst. V.a. zijn
de kyrbeis te onderscheiden van de axones en zijn kyrbeis van boven
afgestompte pyramiden van steen in de stoa basilike, waarop de
voornaamste wetten ingebeiteld waren.

Axume of Axome = Auxume.

Axus, Axos, z. Oaxus.

Azan, Azan, zoon van Arcas en Erato; naar hem was Azania, een deel
van Arcadië, genoemd.

Azania, Azania, 1) kustland van Afrika, bezuiden kaap Aromata
(Guardafui), thans de kust der Somali.--2) zie Azan.

Aziris, Aziris, stad op de libysche kust, ten O. van Cyrene.

Azotus, Azotos, eene der vijf hoofdsteden van de Philistijnen, dicht
bij de kust, tusschen Ascalon en Iamnia, in het O.T. Asdod.



B.


Babrius, Babrios, grieksch dichter, die de fabels van Aesopus in verzen
bracht. Hij leefde onder Domitianus of later, in elk geval vóór het
einde van de 2de eeuw n. C. Van de 224 fabels, die overgebleven zijn,
wordt een groot gedeelte door sommigen niet als het werk van Babrius
beschouwd.

Babylon, Babylon, 1) stad in Aegypte, stroomafwaarts van Memphis.--2)
hoofdst. van Babylonia, zeer oude stad; in de 23ste eeuw maakt
Chammurabi (Hammurabi), de beroemde wetgever, haar tot de hoofdstad
van het nu geheel semietische Babylonia. Van de latere, lotgevallen
weten we weinig, totdat Nebukadnesar I (omstreeks 1150) het wederom
tot bloei bracht. In 728 nam Tiglathpilesar III van Assyria er
bezit van, en in 689 werd het door Sanherib gesloopt, maar door
zijn zoon Asarhaddon, die zijne residentie hierheen wilde verleggen,
weer opgebouwd. In 648 werd de stad weer ingenomen en gedeeltelijk
verwoest, doch herrees na den ondergang van het assyrische rijk
door de zorg van den eersten koning van het nieuw-babylonische rijk,
Nabopalassar, en vooral van zijn grooten opvolger Nebukadnesar II,
die in 604 aan de regeering kwam, als eene stad, die hare wedergade
niet had. Zij vormde een kwadraat, waarvan elke zijde 120 stadiën
of 4 uren gaans lang was, en was omringd door een muur van gebakken
steen van 100 koninklijke elleboogslengten (± 45 meter) boven den
beganen grond en half zoo breed. Daaromheen liep eene gracht met
gemetselde wanden, even zoo diep als de muur hoog was, en waarvan
de uitgegraven klei de steenen had geleverd voor den muur. In den
muur, die met 200 torens versterkt was, waren 100 poorten, waarvan
de deuren, stijlen en bovendorpels van koper waren. De Euphraat, die
de stad doorsneed, was ook ter weerszijden ingesloten door muren,
waarin de zoogenaamde waterpoorten waren. In de stad vond men het
koninklijk paleis, met drie muren omgeven, die een omtrek van 20,
40 en 60 stadiën hadden, alles in kwadraatvorm. Dáár waren ook de
oploopende, op gewelven rustende terrassen, die onder den naam van
hangende tuinen bekend zijn en die zoo dik met aarde bedekt waren,
dat boomen er in konden wortelen. De beroemde tempel van Belus was
een vierkante toren op een grondvlak van twee stadiën lang en even
breed. Daarboven verhief zich een tweede kleinere toren, en zoo verder
tot acht torens toe. In den bovensten toren was het slaapvertrek
van den god met een gouden legerstede en een gouden tafel. De groote
ruimte binnen de muren was natuurlijk niet geheel met huizen bebouwd,
maar bevatte ook de noodige akkers en weidegronden, zoodat de bijna
onneembare stad niet kon worden uitgehongerd. In 538 viel de stad in
handen der Perzen. Darius Hystaspis liet na een opstand (519 of 516)
een gedeelte der muren sloopen; toch bleef Babylon groot en schoon tot
het uiteenspatten van het macedonische rijk, toen de nieuw gestichte
steden Seleucia en Ctesiphon de bewoners tot zich trokken.

Babylonia, Babylonia, het land van Babylon, was de landstreek
tusschen den Tigris ten O., de woestijnen van Arabië ten W. en den
zoogenaamden medischen muur ten N. De bodem bestond uit aangeslibden
kleigrond en was uiterst geschikt voor graanbouw. Het land was
doorsneden door bevaarbare kanalen, die den Euphraat met den Tigris
verbonden, en onderling weder verbonden waren door smallere vaarten,
die weder door sloten met elkander gemeenschap hadden. Boomen vond
men er bijna niet. De oudste bewoners zijn de Sumeriërs, op wie
reeds kort na 4000 de Accadiërs, een semietische stam, volgen,
die zich met de oorspronkelijke bevolking na veel strijd gemengd
hebben. De bloeitijd van dit volk valt tusschen 3800 en 3700 en
de meest bekende koning is Sargon. Later valt het rijk uiteen in
verschillende stadstaten, die elk een afzonderlijke godheid vereeren,
tot ± 2300 de stad Babylon (z.a.) op den voorgrond treedt. De
babylonische nijverheid had een hoogen trap bereikt en bestond vooral
in tapijtweverijen, lijnwaadweverijen, goudsmidswerk en het snijden
in edelgesteenten. De godsdienst was het sabaeïsme, de vereering van
zon, maan en sterren. Vooral de stam der Chaldaeërs, die zich in het
zuid-oostelijk deel, Akkad, gevestigd hadden, had het ver gebracht in
sterrenkunde en tijdrekenkunde en wiskunde, en verhief zich daardoor
tot priesterkaste. Sterrenwichelarij ging daarmede hand aan hand. De
Chaldaeërs waren oorspronkelijk een herdersvolk, dat bij den helderen
babylonischen sterrenhemel, terwijl zij 's nachts wacht hielden bij
hunne kudden, ruime gelegenheid had gehad den loop der sterren gade te
slaan. Nadat het babylonische rijk in de 13de eeuw eene assyrische
provincie was geworden, stond het meermalen op, doch werd weder
onderworpen, totdat in 606 Nabopolassar het weder vrij maakte en
Assyria eene provincie van Babylonia werd. In 538 veroverde Cyrus
de stad Babylon, en het gewest werd nu perzisch, later macedonisch
en daarna syrisch. Het babylonische stelsel van munten, maten en
gewichten werd door verscheidene andere volken der oudheid overgenomen.

Babylonii numeri of Chaldaïcae rationes. Tegen en in den
rom. keizerstijd kwamen dikwerf oosterlingen naar Rome als
sterrenwichelaars en horoscooptrekkers. Bij hunne voorspellingen
speelden kaarten met cijfers en getallen eene hoofdrol. Men heeft dus
te denken aan iets als het kaartleggen in lateren tijd. Wel trachtte
men dit soort menschen te weren, doch het bijgeloof te Rome was zóó
sterk, dat men in weerwil van de verbodsbepalingen gretig van hunne
zoogenaamde kunst gebruik maakte.

Bacchae, Bakchai, Bacchanten, vrouwen, die bij sommige feesten van
Dionysus met geschreeuw en gegil, onder begeleiding van muziek, in de
grootste opgewondenheid heinde en ver rondliepen om, zoo het heette,
den god te zoeken. Zij waren in dierenhuiden gehuld en zwaaiden
een thyrsusstaf; zij stelden het geleide voor, dat Dionysus op zijn
veroveringstochten vergezeld had.

Bacchanalia heeten in Italië geheime feesten ter eere van Bacchus,
die uit de grieksche steden ingevoerd waren. Zij werden met de
luidruchtigheid der Dionysusfeesten gevierd, maar gingen hier met
zulke schandalen, ja zelfs misdaden, gepaard, dat de senaat in 186
meende hieraan te moeten paal en perk stellen en elken nieuwen dienst
van Bacchus verbood.

Bacchiadae, Bakchiadai, een adellijk geslacht, dat langen tijd te
Corinthe regeerde en in 657 door Cypselus verdreven werd.

Bacchium, Bakchion, eiland tegenover de aziatisch-ionische kuststad
Phocaea, welks prachtige tempels in den syrischen oorlog door de
Romeinen en hunne bondgenooten in 190 geplunderd werden.

Bacchus, Bakchos, andere naam voor Dionysus, waarschijnlijk betrekking
hebbend op het luidruchtige van zijn eeredienst. Door de Romeinen
werd deze naam aan den god Liber gegeven.

Bacchylides, Bakchylides, lyrisch dichter van Ceos, neef van Simonides,
met wien hij geruimen tijd te Syracuse aan het hof van Hiero leefde;
later begaf hij zich naar de Peloponnesus. Van zijne gedichten
zijn sedert 1897 ongeveer twintig min of meer in hun geheel bekend;
overigens zijn ervan slechts eenige fragmenten over.

Bacenis silva, waarschijnlijk de Hohe Rhön met zijn uitloopers,
grensscheiding tusschen de Cherusci en de Suebi.

Bacis, Bakis, was de naam voor profeten van wie verzamelingen orakels
afkomstig waren, die in de 7de eeuw in omloop gebracht werden en bij
velen groot gezag hadden, zoodat zelfs de verschillende staten van
Griekenland zich soms bij hunne besluiten er door lieten leiden. Er
was een Attische, Boeotische en een Arkadische Bacis.

Bactra, ta Baktra, vroeger Zariaspa, thans Balkh, hoofdstad van Bactria
(Bactriane) en belangrijke handelsstad.

Bactria, Bactriane, Baktriane, gewest in het N.O. van het perzische
rijk, door den Oxus (Amu-Daria) doorsneden. In overouden tijd bestond
hier een bactrisch rijk, dat door de Mediërs werd veroverd, waarna de
godsdienst van Zarathustra, die in Bactrië heerschte, staatsgodsdienst
werd in Medië. Na Alexander d. Gr. kwam het onder Seleucus, den
stichter van het Syrische rijk; doch in 250 scheurde Bactria zich
van Syrië los onder zekeren Diodotus, een Griek. Onder hem en zijn
opvolger breidde Bactria zich uit tot een grooten, bloeienden staat,
die een duizendtal steden telde. Doch tweespalt werd de oorzaak, dat
omstreeks 150 de Parthen samen met de Hunnen (Phaunoi) zich vóór en
na van de bactrische provinciën meester maakten, en Bactria zelf in
140 door de scythische Sacers vermeesterd werd.

Baduhennae lucus, woudstreek in het land der Frisii, misschien de
tegenw. streek Zevenwolden.

Baebia (lex), een plebisciet van 181 of 180. Het behelsde, dat niet
jaarlijks zes praetoren zouden gekozen worden, zooals sedert 197
geschiedde, doch om het andere jaar slechts vier. De wet is spoedig
weer afgeschaft.

Baebii, 1) M. Baebius Tamphilus, trok als propraetor, met Philippus
van Macedonia verbonden, het eerst den syrischen koning Antiochus
III in Griekenland tegemoet, in 191. In 181 was hij consul, toen de
zoogenaamde 14 boeken van Numa gevonden werden, die echter onecht
bevonden en openlijk verbrand werden. In 180 beoorloogde hij als
proconsul met zijn ambtgenoot P. Cornelius Cethegus een ligurisch
volk (de Apuani) dat zich vrijwillig overgaf en naar Samnium werd
overgebracht.--2) C. Baebius, volkstribuun in 111, belette, toen
Jugurtha onder vrijgeleide naar Rome was gekomen om getuigenis af
te leggen tegen hen, die zich hadden laten omkoopen, den koning
te spreken.

Baecula of Baecyla, Baikoula, Baikyla, stad in Hispania Baetica, ten
N. van den Baetis, bekend door de wapenfeiten van P. Cornelius Scipio
(den lateren Africanus maior) in den tweeden punischen oorlog. In
het gebied der stad lagen rijke zilvermijnen. Ook schijnt er nog een
stadje Baecula in het N.O. van Spanje te hebben gelegen, in het land
der Ausetani.

Baenis, Bainis, z. Minius.

Baetasii = Betasii.

Baeterrae, thans Béziers, in het gebied der Volcae Arecomici, in
Gallia Narbonensis, dicht bij de kust.

Baetica, Baitike, het zuidelijke en zuidwestelijke gedeelte van
Hispania, aldus genoemd naar den Baetis (Guadalquivir), die er door
stroomde. Het was het welvarendste deel van Hispania, met veel handel
en nijverheid, waarin de vervaardiging van wollen stoffen en wapenen
een hoofdrol speelde.

Baetis, Baitis, rivier in Baetica, thans Guadalquivir.

Baeturia, Baitouria, het gedeelte van Baetica, dat aan Lusitania
grenst, tusschen den Baetis en den Anas (Guadiana).

Bagaudae, gallische boeren, die in 285 na C. wegens onderdrukking in
opstand kwamen en een bloedigen boerenoorlog voerden.

Bagienni = Vagienni.

Bagistanus mons, Bagistanon oros (Baghastân = godenoord), beroemd om de
verrukkelijke natuur, aan den heerweg van Ecbatana naar Babylon. Op
de afgehakte en gladgeschuurde rotswanden waren in beeldwerk en
spijkerschrift de wapenfeiten van Darius Hystaspis vermeld.

Bagoas, Bagoas, een Aegyptenaar, gunsteling van Artaxerxes Ochus, dien
hij ten slotte vergiftigde. Daarna zette hij diens jongsten zoon Arses
op den troon, doch ook dezen vermoordde hij na eenige jaren. Darius
Codomannus, die eveneens door hem de regeering verkregen had, liet
hem dooden (330).

Bagradas, Bagradas, 1) rivier in Africa, die tusschen Carthago en
Utica in zee valt.--2) rivier aan de Zuidkust van Persis, dicht bij
de grens van Carmania.

Baiae, Baiai, Baïai, beroemde rom. badplaats met warme zwavelbronnen,
aan een inham van den sinus Cumanus (golf v. Napels) gelegen, een waar
lustoord. De kust was als bezaaid met prachtige villa's en lusthuizen
van aanzienlijke Romeinen. Zie ook Avernus (lacus) en Lucrinus
(lacus). Er heerschte ontzaggelijke weelde en tevens eene groote
losheid van zeden. Keizer Hadrianus is te Baiae gestorven. Thans is
de plek door aardbevingen geheel verwoest, zoodat er slechts weinig
sporen van de oudheid over zijn.

Baitylos, Baitylion, ook met den phoenicischen naam Abadir genoemd,
uit den hemel gevallen steenen, die op vele plaatsen het voorwerp
van bijgeloovige vereering waren. Bij den tempel van Delphi stond
zulk een steen, die dagelijks met olie gezalfd en op feestdagen met
wol omwonden werd. Men geloofde dat dit de steen was, dien Cronus
(z. a.) in plaats van Zeus verslonden had.

Baius, Baios, de stuurman van Odysseus. De stad Baiae, waar hij
begraven is, is naar hem genoemd.

Balbinus (D. Caelius Calvinus), romeinsch keizer in 238 n. C. samen met
M. Clodius Pupien(i)us Maximus. Zij benoemden den jongen Gordianus
(III) tot Caesar. Na drie maanden werden zij vermoord, en werd
Gordianus keizer.

Balbus (= stotteraar), een rom. familienaam, die in de gentes Ampia,
Attia, Cornelia, Lucilia, Octavia en Thoria voorkomt. De voornaamste
Balbi zijn: 1) T. Ampius Balbus, een der makers van de lex Ampia
Labiena.--2) M. Attius Balbus, grootvader van Augustus. Zie Attii
no. 5.--3) L. Cornelius Balbus, z. Cornelii no. 28.--4) L. Cornelius
Balbus minor, z. Cornelii no. 29.

Baleares insulae, Balearides nesoi, de bekende Balearische
eilanden nabij de spaansche kust, maior en minor, thans Majorca en
Minorca. De inwoners, ook Baleares geheeten, Baleares, waren bekend
als uitstekende slingeraars. De hoofdplaatsen waren Palma en Mago
(Port-Mahon). De naam Baleares beteekent volgens Grieksche schrijvers
slingeraarseilanden; de Grieken noemden ze vroeger ook wel Gymnesiai,
of naaktlooperseilanden. Wegens hun heulen met de zeeroovers werden
zij in 123 door de Rom. onderworpen onder Q. Caecilius Metellus,
die hiernaar den bijnaam Balearicus kreeg, z. Caecilii no. 8.

Balesium = Valentia no. 3.

Balius, Balios, en Xanthus, de onsterfelijke paarden van Achilles, die
door Poseidon aan Peleus bij zijn huwelijk ten geschenke gegeven waren
en die hij na den dood van Achilles terugnam. Zij waren gesproten uit
de verbintenis van Zephyrus en Podarge. V. s. waren het oorspronkelijk
Titanen geweest, die Zeus in den strijd tegen de andere Titanen
hadden geholpen, en verzocht hadden in paarden veranderd te worden,
om door hunne verwanten niet herkend te worden.

Ballista, lithobolos, een werptuig, waarmede zware steenen binnen
eene belegerde stad werden geslingerd. De ballistae wierpen in
boogvormige richting. Juiste duidelijke beschrijvingen van dit
werpgeschut ontbreken.

Balneum, saamgetrokken uit balineum, badkamer. Om een badhuis aan
te duiden gebruikte men oudtijds het plurale balneae, doch daar dit
woord in de dactylische maat niet paste, ontstond in het augusteïsche
tijdperk het plurale balnea. In zulk eene openbare badinrichting
onderscheidde men: het apodyterium of (ont)kleedkamer, het frigidarium
of vertrek voor koude baden, soms met kuipen, soms met een zwembassin
of natatio,--het tepidarium, eene verwarmde ruimte, die tot overgang
diende,--de ruimte voor het warme bad, caldarium. Deze laatste had een
verwarmden bodem, terwijl later ook de zijwanden verwarmd werden door
het inrichten van spouwmuren, die men vormde door het aanbrengen van
tegulae mammatae, of het aanleggen van buizen, tubuli. Het verwarmen
van den vloer bracht men tot stand door die op gemetselde porren of
stutten te plaatsen, waaronder dan de heete lucht kon circuleeren. Men
kan dit nog goed zien aan de overblijfselen van de Romeinsche baden
te Trier (suspensura). Eene groote kuip voor warm water (alveus),
vlak boven of dicht bij den haard, was in den vloer gemetseld. Aan
de overzijde had men dan het labrum, een kuip met lauw water, om
na te spoelen. Somwijlen komt ook nog een aparte zweetkamer voor,
sudatorium of laconicum geheeten, voor het zweetbad, assa sudatio. Na
een zweetbad werd men door de badslaven (aliptae), die men gewoonlijk
zelf medebracht, met eene soort krabbers (strigiles) van zweet
gereinigd, afgewreven, gezalfd. Dit laatste schijnt in het tepidarium
verricht te zijn. Een goed voorbeeld van een eenvoudige badinrichting
in den eersten keizertijd levert bijgaande plattegrond van de Thermae
Stabianae te Pompeii. A hoofdingang van de afdeeling voor mannen,
B zuilengangen, C palaestra met rechts een soort kegelbaan voor een
spel met steenen ballen, F natatio. I-VIII afdeeling voor warme baden,
waarvan IV doorgang, V frigidarium, VI apodyterium, VII tepidarium,
VIII caldarium, IX stookplaats (praefurnium), die zoowel de mannen-
als de vrouwenafdeeling van heet, lauw en koud water voorzag. 1-6
afdeeling van vrouwen, 1 en 5 ingangen, 2 apodyterium, 3 tepidarium,
4 caldarium; een frigidarium ontbreekt hier. De ruimten E en G,
die aan de natatio aansluiten, dienden voor douchebad. D diende voor
apodyterium of destrictarium. Nadat men zich uitgekleed had, hield men
zich bezig met gymnastische oefeningen, dan keerde men naar D terug,
waar olie en stof afgewreven werden, vervolgens reinigde men zich in
E of G, en gebruikte dan de natatio. Onder de rom. keizers verrezen
prachtige badhuizen, met wandelgalerijen, gymnastiekzaal, kaatsbaan,
conversatiezalen, bibliotheken en derg. Zie thermae. De inrichting
van een grieksch badhuis (balaneion) was over het geheel aan dat van
het rom. gelijk.

Balteus of Balteum (in het meerv. bij voorkeur baltea), gordel of
bandelier, hetzij om het lijf of over den schouder gedragen, om zwaard
of schild of pijlkoker of wat dan ook te dragen. Ook wordt het woord
gebezigd voor de ringmuren, die in een theatrum of amphitheatrum
de drie rangen van elkander scheidden. Bijgaande teekening stelt
een stuk voor van een theater in Pompeji. Men denke zich de muren
met den overdekten gang onafgebroken doorloopende zoover als de
zitplaatsen gaan.

Bambyce, Bambyke, oude naam van Hierapolis in Syria (Cyrrhestice),
nabij den Euphraat, een van de fraaiste steden van Syrië.

Bandusia, bron in Apulia, nabij Venusia, de geboortestad van
Horatius. Op diens landgoed Sabinum bevond zich ook eene bron, door
den dichter Bandusia gedoopt.

Bantia, stadje in Apulia, nabij Venusia, in een boschrijke streek aan
den mons Vultur. In de nabijheid zijn in 1793 fragmenten gevonden
van een bronzen plaat, die aan beide zijden een opschrift heeft,
de tabula Bantina. Het ééne opschrift is in het oscisch, het andere
in het latijn.

Baphyras of -rus, Baphyras, riviertje in Pieria, dat op den Olympus
ontspringt en langs Dium (z. Dium no. 3) stroomend, in de golf van
Thermae valt.

Baptai heetten zij die deelnamen aan de feesten van Cotytto.

Barathrum, Barathron, een afgrond bij Athene, waarin sommige
misdadigers geworpen werden.

Barbari, barbaroi, bij de Grieken alle volken die een vreemde taal
spraken, en daar de Grieken zich als het voortreffelijkste volk
beschouwden, dat geschikt was over alle andere te heerschen, hechtte
men aan dit woord licht de beteekenis van laag, slaafsch. Toen de
Romeinen het overnamen, zonderden zij zichzelf van de barbaren uit;
bij hen beteekent het woord die volken, die de grieksche en romeinsche
beschaving missen, het komt dus meer overeen met ons barbaarsch. Later
werd het vooral van de Germanen en van de volken over den Euphraat
gebruikt.

Barbaria (Barbarica), de noordelijke kust van Somali-land.

Barbitos, Barbiton, barbitos, barbiton, een muziekinstrument met
zeven snaren, in vorm gelijk aan de lier, maar grooter; het werd met
de vingers of met een plectrum bespeeld.

Barca, Barke, stad in Cyrenaïca, omstreeks 550 als mededingster van
Cyrene gesticht door broeders van den cyrenaeïschen koning Arcesilas
II, die zich aan het hoofd der opgestane Barcaeërs hadden gesteld. Na
de verovering door de Perzen in 512 kwam Barca in verval. De Perzen
brachten een gedeelte der inwoners naar Bactria over en de latere
Ptolemaeën verhieven Barca's havenplaats tot eene zelfstandige stad
Ptolemaïs.

Barcaei, Barkaioi, paardenfokkende nomadenstam, die het land van
Barca bewoonde.

Barcani(i), parthische stam op de grenzen van Hyrcania, waarover
Cyrus zijn grootvader Astyages, dien hij onttroond had, tot landvoogd
aanstelde.

Barcas = de bliksem, bijnaam van Hannibals vader Hamilcar.

Barcino, aanzienlijke stad der Lacetani in het N.O. van Tarraconensis,
later rom. kolonie, thans Barcelona.

Barcini, aanzienlijk karthaagsch geslacht, waartoe o.a. Hasdrubal en
Hannibal behoorden. Ook de partij, waarvan deze familie het hoofd was,
wordt zoo genoemd.

Bardi, Bardoi, dichters en zangers bij de Galliërs.

Bardiaei, Vardaei, Bardyaioi, illyrische slaven, berucht om hun
bloeddorst, waarvan Marius zich bediende om de vogelvrijverklaarden
uit den weg te ruimen. Toen zij in hun overmoed niets meer ontzagen,
liet Sertorius na Marius' dood 4000 van hen neersabelen.

Bardylis, Bardylis, Illyrisch koning, die in 359 een groot deel
van Macedonië veroverde, maar het volgende jaar in een slag tegen
Philippus sneuvelde.

Barea Soranus, proconsul in Asia onder Nero. Door zijne
rechtvaardigheid maakte hij zich zeer bemind, doch hij werd van
eerzuchtige bedoelingen beschuldigd en met zijne dochter Servilia
ter dood veroordeeld, 66 na C. Aanklager was zijn cliënt en vroegere
leermeester, de stoicus P. Egnatius Celer uit Berytus.

Bargusii, volk in Tarraconensis tusschen den Iberus (Ebro) en de
Pyrenaeën.

Bargylia, ta Bargylia, stad in Caria ten N. van Halicarnassus. In
de nabijheid vond men een beroemd beeld van Artemis, dat nooit door
regen nat werd, hoewel het onder den blooten hemel stond.

Barium, Barion, stad der Peucetii in Apulia aan de Adriatische zee,
met veel vischvangst, thans Bari.

Barsine, Barsine, 1) ook Statira of Arsinoë genoemd, dochter van
Darius Codomannus, huwde in 324 met Alexander d. Gr. en werd na diens
dood door Roxane vermoord. Haar juiste naam was Statira; Barsine heet
ze slechts door een vergissing van een der schrijvers, die haar met
Barsine no. 2 verward heeft.--2) dochter van Artabazus, gehuwd met
Memnon den Rhodiër. Bij Alexander d. Gr. werd zij moeder van Heracles.

Basanistes, een ambtenaar te Athene, ten overstaan van wien slaven als
aangeklaagden of getuigen verhoord werden. De verklaringen van slaven
waren alleen dan geldig, wanneer zij op de pijnbank (basanos) afgelegd
waren. In vele gevallen lieten de partijen, na afloop van het verhoor,
de beslissing over de zaak aan den basanist als scheidsrechter over.

Basileus, koning, in oude tijden de algemeene naam voor het hoofd
van een griekschen staat; bij het toenemen van de macht van den
adel werden ook de hoofden der adellijke geslachten zoo genoemd. In
de historische tijden vindt men dien titel alleen nog te Sparta,
waar twee koningen regeerden, een uit het geslacht der Procliden of
Eurypontiden, een uit dat der Agiden. Zij waren voorzitters van den
raad, opperpriesters, aanvoerders in den oorlog en in enkele zaken
ook rechters; hun macht was echter zeer beperkt.--Te Athene, waar de
koninklijke waardigheid sedert den dood van Codrus afgeschaft was,
bleef de tweede archont den titel van basileus behouden (z. Archontes).

Basilicae waren ruime gebouwen voor het handelsverkeer, overdekte
markten of beursgebouwen, groote rechthoekige zalen met of zonder
halfrond aan de einden. Soms werd het dak door twee rijen zuilen
gesteund, en vormden deze dus een middenschip en twee zijschepen. Ook
werden de basilicae veel gebruikt voor rechtszittingen. Onder
Constantijn den Grooten werden eenige basilieken aan de Christenen
ingeruimd voor hunne godsdienstige bijeenkomsten. Vandaar dat de
oudste christenkerken dezen vorm hadden.

Basilius de Groote, 329 na C. te Caesarea in Cappadocia geb., was
eerst pleitbezorger, ging toen tot den geestelijken stand over en werd
in 370 bisschop van Caesarea. Hij was een groot weldoener der armen,
stichtte een groot hospitaal en besteedde zijn geheel vermogen tot
weldadige doeleinden, terwijl hij zelf in armoede leefde. Hij was een
groot voorstander der grieksche letterkunde. Behalve andere geschriften
heeft hij ook brieven nagelaten, uitmuntende door stijl en logica. Hij
bestreed het Arianisme. Het door hem gestichte klooster aan den Iris
in Pontus werd een model voor latere inrichtingen van deze soort.

Baskania, fascinatio, betoovering door woord of blik. In
overeenstemming met de bekende meening der ouden, dat de goden geen
al te groot of al te langdurig geluk duldden, geloofde men ook dat
hun aandacht op zulk een gelukkig persoon door een overmoedig woord of
afgunstigen blik gevestigd konden worden, of dat zij daardoor bewogen
konden worden aan den gelukkigen toestand een einde te maken. Daarom
placht men, wanneer men zichzelf of zijn geluk prees, door bepaalde
formules het vermoeden van overmoed van zich af te werpen, of driemaal
te spuwen; tegen het "kwaadoog" vond men bescherming door het dragen
van een talisman (probaskanion, fascinum).

Bassae, Bassai, een vlek in het Z. van Arcadia, in het gebied der stad
Phigalia, met een tempel van Apollo Epicurius (den helper tegen de
pest), door den beroemden Ictinus gebouwd. Met den Athena-tempel
te Tegea gold deze Apollo-tempel voor den schoonsten van de
Peloponnesus. Zie verder Phigalia.

Bassania, stad in Illyria in de nabijheid van Lissus.

Bassareus, Bassareus, bijnaam van Dionysus, naar het vossevel
(bassara), waarmede hij omhuld was.

Bassaris, Bassaris, Bacchante.

Bassus, familienaam in de gentes Caecilia (Caecilii no. 28), Caesia,
Pomponia (Pomponii no. 8), Ventidia.

Bastarnae, Bastarnai, een machtig, roofziek volk van Germaanschen stam
tusschen den Vistula (Weichsel), den Tyras of Danastris (Dniester) en
den Ister (Beneden-Donau), dat Perseus met 7000 strijdbare mannen had
willen helpen, zoo hij niet te karig ware geweest (168). Herhaaldelijk
deden zij strooptochten in Thracia. Een onderafdeeling van hen vormen
de Peucini.

Basterna, gesloten draagstoel, door muilezels gedragen, voornamelijk
ten gebruike van vrouwen.

Bastetani, iberische volksstam in het zuiden van Hispania
Tarraconensis, verwant met de

Bastuli, een in het Oosten van Baetica aan zee wonende sterk met
Phoeniciërs gemengde iberische stam. Bij oudere gr. schrijvers heeten
ze met de Bastetani Mastiani (Mastianoi).

Batava castra, in Vindelicia op de grenzen van Rhaetia, thans Passau.

Batavi, de ons bekende Batavieren, omstreeks 40 uit Germania den Rijn
afgezakt. Ze stammen af van de Chatten. De insula Batavorum strekte
zich uit tusschen den Rhenus (Rijn) ten N., den Vahalis (Waal) en de
monden van de Mosa (Maas) ten Z. en de zee ten W. Ze wonen ook ten
Z. van den Rijn en de Waal. Batavodurum (z. a.), later vervangen door
Ulpia Noviomagus, z. Noviomagus, en Forum Hadriani zijn de voornaamste
plaatsen in hun gebied. De Romeinen sloten met hen een bondgenootschap,
en in de germaansche oorlogen bewees vooral de uitstekende bataafsche
ruiterij voortreffelijke diensten. Keizer Augustus nam de Batavieren
onder zijne lijfwacht op. Zie Corporis Custodes. In 69 na C. echter
barstte een opstand der Batavieren onder Claudius Civilis uit, daar de
Romeinen hen meer als overwonnenen dan als bondgenooten behandelden. De
opstand breidde zich ook buiten het eiland uit in zulk eene mate,
dat hij voor de rom. heerschappij in het Noorden gevaarlijk dreigde
te worden. De Romeinen wisten echter tusschen de Batavieren en hunne
bondgenooten tweespalt te verwekken, zoodat de laatsten Civilis
in den steek lieten, waarop deze met den rom. veldheer Cerealis
vrede sloot. Het oude bondgenootschap werd hernieuwd. In de 3de eeuw
n. C. dienen ze veel onder de equites singulares. In 300 n. C. wordt
hun land overstroomd door de (Salische) Franken, en wat er van hen
overschiet, zal zich wel bij de Franken hebben aangesloten.

Batavodurum of Oppidum Batavorum, stad der Batavi op het plateau boven
Ubbergen, ten O. van Nijmegen gelegen, door Civilis in 70 n. C.,
vóór hij zich naar de Betuwe terugtrok, in brand gestoken. De stad
is niet herbouwd. Zie Noviomagus no. 4.

Bathycles, Bathykles, van Magnesia, beeldhouwer omstreeks 550; van
hem was de troon van Apollo te Amyclae, waarop in 42 vakken in relief
verschillende mythen waren voorgesteld.

Bathyllus, Bathyllos, 1) schoon samisch jongeling, door Anacreon
bemind.--2) van Alexandrië, vrijgelatene van Maecenas, beroemd als
kluchtig balletdanser (pantomimus); zijne bekwaamheid in het nabootsen
van teedere en vrouwelijke standen en gebaren gaf hem den bijnaam
mollis. Hij is de eigenlijke stichter van den pantomimus.

Bato, naam van twee aanvoerders, een Pannoniër en een Dalmatiër,
in den opstand dezer beide volken tegen Rome, 6-10 n. C.

Battiadae, Battiadai, afstammelingen van Battus, die 631-450 te
Cyrene regeerden.

Battiades, Battiades, de dichter Callimachus, afstammende van het
geslacht der Battiaden.

Battus, Battos, 1) van Thera, zoon van Polymnestus, uit een oud
adellijk geslacht. Toen hij eens het orakel van Delphi om raad kwam
vragen tegen het stotteren, kreeg hij bevel eene volksplanting naar
Libye te voeren, waar hij genezing zou vinden; en inderdaad zoodra
hij geland was, zag hij een grooten leeuw, van schrik begon hij te
schreeuwen, en zijn gebrek was genezen. Hij vestigde zich toen met
de zijnen op het eiland Platea, waar het hun echter niet goed ging,
zoodat zij na twee jaar naar Griekenland terugkeerden; het delphische
orakel beval hun echter opnieuw naar Libye te gaan. Zij bezetten nu de
kust tegenover het eiland en zes jaar later stichtten zij, bij de aan
Apollo gewijde bron Cyre of Cyrene, de stad Cyrene, waarover Battus
(631-591) als een rechtvaardig en bemind vorst regeerde.--Volgens
Herodotus is Battus het libysche woord voor koning.--2) Battus II
Eudaimon, kleinzoon van den vorigen. Onder zijne regeering (575-570)
werd het aantal inwoners door eene menigte Peloponnesiërs, Cretensers,
e. a. vermeerderd, zoodat zij met goed gevolg weerstand konden bieden
aan het groote leger, dat de aegyptische koning Apriës den Libyers
tegen hen te hulp gezonden had.--3) Battus III Cholos, onder wiens
regeering (550-530) de koninklijke macht aanmerkelijk beperkt werd.--4)
herder van Neleus; hij had Hermes de runderen van Apollo zien stelen,
maar beloofd dit te verzwijgen, toen echter Hermes zelf in eene
andere gedaante tot hem kwam en naar de runderen vroeg, vertelde hij
het gebeurde, waarop hij tot straf voor zijne trouweloosheid in een
steen veranderd werd.

Batulum, stad in Campania, ligging onbekend.

Baucis, Baukis, z. Philemon.

Bauli, liefelijk oord tusschen Baiae en Misenum, met tal van
buitenplaatsen. De redenaar Q. Hortensius had hier een landgoed,
dat later in het bezit van de keizerlijke familie gekomen is. Hier
werd Agrippina, de moeder van Nero, door haar zoon vermoord (Maart
59 n. C.).

Bavius en Maevius, twee rom. pruldichters, benijders en bedillers
van Horatius en Vergilius.

Baxea of Baxa, meestal plur. baxeae, soort van schoeisel, soms als een
sandaal, soms als een schoen, doch van zeer lichte stof vervaardigd,
b.v. van papyrus of van palmbladeren.

Bazira, Bazira, vesting op den Paropamisus ten W. van de bergvesting
Aornus.

Bebriacum = Bedriacum.

Bebryces, Bebrykes, mythisch volk in Bithynië, door de Argonauten
bezocht. Het volk is ongeveer in de 8ste eeuw door de Bithyniërs
uitgeroeid. Naar hen heette Bithynia vroeger Bebrycia.

Bedriacum, Betriakon, vlek in Gallia Cisalpina tusschen Verona en
Cremona, waar in 69 n. C. eerst keizer Otho door de troepen van
Vitellius verslagen werd, terwijl weinige maanden later tusschen
Bedriacum en Cremona in een dubbelen slag het leger van Vitellius
door Antonius Primus, veldheer van Vespasianus verslagen werd.

Belbina, Belbina, eilandje tusschen Attica en Argolis.

Belesys, Belesys, chaldeeuwsch priester, satraap van Babylon;
z. Arbaces.

Belgae, Belgai, gezamenlijke naam voor de volksstammen, die ten tijde
van Caesar het noordelijk gedeelte van Gallia Transalpina bewoonden,
ten N. van den Matrona (Marne) en de Sequana (Seine). Ook in Britannia
vindt men een volksstam van dien naam, die van de vastelandsche
Belgae afstamt. Gedeeltelijk waren zij van germaanschen oorsprong. De
Belgen waren krijgshaftiger dan de meer zuidelijk wonende gallische
stammen, omdat zij in gedurigen strijd met de Germanen van over den
Rijn leefden en door het weren van vreemde handelaars zich zochten te
vrijwaren tegen den ontzenuwenden invloed der rom. weelde. Na zeven
jaren strijds slaagde Caesar er in ze te onderwerpen.

Belgica, het land der Belgae, door den Rhenus van Germania, door
Matrona en Sequana van eigenlijk Gallia gescheiden. Als provincie onder
Augustus strekte Belgica (hoofdstad Durocortorum, thans Rheims) zich
in zuidoostelijke richting over het gebied der Sequani en Helvetii
heen tot aan de Alpen uit. Na de terugroeping van Germanicus (17
n. C.) werden de streken langs den Rijn, waar de legioenen lagen, van
Belgica gescheiden, en in Germania Superior en Inferior ingedeeld. Toen
in het tijdperk van Constantijn Gallia Transalpina in 17 kleinere
provinciën was verdeeld, had men Belgica I met de civitas Trevirorum
(Trier) en Belgica II met de civitas Remorum (Rheims) tot hoofdstad.

Belgium, het land der Belgae = Gallia Belgica.

Belias = Bilechas.

Belides, Beleides, Aegyptus en Danaüs, zonen van Belus; Lynceus,
zijn kleinzoon; Palamedes, een van zijne afstammelingen.

Belides, Belides, de Danaïden, kleindochters van Belus.

Bellerophon, Bellerophontes, Bellerophon, Bellerophontes, zoon
van Glaucus, koning van Corinthe, of van Poseidon. Zijn naam was
oorspronkelijk Hipponoüs, en werd veranderd toen hij bij ongeluk
zekeren Bellerus in een wedstrijd gedood had. Wegens dezen moord
vluchtte hij naar Argos, waar hij door koning Proetus gastvrij
ontvangen werd, maar diens gemalin Antea (of Stheneboea) vatte een
hevige liefde voor hem op, en daar die liefde niet beantwoord werd,
belasterde zij hem bij Proetus, als had hij haar tot ontrouw willen
verleiden. Deze zond hem naar zijn schoonvader Iobates, koning van
Lycië, met een brief, waarin de opdracht stond Bell. te dooden. Voordat
Iobates echter den brief las, had Bell. zich reeds zoo bemind gemaakt,
dat de koning hem niet zelf dooden wilde; hij gaf hem daarom last de
Chimaera te gaan bestrijden, denkende dat hij bij die onderneming den
dood wel vinden zou. Maar Athena stond Bell. bij, en zond hem uit den
hemel het gevleugelde paard Pegasus, terwijl zij hem in den droom
leerde hoe het te beteugelen. Op zijn paard gezeten doodde hij het
monster uit de hoogte met zijne pijlen. Nog was Iobates niet tevreden,
maar toen Bell. op zijn opdracht nog de Solymers en de Amazonen had
overwonnen, en eindelijk bij zijn terugkomst de beste soldaten van
Lycië verslagen had, die in hinderlaag gelegd waren om hem te dooden,
erkende de koning in hem een gunsteling der goden; hij gaf hem zijne
dochter tot vrouw en deelde zijn rijk met hem. Maar door zijn geluk
overmoedig geworden en steunende op zijn wonderbaar paard, waagde
Bell. nu ook eene poging om den Olympus te bestijgen, en dit was zijn
ongeluk. Want Zeus maakte zijn paard door een bliksemstraal of door
een paardenvlieg schichtig, zoodat het zijn ruiter afwierp, die nu
blind en kreupel op de aarde neerviel, terwijl Pegasus naar den Olympus
terugkeerde. Sedert dien tijd dwaalde Bell. somber en menschenschuw in
de Aleïsche vlakte rond. Te Corinthe werd hij als halfgod hoog vereerd.

Bellocasses, z. Vell(i)ocasses.

Bellona, 1) eene oorlogsgodin, tot de Di Indigetes behoorende,
later vereenzelvigd met de Grieksche Enyo. Zij vergezelt Mars, wiens
zuster, dochter, vrouw, voedster, of wagenmenster zij genoemd wordt,
in den strijd. In 296 werd haar door Ap. Claudius Caecus een tempel
op het Marsveld gewijd. Hier werd vaak senaatszitting gehouden voor
het ontvangen van gezanten van volken, die met Rome geen verbond
hadden gesloten, en voor de onderhandelingen omtrent het toestaan
van een triumphus aan overwinnende veldheeren (zie triumphus). Zij
wordt beschreven als een godin die een speer, een fakkel of een
geesel zwaait en op de trompet blaast.--2) eene aziatische godin,
wier dienst tijdens de oorlogen met Mithradates uit Comana te Rome
ingevoerd werd, en die daar sedert dien tijd op oostersche wijze
vereerd werd. Op hare feesten trokken hare priesters (Bellonarii)
in zwarte kleederen door de stad en brachten zichzelven in heiligen
waanzin wonden aan armen en lendenen toe, waarbij zij onder het geraas
van pauken en trompetten allerlei voorspellingen deden.

Bellovaci, krijgszuchtig volk in Belgica, met de aanzienlijke hoofdstad
Bratuspantium, later Caesaromagus (Beauvais). Zij waren vrienden en
cliënten der Aeduers, op wier bede Caesar hen spaarde.

Bellum sociale, z. Marsicum bellum.

Belus, Belos, 1) zoon van Poseidon en Libye, koning van Aegypte,
vader van Aegyptus en Danaüs.--2) eerste koning van Babylon.--3)
vader van Dido.

Belus, Belos, kustriviertje in Phoenice, op den Carmel ontspringende,
welks fijn zand aanleiding zou gegeven hebben tot de vervaardiging
van glas.

Benacus lacus, het grootste meer in Gallia Cisalpina, thans
Garda-meer. De Mincius (Mincio) stroomt er door.

Bendis, Bendis of Bendis, thracische godin der maan, ook te
Athene en elders in Griekenland vereerd, waar men haar met Artemis
identificeerde. Haar tempel heette Bendideion, haar feest (19 en 20
Thargelion, begin Juni) Bendideia.

Beneficiarius (miles), een soldaat, die, door het beneficium zijner
superieuren, tot belooning of onderscheiding de vacatio munerum
castrensium gekregen had en dus vrijgesteld was van corveediensten,
werken aan de wallen der legerplaats, het betrekken der gewone
wachtposten en derg. De beneficiarii zijn toegevoegd aan de
opperofficieren, en worden voor bureauwerk gebruikt. Onder de keizers
ontaardde deze vrijstelling in misbruik, daar de centuriones door
allerlei plagerij de soldaten zochten te dwingen, zulk een beneficium
van hen te koopen, waardoor de dienst voor hen, die het niet konden
betalen, des te zwaarder werd. Verslapping der tucht en oproeren
waren hiervan het onvermijdelijk gevolg.

Beneventum, vroeger Maleventum geheeten, stad der Hirpini in Samnium,
door Diomedes gesticht. V. s. werd hier Pyrrhus door M'. Curius
Dentatus in 275 verslagen, v. a. werd die slag ergens in Lucanië
geleverd. In 268 werd het latijnsche kolonie, waarop de naam boni
ominis gratia in Beneventum veranderd werd. Onder de keizers werd het
zeer begunstigd. Onder andere oudheden vindt men er nog een zegeboog
van Traianus.

Berecyntus, Berekyntos, naam van een landstreek in Phrygia, op
de grenzen van Caria en Lydia. De Berecyntes waren een phrygische
stam. Bij de dichters is berecyntisch = phrygisch. De mater Berecyntia
was Cybele, de heros Berecyntius was haar zoon Midas, de Berecyntia
tibia is de dwarsfluit.--Ook op Creta wordt een berg Berecyntus
vermeld.

Berenice, Berenike, 1) dochter van Lagus, gemalin van haar stiefbroeder
Ptolemaeus Lagi.--2) dochter van Ptolemaeus II, gehuwd met Antiochus
II (z. a.)--3) dochter van Magas van Cyrene, verloofd met Demetrius,
huwde na diens dood (z. Apama no. 2) met Ptolemaeus III, met wien
zij vroeger verloofd was geweest. Toen Ptolemaeus behouden van den
veldtocht naar Syrië teruggekeerd was, wijdde zij uit dankbaarheid
aan Aphrodite haar om zijn schoonheid beroemd haar; den volgenden dag
was het echter reeds uit den tempel verdwenen, en de sterrenkundige
Conon verklaarde, dat het door de goden als sterrenbeeld aan den hemel
geplaatst was. Haar zoon Ptolemaeus IV liet haar ter wille van zijn
gunsteling Sosibius dooden (220).--4) z. Ptolemaeus no. 15.--5) werd
door het volk van Aegypte tot koningin verheven, toen haar vader,
Ptolemaeus XI verjaagd werd (58). Drie jaar later kwam Ptolemaeus
echter met de hulp der Romeinen terug, en nu werd Berenice gedood
(z. Archelaus no. 5).--6) zuster van Herodes den Grooten, moeder van
Agrippa I.--7) dochter van Agrippa I, werd verdacht van bloedschande
met haar broeder Agrippa II. Later werd Titus op haar verliefd;
zijn plan om haar tot vrouw te nemen moest hij echter wegens de
ontevredenheid der Romeinen opgeven.

Berenice, Berenike, naam van eenige steden uit het tijdperk der
Ptolemaeën, als: 1) in het Zuiden van Aegypte aan de Arabische golf,
eene belangrijke stapelplaats voor den handel tusschen Aegypte en het
Oosten. Ptolemaeus II liet een karavaanweg aanleggen van daar naar
Coptus aan den Nijl. Ter onderscheiding werd dit Berenice Troglodytice
bijgenaamd, naar de half wilde Troglodyten of grotbewoners in den
omtrek.--2) stad in Cyrenaïca, aan de groote Syrte, vroeger Hesperis
of Hesperides; men plaatste hier de tuinen der Hesperiden.--3) stad
in Aethiopia, aan de Arabische golf.

Begistani, een tak van het volk der Ilergetes, tusschen de Pyrenaeën
en den Iberus (Ebro).

Bergomum, in het gebied der Orobii, municipium in Cisalpina, tusschen
Comum (Como) en Brixia (Brescia). Thans Bergamo.

Bermius mons, Bermion oros, in zuidwestelijk Macedonia.

Beroea, Beroia, 1) stad in Syria, tusschen Antiochia en Hierapolis,
door Seleucus vergroot, thans Aleppo.--2) stad in Macedonia, aan den
Mons Bermius.

Berosus, Berossus, Berosos, Berossos, babylonisch priester, geboren
ten tijde van Alexander den Grooten. Zijne babylonische geschiedenis,
in het Grieksch geschreven (Babylonika e Chaldaïka), waarvan nog
enkele fragmenten bewaard gebleven zijn, stond bij de Grieken hoog
aangeschreven.

Berytus, Berytos, ten Z. van het tegenwoordige Beiroet, overoude
havenstad aan de phoenicische kust, tusschen Byblus en Sydon. Het wordt
eerst belangrijk in den Romeinschen tijd. Sedert het midden van de
3de eeuw n. C. was hier een beroemde hoogeschool voor Romeinsch recht.

Bes, 2/3 deel van den as. Een muntstuk van deze waarde was er niet.

Bessi, Bessoi, machtig thracisch volk langs de geheele uitgestrektheid
van den Haemus. Door M. Terentius Varro Lucullus (zie Licinii no. 25)
werden zij in 72 en 71 aan de Rom. onderworpen. Ze stonden echter
herhaaldelijk op, en werden eerst definitief door L. Piso in 11
onderworpen.

Bessus, Bessos, satraap van Bactrië onder Darius Codomannus. Toen
deze na den slag bij Gaugamela voor Alexander vluchtte, werd hij
door Bessus en eenige anderen, die den oorlog wilden voortzetten,
gevangen genomen, en daar zij aan de snelle vervolging van Alexander
niet konden ontkomen, brachten zij den koning een doodelijke wonde
toe en lieten zij hem op weg achter. Bessus vluchtte nu verder naar
de noordelijke provinciën en liet zich als Artaxerxes IV tot koning
uitroepen, maar eindelijk werd hij door Alexander ingehaald, in
Sogdiana door Ptolemaeus Lagi gevangen genomen, door eene rechtbank
van Perzen en Meden ter dood veroordeeld en gevierendeeld (329).

Bestia, familienaam in de gens Calpurnia (Calpurnii no. 14-16).

Bestiarii werden zij genoemd, die zich verhuurden om in het
amphitheater met wilde dieren te vechten. In het eerst bestonden
hunne wapenen uit zwaard en schild, doch onder keizer Claudius
werd het gebruikelijk, dat de bestiarii slechts met een jachtspriet
gewapend waren en een hooggekleurden doek in de hand hadden, zooals
in Spanje bij de stierengevechten het geval is. Zij, die tot straf
aan de wilde beesten voorgeworpen werden, ad bestias damnati,
waren in den regel ongewapend. Voor vrijen was deze straf in het
republikeinsche tijdperk onbekend, doch onder de keizers werd zij
vooral op de Christenen toegepast.

Betasii, germaansch volk in Belgica, in den omtrek van het
tegenw. zuid-brabantsche dorp Beetz.

Betriacum = Bedriacum.

Bianor, zoon van Heracles of van Tiberis en Manto, de mythische
stichter van Mantua.

Bias, Bias, 1) z. Melampus.--2) van Priene, en van de zeven wijzen. Hij
hield Croesus terug van een zeeoorlog tegen de ionische steden;
zijn raad, aan de Ioniërs bij de aanvallen der Perzen gegeven, om
hunne steden in Azië te verlaten en een groot rijk op Sardinië te
stichten, werd niet opgevolgd. Zijn spreuk was: hoi pleious kakoi,
de meeste menschen deugen niet.

Bibaculus, familienaam in de gens Furia (Furii no. 15).

Bibracte, later Augustodunum, thans Autun, groote volkrijke hoofdstad
der Aeduers in Gallia Transalpina.

Bibrax, stad der Remi in Gallia Transalpina, waarschijnlijk Vieux-Laon
bij Laon.

Bibulus, familienaam in de gens Calpurnia (Calpurnii no. 17 en 18).

Bidental. Wanneer bij de Romeinen de bliksem ergens in den grond
was geslagen, dan moest de daar als het ware gestorven bliksemstraal
plechtig ter aarde worden besteld. De aarde der getroffen plek werd
dan begraven met een stuk vuursteen, als zinnebeeld van den bliksem,
er bij. De getroffen plek was door den bliksemstraal tot een templum
gewijd en werd met een muurtje omringd, doch van boven opengelaten,
zoodat het geheel op een put geleek en ook puteal genoemd werd met
het opschrift: fulgur conditum. Dan werd er een tweejarig offerdier,
bidens, geofferd, en hiernaar heette de plek een bidental. Een bidens
is een rund of zwijn, doch meestal een schaap, dat beide rijen tanden
vol heeft, wat het geval is, als het twee jaar oud is.

Bideoi, Bidyoi, Bidiaioi, een collegie van vijf mannen te Sparta,
die den paidonomos ter zijde stonden.

Bigati, de gewone benaming voor de Romeinsche zilverstukken (denarii)
uit den tijd der Romeinsche republiek. Ze ontleenen hun naam aan het
tweespan (bigae) van den beeldenaar; de godheid op het tweespan is
eerst Luna (Diana), later gewoonlijk Victoria (Victoriati), maar men
vindt ook andere goden. Sommige van deze munten hadden een kartelrand
(serrati), om het snoeien tegen te gaan. Soms komt op de denarii een
vierspan voor (quadrigati).

Bigerra, stad der Oretani in Hispania Tarraconensis.

Bigerriones, volk in Aquitania, welks naam nog voortleeft in de
pyreneesche badplaats Bagnères de Bigorre.

Bilbilis, Bilbilis, in Hispania Tarraconensis, geboortestad van den
dichter Martialis, in het gebied der Celtiberiërs aan een zijtak van
den Iberus (Ebro). De stad lag op eene rots en had eene belangrijke
nijverheid van wapenfabrieken en goudsmidswerk.

Bilechas, zijrivier van den Scirtus.

Bingium, stad in Belgica, thans Bingen aan den Rijn.

Bion, Bion, 1) van Smyrna, navolger van Theocritus als bucolisch
dichter, dien hij echter niet kon evenaren. Hij stierf omstreeks het
einde van de 2de eeuw te Syracuse door vergift. Er zijn nog enkele
gedichten in dorisch dialect van hem over.--2) van Borysthenes,
beoefende in het laatst der derde eeuw te Athene de cyrenaeische
wijsbegeerte en bracht langen tijd aan het hof van Antigonus Gonatas
door. Hij is een leerling van Theophrastus. Hij was bekend om zijn
vinnige uitvallen; den godsdienst verklaarde hij op dezelfde wijze
als Euhemerus (z.a.).

Bisaltae, Bisaltai, thracisch herdersvolk in het macedonische landschap
Bisaltia, ten W. van den Beneden-Strymon.

Bisanthe, Bisanthe, volkplanting van Samus aan de Noordkust der
Propontis.

Bistones, Bistones, thracische volksstam tusschen den berg
Rhodope en de zee, in den omtrek der stad Abdera, aan het meer
Bistonis. Dichterlijk bistonisch = thracisch, Bistonides = Bacchanten,
omdat de Bacchusdienst in Thracia te huis behoorde.

Bithynia, Bithynia, land aan de Zuidwestzijde van den Pontus Euxinus
en de Oostzijde der Propontis, begrensd door Paphlagonia, Galatia
en Phrygia. Het draagt zijn naam naar een der beide thracische
stammen, die het bewoonden, de Bithyni ten O. en de Thyni ten W.,
wier gebied door de rivier Sangarius gescheiden was. V.s. zijn
beide namen identisch. Noch aan de Perzen, noch aan Alexander
d. G. gelukte het, Bithynia geheel of duurzaam te onderwerpen. Na
den dood van Alex. behoorde Bithynia tot het gebied van Lysimachus,
doch een der mindere legerhoofden, Nicomedes, slaagde er in, met
behulp van keltische huurtroepen hier een koninkrijk te stichten
(281-246). De zesde koning dezer dynastie, Nicomedes III, liet in 75
zijn land bij testament aan de Romeinen na. In 63 werd eene strook
van Paphlagonia en van Pontus aan de provincie Bithynia toegevoegd,
en in 7 na C. nog een stuk. Sedert 63 na C. komt de provincie voor
onder den naam Bithynia-Pontus. Plinius de jongere, bekend door zijne
Epistulae, werd in 111 door keizer Traianus tot stadhouder van Bithynia
benoemd. Zijne ambtsbrieven aan den keizer en diens antwoorden zijn
leerzaam om ons het destijds heerschende centralisatiestelsel te
doen kennen. Ook geeft één van deze brieven een verrassenden kijk
op de uitbreiding, die het Christendom toen reeds verkregen had. De
oude hoofdstad was Bithynium; onder de grieksche vorsten had men drie
residenties: Nicomedea, door Nicomedes I gesticht, Nicaea en Prusa.

Bithynium, Bithynion, de oudste hoofdstad der Bithyniërs, in het
binnenland gelegen, later Claudiopolis geheeten.

Biton, Biton, z. Cleobis.

Bituriges, aanzienlijk volk in Gallia Transalpina. Zij werden
onderscheiden in Bituriges Vibisci met de hoofdstad Burdigala
(Bordeaux) aan den Garumna, en Bituriges Cubi met de hoofdstad Avaricum
(Bourges).

Blandusia = Bandusia.

Blautai, Blautia, halve schoenen, die met riemen om de beenen
vastgemaakt werden. Het was een voorname dracht.

Blemmyes, Blemmyes, een rooversvolk ten zuiden van Aegypte.

Blosius of Blossius (C.), stoicijnsch wijsgeer uit Cumae, een vriend
van Tib. Gracchus en deelgenoot van diens plannen. Na Gracchus'
dood vluchtte hij naar Asia, waar hij later zichzelf het leven benam.

Boadicca of juister Boudicca, koningin der Iceners in Britannia,
die door de schandelijke hebzucht en handelingen der Romeinen tot
opstand gedreven werd (62 v. a. 60 n. C.). Deze opstand breidde
zich met groote snelheid uit, het belangrijke Londinium (Londen) en
andere plaatsen werden door de woedende Britten veroverd, en meer dan
70000 romeinsche soldaten en burgers kwamen om het leven. Boadicca's
tallooze benden werden echter in hetzelfde jaar door Nero's dapperen
veldheer C. Suetonius Paulinus geheel verslagen, waarop de koningin
zich door vergif het leven benam.

Bocchus, 1) koning in Mauretania, schoonvader van Jugurtha. Eerst
was hij op de hand der Romeinen, tot Jugurtha hem door afstand
van grondgebied voor zich won. Toen zijne troepen evenwel door
Marius bij herhaling verslagen waren, liet hij zich bewegen zijn
schoonzoon aan de Romeinen uit te leveren.--2) Bocchus II regeerde
met zijn broeder Bogudes gezamenlijk over Mauretania. In den oorlog
van Caesar tegen de partij van Pompeius kozen zij Caesars zijde en
kregen tot belooning den titel van koningen. Bogudes droeg er later
veel toe bij, om Caesar den slag bij Munda te doen winnen. In den
strijd tusschen Antonius en Octavianus koos Bocchus de zijde van
dezen, Bogudes die van Antonius. Bocchus kreeg nu geheel Mauretania,
terwijl Bogudes kort na den slag bij Actium sneuvelde. Na Bocchus'
dood (33) werd zijn land eene rom. provincie, maar in 25 werd het
aan den jongen Juba afgestaan. (Zie Juba).

Bodotria of Boderia, Boderia eischysis, inham van de Noordzee tusschen
Caledonia (Schotland) en Britannia, thans Firth of Forth. Vanhier liep
het vallum Antonini tot aan het Clotae aestuarium aan de Iersche zee.

Boebe, Boibe, en Boebeis lacus, Boibeis limne, stad en meer tusschen
de thessalische landschappen Pelasgiotis en Magnesia.

Boëdromia, Boedromia, feest ter eere van Apollo te Athene en Thebe
in de maand Boëdromion gevierd. De Atheners herdachten daarbij de
overwinning van Theseus op de Amazonen, of de hulp, die Ion of Xuthus
hun tegen de Eleusiniërs verleend had, en sedert 490 ook den slag
bij Marathon. In Thebe vierde men het feest ter gedachtenis aan den
oorlog met Erginus, koning van Orchomenus.

Boëdromion, Boedromion, 3de maand van het Attische jaar (Sept.-Oct.),
z. Annus.

Boeotia, Boiotia, landschap van Hellas, voor een groot gedeelte
door bergen ingesloten, rijk aan bronnen en vruchtbare valleien,
en met een aantal meertjes, die zich in den regentijd tot één
groot meer (het meer Copaïs) vereenigden. De bewoners stonden bij
de Atheners niet in den reuk van snuggerheid; men hield het er
voor, dat de vochtige en dompige lucht benevelend op het verstand
der Boeotiërs werkte. De bevolking was uit allerlei oude stammen
dooreengemengd. Tot de oudste steden behooren: Orchomenus, dat reeds
in den myceenschen en vóór myceenschen tijd bestaan heeft, Arne,
dat met een paar andere steden in het meer Copaïs verdronken is,
en Thebae. In historischen tijd bestond Boeotia uit een statenbond
eerst van 7 steden: Acraephium, Coronea, Haliartus, Mycalessus,
Plataeae (dat zich echter reeds vroeg bij Athenae aansloot),
Tanagra, en Thebae, later van 14, na den peloponnesischen oorlog
van 10 staatjes, meest met een aristocratisch bestuur. De jaarlijks
aftredende overheidspersonen heetten Boeotarchen. Als hoofd van den
bond gold Thebae; maar de tweespalt en de somtijds doodelijke haat,
die tusschen de boeotische steden heerschte, verlamden de kracht van
het volk. In Boeotia behooren de mythen te huis van Antiope en Dirce,
van Amphion en Niobe, van Cadmus en diens dochters Ino en Semele en
zijne kleinzonen Actaeon, Melicertes en Pentheus, van Dionysus of
Bacchus, van Oedipus en diens geslacht, van de gebroeders Trophonius
en Agamedes. Aan de Muzen was de berg Helicon gewijd, die met zijne
rijkbegroeide hellingen scherp afstak bij den naakten Cithaeron,
den ongeluksberg in de boeotische mythen.

Boeotus, Boiotos, z. Aeolus no. 2. Naar hem zouden de Boeotiërs
genoemd zijn.

Boethus, Boethos, van Chalcedon, bekwaam beeldhouwer uit het begin van
de 2e eeuw. Beroemd was onder zijne werken het beeld van een knaap,
die een gans den hals omdraait.

Boeum, Boion, stad in het landschapje Doris, tot de dorische tetrapolis
behoorende.

Bogudes, koning in Mauretania. Zie Bocchus II, wiens jongere broeder
hij was.

Boii, Boioi, een groot keltisch volk uit meer dan 100 tribus bestaande,
dat veel gezworven heeft en waarvan verschillende gedeelten in de Po-
en Donaulanden voorkomen, ten N. en ten Z. der Alpen. De Bojers in de
Po-vlakte verdreven de Etrusci en de Umbri uit de streek ten Z. van
de Po, en namen de Etruscische stad Felsina in, die later als hun
hoofdstad Bononia genoemd werd. Na hevigen strijd werden zij in 224
door de Romeinen ten onder gebracht, doch de inval van Hannibal in
Italië bracht hen weder in opstand, en eerst in 191 werden zij door
P. Cornelius Scipio Nasica (Cornelii no. 19) voor goed onderworpen. De
Bojers aan den Donau sloegen een aanval der Cimbren en Teutonen af;
in Caesars tijd sloot zich een gedeelte, dat zijne woonplaatsen in
Boiohaemum (Boheme) verlaten had (± 60) en naar Noricum was getrokken,
bij de Helvetiërs aan.

Boiohaemum, Boheme, het land (die Heimath) der Boii.

Boiorix, 1) misschien slechts een titel = Boiorum of Boius rex, koning
der Bojers, die volgens het niet geheel betrouwbare verhaal in 194
met de Romeinen gestreden heeft.--2) koning der Cimbren, versloeg en
doodde in 105 M. Aurelius Scaurus (z. Aurelii no. 10), maar sneuvelde
in 101 in den slag op de Raudische velden bij Vercellae tegen Marius.

Boiotarchai, de magistraten van het boeotisch verbond, die de
uitvoerende macht hadden, in den oorlog het opperbevel voerden,
en de besluiten der vier boeotische raden ten uitvoer brachten.

Bola, Bola, oude stad in Latium, die langen tijd in het bezit der
Aequi geweest is, en reeds vroeg te gronde is gegaan.

Bolbe, Bolbe, meer in Macedonia, dat in de golf van den Strymon
uitwatert.

Bolbitine, Bolbitine, thans Rosette, stad in de Nijldelta, waarnaar
de westelijke hoofdmonding der rivier ostium Bolbitinum werd genoemd.

Bolissus, Bolissos, stad in het N.W. van Chius.

Bomienses, Bomies, volk in het O. van Aetolia, in het brongebied van
den Euenus.

Bomilcar, Bomilkas, naam van twee carthaagsche veldheeren. De eerste
komt voor in den strijd van Carthago tegen Syracusae, toen Agathocles
omstreeks 310 eene landing in Africa deed en de carthaagsche generaals
Hanno en Bomilcar versloeg. Later deed Bomilcar eene poging om zich te
Carthago van het bewind meester te maken; doch zijn toeleg mislukte en
hij stierf aan het kruis.--De andere komt voor in den tweeden punischen
oorlog. Hij bracht in 215 versche troepen aan Hannibal en ondersteunde
in 214 en 212 Syracusae tegen de Romeinen.--Ook de vertrouwde dienaar
van Jugurtha, die voor dezen te Rome den moord op Massiva pleegde,
heette Bomilcar. Toen hij later zijn meester poogde te verraden,
werd hij door dezen met den dood gestraft (107).

Bomonikai, heetten de spartaansche knapen, die de geeseling voor
het altaar van Artemis Orthia (z. a.) het langst en standvastigst
verdroegen.

Bona Dea, eene godin wier eigenlijke aard reeds den Romeinen
onduidelijk was, en die daarom soms voor dezelfde als Fauna, Maia,
Ops, e. a. gehouden wordt; oorspronkelijk was de naam een attribuut
van Fauna, maar daar deze godin uitsluitend door vrouwen vereerd werd,
werd de Grieksche godin Damia, wier dienst reeds vroeg, waarschijnlijk
272, na de inneming van Tarente, in Rome werd ingevoerd, met haar
vereenzelvigd. De 1e Mei was haar feestdag, maar het voornaamste feest
te harer eer werd in het begin van December des nachts ten huize van
den hoogsten overheidspersoon door voorname vrouwen en vestaalsche
maagden gevierd. Tot beide feesten was de toegang aan mannen ten
strengste verboden.

Bondgenootenoorlog, zie Marsicum bellum.

Bona (fide), te goeder trouw, komt als rechtsterm dikwijls voor. Bonae
fidei possessio is het bezit te goeder trouw van eene zaak, waarvan
men meent de rechtmatige bezitter te zijn.

Bonna, stad in het gebied der Ubii aan den Rhenus, thans Bonn. Drusus
maakte er eene vesting van.

Bononia, Bononia, 1) thans Bologna, zeer oude Stad in Gallia
Cisalpina. Eerst was Bononia de hoofdstad der aan den Po gevestigde
Etruscers, en heette toen Felsina. Toen de Etruscers door de Galliërs
verjaagd waren, werd Bononia de hoofdstad der Bojers. In 189 werd het
lat. kolonie. Onder de keizers werd het eene aanzienlijke stad.--2)
stad der Morini, aan het Kanaal, vroeger Gesoriacus portus, thans
Boulogne.

Bonorum cessio, vrijwillige afstand van zijn vermogen door een
insolventen schuldenaar aan zijne schuldeischers. Zie bonorum emptio.

Bonorum emptio. Wanneer een schuldenaar onwillig bleek zijne schuld
te betalen, of wanneer iemand zich schuil hield om eene dagvaarding te
ontgaan, konden de belanghebbenden van den praetor eene missio in bona,
d. i. eene inbeslagneming van goederen vragen. Werd deze toegewezen,
dan liet men nog een termijn voorbijgaan, om den onwillige in de
gelegenheid te stellen aan zijne verplichtingen of aan het verlangen
der eischers te voldoen; bleef hij in gebreke, dan had ten laatste
de executie plaats. Werden iemands bezittingen voor schuld verkocht,
dan werden zij in haar geheel bij opbod aan hem toegewezen, die aan
de schuldeischers het grootste getal percenten bood. Deze executie
had eerloosheid (infamia) tengevolge, die men kon ontgaan door eene
bonorum cessio. Het oude recht kende echter deze cessie niet; zij werd
eerst wettig ingevoerd onder Caesar, hoewel zij zeker onderhands ook
vroeger zal hebben plaats gehad.

Bonorum possessio. Het oude strenge erfrecht bij de Romeinen sloot de
cognati en de geëmancipeerde kinderen uit; doch het praetorische recht,
dat meer op de aequitas was gegrond, nam deze op. Door dit nieuwe recht
konden op grond van bloedverwantschap ook zij tot de erfenis geroepen
worden, die door uittreding uit de patria potestas hun erfrecht
volgens de lex XII tabularum hadden verloren. Men onderscheidt hierbij
verschillende gevallen. Bonorum possessio contra tabulas (testamenti)
kon door den praetor verleend worden, wanneer b. v. geëmancipeerde
kinderen in het testament waren voorbijgegaan. Bon. poss. secundum
tabulas kon toegewezen worden, wanneer b.v. het testament niet aan
alle wettelijke vormen voldeed en dus strikt genomen niet geldig zou
wezen,--tenzij zich erfgenamen opdeden, die een beter recht konden
doen gelden dan de testamentaire erven. Bon. poss. intestati kon
plaats grijpen, wanneer er geen testament was. De praetor maakte dan
verschillende klassen van erfgenamen. In den eersten graad erfden de
kinderen, ontbraken deze, dan kwamen in de tweede plaats de legitimi
heredes, bij ontstentenis van deze, de naaste cognaten, enz., tot
zeven graden toe.--Zij, die door het praetorische edict aldus tot
de erfenis geroepen werden, werden nochtans eigenlijk geene heredes,
want de praetor kon geene erfgenamen maken; zij werden loco heredum en
hadden slechts de possessio, daar zij geen wettigen titel van eigendom
konden doen gelden, tenzij later het recht van verjaring (usucapio).

Bonorum sectio, z. Sectio bonorum.

Bonus Eventus, z. Eventus.

Boonai, te Athene door het volk gekozen personen, die te zorgen hadden,
dat het voor de offers en feesten noodige vee in voorraad was.

Bootes, Bootes, sterrenbeeld in de nabijheid van den Grooten Beer,
daarom ook Arcturus of Arctophylax genoemd. Men zag in dit beeld
Icarius of Arcas. V. a. was Bootes een zoon van Demeter en Iasion,
die den ploeg had uitgevonden.

Borbetomagus, stad der Vangiones, aan den Rhenus, thans Worms.

Boreadae, Boreadai, Boreades, Zetes, Calaïs, Chione en Cleopatra,
kinderen van Boreas en Orithyia.

Boreas, Boreas, Borras, N. O. of N. wind (zie Windstreken),
mythologisch de zoon van Astraeus en Eos, die een hol van den
thracischen Haemus bewoont. Hij schaakte behalve vele andere vrouwen
Orithyia, de dochter van Erechtheus, daarom baden de Atheners tot
hem, toen een orakel hun bij het naderen der Perzen bevolen had hun
schoonzoon te hulp te roepen, en inderdaad werd een deel van Xerxes'
vloot bij kaap Sepias door storm vernield. Uit dankbaarheid wijdde
men hem een tempel aan den Ilissus.

Boreasmoi, feest ter eere van Boreas te Athene gevierd.

Borsippa, stad aan het Naärsareskanaal, even bezuiden Babylon, met
beroemde linnenfabrieken.

Borysthenes, Borysthenes, rivier in Sarmatia, later Danapris, thans
Dniepr. Aan zijn mond, waar hij zich met den Hypanis (Bug) vereenigt,
lag de milesische kolonie Borysthenis of Olbia.

Bosporanum regnum, zie Bosporus.

Bosporus, Bosporos, naam van twee zeeëngten. De Bosporus Thracius
heet de straat van Constantinopel; de Bosporus Cimmerius is de
straat van Kaffa of Jenikale, de invaart der Palus Maeotis of zee
van Azow. Met de palus Maeotis en den Tanaïs (Don) vormt ze in de
oudheid de grensscheiding tusschen Europa en Asia. Uit de milesische
kolonie Panticapaeum, ook Bosporus geheeten, thans Kertsch, aan de
laatste zeeëngte gelegen, ontwikkelde zich een bosporaansch rijk,
dat door Mithradates VI van Pontus met zijn rijk werd vereenigd en
later door Pompeius aan diens zoon Pharnaces werd afgestaan. Als
rom. vasalstaat bleef het bestaan tot aan de groote volksverhuizing.

Bostar, Bostar, naam van twee carthaagsche bevelhebbers. De eerste,
door Regulus in 256 gevangen genomen, werd later als zoenoffer aan
diens familie overgegeven en zou tengevolge van mishandelingen
gestorven zijn. De andere, die onder Hasdrubal in den tweeden
punischen oorlog in Spanje diende, liet zich door zekeren Spanjaard
Abelux verleiden, om de Spaansche gijzelaar, hem door Hannibal ter
bewaking toevertrouwd, vrij te laten. Een derde Carthager van dien
naam, werd in 215 door Hannibal met een paar anderen als gezant naar
Macedonia afgevaardigd; doch het schip, dat hen vervoerde, werd door
de rom. vloot buit gemaakt.

Bostra, ta en he Bostra, stad ten Zuiden van Damascus, in eene
oase der syrische woestijn. Het was oudtijds de hoofdstad van de
landstreek Auranitis, in het N. O. van Palaestina, later hoofdstad van
het koninkrijk der Nabataeërs, en werd ten slotte, bij de inlijving
(105 of 106 n. C.) door Traianus tot hoofdstad der provincie Arabia
verheven. Zie Arabia.

Bottia of Bottiaea, Bottia, -iaia, -iaiis, landstreek van Macedonia
aan den Axius, (Vardar) en de Thermaeïsche golf. De oorspronkelijke
bewoners, in de 7de of 6de eeuw door de Macedoniërs verdreven,
verhuisden naar het noordelijk gedeelte van het schiereiland
Chalcidice, dat zij Bottice noemden, terwijl de vroegere woonplaats
den ouden naam Bottia of Bottiaea behield.

Bouai, afdeelingen, waarin de spartaansche jongelingschap gedurende
de jaren hunner opvoeding verdeeld was. Aan het hoofd van zulk eene
afdeeling stond een Bouagos of Bouagor.

Boudicca = Boadicca.

Boule, raad, een lichaam dat in democratische staten in de eerste
plaats de staatsaangelegenheden aan eene voorafgaande behandeling heeft
te onderwerpen, alvorens ze in de volksvergadering te brengen. Te
Athene had de raad volgens de instellingen van Draco 401 leden, zij
werden bij loting aangewezen uit de burgers, die ouder dan 30 jaar en
in het volle bezit hunner burgerrechten waren. Niemand mocht voor de
tweede maal lid van den raad zijn, voordat allen die ertoe gerechtigd
waren een beurt gehad hadden. Onder de wet van Solon waren er 400,
100 per phyle, door loting aangewezen uit candidaten die door de
phylen gekozen waren. Clisthenes vermeerderde het aantal leden tot 500
(vandaar de gewone naam he boule hoi pentakosioi), nl. 50 uit elke van
de nieuwe 10 phylen; waarschijnlijk liet hij ook de verkiezing door
loting (apo kyamou lachein) bestaan. De loting had ook toen plaats
uit hen, die door de phylen als candidaten waren aangewezen. Bij de
ontwikkeling der democratie werd ook aan de theten het recht toegekend
om tot den raad te behooren. Met de vermeerdering van het aantal phylen
in den macedonischen tijd vermeerderde ook het aantal raadsleden;
Hadrianus verminderde het echter weder tot 500.--Tot de bevoegdheden
van den raad behoorde o. a. dat de veldheeren hem verslag gaven van
hunne verrichtingen, dat hij vreemde gezanten ontving en ze bij de
volksvergadering inleidde, enz. Voorts had de raad het oppertoezicht
over het beheer der financiën en beheerde ze gedeeltelijk zelf,
leidde hij het onderzoek naar de bevoegdheid der archonten en van
andere verkozen ambtenaars (dokimasia), en had hij in sommige minder
belangrijke gevallen rechtspraak. De raad kon geldboeten opleggen en
had het toezicht op alles wat tot de marine behoorde en op de openbare
gebouwen. Dikwijls werd hem bovendien door het volk het afdoen van
eene of andere aangelegenheid opgedragen; de besluiten, die hij
zonder zulk een opdracht neemt, zijn slechts gedurende het loopende
ambtsjaar geldig. Z. ook probouleuma en ekklesia.--De raad vergaderde
dagelijks, behalve op feestdagen, in het raadhuis (bouleuterion),
zijne vergaderingen waren gewoonlijk openbaar. Met het dagelijksch
bestuur was echter altijd slechts eene bij loting aangewezen afdeeling
van 50 raadsleden belast (z. Prytanis).--De leden van den raad waren
vrijgesteld van den krijgsdienst, hadden een afzonderlijke plaats
in den schouwburg en ontvingen, waarschijnlijk sedert de tijden van
Pericles, een drachme of vijf obolen voor iedere vergadering (misthos
bouleutikos). Wanneer de raad bij zijn aftreden voldoende rekenschap
van zijne verrichtingen gegeven had, vereerde het volk hem met een
gouden krans, die in een of anderen tempel bewaard werd. Ook in vele
andere staten en statenbonden wordt eene boule vermeld, over welker
samenstelling en bevoegdheden echter weinig of niets bekend is.

Bouphonia, z. Diipolia.

Bovianum, Boïanon, hoofdstad der Pentri in Samnium.

Bovillae, Boïllai, stadje in Latium aan de via Appia, bekend door
de ontmoeting tusschen Milo en Clodius Pulcher, die Clodius het
leven kostte.

Braccae. De Romeinen en Grieken omwonden wel de beenen met lange
strooken lijnwaad (fasciae), en ook kousen waren in de oudheid niet
onbekend, doch broeken waren eene kleederdracht der barbaren, o. a. van
de oostersche volken en van de transalpijnsche Galliërs. Naar deze
kleederdracht werd Gallia Transalpina dikwerf in de wandeling Gallia
braccata genoemd. Hoewel in het tijdperk der keizers deze dracht
ook tot Rome doordrong, is zij er nimmer nationaal geworden. Bij
de Grieken heette het kleedingstuk anaxyrides, terwijl meer in het
bizonder voor wijde broeken de naam thylakoi in gebruik was.

Brachmanae, Brachmanes, de priesterkaste bij de Indiërs, ook de
stammen die den godsdienst van Brahma beleden. De Grieken hebben van
deze zaken kennis gekregen door de expeditie van Alexander naar Indië;
de Grieksche schrijvers uit dien tijd geven zeer betrouwbare berichten.

Bradanus, grensrivier tusschen Lucania en Apulia, die dicht bij
Metapontum in de golf van Tarente uitloopt.

Branchidae, Branchidai, 1) afstammelingen van Branchus, een zoon van
Smicrus of van Apollo, die uit Delphi naar Miletus verhuisde en te
Didyma een tempel van Apollo stichtte. De Branchidae beheerden dezen
later zeer rijken tempel, waarvan niet lang geleden belangrijke
overblijfselen zijn opgegraven, en het daarmede verbonden orakel;
daar zij echter aan Xerxes bij zijn tocht naar Griekenland de groote
schatten van den tempel uitgeleverd hadden, verzochten zij hem na
afloop van den veldtocht, uit vrees voor de wraak der Grieken, hun
een andere woonplaats aan te wijzen. Sedert dien tijd woonden zij
in Bactriana, waar Alexander hen vond, die hen, tot straf voor de
misdaad hunner voorouders, allen liet dooden en hun stad met tempels
en heiligdommen geheel liet verwoesten.--2) = Didyma.

Brannovices Aulerci, z. Aulerci.

Brasidas, Brasidas, zoon van Tellis, de dapperste en bekwaamste
veldheer der Spartanen in den peloponnesischen oorlog. Nadat hij in
het eerste jaar van den oorlog een aanval der Atheners op Methone
had afgeslagen en zich sedert meermalen had onderscheiden, wist hij,
gesteund door gezantschappen van Perdiccas en van eenige steden op
Chalcidice, de ephoren te overreden dat men de Ath. in hun kolonies
en bondgenooten moest aanvallen; in 424 trok hij aan het hoofd van
een klein leger door Griekenland, en maakte hij, meer door overreding
dan door geweld, vele belangrijke steden in Macedonië en Thracië,
o. a. Amphipolis, van de Atheners afvallig. Wel heroverden zij, nadat
onderhandelingen over een wapenstilstand mislukt waren, verscheiden
steden, maar toen Cleon in 422 bij Amphipolis een slag waagde, behaalde
Brasidas een schitterende overwinning, waarbij hijzelf echter doodelijk
gewond werd. Hij werd na zijn dood te Amphipolis als heros vereerd.

Bratuspantium, hoofdst. der Bellovaci, tusschen de Sequana (Seine)
en de Samara (Somme).

Brauron, Brauron, aanzienlijke plaats op de Oostkust van Attica,
met een tempel van Artemis. Brauron en Eleusis maakten aanspraak op
den naam van polis.

Brauronia, Brauronia, feest ter eere van Artemis Brauronia, dat om
de vijf jaren gevierd werd en waarbij alle meisjes van vijf tot tien
jaar aan de godin gewijd werden; waarschijnlijk een overblijfsel van
vroegere menschenoffers.

Brenni of Breuni, Breunoi, volksstam in de Raetische Alpen, nabij
den tegenw. Brenner.

Brennus, Brennos, naam van verschillende Gallische vorsten: 1) het
opperhoofd der senonische Galliërs, die in 389 de Romeinen bij den
Allia versloegen, Rome innamen en het Capitool belegerden. Volgens het
verhaal was hij het, die bij het afwegen van het goud zijn zwaard in
de weegschaal wierp, en het beroemde vae victis sprak. Het geheele
verhaal omtrent hem is onhistorisch, en zijn naam ontleend aan den
onder no. 2 genoemden.--2), die in 279 met 65000 of 40000 Galliërs
in Macedonia viel, verwoestend tot in Griekenland doordrong, maar,
toen hij op Delphi lostrok, door een grieksch legertje van 4000 man
verslagen werd en zichzelf om het leven bracht. Een hevig onweder,
met aardbeving gepaard, waardoor geheele rotsblokken op de Galliërs
neerstortten, deed het verhaal ontstaan, dat de delphische god zelf
voor zijn heiligdom gestreden had.

Bretones of Britones. Zie Britannia.

Briareos, Briareos, z. Aegaeon.

Brigantes, Brigantes, het machtigste volk van Britannia, ten oosten van
den Abus (Humber), met de hoofdstad Eburacum of Eboracum (York). Zij
werden door Cerealis onderworpen.

Brigantinus lacus, thans Bodensee of meer van Konstanz, door den Rijn
gevormd. Het werd ook lacus Rheni, l. Venetus, l. Aeronius genoemd. In
een scheepsgevecht op dit meer versloeg Tiberius de Vindeliciërs. De
naam l. Brigantinus is ontleend aan de stad Brigantia (Bregenz).

Brilessus, Brilessos, berg in Attica = Pentelicus.

Briniates of Friniates, ligurische volksstam aan de N.-zijde van
de Apennijnen, ten Z. van Mutina. Ze werden in 187 door de Romeinen
onderworpen.

Brinio of Brinno, aanvoerder der Canninefaten bij den opstand van
(Claudius) Civilis tegen Rome in 69 n. C.

Briseis, Briseis, dochter van Briseus, een priester in Lyrnessus;
haar eigenlijke naam was Hippodamea. Zij was gehuwd geweest met
koning Mynes, maar bij de verovering van Lyrnessus werd zij door
Achilles gevankelijk medegevoerd. Zij was de oorzaak van zijn twist
met Agamemnon, die in de Ilias beschreven wordt, want toen Agam.,
op aandringen van Achilles, genoodzaakt werd zijne slavin Chryseis
(z. a.) vrij te laten, ten einde het leger van de pest te bevrijden,
liet hij Briseis met geweld uit de tent van Achilles halen, en gaf
haar eerst terug toen deze na den dood van Patroclus besloot weder
aan den oorlog deel te nemen.

Britannia, Bretannia, het tegenw. Engeland en Schotland, met Hibernia
(Ierland) en de kleinere bijliggende eilanden samen onder den naam
insulae Brittannicae begrepen. Vóór Caesar kenden de Romeinen deze
eilanden slechts bij geruchte, en deze geheimzinnigheid prikkelde
hem om naar Britannia over te steken; doch zijne beide tochten (55
en 54) hadden weinig gevolg. Eerst ten tijde van keizer Claudius
(sedert (43 n. C.) kregen de Romeinen vasten voet in het Zuiden van
Engeland; doch er moest nog veel strijd gevoerd en meer dan één opstand
gedempt worden (zie o. a. Boadicca), eer Iulius Agricola (78-85) er
in slaagde, Engeland geheel tot een wingewest te maken. Daarnaar werd
Engeland Britannia Romana, Schotland of Caledonia Britannia barbara
geheeten. De naam Albion beteekent bergland. Ten einde de invallen der
woeste bergstammen uit Caledonia te keeren, werden er in verschillende
tijden twee versterkingsliniën dwars over het eil. aangelegd van den
Oceanus Hibernicus (Iersche zee) naar den Oc. Germanicus (Noordzee). De
oudste linie, meestal vallum Hadriani geheeten, liep van de Solway
Firth in het W. naar de Tyne in het O., en werd aangelegd 122 n. C.;
de latere linie, vallum Antonini genaamd, was veel kleiner, liep van
Firth of Clyde (Clotae aestuarium) naar de Firth of Forth (Bodotriae of
Boderiae aestuarium). Deze had keizer Antoninus Pius door zijn legaat
Lollius Urbicus in 142 n. C. laten aanleggen. Onder keizer Septimius
Severus werd het land tusschen de beide liniën weder prijs gegeven
en trok men zich op de zuiderlijn terug, die nu versterkt werd door
eene buitenlinie, uit een gemetselden muur bestaande, met poorten,
torens en forten. De Romeinen hadden omtrent de ware ligging van
Britannia geene juiste voorstelling en meenden, dat de Oostkust vrij
wel evenwijdig aan de belgisch-nederlandsche kust liep. De bevolking
was van keltischen oorsprong en werd Bretones of Britanni genoemd,
doch was op sommige punten door belgische nederzettingen naar het
binnenland teruggedrongen. De Britten waren gewoon lang hoofdhaar
en knevels, doch geen baard te dragen en zich blauw te verven. Onder
Constantijn vormde Britannia Romana vier provinciën: Britannia I en II
in het Noorden, Maxima Caesariensis in het midden, Flavia Caesariensis
in het Zuiden. Theodosius de Groote veroverde nogmaals Zuid-Schotland
en maakte daarvan de provincie Valentia. Toen in den tijd der groote
volksverhuizing de rom. legers uit Britannia teruggetrokken werden,
waren de Britten niet meer tegen de Schotten opgewassen en riepen
zij in 447 n. C. de hulp der Saksers en Angelen in, die het land wel
van de Schotten verlosten, maar het tevens vermeesterden. In de 5de
eeuw n. Chr. gaat de naam Britannia over op Bretagne, waar de door
de Angelsaksen verdreven Britanni hun toevlucht zochten.

Britannica (arx), de Brittenburg, thans door de zee verzwolgen, een
kasteel in het land der Batavieren, aan den middelsten Rijnmond (ten
W. van Katwijk). Misschien heette de sterkte zoo, omdat men gewoon
was van dáár naar Britannia over te steken.

Britannicus, eigenlijk Claudius Tiberius Britannicus Caesar,
stiefbroeder van Nero. Zie Claudius (keizer) en Iulii aan het slot
onder f 3.

Britomaris, opperhoofd der senonische Galliërs, liet, uit verbittering
over zijns vaders dood, in 283 de rom. gezanten ombrengen en hunne
ledematen verstrooien. Toen hij in handen van den consul P. Cornelius
Dolabella (Cornelii no. 35) was gevallen, liet deze hem ter dood
martelen. De Senones werden uit hun land verdreven, en op den ager
Gallicus werd de kolonie Sena (Gallica) gesticht. Het verhaal zelf
omtrent Britomaris (Brittomaris) is misschien verzonnen.

Britomartis, Britomartis, cretensische nimf, dochter van Zeus en
Carme, gunstelinge van Artemis. Minos vervolgde haar negen maanden
lang met zijn liefde, zij stortte zich eindelijk in zee, maar werd in
visschersnetten gered. Daarop werd zij onder de godinnen opgenomen en
onder den naam Dictynna vereerd.--V. a. vluchtte zij voor Minos naar
Aegina, maar toen de visscher, die haar had overgezet, haar zelf wilde
geweld aandoen, verdween zij in het heilige bosch van Artemis; hier
kreeg zij den naam Aphaea.--Evenals Aphaea (z. a.) zijn waarschijnlijk
ook Britom. en Dictynna andere namen voor Artemis.

Brixellum, stad aan den Padus (Po) dicht bij Parma, waar keizer Otho
zich om het leven bracht.

Brixia, thans Brescia, hoofdstad der Cenomani, in Gallia Transpadana,
later rom. municipium.

Brizo, Brizo, godin die op Delus, vooral door vrouwen, vereerd
werd. Zij beschermde de schippers en gaf orakels.

Brogitarus, schoonzoon van den galatischen tetrarch Deiotarus,
kocht van den volkstribuun P. Clodius (58) den koningstitel en het
priesterschap van de Magna Mater te Pessinus voor geld.

Bromius, Bromios, bijnaam van Dionysus.

Bronteion, eene machine, waarmede men achter het tooneel het gerommel
van den donder nabootste.

Brontes, Brontes, een der Cyclopen.

Brucheum of -ium, deel van Alexandrië in Aegypte. Z. a.

Bructeri, Broukteroi, machtig germaansch volk aan de Amisia (Eems)
en de Luppia (Lippe). Tot dit volk behoorde de profetes Velleda. De
Bructeren sloten zich in 69 n. C. bij den opstand der Batavieren aan.

Brundisium, minder juist Brundusium, Brentesion, thans Brindisi,
belangrijke havenplaats aan de Adriatische zee, vanwaar men gewoonlijk
naar Griekenland overstak. De stad, op de kust van Calabria gelegen,
had eene voortreffelijke, altijd toegankelijke haven, door twee
landtongen beschermd; vandaar waarschijnlijk de naam, die oud-italisch
hertekop beteekent. Sedert 245 was het lat. kolonie.

Bruttii, ager Bruttius, Brettia, Z.W. uithoek van Italia, een
bergachtig en ten deele boschrijk gewest, van de riviertjes Laüs en
Sybaris tot aan het fretum Siculum (straat v. Messina). Alleen deze
streek werd oorspronkelijk Italia geheeten (z. a.). Tegenwoordig heet
het Calabrië. Het was sterk bezet met grieksche volksplantingen. In den
tweeden punischen oorlog sloten de inwoners zich (in 214) meerendeels
bij Hannibal aan. Later moesten zij dit ontgelden en het land geraakte
in verval.

Brutus, familienaam in de gentes Iuniae, z. Iunii no. 2 en Iunii
no. 1-9.

Bryges, Bryges, Brygoi, thracische volksstam in Emathia (Macedonië),
verwant met de Phrygiërs. Ze komen ook in andere deelen van het
Balkan-schiereiland, vooral in Epirus en Illyria voor.

Brygus, Brygos, beroemd Atheensch vazenschilder uit het begin van
de 5de eeuw. Hij schildert in strengen roodfigurigen stijl. Zijn
schoonste vazen heeft hij met zijn naam geteekend.

Bubassus, Bybassos, oude kustst. in Caria ten O. van Cnidus, op de
Cnidische Chersonesus.

Bubastis, Boubastis, aegyptische godin, misschien zinnebeeld van het
vuur, dochter van Osiris en Isis, door de Grieken voor dezelfde als
Artemis gehouden. Hare beelden hadden een kattekop. Haar voornaamste
tempel was te Bubastis, waar jaarlijks een feest gevierd werd, dat
soms door 700000 vreemdelingen bezocht werd.

Bubastis of -tus, Boubastos, distrikt en hoofdstad in de Nijldelta,
aan den oostelijken Nijlarm, de hoofdzetel van den dienst der
godin Bubastis. Beneden deze stad woonden de karische en ionische
huurtroepen, die door koning Psammetichus in dienst genomen waren.

Buccina, gebogen hoorn, door herders gebezigd en ook in gebruik bij
het romeinsche leger tot het geven van signalen.

Bucephala, Boukephala, -lia, stad aan den Hydaspes, een der takken van
den Indus, door Alexander gesticht ter gedachtenis aan zijn beroemd
strijdros Bucephalus. In den slag tegen Porus (326) had dit paard,
schoon zwaar gewond, Alexander, die zich te ver had gewaagd, behouden
bij de zijnen teruggebracht, en was toen neergestort.

Bucolici, z. Theocritus.

Budini, Boudinoi, scythisch nomadenvolk, ten O. van den Tanaïs,
volgens Herodotus met blauwe oogen en vuurroode kleur en in eene
houten stad wonende.

Budorum, Boudoron, N.W.-kaap en kasteel op het eiland Salamis.

Bulgari, een onderafdeeling der Hunnen, die in de 5de eeuw n. C. voor
het eerst optreedt.

Bulis, Boulis. Toen de Spartanen door het vermoorden van perzische
gezanten den toorn van den heros Talthybius op zich geladen hadden en
bij het offeren geen gunstige voorteekenen konden krijgen, boden Bulis
en Sperthias zich aan om aan Xerxes uitgeleverd te worden, ten einde
Talthybius te bevredigen. Xerxes zond hen echter terug en nu bleef de
toorn van Talthybius op de geslachten van Bulis en Sperthias rusten,
wier zonen Nicolaus en Anaristus in den peloponnesischen oorlog in
handen der Atheners vielen en gedood werden.

Bulla, medaillon, dat door de kinderen aan een snoer om den hals werd
gedragen en een amulet tegen betoovering bevatte. Bij de rijken was
de bulla van goud, bij de armeren van leder.

Bulla regia, vesting in Numidia, in het dal van den Bagradas, later
tot Africa proconsularis behoorend.

Bupalus, Boupalos, zoon van Archermus, beroemd beeldhouwer van
Chius. Hij en zijn broeder Athenis stelden een beeld ten toon van
Hipponax, waarin de kleine en leelijke man bespottelijk gemaakt werd;
uit wraak hekelde Hipponax hen in zijne iamben zoo onbarmhartig,
dat zij zich ophingen.

Buprasium, Bouprasion, eene stad uit het homerische tijdperk,
later verdwenen. Zij lag in Elis aan den Larisus, en werd bewoond
door Epeërs.

Bura, Boura, eene der twaalf oude achaeïsche steden, in 373 door
aardbeving verwoest, maar later op een andere plaats herbouwd. De
nieuwe stad, waarvan nog belangrijke stukken van den vestingmuur over
zijn, lag ten Z. van Helice.

Burchana, Bourchanis, oudtijds het voornaamste der Noordzee-eilanden,
tgw. Borkum. Het wordt reeds in de 4de eeuw als barnsteeneiland
vermeld, onder den naam Abalus; het komt ook voor onder den naam
Baunonia of Fabaria, boonen-eiland; zie verder Glaesariae insulae.

Burdigala, thans Bordeaux, aan den Garumna, in het gebied der Bituriges
Vibisci, later hoofdstad der provincie Aquitania II. Het was eene
aanzienlijke handelsplaats en een zetel der wetenschappen. Ausonius,
de dichter der Mosella, was hier geboren.

Burgundi of Burgundiones, vandaalsche of gothische stam, die
oorspronkelijk tusschen de Vistula (Weichsel) en de Viadus (Oder)
woonde, later westelijk trok, in de 4de eeuw n. Chr. ten oosten van
de Alamannen, buiten den vroegeren limes woonde, en zich omstreeks
465 tusschen den Rhodanus (Rhône) en Italië vestigde, waar Lugdunum
(Lyon) en Genava (Genève) hunne hoofdsteden werden.

Burgus is de naam van een klein kasteel, dat tusschen de
grootere Castra en Castella gelegen, met deze dient voor de
grensverdediging. Het is een oud-germaansch woord, dat in de 2de eeuw
n. C. in de latijnsche taal is opgenomen.

Burii, Bouroi, germaansch volk, waarschijnlijk in het tegenw. Moravië
en Silezië gevestigd. Zij komen als bondgenooten van Traianus, Marcus
Aurelius en Commodus voor, doch later met de Marcomannen en Quaden
als vijanden der Romeinen.

Burrus (Afranius). Zie Afranii no. 3.

Bursa (T. Munatius Plancus), zie Munatii no. 3.

Busiris, Bousiris, zoon van Aegyptus of van Poseidon en Libye; hij
was koning van Aegypte, en zooals de Grieken verhaalden, placht hij
de vreemdelingen, die in zijn land kwamen, te offeren, totdat hij
door Heracles gedood werd.

Bustum, bustuarii. Bustum is eigenlijk de uitgebrande brandstapel, doch
beteekent ook de plaats, waar hij is opgericht, alsmede het graf of de
begraafplaats. Wanneer het lijk op den brandstapel was neergelegd, werd
deze door een der bloedverwanten met afgekeerd gelaat aangestoken. Was
het lijk verteerd, dan werd het vuur met wijn en melk gebluscht en
de beenderen werden in eene urn verzameld. Rijken wikkelden vaak de
lijken hunner afgestorvenen in een kleed van asbest, opdat de asch
zich niet met die van het hout zou vermengen. Evenals men bij vele
oude en nog heden bij sommige wilde volken de gewoonte aantreft, op
het graf menschen te offeren, hadden bij de Rom. dikwijls rondom den
brandstapel gladiatorengevechten plaats. Zulke zwaardvechters die dáár
op leven en dood met elkander streden werden bustuarii genoemd. Ten
slotte zij opgemerkt, dat in de oudheid zoo wel begraven als verbranden
gebruikelijk was.

Buteo, familienaam in de gens Fabia, z. Fabii no. 27.

Butes, Boutes, Boutas, 1) zoon van Pandion of Teleon en Zeuxippe,
landman en stierenherder, priester van Athena en Poseidon, na zijn
dood door de Atheners als heros vereerd. Hij was de stamvader van
het geslacht der Butaden of Eteobutaden. Hij nam ook deel aan den
tocht der Argonauten.--2) koning op Sicilië, die door Aphrodite
bemind werd en bij haar een zoon, Eryx, had. Dikwijls wordt hij met
den atheenschen Butes verward, en uit deze verwarring ontstond het
verhaal, dat hij bij de terugreis der Argonauten, bekoord door het
gezang der Sirenen, in zee gesprongen was, maar dat Aphrodite hem gered
en naar Lilybaeum gebracht had.--3) zoon van Boreas, een Thraciër,
die, door zijn broeder Lycurgus verbannen, het eiland Strongyle (oude
naam voor Naxus) bezette. Bij een inval in Thessalië tijdens een feest
van Dionysus roofde hij eene van de feestvierende vrouwen, Coronis,
en dwong haar hem te huwen. Op Coronis' gebed strafte Dionysus hem
met waanzin, zoodat hij zich in een put verdronk.

Buthrotum, Bouthroton, bloeiende zeestad in Epirus, tegenover Corcyra,
volgens de sage gesticht door den Trojaan Helenus.

Buto, Bouto, stad in de Nijldelta aan den sebennytischen Nijlarm en
aan eene lagune, Buto lacus genoemd. De stad had een tempel der godin
Buto, met een orakel, dat zeer in eere stond. Buto was de voedster
der beide kinderen van Isis en verborg hen op een drijvend eiland
voor de vervolgingen van Typhon. De Grieken vereenzelvigden haar met
Leto of Latona.

Buxentum, Pyxous, thans Pilocastro, kolonie der Messaners op de kust
van Lucania aan de rivier Buxentius (Busento), gesticht 467, sedert
194 rom. kolonie.

Buzyges, Bouzyges, oud-attisch heros, die het eerst stieren voor den
ploeg spande, v. a. bijnaam van Epimenides of van Triptolemus. Van
hem leidde het geslacht der Buzygae, dat de heilige ploegfeesten te
Athene bestuurde, zijn oorsprong af.

Byblis, Byblis, een meisje uit Miletus, die vurige liefde voor haar
broeder Caunus had opgevat. Toen deze daarom het land verliet, stierf
Byblis van verdriet; uit hare tranen ontstond een bron.

Bybassus = Bubassus.

Byblos, een aegyptische moerasplant, waaruit in de oudheid het papier
vervaardigd werd (z. charta). Het grieksche woord voor boek is hiervan
afgeleid. Een andere naam voor byblos is papyros, waarvan ons woord
papier afgeleid is.

Byblus, Byblos, oude phoenicische zeestad ten N. van Berytus, bekend
als zetel der Adonisvereering. De stad had eigen vorsten, waarvan de
laatste op last van Pompeius werd ter dood gebracht.

Byrsa, waarschijnlijk = burg, Byrsa (vandaar de legende der ossenhuid),
de burg van Carthago, op eene steile rots van omstreeks 60 meter
hoog gebouwd.

Byssa, Byssa, z. Agron.

Byzacium of Byzacena, Byzakion, de zuidelijke helft der provincie
Africa, onder Constantijn eene afzonderlijke provincie, met Hadrumetum
tot hoofdstad.

Byzantium, Byzantion, later Constantinopolis. Volgens de sage
zou Byzas, een zoon van Poseidon, van het delphische orakel den
last hebben gekregen, eene stad te stichten tegenover de stad der
blinden. Tegenover Chalcedon gekomen, stichtte hij toen Byzantium,
omdat de stichters van Chalcedon blind waren geweest, toen zij
voor hunne stad den aziatischen oever kozen. Byzantium was dan ook
overheerlijk gelegen aan de zee en aan den inham die nog den naam van
gouden hoorn draagt (chrysoun keras). Het was een dorische kolonie;
gewoonlijk neemt men aan, dat de stad door Megarensers gesticht is. De
stad was in de macht der Perzen sedert Darius' tocht naar het land
der Scythen, en nam deel aan den Ionischen opstand, maar niet aan
den slag bij Lade. Na de onderdrukking van den opstand, legden de
inwoners van Byzantium samen met de Chalcedoniërs de stad Mesambria
(Mesembria) aan (z. a.). Byzantium werd door de Perzen verwoest, maar
later herbouwd. In 478 viel de plaats in handen van Pausanias, die haar
7 jaar in zijn macht hield. Nadat deze door de Atheners verdreven was,
sloot B. zich aan bij den delisch-attischen bond, en kwam tot grooten
bloei. In 411 viel de stad van Athene af, en werd in den winter
van 409/408 door Alcibiades hernomen. Na den slag bij Aegospotamos
werd ze door Lysander bezet, en bleef in de macht der Spartanen tot ±
390. In de 4de eeuw is Byz. vaak met Athene verbonden, vaak ook Athene
vijandig gezind, tot het, door Philippus van Macedonia aangevallen,
in den zomer van 341 zich in de armen der Atheners wierp, die de stad
en het nabijgelegen Perinthus krachtdadig bijstonden. De stad dreef een
uitgebreiden handel, vooral in koren. Onder de rom. heerschappij bleef
B. eene civitas libera en nam nog in bloei toe; maar in den strijd
tusschen keizer Septimius Severus en zijn tegenstander Pescennius
Niger werd het na een belegering van 3 jaren (193-196 n. C.) door
den eersten grootendeels verwoest. Onder Constantijn den Grooten
herrees het met nieuwen luister. Het was op twee heuvels gebouwd;
door er nieuwe heuvels aan toe te voegen, wilde de keizer het tot eene
tweede stad der zeven heuvelen maken. Hij bracht er zijne residentie
over en noemde het nova Roma (330), welke naam evenwel spoedig in
Constantinopolis, Konstantinou polis, veranderd werd. De stad had
toen een omvang gekregen van twee uren gaans, en werd met hooge muren
versterkt en evenals Rome in 14 regiones verdeeld.

Byzas, Byzes, Byzas, zie Byzantium.



C.


C, aanwijzing in den rom. kalender van een dies comitialis.

Cabalia, Kabalia, klein gewest in Asia minor, ingesloten tusschen
Caria, Lycia, Phrygia en Pisidia, en onder de perzische heerschappij
ingedeeld bij de lydische satrapie. De Romeinen deelden het noordelijke
deel bij Phrygia, het zuidelijke bij Lycia in. De voornaamste der vier
steden was Cibyra, waarnaar het landschap ook Cibyratis werd genoemd.

Cabillonum, Kabyllinon, handelsstad der Aeduers in Gallia aan den Arar
(Saône), thans Chalons-sur-Saône.

Cabira, ta Kabeira, later Diospolis of Sebaste, stad in oostelijk
Pontus. Mithradates werd hier in 71 door Lucullus verslagen en redde
ter nauwernood zijn leven door de vlucht.

Cabiri, Kabeiroi, "machtigen", goddelijke wezens, wier eeredienst in
zeer oude tijden uit het Oosten is ingevoerd, doch die later op den
achtergrond geraakt zijn en over wier aard en beteekenis dus weinig
met zekerheid te zeggen is. Zij werden voornamelijk vereerd op Lemnus,
Imbrus en Samothrace, waar hun dienst met dien van Hephaestus verbonden
was, en ook in Boeotië; verder vindt men hen te Pergamus, in Phoenicië
en in Aegypte. Later werden de drie Cabiri voor dezelfden gehouden
als Demeter, Persephone en Hades, waarschijnlijk omdat zij eveneens
met geheime plechtigheden (mysteriën) vereerd werden. Ook met de
Corybanten, de Cureten en de Dioscuren worden zij in verband gebracht,
en bij de Romeinen met de Penaten. Op hunne afbeeldingen hebben zij
gewoonlijk een hamer in de hand. Zie Axierus. Met hen verbonden komt
als vierde godheid voor Cadmilus of Casmilus, Kadmilos, Kasmilos.

Caca, zuster van Cacus. Wegens den dienst, dien zij Hercules
bewezen had, genoot zij goddelijke eer (z. Cacus). In haar heiligdom
brandde een eeuwig vuur. In werkelijkheid is Caca (evenals Cacus)
een oud-italische godheid, van denzelfden aard als Vesta, maar ze is
vroeg in vergetelheid geraakt.

Caci scalae, een oude steenen trap, die van uit het dal van den
Circus Maximus naar één van de poorten van Roma quadrata op den
Palatinus voerde.

Cacus, zoon van Vulcanus, een vuurspuwende reus, die in een hol
van den Aventijnschen berg woonde en de omstreken door roof en
moord teisterde. Toen Hercules met de runderen van Geryon daar
aangekomen en van vermoeidheid in slaap gevallen was, ontstal Cacus
hem eenige runderen, die hij, om den eigenaar het spoor bijster te
maken, achterwaarts in zijn hol dreef. Toch ontdekte Hercules hun
verblijfplaats, hetzij doordat hij ze in het voorbijgaan binnen
hoorde loeien, hetzij door verraad van Caca, de zuster van Cacus,
die liefde voor den vreemdeling had opgevat. Na een verschrikkelijk
gevecht versloeg hij den roover. Uit dankbaarheid richtte koning
Euander van Pallantium, die veel van Cacus te lijden had gehad, een
altaar voor den held op, en zoo ontstond de dienst van Hercules,
die later door de Romeinen overgenomen werd en aan de zorg van de
Potitii en Pinarii toevertrouwd was. Z. Caca.

Cadi, Kadoi, stad in westelijk Phrygia, dicht bij den berg Dindymus.

Cadmea, Kadmeia, burcht van Thebae.

Cadmus, Kadmos, 1) zoon van den phoenicischen koning Agenor en
Telephassa. Toen zijn zuster Europa door Zeus geschaakt was, zond
zijn vader hem uit om haar te zoeken, met uitdrukkelijk bevel, niet
zonder haar terug te komen. Na lang zwerven kwam hij te Delphi en
kreeg daar een orakel, dat hij zijne zuster niet verder zoude zoeken,
maar dat hij een koe moest volgen en op de plaats, waar zij zich zoude
neerleggen, een stad moest stichten. In Phocis vond hij de bedoelde
koe, hij volgde haar tot in Boeotië en stichtte op de aangewezen
plaats de stad Thebae. Nu wilde hij de koe offeren en zond eenige van
zijne tochtgenooten om water te halen uit eene naburige bron, die aan
Ares gewijd was; zij werden echter gedood door een draak, die de bron
bewaakte. Toen zij niet terugkwamen, ging Cadmus zelf naar de bron,
hij vond den draak en doodde hem met de hulp van Athena. Op bevel der
godin zaaide hij de tanden van het monster in den grond, uit dit zaad
kwamen gewapende mannen te voorschijn, die elkander doodsloegen op vijf
na, die Sparten (Spartoi) genoemd werden en de stamvaders der Thebanen
werden. Wegens het dooden van den draak moest Cadmus acht jaar lang
Ares dienen, daarna was de god bevredigd en gaf hij hem zijn dochter
Harmonia (z. a.) ten huwelijk. Cadmus regeerde daarna vele jaren over
Thebae; later trok hij met Harmonia naar Illyrië, waar hij koning der
Encheleers werd; op hoogen leeftijd werden beide echtgenooten in draken
veranderd en naar het Elysium overgebracht. De latere Grieken geloofden
dat Cadmus de eerste was die vreemde beschaving in Griekenland had
overgebracht; hij zou het phoenicisch letterschrift ingevoerd hebben,
het bewerken van metaal geleerd en de eerste waterleiding aangelegd
hebben.--2) van Miletus, een der oudste logografen; of hij werkelijk
bestaan heeft, wordt echter betwijfeld.

Caduceus of caduceum, uit het aeolische karykeion = kerykeion ontstaan,
in het algemeen de herautenstaf, een olijftak met een witten band
omwonden. In het bizonder wordt daarmede de staf bedoeld, dien
Hermes of Mercurius als bode der goden droeg. Deze staf was met twee
slangen omstrengeld en wordt somtijds van boven met een paar vleugels
voorzien. Mercurius wordt bij de dichters vaak caducifer genoemd.

Caducifer, bijnaam van Mercurius, als drager van den vredestaf
(caduceus).

Cadurci, volk in Gallia Transalpina, met de hoofdstad Divona (Cahors)
aan den Oltis (Lot), een zijtak van den Garumna.

Cadusii, Kadousioi, krijgszuchtig bergvolk in Media, ten Z.W. der
Caspische zee.

Cadytis, Kadytis, de zuidelijkste van de vijf bondsteden van Syria
Palaestina (het land der Philistijnen) = Gaza.

Caeadas = Ceadas.

Caecilia (lex), van den volkstribuun L. Caecilius Rufus (Caecilii
no. 29) einde 64 voorgesteld, doch vóór de stemming weder ingetrokken,
om aan P. Cornelius Sulla en P. Autronius Paetus, die in 65 wegens
ambitus veroordeeld waren, amnestie te verleenen en hen weder in den
senatorenstand te herstellen.

Caecilia (lex), van den consul Caecilius Metellus Pius Scipio (Caecilii
no. 18) van 52, tot opheffing der lex Clodia de censoria notione,
z. Clodiae (leges) no. 4.

Caeciliae (leges), van den volkstribuun Q. Caecilius Metellus Nepos,
62 (Caecilii no. 16). De wetsvoorstellen gingen echter niet door. Het
waren de volgende: 1) dat Pompeius, die toen in Azië was, in zijne
afwezigheid tot consul mocht verkozen worden;--2) dat Pompeius zou
teruggeroepen worden om de beweging van Catilina te onderdrukken.

Caecilia Cornelia (lex) van de consuls Q. Caecilius Metellus Nepos
(Caecilii no. 16) en P. Cornelius Lentulus Spinther (Cornelii no. 50),
57, waarbij aan Pompeius voor een tijdperk van vijf jaar de cura
annonae werd opgedragen.

Caecilia Didia (lex) de modo legum promulgandarum van de consuls
Q. Caecilius Metellus Nepos en T. Didius (98), dat 1º een wetsvoorstel
ten minste drie nundina (24 dagen) vóór de stemming moest worden bekend
gemaakt, 2º men geen twee verschillende zaken in één wetsvoorstel
mocht vereenigen (de duabus rebus non una lege coniungendis), hetgeen
gewoonlijk heet: per saturam ferre. V. a. zijn dit twee wetten.

Caecilii. De gens Caecilia, waarvan de familie Metellus de voornaamste
is, was plebejisch. 1) Caecilius Metellus Denter, consul in 284.--2)
L. Caecilius Metellus, zoon van no. 1, consul in 251 en 247, was
in 251 op Sicilia aan het hoofd van het rom. leger, doch durfde
tegen Hasdrubal geen slag wagen uit vrees voor diens olifanten,
maar Hasdrubal viel hem het volgend jaar bij Panormus aan, en werd
verslagen, waarbij zijn olifanten in handen des overwinnaars vielen,
en bij den triumf aan het volk getoond werden. In 249 was hij magister
equitum van den dictator A. Atilius Calatinus. In 247 was hij voor
de tweede maal consul, wederom op Sicilië. In 243 werd hij pontifex
maximus; toen hij in 241 bij het afbranden van den Vesta-tempel Rome's
penaten had gered en daarbij volgens de overlevering het gezicht had
verloren, werd hem de onderscheiding toegekend, zich in een draagstoel
naar den senaat te mogen begeven.--3) Q. Caecilius Metellus, oudste
zoon van no. 2, was consul in 206, dictator comitiorum habendorum
causa in 205, vervulde later (186-184) gezantschappen bij Philippus
van Macedonia en bij de Achaeërs, en wordt door Cicero als redenaar
geprezen. Hij is het, die zich op den dichter Naevius (z. a.) om
diens vrijmoedigheid gewroken heeft.--4) L. Caecilius Metellus,
tweede zoon van no. 2, deed in 216 na den slag bij Cannae het
voorstel, Italië te verlaten, waarvoor hij door de censoren van het
jaar 214 onder de aerarii werd gebracht.--5) M. Caecilius Metellus,
derde zoon van no. 2, werd in 205 naar Azië gezonden om het beeld der
Magna Mater uit Phrygia naar Rome over te brengen.--6) Q. Caecilius
Metellus Macedonicus wordt gewoonlijk beschouwd als de oudste zoon,
maar is misschien de kleinzoon van no. 3, consul in 143, overwon
in 148 als propraetor den macedonischen kroon pretendent Andriscus,
richtte Macedonia tot provincie in (147) en versloeg vervolgens in
146 de Achaeërs bij Scarphe (Scarphea) in Locris, en streed als
consul en proconsul tegen de Celtiberiërs. Over Andriscus hield
hij een zegetocht. In 131 werd hij de eerste plebejische censor,
doch maakte zich door zijne gestrengheid vele vijanden, zoodat zelfs
de volkstribuun C. Atinius Labeo, dien hij van de senaatslijst had
geschrapt, hem van de tarpejische rots wilde laten werpen. Hij was ook
in onmin met Scipio Africanus minor. Hij bestreed Tib. Gracchus in een
heftige redevoering, en nam de wapenen op tegen C. Gracchus (121). Hij
stierf in 115.--7) L. Caecilius Metellus Calvus, broeder van no. 6,
consul in 142.--8) Q. Caecilius Metellus Balearicus, consul in 123,
oudste zoon van no. 6, overwon de zeeroovers der Balearische eilanden,
waar hij een groot bloedbad aanrichtte, en bracht rom. kolonisten
daarheen. In 121 hield hij zijn zegetocht; in 120 was hij censor.--9)
L. Caecilius Metellus Diadematus, aldus genaamd naar den haarband,
dien hij droeg om een gezwel aan het hoofd te verbergen, tweede zoon
van no. 6, was consul in 117.--10) M. Caecilius Metellus, derde zoon
van no. 6, consul in 115, zegepraalde in 111 over de Sardiniërs.--11)
C. Caecilius Metellus Caprarius, vierde zoon van no. 6, consul in 113,
censor in 102, zegepraalde in 111 over de Thraciërs.--12) L. Caecilius
Metellus Calvus Dalmaticus, oudste zoon van no. 7, consul in 119,
hield in 117 een zegetocht over de Dalmatiërs en was in 115 censor
met Cn. Domitius Ahenobarbus (Domitii no. 4).--13) Q. Caecilius
Metellus Numidicus, tweede zoon van no. 7, consul in 109, voerde den
oorlog tegen Jugurtha en zou dezen vermoedelijk tot de overgaaf hebben
genoodzaakt, zoo niet Marius uit Rome ware gekomen om het bevel over te
nemen. De senaat kende Metellus de eer van een zegetocht toe. In 102
was hij censor, tegelijk met no. 11. Toen in het jaar 100 Appuleius
Saturninus de bezwering zijner wetten door de senaatsleden eischte
(zie Appuleiae leges), weigerde Numidicus en ging in ballingschap,
waaruit hij evenwel een jaar later werd teruggeroepen door de lex
Calidia. Hij stierf in 90, naar vermoed werd door vergif.--14)
Q. Caecilius Metellus Nepos, zoon van no. 8, was consul in 98. Zie
Caecilia Didia (lex).--15) Q. Caecilius Metellus Celer, zoon van
no. 14, was in 66 legaat van Pompeius in den mithradatischen oorlog,
in 63 praetor, in 60 consul. Als praetor redde hij Rabirius (zie
Rabirii no. 1) van eene veroordeeling en vervolgde hij Catilina. Hij
behoorde tot de tegenstanders van Pompeius en verzette zich tegen
de akkerwetten van dezen, door L. Flavius voorgesteld (zie Agrariae
leges), en van Caesar. Ook kantte hij zich tegen de adoptie van zijn
zwager P. Clodius Pulcher door een plebejer. Hij stierf plotseling
in 59, naar men vermoedde vergeven door zijne vrouw Claudia maior,
zie Claudii no. 18.--16) Q. Caecilius Metellus Nepos, jongere broeder
van no. 15, was in 67 legaat van Pompeius in den zeerooversoorlog. Hij
was een vinnig vijand van Cicero en dwarsboomde dezen zooveel mogelijk,
o. a. door als volkstribuun (10 Dec. 63-10 Dec. 62), hem te beletten,
op den laatsten dag van zijn consulaat, de gebruikelijke redevoering te
houden; Cicero mocht alleen den gewonen eed afleggen, waarop hij zwoer,
dat hij de republiek van den ondergang gered had. Zie verder Caeciliae
(leges). Toen hij zijn voorgestelde wetten door den tegenstand van
Cato (Porcii no. 8), die ook volkstribuun was, niet doorvoeren kon,
begaf hij zich naar Azië tot Pompeius, waarop hij van zijn ambt
ontzet werd. Als consul stemde hij in 57 er in toe, dat Cicero
uit zijne ballingschap zou worden teruggeroepen. Zie ook Caecilia
Cornelia (lex).--17) Q. Caecilius Metellus Pius, zoon van no. 13, aldus
bijgenaamd om zijne ouderliefde, daar hij door zijne dringende beden de
terugroeping van zijn vader uit de ballingschap bewerkte, versloeg in
den bondgenootenoorlog den aanvoerder der Marsi, Q. Pompaedius Silo
(88). Tijdens den burgeroorlog behoorde hij tot de senaatspartij;
hij voegde zich bij Sulla, toen die uit het Oosten terugkeerde,
en was met hem consul in 80; daarna werd hij naar Spanje tegen
Sertorius gezonden, waar hij tot 72 bleef, sedert 76 door Pompeius
ondersteund.--18) Caecilius Metellus Pius Scipio, aangenomen
zoon van no. 17 (zie Cornelii no. 25), bij de schrijvers nu eens
P. Scipio Nasica, dan weer Q. Metellus Scipio, ook wel P. Scipio
Metellus genoemd. Zijn werkelijke vader was P. Cornelius Scipio
Nasica, praetor in 94. Metellus Scipio was volkstribuun in 59. Zijne
poging om zich voor 52 tot consul te doen verkiezen, mislukte, daar
Pompeius consul zonder ambtgenoot werd. Toen echter Metellus aan
Pompeius zijne dochter tot vrouw gaf, werd hij gedurende nog vijf
maanden diens medeconsul. Later streed hij bij Pharsalus (48) en
bij Thapsus (46) tegen Caesar. Bij Thapsus was hij opperbevelhebber,
maar hoogst onbekwaam. Op de vlucht gevangen genomen, doodde hij zich
zelf. Hij was roofzuchtig van karakter, zelfs tempels waren voor hem
niet veilig.--19) Q. Caecilius Metellus Creticus, zoon van no. 11,
was een van de drie gebroeders Metellus, die in het proces van Cicero
tegen Verres den beklaagde steunden. Hij was het, die voor het jaar
69 met den redenaar Q. Hortensius tot consul werd gekozen. In 68 werd
hij uitgezonden om Creta te onderwerpen, dat een broeinest was van
de zeeroovers. Hij versloeg de Cretensers bij Cydonia, en nam daarop
Cydonia, Cnossus, Lyctus en andere vestingen in en streed met veel
geluk en volharding; hij legde hierbij echter zooveel wreedheid en
ruwheid aan den dag, dat de inwoners hunne onderwerping aan Pompeius
aanboden, die destijds, als opperbevelhebber in den zeerooveroorlog,
in Azië was. Metellus ging koelbloedig zijn gang, behandelde de
door Pompeius gezonden troepen als vijanden, onder wierp het eiland
na vijf jaren strijds, en richtte het in als provincie (64). Door
de catilinarische woelingen te Rome kon hij echter eerst in 62 zijn
zegetocht houden.--20) L. Caecilius Metellus, broeder van no. 19, was
Verres in 70 als stadhouder van Sicilia opgevolgd en trachtte wel,
zooveel hij kon, den Siciliërs het doorgestane leed te vergoeden,
maar bemoeielijkte toch Cicero's onderzoek op Sicilia. Hij was consul
in 68.--21) M. Caecilius Metellus, broeder van no. 19 en 20, was
voor het jaar 69 tot praetor gekozen. Daarom was er Verres zooveel
aan gelegen, dat zijn proces op de lange baan geschoven werd tot in
69.--22) L. Caecilius Metellus, zoon van no. 20, wilde als volkstribuun
in 49 Caesar beletten het aerarium open te breken. Caesar liet hem
later uit Rome verwijderen.--23) Caecilia Metella, dochter van no. 8,
huwde met App. Claudius Pulcher (Claudii no. 14), en werd de moeder
van den beruchten volkstribuun P. Clodius Pulcher.--24) Caecilia
Metella, dochter van no. 12, huwde eerst met M. Aemilius Scaurus en
hertrouwde als weduwe met L. Cornelius Sulla, die echter, toen zij ziek
werd, van haar scheidde.--25) Caecilia Metella, dochter van no. 6,
huwde met P. Cornelius Scipio Nasica Serapio (Cornelii no. 22).--26)
Caecilia Metella, ook Cornelia Metella genaamd, dochter van no. 18,
werd de vijfde vrouw van Cn. Pompeius.--27) Caecilia Metella,
dochter van no. 19, echtgenoote van M. Crassus (Licinii no. 16). Van
haar is het beroemde grafmonument aan de Via Appia, nu Capo di bove
geheeten.--28) Q. Caecilius Bassus, vurig aanhanger van Pompeius,
die na den slag bij Pharsalus naar Asia vlood en daar jaren lang te
Apamea den strijd tegen de troepen van Caesar volhield. Na Caesar's
dood sloten zijne troepen zich bij Cassius aan.--29) L. Caecilius
Rufus, halfbroeder van P. Cornelius Sulla (Cornelii no. 54),
trachtte dezen in zijne vorige rechten te herstellen; zie Caecilia
(lex). Hij ondersteunde Cicero in diens verzet tegen de akkerwet van
P. Servilius Rullus en werkte mede tot Cicero's terugroeping uit de
ballingschap.--30) Q. Caecilius Niger, uit Sicilia, quaestor onder
Verres. Tegen hem sprak Cicero zijne bekende divinatio uit.--31)
Statius Caecilius, een Insubriër van groot talent, als slaaf naar
Rome gekomen, was een beroemd blijspeldichter (180). Hij bewerkte
Grieksche stukken (palliatae) vooral van Menander. Cicero, Horatius
en Quinctilianus prijzen hem zeer. Wij hebben van zijne blijspelen
slechts fragmenten.--32) Caecilius uit Calacte op Sicilia, beroemd
grieksch rhetor en criticus ten tijde van Augustus.

Caecinae, eene gens, uit de etruscische stad Volaterrae afkomstig. 1)
A. Caecina, door Cicero in 69 in een proces over de erfenis van
een landgoed verdedigd.--2) A. Caecina, een zoon van no. 1, was
bevriend met Pompeius en Cicero. Een beleedigend geschrift tegen
Caesar was oorzaak van zijne verbanning, doch later verzoende hij
zich met Caesar.--3) Caecina Volaterranus een vriend van Octavianus,
werd door dezen gebruikt als onderhandelaar met Antonius (44).--4)
A. Caecina Severus, een beproefd en dapper veldoverste, die met goed
gevolg tegen de Bato's in den pannonisch-dalmatischen opstand streed
(6 en 7 na C.). In 14 n. C. was hij legatus van Germania Inferior
onder het opperbevel van Germanicus, en wist hij het oproer van
het leger niet te beteugelen; eerst aan Germanicus gelukte dit door
toegevendheid. Hij neemt deel aan alle veldtochten van Germanicus
(14-16), en verwerft in 16 de triumphalia insignia.--5) A. Caecina
Alienus, quaestor in Baetica (68 n. C.), sloot zich bij Galba aan, maar
weldra wegens een veroordeeling op hem verbitterd, wist hij (Jan. 69)
met Fabius Valens te bewerken, dat Vitellius door de soldaten aan
den Rijn tot keizer werd uitgeroepen. Hij trekt daarop met 30.000 man
naar Italia, terwijl hij onderweg de Helvetiërs tuchtigt. Bij Cremona
wordt hij eerst door de Othoniani onder Suetonius Paulinus verslagen;
toen later Fabius Valens met een ander leger zich bij hem gevoegd had,
versloegen ze samen de Othoniani bij Bedriacum. Van Vitellius liep
hij tot Vespasianus over, doch werd later, wegens samenzwering tegen
dezen in 75 op last van Titus ter dood gebracht.--6) Caecina Paetus,
zie Arria.

Caecubus ager, streek aan de zuidelijke grenzen van Latium, tusschen
den lacus Fundanus en de zee, wel moerassig, doch beroemd om den
voortreffelijken wijn, die er geteeld werd.

Caeculus, italiaansch heros, zoon van Vulcanus, stichter van Praeneste.

Caeles Vibenna, een etruscisch hoofd, die onder de regeering van
Romulus (of later) naar Rome verhuisde en zich op den caelischen
berg nederzette.

Caelia (lex), tabellaria van den volkstribuun L. Caelius, 107,
z. Tabellariae (leges).

Caelii, plebejisch geslacht. 1) L. Caelius Antipater, tijdgenoot der
Gracchen, rom. annalist, beschreef den tweeden punischen oorlog.--2)
C. Caelius Caldus, volkstribuun in 107, was de maker der lex Caelia
tabellaria. In 94 was hij consul. Later streed hij in Hispania
tegen Sulla en Pompeius, die hem versloeg.--3) C. Caelius Caldus,
kleinzoon van no. 2, volgde Cicero op als stadhouder van Cilicia.--4)
M. Caelius Rufus, leerling van Cicero in de welsprekendheid, werd
door dezen tegen eene aanklacht van ambitus met goed gevolg verdedigd
(56). In 52 was hij volkstribuun en verzette zich krachtig tegen de
democratische woelingen; zelfs bewerkte hij de verbanning van den
woelzieken Q. Pompeius Rufus (zie Pompeii no. 5). Toen de burgeroorlog
losbarstte, koos C. de zijde van Caesar; doch toen hij als praetor in
48 zich door dezen verongelijkt achtte, poogde hij in Zuid-Italië een
oproer te verwekken, bij welke poging hij bij Thurii gedood werd. Hij
was iemand van losse zeden (bekend is zijn liaison met Clodia), die
wel eene aangevatte zaak met kracht kon doorzetten, maar verre van
beginselvast was. Zijne briefwisseling met Cicero is zeer belangrijk
voor de kennis van dit tijdperk. Als redenaar was hij niet zonder
naam. Catullus valt hem heftig aan in zijn gedichten.--5) Caelius
Aurelianus, geleerd rom. geneeskundige uit de 5de eeuw na C. te Sicca
in Numidia geboren, van wien nog geschriften bestaan.--6) Caelius
Apicius, zie Apicii.--7) D. Caelius Calvinus Balbinus, z. Balbinus.

Caelius mons, een der bergen, waarop Rome was gebouwd. Het was een der
zeven bergen uit den tijd van het Septimontium, zie Roma. De tweede der
veertien wijken of regiones, waarin Rome door Augustus werd verdeeld,
heette naar dezen berg Caelimontium.

Caena = coena.

Caeneus, Caenis, Kaineus, Kainis, dochter van Elatus en Hippea; zij
werd door Poseidon bemind, en op haar wensch, waarvan de god haar
de vervulling vooraf had toegezegd, werd zij in een man veranderd en
bovendien onkwetsbaar gemaakt. Caeneus was een van de Argonauten en
van de calydonische jagers; in het gevecht tusschen de Centauren en
Lapithen op de bruiloft van Pirithoüs werd hij door de Centauren,
daar zij hem niet konden wonden, onder boomstammen bedolven en zoo
gedood, v. a. vloog hij als een vogel van onder den houtstapel op.

Caeni, Kainoi, thracische volksstam aan de Propontis (zee v. Marmara).

Caenina, oude stad van Latium, tusschen Rome en Tibur, in ouden tijd
bij Rome ingelijfd.

Caeparius (M.), deelgenoot aan de samenzwering van Catilina, werd 5
Dec. 63 in den kerker ter dood gebracht.

Caepio, familienaam in de gens Servilia (Servilii no. 12-18). Aangaande
Q. Caepio Brutus z. Junii no. 9.

Caere, door de Grieken Agylla genoemd, oude stad in het Z. van
Etruria, eene der 12 etruscische bondssteden, reeds vroeg machtig en
bloeiend. Toen de Galliërs in 390 op Rome lostrokken, verleende Caere
een wijkplaats aan de vestaalsche maagden en de romeinsche priesters
en verkreeg daarvoor het rom. gastrecht. In 353 evenwel met Rome in
onmin geraakt, verloor het de helft van zijn gebied, terwijl aan de
inwoners het mindere burgerrecht, zonder het ius suffragii en het ius
honorum, opgedrongen werd. Zie ook het volgend artikel. Onder Sulla
werd Caere eene soldatenkolonie.

Caerites, inwoners van Caere. Toen hun het mindere burgerrecht
gegeven werd (zie Caere), werden zij in den toestand van aerarii
gebracht. Vandaar zijn de uitdrukkingen in tabulas Caeritum referri, op
de lijst der Caeriten gebracht worden, en aerarium fieri synoniem. De
Caerites behoorden tot de minste klasse der municipes (zie Municipium),
daar ze geen eigen bestuur en eigen ambtenaren hadden.

Caerosi, germaansche volksstam aan de Maas in Belgica.

Caesar, Kaisar, familienaam in de gens Iulia, zie Iulii. Na Augustus
evenwel wordt deze naam een titel van de prinsen der keizerlijke
familie, hetzij zij er door geboorte of adoptie toe behoorden. Hoewel
de eerste keizers tot en met Nero door adoptie tot de gens Iulia kunnen
gerekend worden, werd toch de gentielnaam Iulius slechts zelden door
hen gebruikt. Tiberius begon er mede, den naam Caesar als titel te
dragen en weigerde alle andere titels. Na Vitellius, die den titel
Caesar weigerde, werd Caesar de vaste keizerstitel, die dan vóór den
eigennaam werd geplaatst, terwijl de vermoedelijke erfgenaam van den
troon sedert Hadrianus den titel achter zijn eigennaam voerde. Sedert
de staatsregeling van Diocletianus (z. a.) is Caesar de naam van den
onderkeizer (hulpkeizer).

Caesaraugusta, vroeger Salduba, thans Saragossa, stad der Edetani,
aan den Iberus (Ebro), sedert Augustus rom. kolonie.

Caesarea, Kaisareia, naam van een aantal steden, ter eere van dezen
of genen romeinschen keizer aldus genoemd. De voornaamste zijn: 1)
Caesarea ad Argaeum, vroeger Mazaca, oude residentie der cappadocische
koningen en door Tiberius tot hoofdstad der rom. provincie Cappadocia
verklaard. Het lag aan den mons Argaeus.--2) Caesarea Palaestinae,
op de kust gelegen, vroeger Stratonis turris, door Herodes vergroot
en verfraaid en ter eere van Augustus Caesarea genoemd (10 of 9). Het
was de zetel der romeinsche stadhouders en sedert de verwoesting
van Jerusalem hoofdstad der provincie Judaea.--3) Caesarea Paneas
of Philippi, door den viervorst Philippus, zoon van Herodes, nabij
de bron van den Jordaan uitgebreid en vergroot, en sedert naar hem
genoemd.--4) Caesarea ad Libanum, zie Arca.--5) Caesarea Mauretaniae,
vroeger Iol, door koning Juba herdoopt ter eere van Augustus, later
rom. kolonie en hoofdstad der provincie Mauretania Caesariensis.--6)
Caesarea in Phrygia, vroeger Antiochia ad Pisidas (z. Antiochia no. 3).

Caesarion, Kaisarion, zoon van C. Julius Caesar en Cleopatra, in 47
geb. Toen Antonius hem tot zoon en erfgenaam van Caesar had verklaard
en tot mederegent van Aegypte had benoemd, liet Octavianus na den
slag bij Actium den jongen Caesarion ombrengen (30).

Caesarodunum, thans Tours, hoofdst. der Turones aan den Liger (Loire).

Caesennius Paetus (L.), veldheer van Nero, streed ongelukkig tegen
de Parthen (62 n. C.).

Caesetius Flavus (L.), volkstribuun in 44. Hij was een tegenstander
van Caesar, die hem hierom met zijn ambtgenoot L. Epidius Marullus
uit den senaat stiet en uit zijn ambt ontzette.

Caesia silva, een bergachtige streek in Germania tusschen de Luppia
(Lippe) en de Isala (Geld. IJsel).

Caesii. Uit de gens Caesia zijn geen beroemde mannen bekend. De
lierdichter Caesius Bassus was een vriend van den satirendichter
A. Persius Flaccus.

Caestus, lederen riemen met looden knoppen er in, waarmede men zich
de handen omwond voor het vuistgevecht.

Caetra, zie Cetra.

Caicus, Kaikos, rivier in Mysia, ontspringt op den Temnus, stroomt
op niet grooten afstand voorbij de stad Pergamus en valt in de
Aegaeïsche zee.

Caieta, thans Gaëta, kaap en zeestad van Latium in het land der
Aurunci, genaamd naar Caieta, Aeneas' voedster, die daar begraven
werd. Hier had Cicero een villa.

Calabra (curia), z. Curia Calabra.

Calabria, Kalabria, niet het thans onder dezen naam bekende gewest,
maar het zuidoostelijke schiereiland van Italia, tegenwoordig Terra d'
Otrante genoemd. Iapygia Messapia, Sallentina zijn oude namen voor
deze streek. De naam Calabria komt eerst op na de verovering door
de Romeinen. Brundisium en Tarente zijn de noordelijkste steden. In
ouden tijd was deze thans zoo verwaarloosde uithoek niet onvruchtbaar,
hoewel men dikwijls met gebrek aan water had te kampen. Sedert de
verovering door de Romeinen neemt de bevolking af. Augustus vereenigde
Calabria met Apulia tot de tweede regio Italiae.

Calacte, Kale akte, stad op de Noordkust van Sicilia.

Calagurris Nasica, thans Calahorra, stad in Tarraconensis aan
den Iberus (Ebro) in het land der Vascones, geboorteplaats van
Quinctilianus.

Calais, Kalaïs, en Zetes, de gevleugelde zonen van Boreas en
Orithyia (Boreadae, Boreadai). Op den Argonautentocht kwamen zij
te Salmydessus en bevrijdden daar hunne zuster Cleopatra, die met
hare kinderen door haar gemaal, koning Phineus, gevangen gehouden
werd. V. a. bevrijdden zij Phineus van de Harpyiën en kwamen zij
om terwijl zij deze vervolgden. Of zij werden door Heracles gedood,
omdat zij voornamelijk bewerkt hadden, dat hij op den Argonautentocht
in Mysië werd achtergelaten.

Calamis, Kalamis, beroemd atheensch beeldhouwer omstreeks 460; zijne
beelden stelden zoowel goden als menschen en dieren voor, en muntten
uit door kracht en tevens bevalligheid.

Calantica, calautica of calvatica, kredemnon, vrouwenmuts, voornamelijk
gedragen door oude dames, die niet veel haar meer hadden.

Calanus, Kalanos, een gymnosophist, dien Alexander uit Indië medenam;
toen hij te Susa ziek werd, maakte hij vrijwillig op den brandstapel
een einde aan zijn leven. Zooals hij voorspeld had, stierf Alex. kort
daarna.

Calaris = Caralis.

Calatia, stad in Campania tusschen Capua en Beneventum.

Calatores, eigenlijk roepers om iemand te ontbieden, in het bizonder
dienaren der pontifices, die bij de godsdienstige plechtigheden de orde
moesten handhaven en bij de comitia calata het volk opriepen. Later
werden ze pontifices minores.

Calauria, -rea, Kalauria, -reia, eiland op de kust van Argolis,
tegenover Troezen, met een beroemden Poseidon-tempel, waar de redenaar
Demosthenes in 322 zich door vergif van het leven beroofde.

Calautica = Calantica.

Calchas, Kalchas, zoon van Thestor uit Mycenae of Megara, beroemd
vogelwichelaar die de Grieken naar Troje vergezelde. Ingevolge
zijne uitspraken werd Iphigenia aan Artemis geofferd en Chryseis aan
haar vader teruggegeven, ook had hij den langen duur van den oorlog
voorspeld. Na den oorlog ontmoette hij te Colophon Mopsus, die hem
als wichelaar overtrof, waarom hij van verdriet stierf of zich uit
spijt doodde. In Apulië had hij een heiligdom met een orakel.

Calchedon = Chalcedon.

Calceus. De ouden kenden sandalen, pantoffels, schoenen en laarzen. De
calceus is een schoen, die vastgestrikt of geregen wordt. De calceus
senatorius had kruisbanden, die om den voet en de kuit werden
gebonden. Men vindt de uitdrukking calceos mutare wel gebruikt voor:
senator worden. Vóór op den senatorsschoen was een halfmaantje van
ivoor, lunula, aangebracht. De calceus behoorde bij de toga; wanneer
men deze laatste aflegde en tegen huiskleeding verwisselde, trok men
ook de schoenen uit en deed sandalen of pantoffels aan.

Calculus Minervae, de stem waarmede Athena, toen Orestes voor den
Areopagus terechtstond en de stemmen staakten, zich ten gunste van
den aangeklaagde verklaard had. Vandaar werd de uitdrukking gebruikt,
wanneer een aangeklaagde bij staking van stemmen werd vrijgesproken.

Calda, warm water, dat, evenals frigida, koud water, steeds gereed
gehouden werd, om onder den wijn te mengen.

Caldarium, de zweetkamer in eene badinrichting. Zie Balneum.

Cale, stad der Gallaeci aan den mond van den Durius (Duero), thans
Oporto.

Caledonia, oude naam voor Schotland. Alleen het zuidelijke deel is
eenigen tijd in het bezit der Romeinen geweest. Zie Britannia.

Calendae, meer gewoon Kalendae, de eerste dag der maand. Zie annus.

Calendarium, het renteboek, waarin de bankiers en geldschieters de
renterekeningen met hunne klanten boekten. Hoewel de Romeinen ook
kalenders of almanakken hadden, is het woord calendarium in deze
laatste beteekenis niet klassiek.

Calenus, familienaam in de gens Fufia.

Cales, oude stad in het N. van Campania, latijnsche kolonie sedert
334. De wijn, vinum Calenum, die in de omstreken der stad, den ager
Calenus, geteeld werd, behoorde tot de voortreffelijkste van Italië.

Caletes of Caleti, een volk aan de kust van Belgica, aan den mond
der Sequana (Seine), met de steden Carocotinum (Hâvre de Grace)
en Juliobona (Lillebonne).

Calidia (lex), 99, van den volkstribuun Q. Calidius (z. Calidii no. 1).

Calidii, plebejisch geslacht. 1) Q. Calidius bewerkte in 99 als
volkstribuun de terugroeping van Q. Caecilius Metellus Numidicus
(Caecilii no. 13) uit de ballingschap. Uit dankbaarheid steunde de
zoon van Numidicus, Metellus Pius, met alle kracht later (in 80) de
candidatuur van Calidius voor het praetorschap.--2) M. Calidius, zoon
van no. 1, ijverde als praetor in 57 voor de terugroeping van Cicero
uit de verbanning. Later (begin 49) werd hij door Caesar aangesteld
tot stadhouder in Gallia Cisalpina, waar hij weldra gestorven is. Hij
was een zeer bekwaam redenaar.

Caligae, soldatenlaarzen, met dikke zolen met spijkers. Zij waren op
den voet geheel gesloten.

Caligula, romeinsch keizer, 37-41 na C. Zijn eigenlijke naam was
Gaius Caesar, maar van jongs af werd hij Caligula genoemd, omdat hij
als kind in de legerplaats zijns vaders soldatenlaarsjes droeg. Zijn
vader was de beroemde Germanicus, de zoon van Drusus; zijne moeder
Agrippina was de dochter van M. Vipsanius Agrippa, die met Augustus'
dochter Julia was gehuwd. Caligula regeerde gedurende de eerste acht
maanden zacht en rechtvaardig, doch vervolgens als een waanzinnige
wreedaard. Hij omgaf zijn lievelingspaard met een hofstoet en wilde
het tot consul doen verkiezen, hij beschouwde zichzelf als een god,
gaf zich aan dierlijken wellust over, moordde en plunderde rechts en
links, tot hij eindelijk met zijne booze gemalin Caesonia en zijne
dochter door Cassius Chaerea werd omgebracht (24 Jan. 41).

Callaïci = Gallaeci.

Callatis, Kallatis, grieksche volkplanting in Moesia aan den Pontus
Euxinus (Zwarte zee).

Callias, Kallias, naam van verscheiden leden van een adellijk atheensch
geslacht, dat van Triptolemus heette af te stammen en waarin de
waardigheid van fakkeldrager (dadouchos) bij de eleusinische mysteriën
erfelijk was. Hiertoe behooren o. a. 1) Callias, zoon van Hipponicus
no. 2, de rijkste Athener van zijn tijd; hij streed bij Marathon en
onderhandelde in 449 met Perzië over den zgn. cimonischen vrede.--2)
zijn kleinzoon Callias, zoon van Hipponicus no. 3, een lichtzinnig
mensch, berucht door zijne zedelooze leefwijze, waardoor hij zijn
groot vermogen verkwistte en in zijne laatste jaren gebrek leed. Ook
aan het huisvesten en gastvrij onthalen van de sophisten, die Athene
bezochten, moet hij veel geld besteed hebben. Hij diende in 391 onder
Iphicrates en werd later (371) als gezant naar Sparta gezonden.--Niet
tot dit geslacht behooren: 3) Callias, zoon van Calliades, die in 432
als veldheer voor Potidaea sneuvelde.--4) tyran van Chalcis omstreeks
350. Om zich van geheel Euboea meester te maken, wendde hij zich eerst
om hulp tot Philippus van Macedonië, later tot Thebe, eindelijk tot
Athene, waarmede hij vroeger in oorlog was geweest. Hier vond hij
steun bij Demosthenes en inderdaad werd hem hulp gezonden, doch het
plan gelukte niet. Later leefde hij te Athene, waar hij het burgerrecht
kreeg.--5) atheensch blijspeldichter, jonger tijdgenoot van Cratinus,
schrijver van zes blijspelen, waarvan enkele fragmenten bewaard
zijn. Dezen Callias of een naamgenoot wordt een werk toegeschreven,
grammatike tragodia genoemd, over welks inhoud niets bekend is.--6)
van Syracusae, schrijver van een werk over het leven van Agathocles.

Callibius, Kallibios, bevelhebber der Spartanen, die tijdens de
regeering der dertig te Athene in bezetting lagen.

Callicles, Kallikles, beroemd atheensch beeldgieter, tijdgenoot
van Pericles.

Callicrates, Kallikrates, 1) een der bouwmeesters van het
Parthenon. Ook de lange muren naar den Piraeus zijn door hem
gebouwd.--2) syracusaansch veldheer, die in 415 in den oorlog tegen
Athene sneuvelde.--3) van Tyrus, beschreef omstreeks 280 na C. het
leven van keizer Aurelianus.

Callicratidas, Kallikratidas, volgde in 406 Lysander als
opperbevelhebber der spartaansche vloot op. In karakter en in zijne
opvatting van de wijze, waarop de oorlog behoorde gevoerd te worden,
verschilde hij van zijn voorganger, daarom vond hij bij diens vrienden,
ook bij Cyrus, in het begin veel tegenwerking. Toch wist hij spoedig
de algemeene achting te verwerven en middelen te vinden om zijn
vloot uit te breiden. Het gelukte hem, Conon met veertig schepen in
de haven van Mytilene in te sluiten, nadat hij hem dertig ontnomen
had. De Atheners zonden daarop honderd vijftig schepen om Conon te
ontzetten, en in den beroemden slag bij de Arginusische eilanden viel
Callicr. van zijn schip en verdronk.

Callicula, niet hooge berg in Campania, bij Casilinum, ten Z. of
Z. O. van Cales.

Callidromus, Kallidromos, oostelijke tak van het Oeta-gebergte,
met den bergpas Thermopylae.

Callifae, stad der Hirpini in Samnium, tegelijk met Rufrae en Allifae
door Livius vermeld, maar verder niet bekend.

Callimachus, Kallimachos, 1) van Aphidnae, sneuvelde als polemarch
bij Marathon.--2) van Corinthe, beroemd beeldhouwer, bouwmeester
en schilder (omstreeks 400 of vroeger). Hem wordt de uitvinding van
het corinthisch kapiteel toegeschreven.--3) van Cyrene (± 310-235),
afstammeling der Battiaden, studeerde te Athene en leefde daarna
te Alexandrië, waar hij waarschijnlijk gedurende eenigen tijd
hoofd der koninklijke bibliotheek was. Door zijne veelomvattende
geleerdheid en groote werkzaamheid heeft hij grooten invloed op de
studiën zijner tijdgenooten en navolgers uitgeoefend; de voornaamste
taalkundigen, Eratosthenes, Aristophanes van Byzantium, e. a.,
waren zijne leerlingen en het aantal zijner werken in proza en
poëzie wordt op 800 geschat. Hoewel zijne gedichten vooral door de
Romeinen ten zeerste bewonderd en dikwijls nagevolgd werden, toonen
de weinige die overgebleven zijn meer geleerdheid dan kunst. Tot de
meest bekende gedichten behoorden de Atia, waarin o. a. de beroemde
roman van Acontius (z.a.) en Cydippe, nu gedeeltelijk teruggevonden,
de Hecale, waarvan ook fragmenten gevonden zijn, en de coma Berenices,
dat door Catullus vertaald is; geheel bewaard gebleven zijn 6 hymnen
en vele epigrammen, opgenomen in de Anthologia Palatina. Onder
zijn prozawerken is van beteekenis een beredeneerde catalogus der
alexandrijnsche bibliotheek (Pinakes), waardoor de grondslag gelegd
werd voor de beoefening van de geschiedenis der letterkunde.

Callimedon, Kallimedon, Athener, om zijne leelijkheid en zwelgerij
dikwijls bespot. Hij behoorde tot de macedonische partij en vluchtte
daarom na den dood van Alexander uit Athene, maar werd na afloop
van den lamischen oorlog door Antipater teruggebracht. Toen Phocion
veroordeeld werd, vond hij het echter geraden de stad voor goed
te verlaten.

Callinicus, Kallinikos, bijnaam van Heracles, hem door Telamon gegeven
toen zij te zamen Troje veroverd hadden.

Callinus, Kallinos, van Ephesus, de oudste elegische dichter
der Grieken uit de eerste helft der zevende eeuw. Hij dichtte
krijgsliederen.

Calliope, Kalliope, oudste der Muzen, godin der epische poëzie. Zij
wordt afgebeeld met wastafeltjes in de eene en een schrijfstift in
de andere hand.

Calliphon, Kalliphon, grieksch wijsgeer, die als het doel van het leven
beschouwde, de vereeniging van genot en zedelijkheid. Hij leefde in
de tweede eeuw en behoorde waarschijnlijk tot de peripatetische school.

Callipolis, Kallipolis, 1) stad op de Oostkust van Sicilia, nabij den
Aetna, ten N. van Tauromenium.--2) stad op de thracische Chersonesus
tegenover Lampsacus, thans Gallipoli. Nog meer steden droegen dezen
naam. Zie ook Callium.

Callippus, Kallippos, Athener, vriend van Plato, was aanvankelijk
een van de partijgenooten van Dio; later liet hij hem, steunend op de
algemeene ontevredenheid met zijne regeering, verraderlijk vermoorden
(353). Daarna nam hij zelf de regeering in handen, die hij echter
slechts een jaar behield. Z. Dio.

Callipygus, Kallipygos, "met schoone billen", bijnaam van Aphrodite. De
beelden van deze godin hadden de kleederen tot boven de heupen
opgeschort.

Callirrhoë, Kallirroe, 1) dochter van Oceanus, moeder van Echidna
en Geryon.--2) dochter van Achelous, z. Alcmaeon.--3) dochter
van Scamandrus, moeder van Ilus. Assaracus en Ganymedes.--4) een
calydonisch meisje; daar zij de liefde van Coresus, een priester van
Dionysus, versmaadde, strafte deze god alle calydonische vrouwen met
waanzin. Om deze ramp af te wenden moest Call. volgens een orakel door
Coresus geofferd worden, doch deze doodde zichzelf in hare plaats,
waarop Call. zich in eene bron stortte, die sedert haar naam droeg.--5)
bron te Athene, in de nabijheid van het Olympieum, aan de overzijde van
den Ilisus, die, sedert Pisistratus hier een brongebouw stichtte met
9 afzonderlijke waterkranen, ook Enneakrounos genoemd wordt. Anderen
nemen aan, dat de Enneakrounos onderscheiden moet worden van de
Callirrhoë, en aan de W.-zijde van de Acropolis gelegen heeft. Uit
de Callirrhoë werd het water voor het bruidsbad gehaald.

Calliste, Kalliste, oude naam van het eiland Thera.

Callisthenes, Kallisthenes, 1) van Olynthus, bloedverwant van
Aristoteles, die hem tegelijk met Alexander onderwijs gaf; later
leefde hij te Athene, waar hij geschiedenis en natuurlijke historie
beoefende. Hij voegde zich later bij Alexander op diens tocht
door Azië, maar nam hem door zijne vrijmoedigheid zoo tegen zich
in, dat deze hem zelfs van medeplichtigheid aan eene samenzwering
betichtte en gevangen liet zetten (327) en hem v. s. liet ter dood
brengen. Hij beschreef in verscheiden werken, waarvan de bekendste
waren de Hellenika, de geschiedenis van zijn tijd en werd door latere
schrijvers dikwijls geraadpleegd. Het eenige overgebleven werk dat
zijn naam draagt, de bekende Alexanderroman, is zeker onecht.--2)
atheensch redenaar van de anti-macedonische partij, die bij het
einde van den heiligen oorlog (z. Phocis) maatregelen nam om de
stad te verdedigen; hij was een van de redenaars, wier uitlevering
door Alexander geëischt werd. Later werd hij genoemd als een van de
personen, die zich door Harpalus hadden laten omkoopen.

Callisto, Kallisto, dochter van den arcadischen koning Lycaon, trouwe
jachtgezellin van Artemis. Bij Zeus, die haar onder de gedaante van
Artemis bezocht, werd zij moeder van Arcas, waarop zij in een berin
veranderd werd, hetzij door Hera uit wraak, hetzij door Zeus om haar
voor Hera te verbergen. Zie Arcas.--Ook Artemis zelve had in Arcadië
den bijnaam van Callisto.

Callistratus, Kallistratos, 1) een tooneelspeler, die in de stukken van
Aristophanes optrad. Onder zijn naam liet Arist. twee van zijn eerste
stukken opvoeren. Vgl. Philonides.--2) van Aphidnae, een redenaar, die
bij de Atheners in hoog aanzien stond en wiens roem Demosthenes bewoog
zich op de studie der welsprekendheid toe te leggen. Hij was vooral
werkzaam bij de organisatie van den tweeden attischen zeebond; zijne
bekwaamheid als staatsman toonde hij ook in de tijden van de opkomst
der thebaansche hegemonie. Als strateeg was hij in 377 de ambtgenoot
van Timotheüs en Chabrias, in 373 van Chabrias en Iphicrates, ook
was hij de voornaamste bewerker van den vrede, die in 371 tusschen
de Atheners en Lacedaemoniërs gesloten werd. Later is hij door de
Atheners ter dood veroordeeld, in ballingschap gegaan en bij zijne
terugkomst ter dood gebracht (± 355).--3) leerling van Aristophanes
van Byzantium, schrijver van eenige met roem genoemde werken over
Homerus, Euripides, e. a. oude dichters. Hij leefde omstreeks 150.--4)
sophist uit de derde eeuw na C., die in een smakeloos geschreven werk,
ekphraseis, beschrijvingen gaf van eenige standbeelden.

Callistus (C. Julius), vrijgelatene van keizer Caligula, nam deel aan
de samenzwering tegen hem, en was onder keizer Claudius een van de
invloedrijke vrijgelatenen (a libellis). Hij was een tegenstander van
Messalina. Een vermakelijk verhaal vertelt Seneca, hoe de vroegere
eigenaar van Callistus, een aanzienlijk Romein, bij den nieuwen
minister op audientie ging, maar aan de deur afgewezen werd.

Callium, Kallion, ook Callipolis geheeten, stad in het N. O. van
Aetolia.

Calor, rivier in Samnium, waaraan Beneventum lag, zijtak van den
Vulturnus.

Calpe, Kalpe, tgw. Gibraltar, kaap aan het fretum Gaditanum (straat
van Gibraltar), met den tegenoverliggenden berg Abyla, de zuilen van
Hercules genoemd. Beide zijn oud-phoenicische nederzettingen.

Calpurnia (lex) van 121, van den volkstribuun L. Calpurnius Bestia
(Calpurnii no. 14) tot terugroeping van P. Popillius Laenas uit
zijne ballingschap.

Calpurnia (lex) de repetundis van 149, van den volkstribuun
L. Calpurnius Piso Frugi (Calpurnii no. 2), de eerste wet tegen
afpersingen, door rom. overheden in de provinciën gepleegd. Tevens
werd door deze wet de eerste quaestio perpetua ingesteld.

Calpurnia (lex) de ambitu, van den consul C. Calpurnius Piso (67),
bedreigt ambitus met boete en levenslange uitsluiting van ambten. Zie
ook Acilia Calpurnia (rogatio).

Calpurnii, een plebejisch geslacht, waartoe o. a. de familiën
Piso, Bestia, en Bibulus behoorden. 1) C. Calpurnius Piso overwon
als propraetor (185) in Hispania de Lusitaniërs en Celtiberiërs
en hield in 184 een triumftocht.--2) L. Calpurnius Piso, om zijne
onkreukbare rechtschapenheid Frugi bijgenaamd, volkstribuun in 149,
z. Calpurnia (lex) de repetundis. In 136 streed hij als praetor,
in 133 als consul zonder veel gevolg tegen de opgestane slaven op
Sicilia. Hij schreef annales, die Livius nog gekend heeft, en die
de rom. geschiedenis van Aeneas' aankomst in Italia tot op zijn
eigen tijd behelsden.--3) L. Calpurnius Piso Frugi, zoon van no. 2,
diende met eer onder zijn vader in den slavenoorlog (133), en stierf
als stadhouder van Hispania (112).--4) Cn. Calpurnius Piso, aanhanger
van Catilina, in 65 als quaestor pro praetore naar Hispania gezonden,
werd door spaansche ruiters, die in zijn leger dienden, omgebracht
(64).--5) M. Calpurnius Piso streed onder Pompeius tegen Mithradates
en was in 61 consul. Hij was door zekeren Pupius geadopteerd en heette
toen M. Pupius Piso Calpurnianus of M. Pupius Piso Frugi. Hij was een
goed redenaar.--6) Cn. Calpurnius Piso, zoon van no. 5, was een echt
republikein en streed na Caesars dood onder Brutus en Cassius. In 23
was hij consul.--7) Cn. Calpurnius Piso, zoon van no. 6, had met groote
hardheid het stadhouderschap over Hispania gevoerd, en werd later
(18 n. C.) door keizer Tiberius naar Syria gezonden, waar de dood
van Germanicus (10 Oct. 19) op zijne rekening werd gesteld. Piso,
die het bericht van Germanicus' dood te Cos ontving, keerde naar
Syria terug, en wilde met geweld zich weder van de provincie meester
maken. De beschuldiging, dat hij G. zou vergiftigd hebben, kon hij,
voor den senaat ter verantwoording geroepen, gemakkelijk weerleggen,
niet echter het feit, dat hij met geweld zich van de prov. Syria had
willen meester maken. Derhalve vond men hem met afgesneden hals in zijn
bed.--8) L. Calpurnius Piso Caesoninus, consul in 112, sneuvelde in
107 als legaat samen met den consul L. Cassius Longinus (Cassii no. 3)
tegen de Tiguriners, een deel der Helvetiërs.--9) L. Calpurnius Piso
Caesoninus, kleinzoon van no. 8, werd de schoonvader van Caesar, met
wiens hulp hij in 58 consul werd. Hij was een tegenstander van Cicero,
van wien nog eene redevoering in L. Pisonem bestaat.--10) L. Calpurnius
Piso Frugi, een zeer rechtschapen man, praetor tegelijk met Verres,
wiens tegenstander hij was. Hij was een vriend van Cicero.--11)
C. Calpurnius Piso Frugi, zoon van no. 10, verloofde zich in
66 met Cicero's dochter Tullia, en ijverde in 57 voor Cicero's
terugroeping. Hij stierf nog voordat Cicero uit de ballingschap
teruggekeerd was.--12) C. Calpurnius Piso, smeedde eene samenzwering
tegen Nero en bracht zich zelf om, toen zij ontdekt was (65 n. C.)--13)
C. Calpurnius Piso Licinianus, door keizer Galba tot zijn opvolger
bestemd, werd door de lijfwacht vermoord.--14) L. Calpurnius Bestia,
volkstribuun in 121, z. Calpurnia (lex). In 111 was hij consul;
hij voerde in Africa oorlog tegen Jugurtha, maar liet zich weldra
omkoopen, en sloot een onvoordeeligen vrede met hem. Hij werd hiervoor
later veroordeeld.--15) L. Calpurnius Bestia, aanhanger van Catilina
en Cicero's vijand.--16) Een andere L. Calpurnius Bestia werd in 56
door Cicero verdedigd tegen eene aanklacht wegens ambitus. De oratio
pro Bestia is verloren.--17) M. Calpurnius Bibulus was tegelijk met
Caesar aedilis in 65, praetor in 62, consul in 59. Hij was een van de
voorvechters der aristocratie, doch tegen Caesar niet opgewassen. In
51 verwierf hij zich als stadhouder van Syria grooten naam door zijn
uitstekend bestuur. In den burgeroorlog voerde hij het bevel over
Pompeius' vloot.--18) M. Calpurnius Bibulus, jongste zoon van no. 17,
streed bij Philippi onder Brutus, was later legaat van Antonius in
Syria, waar hij stierf (32).

Calumnia, het opzettelijk doen eener valsche aanklacht tegen een
onschuldige. Actio calumniae is de actie, die de vrijgesproken
beklaagde tegen den valschen aanklager kan instellen, iusiurandum
calumniae de eed van den aanklager, dat hij werkelijk zijne tegenpartij
schuldig acht en de aanklacht te goeder trouw doet. Wie van calumnia
overtuigd werd, kreeg een letter (waarschijnlijk K) op het voorhoofd
ingebrand, volgens eene lex Remmia, onzeker van wien en van welk jaar.

Calva, bijnaam van Venus; onder dezen naam werd haar een tempel gewijd,
toen in den gallischen oorlog de rom. vrouwen zich de haren afsneden om
pezen voor de bogen te laten maken. V. a. beteekent Calva de grillige
of bedriegelijke.

Calvatica = Calantica.

Calvinus, familienaam in meer dan ééne gens: 1) Cn. Domitius Calvinus,
tijdgenoot van Caesar, zie Domitii no. 15.--2) C. Sextius Calvinus,
zie Sextii no. 3.--3) T. Veturius Calvinus, zie Veturii no. 6.--4)
D. Caelius Calvinus Balbinus, zie Balbinus.

Calvisii. 1) C. Calvisius Sabinus was in den burgeroorlog legaat
van Caesar en bestuurde vervolgens Africa (45). Na Caesars dood zond
Antonius hem naar zijn stadhouderschap terug, doch de senaat droeg
Africa op aan Q. Cornificius, zoodat Calvisius van de provincie
geen bezit kon nemen. In 39 was hij consul, in 38 admiraal van de
vloot van Octavianus in den oorlog tegen S. Pompeius, maar werd in
37 afgezet.--2) een andere C. Calvisius Sabinus, oud-consul, komt
onder de slachtoffers van Caligula voor (39 n. C.).

Calvus, familienaam in de gens Licinia. Voor den dichter Calvus
z. Licinii no. 6. Ook komt Calvus (= kaal) als agnomen nog elders voor,
b.v. in de familie der Metelli (Caecilii no. 7 en 12).

Calx, de witte streep in de renbaan, die het einde van den te
doorloopen afstand aanwees. Dit woord wordt veel in figuurlijke
uitdrukkingen gebezigd, b.v. ad calcem pervenire = zijn doel bereiken,
extra calcem excurrere = zijn doel voorbijstreven, a calce ad carceres
revocari = opnieuw van voren af moeten beginnen.

Calycadnus, Kalykadnos, rivier in Cilicia bij Corycus uitmondend.

Calydnae, Kalydnai, twee eilandjes op de kust van Troas. Ook eene
groep eilanden aan de kust van Caria, waarvan het grootste, Calydna,
later Calymna werd geheeten en om zijn geurigen honig bekend was.

Calydnus = Calycadnus.

Calydon, Kalydon, oude stad in Aetolia aan den Euenus, het meest
bekend door de mythe van het calydonische everzwijn en Meleager. Bij
de rom. dichters is Calydonis = Deïanira, de dochter van koning
Oeneus, Calydonius heros = Oeneus' zoon Meleager, Calydonius amnis
= de Achelous, Calydonia regna = Apulia in Italia, omdat Oeneus'
kleinzoon Diomedes daar een rijk stichtte.

Calydonische jacht. Bij gelegenheid van een oogstfeest had Oeneus,
koning van Calydon, aan alle goden en godinnen offers gebracht,
maar Artemis vergeten. Deze zond daarop een reusachtig everzwijn,
dat het land verwoestte en ook voor menschen onveilig maakte. Ten
einde dit monster met vereende krachten te bestrijden, riep Meleager
nu de helden van Griekenland op tot eene gemeenschappelijke jacht,
en onder de velen, die aan zijne uitnoodiging gehoor gaven, waren de
Dioscuren, Theseus met Pirithoüs, Telamon en Peleus, Iason, Atalante,
enz. De eerste wonde werd het dier toegebracht door Atalante, daarna
vielen echter verscheiden helden, totdat Meleager het zwijn door
een speerworp doodelijk trof, waarna de overigen het afmaakten. Aan
Meleager werden als eereprijs de kop en huid toegewezen.

Calymna, zie Calydnae.

Calynda, Kalynda, stad in Caria, dicht bij Lycia.

Calypso, Kalypso, dochter van Atlas of van Oceanus of van Nereus,
eene nimf die ver van goden en menschen op het eiland Ogygia in een
prachtige grot woonde. Aan Odysseus, die na een schipbreuk op haar
eiland landde, beloofde zij de onsterfelijkheid en eeuwige jeugd,
indien hij altijd bij haar wilde blijven, en inderdaad gelukte het
haar hem zeven jaar lang bij zich te houden. Maar eindelijk kregen
de goden medelijden met den held, die door heimwee verteerd werd, en
Hermes bracht aan Calypso het bevel hem te laten gaan. Bij Odysseus
had zij twee zonen: Nausithoüs en Nausinoüs.

Camalodunum (ook Camulod. en Camald.), hoofdstad der Trinobanten en
eerste rom. kolonie in Britannia, thans Colchester.

Camarina, Kamarina, stad op de Zuidkust van Sicilia, kolonie van
Syracusae, gesticht in 599. Aan de eene zijde was de stad gedekt
door een moeras, dat denzelfden naam droeg als de stad. Uithoofde
van de ongezonde uitwasemingen wilden de inwoners dit moeras
droog leggen. Zij raadpleegden echter vooraf het orakel, dat het
volgende antwoord gaf: me kinei Kamarinan, akinetos gar ameinon. De
raad werd in den wind geslagen, en de stad werd spoedig daarna,
juist van den kant waar vroeger het moeras gelegen had, door den
vijand veroverd. Vandaar het spreekwoord me kinei Kamarinan, van
zaken, waaraan men niet moet roeren. De stad is verscheidene malen
vernietigd, maar weder opgebouwd. In 552 door de Syracusanen, omdat
de stad zich onafhankelijk wilde maken; in 492 door Hippocrates van
Gela herbouwd, in 484 door Gelo opgeheven; in 461 werden de verdreven
burgers teruggebracht. Tijdens den Peloponnesischen oorlog verhuisde
het grootste deel van de bevolking naar Leontini. In 399 herbouwd
door Timoleon, werd C. in 258 voor goed vernietigd door de Romeinen.

Cambunii montes, Kambounia ore, bergketen op de grenzen van Macedonia
en Thessalia.

Cambyses, Kambyses, zoon en opvolger van Cyrus, koning van Perzië,
529-522. Terstond na het aanvaarden der regeering trok hij naar
Aegypte, dat hij in 527 onderwierp; op een tocht naar Aethiopië,
dien hij van hier uit ondernam, werd wel Meroë onderworpen, de
eigenlijke onderneming mislukte echter door gebrek aan levensmiddelen,
terwijl een groot deel van zijn leger in de libysche woestijn door
watergebrek omkwam of door zandstormen bedolven werd. Hoewel hij de
Aegyptenaren aanvankelijk zachtmoedig behandeld en hun godsdienst
geëerbiedigd had, kwam na het mislukken van zijne onderneming tegen
Aethiopië zijn achterdochtige en wreede aard boven, en maakte hem
tot een dwingeland, die in Aegypte een waar schrikbewind uitoefende,
in dronkenschap aanzienlijke mannen en vooral priesters liet dooden,
en den godsdienst van het volk voortdurend bespotte. Op het bericht
van een opstand in Perzië, waar een magiër, zich uitgevend voor
Smerdis, den broeder van Camb., dien deze bij het begin zijner
regeering heimelijk had laten dooden, zich van de regeering had
meester gemaakt, nam hij den terugtocht aan, maar te Hamath in Syrië
had hij het ongeluk zich bij het bestijgen van zijn paard met zijn
eigen zwaard een doodelijke wonde toe te brengen. V. a. had hij, bij
het hooren dat de omwenteling in Perzië gelukt was, zichzelven gedood.

Camenae, Casmenae, Carmenae, waarzeggende bronnimfen in Italië, later
geïdentificeerd met de Muzen. Oorspronkelijk schijnen het godinnen
geweest te zijn, die door het zingen van tooverformulieren het baren
der vrouwen gemakkelijk maakten. De dienst der Camenae, die te Rome
samen met Egeria een heilig bosch voor de Porta Capena hadden, was,
naar men meende, door Euander ingevoerd.

Cameria of -rium, oude, verdwenen stad in Latium.

Camerinum, vroeger Camers, Kamarinon, machtige umbrische bergstad op
de grenzen van Picenum. De inwoners heetten Camertes.

Camerinus, rom. dichter, tijdgenoot van Ovidius. Ook komt Camerinus als
familienaam voor o. a. in de gens Sulpicia, klaarblijkelijk ontleend
aan Cameria als plaats van afkomst.

Camers = Clusium.

Camicus, Kamikos, stad op Sicilia dicht bij Agrigentum.

Camilla, dochter van koning Metabus uit de volscische stad Privernum,
door haar vader opgeleid als oorlogsheldin en jageres. Zij stond
Turnus bij in den oorlog tegen Aeneas en kwam in den strijd om.

Camilli en -lae, knapen en meisjes van aanzienlijken huize, die bij
godsdienstige plechtigheden den flamen Dialis en misschien ook anderen
priesters ter zijde stonden.

Camillus, familienaam, zie Furii no. 9-14.

Camirus, Kameiros, dorische stad op het eiland Rhodus. Zie ook Ialysus.

Campania, Kampania, landschap van Midden-Italia, aan de Tyrrheensche
zee. De naam Campania beteekent vlakte, evenals in het Fransch de naam
Champagne, en de tegenwoordige Campagna di Roma. Oorspronkelijk was de
naam ager Campanus. Met uitzondering van het moerassige noordwestelijke
kustland was het klimaat zacht en de bodem vruchtbaar. Als oudste
bewoners worden de Osci, Opikoi, genoemd, tot hen hoorden ook de
Aurunci (Ausones) en de Sidicini. Dan zetten Grieken zich neer in
Cumae, Dicaearchia (later Puteoli), Neapolis en Pompeii. In de zesde
eeuw (± 520) werd het land vermeesterd door de Etruscers, die daar een
bond van steden stichtten, waarvan Capua en Nola de voornaamste waren;
doch het heerlijke klimaat en de rijke bodem maakte de veroveraars
verwijfd, en zij moesten zwichten voor de Samnieten, die in het midden
van de vijfde eeuw Campania veroverden (Capua viel in 443, Cumae in 421
in hun handen), en zich met de oorspronkelijke bewoners vermengden. In
de vijfde en vierde eeuw dienen deze Kampanoi als huursoldaten in de
grieksche legers. Aan het hoofd van iedere bondsstad staat een meddix,
aan het hoofd van den bond een meddix tuticus. De voornaamste stad was
Capua. Ook deze veroveraars ondergingen den invloed van het klimaat
en waren op hunne beurt niet meer opgewassen tegen een aanval van
andere samnietische volken, zoodat Capua zich in 338 in de armen
van Rome wierp. Zóó ontstonden de rom.-samnietische oorlogen, die
in 272 met de onderwerping van Samnium eindigden. Vóór dien tijd was
Campania reeds geheel ingelijfd; in 318 werd de ager Falernus onder
rom. burgers verdeeld; verder werden er kolonisten gebracht naar
Cales (334), Suessa (313), Sinuessa (296). Als bondgenoot van Rome
genoot Capua met zijne omstreken, den ager Campanus (ten Zuiden van
de rivier Volturnus), groote voorrechten, doch daar het met andere
campaansche steden in den tweeden punischen oorlog de partij van
Hannibal had gekozen (216), werd het na de herovering (211) uiterst
zwaar gestraft en van alle zelfstandigheid beroofd. Campania telde
een aantal van de fraaiste en schoonst gelegen steden van Italia en
was als bezaaid met lustverblijven van aanzienlijke Romeinen, vooral
aan de golf van Napels, waar men o. a. de steden Baiae, Neapolis,
Herculaneum, Pompeii had, te midden van een lusthof van wijnbergen,
olijfboschjes en korenvelden.

Campanus morbus, hoornachtige uitwassen of groote wratten, vooral aan
het voorhoofd, die, naar het schijnt, in Campania veel voorkwamen en
nog voorkomen.

Campe, Kampe, een monster, dat op bevel van Uranus de Cyclopen in de
onderwereld bewaakte, en later door Zeus gedood werd, toen hij die
gevangenen bevrijdde.

Campi Diomedis, vlakte in Apulia tusschen Arpi en Cannae.

Campi lapidei, vlakte in den omtrek van Massilia (Marseille), met
keisteenen bedekt ter grootte van een vuist. Daartusschen wies gras.

Campi macri, Makroi Kampoi, vlakte in Cisalpina tusschen Parma en
Mutina (Modena).

Campi Phlegraei, vulkanische vlakte in Campania tusschen Capua
en Cumae.

Campi Raudii, vlakte in Transpadana, aan den Padus (Po), bij
Vercellae. Hier versloeg Marius de Cimbren, in 101.

Campus Martius, ook wel kortweg Campus, het veld, genoemd, een groot
veld buiten het oude Rome tusschen den collis Quirinalis, den mons
Palatinus en den Tiber. Het was aan Mars geheiligd en werd gebruikt
voor openbare spelen, monstering van troepen, lichaamsoefeningen,
paardrijden, volksvergaderingen (de comitia centuriata werden hier
gehouden) en dgl. Het lag eerst buiten de stad, doch werd allengs
met prachtige gebouwen en uitspanningsplaatsen versierd, vooral
onder de regeering van Augustus, die er de 9de stadswijk of regio
van maakte. Aurelianus trok het Marsveld binnen den stadsmuur.

Campus Spartarius, de vlakte bij Carthago nova (Carthagena), aldus
genoemd naar het daar groeiende esparto-gras, dat de Carthagers tot
scheepstouw verwerkten.

Camulodunum, zie Camalodunum.

Canabae, de burgerlijke nederzetting die zich bij elk vast Romeinsch
kamp bevindt, en dikwijls, vooral aan den Rijn, tot een stad uitgroeit.

Canace, Kanake, dochter van Aeolus en Enarete, werd door Poseidon
bemind en baarde hem verscheiden zonen. Toen zij echter verliefd
werd op haar eigen broeder Macareus, verliet Poseidon haar en werd
zij door haar vader gedood of tot zelfmoord gedwongen.

Canachus, Kanachos, van Sicyon, beroemd beeldhouwer uit de 6de eeuw,
vooral zijn standbeeld van Apollo te Didyma wordt geprezen.

Canastraeum, Kanastron, kaap op Pallene, de westelijke landtong
van Chalcidice.

Cancer, Karkinos, het sterrenbeeld de Kreeft; deze kreeft was door
Hera onder de sterren verplaatst, omdat zij de hydra van Lerna tegen
Heracles had geholpen, door dezen in den voet te bijten.

Candace, Kandake, koningin van Napata, die in 24 een inval in Aegypte
deed, maar door den romeinschen stadhouder Petronius teruggeslagen
werd. Zie verder Napata.

Candaules, Kandaules, de laatste lydische koning uit het geslacht
der Heracliden, zie Gyges.

Candavia mons, bergstreek op de oostelijke grenzen van Illyria. De
via Egnatia liep er door.

Candela, candelabrum. Voordat olielampen bekend waren, gebruikten de
Romeinen kaarsen, candelae, waarvan de pit uit een bies bestond. De
kandelaar heette candelabrum. Toen echter, althans in de huizen
der gegoeden, de kaarsen door de lampen werden verdrongen, werden
de candelabra ingericht om lampen op te zetten of aan kettinkjes
op te hangen. Zij werden toen zóó hoog, dat men ze niet op tafel,
maar op den grond plaatste. Deze lampenstandaards zijn in groote
verscheidenheid van vorm en versiering bij opgravingen gevonden.

Candidatus. Wie te Rome naar eenig openbaar ambt wilde dingen,
waarvan de begeving aan de volksvergadering stond, begaf zich naar
den overheidspersoon, die de comitiën zou leiden en verzocht dezen,
zijn naam op de lijst der mededingers te brengen. Deze aangifte heette
nomen profiteri. De magistraat behoorde dan te onderzoeken, of de
persoon, die zich aanmeldde, op dat oogenblik verkiesbaar was. Zoo
ja, dan behoorde hij aan diens verzoek te voldoen, rationem eius
habere. Het volk namelijk kon alleen geldige stemmen uitbrengen op hen,
die op de lijst waren opgenomen. Dezen kleedden zich nu in eene toga,
die in krijtwater gewasschen en dus helder wit was, toga candida, en
werden hiernaar candidati genoemd, en bezochten van nu af dagelijks
het forum, om zich bij de kiezers aan te bevelen. Zie ook nomenclator.

Candidatus principis. Evenals vroeger sommige ambtenaren door
aanzienlijke personen werden aanbevolen, zoo placht Augustus sommige
candidaten persoonlijk bij het volk aan te bevelen. Deze gewoonte
werd ook door de volgende keizers in acht genomen; zij wezen dan
onder de candidati enkelen aan, die moesten gekozen worden. De
verkiezingen hadden sedert Tiberius in den senaat plaats. Van de
quaestores wijst de keizer er twee aan, de quaestores Augusti, die
geregeld candidati principis geheeten worden. Deze quaestoren waren
zoo ongeveer secretarissen en adjudanten van den keizer en moesten
o. a. de keizerlijke boodschappen en brieven in den senaat voorlezen.

Canephori, Kanephoroi, jonge meisjes uit de edelste familiën, die te
Athene bij sommige processiën korfjes met heilige offergereedschappen,
enz. op het hoofd droegen.

Canicula, zie Canis Maior.

Canidia, een tooverkol en giftmengster, die door Horatius in zijne
gedichten (vooral de Epoden) bespot en aan de kaak gesteld wordt. Haar
eigenlijke naam is Gratidia.

Canidius Crassus (P.), legaat van Lepidus, wist in 43 na Caesars dood
het leger van Lepidus op de hand van Antonius te brengen. Later diende
hij onder Antonius in Azië en in den slag bij Actium. Octavianus liet
hem in Aegypte, waarheen hij gevlucht was, ter dood brengen.

Caninefates, een stam, die tot de Batavieren behoorde en aan de kust
der tegenw. provincie Noord-Holland woonde, in het tegenwoordige
Kennemerland. Zij namen ook deel aan den opstand onder Civilis. Zij
werden niet tegelijk met de Batavieren in het rijk opgenomen, maar
eerst onder keizer Tiberius onderworpen.

Caninii, plebejisch geslacht. 1) M. Caninius Rebilus was in 170
rom. gezant bij Perseus van Macedonia.--2) C. Caninius Rebilus diende
onder Caesar in Gallia, in Africa, in Hispania. In 45 werd hij tot
consul suffectus gekozen, juist tegen het einde van het jaar, zoodat
hij nog één dag consul kon wezen. Cicero prijst daarom schertsend de
waakzaamheid van Rebilus, die in zijn geheele consulaat niet geslapen
had.--3) L. Caninius Gallus, volkstribuun in 56, komt als aanhanger
van Pompeius voor.--4) Caninius Satrius, huisvriend van Cicero.

Canis, de vier éénen, de slechtste worp in het dobbelspel. Zie alea.

Canis Maior, Canicula, Sirius, Seirios, Kyon, het sterrenbeeld de
Groote Hond, de voorbode der grootste zomerhitte; oorspronkelijk was
deze hond een van de bewakers van Europa geweest, later kwam hij in
handen van Cephalus en van Amphitryo (z. a.).--V. a. een hond van
Orion of van Icarius.

Canis Minor, Antecanis, Prokyon, het sterrenbeeld de Kleine Hond,
oorspronkelijk een van de honden van Orion, na diens dood onder de
sterren geplaatst.

Cannae, Kannai, vlek in Apulia, aan den Aufidus, bekend door de
vreeselijke nederlaag, die de rom. consuls C. Terentius Varro en
L. Aemilius Paullus er in 216 leden. Of de slag op den noordelijken
(rechter) oever of op den zuidelijken (linker) oever van den Aufidus
heeft plaats gehad, daarover is men het niet eens. De rechtervleugel
der Romeinen, en de linkervleugel der Carthagers sloot aan de rivier
de Aufidus aan. Neemt men nu aan, dat de slag op den zuidelijken oever
geleverd is, dan waren de Romeinen benedenstrooms van de Carthagers
opgesteld. Plaatst men den slag op den noordelijken oever, zooals
gewoonlijk geschiedt, dan komt voor het slagveld in aanmerking een
veld, dat nu nog "Pezzo del Sangue" heet; de Romeinen hadden dan
hun kleine legerplaats en verder de rivier in den rug. Een bezwaar
tegen deze opvatting is, dat dan de Romeinen met het gezicht naar
het N. staan, hetgeen met sommige berichten in strijd is.

Canobus, Kanobos, aanzienlijke, weelderige stad in de Nijldelta,
aan den westelijken of canobischen hoofdmond der rivier. Vóór de
stichting van Alexandria was Canobus de grootste koopstad van het
westelijke deltagebied. Er was een beroemde Serapis-tempel.

Canon, Kanon, z. Alexandria no. 1 aan het slot.

Cantabri, Kantabroi, woest, oorlogzuchtig volk in Hispania, in het
tegenw. Biscaye, eerst door Augustus (26-19) tot onderwerping gebracht.

Cantharus, Kantharos, drinkbeker met ooren; de beelden van Dionysus
hebben meestal zulk een beker in de hand.

Cantium, gewest in het Z. O. van Britannia, thans Kent. De Cantii
waren van de Britten het meest beschaafde volk.

Cantium promunturium, het zuidoostelijkste punt van Britannia, thans
kaap Paperness in Kent.

Canuleia (lex), plebisciet van den volkstribuun C. Canuleius,
445. Het bepaalde, dat er conubium zou zijn tusschen patriciërs en
plebejers. Een ander voorstel van denzelfden, dat één der consuls een
plebejer zou kunnen zijn, werd ter zijde geschoven door de instelling
van tribuni militum consulari potestate. Dit tweede wetsvoorstel is
waarschijnlijk verzonnen, om de instelling van het krijgstribunaat
te verklaren. Zie tribuni militum consulari potestate.

Canuleii, plebejisch geslacht. 1) C. Canuleius, volkstribuun in 445,
de vader der lex Canuleia de conubio.--2) L. Canuleius Dives, praetor
in Hispania in 171, vervolgde op last van den senaat eenige vorige
stadhouders van dit gewest wegens afpersingen.

Canusium, Kanousion, stad in Apulia aan de via Appia nova, nabij den
Aufidus, bekend door den driedaagschen strijd tusschen M. Marcellus
en Hannibal (209), waaromtrent de berichten echter geen vertrouwen
verdienen. De roode wol en de muilezels van C. waren beroemd. Horatius
noemt de Canusiners bilingues, omdat in de stad een sterk grieksch
element aanwezig was en men er dus zoowel Grieksch als Latijn sprak.

Capaneus, Kapaneus, zoon van Hipponoüs, een van de zeven vorsten die
met Adrastus tegen Thebae ten strijde trokken. Om hem te straffen
voor zijne overmoedige bewering, dat hij zelfs tegen den wil der
goden den muur zou bestijgen, doodde Zeus hem, toen hij reeds op den
stormladder stond, met den bliksem.

Capella, Capra, Aix, het sterrenbeeld de Geit, dat in het najaar met
storm en onweder opkomt; oorspronkelijk de geit Amalthea, door Zeus
onder de sterren geplaatst, omdat hare huid hem in den strijd tegen
de Titanen tot schild gediend had.

Capena, oude stad in het Z.O. van Etruria, later rom. municipium,
met een tempel en een grot van Feronia. De porta Capena te Rome
voerde niet naar deze stad; ze was waarschijnlijk genoemd naar Capua,
en heeft dus haar naam gekregen, toen de via Appia aangelegd is,
die langs deze poort de stad verlaat. De overeenkomstige poort van
Capua heet porta Romana.

Caphareus, Kaphereus, noordelijkste kaap aan de Zuidoostkust
van Euboea, waar de grieksche vloot op haren terugkeer van Troje
schipbreuk leed, en in 480 eene perzische vloot van 200 schepen,
die Euboea wilde omvaren om de Grieken in den rug aan te vallen.

Capita aut navia, een spel, gelijk aan ons "kruis of munt", waarbij
een geldstuk omhoog werd geworpen. De naam is hieraan ontleend,
dat de oudste stempel van den as aan de eene zijde een Januskop,
aan de andere de voorsteven van een schip was.

Capite censi. Zóó werden bij de indeeling van het rom. volk in klassen
en centuriën diegenen genoemd, die òf niets bezaten òf te weinig
om het bij den census in rekening te brengen en die dus alleen hun
caput konden aangeven. Ze waren vrijgesteld van krijgsdienst. Zie
ook proletarii.

Capitis deminutio is een vermindering van rechtspersoonlijkheid. Er
waren drie graden. De cap. dem. minima had plaats, wanneer een
romeinsch burger, die sui iuris was, zich tot zoon liet aannemen
(arrogatio) en dus alieni iuris werd. Hij verloor dan den status
familiae, daar hij ophield pater familias te zijn en als filius
familias in de patria potestas van een ander trad.--De cap. dem. media
sloot het verlies van het burgerrecht in zich. Zij had plaats
door vrijwilligen afstand, reiectio civitatis of door aqua et igni
interdictio. Een gewoon exsilium hief den status civitatis niet op,
maar schorste dezen slechts. Hij die door deze deminutio getroffen
was, kon door eene wet in zijne vorige rechten hersteld worden,
restitutio in integrum.--De cap. dem. maxima was het verlies van den
status libertatis; men werd dan slaaf. Zij werd o. a. toegepast op de
incensi, d.w.z. op hen, die verzuimden zich bij de censoren aan te
geven, met het doel, krijgsdienst en belasting te ontduiken, op den
fur manifestus, den op heeterdaad betrapten dief, tenzij deze zich
vrijkocht, op den schuldenaar (den addictus, niet den nexus, z. a.),
die door zijne schuldeischers werd verkocht, in den tijd toen men nog
met zijn lijf voor zijne schulden aansprakelijk was, wat in 326 door
de lex Poetelia Papiria werd afgeschaft, op den veroordeelden burger,
die gegrepen en ter dood gebracht werd, enz.

Capito, familienaam, zie Ateii en Fonteii.

Capitolinus, familienaam, zie Manlii no. 2, 6-10.

Capitolinus mons, een der bergen van het oude Rome. In het midden was
deze berg lager dan aan de beide uiteinden. Op den Z.W. top was het
Capitolium, op den N. top de arx met den tempel van Juno Moneta. Bij de
derde uitbreiding der stad (zie Roma), toen de latijnsche gemeente van
den Palatinus zich met de sabijnsche van den Quirinalis vereenigde,
werd met het Forum ook de mons Capitolinus bij de stad getrokken en
versterkt. Hij lag echter buiten het pomoerium. Op het Capitolium
stond de groote driedubbele tempel van Jupiter Capitolinus, Juno en
Minerva. Het was een tempel met drie cellae; die van den god was in
het midden. Deze tempel werd door Tarquinius Priscus begonnen, door
Tarquinius Superbus voltooid en in 509 door den consul M. Horatius
Pulvillus ingewijd. Hij brandde driemaal af, in 83, 69 na C. en 80
na C., doch werd telkenmale herbouwd, de laatste maal door keizer
Domitianus, die er 12000 talenten aan besteedde; z. Templum. Het
Capitool was het heilige middelpunt van het rom. gebied; dáár
brachten de nieuwe consuls hun eerste offer en deden geloften voor het
welzijn van den staat; dáár offerde de zegepralende imperator, dáár
waren de orakelboeken, de wettafels, de veroverde vaandels geborgen,
enz. Behalve den reeds genoemden tempel worden op de daaromheen gelegen
ruimte, area Capitolina, nog een aantal andere heiligdommen vermeld:
de curia Calabra, vanwaar de pontifices maandelijks op de Kalendae
den feestkalender afkondigden, de tempels of tempeltjes van Jupiter
Feretrius, van Fides, Mens, Venus Erycina, Ops en andere, terwijl het
aantal beelden en gedenkteekenen zóó groot was, dat het heette: in
Capitolio deorum omnium simulacra colebantur. De inzinking tusschen
de beide toppen wordt een asylum genoemd. Sedert 192 was hier een
heiligdom van Veiovis, en aan de zijde van het forum vond men hier
later het Tabularium (z. a.). Naar het Capitool voerde een oploopende
weg, clivus Capitolinus, van het forum uit; doch men kon er ook van
den zuidwestkant komen langs een trap, in den berg uitgehouwen en
de centum gradus geheeten. Deze trap voerde naar een uitspringend
gedeelte, saxum Tarpeium, of rupes Tarpeia genoemd, waar oudtijds de
plebejische doodstraf werd voltrokken door de veroordeelden van de
rots in eene daaronder liggende diepte te werpen.

Capitolium. Zie Capitolinus mons.

Cappadocia, Kappadokia, gewest van Asia minor. Het oudste Cappadocia
strekte zich uit van den Halys tot aan Armenia langs den Pontus
Euxinus. Onder het perzisch bestuur werden de landstreken Garsauritis
en Cataonia er aan toegevoegd, zoodat het zich ten Z. tot aan het
Taurusgebergte uitstrekte; doch daarentegen werd het noordelijke deel
als afzonderlijke satrapie er af genomen, onder den naam Cappadocia
ad Pontum, waaruit later het koninkrijk Pontus is ontstaan. Het
binnenlandsche Cappadocia wist tijdens Alexander d. G. eene zekere
onafhankelijkheid te handhaven en bleef als koninkrijk bestaan, tot
het door Mithradates den Grooten, koning van Pontus, veroverd werd;
doch Pompeius gaf het in 65 aan Ariobarzanes terug. Het werd nu een
vasalstaat van Rome, tot Tiberius in 17 na C. er eene rom. provincie
van maakte. Tot welken stam de Cappadociërs behooren, is nog niet
uitgemaakt. Slechts weten we, dat reeds omstreeks 1800 de Cheta
(Chatti), de Hittiten van het Oude Testament, in Cappadocië, in het
tegenwoordige Boghazköi, ten O. van den Halys, het middelpunt van
hun rijk hebben gehad. Het noordelijkste distrikt van C., aan de
oevers van de rivieren Thermodon, Iris en Lycus, is door Assyriërs
gekoloniseerd, bij de Grieksche schrijvers Syrioi of Syroi, of ook
wel Leucosyriërs, Leukosyroi, genoemd, wegens hunne blanke kleur,
terwijl de eigenlijke Syriërs bruin van tint waren. Aan de kust lagen
vele grieksche volkplantingen, nederzettingen van Milete of faktorijen
van Sinope; de voornaamste zijn van W. naar O.: Amisus, Themiscyra,
Side (later Polemonium geheeten), Cotyora, twee steden Cerasus,
Tripolis en Trapezus. Zie verder Pontus. Het eigenlijke Cappadocië
was, evenals Armenia, een feudaalstaat. De hoofdstad was Mazaca aan
den berg Argaeus; ter eere van Tiberius werd de naam veranderd in
Caesarea (ad Argaeum).

Caprae of Capreae palus, de plaats op het Campus Martius, waar Romulus,
terwijl hij bezig was een contio te houden, onder storm en onweer
van de aarde was weggenomen (z. Quirinus). Ook later werden hier
contiones gehouden.

Capraria, het geiteneiland, nabij de etruscische kust, thans Capraja.

Capreae, Kapreai, thans Capri, eil. ten Z. van den sinus Cumanus
(golf v. Napels), het verblijf van keizer Tiberius in zijne laatste
levensjaren. Volgens de sage is het oudtijds bewoond geweest
door Teleboërs, onder koning Telon. Grieken uit Cumae hebben het
gekoloniseerd, en tot diep in den keizertijd sprak de bevolking
Grieksch.

Capricornus, Caper, Aigokeros, Pan, het sterrenbeeld de Steenbok,
voorbode van storm, oorspronkelijk een afstammeling van Aegipan met
horens, bokkepooten en een vischstaart, die met Zeus opgevoed was en
hem later in den strijd tegen de Titanen hielp door in een schelp
te blazen en zulk een vreeselijk geraas te maken, dat de vijanden
verschrikt op de vlucht gingen.

Caprotina, Capratina, bijnaam van Juno, waaronder zij te Falerii
e.e. vereerd werd. Te harer eere vierden de vrouwen op den 7den
Juli (Nonae Caprotinae, ancillarum feriae) een feest, waaraan ook de
slavinnen deelnamen, die zich daarbij vele vrijheden veroorloofden. Ter
verklaring van dit feest dient het volgende verhaal, dat aan een
fabula praetexta ontleend is: Kort na den gallischen oorlog trokken
de Latijnen tegen de Romeinen op en eischten van hen vrouwen ten
huwelijk. De Romeinen zonden hun slavinnen als vrije vrouwen gekleed,
die nu de vijanden bij een feestmaal dronken maakten en daarna van
den top van een wilden vijgeboom (Caprificus) een teeken gaven,
waarop de Romeinen de legerplaats overvielen en de vijanden doodden.

Capsa, stad in Numidia midden in eene zandwoestijn. Hier waren
Jugurtha's schatten geborgen. De plaats werd door Marius verwoest,
doch later herbouwd en behoorde sedert tot Byzacium.

Capua, Kapye, vroeger Vulturnum geheeten, voornaamste stad van
Campania. Door de Samnieten bedreigd, onderwierp het zich aan Rome
(zie Campania). De burgers kregen toen de civitas sine suffragio,
terwijl een gedeelte der rechtspraak in handen kwam van de praefecti
Capuam Cumas (sedert 318). Na den slag bij Cannae (216) verbond het
zich met Hannibal, doch werd na de inname (211) door de Romeinen
bloedig gestraft. Zeventig der aanzienlijkste burgers werden ter dood
gebracht, honderden in de gevangenis geworpen of als slaven verkocht,
een deel der bevolking werd over andere steden verdeeld, en alle
rechten en vrijheden aan de stad ontnomen. Het gemeentebestuur
werd opgeheven, het grondgebied verbeurd verklaard; op het land
langs zee werden twee col. civium Romanorum, Volturnum en Liternum,
gesticht, het andere land, de ager Campanus (zie Agrariae leges)
tot 59 geregeld verpacht. Door haar gunstige ligging bleef de stad
een van de bloeiendste en grootste steden van Italië. Sedert 58 had
zij weer een gemeentebestuur.

Caput is de rechtspersoonlijkheid van den rom. burger (zie capitis
deminutio). Deze beteekenis heeft dit woord ook in de uitdrukking
capite of capitis damnari.

Capys, 1) grootvader van Aeneas (z. Aeneas).--2) tochtgenoot van
Aeneas, volgens de sage stichter van Capua.

Caracalla (M. Aurelius Antoninus Bassianus), sedert zijn benoeming tot
Caesar in 196 n. C. ook M. Aurelius Antoninus geheeten, zoon van keizer
Septimius Severus en Julia Domna, volgde met zijn broeder P. Septimius
Antoninus Geta zijn vader in 211 op. Het leger had beide broeders
slechts te zamen als keizers willen erkennen, hoewel reeds bij huns
vaders leven een doodelijke haat tusschen hen heerschte. In 212 stak
Caracalla zijn broeder in de armen hunner moeder dood, en veroordeelde
den beroemden rechtsgeleerde Papinianus, die zijne afkeuring te
kennen gaf, ook ter dood. Vervolgens trok hij op dolzinnige wijze het
rijk door, hier oorlogende (z. Alemanni), daar zijn eigen onderdanen
uitplunderende, tot hij eindelijk in 217 door zijn praefectus praetorio
Macrinus te Edessa in Mesopotamia werd omgebracht. Caracalla gaf
in 212 aan het geheele rijk het burgerrecht, ten einde ook in de
provinciën de vicesima hereditatum, een successierecht van 5 pct.,
te kunnen innen en aldus de ontvangsten der keizerlijke schatkist
te verhoogen. De bijnaam Caracalla is ontleend aan het kleedingstuk
van dien naam, een gallischen mantel, dien de keizer droeg. Door
Caracalla zijn de beroemde Thermae Antoninianae aangelegd, waarvan
nog belangrijke ruïnen over zijn (zie Thermae).

Caractacus, een dapper vorst der Silures in Britannia, zoon van
koning Cunobelinus, voerde oorlog met de Romeinen, en werd door
de met hen bevriende Cartismandua, koningin der Brigantes, aan hen
uitgeleverd. Keizer Claudius liet hem naar Rome voeren, doch schonk
hem toen de vrijheid terug, 51 na C.

Caralis, Karalis, thans Cagliari, hoofdstad van het eiland Sardinia,
aan den Zuidkant gelegen.

Carambis, Karambis, stad en kaap in Paphlagonia.

Caranus, Karanos, 1) Heraclide uit Argos, die omstreeks 750
met eene argivische kolonie Edessa innam en de stichter van het
macedonische rijk werd; de latere koningen van dit rijk noemden hem
hun stamvader.--2) zoon van Philippus en Cleopatra, die door Olympias
gedood werd.--3) veldheer van Alexander in den oorlog tegen Perzië.

Caratacus = Caractacus.

Carausius, door Diocletianus belast met eene vloot de gallische kust
tegen frankische en saksische zeeroovers te verdedigen, voer naar
Britannia en liet zich daar tot Augustus uitroepen, 286 na C. Hij
handhaafde zich, tot hij in 293 vermoord werd.

Carbatinae of Carpatinae, Karbatinai, Karpatinai, grove schoenen, uit
één stuk leder vervaardigd en met kruisbanden om het been bevestigd.

Carbo, familienaam in de gens Papiria. Zie Papirii no. 11-14.

Carcaso, stad van de Volcae Tectosages in Gallia Narbonensis, thans
Carcassonne.

Carcer. De carcer Mamertinus, te Rome aan het forum gelegen, bestond
uit drie verdiepingen, waarvan slechts ééne boven den beganen grond
was. Hier werden de licht gestrafte gevangenen in hechtenis gehouden
(custodia communis). De middelste verdieping was een onderaardsch
gewelf, waartoe slechts eene opening in de zoldering toegang verleende
en waarin men geketend de zware gevangenisstraf onderging (custodia
arcta). Daaronder lag een nog afgrijselijker kerkerhol, evenzeer alleen
met eene opening van boven, waarin de doodstraf werd voltrokken. Dit
gedeelte, dat het oudste was, werd ook Tullianum geheeten, omdat het
vroeger gediend had als vergaarbak voor het water, dat daar uit de
rotsen zijpelde. Dáár stierf Jugurtha den hongerdood. Daar werden ook
Lentulus (Cornelii no. 48) en de 4 andere Catilinarii gewurgd. Ook in
andere plaatsen schijnen de kerkers op deze wijze ingericht geweest
te zijn; althans in dien van Herculaneum heeft men de sporen van twee
ondergrondsche verdiepingen ontdekt.

Carceres, de stallen aan den ingang van den circus, waarin de
wagenmenners, op de bespannen wagens staande, het sein tot den wedren
afwachtten. Figuurlijk beteekent carceres ook het begin van iemands
loopbaan: a carceribus = van den beginne af. Zie ook calx.

Carcinus, Karkinos, van Agrigentum, vestigde zich te Athene als
treurspeldichter; zijne werken vonden echter evenmin bijval als die
van zijne vier zonen. Zijn kleinzoon, de jongere Carcinus, leefde
langen tijd aan het hof van Dionysius van Syracusae; met zijne 160
stukken behaalde hij elf maal een prijs.

Cardamyle, Kardamyle, 1º. stad aan de Oostzijde van de golf van
Messene.--2º. stad in het N. van Chius.

Cardea, Carda, eene nimf die door Janus bemind werd, en door hem
tot godin der deurhengsels, dus ook van huis en huisgezin, verheven
werd. Ook beschermde zij kleine kinderen tegen den invloed van booze
geesten.

Cardia, Kardia, stad van de thracische Chersonesus, aan den sinus
Melas, kolonie van de Milesiërs, geboorteplaats van koning Eumenes. De
bewoners werden met die van Pactye in 309/308 door Lysimachus naar
zijn nieuwe hoofdstad Lysimachia (z. a.) overgebracht.

Cardo. De deuren der rom. huizen hingen niet in scharnieren, maar
draaiden op uitstekende pennen, die in bussen sloten, welke in den
boven- en den onderdorpel van het deurkozijn waren ingelaten. Deze
pennen heetten cardines.--Cardo heet ook de lijn, die de augur bij
het nemen der auspiciën van het N. naar het Z. trok. Zie auguria. De
Rom. hadden ook eene godin der deurhengsels, Cardea.

Carduchi, Kardouchoi, thans Koerden, een machtig en krijgshaftig
armenisch bergvolk, in welks bergen de Perzen zich niet waagden,
toen de 10000 Grieken er binnentrokken.

Carfulenus (D.), rom. senator, aanhanger van Caesar en tegenstander
van Antonius; hij streed samen met Pansa in den mutinensischen oorlog
bij Forum Gallorum tegen Antonius; of hij, zooals het eerste bericht
luidde, daar gesneuveld is, is niet zeker.

Caria, het zuidwestelijkste landschap van Klein-Azië, aan de kust
bezet met grieksche volkplantingen, waarvan Halicarnassus en Cnidus
de voornaamste waren. De Cariërs hadden oudtijds een groot gedeelte
der eilanden van de Aegaeïsche zee in bezit en dreven zeeroof,
totdat zij door de Grieken en vooral door koning Minos van Creta uit
de eilandzee verdreven werden. Zij bleven echter een ruw, roofziek
volk, wel geschikt voor huursoldaten, doch omkoopbaar. De Kares,
Kretes, en Kappadokes werden door de Grieken ta tria Kappa kakista
genoemd. De Westkust van Caria is bezet met ionische koloniën, waarvan
Priene en Miletus de voornaamste zijn en Iassus de zuidelijkste is:
de Zuidwestkust en de vóórliggende eilanden hebben een dorische
bevolking. In de 4de eeuw maakte Mausolus, de vorst van Carië, zich
onafhankelijk van Perzië, en verlegde zijne residentie van Mylasa
naar Halicarnassus (z.a.).

Carinae, voorname wijk te Rome, tusschen den mons Esquilinus en den
mons Caelius.

Carinus (M. Aurelius), keizer van Rome, 283-285 na C., zoon en opvolger
van Carus. Hij was om zijne buitensporigheden en wreedheid gehaat
en werd vermoord, na de nederlaag, die hij Diocletianus in Moesia
toegebracht had.

Caristia (Charistia) of Cara Cognatio. Op den 22sten Februari, den dag
na de feesten der Feralia (z. a.) of Parentalia, vierde men te Rome
dit familiefeest, waarbij de bloedverwanten voor een feestmaaltijd
bijeenkwamen.

Carmania, Karmania, thans Kerman, perzisch gewest aan de Perzische
golf. Herodotus noemt de bewoners Germanioi.

Carmelus, Karmelos, thans Carmel = wijnberg, gebergte en kaap op de
kust van Palaestina ten Z. van Ace (Ptolemaïs). Ook de hoogste top
van den Antilibanus droeg dezen naam.

Carmenta, eene van de Camenae, moeder van Euander, wien zij de
toekomstige grootheid van Rome voorspelde. Zij had een heiligdom
aan de Porta Carmentalis, bloedige offers werden haar niet gebracht,
en het was verboden iets van leder in den tempel te brengen. Op haar
feest, de Carmentalia (11 en 15 Januari), werd zij als beschermster
van barende vrouwen onder de namen Postvorta en Antevorta, Porrima
of Prorsa aangeroepen.

Carmentalis (porta), poort te Rome aan den voet van den mons
Capitolinus. Door den rechter doorgang (dexter Janus) van deze poort
zijn de Fabii uitgetrokken naar de Cremera. Daarom gebruikte men
dezen doorgang niet, en heet de poort scelerata.

Carmo of Carmona, stad in Baetica tusschen Hispalis (Sevilla)
en Astigi.

Carna, eene godin, aan wie als doodenoffer boonenmeel geofferd werd op
den 1sten Juni, die daarnaar Kalendae Fabariae genoemd wordt. Het feest
heette Carnaria. Zie omtrent de andere doodenfeesten onder Lemures.

Carnabon, koning der Geten. Toen Triptolemus in zijn rijk kwam om er
den landbouw in te voeren, behandelde C. hem vijandig en doodde hij
een van zijne draken. Daarom veranderde Demeter hem in een slang.

Carneades, Karneades, van Cyrene, 213-129, stichter der derde of
nieuwe academie en hevig bestrijder der stoicijnsche leer, waarvan
hij vroeger een aanhanger was geweest. Volgens hem kan men door
zinnelijke waarneming slechts waarschijnlijkheid, nooit waarheid,
bereiken, en moesten dus de kenmerken der waarheid elders gezocht
worden. In 155 werd hij met Critolaus en Diogenes door de Atheners
naar Rome gezonden, om vrijstelling van eene opgelegde boete te vragen,
en zijne scherpzinnigheid en welsprekendheid vond ook bij de Romeinen
grooten bijval.

Carneus, Karneios, bijnaam van Apollo, onder welken hij bij verscheiden
dorische stammen vereerd werd. De Spartanen geloofden, dat zij door
dezen god naar de Peloponnesus teruggebracht waren en vierden ter
herinnering daaraan jaarlijks in de maand Carneus (Aug.-Sept.) een
groot feest (Karneia), waarbij zij steeds gewapend waren en over het
geheel het leven in den oorlog nagebootst werd.

Carni, Karnoi, keltisch bergvolk in den N. O. hoek van Cisalpina,
aan de Carnische Alpen. In hun gebied lagen de steden Julium Carnicum,
Tergeste en Aquileia.

Carnifex of carnufex, de scherprechter, een servus publicus, die de
doodstraf aan vreemdelingen en slaven voltrok. Aan rom. burgers werd
deze straf voltrokken door een lictor.

Carnuntum, Karnous, Karnouton, aan den Donau, in Pannonia, belangrijk
als vesting, garnizoensplaats en ligplaats der Donau-vloot.

Carnutes of Carnuti, machtige stam in het hart van Gallia, met
de hoofdstad Genabum of Cenabum, het tgw. Orléans, z. Aureliani
civitas. In het gebied der Carnuten hielden de Druïden jaarlijks
hunne plechtige rechtszitting.

Carocotinum, z. Caletes.

Carpates of Alpes Bastarnicae, thans Karpathen.

Carpathus, Karpathos, eiland in de daarnaar genoemde Carpathische
zee tusschen Creta en Rhodus. De zeegod Proteus hield daar verblijf
en wordt bij dichters wel Carpathius vates genoemd.

Carpentum, een tweewielig rijtuig met een kap of huif voorzien. Een
carpentum funebre was een tweewielige, rondom gesloten lijkwagen.

Carpesii of Carpetani, Karpetanoi, machtig volk in Hispania
Tarraconensis, met de hoofdstad Toletum (Toledo).

Carpi, dacische volksstam tusschen den Donau en het westelijke
gedeelte der Karpathen, die naar dit volk genoemd zijn. In de 3de
eeuw n. C. treden ze meestal op aan den Beneden-Donau, en verwoesten
vaak in vereeniging met de Gothen Moesia en Thracië.

Carrae of Carrhae, Karrai, in het O. T. Charan of Haran, stad in
Mesopotamia, waar Crassus tegen de Parthen sneuvelde (53).

Carrinas, plebejische familie. 1) C. Carrinas komt in den eersten
burgeroorlog 83/82 als een van de aanvoerders der Mariani voor. Na
den slag bij de porta Collina (Nov.82) werd hij gevangen genomen en op
last van Sulla ter dood gebracht.--2) C. Carrinas, consul in 43, zoon
van no. 1, komt in den tweeden burgeroorlog als aanhanger van Caesar
voor; later is hij een aanhanger van Octavianus, en voert o. a. oorlog
tegen S. Pompeius (36); als proconsul van Gallië onderwerpt hij in
30 de Morini.--3) Carrinas Secundus, rhetor door Caligula in 39
n. C. verbannen, pleegde zelfmoord in de ballingschap te Athene,
omdat hij niet in zijn levensonderhoud kon voorzien.--4) C. Carrinas
Secundus, zoon van no. 3, werd in 64 n. C. door Nero uitgezonden,
om in Griekenland geld in te zamelen.

Carroballista, ballista of blijde op twee wielen en door paarden
getrokken.

Carruca, vierwielig staatsierijtuig, ook wel als reisrijtuig gebruikt
(fr. carrosse).

Carseoli of Carsioli, stad in het land der Aequi, sedert 298 latijnsche
kolonie.

Carsulae, stad in het Zuiden van Umbria bij Ameria.

Carsus, Karsos, riviertje in het O. van Cilicië, bij de Syrische
poorten, tusschen Issi (Issus) en Myriandus.

Carteia, Karteia, belangrijke phoenicische volksplanting nabij het
fretum Gaditanum of Herculis (straat van Gibraltar), sedert 171
lat. kolonie. Bij Carteia versloeg Caesar in 45 de broeders Sextus
en Cn. Pompeius.

Carthaea, Karthaia, stad aan de Z.-zijde van het eiland Ceos.

Carthago, Karchedon = Nieuwstad, 1) de beroemde stad in Africa,
die met Rome de punische oorlogen (z. a.) heeft gevoerd. De stad
was ± 800 door tyrische uitgewekenen gesticht, volgens de sage
onder aanvoering van Dido of Elissa, zuster van den dwingeland
Pygmalion. De stad lag op een schiereiland, door eene niet breede
landengte met het vasteland verbonden. Zij had twee havens; de grootste
diende voor de handelsvloot, de andere, Kothon (= beker) geheeten,
was de oorlogshaven, door 220 scheepskappen omringd. De acropolis
der stad heette Byrsa, Byrsa (= burcht), en lag op een heuvel van
60 meter hoog. Op den top stond de prachtige tempel van Esmûn of
Aesculapius. Aan den burg sloten zich de muren der zoogenaamde
oude stad aan, 50 voet hoog en 30 voet breed, verdiepingsgewijze
gebouwd, zoodat beneden stalling voor 300 olifanten, daar boven voor
4000 paarden was, en wederom hierboven ruimte voor de soldaten. De
hoofdstraten liepen recht op den burg aan en hadden hooge huizen, tot
zelfs van zes verdiepingen. Later werd ook de meer noordelijk gelegen
voorstad, Megara, Magalia (= hoogte) of Neapolis geheeten, binnen de
muren getrokken, en dit gedeelte werd het fraaiste en rijkste der stad,
met tempels en prachtige lustverblijven voorzien. Eene waterleiding,
13 uur gaans lang, voorzag Carthago van water. Tot aan de 5de eeuw
was het vastelandsgebied van Carthago zeer klein. Eerst in de 5de
eeuw onderwerpt en onderdrukt het de omliggende libysche stammen, en
verkrijgt het de heerschappij over alle phoenicische nederzettingen
en faktorijen in het Westen. Het heeft verscheidene malen getracht
Sicilië te veroveren; de eerste poging mislukte in 480 (slag bij de
Himera); dan volgen de veldtochten van 409-404, waarbij Selinus en
Himera te gronde gegaan zijn. Dan volgen de oorlogen met Dionysius en
de andere tyrannen van Syracusae, en eindelijk de oorlogen met Rome,
die aan haar bestaan een einde hebben gemaakt.--Na de verwoesting
in 146 bleef de stad in puin liggen, tot C. Sempronius Gracchus
er in 121 de colonia Junonia stichtte; deze werd het volgend jaar
weer opgeheven, maar de coloni mochten blijven wonen. Daarop heeft
Caesar in 44 er eene nieuwe kolonie Carthago gesticht, die in 29 door
Augustus versterkt is. Daarnaast bestond een punische stad Carthago,
met een afzonderlijk gemeentebestuur, tot nog onder Augustus beide
steden samengroeiden. Dit nieuwe Carthago, Colonia Iulia Carthago,
ontwikkelde zich snel en werd nog grooter dan het oude, zoodat het na
Rome en Constantinopel de meest bevolkte stad van het rijk werd. In
439 na C. werd het de hoofdstad der Vandalen, en na den val van het
vandaalsche rijk weder de residentie der oost-rom. stadhouders. De
regeeringsvorm van het oude punische Carthago, dat eenmaal 700000
inwoners telde, was oligarchisch. Aan het hoofd der zaken stond een
senaat, terwijl de uitvoerende macht aan twee suffeten of rechters
was opgedragen. Volksvergaderingen werden alleen in hoogen nood
bijeengeroepen.--2) Carthago in Hispania, tot onderscheiding dikwijls
Carthago nova genoemd, thans Carthagena, was ± 228 gesticht door
Hasdrubal en werd in 209 door Scipio, den lateren Africanus maior,
veroverd en tot rom. kolonie gemaakt. In de nabijheid lag de Campus
Spartarius.

Cartismandua, koningin der Brigantes in Britannia, die Caractacus
aan de Romeinen overleverde.

Carus (M. Aurelius), bevelhebber der praetorianen onder keizer
Probus, werd na diens dood in 282 na C. door de troepen tot keizer
uitgeroepen en verhief toen zijne beide zoons Carinus en Numerianus
tot Caesars. Hij was een bekwaam veldheer. Op een tocht tegen de
Perzen in 283 werd hij òf door den bliksem getroffen òf door Aper,
den bevelhebber zijner lijfwacht, vermoord.

Carventum, oude stad in Latium, met een sterk kasteel. De stad was
oorspronkelijk één van de 30 gemeenten van den albaanschen bond (zie
Albenses), en later één van de leden van den ouden latijnschen bond,
waarvan Aricia en Tusculum de leiding hadden.

Carvilii, 1) Sp. Carvilius Maximus, consul in 293 en 272, overwon de
Samnieten in 293, de Lucaniërs en Tarentijnen in 272 en hield twee
triumftochten. Van den op de Samnieten behaalden buit bouwde hij een
tempel voor de godin Fortuna.--2) Sp. Carvilius Maximus was consul in
234 en 228 en zegevierde over de Corsen en Sarden. Hij was ook augur.

Caryae, Karyai, stad in Laconica, door de Spartanen aan de Arcadiërs
ontnomen en bekend door een tempel van Artemis Caryatis, wier
priesteressen, Caryatides genaamd, eigenaardige dansen uitvoerden.

Caryanda, Karyanda, kuststad van Caria.

Caryatides, Karyatides, 1) zie Caryae.--2) zuilen in den vorm van
vrouwenbeelden, die op het hoofd een kapiteel droegen, waarop de
balken rustten. De Caryatiden van het Erechtheion op de Acropolis te
Athenae worden gewoonlijk Korai genoemd.

Carystus, Karystos, stad der Dryopes in het Z. van Euboea, beroemd
door haar voortreffelijken wijn en door eene groene marmersoort.

Casca, familie in de gens Servilia. Z. Servilii no. 22.

Cascellius (A.), uitstekend jurist in den eersten tijd van Augustus'
regeering en voorstander der republiek.

Casilinum, stad van Campania op beide oevers van den Volturnus gelegen,
verdedigde zich met heldenmoed tegen Hannibal, totdat de honger zóó
nijpend werd, dat de verdedigers zelfs het leder hunner schilden als
voedsel trachtten te gebruiken. Eindelijk (215) viel het Hannibal in
handen. Later rom. kolonie.

Casinum, volscische stad in Latium, aan de via Latina; op den berg
daarboven ligt het beroemde klooster Monte Cassino.

Casiotis, Kasiotis, streek tusschen Arabia en Aegyptus, nabij Pelusium,
met het graf van Pompeius.

Casius, Kasion oros, 1) berg in Casiotis.--2) gebergte aan de kust
van Syria, ten Z. van Antiochia.

Casmena, Kasmene, stad op Sicilia, kolonie van Syracusae, ligging
onzeker.

Casperia, oud stadje der Sabijnen.

Caspiae portae, Kaspiai pylai, bergpas ten Z. der Caspische zee, ten
O. der stad Rhagae, in het N. van Media. De pas, die 8000 schreden lang
en niet breed was, was door de Perzen met ijzeren poorten gesloten en
werd door wachtposten bewaakt. Deze pas was van groot belang, omdat
de verbindingsweg tusschen het N.W. en het N.O. van het perzische
rijk er door liep.

Caspii, Kaspioi, volksstam aan de Westkust der Caspische zee, ten
N. van den Cyrus. Ook meer in het algemeen de kustbewoners dezer zee.

Caspii montes, Kaspia ore, een deel van den Caucasus, tusschen Colchis
en de Caspische zee.

Caspium mare, he Kaspia thalatta, de Caspische zee. Het zuidelijk
deel heet Hyrcanum mare. Omtrent de ware ligging en de grootte dezer
zee heerschten bij de ouden zeer uiteenloopende meeningen. Enkelen
hielden haar zelfs voor een golf van den Oceaan.

Cassander, Kassandros, oudste zoon van Antipater, geb. omstreeks
350. Kort voor den dood van Alexander werd hij door zijn vader naar
Azië gezonden, waar hij tot 319 bleef; toen keerde hij naar Europa
terug om zich van het regentschap meester te maken, dat Antipater bij
zijn sterven aan den ouden Polyperchon had opgedragen. Door de hulp
van Ptolemaeus en Antigonus gelukte het hem vasten voet in Griekenland
te krijgen; daarop deed hij een inval in Macedonië, wist het leger van
Polyperchon afvallig te maken, liet Olympias, die met dezen verbonden
was, dooden, hield Roxane met haar zoontje gevangen en huwde met
Thessalonice, de zuster van Alexander. Na dien tijd voerde hij, met
Ptolemaeus e. a. veldheeren van Alexander verbonden, bijna voortdurend
oorlog tegen Antigonus, die hem belette zich van Griekenland meester
te maken; hij had in dien oorlog echter weinig geluk en werd zelfs
in Macedonië door Demetrius aangevallen, totdat de slag bij Ipsus
(301) hem van dezen lastigen vijand bevrijdde. De vrouw en kinderen
van Alexander had hij reeds vroeger laten vermoorden, en toen hem nu
bij de nieuwe verdeeling der provinciën Macedonië toegewezen werd,
kon hij zich tot aan zijn dood (296) ongestoord in het bezit ervan
handhaven. In 306 had hij in navolging van Antigonus den titel van
koning aangenomen.

Cassandra, Kassandra, of Alexandra, de schoonste van Priamus'
dochters. Apollo verleende haar uit liefde het vermogen de toekomst
te voorspellen, maar daar zijne liefde onbeantwoord bleef, wreekte hij
zich door te veroorzaken, dat men haar algemeen voor krankzinnig hield
en niemand hare voorspellingen geloofde. Bij de verovering van Troje
zocht zij bescherming in den tempel van Athena, maar Aiax, de zoon
van Oileus, die haar daar vond, onteerde en mishandelde haar. Bij de
verdeeling van den buit werd zij aan Agamemnon toegewezen, die haar
naar Mycenae medenam; na zijn dood werd zij met hare beide kinderen
ook vermoord. Cass. had te Leuctra in Laconica een tempel, haar graf
was te Mycenae of te Amyclae.

Cassandrea, Kassandreia, het vroegere Potidaea, door Philippus van
Macedonia verwoest, door Cassander herbouwd.

Cassia (lex) agraria, van den consul Sp. Cassius Viscellinus, 468,
zie Agrariae leges.

Cassia (lex) de senatu, van den volkstribuun L. Cassius Longinus,
104, dat zij, die door het volk veroordeeld of van hun imperium ontzet
waren, geen zitting mochten hebben in den senaat.

Cassia (lex) tabellaria, van den volkstribuun L. Cassius Longinus,
137. Door deze wet werd de geheime stemming ingevoerd bij de iudicia
populi, behalve in zaken van perduellio. Zie Tabellariae leges.

Cassia Terentia (lex) frumentaria van de consuls C. Cassius Longinus
(Cassii no. 7) en M. Terentius Varro Lucullus, 73, tot herstel der
korenuitdeelingen, die door Sulla waren opgeheven. Zie annona.

Cassia (via), van Rome over Clusium en Arretium naar Florentia. Van
hier gaat een andere weg over de Apennijnen naar Bononia.

Cassii, 1) Sp. Cassius Viscellinus, voor zoover bekend de éénige
patriciër onder de Cassii, was in 502 consul en hield als zoodanig
een triumftocht over de Sabijnen. In 501 (v.a. 498) was hij magister
equitum onder den eersten dictator, T. Larcius Flavus. Toen hij in
493 ten tweeden male consul was, hielp hij, volgens de traditie, de
verzoening tot stand brengen tusschen de patriciërs en de uitgeweken
plebejers. Hij heeft in dat jaar ook den tempel van Ceres, Liber
en Libera in Aventino (z. Ceres) gewijd. Hij heeft toen ook het
bondsverdrag met de Latijnen tot stand gebracht. In 486 was hij
ten derden male consul en stelde toen de lex Cassia agraria voor,
volgens welke de tot ager publicus gemaakte grond der Hernici zou
verdeeld worden onder de behoeftige plebejers en de latijnsche
bondgenooten. Deze laatste bijvoeging ontstemde de plebs, en het
viel den adel niet moeielijk, Cassius verdacht te maken van naar
het koningschap te streven; hij werd ter dood veroordeeld en van de
Tarpejische rots geworpen, of volgens eene andere overlevering door
zijn eigen vader ter dood gebracht. Het verhaal omtrent de akkerwet
is onhistorisch, en is afkomstig uit den tijd na C. Gracchus
(123-121) en M. Drusus (91). Vast staat alleen het feit, dat
Cassius wegens het streven naar de heerschappij ter dood gebracht,
en zijn huis afgebroken werd. De latere plebejische Cassii zijn als
cliënten te beschouwen van de vroegere patricische gens Cassia.--2)
Q. Cassius Longinus bracht als praetor in 167 koning Perseus als
gevangene naar de bergvesting Alba Fucentia. Hij stierf als consul
in 164.--3) L. Cassius Longinus, kleinzoon van no. 2, bracht in 111
als praetor koning Jugurtha onder vrijgeleide naar Rome als getuige
in zake de gepleegde omkoopingen. Als consul sneuvelde hij in 107
in Aquitanië tegen de Cimbren en de Helvetiërs (de Tigurini).--4)
L. Cassius Longinus Ravilla (= grijsoog), volkstribuun in 137,
was de vader der lex Cassia tabellaria. Hij was censor in 125. Als
rechter was hij zeer gevreesd, en bekend om zijn: "Cui bono?"--5)
L. Cassius Longinus, zoon van no. 4, kenmerkte zich als tegenstander
der optimaten en bracht o. a. in 104 als volkstribuun de lex Cassia
de senatu tot stand.--6) C. Cassius Longinus was consul in 171 en
censor in 155/4, en wilde een vast theater bouwen; doch P. Scipio
Nasica, die in 155 consul was, belette dit, en een senaatsbesluit
van 154 verbood zelfs, de tooneelstukken anders dan staande te
aanschouwen.--7) C. Cassius Longinus, consul in 73, hernieuwde de door
Sulla gestaakte korenuitdeelingen (lex Cassia Terentia frumentaria). In
den zwaardvechtersoorlog werd hij in 72 door Spartacus verslagen.--8)
C. Cassius Longinus  was quaestor van Crassus, toen deze in 53 tegen
de Parthen omkwam, en redde door zijn beleid het overschot van het
leger. Hij verdedigde Syria tegen de Parthen en bracht hun in 51 eene
groote nederlaag toe. In den strijd tusschen Caesar en Pompeius koos
hij de partij van den laatsten en versloeg zelfs Caesars vloot bij
Sicilia; doch na den slag bij Pharsalus verzoende hij zich met Caesar,
die hem tot zijn legaat aanstelde, zonder hem echter een commando te
geven, en hem in 44 de praetuur verschafte. Niettemin stelde Cassius
zich met M. Junius Brutus aan het hoofd der samenzwering, die aan
Caesar het leven kostte. Uit de briefwisseling tusschen Cicero en
Cassius maakt men op, dat Cicero op de stemming van Cassius, en dus
indirekt ook op het moordplan invloed heeft geoefend. Hierop vertrok
hij naar de provincie Syria, hem door Caesar voor het volgende jaar
toegezegd, verdreef den stadhouder Dolabella, aan wien de senaat
Syria had toegewezen, nam bloedige wraak op de aanhangers van Caesar
in Asia en trok, met Brutus vereenigd, naar Macedonia, waar beiden,
na de nederlaag van Philippi (herfst van 42), zich om het leven lieten
brengen. Juist zijn samengaan met den onbeduidenden Brutus schijnt zijn
verderf geworden te zijn. Zie Junii no. 9.--9) Q. Cassius Longinus,
berucht door zijne afpersingen in Hispania als legaat van Pompeius
(54), was een der beide volkstribunen (de andere was Antonius),
die 7 Jan. 49 uit Rome naar Caesar vluchtten. Caesar nam hem mede
naar Hispania en liet hem daar achter als propraetor van H. ulterior,
waar echter zijne willekeur een oproer onder het leger verwekte. Toen
hij nu met zijne geroofde schatten naar Italië wilde oversteken, leed
hij aan den mond van den Iberus schipbreuk en kwam om (begin 47). Hij
heeft door zijn optreden Caesar's zaak zeer benadeeld, en den grond
gelegd voor den opstand der Pompeiani, die in den slag bij Munda
onderdrukt werd (45).--10) L. Cassius Longinus, broeder van no. 8,
was legatus van Caesar in den oorlog tegen Pompeius, doch als broeder
van den moordenaar van Caesar was hij bij Antonius verdacht. Deze
belette hem dus het bezoek van de senaatszitting van 28 Nov. 44,
waarin A. tegen Octavianus wilde optreden. Hij ging in 43 naar Azië,
maar nam geen deel aan den oorlog, zoodat A. hem in 41 toestond in het
vaderland terug te keeren.--11) L. Cassius Longinus, zoon van no. 10,
sneuvelde bij Philippi in het leger van zijn oom.--12) L. Cassius
Longinus, Cicero's mededinger naar het consulaat en deelgenoot van
Catilina's samenzwering.--13) C. Cassius Parmensis (van Parma), een der
deelnemers aan Caesars moord, vervolgens legaat van no. 8, vereenigde
zich na den slag bij Philippi met Sex. Pompeius, ging na diens dood tot
Antonius over en werd na den slag bij Actium op last van Octavianus ter
dood gebracht. Hij schreef treurspelen en epigrammen.--14) C. Cassius
Longinus, proconsul van Asia 40-41 n. C., stadhouder van Syria onder
keizer Claudius tusschen 44 en 49, werd in 65 door Nero verbannen,
omdat hij in zijn huis de beeltenis van no. 8 had. Vespasianus riep
hem terug. Hij had grooten naam als rechtsgeleerde.--15) C. Cassius
Chaerea, krijgstribuun bij de praetorianen onder Caligula en door
dezen beleedigd, was het hoofd der saamgezworenen, die in 41 na
C. den keizer om het leven brachten. De nieuwe keizer Claudius
liet Chaerea terstond ter dood brengen.--16) L. Cassius Hemina,
annalenschrijver omstreeks 150, schreef, naar het voorbeeld van Cato,
in het Latijn.--17) T. Cassius Severus, redenaar van grooten naam
onder de eerste twee keizers.--18) Cassius Avidius of Avidius Cassius,
waarschijnlijk uit Syria afkomstig, streed onder Marcus Aurelius en
L. Verus met veel beleid en geluk tegen de Parthen en elders. Hij
veroverde in 163 n. C. Edessa, en joeg de Parthen over den Tigris
terug, en zuidelijk trekkende veroverde en verwoestte hij Seleucia
en Ctesiphon (164), maar moest later, door honger en pest gedwongen,
terugkeeren. In 175 wierp hij zich zelf tot keizer op, doch werd
drie maanden later door een zijner onderbevelhebbers vermoord.--19)
Cassius Dio, geschiedschrijver, zie Dio Cassius.

Cassiope, -opea, -epea, Kassiepeia, -opeia, -ope, 1) moeder van
Andromeda (z.a.). Zij werd met haar echtgenoot en dochter onder de
sterren opgenomen.--2) stad en kaap aan de N. O. punt van Corcyra.

Cassis, 1) oorspronkelijk de helm van metaal in tegenstelling van
den lederen helm, galea. Later evenwel werd de naam galea voor alle
soorten van helmen gebezigd. Nevenvorm is cassida.--2) een jachtnet.

Cassiterides insulae, Kassiterides nesoi, de Scilly-eilanden
ten Z. W. van Britannia. Hierheen brachten de inboorlingen van
Cornwallis in met leer overtrokken booten het engelsche tin en lood,
dat ze tegen aarde- en koperwerk en zout vooral aan de inwoners van
Tartessus verkochten.

Cassivelaunus, aanvoerder der Britten tijdens de tweede landing van
Caesar in Britannia.

Cassotis, Kassotis, bron in den delphischen tempel, zie Delphi. Ook
de nimf van die bron.

Castalia, Kastalia, bron op den Parnassus, aan Apollo en de Muzen
gewijd; wie van het water uit deze bron dronk, werd met dichterlijke
geestdrift vervuld; ook werd het voor reinigingen, enz. in den
delphischen tempel gebruikt.--Den naam Castalia had deze bron naar
eene nimf, die er in gesprongen was, daar zij de liefde van Apollo
niet beantwoordde en aan zijne vervolgingen niet konde ontkomen.

Castalides, Kastalides, de Muzen, zoo genoemd naar de bron Castalia.

Castellum, fort of kleine vesting. In den keizertijd zijn het de
kleine wachtposten aan de grenzen, waarover sedert de 3de eeuw
de grenssoldaten (de latere milites limitanei) verdeeld werden. Zie
verder vicus no. 3. Castellum aquae, reservoir bij eene waterleiding,
dikwijls een sierlijk gebouwde en met beeldwerk en zuilen versierde
soort van watertoren, vanwaar het water dan naar verschillende
fonteinen en gebouwen werd geleid.

Castolus, Kastolos, vermoedelijk eene stad in Lydia, in de nabijheid
van Sardes, met eene vlakte, die tot verzamelplaats der troepen diende.

Castor, Kastor, 1) z. Dioscuri.--2) schoonzoon van Deiotarus, schreef
een vervolg op de Chronika van Apollodorus (no. 1), dat tot het jaar
61 liep.

Castra. Als regel gold bij de Romeinen, dat een leger in den oorlog
des nachts altijd door een wal en een droge gracht moest beschermd
zijn. Wanneer voor de legerplaats eene geschikte plaats was uitgekozen,
werd door een metator het kamp met vaantjes uitgebakend en hierop
togen de soldaten aan den arbeid, om eene gracht te graven, waarvan de
aarde naar binnen werd opgeworpen tot een wal. Volgens de beschrijving,
die wij ervan hebben, bood een kamp in de dagen der republiek plaats
aan voor twee legioenen met de daarbij behoorende socii. Het vormde
een vierkant, zooals de teekening op de vorige pagina te aanschouwen
geeft. De wal had vier poorten: 1 porta praetoria, waardoor het
leger uittrok, in de naar den vijand toegekeerde zijde, 2 porta
decumana aan de achterzijde der legerplaats, 3 porta principalis
sinistra, 4 porta principalis dextra. De weg a a, die deze beide
uitgangen verbond, heette via principalis, waarschijnlijk omdat
ze liep langs het principium, het achterste gedeelte van het kamp,
waar het praetorium enz. stond, terwijl de weg b b, die achter de
vijfde manipels heen liep, den naam van via quintana droeg. Dit
wordt duidelijker door bijgaande schets, waarin een gedeelte der
legerplaats grooter is voorgesteld, en waarin tevens de rangschikking
der verschillende wapens is aangegeven. Van het praetorium (P), het
kwartier van den veldheer, liep de via decumana of praetoria (c c)
naar de porta praetoria. Naast het praetorium had men aan de eene
zijde het quaestorium (Q) met de tent van den quaestor en, voorzoover
noodig, de bergplaatsen van proviand enz., en aan den anderen kant het
forum (F). Om het praetorium, quaestorium en forum heen stonden de
tenten van de tribuni militum en de praefecti sociorum (5), die der
uitgelezen infanterie (6) en cavalerie (7) en vrijwilligers, evocati
et selecti pedites et equites, en de keurbenden, onder den naam van
extraordinarii pedites et equites uit de contingenten der bondgenooten
uitgekozen (8), alsmede de auxilia van vreemde volken, wanneer deze
aanwezig waren. Binnen den wal bleef een weg open van 200 voet breedte
(intervallum) ten einde den vijand te beletten, door het werpen van
brandbare stoffen het kamp in brand te steken. De wal was dikwijls
met palissaden voorzien. In de winterkwartieren, hiberna (sc. castra)
werden de tenten door houten barakken vervangen.--Het legerkamp van den
keizerstijd was bestemd voor drie legioenen met de daarbij behoorende
auxilia en de keizerlijke garde (cohortes praetoriae). Het praetorium
bevindt zich nu in het midden van het kamp, met het front naar de
via principalis, die nu dichter bij de porta praetoria ligt. De
via quintana loopt nu achter het praetorium, evenwijdig met de
via principalis. Rechts en links van de veldheerstent, op de latera
praetorii, kampeeren de staf en de staftroepen (cohortes praetoriae);
het voorgedeelte van het kamp, door de via praetoria in tweeën gedeeld,
heet praetentura, het achtergedeelte retentura.

Castra, naam van onderscheidene plaatsen, die uit legerkampen zijn
ontstaan, doordat zich in de nabijheid van het vaste kamp eene
stad of een dorp vormde. Castra Cornelia (Corneliana) in het oude
carthaagsche gebied, de landingsplaats van Scipio Africanus maior,
waar hij in den winter van 204-203 zijn kamp had, nabij Utica. Castra
Batava, aan de samenvloeiing van den Danubius en den Aenus (Inn),
thans Passau. Castra Hannibalis, stad in het land der Bruttii
aan de O.-kust, nabij Scyllaceum. Castra Herculis, in de Betuwe,
Kesteren. Castra Pyrrhi, aan den Aous, in het landschap Triphylia, in
het N. van Epirus. Castra Regina, in Raetia, tgw. Regensburg. Castra
Vetera, in Belgica, nabij den Rijn; de naam leeft voort in den naam
van het dorp Birten tegenover Wesel. Uit de nederzetting bij Castra
Vetera (de Canabae z. a.) ontstond een stad, die door Traianus onder
de koloniën werd opgenomen, Col. Ulpia Traiana, hoofdplaats van
het land der Cugerni, die daarnaar vaak Traianenses heeten. In de
4de eeuw n. C. heet de plaats Tricesima of Tricesimae, tegenwoordig
Xanten a/Rhein. De uitgangen -cester, -chester bij vele plaatsen in
Engeland zijn verbasteringen van castra of van castrum.

Castra praetoria, vaste legerplaats der praetoriaansche garde, in
23 n. C., onder de regeering van Tiberius, buiten de porta Viminalis
gebouwd door den praefectus praetorio Aelius Seianus.

Castrum, sterkte, kasteel. Zie vicus no. 3. Ook een aantal steden
droegen dezen naam. Castrum Inui, zie Inui castrum. Castrum novum,
naam van twee rom. koloniën, de eene op de kust van Etruria, tusschen
Centumcellae en Pyrgi, de andere op die van Picenum, in het land der
Praetutii. Castrum Verginum (Bergium), in het land der Bergistani
(z. a.).

Castulo, Kastalon, bloeiende stad der Oretani in Hispania, aan
den bovenloop van den Baetis (Guadalquivir). In den omtrek waren
zilvermijnen. De saltus Castulonensis maakte een deel uit der
tegenw. Sierra Morena.

Casystes, Kasystes, haven van Erythrae in Ionia.

Catabathmus, Katabathmos, bergstreek en dal aan de kust van Afrika,
de grens vormende tusschen Cyrenaïca en Aegyptus.

Catabothra, ta Katabothra, onderaardsche afwateringskanalen van
een meer, zooals bij het meer Copaïs in Boeotia, waar men bij lagen
waterstand zich zelfs een eind ver in de afvoerwegen kon begeven.

Catadromus, katadromos, schuin gespannen koord, waarlangs koorddansers
op- en afliepen.

Catadupa, ta Katadoupa, de watervallen van den Nijl aan de aethiopische
grenzen.

Catagogia, Katagogia, feest ter eere van Aphrodite op den berg Eryx
gevierd, wanneer de godin met hare gewijde duiven van haar jaarlijksche
reis naar Libye terugkeerde. Vgl. anagogia.

Catalauni, thans Châlons-sur-Marne, in Gallia, bekend door de nederlaag
van Attila in 451 na C.

Catamitus = Ganymedes.

Catana, Katane, thans Catania, kolonie van Chalcis, omstreeks 725
aan den voet van den Aetna gesticht. Door de vruchtbaarheid van den
bodem steeg de stad spoedig tot een hoogen trap van bloei, totdat
Hiero van Syracuse ze in 476 veroverde en de bewoners naar Leontini
overbracht, terwijl hij daarentegen Catana weder bevolkte met 5000
Syracusanen en 5000 Peloponnesiërs, en den naam der stad in Aetna
veranderde. Na Hiero's dood (461) hernamen de Cataniërs hunne stad; de
door hen verjaagde bewoners verhuisden naar Inessa, dat voortaan Aetna
heet. De Cataniërs moesten echter opnieuw zwichten voor Dionysius (403)
en later nogmaals voor Agathocles. In den eersten punischen oorlog
viel de stad in handen der Rom. Sedert Augustus, die er kolonisten
heenvoerde, is het naast Messana de belangrijkste stad van Sicilië.

Cataonia, Kataonia, Z.O. gedeelte van Cappadocia, met verscheidene
bergvestingen, zeer vruchtbaar.

Cataphractus, kataphraktos, ruiter, wiens lichaam en paard met een
schubbenpantser bedekt waren.

Catapulta, katapeltes, soort van geschut waarmede men zware werpspiezen
en steenen slingerde.

Catarractes of -ta, Katarraktes, ook met één r geschreven, rivier in
Pamphylia, die met donderend geraas zich boven van de rotsen in zee
stort. Ook wordt het woord gebezigd van watervallen in een stroom,
vooral van de watervallen in den Nijl. Het woord kan ook een stuw in
een rivier of een valdeur in eene vestingpoort beteekenen.

Catasta, verbastering van katastasis, schavot of planken verhevenheid
tot tepronkstelling van misdadigers of tentoonstelling van slaven
ten verkoop.

Cateia, een lange, dunne keltische werpspies, waaraan een riem
bevestigd was, waarmede men de spies na den worp weer naar zich toe
kon trekken.

Catervarii, zwaardvechters, die niet twee aan twee, maar bij
afdeelingen tegen elkander streden.

Cathaei, Kathaioi, indisch volk, waartegen Alexander de Groote streed,
ten O. van den Acesines.

Catharsius, Katharsios, de reinigende, bijnaam van Zeus.

Cathedra, kathedra, stoel met rugleuning, doch zonder armleuningen,
voornamelijk in gebruik bij de vrouwen en bij de leeraars in
philosophie, rhetorica en dgl. Vandaar ons woord katheder.

Catilina, familienaam in de gens Sergia. Zie Sergii no. 5.

Catilius Severus (L.), staatsman onder keizer Hadrianus, viel in
ongenade, omdat hij zich tegen de adoptio van Antoninus Pius verklaarde
(138 n. C.). Hij was toen praefectus urbi.

Catillum of -lus, soort van korenmolen. Het graan werd bovenin gestort
en viel dan tusschen het binnenste en den mantel. Door nu den mantel
rond te draaien, wreef men de korrels fijn tot meel.

Catil(l)us, zie Tiburtus.

Catina = Catana.

Catius, een Insubriër uit Ticinum, epicureïsch wijsgeer uit Cicero's
tijd.

Cato, familienaam in de gens Porcia. Zie ook Valerii no. 37.

Catreus, Creteus, Katreus, Kreteus, zoon van Minos en Pasiphaë,
vader van Althaemenes (z.a.), Aërope, Clymene en Apemosyne.

Catti of Chatti, Chattoi, germaansche stam, Hatten of Hessen, tot
de groep der Herminonen behoorende. Hunne hoofdstad was Mattium. Zij
wisten tegen de Romeinen hunne vrijheid te handhaven en wonnen zeer
in macht na den val der Cheruscers. Een afdeeling van hen vormden de
aan de Romeinen onderworpen Mattiaci (z. a.).

Catullus, rom. dichter. Zie Valerii no. 38.

Catulus, familienaam in de gens Lutatia.

Caturiges, volk in Narbonensis in het bovendal van de Druentia
(Durance). Hoofdst. Eburodunum, thans Embrun.

Caucasa, ta Kaukasa, stad in het Z. van Chius.

Caucasus, Kaukasos, thans het kaukasisch gebergte, bij de ouden
slechts zeer onvolkomen bekend. De Caucasiae portae, Kaukasiai pylai,
waren een bergpas tusschen ontzaggelijke rotsen, door eene onneembare
vesting gedekt. Het is waarschijnlijk dezelfde pas als de Sarmaticae
portae (z.a.). De mythe laat hier, op bevel van Zeus, Prometheus
door Hephaestus aan een rots vastklinken, daar bij de oudste Grieken
de Caucasus voor een van de eindpalen der wereld gold. Zijn toppen
reikten tot aan den hemel.

Caucasus Indicus, thans Hindoe-koh, uit den latijnschen of griekschen
naam verbasterd. Door een misverstand gaf het leger van Alexander
dezen naam aan den Paropanisus.

Cauchi = Chauci.

Caucones, Kaukones, oud pelasgisch volk, later verdwenen,
in Griekenland (Triphylia en Elis) en Klein-Azië (Bithynië). De
aziatische komen bij Homerus als bondgenooten der Trojanen voor.

Caudex = Codex.

Caudicaria navis, platboomd vaartuig, zolderschuit, lichter, uit ruwe
planken getimmerd, die o. a. gebezigd werden om koren van Ostia naar
Rome te vervoeren.

Caudium, oude stad in Samnium aan de via Appia nova. In de nabijheid,
tusschen Calatia en Caudium, lag de bergpas, furculae Caudinae, waar
in 321 de consuls T. Veturius Calvinus en Sp. Postumius Albinus door
de Samnieten werden ingesloten.

Caulon of Caulonia, Kaulonia, stad aan de Oostkust van het land der
Bruttii gelegen, zuidelijkste der achaeische koloniën, òf van uit
het moederland, òf door Croton gekoloniseerd. Het was reeds vroeg
een bloeiende stad en één van de steunpunten der Pythagoreërs. In
389 werd het door Dionysius den Grooten gesloopt, en de bewoners naar
Syracusae overgebracht. Weldra werd het weer opgebouwd, en later in den
oorlog met Pyrrhus door campaansche troepen ingenomen. De stad is vroeg
vervallen. De meening van sommige grieksche geleerden, dat het oudtijds
Aulon of Aulonia geheeten heeft, wordt door de munten weerlegd.

Caunus, Kaunos, ongezond gelegen stad in het Z. van Caria,
geboorteplaats van den schilder Protogenes (± 315). De stad dreef
grooten handel in gedroogde vijgen, cauneae.

Caupona, kapeleion. In de steden en langs de groote wegen vond men
oudtijds wel herbergen en logementen, ook deversoria genoemd, doch
deze waren meestal slecht en vuil, dikwijls vol ongedierte, en voor
lieden van aanzien niet geschikt. Tegen het einde van de republiek
werden ze echter ook door rijkere menschen bezocht. Ook wordt caupona
gebruikt voor herbergen en kroegen, waar men wijn en dranken en soms
ook eetwaren verkocht; in dat geval heeten ze vaak popinae.

Caurus = Corus.

Causia, kausia, breedgerande hoed van macedonischen oorsprong.

Cautio, elke handeling, hetzij borgstelling, pandgeving,
schuldbekentenis, kwitantie of belofte, waardoor men iemand een
waarborg geeft tegen mogelijke schade. Cautio de dolo, de gewaarborgde
verzekering dat men geen kwaad in den zin heeft.

Cayster of -trus, Kaystros, rivier van Klein-Azië, die voorbij
Ephesus in de Aegaeische zee valt, en beroemd was door de talrijke
zwanenvluchten, die er zich ophielden.

Cavari (Cavares), volksstam in Gallia Narbonensis, aan den linkeroever
van de Rhône, tusschen de Druentia (Durance) en Isara (Isère).

Cavarinus, senonisch Galliër, door Caesar tot koning over de Senones
aangesteld, maar door zijne landslieden weder verdreven (54).

Cavaedium, cavum aedium, het holle van het huis, nl. de binnenplaats
van een rom. heerenhuis, waarop verschillende vertrekken uitkwamen. Met
de toeneming der weelde evenwel werd het cavaedium allengs herschapen
in eene binnenzaal op de wijze van het atrium, met dakopening en
regenvanger, maar ruimer dan het atrium, en in het midden met bloemen
en beelden versierd.

Cavea, in het algemeen een kooi (kevie), traliewerk, afrastering,
meer in het bizonder de ruimte, die in amphitheater, circus of theater
voor de toeschouwers was bestemd. Zij was in drie rangen verdeeld:
ima, media en summa cavea. Zie ook balteus.

Cea, latijnsche naam voor het eiland Ceos.

Ceadas, Keadas, Kaiadas, een afgrond te Sparta, waarin misdadigers
(later hunne lijken) geworpen werden.

Cebenna mons, to Kemmenon oros, het woeste gebergte der Cévennes,
in Gallia.

Cebes, Kebes, van Thebe, leerling van Socrates. Denzelfden naam
draagt de schrijver van een wijsgeerig gesprek, Pinax, bevattende een
allegorisch tafereel van het menschelijk leven, dat uit de 1ste eeuw
na C. dateert.

Cebren, Kebren, riviertje en stad in Troas aan den Ida, tusschen
Scepsis en Neandria.

Cebrenis, Kebrenis, Oenone, dochter van den riviergod Cebren.

Cebriones, Kebriones, zoon van Priamus en eene slavin, wagenmenner
van Hector, viel door de hand van Patroclus.

Cecides, Kekeides, van Hermione, dithyrambendichter uit de eerste
helft van de vijfde eeuw.

Cecropia, Kekropia, oude naam der acropolis van Athenae, bij dichters
ook de stad zelve.

Cecropides, Kekropides, Theseus, afstammeling van Cecrops. Ook in
het algemeen, vooral in het meervoud, = Athener.

Cecropis, Kekropis, 1) Agraulus, de dochter, en Procne en Philomela,
de kleindochters van Cecrops.--2) = Attica.--3) een van de 10 phylae,
waarin de bevolking van Attica door Clisthenes verdeeld werd.

Cecrops, Kekrops, een attisch autochthoon of pelasgisch koning van
Attica, stichter der atheensche acropolis, die, evenals het geheele
land, naar hem Cecropia genoemd wordt. Hij verdeelde het volk in twaalf
gemeenten, en was de grondlegger van beschaving en zachtere zeden door
het afschaffen van menschenoffers, het instellen van verschillende
godsdienstplechtigheden, enz. In den wedstrijd tusschen Poseidon en
Athena (z. a.) werd hij v. s. tot rechter verkozen. Hij was de vader
van Erisychthon, Agraulus, Herse en Pandrosus. Als mythisch wezen
wordt hij soms voorgesteld als half mensch, half draak (geminus,
diphyes), lateren daarentegen maakten van hem een Aegyptenaar, die
uit Sais eene volkplanting naar Attica gebracht zou hebben.

Cecryphalea, Kekryphaleia, eilandje in de Saronische golf, tot
Argolis behoorende.

Cedalio, Kedalion, dienaar van Hephaestus.

Cedides, Kedeides = Cecides.

Cedreae, Kedreai, of Kedreiai, stad in Caria aan de Ceramische golf.

Cedrus, kedros, 1) de cederboom.--2) de olie of harst, die uit
cederhout werd getrokken door het bij het vuur te leggen. Met deze
cederolie wreef men de buitenbladen der boekrollen in, om ze te
vrijwaren tegen mot.

Celaenae, Kelainai, bloeiende stad in het Z. van Groot Phrygia,
aan de bronnen van den Maeander en den Marsyas. In Xenophons tijd
was er een paleis van den perzischen koning, een van den satraap en
een jachtpark. Hier behoort de mythe van Marsyas te huis.

Celaeno, Kelaino, eene van de Harpyiën.

Celeia, aanzienlijke rom. kolonie in Noricum, tusschen den Dravus
(Drau) en den Savus (Sau).

Celelates, ligurisch volk ten Z. van den Padus (Po).

Celeres, oudste naam der ruiterij bij het rom. leger, volgens het
verhaal ten getale van 300 door Romulus ingesteld. Ze werden aangevoerd
door 3 tribuni celerum. Z. verder equites.

Celetrum, Keletron, stad in het macedonische landschap Orestis.

Celeüs, Keleos, koning van Eleusis, die Demeter gastvrij ontving toen
zij hare dochter daar kwam zoeken; hij was haar eerste priester te
Eleusis en genoot zelf na zijn dood goddelijke eer. Hij was de vader
van Demophon en Triptolemus.

Cella. Onder dezen naam verstaat men vooreerst allerlei soorten van
kelders en bergplaatsen (cella frumentaria, olearia, vinaria). In de
tweede plaats zijn cellae kleine, meest gewelfde, kamertjes of cellen,
die tot slaapvertrekjes dienden voor de slaven, in herbergen ook voor
reizigers, enz.; zij hadden geen andere opening dan den ingang. Ten
derde komen de badkamers in de huizen enkele malen onder den naam cella
voor, b.v. cella caldaria = caldarium, enz. Ten vierde is cella het
inwendige van een tempel, het tempelruim, waar het beeld der godheid
stond.--Onder frumentum in cellam verstaat men het koren, dat de
stadhouder voor zich en zijn gevolg noodig had en dat de landbouwers
hem tegen een vastgestelden prijs in magazijn moesten leveren.

Celox, keles, keletion, snelvarend schip met eene sterke bemanning
roeiers en daarom ook zeer geschikt voor zeeroof.

Celsus, 1) Celsus Albinovanus, lierdichter en vriend van Horatius.--2)
A. Cornelius Celsus, geneesheer onder de eerste keizers, was de
schrijver van eene encyclopaedie de artibus in 20 boeken, waarvan
nog 8 de medicina bestaan.--3) P. Iuventius Celsus, vader en zoon,
waren beroemde rechtsgeleerden onder Vespasianus en Hadrianus.--4)
Celsus, schrijver van den alethes logos (± 180 n. C.) de eerste,
zeer belangrijke, bestrijding in het Grieksch van het Christendom. De
tekst is grootendeels bewaard gebleven door het geschrift van Origenes,
waarin hij Celsus wederlegt (248 n. C.).

Celtae, Keltoi, machtige volksstam, die in ouden tijd het grootste
gedeelte van Midden-Europa bewoonde. Vooral woonden zij onder den naam
van Galli, Galatai, in Gallia. De Kelten of Galliërs schijnen echter
zeer treklustig geweest te zijn; er worden verscheidene zwerftochten
van hen vermeld. Men vond er in Hispania, in Britannia, in Cisalpina,
in Macedonia, in Asia (waar zij genoodzaakt werden in het naar hen
genoemde landschap Galatia vaste woonplaatsen te kiezen). De groote
volksverhuizing drong hen naar de kuststreken. Zij waren forsche en
gespierde menschen, blond of rossig van haar. De tegenw. bevolking van
Wales, de Hooglanden van Schotland, Ierland, Bretagne en de baskische
gewesten is nog grootendeels van keltischen oorsprong. Bij grieksche
schrijvers staat Keltoi vaak voor Germani, tegenover Galatai = Galli.

Celtiberi, Keltiberes, dapper en vrijheidslievend volk, half van
keltischen, half van iberischen stam, in Hispania, op de waterscheiding
tusschen den Oceaan en de Middellandsche zee. Eerst steunden zij de
Romeinen in den strijd tegen de Carthagers; vervolgens verweerden
zij zich dapper tegen Rome, tot met den dood van Sertorius in 72
hunne kracht gebroken was. Numantia (bellum Numantinum 143-133)
was een hunner steden.

Cena, zie Coena.

Cenabum of Genabum, het tgw. Orléans, z. Aureliani civitas.

Cenaculum, de bovenverdieping van het huis, oorspronkelijk voor den
maaltijd gebruikt, zie Coena.

Cenaeum, Kenaion akron, kaap op Euboea tegenover de Thermopylae,
met een tempel van Zeus.

Cenchreae, Kenchreai, een der drie havens van Corinthus, aan de
Saronische golf.

Cenomani, Kenomanoi, keltische volksstam, die zich in de vijfde eeuw
in Cisalpina vestigde in de omstreken van Mantua en Verona. Een ander
gedeelte van den stam woonde in Gallia Lugdunensis, ten Noorden van
de Loire, zie Aulerci.

Cenotaphium, Kenotaphion, ook wel tumulus honorarius of inanis,
grafheuvel of graftombe zonder lijk, ter eere van iemand, wiens lijk
men niet had kunnen vinden of die elders was begraven.

Censor. Vóór 445 werd de census te Rome door de consuls gehouden,
waarbij dan het lot besliste, wie van beiden na afloop daarvan het
plechtige reinigingsoffer of lustrum houden zou. Toen nu evenwel
in 445 ten gevolge van het canuleïsche wetsontwerp (zie Canuleia
(lex)) besloten werd, aan den drang der plebejers om aandeel in
het consulaat tijdelijk te gemoet te komen door de verkiezing van
tribuni militum consulari potestate, zonder onderscheid van stand
promiscue e patribus et plebe, wierpen de patriciërs het bezwaar op,
dat wellicht het lot een plebejer tot het houden van het lustrum
zou aanwijzen, en wisten hierdoor de instelling van een nieuw
patricisch ambt, dat der censoren, te verkrijgen. Waarschijnlijker
is het dat de instelling der censuur noodzakelijk was geworden
wegens de steeds vermeerderende ambtsbezigheden der consuls, die
dit werk in één jaar niet konden voltooien, en dus het lustrum
condere aan hun opvolgers moesten overlaten. Misschien ook is de
censuur eerst toen ingesteld, en dateert de klassenindeeling van
Servius Tullius eerst van dezen tijd. De eerste censoren (443) waren
L. Papirius Mugillanus en L. Sempronius Atratinus. Eerst in 351
komt C. Marcius Rutilus als de eerste plebejische censor voor. In
339 bepaalde de lex Publilia van den dictator Q. Publilius Philo,
dat één der censoren uit de plebs moest worden gekozen, waarna
in 131 voor de eerste maal twee plebejische censoren voorkomen,
Q. Caecilius Metellus Macedonicus en Q. Pompeius. Oorspronkelijk was
de duur van het censorsambt vijf jaar; doch reeds in 434 werd het
door de lex Aemilia van den dictator Mam. Aemilius Mamercinus tot
1 1/2 jaar beperkt, zoodat de staat dan 3 1/2 jaar zonder censoren
was. Waarschijnlijker is het echter dat deze wet den oorspronkelijk
éénjarigen ambtstijd, wegens de vele werkzaamheden aan den census
verbonden, tot anderhalf jaar verlengde. Meestal koos men tot deze
waardigheid oud-consuls. Onmiddellijk na de verkiezing, die plaats had
in comitiis centuriatis, aanvaardden de censoren hun ambt, maar hadden
voor het uitoefenen daarvan behalve de gewone rechten der potestas
nog een bijzondere bevoegdheid noodig, de censoria potestas, die hun
door een lex centuriata de censoria potestate werd verleend. Tot de
werkzaamheden der censoren behoorde in de eerste plaats het houden
van den census (z. a.) met het daaraan verbonden lustrum (z. a.),
vervolgens het opmaken der senatorenlijst voor de eerstvolgende vijf
jaar, waarbij zij degenen, die door hen onwaardig werden geacht,
uit den senaat konden verwijderen. In de derde plaats behoorde er toe
de verpachting van tollen en andere indirecte belastingen (vectigalia
publica fruenda locare of vendere), de aanbesteding van openbare werken
(opera locare), en de regeling der door elken burger te betalen
belasting. Het meest gevreesd waren de censoren om hun toezicht
op de zeden, regimen morum. Dikwijls trokken zij streng te velde
tegen al wat naar weelde of overdaad zweemde. Zij konden den burgers
hun stemrecht ontnemen (zie aerarii), ridders van de ridderlijsten
schrappen (zie equites). Zulk eene vernedering en openbare berisping
heette nota of animadversio censoria en de daaruit voortvloeiende
schande was ignominia. Sulla, die den senaat onafhankelijk van
alle ander gezag wilde maken, hief de censuur op, doch toen kwam de
schandelijke omkoopbaarheid van tal van senatoren zóó sterk aan het
licht, dat men de censuur terug verlangde. In 70 werd zij hersteld,
doch de tijden waren er niet meer naar, om het zedenmeesterschap uit te
oefenen. De volkstribuun P. Clodius Pulcher bewerkte in 58 door eene
wet, dat de censoren niemand meer uit den senaat mochten stooten,
die niet formeel door hen was aangeklaagd en door beiden schuldig
bevonden was. Onder Augustus werden nog éénmaal censoren gekozen en
vervolgens ging de censoria potestas op den princeps over.

Censorinus, familienaam in de gens Marcia, z. Marcii no. 8-10.

Censorinus, rom. taalgeleerde van omstreeks 240 na C., van wien nog
een werk de die natali bestaat, waarin hij vooral over den invloed van
sterren en geesten op 's menschen geboorte en levenslot handelt. Het
werk berust op goede bronnen.

Census. Bij den census moest ieder burger zich bij de censoren
aangeven, die hiertoe in de villa publica op den Campus Martius zitting
hielden. Bij deze aangifte gaf men onder eede (ex animi sententia) zijn
eigen naam, dien van zijn vader, zijn vrouw en kinderen, zijn ouderdom
en vermogen op, en hiernaar werd men in de classis ingeschreven,
waartoe men behoorde. Ten opzichte van het vermogen moeten wij hier
aanstippen, dat de censoren alleen datgene belastbaar achtten, wat men
ex iure Quiritium bezat; de ager publicus die slechts in possessione
was, en het grondbezit in de provinciën werd niet ingeschreven. Wie
verzuimde zich als burger aan te geven, was incensus; de straf was
verlies der vrijheid, dus capitis deminutio maxima. Nadat de aangiften
waren afgeloopen, moesten de scribae der censoren de verschillende
burgerlijsten opmaken: 1º. de lijsten van de leden der tribus, met een
lijst der aerarii (z. a.) als aanhangsel. 2º. de lijsten van de leden
der centuriae. 3º. de lijsten der belastingplichtigen, z. hieromtrent
tributum, orbi et orbae en tribuni aerarii en verder: aerarii. 4º. de
lijsten der dienstplichtigen uit de klassen, mannen van 17 tot 46 jaar,
tabulae iuniorum, die elk jaar werden bijgewerkt. Wegens verwaarloozing
van huiselijke en zedelijke plichten konden de censoren de burgers
straffen door hen uit eene tribus rustica in eene tribus urbana over te
brengen of wel hen tot aerarii (z. a.) te maken. Met den census ging
ook de lectio senatus voor het volgend vijfjarig tijdperk gepaard, en
de herziening der ridderlijsten, recognitio equitum, zie equites. Een
plechtig offer (zie lustrum) besloot den census.

Centauri, Kentauroi, een woest ruitervolk, dat in de bergen van
Thessalië woonde, en door de Lapithen deels uitgeroeid, deels naar
de grenzen van Epirus verjaagd werd. Later stelde men zich voor dat
zij half menschen, half paarden waren (Hippocentauri), en dat zij
afstamden van Centaurus, den zoon van Ixion (z. a.) en eene wolk. Hun
strijd met de Lapithen, die met de volkomen nederlaag der Centauren
eindigde, was ontstaan doordat zij, als gasten op de bruiloft van
Pirithoüs, zich aan de bruid durfden vergrijpen.--Ook in Arcadië
woonden Centauren, die door Heracles gedood of verjaagd werden,
omdat zij hem een vat wijn wilden ontnemen, dat Bacchus voor hem
bestemd had. Zie ook Pholus en Chiron.

Centimani, Ekatoncheires, drie reuzen met honderd armen, Aegaeon,
Cottus en Gyes, zonen van Uranus en Gaea. Door hun vader in den
Tartarus opgesloten, werden zij door Zeus verlost om hem in den
strijd tegen de Titanen te helpen, en brachten zij veel bij tot zijne
overwinning. De overwonnen Titanen werden nu in hun plaats naar den
Tartarus verbannen en onder hunne bewaking gesteld.

Centrites, Kentrites, zijtak van den Tigris en grensrivier tusschen
Armenia en het land der Carduchen.

Centrones, min juiste lezing voor Ceutrones.

Centumcellae, thans Cività Vecchia, havenstad in Zuid-Etruria, waar
Traianus eene villa had.

Centum gradus, een van de opgangen naar het Capitolium, aan de
Zuidwestzijde, dicht bij de Tarpejische rots.

Centumviri, een rechterlijk collegie, dat ongeveer in het midden
van de 2de eeuw te Rome is ingesteld, dat uit vaste leden bestond
en recht sprak in processen over quiritarischen eigendom, vooral
in erfeniskwestiën. De leden, 105 in getal, 3 uit elke tribus,
werden waarschijnlijk oudtijds door den praetor urbanus gekozen,
later, toen het getal tot 180 steeg, uit een album door loting
aangewezen, en spraken recht in naam van het volk. Zij waren in
decuriën verdeeld. Voorzitters waren de praetor urbanus, later
oud-quaestoren en sedert Augustus de decemviri stlitibus iudicandis.

Centuria. In de eerste plaats zijn centuriae de onderafdeelingen,
waarin de verschillende klassen der burgers, met het oog op de
legerindeeling, verdeeld waren volgens de regeling, die op naam
van koning Servius Tullius staat. Uit de rijksten der eerste of
hoogste klasse werden 18 centuriën ridders gekozen, elke van 100
man. Hiertoe werd sedert de censuur van App. Claudius (312) een in
den census aangegeven vermogen van 400000 as gevorderd. De overige
burgers der eerste klasse met een vermogen van ten minste 100000
as, waren in 80 centuriën verdeeld en wel 40 centuriae iuniorum
(onder 45 jaar) en 40 centuriae seniorum (boven 45 jaar). De tweede
klasse (75000-100000 as) telde 10 centuriae iuniorum en 10 centuriae
seniorum, evenzoo de derde klasse (minimum 50000 as) en de vierde
(25000 as). De vijfde klasse daarentegen (12500 as) telde 2 × 15
centuriën. Vroeger werd de census naar den grondeigendom bepaald, en
werd men bij een eigendom van minstens 20 iugera in de eerste klasse
geplaatst, bij een van 15 iugera in de tweede, bij 10 in de derde,
bij 5 in de vierde en bij 2 in de vijfde klasse. Verder waren er
twee centuriën van werklieden, n.l. ééne uit timmerlieden en ééne
uit smeden bestaande (fabri tignarii et aerarii), alsmede ééne van
hoornblazers, cornicines, en ééne van bazuinblazers, tubicines,
en ten slotte ééne C. accensi velati (zie accensus no. 2). Omtrent
de toepassing dezer indeeling van het volk op de uitoefening van het
stemrecht zie Comitia. Men denke zich elke centurie als eene compagnie
onder aanvoering van een centurio. De tweede klasse was minder volledig
gewapend dan de eerste, de derde minder dan de tweede, enz. De capite
censi waren vrij van belasting en van krijgsdienst, daar men meende,
dat de verdediging van den staat moest rusten op hen, die werkelijk
iets te verliezen hadden en dus het meeste belang hadden bij rust
en veiligheid. De rijksten droegen de zwaarste lasten, doch hadden
ook de meeste rechten. De eerste klasse telde, met de ridders mede,
98 van de 193 centuriën en bracht dus 98 van de 193 stemmen uit. De
iuniores waren beschikbaar voor den dienst te velde, de seniores voor
de verdediging der stad. Zie verder comitia centuriata.

Allengs evenwel liet men voor het leger deze indeeling varen, en werden
de soldaten onderscheiden in hastati, principes en triarii. Ten tijde
van Polybius was de normale sterkte van een legioen als volgt:


1200 hastati, flos iuvenum pubescentium,
1200 principes, robustior aetas,
600 triarii, veteranus miles spectatae virtutis,


terwijl 1200 velites of lichtgewapenden bij de verschillende
afdeelingen waren ingedeeld en dienst deden als plaatsvervangers
der gevallenen of als ongeregelde troepen. In hen was minus roboris
aetate factisque. Eene centurie hastati of principes bestond uit zes
gelederen, elk van tien man, en daarachter twee gelederen velites. Eene
centurie triarii bestond uit drie gelederen triarii, dus 30 man,
met twee gelederen velites. Aan het hoofd van elke centurie stond
een centurio.

Centurio, hoofdman eener centurie. Twee centuriae in het leger vormden
één manipulus: de aanvoerder der eerste centurie van elken manipel
was centurio prior, die der tweede centurio posterior. De prior stond
boven den posterior. De rangorde der centuriones van het legioen was de
volgende. Eerst kwamen de 20 centuriones der triarii of pilani, en wel
zóó, dat de beide centuriones van den eersten manipel hooger in rang
waren dan die van den tweeden, deze weer hooger dan die van den derden,
enz. Op dezelfde wijze volgden dan de 20 aanvoerders der principes en
daarna de 20 der hastati. De laagste in rang was derhalve de centurio
posterior van den tienden manipel der hastati; de hoogste was de
centurio prior van den eersten manipel der pilani. Deze werd primus
pilus of primipilus genoemd. Tijdens Caesar echter was het legioen in
10 cohorten verdeeld, elk uit één manipel van elke soort bestaande. In
iedere cohorte was de rangorde deze: pilanus prior, p. posterior,
princeps prior, pr. posterior, hastatus prior, h. posterior. De zes
centuriones der eerste cohorte stonden boven die der tweede, enz. Als
teeken van zijn rang had de centurio een wijngaardstok (vitis), dien
hij soms zeer onzacht wist te gebruiken. Het zwaard droeg hij links,
terwijl de soldaten het rechts droegen.

Centuripae, ta Kentoripa, oude stad op Sicilia aan den Symaethus nabij
den Aetna. De burgers van Centuripae waren onder de rom. heerschappij
de eenige Sicilianen, die recht van grondbezit over het geheele
eiland hadden.

Ceos, Keos, eiland der Cycladen, niet ver van de Z.O.-punt van Attia,
geboorteplaats der lierdichters Bacchylides en Simonides. Zelfmoord
op zestigjarigen leeftijd was, naar men vertelt, oudtijds hier in
zwang. Van de vier steden was Iulis de voornaamste.

Cephallenia, Kephallenia, bij Hom. ook Same of Samus genoemd
en destijds afhankelijk van Ithaca, het grootste der Ionische
eilanden. Van de vier steden was Same de voornaamste. In het begin
van den peloponnesischen oorlog sloot het zich bij Athene aan.

Cephaloedis of -dium, Kephaloidis, -oidion, stad op de N.-kust van
Sicilia, tusschen Himera en Halaesa.

Cephalus, Kephalos, 1) zoon van Hermes en Herse of van Deïon
en Diomede, gehuwd met Procris, dochter van Erechtheus. Hij werd,
toen hij op jacht was, door Eos geschaakt, maar zijn onweerstaanbaar
verlangen naar zijne echtgenoote maakte, dat hij zich met de liefde
der godin niet gelukkig gevoelde. Zij liet hem dan ook gaan, maar
eerst nadat zij hem wantrouwen tegen Procris had ingeboezemd. Daarom
besloot hij vermomd naar zijne woning terug te keeren en zijne gemalin
te beproeven, en ofschoon hij haar eerst nauwelijks konde naderen en
zij zeer lang aan zijne verleidelijke aanbiedingen weerstand bood, was
zij op het punt toe te geven, toen hij zich bekend maakte. Beschaamd
vluchtte zij naar Creta, waar zij van Artemis of Minos een onfeilbare
werpspies ten geschenke kreeg en een jachthond, wien niets ontloopen
konde. Als jong meisje kwam zij nu bij Ceph. terug, die haar uit
begeerte naar de genoemde geschenken zijne liefde beloofde, waarop zij
zich op haar beurt bekend maakte. Hierop volgde een verzoening. Maar
door jaloerschheid gedreven, volgde Procris eens haar echtgenoot
heimelijk toen hij ter jacht ging, en bij deze gelegenheid werd zij
door Ceph. zelf, die tusschen het geboomte een wild dier meende te
hooren, met de onfeilbare werpspies gedood. Hij werd daarom door
den Areopagus verbannen en hielp later Amphitryo in zijn oorlog
tegen de Taphiërs, waarvoor hij het eiland Cephallenia tot belooning
ontving.--2) van Syracuse, een rijk en beschaafd man, die zich in 447
op raad van Pericles, zijn gastvriend, te Athene vestigde, vader van
den redenaar Lysias.

Cepheis, Kepheis, Andromeda, dochter van Cepheus.

Cepheus, Kepheus, 1) zoon van Belus en Anchinoë, koning van Aethiopië,
vader van Andromeda, werd met zijne vrouw en dochter onder de
sterren verplaatst.--2) Arcadiër, zoon van Lycurgus, nam deel aan de
calydonische jacht.--3) van Tegea, zoon van Aleüs en Neaera, een van
de Argonauten.

Cephisodotus, Kephisodotos, 1) Athener, werd in 359 met eene vloot
naar Thracië gezonden, waar hij zich door Charidemus liet overhalen
tot het sluiten van een zoo schandelijken vrede, dat hij bijna ter
dood veroordeeld werd; hij werd echter afgezet en voor vijf talenten
beboet.--2) atheensch beeldhouwer, vader van Praxiteles, van wien
nog een beeld, Vrede en Rijkdom, bestaat.

Cephis(s)us, Kephisos, ook wel Kephissos, naam van verscheidene
rivieren, o. a. 1) in Phocis en Boeotia. Naar deze rivier, die in het
meer Copaïs uitloopt, heet dit laatste bij Homerus ook Kephisis. De
riviergod van dit stroompje was de vader van Narcissus.--2) riv. in
Attica, die aan de Westzijde langs Athenae vloeide.--3) rivier in
Argolis, die van links in den Inachus uitstroomt.

Cephren, = Chephren.

Cera, keros, was, werd door de ouden tot verschillende doeleinden
gebruikt. Men bestreek er de houten schrijfplankjes mede, waarop
men dan met een stalen schrijfstift of stilus schreef (tabulae
ceratae). Soms waren eenige van zulke plankjes tot een boekje
vereenigd, zooals bij ons wel met leitjes het geval is; zulk een
boekje heette cerae; cera prima, secunda, enz. beteekende dan de
eerste, tweede bladzijde. Voor geschriften, die bewaard moesten
worden, om zoo noodig in rechten tot bewijsstuk te kunnen dienen,
had men tafeltjes, welker inrichting uit nevenstaande afbeelding
blijkt. Het eigenlijke stuk staat op de binnenzijde van het eerste
en tweede tafeltje, deze twee zijn dichtgebonden met een touw, dat
door een opzettelijk daarvoor gemaakte gleuf loopt, en dat bevestigd
is door de zegels van getuigen, wier namen naast hun zegel geschreven
zijn. Z. de afb. op blz. 162. Op de binnenzijde van het derde tafeltje
staat een korte opgave van den inhoud van het document.--Ook werd het
was gebezigd tot boetseeren, vooral voor de borstbeelden (of liever
maskers) van beroemde voorzaten, imagines maiorum.--Ook schilderde
men met wasverven, die vervolgens werden ingebrand, welke bewerking
encaustiek heet, enkaustike, (z. encaustica).

Ceramicus, Kerameikos = pottenbakkersmarkt, plein en fraaie voorstad
van Athenae, gedeeltelijk buiten, gedeeltelijk binnen den muur
gelegen. In het buitengedeelte werden zij, die in den strijd gevallen
waren, van staatswege begraven.

Ceramus, Keramos, stad in Caria, aan de golf, die naar haar sinus
Ceramicus wordt genoemd.

Cerasus, Kerasous = het kersenrijke, de kersenstad, op de kust van
Pontus, een kolonie van Sinope, vanwaar L. Licinius Lucullus in 74 de
eerste kersen naar Rome overbracht. Een ander Cerasus, meer westelijk
gelegen, is later verdoopt in Pharnacia (z. a.).

Ceraunii montes, Keraunia ore, gebergte op de kust van Epirus,
berucht door de vele onweders (keraunos). Zie ook Acroceraunia.

Cerberus, Kerberos, zoon van Typhon en Echidna, een hond met drie,
vijftig of honderd koppen, slangen in plaats van haren, en een staart
met een drakekop. Hij hield verblijf in een hol aan gene zijde van
de Styx en zorgde dat niemand de onderwereld verlaten konde; daarom
moesten zij, die levend in de onderwereld afdaalden, dit monster
bedwingen om zich den terugtocht te verzekeren. Orpheus deed hem door
de tonen zijner lier in slaap vallen. Het laatste der twaalf werken
van Heracles was dat hij den Cerberus naar de bovenwereld bracht,
wat des te moeilijker was, daar hij van Pluto slechts verlof er toe
gekregen had op die voorwaarde, dat hij hem ongewapend zoude vangen.

Cercasorum, Kerkasoron, stad aan den Nijl, juist waar deze zich in
verschillende armen begint te splitsen.

Cercina, Kerkina of Kerkinna, twee door eene brug verbonden eilandjes
met gelijknamige havenstad op de kust van Africa, in de kleine
Syrte. Het kleinste eilandje wordt ook Cercinitis genoemd.

Cercine, Kerkine, gebergte in Macedonia tusschen den Axius (Vardar)
en den Strymon (Karasu). Ook een meer, waardoor de Strymon loopt.

Cercinium, Kerkinion, sterkte in Thessalia aan het meer Boebeis.

Cercius = Circius.

Cercopes, Kerkopes, een soort kabouters, die bij de Thermopylae,
op Euboea of in Lydië woonden. Zij ontstalen Heracles zijne wapenen
en werden tot straf door hem aan een balk gebonden, maar hun berouw
vermaakte den held zoo, dat hij hen weder losliet.--V.a. een volk
dat het eiland Pithecusa bewoonde. Zij beloofden Zeus hun bijstand
tegen de Titanen, maar toen zij het daarvoor bedongen loon ontvangen
hadden, hielden zij hun woord niet. Tot straf werden zij in apen
veranderd.--Een plaats te Athene, waar veelal gestolen goed verkocht
werd, heette Kerkopon agora. Cercyon, Kerkyon, zoon van Poseidon
of Hephaestus, vader van Alope. Hij woonde bij Eleusis en dwong
alle vreemdelingen zich met hem in het vuistgevecht te meten; de
overwonnenen bracht hij ter dood. Eerst Theseus gelukte het hem te
overwinnen en te dooden.

Cerdiciates, volk in Liguria, ten Z. van den Padus.

Cerealia, feesten den 19den April te Rome ter eere van Ceres gevierd,
met wedrennen en tooneelvertooningen. Sedert 202 begon het feest reeds
den 12den April en duurde tot en met den 19den. Men ging in het wit
gekleed, zond elkander bloemkransen en noodigde elkander ten maaltijd.

Cerealis, familienaam in de gens Petillia.

Ceres, eene italiaansche godin van den landbouw, die samen met Tellus
(z. a.) vereerd werd, maar later door de Romeinen geïdentificeerd
werd met Demeter. De eeredienst van de grieksche Ceres werd te Rome
ingevoerd en haar eerste tempel gebouwd in 493 gedurende een door
misgewas ontstanen hongersnood, en ingewijd door den consul Sp. Cassius
Viscellinus. In dezen tempel, waarin zij te zamen met Liber (Dionysus)
en Libera (Core) vereerd werd (men noemde den tempel aedes Cereris
Liberi Liberaeque) en die de aandacht trok als eerste voorbeeld van
griekschen bouwstijl, deden grieksche vrouwen, vooral uit Neapolis,
dienst, en alle mythen, die op Demeter betrekking hebben, werden op
Ceres overgedragen. Vooral den roof en het terugvinden van Proserpina
herdachten de romeinsche vrouwen met groote plechtigheid in de
maand Augustus en keizer Claudius trachtte zelfs de eleusinische
mysteriën naar Rome over te brengen. Haar voornaamste feest bleef
echter de Cerealia (z. a.). Ceres werd vooral als eene godin der
plebejers beschouwd; haar tempel, waarin het plebejisch archief en
afschriften van wetten en senaatsbesluiten bewaard werden, stond in
een geheel plebejisch gedeelte van de stad (bij den Circus Maximus
aan den kant van den Aventinus), haar dienst stond onder toezicht
der aediles plebeii.

Cerinthus, Kerinthos, stad aan de O.-kust van Euboea, van Chalcis
afhankelijk.

Cermalus, het N.W. gedeelte van den Palatinus. Het was een onderdeel
van het Septimontium, zie Roma.

Cerretani, Kerretanoi, iberisch herdersvolk in de zuidelijke dalen
der Pyrenaeën, in het tegenw. Cerdagne.

Cersobleptes, Kersobleptes, zoon van Cotys, werd in 358 koning der
odrysische Thraciërs. De thracische Chersonesus, die door zijn vader
veroverd was, moest hij aan de Atheners teruggeven; in 347 ontnam
Philippus van Macedonië hem een deel van zijn rijk, en in 342 verloor
hij het geheel en moest hij zich aan Philippus onderwerpen.

Cersus, Kersos = Carsus, Karsos.

Cervi, soort van palissaden of van zoogenaamde spaansche ruiters,
uit boomstammen of zware takken bestaande, waaraan men andere takken
had laten zitten als het gewei van een hert.

Cerynia, Keryneia, stad op de N.-kust van Cyprus.

Ceryx, Keryx, zoon van Hermes en Pandrosus, stamvader van het
atheensche priestergeslacht der Ceryces (Kerykes of Kerykidai).

Cessio, overdracht van eene zaak of van een recht. Eene in iure cessio
is eene formeele overdracht ten overstaan van den praetor. Zie ook
bonorum cessio.

Cestius, naam van een rom. geslacht. 1) de bouwer van de brug,
pons Cestius, die de insula Tiberina met de regio Transtiberina
verbindt.--2) C. Cestius, rom. ridder, volkstribuun en praetor,
tegenstander van Antonius, waarschijnlijk bij de proscriptiën van 43
omgekomen.--3) C. Cestius Epulo, de man tot wiens gedachtenis door
eenige zijner erfgenamen de "pyramide van Cestius" werd opgericht,
37 meter hoog, op een grondvlak van 30 meter lang en breed. Het
gevaarte, dat in 330 dagen voltooid werd, bevat slechts eene
kleine lijkenkamer.--4) Cestius Gallus, onder Nero stadhouder van
Syria, had in 66 na C. met een opstand der Joden te kampen, die de
rom. onderdrukking moede waren.

Cestrine, Kestrine, landschap in Epirus tegenover Corcyra.

Cestus, kestos, de geborduurde gordel van Aphrodite, die
onwederstaanbare bekoorlijkheid gaf.

Cetei, Keteioi, oude stam in Mysia aan de rivier Ceteus, die bij
Pergamum in den Caïcus valt.

Cethegus, zeer oude familie in de gens Cornelia, z. Cornelii no. 30-34.

Ceto, Keto, dochter van Pontus en Gaea, gehuwd met haar broeder
Phorcys, en bij hem moeder van de Gorgonen, de Sirenen e. a. monsters.

Cetra, klein rond schild, met leder overtrokken, van spaanschen
oorsprong, ten tijde van Caesar ook door lichtgewapende rom. troepen
gebruikt.

Ceutrones, alpenvolk in de provincia Alpes Poeninae. De weg van Italia
naar Lugdunum liep door hun gebied.

Cevenna, = Cebenna.

Ceyx, Keyx, 1) koning van Trachis, bij wien Heracles gastvrij opgenomen
werd.--2) zoon van Hesperus en Philonis, gemaal van Alcyone (z. a.).

Chaboras, Chaboras, ook Aborras, rivier in Mesopotamia, ontspringt
bij Resaïna, stroomt door Gauzanitis, neemt den Mygdonius en den
Saocoras op, en valt bij Circesium in den Euphraat.

Chabrias, Chabrias, atheensch veldheer, die het bevel voerde over
de troepen, welke de Atheners aan Euagoras van Cyprus te hulp zonden
(388), en later (385) aan het hoofd stond van de grieksche huurlingen
in dienst eerst van Acoris en daarna van Nectanebis van Aegypte. Op
verlangen der Perzen door de Atheners teruggeroepen, verijdelde
hij (378) een inval van Agesilaus in Boeotië door goed bedachte
en geheel nieuwe manoeuvres, waardoor hij zich vooral grooten
roem verwierf. Nadat hij in den zeeslag bij Naxus de Spartanen
had overwonnen (376), werd hij naar Thracië gezonden, waar hij
vele bondgenooten voor Athene won, en beschermde hij Abdera tegen
de aanvallen van Charidemus. Na afloop van den thebaanschen oorlog
voerde hij nog het bevel over de vloot van Tachos van Aegypte in diens
oorlog tegen de Perzen. Hij sneuvelde in den bondgenootenoorlog bij
het beleg van Chius (357), toen zijn schip in de haven van de vloot
afgesneden en bijna reeds gezonken was.

Chaerea, hoofd der saamgezworenen tegen Caligula. Zie Cassii no. 15.

Chaeremon, Chairemon, 1) atheensch treurspeldichter, wiens werken,
in weerwil van hunne letterkundige waarde, wegens hunne moeilijkheid
meer geschikt werden geacht om gelezen, dan om opgevoerd te worden. Hij
leefde omstreeks 375.--2) stoicijnsch wijsgeer van Alexandrië, hoofd
der bibliotheek aldaar, kwam naar Rome en werd een der opvoeders
van Nero. Van zijne geschied- en oudheidkundige werken is slechts
weinig over.

Chaerephon, Chairephon, Athener, een van de vurigste vereerders van
Socrates. Aan hem werd het bekende orakel gegeven, dat Socrates den
wijsten aller menschen noemde. Ook als dichter van een treurspel
wordt hij genoemd.

Chaeronea, Chaironeia, stad in Boeotia, geboorteplaats van Plutarchus,
bekend door een drietal overwinningen: 1) van de Boeotiërs op de
Atheners in 447;--2) van Philippus van Macedonia op de vereenigde
Atheners en Thebanen in 338;--3) van Sulla op Mithradates' veldheer
Archelaus, in 86. In de 5de eeuw behoorde het tot Orchomenos, later
werd het een zelfstandig lid van den boeotischen bond (zie Boeotia).

Chalaeum, Chalaion, havenstad der Locri Ozolae aan de noordpunt van
de Crisaeïsche golf.

Chalastra, Chalastra, stad in Macedonia aan den mond van den Axius
(Vardar).

Chalce, Chalke, eilandje ten W. van Rhodus.

Chalcedon, Chalkedon, megarensische kolonie op de kust van Bithynia
tegenover het jongere Byzantium, meermalen belegerd en veroverd. In
haar gebied lag de havenstad Chrysopolis. Het was de geboortestad
van den wijsgeer Xenocrates en had een beroemden Apollo-tempel. Eene
andere schrijfwijze is Calchedon, Kalchedon.

Chalcidice, Chalkidike, groot schiereiland aan de macedonische kust,
bezet met grieksche volksplantingen, vooral van de euboeïsche stad
Chalcis (8ste eeuw). Het splitst zich in drie landtongen: Acte met
den berg Athos, Sithonia en Pallene.

Chalcidicum, chalkidikon, overdekt, van voren open voorportaal of
portiek, waarvan het dak door zuilen werd gedragen.

Chalcioecus, Chalkioikos, bijnaam van Athena te Sparta, naar haar met
koper versierden tempel, waarin een koperen beeld van de godin stond
en waar op de Chalcioecia (Chalkioikia) gewapende jongelingen offerden.

Chalcis, Chalkis, oude hoofdstad van Euboea, aan het smalste gedeelte
van den Euripus gelegen, en sedert 411 door eene brug met het vasteland
van Attica verbonden. Chalcis was eenmaal een bloeiende stad, die een
groot aantal koloniën uitzond, o.a. naar Chalcidice, Cumae in Italia,
Naxus op Sicilia, enz. Met Eretria, dat 3 uur ten Z. van Chalcis
ligt, heeft het gedurende een halve eeuw (± 700-± 650) strijd gevoerd
om de oppermacht op Euboea en het bezit van de Lelantische vlakte
(zie Lelantius Campus), die met de nederlaag van Eretria eindigde. In
dezen strijd werd Chalcis door Samus en Corinthe, Eretria door Milete
en Megara geholpen. In 506 leed de adel van Chalcis, de hippobotai,
een zware nederlaag tegen het democratische Athene, en Chalcis moest
de Lelantische vlakte aan Athene afstaan, dat er 4000 kolonisten,
klerouchoi, heenzond, die echter in 490, bij den aanval der Perzen
op Eretria, naar hun land terugtrokken. Sedert 506 is de bloei van
Chalcis voorbij, zie Euboea. In den tijd der Diadochen was Chalcis
een der sterkste plaatsen van Griekenland, meestal in de macht
van Macedonië. De Romeinen konden het in 207 niet innemen. Bij den
vrede in 194 werd de stad vrij. In 146 werd ze na den opstand door
de rom. troepen geplunderd en de muren gesloopt. Chalcis was de
geboortestad van de dichters Lycophron en Euphorion en den redenaar
Isaeus.--Ook in Aetolia en in Syria (Ch. ad Belum ten Z. van Beroea),
vond men eene stad Chalcis.

Chaldaea, Chaldaia, het zuidelijke deel van Babylonia, later ook
wel als algemeene naam voor het geheele land gebezigd. Zie overigens
Babylonia en Chalybes.

Chaldaïcae rationes. Zie Babylonii numeri.

Chaleium, Chaleion = Chalaeum.

Chalus, Chalos, riviertje in N. Syria, waaraan Beroea en Chalcis
lagen en dat in de woestijn wegsterft.

Chalybes, Chalybes, een volk van mijnwerkers in het O. van Pontus,
onderdanen der Mossynoeci. Het Grieksche woord voor staal, chalyps,
is aan hen ontleend. Hiervan moeten die Chalybes onderscheiden worden,
die als een strijdhaftig en dapper volk geschilderd worden, en ook
wel Chaldaei genoemd worden. Met de babylonische Chaldaei hebben ze
niets te maken.

Chalybon, Chalybon, stad ten N. van Damascus in Syria, tgw. Helbun. De
stad was beroemd om haar wijn.

Chamavi, Chamauoi, Chamaboi, germaansche stam, eerst aan den
Rijn gevestigd en later aan den Visurgis (Weser). In de 4de eeuw
n. Chr. wonen ze wederom aan den Rijn in het latere Hamaland, tusschen
Ouden Yssel en Rijn, en behooren zij tot de Salische Franken.

Chaones, Chaones, ruwe volksstam in Epirus, wier land, Chaonia,
zich langs de kust uitstrekte, van Acroceraunia tot aan de rivier de
Thyamis. Bij romeinsche dichters is Chaonius pater = Zeus van Dodona,
en columbae Chaoniae = de duiven van Dodona.

Chaos, Chaos, oorspronkelijk de onmetelijke ledige ruimte, die bestond
voordat iets geschapen was; volgens lateren de vormlooze massa,
waarin alles, wat later een afzonderlijk bestaan kreeg, verward
dooreen lag. Chaos bracht Gaea, Tartarus en Eros, later nog Erebus
en Nyx voort.

Characene, dat gedeelte van Susiana, dat boven Spasinu (Pasinu) Charax
(zie Charax no. 1) ligt.

Charadra, Charadra, stad in het N.W. van Phocis, ten O. van Lilaea,
aan het riviertje Charadrus, op een rots gelegen. Ook in Messenia en
in Zuid-Epirus vond men eene stad van dezen naam.

Charax, Charax (= palissade, legerkamp), naam van onderscheiden
steden. 1) stad in Susiane aan de monding van den Tigris, door
Alexander den Gr. gesticht en Alexandria geheeten, vervolgens verdoopt
in Antiochia naar den syrischen koning Antiochus IV Epiphanes, en
ten slotte Charax Spasinu (Pasinu) genoemd naar den arabischen vorst
Spasines (Pasines), die de plaats door dammen tegen overstrooming
beveiligde.--2) stad op Corsica.--3) stad in Media, nabij de Caspiae
portae.

Chares, Chares, 1) atheensch veldheer, die door zijne hebzucht en
onrechtvaardigheid zoowel als door zijn gebrek aan beleid in den
oorlog dikwijls reden tot ontevredenheid gaf, maar zich toch door
kunstgrepen en zelfs door omkooping wist staande te houden. Toen
hij in den bondgenootenoorlog gedurende een hevigen storm bij een
aanval op Samus de nederlaag geleden had (356), bewerkte hij door
valsche berichten dat zijne ambtgenooten, Iphicrates en Timotheüs,
die den aanval afgeraden hadden, teruggeroepen en beboet werden. Toen
hij zich echter door geldgebrek tot een grooten rooftocht tegen
eenige perzische steden genoodzaakt zag en bovendien den oproerigen
satraap Artabazus tegen den koning van Perzië steunde, werd hij op
verzoek van dezen teruggeroepen. Vruchteloos trachtte hij eenige
malen Olynthus tegen Philippus te beschermen, en Byzantium, dat
hij eveneens tegen Philippus verdedigen zoude, weigerde zelfs hem te
ontvangen. Waarschijnlijk sneuvelde hij in den slag bij Chaeronea.--2)
bronsgieter uit Lindus, maker van het beroemde kolossale beeld van
den zonnegod op Rhodus, omstreeks 290. Reeds in 222 is het beeld,
dat ± 30 Meter hoog was, tengevolge van een aardbeving ingestort, en
zijn de overblijfselen blijven liggen, totdat ze in den byzantijnschen
tijd door een arabisch generaal aan een Jood verkocht zijn, die voor
het vervoer de beschikking noodig had over 900 kameellasten.

Charicles, Charikles, 1) admiraal in den peloponnesischen oorlog,
later een van de dertig.--2) schoonzoon van Phocion, liet zich door
Harpalus omkoopen en werd ter dood veroordeeld, doch vluchtte (319).

Charidemus, Charidemos, van Oreüs op Euboea, aanvoerder van huurlingen
in atheenschen, perzischen en thracischen dienst. Door zijne
verraderlijke handelingen kwam hij dikwijls in moeilijkheden, toch
werd hij in Thracië onder de regeering van zijn schoonvader Cotys en
van Cersobleptes een man van veel invloed. Hoewel hem door de Atheners
het burgerrecht geschonken was, was zijn politiek hun in den regel
vijandig; niettemin wist hij sommigen zoo omtrent zijne bedoelingen
te misleiden, dat men zelfs voorstelde hem bij eene afzonderlijke
wet buitengewone bescherming tegen zijne vijanden toe te zeggen,
welk voorstel echter door den tegenstand van Demosthenes en anderen
waarschijnlijk verworpen werd (352). Tegen Philippus strijdt hij in
351 in de Chersonesus, in 349 in Chalcidice, in 338 bij Chaeronea. Hij
was een van de mannen wier uitlevering door Alexander na het bedwingen
van den thebaanschen opstand geëischt werd. Toen Alexander zich op
verzoek van het volk met zijne verbanning tevreden stelde, vluchtte
hij naar Perzië, waar hij, wegens al te vrijmoedige afkeuring van de
maatregelen van Darius, door dezen ter dood gebracht werd (333).

Charietto, Charietton, bandiet, die eerst op eigen houtje van Trier
uit den strijd begon tegen de in het rijk ingevallen Franken, en daarna
door den onderkeizer (Caesar) Julianus aangeworven, door hem gebruikt
werd in een guerilla tegen de in de Betuwe en Noord-Braband ingevallen
Chamaven, waarbij hij den zoon van hun koning gevangen nam (358
n. C.). Ook gebruikte Julianus hem als gids tegen de Alamannen. Als
comes Germaniae utriusque sneuvelde hij in 365 n. C. tegen Alamannen,
die wederom in Gallië waren ingevallen.

Charilaus, Charillus, Charilaos, -leos, Charillos, nageboren zoon
van Polydectes, neef en pupil van den wetgever Lycurgus, koning van
Sparta. Hij voerde oorlog tegen de Argiven en Tegeaten maar werd door
laatstgenoemden gevangen genomen en niet vrijgelaten, voor hij hun
beloofd had hen niet weder te bestrijden.

Charis, Charites, Charis, Charites, Gratiae, dochters van Zeus en
Hera of de Oceanide Eurynome of van Helius en Aegle of van Dionysus
en Aphrodite. Zij zijn de godinnen der bevalligheid, zonder wier
medewerking ieder feest, ieder kunstwerk, alles wat vreugde en genot
schenken kan, zijn rechte waarde mist. Daarom zijn zij de vriendinnen
der Muzen, de gezellinnen van Aphrodite, Peitho, Hermes, Apollo en
Dionysus, en worden zij dikwijls gemeenschappelijk met deze godheden in
dezelfde tempels vereerd, hoewel zij ook op vele plaatsen eigen tempels
hadden. Bij Homerus is Charis de gemalin van Hephaestus, de Atheners
vereerden twee Chariten, Auxo en Hegemone, de Spartanen eveneens twee,
Cleta en Phaënna, gewoonlijk vindt men echter drie genoemd, Euphrosyne,
Aglaïa en Thalia. De dienst der Charites verbreidde zich uit het
boeotische Orchomenus over geheel Griekenland; aldaar vierde men te
harer eer een feest, de Charisia of Charitesia.--Te Athene werden
zij met de Horen in verband gebracht en werd haar ook invloed op het
weder toegeschreven.--In lateren tijd golden zij ook voor godinnen
van dankbaarheid en weldoen.--Gewoonlijk worden de drie Charites met
elkander afgebeeld, als schoone, slanke, jonge vrouwen, somtijds met
muziekinstrumenten, dobbelsteenen, rozen en mirten als attributen.

Charisius (Flavius Sosipater), taalgeleerde uit Campania, schrijver
van een werk, getiteld ars grammatica in vijf boeken, waarvan nog
gedeelten van het 1ste, 4de en 5de boek overig zijn. Hij leefde
waarschijnlijk in het midden van de vierde eeuw na C.

Charistia, z. Caristia.

Charito, Chariton, van Aphrodisias in Phrygië, schrijver van een
griekschen roman in acht boeken: Chaereas en Callirrhoë (waarschijnlijk
uit de 2de eeuw n. C.).

Charmadas, Charmadas, een academisch wijsgeer, leerling van Carneades,
omstreeks 110 leeraar der wijsbegeerte en redekunst te Athene,
v. s. stichter der vierde academie. Cicero roemt zijne welsprekendheid
en zijn merkwaardig geheugen.

Charmande, Charmande, aanzienlijke stad in Mesopotamia aan den
rechteroever van den Euphraat.

Charmides, Charmides, oom van Plato, sneuvelde in het voorjaar van
403 in een gevecht tegen Thrasybulus.

Charminus, Charminos, atheensch vlootvoogd in den peloponnesischen
oorlog, leed in 411 de nederlaag in een zeegevecht tegen Astyochus
en steunde later de oligarchische bewegingen op Samus.

Charoeades, Charoiades, atheensch veldheer, ondersteunde Leontini
met eene vloot in den oorlog tegen Syracusae, maar sneuvelde (427).

Charon, Charon, 1) zoon van Erebus en Nyx, de veerman der onderwereld,
die de schimmen der afgestorvenen van Hermes in ontvangst nam en ze
over Styx, Cocytus en Acheron naar het rijk der dooden bracht. Tot
betaling van het veergeld legde men den dooden een obool in den
mond. Slechts zij werden overgezet, wier lichamen behoorlijk begraven
of verbrand waren, zoolang dit niet geschied was, bleven zij aan de
oevers van de Styx zwerven. Levenden moesten, indien zij overgezet
wilden worden, een gouden tak toonen, tot bewijs dat de goden het
veroorloofden.--Charon wordt afgebeeld als een oud, vuil en armoedig
gekleed man.--2) van Lampsacus, logograaf in de 5de eeuw.

Charondas, Charondas, beroemd wetgever te Catana op Sicilia (± 550),
wiens veelgeprezen wetten in vele chalcidische volkplantingen van
Sicilië en Beneden-Italië in zwang waren. Zij waren wel streng,
doch rechtvaardig, kort en ondubbelzinnig. Niemand mocht daarin
eene verandering voorstellen, tenzij met een strop om den hals, om
terstond gewurgd te worden, indien het voorstel werd verworpen. Eens
van de jacht komende, kwam hij in de volksvergadering, zonder er aan
te denken, dat hij nog gewapend was, en toen een der burgers hem op
de overtreding zijner eigene wetten opmerkzaam maakte, bezegelde hij
zijne voorschriften met zijn bloed, door zich op staanden voet het
zwaard in de borst te stooten.

Charta, chartes, papier. De ouden vervaardigden dit uit het merg der
papyrusplant. Dit merg werd met een scherp voorwerp in zeer dunne
lagen verdeeld, die zoo breed mogelijk genomen werden. De strooken,
die men daardoor kreeg, werden op een vochtige plaat naast elkaar
uitgespreid, en daarover dwarsstrooken met lijm vastgeplakt. Dan
werd het geheel geperst, en in de zon gedroogd; daarop werden de
verschillende bladen die men zoodoende kreeg, aan elkaar verbonden
tot een rol, en wel zóó, dat de betere bladen aan den buitenkant,
die het meest te lijden had, kwamen te liggen. Plinius onderscheidt
acht soorten; de fijnste heette Augustea, de daaropvolgende Liviana,
de minste soort was charta emporeutica of pakpapier. Bovendien vindt
men nog vermeld: charta dentata, dat met een tand (misschien een stuk
olifantstand of ivoor) was gladgewreven en gepolijst, en charta bibula,
een doorschijnend soort vloeipapier. Naast papyrusrollen gebruikte men
ook perkament, en in de 3de en 4de eeuw n. C. werd in het Westen de
papyrusrol geheel door het perkament vervangen, terwijl in het Oosten
eerst in de 8ste eeuw het katoen- en linnenpapier (charta bombycina)
er voor in de plaats komt.

Charudes, Charoudes = Harudes.

Charybdis, Charybdis, z. Scylla.

Chasuarii of -ri, Chattouarioi, vermoedelijk dezelfden als
de Chattuarii of Attuarii, een germaansch volk, eerst aan
het Teutoburgerwoud, later aan den Beneden-Rijn en den IJsel
woonachtig. Zij maakten later deel uit van het verbond der Franken.

Chatti = Catti.

Chauci, Chaukoi, onderscheiden in maiores en minores, een machtige
germaansche stam aan de Noordzeekust tusschen de Amisia (Eems) en den
Albis (Elbe). Drusus onderwierp ze; in 70 n. C. verbonden zij zich met
de Batavieren onder Claudius Civilis. Later gaan ze op in de Saxones
(z. a.).

Cheironomia, de beweging der handen, in het algemeen de mimische
beweging van het lichaam volgens vaste regels bij het dansen; ook
een soort spiegelgevecht.

Cheirotonia, het opsteken der handen, de meest gebruikelijke wijze
van stemmen in de grieksche volksvergaderingen. De op deze wijze
gekozen magistraten werden cheirotonetoi (ook hairetoi) genoemd.

Chelidoniae insulae, Chelidoniai nesoi = zwaluweilanden, vijf eilandjes
tegenover kaap Chelidonium.

Chelidonium promunturium, Chelidonia akra ook Promunturium Sacrum
genoemd, kaap in Lycia, ten Z. van Phaselis, uitlooper van den Taurus.

Chelonatas, Chelonatas, kaap in Elis, westelijkste punt der
Peloponnesus, de eerste kaap ten Z. van Cyllene.

Cheops, Cheops, aegyptisch koning der 4de dynastie, omstreeks 2500,
liet de grootste pyramide bouwen.

Chephren, Chephren, broeder of zoon en opvolger van Cheops, die eene
pyramide liet bouwen, welke alleen door die van Cheops in grootte
werd overtroffen.

Chersonesus, Chersonesos, schiereiland, van chersos of cherros, vast,
en nesos, eiland. De meest bekende zijn de volgende: 1) Ch. Thracica,
dikwerf kortweg Chersonesus geheeten, het smalle schiereiland
tusschen den Hellespont ten O. en den sinus Melas ten W. De hals van
het schiereiland was door een muur van 36 stadiën lengte verdedigd
tegen invallen van thracische stammen. Er waren vele grieksche,
vooral atheensche koloniën, die eerst onder de Perzen, daarna onder
de Macedoniërs, ten laatste onder de Romeinen kwamen. Onder Augustus
was de geheele Chersonesus in het bezit van M. Vipsanius Agrippa, en
na diens dood van Augustus.--Ook een atheensche stad op de Chersonesus
heet Chersonesus (of Agora).--2) Ch. Taurica, thans de Krim, waaruit
Griekenland veel koren trok. Dit schiereil. werd ook wel Ch. Scythica
of Cimmerica geheeten. In het Z.W. in de bergen woonden de Tauri;
in het vlakke Noorden woonden Scythen. Op kaap Parthenium lag de
tempel van Artemis Tauropolos, waar ook menschenoffers plaats vonden
(mythe van Iphigenia en Orestes). Ook een stad aan de Zuidwestkust
der Chersonesus heet Chersonesus, en werd door de inwoners van
Heraclea Taurica gesticht.--3) Ch. Caria, waarvan het westelijk deel
Ch. Cnidia of apo Knidou, het oostelijk X. tes Bybassies  heet.--4)
Ch. Thrachea of Rhodia tegenover Rhodus.--5) Ch. magna, op de kust van
Cyrenaïca.--6) Ch. aurea, chryse, thans Malakka, in Achter-Indië.--7)
Ch. Cimbrica, thans Jutland.--8) landtongen: in Argolis naar het
N. gekeerd, tegenover Aegina (hierop lag Methana); verder: van Athos,
bij Sinope, bij Carthago, enz.

Cherusci, Cherouskoi, machtig germaansch volk in den omtrek van
het tegenw. Brunswijk, van den Albis (Elbe) tot over den Visurgis
(Weser). Drusus sloot in 9 met hen een verbond, doch in 9 na C. vielen
zij weder af en versloegen in het Teutoburgerwoud de legioenen van
Quinctilius Varus. Inwendige verdeeldheden, vooral tusschen Arminius
en diens schoonvader Segestes, verzwakten hen, evenwel hielden zij met
de hulp van Longobarden en Semnonen den strijd vol tegen Maroboduus en
de Marcomannen. In Tacitus' tijd (± 100 n. C.) waren ze door inwendige
twisten zeer verzwakt.

Chiliarchus, Chiliarchos, Chiliarches, aanvoerder eener chiliarchia,
eene afdeeling van 1000 of waarschijnlijk 1024 man, 64 man breed en 16
diep. Men vindt deze regeling bij het Macedonische leger en later bij
de Ptolemaeën. Bij de Perzen de aanvoerder der koninklijke lijfwacht,
de voornaamste persoon in het rijk na den koning. Het woord wordt
ook gebruikt als vertaling van het latijnsche tribunus militum.

Chilo, Cheilon, spartaansch ephoor, als type van een spartaansch
staatsman geroemd. Hij was ephoor in 560 of 556, en is misschien
de eerste geweest, die dit ambt bekleed heeft. Als een van de zeven
wijzen wordt hem de spreuk gnothi sauton of telos horan makrou biou
toegeschreven.

Chimaera, Chimaira, een vuurspuwend monster, dochter van Typhon en
Echidna, door den lycischen koning Amisodarus opgevoed, dat in Lycië
groote verwoestingen aanrichtte en door Bellerophon met de hulp van
Athena gedood werd. Haar lichaam was van voren dat van een leeuw,
in het midden van een geit, van achteren van een draak; v. a. had
zij drie koppen, namelijk die van de genoemde dieren.

Chione, Chione, 1) dochter van Boreas en Orithyia, moeder van
Eumolpus.--2) dochter van Daedalion, werd door Hermes en Apollo bemind
en, omdat zij op hare schoonheid trotsch was, door Artemis gedood.

Chionides, Chionides, 1) Eumolpus, zoon van Chione.--2) dichter der
oude comedie, omstreeks 450.

Chiridota, cheiridotos, sc. chiton, tunica met lange mouwen, eene
dracht, welke bij de Romeinen wel goed voor vrouwen, doch ongepast
voor mannen werd geacht. Bij barbaren komen kleederen met lange mouwen
zeer veel voor.

Chirisophus, Cheirisophos, Spartaan, streed in den slag bij Cunaxa
onder Cyrus en was met Xenophon aanvoerder der Grieken op hun
terugtocht.

Chiron, Cheiron, zoon van Cronus en Philyra, de voortreffelijkste
der Centauren, uitmuntend door wijsheid, rechtvaardigheid en
kennis. Hij was door Apollo en Artemis onderwezen en werd op zijne
beurt de leermeester en opvoeder van vele jonge helden, zooals Iason,
Theseus, Castor en Pollux, Achilles, e. a.; zelfs Asclepius had van
hem de geneeskunst geleerd. Toen Heracles hem bij ongeluk met een
zijner pijlen eene ongeneeslijke wonde had toegebracht, stond hij,
opdat de dood een einde aan de ondragelijke pijn zou kunnen maken,
zijne onsterfelijkheid aan Prometheus af, zoodat deze tevens, volgens
eene vroegere belofte van Zeus, van zijn lijden bevrijd werd. Chiron
werd als boogschutter onder de sterren geplaatst.

Chiton, het voornaamste kleedingstuk der Grieken, dat zoowel door
mannen als vrouwen gedragen werd. De dorische ch. voor mannen was
van wol, kort en zonder mouwen; de ionische van linnen, langer en met
mouwen. Slaven en arbeiders droegen een ch. waaraan alleen voor den
linkerarm een mouw was, (heteromaschalos, daarentegen wordt de gewone
ch. amphimaschalos genoemd), of soms ontbrak ook deze en werden de
twee losse slippen over den linkerschouder vastgeknoopt (exomis). De
dorische ch. voor vrouwen was eveneens van wol, en niet zeer lang;
de voorste en achterste helft waren eerst van onder de armen aan
elkander vastgenaaid, terwijl de losse einden op de schouders met haken
(peronai) werden vastgehouden; de ionische was van linnen, zeer lang,
wijd en met wijde mouwen. De ch. werd door mannen op het bloote lichaam
gedragen; vrouwen droegen gewoonlijk nog een onderhemd (chitonion).

Chius, Chios, Chios, thans Scio, groot en machtig eiland op de
ionisch-aziatische kust. Als oorspronkelijke bewoners worden Lelegers
en Pelasgen genoemd; later is het gekoloniseerd van uit Boeotië
en Euboea. In den opstand der Ioniërs tegen de Perzen leverde het
honderd schepen. In 494 door de Perzen onderworpen, bleef het 15 jaar
schatplichtig, viel na den slag bij Lade (479) van Perzië af, en werd
(477) als zelfstandig lid in het atheensche zeeverbond opgenomen. In
413 valt Chios van Athene af, en nu volgt voor het eiland een periode
van oorlog, binnenlandschen strijd en verwoesting. Van 377-357 is het
lid van den tweeden attischen zeebond; toen het van dezen bond was
afgevallen, werd het weldra afhankelijk van den Cariër Mausolus. Het
eiland leverde voortreffelijken wijn, mastik, marmer, vijgen en fijne
porceleinaarde op. Het was de geboorteplaats van den treurspeldichter
Ion, den geschiedschrijver Theopompus en beweerde ook het vaderland
van Homerus te zijn. De hoofdstad aan de O.-zijde gelegen, heette
ook Chius of Chios.

Chlamys, Chlamys, een mantel, dien men vooral bij het rijden droeg,
oorspronkelijk aan Thessaliërs en Macedoniërs eigen. De atheensche
jongelingen kregen zulk een mantel als zij epheben werden. Hij kon
los omgeslagen of nauwer aan het lichaam aangesloten worden, en werd
voor aan den hals of op den rechterschouder vastgemaakt.

Chloe, Chloe, bijnaam  van Demeter.

Chloris, Chloris, 1) godin der bloemen, gemalin van Zephyrus, door
de Romeinen voor dezelfde godin gehouden als Flora.--2) dochter van
Amphion en Niobe; zij en haar broeder Amyclas werden alleen door
Apollo en Artemis gespaard (z. Niobe), maar de dood van hare broeders
en zusters had haar zulk een schrik aangejaagd, dat men haar naam
Meliboea in Chloris (bleeke) veranderde.--3) dochter van een anderen
Amphion, gehuwd met Neleus.--4) dochter van Tiresias.

Choaspes, Choaspes, 1) rivier in Susiane, die langs Susa stroomt,
beroemd om haar kristalhelder water, dat de perzische koningen op hunne
reizen in zilveren kruiken medenamen.--2) stroom in het Indusgebied,
zijrivier van den Cophes of Cophen, die in den Indus valt, ook Choës
genoemd.

Choerades, Choirades, sc. nesoi, rotseilandjes voor de haven van
Tarentum.

Choerilus, Choirilos, 1) een der oudste atheensche treurspeldichters
(omstreeks 524); vooral zijne satyrspelen worden geroemd.--2) van
Samus, dichter van een historisch epos, Perseis (omstreeks 400).--3)
van Iasus, tijdgenoot van Alexander den Gr. wiens daden hij in een
episch gedicht verheerlijkte.

Choes, de tweede dag der Anthesteria (z.a.).

Chones, Chones, volk aan de kust van Zuid-Italië, tot de Oenotri
behoorend, in de buurt van Metapontum en Siris. Daarnaar heette de
kuststreek om de golf van Tarentum Chonia.

Choragus, choregos, iemand die bij het opvoeren van tooneelstukken,
muziek- en dansuitvoeringen, met het bezorgen en bekostigen van het
koor belast was. De choregie was een van de kostbaarste liturgieën
(z. Liturgia), en bij den wedijver, waarmede de choragen elkander
trachtten te overtreffen, stegen de kosten ervan wel eens tot 5000
drachmen. Deze kosten bestonden in de betaling en het onderhoud der
choreuten en van den chorodidaskalos, iemand die het koor oefende en
de repetities leidde, verder in prachtige kleederen, gouden kransen,
enz., waarmede het koor optrad. De choragus, die den prijs won,
richtte ter gedachtenis daaraan een klein marmeren gedenkteeken op,
dat door een metalen drievoet gekroond werd. Zie de afbeelding bl. 103.

Chorasmii, Chorasmioi, een arische volksstam, die de oase van Chiwa
reeds vroeg in cultuur heeft gebracht, en kanalen heeft aangelegd,
gevoed door het water van den Araxes of Oxus, om het land te
irrigeeren, zooals we dat in Mesopotamië vinden. Het is het stamland
van Zarathustra. Zij leverden hulptroepen aan Alexander d. G.

Choraules, choraules, iemand die den zang en dans van een koor op
de fluit begeleidt. De benaming zelf komt eerst in den romeinschen
tijd voor.

Choregia, z. Choragus.

Chorizontes werden in den alexandrijnschen tijd de grammatici genoemd,
die beweerden dat de Ilias en de Odyssee niet van denzelfden dichter
waren.

Chorus, choros, een zeker aantal personen, die bij godsdienstige
feesten reidansen uitvoerden, welke zij door gezang afwisselden. Later
werd dit gezang hier en daar afgebroken door alleenspraken en dialogen,
en zoo ontstond het drama. In het eigenlijke drama neemt het koor,
zonder zelf handelend op te treden, toch aan de handeling deel, en
begeleidt de daden der hoofdpersonen met opmerkingen, vermaningen,
aansporingen, troostredenen, enz., terwijl het bij zekere rustpunten
in de handeling liederen zingt, die daarmede min of meer in verband
staan, en dansen uitvoert. Daarmede geeft het uiting aan de gevoelens,
die volgens den dichter het stuk bij den toeschouwer moet opwekken. Het
koor bestond in het treurspel uit 12, later uit 15, in het blijspel uit
24 personen. Soms zongen allen met elkander, soms bij beurten grootere
of kleinere afdeelingen; gesproken werd slechts door den leider van
het koor (choryphaios), of in enkele gevallen door de leiders der beide
koorhelften (parastatai). De plaats van het koor was in de orchestra.

Chremonideïsche oorlog (± 265-263), zoo genoemd naar Chremonides,
die in dien tijd te Athene aan het hoofd van den staat stond, werd
door Athene, Sparta, het achaeisch verbond e. a. grieksche staten
gevoerd om de Macedoniërs uit Griekenland te verjagen. De oorlog
eindigde, toen Athene zich na een lang beleg aan Antigonus Gonatas
had moeten overgeven.

Chrysa of -e, Chrysa, -e, stadje aan de Zuidkust van Troas, aan de
Adramyttische golf met een tempel van Apollo Smintheus. Het plaatsje
is vroeg verwoest.

Chrysaor, Chrysaor, 1) zoon van Poseidon en Medusa, die te voorschijn
kwam toen zijne moeder door Perseus het hoofd werd afgehouwen.--2)
"met een gouden zwaard", bijnaam van Zeus, Apollo e. a. goden.

Chrysas, Chrysas, rivier op Sicilia nabij Assorus, een zijrivier van
den Symaethus.

Chryse promunturium, Chryse cherronesos, het schiereiland Malakka.

Chryseis, Chryseis dochter van Chryses, den priester van Apollo te
Chryse. Op een strooptocht werd zij door Achilles gevangen genomen en
bij de verdeeling van den buit aan Agamemnon gegeven. Toen haar vader
haar wilde loskoopen, maar door Agamemnon beleedigd en weggejaagd was,
zond Apollo tot straf de pest in het grieksche leger, die niet ophield
voordat Chr. aan haar vader teruggegeven was (z. Briseis).

Chrysippus, Chrysippos, 1) zoon van Pelops en Axioche, werd door zijne
stiefbroeders Atreus en Thyestes vermoord.--2) van Soli of Tarsus
(282-206), zoon van Apollonius, leerling van Cleanthes en na diens
dood hoofd der stoicijnsche school. Hij verdedigde en bevestigde de
leer van Zeno in een groot aantal werken, naar men wil 705, waarin
hij echter dikwijls zichzelf herhaalde of tegensprak. Hij gold als
het ware voor den tweeden stichter der school, getuige het woord:
ei me gar en Chrysippos, ouk an en Stoa.

Chrysogonus (C. Cornelius), vrijgelatene van Sulla, als valsche
aanklager bekend uit Cicero's oratio pro S. Roscio Amerino.

Chrysopolis, Chrysopolis, versterkte havenstad in het gebied van
Chalcedon in Bithynia, tegenover Byzantium, thans Scutari.

Chrysothemis, Chrysothemis, dochter van Agamemnon en Clytaemnestra.

Chthonius, Chthonios, 1) een van de vijf Sparten, die in leven bleven
bij het gevecht, dat zij onder elkander leverden (z. Cadmus).--2)
Chthonios, Chthonia, is een bijnaam van godheden, die met de
onderwereld in betrekking staan, als Hades, Demeter, Persephone
e. a. Zeus Chthonios = Hades.

Chytroi, de derde dag der Anthesteria (z. a.).

Chytri, Chytroi, stad op Cyprus, dicht bij de N.-kust.

Cia = Ceos.

Cibalis, Cibalae, stad in Pannonia dicht bij den Donau, tusschen
Sirmium en Mursa, waarbij Constantijn de Gr. in 314 na C. zijn zwager
Licinius versloeg.

Cibyra, Kibyra, hoofdstad van Cabalia (z. a.) of Cibyratis, 2 1/2
uur gaans in omtrek, bloeiend door hare ijzerfabrikage. Dit Cibyra
werd maior bijgenaamd ter onderscheiding van Cibyra minor in Pamphylia.

Cicereius (C.), rom. praetor in 173, overwon de Corsen en was
stadhouder van Sardinia en Corsica. Daar de senaat hem de eer van
een zegetocht binnen Rome weigerde, hield hij een zegepraal op den
Albaanschen berg.

Cicero, familienaam in de gens Tullia, z. Tullii no. 3-9.

Cicones, Kikones, thracische volksstam aan de kust tusschen Abdera
en de monding van den Hebrus. Hun stad heette Ismarus. De streek is
vroeg beroemd om den wijn, die er groeit. In hun gebied lag later de
ionische stad Maronea, ook Orthagorea geheeten.

Cidaris, kidaris, kitaris, het hooge en stijve hoofddeksel der
perzische koningen, waaromheen een blauw met witte band liep.

Cierium, Kierion, stad in Thessaliotis, vroeger Arne geheeten.

Cilicia, Kilikia, landschap in het Z.O. van Asia minor, ten Z. begrensd
door de zee en verder ingesloten door den Taurus en den Amanus. Het
westelijke deel, bergachtig en boschrijk, werd Cil. aspera, tracheia,
geheeten, het oostelijke vlakkere gedeelte Cil. campestris, pedias,
ook propria. De bevolking, van syrische afkomst, week voor de
grieksche kolonisatie naar de bergen en vormde na den val van het
rijk der Seleuciden nog een afzonderlijk staatje in de bergstreken
van den Amanus, onder den naam Eleutherokilikes. In de westelijke
bergstreken woonden pisidische en isaurische stammen, als stoute
zeeroovers berucht, totdat Pompeius in 67 en 66 den zeeroof fnuikte. De
hoofdstad van eigenlijk Cilicië was Tarsus. Cilicia was, ook onder de
perzische opperheerschappij, een koninkrijk, waarvan de vorsten den
naam of titel Syennesis (misschien = edel vorst) voerden. Alexanders
verovering maakte hieraan een einde. In 75 werd een klein hoekje in
het W. door P. Servilius Vatia tot rom. provincie gemaakt, terwijl
het overige later door Pompeius werd veroverd. Als rom. provincie
heeft Cilicia in verschillende tijden zeer verschillende grenzen en
verschillende indeelingen gehad.

Ciliciae portae, bergpas in den Taurus ten N. van Tarsus, door eene
rivier doorsneden en door kasteelen versterkt. Door dezen pas kwam
men uit het N. Cilicia binnen. De portae Ciliciae et Syriae en de
portae Amanides verleenden toegang uit het O.

Cilix, Kilix, zoon van Agenor, die door zijn vader uitgezonden werd
om zijne zuster Europa te zoeken; daar hij haar niet konde vinden,
keerde hij niet naar huis terug. Het land, waar hij zich vestigde,
werd Cilicia genoemd.

Cilla, Killa, stadje in Troas met een Apollo-tempel, in de buurt
van Antandros.

Cilnii, een oud etruscisch geslacht van koninklijken bloede. Hiertoe
behoorde C. Cilnius Maecenas (v. a. heet hij alleen C. Maecenas, en
is Maecenas het nomen gentilicium), de vertrouwde vriend en raadsman
van Octavianus, een voorstander van letteren en kunst en beschermer
van dichters, vooral van Vergilius en Horatius. Tweemaal, in 36 en 31,
droeg Octavianus gedurende zijne afwezigheid van Rome de zorg voor Rome
en Italia aan Maecenas op. Deze was dus stadhouder, maar geheel als
privatus, als gelastigde, daar hij nooit eenig openbaar ambt bekleed
heeft. In deze betrekking en ook bij verschillende gelegenheden als
onderhandelaar bewees Maecenas aan Augustus gewichtige diensten. Hij
was het ook, die met Agrippa na den ondergang van Antonius aan
Octavianus den raad gaf, de alleenheerschappij te behouden, en hij deed
zulks uit volle overtuiging. Terwijl hij als schrijver of staatsman
nooit heeft uitgeblonken, is zijn naam Maecenas als kunstbeschermer
in wezen gebleven. Hij stierf in het jaar 8, omstreeks 60 jaar oud.

Cimber, familienaam in de gens Tillia.

Cimbri, Kimbroi, een volksstam van germaansche afkomst, die langs den
Oceanus Germanicus (Noordzee) en wel grootendeels op de Chersonesus
Cimbrica in Sleeswijk woonde. Ze behooren tot den stam der Ingaevones
of Noordzee-Germanen. Toen door het onderloopen van een gedeelte hunner
landerijen, hetzij ten gevolge van hooge zeevloeden, hetzij door een
langzame daling van den bodem, het de sterk aangroeiende bevolking aan
voedsel begon te ontbreken, trokken zij, met de germaansche Teutonen
en de gallische Ambronen en Tiguriners verbonden, zuidwaarts en
eischten grond in het rom. gebied, dien zij niet verkregen. In 113
versloegen zij bij Noreia in Noricum den consul Cn. Papirius Carbo
(Papirii no. 12), wendden zich toen naar Gallia, waar zij vreeselijke
verwoestingen aanrichtten, doch werden door de Belgen verslagen. Hierop
trokken zij weder zuidwaarts naar de rom. provincie, eischten opnieuw
grondbezit en versloegen, toen de rom. senaat weigerachtig bleef,
eerst in 109 den consul M. Junius Silanus (Junii no. 16), en in 107
den legaat M. Aemilius Scaurus, en vernietigden in 105 bij Arausio
(Orange) een leger van 80000 man onder den consul Cn. Mallius Maximus
en den proconsul Q. Servilius Caepio (Servilii no. 15) bijna tot den
laatsten man. Nu richtten zij hun tocht naar Hispania, doch werden door
de Celtiberiërs teruggedreven. In 102 keerden zij naar Gallia terug,
en verdeelden zich in twee groepen. De Ambronen en Teutonen wilden hun
weg over de Zeealpen nemen, maar werden in 102 door C. Marius bij Aquae
Sextiae (Aix in Provence) geheel verslagen. De Cimbren trokken naar
Noricum en drongen door het dal van den Athesis (Etsch) de Po-vlakte
binnen, doch werden in 101 op de Raudische velden bij Vercellae door
C. Marius en Q. Lutatius Catulus vernietigd. Een gedeelte van den stam
was in het vaderland achtergebleven, en in de 2de eeuw na Chr. woont
er nog een afdeeling van hen in het noordelijkste gedeelte van
Jutland. Het schiereiland en de noordpunt daarvan is naar hen benoemd.

Ciminius mons en lacus, boschrijke bergrug en meer in Etruria, ten
Z.O. van het Volsinische meer.

Cimmerii, Kimmerioi, mythisch volk aan den rand van den oceaan, in het
uiterste Westen der aarde, waar geen zonnestraal doordringt en alles
in eeuwige nevelen is gehuld. Bij de dichters wordt de uitdrukking
Cimmerii lacus voor de onderwereld gebezigd. De historische Cimmeriërs
woonden in de taurische Chersonesus (de Krim) en verder langs de Palus
Maeotis (zee v. Azow). Voor de Scythen wijkende, trokken zij naar Azië,
drongen plunderende tot in Lydia door, vermeesterden omstreeks 650
Sardes, maar werden toen door den lydischen koning Ardys teruggedreven.

Cimolus, Kimolos, klein eiland der Cycladen, ten N. van Melos,
met zilvererts en fijne kalkaarde, die door de vollers als creta
fullonica gebruikt werd tot het wasschen van fijn lijnwaad (zooals
bij ons de zeep).

Cimon, Kimon, 1) zoon van Stesagoras, vader van Miltiades. Hij werd
door Pisistratus uit Athene verjaagd, maar keerde later terug. Toen
hij met zijne renpaarden ten derden male den eersten prijs te Olympia
behaald had, lieten de zonen van Pisistratus hem vermoorden.--2)
zoon van Miltiades en Hegesipyle, geb. 504. Daar zijn vader als
schuldenaar van den staat gestorven was, miste hij eenigen tijd het
burgerrecht, totdat de rijke Callias de schuld voor hem betaalde;
daarvoor stond C. hem de schoone Elpinice af, die zijne halfzuster en
tevens zijne vrouw was. Na dien tijd streed hij met veel roem tegen de
Perzen, veroverde Eïon in Thracië en het eiland Scyrus, voegde door
zijne dapperheid en innemend gedrag vele steden, waaronder sommige
niet-grieksche, aan den atheenschen bond toe, versloeg de Perzen bij
de rivier Eurymedon in Pamphylië op denzelfden dag te land en ter zee
(468), bedwong Naxus, dat getracht had zich van den atheenschen bond
los te maken, en bracht eindelijk de geheele Chersonesus in het bezit
der Atheners (476-468). Door deze overwinningen had hij ook in het
staatkundige grooten invloed gekregen, en toen Themistocles verbannen
en Aristides gestorven was, was hij de eerste man van Athene. Hij
wist het door te drijven, dat de bondgenooten hunne verplichting om
schepen te leveren konden afkoopen, en dwong vele wederspannige staten
met geweld in de atheensche symmachie te blijven. Ten gevolge van
zijne aristocratische neigingen en van zijne vriendschap voor Sparta
stond hij echter voortdurend bloot aan de aanvallen der volkspartij,
en hoewel eene eerste aanklacht tegen hem zonder gevolg bleef, werd
hij in 460, nadat een leger, dat op zijn raad in den oorlog tegen de
Messeniërs aan de Spartanen ter hulp gezonden was, uit wantrouwen was
teruggezonden, door het ostracismus verbannen. Hoewel zijn verzoek
om in den slag bij Tanagra (457) mede te strijden, werd afgewezen,
werd hij niet lang daarna uit zijne ballingschap teruggeroepen en
in 451 bewerkte hij een vijfjarigen wapenstilstand tusschen Athene
en Sparta. In 449 opnieuw met eene vloot van 200 schepen tegen de
Perzen gezonden, stierf hij gedurende het beleg van Citium. De
zoogenaamde vrede van Cimon, waarbij de koning van Perzië alle
grieksche steden in Klein-Azië onafhankelijk verklaarde en zich
verbond geene oorlogsschepen in de Aegaeische zee te zenden, wordt
alleen door latere schrijvers vermeld. Deze vrede is in werkelijkheid
door Callias gesloten (z. Callias no. 1).--Behalve Cimon's groote
talenten als veldheer, worden ook zijne liefdadigheid en minzaamheid
tegenover arme burgers geroemd en de mildheid, waarmede hij groote
sommen aan de verfraaiing zijner vaderstad besteedde.

Cinado, Kinadon, een Spartaan, die in het begin der regeering van
Agesilaus eene samenzwering smeedde om de staatsregeling omver te
werpen. Het plan werd echter verraden en de saamgezworenen werden
ter dood gebracht.

Cinara, Kinara, eilandje in de Aegaeische zee, oostwaarts van Naxos,
beroemd om zijne artisjokken, kinarai.

Cincia (lex) de donis et muneribus. Deze wet verbood aan advocaten
geschenken aan te nemen van de rechtzoekenden. Zij was een plebisciet,
204.

Cincii. Van dit plebejische geslacht zijn slechts de Alimenti
bekend. 1) L. Cincius Alimentus was in 210 en 209 praetor op
Sicilia. In 208 deed hij een vruchteloozen aanval op Locri Epizephyrii
in Bruttium. Hij werd door Hannibal krijgsgevangen gemaakt. Hij is
de schrijver van annales in het Grieksch.--2) M. Cincius Alimentus,
volkstribuun in 204, was de vader der lex Cincia.

Cincinnatus, familienaam in de gens Quinctia,  z. Quinctii no. 2-5.

Cinctus Gabinus = Gabinus cinctus.

Cineas, Kineas, 1) thessalisch vorst, die met 1000 ruiters de
Pisistratiden kwam helpen, toen de Lacedaemoniërs hen uit Athene
wilden verjagen.--2) Thessaliër, vriend en dienaar van Pyrrhus, den
koning van Epirus, wien hij door zijn verstand en zijne welsprekendheid
groote diensten bewees. Tevergeefs ontried hij Pyrrhus den tocht naar
Italië, wel werd op zijn raad den Romeinen na de eerste overwinning
van Pyrrhus vrede aangeboden. Hij ging zelf tweemaal naar Rome om te
onderhandelen, de eerste maal na Pyrrhus' overwinning bij Ausculum
(279), maar in weerwil van zijne welsprekendheid wees de senaat,
die op hem den indruk maakte van eene vergadering van koningen,
zijne voorstellen standvastig af. Hij stierf, naar het schijnt,
gedurende den tocht van Pyrrhus naar Sicilië. Ook als schrijver van
werken over taktiek en geschiedenis wordt hij genoemd.

Cinesias, Kinesias, atheensch dithyrambendichter, omstreeks 415,
dikwijls bespot om zijne ultra-moderne muziek.

Cinga, zijrivier van den Sicoris (Segre) in Tarraconensis.

Cingetorix, Galliër uit het volk der Treviri ten tijde van Caesar,
vriend der Romeinen, die hem het bestuur over zijne onderworpen
stamgenooten lieten. Ook naam van een vorst der Britten in denzelfden
tijd.

Cingulum, bergvesting in Picenum, in 63 door Labienus aangelegd.

Cinna, familienaam in de gens Cornelia (z. Cornelii no. 39-42) en de
gens Helvia.

Cinxia, bijnaam van Juno, als godin van het huwelijk.

Cinyps, gen. -phis, Kinyps, rivier op de kust van Africa tusschen
de groote en de kleine Syrte, bij Leptis magna. De streek, waardoor
zij stroomde, bracht zeer schoonharige geiten voort. Dichterlijk is
cinyphius = afrikaansch.

Cinyras, Kinyras, zoon van Apollo, koning van Cyprus, priester van
Aphrodite. Bij zijne dochter Myrrha verwekte hij, zonder haar te
kennen, den schoonen Adonis; toen hij dit ontdekte, stortte hij zich
in zijn zwaard.

Cios = Cius.

Cippus, oorspronkelijk = paal. Deze naam kreeg ook een palissadeering
onder water, door Caesar aangelegd in de grachten zijner legerplaats
vóór Alesia. Deze versterking bestond in stukken van boomstammen,
van boven scherp gepunt en met gekapte takken, die op den bodem
der gracht werden neergelaten. Verder wordt het meestal gebruikt
voor grenspaal van hout of steen, om den Tiberloop, het pomoerium,
de waterleidingen, en de area van een graf aan te wijzen.

Circe, Kirke, dochter van Helius en Perse. Zij woonde op het eiland
Aeaea, dat zij door hare tooverkunsten in een heerlijk oord herschapen
had, waar zij den tijd doorbracht met weven en zingen en door schoone
nimfen bediend werd. Toen Odysseus op haar eiland landde, veranderde
zij zijne makkers in zwijnen, hijzelf was echter door een kruid,
dat hem door Hermes gegeven was, tegen hare toovermiddelen bestand;
zelfs dwong hij haar, aan zijne makkers hunne oorspronkelijke gedaante
terug te geven. Hij bleef een geheel jaar bij haar en verwekte bij
haar drie zonen: Telegonus, den mythischen stichter van Tusculum,
Agrius en Latinus. Toen hij eindelijk op aandringen zijner makkers
wenschte te vertrekken, liet zij hem gaan, na hem eerst zijn verdere
lotgevallen voorspeld te hebben. Zie Telemachus.

Circeii, oude havenstad in Latium, wegens de overeenkomst van naam door
de mythe met Circe in verband gebracht. De nabijgelegen kaap heette
promunturium Circeium of Circeius mons. In de 5de eeuw was Circeii in
de macht der Volscen, maar in 393 werd het heroverd, en als latijnsche
kolonie ingericht, wat het gebleven is tot 90. Onder Circaea moenia
bij Horatius moet men niet Circeii, maar Tusculum verstaan (z. Circe).

Circesium, Kirkesion, rom. grensvesting in Mesopotamia aan de
samenvloeiing van den Chaboras en den Euphraat. Hier was in 604 koning
Necho van Aegypte door Nebukadnezar verslagen.

Circius, Thraskias, de noordwestenwind, zie Windstreken. Circius
of Cercius ventus, ook ventus Gallicus geheeten, is de naam van een
wind, die met groote heftigheid in het Zuiden van Gallia Narbonensis,
en Zuidwaarts tot aan Ostia optreedt. Het is de bekende Mistral. In
andere streken heet hij Corus of Caurus.

Circumcelliones worden sedert de helft van de 4de eeuw n. C. die
Donatisten genoemd, die in Afrika, door den nood gedrongen, monniken
en zwervers werden; ze zijn hevig gekant tegen andersdenkenden en
tegen de bezittende klassen.

Circus. Wedrennen behoorden tot de meest geliefde schouwspelen der
Rom. Het renperk was eene langwerpige ruimte, aan wier begin de
stallen (carceres) zich bevonden. Deze carceres waren in een flauwen
boog gebouwd, zoodat de afstand tot aan het eigenlijke aanvangspunt
van den rit voor allen gelijk was. Aan het andere eind was de circus
afgerond. Langs de renbaan waren de zitplaatsen voor de toeschouwers,
op dezelfde wijze als in het amphitheatrum. In de as der baan was eene
verhevenheid, de spina, waarop dikwerf altaren, zuilen en dergelijke
versierselen stonden. Vóór de beide uiteinden der spina stonden de
metae of eindpalen, waarom de wagens moesten heenzwenken. Zulk eene
meta bestond uit een steenen voetstuk met drie kegelvormige zuilen. Op
de spina, nabij de einden, stonden twee verhevenheden; op de eene
lagen zeven groote marmeren eieren, op de andere stonden zeven groote
marmeren dolfijnen. Bij elken omrit (curriculum of spatium) werden een
ei en een dolfijn afgenomen. Zeven omritten vormden een missus. Wie
bij den zevenden omrit het eerst de krijtstreep (zie calx) bereikte,
was overwinnaar. Bij elken wedren of missus liepen in den regel vier
wagens (zie auriga), terwijl verscheidene missus elkander opvolgden.

De circus maximus te Rome, gelegen tusschen den Palatinus en den
Aventinus, herhaaldelijk vergroot, was ten laatste 600 Meter lang en
150 M. breed. Hij kon toen 180,000 toeschouwers bevatten. Behalve
dezen telde Rome binnen zijne muren nog een kleineren, den circus
Flaminius, door C. Flaminius in 220 gesticht op den Campus Martius
ten N.O. van den Capitolinus. De circus max. en de circus Flam. hebben
hun naam gegeven aan de 11de en 9de der 14 regiones, waarin Augustus
Rome verdeelde.

Cirphis, Kirphis, zie Parnassus.

Cirrha, zie Crissa.

Cirta, Kirta, uiterst sterke stad in Numidia (Africa Nova), koninklijke
residentie, later naar Constantijn den Gr. Constantina genaamd;
tgw. Constantine.

Cisalpina (Gallia), het noordelijk gedeelte van Italië, van de
Alpen tot aan de riviertjes Macra en Rubico. Het was gedeeltelijk
bevolkt door gallische stammen, die er de Etruscers en Umbriërs uit
verdrongen. Het omvatte de landstreken Liguria, Gallia Cispadana,
Gallia Transpadana, Venetia, Histria.

Cispadana (Gallia), de oostelijke helft van Noord-Italië bezuiden
den Padus (Po).

Cispius (mons), een van de bergen van het Septimontium, zie Roma;
hij behoorde tot de wijk Esquiliae, en was gelegen tusschen den Mons
Oppius en den Collis Viminalis.

Cisseis, Kisseis, 1) Theano, dochter van den thracischen koning
Cisses.--2) Hecabe, dochter van Cisseus.

Cissia, Kissia, oude naam voor de landstreek Susiane aan den Choaspes,
met eene zeer heldhaftige bevolking.

Cisterna, van boven gesloten vergaarbak, vooral voor regenwater;
open vergaarbakken heeten lacus.

Cistophorus, kistophoros, 1) degene, die bij sommige godsdienstige
plechtigheden, vooral bij de mysteriën, de heilige kist droeg, waarin
zich offergereedschappen, enz. bevonden.--2) aziatische munt ter
waarde van 4 drachmen, die tot stempel had een half geopende kist,
waaruit een slang te voorschijn kwam.

Cithaeron, Kithairon, woest gebergte tusschen Attica, Boeotia en
Megaris, rijk aan ongeluksmythen (Actaeon, Pentheus, Niobe's kinderen,
Oedipus te vondeling gelegd).

Cithara, kithara, kitharis, een muziekinstrument, door Amphion of
Linus uitgevonden; het was in vorm nagenoeg gelijk aan onze gitaar
en had oorspronkelijk 3 of 4, gewoonlijk 7, later nog meer, eindelijk
15 snaren. Men bespeelde het met de hand of met een plectrum, terwijl
men het op den linkerarm liet rusten.

Citium, Kition, een der negen hoofdsteden van Cyprus, op de Zuidkust
gelegen. Cimon stierf hier (449).

Cius of Cios, Kios, oude koopstad aan de Z. kust van de Propontis aan
den Cianus Sinus, kolonie van Miletus, door de Macedoniërs verwoest,
maar door Prusias van Bithynia herbouwd en Prusias geheeten, niet te
verwarren met het zuidelijker gelegen Prusa.

Civilis (Iulius, niet Claudius), Batavier van edele afkomst, die in
de jaren 69-70 na C. het hoofd was van den bataafschen opstand tegen
Rome. Een oogenblik nam de opstand onrustwekkende afmetingen aan. Met
andere germaansche stammen vereenigd, behaalden de Batavieren meer
dan ééne overwinning en belegerden Castra Vetera (Xanten), dat zij
ten laatste ook vermeesterden. Ook in Gallië brak een opstand uit,
maar gebrek aan samenwerking en aan de noodige eenheid was oorzaak,
dat de Galliër Julius Tutor en later ook Civilis door den rom. veldheer
Cerealis verslagen werden. Het gelukte den Romeinen, de Batavieren van
hunne bondgenooten te scheiden en naar hun eiland terug te dringen
(z. ook Batavodurum), waarop Civilis met Cerealis een eervollen
vrede sloot en het oude bondgenootschap der Batavieren met Rome
werd hersteld.

Civitas, burgerrecht (eigenlijk ius civitatis of ius
Quiritium). Volgens de begrippen der oudheid had alleen de burger
van den staat vanzelf aanspraak op de bescherming der wetten. Door
verdragen met andere staten kon wederzijdsche bescherming worden
verleend, doch in het algemeen beschermden de wetten den vreemdeling
niet, tenzij een burger zich zijner aantrok en voor hem optrad. Vandaar
de groote beteekenis van het burgerrecht in de oude tijden. Men was
burger door geboorte of door schenking van het burgerrecht. De rechten,
die het Rom. burgerrecht verleende, kunnen onderscheiden worden in
iura privata en iura publica. Tot de iura privata behoorden vooral het
conubium en het commercium; tot de iura publica in de eerste plaats het
ius provocationis, het recht om zich van een vonnis der overheden op de
volksvergadering te beroepen. De rom. burger was tijdens de republiek
vrij van onteerende straffen; alleen door de volksvergadering kon hij
tot geeseling en doodstraf worden veroordeeld. Het ius suffragii en het
ius honorum et sacerdotiorum maakten geen noodzakelijk bestanddeel van
het rom. burgerrecht uit. Die het hadden, waren cives optimo iure; die
het niet hadden, heetten aerarii (z. a.). Keizer Caracalla schonk in
212 na C. het burgerrecht aan alle vrije inwoners van het rom. rijk,
ten einde de successierechten op rom. erfenissen door het geheele
rijk te kunnen heffen. Zie ook capitis deminutio en politeia.

Civitates. In de oudheid vindt men in hetzelfde land verschillende
volken en stammen, soms wel door een verbond vereenigd, maar toch elk
met hun eigen gebied en als zelfstandig geheel. Zoo vormden ook de
grieksche volksplantingen aan de Middellandsche zee en hare bijzeeën
afzonderlijke staatjes. De Rom. lieten dezen toestand bestaan,
en waar zij hem niet vonden, riepen zij hem in het leven, door het
land in civitates te versnipperen. Hoever deze versnippering ging,
blijkt o.a. hieruit, dat op Sicilia 63 civitates bestonden, ieder
door een verdrag aan Rome geketend, doch onderling zonder band, zonder
conubium of commercium. (Alleen de burgers van Centuripae hadden recht
van grondbezit over het geheele eiland). Zoo stond Rome tegenover een
aantal kleine gebiedjes of staatjes en bleef het gemakkelijk meester,
en dit is het, wat men onder dividere et imperare te verstaan heeft.

Civitates foederatae, liberae, immunes. In het rom. gebied had men ook
vrije steden, civitates liberae, met eigen wetten en eigen rechtspraak,
waaraan ook de inwonende Romeinen onderworpen waren. De stadhouder der
provincie had dáár geen gezag uit te oefenen en geen recht, zich in de
iurisdictio dezer staatjes te mengen. Deze vrije gemeenten waren òf
civitates liberae et foederatae, die indertijd vrijwillig een foedus
met Rome hadden gesloten op den voet van wederzijdsche gelijkheid van
rechten,--òf wel alleen civitates liberae, waaraan de vrijheid door
eene wet of een senaatsbesluit was geschonken, hetzij voor betoonde
trouw of voor vrijwillige onderwerping. Deze laatste soort was aan
geldelijke lasten ten bate der rom. schatkist onderworpen, tenzij zij
civitates liberae et immunes waren, waaraan alleen in buitengewone
gevallen verplichtingen konden worden opgelegd. De uitdrukking civitas
foederata zonder bijvoeging van libera sluit geene vrijheid in. Wanneer
men civitates foederatae naast socii gebezigd vindt, moeten onder de
eerste de civitates in de provinciën, onder de laatste die in Italia
verstaan worden. Zie echter socii.

Cladeus, Kladeos, beek die langs Olympia stroomend in den Alpheus valt.

Clanis, riv. in Etruria, stroomt langs Clusium en valt in den Tiber.

Clanius, rivier in Campania, ten Z. van den Volturnus, aan zijn
monding ook Liternus geheeten.

Clarissimi, titel der derde klasse van ambtenaren onder Constantijn.

Clarus, Klaros, stadje in Ionia nabij Colophon, met een tempel en
een orakel van Apollo Clarius.

Classiarii. De zeedienst was bij de Rom. veel minder in aanzien dan
de krijgsdienst te land. De bemanning der vloot, classiarii, socii
navales, werd dan ook uit de armere burgers en uit de vrijgelatenen
genomen. In later tijd wordt ook de naam classici gebruikt.

Classici, de burgers, die tot de eerste klasse behoorden. Vanhier de
uitdrukking scriptores classici, schrijvers van den eersten rang. Ook
= classiarii.

Classicum, trompet- of hoornsignaal, ook gebruikt voor het bijeenroepen
der comitia centuriata.

Classis. De rom. burgers waren naar hun vermogen in 5 classes ingedeeld
(zie centuria). De eerste klasse werd dikwerf bij uitnemendheid classis
geheeten; vandaar de uitdrukking infra classem voor hen, die lager
stonden. In het oudere Latijn is classis de onder de wapenen geroepen
manschap; vandaar classis procincta, het slagvaardige leger. Ook =
vloot. Omtrent de geschiedenis der romeinsche marine valt het volgende
te melden. In 426 wordt voor het eerst een zeegevecht vermeld, in
394 gaat een oorlogsschip naar Delphi. In 338 behalen de Romeinen
een overwinning ter zee op de Antiaten, in 311 worden de duoviri
navales classi ornandae et reficiendae voor het eerst vermeld. In den
eersten Punischen oorlog is de vloot zeer belangrijk. Later liet men
ze vervallen, of liet men de bondgenooten voor schepen zorgen. Eerst
door de troebelen van den zeerooveroorlog komt men er toe weer een
voldoende vloot te bouwen (67), en sedert speelt die een groote
rol in de burgeroorlogen. Augustus en de latere keizers onderhouden
een blijvende vloot, die twee stations heeft, één te Misenum, één
te Ravenna. Ook in de provincies had men vloten, o.a. in Egypte,
en op den Donau en den Rijn.

Clastidium, stad der Anares (Anamari) in Gallia Cispadana, nabij
den Padus (Po) op de grens van Liguria. M. Claudius Marcellus (zie
Marcelli no. 29) behaalde hier in 222 eene overwinning op de Galliërs
en versloeg eigenhandig hun aanvoerder Virdomarus.

Claternae, stad in Gallia Cispadana aan de Via Aemilia ten O. van
Bononia (Bologna).

Claudia (lex) van den volkstribuun Q. Claudius in 218, dat geen
senator of senatorszoon een zeeschip mocht hebben van meer dan 300
amphorae (76 hectoliter) inhoud. Hierdoor werd het aan de senatoren
onmogelijk gemaakt handel te drijven. Deze maatregel heeft indirekt
het grootgrondbezit in Italië in de hand gewerkt, daar de senatoren
voortaan hun geld in land belegden.

Claudia (lex) van den consul C. Claudius Pulcher in 177, dat de
Latijnen, die zich te Rome ophielden, deze stad moesten verlaten en
naar hunne eigene steden terugkeeren. De bedoeling was, de ontvolking
der latijnsche steden te voorkomen.

Claudia (lex) van keizer Claudius, een verbod om aan minderjarigen
geld te leenen.

Claudianus (Claudius), een der laatste dichters van het west-rom. rijk,
± 400 na C., geb. te Alexandria, bezong in latijnsche verzen den lof
en de daden van keizer Honorius en van Stilicho. Epische fragmenten,
brieven en kleine gedichten zijn nog van hem overig. Hij schreef niet
zonder talent en kracht.

Claudii, een oorspronkelijk sabijnsch geslacht. 1) Atta Clausus
verhuisde in 504 uit de stad Regillum, waar hij vele vijanden had,
met zijne cliënten naar Rome, waar hij bereidwillig onder de patriciërs
werd opgenomen en met de zijnen eene eigene tribus Claudia vormde. Te
Rome werd zijn naam veranderd in Appius Claudius met den bijnaam
Sabinus Inregillensis. In 495 was hij consul. Hij maakte zich gehaat
door zijne trotschheid en hardheid jegens de plebejers en zijne
schuldenaars. Alles wat van hem verteld wordt, is verzonnen.--2)
App. Claudius Crassus Inregillensis Sabinus, zoon van no. 1, was
consul in 471 en in 451, maar trad toen af, om decemvir legibus
scribundis te worden. De verhalen omtrent zijn consulaat in 471,
en zijn tegenwerking van de volkstribunen en de lex Publilia, zijn
verzonnen. Ook alle verhalen omtrent het decemviraat gedurende 451-449
zijn onhistorisch. Volgens deze verhalen zou hij na het gebeurde
met Verginia (zie Verginii no. 6) in de gevangenis ter dood gebracht
zijn of zich zelven het leven benomen hebben.--3) C. Claudius Sabinus,
ook een zoon van no. 1, toonde zich bij verschillende gelegenheden den
plebejers zeer vijandig. Alles is ook hier verzonnen.--4) App. Claudius
Crassus of Crassinus, heftig bestrijder van de toelating der plebejers
tot het consulaat, was in 362 dictator en stierf als consul in
349.--5) App. Claudius Caecus, censor in 312 (v. a. 310), legde als
zoodanig de beroemde via Appia en eene waterleiding, aqua Claudia,
aan. Hij bleef langer dan zijn ambtgenoot in functie (zie Plautii
no. 4) om deze bouwwerken te voltooien. Omtrent zijn verandering in
den Herculesdienst zie men Pinarii. Overigens is deze censuur bekend
geworden door ingrijpende wijzigingen, vooral hierdoor, dat Cl. niet
meer uitsluitend het grondbezit, maar ook het overige vermogen als
grondslag voor den census aannam en aan alle burgers, ook aan de
vrijgelatenen, toestond, zich in alle tribus te laten inschrijven,
alsmede door de willekeurige, tegen de gewoonte indruischende lectio
senatus, waarbij zonen van vrijgelatenen, o. a. Cn. Flavius in den
senaat werden opgenomen. Zijn geheele werkzaamheid als censor was in
democratischen geest en gekant tegen de belangen zijner standgenooten,
de patricii. Claudius was consul in 307 en in 296, in welk laatste jaar
hij de Etruscers versloeg. Later werd hij blind, doch hield in 279 of
280 in den senaat niettemin de beroemde rede, waardoor hij bewerkte
dat de vredesvoorslagen van Pyrrhus van de hand werden gewezen.--6)
App. Claudius Caudex streed als consul in 264 tegen de Carthagers op
Sicilia.--7) P. Claudius Pulcher, zoon van no. 5, verloor als consul in
249 bij Drepana een zeeslag tegen de Carthagers. De heilige hoenders,
die ongunstige voorteekenen gaven, had hij in zee laten werpen. Hij
werd later wegens hoogverraad aangeklaagd, en waarschijnlijk
veroordeeld. Hij hoorde tot de radicalen, evenals zijn vader.--8)
App. Claudius Pulcher, zoon van no. 7, nam deel aan den slag bij
Cannae in 216 en het beleg van Syracusae in 213 en stierf aan zijne
wonden kort na de inneming van Capua in 211, waaraan hij als consul en
proconsul een werkzaam aandeel had. Z. Fulvii no. 4.--9) App. Claudius
Pulcher, een zoon van no. 8, streed in 198 en 197 onder T. Quinctius
Flamininus in den macedonischen oorlog, in 195 tegen Nabis van Sparta,
in 191 onder M'. Acilius Glabrio in den syrischen oorlog, versloeg in
185 als consul de ligurische Ingauni en nam later nog verschillende
gezantschappen waar.--10) C. Claudius Pulcher, ook een zoon van no. 8,
consul in 177, versloeg de Istriërs en Liguriërs, streed in 171 in den
oorlog tegen Perseus en werd in 169 censor. Als zoodanig maakte hij
zich door zijne gestrengheid gehaat. Hij werd tijdens zijn censuur
door den tribunus plebis P. Rutilius van perduellio aangeklaagd,
en zou veroordeeld zijn, als niet zijn ambtgenoot Tib. Sempronius
Gracchus voor hem in de bres was gesprongen. Van hem is de lex Claudia
de sociis Latinis.--11) Claudia Quinta, waarschijnlijk een kleindochter
van no. 5. Toen in 204 het schip met het beeld van Cybele (zie Rhea)
uit Pessinus te Ostia gekomen was, kon het door de droogte niet naar
Rome opgesleept worden. De sage vertelt, dat daarop Claudia Quinta
door aan het touw te trekken, beweging heeft gebracht in het schip,
en zóó hare kuischheid heeft bewezen. Haar beeltenis stond later in
den voorhof van den tempel van Cybele, en bleef bij brand tweemaal
ongeschonden.--12) App. Claudius Pulcher, consul in 143, werd eerst
door de Salassiërs, een alpenvolk, verslagen, doch behaalde later eene
overwinning op hen en hield toen, trots de weigering van den senaat,
een zegetocht binnen Rome onder bescherming zijner dochter Claudia,
vestaalsche maagd, die op den zegewagen was gesprongen en den arm om
haar vader sloeg. Hij was censor in 137. De als volkstribuun bekende
Tib. Sempronius Gracchus was zijn schoonzoon. Hij was III vir agris
iudicandis adsignandis (zie Agrariae leges), en wordt als zoodanig
ook genoemd III vir agris dividendis colonisque deducendis. Hij
was princeps senatus. Als redenaar wordt hij door Cicero met
lof genoemd.--13) C. Claudius Pulcher, ook als redenaar bekend,
tegenstander van den volkstribuun L. Appuleius Saturninus in het jaar
100, vertoonde als aediel het eerst olifanten bij de openbare spelen
in 99. In 95 kreeg hij als praetor de opdracht van den senaat, een
nieuwe staatsregeling op te stellen voor de inwoners van Halaesa op
Sicilië.--14) App. Claudius Pulcher, praetor in 89, zag in 87 in den
burgeroorlog zijn leger tot L. Cornelius Cinna overloopen; hij werd
in 86 verbannen, maar keerde met Sulla terug en werd consul in 79;
later streed hij voorspoedig als pro-consul van Macedonië tegen de
Scordisci. Hij liet zijn kinderen (no. 15-19) in armoede achter.--15)
App. Claudius Pulcher, zoon van no. 14, diende onder zijn zwager
L. Licinius Lucullus in den oorlog tegen Mithradates in 74-72, en
eischte in 72 van Tigranes in Antiochia op hoogen toon de uitlevering
van Mithradates. Griekenland (in 61) en Sardinia (56) hadden veel te
lijden van zijne roofzucht, evenals Cilicia, waar hij in 53 proconsul
was en in 51 door Cicero werd opgevolgd. In 54 was hij consul geweest,
in 50 was hij censor en vervolgde in anderen de ondeugden, die hem
zelven aankleefden, hebzucht en omkoopbaarheid. Hij was een vijand van
Cicero, wiens terugroeping uit de ballingschap hij bestreed. Later
haalde hij zich Caesars haat op den hals, moest in 49 Rome verlaten
en voegde zich bij Pompeius, die hem tot stadhouder over Griekenland
aanstelde. Hij was een goed redenaar. Hij stierf op Euboea kort na den
slag bij Pharsalus.--16) C. Claudius Pulcher, ook een zoon van no. 14,
propraetor van Asia in 55, werd veroordeeld wegens afpersingen, hoewel
hij zijn aanklager omgekocht had.--17) P. Clodius (= Claudius) Pulcher,
derde zoon van no. 14, was de bekende volkstribuun en doodsvijand van
Cicero. Hij was een rustelooze onruststoker, die voor geene daden van
geweld terugdeinsde. In den oorlog tegen Mithradates ruide hij ten
bate van Pompeius de troepen van zijn zwager Lucullus op, zoodat zij
weigerden verder te trekken. In Dec. 62 sloop hij bij gelegenheid van
het feest der Bona Dea, dat in het huis van den pontifex maximus Caesar
gevierd werd, en waarbij alleen vrouwen tegenwoordig mochten zijn,
in vrouwenkleederen Caesar's woning binnen, maar werd ontdekt. Hij
werd in 61 wegens incestus aangeklaagd, maar tengevolge van omkooping
der rechters vrijgesproken. Van dezen tijd dateert de vijandschap
met Cicero, die tegen hem getuigd had. In 59 bewerkte Caesar,
die hem als werktuig tegen Cicero en de senaatspartij noodig had,
door een lex curiata, waarbij Clodius door een plebejer als zoon
werd aangenomen, diens overgang tot de plebs (transitio ad plebem,
zie Comitia Curiata Calata), zoodat hij zich voor 58 tot tribunus
plebis kon laten kiezen. Toen hij in 58 als volkstribuun Cicero in
ballingschap had gedreven en Cato door een eervolle opdracht uit
Rome had verwijderd (zie Clodiae leges no. 7), ontzag hij niets of
niemand meer en oefende aan het hoofd zijner gewapende benden van
slaven en huurlingen te Rome een waar schrikbewind uit. Hij kwam in
52 om bij eene schermutseling tusschen zijne bende en het gevolg van
zijn vijand T. Annius Milo op den heerweg bij Bovillae. Zie verder
Clodiae leges.--18) Clodia maior, dochter van no. 14, was gehuwd met
Q. Caecilius Metelles Celer, wiens dood (59) haar werd geweten. Cicero,
dien zij haatte, wreekte zich op haar in zijne oratio pro Coelio, die
door haar van giftmengerij was beschuldigd. Zij was de minnares van
Q. Valerius Catullus (zie Valerii no. 38) en daarna van M. Caelius
Rufus (Caelii no. 4).--19) Clodia minor, dochter van no. 14, was
gehuwd met L. Licinius Lucullus.--20) C. Claudius Centho, komt in
200 in den oorlog tegen Philippus van Macedonia als legaat voor.--21)
App. Claudius Centho, zoon van no. 20, streed in 174 voorspoedig tegen
de Celtiberiërs, in 170 en 169 met afwisselend geluk in Illyria.--22)
C. Claudius Nero streed in 214 onder M. Claudius Marcellus op Sicilia,
veroverde in 211 als pro-praetor Capua en versloeg in 207 als consul
met zijn ambtgenoot M. Livius Salinator bij den Metaurus Hannibals
broeder Hasdrubal, die aldaar sneuvelde. In 204 waren beide consuls
censors. Hierbij deed zich het ergerlijke tooneel voor, dat beide
censoren elkander van de ridderlijsten schrapten, en ook op andere
wijze kibbelden.--23) Tib. Claudius Nero was in 202 consul met Scipio
Africanus maior. Zijn tocht naar Africa mislukte door storm.--24)
Tib. Claudius Nero, dien Cicero gaarne tot schoonzoon had gehad, hield
het na Caesars dood eerst met Antonius, later met Sextus Pompeius,
en stond vervolgens (38) aan Octavianus zijne vrouw Livia Drusilla
af, bij wie hij twee zonen had, den lateren keizer Tiberius en den
bekenden veldheer Drusus (zie no. 26).--25) Tib. Claudius Nero, zoon
van no. 24, rom. keizer 14-37 na C. Zie Tiberius.--26) Nero Claudius
Drusus, gewoonlijk Drusus genoemd, jongere zoon van no. 24 en dus
broeder van keizer Tiberius, geb. 38, toen Livia reeds met Octavianus
getrouwd was, werd door zijn stiefvader Augustus, wiens vertrouwen hij
in volle mate bezat, in 15 uitgezonden om de Alpenvolken, vooral de
Raetiers, te onderwerpen, hetgeen hij met zijn broeder Tiberius tot
stand bracht. Uit de onderworpen streken werd een nieuwe provincie
Raetia et Vindelicia gevormd, waarbij de reeds onderworpen Vallis
Poenina gevoegd werd. Daarop werd Drusus in 13 legatus Augusti van de
Tres Galliae, met de opdracht, den oorlog tegen de Germanen te voeren
(12-9). Eerst versloeg hij de Sugambren, die onder koning Maelo over
den Rijn waren gevallen, en voer langs de door hem gegraven fossa
Drusiana (z.a.) naar het land der Friezen en Chauken. Hij onderwierp
de Friezen (12), de Usipii (11), trok door het land der Sugambri,
en legde twee castella aan, n.l. Aliso en één in den Taunus (11). In
9 trok hij door het land der Chatten en Cherusci tot aan de Albis
(Elbe), doch overleed toen door een val van zijn paard. Door zijn
veldtochten werd Germania tot aan de Elbe bij het Romeinsche rijk
gevoegd, en werd eerst weer vrij door de vernietiging van het leger
van Varus (9 n. C.). Drusus' dood werd algemeen betreurd. Daar
hij evenals zijn broeder Tiberius door Augustus geadopteerd was,
behoort zijn zoon Germanicus onder de Caesares, zie Iulii en
Germanicus.--27) Claudius Nero, zoon van no. 26 en broeder van
Germanicus, rom. keizer, 41-54 na C. Zie Claudius (keizer).--28)
Ti. Claudius Caesar Britannicus, zoon van keizer Claudius (no. 27),
geboren 41 n. C. Zijne moeder was de zedelooze Valeria Messalina. Hij
werd door keizer Nero in 55 vergiftigd, zie Claudius (keizer).--29)
Nero Claudius, aangenomen zoon en opvolger van no. 27, rom. keizer,
55-68 na C. Zie Nero (keizer).--30) M. Claudius Marcellus, een der
uitstekendste mannen van zijn tijd, onderwierp als consul, 222, Gallia
Cisalpina, waarbij hij in den slag bij Clastidium op den gallischen
aanvoerder Virdumarus de spolia opima behaalde. Na den slag bij
Cannae in 216 redde hij als praetor het overschot van het rom. leger
en wist tijdig Nola te bezetten, zoodat de afval verhinderd werd. Een
eigenlijke veldslag is toen niet geleverd, maar de moreele uitwerking
was er niet minder om. In 215 als consul gekozen, legde hij vitio
creatus zijn ambt neder, maar bleef pro consule in de nabijheid van
Nola, dat hij wist te behouden. In 214 was hij weder consul, en nam
met zijn ambtgenoot Q. Fabius Maximus Cunctator Casilinum in, waarbij
hij zich aan trouwbreuk schuldig maakte. Hij ging daarop naar Sicilië,
nam Leontini in, en veroorzaakte door zijn gestrengheid den afval van
Syracuse. In 213 volgt nu het beroemde beleg van deze stad, die in 211
door hem stormenderhand werd veroverd, waarbij Archimedes omkwam. De
stad werd uitgeplunderd. In 210 was hij ten vierden male consul en
streed hij tegen Hannibal in Italië, maar richtte niet veel uit. In 208
was hij nogmaals consul, doch viel in eene hinderlaag en sneuvelde. De
Rom. noemden hem "het zwaard van den staat" wegens zijne onversaagde
dapperheid.--De Marcelli waren de eenige plebejische tak der gens
Claudia; zij worden onder de patroni van Sicilia gerekend.--31)
M. Claudius Marcellus, zoon van no. 30, ontkwam zwaar gewond aan
de hinderlaag, waarin zijn vader sneuvelde. In 196 versloeg hij als
consul de Insubriërs, in 189 was hij censor, waarbij hij zich door
eene groote mate van zachtmoedigheid onderscheidde.--32) M. Claudius
Marcellus, consul in 183.--33) M. Claudius Marcellus, kleinzoon van
no. 30, een braaf en edel krijgsman, was consul in 166, 155 en 152,
en behaalde lauweren in Gallia Cisalpina, Liguria en Hispania.--34)
M. Claudius Marcellus, ten wiens behoeve Cicero in 46 in den senaat
zijne oratio pro Marcello hield, was een aanhanger van Pompeius,
minder om diens persoon dan om het beginsel. Hij wilde Caesar niet om
vergiffenis vragen, en eerst toen deze hem op aandrang van den senaat
ongevraagd amnestie verleend had, maakte hij zich op, om naar Rome
terug te keeren, doch onderweg werd hij te Athene omgebracht.--35)
C. Claudius Marcellus, broeder van no. 34, consul in 49, was een
tegenstander van Caesar en volgde Pompeius, maar stierf spoedig.--36)
C. Claudius Marcellus, neef van no. 34 en 35, consul in 50, bood
aan Pompeius het opperbevel tegen Caesar aan, en week met hem uit,
doch verzoende zich later met Caesar. Hij was gehuwd met Octavia, de
zuster van Octavianus.--37) M. Claudius Marcellus, zoon van no. 36,
werd door Augustus tot zoon aangenomen en huwde diens dochter
Julia. Hij was iemand van uitstekende begaafdheden, van wien men
algemeen groote verwachtingen koesterde; doch hij stierf plotseling,
in het jaar 23, 20 jaar oud te Baiae. Dat hij door Livia zou zijn
vergiftigd, is lasterpraat. Hij is het, die door Vergilius (Aen. VI
861-887) verheerlijkt wordt: "Tu Marcellus eris".--38) Marcella,
dochter van no. 36, was eerst gehuwd met M. Vipsanius Agrippa en
na hare scheiding van dezen (21), met Julus Antonius, zoon van den
drieman.--39) Q. Claudius Quadrigarius, rom. annalist, tijdgenoot van
Sisenna (Cornelii no. 56), schreef eene kroniek, vermoedelijk van
den gallischen brand tot aan Sulla's dood.--40) Claudius Didymus,
grammaticus in de 1ste eeuw n. C., schreef een werk, waarin hij de
verwantschap van het Latijn en het Grieksch trachtte aan te toonen.

Claudiopolis, zie Bithynium.

Claudius, voluit Tib. Claudius Nero Germanicus, rom. keizer,
41-54 n. C. Hij was de jongere zoon van Drusus (Claudii no. 26) en
Antonia minor, en was in het jaar 10 te Lugdunum (Lyon) geboren. Na
de vermoording van Caligula, 25 Jan. 41, vonden de praetorianen hem
toevallig in het paleis verscholen en plaatsten hem op den troon. Na
reeds van twee vrouwen gescheiden te zijn, had hij in 39 de zedelooze
Messalina gehuwd, die hem geheel beheerschte. Nadat hij eindelijk
tot straf voor hare euveldaden haar had laten ombrengen (48), huwde
hij zijne nicht Agrippina, de dochter van zijn broeder Germanicus,
wier derde man hij werd. Om haar te believen sloot hij zijn eigen
zoon Britannicus Caesar van de regeering uit en nam Agrippina's zoon
uit haar eerste huwelijk met Cn. Domitius Ahenobarbus tot zoon en
opvolger aan (50). Dit was de latere keizer Nero. Toen Claudius nu ook
den onzedelijken levenswandel en de overheersching van Agrippina moede
begon te worden, ruimde deze hem door vergif uit den weg. Britannicus
was toen nog een knaap van 13 jaar; in het volgende jaar (55) ruimde
Nero, door achterdocht en naijver gedreven, ook hem uit den weg
door middel van vergif. Claudius was zwak en vreesachtig van aard,
en meer geschikt voor de studeerkamer dan voor den troon. Voor hem
voerden vooral de vrijgelatenen de regeering: de voornaamste hiervan
zijn: Narcissus, ab epistulis, M. Antonius Pallas, a rationibus,
C. Julius Callistus, a libellis, en Polybius, a studiis. Cl. ondernam
een krijgstocht naar Britannia, doch liet spoedig de verovering
daarvan aan zijne generaals over. Onder zijn bestuur werd Mauretania
(z. a.) ingelijfd (42). Hij legde een groote zeehaven te Ostia aan,
en bouwde twee waterleidingen, de Anio novus en de aqua Claudia. Ook
trachtte hij den Fucinus lacus (z. a.) een uitloop te geven. Hij
beoefende o. a. de taalkunde en verrijkte het alphabet met drie nieuwe
letters, die echter na zijn dood weder in onbruik geraakten. Ook hield
hij gaarne redevoeringen. Zie ook Iulii aan het slot, onder d en f.

Claudius II--M. Aurelius Claudius Gothicus--rom. keizer 268-270 na C.,
opvolger van Gallienus, een Illyriër, die zich reeds onder de keizers
Decius en Valerianus als voortreffelijk krijgsman had doen kennen,
dreef als keizer de Alemannen en Gothen, die hij bij Naissus in 269
versloeg, naar hun land terug, doch overleed spoedig te Sirmium aan
de pest.

Clausus (Atta). Zie Claudii no. 1.

Clavus, spijker. In den muur van den Jupitertempel op het Capitool
te Rome werd elk jaar een gouden spijker geslagen volgens overoud
gebruik uit den tijd, dat het schrift nog niet algemeen bekend
was. Dit geschiedde door een der consuls, of, wanneer deze afwezig
waren, door een dictator clavi figendi causa, en wel op de Iden van
Sept. (13 Sept.).

Clavus, purperstreep, die van den hals der tunica over de borst
tot beneden aan den zoom liep en voor de senatoren breed was (latus
clavus, tunica laticlavia), voor de ridders smal (angustus clavus,
tunica angusticlavia).

Clazomenae, Klazomenai, eene der 12 ionische steden op de kust van
Voor-Azië, ten W. van Smyrna, aan den Sinus Hermaeus, geboorteplaats
van den wijsgeer Anaxagoras, den vriend van Pericles. Uit vrees voor
de Perzen verhuisde de bevolking voor een groot gedeelte naar een
naburig eiland, dat door Alexander later met den vasten wal verbonden
werd. De stad bezat fraaie tempels.

Cleander, Kleandros, volksleider te Gela, die zich later tot tyran
opwierp, na eene regeering van zeven jaren werd gedood en door zijn
broeder Hippocrates opgevolgd (498).

Cleandridas, Kleandridas, Spartaan, werd in 445 door de ephoren met
koning Plistoanax als raadsman naar Attica gezonden; later werd hij
beschuldigd, dat hij zich door Pericles had laten omkoopen om werkeloos
te blijven, en ter dood veroordeeld; hij vluchtte echter naar Thurii,
waar hij zich in den oorlog tegen de Lucaniërs onderscheidde. Zijn
zoon was de beroemde Gylippus.

Cleanthes, Kleanthes, 1) van Corinthe, een van de oudste grieksche
schilders.--2) van Assus, oorspronkelijk vuistvechter, werd later
een leerling van Zeno en voorzag des nachts in zijn levensonderhoud
door water dragen en deeg kneden. Hij bleef gedurende 19 jaren de
lessen van Zeno hooren en volgde hem na zijn dood (264) als hoofd
der stoicijnsche school op; op 99-jarigen leeftijd stierf hij, naar
men zegt, vrijwillig van honger. Het kwaad is volgens hem niet het
werk der goden, maar een gevolg van het onverstand der menschen,
en wordt door de goden zelfs weder ten goede geleid. Een lofzang op
Zeus van hem is bewaard gebleven.

Clearchus, Klearchos, 1) spartaansch vlootvoogd in de laatste jaren van
den peloponnesischen oorlog. Toen hij later (403) Byzantium tegen de
Thraciërs zoude verdedigen, maakte hij zich van de alleenheerschappij
meester en regeerde hij met geweld en in strijd met de bevelen der
ephoren. Om deze reden ter dood veroordeeld, keerde hij niet naar
Sparta terug; hij werd aanvoerder van het grieksche leger van den
jongen Cyrus, streed in den slag bij Cunaxa en werd na den dood
van Cyrus stilzwijgend als leider der grieksche troepen erkend. Hij
werd echter kort daarna door Tissaphernes verraderlijk gevangen en
gedood.--2) leerling van Plato en Isocrates, later tyran van Heraclea,
werd na eene wreede regeering van elf jaar vermoord (364). Hij vestigde
te Heraclea eene bibliotheek.--3) van Soli op Cyprus, een van de beste
leerlingen van Aristoteles. Hij schreef verscheiden philosophische
en historische werken, waarvan nog enkele fragmenten bestaan.

Clearidas, Klearidas, streed in Macedonië onder Brasidas tegen de
Atheners en trachtte den vrede van Nicias tegen te werken.

Cleides, Kleides, Kleides, oostkaap van het eiland Cyprus, met
voorgelegen eilandjes.

Clemens (T. Flavius) Alexandrinus, presbyter van Alexandrië, waar hij
± 215 n. C. op hoogen leeftijd stierf. In zijne talrijke grieksche
geschriften tot verdediging van het Christendom, waarvan drie bewaard
gebleven zijn, tracht hij te bewijzen dat het beste van de grieksche
philosophie aan de Joden ontleend is. Hij was de leermeester van
Origenes.

Cleobis en Biton, Kleobis, Biton, zonen van Cydippe, priesteres van
Hera te Argos, trokken op een feestdag den wagen hunner moeder naar
den 45 stadiën verwijderden tempel, toen de daarvoor bestemde stieren
te laat kwamen. Toen de moeder de godin om haar besten zegen voor
hare kinderen gebeden had, sliepen zij in en ontwaakten niet weder.

Cleobulus, Kleoboulos, tyran van Lindus, een van de zeven wijzen
(omstreeks 580); zijn spreuk was: metron ariston.

Cleombrotus, Kleombrotos, 1) Spartaan, jongste zoon van koning
Anaxandridas en voogd van Plistarchus, den zoon van zijn broeder
Leonidas I. Bij den inval van Xerxes in Griekenland, voerde hij het
bevel over het grieksche landleger op den Isthmus, vanwaar hij, door
een zonsverduistering verschrikt, overhaast terugkeerde; kort daarna
stierf hij.--2) Cl. I, koning van Sparta, opvolger van zijn broeder
Agesipolis I. Nadat de Spartanen uit de Cadmea verdreven waren, deed
hij een inval in Boeotië (378), doch spoedig trok hij terug zonder
iets uitgericht te hebben; hij sneuvelde in den slag bij Leuctra,
371.--3) Cl. II werd in plaats van zijn schoonvader Leonidas II
koning van Sparta, toen deze wegens zijn verzet tegen de plannen van
Agis III was afgezet (242). Toen echter twee jaar later de partij van
Leonidas de overhand kreeg, stond Cl. aan hevige vervolgingen bloot,
zijn leven werd echter gespaard op de smeekingen van zijne gemalin
Chilonis, die met hem in ballingschap ging.

Cleomedes, Kleomedes, 1) beroemd worstelaar uit Astypalaea. Eens
had hij bij de olympische spelen de overwinning behaald, maar geen
prijs gekregen, omdat hij zijn tegenpartij gedood had; waanzinnig van
spijt rukte hij de zuilen van een gymnasium uit den grond, waardoor
zestig jongelingen onder de puinhoopen begraven werden. Toen men hem
vervolgde, vluchtte hij in den tempel van Athena en werd van daar als
de laatste der heroën in den hemel opgenomen.--2) zoon van Lycomedes,
atheensch veldheer in den peloponnesischen oorlog.--3) schrijver over
sterrenkunde (1ste eeuw n. C.), van wien nog eenige werken bestaan.

Cleomenes, Kleomenes, 1) Cl. I, zoon van Anaxandridas, koning
van Sparta (520-491), een moedig en ondernemend, maar trotsch en
stijfhoofdig man. Zijn eerste onderneming was tegen de Argiven, wien
hij door list een gevoeligen slag toebracht; zelfs werd hij aangeklaagd
omdat hij de stad Argos niet genomen had, en hij erkende dat hij
het had kunnen doen, maar door godsdienstige bezwaren weerhouden
was. Later (510) was hij aanvoerder van het leger, dat op bevel van
het delphische orakel de Pisistratiden uit Athene verjoeg, en ter
wille van zijn gastvriend Isagoras deed hij nog tweemaal een inval
in Attica, beide keeren met ongelukkigen afloop, want eerst werd
hij op de acropolis ingesloten, en toen hij met een grooter leger
terugkwam om hierover wraak te nemen, moest hij door den tegenstand
van de Corinthiërs en van zijn ambtgenoot Demaratus onverrichter zake
aftrekken. De voorstellen tot een bondgenootschap tegen de Perzen,
zoowel van Aristagoras als van de Scythen, vonden bij hem meer gehoor
dan bij eenig ander Spartaan. Door Demaratus in zijne plannen tegen
Aegina gedwarsboomd, wist hij door omkooping van het delphische
orakel een uitspraak te verkrijgen, volgens welke Demaratus niet de
zoon van koning Aristo was, zoodat deze van de regeering ontzet werd
en zich in ballingschap begaf. Spoedig werd echter het bedrog bekend
en Cl. vluchtte naar Thessalië en later naar Arcadië; eindelijk in
Sparta teruggekeerd, werd hij waanzinnig, naar men zeide ten gevolge
van dronkenschap, en maakte hij op gruwelijke wijze een einde aan
zijn leven (489).--2) broeder van den spartaanschen koning Plistoanax
en voogd van diens zoon Pausanias, voerde het bevel over het leger
dat in 427 in Attica viel.--3) Cl. II, koning van Sparta, zoon en
opvolger van Cleombrotus I, regeerde bijna 61 jaar (371-310) zonder
dat er van zijne regeering iets te vermelden valt.--4) Cl. III, koning
van Sparta, zoon van Leonidas II, dien hij op ongeveer twintigjarigen
leeftijd opvolgde, (236), een verstandig, moedig en doortastend man,
vol geestdrift voor de plannen van Agis III, waarin hij gesterkt werd
door zijne moeder Cratesiclea en zijne gemalin Agiatis, de weduwe van
Agis. Daar hij inzag dat hij den steun van het leger noodig had, zoo
hij de gewenschte hervormingen tot stand wilde brengen, trachtte hij
dit voor zich te winnen door een oorlog tegen het achaeisch verbond,
en inderdaad gelukte het hem na eenige kleine ondernemingen, de
Achaeërs bij den berg Lycaeus en spoedig daarna (226) bij Leuctrum
te verslaan. Nu openbaarde hij zijne plannen aan eenige vertrouwden;
door list verwijderde hij zijne tegenstanders, doodde vier ephoren,
verbande tijdelijk 80 van de voornaamste oligarchen, maakte zijn
broeder Euclidas tot mederegent, schafte het ephoraat af, kondigde
schulddelging en nieuwe verdeeling van grondbezit af, vermeerderde het
aantal burgers door het opnemen van perioeken, hervormde den raad,
en voerde de oude wetten en instellingen weder in. Den oorlog zette
hij intusschen met geluk voort, zelfs Argos en Corinthe kozen zijne
zijde; toch bood hij vrede aan op voorwaarde, dat de hegemonie van
Sparta in de Peloponnesus erkend werd, maar Aratus, vreezend dat het
achaeisch verbond daardoor alle macht zou verliezen, vond het beter de
hulp van Antigonus Doson in te roepen. Nu ging Argos weder verloren en
over het geheel kon Cl., die in dien tijd ook zijne gemalin verloor,
zich niet tegen Antigonus staande houden; nadat de oorlog nog eenigen
tijd met afwisselend geluk gevoerd was, en Cl. vergeefsche pogingen
gedaan had om bij Ptolemaeus Euergetes ondersteuning te vinden, waagde
hij bij Sellasia een grooten slag, maar leed een volkomen nederlaag en
ontkwam met weinige ruiters (221). Terstond ging hij naar Aegypte om
hulp te vragen, maar Ptolemaeus stierf kort daarna, en zijn opvolger
Ptolemaeus Philopator liet zich door zijne gunstelingen overreden
Cl. gevangen te nemen. Wel ontsnapte hij uit de gevangenis, maar
wanhopende aan het bereiken van zijn doel, trachtte hij een opstand
onder het volk te verwekken, en toen hij ook hierin geen steun vond,
doodde hij zichzelf, 35 jaar oud (219). Zijn lijk werd opgehangen
en ook zijn moeder en kinderen werden ter dood gebracht.--5) van
Naucratis, werd door Alexander belast met het toezicht op den bouw
van Alexandrië en met het innen der belastingen. Wegens zijn hebzucht
en afpersingen liet Ptolemaeus hem na den dood van Alexander ter dood
brengen, terwijl hij zijne groote schatten verbeurd verklaarde.--6)
atheensch beeldhouwer uit de 1e eeuw n. C., van wien een werk, de
Germanicus in het Louvre, bewaard gebleven is; de zgn. Venus van
Medicis, die hem toegeschreven wordt, is niet van hem.

Cleon, Kleon, zoon van Cleaenetus, leerlooier te Athene, reeds bij
het leven van Pericles een van de leiders der radicale partij, werd
na diens dood de eerste man van de volkspartij. Hij was het die in
427, na de herovering van Lesbus, dat van de Atheners afgevallen was,
doordreef, dat alle weerbare mannen van Mytilene zouden gedood worden,
een besluit, dat den volgenden dag in dien zin gewijzigd werd, dat
alleen de hoofdschuldigen, volgens waarschijnlijk sterk overdreven
berichten ruim duizend in getal, ter dood gebracht werden. Toen in
425 de Atheners 420 Spartanen op het eiland Sphacteria ingesloten
hadden, en de Lacedaemoniërs vrede aanboden, drong Cl. erop aan, dat
het eiland eerst overgegeven zou worden, zoodat de onderhandelingen
afsprongen. Daar echter de inneming van het eiland niet zoo spoedig
volgde als men verwacht had, begonnen de Atheners zich over den loop
der zaken ongerust te maken, en verweet men Cl. reeds dat door hem de
vrede niet was tot stand gekomen. Bij zijne verdediging liet deze zich
ontvallen dat, indien de strategen (Nicias en Demosthenes) hun plicht
deden, Sphacteria reeds lang in hunne macht moest zijn, waarop Nicias,
die in de vergadering tegenwoordig was, terstond aanbood hem zijne
betrekking tijdelijk af te staan. In het eerst sloeg Cl. dit aanbod
van de hand, maar door het volk gedwongen het aan te nemen, beloofde
hij zich binnen twintig dagen van het eiland te zullen meester maken,
en met de hulp van Demosthenes vervulde hij zijne belofte. Daardoor
kwam hij in groot aanzien, waarvan hij o. a. gebruik maakte om door
verschillende financiëele maatregelen middelen te verschaffen om den
oorlog krachtiger te voeren. In 422 werd hij met een leger naar Thracië
gezonden, waar hij aanvankelijk eenig voordeel behaalde, maar den slag
bij Amphipolis tegen Brasidas verloor, bij welke gelegenheid hij op de
vlucht gedood werd. Zie ook dikastikon. Cl. wordt beschreven als een
onopgevoed, baatzuchtig en overmoedig man, die de laagste hartstochten
van het volk vleide en zijne meening meer door woorden, soms zelfs
meer door schreeuwen, dan door argumenten deed zegevieren. Men
heeft opgemerkt dat zijne tijdgenooten, die melding van hem maken,
in de politiek zijne tegenstanders waren, en dat dus vermoedelijk hun
oordeel aan overdrijving, misschien zelfs aan partijdigheid, lijdt;
toch schijnt uit de feiten, die omtrent hem bekend zijn, te mogen
worden opgemaakt, dat hij een man was van niet geringen aanleg en
vol vaderlandsliefde, doch van weinig beschaving, in zijne geheele
politieke richting en bij iedere bizondere gelegenheid door zijn haat
tegen de Spartanen en de aristocratie tot uitersten geneigd, en dat
hij in ieder geval de groote gaven miste, waardoor zijn voorganger
Pericles het volk op den rechten weg had weten te houden.

Cleonae, Kleonai, stad in Argolis; ten W. lag Nemea; vandaar Cleonaeus
leo dichterlijk = nemeïsche leeuw. Ook eene stad aan den berg Athos
op Chalcidice, met een gemengde bevolking.

Cleonymus, Kleonymos, 1) Athener, die om zijne lafheid dikwijls door
Aristophanes bespot wordt.--2) zoon van Cleomenes II, werd bij den
dood van zijn vader (310) wegens zijne vijandschap met den anderen
koning Areus van de regeering uitgesloten en aan het hoofd van een
troep huurlingen naar Italië gezonden, om de Tarentijnen tegen de
Lucaniërs bij te staan. Hij voerde den oorlog over het geheel met
geluk, maar toen de Tarentijnen vrede sloten, nam hij Corcyra en viel
hij Thurii en andere steden in Beneden-Italië aan, totdat hij door
de Romeinen verdreven werd. Bij zijne avontuurlijke tochten naar de
kusten der Adriatische zee verloor hij leger en vloot. In 293 streed
hij ongelukkig tegen Demetrius Poliorcetes en in 272 trachtte hij
met Pyrrhus van Epirus zich te vergeefs van Sparta meester te maken.

Cleopatra, Kleopatra, 1) dochter van Boreas en Orithyia, z. Calaïs.--2)
dochter van Idas en Marpessa, gehuwd met Meleager, na wiens dood zij
zich van verdriet ophing.--3) tweede vrouw van Philippus van Macedonië,
na wiens dood Olympias haar met hare kinderen liet vermoorden.--4)
dochter van Philippus en Olympias, gehuwd met Alexander van Epirus,
na diens dood met Perdiccas. Toen ook deze gestorven was, koos zij
onder de macedonische veldheeren, die haar ten huwelijk vroegen,
Ptolemaeus tot echtgenoot, maar Antigonus hield haar gevangen en liet
haar waarschijnlijk vermoorden (308).--5) dochter van Antiochus III,
z. Ptolemaeus no. 9 en 10.--6) dochter van Ptolemaeus V, gehuwd met
haar broeder Ptolemaeus VI, later met haar anderen broeder Ptolemaeus
VII, z. Ptolemaeus no. 10 en 11.--7) dochter van Ptolemaeus VI
Philometor, gehuwd met Alexander Balas, daarna, toen deze van den
troon gestooten was, met Demetrius Nicator, en nadat deze door de
Parthen gevangen genomen was, met Antiochus Sidetes. Toen Demetrius
terugkwam, liet zij hem en hun zoon Seleucus vermoorden, maar niet
lang daarna werd zij door haar anderen zoon gedwongen den gifbeker te
drinken.--8) jongere dochter van Ptolemaeus VI en Cleopatra no. 6,
gemalin van Ptolemaeus VII, z. Ptolemaeus no. 11, 12 en 13.--9)
dochter van Ptolemaeus VII, gehuwd met Antiochus IX.--10) dochter
van Ptolemaeus Auletes, geb. 69, gehuwd met haar broeder Ptolemaeus
XII. Spoedig werd zij door de voogden van Ptolemaeus, Achillas en
Pothinus, wegens hare eerzuchtige plannen verdreven en reeds trachtte
zij zich met geweld recht te verschaffen, toen Caesar te Alexandrië
kwam en besliste, dat de beide echtgenooten gezamenlijk zouden
regeeren. Wel veroorzaakte deze beslissing groote ontevredenheid en
kwam Caesar zelfs in vrij groot gevaar, daar Ptolemaeus echter in
een gevecht sneuvelde, bereikte Cl. haar doel. Op bevel van Caesar,
die door hare buitengewone schoonheid geheel betooverd was, huwde zij
met haar jongsten broeder Ptolemaeus XIII, ook kwam zij naar Rome,
waar Caesar's liefde voor haar zoo groote ontevredenheid verwekte,
dat zij na zijn dood moest vluchten. Na den slag bij Philippi ontmoette
zij Antonius te Tarsus, en nam hem door hare bekoorlijkheden zoo voor
zich in, dat hij haar naar Alexandrië volgde, haar op zijne tochten
door Azië medenam en toeliet dat zij, na het vermoorden van haar
broeder en zuster, alleen over Aegypte heerschte. Zoo groot was haar
invloed op hem dat, toen zij in den slag bij Actium in het heetste
van het gevecht de vlucht nam, Antonius haar volgde en daardoor de
oorzaak was van de nederlaag der zijnen. Toen hij zich daarna gedood
had en Cl. zag, dat Octavianus ongevoelig was voor hare schoonheid,
en vreesde, dat hij haar in triumf naar Rome wilde voeren, doodde zij
zich, naar men beweerde door den beet eener vergiftige slang (30).--11)
bijgenaamd Selene, dochter van Antonius en Cleopatra, door haar vader
met Cyrenaica begiftigd en door Octavianus aan Juba uitgehuwd.--12)
dochter van Mithradates, gehuwd met Tigranes van Armenië.

Cleophantus, Kleophantos, een van de oudste grieksche schilders,
de eerste die verf op zijne teekeningen aanbracht.

Cleophon, Kleophon, 1) invloedrijk volksleider te Athene in de laatste
jaren van den peloponnesischen oorlog, verzette zich hardnekkig tegen
den vrede en werd daarom door de oligarchische partij van het een of
ander aangeklaagd en door een onder hun invloed staande rechtbank ter
dood veroordeeld (404).--2) atheensch treurspeldichter, v. s. dezelfde
als de vorige.

Clepsydra, klepsydra, 1) een wateruurwerk, in inrichting gelijk aan
onze zandloopers, doch met water gevuld. Oorspronkelijk dienden
zij om den tijd te meten, gedurende welken een redenaar voor het
gerecht mocht spreken, men had echter ook grootere (horologia),
die natuurlijk langer liepen en door eene indeeling of schaal den
verloopen tijd aanwezen.--2) bron op de acropolis te Athene.--3)
bron op den berg Ithome.

Cleruchia, klerouchia, eigenlijk een land, waar volgens het
oorlogsrecht veroveraars de oorspronkelijke bevolking onderworpen
en het grondbezit onder elkander verdeeld hadden; in het bizonder
atheensche volkplantingen, waarvan de grondeigenaars atheensche
burgers bleven, desverkiezende te Athene konden blijven wonen en hunne
burgerrechten uitoefenen, maar ook tot den krijgsdienst en andere
lasten verplicht waren en geen eigen rechtspraak hadden. Terwijl
volkplantingen anders nieuwe staten vormen, blijven de cleruchiën,
waarvan sedert 506 vele gesticht werden, deelen van den atheenschen
staat. Ook in het rijk der Ptolemaeën vindt men klerouchoi; dit zijn
actief dienende soldaten, die een stuk staatsland in bezit hebben, welk
bezit dikwijls in eigendom overgaat. Deze worden ook katoikoi genoemd.

Cleta, Kleta, bij de Spartanen eene van de Chariten.

Clidemus, Clitodemus, Kleidemos, (Kleitodemos), schreef in de 4e eeuw
eene attische geschiedenis (Atthis) e. a. geschiedkundige werken.

Clientes. Vóór het ontstaan der plebs vond men te Rome een stand van
hoorigen of halfvrijen, die, naar het schijnt, volgens oud-italisch
gebruik, onder de bescherming of het patronaat der burgers stonden en
daarentegen ook zekere bepaalde verplichtingen tegenover hunne patroni
hadden. Over de wederzijdsche verhouding dezer beide standen zie men
het artikel patronus. Ook vreemden, die zich te Rome wilden vestigen,
moesten in den oudsten tijd, daar zij geene rechtspersoonlijkheid
bezaten, zich onder de rechtspersoonlijkheid van een burger stellen
(applicatio), en derhalve zich in clientela begeven, indien zij
de bescherming der wetten wilden genieten. In verloop van tijd
loste het cliëntschap zich op in de plebs. Men neemt gewoonlijk
aan, dat de cliënten van het platteland in 457, toen het aantal
volkstribunen van 4 op 10 gebracht werd (zie tribuni plebis), vrij
verklaard zijn. Anderen dateeren die vrijwording reeds van koning
Servius Tullius. De cliënten moeten scherp onderscheiden worden
zoowel van slaven als van plebejers.--In lateren tijd komt de naam
cliënten terug voor de bezoldigde visitemakers bij de rom. grooten,
bij wie zij ook wel als anteambulones dienst deden. Zij werden voor
hunne bezoeken en diensten beloond, hetzij met een mandje eetwaren
(sportula), hetzij met geld. De aanzienlijke Romein, wiens receptiën
zij dus hielpen opluisteren, wordt dan tegenover hen rex geheeten.

Climax, Klimax, "trap", een berg in het O. van Lycia, het begin van
den Taurus. Hij komt ook onder den semietischen naam Solyma voor
(ook = trap). In de Ilias komen de Solymers als vijanden der Lyciërs
voor. De naam van den berg komt van een trap, die in den bergpas is
uitgehouwen. Ook een gebergte in Coelesyria heette Climax.

Climberris = Elimberris.

Clinias, Kleinias, 1) vader van Alcibiades, een zeer rijk man,
sneuvelde bij Coronea (447); ook een jongere broeder en een neef van
Alcibiades droegen dien naam.--2) pythagoreïsch wijsgeer, tijdgenoot
van Plato.--3) verdienstelijk staatsman te Sicyon, omstreeks 264
vermoord. Hij was de vader van Aratus no. 1.

Clio, Kleio, de Muze der geschiedenis, wordt afgebeeld met een rol
papier in de hand.

Clipeus, aspis, rond, dekselvormig schild, in den regel van op elkander
gelegde lagen leder gemaakt en niet metaal bekleed, of wel uit teenen
gevlochten en dan met leder en metaal bedekt.--Ook noemt men in de
badhuizen aldus het deksel van den oven, waaruit de heete lucht uit
de stookplaats in de heete badkamer stroomde.

Clisthenes, Kleisthenes, 1) tyran van Sicyon (596-565), uit het huis
der Orthagoriden, trachtte den oud-ionischen stam, waartoe hij zelf
behoorde, boven de Doriërs, die Sicyon vroeger van Argos uit veroverd
hadden, te verheffen en over het geheel alle banden los te maken,
die Sicyon met Argos verbonden. Daartoe trachtte hij in de eerste
plaats den eeredienst van den argivischen heros Adrastus door dien van
Dionysus te verdringen, hij verbood de voordrachten der rhapsoden,
omdat zij Argos en argivische sagen bezongen en veranderde ook de
namen der dorische stammen, die hij Hyaten, Oneaten en Choereaten
noemde (met toespeling op hys, onos, choiros), terwijl zijn eigen stam
den naam Archelai kreeg. Hij stond aan het hoofd van het leger der
Amphictyonen, toen de inwoners van Crissa wegens hun heiligschennis
gestraft werden. Zijn rijkdom toonde hij door de schitterende wijze,
waarop hij allen, die zijne dochter Agariste tot vrouw begeerden,
een jaar lang onthaalde.--2) Athener, kleinzoon van den vorigen,
zoon van den Alcmaeonide Megacles en Agariste, stelde zich na den
val der Pisistratiden aan het hoofd der volkspartij en hervormde de
staatsregeling van Solon in democratischen geest. Wel gelukte het zijn
aristocratischen tegenstander Isagoras door de hulp van Cleomenes I
hem voor korten tijd te verdrijven, maar de gewelddadige handelingen
van Cleomenes verwekten zoo groote verbittering, dat Cl. spoedig
terugkeeren kon. Over zijne hervormingen z. Boule, Demoi, Ostracismus,
Phyle. Later zoude hij, misschien met het oog op de vijandige houding
van Sparta, getracht hebben met den perzischen satraap van Sardes
betrekkingen aan te knoopen, en zou het volk hem daarom uit wantrouwen
verjaagd hebben (505).

Clitarchus, Kleitarchos, 1) zoon van Dinon, beschreef de geschiedenis
van Alexander d. G. in gezwollen stijl en met allerlei fabelachtige
berichten doormengd; toch werd hij door latere schrijvers als Diodorus,
Curtius e. a. veel gebruikt, daar men, waarschijnlijk ten onrechte,
meende dat hij Alexander op zijn tochten vergezeld had.--2) tyran van
Eretria onder bescherming van Philippus van Macedonië, werd door de
Atheners onder Phocion verdreven.

Clitodemus = Clidemus.

Clitomachus, Kleitomachos, 1) beroemd om zijne vele overwinningen
in de isthmische en pythische spelen, behaalde eens drie prijzen op
één dag.--2) Carthager, eigenlijk Hasdrubal genaamd, leerling van
Carneades, na wiens dood (129) hij ongeveer twintig jaar hoofd der
academie was; zijne talrijke geschriften, v. s. 400, zijn verloren;
Cicero heeft ze echter gebruikt o. a. in zijn werk: de divinatione.

Clitor, Kleitor, sterke stad en riviertje in het N. van Arcadia.

Clitumnus, riviertje in Umbria, met een tempel van den god Clitumnus.

Clitus, Kleitos, 1) zoon van Mantius, werd door Eos geschaakt.--2)
bijgenaamd de Zwarte, veldheer van Alexander d. G., redde hem het
leven in den slag bij den Granicus en was sedert een van zijne
gunstelingen; hij werd bevelhebber van de lijfwacht en satraap van
Bactrië. Alex. doodde hem in dronkenschap bij een drinkgelag, toen
Cl. hem ergerde door zijne al te vrijmoedige taal.--3) bijgenaamd
de Witte, voerde na Alex.'s dood de veteranen terug, overwon in
den lamischen oorlog de Atheners ter zee, werd landvoogd van Lydië,
van waar Antigonus hem na twee jaar verdreef, overwon, als admiraal
van Polyperchon, Antigonus en Cassander bij Byzantium ter zee, maar
sneuvelde den dag daarna (318).

Clivus Capitolinus, de weg, die van het Forum te Rome naar boven
leidde naar den Mons Capitolinus.

Cloaca Maxima, het groote afvoerkanaal in Rome, dat oorspronkelijk
diende om de lage gronden in den omtrek van het latere Forum droog
te leggen, en later uitgebreid en overdekt, tevens het huiswater van
een gedeelte van de stad naar den Tiber afvoerde. Het oudste gedeelte
dateert nog uit den koningstijd. Het werk bestaat nog, en is weer in
gebruik genomen. Het begint bij de laagte tusschen Oppius en Cispius,
loopt dan onder het Argiletum door naar het Forum, en vervolgens door
het Velabrum en het Forum Boarium, tot het tusschen den Pons Aemilius
en den kleinen rondtempel in den Tiber mondt. Het woord is afgeleid
van cloare = reinigen.

Cloacina, volgens de gewone opvatting een bijnaam van Venus, zij had
een heiligdom bij het Comitium te Rome, dat naar men meende, reeds
bestond sedert de vereeniging van Rom. en Sabijnen. In werkelijkheid
is het de godin der Cloaca Maxima (z. a.) en heeft zij met Venus
niets te maken.

Clodia (via). Deze weg liep van Rome door Etruria ten W. van den Lacus
Sabatinus over Saturnia en Rusellae en sloot zich vervolgens aan de via
Aurelia aan. V. a. vereenigt hij zich voorbij Blesa wederom met de via
Cassia (z. a.) en loopt dan van Florentia naar Luca en Forum Clodii.

Clodiae (leges) van den volkstribuun P. Clodius Pulcher, in 58. 1) lex
frumentaria, dat de korenuitdeelingen om niet zouden plaats hebben.--2)
lex de auspiciis, dat op de dagen, waarop wetgevende comitia gehouden
werden, geene andere auspicia mochten genomen worden en dus geene
obnuntiatio zou kunnen plaats grijpen. Bovendien werden de leges Aelia
et Fufia opgeheven, zie servare de caelo.--3) lex de collegiis, tot
herstel der in 64 bij senaatsbesluit opgeheven gilden en demagogische
genootschappen, collegia compitalicia.--4) lex de censoria notione,
dat de censoren niemand mochten bestraffen, die niet formeel bij hen
was aangeklaagd en door beiden schuldig was bevonden.--5) lex de capite
civis Romani, dat wie een rom. burger zonder rechterlijk vonnis had ter
dood gebracht (gelijk Cicero met Catilina's eedgenooten had gedaan),
zou verbannen worden. Deze wet werd nader uitgewerkt door een tweede,
waarbij aan Cicero, nu met name genoemd, het verblijf binnen 400
mijlen van Rome werd ontzegd (aqua et igni interdictio).--6) lex de
provinciis consularibus, waarbij aan den consul L. Calpurnius Piso
Caesoninus Macedonia en Achaia, aan den consul A. Gabinius Syria werd
opgedragen. Het doel was, hen gunstig te stemmen, opdat zij zich niet
tegen Cicero's verbanning zouden verzetten.--7) lex de rege Ptolemaeo,
dat koning Ptolemaeus van Cyprus zou onttroond worden en zijn land en
bezittingen tot eigendom van het rom. volk zouden worden verklaard,
en dat M. Porcius Cato (minor) deze wet zou ten uitvoer leggen. Het
doel der wet was eigenlijk, Cato op eene fatsoenlijke manier uit
Rome te verwijderen.--8) lex de suffragiis libertinorum, dat de
vrijgelatenen ook in de tribus rusticae zouden kunnen stemmen. Deze
wet kwam echter niet tot stand.

Clodii = Claudii. Eenige leden der gens Claudia schreven hun naam
met o in plaats van au, zie Claudii no. 17-19.

Clodius Albinus. Zie Albinus.

Clodius Macer (L.), generaal van Nero in Africa, had zich bij
den opstand van Vindex en Galba tegen Nero (voorjaar van 68) half
onafhankelijk gemaakt, maar werd na Nero's dood wegens zijne roofzucht
door Galba gevonnisd.

Cloelii of Cluilii, patricische gens, afkomstig uit Alba Longa. 1)
C. Cloelius, volgens de overlevering koning van Alba Longa, voerde
oorlog tegen Rome tijdens Tullus Hostilius en stierf gedurende
den veldtocht, waarop Mettius Fuffetius dictator van Alba werd.--2)
Cloelia, rom. maagd, die, onder de gijzelaars aan Porsena uitgeleverd,
ontsnapte en over den Tiber naar Rome terugzwom. De senaat zond haar
naar Porsena terug, doch deze stelde haar in vrijheid en schonk haar
een fraai opgetuigd paard, terwijl hij ook nog een aantal andere
gijzelaars te harer keuze losliet. De Rom. richtten voor haar een
standbeeld te paard op.--3) Q. Cloelius Siculus, consul in 498,
benoemde zijn ambtgenoot T. Larcius Flavus tot eersten dictator.

Clotae aestuarium, golf op de Westkust van Caledonia (Schotland),
thans Firth of Clyde.

Clotho, Klotho, de spinster, eene van de Moerae, wordt voorgesteld
met een haspel, waarmede zij 's menschen levensdraad spint.

Cluentii. 1) L. (v. a.) A. Cluentius, italiaansch generaal in den
marsischen oorlog, bij Nola gesneuveld, in 89.--2) A. Cluentius
Habitus, vader en zoon, bekend door de schitterende oratio pro Cluentio
van Cicero in 66.

Cluilii = Cloelii.

Clupea, rom. naam voor de stad Aspis in Africa, z. a.

Clusium, Klousion, vroeger Camers geheeten, de voornaamste der 12
etrurische hoofdsteden, residentie van Porsena, wiens praalgraf in
de nabijheid was. De stad was zeer sterk. De belegering van Clusium
door de Galliërs gaf aanleiding tot hun tocht naar Rome in 390. Het
speltmeel van Clusium (far Clusinum) was om zijne fijnheid zeer
gezocht.

Clusius, bijnaam van Janus (z. a.).

Cluvii, een campaansch geslacht, dat zich te Rome vestigde.--1)
Pacula Cluvia voorzag de Romeinen, die te Capua door Hannibal werden
gevangen gehouden, van levensmiddelen.--2) M. Cluvius bestuurde
Cicero's geldzaken.--3) Cluvius Rufus, geschiedschrijver, bekleedde
onder Claudius en Galba verschillende ambten. In zijne geschiedenis
beschreef hij den tijd van Caligula tot Vitellius. Tacitus heeft hem
als bron gebruikt.

Clymene, Klymene, 1) Oceanide, gehuwd met Iapetus, moeder van Atlas,
Menoetius, Prometheus, Epimetheus.--2) bij Prometheus moeder van
Deucalion.--3) bij Helius moeder van Phaëthon, later gehuwd met
den aethiopischen koning Merops.--4) dochter van Minyas, bij den
arcadischen koning Iasius moeder van Atalante.--5) dochter van Catreus,
werd op bevel van een orakel door haar vader verstooten en aan een
zeeman Nauplius (no. 3) gegeven om haar te verwijderen, bij wien
zij moeder werd van Palamedes en Oeax.--6) v. s. een bloedverwante
van Menelaus, dienares van Helena, met wie zij naar Troje ging;
na de inneming der stad werd zij aan Acamas gegeven.--7) bijnaam
van Persephone.

Clymenus, Klymenos, 1) zoon van Cardys, stelde vijftig jaar na den
zondvloed van Deucalion de olympische spelen weder in.--2) zoon van
Presbon, koning van Orchomenus in Boeotië, schoonvader van Nestor,
stierf aan eene wonde, die hem bij een wedren door een thebaanschen
wagenmenner werd toegebracht.--3) bijnaam van Hades.

Clypea = Clupea.

Clypeus = clipeus.

Clysonymus, Klysonymos, zoon van Amphidamas, speelmakker van Patroclus,
die eens bij het dobbelspel twist met hem kreeg en hem doodsloeg.

Clytaemnestra, Klytaimnestra, (waarschijnlijk beter Clytaemestra,
Klytaimestra, dochter van Tyndareos en Leda, gemalin van Agamemnon
(z. a.). Zij regeerde na diens dood met Aegisthus over Mycenae en
Argos totdat Orestes, volwassen geworden, zijn vader wreekte en
beiden doodde.

Clytia, Klytia, Oceanide, door Apollo bemind. Toen de god ook voor
Leucothoë liefde had opgevat, verried Cl. dit uit jaloerschheid, waarop
Leucothoë door haar vader levend begraven werd. Daarom kreeg Apollo
een afkeer van haar, en uit verdriet onthield zij zich van spijs en
drank en verkwijnde zij, totdat zij in een zonnebloem veranderd werd.

Clytius, Klytios, 1) een van de Giganten.--2) zoon van Alcmaeon en
de dochter van Phegeus, die na den dood van zijn vader naar Elis
vluchtte; hij was de vader van Piraeus en de stamvader der Clytiaden,
een beroemd waarzeggersgeslacht in Elis.--3) naam van eenige Trojanen.

Cnemides, Knemides, versterkte stad aan den Cnemis in het gebied
der Locriërs.

Cnemis, Knemis, berg op de Zuidgrens der Epicnemidische Locriërs.

Cnidia, Knidia, bijnaam van Aphrodite naar de stad Cnidus, waar een
beeld van die godin stond, dat door Praxiteles gemaakt was en voor
een van de belangrijkste kunstwerken der oudheid gold.

Cnidus, Knidos, dorische stad tot de Hexapolis Dorica behoorende,
op de uiterste punt van de Chersonesus Cnidia; de stad lag tusschen
twee havens, die door een kanaal verbonden waren. Op de uiterste
punt, het voorgebergte Triopium, lag de tempel van Apollo, waar
de bondsvergaderingen der aziatische Doriërs plaats vonden, en hun
gemeenschappelijke feesten gevierd werden. Cnidus zelf is in de heele
oudheid beroemd om den tempel van Aphrodite Euploia, met het door
Praxiteles vervaardigde beeld der godin.

Cnosus, later Cnossus, ook met Gn. geschreven, Knosos, stad op
de Noordkust van Creta, in voorhistorische tijden (2400-1200) de
koningszetel van een machtig volk met een zeer interessante, hoog
ontwikkelde beschaving; wie de dragers waren dezer beschaving, weten
we nog niet; we kunnen echter twee tijdperken onderscheiden, die van
de vóór-grieksche, en die van de achaeische heerschappij. Omstreeks
1000 vervalt deze cretensisch-myceensche beschaving, en in den
historischen tijd is de stad dorisch, met de havensteden Amnisus en
Heracleum. Een herinnering aan den vroegeren glans en de vroegere
heerlijkheid is bij het grieksche volk levendig gebleven door de sagen
van Minos, den Minotaurus en het Labyrinth, van Daedalus en Icarus
en van Ariadne. Cnosia tellus = Creta, Cnosia, Cnosis, Cnosias =
Ariadne, Cnosia stella = het sterrenbeeld de kroon van Ariadne. De
opgravingen der laatste jaren hebben het oude paleis der vorsten van
Cnosus blootgelegd.

Coactores. Coactores agminis, soldaten van de achterhoede, die tegen
desertie uit de gelederen moesten waken,--Coactores exactionum,
of coactores argentarii, personen, wier werk het was, verschuldigde
gelden te innen. De vader van Horatius was coactor.

Cocalus, Kokalos, koning op Sicilië, die Daedalus gastvrij opnam
toen hij van Creta vluchtte, en Minos doodde toen hij hem kwam
opeischen. Uit dankbaarheid versierde Daedalus zijn rijk met vele
kunstwerken. V. a. had hij Daedalus willen uitleveren, waarop deze
's konings badkamer zoo overmatig liet verwarmen, dat deze stikte.

Cocceii, aanzienlijk geslacht, waarschijnlijk uit Umbria. 1)
L. Cocceius Nerva, vriend van Octavianus, voerde de onderhandelingen
tusschen dezen en Antonius. Later stelde hij met Maecenas en Asinius
Pollio te Brundisium de voorwaarden op van de overeenkomst tusschen
Antonius en Octavianus (herfst 40). In 37 werd hij wederom naar
Brundisium gezonden met Maecenas en Fonteius Capito; Horatius en
Vergilius maakten de reis mede. Tengevolge daarvan kwam het verdrag van
Tarente tot stand.--2) M. Cocceius Nerva, bekwaam jurist, was een der
weinigen, die het vertrouwen van Tiberius bezaten. Uit verdriet over
diens handelingen liet hij zich doodhongeren (33).--3) M. Cocceius
Nerva, rom. keizer, een kleinzoon van no. 2. Zie Nerva.

Coche, Koche, stad aan den Tigris nabij Ctesiphon.

Cocles, zie Horatii.

Cocosates, volksstam in Aquitania, aan den Aturus (Adour).

Cochlear, een soort eierlepel, waarvan de steel spits uitliep, om
b. v. schelpdieren en slakken te eten. Een groot soort lepel heet
ligula (z. a.).

Cocylium, Kokylion, aeolische stad in Mysia.

Cocytus, Kokytos, rivier in Epirus, tak van den Acheron. In de
voorstellingen één van de rivieren in de onderwereld, evenals de
Acheron, de Pyriphlegethon en de Styx. In de onderwereld is de Cocytus
een arm van de Styx.

Codanus Sinus, het Kattegat. Soms ook wordt de geheele Oostzee zoo
genoemd.

Codex, een blok hout, een strafblok aan het been. Ook eene verzameling
wastafeltjes om op te schrijven, van achteren aaneengehecht, evenals
onze leitjes. Vervolgens ook een boek van papier of perkament,
ingenaaid. Ten slotte ook een wetboek, b.v. codex Iustinianeus. Codex
accepti et expensi = kasboek.

Codicilli (zie codex), kleine wastafeltjes tot een notitieboekje
vereenigd, om aanteekeningen te maken, ook om als brief verzonden te
worden, toevoegsels tot een testament te maken, en dgl. Zie Cera.

Codrus, Kodros, zoon van Melanthus, laatste koning van Attica. Bij
een inval van de Doriërs had een orakel den Atheners de overwinning
voorspeld als hun koning sneuvelde, waarop C. zich verkleed in het
kamp van de vijanden begaf, twist zocht en gedood werd. De Doriërs
trokken toen ontmoedigd af, en de eupatriden schaften het koningschap
af, onder voorwendsel dat niemand na C. de regeering waardig was.

Coela (plur.), ta Koila tes Euboias, het vlakke gedeelte van Euboea
langs de Oostkust tusschen de kapen Caphareus en Chersonesus.

Coele, he Koile, zuidwestelijke voorstad van Athene, tusschen de
lange muren.

Coelesyria, he koile Syria, sedert de macedonische verovering de
dalstreek tusschen den Libanon en den Antilibanon, met de bronnen van
den Orontes en de stad Heliopolis (Baälbek). In het rom. tijdperk
breidde de naam Coelesyria zich uit over het land ten O. van den
Antilibanon, waar Damascus lag, zelfs tot Palmyra.

Coelii = Caelii no. 1-3.

Coelius mons = Caelius mons.

Coelossa, Koilossa, berg in Sicyonia.

Coëmptio, eene der vormen, waaronder een rom. huwelijk kon worden
gesloten. Zij berustte op het recht van den pater familias, om
zijne kinderen te verkoopen. Ten overstaan van vijf getuigen en een
libripens, die de weegschaal hield, stond de vader zijne dochter aan
den bruidegom af. Deze laatste tikte daarbij met een geldstuk tegen
de schaal, eene zinnebeeldige voorstelling van het betalen van den
koopprijs. Door zulk een huwelijk kwam de vrouw in de manus van haar
echtgenoot (zie manus). Vóór de eigenlijke handeling der coemptio
plaats had, gaf de bruid op de vraag van haar aanstaanden echtgenoot
haar toestemming tot het huwelijk, zoodat zij door den verkoop geen
slavin werd, maar naast haar man eene vrije positie innam. Over de
coëmptio cum extraneo fiduciae causa zie men het artikel tutela.

Coena, de hoofdmaaltijd der Rom., die gehouden werd na afloop der
hoofdbezigheden van den dag, tusschen 2 en 4 uur volgens onze wijze
van tijdverdeeling. In den oudsten tijd was de coena echter om 12 uur;
het avondeten heette toen vesperna. Men gebruikte den maaltijd in den
ouden tijd in het atrium, daarop een tijd lang op de bovenverdieping,
die cenaculum heet, vervolgens in het triclinium. Oudtijds zat men
aan tafel, daarop volgde een tijd, waarin de mannen op grieksche wijze
aan tafel lagen, terwijl vrouwen en kinderen zaten. Tegen het eind van
de republiek was het aanliggen (accubare), behalve voor de kinderen,
algemeen in gebruik. In den ouden tijd bestond de maaltijd uit twee
gangen; de tweede (mensae secundae) bestond uit vruchten: una carnis
fuerat, altera pomorum; bij den tweeden gang werd gedronken: una
epularum, altera poculorum. In den keizertijd bestond de coena van
den gegoeden burger uit drie gangen (fercula): 1) een voorgerecht,
gutus, gustatio, promulsis, uit eieren, schelpdieren, visch, radijs,
olijven, of salade bestaande, alles eenigszins pikant toebereid om den
eetlust op te wekken;--2) het caput coenae, gewoonlijk uit twee of drie
gangen bestaande;--3) de mensae secundae, nagerecht of dessert, dat
uit versche en gedroogde vruchten en gebak bestond. Ook bij den gewonen
burgerstand had men drie fercula, maar eenvoudiger; er werd veel kool
en varkensvleesch gegeten, ook jonge geiten en verder kippen. Tusschen
de verschillende gerechten hield men gewoonlijk een kleine pauze, die
besteed werd aan gezellig onderhoud of voorlezen of het uitvoeren van
muziek of vertooningen door de slaven. Voor en na den maaltijd en ook
tusschen de gangen wiesch men zich de handen, wat des te meer noodig
was, omdat men geen vorken kende, en dus met de vingers at. Vóór de
mensae secundae bad men tot en offerde men aan de Lares en den Genius
van den pater familias, later ook aan den Genius van den keizer. Wat
in later tijd de maaltijden der rijken zoo kostbaar maakte, was niet
zoozeer de wijze van toebereiding als wel het opdisschen van spijzen,
die zeldzaam of moeielijk te verkrijgen waren. Z. deipnon.

Coenus, Koinos, een van de dapperste generaals van Alexander d. G.,
schoonzoon van Parmenio, stierf op den terugtocht uit Indië (326).

Coërcitio is het recht, dat de ambtenaren behalve de quaestoren hebben,
om de burgers tot eerbied en gehoorzaamheid aan hun verordeningen te
dwingen. De dwangmiddelen waren: doodstraf, geeseling, boete (multae
dictio), hechtenis en pignoris capio; alleen de magistratus cum
imperio en de tribuni plebis konden, voor zoover de provocatie-wetten
hierop geen inbreuk maakten, al deze straffen aanwenden; de censoren
en aedilen hadden alleen de multae dictio en de pignoris capio. De
magistratus cum imperio hadden de coërcitio tegen de magistraten, wier
imperium geringer was dan het hunne, en tegen de mag. sine imperio. De
tribunen hadden dit recht tegen alle magistraten, later zelfs tegen
den dictator, terwijl zij aan niemands coërcitio onderworpen waren.

Uit de coërcitio, die ook in den keizertijd blijft bestaan, heeft zich
door de provocatiewetten de eigenlijke strafrechtpleging (iudicatio)
ontwikkeld, en de strafrechtpleging der stadhouders van de provinciën
berust op het ius coërcitionis.

Coës, Koes, aanvoerder der Mitylenaeërs, die Darius op zijn tocht tegen
de Scythen volgden. Hij was het die aanried de brug over den Donau
niet af te breken, waarvoor hij later beloond werd met de tyrannie
over Mytilene. Bij het uitbreken van den opstand der Ioniërs werd
hij gedood.

Coetae, Koitai, volksstam in oostelijk Pontus, verkeerde lezing
voor Taochoi.

Coeüs, Koios, een van de Titanen.

Cognatio, natuurlijke bloedverwantschap door gemeenschappelijke
afstamming. Zie agnati.

Cognitio, gerechtelijk onderzoek door de overheid in eene rechtszaak,
ook wel de beslissing.

Cognitor, 1o identiteitsgetuige, d.i. een Romeinsch burger, die in een
vreemd land gerechtelijk van een ander verklaart, dat hij insgelijks
een Rom. burger is, en de persoon is, voor wien hij zich uitgeeft.--2o
zaakwaarnemer in privaatzaken.--3o in later tijd degene, aan wien de
cognitio (z. a.) toekomt, rechter van instructie.

Cognomen. Zie nomen.

Cohors als krijgsterm beteekent in de eerste plaats eene vereeniging
van troepen als afdeeling van een legioen. Twee centuriae van hetzelfde
wapen vormden een manipulus. Sedert den tweeden punischen oorlog
vereenigde men twee manipels tot eene cohorte. Omtrent de normale
sterkte van een legioen z. Centuria. Was het noodig het legioen te
versterken, dan werd het getal hastati en principes in elke centurie
vermeerderd, niet echter dat der triarii of pilani. Ten gevolge van
verschillende hervormingen deels van Marius afkomstig, deels van
Caesar, bestond in Caesars tijd het legioen uit 10 cohorten, en elke
cohorte uit 6 centuriën of 3 manipels, zooals de figuur aanwijst. Bij
de opgaaf van de getalsterkte der cohorten worden de velites niet
medegerekend, en wanneer men b.v. van cohortes quingenariae leest, moet
men dit getal aldus verdeelen, dat elke cohorte uit het vaste getal
van 60 triarii of pilani en verder uit 220 principes en 220 hastati
bestaat. Onder Augustus werd de eerste cohorte van ieder legioen op
de dubbele sterkte der overige gebracht: zij telde 1000 soldaten, 100
onderofficieren of decani en 5 centuriones, en werd cohors milliaria
genoemd, terwijl de andere cohorten 555 man voetvolk hadden, n.l. 500
soldaten, 50 decani en ook 5 centuriones. Aan de eerste cohorte waren
132, aan elke der andere 66 geharnaste ruiters toegevoegd.--In lateren
tijd wordt cohors ook van eene afdeeling ruiterij gebezigd.--Ook van
de hulptroepen, door de bondgenooten geleverd, wordt meermalen het
woord cohortes gebruikt.

Cohors praetoria, de garde of lijfwacht van den veldheer of stadhouder,
ook wel met inbegrip van zijn staf en zijn geheele gevolg van
officieren, ambtenaren, vrienden en dienaren. Het eerst heeft Scipio
Africanus minor in den numantijnschen oorlog zoo'n lijfwacht opgericht.

Cohortes praetoriae. Augustus richtte een gardecorps op van 9 cohorten,
elk 1000 man sterk, waarvan er echter niet meer dan 3 te Rome in
garnizoen lagen, die bij de burgers ingekwartierd werden en buiten
dienst de toga mochten dragen, weshalve zij ook wel cohortes togatae
worden genoemd. Deze garde had hooger soldij en korter diensttijd dan
de overige troepen. Hiervan onderscheiden is de bataafsche lijfwacht,
de corporis custodes (z. a.). Op aansporing van Seianus liet keizer
Tiberius voor de praetorische cohorten eene vaste legerplaats, castra
praetoria, bouwen in den N.O. hoek van Rome. Vitellius ontbond de
praetoriaansche garde, omdat zij voor Otho tegen hem had gestreden,
en richtte eene nieuwe van 16 cohorten op. In de geschiedenis van
Rome speelden de praetorianen eene groote rol: keizers werden door
hen op den troon geplaatst en vermoord, éénmaal zelfs, in 193 na C.,
verkochten zij de keizerlijke waardigheid aan den meestbiedende. Keizer
L. Septimius Severus ontbond de garde in 194 en verving ze door een
andere. Onder Constantijn werd zij afgeschaft en hare legerplaats
afgebroken. In het eerst stond de garde onder twee praefecti praetorio,
tijdens Tiberius onder één, later weder onder één of twee of drie.

Cohortes urbanae, eene soort van gendarmerie, door Augustus opgericht,
om voor de openbare veiligheid te Rome te zorgen. Eerst waren er 3;
Vitellius bracht het getal op 4. Zij stonden onder den praefectus
urbi. Later smolten zij met de praetorianen samen.

Cohortes vigilum, zeven in getal, voor elk tweetal wijken één, eene
soort van brandweer en politie, door Augustus ingesteld. Zij stonden
onder een praefectus vigilum.

Colchis, Kolchis, landschap aan den O.-hoek van den Pontus Euxinus
(Zwarte zee), ten Z. van den Caucasus, ten N. van Armenia, door den
Phasis doorsneden. Het land was moerassig, zoodat de woningen voor een
deel op palen moesten gebouwd worden, doch het was zeer vruchtbaar
en leverde o.a. timmerhout, hennep, pek, honig, was, vooral vlas en
linnen, en ook goud op. Van de boorden van den Phasis zijn de fazanten,
aves Phasianae, afkomstig. De bewoners van de vlakte hadden een donkere
huidkleur en kroeshaar, en leken op de Aethiopiërs, zoodat Herodotus
vermoedt, dat ze uit Aegypte hierheen verplaatst zijn. Aan de kust
lagen de milesische koloniën Phasis en Dioscurias. Mithradates VI
maakte het gewest tot eene pontische provincie; daarna werd het aan
Rome cijnsbaar. De mythe noemt het Aeaea of Aea en plaatst er de gouden
ramsvacht, bekend uit de sagen van den Argonautentocht en van Iason
en Medea. Bij dichters is Colchis meermalen = de Colchische vrouw,
d. i. Medea.

Colias, Kolias, kaap op de Westkust van Attica dicht bij Phalerum, waar
fijne porceleinaarde werd gevonden. Er stond een tempel van Aphrodite.

Collatia, latijnsche stad aan den Anio, door Tarquinius Priscus
veroverd, de woonplaats van L. Tarquinius Collatinus en Lucretia.

Collatinus, zie Tarquinii no. 3.

Collegae zijn niet slechts ambtgenooten, maar ook overheden, die onder
gelijke auspiciën gekozen zijn. Zoo zijn de praetoren collegae minores
der consuls, de magister equitum een collega minor van den dictator. Op
de par potestas der collegae berust het ius intercessionis, dat ze
tegenover elkaar kunnen uitoefenen.

Collegium, 1) collegie van ambtgenooten, b.v. collegium pontificum.--2)
corporatie tot eenig bepaald doel, b.v. collegia tenuiorum,
begrafenisfondsen.--3) gilden van ambachtslieden, collegia opificum.

Collina, eene der vier regiones, waarin Servius Tullius de stad Rome
verdeelde. Deze regio omvatte den collis Quirinalis en den collis
Viminalis.

Collina (porta), noordoostelijkste poort van Rome in den muur van
Servius Tullius.

Collybus, kollybos, agio bij de geldwisselaars.

Collytus, Kollytos, demus in Attica tot de phyle Aegeis behoorende.

Colonae, Kolonai, naam van twee steden, eene in Troas ten Z.W. van
Neandria, en eene in Mysia.

Colonatus. Colonus beteekent oorspronkelijk boer, maar wordt later
gewoonlijk in de beteekenis van pachtboer gebruikt. De boerderijtjes
zijn klein; de pachttermijn is gewoonlijk 5 jaar, maar wordt dikwijls
stilzwijgend vernieuwd; en daar de colonus gewoonlijk geen geld heeft,
wordt de pacht in natura betaald. De groote landgoederen, die zich
sinds den 2den Punischen oorlog in Italië vormden (z. Latifundia),
lieten de eigenaars of bezitters liefst door slaven bewerken
(z. Agrariae leges); de wet, die hen dwong een zeker aantal vrije
daglooners in dienst te hebben, werd niet uitgevoerd of ontdoken. Toen
echter door de slavenopstanden (z. Spartacus) de slaven in aantal
ontzettend afnamen of onbetrouwbaar werden, namen de eigenaars weer
een tijd lang hun toevlucht tot het pachtsysteem. In den keizertijd nam
echter in Italië het gebruik van slaven, de uitbreiding der latifundia
en de ontvolking, die daarmede gepaard pleegt te gaan, weer hand over
hand toe. In de provinciën, vooral in Africa, waaromtrent wij het
best zijn ingelicht, is het grootgrondbezit ook schrikbarend. Op de
groote landgoederen (saltus) hetzij van particulieren, hetzij van den
keizer, vindt men daar naast het huis en het bedrijf van den landheer
uitsluitend kleine pachters, coloni, die tengevolge van de slechte
ekonomische toestanden, daar anders het bedrijf niet meer loonend is,
langzamerhand gedwongen worden op hun grond te blijven wonen (glaebae
adstricti). Deze saltus of praedia worden tot groote distrikten
(tractus) bijeengevoegd, en aan het verband met het municipium waartoe
ze oorspronkelijk behoorden, onttrokken. Verschillende contracten,
waaraan die coloni gebonden waren, zijn in de laatste twintig jaar in
Africa teruggevonden. Het oudste contrakt, lex colonis fundi villae
Magnae data ad exemplum legis Mancianae dateert van het jaar 116 of
117 n. C. In de 4de eeuw n. C. worden de verplichtingen van hoorigheid
ook in de wetgeving opgenomen, en strenge strafbepalingen vastgesteld
op het verlaten van de hofstede. Men werd colonus of door geboorte,
of door vrijwillig zich aan te melden. Ook zwervers en landloopers
werden aan een eigenaar uitgeleverd. Men werd slechts vrij door
dienst te nemen, of, later, door priester of monnik te worden. Hun
toestand wordt in den loop der eeuwen hoe langer slechter. Omtrent den
oorsprong van het kolonaat tast men nog vrijwel in het duister. Sommige
geleerden meenen, dat, al zijn de vormen, waaronder deze hoorigheid
zich voordoet, ook niet oostersch, toch de oorsprong er van in de
hellenistische wereld gezocht moet worden.

Colonia, 1) Grieksche koloniën. Wanneer eene grieksche stad overbevolkt
dreigde te worden, werd eene commissie uitgezonden, om op eene nog
niet door Grieken in bezit genomen kust eene geschikte plaats te
vinden voor den bouw eener nieuwe stad. Was zulk een punt gevonden,
dan werd een deel der bevolking als vrijwillige landverhuizers daarheen
overgebracht en van de noodige hulpmiddelen voorzien, en er verrees
eene zelfstandige stad, die wel in den beginne de bescherming der
moederstad genoot, maar toch niet afhankelijk van haar was. Het geval
van Potidaea, dat jaarlijks zijn eersten magistraat uit Corinthus
kreeg, is uitzondering, geen regel. Wel bleef er een band van piëteit
tusschen de metropolis en de kolonie bestaan, als tusschen moeder
en dochter, en de afgezanten der moederstad hadden bij de openbare
feesten eene eereplaats, doch de burgers der eene hadden daarom nog
geen aanspraak op het burgerrecht der andere. Zie ook Cleruchia. De
uitzending eener kolonie had onder zekere plechtigheden plaats, zooals
het medenemen van vuur uit het prytaneum der moederstad, en ook werd
geene grieksche kolonie gesticht zonder dat eerst een of ander orakel
was geraadpleegd. Natuurlijk waren er behalve de bovengenoemde reden
nog andere redenen tot stichting van volkplantingen. Bij inwendige
verdeeldheid kon het gebeuren, dat de onderliggende partij besloot
uit te wijken. Ook de verovering van een staat door machtiger vijanden
kon aanleiding tot landverhuizing geven. Ook handelsbelangen speelden
eene rol, en menige kolonie is gesticht om in afgelegen zeeën aan de
koopvaarders der moederstad een veilig station te verschaffen. Met
de inboorlingen van hun nieuw vaderland hadden de kolonisten vaak een
hardnekkigen strijd te voeren. Overwonnen de Grieken, dan ontwikkelde
zich in den regel een betrekking van perioeci, doch menigmaal ook
bezweken zij, zooals b.v. de grieksche steden op de kust van Voor-Azië
zich aan de lydische koningen moesten onderwerpen.--2) Romeinsche
koloniën. De Romeinen zonden met een geheel ander doel koloniën uit,
en wel niet naar onbewoonde plaatsen, maar naar bestaande steden in
pas veroverd gebied, om daar als voorposten wacht te houden. Het waren
militaire posten, propugnacula imperii. De nieuwe kolonisten kregen
voor zich en hunne gezinnen woningen en landerijen, die door de oude
bezitters moesten worden ingeruimd. Ze vormden een afzonderlijke
gemeente. Voor een klein deel waren het coloniae civium Romanorum,
d. w. z. de uitgezonden kolonisten waren rom. burgers, die ook in
hunne nieuwe woonplaats het volle burgerrecht behielden. Hiertoe
behooren o. a. de coloniae maritimae. Deze hebben, omdat zij met de
verdediging der kust belast zijn, militiae vacationem sacrosanctam,
waarmede echter in den tweeden punischen oorlog geen rekening gehouden
werd. De meeste coloniae waren col. latinae (zie hieronder); vaak
werden ook Romeinsche burgers naar veroverde streken gezonden,
zonder een bepaalde colonia, d.w.z. een stad met gemeentebestuur,
te vormen; men spreekt dan van assignationes viritanae. Zie ook onder
het artikel Agrariae leges: Lex Sempronia agraria van C. Gracchus. De
oude inwoners, inquilini, werden als dediticii, overwonnelingen,
beschouwd. Evenwel werd hun nu en dan toegestaan, zich als coloni te
laten inschrijven. Toen geheel Italia het burgerrecht bezat, hadden
de coloniae geen militaire beteekenis meer.--Deze gewoonte, koloniën
als militaire bezetting uit te zenden, was in Italia algemeen. Het
latijnsche stedenverbond deed het ook, en tusschen 493 en 340,
d. i. van de stichting van het romeinsch-latijnsch-hernicisch
bondgenootschap tot aan den laatsten latijnschen oorlog, werden
door de bondgenooten bondskoloniën uitgezonden. Na de onderwerping
van Latium bevolkten de Romeinen sommige koloniën met Latijnen. In
tegenstelling der vroegere coloniae latinae werden deze coloniae
latinae populi romani geheeten; zij waren 39 in getal, o. a. Ariminum,
Brundisium, Cremona, Placentia, en hadden het ius Latii.--Een andere
soort van coloniae waren die, welke nu en dan werden uitgezonden om
Rome te ontlasten van behoeftige, dikwerf oproerige burgers. Dit
waren landbouwkoloniën. De vestiging dezer laatste dagteekent van
den tijd der Gracchen. In de burgeroorlogen werd het gewoonte, dat de
overwinnaar zijne soldaten met grondbezit beloonde. Zoo wees Sulla niet
slechts vele landerijen, waarvan de eigenaars omgekomen of gevlucht
waren, aan zijne soldaten ter verdeeling toe, maar ook den grond van
verschillende mariaanschgezinde steden, waarvan de inwoners eenvoudig
uit huis en hof verdreven werden. Evenzoo wees Octavianus in 41 en 40
acht steden in Gallia Transpadana, tot straf voor hunne gehechtheid
aan de zaak van Brutus en Cassius, aan zijne legioenen toe, bij welke
gelegenheid ook Vergilius uit zijn eigendom verdreven werd. Dit zijn
coloniae veteranorum.--De uitzending van koloniën had volgens eene
speciale wet plaats en werd geregeld door opzettelijk hiertoe gekozen
commissarissen, meestal drie, III viri coloniae deducendae.

Colonia Agrippina, stad der Ubii of Agrippinenses, aldus in 50
n. Chr. genoemd ter eere van Germanicus' dochter Agrippina. Het was
de hoofdstad van Germania Inferior. In den lateren keizertijd is de
stad zeer belangrijk als grensvesting, en nu en dan zetel van den
keizer. Thans Keulen aan den Rijn.

Colonus, Kolonos, demus in Attica, ten N. van Athenae, geboorteplaats
van Sophocles, met een tempel van Poseidon, eene grot der Eumeniden
en het graf van Oedipus.

Colophon, Kolophon, aziatisch-ionische stad met de havenstad Notium
door muren verbonden, beroemd door zijne vloot en zijne voortreffelijke
ruiterij. Vandaar het spreekwoord Kolophona epitithenai = eene zaak
haar beslag geven. Toch werd de stad meer dan eens ingenomen. In het
nabijgelegen Clarus was een beroemd orakel van Apollo. Colophon was
de geboorteplaats van den elegieëndichter Mimnermus en maakte ook
aanspraak op Homerus.

Colossae, Kolossai, vroeger eene aanzienlijke stad in het Z. van
Groot-Phrygia, doch allengs door naburige plaatsen overschaduwd,
in Strabo's tijd nog slechts een stadje. Hier was een van de eerste
christelijke gemeenten.

Colosseum, zie Amphitheatrum.

Colotes, Kolotes, leerling van Epicurus, verdedigde in verscheiden
werken de leer van zijn meester, en viel daarbij de oudere wijsgeeren
soms hevig aan.

Columbar, als strafwerktuig vermoedelijk een houten bord, waarin
men zóó gesloten werd, dat hoofd en handen er door staken. Het werd
slechts voor slaven gebezigd.

Columbarium, duiventil; ook een grafkelder met een aantal rijen van
nissen boven elkander om lijkbussen in te plaatsen. Zie de teekening op
bldz. 187. Onder elke nis was op een plaatje de naam van den overledene
vermeld. Er waren algemeene columbaria, waarin men eene plaats kon
koopen.--Ook de roeigaten van een schip worden aldus genoemd.

Columella (L. Iunius Moderatus) geboren te Gades, leefde in het midden
der eerste eeuw na C. en leverde een smaakvol en vloeiend geschreven
werk de re rustica in 12 boeken; hiervan is het 10de boek, over den
tuinbouw, in navolging van Vergilius, in hexameters geschreven.

Columna. Hoewel bij verschillende volken der oudheid verschillende
vormen van zuilen in gebruik waren, kunnen hier slechts de grieksche
en rom. worden besproken, en wel in hoofdtrekken de dorische,
ionische en corinthische zuilen. Bij de grieksch-dorische orde
rijst de schacht der zuil zonder voetstuk als het ware uit den bodem
op; deze schacht is voorzien van ondiepe, aaneensluitende groeven,
cannelures geheeten, en bereikt eene hoogte van ongeveer 4,5 à 5 maal
hare benedenmiddellijn. Op de schacht rust het bovenstuk of kapiteel,
capitulum, kephalaion. Het onderste deel van dit kapiteel is de hals,
hypotrachelion, een voortzetting der schacht door eene insnijding
of een lijstje er van gescheiden, en soms met ringvormige lijnen
versierd. Daarop rust de eierlijst, echinus, echinos, en op deze
weder de vierkante dekplaat of abacus, abax. Op de dekplaten rust dan
de draagbalk of architraaf van den bovenbouw. Bij de rom.-dorische
zuil is de schacht meestal glad, en wanneer zij soms gecanneleerd
is, zoo strekken de groeven zich toch slechts over het bovenste
tweederde deel uit, terwijl het ondereinde glad blijft. Soms rust
de zuil op een voetstuk of basement, eene cirkelvormige schijf met
bolronde kanten, torus.--De grieksch-ionische zuil bereikt gemiddeld
eene hoogte van 8 maal de middellijn der beneden-doorsnede; de
schacht rust op een voet van kussens, door holle randen, trochiloi,
gescheiden. De cannelures zijn dieper dan bij de dorische zuil, en
niet aaneensluitend, maar door smalle, gladde bandjes gescheiden. Het
kapiteel is minder eenvoudig dan het dorische. De hals is met
figuren versierd, evenzoo de eierlijst. Daarop rust een dekstuk als
een veerkrachtig kussen, aan weerszijden in spiraalvormige krullen,
zoogenaamde voluten, uitloopende. Dit dekstuk draagt den abacus en
deze wederom den architraaf. De rom.-ionische krul mist de welving
in het midden en maakt hierdoor niet den indruk van veerkracht,
dien de grieksche maakt. Ter verklaring van de grootere slankheid
der ionische zuil vergeleken met de dorische diene het volgende:
De ionische zuil is oorspronkelijk een binnenzuil geweest, aan de
binnenzijde van een gebouw aangebracht, tot schoring van het dak. Ze
was dus oorspronkelijk van hout, maar tegen de vochtigheid van den
bodem geplaatst op een steenen onderstel, hetgeen de basis dezer
zuil verklaart. Later werd de zuil in steen gecopieerd, en ook aan
de buitenzijde aangebracht. De dorische zuil is in den regel van
steen geweest, slechts bij het Heraeum te Olympia en bij den ouden
tempel te Delphi waren de zuilen van hout. De zuilen worden om het
gebouw aangebracht, en hullen het als het ware in een mantel in;
men noemt dit de peristasis.--De corinthische zuil onderscheidt zich
van de ionische door den rijkdom van haar kapiteel, dat in tal van
variatiën met bladvormen en vlechtwerken is versierd. Zie de teekening
op blz. 190. Oorspronkelijk waren het acanthusbladeren. Vooral de
Rom. hebben dit kapiteel met allerlei versieringen aangewend. Bij de
Grieken is de corinthische zuil op de wijze der ionische gegroefd,
bij de Rom. dikwerf glad. Echt rom. is onder al de drie zuilenorden
de vierkante voet of plint, die soms vrij hoog is.

Columna M. Aurelii, op de Piazza Colonna te Rome, naar het model van de
Columna Traiani, door Keizer M. Aurelius opgericht ter verheerlijking
zijner krijgsdaden. De zuil is 100 rom. voet (29,6 M.) hoog en omgeven
door reliefs in 23 windingen; de onderste helft verheerlijkt het bellum
Germanicum, den oorlog tegen de Marcomannen en Quaden (172-173 n. C.),
de bovenste helft het bellum Sarmaticum, den oorlog tegen de Sarmaten,
Iazygen en Quaden (174-175). Bovenop staat tegenwoordig een standbeeld
van den apostel Paulus.

Columna bellica, kleine zuil voor den Bellona-tempel te Rome,
ten N.W. van den mons Capitolinus. Bij deze zuil werd oudtijds het
formulier der oorlogsverklaring uitgesproken.

Columna Maeniana, zuil op het Comitium te Rome, met een balkon er op,
genoemd naar haren bouwmeester C. Maenius. Bij deze zuil werden slaven,
dieven en gemeene misdadigers gestraft.

Columna rostrata, zuil met scheepssnebben versierd, opgericht ter
eere der overwinning van C. Duillius op de Carthagers in 260.

Columna Traiani. Onder de verschillende zuilen te Rome is vooral
die van Traianus merkwaardig. Zij is van wit marmer, 117 voet hoog
en van binnen met een wenteltrap van 180 treden voorzien. Bovenop
stond het standbeeld des keizers; thans staat er dat van den apostel
Petrus. Buitenom zijn spiraalsgewijze en relief tafereelen uit den
dacischen veldtocht aangebracht, uit meer dan 2500 figuren bestaande.

Columnae Herculis, twee bergen aan het fretum Gaditanum (straat
v. Gibraltar), n.l. Calpe in Europa en Abyla in Afrika, volgens
de mythe door Heracles vaneengescheiden, om de beide zeeën te
vereenigen. Romeinsche zeelieden gaven bovendien dien naam aan het
toen uit twee afzonderlijke rotsen bestaande Helgoland.

Colyttus, Kolyttos = Collytus.

Comaetho, Komaitho, dochter van Pterelaus, koning der Taphiërs. Uit
liefde voor Amphitryo, die de Taphiërs beoorloogde, sneed zij haar
vader het gouden haar af, waarvan het behoud van zijn leven afhing;
Amphitryo liet haar wegens haar verraderlijk gedrag dooden. Vgl. Nisus.

Comana, ta Komana, naam van twee steden, de eene in Cappadocia aan den
Sarus gelegen, de andere in Pontus aan den Iris. Beide steden hadden
een tempel, aan de gewapende godin Mâ gewijd, waar tempelslavinnen
wapendansen uitvoerden. Vooral de pontische tempel met zijne 6000
hierodulen had een uitgestrekt landbezit, en de opperpriester er
van genoot een koninklijk aanzien. Misschien hebben die gewapende
vrouwenscharen aanleiding gegeven, om in die streek aan den Thermodon
de woonplaats der Amazonen te stellen.

Comes, sedert Constantijn den Grooten een titel voor hooge staats-
en hofbeambten, als: comes stabuli, keizerlijk opperstalmeester,
comes sacrarum largitionum, minister van finantiën, e. a. Zie ook
Illustres. Er waren comites in actu, in dienst, vacantes, buiten
dienst, en ook honorarii.

Cominii, plebejisch geslacht.

Cominium, stad in Latium aan de grenzen van Samnium, ten N. van Atina,
door de Romeinen verwoest (293).

Comissatio, een drinkgelag als voortzetting der coena, meestal tot
diep in den nacht.

Comitia zijn vergaderingen, waar het romeinsche volk, na het waarnemen
der auspicia, volgens een zijner politieke indeelingen bijeenkwam
en waar een stemming plaats had. Het recht zulke vergaderingen samen
te roepen en te leiden (ius agendi cum populo) kwam, behalve bij de
com. curiata calata, alleen toe aan de hoogere overheidspersonen.

Comitia curiata calata zijn volksvergaderingen, die vroeger door den
koning, later door den pontifex maximus werden bijeengeroepen (calare)
tot zekere sacrale handelingen, waarbij de tegenwoordigheid van het
volk voldoende was en geene stemming plaats had. Ze kwamen bijeen
voor de Curia Calabra op het Capitool, en werden in de oudste tijden
gehouden tot inauguratie van den koning, de flamines en later van den
rex sacrificus, tot het maken van testamenten (testamentum comitiis
calatis factum), bij arrogatio uithoofde der detestatio sacrorum,
tot afkondiging van den feestkalender, bij de transitio in plebem, enz.

Comitia curiata waren de oudste soort van volksvergadering op
het gebied van wetgeving en verkiezing. Men stemde er naar curiën,
zoodat er 30 stemmen werden uitgebracht. Toen de wetgevende macht op
de centuriaatcomitiën was overgegaan, werd toch aan de magistraten,
die het noodig hadden, het imperium door eene curiaatvergadering
verleend (lex curiata de imperio).

Comitia centuriata waren die, waarin het volk naar classes en
centuriae stemde. Zie centuria. Het kwam dus op den census aan,
niet op geboorte. Elke centurie bracht ééne stem uit, er waren
derhalve 193 stemmen. Waren de 80 centuriën der eerste klasse en de 18
riddercenturiën eenstemmig, dan behoefde reeds de tweede klasse niet
meer ter stemming te worden opgeroepen. De centuriaatcomitiën worden
bijeengeroepen in de eerste plaats voor de verkiezing der hoogere
ambtenaren, in de tweede plaats voor de wetgeving; deze ging echter in
den loop der tijden gedeeltelijk op de comitia tributa, gedeeltelijk
op het concilium plebis over. Consuls brachten hun wetsvoorstellen
steeds (behalve als ze in de oppositie waren) ex auctoritate senatus
voor de com. cent. Twee bevoegdheden van wetgevenden aard bleven
uitsluitend aan de c. centuriata voorbehouden: 1º. het recht om
oorlog te verklaren (lex de bello indicendo), 2º. het recht om aan de
censores na hun benoeming de potestas te verleenen (lex de censoria
potestate). Ook hadden zij de rechtspraak in lijfstraffelijke zaken,
die haar echter sedert 149 door de quaestiones perpetuae meer en meer
werd onttrokken.--Op een niet juist bekend tijdstip, vermoedelijk
tusschen 241 en 218, had er eene samensmelting der centuriën en der
tribus plaats. Volgens de meest aangenomen gissing werden de burgers
van elke tribus naar hunnen census en hun leeftijd in 10 centuriën
gesplitst, van elke klasse een cent. seniores boven 45 jaar, en
een cent. iuniores van 17-45 jaar. Dit gaf voor de 35 tribus 350
centuriën, 70 in elke klasse. Wanneer men daarbij 18 c. ridders,
2 c. werklieden, 2 c. muzikanten en 1 c. proletariërs voegt, krijgt
men een totaal van 373 centuriën en even zooveel stemmen. Zelfs bij
volkomen eenstemmigheid moest dan na de stemming der eerste klasse
en der ridders niet slechts de tweede klasse, maar na deze ook nog de
derde ter stemming worden opgeroepen, om eene volstrekte meerderheid
te verkrijgen. Anderen geven weer andere oplossingen aan de hand, die
allen hierop gebaseerd zijn, dat volgens Cicero het aantal stemmen
steeds 193 gebleven was. Alleen zeker is dat de eerste classis in
elke tribus in een centuria seniorum en een c. iuniorum gesplitst was.

Comitia tributa. Zuivere tribuutcomitiën zijn die, waarin alle
stemgerechtigde burgers tributim kunnen stemmen en elke tribus
ééne stem uitbrengt. Over de tribuutvergaderingen der plebs onder
voorzitterschap harer tribunen, zie men het artikel concilia plebis. Op
het voetspoor der volkstribunen maakten ook andere overheden van
de gelegenheid gebruik, het volk tributim op te roepen, omdat de
tribuutvergaderingen, althans in den beginne, aan geene auspiciën
gebonden waren en dus minder omslag vereischten. De lex Aternia
Tarpeia droeg in 454 aan deze comitia de rechtspraak op in boetezaken
boven een zeker bedrag. In 447 werd hun de verkiezing der magistratus
minores opgedragen. De eerste wet in comitiis tributis aangenomen was
de lex de vicesima manumissionum, waarover de consul Cn. Manlius,
in het kamp voor Sutrium, het leger tribusgewijze liet stemmen
(Zie lex Manlia). Wetten van politieken aard zijn er overigens in
de com. trib. slechts weinig voorgesteld en aangenomen. Het meest
bekend zijn de leges tributae praetoriae, wetten tot regeling van
het privaatrecht, die ex auctoritate senatus door den praetor urbanus
werden ingediend. De lex Domitia, 104, bracht ook de verkiezing der
priester-collegiën aan de tribus, doch op dezen voet, dat door het
lot 17 (minor pars) van de 35 tribus zouden worden aangewezen voor
de stemming, en dat de door haar gekozenen door het collegie moesten
worden gecoöpteerd. Dit zijn de comitia sacerdotum.

Comitiales dies, de dagen, waarop comitia mochten gehouden worden
(quibus cum populo agi licet). Er zijn er tegen het einde van de
republiek ongeveer 190. Uitgesloten waren de dies nefasti, de dies
fasti, en de nundinae. In den kalender worden ze aangeduid met een
C. Op de nundinae mochten wel vergaderingen van de plebs (concilium
plebis) gehouden worden.

Comitium, een vierhoekig plein, dat ten N. aan het forum grensde,
waar oudtijds de comitia curiata plaats hadden en, voor het Forum
ingericht was, ook als marktplein diende. Het lag veel hooger dan
het Forum. Aan de Noordzijde lag de Curia Hostilia, ook stonden er
de ambtszetels van de tribuni plebis. Later werd een groot gedeelte
van het plein ingenomen door de nieuwe Curia Julia.

Commagene, Kommagene, het noordelijk gedeelte van Syria met de
hoofdstad Samosata aan den Euphraat, die hier nog niet bevaarbaar
was. Aan den anderen kant werd het gewest door den Taurus en den
Amanus ingesloten. Na Alexander d. Gr. was het onder een zijtak der
Seleuciden geruimen tijd een zelfstandig rijk. Tiberius veroverde het
in 17 na C.; Caligula gaf het terug; Vespasianus maakte het weder
tot rom. provincie. Onder Diocletianus en Constantijn droeg het,
met Cyrrhestice vereenigd, den naam Euphratensis of Augustophratensis.

Commeatus. Onder dit woord verstaat men niet slechts toevoer van
levensmiddelen, maar ook het verlof aan de soldaten. Hoewel het
recht om commeatus te verleenen eigenlijk alleen aan den veldheer
toekomt, schijnen de centuriones, evenals bij het verleenen van
vacationes munerum (zie Beneficiarius miles), hierin handel gedreven
te hebben. Keizer Otho maakte hieraan een einde door aan de centurio's
eene jaarlijksche toelage te geven.

Commentarii, apomnemoneumata of hypomn., fr. mémoires,
gedenkschriften, dagboek. Ook de aanteekeningen der pontifices,
die in den gallischen brand verloren gingen, worden zóó geheeten,
commentarii pontificum. Het woord wordt verder ook van letterkundige
geschriften gebruikt. Caesar geeft dien naam aan zijn verslag van
den Gallischen en den burgeroorlog.

Commercium is de bevoegdheid om volgens, streng rom. recht eigendom
te verkrijgen en te vervreemden. Het zwaartepunt er van lag in het
testament- en erfrecht. Wie toch het commercium niet bezat, kon van
een burger niet erven, noch hem iets bij testament vermaken. Hij kon
ook geen grondbezit hebben. Zoo zorgden de Romeinen er in den regel
voor, dat de civitates (z. a.) in de onderworpen gewesten onderling
geen commercium hadden.

Commius, vorst der Atrebaten, door Caesar aangesteld (57), bewees hem
diensten bij den tocht naar Britannia, doch sloot zich in 52 bij den
grooten gallischen opstand onder Vercingetorix aan.

Commodus (L. Aelius Aurelius), rom. keizer 180-192 n. C., zoon van
Marcus Aurelius en diens gemalin Faustina, hoewel sommigen hem voor
een zoon van F. en een gladiator hielden. Hij was een der ellendigste
vorsten, die op den rom. keizerstroon zetelden, verkwistte schatten
aan wedrennen, zwaardvechtersspelen en dierengevechten, waarbij hij
zelf optrad, en stelde er zijn roem in, de eerste gladiator van het
rijk te zijn en zich als een tweeden Hercules te doen vereeren. Op
aansporing zijner gunstelingen Perennis en Cleander liet hij met
groote wreedheid de beste burgers om het leven brengen, tot hij
eindelijk zelf vermoord werd.

Commodus (L. Ceionius), zie Verus.

Comoedia, komodia. De uitgelaten vroolijkheid, die bij de
Dionysusfeesten placht te heerschen, uitte zich o. a. ook in
kunstelooze liederen, waarin zij, die aan het feest deelnamen,
elkander en anderen vrijmoedig, dikwijls op zeer ruwe wijze, plaagden
en bespotten. Uit deze liederen ontwikkelde zich mettertijd, onder
de handen van eenige verdienstelijke dichters, de comedie. Nadat
in Megara en op Sicilië de eerste stappen in deze richting gedaan
waren, kwam deze dichtsoort tot hoogen bloei te Athene, waar het
afwisselend en veelbewogen leven den dichters rijke stof opleverde,
waarvan zij met de aloude vrijheid gebruik maakten. Geen onderwerp
is van zoo teederen aard, of de comediedichters durven het op hunne
wijze behandelen, geen persoon is zoo machtig of hoog geplaatst,
of zij stellen hem, ook in zijn huiselijk leven, voor het vol