Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Kaukasische vertellingen - Eene overvalling; Een houtkapping in het bosch; Een - ontmoeting te velde met een moskousch kameraad
Author: Tolstoy, Leo, graf, 1828-1910
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Kaukasische vertellingen - Eene overvalling; Een houtkapping in het bosch; Een - ontmoeting te velde met een moskousch kameraad" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



  +----------------------------------------------------------------+
  |                                                                |
  |                 OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER:                   |
  |                                                                |
  | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele,     |
  | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te      |
  | moderniseren.                                                  |
  |                                                                |
  | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het  |
  | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld.                 |
  |                                                                |
  | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn       |
  | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden.             |
  |                                                                |
  | De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als      |
  | _cursief_.                                                     |
  |                                                                |
  | In dit boek worden lage en hoge aanhalingstekens gebruikt.     |
  | De dubbele aanhalingstekens zijn in dit e-boek aangegeven als  |
  | »aanhalingstekens".                                            |
  |                                                                |
  | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de           |
  | aangebrachte correcties.                                       |
  |                                                                |
  | De illustraties zijn beschikbaar bij de html-versie van dit    |
  |                                                                |
  +----------------------------------------------------------------+



                      KAUKASISCHE VERTELLINGEN.


               TOLSTOY'S Novellistische Meesterwerken.

                              DEEL III.


                          Kaukasische
                               Vertellingen.


                      [Decoratieve Illustratie]

                    P. M. WINK--1904--AMERSFOORT.



INLEIDING.


Van den zomer van 1851 tot in den herfst van 1853 was Leo Tolstoy als
officier in den Kaukasus. De nieuwe wereld, waarin hij zich daar
bevond, maakte een diepen indruk op hem, zoodat zijn verblijf daar,
hoe kort ook, rijke vruchten droeg.

De Kaukasus gold voor den beschaafden Rus als een ver paradijs, waarin
de zielszieke Europeaan genezing vond. Deze romantische voorstelling
van de berglanden aan de scheiding van Europa en Azie was ontstaan
door de lyriek van Puschkin, de vertellingskunst van Lermontoff en
de romantische schilderingen van Marlinsky. Leo Tolstoy trad met
onbenevelden blik de nieuwe wereld, die voor hem open lag, in en
ontdoet haar van haar geborgde bekoring. De majesteit der natuur
is niet minder groot voor hem, de indrukken niet zwakker, die de
onbeschaafde menschen en de onder hun invloed veranderde Rus uit
de lagere volksklasse op hem maken. Maar alles krijgt een ander
_karakter_. Het is het verschil tusschen het beeld der werkelijkheid
en het idealiseerend, opzettelijk zelfbedrog.

De werken, die aan dit verblijf in den Kaukasus hun ontstaan danken,
zijn, behalve _De Kozakken_: _Eene Overvalling_, _Een Houtkapping in
het Bosch_, _Een Ontmoeting te Velde met een Moskousch Kameraad_. Niet
alle vier zijn in den Kaukasus zelf geschreven. _Eene Overvalling_
dagteekent van 1852, _De Houtkapping in het Bosch_ in de jaren 1854/55
op papier gesteld, midden onder het strijdgewoel van Sebastopol, _Een
Ontmoeting te Velde_ dateert van 1856 en _De Kozakken_ zijn eerst een
tiental jaren later, in 1861 en in 1863 uitgegeven.

De leidende gedachte in al deze vertellingen is de volgende: afkeer
van de beschaving en van die volksklasse, welke zich als uitsluitende
draagster der beschaving beschouwt, en liefde voor de eenvoudige,
lagere klasse, die onbewust deugden in eere gehouden heeft, welke de
beschaafden missen. Hier en daar blijkt ook reeds van zijn afschuw
voor den oorlog, een idee, die later, steunende op het evangeliegebod:
»Gij zult den booze niet wederstaan" een der voornaamste grondslagen
der Tolstoysche levensbeschouwing geworden is.



KAUKASISCHE VERTELLINGEN.



EENE OVERVALLING.


I.

Het was den 12den Juli. Kapitein Chlopoff kwam met zijn epauletten en
zijn sabel--die ik hem nog niet had zien dragen sinds mijn komst in
het Kaukasische leger--de lage deur van mijne hut binnen.

--Ik kom regelrecht van den kolonel, antwoordde hij op den vragenden
blik, dien ik hem toewierp; morgen rukt ons bataljon uit.

--Waarheen? vroeg ik.

--Naar N***. Daar zullen zich de troepen verzamelen.

--En vandaar uit zal men zeker een marsch maken?

--Waarschijnlijk wel.

--En waarheen dunkt u?

--Wat ik ervan denk? Ik kan u alleen zeggen wat ik weet. Gisteren
nacht kwam spoorslags een Tartaar aanrijden, en bracht bevel van den
generaal, dat het bataljon moest opbreken en voor twee dagen beschuit
meenemen. Maar waarheen, waarom, en voor hoelang, daar vragen wij niet
naar, vriendje. Er is bevel gegeven om op te marcheeren, en daarmee
uit!

--Maar als er slechts voor twee dagen beschuit wordt meegenomen, zal
men ook wel niet langer onderweg blijven?

--O, dat is nog geen reden...

--Hoe dat?... vroeg ik verwonderd.

--Och, dat gaat zoo. Wij marcheerden eens naar Darghi, hadden slechts
voor acht dagen beschuit bij ons, en bleven bijna een maand uit.

--Zou ik mee mogen gaan? vroeg ik hem, na een oogenblik zwijgen.

--Mogen zult ge wel. Maar ik zou u raden om liever niet mee te gaan.
Waarvoor zoudt gij uw leven op het spel zetten?

--Neen, houd mij ten goede dat ik uw raad niet opvolg... Ik heb het
al ruim eene maand hier uitgehouden allèèn om de gelegenheid af te
wachten een gevecht bij te wonen; en zoudt ge willen dat ik die
gelegenheid dan nu voorbij zou laten gaan?

--Ga dan mee. Maar waarachtig zou het niet beter zijn hier te blijven?
Gij zoudt hier kunnen wachten, tot we terug kwamen en wat jagen,
terwijl wij met God gingen. Waarachtig, dat zou het beste zijn!
zeide hij op zulk een overtuigenden toon, dat het mij een oogenblik
voorkwam, dat het werkelijk heerlijk zou zijn; daarna zeide ik hem,
zoo beslist mogelijk, dat ik voor geen geld zou willen achter blijven.

--Maar wat wilt gij dan zien daar ginds? ging de kapitein voort mij te
overreden. Wilt gij weten hoe het in een veldslag toegaat? Lees dan
Michaïloffsky-Danileffsky's _Beschrijving van den Oorlog_, een wonder
mooi boek; alles is er haarfijn in beschreven: hoe de verschillende
corpsen opgesteld waren, en hoe het in een veldslag toegaat.

--O, neen, dat interesseert mij juist niet, antwoordde ik.

--Maar wat dan? Wilt gij alleen maar zien hoe men menschen
doodslaat?... Zoo hadden wij hier in 1832, ook zoo'n burger, een
Spanjaard, geloof ik. Hij maakte twee veldtochten met ons mee in zijn
blauw manteltje... Welnu, de snaak werd tenslotte doodgeschoten. Hier
zal geen mensch je erg bewonderen, vriendje.

Hoe pijnlijk ik het ook vond dat de kaptein zich mijn bedoeling in
zulk een hatelijken zin uitlegde, deed ik toch geen moeite hem uit den
droom te helpen.

--Was hij dapper? vroeg ik hem.

--Dat weet God! Hij was altijd vooraan; overal waar men
geweergeknetter hoorde, was hij te vinden.

--Hij moet dus wel dapper geweest zijn, herhaalde ik.

--Neen, dat noem ik nog geen dapperheid, om overal rond te loopen,
waar men hem niet noodig had...

--Wien zoudt gij dan dapper noemen?

--Dapper! dapper!... herhaalde de kapitein op die manier van iemand,
wien men voor het eerst een dergelijke vraag doet.... _Dapper is hij,
die zich gedraagt zooals het behoort_, zeide hij, na een oogenblik
nadenkens.

Ik herinnerde mij dat Plato de volgende definitie van moed geeft:
»weten wat men moet vreezen en wat men niet moet vreezen." En ondanks
het vage en onduidelijke in de definitie van den kapitein, kwam het
mij voor dat de grondgedachte bij beiden niet zoo slecht was, als
het misschien schijnt, ja, de definitie van den kapitein was zelfs
nauwkeuriger dan die van den Griekschen wijsgeer; want, als hij zich
had kunnen uitdrukken als Plato, zou hij stellig gezegd hebben: Dapper
is, wie alleen vreest _hetgeen men moet vreezen_, en niet vreest
_hetgeen men niet moet vreezen_.

De lust bekroop me den kapitein mijne meening duidelijk te maken.

--Ja, zeide ik, mij dunkt dat er in elk gevaar een keus gedaan
moet worden, en de keus, die bij voorbeeld door het plichtgevoel
geïnfluenceerd wordt, is moed, terwijl de keus, die men doet onder den
invloed uit een of ander laag gevoel, lafheid is. Daarom kan men een
man, die uit ijdelheid, of uit nieuwsgierigheid of uit hebzucht, zijn
leven waagt, niet dapper noemen, en omgekeerd kan men een man, die
onder den invloed van een eerbiedwaardig gevoel, terwille zijner
familie of enkel uit overtuiging, het gevaar vermijdt, niet laf
noemen.

Terwijl ik sprak, keek de kapitein mij met eene vreemde uitdrukking
aan.

--Ja, dat gaat me te hoog, zeide hij onder het stoppen van zijne
pijp.--Maar wij hebben een jonker die ook van philosopheeren houdt;
praat eens met hem; hij maakt ook verzen.

Ik had den kapitein reeds in Rusland ontmoet, maar eerst in den
Kaukasus had ik hem leeren kennen.

Zijne moeder, Maria Ivanoffna Chlopoffa, bezat een klein landgoed
en woonde twee wersten van mijn bezitting af. Vóór mijn vertrek naar
den Kaukasus had ik haar een bezoek gebracht. De oude dame was zeer
verheugd dat ik haar Paschenka (zoo noemde zij den ouden kapitein,
wiens haren reeds begonnen te grijzen) zou zien, en dat ik, als een
levende brief, hem allerlei bijzonderheden over haar leven en doen
kon vertellen en hem een pakje van haar kon overbrengen. Na mij op
uitstekende taart en gebraden gans onthaald te hebben, ging Maria
Iwanoffna naar hare slaapkamer en kwam terug met eene tamelijk groot
zwart, heiligenbeeld aan een zijden lintje.

--Dat is het beeld van onze Moeder Gods, zeide zij, onze
beschermheilige, en kuste het beeld der Heilige Maagd, dat zij mij
vervolgens overhandigde.--Breng hem dat, vadertje. Ziet gij, toen hij
naar den Kaukasus vertrok, heb ik eene mis laten lezen, en ik deed
de gelofte, dat als hij in leven en ongewond bleef, ik dit beeld
der Heilige Maagd zou laten maken. En nu al achttien jaar waken de
barmhartige beschermvrouw en de heiligen over hem; niet èèn enkelen
keer is hij gewond, en hoeveel veldslagen heeft hij al niet
meegemaakt! Toen Michaïlo, die bij hem is geweest, mij daarvan begon
te vertellen, wilt gij wel gelooven, dat de haren mij toen ten berge
rezen? Ziet ge, alles wat ik daarvan weet, heb ik van anderen; hij
zelf, mijn duifje, schrijft mij nooit iets over zijne campagnes; hij
is te bang om mij angst aan te jagen....

Ik zelf had in den Kaukasus gehoord en niet van den kapitein zelf, dat
hij reeds viermaal gewond was, en inderdaad, hij had er niets van aan
zijne moeder geschreven, zoo min als over zijn veldtochten.

--Laat hij nu dit heiligenbeeldje bij zich dragen, vervolgde zij, ik
zegen hem daarmee. Vooral in het gevecht moet hij het altijd bij zich
dragen; zeg hem, vadertje, dat zijne moeder hem dat laat zeggen.

Ik beloofde, mij getrouw van hare opdracht te zullen kwijten.

--Ik weet zeker, dat gij van hem houden zult, van mijn Paschenka,
hernam de oude dame.--Het is zoo'n flink mensch! Geloof mij, er gaat
geen jaar voorbij dat hij mij geen geld stuurt, en mijne dochter,
Annuschka helpt hij ook, alles alleen van zijne soldij. Waarlijk, ik
zal God mijn leven lang danken, dat hij mij zulk een kind gegeven
heeft, zeide zij met tranen in de oogen.

--Schrijft hij u dikwijls? vroeg ik.

--Zelden, vadertje; eens per jaar misschien, en ook soms wel een
woordje, als hij het geld stuurt. Als ik u niet schrijf, moedertje,
heeft hij gezegd, dan is dat een teeken dat ik nog leef en gezond ben;
en indien--wat God verhoede--er mij iets mocht overkomen, zullen
anderen het u wel schrijven.

.... Toen ik den kapitein het geschenk zijner moeder ter hand stelde,
(het was in mijn kamer) vroeg hij mij een stuk papier, wikkelde het
daar zorgvuldig in en stak het in zijn zak. Ik vertelde hem veel en
uitvoerig over het leven van zijne moeder: de kapitein zweeg. Toen ik
gedaan had, ging hij in een hoek zitten en stopte opvallend langzaam
zijne pijp.

--Ja, een goed oudje, zeide hij uit zijn hoek, met iets gedempts in
zijn stem; ik weet niet of God zal toestaan dat wij elkaar nog eens
zien.

In die eenvoudige woorden lag zeer veel liefde, maar tevens droefheid
opgesloten.

--Waarom dient gij hier? vroeg ik.

--Men moet wel ergens dienen, antwoordde hij, op een toon van
overtuiging, en voor een armen duivel als ik, is de dubbele soldij,
die wij hier trekken, ook veel waard.

De kapitein leefde zuinig. Kaartspelen deed hij niet, wijn dronk hij
zelden, en hij rookte een goedkoope tabak, die hij, waarom weet ik
niet, niet rooktabak, maar sambrotalische tabak noemde.

Reeds voor dien tijd beviel de kapitein mij; hij had een van die
eenvoudige, kalme Russische gezichten, die men gemakkelijk en met
genoegen recht in de oogen kijkt. Maar na dit onderhoud had ik een
waar gevoel van hoogachting voor hem.


II.

Den volgenden dag kwam de kapitein mij om vier 's morgens halen.
Hij droeg een oude, afgedragen overjas, zonder epauletten, de wijde
broek der Lesghis[1], een witte papakha[2] met gele voering een
onaanzienlijke, Aziatische sabel aan een riem over de borst. De kleine
schimmel, dien hij bereed, liep met het hoofd omlaag in rustigen tred
en zwaaide onophoudelijk met zijn dunnen staart. Hoewel de kapitein er
volstrekt niet krijgshaftig en evenmin elegant uitzag, sprak uit zijn
voorkomen toch zooveel onverschilligheid voor alles om hem heen, dat
hij onwillekeurig achting inboezemde.

[1] Een Kaukasische volksstam.

[2] Muts van astrakan.

Ik liet hem geen oogenblik wachten, steeg dadelijk te paard en wij
reden met ons beiden door de groote poort het fort uit.

Het bataljon was ons reeds een paar kilometer vooruit en deed zich aan
ons voor als een zwarte, compacte, waggelende massa. Alleen aan de
bajonetten, die er als een bundel lange naalden boven uitstaken, zag
men dat het infanterie was. Af en toe werd ons oor getroffen door het
gezang der soldaten, door tromgeroffel of door de prachtige stem van
den tenor der zesde compagnie, naar wien ik in het fort dikwijls met
veel genoegen had geluisterd.

De weg ging midden door een diepen, breeden pas, langs een riviertje,
dat op dit oogenblik »speelde," d.w.z. buiten zijn oevers was
getreden. Geheele scharen wilde duiven fladderden boven de golven,
streken nu eens neer op den steenachtigen oever, beschreven dan weer
in de lucht snelle cirkels en verdwenen uit het gezicht. De zon was
nog niet zichtbaar, maar de toppen der bergen aan de rechterzijde van
den pas werden steeds lichter. De grijze en witachtige rotsen, het
geelachtig groene mos, de met dauw bedekte struiken van kruisdoorns,
mispels en kurkolmen teekenden zich buitengewoon scherp af in het
gouden licht der opgaande zon; daarentegen hing over de hoogte aan
den tegenovergestelden kant en over den hollen weg nog een sluier van
dichten mist, die zich als een zware rook in ongelijke lagen verdeelde
en zich langzaam verplaatste; in zijn sombere vochtigheid vertoonde
hij een mengeling van onbepaalde kleuren: bleek lila, zwartachtig
donker-groen en wit. Dicht voor ons, teekenden zich de helderwitte
massa der besneeuwde bergen verwonderlijk helder tegen het donkere
azuur van den horizon af, met hun wonderlijke tot in de kleinste
bijzonderheden mooie schaduwen en omtrekken. Krekels, sprinkhanen en
duizenden andere insecten ontwaakten in het hooge gras en vervulden de
lucht met hun scherp en aanhoudend gesjirp. Het was of een tallooze
menigte uiterst fijne klokjes ons in het oor klonken. Tegelijk met de
lucht ademde men het water, den nevel en den geur van het gras in, al
de geuren van een schoonen zomermorgen.

De kapitein sloeg vuur en stak zijne pijp aan; de geur van zijne
tabak en zijn tonder leek mij buitengewoon aangenaam. Wij hadden
een korteren weg genomen om de infanterie sneller in te halen. Het
kwam mij voor, dat de kapitein meer in gedachten verzonken was dan
gewoonlijk; zijn tanden lieten zijn Daghestansch pijpje geen oogenblik
los, en bij iederen stap raakten zijn hielen zijn paard, dat, ietwat
slingerend gaande, een nauw merkbaar donker groen spoor achterliet in
het vochtige, hooge gras. Tusschen de hoeven van het paard vloog een
fazant op, met een gekakel en vleugelgeklepper, waarvan een jager zou
zijn opgesprongen en steeg langzaam omhoog.

De kapitein schonk hem niet de minste aandacht. Wij waren reeds dicht
bij het bataljon, toen achter ons de hoefslag van een galoppeerend
paard weerklonk, en op hetzelfde oogenblik reed een zeer aardige,
jonge man in officiersuniform met een hooge muts van wit astrakan
op, ons voorbij. Toen hij naast ons was, glimlachte hij, knikte den
kapitein toe en salueerde met zijne rijzweep. Ik had enkel tijd om
op te merken dat hij bijzonder kranig in 't zadel zat en de teugels
hield, dat hij fraaie zwarte oogen en een fijnen neus had en dat de
vlashaartjes van zijn knevel eventjes begonnen uit te komen. Wat mij
vooral in hem bekoorde, was de glimlach, dien hij niet kon inhouden,
toen hij bemerkte dat wij met genoegen naar hem keken. Aan dien
glimlach alleen zou men hebben kunnen besluiten, dat hij nog zeer jong
was.

--Waar vliegt die naar toe? mompelde de kapitein met een ontevreden
gezicht, zonder zijn pijp uit zijn mond te nemen.

--Wie is het? vroeg ik.

--De vaandrig Alanine, van mijne compagnie. Hij is eerst de vorige
maand bij het corps gekomen, zoo pas van het kadettenkorps.

--Dus dit is zeker het eerste gevecht dat hij zal bijwonen? vroeg ik.

--Ja, en juist daarom is hij zoo vroolijk, zeide de kapitein en
schudde het hoofd met een wijsgeerig gezicht.--O die jeugd!

--En waarom zou hij niet vroolijk zijn? Ik begrijp heel goed, dat dit
voor een jongmensch zeer interessant moet zijn.

De kapitein zweeg een paar minuten.

--Jawel, zooals ik zeide, 't is de jeugd! hernam hij met een diepe
basstem.--Hoe kan men er zich op verheugen voordat men er iets van
gezien heeft? Als hij een paar gevechten heeft bijgewoond, zal hij
niet meer zoo verrukt zijn. Wij zijn op dit oogenblik zoowat met ons
twintigen officieren. Een van ons wordt gewond of gedood, dat is
zeker: vandaag ik, morgen gij, overmorgen een derde. Wat is daar nu
voor prettigs in?


III.

Nauwelijks kwam de zon achter de toppen der bergen op en verlichtte
de vallei, waar wij door trokken, of de mist trok op. Het werd warm.
De soldaten met het geweer op schouder en den ransel op den rug,
marcheerden langzaam voort op den stoffigen weg. Af en toe hoorde
men in de gelederen het dialect van de Ukraine en een vroolijk
gelach. Eenige oude soldaten in witte uniform--voor het meerendeel
onderofficieren--marcheerden op de flanken, met de pijp in den mond en
praatten ernstig samen. Rijtuigen, zwaar beladen en met drie paarden
bespannen, sukkelden langzaam voort en deden het stof oprijzen, dat
onbeweeglijk bleef hangen.

De officieren reden voorop. Eenigen »dhigiteerden" gelijk men in den
Kaukasus zegt, dat wil zeggen, zij zetten hun paarden met de zweep
aan, lieten ze vier, vijf sprongen maken, pareerden dan op de plaats
en wierpen het hoofd naar achter. Anderen schonken hun opmerkzaamheid
aan de muzikanten, die ondanks de drukkende hitte, het eene liedje
voor en het andere na speelden.

Een paar honderd schreden voor het detachement uit, reed, op een
grooten schimmel, een slank en knap officier in Aziatische uniform,
naast de bereden Tartaren.

Hij was in het heele regiment bekend om zijn dollen overmoed en als
een man, die ieder de waarheid durfde zeggen. Hij droeg een zwarten
bechmet met zilver galon, een pantalon van dezelfde kleur, nieuwe,
nauw om den voet sluitende laarzen met tschirazen (galons), een gele
Tcherkessenjas en een hooge, naar achter afloopende muts. Over borst
en rug liepen zilveren koorden, daaraan hingen op den rug kruithoren
en pistool; een tweede pistool en een dolk in zilveren schede hingen
aan den gordel. Over de kleeding was zijn sabel gegespt, die in een
prachtige, met zilver beslagen korduaan-lederen schede stak; over zijn
schouders hing zijn windbuks in zwart foedraal. Zijn kostuum, zijn
houding, zijn minste bewegingen verrieden, dat hij zich moeite gaf
voor een Tartaar gehouden te worden, ook sprak hij tot de Tartaren,
die naast hem reden, in eene taal, die mij onbekend was; maar uit de
verwonderde, spottende blikken, die zij met elkaar wisselden, maakte
ik op dat zij hem niet begrepen.

Het was een onzer jonge officieren, een van die dapperen, gevormd naar
de voorbeelden van Marlinsky en Lermontoff, die den Kaukasus slechts
zien door het prisma der »helden van onzen tijd[3]"; en in al zijn
handelingen volgde hij, niet zijn eigen neigingen, maar het voorbeeld
van deze helden.

[3] Toespeling op het type, door Lermontoff beschreven in »Helden van
onzen tijd".

Deze luitenant, bijvoorbeeld, was waarschijnlijk gesteld op het
gezelschap van fatsoenlijke dames en ernstige mannen--generaals,
kolonels, oversten;--ja, ik weet zeker dat hij van zulk gezelschap
hield, want hij was in de hoogste mate ijdel; maar toch achtte hij
zich onvoorwaardelijk verplicht, alle ernstige mannen den rug toe te
keeren, met een soort van beschaafde lompheid, en als er eene dame
in het fort kwam, rekende hij het zich tot plicht met zijn vrienden,
slechts in een rood hemd gekleed en de bloote voeten met lappen
omwikkeld, langs haar venster te loopen en zooveel mogelijk leven te
maken, volstrekt niet om haar te beleedigen, maar om haar te laten
zien dat hij mooie blanke voeten had, en dat men gemakkelijk verliefd
op hem kon worden, als hij er zich maar toe wilde leenen.

Of wel hij ging vaak met twee of drie onderworpen Tartaren heele
nachten het gebergte in; dan gingen zij de vijandelijke Tartaren
beloeren en doodschieten; en, hoewel zijn gevoel hem vaak genoeg
zeide, dat daar niets heldhaftigs in was, meende hij dat het zijn
plicht was die menschen te doen lijden, die hem, naar hij zich
verbeeldde, teleurstellingen bereid hadden en die hij haatte en
verachtte. Hij droeg altijd twee dingen bij zich: een zeer groot
heiligenbeeld om zijn hals en een dolk aan een riem boven zijn hemd;
hij legde ze zelfs niet af als hij naar bed ging. Hij geloofde vast
dat hij vijanden had; zich zelf wijs te maken dat hij zich op anderen
had te wreken, en een beleediging in bloed moest uitwisschen, was zijn
hoogste genot. Hij was stellig overtuigd dat deze gevoelens van haat,
van wraak en van verachting voor het menschdom verheven en dichterlijk
waren: maar zijne maîtresse, een Tcherkessische natuurlijk, verzekerde
mij, toen ik haar later toevallig eens sprak, dat hij een uiterst
zacht en goedaardig man was, en dat hij des avonds na eerst sombere
aanteekeningen neergeschreven te hebben, netjes zijn inkomsten en
uitgaven noteerde en op de knieën zijn gebed deed. Hoeveel had hij al
niet geleden om alleen voor zich zelf te _schijnen_ wat hij wilde
_zijn_! Want zijn kameraden en de soldaten hadden een geheel andere
meening van hem dan hij hun wilde geven.

Op zekeren keer, bij een zijner nachtelijke excursies, gebeurde het
dat hij een Tschetscheensch opstandeling aan het been kwetste en
krijgsgevangen maakte. Deze Tschetscheen leefde zeven weken aan één
stuk bij den luitenant, die hem als zijn besten vriend oppaste, en
toen hij genezen was, zond hij hem weg met geschenken. Later, op eene
expeditie, toen de luitenant zich met de voorpostenlinie moest
terugtrekken, hoorde hij in de vijandelijke gelederen zijn naam
roepen: zijn vriend, de Tschetscheen, kwam naar voren rijden en wenkte
hem. De luitenant kwam nader en drukte hem de hand; de bergbewoners
waren in de nabijheid, maar schoten niet, doch nauwelijks had hij zijn
paard gewend, of er werden verscheidene schoten op hem gelost, en een
kogel ontvelde hem de dij.

Een anderen keer, zag ik zelf hoe in het fort brand uitbrak: twee
compagnieën waren bezig met blusschen. Midden in die menigte, hel door
de vlammen verlicht, vertoonde zich eensklaps de silhouet van een man
te paard. De donkere gedaante baande zich een doortocht en naderde
tot vlak bij het vuur. Toen sprong de luitenant--hij was het--van het
paard en wierp zich in den vuurgloed. Vijf minuten later kwam hij er
uit, met verschroeide haren en verzengde mouwen en beschermde met
zijne armen twee duiven, die hij uit de vlammen had gered.

Hij heette Rosenkranz. Maar hij sprak gaarne van zijne voorouders, die
hij tot de Warägers liet opklimmen, en hij zocht ons zonneklaar te
bewijzen, dat zijne voorvaderen en hij volbloed Russen waren.


IV.

De zon had reeds de helft van hare baan doorloopen, en zond door de
gloeiende lucht hare stralen op de droge aarde af; de donkerblauwe
hemel was volkomen helder; alleen de voet der besneeuwde bergen werd
langzamerhand gehuld in een sluier van lichten witten damp. De stille
lucht scheen vervuld van een doorzichtig stof; het was ondragelijk
heet geworden. Halfweg het nachtkwartier, aan den oever eener beek,
hield het detachement halt. De soldaten zetten hunne geweren aan
rotten en snelden naar het water. De bataillons-commandant ging in de
schaduw op eene trom zitten en met een gezicht, waarop ten volle het
besef van het gewicht van zijn rang stond te lezen, maakte hij zich
gereed om met eenige zijner officieren te gaan eten. De kapitein
strekte zich op het gras uit, in de schaduw van den proviandwagen
der compagnie. De dappere luitenant Rozenkranz en nog eenige andere
jonge officieren gingen op hun uitgespreide mantels zitten en hadden
blijkbaar het voornemen zich duchtig te goed te doen, te oordeelen
naar het aantal flacons en flesschen, die werden klaargezet, en vooral
ook naar de bijzondere opgewektheid der zangers, die, in een halven
kring om hen heen gezeten, een nationalen dans van den Kaukasus zongen
op de wijze van de _Lesginka_:[4]

[4] Nationale dans der inboorlingen.

    Schamyl wilde opstand maken
    Eens heel lang geleden,
    Traï-raï, ra-ta-taï....
    Eens heel lang geleden.

Onder deze officieren was ook de piepjonge vaandrig, die ons des
morgens was voorbijgereden. Hij was zeer grappig, zijn oogen
schitterden, zijn tong sloeg een weinig dubbel; hij overstelpte ieder
met betuigingen van vriendschap. Arme jongen! Hij wist nog niet,
dat men in zulk een opgewondenheid belachelijk kon zijn, en dat de
openhartigheid en teederheid, waarmee hij zijne kameraden lastig viel,
hem niet hun genegenheid konden verwerven, maar hem hun spot op den
hals zou halen. Hij wist ook niet hoe mooi hij was, toen hij zich
eindelijk in gloeiende opwinding op zijn mantel uitstrekte, met het
hoofd op de armen en de dichte zwarte lokken naar achteren geworpen.

Twee officieren zaten onder den proviandwagen kaart te spelen op een
reiskoffer.

Ik luisterde nieuwsgierig naar de gesprekken der officieren en
soldaten, ik ging met een oplettend oog de uitdrukking hunner
gezichten na. Maar stellig kon ik bij geen hunner ook maar de schaduw
van de ongerustheid, die ik zelf gevoelde, opmerken: uit hun grappen,
hun gelach, hun verhalen sprak eene volmaakte onverschilligheid en
onbezorgheid voor de dreigende gevaren. Zij schenen er zelfs niet aan
te denken dat menigeen hunner niet meer langs dien weg zou
terugkeeren.


V.

Des avonds om zeven uur kwamen wij, geheel bestoven en vermoeid, de
groote, versterkte poort van de vesting N*** binnen. De ondergaande
zon wierp schuine rose stralen op de schilderachtige batterijen en
op de tuinen met de hooge populieren, die de vesting omgaven, op de
bebouwde, geelachtig schemerende velden en op de witte wolken, die
zich langs de besneeuwde bergtoppen opstapelden, alsof zij het hen
wilden nadoen en daar een tweede, niet minder wonderlijke en schoone
keten vormen. De kleine sikkel der wassende maan verscheen aan den
horizon als een doorzichtig wolkje. In den aul,[5] aan de poort van de
vesting gelegen, riep een Tartaar boven van het dak zijner leemen hut
de vromen op tot het gebed. De zangers zetten met nieuwen moed in.

[5] Dorp in de taal der inboorlingen

Na wat toilet gemaakt te hebben en een weinig uitgerust te zijn, begaf
ik mij naar een mijner vrienden, een adjudant, om hem te verzoeken
den generaal mijn voornemen mee te deelen. Buiten gekomen, had ik
gelegenheid in de vesting een schouwspel te zien, dat ik daar niet zou
verwacht hebben. Een koket rijtuig voor twee personen passeerde mij;
ik zag een elegant vrouwenhoedje en ving enkele brokken van een
gesprek in het Fransch op. Uit het openstaande venster van het huis
van den kommandant klonken de tonen van een of andere »Liesjes" of
»Kaatjes" polka, die op een ontstemde piano gespeeld werd. Toen ik
voorbij een café kwam, zag ik daar eenige schrijvers zitten met de
sigarette in den mond en een flesch wijn voor zich, en ik hoorde
een hunner zeggen: »Houdt mij ten goede.... wat de politiek betrof,
was Maria Grigorieffna bij ons de eerste..." Een oude jood met een
versleten jas aan en een ziekelijk voorkomen, torschte met moeite een
valsch draaiorgel, en over de geheele voorstad klonk de finale van
_Lucie de Lammermoor_.

Twee vrouwen in ruischende japonnen, zijden foulards om den hals en
hel gekleurde parasols in de hand, bewogen zich met lichten gang
vóór mij op het houten trottoir. Twee jonge meisjes, de eene in eene
hemelsblauw, de andere in eene rose kleedje, stonden blootshoofds voor
een huisje en lachten op een schelle en gedwongen manier, blijkbaar om
de attentie te trekken van de officieren, die voorbijgingen. De
officieren in nette uniform, met witte handschoenen en glinsterende
epauletten stapten trots over straat en den boulevard.

Ik vond mijn vriend in de beneden-verdieping van het huis des
generaals. Nauwelijks had ik mijn verlangen meegedeeld, en hij mij
verteld, dat daar geen bezwaren tegen waren, of wij zagen voor het
venster, waaraan wij stonden praten, het kokette rijtuig, dat ik
daareven gezien had. Het hield stil en er steeg een slank, zeer statig
man uit in de uniform van de linietroepen, met majoors-epauletten. Hij
ging bij den generaal binnen.

--Excuseer mij, zeide de adjudant, ik moet hem bij den generaal gaan
aandienen....

--Wie is er dan aangekomen? vroeg ik.

--De gravin, antwoordde hij terwijl hij zijne uniform dichtknoopte, en
vlug liep hij de trap op.

Een paar minuten later kwam er een gezet, maar knap man, met een jas
zonder epauletten en een wit kruis in het knoopsgat op het bordes. De
majoor, de adjudant en twee andere officieren volgden hem. Uit den
gang, de stem en al de bewegingen van den generaal bleek duidelijk,
dat hij doordrongen was van zijn hooge waarde.

--_Bonsoir, madame la comtesse_, zeide hij en reikte haar door het
portier de hand.

Een kleine, met fijn hondenleer gehandschoende hand drukte die van den
generaal, en een lief, lachend gezichtje werd onder een gelen hoed in
de opening zichtbaar.

Van het geheele gesprek, dat slechts een paar minuten duurde, hoorde
ik in 't voorbijgaan alleen den generaal glimlachend zeggen:

--Vous savez que j'ai fait voeu de combattre les infidèles, prenez
donc garde de le devenir.[6]

[6] Gij weet dat ik een gelofte gedaan heb om de ontrouwen (of:
ongeloovigen. Het is dus een woordspeling. Vert.) te bestrijden, pas
dus op dat gij het niet wordt.

Er klonk een heldere lach in het rijtuig:

--Adieu donc, cher général.

--Non, au revoir, zeide de generaal, terwijl hij de trap opging. Denk
er om, dat ik mijzelven inviteer voor de soirée van morgen.

Het rijtuig reed weg.

--Dat is nu een man, dacht ik op den terugweg, die alles heeft wat
een Rus begeert: een graad, rijkdom, hoogen adel; en die man staat
daar, den dag voor een veldslag, die God weet hoe zal afloopen, te
gekscheren met een lieve vrouw, en belooft haar, den volgenden avond
op de thee te komen, alsof hij haar op een bal had ontmoet.

Ik vond bij den adjudant ook nog een jongen man, over wien ik mij nog
meer verwonderde; het was een luitenant van het regiment K***, die
zich onderscheidde door zoo zachtmoedig en zoo verlegen als een jong
meisje te zijn. Hij was naar den adjudant gekomen om zijn spijt en
zijn verontwaardiging te uiten tegen anderen die, naar hij beweerde,
tegen hem intrigeerden, opdat hij geen deel zou nemen aan de
expeditie. Hij zeide dat het laag was aldus te handelen, dat het van
weinig kameraadschap getuigde, dat hij het zou onthouden, enz.

Hoe scherp ik zijn trekken bestudeerde, hoe aandachtig ik naar den
klank zijner stem luisterde, ik moest erkennen, dat hij niet veinsde.
Hij was werkelijk diep verontwaardigd en bedroefd, dat hij niet in de
gelegenheid zou zijn, op de Tscherkessen te schieten en aan hun
schoten bloot te staan. Hij was kwaad, evenals een kind, dat
onverdiend klappen heeft gekregen.... Mij was dat alles totaal
onbegrijpelijk.


VI.

Om tien uur 's avonds moet de colonne zich op marsch begeven. Om
half negen steeg ik te paard en begaf mij naar den generaal; maar,
veronderstellende dat hij en zijn adjudant het druk zouden hebben,
steeg ik op straat af, maakte mijn paard aan de palissaden vast en
ging op de javalinka[7] zitten, om mij bij den generaal te voegen
zoodra hij buiten zou komen.

[7] Het opgehoogde zand rondom de huizen.

De warmte en de zonnegloed hadden reeds plaats gemaakt voor de koelte
van den nacht en het matte licht der wassende maan, die rondom zich
een bleek-lichtenden kring op het blauw van den hemel vormde en reeds
begon onder te gaan. Door de vensters der huizen en door de spleten in
de blinden der hutten schemerde licht. De slanke populieren, die zich
in de verte achter de witgekalkte, door het maanlicht beschenen hutjes
met de stormdaken verhieven, schenen zwarter en hooger. De lange
schaduwen der huizen der boomen en heggen teekenden zich bevallig af
tegen den helderlichten, stoffigen weg. Het gekrijsch der kikvorschen
weerklonk boven de rivier.[8] Op straat hoorde men nu eens snelle
schreden, dan enkele woorden van een gesprek of den galop van een
paard. Van den kant der voorstad drong van tijd tot tijd de melodie
van een draaiorgel door, nu eens een bekend lied uit de Ukraine, dan
weer de een of andere »Aurora-Walzer."

[8] De kikvorschen in den Kaukasus brengen een geluid voort, dat niets
gemeen heeft met het kwaken van onze kikvorschen.

Ik zal niet zeggen waar ik aan dacht: ten eerste zou ik mij schamen
te bekennen, dat het sombere gedachten waren, die mij onafweerbaar
beslopen, terwijl ik rondom mij niets dan vreugde zag; en ten tweede
heeft dat ook weinig met mijn verhaal te maken. Ik was zoo in
gedachten verzonken, dat ik niet eens bemerkte, dat de klok elf uur
sloeg en de generaal met zijn geheele gevolg mij voorbijreed.

De achterhoede was nog in de vestingpoort. Niet dan met moeite kon ik
mij op de brug een weg banen tusschen de opeengedrongen kanonnen, de
kruitwagens, de proviandwagens en de officieren, die luide hun orders
gaven, door. Toen ik buiten de poort was, draafde ik langs den troep,
die zich over een lengte van een werst uitstrekte, en bereikte den
generaal. Terwijl ik voorbij de artillerie reed, die in prachtige orde
voorttrok en de officieren, die er te paard tusschen reden, hoorde ik,
als een groven dissonnant in deze plechtige harmonie de ruwe stem van
den Duitscher. Hij riep: »Achtillechist geef me de lont," en de stem
van een soldaat zeide dienstvaardig: »Schwerefftschenko, de heer
luitenant wenscht vuur."

Het grootste deel van den hemel was langzamerhand bedekt met lange,
sombere, grijze wolken; slechts hier en daar schitterde mat eene ster
daartusschen. De maan was reeds achter de zwarte bergen rechts aan den
horizon verdwenen, en wierp over hun toppen heen een zwak, trillend
schemerlicht, dat toch scherp afstak tegen het ondoordringbare duister
aan hun voet. De lucht was zoo stil en zoo warm, dat er geen enkel
grassprietje, geen wolkje bewoog. Het was zoo duister, dat men zelfs
de dingen in de naaste omgeving niet onderscheiden kon. Rechts en
links van den weg zag ik nu eens rotsen, dan weer dieren, dan weer
menschen van vreemd voorkomen--en ik merkte eerst dat het struiken
waren, als ik ze hoorde ritselen en de koude dauw voelde, die aan
haar bladeren hing. Voor mij zag ik een compacte, golvende, donkere
massa zich voortbewegen, en daar achter eenige beweeglijke vlekken:
het was de voorhoede te paard, en de generaal met zijn gevolg. In
de heele colonne heerschte zulk een stilte, dat men duidelijk al de
wegstervende, geheimzinnige geluiden van den nacht kon hooren: het
verre, klagende gehuil der jakhalzen, dat nu eens klonk als wanhopig
geschrei, dan weer als gelach; het eentonige, schelle gesjirp van
krekels, het krijschen der kikvorschen, het slaan der kwartels, een
niet te beschrijven gebrom dat steeds nader kwam, en heel dat bijna
onmerkbaar nachtelijk leven der natuur, dat men evenmin kan begrijpen
als weergeven: dat alles smolt samen tot een enkelen toon, den vollen
harmonischen toon, dien wij de stilte van den nacht noemen. Die stilte
wisselde af of liever vermengde zich met het dof gedreun der hoeven en
het geritsel van het hooge gras, dat platgetrapt werd door de langzaam
voorwaarts gaande colonne.

Slechts een enkelen keer hoorde men het gerol van een zwaar kanon, het
kletteren der tegen elkander stootende bajonetten, onderdrukt gepraat
en het brieschen van paarden.

De natuur ademde eene schoonheid en eene kracht, die tot kalmte
stemden.

Is den menschen dan werkelijk het leven te eng op deze schoone aarde,
onder den oneindigen sterrenhemel? Hoe kunnen temidden dezer
verrukkelijke natuur in de ziel des menschen gevoelens van woede en
wraak en hartstocht om zijn naasten te vernietigen, bestaan? Al het
kwade, dat er woelt in het menschelijke hart moest, dunkt mij,
verdwijnen bij de aanraking met de natuur--deze rechtstreeksche
uitdrukking van het schoone en goede.


VII.

Wij zaten reeds meer dan twee uur te paard. Ik voelde een lichte
huivering van kou en de slaap beving mij. In de duisternis zag ik
dezelfde donkere dingen onduidelijk voor mij: op geringen afstand zag
ik den zwarten muur en de zwarte bewegelijke vlekken; zeer dicht naast
me den rug van een schimmel, die met den staart sloeg, een rug in een
wijden tscherkeska, waarover een geweer in zwart foedraal en de witte
greep van een pistool in een gelapten pistoolholster, het vuur van een
cigaret, dat een blonden knevel, een beverkraag en een gehandschoende
hand verlichtte. Ik boog mij over den hals van mijn paard, sloot de
oogen en sluimerde een oogenblik in.

Eensklaps werd ik wakker door het bekende geluid van hoefslagen en
door geruisch; ik zag om en een oogenblik leek het alsof ik op mijn
plaats bleef en de zwarte muur vòòr me op me toekwam. Ik hoorde een
dichtbij komend dof gebrom, dat ik mij niet had kunnen verklaren: het
was het geruisch van water. Wij waren nu in een hollen weg en naderden
een bergstroom, die juist op het sterkst gezwollen was.

Het gedruisch werd sterker, het natte gras werd dichter en hooger,
de struiken werden zeldzamer, de horizon steeds beperkter. Van tijd
tot tijd zag men tegen den donkeren achtergrond der bergen op
verschillende plaatsen heldere vuren opschieten en even snel weer
verdwijnen.

--Zeg me toch eens, wat die vuren beteekenen? vroeg ik fluisterend aan
den Tartaar, die naast mij reed.

--Weet gij dat dan niet? vroeg hij.

--Neen.

--Het zijn brandende bossen stroo, die de bergbewoners aan een stok
heen en weer zwaaien.

--En waarvoor?

--Opdat iedereen wete, dat de Rus in aantocht is. Nu zitten zij in de
dorpen te beven! Alle have en goed zullen ze in de bergkloven
wegstoppen, voegde hij er lachend bij.

--Maar weten zij dan al, dat de troep in aantocht is?

--Wel ja! hoe kan het ook anders? Zij weten het altijd. De onzen zijn
zulk een raar volk!

--Dus maakt Schamyl zich nu strijdvaardig? vroeg ik.

--Neen, antwoordde hij en schudde met het hoofd ten teeken van
ontkenning. Schamyl zal niet meevechten. Schamyl zal er zijn
_nahibs_[9] op afsturen, en zal zelf, boven op een berg, door een
verrekijker zitten turen.

[9] Luitenants.

--Woont hij ver weg?

--Neen, niet ver. Misschien tien wersten daar links.

--Hoe weet gij dat? Zijt gij er soms geweest?

--Ja. Onze mannen zijn allen in de bergen geweest.

--En hebt gij Schamyl gezien?

--O, wel neen! Schamyl krijgen wij niet te zien. Honderd, driehonderd,
duizend wachters zijn om hem en middenin is Schamyl, zeide hij, met
een uitdrukking van overdreven eerbied.

Als men omhoog keek, kon men merken dat het aan den helder wordenden
hemel reeds licht begon te worden. Maar in de bergengte, waarin wij
voorttrokken, was het nog donker en vochtig.

Eensklaps schitterden er, dicht voor ons, lichtstralen in de
duisternis. In hetzelfde oogenblik zwermden kogels fluitend door de
lucht en midden in de stilte rondom ons klonken knallende
geweerschoten en schelle kreten. Het was een piket van de voorhoede
des vijands. De Tartaren, waaruit het piket bestond, hadden op goed
geluk geschoten onder het slaken van een oorlogskreet, en stoven toen
uit elkaar.

Algemeene stilte weer rondom ons. De generaal riep den tolk. Een
Tartaar, in den witten rok der Tcherkessen, ging naar hem toe, en
sprak fluisterend en met drukke gebaren langen tijd met hem.

--Kolonel Chassanoff, laat de tirailleurslinie uitzwermen, zeide de
generaal met gedempte, langzame, maar zeer duidelijke stem.

Het detachement bereikte de rivier, de zwarte bergen en de bergkloof
achter zich latend. De dag begon aan te breken. De hemel, waaraan hier
en daar nog een enkele bleeke ster te zien was, scheen nu hooger
geworden te zijn; in het oosten gloeide het morgenrood hel op. Een
frissche, doordringende bries woei uit het westen en een lichte nevel
steeg als damp boven de bruischende rivier op.


VIII.

De gids wees een doorwaadbare plaats, en de voorhoede der ruiterij
passeerde de rivier, spoedig gevolgd door den generaal en zijn staf.
Het water sloeg de paarden tegen de borst, en stortte zich met
buitengewoon geweld tusschen de witte steenen door, die hier en daar
uit het watervlak omhoog staken; tusschen de beenen der paarden vormde
het een dwarrelende schuimende kolk. De paarden aarzelden bij het
ruischen van het water, hieven den kop op en spitsten de ooren;
langzaam en voorzichtig stapten zij over den ongelijken bodem tegen
den stroom in. De ruiters beurden hun beenen en hun wapens in de
hoogte. De infanteristen letterlijk tot op het hemd toe uitgekleed,
hielden hun kleederen aan de punt van het geweer in de hoogte; bij
troepen van twintig grepen ze elkaar bij de hand en trachtten zij
tegen de strooming in te gaan; de inspanning stond hun op het gelaat
te lezen. De artilleristen joegen, met luid geschreeuw, hun paarden in
vollen draf de rivier in. De kanonnen en de groene kruitwagens, waar
het water af en toe overheen spatte, ratelden over den steenachtigen
bodem. Maar de moedige Kozakkenpaardjes trokken wakker aan de
strengen, kliefden den schuimenden vloed en klommen met druipende
manen en staart, op den anderen oever.

Toen de overtocht volbracht was, drukte het gelaat van den generaal
plotseling een zeker ernstig nadenken uit. Hij liet zijn paard
zwenken, en, door de cavalerie gevolgd, draafde hij dwars over een
door het bosch begrensde weide heen, die zich voor ons uitstrekte.
Bereden Kozakkenpatrouilles zwermden langs den woudzoom.

Tusschen de boomen dook een man te voet in een tscherkeska en met een
muts van schapenvel op, toen nog een, daarop nog een... Een der
officieren zeide:

--Het zijn de Tartaren.

Daar werd ook een rookwolkje zichtbaar achter een boom... Een
geweerschot, nog een... Ons sneller schieten overstemde het
vijandelijke vuur. Slechts van tijd tot tijd bemerken wij aan het
gefluit van een kogel, over ons hoofd, een geluid als het gegons
van eene bij, dat niet alle schoten van ons komen. Daar rukken de
infanteristen in den looppas en de kanonnen in vollen draf aan naar de
vuurlinie. Men hoort het dreunend kanongedonder, den metaalklank van
de voortvliegende kartets, het gesis der houwitsers, het knetteren der
geweren. De cavalerie, de infanterie en de artillerie duiken van alle
kanten op de uitgestrekte weide op.

De rookwolkjes der kanonnen, der houwitsers en der geweren vloeien
samen en worden één met het door dauw bedekte groen en den nevel.
Kolonel Chassanoff galoppeert naar den generaal en doet zijn paard in
vollen gang met een ruk stilhouden.

--Excellentie, zegt hij en brengt de hand aan de muts, beveelt u dat
de cavalerie een charge zal doen? Er zijn veldteekens[10] opgestoken.

[10] Deze veldteekens hebben bij de bergbewoners bijna de beteekenis
van vaandels, met dit onderscheid dat iedere »djighite" zijn eigen
teeken kan maken en voeren.

En met zijn karwats wees hij naar de Tartaarsche ruiters, die
voorafgegaan werden door twee mannen, welke, op witte paarden gezeten,
roode en blauwe lappen aan de lansen droegen.

--Ga met God, Ivan Michaïlovitsch, zegt de generaal. De kolonel laat
zijn paard zwenken, trekt zijn sabel en roept:--Hoera!

--Hoera! hoera! hoera! klinkt het uit de gelederen, en de cavalerie
stormt hem na.

Allen zien vol belangstelling toe; daar is een veldteeken, nog een,
nog een...

Zonder de charge af te wachten, verdwijnt de vijand in het bosch en
opent vandaar een goed onderhouden geweervuur. De kogels vallen steeds
dichter.

--Een charmant gezicht! zegt de generaal, terwijl hij zijn dunbeenigen
volbloed op Engelsche wijze op en neer laat huppelen.

--Charmant! antwoordt de majoor, de »r" latende rollen, geeft zijn
paard een slag met de karwats, en rijdt naar den generaal. »Men zou
voor zijn plezier oorlog voeren in zulk een mooi land," zegt hij.

--En vooral in zulk aangenaam gezelschap, voegt de generaal er met
een vriendelijk lachje bij.

De majoor boog.

Op dit oogenblik vliegt met een snel, hatelijk sissen een kogel
voorbij en slaat ergens in. Achter mij hoor ik het gekerm van een
gekwetste. Dit gekerm doet mij zoo vreemd aan, dat het geheele
militaire schouwspel in eens al zijne bekoorlijkheid voor mij
verliest; behalve ik schijnt niemand dat echter te merken: de majoor
lacht luidkeels, een ander officier begint rustig een afgebroken zin
opnieuw. De generaal kijkt een anderen kant uit, en zegt, met het
kalmste glimlachje van de wereld, eenige woorden in het Fransch.

--Beveelt gij dat wij hun vuur beantwoorden? vraagt de chef der
artillerie, terwijl hij in galop nadert.

--Ja, maak ze maar eens bang, zegt de generaal en steekt nonchalant
eene sigaar op.

De batterij stelt zich in positie en het vuur begint. De grond dreunt
van den donder van het geschut. Onafgebroken bliksemt het vuur en de
rook wordt zoo dik, dat men nauwelijks de manschappen ziet, die de
stukken bedienen.

Het dorp wordt gebombardeerd. Kolonel Chassanoff komt weer aanrijden,
en op bevel van den generaal, rent hij naar het dorp. Het
krijgsgeschreeuw klinkt opnieuw, en de cavalerie verdwijnt onder de
wolken van stof, die zij opjaagt.

Het schouwspel was werkelijk grootsch. Voor mij echter, die er
geen deel aan had genomen en weinig vertrouwd was met oorlogszaken,
was er iets dat den algemeenen indruk bedierf: de indruk dat al die
bewegingen, van al die drukte en dat geschreeuw, eigenlijk nutteloos
waren. Onwillekeurig kwam de vergelijking mij voor den geest van een
man, die uit alle macht met zijn bijl de lucht klieft.


IX.

Het dorp was reeds door de onzen bezet en er was geen enkele vijand
meer te bekennen, toen de generaal kwam aanrijden met zijn gevolg,
waarbij ik mij ook gevoegd had.

Het dorp bestond uit lange, nette hutten met leemen platte daken,
gebouwd op ongelijke, steenachtige heuvels, waartusschen een beekje
doorkronkelde. Aan den eenen kant zag men, in het felle licht der zon,
groene tuinen met pere- en pruimeboomen; aan den anderen kant rezen
vreemde schaduwen omhoog: de loodrecht staande, groote steenen van een
kerkhof, en lange houten staken, van boven met een bal en veelkleurige
vlaggen: het waren de graven der militaire hoofden.

De troepen hadden zich in goede orde voor de poort opgesteld.

Een minuut later verspreiden de dragonders, de kozakken en het
voetvolk zich zichtbaar verheugd in de bochtige straten, en er
komt onmiddellijk leven in het verlaten dorp. Hier ziet men een dak
instorten of een planken deur onder de slagen der bijlen bezwijken,
daar brandt een hooimijt, een haag of een huis. Een dikke rook stijgt
kronkelend op in de heldere lucht. Daar komt een Kozak aansleepen met
een zak meel en een tapijt. Een soldaat draagt met een gelaat, dat
van vreugde straalt, een blikken kom en een gescheurden doek uit een
hut. Een ander tracht, met uitgestrekte armen, twee kippen te grijpen,
die kakelend tegen een heg opvliegen. Een derde heeft ergens een
kolossale kruik met melk gevonden, drinkt er uit en werpt haar
vervolgens, luidkeels lachende, tegen den grond.

Het bataillon, waarmee ik het fort N*** had verlaten, was ook in het
dorp. De kapitein zat op het dak van eene hut rookwolken uit zijn
korte pijp te blazen, met zulk een onverschillig gezicht, dat ik
heelemaal vergat, dat wij in een vijandelijk dorp waren en het idee
kreeg dat ik thuis was.

--Zoo! zijt gij daar ook! riep hij toen hij mij zag.

De hooge gestalte van luitenant Rosenkranz zag men nu hier, dan daar
in het dorp. Hij liep onophoudelijk orders te geven, met het voorkomen
van iemand, die het erg druk heeft. Ik zag hem, met een ernstig
gezicht, uit een der hutten komen: achter hem sleepten de soldaten een
geboeiden, ouden Tartaar voort. De grijsaard, die enkel gekleed was
met een gescheurden, veelkleurigen kiel en een gescheurde broek, was
zoo gebrekkig, dat zijn magere armen, stevig op den rug vastgebonden,
nauwelijks aan zijn schouders schenen vast te zitten en hij kon zijn
naakte en verdraaide voeten nauwelijks verzetten. Zijn gelaat, en
zelfs een gedeelte van zijn kaalgeschoren hoofd, was met diepe rimpels
doorploegd. Zijn tandelooze, scheeve mond bewoog onophoudelijk
tusschen zijn grijzen baard en knevel, alsof hij op iets kauwde. Maar
zijn oogen glinsterden nog tusschen de ontstoken oogleden; men las er
duidelijk de onverschilligheid van den ouderdom voor het leven in.

Rosenkranz vroeg hem, door tusschenkomst van den tolk, waarom hij
niet met de anderen was gevlucht.

--Waar zou ik heengaan? vroeg hij, terwijl hij rustig rondkeek.

--Waar de anderen zijn! riep iemand.

--De krijgslieden zijn tegen de Russen uitgetrokken, maar ik ben een
oud man.

--Zijt gij dan niet bang voor de Russen?

--Wat kunnen de Russen mij doen? Ik ben een oud man, herhaalde hij en
liet bedaard zijn blik over de omstanders gaan.

Toen ik er weer voorbijkwam, zag ik den grijsaard zonder muts, altijd
nog gebonden, bibberend achter een Kozak op een paard zitten, en nog
steeds met dezelfde onverschilligheid rondkijken. Men hield hem voor
het uitwisselen der krijgsgevangenen.

Ik klom op het dak en ging naast den kapitein zitten.

--De vijand was niet talrijk, zeide ik, nieuwsgierig om te weten wat
hij van het gevecht dacht.

--De vijand? herhaalde hij verwonderd; er was er in het geheel geen.
Kan men dat een vijand noemen? Daar, gij zult eens zien, van avond,
als wij ons terugtrekken, wat een uitgeleide hij ons geven zal. Daar
zullen zij vandaan komen! en hij wees met zijn glas naar het bosch,
dat wij dien morgen doorgetrokken waren.

--Wat is dat? viel ik den kapitein ongerust in de rede, en wees hem op
eenige Donsche Kozakken, die niet ver van ons om iets heen stonden.

Uit hun midden stegen kreten op als van een klein kind, en de woorden:

--He, slaat niet! Houdt op!... Men zou het zien... Gij hebt een mes,
Evstignieitsch... Geef mij uw mes!

--Zij zijn bezig het een of ander te verdeelen, de deugnieten, zeide
de kapitein rustig.

Op hetzelfde oogenblik kwam eensklaps de mooie vaandrig achter een
hoek te voorschijn; met een rood, opgewonden gezicht en met de armen
zwaaiend snelde hij op de Kozakken toe:

--Raakt het niet aan! Doet het geen kwaad! riep hij met een
kinderlijke stem.

Op het zien van een officier gingen de Kozakken uit elkaar, en lieten
een wit lammetje los. De jonge luitenant werd uiterst verlegen,
mompelde iets voor zich heen en bleef met verwonderd gezicht voor hen
staan.

Toen hij ons op het dak zag zitten, den kapitein en mij, kleurde hij
nog meer, en met huppelende passen naar ons toekomende, zeide hij met
een schuchter lachje:

--Ik dacht dat het een kind was, dat zij wilden vermoorden.


X.

De generaal trok vooruit met de cavalerie. Het bataillon waarmee ik de
vesting N** had verlaten, bleef in de achterhoede. De kompagnieën van
kapitein Chlopoff en van luitenant Rosenkranz rukten gelijktijdig uit.

De voorspelling van den kapitein kwam precies uit. Nauwelijks
waren wij in den smallen boschweg, dien hij mij gewezen had, of van
weerskanten zag men onophoudelijk bergbewoners te paard en te voet
voorbij ijlen, en zoo dicht bij ons, dat ik duidelijk kon zien, hoe
sommigen hunner in gebukte houding en met het geweer in de hand van
den eenen boom naar den anderen liepen.

De kapitein ontblootte het hoofd en maakte vroom het teeken des
kruises. Eenige oude soldaten volgden zijn voorbeeld. In het bosch
hoorde men wild krijgsgeschreeuw en de kreten: »Yaï! giaïoers!
Oeroess[11] yaï!" Daarop volgden korte, knetterende geweerschoten;
de kogels floten van alle kanten door het bosch. Stilzwijgend
antwoordden de onzen met pelotonsvuur. Slechts af en toe hoorde
men in de gelederen opmerkingen van dezen aard:

[11] Russen. Tartaarsch woord.

--Daar zit _hij_![12] _Hij_ heeft mooi schieten achter een boom
vandaan! Wij moesten kanonnen hebben!

[12] Zoo spreken de Russische soldaten altijd van den vijand.

Daar komt de artillerie in de vuurlinie. Bij de eerste houwitsers
scheen de vijand te wankelen; maar een oogenblik later werd het
geweervuur en het geschreeuw sterker bij iederen pas, dien onze
troepen deden.

Wij waren nog niet heel ver van het dorp verwijderd, of de
vijandelijke kogels begonnen ons reeds om het hoofd te fluiten. Ik
zag een soldaat neervallen, doodelijk getroffen door een kogel. Maar
waarom al de bijzonderheden te schetsen van dit verschrikkelijk
tooneel, nu ik zelf veel zou geven om het te kunnen vergeten!

Luitenant Rosenkranz schoot zonder een oogenblik op te houden zelf
uit zijn karabijn; met zijn heesche stem vuurde hij onophoudelijk de
soldaten aan, terwijl hij spoorslags van het eene einde der kolonne
naar het andere reed. Hij was een weinig bleek, en dit stond hem zeer
goed bij zijn krijgshaftig uiterlijk.

De hupsche vaandrig was een en al verrukking; zijn fraaie zwarte oogen
schitterden stoutmoedig, een glimlachje speelde om zijn mond. Hij kwam
telkens naar den kapitein, om hem verlof te vragen een charge te
maken.

--We zullen ze terugwerpen! zeide hij op een toon van overtuiging.
Waarachtig, wij kunnen ze best uiteenjagen!

--Niet noodig, antwoordde de kapitein kortaf. Wij moeten retireeren.

De compagnie van den kapitein hield den zoom van het bosch bezet, en
beantwoordde liggend het vuur.

Met zijn versleten overjas aan en zijne oude muts op, zat de
kapitein, zonder een woord te zeggen, op zijn klein, wit paard. Hij
had de teugels laten hangen en zijn beenen in den korten stijgbeugel
samengetrokken en bleef op dezelfde plaats. (De soldaten wisten zoo
goed wat zij te doen hadden en volbrachten dat zoo goed, dat het niet
noodig was hun orders te geven.) Slechts af en toe liet de kapitein
zijn stem hooren, als een der soldaten zich te veel blootgaf. Hij zag
er zeer weinig krijgshaftig uit, maar hij zat daar zoo natuurlijk en
eenvoudig, dat ik er verrast door was.

--Dat is de ware dappere! dacht ik onwillekeurig. Hij was _juist
zooals ik hem altijd zag_; dezelfde rustige bewegingen, dezelfde
gelijkmatige stem, dezelfde openhartigheid op zijn leelijk, maar
eenvoudig gezicht. Alleen aan zijn blik, die helderder was dan
gewoonlijk, zag men de spanning van iemand, die, hoewel rustig, geheel
vervuld is van hetgeen hij doet. Dat wil niet weinig zeggen: _altijd
dezelfde_. Welk een menigte trapsgewijze veranderingen nam ik niet
waar bij de anderen! De een veinsde meer kalmte, de ander meer ernst,
een derde meer vroolijkheid dan gewoonlijk, terwijl men op het gezicht
van den kapitein las, dat hij niet inzag, waarom hij zich anders voor
zou doen.

De Franschman, die bij Waterloo zeide: La garde meurt, mais ne se rend
pas,[13] en de andere helden, met namen de Franschen, die beroemde
woorden gezegd hebben, waren werkelijk dapper en hebben werkelijk
opmerkelijke woorden gezegd, maar tusschen hunne dapperheid en die van
den kapitein bestond dit onderscheid, dat, indien al een kranig woord
onverschillig bij welke gelegenheid ware opgekomen in de ziel van mijn
held, hij het zeker niet zou uitgesproken hebben, ten eerste, omdat
hij gevreesd zou hebben door dit woord uit te spreken, het groote
werk te storen en ten tweede, omdat wanneer een man in zich de kracht
gevoelt een daad te vervullen, ieder woord overbodig is. Mijns inziens
is dit de karakteristieke en edele trek in de dapperheid der Russen.
En zou het Russische hart dan niet bloeden, als men door onze jonge
militairen banale Fransche zinnen hoort uitspreken, die de pretentie
hebben, aan de oude Fransche ridderschap te herinneren?....

[13] De garde sterft, maar geeft zich niet over.

Eensklaps hoorde ik een afzonderlijk, zwak hoera-roepen aan den kant,
waar de mooie vaandrig met zijn peloton stond. Toen ik mij omkeerde,
zag ik een dertigtal soldaten, die met het geweer in de hand en den
ransel op den rug, moeilijk voortliepen over een omgeploegden akker.
Zij struikelden allen, maar kwamen toch luid schreeuwende vooruit!
Aan hun hoofd galoppeerde de vaandrig, met de sabel in de lucht.

Allen verdwenen in het bosch.

Na een minutenlang geschreeuw en karabijnvuur, kwam er een verschrikt
paard uit het bosch hollen; daarna verschenen er aan den woudzoom
soldaten, die dooden en gewonden wegdroegen; onder deze laatsten was
ook de jonge vaandrig.

Twee soldaten steunden hem onder de armen; hij was zoo bleek als een
doek, en zijn mooi gezichtje, waarop maar een zwak spoor meer lag van
den krijgshaftigen geestdrift, die hem een minuut te voren bezielde,
hing akelig slap op de borst. Op zijn wit hemd onder zijn losgeknoopte
uniform zag men een kleine, roode vlek.

--Och, hoe jammer! zeide ik onwillekeurig en wendde mij af van dit
droevige schouwspel.

--Natuurlijk, 't is jammer! zeide een oud soldaat met een somber
gezicht, die naast mij stond en op zijn geweer leunde.--Hij is voor
niets bang; dat is niet goed, en ik begrijp het ook niet, voegde hij
erbij, terwijl hij den gewonde oplettend bekeek. Hij is nog te groen
en heeft er voor moeten boeten.

--En gij, zijt gij dan bang? vroeg ik hem.

--Zoudt gij denken van niet?


XI.

Vier soldaten droegen den jongen vaandrig op een draagbaar. Achter
hen kwam een treinsoldaat, met een oud, versleten paard aan den
teugel, dat beladen was met twee groene kisten, waarin chirurgische
instrumenten waren. Men wachtte op den dokter. De officieren kwamen
naar de draagbaar rijden en trachtten den gewonde te troosten, gerust
te stellen en op te vroolijken.

--Nu, broeder Alanine, gij zult vooreerst wel niet meer met de
kastanjetten kunnen dansen, zeide luitenant Rosenkranz glimlachend.

Hij meende ongetwijfeld door deze woorden den mooien vaandrig moed in
te spreken, maar, zoover ik naar den kouden en droeven blik van dezen
laatste kon oordeelen, hadden zijne woorden niet de gewenschte
uitwerking.

De kapitein kwam ook nader: hij beschouwde den gewonde opmerkzaam, en
op zijn gezicht, altijd zoo onverschillig en koud, las ik nu oprecht
medelijden.

--Ja, mijn beste Anatoly Ivanitsch, zeide hij met een stem, waarin
zooveel teedere deelneming lag, als ik nooit van hem had kunnen
verwachten, het is blijkbaar Gods wil.

De gewonde keerde zich naar hem toe. Een droevig lachje verhelderde
zijn bleek gelaat.

--Ja, ik heb niet naar u geluisterd.

--Zeg liever dat het Gods wil is, herhaalde de kapitein.

De dokter, die juist aankwam, nam van zijn helper eenige windsels, een
sonde en wat hij verder noodig had, aan; en, zijn mouwen opstroopende,
naderde hij den gewonde met een bemoedigend lachje.

--Wel, hebben ze u ook een gat gemaakt op een heele plek? zeide hij op
een nonchalanten, gekscherenden toon. Laat eens kijken!

De vaandrig gehoorzaamde. Maar in de uitdrukking, waarmee hij den
jovialen dokter aankeek, lag verwondering en verwijt, wat de andere
niet scheen te merken. Hij begon de wond te sondeeren en nauwkeurig te
onderzoeken. Maar de gewonde werd ongeduldig en drukte, met een
pijnlijk steunen, zijne hand weg.

--Laat mij met rust, zeide hij nauwelijks hoorbaar, ik moet toch
sterven.

Daarop liet hij zich weer op zijn rug vallen, en toen ik vijf minuten
later weer langs de groep kwam, die om hem heen stond, en aan een
soldaat vroeg, hoe het met den vaandrig ging, kreeg ik ten antwoord:

--Hij sterft.


XII.

Het was reeds laat, toen de troep, flink in het gelid onder vroolijke
muziek, de vesting N** naderde. De zon was achter de keten van
besneeuwde bergen ondergegaan en verlichtte met haar laatste, roze
stralen een lange, teere wolk, die onbeweeglijk boven den helderen
horizon stond. De besneeuwde bergtoppen werden langzamerhand gehuld in
een lilakleurigen nevel, maar de golvende lijn hunner omtrekken stak
buitengewoon scherp tegen het purperen licht van den zonsondergang af.
De schier doorschijnende maan, die reeds lang aan den hemel stond,
begon het donkere azuur met zijn helder schemerlicht te verlichten.
Het groen van de boomen en het gras werd donker en doezelig van den
dauw. De sombere massa's der kolonne bewogen zich met eentonig,
rhythmisch geluid over de geurende grasvlakte. Van alle zijden klonken
de klokjes van schelleboomen, de trommen en de vroolijke liedjes.
De voorzanger van de zesde compagnie zong uit volle borst en de
gevoelvolle, krachtige trillers van zijn heldere volle tenorstem
rolden ver weg in de doorschijnende avondlucht.



EEN HOUTKAPPING IN HET BOSCH.



VERHAAL VAN EEN JONKER.


I.

In het midden van den winter van 185.., stond eene sectie van onze
batterij te velde in de Groote-Tschetschnia. Op den avond van den
14den Februari hoorde ik dat de stukken, waarover ik bij afwezigheid
van den officier het bevel had, met de colonne mee moesten, die den
volgenden dag eene kapping in het bosch moest gaan bewerkstelligen.
Ik had reeds dien zelfden avond de noodige orders ontvangen en
overgebracht, en mij vroeger dan gewoonlijk naar mijne tent begeven.
Ik had niet de slechte gewoonte, mijne tent met een kolenvuur te
verwarmen; ik strekte mij geheel gekleed op een veldbed uit, dat van
rijs gemaakt was, trok mijn muts over mijne oogen, wikkelde mij in
mijne pels en zonk weg in dien eigenaardigen, vasten en zwaren slaap,
dien men slaapt in de oogenblikken van ongerustheid en spanning, welke
het gevaar voorafgegaan; de expeditie van den volgenden dag bracht mij
in dien toestand.

Des morgens om drie uur, toen alles nog donker was, voelde ik dat mijn
warme pels werd weggetrokken, en het roode schijnsel van eene kaars
viel mij onaangenaam in de slaperige oogen.

--Belieft u op te staan? hoorde ik zeggen.

Ik deed mijn oogen weer dicht, trok onbewust de pels weer over mij
heen en viel weer in slaap. »Het is tijd om op te staan!" herhaalde
Dmitri en schudde mij meedoogenloos bij den schouder. »De infanterie
rukt uit." Plotseling kwam ik tot de werkelijkheid terug. Ik sprong
op en stond dadelijk op mijn beenen. Na inderhaast een glas thee
gedronken en mij met ijskoud water gewasschen te hebben, ging ik uit
mijne tent en begaf mij naar het artilleriepark.

Het was donker, mistig en koud. De nachtelijke wachtvuren, die hier en
daar in het kamp schitterden en de gestalten der slapende soldaten
verlichtten, maakten door hun ros en somber schijnsel de duisternis
nog donkerder. Vlak bij hoorde ik een regelmatig en rustig gesnork; in
de verte de beweging, het gepraat en het gekletter van de geweren der
infanteristen, die zich gereed maakten te vertrekken. Het rook overal
naar brandend hout, mist, paardenmest en lonten. De morgenkoude joeg
mij een rilling over den rug, en onwillekeurig klapperden mijn tanden.
Alleen door het brieschen en getrappel der paarden nu en dan kon
men, in die ondoordringbare duisternis, de plaats raden waar de
aangespannen kruitwagens stonden; de plaats der kanonnen herkende men
aan de glimmende punten der lontstokken.

Onder den kreet »Met God!" zette de eerste kanon zich in beweging. De
kruitwagen rammelde daarachter, en de sectie begaf zich op weg. Wij
namen allen de muts af en maakten het teeken des kruises. Na in de
open ruimte tusschen de infanterie plaats genomen te hebben, maakten
wij halt, en wachtten zoowat een kwartier totdat de heele colonne
gereed en de kommandant verschenen zou zijn.

--Maar er ontbreekt een soldaat, Nikolaï Petrovitsch, zeide een
donkere gestalte tot mij, die ik slechts aan de stem herkende als den
kwartiermeester Maximoff.

--En wie dan?

--Welentschuk. Terwijl zij bezig waren aan te spannen, heb ik hem nog
gezien; en nu is hij weg.

Daar niet aan te nemen was dat de colonne zich aanstonds in beweging
zou zetten, besloten wij den brigadier Antonoff uit te zenden
om Welentschuk op te zoeken. Kort daarop passeerden ons, in de
duisternis, eenige ruiters: het was de commandant met zijn gevolg.
Dadelijk zette alles zich in beweging; het hoofd van de colonne rukte
op, en eindelijk was het onze beurt. Antonoff en Welentschuk waren nog
niet terug.

Maar wij waren nog geen honderd schreden ver, of de twee soldaten
haalden ons in.

--Waar was hij? vroeg ik aan Antonoff.

--Hij lag te slapen in het park.

--Wat? Was hij dan dronken?

--Volstrekt niet.

--Waarom was hij dan ingeslapen?

--Ik weet het niet.

Drie uren lang reden wij, langzaam en zonder eenig gerucht, door den
nevel, dwars over onbebouwde velden, waar het lage struikgewas onder
de wielen der kanonnen kraakte. Eindelijk, nadat wij over een ondiepe,
maar buitengewoon sterk stroomende beek waren getrokken, werd er
order gegeven om halt te houden; in de voorhoede knalden eenige
karabijnschoten. Als altijd, deed dit geluid een algemeene opwinding
ontstaan. Het detachement scheen wakker te worden; men hoorde in de
gelederen praten, lachen en allerlei beweging. Van de soldaten
amuseerden sommigen zich met worstelen, anderen hinkten nu eens op den
eenen, dan weer op den anderen voet, de een zat op een beschuit te
knabbelen, een ander oefende zich, om den tijd zoek te brengen, in
het: Presenteert geweer! of: Zet af, geweer! Onderwijl begon de mist
in het oosten merkbaar lichter te worden. De vochtigheid werd meer
voelbaar, en de omringende voorwerpen doemden langzamerhand op
uit den nacht. Reeds kon ik de groene affuiten en de kruitwagens
onderscheiden, het koper der vuurmonden, bedekt met eene laag vocht,
en de bekende, mij onwillekeurig tot in de kleinste bijzonderheden
vertrouwd geworden gestalten mijner manschappen met hun bruinroode
paarden, en de gelederen van het voetvolk met hun schitterende
bajonetten, hun ransels en hun veldketels op den rug.

Spoedig werd er bevel gegeven, verder te trekken. Nog eenige honderden
schreden, en onze kampementsplaats werd ons aangewezen.

Aan den rechterkant schemerde de steile oever van een zich als een
slang kronkelende beek, en de hooge houten kolommen van een Tartaarsch
kerkhof. Links en voor ons zagen wij een zwarte streep door den mist.
Mijne artilleristen maakte het voorstel van hunne stukken los. De 8e
compagnie, die ons moest dekken, zette de geweren aan rotten, en een
bataljon, gewapend met bijlen en geweren, drong het bosch in.

Het duurde geen vijf minuten, of aan alle kanten begonnen de
wachtvuren te knetteren en te rooken. De soldaten verspreidden zich
naar alle zijden, wakkerden het vuur aan, sleepten takken en
boomstammen aan; en het bosch weerklonk onophoudelijk van de
bijlslagen en het dreunen der vallende boomen.

De artilleristen, in ijver niet willende onderdoen voor de infanterie,
staken hun eigen wachtvuur aan; en, hoewel het reeds zulk een gloed
gaf dat men het op geen twee passen kon naderen, hoewel een dikke,
zwarte rook optrok door de takken, die nog met rijp bedekt waren,
zoodat de waterdruppels sissend in het vuur vielen, hoewel de gloed
van onderen steeds toenam en het gras in het rond verzengd werd, toch
waren mijn soldaten nog niet tevreden: zij sleepten heele boomen aan,
wierpen droog gras in het vuur en stookten het hoe langer hoe
geweldiger op.

Welentschuk, in gewone omstandigheden reeds zeer beweeglijk, wilde nu,
als 't ware geprikkeld door het besef van zijne fout, zich nog meer
weren dan de anderen; toen ik naar het vuur ging om een sigaret aan te
steken, greep hij, in een overmaat van gedienstigheid, met zijn bloote
hand een gloeiende kool, gooide haar van de rechter in de linker, en
liet haar eindelijk vallen.

--Steek liever een takje aan, en geef dat, zeide een soldaat.

--Krijg een lontstok, kameraad, zeide een ander.

Toen ik eindelijk mijne sigaret aan had, zonder de hulp van
Welentschuk, die opnieuw een gloeiende kool in zijne hand trachtte te
nemen, wreef hij zijn verbrande vingers aan de slip van zijne pels af;
en, zeker om maar iets te doen, beurde hij een zwaar blok cederhout op
en wierp het in den gloed. Toen hij eindelijk meende wel te kunnen
uitrusten, ging hij op de heetste plek staan, spreidde den
pelsmantel, dien hij als een dolman om de schouders droeg, uiteen,
spreidde de beenen van elkaar, warmde zijn groote zwarte, handen,
vertrok zijn mond even en deed zijn oogen dicht.

--Hè, ik heb mijn pijp vergeten. Wat een ongeluk, broeders! zeide hij
na een korte stilte, zonder zich bepaald tot iemand te richten.


II.

Men vindt in het Russische leger in hoofdzaak drie militaire typen,
waartoe men de soldaten van alle wapens kan brengen, de Kaukasische,
de Armeniërs, de infanteristen, de garde, de cavalerie, enz. Deze
voornaamste typen, met weer veel onderafdeelingen, zijn de volgende:

1º. De gehoorzamen.

2º. De heerschzuchtigen.

3º. De waaghalzen.

De gehoorzamen zijn te verdeelen in koudbloedig gehoorzamen en ijverig
gehoorzamen.

Bij de heerschzuchtigen heeft men de ruw-bevelende en de
beleefd-bevelende, terwijl het derde type te verdeelen is in amusante
en in liederlijke waaghalzen.

Het type, dat men het meest vindt--het meest innemende en sympathieke,
dat het meest de schoone deugden van den christen in zich vereenigt:
zachtheid, vroomheid, geduld, onderworpenheid aan Gods wil--dat
is de gehoorzame zonder meer. Het onderscheidende kenmerk van den
koelbloedig gehoorzame is een onverstoorbare kalmte, gepaard aan een
diepe minachting voor de wisselingen van het lot; van den gehoorzame
die drinkt: een stille neiging voor sentimenteele poëzie; van den
ijverige: een bekrompen verstand gepaard aan drukte.

Het type der heerschzuchtigen vindt men vooral onder hen, die
een graad hebben: onder de korporaals, de onderofficieren en
sergeant-majoors. Het is in de eerste afdeeling, die der grof
heerschzuchtigen, een zeer edel, energiek, krijgslustige type, niet
zonder poëtische neigingen; tot dit type behoorde de brigadier
Antonoff, met wien ik de lezers kennis wil laten maken. De tweede
onderafdeeling, de hoffelijke heerschzuchtigen, wordt sedert eenigen
tijd hoe langer hoe talrijker: dit type staat steeds klaar, kan lezen,
draagt een rooskleurig hemd, eet niet uit den gemeenschappelijken pot,
rookt soms fijne tabak, acht zichzelf hoog verheven boven den
eenvoudigen soldaat en is zelf slechts zelden een goed soldaat, zooals
de heerschzuchtige van de eerste categorie.

Het type van den waaghals is eveneens slechts goed in de eerste
categorie, die zich onderscheidt door onverstoorbare vroolijkheid,
groote aanleg voor alles en een opbruisend temperament; terwijl de
liederlijke waaghalzen--het zij ter eere van het Russische leger
gezegd--gelukkig uiterst zeldzaam zijn, en de meeste soldaten
laten zich niet met hen in. Volslagen gebrek aan eenig geloof,
onverschrokkenheid in de ondeugd, ziedaar wat hen kenmerkt.

Welentschuk behoorde tot de categorie der ijverige gehoorzamen.
Geboortig uit de Ukraine, sedert zijn vijftiende jaar in dienst,
was hij een onbeduidend en onhandig soldaat; maar hij was goed
en trouwhartig, zeer ijverig, hoewel meestal te onpas, en had een
buitengewoon eergevoel. Ik zeg een buitengewoon eergevoel; het vorige
jaar had hij gelegenheid gehad, deze kenschetsende eigenschap zeer in
't oog vallend te toonen.

Men moet weten dat bijna elk soldaat een ambacht kent. De beroepen,
welke men het meest onder hen aantreft, zijn die van kleermaker en
schoenmaker. Welentschuk nu had het eerste ambacht geleerd, en te
oordeelen naar het feit, dat de kwartiermeester Michaïl Dorofeïtsch
zijne kleederen bij hem liet maken, moest hij er een zekeren graad van
bekwaamheid in hebben bereikt. Het vorige jaar dan had Welentschuk te
velde van Michaïl Dorofeïtsch de opdracht gekregen een fijn lakenschen
mantel voor hem te maken. Maar des nachts, toen hij de gesneden
stukken laken en de voering onder zijn hoofdkussen had verborgen, in
zijne tent, gebeurde er een ongeluk: het laken, ter waarde van zeven
roebels, werd terwijl hij sliep gestolen. Met tranen in de oogen
en bleeke, trillende lippen, en onder ingehouden snikken, vertelde
Welentschuk het geval aan den kwartiermeester. Michaïl Dorofeïtsch
werd kwaad. In de eerste opwelling van spijt dreigde hij den
kleermaker: maar hij was een goedhartige kerel en ruim van geld
voorzien, dus dacht hij er al spoedig niet meer over en eischte het
geld van het laken ook niet terug. Ondanks alle ijverige pogingen
van den ijverigen Welentschuk, ondanks zijn tranen en hoewel hij de
menschen onophoudelijk zijn ongeval vertelde, werd de dief toch niet
gevonden. Er rustten zware vermoedens op een liederlijken waaghals,
Tschernoff, die in dezelfde tent als Welentschuk sliep, maar men kon
het hem niet zeker bewijzen.

Michaïl Dorofeïtsch was, zooals gezegd, goed bij kas, hij ging om met
den kapitein _d'armes_ en met den kommandant van de batterij, een
aristokraat, en had spoedig den mantel geheel en al vergeten; maar
Welentschuk vergat zijn ongeval niet. De soldaten vreesden soms dat
hij de een of andere wanhopige daad zou begaan of in de bergen zou
vluchten, zoo terneergeslagen was hij door het ongeluk. Hij at of
dronk niet meer; hij kon zelfs niet meer werken en zat voortdurend te
schreien.

Drie dagen later ging hij naar Michaïl Dorofeïtsch, en haalde met
bevende hand uit den opslag zijner mouw een goudstukje, dat hij hem
toereikte.

--Bij God! het is mijn laatste geld, Michaïl Dorofeïtsch, en dat
heb ik nog wel geleend van Shdanoff, zeide hij met een snik. Nu ben
ik u nog twee roebels schuldig, die ik u, op mijn woord van eer,
zal teruggeven, zoodra ik ze verdiend heb. Hij (wie was die _hij_?
Welentschuk wist het zelf niet) _hij_ heeft gemaakt dat ik in uwe
oogen een schurk was; hij, die stinkende, gemeene kerel, heeft het
laatste hemd van een soldaat, van een broeder gestolen; vijftien jaar
dienst heb ik al achter den rug en...

Het moet ter eere van Michaïl Dorofeïtsch gezegd worden, dat hij de
twee roebels weigerde, die Welentschuk hem een paar maanden later
bracht.


III.

Behalve Welentschuk, stonden er nog vijf of zes andere soldaten van
mijn afdeeling zich bij het vuur te warmen.

Op het beste plekje, beschut voor den wind, zat de kwartiermeester
Maximoff op een houten tonnetje zijne pijp te rooken. In de houding,
in den blik, in al de gebaren van dezen man las men de gewoonte
om te commandeeren en het bewustzijn van zijn eigen waardigheid,
afgescheiden nog daarvan dat hij op een tonnetje zat, wat op de
rustplaats een symbool van gezag was en dat hij een met nanking
overtrokken pelsjas droeg.

Toen ik hem naderde, draaide hij zijn hoofd naar mij toe, maar zijn
blikken bleven op het vuur gevestigd, en eerst later volgden zijne
oogen de beweging van zijn hoofd en keek hij mij aan.

Maximoff, de zoon van een welgesteld landbouwer, had wat geld; hij had
den cursus van het regiment gevolgd, een weinig kennis opgedaan en een
graad verworven, hetgeen de soldaten deed zeggen:--Hij is
verschrikkelijk rijk, verschrikkelijk geleerd.

Ik herinner mij dat hij een keer, bij een oefening in het
schijfschieten, aan de soldaten verklaarde, dat het waterpas niets
anders was dan een _voortvloeisel_ van de beweging in het kwik van de
atmosfeer... Toch was Maximoff verre van dom, hij kende zijn zaakjes
zeer goed. Maar ongelukkig had hij de liefhebberij opzettelijk zoo te
spreken, dat men hem niet begreep, en ik ben zeker, dat hij zelf ook
niet begreep wat hij zeide. Hij gebruikte bij voorkeur de woorden
»voortvloeien" en »vervolgens", en als hij zeide: »daaruit vloeit
voort" of »vervolgens", dan wist ik vooruit, dat ik geen woord zou
begrijpen van hetgeen er verder kwam. De soldaten daarentegen, schenen
dit »voortvloeien" gaarne te hooren en zochten er heel wat diepzinnigs
achter, hoewel zij er evenmin als ik iets van begrepen. Maar die
onbegrijpelijkheid schreven zij aan hun eigen domheid toe, en hij
steeg er des te meer door in hunne achting.

De tweede soldaat, die dicht bij het vuur bezig was zijn laarzen
over zijn gespierde, roode voeten te trekken, was Antonoff, dezelfde
bombardier Antonoff, die, al in 1837, in een gevecht slechts met twee
makkers bij een kanon overbleef, een talrijken vijand afsloeg en
steeds bleef vuren, hoewel hij twee kogels in de dij had.

Hij zou reeds lang kwartiermeester geweest zijn, als hij een ander
karakter gehad had, zeiden de soldaten van hem. En werkelijk had
hij een zonderling karakter: als hij niet dronken was, was hij de
bedaardste, zachtste, geschiktste kerel van de wereld; maar als hij
wat gedronken had, werd hij een geheel ander mensch; dan erkende hij
geen superieuren, vocht en tierde hij, en was er niets met hem te
beginnen. Nog pas acht dagen geleden, had hij zich gedurende de
karnavalsweek bedronken, en ondanks alle bedreigingen en verzoeken,
ondanks hij aan een kanon gebonden was, was hij blijven drinken en
tieren tot den eersten Maandag van de vasten: gedurende den geheelen
tijd der vasten had hij, niettegenstaande er bevel gegeven was dat de
manschappen niet behoefden te vasten, enkel van beschuit geleefd; in
de eerste week had hij zelfs zijn rantsoen _vodka_[14] geweigerd.

[14] Brandewijn.

Het was anders de moeite waard hem te zien, dien gedrongen,
ijzersterken man met zijn kromme beentjes en zijn gebaard en
glimmend gelaat, als hij, eenmaal dronken, eene _balalaïka_[15] in
zijn gespierde hand nam, en, met een minachtenden blik in het rond,
een volksliedje speelde; of als hij, met zijn mantel, waaraan de
decoraties hingen te bengelen, achteloos over zijn schouder geworpen,
over de straat liep, met de handen in de zakken van zijn nankinschen
broek. Men moest de uitdrukking van soldaten-trots en zijn minachting
voor alles wat geen artillerist was zien, die dan op zijn gelaat lag,
om te begrijpen dat hij het onmogelijk vond in een zulk een oogenblik
niet aan het vechten te raken met den een of ander, die hem grof
bejegende of hem toevallig in den weg kwam: een burger, een Kozak,
een infanterist, een die geen artillerist was, in èèn woord, hij
vocht echter niet zoozeer voor zijn persoonlijk genoegen, maar voor
de militaire eer, waarvan hij zich een verdediger gevoelde.

[15] Soort guitaar.

De derde soldaat, die zich voor het vuur zat te warmen, was
de ordonnans Tschikine. Hij droeg een ring in het oor, had een
stoppeligen knevel, een vogelbek, een porseleinen neuswarmer tusschen
de tanden. Tschikine, de mooie jongen, zooals de soldaten hem noemden,
was een grappenmaker. Al vroor het baksteenen, al zakte hij tot aan
zijn knieën in de modder, al bleef hij twee dagen zonder eten, op
marsch, bij de parade en bij het excerceeren, overal en altijd maakte
hij u aan het lachen door zijn grimassen en wonderlijke gebaren; hij
wist zich zoo aan te stellen dat iedereen schaterde. Werd er halt
gehouden of gekampeerd, altijd vormde er zich een kring van jonge
soldaten om Tschikine: hij speelde kaart met hen, of vertelde hun
een verhaal van den slimmen soldaat en den Engelschen mylord, of wel
hij bootste een Tartaar of een Duitscher na, of hij maakte eenvoudig
opmerkingen zóó koddig, dat iedereen zich half dood lachte. Zijn
reputatie als grappenmaker was zóó gevestigd bij zijn batterij, dat
als hij zijn mond maar opendeed of met zijn oog knipte, iedereen
in lachen uitbarstte. En inderdaad had hij iets heel komisch en
verrassends over zich. Hij wist aan alle dingen iets bijzonders
te vinden, waaraan een ander nooit zou gedacht hebben en, wat de
hoofdzaak was, zijn talent om altijd het belachelijke op te merken,
moest hij immer den vrijen loop laten.

De vierde soldaat was een jongen van een tamelijk armzalig voorkomen,
een recruut van de laatste lichting, die voor het eerst een expeditie
meemaakte. Hij stond midden in den rook, en zoo dicht bij het vuur,
dat het scheen of zijn tot op den draad versleten pelsjas ieder
oogenblik in brand zou vliegen. Maar niettegenstaande dat bewees zijn
rustige, zelfvoldane houding, zooals hij daar stond met de panden van
zijne pelsjas onder den arm en sterk uitstekende kuiten, dat hij zich
heel behaaglijk gevoelde.

De vijfde soldaat eindelijk, die een weinig van het wachtvuur afstond
en bezig was een stok te snijden, was oom Shdanoff. Shdanoff was de
oudste in dienstjaren van de batterij. Hij had al de andere soldaten
nog als rekruten gekend, en allen noemden hem, uit een oude gewoonte,
»oompje." Men zeide dat hij nooit dronk en nooit rookte, dat hij
geen kaarten aanraakte (zelfs niet eens »neus" speelde) en nooit
een leelijk woord gebruikte. Al de uren, die hem van den dienst
overbleven, hield hij zich bezig met schoenmaken. Op feestdagen ging
hij naar de kerk als er een in de buurt was, en anders stak hij een
kaars van een kopek aan voor een heiligenbeeldje en opende zijn
psalmboek, het eenige, waarin hij kon lezen.

Hij bemoeide zich weinig met de soldaten; hij was koel en eerbiedig
tegenover hen die, jonger dan hij, zijn meerderen in rang waren, en
daar hij niet dronk, was hij weinig samen met zijns gelijken; maar hij
hield vooral veel van de rekruten en de jonge soldaten. Die nam hij
steeds in zijn hoede, las hun de instrukties voor en hielp hen vaak.
Al de manschappen van de batterij beschouwden hem als een kapitalist,
omdat hij vijf en twintig roebels bezat, die hij gaarne uitleende aan
wie ze werkelijk noodig hadden.

Dezelfde Maximoff, die nu kwartiermeester was, vertelde mij dat toen
hij tien jaar geleden als rekruut bij het corps kwam en met de oude,
drinklustige soldaten al zijn geld had verdronken, Shdanoff, die zijn
ellendigen toestand opgemerkt had, hem bij zich riep, hem duchtig
doorhaalde over zijn gedrag, ja hem zelfs geslagen had; hij had hem
uit de instrukties voorgelezen hoe een soldaat behoort te leven, en
liet hem weer gaan met een hemd (daar Maximoff er geen meer had) en
vijftig kopeken.

--Hij heeft een man van mij gemaakt! zeide Maximoff dikwijls van hem,
met een uitdrukking van eerbied en dankbaarheid.

Hij was het ook die Welentschuk, een zijner beschermelingen, geholpen
had, bij het verlies van den mantel, en nog zooveel anderen gedurende
zijn vijf en twintig jaren diensttijd.

Men zou in het korps geen soldaat hebben gevonden, die dapperder en
ordentelijker was en zijn vak beter verstond. Maar hij was te kalm en
te bescheiden, hij wist zich te weinig op den voorgrond te plaatsen
om tot brigadier bevorderd te worden, hoewel hij reeds vijftien jaar
bombardier was. De eenige vreugde, de eenige hartstocht van Shdanoff,
dat was gezang. Sommige liederen vooral hoorde hij bijzonder graag,
en hij placht een kring van zangers, die hij onder de jonge soldaten
uitzocht, om zich te vereenigen; hoewel hij zelf niet kon zingen,
bleef hij, met de handen in de zakken en de oogen dicht, bij hen
zitten, en door de bewegingen van zijn hoofd en zijn kaken drukte hij
uit, hoe heerlijk hij het vond. Ik weet niet waarom ik altijd in die
gelijkmatige beweging der kaakbeenderen onder de ooren, die ik alleen
bij hem opgemerkt heb, zoo buitengewoon veel uitdrukking heb gevonden.

Zijn sneeuwwit hoofd, zijn zwarte, netjes opgedraaide knevel, zijn
verweerd en gerimpeld gelaat gaven hem op het eerste gezicht een
streng en ernstig uiterlijk; maar als men van naderbij in zijn groote
ronde oogen zag, vooral als zij lachten--want zijn lippen lachten
nooit--werd men getroffen door iets buitengewoon zachts, iets bijna
kinderlijks.


IV.

--He! duivels! ik heb mijn neuswarmer vergeten! Wat een ongeluk,
broeders! herhaalde Welentschuk.

--Waarom rookt gij geen cigharka[16], beste jongen? zeide Tschikine,
terwijl hij zijn mond scheef trok en met zijn oogen knipte. Als ik
thuis ben, rook ik nooit iets anders. 't Is veel zoeter.

[16] Letterlijk: suikersigaar.

Natuurlijk barstten allen in lachen uit.

--Waarom vergeet gij uw neuswarmer ook? zeide Maximoff uit de hoogte,
zonder op de algemeene hilariteit te letten, terwijl hij den kop van
zijn pijp op de vlakke linkerhand uitklopte. Waar ben je eigenlijk
geweest, he, Welentschuk?

Welentschuk keerde zich half naar hem om, bracht de hand naar zijne
muts maar liet haar dadelijk weer zakken.

--Gij hebt zeker niet genoeg geslapen van nacht, dat gij nu staande
nog slaapt?... Ik kan niet zeggen dat ik het mooi van u vind.

--Gij kunt mij dadelijk doodmaken, Fedor Maximovitsch, als ik een
druppel geproefd heb. Maar ik weet zelf niet, wat er met me gebeurd
is, antwoordde Welentschuk. Wat zou me wel voor goeds overkomen zijn,
dat ik me bedronken zou hebben? mompelde hij voor zich heen.

--Het zij zoo. Maar ik ben voor u verantwoordelijk bij de superieuren,
en nu gedraagt gij u zoo! Dat is geen manier van doen, besloot de
welsprekende Maximoff, hoewel reeds op veel kalmer toon.

--'t Is een wonder, kameraden, vervolgde Welentschuk na een oogenblik
van stilte, terwijl hij zich in den nek krabde, en zonder tot iemand
in het bijzonder het woord te richten. Waarachtig, het is een wonder!
Ik ben nu zestien jaar in dienst, maar zoo iets is me nog nooit
overkomen. Toen er gecommandeerd werd om aan te treden voor het appèl,
was ik present, zooals het behoort, ik voelde nog niets; eensklaps,
dicht bij het park, daar pakt het mij aan... ik viel op den grond, er
was niets tegen te doen... En hoe ik ben ingeslapen, dat weet ik zelf
niet, broeders. 't Was zeker slaapziekte, aldus eindigde hij.

--Ja, ik heb je haast niet wakker kunnen krijgen, zeide Antonoff,
terwijl hij een laars aantrok. Wat moest ik je schudden, wat moest ik
je schudden! Net een stuk hout.

--Nu! ziet gij nu wel? riep Welentschuk.

--Als ik dronken was geweest, zou ik het wel begrepen hebben.

--Zoo hadden wij bij ons een vrouw, begon Tschikine te vertellen, die
is wel twee jaar, twee jaar, zeg ik, op de kachel blijven liggen. Op
een goeden morgen, toen wij haar wakker gingen maken, in de meening
dat zij sliep, was zij dood. Die kreeg ook altijd slaapzucht. Dat kan
al zoo gebeuren, beste vriend.

--He, vertel eens, Tschikine, hoe jij, toen je met verlof was, thuis
den toon aangegeven hebt, zeide Maximoff lachend, terwijl hij mij
aanzag, alsof hij wilde zeggen:--Wilt u ook niet eens graag een domkop
hooren?

--Welken toon, Fedor Maximowitsch? vroeg Tschikine, van terzijde een
blik op mij slaande,--maar, dat weten ze immers al? Ik vertelde hoe
het er in den Kaukasus uitziet.

--Ja, ja... Maar hoe? Kruip nu niet weg. Vertel ons hoe je
commandeerde.

--Dat is bekend, hoe ik commandeerde... Men vroeg mij hoe wij hier
leefden, aldus begon hij levendig op den toon van iemand die reeds
verscheidene malen hetzelfde heeft verhaald. Toen zeide ik dat wij het
uitstekend hadden, lieve jongen. Wij krijgen volop de levensmiddelen,
die wij noodig hadden; des morgens en 's avonds een kop chocolade
voor elk soldaat; bij het eten een fijn soepje van geparelde gerst;
in plaats van vodka krijgen wij madera, madera Duverrier, die twee en
veertig kopeken kost.... zonder de flesch.

--Prachtige madera! riep Welentschuk en schaterde het uit, harder dan
al de anderen. Een prachtige madera!

--Welnu! en van de Aziaten, wat vertelde je daarvan? vervolgde
Maximoff, toen de algemeene vroolijkheid een weinig bedaard was.

Tschikine boog zich over naar het vuur, legde met behulp van een stuk
hout een gloeiend kooltje op den kop van zijne pijp, en, zonder dat
hij de algemeene aandacht en de nieuwsgierigheid van zijne toehoorders
scheen te bemerken, deed hij een langen haal. Eindelijk, toen de pijp
goed aan was, liet hij het kooltje vallen en zette zijne muts nog
verder naar achteren; toen trok hij de schouders op en ging voort, met
een lachend gezicht:

--Zij vroegen me ook: Hoe zijn die Tscherkessen, daarginds? of wel:
Hoe zijn de Turken, tegen wie gij daar vecht, in den Kaukasus? Dan
antwoordde ik: Bij ons zien de Tscherkessen er niet allen hetzelfde
uit, beste vrind; er zijn verschillende typen onder. Zoo zijn er
Tafflinzen, die in de rotsgebergten wonen en steenen eten in plaats
van brood. Die zijn zoo groot, zeg ik hun, als een flinke balk; zij
hebben een oog in het voorhoofd, en roode mutsen op, die er uitzien
als vuur. Zooals gij bij voorbeeld, beste vriend, voegde hij er bij
en wendde zich tot een jongen recruut, die inderdaad een bespottelijk
klein mutsje met een rood kapje droeg.

Aldus onverwacht aangesproken, hield de jonge soldaat zich den buik
vast van het lachen, sloeg met zijn handen op de knieën, en van het
schateren begon hij zoo te hoesten, dat hij nauwelijks, met toonlooze
stem kon uitbrengen:

--Mooie lui, die Tafflinzen!

--Dan zijn er nog Mumri, vertelde ik hun, ging Tschikine voort,
terwijl hij zijne muts naar voren trok. Dat zijn weer anderen, kleine
tweelingen, niet hooger dan zoo; zij loopen altijd met hun beiden,
en houden elkaar zelfs aan de hand; en zij loopen zoo hard, dat een
ruiter ze zelfs niet kan inhalen.--Maar hoe is dat dan, vroegen zij
toen, met die Mumri.... worden die zoo geboren, hand in hand, of hoe?
zeide Tschikine, met een basgeluid, om de stem der moejiks na te
bootsen. Ja, antwoordde ik, lieve vriend, dat is van nature. Als gij
hun de handen losmaakt, dan gaat het hun als een Chinees, wien men
zijne muts afrukt: het bloed springt er dan uit.--En zeg mij eens, hoe
vechten zij? vroegen zij toen.--Wel, doodeenvoudig, antwoordde ik. Als
zij u beet hebben, maken zij u den buik open, nemen de darmen er uit
en rollen die om uw arm. Zij rollen ze op, en gij lacht, en gij lacht
zoolang tot gij er aan sterft....

--En geloofden zij u, Tschikine? vroeg Maximoff glimlachend, terwijl
de anderen het uitschaterden.

--Die rare lui geloofden wezenlijk alles, Fedor Maximovitsch, _alles_
gelooven ze, bij God! Maar toen ik begon over den berg Kazbek, en hun
vertelde dat de sneeuw er den geheelen zomer niet smelt, toen lachten
zij mij uit, beste vriend!--Och wat, kleintje, wat bazelt gij nu?
riepen zij. Wie heeft nu ooit een grooten berg gezien, waarop de
sneeuw niet smolt? Bij ons, kleintje, als, de sneeuw smelt, dan
smelt die het eerst op de hoogten, en in de dalen blijft zij langer
liggen....--Wat zal ik er u van zeggen? besloot Tschikine knipoogend.


V.

De schitterende schijf der zon, wier stralen door den melkwitten nevel
heendrongen, stond reeds vrij hoog aan den hemel. De grauwe horizon
werd langzamerhand ruimer, maar was nog altijd beperkt door den witten
nevelwand. Voor ons, achter het gekapte bosch, strekte zich een
tamelijk groote vlakte uit. Boven deze vlakte hing van alle zijden,
hier een zwarte, daar een melkwitte, ginds een violette rook van de
wachtvuren en de witte nevelvlokken namen allerlei vreemde vormen
aan. Nog verder vertoonden zich van tijd tot tijd groepen Tartaarsche
ruiters, en af en toe hoorde men het knallen van onze karabijnen en
hunne buksen en de losbarstingen der kanonnen.

--Dat was nog geen gevecht, het was slechts een amusement, zeide de
goede kapitein Chlopoff.

De kommandant van de 9e compagnie jagers, die in last had ons te
dekken, naderde de stukken; hij wees mij drie Tartaarsche ruiters,
die op dit oogenblik den zoom van het bosch passeerden, nauwelijks
twaalfhonderd meter van ons af, en met de gewone voorliefde der
linieofficieren voor het kanon, vroeg hij een granaat of een bom op
hen af te schieten.

--Ziet gij ze, zeide hij met een goedigen, overtuigenden glimlach,
terwijl hij met zijn hand over mijn schouder wees, daar ginds, waar
die twee boomen staan; de eerste draagt een zwarte Tscherkessenjas
en achter hem zijn er nog twee. Ziet gij ze? Als het kan, zou ik het
graag willen.

--En daar komen er nog drie langs het bosch rijden, voegde Antonoff,
die een zeer scherp gezicht had, er bij. En terwijl hij ons naderde,
waarbij hij zijn neuswarmer achter den rug hield, vervolgde hij:

--Daar haalt de eerste zijn karabijn uit het foedraal. Ik zie het heel
duidelijk, Uwe Edelheid.

--Ziet ge, daar schiet hij, broeders; de witte rook is nog te zien,
zeide Welentschuk te midden van een groep soldaten, die nog wat meer
naar achteren stonden.

--Ah! die schoelje, hij schiet op onze voorposten! merkte een ander
op.

--Zie eens, hoeveel er daar uit het bosch komen! Zij zoeken een
plaats, zeker om een kanon te stellen, voegde een derde er bij. Wij
moesten een granaat in dien hoop gooien, dan zouden zij wel beenen
maken!

--En denkt gij dat die zoo ver zou komen, beste vriend? vroeg
Tschikine.

--'t Is duizend of op zijn hoogst duizend vijftig meter, meer niet,
zeide Maximoff onverschillig en alsof hij in zichzelf sprak, hoewel
men duidelijk zag dat hij evenals de anderen dolgraag zou
schieten.--Als wij het stuk vijf en veertig streep laten rijzen,
zouden we juist in het midden raken.

--Men zou stellig iemand raken, als men in den hoop mikte! Kijk, zij
staan nu met hun paarden dicht bij elkaar; beveel nu toch zoo gauw
mogelijk te schieten, vroeg de compagnie-kommandant mij dringend.

--Beveelt gij het stuk te richten? vroeg plotseling Antonoff met zijn
sombere basstem en met een gelaat waar sombere toorn op te lezen
stond.

Ik moet bekennen dat ik er ook grooten lust toe had, en ik gaf bevel
het tweede stuk te richten.

Nauwelijks had ik het gezegd, of er was reeds een granaat klaar, en
Antonoff, tegen den zijwand van het affuit leunend met zijn dikke
vingers op het achterstuk van het kanon, kommandeerde:

--Iets meer naar links... Een ziertje rechts... Nog... nog iets...
Zoo, nu is hij er, zeide hij op een toon van overtuiging, terwijl hij
terugtrad om plaats te maken.

De officier der jagers, ik, Maximoff, legden allen achtereenvolgens
het oog aan het vizier, maar waren het niet eens over de richting.

--Bij God! die gaat erover, zeide Welentschuk en klapte met de tong,
hoewel hij slechts over den schouder van Antonoff gekeken had en er
dus niet over kon oordeelen. Bij God! dat komt vlak tegen dien boom,
broeders.

--Vuur! kommandeerde ik.

De bedienende manschappen weken achteruit en Antonoff sprong op
zij, om de granaat te zien vliegen. De lont kwam op het zundgat
en het schot donderde los. Op hetzelfde oogenblik werden wij in
kruitdamp gehuld, en te midden van den vreeselijken, doffen slag der
losbarsting, onderscheidde men een gonzenden metaalklank, die zich met
bliksemsnelheid verwijderde en in de verte wegstierf, onder een
algemeene stilte.

Een weinig achter de groep ruiters werd een witte rook zichtbaar; wij
zagen de Tartaren wegspringen, en daarop vernamen wij het geluid der
ontploffing.

--Mooi zoo! Nu kunnen zij wel beenen maken! Daar moeten ze niets van
hebben, die schoeljes! hoorde men in de gelederen der artilleristen en
bij het voetvolk.

--Als men wat lager had aangelegd, zou men juist midden in den hoop
geraakt hebben, merkte Welentschuk op. Ik zeide het wel, dat hij den
boom zou raken. En ziedaar, 't is ook uitgekomen; 't was te veel
rechts.


VI.

Ik verliet de soldaten, terwijl ze er over praatten hoe de Tartaren
gevlucht waren op het zien van de granaat, waarom ze hier rondreden,
of er veel in het bosch zouden zijn, en verwijderde mij eenige
schreden met den kommandant der jagers; wij gingen onder een boom
zitten, in afwachting dat het gehakt, hetwelk hij liet opwarmen,
gereed zou zijn.

De commandant Bolchoff was een van die officieren, die men in het
regiment _bonjourols_[17] noemde. Hij bezat vermogen, had bij de
garde gediend en sprak Fransch; toch mochten zijn kameraden hem gaarne
lijden. Hij bezat den takt om een Peterburgsche jas te dragen, goed te
dineeren en Fransch te spreken, zonder zijn kameraden al te zeer te
kwetsen.

[17] Benaming voor salonofficier, afgeleid van het Fransche »bonjour".

Na gepraat te hebben over het weer, over den dienst, over
gemeenschappelijke kennissen, kwamen we uit onze vragen en antwoorden
en uit onze manier om de dingen op te nemen tot de overtuiging
dat onze beschouwingen tamelijk wel overeen stemden en werden zoo
onwillekeurig intiemer met elkaar. Als in den Kaukasus twee officieren
van denzelfden stand elkaar ontmoeten, is de eerste vraag die bij hen
opkomt, deze: »Waarom zijt gij hier?" Op deze onuitgesproken vraag
scheen hij te willen antwoorden.

--Wanneer zal er toch een einde komen aan dien veldtocht? zeide hij
traag. Ik verveel mij.

--Neen, ik niet, antwoordde ik. In het garnizoen verveelt men zich nog
meer.

--O ja! in het garnizoen, tienduizend maal meer, hernam hij op
gemelijken toon. Maar wanneer zal er aan dat alles een einde komen?

--Waaraan wilt gij dan dat een einde komt? vroeg ik.

--Aan alles, absoluut aan alles!.... He, Nikolaïeff is het gehakt
klaar? voegde hij er bij.

--Waarom zijt gij dan in den Kaukasus komen dienen, als de Kaukasus u
zoo vreeselijk tegenstaat?

--Weet gij waarom? antwoordde hij beslist en openhartig.--Uit
traditie! Gij weet wel dat er in Rusland een vreemde traditie bestaat
omtrent den Kaukasus, dat het een soort van beloofde land is voor
ieder, die ongelukken heeft gehad.

--Ja, daar is veel van aan; de meesten onder ons....

--Maar wat het mooiste is, viel hij mij in de rede; wij allen, door
deze traditie naar den Kaukasus gedreven, vergissen ons geweldig en
ik kan heel niet inzien, waarom wij na een hopelooze liefde of na
een geldverlies liever naar den Kaukasus moeten gaan dienen dan naar
Kazan of Kaluga. Men verbeeldt zich in Rusland dat de Kaukasus iets
grootsch is, met zijn eeuwig maagdelijke ijs en sneeuw, zijn woeste
bergstroomen, zijn dolken, zijn pelsmantels, zijn mooie Tcherkessische
vrouwen. Dat is alles indrukwekkend, maar, op de keper beschouwd,
is er niets moois aan. Als men slechts wist dat wij nooit op de
besneeuwde bergtoppen komen, waar het bovendien volstrekt niet amusant
is, en dat de Kaukasus eenvoudig een in provinciën verdeeld land is:
Staffropol, Tiflis, enz.

--Ja, antwoordde ik lachend, in Rusland bezien wij den Kaukasus met
een geheel ander oog dan hier. Hebt gij nooit opgemerkt, dat, als wij
verzen lezen in een taal die wij niet heel goed kennen, zij ons veel
mooier voorkomen dan zij werkelijk zijn?

--Ik weet het waarachtig niet, hernam hij, maar die Kaukasus verveelt
mij in de hoogste mate.

--Neen, dat vind ik niet! Voor mij heeft de Kaukasus veel schoons,
maar in anderen zin...

--'t Is mogelijk dat hij veel schoons heeft, hernam hij eenigszins
kregel. Wat ik wel weet, is dat ik mij hier in den Kaukasus niet goed
gevoel.

--En waarom dat? vroeg ik, om iets te zeggen.

--In de eerste plaats, omdat hij mij bedrogen heeft. Alles wat ik naar
den Kaukasus heb meegebracht om ervan te genezen, heb ik behouden,
met dit onderscheid, dat vroeger dit alles op het groote bordes was,
terwijl het tegenwoordig op een kleine, vuile achtertrap is, op
welker treden ik overal millioenen kleine misères, misselijkheden
en laagheden ontmoet.... In de tweede plaats, omdat ik voel hoe ik
iederen dag al lager en lager zink, in moreelen zin; bovenal gevoel
ik mij ongeschikt voor den dienst hier: ik kan het gevaar niet
trotseeren.... in èèn woord ik ben niet dapper.

Hij hield op en zag mij zeer ernstig aan.

Hoewel ik zonderling verrast was door deze geheel vrijwillige
bekentenis, antwoordde ik niets, zooals mijn makker scheen te hopen,
maar ik wachtte tot hij op zijne woorden zou terugkomen, zooals het
bij dergelijke gelegenheden altijd gaat.

--Gij moet weten, dat ik bij deze expeditie voor het eerst in het
vuur ben, vervolgde hij. En gij kunt u niet voorstellen, in welk een
toestand ik mij gisteren bevond. Toen de sergeant-majoor mij kwam
berichten, dat mijne compagnie deel zou uitmaken van de kolonne, werd
ik zoo wit als een doek en van opwinding kon ik geen woord zeggen. Gij
moest eens weten, wat een nacht ik heb gehad! Als het waar was, dat
menschen van angst grijs worden, moest ik vandaag geheel grijs zijn,
want ik geloof zeker, dat geen enkele ter dood veroordeelde in één
nacht zooveel geleden heeft als ik. En nu nog, hoewel ik mij iets
beter gevoel dan van nacht, werkt er hierbinnen iets, voegde hij er
bij en drukte op zijne borst. En het belachelijke is, dat men bij het
vreeselijke drama, hetwelk hier afgespeeld wordt, gehakt met uien eet,
en dat men beweert zich goed te amuseeren.... Is er wijn, Nikolaïeff?
vroeg hij geeuwend.

--Daar is _hij_, broeders! hoorde men op dit oogenblik een soldaat
opgewonden roepen. Aller blikken wendden zich naar den zoom van het
verre bosch.

In de verte verhief zich een blauwachtige rookwolk, die door den
wind opgejaagd en steeds grooter werd. Toen ik begreep dat het een
kanonschot was, door den vijand op ons gelost, nam plotseling alles
wat mij in het oog viel een nieuw en verheven karakter aan: de
geweren, die aan rotten stonden, de rook der wachtvuren, het blauw
des hemels, de groene affuiten, het gebruinde, baardige gelaat van
Nikolaïeff, alles scheen mij te zeggen, dat de kogel, die op dit
oogenblik door de lucht vloog, misschien mijne borst zou treffen.

--Waar hebt gij dien wijn vandaan? vroeg ik met gemaakte
onverschilligheid aan Bolchoff, terwijl in mijn binnenste twee stemmen
even duidelijk spraken: de eene: Heer, neem mijne ziel in genade aan!
de andere: Ik hoop dat ik zal glimlachen en mij niet zal bukken, als
de kogel over mij heen gaat. En op hetzelfde oogenblik floot er, boven
mijn hoofd, iets verschrikkelijk onaangenaams, en op twee passen van
ons af sloeg de kogel neer.

--Ziedaar, als ik nu Napoleon of Frederik de Groote was, zeide
Bolchoff op dit oogenblik, terwijl hij zich volmaakt koelbloedig tot
mij wendde, zou ik zeker een mooie phrase gezegd hebben.

--Maar gij zegt er een, antwoordde ik, terwijl ik moeite deed om niet
te toonen, hoe ongerust ik was geweest.

--Nu ja, gezegd heb ik iets, maar niemand zal het opschrijven.

--Welnu, ik zal het opschrijven.

--En als gij het al opschrijft, dan zal het nog zijn om te
kritiseeren, zooals Mitschenkoff zegt, voegde hij er met een glimlach
bij.

--Hei, die verdoemeling! hoorden wij op dit oogenblik Antonoff zeggen,
en hij spuwde met verontwaardiging op zij. Het scheelde een haar of
mijn beenen waren naar de weerga.

Al mijn pogingen om koelbloedig te schijnen en al onze
gelegenheidsphrasen kwamen mij onuitstaanbaar voor, na dezen oprechten
uitroep.


VII.

De vijand had inderdaad zijn kanonnen opgesteld op het terrein, dat te
voren door de Tartaarsche ruiters was verkend, en iedere twintig of
dertig minuten zond hij onzen pioniers een kogel toe. Mijn batterij
kreeg order, zich op te stellen op de open plek in het bosch, om het
vuur te beantwoorden. Daar ginds, aan den zoom van het bosch, zag men
telkens een rookwolkje, men hoorde eene losbarsting, een gefluit, en
de kogel sloeg voor of achter ons neer. De schoten van den vijand
waren gelukkig slecht gericht en wij hadden geen verliezen te
betreuren.

De artilleristen hielden zich, als altijd, kranig. Zij laadden vlug,
richtten zorgvuldig en waren intusschen rustig aan het gekheid maken.
De infanterie, die ons moest dekken, lag werkeloos en zwijgend op den
grond uitgestrekt, hare beurt af te wachten. De pioniers gingen voort
met hun werk: de bijlslagen klonken steeds sterker en sneller in het
bosch. Alleen, als er een kogel door de lucht vloog, zweeg plotseling
alles; te midden der stilte hoorde men ietwat ongeruste kreten.

--Bukken, kinderen! en aller oogen richtten zich op den kogel, die in
de vuren en de afgehakte takken terechtkwam.

De mist was geheel opgetrokken, nam steeds meer den vorm van wolken
aan en verdween nu langzamerhand in het diepe blauw des hemels. De
zon, door geen wolken meer bedekt, schitterde en wierp haar vroolijken
glans op het staal der bajonetten, het koper der stukken, den
ontdooienden grond en de rijpkristalletjes. Men voelde in de lucht de
ijskoude frischheid van den morgenstond en tegelijk de zachte warmte
der voorjaarzon; duizende verschillende kleuren en schaduwen liepen
ineen tusschen de dorre bladeren van het bosch. Op den glinsterenden
weg zag men duidelijk de sporen van de wielen en van de hoeven der
paarden.

De troepen begonnen zich hoe langer hoe meer te weren. Aan alle kanten
verhieven zich de blauwachtige rookwolkjes der losbarstingen en werden
voortdurend talrijker.

De dragonders met de wapperende vaantjes aan de lansen snelden
vooruit. In de gelederen der infanterie klonk gezang en de obose,[18]
beladen met hout, werd in de achterhoede geformeerd. De generaal
naderde onze batterij en gaf bevel zich gereed te maken voor den
aftocht.

[18] Konvooi van wagens.

De vijand had zich achter het struikgewas verborgen tegenover onzen
linkervleugel en begon ons sterk met geweervuur te bestoken. Van de
linkerzijde van het bosch hoorde men een kogel aansuisen en tegen een
affuit slaan, vervolgens nog een, en weer een. De infanteristen, die
naast ons lagen uitgestrekt, sprongen luidruchtig overend, grepen
hunne geweren en namen deel aan het gevecht. Het geweervuur werd
sterker en van alle kanten vlogen de kogels. De terugtocht begon, en
daarmee het eigenlijke gevecht, zooals het altijd in den Kaukasus
gaat.

Men zag duidelijk dat de artilleristen zich even onprettig gevoelden
bij de kogels als de infanteristen bij de bommen. Antonoff keek
verdrietig, Tschikine bootste al gekscherend het gefluit der kogels
na, maar het was duidelijk, dat hij ze eigenlijk niet mocht. Van den
een zeide hij: »Dat is er een die haast heeft!" een anderen kogel
noemde hij eene »bij," een derde die langzaam over ons heen streek,
met een gefluit als een klagend gekerm, noemde hij een »weeskind",
hetgeen een algemeene hilariteit veroorzaakte.

De jonge rekruut die nog nooit in het vuur geweest was, boog bij
iederen kogel zijn hoofd op zij en rekte zijn hals uit, ook daarom
lachten de soldaten. »Ken je hem, vroegen zij, dat je hem zoo groet?"

Zelfs Welentschuk, die gewoonlijk zoo onverschillig in het gevaar was,
scheen niet op zijn gemak te zijn, hij toonde duidelijk hoe
verontwaardigd hij was, dat wij geen kartetsen schoten naar den kant
vanwaar de geweerkogels kwamen.

--Wel ja! waarom mag hij ons ongestraft beschieten? Als men hem den
mond van een houwitser toedraaide en hem goed wat schroot te slikken
gaf, zou hij wel zwijgen, herhaalde hij voortdurend op knorrigen toon.

Inderdaad, het was tijd te gaan antwoorden. Ik beval voor het laatst
nog een granaat te schieten, en dan met schroot te laden.

--Schroot! commandeerde Antonoff en trad in den rook opgewekt met den
wisscher naar het stuk, zoodra de granaat was afgeschoten.

Op dit oogenblik hoorde ik, dat vlak achter mij het snelle gonzen van
een kogel afgebroken werd door een korten slag. Mijn hart kromp ineen
van schrik.--Ik vrees dat een der onzen getroffen is, dacht ik. Maar
toch durfde ik mij niet omkeeren.

En inderdaad, dadelijk na den korten slag hoorde ik den zwaren val
van een lichaam, en het gekerm van een gewonde. »Ik ben getroffen,
broeders," zeide een pijnlijke stem, die ik herkende. Het was
Welentschuk. Hij lag plat op zijn rug, tusschen het voorstel en het
kanon. Zijn ranzel was op zij geslingerd. Zijn voorhoofd was vol
bloed, en langs zijn rechteroog en zijn neus liep een dikke, roode
stroom. Hij was in den buik getroffen, maar daar zag men weinig bloed;
bij zijn val had hij zijn voorhoofd gekwetst aan een boomstomp.

Dat alles merkte ik eerst veel later op; in het eerste oogenblik zag
ik niets dan een verwarde massa en, naar het mij toescheen, vreeselijk
veel bloed.

Geen van de kanonniers, die het stuk bedienden sprak een woord.
Alleen de jonge rekruut mompelde iets van: »Kijk eens, wat een bloed!"
terwijl Antonoff een toornig »hm!" liet hooren. Maar alles bewees, dat
ieders ziel vervuld was met de gedachte aan den dood. Men werkte met
verdubbelden ijver; het kanon was in een oogenblik geladen, en de man,
die het schroot bracht, liep twee, drie passen om de plek heen, waar
de gewonde lag te kermen.


VIII.

Wie ooit heeft deelgenomen aan een gevecht, heeft ongetwijfeld zelf
dat vreemde gevoel van afkeer--onlogisch, maar zeer sterk--ondervonden
tegen de plaats, waar iemand gedood of gewond is. Ook mijn soldaten
gaven toe aan dit gevoel, toen Welentschuk opgenomen en op den wagen
gelegd moest worden, die gehaald was om hem te transporteeren.

Shdanoff naderde den gewonde knorrig en nam hem bij zijn schouders,
zonder op zijn steeds sterker geschreeuw te letten.

--Wat staat gij allen daar te kijken? Helpt een handje, riep hij. En
dadelijk werd de gewonde omringd door een tiental mannen, helpers,
die haast niet noodig waren. Maar men had hem nauwelijks opgetild, of
Welentschuk begon verschrikkelijke kreten te slaken en om zich heen
slaan.

--Wat hebt gij toch te schreeuwen als een haas? zeide Antonoff,
terwijl hij hem stevig het been vasthield. Als gij niet ophoudt, laten
wij u hier liggen.

De gewonde hield zich werkelijk stil; alleen herhaalde hij van tijd
tot tijd:

--O! dat is mijn dood! O! mijn broeders!

En toen hij op de kar was gelegd, hield hij zelfs op met kermen en ik
hoorde hem op zwakken toon, maar zeer duidelijk, met zijn kameraden
praten. Hij scheen hen vaarwel te zeggen.

In het vuur van den strijd ziet niemand gaarne een gewonde en als bij
instinkt spoedde ik mij weg van dit tooneel; ik gaf bevel hem naar de
ambulance te transporteeren en posteerde mij weer bij de stukken,
maar eenige oogenblikken later kwam men mij zeggen, dat Welentschuk
naar mij vroeg en ik begaf mij dadelijk naar hem toe.

De gewonde lag achter in de kar en klemde zich met de handen
krampachtig aan de beide kanten vast. Zijn gezicht, anders zoo breed
en blozend van gezondheid, was in weinige sekonden totaal veranderd.
Hij scheen magerder en verscheidene jaren ouder geworden te zijn. Zijn
lippen waren dun, bleek, met blijkbare inspanning op elkaar geperst,
de vage, stompzinnige uitdrukking in zijn oogen had nu plaats gemaakt
voor een heldere en rustige; zijn voorhoofd en neus waren bebloed en
de dood had er reeds zijn stempel op gedrukt.

Hoewel iedere beweging hem een onduldbare pijn veroorzaakte, vroeg hij
of men zijn _tcheres_[19] met het geld van zijn linkerbeen wilde
nemen.

[19] Beurs in den vorm van een smallen gordel die de soldaten om hun
knie winden.

Ik werd pijnlijk aangedaan door het zien van het naakte en blanke
vleesch van zijn gezond been, toen men hem zijne laars uittrok en
daarna zijn tcheres losmaakte.

--Er is drie en een halve roebel in, zeide hij, terwijl ik zijn
tcheres in mijne handen nam. Wees zoo goed ze te bewaren.

Daar de kar zich in beweging zette, liet hij weer stilhouden.

--Ik ben aan een mantel begonnen voor luitenant Sulimoffsky en u heeft
mij twee roebels gegeven; ik heb voor anderhalven roebel knoopen
gekocht en den halven roebel heb ik in mijn beurs met de knoopen.
Geef ze hem terug.

--Goed, goed, antwoordde ik. Beterschap, broeder!

Hij antwoordde mij niet; de kar zette zich in beweging. Hij begon weer
te kermen en te klagen op een toon, die u door de ziel sneed. Nu hij
zich had losgemaakt van de zorgen dezer wereld, scheen hij het niet
meer noodig te achten zich in te houden, en hield hij aldus deze
verlichting van pijn voor geoorloofd.


IX.

--Waar gaat gij heen? Kom terug! riep ik den rekruut toe, die met zijn
reserve lontstok onder den arm en een stokje in de hand, met de
grootste koelbloedigheid de kar met den gewonde volgde.

Doch hij draaide lui zijn hoofd naar mij om, mompelde iets en
vervolgde zijn weg; ik moest een soldaat op hem afsturen om hem te
halen.

Hij nam zijn rood mutsje af en keek mij met een onnoozelen glimlach
aan.

--Waar wilde je heen? vroeg ik hem.

--Naar het kamp.

--En waarom?

--Waarom? Wel, omdat Welentschuk gewond is, zeide hij met hetzelfde
domme lachje.

--En wat gaat dat jou aan? Je moet hier blijven!

Hij zag mij verwonderd aan. Vervolgens keerde hij zich rustig om,
zette zijne muts weer op en ging naar zijn post terug.

       *       *       *       *       *

Het gevecht was over 't algemeen gelukkig geweest. De Kozakken
hadden, naar 't heette, eene mooie charge gemaakt en drie Tartaren
krijgsgevangen gemaakt. De infanterie had voldoende hout en had
in 't geheel slechts zes gewonden. Bij de artillerie waren alleen
Welentschuk en twee paarden buiten gevecht gesteld. Daarentegen was
het bosch gekapt over eene uitgestrektheid van drie wersten en de plek
was zòò zeer veranderd, dat men haar niet herkende: waar men vroeger
slechts de dichte woudzoom zag, was nu een groote open ruimte, bedekt
met rookende wachtvuren en met cavalerie en linietroepen, die naar het
kamp toe gingen. Hoewel de vijand ons onophoudelijk met zijn
kanonskogels en zijn musketvuur vervolgde tot het riviertje en het
kerkhof, die wij des morgens gepasseerd waren, had de terugtocht
zonder ongelukken plaats. Ik begon reeds te denken aan de koolsoep en
de schapenrib met _kacha_,[20] die mij in het kwartier wachtten, toen
er bevel kwam dat de generaal bevolen had bij het beekje eene schans
te bouwen, waar het 3de bataillon van het regiment K** en een peloton
van de 4de batterij tot den volgenden morgen zouden blijven.

[20] Gekookte roggegrutten.

De houtwagens en de karren met de gewonden, de Kozakken, de
artillerie, de linietroepen, met het geweer op den schouder en
takkenbossen op den rug, defileerden met veel gedruisch en al zingende
voor ons heen. Op aller gelaat lag blijde vreugde--het bewustzijn dat
het gevaar achter den rug was, en de tijd van rust weldra zou
aanbreken. Alleen wij en het 3de bataljon moesten deze aangename
gevoelens tot den volgenden dag uitstellen.


X.

Terwijl wij artilleristen bezig waren met onze stukken en de
voorwagens en de caissons rangschikten, zette de infanterie de geweren
aan rotten, stak de wachtvuren aan, bouwde hutten van takken en
maïsstroo, en kookte de kacha.

Het begon te schemeren. Blauwwitte wolken dreven langs den hemel; de
duisternis had zich veranderd in een vochtigen nevel, die den grond en
de mantels der soldaten bevochtigde, en de heele omgeving in donkere
schaduwen hulde. De vochtigheid, die ik in mijn laarzen en in mijn
hals voelde doordringen, de voortdurende beweging, het onophoudelijk
gepraat, waaraan ik niet meedeed, de kleverige modder, waarop ik
uitgleed en mijn leege maag, dat alles deed mij pijnlijk aan en stemde
mij alleronaangenaamst na dezen dag van lichamelijke en geestelijke
vermoeienis. Welentschuk wilde mij maar niet uit het hoofd. De heele,
eenvoudige geschiedenis van zijn soldatenleven hield ondanks mijzelven
mijne verbeelding bezig. Zijn laatste oogenblikken waren even rein,
even rustig geweest als zijn geheele leven. Hij had te eenvoudig, te
eerlijk geleefd, dan dat zijn oprecht geloof in het toekomstige,
hemelsche leven in zijn laatste oogenblikken geschokt zou zijn
geworden.

--God groet u, zeide Nikolaïeff, terwijl hij mij naderde,--of gij zoo
goed wildet zijn bij den kapitein te komen, hij noodigt u thee met hem
te drinken.

Met moeite baande ik mij een weg tusschen de in rotten staande geweren
en de brandende vuren door, en volgde Nikolaïeff naar Bolchoff; ik
verlangde naar het glas warme thee en het aangename gesprek, die mijn
sombere denkbeelden zouden verdrijven.

--Wel, hebt gij hem gevonden? hoorde ik Bolchoff in zijn verlichte
maïshut zeggen.

--Ik breng hem mee, Uwe Edelheid, antwoordde Nikolaïeff met diepe
basstem.

In de hut, op een drogen viltmantel, zat Bolchoff met zijn uniform
losgeknoopt en zonder zijn pelsmuts. Naast hem stond een samovar te
pruttelen; op een trom stonden eetwaren klaar. Een kaars stond in den
ring van een bajonet, die met de punt in den grond stak.

--Wat zegt gij ervan? vroeg hij, terwijl hij met trots zijn blik liet
gaan over zijn gemoedelijke huishouding. Men zat daar inderdaad zoo
lekker in de hut, dat ik alles vergat: de vochtigheid, de duisternis
en den gewonden Welentschuk. Wij spraken over Moskou en over dingen,
die in heel geen verband stonden met den oorlog en den Kaukasus.

Na een van die oogenblikken van stilte, die dikwijls zelfs in het
drukste gesprek voorkomen, zag Bolchoff mij eensklaps glimlachend aan.

--Ik denk, dat gij u wel verwonderd hebt over ons gesprek van deze
morgen?

--Neen, waarom? Het kwam mij alleen voor, dat gij te openhartig waart;
er zijn van die dingen, die wij allen weten, en waarvan het niet
altijd goed is te spreken.

--Waarom niet? Als er slechts een middel bestond om dit leven te
verwisselen voor een ander, zelfs voor het eentonigste en armoedigste,
mits het geen gevaar of geen dienst meebracht, zou ik geen oogenblik
aarzelen.

--Waarom keert gij niet naar Rusland terug? vroeg ik hem.

--Waarom! herhaalde hij. O! daar denk ik al zoo lang over. Maar ik kan
niet naar Rusland terugkeeren, voor ik de orde van Wladimir heb en die
van St. Anna om den hals met den graad van majoor, zooals ik het mij
voorstelde toen ik hierheen kwam.

--En waarom dat? als gij u toch, zooals gij zegt, ongeschikt acht om
in den Kaukasus te dienen?

--Maar als ik mij nu nog meer ongeschikt acht om naar Rusland terug te
keeren, zooals ik er vandaan ben gekomen! Dat is ook een van die
legendes, die bij ons verspreid zijn door Passek, Sljeptsoff en
anderen, te weten: dat men slechts in den Kaukasus behoeft te komen om
overladen te worden met belooningen. Daar ginds verwachten allen
wonder wat voor ons, terwijl ik hier nu al twee jaar ben en reeds twee
campagnes heb meegemaakt, maar nog niets heb gekregen. Maar ik bezit
toch nog zooveel eigenliefde dat ik voor geen geld hier vandaan wil,
voor ik majoor ben, en voor ik de St. Anna en de Wladimir om den hals
heb. Ik heb me al zoo vertrouwd gemaakt met die gedachte, dat het mij
dwars zit, als men eene belooning geeft aan Gnilokischkine, en niet
aan mij. En dan, hoe zou ik mij daarginds durven vertoonen aan mijn
starost, aan den koopman Kotjelnikoff, aan wien ik mijn koren verkoop,
aan mijne tante in Moskou, aan al die menschen, als ik na een
tweejarig verblijf in den Kaukasus zonder de minste onderscheiding
terugkom? Het is waar dat ik die menschen zelfs niet wil kennen, en
het is niet minder waar, dat zij zich evenmin om mij bekreunen; maar
de mensch is nu eenmaal zoo, dat, al wil ik hen niet kennen, ik toch
om hen mijn mooiste jaren verknoei, het geluk van mijn leven en mijn
geheele toekomst opoffer.


XI.

Op dit oogenblik hoorde men buiten de stem van den
bataljonskommandant.

--Wien hebt gij daar bij u, Nikolaï Fedorovitsch?

Bolchoff noemde mijn naam, en dadelijk kwamen er drie officieren de
hut binnen: majoor Kirsanoff, zijn adjudant en kapitein Trossenko.

Kirsanoff was een klein, gezet man, met een dunnen knevel, blozende
wangen en kleine, waterige oogjes. Deze oogjes maakten het typische
van zijn gelaat uit. Als hij lachte, bleef er niets van over dan twee
vochtige, glanzende sterretjes, en deze sterretjes, gepaard aan zijn
strakke lippen en zijn langgerekten hals, gaven hem een hoogst
eigenaardige uitdrukking van beschroomheid.

Kirsanoff stond uitstekend aangeschreven in het regiment; zijn
minderen verfoeiden hem niet, zijn meerderen achtten hem, hoewel de
algemeene opinie hem slechts een middelmatig verstand toeschreef. Hij
kende zijn dienst in den grond, was nauwgezet en ijverig, had altijd
geld, hield er een eigen rijtuig en een kok op na, en wist zich een
heel natuurlijke, trotsche houding te geven.

--Waar hadt gij het over, Nikolaï Fedorovitsch? vroeg hij bij het
binnentreden aan Bolchoff.

--Wel, over de aangenaamheden van het dienen in den Kaukasus.

Op dit oogenblik merkte Kirsanoff mij, den eenvoudigen jonker, op. Om
mij al zijn gewicht doen te voelen, vroeg hij, alsof hij het antwoord
van Bolchoff niet gehoord had, en met de oogen op de trom gericht:

--Wel, zijt gij vermoeid, Nikolaï Fedorovitsch?

--Neen, maar wij waren... wilde Bolchoff vervolgen.

Maar de waardigheid van bataljons-kommandant eischte ongetwijfeld een
nieuwe interruptie en een nieuwe vraag:

--Is dat vandaag geen mooi treffen geweest?

De bataillons-adjudant was een jonge vaandrig, een pas bevorderd
jonker, een zachte, beschroomde jongen, met een verlegen, sympathiek
en goedig gezicht. Ik had hem reeds meer bij Bolchoff gezien; de jonge
man kwam dikwijls bij hem: hij placht te groeten, in een hoek te gaan
zitten, uren lang niets te zeggen en sigaretten te rooken, dan stond
hij op, boog weer en ging heen.

Hij was het type van een arm Russisch edelman; hij had de militaire
loopbaan gekozen als de eenige, die in overeenstemming was met hetgeen
hij geleerd had, en hooger dan alles in de wereld stelde hij zijn
officiersrang. Dit type blijft goedig en sympathiek ondanks de
belachelijke, onvermijdelijke tabakszak, kamerjapon, gitaar
knevelschuier, zonder welke we het ons niet kunnen voorstellen.

In het regiment beweerde men, dat de adjudant er zich op beroemde,
tegenover zijn oppasser altijd »streng, maar rechtvaardig" te zijn.

--Ik straf niet dikwijls, maar wee! als men er mij toe noodzaakt.--En
eens, toen zijn oppasser dronken was, zijn meester bestal en zelfs
durfde beleedigen, zou hij zelf den schuldige naar de hoofdwacht
gebracht, en bevolen hebben alles voor de strafoefening gereed te
maken, maar op het gezicht der toebereidselen was hij van streek
geraakt, zoo zelfs dat hij slechts kon uitbrengen:--Welnu, gij ziet
het... ik zou je toch kunnen... En hij was zoo verlegen geworden, dat
hij maar stilletjes naar huis gesneld was.--Sinds dien tijd durfde hij
zijn oppasser Tchernoff niet meer in de oogen zien. Zijn kameraden
plaagden hem daar onophoudelijk mede, en meer dan eens hoorde ik den
braven jongen protesteeren, en met een kleur tot achter de ooren
verzekeren dat er niets van waar was.

Het derde personage, kapitein Trossenko, was een oude Kaukasiër in de
volle beteekenis van het woord, dat wil zeggen, een man, voor wien
zijne kompagnie zijne familie is geworden, de vesting, waar de staf
resideert, zijn vaderstad, en de zangers van het regiment de eenige
vreugde zijns levens; een man, voor wien alles wat geen Kaukasus was,
geen aandacht, ja zelfs het bestaan niet waard was terwijl alles wat
de Kaukasus was, in twee deelen was verdeeld; het onze, en het
_hunne_.

Het eerste deel beminde, het tweede deel haatte hij met al de kracht
zijner ziel. Hij was een man van kalme en beproefde dapperheid en,
wat de hoofdzaak was: hij toonde een zeldzame goedheid in zijn
omgang met zijn kameraden en zijn ondergeschikten, en een wanhopige
openhartigheid die, tegenover den adjudant en bonjourols, die hij om
een of andere reden niet lijden mocht, bijna onbeschoftheid werd.

Toen hij de hut binnenkwam, stiet hij bijna met zijn hoofd door het
dak; daarop bukte hij zich plotseling en ging op den grond zitten.

--Nu? zeide hij.

Maar toen hij plotseling een onbekend gezicht bemerkte, hield hij op
en vestigde zijn wazige oogen op mij.

--Waar hadt gij het toch over? vroeg de majoor en haalde zijn horloge
uit om te zien hoe laat het was, ofschoon hij, naar mijn vaste
overtuiging, geen enkele reden had dat te weten.

--Ja, hij vroeg mij, waarom ik hier bleef dienen.

--Wel dat is duidelijk; Nikolaï Fedorovitsch wil zich in den Kaukasus
onderscheiden en dan naar huis terugkeeren.

--Welnu! Abram Iljitsch, en gij dan, waarom blijft gij in den
Kaukasus?

--Ik? In de eerste plaats, weet gij, antwoordde de majoor, omdat wij
allen moeten dienen zooals onze plicht ons voorschrijft.--Wat? voegde
hij erbij, hoewel niemand iets gezegd had. Gisteren heb ik een brief
uit Rusland gekregen, Nikolaï Fedorovitsch, vervolgde hij, blijkbaar
een andere wending aan het gesprek willende geven. Men schrijft mij...
O! 't zijn wonderlijke vragen, die ze mij doen!

--En welke vragen dan? vroeg Bolchoff.

Hij begon te lachen.

--Inderdaad, rare vragen... Zij vragen mij of er jaloezie kan bestaan
zonder liefde... Wel? en beurtelings zag hij ons vragend aan.

--Hé? zeide Bolchoff glimlachend.

--Ja, weet gij, het is in Rusland zoo kwaad niet, vervolgde hij, alsof
er een heel logisch verband bestond tusschen zijne zinnen. Toen ik in
Tamboff was, in 1852, werd ik overal ontvangen of ik adjudant van den
keizer was. Geloof me, op het bal van den goeverneur, toen ik mijn
entrée maakte, weet gij... werd ik uitstekend ontvangen. De vrouw van
den goeverneur moet gij weten, onderhield zich met mij en vroeg mij
over den Kaukasus, en allerlei meer... wat ik al niet weten moest...
Zij bekeken mijn gouden sabel, alsof het een rariteit was; zij vroegen
mij, waarvoor ik die sabel had gekregen, en waarvoor St. Anna, en
waarvoor Wladimir; en ik ging maar vertellen... Wat? Ziet gij,
daarvoor is de Kaukasus goed, Nikolaï Fedorovitsch, vervolgde hij,
zonder een antwoord af te wachten.--Wij Kaukasiërs, wij zijn zeer
gezien; een jonge man, weet gij, die stafofficier is en St. Anna en
Wladimir heeft, die is wat in Rusland... Wat?

--En, gij zult er zeker wel wat bij gephantaseerd hebben, denk ik,
Abram Iljitch? zeide Bolchoff.

--Hi! hi! antwoordde de majoor, met zijn dommen lach.--Dat moet men
wel, weet gij. Ja... en dan heb ik uitstekend gegeten en gedronken, in
die twee maanden.

--Is het nogal goed in Rusland? vroeg Trossenko; hij sprak van Rusland
of het China of Japan was.

--Dat zou ik meenen. En wat een champagne wij gedronken hebben, in
die twee maanden, 't is verschrikkelijk!

--Wat ge zegt. Gij hebt ongetwijfeld limonade gedronken, zeide
Trossenko. Als ik er bij geweest was, dan zou men eens gezien hebben,
hoe een Kaukasiër drinkt. Ik zou onze reputatie opgehouden hebben. Ik
zou eens hebben laten zien, hoe men moet drinken, he! Bolchoff? voegde
hij er bij.

--Maar gij, oompje, gij zijt nu al meer dan tien jaar in den Kaukasus,
zeide Bolchoff.--Herinnert gij u nog wat Ermoloff zeide? Abram Iljitch
is hier echter nog maar zes jaar....

--Wat, tien? Bijna zestien!.... riep Trossenko uit. Zeg eens, Bolchoff
laat ons wat te drinken brengen. Wat is het vochtig! Brr!.... Hé?
voegde hij er glimlachend bij, moeten wij niet wat drinken, majoor?

Maar de majoor toonde zich reeds de eerste maal, dat de oude kapitein
hem aansprak, geërgerd. Hij werd nu zichtbaar boos en verschanste zich
in zijne waardigheid. Hij begon te neuriën en keek opnieuw op zijn
horloge.

--Welnu! ik ga wel nooit meer daarginds heen, vervolgde Trossenko,
zonder acht te slaan op het stuursche uiterlijk van den majoor.--Ik
ben zelfs verleerd op zijn Russisch te loopen en Russisch te spreken.
Wat is dat voor een vreemde snoeshaan? zullen de lui zeggen. Neen,
Azië, niet Nikolaï Fedorovitsch? En bovendien, wat zou ik in Rusland
doen? Het is mij onverschillig, eenmaal wordt men toch doodgeschoten.
Dan zullen ze vragen:--Waar is Trossenko? Gesneuveld. Wat zult gij dan
met de 8ste kompagnie doen, wel? voegde hij er bij en wendde zich
opnieuw tot den majoor.

--Laat den dienstdoenden officier van het bataljon komen, schreeuwde
Kirsanoff, zonder den kapitein te antwoorden, hoewel hij, daar ben ik
zeker van, geen enkele order te geven had.

--En gij, jonge man, ik hoop dat gij tevreden zijt met uwe dubbele
soldij, zeide de majoor, na een oogenblik van stilte, tot den
bataillonsadjudant.

--Ja zeker, zeer tevreden.

--Ik vind onze soldij zeer mooi, Nikolaï Fedorovitsch, vervolgde
Kirsanoff. Een jong officier kan er zeer gemakkelijk van rondkomen, en
zich zelfs nog extratjes veroorloven.

--Dat is te zeggen, Abram Iljitsch, zeide de adjudant schroomvallig.
't Is waar dat wij nu dubbel traktement hebben, maar wij moeten toch
ook een paard houden.

--Wat zegt gij daar, jongmensch? Ik ben ook vaandrig geweest, en
ik weet wat het is. Geloof mij, met een beetje overleg kan men best
rondkomen. Daar: reken maar eens na, voegde hij erbij en boog den pink
van zijn linkerhand.

--Wij maken onze soldij te voren op, dat is de heele rekening, zeide
Trossenko, terwijl hij een glaasje vodka ledigde.

--Nu, wat wilt gij daarmee zeggen?

Op dit oogenblik verscheen er in de opening der hut een wit hoofd met
een platten neus en een schrille stem zeide met een Duitsch accent:

--Zijt gij hier, Abram Iljitsch? De officier van dienst zoekt u.

--Kom binnen, Krafft, zeide Bolchoff.

Een lange gestalte, gekleed in de uniform van den generalen staf,
dook de hut binnen en begon ons allen hartelijk de hand te drukken.

--Zoo! waarde kapitein, gij ook hier? zeide hij tot Trossenko.

Ondanks het twijfelachtige licht, sloop de nieuw aangekomene tot bij
den kapitein, en, tot diens groote verwondering en ergernis, kuste hij
hem de lippen.

--'t Is een Duitscher, die goede kameraadschap wil sluiten, dacht ik.


XII.

Mijn onderstelling werd spoedig bevestigd. Kapitein Krafft vroeg wat
vodka, die hij met den volksnaam _horilka_ noemde, liet een krachtig
hm! hooren, wierp zich achterover en dronk het glas uit.

--Welnu, heeren! Wat hebben we vandaag door de vlakten van de
Tschetschnia rondgedwaald, zoo begon hij.

Maar toen hij den dienstdoenden officier bemerkte, zweeg hij dadelijk
en liet den majoor tijd om zijne bevelen te geven.

--Welnu! hebt gij de voorposten geïnspekteerd?

--Jawel, majoor.

--Zijn de sluippatrouilles uitgezonden?

--Jawel, majoor.

--Beveel dan aan den kompagnies-kommandanten, dat zij hunne
waakzaamheid verdubbelen.

--Jawel, majoor.

De majoor kneep zijn oogen dicht en verzonk in diep nadenken.

--Zeg ook dat de manschappen hun kacha kunnen klaarmaken.

--Zij zijn er mede bezig.

--'t Is wel; u kunt gaan.

--Dus, wij waren bezig uit te rekenen, hoeveel een officier noodig
heeft, vervolgde de majoor met een welwillenden glimlach aan ons
adres. Laten wij eens zien. Gij hebt een jas en een broek noodig,
nietwaar? Ja, stellen wij daarvoor vijftig roebels alle twee jaar, bij
gevolg vijf en twintig roebels per jaar voor kleeding. Dan uw eten,
dagelijks twee _abas_[21], niet waar?

[21] Perzische munt, ongeveer f 0.40.

--Ja, dat is zelfs veel.

--Nu, laten wij nu maar eens rekenen twee abas. Dan, een paard met het
zadel, dertig roebels per jaar onderhoud. Dat is alles. Wij hebben
dus in 't geheel vijf en twintig, en nog honderd twintig, en nog
dertig, dat maakt honderd vijf en zeventig roebels. Er blijft dus voor
luxedingen, voor suiker, thee en tabak, ongeveer twintig roebels over.
Dat komt uit, nietwaar Nikolaï Fedorovitsch?

--Neen, met uw verlof, Abram Iljitch, zeide de adjudant schroomvallig.
Er blijft niets over voor thee en suiker. Gij rekent dat een uniform
twee jaar duurt, terwijl men hier, in oorlogstijd, nooit broeken
genoeg heeft. En de laarzen? Ik verslijt een paar in de maand. En het
linnen, hemden, servetten, handdoeken en onderbroeken, die moet men
toch ook koopen. Als men het goed uitrekent, blijft er niets over, op
mijn woord van eer, Abram Iljitch.

--Ja, voetlappen dragen is een goed ding, zeide

Krafft na een minutenlange stilte, op een toon van volle overtuiging.
't Is eenvoudig, weet gij, 't is Russisch.

--Ik moet u doen opmerken, zeide Trossenko, dat hoe men de rekening
ook maakt, er uit zou volgen dat wij ons gebit wel in de kast kunnen
leggen. Maar in werkelijkheid leven we er toch goed van; wij rooken
tabak en drinken thee en vodka. Als gij even lang gediend hebt als ik,
vervolgde hij, zich tot den vaandrig wendende, zult gij er ook goed
van weten te leven. Gij weet, heeren, hoe hij met zijn oppasser
omspringt.

En schaterende van lachen vertelde Trossenko de geschiedenis van den
vaandrig en zijn oppasser, ofschoon wij het verhaal meer dan
duizendmaal gehoord hadden.

--Wat zit gij daar toch als een roos te kijken, broertje? ging hij
voort tot den vaandrig, die een kleur kreeg en zat te zweeten en te
glimlachen om er medelijden mee te krijgen....

--'t Is niet erg, broertje, ik ben ook als gij geweest, en zie nu
eens wat een kerel ik geworden ben. Laat er eens wat van die snaken
uit Rusland komen--wij hebben er zoo gezien--zij krijgen krampen en
rheumatiek; en ik, ik heb me hier ingeleefd;--ik heb hier mijn huisje,
mijn bed en de rest. Begrijpt gij?

Daarbij dronk hij nog een glas vodka.

--He? zeide hij, terwijl hij Krafft strak in de oogen keek.

--Dat is mijn man, dat is nog eens een ware, oude Kaukasiër. Geef me
uw hand!

En zich tusschen ons door dringende, ging hij naar Trossenko toe,
greep zijne hand en schudde die heel hartelijk.

--Ja, wij kunnen zeggen, dat wij hier al heel wat hebben meegemaakt,
zeide hij. In 1845.... gij waart er zonder twijfel ook bij, niet waar,
kapitein? Herinnert gij u dien nacht van den 12den op den 13den,
toen wij tot aan de knieën in de modder stonden? en den volgenden
morgen hebben wij de redoute aangevallen. Ik was toen bij den
opperbevelhebber, wij hebben toen, in een enkelen dag, vijftien
schansen genomen, herinnert gij u, kapitein?

Trossenko knikte met het hoofd ten teeken van toestemming, en, de
onderlip vooruitstekend, sloot hij de oogen.

--Welnu, ziet gij... ging Krafft zeer opgewonden voort, met linksche
gesticulaties, terwijl hij zich tot den majoor wendde....

Maar de majoor, die dit verhaal ongetwijfeld reeds meer dan eens had
gehoord, zag opeens zijn buurman met zoo'n matte, onverschillige
uitdrukking aan, dat Krafft zich van hem afwendde, en, na ons
beurtelings aangekeken te hebben, zich tot Bolchoff en mij richtte.
Wat Trossenko betreft, Krafft richtte geen enkelen keer gedurende zijn
verhaal den blik op hem.

--Welnu, ziet gij, toen wij des morgens uittrokken, zeide de
opperbevelhebber tot mij: Krafft, neem die verschansingen. Gij weet
allen, hoe het in den dienst gaat, men heeft geen aanmerkingen te
maken. Ik sloeg aan en zeide:--Tot uw orders, Excellentie! En daar
ging het vooruit! Toen wij bij de eerste verschansing kwamen, keerde
ik mij om en riep hun toe:--Weest niet bang, kinderen! Ziet goed
uit je oogen! Wie achterblijft, dien sabel ik eigenhandig neer!
Met een Russisch soldaat, weet gij, moet men eenvoudig te werk
gaan. Daar valt eensklaps een granaat.... Ik kijk om: een, twee, drie
soldaten. Sch!... Toen kwamen de kogels.. Sch!.. Sch!... Sch!... Ik
roep:--Voorwaarts, kinderen, volgt mij! Maar toen wij nader kwamen en
ik goed toekeek, zag ik daar... och.... gij weet wel... hoe heet dat
ook?

En de verteller maakte wanhopige gebaren om het woord te vinden.

--Een gracht! zei Bolchoff.

--Neen... Och, hoe heet ook... Goede God!... Maar hoe heet dat dan?...
Een gracht! zeide hij levendig... Dus... het geweer omlaag... Hoera!
Tara-ta-ta-ta-ta!... Van vijanden geen spoor. Ziet gij... alles was
verrast. Enfin... mooi!... Wij gaan verder... Een tweede schans.
Daar was het een ander geval. Het bloed kookte ons al zoo'n beetje,
weet gij... Wij komen nader, wij kijken toe, ik zie een tweede
verschansing; onmogelijk verder te komen. Daar.... Maar hoe heet dat
toch? Och! Gij weet wel...

--Nog een gracht, zeide ik op mijne beurt.

--Wel neen, antwoordde hij knorrig. Geen gracht! Maar... Kom, hoe heet
dat dan toch?

Hij maakte met de hand een verlegen gebaar.

--Och! mijn Hemel! Hoe heet dat ook weer?

Hij had er zichtbaar het land over, zoo zelfs dat men hem
onwillekeurig te hulp trachtte te komen.

--Eene rivier, misschien, zeide Bolchoff.

--Neen, eenvoudig een gracht. Maar... wij storten er ons in, en toen,
wilt gij wel gelooven... een vuur, een helsch vuur.....

Op dit oogenblik riep iemand mij buiten. Het was Maximoff. En daar
ik, na de verhalen vol afwisseling der twee eerste redoutes, er nog
dertien te slikken had, was ik blijde, van deze gelegenheid gebruik
te kunnen maken om weer naar mijn sectie terug te gaan. Trossenko ging
met mij naar buiten.

--Het zijn allemaal leugens! zeide hij op eenigen afstand van de
hut.--Hij is er zelfs niet bij geweest, toen de schansen bestormd
werden.

En hij begon zoo hartelijk te lachen, dat ik zijn voorbeeld volgde.


XIII.

Het was reeds stikdonker, en alleen de wachtvuren wierpen een mat
schijnsel op het kamp, toen ik, nadat mijn dienst afgeloopen was, bij
mijn manschappen terugkwam. Een groote boomstam gloeide onder de asch.
Er omheen zaten drie man, Antonoff, die op den ketel lette, waarin de
_riabko_[22] kookte, verder Shdanoff, die peinzend met een stokje in
de asch zat te roeren, en eindelijk Tschikine, met zijn kort pijpje,
dat nooit aan wilde.

[22] Soldatenkost: geweekte beschuit in reuzel gekookt.

De anderen sliepen reeds, sommigen onder de kruitwagens, anderen op
bossen hooi of langs het vuur. Bij het zwakke schijnsel der gloeiende
kolen onderscheidde ik ruggen, beenen en hoofden, die ik herkende.
Onder den hoop was ook de jonge recruut, die bij het vuur lag en reeds
scheen te slapen.

Antonoff maakte plaats voor mij. Ik ging bij hem zitten en stak een
sigaret aan. De reuk van den nevel en van den walmenden rook, die van
het vochtige hout opsteeg, verspreidde zich in de lucht en deed pijn
aan de oogen; uit den diepzwarten hemel viel nog altijd een motregen.

Rondom ons hoorden wij het regelmatig gesnurk, het geknetter van
takken in het vuur, het gemompel van stemmen en soms het gekletter
van de geweren der infanterie. De wachtvuren vlamden in de rondte en
verlichtte op een kleinen afstand in het rond de zwarte gestalten
der soldaten. Niet ver van mij bemerkte ik, in een van die verlichte
ruimten, silhouetten van naakte soldaten, die hun hemden boven het
vuur uitschudden.

Velen sliepen nog niet. Zij liepen te praten, op die ruimte van
dertig meter in het vierkant. Maar de donkere, sombere nacht gaf
iets geheimzinnigs aan alles wat daar bewoog, alsof ieder onzer die
droefgeestige stilte op zich voelde drukken en bevreesd was die
rustige harmonie storen.

Als ik begon te spreken, gevoelde ik dat mijne stem haar gewonen klank
niet had. Op de gezichten van al de soldaten las ik dezelfde stemming.
Ik dacht eerst, dat zij tot aan mijne komst over hunne gewonde
kameraden gesproken hadden.

Volstrekt niet. Tschikine vertelde, dat er militaire bagage te Tiflis
was gekomen, en verder den een of anderen streek van scholieren uit
die stad.

Overal en altijd, maar vooral in den Kaukasus, heb ik opgemerkt dat
onze soldaten veel takt hebben om gedurende het gevaar, gesprekken te
vermijden, die den moed aan het wankelen zouden brengen. Bij de Russen
is de moed geheel iets anders dan bij de volken van het Zuiden, wier
geestdrift even snel uitbarst en weer uitdooft; de Russische moed
is even moeilijk op te wekken als uit te dooven. Hij heeft geen
effectmiddel noodig, geen redevoeringen, oorlogskreten, liederen of
trommelslag; integendeel, hij behoeft kalmte, orde en ongedwongenheid.
Een echt Russisch soldaat zal nooit pochen en snoeven; hij voelt nooit
behoefte zich op te winden en te verhitten gedurende het gevaar.
Integendeel: omzichtigheid, eenvoud en gave om in het gevaar iets
anders te zien dan het gevaar, dat zijn de hoofdkenmerken van zijn
karakter.

Ik heb een soldaat aan het been zien getroffen worden, en hij maakte
het eerst een beweging van spijt, dat er een gat was in zijn nieuwe
pels. Een cavalerist, wiens paard onder hem was doodgeschoten, maakte
zijn voeten los uit de stijgbeugels, maar nam ook het zadel mee, om
dat niet verloren te laten gaan. Overbekend is een voorval uit het
beleg van Gergebel: in de werkplaats raakte de lont van een reeds
gevulde bom aan het branden, en de vuurwerker beval aan twee helpers,
de bom op te nemen en in de gracht te gooien; bij de gracht stond de
tent van den kolonel, en de soldaten, vreezende de officieren, die in
de tent sliepen, wakker te maken, wilden de bom een eind verder
dragen; zij werden beiden in stukken geslagen.

Ik herinner mij nog uit de expeditie van 1852 hoe een der jonge
soldaten onder het gevecht tot de anderen zei: dat ze wel allen op de
plaats zouden blijven, waarop al zijn kameraden hem met verwijten
overstelpten over zijn dom geklets, dat zij zelfs niet wilden
herhalen. En nu, op dit oogenblik, nu ieder slechts aan Welentschuk
had moeten denken, terwijl de Tartaren ons ieder oogenblik onverhoeds
op het lijf konden vallen, luisterden allen naar de vroolijke
verhalen van Tschikine, en niemand sprak een woord over het gevecht
van dien dag, noch over het dreigend gevaar, noch over den gewonde,
alsof dat alles reeds God weet hoe lang was geleden of in het geheel
niet was gebeurd. Het scheen mij echter toe, dat hun gezichten
droefgeestiger stonden dan gewoonlijk. Zij wijdden niet veel aandacht
aan den verteller, die zelf wel bemerkte dat men niet naar hem
luisterde, maar toch rustig door sprak.

Maximoff naderde het vuur en ging naast mij zitten, Tschikine was
opgestaan om voor hem plaats te maken, hield met praten op en begon
weer snelle halen aan zijn pijpje te doen.

--De infanteristen hebben vodka laten halen in het kamp, zeide
Maximoff na eene lange stilte. De uitgezonden manschappen zijn juist
terug.

Hij spuwde in het vuur. Den onderofficier heeft gezegd, dat hij onzen
gewonde gezien heeft.

--Leeft hij nog? vroeg Antonoff, terwijl hij den ketel omroerde.

--Neen, hij is dood.

De jonge recruut hief eensklaps zijn hoofd, met het roode mutsje, op,
keek Maximoff strak aan, daarna mij, ging toen weer liggen en wikkelde
zich in zijn mantel.

--Ziet gij wel? Hij heeft niet ongestraft den dood naast zich gezien,
toen ik hem wakker maakte in het park, zeide Antonoff.

--Onzin, zeide Shdanoff en keerde den glimmenden boomstam om.

Allen zwegen.

Te midden der algemeene stilte hoorde men achter ons, in de richting
van het kamp, een schot. Onze tamboers meldden zich en sloegen een
roffel. Toen het laatste geroffel was weggestorven, stond Shdanoff het
eerst op en nam zijne muts af. Wij volgden allen zijn voorbeeld.

In de onpeilbare duisternis van den nacht steeg een harmonieus koor
van mannenstemmen op: »Onze Vader, die in de hemelen zijt, Uw naam
worde geheiligd, Uw koninkrijk kome, Uw wil geschiede gelijk in den
hemel als ook op de aarde; geef ons heden ons dagelijksch brood, en
vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren,
en leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den booze. Amen!"

       *       *       *       *       *

--Op dezelfde manier werd bij ons, in 1845, een der onzen verminkt,
zeide Antonoff, toen wij, na onze mutsen weer opgezet te hebben,
opnieuw om het vuur gingen liggen. Wij namen hem toen mee op een van
onze stukken. Herinnert gij u, 't was Schefftschenko, Shdanoff? Wij
lieten hem eindelijk onder een boom liggen.

Op dit oogenblik kwam een infanterist, met groote bakkebaarden en een
langen knevel, het geweer op schouder en den ransel op den rug, naar
ons vuur toestappen.

--Met uw verlof, landsman. Een beetje vuur om mijn pijp aan te steken,
zeide hij.

--Ga uw gang; aan vuur mankeert het hier niet, merkte Tschikine op.

--Gij spraakt zeker van Dargi? vroeg de soldaat aan Antonoff.

--Van den veldtocht van 1845, bij Dargi, antwoordde Antonoff.

De soldaat schudde het hoofd, kneep zijn oogen dicht en hurkte naast
ons neer.

--Ja, ja, daar is toen heel wat gebeurd, zeide hij.

--En waarom liet gij hem liggen? vroeg ik aan Antonoff.

--Het deed hem te zeer in zijn buik. Zoolang wij stilhielden, ging het
nog, maar wij waren nauwelijks op weg, of hij begon te schreeuwen.
Hij smeekte ons, hem in Godsnaam daar te laten, maar wij hadden toch
medelijden met hem. En dan, _hij_ zat ons te nauw op de hielen; alleen
van ons stuk schoot _hij_ drie man en een officier dood; we konden
onze batterij niet dan met de grootste moeite redden. Alles kwam ook
op eens. Wij waren bang, dat wij het stuk zouden verliezen. En een
modder!

--De ergste plaats, merkte de soldaat op, was aan den voet van den
Indischen Berg.

--Welnu, juist daar werd hij hoe langer hoe erger. Toen overlegden wij
met Anoschenka--een ouden brigadier--dat hij toch niet in het leven
zou blijven, en hijzelf smeekte ons opnieuw dat wij hem in Godsnaam
achter zouden laten. Laten wij hem hier dan maar neerleggen! Dat deden
wij. Er stond op die plaats een groote boom. Wij namen eenige geweekte
beschuiten, die Shdanoff bij zich had, en legden die naast den
gewonde. Wij zetten hem met den rug tegen den boom, deden hem een
schoon hemd aan, namen afscheid van hem en lieten hem aan zijn lot
over.

--Was het een goed soldaat?

--Een tamelijk goed soldaat, zeide Shdanoff.

--Wat er met hem gebeurd is, God weet het! vervolgde Antonoff. Er
zijn daar veel van de onzen gebleven.

--Bij Dargi? vroeg de infanterist, terwijl hij opstond en zijne pijp
uitklopte.

Hij deed opnieuw zijn oogen dicht en zeide hoofdschuddend:

--Ja, ja, daar is toen heel wat gebeurd!

Met die woorden ging hij heen.

--Zijn er nog veel over, bij onze batterij, die den slag bij Dargi
hebben meegemaakt? vroeg ik.

--Veel? Shdanoff, ik, Patsan, die nu met verlof is, en vijf of zes
anderen, meer niet.

--Zeg eens, onze Patsan houdt het uit, zeide Tschikine, terwijl hij
zijn beenen uitstak en met zijn hoofd tegen een boomstronk leunde. Me
dunkt dat hij nu bijna een jaar weg is.

--En gij, hebt gij wel eens een jaar verlof gehad? vroeg ik aan
Shdanoff.

--Neen nooit, antwoordde hij met tegenzin.

--'t Is wel prettig naar zijn land terug te keeren als men wat heeft,
of als men kan werken, zeide Antonoff, dan is iedereen thuis tevreden
over je.--Maar aan den anderen kant, waarvoor zou men terugkeeren,
als men slechts twee broeders heeft? ze hebben zelf moeite om rond
te komen, laat staan dan een soldaat den kost te geven. Men kan niet
veel meer uitvoeren, als men vijf en twintig jaar gediend heeft.
En bovendien, ik weet niet eens, of zij nog wel in leven zijn.

--Hebt gij hun dan nooit geschreven?

--Welzeker! Ik heb hun twee brieven gestuurd, maar nooit antwoord
gekregen. Of zij zijn dood, of zij hebben het zoo arm, dat zij geen
tijd hebben aan schrijven te denken. Waar moet ik dan heen?

--Is dat lang geleden dat gij hun geschreven hebt?

--Toen wij van Dargi terugkwamen, heb ik den laatsten brief
geschreven. Zing eens het lied van den kleinen berk, zeide Shdanoff
tot Antonoff, die met de ellebogen op de knieën zat te neuriën.

Antonoff zong »De kleine Berk."

--'t Is het lievelingslied van Shdanoff, zeide Tschikine, terwijl hij
mij aan de mouw trok.--Telkens als Antonoff het zingt, gaat de oude er
van schreien.

Shdanoff zat eerst volslagen onbeweeglijk, de oogen op het vuur
gevestigd; zijn gezicht, verlicht door het rosse schijnsel, zag er
buitengewoon droefgeestig uit, toen begon het op zij van zijn oogen
tot aan zijn ooren te trillen; eindelijk stond hij op, spreidde zijn
mantel op den grond uit en ging van het vuur af, in de schaduw liggen.
Kwam het omdat hij lag te woelen in afwachting van den slaap, was het
de invloed van het treurige weer en de gedachte aan den dood van
Welentschuk?... zooveel is zeker, dat het mij voorkwam dat hij weende.

Het onderste deel van den boomstam, die verkoold was, flikkerde van
tijd tot tijd op en verlichtte de gestalte van Antonoff, met zijn
grijzen knevel, zijn rood gezicht en de ridderorden op zijn mantel,
de laarzen van een ander, een paar hoofden en een rug. Nog steeds
druppelde de trieste nevel neer, dezelfde muffe lucht van rook en
vochtigheid drong mij nog in den neus. Hier en daar glinsterden nog
steeds de lichte stippen van vuren, die langzaam uitgingen. En te
midden van die algemeene stilte klonk het droefgeestige liedje van
Antonoff weg. Toen het ophield, scheen het beantwoord te worden door
het geluid van de zwakke nachtelijke beweging in het kamp, het
gesnork, het gekletter van de geweren der schildwachten, en zwak
gefluister.

--Twee mannen voor de wacht, Makatjuk en Shdanoff! riep Maximoff.

Antonoff zweeg. Shdanoff stond op, zuchtte diep, stapte over den
boomstam en richtte zich naar de kanonnen.

15 Juni 1855



EENE ONTMOETING TE VELDE MET EEN MOSKOUSCHEN BEKENDE.

(_Uit de Kaukasische aanteekeningen van vorst Nechljudoff._)


Wij stonden te velde. De strijd liep ten eind, we hadden de kapping
in 't bosch bewerkstelligd en verwachtten elken dag van den staf het
bevel tot terugkeer naar de vesting. Onze divisie batterijstukken
stond aan de helling van een steilen bergrug, begrensd door de
lieflijke bergbeek Metschik, en had in opdracht de voor ons
uitgestrekte vlakte te beschieten. Op deze schilderachtige vlakte
vertoonden zich, buiten bereik van ons schot, hier en daar, vooral 's
avonds, groepen bereden bergbewoners, niet met vijandige bedoelingen,
maar louter uit nieuwsgierigheid naderbij stroomend, om 't Russische
leger te bekijken. 't Was een heldere, stille, frissche avond, zooals
gewoonlijk de Decemberavonden zijn in den Kaukasus; de zon was links
achter de steile uitloopers van het gebergte weggezonken, en wierp
haar rozige stralen op de tenthutten, die over den berg verstrooid
lagen, op de heen en weer loopende troepjes soldaten, en op onze beide
kanonnen, die, plomp, als met uitgerekte halzen, onbeweeglijk, twee
schreden voor ons op een aarden batterij stonden. In de heldere
avondlucht was het infanterie-piket, dat op den heuvel links van
ons verstrooid lag met zijn aan rotten staande geweren, de gedaante
van den schildwacht, een groep soldaten in den rook van het hoog
opgestapelde wachtvuur duidelijk te zien. Rechts en links schemerden
ter halver hoogte op den berg op de zwarten, platgetreden grond de
witte tenten en achter de tenten, de donkere, ontbladerde stammen van
het plataanbosch, waarin onophoudelijk bijlslagen klonken, wachtvuren
knetterden en de gevelde stammen krakend neerstorten. Een blauwachtige
damp steeg van alle zijden in kolommen omhoog naar den diepblauwen
winterhemel. Bij de tenten en omlaag bij den oever van de beek
trokken onder paardengetrappel en gehinnik de Kozakkendragonders
en artilleristen voorbij, die hun paarden waren wezen drenken. Het
begon te vriezen; ieder geluid was zeer duidelijk waarneembaar en
het oog zag in de zuivere, heldere lucht heel ver weg in de vlakte.
De vijandelijke troepjes, die nu niet meer de nieuwsgierigheid der
soldaten opwekten, reden rustig over de helgele stoppels der
maïsvelden; hier en daar schemerden achter de boomen de hooge zuilen
der kerkhoven en de rookkolommen uit de aoels. Onze hut stond op een
hoog en droog plekje dicht bij de kanonnen en het uitzicht was er
bijzonder ver. Naast de tent, vlak bij de batterij, hadden we op een
schoon plekje een houtblokkenspel ingericht. Gedienstige soldaten
hadden hier gevlochten banken en een tafeltje gemaakt. Om al deze
gemakken kwamen onze kameraden van de artillerie en eenige heeren van
de infanterie 's avonds gaarne naar onze batterij en ze noemde dit
plekje de »club."

Het was een prachtige avond. De beste spelers waren bijeen en we
wierpen met de houtblokjes. Ik, vaandrig D. en luitenant O. hadden
twee partijen achtereen verspeeld en tot algemeene pret en gelach
van de toekijkende officieren en van de soldaten en oppassers, die
vanuit hun tenten toekeken, hadden we de winners tweemaal op onzen
rug van het eene einde naar het andere gedragen. Bijzonder grappig was
het, hoe de kolossale, dikke stafkapitein Sch. kuchend en opgeruimd
glimlachend, met zijn beenen over den grond sleepend, op den kleinen,
teeren luitenant O. reed. Het was echter al laat geworden. De
oppassers brachten voor ons zessen drie glazen thee zonder voet. Wij
braken het spel op en gingen naar de gevlochten banken. Daar stond een
ons onbekende man van middelbare grootte met kromme beenen; hij droeg
een pels zonder jas er over en een muts van schapenvacht met lang
afhangend, wit haar. Toen wij dichtbij gekomen waren, nam hij een paar
maal aarzelend zijn muts af en zette ze weer op, onderwijl maakte hij
telkens aanstalten om op ons toe te komen en bleef toch telkens weer
staan. Daar de onbekende echter wel zag, dat hij niet meer onopgemerkt
kon blijven, nam hij zijn muts af, liep in een boog om ons heen en
trad op den stafkapitein Sch. toe.

--Wel, Guscantini! Hoe maak je het, ouwe jongen? zei Sch. opgeruimd
tot hem, nog lachend om zijn rit.

Guscantini, zooals hij hem genoemd had, zette dadelijk zijn muts op
en maakte een beweging alsof hij de handen in de zakken van zijn pels
wilde steken; maar aan de naar mij toegekeerde zijde zat er geen zak
en zijn kleine roode hand bleef links hangen. Ik had wel eens willen
weten, wat dit wel voor een mensch was (een jonker of een gedegradeerd
officier) en zonder te bemerken dat mijn blik (de blik van een hem
onbekend officier) hem verlegen maakte, nam ik zijn kleeding en zijn
uiterlijk nauwkeurig op. Hij kon zoowat dertig jaar zijn. Zijn grauwe,
ronde oogjes keken ietwat slaperig, maar tegelijk toch ook onrustig
onder de vuile, witte schapenvacht van zijn muts uit, die over zijn
voorhoofd hing. De dikke, onregelmatige neus tusschen de ingevallen
wangen verried een ziekelijke, onnatuurlijke magerheid; de lippen,
zeer spaarzaam bedekt door een dunnen, slappen, leelijken knevel,
bewogen onophoudelijk onrustig, als wilden zij nu eens deze, dan
weer een andere uitdrukking aannemen. Maar er was iets onvoltooids
in iedere uitdrukking--overheerschend bleef in zijn trekken een
uitdrukking van angst en gejaagdheid. Zijn magere, geaderde hals was
met een groenzijden doek omwonden, die onder zijn pels verborgen was.
De pels zelf was versleten en hem te kort, aan den kraag en op de
plaats, waar de zakken moesten zijn, afgezet met hondenvel; zijn
pantalon was geruit en aschgrauw, zijn laarzen hadden korte, niet
zwartgemaakte soldatenschachten.

--Dek u, als 't u belieft, zeide ik tot hem, toen hij weer, met een
schuwen blik naar mij, de muts afnam.

Hij boog met een uitdrukking van dankbaarheid, zette zijn muts op,
haalde een vuilen katoenen tabakszak voor den dag en begon een sigaret
te draaien.

Ik was zelf nog kort geleden jonker geweest, een oude jonker, die niet
meer deugde om jongere kameraden opgewekt kleine diensten te bewijzen,
en een jonker zonder vermogen. Ik wist dus zeer goed hoe groot de
moreele druk is, waarin men leeft in zulk een positie, vooral als
men niet jong meer is en door eigenliefde beheerscht wordt; ik had
medelijden met ieder, die zich in een dergelijke positie bevond,
en gaf me moeite zijn karakter, de mate en de richting van zijne
geestelijke vermogens te bepalen om daarnaar de mate van zijn moreel
lijden te beoordeelen. Deze jonker of gedegradeerde officier leek me,
afgaande op zijn onrustigen blik en de opzettelijke, onophoudelijke
wisseling van zijn gelaatsuitdrukking, die ik bij hem opgemerkt had,
een zeer verstandig, uiterst zelfbewust en daarom ook uiterst
beklagenswaardig mensch.

De stafkapitein Sch. stelde ons voor nog een partijtje te spelen; de
verliezende partij zou, behalve den verplichten rit, eenige flesschen
rooden wijn en rum, wat suiker, kaneel en kruidnagels geven om een
bowl te maken, wat in dezen winter door de groote koude op onze
expeditie zeer in de mode was. Guscantini, gelijk Sch. hem weer
noemde, werd uitgenoodigd van de partij te zijn; vòòr echter het
spel begon, voerde hij blijkbaar een inwendigen strijd tusschen de
vreugde, die hem deze uitnoodiging deed en een zekeren angst; hij
nam stafkapitein Sch. ter zijde en fluisterde hem iets in 't oor. De
goedmoedige stafkapitein klopte hem met zijn vleezige, groote hand op
den schouder en antwoordde luid:--Dat doet er niets toe, vadertje, ik
vertrouw je.

Toen het spel ten einde was, en de partij, waartoe de onbekende
subalterne behoorde, gewonnen had en hij nu op een van onze
officieren, den vaandrig D. moest rijden, kreeg deze een kleur, ging
naar het bankje en bood den subaltern een sigaret als losgeld. Terwijl
de warme wijn klaargemaakt werd en in de tent van den oppasser de
drukke bezigheid van Nikita vernomen werd, die iemand om kaneel en
kruidnagels uitgestuurd had en wiens rug het vuile tentdek nu eens
her- dan weer derwaarts schoof, namen wij met ons zevenen plaats op
het bankje, dronken om beurten thee uit de drie glazen, keken naar de
vlakte vòòr ons, die zich juist in schemering ging hullen en keuvelden
en schertsten over de wisselvalligheden van het spel. De onbekende in
zijn pels nam geen deel aan het gesprek, weigerde hardnekkig de thee,
die ik hem meermalen aanbood, draaide, terwijl hij op Tartaarsche
wijze op den grond zat, van fijn gesponnen tabak de eene sigaret na
de andere, en rookte ze op, niet zoozeer omdat hem dat genot gaf, als
wel, zooals gemakkelijk aan hem te zien was, om zich het air te geven
van iemand, die ergens mee bezig is. Toen er sprake van was, dat
wellicht den volgenden dag de terugtocht zonder gevecht zou plaats
hebben, richtte hij zich op zijn knie op en zeide, zich alleen tot
stafkapitein Sch. wendende, dat hij bij den adjudant in huis was en
dat hij zelf het bevel voor den terugtocht voor den volgenden dag
geschreven had. Wij zwegen allen terwijl hij sprak en ofschoon hij
duidelijk zijn schuchterheid verried, noopten wij hem, deze, ons
vreemdklinkende, mededeeling nog eens te herhalen. Hij herhaalde wat
hij gezegd had, doch voegde erbij, dat hij bij den adjudant _geweest
was_, met wien hij _samengewoond had_ en dat hij daar _gezeten_ had,
toen men juist het bevel bracht.

--Ziet ge, als ge niet liegt, vadertje, dan moet ik naar mijn
kompagnie gaan en bevelen geven voor morgen, zeide kapitein Sch.

--Neen... Waarom ook... Hoe kan men... Ik heb zeker... begon de
subalterne, maar hij zweeg weldra, scheen van plan den beleedigde te
spelen, trok onnatuurlijke rimpels in zijn voorhoofd, bromde iets in
zijn baard en begon weer een sigaret te maken. Maar er was niet genoeg
fijne tabak meer in zijn katoenen zakje en daarom vroeg hij Sch. om
hem een _sigaret te leenen_. We zetten het eentonige gesprek over den
oorlog, dat ieder kent, die wel eens aan een veldtocht deelgenomen
heeft, tamelijk lang voort, beklaagden ons allen in dezelfde termen
over de verveling en den langen duur van den tocht, oordeelden allen
op dezelfden wijze over de chefs, prezen voor de zooveelste maal
dezen, betreurden genen kameraad, gaven onze verwondering te kennen,
dat deze zooveel gewonnen, gene zooveel verloren had, enz. enz.

--Zie je, vadertje, onze adjudant, die heeft pech gehad, duchtig pech
gehad! zei stafkapitein Sch.--Bij den staf won hij altijd. Met wien
hij ook speelde, altijd won hij en nu verliest hij al twee maanden aan
èèn stuk. Deze veldtocht heeft hem weinig geluk aangebracht. Ik geloof
dat hij al 2000 roebel verloren heeft, en voor 500 roebel waarde aan
voorwerpen, het tapijt, dat hij Muschine afgewonnen had, de pistolen
van Nikita, het gouden horloge van Ssada, dat Morinzeff hem gegeven
had--alles is hij kwijt.

--Eerlijk verdiend! zeide luitenant O., hij heeft al de anderen
ongenadig geplukt. Het was geen spelen met hem.

--Eerst heeft hij ze allen geplukt, en nu is hij in de lucht
gevlogen--zei kapitein Sch. met zijn prettigen lach. Guskoff woont bij
hem in, en dien had hij ook bijna verspeeld, waarachtig! Is het niet
waar, vadertje? zei hij zich tot Guskoff wendende.

Guskoff lachte. Zijn lach was treurig en smartelijk en gaf zijn gelaat
een heel andere uitdrukking. Bij het zien daarvan was het mij, alsof
ik dezen man vroeger reeds gekend en ontmoet had, en ook kwam zijn
eigenlijke naam, Guskoff, me bekend voor. Maar hoe en waar ik hem
gekend had, en waar ik hem aangetroffen kon hebben, dat kon ik me
absoluut niet te binnen brengen.

--Ja, zei Guskoff en hief daarbij telkens den vinger naar zijn
knevel, liet haar echter weer zinken, zonder hem aan te raken;--Pavel
Dmitrijewitsch heeft in dezen veldtocht geen geluk gehad, zulk
een _veine de malheur_,[23] voegde hij er met ietwat moeielijke,
maar zuiver Fransche uitspraak bij, en daarbij kreeg ik weer dat
gevoel, hem vroeger reeds ergens gezien te hebben.--Ik ken Pavel
Dmitrijewitsch heel goed, hij vertrouwt mij alles toe, ging hij voort.
Wij zijn oude kennissen, d. w. z., hij houdt van me, voegde hij er
bij, blijkbaar verschrokken over zijn al te stoute bewering, dat hij
een oude kennis van den adjudant was. Pavel Dmitrijewitsch speelt
voortreffelijk en--'t is wel merkwaardig wat hem nu overkomt--nu is
hij heelemaal buiten zichzelf, _la chance a tourné_,[24] voegde hij
er, voornamelijk tot mij sprekende, aan toe.

[23] hardnekkig ongeluk.

[24] de kans is gekeerd.

We hadden Guskoff in het begin met hoffelijke opmerkzaamheid
aangehoord, maar toen hij ook nog dit Fransche zinnetje gezegd had,
keerden wij ons onwillekeurig van hem af.

--Ik heb duizendmaal met hem gespeeld en u zult me toch moeten
toegeven dat het vreemd is, zei de luitenant met een bijzonderen
nadruk op dat woordje _vreemd_, dat ik niet èènmaal van hem gewonnen
heb, geen cent. Waarom win ik wel van anderen?

--Pavel Dmitrijewitsch speelt voortreffelijk, ik ken hem al lang,
zeide ik. Ik kende den adjudant inderdaad reeds sedert jaren en had
hem vaak gadegeslagen bij zijn spel, dat voor de middelen van een
officier bepaald hoog genoemd kon worden, en was altijd verrukt
geweest over zijn mooi, een weinig somber en steeds onbewogen gelaat,
zijn gerekte, klein-Russische uitspraak, zijn mooie uitrusting en
paarden, zijn afgemeten, zuid-Russische ridderlijkheid en vooral over
zijn kunst om mooi, helder, begrijpelijk en opgewekt te spelen.
Menigmaal--ik erken het berouwvol--werd ik, wanneer ik naar zijn
volle, witte handen met den brillantenring aan den wijsvinger keek,
die mij slag na slag afwonnen, woedend op dien ring, op die witte
handen en op de heele persoonlijkheid van den adjudant en dan kwamen
booze vermoedens tegen hem in mij op; maar wanneer ik daar dan in
koele bloede over nadacht, kwam ik toch tot de overtuiging dat hij
eenvoudig een beter speler was dan al de anderen, waarmee hij speelde.
Als men zijn algemeene beschouwingen over het spel hoorde, dat men
bijv. nooit een paroli moest weigeren, hoe men van een kleinen inzet
moest overgaan tot een grooteren, in welke gevallen men moest passen,
dat een eerste spelregel was alleen met baar geld te spelen, enz. enz.
dan wordt het een mensch steeds duidelijker, dat hij alleen daarom
steeds aan de winnende hand was, omdat hij behendiger en koelbloediger
was, dan wij allen. En nu bleek dat deze terughoudende speler, die zoo
zeker van zichzelf was, gedurende den veldtocht alles verloren had tot
op den laatsten stuiver, en niet alleen geld, maar ook stukken van
zijn uitrusting, wat voor een officier wel een uiterste is.

--Ik heb altijd verduiveld veel pech als ik met hem speel, ging
luitenant O. voort, en ik heb me zelven al beloofd, niet meer met hem
te spelen.

--Wat zijt gij toch een rare drommel, vadertje, zeide Sch. en
knipoogde naar mij, terwijl hij mij toeknikte en zich tot O. richtte.
Ge hebt 300 roebel verloren, niet waar, zooveel was het immers?

--Meer, zei de luitenant vol ergernis.

--En nu is u een licht opgegaan, maar te laat, vadertje! Iedereen weet
immers al lang dat hij de valsche speler van ons regiment is, zei
Sch.; hij kon zich haast niet houden van het lachen en was uiterst
tevreden over zijn inval.--Daar staat Guskoff voor je, die prepareert
de kaarten voor hem. Daarom zijn ze zulke dikke vrienden, vadertje. En
stafkapitein Sch. lachte zoo hartelijk, dat zijn heele lichaam schudde
en hij van zijn glas warmen wijn morste, dat hij juist in de hand
hield. Er kwam een kleur op Guskoff's geel, vermagerd gelaat, hij
beproefde meermalen den mond open te doen, hief zijn vinger op naar
zijn knevel en liet hem weer zakken naar de plaats, waar andere
menschen hun zakken hebben, stond op en ging weer zitten en zei
eindelijk met een vreemde stem tot Sch.:--Dat gaat te ver voor een
grap, Nikolai Iwanitsch. U zegt hier zulke dingen, waar menschen bij
zijn, die mij niet kennen, en die me in een tot op den draad versleten
pelsjas zien, omdat... zijn stem stokte en weer gingen zijn kleine,
roode handen met de vuile nagels van de pels naar zijn gezicht en
streken over zijn knevel, zijn haren en zijn neus, of wreven zijn
oogen of krabden zonder eenige noodzakelijkheid aan zijn kin.

--Daar valt toch verder niet over te praten, we weten het immers
allemaal, vadertje! ging Sch. voort, inwendig uiterst tevreden met
zijn scherts en zonder in 't minste erg te hebben op Guskoff's
opwinding. Guskoff zei fluisterend nog een paar woorden, ging met den
rechterelleboog op de linkerknie zitten, keek in deze onnatuurlijke
houding Sch. aan en trok een gezicht alsof hij verachtelijk
glimlachte.

--Neen, zei ik innerlijk overtuigd--toen ik dit lachen zag--ik heb hem
niet alleen ergens gezien, maar ook met hem gesproken.

--We hebben elkander al eens vroeger ontmoet, zeide ik tot hem, toen
Sch.'s gelach begon te verstommen onder den indruk van het algemeene
stilzwijgen. Guskoff's veranderlijk gelaat helderde plotseling op en
zijn oogen vestigden zich voor het eerst met een zielsgelukkige
uitdrukking op me.

--Zeker, ik heb u aanstonds herkend, begon hij in 't Fransch. In het
jaar 48 had ik vrij dikwijls het genoegen u in Moskou te ontmoeten bij
mijn zuster Iwaschina.

Ik verontschuldigde mij dat ik hem in deze dracht en in deze nieuwe
kleeding niet dadelijk herkend had. Hij stond op, trad op mij toe,
drukte met zijn klamme hand aarzelend en zwakjes de mijne en ging
naast mij zitten. In plaats van mij aan te zien, hij was immers
zoo blij mij weer te zien, zag hij met een onbehagelijk blufferige
uitdrukking den kring der officieren rond. Was het omdat ik in hem den
man herkend had, dien ik eenige jaren geleden in zwarten rok in een
salon ontmoet had? was het omdat hij zich door deze herkenning opeens
in zijn eigen achting voelde stijgen?--zooveel is zeker, dat, naar het
mij toescheen, eensklaps zijn gelaat, zijn bewegingen zelfs veranderd
waren: zij toonden nu een opgewekten geest, kinderlijke ingenomenheid
met zichzelf en een zekere minachtende nonchalance, zoodat mijn oude
kennis--ik moet het eerlijk bekennen--in weerwil zijner jammerlijke
positie mij nu geen medelijden meer inboezemde, maar veeleer een zeker
vijandig gevoel.

Ik herinnerde mij nog levendig hoe ik hem voor het eerst ontmoet had.
In het jaar 48 bezocht ik, gedurende mijn verblijf te Moskou, vaak
Iwaschin, met wien ik samen opgegroeid en door banden van oude
vriendschap verbonden was. Zijn vrouw was een aangename gastvrouw, een
beminnelijke vrouw, zooals men pleegt te zeggen, maar die mij nooit
aangestaan had.... In den winter, dat ik bij hen verkeerde, sprak zij
vaak met kwalijk verborgen trots van hare broeder, die kort geleden
zijn studie beëindigd had en die, volgens haar, een der meest
beschaafde en in de deftige Petersburgsche kringen meest geziene
jonge mannen was. Daar ik Guskoff's vader, die zeer rijk was en een
aanzienlijke positie bekleedde, kende van hooren zeggen, en daar
ik de levensbeschouwing van zijn zuster kende, kwam ik den jongen
Guskoff met een zeker vooroordeel te gemoet. Op een avond, toen ik
bij Iwaschin op bezoek was, ontmoette ik bij hem een jongmensch van
middelbare grootte, die naar het uiterlijk een zeer aangenamen indruk
maakte, in zwarten rok, wit vest en lichte das, en dien de gastheer
verzuimde aan mij voor te stellen. De jonge man, die blijkbaar gereed
stond om naar een bal te gaan, stond met zijn hoed in de hand voor
Iwaschin en redetwistte opgewonden, maar toch hoffelijk met hem
over een onzer gemeenschappelijke kennissen, die zich toentertijd
onderscheiden had in den Hongaarschen veldtocht. Hij was van oordeel
dat deze kennis volstrekt geen held was en niet voor oorlog geschapen,
zooals men van hem beweerde, doch eenvoudig een verstandig en
beschaafd man. Ik herinner me dat ik in deze diskussie partij vatte
tegen Guskoff, en ik liet me meesleepen hem zelfs te bewijzen dat
verstand en beschaving steeds omgekeerd evenredig waren aan dapperheid
en ik herinner me hoe Guskoff mij op beminnelijke en verstandige
manier uiteenzette, dat dapperheid een noodwendig uitvloeisel van
verstand en van een zekeren graad van geestelijke ontwikkeling was,
en dat ik hem dit, wijl ik mij zelf voor een verstandig en beschaafd
mensch hield, niet anders dan toegeven kon! Ik herinner me dat mevrouw
Iwaschin mij aan 't einde van ons gesprek aan haar broeder voorstelde
en hij mij met een neerbuigend glimlachje de hand reikte, waarvan hij
den gelen handschoen eerst half af getrokken had en dat hij mij even
zwak en aarzelend de hand drukte als nu. Hoewel ik tegen hem ingenomen
was, moest ik toenmaals Guskoff recht laten wedervaren en zijn zuster
toegeven, dat hij werkelijk een verstandig en beminnelijk jongmensch
was, dat in de voorname wereld wel succes moest hebben.

Hij was buitengewoon net en sierlijk gekleed, jong, had kalme,
bescheiden manieren en een buitengewoon jeugdig, haast kinderlijk
voorkomen, om der wille waarvan men onwillekeurig de uitdrukking van
zelfingenomenheid en den wensch, anderen zijn meerderheid te doen
gevoelen, welke op zijn slim gelaat en vooral in den stereotiepen
glimlach duidelijk merkbaar was, gaarne over 't hoofd zag. Men wist
elkaar te vertellen, dat hij dezen winter veel succes gehad had bij
de Moskousche dames. Daar ik hem niet anders ontmoette dan bij zijn
zuster, kon ik alleen uit de uitdrukking van geluk en tevredenheid,
die voortdurend sprak uit zijn jeugdig voorkomen en uit zijn soms
wel wat onbescheiden verhalen opmaken in hoeverre dit beweren
gerechtvaardigd was. We ontmoetten elkaar wel zes maal en spraken
tamelijk veel met elkaar, of beter gezegd, hij sprak meestal Fransch
op voortreffelijke wijze, in goed gekozen, bloemrijken bewoordingen
en had er slag van anderen op aangename, beleefde manier in de rede
te vallen. Hij onderhield zich vrijwel met iedereen, ook met mij,
tamelijk uit de hoogte; en, gelijk steeds in den omgang met menschen,
wier optreden wijst dat het voor hen vaststaat dat ze met mij uit de
hoogte verkeeren kunnen, en die ik niet van meer nabij ken, voelde ik
ook nu, dat hij in dit opzicht volkomen in zijn recht was.

Nu, nu hij naast mij kwam zitten en mij de hand gaf, herkende ik heel
duidelijk in hem diezelfde hoogmoedige uitdrukking van vroeger en het
scheen mij toe alsof hij niet op heel eerlijke manier profiteerde
van zijn positie als ondergeschikte tegenover den officier, toen
hij mij zoo losweg vroeg, wat ik al dien tijd uitgevoerd had en hoe
ik hierheen gekomen was. Hoewel ik op iedere vraag in het Russisch
antwoordde, begon hij altijd weer in 't Fransch; maar men kon merken
dat hij het niet meer zoo vlot sprak als vroeger. Van zichzelf
vertelde hij zoo terloops, dat hij na die ongelukkige, domme
geschiedenis (wat dat voor een geschiedenis was, weet ik niet en heeft
hij mij ook nooit verteld) drie maanden in arrest gezeten had, toen
was hij naar het N-regiment in den Kaukasus gezonden en hij diende nu
reeds drie jaar als gemeen soldaat in dit regiment.

--Ge kunt niet gelooven, zei hij in 't Fransch tot me, wat ik in dit
regiment al niet heb moeten verduren van de officieren! Het is een
geluk voor me, dat ik den adjudant, over wien we daareven spraken, nog
van vroeger kende; hij is een goed mensch, werkelijk, zei hij op zijn
hoffelijksten toon--ik woon bij hem in en voor mij is dat ten minste
een kleine verlichting. _Oui, mon cher, les jours se suivent, mais ne
se ressemblent pas_,[25] voegde hij er aan toe, maar stokte, kreeg een
kleur en stond op, want hij bemerkte, dat de adjudant, over wien we
spraken, op ons toekwam.

[25] Ja, m'n waarde, de dagen volgen elkaar op, maar gelijken niet op
elkaar.

--Wat een vreugde, een mensch te ontmoeten als gij! zei Guskoff nog
fluisterend tot mij en ging heen, ik heb nog veel, heel veel met u te
bepraten.

Ik zeide, dat het me zeer verheugde, maar ik moet erkennen dat Guskoff
me in werkelijkheid een zeer onsympathiek, drukkend medelijden
inboezemde. Ik had een gevoel dat ik me, met hem onder vier oogen,
zeer onbehagelijk zou gevoelen, doch ik wilde gaarne velerlei van hem
vernemen, vooral hoe het kwam dat hij, in weerwil van den rijkdom van
zijn vader, in armoedige omstandigheden leefde, gelijk op te maken was
uit zijn kleeding en zijn optreden. De adjudant begroette ons allen,
alleen Guskoff niet en ging naast mij zitten op de plaats, waar even
te voren de gedegradeerde zat. Hoewel nog steeds een bedaarde,
langzame en gelijkmoedige speler en een vermogend man, was Pavel
Dmitrijewitsch toch een heel ander mensch geworden, dan zooals ik hem
gekend had in de beste dagen van zijn spel; hij scheen aldoor haast te
hebben en liet zijn blikken onrustig rondzweven en er verliepen geen
vijf minuten of hij, die anders altijd weigerde te spelen, sloeg
luitenant O. een partijtje bank voor. Luitenant O. weigerde onder
voorwendsel dat de dienst hem geheel in beslag nam, in werkelijkheid
echter omdat hij wist hoe weinig geld en goud Pavel Dmitrijewitsch nog
maar had en hij het niet verstandig achtte, zijn driehonderd roebel op
't spel te zetten tegen de honderd of misschien nog minder, die hij
kon winnen.

--Zeg eens, Pavel Dmitrijewitsch, begon de luitenant, die blijkbaar
een herhaling van het verzoek wilde voorkomen, is het waar wat er
gezegd wordt, dat we morgen uit zullen rukken?

--Ik weet het niet, antwoordde Pavel Dmitrijewitsch, er is slechts
een order gekomen, dat we ons gereed zouden houden. Maar werkelijk,
het was beter als wij een partijtje speelden, ik verpand u mijn
Kabardiner.

--Neen, het is nu al...

--Den grauwen dan, als het niet anders kan, of, als het u liever is,
om geld. Nu?...

--Nu ja... Ik zou wel willen. U moet niet gelooven... begon de
luitenant, aldus zijn eigen twijfel beantwoordende.--Maar morgen
hebben we misschien een overrompeling of een marsch en daarom is het
beter nu uit te slapen.

De adjudant stond op en liep met de handen in den zak op het ontruimde
plekje heen en weer. Zijn gezicht nam weer de gewone koele, min of
meer trotsche uitdrukking aan, die ik zoo gaarne in hem zag.

--Wilt u niet een glaasje warmen wijn? vroeg ik hem.

--Gaarne! En hij kwam naar mij toe, doch Guskoff nam mij snel het glas
uit de hand en bracht het den adjudant; daarbij deed hij zijn best hem
niet aan te zien. Hij zag dus de lijn, die de tent samenhield niet,
struikelde daarover, liet het glas vallen en viel voorover.

--Wat een hansworst! zei de adjudant, die reeds zijn hand naar het
glas uitgestrekt had.

Allen schoten in een luiden lach, Guskoff niet uitgezonderd, die
onderwijl zijn magere knie, welke hij bij het vallen onmogelijk
bezeerd kon hebben, met de eene hand wreef.

--Zooals de beer den kluizenaar bediend heeft,[26] ging de adjudant
voort, zoo bedient hij mij iederen dag! Alle piketpaaltjes van de tent
heeft hij al uitgerukt, hij struikelt altoos.

[26] Zinspeling op een bekende fabel van Lafontaine.

Guskoff verontschuldigde zich bij ons, zonder naar hem te luisteren en
keek mij met een bijna onmerkbaar, treurig glimlachje aan, waarmee hij
te kennen scheen te geven dat ik de eenige was, die in staat was hem
te begrijpen. Hij was beklagenswaardig en de adjudant, scheen om een
of andere reden vertoornd tegen zijn tentgenoot en wilde hem bepaald
niet met rust laten.

--Nu, handig jongmensch, waar valt ge eigenlijk niet?

--Wie zou ook niet struikelen over al die paaltjes, Pavel
Dmitrijewitsch, zei Guskoff, u is eergisteren zelf gestruikeld.

--Ja, vadertje, ik ben geen ondergeschikte, van mij wordt geen
handigheid gevergd.

--Hij mag loome voeten hebben, viel de stafkapitein bij, maar een
ondergeschikte moet kunnen springen...

--Eigenaardige scherts!... zei Guskoff bijna fluisterend en sloeg de
oogen neer. De adjudant was blijkbaar niet goed geluimd tegen zijn
tentgenoot. Hij luisterde gretig naar ieder zijner woorden.

--Men zal hem weer in hinderlaag moeten zenden, zei hij zacht tot Sch.
wendende en met een knipoogje op den ondergeschikte wijzend.

--Daar zullen er weer tranen gestort worden, zei Sch. glimlachend.
Guskoffs oogen waren niet meer op mij gericht, hij deed alsof hij
tabak nam uit het zakje, waarin al lang niets meer was.

--Houd u gereed een hinderlaag te betrekken, zei Sch. lachend. De
boodschappers hebben heden bericht, dat er een aanval op het kamp
gedaan zal worden en nu is het zaak vertrouwde luidjes uit te zenden.

Guskoff glimlachte besluiteloos, als maakte hij zich gereed iets te
zeggen en sloeg meermalen smeekende blikken op Sch.

--Nu ja, ik ben al meermalen gegaan en ik zal weer gaan, als ik
gezonden word, bracht hij stamelend uit.

--Ge zult gezonden worden.

--Dan zal ik gaan. Wat moet ik doen?

--Wel, juist zooals in Argim waar ge van uw post weg geloopen zijt en
uw geweer weggeworpen hebt... zei de adjudant, wendde zich toen van
hem af en begon ons de orders voor den volgenden dag uiteen te zetten.

Inderdaad verwachtte men in den nacht een beschieting van het kamp
door den vijand en voor den volgenden dag een of andere beweging. De
adjudant praatte nog over allerlei algemeene dingen en sloeg toen,
alsof hem dat bij toeval juist te binnen schoot, luitenant O. voor
een spelletje te kaarten. Tegen verwachting was luitenant O. het daar
volkomen mee eens en ze gingen met Sch. en den vaandrig in de tent van
den adjudant, die een groene speeltafel en kaarten had. De kapitein,
de kommandant van onze afdeeling, ging in zijn tent slapen, ook de
andere heeren gingen uit elkaar en ik bleef met Guskoff alleen. Ik had
me niet vergist--inderdaad was het mij onbehagelijk te moede met hem
onder vier oogen te zijn. Onwillekeurig stond ik op en begon langs
de batterij op en neer te loopen. Guskoff liep zwijgend naast me en
maakte haastige en onrustige bewegingen om niet bij mij achter te
blijven en me niet vooruit te loopen.

--Ik stoor u toch niet? zeide hij met zachte, klagende stem.

Voor zoover ik in de duisternis zijn gezicht kon zien, scheen het mij
toe nadenkend en treurig te zijn.

--Niet in 't minst, antwoordde ik, daar hij echter het gesprek niet
begon en ik niet wist, wat ik hem zou zeggen, bleven we een geruimen
tijd zwijgend op en neer loopen.

De schemering had reeds plaats gemaakt voor de volslagen duisternis
van den nacht; boven de zwarte omtrekken der bergen vlamde de
lucht soms helder op, boven onze hoofden fonkelden aan den blauwen
winterhemel kleine sterren, van alle zijden laaiden in rooden gloed
de vlammen der rookende wachtvuren op, dicht voor ons schemerden de
grauwe tinten en de sombere, zwarte aarden wal onzer batterij door den
nevel. Bij het dichtstbijzijnde wachtvuur, waarom heen onze oppassers
zich lagen te warmen en zacht praatten, glansde van tijd tot tijd het
brons onzer zware kanonnen op de batterij en werd de gedaante van
den schildwacht met zijn los omgeworpen mantel zichtbaar, die met
afgemeten passen aan den voet van den aardwal op en neer wandelde.

--Ge kunt u niet voorstellen, welk een genot het voor mij is, te
spreken met een mensch als gij! zei Guskoff tot me, ofschoon hij nog
geen woord tot mij gezegd had.--Dat kan alleen hij begrijpen, die zich
eenmaal in mijn positie bevonden heeft.

Ik wist niet wat hem te antwoorden en dus zwegen we weer beiden,
hoewel hij blijkbaar lust had zijn gemoed uit te storten en ik om hem
aan te hooren.

--Waarom zijt ge... Waarom hebt ge moeten lijden? vroeg ik hem ten
slotte, daar mij niets beters inviel om het gesprek te beginnen.

--Hebt ge niets gehoord van die ongelukkige historie met Metenine?

--Ja, het was een duel, geloof ik; ik heb er terloops over hooren
spreken, antwoordde ik, ik ben al een heele poos in den Kaukasus.

--Neen, geen duel; het is een domme, vreeselijke geschiedenis! Ik wil
u alles vertellen, als ge het niet weet. Het was in hetzelfde jaar,
dat ik u bij mijn zuster ontmoette, ik woonde toen te Petersburg. Ge
moet weten, ik had toen wat men noemt _une position dans le monde_[27]
en een heel goede, om niet te zeggen een schitterende. _Mon père me
donnait 10000 par an._[28] In het jaar 1849 werd me het uitzicht
geopend op een betrekking bij het gezantschap te Turijn: mijn oom
van moederszijde kon zeer veel voor mij doen en was daar steeds zeer
gaarne toe bereid. Het is al lang geleden, _j'étais reçu dans la
meilleure société de Pétersbourg, je pouvais prétendre_[29] op een
prachtige partij. Ik had geleerd, wat wij allemaal leeren op school,
een bijzondere ontwikkeling bezat ik dus niet, ik heb weliswaar later
veel gelezen, _mais j'avais surtout ce jargon du monde_,[30] ge weet
wel; en hoe ik ook verder mocht zijn, ik gold, God weet waarom, voor
een der voornaamste jongelui van Petersburg. Wat mij een bijzondere
positie gaf in de openbare meening, _c'est cette liaison avec Mme
D._,[31] over wie in Petersburg veel gesproken werd; doch ik was
nog heel jong en achtte toen niet veel op al die voordeelen. Ik
was eenvoudig jong en dom. Wat was meer noodig? Toentertijd had in
Petersburg deze Metenine een reputatie... en Guskoff ging door me de
heele geschiedenis van zijn ongeluk te verhalen, die ik hier echter
wil overslaan, omdat ze heel niet interessant is.--Twee maanden zat
ik in de gevangenis, ging hij voort, moederziel alleen en wat heb
ik in dien tijd al niet overdacht! Maar weet ge, toen alles voorbij
was, toen om zoo te zeggen ieder verband met het verleden voorgoed
verbroken was, toen was het mij minder zwaar te moede. _Mon père, vouz
en avez entendu parler_[32], is voorzeker een man met een ijzeren
karakter en met vaste overtuigingen, _il m'a déshérité_[33] en heeft
alle relaties met mij afgebroken. Zijn overtuiging gebood hem zoo
te handelen en ik maak er hem volstrekt geen verwijt van; _il a été
conséquent_.[34] Daarom heb ik ook geen enkele poging gedaan om hem
aan zijn besluit ontrouw te doen worden. Mijn zuster was in het
buitenland. Mevr. D. was de eenige, die mij schreef, toen men haar dit
toestond en mij haar hulp aanbood; maar ge zult begrijpen, dat ik dit
weigerde en dat ik gebrek had aan al de kleinigheden, die in zulke
omstandigheden een weinig verlichting geven: ik had noch boeken, noch
linnengoed, noch eten--niets! Ik heb toen veel, zeer veel nagedacht.
Ik begon alles met heel andere oogen te beschouwen; over het gerucht
bijv. en het geklets van de menschen in Petersburg, bekommerde ik mij
niet in 't minst--het vleide me ook niet in 't minst--dat alles leek
me eenvoudig belachelijk. Ik voelde dat het mijn eigen schuld was, dat
ik onvoorzichtig, jeugdig dwaas gehandeld had, dat ik mijn carrière
gebroken had en dacht aan niets anders, dan hoe ik dit weer goed zou
kunnen maken. Ik voelde de kracht en de energie daarvoor in mijn
binnenste. Uit de gevangenis werd ik, zooals ik u zeide naar den
Kaukasus gestuurd, naar het N. regiment. Ik had gemeend--ging hij
voort, steeds levendiger sprekend--dat het hier in den Kaukasus _la
vie de camp_[35] was, dat hier eenvoudige, brave menschen waren, met
wie ik zou kunnen verkeeren, dat er hier krijgsgevaar te trotseeren
was--dat alles zou juist passen bij mijn gemoedsstemming en ik zou een
nieuw leven beginnen. _On me verra au feu_[36], men zal van me gaan
houden, me leeren waardeeren, niet alleen om mijn naam--men zal mij
een orde schenken, me tot onderofficier bevorderen, de straf opheffen
en ik zal weer naar mijn geboortegrond terugkeeren _et vous savez avec
ce prestige du malheur_.[37] Maar, _quel désenchantement!_[38] Ge kunt
u niet voorstellen, hoezeer ik me vergist heb!... Ge kent immers het
korps officieren van ons regiment?--Hij zweeg vrij lang en scheen
te verwachten, dat ik hem zou zeggen, dat ik wist, hoe slecht de
officieren hier waren. Maar ik antwoordde hem niet. Het stuitte mij,
dat hij, waarschijnlijk omdat ik Fransch verstond, verwachtte dat ik
tegen het korps officieren ingenomen zou zijn, terwijl ik integendeel
door mijn langer verblijf in den Kaukasus zoover gekomen was, het op
zijn juiste waarde te schatten en het duizendmaal hooger te schatten
dan den kring, waaruit de heer Guskoff afkomstig was. Ik wilde hem dit
zeggen, doch zijn positie weerhield mij daarvan.

[27] Een positie in de wereld.

[28] Mijn vader gaf mij 10000 roebel per jaar.

[29] Ik werd ontvangen in de beste gezelschappen van St. Petersburg,
ik kon aanspraak maken.

[30] Maar vooral was ik goed thuis in dien eigenaardigen spreektrant
der voorname wereld.

[31] Dat is die verhouding met Mevr. D.

[32] Mijn vader, over wien ge wel hebt hooren spreken.

[33] Hij heeft mij onterfd.

[34] Hij is konsekwent geweest.

[35] Het kampleven.

[36] Men zal me in het vuur zien.

[37] En ge weet, met dat prestige, dat het ongeluk iemand geeft.

[38] Welk een ontgoocheling!

--In het N. regiment is het korps officieren duizendmaal slechter dan
in dit, ging hij voort. _J'espère que c'est beaucoup dire_[39], ge
kunt U niet voorstellen, hoe ze zijn! Van de jonkers en de gewone
soldaten wil ik hier niet spreken. Dat is een verschrikkelijke troep!
In den beginne ontvingen ze me goed, dat is zoo, maar later, toen zij
zagen, dat ze me behoorden te verachten, (dat zagen ze aan onmerkbare,
kleine dingen, ge begrijpt wel, waaruit ze opmaakten dat ik een heel
ander mensch moest zijn dan zij, een, die ver in stand boven hen
stond), toen werden ze nijdig op me en begonnen me allerlei kleine
vernederingen aan te doen. _Ce que j'ai eu à souffrir, vous ne vous
faites pas une idée._[40]

Dan de onwillekeurige omgang met de jonkers, en dan: _avec les petits
moyens, que j'avais, je manquais de tout_[41], ik had niets, dan wat
mijn zuster mij zond. Een bewijs hoeveel ik te lijden had, is, dat ik,
met mijn karakter, _avec ma fierté, j'ai écrit à mon père_,[42] ik
smeekte hem, mij toch maar iets te zenden. Ik begrijp heel goed, dat
men, als men vijf jaar zulk een leven geleid heeft, worden kan zooals
onze gedegradeerde Dromoff, die met gemeene soldaten drinkt en aan
alle officieren brieven schrijft, waarin hij om drie roebel »te leen"
vraagt en die hij onderteekent: _tout à vous_[43] Dromoff. Men moet
een karakter hebben als het mijne om in deze vreeselijke positie niet
geheel en al onder te gaan. Hij liep een poos lang zwijgend naast
mij. _Avez-vous un papiros?_[44] vroeg hij.--Ja, waar was ik ook weer
gebleven? Juist. Ik kon dat leven niet uithouden, lichamelijk niet;
want hoe vreeselijk het ook was, hoezeer ik ook leed door honger en
kou, al leidde ik ook het leven van een gemeen soldaat, toch hadden de
officieren nog eenige achting voor me--had ik in hun oog nog een zeker
prestige. Ze zonden me niet op wacht, lieten me niet exerceeren. Dat
zou ik niet verdragen hebben. Maar mijn moreel lijden was ontzettend.
En wat het allerergste was, ik zag geen uitweg uit dezen toestand. Ik
schreef aan mijn oom, smeekte hem, mij tenminste naar dit regiment te
laten overplaatsen, dat tenminste de veldtocht meemaakt, en ik dacht:
hier dient Pavel Dmitrijewitsch, _qui est le fils de l'intendant de
mon père_,[45] die zal mij tenminste van dienst kunnen zijn. Mijn
oom voldeed aan mijn verzoek,--ik werd overgeplaatst. Na dat andere
regiment, kwam dit mij voor als een verzameling van kamerheeren.
Ook was Pavel Dmitrijewitsch daar; hij wist wie ik was, en ik werd
voortreffelijk ontvangen. Op verzoek van mijn oom, Guskoff, _vous
savez?_[46]... Maar ik maakte de opmerking, dat deze menschen zonder
opvoeding of verstand een man niet kunnen achten, noch hem hun achting
betoonen, wanneer hij niet den stralenkrans van rijkdom en aanzien
heeft. Ik merkte op hoe langzamerhand, toen zij bespeurd hadden dat
ik arm was, hun omgang met mij àl onverschilliger en eindelijk bijna
minachtend werd. Het is vreeselijk, maar het is de volle waarheid.

[39] Mij dunkt, dat dit heel wat gezegd is.

[40] Wat ik te lijden gehad heb, daar kunt ge u geen voorstelling van
maken.

[41] Bij de geringe middelen, waarover ik beschikte, had ik aan alles
gebrek.

[42] Met mijn trots, heb ik aan mijn vader geschreven.

[43] Geheel de uwe.

[44] Hebt ge een sigaret voor me?

[45] Die de zoon is van den rentmeester mijns vaders.

[46] Weet gij?

Ik heb hier deelgenomen aan verschillende veldtochten, ik heb
gestreden, _on m'a vu au feu_[47], ging hij voort--maar wanneer zal
er aan dat alles een einde komen? Ik geloof wel nooit; en mijn
krachten en mijn energie beginnen uitgeput te raken. Toenmaals had ik
mij een beeld gevormd van _la guerre, la vie de camp_,[48] maar ik
zie dat het alles heel anders is: in een pelsjas, ongewasschen, met
soldatenlaarzen aan, gaat men op hinderlaag en ligt men den geheelen
nacht door in een hollen weg, met den eerste den beste, die voor
dronkenschap bij de soldaten ingedeeld is en ieder oogenblik kan men
van uit de boschjes doodgeschoten worden--ik of die andere, dat is
precies hetzelfde... Daar helpt geen dapperheid tegen, dat is
afschuwelijk, _c'est affreux, ça tue_.[49]

[47] Men heeft mij in het vuur gezien.

[48] De oorlog, het kampleven.

[49] Dat is vreeselijk, dat maakt iemand dood.

--Nu ja, maar ge zult nu toch voor den veldtocht onderofficier, en in
het volgende jaar vaandrig worden, zei ik.

--Ja, dat kan ik, dat heeft men mij beloofd, maar dat duurt nog twee
jaar, en misschien nog langer, en wat dat zeggen wil, twee zulke
jaren, als iemand dàt eens weten kon! Stel u het leven met dien Pavel
Dmitrijewitsch voor: kaartspel, grove grappen, drinkgelagen... Ge wilt
zeggen wat u het hart beklemt, en niemand begrijpt u of ge wordt zelfs
nog uitgelachen. Men spreekt niet tot u om u tot deelgenoot van een
gedachte te maken, doch alleen om u, zoo mogelijk, tot een zotskap te
vernederen. En dat alles is zoo gemeen, zoo grof, zoo hatelijk en ge
gevoelt aldoor dat ge tot het lagere personeel behoort--men laat u dat
altoos voelen. Daarom kunt ge ook niet begrijpen, welk een genot het
is _à coeur ouvert_[50] te spreken, met een man zooals gij.

[50] Openhartig, zonder terughouding.

Ik begreep in 't geheel niet, wat voor een mensch ik dan wel was, en
daarom wist ik ook niet, wat ik hem zou antwoorden.

--Wilt u wat eten? vroeg Nikita mij juist op dit oogenblik; hij was
ongemerkt in de duisternis naar mij toegeslopen en naar ik merkte, was
hij niet in zijn humeur over de aanwezigheid van een gast.--Er zijn
alleen nog maar piroggen en wat gehakt.

--Heeft de kapitein al gegeten?

--Ze slapen al lang, antwoordde Nikita norsch.

Toen ik hem beval wat eten en wat drank hierheen te brengen, bromde
hij in zijn baard en ging met sleepende treden naar de hut. Daar bleef
hij aan 't brommen, maar bracht ons toch een koffer; op dien koffer
zette hij een licht, dat hij te voren met papier tegen den wind
beschut had, een kleine pan, mosterd, een kelk, een blikken beker met
een handvat en een flesch vermouth. Nadat Nikita dat alles klaargezet
had, bleef hij nog een poos bij ons staan en zag hoe Guskoff en ik den
drank aanspraken, wat hem blijkbaar zeer onaangenaam stemde. Bij den
matten schijn, dien de kaars door het papier wierp, en de duisternis,
die ons omgaf, zag men slechts het zeehondenleer, waarmee de koffer
overtrokken was, het avondeten, dat daarop stond, Guskoffs gezicht,
zijn pelsjas en zijn kleine, roode handen, die de piroggen uit de
pan namen. Rondom ons was alles zwarte nacht en alleen als men scherp
tuurde, kon men de zwarte batterij onderscheiden, de zwarte gedaante
van den schildwacht op de borstwering, ter zijde de brandende
wachtvuren en boven ons de roodschemerende sterren. Guskoff glimlachte
nauw merkbaar, droefgeestig en beschaamd, als stemde het hem
onbehagelijk mij na zijn bekentenis in de oogen te zien, hij dronk nog
een glaasje en at gretig, schrapte zelfs de pan uit.

--Ja, voor u is het toch altijd nog een verlichting, zeide ik, (om
toch iets te zeggen) dat ge den adjudant kent; ik heb gehoord, dat hij
een goed mensch is.

--Ja, antwoordde de gedegradeerde, hij is een aardig mensch, maar meer
kan hij niet zijn, hij kan geen mènsch zijn--en van iemand van zijn
opvoeding kan men dat ook niet verlangen. Hij scheen plotseling te
blozen.

--Hebt gij zijn grove scherts over die hinderlaag gehoord? en, hoewel
ik verscheidene malen beproefde dat gesprek af te breken, begon
Guskoff zich voor mij te rechtvaardigen, en mij uiteen te zetten, dat
hij niet van zijn post weggeloopen was en dat hij geen lafaard was,
zooals de adjudant en Sch. hadden laten doorschemeren.

--Zooals ik u gezegd heb, vervolgde hij, zijn handen aan zijn pelsjas
afvegend, zulke lieden verstaan de kunst niet, zacht met iemand om te
gaan, met een gewoon soldaat, die geen geld heeft; dat gaat boven hun
krachten. En in den laatsten tijd, nu ik sinds vijf maanden, waarom
weet ik niet, niets van mijn zuster gekregen heb, heb ik gemerkt,
hoezeer hun houding tegenover mij veranderd is. Deze pelsjas, die ik
van een gewoon soldaat gekocht heb, en die niet verwarmt, omdat hij
geheel afgesleten is (hierbij liet hij mij den kalen schoot ervan
zien) boezemt hun geen medelijden of achting in, maar verachting, en
zij zijn niet in staat dat te verbergen. Mijn nood moge al nòg zoo
groot zijn, zooals nu, nu ik niets te eten heb dan soldatenkost en
niets om aan te trekken, vervolgde hij met neergeslagen oogen en goot
nog een glaasje vermouth naar binnen, het komt niet in hem op, mij
geld aan te bieden en hij weet toch dat ik het hem teruggeef. Hij
wacht totdat ik, in mijn ellendigen toestand, het hem vragen moet.
En ge kunt begrijpen, hoe zwaar mij dat valt, vooral aan hem. U bijv.
durf ik dat heel goed openhartig zeggen: _vous êtes au-dessus de cela,
mon cher, je n'ai pas le sou_.[51]

[51] Gij zijt daarboven verheven, mijn waarde, ik heb geen cent meer.

--En weet ge, zei hij en zag mij plotseling met een blik vol
vertwijfeling in de oogen--ik zeg het u openhartig: ik ben nu in
een verschrikkelijke positie: _pouvez-vous me prêter 10 roubles
argent?_[52] Mijn zuster moet me met de eerstvolgende post wel wat
zenden, _et mon père_.[53]....

[52] Kunt ge mij 10 zilveren roebels leenen?

[53] En mijn vader...

--Wel zeker, met veel genoegen! zeide ik, hoewel het mij integendeel
uiterst onaangenaam en krenkend was, vooral omdat ik daags te voren
bij het kaarten verloren had en zelf niet meer dan vijf roebel en
eenige kopeken bij Nikita had staan.--Dadelijk, zei ik, en stond op,
ik ga even naar mijn tent om ze te halen.

--Neen, later, _ne vous dérangez pas_.[54]

[54] Derangeer u niet.

Ik luisterde echter niet naar hem en kroop in de toegebonden tent,
waar mijn bed stond en de kapitein sliep.

--Alexeï Iwanitsch, wees zoo goed en geef me tien roebel tot den dag
van het traktement, zei ik en schudde hem wakker.

--Wel, komt ge weer te kort? En gisteren hebt ge nog verklaard niet
meer te zullen spelen? zei de kapitein, nog half slapend.

--Neen, ik heb niet gespeeld, ik heb het voor wat anders noodig, toe,
geef ze me.

--Makatjuk! riep de kapitein zijn oppasser toe, krijg het geldkistje
en breng het hier.

--Zachter, zachter! zei ik. Ik hoorde dicht bij de tent den
gelijkmatigen pas van Guskoff.

--Wat?... waarom zachter?

--De gedegradeerde heeft ze me te leen gevraagd en die loopt daar
buiten.

--Als ik dat geweten had, had ik ze niet gegeven, merkte de
kapitein op. Ik heb van hem gehoord, die knaap is een der
grootste losbollen!--Maar de kapitein gaf me het geld toch, beval
het geldkistje weg te zetten, de tent goed te sluiten, herhaalde
nogmaals:--Als ik het geweten had, zou ik ze niet gegeven hebben,
en trok de deken over het hoofd.--Nu zijt ge me 32 roebel schuldig,
vergeet dat niet! riep hij me na. Toen ik uit de tent kwam, liep
Guskoff bij het bankje op en neer, en zijn kleine gestalte met de
kromme beenen en de afschuwelijke muts met de lange, witte haren kwam
telkens uit de duisternis te voorschijn, wanneer hij voorbij de kaars
kwam. Hij deed of hij mij niet zag. Ik gaf hem het geld. Hij zei
_merci_, frommelde het biljet in elkaar en stak het in zijn broekzak.

--Nu zal het spel bij Pavel Dmitrijewitsch, dunkt me, wel in vollen
gang! begon hij onmiddellijk daarop.

--Ja dat denk ik ook.

--Hij speelt merkwaardig, altijd _à rebours_[55] en nooit weigert hij
een verdubbeling van den inzet; lukt het, dan is dat goed en wel, maar
lukt het niet, dan kan men er vreeselijk veel geld mee verspelen. Dat
heeft hij trouwens ondervonden. In dezen veldtocht heeft hij, als men
goed narekent, meer dan vijftien honderd roebels verloren. En hoe
gematigd heeft hij vroeger gespeeld, zoo zelfs dat die officier
daareven aan zijn eerlijkheid scheen te twijfelen.

[55] Tegen den gewonen regel in.

--Ja, hij kan zoo.... Nikita, hebben we geen wijn meer? zei ik en
voelde mij zeer verlicht door Guskoffs woordenstroom. Nikita bromde
nog altoos, maar bracht ons toch den wijn en zag woedend toe dat
Guskoff zijn glas ledigde. In Guskoffs houding was zijn vroegere
onbevangenheid weer te merken. Ik had gewenscht, dat hij zoo snel
mogelijk heengegaan zou zijn en had het gevoel, alsof hij dat juist
niet deed, omdat hij zich schaamde weg te gaan, dadelijk nadat hij het
geld gekregen had. Ik zei geen woord.

--Hoe is het mogelijk dat gij, een vermogend mensch, zoo zonder eenige
noodzaak, _de gaieté de coeur_,[56] het besluit genomen hebt, in den
Kaukasus dienst te nemen? Ziet ge, dat begrijp ik niet, zeide hij.

[56] Volkomen willekeurig.

Ik deed me best dien stap te rechtvaardigen, dien hij zoo opvallend
vond.

--Ik kan me denken, hoe zwaar ook u den omgang met deze officieren
moet vallen, met deze menschen, die zelfs geen idee van beschaving
hebben. Het is niet mogelijk, dat ze voor iemand als u iets voelen.
Al bleeft ge tien jaar lang hier, ge zoudt toch niets anders zien en
hooren dan kaarten, wijn en gesprekken over onderscheidingen en
veldtochten.

Het deed me onaangenaam aan, dat hij verlangde dat ik het met zijn
beweren eens zou zijn en ik betuigde hem, volkomen oprecht, dat ik
zeer veel hield van kaarten, wijn en gesprekken over veldtochten.
Maar hij wilde me niet gelooven.

--Och, dat zegt ge zoo maar, ging hij voort. En het gemis van
vrouwen, d.w. ik bedoel _femmes comme il faut_,[57] is dat niet een
verschrikkelijke ontbering? Ik weet niet wat ik er niet voor zou
geven, als ik me een oogenblik in een salon kon verplaatsen en, al was
het ook maar door een kiertje van een deur, een bekoorlijke vrouw kon
zien.

[57] Beschaafde dames.

Hij zweeg een oogenblik en dronk nog een glas wijn.

--Ach God! ach God! Misschien hebben we nog eenmaal het geluk, elkaar
in Petersburg bij menschen te ontmoeten, bij menschen, met vrouwen om
te gaan en te leven. Hij dronk het laatste restje wijn uit de flesch
en zei toen:--O, pardon, misschien hadt gij nog willen drinken, ik ben
vreeselijk verstrooid. Ik geloof, dat ik te veel gedronken heb, _et je
n'ai pas la tête forte_.[58]

[58] En ik kan er niet heel goed tegen.

Er was een tijd dat ik op de Marskaja (te Petersburg) woonde _au
rez-de-chaussee_,[59] ik had daar een wondermooie, kleine woning,
mijn eigen meubels, moet ge weten, ik verstond de kunst me behoorlijk
in te richten, zonder dat het mij buitensporig veel geld kostte.
Trouwens, mijn vader gaf mij porcelein, bloemen en wondermooi
zilvergoed. _Le matin je sortais_[60], bezoeken afleggen; _à 5 heures
regulièrement_[61] reed 's middags naar haar toe, vaak was ze alleen.
_Il faut avouer que c'était une femme ravissante._[62] Hebt ge haar
niet gekend, in 't geheel niet?

[59] In een benedenhuis.

[60] 's Morgens ging ik uit.

[61] Geregeld om vijf uur.

[62] Men moet erkennen dat het een verrukkelijke vrouw was.

--Neen.

--Weet ge, ze was vrouwelijk in de hoogste mate, teeder, en haar
liefde!.... Och, lieve hemel! Ik heb toen dat geluk niet op de rechte
waarde geschat. Na afloop van de schouwburgvoorstelling keerden wij
vaak samen naar huis terug en soupeerden dan. Nooit heb ik mij bij
haar verveeld, _toujours gaie, toujours aimante_.[63] Ja, ik had er
geen flauw vermoeden van, wat een zeldzaam geluk dat was. _Et j'ai
beaucoup à me reprocher envers elle. Je l'ai fait souffrir et
souvent_,[64] ik was wreed. Ach, wat was dat een heerlijke tijd.
Verveel ik u?

[63] Altoos opgeruimd, altoos minnares.

[64] Ik heb me ten haren opzichte veel te verwijten, ik heb haar vaak
verdriet gedaan.

--Neen, in geenen deele.

--Dan wil ik u wat vertellen van onze avonden. Ik kom binnen, ik ken
die trap, ik ken iedere bloempot, de deurknop--alles is zoo lief, zoo
bekend, dan de voorkamer, haar kamer... Neen, dat komt nooit, nooit
weer terug! Ze schrijft nu ook nog, ik wil u gaarne haar brieven laten
zien. Maar ik ben nu niet meer dezelfde--ik ben een verlorene, ik
ben harer niet meer waardig... Ik ben voor eeuwig verloren! _Je suis
cassé._[65] Ik heb geen energie, geen trots, niets meer. Ook mijn adel
is weg.. ja, ik ben een verlorene! En geen mensch zal begrijpen wat
ik lijd--niemand betoont mij medegevoel. Ik ben een verloren mensch!
Nooit kan ik me weer opheffen, want ik ben moreel gezonken--in 't
slijk gezonken.

[65] Ik ben gebroken.

.. In dit oogenblik klonk oprechte, diepe wanhoop uit zijn woorden;
hij zag me niet aan en zat daar onbewegelijk.

--Waarom zoo te wanhopen? vroeg ik.

--Omdat ik een afschuwelijk mensch ben; dit leven heeft me ten gronde
gericht, alles wat in me was, is dood.... Ik lijd niet meer met
fierheid, maar als een onwaardige--de _dignité dans le malheur_[66]
heb ik niet meer. Ieder oogenblik duld ik vernederingen. Dit slijk
_a déteint sur moi_,[67] ik ben zelf ruw geworden; wat ik geweten heb,
ben ik vergeten, ik kan geen Fransch meer spreken, ik voel dat ik laag
en gemeen ben. Aan gevechten kan ik in deze omgeving niet deelnemen,
voor niets ter wereld; misschien zou ik een held zijn: geef me een
regiment, gouden epauletten en trompetters; maar in hetzelfde gelid
met den eersten den besten Antonoff Bondarenko en dergelijke lui
te strijden en dan te moeten bedenken, dat tusschen hen en mij niet
het geringste onderscheid is, dat het precies hetzelfde is of hij
doodgeschoten wordt of ik--die gedachte doodt mij. Begrijpt ge, hoe
vreeselijk het is, te moeten bedenken, dat de eerste de beste gemeene
kerel mij dooden kan, mij, een mensch, die denkt en gevoelt, en dat
het precies hetzelfde is of hij mij doodt, dan wel dien Antonoff naast
mij, een schepsel, dat zich door niets van een dier onderscheidt en
dat het best gebeuren kan dat men juist mij doodt en niet Antonoff,
zooals dat altijd gebeurt, _une fatalité_[68] voor al wat goed en hoog
is. Ik weet, dat ze me een lafaard noemen; goed, laat ik een lafaard
zijn--ik ben nu eenmaal een lafaard en kan niet anders zijn.

[66] waardigheid in het ongeluk.

[67] heeft me bespat.

[68] een noodlot.

Maar als ware 't niet genoeg, dat ik een lafaard ben, ik ben in uw
oog ook--een bedelaar en een verachtelijk mensch. Ziet ge, ik heb u
daareven om geld gevraagd--u hebt een recht mij te verachten. Neen,
neem liever uw geld terug--en hij reikte mij het verfrommelde biljet
toe. Ik wil, dat ge mij zult achten. Hij bedekte zijn gezicht met
zijn handen en brak in tranen uit; ik wist niet wat ik tot hem zeggen
zou of doen.

--Wees bedaard, zei ik tot hem, ge zijt te fijngevoelig, ge moet
u niet alles zoo aantrekken, denk niet zooveel, neem de dingen
eenvoudiger op. Ge zegt zelf, dat ge karakter hebt. Draag dus uw
ongeluk, ge zult niet lang meer behoeven te lijden. Dit alles zei ik
tot hem, maar in zeer onduidelijke bewoordingen, want ik werd bewogen
door een gevoel van berouw, dat ik het gewaagd had in gedachte een
waarachtig en diep ongelukkig mensch te veroordeelen.

--Ja, begon hij, als ik sinds het uur, dat ik in deze hel ben,
ook maar een enkel woord van deelneming, van goeden raad of van
vriendschap gehoord had,--een woord van menschelijkheid, gelijk ik
van u hoor--misschien kon ik dan rustig alles verdragen, misschien
kon ik het dan dragen en zelfs gemeen soldaat zijn--maar nu is het
vreeselijk..... Wanneer ik mijn gezond verstand gebruik, wensch ik den
dood; waarom zou ik dit smadelijke leven en mijzelf liefhebben, nu ik
toch voor al het goede in de wereld verloren ben? en bij het geringste
gevaar onwillekeurig weer begin dit gemeene leven te vergoden en te
sparen als iets kostbaars? En ik kan mijzelf niet overwinnen, _je
ne puis pas_[69] d.w.z. ik kan het wel--ging hij na een minutenlang
zwijgen voort--maar het kost me te veel moeite, enorme moeite, als ik
alleen ben. Met anderen samen, wanneer ik in gewone omstandigheden in
het vuur ga, ben ik dapper, _j'ai fait mes preuves_,[70] want ik ben
vol eigenliefde en trots: dat is mijn gebrek, en in tegenwoordigheid
van anderen... Weet ge, laat mij vannacht in uw tent overnachten, bij
mij zal wel den geheelen nacht gespeeld worden. Onverschillig waar, op
den grond.

[69] ik kan niet.

[70] dat heb ik bewezen.

Terwijl Nikita het bed klaarmaakte, stonden we op en liepen weer in
het duister bij de batterij op en neer. Guskoff moest wel werkelijk
slecht tegen drank kunnen, want van twee glaasjes vermouth en twee
glazen wijn waggelde hij. Toen we opstonden en uit het licht der
kaars gingen, merkte ik op, dat hij het tienroebelbiljet, 't welk hij
gedurende het geheele voorafgaande gesprek in de hand gehouden had,
weer in den zak schoof, maar zòò dat ik het niet zien zou. Hij sprak
nog steeds door; hij voelde dat hij zich nog zou kunnen oprichten, als
hij een mensch had, zooals ik, die medelijden met hem had.

Wij wilden reeds in de tent gaan om ons te slapen te leggen, toen
plotseling een kogel over ons heen floot en niet ver van ons in den
grond sloeg. Dat was zoo vreemd: dit stille, slapende kampement, ons
gesprek en... op eens die vijandige kogel, die, God weet waar vandaan,
over onze tent kwam vliegen--zoo vreemd, dat ik een poos lang mij
geen rekenschap kon geven van wat eigenlijk geschiedde. Een van onze
soldaten, Andrejeff, die bij de batterij op wacht stond, kwam naar mij
toe.

--Ei, ze zijn nabij geslopen! Men kon van hier het vuur zien, zeide
hij.

--We moeten den kapitein wekken, zei ik en keek naar Guskoff.

Hij stond daar, diep naar den grond gebogen en stamelde: Dat... dat...
vijand.. gek! Verder zei hij niets en ik zag niet, waarheen hij zoo
opeens verdween.

In de hut van den kapitein werd een licht ontstoken, men hoorde zijn
gewoon kuchje bij het ontwaken, en spoedig kwam hij zelf naar buiten
en vroeg om een lont om zijn pijpje aan te steken.

--Wat is er nu weer, vadertje? vroeg hij glimlachend, men wil me
vannacht maar niet laten slapen, eerst gij met uw gedegradeerde en nu
Schamyl! Wat zullen wij doen, antwoorden of niet? Is er iets bevolen?

--Neen, niets. Daar, alweer! zei ik, en nu twee tegelijk. Inderdaad
lichtten in de duisternis, recht voor ons, twee vlammen op, gelijk
twee oogen en spoedig daarna vloog een kogel over onze hoofden en, met
luid, doordringend gefluit eene leege granaat; wellicht een van ons.
Uit de tenten in de buurt kwamen de soldaten kruipen, men hoorde ze
hoesten, zich uitrekken en praten.

--Kijk, hij fluit voor je oogen als een nachtegaal, merkte een
artillerist op.

--Roep Nikita! zei de kapitein, met zijn gewonen goedigen
glimlach.--Nikita! kruip niet weg, hoor eens hoe de nachtegalen uit de
bergen fluiten.

--Ach, Uw Hoogwelgeboren, zei Nikita, die naast den kapitein stond, ik
heb ze al gezien, die nachtegalen. Ik ben niet bang voor ze, maar de
gast, die daareven hier was en uw wijn gedronken heeft, toen die ze
gehoord heeft, heeft hij zich gauw uit de voeten gemaakt, hij is als
een kogel voorbij gerold, in elkaar gedoken als een dier.

--Maar het zal toch noodig zijn, naar beneden, naar den kommandant der
artillerie te rijden, zei de kapitein op ernstigen, bevelenden toon
tot mij, om hem te vragen of we het vuur moeten beantwoorden of niet;
er kan wel nauwelijks sprake van zijn, maar we kunnen toch beneden
gaan hooren. Wees gij zoo goed er snel heen te rijden en vraag het
hem. Laat U een paard zadelen, en als het niet anders gaat, neem dan
mijn Polkan, om gauwer weg te komen.

Vijf minuten daarna bracht men mij het paard en reed ik weg naar den
kommandant der artillerie.

--Denk er om, het wachtwoord is »Deichsel", fluisterde de kapitein me
uit voorzorg in, anders komt ge niet door de voorpostenlinie.

Naar den kommandant der artillerie was een halve werst rijden; de
heele weg voerde langs de tenten heen. Zoodra ik bij ons wachtvuur
vandaan was, werd het zoo donker, dat ik niet eens de ooren van mijn
paard kon zien; alleen het flikkeren der wachtvuren, dat mij nu eens
heel dicht bij, dan weer heel veraf leek, schemerde mij in de oogen.
Een klein eindje reed ik zooals mijn paard wilde, met slappe teugels.
Ik kon nu de witte, vierhoekige tenten onderscheiden, later ook de
zwarte sporen van den weg, in een half uur was ik bij den kommandant.
Drie maal had ik naar den weg moeten vragen, viermaal was ik over de
piketpaaltjes der tenten gestruikeld, waarbij ik telkens vloeken van
binnen uit naar mijn hoofd kreeg, en twee maal werd ik door een post
aangehouden. Gedurende den rit had ik nog twee schoten gehoord, maar
zij droegen niet tot aan de plek, waar de staf lag. De kommandant
van de artillerie gaf geen bevel om terug te schieten, te meer niet,
omdat de vijand zijn vuur staakte, en ik aanvaardde den terugweg,
het paard aan den teugel houdend en mij te voet tusschen de tenten
der infanterie doorwerkend. Vaak vertraagde ik mijn schreden, als
ik voorbij een soldatentent kwam, waarin nog licht schemerde, of
luisterde naar het verhaal van een of anderen spotvogel, of naar
het voorlezen uit een boek, door een of anderen geleerde, naar wien
de heele afdeeling, den voorlezer van tijd tot tijd met allerlei
aanmerkingen in de rede vallend, in een dichten hoop in en om de tent
opeengedrongen luisterde, of ook wel naar de gesprekken over den
veldtocht, over de geboorte-plaats, over de superieuren.

Toen ik voorbij een der tenten van het bataillon kwam, hoorde ik de
luide stem van Guskoff, die zeer vroolijk en levendig sprak; jonge
eveneens lustige stemmen, van voorname heeren, niet van gemeene
soldaten antwoordden hem. Het was blijkbaar de tent van de jonkers of
de onderofficieren. Ik bleef staan.

--Ik ken hem al lang, zei Guskoff. Ik ben nog familie van hem, en wat
het voornaamste is, we zijn oude vrienden. Het is goed, mijne heeren,
zulk een kennis te hebben, moet ge weten. Hij is schatrijk. Honderd
roebels zijn niets voor hem. Ik heb mij ook een kleinigheid van hem
laten geven, tot mijn zuster mij wat zendt.

--Nu, laat dan maar wat halen!

--Dadelijk. Saffjilitsch, duifje! klonk Guskoffs stem steeds dichter
bij den ingang van de tent. Hier hebt ge tien roebel, ga naar de
marketentster en breng twee flesschen... en wat nog meer, heeren? Nu,
zeg op!

En Guskoff trad zwaaiend, met wanordelijk haar en zonder muts, uit de
tent. Hij sloeg de slippen van zijn pelsjas op zij, stak de handen in
de zakken van zijn grijze broek en bleef aan den ingang staan. Hoewel
hij in het licht stond en ik in het donker, trilde ik toch van angst,
dat hij mij zien kon, deed mijn best geen gedruisch te maken en ging
verder.

--Werda? riep Guskoff me met een volslagen dronkemansstem toe. De
koude had hem blijkbaar heelemaal buiten westen gemaakt.--Wat voor een
duivel sluipt hier met zijn paard om?

Ik antwoordde niet en zocht zwijgend mijn weg.

EINDE.



  +----------------------------------------------------+
  |                                                    |
  |           OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER:             |
  |                                                    |
  |  De volgende correcties zijn in de tekst           |
  |  aangebracht:                                      |
  |                                                    |
  |  Bron (B:) -- Correctie (C:)                       |
  |                                                    |
  | B: toewierp; Morgen rukt ons                       |
  | C: toewierp; morgen rukt ons                       |
  | B: Een van ons word gewond of                      |
  | C: Een van ons wordt gewond of                     |
  | B: Kaukusus zegt, dat wil zeggen,                  |
  | C: Kaukasus zegt, dat wil zeggen,                  |
  | B: garde de le devenir.                            |
  | C: garde de le devenir.[6]                         |
  | B: grasspiertje, geen wolkje bewoog.               |
  | C: grassprietje, geen wolkje bewoog.               |
  | B: een uitdrukkng van overdreven                   |
  | C: een uitdrukking van overdreven                  |
  | B: begon te worden Maar in de                      |
  | C: begon te worden. Maar in de                     |
  | B: de karwats, en rijd naar den generaal.          |
  | C: de karwats, en rijdt naar den generaal.         |
  | B: dat geschreeuw, eigelijk nutteloos waren.       |
  | C: dat geschreeuw, eigenlijk nutteloos waren.      |
  | B: komt onmiddelijk leven in het verlaten          |
  | C: komt onmiddellijk leven in het verlaten         |
  | B: yaï! Daarop volgden korte,                      |
  | C: yaï!" Daarop volgden korte,                     |
  | B: en op te vroolijken                             |
  | C: en op te vroolijken.                            |
  | B: meest innemende en symphatieke,                 |
  | C: meest innemende en sympathieke,                 |
  | B: werken en zat voordurend te                     |
  | C: werken en zat voortdurend te                    |
  | B: zachtste, geschikste kerel van de               |
  | C: zachtste, geschiktste kerel van de              |
  | B: pelsjas onder den en sterk uitstekende          |
  | C: pelsjas onder den arm en sterk uitstekende      |
  | B: (zelfs niets eens »neus" speelde)               |
  | C: (zelfs niet eens »neus" speelde)                |
  | B: zeide Maxinoff dikwijls van                     |
  | C: zeide Maximoff dikwijls van                     |
  | B: Letterlijk; suikersigaar.                       |
  | C: Letterlijk: suikersigaar.                       |
  | B:  hij zich in in den nek krabde,                 |
  | C:  hij zich in den nek krabde,                    |
  | B: treden voor het appél,                          |
  | C: treden voor het appèl,                          |
  | B: Maximowitsch? vroeg Tchikine, van               |
  | C: Maximowitsch? vroeg Tschikine, van              |
  | B: geloofden wezelijk alles, Fedor                 |
  | C: geloofden wezenlijk alles, Fedor                |
  | B: zwarte, door een melkwitte,                     |
  | C: zwarte, daar een melkwitte,                     |
  | B: tamelijk wel overeen stemdenen werden zoo       |
  | C: tamelijk wel overeen stemden en werden zoo      |
  | B: naar den Kaukasus moet gaan dienen              |
  | C: naar den Kaukasus moeten gaan dienen            |
  | B: schoons heeft, hernam hij eenigzins             |
  | C: schoons heeft, hernam hij eenigszins            |
  | B: maar ik wachte tot hij op                       |
  | C: maar ik wachtte tot hij op                      |
  | B: Is er wijn, Nikolaieff?                         |
  | C: Is er wijn, Nikolaïeff?                         |
  | B: Nikoaïleff, alles scheen mij                    |
  | C: Nikolaïeff, alles scheen mij                    |
  | B: VIl.                                            |
  | C: VII.                                            |
  | B: stechts de dichte woudzoom                      |
  | C: slechts de dichte woudzoom                      |
  | B: bataillon van het regement K**                  |
  | C: bataillon van het regiment K**                  |
  | B: gezicht der toebereeidselen was hij             |
  | C: gezicht der toebereidselen was hij              |
  | B: na een oogen van stilte,                        |
  | C: na een oogenblik van stilte,                    |
  | B: --Wenu! hebt gij de voorposten geïnspekteerd!   |
  | C: --Welnu! hebt gij de voorposten geïnspekteerd?  |
  | B: dagelijks twee abas[21],                        |
  | C: dagelijks twee _abas_[21],                      |
  | B: gracht! zei Bolcboff.                           |
  | C: gracht! zei Bolchoff.                           |
  | B: misschien, zeide Bolcboff.                      |
  | C: misschien, zeide Bolchoff.                      |
  | B: riabko[22] kookte, verder                       |
  | C: _riabko_[22] kookte, verder                     |
  | B: gewonde gezien heetf.                           |
  | C: gewonde gezien heeft.                           |
  | B: verlos ons van den booze. Amen!                 |
  | C: verlos ons van den booze. Amen!"                |
  | B: mijn pijp aan te steken                         |
  | C: mijn pijp aan te steken,                        |
  | B: drie man en een offlcier dood;                  |
  | C: drie man en een officier dood;                  |
  | B: Shadanoff.                                      |
  | C: Shdanoff.                                       |
  | B: de knieën zat te neurën.                        |
  | C: de knieën zat te neuriën.                       |
  | B: meer de nieuwsgierigheid der der                |
  | C: meer de nieuwsgierigheid der                    |
  | B: Wij zijn oude kennisen, d. w. z.,               |
  | C: Wij zijn oude kennissen, d. w. z.,              |
  | B: zelven al belooft, niet meer                    |
  | C: zelven al beloofd, niet meer                    |
  | B: rechterelleboog op de linkernie zitten,         |
  | C: rechterelleboog op de linkerknie zitten,        |
  | B: Dwitrijewitsch toch een heel ander              |
  | C: Dmitrijewitsch toch een heel ander              |
  | B: geld en goud Pavel Dwitrijewitsch nog           |
  | C: geld en goud Pavel Dmitrijewitsch nog           |
  | B: eens, Pavel Dwitrijewitsch, begon de            |
  | C: eens, Pavel Dmitrijewitsch, begon de            |
  | B: antwoordde Pavel Dwitrijewitsch, er is          |
  | C: antwoordde Pavel Dmitrijewitsch, er is          |
  | B: lang niets meer in was.                         |
  | C: lang niets meer was.                            |
  | B: D_,[31] over wie in                             |
  | C: D._,[31] over wie in                            |
  | B: prestige du malheur_[37] Maar,                  |
  | C: prestige du malheur_.[37] Maar,                 |
  | B: hij voort. _J'espere que                        |
  | C: hij voort. _J'espère que                        |
  | B: manquais de tout_[41] ik had                    |
  | C: manquais de tout_[41], ik had                   |
  | B: vraagt en die hij onderteekend:                 |
  | C: vraagt en die hij onderteekent:                 |
  | B: aanwezigheid van een gast--Er                   |
  | C: aanwezigheid van een gast.--Er                  |
  | B: om aan te strekken vervolgde                    |
  | C: om aan te trekken, vervolgde                    |
  | B: je n'ai pas le sou_[51]                         |
  | C: je n'ai pas le sou_.[51]                        |
  | B: me prèter 10 roubles                            |
  | C: me prêter 10 roubles                            |
  | B: vous derangez pas_.[54]                         |
  | C: vous dérangez pas_.[54]                         |
  | B: komt je weer te kort?                           |
  | C: komt ge weer te kort?                           |
  | B: begon hij onmiddelijk daarop.                   |
  | C: begon hij onmiddellijk daarop.                  |
  | B: noodzakelijk, _de gaieté de                     |
  | C: noodzaak, _de gaieté de                         |
  | B: gesprekken over overscheidingen en              |
  | C: gesprekken over onderscheidingen en             |
  | B: wijn en geprekken over                          |
  | C: wijn en gesprekken over                         |
  | B: avouer que c'etait une femme                    |
  | C: avouer que c'était une femme                    |
  | B: cassé_[65] Ik heb geen                          |
  | C: cassé._[65] Ik heb geen                         |
  | B: duld ik vernederingen, Dit slijk                |
  | C: duld ik vernederingen. Dit slijk                |
  | B: of zou doen.                                    |
  | C: zou of doen.                                    |
  | B: fait mes preuves_[70] want ik                   |
  | C: fait mes preuves_,[70] want ik                  |
  | B: tegen drank kennen, want van                    |
  | C: tegen drank kunnen, want van                    |
  | B: Nitika! zei de kapitein,                        |
  | C: Nikita! zei de kapitein,                        |
  | B: glimlach.--Nitika! kruip niet                   |
  | C: glimlach.--Nikita! kruip niet                   |
  |                                                    |
  +----------------------------------------------------+





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Kaukasische vertellingen - Eene overvalling; Een houtkapping in het bosch; Een - ontmoeting te velde met een moskousch kameraad" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home