Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Op den Uitkijk, Jaargang 1909 - Bijblad bij De Aarde en haar Volken
Author: Various
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Op den Uitkijk, Jaargang 1909 - Bijblad bij De Aarde en haar Volken" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



OP DEN UITKIJK.


VAN DEN OOSTERSCHEN SPOORWEG IN TURKIJË.

Het beslag, dat de Bulgaren gelegd hebben op den spoorweg door
Oost-Roemelië, brengt allerlei belangen in gevaar; vooral duitsche
en oostenrijksche maatschappijen worden erdoor getroffen. Die
Oriënt-spoorweg is als een ruggegraat van alle verbindingen op het
Balkan-schiereiland en speelt dus in het europeesche verkeerswezen
een groote rol.

Het personenvervoer op deze lijn is zóó geregeld, dat éénmaal per
dag de zoogenaamde Conventietrein rijdt en driemaal 's weeks de
veelgenoemde Oriënt-express. Het voornaamste verschil tusschen beide
treinen is, dat de Oriënt-express langzaam, maar de Conventietrein
nog langzamer gaat.

Voor den 655 K.M. bedragenden afstand van Konstantinopel tot Sofia
heeft de Oriënt-express 17 uren noodig, zoodat de trein per uur
nog geen 40 K. M. doet. De Conventietrein heeft echter nog vijf
uren meer noodig. Het langzame tempo brengt dit voordeel mee, dat
de wagens bijzonder zacht rijden en zoo weinig schokken, als zelden
op spoorwegen het geval is. Ook moet erkend, dat de wagens op deze
oostersche lijnen goed en sierlijk zijn ingericht. Alleen in zulke
rijtuigen is het dan ook mogelijk, zulke groote afstanden als van
Konstantinopel naar Parijs in éénen door in drie-en-een-halven dag
af te leggen.

In den regel is het gezelschap, dat men er ontmoet, deftig en verbazend
internationaal, en de treinen zijn veelal vol. Eigenaardig is het,
hoeveel Duitsch men hoort en ziet in den trein op den langen rit;
de opschriften in de rijtuigen zijn duitsch voor een groot deel,
en het spoorwegpersoneel, zoowel als de bulgaarsche en Servische
tolbeambten, spreken die taal.

Het bestuur over den spoorweg, die Europa met Konstantinopel
verbindend, langs hun voornaamste steden Sofia en Philippopel gaat,
is een zaak van wezenlijk belang voor de Bulgaren. Toen vooral door de
werkzaamheid van den oostenrijkschen baron Hirsch de spoorlijn werd
aangelegd, waren de Bulgaren nog gebogen onder het turksche juk en
eerst nadien hebben ze zich door de welwillende gezindheid der groote
mogendheden en door het verstandige bestuur van den Battenberger en
vorst Ferdinand opgeheven tot een zelfstandigheid, die hen nu tot
het in beslag nemen van den spoorweg heeft geleid.

Voor ons Europeanen is die spoorweg ook uit toeristisch oogpunt van
belang, want hij voert door een met landschappelijk schoon rijk
gezegend deel van het Balkanschiereiland. Bij Belgrado heeft de
reiziger reeds den drempel van het Oosten betreden, want hoe modern
Belgrado er ook uitziet, onder het oppervlakkige vernis is duidelijk
het Oosten verborgen, en boven de parken en nieuwerwetsche gebouwen
verrijst de oude vesting, zooals de halve maan op de moskeeën staat
naast het kruis op de nieuwere christelijke kerken.

Doch de spoorweg werkt krachtig tot de beschaving van Servië mee,
en zoo is o. a. ook Nisch thans een stad geworden met breede straten,
waarin de turksche bevolking in de laatste tientallen van jaren zich
heeft teruggetrokken in een klein stadsgedeelte rondom de moskeeën,
en de konak van den pacha wordt nu door den servischen koning bij
zijn bezoeken aan Nisch als residentie gebruikt.

Het bergland ten zuiden van Nisch is historisch gebied. Daar streden
in de veertiende eeuw de Turken en behaalden hun zegepralen, die
het schiereiland in hun handen deden overgaan; daar ziet men nu de
ruïnen van burchten en kasteelen, kloosters en kapellen. Pirot is het
Servische grensstation, een stadje, waar Serviërs en Bulgaren nog in
1885 vijandig tegenover elkander stonden, want hier overwon vorst
Alexander van Battenberg het servische leger, dat bij den aftocht
het slot in de lucht liet springen.

Tsaribrod is het bulgaarsche grensstation, gelegen midden in
een wondermooie streek. Vanaf den hoogen Dragomanpas reeds op
bulgaarsch grondgebied, heeft men een verrukkelijk uitzicht op het
Balkanbergland, dat rondom de hoofdstad Sofia zich uitbreidt. De trein
vliegt haast al te vlug door naar Sofia op de door bergreuzen omgeven
hoogvlakte. Langs dezen zelfden weg trok eenmaal keizer Trajanus naar
Sofia, en keizer Constantijn de Groote had er zelfs een tijdlang
zijn residentie. Niemand, die tegenwoordig in Sofia komt en er al
het moderne opmerkt, zou gelooven, dat de geschiedenis van de stad
tot in de eerste jaren na Christus' geboorte opklimt.

De stad lijkt meer op Omaha of Denver en die als uit den grond
gestampte steden in de Vereenigde Staten, zoo ruim en grootsch is de
aanleg, door den Battenberger ontworpen. Maar de bevolking is daarmee
niet in overeenstemming. In de mooie straten met electrisch licht,
waterleiding en nette trottoirs zou men deftige équipages verwachten,
maar er rijden zware boerenkarren met veevoeder of brandhout, getrokken
door ossen of zwarte buffels. Onder de boomen vóór de moderne café's
zitten geen elegante dames en heeren, maar op de stoelen aan de kleine
tafeltjes hebben stoere Walachen plaats genomen met de broekspijpen
in hooge laarzen en bonten mutsen op de ruwe baardige hoofden. In de
huizen van drie en vier verdiepingen zou men winkels met spiegelruiten
verwachten, waar men de dure waren uit West Europa zou kunnen koopen,
terwijl er daarentegen niet anders dan goedkoope kermisartikelen te
krijgen zijn. Zonder de menschen is Sofia een luxe stad; zonder zijn
huizen is het een slovakisch dorp.

Men kan zich haast niet voorstellen, dat het tot voor weinig jaren de
hoofdstad was van een groote turksche provincie en dat het 500 jaar
lang zulk een plaats heeft ingenomen. Thans is er van het turksche
en de Turken niets overgebleven; van de 80.000 inwoners zijn niet
meer dan vijfhonderd Turken.

En binnen hoe korten tijd is al dat turksche verdwenen! Toen generaal
Goerko den 4den Januari als de bevrijder van Bulgarije aan de spits
van de russische overwinnaars er binnen reed, was Sofia nog een
turksche stad. Dadelijk ging men aan het opruimen; duizend huizen
werden verwoest; de moskeeën gesloopt of voor practische doeleinden
ingericht; andere moskeeën, die al vóór den turkschen tijd kerken waren
van de Christenen, werden hergeven aan die leer. Bij vele honderden
verlieten de Turken de stad, en toen in het volgend jaar de nieuwe
vorst, Alexander van Battenberg, zijn intocht hield, was Sofia nog
niet veel beter dan een veld van puinhoopen. Met krachtige energie
heeft de nieuwe regeering de moderne stad in het leven geroepen,
maar het zal nog lang duren, eer de boeren van het groote land in de
voor hen gemaakte lijst passen. De spoorweg en de vrijheid hebben hen
nog weinig veranderd, en elken Vrijdagmorgen kan men zich overtuigen,
hoe weinig ze nog overeenkomen met hun mooie stad. Nog in Juni komen
ze in schaapsvachten gehuld de veemarkt bezoeken met hun producten uit
de rijke en vruchtbare streek. Op die markt kan men zich verbeelden
in een groote roomsche stad in den carnevalstijd te wezen, zoo bont
en verscheiden zijn de kleederdrachten. Er komen dan ook Albaneezen,
Armeniërs, Serviërs, Roemenen, Grieken, en Turken en in grooten
getale Joden en Zigeuners. De Joden, die een tiende deel der bevolking
van Sofia vormen, zijn afstammelingen van de uit Spanje verdrevenen
en spreken tegenwoordig nog een spaansch dialect naast hun joodsche
taal. De Bulgaren zijn traag en missen ondernemingsgeest, en zoo hebben
de Joden den handel aan zich getrokken en zijn er rijk bij geworden.

De drie duizend Zigeuners zijn sjouwers, paardenkooplui, zadelmakers en
bezembinders, terwijl ze als metselaars wel de helft van de stad hebben
gebouwd en als wasschers wel de helft van alle wasschen bezorgen; maar
daarbij is het een verrassend feit, dat de vrouwen, niet de mannen,
de huizen bouwen, en dat de mannen, niet de vrouwen, de wasch bezorgen.

De vorstelijke residentie is intusschen het vroegere paleis van
den turkschen wali. En in die buurt vindt men den schouwburg, het
postkantoor, het officierscasino, de gezantschappen en ministeries
en de vergaderzaal van het Sobranje, het Huis van afgevaardigden.

Na Sofia volgt nog een heerlijk berglandschap, dat de trein doorsnijdt,
om daarna het dal der Maritza te volgen tot voorbij Adrianopel. Bij
Sarambey wisselde vroeger de bulgaarsche spoorwegdienst met den
turkschen, want daar komt de lijn in Oost-Roemelië. Na de hoofdstad
van die provincie, Philippopel, waar de Turken ook geheel door
de Bulgaren verdrongen zijn, wordt het landschap eentonig; langs
Mustapha Pacha en het oude Adrianopel wordt dan eindelijk Stamboel
bereikt door het vlakke land, waar de groote legers werden uitgerust,
die in de 15de en 16de eeuw een groot deel van het christelijke Europa
veroverden. Nog altijd is het Westen bezig, den toen wassenden stroom
van het Turkendom terug te dringen in zijn bedding, die in Azië ligt,
en de oostersche spoorweg is een wapen in dien strijd.



DWARS DOOR HET EILAND BOUGAINVILLE.

De gouverneur van Duitsch Nieuw-Guinea heeft in Juli 1908 als eerste
blanke te zamen met prof. Dr. Sapper het duitsche eiland Bougainville
van den Salomonsarchipel doorreisd. Het gezelschap trok over het 1500
meter hooge Kroonprinsgebergte en legde den geheelen afstand van 51
kilometer dwars over het eiland af in vijf dagen. De zoogdierfauna van
het doorreisde gebied is zeer arm, en ook de vogelwereld leverde minder
verscheidenheid dan op Kaiser Wilhelmsland en Neu-Pommern. De vlakte
aan de oostkust was rijk aan bruikbare houtsoorten. Op de oostkust
van het eiland Bougainville vond men ter hoogte van 600 meter geen
bewoners meer, terwijl op de westkust nog op 900 meter hoogte een
dorp werd aangetroffen. De westelijke helling van het gebergte was
slechts spaarzaam bevolkt, en de bewoners maakten een zwakken en
ziekelijken indruk bij hun zeer afgezonderde leefwijze. Wat de taal
betreft, vonden de onderzoekers, dat er tusschen de bewoners van de
westen die van de oost kust slechts verschil was in dialect. Zonder
vijandelijke ontmoetingen met de inboorlingen kon de expeditie haar
taak ten einde brengen.



ZIN EN ONZIN.

Wees niet bang, dat men u voor onbeschaafd zal houden, als ge het
onverstaanbare niet begrijpt. Niet iedere duister uitgedrukte onzin
is diepzinnigheid.



GEBOUW VAN HET OFFICIERSCORPS IN BELGRADO.

De hoofdstad van Servië, Belgrado, ligt tegenwoordig al heel
ongunstig en gevaarlijk in de onrustige tijden, die men op het
Balkanschiereiland doormaakt. De groote vijand, al van tientallen
jaren her, is Oostenrijk, en nu ligt Belgrado onmiddellijk aan
de grens van Oostenrijk-Hongarije, dus op de meest blootgestelde
plaats. Een eilandje in de Donau, dat bij het congres van Berlijn
noch aan Oostenrijk, noch aan Servië is toegewezen, is reeds door
oostenrijksche troepen bezet, en de spanning tusschen de naburen
neemt steeds toe.

Servië kan het niet zetten, dat Bosnië en Herzegowina nu voor goed
oostenrijksch zouden worden en verlangt een strook lands op de
grenzen van Montenegro als schadeloosstelling, om zich een uitweg
naar zee open te houden door het bevriende Montenegro heen. Ze
blaken van krijgshaftigheid, die Serviërs, en in het gebouw van het
officierscorps, dat wij hier reproduceeren, vindt die geest redenaars
bereid, om hem onder woorden te brengen. De vrienden van kroonprins
George, spreken luide hun grieven uit tegen den nabuur, die ten eigen
bate zich met de zaken van het Balkanschiereiland bemoeit en hun
stamverwanten, de mohammedaansche Bosniërs, die voor een groot deel
Serviërs van oorsprong zijn, maar mir nichts, dir nichts annexeert.

Het zoo welgeslaagde bezoek van prins George aan het petersburgsche
hof heeft natuurlijk als olie in het vuur gewerkt, en steeds luider
klinken de grieven van Servië. De bewoners der hoofdstad voelen zich
ver van veilig en er is ernstig sprake van, de regeeringsbureaux en
het andere, dat Belgrado tot hoofdstad maakt, te verplaatsen naar
een plek, meer binnenwaarts gelegen.



TIJDING OMTRENT ANDREE?

Het moet eigenlijk verrassend heeten, dat niet reeds veel eerder hier
of daar berichten zijn opgedoken, dat men op het spoor was gekomen
van het lijk van Andree, of van zijn metgezellen, Strindberg of
Fränkel. Het is immers al elf jaren geleden dat hij met zijn ballon
van Spitsbergen opsteeg poolwaarts en nooit is er iets omtrent hem
vernomen, buiten een enkel bericht over het begin van den tocht,
terwijl zulke verdwijningen gewoonlijk te eeniger tijd op de
verbeelding werken en fantastische verhalen in omloop komen. Thans
heeft Andree's verdwijning dan ook zulk een gevolg gehad.

Een kapitein, gedeeltelijk van eskimo'schen bloede, heeft even de
wereld in opschudding gebracht met een mededeeling, die hij moet hebben
gedaan aan een deenschen scheepskapitein. Deze, kapitein Storm van
de schoener Juga, heeft door tusschenkomst van Reuter der wereld kond
gedaan, dat kapitein Chalker van het amerikaansche schip, de Pelops,
op een landtocht in het Noorden van Labrador bij kaap Mugford een
eenvoudig kruis heeft gevonden, waarop de naam »Andree« stond. In
den grond onder het kruis lag een lijk en er was een doos met papieren.

Een ander telegraafbureau, dat eens nader informeerde bij kapitein
Storm, liggend met zijn schip te Valencia, kreeg een bevestiging van de
tijding en kon vaststellen, dat het gevondene op 58 graden N.B. en 62
graden W.L. zou moeten zijn aangetroffen. Het klinkt al dadelijk hoogst
onwaarschijnlijk, dat de luchtballon een zoo langen weg zou hebben
afgelegd, als de afstand bedraagt tusschen Deneneiland bij Spitsbergen
en Labrador, niet minder liefst dan 22 breedte- en 72 lengtegraden.

En dan zijn er wonderlijkheden, als bijvoorbeeld, dat de kapitein
vinder de papieren niet zou hebben ingekeken, en niet wou vertellen,
of hij ze had meegenomen; dat hij, naar kapitein Storm zegt, hem vroeg,
hoe de naam Andree werd gespeld en meer dergelijke vreemdheden.

Het zal wel niet voorbarig wezen, met de zweedsche geleerden
prof. Nathorst, kapitein Nilsson en Dr. Ekholm, allen specialisten
in zake Noordpoolonderzoek, het bericht voor onwaar te houden.



BRITSCH NIEUW GUINEA.

The Territory of Papua, zoo wordt Britsch Nieuw Guinea, dat deel
van het groote eiland, dat dus niet als het geheele Westen aan ons
en niet als het Noordoosten aan Duitschland behoort, genoemd in de
engelsche ambtelijke bescheiden. Een kaart van het groote gebied is
verschenen in de Septemberaflevering van het Geographical Journal
en geeft een belangwekkend kijkje op den tegenwoordigen stand van
onze kennis van dat deel van het eiland. Voor ons Nederlanders is
dat bijzonder interessant, nu wij zoo ijverig aan het werk zijn,
om over ons deel van Nieuw Guinea het juiste en ware te weten te komen.

In topografisch opzicht zijn de Engelschen ons, naar het schijnt,
vooruit, want zeer talrijk zijn de reizen geweest van de engelsche
regeeringsambtenaren, zoodat de verdeeling van het centrale gebergte
en die van het rivierennet bekend zijn in het britsche gebied. In de
jaarlijksche rapporten werd telkens over die reizen gehandeld. Van drie
der ambtenaren worden de tochten op de kaart aangegeven, namelijk van
de heeren kapitein F. R. Barton, C. A. W. Monckton en Dr. W. M. Strong.

Belangrijk waren vooral Monckton's reis in het begin van 1906 van Joma
aan de Tamatakreek, een zijtak van de naar de noordkust vloeiende
Mambare, naar het Albert Edwardgebergte in de hoofdketen en door
het Tsjirimadal terug. De hoogste top van het gebergte is volgens
hem 4035 meter hoog. In 1907 ging Monckton dan dwars door het eiland
ten noorden van het Albert Edwardgebergte, stroomop langs de Waria
en langs de duitsch-engelsche grens, over het gebergte en stroomaf
langs de Lake-kamu.

Strong heeft veel gereisd ten noordwesten van Port Moresby in het
kustgebied en landwaarts in tot den Mount Yule. De kust is vrij dicht
bevolkt; in de Puraridelta liggen veel groote dorpen met elk 2000 tot
3000 inwoners. Ook is vrij dicht bevolkt het dal der St.-Josephrivier
en het gebied om den Mount Yule; maar elders ligt gewoonlijk tusschen
de bevolking der kust en die van het gebergte een dun bevolkte of
onbewoonde streek.

Een volksstam, die der Kovio aan den Mount-Yule zijn nog
menscheneters. Hun huizen bestaan ieder uit een lang en smal gebouw,
dat door dwarswanden in verschillende ruimten is verdeeld. Elk der
afdeelingen heeft een eigen ingang en herbergt een familie.

Het moet voor onze Nieuw Guinea onderzoekers van den laatsten
tijd, Wichmann, Hellwig, Lorentz, Gooszen e. a. interessant wezen,
hun ervaringen en resultaten te vergelijken met die der engelsche
exploreerders.



PLAGIAAT.

Soms beschuldigen tooneelschrijvers elkaar wederkeerig van plagiaat,
zoodat men niet weet, wie van hen de origineele dief van de stof is.



OP DEN UITKIJK.


EEN UITSTAPJE NAAR DE DIAMANTVELDEN BIJ LÜDERITZBUCHT.

Lüderitzbucht in Duitsch Zuidwest-Afrika lag nog in diepen slaap,
toen om zes uur in den morgen de duitsche dokter B. Meltzer zich in
de eerste grauwe morgenschemering naar buiten begaf. Hij had het plan
een bezoek te brengen aan de diamantvelden. Er was volkomen stilte
in de lucht, want de wind steekt nooit vóór even voor den middag op,
en alleen van de baai af klonk het eentonige ruischen der nimmermoede
branding.

De huizen van één verdieping in het plaatsje steken vreemd af tegen
het blauw-groen van de lucht, waar een flauw licht in het Oosten de
plaats der opgaande zon verraadt. De schreden van den dokter knarsten
in het diepe zand, toen hij het station naderde, als men een loodsje
met bedekking van gegolfd plaatijzer zoo mag noemen. Daar heerschte
al veel levendigheid; men hoorde het fluiten en stoomen van een
rangeerende locomotief, het geluid der tegen elkaar stootende buffers
en het roepen der remmers. Op het perron zijn reeds de deelnemers
aan den tocht bijeen; er worden begroetingen gewisseld, lachend en
schertsend wenscht men elkander een goede vondst, waarna de trein
komt en men in de compartimenten klautert.

Thans bemerkt men weer recht, in Afrika te zijn, want ofschoon de
trein, die de eenige is voor den geheelen dag, voor de reis naar
Keetmanshoop twee dagreizen noodig heeft, heeft men geen kussens
in de wagens, of rijtuigen, waarin men zich eens vertreden kan en
van restauratiewagens is natuurlijk in het geheel geen sprake. Twee
kleine goederenwagens moeten voor alles dienen. De helft van zoo'n
wagen heeft een rondloopende bank; de andere helft is voor de bagage
bestemd. Een balk dwars voor de opengeschoven deuren aan elken kant
moet beletten, dat de reizigers uit den wagen vallen, voilà tout.

Menschen, die wat ervaring in zake reizen hebben, nemen een vouwstoel
mee of laten zich, als er plaats is, een bed opslaan in een der echte
goederenwagens, waardoor ze voor weinig geld een eigen salonwagen
hebben. Wat wil men meer! Veel vijven en zessen heeft men daarginds
niet, en van eenige voogdijschap, door het treinpersoneel over de
passagiers uitgeoefend, zooals in Europa, is daar geen sprake. Ieder
richt zich zoo gemakkelijk mogelijk in, en of hij 25 of 100 kilo
bagage heeft, dat doet er niets toe.

Terwijl de trein in wijde bochten de aanzienlijke stijgingen overwint,
heeft de dokter tijd, om, met den kraag in de hoogte en stevig gehuld
in zijn mantel, want het is koud op de hoogte, zijn medereizigers
op te nemen. Het zijn meestal jonge, krachtig gebouwde menschen,
gekleed zooals het doelmatigst is bij het rijden over klippen en door
doornig struikgewas, een breed geranden, slappen hoed, een grijs of
bruin pak van een touwachtige stof, rijbroek en rijlaarzen, en in
de hand de onvermijdelijke zweep van nijlpaardeleer. Er was ook een
dame bij het gezelschap. Tegenover haar zat een jonge Boerenvrouw
met haar man, die naar hun farm teruggaan. Daar ze door een lid
van het zendinggenootschap aan den trein werden gebracht, is het
waarschijnlijk, dat ze den vorigen dag, een Zondag, hebben gebruikt,
om den eeredienst bij te wonen.

Intusschen is de zon opgegaan en plotseling wordt het warm. De trein
is al aardig hoog geklommen en rijdt nu tusschen woeste klippen,
waartusschen door men met springstoffen voor den weg plaats heeft
moeten maken. Het zuidwestafrikaansche kustlandschap heeft het
eigenaardige, dat de heuvelketens achter elkaar liggen en dat het de
reizigers vermoeit, telkens weer nieuwe heuvels te zien verrijzen,
die alle op elkander gelijken. Zoo gaat het 150 kilometer ver, tot
op het hooge plateau, waar boomen en grassteppen zijn.

Het reisgezelschap naar de diamantvelden moest te Kolmans Kop
uitstappen bij een loods van gegolfd plaatijzer. De grond is daar
reeds diamanthoudend. Een reusachtige vlakte strekte zich aan
weerskanten van den spoorweg uit, heel in de verte door klippen
afgesloten. Men liep over een vrij vasten bodem, want in den nacht was
er dauw gevallen, waardoor de bovenste laag van het grofkorrelige zand
vochtig was. Tusschen het zand flikkert het van miniem kleine stukjes
diamant, zoo klein, dat men ze niet kan aanvatten. De bovenste lagen
van dit zand bestaan voor het grootste gedeelte uit edele steentjes,
niet grooter dan een speldeknop, topazen, granaten en andere, die
in den loop der jaren door het erdoor gevoerde fijne stof tot hun
tegenwoordige kleinheid zijn afgeslepen. In deze vlakte vindt men
diamanten reeds een duim onder de oppervlakte; als men het zand door
de hand laat vloeien, herkent men terstond het glinsteren van het
kostbare gesteente.

Hoe het er dieper in den grond uitziet, wie weet het! Een rationeele
boring wordt thans beproefd op enkele aan de spoorwegmaatschappij
behoorende gedeelten; maar men kan niets zekers vernemen over de
resultaten.

Het gezelschap verspreidde zich, omdat ieder op een hem of haar goed
lijkende plaats ging zoeken, terwijl de dokter met twee metgezellen
verder ging, om een paal en bord in den grond te slaan, waar ze wilden
prospecteeren. Tegen betaling van 63 mark krijgt men namelijk van de
Kolonialgesellschaft het recht, zich een kring van twee kilometer
middellijn uit te zoeken, waar men dan, na opstelling van een
aanwijzing, de zoogenaamde Schürftafel, mag zoeken naar diamanten voor
den duur van een halfjaar. Blijken de gekozen plaatsen voordeelig, dan
moet men voor het exploiteeren van een veld van vijftig vierkante meter
216 mark betalen. Als zij wil, kan echter de maatschappij in plaats van
die som ook wel 2.25 procent eischen van de bruto opbrengst per jaar.

De onderneming is niet zoo heel eenvoudig. Daar namelijk de plaats van
den paal minstens twee kilometer van dien van een buurman verwijderd
moet zijn, moet er geducht opgepast, om een reeds geschonken
claim niet over het hoofd te zien. De dokter met de twee gezellen
verspreidden zich met een afstand van ongeveer 1 tot 1½ kilometer
en gingen exploreeren. Van tijd tot tijd werd de omgeving eens met
den kijker afgezocht; reeds meende men een geschikte plaats te hebben
ontdekt, daar verkondigt een nauwelijks zichtbare witte vlek ter halver
hoogte op een klip, dat ze reeds over vreemden grond liepen. Dus maar
weer verder.

Het werd warmer en warmer, en de mantels, de proviand-tasschen en de
paal met bord begonnen zwaar te drukken op de vermoeide leden. Maar
ze wilden niet rusten, eer ten minste de helft van hun taak was
afgeloopen. Daar is weer een veelbelovend dal met grof, blinkend
kiezel en blauwgrijze grond, maar ook al weer in de verte de paal en
het bord! Terwijl het drietal aan het beraadslagen was, of ze deze
of wel die richting zouden inslaan, bemerkten ze in een laagte achter
een paar rotsblokken een tent. Spoedig was men ter plaatse. Het waren
drie Amerikanen, geoefende prospectors, die al in de Kaapkolonie hun
knapheid hebben getoond, en die nu in opdracht van een grondbezitter
uit Lüderitzbucht diens grond onderzochten.

De manier, waarop men daarbij te werk gaat, is hoogst eenvoudig;
met een houweel wordt de grond losgemaakt, in een groote zeef wordt
die van het fijne zand en stof bevrijd, dan doorgespoeld met water,
dat per muildier uit Lüderitzbucht moet worden aangevoerd, en het
grove kiezel wordt dan op een houten tafel doorzocht. De buit is nog
niet bijzonder groot, ongeveer acht tot twaalf kleine diamanten per
dag, dingetjes van de grootte eener erwt en van zeer verschillenden
vorm en kleur. Enkele zoo regelmatig, alsof ze reeds geslepen waren,
andere kantig en onregelmatig en nog weer andere schijnbaar van een
grooteren diamant afgesprongen.

Op de vraag van den dokter kwam als antwoord, dat vóór hen alles al
bezet was, en dat alleen aan den overkant van de klippenreeks nog kans
bestond op niet bezette velden. Dus weer vooruit! Na drie kwartier
van moeilijk klimmen was men aan de overzij, en daar was na zorgvuldig
zoeken geen teeken van inbezitneming door anderen te zien. Vlug dus den
eersten paal in den grond geslagen. Die staat er gelukkig. Een blik
op het horloge, half elf, wat op het bord moet worden aangeteekend,
zegt hun echter dadelijk, dat er maar een kwartiertje overschiet voor
het ontbijt, als ze den trein nog willen halen.

Waar ze stonden, gingen ze languit op den grond liggen, rustten uit
en versterkten zich met broodjes, een koude côtelet, hardgekookte
eieren en een flesch Harzer Sauerbrunnen. Daarna werd de plek met de
omgeving gephotografeerd, opdat geen ongeroepene den paal zou kunnen
verzetten, en verder gaat het met veel lichter bagage langs de reeks
klippen in een wijden boog weer naar het station.

Op den terugweg werden nog vier andere palen opgesteld. Toen de dokter
bij den laatsten op mechanische wijze het zand tusschen de vingers
liet doorvloeien, terwijl de anderen aan het photografeeren waren,
blonk er plotseling hem iets in de oogen. Hij nam het blinkende
voorwerp voorzichtig eruit en, hoera! het was een diamant. Als een
flinke groote erwt, bijzonder regelmatig, deed de vondst zich voor
en riep bij de begeleiders van den dokter kreten van bewondering op
om de mooie heldere kleur. Dus hadden ze toch nog een vondst op dien
dag! En daarna ging het met versnelden pas terug, want als ze den trein
misten, moest er zeventien kilometer door het zand worden gebaggerd,
en wat dat wil zeggen, weet alleen hij, die in Zuidwest-Afrika of
aan het strand groote tochten te voet heeft gedaan.

De zon brandde, en de voeten zonken diep in het losse zand, dat
kurkdroog was geworden. Eindelijk, eindelijk kwamen ze over een
kleinen kam en zagen aan het eind der vóór hen liggende vlakte het
kleine stationsgebouw, schijnbaar slechts tien minuten ver. Maar
de lucht is in Zuid-Afrika zoo zuiver, dat men voortdurend de
afstanden onderschat. Nog drie kwartier van moeilijk marcheeren
door het zand was er noodig, eer de heeren het vurig verlangde doel
bereikten. In de schaduw van het gebouwtje lagen reeds de anderen
van het reisgezelschap. Onder de tien menschen werd de conversatie in
niet minder dan drie verschillende talen gevoerd, Duitsch, Engelsch en
Kaap-hollandsch. Er was dien dag niet veel gevonden in tegenstelling
met den vorigen dag, toen bijna ieder deelnemer de een of andere
mooie vondst had gedaan, eenige robijnen en een topaas, zoo groot als
een hazelnoot. Den eenigen diamant had de dokter gevonden. Maar er
waren in de voorafgegane weken in het geheel ongeveer 1200 diamanten
buitgemaakt, en alles doet vermoeden, dat voor het Zuiden van de
kolonie Duitsch Zuidwest-Afrika een nieuwe bron van inkomsten is
gevonden. Mocht de wensch van dokter Meltzer vervuld worden, dat men
met behulp der regeering tot een rationeele exploitatie overging!



SCHILDERACHTIG HOEKJE IN MOSTAR.

Mostar is de hoofdstad van Herzegowina en ligt aan de samenvloeiing
van de Hadobolje met de Narenta. Sedert 13 Juli 1878 na het congres van
Berlijn werd de Herzegowina aan Oostenrijk toegewezen onder beperkende
bepalingen, die de Donaumonarchie thans uit den weg heeft geschoven,
nu ze de annexatie heeft afgekondigd.

Het landje is voor een groot deel woest en onherbergzaam als een
echt Karstlandschap, maar in het Zuiden en met name in de buurt
van Mostar is het vruchtbaar. Daar groeien tabak, wijn, olijven en
maïs. De Herzegowina, die onder turksche heerschappij stond, en het
zuidwestelijkste sandsjak was van het vilajet Bosnië, behoort tot
het stroomgebied van de Narenta of Neretva. De Turken veroverden het
land, waar Wojwoden als onafhankelijke vorsten regeerden, in 1465 en
al vrij spoedig werd Mostar zetel der Sandsjak-beys.

Ze bouwden er in 1500 reeds de nu nog gebruikte hooge brug over de
Narenta, van waar men een prachtig gezicht op de stad heeft. De rivier
zelf is in haar bovenloop een woeste bergstroom, bruisend door diepe
kloven. Bij de stad gekomen, heeft ze na haar loop door de vlakte
al haar onstuimigheid verloren. Mostar is naar het Noorden verbonden
aan den spoorweg naar de hoofdstad van Bosnië, Serajewo, en naar het
Zuiden aan de lijn naar Metkovic, beide bosnisch-herzegowina'sche
staatssporen.



HYDERABAD VERWOEST.

Een van die reuzenrampen, als waarvan sommige Oostersche landen het
monopolie schijnen te bezitten, heeft in Britsch-Indië in 't laatst
van September een mooie, groote stad totaal verwoest. Hyderabad even
ten oosten van den Indus aan den spoorweg naar Karatsji gelegen en
hoofdstad van het rijk van den Nizam van Hyderabad, is zoo goed als
geheel van den aardbodem verdwenen door een overstrooming, gevolg
van hevige regens, waardoor een reusachtig waterréservoir zijn inhoud
over de stad uitgoot.

Het had dertig uren aaneen geregend en het regende nog, toen op
Zondagmorgen, den 27sten September, een meer van zeven mijlen in
omtrek, de Hussein Sangor Tank, zich met donderend geweld stortte in
het dal van het riviertje, de Moesi, waaraan Hyderabad is gelegen. Het
waterbekken bevond zich op een hoogte van dertig voeten boven de stad,
en de enorme massa water breidde zich uit over een oppervlakte van
tien vierkante mijlen.

Het hospitaal van Afzul Gunj, waar meer dan honderd patiënten
waren opgenomen, stortte in; het oude paleis en de tuinen van den
engelschen Resident leden groote schade. De resident was toevallig
afwezig. De regen hield nog voortdurend aan en bij de overstrooming
was de stad weldra geheel geïsoleerd. Met booten en olifanten werd
het reddingswerk ondernomen te midden der bruisende wateren, opdat
men onder en tusschen het puin der ingestorte wijken nog zooveel
mogelijk levenden zou kunnen te voorschijn brengen. Maar duizenden
en duizenden hebben er den dood gevonden. Vijftien duizend wordt als
cijfer van de slachtoffers genoemd.

Europeanen en inlandsche ambtenaren ondersteunden de troepen en de
politie van den Nizam bij de reddingstaak. In de buurt van het Afzul
Gunj Hospitaal en den Begum-Bazar was alles als weggevaagd, huizen,
boomen en wegen; er was niets dan puin en water, met lijken en gewonden
ertusschen. Vier groote bruggen waren weggeslagen; de westelijke
voorsteden en de kleine dorpjes in de buurt waren alle verwoest.

Bij hun bezoek in 1906 hadden de prins en de prinses van Wales den
eersten steen gelegd van het Victoria Zenana-hospitaal, waar bij de
ramp nu personeel en patiënten nauwelijks aan den dood ontkwamen,
door op het hoogste deel van het dak van het hevig beschadigde gebouw
een toevlucht te zoeken. Van daar werden ze met booten gered.

De naaste toekomst ziet er voor de geteisterde streek donker uit, omdat
pest en hongersnood, twee niet onbekende gruwelen in Voor-Indië, haast
niet kunnen uitblijven na een ramp als deze. Met groote sommen zijn
de britsch-indische regeering en die van den Nizam de noodlijdenden
te hulp gekomen.



DE "NEDERLANDSCHE TOERIST."

Het tweede nommer, dat in dit jaar 1908 van het blad "De Nederlandsche
Toerist" het licht ziet, is laat komen opdagen, maar zijn uitblijven
heeft een voor het reisbureau niet onaangename reden gehad, namelijk
de groote drukte van reizenden, waardoor op den tijd van het personeel
steeds beslag was gelegd.

Nu het reisboek dan eens weer ter tafel ligt, vinden we er het
programma in afgedrukt van de reis naar Java, welk plan vroeger ook
reeds afzonderlijk is verspreid. Het is trouwens ook nu geen mosterd
na den maaltijd, want nadat op 27 October een gezelschap dames en
heeren naar ons mooie eiland Java is vertrokken onder geleide van
de heeren Lissone, zijn de plannen al vastgesteld voor de tweede
Javareis, die op 13 April a.s. wordt ondernomen. Voor de som van 2000
gulden is men uit en thuis; in het midden van den europeeschen zomer
van 1909 arriveert men met het stoomschip Koning Willem I, dat op 19
Juni Singapore heeft verlaten.

En hoeveel indrukken is men dan niet rijker geworden, als men met eigen
oogen Java's bergen heeft aanschouwd. De heer prof. J. F. Niermeyer
heeft in het blad van het Reisbureau een inleidend woord voor de
reis geschreven, een vluggen krabbel, om Java als in vogelvlucht te
schetsen, dat eiland, waarvan werkelijk de toeristen van Lissone het
interessantste en mooiste te zien zullen krijgen.

Verder staat er een aanlokkelijk plan voor de Egyptereis in, die op
Dinsdag 18 Januari 1909 begint. Het is raadzaam, zich daar bijtijds
voor op te geven, want er moeten goede plaatsen op de booten worden
veroverd, en het is vol in treinen en booten in het drukst van het
winterseizoen, dat zoo enorm druk is in Egypte tegenwoordig. Ook daar
is het beste uitgezocht voor de snuggere Nederlanders, die de zon van
het Zuiden gaan zoeken in een tijd van nevel, sneeuw, regen, mist,
ijzel, vuile wegen, snerpende kou, kale bosschen, kleverige straten,
benauwde zalen, slecht trekkende haarden, lastige kachels, en wat
voor verdere liefelijkheden onze winters hebben aan te bieden. Stel
u dan voor zoo'n dag op den Nijl in de geriefelijke booten onder den
zonnigen hemel met de afwisseling van een tochtje per kameel in de
echte woestijn, het zien van de oude prachtwerken der egyptische kunst
en het logeeren in een uiterst comfortabel hotel met velen, die het
nieuwste op de gebieden van mode en sport ten toon spreiden. Deze
reis is er een van veertig dagen, maar een deel van Italië wordt
tevens bereisd. De reissom is 1175 gulden.

In een aardig geschreven artikel wijst Lissone Jr. erop, hoe men juist
op reis moet gaan, om zijn vaderland in allerlei opzichten beter te
leeren waardeeren, en ten slotte vertelt een der begeleiders van het
gezelschap onder den pseudoniem Gil Blas van een reis naar Spanje op
een manier, die naar het vervolg doet verlangen.



LEVENSFILOSOFIE.

Er is een scherpzinnige levensfilosofie, die daarin bestaat, over
sommige dingen niet na te denken.



OP DEN UITKIJK.


DE SARASINS OP CEYLON.

Voor diegenen, die belang stellen in onze Oost en meer bepaald in het
eiland Celebes, zijn de namen van de beide neven Paul en Fritz Sarasin
geen onbekenden. Die beide Zwitsers uit Bazel hebben zes groote
reizen door het eiland gedaan op eigen kosten, en aan hen hebben
de Nederlanders groote verplichtingen voor de kennis van Celebes,
zoowel uit aardrijkskundig als uit zoölogisch en botanisch oogpunt.

Voordat ze de Celebes-tochten ondernamen, die in 1893 begonnen en
waarvan de laatste in 1902 plaats had, had hun weg hen reeds naar
Ceylon geleid, waar ze veel onderzoekingen deden o.a. over het oude
volk der Wedda's, waarvan nog enkele overblijfselen op het mooie
engelsche eiland voorkomen. Zooals ze over Ceylon een groot werk in
drie deelen in het licht gaven, zoo deden ze dat ook over Celebes;
maar weinig dachten ze, toen ze dat laatste voltooiden, dat het nog
zou worden gevolgd door een aanvullingsdeel, dat toegevoegd zou worden
aan hun Ceylon-arbeid.

Het gevondene op Celebes staat in direct verband met de verschijning
dezer dagen van »Ergebnisse naturwissenschaftlicher Forschungen
auf Ceylon,« namelijk van een vierde deel, aan het werk toegevoegd
onder den titel »Die Steinzeit auf Ceylon,« Wiesbaden, Kreidel's
Verlag. Toen ze toch bij het volk der Toala's op Zuid-Celebes bewijzen
vonden voor het bestaan van een steentijdperk, dat dit volk moest
hebben doorgemaakt, trof het hen, hoezeer het voor de hand lag, dat
dan ook de Wedda's van Ceylon zulk een periode in hun ontwikkeling
moesten hebben gekend, daar de duidelijke sporen van hun onderlinge
verwantschap aanwezig waren.

Nu hadden ze reeds in 1885 bij gelegenheid van hun vele tochten door
het laagland van Ceylon hun aandacht aan de daar aanwezige holen
geschonken, maar de sporen van een voorhistorische bevolking waren
niet als zoodanig door hen herkend. Dat was voor een deel, doordat
het onderzoek toen niet stelselmatig genoeg plaats had, en ook doordat
het hun aan ervaring ontbrak en ze, verwachtend de steenen bijlen en
messen te vinden, als hun uit Europa's steentijd bekend waren, niet
genoeg aandacht schonken aan de eigenaardige steenen instrumenten,
welke de Wedda's in hun oerperiode moeten hebben gebruikt.

Een hernieuwd onderzoek, verleden jaar ingesteld, heeft hun de
bewijzen gegeven voor het bestaan van een steentijdperk der Wedda's,
voor hun autochthonie op Ceylon, zoodat nu wel niet weer de bewering
zal opduiken in de litteratuur, dat de Wedda's resten zouden zijn van
een indisch kultuurvolk, namelijk van de Singhaleezen, een bewering,
die de Sarasins ook reeds in hun vroeger verschenen werk over het
eiland hadden bestreden met kracht van velerlei argumenten. In
het Nilgalagebied in het oostelijke laagland van Ceylon hebben de
reizigers vondsten gedaan in holen, waardoor onmiskenbaar gebleken
is, dat de oude bewoners van die streek zich bedienden van steenen
gereedschap, messen, priemen en schrappers, zelfs kleine steenen
hamertjes, waarmee splinters van de groote steenen werden afgeslagen.

Het tevoren gedane onderzoek van de grotten der Toala's in Lamontjong
op Celebes had hun oogen voor de beteekenis van die voorwerpen
geopend. Ze lagen onder de aarde, waarin de overblijfselen uit den
singhaleeschen tijd werden aangetroffen. Door de ontdekking van een
vóórsinghalesische steenperiode hebben zij dus uitgemaakt, dat de
Wedda's geen Singhaleezen waren, maar een autochthoon volk, want in
de holen van het Weddaland werden de bedoelde voorwerpen gevonden.

Zij zijn op tien groote en prachtig uitgevoerde platen opgenomen in
het nu verschenen werk, dat het onderzoek en zijn uitkomsten in het
algemeen beschrijft, dan de kunstvoorwerpen van been, schelp en hout
en de overblijfselen van dieren planten en menschen.

Als men leest, dat de voorwerpen in holen werden ontdekt, dan
moet men daarbij niet denken aan diep in de aarde verscholen
schuilplaatsen. Daar op Ceylon de kalksteenformatie ontbreekt,
vindt men er niet de stevige, in de diepte voerende holen, die eigen
zijn aan die steensoort. De juiste benaming voor die vindplaatsen
in het ceylonsche gneissgebied zou eigenlijk moeten zijn afdaken,
»abris sous roche.« Rotshuizen of galgé is de inlandsche naam, van
gala, dat is steen of rots, en gé, dat beteekent hut of huis. Die
rotshuizen ontstaan, doordat van de bergen neergekomen gneissplaten
en gneissblokken zoo op den grond liggen, dat een naar achteren met
een hoek toeloopend afdak ontstaat, of wel doordat twee zulke blokken
van boven naar elkander overbuigen, waardoor een tentachtige ruimte
in het leven wordt geroepen; door erosie en verweering van het gneiss
kunnen natuurlijk ook zulke bewoonbare ruimten zijn ontstaan. Zulke
schuilplaatsen zijn er op Ceylon in zeer groot aantal, sommige geworden
tot groote, veel meters hooge, breede en diepe koepels. Het lag voor
de hand, daar naar resten uit vroegere tijdperken te zoeken, daar ook
nog tegenwoordig de Wedda's dikwijls van die natuurlijke rotshuizen
gebruik maken.



RIJKER DAN VELEN DACHTEN.

Dat zijn wij in zake musea, waar ethnographica worden aangetroffen,
voorwerpen, die uit volkenkundig oogpunt belangrijk zijn en
uit verschillende einden der wereld zijn bijeengebracht. Immers
weinigen zullen hebben vermoed, dat er alleen in ons land wel een
veertiental verzamelingen zijn, waar ethnographisch materiaal van
onzen Oost-Indischen Archipel wordt bewaard. Toch is dat het geval,
en wij laten hier achtereenvolgens de namen der veertien grootere en
kleinere verzamelingen volgen.

Het zijn vooreerst het leidsche Ethnographische Museum; het Museum voor
land- en volkenkunde in Rotterdam en de Ethnografische verzameling in
de Diergaarde aldaar; de collectie voorwerpen uit Oost-Indië in Artis
en de verzameling uit de laatste parijsche tentoonstelling, beide te
Amsterdam; de verzameling der voormalige Indische Instelling, te Delft;
het Koloniaal Museum, te Haarlem; de collectie van den heer Van der
Meulen, te Bergum; de verzameling in het Geschiedkundig Overijselsch
Museum; de collecties van den hoofdcursus, te Kampen en die van de
Theologische School, aldaar; het museum in het Missiehuis van het
H. Hart, te Tilburg; de wapencollectie op Bronbeek; de verzameling
van het R. K. Gymnasium en H. B. school te Nijmegen. Dat zijn er goed
geteld, veertien.

Iemand, die uit Berlijn aan de N. R. C. schrijft, gaf dit lijstje
en maakt de opmerking, dat er op de kleintjes moet gelet, want
dat er bij dit alles meer belangrijks is, dan men vermoedt. Tal van
wetenschappelijke verrassingen, onbeschreven nieuws, merkwaardigheden
op textiel gebied, mooie proeven van sierkunst wachten hem, die
zich de moeite geeft, de kleinere verzamelingen in ons land te gaan
onderzoeken. En volgens dien schrijver is het goed, het oog gericht
te houden op die kleinere collecties, omdat de grootere alle aan
gebrek aan ruimte lijden en niet zelden hun schatten bij gebrek
aan gelegenheid, om ze te vertoonen, achterbaks houden in kisten en
ontoegankelijke laden of geheele zalen als pakkamers gesloten moeten
houden. Hij heeft deze ervaring dezer dagen opgedaan in het groote
Museum voor Land- en Volkenkunde te Berlijn, dat nu, na 22 jaar, veel
te klein is geworden, zooveel, dat het haast niet te gelooven is,
zoodat het dan ook door een nieuw gebouw zal worden vervangen.

In de overvolle zalen kan men den weg bijna niet vinden; de geheele
derde verdieping is voor het publiek gesloten, en de tweede verdieping
staat veel te vol. Dat alles zal beter worden in de toekomst, die
aan het nieuwe gebouw zal behooren, maar voor hoe lang zal dat betere
gelden? De ruimte is, men zou zeggen, uit den aard der zaak altijd te
gering, want er komt steeds bij en er gaat zoo goed als niets af. Op
dit oogenblik reizen nog zes personen voor het Museum, om in Oost en
West uitsluitend voor die instelling te verzamelen.

In kleinere musea zullen de voorwerpen beter tot hun recht kunnen
komen, en men zal het materiaal beter kunnen beheerschen, al blijven
er natuurlijk altijd onmiskenbare lichtzijden verbonden aan de groote
inrichtingen, waar niet al te veel aan ontbreekt.



DE JONGSTE AFLEVERING TIJDSCHR. AARD. GEN.

De laatste van de zes afleveringen van het Tijdschrift van het
Aardrijkskundig Genootschap is in het laatst van November weer als
lijvig boekdeel verschenen. Het bevat veel belangwekkends, veel
ook van zuiver wetenschappelijken aard, dat voor onze lezers te
speciaal is. Misschien stellen ze er belang in, te vernemen, dat het
secretariaat van de redactie, dat de heer Rouffaer, na het twee en een
half jaar te hebben bekleed, neerlegt, om zijn groote wetenschappelijke
reis door Indië te ondernemen, aanvaard is door den heer J. J. Staal,
te 's-Gravenhage, oud-kolonel der Genie O. I. L.

In zijn afscheidswoord onthult de heer Rouffaer een feit, waarvan zeer
velen met belangstelling kennis zullen nemen, namelijk, dat onder de
medewerkers aan het Tijdschrift Dr. Easton, de hoofdredacteur van het
Nieuws van den Dag, zulk een voorname plaats bekleedt. De nu afgetreden
secretaris zegt, dat hij erkentelijk is aan het Huishoudelijk Bestuur
en het Bestuur in het algemeen, »wier vergaderingen bij te wonen mij
steeds een opwekking was en een prikkel«, en aan de verschillende
medewerkers van het Tijdschrift zeer bepaaldelijk aan die twee, die
voortdurend, zonder dat één aflevering voorbij kon gaan, medehielpen
aan zijn geregelde goede geboorte, den anoniemen hoofdbewerker van onze
rubriek Aardrijkskundig Nieuws, Dr. Easton en onzen voortreffelijken
kaartenmaker, den heer Craandijk.« Nu is dus opgehelderd, wie het
altijd interessante, actueele en prettig geschreven Aardrijkskundig
Nieuws redigeert, een raadsel minder voor ons in de wereld. Moge de
schrijver nog jaren lang aan deze taak blijven werken!

Ook verklapt de aftredende secretaris bij het scheiden van de markt,
dat in 1913 het veertigjarig bestaan van het Genootschap feestelijk
zal worden herdacht. Twee der stichters, Dr. H. F. R. Hubrecht en
prof. Dr. C. M. Kan, zijn nog in leven en zonder twijfel zal aan hen
rechtmatige hulde worden gebracht. Met de leeraren A. van Otterloo en
N. W. Posthumus deden ze den oproep aan belangstellenden, die leidde
tot de oprichting van het »Aardrijkskundig Genootschap« in Juni 1873.



VOLKSTYPEN UIT BOSNIË EN HERZEGOWINA.

Aan den kant van den weg zit de oude vioolspeler, de guzlar. De bard
met het grijze haar is blind; hij ziet de hem omringende wereld niet,
maar des te klaarder schouwt zijn geest in het verleden, in den ouden
tijd, toen men anders en vuriger liefhad en toen men ook anders, vrijer
en romantischer leefde. Hij laat den strijkstok over de eenige snaar
van de viool, zijn guzla, gaan, het eenvoudige, met een dierenhuid
bespannen instrument ... en de tonen doen oud en jong toesnellen.

Wat zingt de gebaarde zanger? Hij zingt over het oude Bosnië van
vóór de occupatie. Hoe was het toen? Het ging er eigenaardig woest
toe! Geen stoomros snoof door de dalen; er waren geen wegen, waar een
wagen over kon rijden; alleen rijpaden slingerden zich over de bergen
en door de dalen. Tot aan de tanden gewapend moesten de kooplieden
wezen, want in bosschen en kloven loerden de heiducken, de roovers,
die in de bosnische bergen even goed gedijden als de roofvogels in
hun ontoegankelijke nesten. Toen waren er avonturen te beleven; de
strijd riep helden op, en over hen zingt de guzlar. Hij laat er ook
andere melodieën doorheen klinken, liederen over liefde's lust en leed,
over bruidroof en ontvoering, als toenmaals zooveel voorkwamen.

Kleurrijk schildert de bard het alles, de roodwangige meisjes in haar
bonte dracht, haar rokken en lijfjes vol kleurige, met goud doorweven
versierselen, de overmoedige fez op het hoofd, getooid met zilveren
munten en echte gouden dukaten. Hij schildert den trotschen beg, den
bosnischen feudalen grondbezitter, die aan honderd kmeten of boeren
zijn landerijen heeft verpacht en zorgeloos leeft van de tretina,
dat is het derde van den oogst. Op een rijk getuigd paard rijdt hij
zelfbewust door het land.

De oude zwijgt, en de guzla klinkt klagend, zacht... en als de
herfstbladeren in den wind verstrooien zich de hoorders. Troost
u, gij blinde zanger! Er is nog wel wat van de oude heerlijkheid
in Bosnië over, nog veel, zoowel daar als in de Herzegowina. De
beschaving heeft er een luisterrijken intocht gehouden, dat is waar;
er rollen spoortreinen door het land; er zijn goede rijwegen bergop en
bergaf; in de steden, in Serajewo en Mostar, is wel veel veranderd,
en de christelijke vrouwen en meisjes dragen er westersche kleeren
en een wirwar van bosnische drachten en parijsche mode van gisteren;
maar op het land, daar kan men nog de oude figuren vinden.

En in het geestesleven der menschen is veel ten goede veranderd. De
scholen hebben niet vruchteloos gewerkt. Al grooter wordt het aantal
flinke, ontwikkelde menschen, mannen en vrouwen, zelfs de Mohammedanen
weten de beschaving te waardeeren. De heiducken zijn uit de bosschen en
bergen verdwenen. Daar zorgen de serdars voor, de dappere gendarmen in
de schitterende nationale dracht. Ja, kooplieden, nijverheidsmenschen
en boeren roemen van harte den nieuwen tijd; maar de oude guzlar
leeft in gedachten in de romantische dagen van de roofridders.



REIZEN MET DE HAMBURG-AMERIKALIJN.

Het algemeen programma voor de reizen, in 1909 te ondernemen door het
Reisbureau van de Hamburg-Amerikalijn, waarin, naar men weet, Carl
Stangen's Reisbureau zich heeft opgelost, is weer verschenen. Behalve
de gewone reizen, die met geringe veranderingen elk jaar terugkeeren,
als die naar het Oosten, Italië, Bosnië en Dalmatië, Algiers en Tunis,
Spanje, Portugal en de Pyreneeën, naar Frankrijk, Engeland, Schotland,
IJsland, naar Scandinavië, Zwitserland, Tirol en het Salzkammergut,
naar Noord-Amerika, Oost-Afrika en rondom de wereld, bevat het ook
een paar nieuwigheden, namelijk een reis naar Voor-Indië en Ceylon van
Januari tot Maart en een winterreis naar Noorwegen voor een bezoek aan
de noorsche sportfeesten in Christiania en Lillehammer van 15 Februari
tot 11 Maart. Ook staan er vier gezelschapsreizen naar Rusland op,
waarvan de laatste in den winter plaats heeft. De bedoelde sportfeesten
trekken jaar op jaar meer vreemdelingen, en hoe dikwijls het reisbureau
ook voorgaat, hier volgt het een reeds bestaande strooming. In de
noorsche hoofdstad hebben de feesten plaats van 23 Februari tot 2 Maart
en in het veel noordelijker gelegen Lillehammer van 4 tot 8 Maart. Er
worden dan hardrijderijen op schaatsen gehouden, verder skirennen,
ook wedstrijden op ski, waarbij de loopers zich door paarden laten
trekken, en springen op ski over groote afstanden.



OP DEN UITKIJK.


UIT BOSNIË EN ZIJN HOOFDSTAD.

Bij vroeger vergeleken, is Bosnië in de laatste tientallen jaren
verbazend vooruitgegaan. Gebrek aan wegen en aan spoorwegen sloten het
land als van de overige wereld af. Over de bergen leidden rijpaden,
waar ook de voetganger van gebruik kon maken, maar die voor de
opkomst van handel en verkeer niets beteekenden. Vandaar dat met den
wegenaanleg en later met de spoorwegen de vooruitgang treffend aan den
dag treedt, en dat de hoofdstad, Serajewo, haast onherkenbaar is voor
diengene, die haar bij voorbeeld in een kwarteeuw niet heeft bezocht.

De turksche huizen, die de overgroote meerderheid vormden en
waartusschen de minarets der talrijke moskeeën hun hoofden opstaken,
zijn langzamerhand door europeesche huizen vervangen. Het in moorschen
stijl opgetrokken raadhuis is een nieuwe schepping evenals de mooie
servische kerk met den hoogen toren onder een koepelvormig dak en de
roomsch-katholieke dom met zijn twee spitse torens.

Tusschen Mostar, Herzegowina's hoofdstad, en Serajewo vertrekt
dagelijks slechts één trein in beide richtingen, dus is het verkeer
niet groot. Maar de route is eenig mooi. Zoodra men de minarets en
torens van Mostar uit het oog heeft verloren, vernauwt zich het dal der
Narenta, en overal doen de watervallen en de heerlijke berggezichten
aan Zwitserland denken. De straatweg en de spoorweg gaan naast elkaar
voort, zoodat de treinreizigers hun oogen te gast kunnen laten gaan
bij het zien van de schilderachtige kleederdrachten van de bewoners
van dat land met zijn bonte bevolking.

Noordelijker, naar Serajewo toe, wordt het land vruchtbaarder,
vertoont bouwlanden en groene weiden, en rondom de hoofdstad op haar
vlakte, geheel door prachtig begroeide bergen omgeven, is de natuur
heerlijk mooi. Daarbij is het klimaat door de betrekkelijk hooge
ligging aller aangenaamst. Vruchten en groenten zijn er overvloedig,
en in de turksche bazar trekken de fruitwinkels niet het minst
de aandacht, al verzuimt niemand een bewonderenden blik te slaan
op het fijne koper- en filigraanwerk en op de stoffen, met gouden
zilverdraad doorweven. Midden in den doolhof van straten en stegen,
door den bazar gevormd, verrijst de Husrev-Begmoskee, een kleurig
gebouw met een oude linde ervoor, waaronder een groote fontein voor
de ritueele wasschingen.

Het kleine ondiepe riviertje, dat door Serajewo stroomt, de Miljacka,
heeft aan zijn oevers de echte ouderwetsche huizen, zoo eigenaardig
gebouwd met het ver vooruitspringende dak, dat uit lange, smalle,
houten dakpannen gemaakt schijnt. De eerste verdieping is aan de
straatzijde voorzien van veel meest getraliede vensters, die een eind
vooruitsteken. Kleurig zien die huizen eruit, soms geel of helderblauw
geverfd. Naast de gesluierde turksche vrouwen trekken ook de servische
de aandacht van den vreemdeling. Zoolang ze ongetrouwd zijn, dragen
ze wijde pofbroeken, die om de enkels sluiten. Het haar dragen ze in
twee vlechten op den rug en een kleine fez bedekt het achterhoofd. De
getrouwde vrouwen dragen ook de kleine fez, maar hebben de donkere
vlechten eromheen gelegd, terwijl ze de pofbroek hebben verwisseld
voor een gewonen rok.

Langs diezelfde Miljacka met de ouderwetsche huizen loopt intusschen
aan den anderen oever op de naar den oostenrijkschen gouverneur
Appel genoemde Appelkade een electrische tram. Zoo treft in Bosnië
steeds die wonderlijke vermenging van het oude en het nieuwe, van
het oostersche en het westersche.

Wat de vreemdelingen nooit vergeten, is het koopen van een
turksch hoofddeksel, een fez, in een of ander van de vele turksche
winkeltjes. Het fatsoeneeren gebeurt ter plaatse. Men ziet het persen
vóór zijn oogen gebeuren, want op een massieven ijzeren vorm, die
het model heeft van een fez, wordt het hoofddeksel geplaatst, en dan
wordt er een verwarmde ijzeren fez over heen geschoven. De turksche
winkelier drukt erop uit al zijn macht en de fez komt keurig gevormd
te voorschijn. Na die behandeling wordt er vliegensvlug een kwast
aan bevestigd, en het hoofddeksel is kant en klaar.



VAN DE ROTTERDAMSCHE LLOYD EN HAAR NIEUWSTE STOOMSCHIP.

De »Tabanan«, het nieuwste stoomschip van de Rotterdamsche Lloyd,
viert den 19den Maart 1909 haar eersten verjaardag, want op dien datum
van 1908 had Z. K. H. Hendrik, Prins der Nederlanden, het genoegen,
dat mailschip te water te laten op de werven van de Koninklijke
Maatschappij »De Schelde«.

Op den 12den September aanvaardde het van Rotterdam uit zijn eerste
reis naar Batavia, ving op 12 November de terugreis in de haven van
Tandjong Priok aan en is nu gereed, om den 2den Januari 1909 opnieuw de
reis naar het Oosten te ondernemen. Van het schip in aanbouw, van den
aanblik vóór het te water laten, van dat beslissende oogenblik zelf en
van de doopplechtigheid kan men mooie foto's vinden in het werkje, dat
de Maatschappij heeft uitgegeven ter zake van haar 25-jarig bestaan,
dat ze in Juni van dit jaar mocht vieren.

Het mailschip overtreft alweer zijn voorgangers in doelmatigheid en
geriefelijkheid en tevens in grootte. Het is lang 414 voet, breed 49
voet en diep of hol, zooals de opgaaf luidt, 30 voet. De machines
kunnen 4300 P.K. ontwikkelen en geven het schip een snelheid van
14 mijlen in het uur. Er zijn vier ketels met 18 vuren. De eerste
klasse bevindt zich midscheeps en bestaat uit zeer ruime, één- en twee
persoonshutten met te zamen 80 bedden, terwijl op het promenadedek,
ter lengte van 60 meter, zich nog zes hutten bevinden.

De eetsalon is op het brugdek, de rook- en muzieksalon zijn op het
promenadedek. De muzieksalon, in rotondevorm gebouwd met balustrade,
maakt het mogelijk, dat men van daar den geheelen eetsalon
overziet. Door dezelfde lantaarn ontvangen beide zalen licht en lucht.

De tweede klasse in de campagne biedt ruimte voor 50 couchettes,
verdeeld over ruime één-, twee- en driepersoonshutten, en heeft
buitendien nog eenige tweepersoonshutten op het promenadedek, waar
zich ook de rooksalon bevindt.

De vloot van de Rotterdamsche Lloyd bestaat thans uit negen
mailbooten en negen vrachtbooten, alle mailbooten werden gebouwd
door de maatschappij »De Schelde«, te Vlissingen, en de nieuwste
vrachtbooten door de firma Bonn en Mees, te Rotterdam, nadat eerst
de vrachtbooten in Engeland en Duitschland vervaardigd werden. De
grootste uitbreiding en vernieuwing der vloot dateert pas van 1900,
toen men met de »Sindoro« schepen begon te bouwen van veel grooter
afmetingen, waarin de geheele eerste klasse midscheeps werd geplaatst,
terwijl de tweede door verplaatsing van het voor- naar het achterschip
in geriefelijkheid erop vooruitging. Zes nieuwe mailbooten zijn er
sinds 1900 bij gekomen.

Er is in de afgeloopen kwarteeuw al vrijwat veranderd en verbeterd
in ons verkeer met de koloniën. Vooral door de loyale samenwerking
van onze beide groote maatschappijen, de Rotterdamsche Lloyd en de
Maatschappij Nederland, gevestigd te Amsterdam, hebben we nu dat
practische en geschikte wekelijksche vertrek van een mailboot naar de
Oost. De overeenkomst tusschen de beide instellingen kwam tot stand
in 1885, en daarop volgde in 1892 het mailcontract met de regeering,
waardoor de wekelijksche dienst vastgelegd werd.

Bij de oprichting der maatschappij, die pas haar zilveren feest
vierde, was ze al in het bezit van zeven schepen voor de Javavaart,
waaronder verscheiden engelsche booten. De firma Willem Ruys en Zonen,
aan wie de directie werd opgedragen, dirigeerde al van 1877 af de
Stoomvaartmaatschappij Rotterdam, die in de nieuwe vennootschap werd
omgezet, en te voren was de naam Ruys verbonden geweest met onze
vaart op Indië, ook reeds met de zeilvaart, want reeds in 1844 had
de heer Wm. Ruys I. D. Zn. zeventien schepen onder zijn beheer. Het
eerste stoomschip der firma, de Ariadne, deed haar eerste indische
reis in dienst der regeering, aan wie het verhuurd was, om deel te
nemen aan de Atjeh-expeditie in 1873.

In die dagen was de Waterweg nog lang niet, wat hij nu is, maar hij
kan nog altijd worden verbeterd, en van elke verbetering profiteert de
maatschappij, die omdat ze het geregelde verkeer met ons Indië voor de
helft vertegenwoordigt, een levensbelang van Nederland dient, zoodat
het niet anders dan loffelijk kan heeten, haar den weg te effenen.



DIAMANTEN BIJ LÜDERITZBUCHT.

Over de stemming in de kolonie Duitsch Zuidwest-Afrika naar aanleiding
van de in de buurt van Lüderitzbucht gevonden diamanten schrijft een
kolonist, die er al lange jaren verblijf houdt, de heer F. Geszert
aan de duitsche Kolonialzeitung: »In Lüderitzbucht heerscht thans
een echte diamantkoorts, nu ook voor de ongeloovigsten het voorkomen
van deze edelgesteenten ten duidelijkste is bewezen. Er zijn al
zooveel verwachtingen, gebouwd op mijnen, die exploiteerbaar heetten,
teleurgesteld, en er is al zooveel bedrog gepleegd, waar onkundigen
zijn ingeloopen, dat het aanvankelijk scepticisme volkomen begrijpelijk
is, te meer daar de diamanten hier op andere wijze voorkomen dan
elders in Zuid-Afrika.

Terwijl bij Kimberley en bij Pretoria de diamanten in den blauwen
grond, dus het vulkanische gesteente, worden aangetroffen, en terwijl
aan de Vaalrivier het alluvium diamanthoudend is, vindt men hier de
waardevolle steenen in het verweeringspuin, dat zich over groote
vlakten uitbreidt in de dalen tusschen de granietbergen, waar het
van afkomstig is.

Wij leven hier in een bijzonder droog klimaat. Het regenwater doet hier
de bergen niet afslijten, naar dat doet de bijna steeds waaiende wind,
die, zand en kiezel loswoelend, in den loop van tallooze eeuwen uit
het rotsgesteente allerlei vormen heeft geblazen, daar het zachtere
en in lagen aanwezige gesteente werd weggevoerd. In de dalen hoopt
zich het verweeringspuin aan de lijzijde der bergen op, zoodat daar
de meeste diamanten worden gevonden.

De prospectors hebben zich door de natuur laten leeren en blazen
allereerst door een soort van blaasbalg, niet ongelijk aan een machine,
om het graan te reinigen, het zand uit het kiezel. Dat laatste
komt dan in een handzeef en door een eigenaardig schudden komen de
diamanten onder op het midden van de zeef te liggen. Die wordt dan
omgestulpt, en de even zware granaten wijzen door hun donkere kleur
aan, waar men ook de diamanten heeft te zoeken. Ik heb vaak gezien,
dat bij elke vulling van de handzeef één of meer diamanten met het
pincet te voorschijn werden gebracht. Daar vele kilometers in het
rond de bodem edele steenen bevat, kan men zich een voorstelling van
den aanwezigen rijkdom maken.

Een zeer gelukkige omstandigheid is, dat deze als waterloos bekende
woestijnstrook rijk is aan grondwater. In de dalen stoot men reeds op
een diepte van drie of vier meters op water, dat voor het wasschen van
het zand uitstekend geschikt is, al is het brak en ziltig. Maar het is
niet onmogelijk, dat men weldra zoet water boort, want hier te lande is
het regel, dat er brak water boven het zoete wordt aangetroffen. Door
watergebrek wordt de ontginning dus niet belemmerd. In Kimberley zelf
moet immers het water ook 15 engelsche mijlen ver en 500 voet hoog
worden opgepompt.

Er stroomen reeds menschen uit aller heeren landen hier
naar Lüderitzbucht, en men is ijverig in de weer, om de beste
ontginningsmethode te zoeken, zoo mogelijk eene, die elders reeds
doeltreffend is gebleken. Om diefstal te voorkomen, zal waarschijnlijk
ieder koop van een diamant van een inboorling als heling worden
beschouwd. De acties van een paar reeds opgerichte syndicaten zijn
in de laatste dagen verbazend omhooggegaan."



KAPERS OP DE KUST VAN LIBERIA.

De onafhankelijke negerrepubliek Liberia schijnt meer en meer
iets begeerlijks te worden voor de europeesche kolonizeerende
mogendheden. In de Deutsche Kolonialzeitung van 7 November wordt
er met een zeker leedwezen de aandacht op gevestigd, dat Frankrijk
en Engeland zich wel wat veel met het landje beginnen te bemoeien,
terwijl toch Duitschland er feitelijk het meest moest te zeggen hebben,
omdat het nog het meeste belangen daarginds heeft.

Dan wordt verteld, dat van de schepen, die de hoofdstad Monrovia
aandoen, in de laatste jaren de duitsche in aantal en tonneninhoud
twee derden vormen. In het jaar 1907 waren het 249 van de 385 tegen
111 engelsche, 13 fransche en 12 spaansche. Van de in het landje
bestaande 19 europeesche firma's zijn 16 duitsch, twee engelsch en
een hollandsch, en wat aan palmolie, copra, caoutchouc, koffie, hout
en ivoor wordt uitgevoerd, kan men meestal terugvinden in de boeken
van de hamburgsche firma's, die er haar kantoren hebben en waarvan
de oudste is de firma C. Woermann, die er sedert 1852 is gevestigd.

Duitschland heeft niet als Engeland en Frankrijk getracht,
de negerrepubliek door zoogenaamde grensverbeteringen lastig te
vallen, zooals in 1885 en 1887 Engeland heeft gedaan en in 1892 en
1894 Frankrijk, terwijl dat laatste land er ook weer dit jaar een
grenscommissie, (waarin twee Nederlanders, de luitenants Moret en
l'Honoré Naber) aan het werk heeft.

Thans vreest men in Duitschland, dat de beide westeuropeesche
mogendheden het voorzien hebben op Liberia's onafhankelijkheid. De
Engelschen toch hebben op grond van nieuwere en oudere financiëele
aanspraken de tolregeling in Liberia in handen genomen. Zij hebben
buitendien een engelschen politietroep ingericht, die wat aantal en
bewapening betreft, het zoogenaamde liberiaansche legertje verre
overtreft en waarvoor zelfs aan het strand van Monrovia barakken
worden opgeslagen op kosten der regeering van Liberia. Die politie
is voor het eerst opgetreden als een door de kolonie Sierra Leone en
Liberia in het leven geroepen en onderhouden grenspolitie; maar haar
bevoegdheid werd uitgebreid ook tot de hoofdstad Monrovia.

Frankrijk heet het dan verder heeft heelemaal geen handel in Liberia;
een fransch bankfiliaal, dat ze er voor eenige jaren stichtten,
moest spoedig bij gebrek aan omzet sluiten. En toch weet Frankrijk
voordeelen te bedingen van de liberiaansche regeering en eischt
de aanstelling van fransche ambtenaren. Dat gaat niet aan, beweert
men van duitschen kant, en de consul, dien Duitschland sinds vijf
jaren in Monrovia heeft, mocht er het ministerie van buitenlandsche
zaken wel eens op wijzen, te meer daar Duitschland of liever de
duitsch-zuidamerikaansche kabelmaatschappij van de liberiaansche
regeering het recht heeft verkregen, met een kabel te landen in
de hoofdstad. Duitschland krijgt daardoor voor de eerste maal op
afrikaanschen grond een kabelaanlegplaats en moet in het belang van
een telegrafische gemeenschap met Togo, Kameroen en Zuidwest-Afrika de
zekerheid hebben, dat geen met dat land rivaliseerende mogendheid in
staat is die verbinding af te snijden of te verstoren op een plaats,
waar Duitschland in economisch opzicht den voorrang toekomt. Het
heeft in het laatste jaar van Liberia voor 1.6 millioen mark aan
goederen betrokken en voor bijna evenveel daarheen uitgevoerd. Dus
mag Duitschland niet toelaten, dat andere staten in zulk een vrij
land, dat onder geen andere heerschappij staat, optreden, als waren
ze heeren en meesters.



EEN MOOIE REIS DOOR INDIË.

Het Koninklijk Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap heeft aan
den secretaris van de Redactie-commissie voor het Tijdschrift, den
heer G. P. Rouffaer, de vereerende opdracht gegeven, een tweejarige
reis te ondernemen, waarvan het totaal der reiskosten op 11000 gulden
wordt geschat, maar die dan ook twee jaren zal duren. Het Genootschap
is bereid, 5000 gulden van de reissom voor haar rekening te nemen,
als de regeering voor het overige zorgt. En aan dien wensch van het
Genootschap schijnt te zullen worden voldaan, want bij de derde nota
van wijzigingen op de begrooting van Nederl. Indië voor 1909 heeft
de minister van koloniën 3000 gulden uitgetrokken ten behoeve eener
ethnologische reis van den heer Rouffaer. De overige 3000 zullen op
de volgende begrooting verschijnen.

Het zal dus een ethnologische reis zijn en zij zal vooral de
buitenbezittingen betreffen. Zij zal aanvangen met Sumatra, dat
verschillende keeren van de eene naar de andere kust doorkruist
zal worden; dan overgaan op Celebes, de Molukken, enkele punten
van Nieuw-Guinea, den Timorarchipel, de kleine Soenda-eilanden, om
met het bezoeken van enkele gedeelten op Borneo de reis door onze
Nederlandsche bezittingen te sluiten. Dan staan echter nog op het
programma Britsch-Borneo, de Philippijnen, en de Straits Settlements;
evenals te voren in den Timorarchipel Portugeesch Timor niet vergeten
zal worden.

Het lijkt een grootsch plan, dat wel even de vrees wekt, of hier niet
het qui trop embrasse, mal étreint, zal blijken waar te zijn. Maar
de ontwerpers zullen dien kant der zaak ook wel hebben overwogen,
en men mag aannemen, dat ze na grondig overdenken heil zien in dit
grootsche plan.

Behalve secretaris van de redactie van het Tijdschrift Aardr. Gen. is
de heer Rouffaer ook adjunct-secretaris van het Koninklijk Instituut
voor taal-, land- en volkenkunde van Ned. Indië en bibliothecaris
der Indische Bibliotheek.



OP DEN UITKIJK.


OOST AZIATISCHE KUNST.

Dezer dagen werd uit Berlijn aan de Nieuwe Rotterdamsche Courant
geschreven over de beteekenis van de kleinere musea voor volkenkunde
en over de bezwaren, verbonden aan de groote verzamelingen, die uit
den aard der zaak zich steeds uitbreiden, en waar gebrek aan ruimte
bijna altijd storend en belemmerend werkt. Het geschiedde naar
aanleiding van het Berlijnsche Museum voor Volkenkunde, dat onder
den last van de uitgebreidheid zijner collecties sterk gebukt gaat,
en waarvoor op dit oogenblik nog zes wetenschappelijke reizigers in
verre landen bezig zijn aan het bijeenbrengen van wat tehuis behoort
in dat centrum van de wetenschap der ethnologie.

Een van de reizigers voor het Museum, de heer Adolf Fischer, verhaalt
in de Gartenlaube over zijn vondsten in Oost-Azië, vondsten van antieke
kunst. Het grootste en innigste, dat de kunst in Oost-Azië heeft
voortgebracht, wortelt in den godsdienst, en dus waren het vooral
de kostbaarheden, die met den godsdienst verband hielden, waar hij
zijn aandacht aan had te wijden. Zijn expedities werkten in China,
Japan en Korea, waar de tochten soms onder allerlei gevaren moesten
worden volbracht, want in de drie jaren van de reizen (1905 tot 1908)
was de oorlogsfakkel nu en dan er ontstoken bij krijg of oproer.

De kunstschatten moesten dikwijls op afgelegen paden worden opgezocht,
vooral in China, dat bij den verwoestenden Taipingopstand schatten van
de grootste waarde heeft zien verloren gaan. Veel provincies werden
verwoest, en de overblijfselen der oude cultuur vielen daarbij als
offers. Als Fischer door verlaten steden en kale landstreken trok,
moest hij denken aan den toestand van Duitschland, zooals ons die
na den dertigjarigen oorlog wordt geschilderd. Het kostbaarste, dat
in de toekomst aan kunstschatten uit China is te verwachten, ligt in
den grond verborgen, waar de stormen, die het land hebben geteisterd,
het niet konden bereiken. Maar voorloopig is daar moeilijk aankomen
aan, want wie het waagt, de rustplaatsen der dooden te verstoren,
haalt zich tegenwoordig nog een doodvonnis op den hals.

In Korea is het haast net zoo gesteld; ijverzuchtig waken de Japanners,
de nieuwe heeren van het land, ertegen, dat kunstschatten uit de
vroegste perioden van Korea niet aan vreemdelingen in handen vallen,
maar naar Japan verhuizen. Trouwens er is niet veel meer, want in
vroeger eeuwen heeft het land veel geleden onder oorlogsgeweld en het
verarmde Korea deed reeds daarom alleen geen rijken oogst verwachten.

In Japan staan de zaken anders; daar vindt men musea, keizerlijke
verzamelingen, oneindig rijke kloosters, een historischen adel, die de
schatten van voorvaderlijke tijden trouw behoedt, en een in de laatste
jaren tot macht en aanzien gekomen plutocratie, die door haar geld,
juist als in Europa, de kunst steunt en tot zich trekt. Ofschoon dus
Japan het land is, waar verreweg de meeste kunstwerken uit vroegere
tijden zijn opgestapeld, is het uiterst moeilijk, er iets werkelijk
goeds te krijgen. Het gevaar, bedrogen te worden, is voor wie niet
grondig ingewijd is en degelijke kennis van zaken heeft, buitengewoon
groot. Japan is het land van vervalschers. Op alle kunstterreinen
worden de geraffineerdste nabootsingen met verbazingwekkende handigheid
uitgevoerd, en de Europeaan, die zonder degelijke voorbereiding komt,
laat zich waardelooze dingen in de handen stoppen.

Het wordt intusschen den vreemdeling in den laatsten tijd
gemakkelijker, ingelicht te worden, als hij de middelen daartoe
niet verwaarloost. Zooals alles in Japan in de laatste vijftien
jaren enorm is vooruitgegaan, zoo is het Museumwezen ook zeer veel
verbeterd. Men heeft nu niet meer alleen het Ujenomuseum in Tokio,
maar ook in Kioto en Nara zijn verzamelingen, waar de heerlijkste
stukken van oud japansche cultuur te zien zijn, en door een herhaald
bezoek aan die musea kan de Europeaan zeer veel leeren, vooral omdat
de kunstvoorwerpen steeds voorzien zijn van uitvoerige bijschriften
in het Engelsch.

Bezoeken ook aan de klassieke schatten, in de kloosters bewaard, aan
tentoonstellingen van kunstvrienden, aanbevelingen aan bezitters van
belangrijke verzamelingen kunnen van nut zijn, en ten overvloede geven
geïllustreerde prachtwerken met engelschen tekst den belangstellende
al, wat hij noodig heeft te weten, om echt en onecht te onderscheiden.

Uit de vroegste tijden van het Boeddhisme heeft de heer Fischer
voor zijn Museum een en ander kunnen veroveren van groote waarde,
beelden en schilderijen en fresco's. Zoo is er een beeld van Jizo,
den beschermer der bedrukten uit de dertiende eeuw na Chr., dat in
kleur en in het kenschetsend goudreliëf van den rand van het kleed
herinnert aan Italiaansche meesters uit denzelfden tijd.

Uit de zevende eeuw na Chr. heeft de verzamelaar een beeld van
den god Enno Gyoya meegebracht, wien de vermoeide pelgrims hun
strooien sandalen offeren, en uit dienzelfden tijd is de demon Myodoki
afkomstig. Van groote historische waarde is de meer dan vier voet hooge
bronzen Kwannonfiguur, de door Borel zoo dichterlijk verheerlijkte
godin der barmhartigheid.

Een meesterwerk van oud japansche beeldhouwkunst is de door den
beroemden beeldhouwer Joche gemaakte en uit den bloeitijd van 1017 tot
1036 afkomstige Jizo, den beschermer der bedrukten, wiens beeld men
op alle japansche kerkhoven en in de boeddhistische tempels vindt. De
val der plooien van het gewaad is klassiek mooi, en het voetstuk in
den vorm eener lotosbloem is zeer harmonieus van lijn.

Merkwaardig is nog een reliëf, dat Fischer heeft meegebracht, een
reeks van figuren voorstellend in drie rijen boven elkander. Het
moet het eerste vóórboeddhistische reliëf wezen, dat ooit China
verliet. Er worden tooneelen op voorgesteld uit het leven van een
hoogwaardigheidsbekleeder. Verrassend is de overeenkomst van dit
steenen grafreliëf uit China met oudassyrische en oudbabylonische
dergelijke werken. De steen is geribd, en de voor stellingen liggen
twee centimeter diep. Bij de zeldzaamheid van oude kunstwerken in
China zijn die oude grafreliëfs, die op het eind van de achttiende
eeuw door een toeval (1786) zijn ontdekt en die als heilige relieken
worden bewaard door de Chineezen, van groote waarde. Zij wekken bij de
onderzoekers een reeks van vragen naar aanleiding van de verrassende
overeenkomst der voorstellingen met die op oudbabylonische reliëfs.

Is het die cultuur geweest, die de oud-chineesche, vóórboeddhistische
beschaving rechtstreeks onder haren invloed kreeg, of ontbreken ons nog
de verbindende leden, die vermoedens tot zekerheid kunnen doen worden?



EEN BOEK OVER KORWARS.

In de Abhandlungen des königlich zoölogischen und anthropologischen
Museums zu Dresden is als twaalfde deel verschenen een verhandeling
van Dr. Oskar Nuoffer over de kleine houten beeldjes, die de Papoea's
van Nederlandsch Nieuw Guinea hoog waardeeren, omdat zij ze beschouwen
als de woonplaatsen van de zielen van bepaalde afgestorvenen. Onze
lezers hebben ze wel in afbeelding gezien en erover gehoord in den
tekst, waarmee de directeur van het Rotterdamsch Museum voor land-
en volkenkunde de afbeeldingen deed vergezeld gaan.

De duitsche schrijver vertelt nu alles, wat er van die korwars
bekend is en belooft dat hij later zal behandelen de herkomst van
die beeldjes in verband met dergelijke figuren uit den indischen
Archipel. Aangaande een groep van die beeldjes, die schedelkorwars
worden genoemd, verschilt hij van meening met onzen ethnoloog
Wilken. Er zijn namelijk korwars, waarbij de echte schedel van den
voorvader in het hoofd van het houten beeld is geplaatst. Nuoffer
beschrijft eenige nieuwe schedelkorwars van die soort, die in het
museum te Dresden aanwezig zijn. Talrijk komen ze niet voor, en de
schrijver zegt, binnen welke grenzen men ze vinden kan. Hij is in
tegenstelling van Wilken van oordeel, dat het eenvoudige, alleen uit
hout bestaande beeldje het oorspronkelijke is, waarop eerst later
het gebruik is gevolgd, om den menschenschedel erin te bewaren.



EERST PACIFICEEREN IN DE KAMARA.

Misschien herinneren onze lezers zich wat wij meedeelden over het werk
der grenscommissie, die in Liberia werkt, om de afbakening tusschen
die republiek en de fransche bezittingen ten Noorden daarvan vast te
stellen. Luitenant Moret houdt de lezers van de Nieuwe Rotterdamsche
Courant van haar vorderingen op de hoogte. De laatste berichten zijn
niet erg rooskleurig.

De heeren moeten werken in een gebied, dat allerlei bezwaren
meebrengt. Dat Kamaradistrict, waar de Macona doorheen stroomt,
wordt blijkbaar bewoond door die elementen der bevolking, die elders
zich niet wilden of konden schikken in het geregeld, soms europeesch
bestuur. Drie onafhankelijke hoofden, die samengaan in hun leus »het
zwarte werelddeel voor de zwarten«, besturen de landstreek, waar
hun gezag in hoofdzaak op roof en plundering berust. De tegenstand,
dien de met vreedzame bedoelingen komende missie ondervond, bleek
intusschen niet gering en bovendien goed georganiseerd.

Er moest een kampement tot verdediging worden ingericht, en wat van
dat vrij hoog gelegen punt van de Kamara te zien was, wees op kloeke
plannen tot verzet bij de bevolking. Voor het bestormen van versterkte
dorpen was de expeditie niet ondernomen: men moest topografisch-werk
doen en daarvan was geen sprake bij het aanhoudend gevaar van te worden
overvallen en het krijgszuchtig geschreeuw, dat de inboorlingen bij
verschillende ontmoetingen aanhieven.

Zij lieten het daar niet bij; alle drie groepen, waarin de missie zich
had gesplitst, hadden aanvallen te verduren en de 40 tirailleurs van
elke groep moesten van de wapens gebruik maken. Bij een dorp, dat men
moest passeeren, werden verscheiden versperringen genomen, en in een
gevecht, dat op 8 September werd geleverd en vier uren duurde, kreeg
een afdeeling der expeditie negen gewonden, gelukkig niet ernstig. Uit
alles bleek, dat men er niet met het werk kon voortgaan en nadat een
poging van de vereenigde groepen, om met de Kamaranen te onderhandelen
en hen tot vrijwillige onderwerping te bewegen, niets had uitgewerkt,
besloot men terug te trekken en elders de grensregelingswerkzaamheden
te vervolgen, terwijl in de Kamara gewacht moest worden op voorafgaande
pacificatie door fransche militairen.



DE MENSCHEN VAN HET NIJLDAL.

Het anthropologisch onderzoek, dat zoo ijverig in Egypte wordt
voortgezet, heeft een punt van bespreking uitgemaakt op de
jaarvergadering der British Association, waar professor Elliot Smith
mededeelde, dat de oudste vondsten van menschelijke overblijfselen
in het Nijldal, als men ze vergelijkt met later-vondsten en met
de lichamelijke gesteldheid van de tegenwoordige Egyptenaren,
uitwijzen, hoe Egypte en Nubië in de oudste tijden door een en
hetzelfde ras werden bewoond, en dat dit ras zich in Egypte met geen
of slechts zeer geringe veranderingen in de lichaamskenmerken door
de geheele tusschenliggende periode van zes duizend jaren tot op den
tegenwoordigen tijd heeft gehandhaafd.

Het ras was, als nog tegenwoordig, klein van gestalte; in alle
tijden van zijn geschiedenis bedroeg de gemiddelde grootte der
mannen niet meer dan 1.60 meter; het haar was donkerbruin of zwart,
in den regel gegolfd, maar niet wollig of eenigszins op dat van negers
gelijkend. Het hoofd was lang en smal, met een groot achterhoofd. Over
het geheel vertoonden ze dezelfde kenmerken als de meerderheid der
aan de kusten der Middellandsche Zee wonende volken.

Merkwaardig is het, hoe gering de vermenging met de negers steeds moet
zijn geweest, vooral als men bedenkt, dat het egyptische volk van de
oudste historische tijden af aan het gebied der negers heeft gegrensd.



EEN VROEGERE CATASTROFE IN MESSINA.

Op een der beruchte seismische lijnen, die in de buurt der zeeën langs
de kusten van sommige landen zijn te vinden, en waartoe o.a. de kusten
van Oost-Azië en de gordel van eilanden van Sumatra tot Timor behooren,
ligt ook dat Zuiden van Italië, dat op 28 December zoo gruwelijk is
geteisterd. Vesuvius, Stromboli en Etna liggen in die lijn; Messina
en Reggio en de omgeving van die plaatsen maken er met de straat van
Messina deel van uit.

Waarom mijdt de menschheid dan die plekken niet? Waarom bouwt ze er
telkens weer haar woonsteden? Wie zal het zeggen? De voordeelen,
die ze bieden uit andere oogpunten, moeten zeker opwegen tegen
het altijd dreigende, maar slechts zelden tot uitbarsting komende
gevaar. Uitstekende havens en vruchtbare bodem zijn in het geval van
de plaatsen aan de straat van Messina de aantrekkelijkheden. Kon de
wetenschap de woelingen in den grond, de instortingen of uitbarstingen
voorspellen, dan zou er weinig tegen zijn te zeggen, maar thans lijkt
het wel roekeloos, steden te bouwen op plekken, die al zooveel hebben
doorstaan.

De mooie stad Messina zal naar alle waarschijnlijkheid schooner dan
te voren uit haar asch verrijzen, zooals San Francisco nu bezig is
zich te herstellen, en latere geschiedschrijvers zullen van de ramp
van 1908 vertellen, die het lustoord teisterde, dat op puinhoopen is
verrezen, zooals wij de reizigers, die vóór de ramp Messina bezochten,
hooren verhalen van wat de stad in Februari 1783 had te doorstaan.

Zoo schilderde onlangs Gaston Vuillier die gebeurtenis, die 340
steden, dorpen en gehuchten op Sicilië en Calabrië vernielde en
onder de puinhoopen 50.000 menschen begroef. De cijfers van de in
deze dagen te Messina en de siciliaansche kustdorpen, te Reggio, te
Palmi en in de andere calabrische plaatsen omgekomenen zijn veel en
veel grooter. Dat is niet te verwonderen, want in één en een kwart
eeuw, die sedert verliepen, is de bevolking van Zuid-Italië ondanks
de landverhuizing naar Amerika en naar Zuid-Amerika toch aanmerkelijk
toegenomen en vooral heeft ze zich meer in middelpunten van bewoning
opgehoopt, zoodat in de steden en dorpen, nu daar de schudding het
hevigst was, tegelijk veel grooter aantallen slachtoffers vielen.

»Na de ramp,« schrijft Gaston Vuillier, »kenmerkten rouw en eenzaamheid
en droeve verlatenheid de plek, waar Messina had gestaan, want in de
stad bleef niet één steen op den anderen. Den 5den Februari 1783 bij
een zwaar bewolkten hemel werd een onderaardsch gerommel merkbaar, en
plotseling tegen den middag schudde de grond met hevige schokken. De
verschrikte bevolking nam de vlucht, toen twee loodkleurige wolken
een waren zondvloed deden losbarsten.

Altijddoor schudde en trilde de bodem; zwaveldampen stegen op,
plotseling ontstonden spleten in de aarde; meteoorsteenen vlogen
door de lucht, en de golven der zee rezen hoog en sloegen tegen de
bevende muren der stad. Tegen den avond werden de schokken minder
hevig, en de meeste menschen keerden naar de stad terug. Zij zochten
een schuilplaats in de voor een deel verwoeste woningen, toen tegen
middernacht nieuwe schokken alles omverwierpen, wat de eerste hadden
doen wankelen, en er ontstond een brand, die zeven dagen achtereen
aanhield.

De lucht was bijna geheel zwart, en zware dampen dreven over de stad,
terwijl een aanhoudend gerommel in den grond zich deed hooren, en uit
groote, plotseling geopende spleten allerlei gassen opstegen. Messina
was niet meer dan een hoop ruïnen. Twee wijken slechts waren
blijven staan van de groote stad. Het paleis van den onderkoning, de
kathedraal, het aarts-bisschoppelijk paleis, de kerken en kloosters,
het douanekantoor en het ziekenhuis, alles was weggevaagd.«

Hoeveel overeenkomst met wat er nu is gebeurd! Vijfmaal vijf-en-twintig
jaren na de aardbeving, die boven werd beschreven, heeft zich de
catastrofe in nog veel heviger mate herhaald. Men wil thans eerder
een einde aan de branden maken, door wat er nog van de stad is
overgebleven, plat te schieten en dus sneller table rase te maken
en vlugger paal en perk te stellen aan de gevaren, die uit het
duizendvoudige graf voor de omgeving voortvloeien.



HULDE AAN AFRIKA-ONTDEKKERS.

Op 14 December heeft te Londen een feestvergadering plaats gehad
van de Royal Geographical Society ter herdenking van Speke, die
vijftig jaren geleden voor het eerst aan het Victoria Nyanza kwam en
daardoor de ontdekker werd van dat meer en het groote afrikaansche
merengebied. Het was een interessante bijeenkomst, niet alleen door
de feestrede, die gehouden werd door Sir William Garstin, wiens
ingenieurswerk in Egypte en wiens pioniersarbeid daar hem terecht
beroemd hebben gemaakt, maar ook doordat men er had bijeengebracht
allerlei relieken, kaarten en portretten die op de helden van het
Afrika-onderzoek betrekking hadden, en zoo waren aan de orde al
die mannen van de exploratie van Midden-Afrika, Speke zelf, Burton,
James Grant, Samuel Baker, Stanley, Emin Pacha e.a.

Het rijtje zal later nog met reizigers, die de toekomst brengen zal,
kunnen worden aangevuld, (trouwens naast de Engelschen hebben ook
andere naties wel meegedaan aan het bedoelde onderzoek) want men is
er nog lang niet gereed met opmeten en in kaart brengen en er zijn
ook nog volkomen onbekende streken. Daar liggen oostelijk van de
Bahr-el-Gazal tusschen de Sobat en de Latoeka-bergen nog onbekende
gebieden. Van twee belangrijke zijrivieren van den Blauwen Nijl, de
Didessa en de Jaboes, weet men nog weinig. En niemand heeft nog den
Blauwen Nijl tot het punt, waar hij het Tsana-meer verlaat, gevolgd.

Dan ontbreekt nog steeds een nauwkeurige opmeting en inkaartbrenging
van de Albert Nyanza.

Wat den Witten Nijl betreft; het meest urgente probleem, dat met die
rivier verband houdt is: een middel te vinden om het verlies van water
in de waterplant-versperringen, door welke zij stroomt te voorkomen.

Het middel daartoe is nog geenszins gevonden en de opruiming van
dien dichten warwinkel van waterplanten, de studd, zal nog heel wat
hoofdbrekens kosten.



EEN AMERIKAANSCH POMPEJI

In den staat Arizona is men aan het doen van opgravingen, om er
groote ruïnen bloot te leggen. Te Casa Grande bij de stad Florence
moet in veel vroeger tijden een stad hebben gestaan met gebouwen
van aanzienlijke afmetingen. Er moeten grondslagen zijn ontdekt van
paleizen ter lengte van bij de 60 meter breed, die elf vertrekken
bevatten, om een binnenplein gelegen. In een der kamers staat een
zetel, dien de Indianen uit de streek den stoel van Montezuma noemen,
wat nog niet zoo heel veel wil zeggen, aangezien zulk een stoel peet
is geweest voor velerlei zetels.

Het wetenschappelijk Genootschap, het Smithsonian Institute te
Washington, toont levendige belangstelling in de opgravingen, maakt
er melding van in zijn jaarrapport en heeft op zich genomen, een
deel der ruïnen over te laten brengen naar Washington, om daar te
laten reconstrueeren.



SJI-TOCHT VAN EEN NEDERLANDER.

Op den eersten Kerstdag heeft baron D. B. Th. van Heemstra uit
Deventer een mooien triomf behaald als beoefenaar der bergsport. Hij
heeft den Wildstrubel bij Kandersteg aan de Kander in 't Berner
Oberland op sneeuwschoenen bestegen onder geleide van drie gidsen
uit Kandersteg. Aan den voet van den Gemmi begon de tocht en in acht
uren werd van het hôtel Schwarzenbach af de top bereikt. De heer
H. Schellenbaum uit Londen nam ook aan de sji-expeditie deel. Het
was de eerste maal, dat de beklimming dezen winter plaats had.

Eere den moedigen bergbeklimmer, die, uit het land der vlakten komend,
de bergen zoo ver moet zoeken!



KUNST.

Niemand is een groot schilder, omdat hij slecht teekent.



EEN DROEVIG STERFGEVAL.

Diep tragisch is de plotselinge dood van den te Utrecht door
gasverstikking om het leven gekomen jongen dokter, J. E. Tehupeiory.
Hij was nog maar 26 jaar, en hij heeft reeds zooveel gewerkt,
terwijl er nog zoo groote verwachtingen op zijn leven mochten
worden gebouwd! Want hij was een baanbreker, een wegbereider voor
groepen menschen, voor wie de goede voorbeelden nog weinige zijn en
die aanmoediging noodig hebben, om in de wereld de plaats te leeren
innemen, die hun toekomt door karaktereigenschappen en geestelijke
gaven.

De inlanders in onze Oost leven op uit hun eeuwenlange verdooving
en het blijkt meer en meer, dat hun achterlijkheid niet inhaerent
is aan hun wezen, maar dat hen een schoone toekomst wacht, als ze
de ontwikkeling en het onderwijs krijgen, die al zoo lang aan de
blanke rassen zijn gegeven. Van het ontwaken der Javanen getuigt de
oprichting van den Bond van Javanen Boedi Oetomo, die wel verdient, dat
wij er hier in Nederland belang in gaan stellen en hem steunen, waar
het kan. Want langs dien weg van zelfwerkzaamheid voor de inlanders
ligt de way-out uit het vele verkeerde, dat al zoo lang reden tot
klagen heeft gegeven aan menschen, die ons Indië kennen en de wijze,
waarop ons regeeringsbeleid er werkt.

Tehupeiory was geen lid van Boedi Oetomo, want daar kunnen enkel
Javanen aan deelnemen, terwijl hij een Ambonees is, zoon van het
kloeke volk, dat ons altijd zulke uitstekende, trouwe soldaten heeft
geleverd. Zijn zin voor studie kwam al vroeg aan den dag, en de zending
heeft al lang genoeg op Ambon gewerkt, om te maken, dat hij in zijn
kinderjaren leeren kon. Als jongeling werd hij naar Weltevreden
gezonden ter Dokter-djawaschool en was er geregeld Nr. 1 van zijn
studieklasse. In schrijven heeft hij altijd veel behagen geschept, en
toen hem achtereenvolgens de leiding van een paar maleische couranten
werd toevertrouwd, was dat juist een kolfje naar zijn hand.

In 1902 verliet hij als Nr. 1 de inlandsche artsenschool, en zijn twee
jaren jongere broer was Nr. 2. Beiden deden in de week vóór Kerstmis
j.l. het artsexamen in Amsterdam.

J. E. Tehupeiory had in Indië al gepraktizeerd, eer hij naar Europa
kwam, om een nederlandsch diploma te veroveren. In Meester Cornelis
had hij een flinke praktijk, ook bij europeesche families, maar
toch verliet hij die gaarne voor de vereerende regeeringsopdracht,
om in 1903 als medicus deel te nemen aan de expeditie onder
controleur Van Walcheren naar de Boven Mahakam op het voetspoor
van Dr. Nieuwenhuis. In zijn boek »Onder de Dajaks" vertelt hij van
den tocht.

Daarna volgde de tijd van zijn studie in Amsterdam, waar hij met
zijn broer en zuster studeerde, de laatste zich voorbereidend voor
apothekeres. Bij de studenten waren de beide Amboneezen zeer gezien
en in verschillende besturen van vereenigingen onder het corps hadden
ze zitting. Het groote publiek hoorde nu en dan van de prestaties
van Tehupeiory, die nu gestorven is, o.a. toen hij te Leiden op het
laatste Taal- en Letterkundig Congres heeft gesproken over het hem
zoozeer ter harte gaande onderwerp, de toekomst der inlanders en de
verhouding der blanke westerlingen tot de bruine broeders.

Dan vernamen we, dat hij ook voor het Koloniaal Museum optrad
te Haarlem, waar hij een boeiende beschrijving gaf van zijn
Borneo-reis. Zuid-Nederland begon ook belang in hem te stellen, en als
niet de dood hem nu zoo wreed had weggerukt, zou hij spreekbeurten
hebben vervuld in verschillende belgische steden, waar men hem had
uitgenoodigd. Met zijn pas behaald artsdiploma zou hij zeker zijn
wensch, om als officier van gezondheid in dienst te mogen treden,
hebben vervuld gezien. Helaas, dat de sluiting van een hoofdkraan
van het gas in een hôtel, waar men zich niet had overtuigd, dat ieder
bekend was met de gewoonte, om in den nacht die kraan te sluiten, hem,
die het licht blijkbaar had willen laten branden, een vroegtijdigen
dood moest brengen!

Bij zijn begrafenis te Utrecht sprak Mr. C. Th. van Deventer een
woord van hulde en waardeering voor den gestorvene. Vrienden uit
het studentenleven eerden zijn nagedachtenis door een warm woord aan
zijn groeve te doen hooren en de heer Mr. Abendanon, oud directeur van
onderwijs in Indië, schetste zijn jong en werkzaam leven. Een bloemstuk
van het Amsterdamsch studentencorps werd op het graf gelegd. Treffend
was nog het woord, gesproken door een Batak, de heer Soeripada,
die te Leiden studeert en die erop wees, hoe de zonen van Insulinde,
die naar Nederland komen, in hem, in Tehupeiory, hun trots en glorie
stelden. De broer van den overledene dankte ook namens zijn moeder
voor de belangstelling, en het leed om het verlies werd ook nog
aan het graf vertolkt door een broeder van de jonge Hollandsche,
mej. Graanboom, die beloofd had, Tehupeiory's vrouw te worden.



SMEROE-REIS VAN DEN HEER C. M. VISSERING.

Een zeer belangwekkende reisbeschrijving mocht het tijdschrift »Onze
Eeuw« in zijn eerste aflevering voor 1909 zijn lezers voorzetten in
het werk van den heer C. M. Vissering, die op Java den zuidvoet van
den vulkaan, den Smeroe, van west naar oost is omgetrokken. Waar
stoomtram en karreweg en paardepad hem in den steek lieten, heeft
hij de bergwildernis doorreisd, alleen met het aangename hulpmiddel,
dat iederen dag versche rijpaarden te zijner beschikking stonden
en dat hij de zekerheid had, drie achtereenvolgende dagen te kunnen
logeeren op koffie-ondernemingen.

De onmiddellijke nabijheid van den vuurspuwenden berg beheerscht
het verhaal, dien hoogsten van Java's vulkanen met zijn geheel
kalen top, dien 1500 meter hoogen grijzen puinhoop van asch en
gruis, met daarboven een rookpluim, die de lucht wordt ingestuwd als
ondoorzichtig, zwaar wattengewolkte, dat uit den kratermuil opstoomt,
langzaam zich uitzet, hooger en hooger stijgt, oneindig hoog in den
ether zich als een breede pluim verijlt en door den zuidoostpassaat
noordwestwaarts wordt gedreven. Op de koffie-ondernemingen klinkt
voortdurend het onderaardsch gerommel van den berg met de onverwachte
uitbarstingen, die op heftige donderslagen gelijken.

's Avonds staat bij een uitbarsting een hooge, gloeiende vuurkolom
tegen den klaren hemel, en toch leven de menschen er rustig in de
onmiddellijke nabijheid van die geweldige natuurkracht, die telkens
weer de noodlottigste verwoestingen aanricht. Mooi beschrijft de
auteur de gevolgen van zulk een ramp, zooals hij ons ook innig mee doet
voelen met den Europeaan, ongehuwd, daar op het verre koffieland, die
overweegt, wat hij zal doen, als een eruptie zijn plekje mocht treffen.

Hoe prettig is de tocht beschreven met de betrouwbare inlandsche
paardjes, door bergrivieren midden in het woud, waar men sterk komt
onder de magische bekoring van de wondergrootsche natuur. En dan die
witte orchideeën op de doode takken en boomen van het nog zoo kort
geleden bij een uitbarsting verwoeste land! Dit is wel de soort van
reisbeschrijving, die den lezer mee doet genieten en hem onder de
bekoring brengt van het aan afwisseling zoo rijke Indië.



REIZEN IN BRITSCH NIEUW-GUINEA.

Over Monckton, dien wij noemden in ons berichtje over reizen in
Britsch Nieuw-Guinea in het nommer van 5 December, lezen we nog,
dat deze zendeling bij zijn reis door het engelsche gedeelte van het
groote eiland den Albert-Edwardberg in het Owen-Stanleygebergte heeft
beklommen en de hoogte ervan door middel van kookpuntsaflezingen heeft
bepaald op 4030 meter. Gouverneur Mc Gregor was tot het resultaat
gekomen, dat de hoogte 3825 meter bedroeg.

Als Monckton's berekening juist blijkt, zal dus de Albert-Edwardtop
moeten worden beschouwd als de hoogste top in Britsch Nieuw-Guinea
en niet langer komt dan aan den Victoriaberg met zijn 4000 meter die
eer toe.

Wanneer zullen de toppen van het Sneeuwgebergte in ons deel van
Nieuw-Guinea gemeten worden en in concurrentie kunnen treden met de
genoemde bergen?



OP DEN UITKIJK.


IN DE ZWAVELMIJNEN VAN SICILIË.

Al van oudsher vormt het winnen van zwavel op het enkel aan de randen
vruchtbare, maar in het bergachtige binnenland kale en steenachtige
Sicilië een hoofdbron van bestaan en is dikwijls het eenige, waardoor
de bewoners in hun levensonderhoud voorzien. Door de concurrentie van
de zwavel van elders was op het laatst der vorige eeuw de opbrengst
wel tot op de helft verminderd en in de laatste jaren is het er niet
beter op geworden, zoodat men wel mag zeggen, dat de zwavelwinning op
Sicilië in een toestand van crisis verkeert. In den voor het eiland
buitengewoon strengen winter van 1906 op 1907 hebben heftige regens
de mijnen ten deele onder water gezet, zoodat duizenden arbeiders
broodeloos werden en de toch al noodlijdende provincie er droevig
aan toe was.

De zwavelgebieden liggen in het Oosten van Sicilië aan den Etna,
waar Catania de hoofdzetel is van den uitvoerhandel voor zwavel, en
dan in het Zuiden bij Girgenti. Daar deed in 1907 luitenant-generaal
Von Hoffmeister op zijn terugreis van Tripolis en Tunis een tocht,
om de ruïnesteden en de zwavelmijnen te bezoeken, terzijde dus van
den toeristenweg, die zich tot de kuststreken bepaalt. Van Porto
Empedocles, de tegenwoordige haven van Girgenti, reed hij onder het
geleide van een duitsch ingenieur, op een smalsporig spoorlijntje,
dat hier en daar door den regen onderwoeld en losgespoeld was,
naar de zwavelmijn Lucia. Ze gingen langs den berg, waar de ruïnen
van Akragas heerlijke bruingele tempelgebouwen vertoonden, die zich
scherp afteekenden tegen het donkerblauw van den italiaanschen hemel
naar de tweehonderd meter hoog gelegen mijn.

De geur van bloeiende amandelboomen hing in de warme Maartsche lucht,
en de arbeiders, die in de kleine haven met bloote beenen zware
manden met zwavel in kleine booten droegen, waarmee het product
naar de verderaf liggende schepen werd overgebracht, zongen eentonig
zwaarmoedige liederen.

Toen men de mijn naderde, deed zich een sterke zwavellucht bemerken,
en langs een zwavelmolen kwam men aan de Luciamijn in een kaal dal. Er
stegen aan de grijswitte berghellingen rookwolken omhoog uit de
smelthutten of zwavelhoopen, de calcarone, en in het lichte gesteente
zag men hier en daar donkere openingen, de ingangen tot de mijn. Om
die openingen bewogen zich eenige tot het middel naakte mannen, die
de zwavel uit het binnenste van den berg naar de bergplaatsen voerden,
in manden gedragen of langs kleine hulpspoortjes. Uit de bergplaatsen
wordt de zwavel in de calcarone of smelthutten, eigenlijk groote
trechters, gebracht, die gemetseld zijn en waar de stof in lagen
gebrand wordt. Langzaam gaat het verbrandingsproces, en de vloeibaar
geworden zwavelbrij wordt door een onder in den trechter aangebrachte
opening afgetapt in rechthoekige bakjes van verschillende grootte,
verdeeld in vakjes van den vorm van een baksteen, waarin de stof
stijf wordt.

De bezoeker verwisselde zijn kleeding met een mijnwerkerspak
en daalde met zijn geleider in een kleine lift 150 meter naar
beneden. Vochtigwarme lucht maakte het ademen moeilijk. Beneden ging
het over een natten, glibberigen grond 1200 meter ver door een smalle
gang, waar men alleen gebukt doorheen kon en waar de gipswanden van
zwavelwater dropen.

Aan het eind gingen ze langs steile, uitgetreden en gladde trappen
naar een lagere gang zestig meter in een holte, waaruit een heete
lucht hen tegensloeg, en waar arbeiders met ontbloot bovenlichaam
het zwavelgesteente onder dof klinkend gehamer lossloegen. Onder
het moeilijke dalen schoven zonder woorden steeds naakte knapen hun
voorbij met kleine mijnlantarens, welker door damp omhulde vlammetjes
op dwaallichten geleken en op en neer dansten. Op de gebogen ruggen
sleepten ze de ongeveer veertig pond wegende zwavelblokken met eronder
gekruiste armen. Het waren de carusi, de jongens van 13 tot 17 jaar,
die er zooveel gebruikt worden. Zij zwoegden met hun last tegen de
glibberige treden omhoog naar de lange gang, waar een spoortje door
liep. Daar werden de lasten door mannen in ontvangst genomen en door
de spoor verder vervoerd dan wel erlangs gedragen naar den uitgang.

De arbeiders zagen er oud en vermoeid uit, en de knapen boden soms een
deerlijken aanblik aan, armoedig en slecht gevoed, als ze waren. Er
werkten ongeveer duizend mannen en tweehonderd jongens voor anderhalf,
twee tot drie francs dagloon bij een werkdag van acht uren, van 's
morgens zeven tot 's middags drie uur. Het meegebrachte eten gebruiken
ze in de mijnen. De verhouding van de arbeiders tot de bazen leek
goed, en de directeur vertelde, dat hij door de menschen streng,
maar met welwillendheid te behandelen, nooit moeite met hen had,
want dat ze als kinderen waren. Toen de bezoeker vroeg, of men de
jongens niet door machines kon vervangen, omdat er zooveel aan een
dergelijken kinderarbeid waren verbonden, werd er geantwoord, dat de
gezinnen de inkomsten niet konden missen, die de jongens inbrachten,
en dat het, hoewel zeker voordeeliger voor de exploitatie, te veel
misnoegen zou wekken, als men de carusi naar huis zond.

Den volgenden dag toonde het bezoek aan de mijnen van Giovanella
bij Castel Termini al geen vroolijker toestanden. Van het station
Campofranco op de lijn Girgenti-Palermo heeft men een eind bergop te
wandelen naar de 400 meter hoog gelegen mijnen. Die behooren aan een
fransch-italiaansche maatschappij. Zij hadden toen juist veel geleden
door hevige regens, en het werk stond stil omdat alles onder water
stond, tot zelfs de pompen. Meer dan 1200 arbeiders waren zonder werk.

Het zwavelhoudend gesteente ligt hier dieper onder den grond, wat de
exploitatie moeilijker maakt en de temperatuur, waarbij gewerkt moet
worden, veel hooger. In de buurt was het landschap volkomen kaal
en zonder schaduw. Daar er in dit mijndistrict geen drinkwater te
krijgen is, heeft men er geen woningen gebouwd, en de arbeiders moeten
dagelijks anderhalf tot twee uur langs bezwaarlijke bergpaden loopen,
om eer het dagwerk begint, reeds een deel van hun kracht te hebben
verbruikt tusschen de plaats van hun werk en de plaatsen Campofranco of
zelfs Sutera, dorpen, die verweg, ten oosten van den spoorweg, als over
elkander geworpen steenhoopen tegen de berghellingen kleven. Voorwaar,
een zwaar leven, dat van de arbeiders in de zwavelmijnen van Sicilië.



DE HANDEL VAN ABESSYNIË.

Over den handel in Addis Abeba, de hoofdstad van Abessynië,
heeft baron Friedrich Kulmer mededeelingen gedaan aan het
oostenrijksche Handelsmuseum, dat ze gepubliceerd heeft in het orgaan
»Oesterreichische Monatsschrift für den Orient« van Augustus 1908.

Daar wordt o.a. gezegd, dat alle handelshuizen in Addis Abeba, zoowel
de groote als de kleine, doen zoowel aan invoer als aan uitvoer. De
meeste europeesch-abessynische huizen hebben in Addis Abeba een
vertegenwoordiger, wiens voornaamste werk bestaat in het sluiten van
overeenkomsten met den keizer. Aan den nieuweling kost het meestal
verbazend veel moeite, om daarbij te slagen, want slechts langzaam
leert hij al de moeilijkheden overwinnen, die in Abessynië aan het
zaken doen zijn verbonden.

De zwaarste concurrentie wordt den Europeanen aangedaan door Indiërs,
Armeniërs en Grieken, die in hun wijze van denken zooveel dichter
bij de Abbessyniërs staan en die voor geen middel terugdeinzen, om
hun doel te bereiken. Om die reden hebben dan ook soliede huizen hun
betrekkingen met Abessynië afgebroken.

De staatkundige toestand van het land doet mee den handel kwijnen. Al
zijn de behoeften inderdaad wel toegenomen, toch verkiest de kleine
man zijn opgespaard geld te bewaren, liever dan uitgaven te doen,
die de aandacht op zijn welvaart zouden vestigen, waardoor zijn
dorpshoofd hem de belastingschroeven maar sterker zou aanzetten.

Er bestaan wel in het land belastingwetten, op volkomen regelmatige
wijze tot stand gekomen, maar ze bestaan enkel in theorie, en
in de praktijk heerscht oppermachtig het uitzuigerssysteem, dat
door willekeur geleid wordt en waartegen maar één middel helpt, de
bakschisch. Men moet rekening houden met een uitvoer- en invoerrecht
van tien percent; maar voor spiritualiën is het recht veel hooger. Ook
bij de douane geldt evenwel het oostersche gebruik van giften en
gaven, en als men bedenkt, dat een abessynische douanedirecteur
hoogstens twintig thaler 's maands salaris heeft met een stuk land,
dan behoeft het niet te verwonderen, dat een bakschisch zekerder tot
het doel leidt dan iets anders, als men wat heeft te reclameeren.



NOODZAKELIJKHEID.

Wat goed en noodzakelijk is voor het menschdom, dat komt vroeg of laat,
meestal laat.



DE DONAU IN BENEDEN-OOSTENRIJK.

De Donau kan uit het oogpunt van landschappelijk schoon volkomen goed
met den Rijn wedijveren. Als de rivier voorbij Passau is gestroomd
op de grens van Beieren, ontvangt ze de waterrijke Inn en betreedt
een liefelijk heuvelland. In velerlei kronkelingen dringt de rivier
tusschen zacht hellende hoogten door, en begeleidt een gezellig
landschap met veel dorpjes, kasteelen en burchten, beschrijft een
grooten boog in de vlakte van Linz, nadert dicht tot de uitloopers van
het boheemsche middelgebergte en keert zich dan naar de heuvelketen
aan den rechteroever, waar het keizerlijke slot Wallsee uit de hoogte
neerziet.

De boheemsche granietbergen krijgen eerst bij Grein invloed op den
stroom, want daar veroorzaken ze een stroomversnelling, die vroeger
zeer lastig was voor de schippers, maar nu doordat men rotsen
heeft laten springen, niet meer gevaarlijk is, al blijft nog het
mooie gezicht van den versnelden stroom. Een van de vele burchten
en kloosters, die vóór Weenen aan de rivier levendigheid bijzetten,
naast dorpjes als Melk en Schönbichl en Aggstein, is Dürnstein. Weer
treden bergen dichterbij, en ten slotte ziet men achter den steilen
Leopoldsberg de millioenenstad Weenen voor den dag komen.



SKI OF SJI?

De Duitscher Dr. H. Hoek, die zich zeer verdienstelijk heeft
gemaakt voor de sport van het sneeuwschoenloopen, zendt aan de
Mededeelingen van de Duitsche en Oostenrijksche Alpenvereeniging
een schrijven, waarin hij erop wijst, dat het woord sneeuwschoen
voor verschillende opvatting vatbaar en dus ondoelmatig is. Sji is
aan te bevelen. Glijsneeuwschoen is te lang en leelijk; sneeuwlat,
dat in Zwitserland is aangeraden, komt ook niet in aanmerking, en we
moeten overgaan tot het noorsche woord ski.

Dat woord is afkomstig van het oudgothische skaidan, en behoort tot de
groep van klanknabootsende woorden, die met glijden in verband staan en
waartoe ook schip, schiff, skiff, schieten, e. a. te rekenen zijn. Het
is dus geen waagstuk, het woord in de germaansche talen over te nemen,
daar een menigte verwante woorden burgerrecht hebben verkregen. Voert
men het woord echter inderdaad in, dan moet men naar den regel schi
(Holl. sji) schrijven en uitspreken. De uitspraak sji in plaats van
ski is het verkieselijkste, omdat in het vaderland van het woord,
Noorwegen die uitspraak de algemeene is, en omdat sk aan het begin van
een woord in de germaansche talen iets ongewoons is, terwijl ook bij de
uitspraak ski de aardige klanknabootsing van het woord verloren gaat.

Voor ons, Hollanders, zou dus schi als in schip de juiste schrijfwijze
zijn; we houden dan ook de klanknabootsing, die we in schuiven en
andere werkwoorden en naamwoorden bezitten, maar waar het een voor
Nederland nieuw woord geldt, naam van een voorwerp, dat nog in lang
niet algemeen in gebruik zal zijn, en nooit in ons vlakke land en
bij de zeldzaamheid van een flink sneeuwkleed algemeen kan worden,
zal denkelijk de duitsche vorm sji de meeste kans hebben. Wij kunnen
dan het meervoud sji's vormen; de Duitschers hebben Skier.

De redactie van de »Mittheilungen« zet in een noot onder
het artikeltje, dat ze zich voortaan in de geschriften van de
Alpenvereeniging uitsluitend van die vormen Schi en Schier voor enkel-
en meervoud zal bedienen. Sji en sji's is daarmee voor het Nederlandsch
in overeenstemming.



GECONSERVEERDE ZOMERZON.

    "Ons eigen land". Tusschen Amsterdam en Arnhem, door Jan Feith.
    Uitgegeven door den Algemeenen Nederlandschen Wielrijdersbond,
    toeristenbond voor Nederland, ter gelegenheid van zijn
    vijf-en-twintigjarig bestaan.


Hier hebt ge de zomerzon, in woord en beeld vastgelegd ter verheuging
van het heele nederlandsche volk! Wat een verrukkelijk boek van warmte
en licht, wat een schat voor hollandsche huiskamers! Natuurlijk heeft
de Sint er druk mee gewerkt, en overal waar hij het forsche stevige
boek onder kleinere cadeaux heeft neergelegd, zal het dadelijk alle
aandacht voor zich hebben opgeëischt, om die niet weer te verliezen,
want in dit prachtwerk bladeren is tevens er uren en uren aan
besteden. Men kan er eenvoudig niet afblijven, van die verrukkelijk
mooi uitgevoerde en met zooveel goeden en juisten smaak gekozen
beelden van den vaderlandschen grond.

Eén roep over de voortreffelijkheid is er dan ook in ons land over
het werk opgegaan. Wij ontvingen het eerst laat ter bespreking,
en wagen slechts met schroom, ons toontje nog te doen klinken in
de algemeene jubelouverture. Maar nu kunnen wij dan ook tevens aan
onze lezers meedeelen, dat het groote succes zich ook afspiegelt in
den verkoop, wat lang niet altijd in ons eigen land samengaat, maar
wat nu met dit »Ons eigen Land« dan op treffende wijze het geval is,
zoodat de van het eerste deel gedrukte 2500 exemplaren reeds zoo goed
als uitverkocht zijn.

In allerlei toonaarden is de lof gezongen van deze reeks, prachtig
uitgevoerde en prachtig gerangschikte foto's. Ze doen den fotografen,
wier namen in een lange lijst op een der eerste bladzijden prijken,
alle eer aan, en niet minder hun, die ze met zoo groote moeite
en zorg bijeengaarden, den heeren G. A. Pos en G. L. Hasseley
Kirchner. Wonderlijk mooi is het licht van een zomerdag hier
vastgelegd; men ziet, als het ware, de schaduwen bewegen in het grillig
spel van het gebladerte als op dat door de zon beschenen huis van
het dorp Zuilen tegenover blz. 10, op de Grebbehelling, te Wolfheze
en waar al niet meer! De plaatjes zijn zoo aantrekkelijk, dat het
haast moeite kost, te gelooven, wat Jan Feith op blz. 61 zegt, dat
de werkelijkheid »nog veel mooier is dan het meest glorieuse prentje.«

Maar hoe gelukkig voor zijn lezers, dat hij dat zeggen kan, want dat
gevoel heeft hem in staat gesteld, met zooveel geestdrift, dit lang
niet gemakkelijk werk te voltooien. De afbeeldingen zijn zoozeer
nummero één; ze doen het oog zoo aangenaam aan door de smaakvolle
omlijsting der bladzijden met die telkens afgebroken dubbele lijnen
en losse hoekpunten; ze zijn in hun verschillende vormen en formaten
zoo allerkeurigst geschikt, dat men den tekst erbij zou vergeten. Daar
echter waakt Jan Feith wel ter dege tegen.

Vooral nadat hij met zijn inleiding klaar is, die het eigenlijk al te
mooi wil maken met dat in het breede uitweiden over de woorden »ons«
en »eigen« en »land,« causeert hij zoo opgewekt en zoo belangwekkend om
de platen heen, al is hij soms wel eens ver af van ter plaatse zijnde
kiekjes dat hij u steeds weet te boeien. Bij zoo kolossaal veel tekst,
als hier moest worden gegeven, is het onmogelijk, dat die altijd en
overal even voortreffelijk kon zijn; maar er zijn werkelijk magnifieke
bladzijden in dit boek, voorbeelden van natuurbeschrijving, die zeker
moeilijk zouden kunnen worden overtroffen. En hoe aangenaam zijn de
historische herinneringen door den tekst gevlochten, hoe talentvol
is het tout dire vermeden, zoodat de klip van het vervelend worden
altijd is ontzeild! Hoe aardig is, waar Vianen ter sprake komt,
verteld van het slot der Brederodes, hoe mooi is de historie van de
oude Stichtdorpen weergegeven, en zoo op honderd plaatsen meer worden
ons de pilletjes geschiedenis in een zoet hapje toegediend.

Een enkelen keer had mogelijk de schrijver voor een standaard werk
als dit een ietsje kieskeuriger kunnen zijn. Dan was misschien dat
verhaal van den jaardag in Slangevecht, en hoe die in het dorp werd
gevierd, weggebleven, alleen om der proporties wille. Maar dan staat
daartegenover weer die voortreffelijke keuze van beschrijving van den
schaardag op dien heerlijken Meimorgen, als het vee naar de Meent
wordt gebracht, en die van den processiedag in Laren, ook zoo knap
gekozen en zoo meesterlijk beschreven.

En altijd ziet de schrijver even goed en helder, onverschillig,
of hij onderweg is per auto of per motorboot, te fiets of per pedes
apostolorum, met Barry, den Sint-Bernardshond tot gezelschap. En een
apostel is hij altijd van het schoone, het schoone in ons eigen land!



OP DEN UITKIJK.


ALBANIË EN DE ALBANEEZEN.

Onder de vele volksstammen, die Macedonië bewonen, en wier onderlinge
twisten zooveel hebben bijgedragen tot de vreedzame omwenteling van
dezen zomer in Turkije, nemen de Albaneezen de eerste plaats in. Wel is
waar, worden ze in aantal overtroffen door de Serviërs, in beschaving
door de Grieken, in gezag en invloed door de Turken; maar geen van deze
naties biedt Europa zooveel moeilijkheden te overwinnen aan, als het
wil trachten, hervormingen in te voeren en geen volk is moeilijker tot
onderwerping te brengen dan de Albaneezen. In de kabinetten moge men
al met vrij groote zekerheid het lot der anderen hebben beslist, het
staat den mogendheden nog bij lange na niet duidelijk voor den geest,
wat er van Albanië en zijn bewoner op den duur moet worden. Kort na
den staatsgreep van Oostenrijk-Hongarije in zake Bosnië en Herzegowina
heette het dat Albanië zich onafhankelijk ging verklaren. Maar het
voorbeeld van Bulgarije en Kreta tot afscheiding van Turkije is
niet door Albanië gevolgd. Integendeel. In een onlangs verschenen
proclamatie hebben de Albaneezen na een te Monastir gehouden congres
hun aanhankelijkheid aan Turkije betuigd. Ze hebben daarbij echter
bij voorbaat verzet aangeteekend tegen elke schadeloosstelling, die
aan Servië of Montenegro ten koste van Albaneesch grondgebied mocht
worden toegekend.

Albanië is een groot land, bijna zoo groot als Beieren, dat ingesloten
ligt tusschen een wal van bergen van gemiddeld 2000 M. hoogte en,
als natuurlijke vesting beschouwd, veel ontoegankelijker is dan
Zwitserland en noch naar de zijde der Adriatische Zee, noch naar
den kant van Macedonië passen of toegangswegen heeft. Zoo min als
de Grieken Albanië konden veroveren, zoo min is dat aan de Romeinen
gelukt; de barbaarsche Serviërs en Bulgaren stieten vóór Albanië het
hoofd en tegen de Turken hielden de Albaneezen tot op heden stand.

En zij hebben een zeker recht op hun bergachtig land, bewoond door
het oudste volk van Europa. Zij zijn de oudste stam der Ariërs, en
hun taal, die aan het Sanskriet verwant is, wijst hen duidelijk aan
als zoodanig. Men herkent in hen het type der oude Grieken, zooals
het voor ons in de marmeren beeldhouwwerken uit den bloeitijd bewaard
is gebleven. Of men hen ziet in Konstantinopel als arbeiders of als
kawassen van de consulaten, als soldaten van des sultans lijfwacht
of als garde van koning George in het koningspaleis te Athene, dan
wel in hun vaderlandsche bergen, overal treft hun hooge gestalte,
hun krachtige lichaamsbouw, hun mannelijk en ernstig optreden.

Zij trekken veel naar den vreemde, omdat hun arm land hen niet allen
voeden kan, maar als ze een kapitaaltje hebben overgespaard, keeren
zij naar hun land terug. Vreemdelingen zien ze daar niet bijzonder
graag. Wel wonen in hun steden rondom het albaneesche hoofdgebergte,
in Janina, Ochrida, Uskub, Prizren, Ipek, Diacovar ook Grieken,
Serviërs en Bulgaren, maar ze zijn ver in de minderheid, hebben er
al van ouder tot ouder gewoond en spelen er een ondergeschikte rol.

Het gemakkelijkst komt men nog Albanië binnen over Monastir, dat,
hoewel het buiten de albaneesche grenzen ligt, toch ook als militaire
hoofdstad van Albanië moet worden beschouwd. Trouwens ieder Albanees
is krijgsman van origine; allen zijn steeds gewapend en wel met een
duchtig arsenaal van velerlei oorlogstuig. Daden van heldenmoed zijn
schering en inslag van de geschiedenis der Albaneezen. Daar weten
turksche bataljons van mee te spreken, ook daarvan, dat de albaneesche
vrouwen dapper meevochten. Die krijgshaftige geest heerscht vooral in
Noord-Albanië; Epirus en de streek rondom de mooie meren van Castoria
en Prespa, waar de Zuid-Albaneezen of Tosken wonen, zijn vreedzamer van
aard. Die bewoners van het Zuiden hebben veel grieksche woorden in hun
taal opgenomen, en het komt vaak voor, dat de Albanees uit Epirus den
stamgenoot uit Prizren of Diacovar niet verstaat. De grens tusschen
de beide deelen van Albanië ligt in de buurt van Monastir en Ochrida.

Daar ligt ook het mooie Ochridameer als een albaneesch Lago
Maggiore. Waren er in Albanië goede wegen en hôtels, was het niet
het eenige land in Europa, waar nooit de fluit van een locomotief
is gehoord, dan zou Ochrida het doel zijn van duizenden moderne
toeristen, Maar voorloopig leiden, van Sentare, Albanië's grootste
haven en handelsstad aan de Adriatische Zee, alleen zandige paden
voor rijdieren het binnenland in.



AAN DE ANDERE ZIJ VAN DEN POOLCIRKEL.

De treinen, waarmee men van Stockholm naar Lapland reist en die den
reiziger dan voor 36 uren een onderkomen verleenen, zijn het best te
vergelijken bij een uitstekend hotel op raderen, een hotel, waarin
het iemand aan niets behoeft te ontbreken. Rustig zittend in den
gemakkelijken fauteuil in het rooksalon, ziet men de afwisselende
natuurtooneelen voorbijglijden. Na anderhalf uur rijdens houdt de
trein in het oude Upsala stil en in dien rusttijd kan men zich in de
eetzaal van het station versterken voor den nachtrit.

Den volgenden morgen is men al in het gebied van de Inndal- en
Angermanna-elf en heeft uit het coupévenster een verrukkelijk
uitzicht. Als breede zilveren strepen glijden de rivieren door
de liefelijke dalen, en vaak dreunt het snelstroomende water bij
versnellingen boven het gerommel van den trein uit. Zwedens rijkdom,
zijn bergen en trotsche wouden schitteren in den zonneschijn en gaat
men in den vollen zomer, bij voorbeeld half Juli, dan bloeit overal
de sering nog in volle pracht. Tegen elf uur 's avonds is men dan in
Boden en daarmee in het gebied der dagheldere nachten. De ongewone
lichtheid op een zeer laat uur houdt de reizigers uit den slaap en
doet hun alle vermoeidheid vergeten.

Den volgenden morgen vroeg ziet men het doel der reis, Abisko aan de
Torneträsk. De natuur ziet er daar al anders uit; de dennen worden
kleiner en nietiger en verdwijnen ten slotte geheel. Alleen de berk
houdt stand, maar ook zijn groei draagt de sporen van den harden
strijd, dien hij heeft te voeren tegen het ongunstige klimaat. Midden
Juli kan het zeer warm wezen, maar drie weken te voren was alles nog
met sneeuw en ijs bedekt. De spoorweg loopt langs de Torneträsk,
het grootste meer in Lapland. Met zijn prachtige groene kleur,
zijn volkomen helderheid, behoort het tot de mooiste meren van
Zweden. Trotsche bergreuzen spiegelen zich erin.

In Abisko aangekomen, vindt men in dien tijd dikwijls het door de
zweedsche Toeristenvereeniging opgerichte hotel overvol, hoewel er 106
bedden zijn. Vroeger was er intusschen niets van een gelegenheid tot
logeeren, en de toeristen namen tenten, proviand en bedden mee. Het
Toeristenhuis heeft een wondermooie ligging. Rechts heeft men uitzicht
op het meer, dat door de Zweden hun Lago Maggiore wordt genoemd, en
links heeft men de keten der Abisko-Alpen. De schoonheid van deze
Alpen verschilt veel van die der andere, meer bekende Alpen. Hier
geen scherpe kammen en koppen; met zachte omtrekken rijzen de bergen
rondom de blauwe meren.

Daar naar boven te klimmen, om de middernachtszon te bewonderen, is
een uitgezocht genot. Natuurlijk verzuimen de reizigers niet, een
bezoek te brengen aan het kamp van Lappen in de buurt van Abisko,
waar een tiental tenten of kators verstrooid liggen. Daartusschen
de magere koeien en geiten, die het schrale gras eten. De Lappen
in hun schilderachtige dracht houden zich soms, alsof ze er veel op
tegen hebben te worden gephotografeerd. Maar velen van hen noodigen
de bezoekers in hun tent en dan heet de vrouw de gasten met den
laplandschen groet »burus, burus« welkom, en schenkt een zeer goed
drinkbare koffie. Op den met berkenloof bedekten vloer gaat men
dan maar, zoo goed men kan, zitten. In het midden heeft de tent den
vuurhaard, die uit eenige steenen bestaat, een paar kussens voor den
nacht en rendiervellen, die ter bedekking dienen.

De mannen leiden in den zomer een idyllisch bestaan; ze rooken,
slapen, eten en hangen in de bergen wat om, terwijl alle werk op de
vrouw aankomt. Ook de schilderachtige kleedingstukken worden door
haar gemaakt en de kunstige borduurwerken maken ze met naalden,
van rendierbeenderen vervaardigd, en met draden uit de gedroogde
darmen van die dieren. De rendieren zijn de rijkdom der Lappen;
wie iemand naar de grootte zijner kudde vraagt, is even onbeleefd,
als wie ten onzent iemand zou vragen naar de grootte van zijn vermogen.

In den winter begint voor de Lappen de werkperiode. Dan gaan ze,
van lasso's en proviand voorzien, door hun trouwe, verstandige honden
vergezeld naar de bergen, om hun rendieren bijeen te drijven en dan
met de kudden het winterkamp te betrekken, dat meestal ver van het
zomerkamp verwijderd is. Door de aanraking met de toeristen zijn
de Lappen van Abisko al ver van primitief meer, en de handel in de
voorwerpen, die bij hun eigen typisch leven behooren, gaat hun zoo
knap af als den slimsten europeeschen koopman.



DE SNELHEID DER TRANSATLANTISCHE BOOTEN.

Sinds 1838, toen men nog veertien dagen noodig had om van uit Engeland
naar Amerika over te steken, is de snelheid der transatlantische
booten voortdurend toegenomen.

Hieronder volgt een staatje van den duur van eenige overtochten in
de laatste 20 jaren.


    1879 Arizona, 7 dagen 8 uren.
    1882 Alaska, 6 dagen 22 uur.
    1896 Saint-Paul, 6 dagen.
    1903 Deutschland, 5 dagen 12 uur.
    1906 Kaiser Wilhelm, 5 dagen 8 uur.
    1906 Deutschland, 5 dagen 7 uur 38 min.
    1907 Lusitania, 4 dagen 25 uur.
    1908 Lusitania, 4 dagen 15 uur.



DE NASAMONIANEN.

Sir Clements Markham, de groote engelsche reiziger en ontdekker en
aardrijkskundige, wordt den 20sten Juli 1909 79 jaar. Hoe kras en flink
hij nog is, blijkt nu weer uit een artikel, dat hij schrijft in het
eerste nommer van den eersten jaargang van een nieuw maandblaadje,
dat aan "Travel and Exploration" zal gewijd zijn. Laat ons even in
herinnering brengen, dat de krasse Engelschman indertijd deelnam aan
een der expedities ter opsporing van Franklin, dat hij gereisd heeft in
Peru, in Indië en in Abessynië, dat hij een poos secretaris is geweest
in het ministerie van koloniën, president van de Hakluyt Society, die
even als onze Linschotenvereeniging oude reisbeschrijvingen uitgeeft,
secretaris en later president van de Royal Geographical Society, in
welke betrekking Leonard Darwin thans zijn opvolger is, en dat hij veel
over aardrijkskundige theorieën en over zijn reizen heeft geschreven.

Hij schrijft dan in het genoemde artikel, dat den titel draagt van
»The Nasamonians":

»Er is een vreugde, die zich niet in woorden laat uitdrukken en die
alleen gekend wordt door hen, die het eerst den voet hebben gezet op
grond, nooit tevoren door een beschaafd mensch betreden. Verhalen
van diegenen, die deze vreugd hebben gesmaakt, zullen nooit hun
aantrekkelijkheid verliezen. De heldenmoed van reizigers en zeevaarders
is een voortdurend vloeiende bron van belangstelling voor oud en jong,
en is dat door alle eeuwen geweest. Niet ieder wordt geboren met
die neiging tot ontdekken; niet ieder is geroepen tot die zending,
want het is een roeping, en nog minder groeien op, om te bemerken,
dat het hun mogelijk, is, aan de roepstem gehoor te geven. Maar een
groot aantal jonge lieden gevoelen er de neiging toe, die moet worden
aangemoedigd en, zoo eenigszins mogelijk, bevredigd.

Het verlangen naar het glorieuse gevoel van den ontdekker heeft in
alle tijden bestaan. Wij kennen de historie van enkele zeer vroege
onderzoekingsreizigers. Er waren eens vijf jonge mannen van een
libyschen stam, de Nasamonianen genoemd, die aan de oevers van de
Groote Syrte aan de noordkust van Afrika woonden tusschen Carthago en
Cyrene. Ze voelden begeerte, meer van de wereld te leeren kennen en
moeten zoowel ondernemend als omzichtig geweest zijn, want anders
zouden ze niet geslaagd zijn. Ze besloten de woestijnen ten zuiden
van hun land te onderzoeken, een tocht, die verschrikkelijke en
voor een deel onbekende gevaren meebracht. Vele dagen reisden
ze en weken, en schijnen in het Haussaland en aan de oevers van
den Niger te zijn aangekomen. Ze keerden ongedeerd terug. Het was
een heldendaad. Handelaars uit hun streek verhaalden het feit aan
Etearchus, koning der oase Ammon, die de geschiedenis overbracht
aan eenige Grieken van Cyrene. De Grieken stelden er Herodotus mee
in kennis, die de ontdekkingsreis aan alle volken van alle tijden
deed kennen.

De grootste vreugde van de Nasamonianen was de eerste aanblik van den
Niger. Laat ons daarom het edele leger der ontdekkers naar hen noemen!"

Zoo schrijft Sir Clements Markham en daarmee is de naam van zijn
opschrift, dien wij hierboven plaatsen, verklaard. Hij gaat dan
voort, van latere meer bekende ontdekkers te vertellen, en zegt, als
Columbus ter sprake komt, dat hij zijn jonge landgenooten verzoekt,
niet te denken, dat er op het oogenblik geen Guanahani-strand meer is
te ontdekken of dat het werk der Nasamonianen gedaan zou wezen. Er is
nog overal ontdekkingswerk te doen. Er worden nog droomen van groote
daden in die richting gedroomd en ze kunnen verwezenlijkt worden ook.

Napoleon sprak van den maarschalksstaf, dien ieder soldaat in zijn
ransel had. Markham merkt op, dat ieder adspirant-ontdekkingsreiziger,
ieder Nasamoniaan de medaille van de Royal Geographical Society in
zijn sextantdoos kan hebben.

Een paar persoonlijke herinneringen geeft de schrijver, eenige
voorbeelden van grootsche heldendaden van ontdekkers, en Brönlund
wordt daarbij niet vergeten, de dappere Eskimo, die bij Mylius Erichsen
was en tot zijn laatste oogenblik den plicht voor oogen hield, om de
wereld te doen weten, wat er van de anderen was geworden.



COPAL.

De copalboomen lijken wel wat op oude esschen, zooals ze in Oost-Afrika
tot veertig meter hoog worden. De latijnsche naam is Trachylobium. Alle
deelen van den boom, van den wortel tot den top, bevatten copalhars,
een kleverige, dradentrekkende, in de lucht hard wordende vloeistof,
een stof, die in de lak- en vernisindustrie bijzondere beteekenis
heeft en in de schilderkunst wordt gebruikt. De aanvoer van copal op
de markt is niet altijd even groot, is ook niet geregeld en op den
duur gewaarborgd, zoodat de prijzen steeds hoog blijven.

Men wint de copal op twee verschillende manieren, namelijk als nieuwe
en als fossiele copal. De eerste wordt ingezameld, doordat men den
boom wonden toebrengt en de uitvloeiende hars opvangt, hetgeen ten
slotte den dood van den boom ten gevolge heeft. Die versche copal is
niet zoo waardevol als die, welke een reeks van oxydatieprocessen
heeft ondergaan. Onder den grond heeft zich de hars, die aan de
wortels van den boom is ontvloeid, veranderd in wat men fossiele
copal noemt. De stof blijft er liggen, ook, als de boom in den loop
der tijden verdwenen is. Het barnsteen geeft een voorbeeld van een
dergelijk ontstaan.

Men graaft de copal in dezen toestand op ter diepte van 0.30 tot
1 meter in zandigen grond, maar men kan er nooit op rekenen, zulke
hoeveelheden te vinden, dat de winning van copal voor den Europeaan
een winstgevende zaak wordt. Ook de negers doen niet veel moeite, om
copal te vinden en op te graven, zoodat de aanvoer zeer wisselvallig
blijft. In jaren van droogte en misgewas stijgt de opbrengst, en ze
is gering in de tijden van goede oogsten.

Zoowel de fossiele als de nieuwe copal komt meest uit Duitsch
Oost-Afrika en draagt den naam Zanzibarcopal of Indische copal,
ofschoon die betiteling verkeerd is, daar in Zanzibar in het geheel
geen copal wordt gevonden, en Indië wel copal levert, maar mindere
soorten, die niet uit den echten copalboom, Trachylobium, maar uit
andere harsleverende planten worden gewonnen. De nu eenmaal den naam
Zanzibarcopal dragende soort wordt echter al zeldzamer en duurder,
want de roofbouw, die de inboorlingen op de boomen uitoefenen, doet
hun aantal sterk afnemen.

De echte oostafrikaansche copal is de hardste van alle soorten en
gelijkt daarin wel wat op barnsteen. Evenals die stof wordt ze ook wel
gebruikt voor draai- en beeldhouwwerk. Copal is geheel reukeloos en
heeft ook geen smaak. In het jaar 1906 zijn uit Duitsch Oost-Afrika
voor een waarde van 118 duizend mark uitgevoerd, een gewicht van
rond honderd duizend kilogram. De voornaamste afnemer was Zanzibar,
en slechts geringe hoeveelheden gingen rechtstreeks naar Europa.

Dat de massa naar Zanzibar ten uitvoer gaat naar de overige wereld,
verklaart voldoende den naam, die aan het product wordt gegeven.



INTREE IN HET PRACTISCHE LEVEN.

De schooltijd is achter den rug, nu aan het leeren!



OP DEN UITKIJK.


HUDSON-FULTONVIERING EN ONZE HALVE MAAN.

Het zijn mooie en interessante jubilea, die de Engelsch sprekende
naties dit jaar zullen vieren. Engeland heeft in 1909 zijn
Darwinjaar, waar de heele wereld belang in stelt en Amerika
viert het driehonderdste gedenkjaar en tegelijk het honderdste
van gebeurtenissen, die eveneens hebben geklonken door alle
beschaafde landen van de aarde. In het najaar van 1909 zal in
New-York het luisterrijke feest worden gevierd ter herdenking van
twee gebeurtenissen: het opvaren van de later naar hem genoemde
Hudson-rivier bij Manhattan-eiland, het tegenwoordige New-York,
met het schip de Halve Maan, door Henry Hudson op 9 September 1609,
en het opvaren van dezelfde rivier, tweehonderd jaren later, door
Robert Fulton, voor het eerst met een door stoom gedreven scheepje.

Op den 8en Januari 1609 sloten »de Bewindhebberen van de Oost-Indische
Compagnie, van de Camer van Amsterdam« een nog aanwezig contract, met
last aan »Henry Hudson, Engelschman«, om, op een hem te verstrekken
»scheepken of jacht« een doortocht naar China op te sporen ten
Noordoosten, bij Nova-Zembla heen. Van dien last heeft Hudson zich,
naar te begrijpen was, niet kunnen kwijten. Op 4 April 1609 te
Amsterdam met »de Halve Maan« onder zeil gegaan en geen doortocht
vindende, wendde hij echter zijn koers naar het Westen, en voer op
9 September daaraanvolgende bij Manhattaneiland, het tegenwoordige
New-York, den stroom op, die naar hem de Hudson-rivier genoemd werd.

Kennisneming van de plannen tot feestviering in de Vereenigde Staten
deed hier te lande het plan ontstaan om aan deze feesten deel te nemen,
en de commissie, die zich voor dit doel vormde, kwam tot het besluit,
die deelneming te doen bestaan in het doen binnenzeilen in September
1909 in New-York's haven van een nabootsing van de Halve Maan, het
schip, waarmede Hudson op 4 April 1609 uit Amsterdam onder zeil ging.

Dat scheepje wordt thans te Amsterdam gebouwd. Het was half December
geheel onder een kap gebracht, waardoor het mogelijk is, den bouw
voort te zetten in den winter met zijn dreigende sneeuw en regen en te
zorgen, dat het model in Mei a.s. gereed komt. Maar weet men precies,
hoe die Halve Maan er uitzag? Neen, afbeeldingen zijn er niet van
bekend, maar toch mocht het met behulp van deskundige voorlichting,
historie-prenten en technische litteratuur, en vooral dank zij het
bekende (zeer nauwkeurige) reis-journaal van Robert Juet, Hudson's
loods, gelukken de waarheid zeer nabij te komen. Blijkens de door
Juet vermelde bijzonderheden betreffende de masten en de tuigage,
de tonnenmaat en de afmetingen van het schip was de »Halve Maan«
een driemaster van 40 last (80 ton). Aan den fokkemast voerde zij fok
en voormarszeil, aan den grooten mast groot zeil en groote marszeil,
en aan den bezaansmast een latijnsch zeil, bevestigd niet aan een ra,
maar aan de bezaansroe. Bovendien was de boegspriet voorzien van een
zoogenaamde blinde, een klein vierkant zeiltje.

Omtrent den diepgang kon uit Juet's opgaven alleen worden vastgesteld
dat die minder was dan 8½ en meer dan 5 voet en de afmetingen moeten
hiermede in verhouding zijn geweest. Naar de meening van den heer
C. G. 't Hooft, directeur van het Museum Fodor hier ter stede (een
der weinigen die zich hier te lande toeleggen op de studie van den
oud-Hollandschen scheepsbouw, die herhaaldelijk over de reconstructie
der »Halve Maan« geraadpleegd is, en met de heeren C. W. Moes,
dr. A. Bredius, W. Martin en D. Hudig benoemd werd tot »Foreign
correspondent councillor« van het groote Amerikaansche comité),
waren de afmetingen 60×14×6 amsterdamsche voeten.

De indeeling van het schip leverde geene bijzondere moeilijkheden op,
omdat er tal van bekende voorbeelden uit het begin der 17e eeuw zijn,
en men trouwens de détails van de samenstelling van oude schepen
uitvoerig vermeld vindt in het standaardwerk van Nicolaes Witsen
(Amsterdam, 1671) genaamd: »Aeloude en Hedendaagsche Scheeps-Bouw en
Bestier«. Opklimmend uit het ruim, waar o.m. het logies der manschap
gelegen is, komt men eerst op de zoogenaamde »overloop«, dat is
het benedendek, waar de kanonnen opgesteld waren en daarna op het
bovendek, het verdek. Aan het eind hiervan worden gebouwd de hut van
den schipper en de stuurlui, die boven de verschansing omhoog steekt
en de achterzijde van het vaartuig, een hooge spiegel, in dien tijd
smal naar boven toeloopend en eenvoudig versierd met allerlei wapens.

De weelderige pracht der latere spiegels kwam eerst in de Ruyter's
tijd, toen de schepen trouwens ook kolossaler van afmeting werden.

De boeg krijgt een spitsen vorm als die der galjoenen.

Eindelijk bestond de bewapening waarschijnlijk uit zes kanonnen (Juet
maakt o.m. melding van een zoogenaamd »falconnet«, een klein kanon,
waarmede kogels van twee pond of minder konden afgeschoten worden),
en de bemanning mag veilig geschat worden op 18 tot 20 man.

Op dezen notedop dobberden Hudson en de zijnen rond in de Noordelijke
IJszee en zag hij den tweeden September 1609 Sandyhook voor zich
oprijzen. Dien namiddag ankerde hij in de buitenhaven; den 12den voer
hij de rivier op; den 19den bereikte hij het meest Noordelijke punt,
den 23sten keerde hij terug naar de monding van den stroom, en den
4den October vertrok hij weder naar het vaderland. Zoo zal het--naar
bereids gemeld werd--ook bij de herdenking gaan, met dat verschil
dat de data, op raad van het Meteorologisch Instituut te New-York,
eenigszins gewijzigd zijn. (De feestweek zal duren van 25 September
tot 3 October).

Gedelegeerden uit ons land zullen de belangstelling van Nederland in
de groote new-yorksche feestviering gaan betuigen en men hoopt, dat
nederlandsche schepen er luister aan zullen bijzetten. De commissie
bestaat uit de volgende heeren:

Eerevoorzitter der commissie is de vice-admiraal A. G. Ellis,
adjudant i. b. d. van H. M. de Koningin; voorzitter mr. Æ. baron
Mackay, minister van staat, te 's-Gravenhage; 1e secretaris de
heer J. W. P. van Hoogstraten, adjudant van H. M. de Koningin, te
's Gravenhage; penningmeester mr. R. van Rees, te Amsterdam. Prins
Hendrik is beschermheer.

Prettig is het, op te merken, hoe ingenomen men zich in Amerika toont
met de wijze, waarop Nederland aan de feesten zal deelnemen. Er
is ook inderdaad geen mooier manier te bedenken. De amerikaansche
commissie heeft daarover dan ook niets dan lof. Zij schrijft o.a. in
een brief aan onzen minister van Buitenlandsche Zaken, dat het schip
de Amerikanen zal herinneren aan de bijzondere gebeurtenissen,
welke wij herdenken, maar tevens zal het ons herinneren aan het
bewonderenswaardige karakter van uw volk, dat de zee terugdreef,
toen gij land noodig hadt om op te wonen; de zee, die gij tot uw hulp
op vorderdet, toen gij de vijanden van uwe vrijheden wenschtet te
verdrijven; en die u voerde naar alle deelen der aarde (letterlijk
staat er: the four quarters of the earth) toen gij uw handel wildet
uitbreiden.

»Wij stellen de herinnering aan het feit, dat de stad en de Staat
New-York gesticht werden door het Hollandsche volk zeer hoog, en wij
verheugen ons over ieder bewijs, dat gij even trotsch zijt op ons
als uwe nakomelingen als wij op u als onze voorouders.«



WAAGGEBOUW TE ENKHUIZEN.

Uit architectonisch oogpunt is het Waaggebouw te Enkhuizen zeer
belangwekkend, wat niet behoeft te verwonderen, als men weet,
dat het uit de zestiende eeuw en wel van 1559 dagteekent. De beide
gevels van het op een hoek staande gebouw zijn in oud-hollandschen
bouwtrant opgetrokken, en ook het inwendige heeft herinneringen aan
het verleden behouden. Een der vertrekken, die vroeger heeft gediend
als de gildekamer van de chirurgijns, heeft ramen met beschilderde
ruiten, waarop de nog gedeeltelijk in zeer goeden staat zijnde
glasschilderingen de wapens der gildemeesters voorstellen. In een
andere kamer is de antieke betimmering nog volkomen terug te vinden.

De burgemeester, de heer Hoytema van Konijnenburg, heeft nu het
initiatief genomen tot de restauratie van het gebouw en er is een
commissie benoemd van deskundigen, om hem daarbij voor te lichten. Uit
particuliere bijdragen hoopt men de kosten te bestrijden, terwijl het
in den oorspronkelijken vorm vernieuwde gebouw als museum zal worden
in gebruik genomen.

Het niet onbelangrijke "Enkhuizer Museum" zal er dan misschien
heen worden overgebracht en Noordholland benoorden het IJ zal een
aantrekkelijkheid te meer bezitten.

Onze afbeelding is de reproductie van een penteekening, die de
voor korten tijd overleden schilder, de heer P. Egmond, er van
vervaardigde. In hun "Noord-Hollandsche Oudheden" vermelden Van Arkel
en Weissman het waaggebouw met groote ingenomenheid, spreken o.a. van
den sierlijk georneerden top van den noordelijken gevel, van het
fijne beeldhouwwerk der deksteenen, van de fries met de wapens van
Holland, van Filips II en van de stad Enkhuizen en van de beelden,
gerechtigheid, hoop en geloof op de kroonlijst.

Tot voor korten tijd diende een deel van het oude Waaggebouw tot
bureau van politie. Waar toen eerbied voor recht en wet den menschen
werd ingeprent, zal men in 't vervolg trachten, eerbied voor onze
oude bouwkunst en geschiedenis te wekken.



IN ACHTER-INDIË.

De door Achter-Indië stroomende rivieren zijn daar, waar ze door
nauwe en diepe kloven de indochineesche gebergten doorstroomen,
wel hier en daar door ontdekkingsreizen gekruist; maar tusschen die
plaatsen in is haar loop nog vaak geheel onbekend.

Zoo was de Saloeën in 1895 door prins Henri van Orleans aangedaan
op de breedte van 26 graden en hij was over de rivier getrokken op
28 graden Noorderbreedte. Niemand echter had het gedeelte tusschen
beide punten onderzocht. Die leemte aan te vullen, was het doel van
een onderneming van den Engelschman Litton, die na zijn tocht van
December 1905 overleden is.

Zijn medereiziger George Forrest heeft thans over den tocht geschreven
in het Geographical Journal en aan den tekst een kaart toegevoegd. De
tocht, in Yunnan begonnen, ging eerst noordwaarts tot Pienma op 26
graden N.B. Van daar trok men oostwaarts; de waterscheiding tusschen
Irawady en Saloeën ging men over door een pas van 3200 meter hoogte
en bij de chineesche stad Lutsjang werd de Saloeën bereikt.

De reizigers gingen langs den westelijken oever naar het Noorden,
maar verlieten die richting om de moeilijkheid der proviandeering
en om de vele twisten tusschen de verschillende dorpen van den stam
der Lissu. Een brug, die niet anders was dan een touw, voerde over
de Saloeën op 27.05 graden N.B. Van den oostelijken oever trok men
over een hoogen pas naar de Mekong, die bij Jingpankai werd bereikt,
en van daar werd de terugtocht naar de Saloeën ondernomen ter breedte
van 26.45 graden N.B.

Op het pas onderzochte gedeelte is de Saloeën 80 tot 120 meter breed,
zeer diep en overal afgebroken door stroomversnellingen. Het was
in de droge periode en dus was de waterstand laag; in den regentijd
is die veel hooger, en op een plek vond men de bewijzen, dat in de
vorige maand Augustus het water tot twintig meter hooger had gestaan.

De Lissu, die op de genoemde breedten aan de Saloeën wonen, moeten
aan de Thibetanen verwant zijn. Ze zijn van de Chineezen totaal
onafhankelijk, maar zijn verzwakt door dorpstwisten. Elk dorp blijft
geïsoleerd en heeft een eigen dialect. Hoe noordelijker men in het
land der Lissu doordringt, des te wilder, barbaarscher en armer worden
de menschen. Opvallend waren hun groote bogen en pijlen, waarmee ze
op grooten afstand door dikke planken konden schieten en die vaak
vergiftigd werden, terwijl ze zeer knappe schutters bleken. Van
geregeld verkeer langs de Saloeën was geen sprake, slechts af en toe
komen eens chineesche kooplieden naar de Lissu.



VAN OOSTENRIJKS WERK IN BOSNIË.

Naar alle waarschijnlijkheid is Oostenrijk nu blijvend heerscher in
Bosnië en Herzegowina, dank zij het doortasten op den rechten tijd
van minister Aehrenthal, maar toch zal al het water van de zee niet
de schuld van Oostenrijk aan het willekeurig verscheuren van een naar
den eisch tot stand gekomen tractaat kunnen afwasschen. Feitelijk is
het niet met de goede trouw overeen te brengen, dat het groote rijk
blijvend de beide provincies bezet, terwijl het in April 1879 nog in
een plechtige overeenkomst beloofde, niet aan Turkije's souvereiniteit
te tornen.

Met veel mooie woorden moet de zaak worden goedgepraat, en werkelijk
moet het Oostenrijk niet moeilijk vallen, aan te toonen, hoeveel
beter de bedoelde provincies het hebben gekregen bij het stijgen
van Oostenrijks macht en invloed. In de materiëele dingen, die
handel en welvaart betreffen, niet alleen, ook in de geestelijke,
de confessioneele, is er oneindig veel verbeterd, sedert de groote
buur er de hand aan de ploeg heeft geslagen.

Oostenrijk verklaarde zich ten tijde van het Berlijnsche Congres in
1878 des te liever bereid, daar orde op de zaken te stellen, omdat
zijn invloedssfeer na 1866 in Italië, zoowel als in Duitschland sterk
had geleden. Frans Jozef stelde het zich ten plicht, zijn macht elders
uit te breiden, omdat het verlies van Venetië het bezit van Dalmatië
onzeker had gemaakt, als het verband van die provincie met het rijk
niet opnieuw door een achterland werd bevestigd.

De bezetting ging niet van een leien dakje; er moest maanden lang
worden gevochten, eer rust en orde waren hersteld, en de talrijke
rooverbenden hun handwerk onmogelijk was gemaakt. Toen dat eenmaal
gebeurd was, heeft Oostenrijk op verbazend overleggende en handige
wijze in partijtwisten en confessioneele verschillen het rechte weten
tot stand te brengen. Het stelde dadelijk de volkomen gelijke rechten
der verschillende belijdenissen vast. De Mohammedanen, de ergste
vijanden der nieuwe regeering mochten hun godsdienstige gebruiken
onaangetast bewaren en bleven afhankelijk van den sjeich ul Islam
in Konstantinopel. Ze kregen een eigen geestelijk opperhoofd in den
reis al ulema te Serajewo en behielden de toelagen voor moskeeën,
scholen en hospitalen.

De beide christelijke richtingen, de grieksch-orthodoxe en de
katholieke, erlangden nu eerst de rechten, die hun onder de turksche
heerschappij alleen op papier waren geschonken geweest. De eersten
staan onder metropolieten van Serajewo, Mostar en Dolnya Tuzla,
die aan den patriarch in Konstantinopel gehoorzamen. Zij vormen het
talrijkste deel der bevolking, 42 procent, terwijl de Mohammedanen
slechts een derde en de Katholieken maar 23 procent der bevolking
uitmaken. Deze hebben in Serajewo een aartsbisschop en bisschoppen
in Mostar en Banjaluka; zij zijn de oudste bewoners van het land en
werden in de laatstverloopen eeuwen het meest verdrukt. Thans zijn
het meest vrije boeren in een modernen staat.

Het wezenlijke succes, dat het nieuwe bestuur bereikte, was, dat
het gelukte, de hartstochtelijke vijandschap tusschen Mohammedanen en
Christenen, die in het geheele Oosten zoo groot is, hier te verzachten,
zoo niet geheel weg te nemen, doordat er vertegenwoordigers van
beide gelooven in de plaatselijke en provinciale besturen werden
aangesteld. Wel was het den Mohammedanen in den aanvang moeilijk
hun politiek en sociaal overwicht zoozeer te zien verminderen, en
inderdaad zijn duizenden uit het land vertrokken; maar de tijd en
het betere inzicht hebben hen geleerd, zich te schikken en de nieuwe
administratie als ook voor hen heilzaam te leeren waardeeren. De
landverhuizing hield langzamerhand op, en de bevolking is in de
laatste dertig jaren van 1158000 tot 1700000 gestegen.

Een tweede stap, dien de nieuwe regeering deed, om de inwoners
van het land aan den veranderden staat van zaken te gewennen, was
haar zorg voor de volksontwikkeling. Want onder de heerschappij der
Turken was er van een geordend schoolwezen haast geen sprake geweest,
ofschoon een uitgebreide schoolwet op papier stond. Er waren enkel
staatsscholen voor de Mohammedanen en het waren eigenlijk niet anders
dan godsdienstscholen, medressehs en mektaben. Ze bleven ook na
1878 bestaan, maar daarnaast werden ongeveer 250 volksscholen nieuw
opgericht. Jammer, dat ook niet dadelijk leerplicht werd ingevoerd,
want bij den indolenten aard van het landvolk wordt er nu niet genoeg
geprofiteerd, zoodat een groot percentage van het volk nog tot de
analphabeten behoort.

Daar staat tegenover, dat in de steden de ambitie voor onderwijs
en ontwikkeling verbazend groot bleek en dat de regeering daarin
aanleiding vond tot de oprichting van velerlei inrichtingen van
onderwijs, gymnasia, burgerscholen, handelsscholen, technische
scholen, boschbouwscholen en bergbouwscholen en zelfs in Serajewo een
juristenschool, die jonge Mohammedanen voorbereidt voor hun loopbaan
als kadi of rechter. Verder werd er voor het militaire onderwijs
en voor dat van meisjes gezorgd, werden ambachtsscholen geopend en
stichtingen voor de opleiding van onderwijzers. Veeteelt, ooftcultuur
en wijnbouw kregen hun inrichtingen tot opleiding van deskundigen; het
kunsthandwerk, dat van oudsher in tapijten en wapens had uitgemunt in
het land, kreeg geldelijken steun van den staat en een bosnisch museum
werd geopend. Al die beschavingsmiddelen werden door de steedsche
bevolking op prijs gesteld en er werd ijverig gebruik van gemaakt;
zij hebben niet weinig bijgedragen tot de opleving van het land.

De bonnes marques, die Oostenrijk daar op die wijs heeft verdiend,
zullen zeker op de aanstaande conferentie met gratie worden uitgereikt.



VERKEERDE KOST.

De kunst, schadelijke dingen smakelijk te bereiden, verstaan, helaas,
niet alleen koks, maar ook schrijvers en dichters.



TECHNIEK.

De kunstenaar smale toch niet op de techniek, al is ze ook nog zoo
moeilijk te leeren.



OP DEN UITKIJK.


VAN ANCONA NAAR REGGIO.

Tot aan de Apulische vlakte gaat de spoorweg naar het Zuiden steeds
langs de zee. Men heeft aan de landzijde de steile rotskust, die
niet bijzonder hoog is, en alle kapen, waar de golven omheen spelen,
zijn bekroond met schilderachtige dorpen en stadjes. In de diep
ingesneden dalen liggen witte villa's tusschen donkere cypressen en
naast olijven- en citroenboomboschjes. Geuren van oranjebloesem komen
door de spoorwegraampjes binnen. Een uur ongeveer vóór Castellamare
komt dan de lijn in de vlakte. Men krijgt een vrij uitzicht naar het
Westen, en de sneeuwtoppen van de Abruzzen duiken op.

Van Pescara af verandert weer het beeld van het landschap, en men
krijgt een licht golvend, zandig heuvelland. En dan de Apulische
vlakte, die herinnert aan beschrijvingen uit het Oosten. Het is een
eindelooze grasvlakte, waar lange heuvelreeksen doorheen loopen. In
het Oosten onderscheidt men in het teedere blauw der lucht het van
boven geheel vlakke tafelland van den Monte Gargano, de spoor van
de italiaansche laars. Van Foggia uit worden dikwijls uitstapjes
naar dat bergland ondernomen, naar dien vroeger wereldberoemden
bedevaartsberg. Een rit van twee uren door een moerassige vlakte met
verspreide gehuchten voert u erheen. Steil daalt het tafelland aan de
kanten naar beneden; het lijkt een stuk aarde, uit een ver verleden
overgebleven, terwijl het omringende land vlak is geworden.

Een kunstwerk leidt ons naar het hooggelegen San Angelo; maar
men kan de plaats ook bereiken langs een steil voetpad met veel
kronkelingen. Men passeert dan veel interessante armoedige woningen,
die natuurlijke uithollingen zijn in het zachte gesteente. Van voren
ziet men de opening, die met een paar planken is dichtgemaakt, door
de hooge steenlaag erboven is een gat geboord voor schoorsteen,
en klaar is het huis.

Door zijn hooge ligging is San Angelo in het voorjaar lang koud, en
in Maart dwarrelt er nog dikwijls sneeuw door de straten. Het is een
eigenaardige plaats, hangend tegen de helling van het kalkgebergte,
met een zwarten toren oprijzend boven de armelijke huisjes van één
verdieping aan de straten, bestaande uit den naakten kalkbodem. Vuil
is alles er, en alleen de belangstelling in het oude heiligdom van den
aartsengel doet er enkele bezoekers komen. Dat is nog dezelfde grot,
waarin reeds de ouden in opgeheven houding met de handen ten hemel hun
gebeden opzonden tot den zeeënbeheerschenden Poseidon. De drakendooder,
de aartsengel Michaël, wordt overal met voorliefde vereerd op plaatsen,
die al in oude tijden heilig waren.

Langs een trap met vijftig treden daalt men in de ruime rotsholte,
bij welker ingang de kerk is gelegen. Het gebouw is half in de rots
uitgehouwen en heeft alleen het licht van den linkerkant. Rechts heeft
men den ingang van de wereldberoemde grot. Het beeld van den aartsengel
is een werk uit den tijd der late Renaissance, een marmeren figuur,
die iets minder dan levensgroot, den engel voorstelt in het pantser
met kroon, vleugels, schild en zwaard.

Zonderling als de stad zagen er ook de bewoners uit. Ze leken opvallend
op bekende typen van Afrika's noordkust, en wie weet, of men hier
niet te doen heeft met nakomelingen van de Saracenen van Frederik II,
die zich in de wildernis hebben teruggetrokken, om veilig te wezen
voor den kerkelijken ban en voor het zwaard van Anjou. Naar Manfred,
den zoon van keizer Frederik II, heet de door hem op de plek van het
oud-romeinsche Sipontum gestichte stad Manfredonia, een onbeduidend
stadje nu, aan zee met een door Manfred begonnen en door Karel van
Anjou voltooid kasteel, een vierkant met stompe torens en andere
vestingwerken, als zooveel in Zuid-Italië alles in diep verval.

Bari en Brindisi steken daarbij gunstig af en van Brindisi naar Reggio
wachten den reiziger naar Reggio dan nog 400 kilometer afstands,
waarvoor men 26 uren noodig heeft. Dat lijkt zonderling, maar het
raadsel wordt opgelost, als men weet, dat de spoorwegmaatschappij
tweemaal een oponthoud van vier uren heeft ingeschakeld, te Metapont,
waar de reiziger meestal de moeite doet, eenige resten van grieksche
zuilen, die aan den horizon verrijzen, te bereiken, en in Catanzaro,
een plaatsje, dat ongeveer acht kilometer van het station is
verwijderd. Het heeft bij de jongste aardbeving veel geleden,
maar wat is de schade, daar aangericht bij de verwoesting, waaraan
Reggio is onderworpen geworden. Als men van Cantanzaro naar Reggio
spoort, heeft men steeds de heerlijk mooie, diepblauwe zee aan zijn
linkerhand en rechts verrijzen de bergen. In tunnels vliegt men door
de met hun voet in het schuim der golven staande kapen, stoute bruggen
spannen zich over diepe, met rotspuin gevulde dalen. Die allen zijn
thans door de vloedgolf, die met de zeebeving gepaard ging gevuld,
en wie vroeger, verrukt over de mooie en belangwekkende dingen, die
hij had aanschouwd op zijn reis in Zuid-Italië, te Reggio aankwam,
vindt nu een stad van ruïnen; de aardige huizen en villa's op de
hellingen aan zee zijn weggevaagd, even totaal is er de verwoesting
als in het tegenover liggende, alleen door de straat van Messina
er van gescheiden Messina, waar dood en verderf als nooit te voren
hebben gewoed op dien onzaligen 28sten dag van December 1908.



INTERESSANTE STUDIE OVER JONG-TURKIJE.

Prof. D. Snouck Hurgronje heeft van 25 Juli tot 23 September 1908
gewoond in Konstantinopel, en geeft over zijn verblijf aldaar en over
de nieuwe toestanden in het turksche rijk een beschouwing in de Gids
van Januari. Hij kwam juist een dag na de afkondiging van de nieuwe
grondwet aan in de belangwekkende stad, den juisten observatiepost
voor hem, die het leven en denken der huidige Mohammedanen tot voorwerp
zijner studie heeft gekozen.

(Tusschen haakjes zij hier even gezegd, dat Dr. Kuyper's boek »Om
de oude Wereldzee« een veer van beteekenis moet laten, omdat hij
verscheiden onjuiste mededeelingen heeft opgenomen en zich aan
vergissingen schuldig maakt, die lang zijn weerlegd door de mannen
der wetenschap.)

Onze geleerde kenner van oostersche toestanden kwam wel op een
uitgezocht oogenblik in de turksche hoofdstad aan, juist toen de
verbijsterende indruk, dien de afkondiging der grondwet maakte,
aanleiding werd tot een »kermis der vrijheid«, zoo volkomen in
tegenstelling met de oude toestanden. Ongeveer drie weken duurde de
opwinding met de vele en velerlei betoogingen. De ministers werden door
volksoploopen gedwongen om onder het oog van de leidende demagogen met
een plechtigen eed te beloven, liever hun laatsten druppel te zullen
plengen, dan ooit mede te werken tot wederafschaffing der grondwet.

Leest men in het Gidsartikel, wat de intellectueele demagogen
zich durfden veroorloven, om bij voorbeeld te beletten, dat
de staatsdienaren van het oude regime zich met de gestolen
millioenen uit de voeten maakten, dan staat men verbaasd over
zooveel stoutmoedigheid. De zin voor orde moet intusschen bij de
bevolking boven allen lof zijn geweest, en dat terwijl de politie door
afwezigheid schitterde, daar men inzag, hoe zij, de uitvoerster der
vroegere impopulaire dwang- en geweldmaatregelen, zoozeer den haat
en de verachting zich op den hals had gehaald, dat het niet mogelijk
zou zijn geweest, de bevolking van uitspattingen te weerhouden,
indien ze haar woede op de politie had kunnen koelen.

Vooral was die ordelijkheid verrassend, als men bedenkt, dat in die
stad van een millioen inwoners de deuren der gevangenissen waren
opengezet zoowel voor de gewone misdadigers als voor de politiek
verdachten; maar Jong-Turken, als de wijsgeer-geneeskundige Dr. Riza
Tewfik, deden dan ook al het mogelijke, om de zaak in de goede baan
te leiden.

Dr. Snouck Hurgronje behandelt in het Gidsartikel den invloed
van de gewonnen vrijheid op militairen en schriftgeleerden,
dagbladschrijvers en staatsambtenaren. De bevoorrechting van Europeanen
in regeeringsbureau's en bij maatschappijen of groote instellingen
is, merkwaardig genoeg, door den coup d'état opgeheven, en zoo is
een eind gemaakt aan een grief der inheemsche bevolking. De oude
regeering was voor die financiëele bevoorrechting steeds te vinden,
om toch maar de vreemde mogendheden te vriend te houden.

Het Comité van eenheid en vooruitgang had soms alleen moeilijkheden
met de uiteenloopende belangen van de verschillende nationaliteiten,
maar het ontzag diepgewortelde vooroordeelen met veel tact en beleid.

Wat de lezers ook zeer zal treffen in het artikel is de opmerking
over de openheid van de Turken in hun gesprekken en het weinige
standsverschil, dat er gemaakt werd. Wat een kolossale verandering, dat
wij het denkbeeld van die gesloten en trotsche Turkennaturen van ons
moeten zetten! Hoe verderfelijk heeft daar de druk van boven gewerkt!

De hoopvolle stemming van de jong-turksche leiders strekte zich ook
uit over de toekomst, die Armeniërs en Grieken, Arabieren en Koerden
en al die andere nationaliteiten aan het nieuwe zouden bereiden, en
de nederlandsche geleerde acht hun optimisme haast al te groot. Maar
»zonder optimisme komt niets groots tot stand«, en het zou gewaagd
zijn, zich aan profetieën te wagen.

Eén vraag bespreekt de schrijver nader, namelijk deze, welke
gevolgen de revolutie zal hebben voor het Panislamisme. Dat ideaal is
inderdaad een der grootste moeilijkheden voor de europeesche staten,
die Mohammedanen onder hun onderdanen tellen. Mooi zijn de weinige
bladzijden, aan dat onderwerp gewijd, en duidelijk als het geheele
artikel, dat wij heel veel lezers toewenschen.



REISBOEKEN.

In den modernen tijd is het reizen iets heel anders geworden, dan het
was in den nog niet in het teeken der machinale voortbeweging staande
periode. Men zou verwachten, dat dit verbazende onderscheid tusschen
nu en vroeger de belangstelling voor de in vroeger eeuwen ondernomen
reizen wakker zou houden. Maar merkwaardig genoeg, heeft men echter
in de laatste eeuw voor de ontwikkelingsgeschiedenis van het reizen
en voor de buitengewoon waardevolle reisberichten uit vorige eeuwen
betrekkelijk weinig belangstelling getoond.

Een duitsche uitgeversfirma, de Gutenberg-Verlag in Hamburg, heeft nu
een onderneming op het touw gezet, om tegen dat vergeten in te gaan
door de uitgave van een »Bibliotheek van merkwaardige Reizen«. Reizen
is op zich zelf niet alleen zeer nuttig en ontwikkelend, maar het
lezen erover is dat ook en de klassieke lectuur op dit gebied is het
in hooge mate. Vooral zullen de documenten, geschreven door de groote
ontdekkers, een voortreffelijke opwekking zijn voor moderne menschen,
om hun gedachten eens naar vreemde landen te laten gaan. De jeugd zal
er voorbeelden van moed en geestkracht ontmoeten, en wij allen maken
erbij kennis met belangwekkende mannen in omstandigheden, die reeds
op zichzelf spannend en interessant zijn.

Het eerste deel van deze duitsche verzameling zal de
dagboekaanteekeningen en berichten van James Cook bevatten over zijn
drie reizen om de wereld. Die beknopte en zakelijke mededeelingen
over tochten in onbekende zeeën, uitgevoerd onder allerlei moeiten
en bezwaren, hebben eveneens waarde als documenten voor de toestanden
bij de scheepvaart in vroeger dagen. De manieren, waardoor Cook zich
wist te oriënteeren niet alleen, maar ook de wijze, waarop hij met de
menschen omging, met zijn bemanning en met de inboorlingen, dat alles
moet belangstelling wekken, en voor den geograaf en den ethnoloog is
het werk uit den aard der zaak gewenschte lectuur.

Toevallig, dat deze uitgever thans op een denkbeeld ingaat, dat in onze
Linschotenvereeniging reeds in ons land een begin van uitvoering heeft
gekregen. Zooals onze lezers weten, zal de nederlandsche vereeniging
haar werk aanvangen met de reisboeken van Jan Huygen Van Linschoten,
den reiziger van de zeventiende eeuw, peetvader der vereeniging. Wij
maken dus een nationaler begin dan de duitsche uitgever, die met een
Engelschman aanvangt.



BETERE VERBINDING TUSSCHEN RIJN EN DONAU IN BEIEREN.

Er wordt in Beieren tegenwoordig sterk aangedrongen op een betere
verbinding tusschen Rijn en Donau, dan het Ludwigskanaal geeft. Zooals
bekend is, vereenigt dat kanaal de beide groote stroomen, doordat het
de Altmühl, die in de Donau valt, verbindt met de Regnitz, een zijtak
van de Main. Indertijd had men groote verwachtingen van dat kanaal;
maar die zijn teleurgesteld.

Toen het werd aangelegd in de jaren van 1836 tot 1845, meende men
een goede verbinding tusschen Zwarte Zee en Noordzee in het leven
te roepen, maar de vele sluizen, die bovendien niet breed genoeg
zijn, bemoeilijken het verkeer op het kanaal, dat ook niet breed
en diep genoeg is voor de tegenwoordige scheepvaart, terwijl de
concurrentie met de spoorwegen er mede geen goed aan doet. Zoo is
men eigenlijk al van 1891 af doende, om verbeteringen aan te brengen,
met plannen althans, maar zullen die werkelijkheid worden, dan is er de
samenwerking van Beieren en Pruisen voor noodig. Want de bevaarbaarheid
van de Main, zoowel als van de Donau, laten te wenschen over in die
streken, waar het Ludwigskanaal met beide in verbinding treedt.

Zeker is het, dat thans geen schepen met meer dan 120 tonnen inhoud
geregeld in gebruik kunnen zijn op het kanaal, zoodat de handel er
bijna alleen plaatselijk is en er van een rechtstreeksch verkeer
tusschen de beide groote rivieren geen sprake is, terwijl de kosten
voor het personeel zelfs niet door de inkomsten worden gedekt. Vijftien
jaar geleden is er te Neuremberg een vereeniging gesticht, die een
verbeterd kanaal in studie heeft genomen met gebruik van het tracé
van het Ludwigskanaal. Zij concentreert haar werkkracht vooral naar
den kant van den Rijn, die voor Beieren van meer beteekenis is dan
de Donau.

De Main is reeds geregulariseerd tot Frankfort vanaf de monding
van den Rijn en de diepte laat schepen met een inhoud van 1500 ton
toe. Er blijven echter tusschen Offenbach en Aschaffenburg over een
lengte van 46 kilometer nog uitgebreide werken te verrichten, die
een overeenkomst vereischen van de aangrenzende landen, Pruisen en
Beieren, het groothertogdom Baden en het groothertogdom Hessen. De
onderhandelingen, door Beieren aangevangen, hebben in 1907 geleid
tot een ontwerp, dat nog niet tot uitvoering is gekomen.

Pruisen neemt op zich de kanalisatie van de Main tusschen Offenbach
en Hanau; het overige deel, tusschen Hanau en Aschaffenburg, is aan
Beieren opgedragen.

De kosten der werken worden geschat op 24 millioen mark met inbegrip
van de inrichting der haven van Aschaffenburg en de aansluiting aan
de spoorwegen, die er samenkomen.

Maar de overeenkomst is tot nu toe een doode letter gebleven, daar
de pruisische regeering volgens een wet van 1905, de indiening ervan
bij den Landdag moet uitstellen tot de oplossing van de groote vraag
der riviertollen. Beieren verzet zich daartegen, zooals men weet,
omdat die tollen een groote belemmering zouden zijn voor zijn handel,
en zoo blijft ook het doortasten in zake een verbeterd Donau-Rijnkanaal
achterwege.



EEN PRINS IN ONZE OOST.

Als Prins Hendrik gevolg geeft aan de door de Indische Groep van het
Algemeen Nederlandsch Verbond te Batavia op touw te zetten petitie,
om een bezoek aan Indië te brengen, zal hij het tweede lid van ons
regeerend vorstenhuis zijn, dat ons Indië met eigen oogen gaat zien.

In 1837 toch ging de toen zeventienjarige Prins Willem Frederik
Hendrik der Nederlanden, derde zoon van den lateren Koning Willem II,
als luitenant ter zee 2de klasse met het fregat Bellona in Oost-Indië
en vertoefde er van 9 Februari tot 29 September van dat jaar.

Eene reis naar en door Oost-Indië met een zeilschip stelde aan
den beschikbaren tijd en aan het geduld van den reiziger toenmaals
hooge eischen en bracht door gemis aan comfort nadeelen mede, die,
vergeleken bij de wijze, waarop tegenwoordig gereisd kan worden, groot
waren. Den 17den October 1836 met de Bellona, commandant kapitein ter
zee Arriëns, uit Nieuwediep vertrokken, kwam Prins Hendrik den 9den
Februari 1837 ter reede van Batavia, na gedurende 14 dagen te Rio de
Janeiro te hebben vertoefd. De reis had dus 102 zeedagen geduurd. De
Bellona was vergezeld van Z. M. brik Snelheid, onder bevel van den
kapitein-luitenant ter zee Ferguson. Deze brik was op de reis van
Rio naar Java van de Bellona afgeraakt, doch kwam eenige dagen na
het fregat ter reede van Batavia.

Den 23sten Februari d. a. v. verliet de Prins Batavia en ving eene
reis aan, waarbij achtereenvolgens Makassar, Menado (Kema), Ternate,
Amboina en Banda werden aangedaan en waarna de Bellona 7 Juni ter reede
van Soerabaja ankerde. Nu volgde, over Madoera en met oversteken van
Soemanap naar Bezoeki, eene landreis over Java, die met 's Prinsen
terugkeer te Batavia den 21sten Augustus eindigde. De reis door
Indië had dus 6 maanden geduurd. Den 29sten September vertrokken de
Bellona en Snelheid voor goed van Batavia. De Prins bezocht nog Riouw,
Singapore en Penang en vertrok van daar naar Calcutta. Na een bezoek
aan Britsch-Indië werd de thuisreis aanvaard en in Juli 1838 keerde
de prins in het vaderland terug.



HET AFRIKA-VRAAGSTUK.

    Het Afrika-vraagstuk door Dr. C. M. Kan, oud-hoogleeraar
    aan de universiteit te Amsterdam. Met een kaart. Haarlem,
    H. D. Tjeenk Willink & Zoon, 1909.


Goede wijn behoeft geen krans, en zoo is dit degelijke, doorwrochte
werk op de allereenvoudigste wijze uitgegeven, zonder eenigerlei tooi
of versiering, zonder afbeeldingen van landschappen of volkstypen,
zonder iets, wat de aandacht van den oppervlakkigen lezer (of kijker)
boeit. De leerzame inhoud heeft oorspronkelijk de stof geleverd voor de
voordrachten, die de oud-hoogleeraar gehouden heeft in de vereeniging
»Voor voortgezet Handelsonderwijs«, en op verlangen zijner hoorders is
hij ertoe overgegaan, den inhoud der voordrachten in ruimeren kring
te verspreiden. De 165 bladzijden, over vijf hoofdstukken verdeeld,
vormen een belangwekkende samenvatting van wat er over de verschillende
deelen van het werelddeel en over hun exploitatie in de laatste halve
eeuw verschenen is in boeken, tijdschriften, brochures en bladen,
geordend, geschift en tot een aaneengeschakeld relaas verwerkt.

Vooral van de wetenschappelijke onderzoekingen als voorbereiding
voor de practische in-gebruikneming verwacht de schrijver veel en
internationale samenwerking is daarbij noodig, zooals door bewijzen
en voorbeelden wordt gestaafd. Een zeer groot aantal noten aan den
voet der bladzijden verwijzen naar lectuur over de onderdeelen. Voor
hen, die de aardrijkskunde-acte voor middelbaar onderwijs nastreven,
is het een goudmijn en voor ieder, die zijn kennis omtrent het zwarte
werelddeel wenscht uit te breiden, een bruikbare wegwijzer.



OP DEN UITKIJK.


SVEN HEDIN TERUG UIT THIBET.

Op den 16den Januari is Sven Hedin te Stockholm aangekomen van zijn
laatste Thibetreis, over welker succes wij aan onze lezers reeds het
een en ander meedeelden.

De ontdekkingsreiziger kwam uit een Finsche haven met de stoomboot Bore
II. Het Zweedsche marine-vaartuig Vega was de Bore II tegemoet gegaan,
en Sven Hedin ging op haar over. Aan boord van de Vega bevonden zich
ter verwelkoming de voorzitter van het zweedsche aardrijkskundig en
anthropologisch genootschap, prof. Montelius, de verwanten van Sven
Hedin e.a. Zondagochtend vond de officieele feestelijke inkomst in
de haven van Stockholm plaats.

De ontvangst van Sven Hedin in Stockholm is buitengewoon
hartelijk geweest. Zondagmiddag liep het regeeringsvaartuig, met
den ontdekkingsreiziger aan boord, de haven binnen. Sven Hedin werd
met evenveel eerbewijzen begroet, als plegen te worden gebracht bij
de ontvangst van een gekroond hoofd. De regeering, de stedelijke
autoriteiten, de besturen van wetenschappelijke genootschappen, leden
van het diplomatieke korps, studenten, besturen van sportvereenigingen
en tal van anderen waren bijeengekomen om den teruggekeerden reiziger
te verwelkomen. Nadat de eerste begroetingen hadden plaatsgevonden,
reed Sven Hedin in een galakoets naar het paleis. Aan beide zijden
stonden dichte drommen toeschouwers langs den weg geschaard, die
Hedin toejuichten.

Op het paleis werd Hedin onmiddellijk bij den Koning gebracht, om
wien zich alle leden van het Koninklijk Huis hadden verzameld. De
Koning wenschte hem geluk met de bereikte resultaten en decoreerde
hem met het grootkruis van de orde van de Noordster.

's Avonds werd Sven Hedin gehuldigd aan een eerediner, dat werd
gepresideerd door den Kroonprins.

Twee dagen later werd de zweedsche reiziger door den Czar van Rusland
op Tsarskoje Selo ter audiëntie ontvangen.



POSTDUIVEN ALS PHOTOGRAFEN.

Reeds in het midden van de vorige eeuw had een apotheker in
Cronberg, ten N.-W. van Frankfort a/d. Main, de heer Neubronner,
een duivenpost, om de recepten uit de omliggende dorpen naar zijn
apotheek te brengen. Die gedachte is later door den in dezelfde
stad gevestigden zoon, Dr. Julius Neubronner, verder uitgewerkt,
want hij gebruikte duiven voor de bezorging van kleine hoeveelheden
geneesmiddelen. Het onverwachte uitblijven van zulk een gevleugelden
bode heeft nu Dr. Neubronner op het denkbeeld gebracht, den weg der
duif buiten haar toedoen photografisch op te nemen.

Te dien einde voorzag hij het dier van een miniatuurcamera van minder
dan 75 gram gewicht, die door het zelfstandig openen en sluiten van
de momentsluiting zeer bruikbare opnamen leverde.

Dit succes gaf hem aanleiding tot het vervaardigen van een eigenaardig
photografisch apparaat, waarmee met korte tusschenruimten tot 30
opnamen van 4 bij 4 centimeter kunnen worden gedaan. Het was natuurlijk
niet gemakkelijk, een zelfwerkzame camera met een brandpuntsafstand
van hoogstens 5 centimeter te maken, waarvan het gewicht met alle
toebehooren niet meer dan 75 gram bedraagt, den door een postduif
gemakkelijk te transporteeren last. Het apparaat van Neubronner bestaat
eigenlijk uit twee zelfstandige camera's, waarvan de lenzen naar
voren en naar achteren zijn gekeerd, zoodat men bij elken stand van
den vogel altijd minstens één bodemopname krijgt. De beide camera's
zitten in een dun aluminiumlijstje, dat met riemen en gummibandjes
aan het lijfje van de duif is bevestigd.

De momentsluiting wordt door een lepelvormigen hefboom opgelicht,
waarvan de holte door een met samengedrukte lucht gevulden elastieken
bal naar buiten wordt gedrukt. Bij het langzaam ontwijken der
lucht valt de bal samen en deelt aan den hefboom een beweging mee,
waardoor de momentsluiting losgaat. De belichting geschiedt dus op
een zeer nauwkeurig te bepalen oogenblik. Bij een anderen vorm van
het apparaat is er slechts een enkele lens en een film aangebracht,
waarop door middel van een gummiballetje en een uurwerkje in gegeven
tusschenruimten van tijd een gansche reeks opnamen plaats hebben.

Daar de postduif na haar opvliegen eerst een spiraal beschrijft,
is het gemakkelijk, een aantal opnamen van hetzelfde kijkje in
verschillende richtingen te erlangen. Als de duif dan de ligging
van haar doel heeft vastgesteld, en ze kan haar thuis op meer dan
30 kilometer afstands terugvinden, vliegt ze er met de vaart van
een sneltrein heen in rechte lijn. Dus heeft men het in zijn macht,
de te photografeeren streek vooruit te bepalen.

Het ligt voor de hand, dat de photografeerende postduiven in
de eerste plaats voor strategische bedoelingen nuttig zullen
blijken. Van belegerde plaatsen uit zou men bij voorbeeld met hun
hulp den stand der belegerende afdeelingen van het vijandelijke
leger bepalen en op dergelijke manier zou de vijand ingelicht kunnen
worden over de hulpmiddelen der vesting. Dr. Neubronner heeft voor
deze oorlogswerkzaamheid van zijn duiven verplaatsbare duiventillen
vervaardigd, die op torenhoogte kunnen worden aangebracht.

Het duitsche legerbestuur heeft haar belangstelling in deze zaak
daardoor getoond, dat het den uitvinder uitgenoodigd heeft, naar Tegel
te komen, om in gemeenschap met de afdeeling voor luchtscheepvaart
proeven te doen met zijn toestellen. Samen met bestuurbare luchtschepen
zou men de duiven zóó kunnen gebruiken, dat het luchtschip uit
veilige hoogte de duiven loslaat en dat deze dan op een reeds voor
het luchtschip gevaarlijke hoogte de opnamen verrichten. Voor eenige
weken hield de uitvinder een voordracht in Cronberg en illustreerde
die met lichtbeelden, gemaakt naar photografieën, die zijn duiven
hadden meegebracht van het voor iedereen gesloten park van het slot
Friedrichshof. Wat in tijd van vrede in een gesloten, welbewaakten
tuin mogelijk is, zou ook kunnen gebeuren in oorlogstijden bij een
belegerde en verdedigde stad, en hoe klein ook de plaatjes mogen
zijn, ze zullen voor het deskundig oog, toch allerlei duidelijk maken
aangaande de stellingen der artillerie, de kampen en de uitwerking
der beschietingen.



DE MAMBÈRAMO.

In de jongste aflevering van het Tijdschrift v/h. Aard. Gen. trekt
vooral de aandacht het artikel van den afgetreden secretaris, den heer
G. P. Rouffaer, over de rivier de Mambèramo op Nieuw-Guinea, die aan
de noordkust uitmondt. De opvaringen van 1884, 1900 en 1906 worden er
in behandeld aan de hand van rapporten en bescheiden van deelnemers
aan die expedities, en aan het slot wordt de hoop uitgesproken,
dat er niet lang meer worde gewacht met een ernstig onderzoek van
den bovenloop, waar men op moeilijkheden stuit, die waard zijn,
met kracht en macht te worden overwonnen.

De eerste bevaring en verkenning had plaats in 1884 door het
gouv.-stoomschip Havik met den resident van Ternate van Braam Morris
aan boord; voor de tweede maal geschiedde een verkenning in 1900
door het s.s. Camphuys van de Paketvaart en eindelijk in 1906 door
het gouv. s.s. Brak met den resident Roos en kapitein Colijn aan
boord. Ieder maal echter stuitte een verder onderzoek van de rivier
af op de groote snelheid van den stroom, die boven een bepaald punt,
Havik-eiland, de pogingen om haar op te varen verijdelde.

De merkwaardige rivier doet ten volle haar naam Mambèramo of
"Grootwater" eer aan. Ondanks het vrij sterke verval en de massa water,
die zij aanvoert, wijzigt zij zich, in tegenstelling met andere groote
indische rivieren, al zeer weinig. Een tweede belangrijk punt is,
dat de stroombedding in hoofdzaak bestaat uit grint of hard zwart
zand; de Mambèramo is geen modderrivier zooals de meeste stroomen,
die naar de Z.-kust afvloeien, en slib is afwezig. De stoffen, die
van boven worden aangevoerd, zijn niet sterk verweerd, en pleiten
voor kristallijne moedergesteenten. Een onderzoek door een geoloog
van dit door den stroom medegesleurde materiaal is dringend noodig,
opdat men ten minste vooraf eenigszins wete wat er, zuidelijker op,
verwacht kan worden als formatie.

De stroom zelf is snelvlietend en beheerscht zoozeer met zijn zoet
water zijn eigen bedding, dat tot dicht bij den mond geen brak water
voorkomt; vandaar de sago-bosschen, die geen zilt kunnen velen,
tot dicht bij zee.

Bij het verst bereikte punt loopt de stroom met een snelheid van circa
4-1/2 mijl in het uur. Zoo sterk was hij, dat de barkas der Camphuys
alleen als ze voor een oogenblik goed stoom had, iets vooruitkwam;
zakte de stroom maar even, dan bleef de barkas op dezelfde plaats. Met
de Brak gebeurde hetzelfde.

De heer Rouffaer komt door samenvoeging der verschillende bestaande
gegevens tot de conclusie, dat de overgroote hoeveelheid regen en
sneeuwwater van het Sneeuwgebergte niet naar de Zuidkust afvloeit,
maar om de Noord en wel door den eenigen grooten stroom aldaar, de
Mambèramo. Deze is een zéér groote constante stroom, de "Rijn" der
Centrale Nieuw-Guineesche Alpen. Het heele jaar door gaat een constante
hoeveelheid water door een in hoofdzaak steenachtig bed. Neemt men
verder de breedte van de rivier in aanmerking, welke bij de monding
800 M. en bij het verst bereikte punt nog 400 à 500 M. bedraagt, dan
begrijpt men, dat de Mambèramo op zich zelf het ideale "groote water"
is om tot in het binnenland door te dringen.

Bij vele belangrijke voordeelen biedt het opvaren der Mambèramo echter
ook zeer ernstige nadeelen. Fnuikend op den lust om langs dien waterweg
te reizen, werkt het gevaar voor malaria en beri-beri, want de streek
is boven mate ongezond en alle drie de expedities hadden zeer veel
van deze ziekten te lijden. Zoo kreeg de kapitein der Camphuys er
beide ziekten, evenals de meeste inlandsche opvarenden, terwijl ook
stuurman en machinisten alle moesten worden vervangen, het schip moest
worden gedesinfecteerd. Ook de Brak deed soortgelijke ondervindingen
op, zoodat van de 27 man equipage er slechts 13 geschikt bleven, om
den dienst waar te nemen. De ongezondheid der streek schijnt ook te
blijken uit de buitengewone schaarschte der bevolking, welke laatste
gedurig afneemt.



SVEN HEDIN.

In aansluiting aan het op de vorige bladzijde voorkomende bericht over
Sven Hedin, deelen wij nog mede dat het met de triomfen is blijven
voortgaan in de laatste weken, ook tijdens Sven Hedin's verblijf te
Londen, waar hij den 6en Febr. de gast was van de Savage Club, en een
rede uitsprak, die in alle bladen uitvoerig werd »verslagen«. Twee
dagen later hield de Thibetreiziger zijn groote voordracht voor de
leden der Royal Geographical Society. Zijn werken, zijn ontdekking
van de bronnen van Brahmapoetra en Indus vinden nu wel ten volle
waardeering.



SPITSBERGEN.

Spitsbergen wordt bepaald een toeristenland, zoo sterk neemt jaar
op jaar in den zomer het aantal bezoekers toe, die het vermaak der
wintergenoegens daar in den zomer komen zoeken. Er worden bovendien
zelfs in den winter jachtexpedities heen ondernomen, die te water
en te land de pelsdieren achtervolgen, en daar men het ook ernstig
gaat meenen met den bergbouw, waar reeds een begin mee is gemaakt,
wordt het langzamerhand zeer wenschelijk, dat er een regeling plaats
vinde van de volkenrechtelijke positie der tot nu toe niet aan eenige
mogendheid toebehoorende eilandengroep.

Noorwegen heeft al bij sommige gelegenheden bij de andere mogendheden
daar een balletje van opgeworpen, want dat land stelt veel belang in de
toestanden, die op Spitsbergen heerschen, daar het grootste deel der
industriëele ondernemingen van jacht, vischvangst en bergbouw wordt
uitgeoefend door onderdanen van het jonge koninkrijk Noorwegen. Ook
door zijn ligging schijnt Noorwegen in de eerste plaats geroepen,
het oppertoezicht op Spitsbergen uit te oefenen, hoewel het land
zich tot nu toe van alle mogendheden de minste opofferingen heeft
getroost voor het onderzoek der groep, maar wel de resultaten van
het werk der anderen, vooral van Zweden, zich heeft ten nutte gemaakt.

Door Zweden is dan ook ernstig bezwaar gemaakt tegen de opperhoogheid
van Noorwegen over den Spitsbergen-archipel, en dus is het te
verwachten, dat op de aanstaande conferentie van de bij Spitsbergen
belang hebbende mogendheden Noorwegen slechts met het politietoezicht
zal worden belast.

Het zou wel wenschelijk wezen, als dan meteen door de aanstaande
conferentie een andere vraag wordt opgeworpen, die voor alle
wetenschappelijke poolexpedities van groote beteekenis is. Men moest
namelijk aan de conferentie de gelegenheid geven, aan het doelloos
slachten van het wild door jachtexpedities in arctische streken een
eind te maken. Aan zulk een moord in massa is waarschijnlijk het
verongelukken van Dr. Mylius Erichsen en zijn beide tochtgenooten toe
te schrijven, toen ze in Oost-Groenland waren, daar in die buurt door
engelsche en amerikaansche jachtgezelschappen in de laatste jaren de
walrussen en de muskusossen zoo sterk verminderd zijn, dat de Deensche
expeditie onmogelijk genoeg hondenvoer kon krijgen.

In Augustus van het jaar 1908 is een engelsche jachtonderneming
van den bekenden sportliefhebber C. V. H. Peel, waaraan ook enkele
duitsche jagers deelnamen, van Frans-Jozefsland teruggekeerd, waar
ze in weinige dagen niet minder dan 20 ijsberen, 39 zeehonden en
een groot aantal poolvossen hadden neergelegd. Het onderzoek van het
onbekende Noorden heeft bij zulke slachtingen al even weinig belang
als de natuurwetenschap.



QUANT À MOI VAN CHINEEZEN EN INLANDERS.

Henri Borel heeft een paar mooie foto's aan »De Week« van
30 Januari gestuurd met een kort bijschrift. Ze betreffen een
liefdadigheidsvoorstelling te Soerabaya, waar chineesche dames uit de
kringen der notabelen dansten en zongen en een operette opvoerden. De
schrijver ziet terecht in het optreden van die »Chineezinnetjes«
een bewijs van den snel ontwakenden emancipatiegeest onder de bloem
der chineesche vrouwenwereld.

Dat ook de heeren langstaarten, en niet alleen de dames, zich meer en
meer gaan voelen en in de indische maatschappij van hun beteekenis
en hun invloed blijk geven ook tegenover de blanke bevolking, wordt
op gevoelige manier den hollandschen koopman en industriëel aan het
verstand gebracht door den boycot, dien de chineezen tegen enkele in
hun oogen verkeerd handelende firma's in toepassing brengen.

Die boycot wordt als zoo nadeelig beschouwd, dat men reeds aan
de regeering om tusschenkomst heeft gevraagd, maar natuurlijk
zonder succes. Het zou ook te dwaas zijn, als van bovenaf werd
ingegrepen, nu dit economische verschijnsel, dat langs natuurlijken
weg zijn verloop moet hebben, toevallig enkele invloedrijke personen
benadeelt. Aaneensluiting van de zijde der tegenpartij zal het uit
den aard der zaak voortvloeiend verweer moeten zijn.

Het is een lastige tijd voor ons daarginds. Een curieus staaltje van
verhoudingen en opvattingen, waar wij nog aan moeten wennen, lijkt
ook de meening, in een circulaire van de inlandsche vereeniging
Boedi Oetomo uitgesproken, dat de inlanders toch om vooruit te komen,
wat meer aan handel en industrie moeten doen, niet zoo met trotsche
minachting op koopmanschap moeten neerzien. De kooplieden moeten
in deftige kringen worden opgenomen, net als bij de Europeanen het
geval is, 't is een verkeerde trots, den neus op te halen voor den
koopmanstand, dat moeten de inlanders begrijpen. Ze kunnen het van
de Europeanen leeren!



EEN BATAK-SPIEGEL.

Te Leiden is op 30 Sept. j.l. opgericht een "Bataksch Instituut", een
vereeniging, die zich de bestudeering der Bataklanden ten doel stelt,
het groote gebied op Sumatra, dat een eigenaardige volksbeschaving
heeft en waar de Islam nog zoo goed als niet is doorgedrongen.

Een der eerste werken van de jonge vereeniging zal de uitgave zijn
van een schetsbeschrijving der Bataklanden, waaraan ze den naam
van een Batakspiegel geeft in navolging van het gebruik van het
oude woord »spiegel«, zooals het voorkomt in Spieghel-Historiael,
in Saksenspiegel, Zwabenspiegel enz.

Van zulke schetsbeschrijvingen maken de Engelschen in Voor-Indië al
van 1841 af gebruik ter oriënteering vooral van de ambtenaren. Ze
noemen ze gazetteers, dus »nieuwstijdingen«, ook wel manual, guide
of directory, dus handboek, gids of leidraad.

Tegen het eind van 1909 hoopt het Bataksch Instituut met zijn
Batakspiegel klaar te wezen.

Intusschen is nu reeds als No. 1 van de uitgaven verschenen
»Hygiënische Misstanden in het Karoland« door M. Joustra, den oprichter
van de vereeniging.



TRAM TUSSCHEN GENUA EN MILAAN.

Er zal een nieuwe electrische tramlijn worden aangelegd, die zoowel
om haar lengte als om de verbazende moeilijkheden, bij den aanleg
te overwinnen, de algemeene aandacht trekt. De ondernemers zullen
voor deze tram, waarvan de lengte 136 kilometer zal bedragen, 230
millioen francs moeten uitgeven. Die kolossale som wordt verklaard
door de hinderpalen, die uit den weg zullen moeten worden geruimd,
een breede stroom, veel kleinere rivieren en de Apennijnen zullen
moeten worden overgetrokken! Er zijn in het tracé negentien tunnels
ontworpen, waarvan de langste bijna twintig kilometer lang zal wezen,
en 372 bruggen zijn er noodig. Men denkt zes jaar voor het reuzenwerk
noodig te hebben.

De lijn zal een dubbel spoor hebben, en er zullen twintig treinen
per dag rijden, elk van drie wagens met respectievelijk vijftig
plaatsen. Zoo zal men 6000 passagiers dagelijks kunnen vervoeren. Er
zullen expresstreinen rijden, die enkel de belangrijkste plaatsen
aandoen, en omnibustreinen. Men hoopt op die manier de economische
ontwikkeling van de Lombardijsche vlakte te bevorderen, doordat veel
kleine steden en dorpen, die tot hier toe elk middel van snelle
gemeenschap ontberen, rechtstreeks verbonden zullen zijn met twee
groote steden, van welke één zeehaven van den eersten rang is, zoodat
ze hun producten gemakkelijk van de hand zullen kunnen zetten.



GEDENKDAGEN IN 1909.

    Geboortedag van Darwin          12 Februari 1809.
         "       "  Gladstone       29 December 1809.
         "       "  Lincoln         12 Februari 1809.
         "       "  Mendelssohn      3 Februari 1809.
         "       "  Tennyson         6 Augustus 1809.
         "       "  Poe             19 Januari 1809.
         "       "  Chopin           1 Maart 1809.
         "       "  Braille          4 Januari 1809.
         "       "  Wendell Holmes  29 Augustus 1809.
         "       "  Dr. J. P. Heije  1 Maart 1809.



OP DEN UITKIJK.


HET TEGENWOORDIGE SERVIË.

Fritz Mielert, die in het jaar 1907 een reis door Servië deed, spreekt
in zijn reisverhaal van den grooten droom der Serviërs, om het oude
Servische czarenrijk uit de Middeleeuwen te herstellen. Den nooit
vergeten heldenkeizer, czar Stephan Doesjan, halen zij zich daarbij
voor den geest, den dappere, die van de twisten in Byzantium gebruik
maakte, om Zuid-Macedonië, Thessalië, Albanië en Epirus te veroveren en
die van 1331 tot 1355 regeerde. Een zoo uitgestrekt gebied, als Servië
toen besloeg, zouden de Serviërs weer het hunne willen zien, en daarom
is het hun een gruwel, dat de Donau-monarchie Bosnië en Herzegowina nu
wel voor goed in bezit heeft gekregen. Maar de nationale eerzucht van
het volk houdt in het geheel geen gelijken tred met hun ontwikkeling,
en er is weinig kans, dat de volksdroom ooit zal worden verwezenlijkt.

Toch is de beweging voor een groot zuid-slavisch rijk in den
allerlaatsten tijd weer veel levendiger geworden en de propaganda
ervoor is met kracht ter hand genomen in alle landen, die voor een
vereeniging tot zoo'n groot geheel in aanmerking komen, dat zijn de
streken, waar veel Serviërs wonen, namelijk niet alleen Servië, maar
ook Bosnië, Herzegowina, Montenegro, Dalmatië, Kroatië en Slavonië. Op
den 15den Januari van dit jaar is zelfs een proces wegens hoogverraad
begonnen tegen 55 aangeklaagden, voor welk proces niet minder dan
276 getuigen zijn opgeroepen. De aangeklaagden worden beschuldigd
van zoowel in het openbaar als in het geheim te hebben getracht,
door middel van een burgeroorlog of een omwenteling de koninkrijken
Kroatië, Slavonië en Dalmatië en de provincies Bosnië en Herzegowina
uit het verband der Oostenrijksch-Hongaarsche monarchie los te maken,
zoodat ze schuldig staan aan hoogverraad.

De Groot-Servische propaganda heeft den steun van kerk en
school in Servië. Zij schijnt zich te vereenzelvigen met het
Grieksch-Katholicisme, heeft de pers op haar hand en vindt geen
geringen steun bij het hof, zoodat door dit alles de zaak voor
Oostenrijk er niet rooskleurig uitziet. Door boeken en kleinere
geschriften en door lezingen maakt de vereeniging »Het Slavische
Zuiden« in de genoemde oostenrijksche provincies propaganda voor de
stichting van een nieuw groot servisch rijk en voor verjaging van
de Oostenrijkers.

Het omvangrijke bewijsmateriaal maakt, dat het proces waarschijnlijk
lang zal duren, en de openbare behandeling voor de rechtbank zal eerst
recht de aandacht van Europa op deze oostersche quaestie vestigen.

Intusschen mag Servië zelf wel ijverig zich inspannen, opdat de
beweging dat land niet over het hoofd groeie, want met Bulgarije en
Roemenië vergeleken, is Servië nog wel veertig of vijftig jaren ten
achteren, eigenlijk op alle gebieden. Het is op Montenegro na het aan
spoorwegen armste land van het Balkanschiereiland. Het is gebleven
bij de hoofdlijn Belgrado-Vranja-Konstantinopel met den zijtak naar
Ristovatz-Saloniki en de beide noordelijke lijntjes Lapovo-Kragoejewats
van 30 en Palanka-Semendria van 40 kilometer. Nog altijd blijven de
kleine harige paardjes en de zware, schrikkelijk knarsende ossenkarren
het eenige vervoermiddel voor groote vrachten. Personen worden door
huurrijtuigen of door de ouderwetsche wagentjes zonder veêren van de
Serviërs vervoerd.

Toch zijn er genoeg vruchtbare streken, die de openstelling
door spoorwegen waard zouden zijn; maar voorloopig moet men het
met gewone wegen en dan nog wel gebrekkige stellen. Industrie en
handel beteekenen zeer weinig, en zoo maakt het een dwazen indruk,
dat de trotsche Serviërs zoo vaak schouderophalend van die »domme
Duitschers« spreken, terwijl ze voor zoo'n groot deel van den invoer
uit Duitschland en Oostenrijk afhankelijk zijn. Voor het handwerk
trekt de echte Serviër den neus op en veel handwerkers behooren tot
andere volksstammen, zoo zijn er de metselaars allen Roemeniërs,
de smeden Zigeuners en zoo meer.

Wat de kleederdrachten aangaat, wordt men meer modern, vooral in de
hoogere standen en de rol, die de vrouwen in huishouding en staat
spelen, wordt ook minder turksch dan tot voor korten tijd nog het
geval was en krijgt, zooals trouwens ook in Konstantinopel, meer een
europeesch karakter.

Ook de landbouw is in Servië achterlijk, en de steden met de
slecht geplaveide straten en de lage huizen maken een indruk van
groote achterlijkheid. De dorpen munten daarentegen vaak uit door
schilderachtigheid met hun witgekalkte huisjes, de op palen staande
voorraadsschuren, de vele vruchtentuinen en de kerkjes in het groen.

In het bergland kan men stuiten op prachtige ruïnen van de burchten uit
den heldentijd, op oude en nieuwe kloosters te midden van heerlijke
bosschen en op de verrukkelijkste natuurtooneelen. Het dal van
de Idar is daarvoor niet ten onrechte beroemd. Van de kloosters
is Studenitza bekend, waar de groote czar der Serviërs, Stephan,
Doesjan, in een zilveren sarcophaag rust, en Zica, waar de czaren
werden gekroond. Thans wonen in die kloosters eenige monniken, die
den roem van hun gastvrijheid en van hun uitstekende pittige dranken,
die ze zelf bereiden, handhaven.



AMERIKAANSCHE EEKHORENTJES NAAR EUROPA.

Toen een flink vooruitziend gemeentebestuur in New York groote
terreinen afzonderde voor de toekomstige geslachten van New Yorksche
burgers en er de bestemming aan gaf van openbare parken in een tijd,
dat de stad zich nog niet verder uitbreidde dan tot de vijftigste
straat, toen legde de gemeente de hand op een groote uitgestrektheid
gronds in het midden van Manhattaneiland, dat aldus onttrokken werd
aan de speculatie der grondspeculanten.

In de boschjes, die daar groeiden, huisden allerlei dieren, ook in
grooten overvloed het amerikaansche eekhorentje, dat iets grooter
is dan het onze en langs den Atlantischen Oceaan aangetroffen wordt
zoowel in de Vereenigde Staten als in Canada.

Daar werd het Central Park aangelegd en vanwege de gemeente moest
er toen opruiming worden gehouden onder de wilde bewoners. Hazen
en konijnen werden onverbiddelijk opgeofferd, maar de eekhoorns
hadden zich al in zoo sterke mate de vriendschap der menschen weten
te verwerven; zij vonden in de buurt zooveel bewonderaars, die des
Zondags in den vorm van noten en andere versnaperingen hun hulde aan
de vroolijke boschgasten kwamen bewijzen, dat er een monsterpetitie
naar het gemeentebestuur kon worden gezonden, om toch de eekhorens
te sparen.

Het verzoek vond een gunstig onthaal, alleen werd het voorbehoud
gemaakt, dat de oppassers van het Park het recht zouden hebben, nu
en dan als het noodig werd, doordat de knagertjes schadelijk werden
voor het jonge hout, onder de dieren een opruiming te houden.

Die overeenkomst heeft de gunstigste resultaten opgeleverd. Zoowel
in Brooklynpark als in Central Park zijn nog altijd de eekhoorns een
aantrekkelijkheid en een vermaak voor de wandelaars, die de vlugge,
sierlijke diertjes van de boomen naar beneden zien klauteren en die
tot allerlei vertrouwelijkheden overgaan. Als ge u op een wat afgelegen
bank hebt neergezet, komt er al gauw een nieuwsgierig beestje van een
boom naar onderen klauteren en kijkt u onderzoekend aan en als ge in
passieve houding volhardt, komt het op den grond naar u toe en zoekt
toenadering. Verdwijnt uw hand in een uwer zakken, dan vermoedt het,
dat die daar op de zoek is naar de een of andere lekkernij en het
zal spoedig den sprong bij u op de bank wagen. Het neemt uit uw hand
wat lekkers aan en durft, als het bespeurt welkom te wezen, tegen uw
kleêren op te klimmen.

In 1906 was echter de toeneming der eekhorentjes zoo sterk geworden,
dat de autoriteiten het gewenscht oordeelden, een slachting onder hen
te houden; maar toen kwam men van uit Europa te hulp. Er werd door
het bestuur van den Zoological Garden in Londen aanvraag gedaan, om
toezending der overtollige eekhoorns en per eerstvolgende stoomboot
werd er een bezending ingescheept. Zij kwamen in den besten welstand
over en na druk en levendig in de Zoo hun spelletjes te hebben
gespeeld, mochten ze het terrein hunner werkzaamheid uitbreiden ook tot
Regents Park, waar de aardige emigranten al spoedig vrienden wonnen.

Sinds een paar eeuwen levert Engeland zulk een groot aantal nieuwe
bewoners aan het westelijk halfrond, dat dit laatste den tijd gekomen
schijnt te achten, met gelijke beleefdheid te antwoorden; maar deze
emigratie van aardige knaagdiertjes is een luxe-emigratie en weelde
drong menschen zelden tot landverhuizing.



BLOEIENDE ALPENVEREENIGINGEN.

Uit de jaarverslagen van verschillende Alpen-vereenigingen blijkt,
dat de bergsport zich in een steeds toenemende belangstelling mag
verheugen. De bekende Deutscher und Oesterreichischer Alpen Verein
heeft in 1908 haar 80.000ste lid mogen boeken. In de algemeene
vergadering van deze vereeniging werd 155,432 mark subsidie toegestaan
aan de onderafdeelingen ten behoeve van huttenbouw en weg-aanleg in de
Oost alpen, terwijl alleen voor het Zeitschrift en de Mitteilungen, die
de leden gratis ontvangen, een som van 242.259 mark werd uitgetrokken.

Opmerkelijk is het, hoe in Duitschland en Oostenrijk de regeeringen van
stad en land het Alpinisme steunen. Zoo b.v. bood in het afgeloopen
jaar het gemeentebestuur van München genoemde Alpen-vereeniging, ter
gelegenheid van haar 35 jarige jubilé het prachtige Isarlust aan. Dit
stukje grond, ter grootte van 7000 M2., en met het daaropgeplaatste
bouwwerk een waarde vertegenwoordigende van een millioen mark, is
bestemd om tot Alpien-museum ingericht te worden.

Ook in ons land wordt de belangstelling voor de Alpen-sport steeds
grooter, en de Nederlandsche Alpen-vereeniging mag zich dan ook in
een gestadigen vooruitgang verheugen. Het aantal leden klom in het
afgeloopen jaar van 132 tot 152.



VREEMDHEID.

Wat veel dingen »vreemd« maakt, dat is onze eigen onwetendheid.



CAOUTCHOUC EN GETAH PERTSJA.

Er zal na Woensdag 16 December j.l. weer een vermindering zijn gekomen
in het aantal van diegenen, die geen raad weten met het onderscheid
tusschen caoutchouc en getah pertsja of gutta pertjah, want toen
heeft Dr. M. Greshoff, de directeur van het Koloniaal Museum voor de
leden van de Maatschappij van Nijverheid, departement 's-Gravenhage,
een lezing over dat onderwerp gehouden, aan het slot door zeer mooie
lichtbeelden gerecapituleerd.

Onder de tropische boomsoorten, die in hun melksap zulk een bruikbare
stof leveren, staan de caoutchoucleveraars, Hevea brasiliensis en
Ficus elastica bovenaan, de eerste in Zuid-Amerika tehuis en ook
wel Pararubberboom genoemd, en de laatste meer speciaal een zoon van
Nederl.-Indië, en ook wel als eenvoudig gomboom bekend. Dat caoutchouc
is de stof, die de grootste beteekenis heeft op het oogenblik in den
wereldhandel, want daarvan wordt gemiddeld op aarde 70 millioen kilo
per jaar gebruikt tegen maar 2, hoogstens 3 millioen kilo gutta,
terwijl de balata uit West-Indië ernaast staat met een gebruik van
1 millioen kilo.

Ons Indië heeft een mooie toekomst, als de aanplant van de gomboomen
krachtig ter hand wordt genomen; het zal door de hoogstaande bevolking
en het goed ontwikkelde plantagebedrijf de concurrentie op dit gebied
gemakkelijker dan eenig ander cultuurland kunnen volhouden. Eerst
bepaalde men zich tot het inzamelen van de door in het wild groeiende
boomen afgescheiden sappen, maar daar de prijzen daarbij steeds aan
groote schommelingen waren onderworpen en men door roofbouw uitputting
van de bosschen vreesde, is men ongeveer een 20 jaar geleden, op Ceylon
en op Malakka en later ook in Ned.-Indië begonnen om caoutchoucboomen
te kweeken, en wel met dit resultaat dat nu reeds een 2 millioen
K.G. geteelde rubber aan de markt komen. En als 't zoo doorgaat,
kan wel voorspeld worden dat in 1915 de Ceylonsche rubberbosschen
zullen opleveren 15 millioen K.G., Malakka een zelfde hoeveelheid en
Ned.-Indië ongeveer 12 millioen.

Eén industriëele toepassing van de rubber is nu nog gering, maar
zal wel belangrijker worden zoodra de prijs gaat dalen: dat is
haar gebruik voor plaveisel, voor den Londenaar zou het stofvrije
caoutchouc-plaveisel de ideale bestrating zijn, maar er valt niet aan
te denken, omdat de eisch van een absoluut vlakke onderlaag zoodanige
bestrating vooralsnog te duur maakt. Op mailbooten en op kantoren
maakt men reeds veel gebruik van deze onslijtbare, absoluut stofvrije
en elastische bevloering. Dr. Greshoff noemde het ook geschikt voor
beurslokalen, al was het alleen om de door de koersen teleurgestelde
heeren in staat te stellen, de zalen met elastischen tred te verlaten.

Op de rubbertentoonstelling, in 1908 in Londen gehouden, kwam ons
land zoo goed voor den dag, dat men van een anglo-dutch exhibition
heeft gesproken.

Als grondstof voor wielen van fietsen en automobielen is
caoutchouc onovertroffen, en dat gebruik heeft het succes van de
caoutchoucindustrie zoo goed als geheel alleen veroorzaakt.

Voor getah pertsja, een hardere, meer houtachtige, niet elastische
stof, melksap van de getah pertsjaboomen, ging in 1843 een licht op,
toen zijn geschiktheid voor het isoleeren van kabels bleek. Ideaalstof
voor kabels was het, omdat ze niet enkel de electriciteit niet
geleidt, maar daaraan ook een enormen weerstand biedt. De brief,
dien in het genoemde jaar Sir William Siemens aan zijn broer Werner
te Berlijn schreef over het onderwerp, is inderdaad geweldig geweest
in zijn gevolgen, want zoo belangrijk is de gutta p. geweest voor
deze industriëele toepassing, dat sedert deze ontdekking al wat van
het product aan de markt komt, als isolatiemateriaal naar den bodem
der zee verhuist.



KLEIN-AZIË EN DE BAGDADSPOORWEG.

    Klein-Azië en de Bagdadspoorweg. Indrukken van een
    verkenningstocht door Klein-Azië door J. H. Cohen
    Stuart. Amsterdam. J. H. de Bussy, 1909.


Welk tijdschrift het is, zegt de schrijver niet, maar er is een
tijdschrift geweest, dat den auteur plaatsing van zijn actueel artikel
toezegde, maar daarna het manuscript een vol jaar in portefeuille
hield. Dat was natuurlijk alleronaangenaamst voor den schrijver,
wiens werk om weer volkomen up to date te worden, moest worden
aangevuld, toen hij dan maar besloot tot de uitgave als afzonderlijk
boekje. Intusschen is er wel kans, dat het in dezen vorm meer lezers
zal vinden dan wanneer het broederlijk met veel stukken van anderen
aard door de portefeuilles van leesgezelschappen wandelde, een graf,
waarin de artikelen ongelezen rusten, zooals Heyermans meent in zijn
praatje met Brusse, met wien hij weet, de eer te deelen van wèl te
worden gelezen.

Het is een belangwekkend geschrift over een gedeelte van het Turksche
Rijk, dat voortdurend meer de aandacht zal trekken. Zijn belangstelling
in den Bagdadspoorweg deed den heer Cohen Stuart besluiten op zijn
verlofreis van Calcutta naar Nederland den weg in te slaan, die door
Klein-Azië leidt, en daarbij, voor zoo ver dat mogelijk is, gebruik te
maken van den Bagdadspoorweg. Een duidelijk kaartje achterin het boekje
wijst de route aan, die gevolgd werd en waarbij het eind tusschen
Mersina, even ten westen van de golf van Alexandrette of Iskanderoen,
en Adana per spoor, dat van Adana in noordwestelijke richting naar
Eregli per turkschen reiswagen of araba in drie dagen werd afgelegd,
en dat van Eregli weer noordwestelijk naar Haidar Pacha tegenover
Konstantinopel weer per spoor kon worden gedaan.

Maar comfortabel was het reizen in den trein al evenmin als dat
per araba, en gemakkelijk waren de plaatselijke autoriteiten ook
al niet. Eén passagierstrein rijdt per dag in elke richting op den
Anatolischen spoorweg, en van nachttreinen en restauratiewagens is
nog geen sprake, zoodat de reizigers te Konia en te Eskesjir moeten
logeeren in door de spoorwegmaatschappij gebouwde hotels.

De vooruitzichten voor den Bagdadspoorweg en zijn verhouding tot de
andere lijnen in Klein-Azië, die in engelsche en fransche handen zijn,
worden door den schrijver uitvoerig uiteengezet. Omdat men Duitschland
wel eens ervan heeft verdacht van »expansie« te zoeken in Klein-Azië,
deed de heer Cohen Stuart er zeker goed aan, erop te wijzen, dat deze
duitsche spoorweg overal fransche en turksche opschriften heeft; dat de
spoorwegambtenaren haast zonder uitzondering Fransch sprekende Grieken,
Italianen of Levantijnen zijn; dat zelfs de ingenieurs en inspecteurs
voor een deel Franschen en Zwitsers zijn en dat het spoorhotel te
Konia door een Franschman beheerd en men er door grieksch personeel
bediend wordt.

Voorloopig eindstation van den Bagdadspoorweg is de halte Boelgoerloe,
een eenzame en verlaten post, station zonder stationschef of
personeel of materiëel, zoodat niets er doet denken aan een spoedige
voortzetting van het werk. Een uur ten westen van Boelgoerloe is het
feitelijke eindpunt bij het stadje Eregli, maar daar het voor den
concessionaris van financiëel belang was, de eerste sectie van den
spoorweg ook inderdaad geheel te voltooien, heeft men de rails nog een
eind de steppe in gelegd. Zelfs laat de maatschappij dagelijks een
trein zonder een enkelen passagier of een enkel stuk goed tusschen
Eregli en Boelgoerloe loopen, om de 4500 francs »exploitatiekosten«
te kunnen declareeren.



NOG EENS SPITSBERGEN.

In aansluiting aan onze opmerkingen over Spitsbergen in het vorig
nommer, moeten wij nog vermelden, dat, naar Petermann's Mittheilungen,
Noorwegen zich thans opmaakt voor een groote wetenschappelijke
expeditie naar Spitsbergen, als om op te komen tegen Zwedens bewering,
dat het profiteert van anderer werk in die streken. Gunnar Isachsen,
indertijd deelnemer aan de expeditie van Sverdrup naar Groenland met
de Fram en eveneens deelnemer aan de onderzoekingen van den vorst
van Monaco in het Noordwesten van Spitsbergen in den winter 1906-7,
is nu samen met veel noorsche geleerden aan het op touw zetten bezig
van een groote wetenschappelijke noorsche expeditie naar Spitsbergen.

Terecht wijst Isachsen erop, dat de zeekaarten van Spitsbergen voor het
meerendeel zeer onvoldoende zijn, zoodat de scheepvaart er met groote
moeilijkheden alleen reeds daarom te kampen heeft. Hij acht het zijn
voornaamste taak, een nauwkeurige trigonometrische en photogrammetische
opmeting te verrichten vooral van het noordwestelijke deel der groep,
maar ook gelijktijdig aan het topografisch en geologisch onderzoek
van het binnenland te beginnen. Zijn expeditie zal bestaan uit drie
topografische groepen van elk drie personen, een ijsgeoloog, een
palaeontoloog met twee helpers en een geoloog met twee helpers. Men
hoopt met het onderzoek nog in 1909 te beginnen en het in 1910 te
kunnen voortzetten.



OP DEN UITKIJK.


ZUIDAFRIKAANSCHE STRUISVOGELTEELT.

Tijdens de reis van staatssecretaris Dernburg naar de duitsche
koloniën in 1908 schreef de particuliere correspondent van de Deutsche
Kolonialzeitung, Dr. Oskar Bongard, die Dernburg vergezelde, uit
East-London o.a. over de struisvogelteelt in Zuid-Afrika. Hij wees
erop, hoe de struisveeren een der voornaamste uitvoerartikelen uit
Zuid-Afrika zijn. Voor 37 millioen mark werd in 1907 uitgevoerd. Het
district Oudtshoorn in de Kleine Karroo ver in het Zuiden der
Kaapkolonie is als het middelpunt der teelt te beschouwen. Het aantal
der daar gehouden vogels komt de honderd duizend nabij. Over Mosselbaai
zijn in 1907 voor 16 millioen mark uitgevoerd, die voor het grootste
deel uit Oudtshoorn afkomstig waren. Daarbij komen nog de veeren,
die over Port Elisabeth, den hoofdzetel van den struisveerenhandel,
naar Londen gingen.

In Duitsch Zuidwest-Afrika was men voordat de opstand uitbrak, met
struisvogelteelt begonnen, daar de vogel er in het wild voorkomt en
de toestanden sterk met die van Britsch Zuid-Afrika overeenkomen;
maar de oorlog heeft aan dat werk een einde gemaakt. Tegenwoordig
begint men weer opnieuw, zoodat de Duitscher het niet ondienstig vond,
Oudtshoorn te gaan bezoeken. Hij vond er uitgestrekte vlakten door
draad afgezet, waarbinnen de dieren aan het weiden waren. In kleinere
vakken waren ze naar den leeftijd gescheiden.

De dieren maken een indruk van belachelijkheid, als ze met hun grooten
snavel en de groote oogen, die in den kleinen kop haast geen ruimte
laten voor de hersens, trots draaiend rondstappen.

De mannetjes zijn vaak kwaadaardig, en dan moet men op zijn hoede
wezen; vooral in den paartijd leveren ze gevaar op voor wie te dicht
bij hen komt. Oudtshoorn beleeft thans zijn tweede periode van bloei
der struisvogelteelt. In 1880 was de eerste gunstige tijd, waarbij in
de Kaapkolonie reuzensommen ermee werden verdiend. Velen werden toen
beoefenaars van het eenvoudige bedrijf; maar twee jaren later sloeg
de mode om; de dames gaven de voorkeur aan andere hoedversieringen,
en men had overproductie.

In Oudtshoorn wendde men zich weer tot den tabaksbouw, waar veel
aan werd gedaan vóór de hausse in de struisveeren. Eerst tien
jaren later begon men de teelt der groote vogels weer ijveriger te
beoefenen. Een crisis, als men in dien tijd beleefde, is thans niet
weer te verwachten, want terwijl men in die dagen de veeren enkel
als hoedversiering bezigde, worden ze nu ook gebruikt voor boa's,
waaiers en garneering van gekleede japonnen. De veeren zijn ook door
de tegenwoordige behandeling zoo mooi geworden, dat ze wel nooit
geheel uit de mode zullen raken.

Bij de teelt wordt er veel aandacht aan geschonken, dat
alleen de vogels met de beste veeren voor de voortteling worden
gebruikt. Daardoor en door geschikte voedering is men tot veredeling
der struisen gekomen en heeft men mooie resultaten bereikt. Terwijl
een gewone struisvogel kan gekocht worden voor zestig tot honderd
mark, kost tegenwoordig een paar goede struisen voor de teelt 3000
tot 4000 mark. De voedering is natuurlijk een zaak van belang, en zij
kan enkel daar goed geschieden, waar water aanwezig is. Lucerne wordt
op alle struisenhoeven verbouwd, en de vogels weiden erin, waarna het
hooi in den drogen tijd, als de vogels geen voedsel meer vinden, als
voeder wordt gegeven. Ook maïs en twee soorten van cactussen worden
voor hetzelfde doel gebruikt.

Het is in Oudtshoorn duidelijk te merken, dat water de eerste
voorwaarde is voor de struisenteelt, want langs de Olifantsrivier staat
de eene farm naast de andere, alle met aanleg van waterleidingen,
door de rivier gevoed, en als men er een oogenblik vertoeft, krijgt
men duizenden vogels te zien. Voor het land daar worden de hoogste
prijzen betaald. Aan de hoeven grenzend, ligt aan den rechterkant
van de rivier een golvend terrein, waar men tot nog toe geen water
heeft geboord. Het ligt verlaten en ongebruikt en is voor den verkoop
waardeloos. De boeren, die de teelt ter hand hebben genomen, zijn
bijna allen rijk geworden.

Gemiddeld worden de vogels alle zeven of acht maanden geplukt. Ze
worden in een hoek gedrongen, tot ze zich niet meer bewegen kunnen;
dan wordt hun een soort van kous over den kop getrokken en het plukken
der staart- en buikveeren kan gebeuren. Daar men de veeren goed laat
uitrijpen, zitten ze betrekkelijk los. De vleugelveeren echter laat
men niet rijp worden, daar de vleugels dan te stevig zouden worden,
en de vogel, als hij zich neerzet, de stijve veeren aan de punten
zou beschadigen. Ze worden daarom halfrijp afgesneden.

Van het tweede jaar af draagt de mannelijke struisvogel zijn zwart en
wit kleed, terwijl het wijfje grijs blijft. Tot op dien leeftijd zijn
de dieren teer en gevoelig en er sterven veel jonge dieren. Gemiddeld
worden de vogels twintig jaar; van het tweede jaar af is de waarde der
veeren, die van een goeden vogel bij elk plukken worden verkregen,
80 tot 100 mark, dus ongeveer 140 mark per jaar. Port-Elisabeth,
dat men van Oudtshoorn uit met den spoorweg in achttien uren bereikt,
is de grootste uitvoerhaven van veeren en wol.

Bij het koopen van struisveeren moet men erop letten, dat de
veeren mooi breed zijn en van boven niet te spits toeloopen. Goede
veeren moeten aan den top breed wezen en daar zich iets naar beneden
buigen. Als er lichte strepen door de veeren loopen, zijn ze beschadigd
en de afzonderlijke veertjes zullen op die plaatsen licht afbreken.

De kiel mag niet te dik, maar moet wel veerkrachtig zijn, en de
afzonderlijke veertjes moeten dicht naast elkaar langs de kiel staan
en met dicht dons zijn bedekt. Ook op den graad van witheid moet bij
de veeren worden gelet. Grijze veeren zijn gemiddeld half zooveel
waard als witte van dezelfde qualiteit.

In het groot worden de veeren alleen naar het gewicht verkocht. Voor
een veer op een dameshoed, zooals ze wordt gedragen, gebruikt men
gewoonlijk twee veeren. De prijs in het groot is twaalf tot vijftien
mark per stuk, maar van tweede qualiteit, die ook nog zeer mooi zijn,
worden voor zeven of acht mark verkocht. Uit Gobabis in Duitsch
Zuidwest-Afrika worden veeren van wilde struisen naar Port-Elisabeth
geleverd.

In den laatsten tijd is de prijs der veeren sterk gedaald evenals
met de wolmarkt het geval is. De amerikaansche geldcrisis moet er de
oorzaak van wezen; in alle werelddeelen bespeurt men de gevolgen. De
duitsche schrijver wijst er aan het slot van zijn artikel op, dat men
in de duitsche kolonie alleen daar de teelt met succes zal kunnen
beginnen, waar voldoende water ter beschikking is, en dat men er
vooral geen te groote verwachtingen van moet hebben.

Het verbruik van struisveeren is beperkt en is afhankelijk van
de mode. Drie vierden der consumptie wordt nu al gedekt door
de engelsche koloniën in Zuid-Afrika en de overproductie evenals
wisseling in de mode zullen altijd van tijd tot tijd dalingen van
de prijzen bewerken. De struisenteelt is zoo eenvoudig, dat ze zich
onwillekeurig steeds uitbreidt, zoolang de markt goed is, wat ten
slotte spoedig tot overproductie leidt.



HET NIEUWE PLAN VAN AMUNDSEN.

Het oorspronkelijke plan van Nansen, van de Beringstraat uit zich
met het ijs, dat zich in de richting beweegt naar de Noordpool te
laten meedrijven, wordt nu door kapitein Amundsen opgenomen. Met het
schip van de expeditie van Nansen, die tusschen 1893 en 1896 plaats
had, de Fram die, naar men weet, met bijzondere zorg op het punt van
den ijsdruk is gemaakt door een knappen noorschen scheepsbouwer, en
waarmee Sverdrup in 1905 den tocht naar West-Groenland en de poolzee
maakte, wil Amundsen in het begin van het volgend jaar, 1910, naar
de Beringstraat gaan, om in Augustus van Point Barrow uit naar het
Noorden vooruit te schuiven en zich, zoodra hij op pakijs stuit,
daardoor te laten insluiten en, net als de Jeannette, in 1878 zich
naar het Noorden te laten drijven.

Kapitein Amundsen verwacht van de strooming, die naar de ervaringen
met de Jeannette naar het Noordwesten voert, dat ze hem in staat
zal stellen, in vier of vijf jaren het onbekende bekken van de
Noordelijke IJszee door te komen. Het schip wordt voor zeven jaren
van levensmiddelen en andere benoodigdheden voorzien. Als hoofddoel
van zijn werk duidt Amundsen niet het bereiken van de Noordpool aan,
maar het wetenschappelijk onderzoek van den toestand der Poolzee,
haar bodemverhoudingen en haar oceanografischen aard.



OVER EEN HOEKJE VAN NIEUW-NEDERLAND.

Nu onze kolonisatie in Noord-Amerika in de 17de eeuw dit jaar sterk de
aandacht tot zich zal trekken, daar het driehonderd jaar geleden is,
dat Hudson de naar hem genoemde rivier opvoer, en groote feesten den
gedenkdag zullen vieren, is het artikel van den heer R. P. J. Tutein
Nolthenius in de Gids van Januari al dadelijk door actualiteit
belangwekkend, maar het zou ook zonder dien glans der toevallige
aansluiting bij het heden een zeer interessant artikel wezen.

Het behandelt een engelsch werk, waarin oude papieren en bescheiden
zijn herdrukt, betrekking hebbende op een landbouwkolonie in de
buurt van Nieuw-Amsterdam, het latere New-York. Na de oprichting
der West-Indische Compagnie werden namelijk in het te kolonizeeren
Noord-Amerika groote stukken land uitgegeven aan kapitalisten,
die er een kolonie mochten stichten en er bestuursrechten mochten
uitoefenen. Over de jaren 1630 tot 1643 nu loopen de thans uitgegeven
papieren, de »Rensselaer Bowier manuscripts", betrekking hebbend
op de kolonie Rensselaerswyck, waarvan de amsterdamsche juwelier
Kiliaen van Rensselaer, wonend aan de Keizersgracht tusschen Harte- en
Wolvenstraat, »Patroon« was, zooals de landondernemers werden genoemd.

De ondernemer is nooit in zijn kolonie geweest, maar bestuurde
van uit Amsterdam het geheel met angstvallige zorg, alles tot in
kleinigheden regelend. Tot de kolonisten behoorden menschen van
allerlei nationaliteit. Zoo waren in de eerste groep twee Noren,
een Zweed, twee Nijkerkers, twee Soestenaars en een Amersfoorter;
het volgend jaar gingen drie Noren, een Deen, een Pommeraan, twee
Zeeuwen, een Fries en een Gelderschman.

Als vertegenwoordiger van den Patroon trad er op Arent van Corlaer,
diens neef, die eerst heen ging als achttienjarig assistent van den
vertegenwoordiger. Aardig is het, te lezen, dat die Arent zich zoo
gezien maakte bij de Indianen, dat aan zijn geslachtsnaam dezelfde eer
te beurt viel als aan Caesar, naar wien alle keizers zich noemen,
want langen tijd werden alle gouverneurs van New-York door de
Indianen met den titel »Corlaer« aangeduid. De documenten zijn in
het Engelsch uitgegeven door den heer A. J. F. van Laer, delftsch
ingenieur, thans oudheidkundige en archivaris aan de New-Yorksche
Staatsbibliotheek. Deze hoorde er van in 1902, toen de schrijfster
Ruth Putnam erover schreef in een amerikaansch blad, »The Biographer«,
waar ze meedeelde, dat er diefstal was gepleegd met de belangrijke
historische papieren.

Het is wel opmerkelijk, dat die schrijfster, die zoo goed onze historie
kent, ook hier de helpende hand heeft geboden, want door haar bericht
kwam de heer Van Laer de documenten op het spoor, die door misbruik
van vertrouwen in verkeerde handen geraakt waren. Ze hadden te voren
reeds een punt van onderzoek uitgemaakt voor onzen amsterdamschen
archivaris Nicolaas de Roever, wien ze ter hand waren gesteld door
den vice-admiraal, jhr. M. W. van Rensselaer-Bowier, wiens moeder
als laatste nederlandsche van Rensselaer ze bezat. In »Oud-Holland«
heeft de heer de Roever er nog de aandacht op gevestigd, maar andere
werkzaamheden en zijn spoedig daarop gevolgde dood verhinderden de
voltooiing van den arbeid.

Dat ze nu uitgegeven zijn, die copieën van brieven, contracten en
andere op de kolonie Rensselaerswyck betrekking hebbende stukken,
maakt het ons mogelijk, een aardig kijkje te krijgen in het uit
zeer bescheiden begin zich tot een bloeiende kolonie ontwikkelende
stuk land, dat grooter was dan de provincie Drente en zich langs de
Hudson uitstrekte 45 kilometer ver, van New-York zoo ver verwijderd
als Keulen van Rotterdam; een vruchtbaar, waterrijk land van bosschen
en heuvels met een vreedzame inlandsche bevolking.

Omtrent de verhouding van de Patroons tot de Compagnie, van wie
ze oorspronkelijk de gelegenheid hadden gekregen, om geld in
landbouwondernemingen te steken, geven de documenten velerlei
wetenswaardigs, waarop de heer Tutein Nolthenius niet nalaat de
aandacht te vestigen, evenals op de latere historie der kolonie, die
eindigde met den overgang van het land in engelsche handen tijdens het
patroonschap van een der zoons van Kiliaen, Jeremias van Rensselaer.



WAT ZAL DE HOOFDSTAD VAN AUSTRALIË ZIJN?

De federatie van australische staten is het nog niet eens geworden
over de keus van de hoofdstad. Een vroegere stemming had Dalgety
aangewezen op de grenzen van Nieuw Zuid-Wales en Victoria. Maar die
keus is bij nadere en algemeener stemming niet bekrachtigd.

De parlementaire geschiedenis van de commonwealth is sinds de tien
jaren, dat de gefedereerde republiek bestaat, slechts een meer of
minder openlijke strijd geweest tusschen Sydney en Melbourne om
den voorrang en juist die kamp is de reden, dat men naar een andere
hoofdstad omziet.

Sydney had geëischt, dat die zou liggen in Nieuw Zuid-Wales, waarop
Melbourne den eisch had gesteld, dat er minstens tusschen haar
mededingster en den zetel der centrale regeering een afstand van
180 kilometer moest wezen. De Melbourners behaalden een voorloopig
groot succes, want ze wisten door te drijven, dat hun eigen stad de
tijdelijke zetel zou worden van de federale autoriteiten.

Geen zitting van het parlement is sedert dien tijd verstreken, zonder
dat de quaestie over de plaats der definitieve hoofdstad ter sprake
is gekomen. Leden van Kamer en Senaat gingen op kosten van den staat
reizen maken, om over de respectieve voordeelen van de voorgestelde
plaatsen en hun districten te oordeelen, en nieuwgekozen leden konden
geen beslissing nemen, zonder dat ze ook met eigen oogen hadden gezien.

Intusschen begonnen de kiezers ongeduldig te worden; er moest worden
beslist. Die van Victoria dreven de keus van Dalgety door; maar het
plaatselijk parlement van Sydney verklaarde, dat het nooit Dalgety
zou erkennen, en bood een andere plaats aan, het tot nu toe onbekende
Canberra.

De strijd kon opnieuw weer beginnen, en in de toen volgende jaren
wonnen de protectionistische denkbeelden van Melbourne meer en meer
terrein. In het begin van de thans loopende zitting van het parlement
heeft de regeering de definitieve keuze van een federale hoofdstad
als een der hoofdpunten op haar programma staan. Na vele en lange
beraadslagingen hebben zich 39 stemmen voor Canberra uitgesproken
tegen 33 voor Dalgety.

Maar reeds hebben enkele afgevaardigden ontdekt, dat het district
Canberra allerlei plaatsen heeft, die voor hoofdstad in aanmerking
komen. Dus zou een nadere aanwijzing wenschelijk wezen. Verder is er
nog de Senaat, die er wel op kon staan, dat men Dalgety koos, zoodat
de Australiërs over niets meer verbaasd zouden wezen, dan over een
besliste keus van een hoofdstad. Toch zou zulk een middelpunt zeer
gewenscht zijn als tegenwicht tegen de gevaarlijke neiging bij de
groote steden in Australië, om alle levende krachten van het land
naar zich toe te halen.



DUITSCHE KOLONIALE SCHOOL.

In Witzenhausen, een klein plaatsje dichtbij Kassel aan de spoorlijn
Halle-Noordhausen-Kassel, is nu sinds tien jaren de duitsche academie
voor koloniaal onderwijs gevestigd, waar koloniale ambtenaren,
»wirthschaftliche Kolonialbeamten« zegt het programma, dus geen
bestuursambtenaren, en zelfstandige kolonisten practisch en theoretisch
voor hun overzeesch beroep worden voorbereid.

Bij de oprichting waren er tien leerlingen, welk aantal thans tot
negentig is gestegen. Bij de tegenwoordige inrichting kan men niet
meer leerlingen bergen, zoodat daar de aanvragen ver het aantal
beschikbare plaatsen overtreffen, men een keus kan doen uit de meest
geschikten. Daarbij wordt vooral gelet op practische hoedanigheden,
betrouwbaarheid, talent om met menschen om te gaan, ondernemingsgeest,
een goede gezondheid, zoo ver men daarover bij de opneming kan
oordeelen. In den loop van den tweejarigen cursus wordt steeds de
ontwikkeling dier eigenschappen nagestreefd.

Het is een school met internaat en al wordt er van een Hochschule
gesproken, wij denken meer aan een kostschool voor volwassenen, waar
we lezen, dat het kostgeld met inbegrip van het onderwijs tot nog toe
1300 mark bedroeg en in 1909 tot 1400 mark zal worden verhoogd. De
inrichting krijgt subsidie van de duitsche Kolonialgesellschaft en van
het rijk, wat ook wel noodig is, want er wordt nog altijd op de kosten
per leerling een niet onbelangrijke som toegelegd. In de vergadering
van de Koloniale Maatschappij, gehouden op 4 December verleden jaar,
zou de chemicus Moritz Schanz uit Chemnitz mededeelingen doen over
de school, maar er was zooveel aan de orde en de tijd was zoo ver
gevorderd, dat hij van zijn opdracht afzag. Nu heeft hij die vervuld
door een artikel in het maandblad der vereeniging, de Deutsche
Kolonialzeitung.



OP DEN UITKIJK.


STANDBEELDEN VAN KONINGEN VAN DAHOMEY

In vroeger tijden hield zich de openbare meening in Europa meermalen
met het koninkrijk Dahomey in West-Afrika bezig. Het negerrijkje werd
bestuurd door een vorst met onbeperkte macht, die te zijner bescherming
naast het gewone leger een sterke lijfwacht van strijdbare vrouwen,
van amazonen, onderhield.

Dat was een eigenaardigheid, maar meer nog werd de aandacht gevraagd
voor de gruwelijke wreedheden in de zeden van het volk, dat alle
mogelijke feesten met menschenoffers vierde. Ten slotte was het met
koning Behanzins macht gedaan, toen Frankrijk in het gebied zijn
invloed liet gelden; koning Behanzin werd gevangen genomen, naar
Martinique verbannen, en in zijn plaats werd een schijnkoning gesteld,
die zich naar de inzichten van de vreemdelingen moest gedragen.

Aan het oude Dahomey herinneren thans drie standbeelden, die onlangs
als belangrijke aanwinsten zijn verkregen door het Trocaderomuseum,
het ethnographische namelijk, te Parijs. Het zijn geen beelden, die
de trekken van de koningen vereeuwigen, maar symbolieke figuren. Het
eene houten beeld stelt koning Geto voor, die in de jaren 1818 tot
1858 regeerde; het is niet onbeschadigd, want het veeren omhulsel
ontbreekt. Op de menschelijke gedaante, die in de opgeheven rechterhand
een zwaard zwaait, ziet men metalen plaatjes en spijkers, waaraan
de veeren bevestigd zijn geweest, waarmee de figuur oorspronkelijk
bedekt was, want de vorst had bij zijn leven den bijnaam van den haan.

Het tweede beeld stelt den opvolger van Geto, koning Glele voor,
met den bijnaam van den leeuw. Daarmee in overeenstemming heeft de
menschengedaante den kop van een leeuw.

Het derde eindelijk stelt den door de Franschen onttroonden koning
Behanzin voor, wien de bijnaam de haai was gegeven. Men kan er een
vischvorm met menschelijke armen en beenen in herkennen.

Ter verklaring van deze eigenaardige voorstellingen zijn we
aangewezen op gissingen. Maar als men in aanmerking neemt, dat in
Dahomey verschillende dieren, als slangen, panters en andere dieren
als goden werden vereerd, en dat de koning voor het volk als een
soort van god was, dan is het duidelijk, dat de figuren godsdienstige
beteekenis hadden.



VAN VAREN EN LANDEN IN DE STILLE ZUIDZEE.

De duitsche rijksmailstoomboot »München«, een schip van 4500 ton
inhoud, was van Sydney in Australië gekomen, had Nieuw Guinea
aangedaan, toen den Bismarckarchipel, vervolgens Ponape, het
hoofdeiland van de Carolinen en naderde nu het eiland Saipan van de
groep der Marianen met het buureilandje Tinian. Tinian heeft steile
oevers, maar is van boven vlak als een tafelland, terwijl Saipan een
hoogen vulkanischen top vertoont. Nadat het schip rondom half Saipan
was heengevaren, kwam Garapan in het gezicht, de hoofdstad van het
eiland en zetel van het duitsche bestuur.

Aan het strand in de schaduw van kokospalmen stond een lange
rij kleine, bruine huisjes, daarnaast een groot wit gebouw, dat
nog niet geheel voltooid was, het nieuwe gouvernementsgebouw. De
haven van Garapan, door koraalriffen omringd, is alleen voor kleine
schepen toegankelijk. Daar bij de nog bestaande onbekendheid met het
vaarwater de uiterste voorzichtigheid geraden is, ankerde de postboot
twee zeemijlen van land verwijderd in volle zee op koraalbodem,
en wachtte de aankomst van een boot van het land af. Er ging een
sterke branding, die het voor anker liggende schip in onaangename,
rollende beweging bracht.

Daar kwam van achter het rif een boot te voorschijn. Nu eens op
den rug van een golf geheven, dan in een golfdal verdwenen voor de
blikken van de schepelingen van de »München«, naderde de kleine boot
langzaam. Eindelijk was ze nabij. Twee door de zon verbrande blanken
met groote spaansche strooien hoeden zaten erin. De Jacobsladder,
een touwladder met houten sporten, werd neergelaten, en het tweetal
klauterde aan boord, in blijde ontroering om de onverwachte aankomst
van de postboot. Want dit was de eerste duitsche postboot, die sinds
de inbezitneming door Duitschland er binnenliep, het eerste schip,
dat na maanden berichten uit het vaderland bracht.

Nu moesten nog verscheiden kisten en de personen, die mee aan land
wilden gaan, in de boot worden overgebracht. Ook dat gelukte, maar
met moeite. Onder de naar wal gaande personen was ook professor
Robert Koch en zijn assistent, de officier van den staf, dokter
Ollwig, die van Nieuw-Guinea kwamen. Nadat hun malaria-expeditie
was afgeloopen, hadden ze van Herbertshöhe uit, de hoofdplaats van
Duitsch Nieuw-Guinea, de terugreis over Hongkong aangevangen. Dan
was er Dr. Georg Wegener, de reiziger in China, berichtgever van een
berlijnsch blad op weg van Australië naar China, om over de onlusten
in China nieuws aan zijn blad te zenden, en de regeeringsdokter
van Ponape, Dr. Girschner met zijn jonge vrouw. Op Ponape hadden
ze namelijk met een zeilschoener bericht gekregen, dat op Saipan
een boosaardige ziekte, waarschijnlijk lepra heerschte. Daar er op
dat eiland niets anders dan een hospitaalbediende, maar geen dokter
woonde, was Dr. Girschner naar Saipan gezonden, om onderzoek te doen
naar de ziekte.

Het ging goed met de inscheping in de kleine boot, en de moeilijke
vaart naar den wal begon. Hoog gingen de golven van den Grooten Oceaan,
en om de riffen moest een wijde omweg worden gemaakt, zoodat er twee
uur verliepen na de afvaart van het schip, eer allen behouden bij
de brug in de haven van Garapan landden. Het was intusschen geheel
donker geworden, en daar er in den nacht niet aan een terugkeer naar
het schip kon worden gedacht, had de kaptein bepaald, dat de boot
bij het aanbreken van den dag naar het schip zou teruggaan.

De districtscommandant Fritz, die met den hospitaalbediende en een
politiebeambte op het eiland de duitsche regeering vertegenwoordigde,
moest nu zien, voor de gasten een onderkomen te vinden, de post door
te kijken, die door het schip was meegebracht, en zoo mogelijk te
beantwoorden, en zijn correspondentie voor Europa gereed te maken. De
hospitaalbediende was erin geslaagd, des avonds nog twintig door de
bedoelde ziekte aangetaste personen bijeen te brengen, daar professor
Koch zich voor de ziekte interesseerde. Bij het schijnsel van een
lamp bekeek en onderzocht de groote geleerde iederen zieke, en het
eindresultaat was, dat men hier te doen had met de in tropische landen
zeer verspreide Framboesia tropica. Het logeeren van zulk een aantal
gasten was moeilijk, want het huis van den commandant was klein, en het
regeeringsgebouw was nog niet klaar. (Het was in 1900). Maar in een
tropisch land behelpt men zich gemakkelijk in zulke omstandigheden,
en zoo werden in de dorpsstraat eenige ruststoelen naast elkaar
opgesteld, en wie geen ander onderkomen had gevonden, nam den vrijen
hemel als zijn onderdak. En er werd in de zachte lucht van Saipan in de
dorpsstraat beter geslapen dan later bleek, dat de aan boord gebleven
passagiers hadden gedaan bij het ongehoorde rollen, dat het schip deed.

Bij het aanbreken van den dag ging men terug naar de »München«, en
de reis ging naar Hongkong verder, waar de passagiers en de meesten
van de blanke bemanning het schip verlieten. De manschappen zouden
door kleurlingen worden vervangen, daar het schip de vaart tusschen
Australië en China zou blijven waarnemen. Het nieuw aangemonsterde
personeel vormde een ware staalkaart van onze natuurgenooten; er waren
maleische matrozen, indische stokers of laskaren, chineesche stewards,
en twee Zuidzee-eilanders op proef.

Weer lag de München, nu terugkomend van Hongkong, vóór Saipan voor
anker bij het rif. De zee was onrustig, de barometer daalde. Er
werd een boot uitgezet, om de post aan wal te brengen. Toen vroeg de
scheepsdokter, of hij mee mocht varen; maar de kapitein ried het hem
sterk af. Daar wees de dokter erop, dat ondanks het slechte weer toch
ook de derde officier en de betaalmeester gingen, wat de kapitein
deed opmerken, dat de »München« een rijkspostboot was, en dat de
post aan land moest worden gebracht, terwijl de dokter niet, zooals
de betaalmeester en de derde officier, ambtelijk aan wal behoefde te
zijn. Doch de medicus stond erop en ging mee, nadat de kapitein alle
verantwoordelijkheid van zich had afgeschoven.

Hij had den vorigen keer niets van Garapan gezien, en was nu verheugd,
toen hij behouden er rondliep en getroffen werd door die idylle
in de wereldzee. Dorp en omgeving waren wonderlijk schilderachtig
en mooi. Maar de terugtocht zou leeren, dat de kapitein niet ten
onrechte had gewaarschuwd. De zee was nog woeliger, en de derde
officier kon denzelfden weg niet terug gaan tegen wind en zee. Dus
moest de directe weg worden gekozen en dwars door het rif worden
gekoerst door de smalle bootspassage.

Met den scheepsdokter waren ook Dr. Girschner en zijn vrouw aan boord,
die terug wilden naar Ponape. In de tweede boot, door inboorlingen
geroeid, zat de hospitaalbediende van Saipan met de post. Na eenigen
tijd waren ze bij de bootspassage, een schuimende heksenketel, overal
bruisende branding. Kloekmoedig gaf de derde officier zijn bevelen,
en kloekmoedig roeiden de maleische matrozen. De boot werd als een
stuk speelgoed heen en weer geworpen in het schuim, dat oogverblindend
was, maar eindelijk was men er doorheen en kwam door de zeer hooge zee
toch eindelijk bij het schip. Maar het aan boord gaan was een groote
kunst bij de sprongen van wel twee meter, die de kleine boot maakte.

Men moest de ladder grijpen op een oogenblik, dat de boot zoowat haar
hoogsten stand had bereikt en dan haastig aan boord klauteren. Het liep
zonder ongelukken af, maar aan boord had men met zorg het forceeren
van de bootspassage gezien en het ergste gevreesd. De postmeester
van Saipan, die tegelijk de hospitaalbediende was, leverde aan boord
de post af, maar het was al te donker, om hem terug te brengen, dus
zou de postboot tot den volgenden morgen blijven en hem zoolang aan
boord houden. Helaas, dien morgen was het weer nog slechter, en in
de dichte regenwolken was een landing op Saipan onmogelijk, zoodat de
postmeester met zijn paar helpers goedschiks of kwaadschiks mee moest
varen naar Ponape. Dat werd naar den wal geseind, en op de terugreis
van de »München« van Australië zou men hem binnen twee maanden weer
van Ponape afhalen en naar Saipan terugbrengen. En zoo geschiedde.

Weer was de »München« op weg naar Saipan, na op Ponape den postmeester
en de zijnen weer te hebben opgenomen en weer was bij de aankomst de
barometer vallende, het weer slecht en de zee hoog en dreigend. Zelfs
nam de wind zoo toe, dat men voor een taifoen moest vreezen. Vanaf
het bovendek van het schip zag men tegen waterbergen op, zoo hoog,
als niemand zich kan voorstellen, die ze niet heeft gezien. Als een
gebergte met steeds veranderende toppen en kammen zoo torenden zich
de watermassa's. Het schip stuurde niet meer, het dreef. Daarbij
was een deel der steenkolen verschoven, zoodat de boot dreigend
helde. De scheepsdokter vroeg aan een der officieren, hoe het
eigenlijk met Saipan was gesteld en of men er niet haast zijn moest
en kreeg het ontmoedigende antwoord, dat men zoo voortgaande er zeker
gauw op ongewenschte wijze op vast zou zitten. De situatie was ver
van aangenaam; maar, als men goed bedacht, Saipan was met Tinian
erbij niet zoo erg groot en de »München« zou best er voorbij kunnen
drijven. Dan plegen de taifoens met verschillende snelheid te reizen,
en als deze taifoen er vlug bij was, kon hij voorbij wezen, vóór het
schip op Saipan was.

Maar heel best waren de vooruitzichten niet en de postmeester kwam met
een bedrukt gezicht den kapitein raadplegen. Zou hij nu waarlijk weer
niet naar zijn post kunnen terugkeeren? »Ja«, had de kapitein gezegd,
»als het weer zoo blijft, kan ik u niet helpen, dan zal u met ons naar
Sjanghaï moeten varen, want ik mag het niet wagen, dan Saipan aan te
doen en op een koraalrif of op de rots van Saipan te worden geworpen«.

»En zoo vaar ik maar rond, en weet niet, wanneer ik met mijn helpers
weer tehuis kom op Saipan«, zei de postmeester in wanhoop. De dokter
troostte hem, zoo goed het ging, maar in stilte hoopte hij, dat in
dit weer het heele Saipan maar niet in het gezicht zou komen.

Bij beurten gingen de officieren naar de machinekamer, om de
menschen aan te zetten, maar er heerschte onder de indische stokers
een lichte vorm van beri beri en ze hadden al van hun arbeidskracht
erbij ingeboet. Maar ten slotte gelukte het toch, zooveel stoom te
maken, dat het schip weer aan het roer gehoorzaamde en nu ging het
over waterbergen en door waterdalen, en het passeerde den taifoen
dichtbij het centrum van den storm. Een vol half uur lang waren lucht
hemel en water niet te onderscheiden, want het was alles één schuim.

Voor het centrum zelf bleef men bewaard; daar is het volkomen
windstil, en de zon kan er zelfs schijnen, maar de zee is er
wonderlijk onregelmatig en loopt woest en wild dooreen, zoo dat
alles erin kapot gaat. Nu ankerde de »München« den volgenden morgen
op de reede van Saipan, die nu aan de windstille zij van het eiland
lag. Met de landing ging het voorspoedig. De wederverschijning van
den postmeester en de zijnen wekte groote vreugde op het eiland.



REIS NAAR VOOR-AZIË.

De amerikaansche physiograaf, de heer E. Huntington, professor aan de
Yale universiteit in Newhaven, Connecticut, vertrekt dit voorjaar naar
Voor-Azië, om de streken daar, die geen afvloeiing hebben, en vooral
de veranderingen, die ze in historischen tijd hebben doorgemaakt,
te bestudeeren. Zijn eerste reisdoel is de Doode Zee; daarna gaat
hij naar de Syrische woestijn, verder zal hij de meren in het midden
van Klein-Azië onderzoeken en ten slotte gaat hij naar het Wan-
en het Oermiameer.



KUNSTWERKEN.

Een kunstwerk is daarom nog niet onsterfelijk, omdat het de
tijdgenooten verveelt.



MAROKKO EN DE MOGENDHEDEN.

Bij de vermelding van het feit, dat er overeenstemming over Marokko
tusschen Frankrijk en Duitschland is verkregen, en de fransche
gezant Regnault aan sultan Moelai Hafid den gelukkigen afloop der
onderhandelingen heeft meegedeeld, maakt de Nieuwe Rotterdamsche
Courant de volgende opmerking:

Wat moeten de bewoners van Fez wel van de europeesche politiek
denken. Vier jaar geleden kwam er een fransche gezant te Fez om
sultan Abd-el-Azis met raad en daad bij te staan. De duitsche keizer
zond hem een duitschen gezant achterna, die den sultan kwam opzetten
tegen den vertegenwoordiger der Fransche republiek, zoo dat deze
door de aanwezigheid van den duitschen collega niets bij sultan
Abd-el-Azis kon uitrichten. De bewoners van Fez moesten dus den
indruk krijgen, dat Duitschland zich opwierp als beschermer van de
onafhankelijkheid, die door Frankrijk werd bedreigd. Ongeveer een jaar
later--in 1906--krijgen de Marokkanen het bericht, dat Duitschland en
tal van andere mogendheden, te Algeciras vergaderd, aan Frankrijk en
Spanje hebben opgedragen, de politie in de Marokkaansche havens in te
richten. Sultan Abd-el-Azis is daardoor in de onmogelijkheid gesteld,
zich tegen de Franschen te verzetten. Hij staat voor de keus, òf heel
Europa bevechten, òf zich aan de Franschen, lasthebbers van Europa,
te onderwerpen. Abd-el-Azis kiest de eenige partij die mogelijk schijnt
en wordt weer de vriend der Franschen. Maar zijn onderdanen denken er
anders over en op verschillende plaatsen in het rijk gaan de stammen
de vreemdelingen en vooral de Franschen te lijf. Als de Fransche
republiek Casablanca bezet, schaart zich het zuiden vaster om Moelai
Hafid, die als tegensultan de leiding krijgt van de beweging tegen
de vreemdelingen, met name tegen de Franschen. Weer gaat Duitschland
een rol spelen. Het wordt alras duidelijk, dat de duitsche regeering
den tegensultan, die Frankrijk bekampt, steunt tegenover den wettigen
sultan, die zich naar Frankrijk's leiding wil schikken. Abd-el-Azis
wordt verslagen. Mede door de houding van Duitschland wordt Moelai
Hafid door heel Europa als sultan erkend. Wat is het eind van deze
geschiedenis? Nauwelijks heeft Moelai Hafid, de leider der vijanden
van Frankrijk, den troon bestegen, of er komt een fransche gezant
naar Fez, en de nieuwe sultan ontvangt dezen dwarskijker als zijn
trouwsten vriend. En meteen komt het bericht, dat Duitschland zich
tegen de reis van dezen gezant niet verzet, ja, dat Duitschland en
Frankrijk het nu geheel eens zijn over Marokko en de heer Regnault
met volle instemming van Duitschland naar Fez is gekomen.

Het kan haast niet anders of vurige Marokkaansche patriotten,
die eerst Abd-el-Azis tegen Frankrijk, en dan Moelai Hafid tegen
Frankrijk hebben gesteund, moeten den indruk krijgen, dat de groote
heeren in Europa, naar het hun in den zin komt, met Marokko sollen
en dat het niet mogelijk is, sultan van Marokko te zijn zonder met
de vreemdelingen te heulen.

Met groote heeren is het slecht kersen eten.



NOORDPOOLEXPEDITIE VAN DR. FREDERICK A. COOK.

De Amerikaan Dr. Frederick A. Cook, die aan de belgische
zuidpoolexpeditie van de Gerlache deelnam als dokter, ondernam den
vorigen zomer een tocht, waarbij hij zich door een walvischvaarder
bij Etah aan de Smithsont liet afzetten met het doel, langs de kust
van Ellesmereland naar het Noorden te gaan, daar te overwinteren en
van Groenland uit in Februari 1908 een sledetocht in de richting der
Noordpool te doen.

Men mocht aannemen, dat de amerikaansche stoomboot »Eric«, die in
Juli 1908 Peary en zijn schip de »Roosevelt« begeleidde tot aan de
Smithsont, Cook zelven of althans berichten over hem zou meebrengen. Nu
is de »Eric« inderdaad in September j.l. teruggekomen en had aan
boord een der metgezellen van Cook, R. Francke, die het volgende
kon vertellen.

Cook had den winter 1907/1908 dertig kilometer ten noorden van Etah
in Annortok aan den oostelijken oever van de Smithsont doorgebracht
en was den 26sten Februari 1908 met Francke en eenige Eskimo's over
de Smithsont naar Ellesmereland gegaan. Nadat den 3den Maart de
Flaglerbaai, een der fjorden, die tusschen 79 en 80 graden N.B. van
het Oosten in Ellesmereland binnendringen, bereikt was, keerde Francke
om en ontving later in Etah een bericht van Cook, meldende, dat deze
den 17den Maart bij kaap Hubbard was aangekomen en nu noordwaarts op
weg ging, en dat hij midden Juni aan de Smithsont terug hoopte te zijn.

Hij is echter tot midden Augustus, toen de »Eric« Etah verliet,
daar niet aangekomen, zoodat de vrees wordt uitgesproken, dat hij
verongelukt is.

»Globus«, dat de mededeeling opneemt, maakt de opmerking, dat het
de vraag is, waar die kaap Hubbard gezocht moet worden. Als er
mee bedoeld wordt kaap Thomas Hubbard, zooals Peary de noordpunt
van Axel-Heibergland in het Westen van Grantland op 81.20 graden
N. B. noemde, dan zou dat beteekenen, dat Cook op Groenland als
operatiebasis niet langer het oog gevestigd had en dat hij zich gewend
heeft naar een vrij afgelegen deel van de amerikaansche poolwereld. De
afstand van de Flaglerbaai en kaap Thomas Hubbard bedraagt 350
kilometer, die Cook dan in 14 dagen zou hebben afgelegd. Voorloopig
mag men aannemen, dat Cook bij den terugtocht naar de Smithsont zich
heeft verlaat.

Men kan, helaas, geen nadere opheldering verwachten vóór den nazomer
van 1909.

Nu er sedert Juni 1907 niets meer van de expeditie is vernomen, rijzen
vermoedens van een ramp. Er heeft zich in de laatste helft van Februari
nu een commissie gevormd te New-York, om een opsporingsexpeditie
mogelijk te maken. Er zal een som van dertig duizend dollars worden
bijeengebracht, om in Juli een schip naar het Noorden te kunnen
sturen. De leiding zal in handen worden gesteld van Dillon Wallace
en de organisatie zal berusten bij de »Arctic Club of America« en de
»Explorers' Club«.



ONDERWIJS AAN INLANDSCHE MEISJES.

Mevrouw De Clercq Zubli-Jacobs heeft in Eigen Haard van 27
Februari verteld van een school voor inlandsche meisjes, door haar
te Batoe-Radja in de residentie Palembang opgericht. Zij juicht het
toe, dat de regeering thans ernstig het onderwijs voor de inlanders
gaat behartigen, maar betreurt het, dat bij alle maatregelen tot
verbetering en uitbreiding van onderwijsinrichtingen zoo goed als
niet is gedacht aan de ontwikkeling der inlandsche vrouw.

Daarom moet persoonlijk initiatief voorgaan, en als dan de regeering de
aanvankelijk welgeslaagde pogingen steunt, kan men op grooter schaal
het werk voortzetten. Als ambtenaarsvrouw had Mevrouw De Clercq-Zubli
zich steeds voor de positie der inlandsche vrouw geïnteresseerd van
den beginne af, dat zij met het leven in de binnenlanden kennis
maakte. Haar trof de schuwheid van de vrouwen en meisjes evenals
het gemis aan vertrouwelijkheid. Te Batoe-Radja in de residentie
Palembang trad dat verschijnsel iets minder sterk op en tijdens haar
vijfjarig verblijf aldaar was zij met succes werkzaam in het belang
der inlandsche vrouw. Ze begon met een zestal dochters van inlandsche
hoofden dagelijks ten harent te ontvangen en die meisjes in te wijden
in de geheimen van de nuttige handwerken en het lezen en schrijven,
ook van de nederlandsche taal. Het zestal groeide weldra tot een
vijftiental aan, want de leerlingen brachten uit eigen beweging nieuwe
klantjes aan. Het waren meisjes van zes tot negentien jaar. Het idee
om een school voor haar op te richten, moest toen wel zich voordoen; de
controleur der onderafdeeling hield een conferentie met de hoofden, die
het plan goedkeurden en financiëelen steun toezegden. Dat was in 1904.

Een geschikte localiteit werd gevonden, die ook kon dienen voor de
huisvesting van die meisjes, die niet op de plaats woonden of haar
doesoens of dorpen niet in de buurt hadden, zoodat ze uit verwijderde
marga's, districten, moesten komen. De hoofden droegen drie gulden
in de maand bij, maar de stichtster van de onderneming hoopte, dat de
meisjes door haar werk zelf de zaak zouden kunnen bekostigen en dat ze
door het arbeiden op bestelling wat zouden kunnen verdienen. Het maken
van kant, de beroemde palembangsche kant, werd een bron van inkomsten;
inlandsche vrouwen gaven bij uitbreiding der school er les in, evenals
in weven en batiken; er kwam ook een dame uit Batavia, die zich met de
leiding van het gewone onderwijs belastte, terwijl Mevrouw De Clercq
Zubli het algemeen toezicht behield en het onderwijs regelde.

Er werd subsidie van de regeering verkregen, zoodat er alle kans
bestaat, dat de nuttige inrichting zal blijven bestaan, ook nu de
oprichtster door familieomstandigheden genoodzaakt was, gebruik
te maken van het recht tot verlof wegens langdurigen dienst. Haar
laatste arbeid in 1906 was nog een zending naar de jaarmarkt te
Soerabaya van eenige der bekwaamste leerlingen der school, wier werk
een eerediploma verwierf.



OP DEN UITKIJK.


EEN VERGETEN AMERIKAANSCHE EXPEDITIE TER OPSPORING VAN DE
NOORDWESTELIJKE DOORVAART.

Op het internationaal Aardrijkskundig Congres, dat in het vorig jaar
te Genève is gehouden, werd door Dr. Henry E. Bryant de aandacht
gevraagd voor de expeditie, van Philadelphia uit in 1753 ondernomen
ter opsporing van de in de 19de eeuw met zooveel ijver gezochte
Noordwestelijke Doorvaart, welke passage aan Franklin en de zijnen
het leven kostte, zooveel opsporingsexpedities heeft noodig gemaakt
en die nu in onze twintigste eeuw door Amundsen is uitgevoerd.

Kooplieden uit Maryland, Pennsylvanië, New-York en Boston brachten
in het midden van de 18de eeuw geld bijeen voor de uitrusting van
de schoener »Argo«. De kapitein, Charles Swaine kreeg de opdracht,
de kust van Labrador te onderzoeken met het oog op uitbreiding van
de vischvangst en de walvischvangst. Hij moest het handelsverkeer
zien te openen en met de inboorlingen vriendschap sluiten en dan de
Noordwestelijke Doorvaart uitvinden, waarvan men vermoedde dat ze
aan de westzijde van de Hudsonsbaai te vinden was.

De »Argo«, een schip van 60 tonnen met 15 man aan boord, verliet
den 4den Maart 1753 Philadelphia en den 15den April Portsmouth in
Nieuw-Engeland. Op 58 graden N. B. stiet het schip op den westrand
van het ijs, dien het volgde tot 63 graden, waar het ijs naar het
Oosten omboog. Toen moest de »Argo« terugkeeren, trof twee deensche,
naar West-Groenland zeilende schepen, van wie men vernam, dat dit sinds
24 jaren de strengste winter was en dat het ijs vóór de Hudsonsstraat
vastlag.

Swaine beproefde nu, dat te forceeren, wat hem niet gelukte. Hij
bleef lang vóór den ingang der Hudsonsbaai kruisen, sloot zich bij
vier schepen van de Hudsonsbaai-Compagnie aan, raakte weer daarvan
af en vond eindelijk den tijd te ver gevorderd voor nasporingen ten
westen van de baai. Hij drong toen nog door in verschillende fjorden
aan de oostkust van Labrador, deed er waarnemingen, ook aan den wal,
ontmoette een engelsch schip, dat eenige Moravische Broeders had
geland en kwam den 21sten October weer goed en wel in Boston aan.

De onderneming had dus geen succes gehad, maar voor dien tijd was
het een opmerkelijke reis, en de heeren gaven den kapitein een »zeer
mooie belooning«, zoo meldt de door Benjamin Franklin uitgegeven
»Pennsylvania Gazette«. In het volgend jaar, 1754, werd Swaine opnieuw
uitgezonden, om de Noordwestelijke Doorvaart te zoeken, maar toen
moet de uitslag nog minder goed zijn geweest, want drie matrozen,
die de bevelen van den kapitein niet hadden opgevolgd, werden door
Eskimo's gedood; er kwam oneenigheid onder de bemanning en het schip
was op 24 October terug, terwijl de kapitein geen lust meer voelde
in verdere tochten.



NEDERLANDSCH ONDERZOEKER OP CELEBES.

De mijningenieur, de heer E. C. Abendanon, is in Februari op
reis gegaan naar Indië tot het doen van een onderzoekingstocht
op Celebes. Het verkenningsterrein ligt in Midden-Celebes en wel
aan den zuidkant, grenzend aan het zuidelijk schiereiland. De tocht
wordt ondernomen voor het Koninklijk Aardrijkskundig Genootschap, zal
uitgaan, naar de Java-Bode voor eenigen tijd meldde, van de monding der
Tjimpoe aan de Golf van Boni en heeft tot eerste doel de bestijging
van de Latimodjongketen, welker hoogste top men hoopt te bereiken,
om van daar peilingen te doen.

Daarna wil de heer Abendanon zich wijden aan het onderzoek van de
rivier, de Sadang, nadat hij het Lettagebergte heeft beklommen,
om vervolgens het meer Oesa te bezoeken, tot waar de heeren Sarasin
in 1895 niet konden doordringen. Zij hadden toen na hun bezoek aan
het Possomeer dwars door Midden Celebes willen reizen, wat hun door
de bevolking onmogelijk werd gemaakt. Blijkt de heer Abendanon in
staat, zijn reisplan te volvoeren, dan kan dat voor onze kennis van
het eiland van veel belang zijn. Er is daar nog zoo enorm veel te
doen. Als men de kaarten ziet in het werk der Sarasins de »Reisen in
Celebes«, dan zijn er nog maar al te veel plekken, waar de voor ons
beschamende aanwijzing te lezen is »Unerforscht«.

Thans zal dan weer eens een Nederlander zijn krachten beproeven. Voor
het verdere exploratiewerk ligt het in het plan van den heer Abendanon,
van Paré Paré over te steken naar de noordkust van de golf van Mandar
en daar het achterland te bereizen, dan noordwaarts te gaan naar
de rivier Karama of over zee de monding te bereiken en haar dan op
te varen, zoo mogelijk tot de bronnen, om dan naar de golf van Boni
terug te keeren.

Het Aardrijkskundig Genootschap zou bij welslagen door deze reis, die
op vijf maanden is gesteld, een hoogst belangrijk werk doen voor de
betere kennis van de zuidelijke Toradjalanden. De gegevens in schetsen
en rapporten over land en volk neergelegd door de er zich bewegende
troepen worden, naar het schijnt, niet zoo vlug als wenschelijk is,
verwerkt en tot publiek eigendom gemaakt.



POSTBODEN IN DE TROPEN.

»Boite aux Lettres« staat er op onze afbeelding te lezen, en dat
fransche opschrift van de brievenbus toont aan, dat het prentje ons
verplaatst naar een fransche kolonie. Het is Tahiti in de Stille
Zuidzee, waar de vermoeide bode zich een oogenblikje heeft neergezet
in de schaduw, nu hij de aan een boom opgehangen brievenbus gaat
ledigen, om de post mee te nemen naar de hoofdplaats. Dat is Papeete
met zijn voor het meerendeel christelijke bevolking, waar de Franschen
sedert 1880 de heerschende natie zijn, want toen werd de groep der
Gezelschapseilanden voor fransch bezit verklaard, en de eilandengroep
is nu nog het voornaamste koloniale gebied van Frankrijk in Oceanië.

De bode is geheel op zijn Europeesch gekleed, except de bloote voeten
natuurlijk. Maar hoe zou hij op zijn boschpaden het met schoenen
klaarspelen? Zijn voorvaderen hebben anders al lang zich bijzonder
vatbaar getoond voor het aanvaarden van de europeesche gebruiken en
gebruiksvoorwerpen. Ze zijn in dat aanvaarden wel eens al te happig
geweest, want de geschiedenis verhaalt bijna van geen enkel land
duidelijker, met hoeveel nadeelen de kennismaking met blanken voor
een primitieve bevolking in de tropen gepaard gaat.

Akelige ziekten en brandewijn hebben verschrikkelijke verwoestingen
aangericht onder de vriendelijke, goede, zachtzinnige menschen van
Tahiti en de overige Gezelschapseilanden in den tijd, toen ze op
uitgebreide schaal met het werk der Europeanen kennis maakten, dat was
in het laatst van de achttiende eeuw. In 1812 trad ten gevolge van den
arbeid van engelsche zendelingen koning Pomare II tot het Christendom
toe, wat een ding van groote beteekenis was voor de eilanders, want
de vorst was bij het natuurvolk tevens de hoogepriester geweest.

Den naam Pomare vinden we ook onder de in de 19de eeuw regeerende
dames, die den schepter over Tahiti zwaaien, en het was onder de
vijftigjarige regeering van koningin Pomare IV, die van 1827 tot 1877
regeerde, dat de fransche invloed er hand over hand toenam. Thans is
Tahiti of Otaheite nog voor een groot deel onbebouwd; er valt daar
nog heel wat werk te verrichten voor aanstaande Nasamonianen, jonge
energieke Europeanen, die aan het ontdekkings- en ontginningswerk
willen meedoen. Want het heerlijke klimaat en de goedwillige bevolking
en de onovertroffen vruchtbaarheid van den grond beloven veel op
landbouw- en plantagegebied.

Vrijwat meer dan de kolonie, waar onze andere postbode zich gereed
heeft gemaakt voor zijn marsch naar de verschillende dorpen en
nederzettingen in Duitsch Oost-Afrika. Deze neger, wien men een
fatsoenlijk jasje heeft aangetrokken, gaat met zijn brievenzak
op weg. Hij is zoo volkomen ongewapend en vervolgt zonder eenig
vervoermiddel buiten zijn eigen pedes apostolorum zijn weg, dat we
eigenlijk maar moeten aannemen, dat hij enkel de post heeft te bezorgen
in de hoofdstad Dar es Salaam en de naaste omgeving, en dat werk kan
hij zeker wel op zijn slofjes, figuurlijk gesproken, af. Want al gaat
de kolonie in Oost-Afrika wel vooruit, de Duitschers vorderen er toch
maar langzaam; de handelshuizen van duitsche firma's nemen toe, ja,
maar niet zoo snel, als men had gehoopt.

En dat behoeft ons niet te verwonderen, want voorloopig is het
achterland nog niet genoeg geopend door verkeersmiddelen, dan dat men
groote verwachtingen mag koesteren van die streken. Spoorwegen moeten
daar veel doen, en met den aanleg vordert men op zeer bedachtzame
wijze. Engeland zet er in zijn Oost-Afrika meer haast achter, en is al
tot het Victoriameer gevorderd. Als eenmaal de gansche verbinding van
de Kaap naar Kaïro door het stoomros zonder gapingen wordt afgedraafd,
dan zal men met de lijnen, welke zich van de kust bij die groote
Noord-Zuidlijn aansluiten, zeker sneller vooruitkomen, omdat dan de
goederen uit het binnenland, waaronder caoutchouc en ivoor nog altijd
een eerste plaats innemen, snel kunnen worden vervoerd en uit de havens
geregeld de ingevoerde waren hun weg naar het binnenland zullen kunnen
vinden. De negerpostbode zal dan mee dieper het binnenland ingaan,
want het aantal plaatsen, die in het verkeer worden opgenomen, zal
dan sterk toenemen.



BRIEVEN UIT DE OOST.

In zijn brieven onder het opschrift »Van ons grooter Nederland«
aan de Nieuwe Courant heeft Maurits Wagenvoort het over Ternate,
waar hij drie weken heeft moeten doorbrengen, terwijl drie dagen
genoeg zouden zijn geweest, om de weergalooze grootschheid van
den vulkanenkrans, met Ternate en Tidore tot hoogste pieken, te
genieten. Hij heeft er blijkbaar den tijd goed besteed, en vertelt
o.a. »deze dagen schonken mij de gelegenheid, heerlijke morgen- of
namiddagwandelingen te maken in de verwilderde nootmuscaat-bosschen,
die met moeilijk-begaanbare paden tegen de helling van den vulkaan
opklimmen; openden mij wel belangwekkende vista's in dat bijzondere
verleden, toen Ternate een der belangrijkste gouvernementen was
onzer Compagnie, en dominee Valentijn wandelde in de prachtige laan
schaduwboomen, welke nog heden het schilderachtige nu half ontmantelde
kasteel aan den zeekant aan het oog onttrekt; veroorloofden mij
vergelijkingen te maken tusschen de machtige sultans van Ternate,
wier rijk zich uitstrekte tot in Nieuw-Guinea en de Philippijnen, en
het vriendelijke mollah-tje, dat heden dien titel draagt. Nochtans,
wat mij trof als een aangename verrassing was, op dit verre en verlaten
eiland een exotische Hollandschheid te vinden, zooals ik nog nergens
in onze koloniën had aangetroffen. Het verleden leefde hier voort in
een kleurlingenbevolking met goed-Hollandsche namen, goedgesproken
Hollandsche taal en wijl het opgeruimde menschen zijn, kon men in de
avonduren niet door de straten van het stadje gaan, of bijna uit elk
huis klonk het welluidend gezang van een Hollandsch lied, zoodat men
zich verbeelden kon te wandelen in een vaderlandsch provinciestadje.«

Ook over Ambon verhaalt de schrijver interessante dingen met een
anderen kijk op het werk der Oostindische Compagnie, dan we krijgen,
als we enkel aan de hongi-tochten denken; hij maakt de opmerking,
dat de nederlandsche natie, zoo min als eenige andere waarschijnlijk,
van deze vulkanische rotsen in zee economisch iets weet te maken,
dat zich bij den bloei van het verleden aansluit.

De menschen hebben hem een indruk van opgewekte vroolijkheid gegeven,
en hij denkt aan het eiland terug als aan een idylle van een volk in
moeilijk bereikbare bergdorpen, een bruin volk met trippelende voeten
en zingende lippen.

Nederland zou voor dat volk meer kunnen doen, door voor betere
aansluiting aan de overige eilanden te zorgen door middel van de
telegraaf; ook door op de opvoeding van de telgen van den sultan
van Ternate toe te zien, die noch lezen noch schrijven kunnen,
en ten slotte wijst hij op de beschaving van de op Ambon geboren
Chineezen, »van wie vele familiën sinds eeuwen op dit eiland zijn
gevestigd. Zij spreken, ook de jongere vrouwen, Hollandsch met een
zuiverheid welke verwondering baart, wijl Nederlandsche ooren er niet
aan gewend zijn. Dit trof mij reeds in Menado, in de Minahassa, waar
ik Chineezen aantrof, die menig Nederlander les hadden kunnen geven in
een goede uitspraak onzer taal. Ik vroeg vanwaar zij geboortig waren;
zij antwoordden mij: »Wij zijn Amboneezen«. Welnu, het is pijnlijk
dergelijke menschen op de bekrompen wijze behandeld te zien, waartoe
geest en letter onzer voor de Chineezen in onze koloniën geldende
wetten aanleiding geven«.



NIJLDAM BIJ ESNEH.

Met veel staatsie en plechtigheid is in het begin van Februari de
nieuwe Nijldam bij Esneh ingewijd door den khedive, Abbas Hilmi
Pacha. Dat reuzenstuwwerk, dat 160 kilometer ten noorden van Assoean
ligt, is men begonnen aan te leggen in November 1906. Terwijl de dam
bij Assoean bestemd is, de besproeiing in de droge zomertijden te
regelen, maakt de Nijldam bij Esneh het mogelijk, de groote vlakten
bij zwakke overstroomingen van een voldoende hoeveelheid water te
voorzien. De nieuwe dam heeft een lengte van 860 meter en heeft 130
bogen. De heele bouw heeft een millioen ponden sterling gekost.



IN INDIË NAAR DE MIDDELEEUWEN VERPLAATST.

Engeland is nu vijftig jaar lang de rechtmatige bezitter van
Voor-Indië; een halve eeuw geleden deed de machtige engelsche
oost-indische Compagnie afstand van haar rechten ten behoeve der
britsche regeering. Hoewel de officiëele engelsch-indische wereld den
gewichtigen datum plechtig heeft gevierd, kan men niet zeggen, dat
overal de herdenking naar wensch is afgeloopen, want de bengaalsche
oproerlingen hebben den dag op hun manier herdacht, namelijk door
ambtenaren te dooden of hun huizen met dynamiet te doen springen en
door openbare tegen Engeland gerichte betoogingen.

Met zijn 300 millioen inwoners, onder wie 700 verschillende talen
en dialecten worden gesproken en die een twintigtal onderscheiden
godsdiensten belijden, blijft Indië steeds voor den volkenkundige en
den philosofisch aangelegde het voorwerp van boeiende studie. Het is
een wereld op zichzelf, en men kan er de stadia aantreffen van velerlei
beschavingen, liggend tusschen de beide uitersten, de wildheid van de
Karoemba's uit de Nilgiribergen, die nog in het steentijdperk leven,
en het hof van den ghikwar van Baroda, den souverein, die zijn juweelen
verpandt, om de scholen voor hooger onderwijs, die hij in het leven
heeft geroepen, in stand te houden.

Het vorstendom Gwalior is een der tusschenliggende schakels. Het is een
der voornaamste leenstaten, die nog een schijn van onafhankelijkheid
genieten. De bevolking is bijna drie millioen zielen sterk en bestaat
zoo goed als uitsluitend uit dat oorlogszuchtige ras van de Mahratten,
dat zegevierend streed tegen de mohammedaansche overheersching
en een machtig rijk stichtte in het midden en het Zuiden van het
schiereiland. Het zou inderdaad te zijnen voordeele het rijk van den
Grooten Mogol weer hebben doen herleven, als niet Engeland met succes
de verovering van geheel Indië had ondernomen.

De regeerende maharadja, de Sindhia van Gwalior, werd in 1877
geboren. Zijn vader maakte met de Engelschen gemeene zaak bij den
opstand der Cipayers en werkte mee aan de volledige neerlaag van Nana
Sahib, den dapperen Mahrat. De jonge vorst was even Engelschgezind
als zijn vader en werd ter belooning voor zijn beproefd royalisme
gemachtigd, om een legercorps van 4000 man onder de wapens te houden,
die naar europeeschen trant zouden worden gedrild en deel zouden
uitmaken van het inlandsche leger, de »Imperial Service Troops«. Het
contingent van Gwalior is daarin het sterkste.

Buitendien recruteert de Sindhia onder zijn adel een klein legertje,
zooals alle leenvorsten bezitten, dat enkel dient, om het prestige van
het hof te vergrooten. Engeland zorgt er wel voor, dat die schimmen
van legers niet meer worden dan paradetroepen; ze mogen geen kanonnen
hebben, zelfs geen moderne geweren, en nauwelijks jachtwapens.

Maar wat die inlandsche legers in kracht en geoefendheid missen, dat
winnen ze aan schoonheid en schilderachtigheid. Toeristen, die zich
in Gwalior hebben opgehouden, nemen er een onvergetelijken indruk van
mee, vooral als hun bezoek samenvalt met een tijdstip van feesten,
als de Sindhia, wiens paleis een paar uur van de stad is verwijderd,
zich erheen begeeft met groote staatsie, gezeten op een reusachtigen,
prachtig opgetuigden olifant, onder geleide van gewapende krijgers
en gevolgd door een rijke koets, waarin de familie en de gasten
zijn gezeten.

Als die enorme dikhuiden geen deel hadden in de vertooning, zou
men zich in de Middeleeuwen verplaatst kunnen wanen, den tijd
der Kruistochten! De weelderig gedrapeerde krijgslieden in hun
met juweelen en diamanten versierde mantels, die voetknechten in
ijzeren wapenrusting of in maliënkolders, dat zijn de Middeleeuwen,
overgebracht in de twintigste eeuw. Een historieschilder zou daar
zijn motieven kunnen gaan zoeken.

Maar hij moet zich haasten, als hij nog tijdig in Gwalior wil
werken. Dat oude Indië is ook al bezig te verdwijnen. De radja's der
jongere generaties worden in Engeland opgevoed en ze stellen er een
eer in, up to date te wezen, zich zelfs ultra modern te toonen, en zoo
deinzen ze er niet voor terug, hun heerlijke perzische en arabische
hengsten te verkoopen, en hun stallen te veranderen in garages voor
auto's! En zoowel uit spaarzaamheid, als uit navolgingszucht vervangen
ze de prachtige costumes van hun lijfwacht door het banale kaki van
de troepen uit Calcutta.

In hun gevolg ziet men dan geen rijk opgetuigde olifanten meer met
harnachementen vol goudborduursel en met banden van kostbare steenen om
de kolossale pooten! Dat is alles ouderwetsch, vieux jeu! De radja uit
de 20ste eeuw geeft de voorkeur aan het nieuwste model van 24 P. K.!



NA DEN ROEWENZORI DE MOUNT EVEREST.

De hertog der Abruzzen is dezer dagen vertrokken voor een groote
reis naar Britsch-Indië en Thibet met het doel een bestijging te
ondernemen van den Mount Everest in den Himalaya. In de verte en in
de hoogte zoekt het dit lid der italiaansche koningsfamilie. Immers
op zijn beroemden pooltocht, die hoogere breedten wist te bereiken,
dan nog vóór hem waren gehaald, liet hij de expeditie volgen naar den
hoogen Roewenzori, den berg in Midden-Afrika bij 't Victoria Nyanza,
en nu volgt de Mount-Everesttocht.

Voor de reis heeft de hertog de noodige hulp en toestemming van de
britsch-indische regeering gekregen. Photografen en geleerden gaan in
zijn gevolg mee. Het heet, dat de reiziger zich in Thibet zal wagen
tot Tasja-Loempo, waar hij den Tasji-Lama wil bezoeken. Zoo meldt de
Londensche Globe. Intusschen wordt niet gezegd, of de beklimming van
den Mount Everest zal geschieden van den noordkant, dus van uit de
tibetaansche hoogvlakte. Dat zou wel beter kansen op succes bieden dan
een beklimming der veel steiler oprijzende zuidelijke hellingen. Echter
heeft de Britsch-Indische regeering deze laatste jaren steeds
geweigerd, aan reizigers toe te staan zich uit Britsch-Indië naar
Tibet te begeven om daar bergtoeren te ondernemen. Wellicht is voor
den prins der Abruzzen een hooge uitzondering gemaakt. De toestemming
tot het bezoeken van den Tasji-Lama schijnt de prins der Abruzzen te
hebben verkregen van de chineesche regeering.



OP DEN UITKIJK


DE POST OVER HET IJS.

Daar gaat hij, de groenlandsche postbode, in zijn grooten mantel
van echt sealskin of zeehondenvel. Hij vervoert zijn kostbaar
postmateriaal in eene slede over het ijs en dat de weg ongebaand en
moeilijk zal zijn, wordt bewezen door de talrijke honden, die de man
heeft aangespannen. Hoe trouwhartig kijken de koppen van de voorste
honden van het span, elk aan een zij van den bode, de wereld in. Het is
zulk een goedaardig en verstandig ras, die groenlandsche poolhonden,
die in vernuft en ijver voor geen mensch onderdoen en menig kind der
menschelijke beschaving in die eigenschappen overtreffen.

Met sneeuw en ijs gaat het troepje worstelen, over scheuren en spleten
zal men zich een weg moeten banen, zoodat het een zeer bezwaarlijke
tocht zal wezen, nu de voorjaarszon, dat is die van het eind van Mei,
het ijs hier en daar heeft opgebroken. Maar de bode en zijn honden
deinzen voor geen moeilijkheden terug, beloond als ze zich voelen
door de dankbaarheid van diegenen, aan wie zij tijdingen brachten
van vrienden en bekenden in de overige wereld, die zoover is van
het afgelegen oord aan Groenlands westkust. En ook de berichten,
welke hen niet van nabij betreffen, het nieuws uit de dagbladen en
tijdschriften, het is aan deze menschen aan den uitersten rand der
beschaving zoo welkom, en het is zoo goed aan hen besteed.

Vooral niet minder weten zij het op prijs te stellen dan de eenvoudige
boeren uit het afgelegen hoekje in Pruisen, het Spreewald, waar
de afzondering in den winter haast al niet minder groot is dan op
Groenland. Daar, in de Nieder Lausitz in het gebied van de Spree,
is het waterrijke land met zijn plassen, kanalen en rivierarmen, zijn
moerassen en bosschen een eigenaardig oord, waar het 's zomers mooi
moge zijn en geschikt voor pleiziertochten te water, voor visschen
en jagen, maar waar de winter bar is en heel wat last en ontbering
voor de bewoners meebrengt.

Het verkeer gaat er te water; doop- en trouwplechtigheden, de kerkgang,
het marktbezoek en wat niet al geschiedt per boot, maar is eenmaal het
ijs de baas geworden, dan komen er honderderlei bezwaren, eer alles
goed en wel voor het winterverkeer is geregeld. In den winter komt er
de postbode ook op zijn schaatsen aanzetten en brengt er aan de boeren
in de hofsteden aan de vaarten en kanalen nieuws, dat vaak al niet heel
nieuw meer is, maar dat voor hen de eenige band is met de buitenwereld.

De bevolking is wendisch, behoort tot de slavische elementen in
het Pruisenland en heeft nog veel aparts en eigenaardigs, vooral
ook in haar kleederdrachten. De menschen zijn er in ontwikkeling
achtergebleven bij de plattelandsbevolking van andere deelen van
Pruisen, en zoo is het volstrekt niet onmogelijk, dat wat de postbode
aan wereldnieuws brengt, in West-Groenland door beter begrijpende
ooren wordt opgevangen dan in het Spreewald.



VOLKEN VAN SUMATRA.

De wetenschappelijke belangstelling in ons Indië is groot in deze dagen
en allerlei deelen van den Archipel treden daarbij naar voren. Men weet
haast niet, waar en waarvoor de ijver grooter is, voor Nieuw-Guinea
of voor Celebes, voor Sumatra of voor Borneo, en de Selenka-expeditie
van Trinil op Java is lang niet het eenige voorbeeld van ijver, door
vreemdelingen betoond, om open vragen in onze koloniën op te lossen
of liever in te vullen met een passend antwoord.

Wat de volkenkunde aangaat, is Sumatra al een zeer bont complex,
een Oostenrijk-Hongarije in het Oosten. Van de oorspronkelijke
bewoners zijn er daar nog stammen en volken bewaard gebleven, die de
wetenschap voor problemen stellen, ongeveer zooals ook het geval is
op Malakka en Ceylon, Celebes en Borneo. De bazelsche heeren Sarasin,
Dr. Paul en Dr. Fritz, hebben veel studie gemaakt van die oervolken
en naast hen moeten in den laatsten tijd genoemd worden Dr. Wilhelm
Volz uit Breslau en Dr. B. Hagen, een Duitscher, die in 1905 een
reis naar Sumatra deed, om voor het ethnografisch museum in Frankfort
a. M. materiaal te verzamelen.

Van Dr. Volz is in Globus van Januari een studie over de bewoners der
door hem bereisde landstreken op Sumatra verschenen. Hij beproeft een
indeeling der verschillende volksgroepen, behandelt hun vermoedelijke
afkomst en geeft van elk der groepen de typische kenmerken op, als
daar zijn de afzondering der als overblijfsels eener oerbevolking
voortlevende Koeboes; de van Hindoeschen invloed getuigende cultuur
der Bataks, hunne sociale inrichtingen, het kannibalisme, melanesisch
van oorsprong, hun huisbouw, en zoo voort.

In een interessante monografie van Dr. B. Hagen, »Die Orang Kubu auf
Sumatra,« in 't begin van dit jaar verschenen, wordt een overzicht
gegeven van de litteratuur over het volk der Koeboes; zij begint
in 1827, toen J. E. de Sturler, de ontdekker der Koeboes, over hen
schreef in de Bataviasche Courant; na dien tijd zijn zij herhaaldelijk
bezocht en beschreven.

Men zoeke de Koeboes in het tot Palembang behoorende deel van de
alluviale vlakte, die ten noorden door de Batang Hari, in het zuiden
door de Moesi begrensd wordt. Toen Hagen de Koeboes van Moeara
Bahar bezocht, waren de »wilde« Koeboes van de Ridan-rivier in het
Rawasgebied nog niet ontdekt; het was de controleur G. J. van Dongen,
die in het begin van 1906 voor het eerst met deze meest oorspronkelijke
en in volkomen afzondering levende Koeboes kennis maakte. Vóór 1830
waren alle Koeboes nomaden; toen is het proces der nederzetting
begonnen; de troep die Hagen te Moeara Bahar te zien kreeg, had zich
eerst kort geleden daar gevestigd en had nog veel van de primitieve
eigenschappen behouden.

Er leeft dus op Sumatra nog geheel in den oer-toestand een deel van de
oer-bevolking, die zich, in het oer-woud bijna hermetisch opgesloten,
heeft kunnen vrijhouden van vreemden invloed. Tusschen Djambi en
Palembang leiden deze zoogenaamde wilde Koeboes een nomadisch leven,
ter plaatse blijvend zoolang zij er voedsel vinden en periodieke
overstroomingen hen niet tot heengaan nopen. Voor alles wat hun vreemd
is zijn zij uitermate schuw en in de wildernis die hun territoor is,
onttrekken zij zich gemakkelijk aan den zoekenden onderzoeker; met
niemand laten zij zich in; de buitenwereld bestaat voor hen niet. Dit
wantrouwen is niet een oorspronkelijke karaktertrek, maar het gevolg
van de wandaden, die de Maleiers zich van oudsher ten opzichte der
Koeboes veroorloofd hebben. De zuivere Koeboes spreken met verachting
over hunne soortgenooten, die van de Maleiers leerden handeldrijven
en stelen.

Het uitvoerige werk mag wel een aanwinst heeten voor onze koloniale
litteratuur, in zoo ver het onze koloniën behandelt, al wordt er de
oorspronkelijke nederlandsche litteratuur over Indië niet mee verrijkt.



EEN INTERNATIONALE GROOTE WERELD.

Onlangs wezen we erop, hoe cosmopolitisch langzamerhand de groote
steden worden en hoe bont het aanzien der bevolking zich in de groote
centra voordoet, zoodat de zuivere nationale gevoelens daar wel in de
klem moeten raken. Thans wijst de Daily Mail op de treffende bontheid
van de hooge kringen in Berlijn. Daar, in de eerste gezelschappen
van de duitsche hoofdstad, waar men tegenwoordig zooveel meer weelde
ten toon spreidt dan vroeger, is het buitenlandsche element meer dan
ooit toonaangevend. Vreemdelingen van geboorte nemen er de hoogste
plaatsen in.

De eerste politieke gastvrouw van het duitsche Rijk, vorstin
v. Bülow, is een geboren Italiaansche, een prinses Camporeale,
vrouw van allerinnemendste beminnelijkheid, in wier aderen door haar
afstamming van het historische Engelsch-Italiaansche huis der Actons,
ook Britsch bloed vloeit. De vorstin Henckel v. Donnersmarck, de
gade van den bekenden multi-millionair en Silezischen mijnmagnaat,
die vanwege haar juweelen en buitengewoon prachtige hoftoiletten een
zeer bijzonderen roep geniet, is een Russin, Katharina Wassilieffna
Slepzef. De schoone en lieftallige prinses Pless is een Engelsche,
zuster van de hertogin van Westminster en, evenals deze, met den
grootsten grondbezitter van zijn land gehuwd. De hertogin van Ratibor,
een pikante brunette en lievelinge van de Berlijnsche hooge kringen,
is insgelijks Engelsche. De vorstin zu Fürstenberg, 's Keizers
gastvrouw te Donaueschingen, is een Boheemsche gravin. Prinses zu
Thurn und Taxis, bekend om de verrukkelijke danspartijen die zij weet
in te richten, is een Weenerin, elegant en bekoorlijk. Een andere
niet-Pruisische toongeefster, in de hooge kringen is de jonge vorstin
zu Wied, dochter van den Koning van Wurtemberg, en Amerika heeft een
charmante vertegenwoordigster in gravin Johannes Siertorpff, die in
New-York miss Knowlton heette.



ONZE KENNIS VAN ARABIË.

Een groot landcomplex, waar nog heel wat te ontdekken is en waarvan
de kaarten als om aanvulling roepen, zooals Thibet het deed, voordat
de expedities van Prschewalski, Rockhill, Littledale, Bower, Deasy
en vooral Sven Hedin er licht over hebben uitgegoten, is Arabië. Daar
begint thans echter de onderzoekingsgeest ook krachtig te werken. Een
flinke expeditie zal onder den engelschen reiziger Bury ten oosten
van Aden aan land gaan en door het Jeshbundal over Nisab en Behan al
Jezab naar Harib en Mareb trachten te komen, om daar opnemingen te
doen van oude opschriften.

Het vervolg der expeditie wordt afhankelijk gesteld van de berichten,
die men omtrent de vermoedelijke karavanenwegen in het binnenland zal
krijgen. In de eerste plaats richt de leider zijn opmerkzaamheid op
het bereiken van Riadh, indien daarheen nog een karavaanweg uit het
Zuidwesten geleidt. Van daar wil hij, zoo er verbindingen te krijgen
zijn, over El Hauta oostwaarts naar den vermoedelijken karavanenweg
Mekka-Oman naar Maskate trachten te komen. Gelukt dat niet, dan zal
hij zich naar gelang van de omstandigheden, naar de Perzische Golf,
naar de Roode Zee of dwars door de groote zandwoestijn naar het
Zuiden naar het landschap Hadramaut wenden. Als eenig gezel sluit
zich bij hem aan de heer P. E. L. Gethin, die zich door het volgen
van een cursus van het londensche Aardrijkskundig Genootschap, de
Royal Geographical Society, op deze reis heeft voorbereid. Al komt
ook slechts een deel van het programma tot uitvoering, dan staat ons
toch een wezenlijke verruiming onzer kennis van Arabië te wachten.



VOORJAARSREIZEN.

De firma Lissone heeft al een heele reeks mooie reizen in 1909
gemaakt. Daar waren winterreisjes naar Parijs van een dag of zes voor
de somma van 85 gulden; daar waren in Februari twee reizen naar de
winterpret van St. Moritz, dertien dagen voor 280 gulden; daar was een
reis naar Nice en de Riviera, naar Tunis en Algiers, naar Palestina,
Syrië en Egypte, een reis van 22 dagen en 440 gulden naar Italië,
waaraan men nog bij herhaling zal kunnen deelnemen op 19 April en 3
Mei, daar waren in één woord tochten naar heinde en ver.

Ook Spanje is niet vergeten, en afzonderlijk is voor 5 April een
reis aangekondigd naar de oostkust en het eiland Majorca. Daarbij
behooren ook Barcelona met de omstreken, aan de lezers van de Nieuwe
Rotterdamsche Courant op zoo aangename wijze bekend geworden door de
brieven van den correspondent van het blad. Bij de aankondiging van de
reis in Lissone's »Toerist« heet het, dat dit »goddelijk paradijs« zal
worden bezocht, »wanneer gure, harde Noordenwinden met regenvlagen en
sneeuwjacht ons sidderend en rillend blokken op den haard doen werpen.«

Het is te hopen, dat die voorspelling niet uitkomt. Op den vijfden
dag van April nog weer sneeuwjacht en regenvlagen! Nee, dat zou
te bar zijn! Daar hebben we tot half Maart in voldoende mate van
geprofiteerd. Laat ons Lissone en de zijnen op 5 April bij heerlijk
mooi voorjaarsweer mogen zien vertrekken naar 't zoele Zuiden, maar
laat het eindelijk hier dan ook eens voorjaar worden!



DE JUNGFRAUSPOORWEG.

»Toen ik vele jaren geleden op den Wengernalp vertoefde,« schrijft
Siegfried Hartmann in de Welt auf Reisen, »liet een naar mijn
herinnering te oordeelen jong ingenieur mij een blauwe groote teekening
zien, het plan voor den Jungfrauspoorweg. Andere reizigers zagen het
plan ook, en aan tafel maakte het het onderwerp uit van de gesprekken,
en als er weer een nieuwe toerist boven kwam en vol bewondering naar
de met sneeuw en gletschers bedekte bergreuzen keek, werd hem lachend
gevraagd: »Weet u 't al, men zal daar een spoorweg naar boven laten
loopen!« En de meesten keken dan met een blik, die scheen te zeggen,
dat ze het een flauwe grap vonden.

Ik geloofde toen al vast aan de mogelijkheid van de grootste triomfen
voor de techniek, vond het een wonderheerlijk plan, maar stond onder
de toeristen zoo goed als alleen. Enkelen, die wel geloofden aan de
mogelijkheid, spraken van de ontheiliging der natuur; anderen spotten
met het denkbeeld en maakten zich vroolijk over het dwergje mensch,
dat de Jungfrau met rails wou beleggen.

Geen van hen heeft gelijk gekregen. Hoewel thans inderdaad nog geen
trein den top van den grooten zwitserschen berg heeft beklommen, men is
toch al een heel eind gevorderd. De nette, door electriciteit gedreven
treinen van den Jungfrauspoorweg klimmen, door de eigen kracht van den
berg, door het water van de wilde Lütschine, gedreven aan de stang met
tandraderen omhoog. En van ontwijding der natuur kan geen sprake wezen,
want de scherpste kijker kan geen spoordam en geen rails ontdekken,
omdat beide in de tunnel liggen, en geen schrille fluit weerklinkt,
geen rook en roet ontsieren de verheven eenzaamheid.

Was het plan, een spoorlijn daar te bouwen moedig en grootsch, de
uitvoering is inderdaad geniaal geworden. Wat had meer voor de hand
gelegen, dan langs den machtigen Eigerwand direct een pad schuin omhoog
te maken in de rotsen? Men deed het niet, maar ging terstond den berg
in, om zoo van het begin af verhoogde veiligheid en onafhankelijkheid
van de weersgesteldheid te krijgen.

De rit is nu zeer indrukwekkend. Als de reiziger van het station
Scheidegg van de spoor van den Wengernalp op 2000 meter hoogte afrijdt,
gaat de spoorweg eerst door groene weiden langs den Fallbodenhubel. Dan
buigen de rijtuigen een tunnel in en komen in het gebied van het
onbegroeide steenpuin, terwijl op den achtergrond de groote blauwwitte
tong van den Eigergletscher zich vertoont. Daarna wordt het nacht;
de electrische lampen werpen hun geel licht op de angstig of verbaasd
of nieuwsgierig kijkende reizigers. Zacht en gelijkmatig drijft de
electrische draaistoommachine het gevaarte hooger in tegenstelling
met veel door stoom gedreven bergspoorwegen. De muren glinsteren van
het vocht, af en toe doet zich een nis voor, hier en daar komt ook
een klein lichtgat, dat door den tunnelwand in den vrijen bergmuur
is opengebroken. Al hooger en hooger gaat het. Het oog raakt aan
de duisternis gewend, en het bloed begint sneller te vloeien, de
ademhaling neemt ook in snelheid toe in de al dunner wordende lucht,
die niets heeft van de bekende tunnellucht, zoo onaangenaam bij de
groote bergtunnels en ondergrondsche spoorwegen.

Daar staat de trein stil; de tunnel is verwijd tot een grot. Station
Eigerwand, 2876 meter boven de zee. Men is het er niet algemeen
over eens, of die verwijding noodig was. Het uitzicht door de in
de rotsen uitgehouwen vensters in het Wergisdal, op de van hier uit
te overziene velden van den Lauberhorn, en van Tschuggen Männlichen
is zeker schoon, maar niet daarvoor kwam men hier heen. Wij willen
geen groene weiden en geen beboschte hoogten zien, maar ijs, sneeuw
en ijs. Het zou daar ook dwaas wezen, hier den rit af te breken,
zooals zoovelen doen. Het oponthoud moet worden beschouwd als een
pauze in den tocht, waardoor onze ademhalingsorganen een beetje op
hun verhaal komen in de ijle lucht.

Na een vrij langdurig oponthoud gaat de trein verder; er is geen
verschil merkbaar met het eerste deel der reis; we gaan weer door
den tunnel, maar weldra merken we, dat die niet meer rechtuit gaat;
we maken een bocht in den berg. Zonder dat wij iets kunnen zien,
hebben we het groene land den rug toe gekeerd, en het gaat naar de
gletscherwereld van het Berner Oberland. In de verte ontdekken we een
massa licht en we naderen het voorloopig eindpunt van de lijn, het
station Eismeer. Weer een wijde, door de boormachines gemaakte grot
grooter dan die bij Eigerwand. IJskoude lucht stroomt ons tegen, en
de door de spoorwegautoriteiten ter beschikking gestelde dekens worden
vaster omgedaan. Dan gaan we door een gang naar een reuzenrotsvenster,
dat ons een panorama uit het hooggebergte laat zien van eigenaardige
schoonheid. Blauw ijs en witte sneeuw, zoo ver het oog reikt, enkel
links op den achtergrond een paar kale, zwartbruine bergwanden. Rechts
rijzen de ijsmassa's als torens spits en puntig, of in zachte ronde
vormen. Daar leidt een smal, in de sneeuw uitgetreden pad stoutmoedige
wandelaars omhoog langs de Concordiahut naar den top van den Jungfrau,
tot mogelijk over een jaar of tien dit pad overbodig zal zijn geworden,
daar de spoorweg het heeft vervangen.

Wanneer de techniek de taak op zich neemt, die indrukwekkende schoone
natuur te openbaren aan duizenden menschen en dat wat vroeger slechts
te zien werd gegeven aan een klein aantal menschen, die er kracht en
tijd voor hadden, te maken tot gemeengoed van de menschenkinderen,
die midden in den harden levensstrijd staan, dan verdient dat zeker
onze dankbaarheid. En het was werkelijk een zware taak, die ze te
vervullen kreeg.

Op het station Eismeer is met den spoorweg ook de beschaving
gekomen. Er is een klein postkantoor vanwege de zwitsersche regeering
ingericht, waar de tallooze prentbriefkaarten worden afgestempeld,
en ook wordt er voortreffelijk voor het lichamelijk welbehagen
der bezoekers gezorgd. Een gedeelte der in de rotsen uitgehouden
galerij is afgesloten met reusachtige spiegelruiten, en men zit er
dus geheel beschut. Er is een restaurant met electrische verlichting
en electrische stookplaatsen voor de bereiding der spijzen. Wie zelf
eten meebrengt, moet een franc plaatsgeld betalen, maar niemand is
daartoe verplicht, want een kleine tunnel voor voetgangers leidt naar
een plek, waar men met een trap op den gletscher kan komen en zonder
het restaurant aan te doen, de wonderen der verheven natuurtooneelen
kan genieten. Maar buitendien zal bijna ieder dankbaar zijn obool
offeren, opdat de doelmatige inrichtingen hier boven ook voor anderen
mooi en goed in orde kunnen worden gehouden.«



VAN DE EHZE IN DE OUDE GRAAFSCHAP ZUTPHEN.

Qui se fait attendre, se fait désirer, dat schijnt wel dezen keer
het devies van het voorjaar te zijn geweest. Onbescheiden heeft het
zich laten wachten, langer dan bestaanbaar was met het goed humeur van
natuurvrienden, en langer dan de voorjaarsbloemen zich met goed fatsoen
schuil konden houden. Maar wat bleven sneeuwklokje en crocus traag in
hun ontwikkeling, wat duurde het eeuwen, eer die zoo welkome, eerste
sporen van de lente in uitbottende knoppen aan enkele vroege heesters
zich vertoonden! Straten en wegen en voetpaden!... nee maar, ze waren
van een grondelooze vuilheid dagen, weken lang, en dus moest wie de
menschen lokken wou »Naar Buiten!« wel aan doovemans deur kloppen.

In die dagen hebben wij een bezoek gebracht aan een oud huis in
heerlijke omgeving, waar de zin voor schoonheid den toon aangaf,
nu in de eerste plaats binnenshuis; in het betere seizoen vooral
niet minder rondom de woning, in park en bosch. Er hebben velen in
die buurt van het echte buitenleven genoten. Slechts door de Berkel
en een paar groote weiden is de Ehze gescheiden van het buiten, waar
Allard Pierson een deel van zijn levensavond doorbracht, de Velhorst,
en talrijk zijn in dit deel van Gelderland de oude kasteelen, die in
onze geschiedenis van zich hebben doen spreken.

Dat heeft ook de Ehze gedaan, al is het nu geen oud slot meer,
maar, uitwendig althans, een deftig groot huis, van rooden
baksteen opgetrokken. Van binnen zijn er nog heel veel sporen over,
die wijzen op het verre verleden, dat het huis reeds achter zich
heeft. De tegenwoordige eigenaar, de heer D. J. van den Honert, die
zijn zaken te Amsterdam heeft en wiens vrouw de dochter is van den
bekenden amsterdamschen philantroop, wijlen den heer P. W. Janssen,
gevoelt zeer veel voor het verleden van het huis, waarvan hij in
1905 bezitter is geworden, toen hij het kocht van mevrouw de weduwe
barones Van Welderen Rengers.

Een bewijs van die piëteit heeft hij gegeven door de opdracht aan
den heer A. A. Vorsterman van Oyen, om de geschiedenis te boek te
stellen van de opeenvolgende geslachten, die »het kasteel Ehze«
hebben bewoond. Zeshonderd jaren geleden werd het goed gesticht
door een tak van het geslacht van Heeckeren, en naar een hof Hese
of Hesni in de nabijheid van het stamslot der Heeckerens bij Emmerik
moeten de heeren van Eese of Ehze hun burcht bij Almen in de gemeente
Gorssel hebben genoemd. In het begin der veertiende eeuw was Frederik
van Heeckeren bezitter van het goed de Ehze, waarnaar hij zich ook
Frederik van Ese noemt.

Ridders en knapen komen verder voor van dien naam, als bewoners
van het kasteel, trouwe volgers van den graaf van Gelre, nu eens
getuigen bij overeenkomsten tusschen den graaf en eenige stad, dan
getuigen bij huwelijken in het grafelijk geslacht of bij plechtige
verzoeningen als in 1355 tusschen Reinout, hertog van Gelre, en zijn
broer Eduard. Ridder Frederik van Ese moet een persoon van gewicht zijn
geweest, want bij een bezoek aan de stad Arnhem in datzelfde jaar 1355,
waarschijnlijk met een grooten hofstoet, moet hem de stadsregeering
veel wijn hebben verschonken »negen kwarten«, zooals vermeld staat
in de stadsrekening van Arnhem van dat jaar. Zijn kleinzoons noemden
zich weer Heeckeren of namen soms, na »deeling volgens magescheid«
verschillende namen aan, dikwijls van aangetrouwde familieleden.

In het werk van den heer Vorsterman, dat in het Genealogisch en
Heraldisch Archief van Arnhem in 1908 is opgenomen, kan men de reeks
der verschillende bezitters van het kasteel de Ehze uitvoerig vinden
nagegaan. Men leest er, hoe een der leden van de familie priester
was en vriend van Geert Groote, hoe een ander schepen was te Deventer
en als man van invloed en kunde stond aangeschreven, en hoe ze zich
vermaagschapten met aanzienlijke geslachten. In de zestiende en
zeventiende eeuw speelt het geslacht Van Lintelo er een groote rol.

Zoo was Christiaan Karel, baron van Lintelo, heer van de Ehze, die
in 1707 scholtis of schout van Lochem was, onderhandelaar in zaken,
die de nalatenschap van Willem III betroffen; hij was in groot aanzien
bij zijn tijdgenooten en geëerd om zijn schranderheid en ongemeene
werkzaamheid. Te Lochem huwde hij in 1705 op Ampsen met Clara Elisabeth
van Nagell, was zeer bemind bij zijn onderhoorigen en stierf op de Ehze
in 1736. Aan die vermaagschapping met de familie Van Nagell herinnert
op dit oogenblik nog het wapen in de windvaan op het huis. Daar is de
gesp uit dat wapen duidelijk te herkennen. Toevallig dat de voornamen
van de tegenwoordige vrouwe van de Ehze dezelfden zijn als die van de
eigenares uit de eerste helft der achttiende eeuw. Of die vroegere
Clara Elisabeth bij haar onderhoorigen bemind is geweest evenals
haar man, weten we niet, maar dat men het later van de 20ste-eeuwsche
Clara Elisabeth zal getuigen, is zonder twijfel. Want zij treedt als
een weldoenster onder de menschen op, door de zieken en zwakken te
bezoeken en op te beuren en naar geest en lichaam hun goed te doen,
niet maar eens nu en dan, maar trouw en geregeld. Aan »goede werken«
wordt daar veel gedaan in en om het gemodernizeerde oude huis; er
is een schooltje gebouwd, waar de meisjes dagelijks gratis naailes
krijgen; de kinderen leenen boeken uit de bibliotheek van het huis,
en op honderderlei manieren meer leven de bewoners van het huis met
hun omgeving mee.

Door een der vijf dochters van baron van Lintelo komt in de 18de
eeuw het geslacht van Pallandt van Keppel in het bezit van de Ehze,
maar niet voor langen tijd, want de eerste en eenige bezitter uit
die familie verkocht de Ehze en liet papieren, schilderijen en
merkwaardigheden naar het kasteel Keppel overbrengen. In de laatste
jaren van de achttiende en de eerste helft van de negentiende eeuw is
de historie van het huis het minst glorierijk, en Jan Derk Langenberg,
lid van den raad van Zutfen en houtkooper aldaar, is de schuldige,
die aan het sloopen gaat. Hij liet een groot deel afbreken, namelijk
het middengebouw en een der vleugels, verkocht het prachtige ijzeren
hek, dat voor de streek is bewaard gebleven, want het prijkt nu nog
op het kasteel Medler onder Vorden, maakte de sieraden van het huis
te gelde en liet veel hout onder de bijl vallen.

Dat gedeelte van het huis, dat bewaard bleef, verkocht hij in 1831 aan
baron Van Zuylen van Nijevelt, wiens zoon, Mr. Jacob Pieter Pompejus,
tweemaal minister was, later buitengewoon gezant te Parijs, kamerheer
des konings i. b. d. en lid der ridderschap van Gelderland was. Deze,
gestorven in 1890, vertoefde niet veel op de Ehze en in 1866 verkocht
hij het huis en de landerijen aan zijn zwager, Karel Gerrit Willem,
baron van Wassenaer, met wien zijn zuster getrouwd was. Dat echtpaar
liet het gebouw restaureeren; de baron had den zeedienst verlaten
en vertoefde graag op de Ehze. Hij was lid der Provinciale Staten en
voorzitter van de Geldersche Maatschappij van landbouw.

Hier voelen we ons op modernen grond, dat zijn de posten, nu ook
door de bezitters van de landgoederen in de buurt bekleed. Bovendien
iemand, die den zeedienst verliet, is ook de tegenwoordige eigenaar,
de heer Van den Honert en aan het restaureeren heeft deze op niet
minder grondige manier gedaan dan de Wassenaers. Vooraf heeft de
oud-ritmeester baron van Welderen Rengers van 1894 tot 1898 en heeft
diens weduwe er nog van 1898 tot 1905 gewoond. Zij hadden het goed
gekocht van de jongste dochter van baron Van Wassenaer, aan wie het
bij scheiding was toebedeeld.

En hoe ziet nu de Ehze eruit, het oude kasteel in nieuwen vorm?

Een flink terras is vóór het huis gebouwd, met twee breede trappen
en antieke sfinxen aan weerszijden, beelden, die een oud kasteel in
Verona hebben gesierd. De hal is bijzonder smaakvol ingericht en
vormt een waardige entrée voor het deftige huis. Daar bloeiden de
mooiste aronskelken en de heerlijkste hyacinthen, zooals er overal
in het huis bloemen te bewonderen vielen. Rondom die ruime hal zijn
de verschillende vertrekken gelegen, waar de werkelijk mooie dingen
en de vele kunstvoorwerpen het rondwandelen als een gang door een
met zorg samengesteld museum maken.

Duidelijk is er overal naar gestreefd, om aan de oudheid van het huis
recht te doen weervaren; hier is een eerbiedige hand aan het werk
geweest. Hoe prachtig zijn die schouwen gerestaureerd, hoe pieus
zijn de wapens der oude geslachten, waar ze herstelling behoefden,
onder handen genomen en op een eereplaats gehangen, hoe trouw is
betimmering en kleur in harmonie gehouden met het oude karakter! In
modernen vorm doet alles aan, als volkomen passend bij wat er van het
oude over is. Een delftsch tegeltableau achter de schoone schouw der
eetzaal stelt de geboortehuizen voor van den eigenaar en zijn vrouw,
die beide te Amsterdam het levenslicht zagen. Die schoorsteen is
van dezen tijd, nagemaakt antiek, wondermooi werk van de haagsche
firma Mutters, terwijl in een ander vertrek het witsel, dat de oude
bekleeding van een schouw bedekte, met zorg is verwijderd, zoodat het
heerlijke beeldhouwwerk weer in al zijn fijnheid van uitvoering voor
den dag komt.

Het blijkt hier, dat het gemakkelijke en comfortabele van onze moderne
meubels, als men ze maar met smaak kiest, zich uitstekend aansluiten
bij een huis van ouden stijl, en zoo is inderdaad de hoofdindruk
van dit bezoek de mooie harmonie van het oude en het nieuwe. Vooral
treft die, als men let op de vele nieuwere inrichtingen, die de heer
Van den Honert heeft laten aanbrengen. Hij heeft bij den ingang een
nieuwe steenen brug laten bouwen over de gracht ter vervanging van
het houten brugje, waarvan reeds Craandijk in 1875 zei, dat op die
plek »een nietig brugje het geheel ontsierde«. Tot de brug geeft
een prachtig hoog ijzeren hek toegang, een van de schatten uit den
voorraad van een parijsch antiquaar.

Maar van de moderne instellingen trekt vooral de modelboerderij
de aandacht, waaraan die van Oud-Bussum tot voorbeeld heeft
gestrekt. Volkomen hygiënisch en dus met de uiterste zindelijkheid,
zijn de stallen ingericht; de behandeling van de koeien en die van de
herhaaldelijk gefiltreerde en daarna snel afgekoelde en machinaal in
flesschen gebrachte melk waarborgt de algeheele zuiverheid, en die
op het landgoed gebruikte en verder tot boter verwerkte melk is een
waardige pendant van het gezuiverde water.

Er is namelijk een ontijzeringsinrichting, die noodig was, omdat het
overigens goede water in den bodem te veel ijzer bevat. De electrische
installatie van het goed maakt het mogelijk, het water omhoog te voeren
in een kleinen toren, waar het in fijne verdeeling van boven neervalt
en door oxydatie van het ijzer wordt ontdaan, om daarna op en door een
bedding van cokes vloeiend, een nog verdere zuivering te ondergaan. Zoo
rein en helder vangt het weldoend vocht dan in leidingsbuizen zijn
wandeling aan door de verschillende gebouwen van het landgoed, door
de vele nieuw gebouwde woningen van het personeel, door de stallen,
de vertrekken der woning, de kelders, die in bewoonbare ruimten zijn
herschapen, de kassen en waar niet al meer.

Het voedt in de nieuwe kelderruimte onder het terras den voorraad,
die uit de stooktoestel voor de centrale verwarming het gansche huis
van een aangename warmte voorziet; het plast neer in het bekken, waar
mevrouw Van den Honert in de donkere kamer haar photografieplaten
wascht, het stroomt uit de warm- en koudwaterkranen boven het bad
voor het personeel, het vult een bassin in de warme plantenkas, waar
men dus voor de flora-kinderen altijd water op temperatuur heeft,
en eindelijk voedt het de stoommachine in het machinehuis, die de
electriciteit opwekt.

Wagenhuis en paardestal zijn in overeenstemming met de nieuwste
eischen, die een kieskeurig eigenaar kan stellen, en de mooie paarden
worden er met liefde verzorgd, al bevat de nieuw-bijgebouwde garage
twee auto's, die hen overbodig schijnen te maken. Maar als overbodig
worden ze daar in het geheel niet beschouwd, dat merkte het mooie
zwartje, waarvan de bezitter met trots vertelde, dat het, nog geen
drie jaar oud en in zijn tijd geboren was.

Ook in de modern ingerichte vertrekken bemerkt men den ouderdom
van het huis aan de diep inspringende vensters en de verbazend
dikke muren. Die zijn voor de buitenmuren een meter dik en enkele
binnenmuren zijn niet veel minder soliede. Sterk krijgt men daarvan en
van de oudheid een indruk in de kelders met hun verwulften en bogen,
hun oude blauwgeverfde deuren als middeleeuwsche toegangen en hun
breede, lage gangen. Van die ruimten heeft de eigenaar een veelvuldig
gebruik gemaakt. Daar zijn de keukens, daar wordt de wasch in een
paar vertrekken behandeld, daar is Mevrouw met haar photografie bezig,
daar zijn bergruimten en daar is nog een opening in den dikken muur met
het vizier voor het kanon, dat van hier uit den vijand bestookte. Aan
licht behoeft nooit gebrek te wezen in de onderaardsche gewelven,
waar ook overvloedig frissche lucht kan komen, want op ieder plekje,
waar het maar even noodig zou kunnen zijn, heeft men maar op een knop
te drukken, en het electrisch licht straalt helder in het rond.

A propos van dien vijand, mag wel verteld, dat hier de historische plek
is, waar de langdurige strijd is gevoerd tusschen die van Zutfen en
die van Deventer over de overbrugging van de Berkel. De Spitholderbrug
op vijf minuten afstands van het huis was het punt van het ergste
geschil. Het is een ophaalbrug met hooge, witte wip. De Zutfenschen,
zich grondend op oude voorrechten, wilden geen bruggen over de Berkel
toelaten en herhaaldelijk trokken gewapende mannen onder aanvoering
van leden der stadsregeering naar Almen en braken de brug af. Dan
herstelde Deventer de brug weer, zooals in 1704 gebeurde, waarna
Zutfen ze weer afbrak, een spelletje, dat zich in het volgend jaar
herhaalde. Trouwens, dat het vaak meer dan spel was, bleek, toen een
der boeren van de Ehze bij zulk een schermutseling werd gedood.

Het twistpunt werd niet eerder dan 1712 uit den weg geruimd; toen werd
de brug bij Spitholt herbouwd, de groote Hessenweg van Duitschland naar
Amsterdam, die een tijdlang gesloten was geweest, werd weer geopend
en alles werd weer pais en vree. De heeren der betrokken steden en
gewesten waren indertijd te paard of per chais of koets naar Gorssel
komen rijden en hadden daar ten huize van den predikant geconfereerd.

Hoe vreedzaam staat daar onze tijd tegenover, nu de bedrijvigheid zich
richt op het winnen van wat bruikbaar is en mooi, nu in den moestuin,
die ook gemodernizeerd is met gecementeerde muren en ijzeren latjes
achter de leiboomen, de groenten voor de talrijke huishoudingen,
op het goed wonend, worden gekweekt, nu de kassen vol zijn met de
heerlijkste primula chinensis en cyclamen en begonia's, met calla's en
anthuriums, met varens en orchideeën, die ieder haar eigen verzorging
eischen! Hoe wonderheerlijk zal het er zijn, als in den vollen zomer
het aardig aangelegde Rosarium prijkt met zijn groepen van La France's,
Caroline Testout en Frau Karl Druschki!



ONZE ALPENVEREENIGING.

Van de activiteit der Nederlandsche Alpenvereeniging gaf de
jaarvergadering, die onlangs te Amsterdam werd gehouden, een gunstig
getuigenis. Er is veel belangstelling en het ledental neemt flink
toe, ook bij de verhoogde jaarlijksche bijdrage van gewone leden,
die nu tien gulden bedraagt.

Als clubgebied voor den aanstaanden zomer werd aangewezen Zermatt
en omstreken, waar de leden van de vereeniging kunnen samenkomen om
gezamenlijk tochten in het hooggebergte te ondernemen.

Op voorstel van het bestuur werd besloten een gedenkplaat aan te
brengen in de rotsen bij den Col de Géant ter nagedachtenis van
mr. Sillem, die aldaar in 1907 op noodlottige wijze is verongelukt.

Een warm woordje tot opwekking tot de beoefening der Alpensport
heeft de secretaris, de heer P. C. Visser, in de Nieuwe Rotterdamsche
Courant tot het publiek gericht. Hij wees er daarin op, hoe de vele
afschrikkende verhalen van ongelukken met doodelijken afloop een
verkeerd idee geven van de gevaarlijkheid dezer sport. Zij is inderdaad
niet gevaarlijker dan andere takken van sport en met sprekende cijfers
toont de schrijver dat aan, cijfers, die hij ontleent aan de bekende
Mittheilungen des deutschen und oesterreichischen Alpenvereins.

Van de ongelukken in de Hoogalpen, die in 1908 een aantal van 72
bedroegen, komen er 42 op rekening van hen, die de tochten zonder
gids ondernamen, 15 die niet alleen zonder gids, maar ook zonder
tochtgenooten er op uit trokken, terwijl de overige 14 zich bevonden
onder geleide van gidsen.

Wanneer men de oorzaken der ongelukken nagaat, dan komt men tot de
volgende conclusie: dat 40 personen den dood vonden in de rotsen, 8
personen op sneeuw of ijs, 15 tengevolge van steenslag, 8 tengevolge
van het weer (d. i. door sneeuwstorm, onweer e.d.g.).

Meer dan de helft zijn dus omgekomen bij z.g. klautertoeren in de
rotsen, iets dat niet te verwonderen is, daar er veel meer tochten
ondernomen worden op z.g. rotsbergen, dan over gletschers. De
ongeoefende en lichtzinnige bergbestijger, die er zonder gids op
uittrekt, toont een heimelijken angst voor de uitgestrekte ijsvelden
met hun vele, vaak onzichtbare kloven en voelt zich meer aangetrokken
tot de rotswanden met hun schijnbare degelijke steunpunten voor handen
en voeten.

De ongelukken in het middelgebergte (Vogezen, Sächs-Schweiz e.a.) nemen
geregeld toe, wat een gevolg is van het feit, dat tegenwoordig als
het ware ieder rotspuntje als oefenterrein gebruikt wordt.

1908 is voor den bergbestijger al bijzonder ongunstig geweest,
voornamelijk door het zeer slechte weer van dezen zomer. Verscheidene
ongevallen zijn b.v. een gevolg van de omstandigheid, dat de rotsen
veelal met een ijslaag waren overdekt.

De zoo juist genoemde cijfers hebben evenwel niet de minste waarde,
wanneer men ze niet beschouwt in verband met het aantal tochten
dat er in de Alpen wordt ondernomen. Dit met juistheid te noemen
is vrijwel onmogelijk, maar toch heeft men dit getal bij benadering
kunnen vaststellen door middel van de boeken, welke in iedere Alpenhut
aanwezig zijn en waarin het grootste gedeelte der toeristen hun naam
schrijven, met bijvoeging van de door hen ondernomen bestijging. In
het jaar 1901 bedroeg dit cijfer voor de Duitsche en Oostenrijksche
Alpen 78.000, voor de Zwitsersche en Fransche Alpen 20.000, te zamen
100.000. Wanneer men nu nagaat welk een uitbreiding het ski-loopen
heeft ondergaan en bovendien rekening houdt met het feit, dat het
aantal bergbestijgers de laatste jaren schrikbarend is toegenomen,
dan is het ongelukkenpercentage buitengewoon klein, zelfs kleiner dan
bij het voetbalspel, roeien, zwemmen enz. Ten slotte vergete men niet,
dat de meeste ongelukken vermeden hadden kunnen worden, wanneer de
regels waren opgevolgd, die ieder bergbestijger moest kennen.



HERBOUW VAN DE ABDIJ VAN EGMOND.

Te Egmond-Binnen is opgericht de Sint-Adelbertstichting, die zich ten
doel stelt, de oude abdij van Egmond te doen herrijzen in haar vollen
luister. Nederlandsche priesters en monniken van den H. Benedictus
zouden erin wonen, om aan de nieuwe nederzetting een echt nederlandsch
karakter te geven, en men wil trachten, in en door de abdij kunst en
wetenschap te beoefenen en te bevorderen, zooals de kloosterlingen
in de Middeleeuwen deden.

Tot de mogelijkheid van den herbouw droegen bij de Fransche
Benedictijnen, die in ons land gastvrijheid genieten en in Oosterhout
een klooster hebben gesticht, naast vele aanzienlijke nederlandsche
Katholieken. Ook Protestanten moeten stellig veel kunnen gevoelen
voor het plan, om op dezelfde plek in de onmiddellijke nabijheid van
het tegenwoordig kerkje te Egmond-Binnen, waar de beroemde Abdij van
Egmond stond, de abdij te herbouwen, waaraan voor onze geschiedenis
en beschaving zooveel herinneringen zijn verbonden.

Door de bemiddeling van den vroegeren eigenaar van den grond, waar
de abdij verrees, den nu reeds overleden heer B. J. M. de Bont,
zijn er reeds opgravingen gedaan, waardoor men tot de juiste kennis
van de grondslagen der stichting is gekomen en tevens gebeenten heeft
opgedolven van in de abdij vroeger begravenen. Eer tot den bouw op de
oude grondslagen wordt overgegaan, zal men stelselmatig het uitgraven
van de terreinen voortzetten.



VERSCHILLEND POSTVERVOER.

Een postautomobiel in Frankrijks hoofdstad is een alledaagsche
verschijning, zooals ze het ook al is in kleinere steden. Hoe bruikbaar
is dat snelle vervoermiddel gebleken voor al, wat aan de post wordt
toevertrouwd, brieven en briefkaarten, mooie en leelijke prenten,
circulaires, prijscouranten, reclame-aanbevelingen, geboorteberichten,
huwelijks- en verlovingsaankondigingen, doodstijdingen, bestellingen
en nieuwtjes, voor dat alles een snel, een vliegend vervoermiddel,
hoe kan het beter!

Puffend en blazend stormt het glanzige vehikel door het stof en vuil
der minder bedeelde parijsche straten, over het glimmend asfalt van
boulevards en avenues, beeld van het moderne leven, bewijs, dat ook
de staat een uitnemend gebruik maakt van de nieuwere uitvindingen
en ontdekkingen. De talrijke bussen, postbussen namelijk, uit de
voorsteden, ze worden in de postauto gelost, en haast je, rep je, gaat
het naar de stations; van de courantenbureaux komen de bestellingen
aangereden juist op tijd, dat de auto's ze nog kunnen meevoeren naar
de plek, van waar ze hun nationale en internationale reizen zullen
aanvangen, en in de gejaagdheid van zijn snel bedrijf behoudt de
chauffeur zijn kalmte, ook al moet hij soms de uiterste kracht van
zijn motor vergen.

Hoe anders de bedachtzame langzaamheid van dat andere vervoermiddel der
post, waarvan de tweede afbeelding getuigt. Daar zit een marokkaansche
postbode op zijn kameel en heeft een langen, langen tocht door de
woestijn af te leggen, om naar de afgelegen oase 't nieuws te brengen
uit de gansche wereld. Deze berekent zijn tijd niet naar minuten en
seconden, maar naar dagen. Hij en zijn trouw rijdier, de geduldige
kameel, volbrengen den grooten tocht in rustige kalmte door den
zonnebrand en den heeten middag, zoowel als door de koelte van den
bedauwden morgen. Mogelijk treft hen beiden een enkele maal de pracht
van den zonsondergang in het kleurenrijke bed, dat de woestijnhorizon
voor het oog van den dag spreidt, maar veelal heeft de man het dan
te druk met het spreiden van zijn nachtleger en het koken van zijn
sober avondmaal, en met de zorg voor zijn vermoeid dier. Treft het,
dat hij in een doear kan overnachten, zooals op veel routen van de
post mogelijk is, dan hebben ruiter en ros het beter dan wanneer ze op
den stralenden sterrenhemel van de woestijn zijn aangewezen. Daar in
de eenzaamheid van zand en rotsen, is het geladen geweer de volstrekt
noodige reisgezel, want in het achterland van Marokko mogen de wilde
dieren schaarsch zijn, de menschelijke roovers behooren er nog niet
tot de zeldzaamheden.



PAARD EN AUTO.

»Acht jaar geleden«, zoo vertelt Dr. J. Hundhausen in de te Frankfort
aan de Main verschijnende »Umschau«, »vertelde mij een chauffeur, die
mij door Parijs reed, dat er in de stad al bijna zeshonderd auto's
in gebruik waren, en ik was er verbaasd van. Toentertijd was Parijs
de eerste en haast de eenige stad voor automobielen. Sedert is de
automobielindustrie op verbazende manier toegenomen, en zij moet nog
enorm stijgen in het belang van ons allen. Want sedert ik het bestuur
van een landgoed heb op mij genomen, zie ik eerst, hoeveel grond aan
de opbrengst van menschelijk voedsel wordt onttrokken door de voeding
van onze huisdieren.

Men moet zelf de havervelden hebben in orde gemaakt, die noodig zijn
voor het onderhoud van de paarden, die het landbouwwerk doen, moet
de klavervelden en de weiden hebben laten bewerken, en dan daarmee
vergelijken, hoe klein de stukken zijn, die men voor de vruchten ter
voeding van den mensch noodig heeft, om zich ervan bewust te worden,
dat de afschaffing, de vervanging van de trekdieren door auto's de
winst zou meebrengen van zeer groote stukken land voor menschelijke
voeding.

De mensch kan niet van benzine leven, maar benzine kan hetzelfde doen
als een paard en de mensch kan wel van het voedsel van het paard of
van den grond, waar het op verbouwd wordt, leven. De paardemachine
moet voortdurend worden gestookt, ook als ze niet werkt; de auto
alleen onder den arbeid.

Merkwaardig is het, dat bij de toeneming van het automobielverkeer
de paarden niet in prijs dalen, terwijl ze daarentegen in stijgende
mate worden geteeld. Paardetrams worden in electrische veranderd;
aanzienlijken schaffen paarden af en nemen auto's, maar de paardenteelt
schijnt er niet onder te lijden. Amerika koopt jaarlijks in Oldenburg
meer dan duizend hengsten. Dat moet volgens de paardenkoopers verklaard
worden uit het toenemend gebruik van paarden door groentehandelaars,
slagers, fruitverkoopers en andere neringdoenden en door de sterke
vermeerdering der cavalerie. Een noodzakelijk huisdier deelt buitendien
in de toeneming van het menschelijk geslacht.

Ergo, neemt ook het voeder voor de paarden steeds meer ruimte in. Wij
zoeken naar nieuwe terreinen voor den landbouw, trachten de opbrengst
van het akkerland te vermeerderen, maar laten tegelijk een derde of
een vierde van de beschikbare ruimte aan de dieren over. Dat is niet
bij te houden. En daarom moeten de mechanische vervoermiddelen het
levende dier in toenemende mate vervangen; dat moet overal en altijd
het streven wezen.«



TAALGRENZEN.

De politieke grens tusschen twee landen vormt in den regel geen
scherpe grens, wat de taal betreft. Aan beide zijden wordt gewoonlijk
het verkeer levendig onderhouden, wanneer ten minste geen pijnlijke
politieke verschillen dat belemmeren. De omstandigheden, waaronder
de douane werkt zijn meestal zoo geregeld, dat er weinig hinder door
ontstaat en dat de grensbewoners kleine hoeveelheden vrij kunnen
wisselen. Brusse heeft er ons in zijn smokkelcauserie ook op gewezen
voor Twenthe.

Veelal beheerscht de grensbewoner beide talen of ten minste kent hij
de noodigste woorden van de taal der buren en kan zich dus verstaanbaar
maken, te meer daar de ander hem halfweg tegemoet komt.

Er zijn intusschen enkele plaatsen, waar taalgrens en politieke
grens opvallend scherp samenvallen. In Pontebba op de grens
tusschen Oostenrijk en Italië, in Karinthië, kan men dit duidelijk
waarnemen. Het oostenrijksche gedeelte van de plaats heet Pontafel en
wordt door het riviertje, de Pontebbana van het italiaansche gedeelte,
dat Pontebba heet, gescheiden.

Een brugje over dat grensriviertje voert van Karinthië naar
Boven-Italië. De plaats heeft twee stations, die zoo dicht bij elkander
liggen, dat de trein op den weg van het eene naar het andere nauwelijks
goed in beweging komt. Maar aan de stations moet men vaak lang wachten,
want het zijn belangrijke grensstations op de route van en naar Italië.

Pontafel is geheel Duitsch; de uithangborden voor de herbergen kunnen
het u al leeren, en de menschen praten een echt duitsch dialect. En
loopt men nu over de brug der Pontebbana en is den douanebeambte
voorbij, dan bevindt men zich geheel in Italië; er is niets duitsch
meer. Naast de brug staat trouwens al een mooie »albergo«, waar ge,
om er welkom te wezen, niet alleen wat geld in uw beurs moet hebben,
maar waar ge ook een weinig Italiaansch moet kunnen keuvelen, want
de menschen verstaan er geen andere taal.



NOORD-ATLANTISCHE OCEAAN.

Op het negende internationale congres van aardrijkskundigen, dat
verleden jaar te Genève is gehouden, hield Dr. Schott uit Hamburg
samen met Dr. Petterson uit Stockholm een betoog voor de dringende
noodzakelijkheid, spoedig met een onderzoek van den Noord-Atlantischen
Oceaan een begin te maken. Alle nieuwere diepzee-expedities hebben
zich van Europa uit naar het Zuiden gewend, en zoo komt het, dat wij
nog zoo weinig onderzoekingen hebben gedaan aangaande het gedeelte
van den Atlantischen Oceaan, dat het dichtst bij is gelegen. Op de
breedte van 40 tot 50 graden hebben enkel de kabelleggingen licht
verspreid over het bodemreliëf.

Er ontbreken nog geheel nauwkeurige opgaven omtrent de grootte
en de regelmatigheid van de wisselingen in kracht en warmte der
atlantische stroomingen in het genoemde gebied, die toch voor onze
klimaatstoestanden van zoo groot gewicht zijn. Daarmee in verband,
moesten de hoogere luchtlagen worden onderzocht, die deelen der
atmosfeer, die in de trekwegen van de groote, naar Europa op weg
zijnde barometrische minima liggen en allerlei ophelderingen beloven.

Sedert het vinden van de jeugdstadia van den aal ten westen van
Ierland in diepten van tot duizend meter heeft getoond, hoe ver nuttige
visschen onder bepaalde omstandigheden hun verbreidingsgebied zeewaarts
uitstrekken, zou een onderzoek van die omstandigheden en van het als
oervoedsel de verspreiding der zeevisschen beheerschende plankton
van wezenlijk belang zijn.

Bovendien behoort ook bij het internationale zee-onderzoek, dat
sinds 1902 bestaat en zich met de noordeuropeesche zeeën bezighoudt,
die toch slechts zijzeeën zijn van den Noord-Atlantischen Oceaan en
dus in allerlei opzichten van die zee afhankelijk zijn, de studie,
waar beide redenaars voor in de bres sprongen. Zij wezen op het
Congres de voor het doel meest geschikte deelen aan van den Oceaan,
deden voorstellen omtrent methode en organisatie, noemden coöperatie
der mogendheden daarvoor noodig en zagen hun voorstellen door een
resolutie van het Congres te Genève aangenomen en dringend aanbevolen
in de algemeene belangstelling.



KOLONISATIE VAN EUROPEANEN.

In de Deutsche Kolonialzeitung behandelen Dr. Arning en Ernst Vohsen in
tegengestelden zin het belang van europeesche kolonisatie der duitsche
koloniën. De eerste brengt de licht-, de tweede de schaduwzijden naar
voren. Beide hebben materiaal ter verdediging van hun wederzijdsch
standpunt in brieven van kolonisten, die meer of minder optimistisch
zijn. Een argument, dat Vohsen bezigt, om de kolonisten thuis te
houden, is, dat de Duitschers, die over landverhuizing denken, wel
een geschikter plek kunnen kiezen dan de verre koloniën in Afrika.

In de laatste jaren is de landverhuizing in Duitschland sterk
verminderd en is op het oogenblik bepaald onbeduidend. Bij het
landbouwbedrijf gaan tegenwoordig volgens den schrijver in veel jaren
van goede oogsten millioenen en millioenen verloren door gebrek aan
arbeidskrachten. Daarbij wordt Duitschland in bedenkelijk stijgende
mate toevluchtsland voor slavische en latijnsche landverhuizers. Er
zijn in het land dus bevolkingsproblemen op te lossen, die eerder om
oplossing roepen dan het koloniseeren in de koloniën.

Bovendien moeten ook de vurigste vrienden van Europeanen-kolonisatie in
tropische streken toegeven, dat daar groote bezwaren aan verbonden
zijn, dat het voor vestiging in aanmerking komende land niet
uitgebreid is, en dat Duitschland daarentegen in de koloniën een
inlandsche bevolking heeft, die in staat en bereid is, onder zijne
bescherming en leiding te werken en dus de schatten te ontginnen,
die daar wachten. Dit alles samengenomen, meent de schrijver,
dat het verstandiger zal zijn en uit economisch oogpunt beter,
het zwaartepunt in de ontwikkeling der koloniën van Duitschland te
leggen bij de inlandsche bevolking en niet teveel hoop te bouwen op
de vestiging van duitsche kolonisten.



ONRUST IN ABESSYNIË.

Telkens gewagen de bladen van onrust in Abessynië en de woelingen
schijnen verband te houden met een minder gunstigen gezondheidstoestand
van den keizer, negus Menelik. Hij moet sterk achteruitgaan en de
vraag omtrent de opvolging houdt de stamhoofden, de Rassen, in niet
geringe mate bezig. Ze zijn te Debra Libanos reeds samengekomen ter
beraadslaging, ieder met een gewapend geleide. De artillerie van den
negus moet ook al eenige malen slaags geweest zijn met de troepen
van die rijksgrooten, van wie Ras Wolli, een broer van de keizerin,
en Ras Michael, de vader van den vermoedelijken troonopvolger, slaags
zijn geweest dichtbij Ankober.

Over Djibouti aan de Roode Zee komen de tijdingen uit Abessynië naar
de overige wereld, want naar andere zijden is de gemeenschap met het
eigenaardige land nog uiterst gebrekkig. De spoorweg Djibouti-Harrar
moet in veel voorzien!



OP DE GRENZEN VAN MONTENEGRO.

De rotsachtige inhammen aan de kusten van Dalmatië, de fjorden van
het Zuiden, zijn gewoonlijk stil en verlaten; maar in de laatste
maanden heerscht er druk en opgewekt leven. Men kan er alle talen en
dialecten uit het groote Donaurijk te hooren krijgen. Allen, die daar
zijn, dragen echter het kleed van den soldaat; allen zijn gewapend,
gereed tot den krijg.

Dat moet wel, sedert October van het vorig jaar al is de spanning in
Montenegro aan het groeien. Toen reeds bleven de buren van Oostenrijk
uit de Zwarte Bergen, die anders Cattaro en de overige kuststeden van
groente en gevogelte en andere levensmiddelen voorzien, plotseling
weg van de markten. Alle Montenegrijnen, zelfs die in het verre
Amerika woonden, spoedden zich naar het vaderland, dat al zijn zonen
tot de tanden wapende. Oorlog! was de leus, en iederen dag verwachtte
Oostenrijk een aanval met bestorming van Cattaro of Spizza, misschien
wel met verovering van de Herzegowina.

In die omstandigheden moest de Donau-monarchie wel op haar hoede zijn,
en pas was dan ook de eerste sneeuw gevallen, of uit alle deelen van
Oostenrijk kwamen de treinen aanrollen met soldaten en kanonnen. Indien
ze gedacht hebben, dadelijk aan het vechten te kunnen gaan, dan is
dat anders afgeloopen tot nu toe; maar de dienst die de krijgers er
wachtte, was daarom nog niet een gemakkelijke. Men kon het meer of
minder goed treffen. Sommigen kwamen in Herzegowina of in Krivoscië
tusschen de ruwe Karstrotsen; anderen bleven beneden aan de mooie,
blauwe zee onder het gebladerte van laurieren en citroenen.

De eersten waren tusschen de eenzame, verlaten rotsen niet te best
af. Met een luitenant voorop gaat het klauterend tegen de steile
bergpaden op, die in lange serpentines de helling bestijgen naar
den een of anderen eenzamen post. Achter hen twee muildieren, die
het proviand voor de eerstvolgende dagen meevoeren. De ijzeren deur
van het wachthuis knarst in haar hengsels, en de afgelosten gaan
heen. De nieuwelingen zitten er nu voor volle twee maanden, kunnen
over de grijze rotsen naar Montenegro kijken of, als de zon schijnt,
naar het Westen, waar een smal blauw streepje de zee aanwijst.

Loodrecht vallen de wanden neer van de rotskloof bij Milica, vele
honderden meters diep naar het smalle rijpad, dat naar Grahova voert,
het montenegrijnsche kamp. Prins Mirko heeft er nu en dan een revue
gehouden, maar met de geestdrift wil het niet te best. De winter
is koud; ijzig blaast de bora over de met sneeuw bedekte hoogten,
en een half kilo meel per dag en per man is weinig, zelfs voor den
met weinig tevreden Montenegrijn.

»Jullie hebt het beter,« plegen de montenegrijnsche soldaten tot de
Oostenrijkers en Hongaren te zeggen, »je hebt een half kilo vleesch
per dag en nog bovendien thee en wijn en warme kleeding! We hebben
hier wat tabak en eieren meegebracht; koopt ze van ons, want onze
vrouwen en kinderen zijn thuis koud en hongerig!« Zoo spreken de brave,
eerlijke zonen der Zwarte Bergen, die al zoo lang op de voorposten
hebben gestaan en waarvan nu velen naar huis zijn gegaan, moe van
het omhangen en verlangend naar het werk in hun dorpen.

»Vrijwilligers op!« had het in October geklonken, en van de
toestroomenden waren de besten gekozen voor de corpsen langs de
grenzen. Tot hun grijze velduniform behooren ook de lichte sandalen,
de opanken, deel der nationale dracht, en de bergstok. Tusschen de
grijze rotsen zijn ze haast niet te herkennen. Al maanden staan de
oostenrijksch-hongaarsche en de montenegrijnsche soldaten daar nu zoo
vaderlandslievend tegenover elkander; ze hebben elkaar leeren kennen
en achten. Gelukkig, dat alles erop schijnt te wijzen, dat de vrede
bewaard zal blijven. Als Servië naar de vertoogen der mogendheden
luistert, blijft het ook in Montenegro rustig.



GELUKKIGE AMBITIE VAN DE KONINKLIJKE PAKETVAARTMAATSCHAPPIJ.

Als men nagaat, welke nieuwe stoomvaartdiensten de
Paketvaartmaatschappij weer in het leven heeft geroepen, moet
men haar prijzen om haar ijver, waardoor ze tracht, de afgelegen
deelen van onzen archipel te betrekken in het verkeer, en dus
hen in de mogelijkheid te stellen, den weg van den vooruitgang te
betreden. Voor het eerste halfjaar van 1909 vertoont de kaart der
stoomvaartdiensten de verbetering, dat er een lijn in het leven is
geroepen van Serwaroe ten oosten van Timor naar Port Darwin in het
Noorden van Australië of Nieuw-Holland, om dien ouderwetschen naam nog
eens te gebruiken. Verder een van Dobo naar Thursday-Island, en langs
de oostkust van Australië verder naar Townsville, Brisbane, Sydney
en Melbourne. Nieuw zijn voorts de Singapore-Anambaslijn, die tot de
Zuid-Natoena-eilanden loopt; de Singapore-Sambaslijn, waardoor nu drie
lijnen van Singapore naar het noordwesten van Borneo komen te loopen;
en de lijn van Soerabaja naar Balik Papan op de oostkust van Borneo.

Celebes heeft verscheidene nieuwe verbindingen gekregen, o. a. een van
Palima naar Kolaka, dwars over de golf van Boni; een van Gorontalo met
den Bangaai-archipel en verder oostwaarts naar de Soela-eilanden. In
de Banda-Zee is Damar opgenomen in de lijn, die van Dobo komt; op de
noordkust van Nieuw-Guinea is een lijn ingelegd van Manokwari naar de
Mapia-eilanden, en de lijn Sorong-Manokwari doet thans ook Waigeoe
aan. In de Geelvinckbaai is Windessi een der stations geworden aan
de Noord-Nieuw-Guinea-lijn.



DE DENEN WEER NAAR HET NOORDEN.

Het was te verwachten, dat Denemarken de groote resultaten van de
Denmark-expeditie, die echter ten deele door den dood van den leider
Mylius Erichsen verloren gegaan zijn, niet in den steek zou laten,
en nu worden er dan ook toebereidselen getroffen, om in den zomer van
1909 een nieuwe expeditie uit te zenden, die een poging zal wagen,
om zoowel de lijken van Erichsen en zijn beide metgezellen alsook de
wetenschappelijke resultaten, dagboeken, opnemingen, verzamelingen,
kaarten, die aan den fjord achtergelaten moesten worden bij de poging,
over het inlandsche ijs naar de oostkust van Groenland terug te keeren,
te vinden en thuis te brengen. Een klein schip met een bemanning van
slechts acht personen zal de oostkust van Groenland, zoo ver mogelijk
naar het Noorden volgen, en na het weer verschijnen van de zon boven
den horizon zullen dan op sledetochten de noodige nasporingen worden
gedaan.



GEEN TERRITORIËN MEER IN DE VEREENIGDE STATEN.

Nu Arizona en Nieuw-Mexico tot staten zijn verheven, is het geheele
continentale gebied der Vereenigde Staten ingedeeld in states. Het
continentale gebied, want Hawaï heeft nog slechts de rechten van
een territorium. En ja, dan is Aljaska ook nog niet onder de staten
opgenomen, terwijl het district Columbia in het Oosten met de hoofdstad
Washington natuurlijk zijn eigenaardige plaats behoudt.



OP DEN UITKIJK.


DE TELEGRAAF IN ATJEH.

Van Deli naar Atjeh te telegrafeeren gaat tegenwoordig nog door
middel van den kabel tusschen Oleh-leh en Belawan-Deli, maar
binnen afzienbaren tijd zal men over land van Deli naar Atjeh
kunnen seinen, en reeds heeft van ambtswege een overlandtocht
naar Koeta-Radja plaats gehad, om de mogelijkheid van den aanleg
van zulk een lijn te onderzoeken. Werd dan tevens de bestaande
kustkabel verder van de kust verwijderd, omdat de tegenwoordige
ligging teveel storingen meebrengt, zoodat er een volledige
ceintuurverbinding ontstond tusschen Deli, Sabang, Atjeh en
Deli, waarin zeekabel en landlijn elkaar aanvulden, dan zou dat
voor Noord-Sumatra een verbetering van beteekenis wezen. Zulke
telegrafische ceintuurverbindingen voldoen ook elders goed, als
bijvoorbeeld de lijnen Java-Bali-Makasser-Balikpapan-Bandjermasin-Java
en Java-Lahat-Palembang-Banka-Biliton-Java. Wat Noord-Sumatra betreft,
kan men van die landlijn nu al telegrafeeren tot Pangkalan Brandan,
welke lijn dus over Langsar tot Koeta Radja zal moeten worden
doorgetrokken, en wel eerst naar Kwala Simpang, de hoofdplaats
van Tamiang, vandaar naar Langsar, het beginpunt van de Atjehtram,
voorts langs de geheele Atjehtramlijn via Segli en Telok Seumaweh
naar Koeta-Radja. Om technische redenen zou er in Langsar een
telegraafkantoor moeten komen, terwijl de gouverneur van Atjeh van
oordeel is, dat in 't belang der bevolking op de plaatsen Segli en
Telok Seumaweh (op laatstgenoemde plaats is op 't oogenblik alleen
een postkantoor gevestigd) post- en telegraafkantoren behooren te
worden opgericht.



HET RIJSTMESJE DER MALEIERS.

De eigenaardige vorm van het rijstmesje, waarmee de Maleiers de
rijsthalmen één voor één afsnijden, moet volgens een mededeeling in het
Zeitschrift für Ethnologie zijn verklaring vinden in een oud gebruik,
dat primitieve volken van schelpen hebben gemaakt. Zoo'n mesje bestaat
uit een segmentvormig plankje, ter lengte van 5 à 6 en ter breedte van
ongeveer 4 centimeter, waarin, aan den ronden kant, een ijzeren mesje
ingelaten is. Dwars door het plankje loopt een stukje bamboe van 6
tot 8 centimeter lengte. De maaier houdt het mesje in de rechterhand,
vat een rijsthalm met duim en wijsvinger aan, en drukt den halm met
de middel- en ringvingers tegen het mesje. De aren--men snijdt halm
voor halm--worden dus met dezelfde hand aangevat en gesneden, en wat
gesneden is neemt de linkerhand in bewaring.

Nu is het opmerkelijk, dat wanneer voorwerpen van schelp, been of
bamboe vervangen worden door gelijksoortige van andere, duurzamer
grondstof, van metaal bijv., de eigenaardige oorspronkelijke vorm, die
verband hield met de oorspronkelijke materie, dikwijls behouden blijft,
al zou ook de nieuwe materie een veel eenvoudiger of doelmatiger
vorm toelaten. Aan het werktuig, in 't algemeen aan het voorwerp, een
nieuwen vorm geven, is weder een stap verder op den ontwikkelingsweg.

De bijzondere vorm van het mesje zou dan te verklaren zijn, doordat
de platte schelp van weleer, die tot het snijden der halmen werd
gebruikt en waar een dwars erdoor gestoken houvast van hout of bamboe
in was bevestigd, vervangen was door het andere steviger materiaal,
het hout en het ijzer, maar dat men de oude grondstof nog kan herkennen
in den vorm van het tegenwoordige mesje.

Als bevestigende bijzonderheid vermeldt de schrijver, prof. Moszkowski,
nog, dat tot de plechtigheden, die op Malakka aan den rijstoogst
voorafgaan, ook behoort het bijeenbrengen van bepaalde voorwerpen,
bladeren van planten, die tooverkracht heeten te bezitten,
en dergelijke en dat tot de bedoelde voorwerpen ook een schelp
behoort. Wat die schelp erbij beteekende, zou dan ook zijn opgehelderd
als een hulde aan de grondstof, waar de rijstmesjes oorspronkelijk
van werden gemaakt.



IN DE BUURT VAN DEN TRIGLAU.

Tusschen de beide armen, waaruit de Save of Sau ontstaat, ligt op
de grenzen van Karinthië en Krain het bergland van den Triglau,
den hoogsten rug in de Trentagroep van de Julische Alpen. Het is een
kalkgebergte vol holen en spleten, waterarm en dor, maar met enkele
gletschers. De omgeving is rijk aan interessant natuurschoon en wordt
druk bezocht.

De diepe dalketel van de Wochein begrenst het Triglaubergland aan
den zuidkant, en waar het dal het nauwst is, ligt het bekken van het
Wocheinmeer, bewaakt door den imposanten top van den Triglau. Op den
voorgrond naast een houten brug, waaronder het teveel van het meer
zich een uitweg baant, staat de hooge, witte klokkentoren van het
eenzaam gelegen kerkje van Sankt Johann am See. Daarachter glinstert
de langgerekte spiegel van het meer, welks noordelijke oever steil
neerdaalt, terwijl de zuidelijke langzaam rijst onder een dichte
bedekking van bosch.

Na het verlaten van het Wocheindal doet men goed het Veldesmeer met het
heilige eiland Maria im See te gaan zien en als men het kan treffen,
er een bedevaart bij te wonen, krijgt men de bewoners van de streek
in hun kleurrijke kleeding onder de oogen. Bij het Veldesmeer krijgt
men niet den indruk van iets drukkends en ingeslotens, zooals bij
het Wocheinmeer. Naar de noordzijde ziet men de kerk en de huizen
van Veldes in het groen liggen, en de aangrenzende rij van hotels en
villa's met bloemrijke tuinen en frissche grasperken.

Veldes krijgt als gezondheidsoord steeds meer naam, zoodat het nu
niet enkel bezocht wordt om de nabijheid van de bedevaartplaats Maria
im See.

De Würzener Save, die om den noordvoet van den Triglau stroomt heeft
aan zijn noordelijken oever den Mittagskogel en het Faakermeer,
een romantisch groepje, dat men met den spoortrein passeert, als men
van Villach komt, gelegen aan den voet van den geweldigen Dobratsch
met een der beroemdste uitzichtpunten in Karinthië. Ten oosten van
de stad ligt het meer van Wörth, het grootste uit Karinthië, wel 17
kilometer lang, omringd door zachte hellingen, waar dichte, donkere
boomen staan en waarop de groote uitschulpingen der Karawankenbergen
neerzien. De kerk van Maria Wörth is zeer oud en thans een sieraad in
het landschap, waarin ze effen wit tusschen het groen van een klein
schiereilandje te voorschijn komt.



HONGERSNOOD IN TUNIS.

Het ziet er in Noord-Afrika in den laatsten tijd in dit voorjaar
van 1909 dan al ver van gunstig uit met de vooruitzichten van den
oogst. In de kolonie Algerië en in het protectoraat Tunis wordt de
toestand langzamerhand zorgelijk.

Een der redenen van de reis van den heer Alapetite naar Parijs is de
crisis in economisch opzicht, die men in Noord-Afrika doormaakt. Hij
is daarvan komen vertellen aan de regeering en vroeg haar goedkeuring
van de maatregelen, die moeten dienen, om de ellende van de inlandsche
bevolking te lenigen.

De oogst van verleden jaar is slecht geweest, en daarbij voegde
zich het gebrek aan regen in het begin van den winter. Er is een
groote sterfte ingetreden onder de kudden, die geen weideland konden
vinden. Sinds December heeft het in het Noorden veel geregend, maar
het weer was koud, het gras groeide niet, en de dieren leden gebrek
en kwamen van ontbering om. Daar in de kudden de eigenlijke rijkdom
der stammen bestaat, is het verlies enorm, nu in het Noorden de helft
en in het midden en Zuiden zelfs in de minst begunstigde streken vijf
zesden der dieren zijn bezweken.

De bladen in Tunis verhalen van menschen, die men aan den weg dood
of stervend aantreft, van honger omgekomen, en zeker is het, dat
door de schaarschte en de duurte der levensmiddelen de algemeene
sterfte sterk is toegenomen. Dat heeft men in de stad Tunis goed
kunnen vaststellen, want sedert korten tijd is de burgerlijke stand
er voor de inboorlingen ingesteld. Opmerkelijk is het, dat de dood
veel heviger onder de Mohammedanen woedt dan onder de joden, die
flink gesteunde liefdadigheidsgenootschappen hebben.

Er is een debat geweest over de vraag, of men het vleesch van
de uitgemergelde dieren nog wel voor consumptie geschikt mocht
verklaren. De regeering, die voor de verspreiding van ziekten vreesde,
was geneigd, het gebruik te verbieden. Maar het comité voor tropische
ziekten in Frankrijk heeft verklaard, dat al was de voedingswaarde
niet groot, men het vleesch zonder gevaar kon nuttigen, en zoo is de
consumptie geoorloofd verklaard.

Een paar maatregelen zijn genomen, om de bevolking in haar nood te
gemoet te komen. Zoo moet erop worden gewezen, dat het verbod van
visscherij aan de kust en dat van de inzameling van alfagras in het
binnenland zijn ingetrokken. Het bestuur van openbare werken, heeft
de opdracht gekregen, op de werven, waar men aan den arbeid is, ook
inlanders op gemakkelijke voorwaarden werkzaam te stellen. Om in den
onmiddellijken nood te voorzien, worden brooduitdeelingen op groote
schaal geregeld gehouden en naarmate men uit het binnenland berichten
omtrent den hongersnood van de kaïds ontvangt, wordt daarheen maïs
en gerst gezonden. Er zijn reeds honderden duizendtallen van francs
aldus uitgegeven, en het laat zich aanzien, dat er nog zeer veel
noodig zullen wezen.



MOROTAÏ OF MORO.

Van dit noordelijke eiland der Molukkengroep is nog maar een klein
deel bekend. Men weet thans iets af van het zuidelijk deel der
westkust en een groot deel der oostkust; minder bekend zijn de noord-
en zuidkusten en onbekend is het binnenland. Die binnenlanden moeten
volgens den heer J. A. F. Schut, zendeling ter plaatse, rijk zijn aan
bosschen, welker boomen gomkopal leveren, en de sagoboomen zijn er in
overvloed aanwezig, terwijl de jacht op wilde varkens er groot succes
zou kunnen hebben. Een land dus binnen onze grenspalen in Indië, dat,
als het ware, roept om onze Nasamonianen, onze jonge, stoutmoedige
ontdekkers, die erop uitgaan in de wildernis als de jongelingen,
van wie Herodotus reeds verhaalt, die uit Noord-Afrika den Niger
opspoorden. Ze zullen dan ook de zekerheid brengen, die ten aanzien
van de zeekaart van het eiland tot nu toe ontbreekt.



AAN MENELIK'S HOF

Menelik's vroegere raadsman en vriend, de Duitscher Ilg, schijnt
een landgenoot tot opvolger te hebben gekregen, want wij lezen in
de bladen, dat de heer Zintgraff, die tolk was en tevens sedert
eenigen tijd te Addis Abeba den Duitschen gezant vertegenwoordigde,
als raadsman bij den keizer van Abessynië in dienst is genomen. Ook
dr. Pinna, een Duitscher, moet op weg zijn naar het Afrikaansche
Zwitserland, om er de keizerlijke prinsen in de moderne wetenschap
te onderwijzen.

Over Menelik's gezondheid hoort men met zorg gewagen in de pers,
en veel regeeringszaken zou hij aan de keizerin Taïtoe, die altijd
reeds veel invloed had, overlaten. De vorsten hebben slechts twee
dochters, en troonopvolger is de kleinzoon, wiens vader Ras Michael
is. Die laatste, een der krachtigste rassen of hoofden, zou dan regent
worden voor zijn zoon.



TOT DICHT BIJ DE ZUIDPOOL!

Geen naam heeft sedert de laatste week van Maart luider door
de heele wereld geklonken dan die van den engelschen officier
E. H. Shackleton. Hij heeft in zake de poolvaart een bijzonder
knap stuk werk verricht, door in het Zuidpoolgebied ten zuiden van
Nieuw Zeeland veel verder door te dringen dan nog aan iemand vóór
hem was gelukt. Nieuwe landen en nieuwe zeeën heeft hij dus aan
onze kennis der aarde toegevoegd, en de gansche wereld heeft, na
van dat feit telegrafisch in kennis te zijn gesteld, hem hartelijk
toegejuicht. Een nieuw gebergte, dat hij ontdekte, wenschte hij naar
Engelands koningin het Alexandra-gebergte te noemen, en koning Eduard,
die te Biarritz vertoefde, heeft in een telegram, dat in de engelsche
bladen is gepubliceerd, den ontdekkingsreiziger de gevraagde machtiging
verleend. Echt aartsvaderlijk, zou men zoo zeggen, moet het toegaan
bij het echtpaar op den engelschen troon, als zijn machtiging voor
zoo iets gevraagd en ontvangen moet worden, en er daarbij van de hare
heelemaal geen sprake is.

Shackleton was in 1907 zijn tocht begonnen en is over Victorialand
doorgedrongen tot op 178 kilometers van de Zuidpool. Dat hij zulke
prachtige resultaten heeft bereikt, is best te begrijpen, nu hij
het goede uitgangspunt schijnt te hebben getroffen, om over het
zuidpoolvasteland met sleden en honden te vorderen. Een eerste stap
in die richting was al in 1902 gedaan door den engelschen kapitein
Scott, aan wiens expeditie toen luitenant Shackleton deelnam, zoodat
hij nu ten tweeden male den voet zette op de onmetelijke ijsvelden,
die vlak en effen zich vóór hem uitbreidden, tot den voet van hooge
bergen aan den horizon.

Het had Scott indertijd aan vervoermiddelen ontbroken, om verder
te kunnen gaan, aan honden, zoowel als aan sleden. Dezen keer kon
Shackleton een aanval wagen met overvloed van beide, maar tevens met
automobielsleden. Op zijn schip, de Nimrod, zette hij op 30 Juli 1907
koers naar het Zuiden en in het begin van 1908 was hij op Victorialand,
in de haven, waar de Scott-expeditie had overwinterd van 1902 tot 1904.

Op 3 November, midden in den antarctischen zomer dus, ging de leider
zuidwaarts met drie metgezellen en levensmiddelen voor negentig dagen
op door poney's getrokken sleden. Drie en twintig dagen na het vertrek
overschreden ze het punt, door Scott in 1902 bereikt. Verderop was de
weg uiterst moeilijk, bergketenen en spletenrijke gletschers versperden
den weg bij een kou van soms 40 graden onder nul. De voorraad slonk en
de dagporties moesten worden verminderd, maar de onderzoekers hielden
moed; eerst op 88 graden, 23 minuten Z.B. en 162 graden O.L. gaven
ze het op, nog maar 178 kilometers van de Zuidpool verwijderd. Er is
nog nooit een zoo groote triomf in de poolwereld behaald, en het moet
een indrukwekkend oogenblik zijn geweest, toen op den 1sten Maart
j.l. de mannen zich bij de anderen in het winterkwartier voegden,
teruggekeerd van den bezwaarlijken tocht. Vier maanden had hun
gletscherreis geduurd.

Nog een succes kan de expeditie boeken, want een afdeeling van
het gezelschap heeft naar het Noordwesten een merkwaardigen tocht
volbracht door het bereiken van de magnetische zuidpool op 72 graden,
25 minuten Z.B. en 154 graden O. L. Aan mandsjoerijsche poney's moet
men op de reis veel hebben gehad, vooral op den gletscher, waar de
autosleden het niet zoo goed konden bolwerken.

Toen de Nimrod in Nieuw Zeeland terug was, kon eerst van het heugelijke
nieuws iets in de beschaafde wereld bekend worden. De Mac Murdobaai
aan den voet van den Erebus is de overwinteringsplaats geweest,
waar de Nimrod de ontdekkers verliet, en van waar het schip hen
weer heeft afgehaald. De drie, die den luitenant vergezelden op
den verren tocht naar het Zuiden, waren de kartograaf Marshall, de
geoloog-meteoroloog Adams en Wild. Kritieke oogenblikken zijn door
hen allen doorleefd. Eere aan de moedige pioniers!



HULP BIJ NATUURSTUDIE.

Men zendt ons een paar deeltjes van een uitgave, die van den
»Keplerbund« uitgaat, de vereeniging, die zich verspreiding van
natuurkundige kennis ten doel stelt. Het zijn deeltjes van een serie
»Naturstudien für Jedermann«. Het eerste behandelt »Stoff und Kraft«,
het tweede draagt tot titel »Die Zelle ein Wunderwerk«. Beide zijn door
geleerden van naam geschreven, het eerste door Prof. Dr. P. Gruner,
het andere door Prof. Dr. E. Dennert. Bij de lectuur blijkt het, dat
de samenstelling van deze populaire boekjes in de rechte handen was,
want ze zijn bijzonder helder en duidelijk geschreven, en behandelen
de moeilijke onderwerpen op de meest aantrekkelijke manier, zoodat de
werkjes werkelijk tot verheldering der denkbeelden in ruime kringen
kunnen bijdragen.



MINDER TROPISCHE ZIEKTEN.

Professor Boyce van Liverpool hield onlangs te Manchester een rede,
waaruit treffend blijkt, hoe groot de verbetering is, die de nieuwe
onderzoekingen en de daaruit voortgevloeide maatregelen in den
gezondheidstoestand in de tropen hebben gebracht. Onder de troepen aan
de Westkust van Afrika is het sterftecijfer met 75 pct. verminderd;
in de vlakte van Marathon, een broeinest van malaria, bestonden de
ziektegevallen in 1906 voor 9/10 uit malaria; in 1907 voor 47 pct.;
te Ismalia kwamen in 1902 nog 1550 malaria-gevallen voor op 8000
inwoners. In de volgende jaren daalde dit cijfer achtereenvolgens
tot 214, 90 en 37. Ook bij de epidemieën van gele koorts is het
sterftecijfer letterlijk gedecimeerd.



OP DEN UITKIJK.


EEN VORSTENHUWELIJK OP JAVA.

Het was een aangename ontmoeting in de week van den 6den Maart in het
bijblad van de Tour du Monde een beschrijving te lezen van de bruiloft
in de vorstenfamilie van Djokjakarta en wel van de hand van een
Franschman, die blijkbaar aan het fransche consulaat aldaar verbonden,
de plechtigheid in het paleis had bijgewoond. Die belangstelling
van een buitenlandsch tijdschrift voor onze koloniën aanvaarden we
dankbaar, want de getuigenissen over Nederlandsch-Indië zijn lang niet
talrijk genoeg, de interessantheid van het land in aanmerking genomen.

Toevallig verscheen ook in diezelfde week het tweede en laatste
gedeelte van een uitvoerig artikel, dat de heer W. H. R. van Manen in
het weekblad Globus deed verschijnen over het onderzoek van Suriname
gedurende de laatste tien jaren. Onze talrijke expedities naar de West,
die zoo duidelijk getuigen voor onze ontwakende belangstelling voor het
onderzoek der koloniën, en waarbij de regeering zich ook niet onbetuigd
houdt, passeeren daar de revue en maken dat koloniale werk in de wijde
kringen bekend, die in Duitschland in populair wetenschappelijke
lectuur op aardrijkskundig gebied belang stellen. Ook wat er op
geologisch gebied in Suriname is gewerkt in den laatsten tijd en wat
er door de reizen van het land en de bevolking is bekend geworden
kan men in het belangwekkende artikel van den heer Van Manen lezen.

Maar nu wat de Franschman, Gaspard Long over de djokjasche bruiloft
vertelt. Wij geven hem het woord.

Ofschoon het eiland Java sedert eeuwen aan Holland behoort, hebben de
Javanen veel nationale gebruiken behouden. De huwelijksplechtigheid
bij voorbeeld heeft in de hoogere klassen der inboorlingen nog al
de staatsie van oude gebruiken. Het sultanaat Djokjakarta heeft tot
sultan Hamangkoe Boewono, d. i. de sultan, die de wereld in zich
draagt. Hij heeft onlangs zijn zoon uitgehuwelijkt, wiens voor ons
hoogst ingewikkelde naam beteekent »de jonge vorst, die de stad omvat«,
aan Hare Hoogheid, de edele Srikatinah.

De feesten duurden als in oude dagen een heelen tijd achtereen;
maar daar ik aan de lezers overlaat, zich te verbeelden het op zijn
Europeesch ingerichte bal en het vuurwerk aan het slot, wil ik iets
vertellen van den trouwdag zelven.

Op dien dag dan bevond ik mij met een honderdtal andere genoodigden
in de salons van den Resident, van waar we ons naar den Sultan
zouden begeven. Het voorschrift is, dat elk bezoek aan het paleis
alleen plaats hebbe door tusschenkomst van den Resident, zooals ook
ieder uitgang van den vorst plaats heeft met de toestemming van dien
ambtenaar. De eenige vertegenwoordiger van het corps diplomatique was
de consul-generaal van Frankrijk in Nederlandsch-Indië, de hoogste in
rang na den Resident. Naast hem stond een inlandsch vorst, twintig
jaar oud, die in Batavia en in Nederland heeft gestudeerd en die
zoo europeesch is, als het voor een Javaan ooit mogelijk is, het
te worden. Hij was voor de plechtigheid gekleed in de uniform van
kolonel van het nederlandsche leger.

We gingen op weg naar het paleis, de Resident in een rijtuig, door
heeren te paard omringd; prins Pakoe Alam in een coupé, met gele zijde
gecapitonneerd; de officieren en ambtenaren in auto's en rijtuigen. De
stoet rijdt langzaam naar het hof, behalve over een groot zandig plein,
dat zich uitstrekt tusschen den buitenmuur en den hoofdingang van het
paleis, en waar een laan wordt gevormd door palen, met hollandsche
vlaggen versierd. Op het plein begroet ons een javaansch orkest en
de inlandsche troepen presenteeren het geweer.

De sultan, die den Resident ontvangt op de trappen van de
audiëntiezaal, draagt de nationale haardracht en een vlecht; hij
heeft niet als de hovelingen het bovenlijf ontbloot, maar draagt een
zijden buis met het lint van den commandeur van de orde van Oranje
Nassau en een prachtigen sarong, met goud doorweven. De vorst geeft
den Resident den arm. Ze nemen plaats in de leuningstoelen achter
in de zaal. Rondom groepeeren zich de burgerlijke ambtenaren, de
godsdienstige autoriteiten, de dominé en de pastoor, en de genoodigden.

We zijn in de audiëntiezaal. Dat is een vierkante ruimte, met marmeren
vloer en een pyramidevormig dak, dat door enorme zuilen wordt
gedragen van gebeeldhouwd en verguld teakhout. Het plafond is een
aaneenschakeling van oploopend schilderwerk en gebeeldhouwde figuren,
waar ik eivormige sieraden, slangen en bladeren in onderscheid. Het
inlandsch orkest speelt een ouden marsch, terwijl de gongs een
welkomstklank aangeven.

De bruidegom komt over het marmer kruipen, maakt vóór zijn vader
de eerbiedsbeweging, die daarin bestaat, dat ze de gevouwen handen
boven het voorhoofd brengen, en neemt plaats op den voor hem bestemden
zetel. Het is een jonge man van vijf-en-twintig jaar van arisch type;
hij is in groot toilet, met naakt bovenlijf, het lichaam ingesmeerd met
geel blanketsel, het teeken van een hooge kaste op het voorhoofd, de
wenkbrauwen met chineeschen inkt geteekend. Hij draagt een borstlap,
die in den vorm van een halve maan uit drie afdeelingen bestaat,
en een keten van briljanten, van wel een meter lang.

De priester en de vader van de bruid treden naar voren onder het maken
van een reeks van buigingen en zetten zich naast den bruidegom. Ze
spreken zacht in het Arabisch een gebed. Hun zetels zijn in een
driehoek geplaatst, en niemand verstaat, wat ze zeggen. Als de
vorst, naar ik vermoed, gezegd heeft, dat hij de eer aanvaardt, de
echtgenoot te worden van de edele Srikatinah, roepen zijn volgers
achter hem: »Amin«, en het geheele publiek herhaalt: »Amin, Amin«,
onder begeleiding van het orkest en de salvo's van het geweervuur,
dat de buiten in gelid staande troepen herhalen, om aan de wereld kond
te doen, dat de plechtigheid is voltrokken. De priesters trekken zich
terug, en de prins gaat de hand van den sultan kussen. Er wordt thee
gepresenteerd, en ieder keert naar huis terug.

In den namiddag heeft de ontmoeting der beide verloofden
plaats. Gewoonlijk begeeft de bruidegom zich naar zijn bruid en
logeert er veertien dagen, voordat ze naar de woning gaan, voor hen
samen bestemd. Maar hier, gezien de hooge geboorte van den bruidegom,
was het de bruid, die van haar ouders wegging, om naar het paleis te
gaan, waar haar de sultan en zijn hof wachtten en ook de Resident en
de ambtenaren.

De getrouwde prinsessen, die haar vergezellen, dragen blouses van zwart
of blauw satijn, gesloten met diamanten agrafes. De andere prinsessen
hebben hals en schouders ontbloot, en om de borst een gestreepte stof,
die den lichtbruinen sarong ophoudt. Achter de stoelen der prinsessen
van den bloede zijn de eeredames gehurkt, die een beteldoos in de
hand houden.

De bruid komt langzaam nader in haar draagstoel van wit met goud,
omringd door haar dienstvrouwen, die verschillende attributen dragen
en kisten met kleederen. Bij den ingang van het paleis stapt ze uit en
treedt binnen onder de muziek van het orkest. Ze heeft bloote armen
en schouders, een takje jasmijn hangt in den nek, afvallend van een
diadeem, waar vijf briljanten zich op draden wiegen, zoodat ze bij
elke schrede heen en weer bewegen. Armbanden bedekken voor een deel
haar armen. Ze is groot en slank, liet gelaat min of meer fané. Aan
den voet van den troon gekomen, groet zij en hurkt neer. Er wordt
tusschen de beide verloofden een bakje met lauw water neergezet. Ze
staan op en werpen elkaar betelbladeren toe. De bruidegom knipt een
draad door, om de aanhechting aan zijn familie te symbolizeeren,
en de prinses wascht hem nederig de voeten ten teeken van onderwerping.

Daarna geven de echtgenooten elkander de hand en nemen plaats op een
paradebed, waar de officiëele personen hun hulde zullen komen brengen.

De geschenken, bij gelegenheid van het huwelijk gegeven, roepen door
hun pracht de oostersche sprookjes in herinnering. Het rijkste was
dat van de planters uit de residentie, die in twee zilveren cassettes
van prachtige bewerking 125 duizend francs in goud gaven. Het is waar,
dat de gronden van hun concessies eigendom van den vorst zijn en dat
ze dus in zekeren zin onder zijn suzereiniteit staan.



EEN BEZWAAR BIJ EXPEDITIES NAAR DE WEST.

Bij de achtereenvolgende expedities, die in de laatste jaren naar
het achterland van onze kolonie Suriname werden ondernomen, de
Nickerie, de Coppename-, de Saramacca-, de Gonini-, de Tapanahoni-,
de Turaak-Humak- en de Boven-Suriname-expedities, werden geregeld de
booten over de stroomversnellingen in de rivieren geholpen door de
boschnegers. Maar dat het niet altijd zonder protest geschiedde, was
daarbij een schaduwzijde. Men kon de bedoelde werkkrachten inderdaad
niet missen en zou om hun dikwijls voorkomende onwilligheid ze veel
liever niet noodig hebben.

Nu vinden die boschnegers, naar het schijnt, dat wij met onze
expedities in de West het wat al te druk maken, want in den laatsten
tijd wordt hun oppositie lastiger en brutaler. Zoo zou nu onlangs
luitenant W. J. Eilerts de Haan in opdracht van het gouvernement na
zijn tocht naar de Boven Suriname eenige astronomische plaatsbepalingen
doen aan de Marowijne, de grensrivier in het Westen.

Aan genoemde rivier zou worden bepaald de ligging van de monding
der Auca- of Joeka kreek, in welker stroomgebied onlangs gunstige
goudprospecties zijn verricht, en de monding der Grankreek.

Aan de laatste opdracht heeft de heer Eilerts kunnen voldoen. Door
het optreden der boschnegers heeft hij echter niet de monding
der Joekakreek kunnen vastleggen. De boschnegers van de streek,
de Aucaners, weigeren personen en goederen te vervoeren naar die
kreek, die in een soort reuk van heiligheid schijnt te staan. Door
Saramaccaner-boschnegers was de heer Eilerts opgebracht tot op korten
afstand van de monding der kreek. Doch zij weigerden--vermoedelijk
onder den invloed van bedreigingen der Aucaners--den heer Eilerts over
de laatste stroomversnelling te vervoeren, zoodat deze onverrichterzake
in de stad Paramaribo is teruggekeerd.



DE DUITSCHERS OP NIEUW-GUINEA AAN HET PIONIEREN.

In Engelsch en Nederlandsch Nieuw-Guinea bleek de onderzoekingsgeest in
den laatsten tijd sterk en groot; maar van het Duitsche deel van het
groote eiland vernam men in dat opzicht weinig. Na lange pauze is dan
nu weer een aanzienlijk deel van het onbekende Duitsch Nieuw-Guinea
ontsloten geworden. Een opmetingsambtenaar, de heer Fröhlich, heeft
met den heer Dammköhler in December 1907 en Januari 1908 een reis
gedaan van de Huongolf naar de Astrolabebaai, dus over den wortel
van het schiereiland in het Noordoosten van Nieuw-Guinea.

De weg voerde van de Huongolf eerst door de grasrijke vlakte aan de
Markhamrivier, die door het Finisterregebergte en het Krätkegebergte
wordt ingesloten. Toen werd de Ramoerivier bereikt en het tot 1400
meter diepe dal tusschen het Finisterregebergte en het Bismarckgebergte
gevolgd tot het station Konstantinhaven. Verrassend was in dit
gebied de aanwezigheid van een 30 kilometer breede en 300 kilometer
lange, goed te bereizen, vruchtbare en dicht bevolkte vlakte met veel
kokospalmaanplantingen, terwijl men er tot nu toe een ondoordringbaar
gebergte had vermoed. Opvallend was ook, dat die vlakte niet beboscht
was, misschien een gevolg daarvan, dat de inboorlingen er al sedert
lang al het gras verbranden en den verderen plantengroei, om aan hun
zin voor de jacht op wilde zwijnen gemakkelijker te kunnen voldoen.

De inboorlingen van het achterland waren door de menschen, die aan
de Huongolf woonden, afgeschilderd als roovers en moordenaars, die
zeer te vreezen waren. Eerst kwam de expeditie met die achterlanders
niet in aanraking; ze bleven schuw en verlieten hun dorpen; later
namen ze een dreigende houding aan, hielden de expeditie in het
oog en waren door vriendelijke tegemoetkoming niet tot toenadering
te bewegen. (Aangezien nog altijd buurmans leed troost, ligt hier
mogelijk iets van dien troost voor de ervaringen van onze landgenooten,
waar zij in West- en Zuid-Nieuw-Guinea werken en de afwijzende houding
der inboorlingen betreuren).

De bedoelde inboorlingen in Duitsch Nieuw-Guinea waren groote
en forsche menschen, de mannen naakt met halflang hoofdhaar, bij
sommigen voor de helft rood, voor de andere helft zwart geverfd. De
wapens waren een lange speer en een houten zwaard met groote, bijna
het gansche lichaam dekkende schilden. De cirkelvormige hutten hadden
ongeveer drie meter middellijn; het dak rustte op palen van een meter
hoogte en bestond uit een spits toeloopende grasbedekking.

Eénmaal moest de expeditie tweemaal schieten, om er den schrik onder
te brengen, toen men den weg wilde versperren; een aanval waagden
de inboorlingen niet. Later stiet men op vreedzamer menschen, die
volkomen kalm bleven. In een dorp werd een gedoode kip als teeken van
vrede gebracht, in een ander een doode witte kakatoe. De dorpsoudsten
plaatsten zich aan het hoofd van den troep en de dorpelingen sprongen
vroolijk om hen heen. Ook deze inboorlingen, wier taal door niemand van
de dragers en koelies werd verstaan, waren sterk en groot, tot zes voet
lang. Ook hier waren de mannen naakt, hadden speren, houten zwaarden
en schilden, halflang geschoren haar en gladgeschoren gezichten. De
vrouwen droegen rokjes van gras, de oudere vrouwen de langste rokken.

De hutten waren wat hooger en ruimer dan bij de andere stammen. Op
de pleinen in de dorpen liepen tamme kakatoe's rond; er schenen geen
varkens te worden gehouden. De menschen leven er nog volkomen in het
steentijdperk en zagen voor de eerste maal blanken. De steenen bijlen
waren knap afgewerkt, en kunstvaardig waren ook de tabakspijpen van
bamboes van aardige versieringen voorzien.



VAN TOGO.

De duitsche kolonie aan de kust van Opper-Guinea gaat op een kalme en
zekere manier tegenwoordig vooruit. Zij beslaat maar een kuststrook van
45 kilometer, maar strekt zich 600 kilometer ver in het binnenland
uit. Het midden is bergachtig, maar de bergen zijn niet hooger
dan de duitsche middelgebergten. De zandige kust met de er achter
gelegen lagune vertoont geen havens, maar een flinke pier reikt tot
voorbij de branding en lichters vergemakkelijken het verkeer met de
stoombooten buiten.

Lome was voor twintig jaar nog een klein visschersdorp, maar nadat het
twaalf jaar geleden tot hoofdplaats is verheven, ging het plaatsje
sterk vooruit. Men zorgt er met het oog op de nabijheid der lagune
ijverig voor de openbare gezondheid, en duitsche orde en netheid
heerscht in de straten. Op de kantoren heeft men veel negers in dienst
en de zwarte klerken voldoen zeer goed.

Van ruilhandel hoort men weinig meer, en de omwonenden hebben zich
reeds aan den geldhandel gewend. Zelfs de kauri-schelpjes als pasmunt
verdwijnen langzamerhand.

Het station van den spoorweg ligt aan de landzijde der stad. Dagelijks
loopt er om negen uur 's morgens de trein uit Anecho binnen, de tweede
kustplaats der kolonie, en gaat dan spoedig verder naar Palime in het
binnenland, waar hij om vier uur aankomt in den namiddag. De trein
in tegengestelde richting verlaat Palime om zeven uur 's morgens,
bereikt Lome om twee uur en komt tegen vieren in Anecho. Een nieuw
lijntje is in aanbouw naar Atakpame van Lome uit en men hoopt dat
later naar het dichtbevolkte Noorden der kolonie voort te zetten.

Op de kroesharige negerbollen werd vroeger alles getransporteerd,
maar nu maken de wegen wagenvervoer mogelijk. Doch, helaas, moeten de
wagens door zwarten worden getrokken of geduwd, want in Togo kan men
om de tsetsevlieg geen trekvee houden. Men begrijpt dus, van hoeveel
belang de spoorwegen zijn.

Treinen vol maïs en kokosnotenvleesch en palmolie in vaten voeren die
waren naar de kust; ook cacao, caoutchouc en ivoor worden uitgevoerd,
en de katoenopbrengst stijgt in den laatsten tijd in sterke mate.

De Togoneger is al volkomen aan den spoorweg gewend, zooals hij de
telefoon ook heeft leeren waardeeren.



EEN GRIEVENCAHIER.

De oud-gewestelijke secretaris van de residentie Timor, de heer
H. D. Wiggers, heeft een boekje uitgegeven, ons ter bespreking
gezonden en getiteld »Aardrijkskundige Schets van het eiland Rotti«,
dat onder deze vlag van den titel een heel andere lading dekt dan
men zou verwachten.

De »schets« beslaat 24 bladzijden en daarvan geven slechts 6¾
bladzijden een beschrijving van het eiland Rotti; al het overige
is aanklacht en beschuldiging van regeering en ambtenaren. Vluchtig
worden in die eerste regelen behandeld de eerste volkplanting op het
eiland, en de tweede, de godsdienst van de Rottineezen, gebruiken en
gewoonten bij geboorten, huwelijken, sterfgevallen, begrafenissen enz.,
het dierenrijk, de natuurlijke voortbrengselen en het plantenrijk,
en dan begint de schrijver van leer te trekken.

Het is een wonderlijk grievencahier, dat hij open doet en wij kunnen
met den gegriefde zoo moeilijk medelijden krijgen, zoo lastig is het,
voor ons met hem mee te voelen, omdat hij nergens in zijn boekje ook
maar eenigszins preciseert, geen namen noemt of plaatsen, maar in het
wilde redeneert over al het onrecht, dat er in onze koloniën geschiedt,
en waar de regeering niet genoeg tegen waakt door afdoende contrôle.

Misschien zou het nog gegaan zijn, om in de gevoelens van den aanklager
te komen, als hij zich verstaanbaar had uitgedrukt en niet in een
zoo verwarrenden, onduidelijken stijl, in zulke ellenlange zinnen,
dat men telkens den draad van zijn betoog verliest.

Zijn hoofdgrief is, naar wij meenen te begrijpen, dat er geen toezicht
genoeg wordt uitgeoefend op de lagere ambtenaren, dat hun klachten
en bezwaren, als die bij de regeering inkomen, worden ter zijde
gelegd en dat er een ongelukkige keuze plaats heeft van indische
bestuurshoofdambtenaren.

De schrijver wijst op de Oost-Indische Compagnie, die, als er
klachten inkwamen te Batavia, onmiddellijk een commissaris zond, om de
klachten te onderzoeken, te rapporteeren en naar bevind van zaken te
handelen. Die methode moet weer gevolgd, want, en hier beginnen wij
te citeeren en verzoeken de aandacht voor de taal van den auteur,
»het is onbetwistbaar een heilaanbrengende handeling en alzoo van
zeer veel nut, om in toepassing te brengen op eenige hoofden van
gewestelijk en plaatselijk bestuur op en buiten Java en Madoera,
ten opzichte hunner afkeurende handelingen in bestuurszaken, hunne
nalatigheid en plichtsverzaking in den dienst en hunne willekeurige en
berispelijke handelingen en het misbruik maken van hunne bevoegdheid,
hetzij als besturend ambtenaar, hetzij als politierechter; maar niet
de ter zake gemaakte waardige persbemerkingen, terechtwijzingen en
aansporingen met vrijwillig gegeven advies tot handeling ongemoeid ter
zijde te laten en zich volstrekt niet aan te trekken, wat er maar over
geattendeerd wordt en dit te beschouwen als noodelooze aantijging,
zoodat betrokken autoriteiten van de slapheid der regeering worden
overtuigd en daarvan misbruik maken, om hunne fouten en gebreken
te doen voortduren, zonder de minste stoornis voor een correctie
of anderszins«.

Zoo gaat het in dreunende onaangenaamheid door; men duizelt van
den woordenrompslomp, en zelfs als een zin klein is en flink op den
man af gaat, komt de schrijver er nog niet goed uit. Hij vindt de
bestuursambtenaren onbekwaam, en geeft nu dezen raad: »in verband
daarmede dient men der regeering en den Directeur aan te prijzen,
om geen ambtenaren tot den voornamen werkkring van bestuurshoofd te
roepen of daarin te laten blijven, welke men onder de algemeene rubriek
van prullen kan brengen«, en »maar de regeering schijnt zich hiermede
niet te kunnen vereenigen, om in eene heilzame afdoening te treden,
en men moet erin berusten en die bestuurshoofden, politierechters,
in hunne dwaling, betweterigheid en bijna totale onbekendheid met
wetten en bepalingen en alzoo ongeschikt om als rechter op te treden,
ongestoord laten, ten nadeele voornamelijk van de arme inlanders.«

Van preciseeren is nergens sprake, en zoo zullen door dit boekje
des schrijvers grieven zeker niet worden uit den weg geruimd, want
wat kan een regeering na zoo iets anders doen dan het geschrijf kalm
naast zich neer leggen en er zich verder niet om bekommeren?



MOOI VOORBEELD VOOR LANDHEER EN INDUSTRIËEL. HUIZE DE DUNO CUM ANNEXIS.

Als de wereld van de vele nieuwe vindingen en uitvindingen het rechte
genot en voordeel zal hebben, dan is het noodig, dat ondernemende
landgenooten helpen met raad en daad en voorbeeld. De wetenschap alleen
kan ons niet voldoende vooruithelpen; de kracht van ondernemingsgeest
en kapitaal is onmisbaar, om datgene, wat in studiecel en laboratorium
als wenschelijk en mogelijk is aangewezen, ook werkelijk ingang te
doen krijgen te midden van het drukke, maatschappelijke leven.

Onlangs werd er in een artikel van den heer Dommerhold te Gendringen
in de »Amsterdammer« nog eens weer voor de zooveelste maal gewezen
op de gruwelijk erge kindersterfte en op den grooten invloed, daarop
uitgeoefend door melk, die door bacteriën is verontreinigd. Als een
roep om hulp voor de armen en misdeelden, wien het niet is gegeven,
de zooveel duurdere goede melk te krijgen, klonk de aanmaning,
om de huldeblijkgelden van de koningin te bestemmen voor het
vormen van instellingen voor het verschaffen van goede melk aan
minderbedeelden. Er kan door een aseptische behandeling, door de
directe afkoeling der melk na het melken, zeer veel worden gedaan,
om hygiënisch goede melk te krijgen en daarmee wordt een belangrijke
schrede gezet op den weg, die naar vermindering der kindersterfte
leidt.

Groote belangen zijn in het algemeen met de menschelijke voeding
gemoeid, maar voor het zeer jonge kind, dat in de lagere volksklasse
al door zooveel onhygiënische invloeden wordt bedreigd, is de zorg
voor de voeding wel in de eerste plaats van uitnemend belang. De
eenige manier voor het verkrijgen van onberispelijke melk is dat zij
op de plaats van oorsprong zoo min mogelijk wordt verontreinigd door
bacteriën of door vuil. Men kan melk volkomen aseptisch behandelen,
dat leeren de modelinrichtingen, die een voorbeeld geven, dat op
groote schaal verdient te worden nagevolgd.

Wat de heeren J. W. F. Scheffer van huize »De Duno« en zijn zoon de
heer F. Scheffer daar even ten westen van Arnhem in het leven hebben
geroepen met hun modelboerderij »Het Huis Ter Aa« is belangwekkend,
omdat het voor de eigenaars van landgoederen en voor onze industrie
nieuwe uitzichten opent en daarbij tevens van groot gewicht kan worden
voor de algemeene hygiëne. Als dezen zomer de duizenden weer zullen
stroomen naar het mooie Oosterbeek, naar Wolfheze, naar Westerbouwing
en naar al die heerlijke plekjes aan de heuvelachtige Rijnoevers,
laten ze dan niet vergeten eens een kijkje te gaan nemen op het
landgoed en de modelboerderij, waar men waarlijk belangstellenden
zeker gaarne zal inlichten.

Verleden zomer waren de leden der Maatschappij voor Tuinbouw en
Plantkunde, te Arnhem vergaderd, in de gelegenheid de mooie inrichting
van het buitengoed te bewonderen en van de liefelijke omgeving te
genieten, maar toen was de groote toovenares, de electriciteit, die
daar haar schitterendste wonderen verricht, nog niet met haar werk
gereed. Thans is de installatie klaar en in werking, en men kan nu
een denkbeeld ervan krijgen, welke rol de machtige electriciteit er
speelt als bron voor verlichting en als drijfkracht.

In het huis zelf drijft de motor een naaimachine en verschillende
ventilatoren; er zijn op een zeer groot aantal plaatsen stopcontacten
aangebracht voor het aansluiten van een electrischen stofzuiger; er
zijn toestellen aanwezig voor strijken en koken; maar het meest wordt
men getroffen door de prachtige verlichting. Prismatische ballons met
gloeilampen op ijzeren masten met gebogen armen stralen over de wegen,
sommige met drie lampen, en kunnen door een eenvoudige beweging in
huis, in het wachthuisje voor den nacht, of in de centrale door den
machinist worden aangestoken of uitgeschakeld.

De verlichting in het huis, in de verschillende gebouwen en woningen,
geschiedt eveneens door gloeilampen. Voor de veiligheid zijn
binnenshuis de leidingen overal in stalen buizen gelegd. Bij deuren en
op verschillende hoeken van gebouwen en woningen zijn buitenlichten
aangebracht, evenals inrichtingen, die het mogelijk maken, het licht
in te schakelen, alvorens men binnentreedt. Van een belvédère kan een
zoeklicht stralen over de bezittingen van den eigenaar, waartoe ook,
zooals onzen lezers bekend is, de vervallen, maar in zijn verval nog
interessante Doorwerth behoort.

In de stallen, voor honderden stuks vee ingericht, met witte tegels
bekleed, voorzien van cementen vloeren en alle mogelijke inrichtingen
ter bevordering der reinheid, werpen booglampen op hun omgeving een
licht, dat het daglicht, zooals het vaak in ons land zich voordoet,
in helderheid verre overtreft, en waarbij men dan ook uitstekend kan
photografeeren, zooals onze reproductie van een foto aantoont. De
rotterdamsche ingenieursfirma H. Doyer en Co. installeerde op het
mooie landgoed, waar praktijk en weelde zoo schitterend samengaan te
midden van een wonderheerlijk landschap, de godin met den tooverstaf,
Vrouwe Electriciteit.



NAAR DE LUTTE!

Het vorige jaar reeds wijdden we een artikeltje aan het liefelijke
gehuchtje bij Oldenzaal, de Lutte, maar we gaven het zonder
afbeeldingen en willen thans nog eens op dat mooie plekje terugkomen,
nu we op een mooien Septemberdag van 1908 er alleraangenaamste
indrukken van de heerlijke natuur hebben opgedaan. Het was bij een
imitatie, zwakke navolging wel is waar, van de groote excursie,
die de Nederlandsche Heidemaatschappij op 18 en 19 September bij
gelegenheid van haar algemeene vergadering te Oldenzaal naar De Lutte
had ondernomen.

Ofschoon die rit dank zij der lokale kennis van een koetsier, die
ook de excursionisten had gereden, precies in de sporen ging van dien
anderen, ontbrak de voorlichting der deskundigen, maar hoezeer maakte
toch de aanblik van de ontginningen in het landschap, waar cultuur en
woeste natuur elkaar van zoo dichtbij naderen, een aantrekkelijken
indruk! De ontginners, die van de technische voorlichting der
Heidemaatschappij gebruik hebben gemaakt, doen voor hun landstreek
een niet te overschatten nuttig werk. Het is de verdienste van de
twentsche grootindustriëelen, dat ze hun kapitaal beleggen op een
wijze, waarbij niet de directe voordeelen op den voorgrond staan.

Bosschen, zooals daar in de buurt van Oldenzaal worden aangelegd,
kosten op het oogenblik van den aanleg veel geld, ze zullen lange
jaren geen rente afwerpen en eerst het nageslacht zal er geldelijk
voordeel van trekken. Kenmerkend is het, dat de ontginningen zich in
hoofdzaak bepalen tot bebosschingen en het aanleggen van graslanden,
terwijl de grond voor het grootste gedeelte zich toch zeer goed
zou leenen voor bouwland en vruchtencultuur. Sommige van de nieuwe
bosschen zijn gevormd door het omzetten van eikenhakhout in opgaand
bosch; maar ook is er voor de grootste afwisseling in de boomsoorten
gezorgd; grove dennen wisselen af met lariksen en Douglassparren,
beuken, tamme kastanjes, zilversparren en eschdoorns.

Daarbij maakt de streek een echt landelijken indruk met de bouwlanden
bij de boerenhoeven, en zij is door de heuvelachtigheid van het
terrein, de groote boschcomplexen bij de buitens en landgoederen en
den sierlijken tuin- en parkaanleg van die goederen een uitgezocht
oord voor stadsmenschen, die met vacantie buiten willen wezen
en het er rustig willen hebben, zonder alle comfort van huis en
haard te missen. Want er is in de Lutte een vanouds bekend hotel,
Het Zwaantje, dat merkwaardig goed met zijn tijd is meegegaan, ja,
thans in hotel-opzicht zelfs zijn tijd vooruit is.

Uiterlijk en innerlijk voldoet het aan zeer hooge eischen. De tuin
is groot en vol schaduwrijke plekjes; het huis geriefelijk en geheel
modern ingericht, heerlijk frisch en ruim met badkamer en andere uit
hygiënisch oogpunt uitstekende dingen, met goede bediening en een
uitstekende tafel. De pensionsprijzen verschillen naar den tijd van
het jaar en den aard der kamers; de hoogste prijs is f 4.50.

Wat de Lutte voor ouders met kinderen vooral aantrekkelijk maakt, is
de geheele afwezigheid van gevaar voor water of trams. Want zij weten
maar al te goed, dat een kind pas dàn ten volle geniet, als men het
bij het zoeken naar genot zijn volle vrijheid kan laten. Aan de streek
zelve geeft het gemis van dit gemakkelijke communicatiemiddel met zijn
aanhoudend vervoer van drommen menschen, een cachet van behagelijke
rust, dat men voortdurend des te meer zal beginnen op prijs te stellen,
naarmate men behoefte heeft de steeds toenemende haast en drukte van
het stadsleven voor korter of langer tijd te ontvlieden.

Er zijn verrukkelijk mooie punten, die op een wandeling van het
Zwaantje gemakkelijk te bereiken zijn.

Dat hoekje van Twenthe is werkelijk zeer ruim bedeeld met afwisselende
en boeiende natuurtooneelen; de verschillen in hoogte van het terrein
en de boschrijkheid van de streek, daarbij de zorg, die aan paden en
wegen wordt besteed, maken er het wandelen tot een groot genot. Een der
hoogste punten van Nederland, de Tankenberg, gemakkelijk te bestijgen,
want wie geen padvinder wil zijn, kan van een steenen trap gebruik
maken, biedt een wondermooi panorama, waarin Ootmarsum, Nordhorn,
Denekamp en Almelo o.a. een plaats vinden. Op den berg zelven treft
men een koepel aan, waar het goed rusten is.

De aardige punten in het land van velden en bosschen zijn vele en
velerlei. Natuurlijk is er een Belvédère, die vanaf Het Zwaantje
spoedig te bereiken is en waarheen de wandeling over een der
erven loopt, die in deze buurt zulke aanlokkelijke wegjes en lanen
bieden. Zoo zijn er het erve Reuver, het erve Harbert, het erve
Rikkert, dan Koekoek, Kesselder, Schopman en andere, terwijl er op
de buitenplaatsen Koperboer en Kalheupink vrije wandeling is voor
het publiek.

Hoe mooi en afwisselend zijn ook de bosschen van Boerskotten, die
met zooveel zorg en kennis zijn aangelegd! En het Kruusselter bosch
met zijn indrukwekkende beuken, het lommerrijke Middelkamp, dan Hel
en Hemel, mooie punten, waarvan de eerste een verkorting schijnt te
zijn van »helling« en het tweede als tegenstelling den naam van hemel
heeft verkregen, beide mooie brokjes natuur.

Geheel natuur is ook het Lutterzand, een woest plekje in het
gebied van de rivier, de Dinkel. Het stroompje loopt daar met veel
kronkelingen, dan eens langs groene weilanden en beemden, dan eens
tusschen zandheuvels met dennen, waar de primitieve natuur nog is
waar te nemen. Vanaf den straatweg van Oldenzaal naar Bentheim op
de hoogte der duitsche grens is het gemakkelijk te bereiken. Voor
den folklorist en den belangstellenden waarnemer van huizen in ouden
bouwtrant levert de streek rondom Oldenzaal allerlei interessants. Zeer
veel boerenhuizen zijn nog niet in vertrekken verdeeld en lijken meer
op een lange schuur dan op een huis.



CENTRAAL BUREAU VOOR VREEMDELINGENVERKEER.

Sinds 15 Augustus 1908 hebben wij, te 's Gravenhage gevestigd,
een Centraal Bureau voor Vreemdelingenverkeer, directeur de
heer J. J. A. Knoote. Er wordt gestreefd naar het aanknoopen van
betrekkingen met het buitenland, en reeds werd aan ruim 2000 bureau's
in Europa reclame materiaal over Nederland verstrekt.

Tot het bureau zijn onze spoorwegmaatschappijen, verscheiden
stoomvaartlijnen, de Algemeene Nederlandsche Wielrijdersbond,
enkele exploitatie-maatschappijen, de Norddeutsche Lloyd, eenige
tramwegmaatschappijen enz. toegetreden. Van de 98 vereenigingen voor
vreemdelingenverkeer in Nederland zonden reeds 76 reclamemateriaal in.

Aan het bureau zijn verbonden een jonge schilder, die als artistiek
leider vreemdelingen over de hollandsche schilderkunst inlicht en
een amerikaansche, in den Haag gevestigde dame, die vreemdelingen
rondleidt en door haar talenkennis zeer goed voor die taak is berekend.

Officieel orgaan van het bureau is het tijdschrift
»Holland-Express«. Voorzitter is baron F. W. C. H. baron Van Tuyll
van Serooskerken, secretaris Mr. J. F. Hijmans.



PRAKBOSCH.

Naar aanleiding van een ons gedane vraag naar de beteekenis van
het woord prakbosch kunnen wij mededeelen, dat men in Santpoort en
omstreken onder dat woord verstaat de stukken boschgrond, waarvan
de boomen zijn gekapt en waar de wortelstompen nog in den grond zijn
achtergebleven. Prakken nu is het ondiep omspitten van zulken grond,
meestal ten behoeve van den verbouw van aardappelen.

Wanneer een stuk boschgrond, met eiken beplant, bijvoorbeeld een
twintig jaar heeft gestaan, dan komen de hakkers en vellen het
hout. In het eerstvolgende voorjaar na den haktijd wordt de bodem,
zooveel de diepgewortelde eikenstronken het maar toelaten, bewerkt
en voor bebouwing geschikt gemaakt. Eén steek diep wordt de grond
opgewerkt. En in den losgemaakten grond, welke twintig jaren lang
de bladeren ontvangen heeft en alzoo teelaarde bezit, vinden de
aardappelen eene uitnemende plaats om te ontwikkelen en vruchten
te geven.

In verband met dit prakbosch kan nog de volgende bijzonderheid vermeld
worden. Bij enkele landeigenaars bestaat namelijk de vriendelijke
gewoonte, stellig afkomstig uit den ouden tijd, om een stukje prakbosch
aan behoeftige lieden voor aardappelteelt kosteloos af te staan. Vroeg
in het voorjaar, soms al in den winter, komen dezen zich bij den
boschwachter aanmelden om zulk een hoekje grond. Zoodra de houtvelling
voorbij is en de weersgesteldheid het gedoogt, worden de arbeiders,
die aangenomen zijn--en bijna niemand wordt teruggewezen--toegelaten
tot den bouw. Zij prakken en poten, om later te oogsten.

Half Augustus begint men met het rooien van de aardappelen.



TUSSCHEN AMERIKA EN EUROPA.

In het haastige rennen van de stoombooten over den Atlantischen Oceaan
is de »Mauretania« van de Cunard-stoomvaartmaatschappij op 't oogenblik
(eind Februari 1909) de baas. Zij stoomde den zuidelijksten weg,
dien de stoomschepen in den winter volgen en die 110 mijlen langer
is dan de noordelijke of zomerroute, in vier dagen plus een kwartier.



OP DEN UITKIJK.


EEN VROOLIJK TOONEELTJE AAN DE CROPINAKREEK.

Het aardige kiekje aan de Cropinakreek in de buurt van Paramaribo
geeft een beeld te zien van vroolijke negervrouwen, die aan het
wasschen zijn, en van blijde kinderen, die zich in het ondiepe water
vermaken. Een echt warmgetint tooneeltje met den mooien tropischen
plantengroei op den achtergond. De vlugge jongens schijnen een
wedstrijd te houden, wie het eerst het afgedreven vat en de andere
waschbenoodigdheden, door de vrouwen al babbelend uit het oog verloren,
weer zal inhalen. Met lachende gezichten zien de boschnegervrouwen
naar de inspanning der kinderen, een enkele van haar opkijkend van
het stuk waschgoed, dat ze bezig is te spoelen of in te zeepen.

Een blik op de afbeelding overtuigt den kijker al, dat het een
tooneel is in de buurt van de bewoonde wereld niet alleen, maar ook
van de wereld, waar men noties heeft van de beschavingseischen. Het
toilet van de dames op de foto is westindisch, maar van een echt
stadsstandpunt gezien. In zulke gestreepte katoentjes kan men op
alle westindische eilanden en in Suriname de negervrouwen en andere
inlandschen zien rondloopen, maar alleen daar, waar men met het
leven van een stad in eenig verband staat. Dat costuum dragen ze bij
marktbezoek en bij feestelijke gelegenheden, en ieder onzer kent deze
dames, al was het alleen van de afbeeldingen van de plechtigheid te
Paramaribo, als de koningin jarig is en de menigte op het plein van
het Gouvernementsgebouw den Granman en zijn gemalin hulde brengt.

Maar die lieflijke kreek kent ook andere tooneelen, is niet overal
zoo kalm en gemoedelijk als hier bij de badende kinderen. Onze vele
expedities naar de West hebben maar al te vaak te worstelen met
de hevige stroomingen van die kreken of zijtakjes van de talrijke
surinaamsche rivieren. Dan is het bijna onmogelijk, de booten er door
te vervoeren; de boschnegers moeten dan duwen of ook wel de booten uit
het water nemen en ze langs de oevers dragen, en als ze dan niet al
te gesticht zijn over de blanken, blijkt het, dat het met onwillige
honden slecht hazen vangen is.

Die beroemde kreken van Suriname zijn vaak niet anders dan sterk
kronkelende berceau's, waarvan de bodem met water is bedekt. De booten
moeten dan om de vele bochten telkens korte draaien nemen en zitten
ieder oogenblik vast tusschen de boomen aan den oever. Er moeten
dan voortdurend takken worden afgehouwen van het geboomte, dat een
dak boven de hoofden vormt. De negers kunnen hun ranke korjalen, die
smalle bootjes met de lange parels of roeiriemen, wonderlijk handig
door den stroom doen schieten en als het moet, glijden ze rustig over
een ondergeloopen savannah, zelfs als ze er maar een slingerbocht
van de kreek mee kunnen uitwinnen.

Onder water dreigen in die kreken gevaren van boomstammen, die te
water zijn geraakt en voor het oog verborgen zijn, zoodat de booten
er licht op kunnen stooten en lek worden. Aan de Cropinakreek of
de Coropine, ligt hoogerop de Post Republiek, een heerlijk plekje
te midden van een uitgezocht mooie natuur. De naam dateert reeds
uit den tijd van onze Republiek, en in de dagen, dat er moeilijke
oorlogen moesten worden gevoerd met de boschnegers, was er een lange
lijn van militaire posten opgericht. Nu is van dat alles niets over
dan een paar groote, in den grond geplante kanonnen, die naast de
aanlegplaats der bootjes zijn opgesteld ter herinnering aan het oude
militair karakter der omgeving. In Para is tegenwoordig alles rustig;
een politiepost van een paar man kan er het werk best af.

Uitstapjes worden van Paramaribo uit soms ondernomen naar Post
Republiek en men logeert er dan in het primitieve logement, waar men
zelf voor alles moet zorgen, maar dan toch in een gouvernementshuis een
onderkomen heeft met slaapgelegenheid. Wie onze afbeelding aanziet, zal
begrijpen, dat het een heerlijk verblijf kan wezen voor stedelingen,
die er zich met visschen en zwemmen en bootjevaren kunnen vermaken en
zich verlustigen in de onvolprezen schoonheid van den verrukkelijken
tropischen plantengroei.



LABRANG GOMBA, EEN KLOOSTER IN THIBET.

Dr. Albert Tafel, die al eenige reizen door Thibet deed, heeft onlangs
een en ander verhaald over een thibetaansch klooster, gelegen op 35
graden N.B. en 102 O.L., daar, waar de hoogvlakte naar het Noordoosten
weer zooveel lager wordt, dat er in de dalen een weinig gerst en
tarwe kunnen verbouwd worden. Het is een der grootste kloosters
van het verboden Thibet. Er zijn nog slechts weinig Europeanen,
die Labrang Gomba hebben gezien, want het ligt niet aan een der
groote karavaanwegen, terwijl het bovendien berucht is om de weinig
vriendelijke gezindheid van de bewoners.

Maar wel behoort het tot de belangrijkste kloosters uit Thibet, want
steunend op zijn groote rijkdommen en op de ongeveer 8000 tot 10.000
monniken heeft het kloosterbestuur het zoo ver weten te brengen, dat
een zeer groot gebied van het klooster afhankelijk is, dat verscheiden
kleine vorsten aan de macht van de kloosterheeren gehoorzamen en hun
belasting betalen, en dat enkele groote stammen bestuurd worden door
lama's, uitgezonden door het klooster.

»Ik heb«, verhaalt Dr. Tafel, »Labrang Gomba bezocht in October
1907. Het complex van kloostergebouwen ziet er indrukwekkend uit. Het
zijn huizen van twee verdiepingen en veel kleinere woningen, alle
vroolijk wit, rood en zwart geschilderd en zeer zindelijk onderhouden
zijn. De grootste gebouwen worden bewoond door levende Boeddha's
en heiligenincarnaties, want men kent in Labrang als overal in
Thibet veel levende goden; ook tempels en bidhallen behooren tot
de kloostergebouwen en enkele in chineeschen stijl opgetrokken
heiligdommen.

Bijna was Labrang Gomba een bijzonder heilig klooster geworden, want
sinds 1906 heeft het bestuur zich alle mogelijke moeite gegeven, om den
Dalai Lama binnen de muren van het klooster te mogen herbergen. De
monniken waren in 1907 zelfs begonnen, voor den Dalai Lama een
bijzonder paleis te bouwen, want ze meenden toen den tegenstand van den
slimmen en onberekenbaren heer te hebben overwonnen en hoopten ook bij
de chineesche regeering de toestemming te krijgen, dat de Dalai Lama
voortaan onder hen zou mogen resideeren. Maar de vrees van den Dalai
Lama won het pleit. En niet ten onrechte vreesde hij de broeders,
want bij de hoogere thibetaansche geestelijkheid heeft de Dalai Lama
sinds zijn vlucht naar Mongolië en zijn zonderling handelen tijdens
de engelsche expeditie alle populariteit verloren en hij zou er van
zijn leven niet zeker zijn geweest«.

De groote Fransche expeditie van kapitein d'Ollone in 1908 is dichtbij
het klooster Labrang Gomba door een thibetaanschen stam aangevallen,
waarbij twee fransche officieren gewond werden. Toen is het klooster in
de europeesche dagbladen genoemd. Men is er niet ver van de chineesche
grens, maar dat waarborgt volstrekt de veiligheid niet. De Khamba's,
de bewoners van Oost-Thibet, zijn tot bij Lhassa en in het overige
West-Thibet gevreesd om hun roof- en moordzucht. Het gaat er onder
de stammen toe als in Europa in de Middeleeuwen; het leenstelsel
is er in zwang, en niemand bekommert zich om de heeren in naam,
de Chineezen. De keizer is al te ver! Het roofridderwezen verheugt
er zich in grooten bloei, zooals goederenkaravanen maar al te vaak
ondervinden. Ook Dr. Tafel deed daarvan ervaringen op. Hij en luitenant
Filchner werden in 1904 aangevallen en de kleine karavaan van 1906 en
1907 verloor driemaal door een rooversaanval expeditiemateriaal en
deelen der verzamelingen. Het is daar ook het gebied, waar Dutreuil
de Rhins in 1894 werd vermoord, en in 1900 hadden de Russen Kozlow
en Kozlakow op hun wetenschappelijke reis formeel slag te leveren,
waarin hun 17 Kozakkengeweren 32 Thibetanen deden sneuvelen.



KOLONIAAL MUSEUM BIJ BRUSSEL.

In Tervueren op een paar uur afstands van Brussel is een nieuw
Koloniaal Museum gebouwd, een waar paleis, waarvan wij hier een
afbeelding geven, die de achterzijde vertoont. Het van grauwen steen
opgetrokken gebouw staat aan de grens van het park van Tervueren,
dat bijzonder mooie park met zijn oude boomen en schilderachtige
vijvers. In het volgend jaar zal het Museum tegelijk met de
tentoonstelling in April geopend worden. Het is een museum van de
koloniën, maar waar België zich in het houden van koloniën in de
beperking meester toont, zou men het ook gevoegelijk een Congo-Museum
kunnen noemen.

De verzameling, die naar het nieuwe gebouw zal worden overgebracht,
is nu geborgen in het oude Museumgebouw, dat in het park niet ver van
het nieuwe staat en sedert de tentoonstelling van 1897 tot Congo Museum
ingericht werd. Het voldoet als zoodanig lang niet aan de eischen,
die men thans mag stellen; te veel voorwerpen staan onbeschut, omdat
de kasten, waarin ze moesten zijn geborgen, ontbreken. Dat alles zal
verbeteren, en tegelijk met de verhuizing naar het nieuwe gebouw,
waartoe men thans maatregelen treft, wordt een nieuwe indeeling, een
andere rangschikking ingevoerd; men zal niet bijeenbrengen hier de
voorwerpen der Zappo Zap, verderop die der Majombe, elders weer het
huisraad en de wapens van andere stammen, die als geografische groepen
bijeenbehooren; maar men wil de voorwerpen van gelijke soort naast
elkander zetten, al het pottebakkerswerk van heel het Congo-bekken,
al de muziekinstrumenten, en van deze weder trommen bij trommen,
harpen bij harpen, en zoo voort. Het denkbeeld is niet nieuw; in meer
dan een museum zijn dergelijke groepen van gelijksoortige dingen
aanwezig, meestal echter samengesteld uit de dubbelen en naast de
geografische groepen.

Naast deze groepen van gelijksoortige voorwerpen zal men in het
nieuwe museum van Tervueren ook wel de geografisch bijeenbehoorende
voorwerpen kunnen zien, maar voornamelijk door afbeeldingen; hoofdzaak
blijft de hierboven beschreven indeeling.

Iets nieuws is, dat men in het museum van Tervueren ook de
ontwikkeling van het voorwerp zal laten zien. De heer Coart, de
conservator der ethnografische afdeeling, schrijver van uitvoerige
en rijk geïllustreerde verhandelingen over de pottebakkerskunst, de
muziekinstrumenten en de godsdiensten der Congoleezen, beschrijvingen,
die in de Annales du Musée verschenen zijn, de heer Coart, die
drie jaar aan den Congo doorgebracht heeft, stelt zich voor den
bezoekers eene merkwaardige evolutie onder de oogen te brengen;
hun te toonen hoe een voorwerp aan zijn vorm, aan zijn samenstel,
aan zijn versiering komt; dat een en ander maar niet toevallig
is. Zoo maakt de natuurmensch voor zijn kindje van een kalebas een
rammelaar of mogelijk heeft hij er zelf wel plezier in en maakt er
muziek mee bij feestelijke gelegenheden, en als men later van biezen
zoo'n instrument gaat vlechten, behoudt men den kalebasvorm. Op die
wijze laten zich vormen en versieringen van ethnografische voorwerpen
dikwijls historisch verklaren en waar op die ontwikkeling wordt
gewezen, wint een tentoonstelling in of buiten een museum natuurlijk
niet weinig in leerzaamheid en belangwekkendheid.

Wat het inwendige van het nieuwe gebouw betreft, de groote zaal
van 130 meter lang en 40 breed, met haar vloer en muren verdwijnend
achter veelkleurig marmer van zeldzame schoonheid, is een prachtstuk,
welks rijke eenvoud stille bewondering wekt. Een lange rij hooge
ramen geeft uitzicht op breede grasperken met vijvers, waarachter
het hooge geboomte van het park afsluitend verrijst. Groote ijzeren
traliedeuren, met spiegelglas gevoerd, leiden naar den binnenhof,
die door zuilengangen omsloten is. Kleinere zalen met parketvloeren
en bovenlichten grenzen aan de marmeren zaal, en het is deze laatste
die voor ethnografisch museum bestemd werd.

Alles zal daar worden ondergebracht in kasten en vitrines van staal en
spiegelglas op mahoniehouten voet, terwijl in standaards met draaibare
vleugels kaarten, foto's en andere afbeeldingen de ophelderingen, die
de etiketten geven, zullen aanvullen. Brussel is zeker te feliciteeren
met het nieuwe museum, dat voor de volksontwikkeling van beteekenis
kan worden.



VAN STEINTHORWALL NAAR ROTHENBAUM-CHAUSSEE.

Hamburg is aan 't bouwen van een nieuw Ethnografisch Museum. De
collecties van voorhistorische oudheden en de ethnografische
verzameling gaan verhuizen van den Steinthorwall naar de
Rothenbaum-chaussee aan de westzijde van de Buiten-Alster. Het nieuwe
gebouw zal 1-1/2 millioen mark kosten en moet over drie jaar klaar
zijn. De zoölogie blijft in het oude gebouw.

Sedert lang was de toestand onvoldoende; het museum aan den
Steinthorwall, dicht bij het hoofdstation gelegen, bestaat eigenlijk
uit een ledige ruimte met daaromheen liggende galerijen, drie
hoog, in den bouwstijl dus van sommige warenhuizen, maar zonder de
lift. Op den beganen grond en op de eerste twee galerijen huizen de
dierkundige verzamelingen; op de derde galerij zijn de ethnografische
collecties en de voorhistorische oudheden tentoongesteld. Daar is dus
een onbelemmerde, uit de holle ruimte komende trekking van lucht,
met stoffen en geuren; des zomers, als 't warm is, ruikt men boven
duidelijk het reusachtige walvischskelet, dat op den grond van den
koker, heel beneden, sluimert.

Nu is een deel van de galerijen afgesloten voor het publiek en tot
pakhuis ingericht; daar staat alles wat gereed gekomen is tot opneming
in het nieuwe gebouw. In het hamburgsche museum is de behandeling
der voorwerpen, vóór dat zij tentoongesteld worden, nogal omslachtig;
men reinigt daar alles gründlich. Iedere directie heeft daaromtrent
haar eigen meening en de meening van de hamburgsche directie is,
dat wasschen met zeep en soda aan ethnografica ten goede komt. Het
veelvuldig gebruik, het beduimelen, kan aan een voorwerp van gesneden
hout het uiterlijk van oud leder geven; de tijd brengt op metalen
de bekorende patina. Deze charmes duldt men er niet, en vermoedelijk
dáárom is men reeds begin Februari begonnen met den uithaal, die aan
de overbrenging naar het nieuwe museum moet voorafgaan.



VERRE REIZEN.

Een te Rositten op de Koerische Nehrung in Oost-Pruisen van de
Vogelwarte, het observatorium voor den vogeltrek, losgelaten ooievaar
met een ring om den poot is in Wadaï, een in Gross-Möllen in Pommeren
weggevlogen en met den ring »geteekenden« langbeen is bij Fort Jameson
in Rhodesië opgevangen, en uit Boedapesth, zoowel als uit Zevenburgen
in Hongarije zijn dezer dagen berichten ontvangen, dat ooievaars, van
daar met ringen om den hals vertrokken, in Natal zijn opgevangen. Of
vogels houden van verre reizen!



OP DEN UITKIJK.


DE JACHTLUIPAARD ALS HUISDIER IN TUINEN EN PARKEN.

In La Vie à la Campagne schetst een eigenaar van een jachtluipaard
of guepard, de heer H. Crépin, zijn ervaringen met dat toch altijd
verscheurende dier, dat feitelijk zoo tam kan worden en van aard
zoo goedig is als onze gewone huisdieren, gevogelte en schapen niet
uitgezonderd. Zooals herten en reeën graag geziene gasten zijn in
groote parken, zoo zou men daar ook zeer goed den jachtluipaard,
Cynailurus, kunnen houden.

De Cynailurus guttatus van den heer Crépin is uit Afrika afkomstig;
hij was bewoner van de woestijn ten zuiden van Algerië. Andere
soorten komen in West-Azië voor en zijn als tsjita's bekend, terwijl
de Afrikaansche jachtluipaard ook fahhad wordt genoemd. Het zijn
dieren, die tusschen de katten en de honden in staan; het latijnsche
woord beteekent "hondskat". De oranjegele huid draagt zwarte vlekken,
en de ronde kop en lange staart doen aan het hondengeslacht denken,
maar de allures, bewegingen en neigingen tot spelen; het spinnen of
snorren, dat het dier graag doet, is volkomen katachtig.

Door de hoogte van de pooten staat hij dicht bij den hond, en ook
de nagels zijn maar weinig ingetrokken en dus stomp geworden en
onschadelijk als bij de honden; maar een enkele gekromde klauw aan
den binnenkant van elk der achterpooten is nog zeer scherp en raakt
nooit den grond.

Het exemplaar, waarvan de heer Crépin vertelt, is een wijfje
van twintig maanden, op den leeftijd van eenige weken gevangen en
grootgebracht in den Soedan. Sedert vier maanden had de eigenaar het
nu in Frankrijk en hij en de zijnen hebben al veel genoegen van het
dier beleefd, al blijft het een huisgenoot, waar eenige voorzichtigheid
mee moet worden betracht.

Het maakt volgens den schrijver een paar kenmerkende geluiden, hoewel
er gewoonlijk niets van hem is te hooren. Het eerste is een scherp
gekrijt, als hij zich verveelt, hoog en kort als van een vogel,
en als hij bang is, hoort men een licht gebrom.

In wilden staat leeft de jachtluipaard van kleine herkauwende dieren,
die hij met verbazende slimheid besluipt en daarna omverwerpt, om
zich aan het bloed tegoed te doen. Den mensch zal hij niet aanvallen,
al wordt hij wel gevaarlijk, als hij vervolgd wordt of gewond is. Die
besliste jachttalenten hebben deze soort van luipaard al vroeg doen
africhten voor de jacht op de manier, waarop valken worden gebezigd
als hulp van den mensch bij de vogeljacht. In het heele Oosten en in
Britsch-Indië neemt de jager het dier, aan een dunne lijn bevestigd,
mee naar het jachtveld op een lichte, tweewielige kar, houdt eerst den
kop van het dier bedekt en tracht zoo dicht mogelijk bij het jachtwild
te komen, bij voorbeeld een kudde gazellen of antilopen. Dan neemt de
jager het dier den kap van het hoofd en maakt hem opmerkzaam op het
wild, waarop de oude hartstochtelijke jachtlust ontwaakt, en list en
geslepenheid te hulp komen. Met eenige sprongen is het dier bij zijn
prooi, die hij bij den hals grijpt en op den grond drukt. De jager
snelt toe, maakt de prooi af, geeft het roofdier van het bloed te
drinken en schuift 't dan weer den kap over den kop.

Brehm, die door den franschen schrijver ook wordt aangehaald, zegt, dat
geen enkel lid der kattenfamilie beter in staat is, zich de genegenheid
van den mensch te verwerven dan de jachtluipaard, die goed is van
vertrouwen en zacht van aard als hij getemd is, en wiens gemoedelijke,
droomerige stemming alleen verstoord kan worden door de nabijheid van
andere roofdieren. Ook de huisdieren moeten voorzichtig zijn met hem,
en het heet, dat alleen het zien van een hond zijn woede kan gaande
maken. Maar de fransche schrijver laat het wijfje van twintig maanden
vrij rondloopen in een tuin in gezelschap met twee wijfjeshonden,
een grooten Deenschen hond en een kleinen fox-terrier.

In het begin was de verhouding wel een beetje gespannen. Telkens
vloog de luipaard op den Deen toe, blijkbaar met het plan, om met
hem te spelen; maar de bruuskheid van zijn bewegingen werd verkeerd
uitgelegd door den grooten hond, die meende, dat een aanval bedoeld
was, en die met een knauw antwoordde, waaraan de luipaard zich met
een grooten sprong moest onttrekken. In die omstandigheden was hij
zoo onder den indruk gekomen van de tanden van den hond, dat hij den
ander langen tijd niet anders durfde naderen dan van achteren en,
zachtjes dichterbij komend, zóó, dat hij weg kon komen in minder tijd,
dan de tegenstander behoefde om zich om te keeren.

Langzamerhand leeren de dieren elkaar echter verstaan; de luipaard
blijft onstuimig, maar de hond is niet meer vijandig en ze zijn in de
beste verstandhouding, wandelen samen en slapen naast elkaar. Wordt
de luipaard wat al te ondernemend, dan is een gegrom van den hond,
onderstreept door een schuinen blik, voldoende om hem tot kalmte te
brengen. Mocht die waarschuwing niet door een onmiddellijk resultaat
worden gevolgd, dan behoeven de tanden zich maar even te vertoonen,
en de luipaard is tot rust gebracht. Ze vechten nooit meer, zelfs niet
aan den gemeenschappelijken schotel, waaruit de hond gulzig slobbert,
terwijl de luipaard kleine likjes neemt, steunend op de ellebogen op
de manier van katten.

Met de fox-terrier is de verhouding niet zoo goed. Die kleine vluggert
wijst stelselmatig alle toenadering af van een gezel, die met haar
wil spelen als de kat met de muis. Ze bijt van zich af en houdt den
grooteren makker op een afstand. Het is een merkwaardig en min of meer
verontrustend schouwspel, als het roofdier, dat zooveel grooter is,
op den kleinen hond toespringt, hem omverwerpt en als een bal tusschen
de pooten omdraait. Het hondje, dat zoowat driemaal zoo groot als
een rat is, weet zich dan los te rukken, springt den tegenstander
naar den kop en brengt hem totaal in de war, zonder hem echter in
het minst te deren of zelf maar een schrammetje op te loopen.

Tegen de menschen is Moustique, zoo noemt men in het gezin den
luipaard, alleraardigst; hij zoekt menschelijke aanraking, gaat
liggen aan de voeten van zijn meester of meesteres, wrijft zich aan
alle beenen en schuift als een poes langs de rokken der dames, met
hoogen staart en krommen rug en onder een gezellig snorren of spinnen
van voldoening, en likt daarbij graag iemand de hand of het gezicht.

Met kinderen is hij het liefst en hij doet niets liever dan met hen
spelen, terwijl zijn onstuimigheid volkomen ongevaarlijk is, zelfs
met de allerkleinsten, op voorwaarde echter, dat hij geheel vrij wordt
gelaten in zijn bewegingen, zonder ketting of touw of halsband. Als men
hem vrijlaat in een park of een tuin, gaat het dier nooit ver van de
woning en komt er trouw terug op het uur der maaltijden. Hij maakt de
gasten vaak verschrikt door het open venster binnen te springen van
de eetzaal, als hij de tafel gedekt ziet; maar ieder wordt spoedig
met hem bevriend om zijn gezelligen, aanhankelijken aard.



HOEZEE, HOEZEE! DE TRAM RIJDT OP FLAKKEE.

Wat is er op Prinsesjes geboortedag hartelijk feest gevierd op Goeree
en Overflakkee bij de opening van de nieuwe tramlijn, een onderneming
der Rotterdamsche Tramwegmaatschappij! Het is ook geen kleinigheid,
nu met dat geriefelijke vervoermiddel, de stoomtram, het heele eiland
in de lengte te kunnen doorreizen van Ouddorp in het Westen naar
Ooltgensplaat in het Oosten! Bij zulke overwinningen van nijverheid en
ondernemingsgeest is het heele volk gebaat; de eilandbewoners worden
erdoor uit hun isolement gehaald en er heeft als een opleving plaats,
die tot in verre verte haar invloed doet gevoelen.

De nieuwe verbinding met den vasten wal, door de Rotterdamsche
Tramwegmaatschappij in het leven geroepen, is met den steun van rijk
en provincie tot stand gekomen. De aanleg van de op 30 April geopende
lijnen is in veertien maanden voltooid; de eene lijn gaat van de haven
van Middelharnis naar Ooltgensplaat, de andere gaat naar Ouddorp. Met
een veerdienst over de breede wateren van het Haringvliet sluit de
nieuwe tram aan bij den dienst Hellevoetsluis-Rotterdam.

Allerlei provinciale, gemeentelijke, polder- en waterschappelijke
en industriëele autoriteiten namen deel aan de feestelijke opening,
en met de versierde tram ging het na de toespraak van den heer
Ulbo J. Mijs, burgemeester van Middelharnis, naar het nieuwgebouwde
station in Middelharnis-Dorp. Dat stationsgebouw, waar alle treinen
vertrekken en aankomen, maakt een recht vriendelijken indruk en is
een werkelijke aanwinst voor de gemeente te noemen. Overal, waar de
feesttram passeerde, werd ze met vreugde door de gemeentenaren begroet,
niet het minst door de jeugd, die van school vrij af had. Een ieder
in Middelharnis, of hij moest door noodzaak daarin verhinderd zijn,
wilde getuige zijn van deze gewichtige gebeurtenis en zijn vreugde
uiten over de eindelijke verlossing van deze zoo welvarende streek
uit haar knellend isolement.

Bij het station Middelharnis-Dorp zongen de schoolkinderen een
welkomslied, »Hoezee, hoezee! De tram rijdt op Flakkee« klonk den
gasten jubelend tegemoet.

Na deze blijde begroeting door de bevolking van Middelharnis vertrok
de feesttram achtereenvolgens naar Nieuwe Tonge, Oude Tonge, den
Bommel, en Achthuizen naar het eindpunt Ooltgensplaat. In de kom
dezer aardig gebouwde gemeente werd langzaam gereden, zoodat oud en
jong daar overvloedig gelegenheid kregen, aan hun feestvreugde uiting
te geven. De tram eindigt te Ooltgensplaat aan den in bouw zijnden
aanlegsteiger aan het breede Volkerak, waar het gezelschap weer een
schoon watergezicht wachtte.

Te 12 uur 55 werd de terugreis ondernomen en begon, na
Middelharnis-Dorp weer voorbij gereden te zijn, de tocht naar westelijk
Flakkee. Achtereenvolgens passeerde nu de feesttram Sommelsdijk,
nagenoeg een copie van Middelharnis, het welvarende havendorp
Dirksland, waar de trein rijdt over het nieuw type rolbasculebrug,
Melissant, Stellendam, het fraaie Goeree, om dan eindelijk te
bereiken het eindpunt Ouddorp, waar de gasten gelegenheid vonden de
eigenaardige watervoorziening in oogenschouw te nemen, die door een
Herculeswindmolen geschiedt. Ook bij het passeeren van deze dorpen had
het gezelschap de gelegenheid te ervaren, hoe de bevolking doordrongen
is van het belangrijk feit van de opening dezer tramlijnen voor dit
eiland. Overal geestdrift. Ook hier de feesttram de boodschapster
eener blijde tijding!

De dag van 30 April is een gedenkwaardige voor Goeree en Overflakkee,
de brenger van nieuw leven, dat een schoone toekomst tegengaat!



HENDRICK HUDSON IN HOLLANDS DIENST.

Men verzoekt, ons onder toezending van het eerste vel van het werk,
dat bij de firma D. A. Daamen te 's Gravenhage zal verschijnen,
een boek van mejuffrouw H. S. S. Kuyper, aan te kondigen over het
Hudson gedachtenisfeest, dat in de Vereenigde Staten in de volgende
Septembermaand zal worden gevierd. Na wat wij vroeger hier schreven
over haar boek »Een half jaar in Amerika«, zal ieder begrijpen, dat wij
de beste verwachtingen koesteren omtrent dit nieuwe werk der begaafde
schrijfster. Het proefvel doet aan die hoopvolle meening geen afbreuk.



KARAKOELSCHAPEN.

Men gaat het in Duitsch Zuidwest-Afrika probeeren met de teelt
van een nieuw soort van schaap. Den 18den Januari j. l. werden per
Wöhrmannstoomboot 264 Karakoelschapen, en wel 22 bokken en 242 ooien
naar Swakopmund ingescheept.

Veertig van die dieren waren een geschenk van handelsraad Thorer te
Leipzig aan de kolonie; de overige werden voor rekening der regeering
uit Bokhara naar de kolonie gezonden.

De lammeren van deze schapen leveren de verkeerdelijk perzische vellen
genoemde huiden. Die naam zou den hoorder in de war kunnen brengen,
want die vellen komen niet uit Perzië, maar zijn afkomstig van
Bokhara. Om bruikbare vellen te leveren moeten de lammeren tusschen
den vijfden en den tienden dag van hun leven worden geslacht, daar
anders de krulligheid van het haar, die aan de huid haar waarde geeft,
verloren gaat. Zulk een huid heeft gemiddeld een waarde van twaalf
gulden. De vellen worden zorgvuldig gedroogd en verpakt en komen ten
slotte te Leipzig op de markt, de eenige stad, waar ze goed geverfd
kunnen worden. Er komen jaarlijks ongeveer een millioen vellen uit
Bokhara, die later van Leipzig uit naar alle werelddeelen verzonden
worden.

Een vel, dat nog kostbaarder is, komt als breedstaart in den handel
en is afkomstig van lammeren, die te vroeg worden geboren en weinige
uren na de geboorte sterven.

Daar de Karakoelschapen in Centraal-Azië in Maart of April lammeren
werpen en het weêr in de steppen dan nog vaak zeer ruw is, worden
veel moederschapen ziek en brengen misgeboorten voort. De huid van
het jonge dier heeft dan een moiréteekening, die zeer gezocht is en de
wol is zacht en glanzig, zoodat zulk een vel voor achttien gulden aan
de markt komt. Er zijn van die breedstaartvellen jaarlijks ongeveer
50.000, een zeer klein getal, vergeleken bij dat der andere.

De volwassen schapen hebben grove wol, die voor tapijten en voor de
viltbereiding wordt gebruikt. De schapen vormen dus voor de omgeving
van Bokhara een waardevol bezit, en er zijn al dikwijls pogingen in
het werk gesteld, om de teelt ook naar andere streken over te brengen,
maar met niet veel succes, wat, mirabile dictu, wordt toegeschreven
aan te goed voeder en te zorgvuldige behandeling. Om goed te gedijen,
moet het schaap zijn voedsel met moeite en inspanning zelf zoeken op
de steppe en die droge, zouthoudende steppengrassen bekomen het dier
het best. Ook moeten de Karakoelschapen het geheele jaar buiten worden
gehouden, zoodat het klimaat voor hen noch te warm, noch te koud mag
wezen. Die voorwaarden nu worden vervuld in Duitsch Zuidwest-Afrika.

Sedert eenige jaren doet geheimraad Kühn in Halle op zijn goed Lindchen
kruisingsproeven met Karakoelschapen, en het blijkt, dat de gewone
inlandsche schapen het best voor die proeven kunnen worden gebruikt,
vooral de schapen van het Rhöngebergte en de heideschapen. Maar er moet
altijd weer met zuivere Karakoelbokken worden gekruist; de bokken,
uit de kruising ontstaan, zijn niet te gebruiken. De resultaten zijn
tot hier toe uitstekend, maar werkelijk bruikbaar zullen eerst de
huiden van de zesde of achtste generatie zijn.

Veel bezitters van riddergoederen hebben proeven genomen met het schaap
uit Midden-Azië, wat voor de veeteelt goede gevolgen kan hebben ter
veredeling van het gewone schaap, en om van zeer slechten grond nog
voordeel te halen en dien grond bovendien door het weiden der schapen
te verbeteren.

De over te brengen schapen moesten meestal groote afstanden te voet
afleggen, eer ze het spoorwegstation bereikten en waren daarna zes
weken in de waggons onder het geleide van bokhara'sche herders, tot
ze de duitsche grens bereikten. Hier werd de zending door Dr. Botha,
assistent van geheimraad Kühn, die de proeven op het landgoed Lindchen
had geleid, met verscheiden schaapsknechten in ontvangst genomen en
naar Hamburg begeleid.

De heer Botha vergezelt nu ook het transport naar Zuidwest-Afrika. Met
hoeveel zorg de overbrenging is gebeurd, blijkt wel hieruit, dat op
de lange en moeilijke reis slechts een enkel dier is gestorven en
één werd gestolen.

In het begin zal het acclimatiseeren in Afrika nog wel lastig wezen
door de wisseling der jaargetijden, daar ten zuiden van den evenaar;
maar die bezwaren kunnen waarschijnlijk spoedig worden overwonnen. Het
zou een groot succes zijn, als door de samenwerking van regeering
en particulieren op deze wijze een waardevol huisdier in de kolonie
werd gebracht, dat een kostbaar en gemakkelijk te vervoeren product
levert voor den wereldhandel en dat tevreden is met de schrale gronden,
waar runderen niet en edele wolschapen moeilijk te gebruiken zijn.



PRIMITIEVE, MAAR TOCH OMSLACHTIGE VERSIERING.

De ten zuidoosten van Kaboel wonende Afridi's, die als buren van het
noordwesten van Britsch-Indië vaak lastig zijn geweest voor Engeland,
gebruiken voor hun kleedingstukken een eigenaardige stof, die Afridi
wax-cloth wordt genoemd. Zij beteekenen hunne weefsels met figuren van
dikke, kleverige saffloer-olie, gekleurd met de kleur van saffloer,
het geel van de plant Carthamus tinctorius, en bestrooien die figuren
met mika-poeder, dat erop blijft kleven na het drogen van de olie. Ook
in onze Oost blijkt dit procédé toegepast te worden. Tot de verzameling
ethnografica uit Celebes, dat al meer en meer een merkwaardig eiland
wordt, door den luitenant ter zee Fock onlangs aan het Museum voor
land- en volkenkunde te Rotterdam geschonken, behoort een jakje van
de Toradja in Midden Celebes, waarop figuren van mika (batoe Banggai)
met een of ander plakmiddel aangebracht zijn. Het is van geklopte
boomschors gemaakt, geheel gevoerd met dezelfde stof, dus dubbel, en
alleen de buitenkant, die gezien wordt, is zwart geverfd; het overige
is bruin, waarschijnlijk de oorspronkelijke kleur van de boombast;
op dezen zwarten ondergrond liggen de dofzilverwitte figuren.

Dit is nu weer heel iets anders dan de mika-plaatjes die (op Sumatra
en elders) op het weefsel genaaid worden als tooi; ook weder iets
anders dan de versiering met bladgoud, dat door middel van eiwit op
staatsie-doeken van Bali en op de batiks van Java gedrukt wordt, en
dat de Balische doeken nog bonter maakt dan zij al zijn, maar op de
batiks inderdaad een vermooiing kan zijn, zooals voor beide gevallen
stukken in het Museum doen zien.

Tot dezelfde verzameling-Fock behooren twee strijdjakken van de Orang
Mengkoka, op het zuidoostelijk schiereiland van Celebes, afkomstig van
de kampong Batoenon aan de golf van Boni. Het zijn echte maliënkolders,
geknoopt van gedraaide vezels, stug als de strijdjakken van de Gilbert
eilanden en in uiterlijk aan deze gelijk; 't moet een zware dracht
zijn in een warm land, maar deugdelijk beschermt deze met koorden
toegeknoopte jas het bovenlijf; de rug is van boven verlengd met een
opstaand stuk van gelijk maaksel, dat een nekslag ongevaarlijk maakt.



STROOMOP IN DEN AMAZONENSTROOM.

De Engelsche pantserdekkruiser Pelorus heeft in het begin van
dit jaar een merkwaardige reis volbracht. Het schip is zeer ver de
Amazonenrivier opgestoomd, ruim 3600 kilometers. Den 19den Januari voer
het de Paramonding binnen en op 16 Februari was het eindpunt bereikt,
Iquitos, dat nog geen 800 kilometer van Zuid-Amerika's westkust is
verwijderd. Niet dikwijls wordt de groote rivier door het oerbosch
van Brazilië door stoomschepen bevaren; amerikaansche en italiaansche
hebben het een enkele maal gewaagd, maar het waren kleine schepen.

De tamelijk groote Pelorus maakte op de oeverbewoners grooten indruk
en vond op vele plaatsen een feestelijk onthaal. Aan den mond is de
rivier een anderhalven kilometer breed, bij Iquitos een 300 M. De
vaart moest met zorg geschieden, vooral omdat er geen goede kaart
van het vaarwater bestaat. Bij het vallen van den nacht werd dan ook
het anker uitgeworpen, en telkens werd er een nieuwe loods aan boord
genomen. Diep was het water, tot Iquitos toe, genoeg. Den 23sten
Februari werd de terugtocht aanvaard, en den 9den Maart was men weer
te Para.

Op den 5den April was het schip te Plymouth terug.



DE SALOEËN.

De middenloop van de Saloeën, waar pas de Engelschen Litton en George
Forrest hebben gewerkt, is nu het doel van een wetenschappelijke reis,
waarvoor Dr. Brunhuber uit Berlijn in het laatst van 't vorige jaar
naar het Oosten is vertrokken.



OP DEN UITKIJK.


KERBELA, HET TWEEDE MEKKA.

Den 3den van de maand Moharram, ongeveer gelijk met onze maand Maart,
gaat een groot deel van de mohammedaansche wereld uit Perzië en den
Kaukasus, uit het verre Indië en uit Midden-Azië op ter bedevaart
naar een plaats in Perzië, het oude Kerbela, war ze hun godsdienstige
plechtigheden vieren bij het graf van Hussein, den kleinzoon van
Mohammed. Het zijn de Sjiïeten, die aan deze feesten deelnemen, zij,
die zich als afzonderlijke afdeeling in de muzelmansche wereld altijd
hebben staande gehouden tegenover de Sunnieten, de oudere richting.

Men neemt wel eens aan, dat de godsdienst van Mohammed zijn aanhangers
volkomen afkeerig maakt van al, wat naar liberalisme zweemt. Toch
ziet men zeer geloovige Mohammedanen in de beste verstandhouding
met ongeloovigen verkeeren, en de triomfen van het modernisme in
Konstantinopel en overal, waar Jong-Turken wonen, bewijzen wel,
dat de Islam geen beletsel is voor de nieuwere ideeën. Maar als
men die Mohammedanen ontmoet, die zoo liberaal zijn, dan is het
honderd tegen één, dat het Sunnieten zijn, wier ruimere opvatting,
inschikkelijkheid en beminnelijkheid, als men het zoo mag uitdrukken,
een scherpe tegenstelling vormen met het fanatisme der Sjiïeten.

Hoe kon Hussein die secte stichten? Hij deed het door zijn dood
bij Kerbela, waaromheen de volksfantasie veel wonderen heeft
gegroepeerd. Mohammed, de Profeet, was op 8 Juni 632 gestorven, zonder
rechtstreeks een opvolger te hebben aangewezen. Zijn schoonvader en
vriend Aboe Bekr werd tot des profeten plaatsvervanger, tot khalief,
gekozen, en Ali, neef en schoonzoon van Mohammed, wiens dochter Fatima
hij had getrouwd, werd voorbijgegaan. Nog tweemaal moest deze voor
anderen wijken; Omar en Othman, beiden vrienden en medestanders van
Mohammed, werden tot het khalifaat verheven, vóór Ali tot khalief
werd uitgeroepen. Toen hief Moawiah, de stadhouder van Syrië uit
het geslacht der Omayaden, de vaan van den opstand omhoog; Ali werd
vermoord en Moawiah behield de alleenheerschappij.

Doch Ali had zonen nagelaten, en om hen schaarde zich de partij, die
al spoedig als de partij der Sjiïeten bekend en geducht werd. Hassan,
Ali's oudste zoon, zag van zijn aanspraken af en vestigde zich te
Medina, waar hij aan vergif stierf; maar zijn ridderlijke broeder
Hussein weigerde na Moawiah's dood diens zoon Jezid te erkennen en
waagde een poging, om met behulp van zijn aanhangers in het Westen
van Perzië, in de provincie Irak, den troon voor zijn geslacht te
herwinnen. De poging mislukte; de in stilte voorbereide opstand werd
verijdeld, en in Irak met zijn getrouwen aangekomen, werd de edele
Hussein door een overmacht omsingeld en viel in de vlakte van Kerbela
onder de pijlen der Moslims.

Een gansche sagenkring omgeeft de martelaren, die bij Kerbela
vielen. In Perzië vonden die Aliden van den beginne af hun sterksten
en trouwsten aanhang, en nog verfoeien de perzische Sjiïeten
Aboe Bekr en Omar en Othman en de Abassiden als troonroovers en
overweldigers; nog wordt jaarlijks het Moharramfeest gevierd, het
groote, nationale treurfeest ter herinnering aan den dood van Ali's
zoon Hussein. Duizenden trekken ter bedevaart naar zijn graf en laten
zich, als hun tijd is gekomen, begraven in dien gewijden grond,
waar achttien leden uit de familie van den Profeet waren gevallen
en twee-en-zeventig discipelen. De moord dier martelaren heeft van
Kerbela het heiligdom van Sjiïsme gemaakt.

De stad ligt in de schaduw van palmen aan een zijtak van de Euphraat;
men ziet bij de nadering boven dadels, populieren en wilgen de koepels
der moskeeën en de spitse minarets uitsteken in een glans van goud
en edelgesteenten. Als de tijd der bedevaarten voorbij is, sluimert
Kerbela weer in met de nauwelijks 15000 inwoners.

Maar wat een leven en beweging in den bedevaartstijd! Jammer, dat
die ontsierd wordt door de gruwelijke tooneelen van bijgeloovige
boetedoening, als de dweepzucht en de exaltatie der opgewonden
menigte ten top stijgen. De helden van het geloof laten zich een
deel van het hoofd kaal scheren, omhullen zich met het wijde, witte
gewaad en brengen zich dan met een sabel bloedige wonden toe. In den
hof der moskee is intusschen de menigte samengestroomd en ziet toe,
hoe het bloed stroomt langs de hoofden, hoe het de oogen verblindt,
de kleederen rood verft, terwijl maar altijd de opgeheven hand
nieuwe slagen toebrengt. Dat geschiedt onder gezang en gebed, en de
afgrijselijke marteling wordt volgehouden, zonder dat iemand van de
duizenden moeite doet, er een eind aan te maken. Er vallen sommigen
bij neer om niet weer op te staan, en dadelijk is er een doodkist
bij de hand voor het slachtoffer van geloofsijver, dat als een held
zal worden gevierd.

De Sjiïeten hebben niet altijd in Kerbela zoo vrij hun kerkelijke
plechtigheden kunnen vieren als tegenwoordig. De abassidische khaliefen
hebben al het mogelijke gedaan, om hen tegen te werken, opdat niet
naast Mekka een mededingster van die heilige plaats zou opkomen. Maar
niets kon den ijver der volgelingen van Hussein fnuiken, en hun
volharding boezemde zelfs hun tegenstanders eerbied in. De vrijheid
van de uitoefening van hun godsdienst is hun voortaan gewaarborgd,
ook die voor de gruwelijke uitspattingen, waartoe dat geloof hen voert.



VOOR VREEMDELINGENVERKEER OP GROOTE SCHAAL AAN HET WERK.

Onze indische vereeniging »Toeristenverkeer« doet haar werk op
groote schaal en heeft het geluk, veel belangstelling te vinden
in invloedrijke kringen en bij invloedrijke personen. Zoo meldt
het jaarverslag o.a. dat er een vergadering werd gehouden in het
gouvernements-hotel aan het Koningsplein, waar de gouverneur-generaal
met het bestuur der vereeniging, tevens met den resident van Batavia
en den hoofdinspecteur der in- en uitvoerrechten en accijnzen, een
samenspreking hield over de richting, waarin de vereeniging moest
werkzaam wezen. Betreffende de geldmiddelen kon worden meegedeeld, dat
bij den aanvang van 1909 de vereeniging zich in 't bezit vond van nog
ruim f29,000, terwijl voor verschillende doeleinden reeds een bedrag
van ruim f12,600 was uitgegeven. De inkomsten hadden bestaan uit de
door het gouvernement verleende subsidie van f25,000 en uit bijdragen
van particulieren, beloopende f17,315. Het bestuur heeft zich per
request gewend tot den gouverneur-generaal, ten einde ook voor 1909
een regeeringssubsidie te mogen ontvangen; zonder subsidie toch zou
de vereeniging zich aan 't eind van 1909 zonder geldmiddelen zien.

Betreurd wordt, dat mr. J. G. Pott, na zijn benoeming tot lid van den
Raad van Indië, werd ontheven van zijn functie van gedelegeerde der
vereeniging. De heer Pott heeft zoowel bij de oprichting als gedurende
den tijd dat Z.H.E.G. als regeeringsgedelegeerde was toegevoegd, een
groot en werkzaam aandeel gehad in den arbeid van Toeristenverkeer. De
heer H. F. Stipriaan Luiscius, hoofdinspecteur, chef van den dienst der
staatsspoorwegen op Java, neemt thans de plaats van den heer Pott in.

Er zal een groote reclameplaat in den handel worden gebracht en er zal
worden gewerkt met het aardige reclameboek, »Java, the Wonderland,«
en, wat nog meer beteekent, met den hoofdinspecteur der in- en
uitvoerrechten werd in overleg getreden omtrent het gemakkelijk maken
van de visitatie van passagiers, die te Tandjong Priok debarkeeren,
zoo ook van het medebrengen van auto's gedurende het bezoek op Java,
alsmede verdere maatregelen, waardoor den toeristen, die Java bezoeken,
zoo weinig mogelijk overlast wordt aangedaan. Voorts vestigde de
vereeniging zoowel de aandacht van den gouverneur generaal als van
het hoofd van plaatselijk bestuur te Batavia op de moeilijkheden,
die zich voordeden voor de toeristen bij het verkrijgen van
toelatingskaarten. In afwachting van de geheele intrekking van
de hieromtrent bestaande bepalingen door de regeering, werd aan
de vereeniging welwillend toegestaan, deze toelatingskaarten voor
vreemdelingen in den vervolge òf door haar tusschenkomst, òf door
middel van de hotels, ter invulling te doen aanbieden.

Te Djocjakarta werd krachtige medewerking toegezegd tot het makkelijk
maken van het bezoeken van den Boroboedoer. In den pasangrahan
aldaar zullen door de vereeniging behoorlijke toiletkamers worden
ingericht. Bovendien heeft de vereeniging een toezegging gedaan van
f1000 voor een op te richten berghut of klein hotel, teneinde het
verblijf op het Idjen-plateau voor enkele dagen mogelijk te maken.

Als de hotels nu maar voor voldoende ruimte zorgen, dat het verwende
toeristenpubliek, waar men de deuren wijd voor openzet, ook werkelijk
goed kan logeeren, kan het toeristenverkeer op Java inderdaad tot
bloei komen. Cook is er al herhaalde malen met zijn gezelschappen
verschenen, en als het waar is, wat het jaarverslag meedeelt, dat
het bezoek aan Egypte en Japan in den laatsten tijd minder wordt,
zal Java zonder twijfel meer en meer in trek komen.

Het is nu al vaak genoeg door de sporadische bezoeken van vreemdelingen
gebleken, hoe aantrekkelijk er het reizen is en hoe onvergelijkelijk
schoon de natuur er zich vertoont, dat men gerust kan verwachten,
dat Java als station der internationale, rijke toeristenwereld nog
een groote rol heeft te spelen.



RECLAMEBOEKJE VOOR DE ROTTERDAMSCHE TRAMWEGMAATSCHAPPIJ.

De Rotterdamsche schilder en teekenaar J. B. Heukelom heeft een 25 tal
alleraardigste teekeningen gemaakt van tooneeltjes om er bij de vele
tramweglijnen, die de Rotterdamsche Tramwegmaatschappij heeft aangelegd
op de Zuidhollandsche en Zeeuwsche eilanden, op IJselmonde, Hoeksche
Waard, Voorne en Putten, Schouwen en Duiveland, Sint-Philipsland en
Tholen en nu het laatst op Goeree en Overflakkee, waar den 30sten
April, de tram is geopend, die het eiland in de lengte doorsnijdt.

Het zijn aardige kijkjes van stads- en dorpsgezichten, landschapjes,
oude gebouwen, lanen, waar de tram door rijdt, en zoo meer, met
talent geteekend in een trant, die, ouderwetsch of nieuwerwetsch, dat
kunnen wij niet beoordeelen, uitstekend aan het doel beantwoordt. De
Tramwegmaatschappij liet de firma Brusse de uitgaaf bezorgen, die
zich met smaak van die opdracht heeft gekweten.



MIKKELSEN NIET NAAR NIEUW-GUINEA, MAAR NAAR DE NOORDPOOL.

De deensche onderzoekingsreiziger Mikkelsen, die zoo groote plannen
had voor Nieuw-Guinea, die al in den Haag onze taal had geleerd in
het vorig najaar en het Sneeuwgebergte als ideaal voor oogen had,
waartoe hij zich voorstelde, zich bij de Lorentz-expeditie aan te
sluiten, schijnt wel beslist van dat plan terug te zijn gekomen, want
nu wordt bericht, dat Mikkelsen een poolexpeditie op het oog heeft en
dat hij hoopt mee te werken aan de ontdekking van de lijken van zijn
landgenooten Mylius Erichsen en luitenant Hagen, wier tochtgenooten
zonder hen moesten terugkeeren.

Het expeditieschip zal er een zijn, dat niet veel grooter is
dan Amundsen's Gjöa. Het moet volgens Mikkelsen's plan in het
begin van Juli bij de Faröer wezen, waar een schip uit Groenland
hem eskimo-honden komt brengen. Dan gaat het noordwaarts naar
de Groenlandsche kust, waar in de buurt van Kaap Bismarck een
overwinteringskwartier wordt gezocht en betrokken. Indien de
ijstoestanden het toelaten, wordt nog gepoogd om zoo ver noordwaarts
mogelijk een levensmiddelen-depôt aan te leggen. Dan wordt overwinterd,
en in het voorjaar wordt met den grooten sledetocht een aanvang
gemaakt, aan welken alle expeditieleden deelnemen.

Tot Lamberts Land (79½° N. Br.) wordt de kust gevolgd. Daar gekomen,
zullen Mikkelsen en twee makkers dwars over het inland-ijs het
binneneind van de Denemarken-fjord opzoeken en, langs de noordkust
daarvan gaande, kaap Rigsdagen opzoeken. Vermoedelijk bevindt zich daar
een levensmiddelen depôt van de Erichsen-expeditie. Vandaar gaat het
verder in westelijke richting, over het Peary-kanaal, welk »kanaal«
echter zeer goed kan blijken, een fjord te wezen. Die quaestie op te
lossen, is een gedeelte der taak, welker oplossing Mikkelsen zich heeft
gesteld. Zoodra de voorraad levensmiddelen zoodanig is geslonken, dat
terugkeer geboden schijnt, gaan Mikkelsen c.s. terug. Inmiddels hebben
dan de overige leden der expeditie andere nasporingen gedaan, waarbij
vooral het zoeken naar sporen van de beide verongelukte landgenooten
op den voorgrond zal staan. Ook zal in zee worden geëxploreerd om
na te gaan of de door den hertog van Orleans op diens poolexpeditie
geloode bank enkel een ondiepte of wel de onderzeevoet van een eiland
tusschen Spitsbergen en Groenland is.



REIZEN PER BALLON.

De triomfen van graaf Zeppelin schijnen in Duitschland tot flinke
resultaten te zullen leiden. De vereenigingen voor luchtvaart
zetten echt vaart achter het werk. Ze meenen reeds ver genoeg te
zijn gevorderd, om geregelde luchtvaarten te organiseeren en zoo
wil men een luchtvaartlijn openen, die volgens berichten, bij de
Lokal-Anzeiger ontvangen, bij Luzern haar uitgangspunt zal hebben,
van daar het station Friedrichshafen aan het Bodenmeer zal bereiken,
dan noordwaarts zal loopen naar Straasburg, Frankfort en Keulen,
om ten slotte Hamburg te bereiken, De luchtschepen zullen worden
gebouwd op de luchtscheepstimmerwerf van de maatschappij, die
Zeppelin's naam draagt en waar men hoopt, elk jaar tien luchtschepen
te kunnen afleveren. Ook tusschen Frankfurt en München zal een der
eerste luchtvaartverbindingen tot stand komen.



OP DEN UITKIJK.


PADVINDER VOOR ROOSEVELT.

Toen het zeker was, dat de afgetreden president van de Vereenigde
Staten een reis naar Afrika zou maken, om op groot wild te jagen,
dat hij leeuwen, olifanten en neushoorns ging schieten, had het
amerikaansche blad, de Collier's Weekly het idee, den beroemden
reiziger te doen vergezellen door een photograaf, die zich aan den
overkant van den Atlantischen Oceaan reeds vroeger naam had gemaakt
door zijn foto's van wilde dieren in hun natuurstaat. Het was de
heer A. Radclyffe Dugmore, de schrijver van het bekend geworden boek
"Nature and Photography." Terwijl Roosevelt zou hebben gejaagd met
het geweer in de hand, zou de heer Dugmore met zijn donkere kamer
mooie opnemingen hebben gedaan van de door hem behaalde triomfen. Maar
Roosevelt heeft niet de gewoonte, met anderen zijn triomfen te deelen,
en zijn zoon Kermit leek hem voldoende gezelschap als photograaf. Men
kon het niet eens worden.

Doch daarmee nam de eigenliefde van "Collier's" geen genoegen. De
lezers hadden gehoopt op sensationeele foto's; het blad was hun die
schuldig, en ze zouden ze hebben.

Dus werd besloten, dat de heer A. Radclyffe Dugmore toch zou
vertrekken, alleen of liever vergezeld door een goeden jager, die
ditmaal naar het tweede plan overgebracht, desnoods voor het schietwerk
den heer Roosevelt zou kunnen vervangen, terwijl de journalist
Dugmore, die even knap is als de photograaf van dien naam, voor
tekst en illustratie ging zorgen. Er bestond een geestig middel, om
wraak te nemen over wat men een onvriendschappelijke daad van "Teddy"
noemde, dat was, om door haast te maken, door op zijn Amerikaansch
met de toebereidselen voort te maken en ze in Amerika tot het strikt
noodige te beperken, den grooten concurrent, die zijn copy aan een
mededingenden uitgever ging geven, vóór te zijn. En dat is gelukt.

Terwijl Roosevelt nog bezig was, met de prachtige uitrusting, kozen
de heer Dugmore en zijn reisgezel het ruime sop, zetten koers naar
Mombassa, de haven, die nu al arabisch, portugeesch en engelsch is
geweest en uitgangspunt is van den spoorweg van Oeganda, en vertrokken
van daar op 30 Januari per spoor naar Nairobi, waar ze uitrusting en
proviand hoopten aan te vullen. Inderdaad vonden ze in dit nog geheel
nieuwe stadje, nog tegen de aanvallen der wilde dieren beschermd door
heiningen van prikkeldraad, en van waar men de sneeuwtoppen bespeurt
van den Kenia en den Kilimandsjaro, tegen redelijke prijzen, niet veel
hooger dan die, welke ze bij hen thuis zouden hebben moeten geven,
alles, waar ze prijs op stelden.

De Illustration en de Graphic gingen met belangstelling de
toebereidselen na van deze interessante onderneming. Toen het geschikte
oogenblik daar was, verzekerden beide bladen zich het voorrecht, om
gelijktijdig met Collier's Weekly de geïllustreerde reisaanteekeningen
te kunnen geven van den heer A. Radclyffe Dugmore, en op 24 April
gaven beide groote, europeesche bladen tekst en afbeeldingen, werk
van Roosevelt's voorlooper. Teddy moet, dunkt ons, wel een beetje
sneu kijken, als hij over eenigen tijd de tijdschriften ziet of,
eerder, van deze handigheid bericht krijgt.

Dugmore had een paar maanden voorsprong op den ex-president en geeft
nu kijkjes uit die streken, waar precies de beroemde Amerikaan zou
jagen, en van het wild, dat Roosevelt onder schot zal nemen. Maar
hij wil zoo min mogelijk dooden, wil liever slechts observator en
photograaf van de wilde dieren wezen, niet hun vijand, en als hij
een uitstekenden schutter tot reisgezel heeft, dan is dat enkel,
om verdedigd te worden in oogenblikken van werkelijk gevaar. De ver
dragende geweren laat hij aan zijn lijfwacht over; hijzelf heeft
alleen de toestellen voor photografeeren, zijn beste camera en een
tele-objectief voor de gevallen, waarin het wild onmogelijk van
dichtbij te nemen is en uit de verte moet worden gekiekt.

Bovendien is er nog een afdoende reden, waarom Dugmore niet wil dooden;
hij heeft namelijk het voorrecht gekregen, te mogen werken in een
gebied, dat een reservation is, gelegen tusschen Tsavo en Nairobi,
waar de regeering der kolonie alle jacht heeft verboden. Dus moest hij
beloven, niet te schieten of te laten schieten, behalve wanneer hij
zich in gevaar bevond en dus in een staat van wettige zelfverdediging.

Hoe weinig Nimrod hij ook was, kon de reiziger echter niet nalaten,
met bewondering te zien hoe langs den spoorweg van Mombassa naar
Nairobi een massa wilde dieren den trein naderden en een verheugenden
aanblik leverden voor de reizigers in de sleeping car. Gazellen van
verschillende soorten, zebra's, antilopen, struisvogels liepen aan
beide zijden van den ijzeren weg in ware troepen, nu eens vluchtend
voor de locomotief, dan weer wedijverend in snelheid met den trein. Er
klinkt een kreet in den waggon: "Een giraffe!" en men dringt naar de
ramen, om te zien. Geen honderd meter van den trein verwijderd staat
stil een prachtig dier met glanzige huid, geel en bruin gevlekt,
"het beeld der gratie," zooals de schrijver zegt. Het was haast
te heerlijk, om waar te wezen, vervolgt hij. We reden als door een
idealen zoölogischen tuin, die honderden mijlen ver zich uitstrekte,
en waar de dieren in volkomen vrijheid konden ronddwalen.

Na de noodzakelijke voorbereidende maatregelen begon de tocht, waarop
de jager met de camera ontmoetingen had met velerlei specimina uit
dien tuin. Mooie foto's kon hij nemen van gazellen en antilopen,
beelden, die gerust de vergelijking kunnen doorstaan met die van
G. C. Schillings, den duitschen Afrikajager op dit gebied. Soms was
de taak moeilijk, en twee- of driemaal moest het kruit meespreken,
als bijvoorbeeld toen een rhinoceros van al te dichtbij een aanval
ging wagen.

Roosevelt's gezelschap heeft het plan, van Nairobi per spoor naar Port
Florence te gaan, het Victoria Nyanza over te steken naar Entebbe,
en dan per karavaan door Oeganda te trekken om in het begin van het
volgend jaar te Gondokoro te komen en langs den Nijl naar Egypte en
Kaïro te reizen.



CENTRALE VERKOELING.

We hebben nu al veel huizen met centrale verwarming; zoowel
particuliere als openbare gebouwen worden verwarmd door
warmwaterbuizen, die overal in gangen en kamers een gelijkmatige
temperatuur handhaven, afkomstig van de stookplaats, die in de
benedenruimten het water verwarmt.

Maar centrale verkoeling!

Dat is iets, waar wij zoo oppervlakkig gezien, hier in ons land al
heel zelden behoefte aan zullen gevoelen, al komen er in Juli en
Augustus wel eens dagen voor, waarop de klank van dat woord iets
bekoorlijks heeft. Maar naast het gematigde Nederland is er ook een
»Tropisch Nederland«, en daar zal menigeen op het hooren van den
klank »centrale verkoeling« een woord van opgewonden instemming niet
kunnen onderdrukken. Het moet heerlijk zijn, in Batavia en andere
Javaansche steden, op Deli, in Menado de hitte te kunnen verdrijven
door een afkoeling van de lucht in het groot.

En waarom zouden we niet de kou even goed als het gas en het warme
of het koude water door buizen naar diegenen kunnen toe voeren,
die er behoefte aan hebben? Dat is dan ook al niet meer de droom
van een ingenieur; maar er zijn in Amerika reeds een aantal steden,
waar men in centrale werkplaatsen koude voortbrengt, die dan door
een buizennet in de huizen wordt geleid. Het tijdschrift La Nature
noemt als zulke plaatsen New York, Boston, St. Louis, Baltimore, Los
Angeles, Norfolk, Denver en Kansas City. De kou wordt voortgebracht
door ammoniakmachines.



EEN OUDE BADPLAATSVERORDENING.

Dat in vroeger tijden de reglementen, die aan badplaatsen golden,
nog vrijwat strenger waren dan die, waaraan de badgasten tegenwoordig
moeten gehoorzamen, blijkt uit een verordening, die op den eerwaardigen
leeftijd van 360 jaren kan terugzien. Ze is afkomstig uit het jaar
1548 en gold in het toen beroemde badplaatsje Tobelbad bij Graz. Het
Hertogdom Stiermarken, dat toenmaals in het bezit van de plaats en
de geneeskrachtige bronnen was, had de verordening uitgevaardigd.

Er was een paragraaf in, die bepaalde, dat van de beide baden het
eene alleen door edelen, hoogwaardigheidsbekleeders en burgers mocht
worden gebruikt, terwijl het andere voor de armen was bestemd en voor
menschen met besmettelijke ziekten.

De baduren waren van des morgens vier uur tot negen en van twaalf uur
's middags tot vier uur; in den overigen tijd waren de baden gesloten,
opdat de "ketelknecht" het water kon laten afloopen, de baden weer
vullen en de kamertjes schoonmaken kon.

Schelden en vloeken waren streng verboden; wie het gebod overtrad,
werd vóór een rechtbank gedaagd van zes mannen, die uit en door de
badgasten gekozen werd. Als men weigerde te verschijnen, kon men
zelfs met zweepslagen ertoe gedwongen worden. Betaalde boeten werden
door een daarvoor aangestelden penningmeester in ontvangst genomen
en maandelijks onder behoeftige badgasten verdeeld.

Ook voor de zedelijkheid zorgde een der paragrafen. Men mocht in
het bad niet gaan zonder hemd, dat bovendien met een gordel om het
lijf moest worden vastgehouden. Wie tegen het voorschrift zondigde,
kon door het gerecht der zes mannen met boete of met lijfstraf worden
getuchtigd.



ENGELAND EN DUITSCHLAND IN DUITSCH ZUIDWEST-AFRIKA.

Het onderzoek van het diamantenopleverende achterland bij de
Lüderitzbaai en 't plaatsje Lüderitzbucht in Duitsch Zuidwest-Afrika
dringt natuurlijk ook wat verder zuidelijk door en stuit daarbij
tegenover het kleine Pomona-eiland, dat in Engelands bezit is,
op moeilijkheden, in den vorm der concessie aan het engelsche
Pomona-syndicaat.

Die maatschappij heeft haar recht tot een guano-land- en mijnontginning
in 1863 van den Bethaniërhoofdman gekregen, met wien twintig jaar
later ook de Bremer koopman Lüderitz onderhandelde, daardoor den grond
leggend voor Duitschlands eerste Afrika-kolonie. In 1886 bevestigde de
duitsche regeering die concessie, zoodat het syndicaat het uitsluitend
eigendomsrecht verkreeg op de Pomona-mijn met twee engelsche mijlen
land er rond omheen.

Het samentreffen nu van aanspraken van Duitschers en Engelschen zal
waarschijnlijk naar de »Lüderitzbuchter Zeitung« bericht, tot klachten
leiden, die bij gebrek aan een hoogere instantie vóór het »Obergericht«
in Windhoek moeten komen.



KENNIS.

Behalve voor den onderwijzersstand is er in het leven niet veel parate
kennis noodig, die trouwens ook maar al te vaak parade-kennis is. Te
weten, waar men de dingen vinden kan, is voldoende.



NIEUWE HAVEN AAN DE ROODE ZEE.

De nieuwe haven Port Soedan aan de Roode Zee, die vooral
als handelsentrepôt voor den Soedan van groote beteekenis kan
worden, werd op 1 April door den khedive geopend te midden eener
schitterende vergadering van egyptische en anglo-egyptische notabelen
en autoriteiten, onder wie de gouverneur-generaal lord Wingate. De
nieuwe haven, die boven Soeakin is verkozen, munt uit door uitstekende
haven en is door een spoorweg over Berber met Khartoem verbonden.

Charles Boissevain zegt in zijn pas verschenen »Tropisch Nederland«:
»Sinds de Berber-Soedanspoorweg gereed kwam, is Khartoem niet alleen
bereikbaar langs den Nijl, of--de Nijlbocht afkortend,--door de
woestijn van Wadi-Halfa, maar nog beter langs den korten weg van Port
Soedan dwars door de woestijn naar de rivier. Dit is de handelsweg naar
Soedan! Het ijzeren spoor is gelegd langs de oude route der karavanen.«



HET GENOT VAN DEN JAVAAN.

Ieder volk heeft zijn eigenaardige liefhebberijen, waarin het
zijn genoegen zoekt; men zou zelfs van een onbekend volk den aard
kunnen vaststellen naar de wijze, waarop het zich in zijn geheel
of individueel vermaakt. De bewegelijke westerling vliegt met zijn
rijwiel zelfs over onbegaanbare wegen, beklimt dikwijls voor de eer
en een enkele maal voor zijn genoegen de toppen der hoogste bergen;
met deze hoogten niet tevreden, stijgt hij met een luchtballon de
lucht in en laat er zich op voorstaan, de grens bereikt te hebben,
waar alle dierlijk leven ophoudt; 't is hem een genot in de snelste
spoortreinen te zitten; de vlugste stoombooten brengen hem niet
spoedig genoeg om de aarde, vroeger onmetelijk groot, nu voor den
waren globetrotter gereduceerd tot een gemakkelijk te overzienen bol.

Vergelijk daarbij den kalmen oosterling, laat mij liever zeggen den
Javaan; hij moet wel met den stroom mee, maar stribbelt er toch zoo
lang mogelijk tegen; het liefst vermijdt hij alles, waaraan gevaar
verbonden is; een voetreis vindt hij het zekerste middel, om zich
te verplaatsen, vermoeienis kent hij niet, evenmin de waarde van
den tijd; wil hij zijn doel vlug bereiken, wel dan gaat hij boven
op zijn paardje zitten, en het beestje brengt hem in twee derde
van den tijd over, dien hij te voet zou noodig hebben; het non plus
ultra van een genoegelijke reis vindt hij de sapie- of karbouwenkar,
langzaam maar zeker de steilste helling op en even traag af. Bergen
beklimmen? Onnoozele gedachte! Moet hij ze op, om er zijn brood te
verdienen, geen berg is hem te hoog, geen pad te steil, maar voor je
plezier te klauteren en de kans te loopen, met gespleten schedel in
een ravijn terecht te komen, zie, dat is wel het dolste, waartoe een
redelijk denkend mensch kan komen.

Reizen, de zee oversteken, zijn leven toevertrouwen aan het broze
vaartuig op de onbetrouwbare zee, die, nu spiegelglad, straks bergen
en dalen vormt om ervan te rillen en, alsof het een bonbon geldt,
een schip met man en muis inslikt, neen, die liefhebberij laat hij
liever aan anderen over.

Na volbrachten arbeid kalm thuis zitten uitrusten, zijn karbouwen
bewonderen, naar zijn tortelduiven luisteren, als hij ze bezit, zich
door moeder de vrouw de stram gewerkte ledematen laten masseeren,
mein Liebchen, was willst du noch mehr? Kan men zich een aangenamer
bestaan denken, dan rustig buiten het wereldsch gewoel te blijven?

                                    Uit G. Stoll's "Kiekjes op Java".



WAT TE DOEN, OM DE LUIHEID DER PHILIPPINO'S TEGEN TE GAAN?

De Amerikanen hebben het probleem op te lossen, dat zich aan alle
kolonizeerende naties voordoet, die bezittingen hebben in de heete
luchtstreek, namelijk hoe de inboorlingen ijverig en begeerig naar
arbeiden te maken. En onder alle vadzige stammen zijn de Moro's van
de Philippijnen het allerluiste, en ook de andere stammen zijn niet
veel beter, zoodat alle pogingen, hen wakker te schudden, mislukt zijn.

En toch hebben de Engelschen succes gehad in hun nabijliggende
maleische bezittingen op Malakka; daar heeft het engelsche gouvernement
bereikt, dat de inboorlingen smaak in werken hebben gekregen. De
Maleiers beschouwden eerst allen handenarbeid als alleen voor
vrouwen geschikt en voor slaven en zouden het een schande rekenen,
als ze een stuk gereedschap hanteerden. Tegenwoordig is er een
merkwaardige verandering in hun beschouwingen gekomen, en ze geven
bij de werkzaamheden in den landbouw, waartoe men ze heeft weten te
brengen, blijk van een handigheid, waartoe men hen niet in staat zou
hebben geacht.

Hoe hebben de Engelschen dat vraagstuk op zoo bevredigende wijze
opgelost?

Eenvoudig door de invoering van chineesche werkkrachten. Honderden
en duizenden koelies, die als mijnwerkers, aardwerkers of
als plantage-arbeiders in dienst zijn genomen, verdienen loonen,
die, gelet op hun spaarzamen geest, hen in staat stellen, binnen
korten tijd voor hun doen rijk te worden. En de Maleiers, die voor
hun oogen zien, hoe de Chineezen, arm en ellendig tot hen gekomen,
snel bezitters worden, komen onder den indruk van dat verschijnsel
en worden door het voorbeeld gewonnen.

Willen de Amerikanen de natuurlijke hulpbronnen van hun grooten
Archipel ontginnen en op de rechte waarde leeren schatten, dan moeten
ze ook besluiten, Chineezen toe te laten, om daardoor tevens de zeer
wezenlijke intellectueele en corporeele gaven van de Philippino's tot
hun recht te doen komen. Maar als ze het verbod van vestiging, dat
voor de Chineezen geldt, opheffen, en aan de gestaarten vergunnen,
in de kolonie bezit te verwerven, zullen de gele broeders dan niet
te snel veld winnen en zullen ze er zich wel toe bepalen, aan de
Philippino's aanschouwingsonderwijs te geven?



DE SCHEEPVAART TUSSCHEN HET MEER VAN GENÈVE EN LYON.

De aanstaande kanalisatie van de groote rivieren van Zwitserland,
waardoor men binnen enkele jaren per boot van Bazel naar Genève zal
kunnen varen, maakt de verwezenlijking van een ander plan dringend
noodig, namelijk van het plan, om Lyon te verbinden aan het toekomstig
waternet van meren en rivieren, die bevaarbaar zijn, door de Rhône
te kanaliseeren.

Te dien einde spreekt men van het in 't leven roepen tusschen
Seyssel en Fort l'Ecluse van verschillende sluizen, waarvoor men de
opeenvolgende vallen in de rivier kan aanwenden; ieder van de sluizen
of dammen zou met behulp van een lift of een bijzondere sluis door
de schepen moeten worden gepasseerd.

Het verschil in niveau van 80 meter, dat bestaat op de Rhône
tusschen de beide genoemde plaatsen, zou overwonnen moeten worden in
verschillende instanties, door een reeks of ladder van sluizen, die
aan de schepen volkomen veiligheid verzekerde. Fort l'Ecluse ligt,
als bekend is, aan de grens, en Seyssel, of liever de beide stadjes
Seyssel, want er zijn er twee, één in het departement van de Ain en
één in Boven Savoye, liggen 25 of 30 kilometer stroomaf.

Dit gemakkelijk te verwerkelijken plan, dat in het geheel niet lastig
zou wezen voor de industrieën, die langs de rivier gevestigd zijn
of er zouden ontstaan, wint gaandeweg aanhangers onder de ingenieurs
en wordt populair bij de aanwonende bevolking, die natuurlijk groot
belang heeft bij de vermeerdering en verbetering der gemeenschapswegen
tusschen Genève en Lyon.



IN EN OM AMERSFOORT.

Lezer, kent gij den naam Flehite? Mogelijk wel, als ge namelijk
uw vaderlandsche geschiedenis tot in kleine bijzonderheden hebt
bestudeerd, want het was de naam van een landstreek waar het oostelijk
deel der provincie Utrecht toe behoorde, en die al in het jaar 777 door
Karel den Groote aan de Sint-Maartenskerk te Utrecht werd geschonken.

In Amerfoort worden de menschen telkens aan dien naam herinnerd door
hun Flehite-museum aan den Westsingel. Het mooie, in oudhollandschen
stijl opgetrokken gebouw dateert van 1878, toen de oudheidkundige
Vereeniging, die ook reeds den naam Flehite droeg, na een onderzoek van
grafheuvels op de heide in de omstreken der stad door het vinden van
urnen en andere voorwerpen, op de geschiedenis betrekking hebbende,
aanleiding vond tot het stichten van het Museum. Men begon op kleine
schaal in een kamer van het stadhuis, maar bracht de verzameling in
1890 over naar een eigen gebouw, dat in 1898 vernieuwd werd, zoodat
in Mei 1899, dus juist tien jaren geleden, het tegenwoordige gebouw
kon worden geopend.

Het telt tien kamers, in een waarvan urnen, steenen en bronzen
voorwerpen, uit grafheuvels opgedolven, worden tentoongesteld;
een ander vertrek stelt een tot in kleinigheden trouw gevolgde
zeventiende-eeuwsche keuken voor, terwijl in een tweede gekluisd
vertrek grafzerken worden bewaard en oude steenen overblijfselen uit
Amersfoorts verleden. In de voor twintigste-eeuwsch gebruik bestemde
ruimten wordt, zooals bij voorbeeld in de bestuurskamer, het verleden
gehuldigd door oude schilderijen, regentenborden, stamboomen of platen,
op historische gebeurtenissen betrekking hebbend. Zoo ziet men in de
bibliotheekkamer alle prenten, op de inhaling van den Amersfoortschen
kei doelend, die in 1661 plaats had, tentoongesteld.

In andere zalen zijn antiquiteiten ondergebracht als glaswerk,
munten, penningen, zegels, wapens, sieraden, kinderspeelgoed en
wat niet al! Den grooten burger Johan van Oldenbarnevelt, die te
Amersfoort geboren werd, is eer bewezen door een vitrine, die geheel
gevuld is met souvenirs aan hem en zijn werk. Oude kleederdrachten,
oude vrouwelijke handwerken, oud smeedwerk, houtsnijwerk, dat alles
krijgt de bezoeker van het, dagelijks voor een dubbeltje geopende,
museum te zien en te bewonderen. Bezoekers der stad, ook zomergasten,
zullen goed doen, zich dit hoekje voor rustige en belangwekkende
beschouwing te herinneren, als de regendagen hen in huis houden of
althans het langdurig verblijf in de buitenlucht onmogelijk maken.

Met mooi weer hebben ze natuurlijk reeds dadelijk hun schreden
gericht naar Birkhoven, het groote, nieuwe sportterrein, dat
de stad in den laatsten tijd is rijker geworden en dat een zoo
groote aantrekkelijkheid voor Amersfoort belooft te worden. Het
gemeentebestuur heeft, met zijn tijd meegaande en gedachtig aan de
groote beteekenis, die het bezit van mooie plekjes natuur voor een
stad en haar bewoners heeft, verleden najaar aangekocht het landgoed
Birkhoven, dat door den dood van mevrouw de douairière Cock Blomhoff
ten verkoop werd aangeboden. De zeer uitgestrekte bezitting ten westen
van de stad in de richting van de Baarnsche en Soestdijker bosschen
zal later, voor wat het dichtst bij de stad gelegen gedeelte betreft,
uitstekend als bouwterrein dienst kunnen doen, maar voorloopig heeft
men er een andere bestemming aan gegeven. De gemeente heeft namelijk
een plek open grond van tien hectaren, geheel omgeven door dicht en
hoog opgaand geboomte, verhuurd aan een te Amersfoort opgerichte
Naamlooze Vennootschap, die er een sportterrein, aan alle eischen
des tijds voldoende, heeft ingericht.

Men stelt zich voor, er harddraverijen, wedrennen, sportfeesten
van allerlei aard, tentoonstellingen en alle openluchtspelen te
doen houden, waarvoor de heerlijke boschrijke omgeving wel moet
uitlokken. Reeds is er een begin gemaakt en enkele welgeslaagde feesten
hebben den roem van Birkhoven reeds heinde en ver verspreid. Het
eerste optreden naar buiten van de Naamlooze Vennootschap Maatschappij
tot exploitatie van feest-, sport- en tentoonstellingsterreinen
»Birkhoven«, gevestigd te Amersfoort, heeft plaats gehad op Woensdag
28 April, waarbij het terrein feestelijk werd geopend.

Het was een concours hippique, waarmee de driedaagsche wedstrijden der
Militaire Sportvereeniging besloten werden en dat mede uitgeschreven
was door de Vereeniging tot bevordering der Paardenfokkerij in
Nederland. De groote tribune, waar men gezellig aan tafeltjes kan
zitten, terwijl in het achterste gedeelte banken zijn aangebracht, was
dicht bezet, al was het weer niet in alle opzichten, zooals men zich
het bij zulk een feest zou wenschen, want daarvoor waaide het te hard,
zoo dat men de ervaring kon opdoen, dat het niet kwaad zou wezen, als
de tribune gedeeltelijk met glas kon worden afgeschut. Op de breede,
800 meter lange baan werden achtereenvolgens een hinderparcours
afgelegd; een wedstrijd gehouden van éénspannen, toebehoorende aan
landbouwers, wier uitsluitend bedrijf de landbouw is, welke paarden
gespannen moesten zijn vóór een tilbury of sjees; verder een kamp
tusschen rijpaarden, om er het bestgaande van te bekronen. Ze moesten
toebehooren aan en bereden worden door officieren of particulieren,
leden of donateurs der Militaire Sportvereeniging, of het moesten
paarden wezen van de troepen der cavalerie of artillerie; dan nog
werd er een concours d'adresse gehouden voor paarden, die nog nooit
in een spring- of jachtconcours een eersten prijs hadden gewonnen, en
ten slotte een springconcours om surprises voor juniores, niet ouder
dan 17 jaar. Daarvoor waren er zes deelnemers, die in den sprong
de opgehangen prijzen moesten grijpen. Wij herinneren even aan de
namen der prijswinners, den tweeden luitenant der huzaren J. Knel,
den eersten luitenant der veldartillerie J. J. van Santen en den heer
D. van der Grift, landbouwer te Baarn.

Het welgelukte sportfeest, reeds door andere gevolgd, is een goed
begin geweest, maar Birkhoven is niet alleen een aanwinst voor de
sportvrienden in Amersfoort en omstreken, neen, het is een uitgezocht
plekje voor zomergasten, voor toeristen, voor gewone wandelaars en
fietsers, voor allen, die het buitenleven liefhebben en in de mooie
natuur, vooral, waar ze nog niet al te druk door stedelingen wordt
opgezocht, zich graag vermeien.

De bosschen, gedeeltelijk gemengde, gedeeltelijk dennenbosschen,
beslaan een groote oppervlakte heuvelachtig terrein, zijn door
keurige wandelpaden doorsneden, hebben aardige rustieke banken,
door baas Jansen gemaakt, die vroeger bij den heer Otto Stork in
Hengelo heeft gewerkt, en zijn er te aantrekkelijker om, nu er een
uitstekend hotel en café-restaurant, dat ook den naam Birkhoven draagt,
het uitgangspunt kan zijn van wandelingen en fietstoeren, het centrum,
waar men rust en verkwikking kan vinden en een prettige gelegenheid om
te logeeren. Het modern ingerichte huis heeft negen ruime logeerkamers,
intercommunale telefoon, wordt met acetyleengas verlicht volgens een
nieuw geheel gevaarloos procédé en wordt door een ervaren hôtelier,
den heer S. K. Kielder, een Fries, met ambitie en ijver bestuurd.

Om zijn belangstelling in de zaak te toonen, die het wezenlijk belang
van Amersfoort slechts ten goede kan komen, heeft het gemeentebestuur
een geheel nieuwen weg naar Birkhoven laten aanleggen. Die weg loopt
voor een groot deel door dennenbosch, is 17 meter breed, waarvan 5
meter bestraat met klinkers en aan elken kant een fiets-, een wandel-
en een rijpad. Eerst volgt hij tot de halte Vlasakkers de lijn van den
Centraalspoorweg en komt dan in de bosschen van Birkhoven. Die korte
verbinding met de heerlijke wandelingen maakt het mogelijk den minder
mooien weg van Soest links of eigenlijk rechts te laten liggen. De
nieuwe weg begint aan het station, sluit aan het andere einde aan op
den weg Amersfoort-Baarn en is in het geheel 2400 meter lang.

De stad der keientrekkers gaat onder den tegenwoordigen burgemeester
krachtig vooruit. Hare nieuwe geschiedenis belooft niet minder
belangwekkend te worden dan haar oude het was. De naam »keientrekkers«,
aan de bewoners gegeven, herinnert aan een gebeurtenis uit de
zeventiende eeuw. In het jaar 1661 werd een reuzenkeisteen of eigenlijk
een brok graniet van ongeveer zes bij negen voet en peervormig van
gedaante, op de heide aan den weg naar Utrecht op de hoogte van Soest
gevonden. Onder leiding en op initiatief van jonkheer Everhard Meyster,
die het landgoed Nimmerdor aan den Arnhemschen Weg bewoonde, werd de
steen op 7 Juni 1661 naar Amersfoort gesleept en op de Varkensmarkt
opgesteld. De slede, waarop de reusachtige steen stond, werd door
een paar honderd menschen getrokken. Vandaar de naam »keientrekkers«,
aan de Amersfoorters gegeven.

Met muziek en gejuich werd de kei plechtig ingehaald, en naar de
gewoonte dier dagen werden er penningen geslagen, om het heugelijk
feit te herdenken, en die penningen onder het volk uitgedeeld. Op
een schilderij in het museum Flehite is het feestelijk binnenhalen
afgebeeld. Maar de pret over het bezit van den met moeite verkregen
steen, duurde niet zoo heel lang; er kwam oppositie van verschillende
zijden en al in 1664 sloeg men spotpenningen op het feit van het
inhalen. Tien jaren later verdroot de toenmalige stadsregeering de
beweging, die om den steen was gemaakt, en ze liet het groote blok
graniet ter plaatse in den grond verdwijnen. De niet meer zichtbare
steen maakte echter ook later nog de belangstelling gaande; er werden
overdreven voorstellingen van gegeven en het was als een openbaring,
toen in 1856 bij het leggen van buizen voor de gasleiding men op
den steen stootte en dus de ware afmetingen leerde kennen. Er waren
toen enkelen, die voor opgraving pleitten; maar hun plan kwam niet
tot uitvoering.

Nog 47 jaren zou het blok blijven liggen in den grond, toen, in 1903,
heeft men het weer voor den dag gehaald tusschen den Wilhelminaboom
en het toenmalige hotel Müller, en ongeveer op dezelfde wijze als
in 1661 heeft men den steen naar zijn tegenwoordige standplaats,
aan gene zijde van de brug nabij het politiebureau in het Plantsoen,
vervoerd. Heel Amersfoort vierde bij die gelegenheid feest, en alle
couranten vermeldden de keihistorie, een niet onaardige aanleiding, om
de gedachten der twintigste-eeuwers bij een betrekkelijk nietig voorval
uit het verleden te bepalen, en het schijnt voor de verlevendiging van
den historischen zin bij ons volk niet verkeerd, zulk een aanleiding
niet te laten voorbijgaan.

Er was toen een »Keicommissie«, die den 1sten Mei op de Varkensmarkt
aan het graven toog, maar eerst er niet in slaagde, den steen te
vinden. Men was al tweemaal 24 uur aan het werk, toen men nog het
spoor niet had. De oudjes, die zich iets van de ligging herinnerden
uit het jaar 1856, waren het niet eens over de plaats. Trouwens dat
jaar 1856 schijnt zelfs niet vast te staan, ten minste, hoewel het
in de »Wandelgids voor Amersfoort en omstreken« genoemd wordt als
het jaar, waarin de steen bij het leggen der gasbuizen werd gezien,
vermelden de dagbladen van het jaar 1903 daarvoor het jaartal 1859.

Men zette toen het zoeken voort den heelen nacht door en omstreeks
zes uur in den morgen van den 3den Mei werd op aanwijzing van den
oud-directeur der vroegere gasfabriek op een andere plaats gepeild
dan de vorige dagen, en de kei werd gevonden. De feestcommissie stelde
den 28sten Mei vast als den dag, waarop 's middags om twee uur onder
opperste leiding van jonkheer Everard Meyster zelf de »Plechtige
Keitrekking« zou plaats hebben. Men maakte er zoo een historischen
optocht van, die uitstekend is geslaagd. Herauten en trompetters
trokken des morgens om acht uur al door de stad, om de blijde tijding
te verkonden, dat de Amersfoorters hun kei weer zouden kunnen zien,
en welke feestelijkheden er bij de plaatsing in het Plantsoen zouden
plaats hebben. Op een eigenaardig driehoekig voetstuk staat daar
nu het groote granietblok, omgeven door met kettingen verbonden
zandsteenen palen.

Laat mij nog even de historische herinnering aanvullen met te
vertellen, dat die merkwaardige jonkheer Everard Meyster om drie
duizend guldens met zijn makkers gewed had, dat hij den steen alleen
met menschenhanden in de stad zou brengen. Als zonderling schijnt
hij bekend te zijn geweest, maar deze grap van bewoner van het buiten
Nimmerdor heeft per slot van rekening wel succes gehad. Volgens een
oud verhaal »solageerde een kar met bier en kraekelingen de manhafte
keytrekkers«. Een door Everard Meyster in 1669 gestichte Doolhof op
heuvelachtig terrein bij de stad is thans door den tegenwoordigen
eigenaar, den heer Tromp van Holst, als wandeling in den ouden vorm
hersteld.

Het later weer begraven van den steen moet vooral in verband hebben
gestaan met den spot van buitenlanders en wel met dien van de
Franschen, die in Amersfoort verblijf hielden van 8 Juni 1672 tot
13 November 1673. Onder al de oorlogsrampen ook nog uitgelachen te
worden door de vroolijke Franschen, dat was te erg, en de steen des
aanstoots werd op bevel van den magistraat weggeruimd en, daar vervoer
te moeilijk was, liet men hem zinken.

Wie in Amersfoort vertoeft, gaat nu den herplaatsten steen natuurlijk
zien, en een paar andere merkwaardigheden, die hem niet zullen ontgaan,
zijn de Lieve-Vrouwentoren en de Koppelpoort, echte oude monumenten
van het verleden. De toren is 92½ meter hoog en doet denken aan den
dom van Utrecht, maar hij is sierlijker en maakt meer den indruk
van rankheid. Hij dateert uit de eerste helft der 15de eeuw en heeft
behoord bij een kapel, waarmee hij door middel van een gemetselden
boog over de straat was verbonden; maar die kerk, die de gewone
geschiedenis van zooveel kerkgebouwen in ons land had, van eerst
door de Katholieken, later door de Hervormden te zijn gebruikt, werd
nu juist een eeuw geleden gesloopt en de prachtige gothische toren
overleefde het gebouw, waarbij hij had behoord.

Niet minder oud en interessant is de Koppelpoort, de laatst
overgeblevene der eens zoo talrijke poorten, die de stad moesten
verdedigen. Langzamerhand was de eene poort na de andere onder de
hand van den slooper gevallen, en hetzelfde lot dreigde ook de
Koppelpoort, maar de herlevende liefde voor onze oude gebouwen,
die zich in de tweede helft van de vorige eeuw deed gelden, strekte
haar beschermende hand over die mooie poort en haar omgeving uit;
er werd een kapitaal bijeengebracht voor de restauratie, en een van
Amersfoorts fraaiste merkwaardigheden is erdoor behouden gebleven.

Mooie oude gevels is de stad rijk in de Muurhuizen en een overblijfsel
van den ouden stadsmuur is bewaard gebleven in twee oude torens, door
een hooge steenen brug over het water verbonden, het Monnikendam. Van
die antieke waterpoort heeft men een mooi, ruim uitzicht, maar voor
bekoorlijke vergezichten moet men zijn op den Amersfoortschen berg,
waar bij voorbeeld bij het Paviljoen een verrukkelijk panorama te
bewonderen valt. Ook van het hotel De Berg heeft men van de veranda bij
de ruime bovenzaal een aardig kijkje, zoo ruim, dat men bij gunstig
weer de schepen op de Zuiderzee kan onderscheiden. Schilderachtig
kronkelt de Eem door de weilanden, en duidelijk onderscheidt men de
torens van Soest, Baarn, Hilversum en den watertoren bij Laren.

Is dit reeksje van namen niet genoeg aanwijzing, in welk een schoone
omgeving Amersfoort is gelegen? Denkt men, dat de Vuursche en Soestdijk
en huis ter Heide alle in de buurt te vinden zijn, dat de Pyramide van
Austerlitz, het doel van zoo menig uitstapje, gemakkelijk te bereiken
is langs een grintweg door de hei, dat de buurtschap Oud-Leusden maar
een stapje is, waar groote landgoederen als de Treek, de Heiligenberg,
Lokhorst, Zwanenburg e.a. liggen met de heerlijke wandelingen, dan
kan ieder begrijpen, hoe bevoorrecht Amersfoort is uit het oogpunt
van het bezit van natuurschoon.



HET BOSCH.

De vele boomen en de weinige menschen, die maken het bosch zoo mooi.



OP DEN UITKIJK.


DE EZEL IN HET ZUIDEN.

Als een ezel verstandig kon nadenken en er zoo iets als een
wereldbeschouwing op na hield, moest hij wel troosteloos pessimistisch
wezen en zich overtuigd voelen, dat er op aarde geen recht is te
krijgen, ten minste niet voor zijns gelijken. Niet genoeg, dat de
mensch hem kastijdt en ranselt en alles uit hem haalt wat hij aan
kracht kan leveren, zijn naam wordt bovendien zonder piëteit als
scheldnaam gebruikt.

Maar is de ezel werkelijk zoo'n ezel, of heeft de miskenning van de
natuur van den ezel zijn naam zulk een boozen klank gegeven? Die vraag
laat zich niet beantwoorden, zonder dat men eerst eens goed aan het
onderscheiden gaat. De europeesche ezel, zooals wij hem kennen, is,
als een ontaarde spruit van den wilden afrikaanschen en aziatischen
ezel, slechts een zwakke afstraling van het ezeldom. Hij is, al klinkt
dat niet vleiend voor de menschen, als menig ander huisdier in den
dienst van den mensch dommer geworden en al achterlijker, zwakker en
stompzinniger, naarmate hij meer naar het Noorden werd verplaatst.

Als echt dier van het Zuiden heeft hij voor zijn ontwikkeling, voor
de ontplooiing van zijn talenten, droogte en gelijkmatige warmte
noodig, en hoewel hij overigens nog wel de kunst verstaat, zich naar
ongunstige omstandigheden te schikken, heeft hij maar een gering
weerstandsvermogen tegen kou en vocht. De wilde ezel, dien men van
Syrië over Arabië en Perzië tot in Indië vindt, de middelaziatische
halfezel en de groote, schoone steppenezel van Somaliland, ze zouden
er vrijwat tegen hebben, ons grauwtje te erkennen als huns gelijke in
de familie Asinus, want zij bezitten vuur, snelheid en slimheid, en
laten niet op treurige manier den kop hangen als de ezel in ons land.

Nog hooger op de ontwikkelingsladder staan de ezels, die bij de
bezoekers van Egypte zoo goed bekend zijn, de rijezel, waarvan de
mooiste en statigste exemplaren uit een kruising van den wilden ezel,
Onager, met tamme ezelinnen zijn voortgekomen en die vaak hooger in
prijs zijn dan een rijpaard van gemiddelde hoedanigheid. Egypte heeft
het ideale ezelklimaat en langoor ontwikkelt zich aan den Nijl dan ook
tot een elitedier, in welks schalksche oogen veel te lezen staat, en
welks temperament menigeen, die ook wel graag een ruiter wou wezen,
heel wat te stellen heeft gegeven. Men moet dien egyptischen ezel
liefkrijgen, want zijn gewilligheid wordt misschien alleen overtroffen
door zijn volharding en zijn bescheidenheid. De ezeljongen geeft hem
's morgens voor het begin van den tocht zijn voer en dan eerst weer
des avonds, nadat het dier soms 30 tot 40 kilometer door het diepe
woestijnzand met een stevigen Germaan op zijn rug heeft afgelegd. Dan
is het toch geen wonder, als de dappere langoor op den terugweg enkele
teekenen van vermoeidheid niet kan verbergen, waaraan men dan den
naam van koppigheid geeft en die met slagen worden beantwoord.

Veel minder waard dan de egyptische ezels zijn de
zuid-europeesche. Reeds in Zuid-Frankrijk is de ezel maar in
betrekkelijken zin een goed lastdier. Toch wordt hij er nog al druk
gebruikt, maar minder in Italië, waar de huisdieren over het algemeen
worden verwaarloosd en met name de ezels bij de krachtiger muildieren
achterstaan. Het meest treft men hem nog aan in sommige provincies
van Spanje en heel veel in Spanje's hoofdstad. Daar, in Madrid,
neemt het dier aan een heele reeks beroepen en bedrijven deel. Maar
het grillige klimaat van Madrid met de snijdend koude winden in den
winter bekomt langoor niet te best, en mooi zijn de spaansche ezels
dan ook volstrekt niet, al zijn ze erg bemind bij de menschen. De
melkezelinnen zijn karakteristieke verschijningen in de straten van
Madrid in de vroege morgenuren. Ezelinnenmelk wordt er op hoogen prijs
gesteld, vooral als geneesmiddel bij de in de stad zooveel verspreide
borstziekten. Van huis tot huis worden de ezelinnen gedreven en op
de plaats zelve gemolken.

Die ezelinnen hebben het goed evenals de deftige ezels in keurig tuig,
wier huid met de grootste zorgvuldigheid wordt behandeld. Daarentegen
is menig ezeltje van een arme waschvrouw er droevig aan toe en
voor de groentekarren is hun lot ook dikwijls weinig benijdbaar,
zoo min als wanneer hun rug onder bloemen schuilgaat, wanneer zij
de vrachten Florakinderen naar de bloemenmarkt brengen. »Burro«,
dat is de spaansche vertrouwelijke naam van den ezel, heeft in het
land der citroenen en amandels een druk en bedrijvig bestaan, maar
op een enkelen dag van het jaar wordt hij prachtig versierd en in
optocht naar het klooster van den H. Antonius gebracht, waar alle
ezels dien dag den zegen ontvangen, een oase, die 17de Januari,
in het leven van menig arm, zwoegend ezeltje.



INVOERING VAN BIJEN OP HET EILAND SAIPAN.

De groep der Marianen, die in de Stille Zuidzee ten oosten van
de Philippijnen ligt, is een duitsche kolonie. In de Deutsche
Kolonialzeitung van 8 Mei vertelt Dr. Dwucet, die er verblijf
houdt, hoe hij er in geslaagd is, bijen in te voeren op Saipan,
het belangrijkste eiland van de groep.

Het tropische klimaat van den archipel, zoo vertelt hij, brengt
veel mildbloeiende gewassen voort. Maar desniettegenstaande zijn
er op de eilanden nooit bijen geweest, zooals de inboorlingen mij
hebben verzekerd, die onze nuttige honiggaarsters zelfs niet bij naam
kenden. In het jaar 1905 kwam ik voor onderwijsbelangen naar Saipan,
en eenigen tijd na mijn komst, toen ik het eiland eenigermate had
leeren kennen en mij met de verschillende bloeiende planten bekend
had gemaakt, kreeg ik de overtuiging, dat de bij op het eiland zeker
zeer goed zou gedijen. Ik besloot, er eens een proef mee te nemen.

De overheid gaf mij in dezen volle vrijheid, en van een bevriend
scheepskapitein had ik vernomen, dat op de ten noorden van ons gelegen
japansche Bonin-eilanden zeer druk met bijen werd gewerkt. Ik verzocht
den kapitein, op zijn volgende reis van Japan uit de eilanden aan te
doen en voor ons eenige volken mee te brengen. Den 31sten December
bracht hij ons op zijn "Paula" vier volken mee in japansche kasten. De
japansche gouverneur der Bonin-eilanden had de bijen aan ons bestuur
ten geschenke gegeven.

Nadat de kasten op de ervoor in gereedheid gebrachte plaats waren
neergezet, onderzocht ik ze en vond, dat in iedere kast meer dan
de helft der bijen dood was; de lange zeereis van 16 dagen op
een zeilschip, opgesloten in de tropische hitte, heeft veel kwaad
gedaan. Tot mijn groote vreugde vond ik echter de koninginnen in
goeden toestand. De kasten werden dadelijk schoongemaakt en in orde
gebracht. Korten tijd achtereen voederde ik, ofschoon er juist veel
bloeide, om broedaanzet te krijgen, en ik zag er goede resultaten
van. Den 2den Maart, dus na twee maanden, kwam al een eerste sterke
zwerm naar buiten, den 5den Maart een tweede, die even groot was als
de eerste; toen volgden nog verscheiden met vrij groote regelmatigheid
het heele jaar door; alleen in Augustus, September, October en November
was de zwermlust gering.

Daar het er mij vooreerst maar om te doen was, de vermeerdering der
volken zooveel mogelijk te bevorderen en minder op de opbrengst aan
honig te werken, heb ik het zwermen zijn gang laten gaan. Op die manier
heb ik in het eerste jaar 48 zwermen gekregen, waarvan echter eenige
naar de wildernis zijn ontkomen. In Augustus en September zijn zes
volken te gronde gegaan, zonder dat ik de oorzaak heb kunnen nagaan.

De bijenstand bestond aan het eind van het eerste jaar, in Januari
1908, uit 37 volken in bijenkasten, ongeveer drie centenaars honig
en bijna 24 pond zuivere was.

Om bij de inboorlingen de belangstelling voor de bijenteelt te wekken,
heb ik de grootere schooljongens voor allerlei werk te hulp geroepen
en ik gaf hun op die manier practisch les in het bijenkweeken. In den
laatsten tijd hebben ze reeds al het werk in de imkerij zelfstandig
kunnen doen. Als prijzen voor knap werk met mooie resultaten gaf ik
aan de jongens telkens een zwerm cadeau. Enkele inboorlingen hebben
zich bijenkasten met bijen gekocht van onze regeering, die een volk
met kast voor zeven en een halven mark verkocht. De prijs is zoo laag
gesteld, om de zaak onder de inboorlingen ingang te doen vinden.

De bij is op Saipan vlijtig en steekt zoo goed als niet. Deze
ingevoerde schijnt een product van de kruising der italiaansche met de
koreaansche bij. Ook bij het grondigste werk in de kast heb ik nooit
een sluier of handschoenen gebruikt, en ook de schooljongens deden
het er zonder. De bijen zijn zeer zwermlustig en, wat ik vaak heb
waargenomen, ook bij zeer regenachtig weer gaan ze uit, om honig en
stuifmeel te halen. Als vijanden der bij doen zich op Saipan voor de
hagedissen, de mieren en een soort van kevers, die hier kakkerlakken
worden genoemd.

De tijd der hoofddracht begint op Saipan al in December en duurt
bijna tot einde Mei. Al dien tijd doen de bijen zoo hard mogelijk
haar werk. Als ik toen veel kunstraat te mijner beschikking had gehad,
zou de honigvoorraad nog driemaal zoo groot zijn geweest.

Bijna alles wat op het eiland bloeit, wordt door de bijen bezocht,
de bananen, de kokospalmen, de gomboomen en duizend andere bloeiende
gewassen.

Om ook op het eiland Rota in onze buurt met bijen een proef te doen,
zond ik in April 1908 aan den daar gevestigden zendeling, pater
Corbinian, die zich voor de bijenteelt zeer interesseerde, twee van
mijn eigen kasten met bijen. Gedurende zijn slechts kort verblijf
op Saipan heeft hij aan alle werkzaamheden deelgenomen en zich het
meest wetenswaardige over de bijenhuishouding eigen gemaakt. Na een
mij reeds bekend geworden bericht van Rota is het ook daar met de
bijen uitstekend gegaan en de honigoogst is overvloedig.

Even goed als Saipan zal ook het eilandje Tinian wel geschikt zijn
voor het bedrijf. Ik was juist voornemens daar een proef te wagen,
toen mijn vertrek de uitvoering van het plan verhinderde.

De Saipanhonig is van zeer goede hoedanigheid; aroma en smaak
verraden terstond de tropische herkomst, die het product zachter
maakt van smaak en geur. Het pond honig is op Saipan voor één mark
verkocht. Dadelijk in het eerste jaar bracht de imkerij 115 mark
voor honig en bijen op. Dat resultaat bewijst duidelijk, dat een
intensieve bijenteelt op Saipan mogelijk is; maar de omstandigheid,
die de zaak bezwaarlijk maakt, is de naar alle richtingen te groote
afstand van een afzetgebied voor honig en was.

En ten slotte vertelt de heer Dwucet, dat hij van huis uit geen
bijenkweeker is, dat hij al wat hij van de bijen en het bedrijf weet,
uit goede bijenboeken heeft geleerd en dat hij een paar malen een
practische imker bij zijn werk heeft bezig gezien. Maar de liefde tot
de zaak was groot bij hem en daardoor is het hem gelukt, de bijen
in te burgeren op de Marianen en de inboorlingen op te wekken tot
belangstelling in de bijenteelt.

In ons Indië houdt men, meenen wij, wel hier en daar bijen; maar
zonder twijfel zijn er honderden ambtenaren, die op hun standplaatsen
het voorbeeld van den Duitscher zouden kunnen navolgen, en ook
particulieren zouden, als ze in de zaak belangstelden, een nuttig
werk kunnen doen door invoering van de nijvere bijtjes in hun omgeving.



KUNST EN PUBLIEK.

De kunst is er voor het publiek, niet voor de kunstenaars; dus behoeft
een kunstwerk zich niet te schamen, als het in den smaak valt van
het publiek.



EEN EN ANDER OVER SHACKLETON'S EXPEDITIE.

Uit de berichten, die over de belangrijke zuidpoolexpeditie van
luitenant Shackleton nog in de bladen zijn verschenen, zij nog
meegedeeld, dat de bestijging van den Erebusvulkaan den 5den Maart
1907 volbracht werd door luitenant Adams, Sir Philip Brocklehurst,
prof. Edgeworth David, A. Forbes Mackay, Eric Marshall en Marson. Tot
op een hoogte van 1650 meter konden ze met de slede doordringen. Daarna
droegen ze hun uitrusting en bereikten op den avond van den 7den Maart
2850 meter hoogte. Hier werden ze door een hevigen sneeuwstorm dertig
uren opgehouden. Den 9den werd de tocht voortgezet en bereikten ze
den ouden krater ter hoogte van 3350 meter. Deze werd onderzocht
en er werden fumarolen ontdekt. De oude krater was met veldspaath,
puimsteen en zwavel gevuld. De 4000 meter hooge top, waar zich de
nieuwe, werkzame krater bevindt, die 8000 meter in middellijn wijd
is en 240 meter diep, werd den 10den bereikt. Denzelfden dag werd
met de afdaling begonnen en den 11den was men weer bij Kaap Royds.

Toen begonnen de stationswaarnemingen, die het geheele jaar 1908
door werden volgehouden. Bij Kaap Royds liggen eenige kleine
zoetwatermeren, die een rijk leven vertoonden aan microscopische
dieren, als infusoriën, raderdiertjes e.a. De raderdiertjes hebben
een bijzonder taai leven, daar ze verscheiden jaren in het ijs der
meren kunnen blijven leven. Ze kunnen niet alleen zeer lage en zeer
hooge temperaturen verdragen, maar ook zeer sterke zoutoplossingen.

Op den bodem der meren werden veel fungusachtige planten gevonden,
die door de raderdiertjes met graagte werden verslonden, zoodra de
laatste ontdooid waren. In Juni 1908 was de Erebus sterk werkzaam, en
den 14den Juni werden bij maanlicht verscheiden goede photografieën
der uitbarstingen genomen. Den geheelen winter zag men veel mooie
Zuiderlichten, die het meest aan den oostelijken hemel voorkwamen,
zelden in de richting van de magnetische pool.

De motorsleden bleken voor tochten over landijs en de oppervlakte
van het ijs van den Rossgletscher ongeschikt, en dus konden ze ook
niet worden gebruikt voor den grooten opstoot naar de pool. Voor
het zee-ijs daarentegen deed de Arrol-Johnstonmotor goede diensten,
trots de lage temperaturen. Er werden van het winterkwartier uit
veel sledevaarten in verschillende richtingen gedaan, de eerste in
Augustus naar de ijsbarriere, en de tijd van den 22sten September tot
den 13den October 1908 werd gebruikt voor het aanleggen van een depot
ten behoeve van de ontworpen reis zuidwaarts op den Rossgletscher. Het
werd aangelegd op 79 graden, 36 minuten Z.B. en 168 graden O.L.

De groote reis naar de Zuidpool, waaraan buiten Shackleton, Adams,
Marshall en Wild in het begin ook Brocklehurst, Joyce, Marson,
Armytage en Priestley deelnamen, werd op 29 October begonnen. Voor
het trekken der sleden werden vier pony's meegenomen, nadat reeds
in Maart 1908 vier van die belangrijke dieren gestorven waren,
daar ze zand hadden gegeten. Levensmiddelen werden voor 91 dagen
meegenomen. Den 7den November keerden Brocklehurst, Joyce, Marson,
Armytage en Priestley om, en op den 13den November werd het genoemde
depot bereikt. De dagelijksche porties werden nu al verminderd.

De tocht was moeilijk door de zachte sneeuw, die afwisselde met
de "sastrugi" of sneeuwruggen. Op 81 graden en 4 seconden werd
een paard gedood en een depot van olie, beschuit en paardevleesch
achtergelaten. Den 28sten November werd het tweede paard gedood en op
82 graden, 45 minuten Z.B. en 170 O.L. weer een depot aangelegd. Den
30sten November moest ook het derde paard zijn leven laten.

Den 2den December trof men het rotsgesteente; de Rossgletscher liep
ten einde en men zag het naar het Noordoosten ombuigende randgebergte
vóór zich. Over een gletscher van dat gebergte ging het van af
den 5den December verder. De gletscher had gevaarlijke spleten,
zoodat men den 6den December maar 550 meter verder kwam. Den 7den
verloor men het laatste paard door een val in een gletscherspleet,
en nu moest elk lid van den tocht zelf een slede trekken. Den 8sten
December begon een nieuwe gletschertocht, die tot den 18den duurde,
en waarbij alleen door voortdurend met touwen verbonden te blijven
de deelnemers voor een val in een spleet werden behoed. De hier
bereikte hoogte bedroeg 2000 meter. Op 85.10 graden werd weer een
depot aangelegd en de laatste aanloop begon na nog een vermindering
der dagporties. Den 26sten December stond men na overwinning van
verscheiden ijsvallen op een plateau van 2700 meter hoogte, dat
trapsgewijze tot 3150 meter steeg. Die ketens hielden den volgenden
dag op, en Shackleton besloot, om de uitputting der medeleden door
koude en ijle lucht, nog een laatste depot aan te leggen.

Van den 7den tot den 9den Januari werd men door sneeuwstormen in de
tent en de slaapzakken vastgehouden, en den 9den werd ten slotte de
hoogste breedte van 88.23 graden bereikt. Een groote vlakte breidde
zich naar het Zuiden uit.

Tot de geologische vondsten van deze reis behoort de ontdekking van
kolenlagen in het kalkgesteente en van sporen van groote vroegere
vergletschering. Het aantal der overschreden bergketenen is acht,
waarvan de toppen tot 3600 meter reiken. De Zuidpool zelf moet, naar
Shackleton vermoedt, op een 3000 tot 3500 meter hoog plateau liggen.

De terugreis ging natuurlijk langs denzelfden weg. Gebrek aan
levensmiddelen en uitputting verzwakten de leden meer en meer. Gelukkig
werd men in het begin door de zuidenwinden wat geholpen, die men nu in
den rug had, zoodat soms tot 46 kilometer per dag werd afgelegd. Den
27sten was Marshall aan het eind van zijn krachten en moest onder de
hoede van Adams worden achtergelaten. Shackleton en Wild spoedden zich
naar het winterkwartier vooruit en troffen de intusschen teruggekeerde
"Nimrod", van waar ze hulp voor hun kameraden kregen.

De afdeeling, die naar de magnetische pool opbrak, bestond uit David,
Marson en Mackay. Zij bereikte de oostkust van Victorialand bij Butter
Point op 77.40 Z.B., trok over het zee-ijs noordwaarts tot 75 graden
en beklom het hoogland in het binnenland in de laagte tusschen den
Mount Nansen en den Mount Larsen. De magnetische zuidpool lag op een
hoogte van 2000 meter op 72.25 Z.B. en 154 O.L., terwijl de ligging
naar de berekeningen van de Discovery-expeditie 72.51 Z.B. en 156.25
O.L. was aangegeven. Toen de afdeeling naar de kust was teruggekeerd,
zag ze zich doordat het zee-ijs van daar middelerwijl was weggedreven,
van de verbinding met kaap Royds afgesneden. Ze werd echter den 4den
Februari 1909 door de "Nimrod" gevonden en aan boord genomen.



ERRATUM.

Het onderschrift der illustratie op blz. 166 in dit nummer is door
den zetter verkeerdelijk onder de bovenste illustratie van blz. 165
geplaatst en omgekeerd. De welwillende lezer gelieve deze fout te
verontschuldigen.



ZIGEUNERS IN ZEVENBURGEN.

De Zigeuners in Zevenburgen hebben in Europa het zuiverst hun taal,
zeden en gewoonten bewaard. In de taal zijn slechts weinige romaansche
en slavische woorden opgenomen, terwijl de Zigeuners, uit bij voorbeeld
de Hongaarsche laagvlakte, gekleed als de paardenherders uit die
streken, de tsjikoschen, een veel meer gemengde taal spreken. In
Zevenburgen dragen de Zigeunermannen het haar in krullen, en de
vrouwen hebben naar voren hangende vlechten, waar ze zilverstukken
in vlechten. Getrouwde en ongetrouwde zijn door de haardracht te
onderscheiden, want de eerste laten de vlechten loshangen over de
borst, en de laatste binden de uiteinden van achteren samen. Het
aantal eigenaardige gebruiken, dat in het Zigeunerleven een rol
speelt, is eindeloos, even talrijk als hun bezweringsformules bij
ziekte en ongeluk.

Deze Zigeuners hebben een rijke litteratuur van liederen, sprookjes
en sagen, waaruit opvallend blijkt, dat dit volk in den grond nobel
van karakter is, en inderdaad wie hen tot zijn vrienden weet te maken,
vindt in hen niet het leugenachtige bedelvolk, waar ze voor doorgaan,
maar een hartelijk en naïef menschenslag.


Ze leiden in Zevenburgen een zwervend leven; maar dikwijls laten ze
zich voor langeren tijd in een of ander dorp neer, zonder er echter
ooit huizen te bouwen. Ze werken er dan in daghuur, zijn kalk- en
kolenbranders, maar allereerst smeden, die het liefs ketels lappen. Ook
de vrouwen gaan werken op de velden, in de tuinen, aan het houtdragen,
en doen aan het waarzeggen in het dorp. In dat laatste zijn ze knap,
en het is bijna niet te gelooven, met hoeveel slimheid ze van de
roemeensche vrouwen geld of kleedingstukken loskrijgen.

Hier is een voorbeeld:

Een Zigeunervrouw komt in een huis. Ze vraagt, of ze der huisvrouw
de kaart mag leggen en voegt erbij, dat ze er niets voor begeert en
het enkel uit vriendschap voor de boerin wil doen. De vrouw stemt
toe. Nu leest de Zigeunervrouw met iets plechtigs in haar stem uit
de kaarten, dat de boerin veel vijandinnen heeft en dat die een groot
ongeluk over haar hoofd zullen brengen.

De Roemeensche is bang geworden. Ja, ze heeft vijandinnen, welke
roemeensche vrouw zou die niet hebben! Maar wat moet ze doen? Ze
vraagt de vreemde vrouw raad.

»We zullen het ongeluk afwenden,« zegt deze, »maar moeilijk is het,
want gij hebt te veel vijandinnen, die machtig zijn. Ik wil echter
beproeven, u te helpen.«

Ze verlangt een glas water, dat men haar brengt. Nu neemt ze drie
stukjes kool uit het haardvuur en werpt die in het water. Dan gaat
ze op den grond zitten, draait het glas onafgebroken in het rond en
mompelt in al grooter wordende opwinding: »Se trese riului din capu
lui, din casa lui, din totje!« (Het booze verdwijne van u, van uw
hoofd, uw huis en allen!) Dan verlangt ze aarde van alle vier hoeken
van het huis, plaatst het glas erop, maakt een kruis, en de boerin
moet een zilverstuk in den mond nemen. En weer mompelt ze bezweringen,
en kijkt strak vóór zich, beeft als in grooten angst, en ook de boerin
heeft het angstzweet op het gelaat. Nu vraagt ze een tweede geldstuk,
legt dit in het water, en de Roemeensche moet met den voet op negen
penningen gaan staan. En weer beginnen de bezweringen.

Eindelijk is de ceremonie ten einde. De Zigeunervrouw gaat opstaan
en verklaart, dat nu de booze geesten gevlucht zijn, maar dat ze nog
kunnen terugkeeren. Om dat te verhinderen en opdat de betoovering
langer zal werken, moeten de beide zilverstukken thans in een
nieuw kleedingstuk worden gebonden, dat voor een enkelen dag door
de waarzegster moet worden begraven. En daarna gaat de vrouw heen,
en de boerin ziet noch het geld, noch het kleedingstuk ooit terug.

Al gaan de Zigeuners in Zevenburgen wel aan het werk, al zijn ze
behalve smeden en ketellappers, ook wel kooplui in glaswerk en potten
en pannen of in houten lepels, zooals soms in dekens en tapijten, toch
blijven de arbeid en de handel altijd bittere noodzakelijkheid. Als
het niet volstrekt moet, voeren ze niets uit en loopen doelloos
rond. De welgestelden onder hen, die niet gering in aantal zijn,
versmaden elk werk en ook het bedelen. In hen woont nog iets van den
trotschen geest der oude Brahmanen, die zich de weelde veroorloofden,
alles te verachten, ook het leven en zichzelven.



DR. J. D. E. SCHMELTZ.

Op den 70sten verjaardag van Dr. J. D. E. Schmeltz, den directeur
van het Ethnographisch Museum te Leiden, konden zijn vrienden en
de verdere belangstellenden constateeren, hoe flink en opgewekt de
jubilaris was, die een goede gezondheid genoot. Helaas, dat hij
slechts zoo kort dien feestdag mocht overleven! Op den Vrijdag,
die op den Maandag, den 17den Mei volgde, vatte Dr. Schmeltz koude,
die tot een ernstige longaandoening leidde en die hem op Woensdag
den 26sten Mei ten grave sleepte.

Johannes Diedrick Eduard Schmeltz werd in Hamburg geboren en genoot
geen wetenschappelijke opleiding. Door toevallige omstandigheden
kwam hij in zijn vaderstad in aanraking met den heer Godeffroy,
hoofd van een aanzienlijk handelshuis, tevens beoefenaar der
land- en volkenkunde, die voor eigen rekening een ethnographisch
museum stichtte, aan het hoofd waarvan Schmeltz in 1863 werd
geplaatst. Hierdoor kwam hij in aanraking met wetenschappelijke mannen
in Duitschland, die in den ijverigen man grooten aanleg voor land- en
volkenkunde ontdekten. In 1882 werd het Museum Godeffroy opgeheven,
omdat de zaken van de firma minder gunstig liepen, doch Schmeltz
zag zich benoemd tot conservator van het Rijks Ethnographisch Museum
te Leiden.

Dr. Serrurier, destijds directeur van het Leidsche Museum, zag in
den heer Schmeltz een kracht voor die instelling, en hij heeft zich
in hem niet bedrogen gezien.

Toen dr. Serrurier in 1897 als directeur bedankte, werd de heer
Schmeltz eerst tijdelijk met de leiding belast en later als directeur
benoemd.

Intusschen had deze laatste inzonderheid door vele bijdragen op het
gebied der land- en volkenkunde naam gemaakt in de wetenschappelijke
wereld. Hij werd benoemd tot lid van verschillende geleerde
genootschappen, verwierf de gouden medaille van het Keizerlijk
Genootschap voor Ethnographie en Natuurlijke Historie te Moskou,
en de universiteit te Leipzig bevorderde hem in 1896 op grond zijner
geschriften tot doct. phil.

Niet het minst werd zijn naam gevestigd als redacteur van het
"Internationales Archiv für Ethnographie."

Als directeur van het Museum was het zijn streven, deze instelling
tot haar recht te doen komen in binnen- en buitenland bij de mannen
der wetenschap en bij ontwikkelde leeken; maar de hoogst onvoldoende
lokaliteit waarin de verzamelingen geborgen waren, werkte hier remmend.

Nu en dan organiseerde hij bijzondere tentoonstellingen en
museumwandelingen.

Dr. Schmeltz was ridder in de orde van den Nederlandschen Leeuw en
ridder in de orde van den Rooden Adelaar 4 klasse van Pruisen.

Van den catalogus, die Schmeltz met behulp van Juynboll, Marquart,
Fischer e. a. bezig was te maken, heeft hij geen enkel deel voltooid
zien verschijnen.



MEER STEENKOLEN IN NEDERLAND.

De opsporing van delfstoffen, die van rijkswege plaats heeft, kan in de
laatste weken op succes bogen in haar onderzoek bij Winterswijk. Daar
werd na talrijke mislukte pogingen op 623 meter diepte ten slotte
het steenkolengebergte bereikt en werd reeds een weinig steenkool
afgeboord, zeer gasrijke kool. De boring zal nu nog aanmerkelijk dieper
worden voortgezet, zoo mogelijk tot circa 1200 M., de einddiepte die
men voorloopig gemakkelijk met mijnbouw bereiken kan; het doel is na
te gaan op welke kolenlagen men tot op die diepte kan rekenen. Op
het oogenblik ondervindt, naar verluidt, de boring moeielijkheden,
daar men in een scheur in het gesteente geraakt is.

Wat te Winterswijk de vondst bijzonder belangrijk maakt, is ten eerste
de mogelijkheid om zeer goed zout èn steenkolen tegelijkertijd uit
één mijn te delven en verder dat schachtaanleg hier zoo bij uitstek
gemakkelijk zal zijn, daar dit wel zoowat de eenige plek van ons
land is, waar men direct in vasten steengrond naar beneden kan gaan,
zonder eerst eenige honderden meters losse, vaak gevaarlijke gronden,
vol water, met bevriesmethodes of andere kostbare procedés te moeten
doorgraven.

Het schijnt niet verwacht te worden, dat in dit gedeelte van Nederland
een uitgestrekt aaneengesloten kolenveld zal liggen, gelijk b.v. in de
Peel, waar nu reeds een even groote oppervlakte als de Haarlemmermeer
bekend geworden is. In het Oosten des lands verwacht men slechts
geïsoleerde velden, die alleen voor afzonderlijke mijnen geschikt
kunnen zijn. Dit is daardoor te verklaren, dat hier over het algemeen
de steenkolenvorming en ook het daarover liggend zout, dat in de
Peel niet voorkomt, zeer diep liggen, doch er komen hoogere plekken
voor, een soort van ondergrondsche bergplateau's en slechts op deze
is mijnbouw mogelijk, terwijl daarnaast alles veel te diep ligt. Het
onderzoek door proefboringen heeft juist ten doel deze hoogere punten
op te sporen. Dit onderzoek wordt ijverig voortgezet. Men boort thans
in Zuid-Barge in Drenthe; of er nog verdere dergelijke plekken zullen
gevonden worden, blijft af te wachten. Naar verluidt zijn reeds bij
Haaksbergen vrij gunstige resultaten verkregen.



LIEVER PRUIS DAN OLDENBURGER!

Dat is tegenwoordig de leus van een menigte inwoners van het
vorstendommetje Birkenfeld, dat, tusschen Trier en Coblentz gelegen,
geregeerd wordt door den hertog van Oldenburg naar de niet al te wel
doordachte bepaling, door het Weener Congres in 1815 gemaakt. Die
enclave op Pruisisch grondgebied telt 43000 inwoners, over een
oppervlakte van 502 kilometers verspreid.

In den loop van de jaren heeft men al dikwijls geklaagd over de
zonderlinge gril, die dit stukje gebied in het hart van Pruisen onder
het ver verwijderde oldenburgsche gezag bracht. Om aan de verlangens
van de bevolking tegemoet te komen, heeft men ten minste de drie
kantongerechten onder het Pruisische Landgericht te Saarbrücken,
en het Oberlandesgericht te Keulen geplaatst 27 Mei 1909.

Over de oldenburgsche regeering hebben de Birkenfelders trouwens niet
te klagen gehad, daar zij hun ook in andere opzichten ter wille geweest
is en met hun belangen rekening gehouden heeft. De groothertog Peter
kwam vroeger ook dikwijls onder zijne Birkenfelders vertoeven. Maar
met dit al is de strooming in Birkenfeld voor een aansluiting bij de
Pruisische Rijnprovincie aldoor sterker geworden. De Birkenfelders
stellen nu een ruiling van gebied tusschen Oldenburg en Pruisen voor,
waarbij Oldenburg, als schadeloosstelling voor Birkenfeld, een stuk aan
de pruisische grens zou krijgen. In dien geest heeft de afgevaardigde
voor Birkenfeld onlangs in den oldenburgschen Landdag gesproken.

Het is een steenachtig bergland, dat tot den Hunsrücke behoort en
waar de bovenloop der Nahe door loopt. De landbouw levert niet genoeg
op voor de behoeften der bevolking, al is het klimaat in de dalen
zacht genoeg, zoo zelfs dat er hier en daar nog aan wijnbouw kan
worden gedaan. Meer bekend dan de hoofdstad Birkenfeld is Oberstein,
om de agaatslijperijen, die er zijn. Het regeeringscollege, dat uit
een president en twee leden bestaat, zetelt te Birkenfeld en staat
onmiddellijk onder het ministerie van het groothertogdom Oldenburg.



WANDELEN OM DE WERELD.

Van een Rotterdammer, den heer G. W. Kriesz, die een reis om de
wereld maakt met zijn vriend, den Skandinaviër Erik Welen, heeft het
Museum voor land- en volkenkunde te Rotterdam eenige halssierraden
ten geschenke gekregen, die uit vruchtenpitjes vervaardigd zijn en
gestuurd zijn uit Honoloeloe. De heeren doen den grooten tocht op de
meer en meer gebruikelijke manier per pedes apostolorum, levend van
de opbrengst, die ze halen uit den verkoop van briefkaarten met hun
portret. De wandeltocht heeft tot hier toe nog niet zoo heel veel van
dat, waar hij voor wil doorgaan, want ze zijn te Denver in Colorado
begonnen en al is het al een heele wandeling naar de Stille Zuidzee,
van daar naar de Hawai eilanden moest het wandelen behalve op het dek
van de stoomboot worden opgegeven, en hoe ze van de Sandwich-archipel
verder wandelen meldde de geschiedenis tot nog toe niet.



GEORG VON NEUMAYER OVERLEDEN.

Op 82-jarigen leeftijd is na korte ongesteldheid de voormalige
directeur van de groote Deutsche Seewarte in het laatst van Mei
overleden te Neustadt an der Haardt. Georg Neumayer is een man van
beteekenis geweest, de schepper van het veelomvattende observatorium
voor den zeedienst te Hamburg. Een geleerde was hij van wereldreputatie
en daarbij iemand, die de wetenschap geheel in den dienst stelde van
den maatschappelijken vooruitgang. De praktijk was voor hem de zaak,
waar het op aankwam, en in den loop van zijn lang leven is hij haar
altijd trouw gebleven. Zijn talrijke geschriften over zeevaartkunde,
over meteorologie, aardmagnetisme, weervoorspelling in het belang
van de zeevaart, leggen daarvan een sprekend getuigenis af. Aardig
is in dit opzicht ook zijn werk "Anleitung zu wissenschaftlichen
Beobachtungen auf Reisen", dat eenige malen herdrukt is.

Hij was geboren te Kirchheim-Bolanden in de Palts op 21 Juni 1826,
had aan de Polytechnische school en aan de universiteit te München
gestudeerd, en toen hij in 1850 daarmee klaar was, ging hij in de
school des levens op 24 jarigen leeftijd nog eens op de leerbanken
zitten en verschafte zichzelven de gelegenheid tot de practische
beoefening der aardrijkskundige, meteorologische, en aardmagnetische
wetenschappen door als gewoon matroos groote zeereizen te maken. Vooral
de raad van Maury, den Amerikaanschen geleerde, had hem daartoe
gebracht. Het resultaat is dan ook geweest dat Neumayer als beoefenaar
der zeevaartkundige wetenschappen weinig meerderen heeft gehad, want
aan zijn oefening in en door praktijk waren degelijke wetenschappelijke
studiën, onder leiding van mannen als Reindl en Lamont te München,
voorafgegaan. Koning Max II van Beieren zond Neumayer in 1857 met
een wetenschappelijk opdracht naar Australië, in welk land hij
vroeger reeds op zijn omzwervingen als matroos-vrijwilliger was
geweest. Den 1sten Jan. 1859 werd Neumayer benoemd tot directeur
van den magnetischen opnemingsdienst in Victoria (Australië). Hij
bleef dat tot 1864, ging toen naar Duitschland terug en werd, na
eenige jaren ambteloos te hebben doorgebracht, in 1872 te Berlijn
benoemd als hydrograaf bij de marine. Al jaren lang was hij toen
bezig de stichting voor te bereiden van de Seewarte te Hamburg, welk
instituut in 1876 onder zijn leiding werd gesteld. In die betrekking
heeft hij de schitterendste blijken gegeven van zijn organiseerend
talent; hij heeft de Seewarte gemaakt tot een wereldinstituut van
den allereersten rang. Ook op zuiver wetenschappelijk gebied, en
als organisator van allerlei wetenschappelijke expedities heeft hij
onvermoeid gearbeid. De Duitsche Zuidpoolexpeditie met de Gauss, onder
leiding van Von Drygalski, is vooral aan Neumayers krachtige opwekking
te danken geweest. Zijn voornaamste verdienste voor de wetenschap en
de praktijk blijft echter zijn werk als directeur van de Seewarte.

Op den langsten dag van dit jaar zou hij 83 jaar zijn geworden.

Zijn 80ste geboortedag is indertijd door vrienden en vereerders tot
een luisterrijken feestdag voor hem gemaakt.



MEI 1909 EN ANDERE MOOIE MAANDEN.

De heerlijke maand Mei, die wij dit jaar gehad hebben, heeft een mooi
record gemaakt; zij toch heeft, naar uit Engeland wordt bericht, het
grootste aantal uren zonneschijn gegeven, die in de laatste vijftien
jaar officiëel zijn opgeteekend, en wel 262 uren tot en met den 28sten.

Tot nu toe was de beste maand Juli 1900 met 261.1 uur, dan volgen
Juni 1908 met 245.7, Augustus 1904 met 230.3, April 1909 met 219.7
en September 1895 met 193.9 uur.

In een dagboek, dat niet in het bijzonder om het weêr wordt gehouden,
maar waarin er nu en dan opmerkingen over worden gemaakt, lazen we
eens na, of de bedoelde maanden ook tot bijzondere opmerkingen hadden
aanleiding gegeven, en of zij dus ook in ons land als zeer rijk aan
zonneschijn waren geboekt. Er is natuurlijk veel kans, dat het weêr
in Engeland en hier in hoofdtrekken overeenkomt, maar we ervaren toch
telkens, dat er groote verschillen kunnen bestaan ook.

Nu lezen wij juist voor Juli 1900: "Leelijk weêr geweest, veel regen en
geen zon van 19 Juni tot 11 Juli." Maar tegen het eind van de maand:
»'t Is prachtig weêr steeds, maar heel warm! Soms 88 Fahrenheit in
de schaduw nog tusschen 5 en 6 uur." Dus schijnt hier het aanhoudend
zonnige weêr eerst den 11den in die gezegende Julimaand begonnen te
zijn en dat het toen zonder afwisseling gebleven is, blijkt uit wat
er staat bij 29 Juli: »Iets koeler; het onweert op 't oogenblik en
't is zoo donker, dat ik deze regels niet kan onderscheiden. Sinds
11 Juli nu steeds echt zomerweêr gehad.« Met dat bewuste onweêr, toen
o.a. in Lochem een man, die voor het raam zat in een arbeidershuisje
door den bliksem gedood werd midden in de stad, schijnt toen het
mooie weêr afscheid te hebben genomen, want op 2 Augustus lezen we:
»Sinds Zondag 29 Juli is het weêr veranderd; 't is winderig en niet
warm en veel regen«, en nog weer den 16den Augustus: »Het is altijd
leelijk weêr geweest met regen, onweêr en kou tot 13 Augustus.«

Over Juni 1908 heet het, dat het in de laatste dagen van Mei en
de eerste van Juni tot 4 Juni prachtig zomerweêr is geweest, heel
warm en heerlijk en dan verder nog: »Op den langsten dag was het
wondermooi weêr.«

Augustus 1904, ook al onder de in Engeland door zon bevoordeelde
maanden, schijnt hier ook bijzonder mooi te zijn geweest, ten minste er
staat bij het begin van September: »De zomer was blijkbaar te heerlijk
en te mooi om aan schrijven (in het dagboek) toe te komen. Het was
altijd prachtig weêr.«

De jongst verloopen April kon ook in ons land, wat de mooie dagen
betreft, schitterend meedoen, en ten slotte September 1895, nu
al weer veertien jaar geleden, daaromtrent komen in het dagboek
herhaaldelijk uitroepen van bewondering voor. Zoo den 5den: »Steeds
maar onvergelijkelijk mooie Septemberdagen, altijd buiten thee
drinken!«, den 9den: »Het is steeds mooi weêr gebleven«, den 19den:
»Altijd sierlijk mooi weêr!«, den 22sten: »Goddelijk mooie herfstdag,
verbazend hooge barometerstand,« den 23sten: »Zoo mogelijk noch
prachtiger weêr dan gisteren«, den 24sten: »Nog zoo onvergelijkelijk
mooi weêr,« den 27sten: »Nog dat wonderschoone weêr en die hooge
barometerstand,« en als om die heerlijke maand September 1895 alle
eer alleen te laten houden begint het al op 1 October: »Voor het
eerst na al die weken een bedekte lucht en de barometer terug tot 755«.

Men mag hier dus wel uit besluiten, dat in hoofdzaak engelsch weêr
ook hollandsch weêr is.



OP DEN UITKIJK.


PARIJSCHE CABARETS.

In de jaren na 1880 waren de cabarets, waar de kunstenaars samenkwamen,
nog zoowat tot Parijs beperkt, en eerst in het laatste tiental jaren
heeft ook in de groote steden van andere landen het cabaretwezen zich
ontwikkeld en is er zeer bemind geworden. De kunst is in alle kringen
te huis, en daarom is het cabaret, trots de democratie die er heerscht,
in de gunst van het beste publiek.

De eigenlijke stoot voor de cabaretbeweging is van het Quartier Latin
uitgegaan. Een studentengrap dreef de overmoedige club van Bohémiens,
de »Hydropathie«, in het jaar 1881 naar de streek der Apachen. Aan den
boulevard Rochechouart begonnen de clubbroeders onder het grappige
presidentsschap van den nog al aan lager wal geraakten beeldhouwer
Salis hun zonderlinge bijeenkomsten. Ze zongen en declameerden
afwisselend hun eigen gedichten en composities. Elke week kwamen ze
tot groote vreugde van de bezoekers van het lokaal samen en stelden
zich tevreden met de bescheiden gaven, hun vrijwillig geboden.

De kleine ruimte werd langzamerhand met kunstwerken van allerlei soort
gevuld door de kunstenaars, en toen de kleine kroeg al grooter toeloop
kreeg, en de naam van den beeldhouwer Salis door geheel Parijs klonk,
zagen de vrienden zich genoodzaakt, hun werkzaamheid naar een eigen
lokaal in de Rue Laval te verplaatsen. Hier bloeide de cabaret onder
den naam van Chat Noir bekend, en trok avond op avond de elegante
wereld naar Montmartre. De club was ook uitgebreid geworden; studenten
en kunstenaars, die schipbreuk hadden geleden of het met het nuchtere
gewone leven niet konden vinden, boden hun diensten aan en werden
zonder veel omslag aangenomen. Zoo kon men een aan afwisseling rijk
programma krijgen, dat naast origineele lyrische en epische gedichten
ook wel fijne satiren en gloedvolle hymnen ten beste gaf.

In aansluiting bij de voordrachten in de club gaf Salis samen met
Emile Goudeau een cabaretblad uit, de Chat Noir, waarin schetsen en
gedichten van bekende schrijvers verschenen. De illustraties van
den tekst werden door uitnemende kunstenaars geleverd, onder wie
ook de onlangs gestorven caricatuurteekenaar Caran d'Ache. In 1885
verplaatste Salis de kunstzaal naar de straat Victor Massé, waar de
Chat Noir zijn grootste triomfen vierde.

Tegenwoordig is er nog slechts een flauwe naglans daarvan over. Met
den dood van Salis is zijn schepping in verval geraakt; iets ervan is
nog blijven bestaan in het achterafgelegen cabaret »Quat-Z'Arts«, maar
het is het rechte niet. Voor eenige jaren is nu aan den boulevard de
Clichy een nieuw cabaret onder den naam Chat Noir ontstaan, uiterlijk
op den grooten voorganger gelijkend, maar in de degelijkheid der
voorstellingen er ver vandaan blijvend. Toch wordt het nog druk
bezocht. Een smalle trap leidt van de straat naar beneden in een
als herberg ingerichte kelderruimte. Aan de muren hangen groteske
en onkiesche voorstellingen, en aan het eene eind is de werkplaats
voor de kunst, een klein podium en een zware piano, en daarachter in
het midden ter grootte van een gewoon keldervenster het chineesche
schimmentheater. Een goed glaasje bier kost in het etablissement een
franc, maar de entrée is er onder begrepen.

De voorstellingen beginnen in den regel elk halfuur en duren ook
niet langer. De leider van de voorstelling verwelkomt ieder nieuw
aangekomene met een karakteristieke opmerking, die geregeld het
publiek aan het lachen maakt.

Een emancipatie van de school van Salis is het schuin tegenover de Chat
Noir gelegen cabaret »Le Ciel«, dat in het erbij behoorende cabaret
»L'Enfer« zijn completeering vindt. De gasten zitten op kerkbanken met
hooge leuningen, nemen aan een lange rechthoekige tafel plaats, worden
door monniken bediend, die ook een preek houden, en gaan ten slotte
onder het geleide van een Capucijner monnik verscheiden wenteltrappen
op naar een tooneeltje waar paradijsachtige schoonheden te bewonderen
zijn en waar door allerlei optisch bedrog den toeschouwers verrassingen
worden bereid.

De cabaretstemming wordt tegenwoordig naar de balzalen
overgebracht. Een der interessantste in dien zin is de Moulin de
la Galette. Om die bezienswaardigheid te bereiken, moet men van
den boulevard de Clichy een kleine bergtoer naar de Rue Tholozé
ondernemen. Het gaat bijna tien minuten bergop. Zelden is een koetsier
bereid, er tegen op te rijden; af en toe waagt nog eens een auto het,
maar ook zij vermijden liefst de beruchte streek der Apachen. De
zaal met alle moderne comfort heeft in haar midden een grooten
molen, die lustig draait en in rhythme blijft met de onzinnigste
dansmelodieën. Bij cotillons en dergelijke aanleidingen treedt de
molen ook nog anders in werking. Bij elke omdraaiing komen er dan
nieuwe verrassingen voor de uitgelaten dansers. Het danst er prettig,
want de inrichting is bekend voor de beste dansmuziek. Het is een
zeer gemengd gezelschap, dat er avond aan avond verschijnt.

Een door de druk uitgaande jongelui bevoorrecht lokaal is »Elysée
Montmartre«, een elegant danslokaal van Montmartre, waar automobielen
en eigen rijtuigen voor te wachten staan, behoed door lakeien. Over
breede marmeren trappen gaan de schoonen naar de prachtige zaal. Poeder
en blanketsel zijn er sterk vertegenwoordigd, en men danst er tot tegen
drie uur in den morgen, wanneer »Elysée Montmartre« de deuren sluit,
om ze overdag voor bokserswedstrijden en andere sport te heropenen.

Meer cabaretkarakter droeg vroeger de »Moulin Rouge«, die ook thans
nog veel vreemdelingen trekt. Uit het beroemde ballokaal is voor
eenige jaren een elegant variété-theater geworden, waar een stuk,
dat trekt, eenige dozijnen malen wordt gegeven. De groote »promenoir«
blijft altijd een aantrekkelijkheid der Moulin Rouge.



WONDERLIJKE TOESTANDEN IN ONZIJDIG MORESNET.

In het pruisische Huis van Afgevaardigden is de vorige maand nog
eens gewezen op de wonderlijke en afkeurenswaardige toestanden
in het landje op de grenzen van Nederland, België en Duitschland,
dat bij het Weener Congres in 1815 bij de verdeeling van Europa na
de ontreddering door Napoleon erbij is ingeschoten. Men heeft er
blijkbaar allertreurigste toestanden.

Over het door ongeveer 3400 inwoners, meerendeels Duitschers,
bewoonde landje, regeert de burgemeester van de naburige gemeente
Pruisisch Moresnet, onder toezicht van den landraad van Eupen en den
Belgischen prefect van Verviers. In het civiele recht geldt de Code
Napoléon, volgens den tekst van 1814, strafrechtelijk de Code pénal
van 1810. Wegens zijne draconische bepalingen wordt die laatste code
echter meestal niet toegepast. Wanneer inwoners onder elkaar geschillen
hebben, kunnen zij in België of in Pruisen recht zoeken. Daar zijn
ongewenschte toestanden het gevolg van.

Onzijdig Moresnet geniet volkomen vrijdom van invoerrechten, zoodat de
menschen van rechts en van links kunnen invoeren, wat zij willen. Alle
neringen en bedrijven zijn er vrij. Geen wonder, dat het kroegwezen er
meer ontwikkeld is dan ergens anders ter wereld. Slimme lieden hebben
een aantal branderijen opgericht en smokkelen jenever in België binnen,
waar zij goede prijzen maken. Het moet voorgekomen zijn, dat in België
jenever is ingevoerd in mineraalwaterflesschen, met het opschrift:
Altenberger Mineralwasser. De pogingen om een speelbank op te richten,
zijn mislukt. Toch blijft Onzijdig Moresnet het beloofde land voor
een aantal menschen van verdacht allooi: landloopers, kwakzalvers,
speculanten en allerlei andere rondtrekkende lieden. Het treurigst is
de toestand van de scholen. Er is geen leerplicht. Er zijn 5 veel te
volle klassen, in 4 ervan zitten meer dan 110 jongens en meisjes. In de
eenige meisjesklas zitten meer dan 200 kinderen. In de schoollokalen
zijn geene banken, ten minste geen banken met een tafel eraan. De
kinderen zitten in alle hoeken neergehurkt en kunnen alleen schrijven,
door hun lei in den linker arm te nemen. De luchtverversching,
of liever het luchtbederf, is van dien aard, dat onderwijzers,
onderwijzeressen en kinderen herhaaldelijk dientengevolge ziek worden.

De bevolking zelve is verbitterd, de burgemeester van Pruisisch
Moresnet houdt haar aan het lijntje, door altijd weer opnieuw te
herinneren aan de sedert tien jaren hangende onderhandelingen.

De afgevaardigde Hackenberg, een nationaal-liberaal, werd door den
heer Frantzius, directeur aan het ministerie van Buitenlandsche
Zaken, vriendelijk te woord gestaan; de regeering moest de gewraakte
toestanden erkennen, maar men moest wachten, tot een uitvoerige
overeenkomst, die de pruisische aan de belgische regeering had
overgelegd, door België zou zijn beantwoord.



ECHTE PANAMA'S, DOOR NEDERLANDERS GEVLOCHTEN.

Op de Middenstandstentoonstelling, die deze maand te Amsterdam wordt
gehouden, kan men echte Panamahoeden zien vlechten door vrouwen uit
Willemstad en omstreken, die ervoor van Curaçao zijn overgekomen. De
gouverneur van het eiland schreef aan het uitvoerend comité der
tentoonstelling, dat de regeering van Curaçao het aanbod van genoemd
comité aanvaardt en gaarne van de ter tentoonstelling aangeboden ruimte
gebruik zal maken voor de inrichting eener expositie van Curaçao'sche
stroohoeden of Panama's, waar een werkplaats voor de vervaardiging
van de hoeden aan verbonden zal zijn.

Een viertal dames heeft de zorg op zich genomen, om aan het
Nederlandsche publiek te vertoonen, hoe onze mede-Nederlanders, de
vrouwen van Curaçao, dat werk verrichten. Gelukkig, dat de vrede met
Venezuela is hersteld, want vandaar moet het beste stroo voor het
maken der Panama's komen; in den tijd, toen het met de gemeenschap
met Venezuela verleden jaar zoo slecht geschapen stond, zat men op
Curaçao met de handen in het haar, want het stroo, waarover men te
beschikken had, voldeed niet en gaf aan de hoeden niet die soepelheid
en veerkracht, die ze zoo gunstig onderscheidt.



ROTTERDAMS MUSEUM VOOR LAND- EN VOLKENKUNDE.

Er zijn groote en degelijke veranderingen op til met het Museum
te Rotterdam, dat een flinke uitbreiding ondergaat, zoodat de
verzamelingen tot hun recht zullen komen en zullen kunnen worden
vertoond op een wijze, die overeenkomt met den stand van het
tegenwoordige museumwezen en die beantwoordt aan de hooge eischen,
door den directeur gesteld, waar het hem vooral te doen is, om
het ten toon gestelde voor het publiek duidelijk en helder te doen
spreken. Hij meent, dat er van zoo'n collectie veel goeds kan uitgaan
voor de volksontwikkeling, voor de belangstelling in onze koloniën en
misschien ook voor onze nijverheid, maar daarvoor moet het geëxposeerde
gemakkelijk toegankelijk wezen en zóó zijn uitgestald, dat herkomst
en bijzonderheden goed herkenbaar zijn.

Daartoe was in het Museum gebrek aan de noodige ruimte en aan de
juiste bergplaatsen, vandaar de noodzakelijkheid der verbouwing,
omtrent welker voorbereiding het dezer dagen verschenen Verslag,
uitgebracht door de Commissie van toezicht op het Museum, over het
jaar 1908 een uitvoerige uiteenzetting geeft. Dat jaar is er een
van onrust geweest en het publiek heeft de voordeelen, aan het bezit
van het Museum verbonden, een groot deel van den tijd moeten missen,
want reeds op 1 Juli werd begonnen met het inpakken der voorwerpen,
en den 15den van die maand werd het Museum voor het publiek gesloten,
aan welk feit bekendheid werd gegeven door middel van aanplakborden
in de stad en door advertenties in de dagbladen.

Maar daarom is 1908 niet onvruchtbaar geweest voor de
instelling. »Verblijdende winste« valt er volgens het verslag te
constateeren. Er is veel nieuws bij gekomen, en met bijna 3000 nummers
is de inventaris in het afgeloopen jaar vermeerderd. Herinnerd wordt
aan de belangrijke en uitgebreide verzamelingen van den heer Hondius
van Herwerden, van Mevrouw A. Sturms-Scheuer, de heeren Mr. J. H. van
Hasselt, W. R. Vroon, Te Wechel; aan de collecties van de heeren
L'Honoré Naber, Van Hille, Barends en Müller; aan de enkele stukken
van groote waarde door de heeren Jonker, Bosman, Van Oosterzee en
den Resident der Lampongsche distrikten geschonken, bewijzende dat
het belang eener ethnografische collectie niet altijd afhankelijk
is van haren omvang. Van de aangekochte verzamelingen mogen in 't
bijzonder die van Madagascar en van de Bataklanden genoemd worden,
van Madagascar vooral, dat thans, door de medewerking van den heer
E. H. Bolten, bijzonder goed vertegenwoordigd is.

Het gehalte der verzamelingen, die ten behoeve van het Museum
bijeengebracht werden, verbetert aanzienlijk; een collectie als die
van den heer Hondius van Herwerden mag gerust een model-collectie
genoemd worden; van elk voorwerp zijn de inlandsche naam en de
plaats van herkomst aangegeven en het gebruik ervan wordt uitvoerig
omschreven. Met zorg bewerkt zijn in dit opzicht ook de verzameling
van de heeren Mr. van Hasselt en Bolten; bij eerstgenoemde gaf de
schenker daarenboven de prijzen aan van het speelgoed, dat hij op
den pasar kocht.

Het verslag geeft een lijst van de voorwerpen, ten geschenke
of in bruikleen ontvangen of door ruiling of aankoop verkregen,
en bevat tevens een prettig geschreven overzicht der tijdelijke
tentoonstellingen, gehouden in het eerste halve jaar van 1908, waarbij
de secretaris gelegenheid vond, een belangwekkende uiteenzetting
van het ikat-procédé ter verving van weefsel in zijn verslag in
te lasschen.



DE DUITSCHER, ONDER BOETEN GEBUKT GAANDE.

Ieder jaar steekt Duitschland millioenen marken in den zak, wegens
overtredingen van politieverordeningen. Let bij voorbeeld eens op een
dag in het leven van een duitschen koopman. Al vroeg opent hij zijn
vensters; de wind doet een luik kraken en werpt een bloempot omver
en in de straat: twee mark boete.

Hij schrijft aan de politie, dat hij een meid heeft gehuurd. Die
mededeeling is te laat ingekomen: vijf mark boete.

Uitgaande voor een zaak, die haast heeft, springt hij op een tram,
die in beweging is: vijf mark.

Hij heeft in zijn winkelkast een curiositeit, die een oploop
veroorzaakt: tien mark.

Zijn schilder heeft op het uithangbord bloemversieringen aangebracht,
die den voornaam van den winkelier onzichtbaar maken: vijf mark.

Om twaalf uur neemt den eeuwig beboete den metro, om thuis te gaan
ontbijten. Hij heeft zijn abonnementskaart vergeten: zes mark.

De controleur voor de nationale verzekeringen wekt hem uit een dutje,
om hem de ziektekaart te presenteeren voor zijn dienstbode. Die kaart
is gefrankeerd met de noodige zegels, maar men heeft vergeten, ze af
te stempelen: tien mark.

Die controleur wordt door een anderen gevolgd; de winkelier had zijn
zoontje den 2den Januari laten inenten, dat was twee dagen na den
wettelijken termijn: twintig mark.

Om naar zijn winkel terug te gaan, bestijgt de trouwe onderdaan
van Z. M. Wilhelm II zijn rijwiel, maar laat zijn wielrijderskaart
thuis bij ongeluk. Een agent houdt hem staande: drie mark. Om den
verloren tijd in te halen trapt hij woest voort; te groote snelheid:
drie mark. Hij rijdt door een straat, waar de passage voor wielrijders
verboden is: drie mark. In den snellen gang is zijn bel los geraakt:
een agent beboet hem, omdat de bel geen helder geluid geeft: drie
mark. Die boeten, die hem ophouden, houden hem op straat tot het
donker wordt. Hij heeft geen lantaarn: drie mark. Na het eten vergeet
hij te gaan naar de oefening van de brandweer: tien mark.

Hij vergeet bij het naar bed gaan, de gordijnen te sluiten: een week
gevangenis wegens aanslag op de zedelijkheid.

Wat een veelgeplaagd wezen is de Duitsche burger!



DE BOTTELPOORT TE NIJMEGEN WEER AAN DE ORDE.

Burgemeester en Wethouders van Nijmegen houden maar vol en hebben
den aanval op de Bottelpoort, die ze willen sloopen, hernieuwd,
nadat ze acht-en-een-half jaar geleden een dergelijk voorstel bij
den gemeenteraad hadden ingediend, dat echter met 15 stemmen van de
19 in de vergadering van 3 November 1900 verworpen werd.

Die ruïne van de voormalige Bottelpoort op het Waalplein staat daar
als een brok geschiedenis en waar er in ons land uiterst weinig
poortgebouwen uit vroegeren tijd bewaard zijn gebleven, zou het
zonde en jammer zijn, zulk een bouwkundig overblijfsel met den grond
gelijk te maken. Daarbij heeft de poort een eigenaardige beteekenis
uit constructief en architectonisch oogpunt, is geen beletsel voor
het verkeer, en het behoud zou geen aanleiding geven tot het brengen
van eenig belangrijk geldelijk offer.

Alleen is er in 1900, toen de voorstanders van het behoud getriomfeerd
hebben, wat wij hopen, dat ze nu weer zullen doen, voorgesteld, dat de
stad de poort beter tot haar recht zou doen komen, door er omheen een
aardig plekje in het leven te roepen, dat met groen en bloemen het
nieuwe leven rondom de ruïne zou vertoonen. Dan zou de Bottelpoort
hebben kunnen strekken tot verfraaiing van het stadsgedeelte, waar
ze zich bevindt; maar dat heeft men verzuimd. Als de naaste omgeving
van de ruïne volgens een zachte glooiing was afgegraven, en men daar
plantsoen had aangebracht, zou de aloude poort een schilderachtig
effect hebben kunnen maken.

Gelukkig is het daarvoor nog niet te laat, en het gemeentebestuur of
liever, de raad van Nijmegen zal thans waarschijnlijk, als zij het
voorstel tot slooping verwerpt, tevens een som uittrekken voor den
aanleg van het "Bottelplantsoen."

Het behoud van het historisch monument heeft toentertijd velen in
beweging gebracht als advocaten, die er krachtig voor pleitten. Daar
was vooreerst de minister van Binnenlandsche Zaken, Mr. Sam. van
Houten, die tot het gemeentebestuur een schrijven richtte; daar was
de Vereeniging "Gelre," die zich de beoefening ten doel stelt van
geldersche geschiedenis, oudheidkunde en rechtswezen, die herhaaldelijk
adressen inzond; daar was de heer Huf van Buren, die in de Nieuwe
Rotterdamsche Courant en daar was Jhr. Victor de Stuers, die in Eigen
Haard argumenten voor het behoud aanvoerde; daar was Dr. Cuypers,
de architect der Rijksmuseumgebouwen, die zijn gewicht ervoor in
de schaal legde; daar waren andere autoriteiten in zake bouwkunst,
die hetzelfde deden, en aan hen allen is het gelukt, de stemming in
den raad in gunstigen zin te doen afloopen.

Het had anders gespannen, want in de vergadering van 6 October 1900 was
het voorstel van Dr. F. Banning, om het sloopingsbesluit voorloopig
niet uit te voeren, met tien tegen acht stemmen verworpen. In de
tusschenliggende vier weken, die toen tot 3 November verliepen, zijn
alle zeilen bijgezet op het scheepje van niet-slooping, en het is de
behouden haven ingeloopen.

Zal dat nu ook weer gelukken? Men doet opnieuw met frisschen moed
zijn best. Onze rijksadviseur in zaken van kunst, Jhr. Victor de
Stuers, hoeft reeds weer zijn stem doen hooren in een nota, aan den
gemeenteraad van Nijmegen gericht, en ook Dr. P. J. H. Cuypers heeft
den raad verzocht, niet te besluiten tot de slooping der voormalige
Bottelpoort.

De Bottelpoort werd in 1538-1540 gebouwd, toen de ingezetenen van
Nijmegen zich hadden verzet tegen Karel van Egmond en de oorlog
over diens successie tusschen keizer Karel V en Willem van Cleef
ging ontbranden. De gemeente-archivaris van Schevichaven heeft uit
de rekeningen der stad de bijzonderheden van den bouw opgespoord en
aan het licht gebracht. De poort, welke toegang gaf tot de haven,
was uit een strategisch oogpunt gewichtig. Dit blijkt hieruit, dat
men haar in Maart 1574 voorzag van een bolwerk, toen de incursies
van Willem van Oranje in de Bommelerwaard en van Lodewijk van
Nassau bij Maastricht ongerustheid gewekt hadden; andermaal werd
zulk een tijdelijk bolwerk opgeworpen, toen in 1587 engelsche
en staatsche troepen het tegenoverliggend fort Knodsenburg bezet
hadden. Uit datzelfde fort werd de poort met zwaar geschut geteisterd
door Prins Maurits en graaf Willem Lodewijk, die in 1591 de stad
belegerden. Hetzelfde geschiedde tijdens het beleg van Nijmegen door
de Franschen onder Turenne in 1672 en Pichegru in 1794. Dit gebouw is
derhalve een geschiedkundig monument, want het is de stille getuige
geweest van geweldige gebeurtenissen, voor de stad en voor geheel
het land gewichtig. Het leert ons ook, hoe in de middeleeuwen de
verdediging was ingericht; het gebouw is een vierkante toren, zoodanig
in den walmuur geplaatst, dat de schutters den wal bestreken; een nog
aanwezig schietgat laat zien, dat men zich van vuurroeren bediende;
langs een steenen wenteltrap bereikte men de bovenverdieping om uit
de tinnen op den vijand te schieten of hem met steenen en kokend water
of olie te bombardeeren en te begieten. Ook opmerkingswaardig is het,
dat men destijds bij een gebouw, met zuiver prozaïsche bedoelingen
opgetrokken, kunstzin aan den dag wist te leggen; niet alleen is
alles doelmatig, eenvoudig en verstandig geconstrueerd, maar waar
het pas geeft, heeft de bouwmeester smaakvol gewerkt, zooals blijkt
uit de fraaie profileering van den poortboog, uit de vormen van het
basement, uit het kunstig bogenfries, uit de figuren met verglaasde
tegels in het metselwerk aangebracht.

Uit geschiedkundig en oudheidkundig oogpunt dus moet de poort worden
beschouwd, en dan zal ieder toegeven, dat ze waard is, behouden te
blijven, want in dat "zwartgrauwe steengevaarte" klinkt een stem,
die tot jong en oud spreekt van oude tijden, toen de poort aan
een der uiteinden van de stad stond en 's avonds werd gesloten, om
de burgers tegen overvallen of plundering, die van de rivierzijde
altijd konden dreigen, te beschermen. Zij heeft deelgenomen aan den
strijd voor vrijheid en recht, door de voorouders gevoerd, en zij kan
aan dit geslacht leeren, hoe het vroegere heeft geleefd en gewerkt,
opgesloten tusschen hooge muren en wallen, en hoeveel het waard is, dat
het toeval dit brokje verleden, dit restje geschiedenis heeft gespaard.

Het toeval, ja, want bij het sloopen van de vestingwerken had de
Bottelpoort haar behoud te danken aan de omstandigheid, dat ze in 1800
aan een particulier werd verkocht en later in een fabrieksgebouw is
opgenomen. De stad kocht in nog lateren tijd het terrein, amoveerde
de oude fabriek, verlaagde den opgehoogden grond en liet de ruïne te
voorschijn komen.

En nu zou ze die voor goed willen opruimen?

Hoe jammer zou dat wezen, ook voor onze vrienden, die immers ook die
van het gemeentebestuur zijn, de talrijke toeristen en zomergasten,
die Nijmegen liefhebben en er graag hun anker uitwerpen.

Den 14den Juni heeft de Raad het voorstel tot wegruiming zonder
beraadslaging of tegenkanting aangenomen. Zal het ditmaal definitief
zijn?

De eischen der praktijk hebben zich doen gelden, want de directeur
der electriciteitswerken heeft het terrein noodig voor den bouw
van remises en wat er bij behoort ten behoeve van de aan te leggen
electrische tram.



HET NEUSJE VAN DEN GOOISCHEN ZALM.

Hilversum is een merkwaardig voorbeeld van een fabrieksplaats, die
tevens het centrum is van natuurschoon. Maar het heeft lang geduurd,
eer de laatstgenoemde qualiteit door de wereld op den rechten prijs
werd gesteld; daarvoor moest de negentiende eeuw de geesten wakker
roepen tot de waardeering van de schoonheid der ongerepte natuur
en daarvoor moest in de laatste helft dier eeuw meehelpen het
vervoermiddel, dat zooveel steden en dorpen tot levenwekker heeft
gediend, de spoorweg. Voor het Gooi was dat de Oosterspoorweg,
geopend in 1874.

Het oude Hilversum was in de 15de eeuw fabrieksplaats; toen reeds
werden de volders, de laken- en fluweelwevers met privileges begunstigd
en hoe ook soms ten gevolge van de troebelen der oorlogstijden
de industrie tijdelijk kwijnde, tot op onzen tijd is ze in stand
gebleven en thans is ze nog zeer belangrijk. Karpetten, tapijten,
molton, baai enz. worden er nog veel gemaakt, zooals trouwens ook
Laren en Blaricum hun fabrieken hebben.

Maar wat tegenwoordig de voornaamste factor voor den bloei van het
Gooi en Baarn is, het natuurschoon, dat wordt pas in de laatste eeuw
recht gewaardeerd, nu men oog heeft gekregen voor het bekoorlijke
van het landschap, dat uit heuvels en heiden, uit bosschen en venen
bestaat en nog niet door den mensch voor nuttig gebruik in beslag is
genomen. Nu zijn niet enkel de groote-stadsbewoners er komen opdagen
op hun vrije dagen, op de Zondagen en de uitgaansmomenten, maar nu
hebben ze hun huisgoden naar de gooische dorpen overgebracht, en ze
onderhouden de gemeenschap met hun werk en met het volle, rijke leven
der groote centra door dagelijks heen en weer te reizen.

Wat is veel in de laatste jaren in en om Hilversum veranderd! Tot een
reusachtig villapark is het geworden en waar voor enkele jaren nog
bosch was, is de golvende bodem nu bedekt met een net van breede,
gladde wegen, waartusschen de villa's, in de meest verschillende
stijlen gebouwd, als verstrooid liggen te midden van bloemen
en heesterpartijen of van vijvers en tennisvelden en oude, hooge
boomen. Met de komst der gegoede familiën zijn de scholen verbeterd,
is er een hoogere burgerschool verrezen, met vijfjarigen cursus, heeft
men er zelfs een manege opgericht en zijn de winkels en magazijnen
zóó geworden, dat ze aan de hoogste eischen kunnen beantwoorden.

Daarbij blijft men er zich, hoewel buiten wonend, als men dat wenscht,
stadsmensch voelen, want met Amsterdam en Utrecht is de relatie al
heel innig gebleven; niet minder dan 23 maal per dag kan men van
Hilversum naar Amsterdam en even vaak in omgekeerde richting gaan;
19 maal is er gelegenheid, op één dag naar Utrecht en terug te gaan;
23 maal kan men voor Amersfoort instappen; dan is er in de plaats,
die nu al 30.000 inwoners telt, gas, waterleiding en electrisch licht,
en in den winter wordt er aan amusementen aangeboden, wat met zulk
een zielental te verwachten is.

Overal breidt de plaats zich uit, de stad, mag men nu gerust zeggen,
want een gemeente van die grootte heeft op dien naam vrijwat meer
aanspraak dan menige stad, die den naam nog draagt als herinnering
aan het verleden met zijn onderscheid tusschen steden, vlekken,
dorpen en gehuchten. Enorme oppervlakten worden telkens bijgekocht,
om als steeds maar meer parken de tuinenstad te sieren. Van die parken
is het Susannapark een der oudste, dan zijn er het Diergaardepark,
het Nimrodpark, het Ministerpark en buiten de parken staan al even
trotsche landhuizen in prachtige lanen, te midden van hun tuinen.

Een kiekje van het oude Hilversum kan men nemen in de Kampstraat bij
voorbeeld, die naar het oude Schapenkamp leidt, dat eertijds een hofje
was en waar bij ieder huisje boven in het raam een schaapje met een bel
is te zien. De schapewol speelde in het nijvere Hilversum natuurlijk
een groote rol, en Gerrit Veen, die het Schapenkamp stichtte, moet
de eerste tapijtfabrikant zijn geweest, die zijn fabrikaat naar het
buitenland verzond.

Dien tijd hebben zeker de zware boomen aan de Groest wel beleefd, die
boomen, die nu nog neerzien op het drukke marktgewoel op Woensdag,
als het heele Gooi zich rendez-vous schijnt te hebben gegeven op de
markt aan de Groest en een student van nationale kleederdrachten er
zijn hart kan ophalen. Dat is buiten de eigenlijke villastad, en er
zijn meer van die oude plekjes, slopjes en inhammetjes, die echt nog
het aanzien van een boerendorp in eere houden.

De lanen, waaronder de 's-Gravelandsche Weg de kroon der schoonheid
spant, voeren ten slotte naar de bosschen en de heiden, naar de mooie
natuuromgeving van Hilversum, waarvoor menigeen een villapark zou
willen missen. Verrukkelijk zijn de wegen over de heide, zijn de
boschwandelingen en zijn ook de zoo gemakkelijk te bereiken hooge
punten, van waar men de heerlijkste uitzichten kan genieten.

Wilt ge een paar namen van bekende buitens? Daar is Gooilust, en
Wisseloord, en Quatre-Bras, dan Spanderswoud en Jachtlust, Corvin
en die op den Trompenberg met het wonderschoone panorama. Voorwaar,
wie in Hilversum zijn zomertenten opslaat, behoeft niet te vreezen,
dat hij vooreerst gebrek aan gelegenheid voor fiets- en wandeltochten
zal krijgen.



TER HERINNERING AAN ANTONY VAN LEEUWENHOEK.

Onze groote natuuronderzoeker uit de 17de eeuw Antony van Leeuwenhoek
heeft in Delft op de plek, waar zijn woonhuis heeft gestaan, een
bescheiden gedenkteeken gekregen. Het initiatief daartoe nam de
Verfraaiingsvereeniging Delfia, die het ontwerp aanvaardde, door den
beeldhouwer J. C. Schultsz gemaakt.

Het bronzen monument vertoont de reliëfbuste van Antony van
Leeuwenhoek, met de aanduiding er onder, dat hij ter plaatse woonde
en werkte, alles in een sierlijke cartouche. Op den hoek van het Oude
Delft en de Boterbrug, waar thans de tuin is van het Meisjeshuis, stond
eenmaal Van Leeuwenhoek's woning, die woning, waar heen uit alle deelen
van Europa de geleerden en belangstellenden in de natuurwetenschap
stroomden, om het voorrecht te genieten, Antony van Leeuwenhoek
te spreken over zijn ontdekkingen en eens te mogen kijken door de
microscopen, die hijzelf had vervaardigd en waarmee hij een wereld van
onbekende wezens had te voorschijn getooverd voor het menschelijk oog.

Aan het prachtig gesmeed ijzeren hek, dat den tuin omgeeft, is het
brons aangebracht, dat in de tweede week van Juni zonder veel praal en
staatsie is onthuld en dat door Delfia's bestuur in de regentenkamer
van het Meisjeshuis aan regenten werd overgedragen. Die hulde aan den
grooten man was zeker welverdiend, want groote diensten heeft hij aan
de wetenschap bewezen, hij de nederige kamerbewaker, die jaren lang
voor zes gulden in de week de raadszaal schoon hield en de kachel
van den burgemeester stookte! Door zijn ontdekkingen heeft hij op
de studie van de natuur een grooten invloed uitgeoefend. Dat had
niemand vermoed, toen de knaap in Amsterdam in de leer werd gedaan
bij een Amsterdamschen lakenhandelaar, maar niemand wist toen ook,
dat daar aan de Buitenkant der groote stad een apotheker woonde, die
Swammerdam heette en die in zijn apotheek, De Star, voor de ramen een
eenvoudigen grooten waterbak zou neerzetten met watergedierte uit een
hollandschen sloot. Wat mocht de jonge Antony daar graag staan kijken
en wat werd zijn weetgierige geest daar bestormd door een massa vragen!

Op de meeste van die vragen gaf hij later zelf antwoord door
het gebruik, dat hij maakte van het door Zacharias Jansen in
1590 uitgevonden microscoop. Hij ontdekte daarmee het leven in
een waterdroppel, vond er de afgietsel- of infusiediertjes, deed
onderzoekingen omtrent de bloedlichaampjes, en had ofschoon hij geen
latijn noch eenige andere vreemde taal had geleerd, grooten invloed op
de microscopische anatomie. Later stelde zijn vermogen hem in staat,
zich aan de liefhebberij der natuurwetenschap te wijden.

Onder de bezoekers, die hem in zijn nederig gebleven woning bezochten,
was ook Peter de Groote, die per trekschuit naar Delft kwam uit
Amsterdam en aandachtig luisterde en keek naar het wetenswaardige,
dat Leeuwenhoek hem had te vertellen en te vertoonen.



AUTOMOBIELTHEE.

Sedert de italiaansche automobilist prins Scipio Borghese twee jaar
geleden op de reis van Peking naar Parijs door Centraal-Azië is
gereden, zijn de chineesche en russische kooplieden, aangemoedigd
door dit succes van de auto, op de gedachte gekomen, het transport
der fijnste en duurste chineesche theesoorten door de woestijn Gobi te
doen plaats hebben met automobielen. De exquise theeën, welker gewicht
de fijnproevers uit Europa, en daaronder vooral de Russen, bijna met
goud betalen, verliezen, naar men weet, door het vervoer over zee
vrijwat aan geur en smaak, zelfs als men ze verzendt in luchtdicht
gesloten bussen. Sedert jaren wordt daarom de duurste chineesche
thee door Centraal-Azië vervoerd door karavanen, en dientengevolge
heeft ze den naam karavaanthee gekregen. Thans is de tuftuf in de
plaats van den kameel gekomen, en de reis door de woestijn Gobi wordt
daardoor met niet minder dan veertien dagen verkort. De theehandelaars
uit Kiachta zijn tegenwoordig bezig een geregelden autodienst in te
richten, om onafhankelijk te worden van de kameelkaravanen. Weldra
zal dus de karavaanthee zich zien verdrongen door de automobielthee.



DE KLEEDING DER MAORI.

Geruimen tijd geleden werd mij een groot aantal fotographische
portretten in visite-formaat van Maori van Nieuw-Zeeland getoond;
tien van de mooiste--in den zin van belangrijkste en tevens voor
reproductie het best geschikt--heb ik eruit gezocht en welwillend
stond de eigenares mij toe deze in De Aarde te doen afdrukken.

Het zijn mannen en vrouwen van verschillenden leeftijd, in
uiteenloopende kleeding. De heer H. W. Fischer, conservator aan
's Rijks Ethnographisch Museum te Leiden, maakte mij opmerkzaam op
een deugdelijke beschrijving der oorspronkelijke Maori-kleeding in
E. Fregear, Maori-race (1904). Zij luidt aldus:

»Over den gordel wordt een voorschoot (Rapaki) of heupmat
gedragen. Deze bestaat gewoonlijk uit eene verzameling vlasreepen
aan een gordel van hetzelfde materiaal opgehangen. De groene reepen
werden afgeschrapt maar op afstanden van een duim onaangeroerd gelaten;
zij werden ook aan de randen afgeschrapt, zoodat zij er na droging als
riet uitzagen; die losse reepen hingen af tot op de knie en ruischten
harmonisch als de drager zich bewoog. Deze soort matten verborg
de ledematen voldoende en gaf volledige vrijheid van beweging. Een
heupmat was van gelijke lengte, maar opgemaakt vlas, dat niet ruischte.

Het voornaamste kleedingstuk voor beide seksen onder de Maori was een
mantel, om de schouders gehangen; somtijds waren deze zeer groot, tot
tien voet lang bij eene breedte van zeven; deze mantels waren verdeeld
in twee soorten: de fijne, geweven die eigenlijke »kleeding« (kakahu)
genoemd werden en de grove inferieure (mai), die niet als »kleeding«
werden beschouwd. De fijnere soorten hadden elk een eigen naam.

De Korowai was een fijne mantel, door vrouwen en meisjes gedragen en
uit geklopt vlas bestaande; de witte grond was dik bedekt met rijen
gedraaide zwarte nestels van vlas; die nestels waren op verschillende
wijzen gegroepeerd, waardoor het kleed verschillende namen kreeg.

De Korirangi was een groote mat met zwart en gele draden bedekt, de
laatste vervaardigd van gekruld en geschrapt vlas, zoodanig bewerkt
dat de tallooze harde buisjes vroolijk ratelden.

De Kaitaka was een fraaie witte mantel zonder nestels maar met breede,
in zwart, wit en bruin geweven randen, aan onder-, soms ook aan
bovenrand en een smalleren aan de kanten. Alleen hoofden van eenigen
rang waren gewoon deze soort te dragen.

Vedermantels (Kakahu-kura of huruhuru) werden van vlas op dezelfde
wijze geweven, maar tijdens het weven werden vederen in de inslagdraden
bevestigd. Een van de meest fraaie werd gemaakt met de roode vederen
die onder de vleugels van sommige papagaaien gevonden worden, andere
met halsveeren van den woudduif, vaak met een smallen rand in rood
en wit. Op hoogen prijs stelden de Maori ook een mantel waarin de op
haar gelijke vederen van de Kiwi (Apteryx) waren gewerkt; deze soort
vederen waren de eenige waarvan de punten naar boven werden gericht,
zoodat de mantel op bont geleek.

De duurste mantels van alle waren die met bekleeding van
hondenvellen, in 't bijzonder die waarbij de staarten van witte
honden zoo aaneengesloten waren aangebracht, dat de geweven grond
geheel onzichtbaar was. Hierin waren dan nog verschillende variaties
met eigen namen. Voor oorlogsgebruik maakte men mantels geheel van
hondenvellen zonder een onderlaag van vlasweefsel. Zeer zeldzaam zijn
mantels van zeehondenvel.

De mindere soorten mantels, eigenlijk »cape's« werden bij warm of
slecht weer om de schouders gebonden, waren slechts drie bij vier voet
groot en bestonden uit losgeweven ruw vlas, waarin afhangende reepen
waren tusschengestoken op de wijze van de haren van een borstel,
terwijl de losse einden over elkaar hingen. Van deze soort bestonden
ook weder talrijke variaties; een er van werd ook in oorlogstijd
gedragen, nadat de vezels door verzadiging met water opgezwollen
waren, waardoor zij min of meer tegen een lansstoot of pijlschot
beschermden; men droeg dan meerdere mantels boven elkaar. Tegen
speerworpen beveiligde men zich ook wel door een zes duim breeden
gevlochten band van vlas, die door zijne groote lengte--tot 10
vadem--meermalen om het lichaam gewonden kon worden.

In vroegere tijden schijnt men ook in Nieuw Zeeland papierboomen
(Broussonnetia) te hebben gekend, doch alleen in de overlevering wordt
gewag gemaakt van het gebruik van geklopte boomschors voor kleeding.

Voor het aan elkaar naaien der kleedingstukken diende een penneschacht
of een geslepen stuk been van een gevallen vijand als naald, en de
mantels werden met een naald van beren of van walvischtand of van
been of groenen steen op den rechter schouder bevestigd."

In de groote verzameling voorwerpen, die de heer G. Verschuur
een paar jaren geleden aan het Rotterdamsche Museum voor land- en
volkenkunde vermaakte, bevinden zich twee Maori-mantels, waarvan de
afbeeldingen (op een tiende der ware grootte) aan deze regels zijn
toegevoegd. Verschuur bracht de mantels mede van Nieuw Zeeland en
schrijft over de Maori in zijn aardig boek Aux Antipodes (Parijs,
1891) op bladz. 214v.

Het zal den lezer niet ontgaan zijn, dat Fregear in het hierboven
gedrukte citaat den verleden tijd gebruikt. De meeste Maori, zegt de
schrijver der "Brieven uit Nieuw Zeeland" in de Nieuwe Courant, met
uitzondering van de bewoners van King's Country, hebben de Europeesche
kleeding overgenomen. Toen wij in Wellington landden en den volgenden
dag op verkenning uitgingen, zag ik verscheidene Maori, oude en jonge,
maar allen in Europeesche kleederdracht.

In den vijfden brief, opgenomen in de courant van 23 Mei, geeft
de schrijver de indrukken die hij te midden van Maori opdeed als
volgt terug:

"De hedendaagsche Maori is--voor het oog tenminste--min of meer en
soms geheel en al beschaafd. Varkensvleesch, waarvan het gebruik werd
ingevoerd door de eerste blanken, heeft de plaats van menschenvleesch
ingenomen. Openlijk hoort men nooit meer van hun vreeselijke
feestmalen, maar op het Noordelijke Eiland, een gedeelte van het oude
mooie land, King's Country (Koningsland) genaamd, mogen blanken zich
niet vestigen en niemand kan precies zeggen wat daar gebeurt.

De Maori zijn meestal forsch gebouwd en niet heel lang. Hun huid
is donker-olijfkleurig. Zij hebben, mijns inziens, niets van het
antipathieke der negers, en hoewel sommigen, vooral de oudere vrouwen,
bepaald leelijk zijn, heb ik onder hen aantrekkelijke gezichten
opgemerkt, met intelligente klassieke, haast Grieksche lijnen,
prachtige donkere oogen en meestal fijne edele gelaatstrekken. Hun
huizen zijn goed en naar een vast model gebouwd. Zij zijn laag en lang,
met buitengewoon breede daken. Het huis, of liever het "frame work"
(latwerk) is van torara (inlandsch hout), van binnen en van buiten
behangen met droog riet. Aan den zonkant is een soort veranda, waarin
de eenige deur en het raam, beide laag en smal, uitkomen. De vloer
is gewoonlijk uit den grond gehold; schoorsteenen zijn onbekend. De
rieten behangsels zijn met gekleurde teekeningen aan den binnenkant
versierd en aan den buitenkant met vederen overdekt. Het houtsnijwerk
van deur en veranda is hoogst merkwaardig en geeft blijk van een
waar kunstenaarsoog en -hand. Toen ik in Wellington het Maori-museum
bezocht en niet alleen het houtsnijwerk der hutten, maar ook de
kunstige kano's zag, was ik een en al bewondering en verbazing,
want nergens heb ik zulk kunstwerk aanschouwd.«

Ook over het tatoeëeren spreekt deze briefschrijver. Op de afbeeldingen
is alleen aan het middelste vrouwen-portret de getatoeëerde kin te
zien. »Tatoeëeren is een zeer tijdroovend en langzaam werk. Eerst
worden de lijnen met houtskool geteekend, dan centimeter voor
centimeter uitgesneden of geprikt, en, nadat het bloed gestelpt is,
de narahu (blauwe verf) er in gegoten. Tatoeëeren is nog steeds in
zwang [1]. Opperhoofden en hun kinderen zijn allen te herkennen aan hun
moko. Een prinses die ik ontmoette was aan kin en lip getatoeëerd. In
de dagen toen lezen en schrijven in Maoriland geheel onbekend waren,
werden de door de Engelschen opgestelde belangrijke stukken door de
opperhoofden onderteekend met een ruwe kopie van hunne speciale moko.«

Ten slotte nog de volgende regels uit bovengenoemden brief:

»In de nabijheid der steden zijn de Maori beschaafd en hun kinderen
bezoeken de scholen, hoewel zij zich geheel van de Engelschen
afscheiden en een volbloed Maori nooit voor een blanke werken zal. De
Maori--hier kom ik aan een moeilijk punt--hebben hun land voor
het grootste gedeelte aan de Engelschen afgestaan. Oogenschijnlijk
bestaat er volkomen vrede tusschen inboorlingen en vreemdelingen,
maar een zendeling, die al jarenlang onder de Maori werkzaam was,
vertelde mij dat, wanneer de gebeden uit het »Commonbook of Prayer"
der Engelsche Kerk opgezegd worden, de Maori met de grootste aandacht
en ernst de woorden aanhooren en nazeggen--maar als de onervaren
zendeling het gebed voor het behoud van den koning van Engeland
uitspreekt, verlaten alle aanwezigen de kerk, of verhinderen hem
voort te gaan. Zij erkennen maar één koning: hun eigen Maori-koning.

Sommige Maori nemen een groot aandeel in de politiek van het land,
en een der grootste redenaars in het parlement van Nieuw-Zeeland is
een Maori. Dokters, advocaten, schoolmeesters en vooral zendelingen
hebben de Maori opgeleverd. Hun intellectueele gaven zijn volstrekt
niet gering. De zendelingen zijn haast overal doorgedrongen en
geheele dorpen zijn tot het christendom bekeerd. Toch is nog een groot
gedeelte van de Maori-bevolking heidensch en barbaarsch. Ik heb King's
Country op het Noordelijk Eiland reeds genoemd, en niet alleen dáár,
maar in menig eenzaam fjord of ingesloten vallei, vindt men nog ware
Maori-Pa's (dorpen) waar vuile, half-wilde menschen in matten gehuld,
op den grond zitten, de pijp steeds in den mond, en..... ja, wie zal
hun gedachten kennen?«

Het is te hopen, dat men deze Maori-Pa's voorloopig late zooals
ze zijn. Zoolang de beschaving aan deze barbaren niets beters kan
brengen dan zij gewoonlijk aan zulke menschen geeft, moet zij zich
maar achterbaks houden.


    Joh. F. Snelleman.

        Oostvoorne, 8-VI-'09.


[1] Ook bij ons. Te Rotterdam is zelfs een "Electrische
Tatoueerinrichting" (St. Laurensstraat 89). Achter het venster hangt
een groot papier, waarop een aantal moko's zijn afgebeeld: zeemeermin,
vogels, hondenkop, balletdanseres, zeeman aan een grafzerk waarop
R. I. P., spreuken, als True love, e. d., doorboord hart, schepen,
ineengelegde handen, en velerlei andere voorstellingen.

    Sn.



FEEST AAN DE DEDEMSVAART.

Op 9 Juli zal men het honderdjarig bestaan van de Dedemsvaart
herdenken, of ten minste den hondersten verjaardag van het oogenblik,
dat de eerste spade in den grond werd gestoken. Dat was toen een groote
triomf voor Mr. Willem Jan, baron van Dedem, naar wien het kanaal
zijn naam draagt, en die eigenlijk zijn gansche leven en zijn fortuin
aan de verwezenlijking heeft gewijd van het grootsche plan, door zijn
schoonvader, Gerrit Willem van Marle, ontworpen en op touw gezet.

Van Marle had groote bezittingen in de Avereester venen, waar de
woeste, ongerepte veengronden zich uren ver ook buiten zijn eigendom
uitstrekten en waar de uiterst armoedige streek tot welvaart en
ontwikkeling zou kunnen komen, als men de schatten van den bodem
maar zou kunnen ontginnen. Maar daartoe was het volstrekt noodig,
dat er een afvoerkanaal kwam, waarlangs men de turf kon verschepen,
een kanaal, dat in verbinding stond met een bevaarbaar water. Van
Marle nu hield zich in de tweede helft der 18de eeuw ernstig met dat
vraagstuk bezig. Hem zweefde als ideaal voor een vaarwater, dat ten
oosten van Hasselt de uitgestrekte venen in zou gaan en tot aan de
Vecht zou worden voortgezet.

In 1791 had hij een plan gereed, maar het vond geen genade bij de
autoriteiten in de provinciale hoofdstad, die voor den transitohandel
van hun stad nadeel vreesden van het geprojecteerde kanaal en die,
inziende wat er goeds was in het idee, om aldus een groot deel van
Overijsel uit zijn isolement op te heffen, met een ander ontwerp
kwamen, dat van Zwolle uit met een groote bocht naar Hardenberg
liep. Kampen en Deventer steunden zusterlijk dit veel kostbaarder
plan. In 1799 stierf Van Marle, zonder dat men iets verder was gekomen.

Zijn oudste dochter trouwde in 1802 met Mr. Willem Jan, baron van
Dedem, die toen hij met de plannen van zijn overleden schoonvader
kennis had gemaakt en zich erin had gewerkt, vol ambitie er propaganda
voor ging maken en met de door Van Marle verzamelde bouwstoffen de
verwezenlijking zich ten taak stelde. Daarvoor ontzag hij geen moeite;
hij bezocht de reeds bestaande veenkoloniën in Groningen, Friesland
en Drente, liet zich te Annerveen voorlichten door den kundigen
Grevelink, studeerde de landmeet- en waterpaskunde, onderhandelde
met de eigenaren over afstand van grond en had eindelijk een ontwerp
klaar van een breed scheepvaartkanaal, dat van Hasselt uit in vrijwel
vlak oostelijke richting naar Ane aan de Vecht zou loopen.

De tegenstand van de Overijselsche steden werd nu ondervangen door
een beslissing, die aan koning Lodewijk Napoleon was ontlokt ter
gelegenheid van een bezoek, dat de koning in het voorjaar van 1809 aan
de noordelijke provincies bracht. Het Zwolsche plan kwam den koning
te omslachtig voor, de rechte lijn naar Ane aan de Vecht trok hem
aan, en Van Dedem, handelende voor de erven Van Marle, verkreeg bij
Koninklijk besluit van 22 Maart 1809 concessie tot kanalisatie. Den
9den Juli daaraanvolgende werd de eerste spade in den grond gestoken.

Het begin was er toen wel, maar daarmee was men nog niet over de
moeilijkheden heen. Integendeel. Eerst ging alles goed, want reeds
in 1811 was het eerste gedeelte van Hasselt tot Oosterhuizerveld
onder Avereest voltooid, waar men met de eigenlijke vervening kon
aanvangen. Men legde ook zijkanalen en wijken of wieken aan en zelfs
was de hoofdvaart in 1825 al tot de marke Lutten doorgetrokken; maar
intusschen waren de financiëele moeilijkheden voortdurend grooter
geworden en na verscheiden leeningen, die de onderneming op de been
hielden, was men genoodzaakt de vaart aan het Rijk over te doen voor
een som van bijna viermaal honderdduizend gulden. Dat was in 1826.

Twee jaar later kocht Van Dedem, weer met vreemd kapitaal gesteund, de
vaart met al haar objecten terug, om door den aanleg van nieuwe werken
en de voortzetting van het hoofdkanaal in oostelijke richting opnieuw
de geldelijke moeilijkheden op zich te zien aanstormen en eindelijk
in 1845 de geheele Dedemsvaart met zijkanalen en aanhoorigheden voor
bijna 4½ ton over te dragen aan de provincie Overijsel. Die is nog
eigenares; zij heeft de vaart tot aan de Vecht doorgetrokken, voltooide
de doortrekking van het zijkanaal naar Ommen, van de Lutterhoofdwijk
naar Coevorden en van het Lichtmiskanaal, dat de Dedemsvaart met den
benedenloop van de Vecht verbindt. In 1867 was alles klaar.

In 1859 heeft men op het marktplein te Avereest een eenvoudig monument
voor Van Dedem onthuld. Het dorp Dedemsvaart met zijn ongeveer
vijf duizend inwoners aan de vaart van denzelfden naam en aan de
spoorlijn Meppel-Zwolle is ook zelf reeds een monument voor ontwerper
en uitvoerder van het ontginningsplan, voor Van Marle en Van Dedem!



ENGELAND VERSUS DUITSCHLAND.

De Graphic zei op 19 Juni: »Het duitsche Ministerie van
Buitenlandsche Zaken is niet altijd vijandig tegen ons; er gaan wel
eens welwillende uitlatingen door de pers over Groot-Brittannië en
zijn bedoelingen. Dat is de waarheid; maar het gebeurt om licht
begrijpelijke redenen. Vooreerst omdat er een conflict bestaat
tusschen de heerschende zienswijzen en dan omdat het vaste plan
bestaat, de britsche publieke opinie in slaap te sussen.

Wat het eerste punt aangaat, is het opmerkelijk, dat terwijl de
permanente staf van het duitsche Ministerie van Buitenlandsche Zaken
bijna tot den laatsten man Engeland vijandig gezind is, er onder de
administratieve hiërarchie nu en dan vriendelijker gevoelens worden
gekoesterd. Wij kennen daarvan voorbeelden, en die voorbeelden zijn
er niet al te best bij gevaren à propos van hun eigen vooruitzichten.

Aan den anderen kant draagt Buitenlandsche Zaken er angstvallig zorg
voor, dat er nu eens naar een berlijnsche, dan naar een keulsche,
dan weer naar een leipziger courant artikelen gaan met pro-britsche
gevoelens, die, naar men mag hopen, zullen werken als een nationaal
kalmeeringsmiddel en door de tegenstelling nog meer kracht zullen
verleenen aan de ernstige beschuldigingen, die het ministerie zelf
heeft uitgelokt. Diegenen dan, die de welwillende paragraaf lezen,
geïsoleerd, als ze daar staat, moeten bedenken, dat toch den geheelen
tijd door de stille veldtocht aan den gang blijft over andere lijnen.

Denkelijk weet het engelsche Ministerie van Buitenlandsche Zaken
dat wel, en dat kan verklaren, waarom ministers zulk een ernstigen
toon aanslaan in hun redevoeringen. Het geeft ook de verklaring
van het feit, dat er vermeerdering moet komen op ons programma van
scheepsbouw. Laat niemand vergeten, dat de duitsche pers, die niet
enkel in Duitschland werkt, de gevoelens van Middel-Europa te onzen
opzichte heeft gericht tegen ons, en het zal niet lang duren, of we
zullen onze krachten kunnen meten, als het engelsch-russisch-fransch
verbond een meer definitieven vorm aanneemt, gevolg van meer
daadwerkelijke sympathie en meer gemeenschappelijkheid van belangen.»

Dit was in de week van 's Keizers bezoek aan den Czar in de finsche
scheren! Dat was ook een leelijk prikkelende ervaring voor de engelsche
conservatieven en imperialisten!



OP DEN UITKIJK.


IJSBERGEN.

Er is niets gezonders en bekoorlijkers dan een oceaanreis van New-York
naar Europa in den zomer, vooral als men een boot treft, die niet al
te veel haast maakt, zoodat de longen van stadsmenschen de volkomen
stofvrije, geurige zeelucht lang kunnen genieten, en de al evenzeer
mishandelde zenuwen van de stedelingen kalmer, al kalmer kunnen
worden. De lucht, de eenzaamheid en de stilte op zee, de vroolijke
gezichten der medereizigers werken als krachtige geneesmiddelen. Het
is merkwaardig, hoe snel men indommelt, als men languit in zijn
dekstoel ligt, in gesprek met den buurman of de buurvrouw, of in
gezelschap van een boek uit de scheepsbibliotheek of enkel kijkend
naar de bewegelijkheid der zee, die bij mooi weer zoo glad en stil
is als een dorpsvijver. Daarbij het gedempte, uit de diepte omhoog
klinkende, doffe, gelijkmatige stampen der geweldige machines, rom
di bom; rom di bom; rom di bom. Eer men het merkt, is men ingeslapen.

Veel menschen, de geblaseerden, vinden dat schrikkelijk vervelend;
vooral de nerveuse Yankee komt in opstand tegen dit idyllische leven
aan boord, dat hem dwingt, zijn geliefden galop door het leven een
oogenblik te staken en daarvoor in de plaats rustig op het promenadedek
heen en weer te loopen of zelfs wel stil te zitten. Hij kan met den
besten wil niet tot draven komen; hoogstens kan hij shuttle-board
op het dek spelen, een soort van kegelen met vlakke houten schijven,
die de speler met lange stangen schuift in een met krijt op het dek
geteekend vierkant, dat in kleine, van getallen voorziene velden is
ingedeeld. Elken morgen teekent met jobsgeduld de scheepsjongen dat
vierkant op het dek. Of de reiziger kan touwen ringen op een houten
spies werpen, of kaart spelen in den rooksalon, of dam en domino, of
brieven schrijven of pianospelen in de eetzaal. Meer kan hij echter
met den besten wil niet doen.

De mensch met nog niet geheel zieke zenuwen krijgt door die
eentonigheid juist den indruk van de bekoorlijkheid der vaart. Alleen
het marconitoestel boven op het bootendek, gewoonlijk in de buurt
van het officiershuisje, levert een klein beetje zenuwprikkeling voor
een wereldstedeling. Daarom krabbelt hij ook al gauw tegen de steile
scheepstrappen op, om zich door een beambte in de geheimen van het
Marconisysteem te laten inwijden. Veel beteekent het nieuws meestal
niet; het is dan bij voorbeeld, zooals een schrijver in de Gartenlaube
dezer dagen schreef; »Wij staan in verbinding met de Lusitania van
de Cunardlijn!" of: »De Keizer Wilhelm is binnen bereik op de vaart
naar New-York. Aan boord alles wel. Van avond om zeven uur komt
het schip voorbij, waarschijnlijk zeer dichtbij aan bakboord!" of:
»De Baltic van de White Starlijn raadt voorzichtigheid aan, want een
groote ijsberg drijft naar het Zuiden, van New-Foundland komend!"

Sapperloot, dat is nog eens iets; God zij dank, daarover kan men
nog eens in opgewondenheid geraken! Vooral als de reiziger nog nooit
zulk een monsterding heeft gezien. Maar of de ijsberg wel echt zal
komen? Den volgenden morgen loopt de reiziger zenuwachtig aan bakboord
rond en wacht op den ijsberg. Met den kijker zoekt hij geduldig aan
den horizon. Maar hij ziet niets. Den tweeden officier houdt hij vast
en zou van hem willen weten, of hij den ijsberg nog niet heeft gezien.

»Zeker, daarginds is hij immers!" Maar de stedeling met de zwakke
stadsoogen kan hem niet vinden. Eindelijk heeft hij hem met de hulp
van den officier gesnapt, juist toen het concert van de muziekvrienden
op het dek begint. Anders is dat een genoegen voor hem, maar thans
heeft hij enkel oog en zin voor den ijsberg. Snel komt het gevaarte
naderbij. Vooreerst is de ijsberg niets bijzonders, eenvoudig iets
wits, op een wolk gelijkend. Maar dan wordt het duidelijker, en na een
geruimen tijd is hij dichtbij, een echte, drijvende berg van ijs. Hij
verheft zich in stralende kleuren, helder wit of heldergroen in de zon,
zachtblauw in de schaduw, op het groenachtig blauwe water, afstekend
tegen den blauwen hemel, en hij fonkelt en glinstert in het licht,
alsof hij met diamanten bezet was. Als een machtige koning van de
zee ziet hij eruit, gehuld in met edelsteenen bezetten grootschen
hermelijnen mantel. En vol majesteit als een koning beweegt hij zich.

Alle passagiers genieten van het heerlijke schouwspel onder uitroepen
van bewondering. Mooi en vreedzaam tegelijk doet hij zich voor,
en de gedachte heeft bijna iets melancholieks, dat zijn rijk zoo
vergankelijk is. Spoedig zal hij op zijn tocht naar het Zuiden in
den warmen Golfstroom aanlanden, en daar zal hij smelten en zich in
water oplossen. Men kan zich daar eigenlijk niet over bedroeven,
want zoo heel ongevaarlijk is hij niet. In donker of in den nevel
kan hij gruwelijke onheilen aanrichten, als hij niet tijdig wordt
bemerkt en met een stoomboot in botsing komt. Verscheiden van de
groote transatlantische stoomers zijn aan zulke botsingen ternauwernood
ontkomen. Het monster zou het grootste schip als een noot kraken. Wie
weet, hoeveel rampen ter zee, die nooit opgelost werden, aan ijsbergen
moeten worden toegeschreven!

En het gevaar is niet alleen bij botsingen te zoeken. De kapiteins
weten zeer nauwkeurig, dat maar ongeveer een negende van een ijsberg
boven water uitsteekt. Het andere deel strekt zich ver onder water uit,
vaak vrij vlak als een ijsveld. Dan kan het de stoomboot overkomen,
dat ze op dit onzichtbare veld vast komt te zitten, of zich een gat in
den romp boort. Zelfs bij helder weer en op klaarlichten dag maakt een
voorzichtige kapitein een grooten boog om den ijsberg heen, al ziet
die er ook nog zoo onschuldig uit. Hij weet buitendien, dat er in den
berg, vooral onder water, voortdurend veranderingen plaats hebben,
en dat de gevaarten ook de neiging hebben, plotseling om te wippen
en om zoo te zeggen, op hun hoofd te gaan staan, als het onderstel
te licht is geworden.

Waar komen de ijsbergen vandaan? Natuurlijk uit de streken van het
eeuwige ijs, van Groenland en de Noordpool. Het zijn immers niet
anders dan geweldige brokken, die van een arctischen gletscher
zijn afgebroken. Het moet een prachtig en indrukwekkend schouwspel
zijn, als zulk een reuzenkind van ijs zich losscheurt van de
gletschermoeder. Gewoonlijk drijven de ijsbergen in een zeer bepaalde
richting met vasten koers; eerst gaan ze met den Labradorstroom
langs de kust en langs New-Foundland, om dan verder zuidwaarts te
gaan. Dikwijls stranden ze als schepen in de buurt van St.-John
op New-Foundland; dat kost dan aan duizenden visschen het leven,
die verpletterd worden door de massa onder water en later naar de
oppervlakte drijven. Vaak ook blokkeeren de ijsbergen de haven van
St.-John of komen er binnen.

Omvang en vorm van de ijsbergen zijn zeer verschillend; er zijn
er, die aan kerken, andere die aan oorlogsschepen herinneren of aan
heusche gebergten. Die, welke een reiziger in den Atlantischen Oceaan
kans heeft, tegen te komen, zijn meestal tafelvormig met vrij rechte
wanden, ongeveer als reuzenblokken marmer. Van gestrande ijsbergen
heeft men wel eens den inhoud berekend, en komt dan tot cijfers van
millioenen tonnen.



TROPISCH NEDERLAND.

    Tropisch Nederland. Indrukken eener reis door
    Nederlandsch-Indië door Charles Boissevain.
    Haarlem, H. D. Tjeenk Willink & Zoon, 1909.


Zeg niet, dat ge al zooveel reisbeschrijvingen over ons Indië hebt
gelezen en dat ge wel kunt gissen, wat ge hier onder de oogen zult
krijgen, want dit boek over het toch nooit genoeg gekende onderwerp
staat werkelijk op zichzelf als stellig het opgewektste prettigste
boek, dat over onze kolonie in ons land is geschreven. Het is een boek,
om in eigendom te hebben voor ieder, die in Indië belangstelt en voor
allen, die dat zouden moeten doen, een boek, om dikwijls op te slaan,
als pessimisten u weer met hun Schwarzseherei hebben gehinderd.

Want hier is een optimist aan het woord, maar een, die voor zijn geloof
aan de toekomst redenen weet aan te geven en die u weet mee te sleepen
tot dat vertrouwen, dat de noodzakelijke voorwaarde is voor wat er
in Indië nog moet worden ondernomen, als wij aan onze hooge roeping
daar zullen beantwoorden. De in Indië geboren dagbladartikelen heeft
de schrijver wat verzorgd en aangekleed, en zelf zegt hij, slechts
indrukken te geven, geen vruchten van studie en onderzoek.

Maar hoe verfrisschend is de geest, die u uit het boek tegenkomt;
wie zonder vooroordeel zich daaraan overgeeft, dien moet het blij
te moede worden en hij moet zich voelen komen onder een invloed,
die niet anders dan prikkelend kan werken op zijn levensmoed en zijn
werklust. Al dadelijk de inleiding is treffend; hoe gelukkig zou het
wezen, zoo er velen waren, wien zij als uit het hart is geschreven.

Laat mij enkele aanhalingen geven.

»Een gevoel, dat de jeugd kenschetst, verheugde mij telkens op Java
en Sumatra. Daar was het mij weer mogelijk te ontwaken met het besef,
dat de dag wellicht iets zeer nieuws en schitterends brengen zou. Zulk
een gevoel licht den last der jaren van de schouders en verjongt
ons. Elke reis is een avontuur en men moet soms op avontuur de wereld
in, zoolang de krachten reiken.

En niet om te hervormen, om te gispen en te veroordeelen keek ik, die
geen der indische talen spreken kon, gedurende die enkele weken om in
de zonnige wereld van zomerland. Het eenige wat ik mij voorstelde te
doen was te vertellen, hoe ons Indië een Nederlander trof, die na veel
in de wereld gezien te hebben, op zijn 66ste jaar het voor het eerst
bezocht. Daarom trachtte ik Indië zachtjes op mij te laten inwerken.

Na elke reis beseft men weer levendiger, dat niets de plaats kan
innemen van het rechtstreeks en persoonlijk zien van datgene, waarin
men belang stelt.

Telkens hoort men menschen van jaren spreken van »rust«. van
»onwankelbare instellingen«, maar voor mij is de groote betoovering
van het leven juist dat het van wieg tot graf een voortdurende crisis
is. Wij hebben geen vaste woonplaats op aarde... wij zijn op reis,
op ontdekking van onszelven uit. Wij zijn avonturiers en zoeken
en speuren«.

En dan dat wondermooie eerste hoofdstuk, dat heet: »Een
Verjongingskuur«.

»Ik ben op weg naar Java! Toen ik jonger was, kon ik niet zoo
lang weg. En nu is het juist tijd, om het te doen, terwijl ik nog
betrekkelijk jong ben. Want wie langs de zonnige zijde van zeventig
door het leven gaat, is nog niet oud.

Wat ben ik gewaarschuwd tegen lange reis en fel klimaat, toen men
hoorde, dat ik naar Indië wilde gaan. Iemand van bijna 66 kon niet
voor 't eerst van zijn leven naar Indië trekken... dit was roekeloos
en onverantwoordelijk.

Maar ouderdom is geen zaak van chronologie. Het innerlijk daarop komt
het alleen aan, en zoo voor man als vrouw geldt: ze zijn zoo jong,
als ze zich gevoelen. In Engeland biologeert men zichzelf niet,
door zich ontijdig--onwijs op een geboortebewijs afgaande--oud te
noemen. Men suggereert oud worden noch aan zichzelf, noch aan zijn
vrienden. Men blijft levenslustig... men blijft werken... in de open
lucht wandelen... zijn kamers ventileeren... 's winters in open rijtuig
rijden... en geen land dan ook, waar zooveel frissche en krachtige
menschen van omstreeks de tachtig leven als in 't Britsche Rijk.

Zeker, er komt een tijd in 't leven, wanneer men lichamelijk
eenige verzwakking ondervindt. Maar dan is het juist ook de tijd
om te reageeren en niet toe te geven aan het waanwijze suggereeren
van ouderdom bij voorbeeld door een steile trap. Want als men die
suggestie gehoorzaamt, dan gevoelt men zachte indolentie stillekens
en onhoorbaar ons naderen... men glijdt in gemakkelijke stoelen en
loopt weinig. Men rijdt niet meer te paard of op een tweewieler,
men geeft toe aan de vadsigheid, welke ieder mensch is aangeboren.

Neen, dat is zich oud maken met voorbedachten rade! Men moet in
beweging blijven, levenslust moet ons drijven naar buiten, naar zee,
naar de bergen, naar den tuin... men moet bezig zijn, arbeiden,
arbeiden, arbeiden, lezen, denken... men moet het een vernedering
vinden ontijdig onder de oude mannen en vrouwen plaats te nemen in
't zonnetje of bij de kachel.

Oud worden is het eenige middel, dat tot nu toe ontdekt is, om
lang te leven, en daarom is het de moeite waard, soms na te gaan,
hoe men zich traineeren kan, om gelukkig te zijn, al wordt men oud,
om levenslustig, moedig en jong te blijven.«

Gij allen, lezers, ik raad u met Boissevain mee te gaan op zijn reis,
om van zijn gezonde levensblijheid te leeren. Hij doet Batavia en
Soerabaja, Tosari, den Bromo en het Tengger-gebergte aan; bezoekt
suikerlanden en koffietuinen, ziet Midden-Java en den Borobodoer,
komt in de Preanger en verblijft in Buitenzorg en den Plantentuin;
doet de westkust van Sumatra aan en Padang, zoowel als de Padangsche
landen na den overdreven voorgestelden opstand. En hij schrijft,
schrijft altijd maar door, tot onder het stampen en rollen van het
schip, als alles glijdt en het potlood dansen uitvoert op het dek;
hij schrijft en ik kan er alles voor voelen, als hij dat sport noemt,
echte sport, zoo te moeten denken, zijn gedachten te formuleeren en
neer te schrijven, terwijl men zoo gekarnd, geschud en gebonsd wordt
en men je soms een voet of wat omlaag laat plompen, terwijl het schip
wegzinkt van onder je stoel.

Het is de zegepraal over moeielijkheden, die dat gevoel geeft, de
triomf over bezwaren, die voor ieder, wiens kracht in en door het
leven niet werd gebroken, zoo groote bekoring heeft.



GELUK EN ONGELUK.

Het eenige ongeluk van veel menschen is, dat ze niet weten hoe gelukkig
ze zijn.



MOOIS VAN STOCKHOLM.

In een mooi begin van een artikeltje over Stockholm schrijft de
Duitsche schrijver A. Trinius in de laatste »Weltcourier«: »Als men
dagen lang door het grootsche zwijgen van het Noorden van Zweden heeft
gereden, die onuitsprekelijk eenzame woud- en rotswildernis, langs
bruisende rivieren en stille, wijde meren, tusschen met sneeuw bedekte
bergen en spookachtig moerasland, en nu op eens in de vroolijke,
kleurige drukte van Stockholm komt, wordt het iemand plotseling te
moede, alsof er een feestelijke stemming over hem kwam. Men wordt
eerst haast verblind. Daarginds nog bijna ongerepte natuur in al
haar ruwheid en ontzagwekkendheid, en hier juichende blijheid, een
verbazende ontplooiing van alle krachten, een grootsche openbaring van
kunst en natuur, een historie, die ons door monumenten en trotsche
gebouwen nadrukkelijk predikt, dat wij voor het verleden eerbied
moeten hebben. En daartusschen, ons met duizend oogen groetend, de
blauwe zee, de schommelende brug tusschen alle werelddeelen en volken."

En dan vertelt hij verder van al de muziek, die er te hooren was,
van de golvende menschenmenigten, die op den warmen zomeravond daar
gingen, terwijl lachen en glazengeklink uit de tuinen opsteeg, alles
overgoten door een lichtzee, die van de markt en de straten, van de
kaden en havens met millioenen sterren glansde en zich in de echte
zee weerspiegelde. Daarboven dan de andere sterrenhemel! Koepels en
torens, paleizen en bruggen rijzen op en imponeerend op het eiland
Staden het Koninklijk Slot.

Stockholm heeft iets zeer eigenaardigs, doordat het water de grondtoon
uitmaakt in het accoord. Die onmetelijke massa meren, kanalen,
stroomen, baaien, eilanden, tuinen en rotsen, het is iets volkomen
ongewoons, dat iederen vreemde verbluffend schijnt. Het Mälarmeer
en de Oostzee of Saltsjön reiken van het Westen en het Oosten diep
binnen tot in het hart van Stockholm. In het Mälarmeer alleen drijven
bijna 1200 eilanden en deze vertoonen op groenen grond meer dan 200
paleizen en schilderachtige landhuizen. En het eilandencomplex van
de Oostzee geeft een dergelijk beeld.

Een andere bekoring van Stockholm ligt in de zonderlinge tegenstelling,
die maakt, dat bij voorbeeld midden tusschen schitterende gebouwen
plotseling een starre, donkere, met gras en heesters begroeide
granietklip oprijst, die er ons aan herinnert, dat we ons bevinden
in het land, dat eens in den ijstijd of in een der ijstijden geheel
Midden- en West-Europa met steenen overstrooide. Geheel Zweden heeft
ze nog in overvloed, die groote losse blokken, en vaak moet de ploeg
omwegen maken, om er voor uit den weg te gaan. De heerlijkste tuinen
vol rozen hebben vlak naast zich steenklippen, met mos en heide
begroeid; de hoogste cultuur en de onbeheerschte natuur reiken er
elkaar de hand.

De omgeving is eenvoudig heerlijk. Bijna ieder stapt aan de
Ritterholmskade op een der vele stoombooten en laat zich over een deel
van het Mälarmeer varen, om te genieten van het liefelijk schouwspel,
dat de oevers bieden. Het slot Drottningholm op het eiland Lofö is
een der aantrekkingspunten van Stockholm. Een klein uur glijdt de
stoomboot tusschen de eilanden van het Mälarmeer door, tot bij een
buiging van den oever plotseling het slot te voorschijn komt onder
reuzenboomen. Groote grasvelden strekken zich op den voorgrond
uit. Het zomerverblijf van de koninklijke familie ligt er frisch en
heerlijk en een weinig afgelegen.

En dan verzuimt ook niemand een vaart naar de elegante
uitspanningsplaats Saltsjöbaden, tevens een veelbezochte
zeebadplaats. Het ligt zeer schilderachtig op een schiereiland van
den Baggensfjord tusschen rotsen, zee en woud. Het eene landgoed
sluit zich bij het andere aan, en er achter verrijst het donkere,
met graniet dooraderde woud. Een brug verbindt de plaats met een
eilandje, dat op een hooggelegen punt een hotel heeft, waar de groote
wereld van Stockholm veel samenkomt en waar vreemdelingen gewone
verschijningen zijn.

Stockholm is een prachtige stad en voor den bewonderaar van kunst
heeft het in zijn musea schatten van groote waarde, terwijl de
natuurwetenschap en de land- en volkenkunde hun eigen heiligdommen
hebben. De historicus voelt er zich thuis, want de Gustaafs en de
Karels hebben Stockholm sterk met hun daden en ervaringen doordrongen;
overal dringen geschiedkundige herinneringen zich op, en standbeelden
en monumenten huldigen de grooten uit het verleden.



HET WAARDEVOLLE EN HET WAARDELOOZE.

Welk verschil bestaat er tusschen het voortreffelijke en het
waardelooze?

"In het geheel geen," zegt de reclame.



OP DEN UITKIJK.


VERBETERD SNELTREINVERKEER.

De duitsche uitgever, de heer August Scherl, heeft een omvangrijk
geschrift het licht doen zien, waarin hij pleit voor een verandering in
ons verkeerswezen. Hij noemt zijn boek »Ein neues Schnellbahnsystem,
Vorschläge zur Verbesserung des Personenverkehrs" en begint met erop
te wijzen, dat het hoog tijd wordt, ons verkeerswezen op een andere
leest te schoeien en er een hervorming op toe te passen, die een eind
zal maken aan de gewoonte, om het goederen- en het personenverkeer
over dezelfde lijnen te laten loopen. Er ligt een verspilling in van
allerlei kracht, dat over dezelfde rails, waar zoo juist een sneltrein
met een vaart van 90 kilometers in het uur is overheen gebruist,
dadelijk een zware, langzame goederentrein volgt.

Het snelle personenverkeer wordt daardoor opgehouden en verhinderd,
en dat men daaraan reeds op een enkele plaats een eind heeft
gemaakt, blijkt uit wat in Chicago is gebeurd, waar een stelsel van
onderaardsche spoorlijnen voor het geheele goederenverkeer zorgt. In
Europa loopen de sneltreinen lang niet zoo hard, als ze het kunnen
doen, eensdeels omdat de lijnen te zeer voor het goederenvervoer in
beslag genomen zijn, anderdeels omdat de stations te gauw op elkaar
volgen.

De schrijver, nu van het schitterend uitgevoerde boek met veel
illustraties, plannen en tabellen, die al vaker de aandacht heeft
weten te vestigen op nieuwe ideeën en plannen, wil de tegenwoordige
spoorlijnen voor het vervolg geheel beschikbaar stellen voor het
vervoer van goederen, en voor het personenverkeer nieuwe lijnen
aanleggen. Uit economisch oogpunt is tegen het eerste deel van
het voorstel daarom niets in te brengen, omdat, zooals uit het
budget blijkt, de overschotten der spoorwegen afkomstig zijn van
het goederenvervoer, terwijl het personenverkeer daartoe niets of
zoo goed als niets bijdraagt. Een kleinere rente-opbrengst van de in
spoorwegen belegde kapitalen zal dus niet het gevolg zijn, als het
personenverkeer zich terugtrekt.

Toen aan het eind van het eerste vierde deel van de vorige eeuw
de eerste spoorwegen werden aangelegd, had men nog zeer bekrompen
inzichten in den aard van het verkeer. Van eenig groot gezichtspunt was
nog geen sprake. Men had geen flauwe voorstelling van de eischen, die
mochten worden gesteld met het oog op de toekomst, en de berlijnsche
postmeester-generaal van toen moet zelfs gezegd hebben, niet te
begrijpen, waarom een spoorweg tusschen Berlijn en Potsdam noodig zou
wezen, daar de postwagen nog niet eens altijd vol was. Zoo ontstonden
de spoorlijnen op een peuterige schaal met inachtneming van allerlei
kleine en persoonlijke belangen. Tengevolge daarvan is de spoorwijdte
nog altijd gelijk aan die van de oude engelsche postwagens en moeten
de groote internationale sneltreinen, die het Noorden van Europa met
het Zuiden verbinden, vaak op kleine nesten van plaatsjes stoppen,
omdat overoude overeenkomsten met kleine staten bestaan, die het tot
voorwaarde hebben gesteld.

Met de vraag, hoe daarin grondige verbetering te brengen, hebben zich
al dikwijls de verkeerstechnici en financiëele specialiteiten bezig
gehouden, maar een oplossing, die allen bevredigde, is tot nu toe
niet gevonden. Maar dit nieuwe ontwerp van August Scherl boeit de
aandacht door veel goeds en bruikbaars, dat het schijnt te bevatten
en door een interessant principe, waarop het berust.

Voor het personenverkeer wil hij een geheel nieuw net aangelegd hebben,
en al lijkt dat eerst verbluffend, men bedenke, dat bijvoorbeeld
de berlijnsche Stadtbahn doet zien, hoe het economisch voordeeliger
kan wezen, tot een volkomen nieuwen aanleg over te gaan en niet aan
bestaande lijnen te peuteren, terwijl ook verder de berlijnsche
bovengrondsche spoorweg en verscheiden trams aantoonen, dat ook
verkeersondernemingen, die enkel voor het personenvervoer bestemd zijn,
uitstekend kunnen rendeeren.

Op nieuwe lijnen nu, waar nog geen oude vormen hinderend werken,
zal het personenverkeer ook nieuwe technische vormen moeten vinden,
die inderdaad in staat zijn, aan alle eischen van het moderne leven
te voldoen. De eerste eisch van het op de hoogte van den tijd gebracht
verkeer is die der verhoogde snelheid. Men moet op de hoofdlijnen een
snelheid verlangen van 200 kilometer in het uur. Maar dan weigert de
stoomlocomotief, want zelfs de oude vrienden van dit verkeersmiddel
geven toe, dat de economische grenzen van deze machine liggen bij
100 kilometer in het uur en dat alles wat daarboven ligt, zuivere
sport moet heeten. Natuurlijk zal dus het nieuwe stelsel een geheel
electrisch bedrijf moeten hebben.

Maar verder moet ook de inrichting van de rails in den grond veranderd
worden. De onderhoudskosten van een spoor met twee rails groeien bij
200 kilometers in het uur zoodanig, dat men niet uitkomt, in de verste
verte niet.

Dus zal in het nieuwe systeem moeten opgenomen worden de éénsporige
lijn. De wagens zullen over een enkele rail zich moeten bewegen en
zullen dan moeten worden gestabiliseerd door aparte toestellen, die
het evenwicht bewaren, gyrostatische apparaten, die eigenlijk niets
anders zijn dan door electriciteit gedreven snel loopende tollen. Het
probleem, vaartuigen door toestellen, die rondtollen, vastheid te geven
houdt de technici in Engeland en Duitschland al geruimen tijd bezig,
en de uitgever van het bedoelde werk heeft in eigen werkplaatsen reeds
verscheiden jaren proeven laten nemen en laten werken met toestellen,
op het tolprincipe berustend, en hij komt nu pas openlijk met zijn
voorstellen voor den dag, nu hij meent het vraagstuk van het evenwicht
voor den wagen op één rail te hebben gevonden.

Wie den voortgang der moderne techniek opmerkzaam heeft gevolgd,
zal hebben bespeurd, dat een lang bekend instrument, namelijk de
tol, in een aantal nieuwe machines, toestellen en inrichtingen
tegenwoordig wordt toegepast. Men is er zich van bewust geworden,
dat in een draaienden tol eigenschappen en krachten liggen besloten,
die hem op zeldzame wijze geschikt maken, een rol te spelen in het
machinebedrijf. Maar de geheele op aanwending van den tol berustende
ontwikkeling staat nog maar aan haar begin en het laat zich nog niet
bepalen, wat er uit de thans gedane pogingen zal worden.

Als men een kinderspeeltol onopgewonden op de tafel plaatst, zal
hij dadelijk omvallen. Windt men hem echter op, zoodat hij lustig
snort en zet men hem nu op de tafel, dan valt hij niet alleen niet
om, maar men kan er ook de wonderlijkste standen en richtingen aan
geven, zonder dat hij zijn gewicht verliest. Men kan hem op den rand
der tafel wel zoo laten draaien, dat de as zich vrij in de lucht
beweegt, zonder dat hij op den grond valt. Die as heeft, als de tol
is opgewonden, een verbazingwekkend volhardingsvermogen. Ze laat zich
moeilijk uit haar richting brengen en blijft daaraan zoo getrouw, dat
niet eens de zwaartekracht in staat is, den tol te doen omvallen. Dat
volhardingsvermogen van de as van een draaienden tol heeft men, hoewel
soms onbewust, al aangewend bij den tweewieler, die daardoor op zijn
twee smalle gummibanden kan blijven draaien, en de automobilist kan
zijn wagen alleen dan om bochten heen krijgen, als hij langzamer rijdt,
want bij grooter snelheid werken de voorwielen als sneldraaiende
tollen, wier assen maar moeilijk uit hun richting zijn te krijgen,
zoodat de bestuurbaarheid bij stijgende snelheid al kleiner wordt.

Opzettelijk heeft men het beginsel toegepast bij schepen. Er is
groote aandacht geschonken aan de proeven van den Directeur der
Germaansche Lloyd te Bremen, consul Schlick. Hij liet in een schip
een tol aanbrengen, die door een turbine in snelle draaiing werd
gebracht. De as van dien tol behield onveranderd haar stand, en
als dus maar het schip met den tol vast werd verbonden, kreeg ook
dat een groote stabiliteit. Dientengevolge hebben de golven weinig
vat op het schip, en de scheepstol van Schlick moet niet enkel een
voorbehoedmiddel tegen zeeziekte zijn, maar ook bij de oorlogsmarine
het mogelijk maken bij hooge zee met het scheepsgeschut vast en met
zekerheid te vuren.

De engelsche ingenieur Louis Brennen heeft er reeds op gewezen,
hoe men voor het spoorwegwezen voordeel zou kunnen trekken van
het »tolstelsel«. De tegenwoordige spoorwagens moesten over twee
rails loopen, daar de geringste veranderingen in de ligging van
het zwaartepunt bij een enkele rail schommelingen in den wagenstand
zouden teweegbrengen, die de vaart onmogelijk zouden maken. Brennen
wil den spoorweg met één rail door gelijktijdige aanwending van den
draaienden tol mogelijk maken. Hij bouwt, juist als consul Schlick
in de schepen, in de spoorwagens, een tol vast, die door een motor in
zeer snelle draaiing wordt gebracht. De as van den tol is vast met den
wagen verbonden en deze krijgt daardoor een groote stabiliteit. Hij
kan door evenwichtsveranderingen niet of zeer moeilijk uit zijn
stand worden gebracht. Bij de ontwerpen van den engelschen ingenieur
draait de tol in een luchtledige ruimte, wat ten doel heeft, de aan te
wenden kracht zoo gering mogelijk te maken en den weerstand der lucht
buiten werking te stellen. Dus is al een zeer zwakke motor voldoende,
om den tol in razend snelle beweging te brengen. Zoodra hij aan het
draaien is, worden de wagens zoozeer ongevoelig voor alle uitwendige
omstandigheden, dat ze geheel zonder gevaar over een enkele rail
kunnen loopen.

Een groot voordeel is daarbij gelegen in het gemakkelijk maken der
bochten, die geen verlangzaming der vaart noodig maken, en een ander,
van niet minder groot gewicht, is gelegen in de geringere kosten, die
de aanleg van den weg meebrengt. Verder kan het rijden plaats hebben
zonder eenig schokken of schudden en het tracé van de spoorlijn kan
gemakkelijk aan alle terreinen worden aangepast, daar het mogelijk is,
scherpe bochten te maken met onverminderde snelheid en zonder gevaar.

Op dezelfde wijze wil nu ook August Scherl het vraagstuk van het
evenwicht voor den wagen op één rail oplossen. De nieuwe éénsporige
lijnen zullen bereden worden door treinen, die in den regel uit drie
aaneengesloten wagens bestaan, die op de hoofdlijnen met een snelheid
van 200 kilometer in het uur zullen rijden en die elkander snel zullen
opvolgen, misschien om het halve uur, zoodat een spoorboekje niet meer
noodig is, en men op elken tijd van den nacht en den dag juist zoo
met een spoortrein kan wegrijden als nu met de electrische tram. De
wagens zijn veel breeder dan de tegenwoordige en voorzien van alle
comfort. De treinen hebben naar amerikaansch voorbeeld het karakter
van hotels; er is een buffet, een gezelschapszaal, een hall of groote
vestibule, een eetzaal met muziekkapel, een lees- en schrijfkamer,
een bad- en kleedkamer.

Zoowel op het platteland als in de stad rijden die spoorwegen hoog
boven den beganen grond, waarbij ze in de stad op betonpilaren rusten,
die door de huizen loopen en misschien daar tevens als liften zouden
kunnen worden gebruikt, of als trappenhuizen. En naast de snelheid
zal men volgens Scherl's plan het voordeel van de goede aansluitingen
hebben, want de snelheid zou waardeloos worden, als men bij den
overgang van de eene lijn op de andere zou hebben te rekenen met
uren van wachten. Het ideale verkeer der toekomst zal er dus voor
zorgen, dat men werkelijk vlug van de eene plaats naar de andere wordt
vervoerd, en daarom is een organisatieplan gegeven voor Duitschland,
waarbij een net van lijnen is ontworpen, van hoofd- en nevenlijnen,
die in kringen om groote centrale kruispunten zich bewegen met stralen
in alle richtingen. Er zullen op de verschillende kruispunten van
ring- en straallijnen geen uren, hoogstens minuten worden verdaan
met wachten, en alle aansluitingen zullen kloppen.

In de groote steden gaan de stralen uit van een reusachtig
centraalstation, van waar de luchtlijnen over de daken der huizen
heen loopen. Tot in kleine bijzonderheden heeft de schrijver zich in
alles ingedacht en de technische mogelijkheid wordt door technici niet
geloochend. Zal de verwezenlijking van het plan nog lang op zich laten
wachten? De kosten, waaraan de schrijver niet veel aandacht schenkt,
zullen bij die vraag op den voorgrond treden, en daarover en in zake
de levering van de reuzenhoeveelheid electriciteit, die men noodig
zal hebben, rijzen ook nog vele vragen, die aan de machthebbers, de
technici, de financiers en de vertegenwoordigers van het volk niet
weinig hoofdbreken zullen kosten.



BESCHEIDENHEID VAN DE WAARHEID.

Dagelijks kan men het waarnemen, dat de waarheid nergens schuchterder
optreedt dan tegenover menschen, die geld en invloed hebben.



GEBORNEERD.

Hoe geborneerd zijn diegenen, die alles begrijpen!



EEN MOOI LAND IN ONZE BUURT.

    Met de stoomvaartmaatschappij "Zeeland" (Vlissingen-Queenborough
    route) naar Oost-Kent. Amsterdam, J. H. de Bussy. 1909.


Op keurige manier heeft de firma de Bussy voldaan aan de opdracht van
de stoomvaartmaatschappij "Zeeland", om voor haar een gidsje uit te
geven met beschrijving van een reisje door Oost-Kent, dat aansluit
aan de route Vlissingen-Queenborough en waarvoor de maatschappij
rondreisbiljetten uitgeeft, die u voor een geringe som in staat stellen
in het mooie land veel te genieten. Een retour kost dertig gulden
eerste, twintig gulden tweede klasse en is vooral aanbevelenswaardig,
als men van plan is, langer dan acht dagen uit te blijven; wil men
het in minder tijd afdoen, dan is het voordeeliger een gewoon goedkoop
achtdaagsch retourbiljet naar Londen te nemen.

Intusschen is er in Oost-Kent meer dan genoeg gelegenheid, om een
veertiendaagsch verblijf er heerlijk en afwisselend te maken. Wat
een verscheidenheid van indrukken krijgt men op den tocht, die
bij Margate te beginnen, waarvoor de coupon Queenborough-London in
Queenborough-Margate wordt veranderd, ons naar de badplaatsen aan
de oost-, noord- en zuidkust brengt, en in het binnenland het zoo
interessante Canterbury, dan Sittingbourne en Maidstone te zien geeft.

Op deze reis kan men beter dan waar ook het genieten van mooie natuur
vereenigen met het zien van merkwaardige proeven van menschenwerk
uit oude tijden en van het heden. Het bedoelde boekje met de prettig
geschreven beschrijving der reis geeft alle mogelijke inlichtingen,
voegt enkele, niet te veel, maar dan ook zeer welkome historische
bijzonderheden tusschen den tekst en laat geen vragen onbeantwoord
binnen zijn 106 bladzijden, die besloten zijn in het smaakvolle
omslagje van kastanjebladeren en kastanjebloei op gouden grond.



NEDERLANDSCHE OUDHEIDKUNDIGE BOND.

In Alkmaar, waar de algemeene vergadering van den Bond het tienjarig
bestaan der vereeniging herdacht, op 9 en 10 Juli, konden de leden de
oude belangwekkende Groote of Sint-Laurenskerk bezichtigen, daar het
bekende orgel hooren bespelen en er bewonderen het fraaie houtsnijwerk
uit het midden der zeventiende eeuw, het schilderstuk voorstellende
Zeven werken van barmhartigheid uit 1504, het kleine orgel van 1511
en het groote orgel van Jacob van Campen alsmede de koperen zerk
van Pelinck en Foreest en de graftombe van graaf Floris. Verder het
stadhuis, dat grootendeels uit het begin der 16de eeuw dateert, het
museum der gemeente met de oude schutterstukken, het Waaggebouw, dat
het verbouwde koor is van de voormalige Heilige Geestkerk. In 1758
werd hier 2.950.000 K.G. kaas gewogen, in 1907 7.550.000 K.G. Het
diaconiehuis of oude mannen- en vrouwenhuis, op de Lange Nieuwesloot
diende vroeger als klooster en daarna als woning van den gouverneur
van Noord-Holland Diederik Sonoy. Het huis heeft een eigenaardig
torentje en een mooie poort.

In het provenhuis van Nordingen viel de aandacht op een schoorsteenstuk
van D. Metius en een fraai gebeeldhouwde eikenhouten tafel. Ook
enkele der overige provenhuizen werden bezichtigd en de meeste der
bezienswaardige gevels, waaronder er zijn, die geheel afgebroken en
daarna in hun ouden vorm opnieuw opgetrokken werden, zooals o.a. het
huis met de Schopjes.

Bij de herdenking van de voorbijgegane tien jaren wees de voorzitter,
Jhr. van Riemsdijk op de verdiensten van den oprichter van den Bond,
Mr. Dr. J. C. van Overvoorde, archivaris van Leiden, die secretaris
is der Vereeniging. Onder de verheugende feiten, welke konden worden
gememoreerd in het jaarverslag, was de oprichting van een gemeentelijk
museum te Naaldwijk, van de oudheidkamer te Rhenen en het museum voor
tijdmeetkunde in het Stedelijk Museum te Amsterdam, en niet minder
verblijdend was het behoud van het kasteel Moermond bij Renesse,
dat van de accijnshuisjes te Leiden en van de Mariakerk te Nijmegen.

Het zwaard van Damocles hangt nog boven de Paradijskerk te Rotterdam,
boven de raadszaal te Zwolle en het kasteel Doorwerth in Oosterbeek,
zooals misschien nog boven vele andere monumenten van het verleden,
die op het oogenblik niet onder de aandacht vallen. Gelukkig, dat er
nu een Commissie voor de Monumenten vanwege het Rijk is opgericht,
die een oog in het zeil zal houden en steeds op haar qui vive wil
wezen, en waarvan de heer De Stuers voorzitter is, terwijl actieve
mannen als de heeren F. A. Hoefer en J. Kalff er leden van zijn. Van
de oprichting der Vereeniging »Doorwerth« en de daardoor verhoogde
kans op restauratie van het kasteel kon op deze bijeenkomst nog geen
melding worden gemaakt.

De Nederlandsche Oudheidkundige Bond werd den 17den Januari 1899
gesticht, nadat op 15 October van het vorige jaar negentien
belangstellenden bijeen waren gekomen naar aanleiding van een
circulaire van de vereeniging Oud-Dordrecht. Het aantal toegetreden
vereenigingen is sinds de oprichting verdubbeld, immers van 17 tot
33 gestegen.



HET REISBOEK IN KLEINER FORMAAT.

Voor het jaar 1909 is het Reisboek, dat de firma Morks en Geuze
te Dordrecht uitgeeft en dat nu voor de tweede maal verschijnt,
verkleind van formaat en dus beter bruikbaar geworden voor het
naslaandoel, waarvoor het bestemd is. Verleden jaar hebben wij
er met ingenomenheid melding van gemaakt en dat kunnen we nu weer
doen. Dezen keer volgen we de verschillende spoorlijnen en van de
achtereenvolgens gepasseerde plaatsen wordt dan het wetenswaardigste
verteld, worden hotels en pensions opgegeven met de gevraagde prijzen
en wordt ten slotte vermeld, welke lectuur er reeds over de stad of
het dorp is verschenen, voor zoover toeristen, reizigers en tijdelijk
er vertoevenden daar iets aan kunnen hebben. De gegevens zijn veelal
verstrekt door de secretarissen der Vereenigingen tot bevordering van
het Vreemdelingenverkeer. Een paar goed geschreven artikelen over het
Koninklijk Park te Apeldoorn en over Vlissingen leiden het werkje in.



LEVEN.

Gelukkig hij, die den tijd heeft, om te leven!



OP DEN UITKIJK.


STRAATLEVEN IN HET OOSTEN.

Spoorloos glijden de eeuwen en de duizendtallen van jaren aan het
Oosten voorbij. Zooals de Heilige Schrift het doen en laten van
de bevolking van Palestina, en zooals de Duizend-en-één nacht de
verhoudingen en omstandigheden in Klein-Azië en Noord-Amerika
schilderen, zoo ziet het er daar in veel opzichten nog heden
uit. Misschien zijn de openbare gebouwen en de paleizen der grooten
van aanzien veranderd, maar de leemen huizen, waar het volk in woont,
zijn dezelfde gebleven als in den grijzen voortijd. Ook de kleeding
van de lagere volksklasse in de steden en die van het landvolk
is weinig gewijzigd, en het beeld, dat de straten opleveren, waar
thans de reiziger belangstelling voor toont, verschilt, in het groot
beschouwd, niet van dat uit verafgelegen eeuwen. Dezelfde godsdienstige
stelregels en vooroordeelen, dezelfde rechtspraak en staatsinrichting
vinden wij nog thans terug, en het klimaat met zijn gelijkmatige
hitte heeft zeker niet weinig tot het te voorschijn roepen van het
verschijnsel meegewerkt.

Als het nieuwe doordringt, omdat de eischen van het verkeer en
den vooruitgang het vorderen, gaat het schoorvoetend, en de bouw
van spoorwegen en tramwegen en stoombooten, de invoering van gas-
en electrisch licht hebben zoo min als die van moderne rijtuigen en
automobielen of de aanleg van telefonen en waterleidingen het aanzien
der oostersche steden wezenlijk veranderd. Slechts enkele straten
hebben in den regel een europeesch karakter aangenomen. Daarnaast
heerscht als te voren het oude, bonte volksleven. In Konstantinopel, in
de klein-aziatische steden, in Egypte, overal merkt de toerist dat op.

Het is onbegrijpelijk, hoe rijk aan afwisseling het straatleven in
een oostersche stad is, waar in de nauwe straatjes zich alles bont
opeenhoopt. De ventende kooplieden laten ieder hun eigen kreet en roep
hooren, en elk biedt zijn waren te koop aan op eigenaardig gevormde
bladen of in manden van een apart, eigen soort; in de verte al hoort
men de limonade- en ijsverkoopers met hun metalen bekers klepperen,
om de aandacht te trekken; lekkernijen en voedingsmiddelen zijn
in verschillende tijden van het jaar verschillend; maar een vast
bestanddeel van het beeld der straten vormen ze zonder mankeeren.

Waar veel vreemdelingen komen, speelt ook de handel in
prentbriefkaarten, vliegenwaaiers, wandelstokken een hoofdrol. Niet
minder in het oog vallen de talrijke bedelaars. Behalve de in vuile
lompen gehulde en soms aan afzichtelijke ziekten lijdende volwassenen
zijn er de vele kinderen, die om bakschisch roepen en overal om de
vreemden heen zwermen. De werkende inboorlingen dragen bijna alle
een lang kleed, den vaak kleurigen kaftan, wijde, beneden gesloten
broeken en den schilderachtigen tulband. De ambtenaren en de in moderne
denkbeelden opgevoede jongelui zijn europeesch gekleed, maar dragen op
het hoofd de roode fez, de tarboesj, zooals men in Egypte zegt. Die
heeft langzamerhand de hoogte van den europeeschen hoed bereikt en
wordt bij de vele hoedenmakers zorgvuldig telkens weer in den vorm
geperst en opgestreken.

De vrouwen, die men op straat ontmoet, zijn in ruime, alles
bedekkende gewaden gehuld en hebben meestal een kap over het
hoofd. Het benedengedeelte van het gezicht is buitendien door een
sluier verborgen, die des te dunner is, naarmate de rang der dame
hooger is. In Egypte hangt de sluier aan een band van riet, die boven
den neus is aangebracht. Alleen jodinnen, christelijke vrouwen en
vrouwen van het land gaan met onbedekt gezicht rond.

Boeren drijven door de steden hun beladen kameelen en ezels in
lange rijen, soms hun kudden geiten, die onderweg aan de huizen
worden gemolken, op hoeken van straten en op pleinen vertoonen
slangenbezweerders en goochelaars hun kunsten, of vertellers en
straatmuzikanten houden er de menigte bezig. In de hoofdstraten
zitten, waar hun maar plaats wordt gegund, de geldwisselaars aan
hun met muntstukken beladen tafeltjes, welk geld in glazen kastjes
is geborgen. Hier en daar ziet men een tafeltje, waar een schrijver
zit te pennen, wat men hem dicteert ten gerieve van wie niet met pen
of potlood kan omgaan. Tusschen alles door rijden dan de electrische
trams of mooie, fraai bespannen rijtuigen, of een troep modern gekleede
soldaten trekt met militaire muziek voorbij.

In Konstantinopel en Klein-Azië houdt bij zonsondergang het leven
van de straat op, en zoodra de muezzin vanaf den toren der moskeeën
de geloovigen tot het avondgebed heeft opgeroepen, verdwijnt
bij het vallen van den nacht alles in de huizen. Daar deze naar
den straatkant veelal geen vensters hebben of dicht getraliede,
en daar de straatverlichting meestal zeer gebrekkig is, doet alles
zich als uitgestorven voor. Maar in Egypte is dat anders. Hier wordt
in de avonduren het beeld, zoo mogelijk, nog levendiger. De talrijke
café's, barbierswinkels, vruchtenwinkels en banketbakkerijen, ontsteken
tallooze groote lantarens, en lokken de menigte, die er plaats neemt en
koffie drinkt uit de kleine kopjes zonder oor, terwijl het aantal der
gevraagde waterpijpen vaak den voorraad overtreft. In de vastenmaand
Ramadan, als de Mohammedaan overdag geen voedsel tot zich neemt,
duurt de straatdrukte vaak tot de morgenuren.



WAARDE, DIE TOT HAAR RECHT KOMT.

Het is al vele jaren geleden, dat men voor het eerst begon te spreken
over het water van de vele vallen in Zwitserland als op groote
schaal aan te wenden beweegkracht. Langer dan een kwarteeuw is al de
uitdrukking van »witte steenkool« oud, waarmee dan het schuim der
cascaden werd aangeduid, dat fabrieken en machines aan drijfkracht
zou kunnen helpen. Hoewel het door water bewogen molenrad, dat het
werk verrichtte in houtzagerijen en meelmolens reeds heel oud is,
eerst de laatste tijden hebben we de waterkracht leeren exploiteeren
in den dienst der electriciteit.

Deze groote macht laat op treffend doelmatige manier het
snelstroomend water voor zich werken en in vele berglanden van Europa
worden haar turbines reeds in beweging gebracht door stroomend
water. Het allergrootste krachtstation van den jongsten tijd zal
dit jaar nog gereed komen in zuidelijk Zweden bij den beroemden
Trollhätta-waterval. Daar komen tachtig duizend paardekrachten door
omzetting van de levende kracht der watermassa's in electrische
energie, beschikbaar voor spoorweg-, gemeente-, industriëele en
andere doeleinden. De werken aan den Trollhätta-waterval worden
door den zweedschen staat uitgevoerd, welke behalve dezen nog een
reeks andere watervallen in zijn bezit heeft gebracht en daartoe
een afzonderlijke waterval-administratie opgericht heeft. Bij de
plaats Trollhättair stort de Götaelf over een afstand van ongeveer
1000 meter geleidelijk naar beneden, op deze wijze een twaalftal
verschillende watervallen vormende. De storting begint bij het eiland
Gullön en de laatste vallen liggen bij het Olideloch. Tusschen het
laatste en Gullön heeft men een kanaal aangelegd, dat de razende
watermassa's bij Gullön opvangen en naar het bij het Olideloch te
bouwen krachtstation leiden zal. Het 1400 meter lange kanaal, uit de
rotsmassa's door dynamietontploffingen gevormd, zal 252 M3 water in de
seconde voortleiden, waarbij men een snelheid van de watermassa's van 2
meter in de seconde berekent. Aan het eindpunt ligt een verzamelbekken,
van waar het water in acht loodrechte, bijna 32 M. diep in de rotsen
uitgehouwen turbinenkamers stort. Deze laatste monden uit in het aan
den voet van den berg liggende krachtstation, waarin acht turbines van
elk 10.000 paardekrachten opgesteld worden. Van het krachtstation wordt
de electrische kracht naar een groot aantal steden en dorpen geleid.

Met behulp van een voorloopig krachtstation wordt thans reeds
electriciteit naar verschillende steden gevoerd. Met den dag
der inwerkingstelling van het reuzenkrachtstation zal bij de
Trollhätta-watervallen een volledige verandering van het natuurtafereel
plaats hebben.

Terwijl thans nog 562 M3 water in de seconde over de glooiingen stort,
zal de toekomstige watermassa nog slechts 50 M3 bedragen en in plaats
van de wild voortbruisende watermassa's, die de bewondering van de
toeristen opwekken, zullen dan de bezoekers de droge, gladgeslepen
rotsblokken van het stroombed mogen beschouwen, als zij niet liever
elders het altijd nog rijk vertegenwoordigde natuurschoon willen gaan
genieten. Ook in noordelijk Zweden zal de staat een groot krachtstation
oprichten, om verschillende steden van electrische kracht te voorzien.

Wanneer men bedenkt, dat Zweden jaarlijks voor 60 millioen kronen aan
engelsche steenkolen betrekt, die het noodig heeft voor de industrie
en het spoorwegbedrijf, is het verklaarbaar dat men overgegaan is tot
het partij trekken van de watervallen. Alleen de watervallen, die in
zuidelijk Zweden tot ongeveer ter hoogte van Gefle liggen, bevatten een
onuitputtelijken, steeds zich hernieuwenden en aanvullenden voorraad
levende waterkracht. Dit zijn de »sluimerende millioenen« van Zweden,
niet minder belangrijk dan de ertsen en wouden van het land. Nog vormen
zij in hun ongebreidelde watermassa's grootsche natuurwonderen, die
ook toeristen van heinde en ver aantrekken, doch met den tijd zal zich
de techniek in steeds grootere mate van de watervallen meester maken,
om zelfs voor de meest afgelegen deelen van het land de veroveringen
van de moderne ingenieurskunst toegankelijk te maken.



PLAATSELIJK VERZET OP CERAM.

Hoe eigenaardig plaatselijk in ons Indië het verzet tegen het
nederlandsch bestuur kan zijn, blijkt duidelijk op Ceram, waar
het landschap of liever het kampongcomplex Ahiolo telkens last
geeft. Aanleiding is natuurlijk de tegenzin tegen het opbrengen van
belasting of het presteeren van heerendiensten. Maar de oorzaak moet
ongetwijfeld gelegen zijn in den instinctieven tegenzin bij deze lieden
des wouds tegen den voortdringenden invloed van het geregeld gezag.

Maar hoe is het dan dat Ahiolo een uitzondering vormt tusschen de
andere deelen van Ceram?

Ceram is een eiland van een zeer geaccidenteerde vorming;
wellicht heeft deze omstandigheid, evenals op andere eilanden van
gelijksoortigen bouw, bijgedragen tot het ontstaan van tal van
complexen van dorpen, met scherp afgebakend gebied, die geheel
onafhankelijk van elkaar zijn.

Op Ceram kan er opstand zijn in Ahiolo, zooals men b.v. in Europa
opstand zou kunnen hebben in Frankrijk, zonder dat de andere staten
er in gemoeid zouden behoeven te zijn.

Zoo scherp wordt door de lieden van Ahiolo het beginsel van het eigen
territoir in acht genomen, dat het verzet zich, hoe fel het ook wezen
moge, steeds tot binnen de grenzen beperkt. Troepen-afdeelingen
kunnen zich zonder gevaar voor een overval tot vlak bij de grens
bewegen. Is deze echter eenmaal overschreden, dan heeft men op zijn
hoede te zijn. Ter kenschetsing der zeer eigenaardige toestanden, zij
aangehaald, dat lieden van Ahiolo er zich b.v. wel toe leenen willen de
goederen van colonnes, die zich van de kust naar dat gebied begeven,
te helpen dragen. Zij doen het trouw totdat zij aan de grens gekomen
zijn. Maar met geen geld of geen geweld zouden zij er toe te krijgen
zijn die goederen verder te helpen brengen. Zij zetten de pakken neer
en verdwijnen desnoods in het bosch, om, wanneer de colonne verder
mocht trekken, aan de andere zijde der grens op haar te gaan schieten.

Uit de maandelijksche verslagen zoowel als uit de
regeeringstelegrammen, die ons nu en dan bereiken, valt op te maken
hoeveel moeite dat kleine Ahiolo, waarvan de weerbare bevolking slechts
uit enkele honderden mannen bestaat, aan het gezag geeft. Met hand en
tand weert het zich tegen den vreemden invloed. Veel vooruitgang is er
niet te bespeuren. "Of de schuld daarvan ligt aan onvoldoende of slecht
geleide militaire actie? Dit zouden wij niet weten te beoordeelen,"
zegt de Java-Bode en gaat dan voort:

"Wel achten wij het van groot belang, dat krachtige maatregelen zouden
genomen worden om zoo spoedig mogelijk aan dezen treurigen toestand
een einde te maken. Daargelaten het betrekkelijk groot verlies aan
menschenlevens--althans onzerzijds, de lieden van Ahiolo weten zich
goed te dekken en zijn moeilijk te raken!--kan ons gesukkel niet
strekken om ons prestige in die streken te verhoogen.

Gelukkig, dat elders in het Oosten van den Archipel gezondere
toestanden bestaan, en dat, al moge er nu en dan nog wel eens een
op zichzelf staande daad van weerspannigheid tot gewapend optreden
op kleine schaal nopen--wat meestal slachtoffers eischt--het er daar
steeds rustiger en normaler begint uit te zien."



OVER DEN ROEWENZORI.

De hooge top in Midden-Afrika, waarheen de hertog der Abruzzen in
1906 een expeditie heeft ondernomen en die ook wel Roenssoro wordt
genoemd, is pas in 1888 door Stanley ontdekt. In verschillende talen
is het reisverhaal van den hertog reeds verschenen, zooals het uit
aanteekeningen van den hertog en van zijn tochtgenooten is opgesteld
door zijn italiaanschen vriend en vroegeren reisgenoot, F. de Filippi.

Men krijgt eerst een overzicht over de geschiedenis der ontdekking
van den Roewenzori, die bezocht is geworden door zeer veel reizigers
en wetenschappelijk gevormde Alpinisten, helaas, met het gevolg,
dat de meeningen over de geleding van het gebergte en de identiteit
der afzonderlijke toppen er al verwarder door werden. Ook over de
hoogten van de toppen liepen de opgaven sterk uiteen.

Aan die verwarring heeft de reis van den hertog der Abruzzen, Amadeus
van Savoye, een eind gemaakt. Hij en zijn medearbeiders hebben door
hun wetenschappelijken tocht een verdienstelijk werk gedaan.

Uit het eigenlijke bericht der expeditie ziet men, dat ze Port Fortal
den eersten Juni verlieten en dat midden Juli al het op het programma
staande werk verricht was, dank zij den ijverig volgehouden arbeid. In
het aanhangsel worden de astronomische, topografische, meteorologische
en magnetische waarnemingen en de natuurwetenschappelijke verzamelingen
besproken.

Wij geven in ons hoofdblad binnenkort het reisverhaal in extenso,
waarbij onze lezers den opgewekten, prettigen verhaaltrant zullen
kunnen waardeeren.



MOSSELTEELT.

De mossel wordt ook in ons land met smaak verorberd, maar niet in
zoo grooten getale als in Frankrijk, waar men in sommige streken aan
mosselteelt doet, zooals bij ons aan oesterteelt. De voortplanting van
de mossel is voor een deel nog onopgehelderd; maar de vruchtbaarheid
is zeer groot, dat is van algemeene bekendheid. Een groot deel van
het broedsel gaat natuurlijk verloren, wordt door den zeewind mee
voortgesleurd of komt in het oeverslijk terecht en sterft er. Maar er
blijft nog altijd een aanzienlijke rest over, die zich vasthecht aan
het rotsgesteente. De ontwikkeling der mossel heeft dan betrekkelijk
vlug plaats; na afloop van twee tot drie maanden heeft de jonge mossel
een middellijn van eenige millimeters bereikt.

Dan komen de telers en maken de jonge mosseltjes los, die altijd bij
verscheiden duizenden als een tros aan elkander hangen, om ze over te
storten in zakken van fijn netwerk, die ongeveer twee liter kunnen
bevatten. Die zakken zijn gemaakt van stukken van oude, zeer fijne
netten, die meestal vroeger voor de sardinenvangst hebben gediend. De
met jongen gevulde netten worden vervolgens op eigenaardige wijze
behandeld. Diep in het water gedreven palen, die ongeveer anderhalven
meter boven het water uitsteken, worden door stevig samengevlochten
takken van kastanjeboomen met elkaar verbonden. De terreinen voor de
teelt moeten steeds zóó zijn gelegen, dat ze gedurende de helft van
den tijd der eb volkomen droog liggen.

Op dien tijd van den laagsten waterstand worden de zakken met mossels,
altijd op afstanden van een halven meter, midden tusschen de in elkaar
gevlochten takken bevestigd. De rustelooze golven der zee omspoelen
het fijne netwerk en de jonge mossels groeien en doen dan de murw
en slap geworden omhulling van de zakjes bersten. Maar dat is geen
bezwaar, want de mossels hebben dan hun eigen veerkrachtigen draad,
den byssus, verkregen, met welks hulp ze zich in het takwerk stevig
hebben vastgezet.

Na achttien maanden ongeveer hebben de mossels hun volkomen
ontwikkeling bereikt en zijn geschikt voor den verkoop. De telers
maken in den tijd van den laagsten waterstand de takken van de palen
los. Die zijn dan geheel door mossels overdekt, en men kan de schelpen
plukken als de vruchten van een boom.

Behalve op die manier wordt ook nog wel een andere methode
toegepast. Daarbij worden boomtakken, meestal tamarindetakken,
maar ook andere, loodrecht in den weeken grond gestoken, zoodat ze
een boschje vormen, waarvan de golvende punten boven de zee heen en
weer wuiven. De jonge mossels worden op dezelfde wijze, als te voren
beschreven, in fijne netten gedaan en in de takken vastgemaakt,
en het dichte takkenwirwar kan zeer veel netten bergen. De oogst
heeft eveneens ongeveer na achttien maanden plaats. De op die manier
geoogste mossels noemt de Franschman tamarinières.

De opbrengst is ook dan zeer groot, maar het is een verbazend
moeilijk werk, de schaaldieren uit het dichte gewemel van takken uit
te plukken. En dan heeft men bij deze methode nog het bezwaar, dat
zich veel slijk heeft vastgezet in de massa, terwijl bij de andere
manier het water ongehinderd onder de drijvende wanden van takken
kan doorstroomen. Men teelt de mossels graag aan de mondingen van
rivieren, omdat het sterk bewogen water uitstekend voor de voeding
der dieren zorgt en hun groei bevordert. Daarbij moeten de mossels een
voorliefde hebben voor de plaatsen, waar zout en zoet water samenkomen.



EEN NIEUW MODERN DORP.

Sint-Petersburg, Karlsruhe en nog meer andere steden zijn verrezen
op wensch of bevel van een bepaald persoon, in beide gevallen een
regeerend vorst, maar nu krijgen we in een uithoekje van ons eigen
land een dergelijk voorbeeld van een nieuw te stichten modern dorp.

Er is namelijk in het jaar 1847 in Zeeuwsch-Vlaanderen een gedeelte
ingepolderd van het Verdronken Land van Saeftingen, waarna er een zeer
vruchtbare polder ontstond, gedeeltelijk gelegen in de nederlandsche
gemeente Clinge en 544 H.A. groot. Voor een kleiner deel ligt de
polder in de belgische gemeente Kieldrecht.

In die Prosperpolder hebben zich verscheiden boeren gevestigd en ze
hebben er prachtige hofsteden doen verrijzen. Door de vestiging van
landbouwers zijn er natuurlijk nijveren heengelokt, smeden, bakkers,
schoen- en kleermakers, timmerlieden, winkeliers en herbergiers. De
erfgenamen van den Prins van Aremberg nu hebben in deze streek
belangrijke eigendommen liggen, en thans zijn zij voornemens, daar
een nieuwerwetsch dorp te stichten.

Er wordt een straat aangelegd van circa 12 Meter breedte. In het midden
komt een steenweg voor de voertuigen, daarnaast klinkerpaden van 2
Meter breedte voor de voetgangers, verder een pad voor wielrijders en
twee rijen boomen. In de volgende maand begint men met het bouwen der
woningen, die alle volgens den laatsten trant zullen worden ingericht
en alle gemakken zullen bevatten.

Er zijn reeds meer dan 100 aanvragen ingekomen, om huizen te mogen
bouwen in het nieuwe dorp.

In het midden van de straat komt een prachtige kerk met pastorie,
die reeds aanbesteed is.



PLASMOLEN'S SCHOON.

Lang is het reeds geleden, maar nog kan ik doen leven, al de beelden
en gewaarwordingen, die me bestormden en overweldigden, toen ik voor
het eerst door het bosch van den Jansberg ging, komende van Groesbeek
in de maand Augustus, om een colléga, wonende aan den Plasmolen, te
bezoeken, en wanneer ik thans een opgetogen vriend toonen kan al 't
mooi van wat ik langzaam aan heb liefgekregen, voel ik al de blijheid
weer van toen. Zijn verwondering en vreugd over al dat nergens nog
geziene, maakt alles weer voor je nieuw, doet je goed en streelt,
als vleitaal de jonge moeder over haar kind.

't Mooie Hôtel "De Plasmolen", dat in zijn blankheid oprijst aan het
water, staat daar als blijk van erkenning van 't schoon der natuur,
doet soms denken aan een tempel waar 's zomers komen om te rusten,
vermoeiden van het leven, ter aanbidding van de godheid, die een
oord zegent met zooveel schoon. Want zeker zeg ik niet te veel, als
ik beweer dat 't schoon van de streek oorzaak is van den meer dan
buitengewonen groei van 't Hôtel natuurlijk niet gerekend buiten de
krachtige leiding der heeren van der Grinten en Cremer, de pachters
van 't Hôtel, die mede hun aandeel hebben aan de ontwikkeling van
't kleine primitieve Hôtel de Plasmolen tot het modern ingerichte
Hôtel van nu, dat iedere toets doorstaat.

Nergens vond ik een natuur die nog zoo onbedorven is gebleven van
de steeds voorwaarts dringende cultuur, die helaas, zooveel van
't echte zuivere schoon bederft; geen vereeniging ter bevordering
van 't vreemdelingenverkeer drukte op deze streek haar stempel; nog
kwam geen bouw van villa's dissonanten brengen in de harmonie van 't
geheel; nog ongeschonden of verminkt, leeft daar een leven als niet van
onze eeuw, droomt nog een poëzie, vreemd aan onze dagen, ontroerend
soms en angstig, voor hen die uit den gang van 't jachtende leven
komen. In 't bosch fluisteren nog stemmen uit lang vervlogen dagen;
de weelderige groei van boomen en planten draagt nog een oerkarakter,
zooals men nergens anders vindt.

Trotsche eiken met hun grilligen groei, soms zwaar getooid en bekropen
door klimop en kamperfoelie, verrijzen naast beuken en berken,
terwijl varens en paardenstaart, die een hoogte van twee meter hier
bereiken, braamstruik en woudroos, een wildernis formeeren, die soms
denken doet aan verhalen van Aimard, en verwonderd zou men bijna niet
zijn, een Indiaan te zien, jagend op het een of ander wild. 't Sterk
heuvelachtig terrein biedt soms panorama's van uren uitgestrektheid,
waarin 't bewegen van de menschen, ons eerst de kleinheid daarvan
voelen doet, voert dan weer in valleien van een plechtig somber
schoon. Veelal zijn de heuvelen begroeid met dichte rijzende stammen
van dennen, waaronder een klaar zilverachtig licht. Het schijnen soms
sprookjes-paleizen in roerende rust, tempels van eenvoud, tempels van
God met gewijde harmonieën, als ruischend de wind speelt met de toppen
der boomen. Dan weer is 't een meer, geheimzinnig zich verliezend in
't dichte geboomte, als wilde 't zich verbergen voor onbeschaamden
blik, gevoed door kabbelende beekjes, zoo helder als kristal, zacht
zingend voorwaarts huppelend als spelende knapen. Hier spreekt eerst
de stem van de stilte; het schijnt alles overtogen met een waas van
mystiek. Geen geluiden van 't groote leven dringen tot hier door;
't al ademt een geest die tot mijmeren ons noopt, opvoert tot een
hooger schoon, door zoo plechtige stilte en roerende rust, voorwaar
dus een oord voor hem, die te rusten begeert van 't nerveus bewegen
eener groote stad, kalmte zoekt voor zijn geest.

En hoezeer is deze streek veelzijdig en afwisselend! De historische
Mookerhei, die zich uitstrekt achter het hotel, roept de herinnering
aan Mauve in ons op en is schilderachtig en rijk. Hier stijgt
zingend de leeuwerik omhoog, vliegt krijschend de kievit boven het
hoofd van den wandelaar, genieten de schonkige koeien een ongekende
ruimte. Hier teekent zich de zandweg tegen 't donkere groen van een
dennengroep; hier is de rust van een ander karakter, zingt de fee
van het natuurschoon een anderen zang. Ginds staan de huizen van 't
landvolk te droomen als neergesmeten langs de wegen, die zwaar zijn
doorploegd van 't spoor van de karren, en stil rijst boven de daken,
schitterend in 't blauw van de lucht, lieflijk de kerk van het dorp;
't is of de hand van een kunstenaar, bedreven en los, hier alles
plaats gaf.

Onder aan den boschrand, waarvan de lijnen muziek zijn, zich verliezend
in blauwende verten, zich oplossend in het Reichswald, strekken zich
de vennen uit.

Groote plassen, waarin de trotsche woudreus, als bewust van zijn
pracht, zijn eigen schoonheid te bewonderen staat, geheel zijn rijkdom
van takken en blad bevende teekent, tegen een schitterende lucht,
kunnen, als de regen neerdrupt uit zwaar zwarte wolken, stemmen tot
den plechtigsten ernst.

't Is bijna met vrees, dat ik gewaag van 't hier levende schoon,
angstig als ik ben, dat het niet veilig meer zal zijn, en dat het
gemeengoed worden gaat, zoodat de hand van profanen die heiligheid
schendt.

Maar wie in de goede gezindheid tot dit mooie oord nadert, die zal
zich niet bedrogen zien en hij kan vertrouwen, in het gastvrije hotel
»De Plasmolen« zich thuis te zullen voelen.

                                                        Leo Niehorster.



NOORDHOLLANDSCH WATERTOCHTJE.

Het is een aardig denkbeeld van de Leidsche Stoombootmaatschappij »De
Volharding«, om een rondreis te water te organiseeren van uit Haarlem
langs Spaarne, Noordzeekanaal, Kanaal van Nauerna over Knollendam,
de Zaan en Zaandam en door Noordzeekanaal en Spaarne terug naar
Haarlem. Hoe verbazend jammer was het voor de onderneming, dat in
de maand Juli het aantal mooie zomerdagen zoo gering is geweest,
want juist die warme dagen met zon zijn uiterst geschikt voor het
genot van bootjevaren.

Vreemdelingen en toeristen, die altijd zoo verrukt zijn over de
»wazige« luchten van Holland, hebben hun hart aan de wazigheid kunnen
ophalen, en zeker is het, dat ook bij donker weer het polderland niet
alle bekoring mist, maar hoeveel vriendelijker doet alles zich voor
in den zonneschijn! Mocht Augustus nu nog maar goed maken, wat Juli
is te kort gekomen en mocht het aantal passagiers, die dagelijks met
de nieuw gebouwde stoomboot »Volharding VII« meegaan van harte kunnen
genieten van het afwisselende landschap, waarvan wij enkele kijkjes
hier reproduceeren.

Want er is heel wat te zien op het tochtje, dat, om half elf 's morgens
beginnend, de deelnemers om vijf uur weer aan het Noorder Spaarne aan
wal zet. Eén ding is voor deze pleiziervaart een stellig vereischte,
namelijk stiptheid, wat den tijd betreft, want er zijn sluizen en
spoorbruggen in de route, die op een bepaalden tijd geopend worden,
en die de grootste preciesheid verlangen van de vervoermiddelen te
water op poene van soms een langen wachttijd.

In het aardige boekje, dat de reisbeschrijver bij uitnemendheid,
de heer J. Craandijk, voor de stoombootmaatschappij samenstelde en
waaraan wij hier het een en ander ontleenen, wordt opgegeven, hoe
de reizigers van verschillende kanten, van Bloemendaal, van Alkmaar,
van Amsterdam, van Aerdenhout en Zandvoort, het moeten aanleggen, om
langs den kortsten weg naar het Noorder Buitenspaarne te komen. Alle
eenigszins belangrijke punten van den watertocht passeeren de revue,
terwijl in de beschrijving enkele historische bijzonderheden zijn
ingevlochten en niemand onbevredigd blijft, die graag zou willen
weten, welk torentje daar uit het groen verrijst, wat voor oud huis
ginds te zien is, in welk water men bij het omslaan van deze bocht is
binnengevaren, hoe dit vriendelijk dorpje heet en wat de naam is van
dien in groene frischheid en frissche groenheid van vruchtbaarheid
getuigenden polder.

Laat ons even vertellen, dat men eerst door het Spaarne vaart
in noordoostelijke richting, langs den Houtrakpolder, om dan een
scherpe bocht rechts te maken en in het Noordzeekanaal te komen,
dat slechts gevolgd wordt op den heenweg tot waar men links afslaand
het Nauernakanaal binnenvaart of de Nauerna'sche vaart, een ouden
waterloop, die indertijd uitgediept en bedijkt werd voor de droogmaking
van den Schermerpolder. Dat was nog in onze groote zeventiende eeuw,
die wij wat onze waterbouwwerken betreft, in den tegenwoordigen tijd
gerust onder de oogen kunnen komen.

Kalm glijdt de boot er door het vlakke weiland, met slooten doorsneden,
waar watermolentjes wat afwisseling brengen, en de huizenstrook
van Assendelft met de beide kerktorens en al eerder het langgerekte
Westzaan aantoonen, dat men nog niet heelemaal buiten de bewoonde
wereld is geraakt. Noordwaarts op gaat het tot aan de spoorbrug
niet ver van het station Krommenie-Assendelft en verder noordelijk
achterlangs Krommenie tot bij het punt, waar de Nauernavaart zich
afbuigt van de ringvaart van den Starmeerpolder.

Bij Knollendam wendt de stoomboot zich dan naar het Zuiden en vaart
de Zaan in. Het riviertje de Zaan, zoo bescheiden in haar oorsprong
als afvloeiing van vroegere meren, die in polders zijn veranderd en
die de voeding van de Zaan aan de ringvaarten hebben overgedragen,
heeft liefelijke oevers, en schilderachtige tooneelen krijgt men vanaf
de boot te zien. Men passeert Oost- en West-Knollendam, Wormerveer,
typisch omdat het nu eens niet echt zaansch is en wel zijn beste
beentje voorzet naar den kant van de Zaan; dan de lange reeks van
dorpsachterhuizen en tuinen, die Zaandijk en Koog aan de Zaan vormen
en aan de westzijde der rivier een aardig karakter geven, rijk aan
afwisseling.

Bij Zaandam zijn beide oevers bebouwd, en de passagiers, die hun lunch
aan boord hebben gebruikt, waarvoor de haarlemsche restaurateur,
J. A. Mulder heeft te zorgen, kunnen van de eenigszins verlengde
wachtperiode bij de sluis profiteeren, om iets van de stad te zien
en misschien het Czar-Peterhuisje in oogenschouw te nemen. Maar veel
tijd is er niet, en al spoedig ligt Zaandam achter de »Volharding
VII«, die rechts zwenkend het Noordzeekanaal invaart en de Hembrug
vóór zich ziet liggen. In westelijke richting gaat het weer door
het breede Kanaal tot waar het zijkanaal C. wordt gevolgd, een der
vaarten, die door den uitgestrekten IJpolder loopen. Bij Spaarndam
herhaalt zich het openen van de sluis, dat alleen op het volle uur
gebeurt, het belangstellend kijken naar het niet onaardig buurtje
met de typische huizen, winkels en werkplaatsen en het zoeken naar
het wat verborgen kerkje, waar men de grafstede kan vinden van schout
Nicolaas Cruqius, die er in 1754 is overleden en naar wien, ook om hem
te eeren als Opziener van Rijnland, een der groote stoomgemalen van
den Haarlemmermeerpolder is genoemd, zoodat de naam vaak wordt gehoord.

Zoo gaat het dan weer op Haarlem aan door het Spaarne, nu met
de uitgestrekte weilanden aan onze linkerhand, langs het in 1842
aangelegde jaagpad van Haarlem naar Spaarndam en den ouden, grooten
heirweg van Kennemerland naar Alkmaar. Die naam Kennemerland herinnert
aan het vele schoon in de omstreken van de grijze Spaarnestad, het
mooie, dat overal in ons land en daarbuiten wordt gewaardeerd. De
nieuwe boottochtjes hebben nu daarnaast meer waardeering gebracht voor
het schilderachtige polderland, door zijn kalme wateren doorsneden.



EEN INTERNATIONAAL NOORDZEEBAD.

De roem van de Noordzee-badplaats Zandvoort is reeds lang ver buiten
het grensgebied van ons kleine landje doorgedrongen. Een mooi breed
strand, rondom heerlijke duinruggen, een krachtige golfslag van de
Noordzee, de gunstige ligging in de nabijheid der steden Amsterdam
en Haarlem hebben Zandvoort tot een der meest bezochte, zoo niet tot
de drukst bezochte badplaats ten onzent gemaakt.

De genoemde voordeelen worden op de gelukkigste wijze vereenigd
en voltooid door uitstekende treinverbindingen, die het voor het
binnenlandsch en buitenlandsch publiek gemakkelijk maken, Zandvoort
te bereiken. Zoo rijdt men bij voorbeeld des avonds om tien minuten
over zes uit Keulen en komt zonder overstappen om elf uur in den avond
te Zandvoort. En ook op andere tijden van den dag rijden doorgaande
treinen over de grenzen van en naar Zandvoort. Voor het verkeer met de
naaste omgeving speelt de regelmatige en drukke verbinding tusschen
Amsterdam en Zandvoort met tusschenpoozen van ongeveer een half uur
een gewichtige rol. Er loopen in het algemeen dagelijks zoowat 38
treinen en als er extra drukte is, worden nog treinen ingelegd.

Nu het nieuwe station te Haarlem gereed is, is ook de verbinding met
Den Haag en Rotterdam vergemakkelijkt, zoodat men thans in één uur
van Zandvoort uit Den Haag kan bereiken. Naar Amsterdam en Haarlem
kan de badgast zich ook door de electrische tram laten brengen, die
in den zomer op werkdagen alle tien minuten en op bijzondere dagen
alle vijf minuten rijdt. De treinen zijn zeer geriefelijk ingericht en
ze leggen den afstand tusschen Zandvoort en Amsterdam in een uur af,
terwijl de reis naar Haarlem in een kwartier wordt volbracht.

De huizen van het oude Zandvoort, dat oorspronkelijk een
visschersdorp was, liggen nog al ver uit elkander als in zooveel
aan zee gelegen plaatsen, maar er zijn een paar hoofdverkeerswegen,
waarvan de Kerkstraat en de Hoogeweg de voornaamste zijn. Een
protestantsche en een roomsch-katholieke kerk houden geregeld hun
godsdienstoefeningen. De onderwijzers van twee zeer goede scholen
zijn bereid, aan de kinderen van de badgasten privaatonderwijs te
geven. Voor buitenlanders wordt Zandvoort meer en meer aanlokkelijk
gemaakt. Het vaste circus, dat ruim vier jaar geleden werd aangelegd,
heeft al voor allerlei vermakelijkheden gediend.

Zandvoort heeft zich sterk uitgebreid, vooral naar den kant der
zee. Vanaf de groote hotels en de rijke pensions kan men de meest
verscheiden wandelingen maken in allerlei richtingen. Wie naar het
Noorden den Boulevard volgt, komt aan een voor wandelaars in de
duinen aangelegden weg. Daar valt er te genieten van een heerlijke
wilde duinflora. Bij helder weer heeft men van het hooger gelegen
Duinhuis naar alle zijden het mooiste uitzicht. Vijf minuten van het
Grand Hotel heeft men in de duinen drie tennisvelden, die zeer diep
zijn ingegraven, zoodat het voor de badgasten mogelijk is, ook bij
vrij krachtigen wind te spelen. In de buurt van het terrein is een
paviljoen met ververschingen beschikbaar.

Verder naar het Noorden vindt men in de duinen een kiosk Bernadotte,
die ook geschikt is om er na een lange duinwandeling uit te rusten
en zich te verkwikken. Men heeft er tevens een heerlijk uitzicht op
het strand en de duinen. Daar ziet men de gewone stranddrukte, die
zeer levendig is, want het bezoek aan Zandvoort wordt jaarlijks op
7000 tot 8000 personen geschat. Het seizoen begint den eersten Mei
voor badgasten, die enkel voor het genieten van de zeelucht komen;
het bad wordt den eersten Juni geopend. Ook in de maanden September
en October worden nog baden genomen, vooral door zenuwlijders, die
van den dan zeer krachtigen golfslag nut moeten trekken.



LIGUE INTERNATIONALE DES ASSOCIATIONS TOURISTES.

De ijverige bestuursleden van den Algemeenen Nederlandschen
Wielrijdersbond, de heeren G. A. Pos en D. Fockema, hebben te Londen
Nederland vertegenwoordigd op het Congres van bovengenoemde Ligue,
die de belangen der toeristen, in het bijzonder die van wielrijders
en motoristen in Europa en de Vereenigde Staten, tracht te bevorderen.

Op voorstel van den Deenschen Toeristenbond, die daarbij door den
Zweedschen werd gesteund, zal er een Permanent Bureel voor de Ligue
worden ingesteld, want het aantal toegetreden Vereenigingen is
zoo groot geworden, dat zoo'n instelling niet langer kan worden
gemist. Over de plaats, waar het bestendige kantoor zal worden
gevestigd, in België, Nederland of Zwitserland, die alle drie in
aanmerking kwamen, is nog geen beslissing genomen.



OP DEN UITKIJK.


ZEER HOOGE GASTEN OP MIDDACHTEN.

Zooals het kasteel Middachten zich nu voordoet, werd het in 1697
gebouwd door Godard van Reede, graaf van Athlone, den trouwen vriend en
den kloeken veldheer van den stadhouder-koning Willem III. In diezelfde
zeventiende eeuw was het aan de Van Reedes gekomen, van wie het door
huwelijk aan het geslacht Bentinck kwam, dat er thans nog troont.

Vóór de zeventiende eeuw had het huis al een heele geschiedenis. Het
wordt in 1190 genoemd, toen Jacobus de Michdat een oorkonde van graaf
Otto van Gelder mede bezegelde, en in 1315 volgt Everard van Middach
het voorbeeld van zooveel landheeren-tijdgenooten en maakt zijn huis
en voorburcht ten »Zutfenschen Rechte tot leen«. In 1340 werd Hendrik
van Middach overste-wildforster op de Veluwe. Na het uitsterven van
het oude geslacht kwam Middachten in 1623 aan de Raisfelts, die er
door de Van Reedes werden opgevolgd.

De tegenwoordige bewoner, die de eer zal genieten, een
vriendschapsbezoek van den duitschen keizer te ontvangen, graaf Willem
Carel Philip Otto van Aldenburg-Bentinck en Waldeck-Limpurg, is lid
van den hoogen duitschen adel, erfelijk lid van het wurtembergsche
Heerenhuis en commandeur van de Duitsche Orde. Een tijd lang was
hij secretaris van de britsche legatie te Berlijn. Zijn vrouw is
Maria Cornelia, barones van Heeckeren van Wassenaer, en van de vier
kinderen is een dochter met een duitschen erfgraaf getrouwd, een zoon
is luitenant in het regiment Pruisische gardes du corps te Potsdam;
en een andere zoon heeft ook reeds zijn entrée in dat regiment gedaan.

Als keizer en keizerin incognito van Kleef komen op Maandag aanstaande
zal de extra-trein alleen aan het station Nijmegen even van machine
verwisselen, om daarna met tien rijtuigen rechtstreeks naar de Steeg
door te rijden, waar graaf en gravin Bentinck hun hooge gasten zullen
ontvangen. In open rijtuigen wordt door het dorp gereden en door de
beroemde beukenlaan langs de zijlaan naar het kasteel.

In de hooge, ruime zalen en kamers, regelmatig om de vestibule en den
koepel gebouwd, en langs de groote trap met het prachtige snijwerk
aan de leuningen zal het hooge gezelschap, dat op Middachten blijft
logeeren, zich bewegen en de heerlijke uitzichten genieten op het
park en de weiden en lanen eromheen. Des keizers zin voor historie
zal kunnen worden gestreeld, want talrijk zijn de oude portretten van
historische beteekenis, die op Middachten worden bewaard. De eigenaar
van Middachten, wiens moeder een gravin van Waldeck Pyrmont was,
stamt af van den tweeden zoon van dien bekenden en terecht beroemden
en geëerden eersten graaf van Portland, Hans Willem Bentinck, den
gunsteling en, wat meer zegt, den trouwen, tot het laatst hem innig
toegewijden vriend van Willem III.

De titel, graaf van Aldenburg, kregen de Bentincks van Middachten bij
den dood van Eugenius van Savoye, den laatsten graaf van Aldenburg,
in 1736.



HERDENKING VAN WAT NEDERLAND EN DE VEREENIGDE STATEN VERBINDT.

Dat moet een aangename reis zijn geweest voor den professor van
de universiteit Rutgers College in Ithaca in den Staat New-York,
den heer William Elliot Griffis, die tocht naar Nederland met
opdrachten van genootschappen en vereenigingen in Amerika, om in
ons land door zichtbare blijken vast te leggen de herinnering aan
de banden, die in de historie gelegd zijn tusschen de republiek der
Vereenigde Nederlanden en het land, dat eerst Nederlandsche kolonie,
toen Engelsche kolonie en eindelijk ook republiek was geworden.

Het aanwakkeren van de piëteit voor het verleden is iets nobels en
goeds, en waar door de gedenkplaten, die de amerikaansche geleerde in
ons land kwam plaatsen en onthullen, iets voor ons land zoo eervols
werd herdacht als het aandeel, dat Nederland had aan de schepping
van de republiek Amerika, daar mogen wij allen wel hartelijk deelen
in de herinneringsplechtigheden.

Belangrijk waren vooral die in de Engelsch Hervormde kerk op het
Bagijnhof te Amsterdam en die te Leeuwarden in de Statenzaal. Ook
Utrecht en Nijkerk kregen gedenkplaten.

Driehonderd jaren is het geleden, dat een groep personen, die om
des geloofswille uit Engeland moesten wijken, gastvrij in ons land;
en wel het eerst in Amsterdam, werden opgenomen. Als pelgrims kwamen
ze naar het lage land en als pelgrims hebben ze er geen blijvende
plaats gevonden, maar zijn, na ook in Leiden en in Delfshaven te
hebben gewoond, overgestoken naar het toen nog zooveel verder dan
nu verwijderde land aan de overzij van den Atlantischen Oceaan. Op
de gedenkplaat, die in de Bagijnhofkerk is onthuld, staan vijf
namen vermeld van die Pilgrim Fathers, die zich in Pennsylvanië
vestigden. Het zijn Ainsworth, Johnson, Robinson, Brewster en Bradford,
aristocratische namen in Amerika, waar de herinnering aan die pelgrims
zeer levendig wordt gehouden.

Het was een plechtige dienst, die op Zondag 11 Juli werd gehouden in
de overvolle kerk. In de hooge bank tegenover den preekstoel had de
burgemeester van Amsterdam, Mr. W. F. van Leeuwen, plaats genomen
met den engelschen consul, Mr. Churchill, en den vice-consul,
Mr. Nabarre. Aan den voet van het gestoelte zaten verschillende
afgevaardigden van andere kerkgenootschappen, als de Ned. Herv. Kerk,
de Evangelisch Luthersche, de Hersteld Evangelisch Luthersche en
Doopsgezinde Gemeente, Ds. Overman, predikant van de Engelsche kerk
te Vlissingen, vertegenwoordigers van de Schotsche kerk te Rotterdam
en veel autoriteiten uit Amerika.

De predikant van de engelsche kerk, Rev. William Thomson, opende
de bijeenkomst met gebed, waarna de gemeente uit den schotschen
liederenbundel de toepasselijke verzen zong:


        "Through the night of doubt and sorrow
        Onward goes the pilgrim-band,
        Singing songs of expectation,
        Marching to the Promised land."

        Clear before us through the darkness
        Gleams and burns the gliding light;
        Brother clasps the hand of brother,
        Stepping fearless through the night.


Daarna kreeg de Reverend Elliot Griffis het woord, de man, die al
bekendheid heeft gekregen in ons land door zijn geschriften over
de historische betrekkingen tusschen Nederland en Amerika, als
"The Pilgrims in their three homes", "Brave little Holland" en "The
story of New-Netherland". De spreker droeg een professorale toga,
omzoomd met roode en witte strooken als doctor in de rechten en in
de godgeleerdheid, op den rug belegd met een zwart zijden vierkant
als een embleem van Rutgers College.

In de rede werd hoog opgegeven van de geestelijke schatten, die
wij in onze roemrijke geschiedenis en in onze oude kunst bezitten,
werd natuurlijk de geschiedenis van de in 1609 uitgewekenen herdacht
en tevens verteld, hoe verschillende stichtingen en particulieren,
onder leiding van de Congregational Club als voornaamste geefster,
de gedenkplaat hadden doen vervaardigen, die aan den wand van de kerk
ter zijde van het preekgestoelte voor aller oogen zichtbaar werd;
toen de hoogleeraar G. L. Raymund uit Washington, getrouwd met een
afstammelinge van een der Pilgrim Fathers, haar onthulde.

Koorgezang had te voren de mooie woorden begeleid van het lied,
door den heer Griffis geschreven, waarin de woorden voorkomen:


        »Forth from their mother-land outcast
        Our fathers fled to find a home:
        Long dwelt they guests, in conscience free
        Within a State without a throne.

        Within these cities, rich and fair,
        They found full welcome and a home;
        In sweet comment then worshipped God,
        Nor wished again to farther roam."


Bedoelde professor Raymund is president van de Mayflower Society, zoo
genoemd naar het schip, waarmee de pelgrims overstaken naar Amerika
en wel naar Plymouth in Pennsylvanië, waar ze een overwegenden en
blijvenden invloed hadden op de wording der Hervormde Kerk en op den
gang van zaken in de kolonie.

De onthulde plaat is van koper, bevestigd op eikenhout, en draagt
het volgende inschrift:


                             One in Christ.

                 1609. From Scrooby to Amsterdam. 1909.

   Ainsworth, Johnson, Robinson, Brewster, Bradford. By joint consent
    they resolved to go into the low Countries where they heard was
        freedom of religion for all men, and lived at Amsterdam.

      (Governor William Bradford: History of Plymouth Plantation).

   In grateful remembrance and in Christian brotherhood, the Chicago
               Congregational Club reared this memorial.

                              A. D. 1909.


Bij monde van den Rev. William E. Barton uit Chicago had den 18den
de eigenlijke aanbieding plaats.

Nog sprak bij de onthulling een eerbiedwaardige grijsaard, de
heer George Bishop, een vertegenwoordiger van de oude kerk der
knickerbockers, een afstammeling der eerste kolonisten, en ook de
kanselier van de universiteit te New York, Dr. Henry Mitchell Mac
Cracker, die over de in September aanstaande Hudson Fultonviering
vol geestdrift uitweidde en alle Nederlanders, die over zouden
komen al bij voorbaat hartelijk welkom heette. Men weet, dat onze
oud-minister, de heer J. T. Cremer op 11 September erheen vertrekt
als vertegenwoordiger van Nederland.

De plechtigheid in de Statenzaal te Leeuwarden was voorbereid door
een tentoonstelling, in het prentenkabinet van het friesch Museum
ingericht ter herinnering aan het feit, dat de Staten van Friesland,
het eerst van alle geüniëerde provinciën, bij besluit van 26 Februari
1782, aandrongen op de erkenning van John Adams als gezant van Amerika,
iets wat gelijk stond met de erkenning der onafhankelijkheid van den
Noord-Amerikaanschen Staat.

Behalve portretten van bekende voorstanders van de Amerikaansche
onafhankelijkheid, als Johan Derck van der Capellen, den Amerikaanschen
burgemeester Hooft e. a., bestaat de expositie in hoofdzaak uit
documenten die een levendigen kijk geven op hetgeen er in 1782 omging
in Friesland's hoofdstad en te Franeker, zetel der voormalige friesche
hoogeschool.

De Leeuwarder »Burger Sociëteit door Vrijheid en IJver« was zóó
getroffen door het volwijze besluit der Staten van Friesland, dat
zij besloot op hare kosten een zilveren medaille te laten slaan
door B. C. van Calker te Amsterdam, naar nog voorhanden schetsen van
J. Buys. Na veel wikken en wegen kwam men tot de volgende symboliek
op de voorzijde der medaille, die volgens de gedrukte verklaring als
volgt moet worden opgevat:

De voorzijde vertoont een Fries, gekleed naar den ouden en
caracteristicquen trant der Friezen tusschen Flie en Lauwers; 't
welk te kennen geeft »dat deeze Vrije Natie in haar oorspronkelijk
caracter, en zugt voor de Vrijheid, onverandert en nog dezelfde
is«. Deze Fries, met moeite ontdekt op een populair schilderij: »de
Friesche maaltijd«, thans in het friesch Museum geeft de rechterhand
aan eene Indiaansche maagd, representeerende de Vereenigde Staten
van N. A. Deze »als noch niet in de stille en vreedige bezitting der
vrijheid en onafhankelijkheid, vestigt hare oogen op een nederdalende
Engel, die haar den hoed der vrijheid als een bizonder geschenk uit
den hemel brengt«.

Met de linkerhand wijst de Fries den vredespalm af, hem aangeboden door
de Britsche maagd, bemerkt hebbende de adder in het gras liggende. De
luipaart daarnaast, het gewone zinnebeeld van Engeland.

Het afwijzen van den vrede sloeg op een tweede Statenbesluit,
van April 1782, waarbij Friesland voorging in het weigeren om een
afzonderlijken vrede met Engeland te sluiten. Talrijke brieven
van voorname landgenooten en buitenlanders, een collectie, die een
liefhebber van handteekeningen en zegels moet doen watertanden, brengen
aan de ijverige societeit den dank voor een toegezonden medaille. Men
vindt er bij van John Adams, zijn zaakgelastigde Dumas, den franschen
ambassadeur Hertog de la Vauguyon, Hendrik Hooft, C. L. van Beyma,
den graaf van Wassenaer, van der Cappellen tot den Pol en vele
andere. Ook de medaille, die in totaal f2074 aan kosten meebracht,
is in meerdere exemplaren vertegenwoordigd.

Franeker gaf 17 Juni 1782 op kosten der hoogleeraren, studenten en
burgers ter eere der erkenning van Amerika een schitterend vuurwerk,
later in twee gedichten bezongen. De eereboog had in 't latijn tot
opschrift:


        Eén dag van vrijheid wordt van hooger prijs geacht
        Dan eeuwen onder 't juk eens Dwingelands doorgebracht.


Op Donderdag 15 Juli had daarna de aanbieding der gedenkplaat
door den heer Elliot Griffis plaats. Bij die bijeenkomst waren
ook het gemeentebestuur vertegenwoordigd en het bestuur van
Vreemdelingenverkeer, voorts de heeren Bloembergen en Sickenga, leden
der Eerste Kamer, verschillende leden van rechterlijke colleges en
ook dames. Na het woord van welkom door Th. M. Th. van Welderen baron
Rengers hield diens vader, voorzitter van het Friesch Genootschap, een
toespraak, waarin hij herinnert aan de aanleiding tot de plechtigheid,
de erkenning door de Friesche Staten van de onafhankelijkheid der
Amerikaansche republiek, wier bloei en grootheid thans bewondering
afdwingt.

Daarop las de griffier der Provinciale Staten, mr. C. B. Menalda,
de acte van 1782 der erkenning van Adams voor, waarna de heer Griffis
een toespraak hield gevolgd door het aanbieden der gedenkplaat. Na die
aanbieding volgde een toespraak van den heer Th. M. Th. van Welderen
baron Rengers en werden drie brieven gelezen, waarna de burgemeester
van Leeuwarden, de heer A. E. Zimmerman nog kort het woord voerde.

De bedoelde brieven waren een van den gewezen amerikaanschen gezant
in Duitschland en voorzitter der amerikaansche delegatie ter eerste
Vredesconferentie, Andrew D. White, met een gelukwensch aan het Friesch
Genootschap voor wat dit deed voor het onderzoek der middeleeuwsche
en nieuwe geschiedenis. De tweede was van Charles E. Hughes, naar
men weet, gouverneur van den staat New-York, en gericht aan den heer
Griffis, uitdrukkende de blijdschap van den schrijver, dat de heer
Griffis belast is met de aanbieding der plaat, en hartelijke groeten
aan wie ze ontvangen. Het derde schrijven was van den heer Randolph
Horton, burgemeester van Ithaca, gericht tot den burgemeester van
Leeuwarden, met een uiteenzetting der beweegredenen van de aanbieding
der gedenkplaat en groeten van vele amerikaansche burgers, daarbij
de beste wenschen uitsprekende voor de eer en de welvaart van de
stad, waar de eerste officiëele stem opging voor de erkenning der
onafhankelijkheid van de Vereenigde Staten.

De bronzen gedenkplaat, gevat in massief houten raam bevat het
volgende opschrift:


                         Memorial of gratitude.
                At Leeuwarden in the states of Friesland
                             February 1782

      the first vote was taken which led to the recognition of the
  independence of the United States of America by the Republic of the
                          United Netherlands.

               Erected by the De Witt Historical Society
                           of Tompkins county
                            at Ithaca N. Y.
                              A. D. 1909.


Het opschrift der gedenkplaat is omgeven door de wapens van Nederland,
de Vereenigde Staten, Friesland, den staat New-York, Leeuwarden
en Ithaca.

Daarmee was de plechtigheid afgeloopen. Alle toespraken werden in
het Engelsch gehouden. De heer Griffis was vergezeld van een zoon en
een dochter.

Hij komt na zijn kort verblijf hier te lande weer terug in September
voor de plaatsing in een gebouw te Leiden, van een gedenkplaat ter
herinnering aan prof. Jean Luzac, voor wat deze als redacteur van de
Leidsche Courant heeft gedaan in het belang van de erkenning van de
Vereenigde Staten door de Republiek.



HOHENFINOW EN DE VON BETHMANN-HOLLWEGS.

In de mark Brandenburg niet ver van Potsdam ligt het landgoed van
den nieuwen rijkskanselier, Theobald von Bethmann-Hollweg. Daar is
het kasteel Hohenfinow, dat voor den hoogen ambtenaar is wat Varzin
en Friedrichsruhe waren voor den eersten en wat Klein Flottbeck was
voor den vierden kanselier, de plaats, waar ze hun staatszorgen kunnen
vergeten. Evenals Bismarck en Bülow heeft ook Von Bethmann-Hollweg
een echtgenoote naast zich, die de plichten van gastvrijheid en
aangename huiselijkheid weet te vereenigen. Mevrouw de rijkskanselier,
geboren Von Pfuel, zal daarin niet bij Bismarck's Johanna, noch bij de
vriendelijke mevrouw van Bülow achterstaan. Het mooie huis Hohenfinow
met de ruime, statige vertrekken, de stallen en de renbaan is aan
de Bethmanns gekomen, toen zijn vader, Felix van Bethmann-Hollweg
in het huwelijk trad met Isabella von Rougemont, de eigenares van
het landgoed.

De oudere zoon van den grootvader van den kanselier, Theodor, was heer
van Runowo en trouwde gravin Freda von Arnim-Boitzenburg. Maar oom
en vader hebben niet de hooge plaats ingenomen, die den grootvader te
beurt viel, die minister was, de koninklijk pruisische cultusminister,
Moritz August von Bethmann-Hollweg. Hij is de eerste, die aan den
naam Bethmann dien van Hollweg toevoegt. Hij heette eigenlijk August
Hollweg, en zijn vader was een zwager van den keizerlijken staatsraad
Simon Moritz von Bethmann, die hem na den dood van zijn vader opvoedde,
in Göttingen liet studeeren en voor den begaafden jongen man het pad
naar de hooge staatsambten effende.

Die keizerlijke staatsraad Simon Moritz was in zijn tijd een man
van groote beteekenis. Hij stond in vriendschappelijke betrekking
tot Alexander von Humboldt en Madame de Staël; het is bekend, dat
vorst Metternich hem schreef als »Mon cher Bethmann« en de beroemde
Ariadne van Dannecker werd zijn eigendom. Die ietwat ongelijksoortige
bewijzen van aanzien stonden in verband met den invloed van het
bekende bankiershuis der gebroeders Bethmann, dat in de achttiende
eeuw een wereldberoemdheid genoot.

In 1416 wordt er al een Bethmann in Goslar genoemd, en in de zestiende
eeuw komen er raadsheeren en kooplieden in de familie voor. Over het
geheel is de familiegeschiedenis een interessant voorbeeld van een
geslacht, waarin adel en burgerij, grondbezit, handel en kapitaalbezit
als het ware hebben samengewerkt tot het vormen van hoogstaande en
hoogontwikkelde menschen, die telkens weer hun eigen tijd eer aandoen.



DE BEIDE TALEN IN DEN ELZAS.

De afgevaardigden Kübler en Back hebben onlangs in den Duitschen
Rijksdag een paar moties ingediend, betrekking hebbend op het onderwijs
in het Fransch op de lagere scholen in den Elzas. Die moties hebben den
staatssecretaris Zorn von Bulach aanleiding gegeven tot de volgende
verklaring van de zijde der regeering: Ten eerste: De regeering wil
in geenen deel het onderwijs in de fransche taal tegengaan.

Ten tweede: De fransche taal moet beoefend worden in de lagere scholen
van de grensplaatsen, waar de bewoners onmiddellijk in aanraking
komen met hun fransche buren. De regeering heeft dit beginsel tot nu
toe hooggehouden, door aan het onderwijs in het Fransch op de lagere
scholen van die plaatsen den rang te gunnen, die door de plaatselijke
behoeften vereischt werd. Daarom wordt het Fransch onderwezen op 470
lagere scholen van het tweetalige gebied.

Ten derde: De regeering zou het verkeerd achten, het geheele land
als grensland te beschouwen in zake het onderwijs van het Fransch
op de lagere scholen; daarom kan ze de behoefte niet inzien aan dat
onderwijs buiten de grensstreek. Dat onderwijs zou niet anders dan
kwaad kunnen doen aan het algemeene onderwijs, door aan de leerlingen
een te zware taak op te leggen. Een kleine minderheid van de bevolking
heeft later het Fransch noodig in het practische leven, maar de plicht,
de belangen van die minderheid te behartigen, moet niet aan de lagere
school worden opgelegd, maar aan andere scholen. Daarom weigert de
regeering de hand te leenen tot de invoering van het Fransch op de
lagere scholen.

Ten vierde: De regeering erkent de noodzakelijkheid, aan meer
gevorderde leerlingen de gelegenheid te verschaffen, Fransch te
leeren op de openbare scholen, maar het moet worden gegeven op de
middelbare scholen en op de cursussen voor volwassenen, waaraan de
regeering haar steun blijft verleenen.



OP DEN UITKIJK.


PFORTA OF SCHULPFORTA.

De nieuwe rijkskanselier, Theobald von Bethmann-Hollweg, werd reeds
als leerling te Pforta op het gymnasium beschouwd als iemand van wien
men veel mocht verwachten. Hij was onder de jongens zeer gezien en niet
alleen om zijn succes in de school, maar ook om zijn karakter, hetgeen
veel zegt in een inrichting als die te Pforta, waar de leerlingen
intern waren en dus altijd samen bleven. Algemeen was hij intusschen
ook bekend als een ijverig lezer, en de jongens hadden daar veel tijd
voor, want iedere week hadden ze een heelen dag vrij van school,
afwisselend Maandag, Dinsdag, Donderdag en Vrijdag, vooral met de
bedoeling, dat ze veel voor zichzelf zouden lezen, de klassieken
natuurlijk, want op de drie oude bekende »vorstenscholen«, Pforta
dichtbij Merseburg aan de Saale, Meissen in Saksen, en Grimma, ook in
Saksen ten zuidoosten van Leipzig, waren de ouden schering en inslag.

Zijn philosophische aanleg en zijn talent van spreken kwamen in den
schooltijd reeds nu en dan duidelijk aan den dag, en in den herfst
van 1875 verliet hij Pforta als primus omnium. Op een dispuutcollege,
dat in het Duitsch in de Unterprima, de op één na hoogste klasse,
werd gehouden, had hij een wondergroot succes met een onderwerp van
wijde strekking, als jongelui bij dergelijke gelegenheden steeds
kiezen, namelijk over de vraag, of de historieschrijver objectief of
subjectief te werk moet gaan.

De drie genoemde »vorstenscholen« werden in het midden van de zestiende
eeuw door den toenmaligen hertog van Saksen, den lateren keurvorst
Moritz van Saksen, gesticht op de plaats van opgeheven kloosters
en werden in het bezit gesteld van geestelijke goederen. Meissen en
Schulpforta of Pforta werden in 1543, Grimma in 1550 gesticht. Alle
drie hebben zich in den loop der eeuwen gehandhaafd als instellingen,
waar het onderwijs zeer goed is en bijzonder grondig in de klassieke
talen. Door den staat, door enkele steden, door adellijke geslachten
en door sommige instellingen zijn er beurzen beschikbaar gesteld
voor interne leerlingen, terwijl de buiten de hoofdgebouwen wonende
leeraren extranei in den kost hebben.

De vorstenscholen hebben maar de zes hoogste klassen van de
tegenwoordige duitsche gymnasia, waar, zooals men weet, de jongens al
op hun negende jaar komen; ze bestaan uit de klassen Untertertia tot
Oberprima. Wat de inrichting betreft, zijn de drie scholen met den tijd
meegegaan: gebouwen en hulpmiddelen beantwoorden aan alle eischen,
die de moderne tijd stelt. Pforta heeft voor het eerst de enge,
ouderwetsche ruimten voor statige gebouwen verwisseld, namelijk al
in 1843, terwijl in Meissen in 1879 en in Grimma in 1891 de prachtige
schoolgebouwen werden voltooid. In 1883 kreeg Pforta nog een nieuwen
vleugel met ruime aula.

Aan de bibliotheek van Pforta wordt groote zorg besteed. Zij dateert
al van 1573, toen ze door keurvorst August van Saksen werd gesticht
en bevat nu 26000 deelen, waaronder 259 incunabelen. In de eerste
tijden van het bestaan der school was het aantal leerlingen beperkt
tot honderd, keurvorst August breidde dat aantal tot 150 uit en liet in
1568 de school vergrooten. Klassieke philologie is steeds het hoofdvak
gebleven. Belangrijke verbeteringen werden ingevoerd onder rektor
Geisler tusschen de jaren 1779 en 1787, en een geheele modernizeering
volgde, toen de school in 1815 aan Pruisen kwam. Beroemde leerlingen
van Pforta zijn Fichte, Klopstock en Leopold von Ranke, waarbij men
nu Von Bethmann-Hollweg noemen mag.

Van de vorstenschool te Meissen is Gellert gekomen, die er van 1729
tot 1734 studeerde en Lessing, wiens gymnasiale jaren er tusschen
1741 en 1746 vielen.



DE NIEUWE TAUERNSPOORWEG.

Door de voltooiing van den grooten tunnel bij het dorpje Böckstein kon
op den 5den Juli geopend worden het zuidelijk deel van de spoorlijn,
die Salzburg in korte verbinding met Triëst moet brengen, namelijk
de sectie Gastein-Spittal aan het Millstädtermeer. De pers kreeg
natuurlijk een voorproefje van al de schoonheid, die de nieuwe lijn,
die slechts 51 kilometer lang is, te genieten geeft aan de toeristen,
en ook een eerste kijkje op de ware kunstwerken aan ingenieursarbeid,
die er te zien waren.

Triëst hoopt door dezen nieuwen spoorweg zijn handelsinvloed over
het achterland uit te breiden en krachtiger te worden tegenover de
concurreerende havens Hamburg en Genua. Vooral tegenover Hamburg,
dat niet alleen de haven is voor Zuid-Duitschland, maar, wat erger
is, ook voor Bohemen, Moravië, Silezië en zelfs voor Weenen. Daaraan
zooveel mogelijk een einde te maken is het doel van den Tauernspoorweg
en daarvoor is in Triëst een nieuwe haven gebouwd, die 't volgende jaar
klaar zal zijn. Door de nieuwe lijn wordt de afstand tusschen München
en Triëst met 180 tariefkilometers verkort. Ulm, Regensburg, Neurenberg
komen thans dichter bij Triëst dan bij Hamburg. Het is vooral Beieren,
dat van die nieuwe verbinding hoopt te profiteeren; vandaar dat een
beiersch minister officiëel deel nam aan de plechtige inwijding.

Of al de verwachtingen zich zullen verwezenlijken, zal de tijd moeten
leeren. Veel hangt daarbij af van de tarieven; Triëst hoopt door
die lijn het vervoer terug te krijgen, dat het had in de tijden,
toen er nog geen spoorwegen waren en toen de handel zich nog over
de verschillende Alpenpassen bewoog; maar zeker is het, dat de pas
geopende sectie, die den geheelen Tauernspoorweg nu voltooit, voor
de toeristen in de Oost-Alpen een verrukkelijk spoorreisje meebrengt.

Zoowel dit slotstuk als de andere gedeelten der lijn, de Pyhrnspoor,
de Karawankenlijn, de Wocheinerspoorweg en het eerste deel van den
Tauernspoorweg van Schwarzach-St. Veit naar de badplaats Gastein,
voeren door streken, die overrijk zijn aan natuurschoon. Daar ze
buitendien uit technisch oogpunt bezienswaardigheden zijn van den
eersten rang, waarbij voor het pas geopende deel vooral de tunnel
tusschen Böckstein en Mallnitz in aanmerking komt, kan het niet
uitblijven, of ze zullen een groote aantrekkingskracht uitoefenen op
de Alpenreizigers.

Bij het station Böckstein is men aan het begin van den grooten
tunnel gekomen, die 8550 meter lang is, dus de langste tunnel is uit
Oostenrijk buiten den Vorarlbergtunnel, die 10147 meter is. Na de lange
reis in donker komt men in het wondermooie Seebachdal en met welbehagen
rust het oog op het heerlijke land, waarop de met sneeuw en gletschers
bedekte toppen, de Ankogel, de Felsseekopf en de Gamskartop neerzien.

Mallnitz, het volgende station, is een bekoorlijk dorp, een
echt Alpendorp, dat binnenkort een waar toeristencentrum zal
worden. Allerlei afwisseling biedt het vervolg der reis. Bij
het einde van de Mallnitzkloof heeft men op een steile rots het
schilderachtige slot Groppenstein; in het Mölldal ligt het station
Obervellach 360 meter boven het vriendelijke plaatsje van dien naam,
en van hier tot Penk heeft men een opeenvolging van wonderwerken van
techniek. Tunnels en viaducten wisselen elkaar af en galerijen dragen
den hoogen verkeersweg door het prachtige bergland, waarvan menige
wand doorboord is ten behoeve van het zegevierend verkeer. De ruïnen
Oberfalkenstein en Unterfalkstein, de laatste naar het oude model
gerestaureerd, brengen verrassingen voor de reizigers. Het laatste stuk
van de nieuwe lijn loopt evenwijdig met den spoorweg door het Pusterdal
en bij het eindstation Spittal aan het bekoorlijke Millstädtermeer
sluit de nieuwe Tauernspoorweg aan bij het groote spoorwegnet.



HET ENGELSCHE LANDSCHAP.

Een Duitscher, die verrukt is over het engelsche landschap, de heer
Karl von Dahlen, schrijft in Ueber Land und Meer, dat zijn landgenooten
Engeland vaak miskennen en dat de traditioneele nevel, die altijd naar
de meening van veel Duitschers over Engeland hangt, volkomen optrekt,
wanneer men bij voorbeeld op een zonnigen voorjaarsmorgen bij Dover,
Hastings of Beachy Head landt en de krijtkusten als een fata morgana
uit de zee heeft zien opduiken. Als dan het oog voor de eerste maal
glijdt over het sappige groen van het gelukkige eilandenrijk, zal de
Duitscher voor menig vooroordeel om vergeving smeeken, al is het maar
in de stilte van eigen gemoed.

Nergens treft men zulk frisch groen, zulke prachtige boomreuzen,
alleenstaand in zelfbewuste, trotsche individualiteit of tot
bevallige groepen vereenigd. Zwak golvend heuvelterrein begrenst
den horizon; vroolijke beekjes ruischen door idyllische dalen;
onder olmen verborgen, liggen kasteelen en oude abdijen, en over
alles strijkt de frissche, opwekkende adem van de nabijgelegen
zee. Wel vindt men slechts in enkele deelen van het land groote,
samenhangende woudcomplexen; maar aan mooie boomen is geen gebrek,
en wat er aan het aantal ontbreekt, wordt door den majestueuzen groei
en de pracht van hun verschijning vergoed.

Als een tuin doet zich aan den vreemdeling het gansche land voor,
en slechts hier en daar ontdekt hij akkers en korenvelden. De natuur
schijnt onafgebroken Zondagsrust te houden, en gul breidt ze al
haar schatten uit; bij elken tred komen uit struiken en heesters en
van tusschen bloemen prachtige kasteelen te voorschijn of aardige
landhuizen, door klimop en rozen dicht omsponnen. De vredige
feestdagstemming van het landschap wordt erdoor verhoogd. In de
reuzensteden woedt de strijd om het bestaan; in de natuur dringt
slechts zelden het rumoer van het alledaagsche door.

In alle landen der aarde jaagt de Brit naar de schatten dezer aarde;
vreemde rassen heeft hij aan zich onderworpen of schatplichtig
gemaakt, en wat in Afrika, Indië, Australië gewonnen werd, dat komt
het vaderland ten goede. Wel is Engeland het land der groote steden,
maar de Engelschman woont het liefst buiten, en als zijn middelen het
hem maar even veroorloven, stelt hij zich in innige gemeenschap met de
natuur. Om te werken gaat hij naar de stad; verkwikking en uitspanning
vindt hij buiten aan den oever der rivieren met den hengelstok in de
hand, of in de boot, met krachtigen roeislag zich voorwaarts bewegend,
met het geweer speurend naar het wild, of bij spel en sport.

Overal is prachtig gezorgd voor lichaamsoefeningen en spel; zachte
grastapijten noodigen uit tot golf en tennis, en over hekken en
slooten gaat de opgewonden jachtpartij. De straatweg is levendig door
fietsers, heeren en dames; in de rivier ligt de huisboot voor anker,
en als nieuwste verkeersmiddel sukkelt misschien wel de kermiswagen
van rijke menschen langzaam over den weg. Eén groot park, één groot
speelterrein is geheel Zuid-Engeland, en als men bedenkt, dat de
gunst van den Golfstroom er een klimaat heeft in het leven geroepen,
hetwelk men bijna subtropisch kan noemen, dat de vochtigheid der lucht
het gras het heele jaar door groen houdt, dan zal men de innige liefde
van den Engelschman voor de natuur van zijn vaderland begrijpen.

Er is mogelijk meer verscheidenheid in de landschapsbeelden van
andere landen; bergen en dalen scheppen meer afwisseling; maar
geen land noodigt zoo vriendelijk tot langer verwijlen, tot rustig
levensgenot als Engeland. Vandaar dat over het gansche land verspreid
de villa's en landhuizen liggen, gebouwd in een stijl, die aan andere
landen tot voorbeeld heeft gediend; een langer verblijf in zulk een
landhuis, waar comfort en gezelligheid het leven veraangenamen, kan
ons leeren, dat de Engelschman in kracht en zelfbewustheid half de
wereld beheerschend, in zijn vaderland op de prettigste wijze weet
uit te rusten van zijn inspanning.



EEN HAAGSCHE VLIEGTOCHT VAN LEFÈBVRE.

Augustus is gunstig en vriendelijk geweest voor de vliegtochten van
Lefèbvre in ons land. De beide laatste Julidagen hadden het verbruid,
hem geen of bijna geen gelegenheid gegeven, op te stijgen op de velden
van Groot-Persijn bij Wassenaar; maar daar komt Augustus en vergunt
hem reeds op den eersten harer dagen een mooie vlucht te doen, die
later op den 4den en den 5den nog schitterend werd overtroefd door
een mooier en wijder en statiger vlucht.

In het Weekblad »De Amsterdammer« van 8 Augustus geeft J. K. Rensburg
een schetsje van zijn ervaringen op dien Zondag, den eersten van
Augustus, en wij ontleenen er bij de afbeelding van Lefèbvre's toestel,
het tweede vliegtoestel, dat in Nederland is opgestegen, secundus na
den primus van Graaf de Lambert te Leur, het volgende aan.

De stoomtram, van Den Haag komend, stopt even voorbij een brug
over den Leidschen Weg en dan een houten trap af, »een pad langs,«
zegt de schrijver, »volg ik onder een witten boog door, de groepen
nieuwsgierigen, die ietwat ongemakkelijk langs de greppels van den
weg moeten manoeuvreeren om telkens fietsen, auto's en rijtuigen te
ontwijken. Tegenover een steenen, rooden koepel staat aan een boom een
reclamebord, waarop: Aeroplane Wright. De rest lees ik niet eens. Om
een hoek tusschen de stammen is een loket. Weer verder langs een
smallen weg, langs een paar boerderijen. Over een staldeur keek een
paard. Het beest leek door de vliegmachine opeens werkeloos geworden
en het was of het wou vragen: Hebben jullie me nou voor goed hier
opgeborgen? Nog een hoek om en daar liggen ver uit de velden met een
buffet en een tribune en in de loods onder die laatste zie ik voor
het eerst twee witte drijfvlakken met witgeschilderde staken, die ze
tot een biplane verbinden en daarachter twee paar schoepen, zoowat
1½ cM. breed, de uiteinden wit, bij de assen oranjekleurig.... de
vliegmachine. Men kijkt naar den eigenaar, den ingenieur Lefèbvre,
die op het terrein heen en weer loopt onder een hoed met neergeslagen
rand, in een grijs pak, en gele chauffeurs-laarzen. In het Zuiden
achter de lijn naar Scheveningen spitsen de torens van den Haag op,
in het Oosten wordt de kim begrensd door den Hollandschen spoorweg
en door bosschen, in het Westen ligt de Leidsche weg, waaraan een
wit landhuis hoog opgaat, in het Noorden een boerderij en bosch en
wei. Voor die hoeve zit een heele familie met onverstoorbaar geduld
uit te kijken gelijk de paar honderd toeschouwers, die het ruime
terrein op verre na niet vulden; waarschijnlijk was de entrée f 2,50
en f 1 veel te hoog. Als het f 0,50 en f 0,25 was geweest, zou het
er wel anders hebben uitgezien. Een jongen verkocht er ansichten
van de vliegmachine en een alleraardigst gelegenheids-blaadje met
portretten van luchtschippers en modellen van luchtschepen enz. Het
heette: De Aeroplane. Als modern mensch zou ik mij geschaamd hebben
dit niet te lezen.

Maar toen begon het wachten van drie uur tot 's avonds half acht. Een
fijne motregen deed geniepig zijn tegenwoordigheid voelen en de lucht
helderde soms wel wat op, maar telkens kwamen er nieuwe vlagen. Nu
was voor kort de Lambert, toen hij op de heide te Leur opsteeg bij
regen, bevreesd voor kortsluiting, wat het gevaar veroorzaakt in
de lucht met het toestel en al in brand te... vliegen! Het zag
er dus al treurig uit, maar wat er gebeurt, gebeurt: ik blijf,
dacht ik. Gelukkig kon ik het nog al uithouden, want ik voelde
weinig van honger of vermoeidheid. Maar men werd nu gekweld door een
treiterenden angst bij de gedachte doornat naar huis te moeten gaan,
niet in een warme verheven atmosferische, maar in een zeer kille,
aan-den-grond-kleverige, hydrosferische stemming, dank zij een
mogelijke teleurstelling en een terugtocht met soppen door de modder
in het half donker.

Waarachtig... neen, heusch... daar kwam beweging in de
loods... ja... de valschermen schoven vooruit, vooruit... de witte
vlakken van het verticale roer sloegen om... de vliegmachine schoof
naar buiten. Nu kon iedereen haar goed zien. Statig als een draak in
een chineesche optocht omstuwd door de menigte, wordt het monster naar
den rail gedragen, waarover het als een reusachtige schaats zal worden
voortgedreven om gang te maken. Lefèbvre heeft zich in een blauwe
werkkiel gestoken en stapt in. Een paar helpers zwaaien een paar keer
de schoepen om. Ze willen zien of ze glad draaien om de trekriemen, die
naar den motor loopen. Opeens begint de machine te snorren. De schoepen
bewegen 1700 maal per minuut. Men ziet niets meer dan een geel geflits
en een grijs geschemer in twee cirkels... Ineens houdt het op. Stil
staan de schoepen zooals ze het al uren hadden gedaan. Bah! Zou hij
nu opgaan? Tien minuten pauze.... Weer gesnor, weer geschemer van
grijze kringen en weer... halt! Duivels! De spanning neemt elke minuut
toe. Daar begint hij weer en toch nog onverwacht duwen twee man de
machine over den rail vooruit, vooruit. Daar gaat-ie... Nu, eindelijk,
eindelijk... nu gaat het gebeuren!..... Of?... Maar ze loopen door,
de schoepen zwaaien, de motor snort. Hoera! Hoera!... De witte vlakken
drijven vrij, vrij, spottend met den eeuwenouden, onzichtbaren keten,
die ons geboeid hield aan de Aarde, drie meter hoog vooruit, vooruit
over de wei naar het noorden. Een paard, koeien vluchten weg.

De toeschouwers vliegen de machine na, die met de snelheid van een
electrische tram ze reeds allen vooruit stijgt vijf, acht meter en
laveert langs een groepje boomen midden in de velden. Het geluid
van den motor wordt al wat zachter, wild flitst het geel van de
schoepen in de grijze schemerkringen; de bestuurder zit gebogen over
zijn handle, het werktuig, breed en statig de drijfvlakken gespreid,
worstelt zich op tegen den grijzen hemel en blijft voort ijlen naar
het groen aan de kim. Hoera! Hoera! Maar daar neemt de ingenieur
een keer. De aeroplane zwaait langzaam om en giert in de rondte met
een hoek van twintig, dertig graden schuin staande op de lucht. Als
zij eens kantelde!... Opeens is die verdwenen achter het bosch in
het Oosten. Zou hij over de Hollandsche lijn gaan? Nog hoort men het
snorren van de vliegmachine. Dan wordt het opeens stil. Het gevaarte
moet ergens gevallen zijn. Als de bestuurder maar heelhuids beneden
is gekomen? Dat was gelukkig het geval. De triomfator van de lucht
heeft na dien al weer prachtige proeven afgelegd. Hij behoort in de
schitterende rij van Blériot en Farman en Latham en Delagrange en
de Wrights en al die andere menschvogels, wier wieken den dampkring
hebben doorkliefd.«



OP DEN UITKIJK.


IN HET ERTSGEBERGTE.

Het vroeger vergeten Ertsgebergte heeft tegenwoordig onder de toeristen
een groote massa vrienden, die allen worden getroffen door het in het
oog springende verschil tusschen den saksischen en den boheemschen
kant. De kam van het gebergte, die 135 kilometer lang is, vormt een
gelijkmatige scheiding tusschen de geleidelijke helling naar het
Noorden en den steilen zuidkant. Juist die eigenaardigheid van de
hellingen geeft aan het Ertsgebergte een eigen bekoring.

Het is een genot, met den wandelstok in de hand een der noordelijke
dalen omhoog te gaan naar de in blauwe verte wenkende hooge
bergtoppen. In het Oosten noodt het om zijn rotspartij belangwekkende
Müglitzdal, dan verder het dal der Weiszeritz met het romantische
gedeelte van den Rabenauergrund; vervolgens het Flöhadal, dat rijk
is aan afwisseling en het Zschopaudal, waar we alles vinden, dat men
maar begeeren kan, heerlijke wegen, die nu eens door weiden, dan door
bosch voeren; op de hoogten oude kasteelen en in de laagten vlijtige
dorpen. Meer naar het Zuidoosten kronkelt het Schwarzwasserdal, waar
de wilde Pockau door een woest rotsgebied stroomt, maar in hoofdzaak
zijn de wegen aan den noordkant zeer gemakkelijk en langzaam stijgend,
zoodat men bijna spelend en zonder inspanning naar de hoogste hoogten
van het gebergte stijgen kan.

Geheel anders is dat natuurlijk op de zuidhelling. Hier zijn de dalen
kort en diep ingesneden en de paden doen aan Alpenpaden denken. Overal
in het Ertsgebergte bestaan goede gelegenheden voor logies, wat wel
daarmee samenhangt, dat het Ertsgebergte het dichtst bevolkte bergland
van Duitschland is. Tot op de hoogte van de kammen heeft de bloeitijd
van den bergbouw, die nu al lang achter ons ligt, bewoners gelokt. Zoo
heeft de saksische zijde van het Ertsgebergte in Oberwiesental, op 918
meter gelegen, de hoogste stad van het duitsche rijk, terwijl niet ver
daar vandaan aan den voet van den Keilberg Gottesgab ligt, de hoogst
gelegen stad van Boheme ter hoogte van 1017 meter. Afzonderlijke
vestigingen halen nog grooter hoogten; zoo in Saksen het Neue Haus
op 1084 meter en in Oostenrijk de Sonnenwirbelhuizen op 1154 meter.

De winter in het Ertsgebergte is volstrekt niet zoo streng, als men
hem vroeger heeft afgeschilderd. Hij lijkt op dien van de Beiersche
Hoogvlakte en de oostelijke provinciën van Pruisen. Wie ooit een
echten winter in het Ertsgebergte met zijn vroolijke sledevaarten
en de flinke bergtochten heeft meegemaakt, die vindt het volkomen
begrijpelijk, dat de toeristen niet alleen in den zomer de boschrijke
hoogten bestijgen, maar nu ook meer en meer in den winter de schoonheid
van de streek zoeken.

Zoo dicht bevolkt, als het Ertsgebergte thans is, zoo arm aan bevolking
was het in den tijd van Karel den Groote. Eerst in het laatst van
de 12de eeuw begint langzamerhand de roep van den zilverrijkdom
zich te verspreiden en de kolonisten stroomen toe. Tot op het eind
van de 15de eeuw houdt die zilverkoorts aan, die de Duitschers
vooral uit Frankenland eerst trekt naar Freiberg en dan hoogerop
naar Ehrenfriedersdorf, Schneeberg, Annaberg en Buchholz. Toen de
zilverbergbouw zijn beteekenis verloor, trokken veel menschen uit
het Ertsgebergte naar den Harz, om den daar oplevenden bergbouw te
beoefenen, en in de buurt van Andreasberg, Clausthal en Altenau komen
nog op dit oogenblik interessante taaleilandjes voor, waar het dialect
van het Ertsgebergte wordt gesproken.

Langer dan zilver bleef men er ijzer, tin en kobalt winnen, en in de
16de en 17de eeuw bloeiden in het Ertsgebergte veel ijzersmelterijen,
maar tegenwoordig is het met den bergbouw gedaan, of zoo goed als
gedaan; alleen in de omstreken van Freiberg, Schneeberg, Altenberg
en Johanngeorgenstadt wordt nog ijzererts gewonnen. Ook een ander
bedrijf, de kolenbranderij, is zoo goed als verdwenen. Vroeger was
de behoefte aan houtskool in de ijzersmelterijen zeer groot. Door den
nood gedrongen, hebben de bewoners zich op andere bedrijven toegelegd
en het kantwerken heeft er veel ingang gevonden, zooveel ingang,
dat het niet alleen de handen van talrijke vrouwen, maar zelfs de
schijnbaar onhandige vingers van werkelooze bergwerkers en smeden
bezighield en hun een tijdelijke verdienste bezorgde. Thans gaat
de kunst, door den vluchtigen dans der vingers bloemen te slingeren
door een fijn weefsel, meer en meer achteruit. De uitbreiding van de
industrie legt op alle krachten beslag, en daarom zijn het meest oude
menschen, die men in hun kamertjes voor het venster ziet zitten aan
het kantkussen of die in den zomer buiten zitten te kantborduren. Het
middelpunt van die industrie is de kantwerkschool te Schneeberg. Om
de kunst niet te laten uitsterven, ondersteunt de staat tegenwoordig
een dertigtal kantwerkscholen, waar over de 1400 kinderen onderricht
ontvangen. Wat met het werk wordt verdiend, is intusschen maar een
bitter klein beetje.

Een zeer bescheiden bedrijf, maar dat toch veel geld inbracht, was
dat van marskramer. Als trekvogels vlogen de bewoners van allerlei
bergdorpen naar heinde en ver, om de in den winter vervaardigde
waren aan den man te brengen, soms tot in Zweden en Turkije. Maar ook
daaraan heeft de opbloeiende industrie een eind gemaakt; er was bij
de ontwikkeling van het fabriekswezen plaats voor allen en nog voor
velen, die nu van den vreemde naar het Ertsgebergte togen.

Dat men in de dorpen van oudsher veel zin voor schoonheid had, toont
de bouwtrant van veel huizen met kunstig uitgevoerd vakwerk, zooals
aan den molen van onze afbeelding te zien is. Ook voor muziek en gezang
voelen de bewoners veel, en in den laatsten tijd vertoonen ze ongewone
talenten, om toeristen te herbergen en hun het leven aangenaam te
maken. Wat in die richting meewerkt, is het dichte net van spoorwegen
en voortreffelijke wegen, dat het gebergte doorsnijdt, zoodat weinig
berglanden zoo goed toegankelijk zijn tot op de hoogste bergen.



HOUTBEWERKING.

Toen ik er indertijd van hoorde vond ik het denkbeeld aardig en
nu het tot iets tastbaars geworden is, lijkt 't mij een bijzonder
gelukkige vondst.

Daar is de firma Wijnmalen & Hausmann, die een prijscourant of
catalogus uitgeeft van machines voor houtbewerking, en bedacht
heeft aan dat boek te doen voorafgaan een voorrede over de werktuigen
waarmede de mensch, van den vroegst bekenden tijd af, het hout bewerkt
heeft. Nu de catalogus met zijn voorrede verschenen is, zegt menigeen:
die twee zijn één, ze behooren bij elkaar, zooals het verleden en
het heden ineen vloeien. Zeker--vaak treft men bij industrieelen
den zin aan voor wetenschappelijk onderzoek; maar zelden ontmoet
men prijscouranten met een wetenschappelijke voorrede. Voor zoover
mij bekend is moet de geschiedenis der houtbewerking nog geschreven
worden. Wat de Rotterdamsche firma hier geeft zijn eenige grepen in
den voorraad; het is het begin waarop voortgewerkt kan worden. Zij
heeft veel hulp gevonden o.a. in het Ethnografisch Museum te Leiden
en in het Landesmuseum te Zürich, en zij toont zich op de hoogte van
de dingen die de Sarasin's gevonden hebben op Ceylon. Toen de heer
J. H. Jurriaanse, het hoofd der firma, in het Rotterdamsche museum
wenschte te zoeken naar voorwerpen die hij voor zijn beschrijving
noodig had, waren de zalen uit hoofde van de verbouwing, gesloten. Dit
speet hem en niet minder mij, want ik had hem aan veel kunnen
helpen. Aan een heen- en terugdraaiende houtdraaibank o.a. waarmede
de negers van Mopea aan de Zambesi werken, en aan al de beitels die
zij daarbij gebruiken.

Het opstel beschrijft steenen messen, bijlen, beitels, hamers en zagen
uit den oertijd; gereedschap van schelp gemaakt; koperen en bronzen
werktuigen en eindelijk de ijzeren. Vele afbeeldingen zijn in den tekst
geplaatst. Er blijkt uit hoe weinig de vorm van het meeste gereedschap
in den loop der eeuwen gewijzigd is. De mensch hakt altijd nog met
hetzelfde bijltje waarmede de oer-mensch hakte. De wijze waarop de
Kajan van Borneo zijn blaasroer uitboort is dezelfde als de manier
die de pompmaker volgt bij het uitboren van zijn houten scheepspomp.

Dit maakt het onderwerp--de schrijver wijst erop--zoo aantrekkelijk;
we staan er veraf en toch, in velerlei opzicht, zoo dichtbij. Al
zoekende zal hij nog veel meer merkwaardige overeenkomsten vinden.


    Joh. F. Snelleman.

        R'dam, 17-VIII-'09.



NIEUWE ALPENWEG IN FRANKRIJK.

In Frankrijk is men van plan een Alpenweg dwars door de vier
departementen van de Zuidoostgrens, Haute Savoie, Savoie, Hautes Alpes
en Basses Alpes, aan te leggen. Deze uit een nationaal oogpunt zeer
belangrijke weg, welke het meer van Genève met Nice zal verbinden, kan
met betrekkelijk geringe kosten aangelegd worden, daar het grootste
gedeelte ervan reeds bestaat en slechts op vele plaatsen breeder
gemaakt en verbeterd moet worden. De nieuwe weg gaat over een hoogte
van 2770 meter. De tot nu toe hoogste weg van Frankrijk gaat over den
2650 meter hoogen Col du Parpaillon, en de hoogste alpenweg van Europa
over het Stilfser Joch (Stelvio-pas) klimt tot 2759 meter. De nieuwste
alpenweg over den Col d'Iseran zal dus de hoogste alpenweg van Europa
worden. De weg leidt door vele prachtige alpendalen. Hij begint op een
hoogte van 360 meter boven den waterspiegel om over het hoogste punt
van 2770 meter geheel tot aan de zee af te dalen. Hij zal ongetwijfeld
een der schoonste automobielwegen van Europa worden. De uitvoering
van den weg is verzekerd. De »Touring Club de France« zal een groot
gedeelte in de op 4 millioen francs geschatte kosten bijdragen.



RUSTIGE HOTELS.

Er bestaat een duitsche vereeniging tot wering van lawaai, en in
het orgaan van dien Deutschen Lärmschutzbund wordt meegedeeld, dat
het verbond bordjes en andere kenteekens zal laten aanbrengen aan
hotels en logementen, die het doel van het verbond willen bevorderen,
door zorg te dragen, dat het personeel en de gasten zich zoo stil
mogelijk houden.

Van welken aard zulk een hotel moet zijn, om in de »blauwe lijst« van
de »rusthotels« opgenomen te worden, verneemt men uit zes eischen, die
de zenuwarts dr. S. Auerbach, voorzitter van de afdeeling Frankfort,
heeft gesteld:

1o. Er moet gelegenheid zijn, om de kamers volkomen donker te maken,
het best door middel van donkergroene of bruine luiken, die echter
zoo moeten ingericht zijn, dat er ook 's morgens door eenige kieren
licht in de kamer kan komen. De gebruikelijke lichte gordijnen zijn
volmaakt nutteloos, zij dienen enkel tot versiering.

2o. In elk hotel, dat op den naam van eersterangs-hotel aanspraak
wil maken, moet een gemeenschappelijke, zij het ook niet zeer groote
ruimte zijn, waarin alle gesprekken ten strengste verboden zijn. Zij
moet zoo ver mogelijk verwijderd zijn van lokaliteiten, waar muziek
wordt gemaakt. De muziek- of concertzaal moet van het overige hotel
»geluid-dicht« afgesloten zijn.

3o. Men moet middelen beramen, om het dichtslaan van deuren met zoo
min mogelijk gedruisch te laten geschieden.

4o. Gasten, die bijzonder luid optreden, met name door verstoring
van de nachtrust, en die op beleefd verzoek hun wijze van doen niet
veranderen, moet veel vaker het verdere verblijf opgezegd worden,
dan totnutoe gebeurt. De goede hotels moeten een zwarte lijst van
deze rustverstoorders bijhouden en haar geregeld laten circuleeren. Ik
geloof, dat menige zondaar opgevoed kan worden, wanneer hij ziet dat
verschillende hotels hem niet opnemen.

5o. Gedurende het eerste uur na het middagmaal moet in het belang van
menschen, die willen of moeten slapen, stilte heerschen. Het kleedjes
kloppen, wegruimen van sneeuw enz. moet in dien tijd achterwege
blijven. Ook moet zooveel mogelijk gezorgd worden, dat er dan geen
honden blaffen.

6o. Het kloppen in de vroegte moet zoo gebeuren, dat de buren er geen
last van hebben. Het best misschien door verplaatsbare, van de loge
van den portier uit te bedienen, electrische schellen met gedempten
toon. Het geklop en gepor aan de deuren van degenen, die gewekt moeten
worden, is volkomen ongeoorloofd.



DANSEN.

De dans mag men noemen het verlangen van den mensch, om door
rhythmische bewegingen van het lichaam onder begeleiding van muziek
een goede partij te doen.



NEVELZEEËN.

In het hooggebergte ontstaat in den herfst soms een geweldige nevelzee,
die ver in het rond alle laagten vult, van hoogten gezien, den aanblik
geeft van een machtigen oceaan en iemand allerlei verrassingen kan
bezorgen. Des avonds laat of vroeg in den morgen worden de meren, dalen
en heuvellandschappen door een dicht, donker neveldek overtrokken,
waardoor geen zonnestraal kan heen dringen, alsof de weldoende zon
zich geheel van de aarde had afgewend. Alles is grijs op grijs, en een
leger koude luchtgeesten dringt zoo snel op de arme menschenkinderen
toe, dat ze tot in hun binnenste rillen.

"Het is boven helder!" zoo klinkt van boven het blijde bericht, en
wie maar kan, snelt naar de veelbelovende toppen. Een bergspoorweg,
bij voorbeeld die van den Rigi, den Pilatus of den Stanserhorn
brengt ons vlug naar de hoogten, en spoedig dringen we diep door in
de grijze nevelmassa's, die het uitzicht tot een zeer kleinen kring
beperken. Het lijkt een oogenblik, of we niet van de plaats komen in
een verlaten en geluidlooze natuur, en al sterker wordt ons verlangen
naar de begeerde hoogten.

Daar wordt het op eenmaal om ons lichter; wondervol hemelsblauw
verschijnt door den grijzen sluier van mist; door de zon beschenen
boomtoppen en rotsen duiken op, en plotseling zijn we in een stroom van
gouden licht, dat ons zoozeer met welbehagen vervult, dat we zijn als
blinden, wien het licht der oogen teruggegeven is. Woud en weide doen
zich voor als in de voorjaarszon; wij ademen licht als in de lente,
en azuurblauw welft zich de hemelkoepel over de bergen.

En dan het hooge genot op de vrije hoogte! Wij staan op den
Rigi. Onafzienbaar wijd breidt zich de nevelzee als een geweldige
oceaan uit van den Feldberg en den Jura tot de Alpen. Hier en daar
steekt een bergtop er uit op, nu eens als een groen eiland, dan als
een steile, kale klip, en aan onze voeten schijnen door den storm
gegeeselde golven in schuim uiteen te spatten. Om de Alpen gaan ook
de golven hoog, maar zij tronen erboven in grootsche majesteit. Geen
wolkje rust er op den muur van gletschers en rotsen; wonderbaar scherp
komen de spitsen en toppen en kammen in al hun omtrekken voor den dag,
en duidelijk is iedere bergplooi, iedere rotsspleet met het bloote
oog te onderscheiden.

Intusschen scheurt hier of daar het neveldek, dan aanschouwt het oog
in verrukking als in een tooverrijk den bodem der zee, of geleidelijk
lost de nevel zich op onder den invloed der warme zonnestralen, en
een onvergetelijke aanblik van het heele panorama kan worden verkregen.



OUDERDOM VAN BADPLAATSEN.

Het klinkt haast ongeloofelijk en het is toch een feit, dat de eerste
duitsche zeebadplaatsen nog niet veel ouder dan honderd jaar zijn. De
grootsche badinrichtingen der Romeinen, die elders op het openbare
leven der Germanen zulk een grooten invloed oefenden, hadden in
het duitsche Noorden geen navolging gevonden, terwijl de zonen van
Albion al lang de geneeskrachtige en gezonde werking van de zeebaden
hadden ingezien. Eerst tegen het eind der 18de eeuw richtte men ten
gevolge van een artikel van Lichtenberg zijn aandacht op de Oost-
en Noordzee, en niemand minder dan Wilhelm Hufeland, de beroemde
lijfarts van koningin Louise en schrijver van het wereldberoemde boek
»Makrobiotik of de kunst, het leven te verlengen«, trok zich de uit
economisch en hygiënisch oogpunt zoo belangrijke zaak aan.

In het jaar 1794 werd toen door den groothertog Friedrich Franz van
Mecklenburg de eerste duitsche Oostzeebadplaats Heiligendamm bij
Doberan gesticht, waarop in 1800 Travemünde volgde. Drie jaren te
voren was de eerste Noordzeebadplaats op Norderney voor het algemeen
verkeer geopend. Maar zeer oud zijn de badplaatsen in het binnenland,
en we weten, dat reeds Karel de Groote met zijn gevolg in Aken de
baden gebruikte. Kissingen, Pyrmont en Pfäffers waren beroemde baden,
waar oudtijds een internationale wereld samenkwam, en Theophrastus
Paracelsus, die in 1541 in Salzburg stierf, maakt al gewag van elf
minerale baden, waaronder Karlsbad, Teplitz en Gastein.

Nog vroeger wordt in oude oorkonden het oude Wildbad Tobelbad in
Stiermarken genoemd, dat eerst door de heeren van Graz werd bestuurd,
en in de 16de eeuw door een giftbrief van keizer Ferdinand aan het
landschap Stiermarken overging. Reizen naar badplaatsen behoorden in
vorige eeuwen ook reeds tot den goeden toon, en men vindt vermeld,
dat een bruid uit welgestelde familie bij de huwelijksvoorwaarden
zich uitdrukkelijk een jaarlijksche badreis bedong.



EEN VOLKSTELLING IN CHINA.

Men zal nu in China tot een volkstelling overgaan. Om te begrijpen,
wat dat wil zeggen, moet men allereerst bedenken, dat China de
volkrijkste staat der aarde is en verder, dat er tot nu toe niet
anders dan schattingen van het aantal der bevolking bekend zijn met
schommelingen in de cijfers van honderd en tweehonderd millioen. In
het algemeen heet het nog altijd, dat China 400 tot 450 millioen
menschen bergt, maar dat aantal wordt door menig kundig geograaf voor
overdreven gehouden, zoodat men in verscheiden werken opgaven vindt
van 300 tot 350 millioen.

Het is duidelijk, dat alle vermoedens omtrent het gele gevaar in
sterke mate samenhangen met een vaste berekening van het aantal
Chineezen. Nu zijn er ook in vroeger eeuwen wel soms vanwege de
chineesche regeering volkstellingen gehouden, doch daaruit leerde
men enkel het aantal gezinnen kennen, terwijl de resultaten daardoor
onbetrouwbaar waren, dat de gouvernementen der verschillende provinciën
de opgaven vervalschten, al naar gelang de telling ten behoeve van
een militaire opkomst of voor een nieuwe belasting plaats had.

Thans zal werkelijk de reuzenonderneming van een echte volkstelling in
het geheele chineesche rijk worden uitgevoerd en wel in den dubbelen
vorm van een gezins- en een hoofdelijke telling. De eerste zal in
het jaar 1910, de tweede in 1912 voltooid wezen. Bij de reusachtige
uitgestrektheid van het Chineesche Rijk kan men den omvang van een
dergelijken arbeid moeilijk overschatten. De uitstekende organisatie
van het regeeringsstelsel zal aan het werk ten goede komen, maar
daarbij moet men niet over het hoofd zien, dat de bevolking in sommige
deelen van het land nog in groote onafhankelijkheid leeft en tegenstand
tegen de telling kan uitoefenen of haar geheel onmogelijk maken voor
haar deel. Maar ook als men dergelijke onzekerheden in aanmerking
neemt, zou de beteekenis van een nauwkeurige volkstelling in China
van groote waarde zijn.



WINST EN ROOF.

Er is dikwijls scherpzinnigheid voor noodig, om winst van roof te
onderscheiden.



OP DEN UITKIJK.


DE BOË-TOP, EEN "GEMAKKELIJKE" DOLOMIETTOP.

De Dolomieten in Zuid-Tirol hebben ten gevolge van de sterke
verweering van hun gesteente allerlei uitersten aan te wijzen; de
grilligste vormen, rotstorens met loodrechte wanden, met ijs gevulde
kloven, het eldorado voor de bestormers der gevaarlijkste toppen,
en tusschen de afzonderlijke groepen gemakkelijk begaanbare, met
gras begroeide overgangen met gelegenheden om te rusten, zooals de
niet oversterke en voorzichtige toerist ze wenscht. Maar in deze zoo
rijke bergwereld kunnen ook die bergstijgers behagen vinden, die niet
graag in de nauwe holten schoorsteenvegerskunsten vertoonen of tegen
steilten opkrabbelen, waar de mensch met de gemzen moet wedijveren;
maar die zich aan den anderen kant stevig en flink genoeg voelen,
om in de verheven eenzaamheid van het hooggebergte door te dringen
en ook te strijden voor het winnen van een mooi uitzicht.

Aan dezulken kan een bestijging warm worden aanbevolen, die ze zonder
gids en zonder speciale uitrusting naar de hoogste tinnen van een
grootsche Dolomietgroep brengt. In het Oosten van het veelbezochte
Grödnerdal verheft zich een geweldige rotsburcht van meer dan zestig
kilometer in omtrek, de Sella, die op mooie avonden prachtig door
het zonlicht wordt bestraald en na regendagen met versche sneeuw
besuikerd is. Hoe dichter men erbij komt, des te ontoegankelijker
lijkt dit hooge plateau met de steile hellingen en de reusachtige
rotszuilen. En toch is juist de hoogste top van die natuurlijke
vesting, de Boë-top, 3152 meter, de gemakkelijkste top in de geheele
groep, sedert ongeveer vijftien jaren geleden de sectie Bamberg van
de Duitsche en Oostenrijksche Alpenvereeniging er haar arbeidsveld
heeft opgeslagen en voor de ontsluiting is bezig geweest.

Van de hoofdpaden, die op het met sneeuw bedekte plateau voeren,
is het gemakkelijkste ook het meest voldoening gevend, namelijk dat
door het Mittagsdal, Val de Mesdi. Van Colfosco uit kan men den weg
best zonder gids vinden, want daartegenover opent zich de ingang naar
de spleet, die de grens is tusschen de oostelijke en de westelijke
helft van den Sella. Over de door dauw vochtige mooie weiden en een
licht woud van lariksen gaat men langs de Sorabeek en volgt dan den
trappenaanleg, die matig stijgend, meest over sneeuw van lawinenresten,
die den heelen zomer nu en dan over den weg en het beekje vallen, voert
door een der indrukwekkendste kloven, dreigender dan de Langkofelkar,
de Grasleitenkessel in de Rosengartengroep.

Geen spoor van dier- en plantenleven brengt afwisseling in de
rotswildernis. Een blik achterwaarts vertoont als een laatste groet
uit een verlaten wereld, de door de zon beschenen weiden van Colfosco,
maar spoedig verdwijnen ze en alleen de roode rotswanden blijven.

Na een uur ongeveer splitst zich de weg, en een blauwe markeering
wijst door een rotsspleet op het Pisciadu-plateau, waar de sectie
Bamberg een nieuwe hut als tusschenstation tusschen het dal en
het bovenste terras heeft gebouwd. Dan plotseling staat men op het
Sella-plateau met de wapperende vlag in de beiersche kleuren. Een
grootsch natuurtooneel hebben we dan voor oogen; uren ver weidt de
blik over schitterende sneeuwvelden ver naar het Zuiden en Westen,
en alleen de reuzentoppen aan weerszijden van het Mittagsdal zijn
hooger dan ons standpunt. En links staat de Boë, waarvan men te voren
nog niets heeft gezien. Die hoogste verheffing van het gebergte is als
een reuzendriehoek van louter duidelijk begrensde horizontale lagen,
herinnerend aan de oud-egyptische architectuur.

Sinds 1902 is de toerist er vrij van, zelf voor koken en ander
huishoudelijk werk te zorgen, want het drukke bezoek heeft
de aanstelling van een verzorger mogelijk gemaakt. Het hoogste
onderscheid tusschen de hut en den top bedraagt nog geen 300 meter. De
top is hoefijzervormig als de heele Sella, waarin als in de geheele
Dolomietengroep de geologen groote koraalriffen willen zien uit een
vroegere periode van het bestaan der wereld. De hoogste verheffing
ligt niet aan de schilderachtige westzijde, de Cresta Strenta, maar aan
den zuidoostkant, en is gemakkelijk te bereiken. Zelfs als de stijging
nog door sneeuw is bedekt, doen zich geen moeilijkheden voor. Nergens
behoeft men de handen bij het klimmen te hulp te roepen, en weldra
is het beschermende dak zichtbaar, dat het hoogste punt aanduidt.

Van hieruit doet zich een panorama voor, dat haast de geheele
bergwereld van Tirol omvat. De meest nabijzijnde groepen zijn de
Marmolata, de Fassolanergroep, de Enneberger, Grödener en Ampezzaner
Dolomieten. En zonder vreemde hulp heeft men een hoogte van 3000
meter bereikt, wat ook geen geringe voldoening is!



CAOUTCHOUCCRISIS IN FRANSCH WEST-AFRIKA.

Als in zooveel streken van Afrika is ook voor Fransch West-Afrika de
caoutchouc een der voornaamste producten. Er wordt nog niet langer
dan twintig jaar daar caoutchouc gewonnen, en reeds is een derde
van de uitvoercijfers op rekening te stellen van dat product. Maar
sedert 1907 is er vermindering in den uitvoer te bespeuren. Zou het
mogelijk wezen, dat er reeds een eind moest komen aan de winning
van caoutchouc? Die vraag heeft ook de regeering zich gesteld en
nevens andere onderzoekingen heeft ze aan de expeditie Chevalier,
die dit voorjaar de woudstreken van West-Afrika onderzocht en nog ter
plaatse is, opgedragen te onderzoeken, aan welke oorzaken de crisis
moet worden toegeschreven. De jonge geleerde heeft nu een eerste
rapport omtrent de quaestie ingediend en de "Temps" geeft er in een
brief uit Dakar een résumé van.

Zeer algemeen verspreid is de meening, dat de negers caoutchoucplanten
op ruwe wijze exploiteeren en dat de opbrengst daardoor vermindert, en
men neemt dan aan, dat de wilde caoutchouc onfeilbaar moet verdwijnen,
om later te worden vervangen door de gekweekte planten. Het is
mogelijk, zegt de briefschrijver, dat dit juist is voor de landen,
waar de caoutchoucplanten boomen zijn, omdat het lang duurt, eer
een boom zich heeft hersteld van te ruw aftappen, maar het geldt
niet voor Soedan, waar de caoutchouc geleverd wordt door planten,
die slingerplanten zijn, of struiken. De negers hebben twee manieren
om er de stof uit op te zamelen; in het woud kappen ze de lianen en
in het struikgewas maken ze insnijdingen in de stammen. Geen dezer
handelwijzen vernietigt de planten. Uit de wortels van de afgehouwen
lianen komen spoedig weer loten, die zelf al gauw exploiteerbaar zijn
en de ingesneden struiken laten ook steeds weer gauw nieuwe takken
opschieten. Nergens in de ontginningsgebieden, die hij bezocht, heeft
de heer Chevalier opgemerkt, dat de caoutchoucplanten neiging zouden
hebben te verdwijnen ten gevolge van de bewerking door de negers. Het
is een dwaling, dat te denken.

Toch hoe geruststellend het moge klinken, blijft het feit bestaan, dat
er tegenwoordig een toenemende vermindering valt te constateeren van
de lianen, die caoutchouc leveren, maar door een oorzaak, die geheel
vreemd is aan de wijze van inzameling, namelijk door de toeneming
der boschbranden.

Het zijn eigenlijk de branden, die de inboorlingen aansteken na hun
oogst, om het onkruid te vernietigen. Die manier van doen is niet
zoo erg te veroordeelen. In Europa ploegt men veel onkruiden onder
en gebruikt die en ook andere planten als groene mest; in Afrika,
waar men niet zoo goed is ingespannen met landbouwgereedschappen,
kan men zulk een mest alleen gebruiken in den vorm van asch. Bovendien
vernietigen die groote branden veel kruipend gedierte en veel insecten,
die in de afrikaansche zon maar al te goed gedijen. Maar als men het
te veel doet, ontstaan er nadeelen.

Voordat de Franschen het land hadden bezet, hoopte de bevolking zich
op over kleine uitgestrektheden, om zich gemakkelijker te kunnen
verdedigen. Thans is de veiligheid algemeen, en bij gevolg verspreidt
de bevolking zich overal en brengt ook overal heen de gewoonte van de
branden. Geen boom of struik biedt weerstand aan die elk jaar herhaalde
vuren, zoodat als men het laat begaan, men gerust kan voorspellen,
dat er in West-Soedan geen boom en geen liaan zal overblijven.

Bij die hoofdoorzaak kwam voor 1907 zich de daling der prijzen
voegen, die toevallig was, maar zoo hevig, dat plotseling het kilo
meer dan een derde in waarde achteruitging. De negers, die niets
weten van de wet van vraag en aanbod, hebben gedacht aan een list
van de europeesche handelaars; ze zijn boos geworden en weigerden
te leveren; ze staakten. Ook moet men wel bedenken, dat naarmate
welvaart en ontwikkeling onder de negers worden verspreid, de ijver
voor het inzamelen er wel wat afgaat. Uit je dorp gaan en in het
woud de ontberingen van de inzamelaars deelen, te zoeken naar de
caoutchoucplanten bij slechte voeding laat zich doen, als er een
goede winst tegenover staat, maar als de winst vermindert, gaan ze
naar andere bestaansmiddelen zoeken.

De regeering is vrijwel machteloos tegen de schommelingen in de
prijzen. De heer Chevalier meent echter, dat er wel iets te doen
ware tegen de boschbranden en dat men de caoutchoucleverende planten
zou kunnen beschermen. Er moeten woudcomplexen volgens hem worden
gereserveerd, zoodat het land verdeeld werd in twee soorten van
gebieden; complexen van bouwland, die kaal zijn en waar de branden
geoorloofd zouden wezen, en met bosch bezette terreinen, waar branden
volstrekt verboden zouden zijn. Die gereserveerde terreinen zouden
onder de bescherming moeten worden gesteld van de rivierdorpen tegen
enkele voordeelen, zooals bij voorbeeld het recht, er caoutchouc in te
zamelen en andere boschproducten. Later als de kolonie het kon lijden,
zou men een afzonderlijken dienst van het boschwezen kunnen instellen.

Wat in dit plan vooral aantrekt, is, dat het zonder veel kosten
zou zijn uit te voeren. En de zaak is noodig, vooral omdat de heer
Chevalier meedeelt, dat alle pogingen, om in West-Afrika caoutchouc
aan te planten, tot nu toe schipbreuk hebben geleden. Men zal zich
nog lang met de wilde planten moeten behelpen. Er is een tijd van
opgewektheid geweest, waarin men bijna bij ieder dorpshoofd erop
aandrong, caoutchouc te laten planten bij de woningen, en op veel
plaatsen is daar gevolg aan gegeven. Maar daarvan is op het oogenblik
letterlijk niets meer over.

Het is een illusie gebleken, dat de lianen, als ze eenmaal geworteld
waren, zich verder wel zelf zouden redden. Ze zijn overal door het
onkruid verstikt. Alleen enkele aanplantingen van Europeanen, die
goed werden onderhouden en verzorgd, hebben het uitgehouden, en de
resultaten, daar verkregen, zijn niet ontmoedigend. Men kan in den
tuin van Cancayenne bij Konakry lianen zien, die twaalf jaren oud zijn,
maar die leveren toch nog maar een zeer kleine hoeveelheid caoutchouc.

De heer Chevalier komt ten slotte er toe, op te merken, dat de
Landolphia's, die de meeste wilde caoutchouc in Soedan leveren, niet
voor de cultuur zijn aan te bevelen. De Hevea's, die moet men hebben,
maar of men ze daar zal kunnen inburgeren en werkelijk acclimatiseeren,
blijft voor den schrijver twijfelachtig, zoodat hij in ieder geval
bescherming pleit voor de natuurlijke, wilde caoutchoucleverende
planten door een beperking der boschbranden.



VAN HAÏTI.

De haïtiaansche regeeringsingenieur Gentil Tippenhauer geeft in
Petermann's Mittheilungen een bijdrage tot de kennis van Haïti. Hij
heeft er herhaaldelijk gereisd, het laatst in 1908. De streek ten
noordoosten van Port au Prince tot in het tot nu toe zoo goed als
onbekende middelgedeelte van het eiland aan de grens van San Domingo
was het doel van zijn reizen. Uit de topographisch-geologische kaart,
die de ingenieur geeft, blijkt, hoe gebrekkig de tegenwoordige kaarten
van Haïti zijn.

Voor eenige jaren bereisde een negerattaché uit Washington de
republiek, om voor de amerikaansche regeering een kaart op te
nemen. Maar daar hij, om bij de bevolking geen ergernis te wekken,
zonder theodoliet, barometer, meetband en kompas reisde, kwam er
niets bruikbaars voor den dag. Tegenwoordig werkt een amerikaansche
opmetingsstoomboot aan een opneming van de kusten.

In September 1898 ontdekte Tippenhauer op de savanne Madame Michel,
ongeveer 25 kilometer van de hoofdstad, een ouden vulkaan, die het
eerste onmiskenbare bewijs leverde, dat op de Groote Antillen nog tot
in den jongsten tijd vulkanische werkzaamheid viel te constateeren. De
laatste reis van 1908 deed de onderzoeker in gezelschap van veel
Noord-Amerikanen, die de savannen van het binnenland van Haïti wilden
bekijken uit het oogpunt van hun geschiktheid voor veeteelt. Naar hun
oordeel is het eiland uitnemend voor dat bedrijf geschikt, vooral voor
de teelt van schapen, muilezels, paarden en rundvee. Het land is nog
weinig bevolkt, en enkel een paar alluviale dalen verbouwen suikerriet
en zijn dicht bevolkt, terwijl de negers daar vlijtig werken.

Er is in het land wel een intellectueele en maatschappelijke
vooruitgang te merken, maar het gaat zoo langzaam, dat men niet in den
pas kan blijven met de naburige landen, die snel vooruitgaan, zoodat
het experiment met de negerrepubliek een mislukking dreigt te worden,
tenzij er een groot burger mocht opstaan, die als een Porfirio Diaz
in Mexico het land zou kunnen opheffen en tot welvaart brengen.



NIEUWE AANLEGPLAATS VOOR TRANSATLANTISCHE BOOTEN.

Voor de lading van reizigers en post zal in het begin van September
de Cunardlijn haar booten uit New York Fishguard laten aandoen op
de zuidwestelijke kust van Wales. De booten zijn dan op weg naar
Liverpool. Voor de engelsche spoorwegmaatschappij, de Great Western,
is het weer een overwinning, nu ze haar nieuwen weg over Fishguard
naar Ierland had aangelegd.

Deze plaats in Wales is zelfs nog dichter bij New York en dus
begeerder in den snelheidswedstrijd dan Holyhead, waar de White
Starlijn passagiers en post ontscheept op de uit- zoowel als op de
thuisreis. De Cunard gebruikt Fishguard enkel op de reis van New
York naar de Oude Wereld; op de heenreis van Europa blijven de booten
Queenstown aandoen bij Cork in Ierland. De afstand tusschen Fishguard
en New York is veertig engelsche mijlen korter dan tusschen New York
en Holyhead en 110 engelsche mijlen korter dan tusschen New York
en Liverpool.

Doch behalve in den afstand ter zee biedt Fishguard nog eenige andere
voordeelen. De nieuwe kunsthaven daar met enorme kosten en vele
jaren vergenden arbeid aangelegd en in 1906 voltooid, beslaat een
oppervlakte van een 175 H.A. De schepen liggen er beschut door een
machtigen zeedam, ter lengte van ruim 800 M., terwijl schepen met den
grootsten diepgang en de grootste lengte veilig er kunnen aanleggen.

Dan heeft Fishguard een uitstekende spoorwegverbinding met Londen. De
afstand (262 E. mijlen) tusschen die haven en Paddington, wordt door
de mailtreinen binnen de 5 uren afgelegd. Zoowel voor de reizigers
uit het Zuiden van Engeland als die van het vasteland komen geeft
de weg over Fishguard, bij dien over Liverpool vergeleken, ettelijke
uren besparing.



MOOI PLEKJE AAN DEN VELUWEZOOM.

De elementen hebben het bezoek van den keizer van Duitschland aan
ons land niet begunstigd. In de weinige uren van zijn verblijf op
nederlandschen bodem zijn bliksem en donder, hagelslag en hevige regens
aan het woord geweest, en onder dreigend zwarte en geelgrijze luchten
werden de wegen van het mooie landgoed en zijn omgeving onbegaanbaar,
terwijl het hemelvuur links en rechts neersloeg, niet zonder doel te
treffen, boerderijen in de asch leggend en zich zelfs vergrijpend
aan dingen van zoo erkend symbolische beteekenis als vlaggen, die
als welkomstgroet moesten dienen.

En het wil wat zeggen, wanneer daar aan den Veluwezoom tusschen
Brummen en Arnhem de buien losbarsten en het hemelwater in massa
wordt uitgegoten! Dan wordt het een onhollandsche manier van regenen,
waaraan men in berglanden gewend moge zijn, maar die bij ons tot de
zeldzaamheden behoort. Want van de hoogten ten westen van den straatweg
gudst dan het water neer, sleurt het zand van de talrijke boschwegen
mee naar beneden, rukt het onderhout uit en voert zegevierend takken
en bladeren van boven naar de diepte, waar het zijn vernielingswerk
nog vaak voortzet.

Er zijn daar in de buurt onweersbuien bekend, die een historische
beteekenis hebben gekregen om de groote schade, die ze aanrichtten. Zoo
heeft Dieren nu bijna een eeuw geleden, in 1818 kunnen ervaren,
hoe verwoestend het water op den golvenden bodem werkte, toen na
een zwaar onweer de watervloed de landerijen met zand overdekte,
zware steenen wegsleurde, met gevelde eiken woest omging, als waren
ze stukken kinderspeelgoed en huizen en schuren deed instorten. In de
gemeente Rheden tusschen Dieren en De Steeg waren de wegen wekenlang
onbruikbaar.

En nog vroeger hebben de elementen er vaak woest huisgehouden met het
menschenwerk. Wat nu het Hof te Dieren heet, het kasteel in eigendom
toebehoorend aan en bewoond door Dr. R. F. baron van Heeckeren van
Wassenaer, dat men van Dieren komend en de heerlijke Ellecomsche laan
in wandelend, aan zijn linkerhand heeft, was midden in de zeventiende
eeuw een jachtslot van onzen stadhouder prins Willem II. De jeugdige
prins had namelijk in 1647 voor de som van 147.000 gulden de goederen
gekocht van de kommanderij van Dieren met aangrenzende goederen van
bijzondere personen.

Hij liet er het volgend jaar een wildbaan aanleggen, een groot
boschcomplex, dat hij liet insluiten door een palissadeering, hooger
dan manslengte van meer dan vier uren in omtrek. De weg van Arnhem
naar Zutfen liep door de wildbaan heen en was aan beide zijden
door een poort afgesloten, terwijl binnen de mijlenlange schutting
de gebouwen lagen van het Hof, het jachthuis, de kaatsbaan en al
de bosschen, waar het wild binnen en de stroopers buiten moesten
worden gehouden. Edoch de door het landvolk als soort van chineesche
muur beschouwde hooge schutting kon het niet uithouden tegen de
ondermijnende werking van het water, dat na iedere stortbui van de
omliggende heuvels afstroomde, de kostbare omheining vernielde en de
wildbaan open liet liggen. Twaalf jaren bleef de omheining in wezen,
hield ten minste, zoo goed en zoo kwaad, als het ging, stand, maar
moest toen voor afbraak worden verkocht.

Het Huis te Dieren met de mooie boschomgeving bleef voor vier
geslachten van onze stadhouders uit het Huis van Oranje een geliefd
geldersch lustoord. Willem II had de bezitting gekocht van de Orde
der Duitsche Ridders, die haar in 1219 ontvangen hadden van graaf
Adolf van den Berg, wiens vader, graaf Engelbert van 's-Heerenberg
het goed in 1168 van keizer Frederik Barbarossa had gekregen. De orde
bleef er gevestigd tot 1647, het jaar, waarin de koop met Willem
II werd gesloten, ressorteerde eerst onder de Balije van Coblentz,
later onder die van Utrecht en deed, door vrome schenkingen uitgebreid,
zoodat allengs de heele omtrek haar behoorde, veel voor de verbetering
der wegen.

Willem II besteedde vrijwat kosten aan zijn nieuwe bezitting; hij
liet o.a. wilde zwijnen naar zijn nieuwe wildbaan overbrengen met het
gevolg, dat de evers er wel eens zoo talrijk waren, dat de geldersche
boeren er schade van hadden, doordat het wroetende en smullende goed
de knollenvelden als voor hen aangerechte tafel beschouwde en de
boekweitakkers bij hun nachtelijke bezoeken vertrapte en omwoelde.

In Augustus 1850 was de stadhouder weer naar zijn bezitting te Dieren
ter jacht gegaan, om tevens in zijn hoedanigheid van stadhouder van
Gelderland de statenvergadering te Zutfen bij te wonen, en in het
begin van October was hij er reeds weer en hield zich een drietal
weken met het geliefde jachtvermaak bezig, toen hij den 27sten October
de koorts kreeg als voorbode van de kinderpokken. Het eenvoudige
jachthuis was geen geschikt verblijf voor een ernstig zieke, en in
zijn vorstelijk jacht werd de stadhouder over IJsel, Rijn, Lek en
Maas naar Rotterdam vervoerd en van daar naar Den Haag. Ofschoon
nog geen 25 jaar, overleed de prins, die reeds herstellende was, den
6den November na een onverwachte instorting, zonder dat zijn jonge
vrouw, die de geboorte van haar eerste kind verwachtte, bij hem was
toegelaten, om alle gevaar voor besmetting te ontgaan.

De na den dood des vaders geboren prins, onze latere stadhouder-koning
Willem III, was een Nimrod's vriend van belang. De jacht was een
hartstocht bij hem en zoowel Dieren als Het Loo met de gansche Veluwe
stelden hem in staat, eraan te voldoen. Hij liet het huis te Dieren
vergrooten en verfraaien. Het had veel geleden door het vandalenwerk,
dat de soldaten van Lodewijk XIV er in 1672 hadden bedreven, maar na
de verbouwing en opknapping kon het een talrijken jachtstoet bergen,
en de inwendige inrichting was zelfs zoo goed, dat het huis waard was,
er kunstschatten heen over te brengen, waaraan Willem en zijn gemalin
Maria van Engeland zoo groote waarde hechtten.

Ook de omgeving werd verfraaid; de prins liet in het omringend park
bloemtuinen aanleggen en naar de mode dier dagen, die bezig is te
herleven, ook loofgangen of berceaux, fonteinen, grotten en natuurlijk
koepels en vijvers. Ook nieuwe wegen werden aangelegd; de Koningsweg
dagteekent uit dien tijd, die mooie landweg, die nog tegenwoordig
aan de wandelaars genot verschaft, als ze zich over de hoogten van de
Dierensche en Onzalige bosschen bewegen. Toen Willem in 1688 koning
van Engeland was geworden, vergat hij de lievelingsplekjes niet uit
den vroegeren tijd; het huis te Dieren zag hem herhaaldelijk binnen
zijn muren. En koningin Maria hield ook van de landelijke afzondering
in de heerlijke boschrijke streek; in het huisarchief van het geslacht
van Heeckeren van Wassenaer, waarvan een afstammeling thans het hof te
Dieren bewoont, zijn nog brieven en gedenkschriften van haar bewaard
gebleven, waaruit die voorliefde duidelijk blijkt.

Met Willem II en Willem III had het huis te Dieren zijn besten
tijd gehad, al vertoefde Willem IV er menigmaal en al deed hij het
zijne tot verfraaiing van den omtrek. Naar zijn zoon is de bekende
Prins-Willemsberg genoemd, die begroeide hoogte, op welker top acht
lanen komen, en de wat dichter bij Dieren gelegen Carolinenberg,
doel van een wandeling voor ieder, die er in de buurt logeert,
heet zoo naar de dochter van den stadhouder, Caroline, die met een
lutherschen prins van Nassau Weilburg trouwde, wel een weinig tot
ergernis van familieleden en landgenooten van echt gereformeerde
religie. Vroeger heette de veelbezochte berg de Steenenberg en nu
wordt hij vaak aangeduid als de Veertien Wegen. Op de bank rondom
een linde laat het dichte gebladerte niet veel uitzicht meer toe,
maar gelukkig kan men zich overtuigen, hoe goed de oorspronkelijke
keuze van dit punt is geweest, als men een der wegen volgt niet verder
dan een vijftigtal schreden, waar hij begint te dalen. Daar is het
vergezicht wondermooi; de hoogten en laagten met de bosschen bedekt,
maken er den indruk van een statig bergland.

Bij den dood van Willem IV kwam de heerlijkheid aan zijn minderjarigen
zoon, en de latere Willem V was de laatste prins van Oranje, die zich
op het huis te Dieren vertoonde. Hij was geen liefhebber van de jacht,
kwam er zelden en toen zijn zon in de republiek was onder gegaan
werd in den winter van 1794 op 1795 het huis door de Franschen bezet;
magazijn, kazerne, gelagkamer, dat waren de rollen, aan de vertrekken
toebedeeld en ten slotte maakte een brand korte metten met de woning
en wat er nog aan schilderijen en kunstschatten was overgebleven.

Toen na de omwenteling de bezittingen van het Oranjehuis tot
nationaal eigendom waren verklaard en als zoodanig verkocht werden,
kwam een groot gedeelte aan gravin M. C. van Wassenaer Twickel,
die zich in 1824, zoo goed als op de plek, waar het jachthuis der
Oranjes had gestaan, maar iets verder naar den dierenschen kant,
een buitenverblijf liet bouwen, het tegenwoordige Hof te Dieren. Na
haar huwelijk met baron van Heeckeren van Twickel en hun verhuizing
naar Twickel bij Delden kwam het goed aan den tegenwoordigen bezitter.

Het oude is er sedert het midden der vorige eeuw voorbijgegaan, en wat
de moderne kweekkunst aan heerlijk plantenmateriaal te voorschijn weet
te tooveren, dat kan men in de tuinen en het park er vinden. Een deel
van het terrein achter het huis is in den oudfranschen stijl aangelegd,
herinnering aan het belangwekkend verleden, maar tevens nieuwerwetsch,
nu de mode weer aan strenge lijnen in den aanleg de voorkeur schijnt
te gaan geven.



VEREENIGING "DOORWERTH".

Een hartelijk welkom mag wel worden toegeroepen aan de nieuwe
Vereeniging, die zich ten doel stelt, het slot Doorwerth bij
Oosterbeek, of liever wat er van over is, te koopen van den eigenaar,
de heer Scheffer van de »Duno«, en het door doelmatige restauratie
te behouden als interessant monument uit het verleden. Den 8sten
Juli is de vereeniging te Arnhem geconstitueerd onder presidium van
den burgemeester van Arnhem, Jhr. Mr. A. Röell. In de bijeenkomst,
waartoe een commissie de belangstellenden had opgeroepen, voerde de
heer F. A. Hoefer uit Hattem, lid van de »Monumentencommissie«, het
woord en wees op de noodzakelijkheid van ingrijpen, nu wat er van
het kasteel over is, snel een ruïne dreigt te worden. Hij schetste
de historie van het kasteel in korte trekken, die de belangrijkheid
aantoonden.

Het slot is inderdaad te belangrijk uit historisch, architectonisch
en aesthetisch oogpunt, dan dat het zou mogen verloren gaan. De
tegenwoordige eigenaar is bereid, het slot binnen de grachten voor tien
duizend gulden af te staan, een niet groote som, die door contributiën
en giften bijeen zal moeten worden gebracht. De restauratie zal naar
alle waarschijnlijkheid met rijkssteun tot stand kunnen komen. Het
blijkt de Commissie tot behoud der monumenten, dat om het gebouw
te restaureeren en het te brengen in den staat van het einde der
zeventiende eeuw, een som van zestig duizend gulden noodig zou wezen,
terwijl men, zich tevreden stellend met een herstelling tot den
toestand van een halve eeuw geleden, met veertig duizend gulden zou
kunnen volstaan.

Wat zal men doen met Doorwerth, als het in beteren staat is
gebracht? De bestemming zou kunnen zijn de vestiging van een Geldersch
museum om de herinnering aan de roemrijke Geldersche geschiedenis
te verlevendigen. Misschien ware ook de gelegenheid gunstig voor een
openlucht-museum, zooals Kopenhagen bezit.

In het voorloopig bestuur der Vereeniging werden gekozen de heeren,
die de oproeping voor de bijeenkomst hadden geteekend. Als de statuten
zijn goedgekeurd en rechtspersoonlijkheid is aangevraagd, zal men
dan met den heer Scheffer over den koop kunnen onderhandelen.

Aan de discussies namen deel baron Mackay, Mr. E. G. C. Scheidius
en Jhr. Mr. D. B. R. baron van Lynden van Sandenburg. De oproep ging
uit van de heeren graaf Bentinck, Dr. P. J. H. Cuypers, F. A. Hoefer,
J. Kalff, Mr. S. Muller Fzn., Jhr. Mr. A. Röell, Jhr. Nedermeyer ridder
van Rosenthal, baron Schimmelpenninck, Mr. J. J. S. baron Sloet,
Jhr. Mr. G. Wttewaall van Stoetwegen, Jhr. Mr. Victor de Stuers en
Dr. J. S. van Veen.

"Ons eigen Land", dat mooie werk van den A. N. W. B., vertelt van
Doorwerth, dat het een der weinige middeleeuwsche burchten in ons
land is, die nog het oorspronkelijke karakter bewaarden. Met zijn
driedubbele grachten, ophaalbruggen, wachttoren, poorten, muren
met schietgaten, voorplein, binnenplein, gevangenis, wapenzaal,
kapel, slotbewaarderswoning, stallen en andere bijgebouwen, zijn
torentransen en trapgevels, is het als 't ware een stuk vaderlandsche
geschiedenis. Over de eerste ophaalbrug komt men op een smal voorplein;
hier verrijst tegenover de tweede ophaalbrug een wachttoren, van
uit welker raampjes men den toegangsweg overziet. Over de brug is
een zwaar poortgewelf, waarboven de geslachtwapens van de familie
Van Voorst rechts, van de familie Schellard van Obbendorf links,
zijn aangebracht. Door deze poort komt men op het ruime binnenplein,
waarop oude acacia's, waarvan, naar het heet, een is geplant in 1579,
ter herinnering aan de Unie van Utrecht. 't Zijn de oudste boomen van
dat soort, welke men in ons land vindt. Een derde ophaalbrug voert
naar het eigenlijke slot, dat sinds lang niet meer bewoond is.

De heerlijkheid Doorwerth is een der oudste van Gelderland en moet
ongeveer uit de tiende eeuw dagteekenen. Omstreeks 1500 ging zij door
huwelijk over aan de familie Wisch en van deze aan die van Homoet. In
1558 kwam zij aan het bovengenoemde huis Schellard. Een eeuw later
ging zij over aan den graaf van Aldenburgh, wiens kleindochter haar
den graaf Bentinck mee ten huwelijk bracht. Tot 1840 bleef Doorwerth
in het bezit der Bentinck's waarna baron Van Brakell van Wadenooien de
heerlijkheid door aankoop verwierf. Na den dood van de douairière Van
Brakell Doorwerth, ongeveer 1878, viel het kasteel met zijn omgeving
ten deel aan jhr. mr. J. G. Ridder van Rappard. Sinds eenige jaren
behoort het aan den heer Scheffer, tevens eigenaar van het aangrenzende
landgoed Duno.



WAT JONGE VERKENNERS OF BOY-SCOUTS MOETEN WETEN.

Het corps jongens, door generaal Baden Powell van het engelsche leger
opgericht, om als ze hun diploma hebben als verkenners in oorlogstijd
dienst te doen, moet aan heel wat eischen voldoen.

Vóór zoo'n jongen tot verkenner 1e klas wordt bevorderd moet hij
heel wat in zijn mars voeren. Hij moet vier soorten knoopen kunnen
leggen; met de Morse-telegraaf of de semafoor zestien letters in
de minuut seinen; na een minuut in een winkelraam te hebben gekeken
vertellen wat er ongeveer uitgestald is; zonder zich te haasten een
mijl (1609 M.) in twaalf minuten afleggen; een vuurtje aanleggen en
aansteken met niet meer dan twee lucifers; een jachtschotel koken;
de zestien streken van het kompas opnoemen; een kleine 50 M. zwemmen;
zich begeven naar een punt op 7 mijl afstands en daarvan een verslag
opmaken; vertellen hoe in twee gevallen van een ongeluk iemand gered
moet worden; een behoorlijke schetskaart teekenen; een bijl weten te
gebruiken; afstand, grootte en getallen schatten, met niet meer dan
25 pct. vergissing; en een beginner aanbrengen dien hij heeft geoefend.



NOG EENS NAAR KLONDIKE.

Twaalf jaren zijn voorbijgegaan, sedert het nieuws door de wereld
ging, dat er goud in onmetelijke hoeveelheden gevonden was te midden
van de sneeuw en het ijs van het Yukon-territorium in het afgelegen
Aljaska. Avontuurlijke geesten haastten zich uit allerlei hoeken
van den aardbol naar het doodsche, ongastvrije land, waarvan de naam
tot dien tijd voor de meerderheid der menschen een onbekende klank
was geweest.

Er was daar in vroegere jaren ook wel eens goud aangetroffen, maar de
phenomenale rijkdom van de Bonanzakreek werd eerst onthuld in 1896 en
niet voor den zomer van 1897, toen een stoombootvol gelukkige delvers,
die een fortuin in stofgoud en grootere klompen bij zich hadden,
naar Seattle kwamen, werd de wereld zich bewust van het feit, dat er
weer een nieuw groot goudveld was ontdekt, wedijverend met die van
Californië en Australië.

Klondike, Yukon, Bonanza, Eldorado, die magische namen waren op
aller lippen in de laatste jaren der 19de eeuw, en hoe buitensporig
de rapporten ook mochten wezen, die over de woeste en moeilijke paden
kwamen aanzetten vanaf de bevroren wildernissen van Klondike naar de
beschaafde wereld, de werkelijkheid overtrof ver de wildste schattingen
van de eerste prospectors, en al gauw was het bekend, dat het nieuwe
goudveld het rijkste was in de geschiedenis van de goudvondsten.

En dit was geen nieuwe Randmijn, waar zonder dure machinerieën
en massa's kapitaal de grond niet bereid was, een onsje goud af te
staan. Neen, dit was een goudveld voor den armen man, die niet anders
noodig had dan een houweel, een schop en een goudpan, om op den weg
naar rijkdom te komen. De eenige moeilijkheid was gelegen in de reis,
waarbij men had te kiezen tusschen de lange dure reis langs den mond
van de Yukon stroomop, of waarbij men te Juneau of Dyea moest landen,
over den gevaarlijken Chilkootpas of over den bezwaarlijken White
Pass moest trekken en dan te reizen had over de reeks meren in de
Boven-Yukon stroomaf naar het nieuw gestichte Dawson, al spoedig een
bloeiende stad van verscheiden duizenden inwoners. Thans is Dyea aan
de fjordenkust verlaten, en een spoorweg van Skagway naar White Horse
helpt den reiziger over het moeilijkste deel der reis heen.

Schatten en schatten wachtten diegenen, die zich tot Klondike
doorwerkten. In het eerste seizoen haalden de weinige pioniers
driehonderd duizend ponden sterling alleen uit de Eldoradokreek, en
claims werden verkocht voor honderd duizend pond. Een enkele goudpan
met aarde, niet meer dan twee schoppen vol, gaf soms honderd pond en
pannen van dertig en veertig pond werden in menigte gewasschen. De
menschen konden aan loonen drie en vier pond sterling per dag
verdienen, en toch waren de arbeidskrachten moeilijk te krijgen,
en een poging, om de loonen neer te drukken tot twee pond per dag
werd gevolgd door een werkstaking. In het laatste jaar der eeuw
was de bevolking van het Yukongebied tot dertig duizend inwoners
aangegroeid en de jaarlijksche opbrengst aan goud tot vier millioen
pond sterling, ofschoon de inzameling van het kostbare metaal onder
bijzonder moeilijke omstandigheden plaats had. Daar de grond hard
bevroren was voor verreweg het grootste deel van het jaar, moest
hij eerst worden ontdooid met groote vuren, eer men de aarde kon
opscheppen, en dat was het eenige werk, dat er te doen viel in den
langen en strengen winter. Het eigenlijke winnen van het goud door
het wasschen van den grond was alleen mogelijk in den korten zomer,
als men over water beschikte.

Sedert 1900 is de opbrengst langzamerhand afgenomen, toen de ruwe
werkmethode van den enkelen delver geen effect meer opleverde in
de rijkste terreinen van de Bonanza- en Eldoradokreken. In 1907
was de opbrengst gedaald tot zes honderd duizend pond sterling,
en het volgend jaar werd ze nog kleiner, maar dit beteekende niet,
dat het goudveld uitgeput was. Het kwam enkel, doordat het werken
aan de oppervlakte in zoogenaamde placers plaats moest maken voor het
werk op grooter schaal met hydraulische machines en boorwerktuigen,
die in handen waren van maatschappijen.

De groote uitgestrektheden lands, door hen verkregen, bleven
improductief voor den korten tijd van de installatie der moderne
werktuigen. Op het oogenblik is het werk er weer in vollen gang en
iedere decimeter gronds in de goudhoudende streken gaat nu door de
stampende machines en wordt daarna uitgewasschen op machinale manier,
om het goud eruit te halen. De machines trekken van het eene eind van
het dal naar het andere, en nu de wetenschap de romantische manier
van het goudwinnen door den enkeling op zij heeft geschoven, treedt
het Yukongebied, dat deel uitmaakt van Canada, een nieuwe periode van
bloei in, die niet behoeft onder te doen voor den glorietijd van het
nog betrekkelijk zoo jonge verleden.



OP DEN UITKIJK.


DE AMERIKAAN COOK AAN DE NOORDPOOL!

Wat een glorie voor 1909! Niet genoeg, dat de triomf der vliegmachines
dat jaar met roem overlaadt; daar komt luitenant Shackleton tot zeer
dicht bij de Zuidpool en daar brengt de eerste dag van September
het opzienbarend bericht, dat Dr. Frederick Albert Cook werkelijk en
waarlijk de Noordpool heeft bereikt!

Dat moet al op 21 April van het vorige jaar zijn gebeurd. Wat heeft
die terugreis dus lang geduurd en hoe graag zal de ontdekker die
hebben willen bespoedigen! Maar er moest nog een overwintering worden
doorgemaakt, eer de wereld van de groote zege kon hooren en dat het
in 1909 September moest worden, voor de mare bekend werd, mag ook
wel jammer worden genoemd. Hoeveel tijdingen komen in korter tijd
uit het hooge Noorden tot ons!

Maar hoe dan ook, het is zeker een heugelijk iets, dat de lang
nagestreefde Noordpool eindelijk is bereikt; ontdekt kan men eigenlijk
niet zeggen, want men wist immers precies waar men haar zoeken
moest. Maar hoevelen hebben reeds in den loop der eeuwen lijf en goed
gewaagd, om het einddoel van de reizen naar het Noorden te halen, om
den voet te mogen zetten op het snijpunt van de meridianen. Dat is nu
niet alleen aan Cook, maar ook aan Peary gelukt. Maandag nog schreven
wij: »Geen wonder, dat men in Amerika uitbundig verheugd is over dat
succes van een landgenoot. Peary's geduldig streven zinkt nu op eens
in het niet bij dezen gelukten tocht van den amerikaanschen dokter,
wiens levenswerk zoo schoone bekroning vindt.«

En juist op dien 6den September telegrafeerde Peary uit Indian Harbour
op Labrador, dat hij de Pool had bereikt op 6 April 1909. Dus ook
zijn jarenlang betoonde energie met succes gekroond!

Dr. Frederick Albert Cook werd in 1865 geboren in Sullivan County in
den staat New York. Hij studeerde in Brooklyn en promoveerde aan de
universiteit in New York. Reeds in den winter van 1891 op 1892 nam
hij als geneesheer deel aan een der Noordpoolexpedities van Peary,
en zes jaren later was hij medelid van de belgische Zuidpoolexpeditie
van De Gerlache met de Belgica. In de jaren 1903 tot 1906 deed hij
bergtochten in het bergland van den Mount Mac Kinley, en breidde zoo
de kennis der aarde voor het menschdom uit, welke verdienste erkend
werd door onderscheidingen van vorsten en geleerde genootschappen. Ook
schreef hij onder andere reiswerken »Through the first antarctic night«
en »The Top of a continent.«

Hij was op deze Poolreis reeds in 1907 uitgegaan, en men had zich
ernstig ongerust gemaakt over het uitblijven van berichten. In
ons nommer van 6 Maart j.l. schreven wij over hem en deelden mee,
hoe hij zich bij Etah aan de Smithsont had laten afzetten door een
walvischvaarder met het doel, langs de kust van Ellesmereland naar
het Noorden te gaan, daar te overwinteren en dan in Februari 1908
een sledetocht in de richting der Noordpool te doen.

Dat is dus volkomen gelukt, en naar de berichten over zijn moeilijken
en gevaarvollen tocht, die in de parijsche editie van de New York
Herald hebben gestaan, en die hij reeds in een rede, te Kopenhagen
gehouden, heeft beschreven, te oordeelen, is de mooie zegepraal na
harden strijd bevochten. Hij zelf heeft die berichten aan bedoeld
blad gezonden van de Hans Egede, het groenlandsche bestuursvaartuig,
dat hem naar Europa heeft overgebracht.

Nu zal de wereld alles te weten komen van die gewichtige dagen na
den 3den Maart 1908 en de verdere lotgevallen. Want tot aan dien
datum wist men over zijn expeditie, wat een tochtgenoot, die hem
tot dien dag had vergezeld, meedeelde. Dat was de heer R. Francke,
die in September van het vorige jaar met de Eric van de Smithsont
naar Europa is teruggekeerd, nadat die amerikaansche stoomboot Peary
naar die sont had gebracht.

Die tochtgenoot van Cook vertelde, dat Cook den winter van 1907/1908
had doorgebracht dertig kilometer ten noorden van Etah in Annortok aan
den oostelijken oever van den Smithsont en daarna den 26sten Februari
met Francke en eenige Eskimo's naar Ellesmereland was gegaan. Nadat
den 3den Maart de Flaglerbaai, een der fjorden, die tusschen 79 en 80
graden N. B. van het Oosten in Ellesmereland binnendringen, bereikt
was, keerde Francke om en ontving later in Etah een bericht van Cook,
meldende, dat hij den 17den Maart bij kaap Hubbard was aangekomen en
nu noordwaarts op weg ging.

Met hoeveel succes die noordwaartsche tocht, waarop alleen Eskimo's
den ontdekkingsreiziger vergezelden, volbracht is, daarvan weerklinkt
thans de heele wereld. De Noordpool bereikt! Eere aan Dr. Cook, die na
het voetspoor van zijn voorgangers zoo ver mogelijk te hebben gevolgd,
ook de laatste en moeilijkste stappen deed, die aan zijn volharding
en zijn weerstandsvermogen zware eischen stelden en waarop nog niemand
hem was voorgegaan.

Amerika juicht om zijn beide landgenooten, en vooral Peary's succes
windt de Amerikanen op, die zoo lang en zoo trouw hem telkens weer
tot nieuwe reizen in staat hebben gesteld. Maar hij heeft dan toch
een jaar later dan Cook den voet op het gewichtige punt gezet.



RECORDS VAN POOLREIZIGERS.

Cook zou dan nu het Poolrecord hebben gebracht op 90 graden N.B. Te
verbeteren valt dat niet meer. Peary moet ook reeds houder ervan
zijn. Die had den 21sten April 1906 een breedte bereikt van 87 graden
6 minuten, nu op 21 April 1908 verbeterd door Cook en op 2 April 1909
door Peary zelven.

Cagni, de metgezel van den hertog der Abruzzen, bereikte, uitgaande
van Rudolph Eiland (Frans Jozefs Archipel) den 14en April 1900 een
breedte van 86° 33´.

Vóór Cagni was Nansen de houder van het Noordpool-record met een
breedte van 86° 4´, 8 April 1895.

Al dezen zijn dus op hun beurt houder van het Noordpool-record geweest.

Nog vroeger beginnende, en in chronologische orde zijn houders van
dat record geweest:

Willem Barents 77° 20´ (1594), Rijp en Heemskerk 79° 49´ (1596), Hudson
80° 23´ (1607), J. C. Phipps, 80° 48´ (1773), William Scoresby 81°
30´ (1806), Parry 82° 45´ (1827), Nares 82° 48´ (1875), Nares 83° 20´
(1876), Greely 83° 24´ (1882). Dan komen Nansen, Cagni, Peary en nu
Cook en Peary.

Ook van de verbetering van het Zuidpool-record kan een lijstje worden
gegeven, n.l. het onderstaande:

Cook 71° 10´ Z.B. (1774), Weddell 74° 15´ (1823), Ross 78° 9´ (1842),
Borchgrevink 78° 50´ (1900), Scott 82° 17´ (1902), Shackleton 88° 23´
(1909).



SPITSBERGEN.

Engelsche bladen hebben gemeld, dat de bezwaren, geopperd door Rusland
en Zweden, een verhindering zijn voor het tot stand komen van een
conferentie der mogendheden, om vooral op verzoek van Noorwegen,
beslissingen te nemen in zake Spitsbergen, dat aan geen enkele
mogendheid nog toebehoort en waarvoor een internationale regeling
dringend wordt vereischt. Het schijnt echter, dat Zweden er bijzondere
rechten meent te hebben, omdat zijn onderdanen op de eilandengroep
talrijke exploratietochten hebben gedaan; maar daarentegen zou aan
Noorwegen de opperhoogheid over den Spitsbergenarchipel wellicht
eerder toekomen, omdat wat er aan industriëele ondernemingen, aan
jacht, vischvangst en bergbouw wordt gedaan, grootendeels in handen
is van Noren.

Bovendien werkt dezen zomer een groote wetenschappelijke expeditie op
Spitsbergen, uitgaande van het jonge koninkrijk Noorwegen. Gunnar
Isachsen, die indertijd deelnam aan de expeditie van Sverdrup
naar Groenland met de Fram en die eveneens, deelnemer was aan
de onderzoekingen van den vorst van Monaco in het Noordwesten van
Spitsbergen in den winter van 1906 en 1907, is daarvan de leider. Men
zal de zeekaarten van de eilandengroep trachten te verbeteren en aan
topografisch en geologisch onderzoek van het binnenland beginnen.

De pleiziervaarten naar Spitsbergen van de Hamburg-Amerikalijn brengen
er tegenwoordig veel bezoekers; maar zij blijven meestal kort.

Voor twaalf jaren werd een klein hôtel gebouwd met een dozijn
vertrekjes, elk met twee boven elkaâr gelegen bedden. Het bezoek was
echter te gering en het houten huis heeft van wind en weêr zooveel
geleden, dat er eigenlijk slechts wat balken en planken van over
zijn. Het logies aan boord, dat zooveel geriefelijker is, wordt
algemeen verkozen.

Het binnenvaren in de IJsfjord is prachtig en het gezicht op de
pyramidevormige sneeuwbergen vormt een grootsch panorama. Aan den
wal wandelt men over gras en mos en de toeristen voegen meestal een
nieuwe gedenkplaat bij de vele, die aan bezoeken van toeristenschepen
herinneren met dag en datum der bezoeken en den naam van het schip.



FEEST IN DE STILLE ZUIDZEE.

Op het eiland Tahiti in den Grooten Oceaan houdt men van feestvieren,
van het houden dier groote en langdurige feesten, die dagen en
nachten aaneen duren in het wonderschoone kader van dit oceanische
paradijs. Dit jaar zijn in de hoofdstad Papeete de feesten ter eere van
den 14den Juli wel een week lang voortgezet. Er was daar een levendige
en schilderachtige menigte bijeengekomen van inboorlingen uit de verste
hoekjes van het eiland en zelfs van de naburige eilanden. Allen hadden
zich uitgedost in hun beste gewaden en dat daarbij werkelijk veel
pracht werd ten toon gespreid, bewezen dames van de Marquesaseilanden,
die de zwierigheid van haar inlandsche costumes, getooid met fraaie
vogelveêren en sieraden van edel metaal, hadden verhoogd door Parijsche
toevoegselen in kant en lint en kleurige parasols.

De feestdag van het uitroepen der eerste republiek in Frankrijk
had dit jaar een bijzondere beteekenis door de inwijding van een
buste van een grooten Franschman, den zeevaarder Bougainville, die
honderd-veertig jaren geleden op zijn reis om de wereld met het fregat
»La Boudeuse» het eiland aandeed. Het Aardrijkskundig Genootschap
te Parijs vatte het eerst het plan op, om op Tahiti een gedenkteeken
op te richten ter herinnering aan den beroemden zeevaarder. Een lid
van het Genootschap, de heer Salles, inspecteur der koloniën, had
op een reis door de Fransche nederzettingen in de Stille Zuidzee met
verrassing gezien, dat het engelsche Aardrijkskundig Genootschap een
monument voor Cook had doen verrijzen, en zich te binnen brengend,
dat vóór Cook Bougainville het eiland had aangedaan, bracht hij een
comité tot stand, om op Tahiti den grooten zeevaarder te huldigen. De
regeering verstrekte haren steun en aan den beeldhouwer Péchiné werd
de vervaardiging van een borstbeeld opgedragen.

Zes dagen heeft men feest gevierd te Papeete, toen de buste werd
onthuld, waarbij de Fransche regeering door twee oorlogsschepen was
vertegenwoordigd. Ook de engelsche admiraliteit had uit beleefdheid
twee kruisers gezonden naar de mooie haven van Papeete, waar zich
buitendien verscheiden schepen bevonden van de handelsmarine der
Vereenigde Staten.

Bij de plechtigheid der onthulling, waar naast den maire van Tahiti
ook de afstammelingen van den laatsten koning Pomaré een eereplaats
hadden ingenomen, hield de gouverneur van het eiland, de heer Joseph
François, een rede, waarin hij op welsprekende wijze het leven van
Bougainville schetste. Vervolgens begonnen de feestelijkheden, die veel
locale kleur hadden en door bekoorlijke originaliteit uitmuntten. Er
waren wedstrijden met kano's, door inlandsche kunst prachtig versierd;
tahitiaansche dansen werden uitgevoerd; er was concours in het zingen
van inlandsche liederen, wedrennen, bloemenfeesten, venetiaansche
nachten met geïllumineerde inlandsche prauwen, die onder het
stralende electrische licht van de oorlogsschepen allerlei bewegingen
uitvoerden, en over al die vermaken zweefde de natuurlijke gratie
van dit Zuidzee-volk, dat door de zachtheid van zijn zeden uitmunt.

In een groot gebouw en op een ruim plein werd een
landbouwtentoonstelling gehouden, waar de grootste verscheidenheid van
inlandsche producten uit de kolonie te zien was. Zoowel de bewoners van
Papeete en het verdere eiland als de Nieuw-Zeelanders en de uit Amerika
gekomen vreemdelingen toonden zich hoogelijk ingenomen met het feest.



WEER EEN TAALQUAESTIE OP EEN GRENSGEBIED.

Eenige weken geleden werd door de Italiaansche regeering in het
uiterste Noordwesten van het rijk een circulaire verspreid, waarin
de autoriteiten van de Val d'Aoste er opmerkzaam op werden gemaakt,
dat ze voortaan de civiele acten, in het dal van Aosta opgemaakt, niet
meer in het Fransch, maar in het Italiaansch hadden te stellen. Nu is
Fransch daar de landstaal, al behoort de streek aan Italië. Ook werd
door de regeering het verzoek gedaan, de administratieve registers aan
een herziening te onderwerpen en overal de italiaansche uitdrukkingen
en formules in de plaats te stellen van de fransche.

Uit Genève wordt nu geschreven, dat die beslissing van de regeering
een zekere ontstemming heeft gewekt bij de vreedzame bevolking,
die sinds onheugelijke tijden gewend is Fransch te schrijven en te
spreken. Dat dal van Aosta is het noordwestelijke hoekje van Piémont,
dat tot de provincie Turijn behoort en tusschen Wallis en Lombardije
is gelegen, begrensd door het bergland van den Grand Paradis en de
fransche departementen van Savoye.

De bevolking is nog geen honderdduizend zielen talrijk, en het lager
onderwijs van de kinderen, dat verplicht is, wordt geregeld in het
Fransch gegeven. Maar natuurlijk wordt de italiaansche taal door
een groot aantal menschen gesproken en begrepen, vooral daar ze die
noodig hebben voor hun zaken. Het feit zelf, dat de bevolking over het
geheel in het minst niet vijandig staat tegenover het Italiaansch,
verhoogt de verbazing van de inwoners en de verontwaardiging der
plaatselijke pers, die in de daad der regeering een aanval ziet op
de vrijheid van de dalbewoners, om hun moedertaal te spreken.

Van hoogerhand heeft men echter eenvoudig eenheid van taal wenschelijk
geacht voor documenten, die soms veel zorg vereischen bij de vertaling
en oorzaak kunnen worden van vergissingen en conflicten.



KRITIEK.

Op merkwaardige manier maakt een criticus soms een schrijver
onmogelijk, namelijk door hem te prijzen en te citeeren.



VLIEGTOESTELLEN NIET LANGER DUUR.

De verbazend hooge prijzen van de eerste vliegtoestellen werkten uit
den aard der zaak afschrikkend en waren een belemmering voor de verdere
ontwikkeling dezer nieuwe menschelijke vinding. Maar dat zal niet
zoo behoeven te blijven. Want de uiterst lichte motor, dien men bij
vliegproeven meende noodig te hebben, blijkt ten slotte geen vereischte
te zijn. Henri Meijer zegt het nog eens duidelijk in de Kampioen,
dat nu door eenige treffende voorbeelden uit de praktijk gebleken is,
dat men, om te kunnen vliegen met een toestel, zwaarder dan de lucht,
geen uiterst lichten motor van gewaagde constructie noodig heeft,
maar volstaan kan met een gewonen, deugdelijken automobielmotor,
de vliegsport onder het bereik is gekomen van den eersten den besten
constructeur, die de handigheid bezit, om een zweeftoestel in elkander
te zetten en er een motor in te plaatsen.

En nu zal dan ook de tijd van de afschrikwekkend hooge prijzen der
tegenwoordige vliegtoestellen wel heel spoedig achter ons liggen. Want
nu er eenmaal gegevens bestaan met hoeveel paardekracht, met hoeveel
meter draagvlak, met hoeveel omwentelingen van een schroef van bekend
model en bepaalde afmetingen men positief met een totaalgewicht van
zooveel kilogram in een bepaalde snelheid tegen een luchthelling
omhoog kan zweven en precies zoolang als de benzinevoorraad en de
weersgesteldheid het gedoogen, kan rondvliegen; nu eenmaal al deze
gegevens bijna gemeengoed geworden zijn, is het voor een 'n beetje
handig technicus absoluut niet moeilijk meer, zelf een vliegtoestel
te vervaardigen, dat beslist moet kùnnen vliegen.

De vervaardiging van zoo'n eigengemaakt vliegtoestel zal slechts een
bescheiden gedeelte vergen van den enormen prijs dien men bij aankoop
van een vliegmachine te betalen heeft. Want buitengewoon »dure« dingen
behooren niet meer tot den vasten inventaris van een vliegtoestel,
nu men juist op tijd den onzinnig duren, specialen vliegmotor heeft
uitgeschakeld.

De kostbaarste stukken zijn nog slechts de motor en de schroef. De
rest is zeildoek of ballonstof, en een geraamte van hout en staaldraad,
rijwielbuis of aluminiumribben.

Een vliegmachine van 25 à 30 P.K. kan dus uit den aard der zaak
veel goedkooper zijn dan een automobiel van vijftien paardekracht,
met een heel gewone open carrosserie.

Maar daarmee zijn natuurlijk niet die andere bezwaren overwonnen,
die aan den tijd ter oplossing nog zijn voorgelegd. Zelfs afgezien
van weer en wind, is de vliegmensch nu nog ongeloofelijk afhankelijk
van zijn helpers, die uit geschoold en geoefend personeel moeten
bestaan. Het draaien van de schroeven vóór de opstijging ten einde
den motor op gang te brengen en den zuiger over de compressie heen te
helpen, is niet ieders werk, die niet verlangt onthoofd of gekorven te
worden. Bovendien is de aëronaut in de vlucht al even afhankelijk. Hij
kan onmogelijk, als er stagnatie is, zelf en alleen zijn motor weer
op gang brengen.

Eer de massa met vertrouwen haar geld aan de vliegkunst waagt, zullen
nieuwe vindingen die euvelen moeten hebben verholpen.



EEN ENGELSCHE VAN DE KAAP NAAR KAÏRO.

Alleen, dat wil zeggen onvergezeld door blanken, is miss Charlotte
Mansfield dit jaar in snelle dagreizen door Afrika van Zuid naar
Noord gereisd. Ze vertrok 9 Januari 1909 uit Londen en kwam er 14
Augustus terug. In de Daily Chronicle heeft een verslaggever verteld
van het interview, dat hij met haar had. Charlotte Mansfield had
voor haar veiligheid een geweer en een revolver bij zich om zich te
verdedigen in geval van nood en om te jagen voor haar maal. Maar de
inboorlingen--zij is geweest in oorden, waar geen blanke voor haar
een voet had gezet--deden haar nergens kwaad.

Juffrouw Mansfield is vol bewondering voor de inboorlingen,
nl. voorzoover zij niet door teveel beschaving besmet waren. "Wat
me het meest aanstond", zei ze, "was dat, schoon ik geheel alleen
was bij al die mannen--groote, sterke, gezonde, gelukkige wilden,
die lezen noch schrijven konden en niets van misdaad afwisten--zij
mij met verwonderlijke ridderlijkheid behandelden. Ik vind het heel
jammer, dat men hun godsdienst en zeden wil veranderen; men moest ze
met rust laten, en niet raken aan hun oude gebruiken."

Met het Christelijk zendingswerk had juffr. Mansfield dan ook weinig
op. "Het is mooi en wel", zei ze, "die inboorlingen te leeren, dat zij
zindelijk en vlijtig moeten wezen, maar velen hunner worden, zoo gauw
ze het Christendom hebben aangenomen, huichelaars. Zij vereenzelvigen
het Christendom met dophoeden en europeesche kleeren. Het is voor
hen geheel een kwestie van kleeding. Ik behoor tot geen bepaalde
kerk, maar ik moet zeggen, dat de Katholieken de inboorlingen op hun
plaats houden en dat zij daarom geëerbiedigd worden. Het kwaad is,
dat zooveel zendelingen de jongens bederven. Het is bespottelijk den
inboorling te behandelen als een "zwarten broeder". Zij verliezen
alle achting voor u. De goede manier om ze te behandelen is billijk
en rechtvaardig, maar tevens streng voor ze te wezen."

Juffr. Mansfield is verrukt over Rhodesië. Daar zou ze willen
boeren. Wat ze er nu van den oogst heeft gezien leidt er haar toe,
te zeggen, dat Canada nog eens in Rhodesië een zwaren mededinger
zal krijgen. Het is een prachtig land voor landverhuizing, volgens
haar. Zij weet van iemand, die in Canada niet slagen kon, en het in
Rhodesië heeft beproefd. Zeven jaar geleden begon hij er met £ 50 en
huurde 100 stuks vee van de regeering. Nu heeft hij 750 runderen en
alles wat een boer kan wenschen.

De reis van juffr. Mansfield duurde 218 dagen, waarin zij 27,000
K. M. aflegde. Gedeeltelijk reisde zij per boot en spoor, gedeeltelijk
ging zij te voet en voor een ander deel droegen haar inboorlingen
in een soort hangmat. Waar zij in het binnenland kwam, wist men al
van »de witte donna« die alleen door de woeste wereld trok. Den 9en
Januari vertrok zij uit Londen, den 8en Februari uit Kaapstad, den 26en
Juli kwam zij te Kaïro aan en Zaterdag 14 Aug. was zij weer te Londen.

Juffr. Mansfield gaat een boek over haar reis schrijven en er lezingen
over houden. Zij zal ook werken voor landverhuizing naar Rhodesië.



KONING EDUARDS HISTORISCHE BOOT.

Bij het streven van veel europeesche vorsten, om de snelste, met de
beste nieuwe vindingen der techniek uitgeruste jachten te bezitten,
is het een eigenaardig verschijnsel, dat koning Eduard van Engeland
nog vaak een boot gebruikt, die op een tijdvak van meer dan tweehonderd
jaren kan terugzien. Die koningsbark werd in het jaar 1685 voor Willem
III gebouwd en is tot heden in wezen gebleven. Het is een boot van
eikenhout uit de britsche wouden en ze is rijk versierd met wapens en
emblemen van de engelsche koningen. Willem III, die met voorliefde
in Hampton Court verblijf hield, maakte er een druk gebruik van, om
over de Theems naar Londen en Windsor te varen. Koning Eduard stelde
reeds als prins van Wales veel belang in het ouderwetsche vaartuig,
dat hij zorgvuldig in stand liet houden. En tegenwoordig wordt de boot
weer gebezigd voor de vaarten van den koning op de Theems. Ook bij de
kroningsplechtigheden van den koning heeft de bark een rol gespeeld,
door den vorst naar Eton te brengen, dat in de eerste regeeringsdagen
werd bezocht. De boot wordt door acht mannen geroeid, terwijl de
kapitein voor het roer moet zorgen.



OP DEN UITKIJK.


MASKERS VAN DE MAHAKAM.

De kaart van Borneo vóór zich leggende, vindt men op de westkust
Pontianak en, ongeveer terzelfder breedte, op de oostkust
Samarinda. Van het gebergte ongeveer in het midden des eilands
stroomt naar Pontianak de Kapoeas, naar Samarinda de Mahakam; zij
is de grootste rivier die aan de oostkust in zee valt. De maskers
bij dit artikel afgebeeld zijn afkomstig van Long Iram, een plaats
aan de Mahakam, die langs een rechte lijn ongeveer 100 kilometers
van Samarinda verwijderd ligt, maar feitelijk misschien wel 200,
door de sterke kronkelingen van de rivier.

De maskers kwamen in het bezit van het Rotterdamsche Museum voor land-
en volkenkunde door de goede zorg des heeren H. Gramberg, militair-
en civiel gezaghebber van de Boven-Mahakam, en vormen een deel eener
uitgebreide en belangrijke verzameling die deze ambtenaar voor het
Museum bijeenbracht.

De Boven-Mahakam, het gebied waar de heer Gramberg gezag uitoefent,
is, volgens prof. Nieuwenhuis, bedekt met bosch, en van een bergtop
gezien, zijn 't alleen de steile wanden der kalkbergen die het oog
treffen als lichte plekken op het donkergroene kleed. Waar de bevolking
hare droge rijstvelden aanlegt ligt de grond bloot gedurende den tijd
dat hij voor den rijstbouw dient; maar al gauw neemt struikgewas en
later jong bosch dit terrein weer in. Gras is er, naar de bewoners
zeggen, eerst de laatste 20 jaar aan de Boven-Mahakam verschenen;
en het hooge gras dat alang-alang en ilalang heet kent men er niet.

De bevolking aan de Mahakam boven de watervallen is niet talrijk;
oorspronkelijk bestaat zij uit Bahau-stammen, die in de laatste twee
eeuwen uit het hoog gelegen bergland Apo Kajan hierheen getrokken
zijn. In het brongebied van de Mahatam, tot aan den val die Kiham
Matandow heet, ligt nog ongerept oerwoud, en daarin zwerven kleine
groepen van de Boekats, die telkens van woonplaats veranderen. Vóór
den krijgstocht van de Dajaks uit Serawak in 1885 was het stroomgebied
der Mahakam, van bovengenoemden val Kiham Matandow tot aan de Soemwé
bewoond door verscheidene nederzettingen van Pnihing-stammen; deze
nederzettingen werden toen verwoest en de bewoners trokken langs de
hoofd-rivier naar beneden. De stam der Sepoetans woont in het gebied
van de Kaso, ten deele hoog de rivier op, voor een ander deel aan de
Penaneh. Volgt men de rivier verder benedenwaarts, dan komt men in
het gebied der Kajans, die zich de Mahakam toerekenen van de Soemwé
tot aan de Dini. Ten oosten aan deze laatstgenoemde rivier begint
het gebied van de Long-Glats en aan de Merasè wonen de Ma-Soelings.

Wie, na deze vluchtige voorstelling, zich geroepen voelt tot
nadere kennismaking, zal vinden wat hij verlangt in het werk van
dr. A. W. Nieuwenhuis In Centraal Borneo, of in zijn boek Quer durch
Borneo, beide boeiende reisverhalen, met een overvloed van platen. Aan
de berichten van dezen schrijver zijn de volgende mededeelingen
over het maskerspel ontleend waarbij maskers als de hier afgebeelde
gebruikt worden.

De zaaitijd van de rijst is bij de Kajans van de Boven-Mahakam
verdeeld in drie perioden van negen dagen, en het maskerspel dat
een deel is van het religieuse zaaifeest, valt op den eersten dag
van de tweede en derde periode. De eeredienst van de Kajans, die
uitsluitend landbouwers zijn, staat in nauw verband met den rijstbouw
en de groote godsdienstige feesten van het jaar vallen op het begin
der verschillende werkzaamheden. Deze worden onderscheiden in nebas
(houtkappen), noetoeng (branden), noegal (zaaien), nawo (wieden),
ngeleno (oogsten), newoeko (einde van den oogst) en nangei (het vieren
van een nieuw jaar en begin van een nieuwen rijstbouw). De feesten
bij noegal en nangei zijn de voornaamste.

Wat heeft nu het optreden van gemaskerden te maken met het zaaien
van rijst? In de overtuiging dat de geesten machtiger zijn dan de
menschen, gelooven de Kajans, dat zij, als geesten vermomd en doende
als geesten, ook meer vermogen dan menschen vermogen. Evenals de
geesten de zielen der menschen kunnen terugbrengen, gelooven zij, dat
zij ook de zwervende ziel van de rijst tot zich kunnen lokken. Daartoe
dient een lange, houten haak die de hoofdman der gemaskerden in de
hand houdt, en waarmede hij de beweging maakt van iets naar zich toe
te halen.

Geesten behooren er schrikwekkend uit te zien en daarom hullen zich
de Kajans die sterk behaarde geesten voorstellen in uitgerafelde
pisangbladeren, die zij met de hoofdnerf om het geheele lichaam winden,
dat zoodoende een vormlooze groene massa wordt. Op de afbeelding is een
groep gemaskerde Kajans van de Boven-Mahakam voorgesteld. Het masker
is van licht hout gesneden, heeft evenals de wolf in Roodkapje groote
oogen, groote ooren en groote tanden. Boven in de ooren zijn van hout
nagemaakte pantertanden gestoken [1] en de banden aan den onderkant
der ooren verbeelden de uitgerekte oorlellen, waarin oorsieraden
hangen. De symmetrische lijnen op het masker zijn met vaste hand
getrokken en doen de oogen scherp uitkomen; de kleuren zijn wit,
zwart en steenrood. Het masker wordt gedekt door een strijdmuts
van gevlochten rotan, versierd met de witte, met zwarte dwarsbanden
belegde, staartvederen van een neushoornvogel.

Deze geesten nu zijn 't die de rijstziel moeten lokken en aan de
Kajans een goeden oogst bezorgen. Zij mogen niet spreken want een
geest spreekt niet en wie dit verbod vergeet loopt kans dood neer te
vallen. Op een open plek tusschen de huizen vormen de zonderlinge
wezens een kring en op de maat van den gongslag maken zij allerlei
passen, bewegen de armen en schudden en draaien het hoofd. Dit duurt
een half uur en dan plaatsen de geesten zich achter elkander, doende
alsof zij de broewa parei, de rijstziel, uit verre oorden tot zich
halen; want soms verdwaalt deze tot aan de Kapoeas en de Barito.

Het andere masker, dat men hier afgebeeld vindt, is een varkensmasker,
ook van de Boven-Mahakam. Dr. Nieuwenhuis maakt gewag van een
maskerspel gedurende het zaaifeest aan de Mendalam, een rivier, die
dicht bij het scheidingsgebergte in de westwaarts stroomende Kapoeas
valt, welk spel een zwijnenjacht voorstelde. Ontleden doet hij deze
ceremonie niet. De man met het varkensmasker stelde het zwijn voor
en hij maakte de bewegingen en geluiden van dit dier goed na. Eenige
jonge Kajans verbeeldden de honden die het varken aanblaften en te
lijf wilden. De toeschouwers waren er heelemaal in, en de gewoonlijk
zeer kalme Kajans raakten uit hun plooi; vooral als het dier een
zijsprong maakte naar den kant waar de meisjes zaten was 't een
leven van geweld. Maar van angst of schrik was zelfs bij de eenjarige
toekijkers geen sprake; men hoorde overal luid en hartelijk lachen. Of
het varkensmasker van de Mahakam voor een dergelijk spel, als hier
van de Mendalam beschreven is, gebezigd wordt, mag waarschijnlijk
maar niet zeker heeten.

Hoe dit varkensmasker met figuren beschilderd is blijkt voldoende
uit de afbeelding; de kleuren zijn dezelfde als van het andere
masker. Beide worden door koorden van gespleten rotan voor het
aangezicht vastgemaakt, en beide hebben ter hoogte van den mond
des dragers een dwarshoutje, dat blijkbaar met de tanden door hem
omklemd wordt om het masker op zijn plaats te houden. Alleen van het
varkensmasker is de onderkaak bewegelijk; loodrecht op het zooeven
genoemde dwarshout is een stokje vastgemaakt dat naar het vooreind
van de onderkaak loopt, een eenvoudig mekaniek, dat den drager van het
masker in staat stelt met zijn tanden de onderkaak tegen de bovenkaak
te doen klepperen.


    Rotterdam, 31/VIII '09.        Joh. F. Snelleman.


[1] Tanden in het bovendeel van de oorschelp dragen stammen van de
z.g. Zee-Dajaks van Serawak.



MENSCHEN EN NATUUR.

Er zijn menschen, die ons met het leelijkste nest verzoenen, en
anderen, die de heerlijkste streek voor ons kunnen bederven.



ADMIRAAL MELVILLE'S OORDEEL VAN BETEEKENIS.

De triomf van de beide poolhelden, wier portretten wij in ons vorig
nommer gaven, is niet onaangevochten gebleven. In de wetenschappelijke
wereld doet zich een sterke strooming van twijfel gelden, zoowel wat
het slagen van Cook als dat van Peary betreft.

Bij beiden stemt vooral de snelheid, waarmee ze de laatste
breedtegraden in de nabijheid van de Noordpool zouden moeten hebben
bereikt, als hun mededeelingen volkomen geloofwaardig waren tot een
zeker voorbehoud. Het is eenvoudig tooverij, dat Peary zoo gauw van
kaap Columbia aan de noordpunt van Grantland zou gereisd hebben, als
hij opgeeft en Cook is omtrent die hoogste breedten zoo onnauwkeurig
en onvolledig, ook in de toespraak, die hij in Kopenhagen heeft
gehouden voor een tot oordeelen bevoegd publiek, dat teleurstelling
en onvoldaanheid zich in de plaats van de geestdrift hebben gesteld.

Wie van het eerste oogenblik af aan den twijfel in zijn gemoed niet
den toegang heeft geweigerd, wie dadelijk moedig voor die overtuiging
van de tegenspraak in de gegeven berichten is uitgekomen, dat was
de oude admiraal Melville, de Engelschman, die zelf mooie sporen
heeft verdiend in het Noordpoolonderzoek, althans in poolreizen,
met groote gevaren verbonden.

Hij hoort tot die groep van poolreizigers, die voor het bekend worden
van de eilanden in den Siberischen Oceaan ten noorden van Azië veel
heeft bijgedragen. Meer in het bijzonder de Nieuw-Siberische eilanden
ten noordoosten van de Lena-delta. Sedert in 1770 een russisch koopman
Liakhof een der eilanden ontdekte, toen hij een rendierkudde met
sleden over het ijs volgde, had de russische regeering in het begin
der 19de eeuw vooral terwille van de vondsten van mammoethsbeenderen
het onderzoek zooveel mogelijk aangemoedigd.

Bij die tochten maakte zich o.a. luitenant F. von Wrangell bekend,
en het naar hem genoemde Wrangell-land bleef tot in de jaren tusschen
1880 en 1890 de menschen intrigeeren door de onzekerheid, waarin men
verkeerde, om te weten of het een eiland was of een vasteland. Aan
de expeditie nu, die dat probleem heeft opgelost, nam Melville als
hoofdmachinist van de Jeannette deel.

De eer van ontdekt te hebben, dat Wrangell-land geen continent was,
komt toe aan commandant G. W. de Long van de marine der Vereenigde
Staten, die in 1879 op een ontdekkingsreis uitging door de Beringstraat
met de Jeannette. De Long dacht, dat Wrangell-land een continent
was en drong stoutmoedig door in het pakijs bij het Heraldeiland op
71 graden 35 minuten N.B. en 175 W.L. in de meening Wrangell-land
te zullen bereiken en daar te kunnen overwinteren. Tot De Long's
teleurstelling kwam het schip maar niet buiten het pakijs en dreef
gestadig aan naar het Westen, tot het tegenover en ten noorden van
Wrangell-land was gekomen, waardoor bewezen was, dat dit wel verre van
een continent te zijn, slechts een betrekkelijk klein eiland was. Het
schip had veel van het ijs te lijden, en alleen de bekwaamheid en de
moed van den hoofdmachinist G. W. Melville behoedde schip en bemanning
dien eersten winter voor ondergang. Na een tweede overwintering werd
de Jeannette op 12 Juni 1881 door het ijs ingedrukt, waardoor de
bemanning onbeschut achterbleef op de ijsschotsen midden in de IJszee.

Op een ellendige reis van de ergste ontberingen en ziekte, die maakte,
dat men haast niet voort kon, toonde Melville zijn geestkracht en
vindingrijkheid. Telkens dreef een noordelijke strooming hen terug
van de kust van Azië, die ze trachtten te bereiken. Bij een poging,
om de Lena-delta te bereiken, verongelukte de boot van luitenant Chipp
in een storm met een bemanning van acht personen op 12 September,
en bij die gelegenheid werden ook commandant De Long en Melville
gescheiden. De laatste bereikte met negen man op 26 September een
russisch dorp langs een der oostelijke monden van de Lena.

De Long met Dr. Ambler en twaalf man moesten op 17 September aan land
gaan en de boot achterlaten, daar de zee te ondiep was. Met hun wapens
en hun voedsel en de rapporten en berichten en benoodigdheden beladen,
volgden zij de kale, verlaten oevers der Lena zuidwaarts, haast niet
vorderend door sneeuw, nieuw ijs en ziekte. Telkens moest men wachten,
tot het ijs vastheid had gegeven aan de oppervlakte van ondoorwaadbare
zijtakken en wild en voedsel ontbraken reeds op 9 October, toen een
man gestorven was en de anderen hulpeloos waren. Trouw blijvend bij de
zieken en de stervenden, zonden De Long en Ambler twee zeelieden uit,
om hooger op de Lena hulp te halen.

De Long en al de zijnen op drie na kwamen er van gebrek om vóór
den 1sten November, terwijl de beide matrozen Bulun op 29 October
bereikten, nadat ze bijna niet verder konden. Zoodra hij kon, nam
Melville maatregelen om te hulp te komen, en op 14 November 1881
vond hij reeds de scheepsboeken, toen een hevige storm hem belette
verder te gaan. In het eerste begin van de lente ging de onvermoeide
Melville er weer op uit, en 23 Maart 1882 vond hij de lijken der
ongelukkige schepelingen.

Behalve door belangrijke natuurwetenschappelijke waarnemingen in een
onbekende streek was deze expeditie gewichtig om de aardrijkskundige
ontdekkingen. Er werd een gebied van wel vijftig duizend vierkanten
mijlen in de IJszee bevaren.

Melville's verdiensten zijn erkend door zijn promotie in de marine
en doordat naar hem zijn genoemd een baai aan de westkust van
Groenland, een schiereiland van het amerikaansche vasteland, dat
door de Heclastraat van Baffinseiland is gescheiden en een meer aan
de noordoostkust van Labrador. Geen wonder, dat ook nu nog het woord
van admiraal Melville gehoor vindt.



REVAL EERSTE OORLOGSHAVEN.

De russische regeering heeft besloten, van Reval de eerste oorlogshaven
van het rijk te maken ter vervanging van Kroonstad, dat door zijn
ligging in de diepte van de Finsche Golf te dicht bij de hoofdstad
is en daarom in geval van oorlog veel kwade kansen biedt. Reval
zou feitelijk den ingang van de Finsche Golf bewaken; het zou het
eindpunt zijn van een reeks van versterkingen, beginnende bij Wilna
en zich voortzettende over Dwinsk, Grodno, Brest-Litowsk, Konel en
Rovno, waaraan tegenwoordig gewerkt wordt, om ze in den besten staat
te brengen.



OP DEN UITKIJK.


BERGTOCHTEN IN SAKSISCH ZWITSERLAND.

Er is geen tweede van de Duitsche Middelgebergten, dat zoo geschikt
is, om aankomende Alpinisten te maken tot flinke bergbestijgers
als Saksisch Zwitserland, de parel van het koninkrijk Saksen, een
Alpenwereld in het klein. Te zamen gedrongen op een betrekkelijk
kleine ruimte, zijn in dit gebergte met zijn geweldige rotswanden
en reuzenpyramiden, zijn romantische kloven, verbrokkelde muren en
zijn rotslabyrinthen de gelegenheden voor uitstapjes, die zoowel
geschikt zijn voor den weeldetoerist, gebruik makend van allerlei
vervoermiddelen, als voor den geharden bergklauteraar.

Jaarlijks vloeit een reusachtige toeristenstroom door het
Elbezandsteengebergte. Wie ooit vroeg op een Zondagmorgen in
den zomer op het Dresdener spoorwegstation vertoefde en er de
duizenden treklustigen en natuurvrienden aantrof, die naar hun
geliefd »Zwitserland« willen, die krijgt een flauw vermoeden van
het aantal bezoekers. Niet gering is onder hen het getal Berlijners,
profiteerend van het feit, dat de hoofdstad maar drie sneltreinuren
van Dresden verwijderd is.

Wat een bergtoeristen ziet men er! De gemoedelijke Sakser in linnen
schoenen en met de omvangrijke, breede handtasch; de nog altijd
niet uitgestorven salontiroler met kniekousen, eleganten rugzak
en een glaasje in het oog; dan de leden der Alpenvereeniging en
van de Oostenrijksche Toeristenclub in een onvervalscht, praktisch
bergkostuum, alles te zamen een stationstooneel, als München in het
groot aanbiedt. Slechts een klein deel van die bergtoeristen doen
nog iets meer dan de gewone bergtoeren, om door te dringen in het
intieme schoon van het Elbelandschap.

Voor klauterpartijen in de Dolomieten kan men zich uitstekend
voorbereiden in Saksisch Zwitserland. Men begint dan met het meest
bezochte punt van het Elbezandsteengebergte, de Bastei, met haar
hemelbestormende rotswanden en vooruitspringende rotsterrassen. Voor
klimmers geldt de leus, dat ze de Bastei in rechte lijn moeten
nemen en de Schrammsteine moeten bezoeken. Ze gaan dan bij het
station Rathen over de snelstroomende en door vlotten en bootjes
verlevendigde Elbe naar Ober-Rathen en na een wandeling over den
Amselgrund bestijgen ze den Gänsefelsen. De stoutmoedigsten gaan
daar naar boven door een zoogenaamden schoorsteen, den Gühnekamin,
waarin men met handen en knieën werkend, zich strekkend en draaiend
met slakkensnelheid vooruitkomt. Vijf kwartier van zulk klauteren
leidt naar het rotsplateau.

Een tweede werkje is over de Basteirotsen rechtstreeks naar de
Basteibrug te klimmen, die daar boven de indrukwekkende diepte van
klip tot klip overspant. Er is een veel gemakkelijker weg omhoog, maar
de bergtoerist verkiest den zwaarsten. Eerst door een sparrenbosch,
dan door een wirwar van kloven en spleten gaat het met moeilijke
bochten om rotspyramiden heen naar een klein plateau en dan naar den
top van een rotszuil in de onmiddellijke nabijheid van de Basteibrug,
een flink stuk werk. Van de brug wordt den klimmers dan meestal een
touw toegeworpen en met een stoutmoedigen sprong zijn ze op de brug.

Er is verbazend veel verscheidenheid in de toeren en de kijkjes
in Saksisch Zwitserland. Hoeveel verschillen het panorama van den
Lilienstein en dat van den Winterberg, beide om strijd geroemd! De
Lilienstein is een rotsmassief, dat koen en steil uit het nauwe
Elbedal omhoog rijst en welks groot plateau men langs een groot aantal
trappen beklimt. Daar tegenover is de vesting Königstein, die nu haar
strategische waarde heeft verloren door de moderne oorlogstechniek
en kalme diensten bewijst als bewaarplaats voor staatsarchieven en
andere schatten.

De wildernis der Schrammsteine is het meest geliefde sportterrein der
leden van de Alpenvereeniging, die er een zeer veel op de Dolomieten
gelijkend arbeidsveld vinden. De Falkenstein geeft de gelegenheid zijn
rotspyramide door twee lange, schuine schoorsteenen te beweldigen;
een moeilijk werkje, maar dat voldoening geeft, als men het achter
den rug heeft en met een paar wonden aan handen en kleêren boven
is gekomen. In het gebied der Schrammsteine is het berghuis van den
Winterberg bekend als een welkome rustplaats, en de Winterberg zelf
is een bazalttop te midden van de zandsteenformatie, tevens de hoogste
top van de bergen aan den rechteroever van de Elbe.

Aan den boheemschen kant lokt de Prebischtor alle bezoekers van het
gebergte, en geen wonder, want op die plek krijgt men den stoutsten
en imposantsten rotsbouw van Duitschland en Oostenrijk te zien. Men
ziet de reuzenrotsen van boven een brug vormen, waaronderdoor een
statige poort wordt gevormd; daarnaast dalen aan weerszijden diepe
kloven naar beneden, terwijl boven de donkere bosschen der omgeving de
rotswanden kaal omhoog rijzen. Langs den Gabrielensteig begeven zich
de toeristen vervolgens naar den Edmundsklamm, het mooiste bergdal
van Boheemsch Zwitserland. Het dal, dat eerst breed is, vernauwt
zich meer en meer, en de weg is moeten worden aangelegd met behulp
van tunnels en berggalerijen. Er volgt aan het eind een passage,
die men enkel per boot kan afleggen over het riviertje de Kamnitz,
dat er kunstmatig in een smal en diep meertje is veranderd. De vaart
over het donkere bergwater is een der groote bekoorlijkheden van den
tocht door de kloof.



HET REIZEN VAN EEN AZIATISCHE ZIEKTE.

Tot in het jaar 1817 was in Europa nog geen geval van cholera
voorgekomen. Ook toen nog waren het enkele sporadische gevallen,
die uit Voor-Indië en Egypte waren overgebracht. In 1823 was deze
epidemie geëindigd. Spoedig echter, reeds in 1826, werd zij door
een tweede gevolgd, die elf jaar geduurd heeft en zich over de
geheele wereld heeft verspreid. Uitgangspunt was ook ditmaal weer
Engelsch-Indië. Pelgrims brachten later van uit Mekka de ziekte naar
Turkije en Rusland over (1830). Eén jaar later werd ook Duitschland
en het volgend jaar werd Nederland bezocht (1832). In hetzelfde
jaar reeds kwamen gevallen voor in N. Amerika. Tot 1837 bleef de
ziekte in Europa woeden; overal vielen de slachtoffers in grooten
getale. De derde wereldepidemie begon in 1846, bereikte Rusland in
1847 en verspreidde zich in 1848 over geheel Europa, waar zij, vooral
in 1848, ook in ons land zeer sterk woedde. Deze epidemie heeft,
nu eens veel minder wordend, dan plotseling weer opflikkerend, tot
1860 gewoed. Toen kwam er een kleine pauze, die slechts enkele jaren
duurde. Want in 1864 was er een nieuwe epidemie uitgebroken, gaande
van Indië naar China en Japan. Dank zij de moderne vervoermiddelen en
het meer intensieve verkeer, dat zich ontwikkeld had, kon de cholera
sneller reizen en zij had slechts één jaar noodig om vanuit Indië naar
Egypte en Algiers te komen, vanwaar zij de Middellandsche Zee overstak
en binnen enkele weken geheel Zuid-Europa aantastte. Van hieruit
werd ook Rusland, waartoe de cholera zich klaarblijkelijk bijzonder
voelt aangetrokken, bezocht. Ons land werd evenmin gespaard en in 1866
begaf de cholera zich via Rotterdam naar Engeland. In 1870 scheen de
epidemie tot bedaren te komen. Maar men had buiten Rusland gerekend,
dat zoo langzamerhand als cholera-broednest met Engelsch-Indië gaat
wedijveren. Vanuit het Czarenrijk begon de gevreesde ziekte een tocht
door Europa en bleef daar nog drie jaar woeden.

Tot 1884 werd Europa met rust gelaten. In dat jaar kwamen gevallen
voor in Zuid-Europa. Aanvankelijk scheen het alsof deze epidemie,
die ook weer van Indië afkomstig was en zich in Azië sterk uitbreidde
(Japan, China, Ned.-Indië enz.) tot Zuid-Europa beperkt zou blijven. In
1889 kwamen dan ook geen gevallen meer in Europa voor; in 1890 weer
verscheidene in Spanje, in 1891 echter bleef Europa vrij. Maar ook
ditmaal, zou de verrassing uit Rusland komen. De cholera, die snel
langs de groote verkeerswegen Zuid-Europa had bereikt, maar daar
niet verder kon, had nog een ouden beproefden weg om het beschaafde
werelddeel te bereiken. Via Perzië naar Rusland gekomen, deed dit
land opnieuw als verspreider dienst. Zwaar heeft Rusland onder deze
epidemie geleden. Men schat het aantal cholera-dooden in dat land
gedurende 1892-1894 op 800,000. Bekend is, hoe van uit Rusland vooral
Hamburg door deze epidemie is aangetast; ook in ons land kwamen enkele
gevallen voor.

Thans kan de geschiedschrijver beginnen met den zesden
cholera-tocht. In Europa gekomen in 1907, sterk gewoed in Rusland,
vooral in Petersburg in 1908 en 1909. In Augustus en September van
uit Rotterdam ook in Nederland verspreid, maar gelukkig slechts met
zeer enkele gevallen.



SEISMOLOGISCH INTERNATIONAAL CONGRES.

In Zermatt vergaderde in het begin van September het internationale
congres van de leden der Internationale Vereeniging voor
aardbeefkunde. Professor August Forel, die de heeren namens de
zwitsersche regeering welkom heette, vertelde, hoe de vereeniging
was tot stand gekomen.

Het was in 1901, dat professor Gerland, van de universiteit in
Straatsburg, de eerste uitnoodigingen richtte aan verschillende
mannen, die op het gebied der aardbeefkunde een wetenschappelijken naam
hebben. Doel van deze uitnoodiging was, te komen tot een internationale
samenwerking der geleerden, de eenige weg om tot een stelselmatige
en volledige studie van deze natuurverschijnselen te geraken.

De plannen van den Straatsburger nestor vonden algemeenen bijval. Twee
jaren later kwam men met definitieve voorstellen terug. En weer
twee jaren daarna werd in Berlijn de internationale vereeniging
voor seismologie opgericht. Nagenoeg alle staten, China, Turkije,
Perzië en Brazilië uitgezonderd, zijn in dit genootschap officiëel
vertegenwoordigd.

Doel der vereeniging is te centraliseeren de waarnemingen in de
observatoria, en de resultaten verkregen door de studiecommissies,
die in verschillende landen speciaal voor dit doel zijn opgericht. Deze
centraliseerende arbeid geschiedt grootendeels in het technisch bureau
te Straatsburg, en onder toezicht van professor Gerland. Het zijn
vooral de verschillende statistieken, die daar worden vergeleken en
geanalyseerd; ook publiceert het bureau de algemeene en bijzondere
studies, die over dit vak van wetenschap verschijnen, en organiseert
het een systematische bestudeering der verschillende hulpmiddelen.

Elke vier jaar komen de seismologen van alle landen bijeen om de
genoteerde verschijnselen, de opgestelde hypothesen, de ontworpen
theorieën en de gemaakte ervaringen te bespreken. De eerste dezer
vierjaarlijksche samenkomsten vond plaats in 1907 te 's-Gravenhage.

Elke twee jaren vergadert de permanente commissie, bestaande uit de
officiëele gedelegeerden der verschillende staten. Haar taak is meer
van administratieven en organiseerenden dan van wetenschappelijken
aard. Zij heeft alle loopende kwesties af te doen, en te zorgen,
dat het wijd-vertakte studie-werk goed gedijt, alle hindernissen
zoo mogelijk uit den weg geruimd worden, en een breede samenwerking
verkregen wordt.

Het is deze permanente commissie, die in Zermatt vergaderde. De
zwitsersche regeering droeg de organisatie der conferentie op aan de
zwitsersche vereeniging voor natuurwetenschappen, welker voorzitter
de in Nederland en Nederlandsch-Indië bekende dr. Fritz Sarasin is.



STRUISVOGELTEELT IN NOORD-DUITSCHLAND.

Tot voor korten tijd bestonden er struisvogelfarms alleen in
Californië, op de engelsche eilanden van West-Indië, in Engelsch
en Duitsch Zuidwest-Afrika, Algerië en Kaïro. De eerste poging,
om zulk een instelling te vestigen onder den noordelijken hemel,
werd voor eenigen tijd gedaan te Stellingen bij Hamburg door Carl
Hagenbeck. Er was in Europa trouwens reeds een struisenhoeve en wel
bij Nice. Men had te Stellingen al jaren lang acclimatisatieproeven
met struisvogels genomen.

Onder de struisen, die in de inrichting worden geteeld, zijn vier
aardrijkskundige variëteiten, Somalistruisvogels, oostafrikaansche,
Kaapstruisen en vogels van de Abubaama, een zijtak van den Blauwen
Nijl. De broedtijd van de vogels duurt zes weken. Als de jonge dieren
zes maanden oud zijn, leveren ze reeds de eerste opbrengst aan veêren;
dan worden hun in het vervolg met tusschenpoozen van telkens negen
maanden de bruikbare vederen zoodanig afgesneden, dat ongeveer vijf
centimeter van de spoelen overblijven. Die worden eerst na drie
maanden volledig uitgetrokken.

Om de veeren te krijgen, trekt men den struisvogel een soort van
kap over den kop; daarna wordt het dier door een kastje van planken
omsloten, waar de vleugels en de staart doorheen kunnen steken en
op die manier van zijn prachtkleed beroofd. Vooral de staarten en
de vleugelveêren leveren het kostbare handelsartikel, dat dan naar
Londen, de hoofdmarkt voor struisvogelveeren, wordt verzonden.



ZIONISTISCHE PLANNEN OP HEF CYRENAÏSCH SCHIEREILAND.

Nadat de pogingen van de zionistische Jewish Territorial Organisation,
aan welker hoofd Zangwill staat, om in Oeganda, Argentinië, Mesopotamië
of Palestina land te krijgen voor de vestiging van een joodschen
staat, schipbreuk hadden geleden, zond het genootschap in 1907 een
commissie naar het Cyrenaïsch schiereiland in Noord-Afrika, om de
mogelijkheid te bestudeeren van een joodsche kolonie. Gouverneur van
Tripolitanië was toen de liberale, hervormingsgezinde, intusschen
als turksch minister van oorlog gestorven maarschalk Redjab Pacha,
die wel geneigd was, een joodsche kolonisatie te steunen. Hij beloofde
indertijd aan Zangwill voor de naar Tripolitanië komende Israëlieten
volledige godsdienstige vrijheid en ontheffing van belasting onder de
voorwaarde, dat ze voor hen allen te zamen een cijns betaalden. Ook
voor een zekere autonomie voelde hij veel, en hij droomde zelfs van
een in het leven te roepen haven en van een joodsche handelsmarine.

De regeering was niet zoo hoopvol, maar ook zij was het plan niet
ongenegen. Daarvan kon zich ook professor Gregory overtuigen, de
geoloog van Glasgow, die onlangs ter wille van de studie van den
grond door de Jewish Territorial Organisation naar het Cyrenaïsch
schiereiland was gezonden. Maar Gregory vond er de vruchtbaarheid
en den aard van den bodem lang niet zoo gunstig, als verondersteld
werd. Het schiereiland bestaat voor een groot deel uit plateau's van
kalkgesteente, dat het water doorlaat en is daardoor beter geschikt
voor veeteelt dan voor landbouw. Gregory meent intusschen, dat men
het met kleine joodsche koloniën kan probeeren.

Zangwill heeft nu zijn hoop weer op Mesopotamië gericht, en hij wil in
joodsche kringen geld trachten bijeen te krijgen voor de herstelling
van de oude besproeiingskanalen, die in vroeger tijden die streken
zoo vruchtbaar maakten.



TOEGANKELIJKHEID VAN DE RUÏNEN VAN ANGKOR.

Angkor met de beroemde ruïnen niet ver van de monding der Mekong
in het Zuiden van Achter-Indië zal een nog meer gezochte plaats voor
toeristen worden, nu de Messageries fluviales van Indo-China hun dienst
zóó hebben ingericht, als blijkt uit een brochure, in het Engelsch
en Fransch verschenen, en waarin die groote stoombootmaatschappij
belooft, de toeristen op Donderdag in Singapore aan boord te nemen
en ze den volgenden Donderdag weer in die haven aan wal te zetten,
nadat ze anderhalven dag bij de ruïnen van Angkor hebben kunnen
vertoeven. Neemt men acht dagen meer, dan kan men een heele week in
het prachtige woud van Angkor blijven, waar de oude bouwwerken zoo
talrijk zijn en waar de sportvrienden opgewacht worden door heerlijke
verrassingen op het stuk van jacht en vischvangst.

De maanden November en December zijn het gunstigst voor dit uitstapje,
maar men kan het ook nog best in Januari en Februari doen.



OP DEN UITKIJK.


RIT OVER DE DUITSCHE WADDEN.

Onze Wadden en Waddeneilanden in de Noordzee zetten zich naar het
Oosten voort ten noorden van Duitschland en vertoonen daar precies
dezelfde eigenaardigheden als bij ons. Zoo ligt er tusschen de
monden van de Elbe en die der Wezer een echt Waddengebied, dat dus
binnen het etmaal tweemaal van aanzien verandert. Bij vloed is het
zee en vormt een enkele oppervlakte met de Noordzee, terwijl het ten
tijde van de eb, als het ware, uit zee opstijgt en een vlakte vormt,
waar menschen en vee kunnen loopen en waar zelfs zwaar beladen wagens
kunnen rijden. Slechts enkele niet diepe plassen of tillen breken de
vlakte af, zoodat men zoo goed als droogvoets, aan beide zijden door
de woelige zee omringd, van de eene kust naar de andere kan komen.

Dit is het belangwekkende terrein, waar voor meer dan twee duizend
jaren bloeiende velden moeten hebben gelegen, waar de kustbewoners
hun kudden weidden, als nu nog meer landwaarts in, terwijl Helgoland
zoo dicht bij het vasteland lag, dat de herders aan beide zijden van
de straat zich elkander door teekens verstaanbaar konden maken. Maar
hevige stormvloeden hebben er land weggeslagen en de bekende Kimbrische
vloed moet in deze streken hebben plaats gehad en moet de kustbevolking
landwaarts in hebben gedrongen, waar ze weldra hun invallen waagden
in verschillende deelen van het Romeinsche Rijk.

Thans zijn de Wadden verlaten; een enkele visschersboot waagt er
zich, en driemaal in de week hobbelt de Waddenpost bij ebbe van
het hamburgsche stranddorp Duhnen naar het eiland Neuwerk, dat het
bescheiden overblijfsel is van een eenmaal bloeiend dorp, de eenige
oase in de woestenij van zout water, zand en slik. Een zonderling
voertuig, die Waddenpost! Daarvóór rijdt op een dik boerenpaard de
Waddenloods, gewoonlijk een kranige figuur, wien de zuidwester goed
staat bij het gebruinde gelaat en de lichtblauwe Friezenoogen. Dan
volgt de boerenwagen, die met geen veêren heeft kennis gemaakt en de
inzittenden flink dooreen schudt.

Bij afloopend water verlaat de post het strand; de raderen boren zich
diep in het hier nog weeke veen, dat nog niet door het zand is bedekt;
maar al gauw wordt de bodem vaster en het hotsen begint; de vooruit
rijdende loods volgt nauwkeurig den door struikjes aangegeven weg door
de Wadden en trouw rijdt de voerman in zijn spoor, want hij weet, dat
de minste afwijking groot gevaar meebrengt. Het drijfzand ligt vaak
vlak haast het stevige zand, en als een wagen daarin verzeild raakt,
zit hij vast en alle pogingen om eruit te komen, doen het voertuig
maar dieper zinken. Voorzichtigheid is dus de boodschap, en de leiders
zorgen dan ook goed; ook de paarden kennen de gevaarlijke plekken,
daar ze al vaak de Wadden in alle richtingen hebben afgereden. Men kan
zich daarom gerust aan de bekoring van den rit overgeven en genieten
van het prachtige rustige gezicht, dat de wijde, schitterende vlakte
oplevert. Achteruitziend bemerkt men het oude stranddorp met zijn
strooien daken en den lagen met strandhaver begroeiden dijk; vóór
sluit de vuurtoren van Neuwerk het panorama af.

De paarden stappen nu en dan bij een til door het zoute water, dat
het schuim den passagiers om de ooren spuit en de voeten worden nat
door het in den wagen stroomende water. Op den vasten grond ontmoet
men dan krabbenvisschers, mannen en vrouwen, beide geslachten in wijde
broeken, die tegen den vloed opwerken en de smakelijke Noordzeekrabben
inzamelen. Telkens werpen ze een net vol van hun glibberige, glanzige
springende en huppelende waar in de mand, die ze aan den arm dragen.

Eindelijk is Neuwerk bereikt! Het volledig ingedijkte, 330 H.A. groote
eiland heeft een overouden vuurtoren, waar de reizigers vroeger
gastvrij konden worden opgenomen; maar tegenwoordig ontvangt de wachter
de vreemden op de hoofdplaats. De oudste gedeelten van den zwaren toren
dateeren al uit de 13de eeuw; de latere gedeelten zijn uit de 14de
eeuw; de muren zijn zoo dik, dat in de vensternissen drie personen
naast elkaar kunnen zitten. Een wenteltrap voert naar het lichthuis
omhoog, waar men een heerlijk uitzicht geniet over land en zee. Men kan
er al de zandbanken zien liggen, die het binnenvaren van de Elbe zoo
gevaarlijk maken en bij helder weder kan men Helgoland onderscheiden.

Een geliefde wandeling over de Wadden is naar de baak, die de Noord-
of Verdonkeringsbaak heet, een zeventien meter hoog getimmerte,
dat midden in het water staat, maar ten tijde van de eb in tien
minuten droogvoets kan worden bereikt. Oude menschen vertellen u, dat
vroeger die plek aan den wal vastzat en dat het land in nauwelijks
twee menschenleeftijden is afgebrokkeld, een landverlies, dat in
de laatste jaren wordt tegengehouden of althans verlangzaamd door
doelmatige kustversterkingen, door den Hamburgschen staat met groote
kosten aangebracht.

Een tweede baak is de groote Scharhörn, die men eerst na anderhalf uur
rijdens bereikt. Het is een huisje, waartoe een uit zwart geteerde
eiken balken getimmerde trap toegang geeft, ver boven vloedpeil
gelegen en dus voor schipbreukelingen een veilige schuilplaats. Een
bundel stroo, wat scheepsbeschuit en eenige flesschen wijn vinden ze
daar steeds voorhanden. Dat huisje op het zand, rustend op geweldige
rotsblokken, is het overblijfsel van het eens zich ver in zee
uitstrekkend schiereiland, een brokje, dat de geweldige reus heeft
laten staan, toen het hem behaagde, dorpen en landerijen en weiden
te herscheppen in grijze, vlakke zandwoestijnen, waar geen leven meer
uit is te wekken.



AANWINSTEN IN ZAKE DE ETHNOGRAFIE VAN FLORES EN OMGEVING.

De officier van gezondheid G. A. J. van der Sande heeft van zijn
opnemingsreis aan boord van de »Soembawa« een en ander meegebracht
voor het rotterdamsch Museum voor land- en volkenkunde. Daaromtrent
lezen wij in de Nieuwe Rotterdamsche Courant, dat er ongeveer honderd
voorwerpen zijn, voor 't meerendeel afkomstig van de eilandgroep ten
zuiden van Celebes, in de Flores- en Savoe-zeeën. Van het eiland
Flores zelf is de grootste helft, en deze aanwinst is bijzonder
welkom, omdat het zoo lang geduurd heeft vóór het Museum iets van dit
interessante eiland machtig werd. Max Weber, Wichmann, Ten Kate, Van
den Broek, Vermast, Christoffel, Fokkens en nog anderen misschien,
hebben er gereisd en verzameld, maar alleen laatstgenoemde, van
Rotterdam geboortig, bedacht het Museum met drie slendangs, eenig
fraai vlechtwerk en een klewang van Flores.

Voorts bevat de verzameling een aantal voorwerpen van het kleine
eilandje Paloeweh, dat men ongeveer halfweg de noordkust van Flores
vindt; ook van Solor en van Adonare, beide ten oosten van Flores;
mede, aan den anderen kant, van Soemba en Soembawa; enkele voorwerpen
van Timor en van Borneo; en weder een tiental van de Toradja van
midden-Celebes.

Enkele stukken verdienen een afzonderlijke vermelding. Zoo de vlieger
om mede te visschen, afkomstig van Woerè op Adonare; de vischlijn
gaat uit 's visschers hand door een oog boven in den mast van zijn
schuitje, naar den vlieger, die een heel eind achter het vaartuig hoog
in de lucht staat en daalt vandaar naar de oppervlakte van het water;
aan dit eind is het aas bevestigd, dat huppelend over het watervlak
de visschen lokken moet. De vlieger draagt een langen staart, is
van palmblad gemaakt en heeft den vorm van een omgekeerd gothisch
boograam. Het prauwtje is door twee personen bemand, de een houdt de
lijn, de ander roeit en manoeuvreert.

Verder de vuurzaag en de vuurboor, die den strijd met de lucifers
niet opgegeven hebben; de eerste is afkomstig van de westelijke
helling van den berg Himandiri op oost-Flores en bestaat uit twee
stukken droge bamboe, die men dwars over elkander zaagt, totdat de
fijne bamboekrullen, die men in de nabijheid legt, ontbranden; in 20
seconden, schrijft de heer Van der Sande, die zich al deze dingen laat
vóórdoen, was het bamboeschrapsel ontstoken. De vuurboor is van Soemba
en bestaat uit twee stukjes, waarvan het eene ligt, en het andere
loodrecht daarop staat en tusschen de handen gedraaid wordt. Na een
paar minuten is het houtpoeder, dat bij de wrijvingsvlakken ligt
ontvlamd, en in dien tijd is de man, die draait, door een ander
afgelost en heeft hij dezen weer afgelost.

Vervolgens rood en zwart aardewerk als uit het landschap Rioeng, van
Donda en van Mausambi op de noordkust van Flores, eetschaaltjes en
ook waterkannetjes van afwijkend model; een kompleet weefgetouw met
gedeeltelijk voltooid smal doek van roode, witte en zwarte draden,
afkomstig van Lewalobo in Oost-Flores.

Dan oude geweren, vuursteen- en percussie-geweren, zooals zij tot
1908 bij de bergbevolking op de zuidkust van Oost-Flores in gebruik
waren; evenals een oud ruiterpistool zijn deze geweren van europeesch
maaksel, gevaarlijker voor den schutter dan voor het doel, verfraaid
met ingelegde koperen chineesche duiten en blauwe kralen; weefsels,
bijzondere oorsieraden, kralen (moeti tanah) van verschillende
kostbaarheid en een fraaie sirih-tasch van geïkat doek met koperen
montuur.

Te Makassar kwam de heer Van der Sande in het bezit van de broek
eens mannelijken Toradja's van Celebes, een door de vrouwen van
dit volk geweven kleedingstuk. De man vertoefde onder geleide
van den civiel-gezaghebber te Makassar, om aan den gouverneur te
worden voorgesteld; vermoedelijk is eerst na die voorstelling de
broek van eigenaar veranderd. Eveneens van de Toradja's zijn eenige
voorwerpen, die de heer Van der Sande ten geschenke kreeg van den
civiel gezaghebber van Larantoeka, den 1sten luitenant O. I. L. J. van
Bossche, o.a. geklopte boomschors en kleedingstukken, van deze stof
vervaardigd, en een klopper, waarmede zij soepel geslagen wordt.



EEN MONOLIET GERED ALS NATUURHISTORISCH MONUMENT.

Het centrale comité van het Helvetisch Genootschap voor
natuurwetenschap heeft op zijn adressen aan de gemeentelijke
autoriteiten van Monthey, een stadje in het Zuiden van het kanton
Wallis, succes gehad, en voor den prijs van dertig duizend francs
is de vereeniging in het bezit gekomen van een groot rotsblok,
een monoliet, welks volume op 1800 kubieke meters wordt geschat,
den Pierre de Marmettes.

Het is een zwerfblok dat deel uitmaakte van een morene, gevormd
door een gletscher van den Mont Blanc, die dwars neergleed naar den
Rhônegletscher in den tijd toen deze nog geheel Wallis overdekte. Door
den ijsstroom tot in de buurt van Monthey vervoerd niet ver van de
Rhône, bleef die morene liggen op een hoogte van ongeveer honderd
meter boven het dal. Ze vormde daar oorspronkelijk een reuzenrij van
granietblokken van meer dan drie kilometer lengte.

Tegenwoordig zijn verscheiden honderden van deze getuigen van het
ijstijdperk gevallen onder de slagen van steenhouwers, want het
graniet van den Mont Blanc, waaruit ze bestaan, wordt al meer gezocht
voor bouwwerken. Opdat onze nakomelingen kennis zouden kunnen nemen
van de grootsche natuurverschijnselen uit een ver verleden, zou het
jammer zijn zoo er nog meer verloren gingen van die steenkolossen. Er
zijn reeds een groot aantal blokken van meer dan duizend kubieke
meters vernield geworden. Onlangs werd ook de Pierre de Marmettes
bedreigd, doordat de eigenaar van een steengroeve hem kocht ter
exploitatie. Het bericht van dien koop lokte in geheel Zwitserland
protesten uit en riep een beweging in het leven tot behoud van den
grooten monoliet. Vandaar het optreden van de mannen der wetenschap
en de aankoop door het genootschap.



DE NAMIB.

Deze voor velen zeker onbekende naam komt toe aan een strook gronds in
Duitsch Zuidwest-Afrika, waar de vondst van diamanten leven en beweging
heeft gebracht. Het is een ongeveer honderd kilometer breede, bijna
waterlooze gordel tusschen de Oranjerivier en de Kunene, onmiddellijk
achter de kust. Die onvruchtbare steppe schijnt de menschen te
willen afschrikken van het binnenland. Maar tegenwoordig lokken de
glinsterende steentjes in het losse zand velen naar de wildernis,
waar vroeger alleen de schuwe Bosjesman zich soms ophield.

De Namib heeft haar afschrikkende eigenaardigheden. Hier en daar
kan men in het geheel geen overzicht van de streek krijgen, want de
eene rots schuift zich vóór de andere, en de kloven en hellingen zijn
bedekt met zandduinen, waartusschen zich de gebruikelijke ossenwagen
met ongelooflijke moeite een weg baant. Een niet eens bijzonder zwaar
geladen wagen moet in het achterland van de Lüderitzbaai soms met 42
ossen worden bespannen, om hem op sommige plaatsen vooruit te krijgen.

De Namib is een toevluchtsoord voor een zeer groote hoeveelheid wild
in groote kudden. De dichtste massa antilopen kruist dikwijls opeens
den weg van den reiziger; jakhalzen vertoonen zich niet zelden, en op
de rotsen wonen menigten bavianen, die als magere dorpshonden blaffen.



SHACKLETONTENTOONSTELLING.

De held van de Zuidpool, luitenant Shackleton, wiens reisverhaal,
door hemzelven verteld, wij vandaag in ons hoofdblad beginnen, heeft
in Londen een zeer belangwekkende tentoonstelling georganiseerd van
zijn poolschip met wat daarin en daarop herinnert aan den grooten
Zuidpooltocht van 1907 tot 1909. Het trouwe schip de »Nimrod« ligt
op dit oogenblik voor anker nabij de Waterloobrug op de Theems, en
de Zuidpoolexpositie, die aan boord te zien zou zijn, heeft zoo'n
groote uitbreiding gekregen, dat het schip alleen niet volstaat,
om al het bezienswaardige te toonen. Daarom is er een zaal aan den
vasten wal gehuurd voor het overige in het gebouw der Royal Colleges
of Physicians and Surgeons. De entreegelden der dubbele tentoonstelling
worden voor liefdadige doeleinden aangewend.

Er zijn te zien veel huishoudelijke voorwerpen, welke een rol
gespeeld hebben tijdens Shackleton's jongsten Zuidpooltocht, nevens
allerlei waardevolle geologische en zoölogische merkwaardigheden,
en verschillende uitrustingsartikelen, gelijk sleden, kleedingen,
en zoo al meer. Een waar Zuidpool-museum.

Een der meest belangwekkende uitstallingen is de pers met toebehooren,
vormen, waarop de Aurora Australis, het orgaan van Shackleton's
expeditie, gedrukt werd. Er zijn exemplaren van dat orgaan daar te
zien, waartoe de voornaamste deelnemers aan Shackleton's Zuidpooltocht
bijdragen leverden.

Vlaggen, kaarten en fotografieën van Zuidpoollandschappen sieren de
wanden der tentoonstellingszalen. De fotografieën hebben al dienst
gedaan voor een bioskoop in het Alhambra, waar ze avond aan avond
vertoond werden en veel belangstelling wekten.



MAATSCHAPPIJ VAN WELDADIGHEID.

Deze Maatschappij vierde in het midden van de vorige maand een
belangrijken gedenkdag. Het was namelijk op 15 September juist vijftig
jaar geleden, dat de betrekkingen tusschen de maatschappij en de
regeering, sedert 1822 bestaande, tot een einde werden gebracht, en
de maatschappij weer als vóór 1822 geheel vrij en zelfstandig kwam te
staan. De regeering nam de bedelaarskoloniën Veenhuizen en Ommerschans
als rijks straf- en bedelaarsgestichten in eigen beheer over, terwijl
de maatschappij de vrije stichtingen Frederiksoord, Wilhelminaoord,
Willemsoord en Boschoord onder zich behield. Tegelijkertijd onderging
de maatschappij een algeheele reorganisatie. De oude commissarissen
traden af, en werden door andere vervangen; een directeur, verplicht
te Frederiksoord te wonen, kwam aan het hoofd. Inwendig werkte deze
hervorming in de maatschappij goed. Doch ook buiten haar kring won
zij erdoor aan sympathie. Het beroep, een vijftal jaren later op den
weldadigheidszin der burgers gedaan, wees uit hoezeer de maatschappij
in aanzien gestegen was. De vorstelijke giften van Prinses Marianne
mogen hierbij nog wel eens in herinnering worden gebracht.

Na de »echtscheiding« tusschen maatschappij en staat tot stand
gebracht, heeft de maatschappij vijf directeuren gehad. Als eerste
directeur trad op de heer C. J. M. Jongkindt Coninck (1859-1876);
daarna de heeren F. B. Löhnis (1876-1892), H. A. Hanken (1892-1894),
Job van den Have (1894-1905) en sedert 1905 de heer G. van Leusen. Dank
zij hun beheer is de maatschappij sinds 1859 weer zeer in bloei
toegenomen.



NIEUWE HUT OP DEN DENT BLANCHE.

Professor van Leersum heeft in het midden van de vorige maand onze
Nederlandsche Alpenvereeniging vertegenwoordigd bij een plechtigheid
in het Zuiden van Wallis, waar een nieuwe hut werd ingewijd, die
den bestijgers van den prachtigen, maar moeilijken Dent Blanche
in den nacht kan herbergen. De 4300 M. hooge top vergt veel van de
Alpinisten en de Schweizer Alpenclub heeft zich door den bouw der
fraaie en geriefelijke hut nieuwe lauweren verworven. De nederlandsche
afgevaardigde schrijft aan de N. R. C. over de feestelijkheid van
Zondag 12 September: »Reeds Zaterdagavond hadden de deelnemers
gelegenheid gehad om met elkaar kennis te maken in de groote
zaal van hotel Mont-Cervin. Aanwezig waren een 20tal leden van de
sectie Monte-Rosa; 2 leden van het hoofdbestuur van de Schweizer
Alpenclub, en de heer Finch als afgevaardigde van de Academ. Alpenclub
Zürich. De Engelsche Alpine Club werd door niemand minder dan Whymper
vertegenwoordigd. Toen de beroemde eerste bestijger van den Matterhorn
de zaal binnentrad heerschte er plotseling een doodsche stilte, want
hier in Zermatt, waar zich alles om den Matterhorn beweegt, waar
men bijna over niet anders spreekt, dan over dezen geweldigen berg,
over haar bestijging en over het ontzettende ongeluk, dat daarbij
heeft plaats gevonden, is Whymper de groote man. Whymper wordt overal
nagekeken met bewonderenden blik, Whymper wordt overal gefotografeerd,
Whymper's boeken worden gekocht en gelezen... en hijzelf een 70-jarige
energiek uitziende man blijft onder dit alles onverstoorbaar.

Zondagmorgen om 7 uur werd de tocht naar de Elberfelder Hütte door
een dertigtal personen aanvaard. De wandeling van 3½ uur langs
Staffelalp en den grooten Z'Mutt-gletscher, aan den voet van den
geweldigen Matterhorn gelegen, was een waar genot. Hoe hooger wij
klommen, des te grootscher werd de omgeving. Monte Rosa, Lyskamm,
Rimpfischhorn en Breithorn vertoonden meer en meer hun met ijs en
sneeuw bedekte wanden, maar toch was het steeds weer de Matterhorn,
die het oog tot zich trok. En aan zijn voet wandelde met langzamen
veerkrachtigen pas de 70-jarige Whymper omhoog, zoo nu en dan opkijkend
naar den reus, dien hij thans 44 jaren geleden voor het eerst besteeg
na acht vruchtelooze pogingen. Vlak bij de hut hield hij mij staande
en wees naar boven, naar een kleinen zwarten rotsband, vlak onder
den top gelegen: »Daar«, zeide hij, »daar gleed Hadow's voet uit en
vlogen mijn tochtgenooten omlaag naar den gletscher, die daar vlak
voor ons ligt. Een val van 4000 voet!« Toen zette hij zwijgend den
tocht voort en bereikte om half elf de nieuwe hut.

Dr. Seiler, de bekende hôtel-eigenaar, had een zijner koks naar dit
hooggelegen punt gezonden, waar deze een waarlijk uitstekend diner
had samengesteld. De hut is geheel van hout opgetrokken en bezit geen
enkele uitstekende punt, waar de felle stormwind weerstand zou kunnen
vinden. Zelfs de hoeken zijn alle rond gemaakt.

Dr. Seiler nam tegen het einde van den maaltijd het woord en begroette
allereerst de officiëele gasten, om daarna in welgekozen bewoordingen
dank te zeggen aan de heeren Reimann en Gebhard, die de aanzienlijke
som geld geschonken hadden, welke voor den bouw van deze hut noodig
was. Daarna werd het woord gevoerd door den heer De Weck, lid van het
Comité-Central v. d. S. A. C., die in het bijzonder den heer Whymper
herdacht, terwijl hij zéér waardeerende woorden sprak tegenover de
N. A. V., die zich had laten vertegenwoordigen. Hij eindigde met een
dronk op de S. A. C. en de sectie Monte Rosa.

Dr. Seiler, de president van de »Section Monte Rosa«, was zoo
welwillend mij in de gelegenheid te stellen namens de N. A. V.,
oprechten dank te betuigen voor de waarlijk meer dan hoffelijke
ontvangst, die mij ten deel was gevallen.

Ten slotte sprak prof. Gérard, hoofdbestuurslid v. d. S. A. C.,
een schitterende rede uit. Ook hij sprak over Whymper, vertelde hoe
het de Engelschen waren geweest, die dat land als het ware veroverd
hadden, en hoe thans uit alle landen de vreemdelingen toestroomen,
om verpoozing en herstel van gezondheid te zoeken in de heerlijke
berglucht. De S. A. C., zoo sprak hij, stelde het op hoogen prijs,
dat ook het lage land aan de zee hier vertegenwoordigd was; een
zeldzaam en daarom des te meer te waardeeren feit.

Daarna besprak hij de geschiedenis van Nederland; hoe het ontstaan
was, hoe de inwoners het als het ware aan de zee hadden onttrokken,
de oorlogen van Holland ter zee en te land, Holland als koloniale
mogendheid en ten slotte, hoe ook bij dat volk de liefde voor de
bergen, de liefde voor het Alpinisme is ontstaan, het Alpinisme,
dat méér is dan een sport. En zoo gebeurde het, dat Zondag te midden
van het hooggebergte luide bijval werd betoond met de woorden, door
dezen eminenten geleerde gesproken, dat een hoera weerklonk op het
Alpinisme, op de Engelsche pioniers van het hooggebergte, op... de
lage landen aan de zee.

De Nederlandsche Alpen-vereeniging was tot heden nog nimmer bij
een dergelijk feest vertegenwoordigd geweest en men heeft dan
ook op ondubbelzinnige wijze blijk gegeven, dat men dit feit heeft
gewaardeerd, te meer nog daar het zelden voorkomt, dat buitenlandsche
Alpen-vereenigingen een afgevaardigde zenden.

's Avonds schonk de heer Whymper mij een afbeelding van den Matterhorn,
waarop hij schreef: Edward Whymper, 14 July 1865-Sept. 1909, en
beloofde mij zijn portret ten behoeve van de »Mededeelingen N. A. V.««



OP DEN UITKIJK.


PEARY'S GEZELLINNEN.

Er zullen weinig poolreizigers zijn, die zich zoozeer in de arctische
wereld thuis gevoelen als kapitein Robert E. Peary. Zijn zesde poolreis
heeft hem vier jaren lang in de wereld van sneeuw en ijs en stormen
en ontberingen vastgehouden; hij had op een groot deel van dien tocht
vrouw en dochter bij zich. Mary Peary is in het hooge Noorden op een
vroegere reis van haren vader geboren in Noord-Groenland, misschien
het eenige menschelijke wezen, dat op zoo hooge breedte ter wereld
kwam. Op zijn zesde Poolreis had Peary 87.6° N.B. bereikt. Zijn
rustelooze energie bewerkte, dat de Peary Arctic Club in New-York
hem opnieuw de middelen verstrekte voor een expeditie en het schip
»Roosevelt« te zijner beschikking stelde, waarmee hij 6 Juli 1908
New-York verliet. Bij Etah voegden zich bij de bemanning van 15 koppen,
die zijn schip had, 25 Eskimo's en 250 honden voor de tochten, te
ondernemen, als het schip zou moeten worden verlaten.

Den 18den Augustus 1908 verliet Peary Etah, waar hij bepaald had,
dat indien in den zomer van 1909 niets van hem was vernomen, een
reddingsexpeditie met levensmiddelen hem zou worden nagezonden. Dat is
gebeurd. De »Jeannie«, een Noordpoolvaarder uit Newfoundland, is hem
gaan zoeken en trof den held van de ontdekte Noordpool in Etah. Den
7den Sept. telegrafeerde Peary uit St. Johns op Newfoundland, dat
hij op 6 April de Noordpool had bereikt. Die triomf is in twijfel
getrokken, zooals onze lezers weten. Mevrouw Peary woont in Maine
op het buitengoed, waarheen nu Peary zich ook heeft begeven. Zij
is 21 jaar getrouwd en heeft slechts weinige zomers met haar man te
zamen doorleefd.



ZIJDETEELT EN RIJSTBOUW OP MADAGASCAR.

Er worden op Madagascar intelligente pogingen in het werk gesteld,
om het groote eiland aan uitvoerartikelen te helpen, die er welvaart
kunnen brengen aan kolonisten en inlanders. Tot nu toe heeft de
buitenlandsche handel zich hoofdzakelijk beziggehouden met de
natuurlijke producten goud, caoutchouc en raphia. Maar al is het
gelukkig, dat de kolonisten dergelijke voortbrengselen vinden ter
exploitatie, de meeste hebben geen bestendig karakter, en de toekomst
van een land kan niet zijn gegrondvest en verzekerd dan door producten,
die telkens weer door arbeid zijn te vermeerderen, dat is in de eerste
plaats door den landbouw. Aan landbouwproducten, die kunnen worden
uitgevoerd, denkt dus de Koloniale Dienst in de voornaamste plaats,
als hij Madagascars belang op het oog heeft.

Er is goede moed voor Madagascar bij het ministerie in Frankrijk. Men
weet, hoe ontmoedigend de indruk is, dien de kale, roode grond in veel
districten maakt, waar slechts mager en hard gras groeit en waar voor
het kweeken van voedingsmiddelen geen plaats schijnt te zijn. Maar
een ambtenaar van het boschwezen, de heer Perrier de la Bathie zegt,
dat zijn tienjarig onderzoek hem tot het besluit heeft gebracht,
dat het midden van het eiland oorspronkelijk met bosschen bedekt is
geweest en dat de boschbranden, die zooveel nadeel hebben gedaan
in West-Afrika, ook hier de schuldigen zijn, zoodat de grond niet
uit zijn aard steriel is, zooals velen meenen, maar bij doelmatige
behandeling productief kan worden gemaakt.

Het woud van Analamahitso, dat thans nog twintig duizend hectaren
groot is, moet een rest zijn uit het woudrijk verleden, en door
zijn bestaan alleen toont het aan, dat er uitstekend boomen kunnen
groeien op gronden, in alles gelijkend op die van Imerina. Er zijn
ook elders nog bosschen, die men kon bewaren en waar het branden kon
worden verboden, zoodat belangrijke hoeveelheden caoutchoucleverende
lianen gespaard konden worden. Als men wilde, zegt de heer de la
Bathie, zouden allerlei goede houtsoorten voor herbossching kunnen
worden gebezigd en de mensch zou kunnen herstellen, wat hij door
onvoorzichtigheid heeft bedorven.

De gouverneur generaal heeft aan de verschillende administrateurs
orders in dezen geest gegeven. Ze moeten naar middelen zoeken, om de
cultuur van rijst op natte rijstvelden aan te moedigen en die van
bergrijst tegen te gaan, want voor die laatste worden de bosschen
gerooid. Ook de boschbranden moeten krachtig worden bestreden en de
dienst van het boschwezen is daarvoor in verschillende districten
versterkt.

Als dan het midden van het eiland zich zou willen toeleggen op
zijdeteelt, op rijstcultuur en veeteelt, zou het blijken, dat hiermee
winstgevende takken van bedrijf ter hand waren genomen. Het Bulletin
Economique van Madagascar over de eerste helft van 1909 wijst op die
bronnen van welvaart. Het doet, wat de veeteelt betreft, een beroep
op de ondernemingsgeest van het volk, opdat dit evenals La Plata en
Australië hebben gedaan, zich wende tot den grooten vleeschconsument
van de aarde, Europa. Daar kan men altijd op afzet van de goede
producten rekenen, als handel en vervoer energiek ter hand worden
genomen, wat best aan particulieren kan worden overgelaten.

Met de zijdeteelt is het iets anders; de regeering reikt de helpende
hand, waar moerbeiboomen voor dat doel worden aangeplant en heeft een
station voor de zijdecultuur opgericht, waar uitgezocht zaad te krijgen
is. Dat station van Nanisana zal binnen een paar jaren een millioen
pakjes zaad jaarlijks kunnen leveren van de beste moerbeiboomen. Het
district Ambohidratrimo wordt in het Bulletin genoemd als dat, waar
de moerbeiteelt het meest ontwikkeld is. De teelt der zijdewormen
gaat daar steeds vooruit.

Wat den rijstbouw aangaat, die oude inlandsche cultuur moet worden
opgeheven en verbeterd. En men is daar met succes aan bezig. Het
eiland, dat vroeger rijst invoerde, begint er thans reeds uit te
voeren. In 1908 is er voor 817.000 francs uitgevoerd, een begin nog
maar, doch de opbrengst, zelfs op zoo arme gronden als van Imerina,
doet het beste hopen voor de toekomst. De inboorlingen zijn geneigd,
hun rijstbouw uit te breiden, wat ze overal doen, waar afzet mogelijk
is. De regeering tracht voor de malgassische rijst een plaats te
veroveren op de markten van den Indischen Oceaan. Maar daarvoor moet er
geregelde aanvoer zijn en van rijst van goede qualiteit. Daarom steunt
het bestuur den aanleg van besproeiingswerken, die den oogst minder
afhankelijk moeten maken van atmosferische toestanden en daarom ook
heeft de Koloniale Dienst uit de tweehonderd variëteiten van rijst,
die op Madagascar groeien, de vier beste laten uitzoeken en beijvert
zich, om die algemeen te doen aankweeken.

Een ander middel, om den rijstbouw tegemoet te komen, is de verbetering
van de verkeersmiddelen; rijst is een zwaar handelsartikel, en
in de opbrengst speelt de prijs van het vervoer een groote rol. De
opening van de spoorlijn heeft te dien opzichte haar invloed voelbaar
gemaakt. Al in het eerste jaar waren de met rijst bebouwde velden
rondom Tananarive met duizend hectaren uitgebreid, maar, helaas,
bereikt de spoorweg nog niet de haven Tamatave, en door het overladen
worden de kosten met niet minder dan 15 francs per ton verhoogd. Men
hoopt op Madagascar, dat het ministerie van koloniën spoedig de
voorstellen van den gouverneur generaal ter voltooiing van den spoorweg
tot uitvoering zal doen komen.



DE NIEUWE CANADASPOORWEG EN DE STAD PRINCE RUPERT.

In Canada is men bezig aan het bouwen van de spoorlijn, die in
Winnipeg een zijtak vormt van het oost-canadeesche spoorwegnet. Het
is de Grand Trunk Pacific Railway, die later de snelste verbinding
tusschen het Oosten van Noord-Amerika en Oost-Azië zal zijn. De
lengte van de lijn van Winnipeg tot de Stille Zuidzee zal 2800
kilometer bedragen; voorloopig is de lijn al gereed en in functie
van Winnipeg tot Wainwright in Alberta, dat is over een lengte van
1070 kilometer. Den Oceaan hoopt men te bereiken in 1911, en wel
bij de Chathamsont, twintig kilometer ten noorden van Skeena. Hier
heeft nu de regeering van Britsch Columbië reeds alles voorbereid
voor de stichting van een havenstad, die den naam van Prince Rupert
zal dragen. Het stedelijk gebied omvat 1080 hectaren, maar vooreerst
zullen slechts 90 hectaren voor bebouwing worden opengesteld. Het plan
voor den aanleg der straten is reeds aangenomen, en met de schoonheid
is rekening gehouden, want boulevards zullen op de hellingen der
bergen, die de stad omsluiten, worden aangelegd, van waar men het
uitzicht heeft op het eilandenrijke, ingesneden kustland. De haven is
door bergen en eilanden goed beschut, zeer diep en vrij van riffen;
de toegang is op de smalste plaats ongeveer 700 meter breed en bij
ebbe elf meter diep.

Met den aanleg van de groote kaden is men reeds een heel eind
gevorderd, en men belooft aan de nieuwe stad een groote toekomst. Zij
zal met succes een concurrente van San Francisco worden en stellig
in niets behoeven onder te doen voor Seattle, Victoria, Vancouver
en andere pacifische havens. Voor haar ontwikkeling komen verder
in aanmerking de zalmvangst in de Skeenarivier, de walvischvangst,
houtindustrie en bergbouw, die een groote uitbreiding kunnen erlangen.



DE JAPANNERS OP HAWAÏ.

Het geboortecijfer van de Amerikanen op Hawaï is klein; daarentegen dat
der Japanners zeer groot, een feit, dat aan de regeering te Washington
zorgen baart. Aan de 4593 geboorten van het jaar Juni 1907 tot Juni
1908 hadden de inlandsche Kanaken deel voor 674, de Amerikanen voor
een aantal van 126 nieuwe medeburgers, en de Japanners leverden 2445,
terwijl dan nog de Chineezen met 388 geboorten vertegenwoordigd waren.

Nog in 1905 bedroeg het aantal Japanners 61000, maar door de snelle
stijging in de laatste jaren wordt het nu reeds op honderd duizend
geschat. Nu zijn wel de op de Hawaï-eilanden geboren Japanners volgens
de wet amerikaansche burgers, maar dat is meer een voordeel voor hen
dan voor de republiek Amerika.

Aan Japan schrijft men, naar bekend is, plannen toe voor de verovering
van de amerikaansche bezittingen in den Stillen Oceaan, van de
Philippijnen en Hawaï, en men meent, dat bij een oorlog tusschen
de Vereenigde Staten en Japan die beide eilandengroepen voor een
zegevierend Japan de prijs zouden zijn. Als de zaken zóó staan, vormen
de vele Japanners op Hawaï een gevaar voor de Unie. De gele rassen
assimileeren zich weinig, en de Japanners van thans met hun sterk
nationaliteitsgevoel doen dat wel het allerminst. Ook de op Hawaï
geboren Japanners, ofschoon uiterlijk tot Amerikanen gestempeld,
zullen dat gevoel toonen te kennen, dat op een kritiek oogenblik
waarschijnlijk hun handelingen zal besturen.



PALMENSTAD.

Sir Harry Johnston, de reislustige Engelschman, ontdekker van den okapi
in Midden-Afrika, een tijdlang gouverneur van Britsch Oost-Afrika,
groot jager en natuurvriend, heeft dezer dagen een rede gehouden in
een vergadering van de Royal Geographical Society, waarin hij het
had over de schilderachtigste stad, die hij ter wereld kende. Dat
was Havana, de hoofdstad van Cuba.

Reeds het binnenvaren in de nauwe haven met de forten aan weerszijden
werkt imponeerend en het heele voorkomen der stad is grootsch en
mooi. Het karakter wordt vooral uitgedrukt door de vele palmen van
allerlei soort, waaronder de koningspalm, Oreodoxa Regia, vooraan
staat. Elke stad op het mooie eiland Cuba bezit een palmenlaan, en
heele wouden van slanke waaierpalmen verfraaien het landschap van Cuba.

De berghellingen dragen prachtige tropische wouden, waar waardevol hout
groeit, o.a. de cubasche mahoniehoutboom. Ook de cactussen in hooge,
rijke vormen kenmerken hier en daar het land. De Engelschman noemt
Cuba wonderlijk schoon, als het leven er maar niet zoo afgrijselijk
duur was!

Haïti, waar de reiziger zich later heen begaf en dat eveneens veel
natuurschoon heeft van een liefelijk karakter, was onvergelijkelijk
veel goedkooper dan Cuba. Sir Johnston wees erop, dat dit eiland,
waar de beide republieken Haïti en San Domingo op liggen, nog altijd
geen eigen naam heeft, voor beide republieken geldend. Hij doet
het voorstel, daar Hispaniola voor te kiezen, een naam, dien reeds
Columbus aan het eiland had gegeven.



VOLWASSENEN EN KINDEREN.

Het is inderdaad verrassend te bedenken, welk een trapsgewijze
ontwikkeling kinderen jaren lang moeten doorloopen, om eindelijk die
domheden te kunnen begaan, die alleen een volwassene kan uithalen.



VEERTIEN DAGEN TE BERLIJN.

Bij de uitgevers W. L. en J. Brusse verschijnen in den laatsten tijd
kleine reisgidsjes van vijftig centen, die den toerist aardig op weg
kunnen helpen en in hun prettig, klein formaat en den opgewekten stijl,
waarin ze zijn geschreven, tot koopen en lezen uitlokken.

No. 1 van de serie is van de hand van den heer G. van Lissa, die de
fictie heeft te hulp geroepen van een oom en tante, die met zoon en
dochter een paar weken te Berlijn willen doorbrengen en van zijn
bekendheid met de hoofdstad van het Duitsche rijk gebruik maken,
om hun neef als goeden en aangenamen gids uit te noodigen, hen
te vergezellen. De manier van vertellen is door die voorstelling
ongedwongen en los en blijft dat ook, al glimlacht men soms even,
zooals toen al op een der eerste avonden tante en nichtje wel dadelijk
naar de Friedrichsen Leipzigerstrasse wilden gaan naar het drukke
avondgewoel, maar oom en neef thuis wilden blijven in het hotel.

»Ik zou dan nog wat kunnen vertellen van de geschiedenis van Berlijn,
eigenaardigheden der Berlijners, kortom zoo'n beetje college geven in
de noodige voorbereidingswetenschap. Aldus werd besloten en na het
avondeten tegen negen uur begon ik mijn kennis te luchten. Berlijn,
met de voorsteden bijna drie millioen zielen tellende, zonder de
voorsteden rond twee millioen, ligt in het dal van de Spree, noordelijk
en zuidelijk begrensd door kleine heuvels. De Spree, die zich in het
midden van de stad in twee armen splitst, stroomt van het zuidoosten
naar het noordwesten. Door de uitstekende bevaarbaarheid.... enz.,
enz."

Dit nu lijkt niet de rechte manier voor een gidsje, dat nog iets anders
wil zijn dan een Baedeker, maar deze manier komt ook maar sporadisch
in het boekje voor, dat alleraardigst vertelt van Unter den Linden en
van het Waarenhaus van Wertheim, ook van wat de Berlijners spottend
en typisch noemen "Fress-Wertheim", de grootste eetinrichting van
Berlijn en waarschijnlijk van de wereld, "Rheingold", met zijn negen
of tien zalen, waar voor 4000 menschen plaats moet wezen.

Van de musea vallen alleen die voor kunst onder de aandacht
van den geleider; de verzamelingen op historisch, ethnologisch,
oudheidkundig en natuurwetenschappelijk gebied zullen denkelijk oom
en tante niet interesseeren, maar neef en nicht, die toch mogelijk
een burgerschoolopleiding hebben gehad of genoeg kinderen van hun
tijd zijn, om het napraten over kunst verouderd te noemen en er
liefhebberijen op na te houden, die hun kijkjes gunnen in hoekjes
van geschiedenis of natuurwetenschap, hadden het misschien wel wat
anders gewenscht.

Gezellig vertelt de auteur over het uitgaande leven der Berlijners,
hoe het altijd zoo laat wordt ook voor den eerzamen burger, die er
met vrouw en dochters op uit trekt, maar hoe de goede trein-, tram-
en omnibusverbindingen voor een gemakkelijke thuisreis zorgen tot in
het holle van den nacht.

»Gaat de Berlijner naar opera, komedie, café-chantant, dan brengt
de indeeling van zijn maaltijden mee, dat hij na afloop in een
restaurant het avondeten neemt, zoo tegen elf uur dus. Daarvan kan
een vreemdeling zich overtuigen, die om dien tijd een bezoek brengt
aan de bekende wijnrestaurants Traube, Kempinsky, Kaiser-Keller, of
in Rheingold, het allernieuwste, een inrichting, overdonderend door
licht en grootte. En waar het nu eenmaal gezellig is, prettig druk,
het eten en de wijn goed zijn, het strijkje, dat bij Rheingold uit
veertig personen bestaat, maar even opgewekte wijzen speelt, de laatste
tram nog lang niet gaat.... daar is het in een ommezien twee uur. En
wordt het voor een enkelen keer nog later.... de portier wenkt den
koetsier of den chauffeur op den hoek, en men komt toch gemakkelijk
thuis. Zoo is het in de familierestauraties, waar een dochter haar
moeder kan binnenleiden."



TALENKENNIS.

Als iemand zich in veel talen geborneerd kan uitdrukken, dan wordt
hij tot de zeer beschaafden gerekend.



GEVRAAGD EN AANGEBODEN WERK.

Als men u vraagt om uw werk, dan is het goed, ook als het slecht is;
biedt ge het echter aan, dan is het slecht, ook al is het goed.



OP DEN UITKIJK.


EEN HALVE EEUW NA KARL RITTER'S DOOD.

In Mei 1859 was Alexander von Humboldt gestorven, en er was nog geen
half jaar na zijn dood verstreken, of het duitsche volk betreurde weer
een zijner zonen, werkend in von Humboldt's richting; het stond aan de
baar van Karl Ritter. Op den 28sten September was de geniale stichter
van de wetenschappelijke aardrijkskunde na een lijden van vele weken
in zijn tachtigste jaar gestorven. Bij zijn dood was Ritter al een
wereldberoemd man; maar ook nog thans, na een halve eeuw, wordt hij
algemeen gewaardeerd en wat hij voor de wetenschap der aardrijkskunde
heeft gedaan, is waarlijk niet vergeten.

Met hem begint een nieuwe aera van beoefening der wetenschappelijke
aardrijkskunde. Toen hij in 1804 uitgaf zijn groot werk »Europa«
bleek reeds duidelijk, dat hij gebroken had met de meening, dat
er geen andere aardrijkskunde bestond dan de staatkundige, en in de
voorrede tot het veelgelezen werk zegt hij, dat het zijn doel was, den
lezer een voorstelling te geven van het gansche land, van de natuur-
en de kunstproducten en van het leven, dat de menschen er leiden en
bij ieder land dat zoo te doen, dat er een samenhangend geheel voor
den lezer verrijst.

Hij wou geschiedenis en aardrijkskunde tot onafscheidelijke gezellinnen
maken, en aantoonen, hoe de aarde en haar bewoners tot elkander in het
nauwste verband staan. Het kwam hem voor, dat men tot dien tijd den
gewichtigen invloed van de natuurlijke gesteldheid van een land had
onderschat. Zooals de chronologie de grondslag der geschiedenis is,
zonder welke alle feiten verward zijn, zoo was voor hem de physische
gesteldheid de basis der geografie, het skelet, door al het andere
als door vet en spieren omgeven.

Natuurlijk vond de door hem ingevoerde nieuwigheid aanvankelijk veel
tegenstand, vooral van de zijde der erkende geografen in Weimar, die
leden waren van het Geografisches Institut. Maar Ritter bleef zijn
richting propageeren, en in 1817 verscheen zijn standaardwerk »Die
Erdkunde im Verhältniss zur Natur und zur Geschichte des Menschen, oder
allgemeine vergleichende Geographie als sichere Grundlage des Studiums
und Unterrichts in physikalischen und historischen Wissenschaften«. In
dat boek heeft Ritter zijn hervormingswerk tot volle ontplooiing
gebracht. De geweldige stof heeft hij vermeesterd en tot een levend
geheel gemaakt, dat zich zijn plaats waardig toonde onder de andere
wetenschappen en meer dan de meeste andere van beteekenis was voor
het practische leven.

Er zijn in het geheel negentien deelen van het werk verschenen,
maar het is toch onvoltooid gebleven, zoo als bij den grootschen
opzet wel te verwachten was. De kleinere geschriften van Ritter, van
groote scherpzinnigheid en geleerdheid getuigend, en de na zijn dood
uitgegeven redevoeringen hebben zijn roem niet weinig vergroot. Het
was geen veelbewogen leven, dat hij in 1859 afsloot. Geboren in 1779
als zoon van een dokter in Quedlinburg, werd hij al op zesjarigen
leeftijd geplaatst op de opvoedingsinrichting Schnepfenthal, de
beroemde instelling, die in dit jaar haar 125 jarig bestaan heeft
gevierd. Een natuurlijke levenswijze en verruiming van den geest in de
richting, als door Rousseau in zijn »Emile« was gepredikt, lagen ten
grondslag aan het in Schnepfenthal gegeven onderwijs en de opvoeding,
die men er voorstond.

In de school was aardrijkskunde al gauw zijn lievelingsvak, en toen
hij later naar de academie te Halle ging, interesseerden hem naast
paedagogische onderwerpen en de statistiek niets zoozeer dan wat met
aardrijkskunde in verband stond. Hij nam zich toen reeds voor, van dat
vak zijn levensdoel te maken. Van Halle ging hij naar Frankfort aan
de Main, waar hij een reeks van jaren gouverneur was in een voornaam
gezin, en daarna werkte hij in Göttingen, waar hij de schatten der
daar aanwezige bibliotheek voor zijn aardrijkskundig werk exploreerde.

In 1819 kreeg hij een betrekking als buitengewoon hoogleeraar
in geschiedenis en aardrijkskunde aan het gymnasium in Weimar,
om vrij spoedig de promotie te maken tot een professoraat aan de
Berlijnsche universiteit. Daar heeft hij bijna veertig jaren gewerkt,
en in zijn voordrachten gaf hij nieuwe vormen aan de geografische
wetenschap. Duizenden hebben als toehoorders en leerlingen hem gevolgd
en kwamen onder den indruk, welk een uitstekend redenaar en leeraar
hij was.

Op het kerkhof bij de Mariakerk aan de Prenzlauer Allee te Berlijn werd
hij naast zijn hem voorafgegane vrouw begraven. Zijn aandenken is hoog
in eere gehouden. De Aardrijkskundige Genootschappen in Berlijn en
Leipzig stichtten Karl-Ritterbeurzen met het doel, de aardrijkskunde
te bevorderen door ondersteuning van reizen en van wetenschappelijk
werk. Buitendien richtte zijn geboortestad Quedlinburg voor haar
grooten zoon een gedenkteeken op in 1865; maar het beste gedenkteeken
heeft hij zichzelven gesticht in zijn richting, die vooruitstuwend
heeft gewerkt op een wetenschap, waarvan de evolutie nog in lange
jaren niet zal zijn voltooid.



DE WANDADEN DER TIJGERS IN HINDOSTAN.

Gedurende de eerste vier jaren van de twintigste eeuw hebben de
tijgers in Voor-Indië niet minder dan vier duizend menschelijke
wezens verslonden. Men vraagt zich af, hoe Engeland, dat er zich op
verhoovaardigt, aan de andere volken het voorbeeld te geven in zake
den vooruitgang, dat elk jaar weer nieuwe verbeteringen invoert in
de wapens, waarvan de jagers op groot wild gebruik maken, dat bij
uitnemendheid het land is van de sportmenschen, hoe Engeland er niet
in is geslaagd, om zijn onderdanen in Voor-Indië te bevrijden van een
verscheurend dier, dat Hindostan ieder jaar een schatting oplegt van
duizend menschenlevens en van twintig duizend stuks vee.

De »Modern Review« van Calcutta zegt, dat het tijd wordt, om voor
geen middel terug te deinzen, ten einde een roofdier uit te roeien,
dat zooveel schade aanricht. Nooit was een oorlog op leven en dood
tegen een diersoort gewettigder dan deze, als de tijger maar niet zoo
sterk was en zoo slim, zoodat hij in den levensstrijd goed gewapend is.

In het Zuiden van Indië zijn tijgers van vier meter lengte geen
zeldzaamheid en geloofwaardige getuigen verhalen, dat zoo'n dier met
een vrij zware prooi in den bek met gemak over een twee meter hooge
haag springt. En als zijn kracht en vlugheid hem nog niet genoeg
beschermden, zou het dier in de jungles, het dichte struikgewas van
Bengalen, overal een schuilplaats vinden. Ook in de provinciën van
het midden zijn gedeelten, waar de stoutmoedigste jager niet kan
doordringen. Op meer dan één plek van het schiereiland, zou men,
wilde men de wilde dieren uitroeien, eerst het land moeten zuiveren
van allen plantengroei. Maar het ontginnen van die reuzenterreinen,
waarvan de verscheurende dieren bezit hebben genomen, zou nog niet
voldoende wezen, om den tijger het lot te doen ondergaan, dat de wolf
heeft ondergaan bij voorbeeld in Engeland.

Een uitroeiingsarbeid, die met een goeden uitslag is verricht in een
matig uitgestrekt land, waar alle inwoners eenstemmig waren in den
wensch het gevaarlijke dier te vervolgen, ontmoet bijna onoverkomelijke
bezwaren over een onmetelijk terrein, waar de veroordeelde ook nog hier
en daar kan rekenen op de onuitgesproken sympathie der bevolking. En
dat is het geval met de tijgers uit Indië. De bengaalsche boer is
er niet rouwig om, dat het groote roofdier een onweersprekelijken
dienst bewijst aan den landbouw door het uitroeien van wilde zwijnen en
herten. Het is waar, dat de helper zich soms verschrikkelijk duur voor
zijn goede diensten laat betalen, want vroeg of spa komt er een tijd,
dat de tijger in plaats van zich uitsluitend met groot wild te voeden,
dat den oogst vernielt, jacht gaat maken op den mensch. Als hij eenmaal
menschenvleesch heeft geproefd, schijnt hij er zeer verlekkerd op
te wezen. Het calcutta'sche blad weet te vertellen van een tijger,
die in Zuid-Indië tweehonderd menschen had verslonden en van een
anderen in den Himalaya, die het er driehonderd had gedaan.

Hoe die smaak in menschenvleesch ontstaat, wordt door sommigen
verklaard uit de omstandigheid, dat het dier, als het ouder wordt,
minder vlug is en de herten niet meer kan snappen, terwijl anderen
beweren, dat in tijden van buitengewone droogte de tijger, genoodzaakt,
om al meer de vlakte te naderen, waar de menschen wonen, om er water
te zoeken, gevaarlijker wordt, ook doordat hij uitgehongerd is. Maar
hoe het ook zij, tegenover de vaststaande feiten, dat het aantal
menschen, hetwelk hem ten offer valt, toenemende is, mag zeker de
engelsche regeering wel al het mogelijke doen, om de bevolking in
haar strijd tegen het gevaarlijke roofdier te helpen.



BRAZILIË, EEN LAND DER TOEKOMST.

Onder dezen titel geeft de firma J. H. de Bussy, te Amsterdam een
werk uit van de hand van den vice-consul van Brazilië, den heer
N. R. de Leeuw. Het is een lijvig boekdeel van 392 bladzijden op
stevig papier gedrukt met afbeeldingen tusschen den tekst en eenige
kaarten. Het werk schetst ons het gebied van de groote republiek,
zooals het thans is en geeft in een eerste hoofdstuk een kort zakelijk
overzicht van Brazilië's geschiedenis tot en met de regeeringsperiode
van President Dr. Affonso Penna, van wiens ministers korte biografieën
worden gegeven. In een naschrift moest de schrijver gewagen van den
dood van den in het land algemeen gewaardeerden President, en van
Dr. Nilo Peçanha, die in zijn hoedanigheid van vice-president diens
opvolger is tot aan de nieuwe verkiezingen van 1910.

In achtereenvolgende hoofdstukken wordt daarna een aardrijkskundig
overzicht gegeven, een beschouwing over het klimaat en de bevolking,
en een overzicht van den economischen toestand van het land door
korte paragrafen over de plantaardige producten en die uit het dieren-
en delfstoffenrijk. Daarna wordt de nijverheid besproken in meer dan
twintig kleine hoofdstukjes, ieder gewijd aan een bepaald product,
hoeden, hangmatten, lucifers, buskruit enz. enz. Het budget en de
invoerrechten, het verkeerswezen, kolonisatie, immigratie en eindelijk
de bondshoofdstad, het sterk vooruitgaande Rio de Janeiro, zijn de
onderwerpen van de laatste kapittels.

Voor de verspreiding van kennis over de grootste republiek van
Latijnsch Amerika zal dit blijkbaar met zorg samengestelde boek zeer
veel goed kunnen doen, wat wel zeer gewenscht is, want het wordt
tijd, dat de Nederlanders weten, dat, zegt de schrijver, »Brazilië
meer en beter is dan een half geciviliseerde exotische staat van
pronunciamento's en dictators, die naar Europa geen andere producten
exporteert dan af en toe een afgedankt staatshoofd, wat koffie en wat
beesten voor de diergaarden.« Nu, dat leeren wij op de helderste manier
door dit boek, dat naar wij hopen, veler belangstelling zal wekken
en onze kooplieden en industriëelen zal prikkelen tot het aanknoopen
van betrekkingen met een natie, die hen zal in staat stellen, hun
afzetgebied uit te breiden en tot dusver onbekende kanalen voor hen
zal openen. Brazilië bleef te lang buiten onze aandacht, »en«, zoo
besluit de schrijver zijn voorwoord, »wanneer mijn boek, voor zoo
ver dit Nederland betreft, hieraan een einde maakt, dan acht ik mij
in alle opzichten gekweten (te hebben) van de taak, die ik mij met
deze uitgave voor oogen stelde.«



DE HOOFDSTAD VAN AUSTRALIË.

Zooals we ongeveer een jaar geleden konden meedeelen, had toen het
Parlement van het Vereenigde Australië besloten, dat de hoofdstad zou
komen te liggen in het district Yass-Canberra. Zij moest in den staat
Nieuw-Zuid-Wales en op niet minder dan 100 mijl (160 K.M.) afstands
van Sydney liggen, in een stuk land van ten minste 100 vierkante
mijl, dat grondgebied van het Gemeenebest zou worden. Het district
Yass-Canberra nu ligt nagenoeg 200 mijl ten Zuidwesten van Sydney. Yass
is een stad van een 3000 inwoners, ligt aan de rivier Yass en is met
Sydney verbonden door een spoorweg. Canberra is een dorp, niet ver
van Yass gelegen.

Nu heeft de Wetgevende Vergadering van Nieuw-Zuid-Wales besloten,
het Gemeenebest in het district Yass-Canberra een stuk land van 800
vierkante mijl aan te bieden; verder zal het ook buiten dat gebied
over water uit de rivieren kunnen beschikken, krijgt het twee vierkante
mijl grond aan de Jervisbaai en het recht om daarheen een spoorweg aan
te leggen en dezen te verbinden aan den staatsspoorweg Goulbourn-Cooma.



VRIJHEID EN KETENEN.

Men houdt menigeen voor getemd, omdat hij geketend is.



HOOGTERECORD VAN DEN HERTOG DER ABRUZZEN.

De hertog der Abruzzen, die al met succes den Mount Elias beklom en
wiens verrichtingen in het gebied van den Roewenzori de lezers van
ons hoofdblad hebben kunnen volgen, is op de Himalayareis, die hem
op het oogenblik bezighoudt, gekomen op den Bride's Peak ter hoogte
van 7600 meter. Dat is het hoogterecord voor bergstijgingen.

Toen Humboldt op den 23sten Januari 1802 den Chimborazzo tot 6000
meter hoogte besteeg, had hij een ondragelijk lijden te verduren;
zijn lippen en zijn tandvleesch bloedden o.a. onophoudelijk. De groote
geleerde bleef sterk onder den indruk van het toen doorgestane leed
en het verhaal van zijn daden en ontberingen wekte de bewondering
van de heele wereld.

De moderne bergstijgers, die aan dergelijke ervaringen meer gewend
zijn en die al heel duidelijk weten, wat de bergen van de menschen
eischen, zijn beter voorbereid op de verrassingen, door het klimaat
bereid, en hebben in dit opzicht den beroemden von Humboldt dan ook
al ver achter zich gelaten.

Den 19den Augustus 1855 waren de gebroeders Schlagintweit in den
Himalaya op den Ibi Gamin tot een hoogte van 6900 meter gestegen;
toen vertelden ze van hun uitputting: »Het was om twee uur onmogelijk
verder te gaan; twee mannen van ons gevolg bleven achter, omdat
hun hart den dienst weigerde, en allen voelden we ons buitengewoon
vermoeid, eigenlijk zoo uitgeput, als we in ons geheele leven nog
nooit waren geweest«.

Sedert dien tijd, maar lang erna, is de gang naar de voor menschelijke
spieren en longen ontoegankelijk geachte hoogten weer opgenomen
door behendige en geoefende klimmers, die van geen vrees en geen
wijken wisten.

Sir Martin Conway plantte in 1892 zijn houweel op den Pioneer Peak in
den Karakoroem ter hoogte van 7130 meter. In Sikkim in den Himalaya
kwam Douglas Freshfield slechts tot 6800 meter; in 1903 bereikte
Dr. Hunter Workman 7200 meter op den Pyramid Peak, terwijl zijn
vrouw Fanny Bullock Workman 250 meter lager achterbleef; hun tent
op den Longmangletscher stond op 6000 meter hoogte. In 1907 liet
Dr. Longstaff zijn voorgangers ver achter zich door de verovering
van den Trisoel in den Himalaya ter hoogte van 7300 meter.

En nu is dan de italiaansche hertog, de neef van den koning, winnaar
van den Bride's Peak van 7600 meter. Eere aan zijn moed en volharding
en een gelukwensen met het ontsnappen aan de onberekenbare gevaren,
die bij zulke tochten dreigen.



UTRECHTSCHE ZENDINGSVEREENIGING.

Deze nuttige instelling vierde in het begin van October haar jubileum
van een halve eeuw op feestelijke wijze o.a. met een tentoonstelling
van dingen, die op haar werk in onzen Indischen Archipel betrekking
hebben. Het was voor den aardrijkskundige en ethnograaf een leerzame
collectie, die er bijeen was gebracht in de groote zaal van Tivoli
te Utrecht. Te midden van de in de zaal aangebrachte versiering van
groen en bloemen stond een eenigszins verkleinde Alfoersche woning,
zooals Christeninlanders ze tegenwoordig bouwen en aan de wanden hingen
schilderijen, door de kweekelingen van de nederlandsche Zendingsschool
vervaardigd, tafereelen voorstellend uit het leven daarginds.

Een afdeeling in de zaal is geheel gewijd aan Nieuw-Guinea. Een
groot aantal voorwerpen van dagelijksch gebruik voor de inlanders of
door hen in den krijg gebezigd, zijn hier tentoongesteld. Een model
van een papoesche woning, zooals deze vroeger bewoond was door een
80-tal menschen, en een huis, zooals het thans bewoond wordt door één
Christengezin, gaf een aardig verschil te zien. Vrouwensieraden,
manden, waarvan enkele vrij kunstig bewerkt, kleedingstukken
van geklopte boomschors, heupsieraden, schilden, waaronder een
van Biak geheel uit één stuk hout vervaardigd, versieringen van
oorlogsprauwen, waarvan enkele zeer fraai bewerkt, een steenen bijl
uit de Humboldtbaai, koppensnellersmessen en steenen, welke als
afgoden vereerd werden.

Een tweede afdeeling was gewijd aan Halmaheira. Een model van een
kerkje, waarvan de bouw door de bevolking zelf bekostigd wordt, trok
hier allereerst de aandacht. Een geestenhuis, door een inlander
zelf vervaardigd, met doodkist en wapens van den overledene;
fijn bewerkte slaapmatjes, zooals ze door de vrouwen ten huwelijk
worden medegebracht; verschillende mandjes om rijst te koken;
een met paarlmoer ingelegd schild bij den krijgsdans in gebruik;
een paar voetzolen, vervaardigd van den bast van den sagoweerpalm,
op Dodinga in gebruik wegens den steenachtigen bodem; van boomschors
vervaardigde met fraaie teekening voorziene heupbedekking voor mannen;
verschillend mooi vlechtwerk en nog vele andere voorwerpen gaven een
en ander te zien van het leven op Halmaheira.

De afdeeling Boeroe omvatte niet zooveel voorwerpen; hier zijn
voornamelijk te zien allerlei soort speren, lansen en pijlen, schilden,
mand- en snijwerk.

Verder waren beneden nog te koop boekwerken, foto's en
prentbriefkaarten, op het werk der zending betrekking hebbende;
mooi batik-werk, fraai Indisch koperwerk en andere voorwerpen van
Indische kunstnijverheid, w. o. aardig bewerkte mandjes en papieren
wajangpoppen.

Op de gaanderij waren uit particuliere verzamelingen verschillende
ethnografica tentoongesteld. Hier zag men van Zuid-Nieuw-Guinea
o.a. houtsnijwerk, een dolk van casuaris-been, schortjes en tasschen
van vezelstof; een bijl van steen; verder van de Key-eilanden een
telplank, waarop de dagen aangeteekend worden, gedurende welke
de zeevarenden niet thuis zijn; een harnas van karbouwenhuid, een
voetbal; van het eiland Flores aardig vlechtwerk in hoeden en manden,
een ketoen-ketoen (een soort tokkelinstrument); van Midden-Celebes
kleeden van geklopte boomschors; van Borneo koppensnellersmessen met
scheeden, gewatteerde vechtjassen, vlechtwerk, roeispanen, en een
schild met menschenhaar; van Lombok zwaarden en vlechtwerk en van
Madoera landbouwgereedschappen.



OP DEN UITKIJK.


OOK EEN MANIER VAN DOODENVEREERING.

Op de utrechtsche zendingstentoonstelling, waar zooveel interessants
te zien was, werden veel korwars vertoond, zooals onze lezers weten,
houten beeldjes, die vereering genieten op Nieuw Guinea vooral, omdat
de zielen van afgestorvenen erin heeten te wonen. Maar daaronder waren
enkele, die bijzonder de aandacht trokken of verdienden te trekken,
namelijk beeldjes met een extra groot hoofd, zoo groot, dat een echte
menschenschedel erin bewaard kon worden. De piëteit tegenover den
doode strekt zich daar dus uit tot het behouden en bewaren van een
stuk van het duurzaamste gedeelte van zijn stoffelijk hulsel.

Daarin gaat men nu soms nog verder op Nieuw Guinea en bewaart
niet alleen den schedel, maar vult dien weer aan met een stof, die
de vergane vleeschdeelen moet voorstellen, zoodat een hoofd wordt
verkregen en in eere gehouden. Er was op de tentoonstelling zulk een
zeer bijzonder voorwerp, de reconstructie van een menschenhoofd, en
het was voor de eerste maal, dat men deze wijze van schedelvereering
of doodenvereering leerde kennen als op het groote oostelijkste eiland
van onze bezittingen bestaande.

De schedel was afzonderlijk op een voetstuk gezet en men had er
den vorm van een menschenhoofd aan hergeven, door de vleeschdeelen
te vervangen door klei en door een houten neus in de neusholte te
zetten. Volgens een medewerker van de Nieuwe Rotterdamsche Courant komt
die manier van aanvulling voor op verschillende plekken van de aarde,
waar schedelvereering bestaat. Er is iets niet onaantrekkelijks in
deze wijze van instandhouding van het minst vergankelijke deel van
des menschen stoffelijk wezen, het geraamte, en dan van het geraamte
juist die beenderen, waarin bij het leven het edelste deel van den
mensch is geborgen, dat wat hem eigenlijk tot mensch maakt en hem in
staat stelt tot het in gemeenschap treden met zijn medeschepselen,
en met al die verschijnselen, die zich om hem heen openbaren.



NAAR DAUPHINÉ!

Het eerste nommer van de »Mededeelingen der Nederlandsche
Alpenvereeniging« voor den zesden jaargang, het jaar 1909, is
een Dauphiné-nommer, een boek van 240 bladzijden, zoo goed als
uitsluitend gewijd aan bergtochten in het land ten zuiden van Grenoble
in zuidoostelijk Frankrijk. Het Fransche Alpengebied van Dauphiné
is een wonderschoon land en het is nog weinig bereisd. Nu laat dat
zich wel verklaren, want het reizen is er buitengewoon duur, en de
wintersport heeft er zich nog niet ingeburgerd; hoogstens maken de
fransche militairen er van de sneeuwschaatsen gebruik.

Het bestuur en de leden van onze Nederlandsche Alpenvereeniging zijn
zich intusschen sterk voor dit fransche Alpenland gaan interesseeren,
en in dit nu verschenen nommer van de Mededeelingen geven de
heeren Ph. C. Visser, Gerhard J. Lugard, Dr. H. H. Juynboll en
Mr. H. J. Knottenbelt hun ervaringen op tochten in het belangwekkende
Alpengebied. Het was voor den heer Knottenbelt, die er in 1908 al op
18 Juni op stap ging, een echte exploratiereis, in zoo ver hij als
eenige toerist er het seizoen opende, daar het voor de streek nog te
vroeg in den tijd was.

Ook de andere clubgenooten moesten in het bergland over menig bezwaar
heenstappen in den letterlijken en den figuurlijken zin van het woord,
zoodat wij alleen aan onze lezers, zoo zij geoefende bergbestijgers
zijn, wier longen en wier beurs zich in uitstekenden staat bevinden,
kunnen aanraden over Parijs en Lyon naar Grenoble te sporen en dan
van La Bérarde uit de reuzen uit de bergwereld onder handen te nemen.

Het Dauphiné-nommer is intusschen belangwekkende lectuur. Aan de leden
van de Vereeniging wordt in overweging gegeven, in hun opstellen,
toerberichten enz. voor de navolgende vreemde woorden de daarachter
geplaatste nederlandsche te gebruiken. Wij nemen het geheele lijstje
met instemming over. Zou couloir, dat nog al eens voorkomt, ook in
dit nommer, er ook geen plaats op verdienen?


                Pickel    = ijsbijl of ijshouweel.
                Rucksack  = rugzak.
                Ski       = sneeuwschaats.
                Kletteren = klauteren.
                Griff     = steunpunt (voor hand of voet).
                Grat      = kam.
                Spalte    = kloof, spleet.
                Sérac     = ijsnaald of ijstoren.
                Wächte    = overhangende sneeuw.
                Neuschnee = versche sneeuw.
                Aper      = sneeuwvrij of blank.
                Kamin     = schoorsteen.
                Exponiert = blootgesteld.
                Geröll    = rotspuin.
                Gendarm   = rotstoren.
                Rutschen  = glijden.


Een woord van speciale bewondering mag wel worden uitgesproken voor
de foto's, waarmee de tekst wordt opgeluisterd; die zijn eenvoudig
prachtig.



FRANZ WILHELM JUNGHUHN.

Brockhaus geeft als Junghuhn's geboortedatum 26 October 1812, niet
1809, wat later gebleken is het juiste jaar te zijn. Dat het jaar
der geboorte van dezen natuuronderzoeker, geograaf en schrijver lang
onzeker is gebleven, staat in verband met het duel, dat Junghuhn als
jongeling op een gevangenisstraf van twintig jaren kwam te staan en
waarbij zijn geboortejaar verkeerd werd opgegeven.

Voor ons Nederlanders is Junghuhn een man van beteekenis geweest,
een dergenen, die Indië voor ons hebben gewonnen en niet ten onrechte
heeft zich onder eerevoorzitterschap van den oud-gouverneur-generaal
Jhr. C. H. A. van der Wijck een commissie gevormd, om zijn
nagedachtenis te eeren. Men zal op 26 Oct. den man huldigen, die sedert
hij op 25-jarigen leeftijd in nederlandsch-indischen staatsdienst
trad als officier van gezondheid, zijn leven heeft gewijd aan het
onderzoek, de beschrijving en de afbeelding der natuur van Java en
Sumatra en wiens werken getuigen van zijn hoogen wetenschappelijken
zin, zoowel als van zijne weldadige geestdrift en zijn meesterschap
over den vorm, waardoor vooral zijn »Java«, in het Nederlandsch
door hem geschreven, door Hasskarl in het Duitsch vertaald, tot de
klassieken der landbeschrijving behoort.

De commissie wil een Junghuhnfonds vormen, bestemd voor
natuurwetenschappelijk onderzoek van den Oost-Indischen Archipel,
in het bijzonder in de richting waarin Junghuhn's voorbeeld nog het
minst is nagevolgd: de studie van de vormen der aardoppervlakte,
van hun ontstaan en van hunne betrekking tot klimaat, plantengroei
en dierlijk leven.

Ten tweede ligt het in het plan der commissie een Gedenkboek uit te
geven, dat zal trachten een beeld te geven van Junghuhn's leven en
arbeid. Een lid zijner familie, prof. dr. Max Schmidt te Berlijn,
die de uitgave eener uitvoerige biografie voorbereidt, zal in het
Gedenkboek een overzicht geven van Junghuhn's lotgevallen. Bijdragen,
in verband met zijn wetenschappelijken arbeid, zullen worden
gegeven door dr. R. D. M. Verbeek, dr. J. P. van der Stok,
prof. Dr. A. W. Nieuwenhuis, prof. dr. J. J. A. Muller,
dr. S. H. Koorders, P. van Leersum, prof. dr. W. Volz, den heer
J. van Baren, prof. J. F. Niermeyer en waarschijnlijk nog door
andere--in Indië verblijf houdende--onderzoekers. Ook de heeren
A. S. Carpentier Alting en G. P. Rouffaer hebben bijdragen toegezegd,
betrekking hebbende op Junghuhn's persoonlijkheid, terwijl de heer
W. C. Muller zich bereid heeft verklaard een Junghuhn-bibliographie
samen te stellen.

Het boek zal versierd worden met reproducties naar photographieën, door
Junghuhn zelven genomen van Javaansche landschappen. Een belangrijke
verzameling daarvan, nauwkeurig door hem gerangschikt, is in het
bezit van zijne weduwe, mevrouw Junghuhn-Koch te 's Gravenhage,
en door haar ten gebruike afgestaan.

In 1835 kwam Junghuhn op Java aan, werd in 1840 naar Padang verplaatst,
kreeg in 1842 een opdracht voor geologisch onderzoek van Java, was
van 1849-1855 met verlof om gezondheidsredenen in Europa en keerde in
1855 als directeur voor de kinacultuur er heen terug. Op 20 April 1864
stierf hij te Lembang in de Preanger Regentschappen. »De Dageraad«
van Augustus 1864 gaf een levensschets.



TWEE NIEUWE EXPEDITIES NAAR DE NOORDPOOL.

Het comité van de expeditie georganiseerd door Graaf Zeppelin
om de poolstreken per luchtschip te onderzoeken heeft onlangs te
Friedrichshafen vergaderd.

Men besloot a.s. zomer een voorloopige expeditie naar Spitsbergen
te zenden, om den toestand van het ijs te onderzoeken en de
ondervindingen, reeds bij de luchtvaart in die streken opgedaan, te
bestudeeren. Het comité stond er in het bijzonder op een bestuurbaar
luchtschip van groote afmetingen te construeeren, in staat om een lange
reis te volbrengen en ingericht voor wetenschappelijke expeditie. Het
plan voor het bestuurbaar luchtschip wordt ontworpen, en men denkt
het gereed te hebben in 1911.

Van een anderen kant geeft Evelyn Baldwin, die de Poolexpeditie van
1901-1902 leidde, zijn plan te kennen om de pool te bereiken door
gebruik te maken van de ijsverschuivingen, en daarbij een weg te
volgen ongeveer gelijk aan dien van de Fram. Hij berekent dat zijn
reis vier jaar zal duren.



DE ZUIDHOLLANDSCHE EILANDEN EN SCHOUWEN.

Een alleraardigst gidsje voor uitstapjes in ons land is het boekje van
Henri Dekking »Van de Rotte tot de Schelde«, bij de uitgevers W. L. en
J. Brusse uitgegeven in hun serie Reisgidsen, waarin reeds een gidsje
voor Berlijn en een voor den Harz het licht zagen. Het is wel waar,
wat de schrijver zegt, dat de Rotterdamsche Tramwegmaatschappij die
streken, als het ware, voor het verkeer heeft geopend en ze uit hun
isolement heeft opgeroepen. Wanneer nu iemand daarvan vertelt, die er
van zijn jeugd af heeft gewandeld, die dikwijls boottochten deed het
breede water over en dan voetreisjes maakte over de eilanden van het
eene dorp naar het andere door velden en langs de boomrijke wegen,
dan is er veel kans, dat men iets te hooren krijgt, dat de moeite
waard is, te meer wanneer de verteller met knappe zeggingskracht zich
weet uit te drukken en zijn bewondering of belangstelling zijn lezers
weet te doen navoelen.

Dat is met Henri Dekking het geval; hij zegt zelf, dat hij het
vluchtig zal doen, niet als een reisgids, die met getallen en namen
smijt en onleesbaar wordt van degelijkheid, maar als een, die in eigen
bewondering reden vond, om anderen tot het genieten van merkwaardigs
op te wekken. Werkelijk is voor allen, die van onbedorven natuurmooi
genieten kunnen en de pittoreske lijnen en de kleurenweelde van oude
stadjes kunnen bewonderen, volgens hem deze goede reisgelegenheid
een voorrecht.

De zes hoofdstukken van het boekje, dragen de volgende namen:
Het eiland IJselmonde rond, Hier en daar in de Hoeksche Waard, In
't land van de Geuzen, Van Ouddorp tot Ooltgensplaat, 't Romantische
land van Schouwen en Uitstapjes tusschen Rotte en Schelde. Het laatste
geeft maar enkele aanwijzingen van afstanden, de schrijver zal moeten
bekennen, dat het getallen en namen zijn, wat heel natuurlijk is,
want die kunnen nu eenmaal in een reisgids niet ontbreken, en zoo'n
boekje wordt daarom niet onleesbaar van degelijkheid.

Trouwens dit gidsje is met bijzonder veel zorg geschreven; er zijn
mooie bladzijden in, die allerlei interessante bijzonderheden geven
over dat Zuidwesten van ons land, waarvan eigenlijk alleen Oostvoorne
tot nu toe ook bewoners van verafgelegen deelen van ons land wist aan
te lokken. Lezend over Ouddorp en zijn hotelier, die den schrijver
rondleidde en rondreed door de mooie omgeving, krijgt men lust
er zóó heen te trekken. En dan Schouwen, het romantische land van
Schouwen! Hoe aardig vertelt Dekking ervan, hoe imponeert hem de kracht
van ons volk, dat in vroeger eeuwen zooveel land op de zee verwon! Hoe
goed schetst hij ons Zierikzee, dat geen doode stad is en dat in zijn
zomerdorp in de buurt, het liefelijke Schuddebeurs, een zeeuwsch
»Velp« zich heeft veroverd! Waarlijk de schrijver heeft gelijk,
als hij tot zijn landgenooten zegt als in een plechtige toespraak:
»Mijn landgenooten, verhoovaardigt u niet op reisherinneringen uit
modelustig zomergejaag door verre landen, als gij de pracht van uw
land tusschen Rotte en Schelde niet kent«.

De illustraties van dit gidsje zijn teekeningen van J. B. Heukelom,
keurig uitgevoerde schetsen van het kasteel te Rhoon, de kerk
te Poortugaal, riviergezichten bij Zwijndrecht, Puttershoek,
Oud-Beijerland, Numansdorp, Zwartewaal, stads- en dorpskijkjes van
Brielle, Spijkenisse, Middelharnis, Sommelsdijk, Goeree, Nieuwe en
Oude Tonge, Dreischor, Zierikzee en Brouwershaven.



KLEEDING EN GEZONDHEID.

Het denkbeeld, zich werkelijk smaakvol en hygiënisch te kleeden,
maakt maar langzaam vorderingen--reeds daaraan kan men zien, hoe
verstandig het is!



GROND ONDER DE VOETEN.

Met de meeste beslistheid wandelen sommige wijsgeeren daar, waar ze
geen grond onder de voeten hebben.



OP DEN UITKIJK.


EEN BESTIJGING VAN DEN POPOCATEPETL.

In iederen natuurvriend, die zich in de stad Mexico ophoudt, zullen
de uit trotsche hoogte neerblikkende besneeuwde toppen van den
Popocatepetl en den Ixtaccihuatl den wensch wakker roepen, den voet
nog eens op hun toppen te mogen zetten en van daar een uitzicht te
erlangen over het zonnige land.

Leden van de vreemdelingenkolonie vergunnen zich soms die weelde en in
April, als het droge seizoen goed is doorgekomen, is daarvoor de meest
geschikte tijd aangebroken. Onlangs deed weer een gezelschap den tocht
naar den 5240 meter hoogen top van den vulkaan. Met den trein ging het
van de stad naar het 58 kilometer verwijderde Amecameca. Men rijdt dan
eerst langs het Texcocomeer; daarna door weiden en graanvelden. Bij
Ajolta komt men voorbij een aankweeking van oude olijfboomen, waarna
zich aan den linkerkant de voorgebergten beginnen te vertoonen van
de beide vulkanen, gesierd met kleine dorpjes en bouwland op de
lage hellingen. De spoorweg stijgt aanmerkelijk, en het landschap
wordt steeds grootscher. Met pijnboomen bedekte toppen omsluiten het
vruchtbare dal en daarachter steken kale rotsen hun massa's omhoog.

De stad Amecameca wordt in hoofdzaak door Indianen en mestiezen
bewoond, telt ongeveer 8000 inwoners en biedt met haar eenvoudige
leemen huizen weinig belangrijks. In het Westen ligt de zoowat
honderd meter hooge Sacro Monte als een rotseiland in een zee van
weelderigen plantengroei, waarop een kerk staat. Hier heeft men een
ruim uitzicht, dat vooral mooi is, als 's avonds de zon de toppen der
bergen verlicht en verguldt en het oog van den sneeuwgordel afdalend de
verschillende plantengordels kan volgen, om in het rijk bebouwde dal
rust te vinden. In Amecameca worden dan veelal de gidsen, rijpaarden,
draagpaarden en bedienden gehuurd.

De bergtocht gaat nog eerst tusschen maïs- en korenvelden door,
ingesloten door donkergroene agavenheggen; maar spoedig wordt een
kloof bereikt, waar men om den smallen, stoffigen en zeer slechten
weg achter elkander moet rijden. Het zandachtige stof lag meer dan
tien centimeter hoog en de stappen van de paarden deden het zoozeer
omhoog dwarrelen, dat men er geheel door omhuld was en doeken voor
neus en mond moest binden. Al stijgend ziet men het karakter van de
plantenwereld veranderen. Men ontmoet slanke naaldboomen, dennen en
sparren, en in de diepe stilte doet het schreeuwen van een vogel in
die omgeving aan noordelijke bosschen denken, zooals op de weiden de
bloempjes aan noordelijke weiden doen denken; men zag er boterbloemen,
potentilla's en viooltjes, terwijl iets verder gentianen en aardbeien
uit het gras opkeken.

Na een rit van drie uren zag het gezelschap den top van den berg, en
als een groet van de hoogte ging hen een ijzigkoude wind voorbij. Het
pad werd al ruwer, en veel door den storm gevelde boomen lagen er
dwars overheen. Herhaaldelijk waren er plekken, waar boschbranden
hadden gewoed en waar verkoolde boomstammen op den grond lagen. Het
werd laat en kort nadat de zon den horizon was genaderd, werd het
ook reeds donker, want op Mexico's aardrijkskundige breedte duurt
de schemering niet lang. Gelukkig, dat daar in het bergland nog een
rancho te vinden was. De rancho Tlamacas ligt 3800 meter boven den
zeespiegel. Het is een blokhuis van planken, waar men den nacht kan
doorbrengen, om althans onderdak te zijn, al is het noodig, zelf voor
alle comfort te zorgen.

In vroeger tijd werd er zwavel uit den krater van den Popocatepetl
gesmolten en de oven is er nog aanwezig, door de Spanjaarden gebruikt,
als ze de zwavel wonnen voor de bereiding van buskruit; maar sinds
lange jaren rust de zwavelwinning uit den krater. De bedienden maakten
ons een maaltijd gereed en op den grond legde men zich voor een paar
uren neer, maar het was volle maan en reeds om halfdrie ging de tocht
verder. Na een rit door een naaldbosch en door een diepe kloof werd
een vulkanisch asch- en zandveld bereikt, waar de paardenvoeten 15
en meer centimeter in wegzakten. Alle plantengroei was verdwenen en
de steilte was zoo groot, dat ze zigzagsgewijze moesten rijden.

Bij een rotspunt, waarop een kruis is geplaatst, welk punt La
Cruz is gedoopt, laten de reizigers gewoonlijk de paarden achter en
vervolgen te voet den weg omhoog. Het vulkanische donkergekleurde zand
maakt het loopen moeilijk en telkens glijdt men terug, en men heeft
twee-en-een-half uur noodig, om eindelijk de sneeuw te bereiken. In
April ligt er weinig versche sneeuw op den Popocatepetl; de oude sneeuw
is tot firn en dus hard als ijs geworden, waar de smeltwateren veel
geulen in hebben uitgeslepen. Ofschoon het stijgen daar bezwaarlijk is,
komt men er toch gauwer vooruit, en bij het opgaan der zon waren de
toeristen tot op 4800 meter hoogte gestegen. Weer een lastige tocht
en om half negen wordt de rand van den krater bereikt.

De middellijn van den krater is 800 meter en de diepte 400 meter;
de steile wanden zien er bont gekleurd uit en uit den bodem stijgen
onder een onheilspellend bruisen drie loodrecht opstijgende dampzuilen
omhoog. Men stond aan de noordzijde van de opening en aan beide zijden
torenden verglaasde rotsen op, met spleten, scheuren en holten, waar
zwaveldampen uit opstegen. In het Oosten is de krater het steilst; daar
staat de wand loodrecht en hij is bedekt met hooggele zwavelkristallen,
terwijl op een paar vooruitspringende lijsten sneeuw ligt. De menschen,
die in de buurt nog aan het zwavelinzamelen hebben meegedaan, beweren,
dat dagelijks 450 kilogram zwavel door de dampzuilen wordt afgezet.

Die aanblik is imposant in de hoogste mate en als men om zich heen ziet
en in de diepte en verte het oog laat rondgaan, krijgt men de donkere
bosschen aan de kust te zien, de lichtere vlekken der savannen, de
ernstige golflijnen van het beboschte berg- en heuvelland en bij helder
weer ver naar het Oosten en Westen de zee. Hier en daar zijn kerken,
dorpjes, steden en bouwland te onderscheiden. Op den berg wijzen diepe
schaduwen de ligging der kloven aan en de gordel der naaldbosschen,
zoowel als de grens van den boomgroei is duidelijk waar te nemen.

Het grootsche panorama houdt de reizigers gewoonlijk lang vast, en
als de daling aanvangt, zijn diegenen, die den tocht in den regentijd
doen, er het best aan toe, want dan is de sneeuw zacht en ze kunnen
zich laten glijden, maar wie niet tusschen Juni en October er een
bezoek brengt, doch in April, heeft tot La Cruz te voet te gaan.

Op denzelfden dag, waarop men den top van den vulkaan heeft betreden,
kan de hoofdstad Mexico weer worden bereikt, zoodat het niet te
verwonderen is, dat de bergbestijgers, die een nacht in het bergland
niet vreezen, zich tot deze expeditie aangetrokken voelen.



OVER DEN JONGSTEN OPSTAND OP SAMOA.

Dit voorjaar is het weer ongunstig geweest op Samoa, en Dr. Solf,
de duitsche gouverneur, moest in Februari dringend verzoeken om
oorlogsschepen er heen te zenden, die mee moesten helpen, om de rust
te herstellen. De leider van den opstand was een aanzienlijk hoofd,
Lauati, die met zijn echtgenoote in plaats van in de stilte van zijn
afgelegen dorp zijn kawa te drinken, liever in de hoofdstad Apia als
politiek persoon redevoeringen hield en als koningsmaker hoopte op
te treden, als de oude, zieke Mataafa tot zijn vaderen werd verzameld.

Lauati bedacht het plan, krachtig voor den troonpretendent Malietoa
Tanoe te werken, die als werktuig van Lauati naar diens wenschen zou
regeeren. Mataafa heeft een anderen erfgenaam aangewezen voor zijn
troon. De afwezigheid van Dr. Solf, den gouverneur, begunstigde de
intriges, en een kleine, den met verlof zijnden ambtenaar ongunstig
gezinde partij trachtte reeds het vorig jaar het volk tot een opstand
te bewegen met beloften en geschenken. Op den dag van den terugkeer
van den gouverneur zou een demonstratie plaats hebben, als teeken
van het begin van het openlijk verzet.

Maar de plaatsvervangende gouverneur, Dr. Schultz, kreeg nog bijtijds
bericht van de aangelegenheid en verbood aan de lieden van het eiland
het bezoek aan de hoofdstad. Toch was bij den terugkeer van Dr. Solf
de toestand op Sawaï nog kritiek genoeg, en het bedoelde verbod zou,
naar het scheen, enkel een uitstel wezen van verwezenlijking der
plannen van Lauati. De verschillende hoofden stelden aan het bestuur
eenige eischen, die op voorzichtige wijze moesten behandeld, wilde
men de gemoederen niet nog meer prikkelen.

Kort na zijn aankomst reisde de gouverneur in persoon naar Lauati, dien
hij trof, omgeven door een groot aantal hoofden. Een gevangenneming
van Lauati scheen uitgesloten, te meer daar de gouverneur geen andere
troepen bij zich had dan de lijfwacht, bestaande uit de zoons van
aanzienlijke hoofden, de Fita-Fita. Dus verklaarde de gouverneur de
eischen der hoofden, die voor het meerendeel betrekking hadden op
het gebruik, dat van enkele openbare gelden werd gemaakt, te zullen
ter sprake brengen op de in Januari te Moelinoe te houden vergadering
van hoofden.

Intusschen bleef Lauati stoken en voor den gouverneur viel er
aan machtsvertoon bij gebrek aan soldaten niet te denken. Door
redeneering werden een paar hoofden voor de duitsche regeering
gewonnen, en Lauati werd tegen den 16den Januari van dit jaar naar
Moelinoe opgeroepen. Tegen het bevel van den gouverneur verscheen
hij niet alleen, maar met een aantal aanhangers. Toen hem verzocht
werd die weg te zenden, beloofde hij het eerst, maar deed het niet
en ging met de zijnen heen, den gouverneur een in minachtende woorden
gestelde oorlogsverklaring zendend.

Daar meldde een bericht, dat de aanhangers van Lauati op marsch waren
naar Apia met vijandige bedoelingen. Toen ondernam de goeverneur
een waagstuk. Hij ging met den ouden Mataafa, luitenant Hecker en
den tolk Schneider in een rijtuig de opmarscheerenden tegemoet
naar Vaïoesoe. In plaats van een strijd met de wapenen had er
een woordenwisseling plaats, eerst tusschen Mataafa en Lauati, die
elkander wederkeerig van woordbreuk beschuldigden. De kritieke dag
eindigde met een verzoening tusschen Lauati en Mataafa; de gouverneur
verscheurde den brutalen brief van Lauati, nadat Lauati om vergiffenis
had gesmeekt en straffeloosheid had weten te bedingen.

Maar de vonk smeulde voort, en er begon gevaar te ontstaan voor de
blanken. Want het geval deed zich voor, dat de bevolking van plaatsen,
die aan de regeering trouw waren, de wapens verlangden van de blanken,
om ze tegen de aanhangers der oproerlingen te gebruiken. Lauati's
welbespraaktheid scheen de troepen tegen de Duitschers te zullen
vereenigen. Daarom zond de gouverneur den 5den Februari een telegram
naar Berlijn, waarin hij drie oorlogsschepen vroeg, om de eigendommen
der blanken te beschermen. Samoa zelf heeft geen telegraaf;
de telegrammen worden per schip naar de Fidsji-eilanden gebracht
en gaan eerst van daar langs electrischen weg verder. Vijf lange
weken hadden de Duitschers op Samoa te wachten, eer het bericht kwam,
dat half Maart de oorlogsschepen zouden komen en spoedig volgden dan
ook al de "Leipzig", de "Arcona", de "Jagoear" en de "Titania". Het
was noodig tijd. De grootste moeilijkheid was er nu in gelegen, het
niet tot een oorlog te laten komen, die dadelijk een rassenoorlog
zou zijn geworden en veel duitsche troepen zou hebben gevorderd, en
toch den opstand te dempen en de leiders van den opstand in handen
te krijgen. Doch ook die moeilijkheid werd overwonnen.

Een oproeping om zich rustig te houden van den gouverneur, de wenk,
den vrede te bewaren, van Mataafa, en de kalme hulp van de zendelingen,
leidden er toe dat de aanvoerders zich zelf kwamen melden. Den 1sten
April kon de commandant der "Leipzig" vice admiraal Coester, den zich
op de "Titania" bevindenden gouverneur melden, dat ook Lauati zich had
overgegeven en dat alles zonder bloedvergieten was afgeloopen. Lauati
en negen aanvoerders werden naar Saipan, een der Carolinen, verbannen.

Het verloop van den opstand wijst er wel op, hoe verantwoordelijk de
post van gouverneur van Samoa tegenwoordig is, en hoe dringend Samoa
telegrafische aansluiting noodig heeft.



EEN NATIONAAL PARK IN ZWITSERLAND.

Er is sprake van in Zwitserland een nationaal park te stichten, waar
fauna en flora beschermd zouden zijn voor de gevaren der beschaving.

Een Zwitsersch dagblad stelt voor, hiervoor te bestemmen het dal van
de Scarl, eene vallei in Laag-Engadien, hoog 1175 à 2600 meter. Het
dal van de Scarl is door tal van vertakkingen en verscheidene passen
met het Munsterdal, met Tarasp, Tauffers en Schuls verbonden. Het
is zeer woest met zijn watervallen van de Clemgia, zijn rotsen,
zijn plateaus en zijn bergen.

De fauna bevat alle dieren uit de alpenwereld. Men vindt er larixen
en alle soorten van pijnboomen. Wat de flora betreft, deze is rijk
aan zeldzame planten die beschermd dienen te worden.



EEN NEDERLANDSCH VOLKSVERTEGENWOORDIGER AAN DEN DOOD ONTSNAPT.

De heer Colijn, voor Sneek ter Tweede Kamer afgevaardigd, is nog
altijd in Indië, maar denkt in 't begin van November te repatriëeren,
na een diensttijd van zeventien jaren onafgebroken in Indië te hebben
doorgebracht. Hoeveel succes hij daar had in den krijg, hoe hem
belangrijke regeeringsopdrachten werden gegeven, die hij steeds met
goed gevolg ten uitvoer bracht, hoe tactvol hij onder de inboorlingen
werkte, is algemeen bekend.

Zijn benoeming tot adviseur voor de Buitenbezittingen verruimde zijn
werkkring. Een ervaring, die hij opdeed op een dienstreis naar de
Kleine Soenda-eilanden, wordt in de Java-Bode als volgt weergegeven. De
gouvernementsstoomboot »De Snip«, die den heer Colijn aan boord had,
vertrok den 26sten Augustus j.l. van Waingapoe aan de noordkust van
Soemba naar Laboean-hadji, aan de Oostkust van het eiland Lombok, om
van die plaats een dienstreis te beginnen over het gewest Bali-Lombok.

De reis begon voorspoedig, maar tegen middernacht, toen de Snip
ter hoogte van Midden-Soembawa was, vielen er stortregens, gepaard
met hevige winden, die voortdurend in kracht toenamen; de regens
belemmerden het gezicht aan alle kanten. Omdat de genomen koers aangaf,
dat het schip in volle zee was, bleef men doorstoomen, toen plotseling
's nachts bij vieren het schip op een rif werd gezet en daarop muurvast
bleef liggen.

Toen het schip op het rif vastzat, stortte zich de deining uit
het zuiden met volle kracht op het schip en deed het 90° draaien,
zoodat dus de steven naar den wal gekeerd was. De hevige stortzeeën,
die met iedere minuut in kracht toenamen, beukten onafgebroken op het
achterste deel van het schip, zoodat 't van het rif werd opgelicht
en den wal werd opgejaagd; de noordelijke rand van het rif was naar
berekening 300 meter van den wal verwijderd.

Het schip kwam toen in de hevige branding vlak bij den wal te liggen
op een scheepslengte afstands van een rotswand, 30 meter hoog, steil
uit het water oprijzend. Toen de dag begon aan te breken, kon men de
vernieling overzien, door den storm aan het schip toegebracht. Alle
sloepen waren in dien vreeselijken nacht tot splinters geslagen;
een eenigszins zeewaardige vlet, die overbleef, zou niet bestand
zijn om tegen de krachtige branding op te werken; inmiddels bleef
het voortdurend stortregenen.

Door den derden stuurman Pieterse werd een moedige doch vruchtelooze
poging gedaan, om met den wal verbinding te krijgen, door, met
een aan het schip verbonden lijn om het middel, al zwemmende den
wal te bereiken; telkens werd hij door de hoog oploopende zeeën
teruggeslagen. Tegen half zes in den vroegen morgen werd hetzelfde
beproefd door den savoeneeschen matroos Riwoe Ngoeroe, die gelukkig
den vasten wal wist te bereiken. In allerijl werd aan de lijn een
sterke kabel verbonden en door Riwoe Ngoeroe kustwaarts getrokken en
het eind stevig aan een vooruitstekende rotspunt bevestigd. Met handen
en voeten hangende aan den kabel, boven de woest rollende golven, ging
de geheele bemanning, groot 42 personen, aan wal. Ook de heer Colijn
kroop, op die wijze hangende, naar de kust; wijselijk had hij den
voorzorgsmaatregel genomen een lijn om zijn lijf te binden en verder
met een lus aan den kabel, want midden onder de hang-manoeuvre, werd
hij door een meters hooge aanrollende golf van den kabel weggeblazen,
maar bleef gelukkig aan de lijn hangen, waarna hij zich weer naar boven
heesch, en korten tijd daarna den vasten wal betrad; de wd. gezaghebber
was de laatste, die het ontredderde schip verliet. Niemand nam iets
mee dan het nachtgewaad, dat men aanhad, toen de eerste schok bij het
vallen van het schip op het rif zich gevoelen deed. Boven de rotsen
werd de kust geheel onbewoond bevonden; het was, voor zoover het oog
reikte, bergachtig terrein, dicht bezet met bosch.

Het eerste werk was toen verbinding met de bevolking te zoeken, iets
meer landwaarts in. De heer Colijn met een 6-tal inlandsche matrozen
trok landwaarts, terwijl de rest met den wd. gezaghebber langzaam
volgde. Twaalf uur 's middags werd de kampong Garantah ontdekt, waarvan
de bevolking bleek vriendschappelijk gezind te zijn. Dit laatste
is opmerkelijk, in aanmerking genomen dat, nog geen jaar geleden,
in West-Soembawa, waar Garantah ligt, onze troepen herhaaldelijk in
gevecht geraakten met de half woeste bevolking.

Op dien dag werd rust gehouden na de doorgestane ontberingen.

Den volgenden dag, 28 Augustus, werden door den wd. gezaghebber
(eersten stuurman) den maatregelen genomen om den 29sten Augustus
naar het gestrande schip terug te keeren, om te zien of, met behulp
van de inlandsche bevolking, iets gedaan kon worden om het schip
nog te redden. De heer Colijn vertrok den 28sten Augustus met een
gedeelte van de bevolking, om het omliggende terrein op te nemen,
en zoo mogelijk met de buitenwereld buiten Garantah, verbinding te
krijgen. Zonder ophouden bleef het regenen, allen waren ongewapend;
niemand had iets anders aan dan de nachtkleeren die door het gaan
door bamboebosschen en langs doornstruiken, spoedig in gehavenden
toestand verkeerden. Het troepje kon niet verder, omdat het aan alle
kanten ingesloten werd door sterk bandjirrende rivieren.

Den 29sten Augustus werden de pogingen hernieuwd, maar men was niet
gelukkiger, zoodat besloten werd naar Garantah terug te keeren, waar
men 's middags aankwam, maar de overigen niet meer terugvond, die,
zooals boven gezegd, naar het strand waren getrokken.

Den 30sten Augustus werd door den heer Colijn met een 4-tal inlandsche
matrozen de poging herhaald. Langs een anderen weg maar altijd
nog onder stortbuien, langs bergruggen van pl.m. 5000 voet hoogte
en altijd door op bloote voeten, want men had letterlijk alles op
het schip moeten achterlaten, werd in den namiddag van den 2den
September de kampong Taliwang bereikt, waar de civiele gezaghebber
van Midden-Soembawa met een detachement militairen is gevestigd.

Te Taliwang werd juist de Van Oudshoorn verwacht, die op denzelfden dag
ook aankwam, maar met geene mogelijkheid assistentie kon verleenen,
vooreerst door het stormweer, maar ook omdat de boot een deklading
had van 500 stuks vee; buitendien zou hulp toch niet meer gebaat
hebben omdat de Snip in den nacht van den 1sten op den 2den September
gedurende springtij tegen de hooge rotsen van de kust zoo goed als
geheel vernietigd werd. De Oudshoorn vertrok naar Laboean-hadji
om telegrammen van den heer Colijn te bezorgen en assistentie te
verzoeken.

Intusschen is de wd. gezaghebber den 29sten Augustus met zijn
bemanning van Garantah naar de kust getrokken, waar hij den volgenden
dag verbinding kreeg met het gestrande schip. Daar vond hij alles
weggespoeld; niets was meer op zijn plaats; alle mondvoorraad door
zeewater bedorven of verloren. Gelukkig werden de postzakken, in een
stevig dekhuis bewaard, nog intact bevonden en aan wal gebracht.

Dienststukken en het reisarchief van den regeeringsadviseur Colijn
werden over het geheele schip verspoeld gevonden; later bleek, bij
het nazien, dat geen stuk was zoek geraakt. Gelukkig ook, want dan
waren de resultaten van eenige maanden arbeids verloren gegaan.

Toen de poststukken en de paperassen aan wal waren gebracht, kon
men nadien met het schip geen verbinding meer onderhouden; zooals
hierboven gezegd, werd het fraaie vaartuig bij springtij tegen de
rotsen stuk gerammeid.

Inmiddels werden de regens minder; op verzoek van den heer Colijn
werd den 3den September een detachement militairen van het garnizoen
te Taliwang met proviand en lijfgoederen, naar de achtergebleven
schipbreukelingen te Garantah gezonden, waar het den 6den September
in den middag aankwam.

Het flottieljevaartuig Koetei werd naar Taliwang gezonden om den heer
Colijn af te halen en deze werd den 7den September naar Laboean-hadji
gebracht, waar hij na ruim een uur stoomens aankwam. Direct daarop
werd de Koetei teruggezonden om de andere schipbreukelingen naar
veiliger oord over te brengen.

Den 9den September vertrok de regeeringsadviseur Colijn met het
st. Duymaer van Twist van Laboean-hadji over Boeleléng, hoofdplaats
van het gewest Bali, naar Soerabaja, waar ZHEGestr. in den vroegen
ochtend van den 11den aankwam.



BESCHEIDENHEID EN AANMATIGING.

De mensch vertoont vaak een eigenaardige mengeling van bescheidenheid
en aanmatiging; aanmatigend is hij in zijn houding, bescheiden in
zijn prestaties.



OP DEN UITKIJK.


BIJ 'T PLAATJE VAN DEN POOLWEDLOOP.

Daar staan ze de poolhelden met de vlaggen van hun naties!

Cook en Peary houden er op 90 graden N.B. de sterren- en strepenvlag
van de republiek Noord-Amerika. De een zegt in April 1908 en de ander
in April 1909 aan de Noordpool te zijn geweest en beiden zullen voor
een twijfelzuchtige wereld nog met de bewijzen moeten komen, die de
wetenschap zal hebben te sanctionneeren.

Achter hen beiden staat weer een figuurtje, dat commandant Peary
voorstelt, immers was hij de houder van het Poolrecord in 1906,
toen hij tot 87 graden 6 minuten N.B. was doorgedrongen.

Dan verder achterwaarts ziet men een italiaansche vlag in Cagni's
handen, den metgezel van den luitenant der Abruzzen, die op zijn
pooltocht van 1900 niet zelf de hoogste breedte bereikte, maar door
ziekte gedwongen achter moest blijven, toen de moedige Cagni den
stouten tocht noordwaarts volbracht ten noorden van Groenland, en
86.31 bereikte.

Nog geen halven graad van hem verwijderd omvat Frithiof Nansen, de
beroemde Noor, zijn vlag als houder van het poolrecord gedurende de
vijf jaren van 1895 tot 1900. Hij was, ten noorden van Azië beginnend,
na een zwaren tocht door nacht en ijs tot 86.13 gevorderd.

Teruggaande in den tijd en den afstand van de Pool, volgt dan in 1882
de amerikaansche officier J. B. Lockwood, die aan de Greely-expeditie
deelnam, en de sterren en strepen kon planten op 83.24 graden.

Achter hem staat eindelijk ook de engelsche Union Jack in de hand
van commandant A. H. Markham, deelnemer aan de expeditie van Nares
naar de Smithsont. Hij bracht het tot 83.20.

Toen de engelsche regeering in 1875 aan commandant Nares dien tocht
naar het hooge Noorden opdroeg, is dat het sein geweest voor de
herleving van de ambitie voor het bereiken van hooge breedten en voor
het IJszee-onderzoek in het algemeen, een ambitie, waarin ook wij
hebben gedeeld met onze Willem Barents, die zeven tochten naar het
Noorden in achtereenvolgende jaren heeft volbracht van 1878 tot 1884.

Maar vóór 1875 sliep de belangstelling al vele tientallen van
jaren. Op het kaartje is na Markham Parry de voorste met 82.47,
in 1827 bereikt. Hij houdt weer de engelsche vlag, zooals het heele
groepje in zijn buurt. Hij ging den weg zoeken langs Spitsbergen,
de route, die men eeuwen lang voor de beste naar de pool hield.

Vóór hem had o.a. de Engelschman Scoresby dien gevolgd en was er in
het jaar 1806 al tot 81 graden en 30 minuten doorgedrongen.

Dat was weer na een periode van rust in het arctische onderzoek,
want teruggaande komen we eerst in 1773 bij den grooten Noordpooltocht
van kapitein Phipps, den lateren lord Mulgrave, op wiens schip Nelson
als vijftienjarig koksmaat diende. Hij bracht het langs Spitsbergens
westkust tot 80.48, waar hij op het plaatje staat met de engelsche
vlag.

Als laatste zien we er Henry Hudson, laatste, maar dan toch altijd over
den 80sten parallel, de lijn, waarbinnen de groep van koene ontdekkers
is geplaatst. De reis, die de door de feesten in New-York weer in
zooveel wijder kring bekend geworden Hudson in 1607 deed, had Japan en
China ten doel en wou en passant de Noordpool aandoen. Het zware ijs
hield den stoutmoedigen Engelschman tegen en in de Spitsbergenzee,
niet ver van Groenlands oostkust, was het verste punt, waar Hudson
de engelsche vlag kon planten, 80 graden en 25 minuten. Op den
terugweg heeft hij de westkust van Spitsbergen aangedaan en er goede
beschrijvingen van gegeven, terwijl zijn berichten over robben en
walvisschen de later zoo belangrijke walvischvangst in het leven
hebben geroepen.



HOOGTERECORDS IN DEN HIMALAYA.

Met de bergen is het gesteld als met de Noordpool. De strijd om de
grootste hoogte op een berg te hebben bereikt, gelijkt den strijd om de
grootste poolshoogte, en veel moed en geestkracht moet er worden aan
den dag gelegd, veel ontberingen en gevaren moeten worden verduurd,
wil men bij beide iets bereiken.

Half September is de hertog der Abruzzen uit den Noordwestelijken
Himalaya naar Italië teruggekeerd. Hij heeft op den Tsjogolisa of
Bride Peak de grootste hoogte bereikt, tot waar een mensch nog is
doorgedrongen, namelijk die van 7500 meter. De hoogste top der aarde,
de Gaurisanker of Mount Everest is nog onbedwongen.

Al vroeg heeft men in den Himalaya aanzienlijke hoogten bereikt. Zoo
bestegen in 1855 Adolf en Robert Schlagintweit den Ibi Gamin, een
top op de indisch-thibetaansche grens, op den 31sten graad N. B. tot
een hoogte van 6788 meter. Tien jaren later moet een topograaf van
de indische landmeting, W. H. Johnson, op den als E. 61 op indische
kaarten aangeduiden top in Kwenlun een hoogte van niet minder dan 7285
meter hebben bereikt. Wel wordt dat in twijfel getrokken evenals er
wordt afgedongen op de hoogten van W. N. Graham in den Himalaya.

Graham begon in 1883 met zijn bergbestijgingen. Nadat hij in Gharwal
tweemaal tot boven 6850 meter was gekomen, ondernam hij zijn beroemden
aanval op den 7325 meter hoogen Kabroe, den westelijken buur van
den Kantsjinsjanga. Naar hij zegt, is hij op den top geweest, maar
daaraan is getwijfeld, omdat hij niets over de bergziekte schrijft. De
meeningen over dit record, dat nu pas door den hertog der Abruzzen
is verbeterd, wijken nog van elkander af; maar de jongste ervaringen
schijnen vóór Graham te pleiten.

In het jaar 1892 ondernam Sir Martin Conway een expeditie in het
rijk der groote gletschers van den Karakoroem en sleet twaalf weken
te midden van sneeuw en ijs. Hij besteeg o.a. den 7015 meter hoogen
Pionierpiek.

Het jaar 1895 zag de beide alpinisten A. F. Mummery en professor
J. N. Collie in Kaschmir den Nanga Parbat bestijgen. Munnery kwam
slechts tot 6100 meter. In 1898 begon het echtpaar Bullock Workman
uit Worcester in Massachusetts hoogtoeren in den Himalaya, die ze
voortzetten in 1899, 1902, 1903, 1906 en 1908, waarbij mevrouw Workman
o.a. den 7100 meter hoogen Pinnaclepiek in de Nunkunketen in Kaschmir
besteeg. Verscheiden zeer hooge passen zijn nog door hen bedwongen,
en hun studie van de hooge gletschers voerde hen op groote hoogten.

Het jaar 1907 bracht de bestijging van den 7135 meter hoogen
Trisoelpiek door Dr. T. G. Longstaff en die van den 7325 meter hoogen
Kabroe in Sikkim door de beide Noren C. W. Rubenson en Monrad-Aas. Hun
hoogste kamp lag ter hoogte van 6890 meter, het hoogste punt, waar
menschen ooit overnachtten. Ook in dit opzicht heeft dus nu de hertog
der Abruzzen het record verbeterd met zijn kamp op 7100 meter op den
Bride Peak.



DE HERTOG DER ABRUZZEN TERUG.

Op zijn Roewenzoribestijging heeft de hertog der Abruzzen die van
een paar Himalayatoppen laten volgen. Sedert half September is hij in
Italië terug, dat hij voor deze laatste reis tegen het eind van Maart
had vaarwel gezegd. Zijn doel was het gebied om den Godwin Austen,
den top, die ook wel als K.2 wordt aangeduid, en een bestijging van
dien berg. Het is dezelfde, die vroeger den naam van Dapsang droeg en
die op de kaarten met een hoogte van 8620 meter stond aangegeven. Dan
zou hij dus de hoogste top der aarde zijn na den Mount Everest of
Gaurisankar, maar het is waarschijnlijk, dat die tweede plaats aan
den Kantsjinsjanga toekomt. De berg ligt in een weinig bekend en zeer
afgelegen gebied, zoodat het reeds heel wat moeite kost, zijn voet
te bereiken.

In 1902 hadden Guillarmod en Wessely den berg tot een hoogte van
6700 meter beklommen. De hertog begaf zich van Srinagar over Skardo
naar Askole, waar hij den 14den Mei aankwam. Van daar ging het naar
den voet van den Baltorogletscher en verder naar den voet van den
Godwin Austen. De omstandigheden leken niet zeer gunstig voor een
bestijging, want het gesteente was overal brokkelig, en er dreigde
gevaar van lawinen. De hertog ondernam intusschen met twee leden der
expeditie een voorbereidenden tocht van vier dagen, besteeg twee toppen
van ongeveer 6500 meter en bezocht den door Guillarmod beschreven
Oostgletscher evenals den nog nooit betreden Westgletscher van den
Godwin Austen. Hij kreeg op dien tocht de zekerheid, dat de berg van
alle kanten onbestijgbaar was. De maand Juni verliep met topografisch
werk in die streek, en daarna beproefde de hertog de bestijging van
den Tsjogolisa of Bride Peak. Ter hoogte van 6600 meter werd een kamp
opgeslagen, waar men door slecht weer dagenlang was opgesloten.

Het volgende kamp lag ter hoogte van 7100 meter; men bleef daar
vier-en-twintig uren. Den volgenden dag, den 17den Juli, werd om
elf uur in den voormiddag een hoogte van 7500 meter gehaald door den
hertog en de berggidsen Petigax en de gebroeders Brocherel. De nevel
verhinderde het verder gaan; men wachtte nog vier uren, maar hij werd
dichter en dichter; men kon geen paar pas voor zich uitzien. Toen
besloot de hertog tot den terugkeer en zag af van verdere pogingen. De
terugweg werd weer over Askole naar Srinagar volbracht.



NOG MAAR EENS DE DOORWERTH.

We hebben hier al dikwijls over dat oude Geldersche kasteel aan den
Rijn »De Doorwerth« gesproken en het betreurd, dat het, vooral tijdens
het beheer van den vorigen eigenaar, hoe langer hoe meer verviel. De
commissie, die voor een restaureering van het gebouw ijvert, heeft
reeds vrijwat ingezameld van de groote sommen, die zij behoeft. Mocht
zij spoedig volkomen slagen!

Het zij ons vergund, hier een gedeelte over te nemen van het
artikel, dat Mr. S. Muller Fzn. in het weekblad »Buiten« heeft doen
verschijnen. Ook de heer F. A. Hoefer heeft in dat blad nog eens een
woordje van opwekking tot steun geschreven.

De heer Muller schrijft o.a.:

»Kent gij Gustave Doré's afbeelding van het paleis der Schoone
Slaapster? Een oud kasteel, verloren in eeuwenheugend groen, dat de
oude muren en transen heeft overwoekerd met eene weelderige lijkwade,
stil en verloren, terwijl daarbinnen alles slaapt den slaap der
eeuwen. Een tafereel, dat het oog verrukt en de verbeelding machtig
aangrijpt.

Zóó is de Doorwerth, heerlijk in zijn jammerlijk verval. In een woud
van donkere oude boomen, waarop de zon soms liefelijke glansen toovert,
ligt in zijne breede grachten de oude burcht; met stomme smart heft
hij zijne hooge vervallen daken en zijne spitse torens naar den blauwen
hemel. Stil is het op het voorplein; de muren zijn gebarsten en dreigen
te storten in het spiegelende water; gebroken zijn de vensters, ledig
en verlaten de holle zalen. Het oude kasteel ligt aan den voet van
de ruige Veluwsche hoogten; de wandelaar, die het Rijnbootje heeft
verlaten en de breede weiden doorwandelt, waar het vee rustig ligt
te herkauwen in de zon, staat verrast, wanneer hij aan het einde van
zijn tocht, den ouden burcht, sterk en waardig, ziet verrijzen uit
den krans van welig geboomte tegen den achtergrond der zacht rijzende
groene heuvels. Het tooverachtig schoone plekje, dat hem wonderbaar
boeit, voert zijne gedachten verre terug naar oude tijden.

Thans rijst het wonderfraaie slot, als eene kostbare reliek, op in
eene moderne omgeving, in het Rijn-landschap, dat het terrein is der
pleizierreizigers. Maar eenmaal was dit anders. Langen tijd was de
Doorwerth het middelpunt van een uitgestrekt gebied. Op den burcht
troonde de heer, die heerschappij voerde over de uitgestrekte wouden
en landerijen der omgeving. Al in de 13de eeuw wordt het kasteel,
toen aan den Rijn liggend, vermeld. Maar dat oude primitieve kasteel
is geheel verdwenen; het gebouwencomplex, dat ons thans zoo aantrekt,
is wel oud, maar het dagteekent toch eerst uit veel latere eeuwen. Het
hoekgebouw aan de landzijde, met zijne drie aardige hoektorentjes om
het hooge dak, is het oudste gedeelte: het heeft de geheele 15de eeuw
nog zien voorbijgaan. De twee groote gebouwen, die den hoek naar de
rivier toe vullen met hunne wat barokke trapgeveltjes, zijn in het
laatst der 16de eeuw aan deze oude kern toegevoegd, zeker wel ter
vervanging van veel oudere hallen. En de hooge toren met zijne elegante
spits naast de voorpoort, waarin zich de slotkapel verbergt, is eerst
in het begin der 17de eeuw opgetrokken midden in de slotgracht. Een
geheel dus, dagteekenend uit zéér verschillende perioden. De 17de eeuw
heeft ook de beide poortgebouwen van het slotplein en den voorburcht
zien verrijzen, met de weidsche stallingen en koetshuizen, die den
voorhof omgeven, opvolgers van de »bouwinghe«, de boerderij voor het
kasteel, die in 1280 vermeld wordt. Daarbuiten, nog verderaf, liggen
buitenhof en moestuin, in den met hooge boomen beplanten singel,
die het Rijnwater keeren moet.



DE DUITSCH-OOSTENRIJKSCHE ALPENVEREENIGING.

Het alpinisme heeft toch maar sedert het midden der 19de eeuw
onophoudelijk aan terrein gewonnen, en het aantal bergbestijgers
uit liefhebberij neemt met verbazende snelheid toe. De vereeniging,
wier naam hierboven staat, telt niet minder dan 83000 leden, over
353 secties verdeeld.

In Weenen werd in de eerste helft van September de algemeene
vergadering gehouden met een congres, waaraan 2000 leden deelnamen. Er
waren feestelijkheden en gastmalen ter ontvangst van de gasten, en
met gerechtvaardigde voldoening mocht het bestuur in zijn verslagen
mededeelen, dat de jaarlijksche inkomsten 600.000 mark bedroegen en dat
in de periode van veertig jaren, waarin de vereeniging reeds werkt,
13 millioen mark werd uitgegeven voor wegen, gidsen, schuilhutten,
kaarten, reisgidsen en voor de ondersteuning van wetenschappelijke
onderzoekers en hun uitgaven.



EEN HARZREIS.

In de serie van Brusse's reisgidsen, door de heeren W. L. en J. Brusse
te Rotterdam uitgegeven, neemt »Een Harzreis« door M. J. Brusse de
tweede plaats in. Het is een boekje, dat de menschen in den zak kunnen
steken en dat telkens gemakkelijk even geraadpleegd kan worden, om te
weten, wat wel het merkwaardigst is in dit romantische bergengebied. In
acht brieven, door den schrijver gericht aan zijn uitgevers, vertelt
hij hun des avonds wat hij in den loop van den dag heeft gedaan,
waar hij heeft vertoefd en wat hij heeft genoten aan natuurschoon en
aan indrukken van kunst of belangwekkende bouwkunde uit het verleden,
of wat ook.

Hij doet de groote tochten meestal te voet, wandelt zes, zeven, acht
of negen uur en is dan na den tocht frisch genoeg, om een fleurig
en opgewekt verhaal te geven, dat voor een wijderen kring van lezers
is bestemd en hun een aantrekkelijk beeld geeft van het drukbezochte
bergland. Brusse zag den Harz voor de eerste maal, en om toch een goede
keuze te kunnen doen tusschen de verschillende uitstapjes, die hem een
vrij volledig overzicht van den Harz zouden geven, wendde hij zich
tot den secretaris van den »Harzer Verkehrsverein«, bestuurder ook
van de Harzclub, den heer Rudolf Stolle. Naar diens adviezen heeft
hij zijn tochten ingericht en zijn eigen raadgevingen samengesteld
voor de hollandsche lezers, die zijn boekje als gids willen meenemen.

Allerkeurigst is de uitgave door de rotterdamsche gebroeders de wijde
wereld ingestuurd, en de afbeeldingen van de mooiste punten zullen
ieder, die daar was, weer levendig het genotene in de herinnering
teruggeroepen, terwijl ze, naar wij hopen, veel nieuwelingen zullen
doen opgaan naar het liefelijke bergland, dat betrekkelijk zoo dichtbij
ons is en zoo gemakkelijk is te bereiken.



DOOR DE LUCHT NAAR DEN GEMMITOP.

Wallis schijnt voor de ingenieurs een heerlijk terrein, om hun
stoutmoedige plannen uit te voeren. Thans weer zal dichtbij Leukerbad
de steile rotsmuur van den Gemmi overwonnen worden, en de reizigers
zullen naar het hotel op den top worden vervoerd door middel van een
luchtspoorweg, als reeds bij den Wetterhorn in gebruik is.

Het was, nu een smalsporig lijntje weldra Leukerbad met het Rhônedal
zal verbinden, reeds veel gemakkelijker den Gemmi te bereiken,
en daardoor is men op het denkbeeld gekomen, die lijn te vervolgen
op een andere manier. Er is over een tunnel gedacht, als bij den
Jungfrauspoorweg zoo talrijk zijn, maar voor de reizigers schijnt
het nieuwe plan aantrekkelijker, terwijl de kosten van den tunnel
ook veel hooger zouden wezen.

De heer Alfred Hurter, ingenieur en alpinist, is de ontwerper
van een luchtspoorweg volgens het systeem, dat bij den Wetterhorn
goede resultaten heeft opgeleverd. Maar het ontwerp voor den Gemmi
is nog stouter. Eerst zal een kort lijntje van het eindstation van
het electrische spoor van Leukerbad naar het eind van het dal moeten
worden gelegd, waar het pad op den Gemmi begint te stijgen. Van daar
ter hoogte van ongeveer 1433 meter boven de zee zullen vier stalen
kabels rechtstreeks gespannen worden naar het op den top gebouwde
hotel. Elk paar kabels zal een kleine waggon dragen, waarin gemakkelijk
twaalf personen kunnen plaats nemen, die binnen weinige minuten door
de lucht den afstand zullen afleggen, die hun tegenwoordig twee-en-een
half uur van moeilijk stijgen kost.

De horizontale afstand, dien de kabels doorloopen, is 1580 meter,
het verschil in hoogte 890 meter. Het spreekt, dat alle mogelijke
voorzorgen worden genomen tegen elk gevaar. De voltooiing van het
nieuwe plan zal 400.000 francs kosten en een aantrekkelijkheid te
meer zal het kanton Wallis er door krijgen.



GELUK OF ONGELUK DOOR TWEELINGEN.

In een groot deel van Afrika, vooral aan de kust van Guinea,
heerscht de barbaarsche zede, dat bij de geboorte van tweelingen
een der kinderen of ook wel beide gedood worden, omdat men gelooft,
dat ze door den booze zijn voortgebracht. Daarmee vormt een sterke
tegenstelling, wat Roscoe van den Bantoestam der Bakena in Britsch
Oost-Afrika vertelt. Die stam woont aan de rivier Mpologoma en het
meer Palisa. Roscoe nu vertelt in het weekblad »Man« van Augustus
1909, dat als er tweelingen worden geboren onder de Bakena's, er een
algemeen vreugdefeest wordt gevierd met muziek en dans. De gelukkige
ouders dragen kauri's als sieraad, en de vader zamelt giften in,
voornamelijk levensmiddelen, die hij aan zijn vrouw brengt. Zij moet
er van eten, anders sterven de jonggeborenen. Dat zou echter een
groot ongeluk wezen, want het zou ellende brengen over den geheelen
stam, daar tweelingen een gave Gods zijn, en hun dood op ongenade
van de hoogste machten wijzen zou. Als dan de toovenaar den dag der
naamsgeving heeft vastgesteld in overleg met de ouders, wordt er weer
een groot feest gegeven, waaraan de geheele stam deelneemt.



BESTIJGING VAN DEN BROCKEN IN DEN WINTER.

Hoe boeiend en interessant het zijn kan, in den winter door den Harz te
reizen, vertelt een Duitscher, die een wintertocht op den Brocken heeft
gedaan en daarvan het volgende meedeelt. Wij hadden, mijn vriend en ik,
in den westelijken Harz gelogeerd, en wilden nu, eer we het gebergte
vaarwel zeiden, een skitoer maken naar den Brocken van Andreasberg
uit. Rekenend op den maneschijn, hadden we besloten, de toer 's avonds
te beginnen en zoo mogelijk, in den nacht nog den Brocken te bereiken,
ofschoon wij eerst laat op den namiddag in Andreasberg konden aankomen.

In den trein kon nog niemand ons plan aan ons zien; maar in
den bagagewagen werd voor ieder van ons een paar sneeuwschoenen
meegenomen, en in het bagagenet van den waggon lag een handkoffer,
die een menigte dingen voor de uitrusting bevatte. In Scharzfeld,
waar we een poos oponthoud hadden, gingen we met den koffer naar de
tegenover het station gelegen herberg, om ons te verkleeden.

In sportkleedij zetten we toen onze reis voort met den trein, die
het bergland inreed en eerst toen het al donker was, Andreasberg
bereikte. Koffer en mantels werden in het station in bewaring gegeven;
onze sneeuwschoenen namen we in ontvangst en met een bekende,
dien we hier ontmoetten, gingen we op weg naar de een goed half
uur verder gelegen stad. Op de hoogte gekomen van een heuvel rechts
van de spoorlijn, zagen we de stad beneden ons liggen, stralend in
licht. Snel stapten we in de sneeuwschoenen, die we eerst achter ons
aan hadden getrokken, en suizend gleden we een straat in van kleine,
onaanzienlijke huizen.

Een zachte, vochtige sneeuwlucht woei ons tegemoet en de wolken, die
kwamen opzetten, kondigden sneeuw aan. Dat ontmoedigde ons niet, en in
een winkel zorgden we voor de laatste deelen van onze uitrusting. De
veldflesschen lieten we met brandewijn vullen, en een flinke bergstok
werd aangeschaft. Nadat hier ook de breede wollen doek bij wijze van
een hoofddoek der vrouwen was omgeslagen, zorgvuldig onder de kin
met veiligheidsspelden vastgestoken, trokken wij onze sneeuwschoenen
weder aan, en de vaart kon beginnen.

Na weinige minuten stonden we op den weg naar het Sonnenberger
Huis. Met volle kracht blies er de wind over de sneeuwvelden en
drong in steeds dikker massa's op ons in, tot we ons in een echten
sneeuwstorm bevonden. Het was een razen om ons heen, als waren
de geesten der hel losgebroken, en de lucht drukte zoo heftig bij
den hevigen wind, dat het was, alsof er muren tegen ons aan werden
geschoven. En daarbij stoven ons, die nauwelijks konden ademhalen,
scherpe sneeuw- en ijsdeeltjes in het gezicht, dat geprikt werd als
door duizend naalden.

Alles scheen er zich tegen te verzetten, dat wij in deze eenzaamheid
ons dieper waagden, en meer dan eens weifelden we, of we verder zouden
gaan; maar telkens besloten we, het nog wat verder uit te houden. Dat
bleek goed te zijn, want na een half uur van kamp met het weêr kwamen
wij in het bosch, waar de kracht van den storm minder werd gevoeld. Met
nieuwen moed ging het voort, een eind nog langs den hoofdweg, dan
langs den Rehberger weg, die naar het Oderdal voert. Suizend gleden de
sneeuwschoenen over het vrij breede pad; af en toe werd een slok uit
de veldflesch genomen en ook werden reeds de boterhammen aangesproken.

De wind bleef, ofschoon we nu weer in het opene waren, kalm, en het
oproer in de elementen scheen over, zoodat ook weer sterren zich
begonnen te vertoonen. Nog iets verder, en een geelachtig schijnsel
drong door de boomen. De maan kwam op.

Vroolijk ging een krachtige jodler van mijn vriend de lucht in.

En toen hadden we een doorkijkje door de sparren, dat prachtig
was; op den stompen kegel van de Achtermannshöhe scheen de maan,
terwijl een krans van teêre, van glans doorgloeide nevels om den top
hing. Het dal werd nauwer en op den hooggelegen plas, het Odermeer,
dat we passeerden, lag de sneeuw als een damasten kleed, omzoomd door
den donkeren rand van de schaduwen der boomen aan den eenen kant. In
het Noorden schitterde de Groote Beer.

We hadden nu het Brockenfeld bereikt, en wel op de laagste plaats, die
724 meter boven de Noordzee is gelegen, die eigenaardige hoogvlakte
van venen en bosschen, die zich ten westen van den Brocken uren ver
uitstrekt en waar buiten het Torfhaus en het Forsthaus Oderbrück
geen menschelijke woningen zijn te vinden. Het begon zwaarder
werk te worden, want er lag nu veel meer sneeuw; op den postweg
Harzburg-Braunlager, dien wij na een kwartier door het bosch te
hebben geloopen, bereikten, had de sneeuwploeg veel te doen gehad,
om de sledebreedte voor de post vrij te houden. De telegraafpalen
waren sterk beijzeld.

Verandering in het weêr, waardoor het duister werd en er sneeuw
dreigde, deed ons besluiten, het aanvankelijk plan, om nog in den
nacht de bestijging van den Brocken te doen, te laten varen en in het
Boschwachtershuis Oderbrück te blijven. Dat was het laatste station
voor voetgangers vóór den Brocken; we volgden nu den postweg in
noordelijke richting langs wouden, diep onder de sneeuw en vlakten
vol sneeuw zonder boomen, en hoe verder we kwamen, des te sterker
werd het gevoel van eenzaamheid om ons heen, tot er op een grooten
afstand over de sneeuw een licht blonk, het schijnsel van een lamp
in het Forsthaus, waar we voor den nacht een onderkomen vonden.

Het was nog donker, toen we den volgenden morgen werden gewekt,
ons bij flikkerend kaarslicht aankleedden en naar buiten keken,
waar de sterren begonnen te verbleeken. Beneden gekomen, gingen we
dadelijk naar de sneeuwschoenen kijken en brachten ze in het warme
achterkamertje in de nabijheid van de kachel, om de nog aan de riemen
hechtende ijsdeeltjes te doen ontdooien. De dienstboden zaten er
aan hun morgensoep, en waren innerlijk zeker blij, dat ze in kou en
eenzaamheid niet naar buiten behoefden te gaan. Ook de Förster, die al
weer in de groote kamer op zijn troon zat, dacht misschien net zoo,
maar onder de ruige wenkbrauwen straalden zijn oogen ons bijval toe
en goedkeuring over ons voornemen.

Toen we na een flink ontbijt met koffie naar buiten gingen, stond de
maan aan den westelijken hemel laag in een zachtrooden glans, uit
het Oosten weerkaatst, die hooger zich in een teer blauw oploste,
en de sneeuw op de sparren en de velden scheen overtogen met een
groenachtig waas. Een paar stooten met de sneeuwschoenen, en het
tooneel lag achter ons. We trokken oostwaarts naar het morgenlicht
door bosch, dat met open plekken afwisselde, en over den harden grond
knarsten de sneeuwschoenen snel vooruit.

Daar stuurde de zon over de besneeuwde velden haar eersten groet
en strooide weldra millioenen van kristallen over de koude pracht;
de sparren wierpen er blauwe schaduwen overheen. Doch niet lang
zou de zon baas blijven; bruinachtige nevelsluiers schoven over de
boomkruinen, door een oostenwind voortgedreven, die steeds in kracht
toenam. Wij trokken onze hoofddoeken dichter om ons heen, blij, toen
we zoo ver gevorderd waren, dat het groote Brockenveen bereikt was;
daarna bereikten we den voet van den Königsberg en stapten vrij steil
omhoog tusschen de boomen.

Langs den in den winter niet gebruikten spoorweg gingen wij door den
pas tusschen Brocken en Königsberg en begonnen den top te bestijgen,
eerst nog langs de lijn, die in groote bochten om den berg loopt,
daarna in een rechte lijn bergopwaarts tusschen kromme en verweerde
boomen met losse sneeuw ertusschen. Reeds bleven de sparren achter
ons, en de sneeuw werd hard als ijs. Op den afgeronden top konden wij,
daar de nevels waren weggetrokken, uitzien over bosschen en vlakten. De
top was bezaaid met brokken graniet, en het Brockenhaus lag vóór ons,
met sneeuw eromheen opgehoogd tot de vensters. De toegang tot de deur
was tusschen sneeuwmuren opengehouden.

Op ons kloppen deed de voor den winter er gestationneerde kellner
open. Het hotel, dat in andere seizoenen op een enkelen dag vaak bij
de duizend menschen binnen zijn muren ziet, nam ons als eenige gasten
op. Een gevoel van verlatenheid kwam ons tegen van de wanden in de
hal, met de groote plakkaten over table d'hôte, aansluitingen van
spoorwegen, telegraaftijden, enz. We kwamen in een verwarmd vertrek
en in een hoek stond op dien dag in het laatst van 1901 een versierde
Kerstboom!

Wij bleven er tot twee uur en togen toen weer op weg. Toen wij van
het Brockenhaus hadden »afgestooten«, begonnen de sneeuwschoenen als
vanzelf voort te hollen; het ging vliegensvlug over den harden grond,
zoodat de been- en voetspieren groote moeite hadden, om de beenen
evenwijdig te houden. Het tempo nam maar steeds in snelheid toe. Het
was onmogelijk, te letten op het uitzicht, want de bergen werden
bij die vaart tot iets onduidelijks; alleen enkele markante konden
we onderscheiden, als Achtermannshöhe en Wurmberg. Scherp remmend
suisden we naar beneden; het schemerde ons voor de oogen, en we waren
in het gebied der sparren. Daar kwam een scherpe bocht van het pad,
waarop wij tusschen de boomen naar omlaag vlogen, een snelle poging,
om de bocht te nemen, en beiden lieten we ons achterover in de mulle
sneeuw vallen, om niet in volle vaart in het struikgewas terecht te
komen. Het liep best af, en spoedig was de daling volbracht.

Urenlang ging het nog door het bosch in de richting van Andreasberg
en daarna over het vrije veld met de bergen van het Oderdal achter
ons. Met lange schreden vorderden we over de harde sneeuw, waar reeds
avondstemming begon te heerschen. Bloedrood werd het aan den horizon,
en boven zweefden wolken, die met purper doortrokken schenen. In dat
mooie licht verscheen het boeiende panorama van Andreasberg; we gleden
in volle vaart de helling af en zelfs door de stille straten naar het
station, waar we nog vroeg genoeg aankwamen, om ons te verkleeden. In
de coupé rustten we uit en ongemerkt bracht ons de trein uit het
stille bergland naar het woelige, drukke menschengedoe terug.



DE ZOEKENDE MENSCH.

De mensch bereidt zich voor op den tijd, dat hij gelukkig wezen
zal. Daarmee is zijn leven geheel gevuld; voor iets anders blijft
ruimte noch tijd.



DAME-BERGBESTIJGSTER IN NOORD-PERU.

Miss Annie Peck, een Amerikaansche, heeft een kloekmoedige
bergbestijging ondernomen van een vulkaan in Noord-Peru, den Huascaran,
en in het Juninummer van het bulletin der American Geographical
Society geeft ze daarvan bericht. Zij had zich, naar ze meedeelt,
reeds eerder met dien top van de Andesketen bezig gehouden, namelijk
in 1904 en 1906, maar zonder succes. In die jaren werd ze alleen door
inboorlingen vergezeld; maar toen ze in 1908 de poging tot bestijging
van den berg herhaalde, had ze twee Zwitsersche gidsen bij zich,
Gabriel en Rudolf Taugwalder uit Zermatt.

De eerste tocht tegen den noordelijken top omhoog mislukte, daar
een der beide gidsen door de bergziekte werd overvallen en moest
omkeeren. Daarentegen was de volgende bestijging met de gidsen
gelukkiger; op den avond van den tweeden dag bereikte het gezelschap
na een uiterst steilen ijswand te hebben bedwongen, het verbindend
zadel tusschen de twee toppen van den berg, waarvan de hoogte op 5980
meter werd vastgesteld.

Den derden dag werd dan trots kou en vermoeienis de hoogste top
bereikt. Daar de boven heerschende hevige wind het ontsteken van
vuur onmogelijk maakte en ook het aansteken van licht verijdelde, kon
geen hoogtemeting worden uitgevoerd. Miss Peck houdt echter vast aan
haar schatting van 7320 meter of 24000 voet. Als dat juist is, zou de
Huascaran dus den Aconcagua in hoogte overtreffen. Het schijnt evenwel
niet noodig, zegt »Globus«, die het bericht uit het amerikaansche
Bulletin overneemt, »deze schatting voor betrouwbaarder te houden
dan de oudere, die den Huascaran een hoogte van 6700 meter toewijzen.«



R. PARKINSON GESTORVEN.

Aan »Globus« schrijft mevrouw Helene Diercke uit Herbertshöhe op
Nieuw-Pommeren in den Bismarckarchipel het treurige bericht, dat
haar vader, de onderzoeker R. Parkinson, die zich voor de exploratie
van de Stille Zuidzee, wat de duitsche bezittingen daar betreft,
zoo verdienstelijk heeft gemaakt, den 24sten Juli gestorven is na
een langdurige ziekte. Hij heeft dus het verschijnen van zijn werk
»Dreissig Jahre in der Südsee«, dat de resultaten van zijn onderzoek
samenvatte, niet lang overleefd.

Het weekblad geeft dan uit het leven van den overledene enkele
data. Parkinson was in 1844 in Augustenburg in Sleeswijk-Holstein
geboren en kwam als beambte van het handelshuis Godeffroy al in 1876
op Samoa. Zijn belangstelling in de volkenkunde richtte zich daar
dadelijk op de uit verschillende deelen der Stille Zuidzee aangeworven
arbeiders op de plantages der firma, die meestal Polynesiërs en
Melanesiërs waren. In 1882 verhuisde Parkinson naar het eiland,
dat thans Nieuw-Pommeren heet, en stichtte er aan de noordkust van
het Gazelle-schiereiland zijn plantage Ralum. De bewoners van dat
eiland en van de meeste andere, groote en kleine, eilanden van den
Bismarckarchipel leverden hem studiemateriaal. Hij was het, die ons
door zijn talrijke reizen in den archipel de eerste vertrouwbare
berichten over veel stammen heeft doen toekomen.

Dikwijls heeft hij den gouverneur op zijne reizen vergezeld en door
zijn publicaties heeft hij dan niet alleen de wetenschap gediend,
maar ook de belangstelling in die verre streken en in wijder kringen
wakker geschud. In 1887 trok hij de aandacht door het kleine, degelijke
boek »Im Bismarckarchipel«. Later verscheen in twee deelen »Album von
Papuatypen«, met A. B. Meijer uitgegeven in 1894 en 1900. Zijn reeds
genoemd werk »Dreissig Jahre in der Südsee« is iets van blijvende
waarde, een studieboek voor allen, die wat van Melanesië willen
weten. Het verscheen in 1907 en daarna schijnt Parkinson door ziekte
belemmerd te zijn geworden in de voortzetting zijner studiën.

»Globus« maakt naar aanleiding van dezen doode de opmerking, dat men er
zich over verbazen moet, dat geen der groote encyclopedieën iets over
Parkinson heeft mee te deelen, ofschoon zooveel minder belangrijke
»wereldreizigers« daarin wat over zichzelven mogen vertellen. Toch
mag het volkenkundig onderzoek van de Stille Zuidzee, dat nu aan
het detailonderzoek toe is, nooit vergeten, hoeveel het aan het
voorbereidende werk van Parkinson heeft te danken.



WEER EEN ENGELSCHE ZUIDPOOLEXPEDITIE.

Het was te verwachten, dat de expeditie van Shackleton zeer spoedig
door een nieuwe engelsche Zuidpoolexpeditie zou worden gevolgd. Dank
zij Shackleton's onderneming is tegenwoordig in Engeland weer zeer veel
belangstelling te vinden voor het Zuidpoolonderzoek, en de regeering
heeft de openbare meening zeer goed begrepen, toen ze de kosten van
Shackleton's tocht, voor zoo ver ze nog niet waren gedekt, dus voor
eenige honderd duizenden guldens, voor hare rekening heeft genomen.

Thans is kapitein R. F. Scott, de leider van de groote
Discovery-expeditie van 1903, die voor Shackleton, om zoo te zeggen,
den weg naar het succes heeft gebaand, in Engeland met een oproeping
naar voren getreden voor een inzameling ten behoeve van een door
hemzelven te leiden Zuidpoolexpeditie, en hij schijnt een goede
ontvangst voor zijn plan te ontmoeten.

De kosten zijn op 480.000 gulden geschat. Het doel der onderneming is
naast het bereiken van de Zuidpool het onderzoek van Edward VII-land,
waar Shackleton ondanks zijn pogingen niet heeft kunnen landen. Het
vertrek zal het volgend jaar plaats hebben. Waarschijnlijk zal Scott
van een overwintering met het schip afzien, maar net als Borchgrevink
en Shackleton vóór hem, wil hij met zijn staf op een geschikt punt zich
laten afzetten en zich den volgenden zomer weer van daar laten afhalen.

Het is mogelijk, dat in het volgend jaar ook de schotsche
Zuidpoolexpeditie van luitenant Bruce vertrekt, wat in het belang van
gelijktijdige onderzoekingen op verschillende plaatsen der Antarctis
natuurlijk zeer gewenscht zou wezen.



EDAM, VOLENDAM, MARKEN.

Het verdriet ons wel eens, dat in den vreemde ons land zoo vaak wordt
voorgesteld, alsof er niets anders bestond dan dat typische land ten
noorden van de hoofdstad, dat lage land van Zaandam en omstreken en
van de Zuiderzeekust. Maar het moet toch wel toegegeven, dat er daar
veel belangwekkends en eigenaardigs voor vreemdelingen te zien is en
dat het zich laat verklaren, hoe de buitenlandsche toeristen er zoo
geregeld hun schreden heen richten.

Die voorkeur is ons nog eens weer duidelijker geworden door het lezen
van het in het Fransch geschreven gidsje voor bovengenoemde plaatsen,
dat tot titel draagt »Visions de Hollande, Edam, Volendam, Marken",
samengesteld werd door den heer Anselme Changeur en uitgegeven is te
Parijs in de Librairie Léon Vanier A. Messein, Successeur, terwijl
voor ons land de boekhandel van W. J. Sipkema te Edam zich met de
verspreiding belast. De prijs van het keurig uitgegeven boekje is
75 cents.

Iets zeer ongewoons voor den tegenwoordigen tijd is, dat er geen
afbeeldingen in zijn opgenomen, wat het werkje zeker voor de
buitenlandsche toeristen, die moeten worden aangelokt, veel minder
aantrekkelijk maakt. Maar wij, die met eigen oogen dat interessante
plekje van ons land hebben gezien of er door afbeeldingen een goede
voorstelling van hebben gekregen, wij kunnen de aardige beschrijving
lezen, zonder een gemis te voelen, want de tekst is zoo vlot en
prettig geschreven en is een zoo gemakkelijk leesbaar en huiselijk,
ouderwetsch Fransch, dat we na de lezing het geschrift met voldoening
uit de hand leggen.

Het zou inderdaad niet ongeschikt wezen voor lecture en classe;
als leesboek voor de middelklassen en de hoogere klassen van onze
onderwijsinrichtingen voor twaalf- tot achttienjarigen kan men het
gerust aanbevelen.



SCHEDELVEREERING.

Naar aanleiding van het stukje over schedelkorwars in De Aarde en
haar Volken van 23 September: In het zeer belangrijke maar slecht
behuisde Museum für Volkstrachten te Berlijn (Klosterstrasse) vindt
men kinderschedels; zulke schedels worden in Neder-Beieren, nadat de
weeke deelen vergaan zijn, door verwanten opgegraven, schoongemaakt,
beschilderd en in huis bewaard. Ziedaar een schedelvereering, niet van
kannibalen ver buitenaf, maar van menschen die centraal-Europa bewonen.

    R. 3-XI-'09.

        Sn.



OP DEN UITKIJK.


GEDENKTEEKEN J. E. TEHUPEIORY.

Met een mooie rede heeft Mr. C. Th. van Deventer op Zaterdag 23 October
op de begraafplaats te Utrecht een eenvoudig gedenkteeken onthuld op
het graf van den jongen indischen arts, wiens dood in de laatste dagen
van het vorig jaar zooveel deelneming heeft gewekt en aan wien wij
in ons nommer van 9 Januari een woordje wijdden. De plechtigheid van
thans verlevendigt nog eens de groote teleurstelling over zijn dood,
want er viel van den pas in ons land tot arts bevorderde zooveel te
verwachten. Hij had een tweede Junghuhn kunnen worden voor onze kennis
van Indië, en in dezelfde betrekking, waarin Junghuhn in Indië zooveel
waardevol werkt heeft verricht, namelijk als officier van gezondheid,
al was het dan evenmin als bij Junghuhn op medisch terrein.

Hij zou ook in zijn later leven een voorbeeld hebben kunnen blijven
van wat er aan geestelijke krachten en gaven schuilt in onze bruine
broeders in de Oost en hij zou een voortdurende opwekking zijn geweest
voor onze regeering en wie op haar invloed hebben, om alles in het
werk te stellen, ten einde den weg te effenen, waarlangs de inlandsche
bevolking van ons Indië kan komen tot verheffing en ontwikkeling.

Het is een eenvoudige gedenksteen, die zijn herinnering zal levendig
houden, met de woorden:


    "Ter herinnering aan Johannes Everhardus Tehupeiory, inlandsch
    en nederlandsch arts, geb. 25 Juni 1882 te Ema, eiland Ambon,
    overleden 22 December 1908 te Utrecht.

    Zijn nagedachtenis blijft in eere bij allen, die gelooven in
    Insulinde's toekomst".


De gedenksteen is gebeeldhouwd door Thérèse van Hall, de kunstenares,
die getoond heeft, hoe goed ze haar taak heeft opgevat. In ernst
en eenvoud gaf zij een zinnebeeld, een knaap in oosterschen trant
nedergezeten en gebogen over een boek vol wijsheid; het teere
figuurtje overhuifd door gebladerte, dat herinnering aan Ambon's
sagopalmen wekt; op den achtergrond stralen van de rijzende zon; het
geheel voltooid door een voor zichzelf sprekend opschrift en door
twee aan weerszijden op den bovenrand geplaatste slangenbeeldjes,
symbolen der medische wetenschap.

De secretaris van de vereeniging van indische studenten, de heer
R. Soemitro, onthulde den steen, en de voorzitter, de heer Soetan
Casajangan, aanvaardde in naam van de leden der Indische Vereeniging
het gedenkteeken, dat aan de zorg dier vereeniging blijft opgedragen en
dankte de nederlandsche vrienden voor hun daadwerkelijke belangstelling
in het werken en streven van de vooruitwillenden in de indische
maatschappij.

Ook Mr. J. H. Abendanon, oud-directeur van onderwijs in Indië, sprak
een woord van hoop voor Indië's toekomst.



HET RIF EN DE RIFIOTEN.

De Rifstammen vechten nog maar door, zoo luiden de berichten uit de
allerlaatste dagen van October en ook in de eerste dagen van November
klinken er nog geen vredelievender tonen. Als de Spanjaarden hebben
gedacht, dat ze met een eenvoudige tuchtigingsexpeditie zouden kunnen
volstaan als antwoord op de aanvallen van Juli, hebben ze zich vergist,
zooals in de geschiedenis zoovelen zich vergisten ten opzichte van
de marokkaansche zeeroovers. Spanje heeft een volledigen oorlog te
voeren in Noord-Afrika, en naar Melilla moeten steeds maar weer nieuwe
troepen worden gezonden, die onder generaal Marina's bevel er groote
moeilijkheden hebben te overwinnen.

Wat is eigenlijk het Rif? Het woord, dat Arabisch is, beteekent
»rand«. Het wijst den omtrek van een kamp aan bij voorbeeld of een
strook grond langs een dal, een vlakte of de zee. Het nu bedoelde Rif
is de streek aan de Middellandsche Zee tusschen Melilla en Tetoean. Het
is een massief bergland, dat zich van de Moeloeya uitstrekt naar
de zee en bestaat uit een reeks aan de kust evenwijdige ketenen,
doorsneden door passen en gescheiden door lengtedalen. Die ketenen,
die ongeveer een hoogte van 2000 meters bereiken, maken een indruk
van woeste verlatenheid. Het heerlijke klimaat van de landen om de
Middellandsche Zee zoekt men er te vergeefs en de westenwinden uit
de straat van Gibraltar kunnen er zeer koud wezen.

Toch zijn de hellingen der bergen bedekt met goede weiden en later
vertoont zich op de niet volkomen rotsachtige gedeelten een dichte
plantengroei van eiken en dennen, ceders en thuya's, notenboomen en
wilde olijven; in de dalen, door tal van beken besproeid, groeien
oranjes en vijgen, wijn en granaatappelen en allerlei graansoorten.

Maar de kust is al bijzonder ongastvrij; het is een groote halve kring
van rotsen, wel 300 kilometer lang, waarvan de steile hellingen enkel
hier en daar nauwe doorgangen laten naar het binnenland. Buitendien
is die kust, door de natuur reeds zoo weinig toegankelijk gemaakt en
waar een heftige noordenwind blaast, altijd nog uiterst gevaarlijk
voor de schepen door de vijandelijkheid der bewoners. De instructies
voor de zeevaart waarschuwen steeds voor de gevaren, want als een uit
den koers geraakte stoomboot of een zeilschip, dat door windstilte
tot stilliggen is gedwongen, binnen het bereik der Rifpiraten komt,
aarzelen ze geen oogenblik, maar zenden hun gewapende booten uit,
om het ongelukkige vaartuig te plunderen.

De bewoners van deze ongastvrije kust zijn Berbers, verdeeld in
een dertigtal stammen; stoutmoedige bergbewoners, die geen andere
oppermacht kennen dan die van hun eigen stamhoofden, zoodat de sultans
van hun eigen ras geen gezag in hun gebied uitoefenen. De stammen zijn
onafhankelijk van elkander, en hun politieke eenheid blijkt uit niets
anders dan uit hun strijd tegen het Maghzen, dat is de regeering van
Marokko en tegen de Christenen. Elke stam is verdeeld in een zeker
aantal afdeelingen of clans, waarin alle mannelijke meerderjarigen
toegelaten worden tot het bespreken van de aangelegenheden van de
afdeeling en het bestuur der clan zelf kiezen.

Die clanhoofden, tot een raad vereenigd, benoemen den kaïd, den
eersten magistraatspersoon en het militaire hoofd van den stam,
die echter geen enkel besluit kan nemen zonder de toestemming van
den Raad der Ouden. Die Raad beslist alle vraagstukken van oorlog,
belastingen, etcetera, en zijn besluiten hebben kracht van wet. De
algemeene vergadering van alle mannen van den stam wordt opgeroepen
tot het kennis nemen van de benoeming van den kaïd en van de andere
besluiten, genomen door de Ouden.

De leden van den stam bewonen de ksoer of dorpen, enkelvoud ksar,
gewoonlijk op moeilijk toegankelijke hoogten gelegen, samengesteld
uit steenen hutten en omringd door cactus- en agavehagen, die er echte
vestingen van maken. De kaïd bewoont een kasba, een soort van kasteel,
dat tegelijk tot arsenaal dient, tot schatkamer en tot gevangenis, en
waarvan het garnizoen bij beurten wordt gekozen uit de verschillende
afdeelingen van den stam.

De meeste Rifbewoners zijn gewapend met een geweer van modern maaksel,
en wie zich dat niet heeft weten te verschaffen, gebruikt geweren
van inlandsch maaksel, waarvoor het nooit aan munitie ontbreekt,
die de Rifioten zelf vervaardigen. De bewapening omvat ook nog
een rechten dolk, die zeer spits toeloopt, of wel een krommen dolk,
zooals algemeen is in de atlantische kuststreken van Marokko. In zake
artillerie hebben ze niet anders dan eenige oude stukken, die van
voren worden geladen, kanonnen, die nog gediend hebben om Alhacemas
en Penon de Velez te beschieten.

Meesters zijn de Rifioten in den guerilla-oorlog. Ze zijn groot
en sterk, listig en onverschrokken en van een matigheid en een
uithoudingsvermogen, die merkwaardig zijn. Gekleed in een korte,
bruinwollen tunica, met om het geschoren hoofd alleen een touwtje
van geitehaar of het roode lakensche zakje van hun geweer bij wijze
van tulband, weten ze van de gesteldheid van het terrein uitstekend
te profiteeren om zich te verbergen en hun vijanden te verrassen. En
de landstreek om Melilla, de kloven van de Goeroegoe en de diepe,
nauwe dalen, die van daar naar zee loopen, leenen zich uitstekend
voor hun tactiek.

Voor den aanval kiezen ze bij voorkeur het uur vóór zonsopgang, het
oogenblik, waarop ze vermoeden, dat de tegenstanders gerustgesteld
zijn door een ongestoorden nacht en vermoeid van het langdurige
waken. Zonder eenig geraas te maken, sluipen zij achter de
terreinoneffenheden en rotsen en hagen langs naar hun doel. Dan,
als ze op den gewenschten afstand zijn gekomen, staan ze plotseling
op, ontladen hun geweren, om schrik te verspreiden in de gelederen
van den vijand en gaan tot den aanval over met geschreeuw en
woeste verwenschingen. De vrouwen achter de gevechtslinie brengen
krijgsvoorraad aan en emmers vol water, om de strijdenden te
verkwikken; ze moedigen de mannen aan door scherpe kreten en smalen
op wie zich laf toont.

Voorwaar, geen vijanden, om licht over te denken, noch voor Spanje,
noch voor hun altijddurenden vijand, den sultan van Marokko!



NOVA ZEMBLA EEN DRIEVOUD.

Wie weet, wat voor verrassingen de Poolstreken nog voor ons in petto
hebben! Daar blijkt het, dat een russische, door gouverneur Sosnowsky
uit Archangel naar Nova Zembla gezonden expeditie, teruggekeerd is
met het bericht, dat zij een gemakkelijke, slechts dertig werst lange
doorvaart heeft ontdekt tusschen de Kruisbaai van de Barentszee en de
Karazee aan Nova Zembla's Oostkust. Aan de Kruisbaai zou men bovendien
steenkolenbeddingen hebben waargenomen.

Ook zonder die laatste is het bericht al belangwekkend genoeg en
beschamend leerzaam voor de poolreizigers, die daar zoo druk hebben
gewerkt, en voor ons, die meenden, dat de Westkust van Nova Zembla
haast geen geheimen meer verborgen hield.

Die Kruisbaai of Lommenbaai ligt op 74 N. B. dus even ten noorden
van de Matotsjkinsjar, de straat, die ook dwars door het land gaat
van West naar Oost.

De nieuwe doortocht maakt dus van het smalle maar lange landcomplex
Nova Zembla, dat tot dusver als uit twee eilanden bestaande werd
beschouwd, een complex van drie eilanden. Wie weet, wat verdere
verrassingen het voortgezet onderzoek nog zal brengen. De door
de Russen gemelde ontdekking is er wel het bewijs van, hoe weinig
definitief alle geografische exploratie in de poolstreken is. De
westkust van Nova Zembla toch behoort tot de best verkende en
betrekkelijk meestbevaren arctische kusten. Aan de exploratie dier
kust hebben Hollandsche bezoekers een groot aandeel genomen. Niet
enkel in den tijd van Barents en Heemskerk, maar ook in de tweede
helft der vorige eeuw. Op de zeven wetenschappelijke zomervaarten,
in 1878-'84 met het scheepje de Willem Barents ondernomen, zijn onze
landgenooten herhaaldelijk aan die Westkust van Nova Zembla geweest
voor verkenning en inkaartbrenging der kust.

En in den nazomer van 1880 hebben de opvarenden van de Willem Barents
juist deze Kruisbaai nog eens bezocht en verkend. Het geluk is hun
niet gunstig geweest; en de ontdekking, nu door de Russen gedaan,
is onzen landgenooten onthouden gebleven.

Trouwens Russen en Noren hebben in de laatste kwart-eeuw Nova Zembla
met ijver in studie genomen. Helaas, dat ons werk van de Willem
Barents, het negentiende-eeuwsche schip, dat, zooals gezegd, zeven
reizen naar Nova Zembla ondernam in de zomers van 1878 tot 1884,
ten einde een gedenksteen voor Barents en zijn tochtgenooten aan de
IJshaven te plaatsen, het nooit tot aan die haven heeft gebracht!



DE HOHNSTEINROTSEN.

Van de watervallen der algemeen bekende en door niemand, die den Harz
bezoekt, verwaarloosde Steinerne Renne buigt zich een mooi boschpad
af, dat door een hoog opgaand sparrenwoud, waar granietklippen en
tallooze steenen in verspreid zijn, voert naar een groep rotsen,
de Hohnsteinrotsen. Dat zijn zonderlinge rotsvormingen, die hier
in het woud verscholen zijn. Men ziet er vooruitspringende klippen
en afgebrokkelde rotsen, woest dooreen gestapeld of als door een
reuzenhand kunstig opgetorend tot rotskasteelen.

De geweldigste rotsburcht is de 584 Meter hooge Ottofels, die in
het jaar 1893 toegankelijk is gemaakt door steile, ijzeren ladders en
onvoorwaardelijk de aandacht verdient, die er aan wordt geschonken. Het
uitzicht boven behoort al tot de mooiste onder de vele mooie, door
den Harz geboden. Terwijl reeds het benedenste plateau van de rots
een heerlijk panorama ontvouwt, heeft men van de hoogste spits een
overweldigend, zeer uitgestrekt uitzicht.

In het Westen verheffen zich in de onmiddellijke nabijheid uit
een donker sparrenbosch de woeste Hohneklippen; verder noordelijk
de Renneckenberg en de dreigende Zeterklippen; daarboven wenkt de
Brockentop. Naar het Noorden verrijzen de witte gesteenten van de
Weissen Steine en de Wolfsklippen; in het Oosten aanschouwt men
over donkere wouden aan den voet der bergen de stad Wernigerode en
de voorsteden. Helder schittert daarboven het statige Stolberger
vorstelijk slot met zijn torens en tinnen. Het trotsche gebouw
komt heerlijk uit tegen het groen van het loofhout der omringende
bergen. Over het slot heen verliest zich de blik in de wijde vlakte,
waaruit tallooze dorpjes en steden met roode daken en kerktorens
oplichten. Halberstadt vooral springt duidelijk in het oog.

Bij een gelukkigen samenloop van omstandigheden, dat is van lucht
en licht en bewolking, kan men van hier den dom van Maagdeburg als
klein puntje in de blauwe verte onderscheiden. In het Zuidoosten en
Zuiden wordt het panorama afgesloten door de donkerblauwe bergen van
den Beneden- en den Zuidharz, en men kan als schitterende punten het
hotel waarnemen van den Hexentanzplatz en den toren van de Rosstrappe;
dan de witgrijze kalkbergen van Rübeland en Elbingerode, de dorpen
Hüttenrode en Friedrichsbrunn en als hoogste punt den Auerberg met
de Josephshöhe bij Stolberg.

Het kleine boschpad voert verder naar het boschhuisje, het
Karlshaus, van waar men nog een verrassend kijkje krijgt op het
slot Wernigerode. Wie naar Wernigerode wil terugkeeren, kiest het
schaduwrijke Thumkuhlendal als weg en heeft dan nog gelegenheid,
het Lossengedenkteeken te kunnen bekijken, waarin alle in den Harz
voorkomende gesteenten te vinden zijn.



SPITSBERGEN-EXPEDITIES WEER THUIS.

De noorsche Spitsbergen-expeditie van den ritmeester Isachsen is den
10den September met de bekende Fram naar Tromsö teruggekeerd. Haar
taak, die uit aardrijkskundig en natuurwetenschappelijk werk bestond,
en die zij vooral in het binnenland van noordwestelijk Spitsbergen
heeft volbracht, was afgeloopen. Zij heeft met succes gewerkt, ofschoon
de afgeloopen zomer zoo laat is begonnen en de onderneming buitendien
op veel bezwaren stuitte. Bijzonder rijk moeten de geologische
verzamelingen zijn en in het doorvorschte gebied, dat voor een groot
deel totaal onbekend was, zijn veel bergtoppen bestegen. De leden der
expeditie werkten in groepen, die zelfstandig uitstapjes ondernamen.

Belangrijk is het bericht, dat Prins Karels Voorland door een lid
der expeditie voor Noorwegen in bezit is genomen. Noorwegen meent
inderdaad rechten op Spitsbergen te hebben. De te verwachten
Spitsbergenconferentie zal daaromtrent uitspraak hebben te
doen. Isachsen wil in den zomer van 1910 zijn onderzoek voortzetten.

Half September is ook Bruce's expeditie naar Prins Karels Voorland
met het schip »Conqueror« teruggekeerd. Dit was al de derde
Spitsbergenexpeditie van Dr. William S. Bruce van het Oceanographisch
Laboratorium te Edinburgh, altijd naar Prins Karels Voorland, het
langgerekte eiland vóór Spitsbergens westkust. Een zeer talrijke staf
van wetenschappelijke mannen gingen dit jaar mee aan boord van de
Conqueror, om topografisch, geologisch en dier- en plantkundig werk
te doen.



LANDBOUWTENTOONSTELLING TE BUENOS AIRES.

De Argentijnsche Republiek herdenkt in het volgend jaar het
honderdjarig bestaan harer onafhankelijkheid. Als spaansche kolonie
behoorden de La Platalanden, en dus ook Argentinië, tot 1776 bij
het onderkoningschap Peru, maar in dat jaar werd het land tot
een afzonderlijk onderkoningschap verheven met de hoofdstad Buenos
Aires. Toen Spanje zich in de napoleontische oorlogen met Frankrijk had
verbonden, namen de Engelschen in 1806 Buenos Aires in, maar moesten
al spoedig weer het veld ruimen. In 1810 was intusschen Frankrijk
met Spanje zelf in oorlog geraakt en tijdens dien strijd zetten de
kolonisten den onderkoning af en benoemden een provisorische Junta,
echter nog in naam van koning Ferdinand VII. Dat was op 22 Mei 1810.

Cordova, Paraguay en Uruguay erkenden die regeering echter niet en
na veel burgertwisten riep eerst een congres te Tucuman in 1816 de
republiek uit, het verklaarde de onafhankelijkheid van de Vereenigde
Staten van Rio de la Plata.

Het gebeurde van 1810 zal men nu herdenken in de thans bloeiende
republiek, ook met een groote landbouwtentoonstelling, die blijkens
de verspreide circulaires tevens een van veeteelt zal zijn en waar
de nijverheid eveneens zal vertegenwoordigd wezen, terwijl er voor
de verschillende hulpwetenschappen plaats zal worden ingeruimd. De
argentijnsche consul Gustav Niederlein te Berlijn geeft inlichtingen.



BOEKEN EN LEZERS.

In menig boek legt de lezer meer in dan de schrijver.



OP DEN UITKIJK.


BIJ EEN PAAR SPREEWALDKIEKJES.

Ten zuidoosten van Berlijn in het gebied van den bovenloop der Spree
ligt dat bekende Spreewald, de streek met zooveel eigenaardigs in de
gewoonten en de kleederdrachten der bewoners. Bij het dorp Burg begint
het al. Daar toch verdeelt zich de Spree in tallooze armen en armpjes,
die het land als liefkoozend omvatten. Nu eens door vlakke weiden, dan
door hoog opgaand bosch stroomend, bieden die waterloopen de grootste
afwisseling van uitzichten over het wijde land of op nauw ingesloten
oeverlandschappen. Ten noorden van Cottbus worden de korenvelden en
graslanden aangetroffen, waar de maaiers in schilderachtige middagrust
bijeen zijn, en de witte hoofddoeken der vrouwen en meisjes lichte
plekken vormen. Aan spijs en drank laaft men zich, terwijl de kinderen,
die den versterkenden kost brachten, mee mogen eten, want buiten in
het veld smaakt het veel lekkerder dan tehuis!

De booten van het Spreewald zijn een kenmerkende factor in de
streek. Het zijn als onze giethoornsche punters de voornaamste
vervoermiddelen van het land; reeds de jeugd leert er mee omgaan,
daar het gaan naar school en kerk, naar de markt en het dorp, naar
het spoorwegstation en naar visites bij buren, alles met de boot
gebeurt. Ook de meisjes leeren boomen en sturen door het warnet
van takken en takjes van de Spree. Het land is maar weinig bevolkt;
hier en daar is een boerenhoeve te zien, en men kan bezwaarlijk naar
den weg vragen. Dan gaat het nog beter te informeeren aan iemand,
dien men in een andere boot tegenkomt.

De houten huizen met vakwerk en strooien daken staan soms in groepjes
en keeren den bezoeker dan meestal den rug toe op de manier als bij
ons in de Zaanstreek, maar zooals daar Wormerveer beleefder is en
naar de rivier den voorkant van zijn huizen keert, zoo doen in het
Spreewald Lehde en Leipe dat ook. Tusschen de gehuchten worden de
waterloopen omsloten door elzen en eiken, esschen, iepen en beuken. Het
dorp Lehde heeft men wel het Venetië van het Spreewald genoemd, en
jaar op jaar komt een kunstenaarskolonie er schilderen. Inderdaad is
het natuurschoon er wel een bezoek waard. Een tochtje van Burg naar
Lübbenau bijvoorbeeld is een genot voor den natuurvriend.

Daarbij boeien de menschen, die men ziet. Het is een slavische
bevolking, de Sorben, die in twee groepen zich laten verdeelen
met een uiteenloopende taal, de Oppersorben en de Nedersorben. De
eersten wonen in het koninkrijk Saksen en het aangrenzend deel van
Silezië; de Nedersorben in de streek ten noorden van Cottbus, hebben
nog het trouwst aan hun oude kleederdrachten vastgehouden. Dat zal
voor een groot deel ook wel samenhangen met de ontsluiting van het
Spreewald voor de toeristen, die graag de vreemde kleederdracht zien,
de kleurige kleeding, die de bewoners dan met trots vertoonen. Men kan
immers daarbij vooral op de groote feesten, Paschen en Pinksteren, zijn
rijkdom toonen in de kostbare stukken der kleeding en in de sierlijke
hoofddoeken. De dracht der mannen is zoo goed als vergeten. Zelden
ziet men de lange, grijze jas en de muts met kwast, door enkele oude
heeren nog gedragen. Die ouden behooren tot een verdwijnenden tijd.

Maar heel anders is het met de kleeding der vrouwen. De kleinste
meisjes dragen den hoofddoek en gaan daarmee naar school. De
onderwijzers hebben wel eens om hygiënische reden getracht,
die gewoonte tegen te gaan, maar de ouders verzetten zich, en de
regeering heeft op goede gronden verordend, dat men de dracht niet
moet tegengaan, daar het volk er te zeer aan is gehecht. Die hoofddoek
is onafscheidelijk van de vrouwen en meisjes, en het is een aardig
gezicht, als zoo'n boot vol kerkgangers voorbijgaat en men de stijve
vijfhoeken daarin op rijen ziet geschaard. De maagd en de vrouw, de
bruid en de grijze dragen ze, maar niet allen op dezelfde manier. Elk
dorp heeft zijn eigen vouwen en kleuren, verschillend weer naar gelang
van omstandigheden, van doop of bruiloft, aanneming of avondmaal,
danspartij of werkplaats.

Er behooren dan bij het witte bovenhemd zonder mouwen, de kleurige
borstdoek, de groote boezelaar en de vele wijd uitstaande rokken. In
hoofddoeken, schorten en bovenrokken kan een weelde worden ten
toon gespreid, die opvallend afsteekt tegen de gewone zuinigheid
der bewoners. In het eigenaardige land passen de eigenaardige
kleederdrachten, en samen maken ze het verklaarbaar, dat tegenwoordig
de uitstapjes naar het Spreewald zeer in de mode zijn.



DE TELEGRAFEN DER NATUURVOLKEN.

In haar voorbeeldelooze ontwikkeling is de telegrafie een kind
gebleven van de electrische vonk, en daardoor is het te verklaren,
dat wij haar altijd met de electriciteit in verband brengen. Dat
behoeft echter niet. Zoo behooren ook tot het gebied der telegrafie de
vele kunstige inrichtingen van optiek en acoustiek, waardoor al voor
duizenden jaren de volkenreeksen hun gedachten hebben gereproduceerd
en berichten hebben gewisseld over groote afstanden.

De vuurtorens van Grieken en Romeinen waren de voorloopers van
de pruisische en fransche houttelegrafen, vóór zestig jaar in
gebruik. De kunst van het geven van optische signalen stond in de
oudheid op groote hoogte, zoo zelfs dat men tot de 18de eeuw niet
van eigenlijken vooruitgang kan spreken.

Intusschen stonden die ouden, Perzen, Grieken, Romeinen, ook
werkelijk op hoog standpunt in menig ander opzicht; maar vooral is
het belangwekkend, dat wilden, natuurvolken, stammen uit Amerika,
Afrika en Australië, de electriciteit niet hebben afgewacht, om
over verre afstanden met elkaar in gemeenschap te treden en dat ze
er al vroolijk op los telegrafeerden en telefoneerden, voordat de
verstandige Europeanen hun weg kruisten. Die kunst hebben de wilde
zonen van de steppen en de oerwouden uit zichzelf ontwikkeld en met
de eenvoudigste hulpmiddelen hebben ze haar tot een hoogte gebracht,
die voor hun omstandigheden voldoende was.

Wat de wilden elkaar te seinen hebben, zijn geen met cijfers doorspekte
beurs- en handelsberichten, waarin een enkel verkeerd cijfer heel
wat ongeluk kan veroorzaken. Maar voor wat volstrekt noodig is,
om in de uitgestrekte wildernissen, met elkaar in verbinding te
blijven en elkaar te helpen of te bestrijden, hebben ze doelmatige
seinen uitgevonden. In Kongo en Kameroen gebruiken de inboorlingen
voor berichten naar de verte trommels, zooals, naar onze lezers
weten, J. J. Moret al eens naar de N. R. C. schreef. Het zijn
stukken uitgeholden boomstam, aan weerszijden met antilopenvel
overtrokken. Men heeft ze in soorten. Er zijn groote, dofklinkende
trommels voor oorlogsberichten en kleinere spreektrommels, die enkel in
vredestijd worden gebezigd. Met een bijzondere soort van trommel wordt
de geboorte van een mensch aangekondigd en met weer een andere soort
geeft men een sterfgeval aan. Uit den uit de verte aanklinkenden toon
van een trommel kunnen dus de inboorlingen nauwkeurig onderscheiden,
welk bericht onder weg is.

En de negers hebben de trommeltaal nog fijner ontwikkeld. Zeer
bijzonder ontwikkelde trommelslagers verstaan de kunst, woorden te
vormen, waardoor het mogelijk wordt, allerlei berichten over groote
afstanden over te brengen. Zij komen uit de onderscheiden dorpen
af en toe te zamen, om zich te oefenen en hun voorraad signalen te
vergrooten en te vergelijken. Aan de Kongowatervallen verstaan de
negers het, met de trommels onder elkander gesprekken te voeren als in
de gewone taal, waarbij hun zeer fijn gehoor hun goed te pas komt. De
hoofden kunnen, zonder van hun rustbank op te staan, met behulp van
deze trommeltelefonie met hun buren zoo gemakkelijk onderhandelen,
dat ze voortdurend op het nauwkeurigste van wat er in vrij wijden
omtrek voorvalt, op de hoogte zijn.

Niet zelden komen ook de blanken in de noodzakelijkheid, zich te
bedienen van de vèrspreekkunst van de negers. Zoo vertelt pater Von
der Deken, hoe de inspecteur der Kongomaatschappij, als hij op een
inspectiereis zich verlaatte, aan een trommelslager de opdracht gaf,
de menschen op het station Basoko te vertellen, dat er vertraging
was en hun te zeggen, den maaltijd te bewaren. De mededeeling werd
dan van dorp tot dorp getrommeld en de inspecteur miste zijn maal niet.

Over een dergelijke werking van de spreektrommel bericht gouverneur
Von Bennigsen uit de Stille Zuidzee, waar de trommeltaal eveneens in
gebruik is. Op een dag kwam de tijding, dat op een eiland door een
hoofd gewelddaden waren bedreven. Hij ging terstond aan boord van een
regeeringsstoomboot, om recht te doen en nam een zwarten trommelslager
mee. Terwijl het hoofd zich verscholen hield in het dichte struikgewas,
lag de strafexpeditie vanwege de branding ongeveer vier kilometer
van het strand verwijderd. Toen zond de trommelslager een vraag in
de trommeltaal naar de jungle over, en dadelijk kwam er antwoord. Er
volgde een levendig gesprek, waarvan het gevolg was de onderwerping
van het hoofd en de betaling van een boete.

Nog eigenaardiger is de inrichting van de acoustische
telegraaf, waarvan de argentijnsche reiziger Dr. José Bach op een
onderzoekingstocht in het Amazonengebied verhaalt. Hij stiet daar
op een Indianenstam, de Catoequinaroe's, die op vier verschillende
nederzettingen woonden. Elke van die 1.6 kilometer van elkander
verwijderde nederzettingen bezat een inrichting, waardoor ze
voortdurend in gemeenschap kon blijven met de andere. Het was ook een
trommeltelegraaf, maar op andere physische grondslagen ingericht dan de
afrikaansche. In den grond was een 1.1 meter diepe, cylindervormige
kloof van 1.2 meter middellijn gegraven en tot op de helft met
vastaangestampt, grof zand gevuld. Op de zandlaag stond in het midden
een bijna een meter hooge, 40 centimeter dikke palmstam, die aan beide
einden een 30 en 20 centimeters wijde holte had, onderling verbonden
door een slechts 12 centimeter wijd kanaaltje. De onderste holte
bevatte in vier lagen fijn zand, houtspaanders, beendersplinters en
gestampt glimmer; de bovenste in drie lagen leder, hout en caoutchouc,
terwijl de middelste nauwe opening ledig was.

Om den stam heen had men de kloof of sloot met stukken hout,
ongelooid leer en verschillende soorten hars gevuld en ze ter hoogte
van de oppervlakte van den bodem met een caoutchoucplaat afgedekt. Dit
toestel, dat een soort van trommel voorstelde en dat door de Indianen
cambarysoe werd genoemd, diende zoowel tot het geven als tot het
ontvangen van signalen. Als men met den trommelstok, waarvan de knop
met caoutchouc en leer was overtrokken, op den cambarysoe sloeg,
plantte zich het geluid door den grond naar het gelijkvormige
toestel van de volgende nederzetting voort en kon daar duidelijk
worden waargenomen. Op zijn dringend verzoek kreeg de vreemdeling een
proef te hooren van de werking. Het hoofd riep het volgende station
door tweemaal kloppen aan, waarop als antwoord een dof geluid werd
vernomen, afkomstig van een slag op het toestel aan het geroepen
station. Daarop ontspon zich met behulp van afgesproken seinen een
lang gesprek, waarvan de inhoud den vreemde onbekend bleef.

Het wonderlijke bij deze ontdekking is niet zoozeer, dat de van de
beschaving zoo ver af staande wilden met de wetten der voortplanting
van het geluid door den grond bekend waren, als wel dat de Indianen
ook in staat waren, de technische middelen te vinden, om dit procédé
in de praktijk voor hun doel te gebruiken. Intusschen is het ook niet
volkomen onmogelijk, dat de cambarysoe een eeuwen lang geheim gehouden
instrument is uit de tijden van het tot een zekere beschaving gekomen
rijk der Inca's in Peru.

Het geheim der trommelteekens wordt door de natuurvolken streng
bewaard. In Kameroen is het den duitschen onderwijzer Betz na
langdurige studie gelukt, erachter te komen. Daar de wanden van de
daar gebruikte trommels verschillend van dikte zijn, krijgt men door
het slaan tegen de kanten verschillende tonen. Betz heeft ongeveer
300 met de trommel weergegeven zinnen verklaard, en hij geeft toe,
dat men door de trommeltaal kilometers ver over alle mogelijke dingen
kan praten; er kunnen verhaaltjes worden verteld, nieuwtjes worden
overgebracht en er wordt geroepen en gescholden in de boschwildernis,
alles "op noten".

Een optische vèrspreektaal heeft onder de wilden in Australië
rooksignalen in haar dienst. Het gebruik van vuur- en rooksignalen
is zeer oud, maar de rooktelegrafie van de Austraalnegers is zoo
eigenaardig, dat ze afzonderlijk vermelding verdient. Het geheim dier
taal wordt streng bewaard, en de ouden van den stam, de priesterlijke
wachters van de stamgeheimen, zwijgen zelfs tegenover jongere leden
van den stam over de beteekenis der afzonderlijke teekens. Maar in
den laatsten tijd heeft men zooveel waarnemingen er over gedaan,
dat het stelsel in hoofdzaak bekend is geworden.

De verschillende beteekenis der signalen wordt uitgedrukt door den
vorm en de kleur der rookzuilen. De middelen, om die te voorschijn te
roepen heeft de Australiër in de hem omringende plantenwereld. Een
dikke zwarte rookzuil ontstaat, als een hoop brandhout bedekt
wordt met groene bladeren of gras, en kan dienst doen als signaal
voor verre afstanden. Bij windstilte kan de rook tot duizend meter
hoog stijgen en wordt dan tot op 80 kilometers afstands gezien. De
beteekenis is bij verschillende stammen verschillend, bijvoorbeeld:
"een menigte gewapenden is in aantocht, om een man te dooden", of
"hier is veel water en wild; wij gaan een dansfeest geven".

Is de rookzuil groot en bleek van kleur, waarvoor droog hout wordt
gebruikt, dan kan het een doodstijding zijn of bij andere stammen een
aankondiging van bezoek wezen. De inboorlingen verstaan het, aan de
rookzuilen door kunstgrepen allerlei vormen te geven en hebben daardoor
den woordenschat der rooktelegrafie sterk uitgebreid. Spiraalvormige
teekens worden verkregen door de brandstof in een kring om een
rechtop staanden stam op te stapelen of ook wel doordat twee mannen
een vel in een bepaalde helling boven het vuur cirkelvormig laten
draaien. Rookballen krijgt men door den opstijgenden rook op te
vangen in zakken en dan van tijd tot tijd den zak van boven te openen,
terwijl een tweede inboorling den zak een opwaartsche beweging geeft,
zoodat de rook in den vorm van een bal ontwijkt.

De Australiërs hebben een heel woordenboek van rooksignalen, er zijn
onafgebroken rookzuilen, rookguirlandes, evenwijdige zuilen van rook
van verschillende kleuren, en daardoor en in verbinding met bepaalde
herhalingen en schikkingen ontstaat een woordenrijke teekentaal.

De behoefte aan onderling verkeer is zoo oud als de wereld, en
menschenvernuft heeft overal middelen en wegen gevonden, om er aan
tegemoet te komen. Waar onze beschaving nog niet is doorgedrongen, daar
vlammen de vuren op, in geheimzinnige taal van berg tot berg berichten
overbrengend; hoornsignalen klinken door woestijnen en oerwouden;
maar nergens zijn die middelen van onderling verkeer zoozeer tot de
hoogte der kunst gestegen als in de trommeltaal en de optische taal
met rooksignalen.



HERLEVING VAN DE MARKT TE NISCHNI NOWGOROD.

De groote markt te Nischni Nowgorod heeft dit jaar veel meer succes
gehad dan in de laatste jaren het geval was. Het vooruitzicht van
beter zaken te doen in Midden- en Zuid-Rusland verklaart maar voor
een deel het toenemen van den handel. Maar er is een andere oorzaak,
namelijk, dat dit jaar weer enkele groote kooplieden en fabrikanten,
die gedurende een zeker aantal jaren de markt vermeden, er zijn
teruggekeerd. Als gevolg van den aanleg van spoorwegen en andere nieuwe
gemeenschapswegen, die de industriëele middelpunten in rechtstreeksche
gemeenschap stelden met alle deelen van het rijk in Europa en Azië,
was de markt te Nischni Nowgorod achteruitgegaan.

De groote russische industriëelen en kooplieden hadden geleidelijk
Nischni verlaten in de meening, dat hun klanten hen zouden volgen
naar de middelpunten van voortbrenging. Die hoop werd mogelijk in den
aanvang vervuld, maar niet op den duur, want sinds eenige jaren ging
de markt achteruit. Tegenover dat verontrustende feit hebben een groot
aantal producenten besloten den ouden weg weer in te slaan. Niet dat ze
denken, de schitterende zaken terug te vinden van vroeger; ze weten,
dat niet daar de belangrijkste koopen worden gesloten, maar misschien
zullen ze een deel terugwinnen door zich in de herinnering van hun
oude klanten terug te roepen en de aandacht van andere te vragen.

En dit jaar zijn voor het eerst in langen tijd de reusachtige tenten,
die het veld van de markt bedekken, voor een groot deel bezet geweest;
de 4000 winkels aan de zestien straten van elk een goeden kilometer
lang, die elkander rechthoekig snijden, hebben onder hun veranda's
de opgehoopte goederen ten toon gesteld. Sedert lang had men zooveel
goederen niet gezien in de straten van de bontwerkers, goudsmeden,
reukwerkfabrikanten, meubelmakers, zijdewevers en kleermakers van
allerlei aard.

Een nieuw gebouw, dat er sierlijk uitziet, is de Glavni Dom, een
huis van 20 meter lang en 50 meter breed. De bovenverdiepingen zijn
ingenomen door de officiëele diensten, administratie, politie, post
enz., terwijl de eerste verdieping door een ruime hall wordt ingenomen,
waarop winkeltjes uitkomen van kostbare dingen, juweelen, zilverwerk
en goud, parelen, tapijten en zijden stoffen, waarvoor koopers en
verkoopers de dure plaats van deze soort van tentoonstelling niet
schromen. Want ieder van deze winkels betaalt duizend roebels huur,
twaalfhonderd met wat erbij komt. Er zijn tweehonderd winkels van dien
aard in den Glavni Dom, wat een huur maakt van 240.000 roebels. Daarbij
komt de huur van de andere vier duizend winkels, die elk honderd tot
honderd vijftig roebels huur doen, zoodat men komt tot een cijfer van
een millioen roebels, een wel groot, maar niet buitensporig cijfer,
als men bedenkt, dat verleden jaar, toen men met een gemiddeld jaar
te doen had, er te Nischni voor twaalfhonderd millioen francs zaken
zijn gedaan.



OPKOMST VAN EEN STAD IN SCHOTLAND.

De eischen van de industrie doen wel eens aan de schoonheden
der natuur een felle concurrentie aan. Overal waar zich bergen
verheffen, beijveren zich de ingenieurs concessies te erlangen voor
het exploiteeren van watervallen, en Schotland ziet dan ook reeds
de liefhebbers der witte steenkool zijn hooggebergte beklimmen en er
zich vestigen.

Tot den herfst 1905 was het gebied van Loch Leven, verloren in het
bergland van oostelijk Schotland, alleen bekend bij de jagers en bij
enkele kunstenaars, die de woeste schoonheid van het land bewonderden
en met hun penseel trachtten weer te geven het indrukwekkend
schouwspel der watervallen. Maar in het najaar van 1905 reisde een
engelsch industriëel als eenvoudig toerist in die streek, en zijn
speculatiegeest ontwaakte bij het zien van de hydraulische krachten,
die er te gebruiken vielen bij Loch Leven.

De toerist, die de ontdekking deed, was een der directeuren van de
British Aluminium Company, een machtige maatschappij, die haar verkoop
steeds ziet toenemen met het veelzijdig gebruik, dat van het door haar
geproduceerde metaal wordt gemaakt. Toen de maatschappij de waarde der
terreinen om Loch Leven had ingezien, besloot ze er een reuzenfabriek
te zetten; ze verkreeg er de noodige rechten voor en ging terstond aan
het werk ondanks bezwaren van allerlei aard. Er zijn daar drie meren
op verschillende hoogte en verbonden door een rivier. De ingenieurs
hebben het plan opgevat een reusachtigen dijk aan te leggen, die hoog
genoeg zal zijn, om in een enkel verzamelbekken de wateren der drie
meren te bevatten. Dat réservoir zal het grootste van Europa worden
en misschien van de wereld; het zal een kilometer breed en veertien
kilometer lang zijn. Het zal ongeveer een milliard hectoliter bevatten.

Om de watermassa te bewaren, is de stuwdam 803 meter lang, heeft een
dikte van 18 meter aan zijn voet en van 4.5 meter aan de oppervlakte
van het water. De grootste hoogte zal 24 meter bedragen. Het water
van het reuzenbekken wordt aangevoerd door een kanaal van gewapend
beton van een afstand van 6.5 kilometer naar een verdeelingsbekken,
van waar zes reusachtige stalen buizen uitgaan, die het water naar
twaalf turbines voeren.

Die buizen worden door een duitsche firma geleverd en in Hamburg
direct ingescheept naar de kleine havenplaats Kinlochaven. Nu is er
te Loch Leven te midden der woeste rotswereld een heele stad ontstaan
van werklieden en hun gezinnen. Men vindt er aardige huisjes van twee
verdiepingen met een tuin, naar een weloverlegd plan geplaatst. De stad
heeft overvloedig drinkwater en electrisch licht; aan alle eischen
van hygiëne is voldaan; electrische trams brengen de werklui naar
het werk; er is een presbyteriaansche kerk en er zijn scholen voor
de kinderen. Het is een nieuw verrezen stad, als in Amerika zoovele
plotseling zijn ontstaan.

Loch Leven is een rotsachtig plateau, dat bijna ontoegankelijk is. Er
gingen enkel slechte muilpaden heen. Dat moest anders worden. De
British Aluminium Company richtte boven de dalen en afgronden een heel
net van luchtspoorwegen in. Langs soliede stalen kabels vervoeren
hangende waggons, door electriciteit bewogen, die door een naburige
rivier wordt voortgebracht, elken dag 500 ton materialen.

Als de hydro-electrische fabriek in werking zal zijn en de electrische
ovens het aluminium bereiden, zullen de machines goed beloonden arbeid
kunnen verschaffen aan meer dan 15000 arbeiders.



TEGENSTRIJDIGE RELATIE.

X. en IJ. staan tot elkander in een tegenstrijdige betrekking: aan
den eenen kant zijn ze bevriend met elkander--aan den anderen zijn
ze bloedverwanten.





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Op den Uitkijk, Jaargang 1909 - Bijblad bij De Aarde en haar Volken" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home