Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: De Zwervers van het Groote Leger - Historisch verhaal uit het tijdperk 1810-1813
Author: Visser, Piet
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "De Zwervers van het Groote Leger - Historisch verhaal uit het tijdperk 1810-1813" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



  +----------------------------------------------------------------+
  |                                                                |
  |                 OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER:                   |
  |                                                                |
  | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele,     |
  | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te      |
  | moderniseren.                                                  |
  |                                                                |
  | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het  |
  | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. De voetnoten    |
  | zijn hernummerd en naar het eind van de bijbehorende alinea    |
  | verplaatst.                                                    |
  |                                                                |
  | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn       |
  | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden.             |
  |                                                                |
  | De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven          |
  | als _cursief_. Uitgespatieerde tekst is weergegeven als        |
  | ~uitgespatieerd~; vette tekst als =vet=.                       |
  |                                                                |
  | In dit boek worden lage en hoge aanhalingstekens gebruikt.     |
  | Deze zijn respectievelijk aangegeven als »aanhalingstekens".   |
  |                                                                |
  | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de           |
  | aangebrachte correcties.                                       |
  |                                                                |
  | De illustraties zijn beschikbaar bij de html-versie van dit    |
  |                                                                |
  +----------------------------------------------------------------+



                   DE ZWERVERS VAN HET GROOTE LEGER.


[Illustratie: »Ik wou, dat ik Napoleon zoo eens onder handen had!"]



                              DE ZWERVERS

                                VAN HET

                             GROOTE LEGER.

             Historisch verhaal uit het tijdperk 1810-1813.

                            door P. VISSER.

    Schrijver van: »Taco de Minstreel," »Heemskerck op Nova Zembla,"
                     »De Laatsten der Arkels," e.a.


                    Geïllustreerd door O. GEERLING.

                       [Decoratieve Illustratie]

                        ALKMAAR--GEBR. KLUITMAN
                                 1913.


           Gebr. Kluitman's Boek- en Kunstdrukkerij, Alkmaar.


                       [Decoratieve Illustratie]



Eerste Hoofdstuk.

Een Kattenburger huisvader en zijn gezin.


Hompelend achter zijn leege vischkar, de beenstomp doelloos in stâge
wiegeling tusschen de ploffende kruk en het forsche rechterbeen, repte
Franciscus Stargardt zich naar huis.

Zijn gezicht stond grimmig van verzwegen wrok om het juist verschenen
Keizerlijk decreet, waarbij ook in Holland de felgehate conscriptie[1]
zou worden ingevoerd.

[1] In de Republiek hadden nooit andere Nederlanders dan vrijwilligers
onder onze troepen gediend.

Reeds het vorige jaar, tegelijkertijd dat door Koning Lodewijk afstand
van het bewind was gedaan ten behoeve van zijn minderjarigen zoon,
had Napoleon maarschalk Oudinot met een Fransch leger naar Nederland
gestuurd; leunend op zijn kruk had de kreupele op de Ossenmarkt, door de
wijd-open ramen, met weemoedsblikken naar het feest gezien van den 4den
Juli; en terwijl daar geklonken en gedronken, gejuicht en gejubeld werd
door de Franschen en de Hollandsche militairen, had hij zelf, met schier
heel de Amsterdamsche burgerij, in de vreeselijkste spanning verkeerd.

Och, hij voorzag het toen wel, dat die gast-vrienden der Hollandsche
militairen gekomen waren om Holland's vlag van de aarde te verdringen,
Holland's taal uit te roeien, Holland's goed te rooven, Holland's
jongelingen van de ouders af te scheuren om ze, ver van hun
geboortegrond, te offeren aan de onverzadelijkste heerschzucht.

Op de Kattenburgerbrug hield een _douanier_ hem staande, om zich te
overtuigen, of hij ook koloniale waren in zijn handkar hebben mocht. Hij
wist het reeds lang, zij wantrouwden hem, de Fransche tolbeambten, wijl
zijn huidig bedrijf hem noodwendig met visschers in aanraking bracht,
die als de grootste smokkelaars verdacht stonden. Maar toch steeg
Franciscus geregeld nog het bloed naar het hoofd, telkens wanneer hij
zich een onderzoek moest laten welgevallen.

Door een enkelen blik had de belastingambtenaar gezien, dat de kar ledig
was. Zwijgend wenkte hij toen, dat de aangehoudene weer dóór kon gaan.

Hoe waren de tijden dan toch veranderd!

En Franciscus Stargardt herdacht opeens met schaamte aan zijn opgewonden
patriottenroes, toen ook hij den goedigen, maar helaas te zwakken
stadhouder[2] voor een Alva en een Nero had uitgekreten, toen ook hij
de Franschen als bevrijders der tirannie had ingehaald, en ze bij hun
komst als broeders had helpen ontvangen. Ja, hij had ze vergood bijkans,
diezelfde Franschen, nu door hem gevreesd als beulen, eerlang gereed om,
op last van een overweldiger hem te ontrooven het dierbaarste wat hij
bezat: zijn flinke, gezonde, levenslustige jongens.

[2] Willem V.

Jakob en Willem, ze waren beiden op 't timmeren. En schoon er
tegenwoordig, bij de algemeene achteruitgang en armoede meer geslóópt
dan gebóuwd werd, had de baas hun nog steeds aan het werk kunnen houden.
Alzoo nooit zonder verdienste geweest, hadden zij hun vader de zorg voor
het dagelijksch brood, sedert hij 's lands werf, na zijn ongeluk, had
moeten verlaten, niet weinig helpen verlichten.

Want »Frans met de kruk", gelijk hij tegenwoordig algemeen genoemd
werd, had voor weinige jaren nog een paar stevige beenen tot zijn
beschikking, die zonder vermoeienis zijn forsch en krachtig lichaam
op zomersche Zondagen tot ver buiten de stad vermochten te brengen.

Maar toen opeens die noodlottige val, onderwijl hij zijn beroep van
blokkenmaker uitoefende!

»Je bent nog een jonge, sterke vent", zei de dokter, »dat is je behoud".

Zijn krachtig gestel bracht hem dan ook vrij spoedig er weer bovenop,
maar--zijn rechterbeen had hem afgezet moeten worden en voor 's lands
werf wist hij zich nu een, zijn leven lang, onbruikbaren kerel.

Toen, pogende op een andere wijze zijn brood te verdienen, was hij met
visch gaan venten. De begunstiging van zijn vrienden en vroegere makkers
en de ijver van zijn flinke huisvrouw Jane Overbeek, ondersteunden hem
daarbij met het beste gevolg. Hoe zorglijk de omstandigheden ook werden,
»Frans met de kruk" vond toch altoos zijn bescheiden deel, zelfs thans
nog te midden der vreemde onderdrukking.

Want de tijd van spanning, door den troonsafstand van Koning Lodewijk
ontstaan, was van heel korten duur geweest. Napoleon toch, de daad zijns
broeders ten sterkste afkeurend, had, slechts weinige dagen later, het
koninkrijk Holland tot een onderdeel van het Fransche Keizerrijk
verklaard.

Het vaderland bestond niet meer.

Charles François Le Brun, hertog van Plaisance, kwam als
_luitenant-generaal_ of algemeen stedehouder het paleis bewonen, het
land werd in departementen verdeeld, met _prefecten_ tot bestuurders.
Beneden die _prefecten_ stonden _onder-prefecten_; de burgemeesters
werden _maires_.

En tegelijkertijd bracht Napoleon een verpletterende slag toe aan de
overblijfselen onzer vroegere welvaart. Het decreet der inlijving toch
eischte van den ganschen Handelsstand 50 procent van de waarde der
koloniale waren en tevens ontnam het, met één pennestreek, aan vele
duizenden twee derden van hun vermogen. De renten der Hollandsche
schuld zouden namelijk niet verder dan voor een derde onder de lasten
worden opgenomen. Vermogende lieden waren door deze willekeur eensklaps
tot een bekrompen staat, anderen, die van een klein kapitaal met hun
huisgezinnen wisten te leven, tot diepe armoede gebracht.

Al die ellende, voor Franciscus Stargardt was ze natuurlijk hoegenaamd
niet nieuw meer, maar Napoleons jongste decreet en het onderzoek aan de
brug, daareven, hadden gemaakt dat hij er op 't oogenblik meer dan ooit
mee vervuld werd.

In de grootste verbittering trad hij dan ook zijn woning binnen, die op
den hoek van de Kleine Kattenburgerstraat en het Kattenburgerplein
stond.

»Er is toch niets gebeurd?" riep moeder Jane, toen zij nog maar
nauwelijks zijn gezicht gezien had.

»Het ergste wat ons nog overkomen kon!" zei de kreupele somber: »De
conscriptie wordt ingevoerd!"

Hij liet zich in zijn stoel neer, de kruk ruw naast zich in den hoek
werpend.

Moeder Jane verbleekte. De conscriptie! Vaak genoeg was de mogelijke
invoering reeds in zorgelijke vrees besproken, om te kunnen weten wat
dat zeggen wou. Niet langer dan vijf jaren hadden de conscrits te
dienen, zoo heette het. Maar in Frankrijk was geen voorbeeld bekend dat
men een soldaat, tenzij wegens ongeschiktheid voor den dienst, ooit weer
ontsloeg.

»Ja, zóóver is het dan gekomen!" vervolgde Stargardt dof. »Was het
al niet genoeg dat wij dagelijks bloot staan aan de schandelijkste
willekeur van douanen en gendarmen? Dat we worden bestuurd naar vreemde
wetten en onder vreemde heerschers? Dat we voortdurend worden uitgeperst
en uitgezogen, terwijl de lasten en opbrengsten, inplaats van het
algemeen welzijn te dienen, als buit over de grenzen worden gevoerd?

Maar nee, nu ook dàt nog!"

Zijn ellebogen op tafel gesteund, liet hij het hoofd in beide vuisten
rusten. Toen staarde hij verder, met saâmgetrokken wenkbrauwen, zwijgend
voor zich uit.

Ook het gezicht van moeder Jane stond zorgelijk.

Maar zij was een flinke vrouw en na haar eerste ontsteltenis zon zij
dadelijk op uitkomst. Willem werd al twee-en-twintig, die kwam voor
de conscriptie dus niet meer in aanmerking, meende zij. En Jakob zou
toekomende jaar pas moeten loten. Kon hij, bij dat, niet naar Engeland
ontsnappen, waar Napoleon niemendal te vertellen had? Hàrd mocht dat
zijn, 't zou toch altoos nog beter wezen dan verminkt of doodgeschoten
te worden als soldaat. In ieder geval, waarom zouden zij nu zich al
zorgen maken? Wie weet, wat nog gebeuren kon.

»Willem niet in aanmerking komen?!..."

Bruusk hief Stargardt het hoofd op: »Neen, dat is juist het
onrechtvaardigste van alles, de Keizer heeft bevolen dat zijn decreet,
voor dezen eersten keer, een terugwerkende kracht zal hebben van drie
jaren liefst!"

»Dat wil zeggen...?" vroeg moeder Jane beangst.

»Dat zelfs de jonge mannen van drie-en-twintig nog aan de loting moeten
deelnemen!"

Nu wist ook Jane geen raad. In de diepste verslagenheid en schier
zwijgend bleven zij tegenover elkander zitten, totdat eindelijk Willem
en Jakob van 't werk thuiskwamen.

»Wat ben jullie van avond laat, jongens?" zei Jane bezorgd.

't Was op het einde van Februari en met die korte dagen konden zij dus
al lang binnen geweest zijn.

»We hadden vandaag ons werk een heel eind van de stad," gaf Willem tot
opheldering.

»Een buitenplaats sloopen!" voegde Jakob er aan toe.

»Ja, slóópen, slóópen! Da's tegenwoordig nog maar het bloeiendste
handwerk!" barstte Stargardt wrevelig uit. »Hier in Amsterdam verdwijnen
nu al gehééle wijken; de Vechtstreek, de Diemermeer en Haarlem's
omgeving verloren het ééne landgoed na het andere!

En ga eens door de stad!.. Bij troepen zie je ambachtslui met de handen
in de zakken langs pleinen en straten slenteren. Geen dienstbode krijgt
meer een betrekking, geen schipper vindt langer vracht, winkelier en
kramer ervaren duizenden kwellingen!

Vroeger, o 't was een liefhebberij om langs den IJkant te loopen. Geen
mooier gezicht dan al die schepen, die er voor anker lagen. Een bòsch
leek het wel, een bosch van masten!

Kom daar nù eens om! Wat zie je? Een stuk of wat vaartuigen maar, die
er liggen te rotten, omdat Napoleon met zijn Continentaal-stelsel onzen
handel vermoord heeft.

Ja, is het niet God geklaagd", wond hij zich al heviger op, »dat wegens
dit stelsel niet minder dan 18000 man onze kusten moeten bewaken en
al onze havens met oorlogsschepen worden geblokkeerd om toch maar te
zorgen, dat er geen koopvaarder uit of in komt?

O, als ik bedenk," ging hij al heftiger voort, »dat één man dit alles
ons aandoet, dat één man onzen koophandel verlamd, onze visscherij en
scheepvaart zoo goed als vernietigd en bankroet op bankroet veroorzaakt
heeft, o, dan zou ik in staat zijn om den ellendeling..."

»Fràns!!..." gilde Jane, doodelijk ontsteld.

»Vader, vader!" waarschuwden de jongens verschrikt, »maak ons in
Godsnaam toch niet allemaal ongelukkig!"

Angstig luisterde Willem aan het venster, bevend kierde Jacob de deur...

Want de Fransche geheime politie had overal haar agenten; in de
koffiehuizen, in de schouwburgen, bij zijn vrienden, ja, zelfs in zijn
eigen woning was het gevaarlijk om te morren over het tiranniek bestuur.
Mijnheer Devilliers Duterrage[3] toch, had zijn stille verklikkers onder
alle standen, onder de welgekleede heeren, onder eenvoudige kleine
burgers, onder handwerkslieden, tot onder de voddenkrabbers incluis.

[3] De directeur-generaal van politie.

Vaak was een enkele aanklacht van zoo'n laag gezonkene voldoende om
iemand in de gevangenis te brengen, of te doen veroordeelen tot den
dood.

Franciscus zat een oogenblik ontsteld, dat hij zich zóó had laten gaan.

»Jullie hebt gelijk," sprak hij eindelijk meer bedaard en met gedempte
stem. »Maar een mensch heeft wel eens behoefte om zich te uiten. Het zat
me tot _hier_!" wees hij met het bekende gebaar.

»Ook voor jou, mijn jongen, is er geen aangenaam nieuws," ging hij
weemoedig voort, meer bepaald tot Willem sprekend.

Willem zag doodsbleek, toen hij het wist.

»Maar ik kan vrijloten!" bracht hij er eindelijk met moeite uit. 't Was
een mislukte poging om zijn ouders met een verwachting op te beuren, die
hij zelf niet had.

»O, zeker, je kunt nog vrij loten!" zuchtten de anderen, meenend, dat
dit hem troosten zou.

Maar geen van die vier bedrukte menschen bezat in waarheid de hoop,
waarmee elk den ander dacht te bemoedigen.

       *       *       *       *       *

IJverig werd nu met de inschrijving van alle dienstplichtige jongelingen
begonnen en reeds den 28sten Maart zou de loting plaats hebben.

Willem zou als reden tot vrijstelling opgeven, dat hij bijziende was.
Voor een poosje namelijk was het Jakob eens opgevallen, dat zijn broer
het boek onder het lezen wat dichter bij de oogen hield dan hijzelf.
Dadelijk hadden zij daar toen allemaal een reden tot ongeschiktheid voor
den dienst in gevonden.

Op den morgen van den lotingsdag had echter geen van de Stargardts nog
eenig vertrouwen meer in de deugdelijkheid van het kortelings ontdekte
vrijstellingsmotief. Treurig zaten zij aan het ontbijt, maar alle vier
konden zij niet dan met moeite eenige beten naar binnen krijgen.

Er werd meer gezucht dan gesproken.

»Kom, Willem! het wordt je tijd!" zei Stargardt eindelijk met een door
aandoening verschorde stem.

Hij nam zijn kruk onder den oksel en ook de beide jongens stonden op.

Moeder Jane begon hevig te snikken. Het leek haar toe, of haar kind dit
oogenblik de eerste stap tot een bloedigen dood ging doen.

»Kom, moeder, flink wezen nu!" poogde Willem nog te troosten: »Wie weet
of ik geen hoog nummer trek!" Maar in 't midden van die hokkend geuite
woorden moest hij zich omkeeren, om zijn eigen ontroering te verbergen.

Zij gingen met hun vieren de deur uit, naar het stadhuis. Want de
loting zou deels in de Amstelkerk, deels ten raadhuize plaats hebben.

Op straat zagen Jane's oogen nog rood van het schreien dat zij gedaan
had. Maar moeder Jane was waarlijk in dit opzicht de eenige niet. Dien
morgen bleek de stad vòl van vrouwen, die in gezelschap van lotelingen,
met roodbekreten oogen over straat gingen.

Voor het stadhuis was een groote ophooping van menschen; de Stargardts
hadden moeite, er door te komen. Maar eindelijk was dit toch gelukt. De
beide ouders en Jakob wilden nu méé naar binnen treden, maar door de
gendarmen die den ingang bewaakten, werden zij met barschen grauw
teruggehouden. Alleen Willem mocht binnengaan.

»Flink raak grijpen maar!" bemoedigde Jakob zijn broer, die er in dit
oogenblik allerellendigst uitzag.

»Ja, mijn jongen, grijp maar ferm toe!" schorde zijns vaders ontroerde
en hokkende stem: »Het geluk is voor de brutaalsten!"

Maar Willem schudde treurig het hoofd; het lag hem zoo bij, dat hij wel
een laag nummer zou trekken.

Ook moeder Jane was begonnen, haar armen jongen nog een woord van troost
toe te snikken; maar ongeduldig duwde een der gendarmen Willem naar
binnen.

»Allo, vooruit! Je kunt hier den heelen dag niet blijven staan janken!"
schreeuwde hij ruw.

Met vreemdstrakken blik liep Willem nu dóór. Uit de raadkamer hoorde
hij de nummers afroepen en nu en dan ging een loteling hem voorbij, met
roodgloeiend gezicht, of zoo wit als het genummerde stukje papier, dat
tusschen zijn vingers beefde.

Hij schuifelde de zaal in; daar zaten of stonden nog een menigte
jongelingen hun beurt af te wachten, en niet één keek blijmoedig.
Sommigen straalde de wanhoop als een koortsgloed de branderige oogen
uit; anderen zaten, met het hoofd op de borst, als geknakte witte
bloemen. Slechts enkelen deden zenuwachtig druk, om zich een voorkomen
van flinkheid te geven, maar de meesten openbaarden een doffe, schier
wezenlooze onderwerping.

Bijna angstig staarde Willem naar de groote, met groen laken overdekte
tafel, waarop de lotbus stond. Aan die tafel zat de Raad van
Conscriptie; mijnheer De Celles, de om zijn wreedheid gehate prefect,
had de eereplaats. Een sterke balie scheidde deze tafel van de
zaalruimte, waar de lotelingen waren. Twee openingen, de eene tot
ingang, de andere tot uitgang bestemd, bleken ieder bewaakt door vier
Fransche soldaten.

Eén voor één werden de lotelingen opgeroepen, om uit de noodlottige bus
het stukje papier te grijpen, waaraan misschien hun leven hing. Soms
snerpte een kreet van wanhoop door de zaal, als een conscrit een zeer
laag nummer bleek getrokken te hebben, soms schalde er een juichkreet
op, wanneer het een buitengewoon hóóg nummer bleek te zijn.

»Willem Stargardt!" klonk het opeens.

Willem voelde een schok, toen hij zijn naam hoorde aflezen.
Tegelijkertijd ging hem een ijskoude huivering over den rug, alsof
hij de koorts had. In een vreemde droomdoezeling ging hij tusschen de
militairen door. 't Was of niet _hij_ daar ging, maar iemand anders; of
niet _hij_ voor de heeren trad om zijn hand in de glazen bus te steken,
maar iemand búiten hem... Doch opeens werd hij weer zichzelf, nadat hij
het getrokken nummer aan den militairen auditeur had overgereikt.

»No. 15", las de auditeur. Toen werd al weer een nieuwe loteling
opgeroepen.

Willem stond daar nog, roerloos, geheel verbijsterd.

»Neen, mijn jongen, je behoeft vandáág nog niet op schildwacht te
staan!" spotte mijnheer De Celles, en de andere heeren lachten dat
zij schudden om die wreede grappigheid van den hardvochtigen prefect.

Nu kwam Willem plotseling tot een klaar besef van zijn ongelukkigen
toestand. Met een prikkelende trilling in zijn beenen ging hij naar de
plaats waar zijn signalement werd opgenomen, en een oogenblik later
stond hij weer op straat.

Al dien tijd hadden de andere Stargardts daar in het vreeselijkste
ongeduld staan wachten.

»Daar komt hij!" riep Jakob nu opeens. »Maar..."

»Hemelsche goedheid! Ik zie het al, ik zie het al!" jammerde moeder
Jane, »zijn gezicht is zoo wit als een doek!"

»Welnu?..." hijgde Stargardt, op zijn kruk naar voren wippend.

»No. 15--soldaat!" zuchtte Willem.

Zijn onderkaak was in zenuwachtige trilling, toen hij met moeite dit
antwoord uitbracht.

»Maar je hebt toch opgegeven, dat je bijziende was!" vraagde moeder nog
angstig.

Willem knikte.

»Kom laten we gaan!" zei Stargardt dof.

In somber zwijgen, als menschen die een dierbaren doode naar het kerkhof
hebben gebracht, keerden zij daarop naar huis.

Drie dagen later moest Willem reeds voor den Raad van keuring
verschijnen, die zitting hield in het Besjeshuis aan den Amstel.

Hij ging er heen met weinig hoop. Toen hem bovendien al heel spoedig
bleek, dat tal van conscrits, die eveneens gebreken hadden opgegeven,
reeds allemaal waren goedgekeurd, ging hij in doffe gelatenheid bij de
nog wachtenden zitten.

Weldra kraakte een deur open en tien lotelingen kwamen er
uit,--goedgekeurd! Duidelijk was het te zien aan hun strakke, bedroefde
gezichten.

Onmiddellijk daarop stak een gendarme het hoofd door de deuropening en
schreeuwde de namen van tien andere lotelingen uit. Ook die van Willem
was er bij.

Zij traden binnen en de gendarme sloot de deur.

Verscheidene heeren, meerendeels notabelen, om zoo noodig van advies te
dienen, zaten op stoelen in een halven kring; mijnheer De Celles, de
gehaten prefect, op een leuningstoel in het midden; en zijn secretaris
zat aan een tafel.

Eenige militaire chirurgijns en een overste stonden in een hoek van het
vertrek met elkaar te praten.

»Uitkleeden!--Een beetje vlug asjeblieft!" commandeerde de gendarme
barsch.

Toen zij alle tien zich geheel ontkleed hadden, werden zij betast en
bekeken als het vee op een marktplein.

Een was er bij, die doofheid had opgegeven.

»Hoe heet je?" werd hem gevraagd.

»In de Willemstraat!" zei de jongen.

»Mijnheer vraagt, hoe je heet!" bulderde een der gendarmen.

»O, zóó! Frederik Nottens!--Ik dacht dat mijnheer de chirurgijn vroeg,
waar ik wóónde. Ik ben een beetje doof, ziet u!"

»Maar toch zeker niet zoo erg?"

»Wâblief?" vroeg de Willemstrater, de hand aan het oor geschulpt.

»Of het èrg is?" herhaalde de chirurgijn luid.

»Vér? Ja, de Willemstraat is tamelijk ver", was het antwoord.

»We moeten met hèm maar uitscheiden!" zei de prefect. »'t Is duidelijk,
de lummel is zoo doof als een pot!" En zonder de minste stemverheffing
liet hij terstond er op volgen:

»Je bent afgekeurd, vriend. Je kunt gaan!"

Met een glans van blijdschap op het gelaat keerde Frederik Nottens zich
om en wilde dadelijk zijn kleeren aandoen om heen te gaan.

»Halt!" donderde de stem van mijnheer De Celles. En toen zich met een
boosaardig lachje tot den secretaris wendend:

»Frederik Nottens,--goedgekeurd voor den dienst!"

Een naar het uiterlijk sterke en gezonde loteling had vallende ziekte
als reden tot vrijstelling opgegeven en, uit angst, kreeg hij plotseling
werkelijk een toeval. Zijn oogen draaiden akelig in hun kassen, wit
schuim bruiste hem om den mond en met een plof smakte hij op den vloer.

De heeren notabelen toonden, met den armen jongen te doen te hebben.
Maar mijnheer De Celles zei: »Nu, ja, de kunst gaat ver. We zullen
dadelijk onderzoeken wat er van aan is."

Toen liet hij door een der gendarmen, den beruchten Jean Malot, het
naakte lichaam van den ongelukkige met brandend lak bedruipen, om te
zien of de kwaal ook nagebootst was.

Met een gevoel van afgrijzen zagen de andere heeren dat wreede bevel ten
uitvoer brengen. De prefect echter nam een snuifje en keek doodbedaard
toe.

Toen de arme jongen nochtans roerloos liggen bleef sprak hij,
onverschillig en koud: »Hm, de ziekte blijkt heusch toch echt te wezen!"

Willem had dit alles met ontzetting bijgewoond en angstig vroeg hij zich
af, wat men zoo meteen met hèm wel doen zou. Een tengere, bleeke jongen
echter, die reeds van den aanvang af had staan trillen als was hij,
onder een ijzigen vrieswind, zoo juist uit een bijt gered, was in
onmacht gevallen.

Om hem bij te brengen onderging hij dezelfde afschuwelijke bewerking.

Gillend sprong de mishandelde stumper toen overeind.

»U ziet het, heeren," zei de prefect, met zijn wreed lachje: »Het middel
is waarlijk nog zoo kwaad niet."

Als zoovele ambtenaren volvoerde mijnheer De Celles des Keizers bevelen
met gestrengheid, zonder verschooning of verzachting; maar waar anderen
dit deden uit angst voor Napoleon, uit zucht om zich aangenaam te maken,
of uit nauwgezette plichtsbetrachting, daar deed _hij_ het steeds uit
ingeboren neiging. Hoe wreeder de Keizerlijke bevelen waren, te minder
blijk van weerzin of mededoogen deze prefect openbaarde, als ontbrak hem
alle gevoel van menschelijkheid, als was het hem een genòt om leed te
stichten.

De jonge Stargardt, na alles wat hij gezien had, huiverde, toen
eindelijk de beurt aan hèm kwam.

»En jij?" vroeg een der militaire chirurgijns.

»Bijziende!" stamelde Willem bevend.

Enkele proeven werden nu genomen en daar hij te eerlijk was tot een
poging om den raad van keuring te misleiden, klonk het weldra:

»Willem Stargardt,--goedgekeurd voor den dienst!"



Tweede Hoofdstuk.

Het oproer aan de Haarlemmerpoort.


Op den avond van den 10den April werden alle goedgekeurde conscrits
bijeengebracht en in de kazerne aan de Utrechtsche poort opgesloten,
om den volgenden dag naar hun corpsen te worden gezonden.

Zoodra de morgen aanlicht, zet de sombere stoet zich in beweging, naar
de Haarlemmerpoort, waar verscheidene schuiten tot hun vervoer gereed
liggen.

Door talrijke gendarmen begeleid volgt de droeve jongelingenschaar de
aanvoerders als weerloos slachtvee.

Willem Stargardts familie is niet aanwezig.

Om hem het heengaan niet nog moeilijker te maken had hij dringend
verzocht, dat het laatste afscheid den dag te voren in het ouderlijke
huis zou plaats hebben.

Maar in weerwil dat de tocht met voordacht langs achterbuurten gaat,
zijn toch vele vrienden en verwanten op de been, die met de uittrekkende
lotelingen meeloopen. En dat aantal wordt gaandeweg nog hoe langer hoe
grooter. Af en toe knerpt een raam open, waardoor een vaarwel wordt
toegewuifd. Dan heft de loteling dien het geldt in den regel zwijgend
een hand op, en laat vervolgens het hoofd weer moedeloos op de borst
zinken.

Willem loopt tusschen Lodewijk Hantelman, den tengeren jongen die op den
keuringsdag in zwijm viel, en Frederik Nottens, den Willemstrater, die
doofheid had voorgewend.

De doodsbleeke Lodewijk snikt als een kind, terwijl zijn roodgeschreide
oogen aanhoudend naar zijn ouders kijken, zich voortbewegend onder
de nog immer aangroeiende menigte. En naast Lodewijk's vader, den
stevig-gedrongen, breedgeschouderden Antonie Hantelman, stapt de
reuzengestalte van Toon Janssen. Zijn eigen jongen was wel is waar, om
zijn vallende ziekte, ongeschikt verklaard voor den dienst, maar toch
laait een felle woede weer telkens in hem op, zoo vaak hij maar bedenkt,
hoe mishandeld hij zijn kind weer thuis kreeg.

Hij is meegeloopen met den stoet, omdat hij er enkele verwanten onder
heeft. En nu moet hij het zien dat, daar vóór hem, de ellendeling gaat
die zich gretig haastte, het onmenschelijk bevel van den prefect ten
uitvoer te brengen.

Toon Janssen klemt de vingers krampachtig om de duimen, zijn oogen
gloren somber van verzwegen wrok, nu hij daar dien hatelijken Jean Malot
ontdekt, wiens hand de gloeiende lakdruppels op het naakte lijf van zijn
ongelukkigen jongen liet inbranden.

Zwaar stapt hij naast Antonie Hantelman voort, wiens jongen op dezelfde
onmenschelijke wijze mishandeld werd.

En in hun haat komen de versomberde zielen dier beide vaders tot
elkander, voldoening zoekend in zacht-mompelend beurt-geschimp.

Daar tracht iemand uit de menigte tot de lotelingen door te dringen,
om zijn zoon de hand te drukken. Doch met een stomp wordt hij
teruggedrongen onder het volk. Anderen pogen hetzelfde, maar stooten en
slagen van de gendarmen doen hen dof-grommend af deinzen. Aanstekelijk
werkt dit grommen op heel de verbitterde massa; het wordt een zwaar,
gonzend, opstandig gebrom, langzaam groeiend en aansterkend tot nog
onverstaanbaar, dreigend woordgezwatel; hoofden en handen komen in
onrustig gebaar; oogen drinken haat uit anderer haatvervulde oogen....
In dien toestand van nog onderdrukte opgewondenheid, geraakt heel de
massa, met de lotelingen, tot buiten de Haarlemmerpoort.

En daar liggen zij te wachten, de schuiten, stil-geduldig als loerende
leviathans, de wijd-open klepluiken hongerig gapend als monstermuilen,
om, zoo dadelijk, één voor één, die aangevoerde prooi van Amsterdamsche
jongelingen te verslinden.

Thans wordt de wanhoop die zwaarbeproefde vrienden en verwanten te
machtig. Zij dringen zich door de gendarmen tot een laatsten handdruk,
een laatste omhelzing.

Moeder Hantelman heeft zich wild aan de borst van haar zoon geworpen,
luid jammerend:

»O mijn jongen, mijn jongen!.. Ik kàn je niet missen!.."

Hun armen houden elkander vast als in onbreekbare omstrengeling. Maar
driftig nadert Jean Malot. Barsch scheurt hij beiden van elkaar, dat de
moeder met een smartkreet terzijde slingert, terwijl hij den zoon naar
de schutten poogt voort te drijven.

Doch in 't zelfde oogenblik springt de vader op den ruwen gendarme
toe..; ontembare worgdrift vaart bevend door zijn armen, en als een
roofdierklauw omhaken zijn vingers hem nijpend den strot...

De Franschman, het vuurroode hoofd achterover, reutelt een gesmoorden
vloek omhoog, zijn sabel trekkend tot bloedigen tegenweer... Maar Toon
Janssen's sterke handen ontwringen het wapen aan zijn vuist... als een
weerlicht flitst het over de hoofden der menigte, tot het neerploft in
de Haarlemmervaart...

Deze daad werkt op de massa als een vurig verbeid, onderling afgesproken
aanvalssein. Het lang reeds smeulende vuur van hun wrok slaat plotseling
uit in wild-flakkerende vlammen. Hun oordeel ligt in onmacht; hun haat,
in zijn honger naar gewelddadigheden, ontwringt zich aan den greep der
zelfbeheersching... En die vreedzame burgers, die rustige huisvaders en
huismoeders, zij worden opeens tot furiën! Bij tientallen bespringen
zij de schuiten, zij snijden de jaaglijnen in stukken, zij bemachtigen
gretig de lange schippershaken, en de lotelingen die reeds waren
ingescheept voelen zich eensklaps naar boven gesjord en weer aan wal
gesleurd, nog vóór ze beseffen wat er eigenlijk te doen is.

Zoodra Willem Stargardt zich bevrijd weet, begint hij zich echter af te
vragen, wat hij met zijn vrijheid nu toch wel moet aanvangen. Liefst
zou hij naar huis gaan, maar hij begrijpt zeer goed, dat de Fransche
gendarmen hem niet rustig thuis zullen laten. Gauw genoeg zal hij daar
ontdekt worden. En dan is zijn lot natuurlijk, dat hij tòch zal moeten
uittrekken en heel zijn leven soldaat blijven, zoo hij niet gedood of
verminkt wordt. Zijn leven lang zal hij dan hebben te vechten, niet
voor zijn eigen vaderland en zijn eigen vorst, maar een vreemd land
en een vreemden heerscher zal hij moeten dienen; hij zal zijn jonge
leven aanhoudend moeten wagen in dienst van den nooit voldanen
veroveringshonger van den man, die zijn land en zijn volk zoo diep
heeft vernederd en nog dagelijks onderdrukt.

Heel zijn ziel komt opnieuw tegen dit onduldbaar-hatelijk denkbeeld in
verzet en hij besluit, niét naar huis te gaan.

Maar, wat dàn?

Terwijl hij hier nog over nadenkt, fluistert iemand hem in 't oor: »Maak
dat je van avond aan 't Legmeer bent.--Maar òngemerkt, hoor!--dan zal ik
je verbergen!"

Meteen keert de man zich om en verdwijnt tusschen de vechtende en
tierende menigte.

Willem heeft echter dadelijk Ep de Breukelaar herkend, een visscher, van
wien zijn vader nog al eens baars en paling koopt. Zoo ergens, dan is
hij dààr veilig.

Zijn besluit staat nu vast. Hij zal zich bij Ep de Breukelaar voorloopig
schuil houden en vandaar trachten, naar Engeland te ontkomen.

Dit laatste is zonder twijfel een onderneming, vol van het grootste
gevaar. En wordt hij gesnapt, hij weet het, dan zal hij, als deserteur,
tot den kogel veroordeeld worden.

Maar dat waagt hij er op. Liever éénmaal de kans om doodgeschoten te
worden bij zijn streven naar de vrijheid, dan honderd maal wellicht,
op het slagveld den dood onder de oogen te moeten zien.

Ongemerkt maakt hij zich nu uit de voeten, want het tumult en de
verwarring zijn in dit oogenblik heviger dan ooit. Woedend de sabel
zwaaiend pogen de politiemannen nog meester te blijven van den toestand.
Maar met de lange vaarhaken worden zij smalend en jouwend omvergerukt,
met woest getier overvallen, en ontwapend onder brullend
triomfgeschreeuw.

Het gevoel harer onmacht heeft die verbitterde menigte voor een
oogenblik geheel verloren, tot de gehate gendarmen, getrapt en geslagen,
gehavend en wapenloos, zich zoeken te redden in wilde, ordelooze
vlucht...

Die ongehoorde uitslag werkt plotseling als een ontnuchtering...

Angstig komt men tot een klaar besef van wat men eigenlijk gedaan
heeft... en trekt dan af, in de grootste verslagenheid, terwijl de
bevrijde lotelingen zich door de stad verspreiden, waar de mare van
hetgeen er aan de schuiten voorviel, hun reeds is vóórgegaan.

In verschillende wijken ontstond nu gisting. Toen het 46ste regiment,
dat op 't Funen manoeuvreerde, zich naar de Haarlemmerpoort wilde
spoeden, werd het door de bewoners der Joden-Breestraat zoo vinnig met
stokken en steenen en allerlei andere wapens bestookt, dat het hierdoor
geruimen tijd werd tegengehouden. Ja, de Fransche ambtenaren begonnen
blijkbaar voor hun leven te vreezen. Brunier, de knecht van mijnheer
Devilliers Duterrage, den gevreesden directeur-generaal der Fransche
politie, kwam tenminste bij den parfumeur Jaquement, op de
Reguliers-Breestraat, binnensnellen onder den uitroep:

»Ach, landsman, alle Franschen worden verwurgd!"

»Maar wij zijn geen Franschen, wij zijn Zwitsers," antwoordde de
winkelier bemoedigend.

»Jawel, we zijn Zwitsers, maar Zwitsers die Fransch praten; dat is voor
't verbitterde volk genoeg om ons aan een lantaarnpaal op te hangen!"

En werkelijk, er dreigde voor de Franschen gevaar. Maar in den namiddag
kwam de Nationale garde (schutterij) in 't geweer, en deze hield het
volk van verdere bewegingen terug.

Zoozeer zat echter de schrik bij de Fransche regeering er in, dat zij
per telegraaf versterking aanvroeg.

Op de Weesperpoort stond namelijk een ijzeren stijl met zes ijzeren
borden, die recht konden liggen of dwars opstaan. Hiermee vermocht men
alle letters te maken, ja kon men zelfs teekens geven en allerlei andere
seinen. Nu stond er op den toren van Ouwerkerk ook zoodanig toestel
dat al die teekens onmiddellijk navolgde. De telegrafen te Vreeland,
Westbroek en verdere dorpen deden evenzoo, en op die manier, van toren
op toren overgebracht, konden, van Amsterdam uit, berichten worden
gezonden tot zelfs naar Parijs.

Langs dezen weg nu werd door de Fransche overheid, in haar ontsteltenis,
naar Utrecht om hulp gevraagd, waarmee zij allerduidelijkst bewees, hoe
ernstig zij den toestand nog altoos achtte.

Intusschen zwierf Willem Stargardt op eenzame wegen en velden rond.

Voorloopig had hij, om zijn spoor te verheimelijken, den weg naar
Haarlem ingeslagen. Spoedig was hij evenwel Zuidwaarts afgeweken, immer
zorgend, herhaaldelijk van richting te veranderen en zich liefst zoo ver
mogelijk uit de menschen te houden.

Beurtelings loopend en rustend, bracht hij op die manier den dag door,
om zich eindelijk in de buurt van het Legmeer schuil te houden tot het
donker zou zijn.

Toen ging hij naar den oever en bleef er wachtend turen over den
rietzoom, in de richting waar hij Ep de Breukelaar's woning wist...

Een gevoel van verlatenheid beving hem, in de vreemde, geheimzinnige
stilte om hem heen... Geen enkel gerucht, dat aan de nabijheid van
menschen deed denken...

»Nu moest Ep eens berouw gekregen hebben en wegblijven!" dacht hij
bekommerd.

Hij boog zijn hoofd over het riet, het oor in luistering naar het water
gericht...

Dáár vernam hij een vaag gekabbel... Dat gerucht viel echter dra te
onderkennen... Het bleek een langzaam naderend, stil-omzichtig
riemgeplas...

Willem kon eindelijk den schimmigen vorm van bootje en roeier
onderscheiden.

De visscher legde aan, zacht werden wederzijds eenige woorden geuit...
Willem stapte in... en even behoedzaam als Ep gekomen was, roeide hij
weer, de duisternis in, naar zijn woning.

Gebouwd op een der honderden eilandjes die, na het vervenen van den
grond, nog in het meer waren overgebleven, lag het huisje van Ep de
Breukelaar eenzaam te midden van hooge rietbosschen, gelijk het nest van
een schuwen watervogel.

't Was spoedig bereikt; Ep maakte het schuitje aan den walkant vast en
bracht Willem in het woonvertrek, waar hij allerhartelijkst door de
vrouw van den visscher werd ontvangen.

»Komaan, ga dáár nu eens zitten!" zei ze, een stoel van den wand bij de
tafel plaatsend. »En kijk, dat zal er wel ingaan, denk ik!"

Meteen zette zij een bord vol dampende karnemelksche pap voor hem neer.

Nu, òf dat er in ging!--Want Willem had in de kazerne bijna niets door
de keel kunnen krijgen en heel dien dag had hij verder nat noch droog
gehad.

Met ijver werd het bord dus leeg gelepeld, waardoor echter een opschrift
bloot kwam, dat door Willem niet zonder verbazing gelezen werd:

        Oranje boven is mijn leus,
    Een Prinsman heeft geen andre keus!

stond daar in sierlijke, blauwe krulletters.

»Ja, ja," grinnikte Ep, die zijn verbazing gemerkt had: »Je bent hier
bij een volbloed Oranjeklant! Kijk maar vrij om je heen, dan zal je daar
méér bewijzen van zien!"

»Ik denk, dat onze maat op 't oogenblik net zoo lief nog een bordje pap
heeft," lachte zijn vrouw, terwijl zij meteen zijn bord nog eens vulde.

Willem zei geen _neen_, maar toen hij ook dàt geleegd had, keek hij op
zijn gemak het vertrek eens rond, naar de overige bewijzen van Ep de
Breukelaar's Oranjeliefde.

Aan den wand ontdekte hij nu een paar omlijste prenten, met Willem V en
zijn gemalin ten voeten uit en een oranjeboom in het midden, waaronder:

    Hier is de deugt en roem geplant
    Den vorst van 't Vrije Nederlant.

Op de katoenen paneelen der beddeurtjes zag hij den Prins en de Prinses
_en medaillon_; en het kunstig houtsnijwerk waarmee de opstap-bankjes
voor de hooge bedden gesierd waren, hield tusschen loovers en bloemen de
letters: »P. W. D. 5."

»Prins Willem De 5 de!" legde Ep hem uit.

Maar dan de schoorsteen!

't Was een groote, vooruitspringende schouw, omrand met een veelkleurig
katoenen, in plooien geregen valletje...

O, dat vàlletje! 't was de trots van de huisvrouw! Maar wat daar bóven
pronkte, in het rek van den breeden, geribden mantel, daar gingen
ze _beiden_ hoog op! Die zes groote borden, ze waren hun een zoete
herinnering aan voorbije dagen, een stille troost in het rampvol heden,
een blijde hoop voor de toekomst! Want ieder bord droeg het beeld van
den Prins en onder iedere Prinsenbeeltenis stond een zegewensch op het
Oranjehuis te lezen.

»Da's nog eens de moeite wáárd, hè?" riep Ep, met ingenomenheid zijn
eigen woorden naknikkend.

»Ja, vriendschap, die borden zijn nog uit den tijd van de Keezen en
Prinsmannen! Maar ook onder de Bataafsche Republiek en de regeering van
Koning Lodewijk zijn ze niet van hun plaats geweest!--En je ziet het,
zelfs nou, onder de dwingelandij van Napoleon," besloot hij met
voldoening, »nou staan ze daar nòg!"

Zij raakten daarop over het voorval bij de schuiten aan het praten en
Ep, die den anderen morgen met paling naar stad moest, nam op zich, om
Willem's huisgenooten gerust te stellen.

Den volgenden dag bleef Willem met het grootste ongeduld op Ep de
Breukelaar's thuiskomst wachten. Pas tegen den avond kwam hij terug, een
overvloed van nieuws meebrengend.

»Nou, vriendschap, daar is je me gister wat gebeurd!" begon hij.
»Niet alleen aan de Haarlemmerpoort is het er te doen geweest, maar ook
binnen de stad zijn er nog verscheidene relletjes voorgevallen. In hun
benauwdheid hebben de Franschen toen om hulp gevraagd; en van morgen,
alheel in de vroegte, is het 93ste regiment uit Utrecht aangekomen, om
de bezetting van Amsterdam te versterken.

De gendarmen, die gister wel in een doosje konden, ze stappen nu weer
als pauwen door de straten!

En overal in de stad zijn bekendmakingen aangeplakt, vol van allerlei
dreigementen:

Vooreerst, dat er een commissie benoemd is om de aanstookers en
medeplichtigen bij de relletjes van gister, op te sporen en te
vonnissen.

Verder zal er huiszoeking gedaan worden, staat er, in alle wijken, waar
de lui oproerig geweest zijn; en alle verzamelingen van tien personen
zijn streng verboden.

Maar dan staat er óók nog wat op, dat voor _jou_ van belang is:

De dienstplichtige lotelingen moeten zorgen, uiterlijk morgenochtend
zeven uur, weer aan de Utrechtsche poort te zijn, of zij zullen als
deserteurs beschouwd worden.

Ik heb je vader gesproken en die wou het heelemaal aan jezelf overlaten,
wat je nu doen wilt. Maar _blijf_ je bij je plan om te ontsnappen, dan
raadt hij je aan, om dat vandáág nog te probeeren. Want mocht het eens
blijken, dat je vlucht onmogelijk was, dan kan je nog altijd zorgen,
niet als deserteur beschouwd te worden, door je in dat geval nog tijdig
aan te melden.

Toevallig was mijn broer Teunis van morgen in de stad en die wil
probeeren, je aan boord van een Engelschman te krijgen, heeft hij me
beloofd. Ook heb ik nog met een vertrouwden kennis afspraak gemaakt,
dat hij ons, zoo gauw het donker is, met zijn wagen naar Noordwijk zal
brengen.--Want mijn broer is een Noordwijker visscher, moet je weten!

Dus--wàt is nu je plan?"

Daar Willem halsstarrig bij zijn eerste voornemen blééf, roeiden zij dan
's avonds naar den Zuidelijken oever van het Legmeer, waar de boer al
met zijn rijtuig op hen wachtte.

Zij namen hun weg bezuiden het Haarlemmermeer en na een rit van
verscheidene uren geraakten zij zonder tegenspoed tot in de buurt van
het dorp Noordwijk.

Hier zou de boer blijven wachten. Ep sloeg met Willem een duinpad in.
Het pad was hem blijkbaar volkomen bekend, want schoon het vrij donker
bleek, liep hij zonder de minste aarzeling voor Willem uit, tot zij
eindelijk aan een eenzame duinhut gekomen waren.

Ep de Breukelaar tikte aan het venster.

»Wie daar?" werd er van binnen geroepen.

»Goed volk, doe maar open Teun!"

»Ha, zoo! Ben jij het?"

Er volgde nu eenig gestommel; daarop werden beiden binnen gelaten.

Bij het licht van een zwak olielampje zag Willem, dat de visscher geheel
gekleed was. Hij kwam dus niet rechtstreeks uit bed, schoon het toch
middernacht moest zijn.

»En dat is dus de jonge borst, dien we naar Engeland moeten
prakkizeeren?" zei Teun. »Nou, je hebt schoon gelijk, hoor! En wat
het mooiste is, er leit juist een Engelschman op de kust. Hij heeft
duidelijk een paar maal sein gemaakt.

Asjeblieft Ep, daar heb-je wat koffie, suiker en thee en een paar
pondjes tabak!--Maar nou moet ik er dadelijk op uit, want de maats
zullen al met ongeduld op me wachten!"

Willem begreep onmiddellijk--uit den aard der artikelen die Teun zijn
broer present deed--dat de Noordwijker, evenals zoovéle visschers wier
bedrijf door het continentaal stelsel zoo goed als stil stond--het
gevaarlijk bedrijf van smokkelaar uitoefende en dat hijzelf op zoo'n
nachtelijken smokkeltocht aan boord van het Engelsche vaartuig zou
gebracht worden.

Hij was evenwel tot alles bereid en nadat Ep dus afscheid genomen had om
weer met den boer naar huis te rijden, gaf hij zich moedvol aan het
geleide van zijn nieuwen helper over.

»Nu geen woord spreken," zei Teun, »en je nergens over verwonderen!"

Willem beloofde dit en volgde vol vertrouwen zijn gids die, een
roeispaan over den schouder, met de grootste behoedzaamheid in het
duister voortschreed...

Dáár bleef de smokkelaar staan. Willem zag hem iets in den mond steken.
Een soort van fluitje moest het geweest zijn, want plots liet de
Noordwijker, bedrieglijk natuurlijk, het geluid van een smient hooren.

Hij wachtte even... Daar klonk, heel zacht, hetzelfde fluitgeluid als
antwoord... Donkere gestalten kwamen uit het duister naar voren, en een
oogenblik later had zich een vijftal mannen bij hen gevoegd, ieder,
evenals Teun, een riem over den schouder.

»Wie heb je daar bij je?" werd achterdochtig gefluisterd.

»Een neef van me, die op 't oogenblik werkeloos is," zei Teun gedempt.
Hij vond dit korte leugentje gemakkelijker, dan zijn maats een
breedvoerigen uitleg te geven.

Met de grootste behoedzaamheid sloegen de smokkelaars nu een duinpad in,
waarlangs zij weldra het strand genaderd waren.

»De kustwacht!" waarschuwde de voorste opeens.

»Laat je plat op den grond vallen!" fluisterde Teun tot Willem.

Hij deed het onmiddellijk, bijna te gelijk met de anderen.

Terwijl zij daar nu roerloos bleven liggen, weifelden de vage
lichtvlakken van een schommelende handlantaarn over het strand. Het
bleken inderdaad eenige mannen van de kustpolitie die een nachtelijke
ronde deden.

Toen het licht eindelijk weer verdwenen was, rezen de smokkelaars
overeind.

Willem meende, dat zij nu regelrecht naar het strand zouden gaan, maar
hij vergiste zich:

De Noordwijkers begonnen, even ter zijde van het pad, volijverig in het
zand te woelen en daarop kwam een omgekeerde vlet te voorschijn, die
gekanteld en naar zee gezeuld werd. De meegebrachte riemen werden
tusschen de roeipinnen geplaatst... Geruischloos gleed het vaartuig den
nacht in.

Het lantaarnlicht in een der masten verried de plaats waar de
koopvaarder ten anker lag.

Spoedig had men het vaartuig bereikt en onderwijl Teunis met Willem
langs de uitgeworpen valreep aan boord klom, werden achtereenvolgens
verscheidene vaatjes, kisten en balen in de vlet neergelaten.

Na een kort onderhoud met den koopman en den schipper, kwam Teun alleen
weer van boord.

»En je neef?" vroeg er een.

»Heeft zich als scheepstimmerman laten aannemen! Vooruit, mannen!"

Langzaam gleed de zwaargeladen vlet de kust te gemoet.

Willem Stargardt bevond zich op Engelsch grondgebied; hij was gered!



Derde Hoofdstuk.

Een vreeselijke nacht.


Tegenover de militaire macht, die thans binnen Amsterdam was vereenigd,
viel aan geen nieuw verzet meer te denken. De lotelingen meldden zich
dan ook aan, behalve Willem Stargardt en nog acht of negen anderen die
voorloopig onvindbaar waren. En in den vroegen morgen van Zaterdag,
den 13den April, trokken zij heen, ditmaal in het midden der Nationale
garden (schutters) die hiertoe des nachts waren gewekt, zonder dat zij
wisten welke dienst van hen werd gevorderd.

De droeve stoet trok de Utrechtsche poort uit, de buitensingels langs,
tot op den Haarlemmerweg,--zwijgend, somber, als bij een doodenmarsch.

Het Amsterdamsche volk gevoelde zich als een afgeranselde hond, die
plots een wilden sprong aan zijn ketting had gedaan. Maar de ketting was
niet gebroken en de sprong had het arme dier slechts pijnlijk gewond.
Onmiddellijk toch nadat de conscrits vertrokken waren, werden
achtereenvolgens tal van personen gevangen genomen en in verscheidene
woningen werd huiszoeking gedaan.

In huivering van angst ging het gerucht dier gebeurtenissen de stad
door, een atmosfeer van wee scheen plotseling dompig in alle straten
neer te hangen, de menschen ademden als onder een zware benauwenis.

Franciscus Stargardt stond dien morgen juist klaar om met zijn vischkar
de stad in te gaan, toen een wachtmeester der gendarmen met twee
ondergeschikten voor zijn deur stil hielden. Zij stegen af en onderwijl
één van hen drieën bij de paarden bleef, traden de beide anderen binnen.

»We komen huiszoeking doen!" zegt de wachtmeester.

»Ga je gang!" antwoordt de kreupele onverschillig.

Doch die onverschilligheid is maar schijn; want bedwongen toorn
doorsiddert hem het bloed tot in de uiterste vezelen. Hij vindt het
onverdraaglijk, dat die kerels bij hem rond komen spionneeren en dat
hij dit machteloos moet aanzien.

Die vreemde huurlingen kunnen zijn geheele huis het onderste boven
halen; zij kunnen zijn brieven en papieren nalezen zoo ze dat willen; en
als hij zich verzet, dan weet hij, dat ze hem zullen wegsleepen naar de
gevangenis op den Heiligenweg, of naar een der drie andere gebouwen, die
ijverig door de politie met ongelukkige stadgenooten worden volgepropt.

Moeder Jane houdt zich wondergoed, onderwijl zij de gendarmen zoo in de
weer ziet. Zij halen de kasten open, zij onderzoeken de bedsteden; de
wachtmeester stoot zijn degen hier en daar in het stroo en luistert dan,
of hij niets hoort, waarop hij het staal bekijkt, of er geen bloed
aankleeft.

Dan zetten de gendarmen het onderzoek weer voort; blijkbaar hebben zij
het meer bij de hand gehad. In de pronkkamer kijken zij spiedend den
ongebruikten schoorsteen in, zij halen er het pronkbed over den vloer
en trappen er op met hun smerige laarzen; zij kloppen langs de muren,
en luisteren naar den klank dien de muren geven; zij doorsnuffelen het
geheele huis en klimmen van den kelder tot aan de vliering.

Doch Willem Stargardt kunnen zij niet vinden en teleurgesteld rijden zij
eindelijk weer weg.

Nog verbitterd over de huiszoeking der gendarmen vangt Franciscus daarop
zijn dagelijkschen rondgang bij de klanten aan.

Zijn gemoed is bovendien bekommerd over Willem. Want wordt de arme
jongen gesnàpt, dan gaat het om zijn leven. En slààgt hij in zijn pogen,
dan zal hij toch nooit wellicht zijn kind nog weer terugzien...

En dat alles om de heerschzucht van den Keizer, wrokt het in hem...

Om de heerschzucht van één enkel mensch zijn van morgen al die gezonde,
jonge mannen als een weerlooze schapendrift de stad uitgevoerd...
Hoeveel zullen er van terug komen?... En _hoe_ komen die dan misschien
terug?...

Een opbeving van haat doortrilt hem plots, fel uitsidderend in de
saâmgekrampte, zware wenkbrauwen.

Maar hij wil aan dit gevaarlijk haatgevoel niet toegeven.----Hij wil het
bedwingen en klemt de tanden op elkaar als onder de steking van een
vlijmende pijn.

Op zijn rondgang hoort hij echter niets dan allerlei schokkend nieuws,
sarrend zijn verontwaardiging, om zich los te wringen uit den worgenden
greep van zijn wil.

Hier verneemt hij, dat Anthonie Hantelman, nog geen uur geleden, werd
gearresteerd.

Wat verder weet men hem te vertellen, dat Toon Janssen eveneens gevat
werd.

»Bij wel twintig menschen is nu al huiszoeking gedaan!" hoort hij
elders.

»Emanuel van Praag en Barth Meijer uit de Jodenbreêstraat zitten óók al
achter slot!" verzekert een ander.

Sneller hipt de kreupele achter zijn vischkar voort, als gedreven door
de rusteloos elkander najachtende bevliegingen van zijn grimmigen wrok.

Voor den winkel van mijnheer Vermaat, den tabaksverkooper over de Munt,
houdt hij eindelijk weer stil.

Mijnheer Vermaat heeft hem een bestelling gedaan met het oog op de
naderende Paschen. Hij is nog een oud vriend van Stargardt uit die
dwaas-opgewonden dagen van »gelijkheid en broederschap" en zelden zal
hij verzuimen een praatje te maken, als Franciscus komt venten.

Ook nu weer staat de tabaksverkooper in zijn winkeldeur, onderwijl
Franciscus' mes, stuk voor stuk, de bestelde waterbaars schrapt en
kerft.

»Jan Dupker ook al door de gendarmen weggehaald, hè?" zegt mijnheer
Vermaat meewarig.

»Jan Dupker?!..."

Het boven zijn werk gebogen hoofd van den kreupele veert overeind, de
punt van het vinnige schrapmes wijst eensklaps doelloos de lucht in.

»Jan Dupker?!..."

»Had je 't nog niet gehoord?"...

Neen, hij had het nog niet gehoord. Maar Dupker was, zoo al geen vriend,
dan toch een goede kennis van hem. Het bericht schokte hem daarom meer
dan alles wat hij tot nog toe reeds vernomen had.

Jan Dupker!... Wat tijden waren het dan toch!

Driftig greep hij een grooten, volronden baars; en de schubben vliegen
als zilverspetten in het voorjaarszonnelicht.

God, God, wat moet men al beleven tegenwoordig!

Reng!--Venijnig kerft het mes een diep gapende snede in de
blankgeschrapte visch.

Reng!!--'t Is of zijn haat zich moet uitvieren in de kracht van iedere
verwonding.

»Ho, ho, je wilt me toch het beest niet aan moten kerven?" meent de
tabaksverkooper te moeten waarschuwen.

»Ik wou," barst Stargardt nu grimmig uit, »dat ik Napoleon zoo eens
onder handen had!"

Verschrikt schiet mijnheer Vermaat opeens den winkel in, gebarend of
men daar iets brak. Hij wenscht niet als getuige tegen een stadgenoot op
te treden en vooràl niet, waar die stadgenoot daarenboven nog een oud
vriend van hem is.

Franciscus begrijpt opeens, hoe zeer hij zich vergat. Hij siddert en
ziet schrikkerig rond... Maar die voorbijgangers, neen, die moesten hem
toch niet gehoord hebben, stelt hij zich gerust. Anders zouden ze daar
toch wel eenig blijk van geven!

Met aandacht schrapt en kerft hij vervolgens de overige baarzen, zich
dwingend geheel òp te gaan in dien arbeid.

»Drommels, dat was een leelijk-onvoorzichtige uitval van me, hè? daar
zoo metéén!" zegt hij bij het weggaan.

»Onvoorzichtige uitval?..."

Mijnheer Vermaat's gezicht veinst groote verbazing: »Ik weet nergens
van!--Maar ja, voorzichtigheid is in dezen tijd wel aan te bevelen,"
laat hij er waarschuwend op volgen.

Franciscus begrijpt wel, dat de tabaksverkooper liever buiten de zaak
wenscht te blijven, en daar is hij hem dankbaar voor. Maar zoo'n vaart
zal het niet loopen. Niemand heeft zijn uitval immers gehoord! Hij maakt
zich daarover dan ook in 't minst niet angstig, ja, een oogenblik later
denkt hij er zelfs niet meer aan.

In den laten namiddag vertelde hem Ep de Breukelaar in de gauwigheid,
dat Willem onverlet bij zijn broer was aangekomen en hij twijfelde niet,
of de jongen zou nu wel al veilig op zee zijn.

Franciscus, die juist zijn kar leeg had, repte zich, om deze tijding aan
moeder Jane te brengen.

De beide Paaschdagen die nu volgden, gingen voor de Stargardts niettemin
treurig voorbij; want hun spreken en denken was steeds over Willem: Waar
hij nu wel wezen mocht, of zij hem ooit nog wel eens terug zouden zien,
ja, of het misschien toch niet beter zou zijn geweest, als hij zich maar
gewillig weer aangemeld had.

»Dat is de eerste Paschen," zei Stargardt 's avonds bij het naar bed
gaan, »die we niet feestelijk hebben doorgebracht."

»Ja", zuchtte Jakob verveeld, »'t zijn voor dit jaar een paar
verdrietige dagen geweest".

»Och", zei moeder Jane, »laten we maar dankbaar zijn, dat ze nog zóó
waren. Als de gendarmen onzen Willem eens bij Ep de Breukelaar hadden
gesnapt, zouden zij dan niet oneindig veel treuriger zijn geweest?"

Ja, moeder had wel gelijk, meenden zij, deze Paschen had nog heel wat
rampzaliger kunnen zijn. En hoe armelijk die troost was, toch gingen zij
daardoor nog onder een vleugje van blijmoedigheid ter rust.

Midden in den nacht schrikten zij eensklaps wakker door een hevig
deurgeklop.

»Gerechtige goedheid, wat moet dàt beteekenen?" vroeg moeder Jane
angstig.

»Ik denk vrouw, dat het gendarmen zijn, die opnieuw naar Willem komen
zoeken".

»En ze weten al, dat hij hier niet is!"

»Maar hij kon later nog wel in het ouderlijk huis teruggekomen zijn, in
de meening dat hij, nà de huiszoeking, daar volkomen veilig was, zullen
ze denken".

Het geklop op de deur herhaalde zich, maar nu veel luider dan te voren.

»Hemel, wat gaan ze te keer!" klaagde Jane ontdaan.

Jakob had reeds broek en kousen aangeschoten:

»Ik zal wel even kijken, wat er aan de hand is!"

Ook zijn ouders waren het bed al uit en begonnen zich te kleeden,
onderwijl Jakob naar de huisdeur liep.

Het kloppen was nu in bònzen overgegaan.

»Wie daar?" riep Jakob.

»De politie!" werd er terug geroepen. »Doe maar gauw open of we trappen
de deur in!"

Jakob schoof de grendels weg en onmiddellijk traden hem twee mannen
voorbij, die regelrecht de kamer in liepen.

Bij het licht van de kaars, die moeder Jane dadelijk bij het opstaan had
aangestoken, bleken het inderdaad gendarmen te zijn: een wachtmeester en
een ondergeschikte.

»Woont hier Franciscus Stargardt?"

»Jawel", antwoordde Stargardt stug; »Wat was er van uw order?"

»Dan moeten we u verzoeken", richtte de wachtmeester zich tot Jakob, »om
dadelijk met ons mee te gaan!"

»Maar _ik_ ben Franciscus Stargardt", antwoordde de vader.

»In dat geval zijn we verplicht, _ù_ te arresteeren!" zei de
wachtmeester, met verwondering en zelfs met eenig medelijden den
kreupele aanziend.

»Maar... ik ben volstrekt niet aan de Haarlemmerpoort geweest... Aan
géén van de opstootjes heb ik deelgenomen...!"

»Neen, neen, mijn man is onschuldig...! Jullie moet je vergissen!" riep
Jane zenuwachtig.

De wachtmeester haalde de schouders op.

»Wij hebben alleen onze instructie te volgen!"

»Maar worden onschuldigen dan óók al gearresteerd?" jammerde moeder
Jane. »Hij heeft toch niets, heelemaal niets verkeerds uitgevoerd!...
Kijk, de stakker heeft immers niet eens zijn beide beenen tot zijn
gebruik... Hoe wou hij dan aan het oproer mee gedaan hebben?..."

»Hoor eens, vrouwtje", overreedde de wachtmeester gemoedelijk, »als hij
werkelijk onschuldig is, dan zal dit natuurlijk wel blijken. En in dat
geval wordt hij immers weer dadelijk op vrije voeten gesteld?"

Maar tegen den gendarme zei hij zacht: »Een mooi karweitje waarachtig!
Voor mijn part hadden ze maar een ander uitgestuurd om zoo'n kreupelen
stakker gevangen te nemen!"

»Vader", raadde Jakob, zich inspannend om kordaat te schijnen, »'t beste
zal zijn, er ons in te schikken, en dat u zonder tegenspraak meegaat.
't Moet immers een misverstand wezen, u bent immers volkomen onschuldig!
Gaat u dus maar kalm en bedaard met ze mee, dan zullen de gendarmen ook
geen geweld gaan gebruiken!"

Hij meende daarop zijn vader bij het verder aankleeden te helpen.

Maar ontsteld hield hij het reeds opgevatte kleedingstuk plots roerloos
in de hand.

De kreupele toch zat daar doodsbleek op zijn stoel, de oogen wild van
ontzetting in het verstrakte, bloedelooze gezicht....

Want als een bliksemflits was hem opeens zijn uitval jegens den Keizer
door het bewustzijn gevlogen!... Ze hadden het dan toch gehoord, die
kerels! Ze hadden hem verraden! Met zijn vloekwaardige onvoorzichtigheid
had hij dan nu zichzelf en zijn gezin tot de grootste ellende gebracht!

In waanzinnig zelfverwijt mepte hij zich met de vuist op de borst, zijn
wangen trilden onder de woeste siddering van zijn kaakspieren.

Hij hoorde in verdoovingsdofheid, zijn vrouw kermen en zenuwhuilen; toen
voelde hij haar armen zich ketenen om zijn hals en aan zijn oor klonk
haar jammerstem: »O, mijn arme, goeie Frans, ik laat je niet weggaan,
nooit, nooit! Je bent immers onschuldig, je zou immers geen kind zelfs
kwaad kunnen doen?"

Ze zoende zijn wangen, zijn voorhoofd,... en de verbijsterde kreupele
voelde de wreede spierspanning zijner armen verslappen, onder die
smartelijke omhelzing.

Zijn borst hijgde en kreunend begon hij te snikken, in striemend
zelfverwijt:

»O, die rampzalige onvoorzichtigheid van me!... Ik heb den Keizer
vervloekt!..."

Jane rilde, als had ze zijn doodvonnis gehoord. Met een luiden gil wierp
zij zich opnieuw aan zijn borst, het hoofd schokkend op zijn schouder
onder haar heftig, pijnend zenuwgesnik.

Franciscus' armen omstrengelden haar en schor smeekte zijn huilstem, als
de klacht van een verdoemde:

»Vergeef me; o, ik bid je, vergeef me, dat ik ook jullie heb ongelukkig
gemaakt!"

De gendarmen maanden met zachte stem tot spoed aan.

Toen, onder een geweldige inspanning tot zelfbeheersching, maakte hij
zich los uit haar omhelzing, en begonnen zijn bevende vingers zijn vest
toe te knoopen.

Jakob, de tanden op elkaar geklemd om niet úit te schreeuwen zijn
schrijnend verdriet, deed onhandige moeite om zijn vader bij het verder
aankleeden te helpen.

De wachtmeester, geheel ontroerd, reikte hem toen zijn kruk.

Nu drukte de ongelukkige Jakob de hand en zóó krachtig bleef hij die een
poos omklemd houden, alsof hij ze nooit meer los zou laten.

»Mijn jongen," hikte hij schor,... »het heeft zoo moeten zijn!... Wees
jij ten minste verstandiger dan je vader was!--Belóóf je me dat?..."

Jakob knikte, niet in staat om een woord te uiten.

Toen nam Franciscus afscheid van zijn vrouw, die, gillend en jammerend,
hem nogmaals en nogmaals omhelsde, tot de ontroerde gendarmen den
arrestant voorzichtig uit haar armen los maakten, hem wenkend om mee te
gaan....

Akelig bleef het verflauwend geplof van de kruk moeder en zoon in de
ooren martelen, zelfs toen zij het onmogelijk meer konden hooren.

»O, mijn jongen,... mijn jongen!" jammerde moeder Jane onder zenuwachtig
gesnik, »nu heb je geen vader meer!"

»Ze zullen... het toch wel... bij gevangenisstraf laten!" nokte Jakob
moeizaam.

Maar zelf had hij geen vertrouwen in wat hij zei.



Vierde Hoofdstuk.

Tot den kogel veroordeeld.


IJverig hield de militaire commissie, door den divisie-generaal Molitor
benoemd, zich bezig met het uitvoerig onderzoek naar den aard en omvang
der verschillende relletjes en met het verhoor der negen of tien
gearresteerden.

Niemand twijfelde, of Franciscus Stargardt zou wel ter dood veroordeeld
worden. Toch deed moeder Jane wat maar mogelijk was, om nog genade voor
haar man te verwerven.

Het hoofd van alle Fransch-Hollandsche gewesten was Le Brun, Prins van
het Keizerrijk en Hertog van Plaisance. Het was een grijsaard,
zachtzinnig van inborst, iemand waarvan bekend was, dat hij elk ontving
en te woord stond.

Jane, zich aan het paleis vervoegend, kreeg dan ook zonder veel moeite
toegang tot den luitenant-generaal.

Welwillend hoorde hij haar aan, en toen zij zich eindelijk als
smeekeling aan zijn voeten wierp, beurde hij haar minzaam op, de
bedroefde vrouw eenige woorden van troost toesprekend, waardoor ze, een
weinig bemoedigd, weer heen ging.

Maar al spoedig hoorde zij, dat mijnheer Le Brun wel een goedaardig, oud
man was, maar eigenlijk niets te vertellen had, veel minder dan De
Celles, schoon die in rang beneden hem stond.

En jammer genoeg, was het wáár, wat men haar zeide.

Napoleon had reden om bevreesd te zijn, dat een man van vasten moed en
karakter, in het bestuur dezer gewesten geplaatst, zijn broeders[4]
voorbeeld zou volgen en, gelijk hij dat noemde, besmet worden met den
Hollandschen geest. Daarom was de Keizer er toe gekomen, Le Brun, dien
hij dóór en dóór kende, wijl deze vroeger zijn medeconsul was geweest,
naar Holland te zenden onder een weidschen titel, maar bekleed met een
schaduw van gezag. Beneden hem in rang, maar vèr boven hem in macht en
vertrouwen, waren echter De Celles en--in Den Haag--De Stassart.

[4] Koning Lodewijk.

Jane besloot, zich dan tot den beruchten De Celles te wenden.

Na ongelooflijk veel moeite gelukte het haar, tot den prefect door te
dringen. Maar toen zij een beroep op zijn welwillendheid deed en hem
om genade voor haar man begon te smeeken, antwoordde hij ongevoelig
en koud, dat hij zich met de voorspraak van oproerlingen niet inliet;
hij voor zich achtte het wenschelijk zelfs, dat er eens een flink
afschrikwekkend voorbeeld werd gesteld; op _zijn_ hulp in deze zaak had
zij dus allerminst te rekenen.

Toen, in haar wanhoop, omklemde de ongelukkige vrouw zijn knieën, maar
de prefect stootte haar onmeedoogend van zich af, zeggend, dat hij op
zoo'n comedievertooning volstrekt niet gesteld was.

Grievend beleedigd hief Jane zich op en ging heen, hem een blik
toewerpend zóó vol van de diepste verachting, dat mijnheer De Celles
onwillekeurig zijn oogen neêrsloeg.

Maar nòg gaf de kloeke vrouw haar pogen niet op. Thans ging zij met haar
bede naar den generaal Molitor, den samensteller der militaire commissie
van onderzoek.

Geduldig hoorde de generaal haar aan, maar verklaarde daarop, dat het
recht nu eenmaal zijn beloop moest hebben en hij in dezen zelfs niet het
geringste voor haar doen kon!

Nu wist de arme vrouw geen raad meer en wachtte onder vlagen van
wanhoop, angst en verbittering, de beslissende uitspraak der commissie
af.

Het vruchtelooze van al die pogingen zijner moeder was echter voor Jakob
volstrekt geen verrassing geweest. Hij had niet anders verwacht. De
Franschen, meende hij, nu ze gezien hadden dat de Amsterdammers nog
tegen hun onderdrukkers in verzet durfden komen, zouden trachten wel zóó
den schrik onder de mokkende bevolking te brengen, dat zij voor altoos
den moed tot dergelijke opstootjes verloor.

Jakob twijfelde dus niet, of zijn vader zou wel ter dood worden
veroordeeld. En wat zou dan weldra het lot van zijn moeder zijn, vroeg
hij zich bekommerd af? O, zeker, hij zou voor haar werken en zorgen zoo
lang hij kon. Maar het volgend jaar liep hij kans om in de conscriptie
te vallen. En dan,--och, dan stond zijn moeder geheel alleen.

En van lieverlede kwam hij toen op het denkbeeld, om zichzelf in de
plaats van zijn vader aan te bieden. Wat zou het die Franschen kunnen
schelen _wien_ zij doodschoten ter bereiking van hun doel? Immers,
het feit _dàt_ er een doodgeschoten werd moest toch eigenlijk den
gewenschten schrik te weeg brengen! En zijn vàder zou hij, met zich op
te offeren, het leven redden, zijn móeder er een _blijvenden_ verzorger
door teruggeven, wat hijzelf waarschijnlijk toch maar hoogstens voor een
jáár zou kunnen zijn. Neen, alles wel beschouwd was het veel beter dat
_hij_ in plaats van zijn váder als offer viel.

En welberaden begaf Jakob Stargardt zich, na van zijn baas een halven
dag vrij gekregen te hebben, naar het huis van den Graaf De Celles, dat
in de Doelenstraat stond.

De huisknecht wees hem bij de deur barsch terug, zeggend dat zijn
meester zoo aanstonds uitging en voor niemand te spreken was.

Jakob echter liet zich maar niet zoo dadelijk afschepen; hij hield aan,
bewerend dat zijn boodschap volstrekt geen uitstel lijden kon. En juist
begon het tusschen den knecht en hem tot een woordenstrijd te komen,
toen de prefect zelf in de vestibule verscheen.

»Wat is er aan de hand, François?"

»Wel, excellentie, dat brutale heerschap beweert, dat hij u met alle
geweld spreken moet, ofschoon ik hem toch duidelijk gezegd heb, dat daar
op het oogenblik geen gelegenheid voor is!"

»Je naam?" vroeg De Celles.

»Jakob Stargardt, excellentie!"

»Stargardt?... Stargardt?... Ah, jawel! Dus zeker een broer van dien
deserteur en een zoon van dien oproermaker."

»Vergeef me, excellentie! Maar een oproermaker is mijn vader nooit
geweest. Hij heeft zich alleen een onvoorzichtige uitdrukking laten
ontvallen, die hij beter gedaan had vóór zich te houden..."

»O, wel zeker," zei de prefect ironisch, »die Amsterdammers zijn in den
grond toch eigenlijk zoo'n zachtaardig en onschuldig volkje! Als daar
iemand, giftig van haat, in 't openbaar verklaart dat hij den Keizer wel
eens als een baars zou willen kerven, dan is dat geen oproer maken, wel
neen, dan is dat een _onvoorzichtige uitdrukking_!

En nu kom je me zeker, evenals je moeder, genade voor dien
onvoorzichtigen vader vragen?"

»Toch niet," antwoordde Jakob met groote vastheid: »Ik begrijp zeer
goed, dat die uitdrukking mijn armen vader het leven zal kosten en een
verzoek om genade niemendal zal uitwerken..."

»Hm! Inderdaad nog zoo dom niet!" zei de prefect, een snuifje nemend.

»Maar--wat was dan je boodschap toch eigenlijk?"

»Ik kwam uw excellentie smeeken, _mij_ in plaats van mijn vader de straf
te laten ondergaan."

»Ei, ei! Je bent een dappere borst. Maar juist daarom zou het toch zonde
en jammer zijn, als wij je dood lieten schieten en den Keizer hierdoor
van een dapper soldaat beroofden!" ging den prefect spottend voort.
»Want waarlijk, een knaap die tot zooveel zelfopoffering bereid is, zal
natuurlijk even bereidwillig en moedig zijn leven voor den Keizer ten
offer brengen."

Jakob wist niet, hoe hij het had. Hij had stugheid, zelfs barschheid
verwacht, maar tegenover dergelijke taal stond hij onvoorbereid en dus
een oogenblik geheel sprakeloos.

Toen hij echter zag dat mijnheer De Celles wilde dóórloopen en de zaak
blijkbaar voor afgedaan hield, begon hij te smeeken in een vloed van
hartstochtelijke woorden, dat de prefect zijn verzoek toch mocht
toestaan, ja, in zijn wanhoop greep hij zelfs een slip van diens rok
vast.

De Celles echter gaf stilzwijgend François een wenk en in 't zelfde
oogenblik smeet de knecht den onthutsten jongen de deur uit...

»Neem me niet kwalijk..." stamelde Jakob verbouwereerd, want hij was
juist tegen een voorbijganger aan gekomen.

Tegelijkertijd echter zag hij, dat het mijnheer Vermaat was.

»Verbeeld u," begon hij thans, bevend van verontwaardiging: »Daar kom ik
niets anders doen dan beleefd verzoeken, of ze _mij_ in plaats van mijn
vader willen vonnissen. En wat is het antwoord? Dat ik als een hond op
straat word gesmeten! O, 't is schande, schande!!" barstte hij uit, de
nagels woedend in de handpalm drukkend.

De tabaksverkooper legde hem echter haastig de hand op zijn mond, uit
vrees dat de verontwaardigde knaap licht te veel mocht zeggen en troonde
hem mee naar zijn huis.

»Ziezoo," begon hij toen, »hier kunnen we ten minste veilig praten. Want
de inkwartiering heb ik tot heden gelukkig af kunnen koopen." Hij liet
nu Jakob uitvoerig zijn wedervaren bij De Celles vertellen, waardoor de
knaap langzamerhand weer tot kalmte kwam.

Onder het luisteren groeide in den tabaksverkooper en zijn vrouw een
groote sympathie voor dien nobelen jongen, die zèlf zijn moedige,
liefdevolle zelfopoffering blijkbaar voor de natuurlijkste zaak ter
wereld hield.

»Wacht, ik zal jullie eens trakteeren," zei juffrouw Vermaat. Het water
was aan den kook en na een oogenblik hadden ze alle drie een geurig
kopje _echte_ thee voor zich staan.

»'t Is natuurlijk alleen bij hooge uitzondering," zei ze. »Want je
begrijpt wel, hè?..."

»Ja, als de thee meer dan drie gulden het pond kost, is ze voor
dagelijksch gebruik wel wat duur," antwoordde Jakob. »Thuis drinken we
altijd gedroogde abrikozenbladeren voor thee."

»Zoo? Nee, òns bevallen gedroogde perzikbladeren nog het best, hè
vrouw?"

»Ja," zuchtte Juffrouw Vermaat, »'t is een treurige tijd tegenwoordig;
àlles, letterlijk alles is even duur! Wanneer zal daar nog eens een eind
aan komen?"

»Niet, vóór we met het Oranje op de borst durven loopen. Maar ik vrees,
dat _wij_ dat wel niet zullen beleven!

En niettemin," ging hij voort, »wat wáren we, als jonge, vurige
patriotten, toch op die kleur gebeten! Zelfs tot in 't kinderachtige
toe!

Zoo herinner ik me, hoe Nierop, de oude speelgoedkoopman uit de
Stadhuissteeg, in het begin van 1787 een collectie poppen had ontvangen,
die hij natuurlijk voor zijn winkelraam ten toon stelde.

Nu wilde het geval, dat er onder die poppenverzameling één was, in 't
hoog geel gekleed, een geel dat zwéémde naar 't oranje!

Enkelen van onze Vrijheidshelden viel dat al heel gauw in 't oog
en--daar hàdt je 't, hoor!

Dadelijk gingen zij zich in de hoogste verontwaardiging tot de Regeering
wenden, met het dringend verzoek, dien gruwel toch uit hun midden weg te
nemen!

Burgemeesters, om hun terwille te zijn, zonden toen een Bode naar
Nierop, met last, dat die gele juffer onmiddellijk op het stadhuis
diende te komen. Maar Nierop verkoos niet, dat ze met den Bode zou gaan.
Hij nam ze daarom zelf met zich mee naar 't Raadhuis en introduceerde ze
bij de overheid.

Deftig en waardig, als past bij zoo'n ernstig geval, werd nu het
poppenkostuum in beschouwing genomen. Maar helaas, tien Edelachtbaren
zelf bleken het niet volkomen eens omtrent de kleur; de beoordeeling
over het oranje of niet oranje bleef in deliberatie, het kwam niet tot
een uitspraak en de pop werd inmiddels preventief gevangen gehouden.

Of er een commissie van deskundigen werd benoemd om verslag uit te
brengen over de kleur, heb ik nooit vernomen; wèl, dat de pop in
hechtenis bleef, tot de Pruisen den Oranjevorst te hulp kwamen en een
omwenteling te weeg brachten. Toen werd zij ontslagen en in zegepraal
naar den winkel van Nierop teruggevoerd."

De tabaksverkooper, eenmaal op dreef, vertelde nu nog een en ander uit
de eerste dagen van 1795, waarop zijn zoon Reinier thuiskwam, die in de
affaire van zijn vader werkzaam en van denzelfden leeftijd als Jakob
was.

De beide jongelui waren te voren nooit met elkander in aanraking
geweest, waarom Jakob bij het heengaan aan den tabaksverkooper moest
beloven, de kennismaking met Reinier maar eens gauw te komen vernieuwen.

Voorloopig echter kwam daar weinig van, en inmiddels hield de
militaire commissie haar laatste, beslissende vergadering. Alle tien
gearresteerden had zij schuldig bevonden. Drie werden er tot twee jaren
gevangenisstraf veroordeeld; Emanuel van Praag en Barth Meijer tot
vijf jaar opsluiting; Jan Dupker en nog vier anderen kregen acht jaar
tuchthuisstraf, terwijl Toon Janssen en Anthonie Hantelman, als de
eigenlijke aanleggers van het oproer, gefusilleerd zouden worden.

Franciscus Stargardt eindelijk werd, wegens majesteitsschennis, eveneens
tot den kogel veroordeeld.

Aan Stargardt zou het éérst dit harde vonnis worden voltrokken. Reeds
des avonds werd hij in een koets van 't Verbeterhuis afgehaald en langs
de Schans geleid, om den volgenden dag op het Funen te sterven.

Voor de kazerne Saint-Charles had zich den anderen morgen, al vroeg, een
groote volksmenigte opgehoopt.

Eindelijk, daar trad een afdeeling Fransche soldaten het gebouw uit, een
tamboer voorop, die den doodenmarsch sloeg.

In het midden hompelde, lijkwit, Franciscus Stargardt. Naast hem liep
een man, in het zwart gekleed, de veldprediker van het regiment. Hij
trachtte den ongelukkige moed in te spreken en hield hem den troost van
het Evangelie voor...

De commandeerende officier liet halt maken. Nu trad de provoost vooruit
en las, in de Fransche taal, het vonnis van den veroordeelde voor.

»Zoo'n stakker toch," zei een vrouw meewarig.

»Hij heeft niet eens zijn beenen tot zijn verdoen! 't Is een schande!"

»Hou je mond!" grauwde haar man, »of het zou met jou al even ongelukkig
afloopen!"

»Ja, ja, 't is ongehoord zooals er met ons geleefd wordt!" zei ze weer.
Maar nu toch wat zachter.

»Kijk, hij vouwt zijn handen," merkte een ander op, »hij doet zeker zijn
laatste gebed."

»Arme kerel!" ging het dofmompelend door de volksmassa.

Werkelijk bad de kreupele, de sidderende handen krampachtig te zamen
gevlochten, het lijkwitte gelaat ten hemel gericht...

Zoo stond hij een wijle.

Toen naderde de provoost en deed hem een blinddoek voor. Daarop trad hij
met den prediker terug en plaatsten beiden zich nevens den officier.

Met zijn degen gaf de officier een teeken,--toen traden zes man vooruit.

Weer zwaaide de officier het wapen,--nu legden de zes man hun geweren
aan...

Daar zwaaide de degen voor het laatst,--zes kogels doorboorden de borst
van den ongelukkige, die onmiddellijk dood voorover viel.



Vijfde Hoofdstuk.

Hoe de Amsterdammers Napoleon ontvingen.


»Een zware dag voor vrouw Stargardt!" Met die verzuchting was mijnheer
Vermaat uit den winkel gekomen, waar men hem juist verteld had, dat een
uur geleden het doodvonnis aan den kreupele was voltrokken.

»Ik ga er dadelijk heen!" had juffrouw Vermaat toen gezegd. »De arme
ziel zal wel wat troost en opbeuring noodig hebben." En zóó eenvoudig
was haar binnenkomen, zóó hartelijk en natuurlijk haar deelneming
geweest, dat sedert langzamerhand een warme genegenheid tusschen de
beide vrouwen was ontstaan.

Maar ook Jakob Stargardt en Reinier Vermaat waren van lieverlede groote
vrienden geworden, die men weldra schier geen Zondag buiten elkanders
gezelschap zag.

Van Willem had moeder Jane, sinds Ep de Breukelaar nog eens was komen
zeggen dat hij behouden aan boord van een Engelsch schip geraakt was,
nooit weer iets vernomen.

Trouwens, ze had niet anders kunnen verwachten, wijl Napoleon's
continentaal stelsel alle briefwisseling met Engeland verbood. Maar
moeder Jane was het onder die omstandigheid, of zij niet één, maar twee
dooden had te betreuren en al haar liefde droeg zij sedert op haar zoon
Jakob over. Zij zou hem graag den heelen Zondag bij zich thuis gehad
hebben, maar spoorde hem niettemin zelf aan, om met zijn vriend Reinier
de stad in te wandelen, wat te roeien op den Amstel of zich op eenige
andere betamelijke wijze te verstrooien. 't Is het recht van zijn jeugd,
redeneerde zij, en ze was er al tevreden mee, dat hij 's avonds
gewoonlijk thuis bleef.

Na een hunner Zondagsche uitstapjes, toen de beide vrienden in een
koffiehuis een glas bier gingen drinken, vernamen zij daar als het
groote nieuws, dat keizer Napoleon een reis door Holland ging doen en
natuurlijk dan ook te Amsterdam zou komen.

Zij geloofden er aanvankelijk weinig van, maar weldra bleek, dat er aan
het gerucht niet langer viel te twijfelen.

Reeds den 8sten Augustus had mijnheer De Celles den maire kennis gegeven
van de komst des Keizers en hem uitgenoodigd, maatregelen voor een
waardige ontvangst te beramen. Deze aanschrijving werd door meer dan
twintig andere gevolgd, want op alle toebereidselen moest de goedkeuring
van den prefect worden gegeven; hij moest een lijst hebben van de
personen, die aan Zijne Majesteit zouden worden voorgesteld; zelfs
mocht niet aan de versiering der loge in den schouwburg worden begonnen,
voor mijnheer De Celles de inrichting had goedgekeurd. Ja, de geldsom,
die de stad bij deze gelegenheid ten koste wilde leggen, moest ter
beoordeeling aan den prefect worden toegezonden, een post, waarvoor de
gemeenteraad den 25sten September 165.000 francs had toegestaan. Nog
meer, de prefect geliefde zelfs over de beurs der ingezetenen te
beschikken.

Dra wist men ook, wat het doel van Napoleon's reis door Holland was.

De keizer stond in die dagen op het toppunt van zijn glorie. Zijn
monarchieën strekten zich uit van de Pyreneeën tot de bergen van
Epirus, van de Middellandsche zee tot het Baltische strand. Van het
Rijnverbond voerde hij den titel van beschermer, van het Zwitschersche
bondgenootschap dien van bemiddelaar. Leden van zijn geslacht bekleedden
de koninklijke of vorstelijke waardigheid in Spanje, in Napels, in
Westfalen, in Lucca en in Berg. Een zijner generaals was erfgenaam
geworden van den Zweedschen troon, een ander heerschte over het
vorstendom Neuchâtel. Door staatszucht hiertoe genoopt, had de
Keizer van Oostenrijk zijn dochter Maria Louise aan den gelukkige tot
vrouw gegeven, en al de overige souvereinen van het vasteland waren
Napoleon's gedweeë bondgenooten. De geboorte van een zoon, den Koning
van Rome, op den 20sten Maart, had Napoleon's stamhuis bevestigd.
Zij was gevierd met een praal zóó overweldigend, als nog nooit bij
de geboorte van een vorstenkind aanschouwd was. In Bonaparte, door
al dien voorspoed bedwelmd, begon in deze dagen hoe langer hoe meer
de aan hoogmoeds-waanzin grenzende gedachte vorm te krijgen, dat de
Voorzienigheid hem met een bepaalde roeping hier op aarde had doen
verschijnen.

En toch, in weerwil van al de glorie die hem omgaf, bleef Napoleon
onbevredigd.

Even als de hartstochtelijke speler, prikkelde ieder nieuw geluk hem, om
nog grooter kansen te wagen, naar nog grooter gewin te trachten. Landen
te veroveren, volken te bedwingen, vorsten te vernederen, overwonnenen,
aan zijn voeten te zien, het was hem een onverzadelijke behoefte
geworden, en het bleek ook deze behoefte die hem aanzette, Holland
te bezoeken. Het trotsche Engeland, dat hem stoutmoedig bleef tarten,
hem Egypte en Syrië had ontwrongen, hem de eene Fransche kolonie na
de andere in Oost en West had ontrukt, hem belette om vasten voet op
Sicilië te krijgen, hem in Portugal en Spanje niet zonder voordeel
bestreed en ter zee de heerschappij voerde, dat Engeland bleef hem immer
de donkere wolk boven den in hellen zonneglans badenden horizon van zijn
bestaan. Kon hij Engeland vernederen en ten onder brengen, dan achtte
hij geen macht meer ter wereld in staat, om perk te stellen aan zijn
veroveringen, dan kon hij alleenheerscher worden van geheel Europa.

De vereeniging nu der Fransche en Hollandsche zeemacht deed hem een
uitbreiding zijner marine verwachten, welke hem in staat stellen zou om
met zijn vloten die van Brittanje te vernietigen. Daarom achtte hij het
van het hoogste belang, Holland's maritime krachten te leeren kennen uit
eigen aanschouwing.

Zoo waren de hooge autoriteiten te Amsterdam dan rusteloos in de weer,
om den Keizer bij zijn bezoek aan »de derde hoofdstad" van zijn rijk,
een schitterende ontvangst te bereiden en van wege den prefect, den
maire of den politie-directeur Duterrage verscheen het eene bevel na
het andere. Bevelen aan de voornaamste ingezetenen, om personen uit het
Keizerlijk gevolg behoorlijk te huisvesten; bevelen omtrent de militaire
inkwartiering der hoogstwaarschijnlijk te wachten vermeerdering van
krijgsbezetting, verbodsbepalingen met betrekking tot het opslaan van
kramen, stellages en stalletjes, het klimmen in boomen tijdens den
intocht, het afsteken van voetzoekers of ander vuurwerk binnen de stad,
kortom, het regende aanschrijvingen.

En weldra kwamen Reiniers nog schoolgaande broers Bert en Bruno, die als
echte jongens overal bij waren, op een Zaterdagmiddag thuis, druk en
opgewonden over al het moois dat zij gezien hadden.

»Aan den Outelerweg wordt een eereboog gemaakt," zei Bert, »toch zóó
prachtig, ò!!..."

»Nee maar, dan moet je de Muiderpoort eens zien!" riep Bruno, »die is
nog veel, véél mooier!"

»En in 't midden van de Plantage zijn ze óók al aan een eereboog te
maken!" begon Bert nu weer.

»En op de Reguliers-Breêstraat!" viel Bruno in.

»En op het Kadijksplein!" vulde zijn broer weer dadelijk aan.

»Jongens, jongens!" riep juffrouw Vermaat ten slotte wanhopig, »jullie
maakt ons nog doof met al dat geschreeuw."

Na zoo'n waarschuwing zwegen ze wel, maar de volgende dagen ging het
precies hetzelfde. Dan waren zij in verrukking over de drie zegezuilen
welke op de hooge Amstelbrug werden opgericht, over den fraaien tempel,
die aan het einde der Keizersgracht getimmerd werd, of over het
prachtige salon, dat op de muren der schutsluisen werd gemaakt, om den
Keizer en de Keizerin te ontvangen, wanneer zij het vuurwerk op den
Amstel zouden bijwonen.

»En op school heb ik gehoord," zei Bruno, »dat àlle klokken bij den
intocht moeten luiden!"

»En àlle torens en openbare gebouwen moeten vlaggen!" viel Bert dadelijk
in.

»En àlle geestelijken in vol ornaat voor hun kerken staan!" wist Bruno
weer te vertellen.

Zij waren er vòl van, de jongens, en konden maar niet begrijpen, hoe hun
vader en moeder er zoo weinig mee òp schenen te hebben.

Op zekeren dag kwamen zij met vuurroode gezichten thuis, zwoegend onder
den last van eenige potten met planten en bloemen, die ze met moeite in
hun armen droegen.

»Wat heb ik _nu_ aan de hand?" zei mijnheer Vermaat verbaasd.

»Gekregen! Allemaal gekregen!" juichten de knapen, hun vracht behoedzaam
neerzettend.

Hun vader vertrouwde de zaak echter niet. Hij maakte zich erg ongerust,
dat zijn jongens misschien de Bloemmarkt geplunderd hadden en ging
onmiddellijk op onderzoek uit.

Tot zijn onuitsprekelijke vreugde bleek hem dra, dat Bert en Bruno
werkelijk op een eerlijke wijze aan al die bloemen gekomen waren.

Van wege Napoleon's hofhouding--zoo vernam de tabaksverkooper--was de
groot-hofmaarschalk Duroc in het paleis aangekomen, om de vorstelijke
verblijven in gereedheid te brengen. Niets veroorzaakte hem meer zorg
dan de stallen. Die, waarvan Koning Lodewijk zich had bediend, waren
te ver van de hand, daar de Keizer dikwijls onverwacht uitreed en het
rijtuig dan oogenblikkelijk vóór moest zijn. De naburige Bloemmarkt werd
eindelijk als de meest geschikte plaats beschouwd. Maar, daarbij deed
zich een zwarigheid op. Duroc wist, dat de Keizer,--in kleinigheden
althans,--de denkbeelden en gebruiken van het volk niet wilde kwetsen
en wanneer hij nu de Amsterdammers hun bloemenmarkt ontnam, dan zou de
groote menigte dit wel eens als een nieuwe grief kunnen opvatten.

Om dit te voorkomen, bedacht hij een aardige vond.

Hij gaf bevel aan eenige bedienden, om al de bloemen en planten, die
ter markt waren gebracht, op te koopen tegen den prijs dien men er voor
vroeg en ze weg te schenken aan de omstanders op voorwaarde, dat zij er
dadelijk mee naar huis zouden gaan.

De menschen wilden in het eerst niet best gelooven, dat het met dit
aanbod ernst was. Zij aarzelden, om het aangebodene in ontvangst te
nemen, maar toen zij ten leste begrepen, dat de Keizerlijke bedienden
het werkelijk méénden, verwekte dit evenveel verbazing als genoegen. Elk
nam nu zooveel hij dragen kon en ging er opgeruimd en blijmoedig mee
naar huis.

Oningewijde voorbijgangers, de Keizerlijke bedienden overal op de markt
zoo ijverig bloemen ziende koopen, meenden eerst dat die tot versiering
van het paleis moesten strekken, maar toen zij daarop menschen van
allerlei slag in verschillende richtingen met bloempotten en planten
zagen aftrekken, begrepen zij er niets van.

Zonder wanorde of vechtpartijen geraakte het terrein op die manier in
een oogenblik ontruimd. Ja, de heele zaak had zóó 'n rustig en kalm
verloop, dat in het overige van de stad geen mensen gewaar werd, wat er
was voorgevallen. Wie dus een uur later ter markt kwamen keken niet
weinig verwonderd, dat er geen bloemen meer te koop waren, doch een
honderdtal werklieden ijverig zwoegden om er stallen op te slaan.

Mijnheer Vermaat behoefde zich dus over de herkomst van de bloemenschat
zijner bengels niet langer te bekommeren en ging welgemoed weer aan zijn
werk.

Toen hij 's avonds met enkele bekenden, waaronder de humoristische
schrijver en dichter, Fokke Simonsz., in een der koffiehuizen van
de Kalverstraat te praten zat, vertelde hij het voorgevallene op de
Bloemmarkt aan zijn gezelschap, en als vanzelf kwam toen het gesprek op
Napoleon's reis door Holland en zijn aanstaande komst in Amsterdam.

»Ik zal er geen voet om verzetten!" zei Fokke Simonsz., zoo los weg en
daarmee werd het onderwerp beëindigd.

Maar nauwelijks zat de dichter den volgenden morgen aan zijn
schrijftafel, of hij ontving bezoek van een hem welbekend Fransch
ambtenaar. Het was de tooneelschrijver Alexander van Ray, berucht om den
ijver waarmee hij De Celles diende, en daardoor gehaat bij al zijn
stadgenooten.

De bezoeker begon met een luchtig praatje, dat in het minst geen kwaad
deed vermoeden, sprak verder over allerlei onbeduidendheden, maar
eindigde met de verklaring, dat de dichter zijn huis verlaten en met hem
mee moest gaan.

Fokke Simonsz., begrijpend dat het doelloos zijn zou, zich te verzetten,
onderwierp zich, ondanks het gejammer van zijn gezin, aan het lot dat
hem wachten mocht. Want zijn bezoeker liet hem in het onzekere, wat de
aanleiding tot deze inhechtenisneming was.

De dichter, die op de Prinsengracht bij het Aalmoezeniershuis woonde,
had maar weinig schreden buiten zijn deur te doen, daar Van Ray hem
geleidde naar een der beide gevangenissen, waarin bij voorkeur
dergelijke ongelukkigen achter slot werden gebracht.

Weldra zat Fokke Simonsz. in een akelige cel van het Verbeterhuis,
vergeefs vorschend naar de reden, waarom men hem zijn vrijheid ontnomen
had. De oppasser, die hem het levensonderhoud bracht, haalde bij zijn
vragen de schouders op, en de politie gaf geen verantwoording van haar
daden.

Fokke Simonsz. was de eenige niet, wien in deze dagen het lot van
inkerkering te beurt viel; hij deelde het met verscheidene anderen,
terwijl daarenboven ettelijke burgers last hadden, om hun woning tot
wederopzeggens niet te verlaten, of wel voor den tijd van enkele weken
de stad te ontruimen.

Op deze manier beijverde zich De Celles om alle, voor een gunstig
verloop der aanstaande feestelijkheden gevaarlijk geachte elementen,
intijds te isoleeren en onschadelijk te maken.

't Was dus waarlijk geen wonder--toen Jakob den Zondag vóór 's Keizers
intocht zijn vriend Reinier tot een roeitochtje afhaalde--dat mijnheer
Vermaat bij het heengaan hun meer dan ooit tot voorzichtigheid in hun
spreken aanspoorde.

Nauwelijks echter kon Jakob zijn woorden volkomen onbereikbaar achten
voor ieder verraders-oor, of hij moest zich uiten over iets dat hem zeer
onaangenaam had getroffen.

»Kijk", begon hij, »dat je vader ons voortdurend tot voorzichtigheid
aanmaant, is natuurlijk te prijzen. Aan mijn eigen vader hebben we
kunnen zien, hoeveel ellende een enkel woord wel kan te weeg brengen.
Maar voorzichtigheid is toch nog heel iets anders dan wat jullie
doet..."

»O, ik begrijp het al!" viel Reinier dadelijk in. »Je bedoelt, dat ons
huis versierd is, nietwaar?..."

»Ja, ronduit gezegd is me dat vreeselijk tegengevallen..."

»Dacht je dan, dat het ons zèlf niet ergerde?" vroeg Reinier bitter.
»Maar wij móeten wel! De Celles heeft den maire last gegeven om te
zorgen, dat al de huizen, waar de Keizer bij zijn intocht langs moet
komen, versierd zullen zijn. En de politie zorgt natuurlijk, dat die
last behoorlijk wordt uitgevoerd.

Begrijp je wel? 't Is den prefect niet genoeg dat de _autoriteiten_ hun
hulde bewijzen, neen, ook de _burgerij_ moet den Keizer huldigen!

Met hetzelfde doel zijn er van de week drie eerewachten opgericht, een
eerewacht te paard, een te voet, en een marinewacht. Ook dáár was bij
een heeleboel lui al even weinig liefhebberij voor. Maar De Celles wist
al weer raad. Hij liet biljetten bij de voornaamste Amsterdammers
rondbrengen, waarin gedreigd werd, dat zij voor hun zoons, als die
straks in de loting mochten vallen, geen plaatsvervanger konden stellen,
wanneer die zoons weigerden om den Keizer te verwelkomen."

»Jawel", zei Jakob, »de prefect wil blijkbaar met alle mogelijke
middelen Napoleon in het idée brengen, dat Amsterdam wonderveel van hem
houdt, gedwongen stadsversieringen, gedwongen versiering vanwege de
burgerij, gedwongen eerewachten,--och, och, wat een komedie! Maar bij
een _welkomen_ intocht behoort nu eenmaal óók gejuich en gejubel, en
meneer De Celles moet knap zijn, als hij dàt weet klaar te spelen!"

»Neen, dáár zal hij toch wel geen kans toe zien!" gaf Reinier toe.

Het bleek echter bij den intocht, hoe deerlijk zij zich hierin
vergisten.

't Is waar, de algemeene stemming bij de burgerij was dof, somber,
mokkend; en de prefect begreep zéér goed, van een dergelijke burgerij
geen kreten van geestdrift te kunnen verwachten. Maar toch had hij het
er op gezet, dat Napoleon bij zijn intocht zou toegejuicht worden, en
tot het uiten van die jubelklanken had hij de tweeduizend manschappen op
's Rijks werf en de stedelijke werkwinkels bestemd. Die allen moesten
zich bij 's Keizers intocht, onder contrôle hunner kommandeurs--doch
zonder eenige onderscheidingsteekens--op bepaalde plaatsen vereenigen,
daar hun »_Leve de Keizer!_" aanheffen en dan zoo gauw mogelijk langs
een anderen weg opnieuw den stoet zien te bereiken, om dit spelletje te
herhalen.

Den 9den October, den dag, dat Napoleon zijn intocht zou houden, kon de
prefect dus met volle gerustheid achten, de ontvangst behoorlijk _en
scêne_ te hebben gezet.

Te middag begaf zich Jakob, die vrijaf gekregen had, naar het huis
van den tabaksverkooper over de Munt, om er den stoet voorbij te zien
trekken, gedreven als hij werd door een onweerstaanbaar begeeren, om nu
eindelijk den man zelf eens te zien, wiens naam en daden geheel Europa
vervulden.

Hij vond de geheele familie Vermaat op de voorbovenkamer vereenigd.

Bert en Bruno stormden dadelijk naar hem toe, in de overtuiging dat zij
reeds wonderveel nieuws te vertellen wisten.

»O, o, wat ben je laat! Mijnheer Le Brun is den Keizer al te gemoet
gereden!" riep Bert.

»Met den prefect en den maire!" viel Bruno in.

»Mijnheer Duterrage was er ook bij!" vervolledigde Bert weer, »en nog
een heele boel andere heeren, wel twintig!"

»Twintig?!--Puh! Wel dertig!" meende Bruno. Toen begonnen zij te
kibbelen over het aantal, tot vader hun vermaande om wat rustig te zijn.

Nu tuurden zij om de vijf minuten de straat in, keken aanhoudend op de
klok en zuchtten gedurig: »Wat duurt het toch lang, wat duurt het toch
lang!"

Eindelijk, te drie uur ongeveer, daar ving het bulderen der kanonnen aan
en in 't zelfde oogenblik begonnen alle klokken in de stad vroolijk te
beieren...

Bert en Bruno vlogen naar de ramen, schoon daar natuurlijk nog niemendal
te zien was dan de dubbele rij van nationale garden, die heel den weg
van de Muiderpoort tot aan het paleis bezet hadden en van dit oogenblik
af niemand meer door mochten laten.

»Blijf gerust nog maar wat zitten jongens", vermaande de
tabaksverkooper, »de Keizer is de Muiderpoort nog pas genaderd!"

Thans begon het wachten die onrustige jongens echter moeilijker te
vallen dan ooit.

Dáár klonk de kreet: _Le cheval blanc! Le cheval blanc!_ aangeheven door
eenige personen, die den naderenden stoet voorafgaande, blijkbaar in
last hadden de tallooze toeschouwers tot vreugdebetoon op te wekken.

Allen namen nu aan de ramen plaats.

Het eerste wat zij te zien kregen, was een piket van de eerewacht te
paard.

Toen volgde de Hollandsche ruiterij onder aanvoering van den generaal
Colbert en nog was die niet voorbij of Bert en Bruno riepen om strijd:
»Kijk, kijk! Allemaal vreemde soldaten, soldaten met pieken!"

»Dat zijn Poolsche lanciers!" lichtte hun vader in.

Na de Polen kwamen vijf statiekoetsen en zij begrepen onmiddellijk,
dat in het laatste op een na de Keizerin moest zitten, want het was
bespannen met niet minder dan acht melkwitte paarden, terwijl acht pages
terzijde van het rijtuig gingen.

Nu volgde een piket van vijf-en-twintig grenadiers te paard; daarop drie
afdeelingen kurassiers, het piket van 's Keizers lijfwacht, de jagers
der garde, de ordonnance-officieren en eindelijk, op een wit Arabisch
paard--de Keizer!

Plotseling daverde een zwaar en krachtig: _Vive l' Empereur!_ Want de
stadstimmerlieden en stratenmakers, die kort te voren hun jubelkreet op
de Botermarkt[5] hadden uitgegalmd, waren langs de Kistenmakersgracht
naar de Muntsluis geijld, om thans ook hier hun gejuich aan te heffen.

[5] Tegenwoordig het Rembrandtsplein.

»Is dàt nu de Keizer!" zeiden Bert en Bruno teleurgesteld.

»Stil, jongens!" waarschuwde hun vader, »of je gaat onmiddellijk naar de
achterkamer!"

Maar ook hij was zichtbaar teleurgesteld en evenzeer Reinier en Jakob.

Die kleine, tamelijk gezette persoon, met zijn ronden rug, gekleed in
de eenvoudige uniform van kolonel der garde-jagers te paard, die man,
met zijn fluweelzachte oogen in het bleek-bolle gezicht, was dàt nu die
geduchte Napoleon, waar heel Europa voor sidderde?

En toch,--terwijl het vervolg van den schitterenden stoet, de officieren
van 's Keizers Huis, de maarschalken, de generaals en stafofficieren,
de grenadiers van de lijfwacht te paard, de dragonders der lijfwacht en
eindelijk de zevende afdeeling kurassiers, terwijl dat alles aan hun
blikken voorbijtrok, zagen zij in hun verbeelding nog altoos die kleine,
gezette figuur met de raadselachtige oogen in het bleek-bolle gelaat.

Toen de Keizer, in het paleis aangekomen, zich op het balkon vertoonde
aan de menigte, die geheel den Dam vulde, klonk het gejuich en gejoel
nog luider dan ergens anders.

Geen wonder, het stads- en landswerkvolk, dat gecontroleerd door zijn
kommandeurs, zich op verschillende plaatsen bij de geheime politie had
moeten aansluiten, om het _Vive l' Empereur_ aan te heffen, had nergens
gelegenheid gevonden, de Kalverstraat troepsgewijze binnen te dringen,
om de voorgeschreven kreten te herhalen, doch het kreeg gelegenheid te
over, om naar den Dam te snellen. Daar was ieder op het appèl en het
_Vive l' Empereur_ daverde schier onafgebroken door de lucht.

Mijnheer De Celles kon te vreden zijn: Amsterdam had den Keizer met
gejuich ontvangen, schoon de prefect hierdoor met zijn eigen rapporten
in tegenspraak gekomen was, die herhaaldelijk van de ontevreden stemming
onder het volk gerept hadden. Om de waarheid dezer beweringen te staven,
had hij niets anders behoeven te doen, dan de ontvangst van den Keizer
geheel aan het volk over te laten. Maar--hij wist het--in dat geval zou
aan Napoleons triomftocht een volkomen _fiasco_ ten deel zijn gevallen.

Intusschen, men kon Napoleon niet straffeloos misleiden, zelfs niet om
hem te vleien. Hij wees De Celles, die hem op het balkon gevolgd was, op
de juichende menigte en zei: »Zie eens, mijnheer de prefect, hoezeer u
zich vergist heeft!"

De Celles was echter voorbereid op die aanmerking en met een buiging
antwoordde hij hoffelijk: »Sire, dat is de cijns, die ieder volk brengt
aan den grootsten man zijner eeuw."

Onmiddellijk daarop ontving de Keizer de ministers en den staatsraad ten
gehoor en zoolang hij te Amsterdam vertoefde werden iederen dag opnieuw
mannen van rang en aanzien ter audiëntie ontvangen.

Evenals bij zijn luisterrijken intocht deed hij bij deze gehooren de
zeldzaamste pracht en weelde ten toon spreiden. Men kon zich inderdaad
niets schitterenders voorstellen dan het Keizerlijk hof op het paleis te
Amsterdam. De rijke en smaakvolle tooisels der dames van het Huis der
Keizerin, de kostbare en verblindende costumes der groot-officieren,
der hooge ambtenaren, der aides-de-camp en ordonnance-officieren,
het civile en militaire Huis des Keizers uitmakende, de rijke mengeling
van uniformen der officieren van land- en zeemacht, de met goud
geborduurde kleeding der hoofdambtenaren van verschillende burgerlijke
administratiën, de menigte van ordelinten, grootkruisen, versierselen
van alle ridderorden in Europa, zetten aan de plechtige ontvangsten en
feesten aldaar een ongemeenen luister bij.

Over deze tentoonspreiding van schier nooit geziene weelde uitte
Napoleon zich tot zijn vertrouwde, Caulincourt:

»Denk toch niet, dat de pracht, die ik op deze reis ten toon spreid,
het gevolg zou wezen van een kleingeestige ijdelheid! 't Is louter een
middel, dat ik te baat neem. De menschen geraken gaarne in beweging
en hun geestdrift valt hèm ten deel, die ze weet op te wekken. De
verleiding gaat door de oogen tot het hart. Het Keizerlijk hof moet zich
groot en indrukwekkend vertoonen; men is altijd geneigd zich te buigen
voor hetgeen men bewondert."

Herhaaldelijk liet Napoleon zich in een sloep naar de werf en de haven
roeien, bezocht Muiden en Naarden om de linie van Amsterdam te leeren
kennen, begaf zich over Broek-in-Waterland, Hoorn en Medemblik naar
Den Helder, om er den staat der vloot en vesting- en havenwerken op te
nemen, gaf overal bevelen, wilde alles zelf zien en was ook nu weer,
door zijn juisten blik en afdoend ingrijpen waar hij fouten zag, als
altoos en overal een raadsel voor allen die hem vergezelden.

Den 21sten October vertrokken de Keizer en de Keizerin weer uit
Amsterdam, om hun tocht naar de Hollandsche departementen voort te
zetten. Den laatsten dier zelfde maand verlieten zij het Hollandsche
grondgebied en keerden over Wezel en Keulen naar Frankrijk terug.



Zesde Hoofdstuk.

Moeder Jane neemt een kloekmoedig besluit.


De burgers, die door de Fransche gezaghebbers, als gevaarlijk voor de
rust, gedurende Napoleons reis in den kerker waren gezet, doch van geen
misdaad of samenspanning konden beticht worden, kregen na 's Keizers
vertrek hun vrijheid weer. Die ontsluiting kwam voor hen even onverwacht
als de gevangenneming.

Den dichter Fokke Simonsz. werd zijn vrijheid enkel aangekondigd met een
kort: »Je bent ontslagen!" Dit moest hem genoeg zijn, en niet voor hij
thuis gekomen was werd het hem duidelijk, dat hij _gedurende_ Napoleons
verblijf te Amsterdam achter slot en grendel had moeten zitten.

Hadden sommigen van de reis des Keizers naar Holland verzachting der
drukkendste beperkingen, van de knevelarijen der ambtenaren, van de
kwellingen der hooggeplaatste gezaghebbers gehoopt, die hoop werd ten
volle verijdeld. Ja, weldra bleek, dat de naaste toekomst nog drukkender
worden zou.

Tegen betaling van een daalder per maand werd aan mijnheer Vermaat,
uit het koffiehuis aan den overkant, iederen avond na zevenen, als de
bezoekers de krant al gelezen hadden, het _Staatkundig Dagblad van het
Departement der Zuiderzee_ bezorgd. Daar dit het orgaan der regeering
was, werden alle stukken er dus het eerst in opgenomen. Bovenaan stond
het Keizerlijk wapen, de Fransche adelaar, en het blad was, evenals toen
al de andere bladen in ons land, in twee kolommen gedrukt, waarvan de
eene in het Fransch was geschreven, de andere hetzelfde in het
Hollandsch bevatte.

Op een avond, nadat mijnheer Vermaat den winkel gesloten had, ging hij,
als naar gewoonte, bij de familie in de huiskamer zitten, om de courant
te lezen.

Maar hij had het blad nog nauwelijks ingezien of wanhopig riep hij:
»Groote God!... Dat wordt mijn ondergang!..."

»Manlief, wat _is_ er?" riep juffrouw Vermaat ontsteld. Ook Reinier en
de beide schooljongens keken vragend en angstig hun vader aan. Zijn
gezicht zag doodsbleek en strak tuurde hij op de courant, die beefde
tusschen zijn handen.

»Een nieuw decreet... De Regie wordt ingevoerd!"

Bert en Bruno begrepen daar niet veel van. Maar voor hun moeder en
Reinier waren die enkele woorden droevig-duidelijk. Zij wisten dat ze
beteekenden: Weldra is alleen de Keizer tabakshandelaar, dan mag niemand
meer tabak verkoopen dan enkel de door Napoleon aangestelde ambtenaren.

Door dit decreet werd alzoo hun welvaart, tegelijk met die van duizenden
andere nijvere kooplieden, winkeliers en fabrikanten als met één slag
vernield en zouden knechts en werklui met hun gezinnen tot volslagen
armoede geraken.

Op den eersten Januari 1812 moesten alle kerfbanken, snuifmolens en
andere werktuigen, benevens al de nog voorhanden tabak onder eede en
tegen vastgestelde prijzen aan de magazijnen van het Bestuur worden
afgeleverd. De overneming en beoordeeling der waarde zou geschieden ten
overstaan van twee rijksambtenaren en twee schatters; de eersten zouden
de belangen van den Keizer, de beide anderen die van den koopman
behartigen.

Alle tabaksverkoopers werden niet meer dan slijters. Zij moesten naar
die betrekking dingen en konden ze in geen geval zonder belangrijke
geldelijke offers verwerven. Gelukte hun dit, dan kregen zij borden met
het Keizerlijk wapen voor hun deur en verkochten de regie-tabak, door de
magazijnen geleverd, in kleine pakjes, voorzien van het Keizerlijk merk.

Mijnheer Vermaat had het onmogelijk van zich kunnen verkrijgen, om
Fransch ambtenaar te worden en het Keizerlijk wapen voor zijn deur te
dulden. Hij had zich dan ook niet aangegeven en zou dus op den 1sten
Januari eensklaps zonder bestaansmiddel zijn.

't Was alzoo een treurige Oudejaarsavond voor de familie Vermaat, die
Oudejaarsavond van 1811.

In den winkel bleek het heel dien dag drukker dan ooit. Iedere klant
wenschte zich zoo lang mogelijk van tabak te voorzien, om vooreerst
althans niet van de, naar alle waarschijnlijkheid zeer dure rijkstabak,
te moeten koopen. Niemand mocht echter meer dan tien pond in huis
hebben. Toen zij later, wijl hun voorraad opgerookt was, van de Regie
moesten inslaan, bleek die tabak, meerendeels inlandsch gewas, zóó duur
en zóó slecht, dat men ze haast niet rooken kon.

In den winkel hadden vader en Reinier het dus overdruk met het bedienen
der klanten en intusschen was juffrouw Vermaat met toebereidselen tot de
Oudejaarsavondviering beslommerd: Misschien is het voor de laatste maal
dat we het doen kunnen, had ze gemeend.

Terwijl ze juist even de deur was uitgewipt om nog wat inslag te doen,
had Bert toevallig een ontdekking gedaan.

»Psst!..." wenkte hij, het hoofd om de kamerdeur stekend, geheimzinnig
fluisterend tegen Bruno, »Kom eens mee!"

Bruno, die in een boek te lezen zat, was dadelijk gereed hem te volgen.

Bert bracht hem in de keuken voor de aanrechtbank, waar hun moeder al
een en ander had klaargezet, en gewichtig op een groote kan wijzend,
vroeg hij:

»Wat is dat?"

»Melk!..."

»En dat?"

»Eieren!..."

»En dàt?" ging Bert met onverstoorbare geheimzinnigheid voort, op een
papieren zak wijzend.

»Meel!" zei Bruno. »Maar wat wil je toch?"

»Weet je, wat je van meel en melk wel maken kunt?..."

Bruno bedacht opeens, dat het straks Oudejaarsavond was, een glans van
begrijpen vloog over zijn gezicht, lichtte tintelend zijn oogen uit en
van blijdschap een bokkesprong makend riep hij vroolijk:

»Oliebollen!... O, heerlijk, we krijgen oliebollen van avond!"

»Echt, hè?" zei Bert en uit den blij-tintelenden blik waarmee hij Bruno
in de oogen zag straalde tegelijkertijd de trotsch dat _hij_ het was die
de verrassende ontdekking deed. »Maar laten we nu weer naar de kamer
gaan."

Nauwelijks was echter hun moeder teruggekomen, of ook de jongens waren
al weer in de keuken.

»Komen er geen rozijnen in, moe?" vroeg Bert.

»Wáárin?" glimlachte moeder, om hem te plagen.

»Hè, nee, dat wéét u wel!" zei Bert met een verlegen lachje.

»Nietwaar, we krijgen immers oliebollen van avond?" informeerde Bruno
vrijmoediger.

»Met rozijnen, hè moe?" vleide Bert.

»Goed, met rozijnen dan! Maar nu ook verder niet lastig wezen, hoor!"

De jongens beloofden het en muisstil zagen zij toe, hoe herhaaldelijk
witte scheuten meel of melk in een grooten aarden pot gestort en tot
deeg gemengd werden. Eén voor één sloeg moeder daarop de eieren stuk, ze
klutsend tot een egale, lichtgeele gelei; met welbehagen snoven zij den
geur van de smeltende, goudkleurige boter, en het sissen en pruttelen
was hun als een zoete muziek.

Het beslag was eindelijk gereed, werd toegedekt en op een warme plaats
gezet om behoorlijk te rijzen.

»Vooruit, jongens! Nu de keuken uit!" zei moeder.

Maar 's avonds, toen het bakken begon, waren Bert en Bruno er dadelijk
weer bij. Op hun knieën lagen zij bij den pot met beslag en zagen met
onverdeelde belangstelling toe, hoe moeder met een ijzeren lepel telkens
een schepje van het geurige beslag in de pan met kokende olie deed tot
er geen plaats meer was, de bollen nu en dan naar onder stootend en ze
er uit nemend, die een mooi-bruine kleur bekomen hadden.

En in den winkel liep het intusschen nog altoos maar af en aan.

Eindelijk was echter de laatste klant vertrokken, het laatste tonnetje
met gekorven tabak schier leeg verkocht.

Juffrouw Vermaat zat haar man en Reinier met een ketel warmen wijn en
een schaal, hoog opgestapeld met versche, heerlijke oliebollen te
wachten.

Bert en Bruno speelden op het ganzebord, maar de rechte lust was er toch
niet bij, verlangend als ze waren, dat vader nu toch eindelijk eens in
den winkel gedààn had.

Daar hoorden zij dan toch de winkeldeur sluiten, de kaarsen werden
gesnoten, vader en Reinier kwamen binnen.

»Ziezoo, vrouw," zei de tabaksverkooper mistroostig, »dat zijn de
laatste ontvangsten geweest. _Verdienen_ doen we niet meer, als alles
dus opgeteerd is, mogen we gaan bedelen."

»Kom, kom! Moed houden!" troostte juffrouw Vermaat. »Is 't niet een
zegen, dat we vooreerst geen gebrek behoeven te lijden? Geen ellende
vóór den tijd, zeg ik maar en met zuinigheid en overleg kunnen we nog
een heele poos voor armoe bewaard blijven."

»Jawel, maar 't is zoo'n ellendig gevoel voor een man, te weten, dat hij
niets voor zijn gezin meer kan verdienen..."

»Komaan, zet nu al die zorg eens op zij en laat ons nog eens een
onbekommerden Oudejaarsavond vieren. Wat helpt al dat getob? De zaken
worden er toch niet beter door!"

»Och nee, dat is wel zoo, maar..."

»En dan--hebben we niet alle reden, om nog dankbaar te zijn? Bleven
we niet allen met en voor elkaar gespaard en mochten we ons niet, het
geheele jaar door, in een goede gezondheid verheugen?"

»Ja, dat is waar!" gaf Vermaat grif toe.

»Vergelijken we ons bij anderen, hoeveel gelukkiger zijn we dan niet!
Bedenk eens, wat droevige Oudejaarsavond vrouw Stargardt en Jakob
hebben!"

Zoo voortgaande slaagde juffrouw Vermaat er in, haar man weer een weinig
te bemoedigen. Maar toch bleef het een Oudejaarsavondviering, triestiger
dan zij ooit beleefd hadden.

Treurig ook was de Nieuwjaarsdag, de eerste Januari van het jaar
1812, treurig voor de Vermaats, treurig voor duizenden bij duizenden
in ons land. In steê van vrienden, verwanten en kennissen te gaan
gelukwenschen, konden groot- en kleinhandelaars in tabak zich naar de
magazijnen der Regie begeven, om daar hun goed dat ze niet kwijt wilden
zijn, om daar hun werktuigen die hun een eerlijk stuk brood verschaften,
te zien taxeeren tot een prijs, die--misschien nooit zou worden
uitbetaald. Op verscheidene plaatsen althans hebben de tabaksfabrikanten
nooit een enkelen penning ontvangen.

Dat was dan het Nieuwjaarscadeau, hetwelk Napoleon Bonaparte aan zijn
Hollandsche onderdanen gaf, die, tot slot van alles, nog in de kerken
van den kansel God hoorden danken voor het gespaarde leven van hun
onderdrukker, God hoorden bidden om voorspoed en geluk voor hem, die
het geluk en den voorspoed van duizenden verwoestte.

Ook onze landsbibliotheken en museums van schilderijen ontzag de
Fransche Keizer niet. Wat had een overwonnen volk met kunsten en
wetenschappen noodig? Belastingen opbrengen, soldaten leveren, zich
onderwerpen en daarbij de zweep nog prijzen die hen striemde, dat
was de taak voor slaven, voor een volk, dat zijn naam en zijn
onafhankelijkheid verloren had. De zeldzaamste boekwerken, de
meestberoemde schilderijen en de merkwaardigste prenten, ja, zelfs
het stuk van den Munsterschen vrede, dat document onzer vroegere
onafhankelijkheid, werden uit onze verzamelingen gehaald, in kisten
gepakt en naar Parijs gevoerd.

In dat zelfde jaar 1812 werd tevens de druk van het continentaal-stelsel
nog weer dermate verzwaard, dat alle Engelsche fabriekswaren verbrand
moesten worden.

Toevallig was Jakob Stargardt van de eerste verbranding getuige, toen
hij op een middag door zijn baas voor een karweitje naar den Kadijk was
gestuurd.

In 't Park bij de Plantage gekomen, zag hij een volksmenigte
saamgehoopt, kijkend naar een groot vuur dat door eenige douanen werd
gestookt. Pakken manufacturen, messen, scharen, horloges, van alles werd
op den brandstapel geworpen, of het niet de minste waarde had.

»'t Is verschrikkelijk! 't Is een schandaal!" hoorde hij mompelend om
zich heen.

»Wat zullen die Engelschen razend op Napoleon wezen!" zei een eenvoudige
hals.

»'t Mocht wat!" onderrichtte de man, die naast hem stond. »Hoe meer
van hun goederen de Keizer hier laat verbranden, des te liever zij het
hebben. Al die goederen hebben onze winkeliers van de Engelschen gekocht
en aan hen betaald. 't Is dus niet _hun_ eigendom, maar het eigendom
van onze eigen landslui, dat door die kerels daar, zoo roekeloos wordt
vernield."

»Maar dan..."

»Is 't een schandaal, bedoel je!"

»Stil toch, man, ze mochten je er voor achter de tralies brengen!"
waarschuwde zijn vrouw.

»Och wat, de gevangenis op de Heiligenweg is al veel te vol! Daar is dus
geen plaats meer."

»Het Verbeterhuis en het Spinhuis zitten ook al opgepropt!" wist er een
aan toe te voegen.

»En in 't Werkhuis is al net zoo min plaats meer," zei een ander.

»Goeie genade, kijk toch! Is het geen zonde!" riep een vischwijf, »daar
smijten ze me handen vol horloges in 't vuur!"

»Ben je mal, Kee!" zei een mosselmeid, »denk je dat die nakende rotten
de beste niet achterbaks houden? Mijn kop er af,--alleen de zilveren
horloges gooien zij in den brandhoop en de gouden steken ze in hun
hongerige zakken."

Daar kwamen eenige douanen met wat balen koffie en een paar kisten
suiker aan slepen.

»'t Is God geklaagd!" zuchtte een kruidenier, toen die eveneens in den
vuurgloed werden geworpen. »_Ons_ laten ze er veertig of vijftig procent
belasting voor betalen en _zij_ smijten den boel maar zóó op het vuur!"

»Kijk me daar nou toch ereis ân!" riep een groentevrouw. »En _wij_, arme
stakkers, kunnen maar suikerij lebberen, omdat we zelfs nog aan geen
loodje koffie kunnen toekomen!"

»Ik wou, dat er per ongeluk een vaatje buskruit bij was, en dat heel dat
douanentuig in de lucht vloog!" gromde een visscherman.

Jakob durfde onmogelijk langer blijven. Wie weet, wat hij anders nog
gehoord had. Maar hij zou zich niet gaarne de ontevredenheid van zijn
baas berokkend hebben, bang als hij was, daardoor eens zonder werk te
geraken. En dàn?--wat zou er dan van hem en zijn moeder worden?

Met angst dacht hij dikwijls aan den dag, dat hij loten moest en die met
onrustbarende snelheid naderde.

Als hij nu toch eens in de conscriptie viel!

Hij _wilde_ er niet aan denken, want dan scheen hem de toekomst zóó
droevig, zóó troosteloos, dat hij er wanhopig onder worden kon. En toch
werd hij er voortdurend aan herinnerd, overal ging het gerucht, dat er
een oorlog met Rusland op til was en met zorg en kommer sprak men over
de, reeds in 't vorige jaar uitgetrokken, lichtingen en van de nieuwe
loting die in zicht was. Zijn moeder had het daar nimmer over, doch zij
werd gaandeweg stil en mijmerend, schoon zij haar uiterste best deed om
Jakob eenige opgeruimdheid te toonen.

Eindelijk gebeurde wat moeder en zoon al zoo lang hadden gevreesd--Jakob
werd soldaat!

Het afscheid was van een wilde smart en toen hij, na een laatste
omhelzing, schok-snikkend de deur uitging, viel de vereenzaamde vrouw
bewusteloos op den grond.

Medelijdende buren brachten haar te bed, oordeelend, dat rust het
allernoodzakelijkst voor haar wezen zou.

Maar toen de ongelukkige weduwe weer bij kwam, bleek ze geheel
veranderd. Zij was stil en somber geworden, haar hooge, kloeke gestalte
scheen opeens verslapt en ontzenuwd, haar krachtige natuur in één
enkelen dag verlamd door den knotsslag van het noodlot die haar
trof. Versuft zat zij uren lang in haar hoekje neer, starend, altoos
starend... Maar naderde de tijd, dat de postbode in aantocht moest zijn,
dan werd ze onrustig, opende de deur, keek het Kattenburgerplein over,
liep weer in huis, deed wéér de deur open en tuurde opnieuw over het
plein, soms wel tien maal achtereen.

Maar als ze den man ten leste zag aankomen, dan was het haar onmogelijk,
weer naar binnen te gaan. Ze bleef aan de deur staan wachten, in
zenuwstrakkende aandacht elk zijner bewegingen verspiedend. Een schok
doorsidderde haar het lijf, wanneer hij een greep in zijn tasch soms
mocht doen...

Maar onveranderlijk klonk het steeds, zoodra de bode haar nabij gekomen
was: »Geen brief nog, moeder Jane!"

Dan trok zij zich zuchtend terug en ging weer als wezenloos in haar
hoekje zitten, of poogde wat te werken. Doch van het werken kwam
gewoonlijk niet veel en haar huishouding liet zij meer en meer
verwaarloozen. Want als zij begon met den leuningstoel af te stoffen,
dan herinnerde dit meubel haar aan Franciscus; mijmerend over den armen
kreupele stond zij dan langen tijd roerloos met den stofdoek in de
werkelooze hand; nam zij een mat op, de indrukken van zijn kruk werden
haar als smartvertrokken monden, die klagelijk van den dierbaren doode
spraken; die stoelen, de tafel, dat kastje, de Friesche klok daar, al
die voorwerpen, samen hadden zij ze gekozen en gekocht, elk meubelstuk
had zijn kleine geschiedenis, onderdeel van het familieleven der
Stargardts vormend; ieder ding kreeg een ziel voor moeder Jane, en de
zielen van al die lieve dierbare voorwerpen om haar heen, begonnen nu
met weeke, weenende stemmen van hun verleden te fluisteren...

»Zóó kan het niet langer!" zei juffrouw Vermaat tegen haar man, toen zij
weer eens tevergeefs gepoogd had moeder Jane wat op te beuren: »Het arme
mensch verkniest hoe langer hoe meer en haar huishouden laat ze
heelemaal verwaarloozen. Wist ik toch maar, wat ik er aan verhelpen
kon!"

Beiden hadden zij innig te doen met de ongelukkige weduwe. 't Is waar,
ook _zij_ hadden hun zoon Reinier aan de legers van den Keizer moeten
afstaan, maar bezaten zij niet elkánder, hadden zij niet hun
luidruchtige bengels van jongens? Doch moeder Jane bezat thans niets
meer en zij konden het zich dus zoo begrijpen, dat de vereenzaamde vrouw
verkwijnde naar lichaam en ziel.

Eindelijk meende het echtpaar Vermaat er iets op te hebben gevonden,
waardoor de weduwe Stargardt een groot deel van den dag uit haar
omgeving en daardoor allicht ook eenigermate aan haar herinneringen zou
worden ontrukt: Zij zou namelijk, door hun bemoeiingen en voorspraak, in
het Munthôtel als werkster kunnen komen.

Met doffe onverschilligheid hoorde moeder Jane deze beschikking aan,
maar toen juffrouw Vermaat op een morgen gekomen was om haar er heen te
geleiden, maakte ze ook in het minst geen tegenwerping.

Sedert kwam zij geregeld iederen dag in het hôtel haar werk verrichten
en schoon de nieuwe werkster weinig spraakzaam bleek, wat zij dóen
moest, dat deed zij met de nauwgezetheid van een machine.

Op een avond--ze was juist een poosje te voren uit het hôtel weer thuis
gekomen--had de postbode een brief voor haar.

Nauwelijks had zij de acht stuivers port betaald, of ze scheurde het
couvert open en zenuwachtig begon zij te lezen, want het was een brief
van hèm, van Jakob, haar jongen! De letters dansten haar voor de oogen,
onderwijl zij in jachtende haast de bladzijden doorvloog. Toen begon zij
weer van voren af, en nu veel kalmer:

                                           Sabelsdorph, 20 April 1812.

     Lieve moeder, dit is dan de eerste brief, dien u van mij krijgt.
     Waarom ik niet vroeger schreef, zal u hieruit straks wel blijken.

     Zoodra wij te Wezel waren aangekomen, werden Reinier en ik met
     nog verscheiden andere Amsterdamsche lotelingen als huzaren
     uitgerust. En van toen af, na de eerste oefeningen in het
     paardrijden te hebben doorstaan, is het niet anders geweest
     dan marcheeren en exerceeren, over Munster en Osnabrück op
     Maagdenburg aan en toen verder, altijd verder maar weer, en dat
     langs zùlke slechte wegen en meestal onder zulk slecht weer, dat
     ik 's avonds geregeld doodmoe op mijn leger viel.

     En zoo zijn we dan nu hier, te Sabelsdorph, op een halven mijl
     van Stettin. Het volk, dat deze streken door trekt of reeds
     doorgetrokken is, blijkt gewoonweg onnoemelijk. Verscheidene
     burgers zijn trouwens reeds uit de steden gevlucht, omdat zij
     alle dagen 16 en 17 man in kwartier kregen. Men lijdt veel in
     Holland, maar hier nog meer, men wordt hier opgegeten!

     Ons regiment treft het goed, wij zijn altijd bij de boeren en
     alleen de Generale staf met één compagnie blijft in de steden
     en dat gaat geregeld zoo door, iedere compagnie op haar beurt.

     Doordat wij altoos bij de plattelandsbevolking in kwartier liggen
     heb ik niet veel gelegenheid om te schrijven, want meestal zijn
     we met acht à negen man in dezelfde kleine ruimte en dan moet men
     op zijn spullen passen. Bovendien weten de boeren hier te land
     haast niet wat papier en pennen zijn.

     Op het oogenblik liggen we met zijn negenen bij een goeden boer,
     en die had ook pen en inkt, zooals u ziet, maar het is dan ook de
     burgemeester van het dorp.

     Zondag zijn we gearriveerd, Dinsdag maakten wij inspectie voor
     den ritmeester, Donderdag voor den kolonel, die ons zóó duchtig
     liet manoeuvreeren, dat mijn oude knol bijna niet meer voort kon
     en 's avonds bij het afzadelen een gat als een vuist in zijn lijf
     had.

     Heden, Zondag, is het groote inspectie voor den Generaal, maar
     omdat mijn paard zoo áf en gedrukt is, heb ik het geluk van thuis
     te mogen blijven, waarom ik niet rouwig ben; want het sneeuwt
     hier alle dagen en het is braaf koud ook.

     De stad zelf ligt zóó vol van de Jonge Garde en Badensche en
     Hesselsche troepen, dat men over de hoofden wel loopen kan.
     Alle troepen moeten tweemaal daags exerceeren, wat _wij_ dus óók
     gedaan hebben, de dagen dat wij geen inspectie hadden. Nu, daar
     went men aan. Alleen hoop ik, dat ik maar spoedig een anderen
     harddraver krijg. Denk eens aan, ik ben, gedurende onze opmarsch,
     met dien ouden stijven knol al driemaal gevallen, gelukkig zonder
     mij erg te bezeeren, doch niettemin met het plezierig gevolg, dat
     ik van Brunswijk af een heel eind naast mijn oudje loopen mocht,
     want de stumper was een weinig gedrukt op de schoft.

     Dat marcheeren langs slechte wegen, tot aan de knieën door de
     modder, was natuurlijk niet alles. Gelukkig echter kwam mijn
     stramme sukkel toch al gauw weer wat op dreef. Maar verbeeld u,
     den dag dat we hier aankwamen ging hij weer heel netjes met me
     in het wagenspoor liggen en of ik hem al aanzette of wát ook,
     sinjeur stond niet op voor en aleer ik er afging.

     Of we hier nog lang zullen blijven? Het zeggen is, dat we
     spoedig naar Koningsbergen zullen opmarcheeren en dan verder
     naar Rusland, omdat er met dat rijk een oorlog op til is, zooals
     iedereen beweert.

     Ik ben tot nog toe heel gezond en als ik niet voortdurend
     bekommerd was om u, dan zou ik mij in het soldatenleven heel goed
     kunnen schikken. Maar o, hoe verlang ik er soms naar, u terug
     te zien! Wat zou ik er niet voor geven om, al was het maar één
     oogenblik, weer eens bij u te zijn en u te kunnen omhelzen. Maar
     wie weet, hoe lang het nog wel kan duren, voor ik weer bij u
     terug zal zijn.

     Neen, dan is één van mijn nieuwe kameraads er toch vrij wat beter
     aan toe. Zijn moeder, moet u weten, is een van de marketentsters.
     Zij trekt geregeld achter het regiment aan, van de eene plaats
     naar de andere en zoodoende kunnen zij, buiten diensttijd, elkaar
     net zoo vaak ontmoeten als zij maar willen.

Dit laatste gedeelte van den brief maakte op moeder Jane een diepen
indruk, die van groote gevolgen zou wezen. Het wekte een voornemen bij
haar op, waartoe zij uit zichzelf nooit zou gekomen zijn:

Wat die moeder kon, dat kon _zij_ immers ook? En wat verlóór zij er
bij? Haar leven toch was eenzaam en treurig en werd door slavigen
arbeid gesleept van den eenen dag naar den volgenden, met geen ander
vooruitzicht dan dat het eenzaam en treurig _blijven_ zou. Want niet
alleen Willem was zoo goed als dood voor haar, ook haar Jakob zou zij,
onder haar tegenwoordige omstandigheden, toch denkelijk wel nooit weer
terug zien. Werd zij daarentegen marketentster, dan kon zij dag aan dag
weer met en bij hem zijn. En zoo hij gekwetst mocht worden, wie zou hem
beter kunnen oppassen en verzorgen dan zij, zijn eigen moeder?

Zij keek op de klok. Het was nog vroeg genoeg om gauw even met den brief
naar de Vermaats te gaan. Daar hoorde zij, dat ook Reinier geschreven
had. Toen zij echter vertelde, tot welk besluit zij gekomen was, deed
het echtpaar alles, om moeder Jane daar weer van terug te brengen.

Zij wezen haar op de moeilijkheden, aan dat eindeloos reizen en trekken
verbonden; op de gevaren, waaraan zij voortdurend zou bloot staan; niets
mocht baten.

»Maar je kunt immers niet eens met paarden omgaan?" zei juffrouw Vermaat
ten leste. »En voor een huzarenmarketentster zal dat toch, dunkt me, wel
noodig zijn."

»Niet met paarden omgaan? Nu, dat zou je meevallen! In mijn jeugd woonde
ik op een dorp; mijn ouders hadden een boerderij en ik ben dus, om zoo
te zeggen, bij paarden grootgebracht. Ja, als kleine meid nog, was het
altijd een van mijn grootste genoegens als ik het paard, waar vader mee
naar stad was geweest, in de wei mocht brengen. Dan ging ik op het hek
staan, klauterde vandaar parmantig op het beest zijn rug en reed er zoo
mee tot aan den dam."

Haar besluit bleek dus onwankelbaar en aan niets dacht zij thans zoo
zeer, dan om het zoo goed mogelijk ten uitvoer te brengen. Haar huis en
inboedel diende zij te verkoopen, allerlei inlichtingen had zij in te
winnen, doch mijnheer Vermaat stond haar hierin met raad en daad ter
zij.

Meer en meer ging zij òp in haar plan, de oude energie herleefde, haar
gang herkreeg zijn vroegere veerkracht, zij zag weer een toekomst, zij
had weer een levensdoel, en toen zij eindelijk tot de afreis gereed was,
bleek moeder Jane weer volkomen de kloeke, krachtige vrouw van voorheen.



Zevende Hoofdstuk.

Vrienden in vijandschap.


In de laatste jaren waren de betrekkingen van Napoleon met Alexander van
Rusland van zoodanigen aard geworden, dat een volslagen vredebreuk op
den duur niet kon uitblijven. Steunende op zijn krijgsgenie rekende de
Fransche Keizer de Russen niet alleen te _overwinnen_, maar tevens naar
Azië terug te kunnen dringen, na welke operatiën Turkije aan de beurt
lag.

Gelukte Napoleon die stoute onderneming, dan zou hij met zijn phalanx
langs Perzië naar Indië doordringen, ten einde Engeland in zijn koloniën
aan te tasten en zoodoende dat gehate rijk tòch voor zijn wil te doen
bukken. Mocht ook déze expeditie slagen, dan zou het vrede op aarde
zijn!

Tot de Fransche officieren, die eenigen tijd in Rusland hadden gediend,
behoorde de overste De Ponthon. Toen de Keizer dezen officier omtrent
de moeilijkheden van een oorlog tegen Rusland ondervroeg, vernam hij een
reeks van bezwaren: De fanatieke tegenstand dien de oude Moscovieten aan
den dag zouden leggen; de onherbergzame streken, welke de troepen zouden
moeten doortrekken; de onbegaanbaarheid der wegen voor de artillerie
wanneer het eenige uren geregend had en ten slotte, dat de ruwe,
geduchte Russische winter, die meestal half October reeds inviel,
het oorlogvoeren in dat land physiek onmogelijk maakte.

Doch overste De Ponthon ging nog verder, dan den Keizer deze bezwaren
te ontwikkelen. Hij viel voor Napoleon op de knieën, hem smeekend ter
wille van het geluk van Frankrijk en van zijn eigen roem toch niet dien
gevaarvollen veldtocht te ondernemen, waarvan de rampen niet te overzien
zouden zijn.

Verscheidene dagen na dit onderhoud bleef Napoleon afgetrokken en
verspreidde zich het gerucht, dat de Keizer van den veldtocht had
afgezien. Maar Napoleon had dezen karaktertrek dat hij _niets_ ontzag,
voor _niets_ terugdeinsde om een eenmaal gesteld doel te bereiken. Zijn
heerschzuchtswaanzin dreef hem reeds lang naar de alléénheerschappij
over geheel Europa en openlijk deelde hij zijn voornemen mee, om zich
op den zetel der Grieksche kerk te Moscou tot keizer van het Westen der
oude wereld te doen kronen.

Er was dan ook in de gewesten waar Fransche troepen stonden, doch
vooral langs de oevers van de Oostzee tusschen Hamburg en de Weichsel,
waar maarschalk Davoust commandeerde, en te Dantzig, waar generaal
Rapp gouverneur was, reeds maanden lang een rustelooze bedrijvigheid.
Derwaarts trokken, te voet en per scheepsgelegenheid, duizenden
jonge mannen van verschillende natiën, om onder Davoust's gestrenge
tucht gekleed, gewapend en gedrild te worden; derwaarts werden
honderdduizenden Hectoliters graan, reusachtige voorraden wijn,
kleedingstukken, munitie en andere krijgsbehoeften gezonden om een
macht van schier een half millioen krijgers voor geruimen tijd van
al het benoodigde te voorzien. Derwaarts togen langzamerhand gansche
corpsen, in onderafdeelingen gesplitst, uit Frankrijk, uit Spanje,
uit Italië en Duitschland, geleidelijk met kleine dagmarschen, om
eerst langs den Oder en van hieruit langs de Weichsel te worden
opgesteld. Duizenden paarden werden aangekocht, honderden lichte
voertuigen bijeengebracht, pontontreinen samengesteld, al de
voorbereidingsmaatregelen getroffen om een leger, zoo reusachtig als
zich nog nooit te voren op één oorlogsterrein had bewogen, zonder te
groote vermoeienis en zonder veel opzien te baren over een breed front,
van Warschau tot Koningsbergen, geleidelijk te voeren naar Ruslands
grenzen.

Doof bleef de Keizer voor de vertoogen zijner ministers en vertrouwde
generaals, en vruchteloos schreef zijn vertegenwoordiger aan het hof te
Petersburg hem, dat keizer Alexander geen oorlog _wilde_ en zich alleen
wapende, omdat Napoleons eigen geweldige krijgstoerustingen in Polen en
Pruisen hem daartoe dwongen. Letterlijk door een boozen geest gedreven,
beheerscht door een soort van grootheidswaanzin, die zijn brein met de
stoutste plannen vervulde, die hem zelfs voortooverde dat zijn dynastie
eenmaal de oudste kon worden van gansch Europa, liet hij zich door niets
ter wereld van zijn plan afbrengen. In 1805 en 1807 had hij Rusland
geslagen, doch niet onderworpen; thans zou hij het genade doen vragen.

Reinier en Jakob moesten diensvolgens ten oorlog trekken.

Beiden hadden zij zich na hun vertrek uit Amsterdam al heel spoedig
in hun lot geschikt, maar terwijl Jakob zijn dienstplicht deed, om
niet in onaangenaamheden te komen, was Reiniers eerzucht er ras op uit,
bevordering te maken. Over een jaar wenschte hij officier te zijn.
Schoon dat in onze dagen een ijdel voornemen zou heeten, hield zijn
besluit toch niets buitengewoons in: Bij de opvoeding, door Reinier
genoten, gepaard met zijn lichamelijke en verstandelijke hoedanigheden,
behoefde hij slechts te _willen_ om ook te _worden_ hetgeen hij zich
voornam. In het Fransche leger toch, welks kaders aanhoudend werden
gedund, bestond ook geregeld behoefte aan geschikte personen om dat
kader voltallig te houden.

Uit vrees echter, dat zijn ijver en gedrag eens niet voldoende in het
oog mochten vallen, meldde Reinier zich, na zijn eerzuchtig voornemen,
bij den majoor aan.

»Majoor," begon hij, »als ik er mijn best voor doe, zou ik dan niet heel
gauw wachtmeester kunnen worden?"

De majoor, een oudgediende, vond het altoos prettig, wanneer hij bij
recruten de begeerte tot promotie mocht zien. Ook had hij reeds
opgemerkt, dat Reinier wel bevattelijk was en een goede opvoeding had
genoten. Hij was dus aangenaam verrast.

»Is je dat ernst?" vroeg hij niettemin met strakken blik.

»Volle ernst!" antwoordde Reinier met overtuiging.

»Over vier dagen ben je korporaal. En blijf je stipt je best doen dan
zal je, binnen een maand of wat, onderofficier zijn! Zoo niet, dan
wordt je onmiddellijk weer gedegradeerd!"

De majoor wenkte en Reinier trok af.

Vier dagen daarna was hij korporaal en voor er drie maanden om waren had
hij den graad van onderofficier.

De nieuwe wachtmeester kreeg nu wel is waar omgang met andere
onderofficieren, maar in de verhouding tot Jakob kwam hierdoor
aanvankelijk toch geen verandering.

Een week later kregen zij echter plotseling groote oneenigheid. Ze
kwamen, na een korte dagmarsch, met een man of acht, in den omtrek van
Thorn bij een boer in kwartier en zouden reeds den volgenden dag weer
verder moeten. Ze kregen eenige sneden grof brood, met een laagje vet
besmeerd. De menschen hadden het blijkbaar niet te ruim en aten er zelf
lekker van. Ook de huzaren, in den laatsten tijd niet verwend, lieten
het zich wel smaken.

Reinier echter was er niet mee tevreden. Hij was wachtmeester en eischte
ham!

Ham aten zij nooit, zei de man.

Ja, dat kon hèm wat schelen! Maar met vet was hij niet tevreden en hij
zou dan zelf maar eens kijken of hij niet wat beters vinden kon.

Weldra kwam hij met twee hammen terug, die hij lachend en triomfantelijk
in de hoogte hield.

Daarop bediende hij er zich van en deed de rest in zijn knapzak voor
later.

De boerin begon te schreien. Het waren hun beide laatste hammen,
snikte ze, en zij hadden die morgen aan een herbergier in Thorn moeten
bezorgen. Hoe zouden zij kunnen leven, als er door de soldaten, geregeld
maar, zóó met hen gehandeld werd? Hadden de huzaren hun rieten schuurdak
niet gebruikt om hun paarden er mee te voederen? Had niet gisteren een
andere bende ruiters daarvoor het onrijpe koren afgesneden? Wáár moest
het heen als dat zoo doorging? Zouden ze dan niet van honger en ellende
moeten omkomen?

Jakob kreeg medelijden met de arme menschen.

»Kom," zei hij tegen Reinier, »ik zou dan die eene ham ten minste
maar terug geven. Stel je voor, als andere soldaten zoo eens bij
jullie thuis deden en het laatste pakje thee wederrechtelijk gebruikten
terwijl jullie zelf toch op gewone dagen nooit anders dan aftreksel van
morellebladeren drinkt? Dat zou je toch ook niet goed vinden, is 't wel?
En is het hier eigenlijk nog niet erger? Geldt het hier niet een
bestaansmiddel van die menschen?"

Reinier gevoelde nu plotseling al het leelijke van zijn daad, schoon
hij volstrekt niet verder was gegaan dan hetgeen hij dagelijks door
anderen had zien doen. De transportwagens met levensmiddelen konden,
door allerlei omstandigheden, onmogelijk het voorttrekkende leger snel
genoeg volgen, en men voorzag zich dus van voorraad, terwijl men voort
marcheerde. Daar het land vruchtbaar was, werden paarden, wagens,
beesten, levensmiddelen van allerlei soort ontvoerd: men sleepte alles
mee, ook de benoodigde inwoners om heel dien voorraad aan te voeren.

Met dergelijke voorbeelden iederen dag voor oogen, had Reinier er niet
zooveel kwaad ingezien, zich zelf eens wat beter te doen onthalen dan
de anderen. Wel voelde hij, na Jakobs redeneering, hoe leelijk hij
eigenlijk had gedaan, maar dit nobele gevoel werd in 't zelfde oogenblik
door valsche schaamte overwonnen. Het ergerde hem, in tegenwoordigheid
van die anderen zoo terecht gezet te worden. Wat drommel, wat verbeeldde
Jakob Stargardt zich wel? Hij, Reinier, was toch wachtmeester, en wáár
zou het met zijn prestige naar toe, als vriendschap het recht gaf hem
een zedepreek te houden in het bijzijn van »minderen"!

Hij stoof dus geweldig op, Jakob bleef hem het antwoord niet schuldig en
het gevolg was, dat beiden, na een heftige woordentwist, met heete
hoofden ter rust gingen.

Den volgenden morgen scheen de oude verstandhouding weer volkomen
hersteld. Toch had het voorgevallene bij Reinier een zekere vervreemding
bewerkt, die hij gaandeweg al minder te verbergen wist.

Jakobs voortdurend bijzijn, gepaard met dien vrijmoedigen omgang waar
hun vriendschap recht op gaf, begon de jonge wachtmeester met den dag
meer te gevoelen als iets hinderlijks, iets dat hem belemmerde in zijn
gedragingen, terwijl aanhoudend de vrees hem verontrustte, dat die
familjare omgang nadeel doen mocht aan het ontzag, dat zijn overige
manschappen toch voor hem dienden te hebben.

Voor Jakob Stargardt kon het natuurlijk niet verborgen blijven, dat
Reinier steeds gedwongener jegens hem werd, en daar het niet in zijn
karakter lag om zich ook in 't minst maar op te dringen, werd hun
omgang, schoon naar het uiterlijk nog precies dezelfde gebleven, toch
gaandeweg al minder vertrouwelijk.

Na met korte dagmarschen van dorp tot dorp getrokken te zijn, kwamen de
troepen waartoe ze beiden behoorden, in en om Koningsbergen in kwartier.

Hun regiment zou weldra worden ingedeeld bij het derde legercorps, onder
maarschalk Ney. Te Nogarisky moest dit corps zich met de regimenten van
den Koning van Napels, Davoust, Bessières en Oudinot vereenigen, waarna
deze verzamelde legermacht onder de persoonlijke leiding van Napoleon
zou komen te staan.

De bierbrouwerijen en herbergen in de stad waren aanhoudend overvuld van
militairen en dit jongste legernieuws werd er dus overal levendig
besproken.

Reinier Vermaat zat met een groepje van andere onderofficieren voor
de »_Bonte Os_." Ook oudgedienden waren daar bij, aan de hachelijkste
omstandigheden gewoon, kerels die door niets meer werden afgeschrikt.
Men herkende ze dadelijk aan hun krijgshaftige houding en aan hun
gesprekken. Zij hadden geen herinneringen dan aan den oorlog, voor hen
was geen toekomst dan in den krijg; over niets anders spraken zij.

Tegenover de jongeren snoefden die gebronsde kerels over hun groote
daden in den slag bij de Pyramiden, dien van Marengo, van Austerlitz,
van Jena of Friedland, zij stroopten hun mouwen op of ontblootten hun
breede borsten om te pronken met de litteekens hunner wonden; en daar
zij intusschen met woord en daad voortdurend tot drinken aanspoorden,
werden ook de nieuwelingen hoe langer hoe opgewondener.

»Neen, dit," zeiden de oude ijzervreters, »werd een veldtocht, grooter
dan zij ooit beleefd hadden!" De goede uitslag er van scheen zeker; het
zou een militaire marsch wezen tot aan Petersburg en Moscou toe. Nog
déze poging, en alle krijg zou misschien voor goed geëindigd zijn; dit
was een laatste gelegenheid, meenden zij, om zich nog eens roemvol te
onderscheiden.

Een der nieuwelingen verklaarde dat hij, om de risico van den krijg,
toch net zoo lief van deelname aan dezen veldtocht verschoond was
gebleven.

»Och wat," zei een grijze snorrebaard, »dacht je dan, dat je daardoor
aan den oorlog ontkomen zou? Die is immers overal! Wees dus liever blij,
dat je zoo'n buitenkansje hebt! Want slagveld of slagveld, dat is lang
niet onverschillig! In Rusland zal de Keizer zèlf het bevel voeren,
terwijl je in een ander land wel voor dezelfde zaak, maar onder een
ander opperhoofd zou moeten strijden. En het is genoeg bekend, dat
Napoleon nu eenmaal zijn gunsten het overvloedigst uitdeelt aan _die_
soldaten, wier roem aan _zijn_ roem herinnert.

Vooral jij, Vermaat," wendde hij zich nu meer in 't bijzonder tot
Reinier, »moogt wel van geluk spreken. Kijk, _wij_ zijn maar domme
kerels, die als kind niets geleerd hadden, maar help eens kijken, _jij_
zult fortuin maken in dezen veldtocht! Als majoor zie ik je nog terug
komen! Nu ja,--mits je moedig bent natuurlijk!"

Reinier's ijdelheid was niet weinig gestreeld. Hij verklaarde, dat het
hem aan moed niet zou ontbreken. Daarop liet hij, op zijn kosten, de
glazen nog eens vullen en hield een opgewonden toost op den roem en den
voorspoed van het Groote Leger, die met daverende toejuichingen werd
beantwoord.

Juist in dit oogenblik kwam Jakob uit de verte aan.

»Daar komt je trouwe vriend, de timmerman!" zei een der jonge
onderofficieren plagend.

»Hm!... Vriénd?!" zei Reinier, »nou ja, omdat we vroeger kennissen
waren loopt hij me nog altijd na als een hondje..."

»Begrijpt zoo'n jongen dan niet, dat jullie verhouding nu toch heel
anders geworden is," vroeg een tweede.

Reinier, geërgerd, haalde de schouders op.

»'t Schijnt van niet!" zei hij kregel.

»Maar dan zou ik zelf daar toch een eind aan maken!" adviseerde een
ander. »Hij zou je waarachtig zijn kameraadschap nog wel kunnen
opdringen als je al lang en breed majoor was!"

Daar had Jakob eindelijk Reinier in 't oog gekregen, die zich echter
hield, of hij hem in 't geheel niet zag.

Jakob Stargardt had juist een brief met de veldpost ontvangen, een brief
van zijn moeder, waarin ze hem meldde, dat zij marketentster geworden
was en zich voorloopig bij de voortrukkende Westfaalsche troepen had
aangesloten, maar toestemming bezat, om zoo spoedig mogelijk bij het
elfde regiment huzaren, _zijn_ regiment, over te gaan. Al binnen enkele
dagen konden zij dus reeds bij elkander wezen.

Jakob brandde van begeerte om die heugelijke tijding zoo gauw mogelijk
aan Reinier mee te deelen. Wel was hun vriendschap niet meer dàt, wat
zij te voren was geweest, maar toch gingen zij nog veel te dikwijls met
elkander om dan dat hij zijn heerlijk nieuws niet in de eerste plaats
aan Reinier zou verteld hebben.

Nauwelijks kreeg hij dezen dus in 't oog, of hij stapte haastig op hem
toe, vol blijdschap vertellend, waar hij zelf zoo vol van was.

Reinier zag hem spottend aan:

»Ei zoo, had het jongentje soms gevraagd of zijn moesje op hem wou komen
passen?" vroeg hij ironisch. »En zal moesjes schort nu straks de kogels
voor hem moeten opvangen?"

Hij had meer gedronken dan hij verdragen kon en zei nu woorden, die hij
zich in normalen toestand zou geschaamd hebben.

Jakob werd rood van verontwaardiging.

»Bah, wat laag, wat vreeselijk laag van je," riep hij driftig, »om
mij als een lafaard voor te willen stellen, die bloôhartig de kogels
ontvluchten zou! Want zoo iemand, dan moest _jij_ beter weten!"

Hij doelde op het feit, dat hij indertijd zichzelf in de plaats van zijn
vader had aangeboden.

»'t Is waar, ik vergat een oogenblik dat het bij jullie een soort van
familiekwaal lijkt, om zich te laten doodschieten--al is het dan ook
maar wegens majesteitsschennis!..."

't Werd eensklaps doodstil. Allen begrepen, dat een van Jakob's
bloedverwanten wegens majesteitsschennis gefusilleerd moest zijn en hem
dit nu op de meest grievende wijze werd herinnerd. De gezichten, zoo
even nog glinsterend van opgewektheid en genoegen, waren alle strak en
ernstig.

De armen over elkaar gekruist, doodsbleek, met vlammenden blik, stond
Jakob Stargardt tegenover zijn beleediger, als een onheilspellende
verschijning, die eensklaps uit den grond was opgerezen. Enkele schreden
verder stond een oude huzaar, die met Jakob opgeloopen was en tot
hetzelfde escadron behoorde. 't Was een brave, oppassende kerel, maar
zóó gering van aanleg, dat hij het, spijt al zijn dienstjaren, nooit
verder dan gewoon soldaat had kunnen brengen. Maar zoo klein zijn
verstand mocht wezen, zoo nobel was zijn inborst. Die oude krijger zag
dan ook even bleek als zijn jeugdige makker. Zwervend en onrustig ging
zijn blik; want evenals al de aanwezigen duchtte ook hij ieder oogenblik
een uitbarsting.

»Kom!"--zei de oude huzaar, Jakob bij de mouw trekkend,--»kom,--we
moeten weer naar ons kwartier!"

Maar Jakob verroerde zich niet en zag Reinier nog altoos woest-dreigend
aan.

Reinier was eerst onthutst: maar hij herstelde zich spoedig en eveneens
de armen kruisend, mat hij den verontwaardigden jongeling met tergenden
blik.

»Wat wil je?" vroeg hij barsch.

»Wat ik wil," antwoordde Jakob schijnbaar kalm, »is licht te begrijpen;
wat elk ander soldaat je in mijn plaats vragen zou: Een kans om mij te
wreken!"

»Het spijt me," antwoordde Reinier met een sarrend-hatelijk lachje, »dat
ik je die voldoening niet geven mag, maar een wachtmeester duëlleert nu
eenmaal niet met zijn minderen."

»Welnu dan, ik zweer je, dat ik met mijn eischen bij je terug zal komen,
meneer de wachtmeester, al is het ook over twintig jaar!"

»Dan ben _ik_ generaal en _jij_--timmermansbaas!" zei Reinier spottend.
»We zullen dus moeilijk met elkander tot vereffening kunnen komen."

»Of _ik_ ben majoor en jij nog niet: Ik zal dan evenwel minder
hooghartig wezen dan jij. Wees in ieder geval verzekerd, dat uitstel
geen afstel is: Binnen een jaar zijn we gelijk in rang en dàn--geloof
me, dan zal ik je toonen met wien je te doen hebt!"

Reinier Vermaat werd woedend van schaamte en ergernis. Hoe grievend hij
Jakob ook had bejegend, zijn ijdele inborst kon niet dulden, dat hij
als een schuldige tegenover een »mindere" stond,--en vooràl niet,
dat die mindere hem zijn schuld zoo vernederend deed gevoelen in
tegenwoordigheid van mannen wier achting hij zoozeer op prijs stelde.

»Huzaar Ros!"--beval hij den oudgediende met wien Jakob gekomen
was,--»breng den kerel onmiddellijk in arrest!"

»Dank u, wachtmeester," antwoordde de brave krijgsman,--»ik heb geen
lust om een kameraad te arresteeren, alleen omdat zijn chef hem
beleedigde en hij de vrijmoedigheid had, hém dat te verwijten. U kunt
me straffen zoo zwaar u wil, maar een schelm hoop ik nooit te worden!"

Hij maakte rechts-omkeert en wilde gaan.

»Wacht, Ros, ik ga met je mee," zei Jakob, »ik zal me zelf in arrest
begeven; wachtmeester Vermaat, tot ziens!"

»Dat zal ik je beiden inpeperen!" gromde Reinier, bleek van wraakzucht.

[Illustratie: ... mat hij den verontwaardigden jongeling met tergenden
blik.]

Maar tot zijn spijt werd hij reeds den volgenden morgen naar een nog
onvolledig regiment overgeplaatst.



Achtste Hoofdstuk.

De opmarsch.


Moeder Jane had zich bij het regiment van haar zoon aan kunnen sluiten,
nog vóór dit Koningsbergen verliet, maar reeds den 22sten Juni lag
geheel het Fransche leger op den linkeroever van den Niemen.

Napoleon, die tot hiertoe in een rijtuig gezeten had, wierp zich 's
morgens om twee uur in het zadel, om dien Russischen grensstroom te
verkennen. Toen hij aan de rivier kwam, struikelde eensklaps zijn paard
en wierp hem in het zand.

»Een slecht voorteeken!" klonk het. »Een Romein zou terug keeren!"

Of hij zelf het was of iemand van zijn gevolg, die deze woorden sprak,
is niet bekend.

Napoleon echter steeg kalm weer te paard om zijn onderzoek voort te
zetten.

Toen de verkenning afgeloopen was beval hij, dat er tegen het vallen
van den avond drie bruggen over de rivier zouden gelegd worden. Daarop
begaf hij zich naar zijn legerplaats, waar hij den geheelen dag nu eens
in zijn tent, dan weer in een Poolsch huis doorbracht, machteloos
neerliggend onder de zwoele, drukkende hitte en vergeefs naar rust
zoekend.

Zoodra de avond echter gevallen was naderde hij opnieuw de rivier, waar
sappeurs reeds met het leggen der bruggen waren begonnen. Drie
compagnieën soldaten moesten hen beschermen.

Eenige sappeurs steken met een schuitje de rivier over. Tot hun
verwondering komen zij zonder hindernis aan den Russischen oever. Alles
is rustig op dien vreemden grond, dien men hun als zoo dreigend heeft
afgemaald.

Spoedig echter zien zij een kozakkenofficier aan het hoofd eener kleine
patrouille. Hij is alleen, hij schijnt zich in vollen vrede te wanen en
niet te weten, dat geheel Europa gewapend tegenover hem staat. Hij
vraagt aan de vreemdelingen wie zij zijn.

»Franschen!" antwoorden zij hem.

»Frànschen?!" vraagt de Officier. »Maar wat komt ge dan in Rùsland
doen?"

Een der sappeurs zegt hem op barschen toon:

»U beoorlogen! Wilna innemen! Polen bevrijden!"

Zonder eenig antwoord te geven wendt de kozakkenofficier zijn paard en
rent met de zijnen het bosch in, waarop drie sappeurs, in overdreven
ijver, hun geweren lossen.

Zoo werd het zwak gerucht van drie schoten, welke onbeantwoord bleven,
het sein, dat er een nieuwe veldtocht geopend en een groote vijandelijke
inval begonnen was.

Een compagnie soldaten kreeg terstond bevel de rivier over te varen, om
de plaatsing der bruggen te beschermen.

Weldra kwamen al de Fransche colonnes uit de bosschen en van achter
de heuvelen te voorschijn. Zij trokken, begunstigd door een dichte
duisternis, stilzwijgend tot bij de rivier. Geen wachtvuren mochten
ontstoken, geen vonken zelfs gezien worden. De groene en door een zwaren
dauw bevochte rogge strekte de menschen tot bed, de paarden tot voedsel.

't Was de eerste keer dat Jakob Stargardt, evenals zoo menig ander jong
soldaat, in de open lucht, en dat zonder bivakvuur, zou vernachten.

Hij bleef aarzelend nog wat staan.

»Leg je hoofd maar gerust op je ransel neer, kameraad!" zei Ros, »je
bent jong en sterk, het zal-je geen kwaad doen."

Jakob deed het, en onderwijl was het hem aangenaam te bedenken, dat ten
minste zijn moeder in haar wagen een vrij wat beter nachtverblijf had.

Maar och, wat zou zoo'n enkele slechte nacht, meende hij, als over
weinige uren de zon toch al weer opging.

Zoodra de dag aanbrak, richtte hij zich op en tuurde de rivier over,
naar het Russische grondgebied. Hij zag niets dan somber-donkere wouden
en kaal, dor zand. Op een driehonderd schreden van de rivier ontdekte
hij de tent van den Keizer, die men in den nacht op den hoogsten heuvel
geplaatst had. Daaromheen zag hij alle heuvelhellingen en dalen bedekt
met menschen en paarden, die plotseling in beweging kwamen nu de
reveille klonk.

Moeder Jane stond met tal van anderen--kooplieden, marketentsters en
zoetelaars,--alle tot den nasleep van het leger behoorend, op een
heuveltop naar de eerste bewegingen van de groote armée te kijken.

Zij zag een luisterrijken stoet van maarschalken en generaals Napoleons
tent omstuwen... Daar trad de Keizer zelf naar buiten... Hij groette en
besteeg zijn Arabischen schimmel...

Dan weerklonk het sein... Opeens was het of de gansche landstreek woelde
en golfde... En boven die bewegende donkere massa's flikkerden en
wemelden de wapens in de gloeiende morgenzon als flitsende stralen en
spattende zilvervonken...

Arm Rusland! dacht moeder Jane bij den aanblik van die ontzettende
strijdkrachten.--In drie breede stroomen zag zij den zwarten vloed
over de gele zandvlakte naar de drie bruggen voortrollen... Zij zag ze
kronkelend naar den oever afdalen, de bruggen naderen, zich uitstrekken
en inéénkrimpen om die over te gaan en eindelijk den vreemden grond
bereiken, dien zij gingen verwoesten en verderven.

Napoleon haastte zich, om den voet op vijandelijken bodem te zetten.
Zonder aarzelen deed hij dien eersten stap tot zijn verderf. In het
begin hield hij zich dicht bij de bruggen op, de soldaten met zijn
tegenwoordigheid aanmoedigend, die hem, als steeds, begroetten met hun:
»Leve de Keizer!"

Eindelijk werd hij ongeduldig en rende het bosch in, maar schoon hij er
meer dan een mijl ver in dóórdrong--tot zijn verwondering zag hij geen
vijand.

Langzaam trokken de legermassa's langs den stroom voort; met een zekere
beklemdheid spraken de soldaten over het zonderlinge feit, dat hun die
voortgang in 't minst niet door den vijand betwist werd.

»Daar hoor ik in de verte toch kanonschoten," zei Jakob tegen Ros, die
naast hem reed.

De oude krijgsman luisterde...

Opnieuw klonk een dof gedreun...

Ros schudde het hoofd: »Dat zijn geen kanonnen," zei hij, »maar een
opkomend onweer."

Inderdaad werd de lucht met ieder oogenblik duisterder. Donder en
bliksem volgden weldra elkander rusteloos op, tot ontsteltenis van vele
soldaten, die van »een slecht voorteeken" begonnen te mompelen.

Het duurde niet lang, of de zwaarbetrokken lucht ontlastte zich in
een geweldigen plasregen. Wegen en velden werden overstroomd en de
ondraaglijke hitte werd eensklaps vervangen door een onaangename koude.
De Keizer zocht een schuilplaats in een naburig klooster. Maar de arme
soldaten waren zonder eenige beschutting aan het vreeselijke weer
blootgesteld. Tienduizend paarden en vele menschen kwamen bij de daarop
volgende marschen om, tal van voertuigen bleven in het zand zitten.
Trouwens, door zijn vervaarlijke menigte reeds, was het Groote Leger
verderfelijk voor zichzelf. Verscheidene behoeften vonden geen
bevrediging. Al bij het bezetten der eerste stad, Kowno, heerschte
gebrek aan levensbenoodigdheden en toen Napoleon de veste binnentrok,
vond hij er de grootste wanorde.

Dit gebrek en die wanorde vermeerderden, naarmate de Keizer dieper
doordrong. Hij ondervond, dat het Russische volk, wild en woest als
Rusland zelf, den oorlog beschouwde als een heilige zaak, waarvoor het
alles moest opofferen om zijn tegenpartij te verdelgen. Overal ontmoette
hij asch en puinhoopen, in plaats van kwartieren om uit te rusten;
overal honger en ziekten, in plaats van den buit en den roem, dien hij
verdeelen wilde.

Zich alleen tot verdediging hunner strijdkrachten beperkend, trokken de
Russische veldheeren Barclay de Tolly en Bagration van de eene stelling
naar de andere. Nergens vonden de Franschen levensmiddelen! allen
voorraad had de vijand zorgvuldig vernield, onderwijl hij aanhoudend
achterwaarts trok.

Daar was voor het Fransche leger iets onheilspellends in, dat ze in het
vijandelijke land nergens een vijand vonden. Napoleon had gehoopt, dat
de Russen hem ten minste Wilna zouden betwist hebben; maar hij vond de
stad open en onverdedigd.

In Pruisen had de Keizer zijn leger slechts voor twintig dagen
levensmiddelen doen meenemen. Dat was genoeg om Wilna met één veldslag
te winnen; maar Wilna behóefde niet veroverd te worden. En--voorwaarts
ging het weer, met snelle marschen den vijand achterna, zoodat de
onafzienbare toevoer van levensmiddelen onmogelijk kon volgen.
Uitgehongerd kwamen de soldaten aan kasteelen en woningen, waar ze geen
voedsel vonden en die ze uit wraak verwoestten en uitplunderden. Ja er
waren er reeds, die door zelfmoord een eind aan hun leven maakten. En
toch moest het leger maar immer voort...

Als wilden de Russen Napoleon's verlangen om tot een beslissenden strijd
te komen prikkelen, hem dieper naar het hart van Moskovië lokken,
streelden ze hem soms met de hoop op een veldslag, doch wanneer Napoleon
den volgenden morgen den vijand zocht, was hij in de duisternis van den
nacht weer verder getrokken.

Niet dan te Smolensk hielden de Russen stand, waar zij de versterkte
stad bezetten. Den 17den Augustus werd zij krachtig door de Franschen
aangegrepen. Hevige aanvallen volgden en werden besloten met een
vernielend bombardement, hetwelk tot in den nacht aanhield.

Napoleon zat voor zijn tent.

Plots zag hij op verscheidene punten dikke en zwarte rookwolken
opstijgen... Zij werden, bij tusschenpoozen, door flauwe schijnsels en
daarna door vonken verlicht... Eindelijk stegen er hooge vuurkolommen
van alle kanten op... Het was als een menigte van verschillende groote
branden... De Keizer zag dit afgrijzelijk schouwspel met somber
stilzwijgen aan... Dat kon onmogelijk de uitwerking der granaten zijn...
Langzamerhand vereenigden zich die onderscheidene branden tot één groote
vlam, die zich kronkelend ten hemel hief en heel Smolensk als in zich
opnam: Er was geen twijfel meer aan of de Russen zelf hadden Smolensk,
de Heilige stad, in brand gestoken.

Omstreeks drie uur in den morgen sloop een onderofficier van Davoust tot
aan den muur en waagde het, dien voorzichtig te beklimmen. Aangemoedigd
door de stilte die er rondom hem heerschte, drong hij dieper de stad in.
Zij bleek ledig en door de Russen verlaten.

Nadat de Keizer hiervan kennis gekregen had rukte het leger op zijn
gewone wijze de poorten binnen: met krijgsmuziek en oorlogspraal trok
het over de rookende en bloedige ruïnen voort; zegevierende over die
verlaten puinhoopen en slechts zichzelf tot getuige hebbend van zijn
roem. Schouwspel zonder aanschouwers, overwinning bijna zonder winst,
bloedige roem, waarvan de rook die het Fransche leger omringde, het
treffendste zinnebeeld was.

Weer bleek dus de beslissende veldslag, dien Napoleon zoo vurig
begeerde, hem als een schaduw ontglipt.

Barclay, die in den nacht den weg naar Moscou was ingeslagen, werd
echter door maarschalk Ney achterhaald. De Russen begrepen, wilden zij
een veiligen aftocht hebben, dat hun achterhoede diende stand te houden,
daar anders de Franschen hun den pas zouden afsnijden.

Bij Walutina had daarop een treffen plaats. Napoleon hield het er
voor, dat het niet meer dan een schermutseling worden zou. Hij zond
den maarschalk dus enkel generaal Gudin ter hulp, terwijl hij zelf
binnen Smolensk bleef. Maar de schermutseling werd een kleine veldslag.
Achtereenvolgens werden er van weerskanten dertig duizend man in
betrokken. Vreeselijk was de verwoedheid, waarmee men aan beide zijden
vocht en waaraan zelfs de invallende duisternis geen eind maakte.
Eindelijk meester van de bergvlakte en uitgeput van bloedverlies,
gaf Ney, die zich door dooden en stervenden omringd zag, bevel om met
schieten op te houden. De Russen maakten van de duisternis van den nacht
gebruik, om hun aftocht te bewerkstelligen. Zij oogstten evenveel roem
met dien aftocht in, als de Franschen met hun zegepraal: want geen
enkelen gewonde, geen enkel stuk geschut lieten zij achter.

Gudin werd zwaar gekwetst binnen Smolensk gebracht, waar hij, ondanks de
zorgen des Keizers, weldra aan zijn wonden stierf. De overwinning bij
Walutina was duur gekocht.

Den volgenden dag verscheen Napoleon zelf op het slagveld. Hij vond
er de soldaten van Ney en die van de afdeeling Gudin, geschaard bij de
lijken hunner makkers en die der Russen, omringd door half afgebroken
boomen, op een door de strijders platgetreden en door kanonkogels
geploegden grond, overdekt met overblijfsels van wapens, verscheurde
kleederen, militaire gereedschappen, omvergeworpen wagens en verspreide
ledematen. Want dit zijn de zegeteekenen van den oorlog! dit is de
schoonheid van het veld der overwinning!

De bataljons van Gudin schenen niet veel meer dan pelotons te zijn; zij
toonden zich echter te hoogmoediger naar zij te meer verminderd waren;
bij hen ademde men de lucht nog in der afgeschoten patronen en van het
kruit, waarvan de grond doordrenkt, waarvan hun kleeren doortrokken en
hun gezichten nog geheel zwart waren. De keizer kon hun gelederen niet
langs gaan, zonder lijken te vermijden, of over te stappen; door de
hevigheid van den schok bij den aanval, waren verscheidene bajonetten
gekromd.

Maar al deze afgrijselijkheden bedekte hij met roem. Zijn erkentenis
herschiep dit veld des doods in een veld van zegepraal, waar, gedurende
eenige uren, slechts aan roem en voldane eerzucht werd gedacht.

Hij gevoelde, dat het tijd was om zijn soldaten met zijn woorden
en belooningen op te monteren. Nooit waren dan ook zijn blikken
vriendelijker geweest; in zijn toespraak noemde hij dit gevecht het
schoonste wapenfeit uit Frankrijks militaire geschiedenis; de soldaten,
die hem aanhoorden, waren mannen, met wie men de wereld kon veroveren;
de gesneuvelden heetten oorlogshelden, die een onsterfelijken dood
gestorven waren. Aldus sprak hij, wel wetend dat, in het midden van die
verwoesting, woorden over onsterfelijkheid indruk zouden maken.

Glansrijk waren de belooningen, welke hij daarop uitdeelde.
Zeven-en-tachtig bevorderingen en eereteekenen ontvingen de troepen van
Gudin; het 127ste regiment dat nog geen standaard had, omdat men zijn
vaandels op het slagveld moest verdienen, kreeg er een; eigenhandig
reikte de Keizer het over. Ook het corps van Ney werd bedacht.

Jakob Stargardt, wiens regiment tot dit legercorps behoorde en die te
Wilna reeds korporaal geworden was, ontving den graad van wachtmeester.
Thans stond hij met Reinier Vermaat dus gelijk in rang; thans zou zijn
beleediger, wanneer hij dezen nog eens ontmoeten mocht, het recht niet
langer hebben hem zijn eisch te ontzeggen.

Maar op 't oogenblik dacht Jakob Stargardt daar slechts vluchtig aan:
Ondanks zichzelf was de jonge Hollander door de eerzucht-prikkelende
toespraak des Keizers, diens erkentelijkheid jegens zijn dapperen, den
vorm vooral waarin zij werd geopenbaard, geheel onder de betoovering van
Napoleons machtige persoonlijkheid gekomen.

De Keizer toch wist aan zijn belooningen, op zichzelf reeds groot, nog
een hoogere waarde te geven, door de wijze waarop hij ze verleende:
Hij liet zich achtereenvolgens van ieder regiment omringen als van een
familie. Dan sprak hij met luider stem de officieren, onderofficieren
en soldaten aan, hun naar de dappersten uit al die dapperen vragend om
die terstond te kunnen beloonen. De officieren wezen aan, de soldaten
bevestigden, de Keizer keurde goed: aldus werden de verkiezingen
oogenblikkelijk gedaan en met toejuichingen door de troepen bevestigd.

Deze vaderlijke manieren, ze verrukten Jakob. Bovendien, nooit leverde
een veld van overwinning een schouwspel op, dat meer geschikt was om
in geestdrift te brengen: het geschenk van dien zoo wèl verdienden
standaard, de praal van die bevorderingen, de vreugdekreten, de roem
van die oorlogshelden, welke op de plaats zelf, waar hij behaald was,
werd beloond, dat alles te zamen bracht Jakob Stargardt in een wondere
geestvervoering.

Maar die bedwelming hield spoedig op, toen de troepen van Ney weer
naar Smolensk terug keerden. De weg toch werd hun bemoeilijkt door
de tallooze overblijfselen van het gevecht; telkens ondervonden zij
vertraging door de lange reeksen van gewonden, die zich voortsleepten of
stadwaarts werden gedragen; en in Smolensk zelf ontmoetten zij karren
vol afgezette ledenmaten, welke men ergens buiten de stad ging
wegwerpen.

Al die afgrijselijkheden van den oorlog ontnuchterden, bedroefden, ja
verbitterden hem. Smolensk was slechts een reusachtig hospitaal en het
hevig gekreun dat er uit opsteeg was sterker dan de jubelkreten om den
behaalden roem, die in de velden van Walutina waren opgegaan.

Door zijn moeder, die een half verwoest huis tot cantine had ingericht,
werd hij met ontstuimige blijdschap ontvangen. Zij had reeds gehoord,
dat er den vorigen dag bloedig gevochten was en ieder oogenblik
gevreesd, het bericht van zijn dood te vernemen.

't Was er druk, in de cantine van moeder Jane, maar de kortstondige
opwinding over de zegepraal bij Walutina was reeds voorbij en schier
over niets werd gesproken dan over de ellende van het leger.

»Mijn compliment, moeder Jane," zei de oude Ros: »dat is andere
brandewijn dan het bocht, dat ze hier te lande stoken."

»Geen wonder," zei een grenadier, »ze stoken het uit graan, met
verdoovende planten vermengd. 'k Heb jonge soldaten gezien, totaal òp
van honger en vermoeienis, die dachten dat dit goedje hen weer wat zou
opmonteren. Maar wat wàs het? Krek de laatste fut ging er nog uit en
slap, als verlamd, vielen zij neer."

»Dat waren dan misschien nog de matigsten,--of de zwaksten!"--zei Ros.
»Ik heb er ten minste gezien wie dat ontuig nog vrij wat slechter
bekwam. Ze kregen oogenblikkelijk duizelingen, of raakten zóó verdoofd,
dat ze niet meer stáán konden zelfs! In greppels en aan den wegkant
gingen zij zitten, totaal versuft... En dan zàg je als 't ware de dood
over ze komen... zoo in ééns maar, zonder gekreun, zonder een zucht....
ffúút!!.... 't was gebeurd!..."

Toen kwam het gesprek op het groot aantal gekwetsten.

»Eén ding helpt," zei de grenadier: »er is hier ten minste geen gebrek
aan hospitalen, zooals in Wilna."

»Neen," bevestigde moeder Jane, »vijftien steenen gebouwen, die niet
verbrand waren, hebben ze daarvoor ingericht; zelfs Fransche brandewijn,
wijn en geneesmiddelen zijn er gevonden..."

»Nu ja, dat mag zoo wezen," meende een lansier, »maar toch is er van
niets genoeg! Zóóveel geblesseerden, daar is dan ook geen helpen aan! De
wondheelers werken dag en nacht door, maar verbeeld je, met den tweeden
nacht al was er niets meer over om de gekwetsten te verbinden! In plaats
van linnen gebruikten ze toen maar de perkamenten uit de archieven tot
spalken en verbanden; en als pluksel namen zij uitgeplozen touw."

»En dan moet je nog weten," zei een korporaal die juist binnen gekomen
was, »dat ze een geheel hospitaal drie dagen lang vergeten hadden!
Toevallig heb ik het van morgen ontdekt, doordat ik van 't eene
hospitaal in het andere naar een vermisten vriend liep te zoeken.
Eindelijk vond ik hem dáár, half uitgehongerd, te midden van stervenden
en dooden, in een afschuwelijken stank. Aan maarschalk Rapp, dien ik
toevallig tegenkwam, heb ik dadelijk mijn ontdekking verteld en toen is
er onmiddellijk verpleging gekomen. De Keizer stuurde zelfs zijn eigen
wijn, om onder die ongelukkige stakkers uit te deelen, voor zoover ze
ten minste nog niet bezweken waren."

»'t Is de ellendigste oorlog dien ik ooit meegemaakt heb," zuchtte Ros:
»Lijken en gewonden bij duizenden en toch geen enkele groote veldslag!"

»Neen," gromde een andere oudgediende, »we hebben nog niets veroverd dan
verbrande en leeggeplunderde steden en dorpen. Van buit is geen sprake!
We bezitten op 't oogenblik niets dan wat we zelf hebben meegebracht!"

»Maar als we dan tòch alles uit Frankrijk naar Rusland moesten sleepen,"
zei de grenadier, »waarom ons dan maar niet liever in Frankrijk
gelaten?"

»Acht honderd mijlen hebben ze ons nu al af laten leggen," verklaarde de
korporaal; »en dat waarvóór? Om ten leste niets anders te vinden dan
modderig water, hongersnood en bivakken op asch en puin!"

In dien geest werd niet enkel in de cantine van moeder Jane, maar schier
overal onder de soldaten geprutteld.

Doch ook verscheidene generaals waren reeds ontevreden.

»Wat geeft het," morden zij, »dat de Keizer ons rijk gemaakt heeft, als
we er tòch geen genot van kunnen hebben; dat hij ons uitgehuwd heeft,
als we verwijderd van onze vrouwen moeten leven; dat hij ons paleizen
heeft geschonken, als we toch ver van ons land, op den blooten grond
moeten huizen en vernachten? Welhaast zal Europa niet meer voldoende
zijn voor zijn heerschzucht en zal hij ons naar Azië laten trekken!"

Napoleon zelf was al evenmin goed gestemd.

Op het slagveld scheen de vervoering zijner soldaten hem te hebben
meegesleept. Doch van Walutina weer naar Smolensk terugkeerend onder een
steeds drukkender hitte, terwijl zijn rijtuig door het schrikwekkend
aantal gewonden slechts langzaam voort kon gaan, was spoedig de
ontgoocheling gevolgd. Toen hem daarop weldra bleek, dat het Russische
volk, door zijn overheden en priesters misleid, den brand van Smolensk
aan hèm toeschreef en overal met het wijkende leger meevluchtte, begon
de Keizer te weifelen in zijn besluit, om den veldtocht voort te zetten.

Doch de hoop, door de verovering van Moscou Keizer Alexander tot den
vrede te dwingen, dreef Napoleon, na een verblijf van zeven dagen, ook
weer uit Smolensk, verder en verder, zijn verderf te gemoet.

Moeilijk bleek de weg, geweldig de hitte, zeer onvoldoende de verpleging
in die zoo goed als waterlooze, onafzienbare vlakten, welke het Fransche
leger thans door moest. Ontzettend was dan ook de ellende, geleden door
mensch en dier. En dan de steden die werden gepasseerd! Ze bleken alle
grootendeels door de inwoners verlaten, half verbrand en in puinhoopen
veranderd.

Toch werd de marsch onafgebroken voortgezet, en tegen den 5den September
naderde de dagelijks zwakker wordende hoofdmacht het dorp Borodino, aan
den grooten weg naar Moscou.

Alles wees er op, dat het hier eindelijk tot een grooten slag zou komen.

Bij het Russische volk had de oorlog, zooals Alexander's veldheeren
dien voerden, een algemeene ontevredenheid verwekt. Het welberekend
terugtrekken kwam de menigte voor als een smadelijke, doemwaardige
vlucht, inzonderheid omdat daardoor de heilige stad Moscou van dag tot
dag grooter gevaar liep, den vijand in handen te vallen. Om het volk tot
nog grootere opofferingen bereid te maken, snelde Keizer Alexander zelf
naar de Czarenstad en sprak van het Kremlin zijn verzamelde onderdanen
toe, die, door zijn treffende woorden ontvlamd, de duurste eeden
zwoeren, dat zij alles geven, alles verlaten, alles ten offer brengen
zouden om »den tiran der volken en van den godsdienst" te vernietigen.
Tegelijkertijd werd de oude veldmaarschalk en lieveling des volks,
de sluwe en vaderlandslievende Kutusof met het legercommando belast,
daar Barclay de Tolly het algemeen vertrouwen had verloren. Kutusof
gehoorzaamde de stem der natie en van zijn Keizer en besloot, ten einde
Moscou te behouden, een veldslag te wagen. Bij Borodino zouden alzoo de
Russen, met den moed der vertwijfelde vaderlandsliefde, den toegang tot
hun hoofdstad verdedigen. Langs de steile hellingen van het riviertje
dat zich door het landschap kronkelde, tegen de heuvelranden, tusschen
de boomgroepen en in de vlakte, overal wierpen zij hun verschansingen op
en maakten zich tot verdediging tegen den aanval der Fransche armee
gereed.

De veldslag die hier den 7den September plaats had, was dan ook een der
bloedigste in de gansche wereldgeschiedenis.



Negende Hoofdstuk.

Afgunst en wrok.


Napoleon had de overwinning behaald. Maar welk een overwinning! Te duur
gekocht, om zoo onvolledig te zijn. In de naaste omgeving des Keizers
betreurde ieder den dood van een vriend, een bloedverwant, een broeder:
want de aanzienlijksten waren gevallen. Drie-en-veertig generaals waren
gesneuveld of gekwetst. Meer dan zeventigduizend man van beide kanten,
dood of gewond, bedekten het slagveld. Op de veroverde schansen lagen
meer dooden dan er levenden stonden. Allen die de Keizer bij zich had
laten roepen, hoorden hem over de overwinning spreken--en zwegen. Maar
hun houding, hun naar den grond gerichte oogen, hun stilzwijgen waren
niet sprakeloos.

De Russen bleken in den nacht te zijn afgetrokken. Kutusof was tot de
inzichten van Barclay overgegaan en had de verdediging van Moscou
opgegeven, overtuigd dat de oude Czarenstad het graf van het Fransche
leger worden zou en dat hij heel wat bloed zou gespaard hebben, wanneer
hij van den aanvang af Barclay's raad gevolgd had.

Den volgenden morgen bezocht Napoleon het slagveld. Nooit wellicht was
er een, dat afgrijselijker gezicht opleverde. Alles liep te zamen: een
donkere lucht, een koude regen, een hevige wind, de omliggende woningen
in asch, een verwoeste vlakte bedekt met overblijfselen en puin, aan den
gezichteinder het sombere groen der denneboomen, overal soldaten die
tusschen de lijken dwaalden en eenig voedsel zochten, tot zelfs in de
ransels hunner gesneuvelde metgezellen; doodsche bivakken; geen gezang
meer, geen verhalen; een treurige stilzwijgendheid.

Bij de monstering zijner troepen zag de Keizer het overschot der
officieren en onderofficieren en eenige soldaten rondom de standaarden,
nauwelijks genoeg om het vaandel te beschermen. Hun kleeren waren met
bloed bevlekt, verscheurd door de verwoedheid van den strijd en zwart
van den kruitdamp. Een enkele maal hoorde men het oude »Leve de
Keizer!"--; echter zeer zeldzaam en zonder gloed.

In en bij de schansen lagen de dooden op hoopen! Men begon de gekwetsten
op te nemen en ze te vervoeren naar het groote klooster van Kolotskoï.
Er waren er twintig duizend. Men vond ze vooral in de diepten der droge
stroombeddingen, in welke de meeste der Franschen waren neergestort en
waar verscheidene zich naar toe gesleept hadden om meer beveiligd te
zijn voor den vijand en voor de stormvlagen. Sommigen spraken kermend
den naam van hun vaderland uit of van hun moeder; dit waren de jongsten.
De oudsten wachtten den dood met een gevoelloos of stuiptrekkend gelaat,
zonder te klagen of om hulp te roepen; anderen verzochten, dat men hen
oogenblikkelijk doodde; maar men ging die ongelukkigen haastig voorbij,
terwijl men noch het nuttelooze medelijden had hun bijstand te bieden,
noch het wreede mededoogen hen af te maken.

De opperste heelmeester, dokter Larray, had uit alle regimenten
helpers betrokken. De veldhospitalen waren aangekomen, maar alles
was ontoereikend. Daarbij had hij hoegenaamd geen troepen om de
hoogstnoodzakelijke dingen uit de omliggende dorpen te gaan halen.

Zóó verwoed was er aan beide zijden gevochten, dat men niet meer dan
achthonderd gevangenen had gemaakt.

Het Hollandsche regiment huzaren waar Jakob Stargardt toe behoorde,
op een onverantwoordelijke wijze zonder ondersteuning aangevoerd
tegen de batterijen der Russische achterhoede en door drie regimenten
vijandelijke ruiterij omsingeld, was versmolten tot zes-en-veertig
weerbare manschappen. Een paar dagen later werd het weer wat aangevuld
door een gedeelte der versterkingstroepen van den linkervleugel, welke,
na den overtocht van den Niemen, tot de Duna was voortgedrongen.

Jakob Stargardt had, bij deze reorganisatie, zijn aanstelling tot
ritmeester ontvangen.

Na aan zijn escadron voorgesteld te zijn trad hij op den pas
gearriveerden wachtmeester toe, teneinde nader kennis te maken.

Eensklaps deed hij een stap achteruit. Ook de ander deed een stap
achterwaarts. Het bleek Reinier Vermaat, die met een gezichtsuitdrukking
vol haat en afgunst tegenover hem stond.--Een oogenblik staarden beiden
elkander diep in de oogen; toen ging ritmeester Stargardt met een lichte
buiging voorbij.

Nog dienzelfden morgen kwamen beiden opnieuw met elkander in aanraking.

»Ik had niet gedacht, dat het noodlot ons zoo spoedig en op deze manier
bij elkaar zou brengen, mijnheer," begon de ritmeester.

»De _surprise_ is stellig voor u aangenamer dan voor mij, ritmeester,"
antwoordde Reinier stug.

»U vergist u, mijnheer!--de _surprise_ is mij volstrèkt niet aangenaam:
de veete die tusschen ons bestaat, maakt _mijn_ positie onaangenamer dan
de uwe."

De ander haalde de schouders op.

»Luister! mijnheer Vermaat," zei Jakob Stargardt. »Wanneer u even aan
ons laatste onderhoud te Koningsbergen terug wilt denken dan zult u
weten, dat u mij bij die gelegenheid allergrievendst beleedigd heeft
en het nog erger maakte, door spottend mijn uitdaging van de hand te
wijzen. Ik zwoer toen, nietwaar?--mij te zullen wreken en het was mijn
vaste voornemen, eenmaal met u gelijk te worden en dan een bloedige
voldoening van u te eischen. Ik heb mijn doel al voorbij gestreefd: het
lot heeft mij op een zonderlinge manier begunstigd. De rollen zijn nu
omgekeerd,--maar de enkele maanden van dezen rampzaligen veldtocht, al
de jammer en ellende die ik van Wilna tot Borodino om mij heen heb
gezien, hebben mij tot andere en betere gedachten gebracht.----De
haat en de wraakzucht zijn verdwenen. Wel zwoer ik mij te zullen
wreken,--maar het _schènden_ van zoo'n eed is, geloof ik, beter en
christelijker dan dien nà te komen. Daarom, laat ons trachten het
gebeurde te vergeten,--laat ons weer vrienden zijn."

De ritmeester maakte een beweging om den ander de hand te reiken, maar
deze verried niet de minste gezindheid om dat verzoeningsblijk te
beantwoorden. Hij bleef met strakken blik zijn chef aanstaren en trok
zoo mogelijk zijn stuursch gelaat in nog stuurscher plooi.

»Het schijnt," zei de ritmeester, terwijl zijn gezicht opeens vuurrood
werd,--»het schijnt dat _ik_ de beleediger was en dat _u_ het recht hebt
voldoening te eischen."

»Ritmeester, u heeft me indertijd bedreigd, en dien blaam mag ik niet
op mij laten rusten. Wat zouden mijn kameraden van mij denken als zij
morgen hoorden, wat er vroeger tusschen ons is voorgevallen,--wat u toen
tegen mij gezegd hebt--en hoe wij nu die zaak bijgelegd hebben? Neen, ik
ben u voldoening verschuldigd, dus zal ik u die geven..."

»Genoeg, mijnheer,--ik begrijp u volkomen. Ik zal u daarom een pijnlijke
bekentenis sparen en u ronduit zeggen wat er in u omgaat: 't Is enkel
_wangunst_ dat u zoo kunt spreken! _Ik_, uw vroegere ondergeschikte, ben
thans uw ritmeester, en dàt, nietwaar mijnheer, dat stéékt u! _U_ had
ritmeester moeten zijn, of hóóger liefst! Het spijt me voor u--maar, het
_is_ nu eenmaal niet anders."

»Niet onmogelijk, dat u de waarheid spreekt," antwoordde Vermaat,--»de
Keizer schijnt nu eenmaal meer op te hebben met zoons van marketentsters
en zoetelaars dan met jonge mannen uit den koopmansstand..."

»Foei, mijnheer Vermaat," zei Jakob Stargardt, »schaam u! Ik dacht dat
een braaf en fatsoenlijk Amsterdammer zich nooit zóó ver door wangunst
kon laten meesleepen! Maar omdat het dienen onder den _zoon van een
marketentster_, in wien u tevens uw vijand ziet, u stellig bijzonder
zwaar moet vallen, raad ik u ernstig aan, om overplaatsing naar een
ander escadron te vragen;--ik zal uw verzoek ondersteunen."

»Men zou kunnen denken dat ik u vrees," antwoordde de onhandelbare
Reinier,--»dáárom wilde ik liever blijven,--hoewel ik om de eer blijf
solliciteeren, die u mij hebt toegezegd toen ik nog uw wachtmeester
was:--U herinnert u?..."

»Zeer goed!" zei de ritmeester koel.--»Maar die eer kan ik u op 't
oogenblik niet bewijzen. We staan tegenwoordig aanhoudend tegenover
den vijand: wij kunnen er nu niet aan denken, personeele veeten te
vereffenen. Na den veldtocht ben ik tot uw dienst."

»Dus zal ik eerst nog de eer genieten, gedurende de campagne door u
gekommandeerd te worden? Dat zal een voordeelige campagne voor mij
zijn!"

»Ei zoo, mijnheer!--Gelooft u, dat ik mij wreken zou door u onrecht te
doen?"

»Zoo'n gemakkelijke gelegenheid om u te wreken zou u voorbij laten
gaan?" zei Reinier met een medelijdend lachje.

»Naar welken maatstaf beoordeelt u zoons van marketentsters, mijnheer
Vermaat?" vroeg de ritmeester, hem strak in de oogen ziend. »Niet naar u
zelf, is 't wel? Want de familie Vermaat bleek mij altoos veel te nobel
om lafhartig wraak te kunnen uitoefenen."

Reinier beet zich op de lippen. Hij wist niets te antwoorden en maakte
zich gereed om heen te gaan.

»Ik twijfel niet, mijnheer," zei de ritmeester ten slotte,--»of u zult
u in den dienst niet over mij te beklagen hebben. En evenzeer staat het
bij mij buiten twijfel, of _ik_ zal ten opzichte van _u_ even tevreden
zijn."

Hij boog, en Reinier vertrok.

Niet lang daarna kreeg de koning van Napels, Napoleons zwager, Murat,
eindelijk verlof om met de cavalerie den terugtrekkenden vijand na te
zetten.

Tot bij Mohaisk werd de Russische achterhoede vervolgd. Toen Murat
Mohaisk zag, waande hij zich er meester van en zond zijn adjudant
naar den Keizer, om hem te zeggen, dat hij er kon overnachten. Maar
de Russische achterhoede had stand genomen voor de muren van die stad,
waarachter men het geheele overschot van het vijandelijke leger op
een hoogte bespeurde. Een schermutseling kostte den Franschen weer
eenig volk; ook een hunner generaals werd gekwetst. Men durfde, om de
nabijheid van het Russische leger, niet verder te gaan en Murat was
genoodzaakt, vóór de stad te overnachten.

Hij had zijn volk kunnen sparen, want den volgenden morgen vond hij
de poorten open en de Russische achterhoede, die de stad verlaten had,
op de hoogten. Hij trok Mohaisk binnen, maar vond er inwoners noch
levensmiddelen; wèl dooden, die men uit de vensters wierp, om er zelf
te kunnen verblijven, en gekwetsten, die men op één plaats bij elkander
bracht. Terwille van die gekwetsten hadden de Russen de houten stad niet
durven verbranden, maar nauwelijks trokken de Franschen binnen, of ze
werden door den vijand met eenige granaten ontvangen, die een gedeelte
der huizen, met de ongelukkigen die er in waren achter gelaten,
vernielden.

Reeds den anderen morgen werd de vervolging van den vijand weer
voortgezet en te Krimkoïé viel Murat verwoed op het leger van Kutusof
aan, waarbij hij echter, geheel noodeloos, twee duizend man verloor.

Ook bij Zelkowo had het maar weinig gescheeld of het Fransche leger
zou opnieuw een gevoelig verlies geleden hebben. Hier echter redde
het elfde regiment huzaren, door zijn moedig stand houden onder het
moorddadig vuur des vijands, de brigade waartoe het behoorde, toen deze
plotseling volkomen door het Russische leger omsingeld bleek geraakt.

't Was op een der volgende dagen, even na zonsondergang, dat een groepje
van vier personen zich gezellig bij elkander had gevoegd onder een afdak
van stroo, opgezet in de luwte van enkele zware boomen. Een hunner
haalde van onder een strooleger een kleine mand te voorschijn, waarvan
hij den inhoud op den grond uitstalde.

»Te deksel!"--zei een oude wachtmeester met het eerelegioen,--»zouden
we den Keizer niet te dineeren vragen!--'t Is een waar feestmaal, dat
Vermaat voor ons aanricht. Hoe ter wereld kom je aan al die heerlijke
zaken: ham, brood, worst?--En die flesschen zien er zoo eerwaardig uit
als hadden ze hun honderdsten verjaardag gevierd... Zeg Vermaat, wie is
je leverancier?"

»Dat is de bewaarder van het halfverwoeste kasteel daarginds;--maar de
goeie man is mijn leverancier geweest tegen wil en dank, natuurlijk.
Maar oneindig veel meer heeft hij aan den Keizer moeten afstaan."

»Dan behoeven we Zijne Majesteit niet te inviteeren," zei een jonge
korporaal,--»maar we konden toch wel iemand anders
noodigen--bijvoorbeeld den ritmeester."

»Ja, dat moesten we doen!" riepen de anderen, behalve Vermaat.

»Wat zegt de gastheer ervan?" vroeg de oude wachtmeester.

»Ik ben er tegen," antwoordde Vermaat.

»Je bent de eenige van het geheele escadron, die niet met onzen chef is
ingenomen,--wat heb je toch tegen hem?" vroeg een fourier, de vierde van
het clubje.

»Vraag dat maar eens aan de anderen;--ik heb het hun verteld,"
antwoordde Vermaat, terwijl hij een flesch open trok.

»Och, oude nesterijen!" zei de grijze wachtmeester schouder-ophalend.
»Maar de ritmeester handelt verstandiger dan jij, Vermaat;--hij toont,
dat hij 't geen vroeger tusschen jullie is voorgevallen, vergeten en
vergeven heeft."

»Wie zègt je, dat hij vergeten heeft?" vroeg Reinier.

»Hij is toch immers altijd even beleefd tegen je."

»Dat bewijst niemendal! Ik heb de overtuiging, dat die beleefdheid maar
een masker is. 'k Wou de rapporten wel eens zien, die hij over mij
uitbrengt."

»Hij kan niet anders dan goeds van je zeggen."

»Weet jij, wat een ander achter je rug van je zegt?" vroeg Reinier
eenigszins bits.

»De ritmeester is de man niet om u iets na te geven, dat hij u niet
in 't gezicht durft zeggen," bracht de jonge korporaal, die bij
ondervinding sprak, in het midden.

»Nieuwe bezems vegen schoon," zei Reinier met een medelijdend
schouder-ophalen.--»Wij zullen zien, mijneheeren."

Reinier wilde juist zijn glas aan de lippen brengen, toen Ros, die
Stargardts oppasser geworden was, aankwam en zich, salueerend, tot den
gastheer richtte met de boodschap:

»Commandant, de ritmeester wou u graag even spreken."

»Verduiveld!..." riep Reinier, niet in staat een opwelling van drift
te bedwingen.--»'t Is goed!" zei hij tegen den huzaar, die daarop
rechtsom-keert maakte en aftrok.

»Mijneheeren,--gaat uw gang!--Ringsma,"--dit gold den korporaal, »wil
jij de _honneurs_ voor mij waarnemen? Ik kom zoo spoedig mogelijk
terug."

Na verloop van een klein half uur kwam Reinier weer bij het drietal en
ging, zonder een woord te spreken, zijn plaats weer innemen.

»Te deksel--wat zie ik?" riep eensklaps de oude wachtmeester.

De anderen keken op en deden gelijktijdig een uitroep van verrassing.

Vermaat zat ernstig en bleek voor zich te staren: op zijn borst prijkte
het vijf-armig kruis van het eere-legioen.

Allen reikten den nieuwen legionaris de hand, om hem geluk te wenschen;
maar Reinier Vermaat bleef ernstig, zelfs somber, voor zich zitten
staren.

»Het schijnt, amice, dat je niet bijzonder opgewonden bent," sprak de
fourier, wiens grootste illusie het was, gedecoreerd te worden.

»Dat ik het aan hèm te danken heb--dat hindert me," zei Vermaat en
schonk zijn glas vol, dat hij vervolgens in één teug ledigde.

»Je ziet nu, dat je den man ten onrechte verdacht hebt," sprak de oude
wachtmeester.--»Hij heeft op een ridderlijke manier jullie wederzijdsche
rekening vereffend."

Reinier schonk zich opnieuw in, dronk wéér zijn glas in één teug leeg en
schoof toen de flesch verder.

»De gezondheid van den nieuwen legionaris!" riep de wachtmeester, zijn
glas opheffend.

Gedurende een half uur werd er nu niet veel anders gedaan dan gegeten en
gedronken; vervolgens werden de pijpen opgestoken, terwijl de flesch
bleef rondgaan.

»En vertel ons nu eens, Vermaat, hoe de ritmeester je het kruis heeft
overhandigd;--heeft hij niets gesproken?" vroeg de fourier.

»Dat wil ik jullie in een paar woorden wel even zeggen. Toen ik
binnenkwam wees hij me met een vrij stuursch gezicht een stoel en ging
tegenover mij zitten. »Mijnheer," zei hij,--»ik heb een aangename
tijding voor u."

Ik boog; maar ik was al dadelijk hoogstverwonderd.

»De Keizer heeft u benoemd tot ridder van het legioen van eer. Mag
ik u geluk wenschen en u meteen de insigniën der orde overhandigen. De
omstandigheden laten niet toe, dit op 't oogenblik met de gebruikelijke
ceremoniën te doen: u had de decoratie moeten ontvangen te gelijk met
de anderen, maar een verzuim aan het hoofdkwartier is de reden, dat het
achteraan komt."

»Is het mij vergund u te vragen, aan wien ik die onderscheiding
verschuldigd ben?" zei ik.

»Aan u zelf, mijnheer," was zijn antwoord.

»Maar ù hebt me toch zeker voorgedragen, ritmeester."

»Natuurlijk--wie anders?"

»Maar ik dacht dat we vijanden waren?"

»Ik weet ook niet beter, maar wat doet dit tot uw voordracht af?"

»Zóóveel," antwoordde ik, »dat ik zeer verwonderd ben; ik had mij iets
heel anders voorgesteld."

»U schijnt teleurgesteld," zei hij.

»Ik ben thans uw schuldenaar,--en dat hindert me."

»U vergist u,--u bent mijn schuldenaar volstrekt niet, ik ben in zeker
opzicht de uwe, daar u het mij zoo gemakkelijk gemaakt heeft u te
toonen, dat ik jegens u de billijkheid niet uit het oog zou verliezen.""

»Nobele kerel!" riep de fourier enthousiast.

»Maar, mijneheeren--wat moet ik nu doen?" riep Reinier, die tamelijk
veel had gedronken en op wien de wijn nimmer een vervroolijkenden
invloed uitoefende.--»Wat moet ik doen? Want ronduit gezegd,--nu voel ik
pas, dat ik den man, die mij in mijn eigen oogen vernederd heeft, meer
haat dan ik ooit gedaan heb."

»Kom, kom!" zei de oude wachtmeester afkeurend.

»Je weet niet wat het is," riep Vermaat driftig,--»op die manier te
worden getergd en geprikkeld; ik was veel liever met arrest
gestraft--dan had ik ten minste mij kunnen beklagen, terwijl hij mij nu
den mond gestopt heeft..."

»St! St!" klonk het afkeurend van de anderen.

»Wat!" riep de legionaris, zich al meer opwindend, »wat!--die
decoratie!--ze heeft voor mij geen waarde...!"

Allen sprongen overeind, en tegelijk verscheen aan den ingang van de
hut--ritmeester Stargardt.

Een poos stonden de vier krijgslieden zwijgend bij elkaar. De maan
scheen helder aan den met sterren bezaaiden hemel, zoodat zij elkanders
gelaatstrekken even duidelijk konden waarnemen als was het helder dag.
De ritmeester zag ernstig en nadenkend. Vermaat, zoo meteen nog rood
en opgezet, van drift niet minder dan van den wijn, was nu bleek en
er lag iets zorgelijks in zijn trekken. Had zijn vijand zijn uitroep
gehoord?--Dan was zijn loopbaan misschien voor altijd bedorven: de
Keizer vergaf zoo iets nooit.

»Goeden avond, heeren!" groette de ritmeester. »Neem me niet kwalijk,
dat ik u een oogenblik stoor. Maar, wachtmeester Vermaat, zou ik u nog
éven mogen spreken?"

Reinier volgde zijn chef, die zich enkele schreden buiten het afdak met
hem verwijderde.

»U bent onvoorzichtig geweest," fluisterde hij toen zacht. »U spreekt
te hard, en er zijn daar geen muren waarbinnen het geluid blijft
opgesloten. U weet heel goed, dat uw ondoordachte woorden u groote
onaangenaamheden zouden kunnen bezorgen;--maar wij zijn vijanden--daarom
moet ik in dit geval doen, als had ik _niets_ gehoord."

Hij groette en vervolgde zijn wandeling.

»Dat is nu zeker, wat ze, geloof ik, een »edelmoedig vijand" gelieven te
noemen," mompelde Vermaat woedend. »Bah, wat een onverdrágelijk ras!"



Tiende Hoofdstuk.

In de oude hoofdstad der Czaren.


Den 14den September was Napoleon met de voorhoede van zijn leger tot op
weinige mijlen het groote Moscou genaderd.

Hij reed langzaam en met omzichtigheid voort. Alle bosschen en ravijnen
voor zich uit liet hij onderzoeken, de toppen van alle heuvels deed hij
bestijgen, of men het vijandelijke leger ook ontdekken mocht. Hij
verwachtte een veldslag: de grond was er geschikt voor; er bleken zelfs
verschansingen op afgeteekend, maar alles was blijven liggen en men
ondervond niet den geringsten tegenstand.

Eindelijk kwam men aan de laatste hoogte. Het was de Berg der
Begroeting, aan Moscou grenzend en zoo genoemd, omdat de inwoners, van
zijn kruin hun heilige stad ziende, zich knielend nederbogen en een
kruis maakten.

Spoedig waren de scherpschutters op den top en daar zagen zij Moscou
aan hun voeten; Moscou, de stad der gulden koepeldaken, onmetelijke
verzameling van tweehonderd vijf-en-negentig kerken en vijftien honderd
kasteelen, met hun tuinen en bijgebouwen, zonderling vermengd met houten
huizen en hutten zelfs, alles over een oneffen grond verspreid. Zij
vormden een groep rondom een hooge citadel van een halve mijl in omtrek,
die zelf weer verscheidene paleizen, verscheidene kerken en onbebouwde
tusschenruimten in zich besloot, met daar omheen een onmetelijke
bazaar, stad van kooplieden, waarin de vereenigde rijkdommen van vier
werelddeelen schitterden. Die gebouwen, die paleizen, ja die winkels,
waren alle met gepolijst en gekleurd ijzer bedekt en de kerken hadden
platte daken en onderscheidene torens, uitloopend in vergulde bollen, al
hetwelk aan de stad een Oostersch voorkomen gaf.

Het was twee uur in den middag; de zonnestralen deden de oude Czarenstad
glanzen en schitteren van duizenden kleuren.

»Moscou! Moscou!" jubelden de soldaten, en verrukt bleven zij staan,
want het was hun, of daar een Koningsstad uit een sprookje aan hun
voeten lag, of een der wonderen uit de »Duizend en één Nacht," die zij
in hun kindsheid gelezen hadden, plotseling voor hun verbaasde oogen tot
werkelijkheid was geworden.

Toen verhaastte een ieder zijn marsch, ijlde in wanorde aan en juichend
herhaalde heel het leger: »Moscou! Moscou!" zooals voor eeuwen de
Kruisvaarders onder Godfried van Bouillon »Jeruzalem! Jeruzalem!"
hadden uitgeroepen.

Ook Napoleon zelf was toegesneld, ook hem trof dat gezicht.

»Ziedaar dan eindelijk die vermaarde stad!" riep hij verheugd. Maar
onmiddellijk liet hij er op volgen: »Het werd tijd!"

Doch heerlijk mochten de vergulde koepeldaken in het zonlicht flonkeren,
verrukt mocht de Keizer dit panorama der uitgestrekte, half Oostersche
hoofdstad overzien, tevergeefs wachtte hij op het openen der poorten, op
de komst van afgevaardigden, die de bevolking, den senaat, den adel met
hun schatten aan zijn voeten zou voeren.

Een zekere ongerustheid begint hem te kwellen. Reeds ziet hij, op zijn
linker- en rechtervleugel, prins Eugenius en Poniatowsky ongedeerd de
vijandelijke stad omtrekken. Murat bereikt reeds haar poorten en nòg
geen ambassade; slechts een Russisch luitenant, die hem op hoogen toon
dreigt, dat zijn generaal de stad in brand zal steken, wanneer men aan
de achterhoede den tijd niet laat, om haar te ontruimen.

Napoleon staat alles toe.

De voorhoede van het Fransche leger en de achterhoede van het leger
der Russen ontmoeten elkander zonder het lossen van ook maar een
enkel schot. Ondertusschen loopt de dag ten einde en Moscou blijft
somber, stilzwijgend en als levenloos; in de vlakte vóór de poort van
Dorogomilow vereenigt zich een groot gedeelte van het Fransche leger;
een bivakvuur wordt voor den Keizer aangelegd en men ziet hem wel twee
uur lang onrustig heen en weer loopen. Hij wacht nog steeds het
gezantschap dat hem de sleutels zal komen aanbieden.

Eenige officieren zijn tot in het binnenste der stad door gedrongen. Zij
brengen den Keizer de boodschap: »Moscou is ledig!"

Napoleon gelooft het niet, wordt zelfs boos bij dat bericht--en wacht.

Daar brengt Murat dezelfde tijding, hem aansporend, de stad maar in te
trekken.

Nòg kan hij het niet aannemen. »Ga er weer heen," beveelt hij, »en zorg
voor de strengste orde!" Hij hoopt nog.--»Misschien," zegt hij, »weten
de inwoners niet hoe zij zich moeten overgeven; want hier is alles
nieuw, zij voor ons, en wij voor hen."

Maar weldra volgt het eene bericht het andere; en alle komen overeen.
Eenige Franschen, inwoners van Moscou, hebben het gewaagd uit de
schuilplaats te komen, die hen, sedert eenige dagen, voor de volkswoede
verborg. Zij bevestigen de noodlottige tijding.

De Keizer laat Daru, den kwartiermeester-generaal bij zich komen en
zegt: »ze vertellen, dat Moscou ledig is! welk een onwaarschijnlijke
gebeurtenis! Ga er heen en breng mij de raadsheeren hier."

Hij denkt dat die menschen, òf uit hoogmoed, of van schrik, in hun
woningen blijven. Het schijnt hem nu eenmaal onmogelijk dat men die
prachtige paleizen, die schitterende kerken, die rijke magazijnen zou
verlaten hebben, evenals die eenvoudige hutten, welke hij was
voorbijgetrokken.

Ondertusschen is Daru's poging mislukt. Er vertoont zich hoegenaamd geen
Moscoviet; er verheft zich hoegenaamd geen rook uit eenig huis; men
hoort niet het minste gerucht uit die reusachtige en volkrijke stad
komen; haar driemaal honderdduizend inwoners schijnen als met verlamming
en stomheid geslagen; het is de stilte eener woestijn!

Maar nog is Napoleon ongeloovig, nòg blijft hij wachten.

Eindelijk begeeft zich een officier in de stad, laat vijf of zes
landloopers oppakken en drijft ze voor zijn paard uit, naar den Keizer,
als was dat een gezantschap. Bij het eerste antwoord reeds dat die
mannen hem geven bemerkt Napoleon, dat hij slechts ongelukkige
daglooners voor zich heeft.

Nu kan hij wel niet langer aan de volslagen ontruiming van Moscou
twijfelen. Hij trekt de schouders op en zegt met die minachtende
beweging waarmee hij alles bejegent wat zijn wenschen tegenstaat: »O, de
Russen weten nog niet welk gevolg het innemen van hun hoofdstad voor
hen zal hebben!"

Het was een treurige intocht dien Murat met zijn lange, ineengedrongene
colonne ruiterij in de groote stad deed. Het was, of zij in de stad der
dooden reden. Met huivering hoorden de krijgslieden alleen de stappen
hunner paarden tusschen die verlaten paleizen weergalmen. Somber en
zwijgend reden zij voort, als gingen zij over een met lijken bezaaid
slagveld of over een reusachtig kerkhof...

Na aldus eenige uren de stad verkend te hebben gingen de troepen
voorloopig op de straten en pleinen bivakkeeren.

Eerst in den nacht kwam Napoleon zelf Moscou binnen, waar hij een der
eerste huizen in de voorstad Dorogomilow betrok. Hier stelde hij
maarschalk Mortier tot bevelhebber der stad aan, met de bijvoeging: »Met
uw hoofd blijft ge mij borg, dat er niet geplunderd wordt! Verdedig
Moscou tegen allen!"

Omstreeks twee uur in den morgen, vernam de Keizer eensklaps, dat er
brand was uitgebroken. De handelsbeurs, in het rijkste kwartier der
stad, stond in lichter laaie. Oogenblikkelijk gaf Napoleon zijn orders
tot blusschen en toen de dag aanbrak, begaf hij zelf zich er heen,
uitvarend tegen de jonge garde en Mortier, wijl hij meent, dat de brand
door onvoorzichtigheid der soldaten is veroorzaakt. Mortier toont hem
echter, dat de huizen nog altoos gesloten zijn en er geen enkel soldaat
binnen geweest is.

De Keizer rijdt daarop naar het Kremlin, het oude paleis der Czaren. Een
gevoel van hoogmoed en trots bevangt hem, als hij dat eerwaardige gebouw
binnentreedt.

»Eindelijk dan te Moscou," zegt hij. »Eindelijk dan toch in het
Kremlin!"

Door Mortier's zorg was de brand in den loop van dien dag gebluscht
en nu werd de stad onder de verschillende legercorpsen ter bezetting
verdeeld. Aan de officieren van het elfde regiment huzaren was een
prachtig paleis toegewezen, dat zij nog dienzelfden dag betrokken.
Moeder Jane, die een der vertrekken tot gebruik bekomen had, zou voor
tafel en keuken zorgen.

Blijkbaar hadden de bewoners in allerijl het huis verlaten; de zalen en
vertrekken zagen er uit, alsof ze gisteren nog bewoond waren. Kristallen
spiegels, rijk gesneden mahoniehouten meubelen, kostbare divans waarop
de vermoeide officieren zich behagelijk neervleiden, de breede marmeren
gangen en met zachte loopers belegde trappen, alles bewees dat de
aanzienlijke bewoners van het gebouw niet den tijd of de gelegenheid
hadden gehad, de meubelen te vervoeren of hun overige bezittingen mee te
nemen.

Slechts levensmiddelen bleken schaarsch aanwezig, doch voorloopig werd
er toch een voldoende hoeveelheid gevonden, om een behoorlijken maaltijd
aan te richten.

Toen de officieren van tafel gingen was het reeds avond geworden en de
marketentster stak een lamp op, om in de keuken nog het een en ander te
beredderen.

Tot haar verbazing vond ze het haardvuur geheel uit elkander geworpen en
sterk verminderd; asch en stukken half verkoold vuur lagen tot midden op
den steenen vloer. Zóó had zij de keuken niet verlaten...

Daar ziet ze een koperen tabaksdoos op de tafel liggen... Geen twijfel
meer, er moest hier iemand geweest zijn!...

Een hevige ontroering bevangt haar, nu zij de doos opneemt. Want zij
herkent die aan het inschrift:

     »Voor Willem Stargardt, op zijn 18den verjaardag."

»Hemel, hoe komt die doos hier, in het hartje van Rusland? Willem, als
hij nog leefde, moest nu immers in Engeland zijn?"

»Stom voorwerp," prevelde zij, »kon je nu maar praten! Kon je nu maar
antwoord geven!" Zij keek en keek naar dat zwijgende, koperen ding,
draaide het in haar vingers rond, opende doelloos het deksel...

Dáár zag zij een met potlood beschreven briefje liggen! Willems naam
stond er onder! En zenuwachtig doorvloog zij den inhoud.

     »Lieve moeder," las ze, »ik schrijf dit in groote haast. Hoe ik
     hier in Rusland gekomen ben kan ik u dus niet uitleggen, daarvoor
     zou veel meer tijd noodig zijn. Maar ik heb u beiden heimelijk
     kunnen zien, u en Jakob, en ik moet u dringend waarschuwen, dit
     gebouw onmiddellijk te verlaten, want binnen korten tijd zal het
     in brand staan en in de lucht vliegen.

                                      Uw liefhebbende zoon

                                                        Willem."

Als in een droom bevangen, bleef de ontstelde marketentster op die
enkele regels staren, zoo schrikwekkend en duidelijk van _inhoud_, zoo
raadselachtig wat hun hèrkomst betrof. Dan begrijpt ze, onmiddellijk
Jakob met haar vondst in kennis te moeten stellen. Zij vindt hem echter
niet. Van zijn oppasser verneemt ze, dat hij wegens dienstzaken de stad
is ingegaan. Zij laat nu den ouden Ros het briefje lezen. Maar de
veteraan schudt glimlachend het hoofd:

»Ze hebben je bang willen maken, moeder Jane. Een misselijke laffe
streek, da's zeker! Maar--maak je nou heusch toch niet zoo ongerust. Dit
huis is immers onbewoond; wie zou het dan in de lucht laten vliegen, als
we het zèlf niet deden?... Nou ja, misschien lijkt het schrift een
beetje op dat van je zoon..."

»Dat weet ik niet--want hij was bij ons thuis en schrijven kwam dus zoo
niet voor..."

»Wel, kijk nou 'ereis aan! Dus enkel om dat de een of andere miserabele
vent wat bangmakerij op zoo'n vodje neerkrabbelt, zou je dwaas genoeg
zijn, je zoo van streek te laten brengen?"

»Maar--die dóós, hoe komt die doos daar dan?" vroeg zij gejaagd en zij
haalde de tabaksdoos uit haar zak, vertellend dat die van haar Willem
was.

De oudgediende begon de zaak nu toch wat ernstiger in te zien.

»Te deksel! Dat is een vreemde historie!" gromde hij, bedenkelijk aan
zijn knevel trekkend.

»En kom dan eens mee naar de keuken!" drong de marketentster opgewonden,
»dan zal ik je nog vreemder dingen laten zien!"

De oude Ros ging begrijpen, dat hij mogelijk wijs zou doen, een
onderzoek in te stellen om te kunnen beoordeelen, of allicht de
aanwezige officieren moesten gewaarschuwd worden.

Onderweg kwamen zij nog twee andere oppassers tegen.

»Jongens, ga eens even mee!" zei Ros. »Moeder Jane schijnt onraad
ontdekt te hebben!"

Met hun vieren kwamen zij in de keuken. Daar toonde de marketentster aan
de soldaten het verspreide haardvuur, hun vertellend hoe zij het geheel
anders verlaten had. Ook wees zij de asch en stukken houtskool op den
vloer.

»Da's verdacht!" zei Ros.--Met aandacht volgde hij het spoor, dat de
gemorste asch met vrij groote duidelijkheid afteekende. Het liep tot aan
een der wanden. Hij bekeek dien met aandacht, klopte er tegen, tuurde
nog eens onderzoekend langs het eikenhouten beschot en trok vervolgens
zijn sabel.

»Hier vind ik wat!" zei hij zacht. Toen stak hij de punt van het staal
wrikkend in een naad van den wand en peuterde, na eenig tobben, een door
niemand verwachte deur open.

Allen drongen haastig naderbij! Een kille kelderlucht kwam hun tegen;
maar het was volslagen donker in die ruimte, daar voor hen. Alleen de
bovenste treden van een steenen trap waren zichtbaar.

De marketentster stak een kaars aan.

»Heb jullie wapens?" vroeg Ros aan zijn makkers.

De een greep zijn pistool, de ander trok zijn sabel.

Ros, met de brandende kaars in zijn linker, en zijn zwaard in de
rechterhand, daalde behoedzaam de trap af. De kameraden volgden hem.

»Hm, wat een scherpe, prikkelende lucht!" gromde Ros. »Ruik jullie
niets?"

»Nou, òf ik!" kuchte zijn eerste volger. »Me dunkt, daar smeult hier het
een of ander!"

De trap kwam op een breede dwarsgang uit. Ook dáár was het donker; maar
ze vernamen een zacht gepraat dat zich meer en meer verwijderde. Dra
hoorden zij niets meer.

»Daar dienen we meer van te weten!" fluisterde Ros. »Die schelmen
voerden hier stellig niet veel goeds uit..."

Nauwelijks echter waren zij een tiental schreden gevorderd, of een
dichte, zwavelachtige damp sloeg hun tegen. De kaarsvlam gloeide op
eenmaal blauwachtig-rood.

»We moeten teruggaan!" waarschuwde de achterste.

»Ja, 't wordt hier onsecuur!" meende de ander.

»Kom, kom," zei Ros, »de terugweg blijft toch immers nog altoos vrij!"

Weer gingen zij eenige schreden verder; de zwaveldamp werd dichter en
dichter; het ademhalen ging moeilijker bij iederen stap. Plotseling woei
hun een koelte tegemoet, of opeens de wind ergens een vrijen doortocht
gekregen had. Op 't zelfde oogenblik was de kaars uit.

Terwijl zij besluiteloos in 't donker stonden, dreunde een doffe knal,
die het gansche gebouw deed sidderen...

»Dat was een mijn!" riep een der soldaten. »We moeten onmiddellijk
terug!"

Ook Ros begreep, dat verder voortgaan dolzinnig zou wezen.

Zij keerden dus om, tastend langs den muur van het gewelf, om de trap
weer te vinden. Het gelukte. Maar zij voelden zich steeds dichter
omwolkt van een verstikkenden walm en een verzengenden gloed. Met
beklemden adem repten zij zich de trap op en stormden de keuken binnen.
Maar ook dáár vonden zij reeds alles met rook en smook vervuld. Ros
stiet met zijn sabel eenige ruiten stuk; kletterend rinkelden zij op
straat... Nu kregen zij lucht en konden weer onbelemmerd ademhalen.

»Brand! Brand!" klonk het opeens van buiten. Bijna te zelfder tijd
roffelden de trommen en schetterden de trompetten op het bivak, onder
de vensters... Officieren, soldaten, alles vloog langs de breede
marmertrappen naar beneden, om op de straat veiligheid te zoeken.

Bij de poort kwam Jakob in volle vaart op hen toesnellen.

»Goddank dat u gered bent!" riep hij zijn moeder toe. »Ik was al bang,
dat ik te laat mocht wezen... Maar we moeten ons haasten om buiten te
komen... De vlammen slaan al overal door de vensters en boven het dak
uit!..."

Op straat pas konden zij het gevaar overzien in al zijn omvang.
Een reusachtig wolkgevaarte van zwarten, dichten rook lag over het
paleis, waar roodflakkerende vuurtongen aanhoudend doorheen flitsten.
Rook wervelde tegelijkertijd uit alle vensters, spiraalde uit de
benedenverdiepingen naar boven, steeg in zware kolommen uit de dakgoten
op. Niemand kon twijfelen, of de brand was moedwillig aangelegd.
Licht-ontvlambare stoffen moesten door het gansche gebouw verspreid
geweest zijn en door een plotswerkend middel overal tegelijk zijn
aangestoken, om zulk een brand te kunnen geven.

Met moeite wist men de paarden, die op het binnenplein stonden
vastgebonden, benevens eenigen voorraad te redden.

Maar déze brand was de eenige niet. In verschillende wijken der stad
stegen er vlammen omhoog; in verscheidene huizen werden eveneens
ontploffingen vernomen. Dan week men naar de nog overeind staande
stadsgedeelten uit, om een nieuw onderkomen te vinden. Maar op het punt
om die geheel gesloten en onbewoonde huizen te betreden, hoorden zij een
zwakke ontploffing; er steeg een lichte rook uit op, zich onmiddellijk
verdichtend en verdonkerend; die zwarte rook kreeg schielijk een
rosbruinen gloed; dat rosbruin nam even spoedig een vuurkleur aan; en
welhaast verdween het gebouw in een maalstroom van vlammen.

Velen hadden mannen van een afschuwelijk voorkomen, met lompen bedekt,
en verwoede vrouwen nabij die vlammen zien ronddwalen. Door den wijn
en door het goed gevolg hunner brandstichtingen bedwelmd, deden die
ellendelingen niet eens meer de moeite, zich verborgen te houden; zij
liepen in dollen triomf door de brandende straten; men verraste hen, met
brandende toortsen en verwoed voortgaande om de vlammen te verspreiden;
men moest hen met de sabel over de handen slaan om hen te doen ophouden.
't Was het uitvaagsel des volks, uit de gevangenissen losgelaten om,
onder aanvoering van enkele lijfeigenen en politiedienaars, Moscou te
verbranden tot verderf van de Fransche armee.

Terstond werd bevel gegeven, om de brandstichters die men ontdekte
zonder omslag dood te schieten. Maar wat de Franschen toen nog niet
wisten was, dat het Kremlin een kruitmagazijn inhield; daarenboven
hadden de in slaap gevallen en onachtzaam uitgezette wachtposten
dienzelfden nacht een geheel artilleriepark laten binnenrukken en zich
onder de vensters van Napoleon plaatsen. Eén enkele vonk op een der
kruitkisten gevallen en de Keizer en de keur van het leger waren
verloren geweest.

De Russen, die wél wisten dat het kruitmagazijn er zich bevond, hadden
juist ~die~ huizen aangestoken, welke gevaarlijk voor het Kremlin konden
worden. Driemalen veranderde de vrij hevige wind dien nacht en telkens
barstten nieuwe vlammen uit van den kant waar hij op dat oogenblik
vandaan kwam.

't Was een vreeselijke nacht! De helle vlammen verlichtten alles met
een rooden schijn en op sommige plaatsen vreesde men te stikken van den
zwaren rook. En--nergens bluschmiddelen, nergens water zelfs: want de
vijand had alle brandspuiten meegenomen, de waterleidingen afgesneden,
de wellen en putten der stad ontoegankelijk gemaakt.

Het geheele leger was op de been. Geheel de oude garde, die een gedeelte
van het Kremlin betrokken had, was onder de wapenen. De bagage stond
gepakt, paarden en wagens waren klaar, om, als de brand hen uit Moscou
verjoeg, buiten de poorten te gaan bivakkeeren.

Terwijl de soldaten schier wanhopig tegen de vlammen worstelden en aan
het vuur zijn prooi betwistten, was Napoleon, wiens slaap men gedurende
den nacht niet had durven storen, bij de dubbele helderheid van daglicht
en vlammen ontwaakt. Zijn eerste gemoedsbeweging was gramschap, en
terstond gaf hij bevel, den brand te blusschen, maar men overtuigt hem,
dat dit onmogelijk is. Verwonderd van in een rijk, dat hij in het hart
getroffen had, een andere gewaarwording te vinden dan vrees en
onderwerping, gevoelt hij zich overwonnen en in doortastendheid
overtroffen.

Die verovering, waarvoor hij alles had opgeofferd, thans bleek zij als
het ware een schaduw, welke hij had vervolgd en meenen te grijpen, maar
die hij op dit oogenblik, te midden van rook en vlammen, in de lucht zag
verzwinden.

Een groote gejaagdheid maakt zich nu van hem meester. Elk oogenblik
staat hij op, loopt met snelle schreden door zijn vertrekken, en gaat
eensklaps weer zitten. Zijn korte en driftige gebaren duiden een hevige
onrust aan; hij verlaat een dringend werk, neemt het vervolgens weer op,
en laat het opnieuw liggen om naar zijn vensters te ijlen, en den brand
te beschouwen. Driftige en korte uitroepen ontsnappen zijn beklemde
borst: »Welk een afgrijselijk schouwspel! En zèlf hebben zij den brand
gesticht! Hoe is 't mogelijk! Al die prachtige paleizen! Welk een
besluit! Wat menschen toch!"

Tusschen den brand en zijn verblijf lag een groote uitgestrektheid
woeste bouwgrond, tot aan de Moskowa met haar beide kaden; en toch waren
de glazen van het vensterraam, waartegen hij leunde, reeds heet, en
de rustelooze arbeid der vegers, op de ijzeren daken van het paleis
geplaatst, was onvoldoende om er de talrijke vuursprankels af te houden.

Op dit oogenblik verspreidt zich het gerucht, dat het Kremlin ondermijnd
is; Russen zeiden het en gevonden geschriften schenen het te bevestigen.
Eenige bedienden worden zinneloos van schrik; de soldaten wachten
gevoelloos af, wat het bevel des Keizers en hun noodlot zullen
beslissen... En--de Keizer beantwoordt deze ontsteltenis slechts met een
glimlach van ongeloof.

Toch loopt hij nog altijd rusteloos heen en weer, houdt bij elk venster
stil, en ziet het overwinnend verschrikkingselement zijn schitterende
verovering met woede vernielen; zich van al de bruggen, van al de
doortochten zijner vesting meester maken; elk oogenblik de omringende
huizen overweldigen, om hem ten slotte binnen de muren van het Kremlin
als op te sluiten.

Reeds ademde men daar schier louter in rook en asch. Orde en krijgstucht
bestonden niet meer; de soldaten, begeerig om aan de vlammen hun roof
te betwisten, drongen de nog gespaarde paleizen en magazijnen binnen,
plunderend wat van hun gading was. De nacht naderde, en zou door zijn
duisternis de gevaren voor Napoleon en zijn omgeving nog vermeerderen;
de wind, die de Russen behulpzaam was, werd heviger nog dan den nacht te
voren. Toen zag men den koning van Napels en prins Eugenius toesnellen:
zij voegden zich bij Berthier, drongen tot den Keizer door en op hun
knieën smeekten zij hem, die gevaarlijke plaats toch te verlaten.

Het was vergeefs.

Eindelijk meester van het paleis der Czaren, blijft Napoleon halsstarrig
weigeren die verovering af te staan, zelfs niet aan den brand, tot
eensklaps de kreet weerklinkt: »Het Kremlin staat in vlammen!"

De Keizer gaat naar buiten om het gevaar te beoordeelen. Tweemaal bleek
de brand reeds uitgebroken en ook weer gebluscht in het gebouw waarin
hij zich bevond; maar de toren van het tuighuis brandt nog. Men had er
een politiesoldaat gevonden. Men voert hem mee, en Napoleon laat hem in
zijn tegenwoordigheid ondervragen. Die Rus blijkt de brandstichter. Hij
verklaart, te hebben gehandeld op hoog bevel. Alles, tot zelfs het oude
geheiligde Kremlin, was dus ter vernieling gewijd.

De Keizer maakte een gebaar van afkeer en gramschap; daarop bracht men
den brandstichter naar het eerste voorplein, waar de woedende grenadiers
hem met hun bajonetten afmaakten.

Dit voorval had echter Napoleons onverzettelijkheid om te blijven, doen
zwichten. Hij beval dat men hem naar het keizerlijk kasteel Petrowsky
geleiden zou, een mijl buiten de stad.

Van de zijnen vergezeld, wilde de Keizer zich nu naar de Dorogomilowsche
poort begeven. Maar men zag zich reeds door een heir van vlammen
belegerd; zij omsingelden al de poorten der vesting en weerden de
eerste uittochtpogingen met verwoedheid af. Na eenigen tijd nauwlettend
rondgezocht te hebben, ontdekte men een poortje, dat op de Moskowa
uitkwam. Door dezen nauwen uitweg gelukte het Napoleon, met zijn staf en
zijn garde uit het Kremlin te ontsnappen.

Maar het scheen, dat men daarmee eigenlijk nog niets gewonnen had:
Terwijl zij zich dichter bij den brand bevonden, konden zij noch
terugkeeren, noch staan blijven; en hoe kon men vooruit gaan, hoe zou
men door de golven van die onstuimige vuurzee heenkomen? Zelfs zij, die
reeds de stad doorkruist hadden, waren het spoor volslagen bijster; de
asch had hen schier blind gemaakt en de straten waren in den rook en
onder de puinen verdwenen.

Toch drong het gevaar tot spoed. Elk oogenblik vermeerderde rondom hen
het knappend en loeiend vlammengedruisch...

Een nauwe, kromme en geheel brandende straat deed zich eerder als de
intrede dan als de uitgang van die hel op... De Keizer snelde te voet,
en zonder aarzelen, dien gevaarlijken doortocht in. Onder het geknetter
van die geweldige vuren, onder het geraas van krakende gewelven, het
neerploffen van brandende balken, het donderend ineenstorten van
gloeiende ijzeren daken, schreed de Keizer voort... Boven hem vormden de
vlammen, door den wind gekromd en neergebogen, een gloeiend verwulf...

Men liep op een grond van vuur, onder een hemel van vuur, tusschen twee
muren van vuur! Schroeihitte pijnde stekend hun oogen, die zij nochtans
open en op het gevaar moesten houden. Een verstikkende rook folterde
hun keel en longen; de gloeiende lucht en verzengende asch verhitten
steeds meer en meer hun korte, droge, hijgende ademhaling. Hun handen
brandden, als zij hun gelaat tegen de onverdragelijke hitte poogden te
beschermen en de vonken afsloegen, die elk oogenblik hun kleeren
bedekten en invraten.

Eensklaps staat de gids stil. Hij weet geen weg meer! Napoleon en de
zijnen achten zich reddeloos verloren. Doch eenige plunderaars van het
eerste corps hebben, in het midden van die vlammen, hun Keizer herkend;
zij snellen toe en geleiden hem langs de rookende puinen van een des
morgens reeds verbrande wijk.

Daar ontmoet men maarschalk Davoust, die, in den slag bij Borodino
gekwetst en nog niet hersteld, zich door de vlammen had laten dragen om
er zijn Keizer uit te bevrijden of er met hem in om te komen. Ontroerd
werpt hij zich in Napoleons armen; deze ontvangt hem hartelijk, maar met
die bedaardheid, welke hem in het gevaar nooit begeeft.

Alvorens hij echter geheel aan de rampzalige stad ontsnapt is, moet
hij nog een convooi buskruit voorbij, dat te midden dier vuurzee wordt
weggevoerd. Dit is niet zijn minste gevaar, maar het laatste en men komt
met den nacht behouden te Petrowsky aan.



Elfde Hoofdstuk.

Eindelijk gewroken.


Eenige dagen achtereen bleef de brand voortwoeden. Toen verminderde hij,
uit gebrek aan voedsel. Den 20sten trok Napoleon naar het Kremlin terug,
dat een bataljon zijner garde had weten te behouden.

De bivakken, welke de Keizer op zijn weg naar Moscou doorreed, leverden
een zonderling gezicht op. Te midden van een dikke, koude modder vlamden
groote vuren, gevoed door mahoniehouten meubels, vergulde deuren en
vensters. Daar omheen zag men, naast van vochtig stroo gemaakte bedden,
slechts armelijk beschut door enkele planken, de soldaten en hun
officieren, geheel met slijk bedekt en zwart geworden door den rook,
doch zittend in kostbare leuningstoelen of liggend op met zijde bekleede
divans. Aan hun voeten lagen, uitgespreid of opeengehoopt, de fijnste
cachemiren sjaals, rijke Perzische weefsels, de zeldzaamste pelzen van
Siberië. Hun eten gebruikten zij uit zilveren schotels en borden, maar
het bestond slechts uit een zwart baksel, onder de asch bereid, en
een lap half geroosterd, bloederig paardevleesch; 't was overal de
zonderlingste vereeniging van overvloed en gebrek, van rijkdom en
morsigheid, van weelde en ellende!

Tusschen die bivakken en de stad ontmoette men groote scharen van
soldaten, die zwoegend hun buit voortsleepten, of hun roof door
ongelukkige Russen lieten torsen, die zij als lastdieren voor zich
uitdreven; want de brand deed bijna twintig duizend inwoners voor den
dag komen, welke tot dien tijd in de onmetelijke stad onopgemerkt waren
gebleven.

Toen de Keizer de stad zelf binnen kwam, vond hij van het groote
Moscou slechts weinige verspreide huizen over, en de brandlucht overal
was ondragelijk. De loop der straten bleek alleen nog maar kenbaar
aan groote hoopen asch en puin en, van afstand tot afstand, half
omvergestorte stukken muur of pilaren. Schier heel het leger was roovend
en plunderend door de stad verspreid. Napoleon vond zich herhaaldelijk
in zijn voortgang belemmerd door een lange reeks van stroopers,
uittrekkend op buit of er mee terugkeerend; door oproerige benden van
soldaten, zich opeenhoopend voor de keldergaten en voor de deuren der
paleizen, om die open te breken, eer de vlammen ze bereikten.

Overal ook was de weg versperd door kostbare meubelen, welke men uit
de ramen geworpen had om ze aan den brand te onttrekken en die men
nochtans, ter wille van een anderen buit, daar onverschillig had laten
liggen. Pleinen en legerplaatsen bleken in markten herschapen, waar een
ieder het overbodige tegen het noodzakelijke kwam verruilen. Daar werden
de zeldzaamste voorwerpen, door hun bezitters niet gewaardeerd, voor
een spotprijs verkocht; andere, die een bedriegelijk voorkomen hadden,
daarentegen ver boven de waarde overgenomen. Overal zag men soldaten,
die op balen met koopwaren zaten, in het midden der uitgezochtste wijnen
en likeuren, welke zij tegen een stuk brood zouden willen verruilen.
Door afmatting en dronkenschap overmeesterd vielen er verscheidene dicht
bij de vlammen neer, door welke zij bereikt en verbrand werden.

Onder zulke omstandigheden kwam Napoleon Moscou weer binnen. Hij liet de
stad aan de plundering over, hopend dat zijn over de puinen verspreid
leger deze niet vruchteloos doorzoeken zou. Toen hij echter vernam,
dat zelfs de oude garde ook al aan het plunderen was geslagen, dat de
Russische boeren, die men den voorraad welken zij aanbrachten ruim
betaalde om er meer te lokken, door zijn soldaten beroofd werden; toen
hij hoorde, dat de verschillende corpsen elkander de overblijfselen
van Moscou met geweld begonnen te betwisten; dat eindelijk al de nog
overgebleven hulpbronnen door de onregelmatige plundering verloren
gingen; gaf hij gestrenge orders. Maar het was te laat; de boeren kwamen
niet terug en vele levensmiddelen waren nutteloos verspild.

Na zijn terugkomst in het Kremlin was Napoleon's eerste werk, er een
vast bestuur op te richten; hij benoemde een gouverneur en stedelijke
overheidspersonen en gaf bevel, om er zich van leeftocht voor den winter
te voorzien. Reusachtige voorraden wijn en levensmiddelen van allerlei
aard, meel en pekelvleesch werden door de zorg der korpscommandanten in
het Kremlin of in magazijnen bijeengebracht. Ook in het onderhoud der
troepen werd behoorlijk voorzien, terwijl door een krachtig optreden
orde en krijgstucht weer spoedig bijkans volkomen waren teruggekeerd.
Om aan Europa den indruk te geven, dat in Rusland alles naar wensch
ging, schonk de Keizer aan een te Moscou achter gebleven troep Fransche
comedianten zelfs verlof, voorstellingen te geven en voor de costumes
gebruik te maken van de gevonden goederen. De troep maakte goede zaken;
die voorstellingen werden door de soldaten druk bezocht.

Inmiddels verwachtte de Keizer, in den vreeselijksten waan, dag op dag
boden uit Sint-Petersburg, die hem den vrede zouden komen afsmeeken,
althans tot onderhandelingen uitnoodigen. Want schoon het verbrande
Moscou geen waarde meer voor hem bezat, en hij het hachelijke van zijn
toestand zeer wel inzag, schrikte hij voor een achterwaartsche beweging.
Alles achtte hij verloren, wanneer hij voor de oogen van het verbaasde
Europa terugtrok, alles gewónnen, zoo hij Alexander in volharding
overtreffen kon.

Middelerwijl verdubbelde Napoleon de zorg voor zijn troepen. Zooveel
doenlijk werden zij in Moscou zelf onder dak gebracht. De officieren
van Jakob Stargardt's regiment hadden reeds dadelijk twee andere huizen
betrokken, en na al de doorgestane ellende leefden zij daar over het
algemeen zeer tevreden.

Iederen dag trok moeder Jane met haar wagen op levensmiddelen uit.
Vergezeld van een der officieren met enkele manschappen reed zij dan
naar het midden der stad en kocht van de soldaten de eetwaren welke zij
geplunderd hadden. Op deze manier kregen zij wijn, suiker, thee en nog
tal van andere artikelen. Vleesch en brood werden dagelijksch uitgedeeld
en daar in de moestuinen volop groenten werden gevonden, kon de
marketentster steeds een vrij goeden maaltijd bereiden.

Over niets werd door moeder Jane en haar zoon zoo dikwijls gesproken als
over Willem's geheimzinnige waarschuwing,--het eenige levensteeken dat
zij sedert van hem vernomen hadden--; en voorts, over den naderenden
winter. Het scheen toch, dat men dien in het afgebrande Moscou zou
doorbrengen. En nu hoorden zij wel, dat er groote magazijnen van granen,
brandewijn en lakens in handen der Franschen waren gevallen, doch de
juiste maatregelen voor een winter-campagne werden niet genomen. De
lakens bleven in de magazijnen en aan de officieren en soldaten werd
geen uitdeeling van een goede winterkleeding gedaan. Onder die
omstandigheden besloten de marketentster en haar zoon, zichzelf zooveel
mogelijk tegen de zoo geduchte Russische koude intijds te voorzien.

In verband hiermee ging Jakob herhaaldelijk er op uit, om nu dit, dan
dat aan te koopen.

In de nabijheid van het Kremlin hielden namelijk de soldaten der garde
een markt van geplunderde zaken. Zoo kocht hij daar op zekeren dag twee
bonten mutsen met lange pelsooren voor slechts één franc per stuk; een
ander maal twee pelzen voor tien francs samen; daarentegen moest men er
tot honderd francs voor een paar nieuwe laarzen geven.

Op een dier tochten had hij bijna het leven verloren. In de laatste
weken van het verblijf der Franschen te Moscou was het plunderen
strenger dan ooit verboden, ten gevolge waarvan er eenig vertier op de
straten kwam. Nu wilde het toeval dat Jakob, door een afgelegen straat
naar zijn kwartier terug rijdend, een soldaat van een der Duitsche
contingenten met een Russische vrouw zag worstelen. De ellendeling had
haar met geweld de oorbellen uitgetrokken, zoodat het arme schepsel
bloedde over het geheele gezicht. Op het oogenblik dat Jakob naderde,
wilde de kerel haar de amulet, die alle Russen dragen, van de borst
afrukken. Deze amuletten, van goud, zilver of ook wel van papier, zijn
door de Kerk gezegende voorwerpen, die men het vermogen toekent om den
drager of de draagster te beschermen. Begrijpelijk was het dus, dat de
Russin zich tegen dezen roof met wanhoop en woede verdedigde.

Verontwaardigd steeg Jakob van zijn paard en beval den kerel, alles wat
hij haar ontstolen had, aan de vrouw terug te geven. Morrend voldeed de
soldaat hier aan en Jakob wachtte nog eenigen tijd, om de Russin in de
gelegenheid te stellen te ontvluchten.

Toen steeg hij weer op en vervolgde stapvoets zijn weg. Maar nog geen
twintig passen verder hoorde hij een schot vallen in zijn onmiddellijke
nabijheid. Verrast omziende bemerkte hij, dat die schelm van een
soldaat, uit wraak dat hij zijn roof had moeten afstaan, op hem
geschoten had. Woedend trok hij zijn degen en stormde op den deugniet
los, die echter in een leegstaand huis de vlucht nam.

Jakob wendde nu den teugel en reed in bedaarden stap weer voort. Zoo
veel mogelijk toch werd zijn paard door hem ontzien, want wijl steeds
grooter gebrek aan fourage begon te komen, had het arme dier in de
laatste dagen weinig meer dan het dakstroo van een boerenwoning tusschen
de kiezen gehad. Wat men tot onderhoud der paarden in de stad zelf had
gevonden, was reeds opgebruikt en nu moesten de omliggende dorpen daarin
voorzien. Men kon echter geen toevoer aanbrengen, noch fourageeren,
zonder te vechten. Daarenboven zwierven groote troepen kozakken rond,
die aan de flanken allerlei nadeelen toebrachten. Op den weg naar
Moshaisk werden zelfs honderd en vijftig dragonders van de garde
overrompeld en hun opperhoofd gevangen genomen. Ook hadden zij reeds
twee aanzienlijke transporten opgelicht: het eene door de achteloosheid,
het andere door de lafhartigheid van den aanvoerder. Elken morgen
moesten de soldaten van de ruiterij het voedsel voor den avond en den
volgenden morgen ver weg gaan zoeken. En daar de omstreken van Moscou en
van Winkowo hoe langer hoe minder levensmiddelen opleverden, moesten zij
die weldra op 4 à 6 uur afstand vandaan halen. Zoowel de menschen als de
paarden keerden uitgeput terug--àls zij nog terug keerden; want elke
maat haver, elke bundel fourage werd hun betwist. Men moest ze geregeld
den vijand ontweldigen. Het waren aanhoudende overrompelingen,
gevechten, verliezen.

Ook de boeren werden lastig. Diegenen onder hen, welke uit winstbejag
met eenige levensmiddelen naar de Fransche legerplaatsen waagden te
gaan, straften zij met den dood. Anderen staken hun eigen dorpen in
brand om er de fourageurs uit te verjagen en aan de kozakken over te
leveren. Murat zelfs, die bij de dagelijksche schermutselingen de helft
van het overschot zijner ruiterij had zien verloren gaan, begon
eindelijk ongerust te worden.

En steeds nog bleef keizer Alexander zwijgen.

Napoleon werd hoe langer hoe onrustiger. In zijn toorn deed hij de
kerken van het Kremlin berooven van al wat tot zegeteekenen van het
Groote Leger kon verstrekken. Ook het reusachtige gouden kruis op den
toren van Iwan den Grooten moest er worden afgenomen om er het hôtel des
Invalides te Parijs mee te versieren. Het kostte enorm veel inspanning,
om dat kolossale gedenkstuk naar beneden te krijgen, aan welks bezit het
Russische volk het heil van 't rijk hechtte.

Hoewel Napoleon toenmaals reeds zeer goed begreep, dat een langer
verblijf in Moscou voor hem ondoenlijk was, bleef hij zijn besluit om
heen te gaan nochtans uitstellen van den eenen dag in den anderen. Hij
gevoelde, ja wist, dat hij de kracht van zijn strategisch kunnen had
uitgeput, dat hij een grens had bereikt, die niet kon overschreden
worden zonder gevaar voor vernietiging; dat hij niet verder in Rusland
doordringen, niet tegen St. Petersburg oprukken, een nieuw doel zich
stellen kon, omdat zijn leger hiertoe te zwak was geworden, te veel had
geleden.

Daar begon eensklaps de eerste sneeuw te vallen. Van dit oogenblik dacht
hij slechts aan den aftocht, al wilde hij er ook den naam niet van
uitspreken, geen bevel geven, dat dien stellig aankondigde.

»Het leger moet zich over twintig dagen in zijn winterkwartieren
bevinden," gelastte hij. »Men dient te zorgen voor het vervoer der
gekwetsten."

Er was gebrek aan paarden voor zijn grof geschut, dat voortaan te
talrijk was voor zulk een verminderd leger; men ried hem aan, een
gedeelte van zijn kanonnen in Moscou te laten.

»Neen," stoof hij op, »de vijand zou er zich een gedenkteeken van
oprichten. Alles moet worden meegevoerd!"

Hij gaf, in dat woeste land, bevel tot het aankoopen van twintig
duizend paarden en wilde, dat men zich voor twee maanden van fourage zou
voorzien op een grond, waar de verste en gevaarlijkste tochten
nauwelijks voldoende bleken om zich gedurende één dag te voeden.

Ondertusschen verzamelde Napoleon zijn legercorpsen; de monsteringen,
welke hij in het Kremlin hield, werden menigvuldiger; hij rangschikte al
de van paarden beroofde ruiters in bataljons en liet al de vervoerbare
gekwetsten naar Mohaisk brengen.

Nog te midden van deze voorbereidselen dwong de vijand hem reeds tot
handelen, want den 18den October greep deze Murats linkervleugel
onverhoeds met overmacht aan en wierp hem met een geweldig verlies in
Noordelijke richting terug.

Thans was Napoleons besluit terstond genomen. Het gansche leger ontving
bevel, zich den volgenden morgen buiten Moscou aan den weg naar Kaluga
te verzamelen.

In den avond van dienzelfden dag en gedurende heel den nacht trok het
zonder ophouden Moscou uit. In die colonne van honderdveertig duizend
menschen en omstreeks vijftig duizend paarden van allerlei soort,
herkende men aan de krijgslieden, die, gepakt en gewapend, met meer dan
vijfhonderd en vijftig stukken geschut en twee duizend artilleriewagens
vooruittrokken, nog het Groote Leger van weleer. Maar de rest geleek
meer op een bende Tartaren, die van een goed geslaagden rooftocht
huiswaarts keerden.

Het was een samenmengsel van kalessen, kruitwagens, prachtige rijtuigen
en karren van allerlei soort, beladen met zegeteekenen van Russische,
Turksche en Perzische standaards, alsook het reusachtige kruis van den
Heiligen Iwan met al de kostbaarheden, welke men uit de stad der Czaren
geroofd had. Lieden van allerlei volken, zonder wapenen; bedienden die
verschillende talen spraken; Fransche neringdoenden met hun vrouwen
en kinderen; gepreste Russische boeren wier paarden een gedeelte van
den buit moesten dragen of voortsleepen; komedianten; heel die bonte
karavaan zonder regelmaat en orde, deed aan een zwervend volk der
oudheid denken. Eén enkele stoute aanval der kozakken--en deze gansche
nasleep van het leger viel in hun handen.

Ondanks de breedte van den weg en het geschreeuw van zijn escorte, had
de Keizer moeite om door die zonderlinge menigte heen te komen. Toen hem
dit eindelijk gelukt was, ging hij op den ouden weg naar Kaluga voort.
Tegen den middag op het kasteel Krasnopasra aankomend, beval hij
eensklaps, dat zijn leger den nieuwen weg zou gaan, dien het na drie
marschen langs ongebaande wegen bereikte. Maar niet zonder moeite en
gevaar; want een zware regen maakte dien weg schier onbegaanbaar. Door
deze manoeuvre echter misleidde hij Kutusof, die hem op den ouden weg
afwachtte en dien hij nu in één dagmarsch voorbijtrekken kon, om vóór
hem te Kaluga te zijn.

Den 23sten October bereikte de Keizer het geheel verlaten stadje
Borowsk, waar hij, vertrouwende dat Kutusof achter hem was, een
zorgeloozen en gerusten nacht doorbracht.

Den volgenden dag werd prins Eugenius bij Malo-Jaroslawitz slaags met
een gedeelte van Kutusofs armee en behaalde een bloedige overwinning:
zij kostte Napoleon niet minder dan vierduizend man en zeven generaals.

Ook het huzaren-regiment van Jakob Stargardt had aan den veldslag
deelgenomen. Na den moorddadigen slag bij Borodino slechts zeer
onvoldoende aangevuld, had het in de herhaalde gevechten en
schermutselingen rondom Moscou nog weer tal van manschappen verloren;
thans was dit overschot tot op de helft geslonken.

Toen de Russen afgetrokken waren, reden Stargardt en de oude Ros in draf
naar de plaats terug, waar hun escadron het hevigst had gevochten. Daar
stegen zij af en zochten er tusschen de tallooze dooden en gewonden.

»Wáár heb je den wachtmeester zien vallen?" vroeg Jakob Stargardt aan
zijn oppasser.

»'t Moet niet ver van deze plaats wezen," zei Ros.

»Zàg je hem vallen?"

»Ik zag, dat hij een officier een houw gaf; meteen kreeg zijn paard
een slag, waardoor het begon te steigeren... Op dat oogenblik schoot
een Russische dragonder zijn pistool af, vlak langs mijn oor, en
wachtmeester Vermaat kreeg het schot in zijn borst. Hij stak zijn armen
in de lucht en viel achterover; en het paard viel op hem."

»Dus weet je niet zeker, of hij werkelijk dood is?"

»Hm!.... zèker,--neen, zeker kan ik het niet zeggen... Maar 't is toch
wel waarschijnlijk, ritmeester:--ik heb nog een paar keer naar hem
gekeken, maar geen lid zag ik hem verroeren... Zoowáár,--daar zie ik hem
liggen!"

Tusschen doode paarden en gesneuvelde ruiters lag Reinier Vermaat, het
hoofd rustend op den schouder van een gesneuvelden Franschman, die dwars
over het lijk van een Rus gevallen was. Reinier scheen te sluimeren;
zijn oogen waren half gesloten, heel zijn houding was die van een man,
die na een zware vermoeienis was ingeslapen; zijn opengerukte dolman en
vest, waardoor het van bloed doorweekte hemd zichtbaar werd, weersprak
echter droevig die schijnbaar kalme rust.

»Zoo heeft hij niet gelegen," zei Ros. Onwillekeurig sprak hij
fluisterend, als vreesde hij, den wachtmeester te zullen wekken. »Hij
lag met zijn gezicht naar den grond."

»Dan is er wellicht nog leven in," zei Jakob Stargardt.

Hij knielde bij den gewonde neer.

Reinier opende de oogen, en staarde zijn ritmeester vlak in 't gezicht.

»Laat mij sterven!" zei hij met zwakke stem, »en vervolg mij niet tot
aan mijn dood!"

»Je zult niet sterven, Vermaat," antwoordde Jakob Stargardt, zijn klamme
hand grijpend, die geheel bebloed was;--»je zult niet sterven; we zullen
doen wat we maar kunnen om je te laten genezen."

»Waarom ben je me komen opzoeken?" vroeg de gekwetste, terwijl zijn
oogen zich langzaam weer sloten.

»Omdat ik het niet kon verdragen dat iemand die berouw voelde, wellicht
de eeuwigheid kon ingaan, zonder in de gelegenheid te zijn, dat berouw
te bekennen."

»Ik heb geen berouw!" antwoordde Reinier somber.

»Dat heb je wèl, Vermaat,--mij dunkt dat _moet_ je hebben. Ik heb je
nooit eenig kwaad gedaan; ik heb je rechtvaardig behandeld,--en toch heb
je nu eenmaal jezelf opgedrongen, dat je mij haten moest.--Kom, laat ons
weer vrienden zijn.--Er is te veel goeds in je--je bent veel te
verstandig om je gemoed door haat te laten vergiftigen."

Reinier draaide zich om en streek met zijn mouw over de oogen.

»Drommels!" pruttelde hij, »die wond schijnt ook al op mijn oogen te
werken."

De gekwetste zweeg, maar liet zijn hand in die van zijn vijand.

»Zou je op een paard kunnen zitten, als je wat ondersteund werd?" vroeg
Stargardt nu.

»Ik weet het niet," antwoordde Reinier week.

»We moeten het maar eens probeeren," zei Jakob, »Maar eerst wil ik zoo
goed mogelijk je wonden zien te verbinden."

Hij ging naar zijn paard, rukte het chabrak los en haalde uit een der
holsters een rol linnen: Moeder Jane had hem geleerd, dat hij dit altijd
bij zich diende te hebben.

Reinier Vermaat bleek een schot in de borst te hebben; het bloed vloeide
nog langzaam uit de wond. Jakob, bijgestaan door zijn oppasser, verbond
de kwetsuur zoo goed hij kon, om het bloed te stelpen. Toen werd de
gekwetste voorzichtig op Ros zijn paard getild, dat door den oppasser
bij den teugel geleid werd. Stargardt ging naast Reinier rijden, om hem
te ondersteunen.

Op den wagen van moeder Jane werd daarop den gewonde zoo goed mogelijk
een ligplaats ingeruimd. Daarop kwam een der chirurgijns hem van den
Russischen kogel bevrijden en vervolgens verbinden.

Den volgenden dag ging Jakob Stargardt den gekwetste zoo gauw mogelijk
bezoeken. Hij lag stil voor zich uit te kijken.

»Ik heb goeie berichten," zeide de ritmeester,--»de chirurgijn staat er
voor in, dat je geneest; maar--je moet je rustig houden! Ook heb ik
ander mooi nieuws voor je: Je bent tot ritmeester bevorderd."

Reinier had geen enkele beweging gemaakt; hij sloot zijn oogen, maar
twee dikke tranen rolden langzaam over zijn verbleekte wangen neer.

»Ik zie," zei Stargardt, »dat ik je alleen moet laten; je bent wat van
streek,--dat deugt niet voor je."

Hij wilde weggaan, maar Vermaat greep zijn hand.

»Vergeef me," zei hij met een weeke stem, »ik heb je beleedigd en
miskend;--ik had gezworen mij niet door je edelmoedigheid te laten
vermurwen, maar je hebt overwonnen. Je hebt je verschrikkelijk
gewroken."



Twaalfde Hoofdstuk.

Op Smolensk terug.


Met welk een vijand Napoleon van nu af rekening zou moeten houden,
bleek hem reeds den morgen toen hij, het slagveld willende bezoeken,
zich eensklaps omsingeld zag door een horde kozakken, die hij in
de verte aanvankelijk voor Fransche cavalerie had aangezien. Aan de
garde-grenadiers te paard gelukte het echter nog juist bijtijds, dien
onverhoedschen aanval af te slaan.

Napoleon keerde naar zijn hoofdkwartier terug, eerst somber en zwijgend,
toen woedend, dat een handvol kozakken hem, den beheerscher van Europa,
op de vlucht had gejaagd.

Er werd nu langen tijd beraadslaagd en ten leste nam de Keizer het
besluit om af te trekken en dat wel langs den weg, die hem vooreerst
het spoedigst van den vijand zou verwijderen.

Het is opmerkenswaardig, dat hij het bevel tot dien aftocht naar het
Noorden gaf op hetzelfde oogenblik, dat Kutusof en zijn Russen, geheel
tot wankelen gebracht door den bloedigen slag bij Malo-Jaroslawitz, naar
het Zuiden aftrokken.

Den 28sten October zag het Fransche leger Moshaisk weer. Deze stad
was nog vol gewonden; sommige werden meegenomen, andere op één plaats
vereenigd en, even als te Moscou, aan de edelmoedigheid van den vijand
overgelaten. Na een verschrikkelijken strijd en na tien dagen met
marschen en contra-marschen te hebben doorgebracht, was het leger drie
dagreizen van Moscou af en--begon de winter!

Het was de Russische winter, en er was gebrek aan levensmiddelen! In de
eerste dagen van den aftocht had men de voorraadwagens, welke de paarden
niet meer konden voorttrekken, reeds verbrand. Daarna kwam het bevel, om
alles achter zich in brand te steken; men voldeed slechts gedeeltelijk
daaraan, door de kruitwagens, welker paarden uitgeput waren, in de lucht
te laten springen.

Reeds bezweken er eenige manschappen; wat zou het dus zijn, als de
winter zich in volle strengheid deed gevoelen? Het leger werd zelfs nu
al bedrukt en neerslachtig. Al mokkend marcheerde men verder.

Eensklaps gingen er kreten van ontroering op en een ieder zag om zich
heen. Men ontwaarde een geheel plat getreden, naakten, vernielden grond;
al de boomen bleken op eenige voeten boven de aarde afgehouwen en
verderop zag men van spitsen ontbloote heuvels; de hoogste scheen de
meest misvormde. Overal was de aarde bezaaid met overblijfsels van
helmen en harnassen, met gebroken trommels, vernielde wapenen, lompen
van monteeringen en met bloed bevlekte standaards.

Op dien verwoesten grond lagen dertigduizend half verteerde lijken! Het
was het slagveld van Borodino!

De Keizer trok er haastig voorbij. Niemand hield zich op. De koude, de
honger en de vijand drongen tot spoed; slechts wendde men, terwijl men
voortging, nog eens het hoofd om, teneinde een droeven en laatsten blik
te werpen op dat onmetelijke graf van zoo vele wapenbroeders, die
nutteloos waren opgeofferd.

In den nacht bereikte Napoleon Gjatz en twee dagen later Wiasme. Hier
vertoefde hij, om de corpsen van Prins Eugenius en Davoust af te
wachten, die van Malo-Jaroslawitz de achterhoede hadden gevormd.

Den eersten November trok de Keizer weer verder, terwijl hij Ney te
Wiasme liet, om met Davoust en Prins Eugenius den aftocht te dekken.

Twee dagen later had een Russisch legercorps die stad bereikt en moest
de achterhoede daar een formeelen veldslag leveren, om den terugtocht te
kunnen voortzetten.

De Franschen kostte dit treffen vierduizend man aan dooden en gewonden.
Het overschot van het Hollandsche regiment huzaren was zoo goed als
volkomen vernietigd. Slechts Jakob Stargardt, Ros en nog een stuk of wat
anderen waren ongedeerd gebleven, maar hun paarden waren bezweken, zij
zelf moedeloos en diep neerslachtig.

Moeder Jane poogde haar zoon te troosten: Weldra zouden zij immers
Smolensk bereikt hebben: en daar was overvloed, daar wachtten hun goede
winterkwartieren; daar nam hun ellende een einde.

»Maar vóór we zoo ver gekomen zijn, kunnen wij al lang verhongerd
wezen," zei Ros. »Uitdeelingen worden niet meer gedaan en nergens langs
den weg vinden we eenige levensmiddelen, want de voor ons uit gaande
corpsen zijn zoo roekeloos, om de meeste huizen en dorpen te verbranden.
De achterhoede vindt niets dan asch."

Inderdaad had de ellende reeds een groote hoogte bereikt. Het eenig
voedsel, nu bijna elk zijn kleinen voorraad zoo zoetjes aan had
verbruikt, was een stuk paardevleesch. En wijl iederen dag, door gebrek
aan voeding, honderden paarden neervielen, was dááraan geen gebrek.

Ook de beide paarden voor moeder Jane's voertuig konden nog slechts
moeizaam meer voort. Tegen den avond van den volgenden dag, juist toen
zij ze uit wilde spannen, stortte een der uitgeputte beesten plotseling
in elkaar, door zijn val ook het andere deerlijk verzwakte dier omver
werpend. De marketentster maakte de gareelen los en poogde de dieren
weer overeind en althans op zij van den weg te krijgen. Maar haar
inspanning bleek vergeefs. Vermoeid moest zij van alle verder pogen
afzien en even later bleken de dieren reeds dood.

Terwijl moeder Jane, diep verslagen, nog altoos naar haar arme, van
honger gestorven beesten te kijken stond, kwam plotseling een troep
soldaten aan, samenmengsel van verschillende regimenten. Zij wierpen
zich als een zwerm roofvogels op de doode paarden neer, hieuwen er
lappen vleesch van af, en ondanks het protest van Reinier Vermaat en
enkele andere vrienden, ondanks de smeekingen van moeder Jane, sloegen
zij den wagen tot brandhout, om het vleesch aan de punt van sabel of
bajonet een weinig te roosteren en daarop half rauw te verslinden.

Jakob, Ros en nog een tiental anderen waren er op uit gegaan om te zien,
of zij niet eenig voedsel op konden sporen. Toen zij met het invallen
van de duisternis terugkeerden, vonden zij de marketentster zonder wagen
en paarden.

Maar zij waren zoo gelukkig geweest een vos te schieten en brachten
bovendien een flinken voorraad hout mee.

Dadelijk werd het bivakvuur gemaakt en het vleesch geroosterd, dat zij
vervolgens, te gelijk met het laatste overblijfsel van den uit Moscou
meegevoerden leeftocht, verorberden.

Toen kwam het gesprek weer, als gewoonlijk in de laatste dagen, op den
rampzaligen toestand van het leger en natuurlijk ook weer op het jongste
verlies, dat de marketentster geleden had.

»Och," zei moeder Jane, »het spijt me natuurlijk om de arme dieren. Maar
ik was het immers ieder oogenblik te wachten dat ik ze kwijt zou raken.
En den wagen hadden we tòch niet mee kunnen nemen. Wel beschouwd is het
dus maar beter, dat onze ongelukkige soldaten er zich nog mee verwarmen,
dan dat hij in handen van die roofzieke Kozakken gevallen was. Maar ja,
op zoo'n eerste oogenblik zie je dat zoo niet in! Dan meen je, dat je
het grootste onrecht wordt aangedaan."

»Maar _wij_ hadden toch anders het vleesch gehad, dat zullie daar nu
verslonden hebben," zei een der soldaten van hun groepje, wijzend naar
de mannen rondom een naburig bivakvuur.

»Zou je dan denken, dat ik ook maar een enkele beet van mijn eigen
paarden zou kunnen eten?" vroeg moeder Jane. »En jullie hebt toch van
avond óók geen gebrek gehad, is 't wel?"

»Neen, neen," zei Reinier, »het maal heeft me kostelijk gesmaakt!"--De
Russische kogel die hem op het slagveld bij Malo-Jaroslawitz getroffen
had, bleek gelukkig niet diep gegaan te zijn en had geen edele deelen
geraakt. De zorgvuldige oppassing van Jakob en zijn moeder, gepaard
aan zijn gezond en krachtig lichaamsgestel, brachten dan ook een
wonderbaarlijk voorspoedige genezing. Bovendien was ook hij zoo
verstandig geweest, zich in Moscou voor den naderenden winter uit te
rusten.

Gelukkig echter werkte de natuur tot heden mee, om den tocht niet nòg
zwaarder te maken. Overdag was het meestal zonnig, zacht weer; alleen 's
nachts was het merkbaar, dat het koude jaargetijde naderde.

Maar den volgenden morgen veranderde opeens de lucht; het azuur verdween
in een sluier van koude dampen. Deze dampen werden al dichter en vormden
zich weldra tot een ontzaggelijke wolk, die in groote sneeuwvlokken op
de voorttrekkende legerbenden neerdaalde. Het scheen alsof de hemel
nederviel en zich vereenigde met den vijandelijken grond en zijn
bewoners, om hun verderf volkomen te maken. Alles werd verward en
onkenbaar; de dingen veranderden van gedaante; men trok voort zonder te
weten waar men was, zonder zijn doel te bespeuren, alles werd
verhindering.

Terwijl de soldaat zijn pogingen in het werk stelde om zich, te midden
van ijzige wervelwinden een doortocht te verschaffen, hoopten zich de
sneeuwvlokken, door den wind voortgedreven, opéén, en bleven in elke
holte liggen. Zoo verborg haar oppervlakte aanhoudend onbekende diepten,
welke zich trouweloos onder de voeten openden. De krijgsman zonk er in
weg, en de zwaksten werden er in bedolven. Zij, die achter hen kwamen,
maakten dan een omweg, maar de storm joeg de sneeuw des hemels en die
welke hij van de aarde opjoeg hun grimmig in het gezicht en verblindde
hun oogen; verwoed scheen hij zich tegen hun marsch te willen verzetten.

Onder deze nieuwe gedaante viel de Russische winter hun van alle kanten
aan: hij drong snijdend door hun dun gewaad en opengescheurd schoeisel
heen. Hun natte kleeren bevroren op hun lichamen; het ijs hechtte zich
op hun vel en verstijfde al hun leden. De scherpe en hevige wind deed
hun de lippen op elkander klemmen, maakte zich meester van hun adem, als
zij dien uitbliezen en herschiep hem in ijskegels, welke langs hun baard
om hun mond hingen.

Klappertandend sleepten de ongelukkigen zich voort, totdat de sneeuw,
die zich aan hun voeten klompte, een tak, een verloren wapen, of het
lichaam van een hunner kameraden hen deed struikelen en vallen.
Onmachtig de handen te roeren, was hun kermen te vergeefs; zij werden
spoedig door de sneeuw bedekt: een kleine verhevenheid slechts deed hen
dan nog onderkennen: dáár was hun graf!...

De weg was vòl van zulke verhevenheden; de onverschilligsten, de
onverschrokkensten werden er door geroerd; met de oogen er van
afgekeerd, gingen zij er voorbij.

Maar vóór hen, achter hen, overal was de sneeuw; hun gezicht verloor
zich in die onoverzienbare en treurige gelijkvormigheid; het was als
een onmetelijk doodskleed, waarmee de natuur het leger omhangen had.
De eenige voorwerpen, die er zich van losrukten, waren de donkere
mastboomen, boomen des grafs, met hun ontzettende somberheid en de
reusachtige onbewogenheid van hun zwarte stammen, waardoor zij dit
ijselijk schouwspel van een stervend wereldleger, te midden eener doode
natuur, slechts volmaakten.

Het geweer werd voor de verstijfde armen der nog levenden een
ondragelijk gewicht. Zij wierpen het niet weg, maar in hun menigvuldig
vallen ontschoot het aan hun handen, het brak in stukken, of ging
verloren in de sneeuw. Van vele anderen vroren de vingers aan het geweer
dat zij nog vasthielden en dat hun de beweging ontnam, vereischt om er
een overschot van leven en warmte in te behouden.

Welhaast ontmoette men een menigte menschen van allerlei corpsen, nu
eens afgezonderd, dan weer bij troepen. Zij waren niet laf van hun
standaards weggeloopen, het was de koude, de afmatting, die hen van hun
colonnes had gescheiden. En nu dwaalden zij rond, ongewapend,
overwonnen, zonder verdediging, zonder opperhoofden, slechts
gehoorzamend aan den drang tot zelfbehoud.

Velen, door het zien van eenige zijdelingsche paden verlokt,
verspreidden zich in de velden met de hoop, er brood en een schuilplaats
voor den naderenden nacht te zullen vinden; maar alles bleek over een
breedte tusschen de zeven en acht mijlen verwoest; zij ontmoetten
slechts kozakken of gewapende boeren, die hen omringden, mishandelden,
uitplunderden en hen, onder een woest gelach, naakt op de sneeuw lieten
omkomen.

Spoedig naderde de nacht, een nacht van zestien uren. Maar in die
sneeuw, welke alles bedekte, wist men niet wáár stil te houden en zich
neer te zetten om te rusten, of waar droog hout te vinden om de vuren te
ontsteken.

Toch dwongen vermoeidheid en duisternis om stand te houden. Maar de
storm die nog altijd woedde, verspreidde de eerste toebereidselen
der bivakken; de denneboomen, geheel met sneeuw beladen, weigerden
gewoonlijk halsstarrig vuur te vatten en al vlamden zij soms een
oogenblik op,--de sneeuw die door de warmte smolt, doofde die
opflikkerende vlam en daarmee tevens den moed en de hoop op redding.

»Neen, jongens, zóó gaat het niet!" zei moeder Jane, toen eenigen van
haar troepje met het bijeengebrachte dennenhout reeds een vuur wilden
maken: »We moeten eerst de sneeuw wegvegen!"

»Dat is gemakkelijk genoeg gezegd," meende een der soldaten, »maar,
waarmee?"

»Wel, met bezems natuurlijk!"

»Die we niet hebben!" gromde een ander.

»Maar die we best kunnen maken!" viel de marketentster in. »Dit bosch
heeft takken genoeg! Een bundeltje daarvan bij elkander gebonden, een
dikken tak tot steel, en--de bezem is klaar!"

»Warempel, je hebt gelijk!" zei Ros. »Komt, mannen, dan maar dadelijk
aan 't werk!"

Met hun drieën gingen zij nu aan het hakken en snijden; Jakob Stargardt,
Reinier en moeder Jane bonden de takken met eenige dunne twijgen bijeen,
terwijl de overigen met deze bezems het terrein schoon veegden.

De plaats voor het bivak gaf blijk van een verstandige keuze. Een hoogte
beschutte tegen den fellen wind; als het hun dus gelukken mocht om vuur
aan te maken, dan zou dit ten minste niet verwaaid worden. Maar het
versch gekapte hout wilde slecht branden. Schier een half uur tobbens
was reeds voorbijgegaan, zonder noemenswaardig resultaat, toen Ros en
Jakob, na veel zoekens, ieder met een arm vol dood hout kwamen
aandragen.

Nu laaide de vlam in een oogenblik hoog op, zoodat ook het andere hout
bruikbaar werd en waarvan men een genoegzame hoeveelheid bijeen had
gebracht om het vuur den ganschen nacht te kunnen onderhouden.

Zij roosterden nu hun paardevleesch en het weinigje roggemeel dat ieder
nog bezat kneedde hij met sneeuwwater tot deeg, om dit vervolgens in de
heete asch te laten bakken.

Dat was hun avondmaal.

Niet lang bleven zij echter alleen. Tal van ongelukkigen, aangelokt door
het flikkerende vuur, hadden zich al spoedig bij hen gevoegd en slechts
met moeite konden zij hun plaats behouden. Er werd afgesproken, dat
telkens twee hunner bij beurten het vuur zouden bewaken en voeden,
terwijl de overigen mochten slapen. Zoo ging men den nacht in.

Toen zij den volgenden morgen, ondanks het goed onderhouden vuur,
verkleumd en huiverend van het bivak opstonden om den vreeselijken tocht
weer voort te zetten, moesten zij over een dubbelen kring van lijken
stappen: soldaten, die, uit plaatsgebrek, buiten de warmtesfeer van
het vuur gebleven, in den fellen vriesnacht waren doodgevroren. Overal
elders zagen zij de bivakken door dergelijke gruwbare kringen
afgeteekend, en verder bleek de grond bedekt met honderden doode
paarden.

Sedert dien dag zonderden zich bij elk bivak, bij elken slechten
overtocht, voortdurend een gedeelte der nog georganiseerde troepen af,
om zich bij den ordeloozen nasleep te voegen.

Alleen bij de Keizerlijke garde bleef nog altoos de krijgstucht bestaan.
Maar men had zich genoodzaakt gezien, den buit van Moscou in een meer te
werpen: Kanonnen, Gotische wapenrustingen, uit het Kremlin meegenomen om
als zegeteekenen naar Parijs te worden gevoerd, zelfs het reusachtige
gouden kruis van den heiligen Iwan, alles verzonk in de diepte. Op dezen
ontzettenden terugtocht wierp het leger, evenals een groot schip dat
door den verschrikkelijksten storm geteisterd wordt, zonder aarzelen
alles wat zijn voortgang kon bemoeilijken of vertragen, in die zee van
sneeuw en ijs. Het was niet meer te doen om zijn leven áángenaam te
maken, maar om het te redden!

Eindelijk zag het leger Smolensk weer, waar men het eind van al zijn
rampen dacht te vinden. Reeds van verre wezen de soldaten het elkander
aan. Dáár was het beloofde land, waar hun hongersnood den begeerden
overvloed, hun vermoeidheid de rust zou erlangen; waar de bivakken van
negentien graden koude in wèl verwarmde huizen zouden vergeten worden.
Dààr zouden zij een herstellenden slaap genieten; hun havelooze plunje
kunnen oplappen; dáár zouden hun nieuwe schoenen en voor het klimaat
geschikte kleeren worden uitgedeeld!

Alleen de garde en eenige andere uitgelezen korpsen bleven in hun
gelederen, de overigen liepen weg en snelden naar de lang verbeide stad.
Duizenden van menschen, meest zonder wapenen, bedekten de twee steile
oevers van den Dnieper; zij verdrongen zich voor de hooge muren en
poorten der stad; maar hun onordelijke menigte, hun vervuilde gezichten,
zwart geworden door aarde en rook, hun gescheurde monteeringen, de
zonderlinge kleeding waarmee zij zich behielpen, heel hun vreemd,
afzichtelijk voorkomen en hun vervaarlijke drift, schrikten af. Uit
vrees dat die van honger razende menigte, wanneer men haar binnen liet,
alles zou uitplunderen, sloot men de poorten. Men hoopte door deze
gestrengheid tevens te bewerken, dat die verstrooiden zich weer zouden
vereenigen.

Toen ontstond er onder het overschot van het rampzalige leger een
verschrikkelijke strijd tusschen de orde en de wanorde. Het was te
vergeefs, dat sommigen baden, weenden, smeekten, dat zij dreigden en
trachtten de poorten open te breken, dat zij stervende neervielen voor
de voeten van hun metgezellen, die belast waren hen terug te drijven.

Daar kwamen de oude en de jonge garde aan. Zij waren met den Keizer
meegekomen, die hen voor het vuur der Russen gespaard had, en niet de
minste wanorde was in hun gelederen voorgekomen, want voor hun voeding
was wel gezorgd. Eerst nà hen konden de ongelukkigen die voor de poorten
stonden binnentrekken, voor zoover ze niet dood of stervende aan de
steile oevers der rivier nederlagen; zij snelden naar de magazijnen,
maar men dreef hen er uit terug, omdat zij hun korps verlaten hadden en
niet in het bezit van volgbriefjes waren, waarmee de magazijnmeesters
zich verantwoorden konden en die door daartoe gemachtigde officieren
moesten worden ingeleverd. Zij hàdden geen officieren meer, ze wisten
niet eens waar hun regimenten waren. In dezen toestand bevond zich
tweederde van het leger.

Toen verspreidden zich die rampzaligen door de straten, geen hoop meer
hebbend dan in de plundering. Maar overal kondigden tot op de beenderen
toe ontlede paarden hun den hongersnood aan: overal waren de vernielde
en losgerukte deuren en ramen gebruikt om de bivakvuren te onderhouden
der doortrekkende troepen. Er waren geen winterkwartieren voorbereid,
men vond er geen hout; de zieken, de gekwetsten bleven in de straten,
op de wagens, die hen hadden vervoerd. Het was en bleef steeds de
noodlottige groote weg, dwars door een ijdelen naam heenloopende; het
was een nieuw bivak te midden van bedriegelijke puinen, die nog kouder
waren dan de bosschen, welke zij hadden verlaten. Kortom, datzelfde
Smolensk, door het leger als de grens van zijn lijden beschouwd, scheen
er slechts het eigenlijke begin van te worden. Honderden bij honderden
stierven ook hier van koude en gebrek; en toen het bleek, dat de
magazijnen slechts zeer onvoldoende werden bewaakt, kwamen de
uitgehongerde benden ze eensklaps plunderen, waarbij nog heel wat
voedsel nutteloos verloren ging.

Moeder Jane, Jakob, Reinier en Ros waren de eenigen van hun troepje, die
zich te midden van al die wanorde bij elkander hadden gehouden. Maar
juist door hun gering aantal was het hun des te gemakkelijker gelukt,
een vrij dragelijk verblijf te bekomen.

Reeds van Wiasme af droegen zij hun pelzen, in Moscou gekocht, op het
bloote lichaam, waardoor de koude hun weinig nadeel toebracht. Steeds
waren zij matig geweest, wanneer er onderweg nog eens voedsel gevonden
werd, en ook van het paardevleesch, soms overvloedig voorhanden, hadden
zij altoos maar weinig gebruikt. Daarenboven bezaten zij alle vier een
gezond en sterk gestel. In vergelijking van duizenden hunner metgezellen
waren zij er dus nog zoo slecht niet aan toe, maar wijl zij uit de
magazijnen niets hadden ontvangen, hadden zij thans volslagen gebrek aan
voedsel.

Gelukkig echter werden te Smolensk de achterstallige soldijen
uitbetaald, met een voorschot van twee maanden, waardoor hun beurzen
opeenmaal goed gevuld raakten.

Zij kochten nu zooveel mogelijk van de geroofde eetwaren der anderen,
wel wetend, dat nog tweehonderd uren gaans moesten afgelegd worden,
alvorens zij de Weichsel zouden bereikt hebben. Want dat men te Smolensk
niet overwinteren kon, was voor ieder nu wel duidelijk.

Onderweg had Jakob geducht met zijn laarzen gesukkeld: zijn pelslaarzen,
te Moscou opgedaan, waren wel warm geweest te paard, maar niet geschikt
om te loopen. Na eenige dagen marcheeren waren zij dan ook reeds zonder
zolen. Voor tachtig francs had hij toen een paar oude laarzen van een
rijdend artillerist gekocht, maar deze bleken hem te nauw, zoodat hij ze
hier en daar had moeten opensnijden. In Smolensk kocht hij thans voor
twintig francs een paar nieuwe soldatenschoenen.

Napoleon had er op gerekend, dat er voor vijftien dagen levensmiddelen
en fourage aanwezig zouden zijn voor een leger van honderd duizend man;
hij vond nog niet de helft dezer hoeveelheden aan meel, rijst en
brandewijn. Vleesch was er niet.

Onder die omstandigheden moest het verbazing wekken, dat de Keizer
niettemin zijn verblijf onnoodig te rekken scheen.

»We zijn hier nu al vier dagen," zei Jakob, »en onze aangekochte
eetwaren zijn al zoo goed als op. Wat heeft Napoleon in dit afgebrande,
verwoeste Smolensk anders te doen dan van de aanwezige levensmiddelen
gebruik te maken en zoo gauw mogelijk verder te gaan?"

»Misschien meent de Keizer," vond Reinier, »wanneer hij gedurende
verscheidene dagen zijn brieven uit Smolensk dateert, dat hij zijn
vlucht zal laten voorkomen als een langzame, roemrijke terugtocht. Hij
heeft ten minste bevel gegeven, de torens op de wallen te vernielen,
omdat hij niet meer door die muren wil opgehouden worden, zooals hij
zegt."

»Jawel," zei Ros, »alsof de mogelijkheid bestaat dat hij er weer terug
zal keeren, terwijl het nog niet eens zeker is, of hij er wel uit zal
kunnen komen."

»Licht wacht hij hier wel zoo lang, om de artilleristen gelegenheid te
geven, hun paarden op scherp te zetten," giste moeder Jane.

»Alsof er arbeid te verwachten is van werklui die uitgeput zijn van
honger en van de langdurige marschen!" zei Jakob. »De dag is voor de
meesten nog niet toereikend om de noodige levensmiddelen te vinden en ze
gereed te maken."

»En dan," zei Ros, »de smidswagens zijn achter gelaten of vernield en
alle materiaal ontbreekt voor zoo'n omvangrijk werk. Dàt kan het dus óók
niet zijn."

Evenwel, den volgenden dag, den 14den November, verliet Napoleon
eindelijk Smolensk toch weer. Prins Eugenius had bevel gekregen, om
de stad op den 15den, Davoust om ze op den 16den te ontruimen. Ney
daarentegen moest eerst den 17den vertrekken. Hem was opgedragen, de
assen der affuiten van de kanonnen die hij moest achterlaten, te laten
doorzagen; die kanonnen zelf te begraven, de munitie onbruikbaar te
maken, alle achterblijvers voor zich uit te drijven en de torens op de
wallen te laten springen.

Tegen vijf uur in den morgen vertrok de Keizerlijke colonne. Zij
marcheerde nog ordelijk, doch de houding der manschappen was somber en
zwijgend. De nachtelijke stilte werd slechts afgebroken door het geluid
der slagen waarmee de arme paarden voortdurend aangezet werden, alsook
door de driftige verwenschingen bij het doortrekken van een ravijn,
wanneer er op de gladde hellingen, in de duisternis, paarden voor de
kanonnen neerstortten en de geheele bespanning in een verwarden hoop
naar beneden tuimelde.

Op dezen eersten dag werden vijf mijlen afgelegd. De artillerie van de
garde had er twee en twintig uur voor noodig gehad.



Dertiende Hoofdstuk.

Van Smolensk naar Orcha.


Toen de Keizer vertrokken was trachtte Prins Eugenius in Smolensk zijn
verspreide troepen weder te vereenigen; met moeite onttrok hij hen aan
de plundering der magazijnen en eerst den 15den gelukte het hem, acht
duizend man bij elkaar te brengen, waarmee hij zich weer op weg begaf.
Ook Jakob Stargardt en zijn moeder, benevens hun beide vrienden, sloten
zich daar bij aan.

Het was omstreeks drie uur in den namiddag toen dit viertal het waagde,
den grooten weg te verlaten, in de hoop eenig voedsel te vinden. Weldra
stonden zij voor de ruïne van een huis. Het was een steenen gebouw
geweest, waarvan het dak en het gansche binnenwerk bleek verdwenen. De
sporen van groote bivakvuren in de omgeving bewezen duidelijk genoeg,
waartoe dat binnenwerk had moeten dienen; slechts de muren waren blijven
staan.

Schoon die bouwval dus weinig hopen deed, ving niettemin terstond een
scherp onderzoek aan; een ieder deed zijn best om nog iets uit de ruïne
op te schommelen, dat in een of ander opzicht bruikbaar wezen mocht.

Aanvankelijk bleef alle onderzoek vruchteloos.

»Ik geef het op!" zei Ros al tegen Reinier. »Maar kijk eens!--wat heeft
moeder Jane daar gevonden? Daar is vast iets bijzonders, want haar zoon
staat er bij met een gezicht als rook bij ossengebraad."

Reinier keek in de aangeduide richting en zag de marketentster zich
bukken tot een poging, om een zwaar stuk puin weg te wentelen.

Jakob, zonder recht te begrijpen wat zijn moeder eigenlijk voor had,
sloeg nu dadelijk zijn handen aan den steenbrok en rolde dien, schoon
niet zonder krachtsinspanning, op zij.

»Neem nu dàt stuk óók nog weg," zei de marketentster, nog hijgend van
haar vergeefsche poging.

Jakob deed het, zonder te vragen waarom en nam daarop een afwachtende
houding aan.

»Als we nu die kleine brokken ook nog wegruimen--dan zal het misschien
gaan," zei de marketentster.

»Wàt zal gaan?" vroeg Reinier, die inmiddels met Ros naderbij gekomen
was.

»Wel, kijk eens in dit gat hier," verzocht moeder Jane.

Reinier bukte en zag, tusschen de kleinere steenbrokken door, een losse
trap, slechts eenige treden diep, en onder die trap, een deur.

»Dat is een kelder!" riep hij, met een uitdrukking in zijn oogen, die
dadelijk aan een menigte »goede zaken" deed denken, welke een flink
voorziene kelder zoo al bevatten kan.

Volijverig zetten hij en Ros zich nu mede aan den arbeid, en in een
oogenblik was de trap geheel vrij. Maar de deur, of juister het luik,
dat zoo zeer de algemeene verwachting gespannen hield, was goed gesloten
en bood weerstand aan de krachtigste pogingen om het open te breken.

De arme zwervers waren echter sedert hun vertrek uit Moscou te zeer
gewoon geraakt aan de aanwending van allerlei middelen van geweld, om
lang verlegen te staan. Er werden eenige halfverkoolde stukken hout bij
elkaar gezocht en tegen het luik gelegd, vervolgens werd vuur gemaakt en
daarna het houtstapeltje aangestoken. Toen gingen zij blazen en de lucht
in beweging brengen om het vuur goed te doen vlammen, en binnen een
kwartier was het luik zoo ver verbrand, dat het verder met gemak kon
worden verbrijzeld.

Jakob kroop vervolgens door de opening heen... Toen hij een oogenblik
beneden geweest was stak hij het hoofd weer buiten het verbrijzelde luik
en zei verheugd: »Roep nou maar, zoo luid je kunt, hoezee!--Maar,
drommels, neen! laten wij ons liever dood stil houden, er mochten kapers
op de kust komen!"

Toen hij dit gezegd had, wierp hij achtereenvolgens twee Westfaalsche
hammen op den besneeuwden grond, en verdween weer in de diepte.

Een oogenblik later kwamen er gerookte worsten te voorschijn en Jakob
verklaarde, dat er nog meer lekkernijen in den kelder waren; ja, hij
geloofde, dat er ook nog wat anders in was, want er stond een groote
ijzeren kist, die hij met geen mogelijkheid alleen kon optillen.

Reinier reikte Jakob nu een brandend stuk hout aan, om hem tot fakkel te
dienen; maar het bleek dat de kelder, op de ijzeren kist na, niets meer
bevatte dan een paar flesschen wijn. Maar de totale voorraad was toch
meer dan voldoende om het viertal gedurende eenige dagen tot onderhoud
te kunnen strekken.

»Wij zullen verstandig doen," zei Jakob, zich weer bij de overigen
voegend, »met die ijzeren kist maar ongemoeid te laten; het ding is zoo
zwaar, dat het wel geen twijfel lijdt of het houdt geld en voorwerpen
van waarde in. Wij zijn geen roovers,--laat de eigenaar zijn schat dus
ongedeerd terugvinden."

»En dan," zei Reinier, »waarvoor zou de ballast ons dienen? Morgen
zouden wij dien misschien toch moeten wegwerpen. Neen, laten wij liever
eens een proefje van onze kostelijke provisie nemen; want ik moet
eerlijk bekennen, dat het gezicht van al die heerlijkheden mij doet
watertanden."

Nadat alle vier zich met een teug wijn verkwikt en een paar flinke
sneden ham benevens een stuk worst genuttigd hadden, besloten zij,
binnen den bouwval hun bivak gereed te maken. Zij togen dus naar het
nabij gelegen bosch, om een voldoende hoeveelheid hout te verzamelen.

Nauwelijks echter waren zij daar mee bezig, of zij werden door een
sterke bende Russische boeren overvallen. Tegenover die groote overmacht
zou alle weerstand nutteloos zijn geweest, te meer, wijl zij hun wapenen
in den bouwval hadden achter gelaten. De boeren namen het viertal
in hun midden en voerden hun gevangenen met zich mee het bosch in.
Na een kwartier ongeveer hielden zij stil op een plaats, waar reeds
verscheidene der hunnen op hen wachtten; van tijd tot tijd kwamen andere
troepen den weg van Smolensk af en sommige hadden eenige Franschen als
gevangenen bij zich. De Russen schenen eindelijk voltallig te zijn. Zij
dreven de gevangenen te hoop, namen ze daarop in hun midden en trokken
verder het woud in.

Na een half uur bereikten ze een open plaats, die echter rondom door
het bosch was ingesloten. Hier brandden hooge wachtvuren, waar talrijke
groepen gewapende landlieden omheen lagen.

Met verwondering zagen de gevangenen ook vele vrouwen, die de algemeene
haat tegen den vijand van haar vreedzame werkzaamheden afgerukt en
midden in het krijgsgewoel der mannen gevoerd had. Eenige maakten het
eten klaar, andere poetsten wapenen, enkele zagen zij een gewonde
verbinden.

Door de nabijheid van het Fransche leger hadden de Russen, die de vier
Hollanders waren overvallen, zich geen tijd gegund, hun gevangenen te
berooven. Thans schenen zij daartoe echter te willen overgaan. Een
baardige Rus trad op moeder Jane toe en wilde haar de pelsmuts van het
hoofd rukken. Onwillekeurig trad zij een stap achteruit, terwijl Jakob
toesprong en den boer met de hand afweerde. Woedend hief deze nu zijn
knuppel tot een geweldigen slag omhoog. Doch opeens klonk de kreet van
een vrouwenstem; in 't zelfde oogenblik drong een Russin door de rijen
en hield den opgeheven arm van den boer tegen. Driftig keerde deze zich
om, doch toen hij zag wie hem tegenhield, veranderde zijn toorn opeens
in onderdanigheid en trad hij zwijgend terug.

Jakob drukte dankbaar de hand van zijn redster in wie hij thans de vrouw
herkende, die hij in Moscou tegen de roofzucht van den Duitschen soldaat
verdedigd had. Met gebaren beval hij nu ook zijn drie lotgenooten in
haar bescherming aan.

Zij knikte, als bewijs dat zij hem begrepen had.

Op dit oogenblik naderde de aanvoerder, die blijkbaar haar echtgenoot
was. Hij scheen inlichtingen te vragen, maar aan de vier Hollanders
ontging het niet, dat hij onder het uitvoerig relaas der vrouw af en toe
de wenkbrauwen samen trok en herhaaldelijk het hoofd schudde.

Even later liet hij allen verzamelen en men zette zich in beweging,
terwijl de vier Hollandsche gevangenen door eenige landlieden met pieken
bewaakt werden.

Eindelijk bereikte men een dorp, waar de bende zich in verscheidene
groepjes splitste om een onderkomen te zoeken.

De aanvoerder trok met een kleine afdeeling nog wat verder, tot zij aan
een halfverwoest landhuis kwamen. Hier werden de Hollanders in een klein
vertrek opgesloten, waar zij al spoedig van vermoeidheid in slaap
vielen.

Nauwelijks drong het eerste licht van den wintermorgen tot hen door, of
een jonge Rus trad binnen die hun eenig voedsel bracht. Moeder Jane, bij
het zien van den Russischen lijfeigene, werd plotseling doodsbleek; zij
uitte een kreet van ontroering... In 't volgende oogenblik lag zij,
snikkend van blijdschap, in de armen van haar oudsten zoon.

»En vader?..." was Willems eerste vraag.

»Leeft niet meer!" zei moeder Jane somber.

Uit de aanwezigheid zijner moeder bij het Groote Leger had hij dit wel
begrepen; toch werd hij door het antwoord hevig geschokt.

»Maar hoe ben je nu _hier_ toch te recht gekomen?" vroeg Jakob.

»Ja," zei moeder Jane, »vertel ons dat toch eens: we meenden stellig,
dat je ergens in Engeland zat."

»Toen ik aan boord van dat Engelsche vaartuig gekomen was, ondernamen we
al heel gauw een reis naar de Oostzee. We leden evenwel schipbreuk en,
zonder een penning op zak, werd ik aan de kust geworpen. Een Russische
herbergier borgde mij voor zes roebels. Betalen kon ik die niet en zoo
werd ik, volgens de gebruiken van dit land, zijn lijfeigene."

»Om zes roebels?" vroeg moeder Jane ontroerd. »Verschrikkelijk!"

»De herbergier verkocht me aan een baron en in _zijn_ dienst was het,
dat ik zijn prachtige woning te Moscou moest helpen in brand steken.
Gelukkig had ik, ongezien, u beiden herkend en kwam ik in de
gelegenheid, u nog juist bij tijds door middel van dat briefje voor het
gevaar te waarschuwen.

Toen wij ons vernielingswerk in Moscou verricht hadden, voegden wij ons
bij het Russische leger, maar al heel spoedig sneuvelde de baron in een
van die vele schermutselingen nabij de stad, en door zijn weduwe werd
ik daarop aan een aanzienlijk koopman verkocht, mijn tegenwoordigen
meester. Te Moscou bezat hij eenige groote magazijnen en winkels, maar
zij werden door de Franschen geplunderd en toen trok ook hij uit om
Napoleon's leger zooveel mogelijk afbreuk te doen.

Het huis waar we nú zijn is van zijn broer, een aanzienlijk
grondbezitter, die zich met al zijn volk bij de Russische landweer heeft
aangesloten...

Maar nu kan ik hier heusch niet langer blijven!" brak hij eensklaps
haastig af, »want dat mocht argwaan wekken. En als onze betrekking eens
bekend werd, zou stellig een ander met de verzorging van u vieren belast
worden."

»Wat hebben ze eigenlijk met ons vóór?" vroeg Ros.

Willem haalde de schouders op: »Ik hoop het uit te vorschen," zei hij
onder het heengaan.

In den loop van den dag kwam hij terug. Hij wist te vertellen, dat zijn
meesteres de vier gevangenen had willen vrij laten, doch haar echtgenoot
was daarvoor niet te vinden. Hij vreesde, dan in moeilijkheden te komen.
Sommigen mopperden al, dat Marasof, zoo heette de koopman, een gedeelte
van den buit voor zich alleen behield, anderen daarentegen pruttelden,
dat hij heulde met de vijanden van het vaderland. Mocht dat gemopper
toenemen, dan was hij niet van plan het viertal nog langer te
beschermen, maar zou hun het lot der andere gevangenen doen deelen.

Dat zag er dus vrij bedenkelijk uit en daarom werd besloten, hoe eer
hoe liever te vluchten. Daar er bij de ontzettende wanorde die in het
terugtrekkende Fransche leger heerschte, voor Willem Stargardt niet het
minste gevaar bestond er zich insgelijks bij aan te sluiten, zou ook hij
mee gaan.

Te middernacht kwam Willem, volgens afspraak, de deur ontgrendelen,
waarop het viertal hem zoo stil mogelijk volgde. Na eenigen tijd met
de grootste behoedzaamheid te zijn voort gegaan, bracht hij hen op een
plaats waar een tweetal paarden, voor een Russische slede gespannen, aan
een boom stond vastgebonden.

Onder voorwendsel dat zijn meester plotseling naar het leger van Kutusof
moest afreizen was het Willem gelukt om, zonder achterdocht te wekken,
aan dat zoo hoognoodige voertuig te komen.

Zij wisten, dat Ney met de achterhoede pas den 17den Smolensk mocht
verlaten en hoopten dus, in den loop van den volgenden dag, diens leger
te bereiken.

Zoo snelden zij dus voort, in de richting van Krasnoé. Zij reden door
een groot bosch. De tamelijk heldere nacht en de sneeuw op den grond
maakten dat zij den weg zeer goed zien konden. Uren aanéén snelden zij
voort en met het aanbreken van den dag hadden zij den zoom van het woud
bereikt. Maar nu konden de paarden onmogelijk verder; de dieren waren òp
van vermoeidheid.

»Zouden wij de rest van den tocht maar niet te voet afleggen?" stelde
Jakob voor. »Me dunkt, in den loop van den dag zullen wij het corps van
Ney toch wel ingehaald hebben."

»Mij best," zei moeder Jane. »Ik ben verstijfd van de koû en een flinke
lichaamsbeweging zal goed doen!"

»En de paarden?" vroeg Reinier.

»Wel," zei Willem, »die zullen, zoodra zij uitgerust zijn, den weg naar
huis wel weer terug vinden. En als de slee met de paarden weer behouden
in 't dorp terug gekomen is, zullen de Russen een reden te minder
hebben, om ons te vervolgen."

Zij namen nu de weinige levensmiddelen die Willem des avonds had kunnen
inladen en na zich overtuigd te hebben, dat er geen vijand te zien was,
verlieten zij daarop het woud.

Weldra behoefden zij geen oogenblik te twijfelen, of zij zich wel op den
weg bevonden, dien het terugtrekkende Fransche leger genomen had, want
de bodem van ieder ravijn bleek bezaaid met wapens, helmen, schako's,
stukgeslagen kisten, kleedingstukken van allerlei aard, voertuigen en
kanonnen; sommige omgevallen; andere bespannen met neergestorte paarden,
waarvan er nog leefden en waarvan er half opgegeten waren.

Ros, Jakob en Reinier zochten zich een geschikt wapen uit; Willem,
vreezend dat zijn Russisch voorkomen hem bij het Fransche leger allicht
in moeilijkheid kon brengen, hulde zich in een gescheurden mantel;
daarop trokken zij weer voort.

Op het midden van den dag maakten zij halt om wat uit te rusten en iets
van hun levensmiddelen te nuttigen.

Nauwelijks echter waren zij weer op marsch, of zij hoorden eensklaps een
ontzettende ontploffing, gevolgd door het fluiten van tallooze kogels
boven hun hoofd. Verschrikt bleven zij staan... Die ontploffing had
plaats gehad vóór hen en in hun onmiddellijke nabijheid, op den weg zelf
en--wonderlijk!--toch zagen zij nergens een vijand.

Toen ze weer verder trokken vonden zij in een bocht van den weg twee
Fransche batterijen die, met munitie en al, waren achtergelaten; tevens
zagen zij over het naburige veld een bende kozakken vluchten, verschrikt
over hun eigen vermetelheid, die batterijen in brand te hebben gestoken
en over de geweldige ontploffing, die er het gevolg van was geweest.

Zorgelijk vroegen zij elkander, wat er wel moest plaats gehad hebben,
waardoor die algemeene ontmoediging ontstaan was en waarom men den
vijand geheel bruikbare wapens had achtergelaten. Zou er dan zelfs geen
tijd geweest zijn om de stukken te vernagelen en de munitie onbruikbaar
te maken?

Onder zulke kommervolle overdenkingen vervolgde het vijftal zijn weg.

Tot nog toe hadden zij slechts de sporen gevonden van een rampzalige
marsch. Thans echter was het anders geworden; wat zij nù zagen deed hun
het ergste vermoeden, want zij kwamen aan een plek, waar de sneeuw rood
zag van bloed, waar wapens, vuurmonden en verminkte lijken overal
verspreid lagen. De gesneuvelden gaven nog de stelling der gelederen
aan, hoe het gevecht had plaats gehad; zij toonden het elkander aan.
't Was niet de achterhoede van Ney maar het corps van prins Eugenius
geweest, waarmee zij zelf, in den vroegen morgen van den 15den, uit
Smolensk waren vertrokken. _Hier_ toch had de 14de divisie gestaan; aan
de nummers der schako's konden zij zien, welke regimenten het waren
geweest. Dáár had de Italiaansche garde gevochten; de uniformen der
gesneuvelden wezen het aan.

Maar wat zou wel het lot der overgeblevenen zijn geworden? Dit bloedige
veld, die vele ziellooze lichamen, de volkomen stilte in die woestijn
van ijs en dood; te vergeefs trachtten zij er uit te weten te komen, wat
er van hun kameraden geworden was en wat hunzelf zou te wachten staan.

Met spoed trokken zij die akeligheden voorbij; onverhinderd bereikten
zij de achterhoede, juist toen ze bivakkeeren ging. Zij vernamen,
hoe deze uit Smolensk vertrokken was met twaalf kanonnen, zesduizend
bajonetten en driehonderd paarden, terwijl zij er vijfduizend zieken
aan de edelmoedigheid van den vijand had moeten achterlaten. Ook
hoorden zij, dat Ney, zonder de kanonnen van Platof's kozakken en
het laten springen der vestingmuren, er nooit in zou geslaagd zijn, de
zevenduizend achterblijvers te ontrukken aan die stad, waar zij tusschen
de puinhopen een toevlucht hadden gevonden.

De soldaten, vertelden, hoe zij met den maarschalk naar Krasnoé trokken;
hoe zij alle overblijfselen van het leger op den weg voorbijkwamen; welk
een treurigen aanblik dit opleverde; hoe een wanhopige massa menschen
hen volgde en een andere troep die voor hen uitliep, door den honger
gedreven, zijn schreden verhaastte.

Een bleek maanlicht viel door de grijze wolken, toen de krijgslieden
opnieuw opbraken. Geen tromgeroffel of trompetgeschal verried den
afmarsch. In diepe stilte maakte men zich tot den moeilijken tocht
gereed. Ieder oogenblik toch verwachtte men een vijandelijken aanval.

Intusschen legde men verscheidene uren door de sneeuw af zonder op
eenige wijze verontrust te worden. De koude bleek eenigszins minder,
zoodat men er niet zooveel meer van te lijden had; het scheen zelfs,
dat men dooiweer kon verwachten.

Het corps was eindelijk een diep ravijn genaderd, waarin de weg
afdaalde, om vervolgens weer tegen een uitgestrekte hoogvlakte op te
loopen. Het was de hoogvlakte van Katova.

»Herken je dit terrein?" vroeg Jakob aan Ros.

De oude krijgsman keek opmerkzaam rond. De sneeuw toch had alles zoo'n
geheel ander aanzicht gegeven. Niettemin zag hij spoedig, waar zij
waren.

»'t Is de plaats," zei hij, »waar wij, drie maanden geleden, Neverowskoi
hebben overwonnen en aan den Keizer de veroverde kanonnen hebben
getoond."

»Wat dunkt je, zouden we vandaag wéér overwinnen?"

Juist wilde Ros antwoorden, dat hij daar een zwaar hoofd in had, toen
eenigen van den ongewapenden bijsleep, die vooruit waren geloopen, in
groote haast terugkeerden. Zij riepen, dat de sneeuwvlakten zwart zagen
van vijanden. In 't zelfde oogenblik kwam een Russisch officier, een
witten doek wuivend, de hoogvlakte afrennen. Hij was alleen, richtte
zich tot maarschalk Ney en ried hem, zich over te geven, doch kleedde
zijn sommatie in de vleiendste termen.

Hij kwam, verklaarde hij, namens Kutusof. Zijn veldmaarschalk zou zulk
een wreed voorstel niet durven doen aan een krijgsman als hij, zoo hem
nog een enkele kans tot redding was gebleven. Maar tachtigduizend Russen
bevonden zich vóór hem en om hem heen; mocht hij er aan twijfelen, dan
stond Kutusof hem toe, iemand te zenden, die de gelederen langs kon
gaan en tellen.

Nog eer de Rus uitgesproken had, donderde eensklaps een salvo uit
veertig vuurmonden, die op de rechterflank van het vijandelijk leger
waren opgesteld, waardoor een hagel van kartetskogels door de lucht
vloog en de Fransche gelederen verscheurde.

Onmiddellijk werpt een Fransch officier zich op den Rus, om hem als een
verrader te dooden. Ney echter verhindert dat en roept den afgezant toe:
»Een maarschalk van Frankrijk gééft zich niet over; men onderhandelt
niet onder het vuur; u is mijn gevangene!"

De ongelukkige officier, die door de onvoorzichtigheid der zijnen op
deze wijze werd opgeofferd, gaf zijn degen gewillig over. Tegelijkertijd
opende de vijand van alle zijden het vuur; alle hoogten, die er een
oogenblik te voren nog doodsch en verlaten uitzagen, geleken eensklaps
op werkende vulkanen. Doch Ney werd er door in geestvervoering gebracht;
te midden van dat hevige vuur scheen die man van ijzer als in zijn
element te zijn.

Kutusof had hem niet bedrogen. Aan de Russische zijde stonden
tachtigduizend man aaneengesloten, in diepe, dreigende colonnes,
talrijke escadrons en een geduchte artillerie, die een sterke stelling
had ingenomen; kortom een gansche legermacht. Aan de zijde der
Franschen: vijfduizend soldaten, een uitgeputte, verbrokkelde colonne;
een onzekere, slepende marsch; onvoldoende, vuile wapens, waarvan de
meeste in die bevende, verzwakte handen niet veel kwaad meer konden
doen.

En evenwel dacht Ney er geen oogenblik aan zich over te geven, evenmin
om te sterven; wel om dóór te dringen, zich er doorheen te slaan, zonder
er bij in aanmerking te nemen dat hij een bovenmenschelijke poging
waagde.

Alléén, zonder eenigen steun, terwijl alles op hèm steunde, volgde
hij slechts de ingeving van zijn krachtige natuur en handelde met het
zelfvertrouwen van den overwinnaar, dien de gewoonte van zelfs in de
meest onwaarschijnlijke gevallen de zege te behalen, het geloof
geschonken had, dat hem àlles mogelijk was.

Ricardo bevond zich aan het hoofd met vijftienhonderd man. Ney laat hem
tegen den vijand aanrukken en de rest nakomen. Den weg volgende, daalt
de divisie in het ravijn af, maar nauwelijks aan de andere zijde er
weer uit te voorschijn komend, wordt zij door het vuur van de voorste
vijandelijke linie bijna geheel vernietigd. Zonder zich hierover
te verbazen of te veroorloven dat men er van ontstelt, verzamelt de
maarschalk het overschot, vormt er een reserve van en rukt er zelf mee
voorwaarts. Aan vierhonderd Illyriërs geeft hij last, den vijand op zijn
linkerflank aan te vallen; hijzelf tast hem met drieduizend man in het
front aan. Allen volgen hem. Zij vallen de voorste Russische linie aan,
dringen er doorheen, jagen haar uit elkaar en zonder zich op te houden,
willen zij zich op de tweede werpen, doch eer zij haar bereikt hebben,
komt een regen van ijzer en lood hen te gemoet. In een oogenblik ziet
Ney al zijn generaals gewond en de meesten zijner soldaten gedood; zijn
verzwakte colonne wankelt, begint te aarzelen, gaat terug en sleept hem
mee.

Ney begrijpt, dat hij het onmogelijke heeft beproefd; hij wacht af,
dat de vlucht der zijnen het ravijn tusschen hem en den vijand heeft
geplaatst; het eenige wat hem redden kan. Zonder hoop en zonder vrees
weet hij hen daar tot staan te brengen en deelt hen opnieuw in.
Tegenover tachtigduizend man kan hij er slechts tweeduizend stellen;
beantwoordt hij met zes kanonnen het vuur van tweehonderd!

En toch scheen Kutusof als met traagheid geslagen.

Er was slechts een uitbarsting van verontwaardiging van een enkel
Russisch corps noodig geweest om er een einde aan te maken; allen
vreesden echter, een beslissende handeling te doen; allen bleven op hun
plek, met een slaafsche onbeweeglijkheid, alsof zij slechts stoutmoedig
waren in het nakomen van bevelen en gehoorzamen hun eenige kracht was.

Ook de Illyriërs waren in volkomen wanorde teruggekeerd. Kutusof, die
meer op zijn kanonnen dan op zijn soldaten vertrouwde, trachtte thans
van uit de verte de overwinning te behalen. Zijn vuur bestreek zoodanig
het geheele terrein waar de Franschen zich bevonden, dat dezelfde kogel
die een man in het eerste gelid trof, nog slachtoffers maakte bij de
achterste voertuigen, waar zich de ongewapende mannen, vrouwen en
kinderen bevonden.

Onder dit moorddadige vuur sloegen de soldaten van Ney, die onbeweeglijk
staan bleven, met verwondering hun aanvoerder gade; ieder oogenblik
verwachtten zij van hem de uitspraak te hooren dat zij verloren waren,
dat er niets meer aan te doen was. Zonder te weten waarom, bleven zij
nochtans hopen, omdat zij te midden van dit uiterste gevaar hem daar
zagen staan met een kalmte van gemoed, alsof er niets bijzonders
gebeurde. Zijn gelaat stond zwijgend en beslist; hij hield het
vijandelijk leger in 't oog dat zijn flanken hoe langer hoe verder
uitbreidde om hem iederen uitweg af te sluiten.

Door de invallende duisternis begon men de voorwerpen moeilijker te
onderscheiden; de winter,--alleen in dit opzicht gunstig voor hun
terugtocht,--deed den nacht reeds vroeg aanvangen. Ney had er op
gewacht. Thans geeft hij aan zijn troepen bevel--op Smolensk terug te
trekken!

»Is de man krankzinnig geworden?" gromde de oude Ros.

»Het begint er op te lijken," antwoordde Reinier. »Teruggaan en weer
dieper de Russische wildernissen binnen dringen! Waarachtig, men moet
wel aan den maarschalk zijn verstand beginnen te twijfelen!"

»Nu," zei Jakob, die zich in dit oogenblik bij hen voegde, »je bent
heusch de eenige niet, die er zoo over denkt. Zelfs zijn adjudant kon,
naar ik hoor, zijn ooren niet gelooven; hij begreep er niets van; met
een ontsteld gezicht bleef hij zijn chef sprakeloos aanstaren. Maar de
maarschalk herhaalde dezelfde order nog eens; zijn stem klonk beslist en
gebiedend; zijn omgeving werd er door gerust gesteld. Ik geloof dan ook
vast en stellig, dat hij een doordacht plan heeft gevormd, dat hij een
uitweg heeft gevonden."

Na de eerste verbazing begon langzamerhand die overtuiging ook tot de
andere soldaten door te dringen. Hoe kritiek de toestand ook was, zij
kregen de zekerheid dat hij dien zou weten te beheerschen, en--zij
gehoorzaamden. Zonder aarzelen keerden zij den rug naar hun leger, naar
Napoleon, naar Frankrijk en trokken het noodlottige Rusland weer binnen.
Hun achterwaartsche marsch duurde een uur; zij zagen het slagveld,
aangeduid door de overblijfselen van het Italiaansche leger weer terug.
Hier bleven zij staan en voegde de maarschalk, die alleen in de
achterhoede was gebleven, zich weer bij hen.

Zij volgden al zijn bewegingen. Wat zal hij gaan beginnen? En welk ook
zijn voornemen mag zijn, hoe zal hij zijn schreden kunnen richten zonder
gids, in een onbekend land?

Doch hij, met zijn krijgsmansinstinct, begeeft zich naar een ravijn van
zulk een diepte, dat er waarschijnlijk op den bodem een beek vloeit. Hij
laat er de sneeuw opruimen en het ijs stuk slaan. Toen, den loop van het
water nagaande, roept hij uit: »Het is een zijstroom van den Dnieper,
hij zal ons tot gids dienen; hem moeten wij volgen totdat hij ons aan
de rivier brengt; wij zullen haar overtrekken; onze redding is op den
anderen oever."

Hij laat nu onmiddellijk, in de aangewezen richting, den nachtelijken
marsch vervolgen. Op eenigen afstand van den grooten weg, dien hij nu
verlaten heeft, doet hij halt houden in een dorp, verzamelt er zijn
troep en laat vuren aanleggen, alsof hij er bivakkeeren wil. De kozakken
die hem volgden, doet hij dit ten minste gelooven en zonder twijfel gaan
zij Kutusof reeds inlichten omtrent de plaats waar den volgenden dag een
Fransch veldmaarschalk zijn wapen zal overgeven.

Ney echter laat den marsch voortzetten. Intusschen waren zijn Polen op
onderzoek uitgegaan. Een kreupele boer bleek de eenige bewoner dien zij
konden ontdekken. Toch was dit een onverhoopt geluk. Hij deelde mee, dat
de Dnieper slechts een mijl daarvandaan stroomde, doch dat hij niet te
doorwaden was, wijl het ijs niet vast zat.

»Dat zal het wel," antwoordt Ney en toen men hem er opmerkzaam op
maakte dat het was gaan dooien, liet hij er op volgen: »Het doet er niet
toe; we zullen er toch wel over komen; een anderen uitweg hebben we
niet!"

Tegen acht uur kwam men aan een dorp; het ravijn hield hier op en de
kreupele moejik die aan het hoofd marcheerde, bleef staan en wees op
de rivier. Ney en de eersten die hem volgden, begaven zich er heen.
De ijsschotsen bleken hier door een scherpe bocht tusschen de oevers
bekneld geraakt, de winter had ze aan elkaar doen vriezen; doch alleen
op _dit_ punt:--beneden- en bovenwaarts er van was de rivier in
beweging. Deze vreugdevolle ontdekking werd echter weldra gevolgd door
een gevoel van ongerustheid: Dit ijsvlak kon van een bedriegelijke
sterkte zijn.

Jakob Stargardt bood aan, zich er op te wagen ten einde dat te
onderzoeken. Men zag hem met moeite den anderen oever bereiken. Hij kwam
terug en meldde, dat de menschen en misschien eenige paarden er over
konden, doch het overige zou men moeten achterlaten; bovendien moest men
zich haasten, wijl door den dooi het ijs al tamelijk dun was geworden.

Doch daar men bij dezen nachtelijken tocht zoo stil mogelijk te werk had
moeten gaan en buiten de wegen had moeten marcheeren, was die colonne
van uitgeputte mannen, van gewonden en vrouwen met hun kinderen, uit
elkaar geraakt, waren er groote tusschenruimten ontstaan en had men in
de duisternis niet altijd elkanders spoor kunnen volgen. Zoo bemerkt Ney
dan ook, dat hij slechts een gedeelte van zijn troep bij elkaar heeft.
Hij stond daarom drie uren toe, om zich te verzamelen en zonder zich
te laten beheerschen door ongeduld of door gevaar dat dit wachten
kon opleveren, wikkelde hij zich in zijn mantel en bracht die drie
gevaarlijke uren door aan den oever der rivier in een diepen slaap; hij
toonde dat hij het gestel bezat van een buitengewoon man; een sterke
ziel in een krachtig en volkomen gezond lichaam.

Eindelijk, tegen middernacht, begon de overtocht, doch de eersten die
zich van den wal hadden verwijderd waarschuwden, dat het ijs onder hen
boog en wegzakte; dat zij tot aan de knieën in het water liepen en het
duurde dan ook niet lang, of men hoorde dien zwakken bodem aan alle
zijden op een onrustbarende wijze kraken, welk geluid zich tot in de
verte voortplantte, alsof de rivier kruien ging.

Verschrikt bleven allen staan.

Ney gelastte, dat men er slechts één voor één over mocht; behoedzaam
schreed men nu voorwaarts, in de duisternis dikwijls niet wetend of men
den voet zette op een ijsschots of in een tusschenruimte. Op sommige
plaatsen moest men over breede scheuren heen en van de eene schots op
de andere springen, op gevaar af van tusschen die beide in te vallen en
voor goed te verdwijnen. De voorsten aarzelden, doch van achteren riep
men hun toe zich te haasten.

Als men dan na veel inspanning en gevaar den anderen oever had bereikt
en zich gered dacht, had men nog tegen een steile helling op te
klauteren, die geheel bedekt was met ijs, wat het beklimmen bijna
onmogelijk maakte. Verscheidenen gleden weer naar beneden en kwamen
terecht op het ijs, dat door dien val brak of waardoor zij zelf iets
braken.

Jakob Stargardt had zich naar den ongewapenden bijsleep van het corps
begeven, waar hij zijn moeder en zijn broer Willem wist. Afgrijselijk
was hier de ontsteltenis en de wanhoop der vrouwen en zieken nu zij, met
hun bagage, het overschot moesten achterlaten van al hun bezittingen,
van hun levensmiddelen, kortom van hun hulpbronnen, zoowel voor nu als
voor de toekomst. Jakob zag ze hun eigen bezittingen plunderen,
voorwerpen uitzoeken, wegwerpen en weer opnemen en eindelijk van
uitputting en wanhoop op den bevroren oever neerzijgen.

Toen Jakob er eindelijk in geslaagd was, Willem en zijn moeder te
vinden, geleidde hij beiden door de steeds toenemende verwarring naar de
plaats, waar men de rivier over moest. En nu ving ook voor hen de
angstwekkende, gevaarvolle tocht aan.

Na ontzettende inspanning bereikten zij echter, één voor één, behouden
den anderen oever. Maar nog rilden zij bij de herinnering aan hun
omzichtige schreden en noodwendige sprongen op die verraderlijke
ijsvlakte, aan het gekraak als er van hun tochtgenooten uitgleden en
vielen, aan de angstkreten dergenen die er doorzakten en--wat het ergste
was--de wanhoopskreten der gewonden, die van hun voertuigen, welke men
over dezen zwakken overgang niet durfde te wagen, de handen uitstrekten
naar hun metgezellen en hun smeekten om hen toch niet achter te laten.

Eindelijk besloot Ney het te beproeven en eenige voertuigen met deze
ongelukkigen over te brengen. Doch in het midden der rivier gekomen, kon
het ijs den last niet meer dragen en brak... Aan den oever hoorde men
hun hartverscheurende en gillende angstkreten... daarna eenig steunen
dat weldra uitstierf...; eindelijk een huiveringwekkende stilte... Allen
waren in de diepte verdwenen!

Sedert den vorigen dag waren vierduizend achterblijvers en drieduizend
soldaten dood of vermist; alle kanonnen en de bagage was verloren;
nauwelijks bleven er van Ney nog een drieduizend strijders over en
evenveel achterblijvers.

Nadat al die verliezen waren geleden en alles wat den anderen oever
had kunnen bereiken weer verzameld was, werd de marsch voortgezet; de
verraderlijke stroom was nu hun bondgenoot en gids geworden.

Op goed geluk af en tastende ging men verder. Plotseling gleed Jakob uit
en kwam op den grond terecht. Hij ontdekte nu, dat de weg reeds begaan
was en deelde zijn bevinding met bezorgdheid aan Reinier en Ros mee. Zij
bukten zich, voelden met hun handen over den grond en riepen verschrikt
dat zij versche sporen vonden van een groote menigte kanonnen en
paarden.

»We hebben dus het eene vijandelijke leger slechts ontloopen," zuchtte
Reinier, »om het andere te gemoet te gaan!"

»Nauwelijks zijn we in staat ons nog voort te sleepen, en nu moeten we
zoowaar al weer vechten!" klaagde Ros.

»Moet het dan overal oorlog wezen!" riep Jakob moedeloos.

In ieder geval, men diende den maarschalk te waarschuwen en Jakob bracht
hem rapport van zijn bevinding. Ney echter werd er in 't minst niet door
getroffen en zijn aarzelende manschappen voorwaarts drijvende, volgde
hij koelbloedig het dreigende spoor.

Het voerde hem naar een dorp, Gusina genaamd, waar men onverhoeds
binnenviel, zich van alles wat er zich bevond meester maakte en waar men
alles aantrof wat men noodig had, hetgeen sedert Moscou niet voorgekomen
was: bewoners, levensmiddelen, warme huizen en een honderdtal kozakken
die als gevangenen ontwaakten. Hun mededeelingen en de noodzakelijkheid
om wat rust te genieten alvorens verder te kunnen gaan, deden Ney
besluiten er eenigen tijd te vertoeven.

Omstreeks tien uur in den morgen had men twee andere dorpen bereikt en
was er gaan uitrusten, toen men eensklaps in de omliggende bosschen
overal beweging bemerkte. Terwijl men elkaar waarschuwt en zich
verzamelt in het gehucht dat het dichtst bij den Dnieper gelegen was,
komen duizenden kozakken tusschen de boomen te voorschijn en omsingelen
dezen ongelukkigen troep met hun lansen en kanonnen.

Het was Platof met zijn geheele bende, die den oever van den Dnieper
volgden. Zij hadden het dorp in brand kunnen steken, den zwakken troep
van Ney er uitjagen en afmaken, doch in plaats daarvan bleven zij drie
uren lang onbewegelijk staan; men wist niet waarom. Later vernam
men, dat zij geen orders ontvangen hadden; dat hun aanvoerder op dat
oogenblik niet in staat was ze te geven en dat men in Rusland niets op
eigen verantwoording ondernemen durfde.

De houding van Ney hield hen in toom; hij met enkele soldaten waren
daartoe voldoende; zelfs gaf hij de overigen gelegenheid, om met hun
maaltijd voort te gaan. Tegen den nacht gaf hij bevel, om zoo stil
mogelijk op te breken, elkaar voorzichtig te waarschuwen en gesloten te
blijven. Daarop zetten zij zich in beweging, doch de eerste schrede die
zij deden was als een signaal voor den vijand; zijn stukken gaven vuur
en al zijn escadrons kwamen te gelijk te voorschijn.

Ney wist echter den oever van den Dnieper te bereiken, waardoor althans
zijn linkerflank aangeland was; aldus marcheert hij voorwaarts, van het
eene bosch naar het volgende en van de eene terreinplooi naar de andere
en van alle verhevenheden in het terrein gebruik makende. Dikwijls is
hij genoodzaakt zich van den stroom te verwijderen, wat Platof dan
gelegenheid geeft hem van alle zijden in te sluiten.

Zoo bleven gedurende twee dagen en onder het afleggen van twintig
mijlen, voortdurend zesduizend kozakken heenzwermen om de flanken der
colonne, die tot vijftienhonderd gewapenden inkromp.

De nacht bracht eenige ontspanning aan; met een zeker gevoel van vreugde
zag men dan ook de duisternis te gemoet, als iemand ook maar een
oogenblik achterbleef om van een kameraad die gewond of uitgeput
neerviel, een laatste afscheid te nemen, liep men veel kans het spoor
der anderen kwijt te raken. Er waren dan ook wreede oogenblikken,
en wanhopige tooneelen vielen er voor; evenwel, schoon hongerig en
doodelijk afgemat, bereikte men ten laatste toch Orcha, waar, na
bloedige gevechten, de deerlijk gehavende Corpsen van Napoleon, Prins
Eugenius en Davoust reeds vroeger waren aangekomen. De Keizer was er
binnengetreden met zesduizend man gardetroepen, het overschot van vijf
en dertig duizend; Eugenius met achttienhonderd man, het overschot van
twee en veertig duizend; Davoust met vierduizend, het overschot van
zeventig duizend!

Zelf had deze maarschalk alles verloren; hij bezat geen linnengoed
meer en was uitgehongerd. Gretig nam hij een brood aan, dat een zijner
wapenbroeders hem aanbood en verslond het als 't ware. Men gaf hem een
zakdoek om zijn gezicht, dat bedekt was met rijm, te kunnen afvegen. Hij
riep uit, dat alleen menschen van ijzer tegen dergelijke lotgevallen
bestand waren, dat het uithoudingsvermogen zijn grenzen had en de
grenzen der menschelijke kracht overschreden waren.

Te Orcha echter trof men vrij goed gevulde magazijnen met levensmiddelen
aan, verder een pontontrein van zestig pontons met toebehooren, die
echter alle op Napoleons bevel verbrand moesten worden, en zes en dertig
bespannen vuurmonden, welke verdeeld werden tusschen Davoust, Eugenius
en Maubourg.

Het rampzalige overschot van Ney's troepen werd met vreugde verwelkomd,
want men had den maarschalk reeds verloren geacht. Zoo spoedig
mogelijk werden de uitgeputte manschappen onder dak gebracht en van
levensmiddelen voorzien. Om den bijsleep van het corps werd echter niet
gedacht en zonder Jakob Stargardt en zijn beide vrienden zouden moeder
Jane en Willem er dan ook slecht aan toe geweest zijn. Thans werd
natuurlijk voor beiden behoorlijk gezorgd.

Toen Napoleon, die zich alweer op twee mijlen van Orcha bevond, de
tijding vernam dat Ney terecht was, sprong hij op van blijdschap en
riep: »Ik heb dus mijn vleugels gered! Drie millioen uit mijn eigen kas
had ik willen geven, om het verlies van zulk een man te voorkomen!"



Veertiende Hoofdstuk.

De doodssnik van het Groote Leger.


Den 22sten November begon voor het Fransche leger de vermoeiende
marsch van Orcha naar Borizof. De weg was bedekt met smeltende sneeuw,
waaronder een dikke modderlaag. De zwakkeren waren niet in staat er
doorheen te komen; velen bleven liggen. Allen, die te Smolensk in de
verwachting dat de vorst niet zou ophouden, hun wagens tegen sleden
hadden verwisseld en nu niet verder konden, vielen in handen der
kozakken.

Het leger van Oudinot, dat niet naar Moscou was geweest, maar toch
eveneens terug had moeten trekken, zou thans de voorhoede vormen. Den
volgenden morgen, op drie mijlen voor Borizof, stootte deze maarschalk
op de Russische voorhoede, die hij krachtig terugwierp, waarbij hem een
heele bagage-trein van den vijand in handen viel. Meer dan duizend
bespannen wagens met levensmiddelen en uitrustingstukken van allerlei
aard werden zijn buit. Reusachtig was de hoeveelheid ham, worst, gerookt
vleesch, scheepsbeschuit, die werd gevonden. En dan die duizenden paren
schoenen! Verscheidene soldaten hebben zich toen voor vijf en twintig
dagen van voedsel voorzien. Dit, en de buitgemaakte schoenen hebben
menig armen krijgsman het leven gered.

Ongelukkig genoeg werd echter door het overschot van dit corps, bij het
doortrekken van Borizof, de brug over de Berezina vernield. Napoleon
zelf bevond zich nog op drie dagmarschen van de stad, toen hem de ramp
bericht werd. Hij stampte met zijn stok op den grond van woede. Daarop
liet hij zich de positie van Borizof beschrijven. Men verzekerde hem,
dat op dit punt de Berezina niet alleen een rivier, doch een meer was
van drijvende ijsschotsen; dat de brug een lengte had van driehonderd
vademen en deze zoodanig vernield was, dat herstelling ondoenlijk bleek
en een overgang daardoor onmogelijk.

De Keizer zag zich thans van alle kanten ingesloten en opdat geen zijner
standaards als zegeteeken in handen van den vijand mocht vallen, liet
hij de adelaars van alle corpsen verzamelen en verbranden.

Den 24sten vernam Napoleon, dat de overtocht alleen mogelijk zou zijn
bij Studianka, waar de stroom slechts 54 voet breed en zes voet diep is,
doch dat men op den anderen oever in een moeras terecht kwam, onder het
vuur van den vijand, die daar een zeer overheerschende stelling had
ingenomen.

De Keizer begaf zich nu onverwijld met zijn leger in de donkere en
uitgestrekte bosschen van de provincie Minsk, waar slechts enkele
gehuchten en ellendige woningen hier en daar nauwelijks een open ruimte
hadden gelaten. Het kanon van Witgenstein deed zich daar hooren. Deze
Rus, van het Noorden komend, trok op de rechterflank van het stervende
leger aan; tevens begon het weer te vriezen. Het dreigend kanongebulder
verhaastte den tocht. Veertigduizend mannen, vrouwen en kinderen volgden
het leger door deze bosschen, zoo snel als hun zwakte en het ijs dat
zich weer vormde, hun veroorloofde.

Deze geforceerde marschen, die bij het aanbreken van den dag begonnen
en bij het vallen van den avond nog niet ophielden, deed den weinigen
samenhang, die er nog bestond, geheel verdwijnen. In de duisternis dier
onmetelijke bosschen en der lange nachten, raakte men elkander kwijt.
Des avonds werd er halt gehouden; tegen het aanbreken van den dag begaf
men zich weer op marsch, in de duisternis, op den gis en zonder het
signaal af te wachten; wat er nog van de corpsen overgebleven was, bleek
niet meer bijeen te krijgen; in de grootste verwarring liep alles door
elkaar.

In dit laatste stadium van verzwakking en wanorde in de nabijheid van
Borizof gekomen, hoorde men in de verte luide kreten. Het was het leger
van Victor, dat door Witgenstein langzamerhand naar de rechterzijde van
de Fransche hoofdarmee toegedrongen was. Het wachtte het voorbijtrekken
van Napoleon af. Dit leger bestond nog in zijn geheel en verkeerde in
een goeden toestand. Het zag zijn Keizer terug en begroette hem met den
gebruikelijken uitroep, die bij Napoleons krijgers zelf reeds lang
vergeten was.

Men was daar van hun tegenspoeden onkundig gebleven; zij waren
zorgvuldig verborgen gehouden; zelfs voor de officieren.

Toen zij dan ook in plaats van het zegevierende leger van Moscou,
achter Napoleon dien sleep van uitgeputte gedaanten ontwaarden, gekleed
in lompen, vrouwenpelzen, stukken tapijt of smerige mantels, verschroeid
door het bivakvuur en vol gaten, terwijl de meesten hun voeten hadden
omwikkeld met vodden van allerlei aard, werden zij er ten hoogste door
ontsteld. Met schrik zagen zij die ongelukkige, uitgemergelde soldaten
voorbijtrekken, met vuile gezichten, afschuwelijke baarden, zonder
wapens, zonder schaamte, zich met moeite voortslepende, met hangende
hoofden, de oogen op den grond gevestigd, zwijgend als een troep
gevangenen.

Wat het meest verwondering wekte, was het zien van de talrijke
verspreide, alleenloopende kolonels en generaals, die zich enkel met
zichzelf bemoeiden en wier eenig doel nog was, hun persoon te redden;
zij marcheerden te midden van soldaten, die hen niet eens bemerkten, die
zij niets meer te bevelen hadden; alle banden waren verbroken, alle
rangen uitgewischt door de ellende.

De soldaten van Victor konden hun oogen niet gelooven. Hun officieren,
door medelijden bewogen, hielden met tranen in de oogen hun kameraden,
die zij herkenden, staande. Zij ondersteunden dezen met levensmiddelen
en kleeren; vroegen hun waar hun corps was gebleven. En wanneer het hun
dan gewezen werd, zagen zij in plaats van zooveel duizend man, slechts
een zwak peloton officieren en onderofficieren om een chef; zij moesten
er nog naar zoeken.

En evenwel twijfelden zelfs de ongewapenden, de stervenden niet aan de
overwinning, hoewel zij er niet onkundig van waren, dat zij een rivier
over moesten en zich door een nieuwen vijand hadden heen te slaan.

Het was niet meer dan de schaduw van een leger, doch het was de schaduw
van het Groote Leger. Men voelde zich slechts overwonnen door de natuur.
Het gezicht van hun Keizer gaf hun nog vertrouwen. Sedert lang was men
al niet meer gewend op hem te rekenen om te kunnen leven, doch wel om te
overwinnen. Het was de eerste noodlottige veldtocht, en er waren zoovele
gelukkige gevoerd. Als men nog maar de kracht had om hem te volgen, kon
hij alleen hen nog redden.

In de achterhoede marcheerde thans de generaal Victor met vijftien
duizend man; de voorhoede van vijfduizend man, onder Oudinot, was reeds
tot aan de Berezina genaderd; de Keizer bevond zich tusschen beiden in
met zevenduizend man, veertigduizend achterblijvers en een langen sleep
van voertuigen en artillerie. Zoo bereikte het leger de Berezina.

Onder bevel van den generaal der genie Eblé rukt nu het overschot der
pontonniers, ongeveer vierhonderd man, benevens enkele sappeurs, naar de
aangewezen plaats voor den overtocht, om hier het werk, door Oudinot's
mannen reeds begonnen, te voltooien. Van het pontonmateriaal, dat
men bij Orcha op Napoleon's bevel moest vernielen, had Eblé zes
voorraadwagens met gereedschap, spijkers, klampen, in één woord al de
benoodigdheden voor den bouw van twee schraagbruggen, benevens twee
veldsmidsen, alle voertuigen goed bespannen, alsmede twee karren met
steenkolen weten te redden. De huizen van Studianka zouden het noodige
hout leveren.

In den namiddag van den 25sten kwam dit detachement ter plaatse aan.
Een compagnie was bij Oukoholda achtergelaten, die al het mogelijke
moest doen om den vijand van Studianka weg te lokken en in den waan te
brengen, dat men bij eerstgenoemde plaats den overgang beproeven wilde.
Deze schijnbeweging, meesterlijk uitgevoerd, had het gewenschte
resultaat; de vijand liet zich er door verschalken.

Napoleon, in zijn ongeduld, had verlangd dat de bruggen nog dien avond
gereed zouden zijn. Met geen mogelijkheid echter kon hieraan worden
voldaan, want ondenkbaar waren de moeilijkheden, waarmee de pontonniers
bij hun arbeid hadden te kampen. Vermits er hoegenaamd geen vaartuig
voor handen was, moesten zij vier aan vier telkens met een schraag te
water gaan en deze in de modderige en ongelijke rivierbedding zóódanig
bevestigen, dat de kopstukken van al de schragen zich in hetzelfde vlak
bevonden om het daarover te brengen dek de vereischte horizontale
richting te geven. Het kostte een ongehoorde inspanning. Want tot
overmaat van ongeluk was, door het wassen van de rivier, de doorwaadbare
plaats zoo goed als geheel verdwenen. De beklagenswaardige kerels
moesten soms tot aan den hals in het water de ijsschotsen van zich
afhouden, die met den stroom kwamen afdrijven. Verscheidenen hunner
stierven reeds onder den arbeid van koude of werden door het ijs, dat
door den hevigen wind werd voortgestuwd, reddeloos meegesleept.

Eblé is later te Koningsbergen van uitputting gestorven. Van zijn
dapperen, meerendeels Hollanders, hebben geen twaalf het vaderland
teruggezien. Opgeofferd hebben zij zich, die mannen! Zij hadden dan ook
met alles te kampen, behalve met den vijand. Het weer was juist streng
genoeg om den overtocht zoo bezwaarlijk mogelijk te doen zijn, zonder
dat het ijs er door ging vastzitten of dat het moerassige terrein waarin
men terecht kwam, er meer vastheid door verkreeg.

Twee bruggen zouden worden geslagen, ongeveer tweehonderd meter van
elkander, de rechter voor de ruiters en de voetgangers, de andere voor
de voertuigen en het geschut. Hoewel zij geen ander voedsel kregen
dan een stuk gekookt paardevleesch zonder zout, hoewel het water zich
op hun armen, beenen en borst als ijskorsten vastzette en hun hevige
pijn veroorzaakte, bleven de pontonniers onafgebroken aan het werk.
Drieentwintig schragen werden voor elke brug te water gebracht, waarover
vervolgens een dekvloer werd gelegd van balken en planken, die echter de
vereischte afmetingen niet hadden en dus nieuwe moeilijkheden gaven. Met
boomschors, hennep en hooi werd eindelijk de dekvloer belegd, om sterkte
en samenhang te geven aan het geheel.

Den volgenden dag, om één uur, was de eerste brug voltooid; de overtocht
kon beginnen. Een divisie kurassiers opende den trein, dan kwamen drie
Zwitschersche regimenten. De enkele kozakkenposten, die zij aantroffen,
werden over de kling gejaagd of verstrooid. Op ernstigen weerstand werd
aanvankelijk nergens gestooten.

Onafgebroken werd de overtocht nu voortgezet. Op den rechteroever kwam
Oudinot al spoedig in gevecht met een Russische divisie, welke zich in
allerijl tegenover hem begon te ontwikkelen doch teruggedreven werd.
Zembin met de lange bruggen door het moeras aldaar werd vervolgens
bezet. De veilige terugtocht van het Fransche leger was hiermee
voorloopig verzekerd.

Om vier uur was ook de andere brug gereed. De zwakke constructie, het
gebrekkige materiaal, de slappe bodem en de geweldige vrachten die zij
te torschen kreeg waren echter oorzaak, dat zij in de volgende dagen bij
herhaling onbruikbaar werd; dat stukken er van met schragen, voertuigen
en al, door het water werden verzwolgen en dat de pontonniers telkens
uit hun welverdienden slaap moesten opgewekt worden, om weer in het
ijskoude water af te dalen en de schade te herstellen. De eerste brug
behield haar samenhang onder den last der overtrekkende troepen; maar
herhaaldelijk moest de dekvloer hersteld worden, wijl de paarden er
doorheen trapten.

Intusschen had Maarschalk Victor in last, om met zijn corps den
overtocht tegen de aanvallen der Russen te beschermen. Zijn generaal
Partouneaux was met een divisie in Borizof door hem achtergelaten om er
den aandringenden vijand te keeren, de talrijke achterblijvers die zich
in de stad bleven ophouden, voor zich uit te drijven en zich tegen den
avond weer met het corps van Victor te vereenigen. Tot deze divisie
behoorden ook twee Hollandsche regimenten en Ros, alsmede Jakob
Stargardt en Reinier Vermaat, de beide ritmeesters zonder ruiterij,
waren met nog andere Hollanders, daarbij ingedeeld. Willem en moeder
Jane, in de verwachting daar veiliger te zijn dan onder de tallooze
ongewapende achterblijvers, hadden zich bij deze Hollandsche krijgsmacht
aangesloten. Zij vermoedden niet, evenmin als de soldaten zelf het
deden, dat deze troepen bestemd waren om opgeofferd te worden.

In den namiddag bemerkte Partouneaux, dat de voorhoede van Witgenstein
reeds tot op den weg tusschen Borizof en Studianka was doorgedrongen,
en dat hij dus was afgesneden. Ofschoon hij slechts over drie kanonnen
en 3500 man beschikken kon, besloot hij onmiddellijk, zich er doorheen
te slaan; hij nam zijn maatregelen en begaf zich op marsch.

Aanvankelijk had hij te kampen met een glibberigen weg, die geheel
ingenomen was door voertuigen en vluchtelingen, met een hevigen,
ijskouden wind waar men recht tegen in moest, bovendien met de
duisternis. Weldra kwamen nog duizenden schoten van den vijand, die de
hoogten aan zijn rechterhand bezet had, zijn tegenspoed vermeerderen.
Zoolang hij van terzijde werd beschoten, bleef hij zijn marsch
vervolgen, doch het duurde niet lang of hij ontving ook vuur in front
van een talrijken vijand, die zich daar opgesteld had en wiens kogels
niet alleen het hoofd maar ook den staart zijner colonne troffen.

De ongelukkige divisie bevond zich in de laagte; een lange trein
van vijf- tot zeshonderd voertuigen belemmerden zijn bewegingen;
zevenduizend achterblijvers, huilende van ontzetting en wanhoop, drongen
zich tusschen zijn zwakke gelederen. Zij verbraken ze, veroorzaakten
wanorde in de pelotons en sleepten in hun verwarring nieuwe soldaten
mee, die den moed begonnen te verliezen. Om zich te verzamelen en een
betere opstelling te zoeken, moest men weer omkeeren, doch hierdoor
stootte men op de kozakken van Platof.

Reeds was de helft der soldaten bezweken, terwijl de vijftienhonderd
overblijvenden zich ingesloten zagen door drie legers en een rivier.
Toch wil Partouneaux nog een laatste poging wagen en zich een bloedigen
weg naar de bruggen banen.

Dáár ontvangt hij uit zijn voorhoede de tijding, dat de bruggen bij
Studianka in brand staan. Partouneaux gelooft dit onjuiste bericht,
hij acht zich verlaten, overgeleverd en laat nu zeggen dat men, onder
begunstiging van de duisternis, bij kleine groepjes langs 's vijands
flank moet trachten te ontkomen.

Jakob Stargardt en de zijnen behoorden dien ten gevolge tot een groep
van een man of vijftien, die een steile, boschrijke hoogte hadden
beklommen, hopende in het donker door het leger van Witgenstein heen te
kunnen sluipen en zich met Victor te vereenigen.

Doch waar zij zich ook wenden, van alle kanten bespeuren zij den vijand.
Lange colonnen van voertuigen en benden ordelooze soldaten vluchtten
langs verschillende richtingen naar Studianka. De kleine schare, door
een dezer meegesleept, vergiste zich in den weg en daar zij zoodoende
den weg dien het leger gevolgd had rechts lieten liggen, kwamen zij
geheel bij toeval aan den oever der Berezina. Zij hóórden het aan het
op elkander schuren der ijsschotsen. Zij volgden nu de rivier langs al
haar bochten en begunstigd door het gevecht van hun minder gelukkige
kameraden, door de duisternis en zelfs door de moeilijkheden in het
terrein, wisten zij in stilte den vijand te ontkomen. Veilig bereikten
zij de plaats van overgang, maar op dat oogenblik heerschte daar de
afschuwelijkste verwarring.

Het Groote Leger had twee dagen en twee nachten beschikbaar gehad voor
den overtocht. In den eersten nacht was de brug voor de voertuigen
tweemaal stuk geraakt; bij gebrek aan bouwstoffen had dit den overtocht
zeven uur vertraagd. Omstreeks vier uur in den namiddag van den 27sten
brak zij voor de derde maal. Opnieuw werd zij hersteld. Maar in plaats
van den overtocht nu voort te zetten, bleven de bruggen geheel verlaten.
De achterblijvers hadden zich naar het dorp Studianka teruggetrokken; al
de houten huizen waaruit het bestond gesloopt en alzoo het geheele dorp
in een onmetelijk bivak veranderd. Honger en koude hadden er die
ongelukkigen heen getrokken. Het was onmogelijk hen er vandaan te
krijgen en zoo ging opnieuw weer een gansche nacht voor den overtocht
verloren.

Toen, in den morgen van den 28sten, deden plotseling de vereenigde
Russische legers op de armzalige krijgsmacht der Franschen een hevigen
aanval. De achterblijvers, bevangen door een wilden schrik, vluchtten
thans in dolzinnige haast naar de bruggen. Van alle zijden drongen zij
op elkaar in en weldra vormde die ontzettende menigte daar aan den
rivieroever, met de talrijke paarden en voertuigen, een geweldige
versperring. Tegen den middag sloegen de eerste vijandelijke kogels in
dien chaos neer; zij waren het signaal tot een algemeene wanhoop.

Het was in dit oogenblik, dat de kleine troep van Jakob Stargardt en de
zijnen het terrein van den overgang was genaderd. Dicht aaneengedrongen
bleven zij aanvankelijk stilstaan op den oever, met angstige bezorgdheid
het gunstige oogenblik bespiedend, om zich te midden van den golvenden
stroom van menschen, paarden en voertuigen te wagen, die aanhoudend naar
de bruggen vloeide.

Zij zagen hoe sommigen, woedend en niets ontziende, zich met de sabel in
de hand een afschuwelijken doortocht openden. Anderen zagen zij een nog
wreeder weg zich banen; met hun voertuigen reden zij onbarmhartig door
die menigte van rampzaligen heen, die zij verpletterden. Door walgelijke
hebzucht gedreven, offerden zij hun metgezellen in het ongeluk op, ter
wille van hun bagage. Anderen, door een weerzinwekkende vrees bevangen,
schreiden, jammerden en bezweken; de schrik had hun laatste krachten
uitgeput.

Huiverend van koude bracht ons troepje verscheidene uren door met op en
neer van de eene brug naar de andere te gaan en twintig en meermalen,
dicht aaneengedrongen, opnieuw den overtocht te beproeven. Maar iederen
keer weken zij terug, wanneer een nieuwe onweerstaanbare menschenmassa
vooruit stroomde en het ontzettend gedrang nog vermeerderde.

Velen van die zich vooraan bevonden in die massa vertwijfelden en van de
brug afgedrongen werden, beproefden haar langs de kanten te beklimmen,
doch de meesten kwamen in het water terecht. Zij zagen vrouwen met hun
kinderen in de armen te midden van ijsschotsen, hen omhoog heffende
naarmate zij zonken; reeds ondergedompeld, trachtten zij ze nog met hun
verstijfde armen boven water te houden.

Te midden van die ontzettende verwarring zakte de brug voor de
artillerie in elkaar. Zij, die er zich op bevonden, wilden terugkeeren,
de ontzaggelijke menschenstroom die achter hen was en het ongeluk niet
bemerkte, luisterde niet naar de angstkreten der voorsten, drong hen
vooruit en in de opening, waar zij op hun beurt in geduwd werden. Toen
snelde alles naar de andere brug. Een groot aantal kruitwagens, zware
voertuigen en vuurmonden kwamen van alle zijden aanrijden. Door hun
geleiders voortgedreven, reden zij van een steile, oneffen helling in
sterken gang plotseling door die menschenmassa heen, vermorzelden de
ongelukkigen die zich in hun weg bevonden, terwijl anderen door den
schrik van de been geraakten en in hun val sloegen en grepen naar
degenen die in hun nabijheid waren. Geheele rijen radelooze menschen
vielen zoodoende op elkaar, raakten in elkaar verward en werden vertrapt
door anderen, die evenzoo werden opgedrongen; men vernam slechts kreten
van smart en woede. In het ontzettend gedrang stelden zij, die onder den
voet waren geraakt en bijna stikten, zich wanhopig te weer met nagels en
tanden. Zonder medelijden sloegen en stompten de aangevallenen van zich
af, alsof zij met vijanden te doen hadden. Het afgrijzelijk rumoer dat
uit die wriemelende menigte opsteeg, vermeerderd met het loeien van
den storm, het gedonder van het geschut, het springen van granaten, het
uitbraken van verwenschingen en vloeken, maakte die ordelooze bende doof
voor de klachten der slachtoffers die zij vertrapte.

Eindelijk toch scheen voor Jakob Stargardt en de zijnen het gunstig
oogenblik daar, om te trachten, den overkant te bereiken. De kloeksten
van den hoop vormden de spits: als een wig moesten zij door de woelende
menigte klieven. Zij bereiken de brug. Met den stormpas rukken zij nu
vooruit. In een oogenblik zijn zij een tiental schreden voortgedrongen.
Onweerstaanbaar wringt zich de kleine schaar in den dichten, verwarden
hoop, maar weldra stuit zij in die wriemelende menschenmassa; zij golft
met haar heen en weer, machteloos worstelend tegen den drang, die haar
gelederen dreigt te breken, in den stroom te werpen, of onder den voet
te treden.

Over hoopen gewonden, halfgestikte vrouwen en kinderen, duwden de
volgenden hen vooruit. Vergeefs dat moeder Jane met gillende angstkreten
haar beide zoons toeriep, waarvan zij zich plotseling zag losgerukt en
die zij onmogelijk weer bereiken kon. Zij strekte de armen naar Jakob en
Willem uit, smeekte om haar dóór te laten en zich weer bij haar kinderen
te mogen voegen; doch links en rechts door de menigte opgedrongen, aan
alle kanten geduwd en gestompt, viel zij neer als zoovele anderen.

Maar de oude Ros, die ook van het troepje was afgescheurd, wist haar te
grijpen en met haar voort te dringen. Jakob strekte zijn handen nu naar
zijn moeder uit en werkelijk gelukte het hem, haar weer met hun troepje
te vereenigen. Maar in 't zelfde oogenblik werd Ros door een kanonskogel
allervreeselijkst verminkt. Jakob poogde hem op te vangen; de oude
krijgsman kon echter geen woord meer uitbrengen; enkel bewoog hij met
moeite de lippen en zijn machtelooze hand sloot zich om die van zijn
meester en vriend met een zachten druk. Een smartelijk lachje zweefde
over zijn bleek gezicht, toen zonk hij zielloos neer.

Op dit oogenblik bevond de kleine troep zich midden op de brug. Dáár
klinkt eensklaps, boven het rumoer van zoo vele duizenden jammerstemmen,
boven den aanhoudenden donder van het geschut en het geknetter der
geweren van Victor's korps, strijdende met Witgensteins macht,--een
doordringende kreet: »~De cavalerie!~"

Ongeveer dertig ruiters van alle wapens, en daaronder vele officieren,
stuiven de brug op, met opgeheven sabel; zij drijven hun vermagerde
paarden met spoorslagen in de op elkaar gedrongen menigte; houwen links
en rechts om ruimte te maken; werpen alles voor zich neer en zijn in
een oogwenk midden op de brug. Maar daar worden zij in hun woeste vaart
gestuit. Als een niet te ontwarren kluwen staan de veertien vereenigden
rug aan rug tegen elkaar gedrongen, vast besloten tot een wanhopige
verdediging. De moedige houding van het hoopje bleek ontzag in te
boezemen; maar in zijn gevaarlijken toestand, daar zoo midden op de
brug, kon de weifeling bij den ruitertroep niet lang duren.

»~Vooruit!~" klonk een gebiedende stem: »~Er op in!~"

Nu volgde een gevecht, waarbij de gevechten met den vijand in
verwoedheid niet waren te vergelijken.

Jakob streed als nog nooit te voren; hij had zich voor zijn moeder
geplaatst, om haar met zijn lijf te beschutten. Een oogenblik verloor
de marketentster het evenwicht, struikelend door een verschoven plank
of een opening in den dekvloer. Zij dreigde te midden der woelende
ijsschotsen in het donkere water te storten, dat al zoo menig
slachtoffer verslonden had. Maar Willem sloeg zijn arm om haar heen en
redde haar nog tijdig uit dit gevaar.

De worsteling duurde slechts een oogenblik; de ruiters, op ~hun~ beurt
gedrongen door de massa die achter hen opzette, hieuwen als razenden
er op in, en--braken een bres in den kleinen phalanx. Sommigen van het
veertiental werden overhoop gereden; anderen stortten in de rivier;
Jakob bleef als een schaduw zijn moeder nabij; opgestuwd raakten beiden
steeds verder voort door het gedrang. Nog waren zij slechts een tiental
schreden van den overliggenden oever verwijderd--daar voelde Jakob een
schok in zijn rug, die hem bijna voorover wierp en hem zijn moeder deed
loslaten. Door een schier bovenmenschelijke inspanning gelukte het
hem, zich overeind te worstelen. Maar op hetzelfde oogenblik drong een
kurassier zijn reusachtig ros op hem in en scheen hem onder den voet te
willen rijden.

Jakob greep de teugels van het paard en deed het eenige schreden
achteruit wijken. Maar de ruiter gaf het dier de sporen en deed met
zijn lange sabel een woedenden houw naar zijn tegenstander. Deze echter
ontweek den slag en rukte zoo geweldig aan den teugel, dat het paard een
oogenblik op zijn achterbeenen werd neergedrukt.

Terwijl de zóón op die manier worstelde met den ruiter, geraakte de
móeder opnieuw in het gedrang. Zij hield echter met de kracht der
wanhoop een punt van zijn kleeren in de hand, en zoolang Jakob die hand
voelde, bleef hij omzichtig verkennen hoe hij zijn moeder zoo goed
mogelijk door alle gevaren zou heenvoeren.

Maar opeens, terwijl hij den teugel van het ros nog vasthield, klonk,
vlak bij hem, een doordringende vrouwengil, die hem door merg en been
ging. Hij wendde het hoofd en zag iemand van de brug in het water
storten--het was Willem! Een gevoel als zonk eensklaps het waggelend
bruggedek met hem in diepte, overviel Jakob op dat vreeselijk gezicht;
het bloed vloog hem naar het hoofd, bruiste en kookte in zijn hersenen
en benevelde zijn blik... Hij liet den teugel glippen.

De kurassier dreef zijn paard aan; het dier sprong onder de felle
spoorslagen stijgerend op, gereed om over Jakob Stargardt en zijn moeder
en al wie zich maar in den weg bevinden mocht, naar den oever te rennen.

»Ellendige hond!--dat zal je ontgelden!" riep Reinier nu woedend. Met
de kracht der razernij omklemden zijn armen het been van den ruiter en
hij wierp den man letterlijk uit het zadel. Het paard werd door zijn
berijder, die de teugels krampachtig in zijn vuist besloten hield, mee
getrokken, en ruiter en ros stortten over elkander in den stroom.

Juist in dit oogenblik sloegen er opnieuw eenige kanonskogels in de
verwarde, weerlooze menschenmenigte neer. Een wilde opstuwing was er het
gevolg van; en geperst en mee gesleurd kwamen Reinier, de marketentster
en Jakob daardoor, over lijken en stervenden, aan den anderen oever.
Daar vonden zij Willem die, door den korten afstand, er in geslaagd was
den kant te bereiken. Hij klappertandde van koû en zijn natte kleeren
begonnen reeds te bevriezen, waarom het viertal besloot, zoo spoedig
mogelijk naar Zembin te gaan, waar het overschot van het Groote Leger
heen trok of zich reeds gedeeltelijk bevond.

Eerst laat in den avond kwam een einde aan het gevecht, dat herhaalde
malen in een gruwelijk handgemeen ontaard was. De Russen gingen terug;
zij waren op alle punten geslagen, ja, half vernietigd. Om negen uur
begon Victor den afmarsch over de bruggen, nadat zijn soldaten zich
met geweld een weg hadden moeten breken door de gillende, jammerende
menschenmassa die zich, met voertuigen en losse paarden bont dooreen,
aan de toegangen verdrong en die den kostbaren tijd om de rivier over te
komen den vorigen dag had laten verloren gaan.

Om één uur in den nacht had de laatste afdeeling van Victors mannen
den overkant bereikt. Slechts eenige duizenden achterblijvers bevonden
zich toen nog ongewapend op den linkeroever; en den volgenden morgen om
half negen liet Eblé, die uit medelijden met al die rampzaligen met de
uitvoering van 's Keizers bevel zoo lang maar eenigszins mogelijk was
gewacht had, de bruggen in brand steken. Een uur later bestonden zij
niet meer.--Toen kwamen de kozakken met hun ijzingwekkend _hoera!_...

Op dezelfde wijze liet de Keizer handelen met de bruggen bij Zembin
door de moerassen aldaar; doch de vorst viel weer in en maakte al zijn
pogingen om zich de Russen hierdoor van het lijf te houden doelloos.
Deze naderden thans over het ijs.

Na den tocht over de Berezina kwam het Fransche leger zoo goed als
volslagen tot oplossing. Binnen drie dagen slonk het effectief der
strijdbare manschappen weg tot beneden de negenduizend. Ney voerde weer
de achterhoede aan.

Niet ver van Molodecno, den 3den December, zagen de vier Amsterdammers
Keizer Napoleon voor het laatst van hun leven. Hij droeg een pels van
marterbont en had een bonten muts op het hoofd. Zijn koets volgde op
korten afstand. Zij herkenden hem door eenige officieren, die in zijn
omgeving waren. Geen enkel »leve de Keizer" waaraan de groote veldheer
zoo gewend was, werd gehoord.

In Molodecno wisten zij eenige levensmiddelen te bekomen. Het was toen
een heldere winterdag en de koude was dragelijk. Tot hiertoe was de weg,
hoewel moeilijk, niet door een zoo talrijk aantal lijken afgeteekend
als vóór de Berezina. Deze vermindering was te danken aan Ney, die den
vijand op een afstand wist te houden, aan de meer dragelijke natuur, aan
eenige hulpbronnen die een minder verwoeste landstreek opleverde en ten
slotte aan de omstandigheid, dat het de krachtigsten waren, die de
overzijde van de Berezina hadden weten te bereiken.

De groote massa vluchtelingen had zich reeds lang verdeeld in kleine
troepen van hoogstens acht tot tien man. Verscheidene dezer beschikten
nog over een paard, dat bepakt was met hun levensmiddelen of, bij gebrek
hiervan, zelf daartoe moest dienen. Lompen, eenig keukengereedschap, een
zak en een stok, dit was de uitrusting, de bewapening van de meesten
dier ongelukkigen. In niets geleken zij meer op soldaten, zij bezaten
geen uniform, geen wapens meer; noch den wil, andere vijanden te
bestrijden dan honger en koude; het eenige wat hun nog restte was de
standvastigheid, de gewoonte om gevaren en lijden te verdragen, zoo ook
een steeds vaardigen geest om in hun toestand van alles zoo veel
mogelijk partij te trekken.

Te Smorgoni schreef de Keizer eigenhandig zijn laatste bulletin, het
29ste, en verliet daarna in den vroegen morgen zijn stervend leger.

Bezorgd, om bij een gevreesden afval der Pruisen tegengehouden te
worden, snelde hij, in een eenvoudige slede en vergezeld van slechts
weinigen, door Polen, Silezië en Saksen, naar den Rijn en verder naar
Parijs, waar hij in den nacht van den 18den December onverwachts
aankwam, twee dagen na de verschijning van zijn 29ste bulletin.

Eén reusachtig, hartverscheurend drama vormde de terugtocht van het
Groote Leger over Wilna naar den Niemen, nadat Napoleon was heengegaan.
Aan honderden, die door zijn tegenwoordigheid tot nog toe zedelijk waren
geschraagd, ontzonk thans eensklaps de moed. Velen vervloekten hem.
Anderen keurden zijn handelwijze volkomen goed. Het leger redden stond
niet meer in zijn macht; dit leger was gedoemd om onder te gaan en bij
een veldheer en een vorst als hij behoorde, meenden zij, het belang van
den staat te gaan boven het gevoel.

Van krijgstucht was echter thans geen schijn of schaduw meer. Reeds in
den nacht van Napoleons vertrek had een generaal geweigerd, om aan Murat
te gehoorzamen, en weldra nam niemand meer bevelen aan--ieder meende
verplicht te zijn, voor zichzelf te zorgen. Geen menschelijkheid, geen
verbroedering meer; de honger had alle gevoel verstompt. Zooals onder de
wilden de sterksten de zwakkeren berooven, zoo wierp men zich op zijn
stervende metgezellen, meermalen niet wachtend zelfs op hun laatsten
snik. Als een paard neerstortte, zou men gemeend hebben een troep
hyena's te zien; tal van ongelukkigen verdrongen er zich omheen, rukten
het in stukken en betwistten ze elkaar als verscheurende dieren.

En toch waren er nog enkelen, die ondanks al hun ellende, de zwaksten
beschermden en ondersteunden, doch dezen waren zeldzaam.

Den 6den December, den dag nadat Napoleon vertrokken was, werd
plotseling de koude weer feller dan ooit. Het vroor zóó hard, dat vogels
verstijfd en dood op den grond vielen. Vooral Willem had er veel onder
te lijden. Na het ijskoude bad in de Berezina was hij nooit recht gezond
meer geweest en zijn weerstandsvermogen bleek dan ook lang zoo groot
niet als van de drie anderen. Weldra kon hij geen schoenen meer dragen
omdat van zijn beide voeten de teenen waren bevroren: hij moest ze toen
vervangen door hazenvellen en oude lompen. Tot overmaat van ongeluk
kreeg hij den volgenden dag een geweerkogel in het rechterbeen; de
wond was echter niet van zoo ernstigen aard, of hij bleef dien dag
met de anderen voortsukkelen; doch onder steeds heviger pijn. Want de
vellen en lompen om zijn voeten, doorweekt met het bloed uit zijn wond,
waren spoedig bevroren. 's Avonds, bij het bivakvuur, was dan ook zijn
eerste werk, zijn voetlappen los te maken, want de pijn was in 't laatst
ondragelijk geworden.

[Illustratie: ... en ruiter en ros stortten over elkander in den
stroom.]

Hij bevond zijn teenen in een ellendigen staat; de wond in zijn been
bleek echter van weinig beteekenis. Jakob nam nu het hemd, dat hij nog
schoon in zijn ransel had, scheurde het aan strooken en verbond daar
Willems voeten mee. Dit scheen hem heel wat op te frisschen zoodat hij
er eenige rust door genoot. Den volgenden morgen echter kon hij niet
voortgaan, zonder beurtelings ondersteund te worden door de anderen; en
nog geen dag later was de ongelukkige reeds van vermoeidheid, koude en
ontbering bezweken.

Treurig en met de wanhoop in 't hart vervolgden de drie overgeblevenen
hun weg... In den dampkring was niet de minste beweging; het scheen of
alles in de natuur, zelfs de wind, door de felle koude was aangetast
en als verstijfd door een algemeenen dood. Hun volharding en
uithoudingsvermogen werden op een zware proef gesteld; nu eens zakten
zij in de sneeuw weg, dan weer bood de spiegelgladde oppervlakte geen
enkelen steun; bij iederen stap gleden zij dan uit en moesten onder
gedurig vallen voorwaarts zien te komen; het was alsof die vijandige
bodem weigerde hen te dragen, en hun weg met opzet bemoeilijkte om de
ongelukkigen over te leveren aan de nog maar altoos hen vervolgende
Russen of aan de barheid van het klimaat.

Hun oogen waren rood en ontstoken door gebrek aan slaap, door die
aanhoudende witheid van sneeuw om hen heen en den rook der bivakvuren.

Zwijgend en somber gingen de drie zwervelingen naast elkander voort;
ook om hen heen hoorden zij thans geen stemmen, geen gemor meer; in dit
rijk der dooden bewoog men zich als rampzalige schimmen voorwaarts: het
gedempt en eentonig geluid hunner schreden, het gekraak van de sneeuw
en de zwakke zuchten der stervenden, waren het eenige wat die algemeene
stilte verbrak. Nu geen toorn, geen verwenschingen meer; nauwelijks
bezat men nog de kracht, om hulp te smeeken; de meesten van hen die
niet meer verder konden vielen neer zonder kreet of klacht, hetzij uit
zwakte of uit berusting.

Moeder Jane voelde met den dag haar krachten slinken en met angst nam
zij waar, hoe ook haar zoon en hun vriend al zwakker, al magerder
werden.

En toch, geen hunner durfde rusten, zoolang hij nog maar éénigszins
voort kon gaan. Want, honderdmaal reeds hadden zij het gezien, wie
rusten gingen gaven zich over aan den dood. Nauwelijks toch waren
zij gaan zitten, of terstond greep de winter hen aan. Dan was het
te vergeefs dat die ongelukkigen, voelende dat zij verstijfden, weer
opstonden en sprakeloos, versuft en half verdoofd als automaten eenige
passen voorwaarts deden... Zij waggelden en kwamen niet meer verder; uit
hun ontstoken oogen vloeiden in werkelijkheid bloedige tranen; hun borst
stootte diepe zuchten uit; zij zagen met een verschrikten, starenden
blik naar den hemel, vervolgens naar hun makkers en naar dien bevroren
grond. Hun knieën knikten; zij zonken er op neer, daarna op hun handen;
hun hoofd maakte nog een enkele beweging terwijl uit hun open mond
eenige stervensgeluiden kwamen; eindelijk raakte ook deze de sneeuw,
die dadelijk lichtrood werd gekleurd en hun lijden was geëindigd.

Honderd maal wel hadden zij dit gezien en daarom--niet rusten, zoolang
zij nog een voet konden verzetten, maar vóórt, steeds voort, tot zij een
beschutting tegen den nacht bereikt hadden.

Want bij die ontzettende koude was ieder verloren, die den nacht niet
onder een dak doorbracht, of althans aan een bivakvuur in de luwte der
bosschen.

Meermalen reeds had ons drietal met over de honderd menschen in een
klein vertrek moeten doorbrengen. Spoedig volgde dan een ondragelijke
warmte, terwijl zij geplaagd werden door ongedierte en vuil, want in
verscheidene weken hadden zij zich niet gewasschen of verschoond; de
huid begon dan onduldbaar te jeuken, zoodat zulk een nacht moeilijker
door te brengen was dan de dagen met hun vermoeiende marschen.

O, de vreeselijkste dingen hadden onze drie zwervers al beleefd! Geen
schuur aan den weg, of soldaten en officieren, allen wilden er binnen.
Zij hoopten en drongen er zich als beesten op elkaar om eenige vuren,
en daar zij de dooden niet van den haard konden wegkrijgen, gingen zij
er op zitten, om straks misschien zelf weer tot zetel van anderen te
dienen. Of nieuwe troepen kwamen en om het bezit van de schuur werd dan
dikwerf gevochten op leven en dood.

Ja, het waren huiveringwekkende tooneelen, die het drietal soms had
bijgewoond. Op een der dorpen bijvoorbeeld, die zij waren doorgetrokken,
staken de soldaten geheele huizen van buiten in brand, enkel om zich
eenige oogenblikken te kunnen verwarmen. Door het schijnsel dezer
branden werden andere ongelukkigen aangelokt, die door de hevige koude
en de vele ontberingen tot razernij waren vervallen. Woest kwamen deze
bezetenen er op aangeloopen; tandenknersend en onder een helschen
schaterlach wierpen zij zich in den vuurpoel, waar zij onder
afschuwelijke stuiptrekkingen den dood vonden.

Zulke afgrijzelijke tooneelen had het drietal reeds beleefd. Met het
Groote Leger was het zóó ver al gekomen, dat tusschen Smorgoni en Wilna
zelfs geen achterhoede meer bestond. Zij hadden Davoust, niet ver van
Osmiana, zich persoonlijk de grootste moeite zien geven om een peloton
uit alle wapens samen te stellen, ten einde aan de kozakken, die voor de
vervolgende Russische troepen uitzwermden, nog iets te kunnen vertoonen.
Hij beloofde hun gouden bergen en eindelijk was het hem gelukt een
honderdtal bijeen te brengen in twee gelederen; doch de maarschalk had
zich nog geen 500 pas verwijderd, of alles was weer uit elkander.

In dezen staat van volkomen oplossing bereikte het vluchtende leger
eindelijk Wilna. Ongehoorde gruweltooneelen zijn ook dáár voorgevallen,
toen die benden uitgehongerde, van ellende en gebrek half waanzinnige
menschen voedsel verlangden, dat daar volop in de magazijnen was
opgehoopt, en--afgewezen werden omdat zij niet meer tot een corps
behoorden en dus niet van gewaarmerkte bons waren voorzien. Bij
gebrek aan bevelen zijn te Wilna duizenden gewonden en zieken--en
ziek waren bijna allen;--omgekomen van ellende naast magazijnen die
met levensmiddelen en kleedingstukken waren gevuld voor honderdduizend
soldaten! Eenige dagen later zouden die een buit worden voor de eveneens
half verhongerde kozakken die, voor de geregelde Russische troepen uit,
reeds den 10den December als een zwerm gieren om de stad begonnen te
zwerven.

Onze drie Amsterdammers waren reeds in den avond van den 8sten binnen de
stad gekomen. Zoo brachten zij den nacht door in een herberg en sliepen
in een warme kamer na zich voor het eerst weer met brood en zelfs met
een flesch wijn verkwikt te hebben. Hoe heerlijk was het hun, toen
zij eindelijk zich weer in een bewoonbaar huis bevonden! Wat scheen
een behoorlijk gebakken brood hun een kostelijk voedsel! Welk een
onuitputtelijk welbehagen, het te kunnen opeten, zittende op een stoel
en onder de koesterende warmte van een kachel! Het scheen hun toe, alsof
zij van het einde der wereld gekomen waren, zoodanig had die reeks van
ellenden hen uit al hun gewoonten gerukt.

Doch nauwelijks hadden zij een korten tijd van deze weldaden genoten,
toen het kanon der Russen al weer begon te bulderen. Alzoo vóórt!
rusteloos voort dus maar weer!

Met groote dagreizen, die hun krachten geheel moesten uitputten, kwamen
zij de Russische voorhoede vooruit, die het vluchtende Fransche leger,
zonder zich zelf te desorganiseeren, niet geregeld volgen kon.

Weldra kwam het drietal te Kowno. Dit was de laatste stad op Russisch
grondgebied. In den morgen van den 13den geraakten zij over den Niemen
en betraden, tusschen Wyrballe en Stallupönen, den Pruisischen bodem: Na
zes en veertig dagen onder de treurigste omstandigheden gemarcheerd te
hebben, zagen zij eindelijk een bevriend land terug.

Zonder zich op te houden, zonder achter zich te zien, trokken de meeste
hunner lotgenooten de Pruisische bosschen in, en verspreidden zich
aldaar.

Moeder Jane echter keerde zich om, teneinde nog éénmaal een blik te
werpen op het land, dat zij te nauwernood ontvlucht waren, waar zoo
véél ellende geleden was en--waar het overschot van haar oudsten jongen
rustte; tranen liepen haar langs de vermagerde wangen.

Maar ook Reinier en Jakob wierpen een laatsten blik naar dat vreeselijke
Russische land, waarin zoovelen waren achtergebleven, die het met
zooveel vreugde en trotsch waren binnengerukt.

»Kom, moeder, kom!..." zegt Jakob; het wordt hem daar op eenmaal zóó
nameloos wee, dat hij nu maar verder wil.

Doch de marketentster schijnt zich niet los te kunnen rukken van deze
plek; het is, of zij het beeld daarvan voor immer in haar geest wil
opnemen.

Dit was dan diezelfde oever, welke geschitterd had van die duizenden
bajonetten! Dit dezelfde grond die, slechts vijf maanden geleden,
op dien helderen Juli-morgen, haar had toegeschenen als veranderd in
heuvelen en dalen van bewegende menschen en paarden! Daar zag zij weer
diezelfde inzinkingen in het terrein, waar, onder een brandende zon,
de drie lange colonnes dragonders en kurassiers uit te voorschijn waren
gekomen als even zoovele stroomen van schitterend ijzer en staal!.....

En nu?...: Soldaten, wapens, adelaars, paarden,--zelfs de zon en de
rivier die de krijgers met zooveel hoop en moed waren
overgetrokken,--alles is verdwenen!

De Niemen is niet meer dan een uitgestrekte massa ijsschotsen, die door
den steeds in strengheid toegenomen winter in elkaar zijn geschoven en
vastgelegd. In plaats van de drie Fransche bruggen, die vijfhonderd
mijlen door de wakkere pontonniers waren meegevoerd en die met zulk een
stoutmoedige vaardigheid gelegd waren, bevindt er zich nu slechts een
enkele Russische brug. Van dat half millioen soldaten, die...

»Komaan", dringt zij nu zelf opeens, »laten we verder gaan!"

In Stollupönen vonden zij gelegenheid om ieder een paar warme sokken en
een paar wanten te koopen en aldus toegerust kwamen zij 's avonds om
acht uur nog te Gumbinnen.

Met hun verzwakte lichamen hadden zij in acht dagen den weg van Wilna
naar hier afgelegd, een afstand van vijf en zestig uur gaans.

Vergeefs poogden zij in Gumbinnen een onderkomen te krijgen. Toen
begaven zij zich naar het stadhuis, om een inkwartieringsbiljet. Doch
honderden van menschen verdrongen zich voor de kamer, waar de kwartieren
werden aangewezen en zij gaven den moed op, een biljet te krijgen.
Doodelijk vermoeid als zij waren, wilden zij nu in het stadhuis hier of
daar maar een hoekje opzoeken om den nacht door te brengen. De deuren
van het ruime gebouw waren gesloten, doch één deur ging open en zij
zagen een paar heeren aan lessenaars werkzaam. Jakob trad nu naar voren
en zei, in het beetje Duitsch dat hij indertijd in Pruisen had opgedaan:
»Mijne heeren, wij zijn ongelukkige Hollanders, twee ritmeesters en een
marketentster, die verschrikkelijk veel geleden hebben. Vergun ons,
dezen nacht aan uw heerlijk warme kachel door te brengen."

Deze woorden gaven aanleiding tot een lang gesprek, waarin onze
zwervelingen aan die menschen, in een mengelmoes van Fransch en Duitsch,
hun ongelukken verhaalden.

Het gevolg daarvan was, dat een der heeren hen in zijn huis nam, hoewel
het overvol van inkwartiering was. Hij verstrekte hun een matras, ja,
den volgenden morgen bezorgde hij hun zelfs een volledige verschooning.
Niets was het drietal aangenamer, dan zich het lichaam weer eens goed te
reinigen.

Gesterkt door deze vriendelijke behandeling en hartelijk dank betuigend
aan hun braven gastheer namen zij afscheid.

Een weinig later het stadhuis passeerend, wenkte hun een kolonel die hen
herkende en die daar juist op dat oogenblik een uitbetaling van eenige
soldij aan de officieren deed. Jakob en Reinier ontvingen ieder
driehonderd francs.

Den 18den December bereikte het drietal Koningsbergen waar zij, van
al hun vermoeienissen en ellenden nu eindelijk eens heerlijk dachten
te bekomen. De winter, die hen tot daar had vervolgd, verliet hen
eensklaps; in één nacht steeg de thermometer twintig graden. Die
plotselinge overgang was velen noodlottig. Een aantal soldaten en
generaals, die zich tot nog toe op de been gehouden hadden, verslapten
eensklaps en geraakten tot verval van krachten. Velen bezweken. Iederen
dag, ieder uur ontstelde men op het vernemen van nieuwe verliezen.

Ook voor onze Hollandsche zwervelingen werd die plotselinge overgang van
temperatuur noodlottig. Den volgenden morgen reeds lagen zij alle drie
doodziek in het hospitaal.



Vijftiende Hoofdstuk.

Weer thuis.


Sedert Napoleon met zijn machtig leger Rusland binnengetrokken was,
vernam men te Amsterdam herhaaldelijk het gedreun van een en twintig
achtereenvolgende kanonschoten.

»Alweer een overwinning!" riepen Bert en Bruno dan en zij snelden naar
de Doelenstraat, waar zij wisten, dat geregeld het nieuwste
oorlogsbulletin werd aangeplakt.

Maar hun moeder zuchtte: »Onze arme Reinier!... Misschien heeft hem die
overwinning wel het leven gekost... Of mogelijk is hij zwaar gewond...
Ach wie weet, wat er van onzen armen jongen en zijn vriend en van die
wakkere vrouw Stargardt geworden is!..."

Zoo ging het geregeld bij ieder overwinningsbericht en geregeld ook
poogde mijnheer Vermaat haar dan te troosten, zeggend, »dat zij toch
niet altoos het ergste mocht onderstellen. Hun zoon kon immers net zoo
goed bevòrderd zijn ook; al die gesneuvelden moesten toch weer aangevuld
worden!..."

In het _Dagblad_ dat hij nog altijd las, werden Napoleons overwinningen
nog breeder uitgemeten dan in de bulletins; maar--nooit kwamen er
brieven uit het leger en dat moest zelfs de luchthartigsten wel ongerust
maken.

Half September vernam men te Amsterdam des Keizers groote overwinning
bij de Moskowa, gelijk Napoleon zelf den slag bij Borodino genoemd had.
Verheugd kwam mijnheer Vermaat er mee thuis: »Nu zal het vrede worden...
nu is de oorlog gedaan!... Reinier loopt nu geen gevaar meer te
sneuvelen!..."

Maar zijn vrouw werd er niet opgewekter door. »Och kom," zei ze, »als
Rusland veroverd is komt er wel gauw weer een ander land aan de beurt...
De wereld is nog zoo groot, lieve man!... En de Keizer zal niet te
vreden zijn, voor hij de heele wereld in zijn macht heeft..."

Acht dagen later wist men in de hoofdstad, dat het Fransche leger te
Moscou was, en er waren er die meenden, dat nu de drukkende belastingen
toch wel spoedig wat zouden verminderen. Van wege den grooten buit
natuurlijk, want Moscou, zeiden ze, was de rijkste stad van Rusland.

Maar het duurde niet lang of daar ging het gerucht, dat de Russen zelf
Moscou in brand hadden gestoken als was het een wespennest, en dat het
Fransche leger, om niet van honger te sterven, den terugtocht naar Polen
moest aanvangen.

Toch gingen de bulletins en dagbladen maar voort, het volk met
leugenachtige berichten omtrent het leger te misleiden.

En middelerwijl was reeds de winter gekomen, een winter, zoo streng,
als niemand heugde. Wie niet geregeld door stookte, zat te rillen in
zijn kamer.

»Arme soldaten, daar in dat barre Polen!" zei de barbier, toen hij op
een morgen bij mijnheer Vermaat binnenkwam.--Het was de 22ste December,
twee dagen nadat Napoleon als een geslagen vluchteling in de Fransche
hoofdstad was teruggekeerd.--

»Arme soldaten!" herhaalde de barbier, zijn groene wanten uittrekkend en
zich de verkleumde handen wrijvend. »Want _wij_ klagen al over de kou,
maar hoe koud zal het dáár nu wel zijn!"

»Nu, dat moet nog al meevallen," zei mijnheer Vermaat. »In het _Dagblad_
las ik ten minste, gisteravond, dat wij ons hier te lande over het
algemeen een veel te buitensporig denkbeeld van zoo'n Poolschen winter
maken, maar dat wij, wat dàt betreft, over onze vrienden en verwanten
bij het leger niet zoo ongerust behoeven te zijn."

Hij nam de courant van tafel en, het blad open vouwend vervolgde hij:
»_Hier_ bijvoorbeeld staat: _De koude is er zelden vinniger dan in
Holland, ja, verkieslijker zelfs, omdat zij geen vorst of regen
aanbrengt. Onze soldaten kunnen zich gemakkelijk daartegen beschutten.
Zij verdragen de koude even goed als de Polen en Russen, en de
winterkwartieren zijn te aangenamer, daar overal ontzaggelijke
magazijnen zijn opgericht, waarin alle voorwerpen aanwezig zijn, die
een groot leger van nut kunnen wezen. En evenzoo is er overvloed van
levensmiddelen._

Dat ziet er dus heusch zoo bedenkelijk nog niet uit!"

De barbier haalde de schouders op. Trouwens, mijnheer Vermaat geloofde
zelf maar half, wat hij las en zei; maar hij hoopte dat zijn vrouw, die
juist warm water in het bekken goot, het zou gelooven.

Onder het scheren hadden beide mannen het druk over het andere
legernieuws; want hetzelfde nummer van het »_Dagblad_" deelde
»_nouvelles_" over den Keizer mee van den 3den December, waarin breed,
ja zelfs tot vier malen, werd gepraald met »de overwinning die den
28sten November bij den overtocht van de Berezina behaald was." Het
gevecht was--volgens het nieuwsblad--»door de luisterrijkste gevolgen
bekroond geworden." De Russische legers (eenvoudig corpsen genoemd)
waren deerlijk gehavend. Men had 9000 à 10.000 krijgsgevangenen gemaakt
en tien stukken geschut en zes standaards veroverd.

Doch hoe zeer mijnheer Vermaat zichzelf dit alles ook als waarheid
poogde op te dringen, wijl hij zoo gaarne aan den welstand van het
Groote Leger gelóófde, slechts enkele dagen later had ook hij geen hoop
meer.

's Morgens door de Doelenstraat gaande, had hij, niet ver van het huis
waarin mijnheer De Celles woonde, wel meer dan honderd menschen op een
hoop zien staan. Zij stonden met bleeke gezichten en uitgerekten hals
naar een groot aanplakbiljet te staren, dat alleen de voorsten lezen
konden. Het was het beruchte 29ste bulletin, waarin Napoleon vertelde,
dat de paarden gedurende den terugtocht alle nachten bij duizenden
stierven.

Van de menschen zei hij niets!...

Mijnheer Vermaat, die tot de voorste rijen had weten door te dringen,
las het papier met klimmende ontroering. Maar toen hij aan dat gedeelte
kwam:--»Onze kavalerie was zoodanig geslonken, dat men de officieren,
die nog een paard hadden overgehouden, heeft moeten vereenigen, ten
einde er vier compagnieën van te formeeren, elke compagnie van honderd
vijftig man. De generaals vervulden er de functiën van kapiteins, de
kolonels die van onderofficieren,"--toen hij dàt gedeelte las, hetwelk
over de ellende van het Groote Leger méér zei dan al het overige, toen
klemde hij de bleeke lippen krampachtig op elkaar om niet luide den man
te vervloeken, van wien het biljet, bij wijze van troost, aan het slot
nog meldde: »Nooit is de gezondheid van Zijne Majesteit beter geweest."

Om hem heen hoorde hij jammerkreten en gekerm van vrouwen, met een
doffen ondergrond van somber mompelende mannenstemmen. Diep geschokt
gingen allen naar huis; maar weer anderen kwamen en het smartbetoon
herhaalde zich; en dat duurde zoo tot den avond door. Heel Amsterdam,
geheel het Vaderland kwam in een toestand van moedelooze droefenis door
het bericht van de onmetelijke ramp der Groote Armee. Men treurde niet
enkel om verwanten en vrienden die men reeds omgekomen waande, maar was
te gelijk vol angst voor de nog achtergeblevenen. Want ieder begreep
wel, dat het overschot van het leger zoo spoedig mogelijk zou aangevuld
worden.

Te midden van de algemeene verslagenheid zagen echter eenige uitstekende
Nederlanders in, dat het, na dien noodlottigen tocht naar Rusland, niet
meer tot het gebied der onmogelijkheden hoefde te behooren, het
Vaderland eens van de overheersching der Franschen te bevrijden.
Zóó dachten Johan Melchior Kemper, hoogleeraar in de rechten te
Leiden, en Anton Reinhard Falck, die, na onder Koning Lodewijk hooge
staatsbetrekkingen bekleed te hebben, eenigen tijd, als verdacht bij
de keizerlijke politie, buiten 's lands was geweest, maar sedert 1812
de betrekking van kapitein bij een afdeeling der nationale garde te
Amsterdam op zich genomen had. Zij kwamen met elkander overeen, naar
vermogen partij te trekken van de omstandigheden, tot herstelling van
de nationale onafhankelijkheid. Hun staatkundige beginselen waren: een
getemperde oppermacht van het Huis van Oranje en vernietiging der oude
partijschappen.

Te zelfder tijd begonnen in Den Haag Van Hogendorp, die met het oog op
een mogelijke bevrijding reeds de schets van een grondwet had opgesteld,
Van der Duyn van Maasdam, de graaf Van Limburg Stirum en nog drie
anderen met datzelfde doel geheime bijeenkomsten te houden. Hoewel in
geen onmiddellijke betrekking tot het Haagsche zestal staande, waren
Kemper en Falck toch niet onbekend met hetgeen dat zestal wilde.

Doch vooreerst scheen er van bevrijding nog geen sprake, want weer zoo
rusteloos als ooit te voren was Napoleon bezig, Frankrijks strijdmacht
te herstellen. Zoo bepaalde hij reeds bij een decreet van den 24sten
Januari 1813, dat de conscriptie dat jaar verscheidene maanden vervroegd
zou worden. Vervolgens liet hij de lotelingen van 1809 tot 1812, die
nog niet gediend hadden, onder de wapenen roepen. Voorts werden uit
Spanje regimenten ontboden die, met de soldaten en kaders uit Rusland
teruggekeerd, bestemd werden om het jonge personeel te onderwijzen en de
kern te vormen voor nieuwe afdeelingen. Eindelijk moest onder de wapenen
komen--de lichting van 1814! Niet veel meer dan knapen dus nog.

»Nu nemen ze letterlijk alles, van huisvaders tot kinderen!" zuchtte het
onderdrukte volk. »Straks zullen ook nog de kreupelen, bijzienden en
halflammen den Keizer moeten dienen!"

En waarlijk, daar begon het spoedig veel op te lijken. Reeds in 't
vorige jaar toch had Napoleon bevel gegeven tot het oprichten eener
Nationale garde (schutterij) verdeeld in twee bans. De eerste ban
was verdeeld in cohorten en mobile nationale gardes: hij bestond uit
80.000 jongelingen die, òf vrijgeloot waren, òf vrijstelling wegens
broederdienst hadden gekregen, òf door geringe lichaamsgebreken niet in
de conscriptie waren gevallen. Beide bans zouden echter nooit, volgens
een Keizerlijk decreet, in het veld worden gebruikt.

Napoleon bekommerde zich evenwel thans weinig om dat vroeger besluit en
bepaalde, dat zij zich met het leger te velde zouden vereenigen. Ja, er
kwam zelfs nog een oproeping van een derden ban, bestaande uit mannen
die reeds jaren gehuwd waren, plaatsvervangers hadden gesteld, of om
andere gewichtige redenen vrijstelling hadden bekomen.

Door deze verschillende maatregelen, berekende de Keizer, zouden alle
gaten weer gestopt wezen en het leger zelfs nog grooter dan vóór den
Russischen veldtocht zijn.

Het uittrekken van de 80.000 man cohorten had plaats onder groote
weerspannigheid, maar ook de opschrijving voor den krijgsdienst
veroorzaakte op sommige plaatsen vreeselijke opschuddingen. Te
Oud-Beierland bijvoorbeeld moest de prefect zelf overkomen om de
lichting te bewerkstelligen met behulp van de gewapende macht, waarbij
de opstand in het bloed van een aantal boeren werd gesmoord.

Van gelijke gevolgen was het verzet, dat zich half April in Rijnland
openbaarde, toen de Fransche autoriteiten de gehuwden voor den tweeden
ban begonnen op te schrijven. De anders zoo vreedzame huislieden stonden
in een oogenblik van wanhoop op en verscheurden de lijsten der
krijgsopschrijvingen, waarna ruim twintig personen werden gekerkerd.

Aan de Zaanstreek, in Delfland en het Westland ging het desgelijks en
met hetzelfde gevolg. In het geheel werden vijftien landgenooten, bij
deze woeligen betrokken, ter dood gebracht, terwijl vele anderen tot
dwangarbeid, gevangenisstraf en verbanning werden veroordeeld.

Duidelijk echter had men gezien, hoe onder den algemeenen druk
zoowel de Patriotten als de Oranjegezinden snakten naar vrijheid en
onafhankelijkheid. Er scheen geen twijfel, of de vrijheidskreet zou
weerklank vinden, zoo die slechts door mannen van achting en aanzien
met kracht en vastberadenheid werd geuit. Om nu den lust tot opstand bij
de Nederlanders voor goed te onderdrukken richtte Napoleon een _garde
d'honneur_ op, bestaande uit jongelingen van de aanzienlijkste familiën,
die hun kostbare uitrusting zelf moesten betalen en hem in náám als
eerewacht, in werkelijkheid als gijzelaars moesten vergezellen. De
aanneming tot deze garde werd als een gunst voorgesteld, wat niet
wegnam dat vooral in Amsterdam De Celles meestal dwang moest aanwenden,
om de jongelieden van het keizerlijk gunstbewijs gebruik te doen maken.
Het gebeurde zelfs wel, dat er voor eenige der gepreste jongelingen,
bloedverwanten van gelijken stand en leeftijd zich als plaatsvervangers
aanboden.

»U is wel vriendelijk, mijnheer," antwoordde De Celles dan met
hatelijken spot, »om zóó onze wenschen te voorkomen en de eer te
erkennen, die 's Keizers decreet van 5 April u vergunt. Inderdaad,
het was te wenschen, dat àllen zoo dachten!" En dan werden beiden,
de gepreste en die hem wilde vervangen, in dienst gesteld.

Onder al die kwellingen wachtte men hier te lande met angstige spanning
den loop der gebeurtenissen in Duitschland af. Tegen de gezamenlijke
legers van Rusland, Pruisen en Zweden,--waar later dat van Oostenrijk
nog bij kwam,--streed Napoleon met afwisselend geluk, doch de bulletins
en dagbladen vermeldden weer de eene overwinning na de andere.

Bert en Bruno hadden thuis al zoo vaak gehoord, hoe onbetrouwbaar die
berichten waren, dat zij in hun jongenswijsheid meenden, de menschen
daarvoor toch eens te moeten waarschuwen.

En toen er nu weer zoo'n biljet was aangeplakt, slopen de onnadenkende
bengels naar hun zolderkamertje, namen een vel papier en, na oneindig
veel hoofdbrekens, verscheen daar eindelijk een achtregelig versje op.

Het toeval wilde, dat zij 's avonds voor hun vader een boodschap moesten
doen. Stilletjes liepen zij nu naar de Doelenstraat en terwijl Bert
op den uitkijk ging staan of er geen onraad kwam, plakte Bruno hun
rijmprodukt vlak onder het bulletin van mijnheer De Celles. Grinnekend
van pleizier gingen zij daarop weer naar huis.

De menschen die den volgenden morgen door de Doelenstraat kwamen, hadden
niet weinig schik toen ze daar, onder het bulletin dat met zooveel ophef
een nieuwe overwinning van den Keizer meldde, ter inlichting lazen:

    't Is louter kool en Fransche wind
    Al wat men hier van 't leger vindt,
    Wie nog de bulletins gelooft,
    Is zeker toch niet wel bij 't hoofd;
    Napoleon, die menschenplaag,
    Krijgt tegenwoordig telkens slaag;
    Ja, als dat zoo nog voort blijft gaan
    Dan is zijn macht gauw naar de maan.

't Werd spoedig een heel oploopje, daar in de Doelenstraat; elk wilde
met eigen oogen dat versje lezen waar zoo druk over gesproken werd; men
duwde en drong elkander om er bij te komen. Dat duurde zoo voort tot
opeens die hatelijke gendarme Jean Malon verscheen en nijdig het
rijmprodukt van Bert en Bruno afscheurde. Gelukkig voor de deugnieten
had hun streek geen noodlottige gevolgen, en zij verheugden zich, de
menschen, naar zij meenden, nu toch eens wat beter te hebben ingelicht
dan die bulletins altoos deden.

In werkelijkheid echter voerde Napoleon den krijg aanvankelijk niet
ongelukkig. Den 2den Mei behaalde hij bij Lützen een overwinning,
welke den 23sten door een tweede, bij Bautzen, gevolgd werd. Zijn
veldmaarschalken Oudinot, Macdonald en Ney waren echter minder
voorspoedig. Na een wapenstilstand van twee maanden werden hun legers in
Augustus en September achtereenvolgens verslagen en eindelijk stond de
Fransche Keizer,--die eerst nog een schitterende zege te Dresden had
behaald,--met slechts 170.000 man tegenover 300.000 van de bondgenooten,
in de vlakten bij Leipzig. De bloedige veldslag die hier geleverd werd
en van den 16den tot den 19den October duurde, viel ten nadeele van
Napoleon uit. De eens zoo machtige Keizer was zelfs genoodzaakt, zich in
Frankrijk terug te trekken en de geallieerden rukten voort tot aan den
Rijn.

Groot was de schrik en ontsteltenis der Fransche ambtenaren hier te
lande, toen de uitslag van dezen strijd in Holland bekend werd, grooter
evenwel de blijdschap van het zoo lang onderdrukte Nederlandsche volk.

Het Haagsche zestal meende nu een stap verder te kunnen gaan en zich de
medewerking van een aantal personen uit de gezeten standen der
maatschappij te moeten verzekeren. Daartoe stelde ieder van hen zich in
betrekking met vier personen, die, zonder elkaar te kennen, zich
verplichtten om op het eerste teeken gereed te zijn en naar het
ontvangen bevel te handelen. Deze vier kozen weer vier anderen, en op
die wijze konden de zes weldra op 400 personen rekenen. Ten einde de
nasporingen der Franschen te ontgaan werd niets op schrift gesteld. Tot
deze voorbereidende maatregelen beperkte men zich vooreerst: het uur om
te handelen scheen nog niet aangebroken.

Anders dacht het volk te Amsterdam er over.

Op de nadering der Pruisen en der Russen bracht het eene beurtschip na
het andere vluchtende Fransche ambtenaren en douanen uit de steden in
het Noordoosten van ons land, naar Amsterdam, waar hun vervoer met
wagens en schuiten naar het Zuiden dag en nacht werd voortgezet. De
diligences naar Antwerpen, Brussel en Parijs waren tot stikkens gevuld
met vertrekkenden, en het inpakken van goederen in de hotels der
hoofdambtenaren, ja zelfs op het Paleis, duidde aan, hoe zij die
achterbleven voorzagen, dat het wellicht spoedig ook hun beurt zou
worden. Amsterdam's burgerij begon onder het zien van al die bedrijven
met den dag vrijmoediger te worden. De vrees voor de politie had reeds
een einde: reeds Zaterdag den 13den begroetten de burgers elkaar op
straat met de levendigste vreugde en wenschten elkander, zonder omwegen,
geluk met de naderende bevrijding. Zondagavond nam de blijdschap nog
toe, bij het gerucht dat zeventien schuiten aan de Berebijt gereed
lagen om de 800 man van het strafbataillon, naar Utrecht te vervoeren.
Duizenden liepen naar den Amstel en toefden er tot omstreeks
middernacht, toen ze werkelijk de schuiten, opgepropt met Fransche
manschappen, zagen afvaren. Ook de gewapende douanen trokken nog dien
avond af, onder het gejuich en gejouw der menigte.

Den volgenden morgen kwam een buurman de familie Vermaat met een
stralend gezicht vertellen, dat generaal Molitor met zijn 1600 man 's
nachts in alle stilte naar Utrecht was gegaan. »En nu is 't Oranje boven
in de stad!" vervolgde de man opgewonden. »Aan den Zandhoek, hoor ik,
staat al een Oranjeboom en daar dansen jonge meisjes in 't wit om heen,
dat het een liefhebberij is! En de garen- en lintwinkel op de Leidsche
straat hing vol met Oranje lint! Maar die werd binnen een half uur al
leeg verkocht! Eindelijk is het dan toch Oranjeboven!"

»Ei kom," zei mijnheer Vermaat, »ik kan het nog maar slecht gelooven."
En hij stond op, om naar zijn kantoor te gaan; want na lang tobben had
hij eindelijk een baantje gevonden, dat redelijk wel betaald werd.

[Illustratie: Een oogenblik later sloegen de vlammen het houten
gebouwtje reeds uit.]

»Niet gelóóven? Maar, luister dan!... Daar hoor ik juist een troep
aankomen... Nu zult u toch zeker niet meer twijfelen!"

Allen stormden naar de stoep! En daar zagen zij een veertig of vijftig
mannen, vrouwen en kinderen, met Oranje versierd, die liepen te zingen:
»_Al is ons Prinsje nog zoo klein_," terwijl ze tusschenbeide luidkeels
schreeuwden: »De Franschen zijn weg, de Franschen zijn weg! Oranje
boven!"

Het zingen klonk valsch en het roepen was ruw, maar toch werden allen er
van ontroerd.

»Tjonge, tjonge! Als ze maar niet te gauw roepen," zei mijnheer Vermaat.
»Het heele Fransche bestuur is er toch nog en als dat maar even naar
Utrecht seint... Hei, jongens! waar wou jullie heen?"

»We mogen toch wel eens kijken, hé vader?" vroeg Bert.

»Als jullie in 's hemelsnaam toch maar voorzichtig bent!" zei moeder
bezorgd.

»Zeker, zeker!" riepen Bert en Bruno, die dit maar voor een verlof
hielden. En wèg waren ze reeds.

Eerst gingen ze door de Kalverstraat. Daar bleek me wat aan de hand! 't
Was er een gejoel en gedruisch, dat de jongens hun eigen woorden haast
niet konden verstaan! De straat zag zwart van de voetgangers en alle
koffiehuizen zaten vol met lachend-pratende menschen, die openlijk op
het vertrek der Franschen en de verlossing van Nederland dronken, zich
in 't minst niet meer bekommerend om betaalde spionnen.

Met moeite kwamen Bert en Bruno op den Dam. Ook hier was het volk reeds
op de been, ook hier klonk herhaaldelijk de vroolijke kreet: _Oranje
boven!_--en af en toe begon men daar reeds tusschen te roepen: _Weg met
de Franschen!_--en wel zóó krachtig en luid, dat mijnheer Le Brun, op
het Paleis, het stellig duidelijk hooren moest.

Toen de beide jongens aan het eind van het Damrak gekomen waren, riep
Bert opeens: »Kijk Ep de Breukelaar, wat gaat _die_ nu toch beginnen?"

»'t Is, of hij iemand uit het water redden wil. Hij trekt ten minste
zijn buis al uit!" zei Bruno.

Maar toen zagen zij, dat hij een Oranjevlag te voorschijn haalde en
ontplooide.

»Ja, menschen," zei hij tegen de omstanders, »al zes weken achter elkaar
heb ik die onder mijn kleeren gedragen! Maar nou, Goddank, behoeft dat
toch niet langer!"

Onmiddellijk waren vier wakkere maats gereed om hem te helpen. En dra
stond, aan een hooge steng, het dundoek op de Zuidwestzijde der Nieuwe
Brug, ter plaatse waar Y en Amstel elkander ontmoeten.

Zoo wapperde dan nu voor het eerst weer de Oranjevlag in Neerland's
hoofdstad en met daverend hoezee-gejuich werd zij begroet. Binnen
weinige minuten hadden al de omstanders zich met Oranje getooid, hing
Oranjelint te koop in tallooze winkels, wier eigenaars tot nog toe
geaarzeld hadden, en nog geen uur daarna versierde die kleur de dichte
volksmassa's, die juichten en jubelden in alle buurten der groote stad.

De honger dreef Bert en Bruno eindelijk naar huis, maar na den maaltijd
gingen zij onmiddellijk de straat weer op, om te zien wat daar verder
voorviel.

Op de Botermarkt[6] zagen zij een dichte volkshoop voor de hoofdwacht
der Nationale garden saamgestroomd, die reeds vrij rumoerig bleek.
Kolonel Van Brienen, die er het bevel voerde, sprak de menigte echter
met warmte en waardigheid toe en vermaande haar, zich van baldadigheid
te onthouden.

[6] Het Rembrandtsplein.

»Leve Kolonel van Brienen!" was het honderdvoudig antwoord en dansend en
springend ging het volk heen, onder het zingen van het lied:

    Nu zijn de Franschen van den vloer, Hoezee!
    Prins Willem komt nu aan het roer, Hoezee!
    Nu dansen wij weer hand aan hand
    Voor 't oude, lieve vaderland.
    't Is Oranje, 't blijft Oranje, toch Oranje boven!

't Bleek allerwege vroolijkheid; op de pleinen, op de sluizen, overal
waar maar plaats was, zag men dansende troepjes en wie er aankwam, werd
juichend in den kring getrokken en moest meedansen. Bert en Bruno hadden
het zeker wel vijftig maal gedaan en nóg waren zij de pret niet moe.

Tegen den avond bevonden zij zich op het Droogbak, waar groote
volkshoopen, joelend en schreeuwend, en met stokken gewapend, zich op
dat oogenblik te zamen dromden.

»Zouden we nu toch niet eens naar huis gaan?" vroeg Bruno.

»Ja," zei Bert, »moeder mocht ongerust worden, als we nog langer
bleven."

Maar juist toen ze heen zouden gaan gebeurde er iets, dat hen tot
blijven noopte. Bij het volk, door de Fransche tolbeambten en commiesen
zoo vaak gekneveld en uitgebuit, ging eindelijk de behoefte aan wraak
zich in daden uiten.

»Daar hèb je zoo'n afzetterskrot!" zei de ballastschipper »Kees draai
me een loer," en hij schopte verachtelijk tegen de houten barak der
douanen, die daar stond.

Een sleeper spuwde er tegen.

»Laten we de keet omver halen!" schreeuwde een knuistige varensgast.

»Neen, in brand steken!" riep een sjouwerman.

Dat vond gretig bijval; verscheidene mannen, schippers en sjouwerlui,
beijverden zich om lichtbrandbare stoffen bijeen te sleepen.

»Vuur, hier heb jullie vuur, menschen!" krijschte van verre een schrale
oude-vrouwenstem. Bedrijvig kwam een schonkerig, kromgegroeid bestje met
een glimmende kool in een stooftest aangejacht.

De tongpunt stak tusschen haar verwelkte paarse lippen en de geslonken
borst hijgde piepend onder de inspanning waarmee het krom
geraamte-lijfje zich voorwaarts repte.

»Hier, menschen, hier; ik zal je helpen!" gorgelde het niettemin uit
haar dorre keel in schrale, kort-uitgehijgde snerp-geluidjes.

»Hoezee!" brulden de kerels en »Kees draai me een loer," de test
aannemend, klopte het menschje op den rechter schouderschonk en zei:
»Bedankt, ouwe! Nou mag je zoo meteen je eens lekker warmen, voor je
moeite!"

De lichtontbrandbare stoffen vatten dadelijk vuur en een oogenblik later
sloegen de vlammen het houten gebouwtje reeds uit. Een luid
triomfgeschreeuw ging uit de menigte op en afschuwelijk schril klonk de
lach der oude, die het vuur geleverd had; het magere, kromme lijfje
schokte; en haar krukje stampte zij op en neer, onder die
weerzinwekkende uitbarsting van haar wraakgenot.

De zucht tot brandstichten werd aanstekelijk; kerels en wijven zochten
halfverbrande stukken hout te bemachtigen en snelden er mee weg, om een
volgend octrooihuisje aan te steken. Er stonden er meer dan twintig,
daar aan den Buitenkant. En binnen het uur stegen, op een lengte van
ongeveer een Hollandsche mijl, uit al die verblijven der gehate douanen
de vlammen ten hemel, zoodat men in Waterland en aan de Zaan meende, dat
half Amsterdam in brand stond.

Drie personen, die pas met de Harlinger beurtschuit aangekomen waren,
stonden met ernstige verbazing het woeste schouwspel aan te zien.

Nauwelijks echter had Bert het drietal bespeurd of hij gaf zijn broer
een bof in den rug van blijde verrassing en riep: »O, Bruno!--Daar heb
je Reinier!"

»En Jakob Stargardt met zijn moeder!" schreeuwde Bruno verrukt. Want in
't zelfde oogenblik had ook hij het drietal in 't oog. Als dol draafden
de jongens nu hun broer en de beide Stargardts te gemoet, niet achtend
de stompen en verwenschingen die hun deel werden, waar zij, zich door de
menigte spoedend, er een op de teenen trapten of tegen het lijf boften.

»En waar zijn vader en moeder?" vroeg Reinier, onmiddellijk na de
allerhartelijkste begroeting. Want hij kon natuurlijk niet denken, dat
de knapen, geheel alleen, zoo laat nog aan den Buitenkant zouden zijn.

Bert en Bruno bekenden met schaamte, dat zij eigenlijk lang reeds thuis
behoorden te wezen, maar zich, door het willen bijwonen van de
verbranding der douanenhuisjes, zoo schandelijk verlaat hadden.

»Allo, dan met spoed mee naar huis!" zei Reinier, »want vader en moeder
zullen doodelijk ongerust over jullie zijn!"

Maar van dien spoed kwam vooreerst niet veel, want opeens riep Bert:
»Daar komt de patrouille van de garde-te-paard! Nu zal 't er spannen!
Wisten we maar een goed heenkomen!"

»Hm! ze rijden nog al zacht," zei Jakob Stargardt. »Het beste zal wezen,
dat we maar met den stroom mee gaan."

Inderdaad, de patrouille, allen Hollandsche lotelingen--waaruit trouwens
de geheele garde was samengesteld--reed langzaam met ontbloote sabels,
door de menigte. Geen paard lieten zij springen, geen sabel werd tot
slaan gebruikt; statig reden zij voort. Hier en daar moesten zij
ophouden. »Hei mannen!" riep het volk, »jullie bent net zoo goed
Hollandsche jongens als wij! Zou je dan niet ereis op de gezondheid
van den prins willen drinken!" en dan werden hun glazen bij glazen
toegereikt en spelde men hun groote oranjestrikken op de witte mantels,
terwijl de meesten van hen mooi dronken in de kazerne terugkeerden.

»Hé, Vermaat!" riep een man, Reinier herkennend, »ben je waarachtig de
ellende ontkomen?" 't Was een vroegere klant van zijn vader, die menig
pondje tabak uit den winkel gehaald had.--»Nou, wat zeg je er van?" ging
hij voort: »Een prachtig vuurwerk, hè?"

»Dom genoeg," zei Reinier. »Als meneer De Celles het morgen naar Utrecht
seint, wat hier aan de hand is, dan kan generaal Molitor met zijn volk
weer gauw genoeg in Amsterdam terug wezen. En dan..."

»Waarachtig! hij heeft gelijk!" riep »Kees draai me een loer." En toen
tot het volk: »Komt jongens! We moeten naar de Weesperpoort, om de
telegraaf te vernielen! Anders brengt die stille verklikker het naar
Molitor of misschien wel naar Parijs over, dat we hier van avond een
pretje hebben!"

»Ja, ja! Naar de telegraaf!" schreeuwde de menigte en een dichte drom
bewoog zich nu in de richting van het Weesperplein. Heel dien nacht
bleef het volk op de been en terwijl het bij gansche troepen, zingend
en joelend, zich door de straten bewoog en overal de Fransche
wapenborden afrukte en vernielde, zaten mijnheer Vermaat en zijn vrouw
met betraande oogen te luisteren naar het lijdensverhaal der drie
zwervelingen.--O, hoe ànders bleek die ontzettende terugtocht te zijn
geweest, dan de bluffende bulletins en de leugenachtige dagbladen
verteld hadden!--En eindelijk, toen reeds alles geleden scheen, wat
vreeselijke dagen toen nog, daar in dat hospitaal te Koningsbergen!
Maanden lang hadden zij er gelegen in worsteling met den dood, maar hun
sterk gestel had toch ten slotte gezegevierd. Doch toen zij het ten
laatste verlieten, waren het Duitsche in plaats van Fransche dokters,
die hen hersteld verklaarden. Want heel Pruisen, enkele vestingen
uitgezonderd, bleek van Franschen te zijn bevrijd. Reinier en Jakob
behoefden dus niet bang te zijn, opnieuw bij het Fransche leger te
worden ingelijfd, tenzij ze dat zelf gewenscht hadden. Zij besloten
toen, de kans af te wachten, weer veilig naar het Vaderland terug te
kunnen keeren en zoo waren zij dan nu eindelijk weer in Amsterdam.

Aanvankelijk meenden moeder Jane en haar zoon, voorloopig in een herberg
hun intrek te nemen, doch de Vermaats wisten te bewerken, dat zij net
zoo lang van hun gastvrijheid zouden gebruik maken, tot zij een
geschikte woning hadden gehuurd.



Zestiende Hoofdstuk.

Oranje boven!


Den volgenden dag mochten Bert en Bruno, tot straf voor hun laat thuis
komen, de deur niet uit. Reinier en Jakob gingen echter de stad in,
benieuwd naar het verder beloop der gebeurtenissen.

Op straat bleek het veel rumoeriger nog dan daags te voren. Al dadelijk
ontmoetten zij een bende woestelingen, aangevoerd door kerels met
knuppels, terwijl de hoofdman een knuppel droeg, geheel met oranjelinten
versierd. Daarachter kwamen een aantal jonge kerels van het gemeenste
rapalje, met witpapieren strooken om hun hoeden, waarop in plompe
cijfers het nummer stond, dat hun in de loting voor de conscriptie was
te beurt gevallen.--»Hier heb jelui nog verzwegen conscrits! Hier bennen
jongens, die derlui verzwegen hebben!" gilde en brulde, met gloeiende
koppen en puilende oogen, de woeste troep.

»Nou naar de Doelenstraat!" schreeuwde de aanvoerder.

»Ja, naar de Doelenstraat!" tierde de bende. »Dan zullen wij dien schelm
van een De Celles uit zijn huis halen!"

»En hem ophangen in de post van zijn deur!" voegde de hoofdman er aan
toe.

»Ik ga mee!" riep een smidsgezel, die 't hoorde, terwijl hij haastig een
hamer en een grooten spijker greep. Een slager hield triomfantelijk een
stuk touw omhoog en sloot zich insgelijks aan bij de moordlustige bende.

»Maar De Celles is al weg," zei er een, die tot nog toe vergeefs gepoogd
had, zich verstaanbaar te maken. »Hij is van morgen met meneer Le Brun
naar Utrecht afgetrokken."

»Hij is niet weg!" verzekerde de aanvoerder. »Hij lijdt aan 't pootje.
Ik weet secuur, dat de schelm nog niet weg is! En hij zal er aan
gelooven, de hond!"

»Drommels, dat loopt verkeerd," zegt Reinier. »Als het volk zóó gaat
beginnen, waar zal dan het einde zijn!"

Maar Jakob antwoordde niet. Hij dacht aan alles, wat hij en zijn
familie reeds door dien man geleden hadden en hij smaakte een oogenblik
een wreedaardig genoegen bij het vooruitzicht, dat ~nú~ het uur der
vergelding bleek aangebroken, dat ~nu~ het einde van den onmenschelijken
prefect nabij was.

Maar opeens bedacht hij, hoe het een eeuwige schande voor zijn
vaderstad zou blijven, zoo het volk werkelijk volvoerde, wat het vóór
had. En dan--Reinier had gelijk--als het Janhagel eenmaal begòn te
moorden, dan was er alle kans, dat het daarmee niet zoo dadelijk weer
zou eindigen. Maar--wat er aan te doen?

Plots kreeg de dolzinnige troep, op zijn weg naar De Celles' huis, een
paar wapenborden met den Franschen adelaar in 't oog! Die moesten er
eerst afgerukt en tot een vreugdevuurtje verstookt worden!

»Kom mee," zei Jakob, »door dit oponthoud kunnen wij den moord misschien
nog voorkomen!"

Zij snelden nu de uitgelaten bende vooruit, naar De Celles' woning.
Den huisknecht, die hen keeren wilde, smeten ze op zij en doorliepen
vervolgens eenige leege vertrekken. Onhoorbaar waren hun stappen op
de zachte tapijten. Eindelijk vonden zij den door pijnen gefolterden
prefect, schier radeloos van angst, terwijl hij vloekend en klagend zijn
papieren en kostbaarheden ter verzending deed inpakken.

»Dit huis is _mijn_ huis!" riep de man wanhopig, toen hij het tweetal
zag binnenkomen; tegelijkertijd greep hij naar een pistool, dat naast
hem op de tafel lag.

»Schiet niet!" riep Jakob, »want dat is juist uw ondergang!"

»Wij behooren niet tot de opstandelingen," zei Reinier. »Wij komen u
redden... Het oproerige volk is al op weg naar hier... Het zal u
vermoorden, zoo u zich niet in alles door ons raden laat!"

Jakob wist nu den wanhopigen prefect te bewegen, zich in een afgelegen
donker vertrekje te laten opsluiten en hem zijn keldersleutel toe te
vertrouwen. Daarop liet hij de knechts eenige ankers wijn op de stoep
zetten; vervolgens ging hij zelf voor de geopende huisdeur staan en
wachtte zoo het volk af. Reinier was inmiddels reeds heen gesneld om de
hoofdmacht der gardes te waarschuwen.

Daar kwamen zij aan, de woest tierende belhamels, vlammend op het
leven van den man, die hen zoo lang getergd en onderdrukt had.--»Nou
is het onze beurt!" schreeuwde de smidsgezel, den grooten spijker als
gereedhoudend, om dien in de deurpost te hameren.--De varkensslachter
strekte zijn touw langs de wijdgespreide armen uit: »Wat dunkt je,
menschen, zou het lang genoeg zijn?" vroeg hij met een boosaardigen
lach.--»Er schiet nog best een eindje voor Devilliers-Duterrage over!"
spotte een half dronken schippersgast.--Een daverend vreugdgebrul klonk
als goedkeurend antwoord.

Inmiddels was de troep het huis genaderd; Jakob Stargardt wenkte met de
hand;--»Wel jongens!" riep hij met zijn krachtige stem: »Een beetje te
laat is véél te laat; de vogel is al gevlogen! Maar hier heb ik zijn
sleutels. Deksels nog toe, de schelm heeft zoo 'n goeden wijnkelder!
'k Heb alvast den heelen voorraad naar buiten gesjouwd, om met jullie
op de gezondheid van den Prins van Oranje te drinken!"

In woeste graaizucht viel de bende nu op de meer dan honderd flesschen
aan, met hun tanden rukten zij de kurken af, gulzig zwelgend den
kostelijken wijn, die hun als bloed langs mond en kleeren droop.--»Nou
bennen we groote heeren, nou maggen we ook 'ereis volop wijn zuipen!"
schreeuwde de aanvoerder van het plebs. Opnieuw nam hij een geweldigen
slok; maar hij verslikte zich, waardoor schier de gansche rest van
het vocht hem bij den hals in gulpte.--»Vervloekt," riep de woesteling,
»ik heb genoeg van dat kleverige tuig!" Kletterend wierp hij de flesch,
waarvan de inhoud hem eigenlijk in het geheel niet gesmaakt had, tegen
de straatsteenen aan scherven.--»Vooruit, jongens!" schreeuwde hij toen.
»Naar de Oude Turfmarkt!"

»Ja, ja, naar de Oude Turfmarkt!" herhaalden verscheidene stemmen. En
joelend en tierend trok de losbandige troep weer voort: Het leven van
den prefect bleef verschoond. 's Avonds werd hij, met zijn secretaris
Dubois, in een overdekte schuit gebracht, die bij zijn huis lag, en wist
veilig uit de stad te komen.

Op de Oude Turfmarkt, waar de plaats-commandant woonde en de Fransche
politie haar hoofdbureaux gevestigd had, ging de menigte, door den wijn
nog doller geworden, veel ontstuimiger te werk. Voor deze bureaux--twee
aanzienlijke huizen--lag een drijvend vlot, waarop een houten gebouw,
het schoutshuisje, stond, met een vertrek voor de directie, een tweede
voor de agenten en een derde ter bewaring der arrestanten die naar de
politie waren overgebracht. Berucht als holen van willekeur en tirannie,
waren zij thans ter bewaking toevertrouwd aan een kleine afdeeling van
Nationale gardes, die echter geen oogenblik aarzelde, om zich tegen de
beraamde vernieling te verzetten. Doch wat vermocht het geringe aantal
tegen de aandringende, opeengepakte menigte, die nog voortdurend grooter
werd? Nadat de officier en een der manschappen zware wonden hadden
bekomen, werd de post overweldigd, het schoutshuisje in brand gestoken
en de bureaux aan de plundenaars prijs gelaten. Van boven tot beneden
zijn in weinige oogenblikken al de vensterramen dier hooge huizen
verbrijzeld, kostbare spiegels, commodes, tafels, stoelen, pendules,
lampen, porselein, alles wordt met duivelsche vernielzucht de ramen
uitgesmeten, de bedden worden opengesneden en het dons, evenals de
losgescheurde bladen der registers en schrifturen, in de gracht
geworpen. Duizenden menschen aanschouwen dit tooneel van schandelijken
moedwil en vernielzucht.

Eensklaps rijst, onder 't gewoel, gejuich, gedruisch en gekraak, een
kreet van ontzetting op!... Dertig of veertig Fransche gendarmes komen
rennend van de Doelenbrug met uitgetrokken sabels en werpen zich te
midden der dichte drommen! De toeschouwers stuiven uit elkaar! Maar het
gemeen blijft stand houden.----»Niet wijken, niet wijken!" riepen de
opstandelingen. »Smijt de honden in het water!... Weg met dat Fransche
canaille!..."--De gendarmes, niet in staat met hun sabels ruim baan te
maken, branden hun karabijnen los, die dood en verderf onder de menigte
brengen. Maar het gezicht der gevallenen verdubbelt de woede der
opstandelingen; ze werpen zich tandeknarsend op de kavaleristen, halen
den aanvoerder van zijn paard, smijten er eenigen in het water en
drijven de anderen op de vlucht. Ook de plaats-kommandant is nog in
tijds ontkomen.

De plunderaars zouden echter niet lang meester blijven van het slagveld.
Welhaast rukken Nationale garden in dichte drommen aan, vuren hun
geweren af, en, met kracht voortdringende, doen zij de plunderaars
verstuiven, die verscheidene gewonden en zelfs dooden achterlieten.

Jakob, die de plundering van de politiebureaux tot aan de komst der
gendarmes had bijgewoond, had daarop spoedig Reinier weer ontmoet, die
hem dadelijk zijn wedervaren vertelde.

»Toen ik aan het gebouw van de hoofdwacht kwam," zei Reinier, »liet
kolonel Van Brienen daar juist parade houden. Met verbazing zag ik, hoe
hij daarbij verscheen als Hollandsch bevelhebber, zonder adelaar op den
chako. Denkelijk deed hij dit, om zijn vertrouwen op de burgerij te
toonen en haar te bemoedigen.--Nu, zijn manschappen bleven niet achter,
dat begrijp je! Onmiddellijk rukten ook zij de teekenen der dwingelandij
van hun chako's, vertrapten ze en, onder het presenteeren en kletteren
der geweren, zwoeren zij hun bevelhebber trouw! De Fransche jagers, die
óók op de Botermarkt stonden, zagen dit tooneel met groote oogen aan en
zochten, na den post aan kapitein Falck overgegeven te hebben, als de
wind een goed heenkomen!"

Jakob vertelde nu op zijn beurt, hoe het bij De Celles was afgeloopen.
Inmiddels waren zij, aan de overzijde van het Rokin, tot bij de
Olieslagerssteeg gekomen, toen zij ook dáár een bende opstandelingen
aan den gang zagen. Het bureau en de woning van den gehaten
politie-commissaris Veyl bleken het te moeten ontgelden. Het bureau op
den wal, tegenover de woning, is welhaast aan de vlammen prijs gegeven,
en nu volgt de plundering van het huis. Alles wordt er vernield, stuk
geslagen en naar buiten geworpen. Hoewel de garden van den prefect in
't hoekhuis aan de steeg waren gehuisvest, kwamen zij niet tegen dien
euvelmoed in verzet. Zélf slachtoffers van dwang en willekeur,
huiverden zij, om zich aan de volkswraak bloot te stellen.

De beide vrienden zwierven nog eenigen tijd de stad door, om te zien hoe
het elders gesteld was.

Zij vernamen, dat het volk reeds vroeg in den morgen naar het Werkhuis
was getrokken en er Emanuel van Praag en Barth Meyer, benevens nog
enkele andere gevangenen met geweld bevrijd had.

Van het Werkhuis was de menigte naar het Spinhuis getogen, waar andere
slachtoffers der vroegere, mislukte opstanden waren gekerkerd. Ook deze
gevangenen had men verlost en in zegepraal rondgevoerd. Ten slotte had
het volk de onschuldig gevangenen in het Verbeterhuis de vrijheid
hergeven.

Hadden zij zelf den moord op De Celles weten te keeren, ook door anderen
werden buitensporigheden voorkomen. Zoo wisten Kapitein Falck en de
Kattenburgers, naar zij hoorden, een machtige bende opstandelingen tegen
te houden, die het uitzinnige plan hadden gevormd om de magazijnen,
de pakhuizen der douanen en de gebouwen der Keizerlijke tabaksfabriek
op de eilanden Kattenburg, Wittenburg en Oostenburg te vernielen; en
de bewoners van Droogbak voorkwamen het in de lucht springen van 't
bedreigde kommandantsjacht--een vaartuig van den chef der douanen,
dat veel buskruit aan boord had--door, alvorens de aanrukkende benden
naderden, dit schip te bemachtigen, het kruit over boord te werpen en de
Hollandsche vlag in top te hijschen.

Maar lang niet overal kon de dolle moedwil van het gepeupel worden
voorkomen. Zoo zagen Reinier en Jakob een andere bende van woestelingen
bij het huis van den politie-commissaris Chandon en dat van den
ontvanger der belastingen Jonas, hun domme, schandelijke vernielzucht
uitvieren. Chandon lag ziek te bed. Zijn dienstmeisjes riepen dit het
volk toe, smeekend, haar meester toch te sparen.

»Laat hem zijn eigen dood sterven!" schreeuwden de dolzinnigen. »Onze
handen zijn veel te goed, om zoo'n Franschen hond te vermoorden! Maar
de boeken moeten we hebben!"

In doodsangst werden zij afgestaan. Daarop stak het rapalje het houten
kantoortje aan den waterkant in brand en wierp de registers en
schrifturen in het vuur.

Minder goed kwam Jonas er af. Ook bij hem verbrandde het losbandige
grauw het houten kantoortje aan den wal en, om het eens ferm te laten
lieren, haalde het eenige vaten boter uit 's mans kelder en wierp die op
den vlammenden hoop. Daarop begon de menigte het huis te plunderen en
hierbij waren Jakob en Reinier bijna het slachtoffer geworden hunner
pogingen, om de benden tot bedaren te brengen. Nauwelijks toch hadden
zij, na een ernstige vermaning, de stoep verlaten, of een zware geldkist
kwam door een der bovenramen getuimeld en sloeg barsten en gaten in
zerksteen en metselwerk.

Een afdeeling Nationale gardes kwam aangerukt, om de orde te herstellen,
maar om den hoek van de Vijzelstraat konden zij niet verder door de
onafzienbare menigte van volk. Genoodzaakt tot schieten troffen hun
kogels drie opgeschoten jongens, waarop de plunderende bende in wilden
angst op de vlucht sloeg.

In andere wijken ging het niet beter toe en ten hoogste bekommerd om
alles wat zij gehoord en gezien hadden, keerden de beide vrienden ten
leste naar huis.

»Welnu, wat nieuws?" vroegen moeder Jane en juffrouw Vermaat om strijd.

»'t Is treurig met Amsterdam gesteld," was Reinier's weinig bemoedigend
antwoord. »Het hoofdbestuur heeft de stad verlaten, we zijn op 't
oogenblik volslagen regeeringloos!"

»Ja," zei Jakob, »een bandeloos gemeen, dat van kwaad tot erger dreigt
te gaan, speelt feitelijk de baas; ieder uur kunnen bovendien de
Franschen terug komen; het ziet er voor ons arme Amsterdam dus
bedenkelijk uit!"

Daarop vertelden zij, wat ze zoo al hadden bijgewoond.

»'t Is toch hard voor die gardes," zuchtte juffrouw Vermaat, »om op hun
eigen medeburgers te moeten schieten."

»Dat is het ook," zei Jakob, »maar die medeburgers waren op dat
oogenblik geen menschen meer, maar woeste, losgebroken tijgers."

Gelukkig kwam mijnheer Vermaat tegen den avond met hoopvoller berichten
thuis: Voornamelijk door toedoen van kapitein Falck,--zoo had hij op het
kantoor vernomen,--was door de gezamenlijke officieren der gardes een
commissie uit hun midden benoemd, met opdracht, een aantal geachte,
aanzienlijke ingezeten op te roepen en deze te bewegen, aan de
regeeringloosheid een einde te maken, door zelf het bestuur in handen te
nemen. Deze commissie had onmiddellijk vergaderd en het resultaat harer
bemoeiingen was, dat, zoo aanstonds reeds, de genoodigden in de
vroedschapskamer zouden bijeenkomen.

Reinier en Jakob begaven zich nu terstond naar het stadhuis, om toch
maar zoo spoedig mogelijk den uitslag dier bijeenkomst te kunnen
vernemen.

Inderdaad kwamen weldra twintig van de vier-en-twintig genoodigden in de
raadzaal bijeen. Zoodra allen plaats genomen hadden nam Falck, op
verzoek van Kolonel van Brienen het woord.

»Het is noodeloos," sprak hij, »den toestand der stad voor u open te
leggen. Verlaten door de Hoofden van het Fransch Bestuur,--God geve
dat zij er nimmer wederkeeren!--zijn alle banden van gezag losgemaakt.
Het wilde gedruisch daarbuiten, de vlammen die ten hemel stijgen,
toonen--luider dan _ik_ het vermag--den algemeenen nood. Nog kunnen wij
de woeste menigte beteugelen; maar straks zal zij haar krachten kennen,
en het gevaar niet meer tellen. Dan wordt de dag, die de eerste van ons
geluk moest wezen, het begin van nieuwe ellende. Het gemeen kan door
kogels en bajonetten worden uiteen gejaagd; maar voor anderen dan voor
medeburgers moeten onze kogels en bajonetten zijn; en het volk, al is
het uitééngejaagd, is daarmee nog niet tot bedáren gebracht. Het gezag
alleen kan het onderwerpen, de rust herstellen, en bloed dat ons
dierbaar is, sparen. Zoo lang dit volk nog meent geregeerd te zijn door
Franschen, zoo lang zal de wanorde duren, grooter, ijselijker worden, ja
ten laatste zich van alles meester maken.

Maar toont het volk een Vaderlandsch Bestuur aan het hoofd der stad;
laat het namen hooren, die het oude ontzag en vertrouwen doen herleven:
die klank alleen zal reeds eerbied inboezemen, zal het verschiet van
betere tijden openen! Zoo zal de hoop ontluiken, en met haar de kalmte;
bandelooze woede zal voor zachtere gewaarwordingen plaats maken; en
duizenden handen, die nu slechts brandstichting en vernieling dreigen,
zullen zich wapenen voor de vrijheid! Aanvaardt dan de regeering van
Amsterdam, die wij u opdragen. Of vraagt gij, wat ons daartoe wettigt?
Wij zouden uit naam van het Fransch Bestuur zelve, u dit nieuw gezag
kunnen aanbieden. Maar gij wilt niet, dat het uit zulk een bron zal
vloeien. Al wat in de stad goed of eer te verliezen heeft roept u in, om
haar te beschermen tegen den moedwil. Het Vaderland, dat uit zijn asch
herrijzen zal, roept u in, als de eersten om het te behouden. En zoudt
gij voor die stem uw ooren dan willen sluiten? Gij _kunt_ het niet!"

Na deze overtuigende toespraak verklaarden zeventien van de twintig
aanwezigen zich bereid, om deel te nemen aan het voorloopig bestuur.

De aanstelling van dit nieuwe bestuur werd nu openlijk aan het volk
verkondigd, en de rustverstoorders onder bedreiging van strenge straffen
aangemaand, zich van alle baldadigheden te onthouden en tot orde en
rust terug te keeren. In plechtigen optocht, onder escorte van een
gedeelte der schutterij--welken naam de nationale garde reeds weer had
aangenomen--trokken de benoemde raadsleden bij fakkellicht door de
straten, luide toegejuicht door alle weldenkenden, die door herhaalde
hoezee's hun vertrouwen op het nieuw stadsbestuur te kennen gaven. De
genomen maatregelen hadden het beoogde gevolg, de stad kwam tot rust.

Nog dienzelfden avond werd het gebeurde te Amsterdam aan de verbondenen
in Den Haag bekend.

De Haagsche heeren begrepen, dat nu ook voor hen de tijd van handelen
gekomen was. Den volgenden morgen vertoonden zich Van Stirum en de zonen
van Van Hogendorp met de oranjecocarde op den hoed in de straten. Waar
zulke mannen dit waagden, daar twijfelde niemand, of de dageraad der
vrijheid was waarlijk aangebroken. Binnen weinige oogenblikken prijkte
de oranjekleur op aller hoofd of borst; welhaast zag men haar ook
voor de vensters en wapperde zij voor alle winkeldeuren. Huizen en
werkplaatsen liepen leeg, de gansche bevolking kwam op de straat, de
lucht weergalmde van gejuich en gelukwenschingen en uit veler oogen
vloeiden vreugdetranen! En schoon het aan geen verwenschingen van de
Franschen ontbrak, schoon welhaast hun adelaars en wapenschilden ook
hier niet langer geduld werden, nergens toch werd geweld gepleegd, en
nergens ontdekte men sporen der voormalige tweedracht.

De graaf Van Limburg Stirum aanvaardde nog dienzelfden dag, in naam van
den Prins van Oranje, de betrekking van gouverneur van Den Haag en
weldra trok de Fransche bezetting bij minnelijke schikking af.

Het eerste werk der Haagsche heeren was nu, de prinsgezinde oud-regenten
bijeen te roepen, om te beraadslagen over de instelling van een algemeen
landsbestuur. Deze vergadering leidde echter tot niets, evenals een
tweede, waarbij ook voormalige tegenstanders van het Huis van Oranje
waren genoodigd. Uit angst waren velen der opgeroepenen thuis gebleven
en voorzichtigheidshalve weigerde de overgroote meerderheid der
aanwezigen, vooreerst aan het voorgestelde doel mede te werken, daar
de uitslag van den opstand geheel zou afhangen van het oorlogsbeloop
in het buitenland. Van Hogendorp en Van der Duyn van Maasdam echter,
begrijpende dat het volk niet moest wachten, totdat het door vreemde
wapenen werd verlost, maar de gelegenheid diende aan te vatten om zich
zelf te bevrijden, aanvaardden den 21sten November het hooge landsbewind
tot de aankomst van den Prins van Oranje. Niet wetende of deze in
Engeland of in Duitschland was, zond men twee deputaties af, waarvan de
eene hem in Engeland aantrof.

Het algemeen bestuur ontsloeg onmiddellijk alle Nederlanders van den eed
van trouw aan den keizer der Franschen, doch aanvankelijk ondervond die
stoute daad niet de gewenschte medewerking bij het Nederlandsche volk,
al sloten zich ook verscheidene Hollandsche steden bij den opstand aan.
Amsterdam echter, van de eene zijde uit Utrecht, van de andere uit
Naarden bedreigd, bleef bij de onzijdige houding volharden, die het van
het begin af had aangenomen en die hierop neerkwam, dat men zich nòch
vóór den Prins, noch tegen den Keizer verklaarde.

Den 24sten kwam daarin verandering. Op den morgen van dien dag verscheen
namelijk een voorhoede van tweehonderd Kozakken voor de Muiderpoort,
die door de burgerij met de uitbundigste vreugde werd ontvangen. De
verschijning dier woeste gasten was als die van beschermende Engelen. En
hoe weinig ook die 200 man beteekenden, hoe ook Molitor met zijn 4000
Franschen Amsterdam bleef bedreigen--de overtuiging, dat de verbonden
mogendheden zich Holland's zaak aantrokken, vooral de ijverige pogingen
van Falck, brachten thans de stadsregeering er toe, zich bij het
Algemeene Bestuur aan te sluiten.

Ook Jakob en Reinier zagen dien morgen de aangekomen Kozakken, maar niet
met de opgewondenheid hunner stadgenooten. Het stemde hun bitter, dat
diezelfde ellendige, smerige kerels, die luizige schooiers in vodden van
kleeren gehuld, zittend op oude schonkige knollen, zonder zadel, met den
voet in een touw bijwijze van stijgbeugel, een oud verroest pistool als
vuurwapen, een stok met een verroesten spijker er aan in plaats van een
lans,--diezelfde eeuwig naar brandewijn stinkende schooiers, welke als
een troep gieren het stervende Groote Leger hadden omzwermd, maar de
vlucht namen bij het minste verweer,--het stemde hun bitter dat die
paar honderd hongerige lafaards door de Amsterdamsche burgerij als
vrijheidshelden werden verwelkomd en dat de komst van zóó'n bende het
weifelend stadsbestuur bemoedigde, om zich bij den opstand te voegen.

Evenwel, toen dit besluit, onder het uitsteken der oranjevlag, van
de pui van het stadhuis afgelezen, opnieuw het volk in geestdrift
bracht,--toen waren toch ook zij van harte verheugd, dat Amsterdam
eveneens voor de zaak der vrijheid was gewonnen.

Dordrecht, dat zich dadelijk had aangesloten, sloeg een aanval der
Franschen moedig af, doch Woerden had nog een allerschandelijkste
plundering der troepen van Molitor te doorstaan. Intusschen waren de
Kozakken de grenzen overgetrokken en hadden de Noordelijke provinciën
bezet. De Pruisen drongen tegelijkertijd Gelderland binnen en
vermeesterden den 30sten November Arnhem, terwijl de Zeeuwen in hun
opstand door de Engelschen ondersteund werden. Bij het einde van 1813
waren nog slechts enkele vestingen in de macht der Franschen.

Wel stond 's Gravenhage dus niet zoo heel lang alleen, wel werd ook
Utrecht den 28sten door Molitor ontruimd en den volgenden dag door
Kozakken bezet, doch zoolang men niets van den Prins van Oranje vernam,
in wiens naam men handelde, stond het te vreezen, dat de minste
tegenspoed de zoo lang gerekte en telkens weer opgewonden geestdrift
zou ter neder slaan. Gelukkig kwam er Zondag den 28sten een brief van
den Prins, waarin de vorst zijn blijdschap over de gebeurtenissen in
Holland te kennen gaf, zijn goedkeuring betuigde ten opzichte der
genomen maatregelen en de belofte deed, dat hij binnen weinige dagen
zou overkomen.

Op het Engelsche fregat »~The Warrior~" stak hij in zee en kreeg den
30sten November Scheveningen in het gezicht. Men drong den Prins om,
alvorens te landen, kondschap in te winnen omtrent den staat van zaken,
doch Willem Frederik wees dit voorstel van de hand. Hij ging van 't
oorlogsschip in een pink over en werd vervolgens, onder het gebulder
der kanonschoten van het fregat, met een wagen aan wal gebracht. 't
Bericht dat Oranje naderde, was reeds te 's Gravenhage verspreid vóór
~The Warrior~ het anker wierp en vandaar dat strand, duinen en gansch
Scheveningen vervuld waren met tallooze scharen, die den langgewenschten
vorst verbeidden en hem jubelend welkom heetten. Van Hogendorp, Van der
Duin en de graaf van Stirum ontbraken niet, om den Prins te begroeten,
die nu in een open rijtuig, te midden der feestvierenden, naar 's
Gravenhage reed.

Mijnheer Vermaat bevond zich juist in Den Haag, waarheen hij door zijn
patroon was gezonden, om een hangende kwestie met een daar gevestigde
firma, zoo mogelijk, tot klaarheid te brengen. En schoon hij nooit op
redenaarstalenten had mogen bogen, werd de goede man zelfs welsprekend,
toen hij 's anderendaags aan zijn huisgenooten 's Prinsen aankomst ging
verhalen.

»De reis van Scheveningen naar Den Haag," vertelde hij, »was een
zegetocht, door het fraaiste weer begunstigd en onder de toejuiching
van duizenden! Nooit heb ik menschelijke blijdschap zich op zóó
verschillende manier zien uiten. Hier staarden de menschen wezenloos,
alsof zij niet geloofden wat zij zagen; dáár stonden er met gloeiende
wangen, anderen weer waren doodsbleek van ontroering. De een barstte
los in gejuich, de oogen van den ander stonden vol tranen. Nooit hoorde
ik zóóveel gejubel, nooit zag ik zóóveel geestdrift! Sommigen snikten,
anderen vielen elkander om den hals, ja, de menschen ontzagen vaak
hoeven noch wielen en lieten zich bijna overrijden door de Prinselijke
koets, om maar een blik of een glimlach van den Vorst op te vangen.
Hoeden werden gezwaaid, doeken werden gewuifd, het Oranjeboven galmde
uit ieders mond. 't Was, of de bejaarden een zoon, of de mannen een
broêr, of de jongelingen een vader uit den dood hadden terug gekregen!

De Prins stapte in het Voorhout bij Van Stirum af. De deuren van het
hôtel bleven open en ieder had vrijen toegang tot den Vorst.

Weinige uren na zijn aankomst liet de Prins een proclamatie afkondigen,
waarin hij verklaarde, al het verledene te vergeven en te vergeten en al
zijn landgenooten opriep, om zich met hem te vereenigen tot bevestiging
van Holland's onafhankelijkheid."

»Die proclamatie heb ik gelezen," zei Reinier. »Die is van morgen
ook hier in Amsterdam aangeplakt. Maar tegelijk nog een andere, van
Fannius Scholten en Kemper, waarin zij verklaren dat de vorst, die het
Nederlandsche volk terug heeft gevraagd, niet is Willem de Zesde, van
wien de natie niet weet wat zij eigenlijk te hopen of te verwachten
heeft, maar Willem de Eerste, die als een souverein vorst, zijn volk
aan de slavernij van een schandelijke buitenlandsche overheersching zal
ontrukken."

»Mooi zoo," riep mijnheer Vermaat, »dat is de beste manier om de oude
partijschappen nooit meer te laten herleven en nieuwe verdeeldheid te
voorkomen."

Niet minder groot dan te 's Gravenhage was de geestdrift, toen de Prins
den volgenden dag zijn intocht in de hoofdstad deed. Meer dan twee volle
uren duurde het, eer de stoet den Dam bereikt had. Dat was een andere
intocht dan die, welke, twee jaar te voren, Napoleon in dezelfde
hoofdstad had gedaan. Toen schreeuwden gehuurden en gedwongenen het
»Vive l'Empereur!"--~nu~ klonk uit duizenden monden het hartelijk en
welgemeend: »Oranje-boven!"

En de drie zwervers van het Groote Leger, hoe verheugd zij ook den voet
weer in het vaderland gezet hadden, zij kregen eigenlijk pas thans het
rechte, heerlijke gevoel van weer thuis te zijn!

[Decoratieve Illustratie]



                           Taco de Minstreel

                             [Illustratie]

                            door P. VISSER.

                   Met 8 platen van J. H. ISINGS Jr.

                      Prijs in prachtband f 1.90.

De schrijver heeft voor zijn geschiedenis uit den tijd der graven van
het Hollandsche huis de beste bronnen voor het tijdvak geraadpleegd.
Trouwens de heer Visser is geen onbekende en het boek geen eersteling.
Integendeel, velen weten hoe voortreffelijk hij vertelt van dingen,
die onze jongens wel moeten interesseeren. Vooral in dit nieuwe werk
ontwikkelt de schrijver een romantische kracht, die aan den beroemden
Van Lennep doet denken.


                         De Laatsten der Arkels

                             [Illustratie]

                            door P. VISSER.

                   Met 8 platen van J. H. ISINGS Jr.

                      Prijs in prachtband f 1.90.

In dit werk stelt de schrijver zich ten doel den tragischen ondergang
van het machtige Arkelsche huis te schetsen en tevens een beeld te geven
van het schier niets ontziende streven der landheeren om zich van het
eenhoofdig gezag meester te maken. Zonder overdrijving of ongezonde
spanning is de schrijftrant levendig en boeiend. Hij laat u mee-trekken,
mee-strijden, mee-vluchten, mee-feesten naar het voorkomt.

Behalve door de vele illustraties wordt de geschiedenis toegelicht ook
door een kaart van Gorkum uit den tijd, waarin het verhaal speelt.


                         Het Beleg van Alkmaar

         door P. VISSER. -:- Geïllustreerd door H. C. LOUWERSE.

              Tweede Druk. :: Prijs in prachtband f 1.25.

Het Beleg van Alkmaar is beschreven door den Heer P. VISSER, die hier
een zeer boeiend en blijkbaar historisch zeer nauwkeurig verhaal heeft
gegeven van het beroemde beleg, waarvan de victorie begon. Twee kaartjes
en vier illustraties verduidelijken het werk zeer.


                       Heemskerck op Nova-Zembla

          door P. VISSER. -:- Geïllustreerd door A. H. GOUWE.

               Derde Druk. :: Prijs in prachtband f 1.25.

De ontdekkingstochten in de Noordelijke IJszee leveren een prachtige
stof voor avontuurlijke verhalen met een geschiedkundigen ondergrond.
Over den tocht der Hollanders onder Heemskerck en Barendsz is het boek
van P. VISSER zeer aanbevelenswaardig.


                       Heemskerck voor Gibraltar

         door P. VISSER. -:- Geïllustreerd door H. C. LOUWERSE.

              Tweede Druk. :: Prijs in prachtband f 1.25.

Een aanbevelenswaardig geschiedkundig verhaal is »Heemskerck voor
Gibraltar" door P. VISSER; de schrijver verstaat de kunst, den lezer te
doen meeleven met zijn personen uit het verleden. Hij weet maat te
houden en wordt niet langdradig; vandaar dat zijn boeken een bescheiden
omvang hebben, 't geen een deugd is in een kinderboek.


                         De Vliegende Hollander

           door P. VISSER. -:- Geïllustreerd door A. RÜNCKEL.

              Tweede Druk. :: Prijs in prachtband f 1.25.

Kapitein van Halen, de uitvinder van een snelzeilend fregat, wordt door
zijn tijdgenooten miskend, en snijdt allen omgang met zijn medemenschen
af. Hij verwerft den bijnaam van »de Vliegende Hollander" en zijn schip
speelt een rol in de geschiedenis der Boekaniers, die in dien tijd
West-Indië onveilig maakten.


                         Prins Almanzor's Makker

 door =Marie Boddaert=.   Geïll. door =B.= en =J. Midderigh-Bokhorst=.

                     =Prijs in prachtband f 1.90=.

[Illustratie]

Prins Almanzor's makker is, zijn besluiteloosheid, zijn zucht tot
weifelen, belichaamd in de gestalte van zijn sprekend op hem gelijkenden
voedsterbroeder Manuel. En het middel om hem van die karakterzwakheid
te genezen, vindt de »Wijze van het Woud," door Almanzor met Manuel een
avontuurlijke reis vol gevaren te laten maken, waarbij de zwakke wil van
zijn voedsterbroeder den kroonprins hoe langer hoe duidelijker wordt.
En daardoor leert hij niet alleen zichzelf kennen, maar ook zichzelf
zoo flink aanpakken, dat hij aan het einde van het boek met het volste
vertrouwen kan zeggen: »Ik wil ook."

Marie Boddaert heeft deze mooie paedagogische gedachte met veel talent
uitgewerkt en zij is er volkomen in geslaagd de belangstelling van haar
lezers door het geheele boek heen te behouden.

Gebr. Kluitman hebben alle eer van deze uitgave die, versierd met
prachtige illustraties van B. en J. Midderigh-Bokhorst een rustig
voornamen indruk maakt.


                      De Schipper van de Jacomina

          door MARIE BODDAERT.   Geïll. door LOUIS RAEMAEKERS.

                     =Prijs in prachtband f 1.90=.

Dit nieuwe werk van de begaafde schrijfster speelt op Walcheren in de
jaren toen de bevolking het vreemde dwangjuk moede was en de wensch en
wil wakker werden, dat de Prins van Oranje weer mocht terugkeeren en 't
als van ouds »Oranje Boven" zou worden. De overheerschers keken scherp
toe en waar zij vrienden van Oranje vermoedden, straften zij even
scherp. Vreedzame burgers werden opgebracht, hun huizen doorsnuffeld,
hun papieren in beslag genomen en zij zelf zonder vorm van proces achter
slot en grendel gezet.

In die atmosfeer van geheimzinnigheid, waarin wij ook vaak smokkelaars
aantreffen op avonden dat de storm loeit en Walcheren's kust door de
zee wordt gebeukt, speelt Koen Lievensz een eervollen rol. Het is een
waagstuk, van de kust, bewaakt door gendarmes, in een wrakke boot af
te steken, door de branding heen naar de Engelsche vloot te gaan om
berichten over te brengen en daarna met tijdingen van de buitenwereld op
het eiland terug te keeren. Als ten slotte de Franschen zijn verjaagd,
spreekt schipper Bot deze woorden, welke als een profetie klinken: »_'k
Hoop dat Nederland in de toekomst geen verdere les zal noodig hebben_,"
en met het oog op zijn Gillis en Marees en Koen. »_Met zulke jongens?
Dat's best mogelijk!_"


                          De Page van Napoleon

    door =S. J. Andriessen=.   Geïllustreerd door =J. H. Isings Jr.=

                     =Prijs in prachtband f 1.90=.

[Illustratie]

Een historisch verhaal uit de dagen van Napoleon, dat elke jongen met de
grootste belangstelling zal lezen.

Hector d'Albas, de jeugdige afstammeling van een oud adellijk geslacht
vervalt door de revolutie tot groote armoede, maar komt door allerlei
wederwaardigheden aan het hof van Napoleon en wordt tot page bevorderd.
Hoe hij zich in deze betrekking gedraagt en ook wel eens misdraagt,
wordt in dit boek op onderhoudende wijze beschreven. De mooie
teekeningen van J. H. Isings Jr., verleenen aan dit royale en met
zorg uitgevoerde boek een groote attractie.


                                NAPOLEON

                              Tweede Druk.

                     =Prijs in prachtband f 2.90=.

                door H. TH. CHAPPUIS en A. H. P. BLAAUW.

Het beste werk in onze taal over den grooten keizer is dat van den
overste H. Th. Chappuis. Het is waarlijk een standaardwerk, dat de
Napoleontische reuzenfiguur inderdaad op de meest voortreffelijke
wijze schetst. Er is van dit werk thans bij de gebroeders Kluitman te
Alkmaar in fraaie uitgave een tweede geheel omgewerkte druk verschenen,
waaraan de heer A. H. P. Blaauw, leeraar in de geschiedenis aan de
Cadettenschool te Alkmaar zijn medewerking heeft verleend. Met genoegen
maken wij van deze uitgave melding.
                                            _Rotterdamsch Nieuwsblad._

Het groote Napoleon-boek van Generaal Chappuis, met 32 platen,
een boek voor de groote jongens over den grooten man, historisch
wèl-gedocumenteerd en voorzien van kaarten en plattegronden: Wagram,
Waterloo, is, omgewerkt door den samensteller, met behulp van den
leeraar in de geschiedenis aan de Alkmaarsche cadettenschool A. H. P.
Blaauw, in tweeden druk verschenen bij Gebr. Kluitman te Alkmaar.
Uiterlijke zoowel als innerlijke verzorging zijn den prijs waard.
                                                   _Alg. Handelsblad._

Van dit voortreffelijke boek is eene tweede druk verschenen, met
platen naar oorspronkelijke schilderijen. De heer Blaauw, leeraar aan
de Cadettenschool te Alkmaar, heeft het werk van den heer Chappuis,
toen deze bezweek, overgenomen. De tweede druk is aldus omgewerkt en
verbeterd en tot een standaardwerk geworden.
                                            _Prov. Groninger Courant._



  +--------------------------------------------+
  |                                            |
  |       OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER:         |
  |                                            |
  |  De volgende correcties zijn in de tekst   |
  |  aangebracht:                              |
  |                                            |
  |  Bron (B:) -- Correctie (C:)               |
  |                                            |
  |  B: stem van mijnheer de Celles. En        |
  |  C: stem van mijnheer De Celles. En        |
  |  B: Maar mijnheer de Celles zei:           |
  |  C: Maar mijnheer De Celles zei:           |
  |  B: »Ja, ja," gronnikte Ep,                |
  |  C: »Ja, ja," grinnikte Ep,                |
  |  B: trots van de huisvouw! Maar            |
  |  C: trots van de huisvrouw! Maar           |
  |  B: Nu geen woord spreken,"                |
  |  C: »Nu geen woord spreken,"               |
  |  B: Laat je plat op den                    |
  |  C: »Laat je plat op den                   |
  |  B: En je neef?"                           |
  |  C: »En je neef?"                          |
  |  B: dan ook aan behalve Willem             |
  |  C: dan ook aan, behalve Willem            |
  |  B: gendarmen het ondezoekweer voort;      |
  |  C: gendarmen het onderzoek weer voort;    |
  |  B: en daar is hij hij hem dankbaar        |
  |  C: en daar is hij hem dankbaar            |
  |  B: En niettemin, ging hij voort           |
  |  C: En niettemin," ging hij voort          |
  |  B: die onmiddelijk dood voorover          |
  |  C: die onmiddellijk dood voorover         |
  |  B: uit van de Pyreneëen tot de            |
  |  C: uit van de Pyreneeën tot de            |
  |  B: riep Bruno, die is                     |
  |  C: riep Bruno, »die is                    |
  |  B: onaangenaan had getroffen.             |
  |  C: onaangenaam had getroffen.             |
  |  B: vervolledigde Bert weer, en nog        |
  |  C: vervolledigde Bert weer, »en nog       |
  |  B: garde, de ordonnence-officieren en     |
  |  C: garde, de ordonnance-officieren en     |
  |  B: krachtig: _Vive 'l Empereur!_          |
  |  C: krachtig: _Vive l' Empereur!_          |
  |  B: van verschillende burgelijke           |
  |  C: van verschillende burgerlijke          |
  |  B: Oliebollen!... O, heerlijk,            |
  |  C: »Oliebollen!... O, heerlijk,           |
  |  B: Maar na ook verder niet astig          |
  |  C: Maar nu ook verder niet lastig         |
  |  B: gelukkiger zijn we dan niet!"          |
  |  C: gelukkiger zijn we dan niet!           |
  |  B: wat droevige oudejaarsavond vrouw      |
  |  C: wat droevige Oudejaarsavond vrouw      |
  |  B: vernield.                              |
  |  C: vernield."                             |
  |  B: min plaats meer." zei                  |
  |  C: min plaats meer," zei                  |
  |  B: mosselmeid, denk je dat                |
  |  C: mosselmeid, »denk je dat               |
  |  B: door den knotslag van het noodlot      |
  |  C: door den knotsslag van het noodlot     |
  |  B: Het zeggen i,s dat                     |
  |  C: Het zeggen is, dat                     |
  |  B: beleefd hadden! De goede uitslag       |
  |  C: beleefd hadden!" De goede uitslag      |
  |  B: die blôohartig de kogels               |
  |  C: die bloôhartig de kogels               |
  |  B: Jabob Stargardt tegenover zijn         |
  |  C: Jakob Stargardt tegenover zijn         |
  |  B: maar een wachmeester duëlleert         |
  |  C: maar een wachtmeester duëlleert        |
  |  B: tot vereffening kunnen komen,"         |
  |  C: tot vereffening kunnen komen."         |
  |  B: Dat zal ik je beiden inpeperen!"       |
  |  C: »Dat zal ik je beiden inpeperen!"      |
  |  B: regiment over geplaatst.               |
  |  C: regiment overgeplaatst.                |
  |  B: treffenste zinnebeeld was.             |
  |  C: treffendste zinnebeeld was.            |
  |  B: namen zij uitgeplozen touw.            |
  |  C: namen zij uitgeplozen touw."           |
  |  B: wraak te kunnen uitoefenen.            |
  |  C: wraak te kunnen uitoefenen."           |
  |  B: ze hun hondersten verjaardag           |
  |  C: ze hun honderdsten verjaardag          |
  |  B: korporaal,--maar we konden             |
  |  C: korporaal,--»maar we konden            |
  |  B: vroeg de onde wachtmeester.            |
  |  C: vroeg de oude wachtmeester.            |
  |  B: toch tegen hem? vroeg een fourier,     |
  |  C: toch tegen hem?" vroeg een fourier,    |
  |  B: Wij zullen zien, mijneheeren.          |
  |  C: »Wij zullen zien, mijneheeren."        |
  |  B: niet uit het oog zou verliezen."       |
  |  C: niet uit het oog zou verliezen."       |
  |  B: »Ga er weer heen, beveelt hij,         |
  |  C: »Ga er weer heen," beveelt hij,        |
  |  B: verlaten hehben, evenals               |
  |  C: verlaten hebben, evenals               |
  |  B: voorbijgetrokken,                      |
  |  C: voorbijgetrokken.                      |
  |  B: de tafel liggen,.. Geen                |
  |  C: de tafel liggen... Geen                |
  |  B: Hemel, hoe komt die doos               |
  |  C: »Hemel, hoe komt die doos              |
  |  B: een der soldaten. We moeten            |
  |  C: een der soldaten. »We moeten           |
  |  B: aanhoudend daarheen flitsten.          |
  |  C: aanhoudend doorheen flitsten.          |
  |  B: Siberiê. Hun eten gebruikten           |
  |  C: Siberië. Hun eten gebruikten           |
  |  B: voor tien frans samen;                 |
  |  C: voor tien francs samen;                |
  |  B: te Kaluga te zijn                      |
  |  C: te Kaluga te zijn.                     |
  |  B: bij Malo-Jaroslawetz slaags            |
  |  C: bij Malo-Jaroslawitz slaags            |
  |  B: Hm!.... zèker,--neen,                  |
  |  C: »Hm!.... zèker,--neen,                 |
  |  B: heel zijn honding was die              |
  |  C: heel zijn houding was die              |
  |  B: met zwakke stem »en                    |
  |  C: met zwakke stem, »en                   |
  |  B: had men de voorraadswagens, welke      |
  |  C: had men de voorraadwagens, welke       |
  |  B: onkomen.                               |
  |  C: omkomen.                               |
  |  B: zei Jabob, zich weer                   |
  |  C: zei Jakob, zich weer                   |
  |  B: Napoleons's leger zooveel mogelijk     |
  |  C: Napoleon's leger zooveel mogelijk      |
  |  B: de bodem van iedere ravijn bleek       |
  |  C: de bodem van ieder ravijn bleek        |
  |  B: Franschen: vijfduizen soldaten,        |
  |  C: Franschen: vijfduizend soldaten,       |
  |  B: Tegen over tachtigduizend man          |
  |  C: Tegenover tachtigduizend man           |
  |  B: kanonnen en de bage was verloren;      |
  |  C: kanonnen en de bagag ewas verloren;    |
  |  B:  dat het dichts bij den Dnieper        |
  |  C:  dat het dichtst bij den Dnieper       |
  |  B: en zonder Jacob Stargardt en zijn      |
  |  C: en zonder Jakob Stargardt en zijn      |
  |  B: Stargardt en de zijnen het ganstig     |
  |  C: Stargardt en de zijnen het gunstig     |
  |  B: klappertandde van kôu en zijn natte    |
  |  C: klappertandde van koû en zijn natte    |
  |  B: nacht van den 18en December            |
  |  C: nacht van den 18den December           |
  |  B: drietal te Kowo. Dit was               |
  |  C: drietal te Kowno. Dit was              |
  |  B: kom!... zegt Jakob;                    |
  |  C: kom!..." zegt Jakob;                   |
  |  B: troosten, zeggend, dat zij toch        |
  |  C: troosten, zeggend, »dat zij toch       |
  |  B: 'd honneur_ op, bestaande              |
  |  C: d'honneur_ op, bestaande               |
  |  B: Als jullie in 's hemelsnaam            |
  |  C: »Als jullie in 's hemelsnaam           |
  |  B: _die_ nu toch beginnen?                |
  |  C: _die_ nu toch beginnen?"               |
  |  B: Daar hèb je zoo'n afzetterskrot!"      |
  |  C: »Daar hèb je zoo'n afzetterskrot!"     |
  |  B: mee," zei Jakob »door                  |
  |  C: mee," zei Jakob, »door                 |
  |  B: vocht hem hij den hals                 |
  |  C: vocht hem bij den hals                 |
  |  B: scherven.--Vooruit, jongens!"          |
  |  C: scherven.--»Vooruit, jongens!"         |
  |  B: blijft stand houden,----»Niet wijken,  |
  |  C: blijft stand houden.----»Niet wijken,  |
  |  B: rondgevoerd. Ten slottte had           |
  |  C: rondgevoerd. Ten slotte had            |
  |  B: veel te goed. om zoo'n                 |
  |  C: veel te goed, om zoo'n                 |
  |  B: zoo ter neder slaan. Gelukkig          |
  |  C: zou ter neder slaan. Gelukkig          |
  |  B: oorlogschip in een pink                |
  |  C: oorlogsschip in een pink               |
  |  B: de schrijftrant levendlg en boeiend.   |
  |  C: de schrijftrant levendig en boeiend.   |
  |  B: geslaagd de belanstelling van haar     |
  |  C: geslaagd de belangstelling van haar    |
  |                                            |
  +--------------------------------------------+





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "De Zwervers van het Groote Leger - Historisch verhaal uit het tijdperk 1810-1813" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home