Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: De Ridderromantiek der Franse en Duitse Middeleeuwen
Author: Vedel, Valdemar
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.


*** Start of this LibraryBlog Digital Book "De Ridderromantiek der Franse en Duitse Middeleeuwen" ***


  +----------------------------------------------------------------+
  |                                                                |
  |                 OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER:                   |
  |                                                                |
  | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele,     |
  | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te      |
  | moderniseren.                                                  |
  |                                                                |
  | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het  |
  | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld.                 |
  |                                                                |
  | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn       |
  | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden.             |
  |                                                                |
  | De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven          |
  | als _cursief_.                                                 |
  |                                                                |
  | In dit boek worden lage en hoge aanhalingstekens gebruikt.     |
  | De dubbele aanhalingstekens zijn in dit e-boek aangegeven als  |
  | »aanhalingstekens". De enkele aanhalingstekens zijn als        |
  | >aanhalingstekens< aangegeven.                                 |
  |                                                                |
  | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de           |
  | aangebrachte correcties.                                       |
  |                                                                |
  +----------------------------------------------------------------+



                           DE RIDDERROMANTIEK
                                  DER
                     FRANSE EN DUITSE MIDDELEEUWEN


          _Schrijver en Vertaler wensen de lezers op te doen
          merken, dat de in deze bewerking te vinden afwijkingen
          van het origineel aan gemeen overleg te danken zijn._


                    KULTUUR-HISTORISCHE BIBLIOTHEEK


                             VALDEMAR VEDEL


                           DE RIDDERROMANTIEK
                                  DER
                     FRANSE EN DUITSE MIDDELEEUWEN


                        GEAUTORISEERDE BEWERKING
                          NAAR HET DEENS DOOR

                               H. LOGEMAN


                        UTRECHT--H. HONIG--1919


        BOEK-, COURANT- EN STEENDRUKKERIJ G. J. THIEME, NIJMEGEN



INLEIDING.


Meer dan eens heeft de vorige eeuw getracht de Ridderromantiek der
Middeleeuwen weer tot een kunstmatig leven op te wekken. Eerst de Duitse
romantici met hun Heinrich von Offerdingen en Barbarossa, de Genoveva
van Tieck en de Tempeliers van Werner; daarna Walter Scott met zijn
Ivanhoe en Victor Hugo met zijn Burggraven; gelijk in Denemarken
Ingemann met zijn Otto en Jonkvrouw Inge. Nadat toen een paar geslachten
zich aan de schildering der werkelikheid en kritiek van de maatschappij
hadden overgegeven, ontwaakte de heerlikheid van Koning Arthur en zijn
Graal wederom in de dromende ridders van Burne Jones en Rossetti en de
smachtende jonkvrouwen van Tennyson. In de toondichten van een Wagner
weerklonk opnieuw de horen van de Zwaanridder, het lokkend spel uit de
Venusberg en Parsifal's Graal-verlangens. En in de toren-kamer en de
burchtgangen van Maeterlinck tastte de kinderachtige Blanchefleur-liefde
hulpeloos rond in het afschrikkende donker der Middeleeuwse mystiek.
Zeldzaam moderne incarnaties van de Middeleeuwen zijn het allemaal--de
edele Sir Galahad en de liefdezieke Lady Elaine, zo goed als de
Kristelik-Schopenhauerse Graalheld bij Wagner en de »fin-de-siècle"
Pelléas en Mélisande; in 't algemeen staan ze daar nog verder van af
dan Ridder von Trautwegen en jonkvrouw Inge van de flinke Ridders en
schelmse dames van de oude Meester Chrétien de Troyes of van Wolfram
von Eschenbach's kernachtige maar naieve Parsifal.

Maar er was nog wel iets meer in de volksboeken gebleven van de
sentimentaliteit en het sprookjeselement dier oude romans--denk aan
Vigoleis met 't Gouden wiel, de schoone Magelone of Alexander de
Grote--die nog voor een paar generaties menige boerenjongen allerlei
grillen in het hoofd zetten en menig boerenmeisje zilte tranen deden
storten. Ofschoon ook deze volkslektuur niet veel meer van de geur en
de ziel der oude Romantiek bewaard had, dan voor zover de houtsneden
en het papier van de cents-prenten aan de oude, sierlike geïllumineerde
handschriften herinnerden, of voor zover het tegenwoordig publiek denken
deed aan de bloem van de adel in de tijd van Lodewijk de Heilige.

Maar noch deze vergroeide spruiten, noch ginds kunstmatig doen herleven
van 't voorheen, is het wat feitelik van onze tegenwoordige kultuur
naar de Ridderromantiek terug leidt. De verbinding is dieper en meer
vertakt. De moderne Franse roman,--of die nu het moderne Parijs
schildert, of zich verdiept in de psychologie van de liefde,--kan
met de nodige schakels direkt op de dertiende-eeuwse Franse romans
teruggevoerd worden, evenzeer als de stamboom van de moderne Engelse
roman, van het spannende, excentriese genre, ons terug brengt tot de
ingewikkelde mystieke verhalen van de Arthurcyclus. De gehele moderne
liefde-lyriek--Lamartine, Heine, zowel als bij ons in Denemarken
Christian Winther--leeft van motieven en zingt in een toon die
de troubadours en de minnezangers het eerst ontwikkeld hebben. En
afgezien van het puur-literaire, zijn het de gehele moderne vormen der
samenleving zowel als veel van de moderne sentimentaliteitskultuur die
op de tijden van toernooien terug gaan en op die waarin dames er hun
apart hof op na hielden. Onze begrippen over een »gentleman" en een
»lady", over ridderlikheid en vrouwelikheid, over liefde en eer, over
goede zeden en nette manieren, dat alles heeft zich ontwikkeld uit de
idealen die zevenhonderd jaar geleden ontstonden aan de hoven van de
landgraven van Thuringen of die van Provence en Champagne.

Wat dus hier onder de naam van Ridderromantiek der Middeleeuwen
samengevat is, die Franse en Duitse kultuur der 12de en 13de eeuwen,
aristokraties, sosiaal en romanties, betekent daarom de studie in
oorsprong en in een hele ontwikkelingsfase van de moderne dichtkunst
en zelfs van de moderne maatschappij.



I.

VAN BARON-BURCHT TOT RIDDERHOF.


Ons uitgangspunt zal de anarchie van de adel zijn die in het 11de eeuwse
Frankrijk en Duitsland haar toppunt bereikte. Door het eentonige
monnikenlatijn van de kronieken heen, komt ons het lawaai en de
verwarring tegemoet van het onophoudelik gekrakeel der grote
Heren,--door dat van een Raoul Glabers van Cluny, de abt Guibert van
Nogent, Ordericus Vitalis in zijn Normandies klooster, zo wel als de
Beierse abt Ekkehard of de Sassenbisschop Tietmar. De kroonvazallen
heersen zo goed als geheel onafhankelik, elk in zijn eigen landje; in
Frankrijk onder de zwakke Capetingers, in Duitsland onder de alles
onderste boven werpende strijd der Saksiese keizers met de Pausen.
In Frankrijk zijn het hertogen als die van Normandië, Bourgondië,
Aquitanië, graven, als die van Vlaanderen, Poitou of Toulouse. In
Duitsland de hertogen van Beieren, Zwaben, Saksen, de markgraven van
Babensberg in Oostenrijk, de Paltsgraven van Wittelsbach en de
landgraven van Thuringen. En onder hen weer een hele massa van kleine
burchtheren en gewone baronnen die het met elkaar en met hun leenheren
even dikwels aan de stok hebben als de laatsten met de Koningsmacht. Elk
voorjaar trekken de Heren met hun volgelingen te velde, om hun buurman
een stuk grond te ontnemen; en naar aanleiding van de ene of andere
belediging, uit bloedwraak of uit tijdverdrijf, om de boerenhofsteden en
de kooplieden langs de openbare weg te plunderen of steden en kloosters
te brandschatten. In Anjou raast de zwarte graaf Foulques als een
wild beest, in Normandië staan de boeren in hun wanhoop tegen hun
onderdrukkers op, maar worden weer ten ondergebracht, met een wreedheid,
wier bizonderheden de kronieken koelbloedig uitvoerig vermelden, te
Brugge vermoorden de samengezworen baronnen de »goede" graaf Karel
midden in de kerk en gebruiken daarna deze laatste als vesting tegen de
Koning en de burgers. Bij Guibert kan men lezen hoe de intrigante gravin
van Namen, Enguerrand de Coucy en diens bloeddorstige zoon Thomas de
Marle, jaren lang de omstreken van Laon in een eeuwige onrust hielden.
En over de wijze waarop menig Hendrik van de Welfen en menig Frederik
van de Staufen in Frankenland en in Zwaben huis wisten te houden, daar
weten de Duitse kronieken genoeg van te verhalen.

Wat zijn ze ruw en plomp, al die »barones" en »milites"; met een robust
geweten en een vrolik gemoed slaan ze hun medemensen dood, hebzuchtig
als de gieren strijken ze op goederen en vee neer en als dolle stieren
op de vrouwen. Even uiterlik als hun verhouding is tot wet en recht, zo
is die tot het Kristendom. Steeds is hun weer ingestampt, dat men, om
zalig te worden, gedoopt moet worden, de mis moet bijwonen, moet vasten,
te communie gaan en dat doen ze dan ook, maar meer laten ze zich door
geen enkele kerkelike band in hun vrijheid beperken. Integendeel,--als
rebellen staan de baronnen in hun anarchie tegenover de Kerk, gelijk ze
het recht trotseren en de maatschappij. Het is niet alleen wetteloosheid
die er heerst, maar een gewilde teugelloosheid, de baronnen zijn niet
alleen zonder moraal, er zit een godvergeten woestheid in hen, die aan
het Titaniese herinnert uit de tijd der Italiaanse renaissance. Een
hunner heeft er plezier in zijn biechtvader op Goede Vrijdag op een
kolossaal banket te nodigen en hem zijn dikke buik te wijzen, »vol van
de eere Gods"; een ander houdt er een hele harem, d. w. z. bordeel op
na, voor het uiterlik een nonnenklooster. De ene vrouw na de andere
laat men lopen, rooft die van zijn buurman en dwingt de kerk om zowel
de scheiding met de ene, als het huwelik met de volgende te wettigen.
Een baron laat zijn gevangenen bij de geslachtsdelen ophangen of bij de
duimen en hangt er zware stenen aan, om het gewicht te vermeerderen. Een
ander die het met zijn leenheer te kwaad heeft gehad en hem eindelik
in zijn macht heeft gekregen, werpt hem in de gevangenis, maar laat
hem 's winters in een nat hemd voor een open venster in de gevangentoren
plaatsen, totdat het hemd door de ijzige wind bevriest. Een Normandies
ridder en zijn vrouw laten een onneembare toren bouwen en wanneer die
gereed is, laat de burchtvrouwe de bouwer doden, om zeker te zijn dat
hij voor de buren niet ook zulk een toren zet. Niet lang daarna jaagt
zij haar man ook weg, zij wenst alleen te zijn; hij ziet echter kans
weer binnen te komen en dan laat hij haar om 't leven brengen.

Over deze en dergelijke dingen kan de kroniekschrijver een »ach"
en »wee" laten horen en er de vloek der kerk over inroepen. Maar
toch, in al die bandeloosheid schuilen krachten, waarvan de ogen der
geestelikheid alleen de slechte kant gezien hebben. De ideale kant,
de idealen zelf en de aspiraties welke in hun beste ogenblikken die
anarchie van de adel bezield heeft, die ontrolt zich voor ons in
de nationale heldendichten, die op de grondslag van oude sages en
overleveringen door 't vlees en 't bloed van de adel geschapen zijn. In
Frankrijk hebben wij die nog vrij zuiver in het »Chanson de Roland" en
nog een paar anderen van de oudere »Chansons de geste", in Duitsland
is die in het Nibelungenlied en »Goedroen" overstreken met een laagje
ridderromantiek dat er eerst afgeschrapt moet worden. Maar door het
woeste en het ruwe in deze gedichten, schijnt een noblesse en een
krijgsgeest van hoge menselike waarde.

Neem b.v. de wanhopige heldenstrijd van Roland en zijn wapengenoten bij
Ronceval tegen de scharen der Saracenen of Ogier li Danois die geheel
alleen zijn burcht tegen het leger van Karel de Grote verdedigt. Of wel
de geschiedenis van Siegfried die Brynhilde wil trouwen, en het bloedbad
der Nibelungen in Huneland op de tochten der Vikingen en de hevige
zeeslagen in »Goedroen". Dat zijn beelden van een machtig spel van
het noodlot waar het om leven en dood gaat, krachtige majeur tonen en
hartverscheurend tragies. Verheerliking van de man en het mannelike,
verheerliking van kamp en strijd. Die heldendichten verkondigen ook de
moraal van een elementaire oorlogseer, ze bezingen wat Roland en Olivier
samenbindt, en Hagen en Volker en schilderen het opperhoofd en zijn
getrouwen, Karel de Grote en zijn twaalf pairs, Didrik van Bern met zijn
twaalf »Recken". Het grote ideale beeld van de krijgskoning en zijn adel
is Karel de Grote op zijn »faldestueil" in de koningshal te Aken, in de
Raad met zijn baronnen of op de morgen van de slag aan het hoofd van
zijn leger.

Maar dit hoort eigelik bij de oudere lagen der Heldendichten, de
inspiratie uit het meer oorspronkelike stadium in de maatschappij van
de _clans_. Gedurende het uitéénvallen van het oude soldatenkoningschap
en de anarchie der baronnen, ging de belangstelling der heldendichten
over op de Vazallen en de Baronnen en schilderen zij nu de krijgsadel in
zijn geweldige worsteling met de onbekwame en despotiese vorsten--het
rebelliese zich zelf op de voorgrond zetten van de Franse Heemskinderen
of de Duitse Hertog Ernst--en de veten der baronnen onder elkaar,
dezelfden waarvan de kronieken _hun_ beeld gaven. Maar Begon, de
»oorlogsdemon" en Raoul de Cambray uit de chansons de geste of Hagen en
Krimhilde van het Nibelungenlied, die hebben ook een soort Idealiteit;
wat laten die zich niet met geniale kracht op hun »baronscap" of hun
»Reckenthum" voorstaan als adelmensen die ver boven monnikskappen en
kramers en de verachtelike menigte verheven zijn, zij, Heer over hun
eigen wil en aan geen andere wet gehoorzamende van mensen nòch van God,
dan die welke zij zich zelf voorschrijven.

Dat is, gezien in de dubbele spiegel van kroniek en heldendicht, de
adelsanarchie in Frankrijk en Duitsland. Maar er voltrekt zich in
de 11de en 12de eeuw--voorlopig handelen wij hier voornamelik over
Frankrijk--een ontwikkeling die in het een zoowel als in het andere
genre al in de kiem te vinden is en die ten slotte verder voert dan
baronnen-werkelikheid en baronnen-idealen.

Uit die anarchie rijst weer een maatschappelike orde op. De kastelen
die de baronnen overal in het land gebouwd hebben ter bescherming van
hun eigenmachtig optreden, zijn feitelik de cellen voor een nieuwe
maatschappij geworden. Achter de muren en grachten wordt er op die
burchten een leven van tot zekere hoogte veilige voorspoed geleid;
de familie en het gezin worden door het samenleven als één, vooral de
eenzame winteravonden, wanneer het met de oorlog en de jacht gedaan
is; in de gedichten zien wij de baron bij de haard zitten met zijn
echtgenote, haar innig kussen en zich verheugen over het spelen van een
paar flinke jongens, of wel hij zit in de hal met zijn mannen en hoort
een zanger de heldendichten voordragen. Als er niets anders te doen
is, houdt men wapenoefeningen of men speelt met de teerling of er wordt
gedanst. Ook begint men het huis te verfraaien; de balken worden fraai
uitgesneden en met ornamenten versierd, ook de muren worden geschilderd
of bekleed met geborduurde behangsels. Er komt gezelligheid en gevoel in
het leven der baronnen, een zekere schoonheid en een drang naar
geestelik verkeer.

Aan de voet van de burcht ontstaat een kleine maatschappij, die zich
onder de bescherming van de burchtheer stelt, opdat hij op zijn beurt
hen beschutte tegen de andere baronnen en de struikrovers zal laten
ophangen. En hoe volkomen willekeurig de baron zich ook tegen zijn
boeren en dienstmannen moge gedragen, toch komt er een zeker gevoel
bij hem op van zijn plichten als beschermheer en ontstaat er een
landsvaderlike verhouding van hem tot zijn »serfs". De burchtvrouwe
begeeft zich naar 't dorpje en zorgt voor de zieken en de armen en
wanneer de heer weduwnaar mocht worden zonder kinderen, dan komen de
kleine burgers en vragen hem om toch vooral weer te trouwen opdat zij na
zijn dood niet zonder heer zullen achterblijven.

Ondertussen zijn ook de kleinere burchtheren door de desorganisatie
van het leenstelsel steeds afhankeliker van de vorsten geworden en
langzamerhand bouwt zich dat trapsgewijze op: Seigneur, Vicomte,
Graaf en Hertog; meer en meer beginnen geschreven kontrakten en een
gedétailleerd gewoonterecht de onderlinge rechten en plichten tot in de
kleinste kleinigheden te regelen. Stukken welke uit die tijd stammen,
tonen heel duidelik hoe hoog ontwikkeld het feodale geweten is en zelfs
in woeste heldendichten vertoont de kleine vazal dikwels onkreukbare
trouw jegens zijn leenheer, maar hij zegt hem zijn manschap ook zonder
gewetenswroegingen op, wanneer de leenheer _zijn_ plichten niet nakomt.
Onder deze omstandigheden ontwikkelen graafschappen en hertogdommen zich
meer en meer tot werkelike rijken, onder vaste vorstendynastiën, en de
kleine vorsten verbieden »les guerres privées", trekken rond en breken
de »chateaux forts" af, stellen baljuws aan en richten rechtbanken op;
meer en meer van de eigendommen der baronnen komen in hun eigen handen,
terwijl zij de baronnen om zich heen verzamelen bij hun hof, waar ze de
hoge plaatsen innemen en deel uitmaken van de raadgevende vergaderingen.
Op die wijze verzamelt de Vlaamse adel zich aan de grafelike hoven van
Ardres, St. Pol, Boulogne of aan het hof van den leenheer te Atrecht of
Brugge, de adel van Champagne aan het hof te Troyes, in Provence, te
Brienne of Bar; de adel van Languedoc aan de hoven te Toulouse, Narbonne
en Beziers. In plaats van de treurige, armoedige burchten overal in 't
land verspreid, waar een zeer beperkte kring een vrij eentonig leven
geleid had in tamelik primitieve toestanden, en om zo te zeggen, onder
voortdurende dreigementen van vijandig-gezinde buren, daar komen nu die
vorstenhoven op als de middelpunten van de adel en met een sosiaal leven
onder veel gunstiger en vreedzamer omstandigheden.

In 't algemeen kan men zeggen, dat de adel zijn levenswijze en zijn
wijze van denken aristokratiseert, terwijl die zich aldus om de vorsten
heen organiseert. Het is dan ook in deze tijd dat de standen zich meer
van elkaar gaan onderscheiden. Door de strijd om de investituur, de
invoering van het celibaat en de ontwikkeling der monniksorden, neemt
de geestelikheid een geheel aparte plaats naast de burgermaatschappij
en de staatsorganisatie in, en wordt onder de leiding der pausen tot
een Europese, internationale grootmacht. Ondertussen verzamelen de
handwerkers zich in hun gilden en gemeenten, kooplieden werken zich
op tot rijkdom en verkrijgen privileges en de grote steden beginnen
in het Noorden zowel als het Zuiden van Frankrijk, door hun uitdagende
houding, ekonomiese zowel als politiese vrijheid te verwerven. Zowel de
geestelikheid als de burgerij stellen door allerlei machtsmiddelen paal
en perk aan het vrije optreden van de adel en de kloosters scheppen
zich een eigen opbouwende, stichtelike literatuur, evenals de burgerlike
geest zich weldra zelfstandig uit in een humoristiese vertellingtrant en
didaktiese dichtkunst. Maar daarentegen verschanst de adel zich des te
exclusiever tegenover de klerken en de kramers achter zijn macht en zijn
privileges en leeft zijn eigen afgesloten leven in een maatschappij, die
door heel haar wijze van zijn zich als een hogere stand en een
soldatenkaste wil doen gelden en zich weldra ook een heel wat
karakteristieker _adellike_ dichtkunst vormt dan de nationale
heldendichten geweest waren.

Maar het waren niet alleen die andere standen die de adel in 't gedrang
zouden brengen. Van het jaar 1100 af blijft het daarvóór zo diep
gezonken koningschap langzaam maar voortdurend in macht toenemen. Van
Lodewijk de Dikke tot Lodewijk de Heilige groeien de koninklike domeinen
stukje voor stukje aan: van Ile de France breidt het land in direkt
koninklik bezit zich langzamerhand over het grootste gedeelte van
Noord-Frankrijk en grote stukken van het land zuidelik van de Loire uit,
en waar Lodewijk de zesde in 't jaar 1100 nog in eindeloze veten lag
met de kleine rebelliese burchtheren bij de Seine, kan Philip Auguste
in 1214 de verenigde legers verslaan die de Engelse koning, de Duitse
keizer, de graaf van Vlaanderen en andere rebelliese leenmannen tegen
hem aan hadden gevoerd. De geestelikheid staat met de machtige abt Suger
de St. Dénis en later bisschop Guillaume van Parijs steeds aan de kant
van het koningschap en de staatsautoriteit, en aan de Universiteit
werden de docenten van het Romeinse recht de beste steunpilaren van de
kroon; als koninklike baljuws en drossaten, werden ze uitgezonden om,
ten koste van het feodale lokale bestuur, de rijksadministratie en
wetgeving meer en meer te centraliseren.

Maar het gevolg van die innerlike organisatie en de uiterlike
beperking van de adel is nog bovendien dit--een andere zijde van de
ontwikkeling--dat een groot deel van de krijgshaftige teugelloosheid van
de wereld der baronnen onschadelik gemaakt moet worden, omdat die in de
nieuwe maatschappij geen plaats kunnen vinden, niet in de nieuwe vormen
»in-getemd" kunnen worden. Er zijn jongere zonen, die, al naarmate
het eerstgeboorte recht bij de leenssuccessie toegepast wordt, zich
van hun erfdeel beroofd zien en die daardoor tot een afhankelik hofleven
bij de oudere broeder gedwongen worden; er zijn burchtheren, wier
»chateau-fort" door de leenheer tegen den grond gegooid is of die arm
geworden zijn omdat het volkje aan de voet van de burcht een charter had
weten te verkrijgen en weigerden belastingen te betalen en de verplichte
arbeid uit te voeren; bovendien nog al die onrustige elementen die zich
niet in een meer geordende maatschappij vinden kunnen. Uit deze adel
zonder land die niets heeft om voor eigen rekening om te vechten, worden
de »chevaliers errants" gerekruteerd, die ridders die rondtrokken en hun
armen en hun zwaard verhuurden als soldeniers--soldaten--aan de een of
andere vorst, of die op avontuur uittrokken en zo dikwels genoeg in hun
verval als struikrovers eindigden of zich bij de benden van Navarrezen,
Brabanders en andere »routiers" aansloten die het Frankrijk van de 12de
eeuw onveilig maakten. Een surrogaat voor de vroegere »guerres privées"
werden ook voor velen de toernooien, die--oorspronkelik de oudste soort
wapenoefeningen--in deze tijden meer en meer tot een feest werden,
waarmede de vorsten in vredestijd de onrustige, oorlogszuchtige ridders
bezighielden. Lang trachtte de geestelikheid die te verhinderen, maar ze
bleken een zeer doelmatige veiligheidsklep voor de maatschappelike orde
te zijn en de afstammelingen van de altijd kibbelende baronnen vonden er
behagen in, de gehele zomer door, van 't ene toernooi bij de vorstelike
hoven naar het andere te trekken. En 's winters vond men weer een
ander surrogaat voor het vrije leven van strijd in het voordragen van
heldendichten, wat nu in de mode kwam. Want het was nu eerst dat het
grootste deel van de heldengedichten geredigeerd werd waarin wij de
ideale zijde van de geest der baronnen uitgedrukt zagen en dat zij
algemeen op de burchten gelezen werden; het »vertel, vertel!" dat men
in de 12de eeuw over heel Frankrijk horen kon, is niet anders dan een
uitdrukking er voor dat zekere krachten die in de werkelikheid geen vrij
spel meer hebben, nu dit plezier op 't gebied van de fantasie moeten
zien over te brengen. Maar ten slotte vond de maatschappij nog een
veiligheidsklep in de krijgstochten en emigraties die gedurende de
hele 11de en 12de eeuw de Franse adel aderlaten en daardoor een grote
hoeveelheid van gistende stoffen verwijderen. Onder aanvoering, zeer
natuurlik, van de Noormannen--de laatst er bij gekomenen van de
Germaanse soldatenvolkeren--staken de mannen van Anjou, Bourgondië en
Vlaanderen over naar Engeland onder Willem de Veroveraar en schiepen het
machtige Engels-Normandiese rijk; andere Noormannen hadden zich kort
daarvoor in Zuid-Italië vastgezet en daar te Napels en op Sicilië een
Frans rijk gegrondvest; op het Pyrenése schiereiland steunden Franse
baronnen Aragon tegen de Arabieren en een Bourgondise hertogszoon
richtte een koninkrijk in Portugal op. En nu kwam Paus Urbanus en sprak
te Clermont de verstandige woorden tot de adel: »Het land dat gij
bewoont is te klein voor uw aantal, het heeft geen levensmiddelen genoeg
om U allen te voeden. Daarom verscheurt gij elkander en eet gijlieden
elkaar op. Sluit liever vrede en volgt mij op mijn kruistocht." Met
entoesiasme greep de Franse adel deze oplossing aan en een hele eeuw
lang werd het Oosten nu de plaats waar het instinkt van de vagebond en
de grootspreker, waar eergierigheid en lust tot avonturen uiting en
bevrediging konden vinden, alle gevoelens waarvoor er geen plaats was in
het Frankrijk dat zich nu vormde.

De ridder is het type van den adel in de 12de en 13de eeuw, gelijk de
baron het was in de 11de eeuw; waren toen de verspreid liggende kleine
kastelen de centra van het adelsleven, nu worden het de grote grafelike
en hertogelike hoven en die roepen tot ridderspel op en kruistocht,
waar de adel alom aan mededoet. In de 12de en 13de eeuw is »Ridder" de
aanduiding van de kleine adel, die slechts weinig grond bezit, zo al
iets, maar die in dienst staat bij de grote seigneurs of die dan eens
hier dan eens daar verblijf houden en die in bizondere mate de
krijgsdienst en hofdienst tot hun levenstaak gemaakt hebben. De grote
baronnen die hun goederen besturen moeten, hebben dikwels noch lust om
zich op toernooien en in oorlogen in de wapenen te oefenen, noch om aan
de hoven te dienen, dikwels laten zij zich dan ook helemaal niet tot
ridder slaan. Aan de andere kant vindt men vele edellieden die te arm
zijn om zich de dure wapenrusting aan te schaffen of het strijdros en
de wapenen waar een ridder van voorzien moet zijn; die blijven geheel
hun leven »equyers". Maar er zijn jongere zonen van goede familie of
kinderen uit de verarmde adel die aan het hof van een vorst aangenomen
worden en daar opgevoed; daar worden ze dan in de wapenhandel geoefend
en leren er allerlei hofdiensten; wanneer ze òf de heer die ze dienen òf
hun familie er toe kunnen brengen hun een wapenrusting of een paard ten
geschenke te geven, dan worden ze bij het bereiken van de mannelijke
leeftijd »adoubé", met het zwaard omgord, en ontvangen ze de »colée",
de ridderslag met verschillende ceremonieën, en dan moeten ze voortaan
hun »chevalerie" hoog houden, door zich zelf te voorzien, of zich
door anderen te laten voorzien van ridderwapens en paard en door zich
vlijtig in de wapenen te blijven oefenen. De ridders zijn daarom,
niettegenstaande het feit dat zij dikwels onvermogend zijn, tot zekere
hoogte een adel in de adel, zij zijn het die bij de hoven een opvoeding
hebben gehad, het meest met hun stand overeenkomende en die door hun
wapenen de oude eer van het vroegere werken van de adel ophouden. Het
is een zeer individuele adel, niet erfelik en niet geërfd, maar door de
enkeling verkregen, door zijn persoonlike verdienste en door zijn gehele
wijze van leven opgehouden, bovendien ook een zeer ideële adel, noch aan
grondbezit, noch aan bepaalde leenstoestanden gebonden, maar door de
traditionele woorden tot de jonge ridder: »Sois preux!" aan het adelike
krijgsmansideaal gewijd, dat zich langzamerhand gevormd had. En het is
deze élite-adel, zeer individueel en ideël die in de 12de en 13de eeuw
de drager wordt van de adelkultuur...

Op het baronnenleven en de baronnenpoëzie volgt een ridderlike
hofkultuur en een ridderlike, avontuurlike poëzie...



II.

KRISTELIKE GEVOELSKULTUUR.


»Zalig zijn de zachtmoedigen... zalig zijn de barmhartigen... zalig zijn
de vreedzamen... hebt uwe vijanden lief; zegent ze die u vervloeken."
Kan men zich een groter tegenstelling denken met de krijgsmoraal die
de baronnen in hun geweten gegrift vonden, dan zulke woorden die de
huiskapelaans en biechtvaders overal de baronnen en hunne volgelingen
lieten horen? »Zalig zijn die treuren... het is lichter dat een kamel
ga door het oog van een naald, dan dat een rijke inga in het koninkrijk
Gods... Gij lieden moet den boze niet wederstaan... zoo iemand achter
mij wil komen, die verloochene zich zelven en neme zijn kruis op en
volge mij!" Wat zal deze monnikenleer niet vreemd die Seigneurs met hun
heersersmoraal in de oren geklonken hebben! En toch was die kristelike
levensopvatting door vele eeuwen heen offisieel aangenomen en het in
alle lagen der maatschappij bekende geloof geweest, van kindsbeen af
was elke baronnenzoon in zijn kristendom opgevoed geworden; met de
stille stem van de biechtstoel had dat tot het geweten gesproken,
op de hoogtijden der kerk was het door de priesters verkondigd en nu,
in de 11de eeuw stond een machtige Europese kerk in de dienst van dat
geloof en een talrijk leger van geesteliken streden in scholen, bij de
kommuniegang en bij het ziekbed voor de zaak van Kristus.

Zekere kanten en vormen van het Kristendom waren altijd verenigbaar
geweest met de levensopvatting der baronnen. Reeds van de tijd der
Roomse keizers en de frankiese koningen af, had de kerk zich veelal aan
de zijde van de Groten en de Heersers geschaard en getracht ze er van
boven af voor te winnen de lagere volksklassen te kerstenen. »Geef
Caesar wat Caesar's is... zo onderwerpt u dan Gode", heet het in de
schrift en de kerk zalfde de koning, verklaarde zijn persoon heilig en
onschendbaar en steunde de vorsten tegen hun onderdanen. Evenals de kerk
zich zelf monarchisties organiseerde onder de paus, tracht die overal
een daarmee overeenkomende hierarchiese indeling van de maatschappij
in te voeren en te steunen. Gelijk de heerscharen der engelen in negen
rangklassen ingedeeld waren, van de seraphine tot de laagste gewone
»boodschappers", of gelijk de goddelike openbaring zich in de
geschiedenis trapsgewijze voltrok door zeven wereldtijdperken heen,--zo
was ook de sosiale standenindeling een goddelike instelling.

De natuurlike deugden van de adel kwamen bovendien dikwels vrijwel
overeen met die welke het Kristendom inprentte. Hoe dikwijls vond de
kerk niet bij de besten der edellieden een drang om de zwakken te
beschutten, een mildheid tegenover de armen en een trotse hoogmoedigheid
tegenover de overwonnenen die men zonder aarzeling tot kristelike
deugden zou kunnen stempelen? En het gevoel dat de baronnen als »mensen"
tegenover hun leenheer stonden--hoe gemakkelik liet zich dat niet
verklaren tot trouw jegens den Hemelheer? Reeds de oud Angelsaksiese
en Nedersaksiese dichters zongen van Kristus als de volksleider, de
zegevorst die met zijn twaalf getrouwe »mannen", of »Recken", om trok,
totdat een van hen tot verrader werd en zijn Meester in de handen van de
vijand overleverde. En nu in de 11de eeuw, houdt de stervende Roeland
zijn God de handschoen voor, gelijk een vazal zijn handschoen uit doet
wanneer hij in de tegenwoordigheid van zijn leenheer komt. Menig bejaard
ridder ging in zijn oude dagen in een klooster--gelijk van vele helden
uit de gedichten verteld wordt--en diende trouw zijn hemelse heer,
wanneer hij niet langer de macht had om zijn aardse heer te dienen.
»Toen ik de eer had", zeide zulk een oude edelman in 't klooster, die
ootmoedig 't werk van een kaarsdrager op zich genomen had, »ridder
te zijn in de wereld en graaf, droeg ik gewillig de fakkel van een
sterfelik koning; zou ik dan nu niet des te gewilliger een kaars dragen
voor de hemelse keizer die ik nu dien?"

Het Kristendom zelf werd gekleurd door de aristokratie, eerst van
het Romeinse keizerdom en daarna van de feodale maatschappij. Op de
kristelike ootmoed en de drang om te knielen en te aanbidden, was
het algemene servilisme niet zonder invloed. Wanneer men de brieven
der geesteliken aan hun superieuren leest, of aan vorsten, of de
grafschriften over hen, dan ziet men pas goed, hoe de kruipende
beleefdheidsvormen van het Roomse keizerdom in het ootmoedige
ceremonieel der monniken en de onderdanige politiek der kerk overgegaan
zijn; terwijl de briefschrijver de geadresseerde overstroomt met titels
als »Uwe Voortreffelikheid", »Uwe Grootmoedigheid" en »Uwe Genade":
kruipt hij zelf in elkaar als »mea parvitas" en »mea humilitas". En
wanneer men de geestelike kronieken leest, ziet men overal de gebogen
nek van de monnik, die 't liefst zijn eigen mening onder stoelen en
banken steekt, of in elk geval slechts vage en voorzichtige woorden over
de machtigen op aarde uiten durft en van de panegyriën der antieke
rhetoren over hun keizer en Maecenas, heeft hij een hoogdravende en
opgemaakte stijl van zijn lofzanger geërfd, die 't eerst in de officiële
»Vitae" der heiligen aangewend werden, maar langzamerhand op de
wereldlike grote Hansen en mondaine onderwerpen overgebracht werd. Met
plompe hovelingen-vleierij en in een opgeschroefde, bombastiese stijl
vertelt hij van »de god-gewijde en om zijn vroomheid zo prijzenswaardige
Jarl Adgar en zijn voortreffelike zonen" of »Philip, 's konings zoon,
dewelke een liefelike bloem der jeugd is, die door de edele eenvoud van
zijn aangezicht en de schoonheid van zijn lichaam waardig geschenen
zou zijn over de gehele wereld te gebieden", en in de gezwollen stijl
van de heiligenlevens, met voortdurende paralellen uit de bijbelse
geschiedenis, wordt de nietswaardige Lodewijk de Vrome verheerlijkt,
of de moord op de »goede" graaf Karel geschilderd en bij de dood van
een der meest wereldlike en intrigante koninginnen, getuigt de kerk
dat zij over de gehele wereld straalde door de glans van haar koninklike
geboorte, zij smukte de adel van haar geslacht door haar eervol leven,
verrijkte die door haar reine zeden, versierde die door de bloemen
harer deugden en overtrof bijna alle andere wereldse vorstinnen, door
de roem harer onvergelijkelike rechtvaardigheid. Door de idealiserende
verheerliking der voornámen en hun leven konden zulke kronieken heel
dikwels de onmiddellike voorgangers zijn van de heldendichten der
baronnen en van de Ridderromans; evenals de kerk in het wereldlike leven
medehielp om het gebouw der feodale hiërarchie te bevestigen, door er de
stopverf der kristelike onderdanigheid bij te doen.

De verhouding van de kerk tot het krijgswezen was niet onverzoenliker
dan tot de adel. Natuurlik moest het Kristendom in theorie zowel als in
praktijk met afgrijzen voor het bloedvergieten terugdeinzen. Maar een
zeker militair element drong toch reeds vroeg in het Kristendom door.
De Schrift zelf schildert reeds de Kristelike loopbaan als de _strijd_
voor het Geloof. In de 2de en 3de eeuwen spreekt men van de _strijdende_
Kerk, de _strijders_ van Kristus; de doop wordt vergeleken met de eed
die de soldaat op het vaandel aflegt en de martelaren die hun geloof met
hun bloed bezegeld hebben, heten: »militum Christi cohors candida".
Spoedig zag de kerk ook al in dat de gewapende macht een noodzaak was en
trachtte de machtigen voor zich te winnen door hun de zege te beloven;
Constantijn de Grote, zowel als de Frankenkoning Chlodewig, moeten
beloofd hebben het Kristelike geloof aan te nemen indien Kristus hun
wapenen de zege wilde verlenen. En van nu af was dat de gewone toestand:
de soldaten zochten de hulp van Kristus en de kerk in de slag en de
kerk trachtte de arm der soldaten voor haar bescherming te winnen.
Constantijn zette het monogram van Kristus in zijn banier en een der
kruisnagels in zijn helm, een ander in zijn leidsels. Karel de Grote
had een zwaard dat hem door een engel uit de hemel gebracht was en zijn
lans was dezelfde die eens in het lichaam van Kristus gestoken was. De
ridders lieten relikwieën in de handvatsels van hun zwaarden zetten en
deden hun wapens en de uitrusting met wijwater besprenkelen. Daar staat
tegenover dat de kerk onder haar heiligen de Cappadociese ridder Joris
had die de draak doodde en de prinses redde--de oude draken-doder der
heldensagen die tot ridder geslagen is--en dezelfde H. Joris werd nu de
heilige der soldaten.

Van betekenis werd het ook dat de kerk langzamerhand iets bij de
ceremonieën van de ridderslag te zeggen kreeg. Reeds van het begin der
11de eeuw vindt men een kerkelik ceremonieel voor de »zegening van de
Ridder", maar in elk geval werd het op het einde van de eeuw gewoonte
dat de geestelikheid de wapenen van de jonge Ridder zegende, zelfs
dienaren hem die aangordden en zo kwam natuurlik de ridderschap de
plichten mede te brengen, ook in de kristelike deugden vooraan te staan
en het zwaard te wijden »ter bescherming van de kerk, der weduwen en
wezen en alle dienaren Gods." De gehele drang van het ridderwezen
tot daden, om alle krachten boven het gewone en het gemiddelde in te
spannen, om door zijn verdiensten roem en eer te verwerven--was dat
niet hetzelfde streven dat alle kluizenaars en monnik-asceten der kerk
bezielde? Hoe gemakkelik zou dat niet door de kerk van de wereldlike in
de geestelike sfeer overgebracht kunnen worden? Niet weinig eergierige
ridders zetten, wanneer een priester hen tot 't hart gesproken had, er
al hunne zinnen op tot een soort adel van de Maatschappij van Kristus
te worden en onder hen uit te blinken die 't hoogst op de ladder der
volmaaktheid gestegen waren. Daar had men b.v. zulk een figuur als de
gravenzoon Etienne d'Auvergne (11de eeuw) die op een mooie dag van heel
zijn erfenis afstand deed, en alles opgaf, alleen zijn zegelring aan de
vinger behield--het teken van zijn adelike geboorte--en naar een woeste
bergkloof in de buurt van Limoges trok waar hij zich plechtig aan God en
een asceties kluizenaarsleven wijdde.

Al deze aanrakingspunten hadden de baronnen met de kerk. En de meesten
der bisschoppen en abten van de 11de en 12de eeuw die ook zelf door
de goederen der kerk tot de feodale wereld hoorden, zelf leenheren en
vazallen waren, leefden in vrede en vriendschap met de baronnen. Het was
een aristokraties en zeer wereldlik Kristendom dat zij representeerden.
Suger, de abt van St. Denis, de aanzienlikste der prelaten uit die
tijd, leefde geheel en al gelijk een feodaal Seigneur; in zijn klooster
weerklonken de gangen van de gespoorde ridderlaarzen, in de kapittelzaal
onderhandelden advokaten over de geldzaken van het rijke klooster,
Suger gaf schitterende feesten en jachtpartijen voor de vazallen van
't klooster en als de koning uittrok om zijn baronnen te tuchtigen,
volgde de abt hem in volle wapenrusting, onze eigen Absolon gelijk, de
stichter van Kopenhagen, die Aartsbisschop van Lund was, maar tegelijk
de ziel van de krijgstochten tegen de Wenden. Over het klooster van
Cluny schrijft de H. Bernardus dat »spaarzaamheid wordt daar als
gierigheid beschouwd", soberheid als boersheid, stilzwijgendheid als
zwaarmoedigheid; teugelloosheid werd daarentegen als liberaliteit
beschouwd, verkwisting als vrijgevigheid, de praatjes der leeglopers
heten goede manieren, gelach en grapjes zijn vrolikheid.

Maar toch,--nooit kon het geheel verborgen blijven, dat de
levensbeschouwing en de moraliteit van het Kristendom in de grond van
die van de baronnen verschilden. En van 't eigen ogenblik af dat de
Frankiese krijgers de doop ontvangen hadden, had het Kristendom in
steeds toenemende mate als een religie van liefde en zelfverlochening
getracht, de verstokte harten der baronnen te vermurwen en hun stijve
nekken te buigen.

Aan de ene kant dus als de verkondiging van de liefde. De kerk trachtte
tegenstanders tot elkaar te brengen en op de kerkelike feestdagen
gelijk op zekere weekdagen, een Godsvrede uit te schrijven en die deed
altijd alles wat in haar macht stond om krijgsgevangenen los te kopen.
Tegenover het woeste optreden van echtgenoten en broeders, trachtte die
voor de vrouw op te komen, zij beschermde kinderen tegen het egoïsme
der ouders--eeuw in, eeuw uit vocht zij tegen kindermoord, tegen
het uitbesteden en de verkoop van kinderen; zij trachtte slaven en
dienstbaren te beschutten tegen de hardheid en ruwheid hunner meesters;
voor misdadigers die vol berouw de bescherming der kerk zochten, poogde
zij genade te verkrijgen. Bij de hebzuchtige baronnen bedelde zij geld
voor »Gods armen" en voor de bouw van hospitalen. Reeds midden in het
donkere tijdperk der Merovingiërs vond men ze overal als de apostels
van vrede en milddadigheid--een bisschop als de H. Germanus: een oude
levensbeschrijving vertelde hoe hij aalmoezen bij de banketten der
groten verzamelde en wanneer hij dan genoeg bijeen had om een slaaf los
te kopen, dan verdwenen de rimpels van zijn voorhoofd, dan straalde
zijn gezicht, dan liep hij met lichter schreden,--zijn spreken werd
opgewekter, zodat men zou menen dat hij door een ander los te kopen,
zich zelf bevrijd had van het »juk der slavernij";--of een abt als de H.
Wandrégisilus: de oude »vita" vertelt hoe hij eens op een dag toen hij
naar 't slot van Koning Dagobert moest, vlak voor de poort een arme man
zag wiens wagen omgevallen was; de aanzienliken gingen de poort uit en
in, niemand dacht er aan om de arme kerel te helpen, velen gaven hem
zelfs een schop of vertrapten hem. Maar de abt stapte terstond van zijn
paard en leende zelf de helpende hand om de wagen weer op te krijgen.
Een anekdote als deze brengt ons in al haar eenvoud en geloofwaardigheid
duidelik voor 't oog, hoe de kristelike geest in zijn meest gewone,
meest humane vorm tegenover de gevoelloosheid der barbaren optrad.

En nu, in de 11de en 12de eeuw, is dit ontluikend gevoel van liefde van
het Kristendom aangegroeid tot een dwepende sentimentaliteit die als
een warme golf over de harde, woeste wereld der baronnen heenspoelt.
Literair werkt die richting door vertalingen in de volkstaal en door
veel van de meest gevoelvolle poëzie van 't Kristendom in de gedichten
te geven, episoden uit de bijbel, van de oude poëtiese verhalen uit het
evangelie en van de overal welig opschietende Grieks-Latijnse legenden.
Wat werden de hoorders niet geroerd in burcht zowel als hut bij de
voordracht door kristelike zangers van de geschiedenis van Josef--de
uitvoerige schildering van de boze broeders en de hevige smart van de
vader, 's jongelings moeilikheden in Egypte, zijn herstel, de ontmoeting
met zijn broeders en ten slotte de tedere hereniging van vader en zoon.
Wat een allerliefste, treffende kleine idyllen wisten de evangeliese
verhalen niet te ontvouwen van de jeugd van Kristus en Maria: het
verdriet van Joachim en Anna over hun kinderloos huwelik, hun vreugd
toen zij eindelik Maria kregen--het opgroeien van 't meisje in de
tempel en dan de keuze van de oude Josef tot haar echtgenoot,--alle
omstandigheden bij de ontvangenis en de geboorte van Kristus--zijn
spelen met de andere knapen: de zonnestralen waar hij op treedt, en de
vogels van klei die hij 't leven geeft door in zijn handen te klappen.
Vervolgens al die hartverscheurende schilderingen van Jezus' dood en
lijden, de moeder die met het dode lichaam in haar armen klagend
rondloopt, zij kust hem op zijn ogen, wangen en neus, omhelst hem met
»al het zoete harer liefde", baadt zijn lichaam in tranen en smeekt
haar »filium dulcissimum" om een levensteken te geven. En eindelik al
die schone, sentimentele legenden,--over kluizenaars uit wier hand de
leeuwen der wildernis vruchten eten of die zij te hulp komen,... over
de H. Martinus die de helft van zijn mantel aan de bedelaar geeft, of
over Christophorus, ongemeen groot van gestalte, die het kind Jezus op
zijn schouders draagt... over de H. Margarethe, wier reinheidsstralen
haar in de gevangenis tegen de draken van de Duivel beschermen en op
wier schouders de hemelse witte duif nederfladdert. In al dergelijke
kristelike poëzie hoort men tonen die in de muziek der ridderromantiek
terug te vinden zijn.

Dat zijn de vrouwelike zijden van de menschelike natuur, waarvan het
Kristendom zich midden in de ruwe mannen-wereld tot verdediger opwerpt.
Reeds van de oudste dagen van het Kristendom af waren het de vrouwen
geweest die het eerst het Evangelie hadden aangegrepen, zich de
kristelike deugden het gemakkelikst eigen hadden gemaakt en de zaak van
de Kerk bij hun echtgenoten en broeders hadden bepleit. Vele kerkvaders
beweerden ook dat de vrouw vromer is dan de man. Reeds Augustinus leerde
dat zij minder deel aan de zondeval heeft dan Adam. Zij is dan ook van
een zuiverder stof gemaakt; terwijl hij van de dode klei gemaakt werd,
is zij uit het levende vlees gesneden; en zij werd geschapen, op
een voornamer en schoner plaats dan de man, nl. in het Paradijs en
»misschien omdat God de vrouwen zulk een grote eer aandeed, vereren zij
tot dank God hoger dan de mannen het doen." De vrouw--wordt er verder
gezegd--is het zachte, gemoedelike, gevoelige van de twee geslachten.
Daarin ligt een gevaar,--hoeveel vrouwen hebben niet mannen verleid en
week gemaakt? Samson en Salomon zowel als Hercules en Jupiter! (en een
vrouwenhatend monnikendom ontwikkelt dit punt steeds weer); maar de
mildere opvatting legt er meer de nadruk op hoe gemakkelik de vrouw
zich tot het goede laat brengen. Van 't begin af werkt de kerk er ook
energies aan de maatschappelike positie van de vrouw te verbeteren. De
vrouw is uit het dijbeen van de man geschapen--diens »zij-been"--en
behoort ook aan zijn zijde te staan. In schone woorden wordt er
verklaard dat man en vrouw samen in innige gemeenschap leven moeten, zij
moet zijn kameraad zijn en alles met hem delen. En met strengheid wordt
er een reinere geslachtsmoraal geëist die de vrouw tegen de
ongebondenheid van de man beschermd.

Maar daarentegen wordt de vrouw door de kerk meer dan ooit te voren in
haar vrouwelijkheid terug gedwongen; zij moet vrouw zijn, maar dan ook
niets dan vrouw. De geslachtseigenschappen zijn het die alleen haar
waarde bepalen, al haar deugden bloeien in haar geslachtseer. Ambrosius
wil ingetogenheid bij de opvoeding van de vrouw; ook moet er ook voor
gezorgd worden b.v. door een diëet, haar zinnen zo weinig mogelijk
te prikkelen en moet men haar lichaam in een zekere staat van tedere
zwakheid houden, om het jonkvrouwelike, koele, teruggetrokkene bij haar
te bewaren. De missie van de vrouwelijkheid is de begeerten van de man
te bedwingen, zijn woestheid te dwingen om te knielen en om de gunst van
de vrouw te _bedelen_. Maagden--schreef Hieronymus--zijn gelijk engelen.
»Wat anderen later in de hemel zullen worden, dat beginnen de maagden
reeds hier op aarde te zijn." Alle martelaressen hebben geleden voor hun
geslachtseer: de H. Agatha als de H. Lucia of Ursula en de 11000 maagden
te Keulen.

Het grote voorbeeld van de kristelike vrouwelikheid werd de persoon van
Maria. Elke eeuw vinden wij haar weer dichter bij de hemel gestegen,
totdat zij nu in de 11de en 12de eeuw bijna de troon met de Driëenheid
deelt. Op afbeeldingen, in hymnen, in legenden wordt zij als de
Maagd verheerlikt, het ideaal van de reine, jonge Ongereptheid en
tegelijkertijd de Moeder Gods, zij die geleden heeft en liefgehad als
geen ander en die nu de barmhartige pleitster bij Kristus is voor de
zondige mensheid. In de hymnen wordt de schoonheid der gehele schepping
haar als een krans om het hoofd gebonden; zij is de Roos en de Lelie
en de Sterre der Zee en de reine Parel en die aanbidding krijgt een
kleurtje van de meest dwepende liefde-hulde. »Het is voor U gelijk een
kus, Maagd!--zegt Bernard van Clairvaux--telkens wanneer gij het Ave der
Engelen hoort! Telkens wanneer men U ootmoedig met dat Ave groet, wordt
Gij, o Zaligste, gekust!" En de legenden worden niet moe te vertellen
hoe de Madonna de grootste zondaars voor straf behoedt, zoowel op aarde
als hiernamaals, wanneer ze maar ijverig tot haar gebeden hebben en haar
altaar met bloemen versierd.

Terwijl deze schone veilige sentimentaliteitsgolf over de wereld der
baronnen begon te spoelen en op zijn manier de ridder-romantiek
voorbereidde, was er ondertussen nog een andere kristelike gevoelsgolf,
somber en bitter en gloeiend, die zich met de andere vermengde,
maar toch ook duidelik in de latere ridder-romantiek onderscheiden
kan worden. Dat was de religie van de levensverzaking en de
levensverlochening die van uit het Oosten, en door de onderdrukking van
het Jodenvolk in de leer van Jezus gekomen was, en van daar weer over
Europa stroomde.

Naast de Antieken en Germanen met hun robuste Heersersmoraal was het
Kristendom gekomen en had zijn moraal aan de zwakken verkondigd en de
dienstbaren en de ongelukkigen; onder de Slaven had het dan ook reeds
vroeg de meeste proselyten en de meeste martelaars gemaakt. Voor de
Romeinse patriciërs zo wel als voor de Frankiese baronnen had het de
moeilike deugden van de ootmoed en de zelfverlochening, gepreekt en
even onbekend voor Romein als voor Germaan was het bewustzijn van de
zonde dat het Kristendom tracht te wekken en dat het aan het gehele
menselike leven te gronde wil leggen. Uit het Oosten druppelde meer en
meer ascesis en zelfkastijding het Kristendom binnen; in de wildernissen
van Aegypte en Syrië trachtten kristen-kluizenaars elkaar in harde
ontberingen en gruwelike pijnigingen de loef af te steken, en sedert
dien bracht het monnikswezen in andere vormen de gehele zijde van de
zelfverlochening van het Kristendom in systeem. Nu in de 11de eeuw was
de kristelike sentimentaliteit, die zich over de landen verspreidde,
vermengd met veel van de zwarte bitterheid der ascese.

Vrees, angst voor de zonde en voor het verlies van de ziel, dat is wat
de ware Kristen in zijn gemoed moet voelen,--leert men. »Een bedroefde,
naar de aarde gerichte blik, een verwaarloosd uiterlik, ongekamd haar en
vuile kleeren",--zo moet de Kristen er uit zien. Bevend gaat hij door
het leven. Alle geluk en vreugde zijn valstrikken van den duivel en
staan in de soldij van de Dood; smart daarentegen en ongeluk zijn de
voorschool van de Deugd, een beloning die God de uitverkorenen ten deel
doet worden, een pand voor het loon hiernamaals. Men moet dezer wereld
sterven. En afstand doen van geld en goederen,--leerde Kristus niet dat
er geen goud of zilver in ulieder gordels zijn moet en dat gijlieden
heen moet gaan en alles verkopen wat gij bezit? En alle macht en eer
opgeven--alle wereldlike macht is slechts diefstal, alle wereldlike eer
is slechts ijdelheid, leert Augustinus. Van kennis en wetenschap,--»de
wijsheid dezer wereld is dwaasheid bij God," zegt Paulus. Geeft uw
familie, ouders en kinderen op, »indien iemand tot mij komt en niet haat
zijnen vader en moeder, en vrouw en kinderen en broeders en zusters,
die kan mijn discipel niet zijn," zegt Kristus. Men moet het vlees
doden,--was het niet gulzigheid die er onze voorouders in het paradijs
toe bracht van de vrucht te eten? zegt Paus Leo. Men moet zich
vernederen,--»die zich vernedert, zal verhoogd worden". Men moet
geduldig zijn in het ongeluk, zachtmoedig tegenover het onrecht. Men
moet uit zich zelf tot hen gaan die lijden en zich in tranen baden over
de smart van anderen, zelf verdriet gevoelen bij dat van anderen, »wenen
met de wenenden en klagen met de klagenden."

Ook voor deze zijde van het Kristendom stond er een hele kristelike
dichtkunst ter beschikking, die op de fantasie en het gevoel van de
lekenwereld werken kon en een grote massa sombere en droeve legenden,
uit het Latijn en Grieks vertaald, vlogen in de 11de eeuw de wereld door
en sloegen in het menselik gemoed neer. Schilderingen van de pijnigingen
der martelaren en de zelfkwellingen der kluizenaars,--van gevallen
vrouwen zoals Thais en Maria Aegyptiaca, die in hun wroeging allerlei
ootmoedigende en vernederende boetedoeningen voor zich bedenken...
onschuldige maagden, die door woestelingen vervolgd worden... zwarte
misdaden die de straf des hemels over zich halen... moeders, die zich
van hun kinderen losmaken of de H. Alexis die zijn bejaarde ouders en
zijn bruid verlaat, ze aan verdriet en wanhoop overgeeft en die als
bedelaar rond gaat trekken; zonder dat men hem herkent komt hij terug en
woont jaren lang bij hen zonder zich bekend te maken, ofschoon hij ziet
dat zij van smart sterven... alle menselike gevoelens worden getrapt,
alle natuurlike banden verscheurd. Die legenden willen tranen zelfs uit
de meest gevoellozen persen, zelfs de hardste harten tot bloeden brengen
en het zijn dikwels feitelik al heel kleine romans die direkt de
overgang vormen tot de sentimentele richting in de ridderromantiek.

De zelfzuchtige hardheid der baronnen vermurwen, en in liefde
veranderen,--de stijve halzen dier Heren in ootmoedige zelfverlochening
doen buigen--dat is het waar de kristelike gevoelsrichting in de 11de
en 12de eeuw op aan stuurt. In tegenstelling met de beweging der
bedelmonniken in de volgende eeuwen, tracht de Kerk zich voorlopig meest
tot de andere maatschappelike lagen te richten en werkt dan ook het
meeste onder hen uit. De religieuse herleving van de adel wordt goed
geïnkarneerd in de twee grote kerkelike figuren uit het begin van de
12de eeuw. De een is Norbert van Xanten, een voornaam en rijk edelman,
een bloedverwant van keizer Hendrik V. Eens op een dag dat hij in een
prachtig zijden wambuis gekleed, door een wapendrager vergezeld, over de
Rijn reed, werd hij door een bliksemschicht getroffen en bewusteloos ter
aarde geworpen. Daardoor werd hij tot een godsdienstig leven gebracht,
hij verzaakte zijn positie en zijn goederen, gaf zich aan zulk een hard
asceties leven over, dat hij er door op het ziekbed werd geworpen en
werd de stichter van de strenge orde der Premonstratensen, aan het
hoofd waarvan hij stond als een streng niets-ontziend meester. Van meer
betekenis nog was Bernard van Clairvaux. Zijn vader en zijn broeder
dienden als ridders de Hertog van Bourgondië, maar Bernhard zelf was
door zijn moeder een sterk religieus gevoel ingeprent en hij werd
monnik. Hij begon met in heilige geestdrift zich zelf zo te kastijden
dat zijn gezondheid er bij in schoot en daarna maakte hij de
Cisterciensers tot een zeer streng-ascetiese orde; maar zijn ascetisme
viel samen met een mystiese, sentimentele dweperij, die hij van uit zijn
kloostercel aan grote kringen van de Franse adel wist mede te delen,
door preken, traktaten, een uitgestrekte briefwisseling, niet het minst
juist door die heerlik gevoelvolle brieven, bijna in de trant der Duitse
piëtisten, aan de vorstinnen van Lotharingen en Bretagne. Liefde, leert
hij, is het binnenste in de ziel; het komt er op aan het ijs in zich
te smelten en herboren te worden tot de mildheid en klaarheid van het
geestelike voorjaar; zelfzucht in een zee van liefde te verdrinken,
waarin men samenvloeit met het oneindige; wanneer de drang tot die
liefde door het lichaam schijnt, gelijk de lamp door het scherm, dan is
de ziel »huweliks-bereid", bereid tot het geestelike huwelik met het
Woord Gods. En Bernhard vertaalt de gloeiende Liefdes uitingen van het
Hooglied en verklaart die gelijk een mysties-religieus dwepen; in schone
hymnen schildert hij het kindeke Jezus als een minnaar en huldigt de
Maagd Maria met de geestdrift van een troubadour.

Bernard werd dan ook de voornaamste prediker der kruistochten van zijn
tijd. En al waren het ook--zoals wij gezien hebben--in overwegende mate
wereldlike redenen die de meesten edellieden aan de kruistochten mede
deden doen, toch had de gehele godsdienstige herleving dier dagen
er een wezenlik deel aan. De kruistochten betekenen de officiele
Heiligprediking van de oorlog door de kerk. In plaats van de »Gods
vrede" waar men zich zo moeilik aan houden kon, proklameerde nu de Kerk
een »Gods Oorlog", waar men heel wat meer voor voelde. Zo als een der
kroniekschrijvers 't heeft; »God heeft in onze tijd de heilige oorlogen
ingesteld om de Ridders nieuwe middelen tot redding te geven, opdat zij
niet verder genoodzaakt zullen zijn zich aan een monniksleven te wijden
om zich te kunnen bekeren, maar dat zij met hun gewone leven en werken,
tot zekere hoogte altans, zich de genade Gods zullen kunnen verwerven."
De baronnen beschouwen zich nu als de Vazallen Gods: de Koning van het
Paradijs--zeggen zij in een gedicht over de kruistochten van de 12de
eeuw,--heeft zijn getrouwe Franse baronnen ter hulp geroepen »por Dame
Dieu vengier" en om van de heidenen het rijk te heroveren, dat »de
droite Antiquité" aan Kristus toekomt; zij zijn het, verklaren ze, »cil
qui Damedieu servant d'un loyal cuer entier." En de drang der ridders
om zich uit de maatschappij los te maken en op eigen hand eer te
behalen en op avontuur uit te gaan,--die ging om zo te zeggen bij de
kruistochten een kompagnieschap aan met het individualisme van het
Kristendom en werd daardoor geheiligd. In het Kristendom is er toch
reeds van huis uit een tendens die de banden der maatschappij en van
de familie losser maakt; die tendens wees de enkeling op zich zelf aan
en leerde hem dat de zaligheid van zijn eigen ziel het enige is dat
hij steeds voor ogen moet hebben, en dat hij zich alleen door eigen
verdienste kan verwerven. Gelijk de vromen die in het klooster gingen,
alle banden van het familieleven doorsneden en alle burgerlike
verplichtingen van zich afwierpen, zo konden nu de ridders op de
kruistochten het als heilig en verdienstelik beschouwen zich van alle
maatschappelike plichten los te maken en hun lust tot doden op eigen
hand bot te vieren. Maar ongetwijfeld is ook een zuiver godsdienstige
geestvervoering een machtige hefboom geweest voor die beweging. En door
Franse en Provençaalse kruisliederen, gelijk door het lied van de
Duitsche kruisvaarder Ezzo, over »de wonderen van Kristus" klinkt er een
dwepend verlangen naar het graf van Kristus en het Hemelrijk, en velen
waren er die werkelik voelden--gelijk een der kroniekschrijvers van de
eerste kruistocht het uitdrukt--dat »de tijd nu gekomen was waar het
woord van Kristus op doelde: »Zo iemand achter mij wil komen, die neme
zijn kruis op en volge mij.""



III.

WERELDLIKE KULTUUR.


Naast de kristelik-sentimentele beweging was er ook een soort
wereldlike, humane kultuur die zich in de 11de eeuw aan de horizon
begon te vertonen en die niet zonder opvoedende kracht zou blijken.
Het werd al meer en meer duidelik, dat er ook buiten het Kristendom
een beschavingswereld te vinden was,--een beschaving van de manieren en
zeden, intellektueel zowel als aesteties--waar men zijn deel van krijgen
moest op poene van een barbaar te blijven. Geesteliken, die als kleine
jongens in de Latijnsche school het Latijn ingestampt was geworden door
middel van de klassieke schrijvers, konden midden in een scholastiese
discussie op eens een paar citaten uit Virgilius in de mond krijgen,
die hen plotseling vreemde rijken van schoonheid deed vermoeden, en
in uitverkoren kringen dier klerken begon men zich in die antieke
literatuur in te leven en zich te laten doortrekken van, al was het
een zwakke dosis, aesteties humanisme. En ridders die in Spanje geweest
waren en daar gastvrijheid genoten hadden bij de ongelovige muzelmannen,
of kooplieden die in Byzantium vertoefd hadden en een klein idee
gekregen hadden van wat de beschaving daar betekende, die kwamen naar
huis en vonden het leven lelik en vulgair, de zeden plomp en naief,
zelfs in de kastelen van de machtigste baronnen. In de bovenste lagen
der bevolking ontwaakten er toen vage voorstellingen van een hogere,
zuiver wereldlike kultuur--een kultuur, zelfs ongelovig en heidens--en
jeugdige verlangens om daar in door te dringen.

De antieke kultuur was ook nooit in de middeleeuwen geheel afgestorven;
hoe beter men kijkt, des te duideliker ziet men dat de samenhang
ongebroken is, zelfs in de donkerste eeuwen. Als taal der kerk was het
Latijn immers de basis van alle geestesleven der klerken. Het was het
hoofdvak op school, de taal van de godsdienst, in 't Latijn werd de
bijbel gelezen en alle kerkvaders, in 't Latijn disputeerden alle
scholastici en werden alle kronieken en traktaten geschreven. En voor
het onderwijs werden de heidense klassieken gebruikt, in elk geval in
proza-uittreksels en bloemlezingen uit de laatste perioden der oudheid;
in de kloosters werden de oude manuscripten bewaard en afgeschreven, en
al waren er ook strenge richtingen in de kerk die de lektuur van al die
heidense onzin verboden, er zaten toch overal monniken in hun scriptoria
en bisschoppen in de biblioteken der kathedralen die hun otium wijdden
aan de studie van Virgilius of Lucanus, Seneca of Cicero. Had niet
Augustinus zelf de kinderen de lektuur van Virgilius aangeraden »opdat
deze grote, beroemde en uitstekende dichter niet zo licht uit hun
herinnering zal verdwijnen?" En waren de geschriften der kerkvaders niet
gespekt met citaten uit deze heidenen? Ze konden b.v. niet van de goede
rover vertellen die van het kruis naar Kristus op ziet of het vers van
Virgilius liep hen in de pen over de gevangen Cassandra, die haar blik
omhoog hief: »de blik alleen, de magere handen bonden de boeien."

Zo volkomen was feitelik de kristelike leer der kerkvaders en
daarmede die van de gehele middeleeuwen--b.v. die van de moraal
der mensenliefde--van het materiaal der antieken doortrokken, dat,
wanneer de klerken in 't geheim de geschriften der heidenen inkeken,
ze elk ogenblik weer de waarheid zouden ondervinden van de woorden der
kerkvaders dat het niet alleen de Joodse profeten geweest waren, maar
ook veel geesten van het heidendom, die het licht van het Evangelie
reeds te voren hadden zien gloren. Wanneer b.v. Cicero sprak van de
»caritas generis humani" en de plicht in 't algemeen om zijn medemensen
te helpen. Wanneer Lucanus voorspelde dat de volkeren eens hunne wapenen
weg zouden werpen en elkander liefhebben. Of wanneer Seneca ontwikkelde
hoe wij allen ledematen van een lichaam zijn. En was het geschrift van
Ambrosius over de plichten niet slechts een bewerking met een licht
kristelik kleurtje van »De Officiis" van Cicero--evenals men in het
begin van de 12de eeuw de Engelse abt Aelred van Riedval de »Lelius"
van Cicero ten grond kon leggen aan zijn dialogen over »de geestelike
vriendschap"?

Overigens trekt die zelfde abt tegen zijn tijdgenoten onder de
geestelikheid te velde, die tegelijk met de Evangeliën de Bucolica
studeren, Horatius tegelijk met de Profeten en Tullius met Paulus. En in
de 11de en 12de eeuw had de sterke bloei der scholen--vooral in West-
en Zuid-Frankrijk zowel als Noord-Italië--ook daar vruchten gezet die
de ernstige kristenen wel moesten ergeren. Eén dier vruchten was de
vrije gedachte die overal, in Noord als in Zuid, tegen het juk van de
kerkelike autoriteit opstond, in de ketterijen van een Berengarius van
Tours, in de vrije opvattingen der ketters, in Roscelin en Abélard en de
ontluikende Parijse scholastiek. Van groter en direkter belang voor het
literaire leven waren toch voorlopig de geestelike kringen die hier en
daar opkwamen waar men zich niet afgaf met dogmatiese ketterijen, maar
con amore zich aan de profane studie der oudheid overgaf, en zo goed als
't kon, zich door de geest der oudheid liet doortrekken en ontwikkelen.
Het was vooral in de West-Franse provinciën in Touraine, Anjou en Maine,
dat de scholen bloeiden en dat de filosofiese vrije denkers en de
aestetiese humanisten onder de geestelikheid opkwamen.

Daar was Hildebert van Lavardin die eerst een school had te Le Mans, die
daar later bisschop werd en als aartsbisschop van Tours stierf. Hij nam
sterk deel aan de kerk-politiek van zijn tijd en hield zijn bisdom vrij
van de ketterse beweging, maar zoals men hem in zijn talrijke gedichten,
redevoeringen en brieven leert kennen, is hij toch eigelik een leerling
der oudheid. In zijn preken mengt hij voortdurend beelden en
uitdrukkingen van de klassieke dichters onder de bijbelse. In de brieven
die hij aan zijn biechtelingen schrijft, haalt hij dikwels zijn raad en
zijn troostgronden uit de filosofiese epistels van Seneca zonder van
kristelike argumenten gebruik te maken. Een massa wereldlike briefjes
vertonen elegante beleefdheidjes in de vorm van de antieke brievenstijl.
In hopen kleine latijnse gedichtjes proberen de poëten het met alle
mogelike antieke genres: gedichten in antitese-rijke taal, gewijd aan
Koningin Matilde van Engeland, grafverzen ter ere van een gravin van
Maine, verzen vol komplimentjes aan de literair-ontwikkelde gravin
Adèle van Blois, epigrammen en schuine erotiese versjes. Door Ovidius
geïnspireerd, dicht onze prelaat een klacht van Apollo over de dood van
Hyacinthus, pompeus bezingt hij de grootheid van het antieke Rome en
houdt volkomen onkristelike beschouwingen over het Rad der Fortuin.
Maar daar midden tussen in weer legenden en verzen, epigrammen over
kristelike dogmata, of een gedicht, vol woordspelingen over de
drieënigheid.--Wanneer zijn vorstelike of altans adellike biechtelingen
aanvechtingen krijgen om zich in 't klooster te begeven of op een
pelgrimage uit te trekken, verklaart de humanistiese bisschop dat men
alle overdrijvingen en opzienbarende boetedoeningen moet vermijden en
dat een graaf van Anjou werkelik gewichtiger plichten heeft dan als een
pelgrim de wereld rond te trekken. En wanneer zijn vorstelike vriendin,
de gravin van Blois op oudere leeftijd zich absoluut in het klooster wil
begeven, weet hij haar in elk geval in de moederschoot der Kerk over te
leveren met het meest elegante-hoffelike gedicht.

Een andere korrespondent van die gravin Adèle was de abt Baudri de
Bourgueil. Van zijn hand heeft men kleine epigrammen om onder een
portret te zetten of in een exemplaar van Ovidius, gelegenheidsgedichten
op een roos of een gebroken grift, groeten op rijm en uitnodigingen of
antwoorden daarop. Met een zekere Jonkvrouw Agnes en een non Emma voert
die abt een correspondentie in verzen, hij onderwerpt zijn gedichten
aan hun oordeel, en bromt op een vriendin van hun beiden, omdat zij
niet aan die poëtiese oefeningen mede wil doen. In een lang gedicht aan
die gravin Adèle schildert hij haar woning, zoals hij zich die in zijn
fantasie voorstelt en beschrijft o.a. de wandtapijten met voorstellingen
uit de Griekse mythologie en de Romeinse historie. In Latijnse
hexameters schrijft Paris minnebrieven aan Helena en richt Florus
brieven van troost tot Ovidius in diens ballingschap.

Zulke beaux-esprits heeft de geestelikheid omstreeks 1100 zeker niet
weinige geteld en tussen het bisdom of een rijke abdij en het grafelike
hof in de buurt, heeft zich ongetwijfeld zeer dikwels een druk verkeer
ontwikkeld. De adellike dames stonden meestal zeer hoog in beschaving
en hadden veel meer geestelike belangen dan de ruwe baronnen, en
korrespondeerden druk met hun biechtvaders of met voorname nonnen in
de buurt. In dergelijke kringen trachtte men religieuse stichting met
literaire kultuur te verenigen. Men las de klassieken met elkander,
schreef brieven in den trant van Cicero, en legde zich op een wereldse
konversatietoon toe. De nonnen in het klooster Ronceras te Angers
schrijven nu en dan de zaakpapieren van het klooster in verzen en een
hunner kontrakten van overdracht begint aldus: »Kadmus, de wijze koning
van Thebe voerde volgens het bericht van Isidorus het gebruik van het
alfabet in Griekenland in, daar hij voorzag hoe noodzakelik dat in vele
gevallen zijn zou." Bij sommige gelegenheden heeft men in die literaire
abdijen eigengemaakte komedies opgevoerd in de trant van Terentius en
Plautus, soms met een kristelik morele tendens, gelijk die welke een
voorname Saksiese non, Hroswitha in het klooster te Gandersheim schreef,
soms zeer wereldse Amphitryon-intriges en verleidingsgeschiedenissen,
gelijk die welke aan een der klerken van Blois worden toegeschreven. In
een klooster zette men de minnedichten van Horatius op muziek, later
werd die melodie gebruikt voor een kerkelike hymne.

Een zekere mate van schertsende lichtvaardigheid en sentimentele
liefde-uitingen ontwikkelden zich natuurlik dikwels bij de vrije omgang
der twee geslachten onder de mantel der religie. Het is algemeen bekend
hoe het Abélard en Heloïse ging. Abélard was de leraar en vogue bij de
Kathedraalschool van de Notre Dame te Parijs, van hoge geboorte, schoon
en elegant, met een innemende stem, literair ontwikkeld en muzikaal.
Plato en Boethius, Virgilius en Lucanus lagen even vaak op zijn lippen
als de woorden van de Schrift en zijn minnezangen vlogen op lichte
populaire melodieën over het gehele »quartier Latin" te Parijs. Die
waren op Heloïse gemaakt die bij haar oom woonde, een kanunnik bij wie
meester Abélard in de kost gekomen was, o.a. op voorwaarde dat hij diens
nichtje dageliks zou onderwijzen. Hun verstandhouding leidde tot de
treurige resultaten die men kent, maar van uit hun respektieve kloosters
bleven zij regelmatig met elkaar korresponderen;--brieven in een pedant
Latijn geschreven, half moraliserend, half retories-hartstochtelik, met
citaten uit Seneca en Paulus, Salomon en de »ars amandi" door elkaar,
en met aangrijpende hartekreten te midden van opgeschroefde onnatuur...
Ook uit Beieren kent men uit de 11de en 12de eeuw Latijnse brieven
tussen geesteliken en nonnen of geleerde vrouwen gewisseld, met
sierlijke hofmakerijen en zoetsappige sentimentaliteit, in geestelike
bloementaal geschreven en met citaten uit Ovidius, maar die
langzamerhand van geestelike vriendschap eens biechtvaders overglijden
in de plompe eis van de man dat de vrouw »haar vertrouwen in daden zal
tonen",--waar de vrouw met duidelike woorden voor bedankt.

Dat hele zalvend zoete sentimentaliseren tussen mannen en vrouwen,
dat zo in de briefwisseling der geesteliken met vrouwen te voorschijn
komt--veel dergelijks vonden wij ook in de brieven van Bernhard van
Clairvaux aan zijn hoge kliënten--is niet zonder invloed, gelijk wij
zien zullen, in ridderkringen en dat is ook het geval met de manieren
en de spraak van de man van de wereld, waar men zich in die literaire
conventikels op toelegde.

In een lagere sfeer--de wereld der arme »rondtrekkende scholieren"--had
de klassieke opvoeding een nog profanerender uitwerking. In kroegen
en herbergen deden deze rondzwervende, halfgeleerde _Bohémiens_ hun
latijnse liederen horen, ter ere van Venus en Bacchus en ten spot van
de officieele kerk en de welgedane geestelikheid. Daar krijgt men
verheerliking van wijn en spel, gesprekken tussen die scholieren en hun
liefjes,--ondeugende minneliedjes, maar ook gezangen waarin liefde tot
het voorjaar en liefdedweperijen een heel schoon geheel vormen. De goden
der antieken worden aangeroepen: Paris en Helena en Aeneas en Dido zijn
de voorbeelden aller liefhebbende harten en reminiscenties aan Horatius,
Ovidius en Virgilius zijn overal in de liederen dezer _vagantes_ te
horen. Niettegenstaande de geestelike tucht van het Kristendom, waaraan
ze in hun school onderworpen waren geweest, waagden deze klerken het,
zich over het voorjaar te verheugen en de schoonheid der vrouw te
prijzen, de lusten der zinnen te bezingen en de verschrikkelikheden van
de kerk, en die met alle satyren der antieken te kastijden, gelijk niet
lang daarna de troubadours het in de volkstaal zouden doen.

       *       *       *       *       *

Als erfgenaam van de antieke kultuur gold in de middeleeuwen het
Oost-Romeinse rijk. Terwijl de klassieken in West-Europa slechts
zo nu en dan eens bestudeerd werden, 't zij dan zonder medeweten
van de kerk of wel door haar beschermd, zaten de overleveringen der
oudheid daar ginds in Byzantium nog steeds officieel op de troon. Daar
heersten nog de opvolgers van de Romeinse imperatoren die zich nog
Caesar noemden en Augustus,--de taal van Aristoteles en ook van Cicero
leefde nog op de lippen der beschaafden, de gehele Staatsmachinerie
was die van het Romeinse keizerrijk en wat de klederdracht betreft,
zowel als in alle gewoonten en vormen des levens waren de klassieke
tradities merkbaar. De keizerlike biblioteek stelde al de schatten der
oude literatuur ter beschikking van een talrijke staf van professoren
die op de kateders der Universiteit filosofie doceerden en filologie
en de rechtsgeleerdheid en de werken der oudheid werden afgeschreven,
uitgegeven, bestudeerd en bekommentarieerd; in enorme verzamelwerken
zowel als in praktiese compendia werd de quintessens van de
gedachtenwereld der antieken neergelegd en onverflauwd trachtten
de strijders in rhetorica, geschiedschrijving en dichtkunst, op de
glorierijke banen der Griekse en Latijnse literatuur voort te schrijden.
Onafhankelik van de geestelikheid vond men daar--in tegenstelling
met West-Europa--voortdurend een zeer uitgebreide laag van zuivere
wereldlike beschaving, waartoe het gros van de ambtenaarswereld hoorde
en het hof; vele prinsen en prinsessen van het keizerlike huis waren
werkzaam op het gebied van de literatuur.

Met eerbied zagen de jonge halfbarbaarse volkeren van Europa naar
dat oude keizerrijk in het Oosten op. Er waren altijd door talrijke
verbindingen, en de macht en het aanzien van Byzantium waren over heel
Europa groot. Over Zuid-Italië en de Noord-Italiaanse steden ging er een
voortdurende stroom van handelswaren van de Bosporus naar West-Europa;
over en weer zond men gezantschappen, Griekse prinsessen trouwden in de
West-Europese vorstenhuizen en uit West- en Noord-Europa trok menigeen
daar als koopman heen of om in de keizerlike lijfgarde dienst te
nemen; velen werden ook als slaven naar 't Oosten verkocht. Het waren
machtige, bonte indrukken van een alles overtreffende beschaving, die
de westerlingen op die wijze ontving. Veel van de Byzantijnse bouwkunst
en dekoratie ging op de Romaanse kerken over en de Byzantijnse mozaïek,
de geweven tapijten, het Byzantijnse email en ivoor, verblindden niet
alleen door het kostbare materiaal of de schitterende kleuren, maar
werden ook gevoeld als de openbaring van een fijnere, hogere kultuur
van schoonheid. Men denke b.v. aan al die kleine ivoren beeldjes die
van de werkplaatsen in Konstantinopel over Europa verspreid werden:
deksels en banden voor de evangelies, kleine wassen schrijf-tafels,
kistjes voor juweelen of toilet-benoodigheden, allemaal uitgesneden
met figuren in ornamentale omlijsting. Er was een stijlgevoel in die
kleine kunstwerken, een fijnheid en een scherpte van lijn en omtrek, een
eenvoudige rytmiek in die eenheid van lijnen, die direkt van de oudheid
stamde en die de blik dier barbaren met een gevoel van godsvrucht gevuld
moet hebben. Daar stond de aartsengel Gabriël met zijn kruis-staf en
met zijn lange vleugels recht naar beneden, of de maagd Maria in haar
vrouwenkleed gehuld, met voorover gebogen hoofd en de hand als tot een
klacht opgeheven,--slanke tengere figuren in stijf-ceremonieele maar
toch gracieus elegante houding, de gehele lichaamshouding als gedragen
door een stille innerlike muziek en met een hoogheid en een fijnheid
over zich, als hoorden zij tot een oud vorstengeslacht en als hadden zij
zich aldoor in die verstijfde vormen van het hofleven bewogen. Die dunne
zijden kleeren met het fijne spel der plooien en de geborduurde randen
vergrootten nog de indruk van voornaamheid. Ogen, die gewoon waren een
gespierde baronnenfiguur of een gezette adellike jonkvrouw als typen
van alle schoonheid te beschouwen, gingen hier nu voor een fijner,
geesteliker lichaamsideaal open en voor een manier om zich voor te doen
en het uiterlik van uit zijn innerlik te beheersen, waar ze te voren
geen idee van gehad hadden.

Pelgrims en handelslieden die uit Byzantium kwamen, hadden nog veel meer
te vertellen over de schoonheid van het leven en de elegance die er in
de huizen der rijken aan de Bosporus gevonden werden. Binnenplaatsen met
fonteinen, muren van marmer en mozaïek-vloeren, meubelen van ebbenhout
en ivoor, zijden kleden en Oosterse tapijten, tafelserviezen en kostbare
metalen. Dan die fraaie kleederdrachten en de fijne manieren. Naast de
dikbuikige, onbeholpen Franken, schijnen de gracieuse Grieken in hun
nauwsluitende lichte zijden gewaden vlug en behendig als gymnasten,
zoals een Franse kroniekschrijver zich uitdrukt. Met bewondering kijken
de Franken naar de beleefde en ceremoniele manieren van hun gastheren,
met enig wantrouwen horen zij hun vleiende beleefdheidsformules aan;
»indien de elegantie van houding en beweging, de vriendelikheid van de
blik en de lieve woorden," zegt die zelfde kroniekschrijver, »altijd
onthulde wat het harte dacht, dan zou men aan de hartelikste gevoelens
dier Grieken niet kunnen twijfelen." Vergeefs proberen de Franse
gezanten gelijk de Weringen, de Scandinaven in dienst van de Griekse
keizer, zich onverschillig voor al die pracht en praal voor te
doen, die er aan het keizerlike hof ten toon gesteld werd om hen te
verblinden,--hele theatrale opvoeringen die de ceremoniemeesters bij
de audiënties der keizers arrangeerden om de Barbaren te imponeren. De
beschrijvingen van West-Europeërs van de tuinen en het hippodroom, van
de troonzaal, de optochten die ze daar te zien kregen, tonen duidelik
aan hoe zeer ze daarvan onder de indruk waren, de Griekse historici
beweerden dat de Barbaren als die aan het hof kwamen, meenden dat ze in
het Paradijs waren. En vervolgens die ganse ingewikkelde hofstoet, de
Rangorde! Titels, privileges die de oorzaak waren van eeuwige afgunst en
voortdurende intriges. De hoofd-kamerheer met zijn staf van kamerheren,
de meester van de garderobe, de protostator die de strijder op
zijn paard helpt, de Proto à secretis of de eerste secretaris, de
silentiarii--zij die 't stilzwijgen opleggen--de referendarii die
smeekschriften in ontvangst nemen,--tot aan de Sebastokrator en de
Pan-hypersebastos. Elke rangklasse met zijn titulatuur: Nobilissimi,
spectabiles, clarissimi; elk met zijn uitsluitende rechten; zij die op
groene laarzen mogen lopen, (de keizer alleen mag rode laarzen dragen),
zij die met groene inkt mogen schrijven, (de keizer alleen en zijn
voogden mogen met rode inkt schrijven). Voor de Franse baronnen die uit
hun gewone patriarchale burcht-leven kwamen, was dat de openbaring ener
verfijning en aristocratisering van het maatschappelik leven die zij wel
moesten trachten na te bootsen.

       *       *       *       *       *

Nog op een derde wijze kwamen de baronnen in aanraking met een vreemde
kultuur, waar tegenover zij zich niet anders dan als arme duivels en
naïeve barbaren konden voelen. Ginds in de steden van Spanje kwamen
de bewoners van Zuid-Frankrijk geregeld in vrede en vriendschap met de
Arabieren samen, te Palermo woonden de Franse Noormannen om zo te zeggen
vlak naast hen en koning Roger had vele Muzelmannen aan zijn hof en in
't verre Syrië profiteerden pelgrims of handelslieden dikwels van de
gastvrijheid der ongelovigen. En zelfs bij een vluchtig bezoek moet
die vreemdsoortige schoonheid en rijkdom, de fijne omgangsvormen en de
atmosfeer van Oosterse genotzucht en een rijk Arabies milieu, op een
Fransman van de 11de eeuw als een sprookje en een droom gewerkt hebben.

Over een met marmer geplaveide binnenplaats waar de waterstralen uit
leeuwen-bekken in marmeren vazen plassen, wordt hij--te Sevilla,
Palermo of Damascus--in vertrekken binnengeleid met muren van wit
pleisterwerk en met zolderingen van verguld mozaïek. Op de grond golven
dikke tapijten, voor de deur en de ramen hangen zware zijden gordijnen
met opgenaaide gouden arabesken; op consoles staan overal lakwerk en
Chinese vazen; aan de zoldering hangen lampen. Langs de muren staan
divans en ligbanken, in wierookvaten brandt aloe en sandelhout. Naar
binnen komen die vertrekken uit op een zuilengang om een tuin met
zeldzame planten en vruchten. Onze Frank weet niet of hij wel op de
tapijten durft treden en zich op de divan zetten... hij voelt zich als
dronken door de geur en verblind door het goud en de kleuren.

Hier wordt hij door zijn gastheer ontvangen. Die is in een lange,
safraangele zijden kaftan gekleed met een violetten sjerp, en op het
hoofd een tulband met een witte sluier er over heen, een teken dat hij
tot de stand der geleerden hoort. Vol welriekende olieën zit hij sorbet
te slurpen door een lang strootje, terwijl hij schaak speelt met zijn
lievelingsslaaf. Maar nu staat hij dadelik op en gaat zijn gast te
gemoet--hoe ver, dat is nauwkeurig bepaald in overeenstemming met diens
stand--heet hem in Allah's naam welkom en wijst hem de ereplaats aan
in het hoekje van de divan terwijl de slaaf op een wenk van de meester
de gast sorbet brengt. Met een »God schenke U een lang leven" begint
de gastheer zich met hem te onderhouden: in bloemrijke woorden en
beeldspraak prijst hij de dapperheid der Franse ridders en hult zijn
komplimenten in sierlike woord-boeketten, met lichte gratie leidt
hij het gesprek op allerlei onderwerpen, en het wordt voortdurend met
woordspelingen en treffende uitdrukkingen gekruid. Wat voelt onze Frank
zich plomp en onhandig bij al die ceremoniële beminnelikheid en al die
schitterende, bloeiende konversatie-kunst!

Nu wordt er een gedekte tafel binnengebracht met eten en drinken. Eerst
wast men zijn handen, de handen worden geparfumeerd door ze over een
wierookvat te houden en voor men begint te eten zegt de gastheer: »In
Allah's naam!" Ook de gerechten en het servies wekken de bewondering van
de Kristen op. De dadelwijn wordt in een bokaal van onyx geschonken en
de kippenpastei opgediend op Chinees porcelein. En nieuw is het ook voor
hem dat de gastheer na de maaltijd hem een »Wel moge 't u bekomen"
toeroept.

Zulke indrukken werden dieper en kompleter wanneer men gedurig met
hen omging b.v. in Andalusië. Wel lag er dikwijls een grote mate van
berekening aan ten grondslag en werd er heel wat Oosterse wreedheid
onder dat alles verborgen, maar de façade, wat de vreemdeling zag, was
schitterend en nam ieder voor zich in. Reeds in de oorlog verblindden
de Saracenen hun tegenstanders door hun elegante vormen en houding; in
prachtige wapenrustingen op volbloed paarden en waar de gelegenheid
het medebracht, met een ridderlikheid tegenover de vijand die iets
van kokette galanterie over zich kon krijgen,--b.v. wanneer zij in de
slag met de vijandelikheden ophielden, bij de val van de kristelike
bevelhebber, of wanneer zij bij een overwinning alle oude mannen
spaarden en alle vrouwen en kinderen. Bij de dagelikse omgang in
vredestijd konden duizende kleine trekjes van grote delikatesse en
fijngevoeligheid de Franken de hoger ontwikkelde kultuur der Saracenen
tonen: de hoffelikheid b.v. waarmede hij een geschenk aannam, zelfs als
hij er niet op gesteld was, de delikatesse waarmede hij die beleefdheid
wist te vergelden of de schuchterheid waarmede hij zich ontzien zou
de dienstwilligheid van een vriend te misbruiken. Dat waren allen
raffinementen waar de Franse baronnen nog niet zeer bekend mee waren.
Aan alle kleine vorstelike hoven zagen ze bovendien schitterende
ridderspelen en de atmosfeer van het hof was vol van feesten, muziek en
gezang. Het volk dat zo zeer op muziek gesteld was, bezat instrumenten
die heel wat hoger stonden dan in Europa en hun melodieuse taal werd
door hoog en laag tot verzen gesmeed en ontwikkeld. Allen schreven
verzen, de boer achter de ploeg, de vrouwen in de Harem, op muren en
om zuilen maakten versregels het hoofdsieraad uit. Van hof tot hof
trokken de zangers rond en zongen hun gedichten op muziek. Het waren
hyperboliese lofzangen over de vorsten: »Uw grootmoedigheid, o Heer,
beschaamt der wolken vochtigheid... Uwe paarden, Heer! vliegen vlugger
dan de bliksemschicht en de sterre vermoeit zich in haar pogingen om
die bij te houden!" Of het waren gedichten van lof en hulde voor de
vrouwen--de gesluierde Andalusiese schonen, van wier heerlikheid men
slechts in de Moskee of achter een betralied raam een idee krijgen
kon, en wier afgezonderd leven en wier verhoogde vrouwelikheid een
eigenaardige romantiese kleur aan de liefde bijzette. »Afgunstig
wordt de wijn rood bij de blos op uwe lippen, de volle maan verbergt
zich wanneer uw aangezicht zich vertoont, uw haar is gelijk donker
myrthenloof, uw oog is smachtend als van de narcis, de gang van de
gazelle is niet zo licht als de uwe. Ik ben dronken, niet van wijn, maar
van verlangen en ontberen; met een tranenvolle blik roep ik uw naam aan,
gelijk een monnik zijn heiligenbeeld!"--aldus klonken de liederen der
Andalusiese troubadours, door de mandoline begeleid.

Bij een Arabies kroniekschrijver kan men een merkwaardige schets van
een graaf uit Zuid-Frankrijk vinden, die zich in de woning van de
Saraceense gouverneur had ingericht toen de stad door de Spanjaarden
op de Muzelmannen veroverd was geworden. Die had de kleederdrachten van
de vorige eigenaars aan, en diens harem overgenomen en leefde nu geheel
op zijn Oosters. Een Joodse koopman die hem kwam bezoeken, vertelt hoe
de graaf op zijn divan liggende en het Arabies vreselik radbrakende,
een der jonge vrouwen riep en haar beval voor hem bij de luit te
zingen; terwijl de tranen langs haar wangen stroomden, stemde zij haar
instrument en zong zij haar liederen, die noch de gast noch de gastheer
verstond, terwijl toch de laatste al drinkend met groot animo
applaudiseerde.

De begeerte naar de schatkamers der Saracenen en de tuinen van Armida
hebben er het hunne toe bijgedragen om de baronnen aan de kruistochten
te doen deelnemen, zo wel als al de fantastiese verhalen over de
heerlikheden van Byzantium en het verlangen naar de landen der ouden
om de Middellandse Zee. En de kruistochten openden pas de vreemde
kultuurwerelden voorgoed,--zetten de deuren van West-Europa pas
wagenwijd open voor 't Oosten en Arabië, Byzantium en de Griekse
kultuur, en langs die weg ook voor buitengewoon veel van de klassieke
kultuur. De invloed van deze vreemde beschavingen is, tegelijk met eigen
innerlike ontwikkeling van het Ridderwezen en de kristelike sentimentele
stromingen der 11de en 12de eeuw, wat het ontstaan der Ridderromantiek
verklaart en mogelik maakt.



IV.

HOFKULTUUR.


Het leven der edelen concentreert zich, zoals wij zagen, in de 12de
en 13de eeuw op de kastelen der rijke graven en hertogen; de kleinere
adel, in elk geval de zoons, komen van de verspreid liggende sloten
der baronnen meer en meer naar de residenties der Leenheren. Hier
ontwikkelt zich een sosiaal samenleven en een daaraan beantwoordende
kultuur.

Het zijn eerst en vooral nog maar vestingen, deze vorstelike
kastelen--Narbonnes van de graven van Toulouse, de burchten van de
hertogen van Champagne in Provence, die van de graven van Guines in
Ardres of de Wartburg van de landgraven van Thuringen, het slot der
Wellen te Dankwarderode--akelig somber zijn ze om aan te zien en
moeilik toegankelik, en ook van binnen beantwoorden zij met hun kleine
binnenplaatsen en nauwe wenteltrappen en vele kleine vertrekken slechts
weinig aan de moderne opvatting van wat zulk een slot moet zijn. En
toch--vergeleken met de kleine kastelen der baronnen--is er alles heel
wat groter, en vindt men er meer rijkdom en groter veiligheid en reeds
hebben allerlei vreemde kultuurinvloeden een zekere luxe--soms er nog
zeer bovenop--verspreid over de nog altijd vrij primitieve toestanden.

Er is meer plaats binnen de wallen, en de veiligheid is ook groter omdat
de vestingwerken, vroeger dikwels van hout, nu altijd van steen zijn
en nu meer als zelfstandige uitbouwen met soliede verdedigingswerken
gemaakt zijn, gelijk ze dat op de eerste kruistocht bij de Arabiese
vestingen, om Jeruzalem en Antiochië, gezien hadden. En zo krijgt men nu
een gelegenheid om rondom de eigelike burcht tuinen aan te leggen--met
rozen en lelies, rozemarijn en heliotroop, met genezende kruiden voor
de huisapotheek en met alle soorten van vruchtbomen, zelfs met een
paviljoen waar de Landheer zich 's zomers ophoudt. Van de geheel vrij in
't midden staande, bijna onneembare toren (donjon, bergfried), waar men
hoogst bekrompen woonde, is de woning nu gebracht naar een zelfstandig
langwerpig stenen gebouw, dat de van de Romeinse Keizertijd stammende
naam van »paleis" draagt. Vrije stenen trappen voeren naar de belétage
op en langs de façade daarvan, een open korridor, een »loggia" of
»laube", op de open trap zowel als op die loggia houdt men zich dikwels
bij goed weer op. De grote zaal zowel als de kleine kamers hebben nu ook
veel meer vensters zodat er ook beter licht en lucht in komt,--door het
naar buiten schuiven van de vestingwerken is nu ook het gevaar voor het
vijandelik geschut geweken,--al meer en meer bouwt men de vensters nu in
Romaanse stijl, rhytmies gegroepeerd,--twee of drie te samen bij elkaar
gehouden en omgeven door arkaden en boogfriezen. Bij wijze van bizondere
luxe ziet men in navolging van de kerkbouw, hier en daar glazen ruiten.

Gezelliger en gemakkeliker voor een verblijf zijn ook de verschillende
vertrekken geworden. De haardsteden zijn nu niet meer geheel open maar
van een schoorsteen voorzien. Naast de ouderwetse vaste muurbanken in
de ridderzaal, duiken er langzamerhand andere meubels op: veldstoelen
en taboeretten, kleine kleedjes en kussens die op de grond liggen om op
te zitten; ook vindt men een soort ligbank met matrassen er in, die 's
nachts als bed gebruikt wordt, maar waarop overdag de gast uitgenodigd
wordt naast de gastheer of gastvrouw plaats te nemen. Veel van deze
gemakken komen zeker uit het Oosten; een woord als »matras" is Arabies
van oorsprong, een »tapijt" stamt uit Byzantium. De verlichting is ook
al heel wat meer ontwikkeld dan in de tijd van de pikfakkels of een
enkel licht hier en daar; ook alweer onder invloed van de Kerk ziet
men overal kandelaars die aan de muur vastgemaakt zijn en kronen aan
de zoldering. In de vertrekken, altans in de grote zaal, vindt men nu
allerlei ornamenten, en schone kleuren. In plaats van een open dakstoel
krijgt men beschoten zolderingen of zelfs gewelven als in de Romaanse
kerken. De gepleisterde muren en zolderingen worden met levendige
kleuren versierd: een blauwe grond met gouden sterren of overal bloemen
en gestileerde takken en vogels--meestal geel en roodbruin op witte
grond--of afbeeldingen van bijbelse of historiese tafrelen of uit een
roman; op deze wijze waren ook vroeger de paleizen van een Theoderik of
Karel de Grote met historiese muurschilderingen naar de overlevering
der antieken versierd geweest. Veel nieuwe kleurstoffen worden nu uit
het Oosten bekend (indigo-blauw, damast-rood en safraan-geel) nieuwe
kleurnamen worden uit het Arabies ontleend (karmozijn, oranje, azuur);
zelfs de ornamenten hebben hun naam en dikwels de motieven van de
moskeeën en de huizen der Arabieren (arabesken). Bij feestelike
gelegenheden worden de muren nog bizonder, spesiaal met geborduurd
linnen bedekt--soms een hele beeldenreeks als bij het enorme tapijt
van Bayeux, waar de gehele slag bij Hastings in geborduurd is,--of met
tapijten die eerst uit Syrië en Perzië kwamen--waar dan fantasties
gestileerde Oosterse planten en dieren in geweven waren--en die later in
Vlaanderen gemaakt werden. Ook de vloer werd in stenen vakken ingedeeld
als de ruiten van een schaakbord of met ornamenten; bij feesten werden
daar levende bloemen over gestrooid.

De edelen zelf begonnen het lichaam beter dan vroeger te verzorgen,
om welke reden de moralisten van de tijd hen verwekelikt en verwijfd
noemen. Uit de termen van Byzantium en de badgelegenheden van de
Mohamedanen komen de warme baden en dampbaden overal in West-Europa in
zwang; het baden is blijkbaar niet alleen een noodzaak geweest--vooral
groot in een tijd dat er geen linnen gedragen werd en men het lichaam
zo buitengewoon sterk inspande--maar moet ook als een wellustig genot
beschouwd zijn geworden, waar velen een overdadig gebruik van maakten.
De kerk stond dan ook nooit goed gezind tegenover die nieuwe manier
om aan de zinnen toe te geven. Ook het haar en de huid begon men te
verzorgen. Uit Byzantium kreeg men fijn gesneden ivoren kammen en
weelderige spiegeltjes met deksels van ivoor, uit het Oosten welriekende
oliën: rozenolie, amber en balsem. Het haar werd gevlochten en met
krulijzers gekroesd, zo wel bij mannen als bij vrouwen; de vrouwen
wisten het haar te verven zo wel als vals haar te gebruiken, en
verstonden de kunst om zich te blanketten en dikwels droegen ze
sluiers--op de wijze der Oosterlingen. Vooral waren het juist de stoffen
uit het Oosten en het Oosterse voorbeeld in het algemeen, die een
ongehoorde lukse van kleeren en versierselen in zwang brachten en dat
niettegenstaande alle gepreek van de familievaders en van de Kerk. Over
de handelscentra van Italië stroomde dat alles Europa binnen--zijde uit
Tyrus, Arabië en van de »Hindoe koesj", »de Indiese Kaukasus", satijn
en fluweel van Alexandrië, damast van Damascus, »baldakijn" van Bagdad,
mouseline van de stad Musul aan de Tigris, »Sindu-wol" uit Indië. Van
de kledij der Byzantijnen, zo als men die, in mozaiek gereproduceerd,
in ivoor uitgesneden kon vinden en van de burnu's en de kaftans der
Arabieren kwam de nieuwe mode in de klederdrachten: de korte kiel van
de mannen en hun mantel gaan nu tot aan de enkels; ook de vrouwen
dragen lange gewaden van lichte, fijne stoffen met wijde mouwen en
een sleep. In de »visioenen" van een monnik uit die tijden lijdt
keizerin Theophano, een Griekse prinses, alle pijnen der hel, omdat
zij de weelderige Byzantijnse modes in de vrouwelike klederdracht naar
Duitsland en Frankrijk overgebracht heeft. De namen van klederen, als
b.v. »Jupe" en »hoqueton" zijn Arabies. Maar die kleeren van de ridders
en hun vrouwen zijn heel wat bonter geweest dan die van hun voorbeelden;
met een naïeve opvatting van kleuren hebben ze de meest schreeuwende
daarvan te samen gebracht; het is niet zeldzaam dat men een dame
hoort prijzen omdat haar kleeren aan een papegaai doen denken, en de
»mi-parti" klederdrachten der mannen en het dragen van bellen er op,
zijn zeker Europese uitvindingen. Borduursels in en op de stof, gespen
en spelden, ringen en kettingen voltooiden de feestkleedij. Een bedorven
jeugd--zo klaagt een kroniekschrijver--is meer en meer verwijfd
geworden; ze dragen lang, sierlik gekapt haar, ze werpen stof op door
hun lange mantels en bemoeiliken zich alle handbewegingen door hun
lange, wijde mouwen; ze dragen lange baarden, als van de bok, (dat komt
ook uit het Oosten) en lopen met een kaproen op het hoofd en lange
puntschoenen.

Ook de maaltijden worden meer en meer uitgebreid en fijner. Uit het
Oosten krijgen ze pasteien en taarten, peper, muskaat, meloenen en
sinaasappelen, hete wijnen--van Cyprus en Malvezij--en ook limonaden.
En het eten werd ook al wat schoner en netter opgediend. Wel is waar
nog altijd alles in één pot, en worden de vingers als vorken gebruikt
en hebben elke twee personen samen maar één bord en één beker, maar
er wordt toch iets meer dan vroeger acht geslagen op wat de reinheid
en de schoonheid eisten. Byzantium en de Arabieren waren steeds
de voorbeelden; het gouden of zilveren servies voor de vorstelike
feest-maaltijden was meestal Grieks werk; er zijn drinkbekers bewaard
gebleven van émail en in goud gevat kristal en door de Byzantijnse
kunstenaar met Grieks mytologiese voorstellingen versierd. Woorden als
»tasse" en »karaf" zijn Arabies. Voor de maaltijd de handen te wassen
was iets wat men bij een bezoek in het eerste het beste Saraceense huis
kon leren, een wasbekken, dat nog uit een der ridderkastelen stamt,
noemt zich dan ook »vervaardigd door Mohammed, de zoon van Abzeny", maar
die gewoonte kan ook uit de Kerk overgenomen zijn, waar de priester van
ouds de handen wies, vóór hij bij de mis de Heilige Voorwerpen aanraakte
en uit de altaar-kelk dronk,--het zijn dan ook kerkelike Aquamanilen (de
schaal, in de vorm van draken en leeuwen, waarin de priester zijn handen
wast) die zich later tot wereldlike kannen voor het wassen der handen
ontwikkelden.

En wat tafelmanieren aangaat, krijgen de edellieden nu een opvoeding
waar men zich te voren geen idee van gevormd had. Geesteliken die als
huiskapellanen of als opvoeders voor de zonen der adelliken aan de hoven
vertoefden, trachten de jongelui iets van de tucht en fatsoenlike
manieren aan de maaltijden bij te brengen, die volgens de oude
reglementen in de refectoria der kloosters in gebruik waren. Uit de
Talmud en van de Arabieren uit Spanje had de gekerstende Spaanse Jood
Petrus Alphonsus dergelike regels voor tafelmanieren opgesteld in zijn
»Disciplina Clericalis", geliefkoosde lectuur in de 12de en 13de eeuw.
En kon men niet bij Ovidius lezen dat men niet schrokken moest, maar het
eten netjes met de hand naar de mond moest brengen en zijn gezicht niet
mocht volsmeren? Indien Helena schrokkerig gegeten had en zich bemorst
had, dan zou Paris niets met haar te maken hebben willen hebben. Of was
er in de wijsheid van Jezus Sirach niet eigelik een heel Leerboek voor
tafelmanieren in den dop te vinden,--dat men niet met een »hemel, wat
een hoop eten!" er het eerst bij moest trachten te komen, dat men zijn
maag niet mocht overladen, en indien men daar toch door de tafelgenoten
toe mocht zijn verleid, dat men zich dan onopgemerkt even van tafel
moest verwijderen om het »overvloedige" kwijt te raken? Al dergelijke
nuttige voorschriften leerden de Ridders en hunne dames, dat men
geen grote brokken in de mond mocht nemen, niet met eten in de mond
mocht spreken, niet met de hand in de algemene schotel mocht roeren
of er afgekloven benen weer in leggen, zorgen dat er geen vetrandje
aan de beker achterbleef waaruit men gedronken had en de buurman nu
weer uit drinken moest, en ook de mond niet mocht afvegen met het
tafellaken--laat staan natuurlik er zijn neus in snuiten.

In het algemeen is het de gehele dagelikse omgang die nu het voorwerp
van een cultivering en regulering wordt van het oogpunt van reinheid
uit, van het algemeen gemak en van de schoonheid. Het is het samenleven
der hogere kringen dat uit zich zelf, hier als overal, de manieren
der mensen verfijnt en polijst. De hoven worden nu een school der
beleefdheid, waarin de grote Heren van buiten wat worden gevijld
en geschaafd. Maar evenals de nieuwe lukse en de verfijning van de
uiterlike levensvormen dikwels slechts iets geweest zijn dat er buiten
op zat,--het rijke zijden dek verborg soms een bed van stroo, en in
plaats van de geraffineerde feestgerechten kwam er gewoonlik slechts
spek en worst op tafel--zo blijkt het maar al te dikwels dat al die
regels over de vormen van het hof niet natuurlik ontstaan zijn, en als
gewoonte tot ontwikkeling gekomen, maar dat die er van buiten af kant
en klaar in gebracht zijn en, als nieuwe kunstmatige modevoorschriften,
van buiten geleerd. In de 11de, 12de en 13de eeuw ontstaat er een hele
literatuur door klerken, die aan het hof leven, geschreven, eerst in 't
Latijn, later in Franse en Duitse verzen en die ten doel heeft regelen
voor de goede manieren en de goede toon op te stellen voor alle
mogelike levensomstandigheden. De enige leermeester tot wien men zich
wendt is de oudheid. Bij Ovidius, bij Cicero en bij Seneca en in de
verschillende verzamelingen van spreuken die in de middeleeuwen onder de
naam gaan van Publius Syrus, Cato en Seneca, vindt men regels over hoe
men zijn tanden en nagels schoon kan houden, hoe men niet te luid of
te veel moet spreken, hoe men niet te hard of te veel mag lachen en
dergelijke dingen meer die allen onder het »decorum" te rangschikken
zijn. Maar in het bizonder had de Kerk langzamerhand als een schakel in
de kristelike moraal een verfijnde opvoedingsleer ontwikkeld. In een
Grieksch geschrift van Clemens van Alexandrië (ongeveer 200 n. C), de
»Paedagoog", vindt men een massa zulke voorschriften: men mag zijn neus
niet snuiten, of niet niezen met al te veel lawaai, bij het drinken het
hoofd niet te veel naar achteren werpen, enz. En dit alles--leert die
Kerkvader--zijn geen bagatellen, want »wij moeten altijd leven alsof
wij in de tegenwoordigheid van God leefden." Dat was het juist wat
de heilige kluizenaars deden. Daden van kristelike ootmoed en liefde
waren voor hen niet iets wat alleen de grote handelingen betrof; die
moesten integendeel het dagelikse leven tot in de kleinste kleinigheden
doordringen, alles zou bij het opmaken van de rekening meetellen. Liefde
wordt in de dagelikse omgang tot een meest delikaat in acht nemen van
vormen en respekt, ootmoed tot de meest geraffineerde bescheidenheid.
Wanneer de heilige Paulus bij de heilige Antonius op bezoek is, trachten
zij elkaar in damesachtig-fraaie beleefdheidjes te overtreffen en
parlementeren er een langen tijd over wie het eerst van het brood
zal nemen, enz. Later heeft het kloosterleven een heel sisteem van de
regelen der etikette bij de dagelikse omgang ontwikkeld--de regel van
de H. Benedictus bevat een massa van dergelike voorschriften--hoe de
monniken elkander of hun Abt zullen moeten begroeten of toespreken en er
bestaan strenge straffen voor wie onder het zingen der psalmen hoest of
wie bij het drinken met zijn tanden tegen de altaarkelk stoot, enz. Wij
hebben uit het jaar 1000 ongeveer, verschillende leefregels voor jonge
geesteliken en nonnen, door geesteliken geschreven. Zo is er b.v. één,
waarin Bernhard van Clairvaux de jonge man inprent hoe hij zich gedragen
moet, spreken, de mensen moet aankijken, enz. Zulke leraars zijn het die
de klerken naar de adel op de kastelen sturen voor hun zoons. En het
doet werkelik goed te zien welke drang naar goede manieren de ridders
nu tot de leerlingen van klerken en Joden maakt, van de Muzelmannen en
de oude klassieken,--en de energie die ze er aan besteden om zich die
lessen ten nutte te maken. Zo leren ze b.v. om altijd te kloppen als ze
een kamer binnen willen. »U" te zeggen tot hun gelijken en de hogeren
in rang. »Heer", »Vrouw" en »Jonkvrouw" te zeggen--men zegt dat de
meervoudsvorm »U" reeds in de tijd van Caesar in gebruik kwam als
men iemand aansprak,--bij het binnentreden iemand met een »God zegene
U" te begroeten, te bedanken als men iets krijgt, niet te hevig te
gestikuleren bij het spreken, de hand niet op het hoofd of op de
schouder te leggen van een persoon die men aanspreekt, hem van wie men
afscheid neemt Gode te bevelen... alles kleinigheden, maar die te zamen
het sisteem vormden dat de tijd op zou bouwen.

Tot die hoofse vormen en gebruiken hoorde natuurlik nog in de eerste
plaats vaardigheid in het hanteren van de wapenen en in het paardrijden;
die worden tot ridderlike deugden met allerlei regels en steeds groter
raffinement. Van de kinderjaren af worden de jongens daar reeds in
geoefend en in vredestijd blijft men zich oefenen door toernooien
en andere sport. Het fokken van paarden en hoe ze te verzorgen, de
versierselen op de wapenrusting, de heraldiek, de schermkunst of hoe
een lans te breken,--dit alles en dergelike dingen werden bij de hoven
voorwerpen van grote zorg. Hoe zeer de wapens en de paarden bij de
ridders geëerd en geliefd waren en hun altijd voor de geest stonden, dat
tonen al de beelden en vergelijkingen uit die gedachtesferen waar de
ridderpoëzie van doortrokken is. En het zelfde geldt van de jacht,--de
hoofdpassie der ridders, behalve toernooien. Dan eens vergelijkt de
dichter zijn verliefd hart met een teugelloos paard, dan met een havik,
die zijn prooi in 't oog krijgt, de welopgevoede ridder wordt vergeleken
met de welgedresseerde jachtvalk en de ongelukkige minnaar met een vogel
in de ruitijd. Er zijn reeds vroeg leerboeken--veelal naar het Arabies
bewerkt--voor alle mysteriën van de jacht-wetenschap, en een valk te
kunnen dresseren, of de buit volgens de ware regels te kunnen verdelen,
waren kunsten waar men de gunst van vorsten zo wel als dames mede kon
winnen, als men zich daar een meester in toonde. Maar als gewichtige
elementen in de hoofse vormen kwamen er bij die lichaamssport nog
allerlei gezelschapskunsten. De jongelui van beider kunne worden in het
teerlingspel onderwezen, in het schaken en de dans; het een of ander
instrument te kunnen bespelen en de kunst van lezen en schrijven kwam
er naderhand bij, altans voor vorstenkinderen. Voor deze laatsten hield
men er veelal een »Paedagogus",--een »maistre"--een »zuchtmeister" of
»meisterinne" bij het hof op na; vooral de meisjes uit de voorname
families leerden niet alleen lezen en schrijven maar ook zingen en
spelen.

Zelfs de innerlike habitus der mensen komt onder de invloed van dit
leven der hogere klassen en het sosiale leven op het adellik slot en
aan het hof--in hoofdzaak juist in die zelfde mate als dat het geval is
waar dit elders in de geschiedenis voorkomt,--aan de Indiese en Perziese
hoven, die van de Italiaanse renaissance of bij het leven te Versailles.

Het gezelschap bestaat in de eerste plaats uit de Seigneur en zijn
familie--daaronder vele behoeftige mannelike en vrouwelike verwanten
die op het kasteel genadebrood eten;--daarnevens een heel garnizoen van
ridders die een soort lijfgarde van de Seigneur vormen. Verder zijn daar
een hele schare van jonge edellieden die naar het hof gezonden worden om
zich daar in de wapenen te oefenen en de ridderlike tucht te leren, zulk
een vorstenhof is feitelik een soort Ridderakademie. Die jonge lui doen
eerst dienst als pages en als fakkeldragers of boodschappers, zorgen
voor de valken op de jacht en het aankleden en ontkleden hunner heren;
later worden zij schildknapen en de armen onder hen brengen het veelal
niet verder; de rijken daarentegen, of zij die hun wapenrusting en
riddertooi door een ander kunnen laten bekostigen, worden tot ridder
geslagen en trekken dan weg. Vervolgens heeft men de arme »Chevaliers
sans terre" die op het ene hof voor, het andere na, gastvrijheid komen
vragen, ook zelfs edelen in goeden doen die ergens hun eigen goed en
burcht hebben, maar die er de voorkeur aan geven aan het hof van de
leenheer hun leven te slijten. En verder een heel stel hofambtenaren,
de seneschalk, de keukenmeester, de keldermeester, de intendant en
de maarschalk. De burchtvrouw en haar dochters hebben--evenals de
vorst--ook hun suite van arme tantes, nichtjes en andere adellike
dames die op het kasteel wonen als dames van gezelschap of kameniers en
evenals hun broeders worden de adellike jonge meisjes voor hun opvoeding
daar heen gezonden, om daar dienst te doen en liefst ook te trouwen.
Wanneer daar nu nog een heel dienstpersoneel bij komt, dan begrijpt men
dat de burcht in de regel niet het hele hof kon bergen, vooral niet bij
feestelike gelegenheden, wanneer de adel uit de buurt ook nog aan kwam
zetten; dan moesten velen bij de gegoede burgers hun intrek nemen, de
residentie lag ook bijna altijd in of bij een stad.

Hier wordt er het leven van de grote Heren geleid. Alle werk voor
het dageliks brood is onterend. Is er eens een edelman die zich in 't
geheim met de schaapsteelt afgeeft, dan voelt hij zich diep beschaamd
wanneer het aan den dag komt. Handel is een zaak voor kramers en Joden.
Alle »gaigneurs" worden veracht,--zij die hun brood moeten verdienen
en alleen des Zondags vrij hebben. Zelfs van die zaken welke de
administratie der goederen medebrengt, wil men niets weten. Het jonge
geslacht stelt de aanvaarding van de erfenis zolang mogelik uit, zij
blijven liever bij het hof dan zich daarmee druk te maken. Wanneer er
recht gesproken zal worden en er plotseling bezoek komt, dan laten de
jongelui zowel als de baronnen alle rechtspleging in de steek en haasten
zich volgens de verhalen in de romans, de gasten te ontvangen. En gelijk
de zaken op de schouders hunner beambten geschoven worden, zijn ook
zorgen en bekommeringen iets waar een edelman zich boven moet weten te
verheffen. In de oude heldengedichten zag men zelfs de hoogststaanden
tranen storten, maar nu heet het--gelijk dikwijls in de romans
voorkomt--: »Laat de mindere man verdriet hebben, die is er aan
gewoon,--maar dat past niet bij een vorst of een voorname dame." Vooral
van de bezittingen moet men zich nooit iets aantrekken of er een traan
voor laten, wanneer men het hart van een baron in zich heeft. »De
vreugde te beminnen"--joye aimer--is ridderplicht, en »jeunesse" wordt
als een van de ridderdeugden voorgesteld. Het is een van de eisen der
hogere kringen dat men rijk moet zijn, niets te doen moet hebben, vrolik
zijn en jong,--gelijk naderhand in de salons der 18de eeuw.

Het leven is een en al gezelligheid,--een leven van uiterlikheden, vóor
en met anderen. Slechts in de eenzaamheid of in kleine kring kan een
intiem innerlik leven ontstaan, een warm gemoedsleven, een dieper
denken, gaan met de gezelligheid niet samen. Het is een leven van
ogenblikken, van op zich zelf staande momenten, op de omgeving
gericht. Zulke mensen zijn licht bewogen gevoelsmensen: zij zijn
nerveus-ontvankelik voor de stemmingen van hun omgeving, zij nemen
gretig deel, ofschoon misschien niet diep, aan het wel en wee van
anderen; zelf zijn zij expansief in hun gevoelens en hebben er behoefte
aan bij anderen sympatie te vinden; beminnelikheid en behaagzucht,
koketterie en ijdelheid, sympatie en fijngevoeligheid zijn eigenschappen
die dat leven ontwikkelen. Maar geen sterke passie zal licht gelegenheid
krijgen om bij zulk een versnippering van het gevoelsleven tot volle
groei te komen, die zou ook een einde maken aan het sosiale leven
en aan het intieme huweliksleven, en het familieleven begint onder de
ontwikkeling van het sosiale leven te kwijnen; aan de hoven der 13de
eeuw gelijk in de salons der 18de; glijden man en vrouw van elkander,
zij hebben geen tijd en gelegenheid om voor elkaar te leven, men moet
zich grotendeels aan het leven geven. Zelfs komt het huwelijk in
miskrediet, als het gezellige sosiale leven in de weg staande; in een
Duitse roman verklaart Gawein dat voor Iwein: wat zijn er niet een
menigte echtgenoten die zich met hun vrouw opsluiten, alle riddervreugd
er aan geven, zich in de gewoonste kledij steken, ongesoigneerd er uit
zien en een hoogst onaangenaam leven leiden, het hoofd vol van huiselike
beslommeringen.

En daarenboven: mensen van de wereld leren de kunst van observatie, in
elk geval leren ze de kleinigheden en uiterlikheden opmerken, en de
eigenaardigheden der verschillende mensen kennen, nauwkeurig de omslag
in de conversatie volgen, het verholen spel van het eigenbelang en der
ijdelheidjes fijn doorzien, snel te begrijpen, gewillig zich aan het
nieuwe aan te passen, zonder aarzelen anderen na te volgen; zij worden
gevat en vindingrijk, mededeelzaam en onderhoudend en weten aan hun
innerlik vorm en uitdrukking te geven die hun uitwerking niet missen.
Maar bij al dat heldere vernuft en dat veelzijdige aanpassingsvermogen,
al die improviserende »Esprit" en die handige vorm-kunst, blijft er geen
plaats over voor diepe oorspronkelikheid, voor eigelike geestelike
productiviteit. Aan de hoven der 13de eeuw wordt de persoonlikheid als
in de salons der 18de uitgewist, de scheppingskracht vermindert en daar
kan het geestesleven wel vrijheid en veelzijdigheid ontvouwen, maar
diepte en grootheid zijn er niet in te vinden.

Ontwikkelen nu de mensen zich in dit maatschappelike leven als van zelf
in de genoemde richtingen, de druk dier maatschappij geeft de enkeling
in een dubbel opzicht zijn vorm. Aan de ene kant slijpt dat n.l. alle
hoekjes en kantjes bij hem af, vormt hem naar één model, stemt hem in
de heersende toon en dwingt hem tot een zeker jargon. Alles wat één
enkele doet is »onopgevoed"--»doet men niet--dat lijkt op niets, zò
doet men, dat is zoals het hoort." Curialis, courtois, dat betekent het
conventionele begrip, voor wat aan de curia, de cour, past, wat hoffelik
is. Maar toch, binnen de perken van de mode en de goede toon, stelt
men, tot zekere hoogte altans, het individuele op prijs. Een ieder moet
trachten uit te steken, zich niet in het gezelschap op de achtergrond
houden, ieder moet zijn loodje bijdragen, zijn talent voor de anderen
nuttig maken. Allen moeten proberen hun natuurlike goede eigenschappen
tot hun recht te laten komen, moeten trachten in of met iets uit te
blinken--in de ontvangstzaal zal b.v. de ene dame de gelegenheid
aangrijpen om haar mooie handen te laten zien, de ander glimlachen om
haar frisse tanden te vertonen, de een schittert door haar vernuft, de
ander door haar gevoeligheid. En men tracht elkaar steeds de loef af te
steken in elegantie, in hoofse vormen; de grote kwestie is een nieuwe
mode in te voeren of nieuwe paragrafen bij het Wetboek van de goede toon
te voegen.

Wat ook tot de vrijheid en vernieuwing bijdraagt is, dat er in de 12de
en 13de eeuw, èn in Frankrijk èn in Duitsland, zo veel van die hoven
zijn met hun intellectuele feesten en partijen, en dat er een intens
verkeer daar tussen plaats vindt. Een hoofdstad is er nog niet en ook
geen koninklik of keizerlik hof dat een werkelik toonaangevend centrum
uitmaakt. De ridders trekken over en weer naar de hoven van Ardres,
Boulogne en St. Pol, men ziet elkaar bij toernooien en feesten, en als
er een te Atrecht gegeven is, geeft een ander er een even groot, of
groter, te Brugge. Evenals in het oude Griekenland, in het Italië der
renaissance, of het Duitsland der 18de eeuw, blijken ook hier die vele
kleine centra die in zulk een levendig verkeer met elkander staan, op de
ontwikkeling van het geestesleven een zeer gunstige invloed te oefenen.
De mode regeert, maar er komen steeds nieuwe modes op, de goede toon
»stemt" de anderen wel, maar wordt toch weer op zijn beurt opnieuw
»bestemd" door hem, die de nieuwe toon aangeeft. Op die wijze werkt
dit maatschappelijke leven tegelijkertijd nivellerend en toch ook
voortdurend variërend.

En ten slotte: dat maatschappelik leven is een hofleven. Overal merkt
men een indeling in verschillende klassen, een rangorde, een soort
hiërarchie: van de Seigneur af, door heel zijn familie heen, van
de baronnen tot de ridders zonder iets toe, van de ridders tot de
schildknapen en pages, van de hofbeambten tot de laagste rangen van het
dienstpersoneel. Aan tafel zit men volgens zijn rang aan, in de Kapel
heeft een ieder zijn vaste plaats, er is verschil bij de titulatuur:
Heer, Jonker, Dame, Demoiselle en Pucelle. Bij het afscheid geeft
de Seigneur de baronnen zijn hand, maar de dienende ridder zegt hij
alleen maar goeden dag. Natuurlik zijn wij hier ver van de etikette
van Byzantium of van het hof van Lodewijk XIV, maar de vraag naar
geboorte en rang, »parage", speelt een steeds belangrijker rol.
»Mesure", »Maze" heeft in het bizonder de betekenis van de takt en het
berusten waarmee een ieder zich in die hiërarchie invoegt, met de hem
toebedeelde plaats tevreden is en voor een ieder het respekt heeft
dat hem wegens zijn rang en stand toekomt. En er ontwikkelt zich een
geest van onderdanigheid en een vleiende toon jegens de supérieuren,
een van hoogmoedige trots tegen de inférieuren die ten allen tijde
onafscheidelik van het hofleven geweest zijn. Ten eerste worden van die
kringen natuurlik alle »villains" uitgesloten; men houdt alleen rekening
met »gentilhommes". De fundamentele opvatting van die adelskultuur,--en
dit wordt steeds meer en meer emfaties door de gedichten gestaafd,--is
volkomen tegen de geest van het Kristendom in, dat de menselike natuur
bij de »geborenen" en »niet-geborenen" absoluut verschillend van aard
is, dat de »nourriture", de opvoeding, zo goed als niets betekent
tegenover de »nature"; de voornamen zijn van andere stof gemaakt of
altans in een andere vorm gegoten door de natuur, dan het volk. Maar
in de adel zelf is ook gelijkheid van geboorte een bijna noodzakelike
voorwaarde voor een huwelik. Een »vavassor" durft zijn ogen niet tot de
dochter van een baron opheffen, een baron niet tot een vorstendochter,
alhoewel het als een teken van een »verheven gemoed" geldt, wanneer men
tracht de maatschappelike ladder op te klimmen.



V.

DE »SALON-POËZIE" DER RIDDERKRINGEN.


Het oude nationale helden-epos had nog een ereplaats aan de nieuwe hoven
zo wel als op de oude kastelen der baronnen; aan de oorspronkelike
gedichten werd steeds bijgevoegd en veranderd en er ontstonden nieuwe
gedichten in de trant der ouden, uur aan uur hielden de zangers de
adellike heren en dames in spanning door hun voordrachten onder
begeleiding van muziek van de eindeloze gevechten met die »honden" van
Saracenen of tussen de krakélende baronnen. Maar in de 12de eeuw was
de produktieve tijd voorbij; de atmosfeer en het hofleven waren weinig
geschikt om tot heldendichten te inspireren. De helden-epiek was toch
een maatschappelike poëzie, ontstaan uit een levende algemeen nationale
sageschat en gaf uitdrukking aan een levende nationale of provinciale,
algemene geest. Maar de nieuwe ridderkringen hadden niets van die
maatschappelike geest, de laatste echo van de oude Germaanse stamgeest.
Hier waren ridders bij elkaar die gewoon waren hun leven op eigen hand
te leven en zich neer te slaan, of in dienst te treden, dan hier en dan
daar; het gehele leenstelsel berustte op het vrije kontrakt; de nieuwe
maatschappij die zich vormen zou, wees vooruit en voelde zich zeer
weinig solidair met de overleveringen van het oude Frankrijk der
Karolingiërs en nog was het slechts een vrije, bewegelike gastvrijheid,
nog ver verwijderd van een nieuwe maatschappelike geest, die de
vele kleine centra geschapen hadden. De resonantiewand voor de
heldengedichten was weggenomen--de piëteit van het terugkijken op het
verleden, een organies gevoel van saamhorigheid, de bijna religieuze
stemming van een feest ter herinnering aan de voorvaderen.

Wat de gastvrijheid der ridders wenste, was een vrije
conversatie,--vrije geestesoefening, evenals men bij toernooien of op de
jacht het lichaam oefende. Terwijl de heldengedichten op geschiedenis
berustten, of op sagen die voor geschiedenis aangezien werden en als
geschiedenis werkten,--en terwijl de heldendichten uit een soort stam-
of provincie-patriotisme ontstonden en tot zekere hoogte een opbouwende,
opvoedende kracht bezaten,--emancipeert zich nu voor 't eerst de
aestetiese drang om histories te vertellen en te horen, zo wel van
historiese als van patriotiese belangen. In de grotere kringen wil men
eerst en vooral gesprekken hebben. Het begint tot de goede toon te horen
om te kunnen »bien parler", goed en flink te kunnen spreken; zo wel voor
ridders als voor de dames wordt dat als een bepaalde deugd beschouwd.
In de romans zien wij hoe men daar aan tafel zit te praten of de ridders
komen op bezoek in de vertrekken van de vrouwen, terwijl dezen daar met
hun naaiwerk zitten. Of wel komt men in het goede jaargetijde 's avonds
in de burchttuin onder een oude vruchtboom bij elkaar of wandelen
allen te zamen de tuin in. En dan wordt er gesproken over wapenen en
toernooien, over honden en vogels of over de liefde. Uit de romans kan
men ook zien dat men er altijd op uit was vlug en ad rem te antwoorden,
handig met een grap voor den dag te komen, met lichte toespelingen
of dubbelzinnigheden, en iemand te kunnen plagen of geestigheden ten
beste te geven op een elegante en onderhoudende manier. De Franse
conversatiekunst doet hier zijn eerste zwakke pogingen. Bovendien heeft
men allerlei soort gezelschapsspelletjes,--raadsels worden opgegeven, of
wel er wordt iemand tot Koning gekozen en allen moeten hem zelfs op de
meest intieme vragen antwoorden.

Maar de gesprekken bestonden toch in een mate waar men zich nu geen idee
van maken kan, in het vertellen van geschiedenissen. Iedereen kende er
en niemand werd ooit moe ze uur aan uur te horen vertellen. Men vertelde
elkaar geschiedenissen 's avonds in bed--Meriaduc stond erop met Tristan
in één kamer te slapen, omdat die hem altijd 's nachts zulke aardige
avonturen vertelde--men vertelde elkaar verhalen te paard bij de
lange vervelende dagreizen; op jacht verhalen de deelnemers elkander
merkwaardige jager-grappen waar niemand geloof aan slaat; bij de wijn,
na tafel, trachten de ridders elkaar in grootsprekerijen te overtreffen
over hun avonturen in de oorlog of met vrouwen; de ouden van dagen
vertellen van hun vrolike jeugd; en er zijn ook dames die een grote
kring om zich heen verzamelen omdat zij de reputatie hebben van vele
geschiedenissen te kunnen vertellen. En de geestelike die boeken gelezen
heeft, wordt overal waar hij als gast op de kastelen komt, als een
levende encyclopaedie beschouwd en moet niet alleen van de »Gesta
Romanorum" vertellen--over alles wat er ten tijde der oude Romeinen
gebeurd is--maar ook van alles wat er in de heilige Schrift te lezen
staat. En als een passende vergoeding voor de genoten gastvrijheid,
moeten alle reizigers alles opdissen wat zij gezien hebben of
ondervonden of in vreemde landen hebben hooren vertellen.

De stof voor die vertellingen kwam--zo als wij later zien
zullen--meestal uit vreemde landen, uit die ontzachelike bonte massa
van motieven die door het reizen en trekken, in het dooréénmengen der
volkeren en de uitwisseling van ideeën, in de tijd der kruistochten
in omloop kwamen. Maar de drang tot vertellen en de vertelkunst zijn
produkten van het gezellige maatschappelike leven en het letterkundige
genre--de geversificeerde vertelling, zo wel het korte »Conte" als de
lange »Roman"--dat uit die gezellige bijeenkomsten geboren wordt en zelf
de stof daarvoor uit moet maken, staat, èn in vorm en stijl, èn in geest
en wijze van voorstelling geheel onder de invloed van die oorsprong en
bestemming. De oude »Chansons de geste" die bestemd waren om in een
zaal, onder begeleiding van muziek, half gezongen, half gereciteerd
te worden, voor een groot gezelschap en bij feestelike gelegenheden,
rollen voort, deftig en zwaar en stijf, in lange regels van 10 of 12
lettergrepen: »Carles li Reis nostre Emperere magne--sept ans tuz pleins
ad estet en Espagne". En in brede trekken wordt ons alles geschilderd,
met onvermengde, sterke kleuren, in grote, aanschouwelike scènes wordt
het verhaal ingedeeld en schrijdt met dramatiese stoten en in vlug tempo
voort: de toon is opgewekt en verheven en zo gaat het zonder grote
veranderingen tot het einde. Maar de nieuwe vertellingspoëzie moet
in de plaats van de conversatie in die kringen komen en moet in het
vrouwenvertrek of bij de maaltijd een gezelschap van heren en dames
onderhouden door gewoon en natuurlik een historie te vertellen.
Daarom loopt de taal daarvan als een rustige vlugge stroom, als
een gezellig babbeltje in versregels van acht voeten: »Chrestien
commance son conte--si comme l'histoire nous raconte--qui traite
d'un empereur--puissant de richesse et d'honneur--" En de toon en de
voorstelling verandert als in de levende gesproken taal; nu eens vertelt
men haastig en vlug, dan weer wijdt men bij een beschrijving wat uit,
het verhaal slaat in een levendig gesprek over, maar verliest zich dan
weer in allerlei beschouwingen, de toon is rustig en blijft zich gelijk,
zonder grote sprongen, maar met vele kleine veranderingen--medelijdend
zuchten, schertsende ironie. En het verhaal schrijdt steeds kalm door,
begint bij het begin, springt niets over, vat de geschiedenis niet in
dramatiese scènes samen, maar houdt steeds de belangstelling gaande. Het
is de stijl en de toon van de moderne roman en novelle die men hier ziet
ontstaan. En het was ook de geest van het Hofleven zelf die de nieuwe
vertelkunst zou bezielen niettegenstaande de vreemde van alle kanten
opgenomen stof; wat die kenmerkt is de licht-gewekte zo al niet
diepe sympatie met het geluk en het ongeluk der mensen, de sceptiese
mensenkennis en de fijne blik op het leven dat alles zoals wij gezien
hebben, karakteristiek was voor de mensen uit die kringen. Wat wij reeds
in het Frankrijk van de 12de en 13de eeuw in dat sosiale leven geboren
zien worden, is de Conte van de 19de eeuw, geestig als bij Voltaire, en
sentimenteel als bij Musset.

Een andere manier waarop de gasten onderhouden werden, was zang en spel
en dans. Wanneer de vrouwen bij elkaar zitten te naaien of te spinnen,
begint één er van een lied en heffen de anderen het refrein aan; na
tafel wanneer de mannen en vrouwen samen aangezeten hebben, geeft een
der vrouwen ook een lied ten beste en wordt het refrein door de overigen
gezongen; of wel moet ieder der aanwezigen om de beurt een lied zingen.
Naast de viool en de harp die men van oudsher kende, komt nu de luit van
de Arabieren, wier hoven in Andalusië van muziek en gezang weerklonken.
Ouderwetse moralisten ijveren tegen al dat gezang en spel in gezelschap;
dat verwekelikt maar en leidt tot wellust zeggen ze. En nog meer is de
dans hun een reden tot ergernis, als zijnde een uitvinding des duivels.
Bijna bij alle feestelike bijeenkomsten wordt er aan de hoven gedanst,
en er komen massa's nieuwe dansen op waarvan enkele, naar de namen te
oordeelen, uit Griekenland schijnen te stammen. Het zijn kettingdansen,
rondedansen, dansen door vrouwen alleen of door mannen en vrouwen,--maar
de meesten zijn zeker begeleid geworden door gezang.

En die liederen zijn het andere genre dat uit dat hogere sosiale leven
geboren wordt. Niet spesiaal uit dat aan de hoven; men kan ze tot in
de eerste tijden der middeleeuwen vervolgen, in alle maatschappelike
klassen horen ze thuis, maar wel worden ze bij de hoven meer in 't
bizonder gekultiveerd en krijgen ze daar kleur en vorm.

Velen van die dansliederen, zoals die omstreeks het jaar 1100 op de
ridderkastelen gezongen werden, schijnen van de oude lentefeesten te
stammen, die uit de grijze voortijd in alle landen gevierd werden. In de
heidense tijd vermoedt men dat die Mei of April feesten in 't bizonder
aan de godin der liefde gewijd waren en de vrouwen hebben er de hoofdrol
bij gespeeld; het moeten een soort »vrouwelike Saturnalia" geweest zijn,
waarbij zij zich nu eens van de voogdij van man of broeder mochten
emanciperen, of in elk geval in wilde dansen en liederen zich allerlei
grappen veroorloofden. Die oorsprong verklaart het gewone begin van
die liederen; de lof en prijs van 't voorjaar en 't nieuwe jaar dat
in die tijd met het voorjaar begon en het zijn steeds vrouwen die het
woord voeren en die elkaar aanzetten om tegen hun mannen of moeders
in opstand te komen en van hun jeugd te genieten. In een liedje uit
Limousin van ongeveer 1100 zingt een van de dansende meisjes, die tot
»April-Koningin" gekozen was, aldus de lof van de lente: »Nu eindelik
de heerlike tijd gekomen is, zal de vreugde een aanvang nemen, de
ijverzuchtigen zich ergeren en daarom zal de koningin eens laten zien
hoe vol liefde zij is," en de meisjes vallen in: »Weg, uit den weg,
gij ijverzuchtigen!--laat ons dansen, laat ons dansen met elkaar!"
Overal--gaan ze door--heeft zij laten weten: alle meisjes en jongens
mogen komen dansen. Maar nu komt ook de koning, om het dansfeest te
verhinderen, hij is bang dat men hem zijn April-Koningin ontroven zal.
Maar zij wil van de oude niets weten, zij wil liever een jonge kerel
hebben die weet hoe een mooi meisje behandeld moet worden. En hij die
haar zag, zoals zij zich daar bij het dansen vertoonde, die kan zeggen
dat de vrolike koningin haars gelijke in de wereld niet heeft... »A
la vi', a la vie, jalous,--lassaz nous, lassaz nous--ballar entre nos,
entre nos." Een dergelijke half-conventionele wildheid kenmerkt andere
oude Noord-Franse of Duitse dansliederen. »De gehele wereld zal mij
niet verhinderen mij een »ami" te kiezen," zingt een meisje uit
Noord-Frankrijk; openlik verklaart zij aan haar moeder: »Ma mère, je
veux Robin"; de moeder dreigt haar met een stok en wil haar met haar
spinnewiel opsluiten, maar het meisje belooft zich zelf dat zij haar
geliefde toch wel zal krijgen: »Les mammelettes me poignent, je ferai
novel ami", zo zingt zij haar liefdeverlangens uit. En een Duitsch
meisje zingt: »ik zal mijn zorgen laten lopen en met mijn vriendinnen de
weide ingaan," en dan roept zij haar »Mei-geliefde": »zoete Rozenmond,
kom, kus mij gezond." In haar klooster klaagt de non; zij wil er vandoor
en zich met haar geliefde amuseren: »S'irons à Paris, mener bonne
vie,--car il est jolis et je suis jeunette," en liefde-smachtend luidt
haar refrein: »Je sens les douls mals leis ma seinturete--malois
sois de Deu ki fist nonnette!"--»ik voel de zoete smarten onder mijn
lendenen--vervloekt door God zij hij die mij een non deed worden!"

Vooral klinken van alle kanten de protesten van de getrouwde vrouwen:
»Mijn man heeft mij overdag,--mijn vriend de korte nacht... Loop heen,
gij lelike bochel! bij God, ik zal u horens laten dragen; want nu is de
zoete tijd gekomen dat de weiden groenen. Nu zullen wij, mijn vriend en
ik, de nieuwe bloempjes gaan plukken (»bloemen plukken" betekent in deze
liedjes altijd zich aan de liefde overgeven). Waarom slaat mijn man mij?
Ik heb immers nooit iets anders gedaan dan mijn vriend beminnen. En gunt
hij mij _dat_ plezier niet eens meer, dan zal ik mij nog meer op hem
wreken." En de jonge Provençaalse zingt: »Wat zal ik u zeggen waarom ik
zo vol liefde ben,"--en zij zelf en haar vriendinnen vallen haar in de
rede: »Coindetta sui..." »Knap ben ik, maar ik heb verdriet over mijn
man, ik wil niets van hem weten--want ik ben maar klein en jong en een
maagd, ik moest een man hebben waar ik plezier in kon hebben... Maar
God weet dat ik geen smaak heb in mijn echtgenoot, als ik hem zie, wens
ik slechts dat de dood hem van mij wegneemt. Maar één ding heb ik wel
gemerkt en dat zal ik u zeggen: mijn vriend heeft mij reeds lang bemind
en hem zal ik mijn liefde schenken... En het lied dat ik hier op deze
melodie dicht, dat moet--vraag ik--wijd en zijd door alle vrouwen
gezongen worden, over mijn vriend dien ik bemin en naar wien ik zo
verlang." »Coindetta sui... Aardig ben ik" enz., zingt het koor daar
dan weer tussen in.

Dat zijn oude conventionele volksliederen-motieven in de ridder- en
hofkringen in voorname vorm gegoten. Andere dansliedjes, eveneens
door vrouwen gezongen en oorspronkelik ook wel door haar gedicht,
zijn romanceachtig vertellend. Het zijn kleine liefde-episodes of
liefdegeschiedenissen, slechts met een paar losse lijnen opgetrokken,
in een paar trekken te voorschijn getoverd... alsof men in de muziek
maar even het tema aangeeft, maar de uitwerking aan de fantasie van
de hoorders overlaat... dikwels half dramaties in de gesprekvorm, maar
oorspronkelik altijd met een refrein dat de grondgedachte aangeeft...
de stemming waar de kleine »historie" uit ontkiemd is en die alleen
gebruikt zal worden om de toehoorders mee in slaap te wiegen. Dat zijn
de romancen waar onze Scandinaviese volksliederen ook meê samen hangen.
»Aalis main se leva--bon jor ait, qui mon cuer a... Alis stond 's
morgens op--geluk voor hem die mijn hart bezit--zij kleedde zich en
maakte zich mooi onder een elseboom--geluk voor hem die mijn hart
bezit,--het is niet langer mijn." Meer hebben wij van dit liedje niet.
Kompleet hebben wij daarentegen het lied van Gaiete en Oriour, twee
zusters die een Zaterdag naar de beek gingen om te baden. »De lucht
trilt en de takken wiegelen; mogen zij die minnen zoet slapen!"
luidt het refrein als van een wiegelied. De jonge Gerard komt van
wapenoefeningen terug, ziet Gaiete aan de beek en neemt haar in zijn
armen. »Als je nu water geput hebt, Oriour," zegt zij tegen haar kleine
zuster, »ga dan naar de stad terug, ik blijf bij Gerard." Oriour gaat
naar huis, maar weent haar beide oogen uit en zucht uit het diepst van
haar hart, omdat haar zuster niet met haar mede gaat. Maar Gerard en
Gaiete gaan terstond direct naar de stad en daar troost Gerard haar.
»Vante l'ore et li raim crollent,--ki s'antraimment, soweif dorment."
Men ziet bijna de dansenden de kleine geschiedenis mimies voorstellen.

Minder bij de dans dan bij het werk in het vrouwenvertrek zijn die
oude romances gezongen geworden, die de adellike dame of jonkvrouw in
haar stille liefdedromen schilderen, in de smart of het geluk van haar
ootmoedige liefde. Daar zit de schone Dolette bij het venster en leest
in een boek, maar haar gedachten zijn er niet bij, zij denkt aan haar
Doon die ver weg getrokken is, naar 't een of ander toernooi. En nu komt
juist het bericht dat hij gevallen is; zij neemt terstond het boetekleed
aan en wijdt zich aan het nonnenleven.

Zo zit ook de schone jonkvrouw Yolande in haar vertrek een fluwelen
wambuis te maken voor haar vriend die ver weg is. Zuchtend zegt zij:
»God, wat is de naam der liefde zoet. Nooit had ik gedacht dat ik daar
smarte bij zou voelen," en zij bidt God medelijden met haar te hebben.
Maar op het zelfde ogenblik komt haar lieve vriend de kamer binnen. Zij
ziet hem, buigt haar hoofd en kan geen woord uitbrengen. »Mijn lieve
dame, hebt gij mij heel vergeten?" vraagt hij. Maar nu lacht zij en
strekt zuchtend de schone armen naar hem uit. »Schone vriend, ik kan u
niet bedriegen. Met geheel mijn hart bemin ik u. Zo veel als gij wilt,
moogt gij mij kussen." Zij neemt haar vriend in haar armen. Zij zetten
zich op een mooi bed en daar omhelzen zij elkaar. »God! wat is de naam
der liefde zoet. Nooit had ik gedacht, dat ik daar smarte bij zou
voelen."

Boven in het vrouwenvertrek is het ook dat de koningsdochter Erembourc
zit te borduren en zij door een torenvenster ziet dat haar vroegere
vriend, Graaf Raymond, de binnenplaats op rijdt; nu komt hij in de lente
thuis maar hij heft het hoofd niet meer op naar haar kamer als vroeger.
Maar zij roept hem, hij mag haar de belediging toch niet aandoen niet
eens meer even met haar te komen spreken. »Gij hebt niet goed gehandeld,
koningsdochter! Gij hebt een ander liefgehad, om hem hebt gij mij
vergeten", roept hij naar boven. Maar zij zweert van niet; met haar
dames en maagden is zij bereid een eed af te leggen dat zij onschuldig
is. En dan komt hij bij haar binnen--breed van schouders, smal van
middel--blond, met gekrulde haren; een knapper jongeling was niet te
vinden. Hij gaat op het geborduurde kussen zitten, zij zit naast hem;
»de joste lui se siet bele Erembors,--lors recomencent leurs premières
amors..." Het gehele kalme vrouwenleven in die torenkamers hangt als een
atmosfeer om de weinige woorden van die liederen,--in een vaag onbewust
verlangen naar vrijheid en een bereidwillige onderwerping aan de
heerschappij van de mannen. Het is alsof men de eenvoudige woorden hoort
zingen met begeleiding der akkoorden van een tedere guitaar.

Duideliker spreken de gevoelens der geliefden zich in liederen uit,
die het afscheid schilderen van ridders en hun dames. Dit zijn ook
oorspronkelik meestal liederen van vrouwen of altans is de vrouw degene
die vooral het woord voert en de warm liefhebbende is, terwijl de man
er de rol van koelbloedige meerdere speelt. Wij hebben Duitse liederen
van dit genre over of altans fragmenten er van. De vrouw klaagt en hij
belooft haar niet te vergeten, of zij smeekt hem bij haar te blijven,
maar hij antwoordt lichtzinnig of, als om te tonen dat hij een man is,
dat hij zich niet eeuwig en altijd door een vrouw kan laten binden; soms
is zij een vorstin en eist dat hij haar beminnen zal of hij moet het
land verlaten, maar de ridder laat zijn paard zadelen, hij wil liever
vertrekken dan zich door een vrouw te laten dwingen. Of de vrouw is
verlaten achtergebleven en klaagt dat nu de lindebomen kaal zijn, dat
haar geliefde, een onervaren jongen, in het net van andere vrouwen
verward is geraakt, ofschoon God weet dat zij--dat »ich im diu holdeste
bin". Zij staat op de tinnen van het kasteel en kijkt hem achterna nu
hij wegrijdt; de valk die zij voor hem had afgericht, is nu ook van haar
weggevlogen. God »brenge hen samen die gaarne samen willen zijn." Of zij
verlangt naar hem in de verte. »Es stuont eine Frouwe alleine unt warte
über Heide." »Wanneer ik alleen sta in mijn hemd en aan u denk, mijn
Ridder, dan gloei ik als een roos en is mijn hart vol droefenis."

Dikwels is het op een kruistocht dat de ridder moet gaan en roept zijn
kristelik en militair plichtsgevoel hem weg, over zee en land, terwijl
haar liefde hem terug wil houden. Allerliefst is zo bijvoorbeeld een
Provençaalse romance waar het adelike meisje een schonen zomerdag onder
een bloeiende vruchtboom in de tuin zit en tot Jezus klaagt dat haar
geliefde voor Hem naar het heilige land getrokken is en haar verlaten
heeft. De dichter tracht haar te troosten met de hoop op de hemel,
maar zij laat zich met het hiernamaals niet afschepen »wanneer God mij
ondertussen hier op aarde hem ontrooft die mijn vreugde was, hem die ik
nog maar zoo kort had, maar die nu zo ver weg is."

»Liebesgrüsse", »saluts d'amour" zendt de verlatene haar geliefde in de
verte achterna. »Zoveel bladen, zoveel grassprietjes, zoveel bloemen als
er zijn, zend hem zo veel liefdegroeten van mij." Dikwels is het een
valk of een zwaluw wier vrije vlucht zij benijdt en aan welke zij haar
groeten medegeeft,--een overal in het volkslied geliefd motief. Later
zendt hij dan ook op zijn beurt haar groeten door vogels. »Weg vliegt de
montere vogel,"--heet het in een »salut d'amour", uit Provence--»recht
daar heen waar zij woont en slaat zich zonder angst neer, en wanneer de
schone zich vertoont, begint het vriendelike vogeltje een zoet gezang te
laten horen, zo als hij die tegen de avond ten beste pleegt te geven,
dan zwijgt hij en bedenkt hoe hij het beste zeggen zal wat zij genadig
horen wil." Dan zingt hij menig vleiend woord tot haar over haar
geliefde, zij hoort dat aan en zendt de gevleugelde boodschapper met
vele schone liefdewoorden terug.

Een heel bizondere dichtsoort ontwikkelde zich langzamerhand door
mannelike kunstdichters uit het oude motief van »Het afscheid der
geliefden". De situatie van die twee die een nacht van liefdegenot
te samen doorgebracht hebben maar nu, om niet ontdekt te worden,
voor dageraad moeten scheiden, is er een die steeds overal in de
volksliederen te vinden is, algemeen menselik en poëties vruchtbaar
als die is. De geliefden hebben samen buiten op de weide of in bosjes
geslapen, en worden nu door het gezang der vogels of door de dageraad
gewekt; onder hevige klachten en verwensingen over die noodzaak moet de
vrouw zelf de man tot haast aanzetten; of wel zij tracht hem nog terug
te houden: neen, het is het daglicht niet, maar maneschijn, het is de
leeuwerik niet, maar de nachtegaal, zegt zij. Intussen verstomt de
twijfel spoedig; hij moet weg. Met dit volkslied-motief zijn bij de
kunstdichters literaire herinneringen samen gesmolten. Aan de ene kant
van de oud kerkelike hymnen aan de dageraad,--van de hoogdravende Hymne
aan het Licht van Prudentius af (Aeterne rerum conditor) tot de meer
moderne, als die welke men uit het jaar 1000 kent, in 't Latijn met
Provençaalse refreinen, waarin de wachter de Slapenden wekt, om dat »het
Morgenrood de zon reeds achter de natte zee opheft." Aan de andere kant
misschien ook van de antieke poëzie b.v. van Leander's brief aan Hero in
de »Heroides", waar de twee zich na een nacht van liefdegeneuchten onder
klachten uit hun omhelzingen los moeten scheuren, omdat de morgenster
Aurora de weg wijst en de trouwe bewaakster, de oude min van het meisje,
ze tot scheiden maant. De min van de antieke poëzie en de wachter van de
kristelike hymne worden bij de ridderlike dichters tot de torenwacht die
van de toren de dageraad ziet verschijnen en die daardoor als vanzelf
de vertrouwde der geliefden geworden is en de waarschuwende rol van de
leeuwerik over heeft genomen. Als zodanig is hij de derde persoon van
het drama. In een tuin, onder de meidoorn, ligt een vrouw met haar
vriend in haar armen, totdat de wachter roept dat hij de dageraad ziet.
»Ach God, ach God, wat komt de dageraad spoedig! Gave God, dat die
nacht nooit een einde nam, en dat mijn geliefde nooit van mij weg moest
trekken, en de wachter nooit de dag zou zien en de dageraad... Lieve,
zoete vriend, laat ons elkaar blijven kussen, gij en ik, hier op de
weide, waar de vogels zingen, tot op 't ogenblik dat de wachter op zijn
schalmei blaast." Schoon en lief is de vrouw en velen kijken naar haar
wegens haar schoonheid, maar zij is trouw aan de liefde in haar hart.
»Oi deus, oi deus! de l'alba, tan tost ve!"

Bij Walter von der Vogelweide is het in een kamer dat het zonnelicht
de geliefden treft en de situatie ontwikkelt zich hier tot een hele
dialoog, een heel drama. De ridder ziet het daglicht, wekt het meisje en
wil weg, maar zij noodzaakt hem om te blijven. Ridderlik geeft hij toe,
niettegenstaande het gevaar en zegt: »Welaan, dan blijf ik hier," totdat
zij nu zelf het gevaar bemerkt en hem tot vertrekken aanspoort... maar
dan, zelf niet wetende wat zij wil, vraagt zij hem toch nog éen ogenblik
te blijven: »Nooit hadden zij het zo goed als nu." Maar... nu _moet_ hij
toch weg: »Ik doe het voor uw eer, het morgenlied van de wachter heeft
al weerklonken." En wenend blijft zij alleen achter: »nû lige ich
liebes âne--reht als ein senede wip." In de Albas uit Provence--_alba_:
morgenrood heet die dichtsoort in Zuid-Frankrijk--komt die wachter
langzamerhand meer en meer op de voorgrond, hij wordt in het vertrouwen
der geliefden genomen en zo wordt het niet meer zijn geroep als zodanig
dat hen waarschuwt, hij wekt die twee met opzet en raadt ze aan te
scheiden. In een der schoonsten dier Alba's is het een vriend die in de
tuin op wacht staat en die God bidt om hem zijn kameraad ongedeerd terug
te geven en hij roept de kamer in: »Beste vriend, slaap niet langer, in
het Oosten is de morgenster opgekomen, ik heb die duidelik gezien en nu
is het weldra morgen. Beste vriend, met mijn lied wek ik u, ik hoor de
vogelen zingen en ik vrees voor de jaloerse echtgenoot, nu is het weldra
morgen."--»Waarde, goede vriend--komt ten slotte het antwoord--ik zwelg
in een zodanig geluk dat ik wenste dat het nooit dag zou worden, want ik
houd de heerlikste van alle vrouwen ter wereld in mijn armen, en ik geef
niets om echtgenoot of dageraad." Hier is het nu, zo als men ziet, niet
langer de vrouw, maar de man die de nacht van liefde verheerlikt en
in zijn geluk alle voorzichtigheid over boord werpt. Het allerverst
uitgewerkt vindt men het motief bij Wolfram von Eschenbach in wiens
»dageliederen" de wachter zowel als de vriend die in het geheim is,
tot hoofdpersoon worden, en zijn waarschuwingen, de hevige passie der
geliefden die nog onder de hoge druk van 't geraas toeneemt, haar tranen
en zijn ridderlike onverschrokkenheid, vallen samen in een pateties
dramaties trio, dat bijna tot een simbool wordt van »de zaligheid van
gestolen liefde en al de bitterheid die daar onafscheidelik van is."

Ten slotte vormde de hofpoëzie van het volkslied de Pastorale. Reeds
vroeg hebben tweespraken een deel uitgemaakt van volksfeesten en
volksdansen. Bij 't Meifeest kwamen zomer en winter op en kregen het met
elkaar in schone verzen aan de stok totdat de winter het op moest geven;
of twee meisjes stonden in verzen te disputeren over de vraag of een
klerk of een ridder de beste geliefde was. Bij de dansen hebben zeker
ook samenspraken gehoord tussen de man die het meisje wil omhelzen en
het laatste dat zich met schelmse spot terug trekt en hem ontwijkt,
misschien ook nog wel een derde--een mededinger die het meisje ook ten
dans nodigt--totdat zij zich ten slotte aan een van tweeën overgeeft.
Dergelijke disputen en liefdegesprekken op rijm, gaan in verband met
landelike feesten helemaal op het volksleven der oudheid terug; zij
hebben de literaire weerklank daarvan in de idyllen van Theocritus en
Virgilius; reminiscenties aan die schrijvers, die in de middeleeuwen
zoveel zijn nagebootst, hebben misschien enkele der dichters van de
ridderpoëzie voorgezweefd. Onder de latijnse liederen der vagantes vindt
men een andere soort gedichten die op _hun_ wijze aan één zijde der
pastorale beantwoorden: het zijn liedjes waarin zulk een rondtrekkend
scholier luchtigjes vertelt van een avontuurtje dat hij gehad heeft of
waar hij pocht op een »bonne fortune" die hem ten deel gevallen is,--hoe
hij de tegenstand van het schuchtere meisje wist te overwinnen, hoe
hij het herderinnetje dat hij ergens buiten tegen kwam gevraagd had de
ziekte te genezen waar hij aan leed, hoe zij eerst niet durfde voor
haar vader, maar toch gauw genoeg bezweek, of hoe hij de dansende
herderinnetjes aangeboden had gratis de declinatio en de conjugatio te
leren of hoe hij een gesprek over de liefde tussen twee meisjes had
afgeluisterd.

De ridderlike pastorale die zich misschien oorspronkelik van
Noord-Frankrijk naar Provence verplantte en naar Duitsland, vertoont
een vermenging van die twee typen. De inleiding schildert een dichter,
een ridder en een stadsbewoner die over de velden lopen of rijden en òf
een gesprek tussen de herders en herderinnetjes afluisteren--Robin die
Marot om haar liefde vraagt, terwijl zij hem met Gueneviere plaagt, die
zij hem gisteren heeft zien kussen,--of boeren feestdansen, kibbelarijen
en vechtpartijen, of zij beginnen zelf een gesprek met de landmeisjes
en dan krijgen ze die tot hun wil of wel worden ze door de landelike
schonen weggezonden. Het is van boven af dat men al die landelikheid te
zien krijgt en de versvorm is licht, dansend, spelend; het boerenleven
en het herdersleven worden in hun vrolike natuurlikheid geschilderd,
onschuldig naief en komiek plomp; het zijn fijne beelden uit het
volksleven van Nederlandse schilders, in de Franse lyriek, evenals later
in de Duitse van Nidhardt. Pochend en met de nodige bluf vertelt de
zanger hoe hij het meisje tot zijn wil gekregen heeft of met goedmoedige
zelfbespotting hoe lelik hij van zijn vrijage af is gekomen; in beide
gevallen wordt het avontuurtje als een bagatel behandeld; zoo'n
veehoedstertje en haar liefde,--dat betekent namelik niet veel!

»Verleden zag ik een herdersmeisje bij een heg staan, vrolik en aardig
zag ze er uit, met een net keurslijfje en een linnen mutsje, wollen
broek en een grof hemd... Ik ging op haar af: »Lief kind," zei ik, »ik
vind het treurig dat je het zo koud hebt."--»Heer," antwoordde zij,
»Goddank ben ik goed gezond en het zal mij heus geen kwaad doen als
de wind eens door mijn kleeren waait." Ik zeide dat ik haar graag
gezelschap wou houden, en dat het toch jammer was dat zij daar zo
alleen het vee zou moeten hoeden zonder een vriend in de wereld..." En
zo gaat het gesprek verder. Hij vleit haar, zij moet zeker de dochter
van een ridder zijn, een fee moest haar die schoonheid gegeven hebben,
die niet bij een boerenmeisje past. Zij moest hem nu maar zijn zin
geven--gaat hij door--zoo'n landmeisje is toch wel te temmen, alles in
de natuur wil toch paren, en hier achter die haag kunnen ze toch doen
wat ze willen zonder gezien te worden. Maar--gelijk Else in de ballade,
heeft zij een afwijzend preuts antwoord klaar voor de vleier en zijn
opdringerigheid: »van een ridder als vader, daar weet zij niets van,
soort zoekt soort, een boerenmeisje moet aan niemand dan aan boeren
denken en zij heeft geen lust haar maagdom te geven voor de naam van een
slet." Maar in andere gedichten komen er heel wat brutaler scenes voor.
»God zij met u, herderin, schoon gelijk een roos; ik ben zeer verbaasd u
nog alleen te vinden. Een kleed met zilveren zoom wil ik u geven." Maar
zij antwoordde dat zij niets met hem te doen wil hebben; zij wijst naar
haar vader die daar ginds het veld loopt te ploegen en wil daar heen
gaan. Maar hij liep haar achterna, greep haar beet en wierp haar in het
gras. Drie malen kuste hij haar en zij sprak geen woord tegen, en toen
hij haar voor de vierde keer wilde kussen, zeide zij: »Heer, ik geef
mij aan u over." De schelmse gratie van de dansliederen en het cynisme
van de pochende ridders (»gaps") vinden wij ook beiden in de pastorale
terug. In tedere liefdeverlangens loopt de herderin een zomermorgen rond
en neuriet er een liedje over hoe benauwd het haar in haar borst wordt
en hoe zij zich een vriend wenst, sedert Robin haar verlaten heeft.
Zelf roept zij een ridder aan die voorbij komt en toont zich meer dan
gewillig. Maar dikwels is de herderin ook »trop sage de garder son
pucelage" en houdt de al te vriendelike ridder voor den gek en op
een afstand, of weet hem een pak slaag te bezorgen door een paar
boerenjongens. Daarentegen scheurt de ridder bij andere gelegenheden
haar brutaal de kleeren van het lijf of weet haar met leugenachtige
beloften te paaien. En wanneer het dan gebeurd is, zoo eindigt hij
triomfantelik het gedicht: »lors me montai, si m'en alai,--à deu l'ai
commandée:--Dolente et esgarée--la laissai en la prée."

Pastorale, alba, romance, ballade,--al deze verfijnde literaire
bewerkingen van het volkslied zijn duidelik gedicht en gezongen geworden
door ridderlike dillettanten--dames en heren--als een geliefd soort
gezelschapsspel. De naam van de auteurs is niet bekend, altans van
de meesten niet, het is de volkspoëzie van de ridderwereld, gelijk
onze Deense middeleeuwse balladen dat waren. Een volksliedje als
»Maagdedroomen" is in wezen niet verschillend van een romance als de
schone Yolande of de schone Erembourc en een schertsende ballade als die
van »koning Erik en de spottende Maagd" is na aan de Pastorale verwant.

Maar deze gezelschapsliederen zowel als de vertelkunst die zich bij
de ontvangsten op de hoven ontwikkelden, krijgen nu beoefenaars van
professie in de schare van dichters en zangers die aan het hof leefden
om--en meer of minder ook van--die liederen en berijmde vertellingen
te dichten en voor te dragen. Van de dagen van Olim waren er talrijke
»jogleors" en »conteors" en »fableors" die van de ene stad naar
de andere trokken, en van burcht tot burcht, allerlei kunstjes
maakten, een beer lieten dansen, maar tegelijk ook viool speelden
of doedelzakken en berijmde vertellingen lieten horen of liedjes,--om
daarna geld in te zamelen van het kermispubliek of de gasten van de
burchtheer. Maar boven de jongleurs verheft zich in de tijden der
kruistochten een aristokratie, die soms uit die klasse voortgekomen
of daarin teruggevallen is, maar die zich niet verwaardigt op
kermissen op te treden en jongleurskunsten uit te voeren, maar die
zich alleen in de adellike kringen beweegt, zich naar die hogere
smaak vormt, zich enigsins de manieren van die kringen toeëigent
en dikwels daarin opgenomen wordt. Dat zijn de »menestrels", de
»troubadours",--»trouvères"; wanneer ze, wat dikwels 't geval is, tot
de »vagantes" horen, noemen zij zich dikwels »maîtres". Arme jongere
zonen en verarmde baronnen zelf beginnen nu ook mede te doen aan deze
wijze van het hof te vermaken, en zo vindt men ze weldra in deze nu
zo veelomvattende dichtergroep, naast klerken en zonen van burgers en
de lagere klassen. Het zijn musici van beroep, die allerlei kunstige
melodiën komponeren en spelen, voor de viool en voor harp; de Britse
en Bretonse melodieën (lais) werden over Frankrijk van hof tot hof
gekolporteerd. Bij de muziek komt dan ook zang en het zeggen van
gedichten. Zo brengen de zangers met de melodieën de Britse vertellingen
in 't Frans over en dragen ze de kleine berijmde verhalen voor, de »lais
Bretons". »Lais" worden nu langzamerhand ook andere kleine berijmde
vertellingen genoemd, welke de trouvères dichtten en voordroegen,--de
stof haalden ze òf uit het werkelike leven, òf uit de antieke myten
b.v. over Narcissus of Orpheus. Maar eerst en vooral ontwikkelen de
hofzangers van beroep in Zuid-Frankrijk een nieuwe kunstige hoflyriek,
die weldra ook aan de ridderhoven van Noord-Frankrijk en Duitsland
toonaangevend zou worden.



VI.

ZUID-FRANKRIJK.


In Zuid-Frankrijk is het maatschappelike leven der ridders het sterkst
ontwikkeld en het uit zich in het lyries individualisme der troubadours.

Het was een zeer eigenaardige wereld, dat stukje van Europa, dat in de
12de en 13de eeuw het vaderland zou worden van de Provençaalse poëzie.
In het Zuiden wordt het door de Middellandse Zee bespoeld, in het Westen
door de Atlantiese Oceaan, in het Zuidwesten is het door de Pyreneeën
begrensd,--behalve dat Catalonië en belendende dalen van het Spaanse
schiereiland er bij horen--in het Oosten door de Alpen, ofschoon er
toch volop voeling blijft met de daaraan grenzende delen van Italië;
eindelik gaat, wat het noordelik Frankrijk betreft, de grenslijn met
een vrij grote boog van de Gironde in het Westen, noordelik over
Poitou en weer zuidelik naar Lyon in de punt van het meer van
Genève,--hoofdzakelik wordt de grens gevormd door de bergvlakte van
Auvergne en Limousin. De met pijnbomen begroeide zandvlakte en de
moerasstreken van Gascogne bij de Atlantiese Oceaan; de wijnbergen van
Garonne; Toulouse en de bergdalen van de uitlopers der Pyreneeën;
daarachter de Cevennes bij de Middellandse Zee, Languedoc met zijn
rijke, oude Romeinse steden: Narbonne, Beziers, Nîmes; het dorre en
stormachtige kustlandschap van Provence met Arles, Aix en Marseille; de
alpenstreken van Dauphiné en Savoye, Poitou bij de Loire en Catalonië
aan de overzijde der Pyreneeën... al deze streken maakten op verre na
geen geografiese of politieke eenheid uit, maar toch bestond er een
innig, levendig verband tussen, en vormen ze tegenover de daar buiten
liggende provincies één geheel,--en wel ten gevolge van een gemeenschap
in hun ethnologie, hun historie, hun taal en hun kultuur.

Hoe weinig men ook weet van de verschillende rassen, Liguriërs, Iberiërs
en Kelten, en de verhouding waarin die, de oudsten van Zuid-Frankrijk,
tot elkaar stonden, zeker is in elk geval dat die donkere kleine mannen
geheel en al verschild hebben van de sterk met Germaanse elementen
doortrokken Galliërs uit Midden- en Noord-Frankrijk. Of het nu het
klimaat is, de levenswijze of wat er ook de oorzaak van is,--het is geen
verbeelding dat het Zuid-Frankrijk van een Mirabeau, een Thiers of een
Gambetta, dat van een Montaigne of Montesquieu, dat van een Berlioz en
een Gautier en Daudet,--dat in het algemeen het Zuid-Frankrijk van de
advokaten en politici, der journalisten en raisonneurs, der kolonisten
en impressionisten een heel ander land is dan dat van Corneille en
Molière, van Voltaire en Rousseau, van Taine en Renan. Het was als
bloeiende rhetoren en scherpzinnige dialectici, dat de Zuid-Fransen
uitblonken zodra zij weer in de Romeinse kultuur werden opgenomen;
tot op het huidige ogenblik toe is het die steeds weer opborrelende
levendigheid en een soort lyriek die zich voor een ieder openbaren,
die de landgenoten van Numa Roumestan en Tartarin kenmerkten.

De Romanisering van Zuid-Gallië--de streek met Narbonne in het
Zuid-oosten en het Aquitanië van Caesar in het Zuid-westen--greep niet
alleen éerder plaats dan die van het overige Gallië, maar geschiedde
ook grondiger; reeds van de tijd af dat Marseille door Griekse
kolonisten gesticht was, had Zuid-Frankrijk behoord tot de wereld der
landen om de Middellandse zee. In de grote steden uit de Romeinse tijd
staan nog poorten en aquadukten, termen en grafmonumenten, tempels
en amfiteaters, als herinneringen aan het rijke Romeinse leven.
Bij het einde van die periode waren deze steden om zo te zeggen het
meest beschaafde deel van het Romeinse rijk en zij waren de laatste
haardsteden waar de vonken van het uitdovende geestelik leven der
Oudheid nog brandend gehouden werden. De biblioteek van Arles, de
scholen van Toulouse, Bordeaux en Vienne bewaarden nog lang hun roem en
in Marseille waren er nog steeds Griekse overleveringen.

In veel mindere mate dan de naburige landen zou Zuid-Frankrijk ook de
gevolgen van de Volksverhuizing ondergaan: omwentelingen en vermenging
van rassen. De Bourgondiërs die uit het Oosten kwamen, weinig talrijk
en half beschaafd als zij waren, voegden zich vrij gemakkelik in de
bestaande civilisatie, ook de West-Goten, die zich tussen de Garonne en
de Pyrenaeën vastzetten en het grootste deel van Spanje veroverd hadden,
smolten vrij wel met de Romaanse bevolking samen. De veelvuldige
invallen der Arabieren van uit het Zuiden brachten veel nieuwe
kultuur-ideeën met zich mede, maar leidden niet tot een blijvend
in-bezit-nemen. En met het Frankiese Noord-Gallië hield alle nadere
verbinding op, vooral sedert de tijd van Karel de Grote. Zeer spoedig
werd het verschil tussen de taal van Langue d'oc en Langue d'oil heel
sterk en ofschoon de Franse koningen nominaal Heren waren over het
Zuid-Frankrijk ten Westen van de Rhône, evenals de Duitse keizer van
Bourgondië en het eigelike Provence, vertoonden de Zuid-Franse vorsten
zich toch alleen maar zo nu en dan eens even aan het koninklik hof te
Parijs. Feitelijk leefde »Le Midi" een volkomen onafhankelik leven en
hoorde nog steeds, evenals in de oudheid, ekonomies en kultureel bij
Italië en de streken aan de Middellandse zee.

De Middeleeuwen kregen dan ook nog minder vat op Zuid-Frankrijk dan
zelfs op Italië. De twee grote beschavingsfaktoren: het Kristendom en
het leenstelsel hadden daar ginds veel minder revolutionaire invloed dan
meer in het Noorden, en de Romeinse kultuur van vroeger tijden bleef
schrap staan tegen de nieuwe levensvormen en hield vol energie stand.

En hier moest het Kristendom menig kompromis aangaan met de oude
Romeinse kultuur. In de 4de en 5de eeuw nog vond men in het offisieel
gekerstende Gallië een aristocratie van hogere ambtenaren en
grondbezitters die volkomen onverschillig bleven bij de kerkelike en
politieke strijd van den dag en een leventje leidden van één en al
genot, als in de beste dagen der oudheid. De laatste Gallo-romeinse
schrijvers als Ausonius en Eutropius hoorden tot die kring. Op villa's,
in de buurt van Bordeaux of ginds in Auvergne, verdreef men de tijd
met jacht en visserij, maar men studeerde en kommenteerde ook zijn
klassieken in welvoorziene biblioteken, deed, al was het dan ook als
amateur, aan de archeologie, bracht komedies van Terentius, of in zijn
genre, op privaatteaters ten tonele of voerde literaire gesprekken of
een literaire briefwisseling. Niet weinigen van de bisschoppen der Kerk
hoorden zo goed als geheel tot deze kringen. Sidonius Apollinaris stierf
als bisschop te Clermont, maar zijn gedichten die hem een standbeeld
verschaften op het Forum Trajanum, en zijn briefwisseling verplaatsen
ons geheel in de Romeinse dekadenten-aristocratie. Zo schildert hij ons
b.v. het leven van een adellike vriend op zijn kasteel bij de Garonne.
Dat is al een burcht met muren en torens en het ligt op een heuvel--de
tijden staan in het teken van de oorlog--maar met zijn zuilengangen,
zijn termen, zijn muurschilderingen is het van binnen nog een heel
Romeins patriciërshuis. Bij een andere vriend, te Nîmes, vertelt hij van
een biblioteek in drie afdelingen; een heidense, alleen ten gebruike
van mannen, een kristelike afdeling voor de vrouwen, en een gemengde
afdeling voor de twee geslachten; teologiese discussies worden daar in
huis gevoerd, zowel als heidense literaire gesprekken. Of wel heeft
hij het over een concilie waar hij aan deelgenomen heeft; tussen de
vergaderingen in gaat hij met enige andere hoge prelaten--hoofdzakelik
jonge mannen--de stad uit en daar, bij een antiek grafmonument in de
schaduw van de bomen, amuseert het bisschoppelik gezelschap zich
afwisselend met het kegelspel en met het dichten elk om de beurt van
Latijnse impromptu-verzen. Omstreeks het jaar 600 vertoonde een andere
bisschop, Venantius Fortunatus, een nog vreemder legéring van officieel
Kristendom en traditioneel Heidendom. Hij schrijft n.l. Heiligenlegenden
en Kristelike lofzangen, maar daarnaast ook bruiloftsverzen voor een
Frankies koningspaar met de hele mythologie van Amor en Venus er in,
en verder kleine billets-doux aan een zekere zuster Agnes of zuster
Radegunde in een naburig klooster met sierlijk-galante dankbetuigingen
voor bloemen of potten melk die de nonnen hem gestuurd hebben. Zo zijn
er dus onder de Franse klerezij genoeg overleveringen voor die soort van
aesteties heidendom bij de geestelikheid die, zoals wij gezien hebben,
de opkomst der scholen in de 11de eeuw met zoveel liefde bevorderde; het
is ook in de grensstreken tussen Zuid- en Noord-Frankrijk, in de buurt
van Tours, Poitou en Anjou dat die belletristiese prelaten meer bizonder
thuishoorden.

Trouwens, nergens breken de draden die naar de antieke kultuur terug
voeren. Toen ongeveer het jaar 1000 enige Provençalen in het gevolg van
een prinses naar Parijs kwamen, ergerden de mensen in Noord-Frankrijk
zich over die kort geknipte, glad geschoren Zuidelingen, met hun fraaie
kleeren, en hun ijdel, lichtvaardig optreden. In klederdracht zowel
als in manieren stak er zeker nog heel wat van die der Romeinen uit de
latere Keizertijd. Heel lang nog waren er te Arles de circusspelen of
dierengevechten in zwang en zelfs in de zang-dansen der boeren kon men
de voorstellingen van Amor en Venus nog terug vinden. Zeer waarschijnlik
zijn er hier evenals in Italië, privaatscholen geweest naast die van
de Kerk en heeft er onder de voornamen een zekere wereldlike klassieke
kultuur bestaan naast die van de geestelikheid. De gemakkelike
verbinding met Italië, met het humanistiese pauselike hof en de
humanistiese hogeschool te Salerno, heeft zeker op verschillende wijzen
sporen achtergelaten. Zo begint men b.v. in de 11de eeuw te Arles de
kerk van de H. Trophime met standbeelden te versieren, waar men de
antieken klaarblijkelik tracht na te bootsen en tegelijkertijd worden er
te Avignon en in andere steden van Provence, kerken gebouwd, die in de
portieken en gevels op de pilaren en de kapitélen allerlei détails van
de antieke gebouwen nabootsen, die men rondom in die steden vinden kon.

Maar ook het maatschappelik leven zelf had in zijn grondtrekken veel van
de oudheid bewaard. Evenals in Italië stond ook hier het stadsleven
boven dat van de landman, in tegenstelling met de toestanden in het
Noorden. Mensen in goeden doen--adelliken zowel als burgers--woonden
liever in de oude rijke Romeinse steden dan eenzaam ergens buiten. En
de burgers hadden feitelik een niet onaanzienlik kommunaal zelfbestuur.
Wel is waar stonden ze onder een graaf of een bisschop, die midden in
de stad zijn residentie had of er vlak bij, maar hij regeerde alleen
door een »Vicarius" of een »Baljuw" die door de burgerschap gekozen
werden en langzamerhand hadden de steden allerlei privileges gekregen;
in de loop van de 12de eeuw kregen ook de meesten van hen hun eigen
»consules",--burgemeesters. Men kan b.v. in de »Coutumes" van
Montpellier lezen,--die tot toonbeeld genomen werden van een massa
andere steden,--hoe de stad vol zelfbewustheid haar rechten tegenover
de »Seigneurs" laat gelden. En overal--heet het--waar niet iets anders
uitdrukkelik gestipuleerd is, geldt »het geschreven recht", d. w. z. het
oude Romeinse recht, dat steeds van kracht is naast, of als deel van,
het lokale gewoonterecht.

Over het algemeen is de maatschappij daar volstrekt niet zo
gefeodaliseerd als in het Noorden. Het vrije landbezit (allodium) en de
vrije bezittersstand die alleen de vorst als hun heer erkenden, waren
grotendeels blijven bestaan, zonder in het leenstelsel opgenomen te
worden. Tussen de adel, de rijke burgers en de grondbezitters bestond
er geen scherpe grens, zij vormen te zamen die hogere standen wie het
er om te doen is de kleine burgers er onder te krijgen en uit te buiten,
en de burgers kunnen, als het er op aan komt, zich vrij gemakkelik
het ridderzwaard om de lendenen laten gorden. »Welgeboren burgers,
die de gewoonte hebben, op de wijze der ridders te leven", heet het
in een overeenkomst tussen Avignon en de omliggende graven, »zullen
ook de zelfde rechten genieten als zij." Zelfs waar er sprake is van
leentoestanden, schijnt het in werkelikheid dikwels zo geweest te zijn
dat de Vazallen hun grond in vrij bezit hadden en alleen maar in een
vrij losse persoonlike verhouding tot de leenheer stonden, terwijl
de macht van deze laatste voornamelik afhangt van de grootte zijner
_allodia_. Wanneer men de zaak goed onderzoekt, zijn de meesten van die
»Senhoraten" oude Gallo-romeinse landgoederen geweest, alleen is dan
het landhuis een kasteel geworden aan welks voet de kleine burgers bij
elkaar zijn komen wonen en het leenstelsel zelf zijn misschien dikwels
militaire vervormingen van de oud-Romeinse verhoudingen tussen de
voorname patroon en zijn kliënten, tussen de rijke grondbezitter en de
»prekaristen"--zijn pachters.

Maar in het algemeen zat het individualisme uit de latere Romeinse tijd
op de troon, dat het vermogensrecht en personenrecht beheerste en zou
de vervorming van de Germaanse stam-gemeenschap en stam-geest niet
ondergaan, die de positieve zijde van het leenstelsel uitmaakt. De
persoonlike en ekonomiese saamhorigheid, die de Germanen van hun »gauen"
en hun krijgstochten medebrachten en die de schering van het feodale
weefsel vormde, kon Zuid-Frankrijk al even weinig begrijpen als Italië.
De wederzijdse, volkomen religieuse plicht van trouw van leenheer en
vazal, konden die zich evenmin eigen maken als het begrip van een
ekonomiese gemeenschap in de maatschappij die het leenstelsel draagt.
Dat was ook de reden waarom Zuid-Frankrijk zo goed als geen aandeel
heeft in de Franse en Duitse heldendichten die hun grond en verklaring
vinden juist in die Germaanse stam-geest en het leenstelsel.

Alleen de _negatieve_ zijde van het leenstelsel--als men het zo
uitdrukken mag--d. w. z. de individualistiese anarchie der baronnen vond
daar een vruchtbare bodem. Wat kwam die niet prachtig overeen met het
individualisme van het Romeinse vermogensrecht en de latere Romeinse
patriciërsgeest, waarin alle maatschappelike gevoelens uitgestorven
waren. En de vele wijd uiteenliggende bergdalen in de Pyreneeën en de
Cevennen bevorderden het separatisme maar al te wel.

Zo vinden wij dan omstreeks 1100 Zuid-Frankrijk in een bonte massa van
»Senhoraten" verdeeld van alle grootten en allerlei aard, naast elkaar
of zeer los aan en met elkaar verbonden, elkaar bevechtende, en door
huwelik of ruiling in allerlei verbindingen met elkaar tredende. Daar
zijn de hertogen van Aquitanië, tegelijk graven van Poitou--energiese
vorsten en literair ontwikkeld die, vooral nadat zij zich Gascogne
onderworpen hadden, als koningen over heel Zuidwest-Frankrijk heersten,
hoewel steeds in strijd met hun machtige vazallen, de graven van
Auvergne, Périgord, Angoulême of de Heren van Blaye, Ventadour of
Chateauroux. Of de graven van Toulouse die in de 11de eeuw Provence
geannexeerd hadden en over de hele Zuid-kust regeerden, maar die door
een ongelukkige erfopvolging hun provincies steeds in al te veel handen
over zagen gaan en die bovendien, op ridderavonturen belust, aan
de kruistochten in het Oosten en in Spanje deelnamen in plaats van
een oogje in het zeil te houden bij de woelige graven van Foix en
Carcasonne, de burggraven van Albi en Narbonne of de oude steden
in Languedoc. Dan hebben wij de graven Raimond of Berengarius van
Barcellona die van het grote plan zwanger gingen om het oude rijk
der West-Gothen weer op te richten en die zich door koop en huwelik
grote bezittingen in Zuid-Frankrijk verwierven, maar die op hun beurt
weer verlamd werden tengevolge van de erfopvolging, waarbij hele
landsdelen onder de verschillende takken der familie werden verspreid.
In het midden van de 12de eeuw werden Poitou en Guyenne met het
Normandies-Engelse rijk verenigd en zetten Hendrik II en zijn
zonen--Richard Leeuwenhart en zijn broeders--bijna geheel
Zuidwest-Frankrijk in vuur en vlam door hun onderling twisten, waar
meer en meer van de Zuid-Franse heren in betrokken werden.

Maar zij deden toch ook iets anders dan twisten. Bij alle hoven, de
grote en de kleine, tussen alle ridderburchten en kastelen ontwikkelt
zich een levendig maatschappelik verkeer. Dat is altijd het sterke punt
van de Zuid-Fransen geweest en de stedelike kultuur der oudheid zat,
zoals wij gezien hebben, overal in het land vast in 't zadel. De
vazallen kwamen veelal binnen de muren van de seigneur wonen, in
een spesiaal voor hen daar gebouwd huis; wanneer de burcht van de
seigneur in een stad lag, vormde die dikwels met de omliggende huizen
der vazallen een heel ingesloten kwartier. Hier ontstonden dan
maatschappelike centra, de rijke burgers kregen toegang tot de kringen
van de adel en zij treden behoorlik, zelfs met elegance op, zegt een
troubadour, en hebben evenveel verstand van omgang met de vrouwen als
de ridders, zowel als van dans en het krijgsspel. In het begin van de
12de eeuw is men daar heel wat verder met de goede manieren gekomen
dan in het arme onbeschaafde Noord-Frankrijk, om van Duitsland niet
eens te spreken. Die mensen uit het Noorden--zo spot men in
Zuid-Frankrijk--denken alleen maar aan eten en drinken en zij kunnen
niet vrolik worden en zingen voor ze hun buik vol hebben en dronken
zijn en de Duitsers met hun plompe manieren en hun »hondengeblaf" horen
nu aan een hof helemaal niet thuis. Het woord »cortes", Noordfrans
»courtois", waar wij al van hoorden, is dan ook het eerst in
Zuid-Frankrijk gebruikt voor wat in fatsoenlik gezelschap past. Hier
spelen de betrekkingen met de Arabieren in Spanje en vooral met Italië
en het Zuid-Italiaanse Griekse element een grote rol. B.v. het hof van
graaf Raimond V op zijn slot te Narbonnes bij Toulouse en de residenties
van Willem IX te Poitou en Bordeaux, die van de graven van Provence te
Aix, van Hendrik II van Engeland en zijn gemalin, Koningin Eleonora te
Limoges en Beaucaire; daarnaast nog het hof van Alfons II te Barcelona
en van de Markgraaf Bonifacio van Montferrat. Het hof te Barcelona staat
ver bovenaan wat betreft de weelderige levenswijze; wanneer Bertrand de
Born de zuster van Richard Leeuwenhart, Mathilde, prijzen wil omdat zij
hem zo vriendelik toegesproken heeft en hem naast haar »op een keizerlik
kussen" een plaats heeft aangeboden, dan zegt hij: »Uit Catalonje scheen
zij mij te komen, door haar groet en harer woorden lichte spel."
Talrijke kleinere hoven willen met de groten meedoen; trots richt het
slot Baux der vorsten van Oranje zich bij de monding van de Rhône in de
hoogte, als uit de rots gehouwen, aan de voet van de Pyreneeën ligt het
grafelik hof van Foix, bij Carcassonne dat van de burggraaf Roger II; te
Narbonne troonde de burggravin Ermengarde, door velen omringd,--volgens
de Orkneyssaga bezocht Ragnvald Jarl op zijn kruistocht haar op haar hof
en herinnerde zich later steeds die vrolike dagen. Aldoor worden er over
en weer bezoeken afgelegd, de families trouwen onder elkaar, gronden en
kastelen worden verkocht of uitgewisseld en de arme ridders zonder land
of met niet meer dan een achtste deeltje in een familieslot als erfenis,
trekken van het ene kasteel naar het andere rond. En zo wordt de
levensatmosfeer er daar één van voortdurend vrolik samenzijn, wat zij,
die daar eenmaal aan gewend waren, niet meer kunnen ontberen. Een
troubadour die naar Italië heeft moeten vluchten, gaat naar Genua en
voelt zich weldadig verkwikt door elk windje dat van uit zijn land naar
hem toe waait; onvermoeid blijft hij de mensen uitvragen en laat zijn
oor strelen door elk woord van lof: »zulk een heerlik land kent niemand
als dat tussen Rhône ligt en Vence, tussen de zee en Durance, niemand
heeft zulk een heerlik leven als daar. Daar heb ik mijn goed humeur
achtergelaten."

Twist en het gezellige leven,--het een is even karakteristiek voor de
Provençaalse wereld als het andere. Het zijn geboren individualisten,
deze ridders--zonder gevoel voor wat samenbindt en samenhoudt; zij waren
het niet, maar de Noord-Fransen die de Saracenen op hun veroveringstocht
te Tours terugsloegen; en zij waren het ook niet, maar het Noorden,
dat de politieke leiding nam en het Franse koningsschap schiep. En het
zijn geboren lyrici, die Zuid-Fransen; vol vuur gaan ze in de stemming
van het ogenblik op, met de grootste bewegelikheid laten ze die ook
weer los,--òntladen worden ze even gemakkelik als geladen. Van de
Romeinse dekadentenkultuur zit er per slot van rekening een aesteties
intellektualisme in, niet diep of krachtig maar spiritueel; genotzuchtig
en genietende, fijn en krities, met levende gevoeligheid en smijdig van
vorm, uitnemend geschikt voor een leven met anderen. Individualisme,
lyriek, aesteties intellektualisme,--zie daar de hoofdtrekken van het
Provençaalse geestesleven.

Die kentekenen ook het religieuse leven en de beweging voor de
kruistochten in Zuid-Frankrijk. Aanvallen van lyries entoesiasme
wisselen af met wereldlike scepsis en strijdlustige weerspannigheid.
In de 11de eeuw kwamen er talrijke extravagante »bekeringen" en
voorbeelden van grote ascetiese krachtsinspanning voor in de Zuid-Franse
wereld; het was ook in Aquitanie en Provence dat de entoesiaste
vredesbewegingen kwamen en zich verspreidden. En toen Urbanus II het
wachtwoord voor de kruistocht had laten horen, was de Zuid-Franse
ridderschap de eerste om aan die roepstem gehoor te geven. De
hebzuchtige Raimon van Toulouse schonk terstond hele sommen aan kerken
en kloosters, nam zijn vrouw en zijn jongste zoon mede, rustte een
groot leger uit en zette het beeld der Madonna op zijn banier. Op de
hele tocht waren de Provençalen het meest fanatiek; alle visioenen
en mirakelen pakken die zuidelingen heel wat sterker aan dan de
Noord-Fransen en wanneer het hun voorkomt dat de leiders wat al te
lang ergens blijven hangen, dan steken ze eenvoudig het kamp en de
levensmiddelen in brand om ze op die manier te dwingen verder te
trekken. Thuis weerklonk Provence van de vurige kruisliederen der
troubadours. »Baron Jezus zendt ons allen een boodschap... Wij moeten
de schande wreken die Kristus moest ondergaan toen hij aan het kruis
genageld werd... Wij moeten de ongelovigen rekenschap vragen van de
smaad die hem om onzentwil overkomen is... Hier is een wasbekken dat ons
allen door de Hemelse Koning en Heer aangeboden is. Hebt gij lieden er
een idee van hoe rein zij worden zullen, die zich in dat bekken wassen?
Zij zullen schoner worden dan de sterren die de schepen leiden."

Maar al dat entoesiasme en die aestetiese geestvervoering der ridders
voor de zaak van Kristus, sloeg heel gauw om. Het ongelukkige resultaat
der kruistochten werd opgevat als een godsoordeel, dat God het met de
ongelovigen hield. En de terugslag van dat fiasco werd bij menigeen een
verbitterde ketterse stemming. »Helaas!" klaagt een poëtiese Tempelheer
na de val van Caesarea, »indien God, wien dit alles moest mishagen, het
goedkeurt, dan moeten wij tevreden zijn. Gewoon een dwaas is hij, die
nu nog strijd met de Turken wenst, nu God hun immers alles gunt. God,
die vroeger waakte, slaapt nu, maar Mohammed ontplooit al zijn kracht
en laat zijne dienaren zegepralend heersen." En met spot en scherpe
hatelikheden vallen de Troubadours de paus aan, de kerk en de
geestelikheid. Heel spoedig hadden ook de »ketterse", half onkristelike
godsdienstige secten hun weg naar Zuid-Frankrijk gevonden en verstandige
ontwikkelde geesteliken zetten in Provence en Lausanne bewegingen op
touw om het »bijgeloof" van de sacramenten, relikwieën en heiligen
bij de Kristenen uit te roeien. Maar vooral breidde zich een religieus
indifferentisme uit, dat voedsel kreeg door het voortdurende verkeer met
Spaanse Joden en Spaanse Muzelmannen. Reeds in de 13de eeuw klagen de
mannen der kerk er over hoe ze overal in Languedoc veracht worden, hoe
weinig er voor de tienden binnenkomt, hoe de godsdienst zonder enig
respekt bespot wordt en hoe dikwels de geesteliken zelf persoonlike
overlast te verduren hebben. Lyries entoesiasme en strijdbare ketterij,
aestetiese religiositeit en Latijns rationalisme--dat is de houding van
de wereld der troubadours tegenover het Kristendom.

Die zelfde lichte ontvlambaarheid en weerspannigheid vindt men overal in
het maatschappelik verkeer terug. Die Zuid-Franse ridders vechten niet
alleen met het zwaard en om grondbezit, maar ook met woord en pen, met
spot en kritiek, met intriges en chicanes om duizenderlei dingen van
niets, twistpunten die overal met de wapenen des geestes uitgevochten
worden. De bisschop van Clermont valt met een schimpdicht op de Dauphin
van Auvergne aan omdat diens slotvoogd een dame, die iemand daar
spek had laten halen, om eieren in te bakken, met een half schijfje
afscheept,--en die dame was nog wel de aangebedene van de Dauphin. Deze
laatste antwoordt met allerlei beschuldigingen tegen de Bisschop. Een
andere pennevete had die zelfde Dauphin met de baljuw van de burggraaf
van Turenne. De Dauphin had de dochter van de burggraaf lief en kwam
daarom dikwels aan het hof op bezoek, maar nam die gelegenheid dan
veelal waar om geld van de baljuw te lenen en toen die hem nu daarover
lastig begon te vallen, hield de Dauphin, in plaats van te betalen, met
zijn bezoeken op, waarom zijn schuldeiser hem nu in schimpdichten
verweet dat zijn liefde zo snel vervloog.

En het maatschappelik leven is al even vol van liefdesintriges als van
onderlinge twisten. Hoe sterk juist die dingen zijn, daar weten de
kroniekschrijvers heel wat van te vertellen,--over de bijzitten der
baronnen of de »vrienden" van de getrouwde vrouwen of van de ruwe,
gruwelike wraak van een echtgenoot of jaloerse vrouw. Maar de liaisons
in Zuid-Frankrijk hebben toch nog een geheel ander karakter dan b.v. de
grove wellust der Noord-Franse baronnen, of de bloedige hartstocht der
Italianen, meestal is het een gezellig flirten geweest, waarin sympatie
en zucht om te behagen meer te zeggen hebben gehad dan de zinnen,--een
literair gekleurde schoonheidskultus of een artistiek spelen met
gevoelens en gemoedsbewegingen, die onwillekeurig uit elke verhouding
munt voor een »roman" slaat. De koketterie der dames en de galanterie
der Ridders zowel als het gehele maatschappelike leven ontwikkelen
die fijnere soort van het spel der liefde, waarbij een glimlach,
een handdruk of een vriendelik woord het middelpunt uitmaken van
verwikkelingen en intriges, aanleiding geven tot een »scene", de
gemoedsbeweging opwekken en de twee partijen in spanning houden, en het
genot van zulk een verhouding wordt op die manier over allerlei kleine
nietsjes verdeeld, maar die elk op zichzelf die fijner besnaarde mensen
evenveel zielsgenot verschaffen als het meest massieve liefdesgenot de
grove Noordeling geeft.

En bij die liefhebbende en twistende mensen ontstaat nu een dichtkunst
en gezang over twist en liefde. Daar staat een schare van dichters op,
die niet alleen aan de in die hogere kringen uit het volkslied geboren
dichtkunst een artistieke vorm geven,--dansballaden en romancen, alba's
en pastoralen--maar ook een hoger en meer persoonlike kunst scheppen
om aan alle gevoelens die dat leven wekt, uitdrukking te geven. En van
al de maatschappelike standen die daar te Toulouse of te Aix de toon
aangaven, heeft de ene al evenveel tot die zwerm dichters bij gedragen
als de andere. Wel is waar zijn de meeste troubadours arme zonen van
ridders en kleine heren, maar er lopen toch ook wel zonen van de
burgerklasse onder, ja zelfs wel eens een enkele keer een van de
bij uitstek begaafden onder de dienende klasse, die er ingeslaagd is
de slotskringen binnen te dringen; er zijn geesteliken bij, die het
klooster uitgelopen zijn, maar ook rijke baronnen en hoge vorsten; de
oudste die men kent is graaf Guillaume van Poitou, die omstreeks het
jaar 1100 dichtte. Velen van hen hebben niet eens zelf kunnen schrijven,
maar een zekere geleerde opvoeding hebben ze toch bepaald gehad; van
één lezen wij uitdrukkelik dat hij 's winters op school ging en er
zijn duidelike sporen in hun werk op te merken van kennis der Latijnse
kerkpoëzie en nu en dan van de literatuur en mythologie der Latijnse
oudheid. Velen van hen dragen zelf hun gedichten voor, maar naast hen
vindt men in den regel »jongleurs" die met hen rondtrokken en hun
gedichten voor hen accompagneerden en opzegden.



VII.

DE KUNST DER TROUBADOURS.


L'Art de Trobar werd gevoeld als een kunst en was dat dan ook, die
uitgevonden was door mannen van kennis, die door studie aangeleerd kon
worden en beoefend moest worden met zorg en verstand. Reeds de oudste
troubadour van wie wij liederen hebben, spreekt van zijn werkplaats,
beroemt er zich op zijn handwerk te verstaan en alle troubadours spreken
van het smeden en vijlen of van het optimmeren van hun gedichten. Van
het begin af was het al een sisteem van regels die gevolgd moesten
worden om goed te »trobar", door die regels komt de kunst hoe langer
hoe meer in het nauw, totdat de gedichten er in verstikken. Naast de
volks-poëzie en de salon-poëzie die allen kunnen verstaan en bijna een
elk kan maken, komt de troubadourkunst te staan als iets dat slechts
de uitverkorenen kunnen hanteren en dat zich slechts tot een zeer enge
kring van kenners richt, dat slechts wil »grat de las melhors" en zich
absoluut niet bekommert om bijval van de »desconnoissedors".--Maar die
kunst is in voortdurende ontwikkeling en het komt er voor elke dichter
op aan tot haar vervolmaking het zijne bij te dragen. »Trobar" is
uitvinden en in tegenstelling met de »jongleurs" die overal de gedichten
van anderen komen voordragen, of die, waar zij zelf dichten, dit anoniem
en onpersoonlik doen, geheel in de oude sporen, laat de troubadour er
zich op voorstaan zelfstandig op te treden en trots tekent hij zijn
gedichten met zijn naam. Nieuwe melodieën, nieuwe versvormen, een nieuwe
inhoud moet elke troubadour op de been brengen. Het is dit streven naar
orginaliteit dat de poëzie steeds meer gekunsteld maakt. »Ik wil een
nieuw lied zingen," begint er een troubadour, »met grote moeite, opdat
het op geen ander lijke, want een lied dat aan andere doet denken is
niet goed en niet schoon." En een ander: »Ik vind het altijd vervelend
te vertellen dat ik ween en van liefde zucht, want dat liedje kent de
hele wereld van buiten. Ik wil nieuwe verzen schrijven met lieflike
melodieën, maar wat kan ik nu nog bedenken dat niet reeds gezegd is?
Wat moet ik dan doen? Ik zal de oude dingen op een nieuwe manier
moeten zeggen, zo zal mijn gedicht er uitzien alsof het nieuw was."
In tegenstelling dus met de traditionele en de volkspoëzie, stelt de
troubadourskunst--evenals de hofpoëzie der skalden in het Scandinaviese
Noorden--het aristokratiese en individuele op de voorgrond, dwingt de
kunst in conventionele, kunstige vormen, maar spoort binnen die perken
de enkelingen toch aan, hun eigenaardigheden niet te verbergen en te
trachten elkaar te overtreffen.

De poëzie der troubadours is nu in de eerste plaats een lied, begeleid
door de viool of de harp. »Een liedje zonder muziek is gelijk een molen
zonder water", heet het uitdrukkelik en de troubadours waren vooral
komponisten. In plaats van de eenvoudige, eentonige muziek van het
volkslied met zijn symmetriese herhalingen van de melodie, geven zij
er een dat veel kunstmatiger is, waarschijnlik onder invloed van de
kerkmuziek. Maar van die muziek der troubadours hebben wij eigelik niets
meer over dan de afspiegeling er van in hun verskunst. Als een stroom
van harmonie, een volheid van rijm en rhythme is die verskunst aan komen
storten en heeft een ieder met zich medegesleept. Het rhytme, meestal
levendig jambies, laat niet, gelijk de volkspoëzie, versregels van de
zelfde soort, regel aan regel op elkaar volgen, maar laat lange en korte
afwisselen, en geeft strofen van zeer verschillende lengte en bouw. Met
versregels van 2 à 3 lettergrepen tot 10 à 12, met strofen van 3 à 4
regels tot 20 toe, gaf de troubadour-poëzie het aanschijn aan zulk een
enorme massa combinaties, dat die na de eentonige rhytmiek van het
kerkgezang en de volkspoëzie, werken moest als de openbaring van een
geheel nieuwe tonen-schoonheid. Misschien bestaat er verband tussen
deze strofenbouw en die der Oudheid en der Arabieren, maar in elk geval
betekende de kunst der troubadours een hele revolutie in de uiterlike
vormen der Europese poëzie en werd het uitgangspunt van de rijkdom in
versvormen der gehele moderne lyriek.

Maar nog meer werd de welluidendheid een geliefkoosd hulpmiddel voor
de Provençaalse kunst. De natuur had die taal in dit opzicht goed
bedeeld: de brede open vokalen hadden het een zekere volheid gegeven,
de konsonanten, zo krachtig in vergelijking met Frans en Italiaans, en
de harde konsonantengroepen (tg, tz, rn, enz.) verleenden het ook veel
karakter. En bovendien heeft de taal een grote rijkdom aan rijmen,
aangezien zo veel verschillende Latijnse uitgangen in het Provençaals
zijn samengevallen,--amati, amatis, amatus,--dit is alles tot amatz
geworden. Van deze natuurlike rijkdom aan rijmen van de taal, heeft de
troubadourskunst alle mogelike voordeel getrokken. De volkspoëzie had
zich vroeger tevreden moeten stellen met vokaalrijmen, assonance; maar
de kunstlyriek eist volle rijmen en voert die nu in om door de gehele
latere Europese dichtkunst gevolgd te worden. En er komen nog meer
gekunstelde rijmen op,--de zogenaamde »rimes riches" worden ingevoerd,
waar dezelfde klankkombinatie, maar met verschillende betekenis (art
= kunst en = brandt) op elkaar rijmen, zo wel als moeilike, zeldzame
rijmen, of rijmen bestaande uit vele lettergrepen of zelfs vele woorden;
als spelend vormen zij rijmen van dezelfde eind-konsonanten, maar
verschillende daar aan voorafgaande vokalen (ars, urs, ors, ers) of uit
verschillende grammatiese vormen van hetzelfde woord bestaande. Of wel
worden de rijmen gekruist inplaats van op elkaar te volgen en worden ze
ver van elkaar af geplaatst; soms moet het oor dan 5 à 6 regels wachten
voor het komt. Op die wijze worden lange rijm- en rhytme-strofen gevormd
met grote afwisseling. Daar staat tegenover dat het oor ook voortdurend
gebombardeerd wordt met hetzelfde rijm, en dat de strofen rhytmies aan
elkaar gesmeed worden, doordat b.v. de rijmen van de ene strofe naar de
andere overgaan, door het hele gedicht heen, of doordat de nieuwe strofe
met het woord begint waarmede de vorige eindigde. Door zulk een kunst,
door zulke gekunsteldheidjes worden nieuwe dichtvormen verkregen.
En midden in de regels speelt men met woorden van dezelfde stam: »A
Lunel lutz una luna luzens", of met woorden van dezelfde klank maar
verschillende betekenis: »ongle--oncle". Men heeft ook oor er voor
om de vorm naar de inhoud te richten. Zo worden b.v. in een speciale
dichtvorm: »descort", het disharmoniese heen en weer geslingerd-worden
van een liefdeziek gemoed tussen zaligheid en wanhoop, door het steeds
veranderende rhythme der strofen getekend. Slechts bij uitzondering
horen wij een troubadour verklaren dat hij een vrolike melodie aanslaat,
»omdat anders niemand naar zijn lied luisteren zou, zo treurig is de
inhoud."

En evenals de versvorm zijn de taal zelf en de stijl het voorwerp van
een artistiek aristocratiseren. »In mijn hart draag ik de vijl," zingt
een troubadour, »waarmede ik schone woorden vijl en ik zet ze in schone
rijmen, omdat ik een schoon wezen bezing." Niet van alle landstreken
wordt het dialekt geaccepteerd als een »natural e drecha parladura": als
Frans goed is voor epiek en de pastorale, is het dialekt van Limousin
beter voor de lyriek. Niet alle woorden vallen in de smaak; onfijne,
platte woorden zijn uit hun poëzie verbannen, »want hij die bemint,
moet zijn goede opvoeding tonen niet alleen in handelingen maar ook in
woorden." Men gaat zich op de grammatiese korrektheid toeleggen en men
begint grammatica's te schrijven. Veelal verheft men bewust de stijl
boven de gewone prosa door de massa rethoriese en poëtiese figuren
die dikwels uit het Middeleeuws Latijn of de klassieken stammen of
uit de bijbel. Men heeft antitesen en metaforen, vergelijkingen en
personificaties in de antieke kunststijl: de pijlen en het vuur
der liefde, haar koude vlammen en zoete smart, de gepersonifieerde
Amor, of zinswendingen als: »Gelijk de magneet... aantrekt, zo..."
enz. Het is invloed van de bijbel wanneer een vorst »de ceder der
vrolikheid" genoemd wordt of een dame: »de toren der eer". De gehele
rhetoriese woordenvoorraad uit het Middeleeuws Latijn komt weer te
voorschijn: de roos der schoonheid, de lelie der reinheid, de bloem der
welvoegelikheid, der eren kroon, de spiegel der vreugde, de alsem der
bitterheid.

Velen onder de troubadours maken hun stijl met opzet donker en moeilik
te verstaan--wat vooral op te merken valt waar de poëzie zich boven
het gemeenzame verheffen wil: in de Alexandrijnse tijd zowel als in de
laat Romeinse Keizertijd, aan het Perziese hof zowel als bij de Noorse
Skalden. »Le trobar clus" (gesloten) is het aestetiese program voor
een bepaalde richting onder de troubadours. De geleerde Arnaut Daniel
imponeerde zijn tijdgenoten zowel als de nakomelingschap (b.v. nog
Dante) door zijn kunstige stijl, ofschoon er spotters waren die
beweerden dat niemand zijn poëzie begreep. Hij vormt nieuwe woorden,
bouwt lange, ingewikkelde zinnen, geeft omschrijvingen in raadselachtige
bewoordingen, en zit vol woordspelingen en geleerde toespelingen: »jaagt
hazen met ossen en zwemt tegen stroom in",--zoals hij zelf zegt over
zijn jacht op verrassende en ver gezochte beelden. Het is Latijnse
rhetorenstijl wanneer Spanje omschreven wordt »als het rijk dat de
Ebro doorstroomt", de meest onnodige onzer oude Scandinaviese poëtiese
omschrijvingen worden overtroffen wanneer een moeder met »de zuster van
mijn oom" werd aangegeven; en wanneer »de liefde die hem in het harte
regent, hem warm houdt, hoe zeer de winter ook buiten woedt", dan is dit
niet anders dan een proefje van Perziese hoflyriek. Een ander aanhanger
van deze »estilh clus", Guiraut de Bornelh, gaf dat later op en zeide
toen in een polemiek over die kwestie dat men volgens hem beter deed zo
te dichten dat men door een ieder verstaan kon worden; »per slot van
rekening is dat ook het moeilikste." Maar zijn tegenstander beweert:
»neen! dan zouden allen gelijk worden. Indien de dichtkunst tot een
ieder komt, vermindert die in waarde, gelijk alles wat binnen het bereik
van Jan en Alleman komt; goud is duurder dan zout, omdat het zoveel
zeldzamer is, en zo wordt ook die dichtkunst het hoogst geschat, die het
moeilikst toegankelik is."

       *       *       *       *       *

Deze fijne kostbare kunst is het nu waar het Zuid-Franse adellik leven
zijn ziel in uitstort en waaraan het eigen vorm geeft. De troubadours
eindigen de meesten van hun gedichten met een »tornada"--een kleine
»staart"--cauda--die het rhythme en 't rijm van het gedicht nog eens
herhaalt als in een refrein en tegelijk de bedoeling in het kort
samenvat en aangeeft voor wie het bestemd is,--voor een bepaald persoon
of voor een hele klasse van hoorders. Feitelik is de poëzie der
troubadours oorspronkelik direkt uit het leven ontstaan en heeft dan
ook zijn bepaalde praktiese taak in dat leven, zij is gelegenheids-
en tendens-poëzie zo goed als enig andere. Al die schermutselingen
die vroeger met mond en zwaard of per brief tussen de baronnen en de
burchten plaats grepen of tussen de kerk en de wereldlike macht, alle
vleierijen van de Heer, of bespotting van zijn vijanden die in de
hal weerklonken hadden, alle woorden van liefde of laster die in de
binnenkamer gefluisterd waren,--dit alles zou nu de vleugelen van de
zang en de muziek te hulp roepen om zich beter te bewegen en verder
door te dringen. Wat vroeger in 't Latijn geschreven was, werd nu door
de troubadours in een lichte, populaire vorm gegoten. De Provençaalse
kunstpoëzie is veelal te beschouwen als een voortzetting van de Latijnse
lofzangen, of grafliederen die de geesteliken aan de hoven op hun hoge
meesters gedicht hadden, of van de strijdschriften die een notaris of
een kanselier in de dienst van hun Heren geschreven hadden, van de
preken ten gunste van de kruistochten van een Bernhard van Clairvaux of,
omgekeerd, van de Latijnse hekeldichten der vaganten tegen Rome en de
geestelikheid.

Een »Sirventes" betekent letterlik een dien-dicht (sirven = dienen,
servir), door een hofdichter tot lof van zijn heer of tot bespotting
van diens vijanden en in zijn politieke dienst geschreven, maar
langzamerhand is het in 't algemeen de vorm geworden voor alle
persoonlike religieuse en morele polemiek en vindt de gehele kritiese
en strijdlustige Zuid-Franse geest in het »sirventes" zijn uiting.

Bertran de Born, heer van Hautefort in Périgord, was de eerste, de
voornaamste man van de politieke »Sirventes". Gelijk de Arabiese zonen
der woestijn, of de jambici der Griekse eilanden of de oude sagahelden
van IJsland was hij, in één persoon verenigd, een strijder met het
zwaard en met het woord; het is Eris, de strijd zelf, die tot gedicht
wordt als bij Amrilkais of Gunlaug Ormstunge of Archilochos. Bertran en
zijn broeder bezaten te samen een klein familiegoed, maar zij hadden het
voortdurend met elkaar aan de stok; eerst was Bertran een tijdlang door
zijn broer weggejaagd, maar had toen op zijn beurt hem verdreven en de
burcht dapper tegen een groot vijandelik leger verdedigd. Onverstoord
zong hij onderwijl door: »Nu brandt en verwoest men mijn land, kapt men
mijn bos en mengt mijn zaad met stroo; al mijn vijanden grijpen mij aan,
als ik twist tussen de baronnen zaaien kan, zal ik ze ook wel weer bij
elkaar kunnen brengen." Met vurige strijdlust mengt hij zich in het
oproer der Aquitaanse baronnen tegen Richard Leeuwenhart, die toen als
prins de stadhouder van de Engelse koning in Zuid-West-Frankrijk was.
Bertran blijft onvermoeid de jongere broer Hendrik en de vazallen tegen
»die schrok-op uit Poitou" op zetten, »Richard ja-en-neen", zoals hij
hem noemt, en hij belooft zelf onder de muren van Perigueux te komen
waar Richard toen resideerde en zijn hersens in te slaan, als hij zich
durft vertonen. Hij hoont de lafaards maar spreekt degenen moed in die
een hartig woordje helpen kan, de een houdt hij voor de gek als hij een
vernedering ondergaan heeft, een ander weet hij te bewerken door zijn
afgunst op te wekken, komt met hatelike toespelingen aan, geeft de
mensen allerlei bijnamen en is al even erg als Loki wanneer het er op
aan komt de mensen te plagen en tegen elkaar op te zetten. Talairand is
een echte »Lombard",--als andere woedend opspringen, rekt hij zich even
uit en gaapt... »Willem van Gordon, jou mag ik wel, jij hebt ten minste
een tong in je mond, maar de twee burggraven beschouw ik als gekken en
deugnieten... Aan het slot van Clairvaux hebben ze een nieuw gedeelte
gebouwd, dat de nieuwe koning zeker niet behagen zal, als hij het ziet;
maar het schittert zo heerlijk dat hij het zeker in 't oog zal krijgen."
Hij eet zich op van gramschap wanneer hij bemerkt hoe hij zijn sporen
voor niets verslijt,--»wat zijn ze allemaal laf, die baronnen, ze
moesten allemaal zich maar de kruin laten scheren of zich aan handen en
voeten laten beslaan als een paard." Maar het jubelt in hem wanneer hij
de baronnen zich ziet wapenen en burgers zich gaan verschansen en het
wapengekletter dus weldra over de vlakte te horen zal zijn... Intussen
was de jonge prins Hendrik gestorven en had Bertran hem een groot
rhetoriese elegie gewijd, geheel en al in de pompeuse hoogdravende stijl
van de Latijnse »planctus" die abten en bisschoppen bij de dood der
vorsten op bestelling schreven. Hij verzoende zich met Richard maar
kreeg niet minder stof voor zijn Sirventes in de twisten tussen de
Engelse koningen en Philip Augustus van Frankrijk,--hij doet wat hij kan
om de vorsten tegen elkaar op te zetten en tegelijk had hij nog even
voor eigen rekening een twistgeschrijf op rijm met koning Alphons van
Aragon.

Al die polemiese geschriften zijn eigelik maar half poëzie,--het zijn
onze krantenartikelen,--een oproep, een opruiing, of een uitdaging. Maar
er is iets bepaald demonies bij Bertran, wanneer hij zingt: »Al is er
overal om mij heen vrede,--een duim breed grond is mij genoeg om te
vechten... Mij is de vrede gehaat, tot strijd alleen mijn zin nu staat;
mijn hart is aan strijd alleen gewijd", of wanneer hij als dronken is
van verlangen naar het voorjaar, niet wegens het nieuwe groen of het
gezang der vogelen, maar eerder wegens de mannen en paarden die hij dan
ten kamp bereid zich zal zien opstellen, mensen en beesten die hij zal
zien vluchten, muren die kraken en de paarden der gevallenen die over de
velden snellen: »eten noch drinken noch slaap verkwikt mij zo zeer als
wanneer ik de kreet »Vooruit!" hoor, en de paarden hinniken, en er
hulpgeroep weerklinkt en de gevallenen daar liggen met de bewimpelde
speren nog in hun zijde." En zijn haat van edelman tot boer en burger
breekt in hevig leedvermaak uit, »het doet mij goed wanneer ik die
ellendige geldmannen die met de adel twisten, in het ongeluk zie...
wanneer ik ze naakt zie lopen bedelen... Een boer is een zwijn, als hij
rijk wordt, verliest hij zijn verstand; daarom moeten wij zijn trog
steeds leeg trachten te houden. Hij die er zijn boer niet onder houdt,
versterkt hem in zijn slechtheid... Niemand moet hem beklagen als men
hem zijn arm of been ziet breken of wanneer hij aan het noodzakelikste
gebrek heeft... Dat overmoedige gespuis is niet te verdragen. God zende
hun alle ongeluk!"

Een andere soort van »Sirventes" is de moraliserende. De grote man
daarvoor is Peire Cardenal. Van voorname geboorte, »vrolik, schoon en
jong", maar bezield door een levendig gevoel van recht dat onder leugen
en onrecht leed, maakte hij zich tot een soort van Don Quichot van het
recht, en zijn kunst tot een ridderdegen die tegen alles en een ieder
gericht was. Dan eens zijn het de geesteliken daar hij het op voorzien
heeft: dat zijn gieren en roofvogels die rot vlees ruiken en op allen
aanvliegen die op 't punt staan te sterven om hun een testament af te
persen; het zijn de Isengrims die zich in een schapenvacht hullen. Dan
weer zijn het de grote Heren: Waar een machtig man op straat loopt,
wordt hij door kwaadaardigheid en hebzucht vergezeld, daar draagt het
onrecht de banier en hoogmoed loopt vooraan... Indien men een baron
alles gaf, van Turkije tot Normandië toe, zou men toch geen vrede met
hem krijgen... Indien men in zulk een machtig man op een stuk of twee,
drie plaatsen een gaatje prikte, zou er toch niets anders dan een stroom
leugens gelijk een waterval uit zijn hart komen storten. Dan is het de
beurt van de vrouwen: als men een vrouw een daalder in de hand stopt
voor de waarheid en een cent voor de leugen, dan wint de cent het.
Of wel moeten alle mensen tegelijk het ontgelden: die zijn als de
muntstukken waar een kruis en de lelies buiten op staan, maar waar geen
zilver in zit als men het smelt; hun goedheid is van dien aard dat,
indien stenen brood waren en water wijn en de bergen zijden spek, dan
gaven ze toch nog niets weg; op een smal reepje leder--de helft van de
duim van mijn handschoen--zou ik alle rechtvaardigheid kunnen schrijven
die in de wereld is. Op die wijze brengt ook bij hem de hartstocht
altijd weer nieuwe grille beelden voort--als bij Dante--en houden nieuwe
burleske invallen de toehoorders in spanning, als bij de bedelmonniken.
En ten slotte treedt onze Paladijn onversaagd tegen God zelf op en
klaagt dat die zijn macht niet gebruikt heeft om de duivel en het kwade
te verpletteren, maar nu de mensheid met de hel straft voor het kwaad
dat zij bedreven hebben waar God zelve de oorzaak van is. »Welk een
machtig heerser God ook is, toch zal hij van al dat onrecht rekenschap
af moeten leggen."

En het rumoer van die Sirventes klinkt veelstemmig over geheel
Zuid-Frankrijk. Krasse kruistochtliederen en even krasse liederen tegen
Rome en de geestelikheid. Liederen als van een hoveling bij de dood van
vorsten met lofgezangen over de afgestorvene en schimpwoorden over zijn
vijanden. Troubadours die elkaar niet in hun gedichten ontzien, waarin
dikwels kritiek over alle kollega's voorkomt: het zou beter zijn als
hij met een psalmboek liep in plaats van de liefde te bezingen; wat hij
dicht, klinkt zo somber als de woorden van een oude waterdraagster en
zelf lijkt hij wel een gedroogde lederen waterzak. Marcabrun, een
vondeling uit Gascogne heeft tot specialiteit uit pure nijdasserigheid
alle vreugde en liefde belachelik te maken en cynies te vertellen hoe
hij zich door alle omstandigheden des levens heen weet te draaien,
altijd op zijn eigen voordeel uit is, het spesiale terrein van anderen
af te jagen en zich altijd een achterdeurtje open weet te houden,--wat
toch niet heeft kunnen verhinderen, dat hij door een edelman gedood
werd wegens zijn giftige lastertong. Amusanter is de Monnik van
Montaudon,--de humorist onder de dichters der Sirventes. Van voorname
geboorte, was hij reeds heel jong in de monnikspij gestoken, maar liep
uit het klooster weg en kreeg, zo als beweerd wordt, de permissie
van zijn supérieuren om als troubadour de wereld door te trekken, op
voorwaarde dat hij een deel van zijn verdiensten aan het klooster
afstond. Zijn jolige gedichten noemen alles op waar hij van houdt,--een
lekkere zalm bij het noenmaal, of op een weide naar het gezang der
vogels te liggen luisteren en in 't geheim een bezoek van zijn geliefde
te krijgen; zowel als alles wat hem tegen staat--een echtgenoot die zijn
vrouw al te zeer bemint, of een ridder die voor de wereld veel drukte
maakt, maar thuis peper maalt. De vrouwen vervolgt hij met geestig
sarkasme,--hoe vlijtig zij de »schilder"-kunst verstaan, zodat de
kleuren op hun wangen de schilderijen der kapel in de schaduw stellen en
hoe de safraan enorm in prijs gestegen is; en in gezellige samenspraken
disputeert hij met God over de ondeugden der vrouwen en hoe die het best
te kureren zijn en God verwijt hem dat hij weer in 't klooster gegaan
is: hij amuseerde èn de mensen èn God toch veel meer toen hij als
troubadour rondtrok!

Een heel bizondere arena voor de strijdlust der troubadours was een
soort versduellen die men tenzonen noemt. Het is een zeer oude populaire
dichtsoort; zo wel de Tyrolers (»schnadahüpferl") als de Noorse
boeren kennen die, evenals de Toskaanse en Siciliaanse herders.
Natuurlik genoeg werd dit dichtgenre, zo uitnemend passend in de
gezellige samenkomsten in Provence, aan een artistieke behandeling
onderworpen. Oorspronkelik is het zeker wel werkelik een twistpunt
geweest tussen twee personen dat op die manier op staande voet door de
zangers in zulk een verskamp werd beslecht. Maar hoe meer gewicht er
langzamerhand aan de vorm gehecht werd, des te minder kon er sprake
zijn van improvisatie en zo volgde de eene strofe de andere met een
tussenruimte op. En zo werd het langzamerhand ook niet altijd een
persoonlike kwestie die berijmd werd; dikwels was het de een of andere
algemene vraag die bedebatteerd werd. Wanneer in een gezelschap een
zeker punt aangeroerd was dat tot meningsverschil aanleiding had gegeven
in de loop van het gesprek, dan kon het gebeuren dat een dame twee
aanwezige troubadours uitnodigde, zich tot de voorvechter van een der
twee tegenovergestelde opvattingen te maken, of wel nodigde de een zijn
kollega uit een der twee opvattingen te verdedigen, terwijl hij dan de
andere tot de zijne maakte en bij de volgende samenkomst kwamen zij dan
goed voorbereid en »voerden de liederen-kamp op." En het gebeurde dan
veelal dat men de beslissing overliet aan degene die de vraag aanhangig
had gemaakt of wel werd er door vrije keuze een jury gekozen b.v. van
voorname dames. Veel zeer mooie gedichten van dien aard zijn bewaard,
ofschoon, misschien, in vele gevallen feitelik die beide rollen door een
en dezelfde troubadour gedicht zijn. Men disputeert b.v. over de goede
eigenschappen der verschillende volkeren. Of men het recht heeft de
liefde ener vrouw te weigeren, alleen omdat zij oud wordt. Of een dame
de edelste of de voornaamste van haar aanbidders de voorkeur moet
schenken,--de Dauphin van Auvergne houdt zich grootmoedig aan het
eerste, zijn burgerlike tegenstander bescheiden aan het laatste. Wat of
erger is: schuld te hebben zonder die te kunnen betalen of te beminnen
zonder wederliefde te krijgen;--Eble verklaart dat met alle respect voor
ongelukkige liefde is het toch erger wanneer men door zijn krediteuren
vervolgd wordt en zich niet in zijn mooie kleeren op de markt durft
vertonen; waarop Guillem Gasmer opmerkt dat men zijn schuldeiser met
fraaie woorden kan paaien, maar dat men van liefdesmart niet zo gauw
afkomt.

Dergelijke wedstrijden hebben aan vele hoven gebloeid. Maar eigenaardig
voor de Zuid-Franse hoven is de in 't oogvallende plaats die kwesties
van de Liefde in deze debatten innemen. Niet alleen dat de dichters
der Sirventes de groten »tot hoge daden" aan moeten sporen, »de kwaden
moeten beschamen" en zonder vreze »herauten der waarheid moeten
zijn", zowel als, waar ze zeer trots op zijn, door hun lied de roem van
hun weldoeners het eeuwige leven schenken,--als dichters van Canzonen
hebben de Troubadours een niet minder hoge roeping--de verkondiging van
de religie der Vreugde, van een gelukkig samenleven en van de Liefde.

       *       *       *       *       *

In het element der vreugde leef ik gelijk de vis in het water, zingt
Arnaut de Maruelh; elke keer dat de zoete lentelucht weer mijn hart tot
nieuw leven wekt, voel ik, dat ik tot vreugde geboren ben. Ik verheug
mij over het gezang der vogels en over de bloemen--jubelt Bernart de
Ventadour--over mij zelf, maar nog meer over mijn Vrouwe, aan alle
kanten ben ik door vreugde omgeven, maar deze overtreft alle anderen.
Veel meer dan de vogels heb ik reden om te zingen, ik die alle dagen
slechts voor zang en vreugde leef en aan niets anders denk. »Joi" en
»Gaug" (vreugde), »Joi e deport", die woorden gaan als leitmotif door
de gehele dichtkunst der troubadours. In scherpe tegenstelling met het
tragiese patos der heldendichten en de sombere plechtigheid van de kerk,
komt nu het nieuwe jolige lied met zijn koloratuur en zijn trillers.
»Joi e deport" betekent dat gevoel van de edelman die zich »vrij weet
van materiele en geestelike beslommeringen" en dat heerlike gevoel
moet de troubadour opwekken en levendig houden. Een vrij geboren
natuur--zingen ze--kan niet in droefenis in beslommering leven, hij moet
alles liefhebben wat heerlik is en schoon--schone wapenen, een vrolik
tijdsverdrijf, hoofse gezelligheid; niets van dit alles is uit den boze
en dat zal ook niet door God gestraft worden, gelijk diegenen geloven
die jeugd en vreugde in miskrediet willen brengen omdat ze zelf niet
weten wat vreugde en milddadigheid betekenen (Guiraut de Bornelh). De
vreugde is de wortel van alle goeds, »se (zonder) joi non e valors", de
vreugde maakt de mens dapper, goed, beminnelik en bemind. Het is die
opgewekte stemming bij de hogere klassen, Euphorie, welke de Duitse
troubadours »hohe muot" noemen of »riche muot"; »geen enkele keer heb
ik hem in treurige stemming gezien" leest men in een lofzang over een
gestorven vorst.

Maar »joi" is ook nog iets anders, het zwelgen van de lyricus in zijn
gevoelens, zijn roes over de innerlike rijkdom van zijn ziel. Het
zelfde sentimentalisme dat bij St. Bernhard in het gevoelskristendom
en het entoesiasme voor de kruistochten uitsloeg,--dat is het wat bij de
troubadours tot de gevoelens van gelukzaligheid wordt en tot hun eroties
dwepen. Tegenover de baronnen die slechts aan hun goederen denken en
strijd, en aan alles wat ze op kunnen nemen en aanraken, verkondigt de
troubadour paradoxaal de vrijheid en rijkdom van het innerlike leven:
daar buiten is het najaar en alles verwelkt, daar is het winter en alles
bevriest, maar in mij staat de lente in de knop en bloeit het als in de
zomer. Eén glimlach van mijn geliefde is mij meer waard dan al het goud
van Arabië, in mijn liefdesgeluk zou ik met de koning van Engeland
niet willen ruilen. Maar daar staat tegenover als een niet minder
merkwaardige paradoks, dat ongelukkige liefde erger is dan tandpijn en
onaangenamer dan schulden te hebben. En toch--toch is de ontbering van
een teleurgesteld minnaar de dichter dierbaarder dan het ruwe toegeven
aan de zinnen, wat de meesten onder liefde verstaan.

De lente is de tijd van de vreugde en het sentimentele dwepen.
De liederen van Bernart de Ventadour zijn verliefde hymnen aan de
lente,--wanneer het vlas op de velden groent, de viooltjes onder
de struiken te voorschijn kijken en de beekjes helder over het zand
kabbelen, wanneer blad en bloem op alle takken knop zetten en nacht en
dag de vogel zijn gezang laat horen. Het zoet gezang van de nachtegaal
houdt hem in minnegedachten wakker en als de leeuwerik zijn vleugels 's
morgens naar de zonne uitslaat, zodat hij zich geheel vergeet en door al
't zoete dat hij voelt de aarde nader komt, dan is het hem als zou zijn
eigen hart van zoet verlangen barsten... Gelijk men niet nalaten kan de
tong tegen een holle kies te drukken--zingt Guiraut de Bornelh--zo kan
hij ook niet anders dan zijn hart naar de jonge bloemen wenden, wanneer
hij de takjes bloeien ziet en de zoete stem der vogels liefdedronken in
de struiken hoort. En is in 't eind van Maart de sneeuw gesmolten en de
warmte weer teruggekeerd, de weide groen, terwijl de vogels dan weer
zingen, dan wordt hij uitgelaten als een wild dier en licht ter been
gelijk de ree. De weiden en de heldere beekjes, de hagedoorn en de wilde
roos, de leeuwerik en de nachtegaal--dat is de stralende, vriendelike
lenteschoonheid die de troubadour liefheeft, en gewoonlik verleggen ze
dan ook hun scène's naar die soort tuinen, waar de ridderkastelen nu
veelal van omgeven zijn. De dichter siddert als een blad, is blij als
een vogel, en hij wordt door de blik van de geliefde verwarmd, gelijk de
natuur door de stralen van de zon.

De lente is de bevrijding na de koude donkere winter, wanneer de wegen
onbegaanbaar zijn en men in de sombere, kille kamers met stenen vloeren
zit te rillen of door de rook verstikt. Nu kunnen de ridder en de
troubadour weer de wijde wereld intrekken. Een verlangen naar vrijheid
en een drang naar buiten weerklinken in hun liederen. »Het leek hem
onaangenaam, lang op één plaats te blijven," heet het over één, en dat
geldt van velen. Bij alle weer, onder moeite en gevaren, rijdt hij
te paard overal heen--zo als Raimbaut de Vaqueiras het in een gedicht
schildert--met de bossen en de wegen als herberg. En onderweg dicht
hij: »Ik wil een gedicht maken over niets," begint hij, »het is gedicht
terwijl ik te paard zat te slapen," hij voelt zich behekst, weet niet of
hij waakt of droomt; zijn hart is op 't punt van verlangen te barsten,
maar daar geeft hij geen sikkepitje om; wie zijn geliefde is, weet hij
niet, maar toch bemint hij haar zéér, maar toch kent hij er een die
schoner is, alleen weet hij maar niet waar hij haar vinden kan... In
zulk een stemming van opgeruimde onverschilligheid en vage verliefdheid
dwaalt de zanger om van het ene hof naar het ander. Zijn hart verheft
zich (zoals het bij de Duitse minnezangers heet) naar het licht, gelijk
de valk in zijn vlucht, of de arend zwevend in de lucht, het is hem
alsof hij over de wereld vloog en alles bezat, alsof hij gelijk het
wilde dier in de grote bossen kon rondspringen. Alles wat er aan vreugde
in hem woont, dat ontkiemt, groeit en groent; »zijn hart schiet blad en
bloem en houdt zich groen, geheel het jaar."

Fladderen, omhelzen, zingen en liefhebben,--dat is het levensprogramma
van de rondtrekkende zangers. Vrij leven en laten leven is het wat zijn
lied aanprijst. In de ruwe en sombere wereld der baronnen en monniken
brengt hij licht en warmte. Indien hij altijd milddadigheid als
hoofddeugd voorop zet, is het zeker dat hij in de eerste plaats voor
zich zelf pleit; zijn lied is dikwels niets dan een bedelpartij en
afzetterij en de Seigneur die door hem als een Alexander geprezen wil
worden--Alexander de Grote is altijd het toonbeeld van mildheid--moet
niet spaarzaam zijn met paarden en kleeren voor zijn zangers, en open
tafel houden »zonder portier". Maar larguezza--»milte" heet het in het
Duits--was werkelik het voornaamste en meest tastbare bewijs, dat de
bekrompen ziel van de edelman week was geworden en zich om andere dingen
bekommerde. De begerige klauw die altijd gereed stond om te grijpen,
moest nu leren zich te openen en te geven. Hier gaat tot zekere hoogte
de dichtkunst der troubadours met de kerk in dezelfde richting; ook voor
de kerk kwam het er op aan--en niet alleen uit egoïsme--om de geest van
hebzucht en eigenbelang uit de harten te verbannen, ze van de aarde en
mammon los te maken. »Donar"--te geven, met geld te strooien, te leven
en te laten leven--daaruit bestaat voor de troubadour het leven der
Ridders; of dat geld aan prachtige kleeren en vrolike feesten gaat of
aan weldadigheid, dat is hem hetzelfde. Hij prijst de oorlog omdat die
dwingt de hand te openen, de groten noodzaakt niet alleen te nemen maar
ook te geven. In een tenzone verdedigt een roofridder er zich mede dat
hij niet neemt om schatten op te hopen, maar om voor anderen uit te
strooien. De moralisten der kerk herinneren daarentegen aan Cicero's
waarschuwingen tegen die soort van mildheid, die neemt wat men geeft en
geselt de ridders die uit ijdelheid alles wat zij bezitten weggeven, en
gochelaars en jongleurs met mantels en sieraden overstelpen, terwijl
de armen buiten het kasteel van kou sterven en de portier ze als vee
wegjaagt met een »scheer je weg, slungel, mijn Heer wil naar de zangers
luisteren!" Maar de troubadours prijzen daarentegen de ridder die in
1174 bij Beaucaire 30.000 sous het venster uit liet werpen en 30 paarden
liet verbranden, alleen om zijn »larguezza" te tonen of Robert Kortbroek
die alles aan gochelaars en de een of andere slet weggaf, zodat men hem
eens op een morgen zo van alles beroofd vond liggen, dat hij alleen nog
maar een hemd aan had en zo niet naar de kerk kon. »Liever ja zeggen,
dan neen!"--dat is de formule, waarin de troubadour in 't kort de
royaliteit van de ridders samenvat.

In feest en gezelligheid te leven, in een beminnelik, hoofs samenzijn
met zijns gelijken--dat was alles een soort sosiaal idealisme dat de
dichtkunst der troubadours tegen de ouderwetse baronnen opstelde, die
aan niets anders dachten dan vechten met hun buren, hun goederen af
te ronden, hun boeren uit te zuigen en zoveel mogelik land en vee te
verzamelen. De vaste kastelen--klagen de troubadours--met hun grachten
en muren zijn de haardsteden van onrecht en geweld, daar is slechts
plaats voor wapengekletter, niet voor feesten en milddadigheid. De ruwe
baronnen geven niets om zang of dans of spel, lente en bloemen laten ze
koud, als de moestuin maar goed vrucht levert. Overal, van het koninklik
hof af, wordt er alleen maar met goederen en vee gehandeld als bij
kooplieden. Zelfs een kemphaantje als Bertrand de Born beweert, dat
zulke Heren die alleen maar aan jacht denken en hoe ze hun mannen er
onder kunnen houden, en nooit aan vrolike feesten,--dat die geen begrip
hebben van ridderlikheid en een hof waar geen feesten of dames te vinden
zijn is toch maar niets dan--een paar baronnen bij elkaar! »Oorlog
en wapenspel--geld uitgeven en de vrouwen het hof maken"--assautz
e tornei--donar e domnei--al die dingen horen even goed bij het
ridderleven. En door didaktiese poëzie direkt (»ensenhament") zowel
als indirekt door alles wat zij verheerliken of veroordelen, maken de
troubadours zich tot de vertolkers van hofkultuur en »hoofsheid". Het
zijn niet alleen uiterlikheden als nette manieren, waar het op aankomt,
maar die kleinigheden bij de dagelikse omgang die wellevendheid heten
en beminnelikheid. De zachte blik, gracieuse manieren, de vriendelike
groet, een kwik antwoord of een geestigheid, dat zijn de dingen die de
troubadours bezingen bij hun seigneur of hun meesteres. En zij houden
hun hoorders vóór, dat vriendelike woorden en een beleefd antwoord geen
geld kosten en ze vrienden doet maken en dat die gift het beste is,
welke gegeven wordt zonder dat men er om vraagt, dat een beleefde leugen
honderd maal meer waard is dan een grove waarheid en dat men, evenals de
schilders, een fraai kleurtje mag zetten op wat men vertelt, zonder zich
al te veel van de waarheid te verwijderen.

       *       *       *       *       *

Maar de hoogste potentie van die hoofsheid en gezelligheid en het
lyries-sentimentele dwepen is voor de troubadours de Min. »Moge ik
Gode nooit zo ongevallig worden," zingt Bernart de Ventadour, »dat hij
mij laat leven, een last voor allen, wanneer ik niet langer lief zal
hebben." Midden in de nacht wordt hij wakker, overweldigd door zijn
vreugde, geheel in dweepzieke overpeinzingen verzonken, maar moet op
eenmaal beginnen te dichten, ofschoon hij niet weet over wat en wien.
Het is hem alsof zijn hart van verlangen smelten zal, zijn ogen worden
nat, en nog nat van tranen schrijft hij honderden groeten de wereld in
aan de schoonste en de liefelikste. In zulk een jeugdig liefde-verlangen
verkeren de troubadours. »Vrouwenjagers" noemen de mannen van de kerk
hen. Toen de goede Koning Karel de Grote--zo heet het--over alles
heerste, toen deelde hij Provence, dat vol is van wijn, bos en vlietend
water, aan speellieden en minstreels uit, die zulk een los leven
leidden.

Dan eens hebben zij onderweg een avontuurtje met een herderinnetje en
dat wordt dan tot een pastorale, dan weer met een burgervrouw, bij wie
zij al hun galanterie ten toon spreiden, maar die--zo als er een in een
humoristies gedicht vertelt--daar niets van weten wil; maar heel sterk
ontvlamt het gemoed der troubadours door de schoonheden die zij aan de
hoven ontmoeten. »Menig oog heb ik gekust en menig oor," zingt er een
tot een dame, »alleen omdat zij uw oog en oor geleken." En wanneer een
ander door zijn aangebedene afgewezen is, zingt hij dat hij zich nu
natuurlik een andere vriendin aan moet schaffen, maar opdat zij niet
bij zijn eerste achter mag staan, moet hij bij haar de verschillende
eigenschappen terug vinden die hij bij zijn bekenden getroffen heeft en
zo vindt de zanger de gelegenheid om aan al die dames een komplimentje
te maken: haar frisse kleur en de zachte blik moet zij van u hebben, o
schone Sembeline en het is een heel ding dat ik van u niet alles neem,
want aan geen enkele goede gave hebt gij gebrek; Vrouwe Elise vraag ik
om haar vrolike opgewekte manier van spreken, dan wordt zo waar mijn
schone nòch dom nòch stom, de Burggravin van Montausier geve mij haar
hals en handen; naar Rochechouart rijd ik om het haar van Vrouwe Agnes,
zelfs Isolde had niet zulk prachtig haar; Vrouwe Audiartz zal haar
schone figuur en middeltje af moeten staan, enz. enz.

Met een levend schoonheidsgevoel en verfijnde zinnen ontwikkelen de
troubadours nu dit schoonheidsideaal van de vrouw dat de gehele volgende
Ridderromantiek eigelik niet anders doet dan variëren of uitwerken.
Zekere trekken kunnen aan Ovidius ontleend zijn of aan andere antieke
kunst, andere aan de Byzantijnse Madonnabeelden, andere duiken misschien
reeds bij de oudere Latijnse dichters der middeleeuwen op, maar veel
is toch van de troubadours zelf. Het lichtgouden, gekrulde of golvende
haar, de fijne, liefst donkere, van elkaar afgescheiden wenkbrauwen,
de kleine mond met kristallen of ivoren tandjes, regelmatig en vlak
op elkaar,--dat zijn de gewone trekken reeds in de Latijnse gedichten
van de 11de eeuw. Maar de troubadours leggen meer de nadruk op de ogen
en de blik, op de glimlach en het teint--de schilderachtig-gracieuse
en erotiese zieleschoonheid. De kleine, smalle ogen worden meer naar
de uitdrukking dan naar de kleur beoordeeld; die moeten stralen als
sterren, ze moeten lachend zijn, zacht, vol liefde en lust,--een Latijns
dichter van de 12de eeuw spreekt van de ogen als: ridentes, blandientes,
innuentes, laquentes, offerentes, expetentes, attrahentes, capientes. De
mond heeft »zwellende" lippen die kussen uitlokken (küssenlîch, noemt
Wolfram het), die glimlacht zoet, lacht liefelik--mollia spondens risus
noemt 't reeds een geestelike dichter van ongeveer 1100. Maar vooral
prijst men de kleur der huid,--de stralende glans er van: clara
clartatz, wit als het wit van de hagedoorn of het ivoor, of gelijk
een wilde roos, wanneer het wit zwak met rood gemengd is. Heel wat
barbaarser heet het in de Noord-Franse romans dat het voorhoofd als in
hout of steen of ivoor gevormd is, en dat het rood of het wit van de
huid afsteekt gelijk vermilioen op het zilver van een wapenschild.

Dan komt de beurt aan de slanke, witte hals,--de huid is zo
teder--beweert een Duits dichter--dat, als zij drinkt, men de wijn
blozend door haar keelgat kan zien stromen. De kleine stevige borstjes
zijn als twee noten,--zo klein dat men ze met de hand gemakkelik
omvatten kan, of als kegels gedraaid. De schouders zijn recht en
buigzaam als het riet. De lange armen, de mooie blanke handen met de
fijne gladde vingers, de nagels als een spiegel zo schitterend. Het
middeltje dun, de buik rond, iets of wat vooruitstaand, de heupen breed.
In Wolfram's gemaniëreerde taal is Antikonie zo slank als een haas, die
op het spit uitgestrekt is; haar mierentaille (wij spreken nog van een
wespentaille) wekt de begeerte der mannen op. Gewoonlik wordt echter
meer in het algemeen de figuur geprezen als »ben estans" (Duits: wol
getan) of »covinens" d. w. z. welgeproportioneerd. Zeer bizonder houdt
men van wat slank en fijngebouwd is; »graile" (gracil) en »delgat"
(delicat) zijn veel voorkomende termen. De kleeren moeten goed zitten,
maar, zo schrijft een troubadour aan zijn dame, uw figuur is zo wel
gevormd dat zelfs het slechtste snit nog goed aan u zou staan en al de
kleermakers uit Katalonje, van Parijs en Keulen zouden er niets aan te
verbeteren hebben. Maar ook verder vertellen de troubadours nog veel er
over, hoe levendig, vrolik, lenig, gracieus en behagelik het lichaam van
de aangebedene is; daar hebben ze een massa woorden voor: gais, cortes,
avinens, plasens, coinde, isneus, die de zinnelike liefde schilderen en
die men bij de Duitse minnezangers veel minder sterk aantreft. »Haar
ledematen zijn zo zacht", heet het, »als verder alleen konijnen zijn".
Het lichaam is zo blank, fris, zacht, glad, als ametyst; het is
»amoros"--»minneclich"--»plaisant"--en vraagt omhelsd te worden. Ook
haar naar honig riekende adem en de zoete melklucht van de huid worden
later veel geroemd.--In poëtiese wendingen wordt de algemene indruk van
haar optreden aangegeven. Schoner dan de Maartse zon, of regen in April,
en de schaduw in de zomer,--zingt een Provençaals dichter. Als een
waslicht is zij tussen vetkaarsen,--heet het in 't Noord-Frans, de glans
van haar schoonheid verlichtte het gehele slot met haar klaarte; haar te
zien is als te luisteren naar muziek.--In haar tegenwoordigheid--zegt
een Duits dichter--vergeet men alles wat het gemoed bezwaart.

Nog meer dan het uiterlik van de vrouw is haar innerlik wezen en haar
aantrekkelikheid die door de troubadours verheerlikt wordt. Haar
geestige antwoorden en haar schone zang; zij kent de kunst van spreken
en zich aangenaam voor te doen--van »plazers far e dir";--zij is
aangenaam gezelschap--»d'avinen companha", zij is beminnelik in haar
optreden--amorosa en totz son semblans; zelfs bij de besten wekt zij een
duizendvoudig behagen. Een hele rij leerdichten wijden de troubadours
ook aan de maatschappelike opvoeding der vrouw. Een voorname dame had
de adellike Garin le Brun verzocht zulk een leerdicht voor haar te
schrijven en zo ontwikkelt de troubadour dan ook in zijn verzen,
alle regels voor de echte vrouw van de wereld: Hoe zij altijd schoon
linnengoed aan moet hebben, kleine schoenen aan moet trekken, opdat haar
voet zelf klein zal schijnen, en hoe zij met kleine stapjes de kerk in
moet treden. Hoe zij bij haar thuis ontvangen moet: de verschillende
mensen wel is waar naar hun rang en stand behandelen, maar toch tegen
een ieder beleefd zijn--hoe zij een gesprek netjes moet kunnen afbreken,
als het haar niet bevalt, maar zonder boos te antwoorden--zich aan de
omgeving aan te kunnen passen, maar niet al te intiem met vreemden
worden. Verder, hoe zij in haar kleeren en manieren die zekere drang om
te behagen ten toon mag spreiden die het wezen der koketterie uitmaakt:
de rokken netjes opnemen, zodat men het voetje te voorschijn ziet komen,
de schouders gracieus, bij het gaan, bewegen, het kleed nauw laten
sluiten, zodat dit het lichaam niet als in een zak verbergt, maar dat de
lijnen te zien zijn, en als zij een fraaie hals heeft, een uitgesneden
kleed moet dragen. Heel naief zijn hieronder die aanwijzingen waar de
voorname dame zich aan houden moet, ook overgenomen uit de »Ars Amandi"
van de »Klerk" Ovidius en die geschreven waren om de geblaseerde viveurs
van Rome weer wat appetit in de dames van de demi-monde te geven.

En rondom deze dames fladderen nu de troubadours met hun erotiese
verlangens. Zij kregen rijkelik hun deel in het losse en niet altijd
binnen de perken blijvende minne-leven van de Zuid-Franse hoven, waar de
oude biografen der troubadours van weten te vertellen en hun Canzonen
van zingen, in allerlei soorten en toon der liefde, van de grove
gevoelens der jonkers tot een vluchtige koketterie of schuchtere
dweperij van een knaap.

Bernart de Ventadour--uit de stand der horigen, opgevoed tot troubadour
bij de genadige burchtheer--is de zanger van de bescheiden page-liefde.
Hij bezong en prees de gemalin van zijn weldoener, werd door haar
voornaamheid verblind, en, zo als het bij zijn leeftijd paste op
haar glimlach verliefd, maar schijnt toch ook de gunst van zijn
»schoon-te-schouwen" verworven te hebben (onder dat pseudonym
verheerlikte hij haar), in elk geval genoeg om het de burggraaf
bedenkelik te doen voorkomen, zodat de zanger vertrekken moest...
waarna hij de andere hoven afreisde en andere voorname schoonheden
aanbad--vooral Koningin Eleonora, aan wier hof in Normandië hij zich
een tijd lang ophield,--maar nu en dan zond hij uit de verte liederen
naar zijn »Bel Vezer"... totdat hij op zijn oude dag, zo als zo veel van
zijn kunstbroeders, troost zocht in een klooster.

Hij weet wel--zingt hij--dat zijn aangebedene Heerseres hem genadig is.
Had zij hem niet onlangs nog, toen hij een tijdje op reis ging, gezegd
dat zijn zang haar behaagde? Als hij er nu aan denkt, dan schijnt de
zoete lucht die hem uit de plaats waar zij woont, tegemoet waait, als
een vleugje uit het Paradijs;--moge elke ziel in de Kristenheid zulk een
grote vreugde voelen als die nu mijn is!--Als hij haar nu toch maar eens
alleen kon treffen, terwijl zij sliep,--of deed alsof zij sliep--dan
zou hij pas goed van haar schoonheid kunnen genieten--haar »bel cors ab
fresca color" bewonderen en die kus van haar mond stelen, waar hij niet
om durft vragen, dan zou hij die mond kussen zo dat men de sporen nog
lang zou kunnen zien.

Maar nu--jubelt hij--nu heeft zij mij een kus geschonken, mij met
haar mond gewond, zo dat slechts nòg een kus mij kan genezen,
evenals--volgens Ovidius--hij die door de lans van Peleus gewond is,
slechts door nog een steek er van genezen kan worden. En zo vol is zijn
hart van jubel dat hij bijna bezwijmt--midden in de natte wintersneeuw
ziet hij bloemen en groene weiden, in zijn groot gevoel van liefdegeluk
zou hij midden in de winterwind in zijn hemd kunnen lopen.

Maar--bescheiden en diskreet moet hij zijn, dat weet hij. Als hij alle
mensen die hen beiden gadeslaan maar betoveren kon... ze tot kinderen
maken, zo dat hij zonder hun ogen te vrezen, zo vertrouwelik met zijn
aangebedene om kon gaan als hij maar wenste. Of als zij een geheime taal
uitvonden die de anderen niet verstonden? In elk geval kan zij verzekerd
zijn dat hij niet kinderachtig-pochend het zalige geheim er uit zal
flappen, maar de kunst verstaat om te liegen en zich anders voor te doen
dan hij is. En hij zal zich ook met weinig tevreden stellen. Wat zou hij
niet gaarne 's nachts als een zwaluw haar kamer binnen zweven! hoe graag
zou hij er niet bij zijn wanneer zij zich uitkleedt! demoedig knielende
haar schoen uittrekken, indien zij zich verwaardigen zou haar voetje uit
te steken.--Zelfs haar gunst met anderen te deelen, moet hij zich laten
aanleunen. Hij weet nu eenmaal dat zij anderen liefheeft, soms twijfelt
hij wel eens in hoever hij moet doen alsof hij niets merkt, of dat hij
haar dienst moet verlaten. Maar het is toch beter met de helft van haar
liefde genoegen te nemen, dan niets te krijgen. Als zij toch maar niet
zo wispelturig was. Gelijk de tak zich naar de wind buigt, zo is hij
bereid al haar bevelen te gehoorzamen. Maar hij voelt dat haar schone
ogen en vriendelike blik hem toch voor den gek houden. Gelijk een schip
op de golven, wordt hij tussen hoop en vrees geslingerd. Soms tracht
hij zich dan ook opeens uit die onbeloonde liefde los te scheuren. De
bladeren die in de herfst van de bomen vallen, doen hem op zulk een
ogenblik behagelik aan, het komt zo geheel met zijn stemming overeen.
Zij die vroeger zo vriendelik tegen hem was, laat hem nu niet meer
roepen, »het harte barst van smart,--er blijft niets anders over dan te
sterven." Geheel mijn hart, geheel mijn eigen zelf bezat zij. Nu moet ik
verwelken, gelijk Narcissus van Ovidius bij de bron, ik wil niets meer
met vrouwen te doen hebben, ze nooit meer vertrouwen, ik zal wegtrekken
in den vreemde, ik weet zelf niet waarheen.

Hield de burchtvrouwe van Ventadour haar zanger aan het lijntje door
hem zo nu en dan eens een kus te geven--meer zal het wel niet geweest
zijn--de toewijding van Peire Rogier voor de hoog ontwikkelde Burggravin
Ermengarde van Narbonne was met nog minder tevreden. Een jonge knappe
kanunnik was hij, maar hij was troubadour geworden en had zich lang
aan het hof van Ermengarde opgehouden. Hij vertelde dat hij volkomen
tevreden is met haar grappen en haar glimlach, meer komt hem niet toe,
nooit heeft hij ook »facta" van zijn meesteres gevraagd, maar alleen
haar te aanschouwen, maakt hem rijk en gelukkig. »Zo zal ik beminnen wat
ik niet bezit, en ik heb er zo veel eer en plezier van, alsof dat waar
was, wat het in werkelikheid niet is." En heel vriendelik en onderdanig
leert hij de mensen (naar de Ars Amandi van Ovidius) dat zij nooit aan
kwaadsprekerij moeten geloven, en zelfs wanneer zij met hun eigen ogen
hun geliefde een fout zien begaan, moeten zij zonder aarzelen niet hun
ogen, maar wel haar woord geloven. Een even ootmoedige maar gloeiender
onderdanigheid ligt er in de liefde van de burgerlike troubadour Peire
Raimon voor een onvermurwbare adellike dame te Toulouse. »Op mijn knieën
zal ik tot haar gaan," zingt hij, »en wenend haar genade vragen; als zij
mij slechts de eer wou aandoen mij knielend haar welgevormde, gracieuse
gestalte te laten beschouwen." Maar dikwels slaat de demoedige
platoniese hulde van de arme zanger, waar de gelegenheid zich biedt,
in de hartstochtelikste wensen over. De arme klerk Arnaut de Maruelh
verklaart wel is waar in zijn liederen dat de vrolike beminnelikheid
van de gravin en »de liefelike woorden waarmede zij mijn harte vult"
hem genoeg zijn en dat hij zich tevreden stelt met haar in zijn dromen
te kussen en te omhelzen, een liefdegenot dat geen echtgenoot hem kan
weigeren, maar nu en dan waagt hij het toch zuchtend te wensen dat zij
hem een kus moge schenken en »andere beloningen late volgen" en spreekt
stoutmoedig de hoop uit dat hij haar eens 's nachts in zijn armen zal
mogen sluiten en haar ogen en mond kussen, »zodat honderd kussen er
voor ons tot één worden." En andere troubadours wensen haar, in de
duidelijkste woorden, »zonder hemd" te omhelzen, beiden onder één deken.

Een heel wat vrijer karakter en meer jonkerachtig, heeft de liefdelyriek
bij een vorstelik amateur-troubadour als graaf Guillaume de Poitou,
hertog van Aquitanië. Elegant en vrolik, beroemd wegens zijn
liefdesavonturen en zijn kunst om de mensen te onderhouden, maar ook
wegens een zeer lichtzinnige kruistocht, die een heel treurige afloop
had,--wat hij later in vrolike liedjes op alle kastelen ging bezingen.
Beminnelik geeft hij op van wat hij kan,--hij weet wat dapperheid is,
eer, poëzie, weet het onderscheid tussen dwaasheid en verstand, en
wanneer men in een gezelschap hem in een liefdetwist vraagt als
scheidsrechter op te treden, dan weet hij altijd het juiste oordeel
te vellen; zelf verstaat hij de kunst om met de vrouwen allerlei soort
spelletjes te doen,--wat hij dan in grove dubbelzinnigheden uitwerkt,
terwijl hij God, St. Julianus en zijn opvoeders voor alle goede gaven
dankt die hij gekregen heeft.--In een ander gedicht, bijna een kleine
novelle van Boccacio, vertelt hij van een even amusant als onfatsoenlik
avontuurtje dat hij met twee burgervrouwtjes gehad heeft die hij in de
bergen van Auvergne ontmoette.--Met een echte huzarenhumor vraagt hij
een vriend hem raad te willen geven: hij bezit twee edele paarden, als
hij die nu maar flink kon dresseren, zou niemand beter bereden zijn
dan hij; maar hij kan ze niet aan elkander wennen, en nu moet hij
kiezen,--natuurlijk meent hij vrouwen. En nu vertelt hij van hun beider
eigenschappen, en vraagt of hij Agnes of Arsène moet houden. Nu zijn
dergelijke gedichten niet zeer troubadour-achtig. Maar in andere komt de
verliefdheid van de ziel meer op de voorgrond, in overeenstemming met
de lente en het jong genot, met het schoonheidsgevoel en sympatieke
liefdegevoelens: In de zoete dagen van de lente, wanneer de bomen
groenen en de vogelen zingen, toen ging het met onze liefde als met de
knoppen van de hagedoorn, die in de regenachtige koude nacht nog dicht
waren, maar door de zonnestralen openspringen,--evenals in Heine's »Im
wunderschönen Monat Mai..." Nog herinner ik mij de morgenstond toen wij
een eind maakten aan de twist, en zij mij haar liefde schonk en haar
ring; God late mij zo lang leven dat ik mijn handen onder haar kleed
moge steken... Ik zal een nieuw lied zingen vóór de wind komt en de
regen en de koude. Mijn dame wil mij op de proef stellen, maar hoe meer
zij mij tegenwerkt, des te meer krijgt zij mij in haar macht; Gij moet
niet denken dat ik dronken ben of gek, maar ik kan zonder mijn lieve
dame niet leven. Bij St. Joris! Ik moet sterven als zij mij niet in haar
kamer of onder de groene takken kussen wil. Maar welk genot, schone
dame, kan het ook voor u zijn mij uw liefde te onthouden? Waarom wilt
gij u tot non maken? Wat zou het u baten als ik in het klooster ging?
De vreugde der gehele wereld is de onze, indien wij elkaar slechts
liefhebben... Indien zijn dame hem nu maar haar liefde wil schenken,
belooft hij dat hij diskreet zo wel als galant zal zijn, zeggen en doen
wat zij gebiedt, haar in hoge eer houden, haar wijd en zijd prijzen; en
dat wil hij wel zeggen dat hij, die liefheeft zich voor menigeen moet
weten te buigen, menige goede daad moet verrichten en op moet passen dat
hij aan het hof niet »onhoofs" en als een boer spreekt.

Werkt hier nu een frisse natuurlike verliefdheid opvoedend op een ruwe
jonker-natuur, omgekeerd breekt soms bij een ander vorstelik zanger
als graaf Rambaut van Oranje brutaal de hartstocht van de man door
de uiterlike »hoofse" galanterie heen, waar hij dageliks mede speelt.
Cynies vertelt die hoe men de vrouwen behandelen moet om zijn wil met
hen te krijgen, pochen en vleien, zelfs als het nodig is dreigen, en ze
met de vuist in het gezicht slaan; ofschoon hij beweert zelf dom genoeg
te zijn om altijd netjes en ridderlik tegen ze op te treden. Of Raimon
van Miraval, de altijd verliefde en altijd ongelukkige edelman, die de
wereld rondtrok en Loba van Pénautier bezong of Azalais van Lombres of
»de Schone Albigenserin" te Castres. Midden in zijn holle, hoffelike
frases komt opeens een stukje natuur doorbreken, wanneer hij brutaal een
vrouw die hem afgewezen heeft, met beschuldigingen overstroomt dat zij
zich voor geld gegeven heeft: »Ga uit, mijn lied, en zeg: hier is een
vrouw te koop." Elders vertelt hij waarom hij zich nu in de openbare
trouweloosheid van zijn dame schikt; hij rechtvaardigt zich door te
zeggen dat hij zich zelf ook vrijheden gepermitteerd heeft--en is zo
iets niet beter dan in boosheid van elkaar te gaan?--Zijn eigen vrouw,
die hij openlik veronachtzaamd heeft, wil hij echter zulk een »leer om
leer" niet toestaan. Zij deed ook aan de dichtkunst en hield er een
minnaar op na, maar dat vond manlief niet goed,--tot dat zijn kollega's
hem door hun hekeldichten dwongen zich op dat punt wat liberaal te
tonen.

Maar de vrolikste en grappigste van alle troubadours was Peire
Vidal--een bontwerkerszoon uit Toulouse, die half als hofdichter, half
als hofnar, van de ene plaats naar de andere toog, hongerende, zo als
hij 't zelf uitdrukt, naar strijd en toernooi gelijk een monnik naar
brood, maar vooral verlangende naar avontuurtjes met vrouwen. Met zijn
schone stem en zijn vindingrijke geest, heeft hij blijkbaar menige
conquête gemaakt en zijn gepoch is dan ook fantasties naief: »Dageliks
bereiken mij duizende groeten uit Katalonje en Lombardije en het scheelt
niet veel of de Koning sterft van afgunst over mijn geluk bij de
vrouwen. Honderden vrouwen ken ik, die mij graag zouden willen hebben,
als zij maar konden; ik poch niet, maar de vrouwen kus ik en de ridders
sla ik tegen de grond. Stoutmoedig ben ik als Roland, galant als
Montdidier; ik weet wat alles bij de kunst der liefde hoort en er leeft
geen man die beminneliker is in het vrouwenvertrek dan ik, wreder dan ik
onder het wapengekletter. Dikwels komen er boodschappen en groeten--met
witte linten, met gouden ringen en alle echtgenoten vrezen mij meer dan
vuur of ijzer."--In de regel zullen de vrouwen die dwaze druktemaker
wel voor den gek gehouden hebben. Dikwels klaagt hij er over dat zij
alleen maar met hem koketteren of hij stelt zich jubelend tevreden
met de gedachte dat hij een kus gestolen heeft, of dat de gravin met
toestemming van haar gemaal er hem een geschonken heeft. Eens liet een
gravin hem wegjagen omdat hij wat al te intiem wou worden, op een andere
plaats werd zijn tong doorboord omdat hij zich ten onrechte op de gunst
van een hooge dame had laten voorslaan. Naief, maar ook uiterst barok
was de vorm van zijn liefde-hulde. Zijn dame, zegt hij, was hem meer
waard dan honderd kamelen met goud beladen, zo wel als het hele rijk
van de Keizer te Byzantium. Ter ere van een dame te Carcassonne--die hij
onder de vrij compromiterende naam van wolvin, lupa, verheerlikte--moet
hij zich in een wolfshuid gekleed hebben en het bos zijn gaan bewonen;
de jagers hielden klopjacht op hem en brachten hem gewond naar het huis
van zijn aangebedene, waar men de nar uitlachte. Ten slotte trok Peire
Vidal op een kruistocht mede naar het Oosten en trouwde op Cyprus met
een Griekse van wie men hem wijs gemaakt had dat zij een nicht van de
Griekse Keizer was--naar aanleiding waarvan hij zich in keizerlike
pracht kleedde en aanspraak maakte op de kroon.--



VIII.

MINNEKUNST.


De minnelyriek was die kant van de troubadourspoëzie die de grootste
betekenis zou krijgen voor de ontwikkeling der ridder-romantiek en die
in andere talen het meest nagevolgd zou worden. En door hun leven, zowel
als door hun werken, traden de troubadours als leraars in een kunst der
Minne op, gelijk apostels voor een aparte religie. In de eigelike
typiese liefde der troubadours zijn verschillende elementen in een
merkwaardige mengeling bij elkaar te vinden.

In de eerste plaats was die grotendeels te beschouwen als een soort
hofdienst, en hun minneliederen een onderafdeling van de lofzangen die
het hun plicht en hun vak was te leveren. Evenals de hofdichter van alle
tijden had de troubadour in de eerste plaats er voor te zorgen dat de
feestzaal van de lof van de heer des huizes weergalmde en dat zijn roem
op de vleugelen van het gezang verbreid werd. En aan de Sirventes die
hij ter ere van de graaf dichtte, beantwoordden de Canzonen tot lof van
de gravin. Om haar roem bekend te maken--»son los enavantir"--is het dat
hij zingt, zoals hij dikwels ronduit verklaart; of wel zegt hij heel
naief dat »wanneer ik haar in mijn liederen prijs, doe ik dat niet uit
liefde, maar wegens de eer en de verdiensten die ik daardoor hopen
mag, gelijk de dichter dat nu eenmaal van een edele dame verwacht." De
»beloning" waar hij zijn dame om vraagt is heel dikwels volstrekt dat
niet wat wij nu zouden denken, maar een zeer tastbare beloning in de
vorm van paarden, wapenen, kleren, of een leen, of een plaats aan het
hof. En offisieel hield om zo te zeggen de dame er een troubadour op na,
opdat hij haar roem zou kunnen uitbazuinen. »Ik heb behoefte om bemind
te worden om daardoor lof en prijs te krijgen," zegt zij volgens de
biografie der troubadours tot een dichter, »en ik weet dat gij mij het
een zowel als het ander kunt verschaffen en ik ben iemand die de kunst
verstaat om te belonen." De »beloning" heeft echter zeker ook meer dan
eens een persoonlik karakter gedragen. Wij hebben voorbeelden van
gevallen dat een dame een troubadour overhaalt om haar zijn hulde te
bewijzen inplaats van aan een andere dame, door hem juist die »beloning"
te beloven welke de ander hem niet heeft willen gunnen. Van Raimon de
Miraval heet het dat »alle dames om strijd trachtten hem voor zich te
winnen, niemand verstond als hij de kunst hun roem te verschaffen;
niemand kon gezegd worden »in de mode" te zijn die de Miraval niet als
vriend had." Zo kwam de troubadour er niet zelden toe een rol te spelen
die men nu al licht met een zeer weinig vleiende naam bestempelen
zou. Dezelfde Raimon nodigt in zijn gedichten ter ere van Azalais van
Boissazon, gewoon de koning van Aragon en de graaf van Toulouse uit om
haar schoonheid te komen bewonderen; de eerste kwam op haar kasteel aan
en in de loop van vier en twintig uur, »kwam hij, zag en overwon".

Zelfs zonder zulk een hofdichterschap brengt de vazal heel natuurlik
zijn hulde, zijn gevoelens van toewijding en onderdanigheid van de
leenheer op diens gemalin over,--waar n.l. de vrouw zelf niet het leen
bezit. En het feodale erfrecht heeft juist ingevoerd dat de weduwen
en dochters van de baronnen hem op kunnen volgen; vele der Dames die
de troubadours bezongen, waren in dat geval: Eleanora bracht heel
Zuid-Frankrijk mee ten huwelik en Ermengarde regeerde drie jaar lang
over het graafschap Narbonne. Ten tijde der kruistochten bestuurden
de vrouwen in elk geval dikwels een leen gedurende de jarenlange
afwezigheid der mannen. Menig lied der troubadours tot lof der hoge
dames is minder te beschouwen als een minnelied dan wel als de hulde van
een onderdaan aan zijn meesteres, feitelik een soort vazallenhulde die
zich ook geheel en al in de formules van het leenstelsel beweegt. De
dame is de »domna"--domina,--gelijk de leenheer de dominus is, en de
hulde van de troubadour heet »domnei", »vrouwendienst". De ridder
knielt--als voor de leenheer--en zweert zijn dame trouw, hij wil haar
»man", d. w. z. vazal (homme lige) zijn en legt met samengevouwen handen
zijn huldigingseed af en zij schenkt hem een kus, juist wat de leenheer
doet, en misschien ook wel een ring, wat er ook dikwels bijhoort,
wanneer men een vazal met een leen bekleedt. Van nu af »dient" hij haar
en heet haar »vriend" (amico) als een tot het huishouden horende vazal,
(in het oude Rome: de klient) daartoe heette te horen; _cliënt_ is later
ook het Latijnse woord voor vazal. Daarentegen belooft zij zich als de
leenheer voor zijn trouw en gehoorzaamheid, »genadig" voor hem te tonen
en hem zijn »beloning" niet te onthouden en hij »klaagt haar aan"
wanneer hem onrecht geschiedt of zegt haar zijn dienst op gelijk een
vazal dat doet. Nog bij Wolfram von Eschenbach noemt de ridder zijn dame
»de Burchtheer van zijn hart" (Vogt) en in de Roman de la Rose wordt die
leenshuldiging in alle bizonderheden uitgewerkt. Troubadours van lagere
afkomst kwamen niet als vrije vazal tegenover de meesteres te staan,
maar bleven ook hier in een ondergeschikte positie.

En de keus voor de vrouw des huizes van het troubadourshart was niet
moeilik. Een kasteel was een soort garnizoen; de jonge lieden waren
er in de grote meerderheid en van vrije vrouwen waren er dikwels niet
veel anderen dan zij zelf,--vooral sedert men, gelijk wij zien zullen,
begonnen was de jonge meisjes van het gezelschap der mannen af te
zonderen--en zo liep zij daar rond als de vrouw van de commandant onder
alle de dienstdoende luitenants van haar gemaal, omgonsd door de hulde
en de verlangens van gans een jong geslacht. En het huwelik was toen
minder dan ooit identies met liefde. Door de familieraad van twee
adellike geslachten op touw gezet, was het eigelik niet veel meer dan
een zaakje of een politieke manoeuver: goederen die bij elkaar gebracht
moesten worden of de macht van een geslacht die versterkt moest worden
door zulk een alliance; er werd over de hand van een vrouw beschikt door
haar vader of door haar broeder, zonder dat iemand er aan dacht naar
haar wensen te vragen. Het normale motief van de man tot het huwelik was
voor zijn bezittingen een erfgenaam te krijgen opdat die niet verspreid
zouden worden. Een staande uitdrukking in de ridderroman is dan ook
deze: »en daar zijn eigendom zo groot was, nam hij een vrouw om bij haar
een erfgenaam te verwekken". De Kerk zelf erkende vier gronden om te
trouwen: »om kinderen te verwekken, om ontucht te voorkomen, om elkaar
met raad en daad te steunen en ten slotte om een verzoening te weeg te
brengen, als wanneer de groten op aarde dikwels hun dochters aan hun
ergste vijanden uithuweliken om vrede met hen te sluiten. Maar--heet het
dan verder--er zijn er die een huwelik sluiten wegens geen een van die
redenen, maar alleen om hun wellust bot te vieren, als wanneer een man
een meisje opmerkt, dat hij begeert, en hij ziet dat hij haar niet zal
kunnen bezitten zonder haar te huwen. Maar zij die alleen de lusten des
vleezes willen voldoen, begaan doodszonde en gaan naar de hel." Een
huwelik te sluiten uit liefde is een misbruik van het Sakrament, en het
is dan ook helemaal niet zoals het hoort wanneer de echtgenoten elkaar
al te zeer beminnen; dat is een beschouwing die men steeds weer tegen
komt, dat, wanneer man en vrouw meer van elkaar verlangen dan wat er
nodig is om de huweliksplicht te vervullen en kinderen te telen, dit tot
zonde leidt, zelfs een groter zonde dan liefde buiten het huwelik omdat
het een misbruik van het Sakrament is.--Onder die omstandigheden sprak
het als van zelf dat de burchtvrouwe de liefde niet zo maar terugwees
die haar overal aan het hof van ridder en troubadour tegemoet stroomde,
maar dat, al beantwoordde zij die niet geheel, zij er toch behagen in
schepte, door die warme liefdegolven en de wierook uit zijn liederen
omringd te zijn. Ook haar gemaal zal wel meer dan eens geglimlacht
hebben bij de ongevaarlike, schuchtere verliefdheidjes van de
ondergeschikten en hij zal het dus wel hebben laten gaan dat zij die
gevoelens met een kus of andere kleine gunstbewijzen aanwakkerde,--over
het algemeen was een kus of een aanhaling iets dat in 't geheel niet
meetelde als men zich maar onthield van meer positieve echtbreuk. En
bovendien, als de baron zich per slot van rekening van zijn kant niet
ontzag, zekere vrijheden te nemen, dan kon hij zich niet te recht
beklagen, wanneer zij het ook niet bij de kleine gunstbewijzen liet
blijven.

En nu zou de ervaring uitwijzen--dat was de groote ontdekking der
troubadours--dat de »aanbidding" door de jonge ridders van de
burchtvrouwe of een voorname getrouwde vrouw, welke op die wijze
niet alleen een soort gepaste hofdienst, vazallendienst was, maar ook
een meer of minder wederkerige dweperij,--dat die »damesdienst" een
allerbelangrijkste invloed had op de zeden en manieren der ridders,
ja op geheel hun opvoeding. De Zuid-Franse hoven zouden nu de gehele
opvoedende kracht van de vrouw leren kennen. Haar fijne constitutie,
haar fijne takt, haar sterke behaagzucht maakten haar maatschappelik
verreweg de meerdere van de ruwe man. In de regel was zij ook
ontwikkelder dan de man en kon zij lezen en schrijven, spelen, zingen
en dichten. En als zulke opvoedsters werkten--elk in hun kring--al de
voorname dames die het Zuid-Franse leven dier kringen beheersten; de
burchtgravin Ermengarde van Narbonne of Adelasia van Marseille of »la
comtessa fina de Provensa"; van hen kon men zeggen, zo als het ergens
heet van de Koningin van Koning Arthur: »Gelijk de leermeester het kind
onderwijst, zo leert de Koningin alle mensen en voedt ze op... Er is
niemand aan het hof die niet iets van mijn Vrouwe geleerd heeft." De
jongen leren zich te wassen en andere kleêren aan te doen wanneer zij
binnen moeten komen, onhoofse boeren-manieren af te leggen, de dames
beleefdheid te tonen, en zich gemakkeliker en gracieuser bij de
conversatie te bewegen dan het hun vroeger mogelik was. Om strijd
trachtten zij zich bij de toernooien en op de jacht op de voorgrond te
stellen, goed voor te snijden en fraai te dansen. Alles ter wille van
de dames,--gelijk een sproke het uitvoerig vertelt,--maar met een ander
vrij wat natuurliker woord in plaats van »dames". De troubadours maken
zich de verkondigers van het evangelium der civiliserende macht van
de vrouw. Het refrein van hun minneliederen is: »De dames vermogen de
onbeschaafde boeren tot fatsoenlike mensen te maken; menigeen is nu
netjes en hoofs die zonder hen tegenover een ieder lomp en ongemanierd
zou zijn geweest. Ik zelf ben door de invloed ener vrouw beleefder
en bescheidener tegen de goeden geworden, en trotser tegenover de
slechten." En de mannen krijgen te horen hoe zij de vrouwen hun eerbied
kunnen bewijzen: zij moeten niet te paard zitten en de dames te voet
laten gaan, zij moeten ze niet met slijk bespatten; bij de maaltijd
moeten ze de lange mouwen der dames ophouden, terwijl zij zich wassen;
en het is 't beste om in het gezelschap van dames onder de mantel altijd
een broek aan te hebben om door een plotselinge beweging geen aanstoot
te wekken. Naieve maar noodzakelike beginselen der kunst om dames te
behagen.

Maar in elk geval moet elke jonge ridder zich een bepaalde dame
kiezen om te »dienen"--haar kleine diensten te bewijzen, galant kleine
geschenken te geven, een, voor wie hij bij de toernooien vecht, op wie
hij verliefd moet zijn en die hij in zijn lied moet prijzen. »Hij had
een dame nodig om te dienen en trachtte er een te vinden", staat er dan
ook in de biografieën der troubadours, en in een Provençaalse roman
lezen wij hoe een jongeling nog niemand bemind heeft, maar hij leest
en weet dus dat nu de tijd voor hem gekomen is waarop het nodig is dat
hij verliefd wordt; daar hij nu zo veel van de Vrouwe van Bourbon heeft
horen spreken, kiest hij haar en gaat op reis om kennis met haar te
maken. Is dan de dame niet meer vrij, maar reeds te voren van een
dienende ridder voorzien, dan wendt zij zich tot een vriendin en vraagt
of die de haar zelf aangeboden diensten over wil nemen en dat wordt
dan--altans in een der biografiën van de troubadours--vrij gemakkelik
onder elkaar gearrangeerd;--de troubadour biedt de andere dame, die nog
vrij is, zijn diensten en zijn liefde aan.--

Maar... getrouwd met een ander moet de dame zijn, indien de verhouding
aan haar doel zal beantwoorden. Zijn eigen vrouw daarvoor te kiezen of
een jong meisje dat men misschien eens tot vrouw zal kiezen, dat komt in
het geheel niet te pas; want het huwelik waarin de vrouw maatschappelik
en ekonomies van de man afhankelik is en waarbij haar gunst haar plicht
als echtgenote betekent--kon, onder die omstandigheden minder dan ooit,
tot de vorming van de man bijdragen. En liefst moet de dame ook sosiaal
boven de dienende ridder staan; anders is de dienst de ware niet.
Voorname, hoge heren deugen daar dan ook volstrekt niet voor, wat
een der troubadours de Koning van Aragon in een strijd met tenzonen
verklaart; die willen alleen maar hun begeerten stillen en beginnen
altijd dadelik met van de dame de hoogste gunst te verlangen, zonder
zich tot een lang, ootmoedig dienen te vernederen; en zij houden ook
dadelik op zodra hun ogenblikkelike opwelling voorbij is of wanneer
ze tegenstand ontmoeten. Maar wanneer de dame vrij tegenover de
ridder staat, en boven hem, zonder enige verplichting tegenover hem,
integendeel eigelik aan een ander gebonden, zodat elke kleine gunst
een teken van genade wordt, een offer van haar kant en wanneer een
element van werkelik toegeven van haar kant gevaar medebrengt en tot
geheimzinnigheid aanleiding geeft en tot een romanties verbergen (b.v.
het gebruik van schuilnamen),--ja, dan heeft zulk een verhouding pas wat
het van zulke groote waarde maakt voor de ontwikkeling bij de mannen van
alle goede eigenschappen, d. w. z. juist dat wat de troubadours al meer
en meer opstellen als de ware ridderlike en hoffelike liefde.

Deze verhouding tussen een ridder of een troubadour en de voorname
getrouwde vrouw--een verhouding die over de gehele scala zich bewegen
kan van een gezelschapsspelletje of een gewone flirtage tot de diepste
hartstocht--moge onze tijd immoreel schijnen,--voor die tijd betekende
het een grote zedelike stap vooruit. Waar de mannen vroeger gewoon waren
volgens de opwelling van het ogenblik hun begeerte dan op de ene, dan op
de andere vrouw te werpen en terstond aan die lusten moesten voldoen,
werd de ridder er nu toe gebracht zich aan een enkele vrouw te wijden,
haar trouw te zijn en zijn begeerte om zo te zeggen, volgens haar
wensen, op rantsoen te zetten. De troubadour stelde zijn ware liefde op
in tegenstelling met het woest begeren,--met de »losengiers", waarmee
men oorspronkelik blijkbaar alleen de gewetenloze verleiders bedoelde,
die niets anders vragen dan een ogenblikkelik tevreden stellen der
zinnen (»hoe meer ze doen alsof ze u van ganser harte liefhebben, des
te zekerder is het er hun alleen om te doen u te onteren")--en met de
brutale echtgenoten--»op wat voor rechten tegenover hun vrouwen durven
die zich te laten voorstaan? Laat die zich zelf eens bekijken, met
baarden als bokken, vuil als raven, behaard als een beer, leder gelijk
en rimpelig als een buffel." Feitelik was de liefde der troubadours een
grote schrede in de richting van monogamie; zijn gevoelens--verzekert
hij ons--blijven trouw en zij zullen blijven duren; zelfs een
ongelukkige liefde wil hij niet verruilen voor een eenvoudig tevreden
stellen der zinnen bij een vrouw die hij niet liefheeft. En tegenover
hen welke die tedere verhouding profaneren en de naam ener vrouw
bezoedelen alleen om met hun »zegepraal" te koop te loopen, prijst de
troubadour: »discretie als een erezaak"; daarin ligt feitelik de charme
en het romantiese van de verhouding. Daarom zegt men dan ook dat de
dame zich nooit met burgerliken af moet geven; wanneer die mensen in de
herberg zitten, dan flappen ze er uit wat ze achter hun tanden moesten
houden. In tegenstelling met hen die dadelik het hoogste wensen,
verklaart de troubadour zich tevreden te stellen met beloften, met
een glimlach, met een handdruk (met »een draad van haar handschoen"),
hoogstens een kus, en wil hij slechts trapsgewijze en langzaam in de
gunst van zijn aangebedene stijgen. En het is juist hieraan--zegt
hij--dat men het verschil merkt tussen wat herderinnetjes en lichte
vrouwen bieden (garçonnières--femmes folles) en de geciviliseerde liefde
waarbij de vrouw met enige eigenwaarde, zelfs indien zij lief heeft,
hoogstens eerst na een tijdje en na een soort voorbereiding, zich
langzamerhand overgeeft, maar nooit in eens. Waar het per slot van
rekening op neerkomt, is de overweging die men in een roman vindt,
waar een dame ziet hoe veel moeilikheden een van haar aanbidders te
overwinnen heeft, voor hij zijn doel bereikt, waarop zij verklaart dat
dit niets erg is, want »had hij zonder moeite zijn doel bereikt, dan zou
de vrouw niet zo hoog bij hem aangeschreven staan:--car se sans peine
joie avoit,--de dames bon marché seroit."

Dat is juist de kern van de zaak. De nieuwe maatschappelike »Sitte", de
nieuwe geslachtsmoraal omgeeft de geslachtseer van de vrouw met meer
bolwerken dan de naïeve zeden van vroeger gekend hadden. Haar positie
werd hierdoor niet alleen veiliger, maar ook tegelijkertijd minder vrij
dan te voren.

In de wereld der baronnen, een maatschappij van en voor mannen, was de
vrouw geminacht en onderdrukt geweest. Daar was zij de slavin van de
man, die hem bij de maaltijd bediende en bij het toilet, die zijn haar
wies, hem bij het bad wreef en afdroogde, zijn vermoeide ledematen
masseerde en zelfs als 't nodig was het werk van een staljongen voor hem
deed. Gelijk een odaliske bediende zij hem ook met haar liefde en wij
hebben gezien, hoe zij het bijna altijd is in de volkspoëzie die de man
om liefde vraagt. De man is haar »seigneur"; als hij binnentreedt, staat
zij op, zij eet pas nà hem, hij tuchtigt haar met slagen,--in een Franse
ballade slaat de Koning de Prinses »zo dikwels met een riem dat heel
haar blanke lichaam rood zich kleurt", evenals in een Deens lied uit
de Middeleeuwen Lave Stisön zijn vrouw een leidsel met ijzeren punten
laat voelen. Aan de andere kant worden de meisjes dikwels als jongens
opgevoed, zij leren rijden, jagen, de wapens hanteren en beweegt de
vrouw zich vrij en spreekt vrijuit met de man, konventionele begrippen
over vrouwelikheid staan hun niet in de weg en naar de Chansons de geste
en het Nibelungenlied te oordelen, spreken ze en handelen ze, waar ze
macht en vrijheid hebben, vrijwel gelijk de mannen doen.

Maar onder invloed van het Kristendom, dat de vrouwelikheid bij de vrouw
op de voorgrond bracht en in navolging van de zeden in Byzantium en het
Oosten, vormde zich nu pas, in tegenstelling ook met het idee van het
mannelike, het begrip van de vrouwelikheid en daarmede nieuw zaad voor
de plaats der vrouw in de maatschappij,--zij krijgt ook meer bescherming
aan de ene kant, maar wordt minder vrij aan de andere. Door haar
opvoeding wordt zij nu meer op de achtergrond gehouden, zij komt nu
minder in aanraking met jonge mannen en haar wordt meer dan vroeger een
schoone, fiere terughouding ingeprent. Als jong meisje ziet men haar op
de grote kastelen slechts uiterst zelden--Siegfried was meer dan een
jaar aan het hof te Worms, voor hij een glimp van de vorstendochter
Krimhilde te zien kreeg, om wie hij daarheen getrokken was--; en in elk
geval is zij altijd van een duenna vergezeld, en ook als jonge vrouw is
zij altijd met een dame van gezelschap en loopt zij op Oosterse wijze in
een mantel gehuld en de handen verborgen; en men heeft haar geleerd niet
naar de mensen om te zien en de mannen niet vast in de ogen te kijken,
nooit met onbekenden te spreken en over 't algemeen trots en kortaf
te zijn, »niet uit hoogmoed, maar om de kwaadwilligen op een afstand
te houden". Een vrouw die bemind wil worden--zegt een Provençaals
leerdicht--moet zich gedragen gelijk een ridder een havik op zijn hand
houdt, zo voorzichtig dat hem geen veertje gedeerd wordt. Het voorbeeld
van een eerbare vrouw is Maria, zoals die op de Madonnabeelden en in de
Marialegenden wordt voorgesteld. Zij liep zo schoon en rechtop--zeggen
reeds oude Marialegenden--met het hoofd licht gebogen; nooit keek zij om
of groette zij man of vrouw.--Zulk een afzondering en afsluiting van het
geslacht wekt altijd de nieuwsgierigheid op, maakt voor beide partijen
de aantrekkingskracht der liefde groter en het liefdegevoel fijner en
sterker. Tussen de geslachten komt zo het romantiese van het op een
afstand-zijn; het verlangen van Siegfried naar de onbekende schone wordt
grooter met de moeilijkheden om met haar in aanraking te komen en
Krimhilde bloost in het vrouwenvertrek, terwijl zij ieder uithoort over
de vreemde ridder, over wie zij aan het hof van haar broeders zo veel
heeft horen vertellen. En hoe meer »verhinderingen" de schuchterheid
der vrouw, of haar opvoeding, of de maatschappelike begrippen van wat
al of niet past, of wat de voorzichtigheid bij het huwelik gebiedt, de
begeerte van de man in de weg doen staan,--hoe meer »tussen-stadia"
van kleine, geleidelik stijgende gunstbewijzen er komen tussen het
opwekken van de begeerte en de bevrediging ervan, des te meer wordt het
liefdeleven voor beide partijen gecompliceerder natuurlik, maar ook
verfijnder.

       *       *       *       *       *

De opvatting der troubadours over de liefde, zoals die nu, naar wat
wij gezien hebben, uit de gehele atmosfeer aan de Franse hoven was
ontstaan, werd nu niet alleen versterkt, maar kreeg ook een geheel
nieuwe kleur door de lektuur van het oude leerboek van Ovidius over de
»Minnekunst"--de Ars Amandi--een werk dat met de grootste attentie en
ijver door de gehele Middeleeuwen gelezen werd als een school voor de
fijnste en rijpste Levenskunst der antieke kultuur.

Een aestetiese lekkerbek en libertijn leert in dit gedicht de viveurs en
de lichte vrouwen van Rome--meestal getrouwde vrouwen bij de volkomen
gedesorganiseerde familieverhoudingen van de tijd--hoe de min tot een
kunst gemaakt kan worden, zodat er zo veel mogelik zinnelik en geestelik
genot van te halen valt,--hoe die van een eenvoudig ruw paren worden
kan tot een hoog zinnengenot zowel als een sympatiek behagen en een
prikkeling van de fantasie,--hoe die tot een »roman" kan worden, een
spel voor alle zielekrachten. Ongelofelik cynies is in dit opzicht
wat Ovidius leert. De mannen vertelt hij hoe altijd het grootste
genot daar in steekt om de vrouw van een ander te beminnen,--ongewoon
eten smaakt nu eenmaal 't best en de moeielikheden, de risico en het
ongepermitteerde maakt het genot des te pikanter,--hoe ze in 't geheim
te werk moeten gaan, de dienstmaagd als tussenpersoon moeten gebruiken
en moeten leren te vleien, om te kopen en geschenken te geven,--hij kent
allerlei foefjes hoe men zich royaal kan voordoen, zonder eigelik veel
op te dokken. Door er bleek en mager uit te zien en het hoofd te laten
hangen, moet men de schone aan het verstand brengen dat men van verdriet
verkwijnt; met sprekende blikken en heimelike brieven moet men haar
belegeren--de Liefde is een soort oorlog en men moet vol weten te houden
en geen moeite schuwen. Men moet haar luimen volgen, tot alle diensten
bereid zijn, haar schoenen uit willen trekken, of een spiegel voor
haar ophouden; alle moeite, alle gevaren, alle uitstel moet men als
kruiderijen beschouwen die, wanneer het eindelik komt, het genot van het
bezit slechts verhogen. En men moet er zich in schikken haar gunst met
andere te delen en het oog sluiten voor wat men vlak voor zijn neus ziet
gebeuren; alleen kan het zo nu en dan zijn nut hebben zelf eens de
schijn van trouweloosheid op zich te laden, om haar ijverzucht op te
wekken.

Maar ook de Romeinse vrouw krijgt dergelijke voorschriften van
Ovidius te horen: hoe zij de zorgvuldigste bewaking kan ontduiken...
hoe zij moet zorgen er knap uit te zien... hoe zij door allerlei
kleine koketterietjes de man tot zich moet trekken en daarna door
een glimlachje of een knikje of een handdruk het vuurtje moet laten
gloeien, maar haar aanbidder toch zo lang mogelik op een afstand moet
houden--haar waar op prijs moet stellen en de waarde van haar liefde
moet verhogen door zich te laten smeken, hoe zij moeilikheden op moet
werpen en de minnaar steeds angst voor haar man moet laten voelen,
altijd moet trachten uit te stellen en hoe zij, zelfs als zij zich
overgeeft, op het ogenblik zelf dat zij zich laat omhelzen, dit niet
moet doen zonder een schijn van weigeren en van tegenspartelen.

En al die geraffineerd-verderfelike opvattingen goten zich in de
liefdeleer der troubadours uit,--in de onschuld huns harten namen zij
die wijsheid van de oude klerk Ovidius als een boek van wereldlike
sermoenen in zich op. Veel van al dat verderfelike werd bijna weer rein
en onschuldig toen zij het in hun naïef, rein gemoed opnamen; maar van
meet af werd de erotiese troubadour-poëzie en de ridderromantiek toch
gemengd met een niet geringe dosis van Ovidiaans Epikurisme en cynisme.
Bij alle troubadours, zelfs bij zulk een weinig geleerd man als
Guillaume van Poitou, treft men talrijke reminiscenties van Ovidius.
De lezer van wat voorafgaat heeft vele trekjes in de liederen der
troubadours kunnen herkennen als aan de »Ars Amandi" van Ovidius
ontleend: Bernard de Ventadour, zagen wij, wilde op zijn blote knieën de
schoen van zijn dame uit mogen trekken, Peire Rogier de misstappen van
de zijne niet geloven, al zag hij het met zijn eigen ogen. Terwijl het
voor Ovidius nog maar een verleidings-kunstgreepje was om er bleek
en uitgeteerd uit te zien, werd het voor de troubadours een kwestie
van geloof: de ware minnaar ziet er bleek en slecht uit, en hij die
ongelukkig een rode gelaatskleur heeft, maakt allerlei excuses en
verklaart dat de gloed die onder de as smeult het sterkst brandt. Van
nog groter belang was het dogma dat de liefde geheim gehouden moet
worden, niet alleen wegens de echtgenoot, maar ook met het oog op de
lasteraars en ook omdat--zo als Salomo leert--»de gesloten wateren zijn
zoet en 't verborgen brood is liefelijk." Wij hebben samenspraken--op
het voetspoor van Ovidius--tussen de troubadour en de dienstmaagd van de
schone en het meisje raadt hem aan, ook als in Ovidius, zich in al haar
grillen te schikken. Plichtschuldig passen de troubadours ook nu en dan
het keukenmiddeltje van Ovidius toe, om zich trouweloos voor te doen
ten einde de schone jaloers te maken; maar daarbij verrekenen zij zich
tegenover de hoge dames en ze moeten er hard voor boeten: slechts op het
aandringen van andere dames werd Pons da Capdueil weer door de Vrouwe
van Mercoeur in genade aangenomen, en van Guillem van Balaun verlangde
de vertoornde schone dat hij de diepte van zijn gevoel zou tonen door
de nagel van een zijner vingers te snijden en haar die met een passend
huldegedicht aan te bieden.--Zulke regelen voor de koketterie vatten de
dames vromelik op als een uitdrukking van de fijnste, meest echte
vrouwelikheid.

De minnekunst van Ovidius was nog meer geraffineerd en gesubtiliseerd
geworden in de erotiese literatuur van de uitloopers der antieken. Bij
de Sofisten en in de scholen der rhetoren werden alle kentekenen en de
werking der liefde spitsvondig besproken--hoe de echte minnaar zich
in die en die situatie gedraagt--aan welke van de twee geliefden de
voorkeur te geven is, enz. In de Griekse romans van het einde der
oudheid trof men dergelijke subtiele discussies ook weer aan. En door
de gehele middeleeuwen heen kunnen wij ze volgen als tema voor de
gesprekken in alle geestelike kringen. Nu komen ze weer in de tenzonen
der troubadours te voorschijn. Een van hun twistpunten, n.l. welke van
haar aanbidders een vrouw het meeste heeft begunstigd: hem die zij een
blik heeft toegeworpen, een ander die zij op de voet heeft getrapt of
een derde wie zij haar hand heeft gegeven,--is reeds in een Griekse
roman gevonden, en de verhandeling van een Latijns rhetor, evenals een
passage in het 6de hoofdstuk der Spreuken van Salomo door een foutieve
lezing ook een bijdrage heeft geleverd.

Ook voor de psychologie der liefde is er in Ovidius en de antieke
poëzie menige bijdrage voor de troubadours te vinden. Heel wat van de
beeldspraak die het plotseling ontstaan der liefde en haar merkwaardige
macht verklaren moeten, schijnen van het ene land naar het andere
getrokken te zijn. Dat die liefde b.v. een vlam is die plotseling
oplaait, of dat de blikken der schone als pijlen de ogen van de
aanbidders doorboren en zijn hart wonden. »Dit meisje is als een
jager--heet het in de Indiese hoflyriek--haar wenkbrauw is de boog
die zij spant, haar zijdelingse blik is als de pijl. Mijn hart is
de Antilope die zij treft". Volgens de Phaedrus van Plato zijn de
Anacreontici, de dichters uit de Alexandrijnse periode en de Griekse
romans vol van beelden over de blik die als een pijl door het glas der
ogen het hart wondt. En uit die werken gaan ze in de middeleeuwse
kerkelike verhandelingen over: »De ogen", lezen wij in zulk een stuk
van ongeveer 1100, »zijn de boodschappers van de losbandigheid. De ziel
wordt door de ogen gevangen; door hen dringt de liefdepijl het hart
binnen"; en in Latijnse gedichten twisten het oog en het hart er om, wie
van de twee de schuld is van de zonde der mensen. Of wel: de minnaar en
zijn hart worden door de oude dichters voorgesteld als gevangen en aan
banden gelegd; Amor heeft hem geschoten of is naar binnen geslopen en
heeft zijn hart geroofd en speelt er nu mee als met een bal. Al die
beeldspraak vindt men bij de troubadours terug, soms met een licht
middeleeuws tintje, als wanneer er eerst een boodschap naar de
Harte-burcht gestuurd wordt en vol vertrouwen wordt die nu voor de
vijand geopend,--maar nu kunnen ze er die niet meer uit krijgen.
Aangezien »Amor" in 't Provençaals vrouwelik is, smolt de God der
liefde Amor, bij de troubadours samen met de godin der liefde Venus.
In de klassieke literatuur zijn er schilderingen van het slot en de
tuin van Venus te vinden (bij Claudianus) en van haar zelf waar zij
op een rechtsgeding het liefdepleit beslist en het oordeel uitspreekt
(Pervigilium Veneris). En in overeenstemming met deze en dergelijke
middeleeuws-teologiese allegoriën schilderden de troubadours het Slot
der Liefde, met zijn verschillende poorten en trappen en zalen--alles
met een bepaalde allegoriese betekenis--en de Godin der Liefde zelf met
een kroon van goud en pijlen van goud en lood. Een hele beeldspraak en
mythologie der liefde is op die manier van de oudheid via de troubadours
en Petrarca als staande uitdrukkingen in de moderne lyriek der
minneliederen overgegaan.

Meer psykologies schilderen de klassieken de liefde als een ziekte. De
minnaar mist alle eetlust, wentelt zich slapeloos op zijn legerstede
heen en weer; koortsachtig wisselen bleek en rood op zijn wangen af,
warm en koud, opgeruimdheid en neerslachtigheid in zijn rusteloos
binnenste. Zo schilderen Propertius in zijn Elegiën en Ovidius in zijn
Amores, de hartstocht; zo wordt ook in de Griekse romans de verliefdheid
van de jongeling aangegeven en die van Dido bij Virgilius. En het
ongewone en het onbegrijpelike van het liefdeleven wordt door dichters
en rhetoren breed uitgemeten; hoe het beeld van de geliefde in het hart
van de minnaar nederdaalt of hoe de beide geliefden elkaar hun hart
geschonken hebben en zo elk van de beide de ander letterlik in verre
landen met zich mede draagt; hoe de minnaar als de mug is die om de vlam
fladdert, ofschoon hij zich voortdurend brandt, of haar schoonheid hem
als een magneet steeds tot zich trekt.--Al zulke motieven gaan ook in
de troubadours-poëzie over. In een rijmbrief aan zijn geliefde vertelt
Arnaut de Marueil in alle bizonderheden hoe hij 's nachts op zijn
sponde ligt te woelen, het dek van zich af gooit, op staat maar toch
weer gaat liggen... en hoe hij overdag buiten zich zelf rond loopt, de
mensen niet groet en niet antwoordt, niet wetend waar hij is of wat hij
doen zal. Zo leert de troubadour van de klassieken te trachten zich zelf
gade te slaan en te vertellen wat er in zijn ziel omgaat. En de naïeve
blik van de Middeleeuwen wordt duizelig en raakt heelemaal in de war als
hij die innerlike wereld leert kennen, waar alles zo heel anders toegaat
dan in de tastbare buitenwereld. De fantasie der Middeleeuwen, geheel
vervuld van de kristelike mysteriën, van de merkwaardige stenen en
dieren waar reizigers uit het Oosten of schrijvers van de boeken over
de onnatuurlike natuurlike historie over wisten te vertellen, vindt
in de liefde een nieuwe wereld van wonderen. En nu tracht men de
Alexandrijnse Neoplatonici in uitvoerigheid bij de schildering van de
wonderen der Liefde te overtreffen. Gelijk de maagd Maria zwanger werd
zonder dat haar jonkvrouwelike schoot geopend was, zo glijdt het beeld
van de geliefde dwars door de ongebroken ruiten van het oog in het hart.
De koude van haar ijs steekt zijn ziel in brand, gelijk men immers
brandend vuur uit het kristal krijgen kan dat uit de koude sneeuw
gevormd is. Gelijk de salamander, leeft de minnaar midden in de vlam
der liefde, gelijk het goud, wordt hij daarin gelouterd en gelijk de
basilisk van vreugde sterft, wanneer die zijn eigen spiegelbeeld ziet,
zo is met hem gedaan wanneer hij zich zelf in de spiegel van haar
blik verliest. De liefde maakt overmoedig en bang, trots en gedwee,
verstandig en dwaas; de minnaar lijdt, maar de pijn is hem zoet; hij is
ziek maar hij wil niet gezond worden; gevangen, maar hij wil niet vrij
zijn.--

Dit alles stamt in de minneliederen der troubadours uit de antieke
kultuur. Maar deze volkomen naturalistiese conceptie van de liefde
is toch bij de troubadours doortrokken van een geheel daaraan
tegenovergestelde moreel-religieuse opvatting, die met de gehele
dwepende gevoelsreligiositeit samenhangt die wij in het Europa van de
11de en 12de eeuw hebben zien opkomen.

Bewust staat de troubadourspoëzie in dezelfde verhouding tegenover
de godsdienst als de Sirventes tegenover de Kerk. De zanger zal ons
vertellen dat, als hij God maar half zo trouw was als aan zijn Dame, hij
zeker van het Paradijs zou zijn. Na haar dood is hij overtuigd dat zij
daar tronen zal, door rozen en leliën omgeven en door de Engelen met
hymnen begroet, »want dàt weten wij toch: wie de wereld prijst, prijst
ook God". Midden in een lied op de kruistochten zal de troubadour
erkennen dat hij, wat hèm zelf betreft, geen moed heeft zijn schone dame
te verlaten, en een ander, die werkelik zich heeft weten los te rukken,
zingt dat God zich wel zeer zal mogen verbazen en hem bizonder dankbaar
moet zijn dat hij om Zijnentwil dat besluit heeft kunnen nemen en
uitvoeren. En het erotiese leven der ridders stoort zich al bitter
weinig aan de kerk en haar moraal. Wanneer de bisschop van Angoulême
graaf Guillaume van Poitou een opmerking maakt over zijn uitspattingen,
wordt hij vrij cynies op zijn plaats gezet.

Maar per slot van rekening zijn de minneliederen der troubadours diep
doordrongen van Kristelikheid. Evenals Ovidius de liefde als een kunst
leerde uit te oefenen en daar praktiese regels voor gaf, zo had het
Kristendom zich aangewend, alles in het leven aan een morele behandeling
te onderwerpen. Voor de ware kristelike opvatting mocht niets natuur
zijn en zijn natuurlik leven leiden, alles werd van uit het standpunt
beschouwd van deugd of ondeugd, en werd geschoold, gedresseerd volgens
de idealen der moraal. Zo werd ook de liefde door de geestelik gevormden
onder de troubadours tot een morele plicht gemaakt en een deugd en werd
die gevormd en gekleurd in de kristelike geest.

Wel is waar was er ook voor de Kerk een gapende afgrond tussen de
kristelike caritas en de amor dei aan de ene kant en de voluptas of
libido, de geslachtsliefde, aan de andere. Maar dat er in alle hogere
liefde een machtig element zit van die zelfopoffering en van een zich
met alle gevoelens geven,--iets dat voor de religie der liefde als
het eerste en het hoogste staat wat men in de mens wekken moet, dat
kan door geen theologie weggecijferd worden. En overal waar het
gevoel in het Kristendom op de voorgrond komt, zoals juist bij de
sentimenteel-smachtende richting in de tijd der kruistochten, sprak daar
de kristelike »amor" een taal, zeer verwant met die van de troubadours
wanneer die het over hùn »amor" hadden. Wanneer men bij een van de
kerkvaders zinnen leest als deze: »Niemand kan zalig zijn zonder liefde.
Diè mens is het onzaligste die tenminste niet iets bemint, buiten
zichzelf. De ware manier van beminnen is liefhebben zonder mate. Hij
die liefheeft, voelt geen moeite of heeft die moeite zelfs lief. Hij die
liefheeft, niet hij, die niet liefheeft zal beloond worden"--dan kon dit
alles even goed uit de liederen der troubadours bijeen gehaald zijn. Bij
Bernhard van Clairvaux en de Kloosterschool van de H. Victor bij Parijs
en soortgelijke Duitse mystici was de liefde tot de naaste een schrede
tot de liefde Gods en deze »Gottesminne" werd in gloeiende kleuren en
smachtende tonen geschilderd die dikwels uit de zeer aardse liefdepoëzie
van Salomo's Hooglied genomen was. Aan de andere kant verheft de
troubadour zijn aardse liefde tot een half-religieuse extase: hij
vergeet de gehele wereld in haar zoete blik, hij is dronken, niet van
wijn maar van liefde--zo zingt ook een Spaans-Arabiese troubadour--de
glimlach van mijn geliefde maakt mij gelukkiger dan als vierhonderd
engelen mij toegelachen hadden; als ik het schone lichaam van mijn
geliefde zie, geloof ik God zelf te zien en omgekeerd: Wanneer ik in de
kerk bid, zie ik U voor mij.

Gelijk de liefde van de Kristen voor God er een is van beneden naar
boven, vol van vrees en beven, vol van onderwerping en ootmoedige
aanbidding, zo is het ook met die van de troubadour tot zijn Dame.
Even verschillend van de antieke liefde van Hero en Leander of
Daphnis en Chloë of van de Germaanse opvatting als van die van
Sigurd en Brynhilde--twee geliefden die als gelijken tegenover elkaar
staan,--dwingt de liefde in de minne-poëzie der troubadours de man op
zijn knieën, de vrouw dienende en haar aanbiddend,--tegenover de trots
afwijzende of genadig nederbuigende vrouw, presies gelijk de Kerk de
krijgsman, de baron, op de knieën dwong voor de gekruisigde zoon van
de timmerman en de Moedermaagd. Evenals de Kristen, gelijk wij in het
tweede hoofdstuk zagen, bevend en schuldbewust, met gebogen hoofd voor
God staat en slechts hij die vreze voelt gered kan worden, zo zingt de
troubadour: »hij die geen vreze voelt, heeft niet uit heel zijn harte
lief" en vertelt hoe hij angstig en bevend in de tegenwoordigheid staat
van zijn aangebedene en hoe hij de blik niet op waagt te heffen of
zijn liefde uit te stamelen. Het is de minnaar een genot zich klein te
voelen: tegen over de geliefde is hij als een kind, wiens grootste
verdriet is van de moeder weggenomen te worden, een kind dat de roede
vreest; »ik moet voor haar staan en op mijn vreugde wachten, gelijk de
kleine vogeltjes op de dag wachten," zegt een Duits minnezanger. Het is
hem, als de kristen, een genot zich te vernederen. »Met gevouwen handen,
met een touw om de hals en met een bevangen hart bid ik U om genade,
o goede, genadige Vrouwe! en bid ik God van wie alles komt, om
barmhartigheid in uw ziel te storten." »Gij kunt mij verkopen of
wegschenken of mij doden,--ik ben helemaal uw eigendom." Evenzo noemen
de heiligen der Kerk zich »de slaven Christi" en als die het water
drinken waarin zij de melaatsen gebaad hebben, is dit een uiting van
dezelfde perversiteit die zich in een zachte vorm vertoont waar een
Duits minnezanger de kom leeg drinkt waarin de aangebedene haar handen
gewassen heeft. Maar waar de vrouw der Middeleeuwen lief heeft, komt
diezelfde drang tot zelfvernedering te voorschijn. Heloïse schrijft aan
Abélard: »Ofschoon de naam van echtgenote heilig heet en meer bindend,
is het mij toch altijd zaliger uw geliefde genoemd te worden, of als gij
niet boos wordt, uw boel of uw bijzit, zodat mij als ik mij zo voor u
verootmoedig, ook groter tederheid van u ten deel zal vallen... Mij zou
het dierbaarder zijn en een groter eer uw deern genoemd te worden dan de
Keizerin van Augustus." Een en ander hieruit is misschien genomen uit
de brief van Briseis aan Achilles in de Heroides van Ovidius, maar het
gevoel is echt middeleeuws overspannen. In de middeleeuwen kende men de
schone gelijkheid tussen de twee mensen niet; lief te hebben is knielen
en aanbidden. »Meesteres! ik vouw mijne handen en aanbid u," barst
Bernard de Ventadour uit.

Wat de liefde der troubadours vooral op verschillende wijzen gekleurd
heeft, is de sterk zich ontwikkelende Mariaverering, evenals die
omgekeerd ook onder de invloed der troubadours staat. Gelijk Maria in
de hymnen, wordt in hun minneliederen de Vrouw verheerlikt als de bron
van alle schoonheid en goedheid, als de Kamer der Vreugde, het Schrijn
der Eer, de Welriekende Bloem en wat dies meer zij. Ook het
schoonheidsideaal heeft trekken aan de Mariabeelden ontleend.

Van de Minnaar, gelijk van de Kristen, wordt strijd geëist,
zelfverlochening en lijden, voordat hij gehoor verdient te krijgen op
zijn smeken. Reeds Ovidius wilde het genot kruiden door tegenspoed en
beproevingen. Voor de ridder was het bovendien altijd aanlokkend, hoe
groter gevaar, hoe meer moeilikheden waren er met de liefde verbonden;
een ridder--heet het--moet vóór alles »paresse" ontgaan en strijd en
beproevingen zoeken. Nu wordt er in de kristelike geest verkondigd dat
de minnaar gelouterd moet worden en dat lijden de liefde dieper doet
worden. Het is uit het boek van Job of uit het »boek der wijsheid" van
Salomo, dat de troubadours het beeld hebben van het goud dat in het vuur
gelouterd wordt. Zij voelen zich als de martelaars der liefde, genieten
van hun ontbering en hun tegenspoeden en rekenen zich dit als een
verdienste aan; met Bernard de Ventadour zeggen ze: »Weinig heeft hij
lief die zich niet aan zwaarmoedigheid overgeeft. De schone tranen der
liefde zijn meer waard dan haar glimlach. Mijn wee is mij een zoete
pijn." Dit is het zuivere ascetiese sentimentalisme.

Gelijk de Kristen eindelik zich op de beproeving verheugt, daar zijn
verdienste in vindt, weet dat die een pant is voor een latere beloning,
zo ook de liefhebbende minnaar. Door zijn liefdesmart verdient de
minnaar de dank van »Merce",--de genade. Als de Madonna moet zijn Dame
zich ten slotte in barmhartigheid tot hem nederbuigen.



IX.

GEESTELIKE ROMANS.


Terwijl de Ridderlyriek zich zo aan de hoven van Zuid-Frankrijk
ontwikkelde, ontstond de Ridderroman langzamerhand uit de sosiale
en geestelike tijdsomstandigheden. Zijn voorganger is een Latijnse
vertellings-literatuur die in de wereld der geesteliken opbloeit en
ontstaat uit de kristelike sentimentaliteit en uit de overdreven
avontuurlike fantasie van de tijd.

In de kloosters leefden toch de geestelik het meest op de voorgrond
tredende mensen van hun tijd,--met de beste vorming en de grootste
leeslust, mensen met alle tijd tot hun beschikking, van de
morgengodsdienst tot de middag, tussen vesper en de kompleten en met
genoeg volharding in zich om grote uitgebreide folianten te schrijven.
Geheel de lange, stille dag werd er in de scriptoria en de cellen het
ene gele blad na het andere omgeslagen en kraste de ganzeveder over
het perkament. Op de boekenplanken in de leeszaal stonden de Heilige
Schrift, de kerkvaders en de legenden naast kronieken van Franse en
Duitse monniken, elk met _hun_ historie en met alles wat de wijze
klerken van Rome nagelaten hadden,--ja! zelfs kon men er vertalingen
van Griekse romans vinden of van de Oosterse wijsheid der ongelovige
Muzelmannen. Zij die Latijn lazen en schreven, hadden toegang tot al
de schatten van het menselik weten, en bronnen van onder elkaar wijd
verschillende wereldstreken en tijden--Keltiese Arthur-legenden en
Griekse liefdesgeschiedenisjes, Oosterse anekdoten en Frankiese
heldendichten--vloden nu in de tijd der kruistochten samen in de
Latijnse folianten der monniken tot een algemene Europese literatuur.
Zo kreeg de leeshonger en de dorst naar het fantastiese in het saaie
kloosterleven een bonte massa stof om op te teren. Ook langs mondelinge
weg kwam menige echo uit de buitenwereld naar binnen en werd trouw en
dankbaar opgetekend. Kloosterbroeders, teruggekeerd van de tochten
waarop zij uitgezonden waren, werden nieuwsgierig over alles
uitgevraagd, ook pelgrims kwamen terug van hun reizen, propvol van
indrukken en verhalen, menige ridder zocht op zijn oude dag een
toevlucht in het klooster en had dan veel van zijn avonturen te
vertellen, toen hij nog in 't volle leven verkeerde, verscheidene
kloosters waren ook eigelik niets anders dan een soort herberg waar
voortdurend de hoge heren met hun gevolg aan kwamen zetten. Aan de
andere kant gaat ook de geestelikheid de wereld meer en meer in, om die
door macht zo wel als door een sentimenteel-dwepend opruien te kunnen
beheersen. Onder dit alles zien wij de kronieken en legenden der
monniken levendiger worden en meer door menselike gevoelens bewogen,
maar door de fantasie gekleurd, meer roman-achtig en ze komen er nu
zelfs toe hele profane Latijnse romans te schrijven.

In plaats van vervelende droge annalen, die met even weinig geest als
gevoel, jaar na jaar de gebeurtenissen aanstippen--zonder samenhang,
zonder détails, zonder enige aandoening--groot en klein door elkander,
alles wat de annalist maar ter ore komt,--beginnen in veel dier
kronieken personen op de voorgrond te treden, gebeurtenissen worden in
dramatiese scènes weergegeven en tot geschiedenissen aaneengeregen en
de kroniekschrijver tracht deelneming te wekken, de spanning gaande te
houden en aandoening te weeg te brengen; hij kleurt en idealiseert de
geschiedenis, romantiseert, en sentimentaliseert die. In de schildering
door een geestelike uit Mainz van het leven van Hendrik IV, zien
wij b.v. de scène op de Rijksdag van Mainz waar de zoon des keizers
met gehuicheld berouw zich voor de voeten van zijn vader werpt.
De vader die zijn zoon's woorden en tranen maar al te graag
geloofde, viel hem om zijn hals, weende en kuste hem en was even blijde
als die andere vader in het Evangelie dat zijn zoon die gestorven was,
weer opstond en zo de verlorene weer terug gevonden was. In 't kort, hij
vergaf hem en schonk hem al zijn straf kwijt en zijn zoon met zachte
vaderlike vermaningen terecht te wijzen scheen hem een voldoende straf
voor zijn misdaad, want gelijk de blijspeldichter zegt: »een kleine
boetedoening is den vader voldoende voor de grote misdaad van zijn
zoon." Op die wijze ziet men die historiese scène geheel en al in
het licht van de terugkeer van de verloren zoon en van de scène bij
Terentius waar de oude vader zijn ongehoorzame zoon vergeeft; in het
licht van kristelike sentimentaliteit en antiek humanisme wordt de
scène er als één uit een roman. Even romanesk is de kroniek van de
Normandische monnik Ordericus Vitalis over de Normandiese vorsten. Het
is overal de gewone menselike kant en de anekdotiese scènes die hij
het liefst op de voorgrond zet; met bewondering schetst hij de statige
Normandiese groten met hun prachtige feesten en schildert hij de
familietwist tusschen Willem de Veroveraar en zijn zoon met de bijbelse
kleuren van David en Absalon. Volkomen als een historiese roman vormt
zich eindelik grotendeels de »Historie der Britten" van de Engelse
klerk Geoffrey van Monmouth. (c. 1135) Op het voorbeeld van de Romeinse
geschiedschrijvers, dicht de fantasie-rijke Brit uit Wales er op los:
brieven en redevoeringen en alles zet hij in een retoriese stijl en hij
schildert koninklike bruilofts- en kroningsfeesten, kerkelike ceremoniën
en vrouwen met een huid, witter dan ivoor en pasgevallen sneeuw. Koning
Uther wordt bij een banket op de gemalin van een zijner leenmannen
verliefd en verteert van liefde, totdat Merlijn, de fantastiese tovenaar
hem aan haar sponde brengt in de gedaante van haar gemaal--evenals
Mercurius Jupiter bij de echtgenote van Amfitruo bracht. Koning Lear
staat zijn rijk aan zijn dochters af en krijgt bitter hun ondankbaarheid
te voelen. Een moeder verzoent twee twistende broeders--gelijk Iokaste
tracht Eteocles en Polynices bij elkaar te brengen. Koning Arthur
vervolgt een reus die de jonge Helena geschaakt heeft en het
samentreffen met die reus herinnert in allerlei opzichten aan de strijd
van Hercules met Cacus, de zoon van Vulcanus. De 11000 schone Britse
vrouwen die schipbreuk lijden en in de handen van een wilde roverbende
vallen, zijn ongetwijfeld verwant aan de H. Ursula en de 11000 Britse
maagden die volgens de legende te Keulen de marteldood stierven. Zo
spookt ook in de fantasie van deze vindingrijke Keltiese monnik die
gehele massa stof rond waar de overlevering en de bonte boekenschat in
de kloosterbiblioteken van Wales hem mede hebben gevuld.

Maar die romantiese kronieken--die van onze Deense Saxo is een
van de prachtigste exemplaren van het soort--zouden niet achter de
kloostermuren blijven. De ridderhoven smachtten gewoon naar amusante
verhalen. Dat Geoffrey van Monmouth zijn »Historia Regum Britanniae"
schreef, is waarschijnlik aan de uitnodiging daartoe te danken door de
aartsdiaken van Oxford, van een Engelse prinses, en kort daarna begonnen
ook verscheidene Normandiese geesteliken--gelijk er zo vele aan de hoven
leefden als sekretaris of gouverneur bij jonge kinderen--het Latijn van
Galfridus in Franse berijmde verzen over te zetten, naar het schijnt op
verzoek van vorstelike Engelse dames. En gelijk een van die bewerkers,
Mester Wace, verklaart, kon men nu op die manier op alle ridderkastelen
die kronieken bij feestelike gelegenheden voorlezen, als eens een
afwisseling voor die eeuwige heldengedichten. Zulke rijmkronieken,--Wace
zowel als Gaimar, de andere bewerker van Geoffrey, hadden ook oude
Latijnse kronieken in Franse verzen vertaald--missen de deftige
retoriese stijl van de voorgangers, beschrijven de kampstrijden en
feesten der Ridderwereld met trekken en kleuren daaraan ontleend in
nog groter détail en--iets waar Gaimar uitdrukkelik opmerkzaam op
maakt--vergeten niet 's konings privaatleven en zijn
liefdegeschiedenissen breedvoerig uit te meten.

Vroeger dan deze rijmkronieken valt de Duitse »Keizerkroniek", in Duitse
verzen ongeveer 1135 waarschijnlik door een klerk aan het hof van Hertog
Hendrik de Trotse te Regensburg geschreven. Die is geheel en al van uit
een geestelik standpunt en voor een geestelik publiek opgesteld, maar
overal zijn er romantiese episodes en kleine novellen ingevlochten--met
de stof van de Romeinse geschiedschrijvers, van Duitse heldensagen,
legenden en Oosterse vertellingen. Daar hebben wij b.v. de geschiedenis
van Tarquinius en Lucretia geheel als een ridderhistorie: Vorst
Collatinus leeft in een gelukkige echt met Lucretia maar rijdt toch
dikwels in 't geheim naar Viterbo waar men toernooien houdt en vele
hoofse dames wonen. De dames van Viterbo volgen de spelen van de muren
af en de Romeinse ridders trachten zich zo goed mogelik voor te doen;
in de pauses gaan ze met de schonen een praatje maken die het gesprek
snedig en gevat blijken te kunnen voeren. Een van hen vraagt een ridder
of hij liever de volgende nacht bij de schoonste vrouw zou willen
doorbrengen of de volgende dag met de dapperste ridder vechten, en de
ridder weet, zeer voorzichtig en galant zijn antwoord zo in te richten
dat hij noch laf lijkt, noch onverschillig voor vrouwengunst. Of
wij krijgen de geschiedenis van Crescentia, half legende, half een
Grieks-Oosterse vertelling, naar het schijnt. Het is over een onschuldig
belasterde Keizerin die verstoten is en een zwervend leven leidt vol
avonturen, steeds door het noodlot vervolgd, maar die door bijstand uit
de hemel per slot van rekening weer in eer en aanzien hersteld wordt. De
stichtelike legendentoon doet ons zien dat wij ons in een geestelike
atmosfeer bevinden, maar allerlei amusante détails tonen dat de klerk
hier bij de speelman in de leer is gegaan.

In hun honger naar vertellingsstof versmaadden de klerken ook niet de
nationale heldendichten ter hand te nemen en die tot kronieken te
latiniseren of tot een stukje Virgiliaanse epiek. Er kwamen op die
manier hoogst merkwaardige produkten tot stand. In het klooster te
St. Gallen zat er reeds in de 10de eeuw een jong geestelike die als
Latijnse stijloefening een der schoonste Duitse heldendichten--dat
van Walther en Hildegunde--tot een Latijns epos in hexameters omwerkte
met zinswendingen en vergelijkingen in de trant van Virgilius, zowel
als geestelik-vrome uitbarstingen in de wild-barbaarse, heroiese poëzie
van het gedicht ingeweven. Op dezelfde manier had in diezelfde eeuw een
Franse monnik de heldendichten uit de cyclus van Karel de Grote tot een
Latijns gedicht in een hoogdravende, duistere retoriese stijl omgewerkt.
In de zogenaamde kroniek van Turpijn (begin van de 12de eeuw) zijn
verschillende »chansons de geste" tot een poëties gestemd Latijns stuk
proza omgewerkt; meer dan bij schilderingen van strijd en fiere helden,
blijft het verhaal stilstaan bij de Majesteit van Keizer Karel en zijn
hof te Aken of bij allerlei hemelse mirakelen en aardse wonderen en in
't algemeen is de toon kristelik-sentimenteel en religieus-fanaties. Een
vermakelike metamorfose heeft het Rolandslied ondergaan, dat door een
zekere priester Konraad aan het hof van de Beierse hertog Hendrik de
Trotse in het Latijn is vertaald en daarna weer in Duitse verzen werd
omgezet. Nergens kan men zo goed als hier het verschil in geest en toon
bestuderen tussen nationaal heldendicht en geestelike rijmkroniek: de
geleidelik en breed vloeiende vertellingsstijl van de laatste die niets
overslaat, niets op de voorgrond schuift; de uitvoerige beschrijvingen
der kostumes en ceremoniën, de lange redeneringen, steeds weer de
mirakelen, het verlangen der Paladijnen naar het hemelrijk en de
martelaarskroon--alles zo geheel anders dan wat in de sfeer van de
»Chanson de Roland" thuis hoort.

Zelfs waagden ze het enkele gedeelten uit de bijbel tot romantiese,
roerende en onderhoudende vertellingen om te werken, eerst in Latijnse
verzen, tot stichting der geesteliken zelf, later in de volkstaal om
het publiek van de kermissen zowel als van de kastelen tot de lezing van
vrome lektuur te brengen, in plaats van een geschiedenis als Tristan en
Isolde of van het Chanson de Roland. Een Engels geestelike vertelt, in
de 12de eeuw, hoe de speellieden de hoorders tot tranen toe bewogen,
door van de ongelukken te vertellen die de edele held Artus of Gauvain
vervolgden, maar hij vindt dat men bij het voordragen van Christi
lijdensgeschiedenis veel meer tranen zou moeten storten. Daarom prijst
Ordericus Vitalis ook een geestelike die in de kapel van een Engelse
graaf aangesteld was, en die dikwels baronnen en pages om zich heen
verzamelde en ze »een grote massa voorbeelden vertoonde van lieden
uit het oude testament zowel als uit de moderne Kristen-sagen, die
de heilige strijd aangebonden hadden", en op die manier schilderde
hij o. a. heerlik de gevechten die Demetrius en George, Theodorus
en Sebastiaan, Mauritius de hoofdman over honderd en het Thebaiese
legioen zowel als de voorname hoofdman Eustachius hadden te bestaan
om zich als »bloedgetuigen de hemelkroon waardig te maken". Men bracht
de daden der Machabaeën zowel als de schipbreuk van Jonas in rijm,
schilderde de kamp van Salomo met een draak die alle bronnen van
Jerusalem leeg dronk, en zijn schitterend hof met al zijn pracht en
ceremonieën. Vooral werden de liefdesgeschiedenissen in detail
geschilderd. Een Frans bisschop verhaalt in Latijnse verzen hoe de
dochter van Jakob geschandvlekt werd, een ander hoe Amnon zijn zuster
verkrachtte; een Duitse berijming van de bijbelse geschiedenis treedt in
allerlei bizonderheden over de liefdesgeschiedenis van Jakob en Rachel,
Sichem en Dina en vertelt gezellig, op de manier der »Brautwerbungen" in
de Duitse heldengedichten, hoe het Eleazer ging toen hij naar Nahors
toog om voor Isaak een vrouw te zoeken.

Al die aandoenlike kleine idyllen uit het leven van Maria en de
kindsheid van Jesus, waar de apocryfe evangeliën van wisten te
vertellen, werden in Franse en Duitse gedichten behandeld. In
sentimentele verzen werd ook de Passie geschilderd. Op Goede Vrijdag,
wanneer de menigte in de kerk zich voor het omsluierde kruis op het
altaar verdrong, kon het gebeuren dat de priester naar voren trad en een
berijmde versie van de Lijdensgeschiedenis reciteerde, en dat hij begon,
net als de trouvères: »Hoort mij nu allen rustig aan, en laat de mond
niet langer gaan--hoort wat ik zeg van Kristi dood..." Verder werden
alle sentimentele legenden van de genaderijke mirakelen der Madonna
allerliefst tot kleine berijmde schetsjes bewerkt. Een Latijnse
verzameling van zulke legenden vond de Normandiese monnik Adgar
in de biblioteek van de St. Paulskerk te Londen en hij begon ze in
naieve Franse verzen na te vertellen--van het Jodenjongetje dat de
Hemelkoningin uit het vuur redt, van de kankerlijder, een monnik, die
zij van haar borst laat drinken, van de zondaars die zij uit de klauwen
redt van de wereldlike rechtvaardigheid, zowel als van de duivel. En zo
zijn er anderen die de Heiligen-legenden van hun bloemrijke, gezwollen
stijl ontdoen en die wonderbaarlike en roerende geschiedenissen in een
gewone, lichtbevattelike stijl de leken aanbieden.

Juist in de 11de eeuw stroomden er van Oost en West de meest fantastiese
en sentimentele legenden Europa binnen. Van het Westen--uit de oude
kristelike kerk der Kelten in Ierland en Engeland--haalden de
Noormannen, na de verovering van Engeland, verschillende legenden
die doortrokken waren van het avontuurlik-fantastiese van een
zeevaarders-natie en met een aan dat ras eigene romantiese, onstoffelike
mystiek. St. Patrick, St. Columbanus, de Heilige Brigitta--of hoe al
die Keltiese heiligen heten--zijn als door een atmosfeer van mystiek
omgeven; zij hebben visioenen en horen stemmen, de natuur spreekt tot
hen, profeties kijken ze de toekomst in, een tijdlang worden zij zelfs
in het Hiernamaals overgebracht en weten dan, bij hun terugkomst, de
merkwaardigste dingen te vertellen, over de vurige helmond--en de zwarte
vogels die klagend in het vuur rondfladderen, over de brug, scherp als
een mes, die over de afgrond voert, over het verblindende licht en het
zoete gezang dat de bezoeker uit Gods eigen huis te gemoet stroomde.
Herinneringen aan de openbaring van Johannes hebben zich klaarblijkelik
in deze visioenen met heidens-Keltiese myten vermengd. Of de legenden
vertellen van de avontuurlike zeereis van de Ierse heilige Brandanus
naar de woonplaatsen der zaligen en der verdoemden,--legenden die
samengesmolten schijnen uit herinneringen aan oude Keltiese zeevaarders
en Indies-Oosterse reisverhalen.

Uit het kristelike Syrië en Aegypte kwamen er omstreeks het jaar 1000,
waarschijnlik over Byzantium en Zuid-Italië, een hele massa legenden,
ontstaan uit de vurige en grenzenloze verbeeldingskracht van het
Oosten: verhalen van de gruwelikste misdaden en de meest geraffineerde
boetedoeningen, van daemonen en toverij, van de merkwaardigste
ondervindingen, de smartelikste beproevingen, de wonderbaarlikste
zelfopofferingen--van Theophilus die een verbond met de duivel aangaat
en de zwarte kunst leert; van St. Gregorius die--evenals Oedipus in
de oudheid--zonder het te weten met zijn moeder trouwt en die na het
hevigste berouw het tot Paus brengt; van kuise schone jonkvrouwen die
in hun onschuld en vroomheid de wapenen vinden om de draken des duivels
te overwinnen, van het jonge meisje dat haar bloed geeft om de zieke
koningszoon te genezen, over de zelfvernedering van berouwhebbende
zondaressen; van de heidense prins Joasaph die, van alle nood en
ellende in de wereld afgesloten, in een kasteel opgroeit, vol van alle
heerlikheden, maar die toch door het een of ander toeval een begrip
krijgt van wat ziekte, armoede en dood betekent en die daardoor zo in
zijn binnenste geschokt wordt dat hij vlucht en bij een kluizenaar,
Barlaam terecht komt die hem tot het Kristendom bekeert.

»Barlaam en Joasaph" is aan Syriese en Griekse romans ontleend, die
het verhaal weer uit Indiese Buddha-legenden hebben. Lang vóór de
kruistochten was veel van de rijke vertellings-literatuur van Byzantium
en het Oosten naar Europa overgebracht en door geesteliken in het Latijn
vertaald. De voornaamste stapelplaats waarover die uitvoer plaats had,
was ongetwijfeld Zuid-Italië, dat nog half Grieks was, maar waar
eerst de Saracenen zich nestelden, maar later de Duitse keizers hun
heerschappij trachtten te bevestigen en waar eindelik de Noormannen in
de 11de eeuw een rijk stichtten. Bij de geestelikheid en de adel was er
uit de dagen der oudheid nog een niet geringe beschaving blijven bestaan
en het voortdurende zich met elkaar mengen der volkeren bracht ook een
grote kultuurinvloed op elkaar mede. De Hertogen van Napels zonden in
de 10de eeuw de Aartspriester Leo met een missie naar Byzantium en daar
verzamelde hij gedurende zijn verblijf alle boeken, en zo bracht hij
o. a. een Griekse vertelling over Alexander de Grote mee naar huis, die
hij later ten pleziere van de voorname Zuid-Italiaanse kringen, in 't
Latijn vertaalde. Via Byzantium werd waarschijnlik ook wel de roman
»Van de zeven wijze meesters" bekend--de geschiedenis van een prins
wiens stiefmoeder hem eens vergeefs tracht te verleiden en hem daarna
bij de koning aanklaagt; nu vertellen zeven wijzen elk op hun beurt
een geschiedenis die alle daarop neerkomen hoe gevaarlik een overijlde
bestraffing is, terwijl de geslepen koningin verhalen doet met een juist
tegenovergestelde tendens. Deze vertellingen gingen met de omlijsting
die ze zo op Oosterse wijze samen bond, in verschillende versies heel
Europa door; ze vertelden van de verwonderlike scherpzinnigheid der
wijzen en de vindingrijke slimmigheid der vrouwen waar het er op
aan kwam hun echtgenoten te bedriegen, of wel hoe merkwaardig het
noodlot met de mensen speelt. Uit Arabië kwam ietwat later de bekende
verzameling van anekdoten en dierfabels die »Kalilah en Dimnah" heet;
die werd eerst in het Hebreeuws vertaald en daaruit door een gekerstende
Jood, Johannes van Capua, in 't Latijn.--Behalve Zuid-Italië is ook
Spanje een brug tussen het Oosten en West-Europa. Daar woonde een andere
bekeerde Jood, Petrus Alphonsus, die ongeveer in het jaar 1100 een
reeks, grotendeels aan 't Arabies ontleende anekdoten en zedelike
vertellingen in één Latijns boek bijeen bracht, dat hij »Disciplina
Clericalis" noemde: het handelt over een vader die zijn zoon
levensregelen geeft welke hij met talrijke geschiedenissen illustreert.

Uit 't Oosten is hoogstwaarschijnlik ook het motief van de
»vriendschapsproef" gekomen; reeds vóór het jaar 1100 was het voor de
geesteliken in veel Latijnse versies behandeld geworden, die later van
grote betekenis voor de dichtkunst der Middeleeuwen zouden worden. Het
zijn geschiedenissen van een sentimenteel elkaar trachten te overtreffen
in grootmoedigheid en zelfopoffering, over het ten toon spreiden van
grote scherpzinnigheid en een merkwaardig spel van 't lot--allemaal in
de Oosterse dichtkunst zeer geliefde motieven. Iemand merkt dat zijn
vriend op zijn vrouw verliefd is en staat haar grootmoedig aan hem af.
Soms gaat dit zo in zijn werk, dat de echtgenoot niet dan na de stil
versmachtende vriend zéér slim op de proef gesteld te hebben, hem zijn
geheim ontlokt; hij vat de hand van de zieke terwijl hij alle vrouwen in
huis eén voor eén voorbij het bed laat gaan, als zijn vrouw passeert,
merkt de man dat zij het is, voor wie de zieke zucht. Later krijgt
de vriend gelegenheid zich op zijn beurt op te offeren, de vroegere
echtgenoot komt dan b.v. in levensgevaar, hij is van een zekere misdaad
beschuldigd en juist zal hij naar het schavot gevoerd worden, wanneer
de andere er bij komt en alle schuld op zich neemt. Of wel hij wordt
melaats en kan alleen gered worden door een bad in kinderbloed; de ander
bedenkt zich geen ogenblik en doodt zijn eigen kinderen om de vriend
te redden. In meer dan een tekst lijken de twee zò sterk op elkaar dat
de een de ander daardoor uit een gevaarlik avontuurtje redden kan.
Die staat n.l. in liefdesbetrekking tot de koningsdochter, maar wordt
verraden; nu moet hij door een Godsoordeel zijn onschuld bewijzen;
zijn vriend neemt zijn plaats in en natuurlik valt het oordeel nu te
zijnen gunste uit. In verband hiermede moet de een ook tegenover de
koningsdochter de rol van zijn vriend op zich nemen en omgekeerd deze
die van de echtgenoot tegenover zijn vriends vrouw, maar beiden houden
zich zo trouw aan hun vriendenplicht dat niemands recht daarbij gekrenkt
wordt. Het hartroerende, gevoelvolle in deze motieven hebben de
geesteliken reeds in de 11de eeuw in Latijnse verzen, met de nodige
retoriek en sentiment ontwikkeld. Helemaal romanties is het dat,
wanneer de echtgenoot zijn vrouw aan zijn vriend heeft afgestaan en zij
wegtrekken, hij dan zelf aan de oever ze na blijft staan turen, terwijl
hij op zijn guitaar tokkelt en ze elegies klagend achterna zingt; hij
hoort de echo zijn woorden herhalen en wanneer hij ze uit het oog
verliest, slaat hij zijn guitaar in splinters.

Een andere in de geestelike wereld zeer verbreide vertelling was de
klassieke roman van Apollonius van Tyrus. Die werd in de 3de eeuw
geschreven, waarschijnlik oorspronkelik in het Grieks, maar reeds
vroeg in 't Latijn vertaald door iemand die nog heiden was; reeds
ten tijde van Karel de Groote heeft men in Franse en Duitse kloosters
handschriften van de Latijnse vertelling gehad en in de volgende eeuwen
kan men de roman zich in talrijke nieuwe afschriften verder zien
verspreiden. In de 10de eeuw vinden wij de stof in Latijnse hexameters
bewerkt, later gaat die in de Latijnse verzameling van verhaaltjes, de
»Gesta Romanorum" over, en reeds in de 12de eeuw zijn er Provençaalse en
Franse bewerkingen geweest. De oude vertelling had allerlei romantiese
motieven in zich opgenomen, die in het Oost-Romeinse rijk aan het einde
van het klassieke tijdperk verbreid waren: Een koning staat in een
onnatuurlike verhouding tot zijn dochter en om de vrijers kwijt te
raken, legt hij hun een raadsel voor. De wijze en voorname Apollonius
lost het raadsel op. Maar daar dat juist een bekentenis van de
bloedschande inhoudt, wordt hij, verre van de hand der prinses te
krijgen, meer dan ooit door de koning vervolgd. Hij moet uit Tyrus
vluchten, zwerft op de Aegeïsche zee rond, trouwt met een andere
koningsdochter, bij wie hij een dochter krijgt. De familie raakt door
een storm op zee van elkaar en alle drie hebben de merkwaardigste
avonturen te doorstaan. De dochter komt in een bordeel terecht, maar
zij weet haar kuisheid en onschuld te bewaren, de echtgenoote wordt
priesteres in een tempel, Apollonius zwerft oud en droevig om op zoek
naar vrouw en dochter die hij dan ook eindelik vindt en herkent. Al deze
in die tijd zeer bekende motieven heeft de oude schrijver samengeweven
om ze als grondslag te gebruiken voor uitvoerige schilderingen in de
trant der Sophisten en rhetoren: nu eens een storm op zee en een overval
door zeerovers, dan eens hoffeesten en godsdienstige ceremoniën; hier
horen wij van een jongeling, die van liefde verteert, daar van een
meisje dat door tranen of roerende smeekbeden een barbaar vertedert
die haar kuisheid belaagt,--vol van lange redeneringen en klachten,
vertwijfeling en herkenningsscènes.

Men begrijpt welk een enorme aantrekkingskracht zulk een roman had
voor de Middeleeuwse geestelikheid. De afwisselende, avontuurlike
gebeurtenissen te land en te water; de verschillende zinnen-prikkelende
onderwerpen--bloedschande en bordeelscènes--; de medelijden-verwekkende
ellende, roerend verdriet en aandoenlike vreugde; bewonderenswaardige
kristelike deugd, door boosheid vervolgd. In stof zowel als in geest was
er daarin veel dat verwant was aan de kristelike legenden. En bovendien
voerde die roman de lezers in de gehele antieke civilisatie in: de
omgang in de kringen van een koningshof zowel als de gehele geestelike
habitus van de optredenden, hun manier van zijn en van spreken, wees op
een oude hoogstaande kultuur.

Uit die van alle kanten toestromende stof poogden ten slotte de
geesteliken zelfstandige romans samen te stellen. Een zeer merkwaardige
vertelling in Latijnse hexameters, in de 11de eeuw geschreven door
een Beiers geestelike, is ons in fragmenten overgeleverd. »Ruodlieb"
verhaalt van een aankomende ridder die de wereld in trekt, en bij een
bezoek aan een koning twaalf raadgevingen mede krijgt, en het vervolg
van de geschiedenis toont nu hoe nuttig die waren en hoe alles misloopt
als ze niet opgevolgd worden. Het idee van die raad die door een hele
reeks avonturen zijn goed recht toont, stamt duidelik uit het Oosten,
waar die meer dan eens in de literatuur te vinden is; dat is juist een
van die echt-Oosterse handige manieren om verschillende geschiedenissen
tot één geheel samen te binden en levensregels in te prenten. Ook veel
van die enkele raadgevingen en vertellingen die ze illustreren, schijnen
van Oosterse oorsprong. Vanwege het exotiese-vreemde heeft de schrijver
een gedeelte van de handeling naar het koninkrijk Afrika verlegd en waar
hij kan, brengt hij de kennis aan de man die hij uit 't een of ander
medies-natuurkundig compendium geput heeft, over merkwaardige dieren of
planten. Maar vooral is hij in aanraking gekomen met de ridderwereld en
hij weet ook op de een of andere manier iets van het Zuid-Italiaanse
of Arabiese of het Byzantijnse hof, want midden in de realistiese
schildering van het naieve Beierse adelike leven der 11de eeuw, vinden
wij niet weinig trekjes van fijne »hoofse" manieren die duidelik
als voorbeeld opgesteld worden voor het publiek, tot hetwelk de
schrijver zich richt. Daar worden hoffeesten geschilderd met prachtige
klederdrachten en juwelen, de ceremoniële ontvangst der gezanten en
banketten. Na de maaltijd gaan de dames en de jonge ridders in de
slottuin naar de vogels kijken die de dames eten geven. Dan vraagt
een der ridders om een harp en geeft een stuk ten beste, waarna het
gezelschap gaat dansen; »gelijk de valk in een kring om de zwaluw heen
zweeft, zo draait de ridder om haar heen met wie hij danst, maar als hij
dichter bij komt, ontwijkt zij haastig". Een ridder en een dame spelen
met de teerling om vingerringen,--feitelik, zegt de dichter, spelen
ze om zichzelf, en of ze winnen of verliezen, ze zijn toch allebei
even gelukkig. Zij verbergen niet langer voor elkander hoezeer zij
liefhebben. Als de moeder van het meisje het maar goed vond, zouden ze
nog dezelfde dag trouwen, maar de zeden eisen nu eenmaal dat zij nog wat
wachten. Maar de jonkvrouw kan zich nauweliks bedwingen.--Elders komt
de schets van een kokette voor die achter haar deugdzame schijn een
amourette met een geestelike verbergt; zij meent een ridder in haar
netten te kunnen vangen, maar hij stelt haar brutaal te leur en aan de
kaak.

Ruodlieb zelf is het ideaal van een jonge man. Zijn dapperheid wordt
niet spesiaal op de voorgrond gesteld--ook dit wijst er op hoezeer 't
werk door het Oosten en door de geestelikheid geïnspireerd is--maar wel
zijn vroomheid, zijn goedheid en zijn beminnelike manieren. Schoon en
innig wordt zijn thuis en de verhouding tot zijn moeder geschilderd
(zijn vader is dood) en tot de ondergeschikten. Roerend is b.v. het
afscheid,--de moeder gaat hem op de verandah na staan kijken, maar
tracht haar tranen voor de dienstboden te verbergen, de knechts klimmen
op de muur om de vertrekkende nog zo lang mogelik te zien; zwaar om
het hart trekt hij zelf weg. Gevoelvol is ook in een reeks details de
terugkomst geschilderd: de knecht die in de kerseboom geklommen is om te
zien of hij nog niet komt,--de moeder die voor hem uithaalt en hem op de
erezetel wil doen plaats nemen, wat hij met de eerbied van een zoon van
zich af schuift, en dergelike trekjes meer.

Ruodlieb toont veel meer dan enig ander dokument hoezeer de geestelike
Latijnse vertellingsliteratuur de voorbode was der 12de eeuwse
ridderromans en die voorbereidde; in de tijd van de Otto's kenden
bovendien zo veel Duitse edelen Latijn dat Ruodlieb misschien ook wel
als lektuur berekend was voor de wereld der voorname leken.--



X.

DE ROMANTIEK DER KRUISTOCHTEN.


De kruistochten waren het die in de 12de eeuw 't meest op de voorgrond
traden. De gehele maatschappij en het gehele geestesleven droegen er de
stempel van: die stroom van mensen uit alle klassen der samenleving, die
een eeuw of anderhalve eeuw lang, uit Europa naar het Oosten trokken,
hetzij als een georganiseerd leger, hetzij in grote of kleine scharen
van pelgrims. En die kruistochten betekenden een grote verheffing van
het zelfbewustzijn dier tijden. Nadat de mensheid eeuwenlang moedeloos
door eigen ellende naar de oude goede tijd terug hadden gekeken,
voelden zij nu met vreugde dat er iets groots en iets nieuws in hun
leven gekomen was, en de wereld in nieuwe banen geleid werd. Zelfs in
die tijd, »nu de wereld oud geworden is",--zo laten de kroniekschrijvers
van de eerste kruistocht zich uit--zelfs nu is het gebleken dat er
dingen gebeuren die »evengoed de moeite van het horen waard zijn als
in de oudheid"--die zelfs »veel belangrijker zijn, en de mensheid tot
groter eer, dan die zuiver wereldlike oorlogen van vroeger", ja! »sedert
de schepping van de wereld en het mysterium van het kruis is er niets
gebeurd dat met deze tocht vergeleken kon worden, die een werk Gods was,
en niet van de mensen".

Een machtige beweging grijpt alle gemoederen, de gehele maatschappij.
Overal breekt men af, alles komt op losse schroeven te staan. Wanneer de
burchtheer een verre reis onderneemt, wordt op menig kasteel het land
verpand, of het gaat al vast aan de erfgenamen over of wordt aan een
voorlopige bestuurder overgedragen, de vazallenband wordt opgeheven,
huweliken worden ontbonden en de vrouwen naar het klooster gezonden, of
de vrouw die alleen achterblijft vergeet haar man en neemt een ander,
zo goed als hij op zijn tochten genoeg los vrouwvolk vindt. Ook bij
het volk lopen genoeg dwepers rond die het opstoken; ze trekken weg,
in scharen, man, vrouw en kinderen, de dorpen met elkaar, en als
sprinkhanen valt het volk in zwermen ergens anders op aan. Alle wegen
zijn vol soldaten en pelgrims, allerlei mensen vullen de herbergen die
propvol zijn, op schepen en in karavanen pakken ze zich samen, een
mengelmoes van de beste en de slechtste elementen der maatschappij
met de ergste misdadigers erbij, stromen allemaal naar het Oosten. Het
afscheid van huis legt een pathos in vele gemoederen, dat ons nog uit
de gevoelvolle liederen te gemoet klinkt waarin Provençaalse, Franse
en Duitse ridders hun kastelen en goederen, vrouw en kinderen en al hun
ondergeschikten een afscheid toe roepen; hun heimweezuchten van uit het
Oosten of van op de zee; de verlangens der achtergebleven vrouwen naar
hun »Seigneur". Elke avond luiden de kerkklokken om de thuisgeblevenen
tot het gebed op te roepen, voor hen die »over de zee" waren getrokken;
»ik zing," zo klaagt de Vrouwe van Fayel, »om mijn ziek gemoed te
versterken, opdat ik niet sterve of krankzinnig worde van verdriet,
wanneer ik niemand uit het heidense land terug zie keren, waar _hij_
is, die mijn hart doet kloppen, wanneer ik hem maar hoor noemen," en
het refrein luidt: »God, wanneer ze roepen: op ten strijd!, help dan de
pelgrims, want voor hem ben ik bevreesd; de Saracenen zijn zo wreed."
Maar, »op ten strijd! ginds over de zee,--oltrée!" klonk het refrein
van de kruistocht-marseillaise die te land en te water de scharen
achter zich aantrok. »O, kruis des Heilands, gij zijt onze mast op deze
Wereld-zee," zongen de pelgrims. »God de Heer zelf is onze Veerman, de
goede werken zijn het touwwerk en het geloof het zeil, de Heilige Geest
is de wind die ons op de rechte weg brengt en het Hemelrijk het Tehuis
waar wij zullen landen!" Allerlei onuitsprekelike narigheid en ellende
staan ze te land en op zee uit. Alle soorten van besmettelike ziekten
als pest maken hunne rijen dun, als vliegen sterven zij in hopen van
honger, en er lopen vreselike geschiedenissen van pelgrims die het
leven er in moesten houden door menschenvlees te eten; op zee maken de
zeerovers in hun galejen jacht op ze als gulzige haaien, en voeren velen
in slavernij weg; in de woestijnen van Syrië worden ze met aanvallen der
Bedouïnen bedreigd en door wilde dieren.--Wie kent de geschiedenis niet
van Godfried van Bouillon, hoe die helemaal alleen met een vreselike
beer moest vechten, en van Boudewijn die half door bloedzuigers
opgegeten werd. Maar alles is vergeten wanneer ze zo gelukkig zijn hun
doel te bereiken en ze de Heilige Plaatsen kunnen kussen, waar de voet
des Heren getreden heeft, als ze aan het Heilige Graf kunnen bidden en
water uit de Jordaan mee naar huis kunnen nemen. En de gehele atmosfeer
daarginds is voor de gelovigen in hun verbeelding van mirakelen vervuld.
Al de relikwieën die de bedevaartgangers vinden--van de heilige lans
van Longinus tot een doorn uit Kristi kroon of een druppel van zijn
bloed;--al de hemelse maar ook duivelse openbaringen waarmede de
kruistochten gepaard gaan. Plotseling komen b.v. witte ruiters het in
't nauw gebrachte leger der Kristenen ter hulp, of wel bezoekt Satan in
de gelijkenis van een slang 's nachts het leger der kruisvaarders.

Hand in hand hiermede gaat de gehele woeste strijdlust die de Europese
soldatesca op de Saraceense »honden" botviert, nu er voor hen thuis geen
plaats meer is. Met groot genoegen snijden de heren op de kruistochten
de gevangene Turken de neus en lippen af en zenden die als trofeeën aan
de Griekse keizer en toen Jerusalem ingenomen was, vlood het bloed door
alle straten en werden overal in alle kerken de mensen vermoord. En
gulzig wierp die roofgierigheid zich over alle rijke landen, »laat
ons dapper voor Kristus strijden," roept een deelnemer aan de eerste
kruistocht uit, »indien God het wil, worden wij allen rijk." Nu men dom
genoeg geweest was zich door de Griekse Keizer voor de gek te laten
houden, in plaats van Byzantium te nemen en te plunderen,--waar de
zanger der kruistochten zich eigelik hevig over ergert--nu zouden de
kamelen der Beduïnen of het huisraad en de kostbaarheden in de marmeren
paleizen het des te meer moeten ontgelden. Onder de schitterende
Oosterse zon is de kleurenpracht in de natuur zo wel als in de steden
verblindend en de gehele atmosfeer van het Oosten verwekelikt en
prikkelt alle zinnen tot genot; meer dan één ridder liet zich vangen
door de Oosterse schoonheid der Saraceense vrouwen en hun ervaren
liefdekunstjes. En al het Oosters-fantastiese waar men tot nu toe in
Europa slechts een echo van kende, dat ontvouwde zich nu vlak voor de
oogen der kruisvaarders. Hyena's en luipaarden, topazen en smaragden
met hun zeldzame toverkracht, de automatiese en mechaniese kunstwerken
waarmede de Saracenen hun woningen versierden--dat alles waar zij
thuis slechts over gehoord hadden, zagen ze nu met hun eigen ogen.
Nog vreemder waren de dingen, waar ze daar ginds over hoorden van de
landen nog meer naar het Oosten, maar waar ze zelf niet kwamen--over
het mystiese nieuwe rijk van Babylon, waar de Griekse keizer gezanten
heen heette gezonden te hebben, over het land van de »Aartspriester
Johannes", nog verder Azië in, en over het Aardse Paradijs in Indië met
al zijn rijkdom en merkwaardigheden. Een brief die de Griekse keizer van
die mystiese »Aartspriester" gekregen moest hebben en die in talrijke
afschriften over Europa verspreid werd, vertelde van de wonderen in zijn
paleis, over het graf van de Apostel dat in de lucht zweefde en over de
»fontein der verjonging". En op de tapijten die de kruisvaarders van
Syrië en Byzantium mede naar huis brachten, en die weldra overal in 't
Westen de altaren der kerken en de muren der zalen versierden, gloeiden
gele olifanten met groene snuiten de toeschouwers van een dieprode grond
tegemoet, of pelikanen die hun borst aan 't bloeden pikten om hun jongen
te voeden. Van die tapijten gingen draken en griffioenen en gevleugelde
leeuwen en alle mystiese fabeldieren van het Oosten weldra op de
portalen en de kapitelen der Romaanse kerken over.

Bij hun thuiskomst werden de kruisvaarders en pelgrims niet moe van te
vertellen, en de thuisgeblevenen konden nooit genoeg te horen krijgen.
Toen graaf Guillaume van Poitou van zijn mislukte tocht thuis gekomen
was, trok hij van slot tot slot in Zuid-Frankrijk rond en maakte zich
interessant door van zijn gevechten met de dieren van de woestijn te
zingen en te vertellen hoe hij in zijn gevangenschap daar ginds de
bewondering van alle ongelovigen had opgewekt. Ook graaf Bohemund van
Tarente trok zo rond en terwijl hij troepen aanwierf voor een nieuwe
expeditie, vertelde hij met de nodige fantasie van zijn heldendaden en
zijn avontuur met de dochter van de sultan, die op hem verliefd werd
en hem uit zijn gevangenschap bevrijdde. Jarl Ragnvald kwam met zijn
mannen, na hun kruistocht, op de Orkney-eilanden en vertelde: eerst van
de vrolike dagen te Narbonne waar de gravin Ermengarde de flinke mannen
uit het Noorden zo gastvrij ontvangen had; toen, hoe zij aan de kust
van Sicilië een enorm groot Saraceense Dromund (oorlogsschip) getroffen
hadden, dat door een reus van een neger gekommandeerd werd, en dat zo
vol was met goud en zilver, dat, toen het schip verbrandde, er een
gloeiende stroom van metaal het water in stroomde; verder over de
belegering van Askalon, het plezierige leven dat de kruisvaarders
te Byzantium geleid hadden; enz. Over alles werden de teruggekeerden
uitgevraagd en alles wat zij vertelden werd met huid en haar verslonden.
»Zeg mij nu, meester Trougemunt," heet het in een Duits lied (en
Trougemunt betekent de zeer bereisde, die vreemde talen kent), »twee en
zeventig landen kent gij; welke vogel heeft geen tong, en welke vogel
zoogt er zijn jongen?"... en op alle vragen heeft Trougemunt een
antwoord klaar, dat hij telkens met de trotse woorden inleidt: »Die
gij daar vraagt, dat is een man, die goed bescheid u geven kan."

En een hele literatuur van kronieken en reisverhalen schiet uit die
kruistochten op; de tijd voelt zich zelf merkwaardig en de wereld groot
en interessant. De verhalen die de deelnemers aan de eerste kruistocht
zelf na hebben gelaten, maken nu nog een vrij betrouwbare, nuchtere
indruk. Wij hebben een dagboek van een gewone verstandige kapelaan
uit Noord-Frankrijk, op de tocht zelf geschreven, en een verslag
van een kwezelachtige, dwepende Provençaalse monnik; wij hebben ook
een heldendicht, of berijmde kroniek, »Het lied van Antiochia" dat
reisverhalen reproduceert en verloren liederen van een zanger die
op de kruistocht geweest is en die over het algemeen zijn avonturen
schildert met hetzelfde nuchtere gevoel voor de werkelikheid en de
zelfde strijdlustige wereldlikheid die men in de oude »chansons de
geste" aan kan treffen. Maar in de latere berichten uit de tweede en
derde hand overtreft de legendariese fantasie alles en de geest die de
kruistochten zelf eerst langzamerhand kweekte, laat op zijn beurt weer
zijn eigen licht en kleurenschakering op de kruistocht zelf terug
vallen. In de geestelike kronieken--bijvoorbeeld in die rommelkamer
voor allerlei overleveringen die Willem van Tyrus in zijn werk bij
elkaar bracht--wordt het geheel tot een mirakel; God zelf voert de hele
kruistocht aan en midden in de handeling staat de legaat van de Paus als
de plaatsvervanger van Kristus; en terwijl de monniksfantasie de meest
fantastiese leugens over de wereld der Mahomedanen op elkaar stapelt,
schildert hij de kruisvaarders allemaal als even heilig-vroom en
eendrachtig in de liefde. In het bizonder wordt Godfried, koning van
Jerusalem, helemaal door de geestelike overlevering in bezit genomen en
wordt hij tot het type van wat zij een echt kristelik ridder noemen.
Zijn afstamming is in wonderen gehuld--hij stamt van de mystiese
zwaanridder af, de kiem van de Lohengrin-figuur,--dromen voorspiegelen
zijn toekomstige koningswaardigheid en zijn ganse jeugd wijdt hem voor
zijn missie. »In wapenrusting als in hertogsdos was hij een heilige
monnik."

En feitelik werd de Frankiese leenstaat die daar ginds in het heilige
land ingericht werd tot een soort geestelik koninkrijk en een kristelike
ridderstaat,--het beloofde land niet alleen voor het ridderwezen,
waar alles op oorlog en op oorlog alleen aangewezen was, en waarde
feodale maatschappij zich in een zuiverder en meer aristocratiese vorm
ontwikkelde, dan ergens elders in Europa, maar ook voor de Klerus zelf,
waar de gehele geest ìn en ìn kristelik was. Hier had eerst het echte
huwelik plaats van de ridderwereld met de geestelikheid--door de
oprichting van de geestelike ridderorden, de zwarte Johannieters, de
hospitaal-broeders, wier hoofdzetel mysties ontoegankelijk boven op
een berg in Syrië lag--een machtig gebouwencomplex, »welks reusachtige
pilaren en torens bestemd schijnen om het hemelgewelf te schragen"--of
nog meer de aristokratiese tempelheren in hun witte kleêren met het
rode kruis, de beschermers der pelgrims, wier residentie de »Tempel
van Salomo" zelf was. Deze geestelik gewijde ridders die in kuisheid
leefden, in een eeuwige strijd voor de Kerk en voor de zwakken en de
vrouwen, werden de ideale helden der bewegingen voor de kruistochten.

Maar op de meer wereldlike gemene man werkten de kruistochten juist
in volkomen tegenovergestelde richting. Bij elke mislukte kruistocht
komt de terugslag in de vorm van een plotselinge en sterke val in de
godsdienstige temperatuur. Het bleek telkens weer dat het gloeiendste
geloof, de kerkelike inwijding, de wonderen Gods en de hulp van de hemel
de keten van de natuurlike oorzaken toch niet konden breken en het
onmogelike mogelik maken; het waren andere, natuurlike wetten die de
zegepraal of de nederlaag bestemden. De scepsis der teleurstelling
tegenover het bovennatuurlike breidt zich in vele kringen uit--bij de
troubadours zijn wij die reeds tegengekomen--en tegelijkertijd neemt de
belangstelling toe voor die grote nieuwe werkelikheid die zich voor de
blik geopend had. De werkelike avontuurlike wonderen nemen alle attentie
in beslag, in plaats van het hiernamaals. Menigeen trekt nog als
pelgrim uit, maar schrijft bij zijn terugkomst reisverhalen, kronieken,
natuurhistoriese werken, of dicht romantiese vertellingen. En de
kennismaking met de Saracenen en hun hogere beschaving, gaf een hevige
slag aan alle vooroordelen die de geestelikheid zo fanaties bij de
Kristenen had trachten wortel te doen schieten. Die afgodendienaars
waren, met hun geloof in één onzichtbare God, veel zuiverder
Monotheisten en stonden veel verder van de afgoderij, dan de kristenen
met hun heiligen- en relikwieën-cultus. En die trouweloze bloedhonden
bleken niet alleen veel eleganter en ridderliker te zijn dan de
kristen-baronnen, maar in hun praktiese mensenliefde--die de hospitalen
en herbergen duidelik genoeg deden uitkomen--, in hun grotere
verdraagzaamheid, hun rechtvaardigheidsgevoel en hun vorstelike
grootmoedigheid, kwam een Nureddin of Saladin al heel gauw voor vele
kristen-ridders meer of minder bewust, als een schitterend voorbeeld
ter nabootsing te staan. Ginds in die Frankiese Staten van Palaestina
en Konstantinopel had er een vermenging plaats, een »commercium et
connubium" tussen kristenen en ongelovigen of Grieken, die op Europa
terugsloeg en in vele adelskringen en onder de kooplieden vormde zich
onbewust een zuiver humane moraal van menselikheid, ridderlikheid en
eer, die uit de voogdijschap der kerk weggleed. Meer als iemand anders,
werden de strijders der kerk, de tempelheren zelf, zo als bekend is
door die >skepsis< en het humanitarisme aangegrepen die daar in het
kristelike Oosten in de lucht lagen. En thuis komt een emancipatie van
de kerk duidelik te voorschijn in de nieuwe ridderpoëzie, waarin het
weldra even goed mode wordt om tegen de vrome huichelarij en de
zwartrokken te velde te trekken als om de »edele Saracenen" en »le
courtois Saladin" te prijzen.

Voorlopig zijn het nu de oude »chansons de geste" en in Duitsland de
oude nationale heldensagen die daardoor gemoderniseerd en aktueel
gemaakt worden, doordat er allerlei kruistocht-motieven ingevlochten
worden. Reeds vóór de eigelike kruistocht hadden de pelgrimstochten en
de verbindingen met Byzantium het vermakelik avontuurlike epos in de
wereld gebracht dat »Karel de Grote's reis naar Jerusalem" heet. Daarin
trekt Keizer Karel met zijn Paladijnen op reis om te zien of Keizer Hugo
van Konstantinopel werkelik een machtiger en prachtiger vorst is dan
hij zelf. Eerst komen zij te Jerusalem waar men hen voor Jesus en zijn
twaalf apostelen houdt; God doet wonderen voor hen en de patriarch
schenkt Karel heilige relikwieën; daarop trekken ze naar het Griekse
keizerhof, waar de Franken de hovelingen door hun optreden imponeren en
nog meer wanneer ze werkelik trachten uit te voeren wat ze voor de grap
en in dronkenschap hebben gepocht dat ze doen konden,--en het eindigt
dáármede dat Karel en zijn helden in glans en glorie naar huis trekken,
nu hun superioriteit zo duidelik gebleken is. Nu in de 12de eeuw wordt
een avontuurlike tocht naar de even avontuurlike landen der ongelovigen
een geliefkoosd en het meest aktuele tema voor de heldendichten. Zo
wordt Karel de Grote b.v. als jonge koningszoon door zijn onechte
broeders op zij gezet en vlucht naar de koning der Saracenen te Toledo,
door wie hij tot ridder geslagen wordt, waar hij heldendaden uitvoert en
Galienne, koningsdochter en tovenares, op hem verliefd wordt. Huon van
Bordeaux wordt door de Franse koning op een gevaarlike reis naar Babylon
gestuurd: daar moet hij het kasteel van de »Amiraal" binnendringen, voor
diens ogen een zijner mannen neervellen, diens dochter drie kussen geven
en verder de baard van de admiraal afknippen en die met drie van zijn
kiezen naar het Franse hof brengen,--wat hij alles weet uit te voeren
met de hulp van de Wonderhoorn van de kleine Alfenkoning, Oberon, zowel
als van de heidense koningsdochter met wie hij, na vele beproevingen
doorstaan te hebben, naar huis trekt. Even amusant en romanties
vertellen een hele reeks Duitse speelmans-gedichten, die in de 12de eeuw
aan het Beierse hof werden voorgedragen, van de tochten naar het Oosten
van de Duitse vorsten: Koning Rother die de dochter van Keizer
Constantinus schaakt--door een list wordt zij hem ontroofd, maar hij
krijgt haar terug; Koning Orendel die van Trier naar Jerusalem zeilt om
de koningin daar het hof te maken en die na een lange Odyssee en hevige
gevechten met de heidenen, ten slotte met de hulp van hemelse mirakelen
zijn tocht gelukkig ten einde brengt; Hertog Ernst die naar het land
der Kraanvogelmensen komt en dat der dwergen, naar de Leverzee en de
Magneetberg; de kruisvaarder Graaf Rudolf, die met de andere Franken
twist krijgt en dan naar de Saracenen overloopt en die onder allerlei
zware beproevingen in aandoenlike trouw door een Saraceense begeleid
wordt die hem liefheeft en zich ten slotte laat dopen om dan met hem te
trouwen. Deze laatste vertelling is uit het Frans en heeft duidelik een
gelijktijdige historiese gebeurtenis ten grondslag, maar anders zijn
vele van deze gedichten oude Germaanse sagen over een gevaarlike tocht
van een held om een vrouw te zoeken, alleen gemoderniseerd door ze in de
atmosfeer der kruistochten over te planten.

Zo ontstaan er in de tijden der kruistochten allerlei liederen en
geschiedenissen in alle talen van een echtgenoot die lang buitenslands
geweest is en reeds voor dood wordt versleten, maar die dan juist
terug komt de dag waarop zijn vrouw met een ander bruiloft houdt. Dit
patetiese motief is blijkbaar een weerspiegeling van een werkelike
gebeurtenis; maar meer dan eens zal het ook het oude motief zijn van
iemand die uit het dodenrijk terugkeert, dat nu een werkelikheidskleed
aangetrokken heeft en in de atmosfeer der kruistochten gelokaliseerd is.
Daar hoort b.v. het Anglo-Franse heldengedicht van Horn en Rimel bij,
de Engelse roman van »Koning Horn", de Duitse sagen en gedichten van
»der edle Möringer" en het Deense volkslied van Hendrik van Brunswijk.
Ook het omgekeerde motief heeft zich dikwels genoeg gedurende de
kruistochten voorgedaan: de echtgenoot die in het Oosten een Saraceense
gehuwd heeft b.v. uit dankbaarheid dat zij hem uit de gevangenschap
verlost heeft, en die haar nu naar zijn burcht brengt, waar de vrouw--in
elk geval in de geschiedenis van Baron v. Gleichen en zijn twee
vrouwen--er grootmoedig in toestemt haar man met haar te delen.--

Dit is nu de direkte werking van die romantiek, maar de ridderromantiek
wortelt ook dieper in de tijden der kruistochten. Een der deelnemers
vertelt hoe het leger der kruisvaarders door Syrië trok: Fransen,
Vlamingen, Beieren, mannen uit Bretanje en Provence, Engelsen, Schotten,
Italianen, Spanjaarden en Grieken. »Als een Brit of een Duitser zich tot
mij wendde, verstond ik hem niet en kon ik hem niet antwoorden. Ons
verdeelde de verscheidenheid van de talen, maar de liefde tot God en
onze naasten schiep weer broederschap tussen ons." En zo is de gehele
tijd der kruistochten zulk een elkaar ontmoeten der volkeren, en der
verschillende kulturen. In het Anglo-Normandiese rijk dat Willem de
Veroveraar en zijn opvolgers aan beide zijden van het Kanaal geschapen
hadden, komen Fransen en Angelsaksen en Britten samen en leren elkaars
kultuur kennen. Noord- en Zuid-Frankrijk ontdekken en verrijken elkander
in dat opzicht. Byzantium en het gehele Oosten van de landen van de
Islam openen zich voor goed voor West-Europa. En juist dan is het ook
dat de geesteliken ijverig de bijbel en de legendenschat tot volkspoëzie
omwerken, terwijl bovendien de nieuwe scholen en de kruistochten de
klassieke literatuur voor meer dan één ontsluiten. Al die bonte stof
die de tijd van alle kanten in zich opneemt, wordt met de stevigste
appetijt opgenomen en ingezogen. Wij lezen van een Vlaams graaf, wiens
grote genot was zich te omgeven met mensen »die hem sprookjes en sagen
vertelden en verhalen uit de oude tijd deden. Als zijn vertrouwde vriend
naar wien hij graag luisterde, had hij een oude ridder bij zich, Robert
de Coutances, die hem vermaakte door wat hij over de Romeinse Keizers
wist te vertellen en over Karel de Grote, over Roland en Olivier en
Arthur, de Koning van Brittanië; verder Philip van Montjardin, die hem
van de verovering van Jeruzalem vertelde en de belegering van Antiochië
en de gebeurtenissen in het Oosten, en zijn neef Gautier de Cluse,
die Engelse geschiedenissen kende, die van Gormund en Isembart en van
Tristan en Isolde en van Merlijn en van Marcolf." En in de dichterlike
fantasie dier tijden voeren al die bonte voorstellingen een grote
heksensabbat op. Zo men de romantiese geestestoestand--in tegenstelling
met de klassiek-harmoniese--beschrijven kan als een, waarin de rijkdom
der stof en zijn menigvuldigheid de eenheid der ziel in tweeën splijt,
dan is de mentaliteit van de 12de eeuw meer romanties dan die van alle
andere tijden. De gehele nieuwe stof en de nieuwe gevoelstonen, die uit
de meest verschillende tijden en kulturen zich daar over uit storten,
smelten in gelukkige ogenblikken werkelik samen--het antieke en
het kristelike, het Oosterse en het Keltiese--tot nieuwe levende
fantasie-gewrochten, nieuwe, vreemde, gemengde gevoelens, maar nog meer
worden er zo slechts disparate elementen overal vandaan tot barokke
alliages samengesmolten of schilderachtig-bont naast elkaar geplaatst.
Hector gebruikt het schild van Samson en heeft de helm van Arthur op,
zijn zwaard is gesmeed door Wieland en gehard door »Heer Vulcanus".
Moet iemand geprezen worden, dan is hij altijd sterk gelijk een Samson,
schoon gelijk Absalon, wijs als Salomo, mild als Alexander, prachtig als
koning Arthur, en een tovenaar als Virgilius of Merlijn. Tydeus--een
van de »Zeven voor Thebe"--is waardiger de kroon te dragen dan
Nebukadnezar, en de oude Otto, de raadgever van de Thebanenkoning, is
een neef van Plato.

En verder: zo, in tegenstelling met de helder de zaken beschouwende,
rustige, kalme klassieke geestesrichting, de romantiese geestestoestand
beschreven kan worden als een toestand van innerlike onrust en spanning:
een opgeschrikte, opgehitste fantasie, een sterk gespannen, golvend
gevoel van verwachting, twijfel, ontbering, verlangen, dan is het
bewustzijn van de tijd der kruistochten romantieser dan dat van enige
andere tijd. Voor de rondtrekkende troubadour en de ridder op een
kruistocht, voor de leeslustige geestelike of voor de Vlaamse graaf,
waar wij juist van hoorden, moest de wereld zich in wijde, vage
horizonten aftekenen, in schemerend, onzeker half-licht,--verwondering
wekkende en verwachting, verlangen en wensen, voorgevoelens en
dromen. Alles wat vreemd was, stond als in een afstand-mist maar ook
afstand-glans, men trachtte er bij te komen, maar kwam er maar half
bij, poogde het te vatten en vatte toch maar de helft. Een geestelike
probeert zich tot de hogere beschavings-sfeer van Virgilius en diens
personen op te heffen, wil fijn zijn en waardig en klassiek, maar
wordt slechts pedant, geaffekteerd en gekunsteld, en plotseling, in
een onbewaakt ogenblik, waar de dichter natuurlik is en zich zelf,
verraadt hij opeens op de vermakelikste manier het naïeve en ruwe
kultuurstandpunt van zich zelf en zijn publiek. Een ander haalt Keltiese
sagen en mythen voor den dag of roept de antieke goden en godinnen op;
maar Diana is een jagende vorstin, Echo een koningsdochter, Argus een
honderd-ogige reus, aan wie een koning de taak op draagt een koe te
bewaken, terwijl een ander die zeer op de hoogte is van de muziek graag
de koe zou willen hebben... en evenzo wordt het Keltiese land des doods,
waar de koningin door de Doodsgod heen gevoerd is, slechts als een
naburig rijk opgevat, welks koning haar geschaakt heeft. Maar toch--dat
naburig rijk heet »het land waar men nooit uit weer keert" en een zekere
mist of glans van iets bovennatuurliks, ligt er voor de dichter over
Keltiese zowel als antieke mythen; hij voelt dat er iets anders
achter en onder steekt, dat alle gebeurtenissen en personen en namen
een dubbele betekenis hebben, een wijder perspektief, waar ze op
uitkijken--wat de toehoorders dikwels ook tegenover onze heldenliederen
gevoeld hebben als die van Sivard en Brynhilde, en van Ribolt en
Guldborg.

Dat tweeledige en dat perspektief--die afstand welke slechts het
verlangen opwekt en de barokke disharmonie tussen stof en behandeling,
voorbeeld en navolging--geheel die menigvuldigheid van voorstellingen
en tonen... dit alles is het juist wat uitgedrukt wordt door het woord:
Romantiek.--



XI.

DE ALEXANDER-ROMANS.


Heel natuurlik werden de figuur en de geschiedenis van Alexander de
Grote het eerste dat tot ridderromans omgewerkt werd. De geesteliken
hadden reeds lang Latijnse ridderromans gekend en nu begon de wereld der
kruistochten om verschillende redenen voor de avontuurlike tochten van
Alexander belangstelling te voelen en die te begrijpen.

Van de oudheid af had die belangstelling al bestaan--de ene generatie
na de andere had die bewonderd en zich er over verbaasd en hadden die
romans de verbeeldingskracht voedsel en vleugels gegeven. Bij de
geschiedschrijvers der oudheid--Plutarchus, Arrianus, Diodorus,
Justinus, Curtius--treedt ons, zo al niet de historiese Alexander
tegemoet, (wie weet hoe _die_ er uitgezien heeft?), dan toch het
volkomen ontwikkelde schitterende beeld van de grote held: de lieveling
der goden, met alle eigenschappen om de mensen voor zich te winnen en
te beheersen--schoon, dapper, welsprekend, beminnelik; opgevoed door
niemand meer of minder dan Aristoteles, de grootste wijsgeer van heel
Griekenland,--flink om zichzelf te beheersen, met een blik op de mensen
en de regeerkunst; en ten slotte gedreven door jeugdige drang tot
handelen, en een onverzadigbare eergierigheid. Als een echte leerling
van de mannen van Odysseus, offert Alexander te Memphis aan Apis en laat
zich in de Ammons tempel als de zoon van een God begroeten; als een
Grieks filosoof gooit hij voor de ogen van de van dorst versmachtende
soldaten de beker met water in het zand der woestijn ledig, en drinkt
hij de medicijnbeker uit terwijl hij zijn vriend Philippus de brief
overhandigde die de zaak aangaf. Maar: Alexander's missie in de historie
was juist om aan het eigelike antieke een einde te maken; in de Griekse
rijken smolten het Oosten, Aegypte en Griekenland tot een gemengde
kultuur samen; en daarin is het dat het slechts in zo geringe mate
antieke beeld van het leven en de figuur van Alexander zich gevormd
heeft, dat tot de Middeleeuwen kwam en met zulk een entoesiasme werd
ontvangen. Te Alexandrië ontstond ongeveer 200 jaar n. C., half
op de geschiedenis, half op Oosterse sagen gebaseerd, de zogenaamde
pseudo-Callisthenes, een levensbeschrijving van Alexander, aan
Callisthenes toegeschreven, die, met enige zogenaamde brieven
van Alexander aan zijn moeder en Aristoteles, het uitgangspunt
werd--grotendeels door een Latijns uittreksel van Julius Valerius--voor
een rijke middeleeuwse Alexander-literatuur, eerst in 't Latijn, toen in
het Provençaals, toen in 't Frans en Duits en daarna in vele Europese
talen.

In het beeld dat de middeleeuwen op die wijze ontvingen, waren trekken
van een fijne, nobele kultuur, vermengd met de laatste half Oosterse
sterk-fantastiese producten der oudheid. Voor de Aegyptiese schrijver
van de biografie van Callisthenes is Alexander niet een zoon van koning
Philippus maar van Nektanebus, een Aegypties tovenaar, die de laatste
uit het geslacht was van de oude koningen en halfgoden. In de gedaante
van de God Ammon is Nektanebus bij de Koningin Olympias gekomen en heeft
door zijn toverkunst ook koning Philip kunnen doen gelooven dat diens
gemalin door een God zwanger is geworden. Allerlei wonderen gebeuren er
bij de geboorte van Alexander. Nektanebus wordt een van de opvoeders van
de knaap, maar deze doodt hem wanneer hij te weten komt dat het zijn
vader was. Verder zijn Zeuxis en vooral ook Aristoteles de leraars van
Alexander. Hij wordt in de »zeven liberale kunsten" onderwezen en wint
een ieder voor zich, door zijn verstand en zijn beminnelikheid, hij is
vooral zo vrijgevig dat zijn ouders en leraars het bedenkelik beginnen
te vinden. Na het wilde paard Bucephalus getemd en afgericht te hebben,
trekt de jongen met permissie van zijn vader naar de Olympiese spelen.
Daar hoont een andere vorst hem en spuugt zelfs naar hem; met kalme
zelfbeheersing verdraagt de jongeling eerst de belediging, maar wreekt
zich door hem onder de spelen ter aarde te vellen. Als hij thuis komt,
hoort hij dat zijn vader Olympias verstoten heeft en op 't punt staat
met een ander bruiloft te vieren, Alexander ijlt de feestzaal binnen,
geeft zijn vader een bittere en scherpe terechtwijzing en dwingt hem
zijn echtgenote weer in haar oude waardigheid te herstellen.

Zo luidt de geschiedenis van Alexander's jeugd. In de middeleeuwen
krijgt die een andere kleur en vorm,--met trekken van het baronachtige,
het ridderlike en het fantastiese. Nog vrijwel in de antieke atmosfeer
bleef de Zuid-Italiaanse priester die ongeveer 1000 jaar n. C. een
bewerking van de stof gaf in Latijnse proza: »de Proeliis". In de
11de eeuw was er een geleerd geestelike, Albéric de Briançon, die een
Provençaals gedicht schreef met Julius Valerius als bron, maar die nu en
dan ook de echte klassieke historici er ter vergelijking bijhaalde: zijn
doel is asketies: de geschiedenis van Alexander te schilderen als een
groot bewijs voor de waarheid van het woord van de Prediker: »Alles
is ijdelheid", maar hij schijnt--slechts een klein fragment is er van
over--de oude verhalen toch veelal in de toon der heldenpoëzie gestemd
te hebben. Maar geheel in de stijl en het rhytme daarvan wordt Albéric's
gedicht in de 12de eeuw overgebracht in een Noord-Franse bewerking uit
de grensstreken tussen Noord- en Zuid-Frankrijk. En tegelijk duikt het
ook aan de overzijde van de Rijn op, toen een priester Lamprecht uit
Keulen of omstreken, het in Duitse verzen weergaf en het tot een hele
roman uitwerkte. Bij Lamprecht begint het hoofse element reeds hier en
daar de ongeneerde baronnen-poëzie op zijde te dringen. Maar geheel
en al in de geest der riddertijd is de bewerking die het gedicht van
Lamprecht tegen het einde der eeuw onderging, en nog meer is dit het
geval met een grote Noord-Franse Alexanderroman, welks oudste deel van
Lambert le Tort is, maar waarvan de laatste versie (ongeveer 1185) wordt
toegeschreven aan Alexander van Bernay of van Parijs.--

IJverig protesteren die middeleeuwse baronnen- en riddergedichten er
tegen dat Alexander een onecht kind zou zijn, een spruit van een
heksenmeester--»gelijk enkele troubadours beweerd hebben"--; neen! zo
iets moge waar zijn van een Merlijn of de boze graven van Anjou, maar
Alexander was voorzeker van echte koninklike stam! En een echte »fils de
baron" is de knaap dan ook van zijn wieg af. Zijn ene oog is blauw als
dat van de draak, zijn andere zwart als dat van de griffioen, de borst
van een min is hem niet genoeg,--de vrouw van een ridder moet hem
met een gouden lepel voeden,--en hij vliegt op als men hem aanraakt;
als hij opgroeit, wil hij alleen edele ridders om zich heen hebben
en verwaardigt zich niet een schildknaap of mindere aan te kijken. In
latere versies is het nog meer het welopgevoede kind van een edelman
dat op de voorgrond geschoven wordt: de knaap is »gentile" en glimlacht
vriendelik tegen een ieder die hem aanspreekt. Zijn opvoeding is die van
een middeleeuws vorstenzoon. Hij wordt in de wapenen geoefend, in de
rechtspleging volgens alle vormen van het leenrecht, in goede manieren
en gedrag. Dertig gravenzonen die op de zelfde dag als de prins geboren
zijn, worden met hem opgevoed en blijven zijn lijfwacht vormen--men
vergelijke het boek der Macchabaeën I, 7. Met grote animo en zeer
levendig wordt verteld hoe hij Bucephalus inrijdt en temt,--het paard
heet met de nodige fantasie een kruising tussen een oliefant en een
drommedaris. Tot grote schrik van iedereen rijdt de prins het getemde
dier de slotstrap op, de zaal in, dwars over alle tafels en banken, dan
stijgt hij er af, geeft het paard aan een stalknecht over en vraagt zijn
vader hem tot ridder te slaan--hem zelf zo wel als zijn volgelingen.
Uitvoerig worden de middeleeuwse ceremonieën bij deze handeling
geschilderd. Eerst moeten de jonge mannen baden; als men heel natuurlik
water binnen wil brengen, verklaart Alexander »mannelik" dat zij alleen
maar in de zee willen baden. Terwijl de jonge mannen in het water
rondspartelen, laat de koningin de nieuwe kleeren naar 't strand
brengen--die speelden toen de zelfde rol als nu bij de aanneming,--en
tegelijk daarmee zendt de koning de paarden en wapenen daarheen. Toen
had gij--barst de zanger uit--die massa's van hermelijnen pelsen eens
moeten zien, van zijden stoffen, van marterbont, gezadelde paarden
en wapenrustingen. De koningin is zelf gekomen om naar de badenden
te kijken,--zij heeft een baldakijn boven het hoofd om zich tegen de
warmte te beschutten--en naderhand geven de kamerdienaars Alexander's
volgelingen hun klederen aan, maar de koningin zelf trekt die haar
zoon aan. Eerst een hemd zonder naad en uit één stuk, (als de rok van
Kristus),--uit Engeland was dat over Friesland aan koning Philippus
gezonden--die beschermd tegen wonden en hete wellust,--gelijk ascetiese
haren hemden en de »helm" waar sommigen mede geboren heten. Daaroverheen
krijgt hij een zijden kleed dat vervaardigd is door feeën in een bos
bij Babylon en dat hem door een tovenaar gebracht is; wanneer men dat
aanheeft, voelt men noch warmte noch kou. Daarna legt zijn moeder hem
een hermelijnen mantel over de schouders met een rand van pantervel;
als men die aan heeft, krijgt men nooit wit haar. En zo nog andere
kledingstukken met allerlei wonderbare eigenschappen. Nadat zij gekleed
zijn, slaat koning Philippus al die jonge lieden tot ridders en geeft
hun wapenen. Het zwaard van Alexander is door een fee van koningin
Penthesilea gebracht, zijn harnas is van Arabies goud, de helm is van
Cornwall--in zijn tijd heeft koning Arthur die opgehad; het schild is
door koning Salomo gezonden,--dat is nog van Samson geweest. Nu gaan de
nieuwe ridders onder het oog van de dames ridderoefeningen houden; die
zitten de schone jonge prins te bewonderen en zeggen tegen elkaar: »Als
hij en ik bij elkaar lagen, zou ik hem niets kunnen weigeren." Eindelik
roepen de herauten hen aan tafel en de ridders laten zich dat niet twee
keer zeggen; Alexander komt vlak tegenover zijn moeder te zitten die
niet laten kan hem aan te zitten kijken.

De scène met de Olympiese spelen waar de antieke berichten nu van
vertellen, kunnen de Middeleeuwen niet begrijpen, Alexander's
glimlachende zelfbeheersching bij de bespotting door een vreemde vorst,
kunnen ze ook niet bewonderen. In plaats daarvan komt dan ook een oorlog
die met een scène uit een echte »Chauson de geste" begint. Boodschappers
van een vreemde koning komen de zaal binnen, waar Koning Philip hof
houdt, en eisen overmoedig de betaling van een schatting. Terwijl
men radeloos in de zaal zit te kijken, springt Alexander op, weigert
brutaalweg de schatting te betalen en zendt de mannen terug met een
uitdaging. Gelijk in de Franse heldendichten gaat hij op tafel staan
om mannen aan te werven en, »gelijk een edele ridder" laat hij, door
het gehele rijk, het geld van woekeraars en allen die zich verrijkt
hebben opeisen, om daarmede de ridders te kunnen wapenen; op raad van
Aristoteles omringt hij zich verder, op 't voorbeeld van Karel de Grote,
met 12 pairs. Geheel en al in de trant van de oude heldengedichten
worden nu de oorlog en de slagen geschilderd: ze rijden er op Arabiese
paarden, de banier waait boven het leger, de werpspiesen vallen dicht
als de Mei-regen, »daar had gij menig schild in stukken kunnen zien, en
menige gebarsten helm en rusting." In een tweegevecht velt ten slotte
Alexander de vreemde koning. Later hoort hij vertellen van de rijke
stad Athene, die zo goed door haar »baronnen" bewaakt wordt, dat die
onneembaar geacht wordt; terstond besluit de eergierige prins naar
die stad op te trekken. Maar het bericht dat zijn vader op nieuw in 't
huwelik wil treden, roept hem ijlings naar huis. Het komt tot een hevige
scène in de grote zaal waar de bruiloft gevierd wordt, maar als Koning
Philip, verbitterd, zijn zoon een zwaard in de zijde wil stoten,
struikelt hij en wordt gewond, waarop Alexander hem in zijn armen
opneemt, hem op een bed legt, en hem door zijn verwijten en door hem
zacht toe te spreken er toe brengt zich met Alexander's moeder te
verzoenen. Er is hier iets veel brutalers en tegelijkertijd iets veel
sentimentelers dan bij de corresponderende scène in de antieke bronnen.

Kort daarna sterft koning Philippus en nu trekt Alexander als koning
op zijn grote veroveringen en ontdekkingsreis uit. Hierover hadden
de Oosters-antieke berichten al veel te vertellen. Ten eerste over
Alexander's snuggerheid en slimheid. Hoe kalm en geestig wijst hij de
overmoedige spottende brieven van de koning der Barbaren en diens gaven
niet terug; hoe hij vermomd de stad van de Persiese koning binnendringt
om daar te verspieden en zich zelfs bij hem aan tafel weet in te
dringen, maar hoe hij zich door die schitterende pracht volstrekt niet
laat verblinden,--kalm steekt hij de gouden beker, die hem voorgehouden
wordt, bij zich, met de woorden, dat zulks de gewoonte is bij Alexander
van Macedonië. Dan over zijn grootmoedigheid en zijn beminnelikheid. Hij
behandelt de moeder en de echtgenote van de koning van Perzië zeer goed
en neemt Roxana, de dochter tot vrouw. Vreedzaam bezoekt hij het land
der Amazonen en die betalen hem schatting. Na Porus, de koning der
Indiërs overwonnen en geveld te hebben, voert hij in alle vormen een
briefwisseling met diens schoondochter Candace, die hem geschenken doet
toekomen en in 't geheim zelfs zijn portret laat schilderen. Alexander
komt er later toe haar hulp te verlenen tegen de vijand, en daar hij
de dood van Porus op zijn geweten heeft, durft hij zich niet anders
dan vermomd naar diens rijk op reis begeven, waar hij zo de residentie
van de koningin bezoekt; maar zij herkent hem door zijn portret, doch
verraadt hem niet aan haar hovelingen en ontvangt hem vriendelik. Overal
is Alexander de dappere krijgsman, maar nog meer de verstandige, slimme
veldheer en nog 't allermeest de geestige, galante, edelmoedige vorst.

Maar ook is hij de personificatie van de onverzadigbare drang naar
onderzoek en de onverschrokken lust naar avonturen. Wat de ouden in hun
wildste fantasie voor vreemds hadden wensen te zien, is in de tochten
van Alexander verpersoonlikt. Dieper en dieper dringt het leger Azië
binnen en de wonderen worden steeds groter. Daar zijn allerlei
merkwaardige mensen en dieren; b.v. de ichthyofagi, een bron waarin men
dode vissen dompelt waarop ze weer levend worden, eilanden in de zee die
plotseling duiken en zo enorme vissen blijken te zijn, sprekende bomen
op de zon en de maan. Op een berg, door een muur van saphir omgeven,
komen Alexander en zijn mannen in een prachtige tempel, waar allerlei
vreemde dingen te zien zijn: een karbonkel verlicht de ruimte, een vogel
uit een gouden kooi roept hun waarschuwende woorden tegen, op een
vergulden ligbank rust een in zijde gekleed persoon met een gesluierd
gezicht. Niettegenstaande de waarschuwingen wil Alexander de vogel en de
karbonkel grijpen, maar nu begint de man op de rustbank zich te bewegen,
en terwijl Alexander steeds nog kalm zijn verschrikte volgelingen
uitnodigt plaats te nemen en te gaan eten en drinken, barst er nu op
eens een verschrikkelik onweer los en hoort men een hels lawaai van
fluiten en pauken en cymbalen,--de gehele berg begint te roken en
ijlings vluchten allen. Alexander daalt zelf in een glazen klok op
de bodem van de zee neer om de diepte na te sporen en hij laat een
vernuftig mechanisme maken waardoor hij zich met behulp van gebonden
griffioenen in de lucht op kan heffen om de hoogte te onderzoeken.

Dit was nu alles natuurlik net iets voor de Middeleeuwen. Maar reeds
aan het einde van de oudheid was een asceties-religieuze opvatting
op de voorgrond gekomen, voor welke die gehele geschiedenis van
Alexander niets anders was dan één groot voorbeeld van menselike
onverzadigbaarheid, ijdele eergierigheid en verwaande nieuwsgierigheid.
Met de gymnosophisten van Indië, boedhistiese filosofen, behandelt
Alexander diepzinnige vraagstukken als de kwestie welke van de twee er
eerder was: de nacht of de dag, en of er meer levenden zijn dan doden
of omgekeerd. Voor hen die in Maja en in het Nirwana geloofden, is
Alexander slechts de wereldse ijdelheid en begeerte die tot niets
leiden. En deze opvatting gaat ook op de middeleeuwse geestelikheid
over. Evenals Caesar in talrijke middeleeuwse verzen van zijn graf uit
spreekt en er de mensheid aan herinnert dat hij zich nu met een klein
plekje aarde moet vergenoegen en een steen, hij, voor wie de gehele
wereld in zijn leven niet groot genoeg was, zo vlocht de monniksgeest
episoden in de Alexander-gedichten in, die aan de parabelen van
de Talmud en het Oosten waren ontleend en die als »memento mori"
waarschuwende woorden tot de veroveraar der wereld moesten spreken.
Wanneer hij van zijn expeditie naar de bodem van de zee terugkomt, is
hij in ernstige overpeinzingen verzonken. Ook daar, bij de vissen,
heeft hij gezien dat de groten de kleinen opeten, en ook daar zitten
begeerlikheid en hebzucht aan het roer en zijn de wortel van alle kwaad.
Een andermaal hoort hij een boer van een bron vertellen die wijsheid
verleent, maar hij die begerig is, moet er niet van drinken, want voor
zo iemand wordt die een vergift dat krankzinnig maakt. Alexander beveelt
de boer terstond hem naar die bron te brengen. Op weg daarheen komen
zij voorbij een landgoed, waarover de boer vertelt dat de verkoper,
een arme edelman en de koper, een burger, in edelmoedigheid met elkaar
schijnen te wedijveren, daar geen van tweeën zich een schat van 100 ton
gouds wil toeëigenen, die men daarop begraven heeft gevonden. »Die man
is gewoon gek, die burger," roept Alexander uit, »in zijn plaats zou ik
er geen dukaat van terug gegeven hebben." Waarop de boer zegt dat hij
Alexander dan niet durft raden uit die bron te drinken en werkelik
vloeit er dan ook, als ze naderbij komen, bloed uit in plaats van
water.--Ergens anders lezen zij dat het leger van Alexander bij een
enorm gesloten kasteel komt, niets meer of minder dan het aardse
paradijs. Een paar van zijn mannen kloppen aan en eisen uit naam van
Alexander het betalen van een schatting. Nadat zij lang zijn blijven
kloppen, wordt er een klein luikje open gedaan en geeft een oud man hun
daardoor een steen, waarin een mensenoog gegrift staat. Een oude Jood
verklaart daarop aan Alexander dat die steen zo zwaar is dat al het goud
der wereld er niet tegen opweegt; maar wanneer men slechts het oog met
een weinig slijk bedekt, wordt de steen heel licht. Dat is een simbool
van het menselik oog dat door al het goud der wereld niet verzadigd
wordt, maar welks begerigheid pas niet meer opgewekt wordt, wanneer het
onder de aarde ligt. De eerste van die parabels is uit het Arabies, de
tweede uit de Talmud.

Ofschoon, de ridderlike opvatting laat zich aan Oosterse wijsheid weinig
gelegen liggen. Die houdt zich aan Alexander als hij uitroept: »ons erf
is, onder het hemelblauw, de hele aard, wat mij zo pijnlik treft en
mij zo zeer bezwaart, is dat de wereld werd gebouwd op al te eng een
rots,--God schiep te klein de aard voor mannentrots." Of aan het schone
antwoord dat de Macedoniese koning de gymnosofisten geeft, wanneer die
hem vragen waarom hij zo heen en weer trekt, ofschoon hij toch gelijk
alle andere mensen sterven moet: »Dat wordt slechts door de hoogste
voorzienigheid bestuurd, en wij zijn haar dienaren, die uit moeten
voeren wat die beveelt; de zee komt niet in beweging tenzij de wind er
over heen strijkt. Ik zou gaarne willen rusten, maar Hij die mijn geest
bestuurt, laat dat mij niet toe,"--het antwoord van een heldengeest op
de bezwaren van de burgerlikheid, die Tegnèr zo prachtig beschreven
heeft in zijn gedicht over »Alexander aan de Hydaspes". En door zijn
gehele optreden protesteert Alexander ook tegen de geestelike
beschuldigingen van onverzadelike hebzucht. Porus biedt Alexander
schatten als hij, Porus, zijn rijk terug krijgt; in de antieke bronnen
neemt Alexander het goud aan, maar in de Franse ridderroman geeft hij
Porus zijn rijk voor niets terug. »Een begerig man kan nooit een rijk
veroveren, hij zal integendeel kwijt raken wat hij heeft. Indien mijne
volkeren mij lief hebben, is het vanwege mijn vrijgevigheid. Ik geef
allen wat zij hebben willen." Alexander is alleen daarom onverzadelik in
het nemen, omdat het geven een passie voor hem is geworden. Hij wordt
het voorbeeld in de middeleeuwen, van ridderlike, vorstelike »largesse".
Reeds toen hij 11 jaar oud was bedolf hij de groten des rijks zo zeer
onder zijn geschenken, dat ze zijn vader kwamen waarschuwen: »Indien hij
Heer was over de gehele wereld, zou hij die binnen 14 dagen weg geven."
Waar hij ook komt, overal deelt hij uit, rechts en links, dikwels geeft
hij zo ook het land dat hij veroverd heeft terug. Aan een jongleur die
zijn eigen liederen op de fluit akkompagneert, geeft hij een gehele stad
ten geschenke,--een antiek motief waaraan een geheel nieuwe wending
gegeven is; een andere keer schenkt hij een ridder die een kleinigheid
vraagt, een geheel land, en wanneer de ander, geheel en al in de war,
zegt dat hij liever geld en kleeren wil hebben, voegt Alexander hem
verachtelik toe: »Ik ken u niet, en het hart in uw lijf niet,--maar
zo zijn nu de geschenken welke de koning van Macedonië geeft"; (vgl.
Seneca: De Beneficiis, II, 16). Eens komt een Aziaties »baron" klagen
dat hij door zijn leenheer verongelijkt is; dadelik trekt Alexander
daarheen, hoewel zijn weg daar niet langs liep en verschaft hem recht;
een andere keer, als hij een stad veroverd heeft, laat hij zich
bewegen,--hij is immers de »bloem der hoofsheid"--door de tranen van de
schone gevangen hertogsdochter, als hij merkt hoe haar blik voortdurend
op een der mannelike gevangenen blijft rusten, ondervraagt hij ze beiden
en wanneer hij hoort dat zij elkaar trouw liefhebben, schenkt hij hun de
vrijheid en geeft een feest bij hun huwelik.

Want gelanterie tegen de vrouwen hoort meer dan iets anders tot zijn
ridderlike vorstendeugden. Het erotiese element neemt hoe langer hoe
groter plaats in. In de episode met Candace die Alexander's portret
laat maken en die door hem incognito bezocht wordt, was in de antieke
versie dat element in 't geheel niet aanwezig, daar vond men niets dan
galanterie en grootmoedigheid van twee vijanden tegenover elkaar. Maar
in de middeleeuwse roman is zij op Alexander verliefd geworden door de
roem die er van hem uitstraalde en als hij haar bezoekt, biedt zij hem
zelf onverholen dadelik haar liefde aan, die hij dan ook volop te
genieten krijgt. Met veel détails schilderen die romans dan ook het
bezoek in het land der Amazonen. Allerliefst is hoe de koningin het
leger van Alexander twee maagden tegemoet zendt, Flore en Beauté, met
geschenken en beloften van hulde. Koket gekleed--de tedere huid is door
het open kleed te zien--trekken ze op weg en zingen onder het rijden een
lied van de schone jongeling die zijn eigen schaduw in het water zag
en van verlangen daarnaar verteerde; zij komen twee van Alexander's
baronnen tegen en vragen die met hen mede naar 't kamp te willen gaan.
Onder veel plichtplegingen leiden de ridders hun paarden bij de teugels,
eerst stribbelen de jonge meisjes een beetje tegen, maar zij laten zich
toch al heel gauw een kusje ontstelen, en wanneer zij hun boodschap bij
Alexander verricht hebben--hij komplimenteert o. a. hun koningin over
de verstandige zet om zulke schone gezanten af te vaardigen--vragen de
ridders verlof aan Alexander, met de twee jonkvrouwen te mogen trouwen,
die daar meer dan bereid toe zijn. Later komt de koningin der Amazonen
zelf op bezoek, en Alexander ontvangt haar met veel praal; zij en haar
vrouwen voeren allerlei gymnastiese spelen uit en zij werpt haar
overkleed af om haar lichaam onder het spel beter te laten uitkomen.

De drang naar avonturen en de lust naar ontdekkingen brengen Alexander
meer en meer oostwaarts en hoe verder hij daarheen doordringt, des
te merkwaardiger dingen krijgt hij te zien. Wat over die tocht van
Alexander het nodige licht werpt en het een nieuwe glans bijzet, is het
verlangen als in de tijden der kruistochten naar het Oosten. Talrijke
merkwaardigheden die de kruisvaarders bij de Saracenen gezien hebben
of waar ze over hebben horen spreken, worden nu gebruikt om aan de
beschrijving van Alexander's tochten lokale kleur bij te zetten.
Bijvoorbeeld de grote prachtig versierde tenten die de Saracenen
gebruikten en die nog in onze dagen tot de luxe-voorwerpen van het
Oosten behoren; de kruisvaarders hadden er meer dan een zo veroverd en
Europese vorsten kregen die wel van Oosterse prinsen ten geschenke.
Of fraaie grafmonumenten, kostbaar van buiten zo wel als van binnen
versierd, met eeuwig brandende lampen, die door magneten vrij in de
grafkamer blijven zweven en dergelijke dingen meer,--dit kan iets
geweest zijn wat de kruisvaarders zich nog van antieke en Oosterse
grafmonumenten herinnerden of--een echo van de vele verhalen die over
het graf van de profeet in Mekka liepen. Tenslotte allerlei mechaniese
kunstwerken, die in het keizerlik paleis te Byzantium of in de paleizen
der Saracenen-vorsten zulk een indruk op de reizigers gemaakt hadden.
Kronieken en sagen vloeien over van de gedetailleerde beschrijvingen
daarvan. Reeds Haroen al Rashid moet Karel de Grote automatiese
speelwerken gezonden hebben; in het paleis der Kalifen te Bagdad was
een gouden boom te zien met zingende metalen vogels; om die boom heen
voerden automatiese ruiters toernooien op, en van die zelfde kracht
was het kunst en vliegwerk aan het hof van Byzantium, zo als dat
in gedichten en kronieken beschreven staat. En dit alles komt ook
overal in de Alexander-romans voor. Beschrijvingen van fantastiese
natuurmerkwaardigheden, waar men op de kruistochten kennis mede had
gemaakt, werden ook in de verhalen die daarover al in de oude bronnen te
vinden waren, ingevlochten. Evenals de kruisvaarders, werd het leger van
Alexander, wanneer het zich des avonds om de vuren bij een bron in de
woestijn had nedergeslagen, plotseling gealarmeerd door het bericht dat
alle dieren der woestijn daar hun dorst kwamen lessen, en in grote
scharen kwamen ze dan aanzetten, witte leeuwen, schorpioenen en andere.
Of wel hoort het leger plotseling in de duisternis tot zijn grote schrik
als een tromgeroffel boven hen--dat zijn de vleugelslagen van grote
scharen gieren of andere roofvogels. Ook aan de Keltiese sagen hebben
de Alexander-romans blijkbaar fantastiese trekken ontleend. Wij worden
altans sterk aan de Bretonse romans herinnerd, wanneer het leger over
»le tertre avantureux" trekt, waar de dapperen lafaards worden, en de
laffen moedig, of door een betoverd dal waar niemand zijn weg door en
uit kan vinden, totdat ze eindelik na allerlei toverkunsten, door een
duivel geholpen worden, die Alexander onder een steen vandaan haalt,
waar hij gevangen zit.

Maar het verst naar het Oosten zijn de schoonste wonderen te
vinden--daar ginds aan de uiterste rand van de aarde, waar men van
de bergen van Indië uit de zee-ring kan zien die de aarde omgeeft.
Hier vindt men de zonne- en maan-bomen die Alexander zijn spoedige
dood voorspellen. Hier is de »fontein der verjonging",--»fontaine de
Jouvence",--die waarover de Priester Johannes ook spreekt in zijn brief
aan de Griekse keizer; dat is een zij-rivier van een der stromen in het
Paradijs. Alexander en zijn mannen baden zich daar in en krijgen dan
hun jeugd terug. Hier, in 't Oosten, zijn ook de merkwaardigste bossen
te vinden, van welker gekruide lucht de mensen leven en waarin de
mandragora en andere wonderplanten groeien. Daaruit klinkt Alexander en
zijn mannen zulk een wonderbaarlik schoon gezang tegemoet, dat zij al
hun smart en bekommernis vergeten, »alles wat hun van kindsbeen af voor
kwaads overkomen is" en zij ontdekken daar in 't bos de aanvalligste
meisjes die daar lachend onder de bomen spelen. Dat zijn bosnymfen die
in 't voorjaar uit de knoppen van de bomen ontstaan, doch alleen maar
onder de schaduw der bomen kunnen leven,--zeker wel een Oosterse sage.
Het leger slaat zich in dat bos neer en de soldaten van Alexander kiezen
elk zulk een nymf uit die zij zich tot vrouw nemen en zo leven zij in
vreugde en genot. Maar als dan het najaar komt en de bloemen verwelken
en de bladeren vallen,--dan verteren ook,--smartelijk als het is om aan
te zien--de lieve kleine wezentjes en sterven ze. Verdrietig trekken de
soldaten verder.

Als een ideaal van vorstelike grootmoedigheid en drang naar ridderlike
avonturen bleef die figuur van Alexander voor de gehele fantasie der
Middeleeuwen leven en zijn leven werd steeds weer in rijmkronieken,
romans en volksboeken beschreven. En van de tijd der kruistochten over
Marco Polo tot Columbus toe, is het Indië uit de Alexander-literatuur
dat de schrijvers voorzweeft als het aardse paradijs en het doelwit van
aller reisverlangens; nog nà de ontdekking van Amerika zocht men in
Florida naar de »fontaine de Jouvence".



XII.

ROMANTIES-KLASSIEKE LITERATUUR.


Alexander--dat was half middeleeuws, half Oosters-antiek werk. De
oudheid zelf was, zoals wij gezien hebben, voor de fantasie der
Middeleeuwen nooit geheel dood geweest. De grote massa had van munten en
ivoorwerk en andere kleinodiën, van half vergane beelden en reliëfs een
wazige voorstelling van Griekse goden en Romeinse keizers en de fantasie
der studerende klerken was vervuld van een bonte menigte barokke beelden
van de Griekse mythenwereld en Romeinse geschiedenis. Maar vooral stond
men toch onder de invloed van de dekadente, vervallen oudheid; er waren
half-barbaarse triomfbogen en sarkofagen uit de latere keizertijd over
en bovendien had men mythografen en de lexicografen en de florilegia
uit de rhetoren-scholen die in 't bizonder bestudeerd werden. De Griekse
oudheid--Homerus zowel als de treurspeldichters--lag helemaal buiten
hun gezichtseinder; de schrijvers der Latijnse Gouden Eeuw--misschien
zelfs Ovidius en Virgilius--werden meest in latere prosa-bewerkingen
of uittreksels gelezen en in de nationalistiese interpretaties der
grammatici was Uranus tot een koninklike sterrekundige geworden, Medusa
tot een Libyse vorstin en Aeolus tot een weerprofeet en uitvinder van de
zeilen op de schepen. Reeds lang hadden zich hier en daar geesteliken
geamuseerd met een episode uit Ovidius of Virgilius in Latijnse
verzen te behandelen, maar van omstreeks het jaar 1100 af brengen
de rondtrekkende scholieren en halfgestudeerde speellieden talrijke
voorstellingen uit de oudheid in omloop. Aan de hoven zong men of
vertelde men van Narcissus en van Orfeus, of de geschiedenis van Dido
en Aeneas; dergelijke verhalen worden nu ook overal in de geestelike
romans ingevlochten. Enkele van die berijmde vertellingen naar Ovidius
zijn in 't Frans en Engels tot ons gekomen; ook nog fragmenten van
komplete vertalingen in het Frans en Duits van Ovidius' »Metamorphoses".
In de »Gesta Romanorum", een Latijnse verzameling van kleine
prozavertellingen, en de vele bewerkingen daarvan in de volkstaal van
verschillende landen, vinden we ook nog verschillende motieven van
Ovidius en Livius terug.

Het is een geromantiseerde klassieke literatuur--barok ingekleed,
grillig en vreemd--soms erg nuchter en zonder enig begrip er van, in
huiselike middeleeuwse toestanden omgezet, soms daarentegen door vrome
geesteliken tot in een ideale sfeer opgeheven of door de fantasie der
speellieden tot het niveau van de gewoonste avontuurtjes teruggebracht.

Eerst zijn er dan hele massa's goden en godinnen. Men raakt de kluts
bij al die namen gemakkelik kwijt: Apollo en Apelles, Cybele en Sibylle
zijn licht te verwarren; sommigen dachten eigelik, zoals b.v. de
kerkvaders, dat zij duivels waren,--zo werd er b.v. gezegd dat Apollo
door de Saracenen aangebeden en vereerd werd, even goed als Mahomed en
Tervagaunt en al die andere duivelse goden van hen--maar anderen
beweerden dat Apollo een speelman geweest was, die ook een uitstekend
jager was en de mensen à raison van zoveel de toekomst voorspelde.
Tovenaars en boze wezens waren het in elk geval; men moest maar eens bij
Meester Ovidius lezen, hoe Jupiter zich in alle gedaanten om kon toveren
en wat een hoereerder en Sodomiet hij was. Maar het was toch maar het
beste op goede voet met hen te staan, daar wist Paulus van mee te
spreken, toen de hele familie uit de Olympus met hun rijke gaven aan
kwam zetten,--Apollo met apoteek-zalf, Ceres met een massa zakken koren,
Pallas met een hele vracht boeken.

Dan was er al die andere hekserij en duivelskunsten, waar de klerken der
oudheid van wisten te vertellen. Waternymfen zoals die ook in Bretagne
voorkwamen; zeemeerminnen en sirenen die »een lied zingen dat musica
heet, en dat de schippers in 't verderf stort"; de kleine duivel Spin
(d. w. z. Sfinks) die alle mensen in de afgrond wierp, welke zijn
raadsels niet konden oplossen; de tovenaar Virgilius die even ervaren
was in de zwarte kunst als Merlijn bij de Britten, en allerlei snuggere
mechanismen op 't Capitool te Rome aanbracht ter bescherming van het
Romeinse rijk. Toverij moet er ook geschuild hebben, dacht de trouvère,
in die geschiedenis van een vorst die een witte koe bezat die zulke
heerlike melk gaf en die hij door een man met honderd ogen liet bewaken,
of in het verhaal van de koningsdochter Ariadne, wier vrijers allemaal
naar een grote tuin gebracht werden, die zodanig ingericht was dat
niemand er weer uit wist te komen, terwijl er nog een lelik beest van
een leeuw ook in huis hield. Maar 't alleraardigste in al die klassieke
feeënverhalen was dat van koning Orpheus wiens koningin Heurodis naar 't
onderaardse feeënrijk van Pluto weggevoerd was. Wanhopend trekt Orpheus
weg en leeft als een wildeman alleen in 't bos: alleen zijn harp heeft
hij meegenomen en alle wilde dieren komen naar hem luisteren als hij
daar op speelt. Dikwels ziet hij daar in de stilte van het bos de
Alfenkoning op jacht met zijn gehele gevolg en onder de vrolike dames
daaronder ontdekt hij op een zekere dag zijn geroofde vrouw. In zijn
speelmanskleedij gaat hij met de stoet mede door een opening in de berg
naar het prachtige slot van de Alfenkoning en dààr speelt Orpheus zó
schoon voor de koning en het hof dat hij permissie kreeg zijn Heurodis
weer naar zijn eigen koninkrijk mede te nemen. (De Engelse Sir Orfeo
naar een verloren Frans _lai_.)

Even als nu de ridderverhalen uit zijn eigen tijd tekenden zich voor
de trouvère al die mooie aandoenlike liefdesgeschiedenissen af, waar
Ovidius van vertelde,--van Prinses Atalante die met haar vrijers een
wedloop aanging en hoe een arm ridder die won omdat hij een rozenkrans,
een zijden ceintuur en een gouden bal bij zich had gestoken die hij
onderweg liet vallen; van Pyramus en Thisbe die niettegenstaande »die
huote" (de bewakers) in het groene bos elkaar zouden ontmoeten, maar zo
ongelukkig om het leven kwamen, maar vooral de schone geschiedenis van
Narcissus: dat was een allerheerlikste jonge man, met haar, zo verguld
dat een jonkvrouw het als gouddraad had kunnen gebruiken om mede te
borduren, en met een mond die alle vrouwen een »kus mij" scheen toe te
roepen, en ogen die reeds menige jonkvrouw gewond moesten hebben. De
vorstendochter zit aan het raam in haar vaders slot en wordt door Amor's
pijl verwond wanneer hij voorbij komt; slapeloos wentelt zij zich op
haar sponde heen en weer, zodat zij haar kamenier moet roepen om 't bed
over te maken, de volgende dag gaat zij in 't bos wandelen, en ontmoet
daar de ridder en bekent hem stamelend en blozend haar liefde,--alleen
om door de hardvochtige jongeling uitgelachen te worden. Maar de straf
van de God der liefde blijft niet uit. Als hij, vermoeid van de jacht,
zich bij een boom neer heeft gelegd, wordt hij door zijn eigen beeld
bekoord en versmacht van ongelukkige liefde; de vorstendochter komt de
stervende jongeling nog eens opzoeken,--met gebroken hart vindt men haar
later over 's jongelings lijk.

En zo zijn er nog zeer vele geschiedenissen. Maar tot gehele grote
romans zwollen de vertellingen op van de drie meest belangrijke
gebeurtenissen in de oudheid: de strijd om Thebe, waar Statius in zijn
heldendicht van had verteld, de stichting van het Romeinse rijk door
Aeneas waar Virgilius van had gezongen en de verovering van Troje waar
Dares en Dictys een betrouwbare schildering van gegeven hadden. Deze
romans werden in het midden van de 12de eeuw in Frankrijk geschreven,
ergens aan de kant van Anjou-Poitou.

       *       *       *       *       *

De twee epopeeën van Virgilius en Statius werden met ernst en ijverig
door de middeleeuwse literair-ontwikkelde geesteliken gelezen. Vooral
Virgilius was reeds van de laatste jaren der oudheid het Latijns
leesboek bij uitnemendheid voor alle scholen geweest, elke regel van de
Aeneis werd literair en uit een grammaties oogpunt verklaard; op het
toneel en in natuurschilderingen en geweven behangsels werden Dido en
Aeneas roerend afgebeeld en wat de Sofisten begonnen hadden, zetten de
middeleeuwse geesteliken voort: het gedicht werd allegories opgevat
en geïnterpreteerd. Zo was het vol van alle menselike wijsheid, als
een fabel symbolies aangeduid,--beweerde de kerk--en terwijl velen
in Virgilius de grote tovenaar en duizendkunstenaar zagen, en zijn
boek opsloegen om de voorspellingen er in, verklaarden anderen dat hij
Kristen was en verwezen daarvoor naar de bekende vierde Ecloga, waarin
de Mantuaan de zege van het kristendom voorspeld had. Zo werd ook
Statius tot een kristen gemaakt en de Thebaïde was niet minder beroemd
en alom bekend dan de Aeneide.

Maar als de twee Latijnse heldengedichten nu tot onderhoudende romans
voor ridders en hun dames omgewerkt worden, zet de schrijver de deftige
hexameters en de epiese kunststijl eerst en vooral in een gewone
verteltrant en in achtlettergrepige rijmkroniekverzen om, waardoor alles
in een meer flegmatiese toon gestemd wordt en tot een heel wat lagere
sfeer afdaalt. »Infandum regina, jubes renovare dolorem," wordt tot
»Vrouwe zegt hij, al mijn smarte wekt gij weer van harte." »Et hæc
meminisse juvabit" heet nu: »Eens zal het u vreugde schenken,--hier weer
aan terug te denken,--dan deelt gij dikwels vrolik mee, 't kwaad door U
geleên op zee." »Manet alta mente repostum--judicium Paridis spretæque
injuria formae," luidt: »Juno, de hemelkoningin,--voor hen met afgunst
in den zin, had een gevoel van grote haat, voor elk die kwam uit Troja's
staat, sinds Paris 't oordeel had gesproken,--moest zij op Troja's macht
gewroken." De machtige kaskaden van 't oude rhythme zijn tot een vulgair
kabbelen en babbelen geworden. Zo wordt ook de gehele inkleding van de
epiese stijl weggeworpen: de vergelijkingen, de epitheta en de andere
rhetoriese figuren. En daarmede gaat ook het gehele mythologiese
godenapparaat overboord, dat er ook bij de Romeinse kunstdichters
reeds heel losjes bij hing en geheel verdwenen moet zijn in de
proza-bewerkingen voor schoolgebruik die de Middeleeuwse dichters
waarschijnlik gekend hebben. Wanneer Fama naar koning Euander ijlt met
de boodschap van Pallas' dood, wordt dit in de vertaling dat de koning
mannen uitzendt om nieuws te horen waar zij mee naar huis moeten komen.
In plaats van Iris in Virgilius komen gewone spionnen, zelfs de rol
van Venus in de Aeneis wordt eigelik niet veel meer dan die van een
goedgezinde fee, en terwijl bij Virgilius Camilla een amazone is, die
de kunst van bovennatuurlike sport verstond, wordt zij hier een gewone
jonkvrouw uit de ridderwereld die paard rijdt en de wapens weet te
hanteren.

In 't algemeen ziet de Middeleeuwse dichter wat hij bij Virgilius en
Statius leest, in het licht van zijn eigen tijd en interpreteert hij de
woorden naar de betekenis die ze voor zijn eigen tijd hebben,--tekent
hij en kleurt hij alles volgens de opvattingen der tijdgenoten. Wanneer
hij van Thebe en Carthago leest, ziet hij de tinnen op de muren voor
zich, ophaalbruggen en torens op de stadspoorten die elk door een graaf
bewaakt worden. De tempels zijn voor hem gelijk Romaanse kerken, de
soldaten zijn ridders. Amphiareus wordt in zijn verbeelding tot een
aartsbisschop in helm en maliënkolder, gelijk Turpijn in het »Chanson
de Roland". Uitdrukkelik wordt hij met Turpijn vergeleken, gelijk Tydeus
met Roland, des morgens, wanneer de torenwachter op zijn horen blaast en
de nachtegalen in de pijnbomen slaan, komt Tydeus aangereden, kaarsrecht
zit hij op zijn paard uit Gascogne, met de lans recht naar boven, met
gulden sporen, met zijn zwaard dat Wieland gesmeed en meester Vulcanus
geslepen heeft,--precies als Roland voor zijn schare bij Roncevaux.
De Sibylle wordt een gerimpelde heks die de kunst van de »necromantie"
verstaat. Wanneer Ismene, de zuster van Eteokles haar geliefde verloren
heeft, gaat zij in een klooster en haar broeder verleent dat klooster
molens en het recht tot visserij in de rivieren die daar voorbij
vlieten. Nog meer wordt in de miniaturen der handschriften alles
gemoderniseerd. Wanneer de boodschapper bijv. bij Aeneas komt, treft
hij die aan het schaken.

In vele opzichten ging het dan ook zeer gemakkelik om de oude
heldenfeiten in de sfeer der »chansons de geste" over te
brengen,--vooral omdat het Romeinse kunst-epos een naïeve oude
sagawereld behandelde die in meer dan één punt op het zelfde
beschavings-niveau stond als de Franse heldendichten. Wanneer Oedipus
als de moordenaar van Laius diens weduwe nog met bloedige handen tracht
te verzoenen door haar te huwen, dan is dat een erg barbarisme voor de
zo zeer gekultiveerde dichter uit de Romeinse keizertijd, maar voor het
publiek van de Franse heldenpoëzie was het gewoon en natuurlik. Evenzo
dat de koning van Argos, de avond zelf van de aankomst der verbannen
vreemdelingen, zijn dochters in de zaal doet leiden en ze aan de gasten
ten huwelik biedt. Op zulke punten vonden de Franse trouvère en de
rhapsode van de oorspronkelike oude Griekse heldensage elkaar weer
achter de artistieke behandeling van Statius. Of wanneer Tydeus met de
gezanten voor Thebe komt en gewapend de zaal binnenrijdt, waar de koning
met zijn mannen zit te eten,--wanneer Tydeus hun daar zijn uitdaging
naar 't hoofd slingert, waarop ze elkaar over en weer met bedreigingen
overladen, en wanneer hij dan op de terugweg in een hinderlaag valt,
maar er zich dapper doorslaat,--dan is dit presies als het de afgezant
van Karel de Grote verging in een van de Franse heldendichten.

Maar toch is er genoeg nieuws en merkwaardigs dat de fantasie van
de Middeleeuwse dichter boeit. Feitelik leert hij van de antieke
kunst de wereld van buiten te schetsen en te schilderen. Terwijl de
oude kronieken droog waren en grauw en ook de heldendichten nog het
schilderachtige misten, leert nu de roman van Virgilius en Statius de
kunst van het beschrijven. Ofschoon,--zelfs nu vinden wij er nog geen
uitwerking in détails van gewone dagelikse dingen. Waar Virgilius
homeries schildert hoe de mannen van Aeneas vonken uit steen slaan, de
sintels in bladen bewaren enz., daar roept de trouvère alleen maar: »zij
legden een vuur aan en bereidden een maaltijd." Het elegies-romantiese
natuurgevoel van de stadsbewoner kent hij niet. Als Virgilius van de
sombere rotsen en schrikaanjagende bossen van de Libyse kust vertelt of
hoe de bladeren in 't najaar vallen en de kraanvogels voor 't vertrek
bijéén komen, laat de roman dit weg. Maar wel heeft die van Virgilius
en Statius geleerd de kleerdrachten en wapenrustingen te beschrijven,
een kamp of een storm op zee, offers in de tempel of gymnastiekspelen.
En dan tracht de schrijver alle beschrijvingen te overtreffen door
de pracht van zijn wapenen en tenten, grafmonumenten of kunst- en
vliegwerk,--presies als in de Alexanderroman. Op het kapitool van
Karthago worden van die zelfde toverwerken aangebracht die volgens de
»Mirabilia urbis Romae" op het kapitool van het oude Rome te vinden
waren; Karthago heeft magneten als muren--evenals er volgens de reizen
van Sindbad de zeeman, magneet-bergen (volgens de verhalen van een
Spaanse jood: glazen muren) om Damascus zijn. Men tracht Virgilius
te overtreffen bij het schilderen van de ongure détails van het
nederdalen in de hel, waarbij Charon tot een duivel wordt. Allerlei
natuur-merkwaardigheden worden er in gevoegd: uit het schuim op de bek
van Cerberus groeit een vergift, dat stiefmoeders aan hun stiefkinderen
geven. De mannen van Aeneas vangen kleine visjes waar ze rood purper uit
halen,--het zwarte purper krijgen ze daarentegen uit een slang die
krokodil heet, enz.

Evenals in de Alexanderromans, ontleent men ook trekken aan de
kruistochten om een Oosterse lokale kleur te scheppen. Meer dan een
episode is uit de kronieken en heldendichten over de kruistochten,
naar 't schijnt, overgenomen. Daarin vindt men b.v. zulk een verhaal
als van een troep oude grijze soldaten die op het kritiese ogenblik
in een gevecht de kruisvaarders ter hulp waren gesneld,--niemand wist
waar vandaan,--in de geestelike kronieken is het een hemelse heerschare
van in het wit geklede martelaars (»militum Christi cohors candida"
is immers de oude naam der martelaars), in het heldengedicht zijn het
alleen maar veteranen die hun witte baard over hun kolder hebben laten
vallen, zoals in de Chanson de Roland de oude krijgslieden van Karel de
Grote doen. Die hulp door oude grijze mannen vinden wij ook weer in de
»Zeven tegen Thebe" terug. Evenzo kan men in een episode van diezelfde
roman een vertelling uit de kruistocht herkennen van een der emirs
van Antiochië, wiens zoon door de Franken gevangen was genomen, maar
grootmoedig naar zijn vader terug gezonden wordt met rijke geschenken,
waarop deze tot dank de stad verraderlik aan Bohemund overgaf.

Maar het schelst komt het verschil van sfeer tussen het Latijnse epos en
de roman van de trouvères uit bij de behandeling van zielstoestanden.
Daar staat elegante kultuur tegenover naïeve natuur. Een jongeling die
met Ismene, de zuster des konings, verloofd is, wordt stervend uit de
slag naar huis gedragen en vraagt om nog slechts ééns, voor 't laatst,
zijn bruid te mogen zien. Bij de antieke dichter houdt een gevoel van
schaamte om haar liefde en smart op straat te tonen, de jonge vorstelike
maagd in haar vertwijfeling terug; haar moeder moet haar dwingen zich
naar zijn sponde te begeven en zo lang er mensen tegenwoordig zijn,
staat zij stil en kalm bij de stervende; eerst wanneer zij met de dode
alleen is, werpt zij zich jammerend op de baar neder en geeft haar
gevoelens lucht. In het Franse gedicht is het jonge meisje op het punt
van angst te bezwijmen, maar ijlt dan naar de baar van de stervende.
Daar valt zij dan als dood om, »koud als ijs en groen als klimop",
slechts merken de omstanders op dat er aan haar nek nog een ader is die
licht klopt; wanneer zij weer tot zich zelf komt, durft haar moeder haar
niet naar het lijk te laten brengen, maar Ismene verklaart dat als zij
't niet te zien krijgt, haar hart van smart zal barsten. Lang daarna
blijft ze nog in aandoenlike klachten bij de dode zitten wenen. Dat zijn
naïeve, frisse menselike gevoelens tegenover stijve antieke »Sitte".

Maar van de gehele tragiese grootheid in de sage over Thebe,
van de misdaden en de lotgevallen van een mensengeslacht die de
Romeinse rhetoricus gevoelde en trachtte te bewaren, blijft bij
de middeleeuwse geestelike niet veel meer over dan het aandoenlike
en het moreel-didaktiese. Hij schrijft--zo vertelt hij--om door een
afschuwwekkend voorbeeld te tonen hoe vreselik hij gestraft wordt die
»tegen de natuur" handelt, en hoe vreselik de vloek eens vaders werken
kan. Maar meest wordt de tragiek toch slechts aandoenlik. De kolossale
Tydeus zal b.v. de piep-jonge Aton in de strijd ontmoeten, de verloofde
van Ismene. Bij Statius verwaardigt hij zich niet werkelik met de jongen
te vechten, maar werpt in 't voorbijgaan honend een speer naar hem,
waardoor hij hem dodelik wondt, waarop hij kalm verder loopt, en
versmaadt het lijk te plunderen, gelijk een leeuw het bloed van het
kleine vee niet lust, maar alleen dat van de stier wil drinken. In
de Franse Roman daarentegen waagt Tydeus niet Aton kwaad te doen;--om
vele redenen, zegt hij lachend, wil ik niet met je vechten, gij zijt zo
schoon en nog zo jong en bijna ongewapend; gij had liever thuis moeten
blijven; je geliefde zou er geen plezier in hebben als wij samen vechten
gingen. Woedend over die spot, slaat de jonge man er nu op los, zodat
Tydeus zich zelf verweren moet, hij wil hem alleen maar even op zijn
schild slaan, maar kent zijn eigen kracht niet goed en, dodelik gewond,
stort de ander neer. De reus voelt zich daar heel en al ongelukkig over,
maar de verslagene erkent dat Tydeus zonder schuld is en wordt nu
stervend door de mannen van Tydeus naar Thebe gedragen.

Reeds bij Statius wordt er een zachtere toon aangeslagen,--hij was
meer bij Ovidius dan bij Virgilius in de leer geweest--en nu toont
de romanschrijver alle mogelike voorliefde voor het aandoenlike, het
gracieuse, het galante en het erotiese. In Atys en in Parthenopaeus, de
vrijers van Ismene en Antigone, had Statius de ephebus getekend, zeer
jeugdig nog, die de rijpe oudheid zo graag zag, en in kunst en poëzie
vereerde. De schoonheid van de 15-jarige wordt in de ridderromans in
meer details aangegeven: zijn gezicht is witter dan »sneeuw op de
takken", met een zachte blos er over heen, de levende, heldere ogen
zijn vol vrolikheid, de volle kin zonder baard; zijn haar is omwonden
met een groen zijden lint, ook zijn kleêren zijn van zijde. Wanneer de
heldengedichten de knaap in strijd schilderden, was dat alleen om te
doen zien wat een waaghals hij was en hoe hij vurig en woest de anderen
in kracht trachtte te overtreffen. Hier daarentegen worden de lezers er
aan herinnerd wat er voor een fijne jonkvrouwelike wang achter de helm
en een tenger lichaampje onder de maliënkolder zit, en hoe de knaap
onder het gevecht naar zijn geliefde verlangt zo als zij naar hem.
Juist gelijk de heldenpoëzij de amazones, de »schildmaagden" bewondert,
omdat zij zich werkelik boven hun geslacht hebben weten te verheffen
en de mannen gelijk geworden zijn,--zo ook nog de Camilla van
Virgilius--terwijl daarentegen de ridderroman de gedachten meer in 't
bizonder vestigt op de naakte jonkvrouwelike huid onder de maliënkolder
en er de nadruk op legt hoe Camilla niettegenstaande alles vrouw is
gebleven, schoon en beminnelik: overdag duldde zij geen vrouw in haar
nabijheid, maar 's nachts kwam geen man haar maagdelik vertrek binnen.

Het galant erotiese verknoeit, verwatert de wilde tragiek. Bij Statius
ijlt Jokaste, de oude moeder der twee strijdende broeders in de vroege
morgenstond, bleek met ongekamd hangende haren--een Erinye om aan te
zien--naar het vijandelike kamp, steunend op haar dochters; haar borst
is naakt en onder wild weeklagen slaat zij haar armen aan 't bloeden;
woest klopt zij op de poort en baant zich niettegenstaande alle
tegenstand een weg tot de koningstent waar zij haar klachten en boosheid
over haar zoon uitstort. Maar in de roman trekt zij netjes zo als 't
hoort met een gezantschap op weg, vergezeld van haar twee schone, fraai
uitgedoste dochters; voorname jongelingen leiden de paarden der dames.
Evenals Flore en Beauté in de Alexanderromans maken ze onderweg kennis
met een paar van de vreemde ridders die ze naar het kamp vergezellen.
Een van hen is de jonge vorst Parthenopaeus die »naar de Franse mode"
gekleed is. Die wordt terstond op de schone Antigone verliefd, wier
lichaam door het eenvoudig blanke purperen gewaad heen te zien komt, en
dat bovendien tot aan de gordel toe open staat; heur haar is omwonden
met zilverdraad. Onderweg voeren ze een levendige conversatie, zonder
onfatsoenlike woorden, maar toch ook niet al te ernstig of deftig,
integendeel schertsend en vriendschappelik. Hij vraagt haar dadelik of
zij zijn vriendin wil zijn. Trots maar beleefd antwoordt zij dat die
liefde wel wat al te spoedig in zijn werk zou gaan; zo iets kan men aan
herderinnetjes vragen en aan andere lichte vrouwen, maar zij is maagd en
koningsdochter en kan zich niet zo vlug tot zo iets lenen. »Maar daarom
zeg ik niet" voegt zij er met haar aangeboren natuurlikheid bij--»en
daar durf ik gerust voor uitkomen, dat ik u niet zeer lief kan hebben,
indien gij van mijn eigen stand waart, en het uitgemaakt was dat ik uw
vrouw zou worden. Want schoon zijt gij voor alle anderen en nooit zag
ik zulk een edel heer." Niets van dit alles vindt men bij Statius. Nu
vertelt Parthenopaeus dat hij uit een koninklik geslacht is en dan
vraagt zij hem er met haar moeder over te willen spreken. Die vindt
alles zelf wel goed, maar zij wil toch de zaak eerst thuis met Eteokles
overleggen en zo rijden ze verder; zo weinig bekommeren de jongelui zich
over de vredesonderhandelingen dat zij wensten dat de tocht naar 't kamp
nog lang zou duren. En als dan daarna Jokaste in de tent des konings
over de »overeenkomst" onderhandelt, blijven de jonge ridders haar
dochters gezelschap houden en maken ze 't hof (doneier) en ze vragen God
de onderhandelingen niet al te gauw ten einde te brengen. Ismene, die
in een goede leerschool geweest is, doet niets dan disputeren en weet
haar tongetje aardig te roeren; zij verdedigt het standpunt van Thebe,
terwijl Antigone met 't oog op Parthenopæus steeds aan de kant der
Grieken staat. Zo oppervlakkig is het tragiese konflikt in Antigone
voorgesteld. Wanneer de onderhandelingen mislukt zijn en de strijd
opnieuw ontbrandt, zendt Parthenopæus het paard van een verslagen
Thebaan als trofee naar zijn dame--zij en Ismene zitten juist onder
de schaduw van een pijnboom naar het gevecht te kijken--en Antigone
zendt hem haar groeten terug met een betuiging van haar gevoelens van
liefde.--Intussen volgt Ismene met haar ogen de heldendaden van haar
geliefde, de Thebaan Aton,--zij herkent hem aan de zijden mouw die hij
als haar ridder draagt--en zij raakt door die heldendaden zo zeer in
vervoering dat zij zweert hem te zullen belonen: Of ik nu een domheid
bega of niet, maar ik geloof toch dat ik bij hem zal slapen.

Ook koning Eteokles had een liefdesavontuur, hij maakt de dochter van
een zijner aanvoerders het hof,--en de aard van zijn verhouding tot haar
wordt nog aangegeven door het zeer weinig fatsoenlike portret van zijn
geliefde dat hij voor de grap op zijn schild heeft laten aanbrengen (ook
graaf Willem van Poitou liet zijn vriendin op zijn schild afbeelden;
hij wilde haar in de slag dragen die hem zo dikwels in het bed gedragen
had). Zij had heel lang de gebeden van haar koning weerstaan, maar
eens had haar vader een verraad begaan, en nu stond zijn leven op
't spel en Antigone leidde nu de jonge maagd naar haar broeder. Een
pikant-aandoenlike scène,--die, gelijk zo dikwels in de middeleeuwse
romans veel naïefs en ruws achter sentimentaliteit verbergt. Wij horen
hoe schoon zij in haar verdriet is; van haar haar dat zij zich niet de
moeite gegeven heeft op te maken; de kleine zachte mond welks volle
lippen als gemaakt zijn om te kussen; haar ogen, glimlachend en vol
liefde, die nu bedauwd zijn; haar tranen, schoner dan de glimlach van
andere vrouwen; onschuldig ziet zij er uit, haar woorden klinken zacht.
De koning kan zich nauweliks inhouden om haar niet vriendelik te gemoet
te snellen, maar hij verliest zijn waardigheid niet uit 't oog en wil
haar nu geen medelijden tonen die dit nooit voor hem had. Maar Antigone
zal haar voorspraak zijn, en zij raadt hun aan elkaar barmhartigheid te
tonen en zij slaagt er in de verzoening te weeg te brengen. En van nu af
is Salamandre de vriendin des konings, dikwels trekt hij ten strijde om
in haar ogen uit te blinken; wanneer ze alleen zijn, beloont zij hem
daarvoor.

Maar bij een kamp, werpt Parthenopaeus de koning van zijn paard--doden
wil hij hem niet, want hij hoopt immers zijn zwager te worden--maar
verraderlik velt een van 's konings trawanten de jonge held, tot grote
smart van Eteokles die zelf zijn zuster's hand voor hem bestemd had.
Boven in een van de torens zitten juist Antigone en Salamandre bij
hun borduurraam naar de strijd te kijken; vergeefs tracht de laatste
de wanhopige koningsdochter in te houden.--»Gij zijt van koninklijk
geslacht," zegt zij eigenaardig genoeg, »en moet u kunnen beheersen,
opdat men u niet lake,"--maar nog geen week later heeft Antigone zich
dood geweend.

Dit alles is er bijgevoegd en de elegante figuur van de jeugdige
Parthenopaeus ging even als de jonge liefde van Aton en Ismene reeds
in de laatste helft van de 12de eeuw in de gemeenschappelike poëtiese
schatkamer van de lyriek der troubadours en hun romans over.

Maar in de »Roman van Aeneas" kwamen er twee liefdes-episodes voor
waarbij die in de roman van Thebe in 't niet verzonken. De gehele
nationale achtergrond waarop in het Romeinse epos de avonturen van
Aeneas zich aftekenen en van waar ze verlicht worden, is in de
middeleeuwse roman natuurlik verdwenen. De Aeneis toch was een Romeins
nationaal gedicht, geschreven ter verheerliking van het Romeinse
keizerschap om de stichting van het rijk aan het overoude, eerwaardige
Ilium te verbinden en het onder de bescherming der eeuwige machten te
plaatsen; dat alle avonturen van Aeneas, van de val van Ilium af tot de
opoffering van Dido toe, schakels zijn in de keten van een goddelike
wereldorde, die tot het Augustiaanse keizerrijk leiden moet,--dat is de
idee die grootheid en waardigheid, ethiek en pathos over alle personen
en gebeurtenissen van het gedicht werpt. Maar in de Middeleeuwse roman
schrompelden die reuzenafmetingen in tot een heel weinig belangrijk
geschiedenisje van een vluchteling, die met enige schepen omdwaalt,
gastvrij door een koningin ontvangen wordt, die hem lief heeft, maar
die hij trouweloos verlaat, waarop hij grond in Latium verwerft en in de
strijd het rijk en de koningsdochter weet te veroveren. Een avontuurlike
roman zoals b.v. Apollonius van Tyrus dat geweest was, en zonder dat
er sprake is van noodlot of een missie. De enige hoofdepisode is zijn
liefdebetrekking tot de koningin van Carthago. De vorstin die evenals
Medea in de oude saga een vreemdeling haar liefde schenkt maar door hem
verlaten wordt, heeft bij Virgilius een myties-heroiese grootheid over
zich en er is iets van een natuurmacht, iets van een noodlot in de
liefde van die twee en haar dood. In de Franse roman daarentegen is het
niets dan een avontuurtje tussen een man en een vrouw, die hun luimen
volgen en zelf hun noodlot bezegelen. Naïef wordt er eerst verhaald hoe
Aeneas, vergezeld door Ascanius, op bezoek komt in het slot van Dido; in
de roman bepaalt zich de goddelike interventie tot het feit dat Venus
het gift van de liefde op de lippen van de knaap uitgegoten heeft,
en terwijl onder het bezoek dan eens de gastvrouw, dan eens de vader
dat lieve kind kussen, zuigen ze beiden de liefde in. Vooral vlamt
die in Dido op en als zij des avonds hare gasten op 't slot naar bed
heeft gebracht, »kan zij er zich nauweliks toe brengen weg te gaan".
Familiaar en realisties wordt dan haar slapelooze nacht geschilderd.
Waar Virgilius zich vergenoegt met te zeggen dat »de liefde-onrust gunt
geen slaap haar in de ogen", gaapt hier de heldin, rekt zich uit, zucht,
denkt er over na hoe hij was en wat hij zeide; zij zoent het hoofdkussen
en omhelst het, terwijl zij zich verbeeldt dat zij hem naakt in haar
armen sluit. Met zulke détails schilderde ook de troubadour van Provence
de slapeloze nacht van zijn geliefde. Met de dageraad staat ze op en
roept haar kamenier niet, maar ijlt terstond naar haar zuster Anna.
Bij Virgilius houdt zij dan een lange pathetiese rede tot haar zuster
volgens alle regelen van de kunst, over haar liefde tot de vreemdeling,
maar ook over de eed die zij haar gestorven echtgenoot gezworen had
dat zij eeuwig weduwe zou blijven. Naïef, maar natuurgetrouw heet het
in de roman: »Anna, ik geloof dat ik niet langer kan blijven leven,
zuster!"--»Wat is er dan gebeurd?"--»Ik ben mijzelf niet meer, ik kan
het niet meer verbergen: ik heb lief."--»En wie is het?"--»Dit zal
ik je zeggen, het is voorwaar hij..." Maar wanneer zij zijn naam zal
noemen, valt zij in zwijm en kan zij pas later voortgaan. Haar zuster
antwoordt ook niet in zulk een deftige speech als de Anna van Virgilius,
maar tracht haar te doen begrijpen,--prakties en cynies, als later zo
dikwels de koppelaarsters in de ridderromans--dat die trouw jegens een
afgestorvene nu niet zo heel veel betekent, dat zij van hem toch geen
plezier kan hebben of een erfgenaam krijgen; het is een goed waar woord:
»laat de doden voor de doden en de levenden voor de levenden zorgen." Er
moet toch ook iemand zijn om het land te verdedigen.

Nu geeft de koningin zich geheel en al aan haar passie over en onder
het samenzijn met Aeneas groeit die de volgende dagen steeds aan; zij
weet niet wat zij doet, vraagt haar gast duizend maal hetzelfde en
vertelt hem los en vast, alleen maar om met hem te kunnen praten. Om
haar gedachten te verzetten--hier worden de gebeurtenissen weer, als
gewoonlik bij de Middeleeuwse dichters, zuiver psychologies gemotiveerd
zonder het Virgiliaanse godenapparaat--arrangeert zij een jachtpartij.
En gedurende die jacht is het dan dat Aeneas en Dido in een grot een
schuilplaats zoeken voor een onweer. »Die dag was het begin van dood en
ongeluk; om decorum en haar reputatie geeft zij niet meer, zij vraagt
niet om heimelike liefde, zij spreekt van een huwelik en verschoont haar
val met deze naam." In die kuise algemene bewoordingen duidt Virgilius
aan wat de trouvère zich niet geneert rond uit te zeggen: »Daar zijn
die twee nu alleen tesamen, hij doet met haar wat hem lust, veel geweld
hoeft hij niet te gebruiken. De koningin weigert hem niets, maar geeft
hem zijn wil; lang had zij er zelf naar verlangd." Bij Virgilius waar
alles goddelik bestierd is met het oog op de missie van Aeneas, is het
eigelik alleen Dido die lief heeft en wanneer Mercurius kort daarna
Aeneas beveelt verder te trekken, gehoorzaamt deze zonder aarzelen. Maar
hier voelt hij twijfel en gewetenswroeging, voor dat hij zijn besluit
nemen kan. En 't duurt niet lang of Dido doorziet zijn plannen. Bij
Virgilius raast Dido dan als een furie of een Bacchante in het paleis
en de stad rond en giet in lange tirades haar klachten over de verrader
uit, haar verwijten, haar woede en haar vloek: zij wenst zijn dood
en verzekert dat zij als een zwarte furie om zijn lijkstoet zal
fladderen. Anders bij de Franse Dido, zij is in 't kristendom opgevoed
en in de wereld der baronnen en spreekt met heel wat meer vrouwelike
ingetogenheid en zachtheid, zij smeekt om medelijden, vraagt hem of zij
iets misdaan heeft, is bang voor haar baronnen die er al lang boos over
waren dat zij zich met de vreemdeling ingelaten heeft, en zegt dat het
haar dood zal zijn. Wanneer Aeneas weg zeilt, gaat zij de vrijwillige
vlammendood tegemoet op die zelfde kussens waarop zij zijn liefde
genoten heeft en kust het bed en zijn feestklederen, ten teken dat zij
hem vergeven heeft. Terwijl de vlammen haar schone, blanke, zachte
lichaam lekken, is »Aeneas" het enige woord dat zij er nog uit kan
krijgen. Haar as wordt in een urn gedaan waarop geschreven staat: »Hier
rust Dido die voor haar liefde in den dood ging; nooit was er een betere
heiden, als zij alleen maar niet plotseling door liefde was getroffen,
maar haar liefde was misdaad." Terwijl Virgilius in Dido's dood alleen
maar een grote hartstocht zag in haar schoonheid als natuurmacht, werd
die voor de middeleeuwse dichter een voorwerp van aandoening en
medelijden, een zedelik afschuwwekkend, maar ook stichtelik voorbeeld.

Later landt Aeneas dan in Latium, waar koning Latinus heel spoedig
geneigd blijkt de vreemdeling als zijn schoonzoon en erfgenaam aan te
nemen, terwijl de koningin haar dochter Lavinia aan koning Turnus wil
geven, die oudere rechten op haar kan laten gelden. De betrekking tussen
Aeneas en Lavinia, bij Virgilius vluchtig aangeduid, maar misschien meer
uitgewerkt in een niet overgeleverd later Latijns gedicht, wordt in de
roman aangegrepen als een welkome aanleiding om daar weer een andere
lang uitgesponnen liefdesgeschiedenis aan vast te knopen, waarin het
onschuldige verliefdheidje van de jonge koningsdochter een schone
tegenstelling vormt met de hete, ervaren passie van de vorstelike
weduwe.

Lavinia's moeder wil haar kind liefde voor Turnus doen voelen en tracht
haar nu te verklaren wat liefde eigelik voor een eigenaardige koorts is.
Maar als 't jonge meisje die beschrijving hoort, is 't enige wat zij
daaruit afleidt, dat zij zich die ziekte wel van 't lijf zal weten
te houden. Dan verklaart haar moeder verder hoe die ziekte juist zijn
geneesmiddel in zich draagt, hoe er vreugde welt uit tranen en uit het
bittere, zoet; laat zij maar even naar 't beeld van Amor kijken, die
heeft pijlen maar ook een doos met zalf tegen de wonden door de pijlen
veroorzaakt. Dit helpt alles niets, het jonge meisje wil haar rust
bewaren. Deze hele scène herinnert aan de zoetsappige naïeveteit in
»Daphnis en Chloë" of andere latere klassieke liefderomans. Intussen
krijgt Lavinia onder een wapenstilstand van uit haar torenkamer Aeneas
in het oog in het vijandelik kamp, en op 't zelfde ogenblik wordt zij
door een liefdepijl gewond. Zij opent haar kamerdeur om hem beter te
kunnen zien en vraagt nu zich zelf af--evenals Chloë--wat er toch
eigelik is. Zou dat de ziekte zijn waar moeder onlangs over sprak?
Maar waar zou de medicijn dan blijven die Amor, zoals moeder zeide,
medebracht? Ik ben bang dat de doos verloren is en de zalf weg! Maar
ik moet verbergen wat mij scheelt. Moeder zal woedend zijn dat ik de
erfvijand liefheb. En zij blijft zo in zich zelf praten; daar komt
het innerlike drama van het gehele zieleleven te voorschijn, waar
de klassieken en de geestelike literatuur het oog der middeleeuwse
schrijvers voor geopend hebben en die de romans van nu af, in eindeloze
spitsvondige dialogen met zich zelf, trachten weer te geven. Een
ogenblik denkt zij er werkelik aan zich tussen Turnus en Aeneas te
verdelen, maar zij zet die lelike gedachte van zich af: ware liefde gaat
slechts van één tot één; men kan tegen velen glimlachen, maar hij die
meer dan een wil liefhebben, houdt zich niet aan de voorschriften der
liefde. Zij denkt er over een boodschap naar Aeneas te sturen maar
durft toch de eerste stap niet doen, hij mag toch niet denken dat zij
lichtvaardig is. De gehele dag zit zij te staren in de richting die
hij genomen heeft, en 's nachts ligt zij slapeloos te klagen dat Amor
zo wreed is een arm, weerloos jong meisje te overvallen. Wanneer de
koningin de volgende dag haar dochter zo bleek en afgevallen ziet
verschijnen, begrijpt zij heel gauw wat haar scheelt en letter voor
letter--in hele korte vragen en antwoorden, bijna als in de Latijnse
komedies--weet zij de naam van het »voorwerp" uit Lavinia te halen.
Verbitterd dat dit nu juist Aeneas moet zijn, tracht zij Lavinia tot
andere gedachten te brengen door de ruwste en verschrikkelikste
beschuldigingen tegen hem in te brengen, hoe Aeneas aan de paederastie
doet,--ook dit duidt op een laat klassieke bron voor deze episode.
Maar het helpt alles niet; wanneer het jonge meisje alleen gebleven
is, schrijft zij een brief »tot en latin", waarin zij Aeneas haar
liefde bekent en om de zijne vraagt. Zij bindt die brief aan een pijl
en weet door een list een boogschutter er toe te krijgen die naar
het vijandelike kamp te schieten. Die liefdegroet is wel enigsins
onvoorzichtig, maar bereikt toch zijn doel. De pijl valt naast Aeneas
neer, die ziet de brief, leest die en kijkt in de richting van de toren
waar zij hem kushanden toe staat te werpen. Als in de Noordfranse
romances is het jonge meisje het nog dat het initiatief neemt; wij
zijn nog niet tot het troubadour-standpunt gekomen. Aeneas neemt de
toenadering goed op en staat van nu af dikwels naar de toren te kijken,
tegenover zijn mannen doet hij heel naïef, net alsof het de toren zelf
is die hij bewondert, maar zij begrijpen er alles van en plagen hem met
allerlei toespelingen. Maar het is ook hier altijd de vrouw die 't meest
door de liefde geplaagd wordt als in 't geval van Dido; maar _hij_ vindt
niet dat het geheel en al met zijn waardigheid strookt om te laten
merken dat hij verliefd is en hij laat zich daarom soms een ganse dag
niet zien. »Hij die een vrouw wil liefhebben, zo redeneert hij, moet
zijn hart niet al te haastig voor haar openen, hij moet zich enigsins
op een afstand houden, want als de vrouw weet dat zij de sterkste is,
krijgt hij dat spoedig te voelen." Wanhopig begint Lavinia hem reeds van
al dat slechte te verdenken dat haar moeder haar voorgelogen heeft en
besluit hem van nu af te haten,--»als ik hem tenminste van ganser harte
haten kàn"; maar wanneer zij hem tegen de avond voorbij ziet rijden,
zelf onder de indruk van wat zijn liefde hem doet ontberen, krijgt zij
berouw over haar boosheid. »Ach! het duurt te lang voor hij zijn recht
van mij opeist. Zoete vriend, te voet zou ik naar uw tent willen gaan,
het zou mij een genot zijn smart voor u te voelen." Het is als 't gevoel
voor Abélard voor Héloise die zijn slavin wilde zijn. Zelfs als Aeneas
eindelik Turnus, zijn mededinger, geveld heeft en recht heeft op
het rijk en de prinses, houdt hij haar nog lang in haar smartelike
onzekerheid; uit een soort trots of een soort verfijnde wreedheid wacht
hij nog met zijn bezoek bij haar, en zij is verdrietig, daar zij denken
moet dat hij haar veracht omdat zij de eerste stap gedaan heeft. Totdat
ten slotte de kroningsfeestelikheden en de bruiloft op één dag plaats
hebben.

De episoden van Dido en Aeneas zowel als Lavinia en Aeneas bleven een
voorbeeld voor talrijke latere ridderromans. Dit was over het algemeen
ook met de roman van Aeneas het geval, niet alleen wat betreft de
schilderachtige beschrijvingen, maar ook wat de levendige gesprekken
aangaat, pikant gepointeerd, toen reeds echt Frans-spiritueel.

Maar ook deze roman werd in de schaduw gesteld door een andere en latere
navolger--het enorme werk van Benoît de St. More--de »Roman van Troje",
een gedicht uit ± 1160 en dat in vele opzichten onder de invloed van
zijn twee voorgangers staat.

       *       *       *       *       *

Van alle verhalen uit de oudheid was er geen één dat de Middeleeuwen
zo bezig hield als dat van Troje. Evenals de Romeinen van de gevluchte
Trojanen heetten af te stammen, zo trachtten zowel patriciese
geslachten, enkele steden, als verschillende volken--Franken zowel als
Britten--hun oorsprong tot Troje op te voeren. Reeds in de 7de eeuw kan
men in de kroniek van Fredegarius lezen dat de Franken van Francio, de
zoon van koning Priamus afstammen en in de offisiële dokumenten der
Franse koningen komt die bewering voortdurend weer voor den dag. In een
kroniek van de 9de eeuw beweren de Britten van hun kant ook van Troje te
komen door een afstammeling van Aeneas, genaamd Brutus, waar ook de naam
Britten dan vandaan zou komen. En er waren ook reeds heel wat Latijnse
kronieken en Latijnse gedichten over de val van Troje geschreven, vóór
een geestelike zich er nu toe aangordde om een berijmde roman over de
beroemdste van alle klassieke verhalen te schrijven.

Zijn bron was niet Homerus, maar twee Latijnse prosawerken, die
respektievelik Dares en Dictys als schrijver noemden en die vrij korte
uittreksels schijnen te zijn van Griekse of Latijnse werken uit de
latere classiciteit.

Het was een heel wat andere vorm waarin de geschiedenis van de
verovering van Troje zich hier deed kennen dan bij Homerus. Alle twee
de schrijvers doen zich voor als betrouwbare historici die zelf als
ooggetuigen de gebeurtenissen hebben bijgewoond, dageliks hun dagboek
daarover hebben bijgeschreven--Dares aan de kant der Trojanen, Dictys
bij de Grieken--en die nu droog, kort en nauwkeurig, alles mededelen
zoals dat een geschiedkundige uit de school van Thucydides en Sallustius
past, zonder de partijdige leugens of de poëtiese fabelen van Homerus,
en dus ook zonder de godenwereld die hij er zo kinderachtig bij haalt.
Benoît de St. More in zijn Roman van Troje, gelooft vast en zeker dat
zijn autoriteiten zelf in het Griekse en Trojaanse kamp rond hebben
gedoold, maar dat verhindert niet dat hij zelf de droge mededelingen
van zijn geschiedschrijvers met alle details aanvult die hij maar te
pakken krijgen kan. Hij is uitstekend thuis in de wereld der Franse
heldendichten en er lopen hem gedurig formulen en citaten daaruit in de
pen; gevechten en verwondingen schildert hij ook met grote kennis van
zaken en er ligt over zijn verzen iets van het strijdgenot zelf, de
»gaudia certaminis" der heldendichten, wanneer er in de horen geblazen
wordt, de wapens in de zon schitteren, de banieren over het strijdgewoel
waaien en de zwaarden tegen de helmen dreunen; het is dan ook zeker wel
uit zijn hart gesproken wanneer een der helden van de oorlogszuchtige
geestelike zegt: dat men nooit naar priesterraad luisteren mag, dat zijn
altijd lafaards, die moeten thuis blijven, in de kerk bidden en zich
niet met ridders bemoeien. Maar de romanticus die hij is, weet heel goed
dat het leven in de Griekse oudheid er anders uitzag dan in Frankrijk
ten tijde van Lodewijk de zevende en hij amuseert zich zelf zowel als
zijn lezers met alle fraaiigheden op te dissen die hij maar vinden kan.
Hij vertelt van lijkverbranding en de spelen die daar bij plaats hadden,
»want dezulken lees ik dat men in die dagen arrangeerde wanneer er een
held gestorven was." Aan de verhalen over de kruistochten en aan het
Oosten ontleent hij--evenals zijn voorgangers--heel wat exotiese kleur,
nog meer bovennatuurlike natuurkunde en stukjes naïeve middeleeuwse
kosmografie. Alles wat oud is en vreemd en merkwaardig, is voor hem één
en hij zwelgt er gewoon in. Wat weet hij al niet te vertellen? Van de
stad Troje, waar alles van marmer is en de straten geplaveid waren en
gedeeltelik overdekt, zodat men er lopen kon zonder vuil te worden.
Over het slot van Priamus dat hij bij zijn beschrijving versiert in
de trant van de tempel van Salomo in het Boek der Koningen, of van
het zonnepaleis bij Ovidius of het keizerlik paleis te Byzantium; in
elke zuil en in elk kapiteel zijn bloemen- en dieren-versieringen
gebeeldhouwd (als in de Romaanse kerken), de ramen zijn van kristal en
in de kamers vindt men gouden standbeelden. Bizonder merkwaardig is »de
Kamer der Schoonheid" die haar licht alleen kreeg van al de edelstenen,
waarvan de vloer en de muren, de zuilen en de zoldering samengesteld
waren--dezelfde waar ook het nieuwe Jerusalem in de openbaring van
Johannes mede was opgebouwd,--en aan de zuilen waren weer beelden
aangebracht die gelijk automaten dansten en speelden, bloemen op de
grond strooiden en welriekende geuren verspreidden. Dan vertelt onze
geestelike verder van al de prachtige en wonderbare kleêrdrachten die
de Trojaanse dames aan hadden--al de nieuwe kleurrijke stoffen van de
Levant met bonte patronen--en over de kleedij der soldaten, hun wapens
en hun prachtige fantastiese schildversieringen, de met edelstenen
bezette gouden helmen, hoeden van Indiese vogelveren, de mantel van
Hektor uit rood laken van Saragossa, met vergulde leeuwen bedekt, met
hermelijn gevoerd en met een rand van zwart sabelbont; de witte zijden
paardendekken met vergulde bellen; strijdwagens van ivoor, de wielen van
ebbenhout met goud beslagen. Zulke wonderwerken zijn dan natuurlik door
tovenaars gemaakt of een geschenk van feeën. Wij horen ook van Centauren
die aan het gevecht deelnamen en met pijl en boog schieten,--gelijk men
ze onder de figuren van de dierenriem der Romaanse kerkportalen in steen
uitgehouwen kan zien. Ten slotte vindt Benoît nog gelegenheid om, naar
een fabuleuze wereldbeschrijving van voor de tijd van Karel de Grote,
een heel overzicht te leveren over de merkwaardige landen en rivieren en
volkeren van het Oosten.

Ook de persoon zijner helden weet hij te beschrijven tot in de kleinste
détails. Hier had hij de eigen woorden van Dares om zich aan te
houden. Bij Dares en zeker ook wel bij Dictys waren er een hele reeks
karakteristieken te vinden van alle personen, hun innerlik zo wel als
hun uiterlik,--in de compendia die tot ons gekomen zijn, werken die met
de nauwkeurige opgave van alle kentekenen als een soort offisiële pas.
Het is waarschijnlik een soort uitvinding der rhetoren, net als de
nauwkeurige beschrijvingen die men er plezier in had van kunstwerken te
geven,--dergelijke voorstellingen van de optredende personen door een
korte opgave van uiterlike en innerlike trekken kennen trouwens ook
de IJslandse sagen. Van Grieken zowel als Trojanen worden door onze
exacte, realistiese geschiedschrijvers de eigenaardigheden, maar ook de
ondeugden opgesomd. Helena heeft een moedervlek, Briseis wordt enigsins
ontsierd door haar samengegroeide wenkbrauwen, en er is ook iets niet in
orde met Priamus die enigsins vreemd spreekt. Neoptolemos heeft een te
dikke buik en grote ronde ogen; die had de rechten bestudeerd en kon
verzen maken; de kleine dikke roodharige Aeneas is wel verstandig, maar
denkt altijd 't eerst aan zijn eigen voordeel. Paris die anders zo
schoon is, loopt toch met een enigsins kromme rug. Zelfs van Hektor
kan men bij Dares lezen dat hij scheel is en stottert. En zo moet ook
de trouvère wel in alle eerlikheid toegeven dat zijn lievelingsheld
»wel iets schoner had kunnen zijn" en dat hij niet alleen iets of wat
stotterde maar ook aan beide ogen scheel zag,--»wat hem toch volstrekt
niet misstaat" haast hij zich er bij te voegen. En niettegenstaande al
die kleine gebreken houdt hij de baronnen van de 12de eeuw toch al die
Grieken en Trojanen voor als de typen van »hoofsheid" en ridderlikheid.
De trouvère wil juist in zijn gedicht de grotere beschaving der Grieken
als een ideaal zijn tijdgenoten voorhouden. Hij doet b.v. uitkomen
hoe daar in de oude tijd de gezanten zeker konden zijn dat ze nooit
overlast zouden lijden,--iets wat hun in de Franse »chansons de geste"
voortdurend overkomt. Hij prijst Achilles in tegenstelling met de
baronnen der heldenpoëzij daarvoor, dat hij nooit nà tafel onder een
beker wijn zou blijven zitten pochen. Wanneer Achilles en Hektor voor
de tweekamp tegenover elkaar komen te staan, beginnen zij eerst alle
twee te snoeven en te dreigen--zoals dat in de heldenpoëzie gewoonte
was--maar Hektor breekt plotseling af en zegt dat hij zijn mond niet
vuil wil maken met dingen waardoor de mens niet beter wordt. Theseus
waarschuwt in het gevecht Hektor dat hij zich in de hitte van het
gevecht te ver van zijn mannen gewaagd heeft, later krijgt Hektor
gelegenheid hem een dergelijke dienst te bewijzen. Maar de trouvère
vindt het heel lelik wanneer Hektor eens een gevallen vijand
plundert,--iets wat de krijgers in de heldengedichten kalm doen en
men ook op het wandtapijt van Bayeux ziet gebeuren.

De Trojanen--aan wier zijde Benoît staat evenals de gehele
Middeleeuwen--overtreffen de Grieken in hoofse vormen. Elke avond,
wanneer zij de strijd verlaten en hun wapenrustingen uitgetrokken
hebben, worden ze tot fijngekultiveerde mensen. Wanneer Hektor thuis
komt, gaat hij eerst zijn mannen in hun nachtverblijf opzoeken, en geeft
order om de gewonden goed te verzorgen en spreekt hun moed in. Dan pas
gaat hij naar zijn kasteel en dan trachten de dames om strijd hem zijn
wapenrusting uit te trekken,--nooit zouden zijn schildknapen dat mogen
doen. Eens komt hij gewond thuis, het valt hun lastig hem zijn bebloede
rok uit te trekken, zijn echtgenote Andromache weent, en hij wordt in
een prachtig bed gelegd in de »chambre de beauté", waar een beroemd
geneesheer de wonden komt behandelen. Vóór hij in slaap valt, komt
zijn oude vader, »de edele, hoofse koning Priamus", angstig naar hem
informeren, maar Hektor antwoordt geruststellend. Steeds wordt de oude
man grote eerbied bewezen; de kinderen zijn er altijd op uit hem zo min
mogelik verdriet te doen en wanneer de koningin der Amazonen, na de dood
van Hektor, de stad ter hulpe snelt, is zij vol medelijden met de oude
koning, want hij weent groteliks over de zonen die hij verloren heeft.
En als een goede, edele vrouw troost zij hem zo goed als ze kan. Gelijk
het ook in de raadsvergaderingen heel wat meer parlementair en beschaafd
toe gaat dan b.v. in het Rolandslied--Hektor is het met een voorslag
niet eens en argumenteert er tegen, maar zegt ten slotte dat hij zich
natuurlik niet wil verzetten tegen wat de anderen het beste zouden
vinden,--zo is er ook altijd de warmste, schoonste verhouding tussen
alle leden der koninklike familie, de schoondochters inkluis. Iedereen
kust daar iedereen,--en overal. Angstig volgen de dames overdag de
strijd van de muren af, 's avonds komen de vorsten de dames in de »kamer
der schoonheid" bezoeken; hier praten ze gezellig met elkaar en de oude
koningin maant alle aanwezigen in bewogen woorden aan om »lor cors, lor
terre et lor aveir" eensgezind te verdedigen. Tegenover Helena zijn
allen louter galanterie; reeds dadelik toen zij naar Troje kwam, was
koning Priamus haar tegemoet gereden en had haar paard bij de teugel de
stad ingeleid; nooit krijgt zij het minste verwijt te horen, hoogstens
kan Hektor eens op een manier, die ons niet heel delikaat lijkt, een
grap verkopen over »haar twee echtgenoten", die zij nu samen kan zien
vechten.

Hoofse beminnelikheid, een milde zachte humaniteit is het voor
Benoît waar men de ware adel aan herkent. Reeds die hiervoor genoemde
»signalementen" hadden dit bizonder doen uitkomen, maar de geesteliken
gaan hierin veel verder. Achilles was »nimmer zwaarmoedig en korzelig,
maar opgewekt, milddadig en royaal",--Patroklus is een innemend,
beminnelik ridder, die niets gesteld is op boosheid en verdriet; van de
dikke Polidarius heet het daarentegen dat hij zwaarmoedig was en nooit
van vrolikheid hield, wat een berisping verdient. Priamus wordt geprezen
wegens zijn zachte lieve stem en omdat hij zo veel hield van liederen
en geschiedenisjes. Maar vóór allen is Hektor het ideaal van een
ridder. Zijn »cortesie" is zo groot dat Grieken zowel als Trojanen in
vergelijking met hem »gewone boeren" zijn, nooit gebruikte hij lelike
woorden of sprak hij kwaad, altijd toonde hij zelfbeheersing, alleen gaf
hij te graag alles weg, en gaf niets om goud of paarden of edelstenen,
»alleen zijn edel gemoed hield hij voor zich".

Maar toch,--de natuur gaat boven de leer, en telkens als de trouvère
zich eens goed en van nabij in de stof inleeft, vergeet hij dat hij zich
in een hogere, meer ideale sfeer moet bewegen en dan haalt hij, evenals
de dichter van de roman van Aeneas, alles in de nuchtere naïeve
werkelikheid neer waar hij thuis hoorde.

Een van de schoonste scènes van de Ilias is die waar Hektor naar zijn
woning gegaan is om voor de strijd van zijn vrouw afscheid te nemen,
maar haar met zijn kind en de voedster tegen komt, vol onrust en angst.
Zij smeekt hem om thuis te blijven. »Vrouwe, dit alles bekommert
mij ook," antwoordt hij, maar het is zijn plicht om ten strijde te
trekken... en dan wil hij zijn jongen in de armen nemen, maar die is
bang voor 't »golvende, de helmkam dekkende paardhaar" en kruipt weg,
zodat vader en moeder elkaar in een gelukkige glimlach over hun kind
ontmoeten. Nu neemt Hektor zijn helm af en kust zijn jongen en wiegt
hem in zijn armen, bidt voor hem tot de goden en legt hem dan weer aan
moeder's borst, door haar tranen heen glimlacht zij en drukt hem tegen
zich aan. Dan scheiden ze van elkander, en zij gaat de zware weg naar
huis; »zijn vrouw ging talmende huiswaarts, telkens het hoofd weer
wendend en hevige tranen vergietend". Van deze hoogte--de meest
gevoelvolle innigheid, maar beheerst door natuurlike adel en een
zuiver plichtgevoel--was reeds de voorstelling bij Dares diep gezonken.
Andromache heeft in haar dromen voorspellingen gekregen en heeft Hektor
gebeden thuis te blijven, maar hij verwijt haar die »vrouwelike woorden"
en in haar angst zendt zij iemand naar Priamus met de vraag zijn zoon
te verbieden die dag ten strijde te trekken. Als Hektor dat hoort bromt
hij op zijn vrouw en beveelt haar zijn wapens te halen. Vergeefs tracht
Andromache op zijn gemoed te werken door hem de knaap toe te steken,
haar klachten doen de mensen er bij komen en nu ijlt zij zelf weg
naar Priamus... Bij Benoît eindelik is alle hoogheid uit die scènes
verdwenen, die zijn zo brutaal en woest dat de hoofse Hektor niet meer
te herkennen is. »Dat verwachtte ik wel dat er geen greintje gezond
verstand meer in je is," zegt hij hard tot zijn vrouw, en het scheelde
niet veel, zegt de dichter of hij had zijn vrouw geslagen. De oude
Hekuba komt er nu bij en tracht de held tot betere gedachten te brengen,
maar hij doet niets dan bedreigingen tegen zijn vrouw uiten. Terwijl
hij zijn wapenrusting aantrekt, slaat zij zich wanhopend op haar borst,
trekt zich de haren uit, werpt zich voor haar man op de knieën, terwijl
hij juist zijn kniestukken aangordt, en houdt hem het kind smekend vóór,
»dat kleine kind, dat gij uit uw eigen vlees gewekt hebt" en dat nu
vaderloos zal worden. Maar Hektor is woedend en wil weg. Schreeuwend
ijlt Andromache de stad door naar Priamus; als de oude man haar
aangehoord heeft, zucht hij bang en diep, kijkt voor zich heen, tranen
biggelen op zijn kin en kleêren; met moeite stijgt hij te paard en rijdt
weg. Midden op de straat treft hij zijn zoon, »zwetend van boosheid",
met een rood gezicht en opgezwollen ogen, alsof hij geweend had. Nu
verbiedt hij hem te gaan strijden, en brommende en scheldende op die
gekke vrouwen moet Hektor naar huis terug; niemand durft hem aankijken
en hij is er niet toe te brengen zijn wapenrusting af te leggen.

Van het hoge van Homerus en de »Sitte" is hier niets meer over, maar
de middeleeuwse dichter heeft alles fris en zelfstandig beleefd. Maar
evenals in de roman van Aeneas is het toch vooral in het liefdeleven dat
de innerlike wereld, die tot nu toe alleen de theologen hadden nagegaan,
zich nu voor de fantasie van de dichter opent. Nog meer dan de »roman
d'Enée" zou de roman van Troje een voorbeeld voor de lateren worden door
zijn beroemde schilderingen, waarin het vrouwenhart zijn liefdeleven
blootlegt.

Het is Medea, de Colchiese koningsdochter, die op de vreemdeling
verliefd wordt, welke zij in haar vaders burcht ziet. Tegen de nacht
beraamt zij een ontmoeting met Jason. Ongeduldig zit zij in haar kamer
te wachten, kijkt steeds weer of de maan nog niet op is en gaat aan de
zaal staan luisteren of de mannen zich nog niet gereed maken om naar bed
te gaan. »Hebben die nu gezworen dat zij nooit naar bed zullen gaan?--de
nacht is weldra half voorbij", klaagt zij. Nu begint zij zich een beetje
over zich zelf te schamen, gaat op haar bed zitten, staat weer op, opent
het raam en merkt dat de maan al op is. Nu wordt het in de grote zaal
ook stil, zij ziet dat de kamerdienaars daar de bedden al opmaken, en
tegelijk ziet zij dat Jason zich ook te slapen legt; nu zendt zij haar
oude cameriere om hem te halen. Maar de dienstmaagd zegt haar dat zij
nu in bed moet gaan liggen, »dat is veel meer zoals het hoort", en doen
alsof zij slaapt. Dat doet ze dan ook en speelt een hele komedie wanneer
hij komt; gemelik en bedeesd vraagt zij wat hij wil, nu was zij na al
dat lawaai in de zaal juist zo heerlik in slaap gevallen. In alle vormen
van de troubadour »geeft" Jason »zich aan haar over" als zijn heerseres
»en smeekt haar zijn eed van hulde te aanvaarden als haar getrouwe
vazal". En wanneer hij haar bij het beeld ener godheid zijn trouw
bezworen heeft, brengen ze samen de nacht in liefdegenot door. Dat is
een Medea, die van Benoît, welke heel ver afstaat van de kuise en trotse
jonge Medea van de Griekse dichter, Apollonius van Rhodus, in wier ziel
de hartstocht langzamerhand de overmacht krijgt en zelfs heel wat anders
is dan die van Ovidius in wie verstand met hartstocht strijdt. Die van
Benoît is misschien nog 't meest verwant aan de Saraceense vrouw uit de
gedichten der kruistochten of de dochter van de Wildeman in de oude
verhalen: de heidin die woest op de gevangen held verliefd wordt, hem
verlost en zo nodig helpt om haar eigen vader te doden.

Fijner en meer gecompliceerd is de liefde in een andere episode
geschilderd, die de grootste literair-historiese betekenis gehad
heeft. De geschiedenis van Troilus en Briseis geeft in een kort
bestek--waarschijnlik niet door Benoît zelf gevonden, maar iets wat
hem in een uitgebreider versie van Dares voorlag dan die welke wij
nu kennen--een staaltje van alles wat Ovidius geleerd had over de
onbestendigheid en de erotiese behaagzucht van de vrouw. Het lag voor de
hand Helena zelf als het type van vrouwelike zwakheid en veranderlikheid
op te vatten en dat had Ovidius in zijn »Heroiden" dan ook gedaan. De
brief waarmede zij op de liefdebetuigingen van Paris antwoordt, die
hij haar in de handen heeft weten te spelen, terwijl hij te Sparta
als gast vertoeft, is een meesterstuk van koketterie en slimheid en
wispelturigheid. Zij begint hem met verwijten te overladen dat hij haar
zo beledigt en de gastvrijheid zo misbruikt en wijst verontwaardigd zijn
aanzoek af. Maar dan voegt zij er bij dat zij eigelik al lang de taal
zijner ogen en zijn zuchten verstaan heeft en dat zij gelezen had wat
hij in de wijn geschreven had die er op tafel gemorst was; zij was heus
bang geweest dat haar man iets gemerkt zou hebben. Zij geeft toe: hij is
schoon... laat er een woordje van los dat hij ook niet de eerste is die
om haar gezucht heeft,... spreekt van haar man... van haar reputatie...
laat onbewust--of waarschijnlik met opzet--merken hoe verliefd zij zelf
is... en zegt ten slotte dat Paris in elk geval veel te haastig in zijn
werk gaan wil en oogsten wil terwijl het gras nog groen is; ofschoon...
de gelegenheid nu juist schoon is terwijl haar man juist afwezig is...
en zegt dat, mocht hij haar nog iets mede te delen hebben, hij verzocht
wordt gebruik te maken van twee van haar maagden die zij hem als trouwe
en ook betrouwbare helpers noemt.

Maar al ligt nu ook de skepsis van de libertijn Ovidius aan de figuur
van Briseis ten grondslag, toch heeft de Oosterse verachting voor de
vrouw en de angst der monniken voor haar er ook toe bijgedragen. Het
monnikenkristendom dat de vrouwen vijandelik tegenover stond, kreeg
er nooit genoeg van de trouweloosheid van de vrouw af te schilderen en
om naar de talrijke spreekwoorden en exempelen daarvan in de bijbel
te verwijzen, van Eva tot Dalila. En door de Latijnse verzamelingen
van vertelsels, zoals de geschiedenis van de Zeven Wijzen, zowel als
langs de mondelinge weg werden de Middeleeuwen met een rijke keur van
histories voorzien over de sluwheid en de valsheid van de vrouw. Die
geschiedenis welke de Middeleeuwen het best kende was het relaas dat
men al bij de Latijnse schrijver Petronius vindt onder de titel van
»de Weduwe van Ephesus", een weduwe die zich ontroostbaar in het
grafmonument van haar man heeft opgesloten, maar zich al een van de
eerste nachten aan een soldaat geeft, die op het kerkhof onder een paar
galgen de wacht houdt, terwijl zij zelfs medehelpt om het lijk van haar
man aan de galg te hangen, in plaats van een dief die heeft weten te
ontkomen, om op die manier de soldaat voor straf te vrijwaren.

Briseis is de dochter van Calchas. Haar vader heeft de Trojanen verlaten
en zich bij de Grieken aangesloten, maar zij is te Troje achtergelaten
en tussen haar en Prins Troilus is er een zekere verstandhouding. Zij
is schoon, vriendelik, zachtaardig, hij is elegant, opgeruimd en zacht,
met ogen die van vreugde en tevredenheid schitteren. Maar wanneer er
gevangenen uitgeleverd zullen worden, verlangen de Grieken dat ook de
dochter van Calchas teruggezonden zal worden en de Trojanen moeten dat
beloven. Briseis is wanhopend, de laatste nacht brengt zij met Troilus
onder omhelzingen en tranen door; met die tranen die uit de ogen
neerstromen vermengen zij hun kussen, zoals zo dikwels in de Griekse
romans. Twee gelieven te scheiden, roept de dichter vol medelijden uit,
is een zonde daar men hard voor moet boeten. De volgende morgen moet
zij nu alles inpakken, zij kleedt zich in haar fraaiste plunje--haar
kleed is uit Indië, het heeft zeven kleuren--gaat van alle koninklike
prinsessen afscheid nemen en trekt weg door verscheidene prinsen
vergezeld. Troilus houdt de leidsels van haar paard vast. Bij het
afscheid beloven Troilus en zij elkaar eeuwig trouw, maar de dichter
voorspelt dat zij hem spoedig vergeten zal; kuisheid en schoonheid gaan
zelden samen,--zegt Salomo. Nu komen verscheidene Griekse ridders haar
tegemoet, o.a. de elegante Diomedes. Hij wordt dadelik op haar verliefd
en terwijl zij samen verder rijden, biedt hij haar aan haar ridder en
vriend te worden, als zij nu eenzaam onder al die vreemden zal zijn; nog
nooit--verzekert hij--heeft hij aldus tot een vrouw gesproken,-- zij is
de eerste die indruk op hem heeft gemaakt en hij wil alles doen om haar
in haar smart te troosten. Maar Briseis antwoordt hem dat zij terecht
zéér lichtvaardig zou schijnen, indien zij een man die zij in 't geheel
niet kent, haar liefde schonk; liefde brengt ook veel ongeluk mede,
»tegen éen die lacht zijn er zes die wenen" en de mannen bedriegen een
meisje zo licht. »Maar gij zijt van hoge geboorte en welopgevoed en
indien ik ooit iemand zou liefhebben, zou het niemand anders zijn dan
gij!" Diomedes stelt zich, vrij natuurlik, hier mede tevreden, hij ziet
nu wel dat zij »n'esteit mie trop salvage". Hij begeleidt haar nu naar
haar vader's tent en neemt dan afscheid. Nu komen er vele Grieken haar
een bezoek brengen die Briseis zeer beleefd ontvangt. Er zijn nog geen
vier dagen vervlogen of zij voelt al geen lust meer om terug te keren.
Maar kort daarop verovert Diomedes het paard van Troilus en zendt het
haar als een groet van haar vroegere vriend,--een courtoisie die haar
toch wel wat grof lijkt; zij laat hem antwoorden dat Troilus een beter
ridder is dan hij en zijn beurt wel komen zal. Maar, voegt zij er bij,
zij kan niet haten zo als zij moest, hem die haar lief heeft. En 't
duurt ook niet lang voor Troilus op zijn beurt het paard van Diomedes
machtig weet te worden en Diomedes, meer en meer verliefd, laat zijn
hoofd nu hangen,--zo treurig er uit ziende als een sperwer bij 't ruien.
Briseis merkt wel hoe hij lijdt, maar zo is nu eenmaal de aard van de
vrouw, dat, wanneer zij merkt dat gij haar lief hebt, dan werpt zij u
alleen maar aanmatigende blikken toe, en hier, zoals zo dikwels, stoot
de dichter een harte-zucht voor eigen rekening uit. Maar intussen,
Briseis zou eigelik graag Diomedes het paard van Troilus terug gegeven
hebben, als dat maar aanging,--opdat hij zich wederom in de strijd
zou kunnen onderscheiden--zij wil het zelf ook eigelik graag kwijt,
daar de Grieken de spot drijven met dit geschenk dat zij op zulk een
eigenaardige wijze van haar vroegere geliefde gekregen heeft; eindelik
slaagt zij er in hem op een fijne manier onder de vorm van een plagerij,
aan Diomedes zijn geschenk terug te geven. Nu voelt zij zich gelukkig,
dat zij hem helemaal in haar net gevangen heeft en schenkt hem ook nog
haar mouw als banier. »Van nu af--merkt de trouvère op--moet 't Troilus
duidelik zijn dat hij niet meer op haar liefde staat kan maken." Troilus
wordt dan ook razend van woede wanneer hij bij het gevecht Diomedes met
die banier ziet, die hem 't duidelikst bewijs is van de trouweloosheid
van zijn geliefde, en onder ruwe scheldwoorden aan haar adres, houwt hij
op haar nieuwe ridder los. Lelik gewond wordt Diomedes naar huis terug
gebracht, maar nu houdt Briseis zich ook niet langer in: zonder zich aan
bedreigingen van haar vader of aan de praatjes te storen, ijlt zij naar
de tent van de zieke. Onderweg heeft zij een hevige innerlike strijd
te doorstaan, zij noemt zich zelf trouweloos, »om mijnentwil zullen de
vrouwen heel wat over hun valsheid moeten horen, en het is wel waar
dat mijn aard wel wat àl te veranderlik is." Maar--antwoordt zij zich
zelf--nu kan ik nooit meer terug, nu heb ik mijn nieuwe vriend mijn
gehele hart gegeven en nu moet ik trachten hem trouw te blijven. Had men
mij te Troje laten blijven, dan was dit alles niet gebeurd. Maar hier
ben ik zonder vriend, niemand kan mij raad geven, en ik kan toch ook
niet altijd hier blijven lopen treuren! God geve Troilus alles goeds,
maar nu wij elkaar niet meer lief kunnen hebben, geef ik mij liever aan
Diomedes... kon ik maar vergeten wat er gebeurd is, dat drukt toch wel
zwaar op mijn geweten.

Heel erg zwaar neemt de trouvère de trouweloosheid van Briseis blijkbaar
niet op. De vrouwen zijn voor hem toch maar het zwakke frivole geslacht,
waar men niet te veel van verwachten mag: in 't algemeen kan men zeggen
dat uit de manier waarop hij »de zoete zonde" beschouwt, die hele
lichtzinnige weekhartigheid blijkt die de ganse ridderromantiek
kenmerkt, en nergens ziet men duideliker dan hier, hoezeer Benoît al
het geestelike afgelegd heeft en zich in de armen van »Frau Welt" heeft
geworpen.

Bovendien, Briseis is feitelik maar een dochter van een priester, die
toch niet anders was dan de bijzit van Prins Troilus. Daarentegen heeft
de dichter in Polyxena, een van de dochters van Priamus, de echte
tegenhanger geschilderd van de trotse prinses uit de Roman van Thebe,
Antigone, en in het gevoel van Achilles voor haar heeft hij een liefde
getekend meer ridderlik van aard dan die van Diomedes, zowel als van
Aeneas. Onder een wapenstilstand is Achilles over gekomen om een
plechtigheid bij te wonen die bij de Trojanen plaats heeft ter ere van
Hektor die gedood is; daarbij krijgt hij Polyxena te zien en staat de
gehele tijd als aan de plek genageld van verrukking. Als zij weg is,
rijdt hij diep in gedachten naar huis. In een lange monoloog klaagt
hij dan over zijn hopeloze liefde: er is niemand die de Trojanen zo
zeer haten als hem die Hektor de dood had gegeven. Nu zendt hij een
paar vertrouwde mannen naar koningin Hekuba en belooft alle mogelike
boetedoening voor de dood van Hektor, als hij Polyxena maar de zijne
mag worden. De jonge maagd was daar zelf bij tegenwoordig, maar als
welopgevoed meisje, hoort zij dat aan zonder een woord mede te spreken.
Priamus heeft wel bezwaren, van geboorte en rang vindt hij n.l. Achilles
heel wat minder dan een Trojaanse koningsdochter, maar hij geeft toch
zijn toestemming, indien Achilles bij de Grieken het beleg op kan doen
heffen en zij aftrekken. In die tussentijd geeft Achilles thuis lucht
aan zijn gevoelens in klachten over de macht van Amor en op de wijze
der troubadours noemt hij zijn aangebedene »verheerlikte geest", »glans
der schoonheid" en dergelijke. Nu tracht hij de Grieken te bewegen
naar huis te trekken en wanneer hem dat niet gelukt, blijft hij mokkend
in zijn tent thuis. Maar ten slotte, wanneer de Grieken al te erg
in 't nauw gebracht worden, kan hij toch niet meer achterblijven en
werpt zich--hevige verwijten van »Amor" die zich openbaart, en zijn
zelfverwijt wegens zijn verraad jegens de schone--toch weer in de
strijd. Van haar kant voelt Polyxena zich in stilte ook zeer ongelukkig;
van dat huwelik had zij nu al zo lang horen spreken, dat zij nu juist
haar zinnen daarop was gaan zetten. Maar nu beraamt Hekuba verraad. Zij
laat Achilles weten dat hij Polyxena toch kan krijgen en vraagt hem 's
nachts bij een tempel buiten de stad te komen. En even als Amor Leander,
de geliefde van Hero van zijn verstand beroofde, zo nu ook Achilles.
Romanties wordt de eenzame tocht in de maneschijn van hem en zijn
volgelingen beschreven, naar de verlaten, eenzame plaats waar de
koningin een hinderlaag heeft aangebracht en waar de held nu zijn dood
vindt. Onder groot weeklagen wordt zijn lijk begraven en de Grieken
richten een gedenkteken voor hem op, waarop zij Polyxena afbeelden, over
hem wenende. Aandoenlik is het ook te lezen hoe later, na de inneming
van Troje, de Grieken wreedaardig de maagd op het graf van Achilles
offeren. »Laat de dood mij maar nemen," zegt de trotse koningsdochter,
»ik verweer er mij niet tegen, hier schenk ik die een jonkvrouw zo
schoon als ooit een koningszoon verwierf."

Polyxena en Antigone, Dido en Medea, Ismene en Lavinia, en ten slotte
Briseis, het is een hele vrouwengalerij--hooggeboren trots, woest
hartstochtelik, zacht onschuldig, koket wisselvallig--welke die romans
hun tijdgenoten voor zetten.



XIII.

GRIEKS-OOSTERSE VERTELKUNST.


Zoals wij gezien hebben waren de klassieken al halverwege voor de
trouvère der Middeleeuwen geromantiseerd door de Grieks-Oosterse
vertelkunst, waardoor alleen hij in de regel de klassieken te zien
kreeg,--bijv. door de Egyptiese historie van Alexander of door de romans
over Troje uit de periode van het verval der oudheid. De overdreven
beschrijvingen, de avontuurlike fantasie, de dialektiese zielsanalyse
en het galant-sentimentele erotiese element,--dat waren alles duidelike
sporen van dat verval der klassieken en hun Asiatisering. Daaruit was
in de Oost-Romeinse wereld een vertelkunst ontstaan, van wier stam de
Griekse en Byzantijnse roman en de romantiese Oosterse verhalen, b.v.
de 1001 nacht, slechts verschillende vertakkingen zijn, door een en het
zelfde sap gevoed. En reeds lang hadden de klerken, gelijk wij gezien
hebben, zich Latijnse vertalingen van Griekse romans als »Apollonius
van Tyrus" weten te verschaffen, zoals die van de vriendschapsproef of
van de goede raad op reis. Nu, ten tijde van de kruistochten, wordt de
romanhonger der leken door de Grieks-Oosterse vertellingsliteratuur
gestild zowel door Latijnse vertalingen er van, als door mondelinge
verhalen. En door haar kunstvorm en haar geest zowel als door haar
onderwerpen, zou die al heel spoedig nog vruchtbaarder voor de
ridderromans blijken te zijn dan de klassieken dit geweest waren. Veel
uit onze moderne roman, de opbouw en de liefde-intriges stammen direkt
uit de Aetiopiese verhalen van Heliodorus of de novellenkunst van
Bagdad.

Een laat, zeer ingewikkeld literatuur-genre was de Griekse roman, zoals
die jaren na Kristus bloeide--»Verhalen uit Babylon",--»Verhalen uit
Ephese",--»Aetiopiese Verhalen",--»Leukippe en Chlitophoon",--»Chaereas
en Kallirhoe",--de pastorale roman »Daphnis en Chloë", en hoe die
ook alle heten. Aan de ene kant een nakomeling van een overrijpe en
verouderende kultuur--zonder kracht en frisheid, zonder natuurlikheid
en oorspronkelikheid, vroeg rijp vroeg wijs, gekunsteld, verzwakt, maar
niet zonder fijnheid in denken en gevoel, en geboren met beschaving en
kunst. Maar tegelijkertijd een kind, die roman, van die zekere tijd
van barbaarse en chaotiese vernieuwing en kultuurmenging, waarin het
kristendom zijn laatste wereldvernieuwende vorm zou krijgen, en zo,
doordrongen van kinderlike lust naar avonturen en een ruwe barbaarsheid,
maar ook met de dageraad van een nieuwe levensopvatting in zich en een
geheel nieuw stel gevoelstonen.

Die romans beschrijven altijd het partikuliere leven; het vaderland,
politiek en alle maatschappelike kwesties liggen buiten hun horizont.
Met geschiedenis en godsdienst staan ze in geen verband, hebben geen de
minste pretensie een beschrijving van werkelike gebeurtenissen te geven,
en de goden behandelen ze ook vrij wel niet anders dan als een poëtiese
fictie. Wat zulk een roman wil, is de fantasie met een ingewikkelde
en spannende handeling en merkwaardige avonturen gaande te houden,
medelijden op te wekken voor een hartroerende geschiedenis, soms ook
daardoor een wijze levensfilosofie aan de man te brengen en de moraal
te helpen opbouwen.

Dikwels begint de roman met een scène tussen twee jongelui die op elkaar
verliefd worden. Zij treffen elkaar bijv. bij een feest in de tempel,
waar men voor een optocht of dans of voor spelen bijeen gekomen is.
Beiden zijn zeer jong, maagdelik, naïef onschuldig,--geen van beiden
hebben van de liefde iets willen weten; zij is een der maagden van die
tempel, hij jager. Er zit hier een weinig verering der overkultuur in
van het naïef-ongekunstelde, en een geraffineerd plezier om de onschuld
in de mysteries der liefde in te wijden, maar er is ook een zeker
verlangen in die tijd naar een verjongingskuur der reinheid. Beiden,
hij en zij, schitteren boven alle andere jongelingen en maagden uit,
hun namen zijn »Bloem" en »Gratie", »Anthia", »Chariklea", hij is
van voorname familie, zijn klederdracht en zijn wapenrusting worden
geschilderd bijna als die van een Middeleeuws ridder, als zulk een
ridder blinkt hij uit bij het rijden en de spelen, en ontvangt de
lauwerkrans uit de hand van de schoonste maagd. Zij heeft een krans om
haar gouden haar en draagt een met goud gestikt purperen gewaad. Amor
straft ze nu wegens hun miskenning van zijn macht en steekt bij de
eerste blik hun beider harten in lichte laaie. Mysties-platonies heet
het bij deze gelegenheid hoe de hele natuur van liefde doordrongen was:
de aantrekkingskracht van de magneet is een soort liefde, de rivieren
worden er ook door liefde toe gebracht zich in elkaar uit te storten,
en wanneer de mannelike palm alleen staat, ver weg van een vrouwelike,
droogt die door liefde-verlangen uit! Door het oog vloeit het beeld der
schoonheid in de ziel, zodat ziel met ziel verenigd wordt, zelfs als de
lichamen gescheiden zijn. De jongelieden voelen die verliefdheid eerst
als een soort ziekte; geheel in gepeins verzonken zitten zij bij het
feestmaal aan, blozen, verbleken, gaan zelfs ziek naar bed. Heel naïef
hebben zij er gewoonlik geen idee van wat hun scheelt, totdat een meer
ervaren oudere vriend ze inlicht. Of wel dolen ze in de vrije natuur
rond, klagen tot de maan, snijden de naam van de geliefde in de
boomschors en trachten de toekomst uit de bloemen te lezen. Zij leven
van elkaars blikken of handdrukken; hij drinkt van de zelfde kant van
de beker waar zij haar lippen gezet heeft, of kust de fluit waarop zij
geblazen heeft. Er loopt ook veel eroties geflikflooi onder door. Hij
mag een krekel aanpakken die op haar borst gevallen is, en als hij haar
eens op een dag een toverformule hoort murmelen over de arm van haar
dienstmaagd die door een bij gestoken is, dan beweert hij in zijn lippen
gestoken te zijn, opdat zij dan met haar lippen dicht bij de zijne komen
zal.

Het jonge meisje is wel eerst wat bleu, maar heeft toch niet al te
veel aanmoediging nodig, zij is het ook dikwels die er wat op weet te
vinden, hetzij dat zij haar cameriere er toe weet te krijgen haar te
helpen of dat zij degeen die haar bewaakt een slaapmiddel toedient. Met
Grieks-zinnelike verfijndheid wordt het genot geschilderd dat de kus
geeft,--lang daarna kan de jongeling de kus nog op zijn lippen voelen.
Maar dat genot is meer dan eens met filosofiese sentimentaliteit
gepaard. De kus is het eerste zoete dat de geliefde te genieten
krijgt, want het wordt door het schoonste deel van het lichaam
voortgebracht,--de mond is immers het orgaan van de stem, en de stem
is de afschaduwing van de ziel; door de aanraking der lippen vliet het
genot in de ziel, zo goed als de ziel tot het zoete genot van de kus op
wordt getrokken. »Nooit heb ik zulk een zielegenot gesmaakt, en toen
pas wist ik dat er geen genot was dat met de liefdekus vergeleken kan
worden." En de jongelieden generen zich ook niet alle andere
liefdevruchten te plukken.

Of wel vluchten zij met elkaar en trouwen. Of wel voelen de ouders dat
»het beter is, teneinde de onterende naam van de zinnelike begeerte te
ontgaan, daarboven de wettelike banden van een eerbare vereniging te
verkiezen en de ziekte der hartstocht in een huwelik om te zetten."
Maar dan komen, na de idylle, de avonturen, de verwikkelingen en de
beproevingen. Nu trekken zij op weg,--hetzij ze op de vlucht gaan, of
dat een van beiden zijn ouders wil gaan bezoeken, of dat hij of zij
bij vreemden opgevoed is, of zelfs, als dat alles niet kan, is er
een orakelspreuk volgens welke zij na de bruiloft een reis moeten
ondernemen. En op die reis raken ze dan van elkaar af, hetzij door
schipbreuk of door een overval van zeerovers. Ook kan het motief zijn
dat de jonge vrouw door boze tongen belasterd is en de man haar als
ontrouw weg zendt; dan dwaalt zij de wereld om, maar hij komt daarna
haar onschuld te weten en gaat ook ronddolen om haar te zoeken. En
altijd dwalen ze alle beiden, elk op zijn eigen houtje, in de wereld
rond, krijgen beiden de wisselvalligheden van het lot te verduren en
zoeken elkaar overal. En op dit weefsel wordt nu verder doorgeborduurd.

Reisverhalen en berichten over vreemde landen en zeeën waren altijd
bij het Griekse volk van zeevaarders en handelaren geliefd en in trek
geweest. Bij Homerus zowel als bij Herodotus en de Latijnse bewerkingen
van Virgilius, vindt men een bezinksel van al de verhalen van matrozen
en handelsreizigers, waar het de Grieken nooit verveelde naar te
luisteren. Maar nu is de Hellenistiese tijd van de wereld zo veel groter
en zo veel bonter geworden dan ooit tevoren, en ook het verlangen om
de wereld te leren kennen, zoveel sterker en zoveel gemakkeliker te
voldoen. En uit Indië kwam er weer aanvoer van nieuwe zeemansverhalen
over tochten naar Ceylon en andere merkwaardige landen,--dezelfde
verhalen waaruit de Arabieren later de geschiedenis van Sindbad samen
zouden stellen; uit Aegypte en Perzië, uit Scythië en het »uiterste
Thule" kwam al meer en meer kennis en stof. Natuurkundigen en geografen
kompileerden grote verzamelingen van »Paradoxa", allerlei merkwaardige
gebeurtenissen, verhalen van dieren, planten, stenen, natuurfenomenen
uit alle landen der wereld en de filosofen droomden temidden van hun
Griekse overkultuur van een paradijs onder de gelukkige natuurvolkeren,
en voor hun ogen stond het land der Hyperboraeën in 't Noorden, Atlantis
in het Westen, of Indië ver in het Oosten als het ideaal van wijsheid en
geluk. En van dit alles vindt men ook veel in de Griekse romans terug.
Op hun reizen zien de geliefden vreemde klederdrachten en gewoonten,
merkwaardige dieren en mensen; de lezer krijgt een beschrijving van
de overstroming van de Nijl en van Aegyptiese toverformules, van
kunstwerken te Delfi, Perziese hoven, Skytiese tempelfeesten, en veel
van de magie en de toverij, waar de tijden zo vol van waren, vindt men
in de romans weer. In de scholen der Sofisten en de rhetoren had zich
een bloeiende beschrijvingskunst ontwikkeld die zich aan allerlei
zeldzame en moeilike onderwerpen oefende, en het zijn de »opstellen" der
leerlingen van die rhetorenscholen, die wij als delen van die romans
aantreffen.

In die scholen was ook die fantasie en smaak geboren, welke de romanheld
zich in allerlei extraordinaire avonturen en zielstoestanden doet
storten. Bijvoorbeeld een rhetories beschreven zeestorm, een schipbreuk
of een merkwaardige redding, dramatiese overvallen van piraten met
daarop volgende gevangenschap en slavernij; plotselinge ontmoetingen,
een even plotseling van elkaar afraken, verkledingen en vergissingen
en herkenningsscènes. Zoals reeds in de nieuwere Attiese blijspelen
wordt de knoop door allerlei romantiese motieven gelegd: kinderen die
uitbesteed zijn geweest of geroofd waren geworden en ten slotte aan
een moedervlek herkend worden of aan de doek waarin ze gewikkeld waren;
mensen die erg op elkaar lijken en verwisseld worden, slavinnen die vrij
geborenen blijken te zijn; mensen die als dood beweend worden en dan op
eens nog tot de levenden blijken te behoren. En als een weifelen tussen
dergelijke motieven wordt de handeling opgebouwd; het ene brengt die
vooruit, het andere houdt die tegen. De twee geliefden lopen elkaar als
gekken elk in een ander werelddeel te zoeken en schrijven elkaars naam
op alle Hermeszuilen aan de weg voor het geval dat de ander daar ook
voorbij mocht komen; of zij zijn vlak bij elkaar zonder er iets van
te vermoeden, b.v. in hetzelfde huis door éen enkele muur gescheiden,
spreken met elkaar zonder dat ze weten wie ze voor zich hebben, of wel
de jongeling vindt een vrouwenlijk en meent dat het zijn geliefde is,
hij begraaft het en is diep wanhopend, ofschoon zij het helemaal niet
is; allerlei boze mensen trachten ze in het ongeluk te storten. Maar
tegenover dit alles hebben de geliefden hun trouw te stellen, hun geduld
en hun volharden. Maar zij _maken_ hun eigen lot niet als helden die de
kracht om te handelen bezitten, zij _ondergaan_ hun lot. Beiden zuchten
en wenen, klagen en verlangen in huilerige sentimentaliteit. De held
zowel als de heldin vinden hun troost daarin dat ze overal waar zij
komen gevoelvolle harten in hun lijden inwijden en in hun gevangenschap
ontmoeten ze lotgenoten met wie zij hun tranen mengen, terwijl elk met
zijn geschiedenis voor de dag komt en de anderen met de verhalen van
zijn eigen ongeluk tracht te overbluffen. Met verfijnd materialisme
krijgt men te horen »welk een smachtende schoonheid tranen aan een maagd
schenken: het wit en het zwart in het oog vloeit te samen, terwijl het
oog als een bron zwelt; het wit glinstert als een narcis, het zwarte
gloeit als een viooltje, en de tranen die in het oog samengedrongen
worden schijnen te glimlachen." Is de maagd schoon en wordt zij door hem
die haar ziet wenen, bemind, dan »kunnen zijn ogen niet laten de hare te
volgen, want de schoonheid die in de ogen der geliefde troont, vloeit
daaruit in die van de toeschouwer over en trekt de tranenvloed tot zich;
de schoonheid glijdt in de ziel van de toeschouwer over, maar de tranen
behoudt hij in zijn oog, die wil hij niet afwissen, zijn geliefde moet
die kunnen zien." Zelfs in de bruidsnacht liggen de twee gelieven samen
te wenen in een soort melankolieke sentimentaliteit. Hij drinkt haar
tranen, die hem zoet zijn en hem genezen, en zij legt zijn haar op haar
eigen ogen opdat ook zijn haar de »liefdedrank" moge drinken; dan kust
zij zijn ogen: »Gij hebt mij veel kwaad gedaan toen gij eerst mijn hart
gewond hebt, maar gij hebt mij ook veel goed gedaan, toen gij mijn beeld
de weg naar zijn hart weest. Daarom kus ik u; maar nu moet gij hem ook
nooit een schonere vrouw laten zien die hem van mij af zou doen keren."

Tot de moeilikheden der twee gelieven hoort ook dat zij overal belaagd
worden wegens hun schoonheid en hun beminnelikheid; zij, door tyrannen
of rovers of door een lompe herder in wiens hut zij toevlucht gezocht
heeft; hij, door vorstinnen in wier handen hij gevangen is geraakt.
Maar hun trouw en hun kuisheid zijn in de regel tegen alle verzoeking
bestand. Er is iets kristeliks in het gewicht dat in die romans op de
kuisheid gelegd wordt. Tegenover al de pogingen der vorstinnen om hem
te verleiden, staat hij als een Josef, en zij bewaart haar deugd als een
ware heilige, in het bordeel zowel als tegenover alle dreigementen van
een tyran: »Laat de martelwerktuigen maar brengen, laat het rad maar
komen, hier zijn mijn handen; neem de zweep maar in de hand, hier is
mijn rug. Een nieuwe kamp zal voor uwe ogen beginnen: niettegenstaande
alle folteringen zal een vrouw alléén in haar strijd zegevieren."

En altijd overwint ten slotte de deugd en de liefde van het jonge paar.
De onschuld en de tranen der schone roeren de tyran en de woeste rover,
»die geen echte barbaar van zeden en manieren was, maar die de stempel
van een zekere beschaving droeg"; hij is »de edele rover" die slechts
tot zulk een leven gedreven is door het onrecht dat zijn familie hem
aangedaan heeft, en »ook de handen van barbaren voelen weerzin, naar
het schijnt, om zich aan schoonheid te vergrijpen en door de aanblik van
de gratie wordt zelfs het boze oog weer vriendelik." De gevangen schone
wordt galant door de zegevierende vorst behandeld, dikwels zucht hij van
liefde voor haar, maar geeft grootmoedig alle rechten op haar op wanneer
haar harte-vriend weer opduikt; een andere even grootmoedige koning die
haar geliefde gevangen heeft genomen, hoort diens klachten, doet zich
zijn treurige liefdesavonturen vertellen en laat hem vrij, ja, wat meer
zegt, geeft hem reisgeld mede om zijn beminde te kunnen gaan zoeken.

De geliefden zijn bovendien niet afkerig van zich door allerlei streken
uit hun moeilikheden te helpen. Wat de romans verheerliken is niet de
moed van de krijgsman, maar list. Een van de bronnen waar de Griekse
roman veel aan ontleend heeft is die literatuur van novellen over list
en bedrog die van de oudste tijden zo populair bij de handeldrijvende
Grieken geweest was. De schelmstukken van Odysseus werden het eerst
opgeschreven; in de bewerking door Herodotus van de Aegyptiese
dievenverhalen heeft men een specimen van de bijdrage die het Oosten
hiervoor leverde en in de zogenaamde »Milesiese" vertellingen over
liefde en list van Aristides van Milete, stamt veel uit Griekenland en
het Oosten. Vooral toont het jonge meisje in die Griekse romans zich
zeer vindingrijk en zonder scrupules; in 't algemeen laat zij het hoofd
minder hangen dan de zeer weinig mannelike held. Of wel smeert zij haar
gezicht vol met roet, en gaat in lompen gekleed en met een bedelrok
op stap om haar geliefde te zoeken; of wel drinkt zij een slaapdrank,
waardoor ze een tijd lang voor dood ligt, zodat zij niet meer met de
gehate bruidegom hoeft te trouwen; soms legt zij een dubbelzinnige eed
af; zo nodig koketteert zij hevig met de tyran en belooft zelfs hem na
een zeker tijdsverloop te zullen nemen, om dan in die tussentijd de kans
schoon te zien en te verdwijnen.

Maar alles eindigt ook goed, dat hoort nu eenmaal bij het genre van
die romans evenals bij de komedie. Het zelfde spel van de grillen van
het noodlot, de zelfde »Tyche", die alle berekening trotseert en alle
plannen in duigen doet vallen, die nu eens de geliefden door een
onzinnige orakelspreuk naar Oost en West uit elkaar drijft, ze dàn weer
verblindt, zodat ze hun geluk niet vlak voor zich zien liggen, maar zich
met opzet in 't ongeluk storten,--diezelfde geluksgodin zal toch altijd
tenslotte ouders en kinderen elkaar terug doen vinden, de vrije geboorte
van de slavin voor den dag, en de onschuld van de ten onrechte verdachte
echtgenote aan het licht doen komen, en de twee geliefden ten slotte,
bevend van aandoening in elkaars armen laten vallen. En de zelfde
overdaad van tranen die zij in hun ellende hebben geplengd, is nu hun
liefdesgeluk gewijd. Alles wat zij doorstaan hebben was slechts een
loutering, die ze hun geluk meer waard zal maken,--of een raffinement
dat de liefde èn bij hen zelf èn bij de lezers wat moet aanwakkeren!

En dit alles is toebereid met een kunst van onderhouden die voor lange
tijden de techniek van onze romans bepaald heeft. Gewoonlik komt de
lezer eerst in een merkwaardige, vreemde situatie, waardoor zijn
nieuwsgierigheid en belangstelling opgewekt worden, zonder dat hij
eigelik weet hoe en waarom. Twee reizigers treffen elkaar bijv. in een
herberg en de een vertelt de ander een geschiedenis die hem onlangs
overkomen is. De ander, wie men toch zou denken dat dit alles niets
aanging, luistert in stijgende spanning, vraagt, raakt in de war en
verwijdert zich om zijn aandoening te verbergen. Wanneer hij terugkomt
om het slot van 't verhaal te horen of b.v. te vragen waar de personen
in kwestie heen getrokken zijn, deelt de waard hem tot zijn diepe
vertwijfeling mede dat de ander juist per schip vertrokken is. Langzaam,
en stukje voor stukje begint de lezer iets van de vóórgeschiedenis te
snappen, later krijgt hij nog een paar draden te pakken; de handeling
kan hij tot een zeker ogenblik volgen, dan, juist als de situatie zeer
spannend is, laat de schrijver die los en plagerig volgt hij nu weer
een ander persoon op diens weg; voortdurend worden er nieuwe episoden
ingewerkt; net als in die Chinese doosjes wordt in elke historie altijd
weer een andere gevoegd, iedere nieuwe persoon die optreedt vertelt ook
weer zijn geschiedenis, die de lezer zich dikwels ietwat geïrriteerd
af doet vragen wat dit daar nu weer mee te maken heeft, maar die toch
tenslotte van afdoende betekenis voor de hoofdhandeling kan blijken
te zijn... en zo is de lezer in één voortdurende spanning en wordt
hij voortgezweept, in de war gebracht, geërgerd, verder gebracht...
teruggehouden... maar de roman laat hij niet los voordat hij aan 't
einde gekomen is!

       *       *       *       *       *

Een vervolg op die Griekse roman vormen, naar het schijnt, in de
Byzantijnse tijd, andere romans die wij niet kennen, maar waaraan via
het Latijn, Franse en Duitse romans hun oorsprong danken. Maar deze
romanliteratuur is, zoals wij reeds zagen, slechts één enkele tak
van de rijke, mondelinge en schriftelike vertelkunst die zich in de
Grieks-Oosterse wereld ontwikkelde. En door de collecties van Latijnse
verhalen die wij al meer dan eens genoemd hebben, zowel als nog meer
langs mondelinge en schriftelike wegen die wij nu niet meer kunnen
nagaan, kwamen er talrijke Oosters-Griekse verhalen tot de Middeleeuwen
van het genre dat wij nu uit de grote schatkamers van Oosterse
vertellingen kennen, waarvan de »Duizend-en-één-Nacht" een van de
grootste en laatste is, maar die ook in 't Persies tot hele
gedetaljeerde liefderomans uit werden gewerkt.

Die vertellingen zijn al even onkrijgshaftig als de Griekse romans,
en ofschoon anders in elkaar gezet, zijn het dezelfde onderwerpen
die daarin met voorliefde behandeld worden. Het zijn verhalen van
sentimentele liefde, zielegrootheid, onschuldig lijden, list en vernuft,
vreemde spelingen van het noodlot en de merkwaardigste gevallen van
toverij.

Dat element van toverij ontbrak niet in de latere klassieke periode--de
toverdrank van Medea en Circe en de toverroman van Apuleius en zijn
»gouden Ezel" staan verre van alleen--maar vooral door de Oosterse
vertellingen maakten de Middeleeuwen kennis met alle soorten van
tovermotieven waar ze rijkelik gebruik van konden maken. Daar had men
allerlei geesten en toverdieren; bronnen waar men niet uit mocht drinken
of er stak een hevige storm op, of een enorme geest kwam de stoutmoedige
tot een tweestrijd uitdagen; mensen die door toverij tot stenen en
dieren gemaakt worden; toverslotten, waarin niemand wegens spoken
en heksen durfde overnachten; feeën die hun menselike geliefden naar
hun rijk ontvoerden. En er waren spiegels en bronnen waarmede men de
kuisheid van een vrouw op de proef kon stellen en toverkussens die men
in 't bed legde en die dan de man als van steen maakten in de armen van
de vrouw.

Voor de Middeleeuwen waren alle »Wijzen van het Oosten" Tovenaars en
Magiërs evenzo zeer als de Philosofen van de klassieken: Hippocrates
en Virgilius, zo wel als koning Salomo en al de wijzen der Oosterse
novellen. Die maakten vernuftige mekanismen, ze konden zien wat er op
andere plaatsen geschiedde, konden de gedachten van anderen lezen en te
weten komen wat anderen in 't schild voerden, misdaden opsporen, en zeer
talrijk waren de bewijzen van scherpzinnigheid waar de Midrasch en de
Talmud der Joden of de Arabiese sprookjesverzamelingen van verhaalden.

Maar slimmer dan zelfs de wijste man was toch dikwels de vrouw, waar het
er op aan kwam om de mannen te bedriegen. Een wijze als Hippocrates werd
door zijn vrouw vergiftigd; Virgilius de Tovenaar zou een listige vrouw
in 't geheim ontmoeten en toen hij zich in een mand naar haar vertrek
zou laten hijsen, liet zij hem midden in de lucht hangen tot spot voor
iedereen. Van de vrouw van Salomo vertellen Joodse sagen en Byzantijnse
romans, hoe de sluwe vrouw en de verstandige bultenaar Morolf, Salomo's
broeder en helper elkaar steeds weer in list trachten te overtreffen.
Van de gemalin van Caesar zowel als van die van Constantijn wordt
verteld hoe zij hem met haar twaalf camerieres bedroog die verklede
mannen waren, totdat een der wijzen haar schaamteloosheid aan 't licht
bracht. Een vrouw neemt een slaapdrank in en geeft zich zo voor dood
uit, ze wordt begraven en door haar geliefde weggevoerd. Een ander laat
een geheime gang graven tussen het huis van haar man en dat van diens
vriend, die tegelijk haar geliefde is. De vriend presenteert haar nu
in zijn eigen huis als zijn eigen vrouw; de bedrogene kan zijn eigen
ogen niet geloven, maar de vriend verklaart dat er alleen maar een
merkwaardige gelijkenis in 't spel is; als hij naar huis wil gaan zal
hij zijn eigen vrouw thuis vinden,--wat dan ook uit komt. Een derde
heeft het ongeluk dat een geleerde ekster de echtgenoot vertelt, wat zij
in zijn afwezigheid heeft uitgevoerd, maar de vrouw weet op alles raad
en slaagt er gemakkelik in door een zeker experiment hem te overtuigen
dat die eksters maar leugenbeesten zijn, zodat hij ze nu ook niet kan
vertrouwen.

Meestal kan men die Oosterse verhalen van vrouwenlist waar ze in de
Europeese novellen, b.v. de Franse fabliaux overgegaan zijn, daaraan
herkennen dat ze zo paradoxaal lijken, zo kunstig, en in de aangewende
middeltjes zo tegen alle gezond verstand in schijnen te druisen,
vergeleken met de nuchterder, natuurliker Europese geschiedenissen.
Het zelfde gemis aan respekt, beter: het zelfde genot in het
paradoxaal-onwaarschijnlike kenmerkt ook die talrijke Oosterse
geschiedenissen over het merkwaardige spel van het toeval of, als men
wil, over de wonderbare wegen en de almacht van het Noodlot. Van de
Duizend-en-één-Nacht kent een ieder genoeg dergelijke verhalen over de
vreemdste combinaties van het toeval. Alle toevalligheden hebben b.v.
zo zeer samengezworen naar 't schijnt om een volkomen reine vrouw in de
schijn van schuld te brengen, dat ook alleen maar een even merkwaardig
toeval haar onschuld aan den dag kan brengen. Of--en dit is een historie
die in veel versies in de Middeleeuwen bekend was--men heeft de keizer
voorspeld dat een arm kind dat juist geboren wordt, zijn schoonzoon en
erfgenaam zal worden en wat de keizer ook keer op keer probeert om de
voorspelling te doen falen, alles werkt daarentegen juist samen om die
wel te doen uitkomen.

Maar de Oosterse fantasie zoekt ook buiten de grenzen van het
natuurlike, op het gebied van het zieleleven haar weg naar overspanning
en paradoks. Vrienden die elkaar in zelfopoffering, vijanden die elkaar
in grootmoedigheid trachten te overtreffen, liefde die alle beproevingen
doorstaat, de zwartste ondank, de blankste edelmoedigheid. Een jongeling
woont bij een getrouwde vriend, diens vrouw begint te sukkelen en
vertelt eindelik aan haar man dat zij van liefde voor de jonge
huisgenoot vergaat. De man neemt nu zijn jonge vriend in 't vertrouwen,
en die... weet zich een melaatse ziekte op de hals te halen om zodoende
bij de vrouw zijns vriends de liefde te doen overgaan die de schone
verhouding tussen hen drieën in de war had gebracht. Romanties is die
liefde vooral en sentimenteel--veel meer zelfs dan in de Griekse romans.
Als in deze laatste zijn de geliefden in de regel zeer jong. Hij wordt
op iemand verliefd die hij nooit gezien heeft, op haar portret, op haar
beeld dat hij in zijn dromen gezien heeft, of hoogstens heeft hij een
glimp van haar achter het tralievenster gehad. Hij legt zich op zijn bed
en wordt zieker en zieker en bij zijn onmannelik gedrag moet nu een
vriend of de ene of andere koppelaarster voor hem handelen. Het feit
dat in 't Oosten de vrouw altijd bewaakt wordt en van allen afgesloten
leeft, geeft een hoogst romanties tintje aan de verhouding tussen de
geslachten en brengt noodzakelik gevaarlike avonturen, zowel als het
gebruik van tussenpersonen met zich meê, en wanneer b.v. de held als
een slavin verkleed de harem binnen is gesmokkeld, of in een mand met
bloemen naar boven is gehesen, dan wordt die gelegenheid ook terstond
aangegrepen, daar was die zeldzaam genoeg voor en duur genoeg gekocht,
om terstond op alle liefdegenot aanspraak te maken.--Maar meestal doolt
hij lang in de grootste ellende rond; de ongelukkige jonge man wordt
waanzinnig van verdriet; hij of zij worden als in de Griekse romans
als slaven verkocht of door rovers weggevoerd en pas na jarenlange
tegenspoeden, en na er veel tranen en zuchten bij te hebben gelaten,
komen zij tot hun welverdiende geluk.

       *       *       *       *       *

Hier en daar vindt men nu motieven uit die Griekse en Oosterse
vertellingsliteratuur in de gehele Ridderromantiek,--in wat vooraf
gaat hebben wij ze al gevonden en wij zullen er in wat volgt geregeld
weer aantreffen. Maar als direkte afstammelingen daarvan doet zich
heel duidelik een reeks romans en vertellingen kennen,--door de
kinderachtig-zoetsappige liefde die daarin optreedt, of door een
spesiale soort van avonturen en spel van het noodlot, of wel door de
buitengewoon extravagante geschiedenissen van toverij en vrouwenlist.

Een van de hoofdmotieven in de Griekse romans was, zoals wij zagen,
dat twee gelieven, of man en vrouw door een toeval, op reis van elkaar
gescheiden raken, of door rovers overvallen worden, en terwijl zij
elkaar trouw de gehele wereld over blijven zoeken, hebben zij al de
wisselvalligheden der fortuin en al de wereldse ellende te verduren.
In de Franse romans (van de 12de of begin 13de eeuw) zo als Floris en
Blanchefleur, Aucassin en Nicolette, Escoufle, Guillaume van Palermo,
worden histories van dat genre als in de ridderliteratuur behandeld.

De ridderromans beginnen met de opvoeding van de held of heldin
van kindsbeen af aan een vorstelik hof te schilderen. Of wel is het
de zoon van een edelman, Guillaume, die aan het hof van de keizer
van Italië opgroeit met 's keizers dochter Alis, of de dochter van
een kristen-ridder, Blanchefleur, is gevangen bij het hof van een
Spaans-Moors koning en groeit daar op met prins Floris. Zoet wordt
de schoonheid en de liefelikheid der kinderen geschilderd,--evenals
in de sentimentele legenden van het Kindeke Jezus uit die tijd, of
op de groepen van de »Madonna met het kind" waar de Franse kunst de
kerkportalen mee begon te versieren. De jongen, drie jaar oud, lijkt met
zijn blonde haar een engel, allen zijn dol op hem en hij zit voortdurend
op de rug van de schildknapen en ridders. Wanneer zijn moeder hem naar
't hof zal zenden, neemt zij hem de laatste nacht nog bij zich in bed
en als de jongen weg rijdt, legt zij een zacht kussen op zijn zadel.
Aan het hof komt de jonge keizersdochter hem met haar speelkameraadjes
te gemoet, hij groet zoals hij dat van zijn moeder geleerd heeft
en de eerste ontmoeting der kinderen is vol gratieuse verlegenheid.
Aldoor zijn Guillaume en Alis of Floris en Blanchefleur samen; hij
is vol attenties en beleefd, heeft nooit lelike woorden of vloeken
in zijn mond, en zij zingt en naait en heeft er plezier in steeds
maar gordels en beurzen weg te geven die zij geborduurd heeft. Samen
spelen zij in een tuin, terwijl »de vogeltjes van de liefde zingen".
Als de een lezen moet leren, moet de ander meê doen en dan leren ze
dat uit de »heidense liefdeboeken" en schrijven met zilveren en gouden
stiften over vogelengezang en bloemen en liefde op ivoren tafelen (ook
in de »Duizend-en-één-Nacht" schrijven een jongen en een meisje elkaar
verzen vol liefdebetuigingen, zodra de onderwijzer hun de rug toekeert).
Zij noemt hem »vriend" of »broeder", maar men kon aan de kleur op haar
gezicht en de ogen zien welke naam haar 't zoetst klonk; wanneer zij
»vriend" zegt, zucht zij en worden haar ogen eens zo klein van schattige
schuchterheid.

En zo groeien zij op. Hij doet dienst als page, munt uit bij de
ridderspelen, in 't schaken en bij 't bakspel, in hoofsheid en
mildheid. Zij wordt maagd,--de kleine vaste ronde borstappeltjes zijn
als »Waalse noten", haar tengere middeltje kan men met de twee handen
omspannen; haar lichaam is zo blank dat wanneer zij met blote benen op
de weide door de morgendauw loopt, de madeliefjes, met haar vergeleken,
grijs schijnen. Hun gevoelens worden ook inniger. Wanneer hij eens een
ogenblikje van haar af is, worden haar ogen helemaal »rond" en kijkt
haar hart door 't raam van het oog om hem na te staren; en als zij eens
op een dag in de tuin wandelend, de jonge man ziet liggen slapen, kan
zij niet nalaten hem te kussen, maar nu heeft hij juist van haar liggen
dromen en droomt op het zelfde ogenblik dat zij hem een roos geeft en nu
wordt hij wakker en begroet haar beleefd. En het duurt niet lang of zij
kussen en liefkozen elkaar en menige nacht brengt Alis slapeloos door
als zij bedenkt hoe dikwels haar vriend haar borstjes en haar lijf onder
haar kleren heeft gestreeld en haar »schone lenden" heeft geliefkoosd.

Het verschil in stand heeft weinig voor de gelieven te zeggen, en in elk
geval brengt de liefde ze daar licht over heen, of zij nu 's keizers
dochter is of hij vorstenzoon en zij van mindere stand. Maar de lelike
ouders kunnen die mésaillance niet toelaten. Daarom vluchten b.v.
Guillaume en Alis (in »Escoufle") eens op een nacht, aan haar
beddelakens laat zij zich uit het raam van haar kamer neerglijden en op
muilezels rijden zij de weg op. En de muilezels bleven aldoor vlak tegen
elkaar aanlopen; de twee gelieven hadden pret en liefkoosden elkaar, dan
eens nam hij haar hand, dan aaide hij haar over de wangen; »wat heb ik
die maan toch lief," zegt hij, »die beschijnt uw schone aangezicht."--En
de dichter barst uit: »Wel hebben die twee, vader en moeder, goud en
goed op 't spel gezet om de roepstem huns harten gehoor te geven!"
Vergeefs worden de vluchtelingen nagezeten, vrolik en wel rijden ze de
wereld rond, in de herbergen krijgen ze volop eten en drinken op reis
mee, buiten in de heerlike vrije natuur spreiden zij hun tafellaken...
Maar, ééns op een dag, wanneer zij zich bij een bron waarbij ze gegeten
hebben, te slapen heeft gelegd, en hij bezig is haar aangezicht tegen
de zon te beschutten, dan schiet plotseling een wouw uit de lucht op
zijn beurs af waarin een ring is die zijn geliefde hem juist geschonken
heeft,--een trek die ook in de »Duizend-en-één-Nacht" te vinden
is--Guillaume springt dadelik te paard hem achterna, Alis wordt wakker
en is nu eenzaam door haar trouweloze schaker achtergelaten,--wanhopend
gaat zij nu ook op weg,--natuurlik juist de verkeerde kant op. En zo
krijgen wij weer de gewone situatie: twee gelieven die op goed geluk
elkaar in de wijde wereld gaan zoeken.

Wanneer de koning der Moren in »Floris en Blanchefleur" merkt dat het
tussen zijn zoon en het jonge kristen-meisje wat al te warm wordt, zendt
hij de prins weg in een verre stad naar school, het meisje wordt aan
vreemde kooplieden verkocht en de koning en koningin laten een prachtig
grafmonument oprichten, dat Floris wanneer hij thuis komt, als het graf
van die arme overleden Blanchefleur wordt getoond. Dit motief komt ook
in de »Duizend-en-één-Nacht" voor. Zijn ouders die denken dat het gevaar
nu geweken is, laten het graf versieren met schone herinneringen aan de
jeugdige liefde van die twee kinderen: twee beelden die hem en haar
voorstellen en die door de wind bewogen, elkaar goudbloemen geven,
terwijl zij de woorden spreken: »Kus mij, mijne schone!" Maar Floris
laat zich niet troosten,--»de liefde heeft een kruid in zijn hart
geplant, dat steeds in bloei stond en dat zo zoet rook, dat hij daar
alles door vergat", hij beklaagt zich overal en gelijk de held in de
Griekse romans, besluit hij zich van kant te maken en wel met een
zilveren schrijfstift, die zijn geliefde hem geschonken heeft; dan
zal hij zo naar het »camp flori" komen en met zijn vriendin bloemen
plukken,--dat zijn waarschijnlijk de affodil-bedden in de klassieke
onderwereld. Nu moeten zijn ouders de waarheid wel bekennen en zij
laten 't hem aan niets ontbreken als hij nu de wereld in trekt om
zijn Blanchefleur te zoeken. Als een koopman verkleed, gaat hij op
weg,--gelijk de prins in »Duizend-en-één-Nacht" die zijn geschaakte
geliefde achterna trekt. (Latere versies vinden blijkbaar die verkleding
als koopman niet deftig genoeg en laten de prins op reis gaan als een
vorstenzoon met een gevolg van ridders).

Blanchefleur is verkocht geworden aan de »admiraal" van Babylon die
haar in zijn »vrouwentoren" opsluit,--blijkbaar een soort Oosterse
harem--waar er 140 kamers zijn met jonge meisjes die bediend en bewaakt
worden door eunuchen. Elk op de beurt moest naar de »lever" van de
admiraal en als het bewijs van hun kuisheid geleverd is, worden ze voor
één jaar de favorite,--hierop worden ze onthoofd, want de despoot wil
niet dat iemand anders een vrouw zal bezitten die eens de zijne geweest
is. Dit is alles volkomen Oosters. Na lang vergeefs zoeken zit Floris in
een herberg en terwijl allen om hem heen vrolik praten en eten, denkt
hij alleen maar aan zijn »Wittebloem" en zucht en weet niet wat hij eet.
De waardin merkt dit en stoot haar man in de zij,--»bij God, dat is
geen koopman, dat is een jonge edelman." Dan begint zij een vriendelik
gesprek met hem en vertelt hem in de loop daarvan dat er voor enige
tijd hier een meisje was komen logeren die erg op hem leek en die
Blanchefleur heette en aldoor zat te zuchten over een zekere Floris. De
jonge »koopman" raakt helemaal in de war hierdoor, gooit de wijnkan op
de tafel om, maar geeft de waardin een gouden beker tot beloning voor
haar mededeling en trakteert het gehele gezelschap op wijn. Dan haast
hij zich weg in de richting waar de waardin van vertelde, komt weer bij
een vriendelike waard en waardin,--zijn eigenaardige jeugdige schoonheid
wekt aller medelijden en welwillendheid,--en ten slotte komt hij
werkelik te Babylon, waar zij in de »vrouwentoren" van de admiraal zit.
Hij maakt kennis met de portier van de toren, speelt schaak met hem, en
geeft hem ook een gouden beker ten geschenke, waarop de man hem in een
bloemenmand naar boven hijst. Vrolik en wel springt hij de mand uit,
maar ongelukkig is hij bij vergissing niet in de kamer van Blanchefleur
terecht gekomen maar in die van een harer vriendinnetjes. Van schrik
schreeuwt zij eerst luid, maar weet toch de andere meisjes die ijlings
aan komen zetten weg te krijgen,--'t was maar een kapelletje dat uit
de bloemen op was gevlogen. En dan roept ze Blanchefleur,--zij heeft
n.l. dadelik begrepen dat het haar vriend is die gekomen is. Sprakeloos
vallen ze in elkaars armen en de volgende dagen brengen die twee
gelieven in één liefderoes in Blanchefleur's vertrek door. Maar zo komt
het dat zij meer dan eens haar plicht vergeet om op de »lever" van de
admiraal te verschijnen; zij worden samen in bed ontdekt,--allerliefst
is het dat de admiraal eerst meent dat het een meisje is, dat daar bij
Blanchefleur ligt, maar als zij de borst van de bedgenoot zien, weten
ze dat het een jongen is. Nu moeten ze beiden verbrand worden,--Floris
heeft een toverring bij zich, die hij Blanchefleur aan de vinger wil
steken, zodat zij altans gered kan worden; maar geen van beiden wil
alléén gered worden en dus werpen ze de ring weg en worden naar de
brandstapel geleid. Maar--de admiraal krijgt de hele historie te horen,
hoe zij elkaar in leven en dood trouw zijn gebleven en dan wordt hij,
gelijk zo dikwels met de tyran in de Griekse romans het geval is, zo
zeer door medelijden bevangen dat hij ze beiden vrij laat en--Floris
zelfs tot ridder slaat! Nu trekken Floris en Blanchefleur vol geluk
naar Spanje, waar Floris de troon bestijgt en ter ere van zijn
kristelike vrouw zelf haar geloof aanneemt.

Het gehele gedicht is in een zachte, schone sprookjestoon geschreven;
de bloemennamen van de held en heldin schijnen direkt van dergelijke
personennamen in Griekse romans vertaald, misschien is het helemaal
oorspronkelik niets anders dan een bloemensprookje geweest. Het schijnt
in twee verschillende versies naar West-Europa gekomen te zijn, en daar
zijn dan twee groepen van die roman uit ontstaan, waarvan de éne in veel
ruwer lijnen opgetrokken is, niet alleen wat de boosheid van Floris'
vader betreft, maar ook de ongelukken van Blanchefleur: in 't algemeen
schijnt deze groep voor de smaak van een groter, meer populair publiek
bestemd.

Een heel bizondere bewerking heeft de sage ondergaan in de kleine
»chante-fable" van »Aucassin en Nicolette". In dit liefelike gedicht
zijn de verzen met uitzondering van de meest lyriese passages in proza
overgebracht, iets wat verder in 't Oud-Frans niet voor schijnt te
komen,--hoewel dat natuurlik bij de voordracht der berijmde romans door
de trouvères feitelik meer dan eens plaats gegrepen zal hebben,--en door
zoo van de banden van 't vers vrijgemaakt te zijn, is de vertelling
tot een kompleet sprookje geworden, alle waarschijnlikheid over boord
gooiende en op de alleraardigste manier een romantiese droom mengelend
met de nuchtere werkelikheid des levens, een dwepen zo erg, dat de boog
wel eens al te zeer gespannen blijkt en barst--met de meest naïeve
natuurlikheid, de zoetste zwaarmoedigheid met schelmse en ondeugende
vrolikheid. Hier is het 't meisje die tot de Moorse stam behoort, maar
zij is gekerstend geworden en opgevoed te Beaucaire, waar de zoon van de
graaf haar lief krijgt. De graaf laat het meisje in een toren opsluiten
om haar later geheel te doen verdwijnen, en zijn zoon die zich van
zijn passie niet wil laten genezen, werpt hij in de gevangenis; maar
Nicolette weet door middel van haar beddelakens uit haar toren te
ontvluchten, sluipt naar de gevangenis van Aucassin toe, waar zij
door een spleet in de muur haar vriend te spreken krijgt, totdat de
torenwachter die hen vol sympathie heeft gadegeslagen, haar waarschuwt
dat de nachtwachter uit de stad op zijn ronde nadert. Nicolette moet
over de muur en de gracht naar 't bos vluchten en zendt een groet aan
Aucassin, die als hij ook uit de gevangenis ontsnapt is, daar ook heen
snelt, en nu leven ze een romantiese natuuridylle in 't bos. Maar dan
gaan ze op reis,--in de beschrijving van de vreemde landen met de
merkwaardige zeden, waar ze door trokken, klinkt als een echo en bijna
als een parodie van de exotiese reisverhalen der Griekse romans--zij
raken in slavernij, worden onder een storm van elkaar gescheiden, en
Aucassin komt in zijn eigen rijk terug; maar zijn leven is een en al
zwaarmoedigheid, totdat eens op een dag zijn Nicolette, verkleed als een
arme speelman (gelijk de helden in een Griekse roman) naar Beaucaire
komt en zich weer bekend maakt...

Dit kinderlike en populaire volkssprookje zal eigelik wel niet voor de
hogere kringen van de ridderromantiek bestemd zijn geweest; maar de
fijne tederheid, de heidense sensualiteit, de schone mensenliefde, welke
die gehele klasse van de Grieks-getinte romans kenmerken, die wij hier
onderzoeken, laat zich nergens liefeliker kennen dan in »Aucassin en
Nicolette"--waarbij dan nog een bijna ziekelike innigheid komt, een
overspannen dweperij, die echt Middeleeuws-romanties is.

Heel wat beter aan Europese toestanden aangepast is het verdere verloop
der handeling in »l'Escoufle", daar wij afscheid van namen toen de wouw
in 't bos Guillaume en Alis had gescheiden. Bij haar rondzwerven komt de
dochter van de keizer te Montpellier, waar zij met een arme vriendin een
tijd woont en de kost verdient met haar prachtig handwerk. Zij borduurt
b.v. zijden beurzen die de edellieden uit de omtrek aan hun dames ten
geschenke geven; zij geneert zich ook niet het haar van de Heren te gaan
wassen, al heel gauw is zij overal bekend wegens haar vriendelikheid en
haar schoonheid, zo zeer dat het huis van de twee dames een hele salon
wordt, waar de gehele adel uit de buurt de artistieke schone het hof
komen maken, zodat de adelike dames erg jaloers worden. Eindelik komt
zij als een soort dame van gezelschap of een hoger genre van dienstmaagd
in huis bij een grafelike familie. Hier krijgen wij de beschrijving van
een gezellige, naïeve scène,--de heer des huizes is 's avonds van de
jacht thuis gekomen en maakt het zich gezellig bij de haard, waar men
appelen braadt,--om beter te kunnen »gratter" heeft hij alleen maar zijn
broek aangehouden en zijn hoofd rust in Alis' schoot;--de familie zit
om hem heen en ze praten over koetjes en kalfjes. Een vertelt van die
vreemde rare man die daar nu in de stad in 't hotel woont en die vandaag
op de jacht meegeholpen heeft; er was ergens een wouw gevangen en zodra
de jonge man die gezien had, had hij diens hart uit zijn borst gerukt
en dat opgegeten. De graaf wordt nieuwsgierig en laat de man bij zich
roepen, die dan vertelt waarom hij de wouwen zo haat... En terwijl hij
daar zijn historie staat te vertellen, herkent Alis hem op eens...
de rest kan men gissen!--Het is de levendigste beschrijving van het
dagelikse ridderlike leven der 12de eeuw, die men zich wensen kan, en
toch: niet alleen daarin dat Alis zeer sterk aan de odalisken doet
denken, maar ook in de episode van de man die zijn zonderlinge manier
van optreden moet komen verklaren, kan men moeilik iets anders dan een
Oosterse bron van de scène zien.

       *       *       *       *       *

Is het motief van de scheiding der twee gelieven en van hun hereniging
een der grondformules van de liefderoman gebleven, het andere motief
dat van de Grieks-Oosterse vertellingskunst in de ridderromantiek
over is gegaan, heeft zich niet minder vruchtbaar getoond voor de
wereldliteratuur. Dat is 't motief van de echtgenote die onschuldig van
ontrouw verdacht en weggejaagd wordt; haar onschuld komt echter voor den
dag en het gelukt haar man de verschoppelinge te vinden en haar weer in
ere te herstellen. Het is een roman-formule waar het werkelike leven
dikwels genoeg de stof voor geleverd heeft en die werkelik bizonder
geschikt is om tot het gevoel en de fantasie te spreken: de reine
onschuld die door duivelse boosheid zwart gemaakt wordt; de goedige
echtgenoot, een man van eer, maar die door schijnbaar sterke bewijzen
verblind, er toe komt groot onrecht te doen--de waarheid eerst onder
de voeten getreden, maar die ten slotte triomfeert. Van verschillende
trekken die nu in de »Duizend-en-één-Nacht" te vinden zijn tot de
geschiedenis van Suzanna in het boek van Daniël, van de historie van
Lucretia bij Livius tot de Griekse roman van Chaereas en Kallirhoe,
boden het Oosten en de klassieken genoeg uitgangspunten. In de
middeleeuwse kronieken en heldendichten kan men dergelijke
geschiedenissen lezen over allerlei koninginnen, Angelsaksiese, Franse
en Duitse; in de legenden waren die op heiligen overgebracht. Maar
die vorm van het motief, waarin de middeleeuwse ridderromans het
behandelen--de Franse »roman van de violette moedervlek", »de Graaf
van Poitiers", de »roman van Rozenvlek", de Duitse »roman van de twee
kooplieden"--heeft de eigenaardigheid dat een weddenschap of in elk
geval een dispuut tussen de man en diens vrienden over de trouw zijner
echtgenoot het uitgangspunt vormen; het »bewijs" dat de lasteraar haar
gunst genoten zou hebben is dat hij weet aan te geven waar zij een
moedervlek op 't lichaam draagt, of haar slaapkamer kan beschrijven
of een ring van haar kan vertonen. De weddenschap of het dispuut als
uitgangspunt hebben wij ook in de geschiedenis van Lucretia en iets
dergelijks vinden wij in vele Oosterse histories; schijnbare bewijzen
van ontrouw die de echtgenoot in de war brengen, hebben wij ook reeds in
Griekse romans en Oosterse vertellingen. En die ganse half wrede, half
moraliserende sentimentaliteit die in het motief ligt, draagt een
Oosterse stempel.

De »Graaf van Poitiers" is de oudste, nog vrij ruwe versie, de »Roman
van de violette moedervlek", de fijne ridderliker bewerking. De koning
van Frankrijk houdt een feest voor zijn hof en zijn baronnen. Terwijl
zij zitten te praten en te zingen, beroemt de graaf van Nevers,--of van
Poitiers--zich op de trouw en de deugd van zijn geliefde Oriaut (in de
oudste roman is het zijn vrouw) en zingt haar lof. Een edelman, een
intrigant, graaf Lysiart van Forest, spot met zijn vertrouwen en beweert
dat hij binnen korten tijd het bewijs zal brengen dat hij de liefde der
schone genoten heeft. Zij wedden om hun graafschappen en graaf Lysiart
rijdt naar het slot van Oriaut met de groeten van haar geliefde en de
boodschap dat zij verzocht wordt hem goed te ontvangen. Oriaut staat
juist als hij komt in het raam van haar torenkamer naar het gezang der
vogeltjes te luisteren en liederen van Poitou te zingen terwijl zij
aldoor aan haar hartevriend denkt. Zij ontvangt hem zeer vriendelik en
geeft hem een kamer op het slot, maar wanneer hij woorden van liefde
loslaat, wijst zij hem eens voor altijd af. (In de oudere roman toont
hij zijn liefde door onder de maaltijd elk stuk te grijpen waar zij al
van gegeten heeft, haar op de voeten te trappen en haar om 't lijf en
aan de borsten te pakken). Maar Oriaut heeft een sluwe oude kamenier; de
graaf weet haar om te kopen dat zij hem door een gat laat kijken terwijl
de schone een bad neemt. En nu ziet hij dat zij een violette moedervlek
op haar ene borst heeft. (In de oudere versie weet de cameriere hem haar
ring te verschaffen, wat van haar haar en een stuk van haar kleed). Met
dit »bewijs" voorzien, ijlt de verrader nu naar 't hof, waar hij nu vol
jubel de ridder met al zijn vertrouwen beschaamt en zijn leen van hem
wint.

Zonder enig verder onderzoek jaagt de ridder zijn geliefde nu natuurlik
weg. En nu krijgen wij weer de gewone situatie voor die romans. Terwijl
zij n.l. in de wereld ronddoolt, gezocht voor haar schoonheid en belaagd
voor haar deugd die zij bewaart, merkt hij al heel spoedig hoe hij
bedrogen is. Nu is het zijn beurt om met Othello zijn »Fool! fool! fool!
fool!" te roepen en hij trekt ook de wereld in om zijn verongelijkte
geliefde te zoeken. Zijn zwerftochten worden in lieve kleine episoden
beschreven. Hij ligt b.v. ziek in het huis van een burger, van verdriet
uitgeteerd en de schone dochter van de gastheer zit bij zijn bed te
naaien, terwijl zij de ballade van Oriaut en Renaut zingt. Als hij de
naam van zijn beminde hoort, wordt hij dadelik opgefrist wakker, nu wil
hij opstaan om te gaan zoeken en hij begint in bed al een minnezang te
zingen. Nu vraagt het jonge meisje hem of hij zich beter voelt en hij
polst haar of zij wel weet van wie zij zong,--zodat zij begint te
begrijpen dat wat hem scheelt »mal d'amour" is. Dan vertelt hij haar
zijn hele geschiedenis en wil dadelik op weg. Maar de familie wil hem
niet loslaten vóór hij goed en wel beter en wat aangesterkt is; de
vriendelike mensen willen geen betaling van hem aannemen. Als hij ergens
anders komt, wordt de dochter van een hertog verliefd op hem, haar
dienstmaagd geeft hem een toverdrank te drinken, zodat hij zijn Oriaut
vergeet... Reeds is het huwelik bepaald, maar eens op een dag, wanneer
hij in 't bos op jacht is en hij een van de liederen van Bernard de
Ventadour neuriet, vangt zijn sperwer een leeuwerik die--Oriaut's ring
om zijn hals heeft! Nu wordt zijn herinnering weer levend, zijn liefde
neemt de kamp op tegen de toverdrank en zegeviert. Weer trekt hij de
wereld in en vindt haar juist als zij op de brandstapel staat--een
gewone trek in een Griekse roman--; zij moet sterven voor een misdaad,
waar boze mensen haar van beschuldigd hebben.

Zoals men ziet, vervolgt het noodlot de onschuldige vrouw overal in de
wereld en van dergelijke door alle ongeluk getroffene, door de mannen
belaagde en door boze medeschepselen van allerlei misdaden beschuldigde
vrouwen, weten vele ridderlike romans en vertellingen op Oosterse manier
te vertellen. De heldin wordt b.v. door haar eigen vader belaagd en
houwt haar ene hand af om zo haar schoonheid in diskrediet te brengen;
zij moet de vlammendood sterven, maar vlucht in een boot zonder roer de
zee op; trouwt, maar wordt door haar schoonmoeder vervolgd, of wordt
als kindermeisje beschuldigd het haar toevertrouwde kind omgebracht te
hebben;--maar altijd brengt de genade van de voorzienigheid haar door
alle beproevingen heen. Het is een hele literatuur over de vervolgde
en onderdrukte vrouwen die haar oorsprong heeft in laat-Griekse
sentimentaliteit en Oosterse martellust, maar in de middeleeuwse romans
neemt die een belangrijke plaats in bij de strijd van het kristendom om
de harten te verweken en de zeden te verzachten, en bij het werk van de
poëzie, om de ruwe baronnen als ridders de vrouw te doen eren.

       *       *       *       *       *

In schelle tegenstelling met de geest in deze romans staan al de
Oosterse verhalen over de sluwheid der vrouw die terzelfder tijd de
Westerse literatuur binnen drongen. Die kwamen geheel en al overeen
met al de anekdoten over vrouwen die uit zichzelf in Galliese aarde
ontstaan en gegroeid waren; alleen waren de inheemse »fabliaux" nog
al humoristies en schuin, en meer ironies-skepties, terwijl er in
de Oosterse een sombere, lage passie op te merken viel. Populaire
speelmans-liederen in 't Frans en Duits bewerkten ook con amore de
Oosters-Byzantijnse geschiedenissen van de ontrouwe echtgenote van
koning Salomo en de sluwe bultenaar Morolf. Nu namen ook de ridderromans
Oosterse verhalen van dat genre ter behandeling op. Maar zij wagen zich
aan het kunststuk om die verhalen met een nieuwe geest te bezielen;
openlik nemen zij het voor de vrouw en de liefde op en geven hun ten
slotte de zege.

Een van de oudste ridderromans heet Eracle en is in 1160 door
Gautier van Arras op grond van geestelike Oosterse legenden en
Oosters-Byzantijnse vertellingen geschreven. De roman begint in
religieus-stichtelike trant, door van een vroom Romeins echtpaar te
vertellen--de man is senator. Zij leven kinderloos, totdat een engel
zich voor hen openbaart die hun zekere intieme mededelingen doet,
waaruit ze leren hoe zij hun nachtelik samenzijn de gewenste vrucht
kunnen doen dragen. Schuchter volgen ze die voorschriften en er wordt
hun dan ook een jongen geboren. Op de dag dat 't kind gedoopt zal worden
kwam er een engel aanvliegen die een brief van God op de wieg legt; die
mag niet geopend worden vóór de jongen die zelf kan lezen. Maar dat
duurt niet erg lang, zo voorlik is het kind,--en in die brief schenkt
God hem drie bovenmenselike gaven: hij zou verstand hebben van
edelstenen, paarden en vrouwen,--de drie dingen waar een Oosterling
altijd het meeste op gesteld was iets van te weten. Nu sterft de senator
en de weduwe ziet zich genoodzaakt door geldgebrek haar kind te
verkopen,--»zoals dat in die dagen zo veel gebeurde"; zij stelt zich
bovendien voor--zo luidt de verontschuldiging van de schrijver--het geld
uitsluitend voor zielemissen voor haar man te gebruiken. Roerend als in
de legenden wordt beschreven hoe zij de strik om de hals van de jongen
legt en zachtmoedig als een lammetje laat hij zich naar de slavenmarkt
brengen. Hij landt weldra aan het hof van de keizer aan, waar hij
spoedig gelegenheid krijgt om zijn kunst te tonen, die de keizer op de
proef stelt--eerst met stenen, dan met paarden. Telkens laadt de jongen
eerst de spot van alle aanwezigen op zich door zijn keuze; hij laat de
grootste en aanzienlikste edelstenen liggen en pas later blijkt het dat
daar »de worm" in zat; hij gaat de beste paarden voorbij en kiest een
onaanzienlike klepper, maar overwint toch alle anderen met hem bij de
wedrennen. Hij komt nu, als een bij de Oosterse hoven aangestelde
»Wijze", tot grote eer en moet o. a. voor zijn heer en meester een
keizerin kiezen. Dat gaat weer helemaal op zijn Oosters toe, als in het
boek van Esther. Alle groten van het rijk krijgen bevel zich met hun
jonge dochters naar de hoofdstad te begeven. Dat wordt daar buiten de
stad een heel kamp en als een kermis, en de gespannen verwachting der
jonge meisjes, en hoe jaloers zij op elkaar zijn, wordt buitengewoon
levendig beschreven,--ook hun verwanten en bekenden, hoe die al het hof
maken aan degene van wie men verwacht dat zij keizerin zal worden, enz.
Eracle loopt langs al de opgestelde meisjes; ieder die iets op haar
geweten heeft, beeft onder zijn blik, hij doorziet hun lichtvaardige en
domme gedachten en gaat, het hoofd schuddend, ze allen voorbij zonder er
één uit te kiezen. Maar op de terugweg ziet hij een arm klein meisje de
straat oversteken; hij volgt haar naar het eenvoudige huis waar zij bij
een tante woont en kondigt hun aan dat zij koningin moet worden. Men
voelt met welk een sympathie de dichter de vreugde in dat bescheiden
milieu schildert, de onschuld van 't kleine meisje, de voorbereiding van
haar uitzet, en de pracht van de bruiloft zelf. Als keizerin verovert
zij weldra allen door haar vrome ootmoed en gratie.

Maar nu slaat de toon van de vertelling om; het is duidelik dat 't
vervolg uit een heel andere bron stamt, de inspiratie is geheel anders.
De keizer moet ten oorlog en om zeker te zijn van zijn gemalin, zet hij
haar in een toren met een lijfwacht van 24 ridders; zij heeft een bed
in 't midden van de toren en de ridders slapen in een kring er om heen.
Op die manier worden de vrouwen dikwels in de Oosterse vertellingen
bewaakt, zo ook de dochter van Pompeius in de »Gesta Romanorum".
Maar de ridderlike dichter ziet in die strenge beledigende bewaking een
onrecht, dat de keizer zijn vrouw aandoet en dat verontschuldigt wat er
nu gebeurt. Eracle heeft daar sterk tegen gewaarschuwd; men past 't best
op een vrouw door haar vertrouwen te tonen, dwang en verveling, zegt
hij, kan tot allerlei verkeerds leiden. En nu gebeurt dan ook--echt
Oosters-paradoxaal--dat de deugdzame en zo uitstekend bewaakte vrouw
toch toont de Eva te zijn die zij is en dat »vrouwenlist zonder einde
is". Er moet een feest plaats hebben waar de keizerin volgens oude
gewoonte bij tegenwoordig moet zijn, en waar zij onder volle bewaking
heen gebracht wordt. Maar onder de jongelui van goeden huize die voor
de vorstin zingen en dansen en aan de wedstrijden mede doen, trekt de
jonge Parides weldra haar aandacht en in een ogenblik is zij evenzeer
op hem als hij op haar verliefd. Fijn en fris worden beider gedachten
beschreven: zij zit er over te peinzen hoe zij hem zal laten merken wat
zij voelt; zij mag toch wel hopen dat hij haar blikken begrepen zal
hebben, en zulk een edel gemoed als 't zijne moet toch de hoogte in
willen en niet vervaard zijn om zijn gedachten tot een vorstin op te
heffen; gelijk-gestemde zielen als de hunne moeten elkaar toch onder
duizenden kunnen verstaan. Als zij nu zondigt, is het toch in elk geval
de keizer die haar 't eerst onrecht aangedaan heeft, en de liefde wekt
toch zo dikwels edele deugden in de mens op, dat zij zich toch wel voor
God daarvoor zullen kunnen verantwoorden, zelfs als die op zich zelf
misschien zonde is. De keizerin zit nu in haar wachttoren te verlangen,
terwijl de jongeling zich, op zijn Oosters, op zijn bed legt en van
liefde verteert. Maar nu komt er, ook op Oosterse wijze, een vriendelike
oude buurvrouw die hem de pols voelt, hem vraagt wat hem scheelt en al
heel gauw merkt wie het voorwerp van zijn gevoelens is. En de volgende
dag gaat de oude vrouw met een mandje kersen naar de keizerin en
begint een praatje met haar... zij beklaagt haar omdat zij zo van allen
afgesloten leeft, en weet net zo lang te vragen tot zij begrijpt hoe de
zaken staan en vertelt dan van die jonge man die van liefde verteert. In
een pastei die de keizerin de volgende dag aan de vrouw laat brengen om
voor de kersen te bedanken, ligt een mededeling hoe de ontmoeting plaats
zal kunnen hebben. In de woning van de oude vrouw wordt een onderaardse
kamer gegraven en daar wordt Parides in verborgen. Wanneer de keizerin
nu, enige dagen daarna, bij een groot feest, met haar escorte daar
voorbijrijdt, heeft zij 't ongeluk van haar paard te vallen, haar
rijkleed erg vuil te maken en haar been te bezeren, zodat zij in 't
huis van de oude ondergebracht moet worden. En dan wordt ook alles
volgens 't programma afgewerkt,--dat natuurlik ook van Oosterse
oorsprong is: »Ne sait, qu'il fait, qui femme gaite."

Maar natuurlik weet de wijze Eracle die met de keizer en het leger
van huis is, dadelik wat er gebeurt en vertelt dit aan zijn meester.
Deze ijlt spoorslags terug en neemt de schuldigen in verhoor. Zij
erkennen beiden 't gebeurde, maar zij verklaart dat zij alles wil doen
om haar geliefde te bezitten en ook hij is bereid voor zijn liefde te
sterven,--»dat is geen schande." En wanneer dan bovendien Eracle de
keizer nog voorhoudt dat hij zelf aan alles medeschuldig is, door zijn
tyrannieke behandeling van zijn echtgenote, dan laat de grootmoedige
Oosterse despoot die hij is, zich welwillend van zijn echtgenote
scheiden en verenigt de twee gelieven... En dan glijdt de roman weer
in een geestelike legendesfeer over.

Oosterse vrouwenlist, ontrouw van een Griekse keizerin, maar met de
sympathie der lezers aan de kant van echtbreuk en de vrouw,--dat
is ook het onderwerp van een der eerste romans van Gautier's grote
mededingers,--de »Cligès" van Chrestien de Troyes. Het is haar neef die
de keizerin hier bemint, en haar voedster, die de toverkunst verstaat,
bereidt eerst een toverdrank die de keizer verhindert het huwelik te
»consumeren" wanneer hij 's nachts bij haar komt en daarna een andere
die de keizerin in een slaap brengt die op de dood gelijkt, waarna zij
zich laat schaken,--evenals dit uit de geschiedenis van koning Salomo's
echtgenote in de Oosterse vertellingen bekend is; wij kennen het uit de
geschiedenis van Romeo en Julia.

Maar in een roman als »Cligès" is het, gelijk wij later zullen zien,
alleen maar de uiterlike handeling, de machinerie er van, die uit het
Oosten stamt. Van deze, zoals van zo veel andere romans die alleen in
wat voorafgaat beschouwd zijn als een Europeisering van Grieks-Oosterse
vertellingskunst, geldt het dat ze veel meer op te vatten zijn als
geheel originele ridderlike romanpoëzie die eenvoudig »prend son bien où
il le trouve".

Maar nog een vreemd element--en niet 't minst belangrijke--zou die
romanpoëzie beïnvloeden, vóór die haar volle romantiese geur en kleur
zou krijgen.



XIV.

MATIÈRE DE BRETAGNE.


De ridderromantiek ontvouwde zich voor 't eerst ten volle in het
Engels-Normandiese rijk dat immers in het midden van de 12de eeuw
Groot-Brittannië en het gehele West-Frankrijk omvatte en waar de taal
van de heersende klassen het Frans was. Hier vond men de grootste
welstand en het sterkste geestelik leven, hier kwamen het koningsschap
en de adel der leenheren pas tot hun grootste recht, hier was de
volksmenging en de kultuurmenging, waar de romantiek uit ontstond het
rijkst.

In het door de Noormannen veroverde rijk kwam het koningsschap in
Engeland met Willem de Veroveraar en zijn opvolgers tot een macht
zoals die sedert de tijd van Karel de Grote niet gezien was. Een rijk
waarin een kleine klasse van veroveraars een veel groter massa, de
oorspronkelike bevolking, er onder wil houden, moet noodzakelik streng
monarchies en militaristies georganiseerd worden. En de krachtige, niet
al te makke koningen die ze waren, wisten de organisatie dan ook flink
door te voeren. Zware belastingen vulden 's konings schatkist, grote
goederen en jachtrechten maakten de baronnen rijk en machtig, maar de
koning liet allen, ook de vazallen zijner vazallen, aan zichzelf de
eed van trouw zweren en oefende een niet geringe despotiese macht over
de adel uit doordat hij zich het recht van voogdij en om huweliken te
sluiten voorbehield; ook de gehele rechtspleging en het gehele bestuur
hielden de koningen alleen in hun hand; gelijk ook de geestelikheid hun
gehoorzaam gereedschap was. Voortdurend staken zij het Kanaal over en
onderdrukten Angelsaksen en Britten en de baronnen van Normandië; razend
van woede zodat hun aderen er van opzwollen, als iemand ook maar kikte
of tegenstand trachtte te bieden, ontembaar in hun wreedheid, zelfs
tegen hun naaste bloedverwanten, ontoombaar in hun lusten en begeerten,
als zij op de jacht het koren der boeren neertrapten, hun echtgenoten
wegzonden of er talrijke bijzitten op na hielden, maar ook, als goede
koningen voor hun soldaten, goud onder hun mannen uitstrooiende en er
genot in vindend royaal en vlot te leven en schitterende feesten te
geven. In het begin van de 12de eeuw hield Hendrik I een hof, waar de
meest elegante feesten en tournooien gegeven werden en waar men de dames
het hof maakte zoals in die tijd anders zo goed als niet voorkwam
behalve in Provence en Languedoc.

Na een periode van burgeroorlogen die de Noormannen, Britten en
Angelsaksen geheel tot één volk deden samensmelten, dat zich Engelsen
noemde, maar waarin Frans de taal van de hogere klassen was, kwam toen
ongeveer 1150 met Hendrik II, het huis van Anjou aan de regering, dat
der Plantagenets. Onder hem zagen de Normandiese koningen de hoogste
verwezenliking van hun eergierige plannen. Van moederszijde een
afstammeling van Willem de Veroveraar, had hij van zijn vader Anjou
geërfd, zowel als Touraine en Maine. Door zijn echtgenote, koningin
Alienor (Eleonora), een prinses van Poitou, die eerst met de koning van
Frankrijk getrouwd was geweest, kreeg Hendrik ook nog het graafschap
Poitou en het hertogdom Aquitanië, d. w. z. geheel Zuid-West-Frankrijk
in zijn bezit. Zijn machtig West-Europese rijk dat zich van de
Orkney-eilanden tot aan de Pyreneeën uitstrekte, overschaduwde geheel
en al de Franse koning te Parijs met zijn nog slechts beperkte macht.
En de verbindingen van het koningshuis strekten zich over geheel Europa
uit. De oudste zoon van Hendrik, die onderkoning over Engeland was,
trouwde met de dochter van de Franse koning, de tweede zoon, Richard
Leeuwenhart, huwde de dochter van de koning van Aragon, de oudste van
zijn eigen dochters trouwde met de machtige hertog Hendrik van Saksen
en werd de moeder van een aanstaand Duits keizer, een andere prinses
werd koningin van Castilië, een derde trouwde met de rijke koning van
Sicilië. Het was in Hendriks hand dat alle draden van de Europese
politiek samen schenen te komen.

Van uiterlik was de koning zelf een echte Noorman uit het geslacht van
de Veroveraar: vierkant, maar met een rond hoofd, met een vuurrood
gezicht vol sproeten, en rood haar. Maar even als zijn korte
schoudermantel--die hem de naam van »kortmantel" verschaft had--uit
Anjou kwam, zo duidden ook veel van zijn eigenaardigheden er op dat de
man zelf daar ook uit stamde: zijn soberheid, zijn levendigheid en zijn
drang naar ontwikkeling. Zijn werklust had iets koortsachtigs: altijd
zat hij in 't zadel, nooit was hij langer dan één week op één plaats
in zijn rijk, zijn gevolg was altijd veel eerder moe dan hij; zelfs als
hij 's avonds in zijn kwartier aangekomen was, liep hij nog heen en weer
te redeneren, zelfs onder de mis kon men hem nog edikten zien zitten
uitvaardigen. Ook zijn zucht naar kennis was zonder perken, Latijn sprak
hij even goed als Frans en hij verstond veel andere talen; als hij geen
zwaard op jacht in de hand had of met zijn raad vergaderde, zat hij in
een boek verdiept of te disputeren met zijn klerken.

Het rijk waarvan hij aan het hoofd stond, nam enorm in bloei toe. Nu
Engeland door de Noormannen veel van zijn geïsoleerdheid verloren had en
op 't punt stond zich tot »het Australië van Europa" te ontwikkelen, zou
het de Vlaamse en Italiaanse lakenindustrie van wol voorzien en maakte
het ontwakende handelsleven steden als York, Nottingham, Gloucester
en vooral Londen, van vlekken tot rijke burger-gemeenten. En welk een
enige vermenging van intelligente nationaliteiten vond er nu niet in
dat rijk plaats! De Noormannen die reeds door hun verfransing zulk
een merkwaardige ontfankelikheid en drang tot ontwikkeling aan den dag
gelegd hadden, en die zich bij alle gelegenheden door hun levendigheid
en hun moed de voorgangers van Europa toonden. De Kelten die reeds in de
6de-8e eeuw in Wales en Ierland een buitengewoon rijke en merkwaardige
kultuur gehad hadden en de Angelsaksen die in de 8e-10e eeuw hun zeker
niet minder belangrijk bloeitijdperk gekend hadden,--en wel alle twee in
een tijd dat de rest van Europa de zoetste slaap der onwetendheid sliep.
En eindelik Poitou, in West-Frankrijk, dat de beste scholen had van
die tijd en de meest originele literatuur en dat waarschijnlik de wieg
geweest is van de troubadour-poëzie die zo snel naar Zuid-Frankrijk
oversloeg om daar pas tot bloei te komen. In de streek van Poitou was
het, zoals men zich herinneren zal, dat juist nu, in de tijd van Hendrik
II, de roman van Aeneas, de Alexanderroman, de roman van Thebe en
de Trojeroman door Benoît de St. More geschreven werden. En in het
Engels-Normandiese rijk was het ook, zoals wij gezien hebben, dat de
belangstelling der baronnen in de historie het eerst rijmkronieken in
het leven riep, die de Latijnse geestelike annalen voor leken
toegankelik maakten.

Het was, zoals men zich herinneren zal, in de eerste plaats, de kroniek
van Geoffrey van Monmouth, een geestelike uit Wales over de »Historia
Regum Britanniae", welke de Normandiese vorsten en vorstinnen door
hun klerken in Franse verzen over lieten zetten. Patriot en vol
verdriet over de ondergang der Britten, maar toch veel voelend voor de
Normandiërs, welke immers een einde hadden gemaakt aan de macht van de
Angelsaksen en de Denen op het eiland, dichtte Geoffrey uit de volheid
van zijn rijke fantasie en zijn grote geleerdheid; voor het Britse volk
toverde hij uit de overleveringen van Wales een sage van hun stralend
verleden op, en--of dat nu een diplomatieke zet was of uit »eerlike
ambitie"--weefde hij het verleden van de Fransen en zijn eigene
landgenoten zo volkomen samen alsof de schrijver op het standpunt van
de Normandies-Engelse koningspolitiek stond. De Britten, beweerde hij,
stammen van de Romanen en Trojanen evengoed als de Fransen, waren een
even geciviliseerde natie als zij en vooral niet te verwarren met
Angelsaksen en Denen. In hun glanstijd, onder koning Arthur, had het
rijk der Britten èn Engeland èn 't grootste deel van Frankrijk omvat,
presies als nu het Normandies-Engelse rijk. En in die zelfde koning
Arthur, wiens schitterende hof hij blijkbaar in de beeltenis van het hof
van zijn tijdgenoot Hendrik de Eerste beschreef, schilderde Geoffrey
voor het nieuwe rijk de grote held van het nationale verleden, die
helemaal niet onder deed voor Karel de Grote, waar de »Franceis de
France" in hun »Chansons de geste" zo trots op waren.

Geoffrey is de Nestor van een groep geleerde Engelse geesteliken die
zich nu als om strijd aangorden de wereld van het Britse verleden voor
de Fransen en Europa te openen. Toen Geoffrey zag welk een sukses zijn
kroniek had, verraste hij de geleerde wereld ook met de merkwaardige
voorspellingen van Merlijn, de oude wijze van Wales, die, zoals blijken
zou, volkomen de gebeurtenissen tot zijn eigen tijd toe had voorspeld.
En nu kwam Giraldus Cambrensis, geboren op een adellik familieslot
in Wales, maar met half Normandies, half Brits bloed in zijn aderen;
resoluut wierp hij de algemene zware pedanterie der geesteliken van
zich af en praatte er in zijn Latijnse geschriften over Wales en
Ierland lustig op los, vertellend van de vele natuurwonderen, van de
merkwaardige zeden en gewoonten, over de gave der voorspelling van zijn
landgenoten en al het mirakuleuse dat in zijn eigen land als in de lucht
lag. Dan was er Walter Map, ook van adel en uit Wales, aartsdiaken
te Oxford; in zijn geschrift hoopte hij als in een soort rommelkamer
allerlei anekdoten en merkwaardigheden op, die hij gehoord had of
gelezen en zich herinnerde, en de geleerde schrijver heeft er toch
ook plezier in allerlei volksverhalen weer te geven over dwergen en
kabouters, over »Harlekijn" en over feeën die zich door ridders laten
beminnen, maar ze laten lopen zodra die dat aan de grote klok hangen.
Misschien was het ook Walter Map die de merkwaardige graal-histories in
elkaar heeft gezet, uit Keltiese, Oosterse en Kristelike elementen
samengesteld, welke in die tijd juist in omloop kwamen.

Zowel Walther als Giraldus waren kapellaans aan het hof van koning
Hendrik de Tweede en ofschoon zij in 't Latijn schreven, richtten zij
zich tot de hofkringen. Evenals onder de Otto's in Duitsland zijn
er blijkbaar heel wat ontwikkelden onder de hoge adel geweest, die
evenals de koning zelf Latijn verstonden. En het is een hele geestelike
»Keltiese beweging" waar deze ijverige Britse geesteliken propaganda
voor maken. Giraldus las zelfs zijn werk, drie dagen lang, aan een
auditorium voor, dat hij te Oxford bij elkaar had gehaald, en--ontving
bij die gelegenheid zijn toehoorders allerroyaalst!

Maar van nog groter betekenis dan deze geleerde propaganda was de
invloed der Brits-Bretonse speellieden en vertellers uit Wales en
Bretagne. De »Bretonse" melodieën waren al heel vroeg wijd en zijd
bekend geworden en tegelijk daarmeê werden zeker ook veel van die
volksliederen die er bij gezongen werden, door talenkundige speellieden
in 't Engels en Frans overgebracht en in elk geval werden de sagen welke
die liederen behandelden wel in diezelfde kringen in proza naverteld.
Reeds vóór dat de Noormannen naar Engeland trokken, hadden ze zich,
intelligent en ontfankelik als ze waren, al in verbinding gesteld
met het naburige Bretanje en toen ze een mensenleeftijd vóór ze naar
Engeland gingen, naar Zuid-Italië waren getrokken, brachten ze reeds
de namen van helden uit hun sagen met zich mede; reeds in de 11de eeuw
vindt men in Italië Arthur en Gawain als doopnamen. Maar vooral nu, na
de samensmelting tot één volk, is een grote invloed van poëzie en sage
niet te miskennen.

En die Keltiese sagen en gedichten spraken voor zich zelf. Voor de
mensen die smachtten naar romantiek, zou zich daarvan nu een gehele
wereld openen.

       *       *       *       *       *

Kelten waren toch ook de Fransen eens geweest en in den grond was hun
aard, niettegenstaande al hun romanisering, toch helemaal Gallies
gebleven; de karakteristiek welke de Latijnse schrijvers van de Galliërs
geven--hun sanguiniteit en hun levendigheid, hun zin voor opschik, hun
opgewektheid, hun gezellige omgang,--dit alles past nog op den huidigen
dag op de Fransen. Trots het Latijn en het Kristendom en de heerschappij
der Franken, hadden zich ook nog overblijfselen van de oude Keltiese
godsdienst der Druïden bewaard. De oude priesterkaste, waarvan er zelfs
in 't jaar 700 nog geheime genootschappen bestonden, bleef zijn bestaan
voortzetten als tovenaars die de magiese kruiden kenden en de oude
toverformules. Nog trokken tegen Nieuwjaar, evenals vroeger, de mensen
in de maneschijn naar buiten om de heilige mistelstruik te zoeken. En in
de bronnen woonden nog altijd feeën die met geschenken bij de wieg der
pasgeborenen aan kwamen zetten en die de eenzaam in 't bos rondzwervende
jonge mannen in hun alfendans meesleepten.

Maar ginds in Ierland en Cornwalles en Wales leefden er massa's Keltiese
sagen en gedichten en door immigratie uit Cornwalles in de 6de eeuw was
nu ook de noord-westelike streek van Frankrijk, Bretagne, weer voor de
Keltiese wereld teruggewonnen. Toen de Noormannen naar Engeland kwamen,
vond men in de Ierse kloosters grote perkament-folianten--ze zijn er nog
tot op den huidigen dag--waarin de monniken de oude sagen opgeschreven
hadden over de heldendaden van Cuchulain, de voornaamste Ierse held, en
over de strijd tussen de mannen uit Ulster en Connaught, of die tussen
de koningen van Erin en hun huurlingen, de mannen van Fionn, wier
voornaamste helden Fin en Ossian waren. In bepaalde direkte verbinding
met de Ierse sagen kwamen de veroveraars niet te staan, maar er bestond
in Wales een overeenkomstige poëzie, die wij nog in haar vorm van vóór
1100 kennen, n.l. in de oudste delen van de oudste manuskripten uit
Wales, het zogenaamde »zwarte" en het »rode Boek". Dit zijn ten dele
kunstmatige lofzangen over vorsten, strijdzangen, en bardenliederen
die, geakkompagneerd door de harp, in de grote feestzaal gezongen
werden evenals de Noorse liederen der skalden; ten dele zijn het
volkssprookjes: de Mabinogion, op oude sagen en mythen gebouwd.
Onmiskenbaar slaat ons uit deze poëzie het eigenaardig Keltiese
tegemoet.

Er ligt iets vaags over die poëzie in haar lyriek en fantasie. Vaste
omtrekken of een massa détails te geven is haar zaak niet; personen
en gebeurtenissen vloeien in 't vage, immateriële over, schijnen als
visioenen voorbij 't oog te trekken. Maar ze worden door een rijk en
levendig gevoel gedragen, dat alles in lyriese kleuren-tonen beeldt en
een losgelaten fantasie die alles naar haar eigen bandeloze luimen
omvormt.

Er schuilt een elegiese, romantiese stemming achter veel van die
bardenliederen. Stap voor stap zijn de Kelten dan ook uit Europa
verdreven, eerst naar 't Westen, toen op de eilanden,--door de Romeinen,
de Germanen, door Angelen en Denen. Klagend staat de bard uit Wales
aan de graven der krijgers en herdenkt de dappere gevallenen. Klagend
spreekt de oude dichter, nu hij in zijn ouderdom een kruk draagt, over
wat hij kon en deed in de dagen van zijn volle kracht, en over zijn
liefde. Maar van de werkelikheid, het nu, ijlt de fantasie òf de
toekomst tegemoet wanneer de sagekoning uit de glanstijd die nu op het
feeëneiland wegens zijn wonden verzorgd wordt, wanneer koning Arthur op
zal staan en de oude Britten-heerschappij weer zal vestigen, of zij gaat
terug naar de oude tijd,--»ouder dan enige geschiedenis, die in enig
boek geschreven is". Van oude heidense sagen die de gekerstende inwoners
van Ierland en Wales niet meer verstaan, bouwt de fantasie lustige,
luchtige sprookjes op, woest en barbaars, maar vervluchtigd en vormloos
als vage, stralende dromen. Geweldig kijven de helden van Ulster en
Connaught met elkaar, of de witte stier van Ulster of de bruine van
Connaught sterker is en schoner; ook al om de een of andere jacht-twist
wordt er hevig gestreden, of over een paar varkens, over een oorvijg,
of wie het eerste stuk vlees krijgen zal; en als de reus uit de slag
thuis komt, is hij zo verhit door zijn woeste razernij dat hij dadelik
moet baden om af te koelen;--drie kuipen gaan er aan, want de eerste
twee worden dadelik door zijn lichaam aan 't koken gebracht. Op de
wonderlikste expedities trekt de held uit; de gekste, onmogelikste
opdrachten worden hem door Penkawr gegeven vóór hij de schone Olwen
krijgt, maar hij volbrengt ze alle; hij loopt ook zo licht dat geen
grassprietje zich onder zijn voet buigt; en hij kan de mier horen
wanneer die 's morgens zijn nest verlaat. Tachtig jaar lang zitten die
reuzen in de Wonderbare zaal te eten en te drinken zonder dat zij merken
dat er meer dan één uur verlopen is. Onverzadigbaar is voor mannen en
vrouwen beiden de liefde; de vrouw vraagt gewoon de man in wie zij
behagen vindt, en Cuchulain maakt de vrouwen van Ulster zo gek op hem
verliefd, dat de mannen terwille van hun huiselike vrede zelf er op uit
trekken om hem de schoonste vrouw in de wereld te verschaffen. Maar wij
horen ook van de jongeling die van stom liefdelijden versmacht of die
slechts in zijn droom een schoonheid heeft gezien die hem zo zeer met
liefde vervult, dat er geen stukje in een van zijn beenderen is, of geen
plaatsje op het binnenste van zijn nagel dat niet van liefde doortrokken
is. Door toverij wordt er een vrouw gevormd uit louter bloemen, uit de
brem en de spirea en andere bloemen die daar groeien, zij krijgt de naam
van »Bloemenaangezicht"--Blodenwedd--en wekt bij een ieder liefde op.
Overal wordt er veel met kleuren gewerkt. De kleedij des konings is
gelijk de wazige Mei-morgen, wisselend van kleur; de winden hebben een
kleur: uit 't Oosten komt de rode wind, uit 't Zuiden de witte, uit 't
Noorden de zwarte en uit het Westen de dikke, grauwe mist-wind. Ook de
geïllumineerde handschriften en oude wettelike dokumenten bewijzen welk
een lyries gevoel voor kleur de Kelten hadden. Pracht en rijkdom, gouden
sieraden en geborduurde en geweven stoffen, prachtige sloten en zalen en
feesten, dit alles ziet men in hun sagen schitteren. En wij horen van
allerlei wonderen,--van een toverketel die door de adem van meisjes
verwarmd wordt; wanneer de ledematen van de dode krijgslieden daarin
worden gelegd, groeien ze weer aan elkaar en worden ze weer levend; en
van een tovervat dat altijd vol is met eten en de dingen die alle
behoeften tevreden kunnen stellen; van toverlanden waar alle wensen
vervuld worden en van »Avalon" het »appeleneiland" der eeuwige jeugd,
heel ver weg in het Westen.

Een vage romantiese fantasie omgeeft overal de werkelikheid met
die wereld welke niet gezien wordt. Staande tegenover de heldere
aanschouwingskunst der Latijnse volkeren, bestond daar bij dat ras een
fantasie die overal het onzichtbare zoekt, dat wat slechts mystiese
voorstellingen opwekt. Een levendige romantiese natuur-poëzie gaat er
door de sagen en sprookjes zowel als de liederen,--een poëzie van het
mistige klimaat en de altijd omslaande winden en de Atlantiese Oceaan,
van bos en heide, dat zoveel plaats in 't land inneemt. »Een roep van de
bulderende zee komt tot mij, een roep van de bulderende zee jaagt mij
des nachts op van mijn leger... Raad eens waaraan ik denk: Een sterk
wezen, zonder vlees, zonder been, zonder hoofd, zonder voeten; het wordt
nooit ouder dan het is; de zee wordt wit wanneer het komt. Hij is op
't veld, hij is in het bos, zonder hand, zonder voet, hij ziet niet en
wordt door niemand gezien... Van 't Noorden komt de winterwind, laag en
kort is nu de baan van de zon, de varens in het bos zijn geel, de golven
van de zee brullen, de wilde gans laat zijn gewone kreet horen, de vorst
bijt hem in zijn vleugels. Het is de tijd nu van het ijs en treurig zijn
mijn woorden."

Daar zien wij hoe een volk van jagers met de natuur en de jaargetijden
vertrouwd is. Met de wilde woeste vlakten waarop het heidekruid in de
wind golft, en vooral met het bos: de grauwe eiken en de hazelbosjes, de
herten die op de open plekken in 't bos grazen, de wilde zwijnen daar
waar het 't dichtst is, de arend in de toppen der bomen. Steeds horen
wij van de passie waarmede er gejaagd wordt,--op wilde zwijnen, wolven
en herten. Van de jonge man die in de eenzaamheid van 't bos geboren en
getogen is, geen mensen kent, maar wel alle natuurgeluiden en de taal
der dieren, die hij met zijn fluit tot zich kan halen. Van de witte
toverhinde, waar alle jagers het op verzien hebben. Van de fantastiese
bosman die de jagers soms op een heuvel in het oerbos vinden, de Deense
sagafiguur »Dier-mens" die met een knots in zijn hand het wilde, vreemde
vee bewaakt... Vooral van de feeën die de jager aantreft wanneer hij een
dier vervolgt en daardoor zijn jachtgezelschap kwijt raakt. Bij een
meertje of een bron ziet hij een nymf daarin baden. En dan is òf zij het
die zijn liefde verlangt en hem, wanneer hij niet wil, betovert en aan
het ziekbed kluistert, of wel steelt hij haar kleêren die op de oever
liggen en zo krijgt hij haar met geweld tot zijn wil.

Soms worden de mensen door de feeën zelfs naar hun rijk meegelokt. Een
geloof in een land van gelukzaligheid en onsterfelikheid ergens in 't
Westen komt overal in de Keltiese sagawereld te voorschijn. Enkele
uitverkorenen onder de stervelingen zijn daar wel al eens op bezoek
geweest. Een gewond krijgsman legt zich b.v. in een boot neer en laat
zich dan door weer en wind maar drijven, waarop hij dan in het feeënrijk
komt, waar zijn wonden verbonden worden. Dat gebeurde b.v. met koning
Arthur. Hij die uit het feeënrijk terugkomt, meent dat hij maar één dag
weg geweest is, maar dan kunnen er honderden jaren verlopen zijn. Eens
toen Bran, door zijn krijgers en hoofdmannen omgeven, in zijn hal zat,
stond er plotseling een vrouw voor hem, een afgezant uit het Geluksland,
die in wonderbare verzen van de heerlikheid in dat eiland zong--waar de
witte zeepaarden (de golven) omheen spelen en uit hun manen kristallen
droppels naar de kust spatten; waar de vogels in oude, bloeiende bomen
zingen, waar ze spelen op de vlakte, onder het genot van Wein, Weib en
Gesang; alles in geluk en in zonneschijn, »zonder enige mist", zonder
verdriet, en ziekte en dood, waar alles gelijk de zoetste muziek in
de oren klinkt... In een kristelik kleed is een reis naar dat land
beschreven in de verhalen van de Heilige Brandanus, en in een heidense
variant als de tochten van Maël Duin. Hier komen ze aan allerlei
fantastiese eilanden: het eiland van de grote mieren en de grote vogels,
het eiland der zwarte Wenenden en der Lachenden, het eiland waar alles
van kleur verandert en het eiland van de verschrikkelike smeden, de »ile
des forgerons", waar er geen gras groeit, maar waar men overal sintels
vindt en hamerslagen hoort en blaasbalgen van de onderaardse
smidsen,--men denkt hier allicht aan de Hekla en IJsland.

Dat zijn van die verhalen zoals alle zeevarende volkeren ze kennen;
de Indiërs en de Grieken hebben die zowel als de IJslanders, en het is
duidelik dat er al van zeer oude tijden verband is tussen die verhalen:
men herkent allerlei motieven in die Ierse wonderbare reisverhalen òf
uit de »Indica" van Megasthenes, òf uit de reizen van Sindbad, of uit de
Odyssee en Virgilius.

De gehele lucht is er vol van toverij en magie; wat Ierland voor de
Scandinaven was, vonden de Fransen in Wales: het land van tovenaars.
De kern van de godsdienst der Druïden was dan ook het geloof in de
magie; de Druïden hadden in hun cultus de goden zo goed als afgezet en
beheersten nu zelf de wereld. Niet de krijgslieden maar die priesters
en tovenaars waren de eigelike heersers in hun maatschappij. En sage
en gezang vertellen van hun doen. Ze lopen langs de zee en vinden
voorspellingen in de golven en de stemmen der zeevogels; donkere
profetiën vertellen van een bos dat over de zee zal komen (een mastbos)
over de rode en de witte draak die samen zullen vechten (Saksen en
Britten). De figuur van Merlijn werd het inbegrip voor Wales van
voorspelling en toverkunst. In zijn haat voor de mensheid was hij
naar de bossen van Northumberland gevlucht en daar voorspelde hij nu
alles wat er gebeuren zou. In de bardenpoëzie wemelt het van mystiese
versraadsels en die is ook doortrokken van een vreemd geloof in de
zielsverhuizing: »Ik heb vele gedaanten aangenomen, ik ben een traan
geweest in de lucht, de verste van alle sterren, een woord, een boek,
een kaarslicht, een wild zwijn, een geluid in de slag, een golf op
de woeste kust,"--men ziet hoe vreemd onwezenlik de meesten van die
personificaties zijn. Door allerlei bezweringsformules kunnen de
tovenaars de wil van de mens buigen, kwaad over het hoofd van de
vijanden brengen, zich zelf en anderen in allerlei gedaanten omtoveren,
en een mist op de heide of prachtige kastelen te voorschijn toveren en
dit ook weer laten verdwijnen. Die toverij schijnt vooral op de heide te
bloeien,--»la lande aventureuse", waar we in de Franse romans uit
Bretanje zo veel van horen.

Ongemengd was dit Keltiese element nu niet. Niet alleen de reis van
Brandanus, maar de hele literatuur van Ierland en Wales was al vroeg
doordrongen van antieke en Oosterse elementen en dikwels ook kristelike.
Driehonderd en vijftig jaar lang hadden de Romeinen in Engeland
geheerst en tot op den huidigen dag toe tonen ruïnes en opgravingen hoe
grondig ze de Latinisering aangepakt hadden. Evenals de hele latere
Romeinse wereld, was ook hier in 't uiterste Noord-westen de Romeinse
kultuur sterk met Oosterse elementen vermengd. Een prefekt--weet men
toevallig--was van Nicomedia, een tribuun uit Syrië, dikwels kwamen
garnizoenen uit Azië hierheen en in Northumberland heeft men altaren
gevonden voor de Perziese Mithra, te Cambridge voor de Syriese Astarte,
te York voor de Aegyptiese Serapis. De Keltiese kristelike kerk was in
de 6de-8e eeuw, een tijd, verder van alle kultuur ontbloot, de enige
in Europa om niet alleen aan Latijn te doen, maar ook aan Grieks; de
Ierse kloosters hebben een hoofdaandeel aan het bewaren van de antieke
literatuur. En een bizondere band schijnt ook die Westerse kerk met de
Oosterse gehad te hebben; het kristendom der Ierse monniken draagt in
vele opzichten meer een Oosters dan een Latijns karakter.

Toen Geoffrey de Britten van Brutus liet afstammen en van de Romeinen,
was dat nog niet zo helemaal zonder enige reden. Onder de (jongere)
»Mabinogion" vindt men verhalen die niets dan fantasiën over de tijd
der Romeinen zijn,--b.v. over een keizer van Rome die met 32 koningen op
jacht gaat en van een toverschip droomt, een tovereiland, een toverslot
en een toverachtig schoon meisje en dan laat hij de hele wereld afzoeken
totdat hij eindelik in Brittanië komt en de maagd vindt. Zo zijn
er ook zelfs in het oudste deel van de Mabinogion, voortdurend
trekken die opvallend aan Oosterse motieven doen denken, zo b.v.
de »Vriendschapsproef",--twee vrienden die elkaars plaats innemen,
maar tegenover elkaars echtgenoot vriendentrouw bewaren--of wel de
geschiedenis van Ali Baba en de oliezakken die wij herkennen, of wel
verwoeste prachtige toversloten, waar de bezoeker tot steen wordt, zodra
hij een gouden schaal aanraakt. Bij het »Appelen-eiland" van de Eeuwige
Jeugd in het Westen denkt men allicht aan de appelen der Hesperiden
en de eilanden der zaligen, en er loopt een verhaal van een held die
»het land waar niemand ooit vandaan komt" binnengedrongen was en daar
met een vrouw vandaan was gekomen, waarbij natuurlik iedereen aan de
geschiedenis van Orpheus en Eurydice denkt. Merlijn wordt ook al heel
gauw verdoopt en heet dan als de zoon van een Romeins konsul Ambrosius,
veel trekjes die zijn list betreffen en zijn helderziendheid, zijn
eenvoudig op hem overgebracht van de verhalen van Indiese, Griekse en
Hebreeuwse wijzen--van Midas en Silenus, van koning Salomo en de vorst
der Geesten, Aschmedai--terwijl zijn »Profetiën", die Geoffrey uitgaf,
vol van reminiscenties van Lucanus zijn en van de Sibellijnse boeken.

Eindelik schijnen ook verschillende Germaanse elementen de Keltiese
sagen binnengedrongen te zijn--het is onzeker of dat nu de Noorse
Vikingen, de Angelsaksen of de Denen en Noormannen zijn die ze gebracht
hebben. Nu eens herkent men trekken uit de sage van Siegfried, dan uit
die van Völund-Wieland--of wel zijn het Germaanse namen die men
plotseling te midden van zuiver Keltiese aantreft.

       *       *       *       *       *

Maar hoe deze »Matière de Bretagne" ook samengeweven is,--daarin opende
zich voor de Franse trouvères van het Engels-Normandiese rijk een wereld
van poëzie die hen en hun publiek in verrukking moest brengen. Die
wereld was hun nieuw en vreemd en daar lag een mysties perspektief,
een geheimzinnige ondertoon van halfvergeten mythen en sagen achter die
verhalen, welke de fantasie romanties in beweging moest brengen. En met
die vreemde stof kon men ongegeneerd omspringen en doen wat men wilde,
zonder door traditie of piëteit gebonden te zijn; dat alles kwam in
losse onsamenhangende saga-motieven uit het Westen aanfladderen en elke
dichter kon dat aan elkaar flansen, presies zoals hij zelf wilde. Dat
was iets anders dan dat gescharrel met die romans van Karel de Grote,
waar de stof met zulk een piëteit en histories nauwkeurig behandeld
moest worden, of een Latijns boek voor zich te hebben dat men volgen
moest!

En wonderbaarlik scheen die »Bretonse stof" met de poëtiese smaak dier
tijden overeen te stemmen. Hier streed men niet in geordende scharen
voor goederen of voor land en rijk, maar de helden trokken--presies
als de kruisridders en de vaganten in hun eigen wereld--op eigen hand
op weg om avonturen op te zoeken. En nu waren het eens niet die eeuwige
Saracenen daar ze mee moesten vechten, maar monsters en wildemannen,--en
voor al die magie en toverij en dergelijke avonturen, daar hoorde een
andere soort moed toe, een »nouveau frisson" die zij de zenuwen gaven.
Er lag een geur van natuurromantiek over deze poëzie van bos, heide en
oceaan en een glans en een kleurenpracht en sprookjesrijkdom over die
Keltiese fantasiewereld, welke bijna de vergelijking met de Alexander-
en Troje-romans kon doorstaan. En per slot van rekening leken die
Keltiese sagen de Fransen meer van hun eigen vlees en bloed dan de
Frankies-Germaanse epiek der baronnenwereld. Er was een levendigheid
en een fijne genotzucht in die Keltiese poëzie, een vrolik opgewekt
samenleven en zulk een sterk erotiese aanleg kwam daar in te voorschijn,
dat de Fransen zich daar zeer aan verwant moesten voelen. Hier waren
schitterende feesten, vooral ook aan het hof, een sappig »esprit
gaulois", en een gepassioneerd »feminisme",--te midden van al die
barbaarse woestheid lijkt het bijna een eerste schets van het leven der
Franse edelen in de 12de eeuw.

Een kleine groep van ridderlike dichters die in het Anglo-Normandiese
rijk werkten en die, ten dele direkt, maar ten dele ook door middel
van Engelse en Latijnse vertalingen de Britse en Bretonse sagewereld
trachtten te leren kennen, brachten van het midden der 12de eeuw af,
»la Matière de Bretagne" in de kring van het Franse geestesleven en wel
met het gevolg dat niet alleen de »Matière de France" (de nationale
heldenpoëzie) maar ook de »Matière de Rome" (de onder antieke invloed
staande romans) door de nieuwe modepoëzie vrijwel in de schaduw werd
gesteld.

Maar feitelik was het niet zo zeer de »Matière de Bretagne" die
Frankrijk veroverde als wel de Franse riddermaatschappij wier eigen
dichterlik genie de Keltiese stof in zichzelf op wist te nemen.



XV.

MARIE DE FRANCE.


In het begin vergenoegde men er zich mede in kleine berijmde
vertellingen de stof neer te leggen die men in de liederen der Bretonse
en Britse speellieden getroffen had of door de »fableors" had horen
vertellen. Het woord »lai", van Keltiese oorsprong, kwam in gebruik voor
die berijmde novellen welke hun stof uit den vreemde haalden en die door
hun karakter en hun geest zich meer in 't bizonder tot de hogere kringen
richtten, spesiaal waarschijnlijk tot de dames.

De oudste en fraaiste van die lais, waarvan de stof dus Brits was,
waren door een dame gedicht wier naam Marie was en die in 't eigelike
koninkrijk Frankrijk geboren was, maar onder de regering van Hendrik
II, in Engeland woonde en hem haar novellen opdroeg. Evenals de oude
romancen, schijnen ook de lais dikwels door vrouwen geschreven te zijn.
In een Noorse bewerking uit de 13de eeuw van een Franse lai, heet het
dat Willem de Veroveraar eens met zijn mannen aan de Normandiese kust
lag, terwijl storm hen verhinderde naar Engeland over te steken; toen
verdreef hij de tijd met jacht en feesten en om te zorgen dat die niet
vergeten zouden worden, zond hij enige harpspelers naar een dame in
Bretagne die bekend was door de schone lais die zij dichtte, en liet
haar uitnodigen, op een fraaie melodie daar gedichten over te maken; dat
deed zij en leerde de harpspelers 't gedicht zowel als de melodie. Zo
maakte ook Iseut gedichten over haar ontmoetingen met Tristan. Marie was
literair ontwikkeld, zij vertaalde fabelen uit het Engels en legenden
uit het Latijn en zoals zij in de proloog voor haar lais vertelt, had
zij er eerst over gedacht een goed geschiedwerk uit het Latijn te
vertalen, maar daar er nu zovelen juist met dergelijke dingen bezig
waren, had zij liever willen vertellen wat zij van Bretonse verhalen
gehoord of gelezen had. Bij die »dergelijke dingen" denkt zij
waarschijnlik aan zo iets als de Roman van Aeneas, er zijn allerlei
reminiscenties in haar lais juist aan die roman te vinden, evenals
aan Ovidius. Een zekere kennis van de Provençaalse erotiese poëzie
der troubadours schijnt zij al vroeg gehad te hebben. Dichteres van
betekenis was zij niet; er is iets bleeks en damesachtigs over haar
stijl, iets konventioneels in haar karakteristiek; maar bevallig en met
gemak geeft zij de Keltiese stof in Franse verzen weer,--in hoeverre zij
zelf voor dit alles verantwoordelik is, of wat zij dankt aan een ander,
Frans of Engels, die tusschen haar en de sagestof in staat, dat laat
zich niet gemakkelik uit maken; zij zelf schijnt in elk geval geen
Kelties gekend te hebben. Maar--zij wist een eigenaardige romantiese
geur van 't ver-affe en 't wonderbaarlike over die vreemde, niet altijd
meer goed begrepen motieven te leggen; zij voelt de poëzie van zee en
bos, zoals die over de Keltiese sagen ligt, en overal legt zij nadruk op
het erotiese en het sentimentele en het vergroot eigelik alleen maar de
poëtiese charme, wanneer trekjes uit de Aeneas-roman of Ovidius of zelfs
motieven van de Grieks-Oosterse vertellingen in de Keltiese stof
ingeweven zijn.

Verscheidene Keltiese sagen behandelden b.v. de verhouding der mensen
in zake de liefde betreffende, tot de onsterfeliken. Mannen die b.v.
uit het land des Doods opgestaan zijn of mannen uit het onderaardse
feeënland die een vrouw onder de sterfeliken liefhebben. Of, gewoonlik,
feeën die sterfelike mannen hun liefde aanbieden. Maar wanneer de zaak
bekend wordt is 't uit,--gelijk altijd bij de onderaardsen: wanneer
niet-ingewijden 't zien of de zaak bij de naam genoemd wordt, dan
verdwijnt alles. Zulk een sage was nu net iets voor de sentimentele
romantiese smaak dier dagen. Lanval, een gedicht van Marie de France
evenals verschillende lais van onbekende schrijvers, behandelen dat
tema met allerlei variaties. Er is b.v. een ridder die alleen het bos
doorrijdt,--hij is op jacht van zijn gezelschap afgeraakt of hij dwaalt
alleen maar wat om, b.v. omdat hij bedroefd is over het feit dat de
koning zijn diensten niet goed beloont. Hij viert de teugel, en weldra
heeft 't paard hem in 't dichtst van 't woud gebracht; het is heerlik
weer en de vogels zingen in de middaguren, maar hij hoort er niet naar.
Op eens is het hem alsof hij honden hoort aanslaan of een glimp van het
witte hert krijgt, dan zet hij de hoorn voor de mond zodat het luid
door 't bos weergalmt... Maar hij is steeds alleen in de betovering van
't eenzame bos. Zo komt hij dan aan een bron waar hij een badende fee
verrast, hij bemachtigt haar klederen en zo krijgt hij haar in zijn
macht en heeft haar zo aldra tot zijn wil,--als in de sage van Völund
(Wieland). Of wel wordt hij door haar aangezocht en laat hij zich naar
haar tent of haar slot voeren, waar hij haar liefde geniet, volop
eten en drinken krijgt zowel als de kostbaarste kleren en goud. Zulke
feeën die prinsen naar hun feeën-kastelen ontvoeren, kenden ook de
Oosterse verhalen; met een Middeleeuws-Latijnse verzameling van zulke
geschiedenissen (de Delopathos) heeft een van die lais merkwaardige
punten van overeenkomst en die zelfde lai (Guingamor) schildert ook de
pracht van marmer en ivoor in dat slot en de muziekfeesten, met echt
Oosterse kleuren. Het einde van de historie, om er dat even bij te
voegen, is zeer karakteristiek. Wanneer de ridder daar drie »dagen" bij
die fee door heeft gebracht, begint hij naar huis te verlangen en wil
weg, maar nu vertelt de fee hem dat er reeds 300 jaar verlopen zijn en
zo vindt hij dan ook 't bos en alles heel anders wanneer hij weer in de
wereld terugkomt. Niettegenstaande dat de fee hem er tegen gewaarschuwd
heeft, eet hij toch onderweg van de vruchten van een appelboom en
daardoor valt plotseling de ouderdom op hem en wordt hij een oud
mannetje,--door van 't aardse voedsel te gebruiken is hij n.l. ook weer
onder de aardse wet der sterfelikheid gekomen,--evenals zij die naar 't
dodenrijk trekken ook aan de wetten daarvan onderworpen zijn, zodra zij
daar eten. (Verg. de appelen van Persephone en de sage van koning
Hadding uit Saxo).

In de andere lais keert de ridder na een »heure du berger", naar de
mensenwereld terug, maar nu is hij altijd rijk en opgewekt en heeft nog
steeds, wanneer hij maar wil, ontmoetingen met zijn geliefde; alleen
heeft de onderaardse schone hem verboden op straffe van haar te moeten
verliezen, iets van deze zaak te vertellen. Maar nu wordt ongelukkig de
koningin op de jonge ridder verliefd. Met haar vrouwen komt de koningin
de tuin in, waar de ridders dadelik de dames het hof gaan maken, maar
hij, de schoonste van allen, houdt zich alleen op een afstand; ofwel
komt de koningin eens door de voorhal waar zij hem bij het raam ziet
zitten schaak spelen, terwijl een zonnestraal daardoor op zijn
aangezicht valt en er een nieuwe glans op werpt. Zij laat hem roepen,
tracht hem te verleiden door hem haar liefde aan te bieden en is diep
gekwetst wanneer de jongeling die afwijst,--in een dier lais in de eigen
woorden van een lange passage uit Cicero's »De Amicitia". In onbeheerste
razernij barst de koningin nu in allerlei eerrovende beschuldigingen uit
(wij volgen hier de versie uit Marie de France, waar de gebeurtenissen
het natuurlikst met elkaar in verband schijnen te staan),--dat Lanval
zeker niet om jonge vrouwen geeft omdat hij natuurlik van knapen
houdt,--de dichteres zal dat wel uit de Roman van Aeneas hebben--en om
zijn eer te wreken komt Lanval er nu toe te zeggen dat hij een ander
liefheeft die veel schoner is. In een veel plompere, misschien wel
oorspronkelike versie is het de koning die bij een groot gastmaal, zijn
koningin geheel ontkleed op een bankje ten toon stelt, zoals Ahasverus
dat ook wilde, opdat de ridders haar kunnen bewonderen en haar gemaal
benijden; wat zij dan ook allen plichtschuldig doen, behalve onze jonge
ridder die, wanneer de koning hem uitvorst, er iets over los laat dat
hij er een kent die nog schoner is.--In beide gevallen moet de ridder
binnen een zekere vastgestelde tijd zijn bewering waar maken, anders
moet hij voor zijn brutale pocherij sterven. Wanhopend loopt hij nu
rond, niet alleen omdat hij nu sterven moet, maar ook wijl hij zijn
woord tegenover zijn geliefde gebroken heeft. Maar de laatste dag komt
er een prachtige stoet van maagden aanzetten die de bewondering der
hovelingen opwekken en ten slotte de feeënkoningin op een wit paard, in
een wit gewaad, maar zo dat haar gehele lichaam door alle aanwezigen
te zien komt,--Venus noch Dido noch Lavinia waren schoner dan zij,--zo
wonderbaarlik schoon is zij dat allen erkennen moeten dat de jonge man
niet gepocht heeft. Maar hij blijft apart staan, omdat hij zich schaamt
over zijn gebroken belofte en zij is dan ook eerst niet geneigd hem
genade te schenken, maar 't eindigt er toch mede dat hij met haar
meegaat naar het feeënrijk en nu voor goed.

Ook dit alles: dat de ridder naar de mensenwereld teruggaat, zich zijn
geheim laat afpersen, enz., wordt in Oosterse sprookjes van de fee
Peribanu verteld; er is hier verband met Griekse mythen van Amor
en Psyche en de Duitse sagen over Tannhaüser in de Venusberg. Even
duister als de sage zelf is voorlopig ook nog het verband tusschen de
verschillende vormen er van. Wat het omgekeerde geval betreft van een
aardse vrouw die een onsterfelike man toebehoort, in die klasse valt
Marie de France's lai over Yonec. Maar hier is de bewerkster zich maar
half bewust dat zij met een onsterfelike te doen heeft en dat het land
in kwestie het hiernamaals is; de personen uit die sage maakt zij,
zonder het echter geheel van de mystiek te ontdoen, tot echte gewone
mensen en ridders.

De jonge echtgenote van een ridder is in een toren opgesloten en
»verspilt haar schoonheid met tranen". Op een morgen in de maand April
ligt zij klagend naar de heldere zon te kijken. Dat die akelige jaloerse
oude man van haar dan ook nooit schijnt te kunnen sterven. Dat er dan
ook nooit bij haar eens een van die ridders komt, waar men hier in
Bretanje altijd van spreekt, die de dames komen »troosten" zonder dat
hun reputatie daar onder lijdt. Op 't zelfde ogenblik dat zij die wens
uitspreekt, ziet zij in 't venster de schaduw--zeer schilderachtig wordt
dit verteld--van een grote vogel, die vlak daarop de kamer in komt
vliegen. Zodra de vogel en zij elkaar aankijken, wordt hij tot een
ridder (in de »Oiseau Bleu" en ook in een Deens volkslied en een
sprookje komt dat zelfde motief voor); nooit, beweert hij, heeft hij
iemand anders dan haar liefgehad, maar hij zou zijn rijk niet hebben
kunnen verlaten en bij haar komen indien haar wens hem niet geroepen
had. Hier zien wij duidelik 't mytiese dat hier aan ten grondslag ligt,
en de dame durft zich niet met hem inlaten, vóór zij de zekerheid
verkregen heeft dat hij geen kwade geest is, nu weet de kristelike
auteur er zeer naïef en onbeholpen niets beter op dan de ridder het H.
Avondmaal in de toren te laten gebruiken! Dan schenkt de vrouwe hem haar
liefde en--evenals de fee bij de ridder,--komt hij van nu af telkens
wanneer zij dat wenst; alleen moet hij zorgen dat nooit iemand hem ziet.
Lang genieten zij nu van elkaars omarmingen, totdat de echtgenoot zich
er over begint te verbazen dat de schoonheid van zijn troosteloze vrouw
nu op eens weer zo opbloeit; hij laat haar bespieden en als hij hoort
dat er dikwels een grote vogel bij haar komt, laat hij ijzeren punten in
't raam slaan. En wanneer de vogelridder dan de volgende keer komt heeft
hij zich bezeerd en valt bloedend op haar bed neer, evenals in de Deense
ballade, de knaap Germand in zijn veêren kleêren tot zijn geliefde komt,
alleen om te sterven, daar de harpij onderweg zijn hartebloed gedronken
heeft. Ook de ridder zegt dat hij nu naar huis moet vliegen om in zijn
eigen rijk te sterven, maar zij zal een zoon baren die hem zal wreken.
Met kreten van smart springt zij hem uit het raam na; in haar hemd
volgt zij zijn bloedige sporen; het wordt een lange tocht--men begrijpt
dat het oorspronkelik de reis naar het doodsrijk was die zij daar
ondernam,--door een bergengte... over met bloed besprenkelde weiden...
door een stad waar geen mens op straat te zien is... tot in een kasteel
waar zij hem stervend te bed vindt liggen. Maar zij mag dáar niet
blijven, zegt zij, als de mensen haar zagen zouden zij haar afmaken
omdat zij schuldig is aan zijn dood; maar hij geeft haar een ring die
maakt dat haar man niets van haar afwezigheid zal merken, en een zwaard
dat zij aan hun zoon moet geven om daarmeê zijn dood te wreken...

Meer en meer verdwijnt de Keltiese achtergrond uit de vertellingen
van Marie de France. Een bezoek in het feeënrijk is oorspronkelik
ook wel het onderwerp van de Lai van Guigemar geweest, maar de gehele
détail-schildering wijst in de richting van de Grieks-Oosterse kunst.
De jonge Guigemar die altijd de liefde van zich afgeworpen heeft, schiet
eens op de jacht op een witte hinde, maar de pijl slaat op hem zelf
terug en verwond hem,--blijkbaar is de hinde door een fee gezonden om
hem voor zijn gevoelloosheid te straffen, evenals Amor bij Ovidius de
god van de jacht treft omdat die de liefde veracht heeft. En de hinde
voorspelt hem dat slechts een trouwe liefde hem zal kunnen genezen.
Somber dwaalt Guigemar nu van zijn mannen af om bij het zeestrand een
prachtig wonderschip te treffen,--er is niemand aan boord. Nieuwsgierig
maar niet zonder enige angst gaat hij er heen en vindt daar een prachtig
bed (het wordt beschreven zo prachtig als dat van Salomo in het Hooglied
en dat van Hektor in de roman van Troje), hij gaat er even op liggen
omdat hij door zijn wonden vermoeid is en als hij weer opstaat is hij al
in het ruime sop. Dat soort van tover-mystiek is echt Kelties. Hij landt
aan de voet van een groene marmeren toren. Daar houdt een oude man zijn
vrouw gevangen, slechts een jong meisje en een oude ontmande klerk zijn
daar bij haar,--dat zijn natuurlik voorstellingen van een harem en
eunuchen die de dichteres hier voorzweefden. De twee vrouwen vinden de
jongeling op dek liggen slapen; hij lijkt dood, maar als de jonge vrouw
haar hand op zijn borst legt, merkt zij dat die nog warm is, nu slaat
hij ook zijn ogen op en zij brengen hem binnen waar hij in het bed van
de maagd gelegd en goed verzorgd wordt. Marie, die voor alles allerlei
zedige omschrijvingen weet te vinden en die altijd in de kleinste
kleinigheden de zedigheid in acht neemt, laat ze een mantel als een
gordijn voor dat bed hangen, want er is maar één kamer in die toren.
Nu vergeet hij al heel gauw zijn wonden, maar hij wordt daarentegen nu
door de liefdepijl getroffen, en de jonge vrouw niet minder. Het meisje
helpt ze, en ofschoon hij zich eigelik erg geneert,--want, zegt de
sentimentele Marie de France, hij was niet een van die lichtzinnige
ridders die de ware liefde bespotten--waagt hij 't eindelik met zijn
gevoelens voor den dag te komen. Eerst wijst zij hem lachend af,--zij
moet van Antigone uit de roman van Thebe geleerd hebben dat men eerst en
vooral moet tonen er niet »zo maar één" te zijn die men met een natte
vinger kan lijmen; maar de ridder antwoordt, en het is Marie's eigen
fijne vrouwelikheid die door zijn woorden spreekt,--: »Vrouwe, wees niet
boos dat ik dit zeg. Een lichtzinnige vrouw moet zich lang laten smeken
om haar waar op prijs te stellen, opdat men gelove dat het de eerste
keer is dat zij zich lokken laat. Maar een edele vrouw, die een man
vindt van wie zij houdt, heeft zich niet trots op een afstand te houden,
maar mag hem liefhebben en zich met hem verheugen." De dame geeft dan
ook al heel gauw toe, en zij kussen elkaar en omhelzen elkaar en »wat
daar verder zo bij hoort". Maar de echtgenoot krijgt de lucht van wat er
in die toren gebeurt en Guigemar moet nu vertrekken. Wederkerig geven
zij elkaar beloften van trouw, maar hij legt toch een kuisheidsgordel om
haar lijf--dat wijst ook op Asië en Aegypte--en zij legt een knoop in
zijn hemd die zij alleen los zal kunnen maken... Verder horen wij hoe
beiden hun trouw bewaren, hoe zij haar man verlaat en bij een andere
ridder in huis komt die tracht haar in zijn macht te krijgen, maar hij
kan haar gordel al evenmin los krijgen als alle vrouwen van Bretagne de
knoop in 't hemd van Guigemar los kunnen maken. Ten slotte vinden zij
elkaar en worden ze verenigd,--aandoenlik wordt geschilderd hoe zij
elkaar gaandeweg herkennen, fijn is ook de droefheid beschreven van
de ridder in wiens huis zij opgenomen was geworden en die nu getuige
is van de vreugde van hun wederzien. Ook hierin is er veel dat aan
Grieks-Oosterse romans herinnert met hun verliefde maar toch zo humane
despoten...

Over 't algemeen put Marie nu langzamerhand haar stof zo wat uit alle
bronnen, terwijl zij die alleen maar in Engeland of Bretagne lokaliseert
en er haar zachte sentimentele geest in legt. Zij neemt b.v. een
vulgaire anekdote over echtbreuk en een geliefde die zich in een badkuip
aan het kokende water brandt, maar brengt die in hoger sfeer over, door
er een sentimentele troubadour-liefde in te leggen en vol aandoening
het ongelukkig einde der gelieven te bewenen. Zij neemt een verhaal
dat in 't middeleeuws Latijn voorkwam en van Oosterse oorsprong schijnt,
over de jalousie van een echtgenoot die zo hevig was dat hij eens een
nachtegaal door vier paarden in stukken deed rijten omdat haar gezang
zijn vrouws hart in tederheid deed smelten en haar zo tot liefde
verlokte. Daar maakt zij nu een aandoenlike kleine natuur-romantiese
geschiedenis van: De echtgenote van de ridder en haar vriend zitten in
een nacht vol maneschijn elk voor zijn venster naar elkander te kijken
en naar 't gezang van de nachtegaal te luisteren--hun tuinen grenzen aan
elkaar, zij kunnen nu met elkaar spreken maar zij zijn nog nooit samen
geweest. De ruwe echtgenoot is boos dat zijn vrouw 's nachts zo dikwels
opstaat en naar 't gezang der vogelen luistert,--'t is de nachtegaal
zegt zij n.l. die maakt dat zij geen oog dicht kan doen--en daarom zet
hij een vogelknip voor de verstoorder van zijn vrede uit en eens op een
dag kan hij vol triomf haar de bloedige vogel in de schoot werpen. Maar
de dame zendt het kleine lichaampje in fluweel gehuld naar haar vriend
met de boodschap dat zij nu niet langer 's nachts bij het raam durft te
gaan zitten en hij legt het lijkje in een gouden kistje en draagt het
als een herinnering op zijn borst...

Helemaal tot kleine romans groeien ten slotte hier de vertellingen aan,
die naar het schijnt niets Kelties in zich hebben en waar het overdreven
fantastiese geheel op de achtergrond treedt voor de zuiver menselike
hartegevoelens. Beide handelen ze over vrouwen wier liefde zo vol
zelfverlochening is dat zij zich voor het geluk van hun geliefde
opofferen door voor een andere vrouw plaats te maken. Maar het is zeker
Marie's eigen gevoelige idealisme, dat dit in de onderwerpen gelegd
heeft die zij opvatte.

Overal in alle landen treft men verhalen--die misschien op een oud
sprookje terug gaan--van de jonge vorstendochter die bestemd was om de
bruid van een prins te worden, maar die dan juist daar vóor geschaakt
wordt en die dan na velerhande avonturen pas herkend en erkend wordt
juist op 't ogenblik dat een van haar zusters met de vorst trouwen zou
voor wie zij zelf bestemd was. Uit dit motief is het gedicht van Marie,
De Esch--»Le Fraisne"--ontstaan. Het is een vondeling, die Esch heet
naar de boom waaronder zij gevonden werd,--zij wordt in een klooster
opgevoed, maar heeft een vorst lief die in de buurt woont en vlucht uit
het klooster om op zijn slot als zijn bijzit te gaan leven. Zij zijn
zeer gelukkig samen, maar dan verlangen ongelukkig de baronnen van de
vorst dat hij nu een huwelik in zijn stand aan zal gaan om een erfgenaam
het leven te geven. Hij wordt er dan ook toe gebracht om de hand van de
dochter van een zijner ridderlike naburen te vragen. De bruiloft wordt
vastgesteld en de moeder komt naar het kasteel om de voorbereidselen
te treffen en o. a. om de bijzit weg te jagen. Maar ze wordt verrast
en geheel ingenomen door de liefelikheid van het jonge meisje, dat zacht
en geduldig aan alles medehelpt, zijn dienaars zegt hoe hij gewoon is
het te hebben, ook b.v. zelfs zijn bruidsbed helpt gereed maken »want
dat wist zij zo heel goed" en als zij geen linnengoed vindt dat mooi
genoeg is voor hem, gaat zij zelf van haar eigen linnengoed uit haar
kast halen. Maar wat zij daar nu uithaalt is juist het goed waar zij in
gewikkeld was toen zij in 't klooster opgenomen was. En--de moeder van
de bruid kijkt en kijkt,--ze kent dat goed! Dat was 't zelfde linnen
waarin zij zo lang geleden haar eigen kind te vondeling legde, toen zij
niet had durven erkennen dat zij een tweeling gekregen had, omdat zij
altijd volgehouden had dat dit op ontrouw van de vrouw duidde. »Esch"
is dus haar eigen kind, de tweelingzuster van de bruid (Hazel)... En nu
komt er verklaring en vreugde,--gejubel!--en Esch wordt de bruid in
plaats van haar zuster.

Het is de zachte vrouwelikheid, de aandoenlike verzaking van de liefde
die hier verheerlikt wordt--zoals die reeds in talrijke legenden van
vrouwelike heiligen door het Kristendom verheerlikt was geworden, zowel
als in de Indiese en Griekse poëzie. Maar zo lang als de opoffering aan
een Godsvrucht te danken was die zich van de wereld afwendt, zolang
de stempel van de slavernij nog op de vrouw drukte, kon de verzaking
niet het karakter van die vrijwillig verlochenende liefde dragen als
hier in »Fraisne". Na Marie de France wordt de geduldige Geliefde een
lievelingstema voor de poëzie der middeleeuwen en ook van de latere
tijd; de verwantschap met de lais van Marie laat zich vooral niet
lochenen voor de schone Engelse en Noordse balladen van »De schone
Anna--fair Annet".

In het Deense volkslied is de ridder blijkbaar van plan ze alle
beiden aan te houden, en hij vraagt kalm zijn bruid wat zij zijn
»fryndinne" voor geschenk denkt te geven en omgekeerd. In de tijd van de
kruistochten, kwam het, zoals wij al gezien hebben, dikwels genoeg voor
dat de echtgenote meer of minder vrijwillig zich in een soort ménage à
trois moest schikken, wanneer haar ridder van zijn reizen met een vrouw
thuis kwam die hij in verre landen gehuwd had. Dat is het tema van de
grootste en fijnst uitgevoerde vertelling van Marie de France, die van
Eliduc.

Ridder Eliduc van Bretagne heeft zijn vrouw en zijn haardstede moeten
verlaten en is naar Engeland getogen waar hij de Koning van Exeter in
de oorlog gevolgd is. De koningsdochter wordt op hem verliefd en spreekt
vriendelik met hem en ook de ridder kan van zijn kant niet nalaten naar
de zoete woorden der prinses te luisteren, maar wil zijn vrouw toch niet
vergeten. De prinses zendt hem een kamerjonker met geschenken om te zien
of hij haar lief heeft,--zó kan men nu eigelik niets er over te weten
komen, voegt de dichteres er met een zekere skeptiese mensenkennis aan
toe, die dikwels door haar sentimentaliteit heen breekt; nog nooit zag
ik een ridder die geen geschenken aanneemt. Levendig als bij Ovidius
wordt de twijfel der prinses beschreven, of zij die geschenken durft
zenden of niet, en haar ongeduld om 't resultaat te horen. Eliduc neemt
alles aan, maar zegt »niets zonder dank" en biedt de boodschapper geld;
zo weet de Prinses nog niet wat zij geloven moet. Zij heeft n.l. geen
idee dat ook het hart van de ridder in diepe nood verkeert, hij kan
niet meer voor zich zelf verbergen dat hij haar lief heeft, maar toch
wil hij zijn trouw jegens zijn echtgenote bewaren. En hij wil ook wel
op goede voet met de prinses staan en haar eens kussen, maar ook niets
meer. Eens zit de koning schaak te spelen en laat zijn dochter binnen
komen om Eliduc bezig te houden. Zij gaan apart in een hoek van de zaal
zitten--de scène doet denken aan die tusschen Jason en Medea in de roman
van Troje--zij zijn beiden wat gegeneerd en 't gesprek vlot volstrekt
niet. Eindelik stamelt hij een woord van dank voor haar geschenken en
nu biecht zij op dat zij die zond, omdat zij hem lief heeft en niemand
anders wil hebben. Hij legt zijn gevoelens nu ook bloot maar--voegt er
bij--wanneer de oorlog gedaan is moet hij naar huis terug. Zij legde
zich daar bij neer en van toen af zagen zij elkaar dikwels en hielden
veel van elkander.

Maar nu wordt Eliduc naar Bretagne teruggeroepen, omdat zijn eigen
koning zijn hulp tegen hun vijanden nodig heeft. Hij moet weg. Het doet
hem verdriet voor zijn vriendin, maar er is niets tussen hen geweest dan
vriendelike woorden en gaven, geen dwaasheden of iets oneerbaars, maar
zij die niet wist dat hij getrouwd was, bleef hopen. Men ziet hoe fijn
de kleuren gemengd zijn, hoe delicaat Marie de halfheid in de verhouding
weet te tekenen: hij heeft de eerste schrede niet gedaan, alleen is hij
niet sterk genoeg geweest om de avances der jonge dame af te wijzen; hij
heeft alles nog binnen de grenzen van het fatsoen weten te houden, maar
heeft 't niet over zich kunnen verkrijgen te zeggen dat hij daar ginds
in den lande van overzee getrouwd was. Nu voelt hij met smart dat het
hart van een hunner of misschien wel van beiden bij de scheiding moet
breken, en besluit alles aan de beslissing van de prinses zelf over
te laten. Eerst neemt hij afscheid van de Koning en gaat dan naar de
dochter om haar alles te vertellen. Maar ongelukkig valt zij dadelik in
zwijm zodra zij van afscheid nemen hoort spreken en nu kan onze held
niet anders doen dan haar in zijn armen nemen en kussen: »Mijn zoete
vriendin, laat ik U alleen dit maar zeggen: gij zijt de mijne in leven
en dood." Haar dadelik meenemen--wat zij eigelik wilde--kan hij niet;
hij staat in haars vaders diensten dat zou trouwbreuk zijn; wel kan hij
terugkomen als hij een vrij man is en dan kan hij haar schaken, zonder
dat zijn eer daar onder lijdt. Nu wisselen ze ringen, kussen elkaar...
en zo zijn al zijn schone voornemens door haar tranen gesmolten--zoals
het de man zo dikwels gaat die komt om zulk een verhouding af te breken.

Eliduc komt thuis en wordt door allen goed ontvangen, vooral door zijn
trouwe echtgenote; maar hij loopt stil en in overpeinzingen rond en zij
vraagt in haar verdriet of iemand haar misschien belasterd heeft. Als
hij nu zijn koning bijgestaan heeft, gaat hij, zoals hij beloofd heeft,
naar Exeter terug en schaakt daar de koningsdochter. Er steekt een storm
op zee op en de bemanning mompelt iets over--even als in de geschiedenis
van Jonas--dat er zeker een schuldige aan boord is, die geofferd zal
moeten worden;--natuurlik is zij dat, de vrouw die 't met een getrouwde
man houdt. De prinses bezwijmt van schrik, ook omdat zij hoort dat hij
gehuwd is; woedend slaat Eliduc de schipper tegen den grond en neemt
zelf 't roer over, hij weet het schip ook veilig aan land te brengen,
maar... zijn geliefde ligt daar nog altijd dood voor hem. Wanhopend
neemt hij haar in zijn armen en draagt haar naar een verlaten grafkapel
waar hij haar voor 't altaar op een baar legt; hij heeft de moed niet
het lichaam te begraven, lang blijft hij over haar gebogen zitten klagen
en zweert dat hij nooit meer wapenen zal dragen, maar monnik wil worden.
Als zij hem niet lief had gehad, zucht hij, had zij nu een koningskroon
gedragen... Nu rijdt hij naar huis, maar altijd keek hij even somber en
elke morgen na de mis reed hij naar die kapel en ging bij 't lijk van
zijn geliefde zitten die merkwaardig genoeg er altijd even fris en
schoon uitzag. Zijn bedroefde vrouw laat haar man's wegen bespieden en
in gezelschap van een dienaar gaat zij eens de kapel binnen, waar zij
het meisje ziet liggen als een pas ontloken rozenknop; zij neemt het
lijkkleed weg en bewondert haar schone lichaam. Zij verbaast zich nu
niet meer over de smart van haar man en heeft innig medelijden met hem;
droef geresigneerd voelt zij ook heel goed dat zij zijn liefde nooit
meer terug zal kunnen krijgen. Wenend zit zij bij het lijk van haar
mededingster,--een situatie vol grootse, dichterlike schoonheid. Daar
komt in de stilte een wezel aanlopen over de stenen in de vervallen
kerk. Haar dienaar slaat die met een stok dood. Maar 't duurt niet
lang of het vrouwtje van de wezel komt met een rode bloem in haar mond
aanlopen en zodra zij het mannetje daarmee aangeraakt heeft, is die weer
levend. (Een natuurmerkwaardigheid waar klassieken zowel als Oosterse
schrijvers van weten te vertellen). Nu beveelt de vrouw haar dienaar
de rode bloem op te nemen, nauweliks heeft zij die op de lippen der
afgestorvene gelegd of die ontwaakt met een diepe zucht uit haar lange
slaap. Maar wat volgt is nog schoner; de vreemdelinge klaagt haar nood,
hoe zij een man lief heeft gehad en met hem gevlucht was en hoe zij toen
hoorde dat hij getrouwd was; de vrouw van de ridder moet haar nu zelf
troosten door te vertellen hoe innig veel verdriet die man hier over
heeft en hoe weinig hij van zijn echtgenote houdt. Zij heeft al dadelik
haar besluit genomen; die twee moeten elkaar toebehoren, zij zal zelf
de sluier aannemen. Dat weet de heldhaftige vrouw ook door te zetten
en Eliduc »dulcement sa femme mercie", wat werkelik ook niet te veel
is. Maar 't duurde niet lang--eindigt de dichteres die hier enigsins
kristelik begint te worden en schijnt te vinden dat Eliduc er wat al te
gemakkelik af is gekomen--of hij volgde met zijn prinses het voorbeeld
van de vrouw en zij gaan ook in een klooster. En in het klooster
ontvangt de echtgenote haar opvolgster als een zuster!

Waar Marie de France deze geschiedenis misschien vandaan heeft, is niet
van veel belang; zoals zij die hier vertelt, zonder sterke kleuren en
zonder diepe kracht, met een licht lopende damespen, is het toch wel
degelik haar eigen werk geworden; er zit in die vertelling juist dat
mengsel van voorname wereldlikheid en fijne, ironiese zielekennis, van
een gevoelvol verheven menselikheid en fijn, subtiel moreel gevoel,--die
ook later weer de echt Franse liefderoman zal karakteriseren.

De Lais van Marie de France vormen daartoe de bekoorlikste inleiding.



XVI.

TRISTAN EN ISOLDE.


Uit vele van die populaire speelmanslais ontstonden romans. Van de
liefde van Tristan en Isolde is er gezongen en gedicht in die oude lais,
waardoor die paar gelieven uit Cornwall reeds aan de oudste Provençaalse
troubadours bekend waren. En weldra stonden zij voor de middeleeuwen als
omstraald door een nog hogere poëzie dan zelfs Floris en Blanchefleur
of Aeneas en Dido in de oudheid. »Nooit," heet het in de oudste versie,
die men heeft kunnen opdiepen (Berol's bron), »hadden anderen elkaar zo
lief en kochten de liefde zo duur." Het noodlot had ze door één teug
aan liefde en ongeluk gewijd, en zo stond het paar voor alle gevoelige
harten met een dubbele aureool omgeven; hun liefde was misdadig, altans
volgens de vromen van de Ridderromantiek, maar ze waren toch enigsins
te verontschuldigen door het onwederstaanbare van hun schone passie en
ze werden toch ook door al hun ellende gelouterd. Evenals St. Preux en
Julie of Werther en Lotte voor hun tijdgenoten, waren Tristan en Isolde
voor de middeleeuwen martelaars der liefde, onschuldige offers van de
moraal der burgerlik kristelike maatschappij,--maar in de ogen van alle
jongeren was hun lot toch eigelik benijdenswaardig, en stonden ze toch
in geluk ver boven dat van de gewone burger.

Geen motief is zo dikwels in de romans gebruikt geworden als dit, maar
er heeft een merkwaardig noodlot op de overlevering er van gerust. Van
de oudste versies is er geen een over; de oudste die wij hebben zijn
fragmenten van twee Franse berijmde romans die uit 't Anglo-Normandiese
rijk stammen, die van Berol en van Thomas, uit de jaren 1160-1170; dan
zijn er een paar latere Franse berijmde bewerkingen verloren gegaan,
maar wij hebben een proza-roman uit de 13de eeuw over; in 't Duits
bestaan er berijmde bewerkingen van Eilhart v. Oberge (1190) en Gotfried
van Strassburg (ongeveer 1210) en twee vervolgen; vervolgens is er
een Middel-Engels-gedicht, Sir Tristrem, een IJslandse sage en enkele
late volksboeken. Met grote kunst heeft de Franse filologie echter aan
Frankrijk van dit alles teruggegeven wat haar toekomt, door de vreemde
versies in twee groepen in te delen, die respektievelik op Berol en
Thomas terug gaan, en heeft uit wat aan de versies van elke groep gemeen
is, de twee Anglo-Normandiese romans kunnen rekonstrueren om de paar
fragmenten heen die wij er feitelik alleen maar van bezitten. Zij
zijn--zoals wij zagen--omtrent van de tijd van Marie de France. Berol
is meer populair en die staat waarschijnlik ook wel dichter bij 't
oorspronkelike. Thomas is meer ridderlik. Terwijl 't vooral Eilhart
is die ons Berol kan helpen reconstrueren, hoort zowel de roman van
Gotfried, als die van Sir Tristrem en de IJslandse sage tot de groep
afstammelingen van Thomas. De groei van de Ridderromantiek laat zich
heel goed volgen als men de twee groepen Berol-Eilhart en
Thomas-Gotfried met elkaar vergelijkt.

Dat er oorspronkelik een sage uit Cornwall of uit West-Schotland aan
ten grondslag ligt, staat buiten alle twijfel. Ook is 't zeker dat er
zich al heel vroeg om die oorspronkelike sage-stam andere motieven en
anekdoten geslingerd hebben, tendele reeds op Keltiese grond, maar ook
later in de Franse versies, uit de oudheid en het Oosten, uit Frankrijk
zelf en uit Duitsland. Zoals het werk van Berol en Thomas eeuwen lang
alle landen rond is getrokken, kan de stof door zijn hele kleur en toon
maar tot zekere hoogte Kelties genoemd worden. Reeds de namen zijn
kosmopolities. Iseut beschouwen sommigen als Germaans evenals andere
vormen met Is-, misschien voor Ishilde, maar in elk geval is de naam al
zéér spoedig als Kelties gevoeld; haar vader Gormond heeft zeker een
Scandinaviese naam, ook Morolt lijkt Germaans. Blanchefleur, Tristan's
moeder is natuurlik Frans, Isolde's dienstmaagd Brangién (= witborst)
daarentegen Kelties. Marc, de oom is Kelties en betekent paard; dat
heeft aanleiding gegeven tot het sprookje dat hij paardenoren had,--een
trek die in vele volkssagen voorkomt, maar nu wordt ook de geschiedenis
van koning Midas zijn ezelsoren en het geheim dat hij aan 't riet
toevertrouwde op koning Marc overgedragen. Eindelik is Tristan
oorspronkelik Kelties (Drostan, maar de gelijkenis met 't Frans »triste"
heeft invloed op de naam gehad en een zeker elegies-tragies kleurtje
over de Franse Tristan gelegd die Drostan uit Cornwall zeker miste).
Die Drostan schijnt een held van 't zeer populaire »Schlau-kopf"-type
geweest te zijn--gelijk Odysseus of Jakob uit de Bijbel--een slimme
schelm, die door het noodlot vervolgd wordt, maar handig en gewikst zich
door alles heen weet te slaan. Hij was de duizend-kunstenaar die zwemmen
kon, vechten, draken doden, die kon springen zo hoog als niemand anders
(in Cornwall wees men de rots waarvan hij zijn enorme beroemde sprong
gedaan had); een man even uitstekend als jager als in de kunst het wild
te bereiden, als harpspeler als in de kunst om vogelenstemmen na te
bootsen. En de verhouding waarin hij tot de vrouw van zijn oom stond was
slechts een van de wijzen waarop het noodlot hem vervolgde, maar waarop
hij ook zijn listige streken kon vertonen.

Er is een voorhistorie over de afstamming en de jeugd van Tristan, maar
die er later aan toegevoegd schijnt, op motieven zo wat van alle kanten
bijeengeschraapt en in een ridderlike en sentimenteel-avontuurlike geest
geschreven. Een ridder uit Wales of Bretagne houdt zich een tijd aan
't hof van koning Marc op, de beroemde legendariese koning van Cornwall
of Engeland. De zuster van de koning wordt op hem verliefd--de naïeve
monologen en koket-sentimentele gesprekken doen aan de Aeneas-roman
denken--terwijl hij na een gevecht gewond is, wordt zij in 't geheim en
onder tranen bij hem zwanger, dan vlucht zij met hem naar zijn eigen
land. Maar daar valt hij nu in de strijd tegen zijn vijanden, die nu
zijn goederen in bezit nemen en de wanhopende weduwe baart nu in smart
de in smart ontvangen zoon, die bovendien bij de geboorte zijn moeder
het leven kost. Tristan werd de erveloze knaap genoemd en zijn leven
zal die naam der smarte waar maken. In 't geheim door een trouwe dienaar
opgevoed, wordt hij door kooplieden met een schip ontvoerd, maar weet te
ontvluchten en aan land te komen,--bij koning Marc, waar hij aan 't hof
in grote gunst komt. Ten slotte wordt 't hem en de koning bekend wie hij
eigelik is en de koning stelt zijn neef tot erfgenaam over zijn rijk
aan; maar eerst trekt de jonge held er op uit om zijn vaderlik erfdeel
terug te winnen, alleen echter om dat land aan zijn trouwe pleegvader
over te dragen. In de volkssagen en de heldenpoëzie zijn er veel helden
aan wier jeugd dit alles sterk herinnert, maar ook met de roman van
Appolonius van Tyrus en die van Ruodlieb heeft onze geschiedenis menige
trek gemeen.

En nu begint de eigelike roman daarmede dat Tristan, als hij weer naar
't rijk van koning Marc teruggekomen is, het heldenstuk uitvoert om in
een tweegevecht de reus Morolt te doden, die uit Ierland gekomen was
om het jaarlikse tribuut voor zijn zwager, de koning van Ierland en
de Romeinse senaat op te eisen. Hier als ook nog elders is duidelik
de kroniek van Geoffrey van Monmouth gebruikt en wel naar de Franse
berijmde bewerking van Wace; het motief is bovendien algemeen genoeg in
de heldenpoëzie. Het wordt een duel, volgens alle regelen van de kunst
op een eiland gevochten. De reus wordt door een geweldige slag op zijn
voorhoofd geveld--een stuk van Tristan's zwaard blijft hem in de schedel
zitten--maar hij krijgt nog net de gelegenheid zijn overwinnaar een houw
met een vergiftigd zwaard te geven en er stervend bij te voegen dat
alleen zijn eigen zuster, koningin Isolde van Ierland, dit genezen kan.

Nu wordt Tristan ernstig ziek,--niemand kan zijn wonden helen, waar
bovendien een onuitstaanbare stank uit opstijgt,--iets wat Gotfried
overslaat omdat »zo iets niet goed past in de hoofse toon". Gelijk
gewonde helden dat in de Keltiese sage dikwels doen, legt hij zich
op een schip en laat dat maar ergens heendrijven; het komt in Ierland
terecht. Men ziet hoe weinig doorwerkt de stof is, hij wist n.l. zelf
dat hij dáár alleen genezing zou vinden. Als degeen die de dood van
Morolt op zijn geweten heeft, durft hij zich toch niet te kennen te
geven; hij verkleedt zich nu weer als koopman, of--zoals de ridderlike
versies 't liever voorstellen--als een harpspeler en komt zo in het
paleis van de koning waar hij zich Tantris noemt en door de koningin
verzorgd en genezen wordt. Uit dankbaarheid daarvoor geeft, volgens de
ridderlike bewerking, Tantris aan 's konings dochter Isolde les in het
harpspel, in de kunst lais te dichten, in het schrijven en in goede
manieren (moralitas), zodat haar vader zijn gasten dikwels door zijn
jonge dochter kon laten bezighouden. Steeds bevreesd dat hij herkend
zal worden, vertrekt Tristan terstond als hij zich weer beter voelt,
ofschoon de koningin de wellevende vreemdeling graag nog wat gehouden
had.

Nu leefde Tristan weer aan het hof van Koning Marc. Maar de baronnen
die jaloers op Tristan zijn dat hij de troon zou erven, brachten er de
koning toch nog toe weer een vrouw te zoeken. Alleraardigst is een hier
ingevoegd sprookjesmotief. Terwijl zij bezig zijn de Koning over te
halen, fladderen een paar zwaluwen het venster binnen en een daarvan
laat een goudgeel vrouwenhaar uit zijn bek vallen. De Koning raapt het
op en zegt dat als hij dan toch trouwen moet, dan wil hij de jonkvrouw
hebben aan wie dat haar toebehoort. En Tristan neemt op zich de schone
met het gouden haar voor hem te gaan vinden, die niemand anders blijkt
dan de prinses van Ierland. Maar de ridderlike bewerkingen verwerpen
deze trek als een onwaardige uitvinding der speellieden; Tristan zelf
had bij zijn thuiskomst de schoonheid van de jonge Isolde in zulke hoge
tonen geprezen en bovendien wensten de baronnen Tristan juist naar
Ierland te zenden omdat zij wisten dat er daar levensgevaar voor hem
schuilde.

Zo trekt Tristan daar nu weer heen, te midden van het gevaar. Hij kwam
op een gunstig oogenblik. Een draak hield juist vreselik op het eiland
huis, elke dag moest er een jonge maagd aan hem geofferd worden en de
Koning had laten weten dat hij die de draak wist te dooden, de prinses
ten huwelik zou krijgen,--een in de Griekse en Germaanse sagenwereld
zeer bekend motief. Tristan, gelijk gewoonlik als een koopman verkleed,
trekt er incognito op uit en doodt het monster door een stoot in zijn
muil--in het hart zegt Gotfried meer in overeenstemming met ridderlike
opvattingen--snijdt zijn tong uit en steekt die in zijn broekzak--legt
die op zijn borst, zegt Gotfried, maar--nu trekt het vergif zijn lichaam
door en niet ver van de draak valt Tristan zelf in zwijm. De Seneskalk
des konings, een slecht mens, komt langs het lijk van de draak, en
eigent zich de eer toe die gedood te hebben, rijdt vol triumf naar huis
en eist Isolde voor zich op. Zij is wanhopend over het vooruitzicht met
die man te moeten trouwen en zij kan bovendien ook niet geloven dat hij
zulk een heldendaad heeft kunnen volbrengen en zij gaat met haar moeder
het gevelde dier bekijken. Daar vinden ze nu de vreemdeling met de tong
van het ondier; zij nemen hem mee naar huis waar hij verpleegd wordt
en dan komt hij met zijn trofee voor den dag en bewijst tot groote
schande van de Seneskalk hoe die ze allen heeft willen bedriegen. Dit
is duidelik een geheel op zich zelf staande sage die vrij onhandig in
het gedicht ingevlochten is, het wordt ook in een apart Kelties gedicht
gevonden over »De held en het hert met de witte poot"; misschien is het
ook verwant aan de Griekse geschiedenis van Alkatoos, die op die zelfde
manier zich door de tong van het monster als de geen doet kennen die het
gedood heeft, inplaats van een ander die hem die eer wil roven. De sage
is in haar grondtrekken zeer algemeen.

Maar intussen is het opgehelderd wie Tantris is. Eens zit hij naakt
in het bad en Isolde staat er bij met hem te praten, terwijl zij er
zich over ergert dat die man, zo schoon als hij is, toch niets dan
een koopman is. Nu gaat zij naar zijn wapens kijken die daar hangen,
en ziet het zwaard dat nog de sporen draagt van de houw die Morolt
er mee gekregen heeft--op eens krijgt zij een ingeving, zij haalt het
stukje dat in het hoofd van Morolt is blijven zitten en dat zij bewaard
heeft,--kijk! Dat past presies en op 't zelfde ogenblik wordt het haar
op eens duidelik dat Tantris natuurlik hetzelfde is als Tristan. En
zij neemt dadelik het besluit hem, zoals hij daar in het bad zit, te
doden. Een echt pikante situatie, die de ridderlike versies in detail
uitwerken: die naakte held geheel in de macht van het jonge meisje.
Tristan herinnert er haar aan dat hij haar zal moeten helpen, nu de
Seneskalk beweert de draak gedood te hebben en haar hand eist. De jonge
maagd voert een innerlike tweestrijd, zij moest de moordenaar van haar
moeders broeder haten, maar haar »milde wîplichheit" zoals Gotfried
zegt, waagt het niet toe te slaan. Nu komt de moeder er bij en wordt
van de zaak op de hoogte gebracht; beiden zijn vol twijfel, als de een
iets besluit, houdt de ander haar terug, ook Brangien stelt zich op de
voorgrond en wil als Isolde's »cameriere" ook een duit meê in 't zakje
doen. Tristan verlaat nu het bad en knielt »voor de schone rij der
vrouwen", die galant door de Duitser met de zon, de maan en de dageraad
vergeleken worden. Brangien brengt er het drietal toe elkaar de kus der
verzoening te geven,--het maakt vooral indruk als Tristan mededeelt dat
het uit naam van de Koning van Cornwall is dat hij om de hand van Isolde
komt vragen.

Isoldes vader gaat op dat huwelik in en met grote pracht en praal wordt
de prinses, door Brangien begeleid, met Tristan over de zee gezonden. Er
is tot nu toe geen sprake van liefde tussen die twee, wel zegt Gotfried
iets van tedere gevoelens tussen hen, maar het wordt toch nog als iets
dat van zelf spreekt beschouwd, dat Isolde met vreugde de Koningin van
Koning Marc zal worden. In de voorgeschiedenis zijn er sprookjesmotieven
en reminiscenties van allerlei heldensagen. De eigelike handeling begint
pas waar Tristan en Isolde uit Ierland vertrekken, nadat Tristan voor
zijn oom de hand van de Ierse koningsdochter gevraagd heeft.

Isoldes moeder heeft Brangien een minnedrank meegegeven die zij
de jonggehuwden de avond van het huwelik moet doen drinken om
hun huweliksgeluk te bezegelen. Van zulke minnedrankjes vertelde
Ovidius,--Circe zowel als Medea hadden die gebrouwen. En nu heeft de
tragiese vergissing plaats. Isolde heeft heimwee en is bedroefd. Tristan
komt haar dikwels gezelschap houden en troosten. Eens wanneer het schip
door windstilte genoodzaakt is geworden een haven binnen te lopen en de
meesten aan land zijn gegaan, wil een van Isoldes maagden hun een glas
wijn inschenken om bij de hitte hun dorst te laven. »Doch neen! het was
geen wijn, ofschoon het dit wel scheen. Het was de eeuw'ge smarte, de
eindeloze hartenood, en beiden bracht die ook de dood", barst Gotfried
uit. Te laat ontdekt Brangien wat er gebeurd is. »Die drank die wordt
beider dood." En inderdaad blijkt nu ook al ras dat »der Welt Unmusze",
de grote onruststichter der wereld, hun beider gemoed is binnen
gedrongen. Gotfried laat ze eerst nog wat tegenstribbelen maar »de ogen
en de harten naderen elkaar steelsgewijze,"--de liefde--die »kleurster"
maakt ze beiden dan rood, dan bleek. Zij is het die per slot van
rekening het initiatief neemt, maar echt op de manier van jonge meisjes,
met allerlei omwegen: levensmoede gaat zij tegen hem aan leunen en laat
haar hoofd op zijn borst nederzinken, zodat hij haar met zijn arm omvat.
»Wat scheelt er aan?" vraagt hij. »»L'amer" is het dat mij wee doet"; en
nu spekuleert hij er over welke drie betekenissen dat woord hebben kan.
Bedoelt zij »de zee"? Is het »de bittere" wind? vraagt hij daarna, maar
zij is het die de derde betekenis noemen moet:--het is »de liefde".
»Mijn beminde, zo is het ook mij gegaan," zegt hij dan. Het is zeker
een vrij oud spel over die woorden, waarschijnlik al uit 't Latijn. En
dan wordt Tristan--gelijk Gotfried het zoet-sentimenteel beschrijft,
in de trant van »Daphnis en Chloë"--door de geneesheer Liefde naar de
legerstede van Isolde geleid en biedt Amor hun elkaar aan als medicijn
voor hun ziekte.

En hier is het punt waar alles om draait. Een gewone vergissing, iets
wat niemand gewild heeft, brengt de hele tragedie aan de gang. Iets
dergeliks hoorde in de grote Heldenepiek niet thuis, noch in de Ilias,
noch in de Völsungensage, noch in de Chanson de Roland; dit is een
roman-truc,--vooral in de Grieks-Oosterse romans is het prototype van
dergelike vergissingen door drankjes te vinden. Zulk een toeval kan
niet als de hoogste tragiek werken, een die met noodzakelikheid uit de
oorzakelike samenhang voortgekomen werkt, integendeel komt er zo iets in
de eigelike zin van het woord pikants in ons gevoel van verdriet, omdat
we voortdurend voelen dat het ongeluk per slot van rekening even goed
niet had kunnen gebeuren en hoe onzinnig het eigelik is en hoe het
zonder enige reden op de slachtoffers neer is gekomen. Maar voor het
middeleeuws bewustzijn is zulk een toeval géén toeval, maar het mystieke
noodlot. En juist daarom, omdat het geheel niets anders dan toeval is,
valt er iets plechtigs, bijna iets heiligs over de liefde en de dood
van Tristan en Isolde, het zijn geen menselike grillen of invallende
gedachten die de verschillende personen in elkaars armen werpen of in
het ongeluk voeren, maar mystieke machten in wier hand de wil slechts
was is. Die tweezijdige houding tegenover de geschiedenis van Tristan
en Isolde kan men in de Middeleeuwen overal opmerken. Voor Berol is het
niets anders dan een gewoon tover-toeval; voor hem duurt de werking
er van dan ook maar een bepaald aantal jaren. En tegenover zulk een
opvatting komen de erotici van professie met een protest in de echte
stijl der troubadours, dat men zo iets liefde zou durven noemen. In
tegenstelling met de klassieken die de liefde als een soort ziekte
beschouwden, een noodlot dat de mensen overvalt, leerden namelik de
troubadours dat de liefde een vrijwillige kultus van de vrouw is, een
uiting van een moreel willen en dus een deugd, een verdienste, en meer
dan één ridderlik dichter legt er dan ook, zoals wij zien zullen, de
nadruk op, dat hun paar geliefden zich niet door een minnedrankje de
liefde aangedronken heeft, maar dat die het gevolg is van hun vrije
neiging. Velen hunner staat echter vaag een zekere opvatting voor de
geest, volgens welke die liefdedrank alleen maar een simbool is van de
natuurmacht der liefde,--zo, vrij zeker, voor Thomas en Gotfried voor
wie de werking ervan ook niet tot een bepaalde tijd beperkt is. Wanneer
het naïeve bewustzijn de plotseling opkomende liefde en de omstandigheid
dat er geen ontkomen aan is, verklaren kan als de werking van runen,
of andere tovermiddelen of als die van een pijl door een godheid
afgeschoten, dan moest dit alles voor het meer ontwikkelde bewustzijn
eenvoudig tot poëtiese uitdrukkingen worden van een natuurmacht die,
zich boven verstand en wil verheffend, zich door de liefde openbaart
en juist daardoor dat gevoel boven wet en recht stelde. Deze opvatting
schemert al in de minnepoëzie der ridderromantiek door en die ligt ten
allen tijde aan de romantiek ten grondslag; de burgerlike samenleving en
de kristelike moraal hebben ook voortdurend tegen die gevaarlike teoriën
moeten kampen.

Nu nadert het schip juist deze burgerlike samenleving, gelijk Isolde
haar bruiloft. Zij is ongerust omdat zij niet als maagd het bruidsbed
kan bestijgen en daarom haalt zij er haar camerière toe over haar eigen
plaats in de huweliksnacht in te nemen,--een onderschuiving die in vele
verhalen, o. a. in meer dan een Deens volkslied, voorkomt. Heel naïef
krijgen de lezers te horen hoe de koning ietwat onder de invloed van de
wijn is en hoe Tristan terstond de kaarsen uitblaast. Maar wanneer het
paar zo van de diensten van Brangien geprofiteerd heeft, vinden ze het
toch onaangenaam dat zij in hun geheim ingewijd is, en ruw en gevoelloos
wordt verhaald van de voorbereiding die Isolde treft om de trouwe
dienares kwijt te raken. Zij zendt haar het bos in met moordenaars
die haar moeten ombrengen. Maar die volbrengen het stuk niet. Brangien
brengt hun n.l. in 't bos aan het verstand dat haar hele misdaad daarin
bestond dat zij haar meesteres haar eigen bruidslinnen heeft laten
gebruiken, wijl dat van de hoge vrouw gekreukeld was; de moordenaars
keren terug en laten de koningin een hindetong zien voor die van het
meisje en vertellen haar ook wat die in het bos gezegd heeft. Die fijne
beeldspraak die zo heel Oosters-bijbels klinkt, doet Isolde zo aan dat
zij hevig berouw begint te gevoelen en de moordenaars bekennen nu de
waarheid. Brangien wordt teruggeroepen en is van nu af de vertrouwde en
de hulp der gelieven.

Die nemen namelik kalm hun maatregelen om hun relaties achter de rug
van haar man en zijn oom voort te zetten. En van nu af begint er een
voortdurende kamp. De twee gelieven kunnen niet zonder elkaar leven, zij
proberen dit ook in 't geheel niet; maar Tristan heeft vijanden aan het
hof--vooral is er daar een kwaadaardige dwerg zoals de Keltiese sage die
kent--die de verhouding ontdekken, die aan de goede koning verklikken
en de geliefden in de val trachten te lokken, die zij lang weten te
vermijden--Brangien staat tegenover de dwerg aan hun zijde--maar waar
zij eindelik eens invliegen; dan wordt Tristan verbannen maar hij
weet de zaak toch gaande te houden en wordt spoedig weer in genade
aangenomen. Oorspronkelik zal de hele geschiedenis,--er werd al op
gezinspeeld--door de sage volstrekt niet zo sentimenteel-tragies opgevat
zijn, de grote virtuositeit van de slimme held bestaat juist daarin dat
hij zulke stukjes klaar weet te spelen en het slachtoffer nog een lange
neus op de koop toe weet te bezorgen, en wat de echtbreuk in het geval
betreft, over deze »komedie" heeft de volksfantasie altijd de nodige
anekdoten te vertellen gehad; vooral de Galliese humor heeft voor
dat tema altijd grote voorliefde aan den dag gelegd. Het enige wat de
Tristan-roman met de krasse verhalen over de bedrogen echtgenoot wist te
doen, was ze in een sentimenteel licht te stellen, wat gelijk wij zagen
ook de grote kunst van Marie de France was. De minnedrank komt dan ook
goed te pas om de onschuldige gelieven in een beter daglicht te stellen;
zij weten beiden dat zij geen verantwoording voor 't gebeurde hebben,
en dat hun alles toegestaan is--en dat voelt de lezer ook. Maar hun
liefde staat ook daardoor hoger dan de grove komiek der fabliaux doordat
de echtgenoot niet opgeofferd wordt. In de sage zal deze koning der
ezelsoren niet anders dan de goedgelovige nar geweest zijn, lichtgelovig
tegenover Isolde en die zich ook even licht door de verklikkers laat
ophitsen. Bij Berol verwijt koning Artus hem ook dat hij wispelturig
is en veel te gauw toegeeft. Maar niet alleen de dichters, ook zij die
hem bedriegen erkennen dat hij welwillend is en toegevend, en groot is
de sympathie van allen voor de »einvalt" en »wegelôse" koning, zoals
Gotfried hem noemt. »Slechts zijn grote liefde voor u," zegt Brangien
eens tegen haar meesteres, »maakte hem zo toegeeflik voor u, maar gij
beloont hem slecht."

In talrijke episoden krijgen wij het spel en het tegenspel te zien. De
koning heeft Tristan van het hof verbannen en de geliefden versmachten
van verdriet, nu zij van elkaar gescheiden zijn. Edoch, Tristan weet
raad. Er stroomt een rivier langs--of oorspronkelik door--het vertrek
van Isolde (zo eigenaardig en primitief was het Keltiese huis van bouw)
en door middel van zaagsel dat tekens vormt en de rivier afdrijft, laat
hij haar weten hoe zij elkaar zullen vinden,--een list die reeds in een
oude Ierse sage voorkomt.

De dwerg is te weten gekomen dat zij elkaar 's nachts bij maneschijn aan
de oever van een meertje in het bos zullen ontmoeten. Koning Marc is met
een pijl en boog gewapend in een boom geklommen daar dicht bij om ze te
beloeren,--in de oorspronkelike versies van de sage vindt men, naar het
schijnt, nog geen lans of paard. Tristan komt eerst en ziet de schaduw
van de koning in het water. Hij staat als op gloeiende kolen en durft
niets te laten merken, maar is vol angst hoe alles aflopen zal wanneer
Isolde ook komt. Maar, ook zij ziet de schaduw en nu beginnen ze door
een gelukkige inval van beide kanten, en tot stichting van de koning in
de boom, een aandoenlik gesprek over de laster waaraan hun onschuldige
vriendschap blootstaat en Tristan smeekt de koningin zijn voorspraak
bij de koning te willen zijn--vooral over een som gelds om zijn harnas
terug te krijgen dat hij heeft moeten verpanden--; maar zij zegt dat
zij dit niet durft,--zo alleen en vreemd als zij zich aan het hof voelt.
De echtgenoot wordt zo aangedaan dat hij, zoals hij naderhand vertelt,
bijna uit de boom was gevallen. De volgende dag neemt hij Isolde in
verhoor en na een kleine komedie, waar zij prachtig toneel speelt, wordt
zijn neef weer in genade aangenomen. Maar Brangien moraliseert over het
mirakel dat God voor hen gedaan heeft--op een manier waarvan men eigelik
niet weet of het Godsbespotting of naïef laks kristendom is--hij is een
goed vader die geen hart heeft hen kwaad te doen die »buen et loyal"
zijn.

Een ander maal heeft een dwerg meel tussen de bedden gestrooid; de
koning, Isolde en Tristan slapen n.l. in hetzelfde vertrek en er wordt
vermoed dat Tristan 's morgens het bed van Isolde bezoekt wanneer de
koning vroeg opgestaan en uitgegaan is. Maar de gelieven hebben dat meel
gezien en met een enorme sprong weet Tristan direkt uit zijn bed in dat
van Isolde te komen. Maar ongelukkig was hij kort te voren door een wild
zwijn gewond (volgens de meer ridderlike versie heeft hij zich juist
adergelaten) en nu springt de wond open en komt er bloed op het laken
van Isolde en zo wordt alles toch ontdekt, ofschoon hij heel onschuldig
in zijn eigen bed ligt te snurken wanneer er anderen binnen komen. »Ach,
God, welk een smart," roept de dichter uit--»dat de koningin de lakens
niet weggedaan had."

Isolde moet nu een eed afleggen om door een godsgericht haar onschuld
te bewijzen. Ten einde op de plaats des gerechts te komen, moet zij
met haar gevolg een rivier over. Aan de oever staat een schurftige
bedelaar en wanneer de koningin nu landen zal, vraagt hij haar uit de
boot te mogen dragen. Zij omvat hem nu met haar armen en benen want
zij heeft dadelik Tristan herkend; hij had haar ook laten weten dat
zij maar goeden moed zou houden. En wanneer zij nu aankomt, kan zij
kalm de eed afleggen dat zij nooit een andere man dan de koning haar
Heer en Meester in haar armen heeft gehad en,--ja, dan ook nog die
schurftachtige bedelaar van daar straks,--en doorstaat zij met glans de
ijzerproef.--Reeds in de oude Indiese vertellingen en later in Griekse
romans hadden loze geliefden dergelijke dubbelzinnige eden afgelegd.
Daar ziet men alweer, roept naar aanleiding hiervan de antiklerikaal
Gotfried tot de geestelikheid met haar »vrome bedriegerijen",--daar ziet
men alweer dat Kristus zich tot alles leent, hij is als een mouw die men
kan draaien en wenden, presies zo als men wil, evengoed tot bedrog als
tot waarheid!

Maar,--de koning kan, niettegenstaande dit alles toch niet blind blijven
voor wat er tussen die twee gebeurt. Hij ziet het, zo als Gotfried het
sentimenteel uitdrukt, aan hun blikken, hun groeten, hun handen die zij
zo dikwijls tegen het hart drukken. Weer volgt er een breuk en wordt het
paar veroordeeld. Bij Berol geschiedt dit op zeer ruwe manier. Tristan
wordt naar de brandstapel geleid, maar als hij onderweg permissie heeft
gekregen om een kleine kapel in te gaan om te bidden, weet hij met een
koene sprong het raam uit te springen naar een steile rots en zich zo
te redden, Isolde zal ook verbrand worden, maar op weg komt de stoet
een troep melaatsen voorbij en hun geleider stelt de koning voor de
zondares aan hen over te leveren. De melaatsen die in de middeleeuwen
in voortdurende vleselike lust bleken te leven, konden haar nu allen
bezitten en dat zou nog de beste spot voor zulk een verwende prinses
zijn. Zonder zich een ogenblik te bedenken levert de koning haar uit en
trots trekken zij met de wenende verder. Maar uit een hinderlaag komt
Tristan op eens te voorschijn en verdrijft de schare; Berol, dichter van
de beginnende ridderlikheid als hij is, zegt dat Tristan zich volstrekt
niet verwaardigde zijn zwaard te trekken, zoals vroegere dichters hebben
beweerd, zijn getrouwe vriend en makker ranselde er met een knuppel op
los en dat was genoeg. Dan trekt hij met zijn geredde geliefde het bos
in.

Thomas laat dit alles weg; alleen doet de koning beiden in de ban,
Tristan voorziet zich alleen maar van wat geld; neemt zijn harp, zijn
hoorn, zijn degen en zijn hond mede en vol verrukking gaan de twee
gelieven zonder enig protest, hand in hand op weg.

Het bos is altijd het toevluchtsoord voor alle vogelvrij verklaarden
geweest;--in Engelse liederen van Robin Hood als in de IJslandse
ballingsschapsverhalen. Even als daarin wordt ook in »Tristan en Isolde"
de vrijheidsromantiek in het Robinson-achtige natuurleven in het diepe
bos gepoëtiseerd. De geliefden bouwen zich nu een verborgen loofhut,
vertelt Berol, en Tristan gaat op jacht na zijn hond zo gedresseerd
te hebben dat die het wild grijpt zonder te blaffen; hij kan ook al de
vogelgeluiden na doen zodat die zich om hem verzamelen. Liefde tot de
dieren komt hier, evenals bij Marie de France, sterk op de voorgrond als
een schakel in de keten der ontwikkeling van de sentimentaliteit en het
natuurgevoel. Bij Gotfried, misschien reeds bij Thomas--komt zelfs het
Rousseau-achtige dwepen met de natuur van de hoveling hier en daar te
voorschijn. De twee geliefden leven alleen van hun liefde, dat is de
enige spijs en drank waar ze iets om geven, hun hof is de linde, de
weide en het gezang der nachtegalen. Wat niet weg neemt dat Berol ze,
eigelik heel gek, een prachtige »liefdegrot" in het diepst van het woud
in laat richten, en hij zich geen moeite spaart om de marmeren muren, de
glans der edelstenen en het bed van kristal te schilderen--alles in de
trant van de »Chambre de beauté" der Trojaromans--maar hij legt er een
diepe allegoriese betekenis in en vertelt vol aandoening dat hij zelf
dikwels in zulk een liefdegrot geweest is, ofschoon hij nooit Cornwall
bezocht heeft,--hij was dikwels op jacht gegaan maar dan, zonder enig
wild te vangen, altijd in die grot terecht gekomen. Des morgens, vertelt
hij nu verder, wandelde het paar wat rond, of zat naar het kabbelende
beekje te luisteren en volgde de golfjes met hun ogen. Wanneer de zon
hoger aan de horizont kwam, gingen zij onder de lindenboom zitten die
bij hun grot groeide, en dan suisde de wind koel door het schaduwrijke
loof, terwijl zij elkaar droeve liefde-verhalen deden uit Ovidius. Ook
vermaakten zij zich met te spelen en op de jacht te gaan. Zo gingen
ze eens op een morgen hand in hand op weg; alle vogelen in het bos
begroetten hen met hun kunstigste trillers, lachend keken de bloemen hun
in 't gezicht, de dauw fonkelde in het morgenlicht en koelde hun voeten.
Het was alsof de gehele natuur ze vaarwel wilde zeggen. Zij zijn n.l. in
een onrustige stemming; de vorige dag hebben ze hondengeblaf gehoord en
ze zijn bang dat de koning in de buurt op jacht is.

En zo is het,--de koning jaagt; hij wil proberen de zwaarmoedigheid te
verdrijven die op hem rust sedert zijn vrouw hem verlaten heeft, die hij
nog steeds lief heeft. En in de namiddag, wanneer de gelieven in hun
woning liggen te slapen, komt een der jagers daar toevallig voorbij,
kijkt door een reet en ziet ze liggen... dadelik haalt hij de koning,
die aan komt sluipen om de schuldigen te doden. Maar gelukkig liggen
ze daar, geheel gekleed, met het blote zwaard tussen hen in, als de
gepersonifieerde onschuld. Geen luchtje roert zich, geen blaadje beeft,
door het bladerdak dringt een zonnestraal en verguldt het aangezicht
van Isolde, »zo slapen de twee gelieven, die denken aan geen kwaad, zij
hebben niemand dan zich zelf hier in 't land." Het getrokken zwaard
tussen de gelieven,--dat is het overoude teken van onschuld, dat men
reeds in »Amis en Amiles" vindt, zowel als in de »Völsungensage", maar
hier is het òf een bloot toeval dat ze zo liggen, òf een list, omdat zij
wel vermoeden dat de koning op jacht is. En de brave koning loopt er dan
ook in! Reeds heeft hij zijn zwaard opgeheven, maar ontroerd laat hij
het vallen, vol liefde blijft hij zijn schone Isolde weer aan staren;
hij besluit zich weer even ongemerkt te verwijderen, maar hij wil ze een
teken achterlaten dat hij er geweest is en hun geen kwaad wenst,--even
als David wanneer hij Saul in 't hol heeft gevonden. Hij ziet hoe haar
teêre huid door de zon gekleurd wordt en trekt een van zijn handschoenen
uit die hij voor haar gelaat hangt; ook neemt hij een van haar ringen
weg,--ach! haar vingers zijn zo mager geworden dat dit gemakkelik genoeg
gaat--en doet een der zijnen daarvoor in de plaats aan haar vinger;
ook wisselt hij zwaarden. Een dergelike geschiedenis van een goedige
echtgenoot vindt men in de oude troubadour-biografieën en is ook in de
moderne literatuur te vinden.

Maar nu houdt de werking van de liefdedrank op; de drie jaar gedurende
welke die volgens Berol werken zou, zijn verlopen. Op een dag dat
Tristan op jacht is, begint het hem te vervelen dat hij niets te doen
heeft en geen heldendaden meer verricht. En Isolde krijgt nu berouw
dat zij haar koninklike waardigheid en het rijke hofleven voor al deze
ellende heeft laten varen en zij zijn het er over eens dat zij hebben
»male usé notre jovente". Nu zoeken zij een eremiet in de buurt op die
reeds te voren getracht had op hun gemoed te werken,--zij beriepen zich
toen op die minnedrank--ook nu nog verklaart Isolde dat zij geen berouw
heeft, maar dat zij toch bereid zijn elkaar te verlaten. En de eremiet
staat dadelik met een zeer ruim biechtvader-geweten paraat. God vergeeft
alles zegt hij, hoe erg 't ook is, en luister nu eens, koningin, om
de zonde te bedekken en de schande weg te nemen is een klein beetje
»bel mentir" nu niet altijd zo heel verkeerd. En door zijn raad en
medewerking wordt de zaak al heel spoedig zo geschikt dat Isolde weer
tot haar vroegere eer en waardigheid komt, als zij verzekert dat er
nooit iets anders dan gepaste vriendschapsgevoelens tussen hen beiden
geweest zijn; maar Tristan moet het hof verlaten en ten strijde trekken.
De Koning wil hem geld medegeven, maar dat weigert hij en na afscheid
van Isolde genomen te hebben, trekt hij trots op weg; zolang Isolde hem
kan zien, wendt zij het oog niet van hem af en zij heeft hem beloofd
dat, zodra hij om haar zendt, muur noch toren haar terug zal houden.

Anders loopt het in de ridderlike versies, waar de werking van de
minnedrank niet aan een bepaalde tijd gebonden is. Nog eenmaal worden de
geliefden in genade aangenomen; fijn verklaart Gotfried hoe de Koning,
door zijn eigen begeerte verblind, »weet en toch niet weten wil" wat er
steeds tussen hen is; op die manier, vervolgt hij met een vrij slappe
moraal, is het 's Konings eigen schuld dat het gaat zo als het gaat;
bedriegen doen ze hem eigelik niet, zo open als alles in 't werk gaat.
Maar eindelik vindt men ze eens op een warme zomermiddag in de tuin in
een situatie, die geen de minste twijfel meer over laten kán en nu moet
Tristan definitief weg. »Nos cors partir or convient,--mais l'amor ne
partira nient," zeggen zij tot elkaar.

Tristan gaat nu naar Bretagne--het is steeds in het »Keltiese hoekje"
dat die historie zich beweegt: Wales, Cornwall, Ierland en Bretagne, met
de golven van de Atlantiese zee als brug tussen dit alles--; en hier is
het nu dat Tristan een andere Isolde huwt,--Iseut aux blanches mains.
Hij wordt n.l. bevriend met Kaherdin, de zoon van de hertog, en spreekt
dikwels diens zuster naar wier vertrek Kaherdin hem placht te brengen.
Haar naam ontroert hem sterk, hij maakt haar 't hof en dicht op haar:
»Isot ma drue, Isot ma mie--en vus ma mort, en vus ma vie"; hij denkt
aan zijn eigen Isolde, maar zij denkt aan hem; »die arme vrouw"
meent dat zij bemind wordt, wat Gotfried zeer gevoelvol schildert
en veroorlooft zichzelf al meer en meer toenaderingen, en Tristan is
eerst op haar gesteld omdat zij nieuw voedsel aan zijn weemoed geeft,
maar ten slotte vindt hij troost en vergetelheid bij haar.--Of deze
tweezijdige verbinding een overblijfsel is van een zonnemyte laat zich
niet uitmaken; in »Eliduc" zien wij de held evenzo tussen twee vrouwen
verdeeld; de een in Engeland, de ander in Bretagne en ook daar waren hun
namen ongeveer dezelfde. In elk geval is het een verfijnd sentimenteel
onderwerp en in de ridderlike versie van Thomas licht Tristan zijn
zielestrijd in lange monologen toe, in de trant van die in de roman van
Troje; maar het is een zeer origineel stuk psychologie, naïef-ruw niet
alleen, maar smachtend als 't in zijn ongemengde oprechtheid is.

Isolde--zegt Tristan zich zelf--kan nu toch zeker niet meer zo naar
mij verlangen; nu heeft zij immers haar man met wie zij de liefde leert
kennen. Tot andere gedachten is zij zeker niet gekomen, dan zou ik 't
wel gevoeld hebben, evenals zij 't gevoeld zou hebben als dit met mij
't geval was.--Hier hebben wij het geloof in een wisselwerking uit de
verte tussen verwante zielen (dat reeds in de naïeve verhalen uit de
volkssagen bekend is) hoe de thuisgeblevenen aan een achtergelaten
haarlok of kleed kunnen zien hoe het de ander gaat;--een motief dat zeer
vaak in de liefderomans opgenomen wordt als een soort mise-en-scène van
de steeds zeer voorkomende bewering van de lyriese dichter dat hij met
zijn geliefde »van hart verruild" heeft.--Maar,--gaat Tristan tegen zich
zelf door--dàt zij bezig is van mij af te gaan, is zeker, anders zou zij
wel om mij gezonden hebben. Als zij nu elke nacht door haar man omhelsd
wordt, zal zij mij niet langer missen, en moet ze er langzamerhand toe
komen hem lief te hebben. Ik wil dan ook maar trouwen en zien of ik bij
die andere mijn lust kan vinden zonder haar werkelik lief te hebben. In
een dergelijke wraak, merkt de schrijver hierbij op, zit eigelik liefde
zo wel als toorn, hij doet wat hij eigelik niet wilde!

En zo huwt hij dan Isolde Withand,--maar als 't er op aan komt, kan
hij het niet over zich verkrijgen bij haar te gaan. De gedachte aan
zijn ware Isolde houdt hem terug en hij vindt er een geraffineerde
zelfplagerij in, getrouwd te zijn en zich toch te onthouden. Hij
verlangde steeds naar Cornwall en daarginds verlangde Isolde niet
minder. Zij zit daar »lais" te zingen, en op haar harp te spelen; »zoet
zingt de vrouwe, en de stem voegt zich naar het snarenspel, schoon zijn
haar handen, haar lied is lief, zoet is haar stem en de tonen zacht." Er
stijgt een wonderlik weemoedige stemming uit die fraaie verzen op: »La
dame chante dulcement,--la voiz accord a l'estrument,--les mains sunt
beles, li lais bons,--dulce la voiz et bas li tons." Eens krijgt zij een
hond van haar vriend ten geschenke, met bellen om zijn nek; die heeft
een vorst hem geschonken en wanneer die bellen weerklinken, vergeet men
zijn verdriet, daarom zendt Tristan die aan zijn vriendin, opdat zij
hem niet zal missen. Isolde is heel blij met haar hond, maar--als zij
merkt dat zij door het gerinkel der bellen haar vriend vergeet, neemt
zij haar hond de halsband af en werpt die in het water: zij wenst geen
troost terwijl hij lijdt. Zulke vergetelheidbrengende feeëngaven waren
blijkbaar een oud dichtermotief, maar de asceties sentimentele draai er
aan is zeker aan de roman te danken. In Bretagne heeft Tristan ergens
in 't woud een geheime grot die hij door grote meesters in de kunst van
vergulde beelden van Isolde en Brangien heeft laten voorzien; dat zijn
van die mekaniese kunstwerken als in de Troja-romans, die verspreiden
heerlike geuren en daar gaat Tristan dikwels heen om het beeld van zijn
geliefde te omhelzen en harer te gedenken. Dergelijke ietwat ongure
geschiedenissen van vrouwenstandbeelden die mannen als levende vrouwen
omhelzen, zijn uit de latere klassieke schrijvers in de Graalroman en de
kronieken overgegaan en wijzen misschien op een zeker ruw volksgeloof
met betrekking tot naakte antieke vrouwenbeelden.

Isolde Withand droeg haar jonkvrouwelike stand in het huwelik met
berusting. Slechts door een toeval komt zij er toe haar broeder op de
hoogte te brengen, waarbij de schrijver een motief uit een oud-Ierse
sage gebruikt. Nu heeft Kaherdin een verklaring met Tristan, die zich
voor zijn verdediging op de omstandigheid beroept dat hij een vriendin
heeft die zo schoon is dat zelfs haar cameriere nog de zuster van
Kaherdin overtreft,--bijna presies hetzelfde wat Lanval in de »lai"
van Marie de France te zijner verdediging aanvoerde toen men hem zijn
onverschilligheid voor vrouwen verweet. Maar dat gelooft Kaherdin niet
voor hij 't ziet! En zo trekt hij met Tristan op naar Cornwall, waar
deze laatste weer Isolde in 't geheim ontmoet, terwijl Kaherdin en
Brangien weldra het tweede paar vormen. Dergelike verhalen komen er meer
voor in de roman; veel van wat in deze motieven in de heldendichten
en de vroegere litteratuur in 't algemeen voorkwam, van Renaud de
Montauban, Grettir uit de IJslandse verhalen, Robin Hood en andere
bannelingen die in 't geheim hun land bezoeken, wordt nu weder op
Tristan overgedragen. Eens staat hij in haar tuin en bootst de klagende
tonen van de nachtegaal na, zo zoet »dat er geen hart is, zelfs niet
dat van een moordenaar, dat er niet door vermurwd wordt", en zij hoort
dadelik dat het haar vriend is. Een volgende keer komt hij, alsof hij
een krankzinnige was, met het sap van allerlei wortels besmeerd, een
knuppel in zijn hand en als een wildeman gekleed, in de grote zaal van
koning Marc, waar hij in bedekte woorden maar alsof het die van een
krankzinnige waren, er vermaak in schept, de koning van zijn liefde en
die van de koningin te vertellen. »Geef mij uw koningin," zegt hij, »ik
zal haar naar een kristallen paleis boven de wolken brengen, waar de zon
doorheen schijnt, waar de wind niet bij kan komen, naar dat slot zal ik
mijn geliefde brengen", en hij herinnert de koningin aan de geschiedenis
van de draak, aan de beker waar zij beiden uit gedronken hebben... de
koningin raakt helemaal in de war en begrijpt er niets van. Zij vlucht
naar haar kamer, de »krankzinnige" weet daar ook zijn weg heen te
vinden; daar wil hij haar omhelzen, zeggend dat hij haar eigen Tristan
is,--maar zij deinst terug, in die vreemde kleedij en met zijn valse
stem kan zij hem niet herkennen. Nu spreekt hij haar van nog meer, waar
alleen zij beiden van af weten, uit hun samenleven in het bos, en vraagt
dan zijn oude trouwe hond te zien. En die alleen herkent dadelik zijn
meester, trekt zijn touw stuk, likt hem en blaft... iets wat weer aan
de hond van Odysseus herinnert waar die terug komt... Nog veel meer
sentimentele episoden komen in de latere prozaroman de verlangens en
de smart der twee gescheiden gelieven schilderen. Daar wordt Tristan
bovendien nog door jaloesie geplaagd, omdat hij meent ontdekt te hebben
dat zijn Isolde nu Kaherdin, zijn zwager uit Bretagne liefheeft, nu is
het geen aanstellerij, maar wordt hij echt krankzinnig van verdriet, en
gaat in het bos bij een beek zitten wenen en zijn zwanenzang dichten.
Nu wil Isolde zich op haar beurt van 't leven beroven, evenals Dido;
opgeschikt als op haar kroningsdag sluipt zij de tuin in om »in
schoonheid te sterven" op die heerlike zomerdag. Zij staat reeds wenend
gereed om in het zwaard van Tristan te vallen dat zij tegen een boom aan
heeft gezet, wanneer de koning, die haar gangen na heeft laten gaan,
aankomt en haar plannen verijdelt...

Tenslotte wordt Tristan in Bretagne door een vergiftigd zwaard gewond:
kruiden helpen niet meer en hij roept Kaherdin bij zich en smeekt hem
Isolde aan haar belofte te willen gaan herinneren en dat het nu tijd
is te komen. Hij kan haar maar 40 dagen tijd geven, daarna zal zij
hem slechts als lijk vinden. En evenals een vergiftigde wonde eens de
aanleiding was dat hij hulp zocht bij de koningin van Ierland Isolde,
zo kan hij nu alleen maar redding vinden bij de dochter Isolde. Wanneer
zij mee terugkomt zullen zij witte zeilen heisen, anders zwarte. Maar
aan Isolde Withand mag alleen slechts gezegd worden dat het een ervaren
vrouwelik geneeskundige is die ze halen. Ongelukkig heeft de echtgenote
buiten gestaan en alles gehoord: »al te gruwelik zal zij zich wreken op
hem die zij boven alles lief heeft". Maar zij doet alsof zij niets weet
en blijft zeer vriendelik.

Tristan ligt te verlangen,--laat zijn bed naar 't strand brengen en
»houdt er alleen het leven nog maar in" om zijn geliefde terug te zien.
Zij is dadelik op reis gegaan en is dan ook al dicht bij de kust van
Bretagne. Maar er steekt een storm op, het schip dreigt te vergaan.
Als zij nu haar vriend nog maar weergezien had, klaagt Isolde, zou zij
gaarne sterven. Maar zo is de liefde, dat niemand van ons smart kan
voelen of sterven zonder dat het de ander ook zo gaat. Als wij maar in
elkaars armen konden sterven, in één kist neergelegd worden. Ofschoon,
als ik nu hier in zee verdrink, zal Tristan zeker ook op zee sterven
(steeds weer die gedachte aan hetzelfde lot voor de verwante zielen)
en wie weet of dan niet een vis ons beiden verslindt en misschien
vangt iemand dan die vis en herkent die onze lichamen en begraaft ons
te samen!... Maar wat praat ik... als God ons nu maar te samen bracht,
zodat ik hem òf genezen kon òf dat wij te samen in dezelfde doodsangst
konden sterven.

Ondertussen ligt Tristan aan wal zich in ellende en verlangen op zijn
sponde te wenden en te keren; het loopt op het uiterste. Listig komt
nu zijn vrouw hem vertellen dat het schip in 't gezicht is,--wat ook
werkelik waar is. Is het wel zeker, vraagt Tristan met ingehouden adem,
en welke kleuren hebben de zeilen? »Helemaal zwart". Nooit had Tristan
groter smart gevoeld, hij keerde zich af; Isolde had dus niet willen
komen. Drie maal fluisterde hij zuchtend haar naam en toen stierf
hij.--Zonder twijfel zijn het de zwart en witte zeilen van de Griekse
Theseus-sage die men hier terug vindt, ook zeker wel een andere antieke
mythe,--van Paris die vóór Helena, de geneeskundige nymph Oenone bemind
had en dodelik gewond bij haar om hulp komt vragen. En evenals het een
»toevallige" vergissing is welke die twee in liefde samen bracht, zo is
ook het slot van de tragedie het gevolg van een »toevallige" vergissing.
Want dat het uit jaloesie zou zijn dat Isolde Withand zwart in plaats
van wit zegt, is blijkbaar slechts een latere, ridderlik, sentimentele
motivering; in de primitiefste vorm van het gedicht is het slechts de
gril van een vrouw om iets anders dan anders te zeggen.

Juist in die versie van Eilhart, is het slot ook het eenvoudigst en het
schoonst. Wanneer Isolde nu aan land komt en de klachten over de dood
van Tristan hoort, roept zij alleen maar uit: »Wee mij! O Tristan! hij
is dood!"; zij verbleekte niet en werd niet rood. Ook weende zij niet
mee, maar haar harte deed haar zo zeer. Bij 't lijk ligt de andere
Isolde luid te jammeren, onschuldig als zij (in deze versie) aan zijn
dood is. Zonder tranen komt de ware Isolde naar binnen en zegt: »Vrouwe,
sta op! Laat mij er bij. Geloof mij, ik heb meer recht om hier te wenen
dan gij. Ik heb hem meer liefgehad." En dan valt zij neer en sterft stil
aan zijn zijde.

Maar op het graf aan Isolde werd een rozenstruik geplant, op dat van
Tristan een wijnrank. Over de graven slingerden die zich samen en hoe er
ook aan gekapt werd, die waren niet van elkaar af te houden. Een oude
zeer verbreide volksoverlevering, die oorspronkelik misschien wel op
de opvatting terug gaat van een werkelike verandering in planten van de
afgestorvenen, maar die in elk geval het schoonste simbool er van is dat
zij in het leven ook niet van elkander af konden.



XVII.

FRANSE RIDDERLIKHEID.


Ridderlikheid en hoofse vormen--zegt een Noord-Frans dichter uit het
einde van de 12de eeuw--waren eerst te huis in Griekenland, toen kwamen
ze naar Rome, nu zijn ze naar Frankrijk getrokken, en mogen ze daar
steeds blijven. En het werd ook feitelik overal erkend dat Frankrijk
nu de zetel van alle »Chevalerie" en alle »Courtoisie" was. Naast het
hof van Hendrik II en Eleonora, zijn gemalin uit Poitou, waren er de
vorstelike hoven in Vlaanderen en Champagne, in Neder-Lotharingen en
Henegouwen,--dan een massa kleine hoven in Noord-Frankrijk en--een
mensengeslacht later--dat van de koning te Parijs, waar het ridderleven
en de ridderpoëzie tot de grootste bloei kwamen. Alle literaire en
kultuur-invloeden die wij in het voorafgaande onderzocht hebben, werden
hier samengevoegd tot één organies geheel.

Zoals wij reeds opmerkten, kon men invloed van de Provençaalse
troubadours en hun minnedichten vinden niet alleen in de Troja-romans
die door een klerk aan het hof van Hendrik II geschreven waren, maar ook
hier en daar in de lais van Marie de France en de Tristan van Thomas.
Koningin Eleonora, de kleindochter van Graaf Guillaume IX van Poitou,
een troubadour van talent, en die zelf haar grootvaders schitterende
en beminnelike sosiale talenten geërfd had, was meer dan alle anderen
de schakel tussen Zuid-Frans en Noord-Frans. Evenals zij haar eerste
gemaal, koning Lodewijk van Frankrijk verlaten had--»een monnik, maar
geen vorst" zeide zij van hem--werd de verhouding tussen koning Hendrik
en haar ook al heel spoedig slecht. Hij had meer dan één bijzit,--o. a.
de beroemde »schone Rozemonde" waar zoveel sagen van lopen--en zij
intrigeerde en zette zijn zoon net zo lang tegen hem op, totdat de
koning haar, alsof zij gevangen was, steeds liet bewaken. Maar vóór
die katastrofe hield zij hof te Rouaan, te Londen en Limoges waar zij
massa's tot zich trok, o. a. vele troubadours. Zo was b.v. Bernard de
Ventadour haar gast te Rouaan, waar hij minneliederen aan haar dichtte;
»de jonge, vrolike, voortreffelike koningin," zegt de oude biografie,
»ontving hem met genoegen en maakte hem tot de »seignor de tota lo soa
cort."" Haar zoon Richard die zich geheel als Zuid-Fransman voelde, ging
voortdurend met troubadours om. Bertrand de Born was eerst zijn bittere
vijand, maar werd later door de jonge vorst gewonnen en bezocht hem te
Rouaan. Een andere troubadour volgde hem op de kruistocht en bij de
dood van Richard weerklonk Frankrijk van de liederen der troubadours
te zijner ere. Zelf was hij ook troubadour, o. a. had hij het in zijn
zangen met de Dauphin van Auvergne aan de stok of met de koning van
Frankrijk en schreef een fraaie klaagzang over zijn gevangenschap in
Oostenrijk; hij schijnt even gemakkelik in het Provençaals als in het
Frans gedicht te hebben.

Er waren vele persoonlike verbindingen geweest tussen de Noord-Franse
hoven en die van Anjou en het Anglo-Normandiese rijk. Een Vlaamse
prinses was de gemalin van Hendrik I van Engeland geweest en vele
werken der Anglo-Normandiese literatuur waren aan haar opgedragen.
Het graafschap Champagne werd met het Midden-Franse graafschap Blois
verenigd onder een zoon van de zo literaire vorstin van Blois. Een
prinses van Anjou trouwde met een graaf van Vlaanderen en werd de moeder
van de literaire Mecenas, Philip van de Elzas. Maar vooral waren het de
dochters van koningin Eleonora die evenals hun moeder in het Noorden van
Frankrijk een soort missionairs werden voor de Provençaalse kultuur.
Marie huwde met de graaf van Champagne en hield in de jaren 1160-1180
een zeer gezocht hof te Troyes; haar zuster Aelis trouwde met de graaf
van Blois, een broeder van Marie's echtgenoot. En elk bracht in haar
kring de minnedichten der troubadours in de mode bij de Noord-Franse
dames en heren.

Provençaalse melodieën en liederen waren daar reeds vroeger gezongen
geworden; ze gingen onder de naam van »sons poitevins"; ook troubadours
kwamen er wel eens. Maar sedert de laatste dertig jaren van de 12de eeuw
kwam aan de grote en kleine Franse hoven een adelike hoflyriek op en in
bloei, volkomen in de trant van de troubadours. Evenals in het Zuiden,
had men ook in het Noorden dichters van allerlei stand: naast een vorst
als graaf Thibaut van Champagne, een leenheer als Conon van Bethune,
vond men de slotheer van Coucy, ridders als Gace Brulé en burgerlike
trouvères als Jean Bodel van Arras. De troubadours werden nagevolgd in
de kunstige versvorm, in de conventionele poëtiese stijl, en zelfs in de
ootmoedige vrouwendienst die er de inhoud van uitmaakte. Alleen was het
Noordfrans een veel minder vormrijke taal, en de Noordfranse volksaard
geheel anders dan die der Zuidelingen, en zo er al heel gauw iets
kunstigs en conventioneels in de Provençaalse troubadours kwam, de
imitatie der Noordfranse heren was eigelik al niet veel meer dan een
echt dilettantengezelschapsspelletje. En het zijn ook zo goed als
uitsluitend de erotiese en maatschappelike genres waar men zich daar op
toelegt: voor de politieke _sirventes_ is de bodem daar minder geschikt.
Enkele van die minneliederen vertonen iets persoonliks. In de liederen
van de graaf van Bethune zijn er hier en daar zeer originele beelden; op
zijn zegel ziet men hem in volle wapenrusting voor zijn dame knielen,
terwijl hij haar hand als een vasal vastgrijpt, die zijn leenheer
huldigt. Een tijd lang leefde hij aan het hof van Marie te Troyes en
bezong haar, maar werd door »de Fransen" voor de gek gehouden wegens
zijn dialekt van Artois. De burchtgraaf van Coucy schreef gedichten
ter ere van de vrouwe van Fayel die een zeer natuurlike verknochtheid
aan »ma très douce chière amie" ademen; mijn liefde, zegt hij, is zo
vermetel als het kind dat schreeuwt »por la bele estoile avoir--k'il
voit haut et cler seoir". Graaf Thibaut die op bescheiden afstand zelfs
een hulde bracht aan koningin Blanca van Kastilië, de trotse moeder van
Lodewijk de Heilige, toont in vele zijner liederen heel wat smaak voor
geleerde allegorieën en mythologie, maar toch ook een ware aanleg voor
liefde en echt Franse fijngevoeligheid. Mijn liederen--zegt hij--zijn
vol gramschap en smart, ik weet niet of ik zingen zal of wenen. Ik weet
niet hoe ik het met mijn trouweloze schone heb, maar »un peu la hais
trop amoureusement". En wanneer de dichters, zoals b.v. Richard de
Semilli, vrijere versvormen gebruiken, zingen ze dikwels heel vrolik en
fris. Richard vertelt b.v. hoe hij zijn dame in gezelschap van anderen
langs de Seine wandelend is tegengekomen--haar voetje is zo klein
en haar schoentje zo netjes en zij loopt er zo keurig op--, en dan
geeft hij een genoegelike schildering van een damestoernooi: de hele
uitrusting, brokstukken van een levendige woordenwisseling, en angstig
voor zijn dames roept hij als een soort refrein voor elke strofe een
nieuwe heilige aan met zijn »Gardés moi mes dame, mes Sire Saint..."

Maar anders is alles vrij bleek en banaal. De hele stijl, met zijn
smachtende hyperbolen, die de verliefde vleier in de mond van een
Zuid-Franse heel natuurlik staan, worden bij de Noordeling koude
conventie. Het is het verstand dat droog de beelden over het hart
doorwerkt, dat bij de aangebedene in gevangenschap verwijlt, en
waar zij voor zorgen moet, en stroo en brood moet verschaffen in de
gevangenis,--of over haar schoonheid die als een pijl de toeschouwer het
oog doorboort: haar ogen zijn de pijlspits, haar wenkbrauwen de boog
en haar lokken de veren der pijl. Slechts nu en dan duikt er een fris
uit het ridderleven gegrepen vergelijking op. Over het algemeen is het
slechts het spirituele en het subtiele in de liefde dat de Noordfranse
geest bizonder op prijs stelt en ontwikkelt. Parijs was niet voor
niets de zetel der scholastiek. Al de scherpzinnigheid waarmede men
in de scholen van Parijs abstrakte begrippen definieerde of geestelike
verschijnselen analyseerde, werden ook al heel vroeg door de lyrici
op het liefdeleven toegepast, en men kleedt in de lyriek evenzeer
als in de scholastiek zijn gedachten in allegoriese abstracties en
personificaties. Nu treden in de gedachten niet alleen »Prix" en
»Honneur" als handelende en sprekende personages op, maar ook »Attente",
»Espoir", »Pitié" en »Doux-Semblant" en het hart van de schone wordt
tot een gevangenis, waarvan »Bon-Espoir" de boeien zijn, het slot:
»Bel-voir" en de cipiers: »Beau-Semblant" en »Dangier". Een poëties
genre waarin men bizonder uitmuntte was die nabootsing van de
Provençaalsche versdebatten over het een of ander eroties vraagstuk
dat, merkwaardig genoeg met de naam van »jeux-partis" wordt aangeduid.
Zulke debatten werden er dikwels aan het hof van Thibaut van Champagne
gevoerd. »Welk echtgenoot is het meest te beklagen,--was één vraag--hij
die vermoedens of hij die zekerheid heeft? Welke van twee gelieven is
het ongelukkigst, hij die het gezicht of die het gehoor mist? Welke
dame bemint het vurigste: zij die uit angst voor haar vriend hem
verbiedt aan een toernooi deel te nemen, of zij die hem met 't oog
op zijn eer daartoe aanzet?" Gezelschapsspelletjes, waarin wel veel
kinderachtigs steekt maar toch ook dezelfde belangstelling voor
psychologiese en morele kasuistiek die steeds de toon is aan blijven
geven in de Franse salons van Marguérite de Navarre tot de tijd van de
Précieuses en van de dagen van Marivaux tot die van Bourget.

In dergelijke liefdedebatten heeft Marie van Champagne dikwels met haar
dames als hoogste rechter gefungeerd en »vonnissen" moeten »vellen",
evenals haar moeder, koningin Eleonore of de burggravin Ermengarde van
Narbonne dat in Zuid-Frankrijk gedaan hadden. Ook zullen Noord-Franse
ridders en dames meer dan eens voor Marie of voor gravin Margaretha
van Vlaanderen of koningin Aelis van Frankrijk gekomen zijn met een
greep uit het werkelike leven, om te vragen hoe men volgens hoofse
Provençaalse opvattingen in die gevallen moest oordelen of handelen,
zoals men ook naar de nieuwe mode kwam informeren. Er is b.v. een page
die postillon d'amour geweest is voor zijn meester, een ridder, bij
een dame. Maar nu zijn de page en de dame verliefd op elkaar geworden.
Wat moet men nu met zoo'n paar misdadigers beginnen? En gravin Marie
antwoordt: zij zijn goed genoeg om elkaar te mogen behouden, maar zij
kunnen niet meer in de goede kringen geduld worden. Een dame heeft een
jonge man tot zich genomen, een ridder, waar de schaaf nog zo goed als
in 't geheel niet over gegaan was, heeft hem toegelaten haar te dienen
en heeft hem nu zo ver gebracht dat hij een voorbeeld van goede manieren
en zeden is geworden; nu komt een andere dame die hem haar liefde biedt,
de ridder keert zich nu tot deze en veronachtzaamt zijn weldoenster. Wat
moet men van zo iets denken? En de gravin van Vlaanderen zegt: de dame
zowel als de ridder hebben zeer verkeerd gehandeld; door de ridder zo op
te voeden heeft de dame het recht verworven hem voor zich te houden.

Deze en dergelijke oordeelvellingen vindt men in een kurieus Latijns
boekje van ongeveer 1200 opgenomen, gevormd: »De arte amandi",
geschreven door een geestelike, Andreas, die aan het hof te Parijs
werkte en die alles opschreef voor een jong man uit de hoge standen
om hem te waarschuwen tegen het betreden van de wegen der liefde,
maar hem toch ook (en dit is het wat verreweg het grootste deel van 't
boek uitmaakt) eens goed op de hoogte te brengen van alles wat tot die
nieuwe »Comme-il-faut-liefde" hoort. Het boekje geeft zeer duidelik de
geest der scholastieken weer, die zo ook de kunst der hoop en liefde
doordringt, ze in sisteem zet en in optima forma tot een _leer_ maakt.
Onze klerk heeft een groot materiaal bijeen verzameld van dergelijke
rijm-debatten uit de Provençaalse en Noord-Franse dichters en van
exempelen uit allerlei ridderromans, waaruit hij nu met fijne dialektiek
maar grove pedanterie een leerstelsel voor de hogere kringen op tracht
te bouwen. Zo geeft hij b.v. een hele collectie formules, voor de
verschillende standen, in welke bewoordingen »hij" »haar" moet vragen en
hoe zij moet antwoorden. En er zijn allerlei rubrieken: een niet-edelman
die evenzo een burgerlike dame vraagt, of een adelike dame of een
van de hoge adel of zelfs een vorstin! Dan: een gewoon ridder die tot
een burgervrouw spreekt of een ridderlike dame of een vorstin enz.
enz. Volgens die verschillende mogelikheden is de toon eerbiedig of
opdringend, gewoon of met de nodige fraaie wendingen aan de kant van
de vrijer en meer eerbiedig of vereerd of uit de hoogte bij de dame.
En achter het stijve Latijn kan men dikwils de levende taal, en de
omgangstoon van de verschillende maatschappelike standen onderscheiden.
Verder geeft de geestelike ook een »Wetboek der Liefde" zo als een
ridder dat van het hof van koning Artus heet gehaald te hebben. Onder
de 31 voorschriften daaruit--die Andreas uit de troubadourlyriek en de
ridderromans getrokken heeft--zijn er als volgt: dat de liefde geheim
gehouden moet worden, dat het huwelik geen geldige reden is te weigeren
een ander lief te hebben, dat men maar één te gelijk liefhebben kan,
maar heel goed door méér dan één bemind kan worden, dat niemand zonder
goede reden er van af moet zien iemand lief te hebben en dat men twee
jaar lang over zijn afgestorven geliefde moet treuren. Men ziet er ook
uit dat de ware minnaar slecht moet slapen en weinig eetlust hebben,
dat hij verbleekt wanneer hij zijn geliefde ziet, dat hij alleen maar
plezier hebben moet in wat zijn aangebedene hem vrijwillig toestaat,
maar dat hij natuurlik jaloers is en haar bij de geringste aanleiding
van het ergste verdenkt. Psychologiese waarneming en een zeker morele
fijngevoeligheid, gelijk men ziet, naast zuiver conventionele regels,
als voor een nieuw gezelschapsspel.

Wordt nu troubadour-erotiek in het Noord-Franse riddergezelschap
van zijn lyries karakter ontdaan en gemaakt tot een spirituele
gevoels-analyse en sentimentele moraalleer, Noord-Frankrijk is toch
aan de andere kant het tehuis van de oude epiese heldengedichten, en de
mannelike zijde van de ridderkultuur kwam hier, in het leven zowel als
in de literatuur, heel wat meer tot ontwikkeling dan in Zuid-Frankrijk.

De Anglo-Normandiese koningen waren meer en meer de vorstenidealen naar
het hart der ridders geworden: dapper en eergierig, vrijgevig en
prachtlievend. Reeds Hendrik I had een grote naam van ridderlikheid
verkregen, toen hij na een slag bij Noyon, tegen zijn leenheer, de
koning van Frankrijk, grootmoedig alle gevangenen vrij liet, die als
vazallen van hem en de koning van Frankrijk, hun plicht jegens hun
hoge leenheer vóór hadden laten gaan. Zijn schitterend hof in de
jaren 1130-40 had kleur geleend aan de schilderingen door Geoffrey van
Monmouth en Wace van het Sagehof van koning Arthur. Maar nog meer werden
de tijdgenoten verblind door de overdadige pracht, die Hendrik II
ten toon zou spreiden om zijn koningswaardigheid op te houden,--het
bonte weelderige gevolg, waarmede Thomas à Beckett, de kanselier, op
gezantschapsreizen zijn intocht in Franse steden hield, of de bijna
Byzantijnse feestdos en het ceremonieel waarmede Richard Coeur de Lion
te Westminster gekroond werd. Van zijn jeugd af was Richard voor zijn
tijd de incarnatie van ridderlikheid en vorstendeugd. Goed bezien was
hij, oproermaker als zoon en als vazal, eigelik volstrekt geen goed
voorbeeld, net zo min als echtgenoot en als koning over een rijk dat
hij geheel en al verwaarloosde. Maar hij was statig van postuur en
geweldig sterk, was zeer op het uiterlike gesteld, was altijd opgewekt
en onvervaard, »vrijgevig als Titus, welbespraakt als Nestor," een man
die tengevolge van een ogenblikkelike inval, zonder het voor en tegen te
overwegen, zich in het een of ander schitterend avontuur zou storten,
roekeloos dapper, de eer boven alles stellend, daarbij niet zonder
een zekere altans schijnbare ijver voor de zaak der kerk. Geheel
en al romanties was de glans die op hem viel toen hij, de afgod der
troubadours, de belhamel van Zuid-Frankrijk, op éénmaal, vlak nà zijn
kroning op een kruistocht trok. Gelijktijdige berichten schilderen
hem in alle poëtiese heerlikheid op die kruistocht: weg galopperende
op zijn edel Spaans paard--»een schilder kon het niet fraaier gemaakt
hebben"--in zijn rozenrode mantel met halve manen er in genaaid en zijn
geborduurde scharlakenrode hoed met prachtige wapens en gulden sporen;
streng de hand houdende aan tucht en orde in het leger--»geen van 't
andere geslacht mochten mede trekken behalve wasvrouwen, die zo moesten
zijn dat ze niemand tot de zonde konden verleiden"; stoutmoedig zich
in de avontuurlikste tochten stortende en Philip Augustus geheel
overschaduwende; de edele koning Saladin bewondering afdwingende en
trachtend hem in beleefdheden en grootmoedigheid te overtreffen; ten
slotte door de jaloerse Franse koning verlaten en in zijn land door
zijn broeder verraden, vermomd door Duitsland heen terug ijlend waar
hij lange tijd in smadelike gevangenschap gehouden werd door de Duitse
keizer.

Van die figuur van Koning Saladin straalde de tijdgenoten een even
schitterende glans van ridderlike poëzie te gemoet. De gedichten wisten
te vertellen hoe hij zich door Bertran de Born in de ridderlike liefde
liet onderwijzen en hoe hij zich door een gevangen genomen ridder de
wetten van de Ridderlikheid liet uitleggen en de ridderslag ontving met
een simboliese verklaring van al de ceremoniën daarvan.

De Noord-Franse vorsten en ridders trachtten zowel door uiterlike glans
als door hun schitterend optreden aan de wedstrijden voor de prijs
der Ridderlikheid deel te nemen. Zeer beroemd werd een feest dat Graaf
Boudewijn V van Henegouwen gaf toen zijn zoon tot ridder geslagen was,
de toernooien te Soissons van Augustus 1175 en van Trasignies in 1169,
maar de glorie van het grote feest dat de Keizer van Duitsland in
1184 te Mainz had gearrangeerd, toen zijn zoon de ridderslag ontving,
had toch alle andere overtroffen en een massa Noord-Franse vorsten en
ridders namen daar aan deel. En van Gotfried van Bouillon en Boudewijn
van Vlaanderen af tot de ridders toe die Konstantinopel in 1204
veroverden en in 1214 de zegepraal bij Bouvines behaalden, vertellen de
kronieken van een hele reeks schitterende Noord-Franse ridderfiguren.

De ridderschap als zodanig werd meer en meer door de Noord-Franse
juristen en ceremoniemeesters georganiseerd en gevormd. De graden door
welke de jongeling tot de ridderwaardigheid komt, de ceremoniën van de
ridderslag, heraldiek en de regels voor het steekspel--dit alles werd
in de praktijk vastgesteld, maar dan in de theorie verder uitgewerkt.
En in Latijnse verhandelingen en Franse leerdichten werd een ideaal
van de ridderlikheid ontwikkeld waartoe de adel hun zonen trachtte op te
voeden. Een der geesteliken van Hendrik II, John of Salisbury leert in
zijn groot werk »Polycraticus" dat de soldatenstand even goed een missie
heeft als de geestelikheid, maar evenals slechts zij waarlik geesteliken
zijn die de H. wijding ontvangen hebben, zo zijn alle krijgslieden
die niet tot ridder geordend zijn, slechts indringers en rovers.
De ordinatie bestaat voor hen in de omgording met het zwaard en de
ridderslag; het is een sakrament even als dat van de priester. De missie
van de geordineerde krijgsman is de kerk te beschermen, de priesters te
eren, kinderen en zwakken tegen overmacht te beschutten en zijn bloed
in de strijd voor anderen te vergieten. Mannen die hun vorst zo dienen
zijn heilig en het is een schone zede dat de Ridder op de dag waarop
hij met het zwaard omgord wordt, naar de kerk gaat, daar zijn zwaard
op het altaar legt en daardoor zijn gang aan de dienst Gods wijdt.
De geestelike »Doctrinals" en »Enseignements" die als paddestoelen
opschieten, willen gewoonlik volstrekt niet ridders tot monniken maken.
Zij schelden integendeel de vorsten flink uit, wanneer die geen hof
houden en feesten geven, hun ridders niet eren en de kunst niet verstaan
om »biau despendre", zoals de Duitse keizer dat deed bij zijn glorierijk
feest te Mainz. Zij schrijven handleidingen voor het schaken en de jacht
voor, die bij de opvoeding in al wat ridderlik is te pas komen, en tot
de ware ridderlijkheid rekenen ze ook de kwestie van kleêren, strijd en
toernooien. »Men moet zo leven dat er over je gesproken wordt" zingen de
ridderlike dichters, moeite en strijd moet men niet schuwen, »het gemak
is voor de eer de dood,--de ere eist voor 't lichaam nood", men moet 't
gevaar opzoeken en avonturen, om te »valoir", d. w. z. te tonen dat men
iemand is, en wáár men toe deugt. Maar de riddereer wordt meer en meer
tot de kern van het ridderwezen, en er wordt een fijnere en ook hogere
moraal in gelegd. Het krijgsmansleven bouwt al uit zich zelf een
eremoraal op; het gevoel van sterkte en de moed scheppen eerlikheid
en een zekere grootmoedigheid, kameraadschap en discipline ontwikkelen
standvastigheid en trouw. In het nationale heldenepos dat in het noorden
van Frankrijk nog in de zalen der ridderhuizen weerklonk, was die
militaire eremoraal steeds verheerlikt geworden. Maar die wordt nu
verder ontwikkeld door de steeds omdwalende ridderschap, door de hogere
kringen en door de scholastiek--ontwikkelt men alleen in de richting
van het humane en het geraffineerd spitsvondige, maar ook van sterk
overdreven ijdele bravades. De kerk leert dat de ridder vrouwen en
zwakken moet beschermen, goud en goederen voor zijn deugd en zijn
eer op moet offeren, grootmoedig zijn vijanden moet vergeven.
Het maatschappelik leven legt fijngevoeligheid, bescheidenheid,
hoffelikheid, en vrouwendienst in het begrip der riddereer, maar ook
kleingeestige geraaktheid en ijdelheid. Door de tournooien en het leven
der rondtrekkende ridders wordt men aan menige bravade gewend, een
voortdurend geraffineerd op de spits drijven van het begrip van eer en
menig geval van lichtvaardig spelen met leven en ledematen. Het begrip
van de riddereer wordt tot een doctrine en krijgt zijn wetboek evenals
de leer van de ridderliefde.

       *       *       *       *       *

In de rijke Noord-Franse en Vlaamse beemden waar reeds vroeger een
letterkundig leven bloeide, ontvouwt zich nu een geweldige productie
van romans, een konkurrent van die heldenpoëzie, wel in vele opzichten
ook als literatuur een vervolg en een nabootsing er van, maar toch
in de eerste plaats in bewuste tegenstelling daarmeê. Van alle kanten
vloeide de stof bijeen. De kruistochten waarin de adel van Vlaanderen
en Lotharingen het voornaamste aandeel had, brachten een voortdurende
verbinding met Byzantium en het Oosten. De vorsten van Lotharingen
werden koningen van Jeruzalem, de handelsverbindingen der Vlaamse steden
met het Oosten via Venetië vermenigvuldigden zich en werden bezegeld,
toen graaf Boudewijn op de vierde kruistocht Keizer van het Byzantijnse
rijk werd. De epiek der kruistochten en de Grieks-Oosterse romans
die wij in »Floris en Blanchefleur" en »Escoufle" geschetst hebben,
waren ook juist toen in dat zelfde Noord-Frankrijk geschreven. Van
het Anglo-Normandiese rijk kwamen toen ook juist de Bretonse sagen en
gedichten en uit Midden-Frankrijk werden de Alexander- en Troja-romans
geïmporteerd. In die gehele romantiese stof werd nu juist hier de
professionele ridderlikheid ingewerkt en de van de Provençaalse hoven
ingevoerde liefdepoëzie, en daardoor is het dat de ridderromantiek tot
de volle ontwikkeling komen kan.



XVIII.

BRETONSE ROMANS.


»Bretonse Romans" werden de meesten van die Noord-Franse romans uit het
einde van de 12de en het begin van de 13de eeuw genoemd. Die speelden
altijd in de wereld van »de twee Bretagnes" en waren opgebouwd op
stoffen en motieven uit de Keltiese sagenwereld, maar vermengden die
met talrijke antieke en Oosterse elementen, waardoor ze hun dichterlike
fantasie de vrije loop lieten. Enkele namen dier schrijvers--Chrestien
de Troyes, Raoul de Houdenc, Renaut de Beaujeu, Guillaume le Clerc zijn
tot ons gekomen, maar verreweg het grootste getal van die romans zijn
anoniem,--die van Durmart le Galois, Meraugis de Portlesguez, Ider,
Gliglois, Perceval, Gauvain, Chevalier as deus epees, le Bel Desconu en
hoe al die andere helden van de Arturcyclus heten.

Reeds Geoffrey van Monmouth en Wace hadden tegenover Karel de Grote,
met zijn hof te Aken of te Laon en zijn twaalf paladijnen, een andere
held opgesteld, Artus, de oude sagekoning uit Cornwall met zijn hof te
Carduel (in Cumberland) en zijn ridders van de Tafelronde. En hij is
't dan ook die de roman met zijn hof tot hun centrum maakt. In vele
opzichten is er een scherpe tegenstelling tussen die twee. Karel was de
witgebaarde, oer-oude keizer »au fier vis" altijd in de wapenen en in
krijg voor de zaak van de kristenheid, geweldig in de strijd, van woede
bulderend in zijn raad, maar ook vol majesteit in zijn ouderdom en zijn
heiligheid ingesloten, als de gezalfde Gods en diens vertrouwensman,
die de openbaringen van de hemel ontving en door de hemelse mirakelen
gesteund werd. Artus is »le bon roi", schoon, en in zijn optreden
helemaal een jonge man, maar iemand die, al kon hij, als het er op aan
kwam, dapper genoeg zijn, toch niet aldoor maar ten strijde trok, in
de regel zit hij vreedzaam op zijn kasteel, vrolik en gezellig, alleen
maar aan feesten denkend; sombere gezichten om zich heen kan hij niet
dulden, verklaart hij. Hij woont de mis bij en doet aan alle uiterlike
ceremoniën mede, maar er ligt niets van de priester over hem, hij staat
in geen mystiese verhouding tot de hemel, integendeel representeert hij
de hele wereldlike ridderlikheid, »die Welt" die zich geheel van de kerk
los heeft gemaakt. Hij is een voorbeeld van vorstelike gastvrijheid en
milddadigheid, een tweede Alexander. Zijn hof en zijn tafel staan voor
allen open, hij strooit gaven om zich heen; wanneer Tristan als een
bedelaar naar het hof komt en om een mantel vraagt, doet hij dadelik
zijn eigen mantel af en geeft hem die. Tegen allen is hij hoofs en
hoffelik. Hij zou het niet in zijn hoofd krijgen om, gelijk Keizer
Karel, »Houd je mond" tegen zijn aartsbisschop te zeggen en zijn Roland
om de oren te slaan; integendeel tracht hij altijd vrede tussen de
ridders te stichten. Wanneer er dames op bezoek komen, ijlt hij ze
tegemoet en helpt ze zelf uit het zadel. Hij is grootmoedig, zijn werk
is om de beschermer van alle zwakken te zijn, degeen die alle onrecht
goed maakt. Dageliks komen er dan ook aan het hof die zijn hulp komen
inroepen en niemand trekt ongehoord weg. Vooral zijn dat vrouwen wier
echtgenoot ze verlaten heeft of die overlast geleden hebben of beledigd
zijn; want Artus is vooral de ridder der vrouwen en aan zijn hof heerst
de vrouw en bloeit de vrouwendienst.

Artur en zijn gemalin Guenievre zitten aan tafel op de twee ereplaatsen,
en om die ronde tafel heen alle ridders zonder onderscheid van
rang. Zijn neef Gawein is het voorbeeld van een held, de bloem der
ridderschap, de »chevalier sans peur et sans reproche". Hij is het
schild van allen die in moeilikheden zijn, die altijd op 't laatste
ogenblik hulp brengt, de ideale vriend die de held bijstaat zo die hem
bij zijn grote daden nodig heeft. Hij is hoofs, opgewekt, heeft de
vrouwen lief maar nog meer de strijd; altijd wordt hij geroemd wegens
»mesure",--zijn takt en zelfbeheersing--en met bizondere hoogachting
behandelen de dichters hem wanneer zij hem »Monseigneur" en »Messire
Gauvain" noemen. Zijn beroemdste avontuur is dat met de groene
Ridder--een oude Keltiese bosreus, die geheel in 't groen gekleed,
op een groen paard gezeten op het Nieuwjaarsfeest bij koning Artus
verscheen en de aanwezigen uitdaagde tot een wedstrijd in moed en
kracht. Hij bood aan, zijn hals een ridder voor te houden die dan toe
mocht houwen, op voorwaarde dat hij een jaar daarna zich op die wijze
tot beschikking van »The Green Knight" zou stellen. Niemand durft de
uitdaging aannemen, behalve Gawein. Die slaat de reus het hoofd af
maar... maar dood-kalm zet die het weer op en roept Gawein tegen het
volgende Nieuwjaar een tot weerziens toe bij »de groene Kapel"; daar
moet Gawein de slag in ontvangst nemen. Ofschoon het zo goed als de dood
voor hem betekent, gaat die toch tegen het volgend jaar, zo als hij nu
eenmaal beloofd heeft, op reis om de groene kapel te zoeken; gedurende
zijn tocht wordt ook zijn loyaliteit als vriend o.a. tegenover
verleiding van vrouwen, op de proef gesteld,--zoals naderhand blijkt
door de groene ridder zelf--; dàt is zeker het oude Oosterse motief
van de »Vriendschaps-proef". En de onvervaardheid en trouw van Gawein
bestaan die proef goed; slechts een kleine vlek komt er op het schild
van zijn eer, maar daar pijnt hij zich dan ook evenzeer over als
koningin Dagmar uit het volksliedje deed omdat zij eens op een Zondag
haar zijden mouwen had vastgemaakt!

Dan komt Iwein, de ridder met de Leeuw die eens een leeuw gered had
die met een slang vocht; nu is Iwein gelijk Androkles of Hieronymus
overal door het dankbare dier vergezeld dat hem op kritiese ogenblikken
bijstaat. En dan zijn er Lancelot en Perceval op wie wij terug komen.
De grappenmaker is Key, de drossaert. Oorspronkelik was hij niet
onsympathiek getekend, hij is dapper maar al te doldriest, met wat al te
veel vertrouwen op zich zelf; hij moet altijd absoluut elk avontuurtje
aan 't hof aanpakken maar hij delft altijd het onderspit. Naderhand
wordt hij kwaadaardig, laf en vals, de onruststichter wiens vergiftigde
tong vooral de dames van 't hof belastert.

Ook de ridders van Arthur vormen reeds in hun uiterlik in vele
opzichten een tegenstelling met de paladijnen van Karel de Grote. Wel
zijn ze sterk en breedgeschouderd als Karels pairs, maar waar bij de
beschrijving van hun figuur spesiaal de nadruk op gelegd wordt is juist
het slanke en elegante: het smalle middel, de lange smalle vingers,
de hoge wreef zijn bizondere aristocratiese schoonheidstekenen. De
Arthur-ridders hebben blonde lokken maar géén baard; de uitdrukking van
hun gezicht is niet gelijk die der Paladijnen »fier, hardi" maar schoon
en rein: »face tendre, chière riante, vis joyos"; »hij scheen helderder
dan een edelsteen" staat er ergens; het aangezicht heeft een bloeiende
kleur, is »als de roos een morgen in Mei". Het oog is stralend,
zacht; de mond is klein, maar heeft gevulde lippen, die is »als een
meisjesmond", de kin heeft kuiltjes, de hals is lang, gevuld en »wit
als die van een meisje". De gestalte van de Arthur-ridder tekent kracht
zowel als bevalligheid en deugt voor de strijd even goed als voor het
hofleven en de liefde.

En aan het hof van Arthur leeft men in vreugde en genot. Dan zijn
het toernooien, dan jachtpartijen. Terwijl de koning 's middags na
de maaltijd zijn slaapje doet, zien wij het gezelschap in een kring
zich aangenaam bezig houden met vertellen van hun ondervindingen; het
gezelschap wordt door de koningin gepresideerd, Key begint weer op te
spelen en wordt door haar op zijn plaats gezet. Of wij treffen ze in hun
tenten in het bos onder een van die dagen lang durende jachtpartijen.
Hij die er in slaagt het witte hert te vellen, heeft het recht de
schoonste dame aan het hof te kussen,--in de oude Keltiese sagen mocht
de overwinnaar zich bij de maaltijd het mooiste stuk vlees afsnijden!

Maar het hof van koning Artus is slechts het uitgangspunt en de laatste
scène der Arthur-romans. Zijn ridders zijn niet geschapen voor een
gezellig hofleven van niets doen dan genieten. Zij moeten de wereld in,
en avonturen zoeken, om later--zoals een van hen zegt--iets te hebben
om in gezelschap van te kunnen vertellen. Meer dan eens verklaart Arthur
's morgens dat hij zijn eten niet aan wil roeren »vóór er het een of
ander gebeurd is". En dat laat dan in de regel ook niet lang op zich
wachten. Dan komt er b.v. zoals wij reeds zagen, een vrouw klagen dat de
een of andere reus haar vriend weg is komen halen of geweld tegen haar
gepleegd heeft. Of omgekeerd is een vrouw aan haar vriend ontstolen
geworden. Of er komt een reus de ridders tot 't een of ander uitdagen.
Een der dames krijgt het in haar hoofd dat zij het wonderhert met de
witte benen moet hebben, dat ergens in het diepst van het woud door vier
leeuwen bewaakt wordt. Of er komt een jonkvrouw uit Ierland aanzetten
die de helden hun werkeloosheid verwijt; zij moesten maar eens naar haar
eiland komen, naar een kasteel dat zo vol met spoken is, dat niemand
er durft overnachten. En de romans trachten elkaar langzamerhand met
het vreemdste, meest spannende begin te overtroeven. Midden in de zaal
vertoont zich b.v. opeens een schaakbord van zilver en ivoor dat even
plotseling weer verdwijnt. Arthur verklaart dadelik dat hij dat absoluut
hebben moet. Of er vliegt plotseling een wit hert dwars door de zaal,
daarachter een hond en een jonkvrouw; een ridder weet de hond te
pakken, een ander grijpt de jonkvrouw die hij mede neemt, en nu krijgen
natuurlik terstond drie ridders van de Tafelronde bevel van de koning,
de een om het hert op te sporen en twee anderen om de geroofde hond en
de maagd na te zetten. Of eindelik: er komt een boot aanzetten die landt
met niets dan een lijk er op, waarin de punt van een lans vast zit; in
de hand van de dode zit een brief waarin de verslagene verlangt door hem
gewroken te worden die het stuk van de lans uit het lijk kan trekken,
maar hij zal dit onmogelik kunnen doen, staat er verder, tenzij met de
hulp van een ander die er in slaagt de ringen van de vingers van het
lijk af te halen.

En dan trekken de ridders er op uit om de avonturen te bestaan die zich
zo voor kunnen doen. Maar dikwels worden die gezocht door de een of
andere jongeling die juist dezelfde dag aan 't hof is gekomen en die van
Koning Arthur permissie krijgt daar zijn krachten op te beproeven. En
dan gaat het de weg op,--de wijde wereld in,--gelijk men in de Griekse
romans op zee voer, zo hier te land. Alleen zijn het niet zoals dáár,
lijdende helden en heldinnen die door het noodlot van de ene kant van
de wereld naar de andere kant gestuurd worden, gevangen worden genomen,
in slavernij verkocht, enz. en zonder tegenstand zich aan alles wat hun
overkomt maar onderwerpen; hier zijn het energieke, moedige ridders die
zelf die avonturen zoeken en de strijd met beide handen aangrijpen. Wat
die romans geven in de poëzie van de gehele tijd der kruistochten en
van de omzwervende losbandige ridderschap--dat zelfde onberekenbare
leven, zo rijk in afwisseling, van de zwerver en de vagebond dat er
in onze tijd ook nu nog een klein beetje inzit, dezelfde geest die
Simplicissimus te voorschijn heeft geroepen en Gil Blas, Peregrine
Pickle, Wilhelm Meister en Kenelm Chillingly,--een geest die in een
tijd vooral dat het onrustige bloed zich nog niet naar vaste regels in
de samenleving voegen kon, de bijwegen onveilig maakte en de herbergen
met reizigers uit alle klassen der maatschappij vulde. De werkelikheid
is in die Bretonse romans nog maar heel vaag aangegeven en veel
feitelike aanduidingen over de reis krijgen wij ook niet; evenmin als in
de Keltiese sagen worden er bepaalde plaatsen genoemd, de reis gaat in
»la blanche lande", door »la forêt aventureuse", voorbij »l'orgueillus
castel fort", en gewoonlik zijn er nog zelfs geen herbergen, waar men
overnachten kan, maar klopt men bij de een of andere arme »vavasseur"
aan, of slaapt in een vervallen »tour des merveilles." In dit leven aan
de grote weg staat alles op losse schroeven en draagt elke schrede de
kiem van gevaar in zich. Wanneer men een bos intreedt--»s'enforester"
zoals dit met een bijzondere term luidt--is het altijd met een beklemd
gevoel van angst voor rovers; komt men aan een kruisweg, kiest men maar
op goed geluk een dier wegen. Gewoonlik treft men daar wel de een of
ander die weet te vertellen dat de ene weg veilig is en goed, de andere
daarentegen vol bezwaren en gevaren, zo dat niemand daar levend over
schijnt te kunnen komen. Waarop de ridder dan als van zelfsprekend die
laatste weg kiest. Door zijn drang tot avonturen laat de man zich zonder
enig vast plan steeds weer van zijn doel afbrengen; door alles wat hij
onderweg tegenkomt laat hij zich ophouden. Iets van de weg af, in het
bos, hoort hij kreten en als hij dan een ridder aan ziet komen rijden
met een dame dwars over het paard heen geworpen, dan moet hij die
natuurlik achterna. Of hij komt aan een brug waar een ridder zich bij
geposteerd heeft, en ieder die er over wil, moet verklaren dat de dame
van die ridder schoner is dan de zijne of zij moeten duelleren. Of wel
men komt aan een slot waar een ridder woont die van alle voorbijgaanden
schatting vordert. Dit laatste is iets wat maar al te zeer uit het
werkelike leven gegrepen was.

Soms herkent men in die trekken met moeite nog de een of andere
oude sage of sprookje. Maar heel dikwels zijn het niets dan kleine
bedenkseltjes. »Les contes de Bretagne sont si vains et plaisants", heet
het. Men voelt het sterk aan die romans dat ze al heel eigenaardig en
lichtvaardig omspringen met allerlei vreemde sagen en sprookjesmotieven
die absoluut geen wortel in het volk zelf hadden, die niet begrepen
werden in die samenhang en zo ook niet op de rechte waarde geschat,
maar alleen als stof dienden voor de spelende fantasie. Er was niets
van het »Erdgeruch" der verhalen van Karel de Grote over de Bretonse
romans, het waren niets dan vluchtige, fladderende luchtspiegelingen.
Al heel gauw kwam het er eigelik maar op aan elkaar in verrassende en de
nieuwsgierigheid prikkelende »Aventures" te overtreffen. Alle mogelike
bizarreriën hoopt men op elkaar. Een ridder komt aan een herberg waar de
waard zijn gasten de gekste en meest absurde bevelen geeft en iedereen
doodslaat die niet gehoorzaamt; de ridder volbrengt zonder kikken al
zijn bevelen en het slot is dat hij zijn dochter ten huwelik krijgt; dit
schijnt een sprookje uit Wales te zijn, dat van Kilhwch. Een andermaal
komt de zoekende een ridder tegen die met een dame rondtrekt die er als
een lichte vogelverschrikker uitziet, maar tegenover wie hij vol van
alle mogelike galanterieën is en op wie hij zeer jaloers schijnt. Ginds
komt een dame aan, die met haar kleeren te binnenste buiten gekeerd,
achteruit op een paard rijdt, dit alles om zich zelf te straffen omdat
zij tegen een zekere ridder onvriendelik geweest is.

Evenals in de Griekse romans wordt de handeling nog verder gecompliceerd
door allerlei misverstand en vergissingen. Men loopt elkaar mis: de
ridder die de dame vergezellen zal raakt haar onderweg kwijt en wanneer
hij dan bij zijn zoeken naar haar in een herberg komt is zij daar net
vandaan getrokken en niemand weet waar heen. Nog meer vergissingen
hebben er plaats en nog groter verwarring ontstaat er omdat alle ridders
in hun dichtgesloten wapenrusting er presies 't zelfde als een »ijzeren
wezen" uitzien, dat alleen maar te herkennen is aan het wapenschild of
helmteken en die dus volkomen incognito zijn wanneer ze dit verbergen;
ook de dames zijn gemakkelik te verwisselen waar het gelaat zo dikwels
bijna geheel door de hoofdtooi bedekt is. Daardoor strijdt men dikwels
met de verkeerde ridder, misschien wel met zijn beste vriend, of wel
schaakt men de verkeerde dame. En verder spelen intriganten de gelieven
vervalste brieven in de handen om kwaad bloed te zetten.

Maar daarbij komen dan nog allerlei bovennatuurlike dingen. Zo is er
b.v. een slot met een »lit perilleux" waarin de ridder natuurlik dadelik
vraagt te mogen overnachten, te middernacht schiet er een vlammende
speer het venster in en doorboort de dekens, bijna was hij zelf gedood.
In een ander slot waar hij komt, »la gaste cité", zijn duizend vensters,
in elk venster staat een jongleur met zijn snareninstrument en een
brandende kaars; het is een toverslot en een vroede man heeft Guinglain
de enige manier laten weten waarop die betovering op zal houden: hij
moet steeds met een heftige vervloeking antwoorden op de vriendelike
begroetingen waarmee hij ontvangen wordt, en dan moet hij in de grote
zaal wachten. Dat doet hij dan ook. De ene reusachtige tovenaar na de
ander komt binnen, maar wordt zo door de ridder overwonnen. Nu gaan
opeens alle kaarsen der jongleurs uit, in de duisternis hoort men ongure
geluiden, en de ridder wordt bang en maakt het teken des kruises. Een
ogenblik daarna komt er een slang binnenkronkelen, met vuurspugende
ogen maar een heerlike vrouwenmond. En die moet de ridder kussen; met
die »fier baiser" is het met de tovenarij uit, en de slang wordt een
allerliefste prinses. Of er borrelt ergens een bron op onder een fraaie
boom die nooit zijn bladen verliest; er hangt een gouden beker bij. Als
de ridder water in die beker doet en 't daarna op stenen voor die bron
leeg giet, steekt er een geweldige storm op. Maar 't wordt gauw weer
kalm, en dan wordt de lucht helder en heerst er een wondere stilte,
alleen is de boom vol van de prachtigste vogelenzang. Maar dan komt er
een wildeman met groot lawaai aanzetten die van de ridder rekenschap
vordert omdat hij die storm veroorzaakt heeft; met zijn leven moet hij
daarvoor boeten.

Die bovennatuurlike dingen zijn een mengsel van Keltiese, Oosterse en
alle mogelike andere sprookjesmotieven. De brommende reus en de storm
komen in de 1001-nacht voor; de boom met de heerlike vogelenzang stamt
uit de legende van de H. Brandanus, die een gekerstende bewerking is
van oude Keltiese sagen. De slang die door een kus tot een prinses
wordt, schijnt Byzantijns-Oosters; in de reizen van Mandeville wordt
die historie van de dochter van Hippocrates verteld,--misschien door
een vermakelike vergissing, hij had n.l. een zoon die Draco heette. In
een episode van »laide semblance", een monster welks aanblik niemand
uithouden kon, is de Medusa sage te herkennen. En als wij ergens anders
van een ridder lezen die naar een onderaards vertrek van een slot
gebracht wordt, waar hij een speer in zijn hand krijgt die zijn krachten
wegneemt, en een ring aan zijn vinger die vergetelheid brengt, en die
voor het weefgetouw gezet wordt en allerlei keukenwerk voor een dame
moet verrichten, dan is men geneigd te geloven dat hier een antieke bron
voor te vinden is, literair of door afbeeldingen, in de geschiedenis van
Heracles en Omphale. Maar van Keltiese sagen en gedichten stammen zonder
twijfel de boze dwergen, de schone heksen, de wilde reuzen, »de
gevaarlike heide" en »het avontuurlike bos".

Zelfs blijken dikwels hele Keltiese mythen achter de handeling dier
Bretonse romans te staan. Dat is het juist wat de achtergrond er van
zo vol stemming maakt en er een perspektief in legt dat de fantasie
zo aanzet, dat men er een andere bovennatuurlike wereld achter voelt,
die de schrijver zelf niet kent of die hij altans verkeerd begrijpt,
maar die dan juist door zijn poging om die menselik te maken, des te
fantastieser en vreemder wordt. Daar lezen wij b.v. van een burchtvrouwe
die haar slot door een ridder laat bewaken; die moet met allen vechten
die naar het kasteel komen, totdat hij door iemand overwonnen zal
worden, dan komt hij vrij, maar de overwinnaar moet nu de wacht
overnemen tot hij op zijn beurt weer afgelost wordt. Ergens anders lezen
wij dat de ridders die haar bewaken de een na de ander als beloning haar
trouwen, zodat de burchtvrouwe op die manier steeds de moordenaar van
haar man huwt. Weer in een ander werk wordt diezelfde geschiedenis nu
vrij sentimenteel zo verhaald dat het een dame is die, om haar minnaar
alleen voor zich te hebben, hem de belofte heeft afgeperst dat hij in
een tuin bij haar blijven zal totdat iemand hem overwonnen heeft; nu
kampt hij met allen die de tuin in willen dringen en stelt de hoofden
van de overwonnenen op de tuinmuur ten toon, maar zelf verlangt hij er
eigelik alleen maar naar om eindelik eens het onderspit te delven om zo
van zijn vervelend baantje verlost te worden. Men voelt licht dat al die
versies niets zijn dan pogingen om de Keltiese sagen in mensenfiguren te
belichamen van feeën die mannen naar hun rijk halen en als minnaars bij
zich houden, hoezeer die ook naar hun eigen land verlangen; totdat er
weer andere sterfeliken komen en de eerste minnaar doden, of aan wien de
fee nu haar liefde schenkt.--Dikwels horen wij ook van de gemalin van
Arthur, die door een vreemde koning geschaakt wordt, maar door ridder
Lancelot wordt gered, maar er wordt zoveel vreemds van dit land verteld
»waarvan niemand terug keert", van een brug zo smal als de scherpe
kant van een zwaard, waar men over moet om er in te komen, enz., dat
de lezer een vaag gevoel krijgt dat dit oorspronkelik niets anders
dan het Dodenrijk is geweest, waar een levende uit teruggehaald moest
worden,--een mytiese stof reeds uit de oertijd die in Griekse sagen van
Persephone en Eurydice teruggevonden wordt, zowel als in Perziese mythen
en kristelike visioenen van het hiernamaals, maar vooral in Ierse sagen
van reizen naar het land der onsterfeliken. Er is ook nog een historie
van een jonge knaap,--Tyolet heet hij in een »lai"--die geboren en
getogen is in de eenzaamheid van het bos en die nu de wereld opzoekt,
naïef en onschuldig, alleen maar geholpen door de goede raad van zijn
moeder en wien uit de dagen van zijn leven in het bos een merkwaardige
macht over alle dieren bij gebleven is.

       *       *       *       *       *

Het was in de bewerking van Chrestien de Troyes dat deze »Bretonse"
stofmassa de meest volledige verfransing onderging en tot een
aristokratiese sosiale roman werd. Chrestien was de toonaangevende,
misschien ook de oudste schrijver van die Bretonse romans. Hij schreef
tussen de jaren 1160 en 1190 en leefde waarschijnlik als een »heraut
d'armes", aan het hof van Maria van Champagne en dat van Philip van
Vlaanderen; aan elk van hen heeft hij werken opgedragen. Van de gewone
kennis der geesteliken was heel wat de zijne; hij kende zijn Ovidius
en debuteerde met een vertaling van diens »Minnekunst" en enkele van
de »Metamorphoses", hij was bekend met de Aeneas- en Troja-romans en
schreef, zoals wij al gezien hebben, een roman »Cligès" op enkele
Grieks-Oosterse verhalen. Maar van betekenis is hij voornamelik door
vier romans met Britse en Bretonse stof ten grondslag: »Erec en Enide,
De ridder met de kar, Iwein, de ridder met de Leeuw en Perceval."

Chrestien schijnt mij van burgerlike afkomst te zijn; hij is vol
belangstelling en bewondering voor het ridderlike hofleven en maakt zijn
kunst tot één en al verheerliking daarvan en verkondigt er de idealen
van. Zijn romans zijn eerst en vooral zedeschilderingen van het elegante
leven der edelen van de 12de eeuw. Overal heeft hij het licht van de
werkelikheid op de vage, fantastiese sagen laten schijnen en maakt hij
de losse schetsjes van de _contes_ en _lais_ die zijn bronnen waren, tot
uitvoerige levensbeelden. Overal heeft zijn fantasie gevraagd: »wáár
gebeurde dat?--hoe is dat gekomen?--wàt zeide hij?--hoe zag dit of dat
er uit?" En zo worden de voorstellingen overal aanschouwelik, en meer
en meer gedétailleerd en worden ze tot hele portretten, beschrijvingen,
gesprekken en scènes. Het »Chanson de Roland" vertelt ons heel wat over
de tijdgeest, maar heel weinig over het dageliks leven en de zeden en
gewoonten van de 12de eeuw; daarvoor is de toon van 't heldendicht te
verheven, en de vorm te stijf. In de gewone, levendige, onderhoudende
romans van Chrestien treedt ons daarentegen de gehele atmosfeer van het
omgevende leven tegemoet en uit zijn romans kan men het »höfische leben"
van zijn tijd reconstrueren, wat dan ook meer dan eens geschied is! Bij
een bezoek aan de franse burcht, komt men over de ophaalbrug, onder de
valpoort door op de binnenplaats, dan in de boomgaard, de trappen op,
zuilegangen door, in de grote zaal en de andere vertrekken en ziet hoe
dit alles ingericht is. Wij zien het jonge meisje in de hof haar ouders
zitten voorlezen; in de grote werkzaal zitten talrijke dienstmaagden
en gevangen vrouwen de gehele dag te weven. Wij zitten aan bij een
feestmaaltijd en bewonderen het servies en de spijzen; wij doen aan
jachtpartijen mede waarbij ons de wapenen en alles wat er bij te pas
komt vertoond wordt, wij wonen toernooien bij, waar wij de verschillende
banieren en deviezen leren kennen en wij krijgen de techniese verklaring
te horen van allerlei houwen en stoten. Overal komt de wapenheraut en
de ceremoniemeester voor den dag, maar wat wij óók zien, is, dat de
schrijver niet in al die heerlikheid opgevoed schijnt. Het grootste
deel van de attraktie zijner romans zal wel bestaan hebben in de zeer
zaakkundige beschrijvingen van alles wat het »high-life" van zijn tijd
betrof. Terecht heeft men hem de Paul Bourget van die tijd genoemd.
Evenals deze overdrijft Chrestien ook heel dikwels de rijkdom en de
elegance,--de prachtige kleedij en sieraden der ridders en hun dames, de
zeldzame paarden en de kostbare wapenen. Het is uit de roman van Troje
en, met dat werk als schakel, uit de Latijnse poëzie en de Griekse roman
dat Chrestien die vele overdreven beschrijvingen met zo al te veel
details geleerd heeft; vooral in de stereotype schilderingen van tuinen
met exotiese planten herkent men dikwels de vreemde bronnen,--de hof is
n.l. zo ongeveer het enigste in de natuur waar Chrestien oog voor heeft.

Maar waar de perceptie zo nauwkeurig en uitvoerig te werk gaat,
is geen plaats voor die scala van gebeurtenissen en episoden waar de
lichtvoetige fantasie der Bretonse vertellingen zich zo gemakkelik over
beweegt. Met die zelfde innerlike drang tot klaarheid die men later ook
bij Racine en het Frans klassisisme opmerkt, verstaat Chrestien de kunst
zijn stof te simplificeren. Waar het bij hem voornamelik op aankomt,
zijn volstrekt niet de uiterlike gebeurtenissen, maar het zieleleven
waar handelingen uit voortspruiten en waarop die inwerken. Er is een
overwegend dramaties element in de romans van Chrestien. Bij elke roman
die hij schrijft nemen de gesprekken een grotere plaats in evenals de
psychiese monologen en dialogen. Reeds in de Aeneas-roman zagen wij dat
de lange retoriese tiraden van Virgilius tot levendige, voortdurend
afwisselende vragen en antwoorden geworden zijn, hier bij Chrestien
zijn het dialogen geheel in de trant van een blijspel, b.v. die van het
Mysterie van Adam, uit dezelfde tijd, waarin Eva door de slang verleid
wordt. Midden in een indirekt verhaal slaat Chrestien opeens in de
levendigste dialoog over en geeft de woorden weer zoals ze vielen.
En de gesprekken zijn dikwels heel levendig en geestig, vooral wat de
vrouwen zeggen is vol Frans _esprit_. Daarbij komen dan nog de monologen
en de gesprekken waardoor de personen ons hun innerlik doen kennen. Ook
dat kunstmiddeltje had Chrestien van de romans geleerd die de antieken
nabootsten. Maar duidelik heeft de lyriek der Provençaalsche troubadours
hier ook als voorbeeld gediend; meer dan één van de monologen van
Chrestien's minnaars is niets dan een lied der troubadours in
acht-lettergrepige verzen omgezet. Ook de hele geestelike dialektiek is
Chrestiens' leraar geweest in dialogiese analyse van zielstoestanden, de
dramatiese voorstelling van met elkaar in konflikt komende opvattingen.
Er is een sterk element van scholastiese dialektiek en spirituele
pedanterie in de manier waarop hij zijn gedachten aan de man brengt;
liefde en haat, vermetelheid en vrijgevigheid treden als personen op en
schelden elkander uit of vliegen elkaar aan en er wordt over 't algemeen
kinderachtig veel met woorden geschermd in plaats van met gedachten
gevochten. Maar dikwels wordt de sofisterij van het hart zeer levendig
weergegeven, wanneer de passie zich van schijngronden bedient om
verstand en plichtgevoel er onder te brengen. En aldoor volgt de
dichter alles wat er geschiedt met zijn psychologiese fantasie en zijn
sympathie. Hij verstaat levendig de kunst om het ongeduld weer te geven
van een die lang wachten moet of de gewetensbezwaren van een twijfelaar
en hij jubelt met de verzoende geliefden wanneer ze »met elkaar
wedijveren hoe ze elkander het meest plezier kunnen doen", of wanneer
Gawein plotseling zijn lang ontbeerde vriend Lancelot naar hem toe ziet
komen rijden, van zijn paard springt en hem omhelst: Gawein »was zo
verrast alsof Lancelot uit de wolken was komen vallen en hij zou zelfs
niet graag tot koning gekozen willen zijn in plaats van Lancelot te
zien".

Overal in zijn kunst wordt Chrestien door zijn persoonlikheid in twee
verschillende richtingen getrokken. Er is een realisties nuchter
verstand in hem dat het vreemde element assimileert aan wat hem
familiaar is en bekend, het hoge aan het lage. Maar er is ook een drang
naar het ideale in hem die hem steeds zijn onderwerpen doet opsmukken,
verfijnen en veredelen. Zijn fantasie leeft steeds onder de vorsten en
edelen, hij schildert slechts rijkdom en schoonheid, en tovert zich en
zijn publiek het verleden als een ideale avontuurlike wereld voor de
ogen. Laten wij van de tegenwoordige tijden maar niet spreken, zegt
hij,--die kennen geen ware ridderlikheid meer en geen ware liefde, maar
laat ons spreken van hen die _waren_; een dode edelman is meer waard
dan een levende ellendeling; laten wij spreken van de gulden tijden van
koning Artus, toen het leven was zo als het zijn moet. Toen waren er
feesten,--»niets ontbrak er toen van wat genot geeft of 's mensen harte
vreugde brengt"; toen waren er vrouwen,--»nooit zag men een schoner
paar", »God schiep in Blanchefleur zijn meesterwerk"; toen waren er
paarden,--»geen koning of keizer bezit zulk een prachtig paard",--»dat
is 100 Mark, ja, wel 100.000 Mark in goud waard." In zulk een idealisme
wordt elke karakteristiek van personen en toestanden uitgewist. Maar
als hij aan 't werk is, vergeet Meester Chrestien gelukkig dat hij
Hofdichter is en Artus moet bezingen en geïnspireerd door zijn naieve en
realistiese vertellingskunst, schildert hij zonder zich te generen, hoe
de ridder achter de valdeur gevangen zat als in een rotteval, hoe een
der strijders een hele karbonade uit zijn tegenstander kerft en hoe die
zich liever een tand uit wou laten trekken dan door te vechten. Vooral
tegenover de vrouw en de liefde komt zo zijn realistiese en ironiese
blik op de menselike natuur duidelik voor den dag. Hij vindt het gewoon
»onzin" om te beweren, zoals Thomas in zijn Tristan doet, dat de ene
geliefde op een afstand kan voelen wat de ander denkt, omdat »zijn
hart bij haar en 't hare bij hem is." En hij heeft er plezier in alle
voorbeelden op te noemen van de trouweloosheid en veranderlikheid van
de vrouw en tekent een beeld van haar dat heel wat verschilt van dat
der troubadours. Maar toch zijn Chrestien's romans er op uit om in de
Bretonse sagestof het idealisme van de liefde en de riddereer te leggen
die hij aan de adel verkondigt. Het is een sentimenteel, maar misschien
ook tot zekere hoogte een logies idealisme: het is zijn dialekties
verstand dat er een genoegen in vindt om die opvatting van de liefde
en de eer welke hij in de ridderlike poëzie al gevonden had, zo subtiel
mogelik ten spits te drijven en logies in al zijn konsekwenties door te
voeren. Zo als dit voor een ceremoniemeester en wapenheraut past, stelt
hij in zijn romans alle regels der riddereer op en interpreteert ze
als een streng jurist; maar als de hofdichter van Marie van Champagne
huldigt hij tegelijk ook de religie van de mode-liefde en waakt er
nauwkeurig over dat aan alle eisen daarvan voldaan wordt. En met zijn
dramatiese dichtergave weet hij in zijn romans het konflikt tussen
riddereer en ridderliefde ten top te drijven.

In »Erec en Enide" wordt verhaald hoe Erec, een der ridders van koning
Artus, door de dwerg van een onbekend ridder gehoond is geworden. Zijn
riddereer verbood hem de dwerg dadelik te tuchtigen, maar nu gaat
hij naar een stad waar hij die ridder in een toernooi zal ontmoeten.
Gezellig pratend vertelt Chrestien hoe Erec bij een arme »Vavassor" met
een witte baard, zijn intrek neemt die droef in zijn eenzaamheid voor
zijn huis zit. Zijn gastheer heet hem dadelik welkom en roept zijn vrouw
en dochter van haar huiselik werk en beveelt het jonge meisje voor het
paard van de ridder te zorgen en dat op stal te zetten. Zij is zeer
armoedig gekleed en treedt schuchter voor de gast, maar haar zeldzame
schoonheid lijkt dubbel schoon in haar nederig kleed. Als zij het paard
verzorgd heeft, leidt zij de ridder bij de hand naar de kamer die de
moeder intussen zo fraai mogelik voor hem in orde heeft gebracht. En
daar zet Erec zich nu tussen zijn gastheer en diens dochter op het met
tapijten bedekte bed voor een helder brandend vuur, terwijl de enige
dienstmaagd van de familie het avondeten toebereidt. Erec vindt het
meisje hoe langer hoe liever en de vader vertelt met naieve trots hoe
velen haar al gevraagd hebben, maar zij is zo schoon dat hij haar niet
geven wil tenzij er een echte koningszoon komt die haar hebben wil.
Nu maakt de gast zich bekend als Erec, de zoon van koning Lac, een
der ridders van de Tafelronde en vraagt dat de dochter morgen bij het
toernooi zijn dame moge zijn. De gastheer en de hele familie zijn
natuurlik allemaal even blij als vereerd en voor de avond om is, is de
zaak uitgemaakt dat Enide met Erec trouwen gaat. Stil en bedeesd zit
het jonge meisje daar, innig gelukkig bij de gedachte dat zij koningin
zal worden. De volgende morgen helpt zij hem bij het aantrekken van
zijn wapenrusting, »dat liet zij zich niet twee maal vragen," zegt de
dichter schelms, en Erec overwint in de strijd en geeft haar de prijs:
een sperwer. De volgende dag trekt Erec met Enide naar het hof van
koning Artus. Erec vraagt dat zij haar armoedig kleed aan zal houden,
niet alleen omdat hij dit wel pikant vindt, maar ook omdat hij zeer
ridderlijk haar uitzet door koningin Guenievre wil laten bezorgen; het
enige dat zij mede neemt is de sperwer die niet uit haar hand te krijgen
is, en waarin ze de hele tocht door een kinderlik plezier heeft, terwijl
Erec zich steeds dicht tegen zijn schone aandrukt en niet moe wordt haar
aan te zien, vol ongeduld om haar aan het hof voor te stellen en zijn
lotgevallen te vertellen...

En nu vertelt de schrijver, alles in de prachtigste kleuren, van de
schitterende bruiloft en van het jonge paar en hun huweliksgeluk. Maar
nu komt pas het eigelike onderwerp: het konflikt in Erec tussen de
minnaar en de ridder. Naïef en familiaar verhaalt Chrestien ons hoe Erec
meer en meer verwijfd wordt; hij is niet van Enide af te slaan en staat
soms niet voor 12 uur op. Zijn mannen beginnen daar over te mopperen en
eens op een morgen hoort hij hoe Enide tegen zich zelf ligt te klagen
dat zij schande en oneer over haar man gebracht heeft door hem van zijn
ridderlike daden af te houden. Als Erec met moeite uit haar gekregen
heeft wat er van hem verteld wordt, ontwaakt zijn trots en zijn
gramschap en zijn gekrenkte riddereer doet hem in zijn overspanning
een plotseling besluit nemen. Nu zal hij haar en de wereld eens tonen
wat het voor een man is die zij verdenken en tegelijkertijd zal hij
haar vertrouwen en gehoorzaamheid op de proef stellen. Hij laat zich
zijn volle wapenrusting aandoen en zonder enige verklaring, bars en
met een paar woorden, beveelt hij zijn vrouw haar schoonste kleed
aan te trekken; nu gaan zij te samen de wereld in. Het enige teken van
tederheid dat hij aan den dag legt, is dat hij zijn vader opdraagt voor
Enide te zorgen, voor het geval dat zij alleen terug zou komen. Nu laat
hij haar steeds een eind vóór hem uit rijden en verbiedt hij haar streng
tegen hem te spreken of hem te waarschuwen, welk gevaar zij ook moge
vrezen. Zijn bedoeling daarmee is haar als een soort lokvogel te laten
dienen en zo allerlei roofridders en strijders te krijgen die Erec in
nieuwe gevaren zullen brengen en nieuwe avonturen zullen bezorgen. Er
wordt nu geschilderd hoe ze rondtrekken; overdag mag de arme Enide geen
woord tegen haar geliefde man zeggen en des avonds in de herbergen
behandelt hij haar als zijn schildknaap en moet zij het werk van een
stalknecht doen. Keer op keer is haar man aan gevaren blootgesteld door
haar schoonheid; òf het zijn drie roofridders die hem overvallen, òf wel
een burchtheer in een ander slot waar ze overnachten, wordt verliefd
op Enide en wil Erec ombrengen... En keer op keer vergeet zij in angst
voor haar man zijn verbod of veronachtzaamt het, waarschuwt hem en redt
daardoor zijn leven; maar hij wordt elke keer weer meer vergramd over
haar ongehoorzaamheid en haar wantrouwen,--hij zal zich wel weten te
redden zonder hulp van vrouwen! Maar,--haar liefde is toch steeds
sterker dan haar vrees voor zijn gramschap. Dit is feitelik een oud
motief uit de heldenpoëzie en de sprookjesliteratuur: een hond of een
paard dat door zijn blaffen of hinniken zijn heer voor een gevaar wil
waarschuwen die de bedoeling van het trouwe dier niet begrijpt en het
daarom met slagen dreigt of werkelik slaat, maar de liefde van het
dier is steeds sterker dan de vrees en de gehoorzaamheid; pas op 't
allerlaatste ogenblik, misschien pas als het te laat is of hij zijn
trouwe vriend gedood heeft, bemerkt hij het gevaar. Hier is het nu de
vrouw die haar heer die hondentrouw bewijst of die nederige liefde
toont. Het motief is ook verwant met die talrijke verhalen op het
(latere) Griseldis-motief van een man die zijn echtgenote op de proef
wil stellen, haar verstoot, haar een andere vrouw laat dienen die hij
voorgeeft te willen huwen, die haar beveelt hem als staljongen te volgen
en die hij op stroo aan het voeteneinde van zijn bed laat slapen...
alleen om haar later tot groter eer en waardigheid op te heffen.
Tenslotte, wanneer Erec dodelik gewond bewusteloos voor dood nederligt
en Enide juist door een burchtheer gedwongen zal worden hem te trouwen,
komt Erec door haar kreten weer tot bewustzijn, vliegt op en bevrijdt
haar... Zij omhelzen elkaar; aangedaan dankt hij zijn Enide--telkens
wanneer zij ongehoorzaam was had zij in werkelikheid hem eigelik weer
een bewijs van haar liefde gegeven en van nu af leven zij in een en al
geluk zonder de minste wolkjes.

Hier was het de vrouw,--in de volgende roman van Chrestien »Ivan, de
ridder met de leeuw", is het de man die door een hardvochtige geliefde
gepijnigd wordt, waar die de proef door zijn onderdanige liefde bestaat;
en ook in deze roman is het weer het konflikt tusschen de eisen der
liefde en die der riddereer voor een leven van heldendaden, dat de
handeling in beweging brengt. Maar het begin behandelt toch een ander
onderwerp,--dat duidelik de reeds hiervoor genoemde sage van feeënliefde
is, maar op menselike wezens overgebracht, zodat het bijna onherkenbaar
is. Chrestien's bewerking van dit motief werd door zijn tijdgenoten
beschouwd als een meesterstuk in vrouwen-psychologie.

Ivan heeft met een gouden beker water uit een betoverde bron geschept,
met de eigenaar van die bron gestreden en hem dadelik gewond. De gewonde
vliedt naar zijn burcht terug, Ivan zit hem op de hielen... maar is
juist de poort door binnengedrongen, wanneer die achter hem dicht slaat,
voor hem valt een hamei neer en... zo zit hij gevangen! De burchtgravin
en de dienstbaren zijn gelukkig zo druk bezig met hun meester die in de
ridderzaal ligt te sterven, dat zij hem niet opmerken, alleen een der
camerieres heeft hem gezien en wat nog beter uitkomt, eens toen zij met
een boodschap naar het hof van Artus was gekomen, had Ivan haar een
kleine beleefdheid kunnen bewijzen; als dank voor die ridderlikheid
belooft zij niet alleen hem niet te verraden, maar zij geeft hem ook een
ring die hem onzichtbaar maakt. Met die ring aan zijn vinger loopt hij
nu veilig overal het kasteel door. Wanneer Ivan de zaal inkomt, springen
de wonden van de dode open en begint het lijk te bloeden,--een zeker
teken dat de moordenaar in de nabijheid is--maar de mensen zoeken hem
vergeefs. Maar daar staat nu Ivan, en kijkt de wanhopend verdrietige
weduwe aan, de schone »Dame de la Fontaine" en voelt de liefde voor
haar ontwaken. Echt een pikante en sentimentele situatie: de overwinnaar
overwonnen door de echtgenote van zijn verslagen vijand, in de macht van
haar die hem meer dan allen haat. Betoverd door zijn liefde is het hem
onmogelik de plaats te verlaten die meer dan een ander vol gevaren voor
hem is. Wanneer Lunette, de cameriere hem de open deur wijst, kan hij 't
niet over zich krijgen het slot te verlaten, hoe hopeloos zijn liefde
hem ook voor moet komen. In lange monologen horen wij in detail al het
paradoxale van zijn toestand en hoe sentimenteel hij nu volkomen in de
war is gebracht. Nu maakt hij Lunette tot zijn vertrouwde en deze, een
van het echte koppelaarster-soort (verwant aan de dienstmaagd van Medea
en Dido's zuster in de antieke romans) beweert kans te zien er haar
meesteres toe te brengen de moordenaar van haar echtgenoot lief te
krijgen. In de feeënsage die hier aan ten grondslag ligt, was het heel
natuurlik dat elke ridder die opnieuw de Meester van de bron werd, ook
de watergeest daarvan, de fee, zou bezitten; het wordt pas stotend en
paradoksaal wanneer dit op menselike wezens overgebracht wordt. Toch
kan dit het publiek van de heldenpoëzie niet ongelofelik voorgekomen
zijn, zo min als de lezers van onze oude balladen; voor hen was het iets
heel gewoons dat een moordenaar als boetedoening en schadevergoeding
de weduwe of de dochter van de verslagene huwde. Maar de prototype
van Chrestien was niet zo zeer de Oosterse cyniese vertelling van
de gemakkelik te troosten weduwe van Ephesus, als Jokaste die, in de
Roman van Thebe, de moordenaar van haar man huwt, of Dido, die er door
haar zuster toe gebracht wordt haar belofte van trouw tegenover haar
gestorven gemaal te breken, of de wispelturige trouweloze Briseis
in de roman van Troje. Het is vooral zeker de episode van Briseis
die Chrestien heeft willen overtreffen door een nog schitterender
schildering der veranderlikheid van het vrouwenhart en hoe dat zich
onder alle omstandigheden voor de liefde vinden laat. Het meisje dat
blijkbaar tegen haar meesteres zeggen mag wat ze wil, begint een praatje
met haar: dat het toch niets geeft of ze daar nu al blijft zitten wenen,
zij moet er liever over denken hoe zij de bron en het kasteel nu kan
beschermen, zij kan toch gemakkelik weer een even goed heer en meester
krijgen als hij die ze nu verloren heeft. Haar meesteres, die, gelijk
alle vrouwen, »weigert wat ze in haar hart eigelik wil", zendt het
meisje weg en verbiedt haar zulke dingen te zeggen. Maar ze denkt er
toch steeds aan en voelt al wat berouw dat zij Lunette verboden heeft
er op terug te komen. Gelukkig begint die er kalm de volgende keer toch
weer over en verklaart dat het een voorname vrouw als haar meesteres
niet past zo lang te wenen en vraagt of zij misschien denkt dat er geen
moediger mannen zijn dan hij die nu gevallen is?--»Ja,--en wie zou dat
dan zijn?"--»Ik zeg 't niet want dan wordt u maar boos!"--De vrouwe
belooft van niet. En nu begint Lunette: »Iemand die een ander velt,
moet een beter en sterker ridder zijn dan de verslagene, en dus..."
»Weg, uit mijn ogen! afschuwelik wezen!"--barst de meesteres uit,--maar
desniettegenstaande ligt zij toch een hele nacht over de zaak na te
denken en reeds begint zij in haar hart zijn zaak te bepleiten. »Als de
mensen mij maar niet uit zouden lachen!" Maar wanneer Lunette haar de
volgende dag vertelt dat de man niemand anders is dan Ivan, de beroemde
Artus-ridder, dan is de dame op eens vuur en vlam. »Hoe gauw zou hij
hier kunnen komen?"--en ofschoon Lunette hem in haar bereik heeft, laat
zij toch haar vrouwe een hele dag lang in spanning op hem wachten vóór
zij haar Ivan brengt. Wanneer die voor haar verschijnt weet hij nog van
niets en is hevig bevreesd voor zijn leven, ofschoon Lunette hem schelms
verteld heeft dat haar meesteres hem in een niet zeer onaangename
gevangenis wil zetten. Hij moet nu ook niet met zijn mond vol tanden
blijven staan maar... flink voor den dag komen. Hij gaat nu recht op
haar af, werpt zich voor haar op de knieën en geeft zich aan haar genade
over,... vertelt dat het liefde voor haar is die hem op het kasteel
heeft doen blijven; en eindelik stelt zij hem kort maar bondig en
zakelik voor de verdediger van de burcht te worden en daarmede... haar
man! Dan roept zij haar baronnen bij elkaar, speelt een scène voor hen
en weet het zo in te richten dat zij haar dwingen een nieuwe echtgenoot
te kiezen,--waarop zij met Ivan voor den dag komt en hen de eed van
trouw aan hem doet afleggen.

Hoe naïef dit hele stuk psychologiese roman de moderne tijd ook kan
schijnen,--de mensen _waren_ nu eenmaal naïever en meer ongekunsteld in
die dagen, en de analyse van Chrestien komt tegenover de werkelikheid
misschien niet zo heel veel tekort. Maar nu komt als de eigelike inhoud
van de roman, het moment dat Iwein's vriend Gawein hem al heel gauw
verwijt dat hij »luiwammest" en in zijn liefde het ridderleven vergeet
en nu vraagt en krijgt Iwein een jaar permissie van zijn vrouw.
Maar de vriendschap met Gawein, het genot dat hij nu weer in het
ridderleven schept en dan ook zijn ridderplichten die hem steeds weer de
ongelukkigen ter hulp doet snellen die in nood verkeren, dit alles maakt
dat hij langer dan een jaar uitblijft--de plichten der liefde worden nu
voor die der riddereer verzuimd--en nu krijgt hij bericht van zijn dame
dat zij hem niet meer zien wil. In wanhoop en berouw vliedt Iwein
nu naar het bos en leeft daar als een wildeman, wordt waanzinnig
van verdriet en het is niet dan na veel ellende doorstaan en vele
heldendaden bedreven te hebben dat hij alweer door de slimheid van
Lunette zich in genade bij zijn vrouw weet te doen aannemen.

Dat de vrouw hier supérieur, de meesteres is en de man de ootmoedige
dienaar, terwijl in »Erec en Enide" de toestand juist omgekeerd was,
komt in hoofdzaak hierdoor dat Enide een arm meisje was dat tot een
plaats aan de zijde van een vorst opgeheven wordt, terwijl de »Dame de
la Fontaine" de regerende vorstin is en Iwein haar »man" d. w. in dit
geval zeggen haar »vasal" was. Maar in de volgende roman van Chrestien
zien wij de Provençaalse vrouwenverering reeds geheel en al door hem
in de Britse sagenwereld ingewerkt en paradoksaal tot het uiterste
gedreven. En hier is het nu de Keltiese sage van iemand die naar het
Dodenrijk ontvoerd wordt maar die weer voor het leven gewonnen wordt,
waar de dichter een volkomen menselik ridderverhaal op geborduurd heeft.
De geschiedenis der ontvoering van Artur's gemalin door een vreemde
koning was een oude schakel in de Britse Arthur-verhalen en daarmede
smolt de Keltiese Orfeus-mythe samen; Guenievre is het, die weggevoerd
wordt en Lancelot die haar terug haalt. Nu wordt Lancelot tot de neef
van de koning gemaakt en hij vereert en aanbidt de vrouw van zijn
oom,--evenals Tristan die van zijn oom Marc. Ook hier draait alles
feitelik om een konflikt tusschen riddereer en liefde,--een zuiver
simbolies konflikt tussen die twee tot het uiterste gevoerde begrippen.
Lancelot hunkert er slechts naar te weten te komen waar zijn aangebeden
koningin heen gevoerd is en dat land zelf te betreden, maar hij is zijn
paard kwijt geraakt en staat wanhopend te kijken wanneer er juist een
dwerg voorbij komt op een kar: als de ridder nu maar op wil zitten, zal
de dwerg hem de weg naar de koningin wijzen. In zijn sterk ongeduldig
verlangen begaat nu ridder Lancelot door zijn liefde voor Guenievre de
voor een ridder zo uiterst vernederende handeling werkelik op de kar
plaats te nemen,--iets waar hij duur voor zal moeten boeten. In de oude
sage is er zeker ook iets van een wagen geweest,--misschien wel de
doodswagen, waar er voor de ridder een grote zelfoverwinning voor nodig
was om die te bestijgen, om zo in het doodsrijk te komen. En dit zal
Chrestien òf niet hebben begrepen òf niet hebben kunnen gebruiken, in
plaats waarvan hij met al het formalisme van een ceremoniemeester,
een heel simbool maakt dat Lancelot liefde boven riddereer stelt,
wat per slot van rekening toch maar een kleine inbreuk was op de
riddergewoonten: dat hij in een kar reed in plaats van te paard. Overal
waar hij nu voortaan heengaat, heeft men van zijn tocht op de kar
gehoord en wordt hij met spot en hoon overladen, ja, wanneer hij
eindelik, na allerlei avonturen en heldendaden, alles om zijn liefde
vergetend, de koningin weet te vinden en haar te bevrijden, dan keert
ook zij haar ridder en redder de rug toe: hij heeft zijn riddereer
geschonden en daardoor haar eer. (Anderen verstaan daarentegen de tekst
zo dat de koningin er integendeel boos over is omdat Lancelot even
_geaarzeld_ heeft van de kar gebruik te maken). Zwijgend en ootmoedig
buigt hij zich voor haar ongenade, die hem geen woord van verklaring
zelfs gunt en lang zwerft hij wanhopend rond totdat hij na nieuwe daden
en gebroken in zijn ootmoed eindelik toch in genade aangenomen wordt.
Met nieuwe, heel bizondere kleuren is die ootmoedige liefde van Lancelot
geschilderd; niettegenstaande de invloed der troubadours is die, als men
het zo uitdrukken mag, meer noordelik-blond dan de door hen geschilderde
liefde; het is een heel romanties-dromende ingenomenheid, een verlangend
smachten, waar de jongeling mede rondloopt. Vele maagden trachten hem
onderweg te verleiden of te dwingen, maar »een ridder heeft maar één
hart en het zijne is niet langer bij hem", in alle situaties bewaart hij
zijn kuisheid, als b.v. ergens de jonge schone gastvrouw hem haar bed
laat delen, houdt hij voorzichtig zijn ondergoed aan. Eens op een morgen
vindt hij een ivoren kam op de weg liggen, met goudgeel vrouwenhaar er
in--»ik weet niet van wie die is", zegt de schrijver schelms--dadelik
valt hij in zwijm van aandoening, daarna haalt hij er netjes alle
haren uit, drukt die tegen zijn ogen, mond en voorhoofd en bergt ze op
zijn borst. Van haar kant heeft Guenievre er plezier in de bescheiden
page-liefde van de jongeling naar haar zin te zetten en op een verfijnde
proef te stellen. Eens wanneer Lancelot--incognito, alleen de koningin
herkent hem--met grote kranigheid op een toernooi strijdt dat enige
dagen duurt, zendt zij hem op een morgen heimelik bevel dat hij die dag
slecht moet vechten en niettegenstaande hij in zijn eergierigheid hevige
lust heeft om zich zo goed mogelik voor te doen, geeft hij toch aan de
luimen van zijn aangebedene toe en laat zich door de anderen uitlachen.
Als een want in haar hand, als een hond voor haar voet wil zij hem
hebben. Eindelik weet hij haar toch 's nachts te ontmoeten; hij drukt de
ijzeren tralies van haar raam uit elkaar en werkt zich naar binnen, niet
zonder zijn hand te kneuzen en aan het bloeden gekregen te hebben,--een
herinnering misschien wel aan de Yonec van Marie de France. Als hij het
bed van de koningin bereikt »buigt hij zich eerst aanbiddend neder, want
hij gelooft in geen heilig lichaam zoals aan het hare"--men ziet hoe
blasfemies de liefde kan zijn--en na een nacht vol, gelijk de auteur het
mysties uitdrukt, van een soort wellust »die nooit zijns gelijke heeft
gehad en die ik mijn leven lang zal verzwijgen", na zulk een liefdenacht
staat hij op, terwijl de koningin nog slaapt, maar voor hij weg sluipt,
»valt hij eerst nog weer voor het bed op zijn knie; hij voelt zich
geheel als een martelaar en hij doet als bevond hij zich voor een
altaar". Het pathologiese element waar wij in de knielende onderwerping
der troubadours aan de vrouw reeds de eerste sporen van tegen zijn
gekomen, is hier bijna onguur van perversiteit geworden.

Niettegenstaande de oude mytiese stof nu zo op mensen overgedragen
is, ligt er toch nog een zekere vaag-mystiese atmosfeer over de
gebeurtenissen en de personen in dit gedicht van Lancelot. Pas wanneer
we ver in de historie gekomen zijn, krijgen wij te horen, en dan
nog maar helemaal in het voorbijgaan, wie de »Ridder met de kam"
zoals Lancelot genoemd wordt, eigelik is (een kunstmiddeltje om de
nieuwsgierigheid op te wekken, waar Chrestien ook elders met graagte
gebruik van maakt) en de hele verhouding tussen hem en Gawein, die ook
op zoek naar avonturen is, wordt geheel en al in het donker gehouden: de
eerste schijnt de laatste te kennen maar niet omgekeerd; de verhouding
tussen Lancelot en de koningin is ook al vaag en onduidelik en de
Mysteries in het land van koning Gorre, aan de overzijde van de
»Zwaardbrug", worden al meer en meer dromerig-onbegrijpelik, hoe verder
de held op zijn tochten komt. Het is duidelik dat de dichter zelf, met
al zijn gevoel voor de nuchtere werkelikheid voor goed in de mysteries
der Keltiese sagen-wereld bevangen is geraakt; Chrestien zowel als zijn
lezers voelen dat wij ons hier eigelik in de onwerkelike wereld van het
hiernamaals bevinden. En in zijn laatste inkomplete roman »Perceval van
Wales" verdwaalt de dichter nog dieper in het land der wonderbare
fantasie.

»Perceval" verhaalt van de knaap die in het bos grootgebracht wordt,
waar zijn moeder, de weduwe van een ridder, hem ver van de wereld heeft
opgevoed, opdat hij niet gelijk zijn vader en diens broeders een vroege
dood op het slagveld zal vinden. Eens in de lente als de jongen in het
bos rijdt en alles om hem heen van vreugde straalt, zo dat zijn hart in
zijn borst breder schijnt uit te slaan, hoort hij tussen de eikenbomen
door het kletteren van metaal, er komt een schitterend licht uit de
diepte van het bos en vijf ridders springen langs hem heen. Dat moeten
de engelen zijn waarvan zijn moeder hem verteld heeft, die schoner zijn
dan al het andere behalve God. Hij knielt neêr en wil ze aanbidden.
Maar zij houden stil en vragen hem naar de weg en heel levendig wordt
het nu beschreven hoe de knaap, in stomme verbazing, hun allerlei vragen
stelt over hun wapenrusting, hun paarden enz., terwijl de ridders al
ongeduldiger worden omdat zij niets van hem te weten kunnen komen,--»al
die lui uit Wales zijn ook zo dom," zegt een van hen. Wanneer hij bij
zijn moeder thuis komt is hij niet uitgepraat over die hemelse wezens
die zich ridders noemen en tevergeefs tracht de moeder in haar angst
hem aan zijn verstand te brengen dat dit een soort engelen zijn die de
mensen dood slaan. Het geeft allemaal niets, als de zoon nu hoort dat
zijn vader ook ridder was, wil hij absoluut ook de wereld in en ridder
worden.

Met een zwaar gemoed gaat zijn moeder nu ook voor zijn uitrusting
zorgen, het wordt een zeer huiselike, komiek boerachtige uitrusting,
en zij geeft hem allerlei raad voor het leven mede, praktiese dingen
en zedelike voorschriften, regels op de hoofsheid en goede manieren
betrekking hebbend, als in de Oosterse verhalen en Ruodlieb, alleen iets
ridderliker. En zo trekt de jongen de wereld in, zonder te vermoeden dat
zijn moeder van verdriet in zwijm valt. En waar hij nu ook komt, overal
tracht hij de levensregels van zijn moeder in praktijk te brengen, »dat
heeft mijn moeder mij nu zo voorgehouden," zegt hij eenvoudig. En die
voorschriften brengt hij dan op zulk een naïef-onwetende manier in
toepassing dat hij voortdurend tegen »de goede toon" handelt, maar door
zijn gezonde onbedorven natuur komt hij toch vooruit, en steeds tracht
hij zich volgens de raad van zijn moeder te volmaken en zich altijd
bij de »prudhommes" te houden. Hij komt aan het hof van koning Arthur,
waar »le valet sauvage", zoals de dichter hem noemt, dadelik zonder
blikken of blozen eist een uitrusting te krijgen en tot ridder geslagen
te worden. Als hij juist op dat ogenblik een ridder in een rode
wapenrusting zich ongepast tegen de koningin ziet gedragen, slaat hij
hem met zijn eigenaardige werpspiets uit Wales ter neer en trekt nu
diens wapenrusting aan. Maar hij wil zijn eigengemaakte kleeren toch
niet afleggen en zo moet men de jongen, die natuurlik aan dit alles
niet gewend is, helpen die nieuwe wapenrusting over zijn eigen kleeren
aan te trekken, en als »de roode ridder"--zijn eigen ware naam kent hij
niet--trekt hij nu verder de wereld in. Hij komt een oude burchtheer
tegen, Goneman, die hem uitnodigt mee naar zijn slot te gaan, hem tot
ridder slaat en verder voor zijn opvoeding zorgt, door hem een stel
nieuwe levensregels mede te geven,--niet alleen voorschriften uit de
ridderlik-religieuse moraal: de weerlozen te hulp te komen, in de kerken
te bidden, geen overwonnen vijand te doden, maar ook die op goede
manieren betrekking hebben, b.v. dat men niet te veel moet spreken of
vragen.

Maar hij trekt weer verder om zijn »Lehr- und Wanderjahre" voort te
zetten. En nu krijgt hij ook les in de liefde. Op een kasteel treft hij
de heerseres, een jong meisje dat lelik door vijandelike naburen in het
nauw wordt gebracht. Hij verslaat al haar vijanden en het duurt niet
lang of het jonge meisje behandelt hem zo vriendelik dat zij tedere
gevoelens bij de onwetende en onschuldige knaap weet op te wekken; die
episode is in al haar naïeveteit zéér lief en fijn geschilderd. Maar
voorlopig moet »de rode ridder" verder, nu wil hij zijn lieve moeder
bezoeken, eindelik is het verlangen naar haar in hem ontwaakt.

Maar vergeefs gaat hij de »gaste forèt" zoeken waar zijn moeder woonde.
Maar wel komt hij aan een geheimzinnig slot. Een man die stond te vissen
heeft hem daar heen gebracht en hij wordt nu een zaal binnengeleid waar
op een bed voor een vuur een oude man ligt wien blijkbaar al zijn
krachten begeven hebben. Beleefd vraagt hij de gast hem dan ook te
verontschuldigen als hij niet opstaat, en begint een gesprek met hem.
Onderwijl komt een dienaar zijn meester een zwaard brengen van zijn
nicht, en de gastheer vereert dit aan de rode Ridder. Daarna komt er
een ander met een blinkende lans, waar bloed afdruipt; nieuwsgierig
is hij op 't punt te vragen wat dit alles te betekenen heeft, maar
hij herinnert zich Goneman's raad en zwijgt. Ten slotte komen er twee
dienaren met hoge kandelaars en tussen hen in loopt een maagd die een
»graal" in haar handen draagt; de glans van die graal overtreft verre
die van de kaarsen. Een vlak, zilveren bordje, een soort voetstuk, wordt
achter de graal aangedragen. Weer weet de ridder zijn nieuwsgierigheid
te bedwingen en de stoet verdwijnt door een andere deur. Geen woord
wordt over dit alles gewisseld en nu wordt er een prachtige maaltijd
binnengebracht; daarna wordt de gast naar zijn legerstede gebracht.
Maar de volgende morgen als hij wakker wordt is het gehele kasteel als
uitgestorven, de zalen zijn afgesloten, alleen ziet hij zijn paard
gezadeld staan waarop hij verder rijdt...

Dit was de Graalburg waar hij in geweest was, krijgt Perceval (die zich
nu plotseling zijn naam herinnert) naderhand te weten, en het was heel
erg jammer dat hij niets gevraagd heeft. Maar, zoals een heremiet hem
weet te vertellen, dat hij er niet toe kwam te vragen, dat was de straf
omdat hij zo hardvochtig van zijn wenende moeder weggetrokken was, die
van verdriet over zijn vertrek gestorven is; de zieke Graalkoning was
een der twee broeders van zijn moeder, hij, de heremiet zelf, is de
ander... Maar meer krijgen wij bij onze schrijver niet te weten, de pen
is hem ontvallen en zo laat Chrestien het aan talrijke andere dichters
over de Graalsage verder uit te werken.

       *       *       *       *       *

De dichterlike richting waarin Chrestien die »Bretonse" stof vorm had
gegeven, werd voortdurend meer en meer karakteristiek voor die geweldige
massa van »Bretonse Romans". Aan de ene kant vinden wij daarin een zeer
realistiese, lustig-frivole schildering van de zeden van de adel en van
het ongebonden, avontuurlike leven langs 's Heren wegen. Wij krijgen
verhalen van kroningsfeesten en bruiloften en de ontvangst in een stad
van een geliefd vorstenpaar; wij zien ook de dame aan haar toilet, hoe
zij half ligt, half zit op een ligbank, terwijl de ene dienstmaagd met
een ivoren kam haar de lange blonde haren kamt, de andere haar een
spiegel voorhoudt terwijl zij een bloemenkrans in de hand heeft, en
wij wonen hele gesprekken bij tussen dames en heren bij de ontvangst
op het kasteel. Hier en daar merkt men pogingen om een zekere uiterlike
en innerlike karakteristiek in de personennamen te leggen: Guinaut de
blonde, Madian de trotse, »le beau-tenebreux", »le beau-hardi", of de
mensen allerlei capricieuse eigenaardigheden te geven; ook vindt men
nu karikaturen van een lelike dame, een monsterlike dwerg, en--in de
proza-romans--»problematiese naturen" met allerlei eigenschappen die
aantrekken of afstoten goed dooreengemengd, b.v. zulke figuren als
Morgane, de zuster van koning Claudas en Arthur.

Die romans geven gewoonlik een soort elegante kroniek van de
maatschappij, en het beeld dat zij van de adellike zeden geven is nu
niet bepaald stichtelik. De dame is maar al te verleidelik met haar
koketteren; wanneer zij met een cavalier samen uitrijdt, spreekt zij
over liefde en zingt Britse »lais" en »retrouenges" voor hem, doet onder
het gesprek haar halsdoek af, of maakt een paar knopen los van haar
kleed »omdat het zo warm is" zodat haar gezicht en blanke hals te zien
komen en kiest bij voorkeur gezellige, schaduwrijke plekjes uit om even
rust te houden. Of zij komt 's morgens een praatje bij hem maken op de
rand van zijn bed. Maar ook de ridder is niet bang om het initiatief
te nemen. Tegen bedtijd komt hij b.v. een der dames op het kasteel
bezoeken; zij zit in haar kamer gouddraad op te winden; hij gaat naast
haar zitten, laat het gouddraad tussen zijn vingers door glijden en
vraagt haar naar haar werk... en dan eindigt het er al licht mede dat
hij daar 's nachts blijft. En zo is het werkelik geen wonder dat als er
eens een man met een wondermantel aan het hof van koning Artus komt,
welke slechts _die_ dame past die zich niets te verwijten heeft, en
een andere keer een man met een drinkbeker waarvan alleen die man kan
drinken zonder te morsen, wiens echtgenote zijn eer nooit bezoedeld
heeft,--dat dan blijkt, tot schrik van enkelen, maar tot groot vermaak
van de meesten, dat de mantel zo goed als geen enkele dame past en geen
echtgenoot uit de horen kan drinken.

Maar vooral het rondtrekken en het leven langs 's Heren wegen en in de
herbergen werkt verslappend op alle zeden. Hier is een herberg waar de
dochter van de waard 's nachts de gast haar gezelschap opdringt, ginds
een slot waar de Heer zich zo door de vrouwen der reizigers voor zijn
gastvrijheid laat betalen. In het land waar Lancelot doortrekt was het
gewoonte dat een jonkvrouw, die alleen reisde, niet zonder hevige straf
verkracht kon worden--ofschoon dat toch voortdurend voorkomt--wanneer
zij daarentegen een ridder mede had als begeleider, mag hij die deze
laatste overwint op haar liefde aanspraak maken. Een ruw ridder,
Agravain, heeft juist de begeleidende ridder van zulk een rondtrekkende
dame gedood; nu gebiedt hij haar van haar paard te komen, gooit haar op
de grond en rukt haar de kleêren van het lijf, maar als hij dan ziet dat
haar lichaam vol builen zit, beveelt hij haar in plompe hoon maar weer
op te staan, haar zal hij waarachtig geen kwaad doen. Maar gelijk wij al
gezien hebben, is er maar al te dikwels geen geweld nodig. Een ridder
stelt eens zijn dame en zijn hond op de proef en ziet met weemoed dat
zijn schone dadelik met een vreemde ridder meegaat, terwijl zijn hond
hem trouw blijft. En veel van de meest beroemde ridders hebben op hun
tochten het ene avontuurtje na het andere; waar een ridder als de
vrolike Gawein zich vertoont, wedijveren alle dames om zijn gunst.
Overal hebben Gawein en andere ridders dan ook kinderen waar zij niet
van weten en die ook hun vader niet kennen, wanneer zij de wereld in
trekken; het is zeker niet zonder goede reden dat die romans zo dikwels
over dergelike heldenzonen handelen, die hun vader gaan zoeken en die
tenslotte herkennen in Gawein of een ander ridder van de tafelronde.

Maar met dit frivole realisme mengt zich, evenals bij Chrestien, overal
in de Artus-romans een sentimentele vrouwenverering en een hooggespannen
gevoel van riddereer. Drie broeders, koningszonen, rijden het bos door
en de één vraagt de ander wat hij doen zou als zij nu de schone dochter
van de waard bij wie zij 's nachts gelogeerd hadden, eens alleen in het
bos aantroffen. Nu, zegt de een, dat begrijpt hij toch ook wel, hij zal
nooit een gelegenheid voorbij laten gaan om van een vrouw zijn lust te
hebben, een ridder die dat niet doet met of zonder geweld betekent ook
niet veel. Maar de ander ontwikkelt hiertegenover zijn sentimentele
smachtende opvatting van de liefde. Deze laatste hoort tot de klasse
van sentimentele minnaars als Lancelot, Gliglois, Ider, Claris en tutti
quanti. Gliglois is een jonge page die Gawein zijn schone gezonden heeft
om haar te dienen, maar die nu zelf gloeiend op haar verliefd wordt, nu
hij dageliks in haar nabijheid is en haar aan tafel en bij haar toilet
dient. Zij merkt hoe de knaap vergeet voor te snijden, hoe zijn handen
beven wanneer hij haar kleêren vast moet maken; zij heeft er plezier
in met zijn hopeloos bedeesde liefde te koketteren, hem gruwelik te
plagen en hem zeer hardvochtig zich half dood naast haar paard te laten
lopen... en tòch per slot, wanneer zij hem genoeg gepijnigd en op de
proef gesteld heeft, plotseling zijn »perseverance" te belonen met haar
hand en haar hart.--Claris is de arme jonge ridder die op de koningin
verliefd wordt; als hij eens zwaar gewond ter neder ligt, heeft de
broeder van de koningin aan wie hij eens zijn geheim toevertrouwd heeft,
er zijn zuster toe weten te krijgen hem te bezoeken. Overweldigd door
zijn vreugde vat hij nu moed haar zijn gevoelens te doen kennen, maar
zij wijst hem streng terug, zodat de zieke voor dood in zwijm valt. Nu
krijgt haar medelijden de overhand, zij buigt zich over hem en kust hem.
Die kus doet hem weer herleven, en op voorspraak van haar broeder stemt
de koningin er in toe zijn »amie" te worden; alleen moet hij beloven
zich tevreden te stellen met »l'acoler et le besier".

Ook de liefde in de echtbreuk wordt langzamerhand heel smachtend-elegies
en sentimenteel-moreel behandeld,--vooral in de twee uitvoerige
prozaromans van Lancelot en Tristan. In plaats van de versvorm komt nl.
nu en dan het proza te voorschijn--een bleek, dun proza wel is waar,
dat toch een eigenaardig ceremoniële elegance vertoont, een eigenaardig
smachtende gratie die goed bij de gekunsteldheid en de sentimentaliteit
van de toon past. Lang dweept de jonge Lancelot in stilte met de
koningin, hij kan niet, gelijk de levendige Zuid-Fransen, zijn gevoelens
in een sierlike hulde uiten, hij valt bijna in zwijm wanneer zij
hem haar hand geeft, en zij is het die de eerste fijne en diskrete
toenadering moet doen,--allerliefst is b.v. de boodschap die zij hem
zendt, wanneer hij een verre tocht gaat ondernemen, dat hij zich voor
onwaardige liefde moet wachten, want »hoe hoger een ridder zijn wensen
stelt, des te meer stijgt hij zelf in waarde." Tenslotte moet een vriend
de postillon van Lancelots gevoelens zijn en in tegenwoordigheid harer
maagden, geeft de koningin hem een kus. Op die kus en een »beau doux
ami" kan de gelukkige minnaar lang leven. Op zijn tochten kan hij een
hele dag stil in zijn liefdedromen weggezonken, zich door zijn paard
laten leiden, zonder dat hij zelf weet waarheen, evenals de koningin
zelf in haar torenvenster kan staan dromen van al de vreugde die haar
het hart doet overstromen. De geliefden ontmoeten elkaar maar weinig en
kort, gewoonlik moeten zij tevreden zijn met op een afstand voor elkaar
te zuchten en naar elkaar te smachten, en zelfs wanneer zij bij elkaar
zijn, vergiet hun liefde meestal nog tranen omdat zij door het ijzeren
hek van het huwelik van elkaar gescheiden zijn. Zij lijden onder het
halve en het verborgene in hun verhouding en de koning zelf heeft
medelijden met hen. Zelfs is Artus bereid hem zijn gemalin af te staan,
alleen om Lancelot's vriendschap te behouden. Elk der twee gelieven
heeft een vertrouwde, een vriend of een vriendin, voor wie zij hun hart
uitstorten en die zich met hen verheugen en met hen wenen en de koningin
weet van die twee vertrouwden een paartje te maken, evenals wij dit met
Kaherdin en Brangien in »Tristan" zagen gebeuren. Boze mensen zaaien
door vervalste brieven het zaad der verdenking tussen Tristan en Isolde,
als tussen Lancelot en Guenievre en wat uitdrukkelik in het wetboek der
liefde van Andreas Capellanus voorgeschreven is,--de geliefden geloven
altijd dadelik het allerergste van elkaar en zijn te trots om een
verklaring te zoeken of zich zelf te rechtvaardigen. Zij willen zich
uit wanhoop doden, maar dan weten de confidenten een verklaring of een
verzoening te weeg te brengen. En Lancelot is werkelik het voorbeeld van
een »loyal amant". Wanneer men hem met de woorden »uw vriendin zal het
nooit te weten komen" tracht te verleiden, antwoordt hij: »Mijn hart zal
het te weten komen en dat is één met het hare", en als iemand hem eens
een kus heeft ontstolen, gaat hij zich wanhopend aan een beek staan
wassen, veegt zijn lippen af en spoelt zijn mond om,--gelijk een heilige
in de oude legenden dit gedaan zou hebben.

Lijnrecht tegenover die sentimentele liefde staat echter bij Chrestien
als bij anderen, een ander ideaal prinsiepe, dat van de hooggespannen
en ten top gedreven cultus van de eer. Konden echte helden der
heldensage bang worden, deze onwerkelike ridders weten niet wat vrees
is; konden de eersten verstand aan den dag leggen en list vertonen, de
laatsten verachten zulke dingen. Wanneer er gezanten de grote zaal van
Artus binnenkomen, pochend en vol drukte zoals er dat in de heldensage
bij hoort, dan antwoordt de koning zachtmoedig glimlachend: »Vriend,
zeg ons uw boodschap; dat zal niemand u verhinderen." De ridders van
de Tafelronde moeten elke bede op voorhand inwilligen en keer op keer
worden Artus zo wel als zijn helden in de pijnlikste verlegenheid
gebracht wanneer de bede iets absoluut onmogeliks blijkt te beogen,
en meer dan eens worden zij door die onbezonnen beloften genoodzaakt
een onrechtvaardige zaak te bevorderen. Met poenerige trotsmoedigheid
zet de ridder zijn dame op het spel, zodra iemand hem maar uitdaagt
om haar te strijden. Komt er een vreemde strijdridder aan het hof van
Artus, die een ieder uitdaagt die maar wil om met hem om de koningin
te vechten, dan neemt Artus dit dadelik aan. Guenievre wordt dadelik
als het voorwerp van de strijd naar een weide gebracht en wie ook maar
wil van de ridders, al was het ook ridder Key, die om zijn ongelukken
bekend is, mag haar verdedigen. In de strijd zelf geeft de ridder zijn
tegenstander allerlei voordelen en is er op uit de fijnste ere-regels
voor de strijd op te stellen. Onder de ridders geldt ook de stijfste
beleefdheidsetikette en elk woord dat niet »convenable" is of elk
onbeleefd antwoord betekent zoveel als een uitdaging in een duel. Vooral
is hoofsheid tegen de dames een ridderplicht; een dame niet te groeten
is een misdaad, die gezoend moet worden; de hand aan een vrouw te
slaan--zelfs al zou zij daar zelf schuld aan zijn doordat zij zich
tussen de strijdenden geworpen had--eist een lange tijd van
boetedoening.

Een nieuwe ridderlike deugd, die de ridders van koning Artus op de meest
geraffineerde wijze beoefenen is de bescheidenheid; die hebben ze uit
de heilige legenden geleerd. Nooit zullen ze zich ook maar enigermate
op de voorgrond stellen, altijd, zo mogelik, hun heldendaden anoniem
volbrengen, in een onbekende wapenrusting, men moet ze bespioneren om
gelegenheid te krijgen ze te bedanken. Schoon is b.v. ook een scène
waarin Gawein een zijner broeders treft, zonder dat die hem kent. De
broeder vraagt de Artusridder over de Tafelronde uit, wie de beste
is, enz.... steeds in de hoop Gawein te horen prijzen. Maar Gawein
noemt allen anderen een voor één op, maar nooit zijn eigen naam, waar
de ander zich hevig over ergert. En Lancelot zowel als andere helden
hebben er een bepaald plezier in om zich zelf te plagen, en zich te doen
miskennen, zich voor te doen als of ze voor iets niet deugden en zich
door anderen in de schaduw te doen stellen; zachtmoedig houden zij zich
op de achtergrond, totdat ze van de nood een deugd moeten maken en ze
zich plotseling in al hun kracht vertonen.

En de Artusromans hebben er plezier in, evenals Chrestien, de ridder
met zijn eigen geweten in konflikt te brengen, waardoor verschillende
kwesties van eer of de eisen van de riddereer en die der liefde
tegenover elkaar komen te staan, zo dat de ridder genoodzaakt wordt een
dier eisen te overtreden en daarvoor gestraft wordt òf dat hij zich door
de ene of andere subtiliteit uit de slag moet trekken. Hij heeft b.v.
juist een tegenstander overwonnen en die ligt nu weerloos onder hem;
nu komt een dame aanzetten die om een gunst vraagt welke de ridder
haar natuurlik dadelik toestaat,--nu vraagt zij om het hoofd van de
overwonnene. Eerloos zou het zijn de weerloze te doden, maar zijn
belofte aan de dame mag een ridder ook niet breken; hij geeft dus de
ridder zijn wapenen terug en begint een nieuwe kamp met hem, waarin
hij hem overwint. Of Gawein heeft een ridder verslagen die een vrouw
geweld aan heeft gedaan. Des avonds komt hij aan een kasteel waar hij
allervriendelikst ontvangen wordt. Maar aan het eind van de maaltijd
wordt het lijk van de verslagene binnengebracht en nu blijkt het dat het
de zoon van zijn gastheer is die Gawein gedood heeft; het bloed dat uit
de wonden vloeit toont wie de moordenaar is en hij tracht dit dan ook
niet te ontkennen. Eerst wil zijn gastheer hem nu doden, maar dan
herinnert hij zich de eisen der gastvrijheid, laat hem de volgende
morgen wegtrekken, om hem dan pas te vervolgen en wraak te zoeken.

       *       *       *       *       *

De proza-roman van Lancelot is van de monniksgeest doortrokken. Lange
uitwijdingen over dogma's breken het verhaal overal af en voortdurend
wordt de kristelike missie van de ridderschap op de voorgrond gebracht.
Van zonde, berouw en boetedoening is de liefdeshistorie van Lancelot
en Guenievre vol, en de gehele elegiese sentimentaliteit waarmede hun
moeilikheden geschilderd worden heeft een kristelike legendentoon over
zich. De schroomvallige nauwgezetheid en de spitsvondige dialektiek
waarmede de ridder aan de eisen van de eer tracht te voldoen, het diepe
schuldbewustzijn dat de minste tekortkoming aan die eisen in het gemoed
van die ridder achterlaat,--dat is alles ook van kristelike oorsprong.
En de roman eindigt er dan ook meê dat Guenievre zich in een klooster
terugtrekt en Lancelot zijn leven als een vrome eremiet eindigt.

Vele zijn over het algemeen de pogingen van de geestelikheid geweest
om de ridderpoëzie van de kristelike geest te doordringen. Wij hebben
»lais" die een kristelike morele kleur over de heidense Keltiese sagen
trachten te leggen; wij hebben romans waarin de kristelike mirakelen
tegen heidense toverij strijden of waar het teken des kruises de ridder
uit de handen der spoken redt. Maar de belangrijkste poging om een
beslist kristelike ridderromantiek tegenover de wereldlike te zetten,
deden de monniken in de Graalromans. Tegenover de ridders van de
Tafelronde kwam de heilige ridderschap van de Graal te staan, tegenover
de jacht op avonturen en eer, die van de Graal, »la quète du graal",
een jacht op die levenskroon welke slechts de volmaakte ridder zonder
blaam zou kunnen bereiken. En niet minder avontuurlik,--neen! nog
avontuurliker en wonderliker, nog meer vervuld van heldendaden en
ridderlikheid dan al die Artur-romans werd die Graal-romantiek in de
werken van Chrestiens' navolgers, de Duitser Wolfram von Eischenbach,
die in een groot gedicht een verloren Franse versroman nabootst, in de
berijmde Graalromans van Robert de Boron, een Anglo-Normandies dichter
en ten slotte in de grote prozaromans die ten dele aan Walter Mapes
toegeschreven worden.

In die overweldigende massa van vers en proza golft er een chaotiese
menigte van voorstellingen, van alle kanten te samen gevloeid en die
elkaar dikwels tegenspreken. Maar de hoofdtrekken zullen wel zo ongeveer
de volgende zijn:

De schaal, het bekken of de schotel waarvan Kristus bij het laatste
avondmaal zeide: »Die de hand met mij in den schotel doopt, die zal
mij verraden", heeft steeds een wonderbare kracht behouden, niet alleen
om de goeden en de reinen voedsel te geven en hen tevreden te stellen
maar ook om de zonden te ontsluieren door geen onreinen in de buurt
te kunnen dulden. Die schotel kwam in het bezit van de vrome Josef
van Arimathea die er het bloed van de Gekruisigde in bewaarde. Toen
hij gedurende de Kristen-vervolgingen in de gevangenis geworpen was,
werd hij wonderbaarlik voortdurend door den schotel gevoed, en Kristus
openbaarde zich voor hem en leerde hem de ritus van de Mis en de
mystiese betekenis er van. Toen stichtte Josef een broederschap van die
»Graal" zoals het genoemd werd en van een Tafelronde, ter herinnering
aan het laatste Avondmaal. De Graal verschaft voedsel, maar hij die
alleen uit nieuwsgierigheid er in kijken wil of die zich aan de tafel
neerzet zonder er recht op te hebben, wordt gewond of verblind door
hemelse wapenen. De Graalbroeders trekken als zendelingen de wereld
in en ten slotte trekken zij op hemels bevel naar Engeland om dat
land te kerstenen. Overal wordt hun tocht door mirakelen en mysteriën
gekenmerkt, zij vinden het toverzwaard van koning Salomon; ter loutering
van hun zonden worden enkelen hunner met toverschepen naar tovereilanden
gebracht: een der leden van de broederschap heet Brons en wordt »de
rijke visser" genoemd, omdat hij een vis gevangen heeft waar een heel
gezelschap mee gevoed is geworden.--Petrus wordt in de H. Schrift een
»visser der mensen" genoemd en de vis is ook het symbool van Kristus--,
een ander wordt door een bloeddruipende lans in zijn voet gewond, hetzij
omdat hij op een heilige plaats is gaan slapen of omdat hij in de
schotel gekeken heeft, of het is door het zwaard van Salomon dat hij
gewond wordt. Intussen is de Graal van Josef van Arimathea in andere
handen overgegaan en die wordt ten slotte in een onbekend slot, ergens
in het westen van Engeland, bewaard opdat die niet in de handen der
woeste Saksen vallen zal.

Daar zit nu een Graalkoning die te bewaken... hij is ziek, maar hij kan
niet sterven of beter worden, vóór een rein, edel man naar de Graal en
de bloedende lans komt vragen. In navolging van de broederschap van de
Graal is nu Artur's ridderschap van de Tafelronde gesticht geworden om
de Graal te zoeken. Merlijn is de stichter er van; hij was eigelik een
afgezant van de Hel, uit een maagd geboren om zo een tegenhanger van
Kristus te vormen en had als deze bovennatuurlike macht gekregen; maar
het goede in hem had de overhand gekregen over het daemoniese in hem. Zo
zijn de ridders van de Tafelronde een wereldlike ridderschap die naar
ideële volmaking streven en de beste ridders zoeken overal de wereld
af naar de Graal. Door zijn liefde voor de koningin heeft Lancelot
zich onwaardig gemaakt om die te vinden; het is òf Percival òf--volgens
anderen--Galahad, de zoon van Lancelot, die eindelik als de reine ridder
zonder smetten, het kasteel weet te bereiken, de vragen stelt en
Graalkoning wordt.

Dat schijnen de grote trekken te zijn. Het is een vreemd mengelmoes
van trekken uit alle kanten. Zeker zijn er Keltiese sage-elementen bij.
Zoals wij reeds gezien hebben waren er oude Ierse verhalen van een ketel
waarin altijd genoeg te eten was, en van andere merkwaardige talismans
als een lans en een zwaard; verder de sage van de gewonde koning Artus
die nog steeds in leven is op het tovereiland Avalon, en er zijn zonder
kwestie sagen bij de Britten in omloop geweest van de romantiese
jacht die hun helden de gehele wereld door maakten op wonderbare
talismans,--evenals Jason het gulden Vlies was gaan zoeken, Herkules de
appelen der Hesperiden, Thor de wonderbare ketel van Hymir en de appelen
van Idun, of de helden van de Kalevala de molen van Sampo. Perceval
schijnt oorspronkelik er op uit getrokken te zijn om een toverzwaard te
zoeken waarmede hij de moord op zijn vader zou wreken; andere helden
zochten de wonderbare ketel die weer welvaart zou brengen in een land
dat onder een vloek had gelegen of die een zieke koning de gezondheid
weer zou geven.

En geesteliken hebben nu die Keltiese sagen in verband gebracht met
kristelike legenden. Apocryfe evangelieën waaronder dat van Nicodemus
het voornaamste is, vertelden van Josef van Arimathea, die de
beschermheilige der ridders werd en vooral van Brittannië en van oude
kristelike Broederschappen. Vervolgens: evenals alle andere relikwieën
uit het leven van Kristus--zijn rok, de zweetdoek van Veronica, de lans
van Longinus, het kruishout en de kruisnagels--zette de avondmaalschotel
ten tijde der kruistochten de fantasie in hoge mate in beweging en ook
alweer als die andere relikwieën werd het op verschillende plaatsen
vertoond, b.v. te Constantinopel en te Genua. Verder moest het bloed van
Kristus in de opvattingen van die dagen wel een grote rol spelen. In
overeenstemming met de oude begrippen van bloedwraak was het 't storten
van Kristenbloed zelf dat voor de mensheid de eigelike verzoening
betekende. Dat zij die het lichaam van de dode Heiland gewassen hadden,
dat kostbare vocht niet zouden hebben bewaard, waarin toch altijd zulk
een merkwaardige kracht moest zijn blijven wonen, dat scheen de mensen
volkomen onbegrijpelik: op vele plaatsen beweerde men dan ook een weinig
bloed van Kristus te bezitten, zo kreeg b.v. in het jaar 1247 koning
Hendrik III van de patriarch van Jerusalem een kristallen buisje met een
weinig van het heilige bloed er in, dat in de familie van de patriarch,
van de tijd van Josef van Arimathea af, van vader op zoon overgegaan
was. Bij de communie gebruikte men dit bloed ook, en het was juist in
de dagen der Kruistochten dat het krasse materialisme der Middeleeuwen
als vaststaand aannam dat het brood en de wijn door de mis werkelik
tot het lichaam en het bloed van Kristus werden. De naam graal
was waarschijnlik bedorven Middeleeuws-latijn, en de substantie
waarschijnlik een samensmelting van de schotel en de kelk die bij het
H. Avondmaal gebruikt waren, in oude miniaturen wordt die als een kelk
afgebeeld en het schijnt ook dat een en ander der mystiese liturgie der
mis, misschien wel bizonder zoals de kruisvaarders die in de Oosterse
kristelike kerk bediend zagen, de stof gegeven heeft voor vele
Graal-mysterieën.

Over het algemeen kan men zeggen dat de kruistochten het voornaamste
element voor de Graalpoëzie geleverd hebben. Er zijn talrijke Oosterse
elementen in de fraaie détails. Verschillende van de mystiese
merkwaardigheden van de Graalburcht doen denken aan wat de »Priester
Johannes" in de (onechte) Latijnsche brief aan de Keizer van Byzantium
vertelde van zijn geheimzinnige reis naar de binnenlanden van Azië, of
aan een nieuw Babylonies rijk waar te Byzantium van gefabeld werd,--waar
de Griekse afgezanten bv. een heilige kerk gezien hadden die altijd met
water van het graf van Kristus gevuld bleef, en waar onzichtbare stemmen
en mystiese opschriften de vreemdelingen altijd op weg hielpen--evenals
in de Graalromans. Maar die hele Broederschap van de Graal schijnt te
danken aan voorstellingen over de orde der Tempeliers, met hun prachtige
residentie in de »Tempel van Salomon", hun verschillende religieuse
mysterieën en hun half priesterlike ridderschap. In een geschrift
»De laude novae militiae" verheerlikte Bernard de Clairvaux die
krijgshaftige Broederschap »die ik niet weet of ik monniken of ridders
moet noemen",--»zachtmoediger dan het lam, wilder dan de leeuw;" leefden
die te zamen in kuisheid, soberheid en eendracht, terwijl zij wonderen
van heldendaden bedreven tegenover de ongelovigen. In de verloren Franse
Perceval-roman van »Kyot uit Provence"--die Wolfram von Eschenbach als
zijn bron noemt, wordt de Graal ook, duidelik genoeg, door een
Broederschap van heilige ongetrouwde »Tempelridders" bewaakt.

Maar evenals de Tempelheren al heel spoedig als separatisten en ketters
bij de Kerk in miskrediet en in ongenade vielen, zo was goed beschouwd
de gehele Graal-poëzie tegenover de Roomse kerk ook ketters. De leden
vormden toch eigelik een priesterschap zonder door de kerk geordineerd
te zijn, met hun eigen sakramenten en hun eigen heiligdommen, terwijl
zij de kerk die ze niet nodig hadden ook niet als hun overheid erkenden.
De grote prozaroman over de H. Graal beweert zelfs brutaalweg van
Kristus zelf te stammen als een evangelie even heilig als dat van de
kerk. En een duidelik Anglikaanse tendens beheerste het gehele gedicht;
de Britse kerk heeft te bogen, èn op een bizonder hoge ouderdom en
een bizondere heiligheid, geheel onafhankelijk van de Paus te Rome.
Er is ook heel veel grond om met de middeleeuwen aan te nemen dat
deze en dergelijke trekken te danken zijn aan Walter Mapes, bekend
als diplomaat en de hoogbegaafde kapellaan van Hendrik II. Evenals
het trotse nationale Anglo-normandiese rijk van Hendrik II de figuur van
Koning Artus als een pendant van Karel de Grote voor de Fransen voelde,
zo is de Graal-legende zeker wel een poging om in de fantasie een
nationaal Engels Kristendom te scheppen.

Maar, hoe dit nu ook zij, een feit is het dat de Graalromans een
legendaries-mysties en een asketies-moreel element in de ridderromantiek
brachten en tussen de Bretonse romans in, waarmede ze veel van de
ridderlikheid en het sosiale en het fantastiese element gemeen hebben,
zowel als de drang naar avonturen langs de grote weg, waren de
Graalromans bizonder in trek en werden ze met een spesiale eerbied
ontvangen. Na de ridder-romantiek van Chrestien, menselik-wereldlik en
met haar drang naar strijd en liefde, met intérieurs van het high-life
van die tijd en met avonturen waar niets »achter" stak, naïef rechtuit
en in bepaalde, duidelike, glasheldere omtrekken,--volgde er in de
Graalromans een ridderlik geestelike romantiek van een diepzinniger
en meer metafysies karakter en met een dieper en verder strekkend
fantasie-perspektief in zich. Met grote kunst wordt de fantasie der
lezers steeds in een mystiese atmosfeer zwevend gehouden. Er zijn bv.
geheimen die Jesus Josef van Arimathea in het oor gefluisterd heeft en
die niet bekend gemaakt mogen worden, of duistere voorspellingen die
niet verwezenlikt zullen worden voor »de dag komt, waarop de ridder met
twee zwaarden de droevige slag zal slaan waardoor alle wonderen van de
Graal zich voor het koninkrijk van Logres zullen openbaren en alle die
ellende op Groot-Brittanië zal vallen". Of we horen van mysterieën die
men aan profane oren niet durft toevertrouwen, maar die »opgeschreven
gevonden kunnen worden in het boek der klerken, waarin alles opgetekend
staat over de grote heimelikheid die »de Graal" heet." Of we krijgen
wonderen te aanschouwen die heel wat irreëler en bovennatuurliker zijn
dan de reuzen en dwergen van Chrestien: er wordt u een slot voorgetoverd
in plaats waarvan er plotseling een dorre heide verschijnt; een meer,
als dat waarin de »Dame du Lac" woonde en dat dan weer een bos blijkt
te zijn; stemmen, opschriften die een waarschuwing of een voorspelling
bevatten, onzichtbare handen die iemand trekken of terughouden, die
iemand een slag met een zwaard op de schouders geven, of die als de
geesten der spiritisten, iemand in de wang knijpen, zo dat er een
litteken van blijft zitten. Ook wat er op de kastelen voor toverij
gebeurt, is heel wat dromeriger en geheimzinniger in de Graalroman dan
bij Chrestien. In donkere gangen tast men zijn weg, deuren vliegen open
en slaan weer toe, men hoort het geratel van ketenen en ongure helse
geluiden... Hier is een drempel waar de ridder met geen macht ter wereld
over heen kan komen, daar ziet men een put open staan, waar giftige
gassen en duivelse stank uit komen... het doet zo wat denken aan de
ongemotiveerde en absoluut onbegrijpelike manier waarop men bij een
nachtmerrie in zijn dromen van het kastje naar de muur wordt gestuurd.

Maar steeds weer voert die atmosfeer van mystiek naar een hiernamaals
en altijd klinkt er een moraal-religieuse toon doorheen. Het zijn
geen heidense maar kristelike spookverschijningen die men hier in
alle soorten vindt. Kisten wier deksel zich opent en waar vlammen
uitslaan; te middernacht in de kerk, wordt de ridder met geselslagen
van onzichtbare geesten ontvangen of moet hij strijden met vormloze
spookverschijningen; of wel is het buiten op het kerkhof dat hij
jammerkreten uit de graven op hoort stijgen, hij wentelt grafstenen weg
en bevrijdt jonge meisjes die daar door duivels opgesloten werden om
hun lusten te dienen. Duivels die in de vorm van schone vrouwen mensen
trachten te verleiden, ridders voor hun zonden door straffende mirakelen
getuchtigd. Dikwels zijn het mirakuleuze illustratiën van het een of
ander dogma; een brood dat zich bij het gebruiken van het Avondmaal
in een levend kinderlichaam veranderd, welks bloed in de kelk vloeit
terwijl hemelse stemmen bevelen dat het in tweeën gesneden en verteerd
moet worden. Dwars door de gesloten deuren en vensters van een vertrek
komt op eens een wonderschone knaap, die ook op die zelfde wijze weer
verdwijnt; een stem verklaart dat hij die dit wonder gezien heeft zich
nu ook niet meer er over verbazen mag dat Jesus uit het lichaam ener
maagd geboren kon worden. Dikwels laat zich nog heel goed aantonen dat
er aan zulke verhalen een heidense Keltiese sage ten grondslag ligt,
maar waar de geesteliken een symbolies-kristelike uitlegging aan gegeven
hebben.

Een fatalisme vol geheimzinnigheden dat half Oosters schijnt te zijn,
maar ten dele ook op de kristelike leer der voorzienigheid gebouwd,
rust op alles wat wij zien gebeuren. Alles is voorspeld en staat met
»çhaldæiese" schrifttekenen in het »Boek van het Noodlot"; de menselike
vrije wil is maar een illusie, het zijnde hemelse machten die de mensen
blindelings, volgens ondoorgrondelike besluiten hun pad doen betreden.
Eens vindt Lancelot ergens een grafsteen met zijn naam en zijn
afstamming er op aangegeven, die hem onbekend waren, en er staat
bij dat hier zijn graf zal staan. Er komt ergens een schip zonder
zeilen aanzetten, op het dek ligt een wapenrusting met een schriftelike
mededeling dat de wijze Salomon duizende jaren geleden het schip gebouwd
heeft en het de wereld in heeft gezonden, waar het rond zou dwalen tot
het de persoon zou vinden voor wie schip en wapenrusting bestemd waren.
Het zwaard is prachtig maar het hangt aan een versleten hennepen koord
en er staat bij dat het steeds daaraan gedragen moet worden, totdat een
koningsdochter er een ander voor in de plaats maakt van wat zij bij zich
draagt en het meeste liefheeft en zij zal het zwaard dan ook pas zijn
ware naam geven.

De monniksgeest die wij reeds in de roman van Lancelot op de voorgrond
zagen komen, beheerst de Graal-poëzie al meer en meer. Reeds in de
»Perceval" van Chrestien was er op de sexuele kuisheid van de knaap
en zijn misdaad jegens zijn moeder sterk de nadruk gelegd; maar in het
gedicht van Robert de Boron en in de proza-romans dringt het ascetisme
overal door. In alle verhalen over de voorhistorie van de Graal, speelt
de vrouw bijna in 't geheel geen rol en waar ze optreedt wordt ze
meestal als het lagere wezen voorgesteld dat alleen maar tot het
kwade verleidt, evenals in de legenden en in de Oosterse bronnen.
En in de verhalen die »la quête du Graal" schilderen, het zoeken
der Tafelronde-ridders naar het kasteel waar men de Graal bewaart,
wordt sexuele reinheid en maagdelikheid absoluut geëist van hem die
Graalkoning worden zal. »Hij moet goed zijn in de ogen van God en in die
van de wereld. In de wereld moet hij goed zijn als hij, die vervuld is
van alle goede eigenschappen: eer, schoonheid en moed, en in Gods ogen
moet hij goed zijn, want hij moet vervuld zijn van barmhartigheid en
vroomheid en hij moet ook het zuiverste voorbeeld van kuisheid genoemd
kunnen worden."

Maar hier overschrijden wij dan de grenzen der ridderromantiek. De
mystiek en het idealisme van de Graal krijgt meer en meer een volkomen
kristelik-geestelike kleur,--wordt meer en meer geestesverwant met die
kruistocht der Albigensen, waardoor het vrolike Zuid-Frankrijk als de
aren voor de zeis werd neergemaaid, of met Lodewijk de Heilige, die geen
trouvères of minnestreels aan zijn hof duldde.



XIX.

DUITSE RIDDERROMANTIEK.


De Ridderromantiek is geheel en al op Franse bodem ontkiemd en in
Frankrijks lucht groot geworden en haar levensloop kan in de Franse
literatuur zelf nagegaan worden van de tijd dat zij knoppen zet en
bloeit af, totdat zij zaad schiet en verkwijnt toe. Maar--zoals wij
reeds in het begin gezien hebben--de sosiale en geestelike voorwaarden
waren zo ongeveer dezelfde in Duitsland en de ontwikkeling der kultuur
en literatuur zou daar in hoofdzaak langs dezelfde ontwikkelingslijnen
gaan als in Frankrijk, zodat de enorme Franse invloed die zich weldra
aan gene zijde van de Rijn deed gelden, eigelik slechts die geestelike
krachten in beweging bracht en vorm gaf, welke uit zich zelf al op
Duitse bodem ontstaan en gegroeid waren, en dan ook niettegenstaande
alle verfransing tot zekere hoogte een Duits karakter bewaarden.

Zoals bij de Zuid- en Noord-Franse vorstenhoven, kwamen ook in het
Duitsland der 12de eeuw de kleine edellieden aan de hoven der Welfen in
Brunswijk en Beieren bij elkaar, te Weenen, in Zwaben en op de Wartburg,
aan die der Babensbergers, der Staufen en der graven van Thüringen en
daar ontstond even als in Frankrijk een sosiaal leven en een sosiale
kultuur. De Latijnse roman »Ruodlieb" toonde, zoals wij gezien hebben,
niet alleen hoe ver men in de 11de eeuw reeds aan de Beierse hoven
gekomen was, maar ook vooral welke levensidealen de geesteliken de
baronnen voor ogen hielden. Evenals wij dit bij de Noord- en Zuid-Franse
hoven zagen gebeuren, werd ook aan die der Duitse vorsten het volkslied
het voorwerp van een fijnere, meer aristokratiese behandeling en de
edellieden van beider kunne dichtten dansliederen en minneliederen over
ridders en dames die elkaar verlaten moeten, en »Liebesgrüsze" die ze
elkaar in de verte zenden,--de dame is in de regel degeen die vraagt,
de ridder gedraagt zich koel, zoals het zijn waardigheid van man past--;
de zanger zelf staat op het voorplein van de burcht voor de dames en
heren te zingen. En ten slotte: evenals weer in Frankrijk, begonnen ook
aan het hof der Welfiese hertogen te Regensburg klerken de Latijnse
kronieken der geesteliken tot Duitse rijmkronieken om te werken, als
de Kaiserkroniek, rijk aan romanachtige onderhoudende stof, terwijl
tegelijkertijd de omzwervende speellieden in Frankenland en Beieren
evenals in Frankrijk zelf de oude heldengedichten gingen moderniseren
en romantiseren door ze naar het Oosten te verleggen en ze met
herinneringen aan de kruistochten op te smukken,--verliefde Saraceense
schonen, Oosterse pracht en wonderen. Uit de tijd der Ottonen waren
er toch genoeg verbindingen tussen het Duits-Romeinse Keizerrijk en
Byzantium en lang vóór dat Duitsland door de tweede kruistocht aan die
religieuse tochten mee was gaan doen, hadden vorsten en ridders, vooral
juist uit Beieren, aan zulk een tocht naar het Heilige Land deel
genomen.

Maar de begonnen zelfstandige ontwikkeling werd al meer en meer onder
een direkte, veelzijdige invloed van de Franse kultuur gebracht. Die
gehele nieuwe grote religieuse stroming van de 12de eeuw was Frans van
oorsprong en de monniken van Cluny die ook in Duitsland het kerkelik
leven beheersten, brachten de Franse geest en vorming met zich. Een
reeks huweliken met Franse prinsessen introduceerden het Fransdom aan
de vorstenhoven. Op het huwelik van Hendrik III met Agnes van Poitou,
volgde later dat van Hendrik V met een Anglo-Normandiese en dat van
Frederik Barbarossa met een Bourgondiese prinses en Hendrik de Leeuw van
Saksen huwde met de zuster van Richard Coeur de Lion. Zowel Bourgondië
als Provence kwamen onder de Duitse Keizerskroon en toen Frederik
Barbarossa de reis door Provence ondernam om zich te laten huldigen
of met oorlogszuchtige doeleinden naar Zuid-Italië trok, mag men wel
aannemen dat zijn volgelingen allerlei Romaanse modes en zeden hebben
leren kennen en overnemen, en dat troubadours hem op zijn feesten hun
opwachting zijn komen maken en Duitse hofzangers een lesje in hun kunst
hebben gegeven. Uit Noord-Italië trokken ook klerken zowel als die
troubadours uit Provence over de oude Alpenwegen op naar de gastvrije
hoven van Bohemen en Hongarije; de Donau-streken werden voortdurend
bereisd door Fransen die over land naar Byzantium of het Heilige Land
wilden. Maar vooral was de benedenloop van de Rijn: de Nederlanden,
Neder-Lotharingen, zowel als Vlaanderen, de plaats waar Frans en Duits
samenkwamen. Niet alleen Henegouwen en Brabant maar ook Lotharingen
hoorden onder het Duitse Keizerrijk maar waren altans overwegend Frans
in taal en kultuur en namen een aktief deel aan het opbloeien der
ridderromantiek die zich in het naburige Vlaanderen en Champagne aan
het ontwikkelen was. Langs al die wegen drong het Fransdom binnen.

En de superioriteit van dat Franse element werd bereidwillig door de
Duitsers erkend die met het grote adaptatievermogen dat zij steeds
hebben behouden, zich er vlijtig aan begonnen aan te passen. De bouw en
de inrichting der kastelen, de klederdracht en de spijzen der edelen
werden Frans. De hogere standen engageerden Franse geesteliken om hun
kinderen Frans te leren of zonden ze met een gouverneur naar Frankrijk
om daar de taal te leren, evenals ook Duitse studenten de Franse scholen
gingen bezoeken. Door een reeks leerdichten, beantwoordende aan de
Franse »castoiements" en »doctrinals", trachtten Duitse geesteliken hun
landgenoten in Franse »Sitte" en »Zucht" in te wijden en zij vormden het
woord »höfisch", beantwoordende aan het Franse »courtois". In 1127 werd
te Würzburg het eerste toernooi op Duitse bodem gegeven op Franse leest
geschoeid, en in diezelfde tijd begonnen ook de vormen en ceremonieën
van het Ridderwezen een Frans karakter aan te nemen. En in verband
hiermede begon men nu de erotiese poëzie der troubadours en de
ridderromans langs verschillende wegen in het Duits te vertalen,--en
het zal buitengewoon leerrijk zijn die wegen schrede voor schrede na te
gaan.

Gewoonlik waren het persoonlike en maatschappelike verbindingen
der vorsten die de aanleiding waren tot dergelijke vertalingen en
bewerkingen. Op een reis in Frankrijk in 1131 had Hendrik de Stoute
het Rolandslied leren kennen en bij zijn thuiskomst droegen hij en de
hertogin aan een priester Konrad op dit in Duitse verzen te vertalen.
Ongeveer gelijktijdig hiermede bewerkte een zekere Pfaffe Lamprecht, die
aan de Rijn in de buurt van Straatsburg thuis hoorde, de Provençaalse
Alexanderroman in het Duits. Maar degeen wie toch eigelik de eer toekomt
die ridderomans in Duitsland geïntroduceerd te hebben, was Heinrich von
Veldeke, die in de Nederlanden uit een ridderlik geslacht geboren en
getogen was, maar dicht bij de Franse taalgrens. Voor een gravin van
Kleef bewerkte hij de Aeneasroman in Duitse verzen. Toen zij met de
landgraaf Lodewijk van Thüringen trouwde, was het een dier graven van
Thüringen die het nog onvoltooide manuskript mede naar huis nam en eerst
toen de dichter negen jaar later zelf naar Thüringen kwam, kreeg hij
het van de literaire landgraaf Herman terug met de opdracht het te
voltooien. En die zelfde graaf Herman gaf nu zijn wens te kennen de
Trojaroman, die men als een soort vóórgeschiedenis van die van Aeneas
beschouwde, ook in het Duits vertaald te zien. Een graaf van Leiningen
wist de Franse roman machtig te worden en droeg een jonge geestelike uit
Fritzlar op die te verduitsen. Een ander onderdaan van de Landgraaf, een
der geesteliken uit het klooster Jechaburg in Thüringen, kreeg nu het
idee de Metamorphoses van Ovidius in Duitse verzen te vertalen. En zo
verplant de beweging zich, stap voor stap, van de Nederlanden naar het
hof op de Wartburg.

Een andere zetel van de Franse kultuur was, zoals wij zagen reeds ten
tijde van Hendrik de Stoute, het hof der Welfen te Regensburg; later
bevorderde de Anglo-Normandiese gemalin van Hendrik de Leeuw nog de
invloed van haar geboorteland sterker. Zo vertaalde b.v. een van 's
hertogen »Dienstmannen" Eilhart van Oberge, uit het Brunswijkse, het ons
bekende gedicht van Tristan en Isolde.

In Zwaben en aan de Bovenrijn hadden de Staufen hun eigelik machtsgebied
en Frederik Barbarossa resideerde gewoonlik in de Keizerlike Palts,
te Hagenau, Gelnhausen of Ingelheim. Het grote feest dat hij op
Pinkster van 1184 te Mainz gaf naar aanleiding van de ridderslag--de
»Schwertleite"--van zijn zoons, kwamen vorsten en edellieden uit
Frankrijk en Duitsland te zamen en die glorieuse dagen te Mainz wijdden
om zo te zeggen de gouden eeuw der Ridderromantiek voor Duitsland in.
Een der mannen van Barbarossa, een ridder von Hausen uit de Rijnstreken
die in de dienst van de Keiser naar Frankrijk zowel als in Italië kwam,
vertaalde de minne-poëzie der Provençaalse troubadours in het Duits en
veel andere keizerlike ambtenaren die ook in de Romaanse landen reisden
volgden zijn voorbeeld. Andere ridders uit de Rijnstreek en Zwaben
zochten hun voorbeelden in Noord-Frankrijk, zo richtte Reinmar von
Hagenau uit de Elzas zich voor zijn minneliederen hoofdzakelik naar de
Noord-Franse lyriek. Daar heeft ook de eerste grote man van de Duitse
ridderroman gereisd, Hartmann, waarschijnlik in de dienst van zijn
meester, de heer von Aue, zelf vertelt hij ons dat hij zijn ridderlike
Liefdeleer daar van daan meebracht, die hij in een poëtiese zendbrief
(ein »Büchlein") ontvouwde, zo wel als twee der ridderromans van
Chrestien de Troyes die hij elegant verduitste: Erec en Iwein.

Tussen die verschillende haardsteden der kultuur in Zwaben,
Rijn-Frankenland, Thüringen en het hof der Beierse hertogen was er nu
een sterk, levendig literair verkeer, en van die vaste punten breidde
de ridderromantiek zich over andere delen van Duitsland uit. Een der
Franse edelen, een dier gijzelaars die tegen de loslating van Richard
Coeur-de-Lion uit de gevangenschap des keizers gesteld waren, gaf een
handschrift van de roman van Lancelot aan een geestelike uit Thurgau,
die dit later in het Duits trachtte weer te geven op het voetspoor van
Hartmann von Aue's romans. Een waardiger navolger en mededinger kreeg
Hartmann intussen in een ridder uit het Beierse Frankenland, Wolfram
von Eschenbach, die heel lang aan het hof van de landgraaf Herman
von Thüringen leefde en werkte; althans één van de romans die Wolfram
bewerkte was hem door die landgraaf besteld. Ook de troubadour-poëzie
verplantte zich tegelijk van de Rijnstreek naar de hoven van Thüringen,
waar Heinrich von Moringen de leider werd van een locale school van
minnezangers.

En eindelik komt de beurt aan het Beiers-Oostenrijkse Duitsland, waar
de eigen nationale kultuur zich nog het langst tegen de indringer
verzet had,--waar de oude heldenliederen van Siegfried en Krimhilde en
Wolfdietrich nog voortdurend in de grote hal der kastelen weerklonken en
waar het inheemse minnelied nog steeds aan de hoven gekultiveerd werd.
Uit de Rijnstreek kwam de zoëven genoemde Reinmar van Hagenau naar het
hof der Babensbergers te Weenen en charmeerde allen door zijn vreemde
koloratuur en niet lang daarna was het Oostenrijk dat in Walther von der
Vogelweide de fraaiste liederen der ridderlyriek voort zou brengen. Uit
Midden-Duitsland kwam de rondzwervende zanger Stricker naar Oostenrijk
met zijn eigengemaakte Artur-romans en het was ook daar dat later
de vrouwendienst en het rondzwervende ridderleven het verst gedreven
werden, zelfs bijna tot een karikatuur, door Ulrich von Lichtenstein.
Zelden zal een literaire modebeweging zo aardig stap voor stap in haar
ontwikkeling gevolgd kunnen worden. Maar het waren toch voortdurend de
Rijnlanden die de meest echt-Franse en de meest elegante ridderlikheid
opleverden: de klassieke ridderroman in de »Tristan en Isolde" van
Gottfried van Straatsburg, fijne ridderlike verhaaltjes in de »Mären"
van Konrad von Würzburg die te Straatsburg en Bazel werkte.

De bewerking door Hartman von Aue der romans van Chrestien de Troyes
toont al dadelik ook zeer duidelik de punten waarin de Duitse en Franse
ridderromans altijd van elkaar verschild hebben. Bij de Fransman is de
ridderwereld een stuk van zijn eigen inheemse kultuur, die met de tijd
en de grond gegroeid is en die de burgerzoon uit Troyes met bewondering
aan de vorstenhoven om zich heen gadeslaat. Voor de Duitse ridder is
daarentegen die ridderkultuur een vreemde mode en fijne manier van leven
en voelen, waarin hij zich zelf heeft moeten inwerken en opvoeden en
waarin hij nu door zijn dichtwerk zijn landgenoten een kursus geven
wil. Waar Chrestien naïef en fris beschrijft wat hij zelf gezien heeft
en natuurlik menselik voelt, dikwels met zijn eigen burgerlikheid,
daar heeft Hartmann aan de ene kant een zekere ingeboren fijnere
ridderlikheid in zich, maar aan de andere kant kontroleert en
»stiliseert" hij ook aldoor en idealiseert alles wat hij schildert
volgens een ideaal der ridderlikheid dat hij zijn lezers duidelik
wil maken; in de gehele verhouding tot zijn stof is hij niet-naïef,
gereflekteerd, »sentimenteel". En dan: de Fransman werkt in de
»grondstof" der sagen, die hij hun eerste vorm geeft, de Duitser is de
bewerker die het essentiële van het werk afgedaan vindt en die het nu
fijner kan maken,--die ongelijkheden kan effenen, het overbodige er uit
kan laten, gebreken in de motivering kan aanvullen,--maar die er ook
licht toe komt het er wat dik op te leggen, het te veel uit te spinnen
en te overladen, of te veel en te geraffineerd te verfraaien. In
vergelijking met Chrestien is de schildering van Hartmann meer kunstig
maar ook meer gekunsteld.--Maar bovendien komt hier ook het verschil
van ras reeds op de voorgrond dat later de gehele Franse en Duitse
literatuur kenmerken zal. De Fransman heeft het nuchtere soliede gevoel
voor de werkelikheid van de Latijnse naties; met al zijn zintuigen leeft
hij in het uiterlike leven mede dat hij evenals zijn medemensen neemt
zoals zij zijn en hij heeft daarenboven een sosiaal simpatiek karakter,
dat zich in de gemoedsbewegingen zijner personen inleeft, en levendig
alle scènes dramatiseert: de aanleg van de Franse geest voor roman en
drama doet zich bij Chrestien reeds duidelik kennen. Het Germaanse
karakter van de Duitser beschouwt de dingen en neemt ze van buiten
waar, veel minder levendig en massief, hij leeft meer in zijn eigen
voorstellingen en gevoelens en hij idealiseert het leven en de
mensen naar zijn eigen dromen en idealen: de lyriese, idealistiese,
rekonstruerende aanleg van de Duitse geest openbaart zich reeds bij
Hartmann.

»Mij lust het u te laten horen, dingen, die het zéér waard is te
bezingen," zo begint Chrestien zijn vertelling in naïeve »Lust zu
fabulieren". Daarentegen schrijft Hartmann om aan te tonen »hoe hem die
zich op de ware voortreffelikheid spitst, geluk en ere steeds zullen
begeleiden". Waar dus Chrestien de scène zeer aanschouwelik schildert en
de gebeurtenissen dramaties voorstelt, is Hartmann er steeds op bedacht
alles zo goed mogelik het ideale ridderleven te doen illustreren en de
lezers tot voorbeeld te doen strekken. Het konflikt tussen riddereer
en liefde dat de romans van Chrestien behandelen, wordt bij de Duitser
diepzinnig tot een moreel probleem, waarbij de begrippen Eer en Trouw
zeer sterk op de voorgrond treden: Door zijn gelofte te breken is
Iwein een verrader geworden, een »triuweloser man" welke allen zullen
verachten die »Trouw en Eer liefhebben". En aldoor past Hartmann op
dat alles volgens de ridderlike gewoonte en hoofsgepast geschiedt. Hij
verwerpt de realistiese jolige vergelijkingen en allerlei triviale of
naturalistiese détails over strijd of eten of kleeren, bizonderheden
waar de speellieden uit het heldenepos zich gaarne in vermeiden.
Daarentegen zijn een ideaal ridderpaard of een ridderburcht, een
tournooi of een jachtpartij onderwerpen die blijkbaar beter bij zijn
stand passen en die hij met voorliefde schildert. Waar Chrestien de een
of andere ontvangst levendig weergeeft, doceert daarentegen Hartmann hoe
de ware gastvrijheid zijn moet in tegenstelling met een die men tegen
zijn zin, gemelik zich laat afdwingen. Wanneer Chrestien mededeelt dat
Lunette bij de dienstmaagden zo geliefd was omdat zij hun de afgedragen
japonnen van de prinses gaf, of dat het bruidskleed dat de koningin
Enide ten geschenke gaf, nooit te voren gebruikt was geweest, en dat
hij de koningin haar zelf laat verzekeren dat die wel meer dan 100 mark
waard is, dan laat Hartmann dergelike burgerlike naïeveteiten eenvoudig
weg, evenals het tussen de burchtvrouwe en haar cameriere, tussen de
edellieden en de kleine burgers bij hem ook veel minder vertrouwelik,
veel deftiger toegaat dan bij Chrestien.

In duizend kleinigheden merkt men groter takt en fijngevoeligheid bij
de Duitse edelman en diens betere opvoeding en vormen. Zo is b.v. de
gehele scène waar Erec bij de arme Vavassor intrekt en diens dochter
wint, geretoucheerd met een massa fijne trekjes: dat het jonge meisje
eigelik als stalknecht dienst doet, geneert de dichter evenzeer als
Erec zelf; haar schuchtere (bliuchliche) blikken naar hun gast en diens
verliefdheid worden veel fijner dan in het Frans weergegeven en bij
Hartmann treedt de voorname ridder met veel groter kiesheid tegenover
zijn gastheer op. En zo gaat het steeds; de uiterlike vormen zijn fijner
en netter geworden, en in plaats van het vertrouwelike »zoete, lieve
vriendin" wordt in het Duits de vorm »Frau" gebruikt waar hij haar
aanspreekt en ook in bescheidenheid, takt en fijngevoeligheid staan de
mensen hoger dan die van de eenvoudige Franse trouvère.

Verder is de Duitser harteliker en ook meer zoetsappig-sentimenteel.
De vrouwen van Chrestien kunnen een drastiese passie tonen die bij de
Duitser tot een stille eerbare sentimentaliteit wordt. En overal komt er
een warme zachte gevoelstoon over wat er verteld wordt: de vriendschap
tussen Iwein en Gawein heeft een volkomen sentimenteel karakter en
er zijn aardige beelden uit het familieleven, hier en daar een stukje
Duitse humor, een roerend afscheid van huis, een roerend weerzien van
twee geliefden. »Hun mond was stom, hun harte zong,--het droeg een
vreugdekrone,"--heet het lyries.

Vooral is de vrouwenverering en de liefde heel wat
zoetsappig-sentimenteler bij Hartmann dan bij Chrestien.
Zoetig-galant--»zoet" is een van zijn lievelingswoorden--is hij aldoor
bij de beproevingen van Enide, en dat zijn ook alle mensen met wie zij
in aanraking komt; zelfs het paard vindt dat zijn voeder beter smaakt
wanneer het hem toegediend wordt door de witte handen van zulk een
»zoete" stalknecht. Hij voegt er een lange roerende monoloog in waarin
Enide verklaart zich van kant te willen maken, zij vraagt de dood om
haar te komen huwen terwijl zij nog jong en fris is, en zij roept de
dieren des wouds aan om haar op te komen eten;--waren zij werkelik
gekomen, zegt de dichter, dan zouden zij alleen maar vol medelijden met
haar geweend hebben. Veel meer dan bij Chrestien wordt het daarom bij
Hartmann een sentimentele proef waarop de echtgenoot zijn vrouws liefde
stelt en terwijl het Franse gedicht daarmee eindigt dat Erec Enide
vergeeft, is het slot van het Duitse dat Erec haar om vergiffenis
smeekt. Evenzoo wordt in de »Iwein" het avontuur van de held met de
»Dame de la Fontaine" wier echtgenoot hij gedood heeft, door de Duitser
veel sentimenteler geschilderd en hogerop genomen dan bij de Fransman.
Dat een vrouw de moordenaar van haar man huwt is voor Chrestien niet
meer dan een nieuw bewijs er voor dat de vrouw honderd keer van opinie
verandert en morgen weer anders denkt dan vandaag en feitelik gebeurt
dit ook alleen om de praktiese reden het kasteel weer een beschermer te
geven. Voor Hartmann is het daarentegen »die gewaltige Minne" die de
burchtvrouwe in haar macht krijgt ofschoon zij Iwein nog volstrekt
niet gezien heeft. De dichter wil het verhaal idealiseren en
sentimentaliseren, maar maakt het daardoor eigelik alleen maar
ergerliker.

Op zijn eigen sentimenteel-Duitse manier legt Hartmann ook een
kristelike kleur over zijn ridderromantiek. Zijn stijl is doortrokken
van geestelike en bijbelse voorstellingen en God is steeds galant en
sentimenteel voor de smeekbeden van een »zoete-meisjesmond". Enide wordt
een echte heilige, omzweefd door hemelse allegoriese wezens. Als boete
tot zekere hoogte voor zijn profane gedichten legde Hartmann er zich in
zijn latere jaren op toe Legenden in een half ridderlike, avontuurlike
sentimentele, half aestetiese stichtelike stijl om te werken. De kleine
H. Gregorius is als kind in de kloosterschool door zijn beminnelikheid
en zachtheid eigelik een vrome pendant van de Florissen en Guillaumes
der Grieks gekleurde Franse romans onder hun verblijf aan het hof. En in
»der arme Heinrich" is het dochtertje van de boerenkinkel dat leven en
bloed over heeft om de melaatse vorstenzoon te genezen, nauw verwant aan
het burgermeisje van Marie de France, dat zich voor haar geliefde ridder
opoffert. Maar er is in die Oedipus-achtige Gregorius-geschiedenis
zowel als in »der arme Heinrich" een mystiek, een drang naar de
martelaarskroon en een verlangen naar het hiernamaals, die tonen hoe
sterk de Duitse ridderromantiek nog in het teken van de levensopvatting
der geesteliken staat.

Maar »Frau Welt" steekt het hoofd al meer en meer op aan de
Duitse hoven zo wel als aan de Franse. In zijn jonge dagen geneerde
Hartmann zich niet een veelvuldig gebruik te maken van een der
lievelingsvoorstellingen der geestelike literatuur: een dialoog tussen
het lichaam en het hart, om de levensregelen der ridderlike liefdekunst
te verklaren en hij schreef ook troubadour-liederen. Het oudste Duitse
minnelied staat over het algemeen bij Friedrich von Hausen, Heinrich
von Veldeke, Heinrich von Moringen of Reinmar von Hagenau in dezelfde
verhouding tot zijn romaanse bronnen als de romans van Hartmann von Aue
tot de hunne.

Reeds te voren waren de minneliederen aan de Duitse hoven in zwang
geweest en de erotiese poëzie der romaanse troubadours had die niet
geheel en al kunnen verdringen, zo min als de Duitse zeden zich volkomen
naar de Franse lieten vervormen. Maar: de in één strofe paarwijze
rijmende verzen werden nu vervangen door de kunstige versmelodieën
met hun vlug rhythme, dat maar heel slecht paste bij het stijve zware
Duits door hun talrijke, door elkaar geslingerde rijmen, de getelde
lettergrepen en hun in drieën verdeelde strofen. Men voerde de nieuwe
dichterlike stijl in met de hele vrouwendienst. Men zeide van het
lichaam der Schone dat het »wolgetan" en »minneclich" was, evenals de
Provençaalse dichters het »ben estans" en »amoros" genoemd hadden, men
prees haar »Tugend" en »Guote" in plaats van »pretz" en »bontatz", bad
om genade en zwoer hulde als vasal, kultiveerde »tougen Minne", beloofde
»Verswîgenheit" en klaagde over »die huote", »die nîdaere", juist zoals
de troubadours de geheimhouding (»lo celar") als voorwaarde opstellen
voor de ridderliefde en zij tegen de »gardadors", de wachters, al de
»envios", de ijverzuchtigen, en de sluwe »lauzengiers", de lasteraars,
te velde trokken. Ook het bekende arsenaal der beeldspraak: de pijlen
van de blikken die het hart door het oog wonden, en de personificatie
der liefde vinden wij bij de Duitsers terug. Maar het meeste voelt men
toch als geleende veren en dat past soms heel slecht bij de Duitse
toestanden. De Duitse zangers zijn geen afhankelike hofpoëten die hun
meesteres moeten bezingen en haar daarom natuurlik hun vazallenhulde
bieden en die alle mogelike reden hebben tot bescheiden ootmoed en
discretie voor het geval zij zich verwaardigt hen te begunstigen.
Het zijn integendeel voorname edellieden en welgestelde hovelingen
en de vrouwen hebben er geen politieke en sosiale machtspositie als in
Zuid-Frankrijk. De zangers verbergen de naam hunner aangebedene dan ook
niet en dikwels zal het ook een ongetrouwd jong meisje geweest zijn dat
zij openlik, en in eer en deugd het hof maakten. En zo ontmoeten wij bij
die onderdanige huldigingsgedichten der dames naar de nieuwe mode bv.
nog steeds die oude »Frauenstrophen" waarin de vrouw zich niet geneert
haar liefdesverlangens en smeekbeden bloot te leggen en uit te spreken
of zich eerst voorneemt zoals 't past, trots zich op een afstand te
houden, maar weldra overslaat en eigelik niets liever verlangt dan naakt
in zijn armen te liggen.

Maar over 't algemeen kan men toch zeggen dat overal Duitse tonen door
de conventionele nabootsing heen breken. Heel ver van de vormen der
troubadourpoëzie is bv. de jolige platduitse humor in meer dan één van
Hendrik van Veldekes platduitse liederen: het jonge meisje dat haar
aanbidder weg heeft moeten zenden omdat hij »lose minne" van haar
durfde vragen; zij vindt het vervelend dat hij niet zo is geweest
als zij van hem verwachtte maar zij neemt het zijn »ziek gemoed" niet
kwalik, verheugt zich op de komende zomer en heeft plezier in vrolike,
onschuldige »bliskap". Of het huiselike, klagende innige der liederen
van Albrecht van Johannesdorff, terwijl hij op een kruistocht naar zijn
geliefde terug verlangt: »Hoe liefde begint dat weet ik wel; hoe die
ophoudt weet ik niet... Mijn eerste liefde zal mijn laatste zijn... God
geve dat ik haar in ere terug moge vinden als ik weer thuis kom, dan
is mijn beste wens vervuld. Indien zij onderwijl haar leven veranderd
mocht hebben, dan wens ik zelf op reis om te komen! Een ding raad ik
haar, dat haar woorden oprecht mogen klinken en dat zij zich eerlik
»einvalteclîche" gedrage tegenover mij." Zeer Duits gekleurd is
tenslotte ook Reinmar von Hagenau's slechts weinig gepassioneerde maar
lyries sentimentele aanbidding van het »ewig weibliche."--»Met passende
klachten en zonder aanstoot te geven" (ân arge site) zal hij zijn
ongelukkige liefde dragen; hoe lang hij ook leeft, zijn gehele bestaan
zal aan haar gewijd zijn, en niet alleen aan haar, maar aan de vrouw
in 't algemeen wijdt hij zijn lied. »Wel u vrouw, wat een reine naam,
zo zoet t'erkennen en zo zoet te zeggen, zo veel als gij kunt, kan er
geen volbrengen, uw lof geen mens volprijzen kan, hij die gij lief hebt
is een zalig man, één vreugd is hem het leven. De hele wereld geeft
gij lust en moed, waarom hebt gij nooit het minste mij gegeven?" Die
verering van de vrouw in het algemeen, in plaats van »een" vrouw is een
spesiaal Duitse vorm van de liefdepoëzie der troubadours,--een groot
deel van het verschil tussen de Franse en Duitse minneliederen ligt in
die verschillende opvatting uitgedrukt.

       *       *       *       *       *

Zoals al gezegd is, trok Reinmar von Hagenau naar Weenen en zijn
leerling was Walther von der Vogelweide. De ridderromans van Hartmann
vonden ook hun weg oostwaarts en in Beiers Frankenland vond hij
een navolger in Wolfram von Eschenbach. In deze beiden, de twee
eerste geesten onder de dichters der Duitse middeleeuwen, vindt de
ridderromantiek het Duitsdom in zijn krachtigste vorm, zoals die in
het Zuid-Oosten bloeide en de Nationale poëzie zoals die zich in het
Nevelingenlied en het repertoire der scholastici vagantes vertoonde.

Walther von der Vogelweide was niet zoals de vroegere minnezangers
een adelik dilettant, die de Romaanse troubadourpoëzie als een
gezelschapsspelletje beschouwde; hij behoorde wel tot de adel, maar was
zonder enig fortuin, zodat hij als een mindere van de rondtrekkende
speellieden door muziek en zang de kost moest verdienen. Zijn lied
komt voort uit het populaire speelmanslied en dat der vaganten,
zoals dit bij de oudere Provençaalse troubadours het geval was, en
zodoende is hij feitelik een veel zuiverder pendant daarvan dan hun
directe navolgers dit waren. Hij zong ter ere van de Heren die hem
onderhielden, verdedigde hun politiek en viel hun vijanden aan; bij
alle gebeurtenissen van den dag meende hij ook een woordje meê te moeten
spreken in wat wij nu berijmde pamfletten zouden noemen, en hij dichtte
»Sprüche" en »Sinngedichte", zoals de oude speellieden gedaan hadden; en
evenals deze ontzag hij zich niet bedelverzen te zingen of spotverzen
op zijn mededingers. Eerst leefde hij aan het hof te Weenen en prees de
vrijgevigheid van Hertog Frederik als groter dan die van Koning Artus;
maar toen de nieuwe hertog minder belang in poëzie bleek te stellen,
trok Walther weg en stelde in een gedicht Weenen voor als klagende over
het verval van een glansrijke periode. Een tijd lang was hij de »man"
van Hermann von Thüringen en hemelde hem op als de »Bloem van Thüringen"
die steeds heerlik riekt en schittert, wanneer alle andere hoven reeds
lang niet meer bloeien; al kostte een vat goede wijn ook wel 1000 pond,
bij de landgraaf zou de beker van geen ridder leeg staan! Ook met andere
kleine vorstenhoven stond hij in verbinding, maar hij sloot zich toch
meer en meer bij de keizers aan: eerst bij Philip van Zwaben, wiens zaak
hij voorstond tegen de Paus en de tegen-keizer Otto, terwijl hij niet
nalaat tegelijk om een paar druppels van de zegen der vrijgevigheid te
vragen en hij de royaliteit van een Saladin en Richard Leeuwenhart de
keizer als voorbeeld voor ogen stelt. Na de moord op Philip koos Walther
de partij van keizer Otto maar verliet die weer voor Frederik II,--wel
ietwat te veel volgens de lijfspreuk der rondzwervende zangers: »wiens
brood ik eet, diens woord ik spreek," terwijl hij zich bovendien maar al
te dikwels zijn »zangerloon" door bedelarijen en dreigementen wist te
doen geven, en hij ook meer dan eens danig van zich afsprak tegenover
»Hr. Wichmann" of Nidhardt of hoe die andere »Professionals" heetten die
hem concurrentie aan wilden doen.

Alle stemmingen der »Vagantes" heeft hij doorleefd en geeft daar
uitdrukking aan in een lyriese poëzie, heel wat vrijer, persoonliker
en rijker dan die uit de gedichten van hovelingen als Friedrich von
Hausen of Heinrich von Moringen spreekt. Hij heeft de druk van de
winter gevoeld en de vreugde wanneer »het seizoen" weer begon, zoals de
vagantes en een Meester »Spervogel" of »Suchenwirt" en andere vogels van
enigsins verdacht allooi ze gevoeld hebben. De wintertijd, wanneer de
wereld van geel, rood en blauw, bleek en grijs geworden is en de kraaien
krijsen en de vorst de kleine vogeltjes en de arme mensen plaagt. Als
hij die strenge tijd nu maar verslapen kon, tot hij de meisjes weer met
de bal kon zien spelen en de boer aan zijn veldarbeid ging! Zoete zomer,
waar blijft ge? Zo lui te liggen en als in de ijzers geslagen, dat is
alsof je een monnikspij aantrekt. Het bittere gevoel van geen thuis te
hebben heeft hij gekend, hij smacht er naar eindelik eens niet zijn
brood bij vreemden te eten, maar nog eenmaal zijn voeten onder zijn
eigen tafel te steken en als gastheer begroet te worden door zijn
vrienden, en wanneer hij eindelik op latere leeftijd een stukje land
heeft weten af te troggelen, kent zijn vreugde geen grenzen. »Ich han
min lehen, al die Werlt, ich han min lehen" en nu vreest hij geen vorst
meer in zijn tenen!--Ook de aanvallen van doodsangst en walg van het
leven kent Walther als zo menig andere Bohémien,--wanneer hij »Frau
Welt" vaarwel zegt en de onvriendelike waard zijn groeten zendt en dat
hij zijn schulden nu betaald heeft en zijn naam nu van het zwarte bord
verdwijnen kan,--»ik zou liever geld van een Jood lenen dan _hem_ nog
langer iets schuldig zijn; hij zegt niets vóór hij je plotseling de deur
uitzet als men niet betalen kan." Of wanneer hij,--gelijk zo menig
vagebond vroeger of later, b.v. Villon--in een ogenblik van weemoed al
zijn roerende goederen vermaakt, voordat hij »fare" moet, opdat er geen
twist tussen zijn erfgenamen kome--al zijn ongelukken aan zijn vijanden,
zijn beslommeringen aan de leugenaars; aan de vrouwen schenkt hij zijn
hele verlangende liefde!--Maar in den regel is het toch de vreugde die
hij bezingt, de jeugd, de natuur en de liefde, zoals de vaganten dat
deden. Waar de »höfische" lyriek liefst elegies het hoofd laat hangen,
daar is Walther de zanger van de vreugde. De ouden van dagen mogen hun
leeftijd voelen, maar zij mogen de wereld niet ook oud maken; waarom
hebben de jongeren hun jonge sterke lichaam als het niet is om de
vreugde te kultiveren? Is men jong en rijk op de koop toe, kan niemand u
overwinnen en dan moest men in de lucht zweven van plezier. Mij die arm
is heeft Vrouw Fortuna toch meer opgewektheid gegeven dan den rijke. Hij
die beslommeringen heeft moest maar eens aan goede vrouwen denken en het
schitterende jaargetijde, dan raakt hij zijn nachtmerrie wel kwijt.

Walther is dol op de natuur en leeft daar heel wat meer vóór en ìn, dan
de echte Hofzangers. Hij bezingt het bontgekleurde tapijt der heide,
wanneer die zich over haar winterzorg begint te schamen en bloost als
zij het bos ziet groenen. Maar meer nog houdt hij van het bos zelf
en het allermeest van de vriendelike weiden en de velden, waar de
grassprietjes in de spelende zonneschijn staan te lachen en de bloemen
en de klaver met elkaar schijnen te wedijveren wie het hoogst op schiet.
Indien ik zulk een zalige dag als deze voorbij liet gaan, dan was ik wel
gek,--barst hij in overstromende lentevreugde uit. God zegene u allen
en wenst gijlieden mij nu ook maar veel geluk!--Op een warme zomerdag
zocht hij de schaduw onder een boom op een weide bij een beekje--in
zijn gedicht gebruikt hij bijna dezelfde woorden als een Latijns
Vagantenlied--en daar valt hij in slaap en droomt hoe hij over alle
rijken der wereld heerst en hoe zijn ziel uit alle beslommeringen
weggerukt wordt en ten hemel stijgt,--tot een domme kraai hem tot de
nuchtere werkelikheid terug roept.

Ook in zijn minneliederen bleef Walther in verbinding met de speellieden
en de dansliederen. Offisieel was het zijn werk het hof te amuseren
en daarvoor heeft hij zeer zeker de hofminneliederen van zijn leraar
Reinmar von Hagenau nagedicht. Hij voelt zulk een gedicht heel wat
sterker dan de vroegere minnezangers als iets dat _besteld_ is en noemt
het zijn taak in die toonaard en die geest te zingen zoals het _volk_
het wenst: »swie sî sint, sô wil ich sin,--daz si niht verdrieze mîn."
Voor hem hoort het tot de hoofse omgangsmanieren om zich één met de
mensen te voelen met wie men samen is, en hij is bang om uitgelachen
te worden wanneer hij alleen vrolik is terwijl al de lui om hem heen
bedroefd zijn. En zo zingt hij ter ere van de voorname vrouwen en maakt
zich de heraut van hun schoonheid; maar hij doet het voor zangerloon al
is het maar een vriendelike »gruoz" en hij verklaart ronduit dat hij hun
de rug toekeert indien zij dat niet voor hem over hebben en dan zullen
zij ook gauw genoeg merken dat het met hun goede reputatie uit is.
Maar hij geeft de conventionele, de Provençaalse dichters nageaapte
vrouwendienst en de hele stijl die daarmeê in verband staat, toch
heel spoedig op. In plaats van het »Vrouwe"--het »domina", meesteres,
der troubadours--gebruikt hij in een fraai gedicht: »Wîp" als de
erenaam der vrouw,--de natuurlike naam van het geslacht in plaats
van de conventionele aanduiding van de stand en hij verheerlikt de
»echtgenote" in plaats van de »vriendin". Mooi en natuurlik, zoals nog
geen een dichter vóór hem, geeft Walther uitdrukking aan zijn echt
rechtstreeks plezier in de schoonheid der vrouw: schoner gezicht zelfs
dan de pracht der zomerweide is hem de schone reine vrouw, wanneer zij
in een nette dracht en fijne witte hoofdtooi ten feeste opgaat, in
fiere houding en door haar maagden begeleid, maar nu en dan toch eens
vriendelik omkijkend,--een zonne tussen sterren. Met het beeld der
uiterlike schoonheid vermengt zich hier reeds de hoofse zedigheid en
de innerlike schoonheid der ziel. Maar nog inniger--en in verzen die
nog heden geschreven hadden kunnen zijn--wordt de liefde der vrouw
verheerlikt als de beste balsem voor het verlangend hart van de man.
»Zalig verlangen, haar heb ik gevonden,--in mijn hart, daar keerde zij
in,--heel mijn gemoed heeft zij betoverd, gebonden, mij beroofd van
bewustzijn en zin--Nooit meer kan ik van haar scheiden, door haar
goedheid en haar gratie, en haar rode mondje dat zo zoetjes lacht."
»Maar," gaat Walther verder door, »liefde is slechts liefde wanneer die
door beiden gedeeld wordt, die moet het geluk van twee uitmaken; als
die er eén ongelukkig maakt, dan heet die ten onrechte liefde,"--voor
de sentimentele elegiese troubadour die zich in zijn eigen smachten
verkneutert, voelt Walter niets. »Liefde is niet goed voor één alleen,
daar moeten er twee voor zijn, en wel zo dat die de twee harten
doordringt maar ook niet meer." En de vrouw en de man moeten hetzelfde
in die liefde voelen: jubelt de man dat »het geluk dat een man ten deel
kan vallen, werd het mijne, toen zij mij eerlik rechtuit verklaarde
dat ik haar na aan het hart lag", even openlik erkent de vrouw dat zij
in hem ook »wîbes heil" gevonden heeft, het geluk dat voor de vrouw
weggelegd is. Voor beiden moet de liefde iets zijn wat ze in de goede
zeden opvoedt: _hij_ komt tot haar en bidt haar er met »Maze" de schaaf
bij hem over te laten gaan, maar nu verklaart zij bescheiden dat hij
even goed aan haar heel wat op te voeden zal vinden; en dan vertelt
_hij_ haar wat de man bij de vrouw verwacht: trouw en zedigheid, maar
tegelijkertijd opgewektheid en beminnelikheid, en _zij_ hem wat de vrouw
graag in de man ziet: vrolikheid, maar gelijkmatigheid van karakter en
trouwe toewijding. En vrouwen die zo kunnen beminnen en ook zo bemind
kunnen worden, die vindt men, volgens Walther, alléén in Duitsland: vele
landen heb ik gezien, maar nooit nog vond mijn hart smaak in vreemde
zede; Duitse zedigheid gaat boven alles, van de Elbe tot de Rijn, en
helemaal tot Hongarije, daar vindt men de besten als ik tenminste iets
van geestesgaven en lichaamsschoonheid af weet; hij die deugd en reine
liefde zoekt, moet naar ons land komen.

Dikwels gaat Walther ook van de conventionele »hohe minne" der hogere
kringen op »die niedere minne" over en bezingt dan burgerdochters en
boerenmeisjes in een fris gedichtje in de volkstoon. »Herzeliebes
frowelîn," zingt hij, »de mensen maken er aanmerking op dat ik mijn
snaren zo laag stem, maar zij die zo spreken, hebben nooit liefgehad.
Zij die aardse goederen nastreven of schoonheid, voelen de ware liefde
niet. De liefde maakt de vrouw haar schoonheid uit en laat ze maar
praten, ik heb liever jou ring van glaspareltjes dan de gouden ring van
een koningin..." »Neem deze krans," zeide hij in een heerlike droom die
hij verleden had, tegen een »wôl getanen maget", en met blozende kaken
en neergeslagen ogen nam zij die als een schuchter kind en »geschiedde
er meer, dan bewaar ik dat in mijn heimelikheid." Nooit was groter
vreugde mijn, de bloemen daalden van de bomen over ons in het gras
neder,--toen het eilacy! dag werd en ik uit mijn droom ontwaakte. En nu
loop ik alle meisjes sterk in de ogen te kijken of zij er ook bij is,
van wie ik droomde. »Wie weet of zij hier niet bij is, bij deze dans?
Wees zo goed, o schonen, uw hoed wat op te schuiven, ach! zag ik haar
maar met haar krans!"--Schelms en lief zingt ook het jonge meisje
hoe zij en haar vriend zich onder de linde op de weide een plaatsje
uitgezocht hebben. Menigeen die daar voorbijkomt zal moeten lachen als
hij ziet hoe het gras en de bloemen er uit zien! Aan de rozen zal hij
het kunnen zien waar mijn hoofd lag. Als iemand wist dat hij bij mij
gelegen had, zou ik mij dood schamen en wat hij met mij deed, dat hoeft
niemand te weten behalve hij en ik en een klein vogeltje. Tietewiet! dat
zit hier niet ver vandaan!

Dat is artistiek verfijnde volkskunst. En zo staan ook Walther's
politieke »Dienst"-gedichten duidelik in verband met de oude populaire
dicht-genres der Speellieden. Van de heidense tijden af waren
volksdichters gewoon geweest de een of andere gedachte uit te spreken
in de scherpe, treffende kernachtige vorm van een korte strofe gekleed,
die òf op een bepaalde gebeurtenis sloeg òf van meer algemeen satiriese
of morele aard was en soms een zekere leerstelling door een »exempel"
illustreerde. In dergelijke »Sprüche" en »Bîspeln" geeft Walther
gewoonlik zijn politieke journalistiek ten beste en heft daardoor ook
zijn schimpdichten en zijn bedelpoëzie boven die van het ogenblik tot
de waardigheid van werkelik diepere dichtkunst op, een poësie soms
satiries, filosoferend of moraliserend. In zijn korte kernachtige
»zinnekens" verstond hij de kunst de kern van de Duitse nationale
politiek bloot te leggen, die hij voorstond en om het »los van Rome",
de grondgedachte der Hohenstaufen, in alle toonaarden te variëren, van
energies pathos tot bloedige hoon en bittere komiek--en dat steeds weer
in nieuwe beelden en vormen die zelfs de kunst van de beste »Sirventes"
der troubadours overtreffen. Men ziet dadelik dat hij hier uit
zijn eigen volle nationale overtuiging spreekt. En in zijn meer
algemene morele berijmde beschouwingen legde hij zijn gehele etiese
levensbeschouwing bloot met als idealen twee deugden: »Maze" de deugd
der ridderlike vormen en »Staete", de voornaamste der oude Germaanse
deugden. »Maze" is evenals het Franse »mesure" in het algemeen
hoofsheid, fatsoen, zedelike tucht. »Unmaze" legt zowel de vrouw aan
den dag die als een man optreedt, als omgekeerd de man die zich als een
vrouw aanstelt, zowel de ridder die als een monnik leeft, als de monnik
die de allures van een ridder aanneemt, zowel hij die zich boven zijn
stand wil verheffen als hij die zo lang drinkt tot zijn tong dubbel
slaat en hij niet meer op zijn benen kan staan. En tot »Maze" hoort vóór
alles, Gode te geven wat Godes is en de wereld wat der wereld is, »Gotes
hulde" dus te zoeken zowel als »weltlich ere",--goed te onderscheiden
tussen de hemel die Gods is en de aarde die des Keizers is. Maar nog
hoger schittert toch »Staete". Walther's ideaal: »Staete" betekent de
mannelike vastberadenheid, de opene integriteit, de onbuigzaamheid en
trouw die reeds Tacitus zo bij de Germanen prees,--trouw tegen zich zelf
zowel als tegen anderen. De man moet uit één stuk zijn, en »vierkant",
wat de Grieken »tetragonos" en de Romeinen »quadratus" noemen, evenals
nog in 't Frans carré, zijn zin moet vast zijn als steen, en rechtuit,
zo recht als de pijl uit een boog,--niet glad als ijs of een aal,--zijn
woord moet zonder tweetongigheid zijn, beter één eerlik Neen! dan twee
gelogen Ja's, zijn hart zonder valsheid, zoet als de avondschemering die
een heldere dag voor morgen voorspelt,--de ware man wordt nooit
»nieuw",--wien hij éénmaal wel wil, wil hij ook wel voor altijd.

       *       *       *       *       *

Aan het hof van Hermann van Thüringen trof Walther de dichter van de
Parzival, _Wolfram von Eschenbach_, die in de lyriek een dergelike
plaats inneemt als Walther, terwijl hij zich ook in een krachtige Duitse
geest aan de ridderromantiek wijdde. Evenals Walther is hij van adel,
maar zonder geld; hij is geboren, zegt hij, tot »Schiltes Ambet" en laat
er zich zelfs erg op voorstaan dat hij heel weinig gelezen heeft en niet
kan schrijven. Hij is uit Beieren en verklaart dat »wij Beieren zijn
dapper, maar verstand en hoofse vormen is niet iets voor ons". Toch
heeft hij met zijn grote drang naar ontwikkeling en vormen getracht zich
het hele evangelium van het nieuwe Fransdom eigen te maken, zowel als
allerlei geleerdheid over landen en volkeren en natuurfenomenen, gelijk
hij zich ook brutaalweg inlaat met allerlei geheimzinnige teologiese
bespiegelingen. En met al de verachting van een krijgsman voor boeken,
heeft hij als de echte autodidact die hij is, er altijd plezier in
zijn half verteerde wijsheid uit te kramen. Zijn taal is doorspekt met
Franse woorden en eigengemaakte Franse uitdrukkingen en hij kan op de
vermakelikste manier het »gaste forest soutaine" van zijn Franse bron
tot »de woestijn in Soltâne" maken en »Une dame gisait" tot »Vrouwe
Jeschute" en soms steekt hij zelf de gek met zijn Beiers Frans. IJverig
heeft hij Heinrich von Veldeke en Hartmann von Aue bestudeerd en met
hen als leermeesters tracht hij zichzelf en zijn landgenoten naar de
nieuwe moderne ridderlikheid te vormen. Maar veel van de oude bekende
heldenzangen hoort hij nog in zijn oor klinken en hij kent de oude
heldensagen goed en wij vinden al de karakteristieke uitdrukkingen
daaruit, als »Degen" en »Recken", »balt" en »ellenthaft" in zijn
ridderstijl terug. Het was geen toeval dat hij het niet beneden zich
achtte om een van de wildste oud-Franse Heldendichten--Aliscans--te
bewerken, ofschoon, dat dient er bij gezegd, in een merkwaardig
ridderromanties kleed!

Er is een frisse, kernachtige kracht, een flinke durf in die Beierse
ridder en zanger. Aan de levende ridderwereld van de oorlog en de jacht
en het paard en het zwaard, ontleent hij krachtige en schilderachtige
beelden voor alles wat hij uit wil drukken. De morgenzon heeft zijn
klauwen door de wolken geslagen en stijgt met macht; trouw zit in het
maagdelik gemoed, vèr-blikkend als de helderziende valk; voor een van
zijn personen breekt de »kling der vreugde" plotseling dwars door bij
het heft, voor een ander is de smart reeds zo ver van honk gereden dat
geen speer die meer in kan halen. Maar er is ook een brede Beierse humor
in hem, sterk verwant aan die van de gedichten der speellieden. Midden
in zijn verhaal vallen er hem woordspelingen of barokke vergelijkingen
in, of kan hij niet nalaten zijn eigen personen voor de gek te houden;
soms krijgen wij op eens een vermakelike scène aan het hof van Thüringen
of uit zijn eigen levensgeschiedenis of tapt hij een hatelikheid
op de stereotiepe beschrijvingen van andere dichters. En gewoonlik
geneert hij zich niet,--hij toont zich de man die hij is en er zit niet
weinig zinnelikheid in hem. Zijn grapjes draaien daarom dikwels om het
geslachtsleven en zijn dubbelzinnigheden zijn gewoonlik grof en als hij
er maar even kans toe ziet, beschrijft hij graag de vrouwelike vormen en
een nacht van liefde. Zijn ridders en vrouwen en meisjes munten meestal
uit door een grote mate van zinnelikheid en zijn ridders hebben het
voortdurend over vrouwen en behandelen ze meer op de wijze der baronnen
dan echt ridderlik.

Gemoedelikheid en karakter is er genoeg in het werk van Wolfram. Hij
heeft het warme frisse gemoedsleven van de Zuid-Duitser en zijn poëzie
ziet de wereld door een glimlach en tranen en voelt voor het geluk en
het ongeluk der mensen waar zijn pen van schrijft. Humor, idyllen,
sentimentaliteit, alle straalbrekingen van het gemoedsleven zijn er in
de poëzie van Wolfram von Eschenbach evenals in die van Goethe of Jean
Paul. De hele Parzival door wordt de belangstelling van de lezer gaande
gehouden door aardige kleine scènes en episoden: nu eens wordt er
humoristies de treurige hongerkuur geschilderd die de bezetting van een
belegerde burcht moet verduren, dan eens is het een ridder die Parzival
op zijn kasteel ontvangt en met de bedachtzaamheid van een familievader
zijn schuchter jong dochtertje en de knappe vreemde ridder samen tracht
te brengen. Of Gaweins zeer jonge zuster, die voor het eerst in haar
leven met een ridder spreekt, en om beurten rood en bleek wordt wanneer
die haar zeer dierbare groeten komt brengen van niemand meer of minder
dan de Koning zelf, voor wie zij reeds lang in het geheim gezucht heeft.
En overal in het boek schitteren beelden en vergelijkingen die van een
bizondere sentimentele vlucht der fantasie getuigen: De groene vreugde
van Parzival wordt volkomen ontkleurd,--de gedachte aan Sigune trok
de vreugde te voorschijn uit het hart van de held gelijk de bij de
zoetigheid uit de bloemen zuigt,--de sterren begonnen zich te vertonen,
de boodschappers van de nacht, die haar voorafgaan om haar herberg te
bereiden.

Maar die zoete kern is bij Wolfram in een verwonderlik harde schil
verborgen. Zijn stijl is even hortend en stotend, even verward en met
presies zulke uitwassen als de Duitse taal zelf met zijn ophoping van
sisklanken en harde konsonanten en zijn in elkaar gedraaide zinsbouw.
Evenals de verzen van de IJslandse Skalden zijn die van Wolfram vol van
de meest capricieuse onvoldragen en geheel en al mankgaande beelden die
een merkwaardige neiging vertonen om in onverteerbare klompen samen
te groeien of zich in onontwasbare knopen door elkaar te slingeren.
Zijn fantasie is even groot als zijn smaak barok is, hij houdt er van
allerlei kunstige omschrijvingen te bedenken en heeft plezier in de
wonderlikste vergelijkingen: het is alsof hij er een eer in stelt alles
op zijn eigen manier te zeggen en het de lezer zo lastig mogelik te
maken om hem te volgen. Wolfram is een echte Germaan die zijn hoed
draagt zo als hem dat nu eenmaal belieft, en die nog trots is op zijn
eigenaardigheden ook.

In de Franse romans van Parzival vond de Beiers-Frankiese dichter een
voorbeeld dat hem in het hart grijpen moest. Daar leest men immers hoe
een jonge, naieve, onbeschaafde bewoner van Valois,--maar dat is nu
juist, zegt Wolfram, alsof wij zeggen zouden: een Beier--langzamerhand
in de ridderlikheid ingewijd en tot een voorbeeldig ridder gemaakt
wordt; hier vond men nu juist zulk een kursus in goede zeden en
ridderlik denken als Wolfram zelf wenste te doorlopen en zijn
landgenoten voor te kunnen houden. Het zou zijn levenswerk worden om die
gedichten in het Duits over te brengen en Wolfram's Parzival werd het
belangrijkste en meest echt-Duitse werk van de Duitse ridderromantiek.
Nu is het natuurlik op dit ogenblik heel moeilik met zekerheid aan te
geven wàt er in dat werk van hem is en wat hij aan de Franse bronnen te
danken heeft. Als een dier bronnen noemt Wolfram naast het gedicht van
Chrestien de Troyes vooral »Kyot van Provence" (waarschijnlik Guiot)
maar dat gedicht is niet tot ons gekomen. Maar in hoofdtrekken kan men
toch wel aan ieder het zijne geven.

Die Franse schrijver zal van Anjou geweest zijn, hij heeft altans ter
ere van het Angevin-Engelse koningshuis Parzival een prins van Anjou tot
vader gegeven en er een hele voorgeschiedenis bij geschreven over diens
heldendaden in Azië en zijn huwelik met een koningin der Moren,--alles
in de gewone stijl van de epiek der Kruistochten. Trouwens, hij heeft er
veel Oosterse elementen der Kruistochten bijgevoegd, citeert Arabiese
werken die hij in het Latijn gelezen heeft en is een van degenen geweest
die het meest gedaan hebben om de Graalromantiek met geestelike mystiek
te doortrekken; hij zal dan ook wel een geestelike geweest zijn.
De Graal is nu niet meer een schotel, maar een steen met allerlei
wonderbare eigenschappen. Die bezaten ook volgens de Oosterlingen
vele edelstenen en meteoorstenen, en zowel te Mekka als in Phoeniciese
steden en in Klein-Azië aanbad men in de oudheid heilige stenen. En
de Alchimisten hebben het altijd over de »Steen der Wijzen". Een heel
merkwaardig verhaal hangt Guiot (Kyot) nu op over de Graalsteen die uit
de Hemel naar de aarde gebracht was en eerst bewaakt was door de Engelen
die als »neutralen" uit de Hemel verbannen waren geworden, maar die nu
bewaakt werd op een kasteel »Mont Sauvage" (of Mons Salvationis) en
bediend door een ridderschap van kuise Tempelridders. Elke Goede Vrijdag
wordt de wonderbaarlike kracht van de Steen vernieuwd door een oblaat
waarmeê een duif uit de Hemel aan komt vliegen. De eerste Graalkoning
was Titurel, de tegenwoordige is Amfortas maar die is tot straf voor een
zondige liefde met ziekte geslagen. In het algemeen is de Graalmystiek
in dit werk heel wat meer geestelik-asceties en Oosters gekleurd dan
die van Chrestien. Er is ook een mystieke tovenaars-figuur ingevoegd,
die van Clincheor (Klinschor)--een soort Merlijn maar een boosaardig
halfmens--die op »Chateau Merveille" woont; en uit een Brabantse sage is
de Zwanenridder Lohengrin er bij gehaald die een onschuldig aangeklaagde
prinses redt en door Kyot tot ridder van de Graal gemaakt is en de zoon
van Parzival heet.

Dit ridderlik-geestelike gedicht is het nu dat Wolfram verduitst
heeft en vrij bewerkt in overeenstemming met zijn eigen karakter en
persoonlikheid. Veel meer dan de Graalmystiek is de geschiedenis van
Parzival zelf voor hem hoofdzaak en daardoor is die bij hem veel dieper
en tot een wereldlike »Erziehungsroman" geworden zo als later »Wilhelm
Meister" en in dramatiese vorm »Faust" dat is. Wat hij van Parzival
maakt is, als men het zo uitdrukken mag, de »perfect gentleman", niet
alleen in uiterlike ridderlikheid waar het voor Chrestien bijna alleen
op aan kwam, maar vooral in de hogere vorming van het hart en het
karakter, in een volle en echte menselikheid zoals het ideaal daarvan
zich voor een Beiers ridder voor moest doen.

De jonge, in het bos geboren en getogen knaap is hier niet alleen zoals
voor de Fransman, een simpel onbeschaafd jongeling uit Wales die door de
wereld afgeslepen moet worden; Wolfram herkent zich zelf en zijn eigen
Beieren in die frisse oprechte kinderlikheid en bekijkt met hartelike
welwillendheid zijn onervarenheid en eerlikheid, waarachter hij alle
deugden van hart en karakter vermoedt. Reeds in het begin van zijn werk
begroet hij zijn held als »traeclîche wîs",--hij die traag rijpt en
langzaam, maar dan ook des te heerliker vrucht geeft. Zo hadden de
Germaanse heldensagen er steeds behagen in geschept hun helden voor
te stellen--wat van Beowulf verhaald wordt, geldt ook van vele andere
helden, hoe ze in hun jeugd eigelik wat achterlik waren en geminacht
werden, zoals dit ook bij ons in het Noorden zo dikwels met de rijkste
naturen werkelik voorkomt. Juist onhandigheid en naïeveteit zijn de
eigenschappen waar Wolfram veel voor voelt als de karakteristieke
kentekenen van jeugdigheid en onbedorvenheid. Zijn »süeziu jugent"
brengt hem in verrukking; hij is »tumb und wert", hij is »gein valscher
fuore ein tor", een dwaas tegenover alle valse streken,--zoals Thor dat
in Jotunheim is.

Een echt Duits lyries dwepend jongeling is hij ook, die Parzival van
Wolfram, wanneer hij in de eenzaamheid van het bos ronddwaalt en zijn
borst uit voelt zetten bij het zoet gekweel der vogeltjes, dat zijn hart
doordringt; wenend loopt hij naar zijn moeder en kan haar niet verklaren
waarom hij weent. Dat is hetzelfde verlangen om weg te komen, dat reeds
»zijn linkerborst doet zwellen" evenals dat hetwelk zijn vader er uit
dreef en later ook de jongeling zelf er uit zou jagen--alle vlakten
waren hem nog te eng, al het groen scheen hem verlept, zoals het ergens
over hem heet. Een verwonderlik dromerige zwaarmoedigheid en dwepend
verlangen blijft de Duitse Graalheld aan de eenzaamheid wijden en aan
rusteloos smachten; in gedachten verzonken, leeft hij op meer dan een
plaats, soms raakt hij helemaal zijn hoofd kwijt; die hele figuur
schijnt als een uitwerking van het oude Keltiese sprookjesmotief dat
Chrestien reeds voor Parzival gebruikt heeft, maar dat Wolfram veel
verder uitwerkt: de held die op zijn omzwervingen een zekere dag in
gepeins verzinkt bij het zien van een paar bloeddruppels in de witte
sneeuw, die nu het gezicht van zijn geliefde voor zich ziet en de gehele
dag door daar blijft staan, in smachtend verlangen verzonken.

Nu gaat Parzival de wereld in en verlaat zijn moeder. Maar reeds bij
zijn eerste stappen veroorzaakt hij, zonder het te willen en zonder
het te weten, ongeluk op ongeluk door zijn naïeve onachtzaamheid
en gedachteloosheid en hoopt de ene schuld op de andere; door zijn
moeder te verlaten legt hij haar in het graf, hij doodt een zijner
bloedverwanten om diens wapenrusting machtig te worden en is de oorzaak
dat Jeschute door haar man verdacht en hard behandeld wordt. Maar dat
gebeurt alles terwijl hij eerlik meent de raad van zijn moeder te
volgen: »sus riet mîn muoter" zegt hij telkens weer, en zijn »zoete
jeugd", zijn goed hart, zijn flink karakter komen altijd weer te
voorschijn en winnen de harten van allen. Alles wat hij nodig heeft
is slechts dat hij door onderricht en ervaring wijzer worden moge.

Onderricht,--dat geeft hem evenals bij Chrestien, de oude ridder
Gurnemanz en op zijn tochten treft de jongeling ridders en dames wier
optreden een voorbeeld is voor hem--en voor Wolfram's lezers. Het
gedicht is om zo te zeggen één kursus in uiterlike vormen en als in
het geval van Hartmann tracht ook hier de Duitse leerling zijn Franse
leermeester in pedant ceremonieel te overtreffen. Ridder Key, de
drossaart van Arthur, die in de Bretonse romans altijd uitgelachen
wordt, verdedigt Wolfram omdat hij zo goed de etikette in acht doet
nemen; het hof van de Thüringse landgraaf zou zulk een ceremoniemeester
uitstekend kunnen gebruiken. Dames en ridders trachten elkaar in het
gedicht in tucht en hoofsheid de loef af te steken, en zelfs wanneer
Gawein na een gevecht doodvermoeid ter neder ligt en geen lid verroeren
kan, maakt hij nog duizend excuses tegen de jonge meisjes die hem
verzorgen dat hij daar zo »ungezogenlîche" blijft liggen. »Gezogenlich"
en »Vuoge" zijn de uitdrukkingen voor dat zekere »decorum" dat Wolfram
najaagt. Maar behalve in de uiterlike riddervormen geeft de Gurnemanz
van Wolfram, veel meer dan die van Chrestien, Parzival ook diepere
morele levensregels ten beste: karaktervastheid en ootmoed,
barmhartigheid voor hen die in nood zijn, achting voor de vrouw, trouw
in de liefde,--dat zijn de deugden die hij hem voorhoudt en aanprijst.
En bij Wolfram is het dan ook juist door een afwijken van die diepere
moraal dat Parzival eerst zondigt, om daarna, als hij het weer goed
gemaakt heeft, te zegevieren.

Uit de handen van Gurnemanz en na diens onderwijs genoten te hebben,
komt Parzival aan het slot van de jonge ridderdochter Kundwiramur waar
hij zijn opvoeding in de liefde-kunst ontvangen zal. Ook in de min deed
Wolfram zijn best zich volgens de nieuwe ridderlike smaak te vormen,
maar die komt met zijn natuur heel weinig overeen. Als hij op zijn Frans
frivool wil zijn, wordt hij onbehagelik wellustig, als hij charmant wil
zijn, wordt hij zoetig geaffekteerd,--men vergelijke b.v. de episode
van Gawein-Obilote bij de beide schrijvers. Zo is ook het jonge meisje
op het slot dat de knaap de liefde wil leren kennen, veel gracieuser in
het Frans en onschuldiger in haar natuurlikheid,--bij Wolfram ligt er
iets zoets, wellustigs over de episode. Maar daar staat iets tegenover
dat werkelik Scandinavies-Germaans genoemd mag worden. Wanneer in de
huweliksnacht de jongeling te schuchter is en te veel er op uit zijn
bruid te sparen, om dadelijk aan zijn wensen toe te geven, dan stelt hij
zich met lichte liefkozingen tevreden, maar de jonge bruid bindt toch de
volgende dag zich de »Vrouwenband" om het voorhoofd en weet niet beter
of zij is vrouw geworden, zo goed als een ander!

Wanneer Parzival aan de Graalburg komt, verzuimt hij bij Wolfram zowel
als bij Chrestien, de vraag te stellen die een einde aan de betovering
zou maken. Dit oud sprookjes-motief is bij Chrestien een bewijs van
Parzival's naïeveteit en onbeschaafdheid; hij heeft de waarschuwing van
Gurnemanz om zijn vraaglust niet te veel bot te vieren, al te letterlik
opgevat en laat alle merkwaardige dingen gebeuren zonder de vraag te
stellen die men van een gast die zijn wereld kent had mogen verwachten.
Maar Wolfram geeft het geheel een veel moreler en sentimenteler draai.
Niet naar de Graal en de lans had Parzival moeten vragen, maar als gast
had hij met deelneming en medelijden naar de ziekte van de lijdende
koning moeten informeren. Door een al te streng vasthouden aan de
uiterlikheden van Gurnemanz's voorschriften verzuimt hij zijn plicht
als man. Het is dus alleen nog maar het uiterlike, de schil der
ridderlikheid die hij zich eigen heeft gemaakt; hij laat de stem des
harten verstikken in leeg conventionalisme, en daarin steekt zijn fout.
En als hij dan hoort wat hij al niet door dat verzuim verspeeld heeft en
gesmaad wordt voor wat hij juist als fijne riddervormen beschouwde, dan
raakt hij helemaal de kluts kwijt en zo vervalt hij dan in een veel
groter zonde, die waarvan Wolfram juist leert dat het 't grootste gevaar
voor de mensheid is,--dan komt de twijfel bij hem op,--d. w. z. dan
begint hij te twijfelen aan de hemelse rechtvaardigheid en hij komt tot
oproer tegen God, in plaats van zich ootmoedig onder de hem opgelegde
beproevingen te buigen. En hier zien wij de eis van de religieuse
opvoeding der ridders waarschijnlik uit Wolfram's geestelike Franse bron
te voorschijn komen. Dit ontbreekt Parzival n.l. nog maar, zegt Wolfram
en hierin herkent men hem terstond, als er maar echte mannenaard en
trouw tegen zich zelf in de mens zit, dan werkt hij zich wel uit die
twijfel en die vertwijfeling vandaan, en komt zeer zeker tot de troost
van God. »Wert gedinge," d. w. z. een edel vertrouwend streven, zegt
Wolfram, is een groot geluk in dit leven zowel als hiernamaals. »Wer
immer strebend sich bemüht, den können wir erlösen," zoals het heet van
een ander die zich ook van God losgemaakt heeft, maar die tengevolge van
zijn morele kracht toch door strijd tot redding weet te komen. En zo
buigt ook Parzival na jarenlang nutteloos omzwerven tenslotte gewillig
zijn ridderlik mandom onder de wil van God. Nu is zijn zedelike
opvoeding pas geëindigd, de hoogste ridderlikheid bereikt en als de
volmaakte ridder weet hij de toverij te doen wijken en wordt hij zelf
tot Graalkoning uitgeroepen.

Dit alles is niet helder doordacht en de oude stof heeft er zich maar
half toe kunnen lenen om de gedachtengang in levende handeling om te
zetten. In tegenstelling met Gawein die, gelijk reeds bij Chrestien,
niet anders doet dan op krijgs- en liefdesavontuurtjes uittrekken, is de
Graalheld Persival de naar volmaaktheid strevende, ideale ridder. Maar
hij wordt geen monnik-ridder, hij wil, evenals Wolfram, voldoen aan de
eisen van God maar ook van de wereld. Wolfram leefde namelik midden in
de voortdurende strijd tussen Keizer en Paus en hij voelt met zijn
karakter, even diep als Dante, de grote tegenstelling tussen die twee
levensopvattingen, maar wil, ook gelijk Dante, leven voor een krachtige
dualiteit. Dit was trouwens toch in 't algemeen het programma van de
ridder-romantiek: »Voor >Dieu< en voor >le Siècle< te leven, goed te
zijn voor God en in de ogen der wereld",--dat is het ideaal der Franse
ridderromans. »Het lichaam moet voor de wereld leven, het hart moet naar
God streven," de mens moet tegelijkertijd »die beiden ê" (fas et jus)
nastreven--zo leren de Duitse ridderlike leerdichten, want, gelijk
Frederik Barbarossa een oproerige stad toevoegde die religie in de
politiek wilde mengen: »Aangaande den hemel, de hemel is des Heeren;
maar de aarde heeft Hij der menschen kinderen gegeven" (Ps. 115, 16).
Dit programma zal Parzival illustreren. De hermiet schrijft hem voor dat
hij niet alleen God moet liefhebben, maar ook dienen moet »umbe wibes
gruoz", de ridderschap moet vooral »des lîbes prîs" nastreven evenals
»der sêle pardîs". En zo is Parzivals ziel ook verdeeld tussen verlangen
naar de Graal en naar zijn geliefde Kundwiramur.

Niet de religie maar een zuiver menselike moraal is feitelik het
hoogste voor Wolfram. Het is dan ook een zeer weinig kerkelik Kristendom
dat er in het gedicht doorstraalt. De kuise vrouwelikheid van de
Moren-koningin is, volgens de dichter, haar doop en was Parzivals moeder
niet te voren gedoopt geweest, dan zou zij »in haar moedermelk" gedoopt
zijn geworden, d. w. z. door haar moederliefde. En gelijk in de figuur
van Parzival het mannelik ideaal verheerlikt wordt als trouw tegenover
zich zelf, »Staete", de deugd der Duitse karaktervastheid die ook
Wolfram verheerlikt had, zo wordt in een reeks vrouwenfiguren het ideaal
der zuivere »wîplichkeit" getekend als trouw tegenover de geliefde man.
Vol smart voelt de dichter dat er zoveel valse vrouwen de reine naam
van »wîp" dragen, waar alleen de trouwe vrouw recht op heeft; en ergens
noemt hij alle trouwe vrouwen op die hij in zijn gedicht geschilderd
heeft,--van de koningin der Moren af tot Parzival's moeder toe wier
hart barstte »in liefdetrouw" en die daarom zeker tot de vreugde des
hemels ingegaan is, van Ieschute die onschuldig als zij is, haar mans
mishandeling geduldig draagt, tot Kundwiramur, die als een Solveig op
haar rondzwervende man blijft zitten wachten--maar met twee kinderen--en
hem met roerende vreugde ontvangt zonder een enkel verwijt. Maar
het allervleiendst wordt de vrouwentrouw getekend in de figuur van
Sigune--zij die eens in een gril, zoals de dames in de ridderromans die
zo dikwels hebben, haar liefhebbende ridder in de dood heeft gezonden
en die nu ontroostbaar bij zijn lijk zit te wenen--die daar nog altijd
weer zit, telkens als Parzival op zijn zwerftochten haar weer aantreft,
totdat hij haar ten laatste dood over zijn lichaam vindt liggen. In
een aparte cyclus--de hoogste openbaring van Wolfram's fantasie en
lyriek--verhaalde hij naderhand de liefdesgeschiedenis van Sigune en
Schiotulander van hun kindsheid af toen zij samen opgroeiden tot op het
ogenblik dat zij uit pure nieuwsgierigheid, omdat zij weten wou wat er
op de halsband van een jachthond geschreven staat, haar hartevriend
in de strijd zendt waarin hij vallen zou. Er is hier ook een zekere
zoetige sentimentaliteit en een geaffekteerde naïeveteit in die poëzie
van Wolfram, maar er ligt ook iets als men 't zo uitdrukken mag,
Scandinavies-blonds, iets smachtends over de liefde dier twee jonge
lieden, iets dat meer verwant is aan de gevoelens van Fritjof en
Ingeborg dan aan die van Floris en Blanchefleur. En de trouw waarmede
zij zo lang boete doet voor haar flauwe koketterie is, evenals Wolfram's
schildering van »Dame orgueilluse", is het echt-menselike protest van de
dichter tegen de frivoliteit van de ridderliefde. Overal in Wolfram's
poëzie komt ook de verheerliking van het huwelik mooi door de literaire
galanterie heen op de voorgrond. Waar hij ook rondzwerft, denkt hij
aan zijn armoedig slot, zijn vrouw en zijn kinderen en één van zijn
»Tagelieder" waarin de minnaar bij het breken van de dageraad uit de
kamer van zijn geliefde weg moet sluipen, breekt af met een hartezucht:
hoeveel heerliker dan zulk een heimelik gestolen liefde toch die is,
welke »ein offen suëze wirtes wîp" schenken kan.

       *       *       *       *       *

Maar het zou niet de verduitsing der ridderromantiek door Wolfram en
door Walther zijn die de aard en het karakter der latere literatuur
bepaalde. Sterker en sterker werd de invloed van de Rijnstreken. Zelfs
het oude Duitse heldenepos dat nog steeds aan de hoven van Oostenrijk
in ere stond, ondergaat de invloed van de ridderromantiek, zoals dat
b.v. met het Nevelingenlied en de Gudrun het geval was. Wel zijn de
grondtonen en de grondstof en het oorspronkelik celweefsel gebleven
maar over de barbaarsheid en de naïeveteit van de toestanden is door de
ridderlike bewerkers een blinkend net van fijne, hoofse levensvormen en
zeden geworpen: klederdrachten en feesten, de toernooien en de gehele
omgangstoon is die van het nieuwe hofleven en door het wilde heroisme
en het tragiese pathos zijn er tonen gemengd uit de liefdelyriek van het
minnelied en de ridderromans van Hartmann von Aue: men denke slechts aan
de verliefdheid van Siegfried en Chrimhilde aan het hof te Worms of de
innerlike strijd van Markgraaf Rüdiger waar hij weifelt tussen riddereer
en leenmanstrouw, volkomen in de trant van die van Iwein.

En met de derde grote naam van de Duitse poëzie der Middeleeuwen,
_Gottfried von Strassburg_,--dus uit het meest verfranste deel van
Duitsland--werd de invloed van de Franse ridderromantiek zo goed als
kompleet. Hier stelt de schrijver zich niet tevreden met een nabootsing
van uiterlikheden als van een scholier gelijk in Hartmann, of met een
barok alliage van vreemde en eigen stof als bij Wolfram; de »Tristan
en Isolde" van Gottfried sloot zich zoals wij reeds gezien hebben,
innig aan het Franse gedicht aan, maar werkte zelfstandig op die stof
voort, welke op zoveel krachten in Frankrijk beslag had gelegd, en wel
hoofdzakelik in dezelfde richting. Zijn gedicht over Tristan betekent de
hoogste kunstmatige afronding die de stof in de middeleeuwen ten deel
gevallen is, en daarom is het dat wij die reeds vroeger hier behandeld
hebben als een schakel,--de laatste--in de keten der Franse bewerkingen.

Enkele van de fouten die de Duitse vertalingen van Hartmann
aankleefden, vindt men ook wel bij Gottfried. Het breedsprakige
uitrekken van elke trek in het origineel, het pedante de ander steeds
trachten te overtreffen in sierlikheid en ceremonieel, als wanneer de
précieuses der provincie die der hoofdstad naäpen--het spitsvondige
spelen met allegorieën en de schoolmeesterachtige moralisaties. Waar
hij er maar gelegenheid toe vindt--zelfs ook waar die er eigelik niet
is--geeft de schrijver ons een hele cursus in de kunst om het wild toe
te bereiden of een uitvoerige allegoriese verklaring van de »deugden"
waar Tristan's ridderkleed uit is samengeweven; en wanneer de blikken
van Isolde alles in de zaal »schaak zetten" of Tristan's hart verzegeld
wordt met »de zegel der liefde", dan herkennen wij de Duitser en zien
hoe zwaar op de hand die worden kan, wanneer hij aan Frans »esprit" wil
gaan meedoen. Niet minder Duits is daarentegen het lyriese smachten
en de romantiese fantasie die zulk een glans werpt over de Tristan
van Gottfried. Zijn taal kan soms een hele symboliese gevoelskleur
krijgen, als hij van woorden spreekt die door het oor klinken en in
het harte lachen of die het hart verkwikkende schaduw brengen als het
sappig-groene lindenblad. De natuurromantiek die zijn schildering van
Tristan en Isolde's bosleven bezielt, bezit een eigenaardig Germaans
karakter. Het doet sterk aan Heine denken waar Gottfried »diu senfte
süeze sumerzît" verheerlikt die »zo zoet" de weide heeft versierd; het
groene gras, »de vriend van de Meimaand" dat zulk een »wunneclîchiu
sumerkleit" aan had getrokken, de schitterende bloemen die de mensen »sô
rehte suoze lachende" aankeken en »de zalige nachtegaal" die met zulk
een overstromende vreugde (»übermüete") zijn trillers sloeg dat alle
harten er van verrukt werden. Een verfijnd genot in muziekale schoonheid
is ook overal in het gedicht op te merken. Wij horen een en ander over
Tristan's kunst om op de hoorn te blazen en wanneer hij op de harp
speelt, vertelt de dichter niet alleen welke prachtige zoete tonen hij
te voorschijn wist te lokken, maar ook hoe zeer het tokkelen zijn
zachte, slanke, lange hermelijn-witte vingers uit deed komen.

Een smachtend lyriese toon klinkt er vooral door de minne-poëzie van
Gottfried; dat is reeds de echte Duitse »Ueberschwänglichkeit". De held
is een »vreugde verspreidende zon", een »Werltwunne", hij leeft slechts
in zijn rijke gevoelsleven, »zweeft in de lucht zijns harten", op alle
praktiese verstandsredenen en nuttigheidsgronden ziet hij met verachting
neer, en dat hij in zijn jongensjaren wat school- en boekenwijsheid
geleerd heeft, vindt hij eigelik zonde en jammer, een ingrijpen in de
vrijheid van de dweepzieke jongeling, een verdorren van de bloei zijner
vreugde. Met extase schildert de dichter de zaligheid der liefde wanneer
hij zijn »kaiserlîches wîp" omhelst en haar mond »honderdduizend maal"
kust,--op een zeker ogenblik krijgen we een hele hymne aan de liefde;
als ik aan de liefde denk--zegt hij--ofschoon ik dat geluk nog maar
weinig ken, dan zwelt mijn hart op en alles in mij verlangt dan naar
iets hoogs, iets boven de wolken. Maar sentimenteel weet hij van 't
begin tot het einde de tonen van de smart en de dood in de liefdemuziek
in te leggen. De liefde is een religie, voor de liefde is alles
veroorloofd, alle wetten moeten voor de liefde wijken, zelfs Kristus
kan de ware liefde heel gemakkelik naar haar hand zetten. Maar de enige
inwijding in de liefde, de noodzakelike prijs er voor is lijden en het
lijden is de grootste waarde. Daarom wendt zijn gedicht zich niet tot de
velen die alleen vreugde vragen en genot; alleen tot die uitverkorenen
die »diu senfte herzesmerzen" kennen, tot »den edelen senedæren", de
edele verlangende gemoederen die het zoete van de liefde kennen, alleen
tot troost voor _hen_ en om een ogenblik slechts de zware smart van hen
af te wentelen, vertelt hij van Tristan,--van hem wien het gegeven was
in volle mate twee dingen te bereiken: lijden en geluk. Hier zijn wij
bij de Tristan en Isolde-romantiek van Wagner.

Gottfried von Strassburg is de bloem der ridderlike kultuur in
Duitsland. Een natuur vatbaar voor ontwikkeling en die het in zich had
om wat hij doen moest, ook harmonies af te maken,--zoals Raphael en
Racine dat voor hun tijd waren--geen baanbrekende vernieuwer, geen
»oer-eigen origineel genie" als Wolfram, wiens gehele persoonlikheid
Gottfried een afschuw was en de enige tegen wie de Straatsburger zich
kwaadaardig toont,--maar goed belezen in de klassieken, volkomen thuis
in 't Frans,--hij is de enige dier Duitsers die geen vertaalfouten
maakt,--met een levend poëties gevoel, een fijne aestetiese smaak, een
plooibaar en volkomen artistiek gevoel voor vormen; tegelijk een man van
de wereld, volkomen thuis in de hogere ridderkringen, met een aangeboren
zin voor de hofkultuur en de uiterlike kentekenen er van,--een fijne
nobele natuur, een echt gevoelig mens. Zijn gedicht van Tristan
openbaart meer dan eens meer goedheid des harten en meer geweten dan
de Franse bewerkingen van de stof.

Met Gottfried is de Duitse ridderromantiek even hoog gestegen als de
Franse en zijn volgelingen overtreffen hem even min als die van
Chrestien van Troyes deze laatste.



XX.

IDEAAL HUMANISME.


In haar korte bloeitijd die in het einde van de 12de en het grootste
deel van de 13de eeuw valt, ontvouwt de ridderromantiek zich op haar
hoogste punt tot wat men zou kunnen noemen een soort ideaal humanisme.

De hele kultuur van de middeleeuwen komt in het Frankrijk van
Philips Augustus en Lodewijk de Heilige en het Duitsland der
laatste Hohenstaufen tot een korte harmonie in een edele en schone
menselikheid,--een classiciteit zo goed als die der Grieken en Romeinen.
Alles wat er van de kunst dier dagen tot ons gekomen is, draagt die
stempel. De Gotiese katedralen van de Rijnstreken en Noord-Frankrijk
met hun lichte gewelfde, feestelik stemmende ruimten, de slanke pijlers
en bogen, het kleurrijke stralende licht door ruiten en rosetten. De
schone glasmozaieken der kerken van Tours en Bourges met de reine diepe
kleuren, de eenvoudige, duidelike omtrekken der figuren en de hele
ideale klassieke stijl die wat te vertellen heeft, dezelfde die wij in
de edele eenvoudige miniaturen van de zogenaamde Bijbel van Lodewijk
de Heilige terugvinden. De Madonnabeelden en die der Apostelen op de
kerkfaçaden van Rheims en Amiens, de reliefbeelden van de dood van Maria
op de Notre-Dame te Parijs of de Dom van Straatsburg,--afbeeldingen van
de mens van een even vrije natuurlikheid en hoge adel als die van de
klassieken. Of »de heilige kapel" te Parijs met het feestelik fijne
samenspel van licht en kleuren, ruimte en lijnen en met de reine en
nobele ornamentiek der muren. In het museum van Cluny te Parijs of het
»Germanisches Museum" te Neurenberg getuigen kleine voorwerpen--een
ivoren kam, een kandelaar, een muurtapijt--van de edele en fijne
schoonheidskultuur der 13de eeuw.

Op dezelfde wijze wordt de ridderromantiek op haar hoogste punt slechts
tot een geïdealiseerde uitdrukking van de edele en fijne menselikheid
die in de eerste kultuurcentra van die dagen te voorschijn kwam. Vele
romans en korte ridderlike berijmde novellen laten nu meer en meer de
wonderbaarlike producten der fantasie vallen die de ridderromantiek
uit Keltiese en Oosterse bronnen ontleend had en de kinderachtige
avontuurtjes die ze van de Griekse romans geleend hadden; ook de
geaffekteerde, overspannen troubadourpoëzie geven ze op, zowel
als de zoetige sentimentaliteit der Bretonse romans en hun andere
extravagances,--feitelik ontdoen ze zich van alles wat spesiaal
ridderromantiek was en worden zo tot heel natuurlike, menselike,
verhalen uit het leven der Franse en Duitse edelen, een ideale
afspiegeling van de werkelike kultuur der hoge kringen en een
interpretatie van de fijne gevoelige menselikheid die het leven in
de beste ogenblikken kon verwerkeliken. En in een reeks leerdichten
worden geformuleerd, niet langer gelijk vroeger, de voorschriften der
geestelike paedagogen, hoe men de »fijne wereld" opvoeden moet, maar
omgekeerd, regels voor goede manieren, opgesteld door die zelfde
geesteliken tengevolge van wat ze zelf in die kringen hadden kunnen
opmerken en leren.

Die »kringen",--dat zijn de uitverkorene edelen,--over die alleen is
het de moeite waard te spreken: een dode edelman is meer waard, heet
het, dan een levende burger. En het enige leven waar men iets aan heeft
is dan ook dat in die kringen; men moet »sich gesellen", anders wordt
men »sauvage",--»ongemanierd", zoals Parzival of Iwein dit werden
in de eenzaamheid van het bos. Een hogere stand die slechts leeft
voor een luxe, leven van vrije, schone, fijne menselikheid,--een
»liberaal" leven in tegenstelling dat der »illiberale" werkers, der
_banausoi_,--dat is de ridderwereld, gelijk de Griekse aristocratie van
de »edelvoortreffeliken"--de »kalokagathoi"--dat was. »Le vilain"--zo
leert een riddergedicht--leeft alleen maar om te zwoegen en te sparen,
te pruttelen en te schelden,--hij spreekt niet en hij zingt niet, als de
hond die slechts bijt; hij voelt niets voor bloemen en vogels, en alles
wat schoon is en schittert, ergert hem alleen maar, zijn hele leven is
één wanklank in de harmonie des hemels,--Gods vrolike, gelukkige engelen
hebben niets met zulk een grove plebejer uit te staan. De »edelgeborene"
daarentegen, die God zelf met zijn schone handen uit een edeler
natuurstof gevormd heeft en die ook verder een goede opvoeding in
gezelschap van nette mensen gehad heeft, die leeft alleen maar voor
alles wat schoon is en edel en goed.

Waar men in de eerste plaats voor leeft, is om de schoonheid van het
leven te genieten en het nog schoner te maken. De natuur werpt men een
vriendelike blik toe, maar verder niet. Meest is het nog in tuinen
en parken dat men de natuur liefheeft,--men bezingt de roos als het
zinnebeeld van het liefdegenot, het madeliefje van de trouw; in de
Duitse liederen is de linde de boom van de zomer en de liefde. Onder
de vogels zijn de meest geliefden de nachtegaal van Marie de France, de
leeuwerik van Bernard de Ventadour en de zwaluw die een lok van Isolde's
gulden haren uit Ierland haalde. Maar ook het jachtleven opent de
ridder het oog voor de natuur: men vindt b.v. een beschrijving van de
dauw-natte morgenstond, de slaperige middagstilte in het diepe groene
bos, de slanke ree, het enorme wilde zwijn en de roofvogels in de toppen
der bomen. De reiger en de valk--»the gentil faucon" noemt Chaucer
hem--is de lievelingsvogel van de ridders zowel als de dames. »Die vogel
doet mij 't harte goed", heet het in een gedicht ter ere van de valk,
»als ik die op mijn hand zie zitten, zacht en hoofs, of wanneer die zo
»edel" vliegt; alleen daarom sta ik gaarne 's morgens vroeg op." En de
borst van een valk,--zwelt die niet even schoon als een vrouwenboezem?
En kan de blik van een schone vrouw stralender zijn dan die van de
ridderlike jachtvogel? Menig ridder twijfelt of hij meer van zijn valk
houdt of van zijn dame en er lopen verhalen hoe een dame uit jaloesie
de valk van haar ridder de nek omdraait of hoe de arme ridder bij de
ontvangst van zijn dame genoodzaakt wordt haar het allerzwaarste offer
te brengen: zijn valk te doden en haar die bij de maaltijd voor te
zetten. Of een page die in een alleraardigste kleine vertelling door
liefde verkwijnt voor de echtgenote van zijn meester; zij heeft vergeefs
getracht hem weer moed in te spreken, en wanneer haar man dan vraagt
wat er eigelik bij hem aan scheelt, begint de dame aan het ziekbed van
de jongeling en tot diens grote schrik, te vertellen hoe de knaap haar
aldoor achtervolgd heeft en gesmeekt om... zijn meesters lievelingsvalk,
maar dat zij die toch niet heeft durven geven. Maar de ridder verklaart
dat hij hem liever al de valken zal geven die hij bezit, dan hem zo van
ellende te zien verteren en nu belooft de meesteres de zieke dat hij dus
de valk krijgen zal waar hij zo naar gezucht heeft.

Meer dan de natuur is het 't hofleven op de burcht dat de ridderkultuur
schoner tracht te maken en dat de ridderromans verheerliken. Een
eenvoudige, fijne smaak heeft nu in het leven zowel als in de romans die
massa van bonte Oosterse pracht vervangen die b.v. de Troja-romans bij
hunne beschrijvingen op elkaar stapelden; maar feestelik en schitterend
ziet zoo'n slot er toch uit. De muren blauw met gouden sterren of met
tafrelen versierd of wel hele schilderingen met voorstellingen naar de
ridderromans; ook in de muurtapijten zijn zulke scènes uit die boeken
geborduurd. De vloer is van groen marmer »als een weide met gras" of
grote lemen platen met bloemdekoraties of wapenschilden er in gebeiteld.
Op deuren en zolderingen zijn dieren of bloemen uitgesneden; kunstig
smids-werk; weinig maar smaakvol versierde ligbanken en taboeretten;
vele kleuren en een sierlike rijkdom van détails, maar zuiver en deftig
van smaak.

Een deftige smaak vertoont zich ook in de klederdrachten der ridders en
der dames in de 12de en 13de eeuw, waardoor ze ook sterk verschilden van
de barbaarse tijd der roofridders en van de geraffineerde extravagance
der 14de eeuw. Een lange mantel van donker purper met gouden sterren er
op, werd om het lijf door een zijden koord samengebonden en van boven
door een gouden gesp; de voering van hermelijn met zwarte sterren, om de
open hals sabelbont, op het haar een krans van bloemen, aan welks kant
twee geëmailleerde gouden gespen aan zijn gebracht,--zo ziet de heldin
bij Chrestien er in haar bruidstooi uit. Zorgvuldig worden de kleuren
van dat gewaad zo uitgezocht dat ze niet vloeken en dat ze bij de teint
en de kleur van het haar passen, met dezelfde zin voor schoonheid als
bij het draperen van de beelden wordt er voor gezorgd,--voor zover we
uit de beschrijvingen der romans op kunnen maken--dat de kledij goed
in de vouwen valt en er wordt voortdurend op gewezen dat hoe mooier
het meisje is, des te eenvoudiger moet de klederdracht zijn. Met zéér
geringe afwijkingen wordt hetzelfde kleed en mantel door man en vrouw
gedragen, door jong zowel als oud, gelijk ook de gladgeschoren baard het
verschil tussen leeftijd en geslacht uitwist, de dracht waarmede men
in het openbaar verschijnt, maakt allen als 't kan slechts tot mensen,
alleen de stof en de snit laat diskreet de waardigheid en de leeftijd
doorschijnen, de gratie van de vrouw en de lichte elegantie van
de jongeling. Ook in de wapenrusting en wat de man verder voor de
oorlog nodig heeft,--wat men b.v. op de zegels uit die tijd goed kan
bestuderen--openbaart zich een zuiverheid en een adel van smaak die
zowel de tijd die er aan vooraf gaat als die welke er na komt, zeer in
dit opzicht overtreft.

De vormen der samenleving worden ook schoner en edeler,--van de pedant
aangeleerde regelen voor goede manieren die men uit het buitenland en
van de geesteliken ontvangen had, worden ze nu tot een werkelike
wellevendheid, gedragen door takt en fijngevoelige vriendelikheid.
»Cortezia"--zegt een ridder uit Provence--»bestaat dáárin dat men zich
door woord en optreden bemind weet te maken, en hoofs is hij die weet te
doen wat anderen aangenaam is; hoofsheid vertoont zich in klederdracht
en vriendelike tegemoetkoming, in het onthaal en in liefde." De Duitse
woorden »Tugend" en »gezogentlich" slaan op uiterlike zowel als
innerlike eigenschappen. »Iemand die op hoofse wijze een ander een beker
aan kan bieden," zegt een moralist, »en zijn handen houdt zoals het
hoort, van zo iemand zeggen de mensen dadelik: »wat een welopgevoede
knaap is dat toch, die is zeker deugdzaam, zie eens hoe deugdzaam hij
zich gedraagt"." En een Duits boekje over »tafelmanieren" zegt:
»Verloren is geen opgevoed man, heb ik wel horen zeggen, nooit kan een
onopgevoede een plaats in de hemel verkrijgen." Nu komt het er niet
alleen op aan om »wel bedankt" te zeggen of »Goeden-dag", of zijn mond
goed af te drogen, neen, men moet zich nu netjes houden en rechtop lopen
»als een waskaars" of »als een jonge scheut op een tak"--en daarvoor
zijn schermoefeningen goed, heet het,--en men moet de conversatie goed
gaande weten te houden--in de romans vindt men menig gesprek tussen
gast en gastheer waarin die elkaar in beleefdheidsfrases trachten te
overtreffen--en men moet zich licht en bevallig weten te bewegen en zich
fijn en netjes gedragen. Het is duidelik dat de omgangsvormen bepaald
werden door hetzelfde tegen elkaar doen opwegen van een conventionele
vormelikheid en de natuurlijke vrijheid die bijvoorbeeld ook de figuren
kenmerkt op miniaturen en ivoorwerk. De houding, gestes en andere
bewegingen hebben nog een traditionele betekenis om het gesproken woord
kracht bij te zetten en te illustreren, even simbolies ongeveer als bij
de oude rechtspleging: door de vinger op te heffen maakt men op iets
opmerkzaam, in diepe gedachten steunt men zijn kin op de hand, en dat
twee goede vrienden elkaar omhelzen wanneer ze elkaar ergens ontmoeten
en samen in een vensternis gaan zitten praten, hoorde evengoed tot de
overgeleverde »goede toon" als dat een rechter op zijn rechterstoel
zitten moest als een »grisgrimmender löwe" en met »de rechtervoet over
de linker geworpen."

Een samengaan van »Tucht" en »Gemeite", d. w. z. van eerbare tucht en
opgewekte vriendelikheid is het ideaal voor de verschijning in 't
publiek. Te hard lachen en te hard schreeuwen als men klaagt is al even
ongepast; een vrouw moet met half open mond lachen, en al is ze ook nog
zo zeer onder de indruk van het een of ander, moet ze toch goed oppassen
dat haar hoofdtooi netjes blijft zitten,--als Walther klaagt dat de
wereld in de war is, drukt hij dit zo uit: »Wee, u, wereld, wat zit
uw hoofddoek tegenwoordig slecht!"--zacht en licht moet de vrouw
voortzweven (»schleichen"), liefst met een zekere gratieuse zwaai
(»swanc"); het hoofd ietwat op zij--zoals men dat op de Mariabeelden
kan zien; en de ene kant van haar kleed moet zij op een bepaalde wijze
opnemen. Zij mag niet te veel rondgluren maar een zekere schuchtere,
half nieuwsgierige blik past een jong meisje wel, zegt Walther. Een
voorbeeld van menselike »Tucht" en »Gemeite" is de manier waarop Isolde
en haar moeder, de koningin, de zaal binnentreden in de koningsburcht,
zoals Gottfried dit schildert. Slank als een den is de prinses, haar
bruine fluwelen kleed is om het middel vastgesnoerd en voegt zich lenig
om de lichaamsvormen, met haar linkerhand houdt ze een paarlen snoer
vast dat de mantel op haar borst vast bindt, zo dat ze volgens de hoofse
zeden die met twee vingers samenhoudt; bevallig »zweeft" ze nu met haar
moeder naar binnen, men volgt hen met de ogen en langzaam en gelijk
op doorlopen de blikken der twee vorstinnen de zaal, zo dat elk der
aanwezigen een blik krijgt en in aller harten brengen ze onrust; de
moeder begroet de anderen met een woord, de dochter, zo als het past,
buigt zwijgend.

Steeds fijner worden de wenken die Provençaalse en Franse didaktiese
gedichten de dames geven voor hun optreden in de wereld--»Het hof der
Liefde",--»De God der Liefde",--»De Sleutel der Liefde",--»De Kunst der
Liefde" en wat die alle heten,--de Liefde wordt nl. altijd beschouwd
als de bloem van het wereldse »Savoir-vivre". Dergelijke leerdichten
bewerkte een halfduitse geestelike in Italië in Duitse verzen en zond
die naar zijn land onder de titel »De Walse Gast",--en kort daarop
volgde een »Winsbecker" en een »Winsbeckerin" met _hun_ raad. Een
geslacht later was er een notaris uit Florence die aan Franse hoven
verwijld had en die, toen hij thuis gekomen was, een leerdicht schreef
om zijn vrouwelike landgenoten Franse manieren te leren. En nu
zijn het niet meer zo als vroeger elementaire regels die ze daar
te lezen krijgen: wanneer ze zich verschonen moeten en dergelijke
dingen--ofschoon »er zijn dames die geloven dat reinheid een teken van
losse zeden is"--hij schrijft vooral over de kunst om maatschappelike
talenten te vormen. De dame moet leren zingen en als zij een aangename
stem heeft, moet zij zich niet laten bidden, maar gewillig een lied ten
beste geven; ten dans moet zij gaan Ȉ petit pas, simple et mollet",
zij moet kunnen schaken en de teerlingbak spelen, waarbij het er minder
voor haar op aan komt goed, dan wel met gratie te spelen en zij mag
voor al niet boos worden als zij verliest,--de vrouw die boos wordt
en dat in woorden toont, verdient de naam van »dame" niet. Vooral
moet zij de kunst verstaan van een gesprek te voeren, »car nul chose
tant n'afole--coeur d'homme que douce parole", zij moet, gelijk een
Zuid-frans gedicht het fijn uitdrukt, zo kunnen spreken, zo kunnen
converseren dat de ander bij zijn afscheid, de indruk meeneemt dat hij
geestig geweest is, zelfs al is hij niet meer dan een dwaas, en zij moet
een gesprek dat haar mishaagt af kunnen breken of het een andere draai
te geven, zonder iemand te stoten; dan kan zij hem b.v. vragen of hij de
vrouwen uit Gascogne of die uit Engeland schoner vindt en welke opinie
hij dan ook heeft, kan zij het tegenovergestelde beweren om zo een
dispuut aan de gang te krijgen. Zeer fijne regels worden er b.v. ook
gegeven over de kwestie hoe een bruid zich gedragen moet. Bij het
wisselen van de ringen moet zij terughoudend zijn, bijna angstig, haar
hand niet al te gretig naar de ring uitsteken en slechts met een zachte
stem »ja" zeggen. Het is ook verstandig als zij thuis reeds iets eet, zo
dat zij bij de huweliksmaaltijd zich meer in kan houden, en wanneer zij
het vertrek binnenkomt waar de bruidegom is, moet zij eerst doen alsof
zij hem niet ziet, dat is echt »hoofs".

Opgewektheid, vriendelikheid, zachtheid, dat is voor de man zo wel als
voor de vrouw de hoofdzaak bij de omgang; het is er de kultuur dier
dagen dan ook altijd om te doen, ruwheid en brutaliteit te onderdrukken.
De Tristan van Gottfried is de verpersoonliking van de vriendelikheid;
wij lezen van hem dat hij graag een ieder op zijn handen wil dragen
en voor allen tracht te leven, »wat iemand uit het gezelschap ook
maar voorsloeg was hij dadelik bereid te doen." Ook Aucassin is de
beminnelikheid zelf; door zijn zachtmoedigheid en hoofsheid ontwapent
de jonge edelknaap volkomen de lompe kolenbranders en herders die hem
onbeschoft aan hebben gesproken. Een zoetige liefheid hoort tot de
goede toon tussen ridders en hun dames: »Schone Heer",--»Schone
Dame",--»Lieve, zoete vriend",--»God zegene U", en kussen en een
omhelzing horen tot de omgangsvormen, evenals er in de brievenstijl
allerlei sierlike wendingen en zwierige zwaaien voorkomen die in de
»brievenboeken" aangegeven zijn.

Een vrolik »leven en laten leven" hoort verder tot de »liberale"
ridderlike opvattingen. Al wat treurig is en ruw, wordt glad gemaakt, al
wat somber is en donker wordt verlicht en verzacht in deze adelswereld
van spel en schoonheid. Ouderdom en dood is iets waar de ridderpoëzie
maar zo min mogelik over denkt; de dood die zulk een tragiese pathos
in de oude heldenpoëzie gebracht had, komt hier bijna niet voor, en
de eerbied waarmede de ouderdom daar ginds omstraald werd is hier
verdwenen--het is b.v. bepaald vermakelik te zien hoe ongepast in de
Parzival van Wolfram de oude moeder van koning Arthur behandeld wordt
en terzijde gezet, voor de jongere dames. Schoonheid, jeugd en vreugde
moeten regeren. Hoog en rijk moet er geleefd worden,--alle sparen en
alle zuinigheid maakt de geest bekrompen en zet »banausties" stof op de
vingers. Men moet »gast-ere" aan den dag leggen zowel als »hus-ere",--d.
w. z. milddadigheid en gastvrijheid bij feestelike gelegenheden tonen,
en zelf een gepaste weelde in zijn huishouding ten toon spreiden.
En het is niet langer genoeg vrijgevig te zijn, men mag een echte
welwillendheid en fijngevoeligheid eisen in de manier _waarop_ men
geeft. Van een edele vorstin lezen wij: zij heeft er meer door fraaie
woorden gewonnen, dan anderen door grote gaven, en zo vriendelik geeft
zij haar geschenk dat dit voor dubbele gave telt. En omgekeerd worden
die gastheren gelaakt, die over niets met hun gasten spreken dan over de
slechte tijden en hoe weinig er te verdienen valt, zodat de gasten het
niet anders dan bezwaarlik moeten vinden zich zo te laten onthalen.

»Les vilains",--dat zijn de gemelike knorrepotten die altijd in de
contramine zijn, en die noch zelf willen leven noch anderen laten leven.
Maar God is met de opgewekten en welwilligen, »les courtois"; hij zelf
en zijn engelen zijn schoner en opgewekter dan alle anderen en hij
heeft alle jonge paren en alle vrouwen lief. Hoe graag zou hij b.v.
niet Nicolette daarboven in den hemel bij zich gehad hebben, »om in den
avondstond als een licht voor hem te schijnen"! En jonkvrouw Maria--men
merke maar op hoe schoon en liefderijk zij er uit ziet, die zal zeker
de jonge ridderknaap niet weigeren wat hij zo graag zou wensen. Als
schitterende feestzalen schijnen de Gotiese kerken. »Het oog weet niet
waarheen het 't eerst de blik zal wenden. De zoldering is groen als een
tapijt, de muren verbeelden het paradijs, de vensters wekken bewondering
door de schone kleuren van het glas en het rijk versierde werk... Het
is alsof men naar de hemel verplaatst is en zich in een der schoonste
zalen van het paradijs bevindt." Hier, bij het heldere schijnsel der
waskaarsen en het schone misgezang der geesteliken, wordt de ziel tot
liefde gestemd en hier heeft men gelegenheid de schonen te zien, die
iemand een glimlach of een knik geven of in het geheim de hand drukken
en de zeer gewillige biechtvader heeft er niets op tegen de smeekbeden
van de minnaars te verhoren, of de geliefden samen te brengen ten spijt
van boze ouders of brutale echtgenoten.

Alle goede, zachte gevoelens van menselike simpatie zijn het die de
ridderlike hofkultuur ontwikkelen wil, en die de ridder-romantiek
verheerlikt. De wapenen zijn niet minder geëerd dan vroeger, de roeping
van de ridder is »Schiltes Ambt" en het is het schild dat hem verplicht
zijn eer onbevlekt te houden; wil men in teugelloosheid leven en zijn
schild met oneer bevlekken, dan doet men beter het maar aan de wand te
laten hangen. Maar wat de ridder op den weg der eer zal vergezellen dat
is, lezen wij: »de gedachte aan een reine vrouw." En korter en korter
worden in de schoonste riddergedichten de beschrijvingen van de strijd,
meer en meer idealiseert de ridderromantiek zich tot hetzelfde schone,
gevoelvolle humanisme waar het kristendom zich in de Gotiese beeldende
kunst en de Marialegenden der 13de eeuw in omzet. In werkelikheid is ook
die bloem der ridderkultuur ontsproten uit de sentimentaliteit der
kristelike legenden zowel als uit de zoetige humaniteit van Ovidius en
de Griekse romans en uit de vrouwen-atmosfeer van het maatschappelike
hofleven.

In de heldenpoëzie hadden de personen er zich op beroemd wanneer zij
een hart hadden als een steen zo hard en als een noot zo klein. In een
asceties gedicht uit de 12de eeuw klaagde een monnik over zijn oproerig
gek hart dat nooit de ziel met rust laat; het is niet 't lichaam maar
het hart dat de zonde veroorzaakt, en nu had hij zelf, ongelukkig voor
zijn zielsrust, een hart gekregen dat groot genoeg was voor duizend
mensen. Maar nu berispt de ridderlike dichter hem, die »een hart van
hout heeft". Het hart is het lievelingetje dier dagen geworden, naar
welks bewegingen men luistert, naar welks welzijn men steeds informeert,
en waar men trots op is als men het zijne groter, zachter, rijker noemen
kan dan dat van anderen en welks bevelen men zonder aarzelen opvolgt.
»Pitié" en »Gentilesse" zijn in het Frans, »Güte" in 't Duits de termen
voor de zachtheid en de ontvankelikheid voor simpatie van het hart en de
woorden die Chaucer meer dan eens herhaalt: »Pity renneth sone in gentil
heart" kon het motto zijn van de ridderpoëzie.

Het zijn alle vormen van »Güte" en »Pitié" die de Duitse en Franse
vertellingen van de 13de eeuw verheerliken. De roerende trouw van een
oude dienaar jegens zijn ridder die tot armoede vervallen is (Der Junker
und der treue Heinrich, vgl. Flore en Jehanne); opofferende vriendschap,
(Engelhart); de leenman van keizer Otto die in een rijksakte verbannen
verklaard is, maar gelegenheid vindt om het leven van zijn leenheer te
redden en zich met hem verzoent (Otto mit dem Barte); de onschuldig
aangeklaagde prinses voor wie geen ridder in het perk durft te treden
tegen de machtige aanklager, totdat op het beslissende ogenblik een
Arthur of Graalridder als redder op het toneel komt en de beschuldiger
nederslaat (het allerschoonst in de Lohengrin). Maar in de eerste
plaats is het toch de min in alle soorten en graden waar de romans en
vertellingen over handelen; de liefde is de bloem van het ridderleven en
de gehele edele menselikheid.

Denk b.v. aan dat heel kleine meisje dat Gawein bij een toernooi tot
zijn dame gemaakt heeft, opdat zij evengoed een ridder hebben zou als
haar oudere zuster. Haar vader laat haar een mouw van rood fluweel
maken, die het kind de volgende morgen zelf haar ridder brengen moet
om in de strijd op zijn lans te dragen, zoals dat gewoonte was, en zij
kan van ongeduld haast niet slapen, staat ook vroeg op en brengt hem
de mouw. Met kloppend hart volgt zij haar ridder in het gevecht en
is verrukt te zien dat hij haar zusters kavalier geheel in de schaduw
stelt, en wanneer hij thuiskomt staat zij aan zijn stijgbeugel om hem
te bedanken. Gawein moet verder de wereld in maar belooft voor haar
als haar ridder te komen strijden, wanneer zij in haar nood hem een
boodschap zendt en het kleine meisje kust zijn voet opdat hij aan haar
zal denken waar hij ook komt (Chrestien's »Perceval" en Wolfram's
Parzival).

Of het zeer jonge meisje dat nieuwsgierig de wereldt inkijkt, maar nog
jonkvrouwelik schuchter, niets van de liefde weten wil. Haar vader heeft
haar opgedragen om de vreemde gast zo goed mogelik bezig te houden en
zo neemt zij hem dan ook bij de hand en wijst hem in het kasteel rond.
Hij vraagt haar uit of zij al een vriend heeft, maar zij antwoordt
wijsneuzerig dat de tijd voor zulke gekheid nog niet gekomen is; als
zij wou had ze al heel goed een »ami bel et gent" kunnen hebben, maar
daar heeft ze nu nog geen zin in. Maar daarentegen wil ze graag mensen
ontmoeten die de liefde gekend hebben en daarvoor geleden hebben, zodat
zij op die manier wat ervaring in dat opzicht op kan doen. Glimlachend
luistert de ridder naar dat voorzichtige jonge meisje en maakt haar een
paar komplimentjes (Chrestien's »Perceval").

Dan lezen we van een bakvisje dat haar eerste kleine hartewonde krijgt.
Het is de uitverkorene van haar nichtje op wie zij in stilte verliefd
wordt. Zij heeft hem helpen oppassen en aan zijn ridderdracht naaien
en »zolang heeft zij nu naar zijn ogen en zijn gezicht gekeken, en
zijn handen en zijn lichaam dat het haar wee begint te doen." De ridder
ziet dat wel, maar vindt dat het haar alleen maar goed kan doen iets
van hartsverdriet te leren kennen. Zij is er altijd bij om hem zijn
wapenrusting aan te helpen trekken; hoe zwaar het haar ook valt, is het
haar toch aangenaam met iets van hem bezig te zijn. Hoe meer het huwelik
nadert, des te dieper wordt de stille smart van het meisje; zonder iets
te zeggen legt zij haar zuster's hand op haar hart, opdat zij merken zal
hoe haar het harte klopt. Maar de ridder heeft toch goed gezien, het
was alleen maar een »proefpijltje" dat Amor op haar afgezonden had om
haar kinderhart te wekken. Wanneer een arme maar uitstekende ridder even
daarna om haar komt met de klacht dat hij haar helaas geen rijkdom heeft
aan te bieden, antwoordt zij: »Mijn liefde hangt niet aan goed of geld,
maar behoort een ridder even beminnelik als dapper." Terwijl zij dit
zegt,--waarschuwt nu de dichter--denkt zij nog aan haar aangebeden
ridder, maar meer en meer gaan haar gedachten toch naar de ander. En het
duurt niet lang voor die haar hand en hart gewonnen heeft (Parthenopaeus
van Blois).

En tegenover het heel jong meisje staat de even jeugdige knaap, de
page,--»le valet" of »das Kind". Het is als de verliefdheid van een
student en een jong meisje in onze tijd--die schuchtere liefde tussen
Alexander en Soredamor, waar bij een moederlike vriendin ze te hulp moet
komen. Zij is de hofdame van de koningin en hij een vreemde vorstenzoon,
op bezoek aan 't hof; zij zijn beiden--voor de eerste maal--verliefd,
tot over de oren, maar ze generen zich gruwelik voor elkaar. Op een
avond in gezelschap zitten ze bij elkaar, maar hij houdt zijn hand onder
zijn gezicht en zegt niets, en zij wou graag tegen hem spreken, maar
hoe zal zij hem noemen? Hoe zoet zou het niet zijn als zij hem »vriend"
durfde noemen--maar heeft ze daar recht op? een ding weet zij wel, dat
als hij haar »vriendin" noemde, dit geen onwaarheid zou zijn. Maar
waarom hem niet bij de naam noemen? Maar die heeft zo veel en zulke
zware lettergrepen, zij voelt dat zij in haar bedeesdheid er midden in
zou blijven steken. Als zij dat gemakkelik en liever »mon doux ami" er
maar uit kon krijgen... De koningin krijgt dikwels bezoek van de prins
en daar mag Soredamor dan bij zijn; de koningin heeft hem een met goud
gestikt kleed ten geschenke gegeven en daar heeft Soredamor aan helpen
borduren zonder te weten voor wie het bestemd was. Uit de aardigheid
heeft het jonge meisje van haar eigen guldenhaar tussen het gouddraad
ingewerkt en wanneer zij eens op een dag met z'n drieën bij elkaar
zitten en de koningin naar Alexanders kleed kijkt, ontdekt zij het
gouden haar; het gouddraad er naast wordt geheel door de glans er van
overtroffen. Glimlachend roept zij het jonge meisje er bij, alle twee
worden om beurten rood en wit en weten uit puur geluk dat ze zo dicht
bij elkaar zijn niet hoe ze zich zullen houden en de koningin die dit
ziet, begrijpt nu alles en vertelt hun wat hun scheelt. »Kijk eens naar
dat kleed," zegt zij, »en vertel wie daar aan gewerkt heeft en of zij
er niet iets van haar zelf bij gegeven heeft." En Soredamor is tegelijk
verrukt en ongelukkig dat ze nu met de verklaring voor den dag moet
komen, maar Alexander kan zich nauweliks inhouden om het gouden haar
niet, waar zij beiden bij zijn, te kussen (Chrestien: »Cligès").

Alles lokte ook tot liefde,--de gehele atmosfeer van de ridderhoven was
vol van liefde. Op alle muren en wandtapijten trof het oog scènes uit
Ovidius of uit »Tristan en Isolde",--een Duits gedicht »Het Gordijn"
behandelt een hele serie van dergelijke liefdegeschiedenissen die op een
bedgordijn afgebeeld waren. Op ivoren kammen en toiletdozen vond men
zoetige, kleine Amorbeeldjes, op drinkbekers stond te lezen: »Liebes
langer Mangel--das ist der Herzen Angel", op gespen kon men (antieke?)
stenen vinden met Amor en Venus er in uitgesneden; verzen over de »zoete
moeite van de liefde" waren met kralen op de klederen der ridders en hun
dames geborduurd. Om liefde speelt men en van liefde zingt men, en de
romans zijn het meest geliefde tijdverdrijf voor allen. Menige ridder
gaat het als de Heer van Gravenberg van wie het heet dat hij de gehele
dag op zijn kamer romans zit te lezen over avonturen en liefde, en
iedereen is het er over eens dat het lezen van romans de beste opvoeding
voor de jeugd is en de ouderen van dagen van alle »vilainie" afhoudt.
»Men mint beter als men over liefde hoort zingen en lezen" en het is
door die roman dat de jonge knaap leert dat het nu tijd voor hem is om
er op uit te trekken en een »voorwerp" te zoeken. Romans en leerdichten
vertellen van de verschillende soorten van liefde: »twingende minne"--de
woeste passie der zinnen, die »glibberig als ijs" is en de »hohe minne",
die van het hart. Van de lage liefde die aan het verlangen naar geld
te danken is, de grote die door de goede naam der dame ontstaat, en de
allerbeste liefde,--dat is de »goedwil" (bonne volonté) die plotseling
uit het diepste van het hart opwelt. Van de verschillende stadiën van de
liefde: het ontwaken er van, het dieper worden er van, door de zekerheid
dat men weder bemind wordt en de consumatie er van wanneer men gekomen
is tot »le baiser et l'accoler". Hoe een man merken kan of een dame hem
liefheeft; zij durft zich natuurlik niet het eerst uitspreken, maar als
zij met het oog half toe geloken, ietwat knipogend hem een blik van
helderste zonnestralen toezendt, is dit een zeker teken. Ook de dame
krijgt allerlei lessen hoe zij haar aanbidder op de proef kan stellen,
hoe zij hem geleidelik hoop mag geven--welke kleine geschenken zij,
zonder zich te compromitteren kan aannemen--hoe zij, in geval van
geheime correspondentie met bleke inkt moet schrijven en alleen op
kleine wassen tafelen waar het schrift onduidelik is, evenals zij
altijd van zich zelf als _hij_ en van haar minnaar als _zij_ moet
spreken,--hoeveel van haar lichaam zij haar aanbidder mag laten zien
en aanraken; ook allerlei intieme voorschriften voor de verschillende
stadia van haar overgave en de aestethiek van het eroties genot.

Met alle mogelike variaties is het referein dat »de jonge man die
niet lief heeft, verspilt zijn tijd", en »de dame die niet iets of wat
zondigt, waar zou die later wanneer ze ouder geworden is, berouw over
hebben?"--Bovendien: is liefde zonde, dan brengt die zonde toch zoveel
goeds met zich, dat God die licht vergeeft. »Pitié" is het de plicht
van alle Kristenen, vooral van de vrouwen aan den dag te leggen, het
is tegen de natuur dat een vrouw zich hard en ongevoelig zou tonen, het
is niets minder dan doodslag om een aanbidder tot wanhoop en zelfmoord
te brengen door zijn smeekbede niet te verhoren. Hoe was het niet dat
een oude vrouw (in de »Gesta Romanorum") een al te ongevoelig meisje
een doodsschrik op het lijf joeg door haar een hond te laten zien die
niemand anders was dan haar eigen dochter, die God in een hond veranderd
had tot straf dat het meisje haar aanbidder zelfmoord had doen plegen!
Zo had ook een ridder eens buiten een schare vrouwen gezien, die, in
lompen gehuld met gewonde, nakende voeten op uitgehongerde, zwarte
paarden door het bos reden,--dat waren vrouwen die gedurende hun leven
niet hadden willen liefhebben en die nu zo gestraft werden, terwijl er
een andere schare aan kwam rijden, schoon versierd met rozenkrans en op
krachtige witte paarden, elk in een zoet gesprek met een vriend; dat
waren zij die zo beloond werden voor een leven, gewijd aan fijne
ridderlike liefde.

Van een dergelijke liefde berichten de romans en de berijmde verhalen
uit die tijd in het oneindige. De motieven worden midden uit het leven
van »de hogere kringen" genomen en dikwels worden de verhalen door
bekende met name genoemde personen verteld; veel van de verhalen uit
Provence geven zich gewoon uit voor biografieën van troubadours en vele
geschiedenissen worden ook aan de naam van adelike Noordfranse of Duitse
minnezangers vastgeknoopt. Soms zijn het niets dan anekdoten van een
stukje courtoisie, een geestig antwoord of een galant idee. Bijvoorbeeld
een verhaal van een liaison tussen een troubadour, Guillaume van
Cabestaing en de Gravin van Roussillon en hoe haar zuster zo goed de
schijn op zich laadt dat zij de geliefde van de troubadour is, dat
haar zuster feitelik jaloers wordt. Hoe een ridder, vermoeid van een
toernooi, zich verslaapt en daardoor een geheime ontmoeting met een dame
mist, maar hoe galant en spirituëel hij haar zijne verontschuldiging
aanbiedt, zodat alleen zij verstaat wat hij bedoelt en hem vergiffenis
schenkt. Een soort »Proverbe", als van de Musset, heeft men in de kleine
»lai de l'ombre". De dame heeft aan een ridder die haar sterk het hof
maakt, weerstand kunnen bieden, maar nu heeft hij, zonder dat zij het
weet onder menig een »bel mot plaisant et poli" zijn ring aan haar
vinger weten te schuiven. Dat ontdekt zij later en eist dat hij die
terug zal nemen. Zij zitten op de rand van de put in de burchttuin, als
hij genoodzaakt wordt de compromitterende ring aan te nemen; »die is er
niet zwarter op geworden door aan zulk een schone vinger te zitten,"
zegt hij droevig glimlachend en als hij haar beeld zich op de bodem
van de put in het water ziet spiegelen, voegt hij er bij dat hij die
nu ook niet meer dragen wil, maar dat zijn lieve vriendin de ring nu
moet hebben, zij, die hij, na haar, het liefste heeft. De dame is ietwat
vertoornd er over dat hij zo een ander op de achtergrond schijnt te
hebben, maar op hetzelfde ogenblik werpt hij de ring in het water voor
haar beeld. »Zie, nu mijn dame de ring niet wil hebben, is die voor
haar daarginds", »Welk een gelukkige inval," zegt de dichter, »was die
galanterie niet!" De dame kijkt naar beneden in de put en wordt geroerd:
»Uwe zoete woorden en uw grappig idee en het geschenk dat gij mijn beeld
geschonken hebt, doen mij geheel anders hierover denken; daar hebt gij
mijn ring: ik veronderstel dat gij er niet minder op gesteld zult zijn,
al is die ook minder fraai dan die welke gij opgeofferd hebt."

Een werkelike echtbreuk-roman is de Provençaalse »Flamenca". De jonge
Guillaume de Nevers heeft zo veel horen spreken van Flamenca, de vrome,
jonge echtgenote van de brutale Seigneur de Bourbon, dat hij het besluit
neemt de ongeziene Schone lief te hebben. Hij neemt een kamer in een
herberg vlak tegenover de burchttoren, waarin zij opgesloten gehouden
wordt, en geïnspireerd door de nabijheid der geliefde, groeit zijn
romantiese liefde voor haar aan tot dweperij van de zelfde telepatiese
aard als die wij bij Tristan tegen zijn gekomen. Wanneer hij vanuit zijn
venster naar haar toren kijkt, valt hij in een soort bezwijming en in
die tijd is zijn ziel bij haar in de toren en houdt haar in de armen
zonder dat zij 't zelf vermoedt. Slechts na enkele ogenblikken ziet zijn
bekommerde dienaar een glimlach over het bewusteloze gezicht spelen en
de geest er langzamerhand weer in terugkeren, met een weerspiegeling
over zich van het geluk dat die genoten heeft. Om met de dame in
verbinding te komen weet hij van een gewillige priester de toelating te
verkrijgen de koordienst in de kerk te verrichten waar zij de mis hoort,
en dat hij het werk van de geestelike op zich mag nemen die rondgaat en
de gemeente het brevier laat kussen. Bij dat werk heeft hij allerlei
ogenblikken van verrukking. Wanneer hij het zonnelicht op Flamenca's
haar ziet vallen, jubelt hij met zijn schone stem dubbel mede in het
koorgezang. Wanneer zij haar hand ontbloot om het teken des kruises te
maken, dan loopt het de minnaar als ijs langs de rug »alsof men in al te
koud water baadt". Nu waagt hij het een eigenaardig soort van gesprek in
te leiden, wanneer hij haar het brevier tot kussen aanbiedt. De eerste
keer zucht hij alleen maar diep, en thuis gekomen vertelt Flamenca haar
maagden van die schone geestelike en zijn zuchten, waarop de meisjes
dadelik gereed staan met hun raad: de volgende maal moet zij vragen
waarom hij zo zucht. En zo ontwikkelt zich het gesprek, elke keer dat
zij in de kerk komt slechts een paar woorden van een der beide partijen
en telkens wordt er thuis in het vrouwenvertrek ijverig gedebatteerd,
wat de geestelike gezegd heeft en hoeveel aanmoediging hun meesteres
hem de volgende keer in haar antwoord geven mag, totdat zij elkaar
langzamerhand beginnen te begrijpen en afspreken hoe de echtgenoot het
best bedrogen zal kunnen worden.

In Noord-Frankrijk worden de minneliederen van de Heer van Coucy aan de
Vrouwe van Fayel het onderwerp van een hele roman die wij gedeeltelik
terugvinden in de allerliefste »Herzmäre" van Koenraad van Würzburg. Die
eindigt met het barbaarse sage-motief dat men ook in Indiese en Keltiese
en vele andere sprookjes vindt,--dat de echtgenoot zijn vrouw het hart
van haar minnaar te eten geeft en haar dan, als het op is, vertelt
wat voor een lekkernij zij voor zich gehad heeft, waarop zij zweert
van nu af geen voedsel meer tot zich te nemen. Maar afgezien van dit
tragiese slot beweegt de historie zich geheel en al in de vormen van het
geciviliseerde hofleven en schetst de verhouding der twee hoofdpersonen
door alle gewone fases heen, van het eerste bezoek af waar zij, in
de afwezigheid van haar gemaal, het gesprek een andere draai geeft
telkens wanneer zij vrezen moet dat de Heer van Coucy aan tafel met
zijn liefdesverklaring voor den dag zal komen, tot op het ogenblik dat
een andere dame, wier avances de ridder afgewezen heeft, eens met de
scherpzinnigheid van de jalousie de blikken opvangt die de geliefden
elkaar in 't geheim toewerpen en alles aan de echtgenoot verklikt.

Maar liefde die met het huwelik in konflikt komt is nu niet langer
het enige wat interesseert. Men heeft nu het konventionele standpunt
verlaten van het geloof dat de poëtiese ridderlike liefde niet met het
proza van het huwelik samen kan gaan; een fijnere moraal begint zich
aan het halve en het valse in gestolen liefde te stoten en een inniger
opvatting der liefde tracht tot solieder, zekerder huwelikstoestanden
te leiden. Men zal zich herinneren hoe de echtgenote in het gedicht
van Marie de France »Eliduc" haar recht op haar eigen echtgenoot opgaf
ten voordele van de verbinding die hij in 't buitenland aangegaan had,
ofschoon hij wist dat hij elders gebonden was. Op dit gedicht van
Marie schreef Gautier van Arras een roman maar met karakteristieke
veranderingen. Ille verlaat zijn innig geliefde vrouw Galeron uit
wanhoop dat hij bij een toernooi zijn ene oog kwijt is geraakt; hij kan
niet geloven dat zij steeds liefde zal kunnen blijven voelen voor iemand
die zo ontsierd is, en trekt stil weg naar een vreemd land. Een zeer
onhandig idee, dat blijkbaar in verband staat met een oordeel in het
boek van Andreas Capellanus over de »Kunst der Liefde" en ook weer
gevonden wordt in een Duits gedicht: »De getrouwe Echtgenote"; maar er
moest iets zijn om Illes vertrek van zijn huis te verklaren. Ille komt
te Rome en maakt zich zo verdienstelik dat de Paus en de keizer hem een
geschikte partij vinden voor de dochter van de keizer. Maar het is
alleen op de verantwoording van de Paus en na lang Galeron gezocht te
hebben, die intussen ook haar tehuis verlaten heeft, dat Ille in het
nieuwe huwelik toestemt, en wanneer dan Galeron in de St. Pieterskerk
opduikt, juist op het ogenblik dat de bruidsstoet daar aankomt, bedenkt
Ille zich geen ogenblik om de keizerdochter in de steek te laten en met
zijn vrouw naar huis te trekken, niettegenstaande die bereid is hem op
te geven. Eerst na jaren geeft Galeron zich na een gevaarlike bevalling
aan God en wordt non, en nu kan Ille zich met zijn geliefde prinses
laten verenigen. Het verschil ten gunste van Marie wat betreft de morele
verantwoordelikheid en fijngevoeligheid is duidelik.

Nog duideliker is het dat de Cligès van Chrestien als een morele
tegenhanger van de Tristan-romans bedoeld is. Evenals hier wordt ook
in de Cligès een neef verliefd op de bruid die hij voor de koning,
zijn oom, gaat halen. Maar behalve dat Cligès volstrekt niet door
dankbaarheid aan zijn oom gebonden was, zoals dit met Tristan het geval
was,--integendeel is zijn erfrecht op de troon door zijn oom met geweld
terzijde gezet--verklaart ook Felice, de koningin, dadelik uitdrukkelik
dat zij niet, wat Isolde zo met vreugde deed, haar lichaam tussen
echtgenoot en minnaar wil delen: »hij die het hart heeft, zal ook het
lichaam genieten." En zo geeft zij zich ook pas aan Cligès, wanneer haar
min, die de kunst der toverij verstaat, de keizer een toverdrank gegeven
heeft die maakt dat hij het huwelik niet heeft kunnen consumeren. En
de twee gelieven zoeken dan ook niets beter dan een openbaar, wettig
huwelik voor de verborgen liaison in de plaats te stellen, wat hun dan
per slot van rekening ook gelukt, als de keizer uit de weg geruimd is.
Maar zelfs als echtgenote--heet het, volkomen tegen de wetten van de
ridderlike erotiek indruisend--bleef zij zijn dame en vriendin. Zo
antwoordt ook de echtgenote in »Erec en Enide" demonstratief aan iemand
die haar vraagt of zij de vrouw of de vriendin van de held is:
»Echtgenote èn vriendin."

In vele romans van de 13de eeuw kan men nagaan hoe de verfijning van de
erotiese moraal en het dieper en inniger gevoel dat voor de andere min
in de plaats komt, als vanzelf van de konventionele troubadourliefde tot
het huwelik voert. De vorstenzoon, Durmart le Gallois, die begint met
een losse verbintenis met de vrouw van den drossaete, ondergaat b.v.
langzamerhand een morele loutering en opvoeding en eindigt met zijn
dame, de Ierse vorstin, de hand voor het altaar te reiken. »De meesten,"
zegt de dichter, »laken hem die met zijn minnares trouwt, maar die
voelen de ware, echte liefde niet, want hoger is dàt geluk te achten
dat onverminderd genoten kan worden, dan dat hetwelk men slechts voor
een ogenblik leent, en het moet voor ieder zéér pijnlik aandoen zijn
vriendin vlak voor zijn ogen door een ander te moeten zien kussen en
omhelzen." En vooral in Duitsland bezingen de voornaamste dichters
eigelik steeds de lof van het huwelik ten spijt van de conventie der
riddererotiek, terwijl de leerdichten als in de geest van Luther
verklaren dat het hoogste geluk in de wereld is een goede en trouwe
vrouw te bezitten en dat de wil van man en vrouw »van het hart en tot
het hart gaat".

Ook uit menig andere conventie der ridderromantiek ziet men zich
langzamerhand een fijnere en gezonder liefdemoraal ontwikkelen.
B.v. uit de argumenten tegen die echtgenoten welke zonder het minste
vertrouwen op hun vrouw, dadelik in alle laster tegen hen en hun eer
geloven--gelijk in de »Roman de la Violette"--uit de oppositie tegen
de dames die de ridder tot speelbal van hun luimen maken en hen die ze
liefhebben door hun grillen plagen; of wel wendt dan de ridder zich ten
slotte van haar af, als hij genoeg heeft van haar koketterie, of wel
betaalt hij haar in gelijke munt door haar liefde op een dergelike proef
te stellen, als die waarmede zij hem in haar koketterie geplaagd heeft.
Allerliefst bestaat beider liefde de proef in een klein verhaal: »De
drie ridders en de mantel." De dame heeft haar drie aanbidders gezegd
dat zij hèm voor zou trekken, die bij een toernooi haar mantel wil
aantrekken in plaats van een wapenrusting. Slechts bij één der drie is
de liefde daar sterk genoeg voor en hij komt zegevierend terug, maar
met zware wonden. Maar nu verlangt hij van haar dat zij op een feest die
bloedige mantel over haar feestdracht dragen zal. En haar liefde is even
sterk als de zijne, zij offert haar ijdelheid op evenals hij zijn leven
op het spel gezet had.

Of men lette op hoe vaak morele fijngevoeligheid en hooggespannen
idealisme de ridderroman op zijn best in het oude feeën-motief leggen
kan, dat wij al zo dikwels hebben zien behandelen: de ridder die
verraadt dat hij in het geheim de gunst van de fee genoten heeft. In de
»Parthenopaeus van Blois" is de fee tot een prinses van Konstantinopel
geworden, die de toverkunst machtig geworden is, haar minnaar is de
jonge ridder van Blois. Wanneer hij er zich toe laat verleiden haar
gebod van geheimhouding te overtreden, verbant zij hem uit haar ogen,
niettegenstaande al zijn berouw en de smeekbeden van haar zuster; haar
verwond hart, haar teleurgesteld vertrouwen vloeien over van smart en
boosheid. »Zuster," zegt zij, »gij kent de liefde slecht, de liefde met
haar vreugde en smart; één enkele smart die een vriend ons berokkent,
doet meer kwaad dan vijf die een vijand ons veroorzaakt." Maar even diep
is dan ook haar berouw en haar zelfverwijt, als het blijkt dat zij hem
tot vertwijfeling gebracht heeft. »Wie zijn vriend hoogmoedig afwijst,
wanneer hij onder tranen om genade bidt," zegt zij, »moet niet éénmaal
sterven, maar langzaam de uitterende dood voelen naderen." Eerst wanneer
beiden door hun beproevingen gelouterd zijn, worden zij voor goed
vereenigd.

Dit feeën-motief wordt geheel in de werkelikheid opgenomen in de kleine
vertelling van »La Châtelaine de Vergy",--misschien de fijnste bloem der
ridderpoëzie. Misschien ligt er iets dat werkelik aan het Bourgondiese
hof gebeurd is aan ten grondslag. Aan het hof van een Hertog leeft een
jong ridder, de lieveling van de vorst en de vreugde van het hof. Ook de
hertogin werpt haar ogen op hem; lang tracht zij hem zeer diskreet haar
gunst te tonen, en in fijne, passende bewoordingen geeft zij hem haar
gevoelens te kennen, maar hij doet haar in alle hoffelikheid begrijpen
dat hij er niet over kan denken het vertrouwen van zijn meester te
beschamen. En nu gaat de hertogin diep gekrenkt naar haar echtgenoot
om de knaap te belasteren en te zeggen dat hij haar met oneerbare
bedoelingen heeft trachten te naderen. De hertog kan zijn oren nauweliks
geloven en hij laat de ridder nu alleen bij zich komen om hem aan een
verhoor te onderwerpen; het is duidelik dat de jongen verliefd is,
maar hij zweert dat hij onschuldig is en de hertog wil hem heel graag
geloven, maar op wie kan het dan zijn dat hij verliefd is? Slechts als
hij hem dat wil zeggen, kan hij zijn wantrouwen doen verdwijnen. En
zo lang dringt hij aan en zo ongelukkig voelt de knaap zich dat hij
in een vals licht voor zijn meester zou staan, dat hij ten slotte
met het geheim voor den dag komt: het is de nicht van de hertog, de
Burchtgravinne van Vergy en hij die elkaar al lang in het geheim bemind
hebben, maar ze hebben gezworen er het stilzwijgen over te bewaren.
De vorst zweert van zijn kant dat het geheim niet over zijn lippen zal
komen en neemt de gelegenheid waar, om, ongezien, de ontmoeting van
het jonge paar in de tuin bij te wonen. Hoger dan ooit te voren staat
de jongeling nu bij de hertog in de gunst, wat, gelijk te verwachten
was, de verbazing en zelfs de verbittering van de hertogin wekt. In
een vluchtig geschetst nachtelik idyllies ogenblik weet de jaloerse
vrouw eindelik haar gemaal met moeite het geheim te ontlokken. Zij,
een hertogin, versmaad voor een simpele burchtgravin,--dat is een
belediging, die gewroken moet worden. Kort daarna is er een groot feest
aan het hof van de hertog en onder de gasten uit de buurt is ook de
burchtgravin. Vriendelik wordt zij door de hertogin ontvangen, maar
wanneer de dames zich na het middagmaal teruggetrokken hebben om zich
voor het bal te kleden, dan kan de gastvrouw niet nalaten met een kleine
hatelikheid voor den dag te komen die de jonge vrouw het hart doorboort,
omdat die het haar duidelik maakt dat haar geliefde hun geheim verraden
heeft. Als de andere dames die niets gemerkt hebben, ten dans gaan,
trekt zij zich, diep in 't hart getroffen, in een kleine kleedkamer
terug: zij is verraden door haar minnaar, verraden aan de hertogin,--dus
is zij het nu die hij liefheeft. Zij werpt zich op een bed en onder
wenen en klagen breekt haar hart van verdriet met de woorden: »Gode
beveel ik u, zoete vriend." Ondertussen heeft haar ridder haar overal
bij de dans gezocht en in de vertrekken; eindelik vindt hij haar op het
bed in die kleine kamer. Zijn kwade geweten doet hem reeds vermoeden
wat er gebeurd is en dat wordt hem door een kamermeisje bevestigd die
de dame heeft horen klagen, en als de rest van het gezelschap aan komt
ijlen, wordt de ridder, doorboord door zijn zwaard, op het lichaam
van zijn geliefde gevonden. Maar de vorst trekt het zwaard uit het
lichaam van de dode en midden onder het feest stoot hij het in zijn
vrouw,--daarop neemt hij het kruis en trekt naar het heilige land.

Alles wat de ridderromantiek aan fijne kennis van het maatschappelik
leven kent en fijne aristokratiese mensenkennis, komt rein en schoon in
deze kleine berijmde vertelling voor den dag, die nog heden ten dage
geleefd en gedicht had kunnen worden.



XXI.

HET EINDE DER RIDDERROMANTIEK.


Gelijk de glanstijd van de ridderadel, duurde ook de bloeitijd van de
ridderromantiek slechts zeer kort. In het laatst der middeleeuwen was
het de kerk, de universiteit en de burgergeest die het geestesleven
zouden beheersen. Deze drie machten waren het die in de 14de en 15de
eeuw de dood van de ridderromantiek veroorzaakten.

In de latere Graalromans zagen wij haar in de dienst treden van de
kristelike mystiek en ascetiese monnikengeest. Lancelot en Guenievre
doen ten slotte boete in cel en kluis; Perceval ligt »bevend als een
blad" aan de zijde van zijn vrouw die hij voor God en de mensen getrouwd
heeft, van pure vrees de vreugde des hemels te missen, als hij zich
aan vleselike lust overgeeft; heilige mirakelen en de valstrikken des
duivels omgeven de maagdelike Galaad bij zijn zoeken naar de Graal; en
in het Duitse gedicht »De jonge Titurel" worden de Graal-tempel en de
Graal-dienst tot een mysties symboliese idealisering van het nieuwe
Gotiese kerkgebouw en de kristelike godsdienst. Handige geesteliken
beginnen over het algemeen de wereldlikheid tot de Ere Gods te wenden,
door de ridderromans en de minneliederen of de »ars amandi" te
»moraliseren" en te »spiritualiseren" en ze tot geestelike allegorieën
te maken; er worden »geestelike toernooien" en ridderromans geschreven
over de reis naar de Hel en het Paradijs. Menig ridderlik dichter kreeg
zelf scrupules: zowel Chrestien de Troyes als Hartmann von Aue schreven
legenden als boetedoening voor hun ridderromans en meer dan een
minnezanger eindigde op een kruistocht of in het klooster. In het
gedicht van Konrath von Würzburg, »'s Werelds loon", krijgt een
ridderlik minnezanger bezoek van »Frau Welt" die hij steeds gediend
heeft, haar schoonheid en beminnelikheid betoveren hem volkomen, maar
als zij zich omkeert, ziet hij hoe haar rug geheel opgegeten is door
vergiftige slangen, en vol walging maakt hij zich nu van haar af en
neemt het kruis.

Nog werkzamer middelen dan allegorieën en waarschuwingen werden tegen
de verwilderde kinderen der wereld gebruikt. De 13de eeuw is die van
Innocentius III en Lodewijk de Heilige, van de orden der bedelmonniken
en van de Inquisitie; de 14de eeuw is die der mystiek, van de zwarte
dood, en van de geselbroeders en noch in de ogen van Lodewijk de
Heilige, noch in die van Bonaventura, zou de roman van Lancelot genade
kunnen vinden die Paolo en Francesca tot »de zoete zonde" verleidde.
Vooral was het de schone jolige ridderkultuur van geheel Zuid-Frankrijk
die vertrapt werd, toen het kruisleger van Simon de Montfort als een
gesel Gods zich over de ketterse steden en het land der troubadourhoven
stortte. »Ik was gewoon aan zang en vrolikheid, aan ridderlikheid en
vriendelikheid, klaagt de troubadour,--de wereld was vrolik en de
vrouwen mooi en lief en een ieder legde zich slechts toe op wat edel was
en schoon. Maar nu is alles veranderd, ik word gelaakt en veroordeeld
voor alles waar ik vroeger voor geprezen werd en nu zegt men dat gulden
stoffen niet voor vrouwen passen en dat men de genade Gods vinden
zal door witte pijen en zwarte kleêren." Zeer plotseling verstomde
de rijke fijne zangkunst of moest zich voor moraliserende leerdichten
laten gebruiken, slechts een paar troubadours waren er voor te
vinden om de liefdelyriek te gebruiken voor de verkondiging van
een platonies-kristelike, mysties-spiritualistiese godsdienst der
liefde,--zoals die zich later verder ontwikkelde uit de Italiaanse
renaissance-lyriek, in Dantes »Vita nuova" en Petrarca's »Canzoniere".

Intussen kwam de kerk zelf ook met een literatuur voor den dag die het
publiek interesseerde. Van de ridderromans wendde men zich tot de
»Legenda Aurea", Bonaventura's »Beschouwingen", Jacques de Vitry's
verzameling van stichtelike »exempelen" en door de boetpredikanten
die uit het volk voorkwamen en vóor het volk spraken, zowel als door
de grote mysteries werd het kermispubliek toch meer en meer van de
speellieden en de »conteors" afgetrokken.

Maar tegelijkertijd kreeg de ridderromantiek het hard te verantwoorden
op de Universiteit,--door de geleerdheid en de scholastiek. Een
geografiese en natuurwetenschappelike literatuur in de volkstaal zou
weldra de ridderromans geheel overtreffen door haar verhalen over
alle merkwaardige landen en volkeren, van alle wonderbare planten en
dieren en mirakuleuze stenen. De romantiese fantasiehonger had zich
langzamerhand ontwikkeld tot een werkelike dorst naar wetenschap en tot
een ontwakende drang naar onderzoek, en allerlei soort »Mappemondes",
»Miroirs du monde", bestiarieën en lapidarieën of de reisbeschrijvingen
van een Marco Polo en Mandeville trokken weldra de belangstelling
sterker tot zich dan de merkwaardigheden van de Alexanderromans of de
Parzivalgedichten. Op dezelfde manier leidden de ridderromans tot een
historiese literatuur die meer en meer de belangstelling van die romans
af, en tot zich trok. Reeds de schrijver van »de roman van Troje" begon
op zijn ouden dag een kroniek der Normandiese Hertogen te schrijven, en
gebruikte de kleuren der ridderromantiek om te beschrijven hoe hertog
Richard tot ridder geslagen werd of de liefdegeschiedenis te vertellen
van Robert van Normandië en het schone burgermeisje dat hij aan de
was had zien staan. In Villehardouin, in de werken van de Minstreel
uit Rheims, en later in de kronieken van Froissart ontwikkelt zich
een ridderlik romantiese kunst om de geschiedenis te schrijven, met
schitterende beschrijvingen van de feesten der Bourgondiese hertogen
en het hofleven der Engelse Plantagenets of van de heldenfeiten en de
Oosterse lust naar avonturen op de kruistocht naar Konstantinopel. De
overgang van roman naar historie komt duidelik aan den dag in een werk
als de »Roman de Hem" van een Sarrasijn in de 13de eeuw. Feitelik is
dit niet anders dan een uitvoerige beschrijving van een toernooi,
dat de dichter bijgewoond heeft, hij beschrijft alle deelnemers
onder hun werkelike namen, ofschoon in een gril zijner fantasie een
paar Arthurridders er bij gehaald worden. In zijn inleiding prijst de
schrijver ook bizonder die dame op wier bevel het gedicht geschreven
werd, omdat zij niet is gelijk die dames die zich allerlei leugens »bij
elkaar laten lappen die de geest alleen maar bederven", maar die zulke
»romans d'aventure" als »Cligès" en »Parcival" versmaden.

Maar het was toch vooral de didaktiek en de scholastiek die van de
Universiteit komende, de ridderromantiek zouden verstikken. Er was,
zoals wij al gezien hebben, reeds vroeg een scholasties element in de
minnepoëzie der troubadours gekomen en in zelfstandige leerdichten
zowel als overal in de ridderromans waren er stukken te vinden waar
men een lesje in de ridderlikheid en de hoofsheid kon krijgen. Meer en
meer verdroogt nu echter dat frisse gevoel in de lyriek en verdwijnt
de levende fantasie uit de romans en in plaats daarvan komen morele
allegorieën en een spitsvondige dialektiek in die lyriek, in de
romans en nog meer in de zelfstandige leerdichten. Reeds in de jongste
klassiciteit floreerden erotiese en morele allegorieën--het slot van
Venus en de rechtbank van Venus, vrouw Philosophia die Boethius in zijn
gevangenis komt troosten, of de bruiloft van Philologia en Mercurius
bij Martianus Capella--en meer en meer ziet men die allegorieën in de
theologie der middeleeuwen verschijnen, en daaruit dringt nu de zin om
eigenschappen te personifieren en abstrakte begrippen af te beelden in
de wereldlike ridderpoëzie door, in Noord- en Zuid-Frankrijk zo ook
als in Duitschland. De Godin der Liefde zit in haar paleis omgeven
door Vreugde, Schaamte, Hoop enz. en houdt een leerrijke voordracht
voor hen. De dichter ontmoet op zijn wandeling allerlei allegoriese
personen en heeft leerrijke gesprekken met hen. Of wel wordt de
belegering van »de Burcht der Liefde" in alle stadia geschilderd. Het
is vooral in Noord-Frankrijk--Parijs was immers de hoofdzetel van de
Scholastiek--dat wij de moraal der ridderlikheid aanschouwelijk zagen
maken door de allegorie, of het wezen der liefde in zijn bestanddeelen
zagen oplossen die alle allegories gekleed waren. En wij zagen ook hoe
in het leerboek over de »gepaste" liefde »De arte honeste amandi" van
de Kapellaan Andreas, de regels van de ridderlikheid en de ridderliefde
gesistematiseerd waren, als wetten werden geformuleerd en subtiel
in scholasties-juridiese geest vertolkt; in een gedicht als »het
Dierenboek der Liefde" van Richard de Fournival, maakt de minnaar van
alle berichten uit de bestiaria over merkwaardige dieren gebruik om
allegories de merkwaardige eigenschappen van de liefde en de aangebedene
te beschrijven en zij antwoordt door nog weer andere morele vertolkingen
van die dierenverhalen te citeren!

Maar de beroemdste en fijnste, meest poëtiese scholastisering van de
ridderromantiek is toch de »Roman de la Rose" die een jonge geestelik
opgevoede edelman uit Orleans omstreeks het jaar 1240 geschreven had.
Daarin lezen we, hoe de dichter--in zijn droom--vrolik en met liefde
in het hart, de stad uitwandelt om van het gezang der vogelen en het
voorjaar te genieten, en bij een tuin komt die door een hoge muur
omgeven is zodat men er niet in kan komen. Buiten op de muur zijn de
ondeugden afgebeeld die er buiten moeten blijven: haat en laagheid,
gierigheid en afgunst, droefenis en ouderdom; want dit is het rijk
van de ridderlik-hoofse liefde, dat slechts open staat voor de edel
geborenen, rijken, welopgevoeden en jongen. »Dame Oiseuse" is de
portierster, d. w. z. dat alleen een leven in lediggang als dat van de
hogere klassen daar toegang verschaft. Zij vraagt de dichter vriendelik
de tuin in ogenschouw te willen nemen; het is haar zuster »Déduit" die
hem heeft aangelegd. In de tuin gekomen, vindt hij zich weldra omringd
door een uitgelezen gezelschap van spelende en dansende Dames en Heren,
»Juffrouw Beleefdheid", »Rijkdom", die zijn vriendin »Vrolikheid" bij
de hand geleidt, »Vrijgevigheid", die als een ridder van Arthur's
Tafelronde gekleed is, »Jeugd", een lief klein meisje van 12 jaar dat
argeloos-onschuldig haar minnaar voor aller ogen kust, en eindelik
»Amor" zelf, een jong ridder in een kleed met bloemen, die door zijn
page »Zoete Blik" begeleid is en met »Vrouwe Schoonheid" danst, die
prachtig is als de maneschijn, onstoffelik als de dauw, eerbaar als een
bruid en wit als een lelie. Terwijl de dichter een roos achter een heg
staat te bewonderen, schiet Amor een pijl op hem af die hem in zijn hart
wondt, en knielend moet de dichter nu de Liefdegod als zijn leenheer
huldigen. Om volkomen zeker te zijn, zet die bovendien nog een slot
op zijn hart en steekt de sleutel in zijn zak, waarop hij zijn vazal
een reeks voorschriften geeft, hoe hij zich bij de liefde gedragen
moet,--vele er van kinderachtig, maar enkele toch ook fijn en schoon--,
en om hem te troosten krijgt hij »Zoete Gedachte", »Zoete Woorden" en
»Zoete Blik" bij zich. Gewond sleept de dichter zich nu naar de roos en
vergeet zijn wonde door daar op te blijven zitten staren en er de geur
van op te snuiven; een vriendelike man (Bel-accueil) biedt aan hem te
helpen als hij beloven kan de roos niet te plukken maar alleen zich met
de aanblik en de geur er van tevreden te stellen, maar hij kan aan de
verleiding geen weerstand bieden en wil over de heg springen,--als
de »bewaker" (Dangier) te voorschijn komt en hem overvalt, met
behulp van »Kwade tongen", »Schrik" en »Schuchterheid"... Een hele
liefde-geschiedenis, zoals men ziet, en een soort psychologie der
verliefdheid in een allegorie ingekleed; de fijnste essens der
riddererotiek, die zonder de geur te verliezen in de verschillende
samenstellende delen ontleed is en op flessen gezet.

Maar midden in zijn verhaal was de dichter er uitgescheden, en een
mensenleeftijd later of iets meer, was er een welvarende, geleerde
burger van Parijs, Jean de Meung, die het handschrift in zijn bezit
kreeg en het voortzette. En met hem kwam er een hele nieuwe geest in het
werk, die van een grof verstands-realisme, dat de sierlike rozentuin
lelik zou maken. Want terwijl de minnaar staat te jammeren, komt »Het
Verstand" hem eens de les lezen. Liefde komt slechts uit een »passion
desordonnée" voort en is een soort krankzinnigheid die de man uit
natuurdrift overvalt, terwille van de voortplanting. En als zulk een
natuurdrift moet die gehoorzaamd worden, maar als het niet wegens die
blinde passie was, zou het verstand werkelik geen plezier vinden in die
onbekookte praatjesmaaksters die men vrouwen noemt en die de poëten nog
verheerliken!,--het is alleen maar hun opschik die ons zand in de ogen
strooit, en al de sentimentaliteit waarmede de liefde zich omgeeft,
betekent eigelik niets! Als priester der natuur treedt ook »Genius"
op en verkondigt zijn: »Vermenigvuldigt u". Alle vrouwen zijn voor
alle mannen en het is al te dwaas te geloven dat Robicon voor Mariote
geschapen is of Mariote voor Robicon. Meer en meer brengen de lange
gesprekken die de dichter heeft met »Verstand", met de »Vriend" en
»Valse Schijn", hem uit de atmosfeer van de rozentuin weg, maar op alle
gebied is het romantiek en sentimentaliteit en de gekunsteldheid in
de overspanning der hele ridderkultuur die aangegrepen wordt--alles in
naam van kultuur en verstand, van utiliteit en verlichting en van een
demokratiese burgerlikheid. »Laten wij nu toch eens even verstandig
trachten te zijn!" daar komt het alles op neer. Geen adel en geen
rijkdom,--de mensen zijn van nature gelijk; geen weelde in eten en
klederdracht, geen preutsheid en geen affectatie, geen bederven van de
natuur door opvoeding en konventie, niet al dat blanketten en maskeren
van de naaktheid van het geslachtsleven, niet al die hoogdravendheid en
gekheid van het ridderwezen,--laten wij natuurlik zijn en waar, en de
werkelikheid onder de ogen zien.

En onder talrijke vormen laat de burgerlike geest in de zich
ontwikkelende steden een dergelijke taal tegenover de ridderromantiek
horen. Zeker, de burgers proberen de ridderromantiek zo wel als de
ridderlyriek tot de hunne te maken en die bewust of onbewust te
verburgerliken. De werklieden vormen een zangersgilde te Toulouse,
te Gent en te Neurenberg en maken zo een handwerk op rijm van de
minneliederen der troubadours met moraliserende, spitsburgerlike
inhoud. En de ridderromans werden omgewerkt tot lompe, kinderachtige
volksboeken, tot vermaak van het volk. Maar tegelijkertijd wordt de
poëzie der ridders en hun romantiek voortdurend geparodieerd evenals
de ridderadel met hoon en toorn aangevallen wordt. Van de latere
riddergedichten waren er al vele die in zelf-ironie gespot hadden over
de afstand tussen het hooggespannen ridderlike idealisme en de steeds
meer en meer armer wordende werkelikheid in de ridderwereld. En in
Chaucers nobele Sir Thopas of in de kleine Jean de Saintré in de Franse
roman van de 15de eeuw worden de ronddolende ridders geparodieerd
en gehoond, presies als later in de ridderepopeën der Italiaanse
Renaissance-dichters. In Duitse gedichten willen ridders meê doen aan
de dans met boerendochters, maar ze worden met spot de deur gewezen door
de landelike schoonheden als zij ze het hof willen maken, en lopen een
pak slaag op van de boerenjongens. Alle aanstellerij in de minnepoëzie
der troubadours kan men in de gedichten der Florentijnse burgers
geparodieerd vinden. En hoe meer de adel zelf ekonomies, moreel en
militair in verval kwam, des te meer lachen de burgers ze uit. Het
eclatante fiasco van de Franse adel in de honderdjarige oorlog doet
een stroom van spot op hun hoofden nederdalen,--hoe de Duitse ridders
in het laatste deel der Middeleeuwen eigelik tot gemene struikrovers
gezonken waren, vindt men reeds midden in de 13de eeuw getekend in een
allerliefste kleine novelle »Meier Helmbrecht" waar het eerlike werkzame
leven van de boer in een heldere tegenstelling geplaatst is tot het
vervallen ridderwezen, waar de ridders rijp zijn voor de dood van een
struikrover aan de galg.

En dit verval van de adel, ekonomies, militair, politiek en moreel,
brengt ook van zelf dat van de ridderromantiek mede. Wel is waar schoot
die eerst nog veel meer en meer eksentriese loten. Zo overtrof b.v.
de Duitse ridder Ulrich von Lichtenstein alle vroegere minnedichters
in dwaasheid, toen hij een lid van zijn vinger afhakte en dat zijn
aangebedene zond, of als »Vrouw Venus" verkleed, geheel Duitsland
doortrok en bij alle toernooien ter ere van zijn dame streed--gelijk hij
dit alles zelf in zijn autobiografiese roman »Vrouwendienst" verhaald
heeft. De eindeloze Franse roman »Perceforest" uit de 14de eeuw en
de Spaans-Portugese Amadis romans uit de 15de eeuw gaven nog eens
en wel in de meest paradoxale ten spits gedreven vorm alle idealen
van de ridderromantiek bij elkaar en alle lievelingsmotieven uit
de ridderromans. Aan het Bourgondiese hertogelike hof trachtte men
evenzo in de 15de eeuw de ridderlike glansperiode van de Tafelronde
te doen herleven door prachtige toernooien, kunstmatige hoflyriek en
ridderlike »voeux du faisan" over de kruistochten tegen de Turken. En
toch,--evenals het niet de ridderlike politiek der Bourgondiese hertogen
was die de zegepraal zou behalen, maar de zeer burgerlike politiek van
Lodewijk XI, zo waren het niet de laatste verwaterde ridderromans en
minnedichten in de stijl der troubadours, maar de burgerlike realistiese
farce of novelle of Villon's burgerlik-realistiese lyriek waaruit de
levende ziel van de 15de eeuw sprak. Terwijl de ridderromantiek zich
over de andere landen van Europa uitbreidde en nog in de 15de eeuw
nieuwe zelfstandige loten schoot, in de Scandinaviese ridderballaden,
in Spaanse romances van de Cid, in de Engelse Arturroman van Malory,
allerlei spruiten van de ridderromantiek die wij hier niet verder kunnen
vervolgen,--waren hun sappen uitgedroogd in de landen zelf waar zij
thuis hoort, de leidende landen wat de kultuur der middeleeuwen betreft:
Frankrijk en Duitsland.

Zo nauw was de Ridderromantiek aan een bepaald maatschappelik
en geestelik leven der middeleeuwen verbonden, dat die in haar
oorspronkelike vormen met de middeleeuwen ten grave _moest_ dalen.
Maar in die romantiek, en verborgen onder wat daarvan aan plaats en
tijd gebonden was, lagen algemene dichterlike kultuurwaarden die altijd
tot het levende eigendom der mensheid zouden blijven behoren. Meer en
meer is men toch ook van de opvatting teruggekomen dat de renaissance
een volkomen breken met de Middeleeuwen zou betekenen. Evenals het
middeleeuwse kristendom en de stedelike kultuur, maakt ook de ridderlike
vorming een deel van de moderne kultuur uit. Indien men de inslag van de
ridderlikheid door de schering van het maatschappelike geestesleven van
een latere tijd of die van de ridderromantiek in haar latere literaire
ontwikkeling heen wilde nagaan, zou dit betekenen dat een aanzienlik
deel van de geschiedenis der moderne kultuur geschreven was. Het
ridderlike krijgsmansideaal en het ridderlike begrip van eer zijn
niet alleen nu nog springlevend in de militaire stand, maar maakt een
vrij essentieel deel uit van onze burgerlike mannelike moraal en de
middeleeuwse begrippen »Chevalier" en »gentilhomme" met de bijsmaak
van eer en hoofsheid die deze woorden hebben, zijn langzamerhand tot
het »cavalier" en »gentleman" van onze tijd geworden. En zo zijn, van
een zuiver literair standpunt uit, de ridders van Ariosto, Tasso en
Spenser, die de wereld rondtrekken en ter ere van hun Angelica, Armida
of Gloriana strijden, de direkte afstammelingen van de ridders van
Chrestien en Wolfram, maar ook de galante Alexander de Grote van Mlle de
Scudéry, de Cid van Corneille, ja zelfs Hernani van Victor Hugo en Don
Carlos van Schiller hebben nog het bloed in hun aderen van Arthur's
ridders van de Tafelronde. En verder: de Provençaalse en Franse »Hoven
van Liefde" waar de dames presideerden, werden voortgezet in de hoven
van Margareta van Navarre en de Italiaanse literaire vorstinnen, zowel
als in de Franse salons der 17de en 18de eeuw en de minneliederen der
troubadours weerklinken in het Italiaanse sosiale leven als sonnetten
van Petrarca, evenzeer als de spiritueel-sentimentele liederen van
Charles d'Orléans bij het hof van Blois, en de liefdelyriek van Sidney
en Spenser aan het hof van Elisabeth. Ja, zelfs de minneliederen van de
Musset en Lamartine, van Klopstock en van Heine hebben nog veel in zich
dat aan de »Liefdekunst" der troubadours herinnert. En tenslotte: de
middeleeuwse liefderoman--met zijn sentimentaliteit, zijn romaneske
intrigue-fantasie en zijn belangstelling om de grillige roeringen van
het hart na te sporen--brengt ons tot Boccacio en Ariosto, Chaucer en
Shakespeare, Margareta van Navarre en Racine en daaruit vinden wij
die met zijn motieven en gehele toonscala in talrijke moderne romans,
novellen en drama's terug. De episode van Troïlus en Briseïs in de
roman van Troje werd als voorbeeld van de grillen van de liefde en het
vrouwenhart eerst en veel dieper gebruikt door Boccacio en Chaucer,
en later door Shakespeare; bij diezelfde drie grote dichters der
renaissance werden de onschuldig lijdende en zich liefderijk opofferende
vrouwen heerlik gepoëtiseerd in figuren als Griseldis of Imogen. De
meest sentimentele van Boccacio's novellen en de meest romantiese van
Shakespeare's blijspelen zijn op de Middeleeuwse intrigen gebouwd, maar
met roerender toon en dieper zielestudie,--van Floris en Blanchefleur,
Appollonius van Tyrus, Die Herzmäre en de roman van Lancelot. Ariosto's
van liefde razende Roeland en de heldin Bradamante in panser en
kuras,--Chaucer's »Fair Emily" op een schone Meimorgen, en Spencer's
Britomartis die de wereld doortrekt om een ontvoerde geliefde te
zoeken wier beeld zij in een spiegel gezien heeft,--Tasso's kokette en
ijverzuchtige Armida... aan al dergelijke figuren kunnen wij zien hoe ze
direkt uit middeleeuwse ridderromans stammen en op hun beurt weer leiden
tot Racine's despotiese en jaloerse prinsessen, tot de desperate
minnaars der romantiek en Tennyson's »fair Elaine".

Het moderne geestesleven zou nog verder ten achter gestaan hebben in
morele verfijning en maatschappelike vormen, de moderne poëzie zou heel
wat armer geweest zijn aan sentimentaliteit en een eigenaardig soort
romanfantasie, indien het adelike hofleven der 12de en 13de eeuw niet
geleefd was en de gedichten der troubadours en de ridderromans nooit
geschreven waren. Soms lijkt het zelfs wel eens alsof al onze hang naar
het populaire en natuurlike en over het algemeen onze tijd van »feiten"
en »een gezonde brutaliteit" nog heel wat zou kunnen leren van adel en
ridderlikheid, fijne hoofsheid en zelfopofferende innigheid, van die
oude verhalen van Eer en Liefde ten spijt van alle gezond verstand en
langer dan het leven.



INHOUD.


                                                 Bladz.

            Inleiding                                 V

  Hoofdstuk

       I.   Van Baron-burcht tot Ridderhof            1
      II.   Kristelike Gevoelskultuur                 9
     III.   Wereldlike Kultuur                       21
      IV.   Hofkultuur                               32
       V.   »Salon-Poëzie" der Ridderkringen         44
      VI.   Zuid-Frankrijk                           58
     VII.   De Kunst der Troubadours                 69
    VIII.   Minnekunst                               93
      IX.   Geestelike Romans                       110
       X.   De Romantiek der Kruistochten           121
      XI.   De Alexander-Romans                     132
     XII.   Romanties-Klassieke Literatuur          143
    XIII.   Grieks-Oosterse Vertelkunst             171
     XIV.   Matière de Bretagne                     196
      XV.   Marie de France                         208
     XVI.   Tristan en Isolde                       220
    XVII.   Franse Ridderlikheid                    239
   XVIII.   Bretonse Romans                         248
     XIX.   Duitse Ridderromantiek                  285
      XX.   Ideaal Humanisme                        314
     XXI.   Het Einde der Ridderromantiek           334



  +----------------------------------------------+
  |                                              |
  |       OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER:           |
  |                                              |
  |  De volgende correcties zijn in de tekst     |
  |  aangebracht:                                |
  |                                              |
  |  Bron (B:) -- Correctie (C:)                 |
  |                                              |
  |  B: zonder moraal, er er zit een             |
  |  B: zonder moraal, er zit een                |
  |  B: Constantijn de grote, zowel als          |
  |  C: Constantijn de Grote, zowel als          |
  |  B: bouw van hospi-pitalen.                  |
  |  C: bouw van T:hospitalen.                   |
  |  B: van het juk der slavernij";--of          |
  |  C: van het »juk der slavernij";--of         |
  |  B: bij dat van anderen, wenen               |
  |  C: bij dat van anderen, »wenen              |
  |  B: kruis op en volge mij."                  |
  |  C: kruis op en volge mij.""                 |
  |  B: van de graven vau Guines in              |
  |  C: van de graven van Guines in              |
  |  B: eerst dienst al pages en                 |
  |  C: eerst dienst als pages en                |
  |  B: de ontiwkkeling van het                  |
  |  C: de ontwikkeling van het                  |
  |  B: »Mesure", Maze" heeft in het             |
  |  C: »Mesure", »Maze" heeft in het            |
  |  B: amuseren: S'irons à Paris,               |
  |  C: amuseren: »S'irons à Paris,              |
  |  B: nonnette!"--ik voel de zoete             |
  |  C: nonnette!"--»ik voel de zoete            |
  |  B: wreken. En de jonge Provençaalse         |
  |  C: wreken." En de jonge Provençaalse        |
  |  B: morgen.--»Waarde, goede                  |
  |  C: morgen."--»Waarde, goede                 |
  |  B: vriend in de wereld... En zo             |
  |  C: vriend in de wereld..." En zo            |
  |  B: genoemd word of een dame:                |
  |  C: genoemd wordt of een dame:               |
  |  B: Tyrolers (»schnadahüpferl) als de        |
  |  C: Tyrolers (»schnadahüpferl") als de       |
  |  B: zonder vreze herauten der waarheid       |
  |  C: zonder vreze »herauten der waarheid      |
  |  B: licht te woelen, het                     |
  |  C: ligt te woelen, het                      |
  |  B: vader werpt. »De vader                   |
  |  C: vader werpt. De vader                    |
  |  B: als bloedgetuigen de hemelkroon          |
  |  C: als »bloedgetuigen de hemelkroon         |
  |  B: verzameling van verhaaltjes, »de         |
  |  C: verzameling van verhaaltjes, de          |
  |  B: draken en griffoenenen gevleugelde       |
  |  C: draken en griffioenen en gevleugelde     |
  |  B: der woestijn ledig, en drink             |
  |  C: der woestijn ledig, en drinkt            |
  |  B: een scéne uit een echte                  |
  |  C: een scène uit een echte                  |
  |  B: »Anthia", Chariklea", hij is van         |
  |  C: »Anthia", »Chariklea", hij is van        |
  |  B: in en vind haar juist                    |
  |  C: in en vindt haar juist                   |
  |  B: opvallend aan Oostere motieven doen      |
  |  C: opvallend aan Oosterse motieven doen     |
  |  B: hart zegt Golfried meer in               |
  |  C: hart zegt Gotfried meer in               |
  |  B: ook een duit mêe in 't zakje             |
  |  C: ook een duit meê in 't zakje             |
  |  B: vraagt hij. »L'amer" is het dat          |
  |  C: vraagt hij. »»L'amer" is het dat         |
  |  B: cort." Haar zoon Richard                 |
  |  C: cort."" Haar zoon Richard                |
  |  B: daartoe aanzet? Gezelschapsspelletjes,   |
  |  C: daartoe aanzet?" Gezelschapsspelletjes,  |
  |  B: de kwestie van klêeren, strijd en        |
  |  C: de kwestie van kleêren, strijd en        |
  |  B: tegenstelling daarmêe. Van alle          |
  |  C: tegenstelling daarmeê. Van alle          |
  |  B: geimporteerd. In die gehele              |
  |  C: geïmporteerd. In die gehele              |
  |  B: er borrelt ergers een bron op            |
  |  C: er borrelt ergens een bron op            |
  |  B: te bepleiten." »Als de                   |
  |  C: te bepleiten. »Als de                    |
  |  B: Maar de hooftrekken zullen wel           |
  |  C: Maar de hoofdtrekken zullen wel          |
  |  B: lam, wilder dan de leeuw;                |
  |  C: lam, wilder dan de leeuw;"               |
  |  B: andere keizerlike amtenaren die ook      |
  |  C: andere keizerlike ambtenaren die ook     |
  |  B: Rijnstreek kwam de zoeven genoemd        |
  |  C: Rijnstreek kwam de zoëven genoemd        |
  |  B: zowel als hiernamaals." »Wer             |
  |  C: zowel als hiernamaals. »Wer              |
  |  B: tot Graalkoning uftgeroepen.             |
  |  C: tot Graalkoning uitgeroepen.             |
  |  B: zich gedraagt". En een Duits             |
  |  C: zich gedraagt"." En een Duits            |
  |  B: en met de rechtervoet over               |
  |  C: en met »de rechtervoet over              |
  |  B: der Liefde", »De Sleutel                 |
  |  C: der Liefde",--»De Sleutel                |
  |  B: zich gehad hebben. »om in den            |
  |  C: zich gehad hebben, »om in den            |
  |  B: het hart opwelt." Van de                 |
  |  C: het hart opwelt. Van de                  |
  |  B: Marie wat betreft de morale              |
  |  C: Marie wat betreft de morele              |
  |  B: renaisssance-lyriek, in Dantes           |
  |  C: renaissance-lyriek, in Dantes            |
  +----------------------------------------------+





*** End of this LibraryBlog Digital Book "De Ridderromantiek der Franse en Duitse Middeleeuwen" ***

Copyright 2023 LibraryBlog. All rights reserved.



Home