Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: De nachtegaal - Verhalen voor de jeugd
Author: Schmid, Christoph von, 1768-1854
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "De nachtegaal - Verhalen voor de jeugd" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



                             DE NACHTEGAAL.



                             DE NACHTEGAAL.

                        VERHALEN VOOR DE JEUGD,

                                  DOOR

                              =C. SCHMID=,

Schrijver van Mathilda en Wilhelmina, Hendrik van Eichenfels, Hirlanda,
                                  enz.

                        MET GEKLEURDE PLAATJES.

                     TE LEIDEN, BIJ A. W. SIJTHOFF.

[Illustratie]



=DE NACHTEGAAL=.



I.

Het ongeval op reis.


De gravin van Sterreveld bevond zich met hare drie kinderen, eenen zoon
en twee dochters, op reis uit de hoofdstad naar haar buitengoed. De
koetsier was, een bosch doorrijdende, met den weg in de war geraakt.
Hoewel dit oponthoud op zich zelf reeds onaangenaam genoeg was, werd het
evenwel nog grootelijks vermeerderd, naardien kort daarna de wagen op
een zoo hobbelig pad geraakte, dat een der wielen brak.

Hoewel niemand eenig letsel had bekomen, werd de gravin zulks met
grooten schrik gewaar, vermits de avond reeds begon te vallen, toen haar
dit ongeval overkwam. Hare dochters waren nog oneindig meer beangst door
het denkbeeld van in een zoo donker en eenzaam woud te zullen moeten
overnachten. Te vergeefs trachtte de jonge graaf zijne zusters gerust te
stellen. De rijknecht was regt verdrietig over het gebeurde, schimpte
geweldig op den slechten weg, waaraan hij alle schuld gaf, krabde zich
achter de ooren en wist niet wat nu te beginnen.

Terwijl het gezelschap nog besluiteloos stond, kwam een herdersknaap bij
hen, die, zoodra hij het ongeval bespeurde, zeide: "o, dat kan ligt
verholpen worden! Als ik ten minste goed zie, dan zullen wij het wiel
zonder veel moeite wel spoedig weêr in orde kunnen krijgen. In een dorp
aan den grooten weg, niet ver van hier, woont een beste wagenmaker, die
u spoedig zal helpen. Het bijpad, waarop de voerman verdwaald is loopt
gelukkig regelregt op dat dorp uit. Ik zal u derwaarts brengen en in een
oogenblik zal alles weêr klaar wezen!"

De knaap, die inmiddels rond had gezien, vond nu iets waarmede men den
wagen kon steunen en aldus naar het dorp slepen. "Ziedaar!" zeide hij,
"ons reeds geholpen wat den wagen betreft. Ondertusschen," zoo vervolgde
hij, "wilde ik u nog wel iets voorslaan. De rijweg van hier naar het
dorp is tamelijk ongemakkelijk, en daarenboven nog wel een uur lang.
Doch ik weet geenen anderen weg, die beter in orde is of ons spoediger
naar het dorp brengt. Indien evenwel de genadige vrouw met den jongeheer
en de jonge jufvrouwen mij wilden volgen, dan kan ik aan het gezelschap
een voetpad aanwijzen, dat wel de helft korter en veel aangenamer te
begaan is."

De gravin gaf te kennen, dat deze voorslag haar regt aannemelijk
voorkwam, en nu haalde de knaap de stang, waarmede de wagen moest
gesteund worden. "Zij behoort aan den wagenmaker," zeide hij, "die ginds
ook nog wat hout heeft liggen, dat hij in den vorigen winter heeft
geveld. Hij zal het ons stellig niet kwalijk nemen dat wij zijne stang
gebruiken om den wagen bij hem te brengen." Hij hielp den rijknecht
vervolgens regt handig alles zoo goed mogelijk in orde brengen, waarop
de koets langzaam en voorzigtig langs den hobbeligen weg werd
voortgetrokken, terwijl de voerman naast de paarden liep. De grafelijke
familie bleef het rijtuig nog een oogenblik nazien, en sloeg vervolgens,
onder geleide van den herdersknaap, het voetpad in, dat wezenlijk,
gelijk de knaap gezegd had, eene alleraangenaamste wandeling aanbood,
daar het door laag, maar welig groeijend geboomte, in bevallige
kronkelingen, langs een ruischend beekje van helder water voortliep.



II.

De Nachtegaal.


Terwijl het gezelschap dus voortwandelde, liet zich eensklaps een
nachtegaal hooren. De vogel sloeg zoo heerlijk, dat de gravin zich met
hare beide dochters op den stam van eenen gevelden beukeboom neêrzette,
ten einde eenige oogenblikken naar den vogel te kunnen luisteren, hoewel
de invallende duisternis tot spoed vermaande.

De jonge graaf, die oogenschijnlijk den ouderdom van zestien jaren had
bereikt, leunde, op eenigen afstand, tegen eenen jongen boom, en
verlustigde zich niet minder in het bekoorlijk lied. Alles rondom was
stil. Het avondwindje speelde in het gebladerte, en zacht ruischte het
beekje. Alle aanwezigen bespeurden in zich dat aangename gevoel van
kalmte en rust, dat wij allen zoo vaak in de vrije natuur smaken.

Toen de nachtegaal zweeg, riep de gravin uit: "honderd gulden gaf ik
daarvoor, dat ik dezen vogel op mijne buitenplaats had! In de stad heb
ik vele nachtegalen gehoord; maar hier in de vrije natuur, op eene
stille boschrijke plaats, bij die kalme rust, terwijl de avond begint te
vallen en de maan reeds met haar zilveren licht door de boomen
schijnt,--hier klinkt het gezang van dezen heerlijken vogel nog oneindig
fraaijer. Ja, ik herhaal het, het was mij met genoegen honderd gulden
waard, dat ik hem op mijn buitengoed, in dat kleine boschje, hetwelk
achter ons huis aangelegd is, des avonds konde hooren!" "Nu," mompelde
de herdersknaap, die naast den jongen graaf stond, "die honderd gulden
zou iemand ligt kunnen verdienen!" De graaf, die deze woorden vernomen
had, gaf den knaap eenen wenk, dat hij zich stil zou houden, vermits de
nachtegaal zijn lied juist weêr aanhief. Toen hij te tweeden male stil
hield, stond de gravin op, ten einde zich met hare kinderen naar het
dorp te begeven. De jonge graaf liep met den herdersknaap achter, en
begon met den dienstvaardigen jongen het volgende gesprek.

"Gij hebt," dus ving hij aan, "daareven mijne moeder niet begrepen! Zij
sprak niet van eenen nachtegaal in eene kooi, neen! zij verlangde in
haren tuin, die regt schoon is aangelegd en waarin kleine maar
liefelijke boschjes zijn, eenen nachtegaal te hooren, die daar onder den
vrijen hemel nestelde, met elke nieuwe lente terugkeerde, en aldaar dan
in volle vrijheid zijn heerlijk lied van tijd tot tijd zou aanheffen."

"Nu ja," gaf de knaap ten antwoord, "zoo had ik het ook begrepen. Ik zou
buitendien den lieven nachtegaal niet willen vangen, om het arme dier in
eene kooi te laten opsluiten." Dit gezegd hebbende verzocht hij den
jongen graaf, of deze hem een van die boschjes naauwkeurig wilde
beschrijven, waarna hij aldus vervolgde:

"Welnu, dan geloof ik in staat te zullen wezen om den nachtegaal met
zijn nest in dat boschje bij u over te brengen! Ik weet best hoe men dat
moet aanleggen! Ik heb de kunst geleerd van eenen man, die hier in het
bosch reeds menigen nachtegaal tot dit einde gevangen heeft. Ik beloof
u, dat nog in deze week, of ten langste in de volgende, de nachtegaal op
uwe buitenplaats even fraai zal slaan, als hij het zooeven hier deed!"

De jonge graaf beschouwde thans den herdersknaap opmerkzaam. Hij had
levendige blaauwe oogen, frissche wangen, en zijne blonde lokken vielen
krullend op zijne schouders neder, hier en daar uit zijnen versleten
hoed van zwart stroo te voorschijn komende. In een woord, het uiterlijke
van den knaap beviel den jongen graaf reeds buitengemeen, terwijl hij
ook in diens levendigheid groot behagen schepte.

"En als u dat nu eens gelukte, wat zoudt gij dan met de honderd gulden
willen doen?" vroeg hij verder.

"O!" riep de knaap vrolijk uit, terwijl de tranen hem daarbij in de
oogen schoten, "met honderd gulden waren wij beiden uit den nood gered.
Want, weet gij," dus vervolgde de arme jongen, "mijn vader is een
behoeftig handwerksman, die nooit regt gezond was en tegenwoordig hard
ziek ligt. Ik ben nu juist op weg naar hem toe, om hem in zijne
eenzaamheid te bezoeken. Mijne goede moeder heb ik voor twee jaren
verloren. De boer, bij wien ik thans dien, en die de eigenaar is van
gindsche boerderij, heeft mij voor eenige dagen verlof gegeven. Ik hoed
de geiten bij hem, en dat bevalt mij wel, maar het brengt weinig op! Nu
het is dan ook hoofdzakelijk maar, om zelf den kost te verdienen. Want,
dat kunt gij ligt begrijpen! nog iets voor mijnen vader over te winnen
is geheel onmogelijk. Soms, als ik bij mijne geiten in het bosch zit,
bedenk ik wel eens, dat het hoeden van geiten toch half en half een
leeglooperij is. Gij kondet, zeg ik dan vaak tegen mij zelven, gij
kondet toch wel iets beters doen, en uwe jeugd niet zoo nutteloos laten
voorbijgaan! Dikwijls als ik daar zoo moederziel alleen met mijne geiten
over het gebergte ronddool, bid ik mijnen lieven hemelschen Vader, dat
Hij mij zoo ver helpe, dat ik nog eens een man worde, die zich regt
verdienstelijk maakt en om zijn goed gedrag door ieder geacht wordt. Dan
denk ik ook wel over hetgene ik kiezen zou, als zulks mij nu eens vrij
stond. Ik weet echter niets te bedenken, dat mij beter bevalt dan een
handwerk. Een wagenmaker zou ik vooral gaarne willen worden! Het is toch
waarlijk wat aardig en mooi, dat iemand van het hout, dat wij in deze
bosschen vellen, zulk een prachtig rijtuig als het uwe weet te maken. Ik
heb reeds dikwijls met den wagenmaker daarover gesproken, denzelfden,
naar wien wij nu heen gaan, die het wiel van uwen wagen in orde zal
maken, en die de eigenaar van den boom is, waarop mevrouw zoo even zat.
Maar deze zegt, dat hij mij voor niet minder dan vijftig gulden in de
leer kan nemen. Ook zegt hij, dat ik dan beter moest gekleed gaan, wit
linnen dragen, en dat zulks ook wel vijftig gulden zou kosten, want zoo
als ik hier nu, in dit armoedige pak, ga en sta, wil de baas, die een
zeer fatsoenlijk man is, mij niet aannemen. Gij ziet dus, dat ik, alles
en alles, honderd gulden noodig zou hebben; en zooveel bezitten mijn
vader en ik niet. Al verkochten wij alles wat wij hebben, dan zou
niemand ons toch honderd gulden daarvoor willen geven!"

"Wel mijn arme jongen!" riep de graaf uit, die een zeer goedhartig
jongeling was, "schep moed! Indien alles zoo is als gij mij zegt, dan
zult gij geholpen worden! Bijaldien gij mij een schriftelijk
getuigschrift van uw goed gedrag kunt geven, en de wagenmaker u
wezenlijk in de leer wil nemen, dan schenk ik u vijftig gulden. Gij kunt
het geld invorderen, zoodra de nachtegaal voor het eerst in het boschje
zingt. Dan moet gij nog maar vijftig gulden hebben, en om u die te
verschaffen zullen wij misschien ook nog wel een middel vinden. Maar
ééne voorwaarde! Voordat de nachtegaal zich bij ons in het boschje laat
hooren, mag niemand iets van ons plan weten. Ik wil dat de wensch van
mijne moeder vervuld worde, zonder dat zij iets daarvan merke, dat wij
den vogel met het nest overbrengen. Ik zoude haar zoo gaarne daarmede
willen verrassen!"

Toen het reizende gezelschap het einde van het bosch had bereikt, klonk
de posthoorn hun dadelijk vrolijk te gemoet, ten teeken dat alles in
orde was. Zij bevonden zich nu ter naauwernood op een paar honderd
passen afstands van het dorp. De wagenmaker had zich uitmuntend van
zijne taak gekweten, en het wiel weêr volkomen bruikbaar gemaakt. De
jonge graaf trok hem op zijde en sprak in stilte met hem over den
herdersknaap. De wagenmaker bevestigde alles, wat deze tot den jongen
edelman had gezegd. "Gaarne," dus sprak hij, "nam ik hem in de leer.
Doch ik kan hem bij geene mogelijkheid voor minder leergeld aannemen! Ik
heb zoo weinig gevraagd, als een man in mijne omstandigheden maar kon!"

De gravin betaalde daarop den wagenmaker, gaf den knaap eene ruime fooi
en zette zich met hare beide dochters in den wagen neder.

Voordat hij in het rijtuig steeg, fluisterde de jongeling zijnen nieuwen
bekende in het oor, dat hun kasteel drie uren verder lag, dat de knaap
derwaarts moest gaan en zich tot den tuinman van het slot wenden, die
hem stellig zeer vriendelijk zou ontvangen.

Hierop nam ook hij zijne plaats in het rijtuig in, en onder het vrolijk
klinken van den posthoorn bereikte het gezelschap weldra het kasteel.



III.

De herdersknaap volbrengt het plan naar wensch.


De knaap, die der grafelijke familie tot gids had gediend, heette Dirk
Snel. Hoe laat het ook door het onverwachte oponthoud was geworden, toch
ging hij zijnen zieken vader nog bezoeken, die wel twee uren verder
woonde. Tot zijn innige vreugde vond hij den beminden man oneindig
beter, en zelfs buiten alle gevaar. Hij stelde den laatste aanstonds het
rijke geschenk ter hand, dat hij van de gravin had ontvangen, en ging
vervolgens met goed vinden van zijnen vader het een en ander koopen, dat
den zieke zou verkwikken. Hij bragt te dien einde wittebrood, eene
flesch wijn, en een paar pond vleesch mede; welk laatste artikel hij
dadelijk op het vuur zette, om voor den zieke eene krachtige soep klaar
te maken.

Zoodra den volgenden dag de zon opkwam, begaf onze Dirk zich naar het
bosch, waar hij den nachtegaal den vorigen avond zoo heerlijk had hooren
slaan, toen hij het reizende gezelschap langs het voetpad geleidde. Het
was hem naauwkeurig bekend waar het nest van den nachtegaal was. Er
stond te midden van loofrijk geboomte een oude, holle boom. Daar moest
hij het nest zoeken. Het nestje bestond van buiten uit dorre bladeren en
stroohalmpjes, maar de binnenzijde was met kleine vederen, haar en
andere zachte stoffen regt aardig voor de jongen in orde gebragt. Toen
hij het nest de laatste keer had gezien--zulks herinnerde hij zich
duidelijk--lagen er vijf kleine eijeren in, die van eene bruinachtig
groene kleur waren. Toen hij het nu beschouwde, zag hij, tot zijne
groote vreugde, dat de eijeren alle waren uitgekomen, zoodat er nu vijf
jongen in het nest lagen. Thans liep hij haastig naar Sterreveld, om de
plaats in oogenschouw te nemen, werwaarts hij het nest wilde brengen.
Ook deze beantwoordde aan zijne verwachting.

Dienzelfden dag gelukte hem, de beide oude vogels op te vangen. Nu
haalde hij het nest voorzigtig uit den boom, en borg dat met de beide
oude vogels in eene kooi, waarna hij zich met zijne vangst naar
Sterreveld spoedde.

Eerst laat in den avond kwam hij aldaar aan, en werd, gelijk de jonge
graaf hem beloofd had, door den tuinman regt vriendelijk ontvangen.

Naast het slot stond een liefelijk boschje. Behalve eiken en beuken vond
men er ook nog allerlei andere boomen in. De aardige lanen, die
kronkelend door dit boschje liepen, waren netjes met wit zand bestrooid.
Hier en daar vond men een tafeltje met tuinstoelen, terwijl midden in
het boschje eene ronde plek was opengelaten, alwaar allerlei fraaije
bloemen met veel smaak geplant waren. In eenen hoek van het boschje,
waar schilderachtige heuveltjes waren aangelegd en het loof der boomen
als in elkander was gegroeid, stond eene aardige hermitage. Deze
hermitage geleek veel naar eene kapel, die in zeer ouden stijl was
gebouwd.

Een beekje, dat schuimend van de hoogte afliep, stroomde, helder als
kristal, voorbij de hermitage, en het bekoorlijke geklater, dat men
hoorde, maakte deze stille en eenzame plaats nog aangenamer. Dit was het
lievelingsplekje van de gravin, alwaar zij zich vaak met een boek of
eenig handwerk kwam nederzetten, wanneer hare dochters in de muziek of
taalkennis onderrigt ontvingen. Daarom had haar zoon deze plaats
uitgekozen.

Ongeveer honderd schreden van die hermitage stond, in het digte groen
der boomen, digt bij het beekje, een oude boom, die er nagenoeg juist
zoo uitzag, als de holle boom, op welken Dirk het nest van de
nachtegaals had gevonden. De laatstgenoemde, die goed op alles gelet en
hier vooruit reeds alles in gereedheid had gebragt, begaf zich nu in den
nacht met zijne kooi derwaarts, terwijl de maan helder scheen, plaatste
het nest op den bewusten boom naauwkeurig zoo, als het op den anderen
had gezeten, en liet de ouden daarop vliegen. De jonge graaf, die hem
uit nieuwsgierigheid had vergezeld, zag met veel genoegen, hoe schrander
Dirk bij alles te werk ging, en prees hem zeer over zijne behendige
uitvoering.

Den volgenden morgen verborg de knaap zich in het groen, en luisterde,
of de oude vogels hunne jongen kwamen voederen. Het duurde niet lang, of
de jongen begonnen van honger luid te piepen--en kort daarna had hij het
onuitsprekelijke genoegen, de oude vogels naar het nest te zien vliegen
en hen de jongen te zien voederen. "Nu is de zaak geheel in orde!" riep
hij juichend uit, ijlde naar den jongen graaf en bragt dezen het welkome
berigt. "Binnen twee dagen," zeide hij, "zult gij den nachtegaal stellig
hooren zingen!"

"Nu, dat is goed!" antwoordde de jongeling, "en de vijftig gulden liggen
voor u gereed. Blijf nog een oogenblik hier, dan zal ik u het geld ter
hand stellen en kunt gij het nog heden naar huis brengen."

Mijne jonge lezers zullen zich wel eenigzins verwonderen, dat een
zestienjarige jongeling zoo maar vijftig gulden kon wegschenken; dan hij
had zijn plan, waarmede hij zijne moeder op haren geboortedag wilde
verrassen, aan zijne zusters medegedeeld, waarop ook deze van ganscher
harte hare spaarpenningen bij elkander hadden gelegd, ten einde aldus de
beloofde som bijeen te brengen.



IV.

Het verjaarfeest.


Twee dagen later vierde de gravin haren geboortedag. De zon verrees dien
dag heerlijk aan de kimmen; het geheele luchtruim was helder en
onbewolkt. De jonge graaf bezocht ongemerkt de hermitage--en hoor! daar
sloeg de nachtegaal. Gedurende den geheelen dag kwamen vrienden en
bekenden de gravin gelukwenschen. Toen eerst laat op den avond alle
bezoek had opgehouden, zeide de gravin tot hare kinderen: "komt, nu
moesten wij nog een uurtje van dezen drukken dag in kalme rust bij
elkander zitten!"

Zij ging met hare kinderen in den tuin. Was de dag schoon geweest de
lenteavond was niet minder fraai.

"Wij konden waarlijk het avondeten wel in de hermitage gaan gebruiken!"
riep de jonge graaf uit, die zich hield, alsof hem dit denkbeeld
toevallig voor den geest was gekomen. "Het is daar zoo aangenaam
zitten!"

De gravin had veel behagen in dit voorstel. Gezamenlijk wandelden zij
naar de hermitage en plaatsten zich rondom de tafel, die onder eenen
grooten eik voor dezelve stond. De maan wierp hare stralen door de
takken van den eikenboom, bestrooide, om mij zoo eens uit te drukken,
het voorbijvlietende beekje met flonkerende sterretjes, verlichtte de
kapel op hare eigenaardige, bijna zou ik zeggen, tooverachtige wijze, en
liet hare stralen in het zilverwerk weerkaatsen, dat op de tafel stond.

Behalve de geurige bloemen, die hier geplant waren, genoot men ook den
geur van kostbare gewassen, die in sierlijke potten geplant waren. Men
kon dus in den waren zin des woords zeggen, dat de lucht op deze plek
met geurige kruiden gebalsemd was.

"Hier," aldus ving de gravin aan, "hier voel ik mij zoo regt tevreden en
gelukkig! Hoe weinig beteekenen de gedruischvolle vermakelijkheden der
wereld, in vergelijking met de aangename gewaarwordingen, die mijne
borst thans vervullen! Ja, hoewel vele bezoeken, die ik heden ontving,
gewis van hartelijke vriendschap getuigden, zoo voel ik mij hier,
terwijl wij zoo bij elkander zitten, toch oneindig gelukkiger. Wie kan
eene zaal, hoe prachtig die ook zij, met zooveel genoegen zien, als wij
thans de heerlijke natuur gadeslaan! Hoe onbeduidend zijn de gesprekken,
die gewoonlijk in gezelschappen gevoerd worden, vergeleken bij de
vertrouwelijke mededeelingen van huisgenooten, de leerrijke vermaningen
van ouders in den kring hunner kinderen, de hartelijke woorden, welke
deze hunnen vader, hunner moeder kunnen toevoegen, wanneer geen
vreemdeling onder hen is?"

Allen gaven hunner moeder van harte gelijk; en andermaal betuigden zij
haar, hoe zij het als een onschatbaar geluk beschouwden, dat zij ook
ditmaal het verjaarfeest van eene moeder mogten vieren, die zoo
uitmuntend de zware pligten ten opzigte van hare kinderen waarnam, welke
in haar vergoeding vonden voor het verlies van eenen waardigen vader.

"O, weest braaf, mijne kinderen!" sprak de gravin, "dan is mijn grootste
wensch op aarde vervuld, dan beschouw ik mij als de gelukkigste
moeder!--De tijd vliegt snel voorbij; het goede blijft bestaan. Hoedanig
ook later uw leven moge wezen, hangt nimmer geheel aan het wereldsche,
het vergankelijke! Het is mogelijk, dat gij in zulke maatschappelijke
betrekkingen zult geplaatst worden, waarin men gedurig in gezelschappen
moet verschijnen en zich veel in het openbaar dient te laten zien; mogt
dat het geval zijn, dat hij dan, wiens lot dit is, toch altijd zorge,
zich zelven ook vaak tot ernst te stemmen, dat hij gemoedelijk nadenke;
dat hij God en het doel, waarom wij op aarde geplaatst zijn, voor oogen
houde elke keer, als hij voor kortere of langere oogenblikken zich in
eenzaamheid mag afzonderen! Op eenen zoo schoonen en stillen avond,
gelijk deze, is ons hart altijd tot zoodanig ernstig nadenken het best
geschikt."

Allen zwegen thans; want allen voelden, dat de gesprokene woorden van
gewigt waren voor geheel hun leven.

Daar liet de nachtegaal zich eensklaps hooren!--Verbaasd luisterde de
gravin naar den heerlijken vogel, en zij sprak geen enkel woord, totdat
hij weer zweeg. Toen zeide zij niet zonder aandoening: "mijne goede
kinderen, ik dank u hartelijk voor dit lieve bewijs van uwe hartelijke
genegenheid voor mij! En toch haddet gij het vogeltje niet moeten
opsluiten! Vondt gij zelven het niet een weinig wreedaardig?--Doch, ik
heb uwe liefde hieruit kunnen opmaken, en dat is genoeg! Daarom blijf ik
u hartelijk dankbaar; maar aan het vogeltje moet gij thans zijne
vrijheid teruggeven!"

"Dat is reeds in vrijheid!" antwoordde haar zoon vrolijk. "Zie zelve
maar, het zit ginds op den boom! Het heeft sedert een paar dagen zijne
woning in dit boschje opgeslagen. Het is nu al geheel gewend; en ik
denk, dat wij hem wel elke lente bij ons zullen zien terugkomen. Wij
zullen hem ten minste vriendelijk genoeg ontvangen!"

"Maar hoe is dat mogelijk?" vroeg de gravin. "Ik hoorde den nachtegaal
hier vroeger nooit; en zelfs de oudste lieden weten niet, dat hier ooit
nachtegaals genesteld hebben."

"Ik wil u het raadsel oplossen, lieve moeder!" antwoordde haar zoon.
"Gij hebt dikwijls uw verlangen te kennen gegeven, dat een nachtegaal
dit uw lievelingsplekje door zijn bekoorlijk gezang mogt veraangenamen.
De arme herdersknaap, die ons onlangs, toen ons rijtuig beschadigd was,
den weg naar dien wagemaker wees, heeft mij het middel aan de hand
gedaan om dezen uwen wensch te vervullen."

Daarop deelde hij haar alles mede, en herinnerde haar tevens, dat zij op
dien bewusten avond, naar den nachtegaal luisterende, had gezegd, dat
het haar wel honderd gulden waard was, dien heerlijken vogel in het
boschje achter haar slot te hebben. "De knaap," zoo vervolgde hij, "ving
die woorden gretig op, en heeft sedert uw verlangen bevredigd."

"En daarom, liefste moeder!" voegde hij ten slotte daarbij, "daarom
hopen wij, dat gij de wijze goed zult keuren waarop wij onze vijftig
guldens besteed hebben. Hadden wij evenveel goudstukken bezeten, wij
hadden die even gaarne weggegeven, als wij u daarmede een klein genoegen
konden aandoen! De knaap zou het, wel is waar, voor minder geld ook
gaarne gedaan hebben, doch wij dachten aldus: al had de arme jongen ons
deze aangename dienst eens niet bewezen, dan zou hij deze weldaad toch
verdiend hebben. Wij hebben hem eene weldaad bewezen, die voor zijn
geheele leven vruchten zal dragen; ja, welligt zelfs voor zijn toekomend
leven. Misschien zal hij, een braaf en geacht handwerksman geworden
zijnde, nog dankbaar aan ons terugdenken en onze asch zegenen, wanneer
wij reeds lang in het graf rusten."

Diep ontroerd antwoordde de gravin: "lieve; beste kinderen, gij hebt
braaf en edel gehandeld! Met hoeveel genoegen ik den nachtegaal ook op
het oogenblik gehoord heb, hoe innig mij bij die gelegenheid uwe
kinderlijke liefde ook streelde, toch roert het mij nog oneindig meer
dat ik bij u allen een hart ontdek, hetwelk edelmoedig genoeg is om eene
somme gelds, die enkel voor uw genoegen bestemd was, op te offeren, en
uw eigen vermaak dadelijk te vergeten, wanneer gij een ander genoegen
kunt aandoen. Kinderen, uwe moeder wil uw voorbeeld volgen!
Familiefeesten, zoo als dit, kunnen niet schooner gevierd worden, dan
door weldadigheid jegens hulpbehoevenden! Hem, van wien alles komt,
kunnen wij onze dankbaarheid nooit beter bewijzen, dan door alles wat in
ons vermogen is, aan te wenden om ongelukkigen te helpen en te redden!"



V.

Het gesprek over Dirk.

VERVOLG VAN HET VORIGE HOOFDSTUK.


Weldadigheid is in het algemeen zeer te prijzen, doch ook hierin moet
men bedachtzaam te werk gaan; opdat wij niet soms onwaardigen helpen,
terwijl anderen, die het wezenlijk verdienen, daarvoor achter moeten
staan.

Dit bedacht de gravin, weshalve zij haren zoon nu ernstig afvroeg, of de
knaap het ook _verdiende_? "Want," zeide zij, "ik moet eerst stellig
weten, of onze gaven goed en nuttig zullen gebruikt worden."

"Wij kunnen ons geld onmogelijk beter besteden!" riep de jonge graaf
levendig uit. Hij deelde daarop aan zijne moeder het gesprek mede dat
hij met den wagenmaker gevoerd had, die het wiel op dien avond had
gemaakt. "Dan," voegde hij daarbij, "ik wilde nog zekerder gaan, en
schreef daarom aan den predikant van het dorp waar de knaap woont, en
won bij dezen narigt over hem in. Ik had een van onze bedienden met den
brief gezonden, en ik ontving dadelijk antwoord. Vergun mij, dat ik u
dien brief voorleze, daar ik hem bij mij heb. Hij luidt aldus:

"In antwoord op uw schrijven haast ik mij, u het volgende te antwoorden.

"Gij kunt onmogelijk een grooter werk van barmhartigheid verrigten, dan
door den armen Dirk Snel in staat te stellen tot het leeren van een
ambacht. Hij is een knaap van bijzonderen aanleg, en daarenboven heeft
hij een uitmuntend hart en leidt eene onberispelijke leefwijze. Zoolang
ik mij herinner, heeft niemand onze dorpsschool bezocht, die hem
overtrof. Ik zoude zelfs gaarne gezien hebben, dat hij zich uitsluitend
op eenig vak van studie had toegelegd; doch zijn vader is een arm man,
en mijne middelen waren te beperkt, dan dat ik hem daartoe in de
gelegenheid had kunnen stellen. Hij leest, schrijft en rekent zoo goed
als de schoolmeester zelf. Ook heeft hij dit niet enkel geleerd, maar
hij schept veel behagen daarin. Toch kan ik niet ontkennen, dat hij voor
eigenlijke studie, waarmede ik meer diepe en onafgebroken studie bedoel,
geen lust gevoelt. Zoo lang stil te zitten, zegt hij, kan mij maar in
het geheel niet bevallen! Hij heeft daarom meer zin in eenig handwerk,
waarbij men zijn verstand wel moet gebruiken, maar waarbij de handen en
het ligchaam tevens in beweging blijven. Van de ambachten, voor zoover
die hem bekend zijn, vindt hij dat van den wagenmaker het aangenaamst.
Ik zelf geloof, dat dit voor hem het best zou wezen. In het voorbijgaan
wil ik de vrijheid nemen u den wagenmaker van ons dorp als eenen
ijverigen en kundigen werkman, en tevens als een zeer braaf mensch, te
noemen.--Gij kondt welligt voor den armen Dirk Snel iets willen
doen.--Mogt zulks het geval zijn, en wildet gij mijnen raad inwinnen,
dan zou ik u verzoeken, hem in staat te stellen om bij den genoemden
wagenmaker als leerling geplaatst te worden. Dit zou eene wezenlijke
weldaad, een godgevallig werk wezen.

"Vergun mij u, ten slotte, de woorden van onzen Heiland te mogen
herinneren: _wie zulk een kind aanneemt in mijnen naam, die neemt mij
aan_!"

"Zoo luidt het schrijven van den predikant," eindigde de jonge graaf,
"en daarom houd ik mij overtuigd, dat wij het geld onmogelijk beter
kunnen besteden."

"Welaan dan!" sprak nu de gravin, "ik wil thans bij de vijftig gulden,
welke gij gegeven hebt, nog vijftig andere voegen. Dan heeft de knaap
zijne honderd gulden voltallig, en kan, bij zijne tehuiskomst, zijnen
vader met deze blijde tijding verrassen. Deze kan echter niet aangenamer
verrast worden, dan ik door het onverwachte gezang van den nachtegaal,
door uwe mij daaruit blijkende liefde, en vooral door uwe edele
weldadigheid en goedheid van hart!"

"De natuur is voor ons onuitputtelijk rijk aan schuldelooze genoegens,"
vervolgde zij, terwijl zij zelve op dat oogenblik een levend bewijs was
voor de waarachtigheid harer woorden. "Al onze zinnen worden hier op
deze plek even aangenaam bezig gehouden. De heldere glans van het
maanlicht, dat door de schaduw der boomen nog meer uitkomt; het
heerlijke gezang van den vogel, ons door de plegtige stilte van den
nacht nog meer bekoorende; de liefelijke geur der bloemen, die ons
omringen; de thans zoo aangenaam afgekoelde lucht, welke ons na eenen
zoo warmen dag nog meer schijnt te verkwikken: deze room, deze
aardbeziën--o, geen kunstvol schilderstuk, geen vuurwerk, geene
prachtige verlichting, geen concert, geen geur van reukwerken, geen
vorstelijke maaltijd kan mij zooveel genoegen verschaffen, als ik hier
nu smaak!"

"En dubbel schoon," zoo eindigde de edele vrouw, "dubbel schoon wordt
voor mij toch nog al het genot, dat ik bij dezen onzen landelijken
maaltijd smaak, wanneer ik bedenk, dat ik het, door Gods vaderlijke
goedheid, aan de liefde mijner kinderen te danken heb. De vreugde welke
de schoone natuur ons aanbiedt, moet nog veel meer verheven, nog
oneindig meer hartverheffend voor ons worden, wanneer wij daarbij het
bewustzijn omdragen van wel gedaan te hebben; wanneer wij weten, dat
sommigen onzer medemenschen bij ons troost en hulp en opbeuring
vonden!--En nog oneindig hooger wordt zij dan, als wij weten en dankbaar
erkennen, dat een Vader daarboven, een Vader van alle menschen, zijnen
kinderen met een hart vol liefde al die heerlijke vreugde bereidt; en
wanneer wij zóó leven, dat wij met grond mogen denken: die goede God,
die gemeenschappelijke Vader ziet met welgevallen op ons neêr!"

Dus sprekende sloeg zij hare oogen vroom ten hemel. "Daarboven," zeide
zij toen diep bewogen, "daar, in Zijnen hemel, is het nog oneindig
schooner en zaliger, dan hier op aarde. Daar, bij den Hemelvader,
verbeidt mij, zoo als ik hoop en vast vertrouw, mijn onvergetelijke
echtgenoot, uw brave vader, dien wij zoo spoedig moesten missen. Ach,
van het uur af, waarop de Alwijze hem tot zich nam, zijt gij, lieve
kinderen, mijne eenige, mijne grootste vreugde op aarde! O, blijft mijne
grootste vreugde! Daarom bid ik den goeden God elken dag, dat hij u
leide en sterke, opdat gij altijd vroom en braaf moogt blijven, zoodat
wij allen eenmaal in den hemel, in zalige vreugde, voor eeuwig mogen
vereenigd worden!"



VI.

Dirk ziet zijnen wensch vervuld.


Den volgenden dag liet de gravin Dirk bij zich komen, ten einde hem de
honderd gulden ter hand te stellen. Onbeschrijfelijk verblijd ijlde de
goede jongen met dit geld naar huis.

Toen hij de hut bereikt had, bemerkte hij, dat zijn vader op dat
oogenblik niet in het kleine woonvertrek was. Haastig, doch zoo stil
mogelijk, legde hij de honderd gulden op de tafel uit. Naauwelijks was
hij gereed, of zijn vader, die het middageten bereid had, trad binnen.

De eerlijke man ontstelde zigtbaar, toen hij al dat geld ontwaarde.

"Jongen!" riep hij uit, en zijne stem beefde, "gij hebt dat geld toch
niet gestolen?"

"God beware mij!" antwoordde Dirk. "Een vogeltje heeft mij daaraan
geholpen; of liever, God heeft het mij door middel van een vogeltje
geschonken."

"Wat zal dat beteekenen?" vraagde zijn vader hem, terwijl hij het
voorhoofd fronsde.

De knaap verhaalde hem daarop de geheele geschiedenis; en toen eerst
riep zijn vader vrolijk uit: "groote en goede God, hoe wonderbaar zorgt
Gij vaak voor ons menschen!"

Dadelijk ging de brave man zorgen, dat zijn Dirk net in de kleederen
werd gestoken. Dirk haastte, van zijnen kant, den kleedermaker,
schoenmaker enz. niet weinig.

Toen hij voor het eerst van top tot teen in het nieuw gekleed was, bragt
zijn vader hem naar den wagenmaker, met verzoek, dat deze zijnen zoon
als leerling wilde aannemen.

Gaarne voldeed de wagenmaker aan dit verlangen.

Geene drie jaren verliepen er, of Dirk was reeds een uitmuntend
wagenmaker, niets minder dan zijn meester.

Alvorens hij, zooals het gebruik medebragt, eene reis door het
buitenland ging doen, bezocht hij de grafelijke familie op Sterreveld
nog eerst. Hij wilde bewijzen, dat hij verdiende wat men voor hem had
gedaan. Het eerst bezocht hij zijnen ouden vriend den tuinman.

Deze begroette hem regt hartelijk, en meldde vervolgens zijne komst aan
de familie.

De wakkere jongeling werd dadelijk toegelaten, en allen waren even
vriendelijk jegens hem, en prezen zijn gedrag om het zeerst.

De jonge graaf sprak hem aldus toe: "Dirk, gij hebt aan alle kanten
verdiend, dat wij ons uwe belangen aantrokken. Daarom willen wij ook
thans van u hooren--want wij weten dat gij op reis gaat--hoe het met de
benoodigdheden staat? Spreek vrij, als wij u ergens mede kunnen helpen.
Gij zult ons allen daartoe volgaarne bereid vinden!"

Hoewel Dirk van nature te veel kiesch gevoel had om dadelijk maar op te
noemen wat hem nog ontbrak, toch vond de gravin, door allerlei vragen,
het middel om zulks van hem te vernemen, zonder dat hij zelf wist dat
hij iets opnoemde. "Welnu," zeide zij ten slotte "mijn brave jongen, gij
mist nog het een en ander. Vergun ons, dat wij u deze som mogen ter
hand stellen, om daarin te voorzien. Zoo het lot u gunstig is, kunt gij
ons die later wel teruggeven!"

Dit laatste zeide de gravin, gelijk mijne lezers wel zullen begrepen
hebben, ten einde Dirk het onaangename gevoel te besparen van te denken,
dat hij, hoewel nu iemand die in zijn ambacht baas kon wezen, toch nog
altijd met geld ondersteund moest worden. Op deze wijze geleek het meer
naar eene kleine vriendschapsdienst dan naar eene gift.

En zoo moesten wij allen eene weldaad bewijzen! Want het enkele geven is
niet genoeg; wij moeten helpen zonder iemands gevoel te beleedigen. Wij
moeten weldaden aldus verrigten, dat het schijnt, alsof wij niet gaven,
maar ontvingen.

En Dirk voelde zeer goed het lieve, dat in de handelwijze der gravin en
van hare kinderen doorstraalde. Toen hij kort daarop, in een nieuw en
uiterst fatsoenlijk reisgewaad, afscheid van dit gezin kwam nemen, bij
welke gelegenheid de gravin hem nog eenige woorden toevoegde, die voor
zijn welzijn zeer bevordelijk konden worden, als hij er naar
luisterde;--toen brak hij in tranen los en kon slechts stamelend deze
woorden uiten: "o, ik dank u, dank u voor alles, wat gij voor mij, armen
en u vreemden knaap, gedaan hebt!"



VII.

De jonge graaf van Sterreveld treedt in krijgsdienst.


August, de jeugdige graaf van Sterreveld, die zoo goed, zoo weldadig
voor behoeftigen, zoo vol kinderlijke liefde jegens zijne moeder
was,--August gloeide ook van warme vaderlandsliefde. Reeds lang had hij
heimelijk het verlangen gekoesterd om deel te nemen aan den grooten
strijd, welken Duitschland, het land zijner geboorte, tegen Frankrijk
streed. Reeds sedert geruimen tijd had hij elke gelegenheid, om zich in
de krijgskunde en alle daarop betrekking hebbende wetenschappen te
bekwamen, ijverig gebruikt, en het liefst had hij zich altijd met
kundige officieren onderhouden, die zich dikwijls over de bekwaamheid
van den jongen graaf van Sterreveld verwonderden.

Eindelijk had hij, nadat de dood hem zijnen vader ontnam, dat verlangen
aan zijne moeder ontdekt.

Aanvankelijk was de gravin, wel is waar, hevig ongerust bij de gedachte,
dat haar zoon aan de bloedige oorlogsgevaren het hoofd zou gaan bieden;
wel trachtte zij hem eerst dit plan te doen opgeven;--doch kort slechts
duurde de strijd tusschen vaderlandsliefde en moederlijke bezorgdheid
voor den eenigen zoon. Spoedig sprak zij tot haren August (en hoewel de
tranen haar in de oogen stonden, toch was hare stem vast): "ga mijn
zoon, en kamp den edelen strijd voor het vaderland! God zij met u! In
Zijne hoede beveel ik u aan; dan zijt gij te allen tijde wel bewaakt!
Mogt de Almagtige u eenmaal rein en onbevlekt, het hoofd met lauweren
bekroond, in de liefde-armen van uwe moeder terugvoeren!"

En zoo vertrok August.

Hij nam deel aan eenige gevechten tegen de Franschen, en gedroeg zich
zoo, dat hij spoedig tot ridmeester werd benoemd.

Doch nu veranderden de omstandigheden.

Het regement waarbij hij stond, moest met het groote Fransche leger naar
Rusland trekken. Reeds op den togt naar Moskou verloor het leger, door
de geduchte marschen, die het elken dag moest afleggen, duizenden van
manschappen, hoewel er nog geen enkel schot was gevallen; want behalve
de afmatting, die deze vermoeijende togten te weeg bragten, had het
leger buitendien nog gebrek aan levensmiddelen. Na onbeschrijfelijke
vermoeijenissen, na vele bloedige schermutselingen, na den
schrikkelijken slag, die den naam van Borodino[1] vereeuwigde, naderde
het leger eindelijk de groote keizerstad, die met hare talrijke
paleizen, hare vergulde koepels op de tempels, hare driehonderd
kerktorens, en haar kremlin, dat aloude paleis van Ruslands
alleenheerschers, een allerprachtigst schouwspel aanbood.

Hier hoopte de graaf, en alle krijgslieden deelden die hoop met
hem--eindelijk te zullen uitrusten van de tallooze vermoeijenissen, hier
eenen overvloed te zullen vinden der zoo lang ontbeerde levensmiddelen.

Doch hoe bedroog hij zich!

Bijna alle inwoners hadden, gelijk men weet, de stad verlaten. De
straten waren doodsch; de paleizen en de meeste woonhuizen stonden
ledig. Tegen middernacht brak die ijselijke brand uit, welke
verscheidene dagen woedde, die als het ware tot eene onmetelijke zee van
vlammen aangroeide en het grootste gedeelte van Ruslands toenmalige
prachtige hoofdstad in de asch legde.

Het leger moest op den terugtogt bedacht zijn. En die terugtogt was het,
op welken duizendtallen van dappere krijgslieden, uit verschillende
natiën, door sneeuw en ijs, honger en gebrek aan kleeding, zoo
jammerlijk omkwamen.

Op eenen enkelen nacht verloor het leger meer dan dertig duizend
paarden. Ook die, welke tot het regement van August behoorden, kwamen
allen om. Door diepe sneeuw, door verstijvende koude en hevigen storm
moest hij met zijne dragonders den weg te voet vervolgen. Mijlen ver
gingen zij, zonder zelfs eene hut op hunnen togt aan te treffen. En
zelfs dan, wanneer zij bij eene menschelijke woning aankwamen en zich
innig verheugden bij de gedachte, dat zij nu welligt een gastvrij dak en
een weinig voedsel mogten gevonden hebben, was hunne teleurstelling
onuitsprekelijk hard, geschikt om zelfs den onversaagste allen moed en
lust te ontrooven! Want die woningen waren half vernield, zonder
bewoners, zonder levensmiddelen, ja zonder deuren of vensters; zoodat de
ijskoude wind verstijvend door het lage gebouw bulderde.

De meeste woningen waren afgebrand. De beklagenswaardige soldaten
moesten menigen nacht, hoe uitgeput en verkleumd zij ook waren, op den
met sneeuw bedekten grond onder den blooten hemel doorbrengen.

En het gebrek aan levensmiddelen deed zich met elken dag nijpender
gevoelen.

August van Sterreveld gaf al het goud dat hij bezat, gaarne voor een
stuk droog brood. Niet lang duurde het, of iemand konde, voor al het
goud in de wereld, zulks niet eens meer bekomen. Ook hij moest zich
toen, gelijk al de anderen, generaals, officieren van hoogeren en
lageren rang en gemeene soldaten, met het vleesch van doode paarden
voeden. Zij wreven dit vleesch met kruid in en roosterden het, dus
toebereid, boven het vuur. Gesmolten sneeuw moest hunnen dorst stillen.
De weg, langs welken het grootste gedeelte van het leger reeds was
vooruitgetrokken, was als het ware door achtergelaten kanonnen en
kruidwagens afgebakend. Ter wederzijde lagen ontelbare lijken van
menschen, over welke de sneeuw als het ware een reusachtig lijkkleed had
uitgebreid. Velen van de soldaten, die onder het bevel van August
stonden, bleven in de sneeuw verstijfd liggen; anderen verstrooiden
zich. De algemeene leus werd: wie kan, redde zich!

[1] Namelijk door het gevecht van 5 September 1812.



VIII.

De trouwe bediende.

VERVOLG VAN HET VOORGAANDE HOOFDSTUK.


Toen August van Sterreveld eenige dagen moedig al deze ongemakken had
doorgestaan, voelde hij zich ten laatste zoo uitgeput, dat hij, al wilde
hij daartoe ook alle krachten inspannen, weldra niet zou kunnen
voortgaan. Reeds vroeger had hij den bediende moeten achterlaten, dien
hij uit het ouderlijke huis had medegenomen, en in diens plaats was een
jonge soldaat getreden, die uit hetzelfde graafschap was, waar ook hij
woonde. Deze man, die volgaarne deze taak op zich had genomen, heette
George Risch, en was gewis een van de trouwste en eerlijkste menschen
die men vinden kan.

Toen nu de nood ten top was gestegen, sprak August tot hem: "George,
tracht u zelven thans ook te redden, gelijk de anderen doen. Ik kan ter
naauwernood voortkomen en moet zeer langzaam gaan. Spoedig, ik gevoel
het, zal mijn einde daar zijn." Doch George antwoordde terstond: "wat er
ook gebeure, nimmer, mijn edele heer, verlaat ik u! Ik wil met u gered
worden, met u leven of sterven!"

Naauwelijks waren deze woorden gesproken, of daar kwamen plotseling de
Kozakken op hunne kleine, vlugge paarden en met hunne lange lansen
aangerend. De graaf en zijn dienaar bevalen, op dit gezigt, hunne zielen
aan God, want zij verwachtten niets anders dan eenen zekeren dood.
Evenwel ontnamen de ruwe, baardige ruiters den graaf alleenlijk zijnen
blaauwen mantel van fijn laken, die hem tot hiertoe nog een weinig tegen
de koude had beschut, rukten hem zijn ordekruis van de borst, en
galloppeerden toen voort, om elders rijkeren buit op te sporen. Dadelijk
bood George aan den graaf zijnen mantel, die wel minder fijn was, maar
toch uitstekend verwarmde. August, hoewel zigtbaar ontroerd door deze
edele getrouwheid, weigerde dien. Doch dringend sprak George: "ik bid u,
neem hem aan; ik kan de koude immers veel beter verdragen!" Dus
sprekende sloeg hij den mantel om zijns meesters schouders; deze werd
weldra geheel tevreden met deze schikking, daar George eenen anderen
bekwam, dien hij eenen doodgevroren soldaat ontnam, welke er zich
vruchteloos in had gewikkeld.

"Het is ons onmogelijk," sprak thans de graaf, "langs dezen akeligen weg
de stad Smolensko nog te bereiken, waar ons lot, zoo als men zegt,
dragelijker zal worden. Wij moeten onzen weg zijwaarts, naar den
regterkant of ter linkerzijde, nemen. Misschien ontmoeten wij nog
goedhartige landlieden, die tot hiertoe van plundering bevrijd zijn
gebleven, en die, op het gezigt van ons onbeschrijfelijk lijden, zich
over ons zullen ontfermen."

Met dit doel veranderden zij van rigting, en stieten dan ook op eenige
hutten, uit welke zij, tot hunne onuitsprekelijke vreugde, den blaauwen
rook zagen opstijgen. Doch de inwoners zagen de beide krijgslieden in
hunne vreemde uniform voor vijanden aan, en wezen hen daarom barsch af.
Alleen een Poolsche Jood naderde hen, en sprak hen met vriendelijke
woorden aan. Ongelukkig evenwel verstonden zij de taal niet, welke hij
sprak. De Jood, die een ovaalvormig brood onder den arm droeg, terwijl
hij een met stroo omwonden fleschje, met brandewijn gevuld, in de hand
hield, wees herhaaldelijk naar de horologieketting van den graaf, welke
door den Kozak onopgemerkt was gebleven. De graaf toonde hem daarop zijn
gouden repetitie-horologie, liet het werk slaan, en beduidde den Jood
door teekens, dat deze geld moest toegeven. Doch de laatste schudde het
hoofd en wilde verder gaan, of hield zich althans zoo, waarop de graaf
hem het horologie liet, en daarvoor de weinige levensmiddelen van den
Jood in ruiling aannam.

August zette zich vervolgens op eenen steen neder, sneed het brood en
gaf den regtschapen dienaar het eerste stuk. "Dat brood is duur!" zeide
hij tot George; "want het horologie heeft mij meer dan twintig dukaten
gekost. Doch brood is ons op dit oogenblik noodiger dan goud; weshalve
wij, hoe duur het ons vergelijkenderwijze dan ook te staan kwam, God
toch wel hartelijk daarvoor mogen danken, dat wij het ons ten minste
konden verschaffen!"

Nadat zij met het brood den honger hadden gestild en ook een weinig
brandewijn genuttigd hadden, trokken zij verder. Het was een geluk voor
hen, dat al de beken, poelen en moerassen hard waren toegevroren,
waardoor deze hen nergens in het voortgaan belemmerden. Later kwamen zij
bij een digt woud aan, hetwelk hen eenigzins tegen storm en sneeuwjagt
beschutte Zij vonden er ook nog een plekje, waar geen sneeuw lag. Hier
beproefde George een vuurtje aan te maken; waarin hij echter niet
slaagde, omdat hij, alhoewel hij staal, vuursteen en zwam bij zich had,
toch niet genoeg drooge takjes kon vinden. Van koude rillende, zaten zij
op den hard bevroren grond. Rondom waren de boomen geheel met rijp
overdekt. Wijd en zijd hoorde men niets dat de aanwezigheid van menschen
verried; alleen ravengekras liet zich hooren. Met een onuitsprekelijk
gevoel van hakend verlangen dacht August aan Sterreveld aan zijne lieve
familie, en herinnerde zich hoe hij vroeger in de aangename schaduw van
dat liefelijke boschje, door bloemengeur omringd en door het lied van
den nachtegaal betooverd, zoo regt gelukkig was geweest. "O," sprak hij
bij zich zelven, "niemand weet toch wat hem nog boven het hoofd hangt!
Wie zou toen hebben kunnen vermoeden, dat ik eenmaal, en dat nog wel
binnen zoo korten tijd, in deze afgrijselijke wildernis, waar men enkel
sneeuw en ijs, nevel en rijp ziet, zou verplaatst worden." Innig bad hij
tot God: "red mij, o Almagtig God! Red Gij mij uit dit land, en leide
Uwe onvolprezen goedheid mij gelukkig naar het ouderlijke huis in de
armen mijner diep bekommerde moeder terug!"

Eindelijk kon de graaf de hevige koude niet langer uitstaan. Zij viel
hem nog zwaarder dan de vermoeijenissen, die hij elken dag moest
doorstaan.

August sprong, een moedig besluit vattende, snel op en vervolgde haastig
zijnen weg, daar hij hoopte, dat eene snelle beweging hem wel eenigzins
zou verwarmen. Doch het duurde niet lang, of hij kon geene enkele
schrede meer doen. Toen nam de brave George zijnen heer op den rug, en
droeg hem twee geheele dagen voort. Doch geen sterveling kan meer doen,
dan zijne krachten hem vergunnen. Op den derden dag moest George het,
zijns ondanks, opgeven. Zijne laarzen waren geheel stuk geloopen, en
zijne voeten waren zoodanig verwond geraakt, dat hij bij elke schrede
een bloedig spoor in de sneeuw achterliet. Toen August den toestand van
zijn lotgenoot bemerkte, zeide hij: "ik heb thans genoeg gerust, mijn
brave George! Door de beide dagen, dat gij mij gedragen hebt, zijn mijne
krachten teruggekomen, zoodat ik mij volstrekt niet meer vermoeid
gevoel. Daarom is thans de beurt aan mij gekomen. Eergisteren en
gisteren waart gij de sterke en droegt mij: heden zijn mijne krachten
beter dan de uwe, weshalve ik u thans wil dragen!"

Doch de edeldenkende George wilde zulks volstrekt niet gedoogen. De
reden van zijne weigering gaf hij in dezer voege op: "van hier tot het
naaste dorp kan het niet ver meer wezen," dus sprak hij; "vermits men
hier alreeds den toren ontdekt. Wanneer gij u nu alleen voortspoedt,
kunt gij dat dorp ligtelijk bereiken; doch als gij mij daarenboven moet
dragen, dan komt geen van ons beiden er immer. Aan mij is zooveel niet
gelegen, wanneer ik hier den dood mogt vinden. U evenwel wacht eene
teederminnende moeder, verbeiden twee zusters, die haren broeder zoo
hartelijk liefhebben! Zoo gij het dus voor u zelven niet doet, spaar uw
leven dan om harentwil! Ik bid u, laat mij hier liggen, en tracht zonder
mij het dorp te bereiken!"

Doch op vasten toon gaf August ten antwoord: "neen, wakkere George, dat
zal nimmer gebeuren! Gij hebt uw leven voor mij gewaagd; en bijaldien
gij niet volstrekt met mij hadt willen achterblijven, dan zoudt gij nu
reeds lang met het leger eene veilige verblijfplaats gevonden hebben.
Weiger daarom niet langer! Het zou u niets baten; want wat gij mij
weleer toevoegdet, dat roep ik u nu ook toe: "ik wil met u leven of
sterven!""

Doch George bleef nog weigeren. "Ik kan het niet toestemmen! Het is al
te goed van u! Ik ben immers niets meer dan uw dienaar! Waarlijk gij
zijt al te goed!" en hij, die zelf zoo edel dacht en handelde, snikte
van aandoening over de grootmoedigheid van zijnen heer.

Ernstig hernam August: "George, weiger mij niet langer, als wij vrienden
zullen blijven!" Door deze bedreiging bragt hij den ander tot
stilzwijgen; waarop de heer zijnen dienaar op den rug nam en hem aldus
naar het naaste dorp zocht te dragen.

En God sterkte hem; want het gevoel van wel en godgevallig gehandeld te
hebben, een gevoel dat altijd bezielend werkt, hield zijne krachten
staande.

Zij kwamen op eenen rijweg. Twee huizen stonden aan de beide zijden van
den weg! Zij klopten aan de deur van eene dier woningen. De vrouw des
huizes zag met hare kinderen uit het venster. Helaas! ook hier waren de
vreemde uniformen den inwoners een doorn in het oog. Men opende hun noch
de deur, noch werd hun uit het venster een enkel stukje brood
toegereikt. De lieden hadden vernomen, welke onbeschrijfelijke ellende
de vreemde legers alom door het land hadden verspreid, en dat zij hunne
heerlijke hoofdstad geheel hadden afgebrand, gelijk zij stellig
geloofden. Beiden smeekten in de roerendste bewoordingen om medelijden
en ontferming. Doch daar in die streken enkel de Russische taal
gesproken werd, vonden de Duitsche woorden, hoe treffend ook, den weg
niet tot de harten dezer menschen, die hen voor halve barbaren bleven
aanzien, welke de oorzaken waren van al de rampen, waardoor het land
geteisterd was.

De graaf en zijn dienaar wendden zich daarop naar het andere huis,
waarvan de deur openstond, welke zij wilden binnentreden. Doch de
bewoner stiet hen op eene barsche wijze het huis uit, en sloeg de deur
met groote hevigheid achter hen toe. Diep bedroefd gingen zij verder,
ten einde het dorp te bereiken, dat naauwelijks een half uur verwijderd
scheen. Doch nadat de graaf een paar honderd schreden had afgelegd,
bezweken zijne krachten geheel. Hij wilde zich op den stam van eenen
ontwortelden boom nederzetten; doch zelfs daartoe ontbrak de kracht hem.
Hij zonk onmagtig op de sneeuw neder, en riep uit: "nu dan, het zij!
Indien de Alwijze het aldus wil, zal ik mij kalm in mijn lot schikken en
hier den dood afwachten!"

Dus sprekende reikte hij George de hand toe, en zeide met tranen in de
oogen: "vaarwel, trouwe George, voorbeeldige dienaar! God vergelde u uwe
trouwe gehechtheid! Mag het u te beurt vallen, Sterreveld nog eenmaal
weder te zien, groet dan mijne moeder en mijne beide zusters. Zeg haar,
dat ik hier, in Gods heiligen wil berustende, kalm en met haren naam op
de lippen ben ontslapen!"



IX.

De redder.


Juist toen de graaf van Sterreveld dezen droevigen last aan zijnen
dienaar opdroeg, reed een aanzienlijk man, groot en statig van gestalte,
in een prachtig Russisch gewaad gekleed, dat rijk met pelswerk omzoomd
was, in eene Russische slede daar voorbij. Hij zag den vreemden officier
in de sneeuw neêrzinken en den jammerenden soldaat naast hem knielen,
waarop hij den voerman dadelijk gebood naar hen toe te rijden, en, bij
hen gekomen, liet hij stil houden, sprong uit de slede, hoorde de
laatste woorden van den graaf, en zeide met eene ongemeene
vriendelijkheid, August in de Duitsche taal aansprekende: "God zij met
u, mijne vrienden! Gaat aanstonds met mij mede! Mijn huis staat u geheel
ter dienste! Alles wat ik heb, wil ik volgaarne met u deelen!"

Hij beval daarop, dat de voerman met de slede zou keeren, om naar het
dorp terug te rijden, hielp den graaf in de slede stijgen, zette zich
naast dezen neder, terwijl hij aan George eene open plaats naast den
voerman aanwees, en zoo reden zij op snellen draf naar zijn huis. Binnen
weinige minuten stond de slede voor de deur stil. Echter zag het er
geenszins zoo goed uit, als men, op de kleeding en het geheele
uiterlijke van den eigenaar afgaande, wel zou verwacht hebben; ja het
had zelfs een zoo gering aanzien, dat het voor eenen man van deftigen
stand een zeer ongeschikt verblijf scheen. Het beneden vertrek, waarin
de onbekende zijne gasten voorloopig binnenleidde, had volkomen het
aanzien van eene gemeene, Russische boerenkamer. De gastheer haalde
ondertusschen een sierlijk bewerkt, zilveren theeservies voor den dag,
zette terstond thee, die van de beste soort bleek te wezen, en sneed
daarbij uitmuntend fijn wittebrood. "Drinkt nu van deze thee," zeide hij
vriendelijk en gulhartig; "dat zal u verwarmen. Inmiddels wil ik gaan
zien wat ik u te eten zal kunnen voortzetten."

Hij verliet het vertrek met deze woorden; doch spoedig daarop trad hij
weder binnen en zeide: "gij zult het voor lief moeten nemen! Ik vind
niets anders dan een stuk wildbraad, dat evenwel reeds opgesneden is en
heden voor de tweede keer op mijne tafel zal verschijnen. Doch het is
heerlijk van smaak! Gij moet weten, dat ik zelf het middagmaal reeds
gebruikt heb, en natuurlijk niet kon denken, dat ik nog zulke aangename
gasten bij mij zou zien!"

Eenige oogenblikken later bragt een bediende het gebraad binnen, en
zette nog een paar flesschen, met heerlijken portwijn gevuld, benevens
drie geslepen glazen van fraai kristal op de tafel. De half
uitgehongerde gasten aten met buitengewone graagte; en het was
duidelijk, dat dit gezigt den gullen gastheer regt behaagde. Ook wilde
hij hen, gedurende den maaltijd, niet met vragen lastig vallen. Hij
vroeg dus enkel hoe zij heetten, welk hun geboorteland was, en tot welke
legerafdeeling zij behoorden. Daarop onderhield hij zich met zijnen
bediende in de Russische taal, gaf dezen, naar het scheen,
onderscheidene bevelen, verliet daarop het vertrek met merkbare
overhaasting, kwam eerst eenen geruimen tijd later weêr binnen, vulde
toen de glazen, klonk met zijne gasten en riep uit: "het welzijn van
alle dappere krijgslieden!" Daarop zeide hij: "ik verzeker u, dat mij,
hoewel ik een Rus ben, het treurige lot van de vreemde krijgslieden in
dit land, vooral van de Duitschers, zeer ter harte gaat. Ik weet, dat
zij onze vijanden niet zijn; wij hebben maar éénen vijand--dien
stoutmoedigen man, op wiens bevel, waaraan niemand ongehoorzaam durft
wezen, al die honderdduizenden in ons land zijn gedrongen."

Eensklaps sprong hij op, ging andermaal haastig de kamer uit, en aan
zijn heen en weêr loopen, zijne luide en gebiedende woorden konden
August en George bemerken, hoewel hij Russisch sprak, dat hij in huis
allerlei bevelen gaf en onderscheidene schikkingen maakte. De slede, die
hij nog niet had laten uitspannen, stond intusschen nog altijd voor het
venster stil, en de paarden schudden ongeduldig de bellen, die op het
tuig bevestigd waren, en sloegen met de hoeven tegen den grond. Toen de
Rus weêr binnentrad, hadden zijne gasten in dien tusschentijd naar
genoegen gegeten en gedronken.

"En thans, heer ridmeester," sprak de onbekende, zich tot August
wendende, "thans zal ik u uw kleine slaapvertrek aanwijzen, daar gij in
de eerste plaats rust noodig hebt." Hij geleidde den graaf vervolgens in
eene soort van schuur, wees op eene ladder, die daar stond, en zeide:
"nu moet gij zoo vriendelijk zijn, langs deze ladder naar boven te
klimmen!" Dit ging juist niet zeer gemakkelijk; doch August klom
gelukkig naar boven, en bevond zich toen in eenen smallen gang, die er
regt armoedig uitzag. De vriendelijke gastheer, die hem gevolgd was,
schoof een paar bruine, ongeschaafde planken ter zijde, opende eene
deur, die kunstig achter die ruwe planken verborgen was, en door die
deur kwam de graaf--in een uitmuntend fraai en prachtvol gemeubeleerd
kabinet. De muren waren smaakvol met groen damast behangen. Het
behangsel prijkte daarenboven met fijne Engelsche platen in rijk
vergulde lijsten. Tegen eenen anderen muur stond eene schrijftafel van
mahoniehout, met een boekenrek van hetzelfde hout, waarop prachtig
ingebonden boekwerken prijkten. In eene nis of alkove, waarvoor
gordijnen van groen damast hingen, stond een zoo fraai en kostbaar
ledekant, als men maar ergens in een vorstelijk verblijf zou kunnen
verwachten. De graaf zette groote oogen op, en zag met zigtbare
verwondering in het rond; toen hij echter zijne oogen in eenen grooten
spiegel sloeg, die tusschen de twee vensters van dit kabinet hing,
vergat hij bijna al het andere, zoo pijnlijk trof hem het zien van zijne
eigene vermagerde gedaante en bleeke ingevallen kaken. En inderdaad, die
jonge man, met zijn vervallen voorkomen en zijne versleten kleeding,
paste weinig bij dit smaakvolle en prachtige vertrek! De gastheer scheen
te raden wat er bij August omging; medelijden teekende zich althans op
zijn gelaat, en met onmiskenbare deelneming sprak hij: "niet waar, dit
vertrekje is regt aardig? Mij dunkt, dat gij dit in mijn huis niet
verwacht hadt. Welnu, deze kamer bied ik u voorloopig tot uw verblijf
aan, waarin gij u langzamerhand van de doorgestane vermoeienissen en de
onbeschrijfelijke moeijelijkheden kunt herstellen. Tot mijn innig
leedwezen moet ik dadelijk weêr vertrekken. Mijne bezigheden zijn
bijzonder dringend. Ondertusschen zal ik mijnen kamerdienaar hier laten
tot uwe bediening. Hij spreekt wel is waar geen Duitsch, doch hij weet
zich tamelijk wel in de Fransche taal uit te drukken. Alles in dit huis
staat u ter dienste. Beschouw het geheel als uw eigendom, en handel naar
verkiezing. De boeken, die gij hier vindt, kunnen u den tijd korten. De
jagt in deze streken levert veel op. Wanneer gij daartoe lust mogt
bespeuren, dan kan mijn kamerdienaar u vergezellen. Deze wakkere Rus is
een uitstekend jager."

De graaf opperde eenige bezwaren. Hij vroeg zijnen gastheer ronduit, of
hij hier veilig was, ingeval er Russische troepen mogten komen. August
vreesde zeer, en die vrees was waarlijk niet ongegrond! dat hij gevangen
genomen en naar Siberië opgezonden zou worden.

"Mijne hand daarop," antwoordde de onbekende, "dat gij hier even veilig
zijt, als de keizer in zijn paleis! Doch geef mij uw woord van eer, dat
gij hier zult blijven totdat ik terugkom. Ik zal dan zorg dragen, dat
gij ongedeerd in uw vaderland terugkeert.--Doch vaarwel! Ik moet weg!
Mijne zaken zijn dringend." Met deze woorden ijlde hij de deur uit, en
liet August staan, die nog altijd verwonderd was over deze plotselinge
verandering van zijn lot.

Het spreekt van zelf, dat de graaf ten hoogste verbaasd stond over de
vriendelijkheid en goedwilligheid van dezen hem geheel onbekenden man.

"Waarlijk," dacht hij, "deze vreemdeling verscheen mij even onverwacht
en welkom als een engel uit den hemel, en even snel is hij nu wederom
verdwenen! Alles komt mij als een droom voor! Zoo opeens word ik van die
akelige, verstijvende sneeuwvlakten in een zoo sierlijk en goed verwarmd
vertrek verplaatst! Het grenst aan een wonder! Doch hoe ik daarover ook
nadenk, het is en blijft mij geheel onbegrijpelijk!"

August was buitendien ook te veel vermoeid, dan dat hij lang over het
gebeurde zou hebben kunnen peinzen. Hij begaf zich te bed; en aangezien
hij geruimen tijd enkel op stroo, op eenen hard bevroren grond, of zelfs
wel in de sneeuw had geslapen, zoo verschafte het hem een
onuitsprekelijk genot, toen hij zich in een zoo zacht bed kon
neêrvleijen. Hij sliep genoegzaam dadelijk in en rustte tot laat in den
avond. Toen hij ontwaakte was het geheel donker; weshalve hij opstond,
en zich zoo verkwikt en versterkt gevoelde, als in langen tijd het geval
niet was geweest.



X.

August verneemt het een en ander aangaande zijnen gastheer.

VERVOLG VAN HET VOORGAANDE HOOFDSTUK.


De kamerdienaar had reeds eenige keeren aan de deur geluisterd, of de
heer ridmeester nog niet opstond. Zoodra hij derhalve in de kamer
beweging hoorde, klom hij de ladder op, trad in het vertrek, en sprak,
zich eerbiedig buigende: "heer ridmeester, hebt gij wel geslapen onder
het vreemde dak?" "Ik heb zoo goed geslapen," antwoordde de graaf, "als
ooit vroeger in mijn leven!" "Nu, dat te hooren, verheugt mij!" hernam
Oskinski, gelijk hij heette. "Doch ga thans met mij mede! In het
benedenvertrek heb ik een avondeten laten gereed maken, dat zoo goed is,
als ik het door de overhaasting maar kon klaar maken. Daar wacht uw
bediende u aan tafel."

Toen August beneden was gekomen trof hij zijnen George aan, en tevens
bemerkte hij, dat de tafel voor twee personen was gedekt. Toen hij, zich
aan tafel willende nederzetten, George daarom de eene plaats aanwees,
wilde deze echter niet gaan zitten, maar verkoos zijnen meester over
tafel te bedienen.

"Dat zal evenwel niet gebeuren!" riep August levendig uit. "Gij waart
tot nog toe mijn trouwe lotgenoot; daarom moet gij ook thans mijn
medgezel blijven, nu mijne omstandigheden zich schijnen verbeterd te
hebben, en ook aan dezen aangenamen maaltijd deelnemen, gelijk onze
edele gastheer ook schijnt bedoeld te hebben. Wij menschen moeten
immers, als broeders en zusters, leed en vreugde met elkander
deelen!--En gij, mijnheer Oskinski," vervolgde hij, zich tot den
kamerdienaar wendende, "gij moet nog een couvert op tafel laten zetten,
en met ons medeëten!" De eerlijke Rus opperde tegen dit voorstel
oneindig minder bezwaren, dan George. Hij liet het couvert brengen en
nam bij de Duitschers plaats. Vervolgens werd wildbraad, gevogelte,
visch, en wat Rusland nog meer oplevert, opgedragen, waarbij de gasten
daarenboven nog op eenige flesschen lekkeren wijn onthaald werden. De
Rus vermaakte zich bovenal met het laatste artikel, en van lieverlede,
toen hij, zoo als men het gewoonlijk noemt, een stevig glaasje wijn had
gedronken, werd hij regt vrolijk en spraakzaam.

"Maar zeg mij nu toch eens," zoo vroeg August hem, "wie is nu eigenlijk
uw goede heer, die voor ons zoo onuitsprekelijk goed, gul en gastvrij
is?"

"Ja," antwoordde de Rus, "gij moogt hem wel goed, gul en gastvrij
noemen! Mijn meester is een goed heer, vriendelijk en hulpvaardig! Hij
is heer van Koslou, keizerlijk Russische raad, en heeft met de
leveranciën voor het leger drukke bezigheden. Eigenlijk woont hij niet
hier, maar te Petersburg. Dit huis heeft hij enkel gekocht, om als hij
langs dezen weg reist hier altijd een weinig te kunnen uitrusten. Gij
moet weten, dat zijn weg hem veelvuldig door deze streken voert. Hij zou
dit huis wel nieuw hebben laten opbouwen; doch dat heeft hij wijselijk
wegens den oorlogstijd, waarin wij leven, gelaten. Het huis had het
overigens wel noodig! Doch, zoo als ik zeide, hij heeft het wegens den
oorlog gelaten, en enkel de kamer, waarin gij heden geslapen hebt, voor
zijn gebruik in orde laten brengen. Den ingang tot het vertrek heeft hij
echter verborgen gehouden. En hij had groot gelijk! Hij zeide ook: "dit
is noodzakelijk! want het zou anders ligt kunnen gebeuren, dat anderen,
wanneer ik hier aankwam, er zich reeds hadden ingekwartierd."--Maar, om
u eerlijk de waarheid te zeggen, het verwondert mij grootelijks, dat hij
het u tot uw gebruik heeft afgestaan, al had hij het juist in deze dagen
zelf niet noodig. Nog meer bevreemdde het mij, dat hij, om u gezelschap
te houden, zijne reis wel een uur langer heeft uitgesteld, dan zijn
voornemen was. En--ik zeg dat, omdat wij toch toevallig over dit alles
aan het spreken kwamen--het allermeest ben ik verbaasd, dat hij mij tot
uwe bediening achterliet! Hij was juist op weg naar het leger. Nu moet
gij weten, dat mijn meester geheel aan mijne bediening gewend is, en
mijn gemis hem dus moeijelijk moet vallen. En toch beval hij mij, toen
hij dezen middag zoo lang met mij in het Russisch sprak, dat ik u geheel
als mijnen heer moest aanzien, en u met dezelfde oplettendheid moest
bedienen, als waart gij mijn heer zelf. Hij droeg mij nog allerlei
dingen op; ja, in persoon ging hij nazien of alles wel aanwezig en in
goede orde was, wat u maar genoegen zou kunnen doen, of u dit verblijf
gemakkelijk zou maken. Hij beval mij regt nadrukkelijk, niet het
allergeringste te verzuimen, wanneer ik u bediende. Hij zou, verzekerde
hij mij, bij u naauwkeurig uitvorschen of ik hem stipt gehoorzaamd had.
Nu, ik hoop, heer ridmeester, dat gij over mij tevreden zult wezen, en,
als de heer van Koslou terugkomt, eene gunstige getuigenis van mij zult
afleggen. Dan, vergeef mij, ik moet nog het een en ander in orde
brengen!"

Met deze woorden verliet hij het vertrek. Toen hij eenen geruimen tijd
later weder binnen kwam, bespeurde hij, dat zijne gasten, die van hunne
vermoeijenissen nog niet geheel bekomen waren, slaperig begonnen te
worden. "O zoo!" zeide hij dienstvaardig, "ik zie, dat gij u gaarne te
bed zoudt willen begeven. Zeer wel! Alles is daartoe gereed."

Hij nam twee zilveren blakers van eene tafel, die ter zijde stond, stak
de waskaarsen aan, en lichtte den graaf, in zijne eene hand de twee
blakers houdende, de ladder op. In de alkove lagen, op een daartoe
bestemd meubelstuk, hemden, dassen, zakdoeken en kousen. Over eenen
stoel hing een slaaprok van het fijnste katoen en met flanel gevoerd.
"Daar ligt schoon linnen en toebehooren," zeide Oskinski, "en deze
slaaprok is nog geheel nieuw. Wanneer gij hem morgen wildet aanhouden,
zou ik zorgen dat uwe uniform, zoo goed men het hier kan, versteld werd.
Uw bediende slaapt, op bevel van mijnen heer, vlak bij u; namelijk in
het kleine zijvertrek, waar ik anders plagt te rusten. Wanneer gij
toevallig het een of ander mogt noodig hebben, wees dan zoo goed, even
met de zilveren bel te schellen, die ik op uw nachttafeltje gezet heb.
Ik zal dan oogenblikkelijk verschijnen."



XI.

August en George blijven nog altijd in het huis van den heer van Koslou.

VERVOLG VAN HET VOORGAANDE HOOFDSTUK.


Den volgenden morgen, zoodra de graaf was opgestaan, den slaaprok had
aangetrokken en eenige keeren in het fraaije vertrek had op en neêr
geloopen, verscheen Oskinski, die de koffij kwam binnen brengen.

De koffijkan, de kopjes en de suikerpot waren van het fijnste porselein.
Het suikertangetje en de lepeltjes waren van verguld zilver vervaardigd.
Oskinski vroeg nu nog, wat de heer ridmeester overigens te bevelen had,
rooktabak, ham, boter, honig, of wat dan ook? De graaf bedankte evenwel
voor alles.

Zoo ging het elken dag. De graaf leefde hier zeer tevreden, en hij en
George dankten God elken dag, dat Zijne goedheid hen hier zoo
onverwachts eene zoo aangename schuilplaats had doen vinden. August las
veel in de boeken van den heer van Koslou. Het waren voor het grootste
gedeelte geschriften, die eene godsdienstige strekking hadden; ook vond
hij vele reisbeschrijvingen en andere leerzame werken, in de Engelsche,
Fransche en Duitsche talen geschreven. Ook was daarvoor zorg gedragen,
dat hij wekelijks eenmaal de nieuwsbladen ontving. Ook George begon van
lieverlede veel vermaak in het lezen te scheppen, daar zijn heer veel
las en hij toch met niemand in het huis kon praten, aangezien hij noch
Russisch, noch Fransch verstond, en niemand de Duitsche taal kon
spreken.

Vaak gingen beiden op de jagt; bij welke gelegenheid Oskinski hen
begeleidde. De menschen die zij op den weg ontmoetten, groetten den
graaf dan zeer vriendelijk, omdat men hem als den vriend des heeren van
Koslou kende. De kinderen lachten hem vriendelijk toe, de mannen namen
dadelijk de mutsen af, de vrouwen groetten hem met achting. Hoe waren
dus allen te zijnen opzigte veranderd, die hem kort te voren barsch van
hunne woningen verjoegen!

De heer van Koslou schreef een paar malen aan August, onder adres van
zijnen kamerdienaar; doch altijd slechts weinige regels. Hij vroeg met
belangstelling naar de gezondheid van den ridmeester, onderzocht of deze
volkomen met de bediening tevreden was, en verzocht hem, nog eenigen
tijd geduld te willen hebben.

Zoo verliepen de lente en de zomer. Wel is waar begon de graaf--en
vooral was dit met George het geval--zich langzamerhand te vervelen.
Doch als George zulks aan zijnen heer zeide, dan antwoordde deze:
"welnu, wat zouden wij veel anders hebben kunnen verrigten? Beiden
hebben wij hier eerst regt gevoeld, hoeveel wij door de bezwaren van den
oorlog, door koude en honger geleden hadden. Onze krachten waren immers
geheel weg! Ik ten minste zou tot hiertoe geene groote reis hebben
kunnen ondernemen, noch andermaal in krijgsdienst kunnen getreden zijn.
Laat ons derhalve geduld hebben! De goede God, die tot dus ver zoo
genadig voor ons heeft gezorgd, zal wel verder zorgen!"

De graaf sprak dankbaar en verstandig. Overigens deden de stilte en de
rust in dit eenzame verblijf, waarbij de zorgvuldige behandeling kwam,
die hij daar genoot, hem zóó goed, dat zijn gelaat weder even gezond en
bloeijend werd als vroeger; terwijl ook George zijne vorige, sterke
gezondheid geheel terugbekwam.



XII.

De heer van Koslou komt terug en maakt zich aan August bekend.

VERVOLG VAN HET VOORGAANDE HOOFDSTUK.


Op zekeren avond--zij waren toen in den herfst--kwam de heer van Koslou
geheel onverwachts terug. Met een gelaat waarop de vreugde te lezen
stond, trad hij het vertrek van den graaf binnen, en riep vrolijk uit:
"ik kom u uwe verlossing uit uwe langdurige gevangenschap aankondigen!
De beide vijandelijke legers staan nu op Duitsch grondgebied aan de Elbe
tegenover elkander. Ik heb de zorg voor het leger aan de Duitschers
overgelaten. Ik heb alle hoop, dat het vijandelijke leger weldra over
den Rijn zal teruggedrongen worden. Thans kan en mag ik u geheel ter
dienste staan, en ben bereid, alles te doen, opdat gij ten spoedigste in
uw vaderland moogt terugkeeren. Ook wil ik u nog iets voorslaan. Reist
gij met mij naar Petersburg? Uit Petersburg kunt gij te water ligt naar
Hamburg oversteken, en dan van daar over land naar uwe geboorteplaats
reizen. Behalve deze, heb ik nog eene andere reden, waarom ik gaarne zag
dat gij mij naar Petersburg vergezeldet. Ik wilde mijne vrouw en mijne
kindertjes aan u voorstellen. Bovendien kan ik u toch ook niet als een
dolend ridder van mij laten gaan! Gij hebt alles bij dien ongelukkigen
veldtogt verloren. Daarom beschouw ik het als mijn pligt, u met
reiskleederen, zooals uwen stand betamen, met eenen goed gevulden koffer
en met paarden en rijtuig te voorzien. Dat alles kan evenwel hier niet
gebeuren, maar daartoe moeten wij ons naar Petersburg begeven. Het doet
mij leed, dat ik u niet dan met het armzalige rijtuig, hetwelk mij
herwaarts bragt, naar Petersburg kan geleiden; maar hier te lande komt
men, wegens de slechte wegen, met eenen beteren en grooteren reiswagen
niet voort. Zulks moet gij derhalve maar voor lief nemen!"

"Edele, grootmoedige man!" riep de graaf vol dankbaarheid uit, "uwe
alles overtreffende menschlievendheid moet zelfs de stoutste verwachting
te boven gaan! Ik kan mij maar niet begrijpen, waardoor ik al die
goedheid verdien! In ernst, uw edel gedrag, hoezeer ik het bewonder, is
en blijft mij onbegrijpelijk!"

"Kom, kom!" gaf de heer van Koslou ten antwoord, "ik kan in alles wat ik
doe, geen enkel spoor van buitengewone menschlievendheid zien, noch van
eene zoo groote goedheid! Het is enkel mijn pligt, het is alleen
_dankbaarheid_!"

"_Dankbaarheid?_" vroeg August, thans nog meer verwonderd;
"_dankbaarheid?_ Maar nu begrijp ik het nog minder! Zou ik u dan bij
mogelijkheid ooit eene dienst hebben kunnen bewijzen, die u eenige
verpligting te mijnen aanzien oplegde, u, dien ik vroeger nooit gezien
heb?"

"Hoe!" riep Koslou uit, "gij zoudt mij vroeger nooit gezien hebben? Nu,
zet u dan eens bij mij neder en luister. Mijn geheele vermogen, dat
waarlijk niet gering is, heb ik u te danken! Aan u ben ik al mijn geluk
verschuldigd!"

Verbaasd staarde August den spreker aan, terwijl hij ongeloovig met het
hoofd schudde. Het kwam hem langzamerhand voor den geest, of hier
welligt eenig misverstand hadde plaats gevonden!

Nu vroeg de heer van Koslou: "hebt gij niet eens honderd gulden aan
eenen armen, bedelenden jongen geschonken!"

"Neen!" antwoordde August; "ten minste herinner ik mij niet, ooit eene
zoo aanzienlijke aalmoes gegeven te hebben."

"Niet?" herhaalde Koslou. "Nu, dan hoop ik, dat gij u nog wel eenen
nachtegaal zult herinneren, die op het geboortefeest van uwe moeder zoo
fraai zong. Een arme herdersknaap--is het niet zoo?--had een nestje met
de beide oude nachtegaals in uw park overgebragt."

"O ja!" gaf August ten antwoord, "dien knaap herinner ik mij nog zeer
goed! Hij was een arme, maar een zeer beminnenswaardige en hoopvolle
jongen. Zijn naam was Dirk Snel. Hij ging als wagenmakersknecht naar het
buitenland.--Doch, vergeef mijne vraag! hoe kunt gij deze bijzonderheden
zoo goed weten?"

"Deze herdersknaap, deze Dirk Snel, deze wagenmakersknecht," antwoordde
Koslou, "en de keizerlijk Russische raad, de heer van Koslou, de man,
die zoo gelukkig was van u te redden, zijn een en dezelfde persoon. Ik
ben Dirk Snel!--Doch thans ben ik geen wagenmakersknecht meer. Ik ben
eigenaar van eene fabriek, koopman, geldwisselaar en raad van financiën
te Petersburg. Daar ik een riddergoed, Koslou geheeten, heb aangekocht,
zoo word ik thans heer van Koslou genoemd."

"Is het mogelijk!" riep August, ten toppunt van verbazing, uit. "Gij
zijt Dirk Snel!" Met tranen in de oogen sprong hij op, omarmde zijnen
weldoener en riep uit: "waarom zeidet gij mij dit niet dadelijk?"

"Dat kon vroeger bezwaarlijk," antwoordde de heer van Koslou, dien wij
bij zijnen nieuwen naam willen blijven noemen. "Het zou ons te lang
hebben bezig gehouden, en mijn tijd was toen te zeer beperkt. Mijne
zaken waren dringend, ik moest verder; en daarenboven waart gij zelf ook
te uitgeput, dan dat gij lang naar mijn verhaal zoudt hebben kunnen
luisteren. Daarom bespaarde ik de ontdekking voor eene nadere
gelegenheid. In de brieven welke ik u schreef, wilde ik daarvan geene
melding maken, naardien ik gaarne ooggetuige van uwe verwondering wilde
wezen.--Toen ik u het eerst zag, bespeurde ik wel, dat gij mij niet meer
kendet. Doch ook ik zoude u bezwaarlijk herkend hebben, zoo gij niet, in
de sneeuw neêrzinkende, den naam Sterreveld haddet uitgesproken, toen
gij uwen dienaar opdroegt, wanneer deze in het leven mogt gespaard
blijven, aan uwe edele moeder en uwe zusters de groeten van den
stervenden zoon en broeder over te brengen, en haar te melden, dat hij,
in Gods wil berustende, met haren naam op de lippen ontslapen was. Toen
ik u daardoor herkende, kostte het mij alle mogelijke zelfbeheersching,
mij in te houden. Hadde ik ooit eene schoonere gelegenheid kunnen
wenschen dan deze, om mijnen weldoener te toonen, dat hij zijne goedheid
niet aan eenen ondankbare verspild had; eene geschikter omstandigheid
dan uw toenmalige toestand, om u de som terug te geven, die uwe lieve
moeder mij weleer leende ter bestrijding der kosten, welke ik mij tot
het aanschaffen mijner reisbenoodigdheden moest getroosten!--Maar laat
ons God danken, die ons zoo wonderdadig in dit vreemde land elkander
deed aantreffen, waardoor mij de vurig gewenschte gelegenheid werd
geschonken om u mijne innige dankbaarheid te toonen. Ik kan het niet
uitdrukken, hoe het mij verblijdt, dat ik in u mijnen weldoener mag
begroeten, en in staat ben om u thans ook eenige dienst te bewijzen!"



XIII.

De lotgevallen van den heer van Koslou.


Op herhaald verzoek van August moest zijn gastheer hem zijne lotgevallen
mededeelen. Gaarne voldeed deze daaraan. Wij zullen ze thans ook aan
onze lezers kortelijk bekend maken.

Dirk Snel had als wagenmakersknecht Weenen, Dresden, Berlijn, Hamburg en
Londen doorreisd, en was eindelijk naar Petersburg gekomen. Hij zocht
overal de kundigste meesters op. Het was hem minder om hoog loon te
doen, dan wel om een regt bekwaam wagenmaker te worden. Hij bezocht
tevens slotenmakers, smidsbazen, zadelmakers en andere handwerkslieden,
die ieder het hunne moeten leveren om eenen regt fraaijen wagen te
maken. Met eenen van de beste zadelmakers en eenen gunstig bekenden smid
reisde hij naar Rusland. Spoedig vond hij datgene bewaarheid, wat men
hem vroeger te Londen had gezegd, dat, namelijk, de kunst van het
wagenmaken te Petersburg lang niet op dezelfde hoogte stond als in
andere groote steden. "Ware zulks het geval niet," dacht hij, "dan moest
men in deze stad de fraaije koetsen en gemakkelijke reiswagens niet uit
Londen laten overkomen. Hier zou een kundig werkman dus zijn brood wel
kunnen verdienen!"

[Illustratie]

Hij trad te Petersburg bij eenen wagenmaker in dienst, dien men algemeen
voor den besten hield; en alhoewel deze de Duitsche taal sprak, zoo
besteedde hij toch al zijne vrije uren om de Russische grondig te
leeren. Spoedig bood hij aan, met behulp van zijne twee vrienden, den
zadelmaker en den smid, een staatsierijtuig te vervaardigen, dat even
fraai en degelijk bewerkt zou zijn als een uit Londen. Het rijtuig werd
hem besteld, en het beviel algemeen.

Hierdoor kreeg zijn baas weldra talrijke bestellingen, waarom het loon
van Dirk aanzienlijk verhoogd werd, die tot meesterknecht werd
bevorderd. Na verloop van eenigen tijd maakte zijn baas, die hem vast
aan zich wilde verbinden, een contract met hem, waarbij aan Dirk de
halve winst in alles werd toegezegd. Binnen korten tijd won Dirk
zooveel, dat hij de geheele werkplaats van zijnen meester kon overnemen,
dien hij daartoe wel geneigd vond, omdat de man reeds hoog bejaard was,
geene kinderen had, en zich gaarne van zijne zaken wilde ontdoen, ten
einde zijne overige levensdagen in rust te kunnen doorbrengen.
Langzamerhand werd de werkplaats tot eene groote fabriek uitgebreid en
een uitgestrekt magazijn daarbij getrokken, waarin koetsen en sleden van
allerlei soort te koop stonden. Later huwde Dirk de eenige dochter van
eenen vermogenden koopman, die, even als zijne vrouw, in Duitschland was
geboren. Thans behoefde hij in zijne fabriek niet meer mede te werken.
Hij hield enkel het opzigt over zijne knechts, waarbij het hem
uitmuntend te stade kwam, dat hij van al hunne werkzaamheden eenige
kennis had. Voortaan belastte hij zich ook met de handelszaken van
zijnen schoonvader, hetgeen eenen zoo schranderen en ijverigen man niet
zwaar viel. Na den dood van dezen kwam hij tot het geheele bezit van
diens vermogen, dat meer dan een millioen bedroeg, en bleef de zaken
voortzetten, waarbij hij veel geluk had.

Toen de oorlog met Frankrijk was uitgebarsten, nam hij groote
leveranciën voor het leger op zich. Men was daarbij even tevreden over
zijne stiptheid als over zijne eerlijkheid. Hij ontving den titel van
keizerlijk Russisch financieraad, werd tot den adelstand verheven, en
droeg den naam van zijne aangekochte bezitting Koslou.



XIV.

Vervolg van het gesprek tusschen den graaf en Koslou.


Graaf August had met groote belangstelling naar dit verhaal geluisterd.
Toen Koslou eindigde, sprak hij: "God heeft u waarlijk uitstekende
talenten geschonken! Reeds toenmaals, toen het hoeden van geiten uwe
eenige bezigheid was, kon een scherpzinnig opmerker in den armen knaap
een nuttig en achtingwaardig lid der maatschappij voor de toekomst
voorzien. Tijdens ons dat kleine ongeval op onze reis overkwam--toen gij
ons zoo snel te hulp ijldet, op alles, wat u gevraagd werd, een voldoend
antwoord wist te geven, goeden raad gaaft, zelf vaardig de hand mede aan
het werk sloegt, en later den wensch van mijne moeder met zoo veel
geschiktheid wist te bevredigen,--werden wij, wel is waar, opmerkzaam op
uwen persoon, maar toch vermoedde ik in dien tijd niet, dat Dirk Snel,
de arme herdersknaap, zoo grooten aanleg bezat tot het uitvoeren en
ondernemen van de uitgestrektste plannen; toch zoude ik het bijna als
onmogelijk beschouwd hebben, dat ik Dirk Snel eenmaal als den heer van
Koslou zou moeten begroeten! Uit uw voorbeeld blijkt op nieuw, hoe
belangrijk het is, dat ouders en opvoeders naauwkeurig trachten uit te
vorschen, waartoe het aan hunne zorgen toevertrouwde kind den meesten
aanleg en lust heeft.--Nu, gij kunt buitendien van u zelven zeggen, dat
gij met de talenten, die God u schonk, gewoekerd hebt. Gij liet nooit,
zoo als mij uit uwe levensgeschiedenis gebleken is, eenig gebrek aan
onafgebroken opmerkzaamheid, onvermoeide vlijt, onkrenkbare
regtschapenheid en brave zedelijke grondbeginsels blijken. Gij begont en
eindigdet alles met God. En de Heer, op wien gij te allen tijde bouwdet,
wien gij alle uwe belangen steeds hebt aanbevolen, de Heer heeft uwe
pogingen mildelijk gezegend."

"Ja!" riep Koslou dankbaar uit, "dat heeft Hij! Hem zij lof en dank!
Doch het groote vermogen, dat ik mij door Zijne goedheid mogt verwerven,
verheugt mij bijna nog meer ter wille van de kinderen van vreemden, dan
uit liefde voor mijne eigene. Gedachtig, hoe arm en hulpeloos ik
voormaals zelf was, heb ik reeds menig arm kind ondersteund en het tot
een kundig handwerksman en gelukkig huisvader opgeleid. En ik heb
opgemerkt, dat arme kinderen, die alleen door buitengewone vlijt en
onafgebroken werkzaamheid door de wereld moeten komen, meestal het best
slagen. Rijke kinderen daarentegen, welke van hunne vroegste jeugd af
aan overvloed gewend zijn, ontaarden dikwijls, worden lui en ongeschikt
voor bezigheden, en vervallen niet zelden tot de beklagenswaardigste
armoede. Meer dan eens heb ik het reeds beleefd, dat groote
handelshuizen, die bloeiend door rijke ouders aan hunne kinderen waren
achtergelaten, door de dwaze verkwisting en zorgeloosheid van de
laatsten te niet waren gegaan, alvorens de kinderen van dezen volwassen
waren. Wat de vlijt der grootouders had gewonnen, was derhalve voor de
kleinkinderen bereids verloren gegaan. En even dikwijls heb ik het
bijgewoond, dat de kinderen van arme ouders door vlijt en schranderheid
vooruit kwamen, belangrijke zaken met goed gevolg ondernamen, en
daardoor, algemeen geacht, zeer vermogende mannen werden. Doch eer en
goud zijn en blijven vergankelijke goederen; men moet ze ten beste van
zijne medemenschen besteden, en dan eerst ontvangen zij wezenlijke
waarde; want daardoor worden wij Gode welgevallig!"

Dit gezegd hebbende, zweeg Koslou eenige oogenblikken; treurigheid
teekende zich op zijn gelaat, en met tranen in de oogen sprak hij: "één
ding had ik nog gewenscht--namelijk, dat mijn brave vader in het leven
ware gespaard gebleven en met eigen oogen hadde kunnen zien, dat de
goede opvoeding, welke hij mij heeft gegeven, niet zonder vrucht is
gebleven. Hij was een arm, maar een braaf en godvreezend man. Met even
groote ernst als vaderlijke goedheid boezemde hij mij waarachtige
vroomheid en heiligen eerbied voor den Allerhoogste in. "Dit is de
grondslag van alle deugd," zeide hij vaak; "zonder vroomheid en
godvreezendheid is er geen wezenlijk geluk!" Hij zorgde ook, dat ik de
school vlijtig bezocht; hoe noodig hem mijne hulp bij zijnen arbeid ook
was. "Geld," zeide hij dikwijls tot mij, "kan ik u niet nalaten. Mijn
zegen en het in uwe jeugd geleerde is uw eenig erfdeel, uwe eenige
bezitting. Maar dit erfdeel is echter geenszins gering, en kan tegen
schatten opwegen."--Hij had gelijk! Zijne vermaningen, zijn voorbeeld,
zijn vaderlijke zegen waren nuttiger voor mij, dan tonnen gouds zouden
geweest zijn.--Dan ik heb hem, helaas! zijne liefde en trouwe vaderlijke
zorgen niet kunnen vergelden. Wel heb ik hem uit Londen eens, en uit
Petersburg meermalen geld toegezonden; doch wat beteekent dat?--Op
zekeren tijd, van Petersburg voor beroepszaken naar Frankrijk reizende,
wilde ik den dierbaren man een bezoek gaan brengen. Daar vernam ik
eensklaps de tijding van zijn overlijden!--Nu, God zal hem thans
vergelden, wat de goede man op aarde voor mij gedaan heeft!"--Ontroerd
zweeg Koslou; en blijkbaar kostte het hem moeite, zijne tranen te
weerhouden.



XV.

Het verblijf te St. Petersburg.


Den volgenden morgen reisde de heer van Koslou met den graaf naar
Petersburg af. Hoe onaanzienlijk hun Russisch rijtuig ook was, zoo moest
men toch bekennen, dat het onmogelijk gemakkelijker of steviger bewerkt
hadde kunnen zijn. Daarenboven was het zoo ruim, dat ook George, des
graven trouwe krijgsmakker, daarin plaats kon nemen. Hunne reis liep
zonder eenig ongeval af, en was regt genoegelijk. Voordat hij er aan
dacht, was August reeds in Petersburg aangekomen.

Het huis, dat de heer van Koslou hier bewoonde, geleek wel een paleis.
Koslou stelde den graaf aan zijn gade en zijne kinderen als zijnen
grootsten weldoener voor. Aanvankelijk konden de kinderen maar niet
gelooven, dat hun vader al zijnen voorspoed aan dezen man zou te danken
hebben, die thans, in eene versletene, gelapte uniform voor hen stond.
De echtgenoote van Koslou zag ook eenigzins vreemd op. Doch zoodra
Koslou zijnen vriend bij diens naam voorstelde, en tot haar zeide:
"graaf August van Sterreveld!" riep zij uit: "o, zijt gij het, heer
graaf!" en wilde hem, met tranen in de oogen de hand kussen. De heer van
Koslou verhaalde daarop, dat de graaf van Sterreveld den oorlog tegen
Rusland altijd voor onregtvaardig had gehouden, dien geheel tegen zijnen
wil had mede gemaakt, en op dezen rampzaligen veldtogt onbeschrijfelijke
ellende had doorgestaan. Met innige deelneming luisterde zijne gade,
terwijl de kinderen den graaf met vochtige oogen aanstaarden.

De laatsten werden al spoedig vertrouwelijk jegens hem. De geschiedenis
met den nachtegaal was aan allen bekend, en een der kinderen, een
levendig knaapje, vroeg nu, of die nachtegaal nog altijd in leven was?
Een klein, aanvallig meisje wilde daarop weten, of hij ook toevallig een
geheel nest met jonge nachtegaals had medegebragt; en het jongste kind
voegde daarbij, toen August de laatste vraag ontkennend had beantwoord:
"nu, gij moet ons toch zulk een nest zenden!" De oudste kinderen lachten
hartelijk daarom, en zeiden: "ja, dat zou wel regt aardig zijn, indien
het maar mogelijk was! Reeds sedert langen tijd zouden wij gaarne eenen
nachtegaal gehoord hebben; maar in ons land treft men deze heerlijke
vogels niet aan."

De heer van Koslou liet thans fijn linnen en goed voor onderkleederen
uit eenen der beste winkels komen, en ontbood tevens eenen kleedermaker,
iemand, die epauletten kon vervaardigen, enz., ten einde August zich,
volgens zijnen stand als ridmeester, behoorlijk zou kunnen kleeden. "Gij
hebt mij ook wel tweemaal nieuw gekleed!" zeide hij tot August. Zijne
echtgenoote was spoedig bezig om voor het linnengoed te zorgen. Toen de
graaf zich wilde verontschuldigen wegens de moeite, die hij haar maakte,
zeide ook zij: "mevrouw uwe moeder en uwe zusters hebben in vroegeren
tijd zich voor mijnen echtgenoot diezelfde moeite gegeven!"

Toen de graaf eindelijk, in zijne prachtige uniform, als een ander
mensch voor hem stond, hechtte de heer van Koslou hem het ontroofde
ordekruis op de borst. "Ziet gij, hoe ver ik het door uwe goedheid
gebragt heb!" zeide hij glimlagchende. "Zelfs eene orde (al kan ik u ook
niet tot ridder slaan) kan ik u teruggeven!" August was zeer benieuwd om
te hooren hoe hij in het bezit van dit kruis mogt gekomen zijn; waarop
de heer van Koslou hem het volgende antwoordde: "de Kozakken," dus
verhaalde hij, "hadden eene menigte kruizen van het Fransche legioen van
eer en van eenige Duitsche orden buit gemaakt, welke zij op hunne mutsen
naaiden. Ik heb onderscheidene daarvan opgekocht; en door een gelukkig
toeval vond ik daaronder ook het uwe.--Het eereteeken, overigens, kan
men wel van onze borst wegrooven; maar het ware eergevoel in ons
binnenste, het gevoel voor alles wat edel en heilig is, dat kan ons
niemand ontnemen!"

Ook George werd nieuw in de kleederen gestoken, en een valies, dat de
heer van Koslou hem schonk, werd door diens gade met linnen en andere
benoodigdheden vol gepropt. Dus ook deze had aan alle kanten reden van
tevredenheid.

De graaf moest langer te Petersburg verwijlen dan hij gedacht had. De
oorlog in Duitschland maakte het nog altijd moeilijk en gevaarvol om
zich derwaarts te begeven. Eerst tegen de helft van October verloren de
Franschen den vreeselijken slag bij Leipzig, en eerst met het begin van
November trokken zij over den Rijn terug. Vele steden hielden zij nog na
dien tijd bezet. Ook was de winter te ver heen, dan dat zij nu nog eene
groote reis konden ondernemen. Deze werd dus tot het begin der lente
verschoven.

Op den dag vóór het vertrek geleidde de heer van Koslou den graaf in
zijn groot magazijn van wagens, en schonk hem eene allerfraaiste
reiskoets. "Ziet gij," zeide hij, vriendelijk glimlagchende, "alles op
deze wereld is toch ergens goed voor! Dikwijls echter kunnen wij dat
eerst jaren later inzien. Het gebroken rad aan uwen wagen brengt u nu
een geheel nieuw rijtuig op. De paarden," zoo vervolgde hij, "zijn reeds
besteld; gij zult die te Hamburg vinden. Het adres aan den koopman ligt
ook gereed."

Op den dag der afreis zelven gaf Koslou den graaf nog eene gevulde
geldbeurs. De graaf nam haar aan, doch daarbij zeide hij: "ik heb het
geld nu voor mijne reis hoog noodig; dan zoodra ik te huis kom, zal
mijne eerste zorg wezen, om u eenen wissel ten bedrage van deze som over
te maken." Doch de heer van Koslou riep uit: "neen, dat mag niet
gebeuren! Ondersteun de armen met dit geld, en vooral behoeftigen, die
goeden wil en genoegzame geschiktheid hebben om iets te leeren, maar
zulks uit geldgebrek moeten laten. Wat wij den armen geven is een
wissel, die in eene betere wereld in betaling wordt aangenomen!"

[Illustratie]

Het geheele gezin begeleidde den graaf tot aan het schip, waarmede deze
den overtogt zou doen. Hier omarmde de heer van Koslou zijnen vriend nog
eens innig, zijne vrouw nam met tranen in de oogen afscheid van hem,
en de kinderen kusten hem snikkend de hand. Nog eenigen tijd, nadat het
schip was begonnen te zeilen, wenkte Koslou met zijnen hoed, terwijl
zijne echtgenoote met haren zakdoek wuifde, en de kinderen hunne hoeden
omhoog wierpen of witte doeken zwaaiden.



XVI.

De terugkomst.

BESLUIT.


Wij zullen den graaf niet gedurende zijne terugreis naar het vaderland
vergezellen. Het zij genoeg, dat wij onzen lezers zijne behouden
terugkomst aldaar mededeelen. Hij vernam, dat men hem overal voor dood
hield; weshalve hij het als zeer noodzakelijk beschouwde, dat de tijding
van zijn leven en zijne aankomst aan zijne familie met groote
voorzigtigheid werd bekend gemaakt.

Hij wendde zich te dien einde aan den heer Horst, eenen vriend uit
zijnen jeugd, die, niet ver van den rijweg, een paar mijlen van
Sterreveld, woonde. Het verschafte den heer Horst eene onbeschrijfelijke
vreugde, dat hij den doodgewaanden vriend gezond en levend mogt
begroeten. Hij gaf August groot gelijk, toen deze hem had medegedeeld,
dat hij, voorzigtigheidshalve, zich tot eenen derde had gewend, om de
verblijdende tijding aan zijne moeder en zijne zusters bekend te maken.
Volgaarne nam hij dezen last op zich.

Beiden kwamen nu overeen, dat mevrouw Horst en hare zuster nog dien
eigen dag naar Sterreveld zouden rijden, om de gravin en hare dochters,
bij welke zij dikwijls een bezoek gingen afleggen, op het terugkomen
van den doodgewaanden zoon en broeder voor te bereiden. Tegen den avond
vertrokken August en de heer Horst ook derwaarts. De tijding, dat graaf
August van Sterreveld nog in leven was en denzelfden avond verwacht
werd, had zich, om zoo te spreken, als een loopend vuurtje door het
graafschap verspreid. Toen August met zijnen vriend het slot naderde,
zag hij, dat men reeds eene eerepoort van frisch groen voor hem had
opgerigt, die met allerlei bloemen was versierd. Eene menigte van
landlieden begroetten hem met luide jubeltoonen. Onder aan de poort van
het slot stond de gravin met hare dochters. Bijna de geheele adel uit
den omtrek had zich bij haar gevoegd. In sprakelooze verrukking klemde
de gravin den voor haar als uit het graf verrezenen zoon aan het hart.
Zich van haar losmakend, zonk August in de armen zijner zuster. Geen
enkel oog bleef bij deze gelegenheid droog!

Ook George werd door het landvolk met groote vreugde en luid gejuich
verwelkomd. "Ei, zie eens aan!" riepen eenige jonge boeren, die met hem
waren opgegroeid, "daar is hij ook weer!" "Nu, wij danken God, dat gij
gezond en wel weer hier zijt!"

Het volk omringde hem aan alle kanten en ieder beijverde zich om hem de
hand te drukken. "Sakkerloot!" riep George ten laatste uit: "drukt mij
nu maar niet dood!" Vriendelijk en trouwhartig ging hij den geheelen
kring rond, en schudde ieder hartelijk de hand. "Maar," vroegen allen
hem thans, "hoe zijt gij toch zoo gelukkig aan het doodvriezen en het
verhongeren ontkomen?" "Ei," antwoordde hij, "door de goedheid en hulp
van eenen rijken Russischen edelman. Maar," zoo vervolgde hij, "wat
zult gij nu wel zeggen, als ik u verhaal, dat deze deftige Russische
heer in vroegeren tijd geiten heeft gehoed, en dat wel in deze streken?"
"Wat?" riepen allen verbaasd uit, "is het mogelijk!" "Ja, ja," luidde
het antwoord van George, "en de meesten van u hebben hem zeer goed
gekend! Dirk Snel, de arme herdersknaap, is tegenwoordig een groot heer,
een Russisch edelman! Gij ziet, dat een mensch het ver kan brengen, die
een braaf hart, een goed verstand en daarbij lust en liefde voor den
arbeid heeft. Laat het voorbeeld van Dirk Snel ons allen tot navolging
aansporen!"

Toen George deze woorden gesproken had, ontstond en eene groote
opschudding onder het volk; want zijne ouders drongen thans door de
landlieden heen, om hunnen zoon te bereiken. Zoodra George bij den heer
Horst was aangekomen, had hij eenen bode naar zijne ouders gezonden, die
hun zijne terugkomst zou bekend maken. Vader en moeder sloten hem
beurtelings in de armen, en bragten hem, terwijl hij in hun midden ging,
juichende naar hunne woning.

Middelerwijl hadden de gravin, hare zoon, de freules, de tegenwoordig
zijnde adel, de ambtenaren en geestelijken zich naar de groote zaal
begeven, waar August zijne ontmoetingen uitvoerig moest verhalen. Met
groote levendigheid en innige aandoening schilderde hij de dankbaarheid
en het edelmoedige gedrag van den heer van Koslou, den voormaligen
herdersknaap.

"Waarlijk," merkte de heer Horst aan, "dat is een zeer buitengewoon
voorbeeld van dankbaarheid! Echter vrees ik, dat dit geval tot de
uitzonderingen behoort. Zulke dankbare armen zal men maar weinig in de
wereld aantreffen!"

"Het is mogelijk, dat gij gelijk hebt," antwoordde de gravin. "Zulks
moet ons echter nooit beletten, weldadig te zijn. Ook dan, wanneer wij
geene dankbaarheid ondervinden, is en blijft weldadigheid een
godgevallig werk!"

Mevrouw Horst zeide: "even buitengewoon als, in dit geval, de
dankbaarheid van den beweldadigde was, even zoo zeldzaam, edel,
verstandig en teergevoelig was de wijze, waarop de familie van
Sterreveld hare weldaden bewees. Daarom bragt deze, naar mijn inzien,
zulke heerlijke vruchten voort."

Doch de gravin hernam: "wat wij deden, was weinig! In het vervolg willen
wij echter zoo weldadig jegens de armen zijn, als onze krachten maar
toelaten. Wie rijkelijk zaait, zal altijd, hetzij hier, hetzij aan
gindsche zijde van het graf, ook rijkelijk oogsten!"

Toen het talrijke gezelschap langzamerhand vertrokken was, sprak August:
"laat ons nu nog eenige oogenblikken naar den tuin gaan, en in uw
lievelingsboschje vertoeven! Gij, lieve moeder, waart vroeger althans
gewend, nadat gij gezelschap hadt gehad, nog eenen tijd lang in den
kleinen kring uwer kinderen het zoet genot der stille, huiselijke
vreugde te smaken. Dezen avond kunnen wij zoo regt vrolijk en hartelijk
bij elkander zitten! Op die afgrijselijke sneeuwvelden reikhalsde ik
vaak naar u en mijne dierbare zusters; en dan verrees vaak het beeld van
ons bekoorlijk boschje voor mijnen geest."

[Illustratie]

Zij gingen in den tuin, en doorwandelden onder gesprekken, die van
innige liefde getuigden, de lanen van het naburige boschje. Reeds ging
de zon onder, en hare stralen kleurden bloesems en bladeren rood. Alles
was kalm en stil. Zacht woei het windje; liefelijk geurden de
bloemen;--daar begon de nachtegaal te slaan!

De gravin vouwde de handen en sprak: "o mijn zoon! wat is er niet
gebeurd sedert het uur, waarop wij hier den nachtegaal voor den eersten
keer hoorden slaan! En dit uur ziet ons thans allen weer op diezelfde
plaats vereenigd, en wederom laat de nachtegaal zich hooren! Hoe hadde
ik toenmaals bij mogelijkheid kunnen vermoeden, dat God, de Almagtige,
in zekeren zin door het gezang van den nachtegaal uwe redding van eenen
ijselijken dood in latere tijden zou bewerken. Zoo bestuurt en beschikt
de wakende hand der Voorzienigheid al onze aangelegenheden! Aanbidding,
lof, prijs en dank zij den liefdevollen Hemelvader toegebragt, die alle
vogels onder den uitgestrekten hemel onderhoudt, maar zijne kinderen, de
menschen, nog oneindig meer bemint, en alles, wat gebeurt, vol wijsheid
en liefde voor hen ten beste schikt. Het gezang van elken vogel, ieder
zingende nachtegaal roepe ons derhalve dit toe: lof en prijs en eer zij
den Allerhoogste door zijne dankbare kinderen toegebragt!"



OVERDENKING IN DEN SCHOONEN LENTETIJD.


Geen der vier tijdperken, waarin het jaar verdeeld wordt, is zoo schoon,
zoo verrukkelijk, als de lente. Wie zou den heeten, brandenden zomer
boven haar verkiezen? Wie den winter, welke ten hoogste sledevreugd en
ijsvermaak aanbiedt, doch overigens meestal somber, koud of stormachtig
is? Ja, zelfs de herfst, die toch ooft, allerlei vruchten en etenswaren
brengt, kan met dit aanvallige, bloeiende kind van het jeugdige jaar
niet vergeleken worden. Hebt gij immers niet, mijne lieven! den geheelen
winter door naar hare verblijdende komst gereikhalsd? Was het niet een
geluid, dat u als zoete melodij in het oor klonk, toen de wind, die den
dooi voorafging, begon te bulderen? Was het niet een gewenscht
schouwspel, toen de sneeuw, die u reeds lang verveeld had, het eerst op
de landen begon weg te smelten? Toen immers huppeldet gij elken morgen,
zoodra gij het bed had verlaten, naar het venster, om te zien, of het
daar buiten er nu minder winterachtig zou uitzien; en als gij u
overtuigd hadt, dat zulks werkelijk het geval was, alsdan, niet waar?
riept gij elkander hartelijk verblijd en verheugdet u gemeenschappelijk.
Juichende ontvingt gij den ooievaar, die u uit verre landen tijding van
de lente kwam brengen. Gij sprongt op van vreugde bij de eerste toonen,
die de leeuwerik in de heldere lucht deed hooren. Elk groen halmpje, dat
gij ontdektet, ieder blaadje, dat sedert den vorigen dag was uitgekomen,
bragt u nieuw genoegen. En toen nu de krokussen, toen nu eindelijk de
viooltjes voor den dag kwamen, toen kende uwe vreugde paal noch perk, en
herhaaldelijk gingt gij elken dag met nieuwe blijdschap naar die eerste
kindertjes van het voorjaar kijken, hoewel hunne kleur nog niet die
schoonheid bezat, welke hun later zoo doet uitmunten, hoewel hun geur
weinig en bijna onmerkbaar was. Spoedig kwamen tallooze andere te
voorschijn; zweefde de vlinder door de lucht, veel naar eene gevleugelde
bloem gelijkende; vernam men den schellen slag der vinken; ontsproten
dagelijks nieuwe halmen, ontloken bloemen, werd het gras in de tuinen en
op de weiden meer en meer welig;--en nu werd de hoop op de spoedige
komst der lente immer levendiger, van dag tot dag meer gegrond.

Doch MAART bragt meestendeels donkere, regenachtige dagen; sneeuwbuien,
min of meer sterk, bedekten herhaalde keeren den grond, hoewel dan ook
voor korten tijd, en eerst later begon de zon zacht en groeizaam te
schijnen, waardoor de sneeuw overal verdween, en de aarde aan haar
zomergewaad begon te denken, waarmede zij zich op enkele plaatsen reeds
getooid had.

Ook de maand APRIL had hare oude gewoonte niet afgelegd; zij zond bij
afwisseling sneeuwvlokken, hagelsteenen, regen en zonneschijn; en
dikwijls overviel u spoedig eene sneeuwbui, terwijl gij bij zonneschijn
en eenen helderen hemel waart uitgegaan. Middelerwijl zijn de zwaluw en
ook de nachtegaal aangekomen, en hebt gij op dat gezigt verblijd
uitgeroepen: "nu, nu is de lente zoo goed als begonnen! want deze beide
vogeltjes zijn de laatste voorboden van de zachtaardige en lieflijke
vorstin, die haren troon, in tegenoverstelling van den grijzen
winterkoning, wijd en zijd, vrolijk en lustig opslaat. De lucht is ook
alreeds oneindig zachter geworden, de zware, sombere regenwolken trekken
weg, de zon breekt door en schijnt bij het ondergaan ons eenen nog veel
schooneren dag voor morgen te beloven!"

Zoo riept gij vrolijk uit; en gij zijt in uwe verwachting niet
teleurgesteld geworden. Met haar is de lente in al hare praal en
heerlijkheid verrezen. Nu trekt de geheele aarde haar lentekleed aan;
duizendtallen van zangers begroeten de aangekomene met vrolijke
liederen; de vloed roept haar ruischend het welkom toe; en hoog in de
lucht ziet de arend met zijne scherpe blikken naar de aarde neder, hoe
daar millioenen knoppen en bladeren heinde en ver ontluiken, als ware
het, om hunne geuren als een offer van innig gevoelde dankbaarheid op
het altaar der Lente uit te storten. Laat ons ook haar alzoo begroeten
met een van vreugde kloppend hart, en dat zij ons hartelijk welkom moge
wezen op onze aarde, die zij zoo overheerlijk met frisch groen, bloemen
en bloesems van ontelbare soorten versiert; en wanneer zij ons wederom
verlaat, laat ons dan zorg dragen, dat wij eenen vollen, geurigen
ruiker, dien wij tijdens haar verblijf plukten, tot een aandenken aan de
welkome bezoekster in de hand houden, welke ook dan nog bloeit en geur
verspreidt, wanneer alle aardsche lenten ons reeds voorbijgevlogen
zijn!

Het zal, geloof ik, niet onaardig zijn, indien wij de lente in hare drie
onderscheidene tijdperken beschouwen; namelijk in hare _wording_ of
_komst_, in haren _bloei_, en in haar _verwelken_ of haar _vertrek_.

In elk van deze drie tijdperken heeft zij hare eigenaardigheden, en
spreekt op eene andere wijze tot onzen geest, ons gemoed en onze zinnen.



I.


De _wording_ of _komst_ der lente is geheimzinnig. Wel kennen wij de
hand, die haar in het aanzijn roept, maar wij zien die niet. Het is
dezelfde hand, die eens hemel en aarde met alles wat daarin is en zich
daarop bevindt, vormde; te weten, de hand van den almagtigen, alwijzen
en algoeden God. Jaar aan jaar herhaalt de groote God de schepping in
het klein, wanneer Hij der aarde op eene voor ons onbegrijpelijke wijze
een nieuw leven schenkt, wanneer Hij uit den oogenschijnlijk dooden
schoot der aarde de lente, vol levenskracht en in alles een nieuw leven
stortende te voorschijn roept. Maar hoe het komt, dat alles aldus wordt,
zoo als wij het later aantreffen, en welke de oorzaken zijn, waardoor
deze schepping, zoo rijk aan schakeeringen, op dezelfde wijze
voortgaat,--dat kan het verstand van eenen mensch, ware hij ook de
wijste van de geheele wereld, niet doorgronden, ja, niet eens eenigzins
verklaren.

Want Gods plannen onderkent de mensch enkel uit Zijne werken, maar de
gronden en beginselen kan hij niet doorzien. Daarom staat hij verstomd
over de magt, bewondert de onbegrijpelijke wijsheid, bidt de in alles
doorstralende liefde aan. Verder evenwel kan hij niet gaan. Of kan
iemand van mijne jeugdige lezers en lezeressen mij zeggen, hoe het
komt, dat uit dien kleinen, onoogelijken bol, welken ik in den grond heb
gezet, nu eene zoo fraai gekleurde bloem opgroeit, gelijk de tulp is, of
welke andere gij ook wilt? Wiens hand heeft de prachtige kleuren zoo
kunstig daarop gelegd, de eene vlak bij de andere plaatsende, zonder dat
zij toch ergens in elkander vloeijen, maar iedere op zich zelve staat,
en het geheel u daardoor evenzeer bekoort als verrukt? Wiens hand deed
dit?

De _hand des Scheppers_, de hand van Dengene, die in het verborgen Zijne
grootsche plannen ten uitvoer brengt en alles ten fraaiste rangschikt en
daarstelt! Dezelfde hand heeft mede in den grond, die gedurende den
winter bevrozen en verstijfd lag, even als een lijk, nieuwe levenskracht
gegoten, het vermogen tot het op nieuw vormen en doen groeijen in
denzelven gelegd, zoodat de oppervlakte zich nu overal met frisch groen,
met jong gras en nieuwe bloemen versiert, zoodat het kale dorre woud nu
wederom eene rijke menigte van frissche, groene bladeren heeft gekregen.
En gelijk alles wat geheimzinnig is, den mensch altijd aantrekt en zijne
opmerkzaamheid boeit, zoo doet de ondoorgrondelijke wording der lente
dit ook in groote mate. Wij zouden zoo gaarne dien donkeren sluijer
optillen en zien, wat er onder ligt; wij spannen daartoe al onze
krachten in,--en vinden juist in dat streven een duurzaam genot, hetwelk
onbekend blijft aan dengene, wiens zin en geest geene opmerkzaamheid,
geene onophoudelijke belangstelling aan de verschijnselen der natuur
schenken.

In meer dan een opzigt is de wording der lente _leerrijk_ voor ons.--Wij
merken bij haar eenen trapswijzen voortgang op. Eerst smelt de sneeuw
in de dalen en de laag gelegen gronden, later op hoogere plaatsen en
bergen. Alsdan ontwaart men overal bijkans niets anders dan een treurig
geel op weiden en akkers. Doch zoodra de vorst en koude eenige dagen
zijn geweken, wanneer de zon ons vriendelijk toelacht, hare stralen
meerdere kracht bekomen en een zachte regen gevallen is,--dan schieten
overal groene halmen op, dan ontwaken boomen en struiken en heggen, dan
ontvouwt de sneeuwbloem haar wit kroontje van bloesem, dat dikwijls
zelfs te midden der sneeuw ontloken is, wanneer deze in eenig jaar
langer dan gewoonlijk is blijven liggen. Gaat men eenige dagen daarna op
nieuw uit, dan wordt men overal grooten vooruitgang gewaar. Op zonnige
plekken is de grond dan alreeds met jong groen bedekt, hetwelk met magt
opschiet, als wilde het van de kleine hoogte, waarop het staat, naar de
anderen uitzien, opdat het zich minder eenzaam zoude voelen. De knoppen
ontwikkelen zich van dag tot dag, de bosschen nemen eene eigenaardige,
bruine kleur aan, en schijnen gedurig digter en digter te worden. Aan de
heggen bespeurt het oog reeds menig blaadje, dat moedig uit het
omkleedsel naar buiten kijkt, en zich thans aan de frissche lucht en het
lieve zonlicht eens regt verkwikt. Uit verre streken komen gedurig
meerdere boden aan, die vrolijk de spoedige komst der lente
boodschappen. De vink, wiens keel gedurende den langen winter scheen
toegevroren te zijn, laat zich wederom hooren en slaat zoo krachtig, dat
het ver door het bosch heenklinkt. Ziet, na den regen, die in den
afgeloopen nacht is gevallen, heeft gindsche struik, welke op den
vorigen dag nog geheel kaal was, zich nu met eene menigte groene
blaadjes versierd, en schijnt zich nu eens regt te verheugen, dat zij
eindelijk weêr een nieuw en zoo schoon kleed heeft bekomen, naar hetwelk
zij, zoolang de barre winter duurde, zoo vurig wenschte.

En nu, daar het Paaschfeest, hetwelk ons menschen de opstanding, het
overgaan tot een nieuw leven herinnert, dat ons daarvan een heilig
voorbeeld vermeldt, nu dat, zeggen wij, gekomen is, wil de natuur ook
het feest van hare herleving vieren, en alles zal tot een nieuw leven
terugkeeren, hetgeen de ijzeren hand van den winter in eenen toestand
verplaatste, die veel overeenkomst heeft met den dood. Thans zal alles
zich verjeugdigd voordoen, en, in het groene gewaad van de hoop gekleed,
een vrolijk beeld van het leven worden. Maar nu wil geen enkel plekje in
den tuin langer die gele kleur behouden; het wordt iederen dag meer en
meer groen geverwd, en de knoppen aan de boomen springen open, en willen
zich als bloesem aan ons oog vertoonen.

Hieruit zien wij dan nu, dat de natuur trapsgewijze haar lenteachtig
voorkomen aanneemt.

Maar hoe of waarom kan die trapsgewijze wording van de lente leerrijk
voor ons menschen zijn?

Ik zal trachten u dit duidelijk te maken.

Daar zijn menschen, en hun getal is alles behalve gering, die
alles,--slechts geen geduld, geene bestendigheid hebben. Dit gebrek
treft men voornamelijk bij kinderen aan. Zoo, bij voorbeeld, wordt de
kleine Karel naar de school gezonden, om spellen, lezen en schrijven te
leeren. Hij zelf gevoelt grooten lust om dit te leeren, wil zulks regt
gaarne kennen; maar--het moest niet weken en maanden duren, neen! hij
moest het binnen een paar dagen kunnen leeren. Daar dit evenwel niet
geschieden kan, zoo wordt hij moedeloos, verliest al zijn geduld, en
zelfs, hetgeen nog het ergste is, zijnen lust en ijver. Waarop zal dat
nu uitloopen? O, mijn lieve Karel, gij handelt regt dwaas! en dat dit
wezenlijk waar is, dat kan de natuur u zeggen. Is de lente, die thans
rondom u staat te pronken, is deze eensklaps zoo geworden, of van
lieverlede? Zie, eerst vertoonde zich een halmpje, den volgenden dag een
tweede en derde, alstoen kwamen er dagelijks meerdere te voorschijn,
totdat alles daarvan zoo rijkelijk voorzien is, gelijk het zich heden,
in de maand Mei, aan u voordoet. Nu, hoe zoude het zijn, indien gij de
handelwijze der natuur tot voorbeeld naamt, en heden eene, morgen nog
eene, of wel twee, dan drie, vier, vervolgens nog meer letters leerdet,
totdat het geheele alphabet u goed bekend was. Dan kondt gij overgaan
tot het spellen, en, na weinige weken, reeds tot het lezen, wanneer gij
ten minste ijverig en vlijtig waart en het noodige geduld wist te
gebruiken. Dat zou ook eene soort van lente voor u zijn, want uit de
letters kan men zich eene zeer groote wereld bouwen, op welke eene lente
bloeit, die nog schooner en vooral veel bestendiger is dan de aardsche.

En gelijk Karel hier een voorbeeld tot navolging vindt, zoo vinden ook
anderen, zij mogen dan Karel, Frits of Hendrik heeten, voor gevallen van
eenen anderen aard voorbeelden, welke even toepasselijk zijn, niet
alleen nuttig voor hunnen jeugdigen leeftijd, maar voor hun geheele
leven tot aan het graf.

Daarom dus, mijne lieven! wanneer gij u tot eene betrekking in de
maatschappij bekwaam maakt, hetzij tot een ambt, hetzij tot eenige
kunst, of wat gij ook moogt gekozen hebben, en het naar uwe meening niet
spoedig genoeg vooruitgaat, waardoor gij op het punt staat, uw geduld
en daarmede allen lust en ijver te verliezen;--denkt dan maar altijd aan
de lente, hoe zij allengs komt en langzaam vooruitgaat, aan het
prachtige tooneel dat zij vertoont, nadat zij zich alzoo gedurende
eenigen tijd langzaam heeft ontwikkeld; want dan zult gij nieuwen moed
scheppen, en datgene door uwen vasten wil en onafgebroken inspanning van
krachten verkrijgen en tot stand brengen, wat u vroeger bijna onmogelijk
toescheen. Gelooft mij, dit is reeds dikwerf gelukt; en wat den eenen
gelukt is, dat kan eenen anderen ook niet mislukken, indien hij het maar
verstandig en geduldig aanlegt. Het groote wordt niet opeens
daargesteld: het ontwikkelt zich trapswijze uit het kleine, zoo als de
forsche, statige eik met zijne vorstelijke kroon van dik loof eerst na
verloop van eene eeuw uit den kleinen, oogenschijnlijk
nietsbeteekenenden eikel ontstaat.

Het schoone heeft geenen korteren tijd noodig om zich te volmaken.
Hoevele maanden toch verloopen er, voordat de roos, de schoonste onder
de bloemen, zich gevormd heeft! Eerst omkleedt de doornachtige struik
zich met frissche blaadjes, dan botten de knoppen uit, en ten laatste,
na eene aanzienlijke tijdruimte, ontvouwt de roos zich in hare
betooverende schoonheid, algemeene bewondering wekkende.

Ditzelfde geldt wederom van het goede, het nuttige.

Ook dit behoeft, gelijk het ooft, eenen niet geringen tijd om goed rijp
te worden.

En op die wijze treffen wij eene zoodanige trapsgewijze wording,
hoedanige in de natuur wordt waargenomen, overal in het leven aan, in de
jeugd en in den ouderdom; en het zou daarom eene groote dwaasheid zijn,
indien wij van het zaadje, dat zich naauwelijks begint te ontwikkelen,
dadelijk reeds bloesem gingen begeeren.

Echter moeten wij niet uit het oog verliezen, dat eene trouwe,
zorgvuldige verpleging de ontwikkeling aanmerkelijk bevordert. Deze
moeten wij derhalve ook aan het groote, het goede, het schoone nooit
onthouden, en vooral niet aan die krachten en den zoodanigen aanleg,
welke op deze aarde nimmer tot geheele volmaking kunnen gebragt worden,
maar die wij eerst aan gindsche zijde van het graf, bij de zachte
koestering eener nieuwe, eeuwigdurende lente, bereiken.

Zoo wij dat doen, dan zal de zegen van den grooten Vader, zonder welken
niets kan gedijen, zekerlijk niet uitblijven, en zullen de heerlijkste
vruchten ons de moeite en zorg, welke wij aan die verpleging hebben te
koste gelegd, ruimschoots beloonen.



II.


De wording of komst der lente vervult eindelijk ons hart ook met _hoop_
en _vreugde_.

Mijne lieven, toen gij de eerste bloemen van het jaar zaagt of pluktet,
verrees toen niet voor uwe verbeelding de geheele menigte van al die
bontgekleurde bloemen, die na deze zouden ontluiken, in al hare praal en
heerlijkheid? Klopte het hart u niet van blijdschap, wanneer gij dacht:
het sneeuwbloempje is er nu al; binnen korten tijd komt dus het
viooltje, en dan zal ik weldra al die lieve aanvallige, heerlijke
bloemen zien, aan welker hoofd de roos als koningin is geplaatst? Ja,
zonder eenigen twijfel verheugde dat denkbeeld u uitermate en vervulde u
met blijde verwachting. Met dezelfde onbeschrijfelijke vreugde
luisterdet gij mede naar het eerste lied dat de leeuwerik deed hooren,
omdat gij in uwe verbeelding reeds al die schoone, heldere en vrolijke
lentedagen voor u zaagt, die de nachtegaal en de overige kleine, vlugge
zangers nog aangenamer zouden maken. Daar dan nu de aankomst van de
aardsche lente uw jong hart reeds met zoo grooten lust en eene zoo zoete
hoop vervulde, hoe veel te meer moet de komst, of liever het aanwezig
zijn van de reine, hemelsche lente zulks te weeg brengen! En zoo is het
dan toch ook wezenlijk! Hoe grooteren aanleg tot weligen bloei gij in
uwen geest en in uw hart bespeurt, hoe meer gij de kiem zich ziet
ontwikkelen, hoe meer de tijd nadert, waarop zij zich als bloesem zal
vertoonen, zooveel te grooter wordt uwe vreugde, zooveel te vrolijker
wordt uwe hoop. Een enkel voorbeeld zal u dit nog duidelijker maken.

Met geene andere bedoeling zoekt gij onderwijs te ontvangen, dan om u
doelmatig tot dezen of dien stand te vormen, voor te bereiden en bekwaam
te maken, om hier bruikbare leden in de maatschappij, en eens, na dit
leven, zalige hemelbewoners te worden. Hoe meer gij bemerkt, dat uwe
kennis zich uitbreidt, uw inzigt opklaart, uwe ondervinding rijker
wordt, in die zelfde mate neemt in uw binnenste ook het zoete gevoel der
hoop toe, en in uwe verbeelding bevindt gij u reeds in allerlei
levensomstandigheden, waarin latere tijden u zullen verplaatsen, en
arbeidt daarin tot uw eigen nut en dat van uwe medemenschen. Deze hoop
baart groote vreugde, en de kracht neemt gedurig toe, naarmate men het
voorgestelde doel meer nadert; en zoo zij soms ook verslappe, toch zal
het denkbeeld daaraan haar dadelijk weder opwakkeren, zoodat men ten
laatste altijd zijn doel gelukkig bereikt.

Welnu! diezelfde hoop, gelijke vreugde wekt de wording der hemelsche
lente in de menschelijke borst. Reeds in het hart der kinderen
ontwikkelt hare kiem zich, en hoe meer voedsel men haar geeft, hoe
zorgvuldiger men haar verpleegt, zooveel te ruimer breiden die vreugde
en hoop zich uit, zooveel te vroeger ontluiken sommige bloemen en komt
de bloesem te voorschijn, totdat zij zich alle tot eene algeheele lente
hebben ontwikkeld; welke echter niet hier op aarde, maar eerst later,
wanneer wij tot een beter leven ontslapen zijn, voor ons aanbreekt en
ons de hoogste zaligheid doet smaken.



III.


Nadat wij dan nu de lente in hare _wording_ beschouwd hebben, willen wij
haar thans in haren _bloei_ nagaan, haar in hare meeste schoonheid
eenige oogenblikken onze opmerkzaamheid schenken.

De bloeitijd van de lente valt in de maand Mei. Deze maand is de
schoonste van alle, en verdient den naam van _Bloeimaand_ ten volle.
Wendt uw oog werwaarts gij wilt, heeft de vreugde niet overal haren
troon opgeslagen? Zij bezielt oud en jong. Zelfs de dieren verblijden
zich over het vrolijke leven, dat in dezen tijd over het geheele
aardrijk is uitgestort. Wijd en zijd is alles schoon, alles vrolijk,
alles ijverig werkzaam.

Iedere weide prijkt met het weligste groen, hier en daar met kleine, wel
niet bijzonder in het oog vallende, maar desniettegenstaande
allerliefste bloempjes doorzaaid. Lustig schiet het zaad over de velden
op; in de hooge halmen hoort men de sprinkhanen gonzen, terwijl de
leeuwerik zingende hoog in de lucht opstijgt. Millioenen bloemen
prijken in tuinen, op weiden, op bergen en in dalen, zoo ver het oog
reikt. Zelfs de doornstruik heeft loof en bloesem gekregen, en komt
onder de gasten, welke de aarde op haar bruiloftsfeest heeft genoodigd,
regt voordeelig uit.

In de bosschen hoort gij het gebladerte weer ritselen; wanneer al dat
nieuwe loof door een windje bewogen wordt, dan komt het ons, wanneer wij
op eene hoogte staan en het oog daarover laten dwalen, bijkans voor,
alsof wij eene hooge, breede, groene zee aanschouwden, welker golven
ligt bewogen worden. Het nieuwe groen wasemt eenen geur uit, die ons
regt verkwikt en opwekt, zoodat mensch en dier zich daaraan laaft en
sterkt.

Het lustige zangkoor, dat gedeeltelijk den winter in andere landen
doorbragt, gedeeltelijk gedurende dien tijd bleef zwijgen, laat thans
van den vroegen morgen tot laat in den nacht onafgebroken zijne liederen
hooren, en de geheele schepping schijnt zich vrolijk op de maat dier
zangen te bewegen. En de denkende en diep gevoelende mensch wandelt door
het aardsche paradijs met een van innig genot stralend oog, met
dankbaarheid en vreugde in de borst, met een loflied op de tong. Nu, wie
zou ook niet gaarne dáár zijnen dank, zijne aanbiddende bewondering
willen uiten, waar hem uit elke struik een loflied toeklinkt?

Wien bezingt de leeuwerik?

Heft hij zijn gezang niet aan ter eere van den Schepper, die hem de
groene, veilige woonplaats aanwees, ruimschoots voedsel verschafte, en
daarbij nog het zachte weder en den helderen hemel schonk? Ja, Hem gonst
de bij dank en lof toe, Hem roemt het kleinste insekt, dat overigens
niets kan doen dan alleen de kleine vleugeltjes zachtjes in de lucht
laten trillen! Naar Hem keert de bloem haar aanvallig gelaat; Hij
immers, Hij alleen gaf haar het lieve licht der zon, waarin zij zoo
vrolijk en prachtig schittert. Hij zendt haar ook den dauw en den regen
op den regten tijd, waardoor zij zich zoo voordeelig kan ontwikkelen en
elk oog betooveren!

Maar hoe, mijne lieven, hoe zullen wij nu den liefderijken hemelschen
Vader op de beste en waardigste wijze onze vurige dankbaarheid kenbaar
maken daarvoor, dat Hij de aarde zoo onuitsprekelijk bekoorlijk heeft
gemaakt, dat Hij zoo onnoemelijke vreugde en schoonheid over haar heeft
uitgestort?--O, daarop is het antwoord gemakkelijk te vinden!

Door ons regt van harte over Zijne groote gaven te verblijden, door met
innige liefde en warme dankbaarheid aan Zijne onuitsprekelijke goedheid
te denken en Hem daarvoor ons geheele hart als een wederkeerig geschenk
aan te bieden!

_Vrolijk_ en _vroom_ te wezen is eene kostelijke zaak; en beide dingen
verdragen zich niet alleen regt goed met elkander, maar zij behooren
zelfs te zamen. Maar onze vrolijkheid moet uit den Heer, den Gever van
dat alles, voortkomen, niet uit het ijdele genoegen, dat wij daardoor
smaken. Het zien van al dat schoone en verblijdende moet ons Hem voor
den geest brengen, die tot onze vreugde al die heerlijkheid rondom ons
deed ontstaan. Alle morgens en alle avonden klinke dit loflied Hem uit
onzen mond toe:

    Is niet de meester prijzenswaard,
      Die alles heeft gebouwd,
    En ook deez overschoone aard
      Zoo liefdrijk onderhoudt?

    Die alle menschen wijd en zijd
      Zoo vaderlijk bewaakt,
    En door het wisslen van den tijd
      't Hun zoo genoeglijk maakt!

    De winterkou had alles weer
      Verstijfd, in boei geklemd,
    Het water was ook dezen keer
      In zijnen loop gestremd.

    En sla _nu_ eens uw oog in 't rond;
      Ge ontdekt dan bloem bij bloem!
    Zie, hoe de nieuw ontwaakte grond
      Vermeldt des Scheppers roem!

    De lente, ons zoo lief en waard,
      De lente, zij genaakt!
    Zij wekt de sluimerende aard,
      Die op haar' roep ontwaakt.

    Zij, aan wie alles vrolijk denkt,
      Zij nadert thans met spoed.
    Ja, zij, die ons dat alles schenkt,
      Wordt dankbaar dra begroet!

    De beste, schoonste tijd van 't jaar
      Komt nu met rassche schreên.
    De lucht is zacht, de zon schijnt klaar,
      't Is lieflijk om ons heen.

    De dauw versterkt de plant, nog zwak,
      Nog krachteloos, nog teêr;
    De vogel zingt in 't looverdak;
      Het vischje springt in 't meer.

    Vóór korten tijd was alles koud,
      Was alles dor en kaal;
    Het frissche groen siert thans het woud,
      De weiden kleurenpraal!

    De bijen gonzen ook al rond;
      De leeuwrik keert terug;
    De zwaluw vliegt, dàn bij den grond,
      Dàn hoog, dàn traag, dàn vlug.

    De nachtegaal lispt zijnen klank
      Betoovrend ons in 't oor;
    Hij zingt den Heer der Heeren dank,
      En gaat ons daarin voor.

    Wij volgen; zien naar bloem en kruid,
      Zien dan naar boven weêr;
    En roepen nu aanbiddend uit:
      Heb dank, o Hemelheer!

    En zeggen voorts uit 's harten grond:
      O God, wat zijt Gij goed!
    Slaat allen met mij 't oog in 't rond,
      Ziet, wat de Vader doet!

    Wèl is de meester prijzenswaard,
      Die alles heeft gebouwd,
    En deze overschoone aard
      Zoo liefdrijk onderhoudt!

Maar wat maakt nu eigenlijk de lente zoo schoon? Is het de menigte van
verschillende kleuren, waarin zij zich aan ons voordoet? Zijn het de
vrolijke toonen, waarmede zij tot ons spreekt? Brengt de blaauwe hemel
dit misschien te weeg, die zich met zijne zon, alsof deze ons
vriendelijk wilde toelagchen, boven de groene, bloeijende aarde
uitbreidt? Of is de zachte lucht, die ons het toeven op elke plaats zoo
aangenaam maakt, daarvan de oorzaak?

Neen, mijne lieven! Dit alles is op zich zelf wel schoon en heerlijk,
maar desniettegenstaande geloof ik vast, dat alleen _het voorgevoel van
hoogeren, eeuwigen bloesem en van eene altijddurende lente_ ons deze zoo
onbeschrijfelijk schoon maakt. Wat toch zouden alle lentetijden op deze
aarde beteekenen, indien wij, na haar verlaten te hebben, aan de andere
zijde van het graf niet eene nieuwe, eene eeuwige mogten verwachten? Wij
zouden ons, wel is waar, nog altijd verheugen, maar toch niet zóó, als
in het laatste geval, als wanneer wij ons te gelijk met den geest, met
ons hart en met de zinnen zouden verblijden. In het eerste, daarentegen,
zouden wij dikwijls, zoo niet in droefheid, dan toch in stille
weemoedigheid wegzinken, wanneer wij ons, bij voorbeeld, de vlugtigheid
van dit lieve jaargetijde regt levendig voorstelden, of dachten, dat
deze lente wel de laatste zou kunnen wezen, die voor ons bloeide. Doch
door aan te nemen, dat na dit leven eene hemelsche lente op ons wacht,
houden wij ons overtuigd, dat wij door den zomer, den herfst en den
winter die voortdurende lente te gemoet gaan; en dan wordt daardoor de
aardsche zóó schoon voor ons, omdat wij haar als een voorteeken, of
beeld, hoewel dit dan ook zwak is, van de andere aanzien.

Zeker denkt de vrome mensch, wanneer hij zoo over de bloeijende velden
wandelt, wanneer zijn rondstarend oog overal betooverend schoone
voorwerpen ontwaart, alom vreugdeliederen in zijn oor
weergalmen,--stellig denkt hij dan: naardien deze aarde bereids zoo
wonder schoon, met zoo tallooze bekoorlijkheden versierd is, en ons hart
zoo vrolijk en opgeruimd doet kloppen,--hoe fraai en verrukkelijk zal
het dan wel bij U in den hemel zijn, o goede God! en hoe groot de
vreugde, die daar onzen boezem zal doortintelen!

       *       *       *       *       *

Het tweede wat de lente zoo schoon en dierbaar voor ons maakt, zal wel
de frissche _levenskracht_ zijn, die zich overal aan ons vertoont.
Levensgeest werd over alles uitgegoten, is overal werkzaam, waarheen
onze blik zich ook keere. Geen enkel plaatsje kunt gij vinden, waar die
zich niet kenbaar maakt. Waar ook een halm, een twijgje beschadigd of
gebroken werd, binnen korten tijd is die schade hersteld.

Doch het geldt insgelijks van het menschelijke geslacht. Ook wij
schijnen eenen nieuwen levensgeest of frissche levenskrachten ontvangen
te hebben, die zich werkzaam in ons openbaren. Het winterachtige, matte,
ziekelijke, dat in ons was, verdwijnt bij den adem der lente, die ons
doordringt; men voelt zich als nieuwgeboren, voelt zijne krachten
vermeerderd, versterkt en daarom vermogender; men denkt helderder, onze
gewaarwordingen zijn levendiger, en wij zwemmen moedig voort in den
grooten levensstroom, die in kronkelende bogten verrukkelijke
landschappen doorloopt. Dit gevoel van leven en kracht is zoo weldadig;
en wij moeten het aan dit gevoel hoofdzakelijk toeschrijven, dat de
lente zulke alleraangenaamste gewaarwordingen in ons opwekt. Al wat wij
ondernemen gaat ons daardoor gemakkelijker en vlugger van de hand, kost
ons maar weinig inspanning, en heeft desniettemin eenen zekeren graad
van volkomenheid bereikt. Zelfs de grijsaard, die zich, zoolang de
winter duurde, zwak en mat gevoelde, zelfs hij bespeurt, wanneer de
_Bloeimaand_ daar is, iets in zich, dat hem zijne vroegere rapheid,
vlugheid van geest en buigzaamheid van ledematen herinnert, en zuigt met
lange teugen als het ware een nieuw leven in.

En wat u betreft, mijne lieven, gij zoudt wel den geheelen dag in de
vrije natuur willen doorbrengen, zoozeer lokt zij u aan, en uwe ouders
en onderwijzers staan u gaarne de meestmogelijke vrijheid toe, want zij
weten wel, dat de Meimaand slechts eens in het jaar bloeit, en de jeugd,
dat eenige tijdperk van ongestoord genot! dat deze, zeg ik, nimmer weder
bloeit.

       *       *       *       *       *

Ook de _verscheidenheid_, die der lente eigen is, maakt haar voor ons
schoon en dierbaar.

Werkelijk, die afwisseling is onbegrijpelijk groot en niet ligt te
overzien. Hoevele kleuren, om maar iets te noemen, biedt de
bloemenwereld ons aan! Welke afwisseling onder de rozen, geraniums,
tulpen! Hier bloeit eene plant met roode, daar met blaauwe, op deze met
witte, op gene met gele kleur, en hoe vaak mengen zich verschillende
kleuren tot eene nieuwe, geheel eigenaardige, maar daarom niet minder
schoone kleur, voor welke men somtijds niet eens eene passende benaming
kan uitdenken. Hoe verschillend en veelsoortig zijn verder de planten,
wanneer men hare vorming of natuur nagaat. De eene schiet hoog op, zoo
als de lelie, eene andere, bij voorbeeld het viooltje, schijnt zich voor
het zonlicht te willen verbergen en blijft laag bij den grond. Sommigen
strengelen zich om boomstammen en klimmen op deze wijze hoog op; anderen
kronkelen zich langs den grond of strengelen de twijgen in elkander.

Nog grooter verschil merken wij op bij de bladeren en bloesems, hetgeen
gij zelven ligtelijk kunt nagaan, als gij maar eens een uurtje wilt
doorbrengen met de verschillende bladeren en bloesems van onderscheidene
plantsoorten naauwkeurig gade te slaan. Gij ziet dan getakte of
tandvormige, ronde, langwerpige, smalle, breede, platte, gebogene, en op
nog tallooze andere wijzen gevormde bladeren, waarvan het eene minder of
meer op het andere gelijkt, maar elk toch in zijne soort schoon en uwe
belangstelling overwaardig is.

En dan de bloemen in hare rijke verscheidenheid! De lelie, het
vergeet-mij-nietje, de roos, het viooltje, de resida, de aster, de
tulp--hoe onnoemelijk verschilt de eene van de andere in kleur, vorm en
geur; bij elke is de bloem op eene andere wijze, geheel eigenaardig
gevormd. Ja, wij gaan nog verder! Zelfs bij een en hetzelfde geslacht
treffen wij groote verscheidenheid aan, ten bewijze waarvan wij u enkel
de verschillende soorten van rozen willen herinneren. Vergelijkt eene
honderdbladige roos en eene mosroos bij elkander, en het groote verschil
zal u bij den eersten oogopslag duidelijk blijken. En wezenlijk het is
ook een verbazend onderscheid! Niettemin zijn beide toch kinderen uit
hetzelfde geslacht, zijn beide onmiskenbaar _rozen_. Welnu, daarop
afgaande, hoe groot moet dan het onderscheid tusschen verschillende
soorten wel wezen! De verscheidenheid der lente bepaalt zich evenwel nog
niet eens bij de bloemenwereld, zij strekt zich tot alle planten in de
groote schepping uit, tot het grootste en tot het kleinste, en blijft
overal even bewonderingwaardig. Wij ontdekken haar in de boomen van het
woud en in de grassoorten, in de bloemen en in de heesters, in de
planten waarmede wij ons voeden, en in het onkruid, en wij moeten ten
slotte verbaasd en opgetogen uitroepen: God, hoe groot zijn Uwe werken,
hoe ver gaat Uwe magt, hoe diep dringt Uwe wijsheid door, hoe vertoont
gij U in elk voortbrengsel als onzen liefderijken Hemelvader!

       *       *       *       *       *

O, mijne lieven, laat ons de goedheid en wijsheid van den grooten God
aanbiddend prijzen, wanneer wij des morgens of in eenen avondstond Zijne
natuur in de Bloeimaand doorwandelen, wanneer het gezang van den
leeuwerik uit de helderblaauwe lucht, het lied van den nachtegaal, die
op een bloeijend takje kwinkeleert, ons door het oor in het hart
dringen. De geur, die rondom ons als uitgegoten is en bij het ademen
onze reukzenuwen zoo aangenaam prikkelt, is de rook, die van de altaren
opstijgt, welke de geheele natuur voor haren Schepper heeft ontstoken.
Die geur stijgt opwaarts naar den hemel, gelijk het gebed dat uwe lippen
stamelen, terwijl uw hart zich als oplost in een diep gevoel van
dankbaarheid; en geen gebed is den Allerhoogste welgevalliger, dan dit!

Prijst Hem, wanneer gij voor uwen vader of uwe moeder eenen ruiker
plukt, een kransje vlecht, en gij op nieuw verbaasd staat over de
schoonheid, die gij overal in de tuinen en op de velden
ontwaart,--prijst Hem, dankt Hem, want Zijne hand heeft dat alles zoo
fraai geschapen. Hij heeft de kleurenpracht aan die millioenen
voorwerpen gegeven, Hij den geur over dit alles uitgestort!

Prijst Hem, zoo dikwijls gij langs een zaaiveld wandelt, dat reeds met
slanke halmen overdekt is; Hij toch doet het brood uit de aarde voor ons
groeijen, Hij zorgt even vaderlijk voor onze andere behoeften, opdat
geen enkel Zijner schepselen gebrek zou lijden.

Maar slaat vooral den blik gedurig hemelwaarts, want al die heerlijkheid
zou dood voor ons zijn, zoo wij niet wisten wie het aldus geschapen
heeft, en als wij Hem, die het elk jaar tot een nieuw, jeugdig leven
opwekt, niet met den naam van Vader mogten aanspreken.

Prijst Hem bij het opkomen, prijst Hem met den ondergang der zon! Want
ook deze is een zinnebeeld van Zijne liefde en Zijne vaderlijke
gezindheid, vermits zij alles koestert en verblijdt. Prijst Hem onder
den met sterren bezaaiden hemel! Want de sterren zijn de oogen der
Voorzienigheid, die waken, wanneer alles op de aarde rust en slaapt.
Prijst, o, prijst Hem bij de aardsche lente, weest dankbaar, en houdt,
om dit te betoonen, Zijne geboden, opdat gij eenmaal de onvergankelijke,
de hemelsche lente deelachtig moogt worden!



IV.


Laat ons eindelijk de lente bij haar _verwelken_ en haar _vertrek_
gadeslaan.

Dit verdwijnen leert ons, dat al het schoone op aarde vergankelijk is en
maar korten tijd duurt. Het schoone is op deze wereld een vreemdeling,
die zijn vaderland in hoogere spheren moet zoeken. Gelijk de dag, nadat
hij zijne grootste lengte bereikt heeft, weder afneemt totdat de kortste
andermaal gekomen is, zoo ook viert de plant haren hoogsten levensstaat
in den bloeitijd; daarop vermindert zij en begint langzamerhand te
kwijnen en te verwelken. Hetzelfde is op de lente van toepassing. Met
het uitbloeijen van de rozen trekt zij weg, en het lied van den
lentezanger, den nachtegaal, verstomt. Wij worden haar vertrek niet
aanstonds gewaar, want zij vertrekt stil en ongemerkt, en heeft aan
haren broeder, den zomer, opgedragen, ons nog menige liefelijke bloem te
komen brengen, opdat haar gemis ons niet te zeer zou bedroeven. Maar wat
heeft zij ons dan nu eigenlijk gebragt? Schonk zij ons niets anders dan
bloemen die spoedig verwelken, niets dan vergankelijken bloesem? Liet
zij geen enkel aandenken achter, dat ons haar bezoek levendig konde
herinneren?

Neen, zij bragt ons iets anders, iets beters! De bloesem, met welken zij
het plantenrijk tooide, moet ons niet alleen een fraai schouwspel
aanbieden, ons oog bekoren door de pracht die deze uitstortte, maar
moet, na die pracht en schoonheid verloren te hebben, iets achterlaten
hetgeen ons daarvoor schadeloos kan stellen, te weten _de vruchten_, die
zich uit den bloesem ontwikkeld hebben. Ziet eens naar dien kerseboom,
die vóór weinige weken in zijn feestgewaad prijkte, hoe rijk hij met
vruchten beladen is, hoe deze met elken dag vooruitkomen en bijna met
ieder uur meer schijnen te rijpen. Binnen een klein tijdsverloop zullen
wij ons aan de vruchten van dienzelfden boom kunnen vergasten, op welks
bloesem ons oog vroeger in verrukking bleef staren. Aldus ging de lente
ongemerkt voorbij, maar liet ons toch veel achter, waardoor wij ons
dankbaar harer herinneren.

Hoe zal het nu zijn, wanneer de lente van uw leven, uwe jeugd,
verstreken is? Zullen dan ook rijpe vruchten de plaats van den bloesem
vervangen hebben? O, hoe treurig zou het wezen, bijaldien de boom van uw
leven enkel _gebloeid_ hadde, en hij in lateren tijd geene _vruchten_
droeg! Wat zou de herfst dan kunnen opleveren? Wat zoudt gij kunnen
inoogsten? Wanneer de Heer u ten laatste oproept, om rekening van uw
levensgedrag te doen, hoe beschaamd zoudt gij voor Hem moeten staan,
indien gij niets hadt overgewonnen en met ledige handen kwaamt? In den
tuin van uw leven staat immers geen enkele boom, die geene welige
vruchten belooft; elke doornachtige struik bloeide toch alleen daarom,
ten einde in den herfst ook zijne vruchten of zijn zaad te kunnen
opleveren? En zou dan uwe jeugd vervliegen, zonder gegronde hoop op
eenen gezegenden, vruchtbaren herfst aan te bieden; zou zij niets
anders, dan een enkele bloeitijd geweest zijn? O, zoo dit het geval
wordt, dan zal het zekerlijk geheel en al uwe eigen schuld wezen! Gij
hebt dan òf volstrekt geenen bloesem gedragen, òf dien niet met de
noodige zorgvuldigheid tegen storm, nachtvorst en nadeeligen dauw
beschut. Doch de jeugd _moet_ bloesem dragen, want daartoe is de
menschelijke natuur bestemd; en alles, wat schadelijk voor haar is of
zou kunnen worden, dat kan men tegengaan, wanneer een krachtige,
onwrikbare wil, wanneer een onvermoeide ijver ons aanspoort. En
desniettegenstaande verstreek de jeugd van menigeen zonder bloesem.
Helaas, de ondervinding leert ons dit nog altijd, hoewel, gelukkig! de
gevallen zeldzaam zijn. Maar, zult gij welligt vragen, draagt de
menschelijke natuur de schuld daarvan, of moet ik welligt de oorzaak in
den Schepper zoeken? O, dat volstrekt niet! Doch wanneer deze beiden
geene schuld hieraan hebben, in wien of wat moeten wij die dan zoeken?
Helaas! in ons menschen zelven. Daarmede is het aldus gelegen: de geest
en het hart van den mensch gelijken naar de aarde, die hij bewoont.
Wanneer deze niet vlijtig en zorgvuldig bewerkt, niet bezaaid en
onophoudelijk verpleegd wordt, dan blijft zij dor en onvruchtbaar, en
brengt niets op dan onkruid, dat, wel is waar, ook vruchten draagt, doch
enkel zoodanige, die geene waarde hebben, die men, omdat zij tot niets
deugen, laat rotten of als vuilnis wegwerpt. Ook kunt gij geest en hart
bij eenen boom vergelijken. Als deze niet verpleegd wordt, als men de
overtollige takken niet op den bestemden tijd afsnoeit, als men hem
gebrek aan voedsel laat lijden, en de schadelijke insecten, die zich er
op neêrzetten, niet tijdig verjaagt,--dan kan het ligt, ja, zal het
bijkans immer gebeuren, dat hij geenen bloesem draagt, dat hij van dag
tot dag wegkwijnt, verdort, in den herfst ziek is en volstrekt geene
vruchten oplevert.

Die zaaigrond, die boom, mijne lieven, zijn de zinnebeelden van uwen
geest en van uw hart. Indien gij beide niet vroegtijdig bewerkt en
verpleegt, maar den eersten braak laat liggen, voor uw hart de noodige
zorg niet draagt; indien gij de zaden, die u aangeboden worden, niet
aanneemt en aan den schoot der aarde toevertrouwt; of indien gij in dien
tijd, waarop de jonge kiem voor den dag komt, uwe handen in den schoot
laat rusten, in plaats van ijverig te begieten, te verwarmen, het
daartusschen groeijende onkruid te wieden, en elken morgen, iederen
avond vlijtig alles te verrigten wat voor den groei bevorderlijk kan
zijn,--als gij dat nalaat, hoe kunt gij dan billijkerwijze op bloesem,
op vruchten hopen?

Maar zelfs ingeval gij dat alles gedaan hadt, totdat de bloesem zich nu
werkelijk vertoonde en u voor uwe moeite en zorg beloonde,--dan blijft u
nog altijd veel te doen overig, en uwe zorgvuldigheid mag volstrekt niet
verslappen, uw ijver en vlijt niet verminderen, bijaldien gij later van
dien bloesem ook de zoete vruchten wenscht in te oogsten. Iedere
komende, iedere vertrekkende lente roepe u die vermaning voor den geest
terug; en zoo gij aan die waarschuwende stem het oor leent, dan zult gij
later niet vruchteloos op eenen gezegenden herfst hopen, en gij zult in
de eeuwige lente rijpe en vele vruchten medebrengen.

       *       *       *       *       *

Het verwelken van de lente verwekt allezins een _weemoedig_ gevoel in
ons hart.

Wanneer men zooveel schoons en heerlijks, dat onze zinnen en ons gemoed
even sterk aantrekt en met reine vreugde vervult, ziet verdwijnen, hoe
zou het anders kunnen, of een zoodanig verlies moet smartelijke
gewaarwordingen bij ons doen oprijzen? Wij reikhalzen immers zoo langen
tijd naar de lente, waren zoo regt verblijd, toen zij eindelijk met
haren bloesem en liederen tot ons gekomen was, zoodat wij nu wel reden
tot droefheid hebben, wanneer zij ons wederom gaat verlaten, dewijl met
haar zoo veel lieflijks voor ons verloren gaat, en wij ons tot eenen
langen, somberen, kouden winter moeten voorbereiden, alvorens wij haar
andermaal mogen begroeten.

Diezelfde smartelijke gewaarwording, mijne lieven, welke gij gevoelt,
wanneer de lente afscheid van u neemt, diezelfde, zeg ik, zult gij ook
dan ondervinden, wanneer uwe gelukkige jeugd achter u ligt. Ja, zelfs
zal zij nog veel smartelijker zijn! Elk jaar keert de lentetijd terug;
maar de lente van ons leven, onze jeugd, eens voorbijgevlogen zijnde, is
voor altijd verdwenen. Geniet haar daarom met een vrolijk en onbezorgd
hart, geniet haar in volle maat, smaakt al dat genoegen wat zij ons kon
verschaffen! Maar geniet haar tevens op eene _verstandige_ wijze, opdat
gij later zonder berouw en met onverdeeld genoegen aan haar kunt
terugdenken, wanneer gij in latere jaren uw meeste geluk in de
herinnering aan vroegere tijden zult moeten zoeken.

       *       *       *       *       *

Maar de vertrekkende lente verwekt ook eene _vrolijke aandoening_ in het
hart van den mensch, wanneer hij ten minste niet al zijne hoop en
vrolijke verwachtingen op aardsche belangen heeft gesteld, maar deze hem
boven het stof en de nietigheid van de aarde, waarop hij zich als een
gast, als een vreemdeling beschouwt, naar zijne blijvende woonplaats
opvoeren.

"Moge de eene lente voor, de andere na verwelken en ons verlaten," zoo
spreekt de ware Christen, "moge het jeugdige voorkomen van het ligchaam
en het leven verdwijnen; wat kan mij dit deren? Ik ken het land, alwaar
jeugd en lente eeuwig bloeijen, en weet, dat eene liefderijke hand daar
eene plaats voor mij heeft bereid, die niemand mij kan ontrooven, indien
ik hier op aarde mijne jeugd zóó besteed heb, als ik haar moest
besteden, wilde ik niet dor en onvruchtbaar naar het andere vaderland
vertrekken. Daarom mag ik ook niet treuren, vooral den moed niet laten
varen, omdat het schoone zoo snel verdwijnt, omdat de wintertijd in de
natuur en in mijn leven zoo spoedig aanwezig is!"

Zóó spreekt de Christen, en zoo _moet_ hij spreken; omdat deze aarde,
waar alles vergankelijk is, op welke de lente slechts eene snel
voorbijgaande verschijning is, hem, zooals hij vast en zeker weet, wel
voor eenigen tijd, maar niet voor altijd tot woonplaats is aangewezen.



 +------------------------------------------------------------+
 |                                                            |
 |                OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER:                |
 |                                                            |
 | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, |
 | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te  |
 | moderniseren.                                              |
 |                                                            |
 | Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn         |
 | stilzwijgend hersteld. Bladzijde-nummering is verwijderd.  |
 |                                                            |
 | De in het origineel als uitgespatieerde weergegeven tekst  |
 | is in dit e-boek weergegeven als =uitgespatieerd=.         |
 | Het cursief is weergegeven als _cursief_.                  |
 |                                                            |
 | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn   |
 | gecorrigeerd.                                              |
 |                                                            |
 | De volgende correcties zijn aangebracht in de tekst:       |
 | (NB. regel 1 = 4 witregels voor begin titel):              |
 |                                                            |
 | Plaats          Bron                Correctie              |
 | Regel   56      gelschap            gezelschap             |
 | Regel   74      [Niet in bron]      "                      |
 | Regel  136      [Niet in bron]      "                      |
 | Regel  216      [Niet in bron]      "                      |
 | Regel  334      geboorte dag        geboortedag            |
 | Regel  412      [Niet in bron]      "                      |
 | Regel  435      [Niet in bron]      "                      |
 | Regel  483      [Niet in bron]      "                      |
 | Regel  533      [Niet in bron]      "                      |
 | Regel  593      miet                niet                   |
 | Regel  695      lielde              liefde                 |
 | Regel  906      zondt               zoudt                  |
 | Regel  909      "                   [Verwijderd]           |
 | Regel 1103      neervleijen         neêrvleijen            |
 | Regel 1130      daf                 dat                    |
 | Regel 1136      miju                mijn                   |
 | Regel 1563      zon                 zou                    |
 | Regel 1708      [Niet in bron]      "                      |
 | Regel 1709      "                   [Verwijderd]           |
 | Regel 1772      naahtegaal          nachtegaal             |
 | Regel 1890      wijsste             wijste                 |
 | Regel 2335      bloemen-wereld      bloemenwereld          |
 | Regel 2363      honderbladige       honderdbladige         |
 | Regel 2371      ondekken            ontdekken              |
 | Regel 2495      neerzetten          neêrzetten             |
 |                                                            |
 +------------------------------------------------------------+





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "De nachtegaal - Verhalen voor de jeugd" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home