Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Van Aardappel-mes tot Officiersdegen - Uit het Dagboek van een Landstormplichtige.
Author: Stoke, Melis
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.


*** Start of this LibraryBlog Digital Book "Van Aardappel-mes tot Officiersdegen - Uit het Dagboek van een Landstormplichtige." ***


  +----------------------------------------------------------------+
  |                                                                |
  |                 OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER:                   |
  |                                                                |
  | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele,     |
  | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te      |
  | moderniseren.                                                  |
  |                                                                |
  | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het  |
  | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. De voetnoten    |
  | zijn hernummerd en naar het eind van de bijbehorende alinea    |
  | verplaatst.                                                    |
  |                                                                |
  | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn       |
  | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden.             |
  |                                                                |
  | De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als      |
  | _cursief_. Uitgespatieerde tekst is weergegeven als            |
  | ~uitgespatieerd~; onderstreepte tekst als #onderstreept#.      |
  |                                                                |
  | In dit boek worden lage en hoge aanhalingstekens gebruikt.     |
  | De dubbele aanhalingstekens zijn in dit e-boek aangegeven als  |
  | »aanhalingstekens«. De enkele aanhalingstekens zijn als        |
  | >aanhalingstekens< aangegeven.                                 |
  |                                                                |
  | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de           |
  | aangebrachte correcties.                                       |
  |                                                                |
  | De illustraties zijn beschikbaar bij de html-versie van dit    |
  |                                                                |
  +----------------------------------------------------------------+



                           VAN AARDAPPEL-MES

                                  TOT

                            OFFICIERSDEGEN.

              Uit het Dagboek van een Landstormplichtige.

                                  door

                             »MELIS STOKE«.

         Illustraties van I. VAN MENS, HENRI VAN DE VELDE e.a.

                   *       *       *       *       *

                               AMSTERDAM,
                        VAN HOLKEMA & WARENDORF.

                                 1917.


             GEDRUKT IN »'T KASTEEL VAN AEMSTEL«, AMSTERDAM



                               OPGEDRAGEN

                 AAN ALLE OFFICIEREN, DIE WETEN WILLEN
                    #»WAT ER LEEFT IN DEN RECRUUT«#.



TWEE BRIEVEN.



I.

VAN MELIS STOKE, LANDSTORMPLICHTIGE, AAN DEN BURGER, DIE HIJ EENMAAL
WAS....


                                                  Amsterdam, Maart 1916.

                                        Aan den vooravond der inlijving.

    Mijn zeer waarde,

Dit is een afscheidsbrief... Alle afscheidsbrieven die geschreven zijn,
worden, en zullen worden, zijn in drie categorieën onder te brengen, te
weten van stervenden, van zelfmoordenaars en van ter dood veroordeelden.
Deze draagt de kenmerken van alle drie die soorten. Men gaat mijn
burger-ik vermoorden, ik ga mij daartoe aanmelden, en ik voel de banden
verslappen die mij binden aan het burgerlijk deel dezer samenleving.

Deze regelen zijn, door het koelbloedig bewustzijn van den schrijver,
van zeer tragischen aard; de eenige vreugde die mij nog wacht, zal zijn,
dit schrijven persoonlijk te posten; ik stel mij voor, dit te doen op
dezen zelfden vooravond, wellicht ook morgen, onderweg naar het lokaal,
waar ik mij te melden heb voor den militairen dienst, waar de
duisternissen grijnzen van den persoonlijken ondergang...

Ik kan u het gevoel van physiek ònbehagen, dat mij reeds bij voorbaat
bevangen heeft, bezwaarlijk omschrijven, het is me, of ik noodgedwongen
toegetreden ben tot een derde-rangs voetbalclub of rooverbende, of dat
men mij dwingt, in dienst te treden der stadsreiniging... dien tak van
dienst, waarover zindelijke heeren in mooie vertrekken beraadslagen, en
waarvan de uitoefening is opgedragen aan kwalijk riekende
riool-ledigers...

Over eenige uren, wanneer ik onder den krijgstucht zal staan, zal ik
deze dingen niet meer mogen schrijven... ze wellicht niet eens meer
gevoelen...; dit is mijn galgemaal aan den disch van gal en bitterheid.

Het ontbreekt mij niet aan goeden wil, of vaderlandsliefde;
integendeel!

Maar ik voel mij zoo slecht geprepareerd op het mij wachtende werk; men
spreekt mij van dwijlen en zwabberen...

Het schijnt, dat de aankleve van het krijgsbedrijf onvoorwaardelijk
ònsmakelijk moet zijn; mijn hemel, ik wil graag exerceeren, ook in den
modder, en een geweer afschieten... Maar waarom moet ik mijn kleeren
zelf van dien modder reinigen, en dat geweer zelf schoonmaken... Ik wil
wel met vieze kerels in één kamer slapen; dat doet men in de bergen ook
wel, met zijne gidsen... maar nog nimmer heb ik een Alphenhut behoeven
te dwijlen.

Men zegt mij, dat het in zoo'n kazerne aan de minst pretentieuse vormen
van bediening ontbreekt; zoo'n kazerne is een énorm groot gebouw,
grooter dan welk hôtel ook. Stel u voor... een hôtel zonder één knecht
of loopjongen of kamermeisje of schoonmaakster of kellner...

Waarlijk, het duizelt mij... moeten wij dat alles, àlles zèlf doen:
schoonmaken, bedienen, boodschappen doen, schoenen poetsen, bedden
opmaken...

En dat àl dat werk tezamen zoo een mooien naam heeft: krijgsbedrijf.

Ik word niet alleen soldaat, maar ook knecht, loopjongen, kamermeisje,
schoonmaakster en kellner...

Ik moet dat alles worden...; het eenige, wat ik goed kan is schieten,
en een beetje schermen... helaas, dat zijn voor een soldaat slechts
eigenschappen van secundair belang. Geef mij een raad: moet ik
privaatlessen nemen bij Hendrik, den ouden knecht, bij Jo, mijn moeder's
kamermeisje, of Sien, mijn moeder's schoonmaakster? Moet ik bij een
loopjongen van mijn vader's kantoor en bij een kellner van het
Doelen-Hôtel in de leer gaan?

Of zouden mijne aanstaande superieuren mij voldoende kunnen bekwamen in
al die vakken?

Gij kunt mij begrijpen, nietwaar? Wij beiden hebben nooit onze
lastgevers erkend dan in hen, die wij daartoe zedelijk hoog genoeg
schatten; en onze hoogste lastgeefsters waren de gestrengheid onzer
eigen beschaving, en onze bewondering voor 't geen schoon en
rechtvaardig was.

Wij behoorden tot de gelukkigen, die hunne ruggen niet behoeven te
krommen voor onwaardige en baatzuchtige broodheeren.

Nu gaat het toeval mij andere superieuren stellen... wie zullen ze
zijn? Zal ik mij moeten voegen naar de luimen van een waanwijzen
oud-kappersbediende, of van een jaloerschen kroegen-habitué met botte
hersenen...? Zal een minderwaardige patser, in wien ik wellicht mijn
meerdere zal moeten erkennen, zich op mij wreken, omdat ik hem voorheen
over het ledige hoofd placht te zien?

Dit alles beklemt mij...

Geef mij een wapen, en ik zal vechten tot den laatsten droppel bloed...
maar geef mij een dwijl en een emmer zeepsop, en smartelijk zuchtend zal
ik terneerzitten... _als een lafaard_...

                                     Geloof mij en blijf mijner gedenken
                                                MELIS STOKE.


RIJM-KRONYCK.

_Mijn Landstormlichting komt op..._

    De Koningin doet roeren
    in 't land de landstormtrom,
    en duizend jonge krijgers
    verschijnen van alom...
    Vaarwel, mijn dier'bre boeken,
    mijn kamers en mijn hond,
    mijn vrienden en vriendinnen...
    Ik staar nog ééns in 't rond,
    en streel mijn armen Setter,
    en 't liefelijk whisky-stel...
    Ge zult mij niet vergeten
    of hoonen, is het wel?
    De zoete schijn der lampen,
    de glimmers in mijn haard,
    mijn pijpje en mijn huisjas,
    en 't geen er was vergaard
    aan wetenschap en schoonheid
    in d'eiken boekenschrijn...
    het zal m'in twee, drie dagen
    zoo vèr en dierbaar zijn.
    Mijn prima tennis-racket,
    mijn hagelnieuwe fiets,
    zal 'k u nog ééns beroeren,
    belooft ge mij nog iets?...

[Illustratie]


(_Vertroosting aan Melis Stoke van George van Raemdonck_)

    Ik ga een brits beslapen,
    met òndergoed aan 't lijf,
    en bruine boonen eten...
    ...ik ril terwijl 'k dit schrijf!

           *   *   *

    Ach, ware er bloed te plengen
    voor Vaderland en Vorst,
    dat ware altans sportiever,
    dan kwatta, kool en worst.
    Ach, waren er nog andere
    gevaren in het spel,
    dan vlooien, of dan zuchten
    in een bedompte cel...
    Dàn zoude ik vroolijk juichen,
    en 'k had' mijn bajonet
    aan den meest blanken slijpsteen
    eens extra-scherp gewet...[A]
    Helaas, het geldt niet vechten,
    doch loopen in de pas
    met een belachelijk mutsje
    en in een grijzen jas...

           *   *   *

    De koningin doet roeren
    in 't land de landstorm-trom...
    'k Ben lichting 1912
    en weerbaar... dus ik kom!

[A] Als Melis Stoke maar eerst eens afgeëxerceerd is, zal hij begrijpen,
dat hij nooit met een slijpsteen aan zijn bajonet mag komen! [Corr.]



II.

VAN DEN BURGER, DIE MELIS STOKE, LANDSTORMPLICHTIGE ZAL WORDEN, AAN ZIJN
MILITAIRE ZÈLF.


    Mijn allerminst verachtelijke, en in zekeren zin benijdenswaardige
    vriend!

Ja zeker, ik noem u benijdenswaardig! Gij gaat de vreugde beleven, van
uw eigen-zelf, te mogen toetsen aan het ruw klimaat der militaire
samenleving. Voorzeker, het is een proef, waaruit ge evenzeer als een
beest, zoogoed als gelouterde Phoenix te voorschijn zult kunnen komen.
Ik vertrouw op het laatste. Ge houdt al te zeer vast aan wat ge noemt uw
burger-ik. Ge houdt mij echter ten goede, dat ik deze term stempel met
de qualificatie: bekrompenheid. Uw eigen, sterke Zelf is verheven, of
behoort dat te zijn, boven zuiver uiterlijke invloeden van civielen of
burgerlijken aard. Wat doet het er toe, of een schoone vrouw u laat
dansen naar haar grillen, of dat een afgunstige onderofficier u zijne
kwade luimen doet ondergaan? In beide gevallen is uw persoon onderworpen
aan van hoogerhand gestelde krachten: in het eerste geval de eeuwige
kracht Vrouw, in het tweede de tijdelijke overmacht van vak-kennis.

Leer de vrouwen kennen, en ge zijt hun slaaf niet meer; geef u de moeite
eenige reglementen uit uw hoofd te leeren, en geen macht zal u
weerhouden zelve tot den rang van onderofficier of officier op te
klimmen.

Mijn raad is zoo simpel: cultiveer uw krachtig zelf. Mijn zeer waarde,
van af ons eerste levensuur warm wij tesamen, en nóg kennen wij elkander
niet volkomen... wie zal ooit zijn dubbel-ik leeren doorgronden? Eerder
nog begrijpt men de verzwegen gevoelens een er beminde gade. Daarom
zullen wij elkander niet observeeren, het zou tot niets dienen; wie
zijne vrouw blijft gadeslaan kweekt eerder misverstand dan wederzijds
vertrouwen.

Veeleer is het de heilige impuls van het Goede dat ons, mits vrij van
afleidende ijdelheden, handelen doet. Zoo is het met ons dubbel-ik, het
militaire en het civiele; de maatschappelijke verhoudingen doen ons, als
in een huwelijk onafscheidelijk voor elkander bestemd zijn. Het kind dat
geboren wordt, is in onze maatschappij door zijn geboorte-uur tot eene
militie lichting aangewezen...

Er is slechts één enkel ding, dat ik, uw burger-ik, u in het militaire
bestaan kan medegeven; het is niet iets materieels, als worst of kaas
of ham... dergelijke zaken krijgen Pruisische soldaten mee, want hun
burger- en militaire-zelf zijn niet verscheiden... Wat ik, uw burger-ik,
u kan meêgeven is het kostelijk bezit der Humor!

De Humor is de heerlijke gave, die het slechte vergefelijk en het goede
genietbaar maakt, die den leugen als een dwaling, en de waarheid als
natuurlijkheid doet zien, en die de schijnbare onrechtmatigheden en
verschillen nivelleert tot ééne vlakte van wijd uitzicht en waarachtigen
eenvoud.

Voorzeker, het _is_ moeilijk uw zelf-cultuur te onderwerpen aan uniforme
tucht, maar het is beter, en moeilijker nog onder dien schijn van
willekeur den utiliteitsgrond te blijven voelen. Blijf met uw voeten op
dien vasten bodem staan, en hef uw glimlachend hoofd boven de golven van
bezwaarlijkheid, die u zullen omspoelen.... wellicht tot aan den mond.
En de zoute smaak, die de spatten u zullen schenken, zij u een proefje
van 't geen den werkman in zijn dagelijksch eten hindert.

Tot nu toe is uw levensfilosofie een volkomen rustig-theoretische
geweest...

Wellicht zult ge dat gestijlde gebouw zien ineenstorten, door de
factoren van het bezwaarlijk leven, die de omgang met de arbeidende
klasse u als on-elimineerbaar zal doen kennen.

Daarom is het, mijn waarde, dat ik u »in zekeren zin benijdbaar« noem.

                                  Geloof mij, en tot wederziens en beter
                                          begrijpen wellicht...
                                          UW BURGER-ZELF.



UIT HET MILITAIRE DAGBOEK VAN MELIS STOKE.


_10 Maart 1916._

...Ik zit in het lokaal waarin wij, honderden burgers van--hoe
wonderlijk--één en dezelfden leeftijd, tezamen zijn gekomen om soldaat
te worden.

Honderden kleine drama's op één dag, geduldige lezer, en ge hebt
het niet geweten! Ach, dagelijks spelen zich om ons heen duizenden
kleine drama's af: een vlieg in de soep, een lekke fietsband van een
plattelands-geneesheer, of een kip gestolen... wij weten het niet. En
toch zijn het drama's, dramatischer drama's wellicht dan die groote,
waarvan de dagbladen ons vertellen, en die ons besef volkomen te boven
gaan... een transportschip getorpedeerd, een lange lijst vermisten, een
dorp in puin... wiens adem stokt er nog bij?

Onze drama's zijn van minimale belangrijkheid, en wij schreeuwen zóó
luid en aanhoudend door elkander, dat ons besef er door insluimert.

Er zitten hier 24-jarigen met baarden, en 24-jarigen met
kindergezichten; er zijn hier 24-jarigen wier vrouwen buiten wachten, en
24-jarigen uit wier zakken rollen chocolade van moeder-thuis steken.

Ik wist niet, dat er zóóveel verschillende soorten van 24-jarigen waren!
Persoonlijk reken ik mij tot de 24-jarigen, die: »aan een drukke studie-
en werkkring ontrukt zijn«.

Ons drama is van uitsluitend moreelen aard! Wat laten wij achter?... wat
dictaten, wat half-àf werk, wat onnutte en wat strikt òn-ontbeerlijke
zaken... kortom de inhoud van een requisieten-kamer van een
tooneelgezelschap dat »gezelschappelijke stukken« vertoont.

Wat de anderen achterlaten, kan ik bij verre na niet nagaan. De man
naast mij, naar zijn adem te oordeelen, een ledige jenever-flesch, en
die tegenover mij een huilende vrouw... Enfin, dat alles zal ik nog
vernemen!

Ik zal een dagboek houden; dat denkbeeld geeft mij wat rust. Daardoor
heb ik mijn houding bepaald tot eene beschouwende.

Want ik wist eerst werkelijk niet of ik moest mede-tieren of niet... nu
ik mijn houding bepaald heb, gevoel ik mij waarlijk pleizierig.

Of iemand zich voor mijn dagboek interesseeren zal? Ik weet het niet.

De menschen lezen altijd weer over datzelfde simpele thema: de liefde.
Waarom zouden ze niet over »den dienst« willen lezen?

De liefde en de krijgsdienst... ze voltrekken zich immers aan iederen
levenden mensch!

       *       *       *       *       *

Het getier houdt aan; het is of ik een meeting bijwoon, zonder sprekers.

Toch, er is er een; hij draagt uniform en beklimt een stoel. Meer uit
nieuwsgierigheid dan eerbied verstomt het getier.

»Vanaf dit oogenblik«, zegt de redenaar, »staan jullie onder militairen
tucht«.

Het gehuil verdubbelt...

Men voert ons met vieren de stad door.

Mijn broer wenkt mij toe uit een venster.

Ik glimlach... ietwat zuur.

Vrouwen loopen mede met den stoet, havelooze vrouwen.

Opeens vind ik mijn jas veel te mooi; ik zet mijn kraag op...

Vreemd... dit is het eerste »sociale gevoel« van mijn leven...

Daarom moet ik, ditmaal oprecht, even lachen...

       *       *       *       *       *

De rest is een roes...

Wij naderen de kazerne... wij gaan het hek binnen... het volk blijft
achter.

Een kort, reëel besef van het feit: dat wij nu »soldaten onder elkaar
zijn«.

Inderdaad, er is geen vrouw op het wijde kazerneplein te ontdekken; maar
des te meer soldaten.

Ik heb nog nooit zulke soldaten gezien; ze dragen geen blinkende
uniformen en wapenen, maar grauwe kleeren, vol modder; zooiets als
schoonmaaksters, maar dan in het mannelijk.

Een naamloos wee stijgt mij naar de keel: aardappelenschillen...
dwijlen... emmers... zeepwater......!!!

Een roode sergeant-majoor leest ons de krijgsartikelen voor; hij vergeet
komma's en punten.... begrijpt de moeilijk-officieele zinswendingen zelf
niet.

Telkens verheft hij even den stem, dan hooren wij: »_doodstraf_«, »_dood
door den kogel_«, »_de kogel_«. De man naast mij siddert; ik ben veel
banger voor de aardappels en het zeepwater en de dwijlen.

Men brengt ons naar groote slaapvertrekken.

Ik val neer op een vuilen ijzeren krib; mijn mooie jas kreukt....

Een handvol cigaretten geef ik om mij heen.

Zwarte, vuile handen zijn gretig naar mij uitgestrekt.

Ik geef nòg meer cigaretten... mijn koker is leeg... er is er geen meer
over voor mij-zelf.

Dan steekt een der groezelige handen mij een sigaret toe.

»Hier, je heb' er zelf geen meer over!«

Ik kijk verbaasd op. De man lacht wat verlegen: »Ik had 'er twéé
genòme!«

Dan lach ik; ook ditmaal oprecht...

Het is het tweede »sociale oogenblik« van mijn leven.

       *       *       *       *       *

_13 Maart._

Ik kan nog niet aan mijn dagboek werken. De indrukken zijn tévele. Ik
wist niet, dat het volk zóózeer geleek, op de menschen die over »het
volk« praten. Men kleedt ons in uniforme kleedingstukken.

Dat is prettig.

       *       *       *       *       *

_14 Maart._

Mijn mooie jas hangt thuis. Ik loop nu in uniform, en groet op straat
méér menschen dan ooit te voren. Ik ken ze niet eens persoonlijk. Als ik
ze niet groet, krijg ik straf.

       *       *       *       *       *

_18 Maart._

Neen, het wordt geen dagboek; het worden losse notities... Ik stuur ze
in bij de redactie van de »_Groene_«.

Ik noem ze:



KANTTEEKENINGEN VAN EEN LANDSTORMPLICHTIGE.


I.

(Notities uit een militair zakboekje, door onzen medewerker Melis Stoke
in de omgeving van de Oranje Nassau-kazerne te Amsterdam gevonden.)


RIJM-KRONYCK.

~Krijgszangen I.~

_De Landstorm Recruut vraagt..._

    Ik vraag om werk,
      ...men schenkt mij slappe koffie,
      wat lijfgoed, twee paar schoenen en een »kug«.[B]
    Ik hoop op »werk«...
      ...ha, wij gaan exerceeren...
      ...tien tellen... 't sneeuwt... naar de chambrée terug.

    Ik vraag een pak,
        ...men laat m' in burger loopen,
    hetgeen géén krijgsmansziel in eere doet
    'k vraag een geweer
      ...en wilde gaarne vechten...
      ...men geeft m' een stoffer slechts, dien 'k voeren moet.

    Ik vraag de kans
      een eerekruis te winnen,
      doch weet niet hòe een krijgsdaad te begaan,
    en stiekem hoop
      ik op de Willemsorde,
      door netjes recht-op voor mijn krib te staan.

[Illustratie: Teekening van Johan Braakensiek.]

    Ik vraag een post...
       een postje van vertrouwen,
       waaraan Gevaar en Eer verbonden zijn,
    doch mocht slechts ééns
       --, met twee, drie kameraden,--
       (om kaas) de keuken in gezonden zijn.

    Ik wilde graag
       een vijand gaan bedreigen,
       doch zie slechts goede vrienden om mij heen,
    en de sergeant
      zegt »vent kijk naar je eige,«
      »Je grootste vijand is je stijve been!«

    Ik vraag niet meer,
      het is niet goed te vragen,
      en draag--leergierig--dus mijn Landstorm-lot.
    Wanneer ik vraag
      of ik een zwaard mag dragen,
      dan ga ik een-twee-drie in het cachot.

_Conclusie._

    Dus doe ik zwijgzaam slechts mijn plicht,
    en komt de vijand,... best!
    Dan zwaai ik juichend mijn geweer,[C]
    en schiet hem voor zijn t-st.

[B] Soldatenbroodje. Corr.

[C] Het geweer heb ik echter nog niet.



I.


_Onze Analphabeet._

Onze analphabeet heet Jacob, en hij is uit de provincie. Intusschen
heeft hij gretig gebruik gemaakt van de hem hier geboden gelegenheid,
om zich verder te ontwikkelen. Er zijn namelijk cursussen ingesteld
in allerlei nuttige vakken, en Jacob was een der eersten die zich vol
ijver aanmeldde. Alleen zijn keuze bevredigt mij niet geheel....
Hij koos namelijk _stenographie_. »Maar och, als je dan toch leert
schrijven«--antwoordde hij mij--»dan doe je toch beter het direct vlug
te leeren doen!«


_De »moffen«._

Het percentage der Duitsche Nederlanders is in mijn sectie niet klein.
Velen hunner zijn voor het eerst in het land, vanwaar hun ouders eenmaal
kwamen. Gemeenlijk worden zij, zonder eenige politieke bijbedoeling,
aangesproken als »mof«, in bewoordingen als: »zeg mof, hè je een
centimeter tabak voor mij?« of »mof, hè je je broodkaart wel
meegebracht?«[D] Zij doen groote moeite, de in min-of-meer onberispelijk
Nederlandsch uitgesproken bevelen hunner sergeanten en korporalen te
begrijpen; alleen bij de theorie, (een soort grove hersengymnastiek)
ondervinden zij wel eens de bezwaren hunner buitenlandsche educatie.

[D] Toen bestonden de Nederlandsche broodkaarten nog niet. Corr.

Het doet mij wel eens wonderlijk aan, te hooren, hoe de instructeur hen
ijverig bijbrengt hoe sterk ons leger is, en hoeveel mitrailleurs wij
bezitten per regiment.

In verhollandscht Duitsch herhalen zij de getallen, en men corrigeert
zorgvuldig eventueele over- of onderschattingen.

Opdat zij goed op de hoogte zullen geraken.

En de regeering is blijkbaar zeer op hen gesteld; dit is nog gebleken,
toen het voorstel van B. en W. van Amsterdam, om hen--met het oog op het
pokken-gevaar--niet in te lijven, werd afgewezen.

Zij zijn dan ook Nederlanders nu, en dragen onzen uniform. Vanmorgen
sprak ik met een hunner over den oorlog; »_wir_« verzekerde mij de
Nederlander, »_werden siegen!_«


_»Kat en muis« en andere spelletjes._

Vandaag was het mooi weer. Wij zijn naar een speelterrein geweest, en
wij speelden er kat en muis. Kees, die reeds drie kinderen heeft, »was
'm«. Jan, wiens vrouw in de kraam is, werd gepakt, en Karel, die mij
vertelde, dat z'n gezin moeite heeft van de uitkeering rond te komen,
viel lang-uit op zijn gezicht.

Om half vier waren wij weer in de kazerne, en om kwart over vieren
gingen wij naar huis. Ik liep op met Piet. Piet draagt een kwartiermuts
op straat, omdat hij geen kepi wil koopen; z'n vrouw kan 't geld wel
beter gebruiken. Hij liep zeer snel, want z'n vrouw was ziek thuis. »En
ik«--lachte hij--»heb den heelen middag kat en muis gespeeld.... als het
ten minste nog maar exerceeren geweest was!«

»Het staat in de reglementen,« antwoordde ik.

»De reglementen hebben het over militieplichtigen,« ontkende hij--»wij
zijn geen sn-tneuzen van twintig!«

Toen wist ik alleen nog te zeggen: »jullie trouwen te vroeg!«


_De kwartierzieke._

Gisteren is mijn kamergenoot Z.... ziek thuis gekomen, en van morgen
heeft hij zich opgegeven voor den dokter. Dit geschiedde tusschen
reveille en morgenappèl, terwijl wij allen binnensmonds mopperend, de
stugge broeken en tunieken om onze nog slaapslappe lichamen heeschen en
de beenen omwonden met windsels uit scheurgrage substantie. Deze levée
en masse is de onveranderlijk tragi-comische introductie tot een nieuwen
dag van reeds lang bekende verdeeling.... en de uren van vrijheid hebben
voor mij geen bekoring, wanneer ik ze van tevoren op de minuut bepalen
kan. Zoo was dan vanmorgen het ziek-zijn van onzen kameraad een
gebeurtenis, en als zoodanig belangrijk.... want, wat er buiten de
kazerne geschiedt, blijft voor de vele honderden menschen die het gebouw
bewonen onbekend, tot 's middags vijf uur... alswanneer wij het
ochtendblad lezen.

De dingen gingen hun gewonen gang, die weinig meer poëtische elementen
bevat, dan de reglementen, die hem regelen; want wie zou het wagen de
volgorde van: 1e aankleeden, 2e dekens opvouwen, 3e wasschen, op eigen
initiatief te veranderen? Slechts schroomvallig veroorlooft de een of
andere weeldemensch zich eene uitbreiding in punt 3.

Na de opeenvolging dezer gebeurlijkheden dan, ontwikkelde zich de dag
zoo als een roos, nl. op dezelfde wijze als alle reeds verbloeide en
toekomstige.

Het weder--naast den bataljons-commandant de hoogste
force-majeure--maakte ten slotte verder buiten-zijn onmogelijk, zoodat
onze weerbaarheid verdere ontwikkeling verkrijgen zou op de, in dien
tijd oppervlakkiglijk van nacht- en consumptie-vuil gereinigde,
chambrée. Daar werden, volgens voorschrift, tafels en banken op de
ijzeren kribben geworpen, om voldoende ruimte te winnen.... en pas bij
deze haastige bezigheid was het, dat wij onzen zieken vriend terug
vonden.

Een in allerhaast opgeruimde bank scheerde hem rakelings langs het
hoofdkussen en plofte neer op zijn krib....

»Hoe gaat het ermee?« vraagde ik belangstellend.

Hij kroop dieper onder de dekens, en rilde: »koorts!«

Werkelijk, Z.... is geen simulant, en hij vertelde, hoe de
korporaal-ziekenvader met zijn horloge in de hand de diagnose had
uitgesproken. Er was geen plaats in de ziekenzaal, dus werd hij naar
zijn eigen bed verwezen. Ook lange Jan en smalle Barend, twee mijner
vrienden, waren inmiddels nader getreden en spanden zich in, leunend
tegen het bed, om uit hunne herinnering alle koorts-gevallen met
doodelijken afloop op te roepen, waarvan zij persoonlijk getuige geweest
waren.

De zieke zweeg, en sloot vermoeid de oogen; toen de anderen zwegen,
opende hij ze, en glimlachte: »die ziekenvader hè? zoo goeiïg.... net
een wijf, zoo zorgzaam!«

Jan en Barend gingen daarop niet in, doch gingen voort, het ziektegeval
te bespreken:

»Hij rilt effectief!«

»Kijk, z'n voorhoofd es bezweet weze!«

»Hij heb de koors!«

De machtstem des sergeants beval ons, in twee gelederen aan te treden.

Even later stapten ruim vijftig landstormplichtigen de chambrée rond,
maakten rechts- en links om's, en zwaaiden de armen. Het gloeikousje in
de lamp brak in wit stof uiteen, het vloervuil dwarrelde op onder den
krachtigen tred, bevelen klonken....

In de krib lag, diep onder zijn wolletje, de zieke.

Hij rilde; hij had »de koors«.


RIJM-KRONYCK.

~Krijgsmansgezangen II.~

_Ode aan mijn Wapenrok._

    Ik heb mijn wapenrok gekregen,
    en, 's morgens vroeg op de chambrée,
    dien aangedaan, en toen terdege
    (_pardon_) de broek-gesp vastgeregen...
    ...en 'k ging als vecht-soldaat in zee...

    Ik heb mijn rok op straat gedragen,
    en duizend maal gesalueerd...
    ...zoo gaat het voortaan alle dagen...
    ...Ik speur naar sterren, streepen, kragen...
    ach, vélen zijn gegradueerd!

    Ik streel verheugd mijn gulden knoopen,
    die talrijk zijn, en bijster mooi...
    En hang mijn overjas graag open,
    om goed in 't oog te laten loopen:
    mijn simpel, koninklijk emplooi!

    Doch 's nachts als d'anderen »ingemaft« zijn,
    dan denk ik, starend naar mijn jas:
    »mijn ijdelheid zou wèl gestraft zijn...
    »als drie-kwart van ons neergepaft zijn,
    »en ik... in jou gesneuveld was!...«

    Wie weet, wat wij nog eens beleven,
    o jas!... ik denk er dikwijls an...
    ..._jij_ bent dan nèt zoo grijs gebleven...
    ...alleen ontwaart men, misschien, èven
    ...een gaatje met wat rood d'r an...



II.


_Maand-overzicht._

Het is nu een maand geleden, dat ik met u te samen ging wonen, Jan,
Gerrit, Gijs en Jacob, en in dien maand zijn wij soldaten geworden.

Velerlei hebben wij te samen genoten en verfoeid... en ik zoude... Ha!
ik zoude veel, veel meer vastgehouden hebben, van hetgeen ons overkwam,
indien niet zoo schaarsch geweest waren de vrije uren, waarin ik dit,
mijn besmoezeld zakboek, te voorschijn brengen mocht, en er in
neerschrijven ons gemeenschappelijk leed.

In dien tijd zijn een viertal onzer vader geworden, en even zoovelen
hebben hunne verkeering gewisseld; gisteren was er een broodje te weinig
aan het ontbijt, en verleden week is een onzer overleden.

Overigens waren de dagen aan elkaar gelijk. En voor ons is het
perspectief der wachtende weken wijd, emotieloos en grauw, als de in
zonnebrand vertrillende einder van eene zandwoestenij.

Waarin ik slechts substantieel voel mijne aanteekeningen, hard en
onbedekbaar als kantige steenen, waartegen wij vruchteloos schoppen op
onzen langen marsch naar het onbekende...

       *       *       *       *       *


_9 April, Zondagmorgen._

Zooeven ben ik mijn bad ontstegen; juist is het geklok van het
wegstroomend, modderig water, vergorgeld, en als ik mijn eigen
slaapkamer betreed, omvangt mij daar de stilte als de mystieke
plechtigheid eener sinds lang verlaten abdij. Om zeven uur, twee uren
geleden, verliet ik de chambrée, waar de Zondagmorgen aanbrak in
feestelijk getier, vol pijnlijke geeuwen echter van mijne vele
kamergenoten, wier Zaterdagavond zich in bier en brandewijn ontwikkeld
had.

En nog slechts flauwelijk herinner ik mij, hoe zij, bij het avondappèl
ietwat waggelend voor hunne stroozakken stonden, vriendelijk lachend
tegen den strengen sergeant, met het kennelijk doel daardoor een
sympathieken en onschuldigen indruk teweeg te brengen.

Nu ik weer rustig bij mijn eigen haardje zit, overdenk ik deze week,
waarin één oogenblik was, waarin de realiteit van onze militaire
bestemming doorgeschemerd heeft.

Dat waren vreemde dagen; het was, alsof, naarmate de krijgsgeruchten
duidelijker verneembaar werden, al ons doen beteekenis verkreeg.

Het »verspreiden«, dat wij oorspronkelijk als eene moeilijke
orde-oefening beschouwd hadden, bleek ons plotseling eene manoeuvre te
zijn, om onverwacht invallend vuur te ontkomen; het doodstil liggen op
den viezen grond van het exercitie-terrein, met het geweer in de armen,
en het hoofd diep weggedoken, eene oefening, die ons tegengestaan had om
de noodzakelijk daaraan verbonden bevuiling van handen en tuniek, kreeg
opeens de sombere beteekenis van schuilen voor levensbehoud.

En zoo meer.

Het is nu ook een week geleden, dat wij onze stroozakken op den vloer
legden, en de kribben naar de nood-logies sjouwden. Men sprak van
Duitsche hulptroepen, n.b. Den nacht daarop sliepen wij weinig.

De vloer was hard, en de toekomst ongewis.

Ik herinner mij, hoe een pijnlijke spanning ontstond gedurende den nacht
door eene gebeurtenis, die--zonder de alarmeerende berichten der laatste
dagen--onopgemerkt gebleven zou zijn.

Op het rangeerterrein voor de kazerne n.l., waar reeds sinds
onheugelijke tijden een roode-kruis-trein staat te roesten, was
bewegelijkheid. De wagens rammel-bonkten tegen elkander, er klonken
hoornsignalen, en stoom siste. Wij lagen allen stil in de donkere
chambrée op ons stroo, en luisterden; niemand sprak, doch er was
aandacht in de stilte, spanning zelfs, die gebroken werd door gebrom
in een hoek: »daar komme wij nog es in terug!«

Niemand antwoordde: ieder hield zich slapende.

En het gerammel en gestoot ging verder...

's Morgens lag een groot stuk spoorbaan bloot, als een akelig gat
tusschen de nog restende wagons.

       *       *       *       *       *


_Afgekeurden._

Langzamerhand heeft zich een nieuw element onder ons ontwikkeld: n.l.
dat der afgekeurden. Gemeenlijk zijn zij herkenbaar aan burgerkleeding,
een hooghartigen glimlach van bourgeois satisfait, ietwat zwierige en
on-militaire gedragingen, en veel verlof. De mil. geneesk. dienst toch,
die, voornamelijk op administratief gebied, zoozeer ijvert in het
landsbelang, laat perioden van 14 dagen tot circa een jaar verloopen,
alvorens zij aan afgekeurden de noodige papieren verstrekt, die hun
algeheele terugtrekking uit het legerverband mogelijk maken. Het is
geen geheim, dat in het begin van de mobilisatie b.v. iemand na drie
dagen dienst werd afgekeurd; daarop keerde hij met verlof en voor
rijks-rekening naar zijn betrekking in het buitenland terug. Na een
jaar werd hij ontboden om zijne papieren te halen, en kreeg daarbij tot
zijne verrassing... een jaar soldij (pl.m. f 150.--). Dergelijke zoete
perspectieven openen zich voor eenigen onder mijne kameraden, die
afgekeurd zijn, en geen dienst doen.

Zij zijn een soort blinde-darm in het legerverband, bezoeken de appèls
in burgerkleeding, als Cook's reizigers een abattoir in Chicago, en
wandelen kwatta-etend over het exercitie-terrein, dan wel spelen billard
in de cantine, als schatrijke particulieren.

Op ieder bevel antwoorden zij, rekenend op eene civiele behandeling, met
het machtwoord ~afgekeurd~.

Een hunner vereerde mij, ter viering van het blijde feit, een sigaar
met een bandje; een andere--ietwat angstig aangelegde--accentueert, uit
vrees voor her-goedkeuring het inconvenient zijner platvoeten, door zéér
wijdbeens en hinkend, met een als van smart verwrongen gelaat rond te
loopen, kreunend bij het passeeren van iederen korporaal of sergeant.

       *       *       *       *       *


_W.C.-wee._

Stel u voor: een huisje, gelegen aan een ruim, ietwat afhellend,
exercitie-terrein. Het huisje is niet nader te omschrijven: het terrein
is grootendeels grauw; ik zeg grootendeels, want rondom het huisje is
een terrein-strook van verscheidene tientallen meters uitgebreidheid
donker getint en drassig. Ik onthoud mij van eene verdere verklaring
van dit verschijnsel, doch prevel slechts iets van verstopten afvoer.

Ten slotte zij medegedeeld, dat op het exercitie-terrein dikwijls, en
dan langdurig, plat op het aangezicht gelegen wordt... zonder
gasmaskers.

       *       *       *       *       *


_Reclame-marsch._

Dezer dagen hebben wij met z'n tweeduizenden een Kalverstraatje
gewandeld. Het was eene z.g. reclame-marsch. Mijne aandoening was
veel-ledig.

Het is n.l. niet mijne gewoonte door de Kalverstraat te loopen om drie
uur des namiddags, en ik ontmoette dan ook weinig kennissen. Dan begrijp
ik, hoe onpleizierig vreemdelingen zich in onze stad moeten gevoelen,
daar zij en hun gezelschap met dezelfde starre blik aan- en nagestaard
worden als het met ons geschiedde.

Maar een trotsch gevoel is het, te zien, hoe het geheele verkeer stop
staat... voor Ons...; zoo iets als de bekende plaat van »His Majesty,
the Baby«.

Enkele burgers, die mij herkenden, wisten, dat zij niet groeten mochten,
daar het ons verboden is een groet te beantwoorden. Alleen E., een
automobiel-luitenant, groette mij vriendelijk. Mijn sergeant fronste de
wenkbrauwen.

Sinds dien dag ken ik een nieuwe luxe: vrij en zonder geleide op straat
te loopen.

Ik bestraf mijn hond niet meer, als hij een dag er van door gaat...



III.


_Verloven._

_Mei 1916._

Wij, soldaten, wenschen de lengte en het aantal der ons van hooger hand
toegestane verloven gehandhaafd te zien, zooals een huisdier het volume
van zijn portie voedsel.

En het moge u drie, viermaal gelukken, de etensbak van uwen hond weg te
nemen, terwijl hij slechts dreigend gromt... er komt een keer, dat hij
grimmig bijten zal. Intusschen zult ge in het daarop volgend conflict
de sterkste en machtigste blijken, doch onloochenbaar zal het incident
eene verkoeling teweeg brengen in de verhouding tusschen u en hem. De
vergelijking gaat echter op één punt mank: het zal u n.l. niet mogelijk
zijn, den hond aan het verstand te brengen, _waarom_ hij zijn gewone
portie derven moet, terwijl het ons, soldaten, zeer zeker aan het
redelijk verstand te brengen zoude zijn, welke de reden is van deze
onaangename onthouding.

En het meerendeel onzer zou deze explicatie, zoo niet getroost, dan toch
berustend aanvaarden. En in dit opzicht is dus onze wensch dezelfde als
die van de burger-maatschappij: eenig commentaar van de zijde der
regeering.

Nu is het grommen luider dan aangenaam is, en het gerucht van incidenten
en onlusten bereikte ons van het veldleger.

»Maar wat wil je?« zegt mijn »slaapie«--»als d'r één man staakt, pakken
er twee hem op, en douwen hem de pot in... als er een sectie staakt,
staat er een compie klaar... en tegenover een compie een bataljon, en
daartegenover weer een regiment, en dan een brigade en dan een divisie,
en dan vier divisies... en dan?«

Ja, meer is er niet heeft de sergeant ons op de »tieërie« geleerd... en
opeens flakkeren de oogen van Simon, den stiekemen anti-militarist, en
hij brult de gemeenplaatsen, die ik vandaag op de parapluie's eener
demonstreerende menigte geschilderd zag:

»Algemeene demobilisatie... geen man en geen cent voor het militarisme;«

Verder gaan mijne vrienden niet; voor deze stoute geestes-schepping
staan zij vol ontzag en ontzetting... zooals een groot kunstenaar voor
zijn meesterwerk!

       *       *       *       *       *


_Oudjes._

Bij Kon. besluit van 11 dezer is aan Jan Jacob Pisters, milicien der
lichting 1855 voor de gemeente Nuth, vrijstelling voorgoed van den
dienst bij de militie verleend.
                                                             (_St. Ct._)

Bovenstaand bericht, geput uit de »N. R. Ct.« van Zondagmorgen, deed mij
in gepeinzen verzinken. Een tachtigjarige is dus voorgoed vrijgesteld
van den dienst bij de militie! Welk een veteraan! Neen zóó oud zijn er
bij ons niet. Wèl dommelt gemeenlijk bij een der kachels in de cantine
een soldaat, dien ik een dikke vijftig geef, doch deze is nog zeer
weerbaar.

[Illustratie]

       *       *       *       *       *


_Een moment van ontzetting!_

Voor het eerst in mijn militairen loopbaan ben ik heviglijk geschrokken;
niet door het feit, dat dezer dagen mijne schoenen gestolen zijn...
Wij zijn er reeds lang aan gewend, dat telkens zaken spoorloos uit
de chambrées verdwijnen, en wij vatten dit op als roof- en plunder
oefeningen van een mede-krijgsman. De schrik beving mij achteraf, toen
men mij voorstelde als schadeloosstelling te aanvaarden: ...een paar
gedragen schoenen! Nu vraag ik u... men zoude mij evengoed in overweging
kunnen geven, mijns buurmans tandenborstel of oorlepel te benutten. Vol
afschuw haastte ik mij, deze vraag met de wedervraag te beantwoorden:
of er _nieuwe_ schoenen verkrijgbaar waren. Helaas zag ik mij
genoodzaakt den fourier te épateeren met het aanvaarden der laatste
mogelijkheid: vijf weken soldij in ruil voor een nieuw paar schoenen!

Dief! Indien deze regelen u onder de oogen mochten komen, bedenk
dan, dat ik vijf weken exerceeren zal, zonder daarvoor honorarium
te genieten... Het ergste is, dat men mij van diefstal schijnt te
verdenken; telkenmaal toch, dat ik met mijn citybag de kazerne verlaat,
gelast de deurbewaker mij met verwachtingsvolle en bevelende gebaren de
tasch te open!

[Illustratie]

       *       *       *       *       *


_Regendag._

Een regendag in de kazerne is, wat een vleeschlooze dag in een
wildenbeestenspel zijn moet: het eenige noodige ontbreekt, en flauwe
surrogaten vermogen niet, het te vervangen.

Reeds stemt de simpele kleeding van mijn anders zoo sierlijk
geuniformden luitenant mij treurig, en met minder genoegen dan
gewoonlijk, schiet ik zelve de tuchthuisboevenkleedij aan, die hier
onder den naam van »werkgoed« verstrekt wordt. In dit goed nu wordt de
dag gedood. Het begint met urenlange aanslag-oefeningen op de chambrée,
waarbij gemikt wordt op de meubelen, en lang-uit gelegen op de vloer,
waarvan de geringe oppervlakte den schutter noodzaakt zijn beenen
onder de krib te schuiven, en den loop van zijn geweer onder het
tegenoverstaande bed. Deze omstandigheden suggereeren allerminst
slagveld-emoties, en de oefening verloopt met de animo, waarmede een
krasse oude heer op zijn slaapkamer met halters werkt.

's Middags klaart het weer wat op, en trekken wij, tot de tanden
gewapend, de modderzee van het exercitieterrein in, om een paar uur
later aanmerkelijke hoeveelheden daarvan aan onze doorweekte kleeding
het slaapvertrek weer binnen te dragen.

Een regendag is te hatelijker, door het gevoelen van een force-majeure,
die niet die des superieurs is. Er is weifeling in de lucht: wijfeling
omtrent de indeeling van den dienst,... want op regen is de kazerne niet
berekend.

....Zooals er ook geen rekening gehouden kan worden met schoenendieven
en andere krachten, die in on-militaire geheimzinnigheid en
onberekenbaarheid optreden.

[Illustratie]

       *       *       *       *       *


_»Voor den dokter«._

Neen, neen, en nogmaals neen! Voor den dokter wensch ik mij niet aan te
melden. Niet, omdat de localiteit, waarin de medicus heerscht, mij al
te zeer aan een ongemeubelde stationswachtkamer derde klasse herinnert,
doch om het bloote feit, dat ik niet onder verdenking wil geraken van
simuleeren. Want evenzeer als het meerendeel der drankjes, die een
huisarts ons verstrekt, naar peperment riekt, is er aan de geneeswijzen
des militairen dokters een onmiskenbaar geurtje van _straf_. Het moge
zeer nuttig zijn, iemand, die gedurende den looppas uitvalt, twee dagen
achtereen na den dienst het bed te doen opzoeken, of een ander, die zijn
pols bezeerd heeft, hetzelfde recept te geven, ik persoonlijk prefereer
een meer »civiele« geneeswijze. Het is zonderling, maar ik, onmuzikaal
aangelegde, verwar altijd de hoornsignalen, die de zieken naar den
dokter en de gestraften naar de wacht roepen.

       *       *       *       *       *


_Klein viezigheidje._

Op gevaar af, van mijne superieuren te mishagen, wil ik ook ditmaal
eindigen met een klein viezigheidje. D.w.z., voor u is het er een...
voor mij mindere, is het er sinds lang geen meer.

[Illustratie]

Exercitie met het geweer op de chambrée. Men staat in een lange rij, met
het geweer in den aanslag.

De sergeant: _vuurrrrr!_

Boven het rikketikketik der geweren klinkt, duidelijk waarneembaar
het viezigheidje, waarmede Japanners hunnen gastheer het teeken van
over-verzadigd te zijn geven. In dit geval echter, is het minder
hoffelijk bedoeld, en de sergeant heeft gelijk, met op strengen toon te
vragen naar den dader. »Wie heeft dat gedaan?« roept hij, vergetende dat
er feitelijk--integendeel--iets gelaten is.

Doodsche, pijnlijke stilte.

»Wie?«

Iedereen kijkt zijn buurman aan met den ernst, die ons alleen op
belachelijke momenten beheerscht...

Het geval geeft aanleiding tot een ultimatum.

»Indien de dader zich niet direct aanmeldt...!«

Dan treedt Kees naar voren.

»Ik ben onschuldig«, zegt hij ridderlijk, »maar ik moet vanavond tòch
thuisblijven...«

»Neen, neen«, roepen wij, die niet minder edel willen zijn--»de dáder!«

Het debat duurt voort... tant de bruit, pour un tout petit bruit...

De »dader« is nog steeds niet gevonden.

Eindelijk wordt ook de luitenant van het geval in kennis gesteld; hij is
een practisch man.

»Als niemand het gedaan heeft«, zegt hij--»dan moet het de sergeant
geweest...«

Dan pas lachen wij.

Ook de sergeant... die intusschen even onschuldig is, als uw u dw.

                                                            MELIS STOKE.


RIJM-KRONYCK.

~Krijgsmanszangen III.~

_Aan mijne nieuwe vrienden._

    De kazerne is een woning,
    waar de jeugd geen vreugde is,
    en waar 't schuren, lange uren,
    van portalen, gangen, muren,
    de hoogste aller deugden is.

    De kazerne is een zeestrand,
    waar 'k gebracht ben door den vloed,
    waar de eb mij heeft gelaten,
    tusschen allerlei soldaten,
    wier bestaan 'k nooit had vermoed.

    Barend, Joopie, Kees en Gerrit,
    strekken hun vermoeide lijf
    naast het mijne in de kribben,
    en des morgens port mijn ribben,
    een sergeant, dien 'k niet beschrijf.

    Gerrit, Joopie, Kees en Barend,
    'k had nog nooit van u gehoord,
    doch reeds kennen we elkaars vreugden,
    zorgen, droefenis en deugden,
    sokken, ondergoed en boord.

    Kees heeft vaste-loop-verkeering,
    Joop en Barend, zijn getrouwd,
    Gerrit wacht zijn tweede »kleine«...
    en 'k heb op mijn beurt ook mijne
    hoop' en plannen hun ontvouwd.

    . . . . . . . . . . . . . . .
    De kazerne is een woning,
    die men zuchtend binnen-gaat,
    en die ieder vòl verlangen
    naar zijn dierb'ren, na een langen
    dag van rechts-om-keert's, verlaat...



IV.


_»Lolletjes«, en de waardeering ervan._

»En,« zoo vraagde mij mijn goede oom J., »hoe hebt ge u geamuseerd
vandaag?«

Mij docht, dat de vermoeienis en bevuiling, die duidelijk door mijn
uiterlijk gedemonstreerd werden, het antwoord »minimaal« overbodig
maakten en zoo zweeg ik, vragend...

»Voor veertienhonderd gulden«--zoo ging oom verder,--zoudt ge toch met
uwe kameraden een prettigen dag gehad kunnen...

Ik herhaalde verbaasd het bedrag, en toen vertelde hij mij, hoe dien
middag op de beurs dat geld bijeen gebracht was, om ons, Amsterdamsche
soldaten, een prettigen dag te bezorgen.

Een officier had gesproken van kregelige stemming, »door het inhouden
van verloven«, en onze beursvaderen hadden het hunne trachten te doen,
om onheilen te voorkomen.

»Dank u wel oom,« zeide ik hartelijk, »bij voorbaat!«

       *       *       *       *       *

De »prettige dag« is er geweest, en was in zijn soort een zéér groot
onheil.

Des avonds, na den feestdag, zeiden wij hoofdschuddend tot elkander dat
het een zwàre dag geweest was, en wij toonden malkander de bonnetjes,
waarvoor wij ververschingen hadden kúnnen krijgen indien...

...Indien de dag niet tot een vreemde herinnering vergaan was, aan
duwen, Grieg, de gangen van het Concertgebouw, bier en slaap.

Ik heb het gezegd: wij bevolkten het Concertgebouw... nooit hebt ge
het eerbiedwaardig monument zóó bekleed gezien, het was eene symphonie
in grijs: het grijs der uniformen lag golvend uit over de parterre,
als morgennevels op zee, en het bedekte met egale grauwheid de ruimte,
die anders in zoovele nuances en schakeeringen prijkt: de plaatsen
waar dweepende jongemeisjes hunnen Willem toejuichen, de zetels
der heeren van Rees en Oyens en de zijstoelen der telaatkomers en
quasi-dandineerenden. Het grijs golfde òp tegen het podium, dekte de
gaanderijen, en er stegen geuren uit op, en eene murmeling, die den
grooten dirigent tot woede gebracht zouden hebben en in de bekende
afwachtende houding, totdat het laatste kuchje (gemeenlijk van mr.
J. A. L.) verstorven was.

Ik wil u niet spreken van het concert, of van de concerteerenden,
dit alles was slechts secundair; het belangrijke van dezen dag was de
vreemde stemming binnen deze muren van traditie, kalk en roode pluche.
Daar was het vreemde van menschen, die in de korte pauze tusschen
Allegro en Andante applaudisseerden, of opstonden en met los geknoopte
kleeding en scheeve hoofddeksels de zaal verlieten, om elders consumptie
te gaan genieten. Daar was het zotte van approuveerende geluidjes bij
het verschijnen der gracieuse zangeres, en het geroep van bekenden
onderling, tusschen balcon en parterre.

[Illustratie]

Daar was eindelijk de stroeve aanblik van lànge, lànge rijen slapende
jongemannen, en vervolgens de pauze, waarin de gangen het tooneel waren
van verwarring en bousculades, ingewikkelder dan de Alpen-symphonie,
waarin het bier klokte door duizenden kelen, als een bergbeek, het
verscherven van een ruit als een lawine...

Het vreemdste was echter het gedwongene van al deze vreugde; ik vraag
u in gemoede: waart ge ooit bij een concert, waar een schildwacht u
het heengaan belette, zaagt ge ooit op een feest dozijnen genoodigden
»ontsnappen« door den tuin, en, over de muur klimmend, een »goed
heenkomen« zoeken? Zijn concertgebouw-programma's ooit misbruikt door ze
te scheuren in het formaat van »bier-en-thee-bons«, en als zoodanig aan
de buffetten ingewisseld?

Neen immers?

Gedurende een korte flauwte, die mij tijdens de pauze beving, had ik een
vreemd vizioen: ik waande mij op een Zondagnamiddag, en alle kameraden
om mij heen kregen de gestalten van concertgebouwers.

Ik zag mr. Theodore Stuart en den heer Van Rees worstelen om een glas
Pils, ik zag mr. dr. A. Röell bestraft worden wegens het uittrekken van
zijn tuniek, door een luitenant, die de trekken vertoonde van den heer
Labouchère, en, puffend en pratend zaten amechtig op een gangbankje de
heeren S. P. van Eeghen en van Aalst naast elkander.

[Illustratie]

De obsessie was afschuwelijk, en ik ontwaakte niet, vóórdat een
luitenant mij de zaal weer binnenduwde.

Na de pauze vertoonden het verlaten podium, en de gapingen in de
parterre, hoevele »gasten« over het tuinhek ontvlucht waren.

De cellist speelde de »Träumerei«... mijne kameraden dommelden, met
zweet-beparelde voorhoofden, losgegespte kragen en verwarde hoofdharen.

Als gold het hier een orgiastisch feest, in stede van een bezoek aan het
concertgebouw...

       *       *       *       *       *

»Nee jô! dan was het fijnder in de Flora onderlaatst!« voegde Kees mij
toe, »daar zàg je tenminste wat, en daar kò je méézingen!«

Hier had mijn vriend het oog op ons voorlaatste »lolletje«, eene
uiterst profane matinée in het bekende varieteiten théater. Daar was
men en pays de connaissance. Daar riep men »psssst« tegen heldinnen van
bioscope-drama's. Daar stemde men in met de liederen van zekeren Raf.
Kappers, aan het klavier begeleid door zijnen vriend Agsteribbe. Daar
rookte men de zaal blauw en schier ondoorwaadbaar, en verdween men onder
luid gejuich der overigen in een zéér zichtbare deur, waarop het woord
(of begrip) »_Dames_« geschilderd was. En het is een feit, dat men nóg
de liederen van den heer Kappers zingt, terwijl niemand zich van de
sonate van Grieg ook maar de eerste noten herinnert.

Trouwens men kènde de »artisten«, en in Flora waren vergissingen
uitgesloten, zooals die in het Concertgebouw plaats vonden, waar mijn
buurman vóór hij insliep den cellist bekeek, en toen het programma,
mompelend: »Mendelssohn.... Mendelssohn.... een mòf netuurlijk... dat
zie-je zoo!«

       *       *       *       *       *


_Zingen._

Het spijt mij, maar van de liederen, die wij gemeenlijk tesamen
aanheffen, kan ik u den tekst bezwaarlijk herhalen. Doch toepasselijk
zijn ze àlle.

Zoo, toen Gerrit thuiskwam en ons stràlend van vadervreugde mededeelde,
dat vrouw Gerrit hem eenen zoon gebaard had.

Onmiddellijk werd mijn gelukwensch gesmoord, door het gemeenschappelijk
en krachtig ingezette lied, dat aanvangt met de woorden:

    _Onze káter het jòngkies gekrége..._

en waarvan het refrein luidt:

    _poes, poes, sméeerige poes..._

enz.

Voorts is er een lied, dat zeer populair is, en waarin men voortdurend
herhaalt, dat »bij ons alles zóó óóóóó gaat« afgewisseld met »hallo,
hallo«. _Wàt_ en _wáár_ en _hoè_ er iets »_gáát_« is echter niemand
recht duidelijk, evenmin als men met voldoende duidelijkheid motiveert
waarom »_een mensch niet van stroo_« is of in hoeverre men »_naar
Amsterdam terug_« gebracht wil worden... altemaal uitbundiglijk
populaire liederen, waarvan de strekking geen andere is, dan spektakel
maken.

[Illustratie]

       *       *       *       *       *


_Meningitis-gevaar._

Het gevaar, dat ons soldaten bedreigt, aangestoken te worden door
meningitis cerebro spinalis, heeft tot nu toe geen andere moreele
uitwerking gehad, dan de nieuwe verwensching »krijg de nekkramp«.

Deze expressie is volstrekt niet gemeener dan die, welke iemand
respectievelijk de »pest«, »cholera« of anderszins toeschuiven en in den
laatsten tijd zelfs »de pokken«. De volksmond richt zich blijkbaar naar
de momenteel vigeerende ziekte!...

»Vandaag«, zeide de sergeant, »staat er in mijne orders, dat ik theorie
moet geven over de nekkramp... Ik zeg dus, weest zindelijk, in alles!
Deze ziekte is besmettelijk en gevaarlijk!«

»Weet iemand anders nog iets?«

Toen zeide Karel, dat het een »baktil« was, en betoogde Gerrit, dat
»hij« binnenkwam door de neus,... vervolgens ontstond twist onder de
toehoorders, waardoor de docent genoodzaakt werd de debatten te sluiten,
en den raad gaf, véél te rooken.

Kortom:

_De militaire geneeskundige dienst heeft ook hier gefaald, door niet
aan militaire dokters op te dragen een soort college te houden over de
nekkramp en de beveiligingsmiddelen tegen deze ziekte._

_Ook zij geconstateerd, dat ontsmettingsmiddelen voor de lokalen in
onvoldoende mate verstrekt zijn._

_Dat geen voldoende medische contrôle op deze reiniging plaats heeft._

_Noot:_ Zooeven heeft een tweede »lolletje« plaats gehad in Carré. Men
amuseerde zich uitbundiglijk. Den schenkers der benoodigde gelden dank,
ook namens Maupie Staal, eenen zanger van indécente coupletten, en den
exploitant der buffetten.


RIJM-KRONYCK.

~Krijgsmanszangen IV.~

_Mijn Schietgeweer._

    Mijn dierbaar, loodzwaar schietgeweer,
    U geldt vandaag mijn zang;
    Ik hef u op, en zet u neer,
    wanneer ik 's morgens exerceer,
    of leg u aan den wang.

    Ik poets u 's middags blank en schoon,
    van kruitdamp en van roet,
    opdat, wanneer ik u vertoon
    of presenteer, geen woord van hoon
    uw meester blozen doet.

    Soms kijk ik naar uw kleinen mond,
    die nu nog vredig lacht,
    en denk: »aan welken vreemden hond
    hebt gij--stel dat er krijg ontstond--
    uw gaven toegedacht?«

    Kan 't zijn, dat ergens iemand leeft,
    wien 't onbetrouwbaar lot,
    dat niet om jeugd of blijheid geeft
    een vroegen dood beschoren heeft
    door uw, en door mijn schot...?

    Of leeft er ergens een soldaat,
    (de Wereld is zoo klein),
    die zijn geweer nu gadeslaat,
    onwetend, dat het, vroeg of laat,
    op mij gericht zal zijn?

    Mijn schietgeweer is als een Sphynx...
    de mond blijft star en stom
    -- -- -- -- -- -- -- -- -- --
    Wat bliksem!--'t is een stuk metaal...
    Zoo zijn geweren allemaal...:
    Zoo dóódelijk, suf en dom...



V.


_Over het synthetisch element in de africhting van den recruut._

Bij nader beschouwing ware het wèl zoo passend geweest, in een minder
pretentieus bovenschrift mijne simple vertoogen aan te kondigen. Alsnog,
als blijk van mijn berouw in dezen, de volgende nadere toelichting:

[Illustratie]

Wanneer iemand u of mij verzocht, of gelasten mocht den neus te snuiten,
dan zouden wij ons--daar twijfel ik niet aan--intuïtief van deze taak
kwijten op eene wijze, die zeer zekerlijk de tevredenheid van onzen
lastgever zoude opwekken. Dit geval heeft echter alléén betrekking tot
de burgerlijke samenleving.

Een militaire lastgever toch, zou als volgt te werk gaan: Zonder uitleg
of inleiding zou hij de volgende reeks van bevelen tot ons richten:

Breng de rechterhand naar de rechter broekzak. Steek deze (de hand) er
in.

Knel de vingers te samen, en grijp de zich in de broekzak bevindende
neusdoek stevig vast.

Breng snel en krachtig de hand (waarin zakdoek) naar buiten, en
vervolgens naar boven, tot op circa 2 c.M. afstand van den neus. Haal
diep adem.

Breng de zakdoek om den neus, zoodat beide openingen geheel door het
doek omgeven zijn. Pers nu krachtig de lucht uit de longen door de
neusholte naar buiten, _en zorg daarbij den mond gesloten te houden...._

De rest zal ik u--kiesch-en-kuisch-heids-halve--besparen.

Nu is het ieder individu, na nauwkeurige bestudeering dezer oefeningen,
overgelaten, ze in goede volgorde uit het hoofd te leeren.

Pas wanneer dit--op straffe van hechtenis--is geschied, gaat de
instructeur er toe over de reeks bewegingen »zonder tusschenbevelen«, in
snel tempo te doen afwerken.

Indien deze leerwijze wordt toegepast op een klasse van zeg dertig
menschen, dan komt men voor het zonderlinge geval te staan dat--na een
week studie--_slechts twee of drie hunner den neus kunnen snuiten_....
hoe schitterend ook hunne antecedenten in dezen mogen zijn. En het
zwaartepunt der verklaring ligt in het feit, dat het kostelijk
materiaal, dat ons door de natuur als _intuïtie_ wordt gegeven,
brutaalweg genegeerd wordt, en plaats moet maken voor een reeks
»model-bepalingen«, wier noodzakelijk onderling verband den eenvoudige
van geest ontgaat.

Slechts weinigen zijn in staat de integraal van deze oneindige
hoeveelheid nietigheden voor zich zelve te bepalen.

Men zal mij van militaire zijde tegenwerpen, dat een zelfde beweging
door allen op dezelfde wijze uitgevoerd moet worden, en ik twijfel er
niet aan, dat een groot aantal--inmiddels vergetene--ontleedkundigen
zich ernstiglijk heeft bezig gehouden met de differentiatie van een
schijnbaar simpele beweging als »rechts-om-keert«.

Hier zou ik het voorbeeld willen aanhalen van mijn strijdmakker Hannes,
die, na bijna 3 maanden ernstiglijk oefenens, en behebd zijnde met
bijkans middelmatige verstandelijke vermogens, nog niet in staat is mij
op de voorgeschrevene wijze den rug toe te wenden.

Intusschen riep ik hem eens op straat, toen hij voor mij uit
dandineerde, aan met den modelkreet: »Amodjo! kameraod, gao je mee 'n
joajempie hikken?«

Tot mijn schrik en verrassing _voerde hij snel en behendig het
rechts-om-keert op onverbeterlijke wijze uit_!

»Hannes!«--zoo kreet ik verheugd----»Hannes, ge hebt hem te pakken!«

»'k Hè d'r nog geen eene gepakt!« deed hij naïef, niet begrijpend.

»Rechts om keert!« deed ik triomfantelijk. De lach bestierf hem op de
lippen.

»Mò jij me nou óók péste...?«

_Hij had het niet geweten!_

En ziet!

Nòg worstelt mijn kameraad met het euvel, en struikelt over zijne
conscientieus gepoetste schoenen, wanneer het fataal bevel klinkt!

       *       *       *       *       *

Ik zeide u te zullen spreken over het synthetisch element in de
africhting van den recruut.

En ge zult mij begrepen hebben:

Ik bedoel het noodzakelijke opklimmen van de bijzondere stellingen tot
eene algemeene.

En alweer licht ik dit toe met »rechts-om-keert«.

De eerste stelling van deze beweging is:

plaats de linkervoet schuin vóór de rechter, in een hoek van circa
90 graden met den oorspronkelijken stand, zoodat de holte op ongeveer
2 c.M. afstand is van de punt van... mijn hemel! het _is_ mij niet
mogelijk het alles op te schrijven... het duizelt mij van standen,
stellingen en tusschentellen... Het is zoo met duizenderlei oefeningen
op de plaats, met het geweer..., erbarmen!

Het is alles gecompliceerd, en schijnbaar zonder noodzaak. En ik weet
niet anders te doen, dan in starre ontzetting de bezoedelde handen ineen
te slaan, krijtend de cosmische, zij het gemeenplaatselijke roep van
_»Waarom?_«

       *       *       *       *       *


_De »starre blik« en »lijnen«._

De soldaat is kenbaar aan... neen, denk niet dat ik u wil gaan épateeren
met de resultaten van het door mij genoten militaire onderwijs. Ik wilde
slechts zeggen, dat een soldaat kenbaar is aan zekeren geestesafwezigen,
starren blik.

[Illustratie]

Hiermede is slechts de soldaat binnen-de-kazerne bedoeld; zijn blik is
als die van chauffeurs, die van achter hun stuur vreemdstrak in vage
verten kunnen staren.

Dat is de blik van den afwachtende, voor wien de perspectieven
eindeloos, en tegelijk zoo benauwend eng òpdringend zijn. Dat is de
blik, waarmede een nabij Sloterdijk opgestelde schildwacht over drassig
grasland tuurt, waarover--hij weet het--geen vijand naken zal.

Dat is de blik van den willooze, voor wien het tijdsbesef in nevelen van
belangstellingloosheid vergaan is.

De kostelijke uren van jeugd worden gretiglijk stuk voor stuk, of bij
dozijnen van de dragensmoede schouders geworpen, en de nog restende
tijd-last gaat benauwend zwaar wegen, daar de gedachten er zich op
concentreeren, en geen belangstelling ze tot gebodene centra kan
afleiden.

Wachten en tijd-dooden, dagen lang, en als opperst ideaal: »_De Lijn_«.
Deze is de vervulling en het doodsbed van wenschen; wanneer de lijn,
de rustige betrekking, verkregen wordt, dan is de situatie van den
gebrekkige als die van een in de sneeuw ingeslapen reiziger... hij
slaapt in, en zacht sterft de energie van zijn jeugd in het verraderlijk
bed.

Vaders en voogden, laat uwe zonen en pupillen geen »lijnen« verkrijgen;
laat hen zich interesseeren voor hun dienst, voor hun simpele taak. Want
waarlijk, voor wie zoekt, is dikwerf een uitleg te vinden voor
schijnbaar verwerpelijke zaken en harde maatregelen.

_Voor wie zoekt_, zeg ik, want àl te weinig wordt ons de beteekenis
verklaard van onzen bescheiden rol in het militair verband.



VI.


_Liefdewerk._

Moeders van militie-plichtige zonen der lichting 1916! Het is niet om
mij zelven lof toe te zwaaien, of om gewelddadiglijk uwe erkentelijkheid
te winnen, dat ik u zeggen ga, dat uwe zonen zacht zullen rusten! Maar
ik durf te verzekeren, dat de stroozakken, die uwe zonen wachtten, zacht
gestopt waren, zonder kiezelsteenen of roestige spijkers. Ik zelve vulde
er twee met zachtkittelende stroohalmen--en, misschien, is het een uwer
nazaten beschoren, te rusten op een zak, waarin een zweetdroppel
opgedroogd is van schrijver dezes, zoet en mild als een regendrop van
September in een schoof van dor gewas des velds.

[Illustratie]

       *       *       *       *       *


_Simon's pudding._

Het begrip »vergif« wordt voor u allen gesymboliseerd in een doodskop
met gekruiste botten, of in met zwart en rood beschilderde wangen en
oogen eener verloren vrouw... voor mij echter is vanaf gisteren vergif
analoog met Simon's pudding.

Zoo verleidelijk en tegelijk kwaadaardig toch als dit knalrood gerecht
was, kan bezwaarlijk absinth of nicotine of zelfs ether zijn... het was
de duivel zelve in pudding-vorm.

Simon is nu nog ziek; zijn vergiftigingsproces deed zich aanvankelijk
niet als zoodanig aanzien,--integendeel!

Wij waren op wacht, en het was Zondagnamiddag; nog twintig uren wachtens
en wakens lagen vóór ons, en gaperig, gemelijk en zwijgzaam zaten wij op
de banken aan het verlaten kazerneplein, beloerend elkanders bewegingen
en de enkele passeerende musschen. Tot dat plots uitbundig vreugdegetier
ons deed opschrikken; wij zagen Simon, toentertijd nog kerngezond. Hij
danste en juichte, en er was een grijns van verrukking op zijn overigens
gebaard gelaat; tusschen zijne handen was een pakje in courantenpapier.

Op ons vragend opzien was zijn antwoord een telkens in anderen toonaard
herhaald lied, luidende: »'k hè podding gekréege, 'k hè pódding
gekréege! Me vrouw hét me póooding gebracht!«

Na herhaaldelijk aandringen onzerzijds ontdeed hij met bevende vingeren
het pakje van het daarom gewikkelde Zondagsblad, en toonde ons triomfaal
een tusschen twee schoteltjes geborgen voorwerp, dat zachtjes deinde
en--ik zeide het u reeds--knalrood van kleur was.

[Illustratie]

»Frambóooze!« deed Hein gulzig, en trachtte het wiebelend uiteinde van
den spijs tusschen duim en wijsvinger te grijpen.

»Afblijve«, gromde Simon, om terstond weder zijn jubelzang te hervatten
en vervolgens ijlings te verdwijnen in de richting van het--op dat uur
gemeenlijk verlaten--waschlokaal.

[Illustratie]

Wij bleven zwijgend achter; misschien ware het mogelijk geweest, meester
te worden van de pudding, door ons de uitgave van een kwartje te
getroosten; Simon doet àlles voor kwartjes en bracht op mijn verzoek
zelfs een zijner persoonlijke vrienden een kaakslag toe, om zulk een
geldstuk te verdienen.

Daar de koop echter niet tijdig genoeg voorgesteld was, moesten wij het
aanzien, dat de gelukkige eenige minuten later likkebaardend, en nog
steeds grijnzend terugkeerde.

Vanaf dit oogenblik was het, alsof Simon door allen ietwat koel bejegend
werd...

Een uur later trad een nieuweling de wacht binnen; Simon was met hevige
buikpijnen naar de ziekenkamer gebracht, zoo vertelde deze achteloos.

Niemand gaf commentaar op dit bericht; alleen Jan zeide, zeer hoorbaar,
tot Gerrit:

»Nou, wij ete maar kug, hè? En wij lache maar!«

       *       *       *       *       *


_Honorarium._

Ik weet niet, lezer, of gij op het punt van honoraria opstrijken zoo
gevoelig zijt als schrijver dezes. Voor hem is een bescheiden couvert de
eenige mogelijkheid, waaronder hij min of meer verdiende verdiensten kan
entameeren.

[Illustratie]

Zoo zult ge begrijpen, dat de Zaterdag, of betaaldag in de kazerne voor
hem een der minst verfijnd bedoelde, maar desondanks eene uiterst
verfijnde pijniging is.

Dit proces toch ontwikkelt zich in een aantal folterings-phasen, als
daar zijn:

_a._ anderhalf uur wachtens in eene lange file;

_b._ eerbiediglijk groetend treden voor een tafel, vol kwartjes en
dubbeltjes, waarachter een sergeant-majoor gezeten is; het geheel
herinnert aan den croupier in een speelhuis waar geringe bedragen
omgaan;

_c._ het (eerbiediglijk) uitstrekken van de linkerhand, en het ontvangen
van soldij;

_d._ het groetend rechts-om-keert maken en verheugd lachend weggaan.

Teruggekeerd op de chambrée wordt de aldus tot kapitaalkrachtigheid
geraakte soldaat aanstonds bestormd door collega's, die onder luid
geroep van: »_Wie nog? wie nog?_« groote doozen en kisten ronddragen,
boordevol likeur-reepen, amandel-koeken, Haloppi-sigaren, schoensmeer en
andere weelde- of genotsartikelen.

Om niet al te zeer op te vallen, koop ik dan een doosje z.g. »piraatjes«
of een schoenveter; de rest van het honorarium wordt verbrast aan melk
en krentenbrood.

Het is mij nog niet gelukt, deze financieën, bedragende 24 tot 26
stuivers zoodanig te bestieren, dat ik, zooals velen, twee avonden
achtereen in »kennelijken staat« thuis vermag te komen.

Ook zijn er Duitschers, die geen kennissen in Amsterdam hebben, en toch
sparen.... ik schaam mij!

       *       *       *       *       *


_Gepoetste schoenen._

Men heeft mij de vraag gesteld, of het mijne gewoonte was, thuis »te
loopen met ongepoetste schoenen«; op mijn ontkennend antwoord gelastte
men mij, »dat dan hier ook niet te doen!«

Eerlijk gezegd, gevoel ik mij niet geheel verantwoord door mijne
mededeeling, en ik heb mij voorgenomen, eens ernstig met onzen
burger-oppasser te spreken. Ik herinner mij niet, mij »thuis« te aller
ure vergewist te hebben van het gepoetst zijn mijner schoenen, zooals
dat hier geschieden moet, doch ik placht vertrouwen te stellen in hen,
die mij niet »voor schande« zouden laten loopen.

Gepoetste schoenen! Het is mij een nachtmerrie geworden. Men eischt van
ons, dat onze schoenen _dof-glanzend_ zullen zijn, en het is mij nog
niet gelukt aan zoo streng een eisch te voldoen.

Ik heb getracht één schoen dof te maken, en één glanzend, om de neuzen
glanzend, de hakken dof te doen zijn, doch kreeg telkenmale berispingen.

Nu vraag ik u: zijn uwe schoenen dof-glanzend? En hoe zien zij er uit?

Zegt het mij en ik hoop mij te vrijwaren tegen onteerende straffen...!


RIJM-KRONYCK.

~Krijgsmanszangen V.~

                              _Bekentenis_
ter overweging aan hoofden van gezinnen, die onder hunne kennissen
landstormplichtigen hebben.

    Wanneer, na langen marsch,
      de krijgsman uit wil blazen,
    dan kijkt hij achterom,
      en suffig, om zich heen:
    Hij kent de weiën niet,
      waar vreemde koeien grazen,
    en zet zich zuchtend op
      een nooit-gezienen steen.

    Zoo kijk ook ik rondom,
      na ruim een maand van zwoegen,
    en vind mij-zelf terug,
      in streken, die 'k niet ken...
    mijn wangen zijn verweerd,
      mijn huid vol ruwe voegen...
    en 'k vraag mij peinzend af,
      of ik dat zèlve ben.

    Ik vond het vroeger vies,
      om op den grond te slapen...
    haha! belachelijk!
      ik droeg een òverhemd!
    Ik dronk nooit uit mijn hand,
      en dorst er niet uit eten,
    en had nog nooit een »pruim«
      bezogen en omklemd.

    Ik vond het vroeger vies,
      mij 's morgens slecht te wasschen,
    en poetste nooit een schoen...
      en dweilde nooit een vloer!!!
    Doch las--ik schaam mij dood--
      sérieuze paperassen,
    ...en kende géén matroos
      of smid of groentenboer!!

    Ik praatte vroeger nooit
      met mijn barbier z'n klanten,
    of achter op de tram
      met vreemden over 't weer...
    Nu groet ik dagelijks
      kapteins en luitenanten,
    die 'k zelfs bij naam niet ken,
      en die 'k niet frequenteer.

    Mijn geest is afgestompt,
      en 'k heb geen conversatie
    dan over »rechts-om-keert«
      en »schouder-het-geweer«...
    dus, Moeders, vraagt mij niet
      op uw diners, want gratie
    manieren of fatsoen
      bezit ik reeds niet meer.

    'k Bezit niet meer den tact
      uw dochters te behagen,
    doch neem van elk gerecht
      zoo dikwerf als 't slechts gaat...
    mijn glas word voor-en-na
      ad fundum omgeslagen...
    ...Ach! wend het weenend hoofd,
      en zeg: »_hij is soldaat!_«


ONBEWUSTE ZELF-CRITIEK.

Zij, die hebben durven beweren, dat de Duitsche soldaat een materialist
is, zullen leelijk opkijken bij het lezen der volgende regelen, die
ik in een Duitsch tijdschrift vond. Er moge uit blijken, welk een
gevoelige, tot het idealistische geneigde ziel er schuilt onder de ruwe
krijgsmanshuid; het is het eenvoudige, doch treffende gedicht van een
soldaat, die, na een kort verlof in zijne geboortestad, weer
teruggekeerd is in de loopgraven:

Urlaubs-Erinnerungen

    Urlaub!... bist du schön gewesen!...
    Deutsche Frauen,... deutscher Wein...
    Taxen-Autos; Pferde-Chaisen,
    Pilsner, Münchner, Mosel, Rhein!
    Servietten, weiß und sauber;
    Straßenbahn und Omnibus...
    Deutsche Häuser, Heimatszauber,
    Reine Tassen, Liebchens Kuß!

    Vater, Mutter, Schwester, Base!
    Meiner Ahnen alte Gruft...
    Saubre Tücher für die Nase...
    Heimatsprache... Heimatluft!
    Straßenanzug und Pyama...
    Nachts ein Bette, weiß wie Schnee!
    Wagneroper, Kino, Drama,
    Kabarett und Varieté!

    Deutsche Wiesen, deutsche Kinder,
    Rein die Teller und Besteck,
    Deutsches Schulhaus, deutsche Kinder,
    Deutsches knuspriges Gebäck...
    Extrablatt mit deutschem Siege...
    Abschied... Und ich halte Wacht,
    Bis ich ~wieder~ Urlaub kriege
    Oder bis man ~Frieden~ macht.

Het zal geen verwondering wekken dat ik, die zelf soldaat ben, en
mijnen verren collega dus begrijpen en waardeeren kan, mij door zijne
woorden geïnspireerd gevoel tot navolging.

Op dezelfde eenvoudige, doch veelzijdige en ethische wijze wensch ik
hieronder de gevoelens weer te geven van een evenzeer Germaanschen,
eenvoudigen Nederlandschen soldaat, die, na een kort verlof te Amsterdam
te hebben doorgebracht, naar het veldleger teruggegaan is:

VERLOFS-NAKLANKEN...

    _Ach, verlof,... wat waart gij heerlijk...
    Kalverstraat en Haantjesbier...
    Rolmops, kaas en vette lappen...
    Mengelberg en 't stadsvertier...
    Riemsdijk-drama's, Schinkelhaven...
    Artis, leverworst en ham...
    Atax-rijden, schoone hemden...
    de verbouwing aan den Dam..._

    _'t Huis, waar eens mijn ouders woonden...
    Uienbiefstuk in de Poort...
    't Kalfje, Trianon, 't Museum,...
    Rembrandt, Ruysdael en zoo voort,...
    IJsco en 't Bagijnenhofje,...
    Schoone lakens, heldre boord,...
    Al die lieve, oude grachtjes,...
    Hoek en de Oude-man-huis-poort..._

    _Pils met ramenas bij Schiller,...
    opstaan om een uur of tien...
    en de vreugde, om de Quelle
    en mijn meisje weer te zien...
    Bruine Amsterdamsche korstjes,...
    Wijnand Fockink, klare, port,...
    een nieuwe krant met Wolf-berichten...
    ...Ach, zoet verlof... gij waart te kort..._



VII.


_Verlofsherinneringen._

Wie zijn--zoo zult ge u ongetwijfeld wel eens afgevraagd
hebben--wie zijn toch die uitdagend rond-ziende jongelieden, wier
gezichten steen-rood verweerd zijn, die hun pasmunt, in stede
van in de linkerbroekzak, ronddragen in dikke, ietwat vettige
keukenmeiden-beurzen, die bij het naderen van elken gegradueerden
militair eene reflex-beweging naar hun kwalijk-passend hoofddeksel
maken, en die--blijkens de lieden die hen kameraadschappelijk
groeten--connecties schijnen te bezitten onder minder- zoowel als
onder de meer-waardigen dezer samenleving.

[Illustratie]

Deze jongelieden dan zijn verlofsgangers; zij slapen in
bedden-met-lakens, zij kleeden zich in de zachtst-zijden lijfgoederen
en sprenkelen lavendel op hun linnen, zij doen zich de meest exotische
dranken mixen en huren stationeerende automobielen... kortom zij
genieten van de dingen dezer aarde, en stappen driemaal daags in warme
baden, waarin de geurigste der parfum-kristallen zijn opgelost.

Valt hen niet hard, wanneer zij in eethuizen luider spreken dan
betamelijk is, wanneer zij uwe dochteren en nichten àl te vrijmoediglijk
toelonken... zij hebben het mom der beschaving gekozen voor hunne
soldateske uitingen. En hoe kan het anders?

Werd ik zelve niet door de zusters en nichten mijner krijgsmakkers op
straat luide aangeroepen, en waren er niet onder deze jonge dochteren,
die,--niet geheel vrij van behaagziekte--mij coquettelijk
toeschreeuwden: »_Hádt je me maarrr!_«

       *       *       *       *       *

Er wordt gezegd, dat negers, zoodra zij hun naakten,--eventueel
schaamschortelijken staat--verruilen tegen die van het Europeesch
toilet, dat deze negers dan zich te buiten gaan aan kleedingstukken
van de meest exorbitante soort. Deze zelfde eigenschap nu stempelt den
jongen verlofganger; van ònder af is hij ééne accumulatie van wijnrood
schoeisel en kanarie-gele slobkousen, flanellen kleeren en kleurig
linnengoed. Hij tracht zich gedurende één dag per maand voor dertig
dagen te »kleeden«.

Nog eens, vergeef hem!

[Illustratie]

       *       *       *       *       *


_Cullinaire genietingen._

Het was in een der Amsterdamsche eethuizen, dat ik mijnen vriend en
wapenbroeder Jan eene ernstige berisping moest toedienen. Ik betrapte
hem er namelijk op, dat hij,--na zijn thee tot de laatste droppel
gedronken, en, voor zoover het de resteerende bladen in het kannetje
betrof, gepruimd te hebben--dat hij moeite deed, om aan het buffet het
vaatwerk, als kopje, schoteltje en kannetje aan de verschrikte bedienden
te verkwanselen. Men begreep hem niet, totdat een der bedienden, die
zelve soldaat geweest was, tusschenbeide kwam. De quaestie is, dat in
onze Kantine de dranken in gebarsten koppen verstrekt worden, die men
tegen terugbetaling van vijf centen weder inlevert.

       *       *       *       *       *

Nimmer zoude ik den ziener geloofd hebben die mij--een jaar
geleden--voorspeld mocht hebben, dat ik eenmaal verzot zou geraken op
»kogelfleschjes«.

Reeds van mijn jeugd af heb ik een grondigen afkeer gevoeld voor deze
ploertige producten onzer vaderlandsche industrie. Of het de rammelende
glazen bal was, die mij ontstemde dan wel het vuil-groene glas of de
arrogante kleur van het scherp-mousseerend vocht, ik weet het niet.
Slechts bierfleschjes vond ik bijna erger, omdat zij groen zijn als de
groene zeep, en er in hun _ziel_ een gedécideerd vàlsch schijnsel is.

Nù ben ik dol op kogelfleschjes; mijne antipathie tegen bierfleschjes
kan ik nog steeds niet overwinnen.

En èrger: ik savoureer ijswafelen, nougatblokken, Cats-bonen en
verfrisschende-sport-pastilles; ik zet de gulzig plooiende lippen aan de
tuit van melkfleschjes-met-contrôle-papiertje, ik... maar ach, waarom u
»het-water-naar-de-mond« te jagen met de opsomming mijner vraat- en
drankzuchtige genietingen.

Leeft gelukkig met uwe beschimmelde kazen, uwe zéér droge champagnes,
en verduisterde caviars... wij, minderen, hebben de wàre cullinaire
behoeften gestild, wij sparen kwatta-soldaatjes en zilverpapier als
herinneringstropheeën aan onze gastronomische uitspattingen.

       *       *       *       *       *


_»Geheime«-zaken._

Nu ik dit sensationeel bovenschrift geplaatst heb, ben ik wel
genoodzaakt verder te gaan--maar mijn hand beeft, en ik gevoel mij
onzeker, want ik ga u--ja, in ernst, lezer--ik ga u een zaak verklappen,
die ik onder de meest nadrukkelijke geheimhouding ervaren heb.

Sterker nog: men heeft mij, op straffe van hechtenis, gelast, dit geheim
aan niemand, zelfs niet aan nieuwsgierige officieren, te verklappen...
en toch, en toch kàn ik niet anders... ik moet het u zeggen.

Ik heb den korporaal, die mij inlichtte, gewaarschuwd, ik hèb hem
gezegd, en herhaald, dat ik op de jours van mijne moeder, met hare
vriendinnen, honderd-uit fluister, dat ik nieuwsgierig ben, walgelijk
nieuwsgierig! dat ik aan sleutelgaten loer en luister, dat ik in café's
menschen de woorden uit de mond staar... en dat ik alles, àlles wat ik
op deze wijze verneem, óververtel en nàpraat: van A aan B over C, van C
over A aan B, van B aan C over A...

Hij lette er niet op... en ik ga u het geheim, dat mij toevertrouwd
werd, verklappen.

       *       *       *       *       *

Ik moest dan een wacht betrekken, van één uur tot drie uur in den nacht.
Het regende fijntjes en onzichtbaar door het stikduister. Wij togen--de
korporaal van de aflossing en ik--naar de plek, die ik de eer zou
genieten te mogen verdedigen.

Het was de »_wacht bij de privaten_«. Neen, burger, lach niet! Militaire
privaten staan in hoogen, zij het ook kwalijken reuk, voor zoover zij
voor méérderen bestemd zijn. Ik plaatste mij naast den man, dien ik
zou aflossen, en speurde aanstonds, door een lichte bezwangering der
atmosfeer, dat de privaten, hoewel zij door het duister aan mijn oog
onttrokken waren, niet vèr konden zijn.

»Presenteer geweer«, klonk sonoor des korporaals stem door den nacht.

En toen wij, in het stikdonker, en onder een fijn motregentje, naast
elkander dit eerbewijs--voor niemand zichtbaar--uitvoerden, klonk het
bevel »consignes overgeven«.[E]

[E] Mijn vriend Hannes spreekt van »_consumpties-overgeven_«.

Consignes, lezer, zijn zéér geheim, en worden fluisterend overgegeven.
Géén meerdere, al ware het mijn allerhoogste chef Snijders zelve, heeft
het recht, mij naar mijne consignes te vragen.

Dat ik ze hier _uit eigen beweging_ vertel, is echter een andere
quaestie, en van te voren verklaar ik, dat ik nòch door de uitgevers,
nòch van de zijde der redactie eenige pressie te dien opzichte heb
ondervonden.

[Illustratie]

De man bracht zijn mond bij mijn oor; duidelijk speurde ik zijn adem en
tabaksgeur, en, boven het stormgeloei uit, vernam ik zijn fluisterende
stem, terwijl hij mij eenige scherpe patronen overgaf:

»_Zorg datte d'r fen deuze private geen gebruik gemaakt wordt door
soldate beneide de rang fen onderofsier_«...

Pàts... het staat er... het schaamrood stijgt mij naar de wangen...

Tot mijne verontschuldiging nog slechts dit: gedurende mijne wachturen,
van één tot drie uur 's nachts, heeft géén mindere getracht, zich
wederrechtelijk tot een der hokjes toegang te verschaffen.



VIII.


_Welkom, Collega's!_

In het groote nationale hôtel, dat onze kazerne is, zijn eenige
honderden nieuwe gasten aangekomen.

Maar geen belletje heeft getinkeld bij hun binnentreden, en geen
portiers of liftboy's zijn hen tegemoet gesneld. Hoogstens heeft een
overmoedig milicien-recruutje hen, van uit het gelid, »hádjememáár«
toegeroepen, voor welke daad van gastvrijheid hij zich eenige dagen
kwartier-arrest toebedeeld zag.

Bij het aanzien dier stoet van benepen loerende burgers, kwam mij weer
helder mijn eigen aankomst in de gedachten, in dit ietwat wrak gebouw,
dat mij sindsdien zoo dierbaar geworden is...

Ik herinner mij als gisteren, hoe men ons, vredige particulieren,
een kring deed formeeren, hoe vervolgens een rossige en sproetige
sergeant-majoor ons de krijgsartikelen voorlas, met luider stemme
sprekend, telkens wanneer quaestie was van »_de dood_«, »_straf_«,
»_dood door de kogel_«...

Velen onzer vermeenden nimmer te voren in grooter doodsgevaar verkeerd
te hebben, dan dit oogenblik, en staarden vol ontzetting naar den
sproetigen sergeant-majoor, die op één dreun voortging met het lezen
der verschrikkelijkheden, die ons bedreigden, terwijl de toorn-aderen
in zijn voorhoofd zwollen, alsof hij aanstonds uitvoering zou gaan
geven aan het geprojecteerde bloedbad.

Ik weet niet, collega's dien ik het welkom toeroep, in hoeverre de
sp. S. M. ook u verschrikt heeft, maar het komt mij voor, dat--waar
het meerendeel uwer gehuwd is--onder u een oogenblik het schrikbeeld
geheerscht moet hebben van tallooze weduwen, en bloedjes van vaderlooze
kinderen...

Vreest echter niet.

Indien ge ervoor zorgt, 's morgens tijdig wakker te zijn, uwe schoenen
gepoetst te hebben, en geen appèls te verzuimen, dan verwed ik er wat
onder, dat er onder u slechts weinigen zullen vallen als slachtoffer van
de krijgstucht.


_Uwe manieren._

Denkt nu niet, dat ik u houd voor barbaren, of onbehoorlijke lieden,
wanneer ik u wenken geef betreffende uw gedrag en optreden. Integendeel.
Doch hoe hoofsch en beminnelijk uw optreden tot nu toe geweest moge
zijn,... ik ben er van overtuigd, dat gij beginnen zult u als een
ònwellevend soldaat te gedragen.

Waag het niet ànders op uw meerderen toe te komen, dan als wildet gij
hen van de been loopen.

Sta dan met één ruk stil, en vraag beleefdelijk of ge hen iets vragen
moogt.

In de meeste gevallen zal men u toestemmend antwoorden, en gij aarzelt
dan ook niet met te vragen, of ge hen een vraag moogt stellen. Indien
uw meerdere ook hierop gunstig beschikt, stelt ge kort en zakelijk uw
vraag. Ten slotte zult ge u wel wachten, uw dankbaarheid onder woorden
te brengen.

Ook zult ge ervoor moeten waken »met je poote op je bed te legge«, en
in het oog te houden dat »de tafel is om van te éte, en niet om op te
poesse, want dat doe je thuis ook niet!«

Wanneer men u een dweil geeft, om een vloer te reinigen, dan zult ge
niet moeten aarzelen met het verwekken van breede plassen, daar ge
anders onvoorwaardelijk onder verdenking zult komen van »te doen zoo'as
je je selon thuis zwabbert.«

Zoo zoude ik u duizenderlei wenken kunnen geven betreffende poetsen en
vegen... doch ik zie mij het gras voor de voeten weggemaaid door reeds
bestaande litteratuur op dit gebied, als daar zijn: »_Het handboek voor
de aankomende jonge dienstbode_« door Estella en »_de wenken betreffende
het onderhoud van geweer-loopen_« uitgegeven op last van het ministerie
van oorlog (natuurlijk het laatste alleen).

Gij zult goed doen, uwe familie de wandeling in de omgeving van
oefenterreinen te verbieden, wilt ge tenminste niet voor het geval komen
te staan, dat uw jongste u op een vrijen dag toevoegt: »Pa, wat dée u
gèk laatst!«, of: »pa, was de meester bòòs op u?«


_Boosdoeners._

Lang zijn de tijden voorbij, dat ik afschuw of huivering gevoelde bij
het zien van gevangenissen of dievenwagens. Men behoeft slechts in nader
contact met het strafsysteem te komen, om te begrijpen, dat al deze
uiterlijkheden het wezen der zaak niet bereiken.

Wanneer 's morgens, op het Kazerneplein, de gevangenen »gelucht« worden,
en ronddrentelen onder bewaking van soldaten, dan aarzel ik niet hen een
kameraadsschappelijken groet te brengen.

Gevangenen... mijn hemel; Ge denkt aan van bloed-druipende
moordenaarshanden, wilde oogen, en worgende vingers... hoe naïef zijt
ge.

Voor mij zijn gevangenen slechts ongelukkige collega's, in wie het
initiatief niet gewaardeerd is. Ik ben vertrouwd geraakt met cellen en
kettingen, zooals ge u in Engeland went aan custard, in Indië (_te_
Indië zegt Hannes) aan rijsttafel met roode vischjes. Ik aarzel niet, de
hand te drukken van iemand, die een dag dienst verzuimd heeft, doch zorg
zelve geen dag te mankeeren om... geen straf te krijgen. En zoo betrapte
ik mij onder dienst op het feit, dat ik voor het eerst van mijn leven
mijn plicht deed... uit angst voor straf. Vergeleken met miliciens,
mogen wij, landstormers »bewuste menschen« genoemd worden. En wij geven
er ons rekenschap van, dat er dikwijls juist zóóveel gedaan wordt als
noodig is, om niet wegens gebrek aan dienstijver gestraft te worden.

Moge dat bij miliciens, jonge menschen, wier karakter en
levensbeschouwing nog gevòrmd moeten worden, niet àl te ongunstig
werken!

       *       *       *       *       *


_Toilet._

»Kijk es«--zeide Simon dezen morgen, terwijl wij naast elkander stonden
in het wasch-lokaal--»kijk es wat ik femorge me hàre fijn geplakt
hét.«

Inderdaad lag zijn vettig hoofdhaar in twee, door een rechten lijn
gescheiden, plakken op zijn schedel.

Simon plakt iederen morgen zijn »hare«, en gaat éénmaal per week onder
's rijks douche. Dit voorrecht geniet hij met ons allen, die in twintig
minuten moeten aan-, uitkleeden en douchen. Jammer dat het meestal
vóór in de week is, vindt hij, want Zondags ben je al niet meer knap.
Met oogen vol nijd en afgunst plegen wij te loeren naar de blikken
wasch-kommen, die de miliciens krijgen, terwijl wij ouderen, zoowat
plensen onder een kraantje. Dit neemt echter niet weg, dat wij als
om strijd weelde-toilet-artikelen medebrengen, en elkander de oogen
uitsteken met geriefelijkheden, als daar zijn: handiglijk tot
reisnécessaire ingerichte sigaren-kistjes of chocolade-reependoozen,
in krantenpapier gewikkelde stukjes sunlight-zeep, of heusche
tandenborstels.

Één was er--en hier gevoel ik met schaamte, hoe de afgunst mijn stem
doet dalen tot schor-kwaadsprekers-timbre--één was er, die een ècht
beenen dingetje had, met aan de ééne kant een nagelpeuter, en aan de
andere een tandenstoker d'r aan! Ja, ja, zoo weten sommige gegoeden het
zich--zij het dan ook zonder kòsten te ontzien--geriefelijk te maken in
eene kazerne.

       *       *       *       *       *


_Mijn eigen bed._

Onlangs heb ik dan waarlijk mijn eigen burger-bed weer gezien. En de
désillusie was volkomen. Ik begrijp u allen niet: hoe ge slapen kunt in
al die kille lakens! en dan dat ènge vachtje op den grond er voor, en
dat weeë veeren van de matras... neen, dat is niets voor mij! Ik houd er
van, de stevige, prikkelende stroosprieten in mijne heupen te gevoelen,
ik geniet bij het ontwaken met een mond vol deken-wol, en ik kàn niet
inslapen, zonder mijne ellebogen blauw gestooten te hebben tegen ijzeren
krib-stangen.

En wanneer ik ooit bij u ingekwartierd mocht worden, en ge dacht
mij genoegen te doen met het spreiden van een dier verfoeilijke,
gecompliceerde slaapgelegenheden, waarin ge u zelve pleegt rond te
wentelen... nu, dan kunt ge ervan overtuigd zijn (hoe ondankbaar zulks
schijnen moge) mij den volgenden morgen te zullen vinden: òf opgerold in
de mand van uwen hond, òf uitgestrekt op de ruwste uwer gangmatten.


_Eten._

Dezen middag heb ik een groot bord vol aardappelen gegeten. Nimmer heb
ik geweten, dat aardappelen zóó groot konden zijn, en dat er zóóvele op
één bord bijeen konden liggen.

Ik had grooten honger, en staarde met gulzige en blinkende oogen naar de
aardappelen op mijn bord.

Ook de aardappelen staarden! Zij staarden mij aan uit tallooze groenige
oogen, wat fletser dan de mijne wel is waar, doch véél, véél grooter in
aantal.

En zij schenen geheel verzoend met hun lot.

Trouwens, links en rechts, en tegenover mij staarden tallooze
aardappelen op àndere borden even goedig en suffig naar àndere
hongerigen.

Toen ik één aardappel gegeten had, kreeg ik plotseling een gevoel, alsof
hij, in mijn maag, met zijne oogen begon te rollen. Maar toen ik zag,
dat de anderen rustig bleven liggen, greep ik een groote, oranje peen,
met het oogmerk, die den aardappel na te zenden...

Hiermede, lezer, eindigde mijn feestmaal even plotseling als het
begonnen was. Nu moogt ge mij uitschelden voor eenen verkwister, of
verwenden kwast, die tallooze peenen en aardappelen ongestoord laat
ronddrijven in prima vet, doch dit is reeds niet meer noodig...

Ik heb mijn straf gevonden in den droevigen blik, waarmede, uit
duizenden verwijtende, groenige oogen, de overblijvende aardappelen mij,
hunnen versmader, aan bleven staren...


RIJM-KRONYCK.

_'t Wordt mij zoo schrikkelijk benauwd..!_

    't Wordt mij zoo schrikkelijk benauwd!
    'k Heb uren lang mijn pen bekauwd
    en 'k weet u niets te zeggen...
    Mijn hooge militaire kraag
    was nooit zóó nauw als juist vandaag
    nu 'k frissche lucht en ruimte vraag...
    Hetgeen ik in mijn ziele draag,
    kan 'k niet in woorden leggen...

    Ach, kwame er toch een offensief!
    dat ware mij nog wel zoo lief
    dan al die telegrammen...
    of ware ik vechtend aan het front!
    voorwaar dat 'k u dit schrijven zond:
    »_granaten bàrsten in het rond,
    een strijdkreet welt mij naar den mond,
    vaarwel, we gaan ze rammen!_«

    Of dan het slot-gevecht op zee,
    en ik was op zoo'n schiet-schuit-mee...
    neen... zeeziek zou 'k niet wezen,
    ik zond u vast een draadbericht:
    »_de vijand krijgt op z'n gezicht,
    de hemel is slechts vuur en licht,
    en donderslag en bliksemschicht,
    doch ik weet niet van vreezen_«.

    Helaas, 'k ben geen d'Annunzio,
    Romain Rolland of Doyle en zoo,
    ik mag ze alleen benijden,..
    ik ben een Nederlandsch soldaat
    »die wachtend aan den drempel staat,
    die nimmer heerschers binnenlaat
    en die zijn wachtpost nooit verlaat
    en die zijn tijd moet beiden«.

    ...'t Wordt mij zoo schrikkelijk benauwd!
    'k heb nog eens op mijn pen gekauwd.
    Hoe langzaam gaan de uren.
    Ik weet niet wat 'k u zeggen zal...
    ...er is geen nieuws, geen moord-geval...
    _...er is geen bloemkool_, dat is al:
    . . . . . . . . . . . . . . .
    vandaar, dat 'k in de zucht verval:
    »hoe lang zal dat nog duren?«

(Melis moest zich eens bij den dokter melden wegens eerste
verschijnselen van _mobilisitis_, die in sommige gevallen in sabelkolder
kan overslaan. Remedie: hard loopen en Valeriaan. Corrector).



IX.


_Een oude lotgenoot._

Ik wil u vertellen van een ouden lotgenoot, van een zéér ouden! Hij was
van de lichting 303 N. Chr. .... neen, lezer, lach nu even niet, want
het staat in een boek!

Het boek heet »Historia Lausiaca« en de schrijver, Palladius, wijdt een
hoofdstuk aan mijnen lotgenoot. Hij werd omstreeks 292 geboren, en werd
in 313 onder de wapenen geroepen, in het leger van Koning Constantijn.

Met andere jongelui van zijne lichting werd hij den Nijl langs gevoerd,
en naar Thebe gebracht, waar blijkbaar het infanterie-depôt was, en--zoo
zegt de schrijver--»daar opgesloten.«

De Grieksche, Koptische, Arabische en Syrische teksten en
levensbeschrijvingen, betreffende _Pachomius_, mijnen
mede-landstormplichtige van die oude lichting, vermelden niet de
namen der korporaals en sergeanten, superieuren althans, van _Pach_,
zooals hij onder zijne escouade-genooten wel genoemd zal zijn, doch
wèl vertellen zij, dat de behandeling der recruten in het depôt te
Thebe zéér hard was.

Arme Pach, was je maar bij ons, bij het 7e geweest! Wij krijgen peen en
vet in overvloed, terwijl gij, met uwe kornuiten, grootendeels afhingt
van een aantal liefdadige burgers.

Zestienhonderd en drie jaren, nadat gij den Nijl langs gedreven wierd,
verlieten mijne vrienden Simon, Kees en zoovele anderen Amsterdam, en
stapten langs de Vecht naar een vriendelijk groen fortje, waar hen de
meest overheerlijke boonen wachteden...

Arme Pach... eind 313 was hij afgericht, en toen dorst hij aarzelig te
vragen, wie de goede burgers waren die hem getroost hadden en
gespijzigd.

Men antwoordde hem, dat het Christenen waren, en dat zij barmhartigheid
betoonden aan vreemdelingen en aan alle anderen....

Dit onthield Pach, en, toen zijn lichting naar huis mocht, trok hij naar
een dorp in de Thebaïs, en liet zich doopen.

Professor Pijper, die in zijn studie over de kloosters een hoofdstuk
aan Pachomius wijdt, zal mij vergeven, wanneer ik hier verklaar, mij
verbaasd te hebben over het vervolg van Pachomius' levenswandel.

En ik stel op den voorgrond, dat ik mij niet als _mensch_ verbaas, doch
uitsluitend en alleen als _recruut_, als collega dus.

Want wat, lezer, deed Pachomius toen hij de kazerne van Thebe eindelijk
uit mocht?... Wat hij deed?....

Wel, ge ziet al iets schemeren! Ge denkt al aan onze soldaten, die naar
huis mogen, en die, bepakt en wel, zooals ze afgepresenteerd zijn (- of
»hebben«, wat is het?) schreeuwend door de stad zwieren....

Wellicht is dien nacht Thebe het tooneel geweest van feestelijke
afzwaai-partijen, van soldaten met burger-mantels om.... maar wie daar
niet bij was, dat was Pachomius.

Hij verwisselde de kazerne voor het klooster....!

Neen, lezer, nu in gemoede, en dat zult ge toch met mij eens zijn: daar
kan een Amsterdamsche jongen van _hatjememaar_ niet bij.

Die bedrinkt zich, en zingt van:

                 »_asse me de rotzooi gaan verláaate!_«

                                   of

                   »_gaif me me burregerpet terug!_«

--die loopt met z'n ransel op den rug, en zijn geweer op den
schouder, en aan iederen arm een meisje, waarvan hij alléén de vóórnaam
kent tot in het holst van den nacht de kroegen af....

--die, ja, die doet àlles, juist behalve dat, wat Pachomius deed.

Pachomius had een zwaren dienst, en heelemaal geen »lijn« en hij kwam
gelouterd uit den dienst. Hoe zullen wij Simon, Kees, Klaas en Hein,
..., hoe zullen wij, mijne vrienden, uit den dienst komen? Simon als
een reuze-voetballer, en Kees als een man die op alle uren van den dag
slapen kan, en Klaas vol stiekeme stoutigheidjes....

Vrienden, laten wij zijn als onze collega van de lichting 313! Laten wij
profiteeren van de _goede elementen_, waarmede de dienst ons
toevalliglijk in contact brengt.

Dat wil nu juist niet zeggen, dat wij in kloosters behoeven te gaan....
neen, daarvoor zal het leven ons nog te zeer behoeven.

Maar laten wij als goede menschen weer onder de burgerpet terugkeeren!

       *       *       *       *       *


_Herinneringen aan een »rot-sersant«._

Nu ik hem wel nooit meer terug zal zien, durf ik herinneringen
opschrijven, die ik aan hem bewaar. Hij was een »rot-sersant«, althans
mijne kameraden hadden dit eenstemmig uitgemaakt, en, der conversatie
ter wille, noemde ik hem ook maar zoo.

Hij heeft nooit één onzer gestraft, en nimmer iemand vriendelijk
toegesproken. Op zijne inspecties sidderde de heele sectie, en als hij
ontevreden was, wisten ze, dat er geen straf volgen zou.

Hij kéék alleen maar. Nooit heb ik iemand of iets zoo zien kijken, als
hij het doen kon: hij keek je spuuglok onder je pet, de vlekken uit je
jas, en het roest van je bajonet. Hij keek zoo doordringend, dat je
zonder den blik neer te slaan wist, welke schoen ongepoetst was, of
welke knoop op je rug mankeerde.

Als je hem, ietwat stamelend, »goeie morgen« zeide, keek hij de adem uit
je longen weg, en als je ergens op de hei te slapen lag, kon hij je op
een uur gaans afstands wakker doen schrikken, door zijn kijker op je te
richten.

Hij kéék zijn kogels in de schijf, en z'n mannetjes in de houding.

Niemand wist wie of wat hij was, of hij thuis een kind op zijn schoot
had, of lachen kon hij op den verjaardag van zijn zuster.

»Ik weet het niet« zei Simon, »ik weet niet wat et is! Sagerijn is et
niet, en kapsones benne et niet.....«

En zoo werd, uit de algemeene onbegrepenheid de benadering »rot-sersant«
geboren.

's Avonds zeiden we tegen elkaar dat het onzin was, dat we kerels van
vier-en-twintig waren, en geen jongens op school. En 's ochtends, bij de
»tieerie«, als zijn vrééselijke blik over de klas van gesnorde kerels
waarde, dan was het zoo stil als in een bewaarschooltje. Niemand heeft
hem, toen hij wegging, vaarwel gezegd, en hijzelf heeft,--naar men
zegt--ergens uit een venster van de kazerne toegekeken hoe zijn sectie
voor goed afmarcheerde....

Later ben ik hem nog eens tegen gekomen, en, worstelend tegen de
magische krachten van zijn blik, ben ik naar hem toegegaan, om hem te
begroeten.

»Zoo hebt u er al heel wat laten weggaan«, converseerde ik
quasi-luchtig.

Hij keek dwars door mij heen, terwijl hij antwoordde: »Och, toen ik
zeventien jaar was, heb ik eens gehuild, toen m'n eerste sectie uit
elkaar ging,... maar daar wen je aan! In dienst moet je aan alles
wennen!«

Vanmorgen kreeg ik een briefkaart van Simon; na vele inlichtingen en
vragen schreef hij: »wanneer je de sersant mog ontmoete, doe hem dan de
groete van ons. Wat was die altijd aleenig met zen eige!...«

       *       *       *       *       *


_Feesten._

»En als jelui nou zoo onder mekaar ben, en je heb een daalder in je zak,
ráke jelie em dan niet?« informeerde Jan, na een lang gesprek over de
geneugten en gevaren, verbonden aan het hebben
»van-een-daalder-in-je-zak.«

Ik haastte mij te verklaren, dat zelfs de fatale samenwerking der
factoren _»onder-mekaar-zijn_« en _»een-daalder-in-je-zak_«, niet
onherroepelijk behoeft te leiden tot smoordronkenschap.

Dit wilde er echter maar niet zoo-zonder-meer bij hem in.

»Kom-schei-nou-uit!« elleboogde hij knipoogend--»dan leg je immers zóó
voor merakel in de goot!«

Nogmaals spande ik mij in, hem te doen inzien, dat ik dikwijls met het
genoemde bedrag in mijn zak, en in gezelschap van eenige vrienden
geweest was, zonder beschonken of in goten te zijn geraakt.

Toen werd hij minachtend.

»Nou«, snoefde hij,--»dan bin jelie met je alle niet zóóveel!«

Dikwerf luister ik met onomwonden belangstelling naar de feestrelazen
mijner vrienden; ik hang aan Teunis' lippen, wanneer hij mij in een
reeks krachttermen, met enkele feiten gelardeerd, verhaalt van den nacht
in het politie-bureau, vanwaar men hem zooeven naar de kazerne heeft
doen vertrekken; met sympathie in mijne oogen bezie ik de tallooze snij-
en slaagwonden op zijne handen en aangezicht.

Neen, bij zulke feesten zinkt iedere kroegjool in het niet!

Slechts éénen man heb ik gekend, die hoogere délices wist te
savoureeren; dat was mijn vriend Hannes, de schipper.

Hannes was een philosoof, en placht eene jonge dochter te beminnen die
»Merie« heette, en waarop, volgens zijn zeggen, »een merakels lief koppi
stond.«

Op zekeren dag hadden Amsterdamsche menschenvrienden een soirée voor ons
gearrangeerd in een der schouwburgen, en, op hoog bevel, hadden Hannes
en ik, en alle anderen, na de middagsnert onze handen gewasschen en het
voornaamste gedeelte van ons gezicht, teneinde »knap« in de comedie te
komen.

Vier aan vier, in een schier eindelooze stoet, trokken wij de vreugde
tegemoet. Hannes en ik liepen naast elkander, en deelden niet in de
algemeene opgewektheid.

Met zijne ietwat loenzende oogen keek hij eerst naar den sergeant, en
vervolgens fluisterde hij mij toe:

»Nou ik me eige tòch gewasse heef, ken ik toch beter met Merie gaan,
vanavond.«

»Hé je geen senie in de kemedie?« informeerde ik.

Hij keek minachtend en vreeselijk blasé op me neer:

»Wat doe ik met al die flauwe onzin! Ik ken toch beter een bakkie koffie
hale bij Merie?«

Reeds eerder had hij mij toevertrouwd, dat hij gaarne lange avonden
zwijgend doorbracht met Merie en koffie.

Toen maakten wij samen uit, dat »de kemedie« »géén werk« was, en dat wij
zouden probeeren te ontvluchten.

Aanvankelijk namen wij vol enthousiasme onze schellinkiesplaatsen in, en
brachten, als echte théater-habitué's een minuut of tien ongegeneerd
zingend, spuwend en schreeuwend door. Wij gaven, zooals Hannes terecht
opmerkte: »geen sjoege.«

Toen het scherm opging, riepen wij allebei »ssssst«, en kropen toen op
handen en voeten onder de banken door naar de nooduitgang.

In de gang ontmoetten wij een soort schildwacht, die ons aanhield.

»Hé, hé, wat was dat?«

Hannes, vol tegenwoordigheid van geest, verklaarde, »datte-me-naar de
koffiezaal moste, omdatte-me dorst krege van 't klappe.«

In de »koffie-zaal« was natuurlijk niemand, en de juffrouw in het buffet
keek ons wantrouwig aan.

Maar we knikten haar vriendelijk toe, en zeiden dat het »zoo warrem wier
binne«; Hannes was zoo beleefd mogelijk, spuwde slechts driemaal op den
grond van de foyer, en ging toen naar het raam, om te kijken, of de
brandladder bereikbaar was.

Na vijf minuten kwam hij me roepen, en, terwijl hij snel de rest van
mijn glas bier opdronk, fluisterde hij, »feruit, ze kijk net niet.«

Met kloppend hart kropen wij op handen en voeten het buffet langs, de
foyer uit, en de wandelgangen door.

Ieder oogenblik vreesden wij een suppoost of ouvreuse te zullen
ontmoeten; bij de tweede trap gleed Hannes uit, viel tegen mij aan, en
sleepte mij mede in zijn val; met een doffen bons vielen wij in het
portaal doch bleven muisstil liggen. Mijn been was pijnlijk geschaafd,
en op Hannes' zooeven nog gewasschen aangezicht waren vieze zwarte
streepen.

Ik weet niet meer, hoe wij er in geslaagd zijn een zijdeurtje te
bereiken, dat niet bewaakt werd, maar, een oogenblik later, stonden wij
in de frissche buitenlucht.

»Nou« zeide Hannes, wien ik nu blijkbaar overbodig was--»ajuus--ik ga na
Merie!«

Hij trok, bij het wegloopen, wat pijnlijk met zijn voet...

       *       *       *       *       *

Indien, voor dit misdrijf, de lange arm der gerechtigheid ons niet meer
achterhalen zal, dan, Hannes, blijft ons slechts over onze excuses te
maken voor de groote ondankbaarheid, die wij dien avond getoond hebben.

Maar wat doe je al niet voor een bakkie koffie bij Merie...?



X.


_De militaire groet._

Een collega--»_Een Nederlandsch soldaat_«--betitelde hij zich, geloof
ik,--heeft gastvrijheid gevonden voor een ingezonden stuk van zijn hand,
in de meeste dagbladen onzer goede stad.

Boven zijn artikel schreef hij: »_de militaire groet_«. In zooverre
gevoel ik mij dus niet onschuldig aan plagiaat. Wat mijn confrère
betoogt, komt in hoofdzaak hierop neer,

--dat hij zijn plichtmatiglijk gebrachten groet wel eens genegeerd ziet,
of slordiglijk beantwoord,

--dat zulks in hem en anderen de lust tot salueeren aanmerkelijk heeft
doen bekoelen,

en dat hij dit--in het belang der krijgstucht--een leelijk teeken acht.

Behalve het hartstochtelijk ge-_Generaal_!! waardoor zich zijn in
vocatief-vorm gewrochte pennevrucht kenmerkt, heb ik een ander bezwaar
tegen zijn pathetisch betoog. Ik zoude namelijk mijnen wapenbroeder
willen toeroepen, met een commando-stem, die feitelijk mijnen bescheiden
rang kwalijk past:

»_Gij, snuiter, kent niet de poëzie van den militairen groet_«.

Want ontegenzeggelijk zijn er poëzie, fijne levenskunst en innige
beschaving toe noodig om den militairen groet in zijn diepste wezen te
kunnen genieten.

       *       *       *       *       *

Op dit oogenblik waar--ik heb zulks nagecijferd--_in ons land per
secunde gemiddeld 72532 militaire handen tegen militaire
hoofdbedekkingen tikken_, lijkt mij deze zaak van genoegzaam algemeen
belang, om er eene nadere bespreking aan te wijden.

Ik zal dit doen op ego-centrisch-militaristische wijze, en begin
aanstonds te verklaren, dat ik gaarne salueer; de militaire groet is mij
van een plicht tot een genoegen geworden, van genoegen tot wellust en
van wellust tot hartstocht.

In café's en restaurants spring ik, bij het naken van welken meerdere
ook, als door een veer gedreven in kaarsrechte houding, niet lettende op
vaatwerk, dat in scherven van mijn schokkend tafeltje valt of op
buurlieden met wie ik in onzachte beroering geraak.

Bij den scheerder spring ik--het vlijmscherp mes verachtende--omhoog.

Op straat breng ik mijn groet met zóódanigen nadruk, dat de meest
hooggeplaatste superieuren snel pijp of sigaar uit den mond nemen en de
arm hunner echtgenoote loslaten bij mijne nadering, teneinde mijn groet
op dezelfde wijze te kunnen beantwoorden als ik hem breng.

Ik stoor er mij niet aan of zij al rustiglijk hun soep of drank genieten
in koffie- of eethuizen... ik plaats mij kaarsrecht, met aanéénkleppende
hakken rècht voor hun tafeltje en volhard in deze houding, totdat zij
gelieven mijne nietige aanwezigheid te aanvaarden en te approuveeren
door eene lichte neiging met het hoofd.

Ik groet meerderen in voorbijsuizende trams en huurautomobielen, weer
anderen met een pakje in iedere hand--die alsdan het hoofd in mijne
richting moeten draaien, mij daarbij aanziend--meerderen op vélocipèdes,
paarden en motorrijwielen... kortom, ik gedraag mij met innig wèlbehagen
naar de bestaande voorschriften.

Aan den anderen kant onderga ik met zeker filosofisch genot de
bejegeningen, welke mijn confrère heeft willen onderwerpen aan de
algemeene belangstelling.

Wanneer ik mijn reglementaire eerbetoon bracht, is het herhaaldelijk
voorgekomen, dat zulks beantwoord wierd met een goedmoedig:
»_besjoer_«.[F]

[F] _besjoer_ = _Nederlandsche volksuitdrukking, vermoedelijk afkomstig
van den Franschen groet: bonjour_ (= _goeden dag_) [Woordenboek.]

»_Besjoer_« schijnt--ondanks de hieronder aangegeven afleiding--eene
uitdrukking te zijn, die in zekere kringen zoo goed als morgen-,
namiddag- als avondgroet geldt. Geen enkel militair reglement bevat
overigens de uitdrukking _besjoer_ als equivalent aan den groet.

Een andere merkwaardigheid, die ik niet onopgemerkt mag laten in dit
verband, is deze, dat het meerderen vrij staat om, als teeken van
opperste goedertierenheid, een gebaar te maken, dat zooveel zeggen moet
als: »houd je gemak maar--ik ben niet gediend van dit eerbetoon«.

Als toelichtend voorbeeld moge hier gelden mijne ontmoeting van dezen
middag; ik zat--goedig--ergens, in een soort societeit, te lezen,
toen opeens de gapende deuropening de gestalte omlijstte van eenen
ongeschoren superieur met slecht geknipt hoofdhaar. Aanstonds ontrukte
ik mijn geest aan de lectuur, concentreerde deze op het reglement van
krijgstucht, en maakte aanstalten, om, verrijzende uit mijne liederlijk
gemakzuchtige houding, die aan te nemen van eenen jongen eik...

Hoe groot waren echter de schrik, en tevens het weldadig gevoel van
dankbaarheid in mij, toen deze meerdere, met een handgebaar als dat,
waarmede de Romeinsche Keizers het leven schonken aan onderliggende
gladiatoren, mij beval hem _niet te groeten_.

Ik heb niet de eer, dezen menschlievenden superieur van nabij te kennen,
en--hij duide het mij niet euvel--maar ik gevoel vrees voor eene
mogelijke kennismaking. Want wat moet men doen--in 's hemelsnaam
wàt--wanneer iemand uit vriendelijkheid je groet weigert?

Het duizelt in mijn--helaas--àl te gezelschappelijk--brein. En, méér dan
ooit, wil ik mij vanaf dezen namiddag militair gevoelen.

En nòg ben ik niet uitgepraat over den groet! Er rest mij een zeer
actueel, een _in lagere militaire kringen_ (van korporaals en nòg
hoogeren weet ik natuurlijk niets af) op het oogenblik
druk-bediscussieerd vraagstuk, dat ik mijn lezers met nadruk voorleg.

Het luidt als volgt:

_Wat of wien geldt de militaire groet? de distinctieven van een rang, òf
den drager dezer distinctieven?_

Ik persoonlijk acht mij niet competent het antwoord op dezen vraag te
geven; ik zeide u reeds, dat ik een slaaf ben van den
militairen-groet-hartstocht, en, gij weet het allen: in hartstocht
ontstoken menschen hebben geen rijp oordeel.

Ikzelve groet wáár en hoe ik slechts distinctieven zie: op mouwen, op
kragen, op overjassen...

Onlangs heeft men er mij in de kazerne zelfs op betrapt, dat ik--en ik
schaam mij bijna zulks in het publiek te bekennen--dat ik op mijnen weg
naar de cantine salueerde voor de goud-bestreepte overjas van onzen
sergeant, die aan een lijntje (de overjas, niet de sergeant) te drogen
hing...

       *       *       *       *       *


_Feestgeschenken._

Bij al het goede, dat de dienst mij gegeven heeft is ook dit: ik zie nu
klaar en helder voor mij, wat de groote fout is in onze maatschappelijke
samenleving. Een fout, die bankroeten en veeten en brouilles en
mal-entendu's bij dozijnen in de wereld brengt, die huwelijken verstoort
en voorgenomen huwelijken doet afspringen...

Ik meen _de verderfelijke spilzucht_, die in ons allen is.

Wanneer onze ouders jarig zijn, of als wij het Sinterklaasfeest vieren,
dragen wij de meest prijzige zaken in huis; naar begrafenissen zenden
wij péperdure kransen en bloemstukken, en wij rusten niet, wanneer de
geschenkentafel van een bruidspaar zonder een zilveren jardinière of 250
oestervorkjes onzerzijds blijven moet...

Wij putten door onze beurzen onze harten ledig, en onze zielen vullen
zich met nijd en venijn, waar slechts liefde en toewijding behoorden te
bestaan.

Dit alles wilde ik zeggen, alvorens u het treffend voorbeeld van
waarlijk finantieel overleg te toonen, dat ik dezer dagen mocht
medemaken.

Een mijner collega's dan huwde, althans was van plan in het huwelijk te
treden.

Nu, als goede vrienden offer je dan met genoegen je dubbeltje of je drie
stuivers, teneinde een passend feestgeschenk te kunnen helpen
bekostigen.

Er zijn wel altijd booze tongen, die beweren, dat: »hij trouwt voor de
ondersteuning!« of »dattet een moetje is«, maar, waarlijk goed gezinde
kemeraden, zooals ik niet aarzel mij er een te noemen, hechten geen
geloof aan dezen taal, en getroosten zich het ongerief van tien of
vijftien centen, teneinde dien dag tot een onvergetelijke te doen zijn.

Aldus geschiedde, en, hoewel niet zonder vechten en kleerscheuren, kwam
een bedrag van f 9.22-1/2, zegge negen gulden en twee en twintig en een
halve cent bijeen. Nu denkt ge alweer aan de zilveren jardinière, of de
250 oestervorkjes...

Neen, lezer, dat hebt ge nu eens lekker mis! Geen stomme jardinière, en
geen doodgewone oestervorkjes, doch:

  a.  _een pendule voor schoorsteenmantel_,
  b.  _een dito zijstuk_,
  c.  _een dito dito_.
  d.  _een (ietwat gehavend) borstbeeld van Boerhaave op voetstuk_.
  e.  _twee schilderijen_.
  f.  _een doosje met opschrift: »Souvenir du Caire«_.

(dit laatste luxe voorwerp voorzien van een niet onkunstig uitgevoerde
voorstelling van het Casino met omgeving.)

»Nou«,--zeide Marinus, die de aankoop had gedaan, met kwalijk verholen
fierheid--»nou zèg, dat is nogges een kedo, waarvan ze op derlui kop
zullen gaan staan fan de lol, wàtte?«

Wat dan ook--naar men zegt--plaats heeft gehad.

       *       *       *       *       *

N.B. Nadere berichten melden, dat het huwelijk niet doorgegaan is, ja,
dat de huwelijksplannen gefingeerd waren.

Dit zal u het feit verklaarbaar maken, dat de geschenken momenteel
vertoeven in den gemeentelijken Lombard.



XI.


_Beroeps-risico._

Het was maar een héél kort, bescheiden berichtje, dat dezer dagen in
de Vaderlandsche pers gecirculeerd heeft, doch het was er een dat mij,
en velen met mij, vervuld heeft met innige dankbaarheid jegens onzen
goedertieren superieuren. In het kort kwam het hier op neer, dat het
legerbestuur een commissie afgevaardigd heeft naar een tentoonstelling
te Düsseldorf waar--naar men mij vertelt--allerlei nuttigs en
merkwaardigs te zien zal zijn op het gebied van kunstarmen, kunstbeenen,
glazen oogen, houten neuzen en diergelijken. Het gemoed schiet mij vol
bij de gedachte aan deze voorzorgen, genomen in een tijd, dat gelukkig
ieder Nederlandsch soldaat nog in het bezit is van een volledig stel
lichaamsdeelen en organen. Vooral de pers der centralen is sterk in het
verspreiden van berichten en foto's betreffende handige verminkten;
zelfs in de cinematograaf ziet men wedloopen van éénbeenigen, en
handenarbeid, verricht door éénarmigen. Het komt mij voor, dat minder
opgeblazen en reclame-achtige arbeid in deze richting méér sympathie
verdienen zou.

Aan den anderen kant is de risico, aan ons beroep verbonden, een al
te weinig onder het oog geziene factor. Dit komt door de duizenderlei
voorzorgen, waarmede de soldaat in vredestijd zich omringd ziet, als
daar zijn: watjes in de ooren bij schietoefeningen, overjassen aan bij
regenweer en gedwongen bedlegerigheid bij verkoudheden. Hoeveel mannen
zijn er, die ongaarne in een boom klimmen, of in een molenwiek, om te
observeeren?

Een ken ik er, die nu reeds maandenlang iederen morgen het hospitaal
bezoekt, om daar een soort neusgat-verwijdings-kuur te ondergaan,
waaraan in het »burgerleven« de gedachte niet bij hem zou zijn
opgekomen.

Een marsch bij regenweer wordt afgelast, terwijl een jachtpartij onder
dezelfde omstandigheden ongetwijfeld door zou gaan.

Hoe kortzichtig zijn wij soldaten, die in onzen binnenzak het boekje
met roode-kruis bepalingen dragen, om onze hals het identiteitsplaatje
en in het tuniekzakje de verbandpakjes....

En nu kunt ge me duizendmaal een onkieschen cynicus noemen, of een
smakeloozen beer, maar ik zeg het tòch! Ik zou het willen toeroepen
aan de boerenkinkels, die in uniform 's avonds tierend langs den weg
zwaaien, en aan de onverschillige pummels, die slapen in het gras: dat
ze soldaten zijn, en dat er iets ernstigs bestaat, dat beroeps-risico
heet.

Hebben wij het zelf niet één dag gevoeld, dien eersten mobilisatiedag,
toen, ieder naar zijn aard, ingetogen of luidruchtig-zenuwachtig, zijns
weegs ging, en zich _soldaat_ gevoelde?

[Illustratie]

       *       *       *       *       *


_Het vakblad._

Gij allen, die uitgesloten zijt van ons groot organiek verband, gij hebt
ook uwe vakbladen. Wij hebben het ònze, in de _Soldaten courant_, die,
òndanks Kleerekooper, door gaat met het publiceeren van berichten uit
het _Handelsblad_ en verzen uit de cantine.

Ons vakblad heeft dit gemeen met andere vakbladen, dat wij het pas
lezen, wanneer er broodjes in verpakt geweest zijn. 's Morgens, wanneer
wij naar ons werk gaan, op de hei, of in de schietloodsen, dan schaffen
wij ons voor 1 cent het vakblad aan, en wikkelen daarin eenige
consumptie.

Pas wanneer deze genoten is, gaan wij de met margarine bevlekte
drukregelen lezen.

»Daarom«--zegt Kees--»moste ze die zwarte plaatjes d'r uit late--dat
geeft maar vuile inkt-rommel an je brood.«

Intusschen wordt de poëzie, die zeer door dit blad wordt aangemoedigd,
om niet te zeggen veredeld, in ruimen kring gewaardeerd. Afscheidszangen
aan korporaals zijn schering en inslag, zooals:

    Korporaal Verbeek gaat ons verlaten
    hij deelde lief en leed met ons een jaar
    en was zeer goed voor zijn soldaten,
    het ga' hem goed, roept onze vriendenschaar.
    De jongens van de escouade
    wenschen hem voorspoed op al zijn paden.

Dezer dagen heeft de Commissie tot het verkrijgen van een goeden tekst
op de muziek van de defileermarsch »_Turf in je ransel_« voor de zware
taak gestaan een keuze te moeten doen uit eenige honderden inzendingen.
Zij is geslaagd in de keuze, en heeft bovendien consolatie- en tweede
prijzen gegeven. Waarom was »_Turf in je ransel_« niet goed? Wanneer het
zoo door gaat, komt er weer een commissie voor »_Op de hei daar zal ik
je dondere_« of »_Sergeant ze gooie met steene_,« en een voor »_de
tentcommandant is dronke_.«

       *       *       *       *       *


_Alweer de militaire groet._

Goede lezer, het schaamrood overvloeit mijne kaken, nu ik u een
bekentenis moet gaan doen: men heeft mij bestraft, bestraft wegens het
niet groeten van een meerdere in rang.

Ik wil mij niet verontschuldigen... ik heb gezondigd en geboet... ik ben
nu quitte met de gerechtigheid.

Het was een afschuwelijk moment, en bij de herinnering aan het geval, en
aan tante Alida, die er bij tegenwoordig was, krijg ik weer congestieve
gewaarwordingen van ontzetting.

Tante Alida had het middagmaal ten onzent genoten, en, tegen half tien,
maakte ik mij op haar tot hare nabijgelegen woning te geleiden. Onderweg
werden wij door een onverwachten regenbui overvallen, en ik haastte mij,
tante's regenscherm in staat van actie te brengen. Op hetzelfde moment,
dat het haakje over de pal knipte, klonk een luid, bevelend geschreeuw
achter ons. Tante, die geenerlei relaties met schreeuwende lieden
op straat pleegt te onderhouden, maakte geen aanstalten, om den
voortbrenger van het geroep te zien, en ik zelve, die evenmin
aangetrokken word door straatrumoer of relletjes, stapte beminnelijk
koutend naast haar voort.

Totdat--op eens--(bij de herinnering word ik aschgrauw in 't
aangezicht), een niet al te zindelijke hand mijn overjas van achteren
beroerde. Denkend aan mogelijke zakken-rollerijen, wendde ik mij
energiek om... doch wankelde.

Daar stond een meerdere, een sergeant, houdend in de linkerhand een
soort slagersboekje, in de rechter een afgekloven potloodstompje, en
zijn mond sprak toornig: »Wie bin je?«

Ik haastte mij te informeeren naar de bron zijner belangstelling, maar
reeds had tante Alida, hoewel sidderend, mij, en ook haarzelve, den
schrikkelijke bekend gemaakt, wellicht in de hoop hem daarmede milder te
stemmen.

[Illustratie]

Toen tante echter bemerkte, dat onze belager verzuimde hare beleefdheid
te beantwoorden, door zich aan haar en mij voor te stellen, werd zij
toornig.

»Melis«, zeide zij, »laat ons voortgaan. Ik houd er niet van, op straat
lastig gevallen te worden door... mannen«.

»Ik ook niet, tante«, deed ik deemoedig.

Inmiddels had zich een dichte haag van nieuwsgierigen, den regen ten
spijt, om ons verzameld.

Met groote letters schreef de schrikkelijke in het boek: »Stoke,
landstormplichtige, ...e Compie, .....e Reg....« en weer sprak zijn
mond: »Je heb je meerdere niet gegroet«.

Toen, alle moed waarover ik beschik verzamelend, zeide ik, dat ik hem
niet gezien had, en verzweeg daarbij ridderlijk, dat Tante Alida's
regenscherm de schuld aan alles droeg.

Daarop, vreezende, dat tante's reputatie onder dit relletje te lijden
zou hebben, drong ik haar en mij door de inmiddels aanzwellende
menschen-zee, en wij verdwenen in een steeg...

Tante Alida's reputatie was gered... ten koste van de mijne... want nu
vermeldt mijn conduite-staat een straf van vier dagen kwartierarrest,
wegens het niet groeten van een meerdere op den openbaren weg...

Zal tante ooit weten, welke de Groote Daad geweest is van mijn
militairen loopbaan...?

Primus in orbe deos fecit timor...

[Illustratie]



TWEEDE GEDEELTE.

TUSSCHENWOORD.

VAN DEN BURGER, DIE MELIS-STOKE, LANDSTORMPLICHTIGE, GEWORDEN IS.


Hier moet ik, geduldige lezer, mijn militaire-zelf ter zijde springen,
en wel als burger.

De zaak is, dat hijzelve zich schamen zou, de bekentenis te doen die ik,
als civilist, zonder mij of hem te blameeren, te boek kan stellen.

De landstormplichtige heeft zich, nadat hij acht-en-een-halve maand (den
verplichten oefentijd) »onder de wapenen heeft doorgebracht,« eenigen
tijd in het burger-leven teruggetrokken.

Men achtte hem voorloopig voldoende bekwaamd in het wapenbedrijf, en hij
toog huiswaarts.

Onderweg, van de kazerne naar zijne woning, kwam hij reeds vagelijk en
uitsluitend innerlijk met mij, zijn burgerlijk-zelf, in aanraking.

Ik was verbaasd over de verandering, die in hem had plaatsgegrepen.

Er was een zekere goedmoedigheid in de plaats getreden van de ietwat
koele reserve, die hem voorheen kenmerkte. Hij sprak luid en lachte gul;
hij keek met zekere ironie naar de reeksen fleschjes en doosjes op zijn
toilet-tafel, en ergerde zich niet, toen hij zijn hond slapend aantrof
op zijn hoofdkussen.

»Dat zijn allemaal kleinigheden,« verklaarde hij, »de hoofdzaak is, dat
je gezond bent.«

Nog nooit had ik hem zulk een gemeenplaats hooren bezigen; hij scheen
dat te voelen, en legde zijn hand op mijn hart, terwijl hij me ernstig
toevoegde:

»Mijn waarde, het is een kenmerkend verschil, tusschen de beschaafde en
onbeschaafde klassen, dat deze gemeenplaatsen als zoodanig voelen en
begrijpen, terwijl gene langs allerlei vreemde omwegen tot die simpele
waarheden moeten terugkeeren! Waarom dan niet direct de gemeenplaats in
al haar consequenties aangenomen?«

Hiertegen wist ik niets in te brengen.

Vervolgens ontkleedde zich mijn militaire-ik, stapte in een
ongeparfumeerd bad, en schoor zich daarna; ik merkte op dat hij niet,
zooals vroeger, na het scheren zijn gezicht insmeerde met vinaigre en
drie verschillende evenzeer geurige zalfjes.

Na een korte aarzeling schoot hij een mij toebehoorende zéphir pijama
aan, en ging te bed.

Den morgen daarna, toen ik ontwaakte, wist ik, dat mijn militaire-zelf
in mijn burger-ik was opgelost.

In langen tijd had ik mij niet zoo wèl gevoeld.

Om zeven uur stond ik op, en om halftien was ik, in een eenvoudig pak,
en zonder button-hole of lichte slob-kousen onderweg naar mijne
bezigheden.

Dat leven duurde een maand.

       *       *       *       *       *

Na een maand stond ik weer laat op, droeg weer een button-hole en lichte
slobkousen.

Na drie maanden herinnerde ik mij nauwelijks nog de sociale gevoelens
van mijn militaire-ik.

Ik zweeg halsstarrig, wanneer iemand achter-op-de-tram mij toesprak, of
als mijn kapper zei, dat het mooi weer was.

Eens, toen ik Gerrit ontmoette, groette ik hem met meer welwillendheid
dan gevoelens van vriendschap. Kogelfleschjes, Quatta-reepen en
Cats-boonen waren nog slechts vergeefelijke jeugdfouten in mijne
oogen, en Zondags in het Concertgebouw herinnerde ik mij nauwelijks de
aangename uren, die mijn militaire-ik daar eenmaal met zijne kameraden
gesleten had.

Zelfs ondervond ik niet meer het genoegen van de vroegere meerderen van
mijn dubbel-ik te kunnen negeeren. Ik zàg ze niet meer...

Het lag àchter mij als een droom; ik leefde weer in koele
maatschappelijkheid, zooals de reiziger, die de luchtige hoogten van een
Alpenpas bereikt heeft, en niet meer achter zich ziet naar het warme
Italiaansche land...

De koele wind der maatschappelijke kronkelpassen woei mij om de ooren,
en in dien wind stak ik mijn gecultiveerde civiele neus...

Toen kwam de slag...

De slag was een groot officieel papier, dat mij andermaal tot den
werkelijken dienst opriep.

Toen ik den brief gelezen had, stond ik tegenover mijn lang vergeten
militaire-zelf, zooals een eerbiedwaardig rechter zich gevoelt, wanneer
plotseling een vergeten schuldeischer uit zijn studententijd zijn deftig
studeervertrek binnentreedt...

Ik kènde zijn gelaatstrekken nauwelijks meer, maar de herinnering bracht
mij op dat oogenblik honderd realiteiten in de gedachte, die als
onverbiddelijk harde hamers mijn net-gekapte hoofd troffen.

En, vreemd, maar ik haatte mijn militaire-ik. Ik haatte mijn dubbel-ik,
zooals men een afgedragen, vuil kleedingstuk haat, dat men vindt bij het
opruimen van zijn garderobe.

Ik snoof de geur op die uit den brief kwam, en het was me, alsof het de
reuk van aardappelenwater, en soep en dwijlen en zeepsop was...

Dien nacht sliep ik niet.

Mijn militaire-ik sarde mij, zooals een opdringerige, onsmakelijke
kennis iemand hinderen kan. Hij drong zich aan mij op, en strekte zijn
viese, zwarte handen naar mij uit; hij fluisterde mij dingen in het oor
over »marschen« en »wachtkloppen« en »kribben« en »aardappelen en
uien«... en ik háátte hem.

Den volgenden morgen kwam zijn oppasser, om het geweer van zolder te
halen en te poetsen.

Hij hield mij voor hem, en zeide vriendelijk goeden morgen; hij wist
niet, hoe mijn burger-ik hem verfoeide en verachtte.

Hij wist niet, dat daar iemand ànders voor hem stond, een trotsche en
pretentieuse burger, en hij heeft niet begrepen, waarom ik hem op dat
oogenblik niet, zooals vroeger, hartelijk de hand drukte....

Ditmaal wisselden wij geen verstandige brieven, mijn militaire- en mijn
burger-ik.

Wij accepteerden elkanders hinderlijk gezelschap, zooals doodsvijanden,
die toevallig in dezelfde spoorwegcoupé moeten reizen.

Nog drie dagen gingen wij grimmig zwijgend naast elkander voort...

Toen gaven wij elkander, noodgedwongen, de hand; maar mijn militaire-ik
bleek, misschien wel door de macht der onverzettelijke omstandigheden,
de sterkste.

Op zekeren dag greep hij me bij den strot, en wierp mij verre van zich.

Nog zag ik, hoe hij haastig wegsnelde, om zijn soldaten-pak weer aan te
trekken....

Toen wierp hij zijn ransel om, nam zijn geweer, en stopte zijn zakboek
in den zak van zijn overjas. En hij ging met driftige, maar vastberaden
stappen weg....



VERVOLG VAN HET DAGBOEK VAN MELIS-STOKE.

NIEUWE REEKS.


_Januari 1917._



I.


_Het vertrek naar het »Winterkurort«._

En hiermede, goedmoedige en geduldige lezer, vangt een nieuwe reeks
veldzakboekbladen aan.

Dit feit hebt gij te wijten en ik te danken aan de beschikking omtrent
mij en mijne kornuiten door »_hoogerhand_« genomen; de beschikking, die
ons eene in het burgerleven voor »bescheiden beurzen« nauwelijks
denkbare luxe in het uitzicht stelt, nl. die van een _Winterkurort_.

Een besluit, dat ons tot den werkelijken dienst terugroept.

Ach, hoe weingen onder u beschikken over den tijd en de middelen om u
een winterbuitenverblijf te veroorloven... wanneer ik dit bedenk, wensch
ik bijna, dat gij in mijn plaats (derde klas vrij vervoer) naar
_Klei-lust_ gaan kondet.

[Illustratie]

Om militaire redenen noem ik mijn bestemmingsplaats _Klei-lust_, hoewel
ik, naar hetgeen men mij er van vertelt, even zoo goed de geografische
schuilnamen: _Modder-_, _Stank-_, _Vee-_, _Slik-_ of _Boerenkool-lust_
zoude hebben kunnen bezigen.

Intusschen behaagt het mij, deze brieven met _Klei-lust_ te
onderschrijven, welke naam trouwens reeds boven mijn schrijfpapier en op
mijne visitekaartjes is gedrukt.

Vooralsnog ben ik echter te Amsterdam, en bereid mij voor op de reis; ik
bereid mij voor met ongeveer dezelfde vreugde als die, waarmede gij in
vredestijd uw sweaters en pelsjasjes en mutsen te zamen zoekt om een
Kerstvacantie in Grindelwald of Sint Moritz te gaan doorbrengen.

_Mijn_ sneeuw, lezer, zal modder, _mijn_ hôtel een fort, en _mijn_
Grindelwald _Klei-lust_ zijn.

[Illustratie]

Ik zoek dan ook niet zoozeer zaken bijeen, die mij van koude en sneeuw
zullen kunnen vrijwaren, dan wel uitrustingstukken waarmede ik mij
althans eenigszins zal kunnen wapenen tegen onaangename zaken, als daar
zijn: spattend slik, springend ongedierte, een middelmatige keuken en
een lakenloos nachtleger.

Zoo ziet ge, dat mijn bagage er een van andere soort zal zijn dan de
uwe, wanneer ge naar uw wintersport gaat. Ik--ook niet dom--combineer de
Cresta-run met het Modderbad, drink heilzame wateren, eet bruin brood,
en wandel bij muziek (militaire)... en dit alles onder den rook van
Amsterdam, met vrij vervoer, en met eene bezoldiging van twintig cent
per dag!

Haha, lezer! Ik zie afgunst in uwe oogen! Gij zult den heelen winter in
Amsterdam zijn om u te laten plukken op liefdadigheids-bazars, om
eetverplichtingen na te komen, en digestie-visites te maken....

En ik ga den heelen winter naar buiten.

Dit bedenkende, ga ik met dubbelen ijver voort met het pakken van mijn
dressing-case.... of liever ransel; ik stapel pakjes zeep en blikken
corned-beef op doozen insecten-poeder, en van tijd tot tijd werpt een
vriendelijke hand een worst of een zijde spek tusschen de tot inpakken
gereed liggende laarzen en lijfgoederen.

»Zult ge,« vraagt tante Adolphine, »vriendelijk tegen uwe meerderen
zijn? Wie houdt nu zulk een fort schoon, waar zoovele jongelui bijeen
zijn? Is er een portier, die uwe brieven en boodschappen aanneemt?«

Ik verzeker haar, dat mijne meerderen zich niet over hondschheid
mijnerzijds te beklagen zullen hebben, dat een tiental schoonmaaksters
en huisknechten mij en »de andere jongelui« keurig zullen verzorgen, en
dat een rijk gegalonneerde portier steeds bij de fortbrug gereed staat
om, natuurlijk tegen eene kleine belooning, brieven, boodschappen en
handkoffers aan te nemen.

[Illustratie]

Tante Adolphine is gerust gesteld, en zij biedt mij haar auto aan, om
daarin naar het fort te rijden.

Indien het eenigszins mogelijk is, zal ik dat aanbod aanvaarden.

Wanneer?

Lezer, wanneer dit schrijven onder uwe oogen komt, zal ik er reeds zijn.

Het afscheid heeft plaats op hetzelfde oogenblik dat ik deze regelen
schrijf.

En, wanneer zij u, tot strengen lettervorm gevoegd, onder de oogen
komen, dan zult gij niet weten, dat op deze plaats van het manuscript
een dikke, zware traan gevallen is.

Dat is het geheim van den zetter en mij, nietwaar zetter?[G]

[G] Noot van den zetter: »Jawèl! Wees gerust!«

En, indien gij er toch achter mocht komen, dan wil ik hieraan toevoegen,
dat het geen traan van zelfbeklag of weeklijkheid was, verre van dien.

Het was een gelegenheidstraan!

Zooeen van de soort, waarvan tante Adolphine er 10 à 11 storten zal op
het oogenblik, dat ik, geheel toegerust, in haar auto zal wegrijden.

Een afscheidstraan van Amsterdam, zooals iedere handelsreiziger er 365
per jaar schreit.

Want Amsterdam en hare behagelijke kazerne is mij zoo lief geraakt; men
zegt wel eens, dat het hôtelleven iemand onhuiselijk maakt.

Mijne ervaring is geheel tegengesteld aan dat begrip.

[Illustratie]

O! ik weet zeker, dat ik mij direct thuis en behagelijk zal gevoelen in
Klei-lust... ik zal er een tuintje aanleggen, om tegen het volgend
voorjaar elken morgen radijsjes aan het ontbijt, en 's avonds geregeld
asperges aan het diner te hebben....

Ik ga een kip houden, en snoeken visschen....

En den geheelen winter exerceeren....

Lezer, ik beloof u geregeld te zullen schrijven over mijn wintersport.

Daar is tante Adolphine's chauffeur.... hij moet vragen of mijnheer zijn
ski's en schaatsen mee wil nemen, en dat mijnheer zijn overschoenen niet
vergeten moet.... Ik zal hem uitsturen om _nòg een doos insectenpoeier_
te halen, en _een pakje B. Z. K. pruimtabak_....



II.


_De Aankomst._

J'y suis... en ik zal er moeten blijven ook. Terstond na mijn aankomst,
haastte ik mij, tante Adolphine van mijn voorloopig behouden-zijn op de
hoogte te brengen, in ongeveer de volgende bewoordingen:

                                                     Klei-lust--Jan. 17.

_Hooggeschatte Tante._

Uw auto heeft mij snel, helaas àl te snel, naar mijn Winterkurort
gebracht. Om u maar direct de waarheid te zeggen: ik ben nog nooit in
eenig hôtel zoo vreemd ontvangen. Het was, alsof ik allesbehalve welkom
was, en een brutale indringer. Nu weet niemand zoo goed als gij, hoe
weinig deze tocht met mijn persoonlijk initiatief uitstaande heeft,
en hoezeer het voornemen er toe beïnfluenceerd werd door Hoogerhand.
Desondanks gedroeg men zich jegens mij, zooals ik dat wel eens
ondervonden had in hôtels, in de haute saison, wanneer ik weinig bagage
had, of mijn komst niet telegrafisch vooruit gemeld had.

[Illustratie]

Het vreemde is, dat in dit geval een telegram mij vooruit gegaan was,
dat ik bagage had (een kist van de kleur en afmetingen eener gemiddelde
salon-pianino-met-pianola-aanbouw) en dat het seizoen het goede niet
is... de wintersport is uit, en de sneeuw is versmolten tot kwalijk
riekende, vette teel-aarde. En tòch, tante, ontving men mij als een
indringer.

Licht blozend om het pijnlijke dier situatie, volgde ik een
chasseur-à-pied naar het rez-de-chaussée-vertrek, dat ik met een
twintigtal andere logeergasten deel.

Het was er duister, want het eenige venster was zoo groot als een
»Palthe-doos,« en bovendien ten halve gesloten.

Intusschen bleek mij aanstonds, dat mijne twintig adsp. kamermakkers
zich reeds zoozeer geassimileerd hadden aan deze nooddruftige
toestanden, dat zij blijkbaar kans gezien hadden, met hun twintigen mijn
aankomst door deze halve palthe doos te bespieden.

Tenminste, zij riepen, doelende op uw fraaie limousine, als in koor
»heijeveelgeldmeegebracht?«

Ik begreep dien kreet niet aanstonds, maar, instede van hem zoo
phonetisch-juist mogelijk te herhalen, vraagde ik: »pardon?«

[Illustratie]

Weer riepen zij, nu duidelijker accentueerend:

»Hei-je-veel-geld-meê-gebracht?«

Der waarheid getrouw haastte ik mij te antwoorden:

»Twee-gulde-vijf-en-zestig-cente, een zilverbon en twee pietjes.« Op
dat oogenblik bedacht ik, dat de Amerikaansche tol-beambten dezelfde,
oppervlakkig ietwat onbescheiden lijkende, vraag aan vreemdelingen
plegen te stellen.

Reeds tastte ik naar mijn beursje, om mijne bewering waar te maken, toen
een der vriendelijkste heeren zich ten halve van zijn bed verhief, en
riep: »Wat mot je!«

Iet of wat stotterend zeide ik, met een lichte buiging: »Mijn naam is
Stoke.«

Hij lachte honend, alsof ik gezegd had: »mijn tante heet Adolphine,« en
gaf toen van zijn geringe belangstelling blijk, met de woorden:

»Kamme niks verdomme, wat mòt je?«

Toen zocht ik eenige oogenblikken naar een populaire uitdrukking,
teneinde hem van repliek te kunnen dienen, en vond er inderdaad eene,
die ik met een gelaat, stralend van zelfvoldoening, uitsprak:

»Had je me maar!«

Hoewel dit antwoord evenmin voor snedig als voor buitengemeen passend
kon doorgaan, bracht het mij eenige sympathie van de zijde mijner
makkers, en reeds stonden wij op het punt gezamenlijk een lied aan te
heffen, toen de verbroederingsdroom wreedelijk verstoord werd door een
superieur, die mij naar een ander vertrek voerde, dit hebbende twéé
palthe-doozen en een nis aan de achterzijde, en dat bestemd bleek voor
mij en een twintigtal andere krijgsknechten.

[Illustratie]

Ik zal u niet vermoeien, tante, met de geschiedenis der nieuwe
kennismaking, of met de omschrijving der geuren, waarmede de atmosfeer
dezer bij uitstek kleine ruimte bezwangerd werd, en die opstegen uit een
walmende pot met _haren_ (= zuurkool) en uit eenige andere wierookvaten
en vaatwerken.

Te middernacht lag ik te bed; de geuren waren als lauwe walmen om
mij heen; wanneer ik het hoofd méér dan twee centimeters van het
stroo-kussen ophief, bezeerde ik het aan de ijzeren matras van mijn
bovenbuurman. Op de boot en in den trein is een bovenbuur in de cabin
lastig, op een fort is hij onuitstaanbaar. Wanneer hij even woelt,
kraakt de roestige kribbe verdacht, en een wolk van stof en stroohalmen
daalt op den argeloozen beneden-man. Het werd één uur.

Men walmde, kraakte, nieste, snorkte en riekte.

Het was, alsof het bovenbed langzaam dalen ging, om mij te verpletteren;
ik was koortsig en benauwd. De stroohalmen kietelden mij... en men
bleef walmen en snorken. Toen, tante, draaide ik mij om... en ziet, de
natuur kwam mij troosten.

Door een der geopende palthe-doozen ontwaarde ik een vaag landschap: wat
wazige boom-silhouetten tegen een bewolkten nachthemel, waardoor het
maanlicht vreemde schaduwen en lichtvlekken deed drijven. Nu en dan
liet een wolk een stukje donkeren nachthemel vrij, met een troostend
sterretje erin: ik moest denken aan de taart mijner kinderverjaardagen,
waarvan _een-stuk-met-een-kersje_ hèt ideaal was...

De nachthemel zag er zoo frisch uit... maar zoo vèr. Maar hij gaf mij de
illussie van _buiten_-te-zijn. »_Ik ben buiten_« herhaalde ik een paar
malen bij mijzelven:

_Ik woon nu heerlijk buiten..._

En met die troostende gedachte, sliep ik, walm en nies en snork ten
spijt, rustig en berustend in...

       *       *       *       *       *


_Aardappel-practijk._

Lezer hebt ge wel eens een _aardappel_ gezien? Neen, ik meen
nu geen pommes-frites, of pommes-paille; ik bedoel zelfs niet de
pommes-de-terre-en-robe-de-chambre, die ge als natuurgerecht met
rustieke fierheid op uw tafel doet brengen; dit zijn altemaal
degeneraties van _het begrip aardappel_.

Ik meen een _aardappel_, geen gekookte of gebakken luxe-aardappel,
en geen verwijfd-reine aardappel, zooals die in een kelderkist ligt,
maar een doodgewone aardappel.

Ziet, daar staat ge nu!

Een aardappel, luister nu, is in den natuurlijken staat een _bonk klei_;
wanneer ge met een vlijmscherp pennemes de omgevende humuslaag
voorzichtig verwijdert, stoot ge op de aardvrucht zelve; deze heeft de
grootte van een gemiddelde rose oliebol!

Van zulke aardappelen, lezer, maak ik er iederen morgen vijf of zes, al
naar men mij daarvoor één of anderhalf uur den tijd geeft, voor de
consumptie gereed.

Des morgens drijft men mij en mijne kameraden naar een houten loods,
die tot opslagplaats van landbouw- en oorlogsmateriaal dient, te
oordeelen naar eenige spaden, eggen en --------[H], die daar opgeslagen
staan.

[H] Door den censor geschrapt.

In deze loods dan, werden wij te hoop gedreven, en zullen wij in den
vervolge iederen morgen te hoop gedreven worden, om aardappelen te
jassen.

Jassen is een kunst.

Men _schilt_ een appel, _pelt_ een sinaasappel, doch _jast_ een
aardappel.

Ook ik jaste.

Daartoe deed ik, zooals mijne kameraden deden; nam plaats op een lage
tabouret, scherpte het overigens reeds vlijmscherp pennemes aan den
schoenzool... en... jaste.

[Illustratie]

Ik jaste voorzichtig, en slaagde er in, in anderhalf uur tijds vijf
aardappelen, te weten: 2 groote, één middelsoort, en 2 kleinere, in
blanke vruchten te doen verkeeren.

Aanvankelijk ondervond ik eenigen tegenslag; uit de eerste aardappel,
die ik kerfde, kwam iets te voorschijn: het was een zesvoetig insect,
dat zich bliksemsnel verwijderde in de richting van mijn jassende hand.

Ik slaakte een gil, en liet de vrucht vallen; deze spatte uiteen op een
stuk veldgeschut, dat daar toevallig stond, en danig bevuild geraakte.

»Kààk uit!« snauwde zekere _Uiltjesbroekersma_, een Fries, die naast mij
jaste: »ik zal je het fort naar je hoofd gooie!« Aangezien het fort te
Kleilust groot en zwaar is, verbeet ik mijn woede, en greep een nieuwe
aardappel.

Ditmaal was het een werkelijk buitengemeen groot exemplaar, omgeven
door een dikken humuslaag. Na deze voorzichtig verwijderd te hebben,
sneed ik, zuinigheidshalve, in dunne vliesjes de schil weg, want ik
herinnerde mij, dat een aardappel vlàk ónder de schil het voedzaamst is.
Er bleef, na een half uur jassens, een groote blanke vrucht over; maar
deze staarde mij uit zoovele lodderige oogen droevig aan, dat ik besloot
de enucleatie toe te gaan passen, m.a.w. al deze oogen uit hunne kassen
te verwijderen. Na een ander half uur opereerens, staarde ik op een
vreemd gevormde vrucht, vol diepe en ledige, netjes schoongekrabde
oogkassen.

[Illustratie]

Maar, het mocht dan drie kwartieren arbeids vertegenwoordigen, het was
een prima consumptie-aardappel; wel niet om van te watertanden (er waren
duidelijk zichtbare afdrukken op van mijn vettig-zwarte vingers, dit
kwam door het stuk geschut, dat ik getracht had te reinigen), maar dan
toch een prima aardappel.

»Nou?« zei ik fier tot den naast mij zittenden man, die
_Uiltjesbroekersma_ heette, en een Fries was,--»nou? Had je me maar?« Ik
lachte populair.

Maar hij haalde minachtend de schouders, en smaalde: »Snij em es door!«

Ik sneed de consumptie-aardappel door.

Deze bleek van binnen verrot.

Alle arbeid was tevergeefs geweest...

Zoo zult ge het slechts kunnen waardeeren, dat ik nog de wilskracht
bezat, kort achtereen, één middelsoort- en twee kleine aardappelen te
jassen.

Ook mijne vrienden namen nieuwe aardappelen ter hand, en, onder het werk
zongen wij ... de _Internationale_.

»Hou je bekke!« riep de sergeant.

Toen hieven wij, schoon verschrikt, het altijd zoo aardige lied aan van:

                      »_Weet je al van kóóóóssie_«

en daarna het onschuldige:

                         »»_Bai-Bai demoer_«,
                   »_Me zuster zit voor de piáááno!_«

dat feitelijk beduidt:

                           »_Bébé d'amour_«.

Dit vertelde mij mijn buurman, zekere _Uiltjesbroekersma_, geboortig uit
Friesland.



III.

                                                  Kleilust, Jan. 1917.


_Reizen en Passen._

Goede burgers! Ge hebt allen gesidderd bij het vernemen der
formaliteiten, waaraan ieder, die zich naar het buitenland wil
begeven, zich heeft te onderwerpen. Achter op lijn 2 hebt ge tegen uw
medereiziger gezegd: »dat dat voorloopig nog wel zoo blijven zal, ook nà
den oorlog.« En daarna hebt ge gezamenlijk, tot schrik en verbazing van
den conducteur en den trammenden slagersknecht, anecdoten opgehaald van
arrestaties aan de Russische grenzen, en over beroepspassenvervalschers
in Griekenland en Siberië....

[Illustratie]

Onwetende burgers! Ge kent niet het verschrikkelijke van een
_binnen_landsche reis. Ge weet niet, aan welke gevaren en bezoekingen
een reizende soldaat in uniform, zelfs een in burgerkleeren, bloot staat
tusschen Utrecht en Amsterdam of aan de stations te Rotterdam en te
's-Gravenhage.

Overal staat men gereed om zijne passen te visiteeren en zijn
legitimatie te eischen, aan ieder loket weigert men hem een kaartje,
wanneer hij niet bewijzen kan, dat hij er een koopen màg.

Zoo zijn de loerende kameraden en meerderen, op Vaderlandschen bodem hem
vaak noodlottiger, dan Russische grens-ambtenaren het een reizenden jood
of nihilist, Grieksche contra-spionnen het een voortvluchtigen spion
zijn...

Let eens op, wanneer ge aan een groot station door de contrôle snelt,
om nog een taxi te vinden, buiten; let eens op, en bemerk de daar
posteerende militairen, die tusschen den stroom der burgers op uniformen
loeren! Zie dan, hoe gretig zij elken soldaat om pas en legitimatie
vragen, en, wanneer ge er een kwartiertje voor over hebt zult ge
bemerken, dat er daar in dat tijdsverloop méér worden gevat en
teruggezonden, dan zulks aan de Russische grenzen in een half jaar
geschiedt.

[Illustratie]

Rijd eens langs de wegen, die het verdedigde platteland met de stad
verbinden; ge zult daarlangs des avonds heele optochten van fietsende
soldaten zien. Zij mògen weg van hun forten, maar, zelfs voor hun eigen
kosten, mogen ze niet per trein reizen. Die menschen hebben er dagelijks
eenige uren fietsens voor over, om hun gezin even te bezoeken.

Dit alles, goede burgers, heeft een doel.

Dat doel is, dat gij voldoende steenkolen zult overhouden, om uwe
kachels te stoken, om electrisch licht te hebben, om te trammen, en
om--zij het dan ook slechts tot middernacht,--in verlichte koffiehuizen
te kunnen zitten.

Alles heeft zijn prijs.

Ge kunt reizen, zooveel ge wilt, en zònder passen-ellende. Wij,
soldaten, kunnen van tijd tot tijd reizen, en dan nog slechts op vertoon
van een pas.

Zoo sparen de spoorwegmaatschappijen kolen.

Alles heeft zijn prijs.

Immers, wanneer het verlangen naar huis eens een dag héél sterk in ons
is, dan pompen wij onzen achterband op, en fietsen een uur of wat, en,
indien wij wèl een gezin, maar geen rijwiel kunnen houden, nu, dan
slikken wij ons verlangen maar in, en houden het oog gevestigd op het
maandelijksch verlof.

Want er is kolen-nood.

Ja, ja: _pourvu qu'ils tiennent, les civils!!_

       *       *       *       *       *


_De film van Leger en Vloot._

Wanneer ik een winkel had, zeide _Gerrit_, en ik bang was voor mijn
concurrenten, dan zou ik het volgende doen: Ik huurde een groot huis,
met veel étalage-kasten. In die étalage-kasten zette ik àllen voorraad
dien ik had. De winkel zelf bleef ledig; alleen moesten er een paar
vroolijk uitziende winkeljuffrouwen rondloopen. Ik zelf hing een zware
horlogeketting op mijn buikje, en antwoordde iedereen, die iets anders
wenschte, dan in de uitstalling lag: »het is uitverkocht maar reeds
na-besteld!«

Zoo'n winkel is de Leger- en Vlootfilm. Het is een étalage, en binnen
loopen soldaten met vroolijke gezichten.

»Ik wist niet, dat we zooveel paardenvolk hadden«, zei een juffrouw
naast me, toen ze _de_ cavalerie-brigade voorgesteld zag als _eenige
regimenten cavalerie_.

Toen de torpedobooten voorbij-joegen, maakte ze geluiden van ontzag: op
het juiste oogenblik verduisterde het beeld, om een nieuw te doen
verschijnen.

De duikboot herinnerde aan _de_ zakdoek van het verarmde adellijke
geslacht.

_De_ munitie-fabriek werd als _een_ munitie-fabriek met zwierige
nonchalance aangekondigd.

De afdeeling luchtvaart was een sport-evenement, het
anti-aircraftgeschut een surprise, en de 12-cm.-lang-batterij een min of
meer geslaagde aardigheid.

Maar wat goed was, dat waren _wij_. Wij tirailleerden in de duinen, dat
het zoo-maar niets leek, wij zwommen en turnden en fietsten, zooals wij
inderdaad allen doen. Wij marcheerden in dubbele-marsch-colonne over de
hei, alsof er geen gaten en struiken waren, en men juichte ons toe, toen
wij, over hekken en sloten jagend, een spoorwegdijk bezetten.

Opeens herkende ik Ari, die naar het veldleger vertrokken is. Hij stond
op een pontonbrug, schuin achter een divisie-commandant, en ik zag hem
zoo vlak in zijn gezicht, dat ik moeite had niet luidkeels uit, te
roepen:

[Illustratie]

»Hoi, kameraad! Amodjô!«

Ari keek zoo glunder, alsof hij mij erkende, maar de divisie-commandant
stond er bij, dus hij kon niets doen.

Plotseling maakte Ari een dwaas gebaar, met zijn hand aan zijn veldmuts.

Hemel--dacht ik bij mezelf--als die divisie-commandant eens omkeek!

Ari greinsde, trotsch op zijn moed.

De divisie-commandant had niets gezien, »gaf geen sjoege« zooals Ari en
ik dat noemen, en rookte rustig een sigaar.

Ari was gered! Branie was het tòch geweest.

Toen ik er later nog eens over nadacht, kwam op eens een akelig gevoel
in mij op: als die divisie-commandant eens naar de bioscope ging... en
hij herkende Ari, die toch bij het veldleger is...

Maar intusschen kwam er een verblijdend en geruststellend
krantenbericht, dat luidde:

     H. M. de Koningin heeft de Leger- en Vlootfilm gezien, en er Hare
     Tevredenheid over Uitgesproken. H. M. werd gevolgd door...

Toen kwamen er vele hooge heeren, waaronder ook de divisie-commandant.

Maar de Koningin is Tevreden: dus Zij neemt het Ari niet kwalijk. Nou,
dan kan die divisie-commandant óók niks zeggen!

Ik zal Ari een briefje schrijven.

Toch een branie, die Ari!

       *       *       *       *       *


_Bazar voor Leger en Vloot._

Er is een tentoonstelling van de huisvlijtproducten, die wij in onze
ledige uren maakten.

Aardig denkbeeld! Wie er iets voor maakte, kreeg eenigen tijd vrij van
dienst.

U snapt, dat we allemaal aan 't werk gingen.

Keesje maakte een Zeppelin van leege groentenblikken; hij sneed zich 14
maal in de vingers, en het ding is bij 't vervoer uit elkaar gevallen.

Daan wilde van zes afgekeurde helmen een berglandschap maken; maar,
aangezien hij nooit een berglandschap gezien had, hield het kunstwerk,
toen het gereed was, het midden tusschen een kudde dromedarissen en een
Bedouïnen-dorp.

Hein was heel geheimzinnig bezig, in een schuurtje; elken dag kreeg hij
een standje op 't appèl, omdat hij telkens verscheen met roode verf op
z'n uniform, en stijfsel in z'n haren.

Eindelijk kwam hij op een dag trotsch de cantine binnenloopen.

Hij zwoegde onder een torenhoog toestel, dat knalrood geverfd was. Toen
hij het op tafel zette, viel er een stuk af; met een luiden bons viel
het op den planken-vloer.

Iedereen keek er naar. Hein wischte zich 't voorhoofd af, en raapte het
stuk op.

»De Westertoren?« vroeg er een.

»Naatje van de Dam?« informeerde Daan.

Hein haalde minachtend de schouders op.

Iedereen raadde. Achtereenvolgens ging het voorwerp door voor: »een
bloosend maissie«, »een kenon met bloed 'r an«, »Hein assie rooie kool
gegéte het«, »de duvel«, en »Troelstra«.

Het werd een kruisvuur van aanmerkingen op het voorwerp, en opmerkingen
aan 't adres van Hein.

Hij volhardde in z'n minachtende houding, wierp een vernietigenden blik
om zich heen, en kwam toen naast me zitten.

[Illustratie]

»Weet je«--zeide hij vertrouwelijk, »'t is Mars, je weet wel, van de
oorlog! Ik had er een plaatje van, maar ie lijkt niet erg! Ik heb oude
broodjes opgespaard, maar die benne te hard, zie-je, je ken d'r geen
vòrm in krijge«.

En hij toonde mij een steenhard stukje »kug«, dat vol roode verf zat.

Het was het stuk, dat er zooeven afgevallen was, en 't stelde blijkbaar
Mars' linkerarm voor...

Ach, waarom u verder te vermoeien, met de opsomming van alles, dat uit
ons nijver handenspel ontstond.

Gaat ze zien, de doosjes en vogelkooien en prenten en »huishoudelijke
voorwerpen«; koop wat op de bazar, waar vriendelijke dames tentjes
exploiteeren.

»Laat ze d'r pret hebbe!« zegt, goedig, Daan.

»La--me eerst es afwachte wat 'r van komt«, zegt Hein.

En hij maakt een tel-gebaar met duim en wijsvinger.



IV.

                                                  Kleilust, Jan. 1917.


_Moeilijke Grondbeginselen._

Wij allen wijden onze beste krachten aan het Vaderland.

Goed!

Wij worden soldaat.

Best!

Wij laten ons opleiden tot een rang.

Uitstekend!

Wij ontzien daartoe geen moeiten, en leeren alle reglementen en
voorschriften.

Natuurlijk!

Ook willen wij wel aardappelen-jassen.

Waarom ook niet?

Maar, geef ons op dat laatste punt een béétje toe!

Een béétje maar!

Vergeef ons, indien wij eenige aardappelen minder ontbolsteren dan onze
buurman, als wij daarvoor enkele voorschriften beter bestudeeren.

Ach, ware dat zoo!

Maar dezen morgen moest ik alweer ondervinden, dat een _man_ als
zoodanig geen _individu_ is.

Ondanks noesten ijver, geraakte ik met het aardappel-ontbolsteren
achterop.

Het blanke vleesch van nauwelijks veertien naakte vruchten schemerde aan
mijn voet.

»Kom _jij_ d'r es uit!« deed dreigend de sergeant.

Ik gehoorzaamde.

Aanstonds dirigeerde hij mij op een gelijkelijk moeilijk werk, doch dat
van even weinig strategische waarde is, als het aardappeljassen.

Hij voerde mij, nu dreigend zwijgend als een onweerslucht, naar... de
keuken.

Daar wachtte mij een zeer moeilijke arbeid.

Deze bestond uit het reinigen van de eetketels van den vorigen dag.

De herinnering alleen aan de pyramide van vette, nog ten deele met
bruine boonen en gestold vet gevulde pannen, doet mijn hart nu nog
tesamen trekken.

Maar ook _dit_ grondbeginsel diende met lust beoefend te worden; de
sergeantelijke hemel bleef dreigen...

[Illustratie]

Ik greep de eerste pan; als een gladde visch ontsnapte zij aan mijn
hand, en plonsde in de bak met geel zeepwater. Weer onderdrukte ik een
rilling.

»Hoi, haalop!« riepen de koks, terwijl zij geheele reeksen vuile
etenspannen gereed zetten.

Met den moed der vertwijfeling wierp ik mijn tuniek uit, en stroopte de
hemdsmouwen op.

Een afschuwelijke walm van warm zeepwater, oud vet, en boonen omving
mij.

Ik trachtte te vergeten, dat ik nog vele reglementen te leeren had, en
stortte mij op het besmeurde vaatwerk....

Toen geschiedde er een wonder.

Duidelijk hoorde ik een mannenstem zeggen:

»Voor drie kwartjes doe ik het ook!«

Lezer, het was geen angst voor de onafzienbare reeksen pannen, die mij
deed opschrikken; veeleer was het een laaiende hoop, de hoop die dubbel
machtiglijk opwelt, wanneer er al geen verwachting op uitkomst meer
bestond.

Wild drong ik door den nevel van vet en stoomwalm, en riep uit:

»Wie sprak daar?«

Het was een onoogelijk, klein mannetje, dat zeide: »Ikke!«

Hadde hij niet eene vuile infanterie-uniform gedragen, dan zou ik hem
voor een reddenden Kobold gehouden hebben.

Met oneindige liefde in mijne oogen keek ik hem aan, en ik strekte twee
dampend natte bloote zeepsoparmen tot hem uit.

»Drie kwartjes?« herhaalde eenvoudig-weg de bovenaardsche verschijning.

[Illustratie]

»Drie kwartjes!« riep ik schier buiten mijzelf van vreugd.

De bovenaardsche verschijning hield mij een modderzwarte hand voor. In
minder dan géén tijd blonken er drie zilveren munten in.

De Kobold wierp zijn tuniek uit, en verdween in de wolk van vet
zeepwater.

Hij was even geheimzinniglijk verdwenen als hij gekomen was.

Ik snelde juichend weg, en greep een reglement.

En ik leerde vele voorschriften, waaronder er echter geen was op het
wasschen van vuile pannen.

Dat zal ik ook wel nimmer leeren....

Het is in het leven de kunst, de moeilijkheden te omzeilen, niet ze op
te lossen.

Want daartoe is altijd wel een ander bereid....

... Voor drie kwarretjes....

       *       *       *       *       *


_Kè-je niet groete?_

Deze vraag, burger, zal u wel zelden gesteld worden, en is zeker niet
meer tot u gericht, sinds uw groentijd aan deze of gene hoogeschool.

Mij werd zij dezen middag op het onverwachtst gedaan.

Ik wandelde met zekeren goeden Bertus.

»Dag Bertus,« riep een passeerende korporaal.

»Besjoer!« riep Bertus.

»Besjoer!« zei de korporaal weer, en ging naast Bertus loopen.

Ik wandelde aan Bertus' andere zijde.

Wij zwegen alle drie.

Omdat ik mindere ben, en die korporaal een korporaal is, kon ik niet
zeggen: »wie is die vent!«

Intusschen werd dit onuitgesproken vraagstuk evenmin van Bertus' zijde,
als van die des korporaals opgelost.

Opeens begon de korporaal een geanimeerde conversatie door mij toe te
voegen:

»Kè je niet groete?«

Blijkbaar kende hij zijn reglementen zeer goed.

Intusschen overwoog ik, hoe ik mij op de meest geschikte wijze van dit
vreemd en anoniem geleide zou kunnen ontdoen.

Ik vond een eenvoudigen weg, in het uitspreken der woorden:

»Dag Bertus!«

Het afscheid was al niet veel minder zonderling dan de kennismaking.

Met hetzelfde systematische superioriteitsbetoon herhaalde de korporaal:

»Kè je niet groete?«

Ook ditmaal logenstrafte ik deze veronderstelling.

Dit is een vreemd geval.

De vraag is: Kán een meerdere zich in het simpel particulier bestaan van
een mindere dringen, en hem vervolgens op militaire wijze hard vallen?

Ik ben maar een eenvoudig en ongegradueerd wandelaartje langs 's Heeren
wegen.

En ik smeek u, heeren korporalen, mij mijne wandelgenooten zelf te doen
kiezen.

Gaarne groet ik u op straat op de voorgeschreven wijze, gaarne volg ik u
in het eerste dubbelrot.

[Illustratie]

Maar verschoont me in mijn vrijen tijd van uw hoog geleide, want:
niemand kijkt naar een soldaat en lieve schoolmeisjes kijken naar een
officier.

Maar de soort vrouwen, die op straat het oog welgevallig op gele en
gouden strepen doen rusten, vrees ik met de angst, die ik voor zeepsop
en gestold vet koester.

En, korporalen, uw glorie straalt teveel af op mijn simpele
verschijning.

Ook klinkt uw commando mij slechts dragelijk binnen de muren van het
dienstgebouw.

       *       *       *       *       *


_Theorie en practijk._

Weer zitten wij, leergierigen, verzameld om den kundigen sergeant.
Buiten giert de wind langs de wanden van het fort. Het is een gure
morgen, en, tesamenhokkend rondom een snorrende potkachel, genieten wij
militair onderwijs.

»Waarom,« vraagt de kundige sergeant, »verdedigen wij het Vaderland?«

De sergeant doet niets, zonder te weten waarom hij het doet. Keesje
droomt, dat de sergeant hèm aankijkt, en schrikt wakker.

Met glazige oogen staart hij den sergeant aan, wiens houding inderdaad
aanduidt, dat hij het patriotisch antwoord uit Keesjes mond wenscht te
vernemen.

Keesjes weet niet, waarover het gaat:

»Omme, omme....« stamelt hij.

Pijnlijke stilte.

Opeens zegt Hein luid, en vol overtuiging:

»Ja, de sersant het gelijk! Wáárom verdedigen wij het vaderland ook!«

Keesje lacht dom met de anderen mee.

Een stormvlaag veegt langs de deur; de les gaat voort. Het wordt ook
_mijn_ beurt.

»Wat zie jij, Stoke, als je een parlementair aan ziet komen?«

»Een parlementeer ankomme!« zegt Daan.

»Heet jij Stoke?« vraagt hem de sergeant.

»Nee, uwes?« informeert Daan.

[Illustratie]

Intusschen herinner ik mij, dat Gijsbrecht van Aemstel, in de zooveelste
acte van zijn treurspel een parlementair ontvangt.

Ik moderniseer en parafraseer de scéne tusschen Gijsbrecht en den heer
van Vooren (met den trompetter van achteren).

Vondel heeft blijkbaar zijn theorie goed gekend.

De kennis van zijn treurspel bezorgt mij een tot vreugde stemmend
cijfer; de les gaat voort.

Achtereenvolgens beschrijven wij nauwkeurig: »wat wij zou'en doen als:
een vliegmachine vlak bij ons neerviel, een vijandelijke ruiter ons,
onderscheidelijk stappend, dravend of galoppeerend naderde, een
slagveld-roover onder onze oogen een lijk bestal, een vijandelijk
soldaat ons als vrouw vermomd trachtte uit te hooren... als... als...
als, ja, wat al niet!«

»As de hemel naar benejen komt hebbe me allegaar 'n blauwe mus op!« zegt
Daan.

De anderen geven zonder onderscheid bloeddorstige antwoorden als: »'m
voor z'n raap schiete«, »'m door z'n test paffe«, of »'m z'n vet geve
dat ie 't niemeer over vertelt.«

[Illustratie]

Nu en dan geeft de sergeant een tactische terechtwijzing, maar, over het
algemeen blijken wij onzen taak juist in te zien.

Of wij intusschen de portée dezer bloeddorstige voornemens wel ten volle
beseffen, wordt twijfelachtig, wanneer de veronderstellingen op meer
persoonlijk terrein komen.

»Wat doe je?« vraagt de onderwijzer aan Keesje, »als Daan naast je
gewond wordt?«

»Daan helpe!« zegt Kees.

Wanneer het blijkt, dat hij dit niet dan op commando zal mogen doen,
kijkt hij Daan droevig aan.

»Ik ken Daan toch niet late verrèkke,« zegt hij eindelijk, »hij is toch
óók 'n mensch!«

»Je mag 'm alléén helpen op bevel van je meerdere!« zegt de onderwijzer.

»Nou, Daan, dan weet je 'n 't,« zegt Kees baloorig, »je ken verrèkke!«

Plotseling is de bloeddorstige stemming geweken.

»'t Is mooi!« roept er een, »dus as er zoo'n arme donder naas je lig te
bloeie, mag je 'n 'm geeneens meeneme?«

»Ik ken geen bees' sien lije!« roep een ander--»là-staan 'n kammeraad!«

»Al schiete ze Daan z'n beenen van z'n lijf, dan mag je nog niet de
linie verlaten om 'm te helpen!«

Nu schreeuwen ze allemaal door elkaar; de humanitaire gevoelens krijgen
de overhand.

Maar dan verzoekt de sergeant stilte.

De les gaat voort.

»Wat doe jij, Uiltjesbroekersma,--vraagt hij--als je buurman naast je
gewond wordt, en je ligt in de tirailleurs-linie?«

Uiltjesbroekersma wil z'n beurt niet bederven.

»Ik laat 'm liggen!« zegt hij kordaat.

Op de achterste bank klinkt gesis.

»Straks za'k je krijge, buite, wacht maar!« fluistert Daan venijnig.

»Heel goed,« zegt de sergeant.--»De volgende: Wat zou jij doen as«...

Zoo passeeren allerlei veronderstelde situaties de revue.

Men antwoordt.

De antwoorden staan in boekjes; het gemoed zwijgt.

Wat zouden wij doen als...

Ja, lezer, wanneer we geen boekjes hebben, weten wij het niet!

Is niet het levens-begrip zèlf een hypothese?...



V.

                                                 Kleilust, 1 Februari.


_Vorst._

Nu is de klei bevrozen. Goddank! Want daardoor zijn alle onaangename
eigenschappen van deze materie tot minima gereduceerd.

Wat eenmaal vette, voeten-inzuigende en kwalijk-riekende terreinen
waren, zijn nu steenharde vloeren; de drabbige slooten zijn versteend
tot spiegelgladde verkeersaderen, en de ons immer zoo verraderlijk
omkronkelende fortgracht is nu niets anders dan een volstrekt
onbelangrijk ijsvlak.

[Illustratie]

Alles is bevrozen.

De stroompjes vuil water, die van uit de keuken over de klinkers buiten
uitvloeien, zijn plots in hun tragen gang gestolten tot vadzige
viezigheid in ijsvorm.

Men toont u nog ijsblokken rondom de sinds lang onbruikbare pomp; daar
heeft, éven voor de schrikkelijke en plotse vorst, de laatste man zich
kunnen wasschen.

Nu is dat alles voorloopig onmogelijk; aan de punten der sokken, die wij
te droogen hebben gehangen, vormen zich lange ijskegels.

Gerrit breekt ze verstrooid af, en stopt ze in zijn mond.

En het blijft vriezen.

Toch is de ijspret al door het culminatiepunt.

De vreugd steeg steil tot uitbundigheid, en daalde toen zoetekens weg,
tot de hoogte waarop zij zich nu blijft handhaven.

O, die eerste dag!

Toen stoeiden de drie witte koks op het ijs, toen lag Teun op z'n buik,
en prikte zich met twee blanke bajonetten vooruit. Toen sulden ze met
stoelen en banken over het voorheen zoo onherbergzaam water, toen werden
er bloedneuzen op- en sterren in het ijs gevallen.

Daarop kregen ze den slag van voor drie jaar weer beet en dat bracht het
feit mede, dat ze de fortgracht verlieten, om de naburige plassen en
banen te gaan frequenteeren, waar de een zijn Keetje vond, en de andere
zijn Hendrika of Gijsbertina, altemaal rood-wangige en worst-armige
boerendochteren, die nog riepen: »kijkie nogeris om?« omdat
»hadjememaar« nog niet tot ze was doorgedrongen.

[Illustratie]

Verscheidene dezer dochteren heetten vele koeien te bezitten en gansche
kudden pluimvee, en er was een groote zwarte, die de allerrijkste was,
en dus met niemand een baantje reed.

Dat lag niet aan haar, ach neen, hare oogen waren even verlangend als
die van anderen, en in hare roodbolle wangen tintelden minstens evenveel
levenslust, als in die harer zusteren. Neen, de schuld lag veelal bij
ons.

Wij drongen te hoop, zoodat het ijs te dier plaatse vervaarlijk kraken
ging, en wij wezen elkander de groote zwarte boerendochter aan: de een
wist te vertellen van achttien zeugen, alle gereed tot biggen,--een
ander fluisterde met ontzag iets van vier en twintig koeien en twee
paarden....

Wij watertandden, de snijdende koude ten spijt, en Kees prevelde gretig
starend:

»En wij krijge maar zóó'n stukkie vlees' bij de door-me-kaar.«

De rijke boerendochter bleef alleen. En intusschen omzwierven haar heure
armere zusteren, allen met branie--en--met soldaten, en in iedere hoek
van de ijsbaan wist men weer nieuwe rijkdommen aan levende eetbaarheid
te verluiden.

       *       *       *       *       *

Vervolgens strekte de hooge overheid hare goedertieren hand over de
feestvreugd uit; zij arrangeerde een ijsfeest.

Voor een feest zijn wedstrijden noodig, voor wedstrijden deelnemers, en
voor deelnemers lokmiddelen.

De lokmiddelen waren sommen gelds.

Kees heeft er een veroverd en de overheid heeft hem die, met een woord
van hulde, overhandigd.

»Nu Kees«, zeide ik na afloop van de plechtigheid, »waart ge onder den
indruk?«

Hij keek me ironisch aan, en leek, den prijs in contanten ten spijt, wel
ietwat verstoord.

»Nu«, ging ik vroolijk voort, »heeft men u in 't zonnetje gezet?«

»Och, zeide hij, het was een heele toespraak. Ik kon niet alles
verstaan. Maar hij zei ook, dat ze in de grijze tijd op osseribbe rede,
en nou op ijzers... wat gaat dat _mijn_ nou an... wat is dat nou voor 'n
gezegde...!« En ongeduldig wendde hij zich af.

       *       *       *       *       *

Des morgens geeft men elkander, zij 't ook niet geheel gewasschen,
rendez-vous op het ijs.

Daar komt de grappige cantine-beheerder, die, wanneer men een
schoenveter bij hem komt koopen, vraagt: »een linker of een rechter«;
daar komt de boerenzoon uit de buurt, die voor een gering wekelijksch
bedrag de afval van het fort opkoopt en daaronder een belangrijk
percentage rekent van H. M.'s soldatenbroodjes, die hij in een zak weg
draagt om er zijn vette volgevreten zwijnen meê te overvoederen; daar
komen de correcte heeren-soldaten van het bureau of de telefoon; daar
komen wij, simpele soldaten, die tenminste nog schaatsen bezitten of
leenen, en daar komen ook de nog simpeler soldaten die niet eens
schaatsen hebben, en die daarom maar sullen en stoeien, en onverhoeds op
elkanders rug springen, of op die van een passeerenden kunstrijder.

Waag dat maar eens op de Amsterdamsche IJsclub!

       *       *       *       *       *

Wanneer dames op het ijs komen, is de animo direct veel grooter. Het was
op een middag, dat wij de eerste zagen verschijnen.

Opeens was er groote aandacht. Allen staarden op de naderende figuur,
zooals de leden eener zoölogische expeditie, op een exploratietocht in
nimmer betreden binnenlanden een nieuw soort kangaroe zouden waarnemen.

[Illustratie]

Zij bewoog zich door het sneeuwlandschap, en naderde de ijsvlakte; aan
den oever zette zij zich neer tusschen wuivend rietgewas, en keek om
zich heen.

Het was een circa 30-jarige boerin met zwarte kleeren en een zwarte
hoed. Alles was zwart, en stak fel af tegen den witten bodem.

Ademloos bleven wij staren, en opeens werd een smalle blanke strook
zichtbaar; het was haar onderrok, en zij wilde blijkbaar haar schaatsen
onderbinden.

»Hoooòi, koeiéééé!« riep Kees.

Zij bleef voorovergebogen zitten.

Het duurde lang.

Toen snelde ik opeens voorwaarts, vol ridderlijk besef, en, haar
naderend, bood ik haar op even wellevende als zichtbaar onbaatzuchtige
wijze, mijne diensten aan bij het vastsnoeren der riemen.

Reeds knielde ik neer, om het blanke ijzer onder haar ietwat plompen
laars te bevestigen.

Maar op hetzelfde oogenblik trof een geweldige slag mijn schedel, en een
schelle stem riep:

»Gà je heen, beroerde rotjonge!«

Toen ik opkeek, begreep ik, dat zij mij met de nog losse schaats een
slag op het hoofd had toegebracht, en tevens dat mijne diensten evenmin
gewaardeerd als aanvaard werden.

De dertigjarige, geheel zwarte boerin zat sidderend van woede vóór mij.

Achter mij tierden de kameraden.

De onheusche vrouw snelde kakelend den oever langs, als eene van haar
nest verjaagde henne.

Ik bleef duizelig achter; zij werd kleiner en kleiner, en was eindelijk
nog slechts een zwarte stip in het blanke landschap...

Lezer, leer hier uit, dat onze zorgvuldiglijk gecultiveerde zeden ons
op het land zedeloos doen schijnen, en dat het een ondankbaar, zoo niet
gevaarlijk werk is, om dertigjarige en geheel zwarte boerinnen de
schaatsen onder den voet te willen binden.

Gaat niet een poes blazen wanneer men haar streelt, en een kanarie
fladderen wanneer men haar grijpen wil?

       *       *       *       *       *


_Van een luitenant en een piano._

Hij was een jonge kerel, en men had hem een piano leeren bespelen.
Maar hij had niets aan zijn jeugd, aangezien men hem had ingekwartierd
in een afgelegen gehucht van nauwelijks zestig inwoners; en ook zijn
behendigheid op 't klavier kwam hem bitter weinig te pas, daar in de
buurtschap slechts één amechtig harmonium leefde, dat bespeeld placht
te worden door eene menschenschuwe boerentante. Zij speelde psalmen en
gezangen.

Zoo bleef hij dan eenzaam, en gevoelde zijn geest verslappen en zijne
eenmaal krachtige en lenige piano-vingers verstijven.

Een drenkeling komt nog éénmaal boven, vóór hij voorgoed verdwijnt. Een
luitenant in een stil gehucht krijgt nog één levende gedachte, alvorens
hij geestelijk ten onder gaat. Zoo kreeg dan ook deze luitenant op
zekeren dag een gedachte.

Hij sprak die uit tegenover Kees en Teunis, zeggende:

»Mannen, in 't naburige dorp weet ik een piano te huur, wilt ge die voor
mij halen?«

»Och, jawel!« zei Kees.

»Vrij rooken onderweg?« vroeg Teunis.

Met deze, en nog andere beloften, ongerekend nog veel overredingskunst,
gelukte het hem een zestal mannen voor het karweitje bereid te maken.

Zij vertrokken met een rammelend wagentje, dat ze bij een boer gehuurd
hadden, in de richting van 't naburig dorp. In afwachting zette de
luitenant zich voor zijn wankele één-poots-tafel, en trommelde, zooals
hij dat reeds vele avonden gedaan had, met zijne vingers op het
tafelblad zijn lievelingsmelodie, te weten: »_Einzug der Gladiatoren_«.

[Illustratie]

Toen hij die driemaal getrommeld had, ging hij zenuwachtig voor het
venster staan, en trommelde op de ruit: »_Ja, das haben die Mädchen so
gerne_«.

Hij was als een gramophone met vele oude platen.

Na bijna drie uur van pijnigend afwachten, klonk een luide slag door de
dorpsstraat.

Hij snelde naar buiten. De piano kwam de hoek om, maar was in de bocht
tegen het uithangbord van de plaatselijke vroedvrouw aangeslagen. De zes
soldaten rookten als Amerikaansche-munitie-fabrieksschoorsteenen; op de
piano, op den wagen, stond een ledig sigarenkistje; de zakken der
soldaten waren zéér vol.

Toen de piano een half uur later een-derde van de luitenants-kamer
besloeg, kwam het den officier voor, dat het instrument er jarèn ouder
uitzag, dan hij zich uit de verhuisinrichting meende te herinneren. Ook
gevoelde hij stekende pijnen aan zijn voet, waarop de piano driemaal
met kracht was neergekomen, en aan zijne knieën, die viermaal op
onverklaarbare wijze tusschen het instrument en de geel-behangen wand
beklemd waren geweest.

De rest van den dag speelde hij: _Einzug der Gladiatoren_ en _Das haben
die Mädchen so gerne_.

Hoewel het instrument zéér ontstemd was, stond de geheele bevolking
vóór het huis tehoop gedrongen. Om negen uur kwam de boer, van wien het
wagentje gehuurd was, tien gulden eischen voor beschadiging van zijn
eigendom. Om tien uur klonk plotseling muziek van de andere zijde van
het dorp: de menschenschuwe boerentante zat voor haar amechtig
harmonium, en speelde _Sien, Sien, Siene-là me lös_...

[Illustratie]

Om één uur in den nacht kwam de veldwachter den nog steeds spelenden
luitenant verbaliseeren wegens burengerucht.

Den volgenden morgen kwam een regeerings-telegram. Hij was onverwachts
overgeplaatst naar Amsterdam. Dienzelfden morgen kwamen de zes soldaten
weer, om de piano terug te brengen naar het naburige dorp.

Toen zij binnen kwamen speelde de luitenant: »_Einzug der Gladiatoren_«.

Zij grepen het instrument aan en wierpen het met een slag op een ander
wagentje, dat ze van een anderen boer gehuurd hadden.

Op een draf verlieten zij het gehucht, de piano op de rammelenden kar
achter zich aansleepend.

's Avonds kwamen zij zéér beschonken thuis; de kar lag in een sloot,
maar de piano was weggebracht. Even vóór hij naar zijn nieuwe
standplaats vertrok, kreeg de luitenant nog twee rekeningen.

Een van den boer, die f 50.-- schadevergoeding eischte voor zijn kar.

Een van den pianoverhuurder, die f 6.-- vroeg voor één maand huur en f
84.60 voor beschadiging van het instrument.

Nu is de luitenant in Amsterdam.

Iederen middag kunt ge hem vinden in de Bordelaise, waar hij naar
_Zunci's_ strijkje luistert en denkt aan zijn piano...



VI.

                                                 Kleilust, Febr. 1917.


_Buiten...._

Zooals een in de wildernis verdwaalde mensch, die geen lucifers bezit,
de vonken van zijn vuurtje gedurig aanwakkert en levend houdt, zoo doe
ik met de toevallig bij mij gerezen gedachte: _dat ik heerlijk buiten
ben_.

De gedachte van _het heerlijk buitenleven_ verlaat mij niet des nachts,
in den benauwden droom, en evenmin des daags in de harde werkelijkheid.

Ik ben buiten, ik dorre stadsmensch, en ik wil dat blijven waardeeren.

Ik wil dat blijven waardeeren, wanneer ik rillend, in de grauwe
morgenschemering den pomp-zwengel aanvat, en mijn slaperig hoofd laat
overspoelen, ik wil het blijven bedenken, wanneer in den marsch het
regelmatig zuigen onzer laarzen in de slikmassa's hoorbaar is, en ik wil
het heerlijk buitenleven waardeeren, wanneer ik mij in 't holste van den
nacht langs glibberige en stikdonkere landwegen naar het stinkend
slaaphok spoed.

Wij allen, dorre stadsmenschen, genieten van het buitenleven. Wanneer
de dienst ons des morgens langs grazend vee en wuivend oeverriet voert,
letten wij op duizend dingen, die de stad ons niet vermag te toonen.

»Káák, 'n ráááger!« roept er een, duidend op een slanken vogel, en een
ander, die een zwart- en witten haan, te midden van vrouwelijk pluimvee
ontwaart, vestigt onzen aandacht daarop, zeggend: »Sèg, jô, 'n
tààgerháán!«

Wij schatten de zwaarte van zwijnen en runderen, en voorspellen met
landelijke zekerheid het weder van den volgenden dag.

Wij kennen vele boeren bij hunne voor- en geslachtsnamen, en kunnen met
één oogopslag een regeerings- van een particulier schaap onderscheiden.

Ik verzeker u, lezer, die gelachen hebt omdat Stastok Sr. zijn dag naar
het passeeren van den wagen van drieën indeelde, dat zaken als wagens
van drieën belangrijker zijn, dan het opdringerig beieren van uw
beursklok.

De aankomst van het bakkersknechtje, met zijn kist vol »tompoeze«
geeft ons een inniger sensatie, dan het kanon bij de Invalides het den
Parijzenaar ooit zal doen, en de aankomst van de veldpost, die ons een
enkel briefje brengt, is een heerlijker moment in onzen dag, dan een
vette morgencourier bij uw ontbijtbord het in den uwe is.

[Illustratie]

Let gij ooit op de sierlijke meeuwen, die in de gracht, juist tegenover
uw hoogen stoep, zoo dartel en sierlijk stoeien?

Neen! gij jaagt ze op, wanneer ge 's morgens haastig een parapluie
opsteekt, en uw keukenmeid werpt ze hoogstens een handvol oud brood toe.

Wij niet alzoo!...

Wij hebben óók meeuwen, en we hebben ze lief!

Zorgvuldig zoeken wij de oneetbare stukken pens, eelt, huid en darm uit
onze soep te zamen, en leggen ze op een hoopje vóór ons op tafel.

Vervolgens treedt Bertus naar buiten, en werpt ze onder het even ruraal
als goedig geroep van: »Meeuwéééé, Meeuwéééé!« den lieven dieren voor.

Wij kennen ze allen, en noemen ze bij namen als: »Vetpens« en
»Hinkepoot« en »Darremediefie«.

Zoo zijn wij, buitenmenschen.

En gij lezer, ge mist véél. Ge kent niet de zoete mestgeuren, die tot
ons overwaaien, en kunt u nauwelijks voorstellen, hoe men een ei uit een
kippenhok wegneemt.

En evenmin kent ge het heerlijke van de groote stad, wanneer ge die
sporadisch bezoekt.

Ons hart springt van vreugde op, wanneer wij een enkele maal in
Amsterdam den trein ontstijgen; wij zijn dan vol jolijt, vanaf den
eersten borrel in een grootsteedsch koffiehuis, tot het moment, dat we
ons haastig weer naar het station spoeden, door de duistere straten,
waar een dwalende vrouw ons vòl ingehouden haat tusschen de tanden door
toe-sist: »Dag ssschàt!«

       *       *       *       *       *


_Dansen._

Lezer, ik ben dóódmoe... bijna te moe om nog verder te schrijven. Ik ben
niet moe door den dienst, maar door hetgeen bij de officieren onzer
zeemacht wordt verstaan onder: »representatieve verplichtingen«. Ik heb
namelijk gedanst.

Zooals de officieren van H. M.'s zoo-en-zoo, die te Paramaribo ligt,
verplicht zijn de dames dier stad ten dans te voeren, zoo heb ik mij
verplicht gevoeld de dames van het gehucht Kleilust te doen profiteeren
van mijne kundigheden op het gebied van: Polka, hossen, kruispolka,
schotsche-drie en nog eenige gezelschappelijke dansen.

Het gevolg is, dat ik met een paar blauwe schenen en een ingedrukten
borstkas kwartierziek te bed lig, terwijl naast mij mijn tuniek ligt,
die als doorzeefd is van zwarte brandgaten, die niet door kogels, zooals
ge wellicht zoudt denken, maar veeleer door de sigaren mijner onachtzame
mededanseurs veroorzaakt zijn.

Voor het bal had ik mij zoo netjes mogelijk gekleed, en eenigszins van
modder ontdaan; dit deed mij gunstig afsteken bij de andere heeren.

Toen ik binnentrad in de danszaal, was het bal reeds begonnen, hetgeen
merkbaar was aan veel gedreun, dikke tabaks- en stofwolken, geschreeuw,
gerinkel van glazen, en, nu en dan hoorbaar, ook pianospel.

Aangezien ik niemand kende, en er geen dames ontvingen, baande ik mij
een weg tusschen de menigte door, en ging op een jongmensch af, dat, met
zijn arm om de schouders eener jonge dame geslagen, een sigaar zat te
rooken.

Ik wilde, via hem, met de jongedame kennis maken, en trachtte mij voor
te stellen, maar hij raadde en voorkwam mijn wensch door haar, met den
uitroep: »Pak maar mee, verdorie!« in mijne armen te duwen.

Aanstonds klampte ze mij, plichtsgetrouw, in een danshouding vast, en,
vóór ik het wist, waren we in den stoet, en dansten, òm een houten tafel
heen, een z.g. Spaanschen wals.

Een wals was het echter niet, en ook het Spaansche element kòn ik,
behoudens dan misschien in het gewèldig gestamp, waarmede de dansers
telkens vóór- en achterwaarts sprongen, bezwaarlijk vaststellen.

[Illustratie]

Om iets tegen mijn danseuse te zeggen, maakte ik de opmerking: »dat het
fijn ging!«

Ze knikte van ja, en ik bemerkte, dat ze transpireerde.

Toen zeide ik dat het vol was, en weer lachte ze, knikte van ja, en
bleef transpireeren.

Daarna zeide ik achtereenvolgens, dat het warm was, dat ze zeker
verkeering had, dat haar kapsel modern was, en dat ik vreesde dat het
zou gaan dooien, en voortdurend bleef ze lachen, ja-knikken en
transpireeren.

Toen de dans uit was, bracht ik haar naar den jongeman terug, die
aanstonds zijn arm weer om haar hals legde.

Dien avond danste ik met vele lachende, ja-knikkende en transpireerende
boerinnen. Ten slotte werd ik wild en duizelig, rookte onder het dansen
3-cents sigaren, trapte en kreeg blauwe schenen, en dronk veel bier en
brandewijn.

Ook nam ik deel aan het algemeen vuistgevecht, dat het geanimeerd einde
van het bal was, en wist zelfs in belangrijke mate bij te dragen tot het
vernielen van tafels, lampen, stoelen, en ook van het buffet.

Het was werkelijk een aardig bal, mijn eerste van dezen winter. En het
is zoo prettig, geen digestie-visite te hoeven maken.


_Eten._

Neen, neen ge weet niet, en kunt nimmer vermoeden, _hoe wij eten_.

Ik weet zeker, dat gij het niet _eten_ zoudt noemen, maar veeleer
voederen.

Van het ontbijt behoef ik u niet veel te zeggen; eenige uren vóór dat
men u komt zeggen, dat uw morgenbad gereed is, klinkt vlak naast mijn
slapend hoofd een luide slag. Elken morgen wéér schrik ik van dien slag,
die intusschen van zeer goedaardige soort is, en slechts verwekt wordt
door een loodzwaar en keihard broodje, dat op mijn bed geworpen wordt.
Dit broodje vormt, bespoeld met lauwe thee uit een emmer, mijn ontbijt.

Van meer belang is echter het noenmaal.

Een kwartier vóór de voedering zal plaats hebben, worden wij onrustig,
wij dringen tezamen in ons hok, maken doffe geluiden, stampvoeten en
twisten, zooals ge dat ongetwijfeld kent van de beren en leeuwen in de
een of andere diergaarde.

De een slijpt zijn mes aan zijn schoenzool, een ander veegt zijn bord
nog eens af met een onderbroek, die hij tot dat doel stiekem van het bed
eens buurmans neemt, en allen maken wij vast onze halskragen en bovenste
jasknoopen los.

Zoodra de emmer met voedsel wordt binnengedragen, dringen wij, met
het bord in de eene hand, en met de andere de lepel boven het hoofd
zwaaiend, naar voren. De borden verraden in hun afmetingen en diepte de
vraatzucht hunner bezitters; de meeste borden zijn diep en rond, maar
sommige ook langwerpig en breed. Dat is het bord van Karel, die uit
louter gulzigheid groote hoeveelheden voedsel wil hebben, die hij niet
voor de helft verwerken kan.

Maar het zijn niet in de eerste plaats boonen of doormekaar die ons
dringen geldt, neen, wij dringen om het gróótste stuk vleesch machtig te
worden.

Het grootste stuk vleesch... dat is het dagelijksch strijdpunt, de bron
van vele smeulende twisten en veeten, en de oorzaak van menigen oorveeg.

Eens heb ik, per ongeluk, het grootste stuk vleesch gekregen.

Nimmer zal ik dien dag vergeten.

Er was haat en woede in het gesmak der etende monden om mij heen, die
kleinere stukken vleesch genoten.

Men sprak van: »zeker thuis nooit vleesch«, en, dagen daarna, volgden
mij nog sombere blikken.

Wanneer het voedsel verzwolgen is, ligt de tafel vol versmade resten,
en, na 'tgeen nog op onze borden is, in de pannedeksel teruggeschoven te
hebben, leggen wij ons hijgend en blazend op onze bedden, en maken nòg
een knoop los.

[Illustratie]

Karel echter, blijft nog om de pan zweven.

Hij krabt de gestolde jus van de randen en vult daar een kommetje mee.
Dat blijft bij zijn bed staan, en morgen smeert hij het op zijn
boterham.

Klaas eet een stuk droog brood: »tegen et opbreke van et vet.«

En ik... ach, ik stamel dommelend voor mij heen de eenige troostreden,
die mij tot formule geworden is: »ik ben buiten... heerlijk buiten.«

Ik tracht een boek te lezen, maar het is te donker onder het schemerig
gewelf; ik kan niet schrijven, want de tafel ligt vol schoensmeer en
etensresten.

Daarenboven gaan wij over een uur weer exerceeren, in de modder. Maar ik
ben buiten... o, dierbare formule, verlaat mij niet.

Wanneer men zich in de stad heeft opgevoed tot een fatsoenlijk
neurasthenisch jongmensch, dan komt in dit landelijk leven van frissche
lucht en luiheid de gezondheid u besluipen als een gevaarlijke en
afzichtelijke ziekte.

Mijn wangen worden rood en dik... ik ben heerlijk buiten...



VII.

                                                 Kleilust, Maart 1917.


_De Beestmensch._

Nimmer zal hij de roep verliezen van _een beestmensch_ te zijn. En toch
is hij geen bloederig man. Hij is schuchter en lang en slungelig; het
puntje van zijn neus is doorgaans rood van koude, en als hij een blauwen
plek heeft, smeert hij dien zesmaal per dag in met zalven en heilzame
kruiden, die zijne moeder hem toezendt. Maar hij is uiterst zenuwachtig,
en daardoor doet hij wel eens dingen van zóó bloederigen en
afschuwelijken aard, dat wij, die toch niet voor een klein geruchtje
vervaard zijn, vol afgrijzen het gelaat afwenden.

Voor 't eerst uitte zich zijn fatale aanleg bij een onlangs gehouden
velddienstoefening.

Een vijandelijke afdeeling kwam zich overgeven aan de wacht, die hij
commandeeren moest. Nu gaat het commando in den regel iemand, die
slechts gewend is te gehoorzamen, niet goed af.

Zoo was het dan ook meer ongewoonte dan buitengewone vrees, die zijn
stem deed overslaan, toen hij riep: »wapens neerleggen, handen
opheffen«.

De vijanden legden hunne wapens op den weg, en staken hunne handen in de
hoogte; twee dier handen waren met helderwitte wol bekleed, en behoorden
aan een wapenbroeder, die op deze wijze, zijn simpele uniform ten spijt,
bewijzen wil, welke een »beslist-prima heer« hij in de
burger-maatschappij wel is.

Mijn vriend aarzelde. Hij wist niet, wat hij met de nu onschadelijke
vijanden doen moest. Deze bleven met omhooggestrekte armen staan. Om de
lippen van den beslist-prima-heer-met-witte-handschoenen, speelde een
wereldsche glimlach, die eene oneindigheid van misprijzen uitdrukte.

De toestand hield nog aan; het wachten werd pijnlijk.

»Kom, wat doe je nu?« riep de ongeduldige officier.

Hulpeloos keek de zenuwachtige overwinnaar van links naar rechts.

Toen kuchte hij, en, zich vermannende, riep hij radeloos tot de zijnen:


»Salvo-vuur... Aan... vúúrr...!!«

Een storm van verontwaardiging loeide door onze overigens zoo
gedisciplineerde gelederen.

De ontwapende vijand was gefusilleerd...

Toen klonk voor 't eerst de naam: »_Beestmensch_«. En nu is er niemand
meer, die nog durft twijfelen aan de bloederigheid-van-ziel van mijn
krijgsmakker wiens naam ik u blijf verzwijgen.

       *       *       *       *       *


_Jeugd!..._

Gij allen, die het geloof verloren hebt in lieve, kinderlijke zaken; die
de leegten, waaruit uwe jonge onnoozelheid gevlucht is, gevuld hebt met
wijsheid en overleg, gij allen, hoort mij aan.

Want ik was als gij, en ook ik waande mij een wijs man... totdat ik
soldaat werd.

Vanaf dien dag heb ik weer het geloof gekregen in het begrip _jeugd_.

Het gaat ons met de jeugd, als met de kniebroeken onzer schooljaren. Er
komt een dag, dat wij ze vèr van ons werpen, om onze spillebeenen te
omkleeden met »jongeheeren-kleeding«. De meesten onzer kiezen daartoe
stemmig donkerblauw, om daarná terug te keeren tot licht-zinnig, ruig
goed. Zóó werpen wij ook allen gelijktijdig onze jeugd van ons af, om
mannen te gaan schijnen.... aanvankelijk ernstige mannen en later
jolige...

En, wanneer wij niet het geluk hebben soldaat te worden, blijft het
proces in die richting verloopen.

Voorwaar, de opperbevelhebber heeft een goede daad verricht, door ons
allemaal weer kniebroeken aan te trekken.

Dat symboliseert onze toestand:

Wij zijn, àllen tesamen, met één slag weer jeugdig geworden.

Geen onzer had het alléén aangedurfd, maar de algemeene beweging heeft
ons den moed geschonken, onze jeugd weer op te vatten.

En nu geloof ik niet meer in oud-worden...

Oud-worden is een sloopingsproces, dat wij onbewust aan ons zelf
voltrekken,... indien wij allen in den dienst vergrijsden, zouden wij
den moed hebben als kinderen voort te leven, en dan zouden wij als
kinderen sterven.

Dan zouden alleen onze superieuren, die voor ons moeten denken, oud
worden.

Ik zie ze voortdurend om mij heen, die vreemde groote kinderen. Daar is
een groot slungelig kind, van bij-de-dertig. Vroeger was hij een bleeke,
bloedarme horlogemakersonderbediende, met een grafstem en blauwe kringen
om zijn oogen. Nu is hij een kwajongen, die slechts in schaal verschilt
van zijn jeugdiger aardgenooten.

Daar is een ingenieur, die vroeger zijn werklieden van-achter een breed
bureau her- en derwaarts dirigeerde.

Nu werpt hij onder de les met propjes papier en 's avonds met
broodkorsten.

Daar is de jong-verdorven groote-stads-zwerver, die onder gewone
omstandigheden misschien al achter slot en grendel gezeten zou hebben...
nu is zijn grootste zonde, dat hij een langen neus maakt achter den rug
van zijn sergeant....

En daar ben ik zelve, vroeger een nerveus heertje, en nu, o, liefelijk
wonder, een luidruchtige plattelander.

O, ge kunt u nauwelijks zoo dartel eene samenleving voorstellen als de
onze.

Het is, of ieders individueele ontwikkeling tijdelijk stop gezet is...
Wie onderweg was een òn-maatschappelijke boef te worden, en wie zich
op een zuiver geestelijk leven voorbereidde, wie reeds in innerlijk en
geest beloofde een slovend ambtenaartje dan wel een knoestige werkman te
zijn... zij allen zijn tijdelijk in hunne ontwikkeling blijven
stilstaan, als uurwerken in een horlogemakers-étalage.

Alleen verraadt een enkele maal het slagwerk hun persoonlijken aard.

Ook ik voel mijn uurwerk afloopen; met wanhopige inspanning tracht ik
nog, zoolang mogelijk, mijn veer gespannen en mijne wijzers gaande te
houden.

Maar ik luister met angst naar mijn eenzaam tikken temidden der reeds
dof zwijgende soortgenooten. Alle uurwerken zijn flink ingevet en tegen
roesten gevrijwaard; zoo blijven zij hagelnieuw en jeugdig... zij
slijten niet, maar zij dienen tot niets.

Zij zijn jong en krachtig, en gereed hun roeping te volgen... maar zij
staan stil....

Voorzeker, er zijn klokkenopwinders genoeg, er is zelfs een centraal
lichaam ter ontspanning en ontwikkeling van stilstaande uurwerken.

Maar er zijn er zoo weinig, en ach, de tijd is nog verre, dat alle
uurwerken electrisch zullen zijn, en gedreven door één centrale
krachtbron.

Er zijn er, die beweren, dat het daarvoor oorlog moet zijn, en dat de
Vaderlandsliefde de centrale bron voor al ons bewegen zal zijn. Maar
nu...?

Zoo velen missen die energie _in zichzelf!..._



VIII.

                                           Kleilust, einde Maart 1917.


_Waar ik woon._

Ruggelings lig ik uitgestrekt op mijn stroozak. Ik kijk en denk en rook.
Mijn boek ligt gesloten naast mij. Het is te donker om te lezen; mijne
oogen doen mij pijn. Ik rook, denk en kijk, zooals ik dat geleerd
heb in de laatste maanden: bijna onbewust. De gedachten, die mijne
onbewuste oogen projecteeren in mijn rustig brein vermaken mij, zooals
een bioscope-voorstelling dat doen zou. De beelden zijn niet van
sensationeelen aard, maar er is een wonderlijk spel van verrassende
en boeiende détails; het zijn héél kleine, fijn genuanceerde détails,
waarvan ik geniet als een botanicus die aan de dorre heide-gewassen
onder zijn microscope bloemen en levensteekenen in overvloed herkent.

[Illustratie]

Ik staar om mij heen, op mijne slapende kameraden. En ik vind bloemen
en levensteekenen in overvloed op hunne oogenschijnlijk
dierlijk-dom-snurkende gelaten.

Ik zie lijden en verlangen om hunne in den slaap half geopende monden;
ik hoor verlangen en streven in hunne onbeheerscht-natuurlijke
ademhaling: en hunne vuile soldatenhanden, die slap rusten op de
groezelige dekens, zijn vol verrassende karaktertrekken.

Het is één uur na den middag; ergens ver weg, op een weiland buiten het
fort, kraait een haan.

Langs de kleine vensters gaat een schaduw, en voetstappen schuiven zwaar
door het grint; dan klinkt een jolige stem, en een deur slaat dicht. Het
is weer stil.

De kameraden snurken.

Over een half uur zal een schetterend trompet-signaal ze tot het leven
terugroepen, of liever tot den dienst, de actie.

Want ik geloof dat ze nu, in hun slaap, levend zijn. Ik geloof niet, dat
die luidruchtige grappenmakerij van straks hun leven is, ik geloof niet
dat hun getier en buitenmatig gemor kenmerken van hun werkelijk wezen
zijn.

Ik geloof, dat zij slechts in den slaap, in den volkomen rust, in hun
onbewustheid, hunne primaire en simpele instincten tot uiting kunnen
brengen.

Nu zijn zij eerlijk; de lippen van den schreeuwer tegenover mij zijn nu
ontspannen; hij snurkt, en op zijn bruut gelaat is een trek van krachtig
willen; zijn hand ligt tot een vuist gebald op zijn dekens.

Het pretentieuse mannetje naast hem schijnt nu verzakt te zijn tot een
onbelangrijk hoopje zwakheid. Zijn lippen zijn half geopend en rood en
dik; er zijn slappe groeven langs zijn neus, die op geen smart, maar
hoogstens op een lichamelijk onbehagen duiden.

De slappe hand op zijn deken is knokig, en de vingertoppen dragen de
sporen van veel knagens' en kluivens'. Mijn blik waart rond, en ik zie
er nog velen, die àllen slapen, en àllen in hun slaap iets verraden van
smart of strijd of huiselijk leed... of van absoluut niets.

Plotseling vind ik ze àllen belangrijk.

Van de slapers gaan mijne oogen naar hun schamele, en grootendeels
uniforme have, die op een plank, boven het hoofdeinde der bedden, als
uitgestald ligt.

Boven den slappeling staat een jam-potje, en een kopje met vet, dat hij
den vorigen dag uit het eten gespaard heeft; er liggen
glacé-handschoenen en een viezige veldflesch en een bestoft stuk
wittebrood.

Er zijn er, die gekleurde prentbriefkaarten en snuisterijtjes op hun
plank hebben, en anderen die een gebarsten scheerspiegel exposeeren....

Al die willige doode dingen harmonieeren met de onbewuste openhartigheid
hunner snorkende bezitters.

Aan de zoldering hangen, als hammen aan een lange rij, de ransels; de
zware zakken hangen daar al maandenlang leeg en slap, en wij hebben ze
al dien tijd niet gedragen.

Het invallend namiddag-licht werpt lange slagschaduwen van de slappe
ranselzakken uit langs de gewitte zoldering; de schaduwen hebben vreemde
vormen. En mijne onbewuste oogen tooveren plotseling een verrassend
beeld op mijn rustig-blank brein.

Het is me opeens, alsof al die slapende kerels hunne zorgen voor een
tijdlang afgehangen hebben. Ze hangen daar aan de zoldering, die zorgen,
op een lange rij, naast elkander.

En het invallend namiddaglicht mengt de vreemd gevormde slagschaduwen
tesamen en dooréén... tot een grauwe wolk, die langs de zoldering
vervaagt tot een verre hoek van het vertrek...

       *       *       *       *       *

Daar schettert het appèl-signaal.

Bijna gelijktijdig verroeren zich de rustende lichamen op de kribben.

De deur wordt met een slag opengeworpen, en het is opeens veel lichter
onder het gewelf.

»Verdorie d'r uit,« schreeuwt de schreeuwer en hij schudt het
slappelingetje naast hem door elkaar.

»Jawèl, jawèl, hou je poote maar thuis,« zegt het slappelingetje
slaperig.

»D'r uit, Stoke, suffe mafkop!« roept de schreeuwer mij toe.

»Hou je groote smoel,« geef ik kribbig terug.

Ik ben weer ruw. Ik heb mijn liefderijke gevoelens weer verloren. Maar
ik kàn er niets aan doen... Ze spreken zoo luide en onbezonnen...

... Ach, waren ze maar blijven slapen. Ze waren zoo sympathiek, en zoo
eerlijk... _in hun slaap_.

       *       *       *       *       *


_Jubileum-dag._

In alle stilte heb ik, goede lezer, vandaag den dag herdacht, die nu
juist een jaar achter mij ligt, en waarop ik mij voor het eerst soldaat
mocht noemen.

Ik behoef u niet te zeggen, dat ik dit feit zonder eenig feest- of
uiterlijk vertoon geconstateerd heb. Maar het wàs een jubileum.

En bij een jubileum behooren een feestredenaar en een toespraak.

Om nu mijn jubileum bescheidelijk, en in zoo beperkt mogelijken kring te
vieren, besloot ik mijn eigen feest-redenaar te zijn.

's Morgens, in bed, sprak ik mij zelf binnensmonds ongeveer als volgt
toe:

     »Melis Stoke! Jubilaris. Het is vandaag de dag... enz. enz. In
     het afgeloopen jaar waart ge soldaat, daarmee is alles gezegd.
     Het Vaderland heeft, om eerlijk te zijn, niets aan uw diensten
     gehad. Daarin moet verandering komen! Ge moet uwe contemplatieve
     houding in het legerverband opgeven! Ge moet actief worden! Ge
     moet het Vaderland nuttig zijn.

     Melis Stoke, laat ik kort en duidelijk zijn.

     Dit nieuwe jaar moge u zien als officier! Al is er bij de
     landstorm geen wettelijke--dan is er toch een _moreele
     kaderplicht_.

     Aan toeschouwers hebben wij niets: wij moeten kerels hebben die
     wat _doen_!

     Ik heb gezegd! Lang zal hij leven... enz. Hoera! Hoera!«

Ik was zelf zóó geschrokken van dit, als buiten mij om geboren besluit,
dat ik dit _Hoera!_ hardop geroepen had.

»Hij oefent de stormaanval!« riep Kees hoonend. Toen ben ik op een
tafel gaan staan, en heb mijnen kameraden mijn besluit medegedeeld.

Nu zijn ze boos op me.

»Wat een vènt,« roepen ze. »Eerst doet ie mee, en nou wil ie zoo'n kouwe
luitenant worde!«

»Mannen, besloot ik ernstig, op het slagveld spreken we elkaar nader.
Tot dàn. Ik ga mij er toe bekwamen, uw aanvoerder te mogen zijn!«

»Zà-je-me-niet-stràffe?« hoont Karel...

       *       *       *       *       *

[Illustratie]



IX.

                                            Kleilust, Einde Maart '17.


Dit is, lezer, mijn slotzang... Voor den laatsten maal heb ik boven deze
regelen den titel neergeschreven, onder welken ik u het lief en leed heb
uitgezongen van een simpele soldatenziel.

Ge kent mijn besluit reeds; ik ga officier worden.

Na een jaar--de jubileumsdag ligt vlak achter mij--na een jaar van
gehoorzaamheid, ga ik mij op mijn beurt onder hèn voegen, die op dit
ijdel ondermaansche met een schijn van gezag en een zeer reëele
verantwoordelijkheid bekleed zijn. Ik heb begrepen, dat ieder de taak
te vervullen heeft, waartoe het lot hem beschikt heeft.

Maar ik heb méér begrepen... ik heb iets begrepen van wat er in een
ruwen soldaat omgaat; zoo'n soldaat is moeilijker te doorgronden dan
een sphynx... want een sphynx zwijgt, en een soldaat is geneigd het
tegendeel te zeggen van wat hij gevoelt.

Misschien zal die tak van wetenschap in den verlofsofficier Stoke de
lacune aanvullen die in zijn krijgswetenschap zal blijven bestaan. Want
om de hoogere krijgsschool te bezoeken heb ik tijd, noch gelegenheid.

Ik ben er mij zeer wèl van bewust, dat mijn dagboek niet anders geweest
is, dan eene losse aaneenschakeling van notities; het geeft dan ook
evenmin de »psyche« van den Nederlandschen soldaat, als het foto'tje op
uw buitenlandschen pas die geeft van uw persoon.

Maar er zit wat van hem in, en zijne grove trekken zijn te herkennen. Er
blijft mij nu nog één ding over, en dat is u te zeggen, wàt een officier
is, wàt ik zijn zal, in de oogen van hen, die tot op dezen dag mijne
kameraden zijn.

       *       *       *       *       *


_De officieren._

Het was op een warmen zomer-namiddag; ik was nog niet lang in dienst.

Uit een venster van de kazerne gebogen, overzag ik het zonnige
exercitie-terrein, waar recruten eener jongere lichting hunne eerste
lessen genoten.

Naast mij leunde Gerrit tegen de vensterbank, en verlustigde zich in
hetzelfde schouwspel.

De commando's klonken tot ons over op de lauwe lucht.

Aan de overzijde van het water schoof bel-tinkelend een tram voorbij.

[Illustratie]

Plotseling werd ons beider blik getrokken tot een lichtend punt; het was
de zon, die even schel reflexeerde in een officiers-sabel.

De officier stond op eene kleine verhevenheid, en overzag vandaar het
terrein; hij rookte een cigarette, en heel zijn houding drukte rust,
doch tegelijkertijd latente macht uit. Hij scheen er zich niet van
bewust, dat Gerrit en ik en wellicht nog vele anderen, naar hem keken.

»Fijn leventje toch, zoo'n luit',« zeide Gerrit naast me.

»Maar niks doen, en kommedeere... en 'n hoop cente in de maand...!«

»Daarvoor moet hij voor jou denken!« waagde ik.

»'n Ofcier en 'n ofcier zijn twéé«, ging Gerrit voort. »Je heb er 'an
wie je merkt wat ze van je wille, maar d'r zijn d'r óók die maar eische
dit en eische dàt, zonder dat je weet waar et goed voor is. As me vrouw
ziek is, en de luit' wil me niet late weggaan, dan weet ik dat ie zelf
weer knijpt voor de kaptein. Maar assie zegt >vooruit, wees weg<, dan
voel ik, dat ie z'n eige der an waagt voor mijn!

»En assie zegt >ga ligge, gauw< dan denk ik >ik ben je hond niet<, maar
assie zegt >'n granaat, gauw ligge<, dan doen ik et graag!

»Die daar staat te rooke zet een gezicht of ie zegge wil >wat gaat mijn
dat beestespul an<; as ik dat zie, dan krijg ik de pest in.

»As mijn baas tege me zegt >Gerrit maak die planke es zoo en zoo pas<,
dan doen ik dat misschien verkeerd, maar assie zegt >dat mot 'n kassie
worde<, dan snap ik hem direct! Kijk, an 'n ofcier zie je van buite: dat
is me baas... da's glad genoeg, daar zorgt de kleeremaker voor. Maar
waar de kleeremaker niet voor ken zorge, dat is dat ik zeg >ik
gehoorzaam je graag<, daar mot ie zelf voor zorge.«

[Illustratie]

Gerrit heeft gelijk. Ge weet niet, burger, hoe hoog een personage een
officier is in den troep. Wij zien onze meerderen hem naar de oogen
zien, en wij bemerken, hoe een kort woord van hem door onzen sergeant
tot een wet wordt uitgewerkt, die onze belangen dienen of breken kan en
onzen vrijen tijd bekrimpen of verlengen.

Het instituut tucht maakt hem het bevelen gemakkelijk, en opent hem de
kansen op bemindheid.

De exploitatie daarvan, wordt aan hem zelf overgelaten, en dat is
minstens zoo belangrijk als de meest volledige kennis van den inwendigen
dienst.

       *       *       *       *       *


_De sergeant._

De sergeant staat ons nader. In hem gehoorzamen wij niet den meester,
maar den ouderen broer. Hij doet alles met ons mee; de officier ziet of
onze ransels goed hangen, de sergeant of ze wel model gepakt zijn.

Met den sergeant wonen de soldaten in één straat, en ze kennen zijn
meisje; het gemeenschappelijk ontzag voor den officier verbindt
manschappen en onder-officieren. Zij bezigen dezelfde taal en waardeeren
denzelfden humor; onder hen zijn de verschillen nuancen geworden en
geen contrasten meer.

Daardoor wordt het bevel van den sergeant gecenseerd te zijn een uiting
van gezond verstand, en dat van een officier eene openbaring van
wijsheid.

Waar het de behartiging van particuliere soldatenbelangen geldt, kan
een officier zeer zeker te rade gaan bij onderofficieren; te weten bij
onderofficieren, die niet onder één deken liggen met een zeker soort
soldaten, die voortdurend verklaren: »dat 't toch maar een rotzoo« is.

       *       *       *       *       *


_De korporaal._

De korporaal is een kindermeid. Geen gouvernante wel te verstaan,
maar een kindermeid, zoo een van zestien jaar, met een paar nuchtere
vlechtjes op het achterhoofd. Als hij serieus zijn plicht doet, of gezag
laat gelden, wordt hij uitgelachen; en als hij een standje krijgt, in
presentie zijner minderen, wordt hij óók uitgelachen.

Een korporaal kan alléén goed doen, wanneer hij vertelt van meerderen,
met wie hij uit hoofde van zijn rang in iets nader contact gekomen is
dan zulks den soldaat vergund is.

Hij mag vertellen, hoe duur de sigaren zijn, die de kaptein rookt of
weggeeft, en ook hoeveel stukken vleesch de kok wederrechtelijk mee naar
huis genomen heeft.

De korporaal draagt het uiterlijk kenmerk van een volleerd manschap te
zijn.

En die pretentie wordt, onbewust, door de soldaten op hem gewroken.

Een korporaal spreekt over zijne ranggenooten als: korporaal X en
korporaal IJ.

Een sergeant over de zijnen als collega P en Q.

Een officier spreekt tegenover minderen niet over andere officieren.

       *       *       *       *       *

En nu, geduldige lezer, vaarwel.

Ik ga studeeren.

Hiermede is de serie kantteekeningen van een landstormplichtige
geëindigd.

Een burger, die soldaat geworden is, mag tegenover burgers van zijne
indrukken vertellen.

Maar een soldaat, die officier wordt, kan zich, waar het dienstbelangen
treft, nog slechts met een ernstig gebaar tot zijne collega's wenden.

En dat zal dan niet zijn in een burgerlijk blad, maar mondeling of in de
Militaire Spectator...

Waar de actie begint, eindigt de beschouwing...

Vaarwel, en dank voor uw aandacht!

                                                          MELIS STOKE.

[Illustratie]



NASCHRIFT.

VAN MELIS STOKE, ADSPIRANT-VERLOFSOFFICIER.


En nu, goede lezer, gaat dit verhaal eindigen, zooals ieder zichzelf
respecteerend verhaal eindigen moet nl.:

                            Ze vinden elkaar!

Ja, lezer, we hebben elkaar gekregen, mijn militaire- en mijn
civiele-ik. Wij gaan ons vereenigen in één vorm, die van
verlofsofficier.

Zeer zeker, het is wel een mariage de raison, maar het zal een ideaal
huwelijk zijn ook!

Want wij zijn tesamen gekomen door een gemeenschappelijken drang, wat
goeds te doen.

Zooals in ieder huwelijk _de plicht_ een goede toekomst waarborgt, zoo
zál de plicht, iets goeds te doen voor den soldaat, ons huwelijk
vruchtbaar maken.

In ieder leven komt een oogenblik, dat de behoefte aan _actie_ den
levenden mensch zijn beschouwende houding doet opgeven.

Zoo gaat het ook in een militaire loopbaan als de mijne.

En zoo moet het ook zijn in den loopbaan van u allen,
landstormplichtigen, die nà mij zullen komen. Het heldere bewustzijn
van méér te zijn, dan uwe kameraden, geve u de kracht om éérst door
den zuren africhtingstijd heen te komen, en u vervolgens de moeiten
te getroosten van een studie voor verlofs-officieren.

Uwe ondervindingen in den troep zullen er toe bijdragen, een officier
van u te maken, die zijn mannen begrijpt, die de oorzaak voelt van
weerbarstigheid en die de goede gevolgen kent van een rechtvaardige
behandeling.

Ik hoop, dat in deze losse dagboekkrabbels iets te vinden is van den
Nederlandschen soldaat. Tracht ook gij dat te ontdekken; onder den
ruwen bolster zit vaak, voor wie het weet te vinden, een vertrouwend
en eerlijk hart.

En al ontbreekt het den verlofs-officier, door zijn korten
opleidingstijd, wellicht aan tactische kennis, in menschelijkheid en
paedagogie behoeft hij _nimmer_ onder te doen voor zijne
beroeps-collega's.

Dat blijve u voor oogen staan!

Het Nederlandsche leger vare er wèl bij.

AMSTERDAM, Maart 1916-'17.



  +------------------------------------------------+
  |                                                |
  |       OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER:             |
  |                                                |
  |  De volgende correcties zijn in de tekst       |
  |  aangebracht:                                  |
  |                                                |
  |  Bron (B:) -- Correctie (C:)                   |
  |                                                |
  |  B: elkander bestemd zijn, Het kind            |
  |  C: elkander bestemd zijn. Het kind            |
  |  B: »_de kogel_«, De man naast                 |
  |  C: »_de kogel_«. De man naast                 |
  |  B: gretig naar mij uitgestrekt                |
  |  C: gretig naar mij uitgestrekt.               |
  |  B: _De »moffen«_                              |
  |  C: _De »moffen«._                             |
  |  B:  ..een gaatje met                          |
  |  C: ...een gaatje met                          |
  |  B: eehter op één punt mank: het zal u n.l,    |
  |  C: echter op één punt mank: het zal u n.l.    |
  |  B: zonder daarvoor honorar um                 |
  |  C: zonder daarvoor honorarium                 |
  |  B: »Ik ben onschuldig zegt hij                |
  |  C: »Ik ben onschuldig«, zegt hij              |
  |  B: VI.                                        |
  |  C: V.                                         |
  |  B: _stechts twee of drie hunner               |
  |  C: _slechts twee of drie hunner               |
  |  B: V.                                         |
  |  C: VI.                                        |
  |  B: op den grond te slapen,..                  |
  |  C: op den grond te slapen...                  |
  |  B: deutscher Wein..                           |
  |  C: deutscher Wein...                          |
  |  B: was van »_de dood_«, _straf_«,             |
  |  C: was van »_de dood_«, »_straf_«,            |
  |  B: het oog te houde dat                       |
  |  C: het oog te houden dat                      |
  |  B: »pa, was de de meester                     |
  |  C: »pa, was de meester                        |
  |  B: wasch-lokaal--kijk es wat ik               |
  |  C: wasch-lokaal--»kijk es wat ik              |
  |  B: in mijn ziele draag.                       |
  |  C: in mijn ziele draag,                       |
  |  B: slot-gevecht op zee.                       |
  |  C: slot-gevecht op zee,                       |
  |  B: op mijn pen gekauwd,                       |
  |  C: op mijn pen gekauwd.                       |
  |  B: en dat zij barmtigheid                     |
  |  C: en dat zij barmhartigheid                  |
  |  B: aleenig met zen eige!...«                  |
  |  C: aleenig met zen eige!...«                  |
  |  B: belangstelling naarde feestrelazen         |
  |  C: belangstelling naar de feestrelazen        |
  |  B: .....e Reg.... en weer sprak               |
  |  C: .....e Reg....« en weer sprak              |
  |  B: maatschappelijke kronkelpasssen woei       |
  |  C: maatschappelijke kronkelpassen woei        |
  |  B: »Hei-je-veel-geld-meê-gebracht?            |
  |  C: »Hei-je-veel-geld-meê-gebracht?«           |
  |  B: »Kom _jij_ d'r es uit! deed                |
  |  C: »Kom _jij_ d'r es uit!« deed               |
  |  B: de bovenaardsche ver-verschijning.         |
  |  C: de bovenaardsche verschijning.             |
  |  B: óók 'n mensch!'                            |
  |  C: óók 'n mensch!«                            |
  |  B: morgenschemering den pomg-zwengel aanvat,  |
  |  C: morgenschemering den pomp-zwengel aanvat,  |
  |  B: zoete mestgeuren, die ot                   |
  |  C: zoete mestgeuren, die tot                  |
  |  B: schettert het appél-signaal.               |
  |  C: schettert het appèl-signaal.               |
  |  B: enz. Hoera! Hoera!                         |
  |  C: enz. Hoera! Hoera!«                        |
  |  B: IX                                         |
  |  C: IX.                                        |
  |  B: en kommedeere.. en 'n hoop                 |
  |  C: en kommedeere... en 'n hoop                |
  |  B: maar assie zegt> vooruit, wees weg<        |
  |  C: maar assie zegt >vooruit, wees weg<        |
  |  B: maar assie zegt> dat mot                   |
  |  C: maar assie zegt >dat mot                   |
  +------------------------------------------------+





*** End of this LibraryBlog Digital Book "Van Aardappel-mes tot Officiersdegen - Uit het Dagboek van een Landstormplichtige." ***

Copyright 2023 LibraryBlog. All rights reserved.



Home