Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: De grondbeginselen der Nederlandsche spelling - Regeling der spelling voor het woordenboek der Nederlandsche taal
Author: Winkel, L. A. te, 1809-1868
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "De grondbeginselen der Nederlandsche spelling - Regeling der spelling voor het woordenboek der Nederlandsche taal" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



produced from scanned images of public domain material


                         Regeling der spelling
                                Voor het
                  Woordenboek der Nederlandsche Taal.



     De echtheid der exemplaren blijkt uit de handteekening van den
                               bewerker.



                    Druk van D. Noothoven Van Goor.



                           De Grondbeginselen
                                  Der
                        Nederlandsche Spelling.

                         Regeling der Spelling
                                Voor het
                  Woordenboek der Nederlandsche Taal.



                      Vanwege de redactie bewerkt

                                  Door
                            L. A. te Winkel.

                              Derde druk,

                              Herzien door
                              M. de Vries.



                                Leiden,
                         D. Noothoven Van Goor.

                                 1873.



    Die art und weise wie wir unsere sprache mit buchstaben schreiben,
    dies köstliche mittel das fliegende wort zu fassen, zu verbreiten
    und ihm dauer zu sichern, musz allen völkern eine der wichtigsten
    angelegenheiten sein, und die freude, welche eine vollkommne
    schrift gewährt, trägt wesentlich dazu bei den stolz auf die
    heimische sprache zu erhöhen und ihre ausbildung zu fördern.

    Jacob Grimm.



VOORBERICHT

VOOR HET ONTWERP DER SPELLING.


Bij het naderen van den tijd, waarop de Redactie met de uitgave
van het Nederlandsch Woordenboek een aanvang hoopt te kunnen maken,
heeft zij zich verplicht geacht, vooraf nauwkeurig het spellingstelsel
te bepalen, dat in het Woordenboek zal worden gevolgd. Te midden der
vele twijfelingen en onzekerheden, die nog altijd in de spelling onzer
moedertaal bestaan, bij het verschil van gevoelen onzer taalkundige
schrijvers omtrent een aantal min of meer belangrijke punten, was
het volstrekt noodzakelijk een vast plan te beramen en voor alle
bijzondere gevallen eene bepaalde keuze te doen. Te meer gevoelde de
Redactie hare verplichting, om hierin met de uiterste behoedzaamheid en
niet dan na rijpe overweging te werk te gaan, omdat het Woordenboek,
dat zij eenmaal tot stand hoopt te brengen, uit den aard der zaak
niet zonder invloed zal blijven en derhalve aan de bewerkers eene
dubbele verantwoording oplegt. Het algemeene beginsel, dat bij deze
regeling der orthographie tot leidraad moest verstrekken, kon aan
geen twijfel onderhevig zijn. Het was aangewezen in het Ontwerp des
Woordenboeks, door den Voorzitter der Redactie in de vergadering van
het Derde Taal- en Letterkundig Congres te Brussel voorgedragen,
en door de algemeene goedkeuring bekrachtigd. Daarin was bepaald,
dat de in Noord-Nederland aangenomene spelling tot grondslag zou
worden gelegd, behoudens zoodanige wijzigingen, als de tegenwoordige
stand der wetenschap noodzakelijk scheen te vereischen. De Redactie
heeft gemeend, zich aan dat beginsel, als het meest practische en
bruikbare, te moeten houden. Overtuigd, dat groote veranderingen
in de spelling eener beschaafde en gevestigde taal, al mochten
zij op zich zelve wenschelijk zijn, toch nimmer kans hebben om
algemeen te worden aangenomen, en juist daardoor de zoo wenschelijke
eenparigheid en vastheid der taalvormen in dreigend gevaar brengen,
acht zij het boven alle bedenking raadzaam, de bestaande en erkende
spelling te eerbiedigen, voor zooverre zij met de uitspraken eener
gezonde taalkennis in overeenstemming is. Met nog sterkeren aandrang
dan bij de voordracht van het Ontwerp des Woordenboeks geschieden
kon, mag de Redactie dit beginsel thans aanbevelen, omdat de in
Noord-Nederland gebruikelijke spelling juist in de jaren, die sedert
het Brusselsche Congres verstreken, ook door de meeste letterkundigen
van Zuidelijk Nederland allengs is aangenomen, zoodat werkelijk,
in de hoofdpunten althans, in het geheele Nederlandsche taalgebied
eene tot dusverre ongekende eenparigheid is gevestigd. Het zou dwaas
en roekeloos zijn door gewaagde hervormingen die overeenstemming
te verbreken, en de eenheid der taal van Zuid en Noord ook in den
uiterlijken vorm--dat onschatbare voorrecht, dat zonder eenigen
dwang, maar alleen door vrije overtuiging en zucht tot verbroedering
langzaam verkregen werd--onbedacht en moedwillig op te offeren aan
onpractische stelselzucht of ontijdig nieuwigheidsbejag. En waarlijk,
bij de aanbeveling van het bestaande, als grondslag van de regeling
der spelling voor het Woordenboek, behoeft de Redactie aan hare
wetenschappelijke overtuiging geen geweld aan te doen, noch, in het
belang der eenparigheid, eenige antipathie te overwinnen. Integendeel
aarzelt zij niet te verklaren, dat werkelijk de aangenomene spelling
over het algemeen alle aanbeveling verdient. Bij herhaalde ernstige
overweging is het haar meer en meer gebleken, dat die spelling
inderdaad vele voortreffelijke eigenschappen bezit, en noch in
regelmaat noch in duidelijkheid voor die van eenige andere taal
behoeft onder te doen. Haar is althans geene nieuwere taal bekend, wier
orthographie de twee groote spellingbeginselen--overeenstemming met
de uitspraak en aanwijzing van de afleiding en den oorspronkelijken
vorm der woorden--op gelukkiger wijze vereenigd heeft weten te
eerbiedigen. Om niet te spreken van het Fransch en Engelsch, wier
spelling de willekeur zelve is, ook bij de vergelijking met het
Hoogduitsch is de verhouding geheel in ons voordeel, zelfs al wil
men de in Duitschland gebruikelijke schrijfwijze niet zoo gestreng
veroordeelen, als de grootste Duitsche taalkenner doet, die ronduit
verklaart: »Mich schmerzt es tief gefunden zu haben, dasz kein volk
unter allen, die mir bekannt sind, heute seine sprache so barbarisch
schreibt wie das deutsche. [1]"

De taak der Redactie bestond derhalve niet in het ontwerpen van
een nieuw spellingstelsel, maar alleen in de overweging, welke
verbeteringen de bestaande spelling, bij de hoogte die de wetenschap
in onze dagen bereikt heeft, scheen te vereischen. Met dit doel
voor oogen, heeft de Redactie het geheele vraagstuk der spelling
aandachtig nagegaan en de geschilpunten zorgvuldig getoetst, met
inachtneming van alles, wat daarover sedert 1804 door onze taalkundigen
is geschreven. Vooral heeft zij getracht, die gebrekkige schrijfwijzen
te verbeteren, die op onjuiste woordafleidingen steunden, of waarbij
de in het stelsel zelf aangenomene beginselen en regels hetzij
verkeerdelijk, hetzij in het geheel niet waren toegepast. Om hierin
met te meerder zekerheid te werk te gaan en den strijd te vereffenen,
die zich hier en daar tusschen de verschillende spelregels voordeed,
heeft zij gemeend vóór alles de grondbeginselen der orthographie uit
de natuur en de bestemming van het schrift te moeten afleiden, ten
einde langs dezen weg des te juister hunne onderlinge verhouding te
bepalen. Immers, zoodra de hoogere of geringere waarde der algemeene
beginselen eenmaal is vastgesteld, behoeft men bij de waardeering
der bijzondere regels niet verlegen te staan met de vraag, welke
regel in dit of dat bijzonder geval gelden moet. Eerst derhalve de
algemeene regels na te gaan, te formuleeren en volgens hunne waarde
te rangschikken, en daarna de betwiste of twijfelachtige punten te
toetsen: ziedaar wat de Redactie zich voorstelde. Met gerustheid mag
zij verklaren, dat het haar streven geweest is, hare taak zoo objectief
mogelijk op te vatten en overal de strengste onzijdigheid te bewaren.

In de volgende bladzijden worden de vruchten van ons
gemeenschappelijk overleg aan onze landgenooten aangeboden. Zij
bevatten de uitdrukking onzer eenparige, na zorgvuldig wikken en
wegen gevestigde overtuiging. De heldere uiteenzetting daarvan is
men verschuldigd aan ons geacht Medelid, Dr. Te Winkel, die aan ons
onderzoek het werkzaamste aandeel nam, en zich welwillend belastte
met de taak, de resultaten in een opzettelijk betoog voor te dragen,
dat vervolgens, in eendrachtige samenwerking met den ondergeteekende
herzien en aangevuld, ook de toestemming van ons hooggeschat Belgisch
Medelid, Prof. David, mocht verwerven. Aan niemand voorzeker kon de
taak om zulk een betoog te leveren beter toevertrouwd zijn dan aan den
schrijver van het werkje, De Nederlandsche Spelling getiteld, hetwelk
door onze taalkundigen en onderwijzers zoo gunstig is opgenomen,
dat binnen drie jaren reeds een derde druk noodzakelijk werd. In dat
werkje, ten behoeve van het onderwijs in onze vaderlandsche scholen
geschreven, had Dr. Te Winkel de algemeen aangenomene--zoogenaamde
Siegenbeeksche--spelling ontvouwd, met invlechting slechts, hier en
daar, van enkele critische aanmerkingen. Alleen een onverklaarbaar
misverstand heeft onlangs een hooggeleerd beoordeelaar--in het
beste onzer tijdschriften--kunnen verleiden tot de voorbarige en
door niets gerechtvaardigde meening, alsof dit werkje tevens het
spellingstelsel bevatte, »dat nu zeker ook tot grondslag gelegd
zal worden aan het Nederlandsch Woordenboek." Waar had ooit òf de
Redactie òf Dr. Te Winkel een woord gesproken, dat recht gaf tot
de onderstelling, alsof--in strijd met het vastgestelde Ontwerp--de
spelling van Siegenbeek zoogoed als onveranderd in het Woordenboek
zou worden gevolgd? Integendeel, het voornemen om in die spelling de
noodige verbeteringen aan te brengen, was in het openbaar duidelijk
uitgesproken. Doch het oogenblik, om zich van die belofte te kwijten
en van het ontworpen plan rekenschap te geven, achtte de Redactie
eerst thans gekomen, nu de uitgave van het Woordenboek begint te
naderen, en de onlangs gehoudene vergadering van het Zevende Taal-
en Letterkundig Congres haar eene geschikte aanleiding heeft geboden,
om--volgens de bepalingen van het Ontwerp--de resultaten van haar
onderzoek aan het oordeel van deskundigen te onderwerpen. Het is waar,
de afzonderlijke beraadslaging, die bij dat Congres was aangekondigd,
heeft geene plaats kunnen vinden: de drukke werkzaamheden, die drie
langdurige zittingen vulden, en meer nog de gulle gastvrijheid der
Bruggenaars, lieten geen tijd over voor eene rustige conferentie over
de spelling, waarvan trouwens de wijdloopige debatten over aa of ae
de leden reeds meer dan verzadigd hadden. Toch is die bijeenkomst
te Brugge, door hetgeen in kleinere kringen behandeld werd, ook voor
onze zaak niet onvruchtbaar gebleven. Van verschillende zijden mocht
de Redactie bedenkingen vernemen, die tot hernieuwde overweging
aanleiding gaven. Is daardoor aan den éénen kant de uitgave van
ons betoog misschien wat lang vertraagd, aan de andere zijde heeft
zeker het gehalte bij dat uitstel niet verloren. Ook verder houden
wij ons dringend aanbevolen voor al de aanmerkingen, die men ons
in het openbaar of schriftelijk zal willen mededeelen. Het zal
ons ernstig streven zijn, alles rijpelijk te onderzoeken en ook
op het gebied der spelling, dat van zooveel strijd getuige was,
te trachten naar de waarheid alleen; want--het is te recht in het
Ontwerp gezegd--»elke onwaarheid moet vroeg of laat te niet gaan,
maar de waarheid zal stellig zegevieren, en zij is het alleen, die
duurzame verzoening verzekert."

Nog een paar opmerkingen tot juiste aanwijzing van het plan en den
inhoud dezer bladzijden.

Daar de bestaande spelling, die als uitgangspunt werd aangenomen voor
de schrijfwijze in het Woordenboek te volgen, genoegzaam bekend is,
mocht het als overtollig en ontijdig worden beschouwd, ons geheele
spellingstelsel in alle bijzonderheden te ontvouwen. Men vindt hier
derhalve alleen eene ontwikkeling en waardeering der algemeene
grondbeginselen; eene opgave der verbeteringen die wenschelijk
schijnen; en eene herinnering van de onderscheidene schrijfwijzen,
waaromtrent onze letterkundigen in gevoelen verschillen, met
vermelding van de keuze, die de Redactie gemeend heeft daaruit te
moeten doen, en beknopte aanwijzing der redenen, die haar bij die
keuze hebben geleid. Zij heeft zich natuurlijk bepaald tot die
punten, die werkelijk betwist of twijfelachtig waren, en zich
niet opgehouden met de vermelding der talrijke feilen, die zoo
dikwijls ook door schrijvers van naam worden begaan, maar daarom
niet minder onverdedigbaar blijven. Uitwijden b.v. voor uitweiden,
ten aanhoore voor ten aanhooren, de verbogen deelwoorden gehaatte,
vergoodde, voor gehate, vergode, de verwarring van kindschheid en
kindsheid, of de onchristelijke spelling van kersfeest, kersnacht,
voor kerstfeest, kerstnacht, en dergelijke slordigheden meer, hoe
gewoon zij ook mogen zijn, het blijven feilen en niets meer. Zaken,
die bij alle deskundigen sedert lang uitgemaakt zijn, behoeven niet
meer geregeld te worden en lagen dus buiten onze beschouwing.

Er waren echter eenige belangrijke punten, die, in Siegenbeek's
Verhandeling over de Spelling onaangeroerd gebleven en nooit door
eenig taalkenner opzettelijk behandeld, in zooverre tot weinig
geschil aanleiding hadden gegeven, maar niettemin eene bepaalde
regeling vereischten, om de groote verwarring, die daaromtrent--bij
het volslagen gemis aan eenig voorschrift of richtsnoer--tot dusverre
heerschte. Zoo b.v. de gewichtige vraag: welke woorden en uitdrukkingen
aaneen te schrijven? welke in hunne deelen gescheiden te laten? De
nauwkeurige overweging van dit omslachtig en ingewikkeld vraagstuk
heeft de Redactie tot eene bepaalde uitkomst geleid, die--naar
zij vertrouwt--niet zonder belangstelling ontvangen zal worden,
als eene bijdrage om in het schrijven onzer moedertaal regelmatig,
oordeelkundig en naar vaste beginselen te werk te gaan.

Moge dan deze arbeid strekken om in het Woordenboek, met welks
bewerking de Redactie zich ijverig bezighoudt, het belangrijke
vraagstuk der spelling te regelen op eene wijze, aan de eischen der
wetenschap en de behoeften der practijk gelijkelijk voldoende.


Leiden,
23 Januari 1863.        M. D. V.



VOORBERICHT

VOOR DE TWEEDE UITGAVE.


De volgende bladzijden behelzen de tweede--herziene en veel
vermeerderde--uitgave van het Ontwerp der Spelling, door de Redactie
van het Woordenboek der Nederlandsche Taal in 1863 in het licht
gezonden. Het Ontwerp is nu eene Regeling geworden, het voorloopige
plan in een bepaald besluit veranderd; want de tijd was daar, dat
onze spelling tot in alle bijzonderheden voorgoed moest worden
vastgesteld. Reeds is de eerste aflevering van het Woordenboek
verschenen; de tweede ligt bijna gereed. Onze landgenooten, die
onzen arbeid met hunne belangstelling vereeren, hebben dus reeds de
spelregelen kunnen opmerken, die door ons zijn aangenomen. Maar wij
zijn hun nader rekenschap verschuldigd van de beginselen, die ons
daarbij hebben geleid; bovenal van de wijzigingen, die wij sedert
de verschijning van ons eerste Ontwerp noodzakelijk of raadzaam
hebben geacht.

Onze openlijke uitnoodiging, dat deskundigen ons hunne aanmerkingen en
bedenkingen op het voorgedragen spellingplan niet mochten onthouden,
is niet vruchteloos geweest. In verscheidene grootere en kleinere
geschriften, maandwerken, dagbladen enz. is het vraagstuk der
orthographie, dat een tijdlang gesluimerd had, met vernieuwden lust op
het tapijt gebracht en aan alle kanten besproken. Alle twijfelachtige
punten zijn opnieuw aan veelzijdige critiek onderworpen; de meest
verschillende meeningen hebben warme verdedigers gevonden; over
en weder is alles aangevoerd wat vóór of tegen te zeggen viel. Ook
aan belangrijke opmerkingen in bijzondere briefwisseling, van zeer
bevoegde handen, heeft het ons niet ontbroken. Van hoeveel invloed dit
alles geweest is, heeft reeds de eerste proeve van het Woordenboek
bewezen en zal in deze bladzijden nader blijken. Het spreekt wel
vanzelf, dat er onder de bedenkingen, die men geopperd heeft, veel
was waarmede wij ons niet konden vereenigen. Zoo het ergens moeilijk
is tot eenstemmigheid te geraken, het is vooral op het gebied der
orthographie, wier regeling, bij een zoo beperkt letterstelsel, een
aantal onoplosbare bezwaren medebrengt, en juist daardoor altijd tot
tegenstrijdige gevoelens aanleiding moet geven. De ervaring heeft het
ook nu weder op de afdoendste wijze getoond. Wat de een in ons Ontwerp
laakte, werd juist door den ander geprezen; de verandering, die dezen
het meest beviel, door genen het strengst afgekeurd. Reden genoeg om
uit eigen oogen te blijven zien en, met bedaarde overweging van alle
meeningen, naar niets anders te streven dan naar de waarheid alleen,
voor zooverre die althans in zaken van dezen aard bij benadering
kan worden bereikt. Daar kwam bij, dat het standpunt, waarop zich
onze geachte beoordeelaars plaatsten, niet altijd datgene was,
waarop wij behoorden vast te staan. Hun was het veelal om bijzondere
punten te doen, losse, op zich zelf staande vraagstukken omtrent de
schrijfwijze van deze of gene woorden, al naarmate eene geliefkoosde
overtuiging of gevestigde voorkeur medebracht; terwijl wij, die het
geheel behandelden, het gansche spellingstelsel in zijnen logischen
samenhang moesten beschouwen en alle bijzonderheden in onderling
verband aan algemeene beginselen toetsen. Bij iedere afzonderlijke
vraag moest ons de geheele reeks van soortgelijke vragen, en de band
die ze alle aaneenknoopt, voor oogen staan, ten einde te verhoeden,
dat nu eens deze, dan weder een andere maatstaf werd aangelegd, en
te zorgen, dat de eenheid in het geheele stelsel bewaard bleef. Moge
dan al onze keuze hier of daar bij den eersten aanblik inconsequent
schijnen, omdat zij wel eens strijdig is met den eenen of anderen
bijzonderen, maar ondergeschikten spelregel, bij nader inzien zal
zij blijken in overeenstemming te wezen met het geheel en met de
natuurlijke grondbeginselen der spelling, die uit het wezen en de
bestemming van het schrift noodwendig voortvloeien. Consequentie
in het geheel en volstrekte consequentie in alle onderdeelen zijn
onvereenigbaar bij elk stelsel, dat, gelijk de spelling eener taal,
niet door één allesomvattend brein is bepaald en geregeld, maar de
samenvoeging is van partieele meeningen omtrent bijzondere punten,
die zich naast elkander vestigden en eerst allengs zich tot een geheel
vereenigden, waarin uit den aard der zaak de innerlijke overeenstemming
niet volkomen zijn kon, omdat niemand het geheel overzag. Bij de
beslissing van dien innerlijken strijd was het onze overtuiging,
dat het bijzondere en ondergeschikte ook in de spelling voor het
algemeene en hoogere moest onderdoen. Doch juist bij die omvattende
beschouwing van het geheel en al zijne deelen was herhaald onderzoek en
rijp beraad een dubbel onmisbaar vereischte, en daartoe hebben ons de
vele opmerkingen, twijfelingen en bezwaren, die wij mochten vernemen,
overvloedige stof gegeven. Niets hebben wij ter zijde gelegd zonder
aandachtige overweging. Zoowel de grondbeginselen, waarvan ons Ontwerp
uitging, als de bijzondere stellingen, die het bevatte, hebben wij
nogmaals opzettelijk overdacht, nauwkeurig beproefd en met de gemaakte
bedenkingen vergeleken. Menige wijziging, menige zelfs van gewicht,
is daarvan het gevolg geweest; en met te meer grond durven wij ons
vleien, dat de nu voor het Woordenboek vastgestelde spelling aan hare
wetenschappelijke en practische bestemming zal mogen voldoen.

Maar het was niet genoeg ons stelsel te herzien en te verbeteren,
het moest ook worden aangevuld door de behandeling van die vragen,
die tot hiertoe nooit opzettelijk werden beantwoord en toch voor
de regelmaat der spelling van groot gewicht zijn. Wij bedoelen
inzonderheid de scheiding der woorden bij het afbreken, en de keuze
der verbindingsletters tusschen de leden eener samenstelling. Bij
de eerste uitgave van ons Ontwerp was onze beraadslaging omtrent die
belangrijke punten nog niet geheel afgeloopen, zoodat wij het raadzaam
achtten ons daaromtrent eene nadere beslissing voor te behouden. Sedert
hebben wij het onderzoek geregeld voortgezet en tot een--zoo wij
hopen--bevredigend einde gebracht. De uitkomsten onzer overwegingen
bieden wij thans aan het publiek aan. Wij zijn er verre af te gelooven,
dat het ons gelukt zal zijn, vooral wat het ingewikkeld en netelig
vraagstuk der samengestelde woorden betreft, alle moeilijkheden
uit den weg te ruimen en de zaak te regelen op eene wijze, waarin
terstond iedereen genoegen zal nemen. Maar wie niet onbekend is met
de schromelijke verwarring, die op dit punt altijd geheerscht heeft,
wie het met ons betreurt dat een zoo gewichtig onderwerp tot dusverre
door schijnbaar onoverkomelijke bezwaren alle taalkenners afschrikte
en nooit ernstig behandeld werd, zal ten minste de poging goedkeuren,
die wij waagden, om het vraagstuk met moed aan te vatten en naar ons
beste weten op te lossen. Volkomen regelmaat en strikte consequentie
was uit den aard der zaak hier niet te bereiken. De vraag is alleen,
of de schikking, door ons ontworpen, zich aanbeveelt door billijke
inachtneming en behoedzame toepassing der grondbeginselen, die bij
eene verstandige spelling tot leiddraad moeten verstrekken. Zoo ja,
dan zal men wèl doen door zich over kleinigheden heen te zetten, die op
het eerste gezicht misschien vreemd kunnen schijnen, om liever de zaak
in haar geheel te beschouwen en de ordelijke regeling te erkennen,
die wij ook hier poogden te vestigen. Het wordt hoog tijd--voor
eene taal als de onze, die zoo onuitputtelijk vruchtbaar is in het
vormen van samenstellingen--dat er een einde kome aan die willekeur
en slordigheid in het schrijven van samengestelde woorden. Wie het
wèl met de taal meent, zal gaarne met ons medewerken om ook hier een
stelsel te doen aannemen, dat veroorlooft met helder bewustzijn een
vasten maatstaf te volgen.

De zorgen, door ons aan de orthographie gewijd, hadden aanvankelijk
geen ander doel dan het bepalen der spelling ten dienste van het
Woordenboek. In dat werk, uit den aard bestemd om invloed te oefenen
op de ontwikkeling der taal, en dat derhalve aan zijne bearbeiders
eene zware verantwoordelijkheid oplegt, mochten wij niet gedachteloos
voortsukkelen in de eenmaal geijkte schrijfwijze, waarin eene halve
eeuw taalstudie talrijke gebreken en leemten had aangewezen, en die
eigenlijk aan niemand meer voldeed. Maar verder dan de behoeften van
het Woordenboek strekten zich onze bemoeiingen niet uit. In hoeverre
onze taalgenooten in Noord en Zuid onze spelling zouden goedkeuren:
of zij in ruimeren kring zou doordringen, misschien eenmaal de leuze
worden der zoo lang vergeefs gehoopte eenparigheid: dit alles moesten
wij geduldig aan den tijd overlaten. De uitkomst is nu reeds gunstiger
geweest dan wij immer dorsten vermoeden. Het algemeene verlangen om
eenmaal tot zekerheid en regelmaat te geraken, kwam onze pogingen te
gemoet, nog eer wij met den arbeid gereed waren. Men wenschte niets
liever dan verlost te worden van al dat weifelen en dobberen, dat
zooveel ongemak veroorzaakte en vooral belemmerend op het onderwijs
drukte. Bij die diepgevoelde behoefte viel aan ons Ontwerp eene
belangstelling ten deel, die wij te hooger waardeeren, omdat zij
reeds tot een belangrijk gevolg heeft geleid. De Belgische Regeering,
overtuigd van de noodzakelijkheid om de spelregels, in 1841 door
het Gentsche Taalcongres aangenomen, te doen herzien, heeft bij
Koninklijk Besluit van 25 Januari 1864 eene Commissie benoemd,
uit de voornaamste Vlaamsche taal- en letterkundigen bestaande,
en belast om de hervorming van het spellingstelsel te regelen. Die
Commissie stelde, als beginsel harer werkzaamheden vast, »dat men het
verschil van spelling, hetwelk al te lang onze taal in Vlaamsch en
Hollandsch heeft verdeeld, moest trachten te doen verdwijnen". Zij
nam het Ontwerp, door de Redactie van het Woordenboek in het licht
gegeven, tot leiddraad harer beraadslagingen, vereenigde zich in de
hoofdzaken met de regels, die daarin waren voorgedragen, en knoopte met
de Redactie eene briefwisseling aan ter nadere overweging van datgene,
waartegen zij bedenkingen had. Het verschil, dat meest ondergeschikte
punten betrof, werd spoedig vereffend en loste zich op in de meest
volkomene overeenstemming. Reeds heeft de Commissie, door de bekwame
pen van haren woordvoerder, Prof. Heremans, een even grondig als
sierlijk Verslag uitgebracht en openbaar gemaakt [2]; hare voorstellen
zijn bij Koninklijk Besluit van 21 November ll. bekrachtigd; de
nieuwe spelregels voor het onderwijs in de staatsscholen en voor de
stukken, van de Regeering uitgaande, vastgesteld, en reeds weinige
dagen daarna--met eene verrassende eenparigheid--door de Vlaamsche
schrijvers aangenomen en in de dagbladen ingevoerd. Zoo is dan nu
de eenheid van spelling tusschen Zuid en Noord, die men zoo lang als
eene volstrekte onmogelijkheid beschouwde en als eene hersenschim van
dweepzieke ijveraars uitkreet, na weinige jaren van verbroedering,
een werkelijk bestaand feit geworden; de eenheid der Nederlandsche
taal, die te lang in Vlaamsch en Hollandsch verdeeld scheen,
voorgoed en duurzaam gevestigd, door gelijkheid van spelling,
als door een uiterlijk merkteeken, gewaarborgd. Zoo hebben de
Congressen, waarin menigeen niets dan eene ijdele vertooning zag,
eene practische uitwerking gehad, die meer dan iets anders heilrijke
vruchten zal dragen voor de toekomst onzer taal. Alleen door oprechte
waarheidsliefde en onderlinge welwillendheid is dit verblijdend
resultaat tot stand gekomen: de hereeniging op taal- en letterkundig
gebied met onze broeders uit het Zuiden, die de staatkunde eenmaal
van ons gescheiden heeft. Om die hereeniging nader te bevestigen, is
het nu dubbel wenschelijk, dat ook in Noord-Nederland de onzekerheid
der orthographie weldra plaats make voor vastheid en regelmaat. Naar
de begrippen, hier te lande aangenomen, kan dit onderwerp niet door
de bemoeiing der Regeering worden geregeld. Vrijwillige instemming
moet alles beslissen. Maar reeds doen zich de voorteekenen op,
dat de eenparigheid ook hier niet zal uitblijven. Meer dan één
onzer voornaamste schrijvers heeft zich reeds met de spelling
van het Woordenboek vereenigd, en van alle zijden ontvangen wij de
blijken van de levendige belangstelling, die de zaak in den kring der
Nederlandsche onderwijzers heeft opgewekt. De bereidwilligheid, door
zoovelen betoond, om de voorgestelde wijzigingen in de spelling door
leer en voorbeeld ingang te doen vinden, legt ons de verplichting op
om van onzen kant, erkentelijk voor de goedkeuring aan onze pogingen
geschonken, de taak gemakkelijk te helpen maken door het leveren van
die practische hulpmiddelen, die voor het onderwijs en het algemeen
gebruik onontbeerlijk zijn. Wij hopen eerlang ten dienste der scholen
een beknopt overzicht te geven van de spelregelen, door ons voor het
Woordenboek aangenomen en in deze Verhandeling breedvoerig ontvouwd;
om daarna eene Woordenlijst voor de spelling te doen volgen, waarbij
men in ieder voorkomend geval zal kunnen te rade gaan. Eerst dan zal
onze orthographische werkzaamheid zijn afgeloopen, en zullen wij ons
voortaan onverdeeld aan de lexicographie kunnen wijden. De voldoening,
die de eene helft onzer taak ons zoo ruimschoots heeft opgeleverd,
geeft moed om in de andere, waarin de sympathie onzer landgenooten
ons niet minder krachtdadig steunt, met frisschen ijver te volharden.


Leiden,
4 Februari 1865.      M. D. V.



Door de groote belangstelling van het publiek in de zaak der
spellingherziening is binnen weinige weken een herdruk onzer
Grondbeginselen noodzakelijk geworden. Wij hebben van deze gelegenheid
gebruik gemaakt, om hier en daar enkele uitdrukkingen te wijzigen,
en tevens bij een paar punten ons gevoelen nader te staven, naar
aanleiding der bedenkingen, onlangs van eene geachte zijde daartegen
in het midden gebracht, die voor 't overige deels in het jongste
stuk van den Taalgids breeder zijn beantwoord, deels in de volgende
nummers zullen beantwoord worden. Buiten dit weinige is deze uitgave
aan de vorige gelijk gebleven.


Leiden,
4 Juli 1865.      M. D. V.



Deze derde druk is door mij opnieuw herzien, waar het noodig
scheen gewijzigd, en met de tweede uitgave van onze Woordenlijst in
overeenstemming gebracht.


Leiden,
30 Sept. 1872.      M. D. V.



INHOUD.



EERSTE AFDEELING.

Over de natuur en het doel van het schrift, § 1-32          Blz. 1
De algemeene spelregels en hunne onderlinge verhouding, § 33-72
                                                               » 11

TWEEDE AFDEELING.

De bijzondere spelregels, waaromtrent verschil van gevoelen
bestaat                                                        » 33

De klinkers, § 73-91                                           » 33
De medeklinkers, § 92-132                                      » 58
De samenstellingen, § 133-212                                 » 116

    Welke woorden en uitdrukkingen moeten aaneen geschreven
    worden? § 134-153                                         » 116
    Gebruik van het koppelteeken, § 154-160                   » 135
    Hoe te handelen met de verbindingsklanken tusschen de
    twee leden eener samenstelling? § 161-212              Blz. 139

        De inlassching der verbindings-n, § 180-206           » 151

            De verbindings-n achter substantieven als teeken
            van den zwakken genitief, § 182-187               » 154
            als teeken van het meervoud, § 188-197            » 159
            achter bijvoeglijke woorden, § 198-201            » 172
                achter werkwoorden, § 202, 203                » 174
                als invoegsel voor de welluidendheid, § 204-206
                                                              » 176
            De inlassching der verbindings-s, § 207-212       » 178

                De verbindings-s als teeken van den tweeden naamval
                achter zelfstandige naamw., § 208             » 178
                als teeken van het meervoud, § 209            » 180
                als teeken van den tweeden naamval achter
                bijvoeglijke woorden, § 210, 211              » 181
                als invoegsel voor de welluidendheid, achter
                stammen van werkwoorden, § 212                » 181

    Overzicht over de regels der samenstelling, § 213         » 182

    De spelling der bastaardwoorden, § 214-256                » 186
    Over het verdeelen der woorden in lettergrepen, § 257-270 » 217

Toevoegsel (over de verkleinwoorden van samengetrokken vormen,
waaruit eene d is uitgestooten)                               » 227
Naschrift                                                     » 229
Zaakregister                                                  » 231
Woordenlijst                                                  » 246



EERSTE AFDEELING.



Over de natuur en het doel van het schrift.

1. Het denken is eene werking en als zoodanig voorbijgaande. Gedachten
houden op te bestaan, zoodra zij gedacht zijn; men kan haar geene
duurzaamheid geven: ze kunnen alleen opnieuw gedacht, herhaald,
gereproduceerd worden. Ook door reproductie komen zij ter kennis
van anderen. Een hoorder is verplicht de gedachte van den spreker
bij zich zelven te denken, haar op zijne wijze te reproduceeren;
doet hij zulks niet, is hij afgetrokken, vormt hij bij zich zelven
andere gedachten, dan komen die van den spreker niet tot zijne
kennis. Het geheugen stelt ons dikwijls in staat eene gedachte van
vroeger te hernieuwen, maar ook even dikwijls schiet het daarin te
kort. Derhalve, wie later met volkomen zekerheid weten wil, wat hij
eenmaal heeft gedacht, zonder dat hij zich op het feilbaar geheugen
behoeft te verlaten, heeft een middel, een blijvend iets, noodig, dat
hem in staat stelt zijne vroegere gedachte opnieuw te denken. Is dit
op zich zelf bestaand middel, onder den vorm van een brief of boek,
vervoerbaar, dan kan het tevens voor afwezigen dienen als aanleiding
om zich dezelfde gedachten te vormen. Wanneer het middel in zichtbare
teekens bestaat, heet het schrift.

2. De aanleiding tot reproductie van gedachten kan op twee wijzen
zichtbaar gegeven worden: a) door de voorstellingen, waaruit de
gedachten bestaan, deels naar de natuur deels symbolisch, af te
beelden; b) door de woorden, waarmede zij gedacht zijn, door teekens
voor te stellen. In het laatste geval heet het middel woordschrift
of eenvoudig schrift.

Wanneer in het woordschrift eene geheele lettergreep door één teeken
voorgesteld wordt, noemt men het syllabenschrift; doch wanneer de
woordklanken in hunne ondeelbare bestanddeelen, in letterklanken,
opgelost, en iedere zoodanige letterklank door een afzonderlijk
teeken voorgesteld wordt, dan heeft men letterschrift. De meeste
beschaafde talen hebben letterschrift aangenomen, maar niet alle
hebben het beginsel consequent volgehouden. Daar het Nederlandsch
de x, die twee ondeelbare deelen, k en s, te gelijk voorstelt, niet
meer in echt Nederlandsche woorden bezigt, kan men zeggen, dat het
een zuiver letterschrift heeft.

3. De eigenlijke woorden zijn klanken, d.i. golvingen der lucht,
die het trommelvlies doen trillen en zoodoende de gehoorzenuwen
aandoen; zij zijn dus ook werkingen, die evenmin als de gedachten
duurzaamheid hebben, maar telkens opnieuw geproduceerd moeten
worden. Het letterschrift is de aanwijzing, hoe een woordklank door
de spanning en beweging der spraakwerktuigen moet worden voortgebracht.

4. Een woord behoeft niet altijd uitgesproken te worden: bij het stille
denken en het onhoorbare lezen stelt men zich den klank slechts voor,
gelijk men zich een geheel muziekstuk voorstellen kan. Dit voorstellen
is, als alle denken, insgelijks eene voorbijgaande werking, eene
werking van den geest, tot welker reproductie het letterschrift
evenzeer als tot het luide uitspreken aanleiding geeft.

5. De zichtbare voorstelling van een woord door letterteekens
wordt insgelijks woord genoemd. Een woord komt derhalve onder drie
verschillende vormen voor: als werkelijke klank, als voorgestelde of
gedachte klank, en als afgebeelde of afgeteekende klank. Men heeft dus
gesprokene, gedachte en geschrevene woorden; de beteekenis, die in alle
drie de gevallen dezelfde is, maakt den gemeenschappelijken band uit,
welke de drie vormen of toestanden tot één zelfde woord maakt.

De gesprokene woorden, de hoorbare klanken, zijn en blijven de
oorspronkelijke, eigenlijke woorden, waarvan de gedachte en geschrevene
bloote navolgingen of kopieën zijn.

6. Daar het schrift de aanleiding moet zijn om de woordklanken te
reproduceeren, zal een geschreven woord moeten bestaan in de opgave van
al de bestanddeelen van den woordklank, gerangschikt in de volgorde,
waarin zij onder het uitspreken vereenigd worden.

7. De natuur van het letterschrift brengt derhalve mede, dat het
doel van het schrijven, namelijk de reproductie van gedachten,
aanvankelijk althans, slechts langs eenen omweg bereikt wordt. Wie
leert lezen, moet het geschreven woord luide uitspreken, en eerst
de door hem uitgesproken en tevens door hem gehoorde klank verwekt
bij hem de daaraan verbonden voorstelling. Dezelfde noodzakelijkheid
om hardop te lezen blijft bestaan bij alle lieden, die slechts zelden
lezen. Een geoefend lezer echter behoeft dien omweg niet meer te maken:
een geschreven woord verwekt bij hem onmiddellijk de voorstelling van
den woordklank en tevens die van het bedoelde voorwerp, de bedoelde
hoedanigheid, werking of betrekking. De onmiddellijke verbinding van
het schrift met zijne beteekenis ontstaat nochtans bij ieder individu,
behalve bij doofstommen, eerst nadat de woordklank een geruimen tijd
het verbindende middel is geweest.

    Doofstommen komen tot de verbinding van een geschreven woord
    met zijne beteekenis alleen door het kunstmatig onderwijs van
    personen, bij wie die verbinding langs den beschreven weg is tot
    stand gebracht. Eene maatschappij van louter doofstommen zou geen
    letterschrift hebben kunnen uitdenken.

8. De periode der woordschepping is reeds voor eeuwen gesloten;
nieuwe woorden worden alleen uit reeds bestaande stof gevormd. Het
leeren spreken van het kind bestaat dus in het leeren nabootsen van
de woordklanken, die het ouderen hoort uitbrengen, en het spreken van
ouderen is niets anders dan eene reproductie van dezelfde klanken,
is en blijft dus eene nabootsing.

9. Daar nu de gehoor- en spraakorganen bij geene twee individuën
volkomen gelijk zijn, hoort ieder op zijne eigene wijze anderen de
woorden uitbrengen, en spreekt hij ze op zijne eigene wijze--soms
zeer gebrekkig--na. Vandaar dat de individuën aan hunne spraak
onderkenbaar zijn.

10. Doch niettegenstaande dit persoonlijke onderscheid in het spreken,
bestaat er ten gevolge der nabootsing eene groote overeenstemming in de
uitspraak der inboorlingen van hetzelfde dorp, dezelfde stad, hetzelfde
gewest. Deze overeenkomst onderling en het verschil met de uitspraak
van verder afgelegen plaatsen en streken veroorzaken de onderscheiding
van de zoogenoemde plaatselijke en gewestelijke tongvallen, dialecten.

11. Beschaafde lieden, die eene meer zorgvuldige opvoeding
hebben genoten, wier gehoor meer verfijnd, wier spraakorganen meer
geoefend zijn, spreken doorgaans zachter en lieflijker dan de minder
bevoorrechte standen. Daardoor komt bij hen het eigenaardige, dat den
tongval van de plaats hunner inwoning kenmerkt, minder scherp uit,
zoodat het verschil der dialecten grootendeels wegvalt. Op die wijze
ontstaat er eene zoogenaamde algemeene beschaafde uitspraak, die het
gansche land door, naast de gewestelijke, min of meer heerschende
is. En doordien beschaafde lieden, vooral in geschrifte, zich ten
behoeve der duidelijkheid doorgaans onthouden van woorden, die
uitsluitend in hunne woonplaats in gebruik en elders onbekend zijn,
vormt zich nevens de taal des volks een nieuwe taalvorm, waarin de
beschaafde uitspraak heerscht, en die als een afzonderlijk dialect,
dat der beschaafde standen, te beschouwen is. Voor zooverre dit dialect
zich in geschrifte openbaart, noemt men het de schrijf- of boekentaal.

12. Wanneer zich in eene taal eenmaal zulk eene beschaafde uitspraak
heeft gevestigd, maakt het eigenaardige van een dialect, als het wat
sterk uitkomt, meestal een min of meer onaangenamen indruk op den
beschaafden hoorder; vooral wanneer in de plaats zijner geboorte of
langdurige inwoning een andere tongval heerscht. Deze omstandigheid
heeft bij alle beschaafde volken aan de beschaafde uitspraak eene
hooge waarde gegeven en de dialecten in dezelfde mate in achting doen
dalen. Uit zijnen aard staat het algemeene hooger dan het bijzondere
en moet het bijzondere voor het algemeene wijken, in de taal en de
taalkunde zoowel als in de maatschappij en de staathuishoudkunde.

13. Eene zuivere uitspraak is verschillend van eene beschaafde
uitspraak. Sommige lieden kunnen uit hoofde van organische gebreken of
uit gemis aan oefening enkele bestanddeelen van woorden niet duidelijk
onderscheiden, en meestal ten gevolge daarvan, niet goed uitspreken;
dezen hebben dan eene gebrekkige uitspraak. Wie iederen letterklank
zoo uitbrengt, als door het meerendeel der natie geschiedt, heeft
eene zuivere uitspraak. Onbeschaafden kunnen in weerwil van ruwheid
en grofheid in hunne spraak eene zuivere, beschaafden omgekeerd
eene gebrekkige uitspraak hebben. Eene uitspraak kan, in zooverre
zij gebrekkig is, natuurlijk niet als een bestanddeel der algemeene
beschaafde uitspraak gerekend worden.

14. Ofschoon het schrift, als de zichtbare voorstelling der spraak,
zich naar deze moet richten en van haar afhankelijk is, werkt het
desniettemin op haar terug en heeft het omgekeerd invloed op de spraak
en zelfs op de geheele taal.

15. Immers, daar het schrift de woorden in hunne bestanddeelen ontleed
moet voorstellen, noodzaakt het in de eerste plaats den schrijver elk
woord, dat hij schrijven wil, in zijne deelen op te lossen en deze,
behoorlijk achter elkander gerangschikt, voor te stellen. Vervolgens
geeft het den lezer deel voor deel in de vereischte volgorde te zien,
en noodzaakt het hem die deelen zelf samen te voegen. Zoodoende
brengt het schrift de bestanddeelen en den vorm der woorden tot het
bewustzijn der lezers en schrijvers. Die bewuste kennis der deelen
maakt, dat men ze bepaalder articuleert, aan ieder beter zijn eisch
geeft, en dus ook duidelijker spreekt.

    Het ontleden der woorden en het weder samenvoegen hunner
    bestanddeelen geschiedt bij geoefende schrijvers en lezers met
    groote snelheid en onbewust. Die vaardigheid ontstaat echter alleen
    door langdurige bewuste oefening en wordt slechts gevonden bij hen,
    die de woorden nauwkeurig kennen, d.i. bij dezulken, op wie het
    schrijven en lezen de hier bedoelde uitwerking reeds gehad heeft.

16. Daar men onder het lezen altijd min of meer overeenkomstig het
geschrevene uitspreekt, bevordert eene eenparige spelling, die met
de beschaafde uitspraak in overeenstemming is, noodwendig de eenheid
in het spreken en de uitbreiding der beschaafde uitspraak onder
de mindere standen. Omgekeerd kan het schrift ook strekken om de
uitspraak te bederven.

17. Doordien het schrift iets voortdurends is, waarnaar men zich
in het lezen en daardoor ook in het spreken min of meer regelt,
geeft het meer bestendigheid aan de taal; het kan wel is waar de
langzame verandering, waaraan iedere levende taal onderworpen is,
niet verhinderen, maar het behoedt haar voor een al te snel verloop.

18. Het schrift, een blijvend iets, geeft de woorden in verschillende
vormen, betrekkingen en opeenvolgingen te zien. Zoodoende stelt het
den belangstellende in staat die onderscheidene vormen, betrekkingen
en opeenvolgingen op zijn gemak te beschouwen en te vergelijken,
en de wetten op te merken, volgens welke de woorden veranderen,
gebruikt en gerangschikt worden. Blootelijk gedachte of gesproken
woorden kunnen niet worden vastgehouden en zijn daardoor moeilijker
waar te nemen en te vergelijken.

19. Daar alle kennis van iets alleen kan worden verkregen door dat
iets met andere dingen te vergelijken, en alleen het schrift tot
eene behoorlijke vergelijking der woorden onderling in staat stelt,
moet het beschouwd worden als de aanleidende oorzaak tot het nadenken
over de taal en als de onmisbare voorwaarde van alle wetenschappelijke
taalkennis.

20. De geest kan alleen gedachten die hij begrijpt in zich opnemen en
bewaren. Tot het rechte verstand eener gedachte is noodig, dat de geest
iedere voorstelling, die er in voorkomt, van alle andere onderscheidt,
en haar plaatst bij andere voorstellingen, die van denzelfden aard
zijn, haar kunnen ophelderen en duidelijk maken. Dit onderscheiden der
voorstellingen en haar opnemen in de klasse, waartoe zij behooren,
heet appercipieeren. Apperceptie is derhalve volstrekt noodig tot
het verstaan eener gedachte.

    Appercipieeren is de algemeene uitdrukking voor hetgeen in het
    dagelijksch leven nu eens leeren kennen, dan onderkennen, dan
    herkennen heet.

    Daar een woord een klank is, waaraan eene beteekenis is verbonden,
    en dus als het ware uit twee deelen bestaat, vereischt het
    eene dubbele apperceptie; eerst moet men den klank herkennen,
    en vervolgens zijne beteekenis weten te recht te brengen.

21. Het schrift, als iets zichtbaars, is aan de apperceptie der woorden
bevorderlijk, wanneer het hetzelfde woord steeds op dezelfde wijze
voorstelt, de gelijkluidende woorden verschillend spelt, en door
eene verstandige keus van letters aan andere woorden van verwante
beteekenis herinnert.

    Men denke hier aan lijden en leiden, nog en noch. De spelling
    lijden met ij brengt min of meer in de gedachten al de
    verschillende voorstellingen, die aan lijder, lijdzaam, lijdelijk
    enz. verbonden zijn, en stelt den lezer daardoor in staat het
    woord zóó op te vatten als op het oogenblik vereischt wordt.

    Eene verkeerde spelling kan omgekeerd de apperceptie belemmeren,
    b.v. wanneer men lijden met ei spelt en zoodoende aan leiden,
    leiding, leidsman, leidster doet denken.

22. Indien aan het schrift een zoo groote invloed op de taal moet
toegeschreven worden, indien het ook het opnemen der gedachten kan
bevorderen of vertragen, dan verdient de wijze, hoe men schrijft,
een voorwerp van ernstige overweging uit te maken.

23. De wijze waarop eene taal geschreven wordt, heet hare Spelling. Ook
het hoofddeel harer grammatica, dat de wetten en voorschriften bevat,
waaraan men bij het schrijven gehoorzaamt, wordt de Spelling genoemd.

    Door eene wet verstaat men in de wetenschappen niet een bevel,
    door eenige autoriteit uitgevaardigd, maar een volzin of formule,
    die de wijze uitdrukt, waarop eene werking volgens haren aard
    geschiedt. Spellingwetten zijn derhalve zulke formules, waarin
    de wijze van spelling wordt opgegeven, voor zooverre die uit het
    wezen en het doel van het schrijven voortvloeit.

24. De spellingwetten zijn deels noodwendige uitvloeisels van het wezen
en de natuur van het schrift in het algemeen en van het eigenaardige
der bijzondere taal; deels bestaan zij in min of meer willekeurige
voorschriften, die door eene langdurige gewoonte (usus) kracht van
wet hebben gekregen en niet meer te veranderen zijn. De eerstgenoemde
soorten noemt men de algemeene, de laatste de bijzondere spelregels.

25. Wanneer een aantal bijzondere regels onder éénen algemeeneren
of hoogeren regel kunnen gebracht worden, die kan worden beschouwd
als een aangenomen grondbeginsel waaruit de bijzondere regels zijn
afgeleid, dan verdient dat hoogere grondbeginsel insgelijks den naam
van algemeenen spelregel.

26. Daar de spelling aanvankelijk voor een groot gedeelte van het
goeddunken der eerste schrijvers afhing, schijnen de bijzondere
spelregels naar willekeur veranderd en een spellingstelsel tot
een hoogen trap van volmaaktheid gebracht te kunnen worden. Dat
veranderen is echter inderdaad slechts mogelijk bij voorschriften,
die maar eenige weinige woorden betreffen, wier toepassing derhalve
hoogst zelden gevorderd wordt, en welke dientengevolge niet eens
helder in het bewustzijn van het volk liggen. Maar heeft een regel
een uitgebreid gebied, betreft hij een groot aantal woorden, is dus
zijne toepassing door gewoonte eene tweede natuur geworden, dan geeft
eene wijziging van dien regel aan het geheele schrift een ander,
een vreemd voorkomen, dat het oog kwetst, zoolang het er niet aan
gewend is; daarom zijn velen niet te bewegen om die verandering toe
te passen, dewijl dit gelijk zou staan met het afleggen eener oude
gewoonte. Veelomvattende hervormingen vinden nimmer ingang bij een
geheel volk, maar verdeelen de schrijvenden in partijen, en verbreken
of verhinderen de wenschelijke eenparigheid van spelling.

27. De grammaticus heeft derhalve de spelling te beschouwen als een
bestaand en gegeven iets, waaraan hij niets wezenlijks vermag te
veranderen. Wil hij verstandig zijn, dan neemt hij de spelling aan,
die algemeen of door de groote meerderheid gevolgd wordt; omdat hij,
anders handelende, zijn doel toch missen en de zaak niet verbeteren,
maar veeleer verergeren zou.

28. Een volkomen rationeel en consequent spellingstelsel is een
ideaal, hetwelk, verwezenlijkt, toch slechts zeer korten tijd zijne
hooge voortreffelijkheid zou behouden, doordien de taal onafgebroken
verandert, en de spelling die langzame veranderingen niet op den
voet volgen kan, vermits deze eerst na eenig tijdsverloop duidelijk
kenbaar worden.

29. Doch het volgen van de bestaande spelling brengt niet noodwendig
mede, dat de grammaticus juist alle gebreken en onregelmatigheden
mede moet overnemen. Wanneer hij willekeurige uitzonderingen op
geldige regels opmerkt, onregelmatigheden in het schrijven van enkele
woorden, waarvoor geene reden, hoe ook genaamd, is te ontdekken,
maar die kennelijk aan onkunde of aan eene verkeerde toepassing van
verstandige en erkende regels zijn toe te schrijven, dan kan niemand
hem euvel duiden, dat hij zijn beter inzicht volgt. Dan is het veeleer
zijn plicht anderen op die weinige gebreken opmerkzaam te maken,
en door zijn voorbeeld mede te werken om het spellingstelsel zooveel
mogelijk te zuiveren.

30. De meeste der hier bedoelde alleenstaande gebreken worden
aangetroffen in onopgemerkte, bijna vergeten woorden, die in de
algemeene schrijf- en boekentaal zelden worden gebruikt en daardoor
aan de aandacht der taalkundigen ontsnapt zijn. Die onregelmatigheden
zijn ontstaan òf doordien men den regel voorbijzag, waaronder het
woord behoort; òf doordien men, den aard van het woord miskennende,
een verkeerden regel volgde; òf doordien men den regel zelven verkeerd
opvatte en toepaste. De verbetering der spelling van zoodanige woorden,
waarbij òf geene òf eene verkeerde toepassing van regels plaats
had, kan aan geen bezwaar onderhevig zijn noch grooten tegenstand
vinden, omdat zij betrekkelijk weinig in getal zijn en, op weinige
uitzonderingen na, zelden gebruikt worden.

31. Grootere moeilijkheden baren die woorden, die volstrekt niet
onopgemerkt zijn gebleven, maar wier schrijfwijze tot de betwiste
punten behoort. Hier moet de grammaticus eene keus doen; en wat zal
hem bij zijne keus besturen? Wanneer eene der beide verschillende
schrijfwijzen in eene der categorieën van de boven bedoelde
onopgemerkte woorden valt, wanneer òf het woord òf de regel verkeerd
is opgevat, dan behoeft hij niet te weifelen; maar hoe te handelen,
wanneer voor beide spellingen geldige redenen zijn aan te voeren? In
dit geval blijft er natuurlijk niets anders over, dan de tegenstrijdige
regels aan de algemeene spellingwetten te toetsen en die spelling aan
te nemen, welke blijkt door eene hoogere wet te worden voorgeschreven.

32. Uit het gezegde volgt, dat het vóór alles noodzakelijk is de
algemeene spellingwetten of spelregels in oogenschouw te nemen en hunne
onderlinge verhouding op te maken en te bepalen. Dit kan geschieden,
wanneer men die wetten uit het wezen en de natuur der spelling afleidt.



De algemeene spelregels en hunne onderlinge verhouding.


33. Het schrift is, als uitgedacht middel, een kunstproduct, dat
aanvankelijk door den wil des menschen bepaald werd en daarvan steeds
afhankelijk blijft. Als zoodanig reeds behoort het onderworpen te
worden aan de voorschriften der Aesthetica. Die onderwerping blijkt
eene volstrekte noodzakelijkheid te zijn, wanneer men in aanmerking
neemt, dat het schrift invloed heeft op de uitspraak en tevens de
zichtbare vorm is, waaronder een aantal voorwerpen van kunst (dit
woord in hoogeren zin genomen), namelijk alle voortbrengselen der
dichtkunst en der welsprekendheid, zich vertoonen. Het schrift kan
inderdaad bevorderlijk of hinderlijk zijn voor het verwekken van
het schoonheidsgevoel.

34. Het is de bestemming van het schrift niet, het schoonheidsgevoel
te streelen, het bestaat eenig en alleen voor een practisch doel,
dat geheel buiten het schrift zelf ligt. Dit bepaalt de eischen,
die de aesthetica aan het schrift stellen mag. Doelmatigheid is
dientengevolge de eerste, de hoofdeigenschap, waaruit alle andere
moeten voortvloeien en waaraan zij moeten onderworpen zijn.

35. De overige voorschriften der aesthetica, die niet alle rechtstreeks
uit de doelmatigheid kunnen afgeleid worden, zijn meer negatief dan
positief; zij verbieden slechts wat het schoonheidsgevoel kwetsen
kan. Dit nu wordt beleedigd, behalve reeds door ondoelmatigheid, ook
door onregelmatigheid, onwaarheid en wanluidendheid. Door onwaarheid
is hier te verstaan gebrek aan overeenstemming tusschen het afgebeelde
en de afbeelding, namelijk tusschen de woordklanken en het schrift;
ook de doelmatigheid vordert die overeenstemming. Het schrift kan
wel niet zelf wanluidend zijn, maar het kan aanleiding geven tot
eene onwelluidende uitspraak, wat natuurlijk zooveel doenlijk moet
vermeden worden.

36. De aesthetica eischt derhalve van de spelling doelmatigheid,
regelmatigheid, waarheid en welluidendheid, dat wil zeggen
overeenstemming (harmonie) tusschen de middelen en het doel, tusschen
de middelen onderling, tusschen de afbeelding en het afgebeelde,
tusschen het schrift en eene welluidende uitspraak.

37. Het doel van het schrift is het veroorzaken eener reproductie
van gedachten, dus het veroorzaken eener werking van den geest. De
aard van het doel verwijst derhalve de spelling naar de lessen,
die de Psychologie aangaande de reproductie der gedachten geeft.

38. Wij hebben reeds boven gezien, dat gedachten niet begrepen, niet in
den geest opgenomen worden, wanneer de apperceptie der voorstellingen,
waaruit zij bestaan, achterwege blijft. De psychologie legt derhalve
aan de spelling, zal zij zoo doelmatig mogelijk zijn, als plicht op,
de apperceptie, zooveel in haar vermogen is, te bevorderen.

39. Daar alle spreken eene nabootsing der beschaafde uitspraak
behoort te wezen, en het schrift in de eerste plaats de aanwijzing
tot het spreken is, moeten de geschreven woorden, zullen zij aan hun
doel beantwoorden, de beschaafde uitspraak vertegenwoordigen. Op dit
vereischte berust de spelregel, dien men den Regel der beschaafde
Uitspraak pleegt te noemen.

40. De Regel der beschaafde Uitspraak zal nagenoeg aldus luiden:

Stel in uw schrift de beschaafde uitspraak voor; d.i. geef door
letterteekens al de bestanddeelen op, die in een woord gehoord worden,
wanneer het door beschaafde lieden zuiver wordt uitgesproken; en kies
in gevallen, waarin de juiste uitspraak niet kan worden voorgesteld,
het naastbijkomende letterteeken.

    a. De bedoeling der woorden beschaafd en zuiver is duidelijk.--De
    beperking van den regel tot het volgen van de beschaafde
    uitspraak ziet natuurlijk alleen op die woorden, waarvan naast
    de betrekkelijk algemeene, d.i. door het gansche land bij velen
    en juist bij de beschaafdsten gebruikelijke uitspraak nog eene
    plaatselijke of gewestelijke bestaat. De regel wil, dat men alsdan
    de algemeene uitspraak zal volgen, op grond, dat het bijzondere
    voor het algemeene moet wijken, en eene schrijfwijze, die eene
    slechts plaatselijke uitspraak voorstelt, dikwijls niet overal
    zou begrepen worden.--Van vele woorden bestaat slechts ééne,
    en dus eene volstrekt algemeene uitspraak; deze is dan vanzelve
    tevens de beschaafde, waarop de regel doelt. Wanneer technische
    woorden, uitsluitend bij kunstenaars, werklieden enz. in gebruik,
    maar bij het algemeen niet bekend, slechts op ééne wijze worden
    uitgesproken, dan is deze vanzelve de normale. Doch worden
    zij--doorgaans bastaardwoorden--verschillend uitgebracht,
    dan is natuurlijk de minst verbasterde als de beschaafdste te
    beschouwen. Zoo heet b.v. het leder achter in laarzen of schoenen,
    dat dient om aan de hielen stevigheid te geven (fr. contrefort),
    bij de schoenmakers komfoor, komfoord of komfoort; volgens den
    regel moet de laatste uitspraak, mv. komfoorten door de spelling
    voorgesteld worden.

    b. Het woord zuiver moet dienen om aan eene uitspraak, die ten
    gevolge van organische gebreken of verkeerde gewoonten letters
    verwisselt, weglaat of invoegt, en dus onzuiver is, allen invloed
    op de spelling te ontzeggen.

    Gemaakt, pedant, lispelend of galmend spreken is, hoezeer ook
    af te keuren, iets anders dan onzuiver spreken. Zoolang in
    eene gemaakte uitspraak dezelfde bestanddeelen worden gehoord
    als in eene natuurlijke, heeft zij geen nadeeligen invloed
    op de spelling. Waarschuwingen daartegen behooren te huis
    in eene Uitspraakleer (Orthoëpie), niet in eene Spellingleer
    (Orthographie).

    Eerst wanneer zij letters weglaat, invoegt of verwisselt, houdt
    zij op zuiver te zijn, en verliest zij het recht om zich in eene
    spellingleer te doen gelden.

    c. De Regel der Uitspraak vloeit geheel en onmiddellijk voort uit
    het wezen en het doel van het schrift. Hij is daarom de hoofd-
    en grondregel der Spelling. Alles wat met dien regel strijdt, is
    tevens strijdig met het wezen en de bestemming van het schrift. Uit
    dien hoofde kan hij wel door andere regels verklaard en nader
    bepaald, maar niet weersproken worden, en is elke regel, die
    tegen dezen strijdt, van het theoretische standpunt, te verwerpen.

    De practijk echter kan gewichtige redenen hebben om zoodanige
    regels, wanneer zij eenmaal bestaan, als geldig te erkennen.

41. Uit de verhouding der beschaafde uitspraak tot de overige dialecten
volgt, dat alleen zij beslist, en dat de andere dialecten slechts in
twijfelachtige gevallen eene raadgevende stem kunnen hebben. Wanneer
eene plaatselijke of gewestelijke uitspraak in strijd is met de
afleiding, de regelmaat of wel met eenigen anderen regel, uit dien
der beschaafde uitspraak afgeleid, dan mag zij op de spelling geen
invloed oefenen.

    De noodzakelijkheid dezer bepaling vloeit reeds voort uit den
    strijd der dialecten. Het is vanzelf onmogelijk gelijktijdig
    aan de eischen van alle te voldoen; en één bijzonder dialect te
    bevoorrechten, verbiedt de billijkheid.

42. Bij eene oppervlakkige beschouwing schijnt eene volkomen
nauwkeurige afbeelding der beschaafde uitspraak door het schrift zeer
wenschelijk en ook wel mogelijk. In de practijk echter blijkt spoedig,
dat het ondoenlijk is, eenig dialect, welk ook, volkomen juist voor
te stellen. Reeds terstond ziet men, dat de eigenaardigheden in de
spraak der bijzondere personen, die ook in de beschaafde uitspraak
blijven bestaan, onmogelijk kunnen aangeduid worden. Het schrift stelt
dus van niet één individu de uitspraak geheel nauwkeurig voor; het kan
uit zijnen aard slechts een middelweg houden tusschen de individueele
eigenaardigheden. Doch ook op dezen weg ontmoet het schrift bijna
onoverkomelijke zwarigheden in de wijzigingen der meeste letterklanken,
veroorzaakt deels door den invloed der naburige letters, deels door
hunne plaats vooraan, achteraan of in het midden der woorden.

    a. De letters, bij welke die invloeden zich het duidelijkst doen
    gevoelen, zijn de n en de zachte onder de zoogenaamde verwante
    medeklinkers, met name de b, d, g, v, en z.

    b. De n klinkt geheel anders in zoon en mijn dan in tang en dank,
    of in franje, kransje, hondje.

    c. De b, d, g, v, en z worden aan het einde eener lettergreep en
    in de nabuurschap van sommige andere, inzonderheid van scherpe
    letters, zóózeer verscherpt, dat zij geheel of nagenoeg als p, t,
    ch, f en s luiden, de v en z meestal zelfs in f en s overgaan. Men
    vergelijke been met schub, krab, hebt, hebzucht; daar met raad,
    gids en blijdschap; goot met oog, oogtand en zegt; vel met diev
    (dief), leevt (leeft) en ontvangen; zeel met leez (lees), vreezt
    (vreest), raadzaam en ontzinken.

    d. De g wordt geheel gewijzigd, wanneer haar in hetzelfde woord
    eene n voorafgaat, b.v. in tang, hij zingt.

    e. Bij andere letters hebben veel fijner wijzigingen plaats, die
    somtijds alleen voor een geoefend gehoor waarneembaar zijn. Men
    vergelijke de w in wijn, flauw, schuw en schuwer; de s in saai,
    stijfsel en raadsel; de m in man, kom, hemd, en komt; de l in land,
    stoel en melk; de f in fraai en straf; de i in inkt en koning.

43. Doch is het niet mogelijk de spraak in het schrift volkomen juist
weder te geven, het is ook onnoodig en zou buitendien ondoelmatig zijn.

Eene volkomen juiste afbeelding der woordklanken is onnoodig, omdat
men in den regel schrijft voor lieden, die de taal verstaan en de
uitspraak der bedoelde woorden kennen, en die dus uit hunne kennis het
ontbrekende weten aan te vullen. De wijziging der letters volgt bij
het samenvoegende uitspreken vanzelve en behoeft daarom niet aangeduid
te worden, evenmin als in eene chemische formule de verandering der
elementen, die door hunne vermenging vanzelve ontstaat.

Het doel van het schrift wordt reeds bereikt, wanneer de lezer het
bedoelde woord herkennen kan.

44. Uit het gezegde in § 9 blijkt a priori, en de ondervinding leert
a posteriori, dat geen schrift in staat is om de ware uitspraak eener
taal voor den vreemdeling kenbaar te maken. Alle schrijfwijzen, die
uitsluitend daartoe zouden moeten strekken, zijn als vruchtelooze
pogingen te verwerpen. De spelling mag niet gewijzigd worden ten
behoeve van den vreemdeling.

45. Eene aan de uitspraak volkomen adaequate spelling zou om
verschillende redenen ondoelmatig zijn.

a. Zij zou voor velen het schrijven onmogelijk maken. Immers, indien
men al de wijzigingen, die de letters ten gevolge van hare plaats en
nabuurschap ondergaan, door het schrift wilde uitdrukken, dan zou
het alphabet met een aanzienlijk getal letters moeten vergroot, of
er zouden diacritische teekens moeten uitgedacht worden. Het gebruik
dier nieuwe letters of teekens zou een fijner oor vereischen dan velen
bezitten, zoodat dezen niet zouden weten, welke teekens te kiezen.

b. Het zou voor allen, zonder uitzondering, het schrijven en
lezen noodeloos hoogst moeilijk maken. Immers, ten gevolge der
vele wijzigingen, die de letters in verschillende omstandigheden
ondergaan, zouden de voornaamste woorden der taal, namelijk al de
veranderlijke, zich telkens onder geheel verschillende vormen aan
het oog vertoonen. Geen vorm zou zich in het geheugen prenten,
en daardoor zou het gebruik der vele letters en teekens groote
oplettendheid vereischen. Een geoefende schrijft thans zonder aan
zijn schrift te denken; de letters ontvloeien als vanzelve aan zijne
pen. Zulks zou dan onmogelijk wezen. Wie schreef, zou hardop moeten
spreken om zich zelven te beluisteren, ten einde den waren klank
te kunnen treffen. Een lezer zou altijd hardop moeten lezen om het
woord te hooren, eer hij aan het geschrevene eene voorstelling wist te
verbinden, terwijl thans een telkens wederkeerende, licht herkenbare
vorm hem in staat stelt zich het bedoelde woord te denken.

c. In derivata zou de vorm der grondwoorden, in composita de vorm der
samenstellende deelen noodeloos onkenbaar worden gemaakt. Het schrift
zou dus al de voordeelen missen, die een verwijzen op de etymologie
der woorden kan opleveren.

46. De waarheid, dat het schrift de uitspraak niet volkomen juist
behoeft voor te stellen, geeft echter in geenen deele de vrijheid om
een geheel anderen klank af te beelden, dan in de beschaafde uitspraak
gehoord wordt, al ware het dat een andere spelregel, b.v. die der
Gelijkvormigheid, zulk eene afwijking scheen te vorderen. De Regel
der Beschaafde Uitspraak overheerscht uit zijnen aard alle andere
regels; daarom schrijft men b.v. koninklijk, afhankelijk, gezocht,
van koning, afhangen en zoeken; gracht voor graft, van graven.

47. Ofschoon het doel van het schrift door de eenvoudige opvolging
van den Regel der Beschaafde Uitspraak kan bereikt worden, is die
regel geenszins voldoende om in alle gevallen tot richtsnoer te
dienen. Vooreerst toch doet de doelmatigheid strengere eischen dan het
slechts mogelijke bereiken van het doel. Zij wil, dat een woord zoo
vlug doenlijk, en niet eerst na lang wikken en wegen, met zekerheid
herkend worde. Vervolgens maakt de bestaande toestand van de taal en
het letterschrift een aantal bijzondere regels noodzakelijk, die de
keus uit zoogenaamde gelijkluidende letterteekens moeten bepalen. De
Regel der Beschaafde Uitspraak behoeft derhalve andere regels onder
zich, die hem verklaren en aanvullen.

    a. De regelmatigheid zou vorderen, dat men voor iederen letterklank
    maar één letterteeken had, en dat ieder letterteeken slechts ééne
    waarde bezat en altijd denzelfden klank vertegenwoordigde. De
    bestaande toestand beantwoordt in vele opzichten niet aan die
    eischen.

    b. Vooreerst zijn onze letterteekens niet voor het Nederlandsch
    uitgedacht; ons alphabet is van de Latijnen ontleend, en bezat
    reeds bij de overneming eenige gelijkluidende letters, namelijk
    de i en y, c en k, c en s, x en ks; terwijl ph, th en qu door
    ons gelijkgesteld worden met f, t en kw. Vervolgens zijn eenige
    oorspronkelijk zeer verschillende klanken in den mond van velen
    allengs geheel gelijkluidend geworden, waardoor sommige teekens,
    voor de zoodanigen althans, dezelfde waarde hebben gekregen, te
    weten de zachte e en o en de scherpe ee en oo, en de tweeklanken ij
    en ei. Er zijn dus voorschriften noodig, die de keus der genoemde
    letters bepalen.

    c. Dezelfde behoefte bestaat bij het kiezen der zoogenaamde
    verwante medeklinkers, wanneer zij als sluitletters moeten
    voorkomen. De zachte, de b, d en g, worden dan verscherpt en
    naderen zoozeer tot de scherpe, tot de p, t en ch, dat zij in de
    uitspraak niet meer van deze te onderscheiden zijn.

    d. Omgekeerd moeten sommige letterteekens dienen om meer dan éénen
    klank voor te stellen; gelijk blijkt ten opzichte van de a uit de
    vergelijking van dàg met dágen; van de e, uit de, bèd en dégen;
    van de i, uit pìn, títel en zandig enz.

    e. Ofschoon het opgenoemde evenzeer tegen de doelmatigheid als
    tegen de regelmatigheid aandruischt, is er nagenoeg niets aan te
    veranderen. Volstrekt ongeoorloofd is het echter die gebreken
    uit loutere spitsvondigheid te vermeerderen, door b.v. aan een
    zelfde letterteeken noodeloos meer dan ééne waarde toe te kennen.

    f. De voorschriften, die strekken moeten om een schrijver bij
    het kiezen uit geheel of nagenoeg gelijkluidende letterteekens
    te besturen, zijn hoofdzakelijk gegrond op den tweeden en derden
    algemeenen spelregel, op dien der Gelijkvormigheid en dien der
    Afleiding.

48. Wanneer een persoon steeds dezelfde kleeding draagt, en de
exemplaren eener soort van voorwerpen, b.v. werktuigen, steeds
denzelfden vorm hebben, dan zal men dien persoon en de soort, waartoe
een voorwerp behoort, lichtelijk overal en onder alle omstandigheden
herkennen. Het omgekeerde geschiedt, wanneer de persoon geheel
anders gekleed is en de gedaante van een voorwerp van den gewonen
vorm afwijkt; de herkenning heeft dan òf in het geheel niet, òf eerst
na eenig weifelen plaats. Met de woorden is het evenzoo gelegen. Wie
het woord consequentie nooit anders dan zóó gespeld heeft gezien, zal
eenige oogenblikken in twijfel staan, als hij konzekwency geschreven
vindt. Op deze psychologische waarheid steunt de tweede algemeene
spelregel, die der Gelijkvormigheid, welke in onze spelling steeds
meer en meer is geëerbiedigd geworden.

49. De Regel der Gelijkvormigheid luidt aldus:

Geef, zooveel de uitspraak toelaat, aan een zelfde woord en aan ieder
deel, waaruit het bestaat, steeds denzelfden vorm, wanneer daardoor
de herkenning en juiste opvatting van het woord kan bevorderd worden.

De laatste voorwaarde maakt het noodzakelijk den regel in twee deelen
te splitsen, waarvan het eerste de woorden in hun geheel, het laatste
hunne bestanddeelen betreft. De regel wordt dan:

a. Schrijf hetzelfde woord, zooveel de uitspraak en de verbuiging of
vervoeging toelaten, steeds met dezelfde letters.

b. Geef in afgeleide woorden aan het grondwoord en in samengestelde
aan de samenstellende deelen, zooveel de uitspraak toelaat, steeds
dienzelfden vorm, waaronder zij buiten de afleiding en samenstelling
voorkomen; wel te verstaan, indien die grondwoorden of deelen nog
als afzonderlijke woorden in gebruik zijn en dan dezelfde beteekenis
hebben als in de afgeleide of samengestelde woorden.

    a. Overeenkomstig het voorschrift a) spelt men dag, des dags, ten
    dage, dagen; glad, gladde, gladder, gladst; zeg, zegt, gezegd,
    zeggen; niet dach, des dachs; glat, glatst; zech, zecht, gelijk
    oudtijds wel placht te geschieden.

    b. Overeenkomstig het voorschrift b) schrijft men vijlsel
    van vijlen; verleiding van verleiden; raadzaam van raad, door
    aanhechting van zaam; hoofddeel uit hoofd en deel; niet veilsel,
    verlijden, raatsaam, hoofdeel, omdat de juiste opvatting door de
    laatste schrijfwijze zou belemmerd worden.

    c. Het voorschrift b) ontraadt te spellen weereld voor wereld,
    Duidsch voor Duitsch, diedsch voor diets, begicht voor biecht,
    omdat deze spelling, hoewel door de afleiding geboden, tegen andere
    regels aandruischt, en de woorden weer (man), died of duid (volk),
    giën (zeggen) niet meer in gebruik zijn, zoodat de beteekenis
    door het wijzen op de grondwoorden niet duidelijker gemaakt,
    maar veeleer verduisterd zou worden.

    d. De bepaling »zooveel de uitspraak toelaat" is aan beide deelen
    gemeen en stelt den geheelen regel onder dien der Beschaafde
    Uitspraak. Zij verbiedt te schrijven: andbacht voor ambacht en
    ambt; heertog voor hertog; paarlemoeder voor paarlemoer; gezoekt,
    gekoopt, voor gezocht, gekocht enz., omdat die vormen met de
    uitspraak in strijd en daardoor onduidelijk zijn.

    e. Men zie vooral niet voorbij, dat de gestelde regel grootendeels
    dezelfde is, als die, welken men gewoonlijk den Regel der Afleiding
    noemt. Immers, onder meer, schrijft hij ook voor, de afleiding
    in acht te nemen. De benaming Regel der Gelijkvormigheid verdient
    echter de voorkeur; vooreerst omdat zij, op de bedoeling van den
    regel zinspelende, zijne strekking beter uitdrukt, en ook het
    in a) bedoelde omvat, hetwelk door den naam Regel der Afleiding
    buitengesloten wordt; en vervolgens, omdat men deze laatste
    uitdrukking noodig heeft als de benaming van een anderen regel,
    die werkelijk uitsluitend op de afleiding gegrond is.

    f. De Regel der Gelijkvormigheid, ofschoon eigenlijk de
    bevordering der apperceptie ten doel hebbende, vult te gelijk
    meer dan ééne leemte in den Regel der Uitspraak aan, doordien
    hij in vele gevallen, waar deze niet beslist, het gebruik der
    medeklinkers bepaalt. Dit heeft plaats, wanneer de sluitletters
    der veranderlijke woorden tot de verwante medeklinkers behooren,
    en wanneer in afleidingen en samenstellingen twee gelijke of
    verwante medeklinkers samentreffen; vergelijk boven a en b.

50. Waar de Regel der Gelijkvormigheid voor de bepaling der
sluitletters te kort schiet of zijne toepassing geheel nutteloos zou
zijn, voornamelijk bij onverbuigbare woorden, wier vorm dikwijls ook
niet uit de afleiding blijkt, is het rationeel die letters te kiezen,
die het naast aan de uitspraak komen. Daar nu de zachte medeklinkers
aan het einde der woorden geheel of bijna aan de verwante scherpe
gelijk worden, eischt de Regel der Beschaafde Uitspraak het gebruik
der scherpe in de onverbuigbare woorden. Daarom de t in ooit, voort,
voorts, want, de ch in doch, toch, enz.

    Door onverbuigbare woorden (indeclinabilia) worden hier
    verstaan alleen die woorden, die van nature onverbuigbaar zijn,
    als bijwoorden, voorzetsels, voegwoorden en tusschenwerpsels,
    niet de zoodanige, die tot eene klasse van verbuigbare woorden,
    als de zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden behoorende,
    alleen door toevallige omstandigheden niet verbogen worden. Het
    substantief was (cera) en het adjectief kwijt b.v. behooren niet
    tot de indeclinabilia, ofschoon beide geene verbuiging ondergaan.

51. De doelmatigheid zou nog een anderen regel voorschrijven, wier
opvolging de vlugge herkenning der woorden zeer zou bevorderen en
dien men den Regel der Onderscheiding zou kunnen noemen. Deze zou
eischen, dat gelijkluidende, maar in beteekenis verschillende woorden
(homoniemen) door de spelling werden onderscheiden. Die eisch is echter
in vele gevallen volstrekt onuitvoerbaar, en zou in andere tot eene
geheel willekeurige spelling aanleiding geven, waardoor bovendien
meestal tegen andere erkende regels zou worden gezondigd. Het is
b.v. niet mogelijk arm (niet rijk) anders te schrijven dan arm
(lichaamsdeel); het zou doenlijk zijn zugt (zware ademhaling)
te onderscheiden van zucht (begeerte), maar hoe dan zugt of zucht
(ziekte) als van beide verschillend te kenmerken? Waaren (koopgoederen)
en (wij) waren zou, op zich zelf beschouwd, kunnen gaan, maar de
aa strijdt tegen een erkenden regel, terwijl de willekeur hieruit
blijkt, dat het evenzeer mogelijk zou zijn het eerste waren met ééne,
het tweede met twee a's te schrijven. Doch hoewel de onderscheiding
der homoniemen niet als regel kan voorgeschreven worden, is zij toch
belangrijk genoeg om met recht te eischen, dat woorden, die tot nu
toe verward zijn, voortaan, in weerwil van het gevestigd gebruik,
verschillend worden gespeld, wanneer zulks buitendien reeds door
een anderen regel gevorderd wordt. B.v. delen (planken) en deelen
(gedeelten), beren (verscheurende dieren) en beeren (varkens), sleepen
(doen slepen) en slepen (gesleept worden).

52. De beide opgegeven regels, die der Beschaafde Uitspraak en die
der Gelijkvormigheid, vloeien, gelijk wij gezien hebben, onmiddellijk
uit de natuur en de bestemming van het schrift voort. De bijzondere
spelregels zijn òf toepassingen van die twee, òf zijn er onafhankelijk
van. De beschouwing der voorschriften, die onmiddellijk uit de
algemeene spelregels voortvloeien, ligt buiten het bestek van een
programma, dat niet bestemd is om het geheele spellingstelsel te doen
kennen, maar alleen om de grondslagen te leggen, waarop het stelsel
behoort opgetrokken te worden, en bestaande geschillen te beslissen.

53. Ook de voorschriften, welke niet in een onmiddellijk verband
staan met de algemeene regels, kunnen hier niet ter sprake komen,
dan voor zooverre zij door één beginsel, door een hoogeren regel,
beheerscht worden, die wel is waar evenzeer als de bijzondere regels
willekeurig is aangenomen, doch moet worden geëerbiedigd, indien
men de spelling tegen stelselloosheid en tallooze inconsequenties
behoeden wil. Die voorschriften betreffen de keus uit de paren van
gelijkluidende letterteekens bij het schrijven van grondwoorden. Daar
die letters, opgenoemd in § 47, voor veler oor en mond volkomen
denzelfden klank vertegenwoordigen, kan de Regel der Beschaafde
Uitspraak niet beslissen; terwijl de Regel der Gelijkvormigheid alleen
eischt, dat men in een zelfde woord steeds dezelfde letters bezige,
zonder de letters zelve te bepalen.

54. Wanneer men de meeste dier bijzondere voorschriften onderling
vergelijkt, dan blijkt het, dat het Nederlandsch den volgenden regel
heeft aangenomen, dien men om den grondslag, waarop hij geheel steunt,
den Regel der Afleiding kan noemen:

Bij de keus der gelijkluidende letterteekens beslist de afleiding of
de oudere vorm uit den tijd, toen de nu gelijk geworden klanken nog
duidelijk onderscheiden konden worden, in die gevallen, waarin geene
andere regels of bijzondere omstandigheden die keus onraadzaam maken.

55. Het kan hier de vraag niet zijn, of men niet beter zou gehandeld
hebben met een der gelijkluidende letterteekens als overtollig weg te
werpen; het is genoeg te weten, dat men zulks niet gedaan heeft en nu
met het bestaande moet voortwerken. Het strikt genomen overtollige
als ballast over boord te werpen, zou eene omwenteling zijn, wier
nasleep niet te overzien ware; het verstandigst is den bestaanden
toestand te eerbiedigen.

56. Buitendien heeft die overvloed ook zijne goede zijde. Het bestaan
van gelijkluidende letterteekens stelt dikwijls in staat om homoniemen
door de spelling te onderscheiden; men denke aan weken, mv. van week,
en weeken, ww.; aan kolen en koolen, lijden en leiden.

57. Indien het schrijven overeenkomstig den ouderen vorm alleen een
noodmiddel is, dat door de natuur van het schrift niet gevorderd,
veeleer ontraden wordt, omdat het de spelling voor niet-taalkundigen
moeilijk maakt, dan mag dat beginsel vooral niet worden toegepast in
strijd met den Regel der Beschaafde Uitspraak.

58. Doch hoewel de uitspraak steeds de hoogste wetgeefster in de
spelling is en blijft, waartegen men zelfs ten gerieve der apperceptie
niet zondigen mag, bestaan er eenige weinige gevallen, waarin het
raadzaam is uitzondering te maken. In zeldzaam voorkomende woorden,
waarin eene bijna niet merkbare verandering zou moeten plaats grijpen,
mag de afleiding den boventoon hebben, wanneer daardoor de ware
uitspraak en de juiste opvatting der woorden hersteld kan worden;
b.v. kerstmis voor kersmis, bestje voor besje, amechtig voor aamechtig,
slaphakken voor slabbakken. Dit mag te eer geschieden, wanneer het
volk de ware of eene minder bedorven uitspraak bewaard heeft. Op
dien grond is Dinsdag, oudtijds Disendag (verbasterd uit Diesdag),
van den krijgsgod Die, te verkiezen boven Dingsdag, dat ten onrechte
aan ding of geding doet denken.

59. De laatst gestelde algemeene regel (die der Afleiding) is
natuurlijk niet toereikend bij die woorden, wier afleiding of oudere
vorm geheel onbekend of onzeker is. Dit maakt een vierden algemeenen
regel noodzakelijk, die door de Aesthetica ter wering van willekeur of
onordelijkheid en ter bevordering van regelmaat wordt voorgeschreven:
te weten den Regel der Analogie. Deze zal in de spelling aldus
moeten luiden:

Waar de drie bovengenoemde algemeene spelregels zwijgen, handelt men
overeenkomstig de analogie; d.i. de woorden wier spelling noch door
de uitspraak, noch door de gelijkvormigheid, noch door de afleiding
wordt bepaald, worden op dezelfde wijze geschreven als andere,
wier spelling met zekerheid bekend is en die oogenschijnlijk op
overeenkomstige wijze gevormd zijn.

60. Daar de Regel der Analogie niet uit de natuur van het schrift
voortvloeit, maar op gronden steunt, die buiten het gebied der
grammatica liggen, zou het verkeerd zijn dien te laten gelden in
strijd met een der vorige regels.

61. De Aesthetica geeft nog een regel aan de hand, die in enkele
twijfelachtige gevallen den doorslag kan geven en de balans naar de
eene of andere zijde doen overhellen. In § 14 is reeds aangemerkt,
dat het schrift, ofschoon zelf op de uitspraak gegrond en daarvan
afhankelijk, omgekeerd op de uitspraak, vooral van hen die eerst
leeren lezen, terugwerkt en eenen invloed oefent, die zich veelal ook
later doet gevoelen. De leerling toch ziet al de bestanddeelen van
den woordklank even duidelijk vertegenwoordigd, en is daarom vanzelf
geneigd al de letters even sterk te articuleeren, ook die welke in
de gewone spreektaal maar flauw gehoord worden. Het schrift geeft
dus uit zijnen aard aanleiding tot eene gedeeltelijk onnatuurlijke en
gedwongene, dat wil zeggen onwelluidende, uitspraak. Waar de spelling
vaststaat en door algemeen erkende regels bepaald is, kan het schrift
zulk eene wanspraak niet voorkomen, en moet het aan den onderwijzer
blijven overgelaten er zijne leerlingen tegen te waarschuwen, en
te zorgen, dat zij geene gewoonte worde. Doch wanneer eene in dit
opzicht betere spelling mogelijk is, en--dit moet op den voorgrond
blijven--door goede schrijvers is aangenomen; in die gevallen dus,
waar geene eenparigheid in het schrijven bestaat en eene keus moet
gedaan worden, is het ongetwijfeld rationeel die spelling te kiezen,
die het minst tot eene verkeerde en wanluidende uitspraak aanleiding
geeft. Op dat beginsel, welks deugdelijkheid wel door niemand zal in
twijfel getrokken worden, laat zich een regel bouwen, welken men dien
der Welluidendheid zou kunnen noemen. Vooraf dient echter uitgemaakt
te worden, hoe ver deze reiken mag, en dit hangt ten deele af van
het begrip, dat hier aan het woord welluidend moet gehecht worden.

62. Het woord welluidend is hier natuurlijk niet in zijn algemeensten
zin op te vatten; de vraag is slechts: wat is binnen de grenzen onzer
eigene taal relatief welluidend te achten? Nu is in het oor van het
beschaafde publiek elk woord betrekkelijk welluidend, wanneer het
zóó wordt uitgesproken, als men gewoon is het door beschaafden te
hooren uitspreken. Wat van die gewoonte afwijkt, klinkt òf plomp en
dialectisch, òf gemaakt en pedant. Er kan dus geene sprake zijn van
eene welluidendheid, de beschaafde uitspraak overtreffende, of van
een regel, die leeren zou anders te spreken dan de gewoonte medebrengt.

Een regel voor de welluidendheid kan derhalve slechts eene aanvulling
zijn van den Regel der Beschaafde Uitspraak, en mag geen ander
doel hebben dan op de naleving der voorschriften van dezen meer
bepaaldelijk aan te dringen, die uitspraak te bevorderen en elke
andere tegen te gaan. Wanneer men dit in het oog houdt, zal men den
Regel der Welluidendheid in de volgende bewoordingen vervatten:

Waar twee of meer verschillende spellingen in gebruik zijn, waarvan
geene zich door een der vroeger behandelde regels geheel laat
rechtvaardigen, is die te verkiezen, welke de beschaafde uitspraak
het best vertegenwoordigt.

63. Hieruit vloeit bepaaldelijk voort, dat men buiten overwegende
redenen, b.v. blootelijk om eene afleiding te doen kennen, die de
duidelijkheid, de apperceptie, niet bevordert, in het schrift geene
letters herstellen mag, die in de beschaafde uitspraak niet meer
gehoord worden.

    Volgens den Regel der Welluidendheid zijn b.v. de volgende
    schrijfwijzen goed te keuren: thans, bijkans, Parijsche, Friesche,
    wijste, frischte, meisje, handje enz., voor thands, bijkants,
    Parijssche, Friessche, wijsste, frischste, meisjen, handtje enz.

64. Eene letter, die niet afzonderlijk wordt uitgesproken, moet
toch geacht worden aanwezig te zijn, indien zij invloed heeft op
eene voorafgaande of volgende letter, zoodat deze bij gemis der
eerstgenoemde anders zou luiden. Zoo moet men b.v. rekenen, dat in
straffen de beide f's gehoord worden, omdat strafen de uitspraak
strá-fen voorstelt; in geenszins wordt, hoewel niemand geens-zins
uitspreekt, de s toch gehoord, dewijl zij de volgende z verscherpt,
zoodat het woord als geensins luidt.



65. De bijzondere spelregels bestaan in voorschriften, die leeren, hoe
men in de bijzondere gevallen te handelen heeft om getrouw te blijven
aan de grondbeginselen, in de algemeene spelregels uitgedrukt. Daar
die grondregels geput zijn uit de natuur en de bestemming van het
schrift, kan hunne consequente toepassing schijnen eene volstrekte
noodzakelijkheid te zijn, die het stellen van verscheidene nieuwe
regels zou gebieden. Wanneer men echter in aanmerking neemt, dat het
toepassen van nieuwe regels van de schrijvenden altijd eene grootere
of geringere inspanning vordert, altijd lastig is, en dat eene
ongewone spelling steeds een onaangenamen indruk maakt, dan blijkt de
onmogelijkheid eener strenge consequentie en de noodzakelijkheid eener
beperking van de toepassing der grondbeginselen. Het zou derhalve,
gelijk reeds in § 27 en 28 is aangemerkt, eene dwaasheid wezen, indien
een grammaticus meende, dat hij als het ware eene geheele omwenteling
in een spellingstelsel zou kunnen te weeg brengen. Te recht heeft dan
ook reeds Siegenbeek, toen er nog geen gevestigd stelsel bestond,
een regel gesteld, die de strekking had het aantal wijzigingen te
beperken, en die gebood »acht te geven op het Gebruik". Die regel,
of dat beginsel, zal in onzen tijd nagenoeg aldus moeten luiden:

De toepassing der beginselen, in de grondregels geleerd, is ondoenlijk
in die gevallen, waarin zij eene veelomvattende wijziging der
gebruikelijke spelling ten gevolge zou hebben. Door iedereen erkende
en aangenomen regels, die de spelling bepalen van een groot aantal
woorden, of van dezulke die, om zoo te zeggen, in elken volzin
terugkeeren, al zij het ook dat zij door geenen der grondregels
volkomen worden gerechtvaardigd, behooren geëerbiedigd te blijven,
zoolang het gebruik niet vanzelf verandert.

66. Het spreekt vanzelf, dat deze regel evenmin onbepaald mag
worden toegepast, maar beperkt blijft tot die gevallen, waar het
Gebruik steunt op deugdelijke gronden, geldig in den tijd, toen het
ontstond. Waar zulke gronden ontbreken, waar het Gebruik slechts een
uitvloeisel is van begripsverwarring, van eene valsche etymologie
of van eene verkeerde toepassing der analogie, daar heeft het van
den aanvang af geene rechten gehad, maar staat met misbruik gelijk,
en wordt ook door lengte van tijd niet gewettigd.

    a. Zoo is b.v. de spelling thans (uit te hande), met eene h, die
    niet meer gehoord wordt, door het Gebruik gewettigd, en thands, met
    eene d er in, zou het ook wezen, indien men algemeen zóó schreef,
    omdat men in hand eene h en eene d hoort. De ch in tusschen
    is door het Gebruik gewettigd, omdat men, toen men begon zóó te
    schrijven, in dit woord werkelijk eene ch uitsprak. Niet gewettigd
    daarentegen is de schrijfwijze Dingsdag, als steunende op eene
    valsche etymologie, die den Dinsdag voor den dag der rechtsgedingen
    hield. Evenmin is de spelling te samen te verdedigen, ofschoon
    men misschien algemeen zoo uitspreekt, omdat die uitspraak slechts
    eene verkeerde toepassing is der analogie met samenkomst, samenzijn
    enz., waarin de s wettig is, als ontstaan zijnde uit tz.

    b. Men heeft dit grondbeginsel tot de algemeene spelregels gerekend
    en den Regel van het Gebruik genoemd. Wel beschouwd echter voldoet
    het niet aan de eischen van een regel. Het beginsel heeft alleen
    voor den grammaticus waarde, niet voor het publiek; het Gebruik
    schrijft geene bepaalde regels voor, maar onderstelt, dat men
    eenparig zekere schrijfwijze volgt, die het niet aanbeveelt,
    maar slechts toestaat, en alleen gedwongen wettigt.

67. Uit het lastige, dat het toepassen van ongewone regels inheeft,
vloeit nog een beperkend beginsel voort, dat de grammaticus niet
roekeloos verzaken mag. Onze spelling levert reeds een aantal
moeilijkheden op, die even onloochenbaar als, zonder eene algeheele
omwenteling, onvermijdelijk zijn. Vereischt nu het schrijven van
het Nederlandsch vrij wat oplettendheid, dit bezwaar mag niet
willekeurig en zonder eenig nut nog grooter gemaakt worden. Nieuwe
spitsvondige onderscheidingen in de spelling, die geen practisch
voordeel aanbrengen, niet met de beteekenis of het gebruik in verband
staan, of niet door een erkenden regel geëischt worden, mogen niet
worden aanbevolen.

Van een geheel anderen aard zijn de gevallen, waarin eene keuze
moet plaats hebben tusschen twee gebruikelijke nagenoeg even goede
schrijfwijzen; alsdan kan het uit den aard der zaak slechts eene
kleinigheid, een onbeduidend iets wezen, dat den doorslag moet geven.



68. Uit het vorenstaande volgt, dat er ten opzichte van de uitspraak
drieërlei spelling bestaat:

1. eene spelling, geheel overeenkomstig met de uitspraak, naar of
volgens de uitspraak, d.i. geheel en al door den Regel der Beschaafde
Uitspraak voorgeschreven, b.v. die van al, as, bal, bast enz., welke
woorden met onze letters niet anders zouden kunnen geschreven worden;

2. eene spelling, niet geheel volgens de uitspraak, niet juist zóó
door haar voorgeschreven, doch ook niet met haar in strijd, maar
met haar vereenigbaar, doordien de ware, gebruikelijke uitspraak,
ten gevolge van den wederzijdschen invloed der letters op elkander,
vanzelve volgt; vergelijk § 42 en het slot van § 43. Tot deze soort
van spelling behooren b.v. abt, werelddeel, staatdame, geenszins; en

3. eene spelling, gedeeltelijk volstrekt strijdig en onvereenigbaar
met de hedendaagsche uitspraak, maar door een wettig gebruik volstrekt
gewild; b.v. menschen, tusschen, thans, vijftig, zestig.



69. De volgorde, waarin de Algemeene Spelregels ontvouwd zijn, is de
natuurlijke; eene geheele omzetting zou zelfs onmogelijk wezen.

De regel der Uitspraak moet noodwendig de rij openen. Daar het schrift
de reproductie der woordklanken ten doel heeft (zie § 2 en 3), is
een letterschrift, dat den klank, de uitspraak, aanvankelijk althans,
niet afbeeldt, iets volstrekt ondenkbaars, een onding. De Regel der
Uitspraak is derhalve met het schrift gegeven, is de Natuurwet der
Spelling. De eerste schrijvenden volgden dien noodwendig, ook omdat
er geene woordenboeken of spraakkunsten bestonden, die hen leerden,
geene gezaghebbende schrijvers, die hen noopten, anders te handelen.

De Regel der Uitspraak is niet slechts de eerste en oorspronkelijk
de eenige, maar ook thans nog de algemeenste. Geen woord, welks
spelling niet òf geheel en al, òf grootendeels door de uitspraak
wordt geregeld; en al de regels, die moeten dienen om den Regel der
Beschaafde Uitspraak, waar die te kort schiet, aan te vullen of te
verklaren, ontleenen van dezen hunne kracht en beteekenis. Zelfs
wanneer het Gebruik dwingt in strijd daarmede te handelen, geschiedt
zulks op grond der uitspraak, namelijk ten gevolge eener verouderde.

    a. Van tallooze woorden, als af, bel, doek, enz., waarvan geene
    andere spelling denkbaar is, wordt deze geheel door de uitspraak
    geregeld. Van de overige woorden, waarbij ook andere regels moeten
    gehoord worden, bepaalt zij de groote meerderheid der letters;
    b.v. van boekbindersknechten, kuipershandwerk, worden alleen de
    ch en de d niet rechtstreeks door de uitspraak voorgeschreven,
    dewijl ook g en t daaraan zouden beantwoorden.

    b. De Regel der Gelijkvormigheid is op dien der Uitspraak gegrond
    en wil niets dan hetgeen de uitspraak wil. Hij eischt in dag
    eene g, en in hoofddeel twee d's, alleen omdat men in dagen
    eene g, en in hoofd en deel beide eene d hoort.--De Regel der
    Afleiding steunt op de uitspraak. Hij wil twee e's in deelen
    (gedeelten), doch ééne in delen (planken), alleen omdat die
    woorden voorheen verschillend luidden, het eene dail, het andere
    dil.--De Regel der Analogie ontleent zijne kracht aan dien der
    Afleiding, en berust dus middellijk op de uitspraak; terwijl
    die der Welluidendheid eeniglijk uitgaat van de onderstelling,
    dat het schrift de uitspraak voorstelt.--Zelfs in die gevallen,
    waarin het niet raadzaam is het gevestigd Gebruik te trotseeren,
    doet de uitspraak zich gelden. Men schrijft tusschen met eene
    ch, en thans met eene h, alleen omdat men vroeger die ch en h
    werkelijk uitgesproken heeft, dus inderdaad alweder op grond der
    uitspraak. Deze doet derhalve allerwegen hare kracht gevoelen.

70. De Regel der Uitspraak overheerscht ook alle andere regels,
zoodra deze eene spelling voorschrijven, volstrekt onvereenigbaar
met de uitspraak; hij wijkt alleen voor het onverzettelijk Gebruik
(vergel. § 68, nº, 3).

    Men schrijft volgens den Regel der Beschaafde Uitspraak: abdij,
    ambt, herberg, behendig, overtollig, gekocht, wierook, bruiloft,
    hoewel de Regel der Gelijkvormigheid of die der Afleiding abtij,
    andbacht, heerberg, behandig, overtallig, gekoopt, wijrook,
    bruidloopt zou vorderen.

    Een strijd tusschen den Regel der Analogie en dien der Beschaafde
    Uitspraak is uit den aard der zaak ondenkbaar, dewijl de eerste
    alleen dan spreekt, als de laatste zwijgt. Hetzelfde is het
    geval met den regel der Welluidendheid, die eeniglijk strekt om
    de overeenstemming van het schrift met de uitspraak te bevorderen.

71. Aan den Regel der Gelijkvormigheid komt èn om zijn uitgestrekt
gebied èn om zijne nuttigheid de tweede rang toe. Men zal dit
gereedelijk erkennen, als men bedenkt, dat hij de spelling van alle
afgeleide en samengestelde woorden, en van alle verbuigbare woorden op
b, p, d, t, g en ch regelt, dus wijd en zijd heerscht, en dat hij moet
strekken om de duidelijkheid, de gemakkelijke herkenning der woorden
en hunner beteekenis te bevorderen, en derhalve van uitgebreid nut is.

    Men vergete vooral niet, dat de Regel der Gelijkvormigheid, onder
    meer, ook gebiedt de afleiding te volgen in al die gevallen,
    waarin zulks aan de duidelijkheid kan bevorderlijk wezen, en dat
    hij uit dien hoofde ook de regels omvat, die men voorheen onder
    den Regel der Afleiding stelde. Inderdaad wordt derhalve aan de
    Afleiding de tweede rang toegekend, namelijk voor zooverre hare
    inachtneming nuttig is.

72. Is het volgen van den Regel der Uitspraak volstrekt onvermijdelijk
en de naleving van dien der Gelijkvormigheid hoogst nuttig, van een
anderen aard is het in acht nemen der drie volgende grondregels. Dit
zou niet volstrekt noodzakelijk zijn, en het nut daarvan bestaat
slechts in de regeling van zaken, die tamelijk onverschillig zouden
wezen, indien orde en regelmaat niet ook in de Spelling wenschelijke
eigenschappen waren. De Regel der Afleiding, zooals deze hier beperkt
is, die der Analogie en der Welluidendheid, vervullen geene onmisbare
behoeften, brengen geene gemakken aan, maar leveren de voorwerpen
van weelde, die eene doelmatig ingerichte woning tot een aangenaam
verblijf kunnen maken, en die van de beschaving en den smaak der
bewoners getuigen.

Onder deze komt aan den Regel der Afleiding de eerste plaats toe,
omdat zijn gebied, ook na aftrek van alles wat onder den Regel
der Gelijkvormigheid is gebracht, nog groot blijft. Hij regelt
o.a. de spelling der vele woorden, waarin ij's en ei's, en in opene
lettergrepen heldere e's en o's voorkomen. Dan moet de Regel der
Analogie volgen, omdat deze zich op de Afleiding beroept en van haar
al zijne kracht ontleent; zoodat voor den Regel der Welluidendheid,
welke, evenals die der Analogie, slechts zelden te pas komt, de
laatste rang overblijft.

Van het Gebruik, dat, hoe machtig ook, geen regel is, maar de
toepassing der eigenlijke regels beperkt, kon natuurlijk eerst
melding worden gemaakt, nadat men de kracht en strekking van deze
had leeren kennen.



TWEEDE AFDEELING.


Over de bijzondere spelregels, waaromtrent verschil van gevoelen
bestaat.


Daar de Redactie, om redenen in het Voorbericht en in § 27 en
28 opgegeven, voor de door haar te volgen schrijfwijze de in
Noord-Nederland gebruikelijke spelling als uitgangspunt heeft
aangenomen, en deze genoegzaam bekend mag geacht worden, heeft zij het
overtollig gerekend het geheele spellingstelsel te ontvouwen. Deze
Tweede Afdeeling bevat dus slechts eene opgave der verbeteringen,
die haar wenschelijk zijn voorgekomen, benevens eene vermelding van
de keuze, die zij gemeend heeft te moeten doen uit de onderscheidene
spellingen, ten opzichte waarvan onder onze letterkundigen verschil
van gevoelen bestaat.



De klinkers.

73. De verlenging der a en u in geslotene lettergrepen geschiedt buiten
twijfel op de meest gepaste wijze door verdubbeling. De spelling aa
en uu beantwoordt zoowel aan de uitspraak, als zij door de analogie
gewettigd en door de etymologie niet gelogenstraft wordt. Zij verdient
dus zeer zeker de voorkeur boven ae en ue. Aa stelt denzelfden zuiveren
klank voor, die door a wordt aangeduid. Bij ae is men geneigd te
denken aan de naar e trekkende uitspraak der landlieden in sommige
streken van Zuid-Holland en Zeeland; de Vlaamsche a zou door ao moeten
afgebeeld worden. Vergelijk Taalgids, IV, blz. 54-64.



74. De spelling blaauw, flaauw enz. stelt eene uitspraak voor, die niet
de gewone is, in het oor der groote meerderheid onaangenaam klinkt, en
stellig niet tot de beschaafde gerekend wordt. Het komt ons derhalve
niet raadzaam voor, eene spelling te bestendigen, die te recht door
velen wordt afgekeurd, en voor wier behoud geene andere reden is aan
te voeren dan een gebruik, dat op geene taalkundige gronden steunt
en daarom, als strijdig met de beschaafde uitspraak, geen recht
van bestaan heeft; vergelijk § 66. Wij schrijven derhalve blauw,
flauw, gauw, grauw, klauw, lauw, nauw, pauw, rauw, knauwen, krauwen
enz. met au. Zoodoende heft men het geheel willekeurige verschil met de
gebruikelijke schrijfwijze dauw en kauw op, die meer in overeenstemming
is met de gewone uitspraak, welke veeleer ou dan aau doet hooren.



75. Onder de regels, omtrent wier toepassing de gevoelens der
taalkundigen uiteenloopen, staan die aangaande de verdubbeling der
e's en o's in opene lettergrepen bovenaan. Siegenbeek en Weiland
volgden daarbij de uitspraak, welke heerschte, of geacht werd te
heerschen, in die streken, waar de genoemde letters op tweeërlei
wijze, met den zoogenoemden zachten of met den scherpen klank,
worden uitgesproken. Hunne handelwijze was natuurlijk. Immers de
verdubbeling der letterteekens moest dienen om de meer gerekte,
naar een tweeklank zweemende uitspraak der scherpe e en o van den
eenigszins korteren, meer gelijkmatigen klank der zachte voor het
oog te onderscheiden. Juist dat verschil in de uitspraak had het
eerst het verschil in de natuur dier letters doen opmerken, terwijl
de studie der Germaansche talen te hunnen tijde nog niet ver genoeg
gevorderd was om den diepliggenden oorsprong van dat verschil te leeren
kennen. Zij konden nog niet tot de oorzaken opklimmen en moesten dus
hun onderzoek tot de gevolgen beperken. De uitspraak echter is in
dit geval geen onfeilbaar en toereikend richtsnoer. Dit blijkt onder
andere uit de wijze, waarop Siegenbeek genoodzaakt was te werk te
gaan bij de woorden, waaromtrent hij bij de schrijvers verschil van
gevoelen gevonden had, en die hij daarom achter zijne Verhandeling
over de Spelling aan een bijzonder onderzoek onderwierp. Bij al
die woorden was hij verplicht de schrijvers, die het onderscheid in
de uitspraak door hunne spelling uitdrukten, te raadplegen, hunne
getuigenissen te wikken en te wegen, en als het ware de stemmen vóór
en tegen te tellen. Waar men in eene wetenschap tot eene stemopneming
zijne toevlucht moet nemen, is de evidentie der waarheid niet groot;
maar vooral hier bleek duidelijk de zwakheid van den grondslag,
waarop gebouwd werd. Als men dat groote vijftigtal artikels naleest,
ziet men, dat niet alleen schrijvers, op verschillende plaatsen
woonachtig, in hun oordeel over de uitspraak van dezelfde woorden
onderling verschilden, maar ook dat velen zich zelven niet gelijk
bleven. Men moge dit laatste verschijnsel aan slordige correctie willen
toeschrijven, het bewijst in allen gevalle, dat de ware uitspraak
niet zóó kennelijk van de valsche onderscheiden was, dat de corrector
zich niet vergissen kon. Doch volstrekt onloochenbaar is het verschil
tusschen de uitspraak van dezelfde woorden in verschillende gewesten en
steden. Volgens het beweren van Siegenbeek zelven worden heeten, keten,
menigte, smeeken, spenen, betoogen, genoot, klooven, loochenen, nopen,
personen en schromen in Rotterdam anders dan in Zeeland uitgesproken;
terwijl men in deze provincie zoowel poogen als pogen en te Rotterdam
zoowel tonen als toonen zou hooren [3]. Dat er ten opzichte van
andere woorden reeds in de laatste helft der zestiende eeuw eene
dergelijke onzekerheid bestond, kan men opmaken uit het woordenboek
van Kiliaan, die aan de uitspraak bijzondere aandacht schonk en zich
gehouden achtte een aantal woorden, als deren, kelen, nering, peren,
scheren, smeren, teeder, telen, teren, weren, zweren, zweven, bogen,
boren, dolen, smoken enz. onder de beide vormen op te teekenen.

Uit het aangevoerde blijkt overtuigend, dat het verschil in de
werkelijke uitspraak der woorden, hetwelk vroeger het geheele land
door moet geheerscht hebben, maar zich thans tot zekere streken en
steden bepaalt, voor de spelling slechts een onzekeren grondslag
kan uitmaken. Daarbij is het te voorzien, dat het eenmaal geheel
zal ophouden. Men heeft om die redenen naar een ander beginsel om te
zien, dat in substantie dezelfde uitkomsten oplevert, maar niet aan
verandering onderhevig is, niet dreigt geheel te verdwijnen, en dat
in de gevallen, waar verschil van uitspraak bestaat, op deugdelijke
gronden kan beslissen. Zoodanig beginsel vinden wij gelukkig in den
verschillenden oorsprong der e's en o's. Door de onderzoekingen der
nieuwere taalkundigen namelijk is gebleken, dat de talen van den
Indo-Germaanschen volksstam oorspronkelijk slechts drie vocalen, a,
i en u (lees: oe) bezaten, en dat al de overige klinkers, ook de e
en o, uit die grondvocalen en de daaruit samengestelde tweeklanken
ontstaan zijn; zie onder anderen Bopp, Vergl. Gramm. des Sanskrit,
Send etc. §§ 1-104. Deze stelling is de spil, waarom het gansche
vocaalstelsel, ook dat der Germaansche talen, draait; met haar kunnen
alle verschijnselen op het gebied der klankleer in genoemde talen
natuurlijk en ongedwongen verklaard worden; zonder haar blijft alles
duisternis en verwarring [4]. Doch al wil men haar ook al niet voor
alle Indo-Germaansche talen als geldig erkennen, ten opzichte van
het Nederlandsch is zij niet te loochenen. Immers het kan, op weinig
uitzonderingen na, aangetoond worden, uit welke van die grondklanken
onze e's en o's ontstaan zijn, terwijl de weinige gevallen, waarin men
dat niet kan, worden aangetroffen bij het betrekkelijk geringe getal
woorden, wier ouderen vorm men tot nog toe niet heeft kunnen ontdekken.

De verschillende oorsprong der e's en o's is de oorzaak van
het onderscheid tusschen de zachte en de scherpe uitspraak. Eene
vergelijking der Nederlandsche woorden, waarin e's en o's voorkomen,
met dezelfde of verwante woorden, hetzij in onze eigene taal, hetzij
in andere oudere of nieuwere Germaansche talen, leert, dat de e en
o beide drieërlei oorsprong hebben: dat de e eene wijziging van i,
a of ai, en de o van u (oe), a of au is. Verder blijkt, dat de lange
heldere of opene e's en o's uit de enkelvoudige, oorspronkelijke
klinkers a, i en u (oe) ontstaan, juist diegene zijn, waaraan algemeen,
behalve natuurlijk in de gevallen waar verschil bestaat, de zoogenaamde
zachtlange klank wordt toegekend; terwijl de ineengesmolten tweeklanken
ai en au aan erkende scherplange e's en o's beantwoorden.

Door deze waarneming worden bijna alle verschijnsels, die men in
de geschiedenis onzer e's en o's en in hare verwisseling met andere
klanken opmerkt, volkomen opgehelderd. Zij verklaart vooreerst, hoe
het komt, dat men die letters in verscheidene gewesten op tweeërlei
wijze uitspreekt, en waarom de scherpe daar langer zijn dan de zachte
en nog een zweem van een tweeklank hebben.--Vervolgens, waarom de
zachtlange é met a en i en met de korte è, en de zachtlange ó met de
korte ò afwisselt, b.v. in stad--steden, vagen--vegen, gift--geven,
nicht--neef, spel--spelen, gebed--gebeden; ik kom--zij komen,
lot--loten; en waarom de scherplange e's en o's met de tweeklanken ei
(ai) en ou (au) verwisseld worden, b.v. in gereed en bereiden, breed
en verbreiden, boom en bouwen, troost en vertrouwen.--Die waarneming
eindelijk verklaart in vele gevallen, hoe het komt, dat een zelfde
woord op tweeërlei wijze wordt uitgesproken, daar zij aantoont, dat
men dan meestal twee verschillende woorden verward en voor hetzelfde
gehouden heeft; b.v. beer (ursus) en beer (verres); deel (pars) en
deel (asser); klooven (doen splijten) en kloven (imperf. van kluiven
en meerv. van kloof); toonen (lichaamsdeelen) en tonen (klanken).

76. De Redactie, het een en ander in aanmerking nemende, heeft besloten
den oorsprong der e's en o's als grondbeginsel der vocaalspelling aan
te nemen. Zij meent hare redenen aldus kortelijk te kunnen samenvatten:

De ware uitspraak der e's en o's is niet op te maken uit de vroegere
schrijfwijze, noch uit de uitspraak der hedendaagsche dialecten,
omdat het blijkt, dat het in beide aan volkomene overeenstemming
ontbreekt. Bovendien neemt het onderscheid tusschen den zachten en
den scherpen klank dagelijks af, wordt daardoor steeds onzekerder
en zal waarschijnlijk eenmaal geheel verdwijnen, gelijk het in
sommige streken, en daardoor, streng genomen, in de zoogenoemde
beschaafde uitspraak, reeds heeft opgehouden te bestaan. Daarentegen
is de verschillende oorsprong der klinkers een onveranderlijk en
onloochenbaar feit, hetwelk als oorzaak van het onderscheid in de
uitspraak, grootendeels tot dezelfde uitkomsten leidt, en geheel tot
dezelfde leiden zou, indien er nooit verwarring en verwisseling van
klanken had plaats gehad.

Daar het niet te loochenen is, dat de onderscheidene dialecten ten
opzichte van een aantal woorden uiteenloopen, zou men genoodzaakt
zijn uit de verschillende tongvallen eene keus te doen. Wie of wat
zal die keus bepalen? Aan welk gewest zal de eer te beurt vallen
aan al de Nederlanden de wet voor te schrijven? Zal het Oost- of
West-Vlaanderen, Brabant of Antwerpen, Zeeland of Maasland, Zutfen of
Overijsel wezen? Daarentegen is de oorsprong der e's en o's een feit,
dat voor alle gewesten en tongvallen hetzelfde is. Geen dialect,
of het geeft onloochenbare blijken van onderlinge verwisseling van
zacht en scherp; ook het Groningsche, waarin anders het verschil wel
het duidelijkst uitkomt en men uit dien hoofde het minst verwarring
zou verwachten. Zoo is het b.v. volkomen zeker, dat de klinkers in
(ik) weet en (wij) weten oorspronkelijk verschilden, dat de e van
het enkelvoud vroeger ai, die van het meervoud i was; en toch worden
beide thans overal op dezelfde wijze uitgesproken, in het Groningsch
scherp, als ei of ij, in ik weit, wij weiten; elders zacht, in ik
weet niet anders dan in wij weten. Welke stad of landstreek zou aan
de overige bewoners van Nederland hare verkeerdheden willen opdringen
of omgekeerd die van andere willen overnemen! Neemt men echter den
oorsprong der e's en o's als grondslag aan, dan behoeft er geene keus
gedaan te worden, waardoor iemand zich verongelijkt kan rekenen; men
is dan billijk jegens allen, ook jegens de velen, die geen onderscheid
in de uitspraak meer maken, en die de onderscheiding der zachte en
scherpe e's en o's als een last beschouwen.

Al mocht men eenparig besluiten de uitspraak van eene bijzondere
landstreek of plaats als wetgeefster te erkennen, die maatregel
zou ontoereikend bevonden worden. Vooreerst kunnen de bewoners van
andere plaatsen die uitspraak niet leeren kennen, zonder zich daar
een geruimen tijd metterwoon te vestigen, terwijl ieder, die wil,
zich in zijn studeervertrek van den oorsprong der e's en o's kan
vergewissen. Doch er is iets dat meer afdoet. In de schrijftaal
komen een aantal woorden voor, die niet algemeen zijn, die op de eene
of andere plaats niet gebezigd worden. Hoe zal men handelen met de
woorden, die in het bevoorrechte dialect niet gebruikt worden? en hoe
met dezulke, die in het geheel niet meer tot de volkstaal behooren en
waarvan dus de ware uitspraak volstrekt onbekend is? Ten aanzien van
zoodanige woorden zou het aangenomen beginsel ontoereikend zijn; en
naar welk kenmerk dan te werk te gaan? Daarentegen geeft de oorsprong
der e's en o's een kenmiddel aan de hand, dat uit zijnen aard op
alle woorden toepasselijk is, dat voor de dialecten, op weinige
uitzonderingen na, dezelfde uitkomsten geeft, en dat ten minste voor
alle taalbeoefenaars, ook in de streken waar geen onderscheid meer
gehoord wordt, toegankelijk is.

Het schrijven naar de uitspraak zou altijd gegrond blijven op feilbare
waarnemingen van bijzondere individuen, wien het aan fijnheid van
gehoor kan ontbreken. Het spellen naar den oorsprong der e's en o's is
gegrond op het onderscheid tusschen a, i, u (oe), ai en au, klanken,
die onderling zoozeer verschillen, dat daarbij geene vergissing en
verwisseling kon plaats grijpen; het stelt bovendien de spelling meer
onmiddellijk in verband met de afleiding, en kan zoodoende in vele
gevallen het recht verstand der woorden bevorderen. Om den oorsprong
der e's en o's te leeren kennen, moet men wel is waar dikwijls
de verwante talen raadplegen; doch het zou eene geheel verkeerde
beschouwing wezen, indien men het spellen naar de uitkomsten, die zij
opleveren, wilde aanmerken als eene navolging van het vreemde. Dat
raadplegen geschiedt alleen om te weten, hoe onze eigene taal in
overoude tijden gesproken is; de onze kan op hare beurt aan andere
talen dezelfde diensten bewijzen. Als wij b.v. aan beenen en boomen
scherpe klinkers toeschrijven, is zulks niet, omdat het Hoogduitsch
bein en baum zegt, maar omdat wij o.a. door het Hoogduitsch weten,
dat onze eigene voorouders eenmaal bain en baum hebben uitgesproken; de
spelling beenen en boomen berust derhalve inderdaad op verschijnselen
in onze eigene taal. Vergelijk hier Taalgids, VI, blz. 153 v.

77. De Redactie erkent, dat de dubbele vocaalspelling niet zonder last
is voor het practische gebruik; zij behoudt ze evenwel, omdat zij meent
het bestaande niet te mogen afbreken en geene groote veranderingen,
maar alleen verbeteringen in de toepassing van erkende regels te moeten
voorstellen. Daarom heeft zij er niet aan gedacht om ze ook op de a
en u toe te passen, en b.v. naast va-der, za-del, u-ren enz. jaa-ren,
daa-den, wij vuu-ren enz. te schrijven, ofschoon daarvoor gelijke
redenen bestaan als voor de spelling bree-de, boo-men enz. Aan
die bedoeling is het mede toe te schrijven, dat zij het spellen
overeenkomstig den oorsprong der e's en o's tot de stamlettergrepen
wil beperken, maar ten opzichte van de achtervoegsels naar den
klemtoon wenscht te werk te gaan. Volgens dit beginsel acht zij,
dat de achtervoegsels, die òf steeds òf somtijds den vollen klemtoon
hebben, met eene dubbele vocaal behooren geschreven te worden, terwijl
een enkel letterteeken toereikend is in die, welke nimmer den vollen
klemtoon bekomen. In het eerste geval verkeert het achtervoegsel -loos,
hetwelk in goddelóós, zedelóósheid, zondelóósheid enz. den vollen
klemtoon bekomt; vervolgens de bastaarduitgangen -eeren; -eel en -ees,
die steeds den klemtoon hebben: regeeren, kasteelen, Japanneezen. Tot
het tweede geval behoort -heid, mrv. -heden, dat nooit den vollen
klemtoon heeft. Op die wijze eerbiedigt men het bestaande gebruik,
waarin de schrijfwijze -eelen reeds is aangenomen, en die van -eezen
meer en meer begint door te dringen. Men wijkt alleen af in de spelling
-eeren; doch voor de dubbele vocaal in dit achtervoegsel hebben zich
sedert lang vele stemmen doen hooren, gelijk zij dan ook reeds door
Bilderdijk en zijne volgelingen erkend is. Inderdaad, wanneer men
bedenkt, dat dit suffix altijd met een zwaren toon wordt uitgesproken;
dat die uitspraak reeds van de oudste tijden dagteekent, blijkens het
Middelnederlandsch, waarin men (gelijk nog heden in het Hoogduitsch)
gewoonlijk -ieren schreef; en dat de ie destijds nog een tweeklank
was: dan schijnt alles er voor te pleiten om in dezen het voorbeeld
van Bilderdijk te volgen.

    Een achtervoegsel -eet, welks bestaan door enkelen beweerd
    wordt, is bij de Redactie onbekend. In al de woorden, op -eet
    eindigende, die zij zich kan te binnen brengen, behoort de e
    tot den stam des woords, en kan alleen de t als achtervoegsel
    worden beschouwd. Deze is in paracleet, poëet, profeet, en ook in
    komeet en planeet, een overblijfsel van het Grieksche suffix -tês,
    lat. -ta, waarmede meestal mansnamen gevormd worden; in compleet,
    concreet, discreet, secreet, van het Latijnsche suffix -tus,
    -ta, -tum, dat verl. deelw. vormt. Daar er geene suffixen -êtês,
    -etus enz. bestaan, is bij de woorden op -eet niet de regel voor
    de achtervoegsels, maar die voor de stammen van toepassing. De
    Redactie schrijft daarom met ééne e: poëten, profeten, concrete,
    complete enz.; en om gelijke redenen met ééne o; astronomen,
    oeconomen, horoscopen, telescopen, philanthropen, misanthropen,
    heliotropen, theologen, philologen, enz. waarin noom, scoop,
    anthroop, troop en loog verbasteringen van geheele woorden,
    niet van achtervoegsels zijn.

78. Slechts schijnbaar bestaat hier eene inconsequentie; in den grond
wordt bij de stamlettergrepen hetzelfde beginsel gehuldigd als bij de
achtervoegsels, alleen met beperking in de toepassing. Dat beginsel
is de zooveel mogelijk juiste afbeelding der uitspraak. Immers de
verdubbeling der letters moest aanvankelijk dienen om de scherpe
e's en o's, uit tweeklanken ontstaan, te kenmerken als langer dan de
zachte, die als wijzigingen van de enkelvoudige klinkers a, i en u
(oe) korter waren. De verdubbeling bedoelde kennelijk het voorstellen
van een langen, gerekten klank, en het is alleen ten gevolge van
het onderling meer gelijk worden der zachte en scherpe e's en o's,
dat het doel thans niet meer zoo in het oog loopt.

Aan de werking van den klemtoon is het toe te schrijven, dat
het onderscheid tusschen zacht en scherp in sommige streken en
in de beschaafde uitspraak geheel uitgewischt is. De klemtoon,
wanneer hij rust op opene lettergrepen, brengt vanzelf mede, dat
de daarin voorkomende vocalen alle even lang worden uitgesproken,
onverschillig, of zij uit klinkers dan wel uit tweeklanken ontstaan
zijn. Daarom wil het gebruik in opene eenlettergrepige woorden de
verdubbeling van den klinker, al is die niet scherp, b.v. in thee,
vloo, zoo. Daarentegen is de quantiteit in lettergrepen, die slechts
den halven toon hebben, of geheel toonloos zijn, merkelijk geringer,
ook wanneer zij tweeklanken zijn, b.v. in waarheid, waarlijk, arbeid,
armoede; voor de zoodanige wordt de dubbele vocaal algemeen te zwaar
geacht. Daarom wil het gebruik sinds lang eene enkele e in -heden,
meerv. van -heid, ofschoon die e uit ei ontstaan en dus scherp
is; daarom wil het de enkele i in -isch, niettegenstaande in dit
achtervoegsel de klank gehoord wordt, die in gesloten lettergrepen
steeds door ie wordt voorgesteld; daarom verliezen de achtervoegsels
-eel, -ief, -iet en -iek eene e in kast-el-ein, subject-iv-iteit,
Jezu-it-isme, f-abr-ik-ant.

De Redactie beoogt derhalve met het stellen van den boven ontwikkelden
regel voor de spelling der achtervoegsels hetzelfde doel, dat men
oorspronkelijk met de verdubbeling der e en o zocht te bereiken,
namelijk eene zooveel mogelijk juiste afbeelding van de heerschende
uitspraak. Door het stellen van dien regel zet zij alleen eene schrede
verderop den weg, die reeds door het Gebruik gevolgd wordt, en handelt
zij overeenkomstig den Regel der Welluidendheid.

79. Acht de Redactie den door haar aangenomen regel voor de
achtervoegsels voornamelijk daarom verkieselijk, omdat hij gemakkelijk
is, en door iedereen, ook zonder kennis van vreemde talen, kan worden
toegepast, zij werd, wilde zij hier niet beginselloos te werk gaan,
tot het stellen van dien regel als het ware gedwongen. Immers
de grondbeginselen, die voor de stammen gelden, zouden op de
achtervoegsels niet toegepast kunnen worden.

Vooreerst toch zou het meervoud van -heid, goth. haidus, mv. haidjus,
hd. heit, mv. -heiten, volgens die beginselen twee e's moeten
hebben. Doch wie zou te bewegen zijn om het thans eenparige gebruik,
dat reeds bij de Staten-overzetters gold, te verlaten, en voortaan
aangenaamheeden, boosheeden, kinderachtigheeden en zoo vele andere
-heeden met twee e's te gaan schrijven? Die spelling wordt trouwens
door niemand verlangd, en zou strijden met het beginsel door de
Redactie aangenomen, namelijk geene veelomvattende veranderingen
te beproeven, wanneer er geene dringende redenen voor bestaan en de
gebruikelijke spelling te rechtvaardigen is.

De uitgangen -eeren en -eel zijn bastaardachtervoegsels; en de e's,
die daarin voorkomen, zijn niet alle van denzelfden oorsprong. Sommige
zijn ontstaan uit korte klinkers, andere zijn samentrekkingen van twee
lettergrepen. In het eerste geval zouden zij ééne, in het laatste
twee e's vorderen; doch het laat zich niet altijd bepalen, met welk
eene e men te doen heeft. Wij hebben -eeren, mnl. -ieren, uit het
Fransch bekomen; maar in het gebruik daarvan hebben wij onzen eigen weg
bewandeld, ons om die taal verder niet bekommerende. De e van regeeren
schijnt die te zijn van fr. régner; maar mnl. regnieren, waaruit
regeeren ontstaan is, verbiedt ons aan eene onmiddellijke overneming
van die e te denken; en die in concipieeren is toch wel niet de oi van
fr. concevoir, noch die van farceeren de i van farcir. Het Fransch,
waarin de e's trouwens ook niet oorspronkelijk zijn, kan dus niet tot
leiddraad strekken; men zou dan in allen gevalle tot het Latijn moeten
gaan. Doch dit heeft vier uitgangen: -âre, -êre, -îre en -ere; daarin
zijn â, ê, en î samentrekkingen van de lettergreep aja (skr. aya);
maar -ere heeft eene e uit de korte i ontstaan. Dienovereenkomstig
zou men communiceeren, doceeren, recenseeren, farceeren enz. met ee,
maar defenderen, fingeren, absolveren enz. met e moeten spellen. Zou
het verstandig wezen het publiek dezen nieuwen last op de schouders te
willen binden en het te verplichten de Latijnsche conjugatie te gaan
leeren? En hoe dan nog te handelen met woorden, waaraan geen Latijnsch
werkwoord beantwoordt, b. v, met trotseeren, waardeeren, stoffeeren?

Bij -eel zouden de moeilijkheden niet geringer wezen. Aan de e in
dit achtervoegsel beantwoordt wel is waar doorgaans eene korte
Latijnsche e of i: doch in conditioneel, crimineel, inaugureel,
origineel eene lange a. Deze is in criminalis en inauguralis weder
de samentrekking van -aja-; maar wat is zij in conditionalis en
originalis, waarnaast geene werkwoorden bestaan? En welke e hebben
wij in houweel, tooneel, fluweel? Hier zou in elk geval wederom
eene willekeurige beslissing, een doorhakken van den knoop, moeten
plaats hebben. Doch er is eene andere oplossing mogelijk. Men vrage
niet: wat willen enkele grammatici? maar: wat wil het volk? wat wil
de taal, en wat heeft zij altijd gewild? Dan is het antwoord niet
twijfelachtig. De taal handelt bij de vreemde achtervoegsels geheel
anders dan bij de vreemde stammen, waarin zij zachte e's en o's laat
hooren. Zij heeft de bastaarduitgangen, die den klemtoon hebben, steeds
als lang beschouwd en er tweeklanken van gemaakt. Tot getuigen kunnen
strekken abdij, soldij, tyrannij, azijn, dolfijn, venijn, paradijs,
patrijs, saucijs, profijt, practijk, gelei, karwei, livrei, qualiteit,
quantiteit, sociëteit, fatsoen, katoen, kapoen en kapuin, aluin, abuis,
fornuis, advies, commies, enz., waarbij men in het oog moet houden,
dat oe en ie voorheen tweeklanken waren. Dat de taal vroeger met -eeren
en -eel evenzoo heeft gehandeld, blijkt uit den Middelnederlandschen
vorm -ieren. Ook -eel werd wel als -iel uitgesproken, blijkens de
gemeenzame taal in oude kluchtspelen; en gatenplattiel, karviel,
nevens karveel, zijn nog in gebruik. Dat die tweeklanken alleen aan de
werking van den klemtoon zijn toe te schrijven, blijkt uit profiteeren
naast profijt, kopieeren naast kopij, praktizeeren naast praktijk,
abuseeren naast abúís enz.; zij veranderen niet in tweeklanken,
waar zij den klemtoon niet hebben. De Redactie was hier dus vanzelf
naar den klemtoon verwezen, niet naar den oorsprong der e's, waarop
men ook bij vreemde stammen niet let. Immers men schrijft cement,
lat. caementum, planeten, lat. planêtae, evengoed met eene enkele e,
als ceder, lat. cedrus.

Het achtervoegsel -ees, fr. -ais en -ois, is lat. -ensis, na afwerping
van -is en uitstooting van de n. Het Nederlandsch pleegt na de
uitstooting eener n de voorgaande vocaal te verlengen, er zelfs
een tweeklank van te maken; blijkens kiekhoest, bij Kiliaan, naast
kinkhoest; muid, in IJselmuiden, naast mond, in IJselmonde; kluit
naast klont; ook schreef men voorheen, evenals in het Hoogduitsch,
Portugies. De verlenging der e geschiedt dus ook hier volgens den
aard der taal en tevens in overeenstemming met den regel.

Het achtervoegsel -loos, goth. en onrd. -laus, ags. -leás, moet, ook
volgens de afleiding, het beginsel dat bij de stammen geldt, evengoed
als volgens den door ons gestelden regel voor de achtervoegsels,
eene scherpe o (oo) hebben. Een achtervoegsel -loos, -loze, met de
zachte o, dat los zou beteekenen, heeft nooit bestaan. De taal heeft
de adjectieven loos, looze en los, losse zoowel in uitspraak als in
beteekenis steeds uiteengehouden. De Redactie mag niet medewerken om
de verwarring, in den laatsten tijd daarin gebracht, te bestendigen.

Neemt men derhalve alles op zijn strengst, dan heeft er tusschen de
regels voor de stammen en die voor de achtervoegsels alleen strijd
plaats bij de spelling van -heden, wat niemand met twee e's wil,
en ook niet behoeft te willen, dewijl de spelling met eene enkele
e in de klaarblijkelijkste overeenstemming is met de wetten, die de
taal voor de achtervoegsels heeft aangenomen.

80. Het aantal woorden, in wier spelling ten gevolge van het aangenomen
beginsel eene verandering moet plaats grijpen, is betrekkelijk gering,
en de meeste komen slechts zelden voor. Het zijn:

    beer (verscheurend dier), mv. beren, onderscheiden van beer
    (varken, waterkeering, muurstut en heiblok), mv. beeren;

    deel (plank en dorschvloer), mv. delen, onderscheiden van deel
    (gedeelte), mv. deelen;

    deemoedig;

    deesem;

    dwepen;

    eega;

    heep (soort van handbijl), mv. hepen;

    keel (in de bouwkunde en wapenkunde), kelen, hetzelfde als keel
    (lichaamsdeel);

    keren (vegen);

    kwee (vrucht);

    meren (een schip vastleggen);

    sleepen (voorttrekken), causatief van slepen (gesleept of
    voortgetrokken worden);

    droog, droge, droger, drogen;

    hoonen;

    klooven (doen splijten), causatief van klieven (in den verouderden
    zin van splijten), onderscheiden van kloven, mv. van kloof en
    verl. tijd van kluiven;

    koozen, liefkoozen;

    kroon, mv. kronen;

    sloof (voorschoot), mv. slooven, onderscheiden van sloof
    (sukkelaarster), mv. sloven;

    toon (muziektoon), mv. tonen, onderscheiden van toonen (wijzen)
    en toon (teen), mv. toonen;

    troon, mv. tronen;

    vroolijk;

    zoogen (laten zuigen), causatief van zuigen, onderscheiden van
    wij zogen, verl. tijd van zuigen.

Ofschoon het zeer waarschijnlijk is, dat de e in heer (dominus) en
keeren (vertere) oorspronkelijk zacht was, is toch de afleiding en
oudste vorm dezer beide woorden niet met genoegzame zekerheid bekend,
om over de natuur der vocaal stellig te beslissen, veelmin om eene
verandering voor te stellen in de spelling van zoo gebruikelijke
woorden, wier schrijfwijze door de gewoonte als eene tweede natuur
is geworden.

Neemt men in de weinige woorden, die verandering eischen, de
vocaalspelling overeenkomstig de afleiding aan, dan is daarmede het
geheele spellingstelsel der enkele of dubbele e en o met de etymologie
in overeenstemming gebracht. De onderscheiding moge in de practijk
en bij het lager onderwijs hare moeilijkheid blijven behouden, dat
bezwaar is nu eenmaal niet op te heffen, want niemand zeker zal
bij eenig nadenken ernstig verlangen altijd de dubbele of altijd
de enkele e en o te gebruiken. Vergelijk ook § 26. Maar terwijl de
practische moeilijkheid dezelfde blijft, wint men het onschatbare
voorrecht, waarop geene andere Germaansche taal zich beroemen kan,
dat de spelling dezer beide vocalen in onze taal overal aan den
oorspronkelijken vorm der woorden getrouw is en aan de strengste
eischen der wetenschap beantwoordt.

    a. De Redactie was vroeger van meening, dat de e in begeeren zacht
    was. Zij grondde haar gevoelen op de i in ohd. giric, onrd. girug,
    enz., die zij voor kort hield, en welke in dat geval eene zachte
    e zou hebben moeten opleveren. Desniettegenstaande achtte zij het
    ongeraden de algemeen aangenomen spelling van een zoo dikwijls
    voorkomend woord te veranderen, omdat er over het woord en zijne
    verwanten een duister verspreid lag, dat zij toen nog niet vermocht
    op te heffen. Bij nader onderzoek echter is het gebleken, dat
    die ì, in sommige handschriften door een accent (í) gekenmerkt,
    de lange î is, die in den regel onze ij heeft opgeleverd, behalve
    vóór eene r, waar zij zich in ie (vroeger een tweeklank) oploste:
    vergelijk wierook voor wijrook van wij(d)en; gier (roofvogel),
    nhd. geier, ohd. gîr; schier in Schiermonnikoog, Schieringer,
    schierroek, enz., ohd. scîr enz. Doch kan î de stam van begeeren
    niet zijn, dan moet het gair wezen, dat in goth. gairuni, gairnjan
    enz. voorkomt en de echte tweeklank ai blijkt te zijn.

    Hierdoor wordt al het duistere weggenomen. Niet slechts is de ie in
    gierig verklaard, maar ook de a in mnl. begaeren en nnl. gaarne,
    naast begeeren, geerne en gierig; en de vormen in de verwante
    talen blijken in overeenstemming te zijn. De e van begeeren is
    derhalve scherp, als zijnde uit ai ontstaan, zoodat er van de
    spelling met ééne e (begeren) geene sprake meer zijn kan.

    b. Ook zal men op bovenstaande lijst de woorden knoop, kloot
    en zweep niet meer aantreffen. Bij nader onderzoek is het ons
    gebleken, dat in de oudere verwante talen tweeërlei vormen van
    knoop hebben bestaan, wat onder andere uit ofri. cnop en cnâp
    blijkt, waarvan de eerste aan onze zachte, de laatste aan onze
    scherpe o beantwoordt. De uitspraak met de scherpe o, waarop de
    gebruikelijke spelling knoopen berust, kan derhalve niet als eene
    verbastering worden beschouwd, zoodat er voor de Redactie, die
    als beginsel heeft aangenomen, niet buiten volstrekte noodzaak
    veranderingen te maken, geene reden bestaat om de spelling hier
    te wijzigen; ze blijft daarom knoopen vastknoopen, ontknoopen
    enz. schrijven.

    c. Minder zekerheid bestaat er tot nog toe omtrent de
    oorspronkelijke vormen van kloot en zweep. Indien men echter
    die woorden voor één mag houden met ons kluit en mhd. sweif
    (staart), dan hebben ook hier vanouds tweeërlei vormen bestaan,
    en is de spelling klooten en zweepen even wettig als kloten
    en zwepen. Hoe men het ook neemt, de zachtheid der klinkers in
    beide woorden staat nog niet vast, zoodat deze zich in hetzelfde
    geval bevinden als heeren en keeren. De Redactie acht zich dus
    nog niet tot verandering gerechtigd, en blijft daarom klooten en
    zweepen schrijven.



81. Ofschoon de spelling wereld, eigenlijk wer-eld, de beschaafde
uitspraak van dit woord niet juist uitdrukt, meent de Redactie haar
als de naastbijkomende te moeten verkiezen; vergelijk § 41. Wareld
toch is met de uitspraak nog meer in strijd, en bovendien ook met
de afleiding; en hetzelfde geldt van waereld, daar men ae in onze
taal steeds als de voorstelling eener lange a heeft aangemerkt en in
België nog veelal als zoodanig beschouwt.

Om dezelfde reden is ook de spelling vaers voor vers te verwerpen.



82. Om de boven in § 79 ontwikkelde redenen is de Redactie voornemens
de volle ie te bezigen in de achtervoegsels -ief, -iek en -iet,
zoolang die den klemtoon behouden, ook dan wanneer ie op het einde
der lettergreep komt, b.v. in motie-ven, substantie-ven, fabrie-ken,
republie-ken, Israëlie-ten, Mennonie-ten. Die spelling is buitendien
in overeenstemming met het gevestigde gebruik ten opzichte van -ier en
-ies in officie-ren, tuinie-ren, commie-zen, valie-zen. Daarentegen
acht zij ie te zwaar, en daarom eene enkele i voldoende, wanneer die
achtervoegsels geheel toonloos worden, in mot-i-veeren, Jezu-ït-isme,
fabr-ik-ant, muz-ik-ant, muz-ik-aal, republ-ik-ein. Vergelijk den
Regel der Welluidendheid § 61 en 62.



83. Om dezelfde redenen schrijven wij in het meervoud oli-ën, trali-ën
enz., van olie, tralie enz., dewijl ie in deze en dergelijke woorden
geheel toonloos is; daarentegen knie-ën, spie-ën, drie-ën, waarin de
eerste, en reliquie-ën, genie-ën, waarin de voorlaatste lettergreep den
vollen klemtoon heeft. Dat men voorheen kniën, spiën spelde, is daaraan
toe te schrijven, dat ie, uit iu (ioe) ontstaan, alstoen een tweeklank
was, die nagenoeg tweelettergrepig, als ië, werd uitgesproken. Knie-en,
spie-en zou toen derhalve geluid hebben als kní-e-en, spí-e-en. Thans
echter is ie een zuivere (eenlettergrepige) klinker, gelijk b.v. ee,
zoodat de oudere schrijfwijze niet meer in overeenstemming is met de
hedendaagsche uitspraak; daarom knieën, spieën, evenals zeeën, tweeën;
en zoo ook analogieën, harmonieën, melodieën, reliquieën en genieën,
verschillend van geniën (géniën), meerv. van genius.



84. Ofschoon de i in het achtervoegsel -isch denzelfden helderen
klank heeft als ie in -ief, -iek, -iet en -ier, geeft de Redactie
aan de meest gebruikelijke schrijfwijze met de enkele i verreweg de
voorkeur boven -iesch, omdat dit achtervoegsel steeds allen klemtoon
mist, en i daarin zeer kort is. De onregelmatigheid is niet grooter
dan bij het achtervoegsel -uw in schaduw, zwaluw, hetwelk evenzeer
toonloos is en door niemand met twee u's geschreven wordt. Vergelijk
den Regel der Welluidendheid § 61 en 62.

    Bij het beoordeelen van de regels in deze en de twee vorige §§
    behoort men het onderscheid tusschen eene toonlooze lettergreep en
    een toonloozen klinker niet uit bet oog te verliezen. Toonloos is
    elke lettergreep, waarop in het geheel niet gedrukt wordt, waarop
    noch de halve, noch de volle klemtoon valt, b.v. de eerste in
    be-hóúd, ge-lóóf, ver-driét, de laatste in já-ren, há-mel, há-mer,
    kó-ning, gróót-vader, hòfhóú-ding. Toonlooze klinkers zijn, in den
    regel, klinkers of tweeklanken, die geheel dof zijn geworden, als
    het ware alle kleur missen, en meer van een geruisch dan van een
    eigenlijken klank hebben; b.v. de e in aarde, onl. irtha, in hamer,
    ohd. hamar, in hemel, onl. himil; de u in Gorkum uit Goring-heim;
    de i in het achtervoegsel -ig, goth. -ag en -eig. Enkele toonlooze
    klinkers echter ontstaan als vanzelve tusschen twee medeklinkers,
    b.v. in hatelijk, beminnelijk enz. voor haatlijk, beminlijk enz.

    Ofschoon het verliezen van den klemtoon de oorzaak is, dat de
    klinkers en tweeklanken toonloos worden, heeft dat verlies toch
    niet altijd de bedoelde verandering ten gevolge. De tweede
    lettergrepen in py-ra-mide, mag-ne-tiseeren, mo-ti-veeren,
    ge-o-graaf, no-tu-len, en de laatste in o-lie, me-nie, tra-lie,
    Janua-ri, Ju-li, afgo-disch, nieuwmo-disch, scha-duw, zwa-luw
    enz. zijn toonloos, maar de daarin voorkomende klinkers, hoe flauw
    zij ook worden uitgesproken, behouden in eene beschaafde uitspraak
    hun eigenaardigen klank, en gaan niet in toonlooze klinkers over.

    Er bestaan derhalve toonlooze lettergrepen zonder toonlooze
    klinkers.



85. Het letterteeken ij stelde, gelijk men weet, oorspronkelijk
in gesloten lettergrepen, als mijn (miin), sijn (siin), de
lange i voor, die in opene, als mine, sine, door de enkele i werd
vertegenwoordigd. Het teeken j was dus in de genoemde en dergelijke
woorden een gewijzigde vorm van de letter i, die gelijkstond met de
tweede a, e, o en u in jaar, eed, room en vuur. Het verlengen door het
aanvoegen van een staart geschiedde sieraads- of duidelijkheidshalve;
zoo schreef men ook vj, vij, viij, enz. voor 6, 7, 8. Dientengevolge
had j in strijd met § 47, a. twee verschillende waarden, die van
vocaal in mijn (miin) en wijn (wiin), en die van consonant in jaer,
joc. Toen in het Nnl. de lange i in de uitspraak gelijk werd aan den
tweeklank ei, kwam de schrijfwijze ij geheel in strijd met de natuur
van den klank, dien zij moest voorstellen, en die niet meer door ii
afgebeeld kon worden; men behield evenwel de oude letterteekens ondanks
de veranderde uitspraak. De Redactie meende in het Woordenboek die
onregelmatigheid te moeten vermijden en te dien einde het letterteeken
voor ij of IJ in zooverre te wijzigen, dat het onderscheid tusschen i j
en den hier bedoelden klank duidelijk bleek. Het natuurlijkste middel
daartoe ware geweest, de beide deelen aan elkander tot eene eenheid
te verbinden, gelijk men in het schrijven gewoon is te doen. Doch
de zwarigheden van typographischen aard, die zich hierbij voordeden,
de vreemde en onbehaaglijke lettervormen, die ons voorgelegd werden,
en die vooral bij het kapitale letterteeken aanstootelijk waren,
hebben ons genoodzaakt van ons goede voornemen af te zien en den
gewonen vorm van ij en IJ onzes ondanks te behouden.



86. Volgens § 47, a. moet men aan hetzelfde letterteeken niet buiten
volstrekte noodzakelijkheid meer dan ééne waarde geven. Men handelt
in strijd met dit beginsel, wanneer men thans nog kolijk, katholijk,
fabrijk, muzijk enz. schrijft, en door die spelling aanleiding geeft,
dat sommigen in die woorden werkelijk eene ij of ei laten hooren. Nu
zij in de beschaafde uitspraak den i-, niet den ei-klank hebben,
eischt de eerste grondregel koliek, katholiek, fabriek enz.; zoo
ook poëzie, harmonie, melodie enz. Den dichter blijve het echter
vrijgelaten naar goeddunken ook poëzij, harmonij enz. te schrijven,
omdat in die woorden op ie, die den klemtoon op de laatste syllabe
hebben, ook de uitspraak ij geoorloofd is. Zie § 40.

Zoo schrijve men ook koffie, lat. coffea, evenals men schrijft balie,
falie, malie, tralie, olie, foelie, linie, kevie, merrie enz.

    Nog sterker dan de spelling muzijk voor muziek enz. is af te keuren
    het gebruik van de ij in de plaats van de enkele korte i of y in
    tweeklanken als aij, eij, oij, uij, oeij, voor ay, ey, oy, uy, oy,
    of ai, ei enz. De ij heeft nooit als enkele i gegolden. Oudtijds
    had zij de waarde van ii, thans stelt zij een tweeklank voor, die
    als ei luidt; zoodat aij, hoe men het neme, niet anders opgevat
    kàn worden, dan òf als a + ie, òf als a + ij (a + ei). Eene
    spelling met aij enz. laat zich dus op geenerlei wijze, noch door
    de vroegere, noch door de hedendaagsche uitspraak, rechtvaardigen,
    zelfs niet in die eigennamen, waarin eene oude spelling behouden
    wordt. Gesteld dat iemand Van der Kruis heet, dan zijn van dien
    naam verschillende schrijfwijzen, mits met gelijkluidende letters,
    te verdedigen: Kruis, Cruys of Cruyss; doch Cruijs kon voorheen
    niet anders geluid hebben dan krui-is of kru-iis, en kan thans
    niet anders worden uitgesproken dan kru-ij-s (kru-eis); ij voor
    y is dus evenmin te rechtvaardigen als elke andere verwisseling
    van twee niet gelijkluidende letters, b.v. van r en l: cruij-s is
    even ongeschikt om den klank kruis te vertegenwoordigen als kluis
    of kruid zijn zou. Alleen de gewoonte van ij en y te verwarren
    maakt, dat kruijs minder ongerijmd schijnt.



87. In de namen der maanden, die oorspronkelijk genitieven zijn
(Januarii, Junii enz.), is de i-klank van een geheel anderen aard en
oorsprong dan in een der bovengenoemde woorden. Het komt der Redactie
wenschelijk voor dien ook in de spelling van den uitgang -ie, welke
hier en daar nog als ië luidt, te blijven onderscheiden, en naar
Latijnsch gebruik Januari, Februari, Juni en Juli te schrijven. Deze
spelling beantwoordt aan de uitspraak en is in overeenstemming met
de door ons aangenomen regels voor het schrijven der bastaardwoorden.



88. De afleiding eischt de vervanging van ei door ij in de woorden
malvezei, fr. malvoisie, en karwei (soort van zaad), fr. carvi,
onderscheiden van karwei (werk), fr. corvée. Daarentegen zal om
dezelfde reden de ij van sacristijn, fr. sacristain, ofschoon
in sacristij (fr. sacristie) op hare plaats, voor ei moeten
wijken. Derhalve malvezij, karwijzaad, sacristein, doch karweitje,
sacristij.

Het woord dozijn, dat men lichtelijk voor het Fransche douzaine zou
kunnen aanzien, moet zijne ij behouden. Niet uit het Fransch toch,
maar uit het Latijn is het tot ons gekomen, gelijk onlangs te recht is
aangemerkt. In de beschaafde uitspraak luidt het woord niet doezijn,
maar dozijn, en sommige dialecten zeggen doziin, hetgeen op het
Middeleeuwsch-latijnsche docenum wijst, en het woord op ééne lijn
stelt met krijt, lat. creta; venijn, lat. venenum; tapijt, lat. tapete.

IJzen en ijselijk hebben, hetzij onmiddellijk, hetzij middellijk, hun
bestaan te danken aan een woord, dat goth. agis, ohd. egiso luidde,
en zouden uit dien hoofde, evenals zeil uit zegel, dweil uit dwegel
enz., met ei behooren geschreven te worden, gelijk oudtijds werkelijk
geschiedde. Daar echter het grondwoord eis (vrees, schrik) al vroeg
vergeten werd, en men bij het schrikken niet zelden eene koude
rilling voelt, begon men aan eene verwantschap met ijs te denken,
en aan eizen de bepaalde beteekenis te hechten van koud worden,
van schrik verstijven. In de uitdrukking: het is om van te ijzen,
ziet het woord kennelijk op de kille huivering, die eene ontzettende
aanschouwing of voorstelling veroorzaakt. Vandaar de verandering in
de uitspraak en spelling. In die gewesten, waar ij nog als i klinkt,
zegt men izen en iselik; en bij Kiliaan, Coornhert en anderen treft
men de beide spellingen, met ei en ij, nevens elkander aan. Het een
en ander bewijst, dat de »spraakmakende gemeente" naast het oude,
nu vergeten, woord een nieuw met gewijzigde beteekenis gevormd
heeft. Daar nu de spelling eizen, eiselijk niet zou kunnen strekken
om op eenig thans algemeen bekend woord te verwijzen en zoodoende
de beteekenis duidelijker te maken, vindt de Redactie geene reden
om zonder eenig nut het algemeene gebruik te verlaten en, tegen de
niet twijfelachtige uitspraak aan, een verouderd woord (althans een
verouderden vorm) te hernemen, die bij het volk geheel vergeten is,
en die bovendien een onbepaalder begrip vertegenwoordigt, dan het
nieuwere woord of de nieuwere vorm. Zij schrijft derhalve volgens
den Regel der Uitspraak ijzen en ijselijk.



89. Op grond van § 47, a en e verwerpt de Redactie de spelling van
by, my, hy, zy, dwingelandy, razerny enz. met y, omdat deze letter
in oorspronkelijk Grieksche woorden, als cylinder, Styx, Egypte,
reeds den gewonen i-klank voorstelt, en haar alsdan buiten eenige
noodzakelijkheid eene tweede waarde zou toegekend worden. Dat de
ij-klank in bij, mij, hij slechts uit eene korte, niet uit eene lange
i ontstaan is, kan in haar oog geene reden zijn om inbreuk op het
bedoelde beginsel te maken, te minder daar in opene eenlettergrepige
woorden, als thee, zoo, ook de e en o verdubbeld worden, ofschoon
zij eigenlijk zacht zijn.



90. Vreemde woorden en eigennamen, die op heldere of lange klinkers
eindigen, nemen in den tweeden naamval van het enkelvoud en in
alle naamvallen van het meervoud eene s aan, voorafgegaan door het
uitlatingsteeken ('). Dus Maria's, Hebe's, Garibaldi's, Cicero's,
echo's; niet Mariaas, Hebees enz. Daar de verdubbeling der i niet meer
in gebruik is, zou men althans niet Garibaldiis, Paniniis, Rubiniis
kunnen of willen schrijven; de analogie laat dus ook Mariaas, Hebees
enz. niet toe. Buitendien is het dubbele letterteeken in strijd met
de uitspraak van zulke woorden, waarin de eindvocaal nooit zoo lang
wordt uitgerekt, als geschiedt met de klanken, die in Nederlandsche
woorden in den regel door aa, ee enz. worden voorgesteld. De
welluidendheid, zoowel als de analogie, maakt derhalve het gebruik
van het uitlatingsteeken verkieslijker dan het verdubbelen van den
klinker. Zie § 59, 61 en 62.

Ook is het onveranderlijk bewaren van den vorm der eigennamen
wenschelijk, ten einde alle verwarring te voorkomen. Daarom schrijft
de Redactie ook Bruining's, of Bruinings', naar gelang men den tweeden
naamval of het meervoud van Bruining of van Bruinings bedoelt.

    De regel is natuurlijk niet van toepassing op echt Nederlandsche
    gemeene zelfstandige naamwoorden, als ga (samentr. van gade),
    ra, vla (vlade). De a heeft in het meervoud dier woorden dezelfde
    zware of gerekte uitspraak als altijd in geslotene lettergrepen,
    b.v. als in aas, baas, geraas. Daarom schrijven wij niet eega's,
    ra's, vla's, maar volgens den gewonen regel van het Nederlandsch,
    die in gesloten lettergrepen het verdubbelen van den helderen
    klinker voorschrijft: eegaas, raas, vlaas.



91. De Redactie spelt aar (korenaar), haar (hoofdhaar), meer
(waterplas), door (van een ei), oor in oorsprong, oorzaak, niet air,
hair, meir, doir, oirsprong, omdat de laatste schrijfwijze zoowel door
de afleiding als door de uitspraak verworpen en door de duidelijkheid
niet geëischt wordt, terwijl zij geheel op willekeur berust, daar er
geene reden te bedenken is, waarom men niet liever in air (ader), hair
(voornw.), meir (telw.), doir (voorzets.) enz. de verlenging door i
zou aanduiden. Daarentegen meent zij de spelling heir (legermacht)
en oir (erfgenaam) boven die van heer en oor te moeten verkiezen;
het eerste omdat heir de beschaafde uitspraak, hoewel niet juist,
toch beter vertegenwoordigt dan heer; het laatste als verbastering
van het Fransche hoir. De spelling oor zou dit weinig gebruikelijke en
weinig bekende woord onherkenbaar maken, en zeer zeker de duidelijkheid
niet bevorderen.



De medeklinkers.

92. Tot de regels betrekkelijk de medeklinkers overgaande, meenen wij
het eerst melding te moeten maken van het belangrijke vraagstuk omtrent
de spelling der woorden, waarin tweeklanken op i voorkomen. Moet men
zaaijen, zaaien, zajen of zaayen, hooijen, hooien, hoojen of hooyen
spellen? De uitspraak beslist hier niet stellig genoeg. Men hoort
in de genoemde woorden wel is waar eene j, maar slechts zeer flauw
en op verre na niet zoo duidelijk als aan het begin van een woord,
b.v. in jaar, jong, gelijk blijkt uit de vergelijking van vleier,
vleijer met (een goed) hooi-jaar. Het gebruik beslist evenmin,
daar alle vier de schrijfwijzen hare voorstanders hebben gehad en
gedeeltelijk nog hebben; men denke slechts aan bajert, dojer en
oojevaar of ooijevaar. Raadpleegt men de afleiding, dan wordt de
zaak nog moeilijker. Indien men let op den oorsprong van zaaijen,
draaijen, naaijen, en op de afgeleide woorden zaad, draad, naad,
dan zouden za-jen, dra-jen, na-jen, de ware vormen zijn; zoo
ook stroo-jen, goth. strau-jan, too-jen, goth. tau-jan, boej en
boe-jen, lat. boja; daarentegen hooi-en, en kooi-en, om goth. havi
(hawi) en lat. cavea. Voor andere woorden beslist zij in het geheel
niet. Verandert d in i of in j? Heeft men ro-jen of rooi-en, van roden;
do-jer of dooi-er, van doder; oojevaar of ooievaar, van oodevaar, te
spellen? En welke letter moet schuijeren hebben, dat hetzelfde woord
is als schuren? Regels op de afleiding gegrond zijn hier derhalve zoo
goed als onmogelijk; zij zouden de spelling slechts uiterst moeilijk
maken en tot nieuwe geschillen aanleiding geven.

De aangenomen spelling baai--baaijen, rei--reijen, hooi--hooijen
druischt dubbel aan tegen de analogie. Deze wil, dat een onverbogen
woord den medeklinker, die in den verbogen toestand de volgende
lettergreep begint, tot sluitletter zal hebben; b.v. dat kwaad
eindigen zal op de d van kwa-de, en zoo ook plaag, vrouw enz. op
de g en w, waarmede de tweede lettergrepen van pla-gen en vrou-wen
aanvangen. Tegen dezen regel wordt gezondigd door baai, rei, boei
enz. Ware de j in de verbogene vormen onmisbaar, de analogie zou haar
evenzeer eischen in de onverbogene baaij, reij, boeij, omdat deze
woorden in het meervoud baai-jen, rei-jen, boei-jen worden. Deze
en dergelijke woorden, die eindigen op eenen tweeklank, waarin i
de laatste klinker is, worden nu stilzwijgend als uitzonderingen
beschouwd. Die uitzondering zou nog te dulden zijn, indien zij niet
zelve weder hare uitzonderingen had in de woorden op ij. De ij toch is
ook een tweeklank, die op i uitgaat en dus in den verbogen toestand
eene volgende j zou vorderen. Intusschen zal wel niemand lust hebben
om bijjen, rijjen, vrijjen, vrijjer te schrijven. Het is dus niet te
loochenen, dat de bestaande spelling der woorden met tweeklanken op i
onregelmatig is en inconsequent, zoowel in zich zelve als ten opzichte
van eene groote menigte andere woorden. Er zijn er geweest, die het
gebruik der enkele j hebben voorgeslagen, niet bedenkende, dat deze,
wat de uitspraak betreft, wel volstaan kan in bajen, drajen, haajen,
boejen, broejen, hoojen, loojen enz., maar niet in brejen, ejeren,
lejen, rejen, bujen, brujen, kujeren, schujeren enz. Ook handelt men
bij deze schrijfwijze, evenzeer als bij die met i-j, in strijd met
de afleiding, en brengt in een aantal woorden eene j, die er nooit
in bestaan heeft: b.v. in dojer of dooijer (doder), kojen of kooijen
(caveae), ojevaar of ooijevaar (oodevaar), rojen of rooijen (roden),
leijen (lage), reijen (rege), schuijeren (schuiren, schuren). In
sommige werkwoorden, als draaijen, naaijen, zaaijen, strooijen,
tooijen, behoort de j werkelijk tot den grondvorm. Deze zouden de
spelling drajen, najen, zajen, stroojen, toojen eischen; maar dan
ook draaj, hij draajt, draajde, waartoe men wel niet licht besluiten
zou, te minder wanneer men bedenkt, dat de j in andere werkwoorden,
b.v. in maaijen, breijen, tegen de afleiding zou aandruischen. Doch,
is er geene regelmatige spelling met de enkele j zoomin als met de i j
mogelijk, dan blijft alleen die met de enkele i overig, hetzij men die
door i of door y voorstelt. De j is eigenlijk ook geheel overtollig;
in eene beschaafde uitspraak wordt zij niet sterker gehoord dan de
overgang van de i tot den volgenden klinker vanzelf medebrengt, niet
sterker dan de flauwe j in zeeën, weeën, gedweeër, drieën, knieën,
en in uitdrukkingen als: in boei en band, Mooi Antje enz. De j is,
gelijk hare flauwe uitspraak en haar volstrekt afwezig zijn aan het
einde eener lettergreep duidelijk genoeg bewijst, niets meer dan
een onvermijdelijke overgang van den eenen klinker tot den anderen,
en daarom in het schrijven evenzeer te verwerpen als de b in hembd en
de p in kompt; behoudt men haar, dan moeten ook deze b en p weder in
aanmerking komen. Men zal gevoelen, dat de Redactie geene spelling
kan behouden, die tegen alle regelmaat en in vele gevallen tegen de
afleiding aandruischt, en die met de uitspraak slechts bezwaarlijk
is overeen te brengen. Zij geeft daarom de voorkeur aan de eenige
regelmatige schrijfwijze met de enkele i, en zulks te eer, omdat
de spelling baaien, breien, boeien, buien enz. sedert lang bij vele
onzer beste schrijvers in gebruik was. Ofschoon wellicht geen hunner
van den waren staat van zaken een klaar bewustzijn had, en sommigen
dientengevolge bij de vormen op -ig en -ing niet eenparig handelden,
hun verzet tegen de aangenomen spelling toonde, dat zij de ongepastheid
der j in die woorden duidelijk gevoelden [5]. De schrijfwijze baaien
enz, heeft niets tegen zich, dan dat men zich verplicht kan achten
een trema op den klinker te zetten, die op i volgt, ten einde de
verbinding van deze met de volgende letter te voorkomen, iets dat zeker
vrij lastig en voor het oog weinig behaaglijk is. Om dit bezwaar bij
de eenige regelmatige, consequente en kennelijk door de taal zelve
gevorderde spelling te ontgaan, was de Redactie eerst voornemens de
gewone i door de y, als zijnde ook eene i, te vervangen, en hooyen,
samenvloeying, opruying enz. te schrijven, waardoor de scheiding
der lettergrepen eenigszins duidelijker zou aangewezen worden. Dat
plan heeft echter zooveel tegenstand gevonden, dat zij niet raadzaam
acht er bij te blijven en eene spelling aan te nemen, die algemeen
mishaagt, omdat de eigenlijke waarde van het letterteeken y aan de
meesten vreemd is geworden. Zij zelve had die slechts voorgeslagen om
het scheiteeken te vermijden. Zij ziet er te eer van af, omdat zij in
de toepassing practische moeilijkheden van typographischen aard heeft
ontmoet, die zij niet had voorzien. Zij aarzelt dus niet langer de
reeds bij velen gebruikelijke spelling met de gewone i aan te nemen,
en schrijft derhalve de woorden, waarin een der tweeklanken op i,
te weten aai, ei, ooi, ui en oei, voorkomt, steeds met de gewone i,
zonder inlassching eener j, wanneer zij verlengd worden; derhalve:
aaien, baaien, beien, breien, hooien, kooien, buien, kruien, boeien,
knoeien, maaier, draaier, eieren, Beiersch, dooier, mooier, kruier,
opruier, boeier, knoeier, baaierd, ooievaar, opruiing, samenvloeiing
enz., evenals bijen, rijen, vrijer enz.

In vreemde woorden, als bajonèt, sajèt, waar de klemtoon niet op de
a valt, meent zij geenen tweeklank te moeten erkennen, te minder
omdat de spelling baaionet, saaiet niet alleen er vreemd uitzien,
maar ook tot eene verkeerde uitspraak aanleiding geven zou.



93. Er bestaat verschil van gevoelen omtrent de uitspraak en spelling
van een paar woorden op -lei en -hande. Sommigen schrijven tweederlei,
tweederhande, driederlei, driederhande, anderen tweeërlei, tweeërhande,
drieërlei, drieërhande. Welke schrijfwijze is te verkiezen, die met
of die zonder d? Daar de uitspraak hier evenzeer als de spelling
weifelend is, hangt de beslissing af van de vraag, welke spelling
door den aard en de samenstelling dier woorden gevorderd wordt.

De woorden op -lei en -hande, ofschoon thans als afleidingen te
beschouwen, zijn eigenlijke samenstellingen of koppelingen van een
bepalend woord, als één, twee, al, veel enz. met de zelfst. naamw. lei
(ofr. ley) en hand, die beide vrouwelijk zijn, en hier soort of
gesteldheid beteekenen. Eenerlei, eenerhande, allerlei, allerhande
staat gelijk met van ééne soort of gesteldheid, van alle soorten of
gesteldheden. Voorheen bezigde men ook goederhande voor van eene goede
soort; en zoo ook goedertiere, quadertiere, allertiere, velertiere,
menigertiere of -tieren, waarvan wij ons hedendaagsche goedertieren,
met de bekende bepaalde beteekenis, hebben overgehouden. Bij de woorden
op -lei en -hande heeft men dus afwisselend met een enkelvoud of met
een meervoud te doen, naar gelang van het getal, dat het bepalende
woord medebrengt, waarop echter, gelijk bij andere samenstellingen,
die in afleidingen zijn overgegaan (vergelijk die op -halve en -wege),
geen acht meer geslagen wordt. Men zegt in het meervoud evenzeer
allerlei, voor aller leien, als in het enkelvoud eenerlei; daarentegen
eenerhande, met hand in den ouden meervoudsvorm op e, evengoed als
velerhande. Intusschen treft men altijd een vrouwelijken 2den naamval
aan, waaruit volgt, dat de bepalende woorden steeds op -er moeten
eindigen. Regelmatig zijn dus, wat het eerste lid betreft: eener-,
geener-, eeniger-, meniger-, veler-, aller-, achter-, twintiger-,
honderder-, duizenderlei en -hande enz.; doch onregelmatig vierder-,
vijfder-, zesder-, zevender-, negender-, tienderlei en -hande enz.,
omdat men daarbij aan het bepalende woord den vorm van een ranggetal
geeft. Dat zulks ten onrechte geschiedt, volgt reeds uit de beteekenis
dier woorden, en blijkt bovendien uit eenerlei, driederlei, achterlei,
twintigerlei, honderderlei, niet eersterlei, derderlei, achtsterlei,
twintigsterlei, honderdsterlei enz. De ingeschoven d is trouwens ook
niets anders dan eene vergroving der uitspraak van eene toonlooze
lettergreep achter vloeiende letters, gelijk r en n zijn. Bij
vierderlei, zevenderlei, negenderlei, tienderlei enz. heeft hetzelfde
plaats als bij zwaarder, duurder, hoorder, scheerder, diender, boender,
spaanders enz., en bij vilder, helder, kelder, zolder enz. van villen,
hel, cellarium, solarium. Zoo zei men voorheen, en zegt men nog wel,
ook eenderlei, alderhande, waarin aan de d wel geene beteekenis kan
gehecht worden. Ofschoon men nu, door verkeerde gevolgtrekking, geheel
ten onrechte de d ook achter andere letters dan vloeiende, namelijk
in vijfderlei, elfderlei, twaalfderlei en zesderlei heeft ingevoerd,
hebben evenwel eenerlei, achterlei, twintigerlei, honderderlei,
duizenderlei enz. den grammaticaal onberispelijken vorm behouden. Aan
een practisch gemakkelijken regel: de achtervoegsels -lei en -hande
treden achter ranggetallen, valt dus niet te denken, zelfs niet
bij driederlei. De Redactie meent daarom in de beide twijfelachtige
gevallen aan de meer beschaafde uitspraak zonder de d, waarbij de
ware natuur der woorden meer uitkomt, de voorkeur te moeten geven. Zij
schrijft derhalve: tweeërlei, tweeërhande, drieërlei, drieërhande.



94. Vervolgens doet zich de vraag voor omtrent de spelling van den
geadspireerden keelklank vóór de t. Waar moet men cht spellen? waar
gt? Den regel, dienaangaande in 1804 gesteld, dat de woorden,
afgeleid van stammen, waarin blijkbaar eene g voorkomt, b.v. in klagt
van klagen, met g, de overige met ch behooren geschreven te worden,
meenen wij niet te mogen behouden. Vooreerst toch is de afleiding van
sommige woorden, welke in die categorie vallen, geheel onbekend of ten
minste onzeker. Ten andere is de g in sommige stamwoorden slechts eene
aan het Nederlandsch, evenals aan het Deensch, in het bijzonder eigene
verzachting van de oorspronkelijke ch, b.v. in vliegen, wij zagen, wij
tegen, aangetogen en andere, zoodat door vlugt, gezigt, togt enz. toch
niet de ware vorm dier woorden voorgesteld wordt. De genoemde regel
is ook moeilijk in de toepassing en is tot nu toe zeer willekeurig
en onregelmatig toegepast. Zoo berust b.v. de spelling regt, regter,
rigten, berigten, op eene verkeerde afleiding; geslacht (van slag,
soort), tucht, tuchtigen (van tiën, toog enz.), (be)tichten, van
(aan) tijgen, zouden evenzeer eene g vorderen als slagter, geslagt,
togt enz. Eindelijk, de regel is, gelijk blijken zal, kennelijk in
strijd met ons taaleigen.

Het is om genoemde bedenkingen, dat wij ons den volgenden regel
stellen:

De geadspireerde keelletter, die zich vóór eene steeds in het woord
blijvende en steeds onmiddellijk volgende t bevindt, welke tot dezelfde
lettergreep behoort, wordt, zonder op de afleiding te letten, door ch
voorgesteld. Doch wanneer het woord eene g heeft, die, afwisselend,
nu al dan niet onmiddellijk door de t wordt gevolgd, of wanneer deze
tot de volgende lettergreep behoort, dan blijft de g onveranderd.

Hoe willekeurig deze regel met zijne uitzonderingen bij den eersten
aanblik ook schijnen moge, bij eene nadere beschouwing blijkt, dat
hij door ons taaleigen gebiedend wordt gevorderd. Wanneer een vaste
medeklinker (eene zoogenaamde muta) reeds van oudsher onmiddellijk,
d.i. zonder tusschenstaanden klinker, door eene t gevolgd werd, dan
zijn beide medeklinkers zoo innig samengesmolten, dat zij eene soort
van eenheid uitmaken, die met eenen verdubbelden, d.i. versterkten,
medeklinker gelijkstaat. De samensmelting blijkt duidelijk uit de
verscherping van den eersten medeklinker, die vervolgens meestal in
ch overging; en uit de verkorting of verscherping van den voorgaanden
helderen klinker, welk laatste verschijnsel ook bij eene verdubbeling,
b.v. in stòtteren van stóóten, in verhèffen naast verhéven, plaats
vindt. Zoo ontstonden gràft en gràcht van gráven; schàft en schàcht
van scháven; echt van ehe; gìft (mnl. ook gìcht) van géven; plìcht van
plégen; kòcht en bruilòft van kóópen en lóópen; gewrocht van worken;
gezòcht, gerùcht en kluft van zóéken, róépen en klieven; vernuft voor
vernumbt van vernemen, vernomen. Doch men zegt en schrijft: hij graaft,
schaaft, geeft, pleegt, koopt, loopt, zoekt, roept, verneemt, niet
hij gracht, schacht, gift of gicht, enz., omdat deze zelfde woorden de
vormen graven, ik graaf, schaven, ik schaaf enz., zonder t, nevens zich
hebben. Het beurtelings af- en aanwezig zijn liet de samensmelting niet
toe. Evenzoo zeggen en schrijven wij laagte, leegte, hoogte, drukte,
goedkoopte, diepte, niet lachte, lechte, hochte, druchte, goedkochte,
dichte, alleen omdat de t, tot de volgende lettergreep behoorende,
zich niet zoo nauw aan den voorgaanden medeklinker kon aansluiten,
dat hij met dezen samensmolt. Immers, waar de volgende e ontbreekt,
daar openbaart zich de ineensmelting weder, zooals blijkt uit de
vergelijking van luwte met lucht, ziekte met (water)zucht. Ook in de
woorden, waarin oudtijds tusschen de beide medeklinkers een klinker
werd aangetroffen, die eerst in betrekkelijk laten tijd is uitgevallen,
is de ineensmelting door dien klinker verhinderd geworden, zoodat
de voorgaande medeklinker niet veranderd, en een voorgaande heldere
klinker niet verscherpt is. Dit blijkt uit abt (mnl. abbet), dat niet
in aft of acht is overgegaan; uit ambt (ambacht), niet aft, gelijk
vernuft zou doen verwachten; uit kreeft en ooft (bij Kiliaan krevet
en ovet), niet krecht en ocht; uit markt (lat. mercatus), niet marcht.

Het is uit dien hoofde geheel overeenkomstig ons taaleigen, dat wij
ons ten regel stellen:

De g blijft in de regelmatige vervoeging der werkwoorden, wier stam
op eene g eindigt, en in de zelfst. naamw., door achtervoeging van
-te gevormd van bijvoegl. naamw. op g uitgaande.

Wij schrijven derhalve: dracht, jacht, klacht, macht, slachten
(dooden), geslacht (en gemaal), plecht, plechtig, licht (niet zwaar),
plicht, gewicht, gezicht, gedrocht, tocht, lucht, tucht, vlucht, zucht
(diepe ademhaling) evenzeer met ch, als nacht, geslacht (familie),
slachten (gelijken), echt, recht, licht(straal), lucht, vrucht
enz. Daarentegen: hij draagt, jaagt, vraagt, legt, zegt, pleegt,
weegt, droogt, zoogt, enz., en graagte, laagte, leegte, droogte,
hoogte, menigte enz.

De verkorte eigennaam Aagt behoort ook de g te behouden, dewijl er
een klinker is uitgestooten, die zich nog heden ten dage in den vollen
vorm Agatha vertoont. Dat het woord met den helderen klinker en niet
als Acht wordt uitgesproken, bewijst, dat er geene samensmelting der
medeklinkers in plaats heeft.

De onregelmatige onvolm. verled. tijden en deelw. bracht, gebracht,
mocht, van brengen en mogen, verkeeren in het geval, dat de ch
eischt. In die vormen heeft de tijdsuitgang -de (-te) de e verloren,
ten gevolge waarvan de overblijvende t zich aan den voorgaanden
medeklinker heeft aangesloten. Bracht en mocht staan voor brachte en
mochte, en deze vormen voor bragde (of brengde) en moogde, gelijk de
analogie van zengde, leegde en zoogde zou medebrengen. De overgang der
regelmatig vereischte d in t bewijst voldingend de samensmelting en
dus ook de verscherping der voorgaande medeklinkers. Wij schrijven uit
dien hoofde: hij bracht, mocht, gebracht, nevens hij en gij brengt,
gij moogt. Evenzoo hij placht, oudtijds plach (plag), waarin de
bijgevoegde t met de sluitletter g evenzeer is samengesmolten als in
gedrocht voor gedrog.

Wij aarzelen te minder tot de genoemde verandering over te gaan,
omdat de voorgenomen spelling beter dan die met g aan de uitspraak
beantwoordt en reeds door vele onzer beste schrijvers gevolgd wordt,
terwijl de regel gemakkelijk toe te passen is en aan veel willekeurigs
en onregelmatigs een einde maakt, en het wijzen op de afleiding bij
de meeste woorden dezer categorie volstrekt geen nut heeft. Immers
de beteekenis van plecht, plechtig, gedrocht, tucht, tuchtigen wordt
niet opgehelderd door het verwijzen op plegen, (be)driegen en toog
(van tiën); men verstaat het woord macht niet beter, als men weet, dat
het van mogen komt, sedert dit de beteekenis van kunnen verloren heeft;
en de kracht van het woord plicht wordt vooral niet beter gevoeld als
men verneemt, dat plegen het grondwoord is, nu dit meest van moord
en roof gebezigd wordt.--Bij de meeste andere woorden is de g niet
toereikend om den lezer aan het grondwoord te herinneren. Bij dragt,
(de) jagt, klagt met g zal men misschien iets eerder aan dragen,
jagen en klagen denken, dan wanneer men dracht enz. schrijft; doch
geen onkundige zal vermoeden, dat (het) jacht, slachten en slachter,
aangezicht, vluchten en zuchten samenhangen met jagen, slaan (sloeg),
zien (zag), vliegen en zuigen, al spelt men die woorden ook met g;
evenmin als hij bij boeten en schuit aan baten en schieten denkt. Waar
zulk een groot verschil in klank bestaat, en de beteekenissen slechts
eenigszins uiteenloopen, wordt geene verwantschap meer gevoeld. De
toepassing van den Regel der Gelijkvormigheid brengt hier derhalve
geen nut aan; vergel. ook § 50.



95. Lang heeft de Redactie in bedenking gestaan bij de vraag: moet de
ch na kort afgebroken klinkers al of niet verdubbeld worden? en, zoo
ja, hoe dan?--moet men kachel, kagchel of kachchel enz. schrijven? De
thans meest gebruikelijke spelling kagchel, rigchel, bogchel enz. is
onregelmatig en kan reeds daarom niet in alle opzichten worden
verdedigd. Bovendien doet de verbinding van twee verschillende,
doch verwante letterteekens, als g en ch, aan eene samenstelling
denken, terwijl de meeste der hier bedoelde woorden, alleen lichaam
uitgezonderd, slechts afleidingen zijn, waarin eene enkelvoudige
g of k door den invloed der volgende l tot ch verscherpt is;
b.v. bochel van buigen, boog; tichel van tegel; kachel van kakel,
bij Kiliaan kaeckel. Lichaam, uit lijk en haam, door de spelling als
een samengesteld woord te kenmerken, en b.v. lich-haam te schrijven,
zou echter geheel nutteloos wezen, omdat in lich het woord lijk
toch niet zou herkend worden, terwijl dit bovendien, evenals haam,
in deze samenstelling met eene beteekenis voorkomt, die thans bij de
meerderheid der sprekenden en schrijvenden onbekend is.

Wanneer de Redactie daarbij in aanmerking neemt, dat de verdubbeling
door middel eener g bij de netste schrijvers steeds grooten weerzin
heeft gevonden, en dat de spelling met eene enkele ch misschien leiden
kan tot eene verfijning van den zoo harden keelklank, die door gch
wordt vertegenwoordigd (vergel. § 61 en 62), dan meent zij aan die
schrijfwijze de voorkeur te moeten geven en dus lichaam, kachel,
richel te moeten spellen, ofschoon zij gaarne erkent, dat ook deze
niet onberispelijk is. De regelmatigheid zou ongetwijfeld lichchaam,
kachchel enz. vorderen; doch deze spelling ware thans eene ongehoorde
nieuwigheid, die zeker niemands goedkeuring zou wegdragen. Er schoot
dus niets anders over dan van de twee gebruikelijke schrijfwijzen de
minst gebrekkige te kiezen, die dan ook het langst en algemeenst in
gebruik is geweest [6].

Voor de spelling met de enkele ch pleit, behalve de welluidendheid,
ook nog de analogie met de meeste eigennamen, als Jochem, Kochem,
Lochem, Mechelen, Vechel, Zwichem; die met echel, en vooral die
met echo, welke woorden nooit met gch geschreven worden. Alleen
de uitspraak van de bij ons gebruikelijke namen Rachel en Michiel
past er niet in. Het onderwijs zou dus inderdaad bij de spelling met
de enkele ch aan gemak winnen. In de plaats van den thans geldigen
regel: De ch wordt na onvolkomene klinkers door de voorvoeging eener g
verdubbeld, waarbij de bovengenoemde woorden en andere dergelijke als
uitzonderingen moeten opgegeven worden, heeft men slechts te leeren:
Alle enkelvoudige klinkers hebben vóór de ch den onvolkomen klank,
mee uitzondering van de eigennamen Rachel en Michiel. Vergel. het
opstel: De Spelling en het Lager Onderwijs, van den Heer J. A. van
Dijk, in den Taalgids, VI, blz. 73 vlgg.



96. Van een geheel anderen aard dan de verdubbeling der ch door middel
van de g is die der s in wasschen, flesschen, visschen, mosschen of
musschen, tusschen enz., die door sommigen daarmede op ééne lijn wordt
gesteld. Niet de letter, die verdubbeld wordt, niet de s, maar de ch,
die stom is, zou een punt van geschil kunnen uitmaken. Deze toch doet
thans niets meer aan de uitspraak af, maar is alleen een graphisch
overblijfsel uit den tijd, waarin zij, uit k ontstaan, werkelijk
gehoord werd. Toen men eerst visk, mosk, en later inderdaad visch,
mosch, d.i. met ch, uitsprak, bleef de eerste lettergreep ook in de
meervouden vis-ken, vis-chen, mus-ken, mus-chen gesloten, en werd de
tweede s natuurlijk niet gevorderd; thans echter, nu er alleen eene
s is overgebleven, is hare verdubbeling in vis-sen, mus-sen evenzeer
noodig en regelmatig als in mos-sel, vroeger mos-chel. De dubbele
s levert dan ook niet het minste bezwaar op, kan nooit medewerken
om de uitspraak te bederven. Dit is integendeel wel te vreezen van
de spelling vis-chen, mus-chen enz., die alleen strekken kan om de
thans ondraaglijk pedante uitspraak, welke de ch in de genoemde en
dergelijke woorden laat hooren, meer in zwang te brengen. Men is
buitendien te zeer gewoon de geheele sch bij de tweede lettergreep
te voegen, gelijk blijkt uit Pa-schen, zij he-schen, kre-schen,
gehe-schen, gekre-schen, welke woorden men toch wel niet gaarne
noodeloos met dubbelen klinker, Paas-chen, hees-chen, krees-chen,
gehees-chen en gekrees-chen, zou geschreven zien. Wij kennen derhalve
geene enkele reden om de ééne s weg te laten, maar redenen te over
om haar te behouden, namelijk het gevestigde gebruik en de voorkoming
eener wanluidende uitspraak. Wij blijven derhalve wasschen, lesschen,
wisschen, tusschen enz. schrijven met de dubbele s.



97. Bilderdijk's spelling nogthands steunde op eene verkeerde
afleiding: nochtans is samengesteld uit nog en dan (mnl. nochtan of
nodan) met de adverbiale s, en heeft dus niets met thans of thands
(te hande) te maken. Aan de invoering eener h en d in dit woord valt
derhalve niet te denken. Doch men zou in twijfel kunnen staan bij de
keuze tusschen nochtans en nogtans. Ofschoon de Redactie het raadzaam
oordeelt, de gebruikelijke onderscheiding van nog (daarenboven, tot
nu toe) en noch (ook niet), hoewel niet op de afleiding gegrond,
om den wille der duidelijkheid te behouden, meent zij echter in
nochtans de voorkeur aan de ch te moeten geven, vermits wel deze
scherpe keelletter, maar niet de zachte g, den overgang der d van
dan in de t van tans heeft kunnen veroorzaken, en het woord voor ons
gevoel eene eenheid geworden is, waarbij aan de samenstellende deelen
niet meer gedacht wordt, zoodat hier alleen de Regel der Uitspraak
behoort gevolgd te worden.



98. Het algemeen gebruik wil, op grond der uitspraak, sedert
lang koninklijk, aanvankelijk, afhankelijk, jonkheer, jonkvrouw,
sprinkhaan. Dezelfde reden geldt voor de spelling koninkrijk, jonkheid,
koninkje, woninkje, kettinkje en lankmoedig. Daarenboven zou de
schrijfwijze koningrijk, koningje, jongheid enz. bij voortduring
aanleiding geven tot eene uitspraak, die met ons taaleigen in strijd
is. De Redactie aarzelt daarom niet hier den Regel der Welluidendheid
te laten gelden en in de genoemde woorden de g door de k te vervangen.



99. Het gebruik der tongletters d en t, wanneer zij door eene s worden
gevolgd, heeft eenige overeenkomst met dat der g en ch vóór eene t,
waarover in § 94 is gehandeld. De gevallen staan echter niet geheel
gelijk. De taal eerbiedigt bij de s, nu althans, de grondvormen op d en
t meer dan voorheen die op ch en g, en zij handelt hier lang niet zoo
regelmatig als bij cht en gt. Oudtijds smolt de scherpe keelletter ch
geheel weg in de volgende s, b.v. in as, das, vlas, was, mest, zes,
wisselen, os, vos, uit achs, dachs enz.; de zachte keelletter g,
die als de Fransche gu werd uitgesproken, werd tot k verscherpt in
heks van hag, reeks van reghe, fluks van vlug; een heldere klinker
onderging soms ook verkorting, b.v. in dissel, hd. deichsel.

Die regelmatigheid treft men niet aan bij de tongletters, die vóór de s
staan. Ook deze smolten soms, b.v. in thans, volgens, bijkans enz. voor
thands, volgends, bijkants, in de s weg; doch geenszins altijd,
b.v. niet in bits, spits enz. Vandaar niet zelden tweeërlei vormen, de
eene met, de andere zonder de tongletter, nevens elkander, b.v. spiets
en spies van mnl. spiet; klits en klis van klit; lits en lis, ook luts
en lus uitgesproken, van lat. licium; en in de volksspraak klussen,
mussen enz. naast klutsen en mutsen in de schrijftaal. Evenmin werd
de klinker altijd verkort: maetselen werd wel is waar metselen, maar
naast ketsen hield kaatsen stand; koorts en rots bleven, naast het
vroegere kortse en rootse, de eenige gebruikelijke vormen; plaats,
schaats, taats, koets, toets, zijn nooit tot plats, kots enz. verkort
geworden, ofschoon er geen klinker is uitgevallen, die, gelijk bij
de t, de samensmelting verhinderde. Ook de spelling was evenzeer
ongelijk en onzeker, en niet zelden vindt men ds, waar de afleiding
ts zou hebben doen verwachten, b.v. in guds, ridsen, ridsig.

Uit het een en ander blijkt, dat de woorden op ds en ts niet volkomen
parallel loopen met die op gt en cht; en dat de regel eenigszins
anders zal moeten luiden dan die in § 94. Daar de Regel der Uitspraak
hier niets beslist, moet die der Gelijkvormigheid gelden, en, waar
de afleiding onbekend of onzeker is, die der Analogie. Van een groot
aantal woorden kan de spelling niet twijfelachtig zijn. Vooreerst
is het rationeel, dat die welke uit het Fransch ontleend zijn, ten
tijde dat ch nog als tch (tsj), en c nog als ts luidde, met ts worden
geschreven; te weten koets in de beide beteekenissen, toets, flits,
rots, toorts, fr. couche en coche, touche, flèche, roche, torche;
plaats, rantsoen, fatsoen, fr. place, rançon, façon. Daarentegen
moet de fr. g, vroeger als dg (dzj) uitgesproken, bij ons ds worden,
namelijk in loods (houten gebouw), fr. loge. De afleiding eischt
stellig eene t in guts (holle beitel, waarmede onder andere ook goten
uitgehold worden) van goot; in ritsen, ritsig, verwant met wrijten,
alsmede in gutsen, uit het oudere gussen vervormd met ingevoegde
t. Ook is het thans verkieslijk aan knots de t van knotten te geven,
nu knodde en knodden verouderd zijn. In ridselen, ofschoon misschien
van rijden, heeft de d in allen gevalle geen nut meer, nu rijden
niet langer in de beteekenis van beven gebruikt wordt. Voor de
spelling kodsen bestaat geene enkele reden; het is waarschijnlijk
een klanknabootsend woord; en Kiliaan schreef reeds kotsen, Plantijn
kotzen. Loods (persoon) en gids behooren volgens de afleiding eene
d te hebben, als zijnde gevormd van looden en fr. guide. In smidse,
van smid, kan de s in geen geval geacht worden de d verscherpt te
hebben, dewijl zij tot de volgende lettergreep behoort. Omtrent de
spelling der overige woorden, als kaats, schaats, taats, schets,
scherts, koorts enz., wier afleiding òf onbekend, òf onzeker is,
òf niet strekken kan om de beteekenis op te helderen, heeft nooit
verschil van gevoelen bestaan; er is dan ook geene reden te bedenken,
waarom zij anders zouden geschreven worden, dan tot nu toe geschied
is. Trekt men alles samen, dan krijgt men den volgenden practischen
regel, op dien der Gelijkvormigheid en der Analogie gegrond:

Wanneer de s door eene tongletter wordt voorafgegaan, dan is deze
de scherpe t; uitgezonderd in den 2den naamw. der woorden op d,
in de bijvoegl. naamw. en bijwoorden door aanhechting van sch en
s van woorden op d gevormd; en eindelijk in loods (in de beide
beteekenissen), gids en smidse.

Wij schrijven derhalve trots, schertsen, plaats, schaats, toorts
enz.; maar Gods, des bloeds, goedsmoeds, steedsch en steeds, kindsch,
gindsch en ginds van gind(er), sinds van sed(ert).



100. De woorden op -aard en -erd leveren geene moeilijkheid op;
zij vereischen zonder bedenking eene d. Het achtervoegsel -aard is
oorspronkelijk het bijvoeglijk naamwoord hard, dat oudtijds sterk
beteekende, en dezen zin nog heeft in uitdrukkingen als hard draven,
loopen, werken. In samenstellingen beteekende het sterk als datgene,
of ten aanzien van datgene, wat door het stamwoord werd uitgedrukt,
b.v. Beranhard, Burchard, Everhard, Wolfhard, sterk als een beer,
burg, ever, wolf; Ecgehard, Gêrhard, sterk met het zwaard, met de
speer; Meginhard, Reginhard, Snelhard, sterk in kracht, in raad
of list, in vlugheid; Sigihard, Wic-hard, sterk in de zege, in den
strijd. Als tweede lid in de samenstelling verloor het al spoedig
de h, evenals -helm, -hilde, -haftig, en soms -hande, b.v. Anselmus,
Willem, Machteld, deelachtig, en mnl. menigherande, voor Anshelmus,
Wilhelm, Machthilde, deelhaftig, menigerhande. Vandaar, dat men
naast eigennamen op -hard, mlat. hardus, ohd. -hart, oudtijds
vormen op -art en -aert aantreft, die thans op -ard, -erd en -ert
uitgaan. Zoo b.v. Athalhardus, Bernhardus, Burchardus, Everhardus,
Folchardus, Gêrhardus, Meginhardus, Reginhardus enz., mnl. Adelaert,
Bernaert, Burchaert, Everaert, Volcaert, Meinaert, Reinaert; thans
Allard en Aldert, Bernard, Everard en Evert, Volkert, Meindert,
Reindert. Daar de vormen op -hard, -hardus, ohd. hart, in overoude
stukken voorkomen, maar die op -ard, -aert en -erd alleen in latere,
zoo is het duidelijk, dat de laatste uit de vroegere ontstaan zijn,
en niet -hard uit -erd.--In het Mhd. werden met -hart ook gemeene
namen gevormd, alle met ongunstige beteekenis, als lügehart, sterk in
het liegen; naghart, knaaglustig; selphart, zelfzuchtig; slinchart,
slokop; trügenhart, sterk in het bedriegen; vrîhart, ongebondene.

Uit de Duitsche talen ging hard in de Romaansche over, en werd daar,
met de in die talen gewone verstomming der h, ital. -ardo, als in
bastardo, codardo; fr. -ard, als in bâtard, couard, gaillard, grognard,
pendard, richard, viliard; zie Diez, Gramm. der Rom. Sprachen, II,
358 vlgg. De ongunstige opvatting, die ook het Mhd. vertoont, treedt
in de Romaansche talen, waar het achtervoegsel van vreemden oorsprong
was, bepaald op den voorgrond.

Het Mnl. nam van die Fransche woorden over, b.v. bastaert, cockaert,
viliaert; en vormde nu naar die modellen zelf nieuwe, als behaghelaert,
bollaert, clappaert, dullaert, galghaert, gaepaert, grisaert (grijskop,
zie Horae Belg. VI, 98), loyaert, moyaert enz., alle woorden van
minachting of spot, en niet zelden met den klemtoon op -aert. Dat men
de h, die reeds uit de eigennamen uitgevallen was, niet weder invoegde,
is natuurlijk. Het Nnl. ging op den eenmaal ingeslagen weg voort,
en maakte een aantal andere, insgelijks met ongunstige beteekenis,
als bloodaard, dronkaard, gulzigaard, lafaard, veinsaard, wreedaard
enz.; zelfs rijkaard, van het onschuldige rijk, wordt in slechten
zin genomen; alleen grijsaard hield op een schimpnaam te zijn.

Het achtervoegsel -erd, in het Mnl. nog onbekend, en dus jonger dan
-aert of -aard, is eene verbastering van dat zelfde suffix, gelijk
blijkt uit leperd, plomperd, stinkerd, die bij Kiliaan nog leepaerd,
plompaerd, stinckaerd luiden; en uit grijzerd, dat bij latere dichters
voorkomt. Kiliaan geeft naast luyaerd ook luyerdije op, hetwelk toont,
dat de verandering van -aard in -erd aan de werking van den klemtoon
moet toegeschreven worden. De boven aangetoonde verbastering der
eigennamen, b.v. de verandering van Everaert in Evert, en die van
bastaard in basterd stelt de zaak buiten allen twijfel.

Sommigen zijn van gevoelen, dat -aard en -erd zouden ontstaan
zijn uit het achtervoegsel -er, waarachter men, ter versterking,
eerst eene t zou gevoegd hebben, zoodat -ert ontstond, hetwelk
vervolgens nog eene tweede versterking, eene verlenging tot -aart,
zou hebben ondergaan. Zij gaan uit van de onjuiste onderstelling, dat
wij werkwoorden zouden hebben of gehad hebben, als grijzen, laffen,
rijken, snooden, met de beteekenis van grijs, laf, rijk, snood zijn;
dat grijsaard, lafaard, rijkaard enz. personen aanduiden, die bestendig
grijzen, laffen, rijken enz., die »niet in het werkelijk oogenblik,
maar bij aanhoudendheid de hoedanigheden van grijs enz. hebben". Dat
gevoelen, dat zich zelf wederspreekt, en waarvoor men nooit een zweem
van bewijs heeft weten aan te voeren, is niet slechts uit de lucht
gegrepen en geheel zonder grond, maar het onderstelt ook, gelijk de
geschiedenis der taal leert, eene onmogelijkheid. Achtervoegsels,
die, gelijk -er, nooit den klemtoon hebben, ondergaan in den loop
der tijden geene versterking, maar omgekeerd verzwakking. Juist
het achtervoegsel -er levert er een sprekend en leerrijk voorbeeld
van. Dit luidde goth. -areis, b.v. in laisareis (leeraar), wullareis
(voller); het werd ohd. -arî, mhd. -ære, nhd. -er. In het Mnl. werd
het achtervoegsel geheel toonloos en ging over in -ere, -er, en -re,
wanneer het onmiddellijk volgde op de lettergreep, die den vollen
klemtoon had; maar het behield den halven toon en veelal ook de a,
en werd -are, -aer, of -ere, -eer, wanneer het door eene toonlooze
lettergreep werd voorafgegaan, zoodat het niet onder den invloed van
den klemtoon der stamlettergreep stond; b.v. in gokelare, loghenare
en loghenére, voghelare, persemére (woekeraar), enz., naast dienre,
leerre, speelre, backere, wever enz. Wij nemen hier dus eene steeds
voortgaande verzwakking waar, van -areis tot -arî, -are, -ere,
-er en -re, die men ook bij andere achtervoegsels kan opmerken;
b.v. bij -dom, onl. -duom; bij -lijk, goth. -leiks, dat thans als lik
wordt uitgesproken; en bij -aard zelf, niet alleen in de eigennamen,
maar ook in de gemeene zelfst. naamw., die naar Fransche modellen,
met het accent op -ard gevormd, ook in het Mnl. niet zelden den
klemtoon hadden, maar thans nooit meer dan den halven toon krijgen,
of, als -erd, geheel toonloos zijn. Het grenst aan ongerijmdheid,
in strijd met de lessen der geschiedenis te stellen, dat de stroom
tot voorbij zijnen oorsprong zou zijn teruggevloeid, en dat de taal
op eenmaal hare richting, niet wijzigende, maar geheel omkeerende,
van -er niet alleen -ert, maar zelfs -aart zou hebben gevormd.

Het Nnl. heeft, wel is waar, welluidendheidshalve, dienre, leerre,
sunder, in dienaar, leeraar, zondaar veranderd; daarbij had evenwel
geene versterking van -er tot -aar, geene vorming van een nieuw
achtervoegsel plaats, maar slechts eene verruiling; -aar had nooit
opgehouden te bestaan. Evenmin zou de taal van sommige verbalia op
-er, als bijter, blaffer, woorden op -erd hebben gevormd, indien -erd
niet reeds aanwezig was geweest. Meest alle woorden op -erd hebben
trouwens een ongunstigen of spotachtigen zin, die aan -er niet eigen
is; zelfs lieverd en stouterd worden doorgaans schertsend gebezigd.

Is het zeker, dat -aard en -erd uit hard ontstaan zijn, dan moeten
zij ook volgens de afleiding de d hebben, die de uitspraak er aan
toekent. Het meervoud van bastaard toch luidt niet alleen bastaards;
maar ook bastaarden, en daarnevens staat bastaardij; Kiliaan kent ook
een werkw. luyaerden en de zelfst. naamw. luyerdije, van luyaerd,
en mooyaerdije van mooyaerd. In Spanjaard, dat op eene andere wijs
gevormd is, op welke evenwel de oude afkeer van die natie invloed
kan gehad hebben, is de d gewaarborgd door het meerv. Spanjaarden,
naast Spanjaards. Maar zelfs indien men wilde aannemen, dat -aard
en -erd niets anders zijn dan -er, door eene tongletter versterkt,
ook dan nog zou de keus op de d moeten vallen; de taal zelve leert
door zwaarder, eerder, hoorder, duurder, gezagvoerder, dat zij,
waar de r versterking behoeft, de d en niet de t wil gebezigd hebben.



101. Even weinig zwarigheid baart de keus tusschen de d of t in het
zelfst. naamw. aard of aart. De afleidsels aardig, aarden en ontaarden
pleiten voor de zachtheid der sluitletter, terwijl de afleiding
en de verwante talen de deugdelijkheid en oorspronkelijkheid dezer
zachte uitspraak buiten allen twijfel stellen. Aart en aartig zijn
germanismen, en niets meer.



102. In rit, mv. ritten, bint, mv. binten, gebint, mv. gebinten,
bewijst de uitspraak eene verscherping der sluitletter, ofschoon de
stamwoorden rijden en binden buiten twijfel eene d hebben. Ridden
strijdt met de uitspraak, bindten en gebindten met alle regelmaat. De
verscherping der d is buitendien reeds lang algemeen erkend in met en
mits, nevens mede; in vaart, mnl. vaerde, waarvan nog koopvaardij;
in zat, mnl. sad, waarvan verzadigen; in klant, fr. chaland. Daarom
ook beeltenis, verbintenis, evengoed als ontstentenis van het oude
ontstanden (ontstaan d.i. ontbreken). De gebruikelijke schrijfwijzen
beeldtenis en verbindtenis doen ten onrechte aan eene afleiding met
-te denken.

Indien met, mits en rit eene t hebben, dan bestaat er geene afdoende
reden voor medgezel en ridmeester met d, ofschoon met in het eerste
woord het bijwoord mede is.



103. De afleiding pleit voor de spelling andwoord, door Bilderdijk en
anderen aangenomen, als zijnde dit woord door samenstelling gevormd
van het oude voorzetsel and, hier als bijwoord gebruikt. Daar het
Nederlandsch zich echter tot regel heeft gesteld, onverbuigbare woorden
met scherpe medeklinkers te sluiten--op welken alleen in nog (adhuc)
ter bevordering der duidelijkheid eene uitzondering gemaakt wordt--en
de spelling met d de beteekenis van het woord niet duidelijker maakt,
noch op het etymologisch verband met eenig ander Nederlandsch woord
wijst, vinden wij geene reden hoegenaamd om in dezen van de meest
gebruikelijke spelling af te wijken. Wij achten ons hiertoe te
minder gerechtigd, dewijl wij dan, om consequent te blijven, ook de
t in met zouden moeten vervangen door de d, waarvoor niet slechts de
verwante talen, maar ook het bijw. mede, pleiten. Het argument, dat het
bijw. and de stam van het voornw. ander en het bijw. anders zou zijn,
waardoor de beteekenis van andwoord, als het andere of tweede woord,
kon schijnen opheldering te erlangen, is uit de lucht gegrepen en
wordt door de verwante talen ten stelligste weersproken.

Om dezelfde reden verdient ook de spelling Andwerpen voor Antwerpen
geene aanbeveling.



104. Men zegt en schrijft gewoonlijk admiraal, admiraliteit enz.;
sommigen willen ammiraal, op grond dat de d slechts ten gevolge van een
misverstand is ingelascht. Die misvorming is evenwel niet in den boezem
onzer taal geschied: deze had er geene aanleiding toe. Wij hebben het
woord in de middeleeuwen onder dubbelen vorm: amirael of ammirael en
admirael, van de Zuid-Europeesche volken aan de Middellandsche Zee
overgenomen. Het is het Arabische amir (emir) met een Latijnsch
achtervoegsel. Men bracht het in verband met lat. admirari,
fr. admirer; vanhier de vormen: admiralis, admirabilis, admiratus,
admirant, admiraglio enz., die alle aan bewonderen doen denken. De
d is dus werkelijk geheel te onrecht ingevoegd; maar even zeker is
het, dat wij haar thans algemeen laten hooren. De Regel der Uitspraak
eischt dus het behoud der d, terwijl de overige regels hier niet in
aanmerking komen. Admiraal is wel niet meer noch minder welluidend dan
ammiraal of amiraal, en het woord heeft in onze taal geene verwanten,
waarop de spelling kan wijzen, geene analoga, wier stem gehoord kan
worden. De Regel der Welluidendheid, die der Gelijkvormigheid en
der Analogie, zwijgen hier dus, terwijl de toepassing van dien der
Afleiding geheel doelloos zou zijn. Het woord amir en het Latijnsche
achtervoegsel -alis behooren tot talen, slechts aan geleerden bekend,
en de vrees, dat iemand ten onzent admiraal van admirari of admirer
zal afleiden, is niet gegrond. Wie geen Latijn of Fransch kent, komt
natuurlijk niet op de gedachte: en wie die talen verstaat, wordt door
het woord zelf, dat geen verstaanbaren vorm heeft, tegen die afleiding
gewaarschuwd. Luidde het admirabel, admirant of admiraat, dan kon
er grond voor die vrees bestaan; doch -aal is geen achtervoegsel
dat aan werkwoorden gehangen wordt Indien door het uitlaten der d
(amiraal) de oorspronkelijke vorm hersteld ware, dan zou de zin voor
ordelijkheid misschien die uitlating wenschelijk maken, doch amiraal
is evenmin Arabisch als admiraal. Wij zien daarom geene reden om het
thans heerschende schrijfgebruik te verlaten en geheel noodeloos den
hoogsten grondregel der spelling te verzaken.



105. Het Nederlandsch bezit voor de twee verschillende sisklanken
ook twee afzonderlijke letterteekens: de s voor den scherpen, de
z voor den zachten klank. De vroegere verwarring, toen s zoowel
zacht als scherp werd gebezigd, waarschijnlijk een uitvloeisel van
het Latijnsche spraakgebruik, heeft sinds lang opgehouden, zoodat
s thans uitsluitend scherp is. Daarmede is hare verdubbeling achter
een langen klinker of tweeklank, b.v. in aassem, braassem, deessem,
geessel, kruissen, kruissigen, IJssel, zeissen, Pruissen enz.,
eene onloochenbare onregelmatigheid geworden, die gelijkstaat met
de spelling laaffenis, raaffelen, weiffelen, oeffenen, schuiffelen,
twijffelen, voor lafenis, rafelen enz. Zij is dan ook later door
Siegenbeek zelven afgekeurd. Het behoeft dus wel geene verdere
rechtvaardiging, dat de Redactie voornemens is brasem, geesel, IJsel,
Pruisen enz. te blijven schrijven.



106. Daar de verdubbeling van eenen medeklinker in niet samengestelde
woorden alleen moet dienen om te voorkomen, dat de voorgaande
vocaal lang wordt uitgesproken, zoo is de verdubbeling vanzelve
evenzeer onnoodig na toonlooze klinkers als na heldere en na
tweeklanken. Toonlooze klinkers toch worden alleen aangetroffen in
lettergrepen zonder accent, en daarbij bestaat geen gevaar, dat men
den klinker lang zal uitrekken. De Redactie rekent daarom ééne k, t
en m voldoende in botteriken, monniken, perziken, kieviten, diemiten,
Gorkumer, Dokkumer, Bergumer. De schrijfwijze botterikken, Gorkummer,
staat gelijk met die van engellen, verbeterren, uitrekennen, zondiggen,
terwijl het niet verdubbelen der consonant voor den lezer juist een
teeken is, dat hij de lettergreep als toonloos moet beschouwen.

Het gezegde is natuurlijk niet toepasselijk op Arnhemmer, Haarlemmer
enz., waarin de tweede lettergreep, hoewel zwak van toon, niet toonloos
wordt uitgesproken, en de è, hoe kort ook, toch den scherpen e-klank
behoudt [7].



107. Onze woordenboeken willen diefegge, als ware dit woord eene
samenstelling van dief met een zeker egge. Men heeft hier intusschen
met eene afleiding te doen. -egge toch is een achtervoegsel, hetwelk
voorheen doorgaans -igge-, soms ook wel -ege luidde, en meermalen
ter vervrouwelijking van mansnamen gebezigd werd, b.v. in makerigge,
vercopege. Eene afleiding met een achtervoegsel, dat met een klinker
begint, eischt de verandering van de f in v, wanneer de lange klank
voorafgaat; vergelijk gev-er, liev-erd. Derhalve ook dievegge,
evengoed als dieverij. Dat sommigen in dit woord de f laten hooren,
kan geene reden zijn om eene verkeerde spelling te behouden, die uit
onkunde ontstaan is. Het herstel der v kan misschien strekken om aan
die onjuiste uitspraak een einde te maken. Vergelijk § 58 en 66.



108. In zamen, zamenkomst, zamenspraak enz. gebieden de afleiding en
de uitspraak de vervanging der z door de s. De z heeft daar de waarde
van tz, en wordt dus te recht scherp uitgesproken. Wanneer men echter
in aanmerking neemt, dat het grondwoord zamen luidt, terwijl ook in
gezamenlijk, inzamelen enz. de z duidelijk gehoord wordt, en dat men
in zestig en zeventig de z van zes en zeven steeds heeft behouden,
dan kan het bedenkelijk schijnen, door het schrijven van samen,
samenkomst enz. en daarnevens van gezamenlijk, verzamelen enz., de
onderlinge verwantschap dezer woorden voor het oog weg te nemen. Deze
bedenkingen deden ons eerst besluiten de gebruikelijke spelling te
behouden. Nu zich echter opnieuw stemmen ten voordeele der s hebben
doen hooren, aarzelen wij niet langer die schrijfwijze aan te nemen,
die, op voorgang van Bilderdijk, door onze beste schrijvers gevolgd
wordt, met de meest algemeene uitspraak overeenstemt, en op een goeden
etymologischen grond steunt. In de uitdrukking te zamen toch werd de
toonlooze e van te weggelaten, waardoor eerst tzamen ontstond. Dit
had de verscherping van de z tot s ten gevolge: tsamen; eindelijk
werd de t overtollig gerekend, en dit gaf samen.

Samen heeft dus de waarde van te zamen en verschilt derhalve werkelijk
in afleiding en beteekenis van het grondwoord zamen. De spelling met
s is uit dien hoofde de ware, overal waar samen de bijwoordelijke
uitdrukking te zamen vervangen moet, te weten aan het begin van
samengestelde werkwoorden en woorden, van zulke werkwoorden gevormd,
als in samenkomen, samenspreken, samenhangen, samenkomst, samenspraak,
samenhang; daarentegen natuurlijk niet, waar geen bijwoord, maar het
grondwoord zamen vereischt wordt, als in gezamenlijk, bijeenzamelen,
verzamelen, verzameling enz., en dus ook in opzamelen, niet opsamelen,
hoewel de z daar ten gevolge van de werking der p vanzelve als
s klinkt.

Evenmin zou de spelling te samen voor te zamen goed te keuren zijn,
ofschoon de gewone uitspraak ook daar de s laat hooren. Deze toch is
hier slechts het gevolg eener verkeerde toepassing der analogie. Eene
werking der voorafgaande t kan hier niet erkend worden. Zij bestaat
niet, zoolang de toonlooze e van te blijft; want men zegt te zoek, te
zuinig, te zuur, te duur, te geef; niet te soek, te suinig, te suur,
te tuur, te cheef. Te samen is derhalve niet anders te verklaren
en op te vatten, dan als te tzamen, met het dubbele voorzetsel, een
vorm die natuurlijk niet erkend mag worden. Vergel. § 66. De Redactie
stelt zich daarom den volgenden regel:

    Samen, als zijnde ontstaan uit, en gelijk aan tzamen, te zamen,
    wordt met s geschreven in composita, die er mede beginnen, als
    ook wanneer het op zich zelf staat, behalve in te zamen.

Van een geheel anderen aard is de vraag, of men feertig, fijftig,
sestig en seventig moet schrijven overeenkomstig de gebruikelijke
uitspraak, welke in die woorden eene f en s laat hooren. Die scherpe
uitspraak steunt alleen bij seventig op een goeden grond, namelijk
insgelijks op eene voorheen wettig aanwezige t (tzeventig), die in
tachtig (eigenlijk t-acht-tig) gebleven is, en in tnegentig soms
nog wordt gehoord. Doch feertig, fijftig en sestig zijn wederom
gevolgen van verkeerde toepassingen der analogie: men heeft nooit
tfeertig en tfijftig uitgesproken of geschreven, en het verouderde
tsestig had de t ten onrechte aangenomen. Deze toch is, blijkens de
verwante talen, het overblijfsel eener vroegere vermenging van het
twaalftallige stelsel van tellen met het tientallige, ten gevolge
waarvan niet alleen de eenheden boven 12, namelijk dertien, veertien
enz., anders werden (en nog worden) uitgedrukt dan de voorgaande:
een, twee ... tien, elf, twaalf, maar ook de tientallen boven 60,
(= 12 × 5), van 70 af tot 120 (= 12 × 10) toe. Zestig behoort nog
tot de eerste helft der reeks van 120, die de t niet aannam; de t
van tsestig was derhalve door misverstand ontstaan. Men vergelijke
hier de Fransche telwoorden tot en met 60 met de hoogere, waarin een
dergelijk verschil is op te merken: dix, vingt, trente, quarante,
cinquante, soixante,--soixante-dix, quatre-vingts, quatre-vingt-dix,
six-vingts (120). Doch vooral blijkt de hier bedoelde onderscheiding
duidelijk uit het Angelsaksisch: tyn (10), twentig (20), thritig
(30), feowertig (40), fiftig (50), sixtig (60),--hund-seofontig
(70), hund-eahtatig (80), hund-nigontig (90), hund-teontig (100),
hund-endlufontig (110), hund-twelftig (120). Hoogerop verandert de
uitdrukking: hund and thritig (130). Onze t van tseventig, tachtig
en tnegentig is derhalve waarschijnlijk de sluitletter van dat hund
of van een dergelijk afgevallen woord.

De Redactie mag den schijn niet aannemen, alsof zij door haar voorbeeld
het misbruik, dat in de uitspraak van veertig, vijftig en zestig is
binnengeslopen, wilde wettigen, en meent daarom ook de gebruikelijke
schrijfwijze bij zeventig te moeten behouden, te meer daar het
aanduiden der afgevallen t niet het geringste nut zou hebben. Ook
bedenke men, dat men, de uitspraak volgende, alleen dan feertig en
fijftig met f zou moeten schrijven, wanneer die woorden alleenstaan;
maar met v: een en veertig, twee en veertig, drie en vijftig, enz. Wij
gaan derhalve voort, overeenkomstig den Regel der Gelijkvormigheid,
veertig, vijftig, zestig, zeventig met de zachte v en z te schrijven,
waardoor de verwantschap dezer woorden met vier, vijf, zes en zeven
ook voor het oog aangeduid wordt. Vergelijk § 67.



109. Het Nederlandsch heeft ter bevordering der duidelijkheid in
overeenstemming met § 49 als regel aangenomen, dat in derivata
het grondwoord en in composita de samenstellende deelen denzelfden
vorm behouden, waaronder zij buiten de afleiding en samenstelling
voorkomen, al zij het ook, dat door het samentreffen van twee letters
de uitspraak van de eene of van beide gewijzigd of onduidelijk gemaakt
wordt. Zoo schrijft men staatdame, zitdag, potdeksel, oogtand,
vroegpreek, topzeil, praatvaar, raadzaal, raadzaam, hoofddeel,
misstap, ofschoon de uitspraak veeleer staaddame, ziddag, poddeksel,
oochtand, vroechpreek, topseil, praatfaar, raatsaal, raatsaam,
hoofdeel, mistap zou vorderen. Daar de verzachting, verscherping of
weglating der consonanten in de genoemde en dergelijke woorden onder
het natuurlijke en ongedwongene uitspreken vanzelf volgt, is het
onnoodig die wijzigingen in het schrift aan te duiden; verg. § 43. Er
is geene enkele geldige reden te bedenken om, gelijk Bilderdijk deed,
in de twee woorden ontvangen en ontvonken eene inbreuk op dezen regel
te maken. De spelling ontfangen en ontfonken stelt de etymologie dezer
woorden in de schaduw, en is in strijd met de analogie van ontvallen,
ontveinzen, ontvlammen, ontvlieden, ontvluchten, ontvoeren, ontvouwen,
ontvreemden, ontzakken, ontzeggen, ontzinken enz., waarin niemand
de vervanging der v en z door f en s verlangt. De Redactie aarzelt
derhalve geen oogenblik, ook in de beide genoemde woorden de v,
die door de afleiding gevorderd wordt, te behouden en ontvangen,
ontvonken te schrijven.



110. De regel, in den aanvang der vorige § genoemd, is natuurlijk
alleen van toepassing op die afleidingen en samenstellingen, die
nog als zoodanig begrepen worden. Het onveranderd behouden van den
eigenlijken vorm der woorden strekt juist ten bewijze, dat men de
woorden in hunnen oorsprong en hunne vorming doorziet. Maar wanneer
men òf de samenstellende deelen, òf althans één van beide, niet meer
verstaat, wanneer derhalve de vorming van het woord niet meer leeft in
het bewustzijn der natie, dan hebben de samentreffende letters vrij
spel, zij wijzigen elkander naar de behoeften der uitspraak, en de
spelling kan zich aan die wijzigingen niet langer onttrekken om den
echten vorm des woords voor het oog te herstellen, omdat die echte
vorm toch niet meer begrepen, en het woord niet meer als afleiding
of samenstelling, maar als ondeelbare eenheid opgevat wordt. Zoo
schrijft men ambacht voor andbacht; kerspel voor kerkspel; leidsel voor
leidzeel; lichaam voor lijkhaam; misschien voor mag schiên; momboor
voor mondboor, enz., omdat in al die woorden het ware begrip voor het
taalgevoel verduisterd is. Deze opmerking leidt tot de beantwoording
der vraag: Moet men, naar de afleiding, jufvrouw spellen, of wel,
naar de uitspraak, juffrouw, gelijk Bilderdijk schreef en thans nog
velen schrijven? Omtrent juffer, mejuffer, kan geen twijfel bestaan:
het oude vere, ver (voor vrouw), is zoo geheel verouderd, dat hier
aan geen herstel der oorspronkelijke spelling te denken valt Maar in
juffrouw, mejuffrouw, herkent men nog het subst. vrouw. Is het dus
niet raadzaam, daarin de v te behouden? Wij aarzelen niet, die vraag
ontkennend te beantwoorden. Dat de wezenlijke vorming des woords in
het bewustzijn der natie niet meer leeft, blijkt overtuigend hieruit,
dat zelfs een taalkenner als Bilderdijk het eerste deel volstrekt niet
verstond en juffrouw als eene verbastering van hofvrouw beschouwde
(Taal- en Dichtk. Versch. D. II, bl. 146). Doch de ware geschiedenis
des woords was deze. Het oude joncvrouwe, joncvrouw, als joncfrouw
uitgesproken, verliep allengs tot jonfrouw, joffrouw, juffrouw. De
f ontstond derhalve uit de v door den verscherpenden invloed der
keelletter c of k, en vervolgens werd het woord zoodanig ingekort,
dat zoowel de c of k als de n wegvielen, waardoor nu de f verdubbeld
moest worden. Zal men nu de tweede f weder terugbrengen tot de
oude v, door jufvrouw te schrijven? Maar dan hangt die eerste f
geheel in de lucht en wordt door niets gerechtvaardigd. Die f is de
verdubbeling der oorspronkelijke v, nadat zij tot f verscherpt was;
van het oogenblik af, dat zij in de eerste lettergreep gehoord werd,
moest ook de aanvangletter der tweede scherp blijven en had de v alle
reden van bestaan verloren. Jufvrouw zou aan eene samenstelling uit
juf en vrouw doen denken, geheel in strijd met de waarheid: wij zagen
reeds, hoe zelfs Bilderdijk daardoor misleid werd. Maar schrijft men
juffrouw, dan is de vorm van het woord etymologisch gerechtvaardigd:
de dubbele f stelt de samentrekking voor, die door de onderlinge
werking der oorspronkelijke v en der beide weggevallene medeklinkers
ontstond. En men blijft dan tevens getrouw aan den bovengenoemden
regel: in samengestelde woorden, voor zooverre zij nog helder begrepen
worden, zich naar de afleiding te richten; doch wanneer zij niet
meer in hunne vorming verstaan worden de uitspraak te volgen. Om
dezelfde reden hebben wij in § 97 aan nochtans boven nogtans de
voorkeur gegeven, omdat ook in dit woord de samenstelling nog dan
in het volksbewustzijn niet meer gevoeld wordt. Evenzoo is juffrouw,
in analogie met juffer, boven jufvrouw te verkiezen, en te meer omdat
het woord veelal òf van een ongehuwd persoon in tegenstelling van eene
gehuwde, van een meisje in tegenstelling van eene vrouw gebezigd wordt,
òf van eene gehuwde en zelfs bejaarde vrouw van minderen stand, zoodat
in het eerste geval het begrip van vrouw, in het tweede dat van jong,
in de samenstelling nagenoeg is uitgesleten, om gezamenlijk plaats te
maken voor eene nieuwe voorstelling, waarin de beide samenstellende
deelen zich in eene eenheid hebben opgelost, die juist door de spelling
juffrouw ook voor het oog wordt voorgesteld [8].



111. Onze taal heeft niet zelden in woorden, die oorspronkelijk met
eene v begonnen, deze letter tot f verscherpt, om daardoor hetzij eene
verfijning of verscherping, hetzij eene ongunstige opvatting, in elk
geval eene wijziging van het oorspronkelijke begrip uit te drukken;
b.v. in fladderen naast vledderen en vlederen, waarvan vledermuis;
in fleemen naast vleien; fluks van vlugs; fraai van fr. vrai; frisch
nevens versch; fijt, voorheen vijt.

Ook bij de v van vonk heeft die verscherping plaats gehad in
het afgeleide fonkelen, wanneer dit woord overdrachtelijk van
oogen, blikken enz. gebezigd wordt. De Redactie handelt derhalve
overeenkomstig ons taaleigen, wanneer zij, de algemeene uitspraak
volgende, het figuurlijke fonkelen met den scherpen medeklinker
schrijft, en het zoodoende door de spelling onderscheidt van vonkelen
in de eigenlijke opvatting (vonken schieten of om zich verspreiden),
bij welk laatste, juist omdat de beteekenis geenerlei wijziging
ondergaan heeft, geene reden bestaat om af te wijken van de spelling,
die door de afleiding gevorderd wordt.



112. De toonlooze e, die in de meeste woorden op -ling, -lijk en -loos,
vóór deze achtervoegsels wordt aangetroffen, als in vreemdeling,
bloedeloos enz., staat zelden in verband met de etymologie dier
woorden, en doet niets aan hunne beteekenis af of toe. Die e is veelal
zuiver euphonisch; zij wordt in elk geval, behalve in eene temende
uitspraak, slechts zeer flauw gehoord, bij een eenigszins driftig
of krachtig spreken zelfs geheel onderdrukt: vandaar dat dichters te
haren opzichte met de grootste vrijheid te werk gaan, haar schrijven
of weglaten, naar gelang de versmaat zulks noodzakelijk maakt, zelfs
in die woorden, waarin zij door de etymologie zou gevorderd worden;
b.v. in eindlijk, eindloos, van einde, zeedlijk van zede, enz. Daar
die e onder het uitspreken als vanzelve ontstaat, zou zij streng
genomen volgens § 43 in het geheel niet behoeven geschreven te worden;
het gevestigde gebruik echter wil nu eenmaal, dat zij in vele woorden
worde aangegeven, en verlangt voorschriften die de schrijvers kunnen
besturen. De meeste dier voorschriften echter missen uit hunnen aard
dien vasten grondslag, dien andere regels hetzij in de etymologie,
hetzij in de duidelijk waarneembare uitspraak vinden, en hebben dus,
uit een grammatisch oogpunt beschouwd, weinig of geene waarde. Zelfs
de regel der analogie kan hier niet streng worden toegepast, vermits
er gevallen zijn, waarin de bewuste e stellig nooit ontstaat en dus
ook nooit wordt geschreven, terwijl in andere gevallen het oordeel
der sprekenden en schrijvenden zeer uiteenloopt, geheel subjectief
is en zelfs eenigermate met hun persoonlijk karakter in verband staat.

De Redactie erkent derhalve gaarne, dat het hier eene zaak geldt van
zeer weinig belang, en hecht daarom slechts eene betrekkelijke waarde
aan de regels, die zij voor eigen gebruik heeft aangenomen. Zij meent
alleen te moeten doen opmerken, dat het weglaten der e achter de zachte
verwante medeklinkers b, d en g hunne verscherping tot p, t en ch of
tot k (in ng) ten gevolge zou moeten hebben. Daardoor acht zij zich
verplicht het weglaten der e in prozastijl te ontraden bij woorden
als hebbelijkheid, onhebbelijk, dadelijk, deugdelijk, goddelijk,
lijdelijk, maagdelijk, verstandelijk, schadeloos, zendeling, dagelijks,
degelijk, mogelijk, belangeloos enz., die, zonder e geschreven, tot
de uitspraak onheplijk, daatlijk, moochlijk enz. aanleiding zouden
geven. Daarentegen kan het uitlaten der e achter stammen, eindigende
op eene g, die door den invloed der volgende l verscherpt is en als ch
wordt uitgesproken, b.v. genoeglijk, gezeglijk, heuglijk, ontzaglijk,
strekken om hunne spelling met de uitspraak in overeenstemming
te brengen, en zonder sterk in het oog loopende veranderingen een
einde te maken aan den ontegenzeglijk hinderlijken strijd tusschen
de gebruikelijke spelling genoegelijk, heugelijk, ontzaggelijk en de
uitspraak genoechelijk of genoechlijk, heuchlijk, ontzaglijk.

Dit alles in aanmerking nemende, meent de Redactie voor zich het
volgende te moeten vaststellen:

De achtervoegsels -lijk en -loos, en het achtervoegsel -ing, wanneer
dit van de euphonische l wordt voorafgegaan, nemen ter verbinding
met het stamwoord eene toonlooze e vóór zich, behalve in de vier
volgende gevallen:

1) Wanneer het grondwoord op een klinker eindigt, sluiten -lijk,
-loos en -ling zich onmiddellijk aan: kwalijk, oolijk, vroolijk,
schadeloos, tweeling, drieling, zaailing, vrijling, kruiling.

Bij analogie volgt hieruit, dat moeilijk en verfoeilijk te verkiezen
zijn boven moeielijk en verfoeielijk, gelijk zij dan ook gewoonlijk
zonder e worden uitgesproken. Vrijelijk echter, waarin de e altijd
gehoord wordt, eischt buiten twijfel de inlassching van die letter
ook in de spelling.

2) Wanneer het grondwoord eindigt op eene l of r, of wel op eene n,
voorafgegaan door een langen of helderen klinker of een tweeklank,
heeft er onmiddellijke aansluiting plaats; als in doelloos,
balling, begeerlijk, bekoorlijk, waarloos, huurling, gemeenlijk,
aanzienlijk, gewoonlijk, aandoenlijk, fatsoenlijk, pijnlijk, toonloos,
groenling. Willeloos maakt geene uitzondering op dezen regel; het
is afgeleid van den ouderen vorm wille, die ook nog in willekeur en
willekeurig voorkomt.

Waar de n voorafgegaan wordt door een korten klinker, is de uitspraak
en spelling mèt of zònder e evenzeer goed te keuren. Men zegt en
schrijft beide: manlijk en mannelijk, beminlijk en beminnelijk,
zinlijk en zinnelijk, enz. Somtijds heeft echter het gebruik een
onderscheid in de beteekenis ingevoerd, als b.v. zinloos (zonder zin)
en zinneloos (krankzinnig). In die gevallen moet natuurlijk ook de
spelling onderscheiden worden.

3) De toonlooze e wordt niet ingevoegd in woorden, die eindigen
op toonlooze lettergrepen, als: adellijk, middellijk, eigenlijk,
openlijk, eeniglijk, geduriglijk, koninklijk, teugelloos, ouderloos,
regeeringloosheid enz.

4) Wanneer het grondwoord op eene g eindigt, die als ch wordt
uitgesproken, stelt de e eene uitspraak voor, met de werkelijke in
strijd, terwijl hare weglating vanzelve de verscherping der g ten
gevolge heeft; daarom schrijft de Redactie: behaaglijk, bijvoeglijk,
genoeglijk, gevoeglijk, heuglijk, klaaglijk, ontzaglijk enz.;
daarentegen dagelijks, degelijk, mogelijk enz., in welke woorden de
g hare zachte uitspraak behoudt.

Nog moet hier aangemerkt worden, dat de schrijfwijze òrdenlijk
of òrdentlijk, afkomstig uit den tijd, toen men ordene, orden (van
lat. ordo, ordinis) zeide, thans noodwendig is vervallen, nu iedereen
orde zonder n uitspreekt en schrijft. De Redactie schrijft derhalve
ordelijk, evenals eindelijk, zedelijk en redelijk, welk laatste
oorspronkelijk ook redenlijk werd geschreven, als van redene, reden
afgeleid. Ordèntelijk, met den klemtoon op de tweede lettergreep,
hoewel het insgelijks zijnen oorsprong aan de thans verouderde
uitspraak orden heeft te danken, is ten gevolge van de wijziging
zijner beteekenis een afzonderlijk woord geworden, hetwelk evenzeer
recht van bestaan heeft als zindelijk nevens zinnelijk of zinlijk.



113. Daar het gewaande achtervoegsel -ling (zie de verhandeling
over -ing in Dr. De Jager's Archief, I, 101 en v.) niets anders
is dan het suffix -ing, voorafgegaan door eene euphonische l, en
deze derhalve geene reden van bestaan heeft, wanneer het grondwoord
reeds op l eindigt, schrijven wij hemeling enz. Het is bekend, dat
deze schrijfwijze, ofschoon om eene andere reden, reeds een ijverig
voorstander vond in Bilderdijk, aan wien echter, in een oogenblik
van onbedachtzaamheid, de spelling heuvelling ontsnapte (III, blz. 10).

Adellijk, middellijk en onmiddellijk moeten de dubbele l hebben,
als zijnde gevormd met het achtervoegsel -lijk van adel en middel. De
spelling adel-ijk steunde op de verkeerde meening, dat -lijk uit l-ig
zou bestaan. De Nieuwhoogduitsche schrijfwijze adelig met eene g wordt
door ohd. adallîh, mhd. adellich, weersproken, waarom ook Grimm met
anderen adelich met ch spelde, en de meer gebruikelijke met g voor
»falsch" verklaarde. De spelling midde-lijk is gegrond op de onjuiste
onderstelling, dat het grondwoord mid of midden zou wezen. Het
tegendeel blijkt overtuigend uit de spreekwijze zonder middel,
die eertijds in gebruik was, waar wij thans onmiddellijk bezigen
(zie Janssen en Van Dale, Bijdragen, Dl. VI, blz. 180, art. 23).



114. De woorden middeldeur, middellandsch, middellijf, middellijn,
middelmaat, middelmatig, middelmuur, middelpad, middelschot,
middelsoort, middelstand, middelweg, met middel samengesteld,
zijn te lang algemeen aangenomen, dan dat er eene geldige reden zou
bestaan om, in strijd met de meest gewone uitspraak, in de overige
midden te schrijven. Zij zijn een gevolg van de vroeger geheerscht
hebbende neiging om het eerste lid van samenstellingen op -el te
laten eindigen, waaraan wij ringelduif, schorteldoek, vastelavond
e.a. te danken hebben. De Redactie schrijft daarom ook middeleeuwen,
Middelnederlandsch, middelpunt, middelrif enz. In één woord, het
is waar, wordt gewoonlijk de n uitgesproken: men zegt namelijk
middenevenredig; doch in verband met al de andere bovengenoemde
schijnt het raadzaam ook hier op gelijke wijze te handelen en dus
ook hier op grond der Analogie de l aan te nemen.



115. Siegenbeek schreef, op voorgang van Huydecoper, in 1804 de
spelling eigenlijk, openlijk enz. voor. Toen zich echter eenige stemmen
voor de schrijfwijze eigentlijk, opentlijk, met eene ingelaschte t
lieten hooren, gaf de Hoogleeraar toe en verklaarde hij zich voor
de laatste. Dit werkte intusschen weinig uit; de groote meerderheid
ging voort eigenlijk, wezenlijk enz. te schrijven, en slechts enkelen
volgden de nieuwe beslissing. De Redactie meent de eerste spelling
te moeten aannemen, omdat die t niet tot het wezen dier woorden
behoort, de afleiding niet opheldert, de duidelijkheid niet bevordert,
noch door het hedendaagsche beschaafde spreken vereischt wordt. Zij
beschouwt haar als het uitvloeisel van eene vergroving der uitspraak,
die gelijkstaat met eene b in hembd of eene p in hij kompt, en met
de d in de minder edele woorden vilder, boender, diender (nevens het
edeler dienaar). Wanneer zij die t aannam, zou zij rekenen lijnrecht
aan te druischen tegen de hedendaagsche richting der taal, die naar
beschaving en verfijning der uitspraak streeft.

Om dezelfde redenen verwerpt zij ook de t in gantsch, gelijk Bilderdijk
schreef op voorgang van de Staten-overzetters des Bijbels. Gantsch
zonder t is zoowel met de beschaafde uitspraak als met de afleiding
in overeenstemming.



116. Iemand en zijne ontkenning niemand, mnl. ieman en iemen,
bestaat uit ie en man in de thans verouderde beteekenis van mensch
in het algemeen. De aangehechte tongletter heeft hier dus in het
geheel geene beteekenis, maar dient louter ter versterking van de
sluitende n, waartoe de taal zoowel de d als de t bezigt. De natuur
der sluitletter kan derhalve evenmin bij analogie bepaald als uit
de uitspraak opgemaakt worden. Immers in mijnenthalve, ordentelijk,
erkentelijk, bekentenis komt eene ingelaschte t voor; doch arend,
oudt. aren; boender, diender, van boenen en dienen; hoenders van hoen;
zindelijk uit zinlijk; Hendrik, hd. Heinrich, hebben ter steuning der
n eene d. De regel der onverbuigbare woorden, die eene t zou gebieden,
kan hier ook niet worden toegepast; want iemand en niemand behooren
als voornaamw. tot de verbuigbare, en worden in de 2de naamvallen
iemands en niemands ook werkelijk verbogen. Men is dus tot de
verbuigbare verwezen, en deze bekomen volgens het hedendaagsche
gebruik in de onverbogen vormen tot sluitletter dien medeklinker,
die in de verbogene gehoord wordt. Blijkens Plantijn, Kiliaan, de
Staten-overzetters des Bijbels, De Decker en anderen, luidden de 3de
en 4de naamv. vroeger iemanden, niemanden, met eene d. Die vormen
zijn thans buiten gebruik; doch hadden zij niet bestaan en in het
bewustzijn van het volk gelegen, men zou, gelijk voorheen, thans nog
algemeen iemant en niemant schrijven, evenals men want, leeft, legt,
leent, hoort met t spelt, omdat die vormen geene verlenging ondergaan,
die het bewustzijn kon levendig houden, dat zij eigenlijk volgens de
afleiding en ons taaleigen eene d zouden moeten hebben.

De Redactie ziet derhalve geene reden om van het bijna algemeene
gebruik af te wijken; zij schrijft iemand, niemand met eene d, welke
evenzeer gewettigd is als die van arend, mv. arenden.

Ten mijnent, zijnent, harent, onzent, uwent, hunnent, hoewel uit
verbogen vormen ontstaan, behooren, als bijwoordelijke uitdrukkingen,
tot de onverbuigbare woorden, en worden dus consequent en volgens
het algemeene gebruik met t geschreven.



117. Volgens de afleiding zou ootmoed, ohd. ôthmuothi, oodmuati,
ags. eádhmôd, ouds. ôdhmuodi, bij Kiliaan nog oodmoed, eene d
moeten hebben, als bestaande uit ood, goth. auths, ohd. ôdi, aothi,
ags. eádh, ouds. ôdh, ôdhi (ledig, licht, gemakkelijk), dat noode heeft
opgeleverd, en verminkt ook voorkomt in oolijk, bij Kil. oodelick,
oyelick, oolijk. De vormen in de verwante talen, ook het uitvallen
der tongletter uit oolijk, bewijzen, dat zij oorspronkelijk zacht is
geweest, namelijk eene d, uit th of dh ontstaan. Intusschen zou het
herstellen der d volstrekt geen voordeel aanbrengen. Al kon daardoor
ook de verwantschap met noode en oolijk blijken, die kennis zou voor
het publiek de beteekenis van het woord niet duidelijk maken. Die
d zou veeleer eene tegengestelde uitwerking kunnen hebben en ten
onrechte doen denken aan eene samenstelling met ood in kleinood, dat
schat beteekent, en het eerste lid van ooievaar, bij Kil. odevaer,
uitmaakt, en dat blijkens goth. aud, ohd. aot, ôt, ags. eád, ouds. ôd,
geheel anders dan het vorige ood luidde.

Om de opgegeven reden achten wij het onraadzaam hier de afleiding meer
dan de uitspraak te doen gelden, en geven wij aan de gebruikelijke
spelling ootmoed met eene t de voorkeur.



118. Omtrent, dat oorspronkelijk rondom, vervolgens in den omtrek, in
de nabijheid beteekende, doch thans bijna uitsluitend overdrachtelijk
gebezigd wordt, evenals omstreeks, eigenlijk in de omstreek, behoorde
volgens de afleiding op d uit te gaan. Het bestaat uit het voorzetsel
om, dat door trend nader bepaald wordt, gelijk bij door na in bijna,
omzetting van na bij. Trent, trend is een bijv. naamw., hier als
bijwoord gebezigd, en beteekent rond, blijkens ofri., deensch en
zweedsch trind, rond. In het Deensch dient trind, gelijk round in het
Engelsch, zoowel alleenstaande als door om gevolgd (trind, trind om),
als voorzetsel met den zin van rondom. Ook in het Oudfriesch stond om
nog achteraan: trind umbe, trund om, rondom. Dat de sluitmedeklinker
oorspronkelijk eene d was, blijkt uit ags. trendel, kring, cirkel;
uit eng. to trundle, draaien, en trendle, as of tap in een molen. Doch
het weder invoeren der vergeten d, die als sluitletter tot t verscherpt
is, zou tot niets dienen, op geen enkel bekend verwant woord wijzen,
dat de beteekenis van het woord kon ophelderen. Wij vinden daarom
geene overwegende reden om de afleiding in spijt van de uitspraak te
doen gelden, en nutteloos eene uitzondering te maken op den regel,
dat onverbuigbare woorden op scherpe medeklinkers eindigen. Wij gaan
dus voort omtrent met de door het Gebruik gewettigde t te schrijven,
evenals want, dat anders, blijkens onl. wanda, insgelijks zijne d
zou moeten terugnemen.



119. Eene niet minder gewichtige quaestie, die een zeer groot aantal
woorden betreft, is de spelling der verkleinwoorden, met of zonder
n op het einde. Het weglaten der n was in de vorige eeuw nagenoeg
algemeen geworden. Bilderdijk meende, op etymologische gronden, die
den toets der critiek niet kunnen doorstaan, haar weder te moeten
aannemen. De Redactie kan hem daarin niet navolgen. Die n achter
-je is in strijd met de beschaafde uitspraak, waarin men niet van
een meisjen of huisjen, nog minder van meisjens of huisjens hoort,
en wordt voor de duidelijkheid niet gevorderd.

Dat zij uit de beschaafde uitspraak geheel verdwenen is, bewijzen
de dichters overtuigend. De e van het verkleinend achtervoegsel
vloeit in de poëzie met een volgenden klinker ineen, b.v.: »Nedrig
vogeltje, elks behagen," hetgeen noch bij de pluralia op en, noch
bij de infinitieven kan plaats hebben. Men behoudt de n alleen dan,
wanneer men de ineensmelting van het achtervoegsel en een volgenden
klinker wil verhinderen. Daar de hedendaagsche richting der taal
wil, dat men de slot-n achter de toonlooze e maar flauw late hooren,
zouden de enkelvouden huisjen, kopjen, schoteltjen enz. op zich zelve
niet zoo erg tegen de beschaafde uitspraak aandruischen, men zou de n
daarin nagenoeg kunnen onderdrukken; doch dan waren die enkelvouden
in strijd met de meervouden huisjens, kopjens, schoteltjens, die,
zóó geschreven, naar analogie van kuikens, leugens, molens, het
duidelijk uitspreken der n zouden eischen. Deze letter zou derhalve
de woorden niet verstaanbaarder, maar wel onwelluidender maken en
tot eene pedante uitspraak aanleiding geven. Vergel. § 61 en 62.

Ten opzichte van de woorden op -ken is de Redactie van een
ander gevoelen. Deze--de in België meest gebruikelijke--vorm der
verkleinwoorden is in den tegenwoordigen toestand der taal van
Noord-Nederland bijna als provincialisme en archaïsme te beschouwen,
en is, in de laatstgenoemde hoedanigheid althans, nog gepast in den
bijbel- en kanselstijl, die gaarne deftige, eenigszins verouderde
vormen bezigt. Wij willen om die reden de n achter kindeken, jongsken,
dochterken enz. behouden, te meer daar zachtkens en allengskens haar
gebiedend eischen; in minder deftigen stijl echter, waarin -ken stijf
zou klinken, zien wij geen bezwaar in boekske, jongske enz.

De uitspraak leert duidelijk genoeg, wanneer vóór het achtervoegsel
-je eene t moet ingelascht worden. Er bestaat te dien aanzien alleen
verschil van gevoelen bij de woorden op d en m. Bilderdijk en vele
zijner volgelingen voegen ook achter deze letters eene t in, en
schrijven: »handtjen, kladtjen, bloemtjen" enz.; terwijl de meeste
schrijvers aan handje, kladje, bloempje, boompje enz. de voorkeur
geven. Bij het kiezen tusschen de beiderlei schrijfwijzen moet men
in het oog houden, dat de ware vorm van het achtervoegsel -je is,
niet -tje; gelijk blijkt uit liefje, kluifje, boogje, leugje, vischje,
muschje, doekje, beekje, popje, reepje, lesje, kusje enz.

Bilderdijk's spelling handtjen rustte op eene ongegronde
onderstelling. Hij meende, dat de d aan het einde van eene lettergreep,
op Engelsche wijze, steeds denzelfden klank had als aan het begin;
het was bij hem »levendig, dat men hand altijd met een scheva
[eene toonlooze e] moet doen hooren, immers uitspreken." Spraakl.,
blz. 213. Hand was derhalve voor hem, naar luid zijner eigene woorden,
nagenoeg hetzelfde als hande, en handtjen dus als handetjen. Spreekt
men zóó uit, dan is de t even onmisbaar als in kommetje, mannetje; doch
zóó spreekt tegenwoordig wel niemand. Wie thans handtjen, hondtjen,
draadtjen enz. geschreven ziet, die leest, alsof er hantjen, hontjen,
draatjen enz. stond. Die uitspraak nu is òf goed òf niet goed. Wie in
moordjaar, landjonker de d zachter uitbrengt dan de t in straatjongen,
zal haar afkeuren; maar die hoort en maakt ook onderscheid tusschen
pondje en pontje, wandje en wantje enz., en zal dus ook de spelling
handtjen enz. en de daarop gegronde uitspraak verwerpen, als strijdig
met die uitspraak, die hij voor de ware houdt, en met de duidelijkheid,
die verschillende woorden zooveel doenlijk wil onderscheiden hebben.

Wie daarentegen in moordjaar, landjonker de d even scherp uitbrengt
als de t in straatjongen, die neemt aan, dat de d, als zij sluitletter
wordt en niet gevolgd is door eene b of d, vanzelve in t overgaat,
gelijk zulks werkelijk aan het einde van een woord geschiedt. Voor hem
is dus reeds vanzelve de t-klank aanwezig, en derhalve de inlassching
van het letterteeken t even overtollig, als het zijn zou in kanttje,
tenttje, punttje. Wie in handtje, kindtje de t noodzakelijk acht,
moet, om consequent te blijven, terugkeeren tot de sinds lang verworpen
spelling handt, kindt enz., die dan evenzeer noodzakelijk is.

In de gewone uitspraak is in de letterverbinding dt de d stom,
en klinkt hij wordt, bidt, antwoordt enz., als hij wort, bit,
antwoort. Beide letters te laten hooren is, zoo al niet ondoenlijk,
dan toch even wanluidend als het letterlijk uitspreken van gch,
waartegen men zoozeer heeft geijverd. Derhalve, hoe men handtje,
hondtje enz. ook neemt en uitspreekt, de t achter de d is òf strijdig
met de uitspraak, òf overtollig en niet gemotiveerd, en in elk geval
strijdig met de welluidendheid.

De woorden op m, voorafgegaan door een langen klank, nemen in de
gewone uitspraak eene p aan. Dit is een natuurlijk gevolg van de
wijze, waarop de m en p worden voortgebracht; beide vereischen het
sluiten der lippen. Wie boompje zegt, drukt ze bij de m op elkander,
en houdt ze slechts een oogenblik langer in dien stand om de p te
verkrijgen. Spreekt men boomtje uit, dan moet men voor de m de lippen
sluiten, voor de t ze weder openen en de tong te werk stellen. De p
ontstaat dus in bloempje als vanzelve, ten minste gemakkelijker dan de
t in bloemtje, die zelfs eenige oplettendheid vereischt. Bloempje is
uit dien hoofde natuurlijker dan bloemtje, en de p daarom te verkiezen
boven de t, tenzij men achter de m eene toonlooze e late hooren en
bloemetje of blommetje uitspreke, in welk geval de t, gelijk achter
alle klinkers, hare rechten doet gelden.

De p klinkt op zich zelve wel niet leelijker, platter of plomper dan
de t, en stellig niet in het gezelschap van de aanverwante m. Er is
dan ook geene enkele grondige reden te bedenken, waarom zij geweerd
zou moeten worden. De reden, die Bilderdijk daarvoor aanvoerde,
was uit de lucht gegrepen. Hij meende, dat men vroeger bloemptje,
boomptje enz. geschreven had, dat de p eene tusschenletter was, »alleen
uit de verbinding der m en t ontstaan", en die men »nu dwaaslijk met
wegwerping der t wilde behouden"; hij stelde bloempje gelijk met het
platte kompt en neempt. Intusschen zijn er geene voorbeelden van de
spelling boomptje, bloemptje aan te wijzen, en Bilderdijk's beweren
onderstelt ten onrechte de onmisbaarheid der t in het verkleinende
achtervoegsel. Doch dit luidt -je of -jen, niet -tje of -tjen. De
t en p worden slechts ingelascht ter versterking van de zoo zachte
en zwakke j, waartoe, indien de taal zulks gewild had, ook de derde
tenuis k had kunnen dienen, gelijk blijkt uit den Frieschen eigennaam
Froukje, hetzelfde woord als Vrouwtje, en uit de werkwoorden boerkje,
het boerenbedrijf uitoefenen; briefkje, brieven schrijven, enz. De t
heeft in de algemeen Nederlandsche deminutieven evenmin eene beteekenis
als de p achter de m en de k in de genoemde Friesche woorden; zij
heeft louter euphonische waarde, gelijk de n in honing, diens, wiens
enz. De lipletter p staat derhalve in bloempje niet ten koste van
de t, maar is, gelijk ook juist kompt, neempt en dergelijke woorden
leeren, de natuurlijke en eigenaardige versterking der lipletter m,
evenals de tongletter t [9] van de tongletters l, n en r in stoeltje,
zoontje, deurtje, en als de keelletter k van de keelletter g, die in
de verbinding ng nog flauw met den klank der Fransche en Friesche
g gehoord wordt. Ten gevolge daarvan zegt men koninkje, woninkje,
rottinkje enz., terwijl wel nooit iemand koninktje zal uitgesproken
of geschreven hebben. De p is achter de m evenmin overtollig als de t
achter een klinker of vloeiende letter, omdat de j dan te zwak wordt
geoordeeld; men zal er toch wel nimmer toe komen om raamje, boomje
enz. te zeggen, evenmin als zeeje, koeje, stoelje, maanje, deurje.

Om de aangevoerde redenen is de Redactie van oordeel, dat de
inlassching der t in verkleinwoorden, gevormd van woorden, die op d
eindigen, òf in strijd is met de uitspraak òf overtollig, en dat die
t in allen gevalle geen nut doet, maar slechts tot eene onwelluidende
uitspraak aanleiding kan geven; vervolgens dat de p de eigenaardige
versterkingsletter der m is, door physiologische taalwetten gevorderd
en in overeenstemming met de bijna algemeene uitspraak. Daarom meent
zij te moeten schrijven draadje, handje enz. zonder t, en raampje,
boompje enz. met eene p, doch natuurlijk bloemetje en blommetje met
eene t achter de toonlooze e. Het behoeft echter wel niet vermeld
te worden, dat zij geene inbreuk wil maken op ieders vrijheid om,
waar men het dienstig mocht oordeelen, in poëzie b.v., bloemtje te
schrijven, dat men nu eenmaal--te recht of te onrecht--als fijner en
kiescher aanmerkt.

120. Eene andere vraag, omtrent het al of niet bezigen eener
slot-n, betreft de woorden behalve, derhalve, weshalve, allenthalve,
mijnenthalve, zijnenthalve enz., gelijk men gewoonlijk schrijft. Ook
deze vereischen eene afzonderlijke overweging. Zij zijn geene
eigenlijke samenstellingen, maar slechts samenkoppelingen van het
substantief half, halve met een voorafgaand woord, hetwelk, zoo
het gebruik zulks gewild had, ook van halve gescheiden had kunnen
blijven. Halve beteekent zijde, kant, gelijk blijkt uit het 34ste vers
van den 67sten der Oudnederl. psalmen: »Singit Gode, thie upstîgit
ovir himel himeles te ôsterhalvon"; »Psallite Deo, qui ascendit super
coelum coeli ad orientem (ad partes orientales)". In alle verwante
talen was dit woord vrouwelijk, en werd het zoowel onder den vorm,
die aan ons halve, als onder dien, welke aan ons half beantwoordt,
sterk verbogen; waaruit volgt, dat het alleen in het meervoud eene
n kan hebben en dat een genitief en datief singul.: dezer halven,
onbestaanbare vormen zijn. Naar deze gegevens zijn de bovengenoemde
woorden te beoordeelen.

Behalve bestaat uit het genoemde substantief en de praepositie bij,
mnl. bi, hier ten gevolge der samenkoppeling tot be verzwakt. Behalve
is dus eigenlijk bij halve, en beteekent zooveel als bij zijde,
ter zijde gezet, aan een kant gesteld, d.i. niet medegerekend. Het
Ohd. hield de woorden nog gescheiden en schreef in het enkelv. pi halpo
(in parte, in secreto), en in het meerv. pi halpon (in partibus). In
het Oudnederl. luidde het woord behalvo en behalvon (Ps. LV, 10, en
verg, de Gloss. Lips.). Uit een en ander volgt, dat hier aan geene
afleiding door middel van een suffix -en, veelmin, gelijk Bilderdijk
wilde, aan een participium van een werkw. behalven of behalden te
denken is. Het voorzetsel bi, bij, regeerde oudtijds den dativus,
zoodat halve hier een derde naamval moet zijn. De quaestie, of men met
Bilderdijk en anderen behalven met eene n, of, in overeenstemming met
de beschaafde uitspraak, behalve te schrijven heeft, komt dus neder op
de vraag, of men hier met het enkel- dan wel met het meervoud van halve
te doen heeft. Daar nu één voorwerp maar aan ééne zijde kan geplaatst
worden, zoo is het meervoud behalven volstrekt ondenkbaar, wanneer er
van het uitzonderen van slechts één ding sprake is; terwijl ook eene
veelheid van uitzonderingen zeer goed geacht kan worden aan een en
denzelfden kant geschoven te zijn. De schrijfwijze behalve zonder n,
de eenige, die in alle gevallen verdedigbaar is, beantwoordt dus niet
slechts aan de uitspraak, maar ook aan de afleiding en de beteekenis
des woords, en is derhalve zonder twijfel te verkiezen.

De overige uitdrukkingen zijn van een anderen aard en komen alle
daarin overeen, dat halve absoluut gebezigd is, zoodat vóór alles
moet uitgemaakt worden, welke absolute casus hier aangetroffen
wordt. De samenkoppelingen mijnentwege, onzentwege enz., die nagenoeg
hetzelfde beteekenen als mijnenthalve, onzenthalve, kunnen hier den
weg wijzen. Zij zijn alle kennelijk samengesteld met wege, datief
van weg. Daar nu halve in derhalve en weshalve blijkbaar in dezelfde
betrekking staat, heeft men ook hier een dativus absolutus. In het
eerstgenoemde is der, evenals in dermate, derwijze, dus de derde
naamval van het aanwijz. voornw. die, congrueerende met halve:
dierhalve (van die zijde bezien). In weshalve daarentegen treft men
het relativum wat aan, in den genitief wes, die door halve geregeerd
wordt. Weshalve is dus zooveel als: beschouwd van de zooeven genoemde
zijde. Daar niets hier aanleiding geeft om aan het meervoud van halve
te denken, is het rationeel het gebruikelijke enkelvoud, dat voor
alle gevallen passend is en met de uitspraak overeenstemt, te houden
en derhalve, weshalve te blijven schrijven.

De spelling der overige woorden is meer aan twijfel onderhevig. Zeker
is het, dat allenthalve uit hoofde zijner beteekenis (van alle
kanten of van alle zijden) het meerv. van halve onderstelt, en dat
de vormen der bezittel. voornaamw. mijnen, zijnen, onzen, enz.,
bij een vrouwelijk substantief staande, slechts derde naamvallen
van het meerv. kunnen zijn. Men zou hierin eene reden kunnen zien
om in allenthalve, mijnenthalve enz. aan halve den meervoudsvorm
te geven. Wanneer men echter in aanmerking neemt, dat oudtijds,
blijkens de verwante talen, dergelijke absolute datieven zonder
merkbaar onderscheid van beteekenis door elkander in het enkel-
en meervoud gebezigd werden; dat het Mnl. reeds halven met halve
verwarde, en den meervoudsvorm gebruikte, waar men het enkelvoud
verwachten zou [10], en dat halve, misschien wel ten gevolge dier
verwarring, thans blijkbaar niet meer als een op zich zelf bestaand
woord wordt beschouwd, maar veeleer als een suffix, waarbij men aan
geen getal meer denkt; dan zal men erkennen, dat het weinig nut zou
hebben, indien men de hier bedoelde woorden door de spelling van
de drie eerstgenoemde onderscheidde. De Redactie acht dit te minder
raadzaam, omdat het begrip van een meervoud bezwaarlijk overeen te
brengen is met mijnenthalven en zijnenthalven, noch met harenthalven
en uwenthalven, wanneer deze laatste op éénen persoon zien, zoodat
de grammaticale vorm dezer uitdrukkingen door die spelling niet
gerechtvaardigd zou zijn. Zij schrijft daarom zoowel allenthalve,
mijnenthalve, hunnenthalve enz., als behalve, derhalve en weshalve,
zonder n. Vergelijk hier de laatste zinsnede van § 67.



121. Hetgeen bij behalve gezegd is, doet denken aan bezijden. Dit
woord komt zeker in zooverre met behalve overeen, dat het geene
afleiding met een achtervoegsel -en, maar eene samenkoppeling is;
immers het Ags. schreef de deelen gescheiden: be sîdan. De analogie
schijnt derhalve de spelling bezijde zonder n te vorderen. Wanneer
men echter bedenkt, dat er ten opzichte der spelling van dit woord
nooit verschil bestaan heeft, en dat hier in overeenstemming met het
Eng. besides waarschijnlijk aan het meerv. van zijde moet gedacht
worden, dan vindt de Redactie geene overwegende redenen om in dit
woord de gebruikelijke spelling, die in overeenstemming is met de
beschaafde uitspraak, te veranderen. Derhalve blijft zij bezijden
schrijven. Zie ook hier § 67 aan het slot.



122. De Redactie acht het ongeraden zoodanige letters, die in de
uitspraak geheel verdwenen zijn, alleen op grond der afleiding in het
schrift te herstellen. Daarom meent zij de d in thans en althans,
en evenzoo in de participiale vormen doorgaans, nopens, volgens,
wetens, willens enz. niet weder te mogen aannemen, om dezelfde reden,
waarom wel niemand het gewone bijkans voor den oorspronkelijken vorm
bijkants zou wenschen te verruilen. De spelling thands, doorgaands
enz. doet wel is waar de afleiding dezer woorden beter kennen, doch
deze kennis kan weinig of niets strekken ter opheldering hunner
beteekenis, en dit toch zou de eenige denkbare reden kunnen zijn
om in strijd met de Regels der Uitspraak en der Welluidendheid te
handelen. Daarenboven zou die spelling lichtelijk aanleiding kunnen
geven tot eene verharde uitspraak, die de taal blijkbaar door het
allengs weglaten der d heeft trachten te vermijden.

Dat in de woorden thans en althans de h wordt behouden, ofschoon die
mede in de uitspraak geheel stom is geworden, kan oppervlakkig schijnen
met den hier gestelden regel in strijd te zijn; doch inderdaad is het
een ander geval, omdat de h in deze woorden door het Gebruik altijd
erkend is geworden. Zie hier § 66, a.



123. Van hetzelfde gevoelen als in § 122 zijn wij ten aanzien van de
stomme ch achter de s. Deze weder in te voeren in woorden, waaruit
het gebruik haar reeds heeft verbannen, als harnas(ch), moss(ch)el,
het bijw. ras(ch) en andere, zou lijnrecht strijdig zijn met den
Regel der Uitspraak en zou ook de beteekenis niet duidelijker maken.

Evenzoo zou het niet te verdedigen wezen, indien men tegen de
uitspraak en het gebruik aan, zonder genoegzaam door de afleiding
gesteund te worden, alleen om den wille der analogie, achter
bijvoegl. naamw. eene ch voegde, wanneer die nooit met sch worden
geschreven. Voortgezet onderzoek heeft het vermoeden bevestigd, dat
de Germaansche talen, hoewel de voorbeelden niet menigvuldig zijn,
soms door de achtervoeging eener bloote s, en dus niet altijd met
-sch, ook van bekende grondwoorden adjectieven vormden. Nu wij weten,
dat woorden als bits van bijten, spits van spit enz. niet stellig
tegen het taaleigen strijden, achten wij ons niet gerechtigd, aan de
genoemde en dergelijke woorden eene ch te geven, die in de uitspraak
niet gehoord en niet stellig door de etymologie geëischt wordt. Wij
blijven derhalve schrijven bits, dwars, spits, wars enz.

Uit woorden, waar, in stelligen strijd met de afleiding, eene ch is
ingeslopen, achten wij ons verplicht die weg te laten; wij schrijven
derhalve torsen, oud-fransch torser, nevens tros, trossen, fr. trousse,
trousser. Alleen in heesch en gansch, waarin de ch tegen de afleiding
aan heeft plaats genomen, wordt zij door de regelmaat en het gebruik
gewettigd, vermits de enkele s in de overige bijvoegl. naamw.,
wanneer zij door een langen klinker of eene n wordt voorafgegaan,
in de verbuiging in z verandert, hetgeen niet geschiedt bij heesch
en gansch, die in de verbuiging de scherpe letter behouden: heesche,
gansche. Daarentegen dwaas, dwaze; boos, booze; vies, vieze; vuns,
vunze; lens, lenze.

De ch heeft in losch (lynx) en het door Bilderdijk aangenomen wasch
(cera) evenmin reden van bestaan, als achter zes, os, vos, was
(toeneming) en dergelijke. In al deze woorden toch heeft de keelklank
oudtijds niet achter, maar vóór de s plaats gevonden; zooals onder
andere blijkt uit hd. luchs, wachs, sechs, ochs, fuchs, wuchs. Wij
schrijven derhalve los en was.



124. Er bestaat verschil van gevoelen omtrent de spelling van den
overtreffenden trap der bijvoegl. naamwoorden, die op de sisklanken
s en sch eindigen; sommigen schrijven overeenkomstig de gewone
uitspraak: wijste, frischte; anderen, op grond der Grammatica: wijsste,
frischste. Ofschoon ieder zich zooveel doenlijk onthoudt van zulke
superlatieven, die soms, op het gehoor althans, dubbelzinnig zijn,
kunnen zij toch niet altijd vermeden worden, zoodat de Redactie ook
hier voor zich zelve beslissen moet. Bij een weinig nadenken blijkt de
keus niet moeilijk te zijn. Ongetwijfeld zou de Grammatica wijsste,
frischste eischen; doch er bestaan redenen genoeg, welke ons die
spelling ontraden. Zij is vooreerst in strijd met de gewone beschaafde
uitspraak, die geene poging doet om de twee s's te laten hooren, ten
andere kan zij niet consequent gevolgd worden. Niemand zal immers
in de onverbogen vormen twee s's willen brengen: het wijsst, het
frischst. Die schrijfwijze zou trouwens geheel in strijd zijn met den
geest der Nederlandsche Spelling, die nooit, op Hoogduitsche wijze, in
eene en dezelfde lettergreep eenen medeklinker verdubbelt; en, zoo men
haar al aannemen wilde, zou zij tot eene zeer onwelluidende sissende
uitspraak aanleiding geven. De s in het eene geval te bezigen en in
het andere weg te laten, strijdt niet alleen met de regelmaat, maar
ook met de analogie van andere woorden, die streng genomen dezelfde
onregelmatigheid eischen. Men acht de enkele s evenzeer toereikend in
Friesche als in Friesch, van het znw. Fries, en zoo ook in Parijsche,
Boloneesche, Chineesche, Japaneesche, Siameesche enz.; terwijl men
er nooit aan gedacht heeft haar te verdubbelen in trotsche, dat
door aanhechting van sch gevormd is van het zelfst. naamw. trots. De
spelling wijst--wijste, boos--booste, loos--looste enz. is dus eer
regelmatig dan onregelmatig te noemen; terwijl frischte, malschte
enz., waarin de sch toch ook slechts als s klinkt, door de analogie
voldoende gewettigd is. Wij geven derhalve, overeenkomstig de eischen
der Uitspraak, der Analogie en der Welluidendheid, aan de schrijfwijze
booste, looste, wijste, frischte, malschte enz. de voorkeur.



125. De schrijfwijze allezins, anderzins, eenigzins en veelzins
beantwoordt niet aan de uitspraak, die de spelling allesins, andersins,
eenigsins en veelsins zou vorderen. De genoemde bijwoorden bestaan
uit alles, anders, eenigs, veels, de sterke genitieven van al, ander,
eenig, veel, en denzelfden naamval van zin, in de beteekenis van
kant, richting, opvatting. Zij komen dus, wat hun vorm betreft,
overeen met alles jaars, dat o.a. bij Hooft voorkomt, en met de
bijwoordelijke uitdrukkingen eensdeels, mijns inziens, goedsmoeds,
blootshoofds enz. De z heeft derhalve hare verscherping in de uitspraak
te danken aan de s, die men weglaat op voorgang van Siegenbeek, welke
haar evenwel in geenszins wilde behouden hebben. De afleiding en de
analogie echter, evenzeer als de uitspraak, eischen haar te herstellen,
of ten minste de z van zin in s te veranderen: allesins, eenigsins. De
Redactie meent den eisch, die door de drie grondregels der Spelling
gelijkelijk gedaan wordt, te moeten involgen door, in overeenstemming
met geenszins, ook alleszins enz. te schrijven. Daardoor wordt tevens
aan de uitspraak voldaan. Immers het samentreffen van de s en z
maakt het volstrekt niet noodzakelijk, dat men ieder dezer letters
afzonderlijk uitspreekt: alles-zins, eenigs-zins. Niemand toch zegt
geens-zins, evenmin als dans-zaal, kruis-straf, mis-stap enz.; welke
woorden, natuurlijk en ongedwongen uitgesproken, als geensins,
dansaal, kruistraf, mistap enz. luiden. De spelling allesins,
andersins, eenigsins, geensins en veelsins zou, in strijd met § 49,
geheel noodeloos de etymologie dezer woorden onkenbaar maken, in welke
zin eene beteekenis heeft, waarin het ook buiten deze samenstellingen
dikwijls voorkomt en die overeenstemt met het Fransche sens in en tout
sens, de tous les sens. Derhalve alleszins, anderszins, eenigszins,
veelszins, evenals geenszins.



126. De spelling verw, verwen, verwpot, verwwinkel enz., hoewel in
overeenstemming met de Middelnederlandsche vormen varuw en vaerwe,
wordt door de hedendaagsche uitspraak veroordeeld, welke in de
bedoelde woorden, evenals in gerfkamer (van het verouderde gaerwen),
de w door de v (f) vervangt. Daar de gebruikelijke spelling door het
wijzen op den ouderen vorm de beteekenis niet duidelijker maakt,
acht de Redactie zich niet gerechtigd hier tegen den hoofdregel
der Spelling te handelen; zij schrijft derhalve overeenkomstig de
beschaafde uitspraak niet alleen verf, verfkwast, verfwinkel enz.,
maar ook verven, verver, ververij enz.

Daarentegen acht zij het niet geoorloofd, de w van murw in v (f)
te veranderen. De uitspraak murf is verre van algemeen, ja klinkt
min of meer plat, terwijl deze schrijfwijze, geheel nutteloos, voor
het oog het verband zou verbreken met vermurwen, hetwelk door niemand
als vermurven wordt uitgesproken.



127. Het tweede lid der samenstellingen buskruid en rattenkruid (gelijk
men gewoon is te schrijven) is thans door zijne beteekenis gescheiden
van kruid (herba). Het doet ons veeleer denken aan stof, poeder,
dan aan een product van het kruiden- of plantenrijk. Wel is waar
hebben de jongste onderzoekingen geleerd, dat wij hier niet (gelijk
de Redactie vroeger vermoedde) met twee verschillende woorden te doen
hebben, maar met een zelfde woord in twee uiteenloopende opvattingen
[11]. Doch al is ook het eene, wat den oorsprong betreft, met het
andere identisch, door de afwijkende beteekenis zijn zij voor ons
gevoel nu eenmaal verschillend geworden. Wij kunnen bij den naam van
het salpeterpoeder, waarmede wij ons schietgeweer laden, of bij dien
van het metaalpoeder, dat wij gebruiken om ratten te dooden, niet meer
aan een kruid of gewas denken. Reeds daarom is het wenschelijk, het
onderscheid van beteekenis ook in de spelling te doen uitkomen. Daar
komt bij, dat het woord in den zin van poeder nu, zoo al niet tot de
onverbuigbare, dan toch tot de onverbogen woorden behoort, aan welke
de taal liefst de scherpe sluitletter pleegt toe te kennen. Wij meenen
daarom in deze beteekenis de t te moeten bezigen, en schrijven dus
kruit (pulvis pyrius), buskruit en rattenkruit, ter onderscheiding van
kruid (herba), onkruid, nieskruid, wormkruid enz. Evenzoo schrijft men
algemeen schroot, omdat ook dit woord nu niet meer verbogen wordt,
ofschoon het, naar zijn oorsprong beschouwd, insgelijks de d zou
vereischen; want schroot (bij Kiliaan schroode en schroye) is eene
afleiding van het oude werkwoord schroden (snijden), en beteekent
eigenlijk snijdsel, t.w. de afgesneden of afgehakte stukken ijzerwerk,
waarmede men het geschut in plaats van met kogels laadt. In de beide
woorden schroodbeitel en schroodijzer, waarin de beteekenis van
schroden nog gevoeld wordt, is de d behouden gebleven; maar schroot,
door veranderde opvatting geheel van zijnen oorsprong vervreemd en
daarenboven niet meer verbogen, heeft voorgoed de t aangenomen. Op
dezelfde wijze behoort dan ook kruit van kruid gescheiden te worden,
nu het eenmaal door veranderde beteekenis een ander woord is geworden.



128. De spelling en daardoor allengs meer algemeen geworden uitspraak
Dingsdag is stellig in strijd met de afleiding en de oorspronkelijke
beteekenis van het woord. Reeds het Middelnederlandsch, dat Diinsdach,
ook Disendach en Dinxendach schreef, was het spoor min of meer bijster;
en toen men eenmaal Dingsdag begon te spreken, dwaalde men geheel
af. Men beschouwde den Dingsdag als den dag der rechtsgedingen,
alsof hij uitsluitend voor terechtzittingen bestemd ware; een
gevoelen, waarvan de ongegrondheid thans wordt erkend, maar dat
zeker zal hebben bijgedragen om de uitspraak en spelling Dingsdag
meer veld te doen winnen, hoewel deze geheel verkeerd is. Immers,
evenals de overige dagen der week, is ook de derde genoemd naar
eene heidensche godheid, en wel naar het Germaansche evenbeeld van
den krijgsgod Mars; de Nederlandsche benaming is eene vertaling van
het lat. dies Martis. In het Oudnederlandsch moet die god, blijkens
de Nederlandsche uitspraak en de verwante talen, Diu of Dio hebben
geheeten; in de hedendaagsche taal zou de naam Die luiden. Derhalve
ware Diesdag de regelmatige vertaling van dies Martis; doch het
gebruik heeft hier eene n ingeschoven, evenals in de genitieven van
die en wie, welke thans diens en wiens, maar oudtijds ook dies en
wies luidden. Die inschuiving der n had hier echter de verkorting der
voorafgaande vocaal ten gevolge, gelijk in kinkhoest uit kiekhoest
(hd. keuchhusten); en die verkorting kon te gereeder plaats vinden
en algemeen worden, omdat de god Die met zijnen eeredienst weldra
in vergetelheid geraakte. Op deze wijze ontstond, in overeenstemming
met hd. Dinstag en Diestag, bij ons Dinsdag, dat klaarblijkelijk veel
nader dan Dingsdag bij den oorspronkelijken vorm komt en tot op zekere
hoogte als regelmatig kan beschouwd worden. Die betere uitspraak is ook
nog lang niet uitgestorven: in meer dan één gewest wordt nog altijd
Dinsdag gezegd, en ook in Holland, waar de verkeerde uitspraak het
meest is doorgedrongen, wordt de zuiverder vorm nog wel vernomen, ook
buiten de lagere volksklasse, in wier mond het niet ongewone Dijnsdag
nog van den ouden vorm getuigt; in Zeeland zegt men nog Dizendag.

Om deze reden acht de Redactie zich verplicht den verbasterden vorm
Dingsdag, die tot eene valsche opvatting aanleiding geeft, te laten
varen, en de zooveel oorspronkelijker uitspraak van het meerendeel
des volks te volgen. Ieder blijft natuurlijk vrij, naar smaak en
goeddunken te handelen; maar men zal in elk geval van de Redactie
van het Nederlandsch Woordenboek niet willen vergen hare goedkeuring
te hechten aan eene zoo gedrochtelijke spelling als Dingsdag, die,
alleen uit de platte Hollandsche uitspraak geboren, eene geheel
verkeerde voorstelling geeft van den oorsprong en de eigenlijke
beteekenis des woords, en even onooglijk is als Woengsdag, gelijk
men in de oude kluchtspelen wel geschreven vindt.



129. Het woord schepter, lat. sceptrum, fr. sceptre, vereischt
volgens den Regel der Uitspraak de ch. Het moge waar zijn, zooals
Bilderdijk en Wiselius verzekerden, dat in het begin dezer eeuw
nog algemeen septer, zonder den keelklank, werd uitgesproken;
het moge zoo wezen, dat de veranderde uitspraak, de invoeging van
den keelklank, een gevolg is geweest van de in 1804 aangenomene en
sedert meest gebruikelijke spelling schepter; maar dàt de uitspraak
veranderd is en men tegenwoordig meest algemeen de ch doet hooren,
is niet te loochenen. Die uitspraak heeft ook niets, dat ons
bevreemden of hinderen kan. Het woord is, evenals schrijn(werker) van
lat. scrinium, buiten twijfel Nederlandsch geworden, en behoort dus
ook de Nederlandsche spelling te volgen, waarin de sch aan lat. sc
beantwoordt, gelijk men zelfs aan bastaardwoorden, als schabel
(lat. scabellum) en schorpioen (lat. scorpio) enz. de ch toekent.

Wie op de zachtere--naar het Fransch klinkende--uitspraak bijzonder
gesteld mocht zijn, moge de schrijfwijze septer behouden: wij voor ons
nemen èn in de uitspraak èn in de spelling zonder bezwaar schepter
aan. In allen gevalle is de derde vorm, scepter, bepaaldelijk af te
keuren, als stellig met ons taaleigen in strijd.



130. Bij de keus tusschen amt, ambt, en ampt, welke schrijfwijzen
alle drie hare voorstanders hebben gehad of nog hebben, behoeft men
niet in twijfel te staan. Amt voldoet minder goed dan een der beide
andere vormen aan de uitspraak, waarin nog altijd, overeenkomstig
met de afleiding van ambacht, goth. andbahti, eene labiale muta flauw
gehoord wordt. Ampt, waarvoor de scherpe sluitletter t pleit, zou bij
analogie ook de spelling apt voor abt vorderen, welke niet slechts
in strijd zou zijn met de etymologie en het algemeen Gebruik, maar
dat woord ook onkenbaar maken en geheel van abdij en abdis scheiden
zou. De b in ambt daarentegen is zoowel door het Gebruik als door de
Afleiding gewettigd: redenen te over om bij deze spelling te blijven.



131. De eerste algemeene spelregel eischt volstrekt eene wijziging
in de spelling van likteeken, als onvereenigbaar met de gewone
uitspraak. De k toch, een overblijfsel van den onverbasterden vorm,
onl. liictekin, mnl. lijcteken, lijcteeken, is aan de volgende t
gelijk geworden (geassimileerd), en heeft daardoor alle reden van
bestaan verloren. Immers zij is niet toereikend om de afleiding te
doen kennen, gelijk o.a. daaruit blijkt, dat reeds Ten Kate het woord
ten onrechte van lijk (vleesch) afleidde, en als teeken in het vleesch
verklaarde: welk gevoelen bij verscheidene andere taalkundigen al te
gereeden ingang vond. Intusschen weet men thans, dat lik hier de stam
is van het mnl. werkwoord liken, nnl. (b)lijken, zoodat de afleiding,
zou zij uit de spelling kenbaar worden, lijkteeken zou vorderen. Daar
nu wel niemand verlangen zal voortaan lijkteeken te schrijven, dat
trouwens verkeerd begrepen zou worden, en in elk geval de hedendaagsche
engere beteekenis niet zou ophelderen, zijn wij van oordeel, dat de
Regel der Beschaafde Uitspraak hier zijne volle toepassing eischt. Wij
schrijven daarom dienovereenkomstig litteeken met tt, op gelijke wijze
als balling voor banling, en spalling, jong varken, voor spaanling,
van spanen (spenen), met twee l's worden geschreven.



132. Ofschoon èn de afleiding èn de voorgang der ouden in nog (etiam,
adhuc) evenzeer als in noch (nec) eene ch zouden eischen, meent de
Redactie de orthographische onderscheiding dezer twee zoo menigvuldig
voorkomende woorden, die aan de duidelijkheid zoo bevorderlijk is,
niet te mogen opgeven. Zij aarzelt daarom niet, nog (adhuc) met eene
g als eene nuttige en noodzakelijke uitzondering te beschouwen op
den anders algemeenen regel, dat onverbuigbare woorden op scherpe
sluitletters eindigen.



Samenstellingen.


133. Ook met betrekking tot de samengestelde woorden en uitdrukkingen
doen zich twijfelingen voor, die invloed hebben op het schrijven,
en wier oplossing derhalve tot het gebied der Spelling behoort. Zij
betreffen:

A. de vraag: Welke opeenvolgingen van woorden moeten als
samenstellingen beschouwd en als zoodanig verbonden worden? welke
moeten gescheiden blijven?

B. de vraag omtrent de verbindingsletters, die in samengestelde
woorden de deelen aaneenhechten.



A. Welke woorden en uitdrukkingen moeten aaneen geschreven
worden? welke in hunne deelen gescheiden blijven?


134. Wanneer twee begrippen verbonden worden om vereenigd een nieuw
begrip te vormen, hetwelk als eene blijvende aanwinst wordt toegevoegd
aan den schat der begrippen en voorstellingen, in de taal uitgedrukt,
dan maken de woorden, welke die vereenigde begrippen aanduiden, een
samengesteld woord uit. Bij het uitspreken wordt alsdan gewoonlijk
op het eene woord zooveel meer, op het andere zooveel minder nadruk
gelegd, dat de klemtoon van het eene dien van het andere overheerscht,
en de uitspraak van beide wordt zoodanig versneld, dat de stem in
geen geval eene tusschenruimte tusschen de beide deelen openlaat;
vergelijk een kléínkind met een klein kind; vóór aan de straat
met vooráán. Die verandering in de uitspraak is voor het oor het
bewijs, dat de geest de voorstellingen tot eene eenheid verbonden
heeft. Het schrift geeft voor het oog blijk van die samenstelling
door de woorden aaneen te schrijven of door ze met een koppelteeken
(hyphen) te verbinden, b.v. grootvader, huisvriend, Fernambuc-hout;
het eerste is regel, het laatste uitzondering, waarvan later.

    Een samengesteld woord kan, het is waar, uit drie of meer woorden
    bestaan; maar altijd blijft het eene verbinding van slechts twee
    leden, die echter zelve weder door samenstelling kunnen ontstaan
    zijn, b.v. boekdrukkers-gezel, avond-maaltijd, timmermans-werktuig,
    godsdienst-oefening, avond-godsdienstoefening.--Of wel, een
    der begrippen wordt uitgedrukt door een woord, hetwelk vóór
    de samenstelling vergezeld was van andere, die er onmisbaar
    bij behooren; b.v. in terzijdestelling (van ter zijde stellen)
    en inderdaad (voor in de daad) kunnen ter bij zijde en de bij
    daad niet worden gemist; doch zij maken blijkbaar geen derde
    zelfstandig lid in de compositie uit. Zoo is b.v. desniettemin
    op deze wijze ontstaan: te-min(der), niet-temin, des-niettemin.

135. Wanneer twee woorden eene eigenlijke samenstelling uitmaken, dan
is hunne betrekking onderling van dien aard, dat bij eene ontbinding
of oplossing der samenstelling een der leden buiten syntactisch
verband geraakt, zoodat, om aan de eischen der Grammatica te voldoen,
de woorden omgezet of in vorm gewijzigd, of wel andere ingevoegd
moeten worden; b.v. zonnelicht--licht der zon; geldbeurs--beurs
voor geld; Godmensch--God en mensch, of goddelijk mensch;
driehonderd--driemaal honderd, of drie malen honderd; theeblad--blad,
waarop de benoodigdheden om thee te drinken geplaatst worden. Daaruit
vloeit onmiddellijk voort, dat woorden, waarbij zulk eene eigenlijke
samenstelling plaats vindt, noodwendig aaneen geschreven moeten worden,
omdat anders door het verbreken der betrekking een der leden alle
grammatische en logische beteekenis verliest, los in de lucht hangt
en eigenlijk niet meer verstaan wordt. Zoo zou b.v. de verbale stam
bewaar in bewaarscholen alle beteekenis verliezen, wanneer men schreef:
De bewaar scholen zijn inrichtingen van den jongsten tijd.

136. Maar nevens de talrijke eigenlijke samenstellingen vindt men een
niet minder groot getal woorden en vooral uitdrukkingen, welke uit
deelen bestaan, die wel onderling hetzij grammatisch hetzij logisch
verbonden zijn, maar waarbij de band der deelen losser is, zoodat
men dien zonder merkelijke schade voor de duidelijkheid zou kunnen
verbreken. Deze zijn geene eigenlijke samenstellingen en verdienen
veeleer koppelingen te heeten. Bij deze nu kan het twijfelachtig
zijn, in hoeverre zij òf vereenigd òf gescheiden moeten worden;
en werkelijk handelt het Gebruik te dien opzichte zeer oneenparig,
zoodat wij verplicht zijn een leidend beginsel aan te nemen. Het is
hier echter de plaats niet om het onderwerp in zijn geheelen omvang
te onderzoeken; en men moet bekennen, dat het ook uit den aard der
zaak ondoenlijk zou zijn regels vast te stellen, die in alle gevallen
gelden, omdat 1º de consequente toepassing ook van het beste beginsel
toch altijd beperkt wordt door de eischen van den goeden smaak, die
zich vooral hier doen gelden, waar het alleen den uiterlijken vorm der
woorden betreft; en omdat 2º in vele gevallen een gevestigd gebruik
ook zijne rechten heeft, die men niet miskennen kan. Evenwel zijn de
algemeene beginselen, die hier gelden moeten, bij eenig nadenken wel
aan te wijzen. Na rijpe overweging meenen wij den hoofdregel, die in de
meeste twijfelachtige gevallen beslissen kan, aldus te moeten stellen:

137. Samengestelde uitdrukkingen, die als een zelfstandig deel der
rede kunnen beschouwd worden, maken een onderscheiden geheel uit en
behooren als zoodanig aaneen geschreven te worden, in drie gevallen:

1) Wanneer zij tot de eigenlijke samenstellingen behooren (zie § 135).

2) Wanneer bij de vereeniging der deelen òf een van beide, òf beide
hunne beteekenis hebben gewijzigd om te zamen een nieuw begrip ie
vormen, zoodat de beteekenis der vereenigde uitdrukking eene andere
is dan die, welke de bloote som der op elkander volgende deelen
zou medebrengen.

Zoo is b.v. iets goedmaken zooveel als iets herstellen; iets goed
maken zou beteekenen iets zoo vervaardigen, dat het goed is. Deug niet
zou de negatieve imperativus zijn van deugen, het bevel om slecht te
wezen; een deugniet daarentegen is een persoon die niet deugt. Een
boos wicht is een klein kind, en wel bepaaldelijk een meisje, dat
stout is; maar een booswicht is een volwassen manspersoon, die alle
deugd met voeten treedt.

3) Wanneer de woorden verouderde grammatische vormen bevatten, die als
overblijfsels der oudheid in vroeger gevormde en door de overlevering
geijkte woorden kunnen geduld worden, doch die bij eene scheiding
der deelen eene zelfstandigheid zouden erlangen, waarop zij bij den
tegenwoordigen toestand der taal geene aanspraak meer kunnen maken.

Tot opheldering diene het woord goedsmoeds, waarin het adjectief goed
in den thans verouderden sterken genitief voorkomt. De uitdrukking
is ontstaan in den tijd, toen men regelmatig den tweeden naamval van
het enkelvoud ook aldus vormde: des goeds mans, ons liefs Heeren,
der heiliger Kerken, onser liever Vrouwen, des heiligs sacraments,
enz. Nu echter deze vorm van den genitief der bijvoeglijke naamwoorden
geheel verouderd is en als zoodanig niet meer verstaan wordt, kan goeds
niet langer als een op zich zelf staand woord gelden, maar behoort
goedsmoeds als eene door het Gebruik geijkte vereenigde uitdrukking,
als eene eenheid derhalve, te worden aangemerkt.



I.

138. Volgens den eersten regel behooren aaneen geschreven te worden:

1) Alle eigenlijke samenstellingen, waarbij, naar § 135, als men ze
oploste, invoeging, omzetting, of vormverandering van woorden zou
moeten plaats hebben: derhalve badplaats, bloeddorst, bloedgetuige,
bloedhond, bloedplakkaat, bloedschande, bloedschuld, bloedverwant,
bloedvlek, bloedworst, bloedwraak, bloedzuiger, boomvrucht,
bruggenhoofd, buitenlucht, geldbeurs, hongersnood, huishuur,
huurhuis, kaarsvet, menschenvrees, stiklucht, theeblad, theegoed,
zeedijk, zijmuur,--allerliefst, brandschoon, doofstom, huisbakken,
nagelvast,--elkander,--buikspreken, knikkebollen, koorddansen,
schaatsenrijden, watertanden, weggaan,--driehonderd, zestien enz.

    Men schrijft algemeen en te recht tweehonderd, driehonderd,
    vijftienhonderd enz. aaneen; daarentegen gescheiden:
    twee duizend, tien duizend, honderd duizend, ofschoon die
    uitdrukkingen oogenschijnlijk insgelijks als tweemaal, tienmaal,
    honderdmaal duizend zijn op te vatten. De verbinding van honderd
    met het multipliceerende telwoord heeft geen bezwaar in, omdat
    dit laatste (althans buiten de gemeenzame spreektaal) niet
    hooger klimt dan negentien, en dus altijd slechts een- twee- of
    drielettergrepig is. Bij duizend echter kan het tot 999 stijgen,
    zoodat men door alles aaneen te schrijven niet zelden een zeer lang
    veellettergrepig woord zou verkrijgen, hetwelk moeilijk te overzien
    zou zijn. Niet fraai toch en niet gemakkelijk te lezen zijn woorden
    als zevenhonderdzevenennegentigduizend en dergelijke. Het kan dus
    niet bevreemden, dat het Gebruik zulke composities niet heeft
    gewild en in die gevallen de telwoorden gescheiden houdt. Het
    zou dan ook niet raadzaam zijn, hier het verstandige Gebruik te
    trotseeren; te minder daar eene logisch en grammatisch juiste
    opvatting mogelijk is, waardoor de gebruikelijke schrijfwijze
    volkomen gerechtvaardigd wordt. Men beschouwe in alle dergelijke
    gevallen duizend als substantief, gelijk millioen, dat steeds
    als substantief wordt gebezigd, zonder daarom den meervoudsvorm
    aan te nemen. Negenhonderd twee en veertig duizend is grammatisch
    evengoed te wettigen als negenhonderd twee en veertig millioen,
    indien men duizend slechts als een zelfst. naamwoord aanmerkt.

139. 2) Alle zoodanige vereenigingen van woorden, die oorspronkelijk
door koppeling ontstaan zijn, doch allengs ware samenstellingen
zijn geworden en daarvan blijk geven door veranderden klemtoon
en onverbuigbaarheid van het eerste lid. Tot deze soort behoort
b.v. hoogepriester. Dit woord werd oorspronkelijk als twee
woorden beschouwd en als zoodanig gescheiden geschreven: de hóóge
priester, gelijk de hóóge geestelijkheid, een hóóg ambtenaar enz. De
Staten-overzetters des Bijbels begonnen er echter eene samenstelling
in te zien; zij hechtten de woorden aaneen, doch gingen soms nog
voort met hoog te verbuigen: des hoogenpriesters enz. Thans echter
blijft hooge steeds onveranderd, terwijl de klemtoon is versterkt
en zelfs op priester overgegaan: des hoogepríésters; twee zaken die
onwedersprekelijk bewijzen, dat het woord eene samenstelling is en
wel eene eigenlijke, dewijl hooge in des hooge priesters door het
gemis der n onmogelijk tot priester zou kunnen behooren en dus los
in de lucht zou hangen.

Deze zelfde blijken van compositie vindt men in dollekèrvel,
edelgestéénte, hoogeschóól, koudescháál, koudvúúr, niewjáár, oudejáár,
roodekóól, roodáárde, zoetemèlk, zoutevìsch, zwartkrijt. Bij
kléínkind, mv. kléínkinderen, niet kleine kinderen, gróótvader,
gróótmoeder, óúdtante, blìndeman, dòlleman, gróótmeester, gróótvorst,
hóógaltaar, hóógambt, hóógmis, hóógtijd, gróótschrift, kléínschrift,
brúínkolen, smàldeel enz. is de klemtoon wel niet op het substantief
overgegaan, doch merkbaar versterkt, terwijl de onbuigbaarheid van
het adjectief de innige verbinding voldingend bewijst. Ook de titels
als Weledelgestreng, Edelgrootachtbaar (waarvan beneden), die uit
koppelingen ontstaan zijn, moeten, uit hoofde van de onverbuigbaarheid
der daarin voorkomende adjectieven, gedeeltelijk tot de eigenlijke
samenstellingen gerekend worden.

Op dezelfde wijze zijn door koppeling ontstaan de adjectieven,
samengesteld met de als adverbia gebezigde praeposities door, in en
over; b.v. doordroog, dooreerlijk, doorgoed, doorkoud,--indroog,
ingierig, ingoed, ingoor, inlui,--overgroot, overklein, overoud,
overvet, overzoet, overzout enz. In het Middelnederlandsch schreef
men veelal gescheiden: dore sondech, over scone, over vrome, uut
scone enz.; daar echter door, in en over op zich zelve staande nooit
in de hier bedoelde beteekenis gebruikt worden, en dus in door goed,
in droog, over heet enz. buiten alle verband zouden staan, moeten de
genoemde en alle dergelijke verbindingen als eigenlijke samenstellingen
aangemerkt en noodwendig aaneen geschreven worden.

140. 3) De woorden die, door middel van een suffix, van twee of meer op
zich zelve staande woorden zijn afgeleid, b.v. likeurstoker van likeur
en stoken. Daar het suffix -er het werkwoord stoken in een substantief
herleid heeft, kan het object likeur niet langer object blijven,
maar moet het noodwendig met stoker verbonden worden: likeurstoker,
of met een voorzetsel achteraan treden: stoker van likeuren.

Tot deze klasse van woorden behooren een aantal substantieven op -er,
-ster en -ing, als: broodbakker, houthakker, kleedermaker, mijnwerker;
achtenveertiger (van 48 ponden of jaren), driedekker (van drie
dekken); wafelbakker, turftonster, huisbewaarster; houtverkooping,
landverhuring, terzijdestelling enz.; alsmede de infinitieven: het
inachtnemen, het terechtbrengen enz.

Vervolgens vele adjectieven op -ig en -sch, als: viervoetig, van vier
voeten, zeshoekig, eenzijdig, stijfhoofdig; alledaagsch, bijderhandsch,
vanderhandsch, grootscheepsch, ouderwetsch, nieuwerwetsch, oudwijfsch,
nieuwmodisch, zoetemelksch.

Ook behooren hiertoe alle samengestelde bijwoorden met de adverbiale
s; b.v. bijkan(t)s, buitendijks, desgelijks, dikwijls, insgelijks,
nochtans (van nog-dan), rechtstreeks, telkens (te-elkens), thans
(te-hands), toenmaals, veelmaals enz. Daarom behoort men insgelijks
aaneen te schrijven: bijtijds, buitentijds, intijds, tegoeds (of te
goed), terloops, tersluiks (of ter sluik), tevergeefs (of vergeefs),
vannieuws enz. Daar de adverbiale s reeds een alleenstaand substantief
of adjectief in een adverbium verandert, b.v. daags, deels, fluks
(van vlug), links, rechts, steeds enz., zouden de woorden tijds,
loops, sluiks, goeds enz., indien zij alleen konden staan, op zich
zelve reeds adverbiën moeten zijn, waardoor de voorzetsels bij, te,
van enz. overtollig zouden worden.

Zelfs de woorden des en noods, tot adverbium vereenigd, behooren
verbonden te worden: desnoods. Deze uitdrukking toch is geen absolute
genitief, maar bestaat uit des, genitief van dat, door nood geregeerd;
men zeide voorheen algemeen en zegt thans nog wel: des nood zijnde
(daaraan behoefte zijnde), hetgeen uit misverstand eerst in des noods
zijnde overging, en vervolgens tot desnoods afgekort werd.



II.

141. Wanneer bij de vereeniging van twee uitdrukkingen eene van
beide of beide hare beteekenis hebben gewijzigd om te zamen een nieuw
begrip te vormen, zoodat de beteekenis der vereenigde uitdrukkingen
eene andere is dan die, welke de bloote som der op elkander volgende
deelen zou medebrengen, wordt de graphische verbinding uit den aard
der zaak door de grammatica en de duidelijkheid geëischt. Immers
men heeft dan blijkbaar niet meer eene vereeniging van twee in den
geest duidelijk gescheiden begrippen, door de opeenvolgende woorden
uitgedrukt, maar eigenlijk een nieuw begrip, dat slechts door beide
vereenigd vertegenwoordigd wordt, zoodat het aaneenschrijven voor de
juiste opvatting noodzakelijk is.

Tot dergelijke vereenigingen behooren:

142. 1) Een aantal verba, verbonden met een substantief, adjectief of
adverbium van wijze, in welke de beteekenis der genoemde woorden of van
het verbum zelf is gewijzigd, als: gadeslaan, handhaven, huishouden,
raadplegen, rechtspreken, waarnemen, waarschuwen; gevangennemen,
goeddoen, goedmaken, goedvinden, hoogachten, kwijtraken, kwijtschelden,
liefhebben, loslaten, schadeloosstellen, vrijlaten, schoonmaken;
grootspreken, harddraven, hardrijden, liefkoozen, snelschrijven,
voortgaan, voortvaren, voortvloeien, weldoen enz.

Waneer echter het eerste woord een substantief is, dat eene bepaling
bij zich nemen kan, dan is zulks een bewijs, dat ieder lid op zich
zelf blijft bestaan, en dat er derhalve geene samenstelling plaats
heeft; waaruit voortvloeit, dat de woorden in die gevallen niet aaneen
geschreven behooren te worden. Daarom moet b.v. acht geven en -- slaan,
staat maken, prijs stellen enz. gescheiden blijven, dewijl men zegt:
acht op iets geven, geene acht op iets slaan, geen staat op iets maken,
hoogen prijs op iets stellen.

Daar de uitdrukkingen plaats nemen, -- hebben, -- vinden eene
dergelijke bepaling toelaten, als men b.v. zegt: Neem eene betere
plaats; Het heeft of vindt geene plaats enz., zoo behooren ook deze
woorden gescheiden te blijven. Alleen plaats grijpen, dat nooit eenige
bepaling toelaat en waarin grijpen overdrachtelijk wordt opgevat,
zou hierbuiten staan en, stipt genomen, aaneen geschreven moeten
worden. Wij erkennen echter gaarne, dat deze onderscheiding, hoezeer
ook grammatisch gegrond, in de practijk niet wel toepasselijk is,
en achten het niet raadzaam deze ééne uitdrukking van de vorige af
te zonderen. Wij blijven daarom plaats grijpen schrijven, evenals
plaats hebben, plaats vinden, plaats nemen.

    Bij samenstellingen van adjectieven handelt het gebruik
    anders. Deze worden alleen dan gescheiden, wanneer zij
    werkelijk eene bepaling bij zich hebben of in een der trappen
    van vergelijking staan. Men schrijft hoogachten, goedmaken en
    goedvinden aaneen, ofschoon zeer hoog achten, hooger achten,
    zeer goed vinden, beter vinden, het best vinden, beter maken te
    recht gescheiden blijven, zoowel om den vorm dier uitdrukkingen,
    als omdat het gronddenkbeeld daarin kennelijk eene wijziging
    heeft ondergaan. Hooger achten toch is eigenlijk de versterking
    van hoog achten, niet van hoogachten.

143. 2) De talrijke klasse van werkwoorden met zoogenaamde
scheidbare en onscheidbare voorzetsels, als aangeven, achterstaan,
bijblijven, bovendrijven, doordringen, omslaan, opkomen, onderloopen,
overloopen, tegenspreken, uitmunten, voorstellen; aanschouwen,
doorzoeken, omsingelen, onderstellen, overwinteren enz. In deze
en alle dergelijke woorden toch heeft niet slechts het voorzetsel
zijne beheersching losgelaten, en is het in een bijwoord veranderd,
maar ook de beteekenis van het verbum is meestal òf geheel gewijzigd,
òf ten minste zoo ver op den achtergrond getreden, dat er een nieuw
begrip is ontstaan. Om dezelfde laatstgenoemde reden worden ook de
adverbia, die eene richting uitdrukken, met het verbum verbonden,
als: achterovervallen, afkomen, bijeenvoegen, heengaan, medenemen,
misloopen, rechtuitgaan, terugbrengen, toesnellen, samenstellen,
voorbijsnellen, vooruitloopen, wederbrengen, wedergeven enz.

144. 3) De bijvoeglijke naamwoorden vergezeld van de bijwoorden wel,
vol en al in de beteekenis van zeer, b.v. weldoend, welbespraakt,
welgeboren, welzalig, volkomen, volmaakt, volzalig, algoed, aloud,
alwijs enz., vermits die bijwoorden hier in eene gewijzigde beteekenis
staan.

Hetzelfde wat van vol en wel gezegd is, geldt ook van zeer, alsmede van
hoog en edel, wanneer deze in titels als adverbia gebruikt worden. Al
die woorden verliezen dan de beteekenis, die zij op zich zelve staande
hebben, en behooren dus met het volgende ware of als substantief
gebezigde adjectief verbonden te worden. Daarom schrijft men het
regelmatigst: Weledel, Weledelgeboren, Hoogwelgeboren, Hooggeboren,
Edelachtbaar, Grootedelachtbaar, Zeergeleerd, Hooggeleerd, Weleerwaard,
Hoogeerwaard, Zeergestreng enz. Vergelijk § 139.

    Composita met het zelfst. voornaamw. al, als: alwetend,
    alvermogend, alziend, behooren tot de eigenlijke samenstellingen,
    dewijl bij eene ontbinding der deelen al in alles zou moeten
    veranderd worden: alles wetend, alles vermogend.--Almachtig is
    gevormd van almacht (vermogen om alles te doen.)

145. 4) De benamingen van kleuren, uit twee adjectieven bestaande,
hetzij het eerste in een adverbium verandert, als b.v. hooggeel,
lichtbruin, donkerbruin, hetzij het, gelijk in zwartbont en roodbont,
een waar adjectief blijft. Hier toch ontstaat een nieuw begrip;
donkerrood, lichtgeel beteekenen niet hetzelfde als donker rood en
licht geel, welke laatste uitdrukkingen ook voor comparatie vatbaar
zijn: donkerder rood, zeer donker rood; terwijl daarentegen zeer
donkerrood, zeer lichtgeel natuurlijk niet bestaan. Vergelijk de
aanmerking in § 142.

146. 5) De pronomina: degene, diegene, hetwelk, dezulke, dezelve en
dezelfde. Daar het graphisch verbinden van twee woorden, waarvan het
eerste zijne gewone verbuiging behoudt, strijdig kan geacht worden met
het strenge begrip van samenstelling, hebben Bilderdijk en anderen
het aaneenschrijven der genoemde uitdrukkingen veroordeeld. Deze
vereischen dus eene toetsing aan de gestelde beginselen.

Gene geeft, als het op zich zelf staat, te kennen, dat het bedoelde
voorwerp zich op eenigen afstand van den spreker bevindt, en onderstelt
altijd eene tegenstelling met iets anders, dat dichter bij is; ook
wordt het in die opvatting nooit van het lidwoord vergezeld. Degene
en hetgene (of hetgeen) daarentegen beteekenen, dat de aangeduide
personen en zaken door een volgenden bijzin bepaald worden, en drukken
dus een geheel eigenaardig begrip uit, hetwelk bij geene mogelijkheid
uit de beide woorden op zich zelve kan worden opgemaakt. Hier bestaat
dus, zoozeer als bij eenig ander woord, eene afdoende reden om, het
gebruik volgende, verbonden te schrijven: degene, desgenen, dengene;
hetgeen of hetgene.--Diegene en datgene verschillen van degene en
hetgeen alleen door meerderen nadruk, maar bevinden zich overigens
in hetzelfde geval en worden dus insgelijks te recht aaneen geschreven.

In hetwelk heeft het lidwoord het blijkbaar alle beteekenis verloren,
daar hetwelk volstrekt niets méér zegt dan het bloote welk, evenals het
ouderwetsche dewelke niets méér beteekent dan het gewone welke. Toen
zich nog in de vorige eeuw dewelke en hetwelk door grooteren nadruk
van welke, welk onderscheidden, hadden artikel en relatief beide
kracht, en kon het verbinden misschien met recht veroordeeld worden;
thans is hetwelk ongetwijfeld als eene koppeling te beschouwen en,
gelijk het gebruik wil, in één woord te schrijven: hetwelk.

In dezulke, van zaken gebezigd, komt zulk in zijne gewone opvatting
(als zoodanig) voor; dezulken echter, van personen gezegd, beteekent
doorgaans niet: zij, die zóó zijn, maar: zij, die zóó doen. De regel
zou derhalve eischen, dat de woorden in het eene geval gescheiden,
in het andere verbonden geschreven werden. Intusschen blijkt het
verschil niet altijd even duidelijk en loopen de beide beteekenissen
soms ineen. Het komt ons niet raadzaam voor in enkele gevallen eene
onderscheiding te maken, die niet altijd kan worden toegepast en
die steeds in eene spitsvondigheid bestaat. Daarom zien wij geene
voldoende reden om bij dit woord van het gebruik af te wijken, en
schrijven wij derhalve steeds verbonden: dezulke, dezulken.

Zelf drukt absolute identiteit uit, en kan het best door in eigen
persoon omschreven worden. Dit begrip echter staat bij dezelve,
hetzelve zoo ver op den achtergrond, dat het niet meer merkbaar is. Wie
zich dus nog van de genoemde persoonlijke voornaamwoorden mocht
willen bedienen, zou geene reden hebben om ze anders dan verbonden
te schrijven: dezelve, hetzelve.

Eenigszins anders is het gelegen met dezelfde en hetzelfde: het
lidwoord behoudt daarin zijne kracht, en zelfde, een versterkte
vorm van zelf doet het begrip van absolute identiteit ten sterkste
uitkomen. Men kan dus een oogenblik in bedenking staan, of die
uitdrukkingen wel als composita te beschouwen zijn. Wanneer men
echter in aanmerking neemt, dat zij voor het taalgevoel inderdaad een
ondeelbaar begrip uitdrukken, en dat het woord zelfde in de beteekenis
van absolute identiteit nooit op zich zelf staat, dan zal men zeker
geen genoegzamen grond vinden om bij die woorden van het gebruik af
te wijken. De Redactie blijft derhalve schrijven: dezelfde, hetzelfde.

Het lidwoord een is nooit aan een volgend woord verbonden geworden;
daarom schrijft men gescheiden: eene zekere soort, een zeker gevoel,
en dus ook een zelfde geval, een zelfde begrip, waarin zelfde geene
absolute identiteit, als in dezelfde, maar slechts eene relatieve,
slechts volkomene gelijkheid ten opzichte van de eene of andere
hoedanigheid, uitdrukt.

    Ook in mijns gelijke, zijns gelijke, haars gelijke enz. behouden
    de woorden mijns, zijns enz., die de objectieve genitieven
    zijn van de personalia ik, hij enz. en door gelijke geregeerd
    worden, geheel en al hunne eigene beteekenis, evenzeer als dit
    gesubstantiveerde adjectief. Er is dus evenmin reden om mijns
    enz. aan gelijke te hechten, als om mijner en onzer aan erbarmen,
    gedenken of schamen te verbinden in: Hij heeft zich mijner erbarmd;
    Wil mijner gedenken; »Zoo zullen we Uwer ons nooit schamen" enz.

De gebruikelijke verbinding van mijn en heer in den beleefdheidstitel
Mijnheer steunt op goeden grond, daar mijn in die samenstelling zijne
beteekenis verloren heeft, en om die reden in de overeenkomstige
woorden Mevrouw en Mejuffrouw tot me verzwakt is. Het meervoud Mijne
heeren echter kan niet als compositum beschouwd worden, vermits mijne
daarin, strijdig met het vereischte van samengestelde woorden, zijne
verbuiging behoudt.

147. 6) De bijwoordelijke uitdrukkingen, bestaande uit twee adverbia,
waarvan het eene, ten gevolge der vereeniging, zijne beteekenis
gewijzigd heeft, als: weleer, veeleer, dusverre, hoeverre, zooverre,
zoolang, evenlang, evenzeer, zoozeer, evenveel, hoeveel, zooveel enz.,
verschillend van veel eer, hoe ver, zoo lang, zoo zeer enz.

Hiertoe behooren vanzelve ook die uitdrukkingen, waarin het tweede
lid een voorzetsel is, als bijwoord gebezigd, b.v. kortom, linksom,
middenin, nabij, rechtsom, rechtuit, rondom, ronduit; achteraan,
achterin, achterop, achterover, achteruit; bovenaan, bovenop, bovenuit;
onderaan, onderin, onderuit; tusschenin, vooraan, voorin, vooronder,
voorover, vooruit; voortaan enz. Ook af was oorspronkelijk een
voorzetsel en verkeert dus in hetzelfde geval; derhalve insgelijks:
achteraf, kortaf, linksaf, rechtsaf, vooraf enz.

Hier is natuurlijk geene sprake van het geval, waarin eene ware
praepositie door een adverbium voorafgegaan wordt. Alsdan toch
behouden beide woorden hunne eigene beteekenis, en zou het verbinden
ten onrechte plaats hebben. Daarom schrijft men gescheiden: midden
in den tuin; boven op den zolder; het water liep er onder uit.

148. 7) De uitdrukkingen, bestaande uit de bijwoorden van plaats hier,
daar en waar, wanneer deze, gepaard met een in bijwoord veranderd
voorzetsel, de waarde hebben van een voornaamwoord, dat door een
voorzetsel beheerscht wordt, als: hieraan (aan dit), hieraf (van dit),
daardoor (door dat), daarmede (met dat), waartoe (tot hetwelk) enz.

Ten opzichte van de bijwoorden ergens, nergens, overal en er, tot
hetzelfde doel met een voorzetsel vereenigd, maakt het Gebruik eene
uitzondering. Men schrijft gescheiden: ergens aan, nergens door,
overal bij, er bij, er van, er uit enz., hetgeen blijkbaar daaraan is
toe te schrijven, dat zoodanige uitdrukkingen met overal, ergens en
nergens alleen in gemeenzamen stijl voorkomen en meer gesproken dan
geschreven worden; en dat er meestal door tusscheninstaande woorden
van zijn voorzetsel gescheiden is: Men had er nooit aan gedacht;
Hij zou er in dat geval toch toe besloten hebben.

149. 8) De bijwoordelijke uitdrukkingen, die bestaan uit een
voorzetsel, gevolgd

a) van een zelfstandig naamwoord, dat in die verbinding nimmer een
bepalend woord bij zich neemt, wanneer òf dit zelfst. naamw. òf
het voorzetsel zijne beteekenis wijzigt, als: achterwege, onderweg,
overeind, bijgeval (door een toeval), integendeel, inzonderheid enz.

b) van een bijwoord of een bijvoeglijk naamwoord, wanneer een der
genoemde woorden of wel het voorzetsel zelve zijne beteekenis heeft
gewijzigd; als: overdwars, overlang, overluid, opnieuw, vanhier,
vandaar, vanwaar, voorwaar, voorzeker, voorgoed (verschillend van
van hier, van daar, van waar, voor zeker, voor goed, in welke laatste
uitdrukkingen de beide bijeenbehoorende woorden hunne kracht behouden).

c) van de zelfstandige voornaamwoorden al en een: bovenal (boven
alles), vooral, overal, aaneen, achtereen, bijeen, dooreen, opeen,
uiteen.

Het voorzetsel te maakt hier natuurlijk eene uitzondering, zoowel
wanneer het alleen staat, als wanneer het met de datieven der
lidwoorden de en het tot ter of ten is samengesmolten. Eene der
gewone functies toch van te is juist het vormen van bijwoordelijke
uitdrukkingen, terwijl andere zulks slechts bij uitzondering
doen. Men schrijft daarom gescheiden: te huis, te land, te water,
ter zee, ten hove, ten dage, ter ure, te paard, te scheep, te voet,
ter been; te koop, te huur, te geef, ter leen, te kijk, te grabbel,
te zoek, te berge, te pas, te onpas, te rade, te recht, te onrecht,
ten onrechte, ten eerste, ten tweede, ten laatste enz.

    Daar het lidwoord en het voornaamw. zelfde, volgens § 146, steeds
    aaneen geschreven worden, en er geene reden bestaat om ze te
    scheiden, wanneer er eene samentrekking met te plaats heeft,
    maken uitdrukkingen als tenzelfden tijde, terzelfder tijd,
    terzelfder plaats, terzelfder ure enz. natuurlijk uitzonderingen
    op dezen regel.

In terstond, terug en terdege of terdeeg worden stond, rug en deeg
niet meer in hunne eigenlijke beteekenis opgevat; vandaar dat
die uitdrukkingen als samenstellingen te beschouwen zijn en dus
aaneenverbonden behooren geschreven te worden. Hetzelfde geldt, wel
is waar, ook bij te berge, maar die uitdrukking staat uitsluitend bij
slechts één werkwoord: te berge rijzen; hare bijwoordelijke natuur
wordt dus nagenoeg niet gevoeld, wat bij de andere drie wel degelijk
het geval is. Terstond en terdege toch kunnen bij ieder verbum gevoegd
worden, en terug dient om de beteekenis van een vrij aanzienlijk
getal verba te wijzigen: terugbrengen, -deinzen, -eischen, -gaan,
-geven, -houden, -roepen, -vragen, -zenden enz. De gevallen staan
dus geenszins gelijk; weshalve wij geene voldoende reden zien om hier
van het gevestigde gebruik af te wijken. Wij schrijven dus te berge
in twee woorden, maar terstond, terug en terdege of terdeeg aaneen.

De uitdrukkingen te leur en te loor, met het thans verouderde
substantief leur of loor gevormd, komen op zich zelve nooit voor,
maar de eerste alleen in verbinding met het werkwoord stellen, de
tweede alleen met gaan, en bij die verbinding nemen de vereenigde
uitdrukkingen eene nieuwe beteekenis aan, zoodat hier werkelijk eene
eenheid ontstaat en dus samenstelling plaats heeft. Volgens § 141
behoren deze uitdrukkingen derhalve, als te zamen een nieuw begrip
vertegenwoordigende, aaneen geschreven te worden: teleurstellen,
teloorgaan.

Van bij geldt nagenoeg hetzelfde als van te. In het Middelnederlandsch
werd het regelmatig gebezigd voor door, evenals het Engelsche by. Deze
beteekenis, hoewel zeldzamer, is nog niet geheel verouderd, blijkens de
uitdrukkingen: bij besluit, bij missive, bij een schrijven, bij eene
verordening, bij reglement enz. Daarom moet bij in uitdrukkingen als:
bij toeval, bij erfenis, bij uitzondering, bij loting, bij verkiezing
enz. evenzeer geacht worden zijne eigenlijke beteekenis te hebben als
in: bij ontstentenis, bij gebrek enz. Bijgeval echter wordt te recht
aaneen geschreven, omdat geval daar in de min gewone beteekenis van
toeval voorkomt.

150. 9) Onder de praepositionale uitdrukkingen alleen tegenover,
rondom, niettegenstaande en ingevolge. De overige, bestaande uit een
voorzetsel, gevolgd van een substantief, blijven in overeenstemming
met § 142 gescheiden, omdat dit substantief zelf eene bepaling
eischt, bestaande uit eenen genitief of uit een ander voorzetsel
met zijne eigene beheersching; b.v. in geval van nood, naar mate
van zijne bekwaamheid; en zoo ook door middel van, uit hoofde van,
in overeenstemming met, in betrekking tot enz., terwijl men zegt
ingevolge dezen nood, niet van dezen nood of dezes noods. Derhalve ook:
uit kracht, door toedoen, door bemiddeling, naar gelang, naar luid,
op hoop, in spijt, ten spijt, ten behoeve, ten gevalle, ten aanzien,
ten overstaan, ten aanhooren, ten aanschouwen enz.

    Natuurlijk kan er nog minder sprake zijn om die woorden aaneen
    te schrijven, wanneer het substantief een artikel, pronomen
    of adjectief bij zich heeft; b.v. als men zegt: naar de mate
    zijner bekwaamheden, door het krachtigste middel van overreding,
    in volkomene overeenstemming met zijne bedoelingen, in nauwe
    betrekking tot uw welzijn enz. In zulke gevallen behoudt ieder
    woord zijne eigene grammaticale waarde, en vervalt het begrip
    van een samengesteld voorzetsel geheel.

151. 10) Alle uitdrukkingen, die de waarde van een voegwoord hebben,
en waarin de beteekenis van ieder deel niet volkomen duidelijk
uitkomt; b.v. alhoewel, alsmede, alsof, bijaldien, derhalve, dewijl,
doordien, evenals, ingeval, naarmate, nademaal, tenware, tenzij,
hoezeer, hoewel, zooals, zoodat, zoowel enz., en zoo ook daarenboven,
daarentegen, desniettegenstaande, desniettemin. Wanneer echter ieder
deel zijne eigene kracht kennelijk behoudt, worden zij niet graphisch
verbonden. Daarom schrijft men gescheiden: niet alleen.... maar
ook, nu eens.... dan eens, vanhier dat, vandaar dat, dan dat. Zoo
scheidt men ook: zoolang als, zoodra als; want zoolang en zoodra zijn
alleen reeds als voegwoorden in gebruik, en derhalve, wanneer zij
door als gevolgd worden, veeleer als bijwoorden dan als voegwoorden
te beschouwen. Vergelijk b.v. Zoolang hij ziek is, kan van de zaak
niets komen, met: Hij zal afwezig blijven, zoolang als zijn broeder
ziek is. Wanneer nadat en voordat een bijwoord ter versterking vóór
zich bekomen, worden voor en na, in overeenstemming met § 145, van
dat gescheiden: lang voor dat, lang na dat.

    Uit deze en de vorige § volgt dat het voegwoord naarmate ook
    graphisch onderscheiden is van het praepositionale naar mate:
    Hij werd nederiger, naarmate zijn aanzien steeg. Hij zal naar mate
    (of naar de mate) van zijne diensten beloond worden.

152. 11) Van de tusschenwerpsels worden helaas en eilieve aaneen
geschreven, en te recht, omdat laas, mnl. laes, lacy, op zich
zelf verouderd is, en lieve niet meer als een vocatief gedacht
wordt. Daarentegen behoort och of, hoewel de conjunctie of daar
de verouderde beteekenis van indien heeft, vaneen geschreven te
worden, vermits anders de constructie der volgende woorden niet te
rechtvaardigen is; vergelijk b.v.: Och, of (indien) gij mij gelooven
wildet (hoe zou ik mij verheugen).



III.

153. De uitdrukkingen, waarin woorden voorkomen met verouderde
grammatische vormen, worden aaneen geschreven, omdat die woorden
bij eene scheiding eene zelfstandigheid zouden erlangen, waarop zij
bij den tegenwoordigen toestand der taal geene aanspraak meer kunnen
maken. Hiertoe behooren:

1) de uitdrukkingen, waarin het eerste lid in den sterken manlijken
of onzijdigen genitief voorkomt, als: goedsmoeds, droogsvoets,
blootsvoets, blootshoofds, heelshuids, luidskeels (ook luidkeels) enz.

2) de uitdrukkingen, bestaande uit een voorzetsel, gevolgd door
een sterken manlijken of onzijdigen genitief, als: binnenshuis,
buitenshuis, binnenslands, buitenslands, binnensmonds, binnensrands,
binnenstijds, enz.

3) de uitdrukkingen, waarin de d van het zoogenaamde bepalende
lidwoord door den invloed van den slotmedeklinker van het voorafgaande
voorzetsel tot t verscherpt wordt of met dien medeklinker ineensmelt,
als: metterdaad, mettertijd, metterwoon, uitermate.

4) de uitdrukkingen, bestaande uit een substantief, dat bepaald wordt
door dèr, dès en wès, verouderde vormen van de voornaamwoorden die en
wat, hetzij beide eene bijstelling uitmaken, als: derhalve, dermate,
destijds, hetzij het eerste door het tweede geregeerd wordt, als:
desbevoegd, deskundige, weshalve.

5) de uitdrukkingen, bestaande uit een adjectief in den sterken
genitief op -er, gevolgd van een substantief in oneigenlijken zin
genomen, als: allerwegen, halverwegen (verschillend van halfweg),
gewapenderhand, langzamerhand, gelukkigerwijze, toevalligerwijze;
hand en wijze worden bijna als suffixen opgevat.

Een genitiefvorm op -er klinkt, uit hoofde van zijne overeenkomst
met de zeer gewone comparatiefvormen, minder vreemd dan die op -s
in bloots, goeds, heels enz. Dit schijnt de reden te zijn, waarom
het Gebruik de verbinding niet noodig acht, wanneer het substantief
zijne eigenlijke beteekenis behoudt, als in onverrichter zake, ouder
gewoonte, zaliger gedachtenis enz. Hieruit is het ook te verklaren,
waarom met luider stem, in aller ijl, te gelijker tijd, niet aaneen
geschreven worden, maar wel inderdaad, waarin daad niet in den
eigenlijken zin wordt opgevat.



Het gebruik van het koppelteeken.


154. Wanneer een der opgenoemde regels het graphisch verbinden
van woorden vordert, doch het werkelijk aaneenschrijven een woord
opleveren zou van een te vreemd en zonderling voorkomen, of dat uit
hoofde zijner lengte moeilijk zou te overzien zijn, dan worden de
deelen door een koppelteeken (hyphen) vereenigd.

155. Men bezigt uit dien hoofde het koppelteeken:

1) Wanneer in een compositum eigennamen of van eigennamen gevormde
adjectieven voorkomen, als:

a) in de benamingen van koopwaren, waarin het eerste lid de naam
is van de landstreek of de plaats, die de waar oplevert, of vanwaar
zij uitgevoerd wordt, b.v. Baai-tabak, Cayenne-peper, Java-koffie,
Manilla-sigaren, Riga-balsem, Smyrna-vijgen, Zuidzee-traan enz.

Deze schrijfwijze heeft voornamelijk ten doel, den eigennaam duidelijk
te doen uitkomen. Wanneer deze echter in de uitspraak onherkenbaar
misvormd is, kan het doel door de scheiding niet meer bereikt worden,
en schrijft men de deelen werkelijk aaneen; b.v. sinaasappel, voor
Messina's-appel, enz.

b) in de zelfstandige naamwoorden, waarvan het eerste lid een adjectief
is, gevormd van een eigennaam, als: Berlijnsch-blauw, Engelsch-zout,
Friesch-groen, Pruisisch-zuur enz.

c) in de bijvoeglijke naamwoorden, bestaande uit de koppeling van twee
adjectieven, die van eigennamen zijn afgeleid, als: Engelsch-Russisch,
Fransch-Engelsch, Franco-Gallisch, Indisch-Europeesch, Indo-Germaansch
enz.

156. 2) Wanneer titels van personen, in burgerlijke, rechterlijke of
militaire betrekkingen, bestaan

a) uit twee bastaardwoorden, als: adjunct-commies, adspirant-ingenieur,
ambassadeur-plenipotentiaris, gouverneur-generaal, minister-resident,
procureur-crimineel, politie-commissaris, substituut-griffier,
auditeur-militair, admiraal-generaal, luitenant-generaal,
luitenant-kolonel, sergeant-majoor.

b) uit een Nederlandsch woord en een bastaardwoord, wanneer beide
reeds op zich zelve titels zijn, of wanneer het tweede een adjectief
is, dat dan, strijdig met ons taaleigen, achter het substantief komt:
grootmeester-nationaal, kapitein-kwartiermeester, kapitein-geweldiger,
staten-generaal, raad-pensionaris enz.

157. 3) Wanneer geographische eigennamen bestaan uit een eigennaam
en een bijvoegl. naamwoord of een bijwoord, als: Groot-Britannië,
Klein-Azië, Nieuw-Holland, Nieuw-York, Rood-Rusland, Wit-Rusland,
Noord-Brabant, Zuid-Holland, Achter-Indië, Voor-Indië, Beneden-Egypte.

    Het koppelteeken wordt natuurlijk niet gebezigd, wanneer het
    tweede lid der samenstelling een gemeen zelfst. naamw. is;
    dus niet in Amazonenrivier, Noordzee, Zuiderzee, Oostzee,
    Oostergoo, Westergoo, Westland, Opsterland, Salland, Teisterbant,
    Hartsgebergte, Reuzengebergte.

158. 4) Wanneer een bijvoeglijk woord, hetzij een adjectief, een
lidwoord of een voornw., alleen betrekking heeft op het eerste
lid eener volgende samenstelling, niet op dit woord in zijn geheel
genomen. In dit geval wordt het bijvoeglijke woord door een hyphen
met het compositum verbonden, als: bolvormige-driehoeksmeting,
platte-driehoeksmeting, dolle-hondsbeet, 's-Gravendeel, 's-Gravenhage,
groot-zegelbewaarder, 's-Heerenberg, 's-Hertogenbosch,
Mijns-Heerenland, oude-kleerkoop, klein-kinderschooltje,
oude-mannenhuis, ijzeren-spoorweg, rijnsche-wijnflesch,
desolate-boedelkamer, Beiersch-bierbrouwerij, Groene-weeshuis (naar
de kleeding der weezen), St.-Catharinagasthuis, Heilige-Geestgasthuis,
Lieve-Vrouwenkerk enz.

159. Omtrent het schrijven der telwoorden zou men in twijfel kunnen
staan, in hoeverre zij al of niet verbonden moeten worden. Raadpleegt
men het gewone gebruik, dan vindt men een telwoord alleen dàn graphisch
aan een volgend gehecht, wanneer het de waarde van een multiplicatief
adverbium heeft; b.v. twee in tweehonderd (tweemaal honderd);
ook worden dertien, veertien, vijftien enz. tot negentien aaneen
geschreven; in alle andere gevallen laat men de deelen gescheiden. Men
schrijft b.v. zeshonderd negen en veertig duizend vijfhonderd
negentien, zes en twintig enz. Daar echter ook het langste telwoord
een zelfstandig deel eener rede uitmaakt, doet zich de vraag voor,
of dit gebruik niet is af te keuren, en of niet alle bestanddeelen
van een samengesteld telwoord ten minste door koppelteekens behooren
vereenigd te worden. Bij eene nadere beschouwing echter laat zich
de vraag niet anders dan ontkennend beantwoorden, omdat in zulke
vereenigingen al de vereischten eener compositie ontbreken, namelijk
een overheerschende klemtoon, de duidelijke samenvatting der leden
in ééne voorstelling, en de wijziging der beteekenis van ten minste
één lid. Zoo zoekt men b.v. in driehonderd vier en vijftig millióén
zevenhonderd drie en zestig dúízend negenhonderd acht en zéventig
vergeefs naar een woord, dat door zijn sterkeren nadruk al de overige
woorden overheerscht en tot een geheel verbindt. Men hoort kennelijk
drie hoofdaccenten, namelijk op millioen, duizend en zeventig; deze
zijn even sterk en bewijzen mede, wat iedereen trouwens bij zich
zelven kan waarnemen, dat de geest het geheele getal niet in eens
omvat, maar het zich achtereenvolgens in drie gedeelten voorstelt,
die men zelfs, zonder eenig nadeel voor de duidelijkheid, door
komma's zou kunnen scheiden. Eindelijk, ieder woord wordt in deze en
dergelijke verbindingen in zijne gewone beteekenis opgevat, behalve
dat de getallen, die in vereeniging met honderd als multiplicativa
staan (tweehonderd, achttienhonderd), door de ellips van maal of
malen eene gewijzigde kracht bekomen, ten blijke waarvan zij dan ook
met dit woord graphisch verbonden zijn. De Redactie ziet derhalve
geene overwegende reden, om hier van de algemeene gewoonte af te
wijken, die ten overvloede door het overeenstemmend Gebruik in alle
beschaafde talen gewettigd wordt. Zij laat dus al de bestanddeelen
van een samengesteld telwoord gescheiden, behalve tien en honderd,
die aan het onmiddellijk voorgaande gehecht worden: dertien, veertien,
vijftien, negentien; tweehonderd, zevenhonderd, zeventienhonderd enz.

160. Meer grond bestaat er voor het graphisch verbinden der
bestanddeelen van samengestelde ranggetallen, als b.v. drie en
twintigste, vier honderd en zevende, zeshonderd vier en negentigste. In
deze en dergelijke uitdrukkingen worden de verschillende leden door
het afleidingssuffix -de of -ste, aan het laatste lid gehecht, tot
een geheel verbonden, zoodat zij, in den tegenwoordigen toestand
der taal, tot die soort van eigenlijke samenstellingen behooren,
waarover in § 140 gehandeld is. Intusschen pleiten gedeeltelijk
dezelfde redenen, die in de vorige § zijn aangevoerd, hier tegen de
verbinding der bestanddeelen. Men heeft dergelijke samengestelde
uitdrukkingen dan ook nooit als eigenlijke composita beschouwd,
hetgeen daaruit blijkt, dat men oudtijds de suffixen -de en -ste, ten
minste achter de hoofdbestanddeelen, herhaalde, en b.v. schreef: het
hondertste ende tiende jaer; drie dusentste vierhonderdste ende seven
ende tachtigste. Daarom achten wij het ongeraden, met de bedoelde
uitdrukkingen zoo geheel anders te handelen dan met de eigenlijke
getallen, en, in strijd met het gevestigde Gebruik in onze en andere
beschaafde talen, wanstaltige woordvormen voor te staan, die het
oog dikwijls niet zou kunnen overzien. Wij aarzelen derhalve niet,
ten opzichte der ranggetallen eene uitzondering op den regel van §
140 te maken en voort te gaan met gescheiden te schrijven: negen en
zeventigste, vijfhonderd dertiende, enz.



B. Hoe te handelen met de verbindingsklanken tusschen de leden eener
samenstelling?


161. De tweede onzekerheid bij het schrijven van samengestelde
woorden betreft den vorm van het eerste lid, die uit de uitspraak niet
altijd duidelijk blijkt, hetgeen bij vele tot verschil in spelling
aanleiding geeft. Zoo schrijven b.v. sommigen pereboom en tarwebrood,
anderen perenboom en tarwenbrood. De Leer der Spelling moet hier
uitspraak doen.

De onzekerheid spruit uit verschillende oorzaken voort; het is
van belang die te kennen. Ook bij dit onderzoek is het noodig het
onderscheid in het oog te houden tusschen de eigenlijke samenstellingen
en de samenkoppelingen, van welke echter, gelijk reeds is aangemerkt,
sommige later voor oor en oog in eigenlijke samenstellingen zijn
overgegaan; vergelijk § 135 en 139. Deze verandering van vorm en
nog andere redenen, die straks ter sprake komen, maken ook het
onderscheiden van oudere en jongere samenstellingen noodzakelijk.

De letters, ten opzichte waarvan onzekerheid en verschil bestaat,
noemt men verbindingsklanken of verbindingsletters. Beginnen wij met
te onderzoeken, wat men er door te verstaan heeft, welke letters zoo
te noemen zijn.

162. De woordstammen, d.i. de woorden, van alle buigingsuitgangen
ontdaan, waren in den oudsten toestand der Indo-Germaansche talen
tweeërlei: vocalisch, uitgaande op een der korte klinkers a, i en u
(oe); of consonantisch, eindigende op eene n, voorafgegaan door eene
korte a, of door eene lange î of û (goth. ei of ô). Bij het vormen
van eigenlijke samenstellingen werd het eerste lid oorspronkelijk,
indien het een vocalischen stam had, in zijn onveranderden stamvorm
voor het tweede lid gevoegd; was het consonantisch, dan werd de n
afgeworpen, en de voorafgaande lange klinker verkort. Dientengevolge
eindigde het eerste lid der eigenlijke samenstellingen op weinige
uitzonderingen na--kennelijk alle onregelmatigheden--steeds op een
der korte klinkers a, i of u (oe). Daar nu deze klinkers een deel van
het eerste lid uitmaken, kon er toen bij eigenlijke samenstellingen
geene sprake zijn van opzettelijk ter verbinding ingevoegde letters.

Uit deze waarneming vloeit nog iets voort. Indien het eerste lid in
zulke composita voorkwam in zijn stamvorm, zonder eenig teeken dat
eene betrekking aanduidde, dan is het zeker, dat men oorspronkelijk
bij het samenstellen volstrekt niet dacht aan de verhouding van het
eerste lid tot het tweede, maar het aan den hoorder overliet zich
die verhouding daarbij te denken.

163. Het begrip van samenkoppeling sluit reeds uit zich zelf het
aanwezig zijn van verbindingsklanken uit. Eene koppeling bestaat in
het aaneenhechten van twee, soms van meer woorden, die in de rede
op elkander volgen; daarom komt het eerste lid natuurlijk niet in
zijn stamvorm voor, maar, zoo het een verbuigbaar woord is, in een
vorm waarin het in de rede zelfstandig kan optreden; een naamwoord
derhalve in een naamval van het enkel- of meervoud, een werkwoord
in de onbepaalde of in de gebiedende wijs. Zoo heeft b.v. het woord
God in godsdienst den vorm van den 2den, in godebehaaglijk dien van
den 3den, in godverheerlijkend dien van den 4den naamval, omdat
die woorden vereenigingen zijn van de uitdrukkingen Gods dienst,
Gode behaaglijk, God verheerlijkend. Het werkwoord spelen staat
in spelevaren in de onbepaalde wijs, doch met onderdrukte n, omdat
dit woord eene verbinding is van spelen varen (verg. lezen leeren);
in vergeet-mij-nietje staat vergeten in de gebiedende wijs.

164. Doch bestonden er oorspronkelijk geene verbindingsklanken,
verschillende oorzaken hebben samengewerkt om hun bestaan eerst te
onderstellen, en later werkelijk zulke letters in te voegen. Daar
de woordstammen onveranderd natuurlijk alleen in samenstellingen
voorkwamen, maar in de verbogen vormen, onder welke zij in de rede
optraden, allerlei wijzigingen ondergingen, geraakte de natuur van
de eindklinkers der stammen spoedig in vergetelheid, en begon men ze
voor opzettelijk ingevoegde klanken, voor bloote verbindingsletters,
aan te zien. Zij werden allengs zwakker uitgesproken, en gingen
ten laatste in de toonlooze e over. Zoo ontstonden b.v. dageraad,
nachtegaal, bruidegom van de stammen daga, nahta, bruthi. Wanneer men
deze woorden vergelijkt met de later gevormde dagboek, nachtverblijf,
bruidleidster, enz., dan krijgt de toonlooze e, ofschoon een deel van
het eerste lid zijnde, het voorkomen van eene ingevoegde letter zonder
beteekenis of reden van bestaan, van een blooten verbindingsklank. Haar
aanwezen bewijst intusschen, dat de genoemde woorden tot de oudste
samenstellingen behooren, uit den tijd, toen men de woordstammen daga,
nahta en bruthi nog kende.

165. Even willekeurig schijnt de toonlooze e in vele samenstellingen,
wier eerste lid vroeger op dezen thans afgesleten klinker eindigde,
b.v. in wiegelied, harteleed, bruggegeld, ruggegraat, willekeur enz.,
van de verouderde vormen wiege, harte, brugge, rugge, wille.

166. Bij samenkoppelingen hebben andere oorzaken gewerkt om letters,
die inderdaad tot het eerste lid behooren, als ingevoegd te doen
beschouwen. De tweede naamval, die thans alleen in het enkelvoud van
het manlijke en onzijdige geslacht een kenmerkenden uitgang heeft (-s,
-es, -n of -en), nam voorheen ook bij zwakke vrouwelijke woorden,
als vrouwe, kerke, eere, eene -n aan: der vrouwen, der kerken, der
eeren. Het meervoud, dat thans in alle naamvallen op eene -n of eene
-s eindigt, ging vroeger bij alle sterk verbogen woorden op -e uit
(in den 3den naamval op -en): honde, geite, dinghe, of bij sommige
onzijdige op -er: kinder, kalver. Het was dus natuurlijk, dat men,
toen er geene vrouwelijke genitieven op -n, geene meervouden op -e
of -er meer bestonden, de -n, -e of -er in woorden als vrouwenkleed,
eerenprijs, paardeboonen, kinderkamer, raderwerk enz. voor ingevoegde
letters aanzag.

Voorheen vormde men, naar het schijnt meest van werkwoorden,
adjectieven op -el, als behaghel, krijgel, schamel, vergetel, vermetel,
verstandel. Zij werden vooral in samenstellingen en afleidingen
gebezigd, als in schamelheid, vergetelheid, vermetelheid. Was nu zulk
een adjectief buiten gebruik geraakt en vergeten, dan kreeg -el in
eene samenstelling het voorkomen van willekeurig ingevoegd te zijn,
b.v. in schorselwoensdag, schortelkleed, schrikkeljaar, schrikkelmaand,
troostelbier enz.

167. Toen men nu eenmaal van het bestaan van verbindingsklanken
meende overtuigd te zijn, was het natuurlijk dat men bij het vormen
van nieuwe composita, als op het gevoel af, naar bestaande modellen
te werk ging en dikwijls geheel ten onrechte letters invoegde. Op
die wijze ontstonden, naar het voorbeeld van koningsmoord,
vaderlandsliefde, kindskind, de composita jongelingsvereeniging,
belegeringswerken, vrijheidsliefde, dochtersman, waardoor de s in
composita ook achter vrouwelijke substantieven allengs het teeken van
den tweeden naamval werd; naar ganzemarkt, paardekooper, hoenderhok,
waarin het eerste lid een meervoud voorstelde, ook andere waarbij men
aan een enkelvoud dacht, als ganzepen, paardestaart, hoenderei; naar
krijgsman, krijgstuig ook leidsman, scheidsmuur; naar schorteldoek,
schrikkeljaar ook ringelduif, noteltere (noteboom).

Dientengevolge heeft men thans het volste recht om van
verbindingsklanken te spreken; en, daar het niet altijd met zekerheid
kan bepaald worden, of eene letter tot het voorste lid behoort,
of slechts ingelascht is, zullen wij ook de wettig aanwezige onder
den naam van verbindingsklanken of -letters begrijpen. Onder deze
benamingen worden derhalve hier verstaan de letters -e, -n, -s,
-el, -en en -er, voorkomende in het midden van samenstellingen,
en niet behoorende tot den hedendaagschen stam van het eerste lid;
dus b.v. de e in dageraad, de s in wolfsklauw, de lettergreep el in
schorteldoek, en in menschenbloed, er in hoenderhok, omdat de stammen
der eerste leden thans dag, wolf, schort, mensch, hoen luiden.

168. Moest het vermelde noodwendig de strekking hebben om den
vorm onzer composita onzeker te maken, er kwam nog de bekende
eigenaardigheid van het Nederlandsch bij, dat wij de n achter
eene toonlooze e slechts zeer flauw uitspreken en soms geheel
onderdrukken. Daarom kan het gehoor alleen niet meer beslissen, of
men pere- of perenboom te schrijven heeft; daardoor hebben sommige
infinitieven, b.v. ruilen in ruilebuiten, spelen in spelevaren,
hunne n verloren. Dat onderdrukken had natuurlijk het meest plaats
in dagelijksche woorden, die men vaker hoorde uitspreken, dan men ze
geschreven zag. In het omgekeerde geval bleef de n bestaan. Dit ziet
men onder andere aan het zeldzaam voorkomende eerenprijs (naam eener
plant), dat men in de woordenboeken met eene n geschreven vindt,
naast het meer gebruikelijke eereprijs, in den eigenlijken zin van
het woord genomen.

169. Er is nog meer dat het bepalen van den vorm der composita moeilijk
maakt. In de vroegste tijden reeds ging men, schijnbaar althans, met
willekeur te werk, en vormde men, zonder eenig merkbaar onderscheid
in de beteekenis te stellen, nu eens eigenlijke samenstellingen, dan
eens koppelingen. De namen van de dagen der week leveren merkwaardige
voorbeelden van die schijnbare regelloosheid op. Zondag, Maandag,
Donderdag, Vrijdag, Zaterdag zijn eigenlijke samenstellingen, ofschoon
het eerste lid, blijkens lat. dies Solis, Lunae enz., stellig in de
betrekking van den genitief staat. Daarentegen zijn Dinsdag (Dies dach,
dag van den god Die) en Woensdag (Wodans dach), meer overeenkomstig
met de Latijnsche voorbeelden dies Martis en dies Mercurii, slechts
koppelingen. Die ongelijkheid, ofschoon zij waarschijnlijk hare
oorzaken heeft, laat zich thans niet meer verklaren. Men zal zulks
moeten erkennen, als men bedenkt, dat men in het Middelnederlandsch
zoowel Manendach, met den zwakken genitief van mane, als Maendach,
Donresdach (Donderdag) naast Donredach en Vriendach of Vrijndach
naast Vridach aantreft. Ook later ging men--voor ons verstand ten
minste--niet regelmatiger te werk. Zoo geeft, om slechts iets te
noemen, Kiliaan sonnenschijn op, als eene koppeling van schijn met
den zwakken genitivus sonnen; maar daarentegen maenschijn, als eene
echte samenstelling van maen en schijn.

170. Hier komt nog bij, dat de taal thans stellig naar
andere beginselen te werk gaat en meer naar duidelijkheid
streeft. Bepaaldelijk wil zij den vorm van het meervoud, waar
het begrip het denkbeeld van een meervoud medebrengt, terwijl
men zich oudtijds met den stamvorm vergenoegde. Dit blijkt
b.v. uit de vergelijking van de nieuwere woorden beeldengalerij,
krankzinnigengesticht, woordenboek enz. met de oudere beeldhouwer,
weeshuis, woordboeck enz.

171. Uit deze waarnemingen, beschouwd in verband met het
onderdrukken der n, volgt, dat men bij het verklaren en bepalen der
verbindingsletters, althans in de bijzondere gevallen, weinig of
geen licht kan vinden bij onze Ouden, omdat dezen, oogenschijnlijk
ten minste, zonder regelmaat te werk gingen. Zoo laat zich
b.v. niet uitmaken, of ons hedendaagsche zonneschijn en maneschijn
samenstellingen zijn van zon en maan in hun verouderden vorm sonne
en mane, dan wel koppelingen, bloote aanhechtingen van schijn aan de
zwakke genitieven sonnen en manen, met dezelfde onderdrukking der n,
die b.v. in spele(n)varen heeft plaats gehad.

172. Te midden echter van al die schijnbare onregelmatigheden
straalt een beginsel door, dat thans nog geldt, te weten het streven
naar welluidendheid, of liever, negatief gesproken, het zoeken om
onwelluidende vormen te vermijden.

Ontegenzeglijk klinkt het samentreffen van sommige medeklinkers
nagenoeg even onaangenaam, als zulks algemeen erkend wordt van de
onmiddellijke opeenvolging van twee klinkers, waarvoor men zelfs
opzettelijk een naam, hiatus, gaping, heeft uitgedacht. Sommige
verbindingsletters hebben dan ook buiten tegenspraak geen ander
doel, dan het vermijden van zulk een wanluidend samentreffen, en niet
zelden strekt de e alleen om twee medeklinkers, de n om twee klinkers
te scheiden.

173. Even zeker is het, dat buitengewoon lange samenstellingen
onwelluidend zijn en daarom door de taal zooveel mogelijk vermeden
worden. Dit blijkt duidelijk uit woorden als jongelingsvereeniging,
vondelingshuis en dergelijke, voor jongelingenvereeniging,
vondelingenhuis: vormen, die men niet gebruikt, omdat zij ééne
lettergreep langer zijn, ofschoon zij door de analogie van
boerenbedrijf, ziekenhuis enz. zouden gevorderd worden.

174. Van het tegenwoordige standpunt beschouwd, schijnt het alleszins
wenschelijk dat er regels gesteld worden, die volstrekte regelmatigheid
in de samenstellingen brengen, en waarbij men de beteekenis en de
onderlinge verhouding der leden niet voorbijziet. Uit alles echter
moet gebleken zijn, dat zulks geheel ondoenlijk is. Een aantal woorden
uit vroegeren tijd, samengesteld naar thans onbekende beginselen, of
schijnbaar tegen alle beginselen aan, hebben een vasten vorm gekregen,
die nu niet meer te veranderen is, b.v. eierdop, eierschaal. Aan het
stellen van algemeene regels, voor eene geheel consequente en tevens
logisch juiste compositie, is derhalve niet te denken, dewijl zulks
onvermijdelijk eene wijziging in den vorm van een zeer groot aantal
woorden ten gevolge zou moeten hebben, die, zoo zij daardoor ook
al niet geheel onkenbaar werden, dan toch een al te zonderlingen
indruk maken zouden. Wien toch zou het niet bevreemden dagraad,
bruidsgom en nachtgaal geschreven te vinden, ofschoon deze woorden in
overeenstemming zouden zijn met dagboek, dagregister, dagreis enz.,
met bruidsdagen, bruidstranen, bruidsgift, bruidsgoed enz., en met
nachtgewaad, nachtgoed, nachtkaars enz.

Logisch juist zijn de woorden ziekenhuis, oude-mannenhuis,
invalidenhuis, kinderhuis (met het oude meervoud kinder); minder goed
zijn weeshuis en duifhuis, hoewel te rechtvaardigen, als gevormd naar
de oorspronkelijke wijze van samenstellen; geheel onverdedigbaar is
daarentegen vondelingshuis. Doch wie zou zijne goedkeuring willen
hechten aan een regel, die voorschreef met strikt logische juistheid
kinderenhuis, vondelingenhuis, weezenhuis te schrijven, en duifhuis
door duivenhuis te vervangen, ten einde het met duivenhok en duiventil
in overeenstemming te brengen?

175. Is het stellen van algemeen geldige regels voor het vormen van
composita volstrekt onmogelijk, het is gelukkig ook niet noodig. De
Spelling heeft alleen te bepalen, hoe de gesproken woorden, haar
door de Etymologie of het Gebruik kant en klaar geleverd, behooren
geschreven te worden. Zij behoeft zich dus slechts te bemoeien met
die samenstellingen, wier vorm niet duidelijk uit de uitspraak blijkt,
en waarvan dientengevolge verschillende schrijfwijzen bestaan.

176. Doch ook zóó genomen heeft de zaak nog vele bezwaren in. Het
aantal der onzekere vormen is groot en bestaat uit verschillende
soorten; en daarnevens bevinden zich verscheidene woorden, tot
dezelfde soorten behoorende, die steeds onveranderlijk op dezelfde
wijze geschreven worden, wier vormen dus wel degelijk bepaald zijn,
maar naar verschillende en tegenstrijdige beginselen. Zoo schrijft
men onveranderlijk sterrekunde en instrumentmaker, met sterre en
instrument in den enkelvoudigen stamvorm; daarentegen, evenzeer
onveranderlijk, volkenkunde en sigarenmaker, met volk en sigaar
in den meervoudsvorm. Het is duidelijk, dat er geen regel bestaan
kàn, waarin beiderlei vormen gelijkelijk passen. Welke regels
men dus ook voor de onzekere vormen aanneme, er blijven altijd
eenige woorden over, die, zoo men te hunnen opzichte het Gebruik
wil blijven eerbiedigen, noodwendig buiten de regels vallen. Men
zou de zoodanige als uitzonderingen kunnen beschouwen en vermelden,
indien de uitspraak en spelling van alle even zeker ware als die van
de vier bovengenoemde, of indien er eenig herkenningsteeken bij die
uitzonderingen bestond. Daar dit echter in geenen deele het geval is,
en men toch wel niet verlangen kan, dat wij geheel beginselloos te
werk gaan, zoo blijft ons niets anders over, dan 1º. eenige regels aan
te nemen, die, zoo weinig mogelijk met het oude gebruik strijdende,
op de hedendaagsche richting der taal gegrond zijn, en daardoor recht
geven tot de verwachting, dat nieuwe woorden dienovereenkomstig zullen
gevormd worden; en 2º. de weinige woorden, wier vorm door het Gebruik
anders bepaald is, met die regels in overeenstemming te brengen. Uit
het aangevoerde toch moet niet slechts de onmogelijkheid gebleken
zijn van dit te vermijden, maar ook evenzeer de wenschelijkheid,
dat er eenmaal een einde kome aan de bestaande wanorde in het stuk
der compositie, en dat men daarbij duidelijk bewuste verstandige
beginselen volge. Wij voor ons ten minste rekenen ons verplicht
daarnaar te streven.

177. Het is duidelijk, dat de Spelling ook bij het stellen van zulke
regels, althans in de eerste plaats, behoort te werk te gaan naar
dezelfde beginselen, die bij het schrijven der grondwoorden gelden,
voor zooverre die hier van toepassing kunnen zijn. De Regels der
Gelijkvormigheid (§ 49) en der Afleiding (§ 54) bepalen den vorm der te
verbinden woorden, doch zwijgen natuurlijk van de verbindingsletters;
en daar men geheel van de onderstelling uitgaat, dat de Uitspraak niet
beslist, zullen voornamelijk de Analogie (§ 59) en de Welluidendheid
(§ 62) moeten geraadpleegd worden.

In één opzicht zal men genoodzaakt zijn van de aangenomen gewone
beginselen af te wijken: aan het Gebruik zullen hier aan de eene zijde
minder, aan de andere meer rechten moeten toegekend worden. Nergens
had dit vrijer spel dan in het stuk der compositie, waar zoovele
verschillende beginselen golden, en aanleiding gaven om de meest
uiteenloopende richtingen aan te nemen. Zal er eenige regelmaat in het
schrijven der samenstellingen bestaan, dan zal men soms van het Gebruik
moeten afwijken, zonder te kunnen bewijzen dat het volstrekt verkeerd
is, terwijl men het in andere gevallen zal moeten eerbiedigen, ofschoon
het moeilijk kan gerechtvaardigd worden; vergel. hier § 66. Zoo is de
spelling zedeleer en sterrekunde op zich zelve geheel wettig, als eene
samenstelling met den stamvorm zede en sterre; maar de Analogie en de
hedendaagsche richting der taal eischen zedenleer en sterrenkunde;
hier kunnen wij het Gebruik niet langer laten gelden. Daarentegen
zijn de gewone vormen eierdop, eierschaal (bij Kiliaan nog ey-dop,
ey-schale) verkeerd, en het meervoud door niets goed te maken; doch
wie zal nu eidop, eischaal willen geschreven zien?

178. Daar de bemoeiingen der Spelling zich niet verder behoeven uit
te strekken dan tot die verbindingsletters, die in de uitspraak niet
duidelijk worden gehoord, is het klaar, dat alle onderzoekingen zich
hier bepalen tot de n en de s. Men kan alleen onzeker zijn, of eene
toonlooze e al of niet door n gevolgd, en of eene s of z, waarmede
het tweede lid begint, al of niet door eene s wordt voorafgegaan;
b.v. of men konijnen- of konijnehaar, dorps- of dorp-schuit, eenigs-
of eenig-zins te schrijven heeft. Omtrent de overige letters, over
het al of niet aanwezig zijn van e en er, en van s, niet door s of
z gevolgd, beslist de Uitspraak.

Ten einde onder de duizenden samengestelde woorden niet geheel in
den blinde rond te tasten, zal het dienstig zijn vooraf na te gaan,
onder welke soort van samenstellingen de vermelde onzekerheden
worden aangetroffen. Bij dat onderzoek zullen wij het veiligst te
werk gaan, indien wij achtereenvolgens die woordsoorten uitmonsteren,
bij welke eene inlassching van verbindingsletters niet denkbaar is,
of in elk geval verkeerd zou wezen. Daar de verbindingsletters steeds
òf werkelijk uitgangen van het eerste lid zijn, òf als zoodanig worden
aangemerkt, zal men de samenstellingen naar de natuur van het eerste
lid in soorten of klassen moeten onderscheiden.

Alleen een voegwoord kan niet het eerste lid eener samenstelling
uitmaken; alle andere rededeelen, zelfs het lidwoord van bepaaldheid,
b.v. in dewijl, en de tusschenwerpsels ei en he in eilaas en helaas,
treden als eerste leden van composita op. Voor zooverre echter de
samenstellingen met onverbuigbare woorden beginnen, is het duidelijk,
dat er geene sprake van verbindingsletters kan wezen. Immers vermits
deze letters steeds werkelijke of gewaande buigingsuitgangen zijn,
ontbrak bij de woorden, die met indeclinabilia, met bijwoorden,
voorzetsels of tusschenwerpsels beginnen, de aanleiding tot
het aanwezig zijn of tot het ontstaan van verbindingsletters
geheel en al. Men treft er onder dezulke dan ook geene aan, zelfs
niet waar de welluidendheid ze zou kunnen vorderen. Men schrijft
algemeen medearbeider, medeërfgenaam, medeïngezetene, medeoorzaak,
medeüitverkorene, waarin niemand ter wegneming van den hiatus eene n
invoegt; eene waarneming, die bewijst, dat ook die verbindingsletters,
die blootelijk voor de welluidendheid strekken, toch naar de analogie
der buigingsletters ontstaan zijn.

De met onverbuigbare woorden aanvangende samenstellingen leveren
derhalve ten opzichte der verbindingsletters geene onzekerheden op;
deze zijn dus alleen denkbaar bij die soorten van composita, wier
eerste lid verbuigbaar is. Doch ook van deze vallen terstond een paar
soorten weg, waarover men zich niet verder te bekommeren heeft. De
hoofdgetallen blijven in de eigenlijke samenstellingen onveranderd,
en staan in zooverre gelijk met de onverbuigbare woorden. Men zegt en
schrijft driewerf, viermaal, vijfhoek, zeskantig, driesprong, tiental,
honderdvoud, duizendvoudig enz. De vormen op -en, als tweeën, drieën,
vieren enz., komen slechts alleenstaande, nooit in samenstellingen
voor; het gewone vierendeel is eene verbasterde uitspraak voor
vierdedeel. Er bestond dus ook nooit aanleiding tot het ontstaan
eener verbindings-n, zelfs niet ten gevalle der welluidendheid, hier
evenmin als bij de indeclinabilia; men zegt tweeoogig en driearmig,
niet tweenoogig en drienarmig. De vrouwelijke genitiefvorm op -er
treedt slechts voor -lei en -hande in eenerlei, tweeërhande enz. en
baart geene twijfelingen. Van de telwoorden blijven derhalve alleen
die weinige ter nadere behandeling over, die, als geen en veel,
op de wijze van bijvoeglijke woorden verbogen worden.

Ook de zelfstandige voornaamwoorden vallen buiten het
onderzoek. Van deze komt alleen zelf als het eerste lid in
samenstellingen voor. Ofschoon men het voorheen wel eens eene s
gaf, en b.v. soms zelfsbedrog schreef, in het hedendaagsche gebruik
blijft het onveranderlijk zelf: zelfbeschuldiging, zelfvertrouwen,
zelfverloochening enz.

179. Uit het aangevoerde volgt, dat alle twijfelachtige gevallen
moeten gezocht worden onder woorden, aanvangende met zelfstandige
naamwoorden, werkwoorden of bijvoeglijke woorden, te weten
lidwoorden, bijvoeglijke naamwoorden, bijvoeglijke voornaamwoorden
en onbepaalde telwoorden. Deze waarneming stelt ons in staat om
over den aard der verbindings-s en -n te oordelen. De n zal achter
zelfstandige naamwoorden òf het teeken moeten zijn van den zwakken
genitief, òf dat van het meervoud; achter bijvoeglijke woorden een
naamvalsuitgang; achter werkwoorden het teeken van den infinitief;
òf zij zal bloot euphonisch moeten wezen, wat achter allerlei woorden,
behalve indeclinabilia, kan plaats hebben. De s kan achter zelfstandige
naamwoorden den genitief of het meervoud aanduiden; achter bijvoeglijke
woorden zal zij het teeken van den sterken genitief wezen; òf zij zal
achter beide soorten als euphonisch zijn te beschouwen; achter stammen
van werkwoorden zal zij slechts de laatstgenoemde waarde kunnen hebben.

Beginnen wij met het onderzoek naar



De inlassching der verbindings-n.

180. Uit de vorige § vloeit voort, dat men bij het oordeelen
over de noodzakelijkheid of overtolligheid der verbindingsletters
volstrekt noodig heeft te weten, tot welke soort van woorden het
eerste lid behoort. In de meeste gevallen is dit niet moeilijk te
bepalen. Een werkwoord, al staat het in den stamvorm, laat zich
door zijne beteekenis in den regel duidelijk genoeg onderkennen;
doch substantieven en adjectieven zijn niet altijd zoo gemakkelijk
te onderscheiden. Met name is dit het geval met de stoffelijke
bijvoeglijke naamwoorden en de zelfstandige, waarvan zij gevormd zijn
door aanhechting van het achtervoegsel -en, welks n in het dagelijksch
leven zelden duidelijk uitgesproken, maar meestal geheel onderdrukt
wordt. Dit maakt, dat men op het gehoor af niet kan onderscheiden, of
men in samenstellingen met zelfstandige naamwoorden of met stoffelijke
adjectieven te doen heeft; of men b.v. tarwen- of tarwebrood, rijsten-
of rijstebrij moet schrijven. Daar de uitspraak hier niet beslist,
en de beteekenis, oppervlakkig beschouwd, beide schrijfwijzen schijnt
te wettigen, zal de analogie moeten geraadpleegd worden. Men heeft te
vragen, of er andere samenstellingen bestaan, waarvan het eerste lid
stellig en buiten allen twijfel een stoffelijk bijvoeglijk naamwoord
is. Bij onderzoek blijkt, dat er geen enkel zoodanig woord is te
vinden, maar integendeel een aantal, waarin het eerste lid uit
een zelfstandig naamwoord bestaat, dat de plaats bekleedt van een
stoffelijk bijvoeglijk naamw., of althans hetzelfde uitdrukt. Zoo
spreekt men van blik-, hout-, ijzer-, koper- en tinwaren; van
hout-, ijzer-, koper- en zilverwerk; van goud-, ijzer-, koper- en
zilverdraad; van goud- en zilverlaken; van goudguldens en zilvergeld;
van stroohoeden; van steen- en suikergoed; van pleisterbeelden;
van steen- en zandwegen; van steenrotsen, stroodaken en turfmuren;
van amandeltaarten, honingkoeken en peperkoek; terwijl er geen enkel
compositum met gouden, zilveren enz. is aan te wijzen. Hieruit blijkt
duidelijk genoeg, dat onze taal geene samenstellingen met stoffelijke
bijvoeglijke naamwoorden kent.

Dit liet zich reeds a priori voorzien. Het Nederlandsch toch,
ofschoon zoozeer als eenige taal het vermogen bezittende om samen
te stellen, maakt evenwel van dat vermogen slechts met tact en
wijze spaarzaamheid gebruik. Het vormt geene samenstellingen,
waaraan geene behoefte is; het koppelt daarom ook geen adjectief aan
het volgende substantief, wanneer er geen nieuw begrip ontstaat,
verschillende van dat, wat de woorden onvereenigd reeds zouden
uitdrukken. Composita als aequatoriaalcirkel, gymnasiaalonderwijs,
proportionaalpasser, privaatlessen enz. zijn germanismen, even
grof als privaataudientie, privaatleven, existentiaaloordeelen
en dergelijke. Een compositum goudenhorloge kon niet ontstaan,
omdat gouden horloge volkomen hetzelfde uitdrukt. Men kan derhalve
in de uitspraak roggenbrood, tarwenbrood enz., geene stoffelijke
bijvoeglijke naamwoorden erkennen. Het moge wezen, dat roggebrood,
tarwebrood enz. ontstaan zijn door het samenkoppelen van roggen
brood, tarwen brood enz., ten gevolge waarvan sommigen roggenbrood
en zelfs roggembrood uitspreken; maar nu de gevoelens verdeeld zijn,
moet het taaleigen beslissen. Het is uit dien hoofde raadzaam te
schrijven: boekweitebrood, gerstebrood, roggebrood, tarwebrood,
als samenstellingen met boekweit (oudtijds boeckweyte), gerst
(oudt. gerste), rogge en tarwe; en zoo ook rijstebrij, rijstepap,
gelijk haverbrij, gortpap, meelpap, van rijst (oudt. rijs) met eene
ingelaschte e of te naar het voorbeeld der overige samenstellingen, die
meestal drielettergrepig zijn. Wie in sommige der opgenoemde woorden
de n zou willen laten hooren, zou de woorden moeten scheiden en roggen
brood, weiten pannekoeken enz. schrijven, dewijl de n zich ook niet
als teeken van den zwakken genitivus laat rechtvaardigen, vermits
de taal de betrekking tusschen de stof en het daaruit vervaardigde
nooit door een 2den naamval uitdrukt. Daarentegen schrijve men:
boonenbrood, kanenbrood, gruttenbrij, frambozenkoekjes, erwtensoep,
omdat deze gevormd zijn van de meervouden boonen, kanen, grutten,
frambozen, erwten.

Verder volgt hieruit, dat men, van aarden vaatwerk en van een kunstweg
sprekende, overeenkomstig het bijna algemeene gebruik, aardewerk en
aardebaan zeggen moet; niet aardenwerk, aardenbaan, ofschoon deze
vormen, taalkundig nooit te verdedigen, wel door eene ongeoorloofde
samenkoppeling met aarden kunnen ontstaan zijn.

181. Indien het zeker is, dat men in die gevallen, waarin de zin
desnoods een stoffelijk bijvoeglijk naamwoord zou toelaten, met een
zelfstandig naamw. te doen heeft, dan lijdt het wel geen twijfel,
dat zulks nog veeleer het geval is bij woorden, in wier beteekenis
slechts met moeite die van een stoffelijk bijvoeglijk naamwoord in
te wringen is. In dit geval verkeeren de boomnamen, samengesteld met
een woord, dat reeds op zich zelf een boomnaam is, b.v. berkeboom,
beukeboom enz. Een berkeboom is toch wel bezwaarlijk op te vatten
als een berken of berkenhouten boom, gelijkstaande met berken bezem,
berken roede. Daarom treft men in berke-, beuke-, denne-, eike-,
elze-, essche-, ijpe-, sparre- en wilgeboom, waarin sommigen eene n
schrijven, evengoed als in abeel-, ceder-, olm-, palm- en pijnboom,
en in lindeboom, waarin nooit eene n gehoord wordt, geene bijvoeglijke
naamwoorden aan, maar de boomnamen in hun ouden vorm berke, beuke,
denne, eike enz., uit den tijd toen zij, gelijk linde nog, op e
uitgingen. Daar boom in berkeboom als het ware de appositie is van
berk, en beide leden derhalve in gelijke betrekking staan, is de n
ook niet als teeken van den zwakken genitief te verdedigen.

    De woorden grenen en vuren, die in onze taal den grondvorm missen,
    maar rechtstreeks zijn afgeleid van Noordsche benamingen van
    denneboomen, zijn wel stoffelijke bijvoegl. naamwoorden; doch daar
    de grondvormen bij ons onbekend zijn, kunnen zij niet anders dan
    als Nederlandsche grondwoorden beschouwd worden, die als zoodanig
    in de samenstelling onveranderlijk zijn.



De n achter substantieven als teeken van den zwakken genitief.


182. De n kan als teeken van den genitief gewettigd schijnen achter de
substantieven der zwakke declinatie, dat wil zeggen achter dezulke,
die in den 2den naamval van het enkelvoud n of en aannemen, en die
zich voorheen ook daardoor onderscheidden, dat zij in alle naamvallen
van het meervoud op en uitgingen, terwijl die der sterke declinatie
e of s aannamen. Deze zijn, behalve het onzijdige hart (des harten),
louter manlijke persoonsnamen; te weten alle die op e eindigen,
als bode, erve, getuige; de als persoonsnamen gebezigde bijvoeglijke
naamwoorden: arme, bediende, blinde, gedaagde, gevangene, kreupele,
lamme, rijke, overste, zieke enz., waartoe ook die behooren, welke
de e hebben afgeworpen, als dwaas (des dwazen), gek, vrek, zot, en
eindelijk nog graaf, heer, mensch, paus, prins en vorst, die voorheen,
op paus na, insgelijks op e uitgingen, en gedeeltelijk soms nog met
e geschreven worden, als grave, heere, mensche.

183. De zwakke declinatie was oudtijds veel talrijker en bevatte niet
slechts nog andere manlijke en onzijdige substantieven, die thans
sterk verbogen worden, maar ook vrouwelijke, die nu alle verbuiging
hebben verloren.

Tot de manlijke behoorden nog andere persoonsnamen, als hertog, jood,
profeet, slaaf, soldaat;--diernamen als aap, beer, bul of bol, draak,
haan, haas, os, pauw; en namen van levenlooze dingen, als gaard,
naam, wil. Deze gingen insgelijks meest op de toonlooze e uit: jode,
profete, slave, ape, bere, bolle, drake, hane, hase, osse, paeuwe,
gaerde, name, wille enz.

Ook de onzijdige ooge en oore werden oorspronkelijk zwak verbogen,
ten gevolge waarvan zij eerst vrouwelijk werden, om later, na afwerping
der e, tot het onzijdige geslacht terug te keeren.

Grooter was de klasse der vrouwelijke zwakke substantieven, waartoe
vrouwe, coninginne, deure, eere, kerke, mane, sonne e.a. behoorden.

184. De verbuiging der genoemde woorden veranderde natuurlijk niet
plotseling en op eenmaal; zij bleef lang tusschen zwak en sterk
dobberen, zoodat men zelfs bij eenen en denzelfden schrijver nevens
elkander des profeets en des profeten, des leeuws en des leeuwen,
des osses en des ossen, der vrouwe en der vrouwen, der aerde en der
aerden, der eere en der eeren enz. aantreft.

Het langst hield de zwakke vorm stand, wanneer het regeerende
substantief of een ander innig verbonden woord op den genitief
volgde. Zoo leest men bij dezelfde schrijvers: eens profeten sone, des
leeuwen muyl, des profeten Jeremia enz., naast: de stemme eens fellen
leeuws, Ahia des profeets enz., waar de omgekeerde woordschikking
plaats heeft.

185. Uit constructiën als de eerstgenoemde, waarin de genitief vóór het
beheerschende woord staat, b.v. eens profeten sone, eens vorsten telg,
eens heeren knecht, des prinsen vlag, eens bullen pees, eens hanen
poot, eens leeuwen muil, eens ossen tong enz., konden lichtelijk
door koppeling composita ontstaan, als profetenzoon, vorstentelg,
heerenknecht, prinsenvlag, bullenpees, hanenpoot, leeuwenmuil,
ossentong enz.; op dezelfde wijze als Godszoon, bokspoot, hondstand,
wolfshonger enz. uit Gods zoon, eens boks poot, eens honds tand, eens
wolfs honger. Zeker is het dat sommige samenstellingen werkelijk aan
zulk eene koppeling haar ontstaan te danken hebben, b.v. 's-Gravenhage,
's-Hertogenbosch, Mijns-Heerenland, eerenprijs (naam eener plant);
het afgekorte lidwoord 's (voor des), het voornaamw. mijns en het
gemis van het meerv. van eer of eere stellen zulks buiten twijfel. Men
mag dus veilig aannemen, dat ten minste eenige der bovengenoemde,
misschien alle, en nog vele andere koppelingen enkelvoudige genitieven
bevatten. Doch even zeker is het, dat men daarbij, behalve bij
eigennamen, gelijk de bovengenoemde van lidwoorden of voornaamwoorden
vergezeld, thans niet meer aan een tweeden naamval denkt; de uitspraak
der meest gebruikelijke woorden leert zulks duidelijk. Men zegt toch
algemeen zonder n: bullepees, hanekam, hanepoot, haneveer, hazesprong,
ossetong, pauweveer; niet bullenpees, hanenkam enz., ofschoon men
daarnevens wel degelijk van bokspooten, hondstanden, lamsbouten,
ramshorens en arendsneuzen spreekt, waarin ontwijfelbaar de sterke
genitivus gehoord wordt. De oorzaak is klaarblijkelijk daarin gelegen,
dat de zwakke genitieven zeldzaam geworden en uit de omgangstaal geheel
verbannen zijn, en nu alleen nog in hoogeren stijl worden gebezigd. Het
is een gevolg van de richting, die onze taal in de laatste eeuwen
heeft genomen. De zwakke genitief leeft niet meer in het bewustzijn
des volks, hij is verouderd; de sterke heeft zijne plaats ingenomen
op weinige uitzonderingen na, die tot den deftigen stijl behooren,
welke gaarne eenigszins verouderde uitdrukkingen bezigt. Er staat
eene andere richting tegenover, namelijk het toenemen der n van het
meervoud. In het Middelnederlandsch eindigden alle sterke substantieven
in het meervoud slechts op eene e: honde, hande enz., thans alle op
en. In de 17de eeuw nog gingen de gesubstantiveerde adjectieven, als
arme, rijke enz., in het meervoud op e uit, thans insgelijks op en:
de armen enz. De n van het meervoud is dus toegenomen, naarmate die
van den zwakken genitief verminderd is. Aan de vereenigde werking der
beide richtingen is het toe te schrijven, dat men de n in de composita
niet meer als het teeken van den genitief, maar als den uitgang van
het meervoud aanmerkt. Duidelijk blijkt zulks uit die samenstellingen,
waarin het eerste lid een vroeger zwak verbogen substantief is, die
dus de n behoorden te hebben, maar ze door s hebben vervangen, als:
naamsverwisseling, wilskracht, hartstocht, hartsvriendin, eershalve,
maansverduistering, vrouwspersoon, zonsondergang enz. Neemt men hierbij
in aanmerking, dat, niettegenstaande alle vrouwelijke woorden thans
onverbogen blijven, er toch in composita een groot aantal worden
aangetroffen, waarin s de betrekking van den genitief uitdrukt,
als in deugdsbetrachting, krachtsontwikkeling, liefdesverklaring,
stadspoort, vriendschapsbetuiging, waarheidsliefde, zielsverdriet,
zuinigheidsmaatregel; en dat er volstrekt geene samenstellingen als
deurenpost, kerkentoren, manenschijn, stedenpoort, zonnenstraal
enz. bestaan, ofschoon men daarin met recht de n van den 2den
naamval zou verwachten, dan moet men wel besluiten, dat de taal
in samenstellingen geene n meer als teeken van den 2den naamval
beschouwt. Maar dan zou het ook eene miskenning van hare geschiedenis
wezen, indien men thans nog in composita eene twijfelachtige n wilde
schrijven, alleen op grond, dat zij de betrekking van een enkelvoudigen
genitivus moest aanduiden.

186. Uit het aangevoerde volgt, dat de samenstellingen met het
enkelvoudige hart geene n behooren te hebben. Men zegt algemeen:
hartediefje, harteleed, hartelust; en de woorden hartstocht en
hartsvriendin bewijzen voldingend, dat men zelfs bij dit woord,
ofschoon het werkelijk nog zwak verbogen wordt, in composita niet meer
aan den zwakken genitief denkt. Daarom is hartewensch de eenige thans
consequente vorm, hoewel men nu en dan nog wel hartenwensch gespeld
ziet. De vormen met harten- verwekken kennelijk de gedachte aan een
meervoud, gelijk b.v. hartenaas, hartenheer in het kaartspel.

187. Doch alhoewel het zeker is, dat de taal thans het invoegen eener
twijfelachtige n niet wettigt, indien er in het geheel geen andere
grond voor bestaat dan het uitdrukken van een genitief, die niet meer
gevoeld wordt, even zeker is het, dat zij die invoeging niet verbiedt,
wanneer daarvoor andere redenen aan te voeren zijn.

In geen geval zal iemand de n willen missen in 's-Gravendeel,
's-Gravenhage, 's-Heerenberg, 's-Hertogenbosch, Mijns-Heerenland en
dergelijke namen, in welke hare beteekenis ten gevolge der voorafgaande
genitieven 's en mijns duidelijk wordt gevoeld. Maar er zijn ook
andere gevallen, waarin men eene n zal willen schrijven, ofschoon
zij alleen kan beschouwd worden als teeken van een enkelvoudigen
2den naamval, waarvan men zich niet duidelijk bewust is. Er bestaan
namelijk eenige woorden met dubbele beteekenis, die in de eene, in de
oneigenlijke opvatting, als teeken van het meervoud eene n eischen,
welke in de eigenlijke slechts den 2den naamval van het enkelvoud
kan vertegenwoordigen. De overdrachtelijke opvatting dier woorden,
dus hun vorm met n, is de gewone; de eigenlijke, die strikt genomen de
n zou kunnen missen, komt uit haren aard slechts hoogst zelden voor,
terwijl het voor de duidelijkheid onverschillig is en dus nutteloos en
spitsvondig zou zijn de beide opvattingen door verschil in spelling
te onderscheiden. Daar nu de n in de bedoelde woorden als teeken van
den zwakken genitief grammatisch volkomen gerechtvaardigd is, zoo
hebben daar de Analogie en het in § 67 aangemerkte volle kracht. Zie
over deze woorden beneden § 194.

Kan de hoedanigheid van teeken van den zwakken genitief eene voldoende
reden zijn om eene n te schrijven, waar de Analogie daarvoor pleit;
zij is geen voldoende grond voor haar behoud, waar de Analogie haar
verwerpt. Dit is het geval bij eerenprijs als plantnaam. Het is wel
niet denkbaar, dat men de plant (veronica) zal verwarren met een
eereprijs als eerbewijs; de onderscheiding door de spelling is dus
volstrekt nutteloos en daarom af te keuren. Wij schrijven uit dien
hoofde eereprijs zonder n in de beide opvattingen van het woord,
naar analogie van eereboog, eerelid, eereplaats, eerepoort, eerepost,
eerezetel enz.



De n achter substantieven als het teeken van het meervoud.


188. Daar in eigenlijke samenstellingen het eerste lid oorspronkelijk
in den stamvorm, dus noch in het enkelvoud noch in het meervoud
voorkwam, behooren alle samenstellingen met een meervoudig eerste
lid noodwendig tot de nieuwere tijden. Doordien er nu een aantal
composita gevonden worden, die een meervoud onderstellen, maar wier
eerste lid desniettemin enkelvoudig is, b.v. geweermaker, pijlkoker,
patroontasch, weeshuis enz., heeft men wel eens getwijfeld aan het
bestaan van eigenlijke samenstellingen, wier eerste lid meervoudig
is. Er worden er evenwel genoeg gevonden, die niet twijfelachtig
zijn. Niemand toch denkt er aan, in plaats van kinderschooltje,
kalverliefde, eierkorf, raderwerk, lucifersdoosje, huisjesmelker,
meisjesgek, sigarenkoker, krankzinnigengesticht enz., kindschooltje,
eikorf enz. te zeggen en te schrijven; en toch, -er duidt steeds, en de
s en en duiden in de genoemde woorden ontegenzeglijk het meervoud aan.

Het aanwezig zijn van samenstellingen met een meervoud, die
voorheen onmogelijk waren, en die meestal eerst in de jongste
tijden gevormd zijn, bewijst--wat in zoovele andere opzichten
blijkt--dat de taal ook bij het samenstellen al meer en meer het
begrip op den voorgrond schuift, en de duidelijkheid wil bevorderen,
al kan zulks ook slechts geschieden met opoffering der oudere vormen
en taalregels. Men heeft hierin een wenk te zien, dien men bij het
kiezen tusschen verschillende schrijfwijzen moet gehoorzamen, ook dan
zelfs, wanneer het Gebruik in een enkel geval stellig nog het oudere
voortrekt. Wij nemen daarom als regel aan, dat die samenstellingen,
eigenlijke zoowel als koppelingen, wier eerste lid noodwendig als
de aanduiding eener veelheid moet opgevat worden, in twijfelachtige
gevallen den meervoudsvorm vereischen, dat wil zeggen, achter de
toonlooze e eene n als teeken van het meervoud moeten hebben. Wij
schrijven volgens dat beginsel met eene n: bessensap, biezenkistje,
boekenkast, boekenrek, boekenstalletje, brievenbesteller, brievenpost,
brillenslijper, broekenstof (en broekstof), dennenwoud, dievenbende,
druivennat, druiventros, duitendief, duiventil, eendenkooi, eikenbosch,
engelenkoor, gortenteller, grappenmaker, hanengevecht, heldenschaar,
hemdenlinnen, hertenkamp, hoedenmaker, ijpenlaan, jodenbuurt,
kleerenmaker (en kleermaker), koekenbakker, kousenwever, mandenmaker,
messenmaker, muggenzifter, pottenbakker, pottenkast, pruikenmaker,
rozenkrans, sigarenfabriek, snarenspeeltuig, stoelendraaier,
stokkenknecht, woordenboek, woordenlijst enz., omdat bij die woorden
steeds aan eene veelheid wordt gedacht, en b.v. eene kast, waarin,
onder andere dingen, één boek wordt geborgen, geene boeke- noch
boekenkast heet, noch een grofsmid, die voor eigen gebruik een mes
vervaardigt, dientengevolge een messe- of messenmaker wordt. De meeste
der opgenoemde woorden worden trouwens algemeen met eene n gespeld;
er kan geene reden bestaan om voor diegene, die men gewoonlijk anders
schrijft, eene uitzondering te maken.

    Onder de opgenoemde woorden zullen die op -maker (-makerij)
    en dergelijke den meesten aanstoot geven. Men ziet ze op
    uithangborden en in andere opschriften doorgaans, hoewel met
    loffelijke uitzonderingen, zonder n geschreven. Wanneer men
    echter in aanmerking neemt, dat die spelling òf dagteekent uit
    den tijd, toen de woorden der sterke declinatie in het meervoud
    nog op e uitgingen, een gebruik dat feitelijk afgeschaft is; òf
    dat zij een gevolg is van het onderdrukken der n in de uitspraak,
    hetgeen slechts misbruik kan heeten; maar dat de e in verreweg de
    meeste gevallen niet anders dan als het teeken van het meervoud
    kan beschouwd worden: dan is het rationeel die spelling te volgen,
    welke de taal sedert een paar eeuwen buiten de samenstelling als
    regel heeft aangenomen.

189. Ingevolge dit beginsel schrijven wij, tegen het algemeene
gebruik aan, zedenkunde, zedenleer, sterrenkunde met den
meervoudsvorm. Ofschoon de vormen zedeleer en sterrekunde verdedigd
kunnen worden als eigenlijke samenstellingen met zede en sterre in
den stamvorm, en dus gelijkstaande met dierkunde, boekvertrek enz.,
zouden wij meenen de nieuwere richting in de taal te miskennen,
indien wij hier, het Gebruik volgende, het eenvoudige, bij dierkunde,
weeshuis en dergelijke niet, maar hier zeer goed aanwendbare middel
versmaadden, om aan het woord den vorm te geven, die thans vereischt
wordt, en dien men stellig kiezen zou, indien het woord niet reeds
bestond, maar nog eerst gevormd moest worden; gelijk blijkt uit de
jongere woorden plantenkunde, volkenkunde, warenkennis.

    Deze regel, hoezeer ook schijnbaar algemeen, neemt nochtans
    niet alle ongelijkheid weg; er blijven naast de genoemde en
    dergelijke woorden een aantal bestaan, wier eerste lid wel altijd
    den enkelvoudigen vorm zal behouden, b.v. hoefsmid, geweermaker,
    pijlkoker, zwaardveger enz. Bepaaldelijk behooren hiertoe alle,
    die op de toonlooze lettergrepen -el, -em, -en en -er uitgaan, als:
    ketelboeter, orgelmaker, bezembinder, wagenmaker, leugendichter,
    ankersmid, spijkerfabriek. Wie zou deze en dergelijke woorden, wier
    vorm trouwens door de uitspraak niet twijfelachtig gelaten wordt,
    in gewerenmaker, zwaardenveger, ketelsboeter enz., willen veranderd
    hebben? Hoevensmid, hoewel het woord een meervoud onderstelt,
    zou het begrip vooral niet beter uitdrukken dan hoefsmid.

190. Van een aantal woorden is het niet twijfelachtig, dat het eerste
lid enkelvoudig gedacht wordt, b.v. bijleman (sappeur), bakkebaard,
brilleglas, bruggegeld, druivepit, galgebrok, hertebeest, lampeglas,
messescheede, mollevel, notedop, pruimesteen, ruggemerg, slippedrager,
spillebeen, tinnegieter, enz.--Dezulke bekomen natuurlijk geene n,
tenzij deze door de euphonie ter vermijding van den hiatus geëischt
wordt, b.v. geitenoog, ganzenei, brillenhuisje enz., waarvan beneden.

191. Uit de twee vorige §§ volgt, dat vele substantieven als eerste
leden van composita stellig nu eens in het enkelvoud, dan eens in het
meervoud behooren te staan; zoo b.v. paard in paardekop, paardestaart,
en paardenmarkt, paardenkooper. Niet altijd echter ligt het even klaar
voor oogen, welke vorm vereischt wordt, vermits niet zelden zoowel het
enkel- als het meervoud denkbaar is. Heeft men b.v. kurketrekker of
kurkentrekker te schrijven? is het een werktuig om telkens slechts de
kurk van ééne flesch, of om de kurken van alle voorkomende flesschen
te trekken? Zulke vragen, waarop de beteekenis geen beslissend antwoord
geven kan, doen zich vele voor; hoe de spelling van zulke woorden in te
richten? Wij meenen hier twee hoofdgevallen te moeten onderscheiden:
het woord in quaestie kan in dagelijksch gebruik zijn, en zijn vorm
om zoo te zeggen nagenoeg vaststaan; het kan ook tot de meer zeldzaam
voorkomende behooren. In het laatste geval is de spelling doorgaans nog
dobberend, en kan men dus vrijer handelen en de beginselen onbeschroomd
toepassen; in het eerste is men minder vrij en half genoodzaakt de
spelling, zooveel zonder verzaking van beginselen mogelijk is, met
het Gebruik in overeenstemming te laten. Om die redenen meenen wij
het volgende in het oog te moeten houden:

192. Aan woorden, het dagelijksch leven en de huishouding betreffende,
die elk oogenblik in ieders mond komen, zet eene nooit of zelden
uitgesproken n een voorkomen van deftigheid en stijfheid bij,
strijdig met hunne beteekenis. Om die reden meenen wij de invoeging
der n in zoodanige woorden zooveel mogelijk te moeten vermijden, en
het enkelvoud te erkennen, waar de beteekenis zulks maar eenigszins
toelaat. Zoo schrijven wij b.v. flesschebakje, omdat het telkens voor
slechts ééne flesch dient, en om dergelijke reden ook: hondeketting,
kurketrekker, kurketang, pennemes, pijpedop, pijpewroeter, pruikebol,
mutsebol, hoededoos enz. Waar het enkelvoud echter geheel tegen de
natuurlijke opvatting strijdt, gelooven wij den meervoudsvorm ook bij
zulke dagelijksche woorden te moeten aannemen, en b.v. flesschenrek,
kurkenmandje, pennenkoker, naaldenkoker, speldenkussen, messenmandje,
pijpenlade, pijpenmandje enz. te schrijven.

    Men moge deze onderscheiding spitsvondig noemen, in de Spelling,
    zal zij niet geheel beginselloos en willekeurig zijn, is men niet
    zelden gedwongen onderscheidingen in het oog te houden, die op zich
    zelve geene of slechts geringe waarde hebben; vergelijk § 67. Wij
    aarzelen hier te minder op de beschrevene wijze te werk te gaan,
    daar wij in dezen voorgangers hebben in de Fransche grammatici,
    die bij composita op gelijke wijze handelen, en die, voor zooverre
    ons bekend is, geene afkeuring hebben ondervonden. Men denke hier
    aan het verschil in de spelling van chauffe-lit, porte-bougie,
    tire-balle, tire-bouchon, serre-tête enz., en van chauffe-pieds,
    essuie-mains, porte-clefs, tire-bottes, serre-papiers enz.

193. In sommige gevallen, waarin de beteekenis strikt genomen de
beide getallen toelaat, wil het Gebruik den meervoudsvorm. Dit heeft
plaats bij samenstellingen, wier eerste lid een persoonsnaam is,
die zekeren stand in de maatschappij uitdrukt, als: boer, heer,
slaaf, vrouw en dergelijke. Ofschoon een boerenzoon de zoon is van
éénen boer, eene soldatenmonteering de monteering van éénen soldaat,
eene vrouwenmuts de muts van ééne vrouw, schrijft men toch deze
woorden steeds met eene n. Evenzeer zegt en schrijft men nagenoeg
algemeen: bodenloon, boerenbedrijf, boerendochter, boerenhofstede,
boerenwoning, heerendienst, heerenhuis, heerenknecht, heldenarm,
heldendaad, heldenmoed, maagdenhart, maagdenschenner, matrozenhoed,
matrozenlied, matrozenpak, meidendienst, meidendracht, slavenaard,
slavenarbeid, slavendienst, slavenwerk, soldatenkind, soldatenvrouw,
studentenhaver, studentenlied, vorstenkroon, vorstentelg, vorstenzoon,
vrouwenhand, vrouwenhemd, vrouwenkleed, vrouwenrok enz. Kennelijk
denkt men hierbij aan het meervoud, aan den geheelen stand, door het
meervoudige eerste lid vertegenwoordigd. Boerenwoning wordt opgevat
als woning, gelijk iemand uit den boerenstand bewoont; vrouwenrok
als rok, gelijk de vrouwen dragen. Menschenbloed, vorstentelg mogen
oorspronkelijk beteekend hebben: bloed van een mensch, telg of kind
van een vorst, thans worden die uitdrukkingen opgevat als bloed van
een individu van het genus menschen, als telg van een geslacht van
vorsten.--Ongetwijfeld heeft de verbuiging tot de vestiging van dit
gebruik medegewerkt. De genoemde woorden toch vormen hun meervoud
uitsluitend met en, zoodat de s het meervoud in die samenstellingen
niet vertegenwoordigen kan. Daarentegen nemen dezulke, die hun meervoud
òf alleen met s òf met s en en beide vormen, als: jongen--jongens,
kok--koks, meisje--meisjes, knecht--knechts en knechten, man--mans
en mannen, officier--officiers en officieren, smid--smids en smeden
enz., in zulke samenstellingen doorgaans de s aan: jongenspak,
jongenswerk, knechtsdienst, knechtslivrei, koksmaat, kokswerk,
kuipersambacht, kuipersboor, manshand, mansrok, meisjeskleeren,
meisjesstem, officiersepaulet, officiersuniform, sergeantsvrouw,
smidsknecht, smidswerk, smidswinkel enz.

    a. Zulke samenstellingen met s behooren veelal tot den
    dagelijkschen stijl. Komt een woord alleen in meer deftigen
    stijl voor, dan heeft het eerste lid den meervoudsvorm op en,
    als: mannenmoed, officiereneer, knechtenaard.

Op grond dezer waarneming stellen wij ons den volgenden regel:
De samenstellingen, wier eerste lid een een- of tweelettergrepige
persoonsnaam is, die zijn meervoud uitsluitend met en vormt, hebben
het eerste lid in den meervoudsvorm, zoodra het begrip de voorstelling
van veelheid slechts toelaat, d.i. zoodra het eerste lid gedacht
kan worden den geheelen stand te vertegenwoordigen. Volgens dezen
regel schrijven wij ook: boerinnenjak, -muts, gekkenpraat (praat
zooals die van gekken), maagdenpalm, maagdenwas, boeren-, heeren-,
prinsessenboonen, prinsessenbier enz., ofschoon het Gebruik hier soms
dobbert of zelfs het omgekeerde wil.

    b. De regel bevat twee beperkingen. Hij sluit vooreerst de
    woorden van meer dan twee lettergrepen uit, als: jongeling,
    kweekeling, komediant, muzikant, predikant en dergelijke,
    ofschoon zij hun meervoud door achtervoeging van en maken. Men
    zegt niet: jongelingendroomen, jongelingenjaren, komediantenvrouw,
    predikantenkostuum, predikantenzoon, maar met s: komediantsvrouw,
    predikantskostuum, predikantszoon enz. Blijkbaar is het de
    Welluidendheid, die noodelooze lange samenstellingen afkeurt,
    maar die het meervoud slechts toelaat, waar het onvermijdelijk
    is, b.v. bij komediantentroep, predikantenvereeniging en
    dergelijke. Men zegt zelfs jongelingsvereeniging, ofschoon
    jongelingenvereeniging zou te verkiezen zijn. Zie hier §
    173. Alleen de meerlettergrepige vrouwennamen op -in, als koningin,
    hertogin, maken uitzonderingen. Zij volgen de analogie van boerin:
    koninginnenkroon enz.

    c. De tweede beperking is uitgedrukt in de woorden: »zoodra het
    begrip de voorstelling eener veelheid toelaat." Immers, waar dit
    het geval niet is, is de meervoudsvorm ook niet in gebruik. Daarom
    zegt men niet vrouwenpersoon, maar vrouwspersoon. Alleen
    schrijve men Lieve-Vrouwenkerk en Lieve-Vrouwen-bedstroo, omdat
    die woorden, ofschoon het begrip van een enkelvoud bevattende,
    voorheen naar de zwakke verbuiging van vrouwe gevormd zijn, en
    in de beschaafde uitspraak de n, als teeken van den genitief,
    kennelijk hebben behouden.

194. Nagenoeg in hetzelfde geval als de woorden van persoonsnamen,
gevormd, verkeeren sommige samenstellingen, wier eerste lid een
manlijke diernaam is. Ook deze hebben in sommige gevallen den
meervoudsvorm. Het Gebruik handelt hier echter minder eenparig. Zoo
zegt en schrijft men vrij algemeen: apengezicht, berenklauw,
drakenbloed, elpenbeen, leeuwenbek; doch nooit bullenpees, hanenkam,
hanenveer, hazensprong, kattenkwaad, koeienkop, muizenkeutel,
pauwenveer, vlooienbeet. Stellig is ook hier de declinatie de oorzaak
van het bestaan der n, want men zegt arendsneus, bokspoot, boksbaard
(plant), hondstong (plant), hondstanden (hoektanden), wolfshonger,
wolfsklauw (plant) enz., van arend, bok, hond enz., welke steeds tot
de sterke declinatie behoord hebben. Ofschoon het waarschijnlijk is,
dat sommige dier composita met n oorspronkelijk koppelingen van zwakke
enkelvoudige genitieven waren, zoo kunnen zij volgens § 185 thans
niet meer als zoodanig erkend worden, maar is het een vereischte,
dat men ten minste aan het meervoud denken kan. De schrijfwijzen
hanenkam, het woord in den oneigenlijken zin genomen, mollenpoot,
paardenstaart, zijn dus reeds uit dien hoofde verwerpelijk, omdat
de beteekenis het enkelvoud van haan, mol en paard onderstelt. De
meeste woorden, waarin het Gebruik de n wil, laten trouwens ook,
evenals de composita met persoonsnamen (waarvan in de vorige §),
inderdaad toe aan het meervoud te denken, en hebben daarbij meest een
overdrachtelijken zin. Zoo beteekent apengezicht nooit, immers hoogst
zelden, het gezicht van eenen aap, maar wel het gelaat van een mensch;
het woord kan dus opgevat worden als gezicht, gelijkende op dat van
apen in het algemeen. Evenzoo verstaat men door berenklauw zelden
den klauw van een beer, maar doorgaans òf eene plant, òf den poot
van een of ander meubel, die den vorm heeft van eenen klauw zooals
die van beren; door drakenbloed eene soort van hars, door leeuwenbek
eene bloem. Niet alle woorden echter nemen overdrachtelijk gebezigd
de n aan; zoo b.v. niet hanekam (bloem), rattestaart (ronde vijl). De
oorzaken van die uitzonderingen zijn verschillend. Vooreerst is het
zeker, dat 1º. de woorden, waarachter het Gebruik de n stellig wil,
manlijk zijn en voorheen zwak werden verbogen, als aap, beer enz., zie
boven § 183, waardoor alle vrouwelijke en onzijdige, en ook de voorheen
sterke manlijke, worden buitengesloten; en dat 2º. het aanwezig zijn
eener s het teeken is, dat een woord òf steeds sterk is geweest, òf dat
zijn zwakke vorm in vergetelheid is geraakt. Vervolgens, dat 3º. de
n in dagelijksche, veel gebruikte woorden te deftig klinkt. Nemen
wij bij dat alles ook de Analogie in aanmerking, dan meenen wij, in
overeenstemming met den regel voor de samenstellingen met persoonsnamen
in de vorige §, den volgenden regel te moeten stellen:

Samenstellingen, wier eerste lid een manlijke diernaam is, die geene
composita met s vormt, nemen eene n als teeken van het meervoud aan,
wanneer zij gewoonlijk, hetzij eigenlijk hetzij overdrachtelijk,
gebezigd worden in eene beteekenis, waarbij men aan het geheele
geslacht, de geheele diersoort, denkt. Zij behouden de n volgens §
187 ook wanneer zij--wat zelden het geval is--in eene eigenlijke
opvatting voorkomen, waarin de n slechts als het teeken van den
enkelvoudigen 2den naamval kan beschouwd worden.

Volgens dezen regel schrijven wij: apengezicht, apenkuur, apenliefde,
berenjong, berenklauw (plant, of poot van een meubel), drakenbloed
(hars), hazenlip, hazenmond (gebrekkige vorming van lip of mond),
hazenslaap, leeuwenbek (bloem), leeuwenkop (versiersel), leeuwenwelp,
stierenkop (hoofdig of norsch mensch) enz., naar analogie van
menschenkind, heerendienst, boerenzoon, vorstentelg enz. Wij behouden
die spelling op grond der Analogie ook dan, wanneer apengezicht,
berenklauw, leeuwenkop in hunne eigenlijke beteekenis genomen worden
voor gezicht van een aap, klauw van een beer, kop van een leeuw,
omdat deze laatste opvatting tot de zeldzame uitzonderingen behoort.

Daarentegen schrijven wij zonder n: kattekwaad, paardevoet (gebrekkig
gevormde menschenvoet), rattestaart (vijl), omdat kat, paard en rat
niet manlijk zijn;--bokkesprong, mollepoot, omdat de s van bokspoot
en molshoop verbieden aan de zwakke declinatie te denken. Zoo ook
hanekam (bloem), haneveer (twistziek mensch), omdat beide woorden
evenzeer in hun eigenlijken zin in gebruik zijn, waarin zij buiten
alle tegenspraak de al te deftige n hebben uitgeworpen, die daarin
slechts als het teeken van den enkelvoudigen 2den naamval, niet als
teeken van het meervoud kan beschouwd worden. Nagenoeg in hetzelfde
geval verkeert hanepooten, slecht schrift, ofschoon het woord zelden
in eigenlijken zin wordt genomen; de niet twijfelachtige uitspraak
van de overige samenstellingen met haan, als hanebalk, haneschree,
hanespoor, hanetred, maakt het niet raadzaam in hanepoot de Analogie
te verlaten. Hanengekraai, voor gekraai der gezamenlijke hanen eener
buurt, vereischt, gelijk ieder gevoelt, de n van het meervoud.

Men vergete vooral niet, dat het buitensluiten der vrouwelijke en
onzijdige woorden geene betrekking heeft tot die gevallen, waarin de
n als meervoudsvorm of voor de Welluidendheid volstrekt gevorderd
wordt; b.v. kattengeslacht, eendenkooi, koeienhaar, paardenras,
zwijnenaard enz.

195. Evenzoo is het gelegen met kruidkundige, dus wetenschappelijke
benamingen, waarin de meervoudsvorm de natuurlijkste is. De spelling
van zoodanige woorden staat doorgaans niet vast, zoodat men daarbij
geheel vrij is in zijne keus. Bedenkt men bovendien, dat gebrekkige
benamingen nergens aanstootelijker zijn dan in de wetenschappen,
dan zal men niet aarzelen die vormen te kiezen, die de aard der zaak
vereischt. De botanische benamingen, wier eerste lid een diernaam
is, moeten in twee soorten onderscheiden worden: zij zijn òf
overdrachtelijk gebezigde namen van lichaamsdeelen, als ganzetong;
òf zij geven te kennen, dat de plant in de eene of andere, hetzij
wezenlijke, hetzij gewaande, betrekking tot eene diersoort staat, als
slangenkruid. In het eerste geval zal niemand bij eenig nadenken den
meervoudsvorm verkiezen, wanneer deze niet door den voorgaanden regel
(§ 194) voorgeschreven wordt; in het tweede geval zal ieder dien als
den meest gepasten aanmerken, dewijl men dan kennelijk het oog heeft op
het geheele geslacht, niet op een enkel individu. Daarom schrijven wij:
ganzetong, ganzevoet, kattestaart, paardestaart, slangekop enz. zonder
n; daarentegen biggenkruid, duivenkervel, eendenkroos, geitenblad,
hazendistel, kattendoorn, konijnenblad, muizengerst, paardenbloem,
paddenstoel, slangenbloem, slangenwortel enz. met n.

196. Eene afzonderlijke behandeling verdienen de boomnamen, wier
eerste lid de vrucht aanduidt, die zij opleveren. Beide getallen zijn
hier te dulden, en het meervoud schijnt het natuurlijkste. Die woorden
behooren echter tot de dagelijksche uitdrukkingen, die in elken stijl
te pas komen, maar veel meer in den gewonen dan in den verhevenen;
het boven in § 192 aangevoerde is hier dus van toepassing. De vraag
is derhalve, of het begrip van het enkelvoud van het eerste lid met
de beteekenis van het geheele woord kan vereenigd worden; en het
antwoord luidt bevestigend. Men zegt: een appel, een abrikoos, een
peer, een perzik, een blauwe en een witte druif enz., voor appelboom,
abrikozeboom, pereboom enz., daarbij aan de anders vrouwelijke woorden
abrikoos, peer, perzik enz. het manlijk geslacht toekennende. Men
kan hier dus aannemen, dat tusschen abrikoos, appel enz. en boom
dezelfde verhouding bestaat als tusschen berk, eik enz. en boom, in
berkeboom, eikeboom enz. (zie boven, § 181). De spelling besseboom,
druiveboom, kerseboom, krenteboom, noteboom, pereboom, pruimeboom,
vijgeboom, met het enkelvoud van de verouderde vormen besse, druive,
kerse, corinte, note, pere, pruime, vijge, is dus op zich zelve
beschouwd gewettigd. Men zal haar voor de verkieslijkste houden,
als men bedenkt, dat zij niet alleen in overeenstemming is met de
gebruikelijke uitspraak, maar ook met de schrijfwijze van andere
dergelijke boomnamen, waar het eerste lid boven allen twijfel in het
enkelvoud staat, als: amandelboom, appelboom, citroenboom, dadelboom
(dadelpalm), granaatboom, kastanjeboom, oranjeboom (niet kastanjes-
en oranjesboom), mispelboom, olijfboom. Het enkelvoud is dan ook
vanouds, wel niet de volstrekt eenige, maar toch de meest gebruikelijke
vorm geweest. Kiliaan, hoewel hij peere, pruyme en vijghe opgeeft,
schrijft peerboom, pruymboom, vijghboom, en zoo ook kersseboom,
notboom; Plantijn: kerseboom, noteboom, pereboom, perzeboom, pruymboom,
vijgeboom of vijchboom, van het enkelvoudige kerse, note, pere, perze,
pruyme, vijge.

Uit het aangevoerde volgt, dat men bij analogie ook rozeboom,
syringeboom, tulpeboom enz. zal behooren te spellen. Immers men zegt,
van de boomen sprekende: Hier staan rozen, dat is een syring, enz.

197. Er zijn ook woorden, wier beteekenis stellig niet altijd dezelfde
is, maar die het eene oogenblik op een enkel-, het andere op een
meervoud zien, terwijl daarbij doorgaans nog een derde geval denkbaar
is, waarin men aangaande het ware getal in onzekerheid verkeert. Een
voorbeeld zal de zaak ophelderen. Eene hoeveelheid vleesch of leder
kan afkomstig zijn van één of meer dieren. In het eerste geval zal
men zich juist uitdrukken door geitevleesch en schapeleder, in het
tweede door geitenvleesch en schapenleder te schrijven; ook kan het
geval zich voordoen, dat men aangaande de herkomst in het onzekere
is. Hoe moet men met zoodanige woorden handelen? moet men hun een
onveranderlijken vorm toekennen, of mag men gebruik maken van het
middel om, zulks verkiezende, telkens de juiste beteekenis aan te
duiden? Wij behoeven met ons antwoord niet lang verlegen te staan. Waar
onzekerheid van het Gebruik en dobbering van de Spelling als het ware
vanzelve een gemakkelijk middel aan de hand geven om juistheid in stijl
te bevorderen en den rijkdom der taal te vermeerderen, achten wij ons
niet gerechtigd dat te verwerpen. Van zulke woorden rekenen wij ons
verplicht den dubbelen vorm te erkennen. Doch daarmede ontstaan de
vragen: hoe moet men handelen, als het getal onzeker is? en onder
welken vorm moeten zoodanige woorden in een woordenboek vermeld
worden? Slechts in weinige gevallen zal het moeilijk zijn in dezen
te beslissen. Doorgaans zal het voor de hand liggen, welke opvatting
de gewone, en dus welke spelling de verkieslijkste is. In gevallen
van onzekerheid zal de meest gewone vorm in het woordenboek worden
opgegeven, met vermelding van den bijvorm, die, waar bijzondere
nauwkeurigheid wordt vereischt, den schrijver buitendien ten
dienste staat. Ook het onderscheid tusschen dagelijksche en meer
deftige woorden zal tot de beslissing kunnen bijdragen. Zoo zal men
ongetwijfeld bij de huishoudelijke woorden schapevleesch, geiteleder,
aan den enkelvoudigen vorm zonder n de voorkeur geven, vooral wanneer
men bedenkt, dat men in de overeenkomstige woorden kalfsvleesch,
lamsvleesch, rundvleesch, hartsleder, kalfsleder stellig het enkelvoud
aantreft. Daardoor wordt echter niemand het recht betwist om, als
hij zulks noodig acht, schapenvleesch te spellen.

Natuurlijk zal men omgekeerd te werk gaan, waar de beteekenis
gewoonlijk het begrip van het meervoud medebrengt. Zoo zal men in
gewone gevallen aan kippenloop, paardenstal, duivenslag, zwanendrift
enz. de voorkeur geven boven kippeloop, paardestal, al liep er ook
geene enkele kip in den loop, en al ware de stal maar voor één paard
ingericht. Doch wie dit laatste in een bijzonder geval volstrekt wil
doen uitkomen, schrijve alsdan paardestal.

    Het beginsel, in deze § door ons aangenomen, hetwelk van woorden
    als schapevleesch, geitevleesch, paardenstal enz. een dubbelen vorm
    toelaat, is schijnbaar in strijd met § 194, waarin wij meenden de
    n in apengezicht, berenklauw enz. te moeten schrijven, ook dan,
    wanneer die woorden, in hun eigenlijken zin genomen, het gezicht
    van eenen werkelijken aap, den klauw van eenen werkelijken beer
    aanduiden. Bij eene nadere beschouwing zal men bevinden, dat de
    gevallen niet gelijkstaan. Bij een apengezicht zal niemand aan het
    gezicht van twee of drie apen denken, terwijl de n grammaticaal
    door de voormalige zwakke verbuiging van aap gerechtvaardigd
    is. De vorm is onberispelijk, en er is geene verkeerde opvatting te
    vreezen. Bij schapenvleesch en dergelijke woorden is alles geheel
    anders. De n achter schaap, dat steeds sterk verbogen werd, is niet
    anders te verklaren dan als teeken van het meervoud, en kan dus
    niet toegelaten worden in uitdrukkingen, waarbij men volstrekt aan
    het enkelvoud denkt, b.v. als men zegt: Mag ik u nog een stukje
    schapevleesch aanbieden? Omgekeerd zou men den meervoudsvorm
    niet gaarne missen, als men, de geheele soort bedeelende, zegt:
    schapenvleesch is voor sommige gestellen nadeelig.



De n achter bijvoeglijke woorden.


198. Bij de lidwoorden, de bijvoeglijke naamwoorden en voornaamwoorden,
en bij de telwoorden, die als bijvoeglijke voornaamwoorden worden
verbogen, zijn ten opzichte van de n twijfelingen denkbaar; doch bij
eene nadere beschouwing blijkt, dat er inderdaad geene bestaan.

Alle samenstellingen, waarvan het eerste lid een bijvoeglijk woord
is, zijn koppelingen. Zij zijn in twee hoofdsoorten te onderscheiden,
naar gelang het laatste lid een substantief of een verbum is.

199. Wanneer het laatste lid een substantief en het woord in zijn
geheel genomen insgelijks een substantief is, b.v. bij hoogepriester,
hoogeschool, grootvader, kleinkind, dan wordt het bijvoeglijke woord,
steeds een adjectief, aangemerkt als in den 1sten naamval voorgevoegd
te zijn, en blijft het den nominatiefvorm onveranderd behouden,
in welken naamval de geheele samenstelling ook te staan kome. Wij
zeggen thans niet meer des hoogenpriesters, maar des hoogepriesters,
evenals des grootmeesters. Van de inlassching eener n in woorden
als blindeman, hoogepriester, hoogeschool, wittebrood, roodekool,
zoutevisch enz. kan derhalve geene sprake zijn. Alleen één woord
maakt eene uitzondering, te weten: goedendag, als benaming van een
middeleeuwsch wapentuig. Dit woord is echter eene koppeling van den
groet: goeden dag! waarin de beide woorden in den 4den naamval staan,
en de n dus door de etymologie vereischt wordt.

200. Wanneer het laatste lid een substantief, maar het woord in
zijn geheel genomen een bijwoord of een voegwoord is, dan staat
de gansche uitdrukking in den 2den of in den 4den naamval, en dan
behoort het eerste lid den vorm te hebben, dien geslacht en naamval
eischen. Dus zal men moeten schrijven: grootendeels en meerendeels,
samentrekking van meererendeels (2de naamval onzijdig), dewijl (4de
naamval vrouwelijk). Soms echter is het eerste lid in den stamvorm
voorgevoegd, en dan kan er geene sprake zijn van eene ingelaschte n;
b.v. bij eenmaal, menigmaal, veeltijds enz. Twijfelingen bestaan
hier niet.

201. Wanneer het laatste lid een verbum is, dan staat het bijvoeglijke
woord in den regel praedicatief, hetgeen zeggen wil, dat het thans
onverbuigbaar is. In dit geval kan er dus weder geene sprake zijn van
het inlasschen eener n, die niet reeds tot den stam van het adjectief
behoort. Het gebruik leert zulks dan ook duidelijk: het heet steeds
goedmaken, onverschillig of men eenen misstap, eene fout of een
verlies goedmaakt. De samenstellingen goedendag-, goedennacht-,
goedenmorgenzeggen enz. verkeeren in een ander geval. Goed is
daarin het attribuut van dag, nacht enz., welke woorden in den 4den
naamv. staan en de overeenstemming van het adjectief goed vorderen.



De n achter werkwoorden.


202. De werkwoorden komen in eigenlijke samenstelling in den regel in
den stamvorm voor, b.v. in breekbeitel, droogoven, eetlepel, hangijzer,
jaagpad, koopvrouw, loopbaan, schrijfpen enz. Moeilijker is het uit
te maken, met welken vorm men te doen heeft bij sommige koppelingen
van geheele uitdrukkingen, tot den gemeenzamen stijl behoorende: als
bedilal (bedil al, bedil alles), deugniet, doeniet, durfal, flapuit,
hangop, houvast, kwistgoed, praatgraag, roerom, slokop, spilpenning,
stokebrand, waaghals, weetniet enz. In sommige schijnt het werkwoord
in de gebiedende wijs te staan, b.v. in kruidje-roer-mij-niet
(lat. noli me tangere), in Pakaan (hondennaam), in roerom, sladood,
vergeet-me-nietje. Bij dezulke wier stam op t eindigt, als kwistgoed,
praatgraag, weetniet, zou men aan den 3den pers. van het enkelvoud
kunnen denken, indien niet andere, als bedilal (niet bediltal),
deugniet enz., wier beteekenis met de genoemde overeenkomt, zulks
verboden. Intusschen blijkt duidelijk genoeg, dat men hier niet met
den infinitief te doen heeft, en dat de toonlooze e in brekebeen,
brekespel, drinkebroer, huilebalk, likkebaard, schendekeuken,
stokebrand enz. geene verkorting van den infinitiefuitgang is.

Wanneer men sommige der laatstgenoemde woorden vergelijkt met
kijk-in-de-pot, spring-in-'t-veld, stortenbeker (stort den beker),
en met verscheidene Hoogduitsche eigennamen, als Haszenpflug (hasze
den Pflug), Hebenstreit (hebe den Streit), Leidenfrost (leide den
Frost) enz., dan wordt het waarschijnlijk, dat men brekebeen als
breek de been (voor beenen), hangebast als hang de bast (d.i. strop),
likkebaard als lik den baard, schendekeuken als schend de keuken
enz. op te vatten heeft. Deze verklaring gaat echter niet altijd op,
b.v. niet bij brekespel. Of is dit breketspel (breek het spel)? En hoe
moeten drinkebroer e.a. worden opgevat? Is hier de e alleen ingevoegd
om de ophooping van medeklinkers te voorkomen? In deze en dergelijke
onzekerheden zal niemand het raadzaam achten de n, die het manlijk
geslacht van baard en brand schijnt te vorderen, te herstellen, en
voortaan likkenbaard, stokenbrand te schrijven, te minder daar men bij
brekespel, drinkebroer, huilebalk e.a. altijd in het onzekere blijft,
zonder door den vorm een verstandigen zin te kunnen uitdrukken.

    Nu en dan hoort men deugeniet uitspreken, doch gewoonlijk
    deugniet. Wanneer men bedenkt, dat niet geen substantief is,
    zoodat hier aan geen uitgestooten lidwoord, noch aan eenig
    tusschenbeidekomend woord te denken valt, en dat die samenstelling
    volkomen gelijkstaat met doeniet, durfniet, weetniet, dan ziet men,
    dat deugniet zonder e de regelmatige vorm is.

203. Meer reden schijnt er te bestaan voor het herstellen der n in
die werkwoorden, wier eerste lid eene onbepaalde wijs is, zooals
in koekeloeren, ruilebuiten, spelemeien, spelevaren. Bedenkt men
echter, dat de n aan de drie eerste toch nog niet hun waren vorm:
koeken (kijken) en loeren, ruilen en buiten, spelen en meien zou
teruggeven, zoodat koekenloeren enz. toch niet duidelijker zou wezen
dan koekeloeren enz.; dat het begrip spelevaren ook niet volkomen
juist door spelen varen uitgedrukt wordt: dan ziet men geene voldoende
reden om woorden, waarbij de weglating der n in de uitspraak niet
twijfelachtig is en omtrent wier spelling geen verschil bestaat,
door het weder invoegen der uitgestooten letter een deftig voorkomen
te geven, dat in strijd zou zijn met hunne weinig deftige beteekenis.



De n als invoegsel voor de welluidendheid.


204. De verbindings-n heeft bloot euphonische waarde, wanneer zij,
van het hedendaagsche standpunt bezien, met de beteekenis van het woord
in geen verband staat, en louter dient om een wanluidend samentreffen
van twee letters te voorkomen. Van dien aard is de n in galgenaas en
tarwenoogst, vergeleken met galgebrok en tarwemeel.

De euphonische n strekt ter vermijding van den hiatus of de gaping,
d.i. van het ophouden der stem tusschen twee klinkers. Zij wordt dus
vooreerst ingelascht achter eene toonlooze e, waarop onmiddellijk
een andere klinker zou moeten volgen, b.v. in duive-n-ei. De h,
die eene zeer verzwakte ch is, ofschoon nog altijd een medeklinker,
wordt niet toereikend geacht om de gaping tusschen twee klinkers
aan te vullen. Vandaar dat sommige onzer beste schrijvers in de
17de eeuw en nog later achter het lidwoord de en achter andere
bijvoeglijke woorden op e uitgaande, niet slechts voor een klinker,
maar ook voor eene h, eene euphonische n voegden, en b.v. den oorlog,
den hond schreven, ook wanneer deze woorden in den eersten naamval
stonden. Daar nu de h steeds onmiddellijk vóór een klinker komt,
vereischen de samenstellingen, wier eerste lid op eene toonlooze e
eindigt, en wier tweede met h begint, insgelijks de inlassching der n;
b.v. dasse-n-huid, eike-n-hout.

205. Wanneer men het aangevoerde in aanmerking neemt, zal men den
volgenden regel stellen: Wanneer de toonlooze e gevolgd wordt door een
klinker of eene h, dan eischt de Welluidendheid de inlassching eener n.

Dienovereenkomstig schrijven wij: duivenei, eendenei, ganzenei,
galgenaas, geitenoog, bruggenhoofd, dassenhaar, dassenhol, ganzenhagel,
hondenhok, slakkenhuisje, berkenhout, beukenhout, eikenhout enz.

    Daar mede, als bijwoord, tot de indeclinabilia behoort, welke soort
    van woorden nooit verbindingsletters toelaten (zie § 178), kan men
    de gebruikelijke spelling medearbeider, medeërfgenaam, medeoorzaak
    enz. niet als uitzondering op bovenstaanden regel beschouwen.

206. De samenstellingen met kerk vereischen eene afzonderlijke
behandeling. Kerk, mnl. kerke, werd oudtijds zwak verbogen, der
kerken, en daardoor ontstonden kerkenraad, kerkenorde, uit welk
laatste door onderdrukking der n kerkeorde. Deze vorm laat zich
volgens onze regels niet rechtvaardigen: de welluidendheid eischt òf
kerkenorde, òf kerkorde, overeenstemmende met kerkaltaar, kerkorgel,
kerkuil. Daar men thans geen zwakken genitief meer erkent (zie § 185),
kan kerkenraad alleen een meervoud bevatten, en een raad beteekenen,
die meer dan ééne kerk betreft. Hecht men er, gelijk gewoonlijk plaats
heeft, dien zin niet aan, dan is volgens den hedendaagschen toestand
der taal alleen kerkeraad te rechtvaardigen.



Over de verbindings-s.


207. Men kan alleen in twijfel staan, of in eene samenstelling al dan
niet eene verbindings-s aanwezig is, wanneer het tweede lid begint
met eene s, of met eene z, die scherp (als s) wordt uitgesproken;
b.v. in dorpsschout, varkensziekte, baatzucht. Wanneer de z zacht
klinkt, gelijk in hondeziekte, geelzucht, waterzucht, zal niemand
het aanzijn eener s (hondesziekte, waterszucht) vermoeden.

In nog een geval bestaat er geen grond om eene s te onderstellen,
namelijk achter den stam van een werkwoord, b.v. in stuifzand,
drijfzand, waarin de z door den invloed der voorgaande f
verscherpt wordt. Daar men slechts bij uitzondering om den wille
der welluidendheid achter verbale stammen eene s inlascht in de
gevallen, die beneden opgegeven worden, heeft men alleen die woorden te
onderzoeken, wier eerste lid een naamwoord is, hetzij een substantief,
hetzij een bijvoeglijk woord.

Nog zal men bij het stellen der regels in het oog moeten houden,
dat ss en sz op zich zelf geene welluidende klanken zijn, zoodat de
inlassching eener s, waar zij voor de uitspraak kan worden gemist, en
door de beteekenis of regelmaat niet gevorderd wordt, niet verkieslijk
is. Men kan derhalve als algemeenen regel stellen, dat de s alleen
dan behoort ingelascht te worden, wanneer de noodzakelijkheid ten
duidelijkste blijkt.



De verbindings-s als teeken van den tweeden naamval achter zelfstandige
naamwoorden.


208. De verbindings-s treedt als teeken van den 2den naamval
in samenstellingen niet slechts achter manlijke en onzijdige
substantieven, als in timmermansgereedschap, bakkersoven,
levensbericht, kindskind, maar ook achter vrouwelijke, als zusterskind,
dochtersman, stadspoort, vrijheidsboom, zielsverdriet enz.; vergelijk
§ 185.

Het onderscheid der geslachten kan derhalve geenen regel aan de hand
doen, en men zal eeniglijk te letten hebben op de analogie en op de
betrekking, welke inderdaad die van den genitief van het enkelvoud
moet wezen.

Daar men volgens den bovengestelden algemeenen regel met de s spaarzaam
moet zijn, kan zij alleen dan gewettigd worden, wanneer uit andere
overeenkomstige samenstellingen duidelijk blijkt, dat het woord in
de betrekking van den genitief de s verlangt. Zoo leeren b.v. de
woorden bakkersnering, bakkersoven, bakkerswinkel, dorpsbestuur,
dorpsherberg, dorpsleeraar, krijgsmansdeugd, krijgsmanseed,
sergeantsrang, sergeantsuniform, sergeantsvrouw, stadsmuur,
stadspoort, stadswal, vollersambacht, vollerskuip, varkensoog,
varkensvleesch, varkensribbetje, veiligheidskaart, vrijheidsliefde,
zuinigheidsmaatregel, landschapshuis, landschapsvergadering,
burgerschapsrechten, vriendschapsband enz., dat de woorden bakker,
dorp, krijgsman, officier, sergeant, stad enz., en die op -heid
en -schap in de betrekking van den genitief de s vorderen, en dat
men derhalve ook bakkersschotel (houten werktuig), dorpsschool,
krijgsmansstand, sergeantsstrepen, stadsschout, varkensstal,
varkensziekte, waarheidszucht, landschapsschrijver te spellen heeft.

Dat men wel degelijk op de onderlinge verhouding der deelen heeft te
letten, blijkt uit landschapschilder, waar landschap een meervoud
landschappen vertegenwoordigt, en dus niet in den 2den naamval van
het enkelvoud voorkomt. Niemand zal dan ook op de gedachte komen om
landschapsschilder te schrijven, dan in eene beteekenis, die niet in
gebruik is en die overeenkomen zou met landschapsschrijver.



De verbindings-s als teeken van het meervoud.


209. Moet men spaarzaam zijn met de s van den 2den naamval, nog
meer is zulks het geval met die van het meervoud. De dubbele s, en
evenzoo sz, is moeilijk uit te spreken, en klinkt onaangenaam achter
eene liquida, l, m, n of r, voorafgegaan door eene toonlooze e;
d.i. juist achter die substantieven, die hun meervoud doorgaans met
s vormen. De woorden op -el, -em, -en en -er behouden daarom, gelijk
reeds vroeger is aangemerkt (§ 189, aanm.), den enkelvoudigen vorm,
ook waar de beteekenis dien van het meervoud zou vereischen; men
zegt en schrijft: appelmand, sleutelbos, bezembinder, leugenbeest,
wagenmaker, letterkast, letterzetter (niet appelsmand enz.), en
evenzoo als het eerste lid een persoonsnaam is, b.v. burgerrecht,
burgerwapening, dragonderregiment, ridderorde, rooverbende,
ruiterbende, ruiterzalf enz. Neemt men zulks in aanmerking, dan
zal men geene noodzakelijkheid zien, noch de vrijheid vinden, om
achter de opgenoemde toonlooze lettergrepen eene s in te lasschen,
die zou moeten dienen om het meervoud aan te duiden. Wij schrijven
derhalve ankersmid, burgerstand, burgersociëteit, cijferschrift,
dragonderstal, kachelsmid, letterspecie, leugenstoffeerder,
priesterschaar, priesterschap, ridderstand, ruiterstal, vezelstof,
zonder eene verbindings-s, die door de Analogie niet wordt geëischt
en strekken zou om eene onwelluidende uitspraak te bevorderen.

Anders is het gelegen met het achtervoegsel -ier, dat den vollen
klemtoon heeft. Het vordert de s van het meervoud, gelijk blijkt
uit: officierstafel, officiersvereeniging, kanonnierskazerne,
pontonnierscompagnie enz.; daarom zal men ook kurassiersstal,
officierssociëteit enz. schrijven.



De verbindings-s als teeken van den tweeden naamval achter bijvoeglijke
woorden.


210. Wanneer het eerste lid een bijvoeglijk woord is, hetzij een
bijvoeglijk naam- of voornaamwoord, hetzij een onbepaald telwoord,
dan kan de s alleen het teeken zijn van den tweeden naamval, in welke
dan ook het tweede lid staat, b.v. in blootshoofds.

Ook hier is alleen dan onzekerheid denkbaar, wanneer het tweede lid
met s of z begint. Men kan b.v. een oogenblik weifelen tusschen de
spelling goedschiks en goedsschiks. Wanneer men echter bedenkt, dat de
geheele uitdrukking wel is waar een zoogenaamde genitivus absolutus is,
overeenkomende met blootshoofds, goedsmoeds, gewapenderhand, maar dat
het gebruik reeds in sommige dergelijke uitdrukkingen, als veeltijds,
droogvoets, de s kennelijk heeft uitgestooten, dan zal men geene
afdoende reden zien om, in strijd met de Welluidendheid, een woord
te bezwaren met eene s, die voor de duidelijkheid niet gevorderd wordt.

211. Anders is het gelegen met woorden, waarin zin het tweede lid is,
voorafgegaan door een bepalend woord, als alleszins, eenigszins enz.,
waarvan reeds boven gehandeld is. De z heeft daarin hare verscherping
te danken aan de s van het eerste lid. Blijft deze weg, dan herneemt
zij noodwendig haren zachten klank, en verkrijgt men alle-zins,
geen-zins enz., hetgeen tegen de gebruikelijke uitspraak strijdt. De
s is derhalve in al die woorden volstrekt onmisbaar; zie boven, § 125.



De verbindings-s als euphonische letter achter stammen van werkwoorden.


212. De verbindings-s had in de tot hiertoe behandelde gevallen, op
weinige uitzonderingen na, nog altijd eene beteekenis. Deze mist zij
natuurlijk, wanneer het eerste lid de stam van een werkwoord is, gelijk
b.v. in leidsvrouw, scheidsman, raagshoofd, waarin zij kennelijk alleen
om den wille der uitspraak is ingevoegd. Bedenkt men dit, dan zal men
niet in de verzoeking komen om in woorden, wier eerste lid de stam van
een werkwoord is, en wier tweede met s of z begint, b.v. in hebzucht,
eene s te schrijven, die alleen zou moeten strekken om een sisklank
voor te stellen, die zonder dat reeds in het woord aanwezig is, en,
dubbel uitgesproken, onwelluidend klinkt. Wij schrijven derhalve
leidstèr (leidstar), evengoed als het afgeleide leidster, zonder s,
niettegenstaande leidsman en leidsvrouw eene s hebben.



Overzicht over de regels voor de samenstelling.


213. De grondbeginselen en regels, die wij bij het schrijven van
samengestelde woorden in het oog houden, komen derhalve kortelijk
hierop neder:

I. In samenstellingen, wier eerste lid een onverbuigbaar woord
(indeclinabile, zie § 50, aanm.) is, komen geene verbindingsletters
voor, zoomin ten behoeve der Welluidendheid als om eenige andere reden
(§ 178). Geen der volgende regels is derhalve daarop toepasselijk. Wij
schrijven dus zonder n: medearbeider, medeërfgenaam, medehelper,
medehulp.

II. Stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden komen niet als eerste
lid in samenstellingen voor. Composita als aardenwerk, tarwenbrood,
roggenbrood, gerstenpap enz., voor aardewerk, roggebrood enz., bestaan
er niet (§ 180), evenmin als berkenboom, eikenboom enz. (§ 181).

    Het behoeft nauwelijks aangemerkt te worden, dat verbindingen van
    een adjectief met het eerste lid eener samenstelling, door het
    koppelteeken aangeduid, als oude-mannenhuis enz. (§ 158), niet tot
    de eigenlijke samenstellingen te rekenen zijn, en dus buiten dezen
    regel vallen. Het adjectief blijft daar op zich zelf als adjectief
    bestaan; niets verhindert dus om desnoods gouden-horlogemaker,
    koperen-balansenfabriek, zijden-kousenfabrikant enz. te schrijven,
    ofschoon zulke verbindingen niet fraai zijn te noemen.

III. De n achter de toonlooze e dient in samenstellingen òf 1º. tot
vermijding van den hiatus; òf 2º. achter zelfstandige naamwoorden
ter aanduiding van het meervoud; òf 3º. achter bijvoeglijke woorden
ter uitdrukking van eenen naamval. De zwakke genitief wordt in
samenstellingen niet meer gevoeld: het is dus geene afdoende reden
voor het inlasschen eener n, dat zij den enkelvoudigen 2den naamval
zou moeten uitdrukken (§ 172 en 185).

IV. Samenstellingen, wier tweede lid met eenen klinker of eene h
begint, krijgen achter eene toonlooze e eene n ter vermijding van
den hiatus; b.v. ganzenei, hondenhaar (§ 204 en 205).

V. De samenstellingen, wier eerste lid een zelfstandig naamwoord is,
zijn vierderlei:

    1º het eerste lid brengt noodwendig de voorstelling van een
    meervoud mede; b.v. in heldenschaar, eikenlaan (§ 188);

2º het eerste lid vertegenwoordigt noodwendig een enkelvoud, b.v. in
druivepit, tinnegieter (§ 190);

3º het eerste lid is, te gelijker tijd, voor tweeërlei opvatting
vatbaar, kan èn als enkel- èn als meervoudig gedacht worden; b.v. in
kurketrekker, mutsebol (§ 191 en 192);

4º het eerste lid kan, bij afwisseling, nu een enkel-, dan een meervoud
voorstellen; b.v. in schapevleesch en schapenvleesch (§ 197).

    A) Met n achter de toonlooze e worden geschreven

        a) al de woorden, bedoeld in nº. 1 (§ 188);

        b) van de woorden, bedoeld in nº 3:

            a) de samenstellingen, wier eerste lid een één- of
            tweelettergrepige persoonsnaam is; alsmede de woorden
            op -in of -inne, -es of -esse, die meerlettergrepig
            zijn; b.v. boerendochter, heldendaad, vrouwenkleed,
            koninginnenmantel (§ 193);

            b) de samenstellingen, wier eerste lid een manlijke
            diernaam is, die geene composita met s vormt;
            b.v. apengezicht, berenklauw (§ 194);

            g) botanische benamingen, wier eerste lid een diernaam is,
            onverschillig manlijk, vrouwelijk of onzijdig, wanneer
            de samenstelling geen lichaamsdeel aanduidt, maar op de
            geheele diersoort ziet; b.v. duivenkervel, slangenkruid
            (§ 195).

    B) Zonder n achter de toonlooze e worden geschreven

        a) al de woorden, bedoeld in nº 2, tenzij de n door Regel IV
        voor de welluidendheid gevorderd wordt (§ 190);

        b) van de woorden, bedoeld in nº 3:

            a) die, welke het dagelijksch leven en de huishouding
            betreffen, b.v. pennemes, kurketang (§ 192);

            b) namen van boomen, wier eerste lid de naam is eener
            vrucht of eener bloem, b.v. pereboom, tulpeboom (§ 196).

    C) Naar gelang der omstandigheden worden afwisselend zonder of
    met n geschreven de woorden, bedoeld in nº 4 (§ 197).

VI. Bij samenstellingen, wier eerste lid een bijvoeglijk woord is,
komen geene twijfelachtige gevallen voor; de spraakkunst beslist
ondubbelzinnig het al of niet aanwezig zijn eener n (§ 198-201). In
woorden, wier eerste lid een werkwoord is, wordt nooit eene n
ingelascht (§ 202 en 203).

VII. De verbindings-s dient in samenstellingen, wier eerste lid een
naamwoord is, òf als teeken van den tweeden naamval van het enkelvoud,
òf als teeken van het meervoud (§ 208-211). In de weinige woorden,
waarin zij achter een werkwoord voorkomt, staat zij alleen om den
wille der welluidendheid (§ 212).

VIII. Eene verbindings-s is alleen twijfelachtig in samengestelde
woorden, wier tweede lid begint met eene s, of met eene z, die scherp
(als s) wordt uitgesproken (§ 207).

    A) Eene twijfelachtige s wordt ingevoegd

        a) als teeken van den 2den naamval enkelvoud:

            a) in samenstellingen, wier eerste lid een substantief
            is, dat in niet twijfelachtige gevallen eene s aanneemt;
            b.v. in dorpsschool, om de analogie van dorpsbestuur,
            dorpsherberg, dorpsleeraar, dorpsonderwijzer (§ 208);

            b) in de samenstellingen met het woord zin, als alleszins,
            eenigszins enz. (§ 125 en 211);

        b) als teeken van het meervoud in samenstellingen, wier
        eerste lid een persoonsnaam is, die op -ier eindigt, als
        kanonnierskazerne (§ 209).

    B) Eene twijfelachtige s wordt niet ingevoegd in de volgende
    gevallen:

        a) niet in samenstellingen, wier eerste lid een substantief is,
        dat op -el, -em, -en of -er eindigt, wanneer de s zou moeten
        dienen om het meervoud te vertegenwoordigen; b.v. niet in
        burgerstand (§ 209);

        b) niet in absolute genitieven, als goedschiks, niet
        goedsschiks (§ 210);

        c) niet achter werkwoorden, b.v. leidstar, niet leidsstar
        (§ 212).



De spelling der bastaardwoorden.

214. Evenals ieder beschaafd volk bezigen wij een aantal woorden, die
niet in den boezem onzer eigene taal ontstaan, maar bij onderscheidene
gelegenheden uit andere talen ontleend zijn. Die vreemde woorden
vervallen vanzelve in drie klassen: 1) de zoodanige, die geheel
Nederlandsch geworden, met het volle burgerrecht begiftigd, als het
ware genaturaliseerd zijn; 2) de woorden, die geheel vreemd zijn
gebleven; en 3) de woorden, die tusschen deze beide soorten in staan,
d.i. de eigenlijk gezegde bastaardwoorden.

215. De eerste klasse bestaat uit dezulke, die, meestal sedert
onheuglijke tijden bij ons in gebruik, hun vreemden vorm geheel en al
hebben afgelegd, in alle opzichten, in klemtoon zoowel als in klank,
aan echte Nederlandsche woorden gelijk zijn geworden, en wier derivata
op Nederlandsche wijze gevormd zijn. Deze schijnen geene uitheemsche
bestanddeelen, geene vreemde voor- noch achtervoegsels te bevatten,
en onderscheiden zich in niets van oorspronkelijke Nederlandsche
woorden dan door hunne afkomst en het gemis van Nederlandsche
verwanten in opklimmende linie. Tot de zoodanige behoort b.v. kerk,
gr. kyriakon. Dit woord verschilt in vorm niet van berk, merk en
werk, het heeft echt Nederlandsche afstammelingen: kerkje, kerksch,
kerkelijk, moederkerk, kerkdeur enz., maar kyrios, het grondwoord
waarvan kyriakon gevormd is, ligt buiten het Nederlandsche taalgebied.

Het grootste aantal der tot deze klasse behoorende woorden is
eenlettergrepig, als: aas (gewicht), ark, beest, beurs, boei, bres,
brief, bul (open brief), dom(kerk), feest, fijn, fraai, gom, graad,
inkt, kaap, kaars, kaart, kaas, kalk, kelk, kers, keurs, klaar, klerk,
kleur, kluis, koers, koets, koor, koord, korst, kous, krent, kroon,
kroot, kruin, kruis, kuur, kwart, lamp, lans, leek, lijn, mijl, munt,
nis, paar, paard, paars, part, peer, pen, pers, pijl, pijn, pil,
plaats, plein, pleit, pluim, pool, poort, poos, pop, post, preek,
prent, proef, prooi, proost, rest, saus, sein, soep, stool, straal,
taart, test, tijm, toer, toets, toon, toorts, trein, troef, troon,
vlam, vork, wijl (sluier).

Een groot aantal andere is tweelettergrepig met den klemtoon op de
eerste syllabe, onverschillig of deze reeds in den oorspronkelijken
vorm den klemtoon had of dien eerst in het Nederlandsch gekregen
heeft. De tweede lettergreep is dan meestal geheel of nagenoeg
toonloos, waardoor zoodanige woorden het voorkomen hebben van
Nederlandsche woorden met een achtervoegsel. Hiertoe behooren: bijbel,
duivel, engel, fakkel, kamer, kamfer, kanker, karper, keizer, kerker,
ketter, kevie, kluister, konkel, koppel, kouter, kussen, lelie,
letter, menie, mijter, mode, monnik, mosterd, neger, olie, orde,
orgel, pauze, peper, perzik, priester, regel, rente, sekse, sekte,
singel, sintel, spiegel, suiker, tafel, tegel, tempel, tichel, tijger,
toren, zegen(wensch), zemel enz.

Verplaatsing van den klemtoon is geschied bij deken (decanus), kansel,
kelder, kemel, kervel, keten, keuken, kolder, schotel, venster,
vijver, zegen (vischnet), zolder en andere. Genoemde woorden komen
in vorm overeen met de echt Nederlandsche teugel, hamer, naaister,
lomperd, koude, merrie.

Zeldzaam zijn de tweelettergrepige, die, gelijk beschuit, bestel en
vernis, het voorkomen hebben van Nederlandsche woorden met praefixen,
als bedrog, verval. Andere gelijken weder op andere wijzen naar echt
Nederlandsche woorden: zoo hebben bakelaar en kandelaar denzelfden
vorm als kakelaar en wandelaar. Weder andere hebben den schijn van
composita, als aalmoes, altaar, bisschop, luipaard, meerkat, pelgrim,
die uiterlijk niet verschillen van aschschop enz.

216. De tweede klasse bestaat uit woorden, wier uitspraak en
accentuatie niet in het geringste veranderd of gewijzigd is, en die
juist zoo als in de vreemde taal worden uitgesproken. Hiertoe behooren
b.v.: facto, jure, incognito, partim, passim, raptim, totaliter,
generaliter, pro, contra, ergo, idem, item, punctum, anno, datum,
primo, secundo, medio, ultimo, lustrum, grammatica, logica, physica,
centrum, hypotenusa, praesens, praeteritum, participium, banco, bon,
bruto, franco, netto, tarra, debet, credit, a costi, whist, spadille,
manille, quadrille, basta, ponto, misère, budget, bonbon, bureau,
blanc-manger, bougie, cadeau, chapeau, chenille, conservatoire, douche,
eau de Cologne, joujou, shawl of châle, savoir-vivre, souper, diner,
carte-blanche, vaudeville enz.

217. De derde klasse bestaat uit woorden, die in de uitspraak
eene geringere of grootere wijziging hebben ondergaan, welke
echter niet voldoende is om hun het uitheemsch voorkomen geheel te
ontnemen. Zoodanige woorden zijn door die wijziging gerukt uit de
taal, waartoe zij oorspronkelijk behoorden, en zijn in zekeren zin
Nederlandsch geworden; doch het overblijfsel van de vreemde uitspraak
of van den vreemden vorm verhindert, ze gelijk te stellen met echt
Nederlandsche woorden en ze in de eerste klasse te rangschikken. Zij
behooren dus eigenlijk eenigermate aan twee talen, waarom men ze niet
ongepast bastaardwoorden kan noemen.

Wanneer woorden der tweede klasse op Nederlandsche wijze worden
verbogen of een Nederlandsch affix bekomen, al blijft hun vorm voor
het overige onaangetast, dan treden zij natuurlijk in de klasse der
bastaardwoorden; b.v. bougies, bons, datums, items, paternosters,
doctors of doctoren, bònnetje, cadeaus, cadeautjes, itempjes,
militairen, militaire macht enz.

218. De veranderingen, die de eigenlijke bastaardwoorden ondergaan
hebben, bepalen zich in den regel tot het uiteinde van het
woord. Soms wordt de vreemde uitgang geheel weggelaten, b.v. in
praefix, lat. praefixum; instinct, lat. instinctum; soms wordt
die uitgang slechts gewijzigd, b.v. in linie, lat. linea; olie,
lat. oleum; citroen, fr. citron; meloen, fr. melon; consequent,
nu eens lat. consequens, dan eens lat. consequenter; syllogisme,
gr. syllogismos. Het afwerpen of wijzigen van den uitgang heeft niet
zelden ook eene wijziging der voorgaande lettergreep ten gevolge:
b.v. in titel, lat. titulus; artikel, lat. articulus; vocaal,
lat. vocalis; systeem, gr. systêma; republiek, fr. république;
sigaar, sp. cigarro.--Somtijds echter bepaalt de geheele verandering
zich tot de wijziging van de uitspraak der eindlettergreep, zonder dat
zulks eene verandering in de spelling teweegbrengt; b.v. in officier,
fr. officier.

Bij woorden, uit levende talen ontleend, heeft echter niet zelden ook
eene wijziging in het lichaam van het woord plaats; b.v. in grenadier
en genie, waarin niet slechts de uitgangen ier en ie anders klinken
dan in fr. grenadier en génie, maar ook de g van gre en de e van
ge; vermicelli wordt bij ons doorgaans uitgesproken als vermiselli,
zelden als in het Italiaansch: vermitsjelli.

219. Dergelijke wijzigingen zijn echter verre van toereikend om in alle
gevallen aan een vreemd woord het voorkomen van een echt Nederlandsch
te geven. Niet zelden blijft er desniettegenstaande een vreemde
klank in over, b.v. in genie, logement, sergeant enz.; zoo ook in
artikel, titel, citer, die, om geheel Nederlandsch te kunnen heeten,
in artijkel, tijtel en sijter hadden behooren te veranderen, gelijk
onder andere met bijbel, mijter, tijger heeft plaats gehad. Zelfs het
zoo gebruikelijke cijfer kan niet als volkomen Nederlandsch beschouwd
worden, vermits de f van het lat. cifra niet in v is overgegaan,
en de uitgang -fer wel achter korte, als b.v. blaffer, keffer,
koffer, duffer, maar nooit achter lange klinkers of tweeklanken
voorkomt. In dit geval toch treft men alleen -ver aan: b.v. in
braver, gever, liever, grover, zuiver, ijver, stijver enz. In de
meeste gevallen blijft de accentuatie van het bastaardwoord zijn
vreemden oorsprong verraden. Hoogst zelden toch treedt de klemtoon
in meerlettergrepige woorden op de eerste syllabe over, waardoor
zij, gelijk aalmoes, altaar, kandelaar, olifant, het voorkomen van
Nederlandsche composita, of, gelijk ketel, schotel, venster, van
Nederlandsche derivata verkrijgen. Blijft de klemtoon op de tweede
of derde lettergreep rusten, als b.v. in probléém, publiék, orkáán,
diáken, epìstel, convocátie, execútie, dan worden zij terstond als
vreemde woorden herkend, te meer daar de klemtoon in meerlettergrepige
bastaardwoorden zelden die van echt Nederlandsche in kracht evenaart;
vergelijk b.v. evangelie, publicatie, met overmoedig, onderdanig. Ten
gevolge van een en ander onderkent men oogenblikkelijk diameter,
circulatie, evangelist enz. als vreemde woorden.

220. Ook nog op eene andere wijze openbaart zich niet zelden de
vreemde herkomst en natuur der bastaardwoorden, namelijk uit de
onmogelijkheid om op Nederlandsche wijze derivata te vormen. Wanneer
men het deminutief-suffix uitzondert, dat zelfs achter woorden der
tweede klasse kan treden, b.v. in bureautje, assessortje, dan is
men doorgaans genoodzaakt van de zoogenaamde bastaardachtervoegsels
gebruik te maken. Tiran of tyran b.v. levert niet op: tyransch,
tyrannelijk, tyranschap, noch het werkwoord tyrannen, maar
tyranniek, tyrannij, tyranniseeren; souverein niet souvereinschap,
maar souvereiniteit. Dikwijls komt daarbij de oudere, minder sterk
gewijzigde vorm weder te voorschijn; b.v. in apostolisch of apostoliek
van apostel; diaconie, diaconaal van diaken; of liever, apostoliek,
diaconie, diaconaal zijn niet afgeleid van apostel en diaken, maar zijn
de--onafhankelijk van apostel en diaken--overgenomen vreemde woorden
apostolicus, diaconia, diaconalis; gelijk systematisch en syntactisch
niet in den boezem onzer taal gevormd zijn van systeem en syntaxe,
maar van de adjectieven systematicus, syntacticus. Hetzelfde heeft
plaats bij titulair, commissaris, commissionnair, die niet van titel
en commissie zijn gevormd.

Zelfs woorden, die men anders tot de eerste klasse zou brengen,
blijven op deze wijze van hunne vreemde herkomst getuigen; b.v. abt,
doordien het niet abdesse, maar abdis, lat. abbatissa, geeft; fout door
foutief; klant door klandizie; cirkel door circulatie en circulaire;
cel door cellulair; cent zelfs door centesimaal, terwijl het niet
één Nederlandsch derivaat heeft.

221. De spelling der woorden, die stellig tot de eerste klasse
behooren, levert weinig zwarigheden op. Die woorden worden
beschouwd als genaturaliseerd, als geheel verdietscht en met het
volle burgerrecht begiftigd. Zij worden daarom nagenoeg algemeen als
oorspronkelijke Nederlandsche woorden geschreven. Niemand spelt thans
meer caars, caart, cleur, clooster, coster, coucen, cruis, groupe,
persic, punct, train, troupe, enz. De Redactie meent overeenkomstig
dit gebruik als beginsel te moeten aannemen, dat de Nederlandsche
spelling in al die woorden behoort gevolgd te worden, ook in die,
waaromtrent de gevoelens min of meer verdeeld zijn. Zij schrijft
derhalve sieren en singel met eene s, en troon zonder h, ofschoon
sommigen nog aan cieren, cieraad, cingel en throon de voorkeur
geven. Deze woorden toch worden geheel als Nederlandsche behandeld
en verbogen, treden met echt Nederlandsche in compositie en vormen
derivata op Nederlandsche wijze: opsieren, versieren, sierplant,
sieraden, sieradiën (gelijk kleinoodiën, dat echt Nederlandsch is);
omsingelen; onttronen, hemeltroon, troonopvolger, enz.

222. De woorden cedel (blijkens den ouderen vorm cedul het Fransche
cédule, en niet naar het lat. schedula gevormd), ceder, lat. cedrus,
en cijns, lat. census, geven bedenking, of zij al of niet tot de eerste
klasse moeten gebracht worden. Zij zijn volkomen Nederlandsch van
klank en hebben geene vreemd klinkende derivaten. Cedel wordt zelfs
saamgetrokken tot ceêl, en helpt gedenkcedel, huurceêl, ceêlmaker
enz. vormen; ceder komt voor in cederachtig, cederboom, cederhout,
cijns in cijnsbaar, cijnsplichtig; alleen de c verraadt de vreemde
herkomst. Volgens de Analogie behooren die woorden derhalve tot de
eerste klasse en zou de c door de s moeten worden vervangen. Hier staat
echter tegenover, dat zij steeds zonder uitzondering met c geschreven
en daarom ook alleen onder dien vorm bekend zijn; dat zelfs het zoo
gewone ceêl altijd zijne c behouden heeft; dat de cederboomen en het
cederhout te weinig populair zijn om onder de veranderde vormen seder,
sederen, sederhout terstond herkend te worden; en dat cijns weinig
meer wordt gebruikt, maar een historisch woord is geworden, dat dus
een vasten vorm heeft aangenomen. Wanneer wij dat alles bedenken,
achten wij het niet raadzaam in strijd met het heerschende gebruik eene
spelling te veranderen, waaromtrent nooit verschil van gevoelen heeft
bestaan, om eene andere aan te nemen, die door velen niet terstond
begrepen zou worden. Wij beschouwen daarom de genoemde woorden als
bastaardwoorden, die door hunne spelling van hun vreemden oorsprong
getuigenis geven, en blijven schrijven: cedel (ceêl), ceder, cijns.

223. De spelling van de woorden der tweede klasse levert in het geheel
geene bedenkingen op. Het ligt in den aard der zaak, dat vreemde
woorden, die in de uitspraak geenerlei wijziging hebben ondergaan,
hunne oorspronkelijke spelling, de zichtbare voorstelling hunner
uitspraak, onveranderd behooren te behouden.

224. Veel grooter zijn de bezwaren, verbonden aan het bepalen van
de spelling der woorden, die de derde klasse uitmaken. Daaromtrent
toch zijn de gevoelens zoo verdeeld, dat men bezwaarlijk volkomene
overeenstemming tusschen twee schrijvers ontdekken zal. Wanneer men
echter niet in bijzonderheden treedt, dan kan men in het zoozeer
verschillend gebruik twee hoofdrichtingen onderscheiden, die, van
twee tegenovergestelde uitersten uitgaande, nagenoeg lijnrecht tegen
elkander inloopen. Men kan ze gevoeglijk de oudere en de nieuwere
richting noemen.

225. De oudere dagteekent van 1804, en heeft zich tot beginsel gesteld,
dat de bastaardwoorden over het algemeen hunne oorspronkelijke spelling
behooren te behouden. Zij wil alleen de uitgangen overeenkomstig
het Nederlandsche spraakgebruik gewijzigd hebben, en maakt geene
uitzonderingen dan alleen ten opzichte van die woorden, welke, onder
alle standen der maatschappij in gebruik, door allen op Nederlandsche
wijze geschreven worden. Deze richting laat derhalve verschillende
vreemde schrijfwijzen te midden van de inheemsche bestaan, onderstelt
in den lezer de kennis der vreemde spelling en uitspraak, en duldt
vele uitzonderingen; doch deze zijn geene noodwendige uitvloeisels
van het aangenomen beginsel, maar worden alle door buitenliggende
omstandigheden veroorzaakt.

226. De nieuwere richting, nagenoeg veertig jaren jonger, heeft
zich ten doel gesteld de spelling der vreemde woonden zoodanig in te
richten, dat de Nederlander de kennis der vreemde taal voor de juiste
uitspraak ontberen kan. Zij gaat kennelijk uit van de onderstelling,
dat men alleen dan recht heeft een vreemd woord te bezigen, wanneer het
geschikt is om zóó geschreven te worden, dat de lezende Nederlander,
toegerust met de kennis van de spelling en uitspraak zijner eigene
taal, aan de doode letter de levende uitspraak kan teruggeven en zich
de beteekenis herinneren.

Ook deze richting heeft hare uitzonderingen, vermits wij een aantal
vreemde woorden bezigen, wier klank niet kan worden afgebeeld, indien
men onze letters uitsluitend op Nederlandsche wijze wil uitspreken,
terwijl een aantal andere in Nederlandsch gewaad gestoken volstrekt
onherkenbaar zouden zijn. Deze uitzonderingen vloeien uit het
aangenomen beginsel zelf voort, hetwelk dus niet vol te houden is;
daarentegen worden de uitzonderingen op de oudere richting regelmatige
toepassingen van het hier aangenomen beginsel.

227. Beide richtingen hebben hare voor- en nadeelen, die de Redactie,
genoodzaakt eene keus te doen, onderling heeft te vergelijken en aan
de algemeene spellingbeginselen, in de Eerste Afdeeling ontvouwd,
te toetsen.

228. De oudere richting beveelt zich door de volgende voordeelen aan:

1) De spelling der vreemde woorden en bastaardwoorden behoeft
niet gezocht en eerst door nieuwe, afzonderlijke regels bepaald
te worden. Zij is gegeven: wat het hoofddeel der woorden aangaat,
door de vreemde spelling; wat de uitgangen betreft, door de gewone
Nederlandsche spelregels.

2) De spelling stelt uit haren aard de ware uitspraak getrouw voor. Men
kent deze òf onmiddellijk door het beoefenen der vreemde taal,
waaruit het woord ontleend is, òf bij overlevering van anderen die
haar kennen. De vreemde taal en de vreemde spelling zijn en blijven
dus altijd de kenbronnen der uitspraak. De vreemde spelling stelt
natuurlijk steeds de juiste uitspraak voor, hetgeen de Nederlandsche
in vele gevallen slechts zeer gebrekkig kan doen; de ware uitspraak van
sherry, chocolade, machine, genie, ingenieur, sergeant, patrouilleeren,
compagnon, wordt slechts onjuist en eenigszins plomp door sjerrie,
sjokolade, masjine, zjenie, inzjenieur, serzjant, patroeljeeren,
kompanjon of kompanion afgebeeld. Zelfs onze oe schijnt te lang en
te zwaar voor de Fransche ou, in gouverneur en souverein.

3) De oorspronkelijke spelling blijft wijzen op de etymologie der
woorden. Zij verscheurt den band niet, die het woord verbindt met
zijne verwanten in de oorspronkelijke taal, waarin het is ontstaan en
zijne beteekenis heeft gekregen, en waarin het eigenlijk leeft. Zij
behoudt dus al de voordeelen, die eene verwijzing op de etymologie
kan opleveren voor allen, die de vreemde taal verstaan; en dezen
maken de meerderheid uit dergenen, die zich het meest van vreemde
woorden en bastaardwoorden bedienen.

4) Die richting brengt uit zich zelve geene uitzonderingen mede;
de bestaande zijn gevolgen van het Gebruik, van oorzaken buiten het
stelsel zelf gelegen. Zij kan dus met het volste recht gezegd worden
van een beginsel uit te gaan, dat, op zich zelf genomen, consequent
zou kunnen toegepast worden.

229. De voordeelen aan de nieuwere richting, aan het spellen op meer
Nederlandsche wijze, verbonden, zijn de volgende:

1) Daardoor wordt het uitspreken en spellen van een aantal woorden
voor den minkundige, die de vreemde taal niet kent, gemakkelijk
gemaakt. Althans de meeste woorden uit de doode talen, uit het Grieksch
en Latijn, ontleend, kunnen door de Nederlandsche spelling zóó worden
voorgesteld, als de Nederlander gewoon is ze uit te spreken.

2) Daardoor wordt in vele gevallen het contrast opgeheven tusschen de
Nederlandsche en de vreemde spelling, die niet zelden in hetzelfde
woord vereenigd aangetroffen worden: een contrast, dat op zich zelf
geen nut heeft, en dus tegen den goeden smaak schijnt aan te druischen,
dewijl het de eenheid en regelmatigheid verbreekt.

3) Wanneer vreemde woorden op Nederlandsche wijze worden geschreven,
bekomen zij een meer Nederlandsch voorkomen en worden eenigermate in
de taal ingelijfd.

4) De uitzonderingen op de toepassing van het beginsel der oudere
richting vallen dan in den regel, houden op uitzonderingen te
zijn. Daardoor is de nieuwere richting ontslagen van de moeilijke
taak om naar de redenen te zoeken welke die uitzonderingen wettigen,
en den regel te bepalen waarvan zij afhangen.

230. Wanneer de Redactie de voordeelen der beide richtingen vergelijkt
en aan de beginselen eener gezonde orthographie toetst, dan kan zij
niet aarzelen aan de oudere de voorkeur te geven; vooral wanneer
zij bedenkt, dat alles, wat voor deze richting pleit, een bezwaar
tegen de andere uitmaakt. De oudere toch is in overeenstemming met de
beide groote spellingbeginselen, die in onze taal meer dan in eenige
andere worden gehuldigd en op prijs gesteld: juiste voorstelling der
uitspraak en verwijzing op de etymologie en de verwante woorden. De
nieuwere verloochent het laatste als het ware uit principe, en is
niet in staat aan het eerste te voldoen. Daar een aantal klanken
in de vreemde woorden, uit levende talen genomen, niet dan plomp
en onvolkomen op Nederlandsche wijze kunnen voorgesteld worden,
is het nieuwere stelsel van nature en reeds a priori gebrekkig,
brengt het een aantal gebreken met zich, die het in vele gevallen
buiten staat stellen het beoogde doel te bereiken. Daar de spelling
op Nederlandsche wijze uit haren aard de verwijzing op de etymologie
verwaarloost, versmaadt zij roekeloos een krachtig hulpmiddel ter
bevordering der duidelijkheid; terwijl zij omgekeerd den minkundige
bij het eene of andere bastaardwoord niet zelden geheel ten onrechte
aan eene verwantschap met Nederlandsche woorden doet denken, waardoor
het rechte verstand van het woord voor hem belemmerd wordt. Het
woord compascuum b.v. is zeker voor den onkundige onverstaanbaar;
de latinist echter begrijpt het terstond; doch deze zal zich wel
eenige oogenblikken moeten bezinnen, wanneer hij kompaskuüm geschreven
vindt. De onkundige begrijpt het woord onder deze spelling evenmin,
maar maakt zich nu een geheel verkeerd, duister begrip, dewijl hij
natuurlijk aan iets denkt, dat op een kompas betrekking heeft. Zal
dit vooroordeel hem niet in den weg staan, als hij uit het verband
van den zin de beteekenis van het hem onbekende vreemde woord tracht
op te maken? Zal het hem bij diftong, vokaal, instinkt, dialekt,
longroem (eng. longroom) enz. beter gaan?

De nieuwere richting berooft zich zelve ook van het voordeel, om
gelijkluidende of schijnbaar gelijkluidende woorden door de spelling
te onderscheiden, b.v. korporaal en corporaal (altaardoek), dokter
en doctor, kanòn en cánon, enz.

231. De oudere richting vindt hare spelling zoogoed als gegeven:
de nieuwere moet de hare nog vaststellen en kan daarbij dikwijls
niet anders dan willekeurig te werk gaan. De schrijvers, die der
laatste toegedaan zijn, handelen dan ook geenszins eenparig; men vindt
geschreven: kompanjon, kompagnon en kompanion; konzekwent, konsekwent
en konsequent; kurzief en kursief, enz. Hoe moet het zijn? Wie en wat
zal hier beslissen? Van de oplossing van deze en dergelijke vragen is
de oudere richting ontslagen; zij weet, dat het Fransch en Latijn de
schrijfwijzen: compagnon, consequent, consonant, cursief enz. vorderen.

232. De voordeelen der nieuwere richting zijn meer denkbeeldig dan
wezenlijk. Het eerstgenoemde punt blijkt, bij eene nadere beschouwing,
veeleer op last dan op gemak uit te loopen. Zij, ten wier behoeve
de meer Nederlandsche spelling zou moeten strekken, worden er niet
door gebaat; voor de anderen, die er geene behoefte aan hebben,
is zij een groot bezwaar. Kon en wilde men alle vreemde woorden
volgens de gewone regels der Nederlandsche spelling behandelen,
dan zou zulks zeker in zooverre verkieslijk zijn, dat de kennis der
vreemde talen kon ontbeerd worden. Wij hebben echter boven gezien,
dat er een aantal gevallen bestaan, waarin de uitspraak niet door
Nederlandsche letters kan voorgesteld worden. Doch, wat meer zegt,
zelfs de sterkste voorstanders der nieuwere richting zijn niet gezind
de Nederlandsche spelregels geheel en al toe te passen, zelfs niet
in vele gevallen, waarin dit zeer goed mogelijk zou zijn. En te
recht, want vele woorden zouden dan een al te vreemd en zonderling
voorkomen krijgen. Niemand heeft nog willen schrijven: tema, tee,
teorie, ekzamineeren, eksekuutsie, suksessie, okkazie, publiseeren,
publikaatsie, konsiënsie, inkwizietsie, sistema, higrometer, sienisch
(voor cynisch), scheptisch (voor sceptisch), tietel, artiekel, viziete,
sieter (voor citer), kado, buro, odekolonje, soepjee (voor souspied)
enz., ofschoon die schrijfwijzen door onze spelregels zouden gevorderd
worden en de vreemde uitspraak vrij goed vertegenwoordigen. De geheele
vervorming, die men verlangt, komt hoofdzakelijk hierop neder, dat
men de ph door f; de c, als zij den keelklank heeft, door k; en de
s, wanneer zij zacht luidt, door z wil vervangen hebben; b.v. in
filozoof, fyzika, konzonant enz. Over de vervanging van qu en de
Fransche ou door kw en oe blijken de gevoelens verdeeld te zijn; en
slechts zeer enkelen schrijven -nion en -nie in de plaats van -gnon en
-gnie. Daarentegen wil men over het algemeen de th en y in Grieksche
woorden; de x; de enkele i, ook ter voorstelling van den i-klank in
lettergrepen met den vollen klemtoon; en de c ter aanduiding van den
sisklank behouden hebben, op grond, dat genoemde letters evengoed
als de t, i, ks en s tot het Nederlandsche alphabet behooren. Die
gewenschte vervorming blijft dus in elk geval zeer beperkt, laat in
een aantal woorden den vreemden vorm bestaan, en handelt bovendien
inconsequent. De th is immers evenzeer vreemd als de ph. Men zegge
toch niet: »de th is eene Nederlandsche letter, gelijk blijkt uit
thans en althans, terwijl de ph in geen enkel Nederlandsch woord
voorkomt". Men bedriegt zich dan ten opzichte der eerstgenoemde. In
de geheel exceptioneele woorden thans en althans, uit te hande en al
te hande, heeft men de gewone t van te en de stom geworden h van hand,
terwijl de th in theorie en de ph in physica beide vertegenwoordigers
zijn van de enkelvoudige Grieksche letters th en f. Beide staan dus
op ééne lijn; de th is niet meer Nederlandsch dan de ph.--Indien de
c werkelijk evenzeer Nederlandsch is als de k en s, dan bestaat er
ook geene reden om haar te weren uit woorden als consonant en logica,
waar zij als k luidt. Stelt men het omgekeerde, beschouwt men haar als
vreemd, dan moet zij ook als sisklank verworpen worden uit koncert en
citroen; en wil men haar slechts éénen klank, dien van s, toestaan,
dan zou men ook akcent, akces, akcident, sukces moeten schrijven,
wat te recht niemand verlangt.

Bij die gedeeltelijke vervorming blijft steeds eenige kennis van
vreemde talen noodzakelijk. De minkundige zal altijd moeten weten,
dat artikel, titel, visite en machine uit den vreemde zijn overgenomen;
dat in het Grieksch thermometer met th, hypotenusa met t, synode met y
en citer met i geschreven wordt, wil hij geen gevaar loopen artiekel,
tietel, viziete, masjiene, termometer, hipothenuza, sinode, sieter
te spellen.

233. Uit het aangevoerde blijkt duidelijk genoeg, dat het der
nieuwere richting aan een consequent toepasbaar beginsel ontbreekt,
en dat de onkundige er volstrekt niet door geholpen wordt. Doch,
wat erger is, zij noodzaakt de Nederlandsche grammatica een aantal
ingewikkelde spelregels te ontwerpen, die het verschillend gebruik
van de Nederlandsche letters c en s, i, ie en y, th en t, qu en kw
bepalen. Deze zou rekenschap moeten geven, waarom zij nu eens c,
dan s; nu i, dan ie of y; nu th of qu, dan t of kw wilde geschreven
hebben. Die regels zouden dan ten laatste toch wijzen op het
verschil in den oorsprong der woorden, op het onderscheid tusschen
in- en uitheemsch, en alle zouden eenige kennis der vreemde talen
onderstellen. De spelling kategorie, ethika, filozofie en fyzika
vereischt evenzeer bekendheid met het Grieksche taaleigen, of het
zoeken in een woordenboek, als die van categorie, ethica, philosophie
en physica.

Het schijnbare gemak blijkt dus inderdaad een last te zijn. De
minkundigen, die zich bijna niet bedienen van vreemde woorden, welker
spelling niet geheel inheemsch is geworden, zijn er niet mede gebaat;
terwijl zij, die het meest van vreemde woorden gebruik maken en veelal
de oorspronkelijke spelling kennen, nu noodeloos bezwaard worden met
het aanleeren van regels ter bepaling, hoe en in welke gevallen de
vreemde spelling moet gewijzigd worden.

234. Het tweede der bovengenoemde voordeelen verplaatst ons op
het gebied der Aesthetica. Aan hare eischen zou inderdaad meer
voldaan worden, indien het contrast tusschen de inheemsche en
de verschillende vreemde spellingen kon worden opgeheven, omdat
die tegenstellingen volstrekt geen nut hebben, niet dienen om de
verschillende schrijfwijzen wederzijds op te helderen of fraaier
te doen uitkomen. Daar echter de vreemde spelling niet kan worden
geweerd uit al die woorden, waarin vreemde klanken voorkomen, welke
niet door het Nederlandsche letterschrift kunnen vertegenwoordigd
worden, is het middel niet toereikend om de kwaal te genezen; wèl
beschouwd, verergert het haar veeleer. Immers nu ontstaat tusschen
de in- en uitheemsche spelling eene derde, eene bastaardspelling,
b.v. in koncert, koncentrisch, konzequent. Doch, wat meer zegt, er
wordt zoodoende een nieuw contrast geschapen tusschen de natuur en den
vorm van het woord, dat zeker niet schoon is, en juist aan diegenen
den grootsten aanstoot geeft, die zich het meest van vreemde woorden
bedienen. Over den smaak valt wel is waar weinig te twisten, maar
de Aesthetica leert toch grondstellingen, die door allen gereedelijk
aangenomen worden. Het is boven allen twijfel verheven, dat waarheid,
d.i. hier overeenstemming tusschen uiterlijk en innerlijk, eene
noodwendige voorwaarde voor het schoone is. Eene kerk in den vorm
van een woonhuis, en een woonhuis in den vorm eener kerk, kùnnen
niet schoon zijn. Alleen wansmaak kon behagen scheppen in melkkannen,
die apen, of in palmboomen, die zwanen of pauwen voorstelden; en een
reukfleschje in den vorm van een beeldje, al is dit ook nog zoo fraai
gevormd, is leelijk in het oog van ieder, die slechts een weinig over
het wezen der schoonheid heeft nagedacht. Evenzeer strijdig met den
goeden smaak is het spellen op Nederlandsche wijze van woorden, die
door hun klank en vorm beide protesteeren tegen het kleed, dat men
hun heeft aangetrokken en dat hun niet past, omdat het niet voor hen
gemaakt is. Er ligt, wèl beschouwd, iets plomps in de spelling koncert
of konsert, filozoof, fyzikus, konsequent of konzekwent, ekwipaadje,
kwantiteit, enz., hetwelk den beschaafde en geletterde ergert, zoolang
zijn oog niet aan het zien van zulke smakelooze schrijfwijzen gewend
is. Dit is dan ook wel eene der voornaamste redenen, waarom dit
stelsel nooit meer dan enkele voorstanders gevonden heeft.

235. Ook het derde der gewaande voordeelen komt bij eenig nadenken op
zeer weinig uit. Welk nut kan er gelegen zijn in het geven van een meer
Nederlandsch voorkomen aan een vreemd woord, hetwelk zijne afkomst
blijft verraden? Wanneer klank en samenstelling uitheemsch zijn,
kan de spelling daaraan niets veranderen. De Latijnsche praefixen
prae- en con- of com- worden geene Nederlandsche voorvoegsels,
wanneer men prepozitie, preseptor, konditie, kompozitie met e en
k schrijft. Apoteoze, analieze, fizionomie, mizantroop, zofema,
ekwipaadje, epolet, cadó, plató enz., zijn bedorven en nauwlijks
verstaanbaar Grieksch en Fransch, maar geen grein meer Nederlandsch
dan apotheose, analyse, physionomie, misanthroop, sophema, equipage,
epaulet, cadeau, plateau enz.

De eenige beteekenis, die men aan die inheemsche inkleeding hechten
kan, bestaat hierin, dat zij een blijk is, dat het woord veel
door Nederlanders wordt gebruikt. Doch welk nut is in dat vertoon
gelegen? Zal de schrijver er door willen te kennen geven, dat hij
zich gerechtigd acht het woord te bezigen? Wil hij daarmede den lezer
het paspoort laten zien, opdat deze den bastaard ongehinderd late
voorbijgaan? Aangenomen, dat dit eenig practisch nut had, wie zal
dan nog bepalen, of een woord lang en algemeen genoeg in gebruik is
geweest om dat gedeeltelijke burgerrecht deelachtig te worden? Wat
zal bij de beoordeeling de maatstaf zijn? Uiterlijke kenteekenen
ontbreken hier. Geheel vreemde woorden, die volstrekt geene verandering
ondergaan hebben en die niemand zou willen verdietschen, vereenigen
zich in samenstelling met echt Nederlandsche, als in successierechten,
epauletknoop, verjaarcadeau enz., en nemen zelfs Nederlandsche voor-
en achtervoegsels aan, b.v. onsystematisch, cadeautje, geanalyseerd,
enz. Compositie en derivatie met Nederlandsche woorden en affixen
rechtigen derhalve niet tot eene geheel Nederlandsche spelling.

236. Het geven van een Nederlandsch voorkomen aan vreemde woorden
is eene mystificatie, die, niet slechts uit een theoretisch maar ook
uit een practisch oogpunt bezien, te veroordeelen is en blijft. Het
spreekt wel vanzelf, dat de grammatica, die de natuur zoowel als
het gebruik der woorden wil kennen, theoretisch eene spelling moet
afkeuren, die de afkomst en niet zelden ook de beteekenis der woorden
verduistert. Maar ook van het practisch standpunt beschouwd, verdient
de vreemde spelling de voorkeur. Deze waarschuwt den minkundige,
dat hij geene pogingen behoeft aan te wenden om het vreemd gespelde
woord uit zijne moedertaal te verklaren, en snijdt tevens zooveel
mogelijk alle zinspeling op minder kiesche zaken af, die soms door
eene veranderde schrijfwijze wordt uitgelokt, en waartoe onze mindere
stand wel eenigszins geneigd is.

237. Eindelijk het voordeel, daarin gelegen, dat de uitzonderingen
op de oudere richting in de nieuwere regelmatigheden zijn, wordt
theoretisch en practisch meer dan opgewogen door de uitzonderingen
op de laatstgenoemde. Immers de eerste hebben haar bestaan alleen
te danken aan het Gebruik, maar vloeien niet uit het aangenomen
beginsel zelf voort. De nieuwere richting daarentegen is met talrijke
uitzonderingen geboren; en deze noodwendige worden nog grootelijks
vermeerderd door het aantal gevallen, waarin men het beginsel zou
kunnen toepassen, maar niet toepassen wil, om de al te zonderlinge en
onverstaanbare vormen, die eene volstrekte consequentie zou opleveren.

238. Wanneer men dit alles wèl overweegt, kan men bij de keuze tusschen
de twee richtingen niet verlegen staan. Ongetwijfeld moet men die
spelling verkiezen, die als het ware gegeven is en in gereedheid ligt,
en die getrouw blijft aan de twee groote spellingbeginselen, welke
het Nederlandsch bij het schrijven zijner eigene woorden huldigt,
boven de andere, welke die beginselen, deels uit noodzaak, deels
uit principe, verzaakt, de uitspraak niet zelden onjuist afbeeldt,
de etymologie verloochent, en strijdig is met den goeden smaak: eene
spelling, die niet is gegeven, maar volgens willekeurig aan te nemen
beginselen nog moet worden bepaald en vastgesteld, en die daarbij
uit zich zelve genoodzaakt is een aantal uitzonderingen toe te laten.

239. De Redactie ziet echter geenszins de groote bezwaren voorbij,
die ook op den weg der oudere richting gelegen zijn. Deze is wel niet
uit zich zelve genoodzaakt uitzonderingen te maken, maar wordt door
het Gebruik gedwongen er een aantal te erkennen. Immers, het zou eene
vruchtelooze poging zijn, indien men in woorden als kwartier, kapitaal,
kazerne, kompas en dergelijke de oorspronkelijke spelling trachtte
te herstellen. Intusschen is het nog niemand gelukt de grenslijn
te trekken, waar de vreemde spelling ophoudt en de Nederlandsche
begint. Bij eenig nadenken wordt het dan ook duidelijk, dat die
grens uit den aard der zaak niet te trekken is; of, om duidelijker te
spreken, er zijn een aantal vreemde woorden in gebruik, waarvan het
ondoenlijk is, op redelijke gronden en in consequente overeenstemming
met andere dergelijke, te bepalen aan welke zijde der linie zij zich
bevinden. Men wordt van de waarheid hiervan overtuigd, wanneer men
bedenkt, dat er woorden zijn, die, niet slechts door verschillende
personen, maar zelfs door een en denzelfden persoon, naar gelang
der omstandigheden, verschillend worden uitgesproken. Hoe zou er
in de spelling vastheid en gelijkmatigheid kunnen bestaan, waar de
uitspraak wankel en veranderlijk is? Een paar voorbeelden zullen
toereikend zijn, om den lezer verscheidene andere te herinneren. Een
beschaafd man zal in gezelschap spreken van keurig geslepene karaffen;
maar als hij een glas water verlangt, zegt hij zonder bezwaar tot den
knecht: geef mij de kraf eens aan! Hij zal u op de sociëteit vragen:
hebt gij dat bericht in de courant gelezen? en als gij ontkennend
antwoordt, roept hij terstond om de krant. In een wetenschappelijk
congres spreekt men over de beste wijze om cichorei te telen, maar
in een winkel bestelt men suikerij.

Doch vooral bestaat zulk een verschil in de uitspraak derzelfde
woorden bij lieden van verschillende beschaving. Een vischwijf,
met haars gelijke in krakeel, zal deze een kanalje, een karonje,
en hare woning een kavalje schelden; de trotsche aristocraat ziet
met minachting neder op het canaille en rapaille. De brouwersknecht
kent gijl, de verver konzenielje; de wetenschappelijke man spreekt
van chijl en cochenille; en zoo wisselt de uitspraak der vreemde
woorden telkens af, al naarmate de beschaving van den spreker of de
eisch der omstandigheden medebrengt.

240. Wanneer de uitspraak van dezelfde woorden van allerlei
omstandigheden en inzonderheid van den smaak, niet van de woorden zelve
afhangt, moet de spelling uit haren aard nog veel onzekerder zijn, en
zal de een aan de oorspronkelijke, de ander aan eene meer Nederlandsche
de voorkeur geven, zonder altijd redenen voor zijne schrijfwijze te
kunnen aanvoeren. De Redactie, van wie wel niet het onmogelijke kan
gevergd worden, erkent dan ook gaarne, dat zij buiten machte is vaste
regels te stellen, die in ieder geval kunnen voldoen. Zij acht hare
taak vervuld, wanneer zij het grondbeginsel, waarvan zij uitgaat,
zoo nauwkeurig mogelijk omschrijft, en in het algemeen de richting
bepaalt, die zij bij de uitzonderingen meent te moeten volgen.

Na rijpe overweging, acht zij het grondbeginsel aldus te moeten
formuleeren:

241. Bastaardwoorden, ontleend uit talen, die het Latijnsche [d.i. hier
hetzelfde als het Nederlandsche  [12]] letterschrift bezigen,
worden op de oorspronkelijke wijze geschreven, voor zooverre hunne
uitspraak onveranderd is gebleven. Waar deze echter gewijzigd is, en de
oorspronkelijke spelling tot eene ongewone uitspraak aanleiding geven
zou, wordt de spelling in zooverre op Nederlandsche wijze veranderd.

De wijziging der uitspraak heeft plaats 1) aan het einde der woorden,
2) in het lichaam van het woord.

242. 1) De wijziging aan het einde der woorden heeft meestal
haren oorsprong te danken aan de noodzakelijkheid om de woorden op
Nederlandsche wijze te verbuigen. Zij bestaat doorgaans in het afkappen
der laatste lettergreep, ten gevolge waarvan dikwijls eene wijziging
in de spelling der voorlaatste noodzakelijk wordt. Zoo is b.v. praefix
het Lat. praefixum, evangelist het Lat. evangelista, publicist het
Fransche publiciste, trompet het Fransche trompette. Daar de klinker
in de voorlaatste lettergreep der genoemde vreemde woorden geene
verandering in de uitspraak ondergaat, blijven praefix, evangelist,
publicist en trompet voor het overige onveranderd. Anders is het,
wanneer advocatus, particula, problema en publique de laatste syllabe
verliezen; de a en e moeten alsdan in advocaat en probleem noodwendig
verdubbeld worden; de u van particula gaat in de toonlooze e over,
en dit maakt weder de verandering van c in k noodzakelijk, waardoor de
vorm partikel ontstaat; de uitgang -ique moet, na afwerping zijner e,
bij ons -iek worden: publiek.

In sommige woorden schijnt de verbastering van den uitgang niet op
deze wijze verklaard te kunnen worden. Zoo laat de vorm sociëteit zich
schijnbaar evenmin van lat. societas als van fr. société afleiden. In
zulke gevallen moet men niet uit het oog verliezen, dat Latijnsche
woorden niet altijd in den nominatiefvorm zijn overgenomen, maar dat
dikwijls een verbogen naamval ten grondslag ligt. Dit heeft plaats
bij sociëteit, majesteit, sextant enz., lat. societas--societatis,
majestas--majestatis, sextans--sextantis, enz.; vanhier de t in
deze en dergelijke woorden. Ook de meervouden tangenten, secanten,
van tangens en secans, zijn op die wijze te verklaren.

Niet altijd echter is de laatste lettergreep van het vreemde woord
afgeknot; dikwijls is alleen de uitspraak veranderd. Zoo zijn
b.v. palais, laquai, souverain, livrée, général, profit, in paleis,
lakei, souverein, livrei, generaal, profijt enz. overgegaan.

Door deze en dergelijke veranderingen zijn de bekende bastaarduitgangen
-aal, -aan, -aat, -ant, -eel, -eeren, -eet, -ent, -et, -ief, -iek,
-iel, -iet, -ijn, -ijt, -oen, -oor, -uut en andere ontstaan, die
geheel op Nederlandsche wijze behandeld worden. Alleen de uitgangen
-air en -oir der Fransche adjectieven behouden hunne vreemde ai en oi,
b.v. in militair, stationnair, transitoir, executoir enz.

    Ter voorkoming van misverstand zij aangemerkt, dat hier
    gesproken wordt van uitgangen in het algemeen, d.i. van klanken
    waarop woorden uitgaan, en niet van achtervoegsels (suffixen),
    d.i. bepaalde uitgangen, die achter bestaande woorden gevoegd
    worden om nieuwe woorden te vormen. Niet al de genoemde uitgangen
    zijn achtervoegsels, of zijn het altijd. Zoo zijn -aat en -iet
    suffixen in optimaat en Israëliet, maar niet in praecipitaat en
    chrysoliet. Een achtervoegsel -eet bestaat niet, evenmin als -noom,
    -anthroop of -troop achtervoegsels zijn; vergelijk de aanmerking
    op § 77.

243. Het bastaardachtervoegsel -aadje vereischt eene afzonderlijke
overweging. Het is uit het Fransch ontleend ten tijde dat -age
(Ital. -aggio, Lat. -aticum: zie Diez, Gramm. der Roman. Sprachen,
2de uitg., D. II, bl. 288 vlg.) in die taal nog, op Italiaansche
wijze, als aadzje luidde. Die uitspraak heerschte toen ook bij ons,
maar kon slechts gebrekkig in Nederlandsch schrift worden uitgedrukt;
vandaar de verschillende schrijfwijzen: pelgrimaedse, pelgrimagie,
pelgrimaedje. Thans, nu wij in dat en alle dergelijke woorden, evenmin
als de Franschen, eene d laten hooren, is de spelling pelgrimaadje,
stellaadje enz. buiten alle verhouding met de uitspraak geraakt,
terwijl zij soms aanleiding geeft, dat zoodanige woorden geheel
letterlijk overeenkomstig hun vorm worden uitgesproken. Daar de
uitspraak g als zj toch plaats vindt in de Nederlandsche woorden genie,
logement, gage, gelei, horloge enz., en dus bij ons niet onbekend is,
en iedereen ook gewoon is college, manege, engagement, menage, courage,
courtage te schrijven, bestaat er inderdaad geene overwegende reden,
om de zonderlinge spelling -aadje te behouden. Wij aarzelen daarom
niet eene schrijfwijze te laten varen, die eene geheel verouderde
uitspraak tot grondslag heeft, maar met de hedendaagsche in strijd is,
sinds lang velen tot aanstoot en ergernis heeft gestrekt, en nooit
consequent is toegepast. Wij meenen derhalve te moeten schrijven:
bagage, lekkage, pelgrimage, slijtage, stellage, stoffage, tuigage
enz.; en evenzoo: page. Zóó vervalt ook vanzelf de ongelijkheid in
de spelling van passaadje en passagier enz.

244. 2) Veranderingen in het lichaam der woorden, ter voorkoming
eener ongewone uitspraak, hebben bijna uitsluitend in Fransche
woorden plaats. Zij bestaan voornamelijk in het weglaten der accenten,
b.v. in genie, ingenieur, fr. génie, ingénieur, waarin de Fransche é
voor de toonlooze e heeft plaats gemaakt. Zoo is ook de uitspraak der
Fransche g in garnison, guitare, guide voor de gewone Nederlandsche
geweken. Daarom laat men de u in gitaar enz. weg.

Om gelijke reden schrijft men pleizier of plezier voor plaisíer, en
seizoen voor saisoen, dewijl de ai, op Fransche wijze uitgesproken,
in deze woorden niet meer in gebruik is.

245. Eene bijzondere aanmerking moet gemaakt worden betreffende de
woorden, die uit het Grieksch ontleend zijn. Deze namelijk worden wel
in de oorspronkelijke taal met een ander letterschrift geschreven,
doch dit is voor ons geheel onverschillig, omdat de meeste dier
woorden door het kanaal van het Latijn tot onze kennis zijn gekomen
en, dienovereenkomstig, op Latijnsche wijze uitgesproken en gespeld
worden. Wij zeggen niet: hupoteinoeza, sustema, fuzikè, euangelion,
oikonomia, Makedonia, Kimoon, Platoon, Thrazuboelos, Aiguptos, hetairen
enz.; maar wij spreken die woorden uit, overeenkomstig den vorm, dien
zij in het Latijn bekomen: hypotenusa, systema, physica, evangelium
(of evangelie), oeconomia (of oeconomie), Macedonië, Cimon, Plato,
Thrasybulus, Egypte (of Aegypte), hetaeren enz.

Eene consequente spelling op Grieksche wijze is derhalve zoogoed als
onmogelijk; en deze wordt trouwens ook door niemand verlangd. Doch
hoewel de Latijnsche schrijfwijze als maatstaf en regel voor de
Grieksche beschouwd wordt, maken sommigen eene uitzondering ten
opzichte van de k en f, die zij niet door de Latijnsche c en ph,
maar door k en f teruggegeven willen hebben; zij schrijven daarom
theokratie, fyzika of fysika, filosofie of filozofie. Deze spelling,
uit welk oogpunt ook beschouwd, is inconsequent en maakt noodeloos
inbreuk op den--anders algemeenen--regel. Geschiedt zulks om de
spelling meer met het Grieksche spraakgebruik overeen te brengen,
dan wordt de f verkeerd aangewend, dewijl f zoo ooit, zeker niet te
allen tijde de waarde van f gehad heeft. Is het om aan de woorden een
meer Nederlandsch voorkomen te geven, waarom dan de th en de y ter
uitdrukking van de th en y behouden, terwijl de enkele t en i de gewone
uitspraak dier letters even goed zouden voorstellen? Die spelling is
dus inderdaad slechts eene nuttelooze en willekeurige afwijking van de
regelmaat, waarop men weder uitzonderingen zou moeten maken. Immers
het bezigen van k, waar het Grieksch eene k heeft, is niet vol te
houden. Vele woorden, welker uitspraak bij ons vaststaat, eischen
volstrekt de c, als: Bucephalus, Centaur, Cepheus, Cerberus, Cilicië,
Cyprus, Cyrus, Macedonië enz. In Cekrops, cykloop en andere zouden
c en k om dezelfde letter te vertegenwoordigen naast elkander staan;
en wie zou Bakchus of Bakkhus willen schrijven? En toch, elke andere
spelling: Bacchus of Bachus, ware dan eene nieuwe onregelmatigheid,
eene willekeurige uitzondering op eene uitzondering.--Evenmin laat
de f zich consequent bezigen. Men zal toch aan Sappho wel niet
den Hoogduitschachtigen vorm Sapfo willen geven. Men verlangt de
f voornamelijk om den wille der uitspraak. Nu is het wel niet te
ontkennen, dat ph, waar men eene f moet laten hooren, tot verkeerdheden
aanleiding kan geven; doch het is evenzeer waar, dat het Nederlandsch
als grondbeginsel aangenomen heeft, geen erkenden spelregel, waartoe
ook die der Analogie behoort, te verzaken, alleen om eene verkeerde
uitspraak te voorkomen [13]. Men kan béken als bekèn, béving als
bevìng, voorkómen als vóórkomen, wéderroepen als wederróépen,
óverkomen als overkómen uitspreken; dit is echter nooit als eene
afdoende reden beschouwd, om die woorden te spellen op eene wijze, die
met geldige regels in strijd is; b.v. niet beeken, beeving, voorkoomen
enz. Men zou dus niet gerechtvaardigd zijn, indien men op den algemeen
uitvoerbaren regel: Grieksche woorden volgen de Latijnsche spelling,
alleen om den wille eener mogelijke verkeerde uitspraak uitzonderingen
ging maken. Indien men zich zulks veroorloofde ten opzichte der ph,
men zou het ook in andere gevallen als beginsel moeten erkennen; en
waar zou dat heen? Wie zich ergert aan de uitspraak catalógus, ódeon,
spèctator, eene wanspraak veel algemeener dan potografie en pizika,
zou met hetzelfde recht cataalogus, odeeon, spectaator enz. kunnen
eischen: spellingen, die wel niemand verlangt, en die ook niet fraai
zouden zijn, maar zeker den lof van consequentie zouden verdienen. De
Redactie kan dan ook geene enkele geldige reden bedenken, om ten
aanzien der twee genoemde letters anders te handelen, dan zij in de
overige gevallen genoodzaakt is te doen. Zij meent derhalve den regel:
Grieksche woorden worden op Latijnsche wijze gespeld, consequent te
moeten volgen, en schrijft dus ook: academie, theocratie, physica,
orthographie, philosophie enz.

246. De uit het Grieksch ontleende bastaardwoorden zijn, wat de
uitgangen betreft, aan denzelfden regel als de overige onderworpen;
zie § 242. Zoo schrijve men: biograaf, photograaf, telegraaf,
telescoop, philanthroop, philosoof, basilisk, apocrief, acustiek,
cliniek, diptiek, synoniem, proseliet, apostel, diaken, scaphander enz.

Het zou inconsequent, onregelmatig en zelfs onnatuurlijk zijn,
indien men de eindlettergrepen, die ten gevolge van het afvallen
der Grieksche of Grieksch-Latijnsche uitgangen eene wijziging
in de spelling moeten ondergaan, en daarmede aan de Nederlandsche
spellingwetten worden onderworpen, nog gedeeltelijk op Grieksche wijze
schreef. Wanneer men van basiliscus -us of -os afsnijdt, moet de c
in het meervoud basilisken natuurlijk in k veranderen; het enkelvoud
wil dan, volgens den erkenden regel, ook de k in basilisk. Trouwens
niemand schrijft basilisc, evenmin als grotesq, naar fr. grotesque,
of grottesc, naar ital. grottesco. Is die onderwerping aan de
Nederlandsche spelregels in sommige gevallen onvermijdelijk, dan
eischt de Analogie haar ook in die gevallen, waar twijfel schijnt
te bestaan. Hiertoe behooren de woorden op -aaf, -ief- en -oof, als
geograaf, telegraaf, apocrief, philosoof enz. De Grieksch-Latijnsche
woorden geographus, apocryphus en philosophus, na afwerping van -us:
geograph, apocryph en philosoph, eischen de verdubbeling der a en o,
en de verandering van de niet verdubbelbare y in ie; dus geograaf,
apocrief en philosoof, of geograaph, apocrieph, philosooph. Die
dubbele a en o en de ie zijn vreemd aan het Grieksche en Latijnsche
taaleigen, maar zijn geheel Nederlandsch; de tweede a en o valt
zelfs in het meervoud, op Nederlandsche wijze, weder uit. Een
en ander bewijst, dat die uitgangen als Nederlandsch beschouwd
moeten worden. De vreemde ph nu maakt, vooral in verbogen vormen,
als geographen, apocriephe, eene vreemde vertooning, omdat zij in
strijd is met de letters, waartusschen zij staat. Hare vervanging
door f is derhalve even natuurlijk als consequent, en is tevens
in overeenstemming met het Gebruik, dat kennelijk aan geografen,
apocriefe enz. boven geographen en apocriephe de voorkeur geeft. Ook
is zij in volmaakte overeenstemming met de vervanging van th door t in
aëroliet, chrysoliet enz., lat.-gr. aërolithus, chrysolithus, waarin
het Gebruik, klaarblijkelijk om dezelfde redenen, geene th achter de ie
wil.--Triumf of triomf, lat. triumphus, en nimf, lat. nympha, hebben,
als dichterlijke woorden, reeds om eene andere reden eene f; zie § 251.

In biographie, ethnographie, philosophie enz. echter zijn de
lettergrepen graph en soph onaangetast gebleven, en bevindt de ph zich
niet tusschen bepaaldelijk Nederlandsche letters; hier bestaat dus
geene reden voor het bezigen der f. Geographie enz. is niet gevormd
van ndl. geograaf, evenmin als diaconie en apostolisch van ndl. diaken
en apostel; maar het is eene verbastering van het lat.-gr. geographia,
gelijk diaconie en apostolisch van diaconia en apostolicus. Geografie
enz. te schrijven omdat geograaf eene f heeft, zou even onnatuurlijk
zijn, als wanneer men lietograaf (uit lithographns) met ie wilde
schrijven, omdat lat.-gr. lithus in aëroliet en chrysoliet in -liet
verandert.

247. Eene afzonderlijke beschouwing eischt de spelling van het
woord telegrafist, dat zich in een geheel ander geval bevindt dan
geographie en dergelijke. Het is niet gevormd van een Grieksch woord
telegraphistes, gelijk evangelist van euangelistes; de naam zou moeten
zijn telegraaf, gelijk bibliograaf, biograaf, ethnograaf, geograaf,
historiograaf, stenograaf, tachygraaf enz. Daar telegraaf echter
reeds als de benaming van het werktuig of de inrichting gebezigd
werd, en men derhalve voor de personen, aan zulk eene inrichting
verbonden, een anderen vorm noodig had, heeft men, strijdig met het
Grieksche taaleigen, het woord telegrafist gevormd, dat in zooverre
als Nederlandsch kan worden beschouwd, omdat wij met het achtervoegsel
-ist ook van Nederlandsche woorden persoonsnamen maken, b.v. bloemist,
fluitist, orgelist, klokkenist. De vorm telegrafist is trouwens ook
de gebruikelijke.

248. De spelling geographie enz. beslist insgelijks de keuze
tusschen geographisch en geografisch enz. Bij geographische of
biographische woordenboeken, bij ethnographische verhandelingen en
topographische kaarten denkt men aan de kennis, uit die woordenboeken,
verhandelingen of kaarten te putten; bij een stenographisch bericht
en een photographisch portret aan datgene, dat stenographie en
photographie heet: de schrijver of kunstenaar, de geograaf of
photograaf, komt daarbij wel niet in aanmerking, staat ten minste ver
op den achtergrond. De hier bedoelde woorden zijn derhalve gevormd van
de woorden biographie, geographie enz., gelijk historisch van historie
komt; zij moeten dus ongetwijfeld eene ph hebben. Wat telegraphisch
betreft, ofschoon dit, blijkens de beteekenis, niet van telegraphie,
maar van telegraaf is afgeleid, is het toch gevormd in overeenstemming
met de boven genoemde woorden. Het is dus niet raadzaam, het in de
spelling daarvan te scheiden. De analogie eischt ook hier de ph.

249. Bezaten wij een ww. geographeeren, het zou gevormd zijn van het
Grieksch geôgrafeô. Van dezelfde vorming zouden photographeeren,
lithographeeren enz. wezen, indien de daaraan beantwoordende vormen
in het Grieksch bestonden. Die woorden kunnen dus geacht worden
onmiddellijk uit die taal overgenomen te zijn, gelijk photographie,
lithographie enz. om de analogie van geographie, gr. geôgrafia. De
lettergreep graph blijft daarin insgelijks onveranderd. Hier bestaan
dus dezelfde redenen voor het behoud der ph, als bij geographie en
andere op -phie, weshalve photographeeren, lithographeeren enz. de
regelmatige vormen zijn.

250. Na de opgave der grondbeginselen, die de Redactie bij het
schrijven der bastaardwoorden voornemens is te volgen, blijft haar nog
overig de gevallen te omschrijven, waarin zij meent, dat het algemeen
Gebruik het spellen op Nederlandsche wijze volstrekt vordert, en
die derhalve als onvermijdelijke uitzonderingen op de gegeven regels
moeten beschouwd worden.

Wanneer men de woorden der beide eerste klassen vergelijkt, dan ziet
men, dat die, welke begrippen uitdrukken, die onder alle rangen en
standen der maatschappij gangbaar zijn, een geheel Nederlandsch gewaad
hebben aangenomen; terwijl die, welke hun vreemden vorm onveranderd
hebben behouden, slechts in hoogere standen, in bijzondere kringen,
of door lieden van wetenschappelijke vorming gebruikt worden. Deze
waarneming geeft het richtsnoer aan de hand, dat bij het spellen
der bastaardwoorden tot leiddraad strekken kan. Uitdrukkingen,
bepaaldelijk meer door hoogere standen gebezigd of betrekking hebbende
op personen en verhoudingen, tot die standen behoorende; benamingen
van voorwerpen van weelde; termen, uitsluitend gebruikelijk in
wetenschappen, of in kunsten en beroepen die eene wetenschappelijke
voorbereiding vereischen, worden geschreven overeenkomstig de boven
opgegeven regels. Benamingen daarentegen van alledaagsche voorwerpen;
uitdrukkingen van denkbeelden, onder alle standen gangbaar; namen
van zaken, voorkomende in ambachten en beroepen, door minkundigen
uitgeoefend, worden, zooveel de uitspraak het toelaat, op Nederlandsche
wijze geschreven.

Wanneer men het Gebruik gadeslaat, ziet men, dat het werkelijk
doorgaans zóó handelt. Immers men schrijft meestal overeenkomstig de
vreemde spelling: dejeuneeren, soupeeren, incommodeeren, receptie,
felicitatie, discretie, canapé, candelaber (of candelabre), lorgnet,
specerij, vermicelli, macaroni, morilles, philosophie, physica, logica,
categorie, maçonnerie, loge, concreet, abstract, scrupel, lancet,
pincet, bistouri, crayon, aquarel, pose, silhouet, photographie,
tachygraaf enz.; daarentegen dukaat, biljart, biljet, kapel, kapelaan,
knaster, kamfer, kapitaal, karakter, karwats, kwartier, kazerne,
kasteel, kastelein, likeur, ons (gewicht), kamperfoelie, peterselie,
postiljon, stukadoor, kastrol, karkas, loods (houten gebouw), penseel,
vermiljoen, traktaatje, traktement enz.

Met het oog op die onderscheiding schrijven wij advocaat evenzeer
met eene c als procureur, gelijk bij dit laatste woord gewoonlijk
geschiedt. Die woorden toch duiden personen aan uit den aanzienlijken
stand; en reeds de goede smaak eischt die spelling in de combinatie:
N.N., Advocaat en Procureur.

251. Eene bijzondere opmerking moet hier gemaakt worden omtrent
enkele woorden, die wel tot eene hoogere klasse van denkbeelden
behooren, maar eene eigenaardige populariteit hebben verkregen door
het veelvuldig gebruik in de poëzie, die uit haren aard afkeerig is
van het gebruik van eigenlijk vreemde woorden, als niet passende in
den hoogeren stijl. Die woorden derhalve, die in de poëtische taal
voorgoed zijn aangenomen, zijn daardoor vanzelf als Nederlandsche
gestempeld. Zoodanige zijn: poëzie of poëzij zelf, nimf, porfier,
saffier, zéfir of zefiér enz. De analogie zou de vreemde spelling
poësie, nymf, porphier, sapphier, zephyr of zephier vereischen; doch
zij hebben van onze dichters het burgerrecht verkregen, dat hun op
de inheemsche spelling aanspraak geeft.

252. Tot de woorden, aan het slot van § 250 genoemd, behooren ook die,
welke in onze taal hunne beteekenis gewijzigd hebben, en daardoor
inderdaad eigenlijk Nederlandsch geworden zijn. Zoo wordt te recht
veelal geschreven: dokter (voor geneesheer), kommies (voor beambte
bij de belastingen, fr. douanier), komedie (voor schouwburg), lokaal
(voor vertrek, zaal), spektakel enz.; ofschoon men daarnevens, bij
eene andere opvatting der woorden, de echte spelling behoudt in doctor
(als wetenschappelijken titel ook in andere faculteiten), commies (voor
ambtenaar aan een der ministeriën of bij de posterijen, fr. commis),
comedie (soort van drama), locaal (adjectief), de Spectator, enz. Zoo
schijnt het evenzeer raadzaam, kritiek (hachelijk) te onderscheiden van
critiek (oordeelkunde) en critisch (oordeelkundig). De onderscheiding
moge bij den eersten aanblik eene spitsvondigheid schijnen--en in
het gebruik wordt zij zeker tot dusverre niet in acht genomen--, toch
steunt zij op een wezenlijk beginsel en kan niet onverschillig zijn
voor een schrijver, die met oordeel te werk gaat, en een gewijzigden
woordvorm te recht aanmerkt als een geschikt middel om den lezer de
wijziging van een begrip te doen opmerken.

253. Ten gevolge van den invloed, dien het zoo uiteenloopend gebruik
op de woorden oefent, is er soms een verschil ontstaan tusschen de
spelling der stamwoorden en hunne afleidsels; b.v. bij cánon (regel),
canoniek en kanunnik; klasse, classis en classicaal; krediet en credit;
koerier en courant; konserf en conservatief; lier en lyrisch; klerk en
clericaal; sekuur en securiteit; orgel (organon) en organist (minder
gewoon orgelist), enz. Vergelijkt men deze en dergelijke verschillen
in de spelling, dan zal men daarin eene nieuwe bevestiging zien van
den boven in § 250 gestelden regel.

254. Eindelijk nog eene opmerking, die bij het schrijven van enkele
woorden in het oog moet gehouden worden. Wij bezigen eenige Latijnsche
bastaardwoorden, die in dubbelen vorm in de taal bestaan, maar
op twee verschillende wijzen worden geschreven, doordien de eene
vorm onmiddellijk aan het Latijn ontleend is, terwijl de andere
middellijk uit het Fransch tot ons is gekomen. In die gevallen
is de Latijnsche vorm de wetenschappelijke, de Fransche de gewone
en dagelijksche. Hierop grondt zich het verschil in spelling van
praesens en present, van praeses en president, van praeparaten en
preparatieven, van oeconomie en economie, phoenix en feniks, dioecese
en diocese, procurator en procureur, secunde en seconde, nummer en
nommer, fundament en fondement, familie en famielje, subject en sujet
(als in: een slecht of gemeen sujet), enz.

255. Dat wij bij wetenschappelijke benamingen aan de Latijnsche
en Latijnsch-Grieksche vormen de voorkeur geven, blijkt o.a. ook
daaruit, dat wij, overeenkomstig het oorspronkelijke Grieksche
woord chêmeia, in chemie eene e uitspreken en schrijven, en niet
eene i, gelijk fr. chimie zou medebrengen. Daarom schrijft de
Redactie acustiek met eene u en hypotenusa met eene t, dewijl de
regelmatige Latijnsche vormen dier woorden (acustica en hypotenusa)
die letters hebben. De gewone spelling acoustiek steunt op de Fransche
schrijfwijze acoustique, en hypothenusa op het voorheen gebruikelijke
hypothénuse, welke laatste spelling echter bepaald verkeerd was en
dan ook later te recht door hypoténuse is vervangen.--De niet geheel
ongewone spelling autheur, authoriteit en cathegorie, voor auteur,
autoriteit of auctoriteit en categorie, heeft volstrekt niets ter
verontschuldiging, evenmin als die van de eigennamen Anthonius en
Margaretha, voor Antonius en Margareta.

256. Ziedaar hetgeen de Redactie, na rijpe overweging, gemeend heeft
te moeten vaststellen voor de door haar te volgen spelling, voor
zooverre het ingewikkeld en veelbetwist vraagstuk der bastaardwoorden
betreft. Zij vleit zich, dat hare beschouwing den lezer de overtuiging
zal hebben gegeven, dat men aan den eenen kant ook hier een leidend
beginsel kan volgen, in overeenstemming met de algemeene gronden van
taal en spelling; maar aan de andere zijde, dat voorschriften, die
alles tot in de minste bijzonderheden regelen, hier even onbestaanbaar
zijn als overal elders, waar de beslissing van allerlei omstandigheden
afhangt en derhalve, in elk bijzonder geval, alleen door oordeel en
smaak kan worden bepaald.



Over het verdeelen der woorden in lettergrepen.

257. Het leerstuk aangaande de verdeeling der woorden in lettergrepen
geeft het antwoord op de vraag: tot welke lettergreep moeten, bij
het afbreken van een woord, de tusschenletters gerekend worden? tot
de voorgaande of tot de volgende lettergreep?

Bij het beantwoorden dier vraag heeft men de vreemde woorden en
bastaardwoorden van de echt Nederlandsche af te zonderen, en bij deze
laatste weder onderscheid te maken tusschen verbogene, afgeleide en
samengestelde woorden.

    a) Door tusschenletters worden hier verstaan alle medeklinkers,
    die in eenig woord tusschen twee klinkers of tweeklanken
    staan. Beginletters noemen wij alle medeklinkers, die zich aan
    het begin van een woord vóór den eersten klinker of tweeklank
    bevinden; sluitletters alle medeklinkers, die aan het einde van
    een woord achter den laatsten klinker of tweeklank komen. Zoo
    zijn b.v. de g in dagen, de r en b in arbeid, de r, t en s in
    koortsen tusschenletters: in strandt zijn s, t en r begin-, n,
    d en t sluitletters.

    b) Onder afgeleide woorden begrijpen wij hier ook de zoogenaamde
    middelwoorden, ook wel onechte stammen geheeten, d.i. dezulke,
    die door hunne voor- of achtervoegsels het voorkomen van
    afgeleide woorden hebben, doch die niet van bekende grondwoorden
    gevormd zijn, b.v. gezond, hagel e.a. Zij worden geheel als de
    overeenkomstige woorden van bekenden vorm behandeld en vereischen
    dus geene afzonderlijke regels; trouwens, zoodra hunne etymologie
    bekend wordt, houden zij op middelwoorden te zijn en gaan zij in
    de klasse der afleidingen over.

258. De scheiding der lettergrepen is geenszins iets willekeurigs,
maar hangt in iedere taal ten nauwste samen met hare eigenaardige
uitspraak en spelling. De Redactie gaat daarbij te werk naar de
volgende grondbeginselen, die onze taal zelve aan de hand geeft:

259. I. Wanneer in niet samengestelde woorden tusschen twee
opeenvolgende lettergrepen slechts één medeklinker voorkomt, dan
behoort deze tot de volgende lettergreep; b.v. in dra-gen, e-ten,
ho-pen, u-ren, za-lig, wa-sem enz.

De taal zelve leert duidelijk, dat zij zóó gescheiden wil
hebben. Vooreerst door het uitstooten van ééne a en u, dikwijls
ook van eene e en o, wanneer deze in het onverbogene woord of het
grondwoord verdubbeld zijn. In het tegenovergestelde geval toch zou
zij den dubbelen klinker eischen in draag-en, eet-en, hoop-en, uur-en,
zaal-ig, waas-em enz., evenzeer als in draag, eet, hoop, uur, zaal,
waas, waarin de tusschenletter als sluitletter voorkomt.--Vervolgens
door de verdubbeling der tusschenletter in woorden als heb-ben,
had-den, zon-nig, ken-ner enz., die onnoodig zou wezen, indien in
heb-en, had-en, zon-ig, ken-er enz. de enkele tusschenletter tot
de eerste lettergreep behoorde.--Eindelijk door de verandering der
uitspraak in dàg--dágen, bevèl--bevélen, slòt--slóten, en door den
overgang der f en s van woorden als brief, buis, lees, lief enz. in
de v en z van brie-ven, bui-zen, le-zer, lie-ve, hetgeen bewijst,
dat zij als beginletters worden aangemerkt.

260. Het is dus onloochenbaar, dat het Nederlandsch liever eene
volgende lettergreep met een medeklinker begint dan eene voorafgaande
daarmede te sluiten.--De ingelaschte d in bevrij(d)en, belij(d)en,
vlie(d)en, wij(d)en, na(d)er (van na) e.a.; de k in bijker en
kooiker van bij en (eenden)kooi; de woorden weldoe(n)er, opzie(n)er,
voorgan(g)er, voorstan(d)er, van doe-n, zie-n, gaa-n, staa-n; de
flauwe j, die in zee-en, thee-en gehoord wordt; de als j klinkende i
in koei-en, vlooi-en (van koe en vloo), bewijzen, dat onze taal eene
volgende lettergreep ongaarne met een klinker laat aanvangen; terwijl
daarentegen leiband, scheikunde, gelui, zijweg, van leiden, scheiden,
luiden, zijde; leelijk van leed, kwalijk van kwaad, schielijk van
schier toonen, dat zij niet schroomt eene lettergreep open te laten.

261. II. Wanneer er twee opeenvolgende tusschenletters voorkomen in
woorden, die niet samengesteld zijn noch afgeleid door middel van
een achtervoegsel, dat gelijk -de, -ste, met een medeklinker begint,
dan behoort de eerste tusschenletter tot de voorgaande, de tweede
tot de volgende lettergreep; b.v. in bul-ten, hel-den, kas-ten,
mel-ken, bul-tig.

Dat de eerste medeklinker tot de voorgaande lettergreep behoort,
blijkt vooreerst uit de spelling naal-den, paar-den, vaar-dig,
huur-der enz. met den dubbelen klinker, die anders geheel
overtollig zou wezen. Vervolgens uit de uitspraak van woorden als
hànden, hèlden, hìnden, hònden, hùlde; en uit de verdubbeling der
medeklinkers in kat-ten, bel-len, min-naar, kop-pig enz., welke in
het tegenovergestelde geval geen doel zou treffen.

Dat de tweede tusschenletter tot de volgende lettergreep gerekend
wordt, volgt reeds uit den vorigen regel (I), en wordt nader bevestigd
door den overgang der f en s tot v en z in woorden als kalf--kalven,
erf--erven, baars--baarzen, els--elzen, zalf--zalven, hals--halzen enz.

262. Een twijfel is bij sommigen gerezen omtrent het afbreken der
woorden met de tusschenletters ng. De eigenaardige uitspraak van
dezen klank deed den schijn ontstaan, alsof ng slechts één enkele
medeklinker was. In wezenlijkheid echter is dit niet het geval. De ng
is, blijkens haar oorsprong, onloochenbaar de vereeniging van dezelfde
gutturale n, die in den-ken en zin-ken gehoord wordt, met de g in haar
oorspronkelijken klank (d.i. dien der Friesche en Fransche g, als in
grand, guerre enz.). Moge al de uitspraak allengs zijn gewijzigd,
zoodat de g bijna geheel verflauwd is en nauwelijks meer vernomen
wordt, dit kan toch geene voldoende reden zijn om de beide letters,
gelijk sommigen willen, als eene eenheid te beschouwen en daarom bij
het afbreken ongescheiden te laten. Stelde ng inderdaad een gewonen
enkelvoudigen medeklinker voor, men zou, volgens regel I en § 260,
ta-ngen, ze-ngen, to-ngen enz. moeten schrijven. Doch dit wil niemand,
en het zou ook geheel strijdig zijn met den aard der taal. In geen
enkel woord treft men vóór ng een helderen klinker aan, gelijk de
á é, ó in tá-kel, zé-gel, bó-gen; men vindt uitsluitend een kort
afgebrokenen, als in tàk, zèg, dòf. Dit bewijst onwedersprekelijk,
dat de voorgaande lettergrepen zonder uitzondering gesloten zijn, dat
wil zeggen, op een medeklinker eindigen, en steeds gesloten blijven,
ook wanneer de woorden verbuiging ondergaan, zoodat de n en g niet
beide tot de volgende lettergreep gebracht kunnen worden. Trouwens ng
laat zich aan het begin eener lettergreep niet uitspreken, wat bij de
schrijfwijze ta-ngen enz. ondersteld wordt. Schrijft men daarentegen
ding-en, dan zondigt men tegen het beginsel, boven in § 260 omschreven,
dat in onze taal zoo duidelijk is uitgedrukt. De beide schrijfwijzen,
di-ngen en ding-en, zijn dus evenzeer te verwerpen. Alleen din-gen is
met de afleiding en den aard van ons taaleigen in overeenstemming. Voor
de uitspraak kan het geen bezwaar opleveren, mits men den aard en de
kracht der letters kenne; en die kennis is bij alles, wat spelling
betreft, een onmisbaar vereischte, dat men recht heeft te onderstellen.

    a) Vreest men nochtans door het scheiden der n en g (han-gen) de
    bekende verkeerde uitspraak in de hand te werken, dan vermijde
    men in het schrift het afbreken der zoodanige woorden, hetgeen
    zonder groot bezwaar geschieden kan. Vangen, vanger, brengen,
    brenger zijn geen langer woorden dan langst, vangst, op-brengst,
    waarbij geene scheiding mogelijk is.

    b) Dezelfde opmerking geldt nog meer bij de woorden kachel, echo,
    richel, tichel enz., waarin niemand de regelmatige verdubbeling
    der ch wil, ofschoon de eerste lettergreep als gesloten moet
    beschouwd worden. Men scheide bij deze woorden de lettergrepen
    liever niet; dan bestaat er geen gevaar, dat men de eerste verkeerd
    zal uitspreken. De ch bij de eerste lettergreep te voegen en
    lach-en, lich-aam af te breken, is volgens regel I slechts een
    tweede vergrijp tegen ons taaleigen, dat eigenlijk de spelling
    lach-chen enz. zou eischen. Het zou eene nieuwe taalfout zijn,
    aan eene bestaande toegevoegd.

263. III. Hetzelfde streven der taal, waarop de Regel der
Gelijkvormigheid (§ 49) berust, namelijk om de duidelijkheid te
bevorderen door in afgeleide en samengestelde woorden den vorm der
deelen zooveel doenlijk ongeschonden te bewaren, openbaart zich ook
bij de verdeeling der woorden in lettergrepen. Het duidelijkst ziet
men zulks bij samenstellingen. Daarin toch blijft iedere letter
in het woord, waartoe zij behoort. Men scheidt aldus: eer-ambt,
mein-eed, uit-een, haard-asch enz., en niet, gelijk de twee vorige
grondbeginselen zouden medebrengen, ee-rambt, mei-need, ui-teen,
haar-dasch enz.

Dat de taal het volstrekt zóó wil, blijkt uit de spelling kwab-aal,
bedil-al, slok-op, al-om, veel-al, wel-eer, niet kwab-baal, bedil-lal,
slok-kop, al-lom, ve-lal (naast ve-len), wel-leer enz.

    a) Alleen en wanneer met verdubbelde l en n maken hier
    uitzonderingen. Die spelling bewijst, dat men deze woorden niet
    meer als samenstellingen van al en een, wan en eer herkent.

    b) Ofschoon de gewone uitspraak door verkeerde toepassing van
    regel II vrij algemeen in aar-daker en aar-dappel de d, en in
    el-kander en mal-kander de k bij de volgende lettergreep voegt,
    zoo kan dit misbruik geene voldoende reden zijn om bij de genoemde
    woorden eene inbreuk op den regel te maken. Men breke daarom
    af: aard-aker, aard-appel, elk-ander, malk-ander (uit manlijk,
    d.i. ieder, en ander).

264. Hetzelfde beginsel openbaart zich, ofschoon minder regelmatig,
bij de afgeleide woorden. Vooreerst worden dezulke, die gevormd zijn
met (onscheidbare) voorvoegsels, als be-, ge-, her-, on- enz., welke
eigenlijk samenstellingen zijn, geheel op de wijze der composita
behandeld. Men scheidt aldus: be-dwelmen, ge-dragen, her-overen,
on-eens, ont-erven, wan-orde; niet, gelijk de vorige grondbeginselen
zouden vorderen: bèd-welmen, gèd-ragen, hé-roveren, ò-neens, on-terven,
wá-norde; de uitspraak en de spelling bewijzen duidelijk het tegendeel.

    Al onze voorvoegsels be-, er-, ge-, her-, on-, ont-, oor- en wan-
    zijn oorspronkelijk op zich zelve bestaande woorden geweest. De
    daarmede gevormde woorden zijn dus eigenlijk composita. Dat
    die voorvoegsels nu niet meer, althans niet onder dien vorm,
    als zelfstandige woorden gebezigd worden en eene veel algemeener
    beteekenis hebben aangenomen dan zij oorspronkelijk hadden, is
    de oorzaak, dat de Nederlandsche grammatica de daarmede gevormde
    woorden tot de afleidingen brengt. De Hoogduitsche taalkundigen
    beschouwen zulke woorden nog altijd als samenstellingen; en onze
    spelling bewijst, dat zij, wat den uiterlijken vorm ten minste
    betreft, nog steeds daartoe behooren.

265. Ook de woorden, door aanhechting der achtervoegsels -achtig,
-haft, -haftig, -schap en -zaam gevormd, zijn oorspronkelijk composita,
en volgen den regel der samengestelde woorden. Men scheidt aldus:
aap-achtig, bok-achtig, snap-achtig, wit-achtig, held-haftig,
partij-schap, voogdij-schap, moei-zaam. Dat de taal zulks eischt,
blijkt zoowel uit de uitspraak als uit de spelling. Wilde zij hier
de twee vorige beginselen gehuldigd hebben, zij zou a-pachtig,
bok-kachtig, snap-pachtig, wit-tachtig uitspreken en schrijven.

De woorden op -aard zijn insgelijks samenstellingen (zie § 100)
en moeten derhalve op dezelfde wijze behandeld worden. Wij breken
daarom aldus af: bast-aard, dronk-aard, woest-aard, wreed-aard
enz., niet bas-taard, dron-kaard, wree-daard enz.; en schrijven
dienovereenkomstig: grijs-aard, laf-aard, niet grij-zaard,
laf-faard. Alleen de onregelmatig, d.i. van werkwoorden gevormde
grijnzaard en veinzaard kunnen niet anders dan als afleidingen
beschouwd, gespeld en afgebroken worden (grijn-zaard, vein-zaard).

266. Bij de woorden, kennelijk afgeleid door middel van ware
achtervoegsels, die geheel uit medeklinkers bestaan of er mede
beginnen, als: -d, -t, -s, -sch, -st, -de, -te, -se, -ster, gaat
de taal volgens hetzelfde beginsel te werk: het grondwoord blijft
in zijn geheel en het achtervoegsel wordt geheel afgescheiden. Bij
de achtervoegsels, die uit slechts éénen medeklinker bestaan of
met éénen medeklinker aanvangen, volgt dit reeds vanzelf uit de
twee vorige regels (I en II.) In overeenstemming daarmede scheidt
men aldus: klach-ten van klach-t, slach-ter, deug-den van deug-d,
lood-sen van lood-s, lief-de, hoog-te, vre-de, vee-te, smid-se
enz. Doch hetzelfde heeft insgelijks plaats bij die, welke uit
twee medeklinkers bestaan of met twee beginnen, namelijk bij -st,
-sch en het vervrouwelijkende -ster. Ook bij -sch, dat thans als
eene enkele s luidt, geschiedt zulks in overeenstemming met regel
I en II: vlee-schelijk, ei-schen, groot-sche. De gebruikelijke
scheiding gedwee-ste, mee-ste, mooi-ste, fraai-ste, lui-ste, en
naai-ster, brei-ster, vrij-ster, vlei-ster, is in strijd met regel
II, die gedwees-te, naais-ter enz. eischen zou; maar zij bewijst ten
klaarste, dat de taal ook de achtervoegsels, zooveel slechts doenlijk,
in hun geheel laat en als de afzonderlijke deelen eener samenstelling
behandelt. Hieruit volgt, dat men ook bang-ste, hard-ste, hoog-ste,
en bak-ster, zang-ster zal moeten scheiden, waarin drie of vier
tusschenletters voorkomen, omtrent welk geval de regels I en II
zwijgen.--Alleen de woorden naas-te (overtreffende trap van na) en
bes-te (voor betste) zijn uitzonderingen, die genoeg zijn gewettigd:
de eerste door de spelling met de dubbele a, ter voorkoming van
de uitspraak nàste; de tweede doordien de scheiding be-ste tot de
uitspraak bé-ste aanleiding zou geven.

267. De taal zelve toont derhalve ook hier duidelijk, dat zij den
vorm der deelen, waaruit de woorden bestaan, zooveel met de uitspraak
overeen is te brengen, ongeschonden wil voor oogen stellen. Maar
dan is ook de vraag opgelost, hoe men te handelen heeft met de t,
p en s, die in sommige verkleinwoorden vóór -je en -ken (of -ke)
ingelascht worden. Zij maken, wel is waar, geen onmisbaar bestanddeel
dier achtervoegsels uit, maar zijn toch alleen om hunnentwil aanwezig;
en zij behooren zeker niet tot het grondwoord, d.i. tot de voorgaande
lettergreep. Het taaleigen brengt derhalve mede, dat men aldus
verdeelt: stoel-tje, zoon-tje, boom-pje, bloem-pje, jong-ske(n),
penning-ske(n), doek-ske(n), enz.

Dat men rationeel handelt en de duidelijkheid bevordert door zoodoende
het grondwoord geheel af te zonderen, blijkt uit de vergelijking van
oor-tje (klein oor) en oort-je (geldswaarde), van buur-tje (buurman)
en buurt-je (kleine buurt), van vaâr-tje (vadertje) en vaart-je
(kleine vaart), van zee-tje (kleine zee) en zeet-je (zitje).

    In het Grieksch, en in navolging hiervan ook in het Latijn,
    pleegt men alleen die consonanten bij de volgende lettergreep
    te voegen, waarmede Grieksche woorden kunnen beginnen. Men zou
    geneigd kunnen zijn dit op onze taal toe te passen en op dien
    grond de verdeeling bloem-pje, jong-sken te verwerpen. Men bedenke
    echter, dat het Nederlandsch geen Grieksch is; dat alle woorden,
    die thans met sch beginnen, voorheen met sk aanvingen; en dat pj
    zich even gemakkelijk laat uitspreken als tj, blijkens Friesch
    pjuuk (piek, schaatsenrijdershaak,) naast tjalk, tjilpen enz. De
    uitspraak levert dus geen bezwaar op tegen de hier voorgeslagene
    wijze van verdeeling, zoodat de Regel der Gelijkvormigheid hier
    volle kracht kan hebben.

268. Reeds bij regel I is gebleken, dat de taal ten opzichte der
achtervoegsels, die met een klinker beginnen, als -er, -ig, -ier enz.,
anders te werk gaat. Daar zij zooveel doenlijk zoekt te vermijden dat
eene volgende lettergreep met een klinker begint, schroomt zij niet
eene sluitletter van het grondwoord te scheiden en bij het suffix te
voegen, b.v. verra-der, bin-der, tui-nier, toch-tig, zan-dig enz. Hier
gelden dus regel I en II.

    Woorden, wier etymologische vorm volstrekt onkenbaar geworden is,
    volgen de regels I en II; dus: we-reld, niet weer-eld, ofschoon
    uit weer en ald; lie-verd, niet lief-erd, ofschoon -erd hetzelfde
    woord is als -aard in grijsaard.

269. IV. Minder duidelijk verklaart zich de taal ten aanzien van het
verdeelen der woorden, waarin drie of vier letters bijeen staan, en
die niet rechtstreeks onder den voorgaanden regel vallen, omdat hunne
etymologie bij het algemeen onbekend is, als: ambt, arts, koorts,
toorts, ernst, hengst, erwt, schurft. Zij zijn deels oorspronkelijk
vreemde woorden, als toorts (fr. torche), venster (lat. fenestra);
deels afgeleide, als vor-st (van voor), worst (van wirren of werren, in
de war brengen, en vroeger ook vermengen); ambt is eene samentrekkhig
van ambacht. De vorm kan hier dus niet gevoeglijk als richtsnoer bij
het afbreken dienen. Dit verhindert evenwel niet, dat er tamelijk
goede regels te vinden zijn.--Vooreerst is het natuurlijk, dat men
tot de volgende lettergreep geene letters brengen mag, die zich niet
gezamenlijk aan het begin eener syllabe laten uitspreken, dus geene bt,
ft, wt. Daaruit volgt, dat men amb-ten, schurf-tig, erw-ten afbreekt,
niet am-bten, schur-ftig, er-wten, ofschoon de etymologie zulks eischen
zou.--Bij artsen, ertsen, schertsen, koortsen, toortsen enz. kan
men een oogenblik in twijfel staan omtrent de keus tusschen art-sen,
koort-sen en ar-tsen, koor-tsen, daar de ts, blijkens de verouderde
schrijfwijzen tsamen, tsestig, tseventig, tsidderen, zich aan het
begin eener lettergreep wel laat uitspreken. Wanneer men echter
bedenkt, dat de taal die woorden thans zonder t wil uitgesproken
hebben, en daardoor niet onduidelijk te kennen geeft, dat zij ts
voor niet welluidend houdt, dan zal men aan de verdeeling art-sen,
schert-sen, koort-sen zonder aarzelen de voorkeur geven.--Onder de
woorden met st, voorafgegaan door éénen of twee medeklinkers, als
angst, korst enz., zijn er eenige met t, niet met st, gevormd. Zeker
is zulks het geval met (wij) dorsten (durfden), waarschijnlijk ook met
dorst; de meeste echter zijn stellig afleidingen met st, als angst,
ernst, worst, die men derhalve volgens Regel III te behandelen heeft:
ang-stig, ern-stig, wor-sten. Het is uit dien hoofde het raadzaamst,
en zeker het gemakkelijkst, de weinige overige insgelijks op dezelfde
wijze te verdeelen, al zou de etymologie ook het omgekeerde eischen;
dus ven-ster, un-ster, glin-steren, heng-sten, hal-ster, bor-stel,
dor-sten, evenzeer als dien-sten, gun-sten, kun-sten, win-sten,
toekom-stig, van de bekende grondwoorden dienen, gunnen, kunnen,
winnen, komen.

270. V. In vreemde woorden en eigennamen, als: ábrikoos, ágrimonie,
Acropolis, Abraham, Acra, Adriaan, Aglaja, Atropos enz., waarin eene
vaste letter (muta) door eene vloeiende (liquida) gevolgd wordt, gaat
men, blijkens de uitspraak, naar het vreemde spraakgebruik te werk,
en brengt men de beide medeklinkers tot de volgende lettergreep,
zoodat men scheidt: a-brikoos, a-grimonie, A-braham enz.

    Sommige dichters handelen evenzoo bij Nederlandsche woorden,
    wanneer zij om het metrum tusschen eene muta en eene liquida
    een toonloozen klinker uitstooten; b.v. bij a-dren voor aderen,
    vo-glen, ne-drig. Anderen schrijven aadren, vooglen, needrig,
    hetgeen de scheiding aad-ren, voog-len enz. onderstelt.



Toevoegsel, in te lasschen tusschen § 119 en 120. [14]


In de verkleinwoorden, afgeleid van samengetrokken vormen, in
welke eene d is uitgestooten, is men tot dusverre gewoon geweest
die d in de spelling te herstellen. Men schrijft laadje, slaadje,
bedsteedje, sleedje, zoodje, zijdje, luidjes, van lade, salade,
bedstede, slede, zode, zijde, luiden (lieden). Aan de wettigheid
van die schrijfwijze werd nooit getwijfeld: zij scheen als vanzelf
aangewezen. En toch berustte zij op een misverstand, dat men
slechts behoeft op te merken, om er terstond de onjuistheid van in te
zien. De regelmatige verkleining van de genoemde woorden zou ladetje,
saladetje, bedstedetje, sledetje enz. zijn; doch die vormen heeft de
taal niet gewild, zij waren te slepend voor woorden van meestal zeer
alledaagsche beteekenis. Evenals de spreektaal in de grondwoorden
bijna uitsluitend de samengetrokken vormen la, sla, bedstee, slee,
zoo, zij, lui (van mnl. luide, liede) bezigt, deed men hetzelfde bij
de vorming der verkleinwoorden, die dus niet van de oorspronkelijke,
maar van de samengetrokken vormen zijn afgeleid. In die samentrekkingen
was de d van lade, slede enz. voorgoed verdwenen. Er kan geen de
minste reden bestaan om die d terug te roepen, en laadje, sleedje
enz. te schrijven. Die vormen zouden op grondwoorden als laad,
sleed enz. wijzen, die niet bestaan. De tongletter, die in de
genoemde verkleinwoorden gehoord wordt, is derhalve niet de d van
de oorspronkelijke woorden, maar de t, die noodzakelijk ingelascht
moest worden in deminutieven van woorden als la, slee, zoo, zij, alle
op klinkers uitgaande. Evenals van pa, ma, zee, ei, lei, kneu, bij,
bui enz. de verkleinwoorden paatje, maatje, zeetje, eitje, leitje,
kneutje, bijtje, buitje enz. luiden, behooren ook de van la, slee
enz. afgeleide met de t geschreven te worden. De Redactie aarzelt
dan ook niet eene spelling te laten varen, die op geenerlei wijze
te rechtvaardigen is, en schrijft daarom naar den eisch der taal:
laatje, slaatje, bedsteetje, sleetje, zootje, zijtje, luitjes enz.



Naschrift.


Wij zijn aan het einde van ons onderzoek gekomen. De vraagstukken
in onze Nederlandsche spelling, die vroeger of later verschil
van gevoelen hebben uitgelokt, of die tot dusverre tot twijfel en
onzekerheid aanleiding gaven, maar nooit opzettelijk werden beantwoord,
hebben wij achtereenvolgens behandeld. Wij hebben alles getoetst
aan de algemeene beginselen, die tot leiddraad moesten verstrekken,
alle punten in onderlingen samenhang beschouwd, en getracht onze
keuze zooveel mogelijk in overeenstemming te brengen zoowel met de
behoeften der practijk als met de eischen der wetenschap. Gaarne
erkennen wij, dat ons onderzoek niet al de moeilijkheden uit den weg
heeft geruimd, die aan het zoo ingewikkeld leerstuk der orthographie
onafscheidelijk zijn verbonden. De rijke verscheidenheid van klanken,
die eene levende taal bezit, met het geringe aantal letterteekenen,
waarover men te beschikken heeft, altijd nauwkeurig af te beelden, en
daarbij tevens de eischen in acht te nemen, die zoowel de afstamming
der woorden en hunne onderlinge verwantschap, als de betamelijke
eerbied voor het gevestigd gebruik kan doen gelden: ziedaar zeker
eene taak, die met onoplosbare bezwaren gepaard gaat. Maar wij durven
ons vleien, dat onze arbeid de zaak toch een stap verder gebracht
heeft; dat in de door ons aangenomen spelling talrijke gebreken zijn
opgeruimd, en de tot hiertoe in ons vaderland gevolgde schrijfwijze
zeker heeft aangewonnen in nauwkeurigheid, zuiverheid, regelmaat en
consequentie. De moeilijkheden, die de spelling in de practijk en bij
het onderwijs blijft opleveren, mogen dan onvermijdelijk wezen: het is
reeds veel gewonnen, indien wij er in geslaagd zijn die aanmerkelijk te
verminderen. Men houde hierbij wel in het oog, dat die moeilijkheden
niet alleen in ons Nederlandsch bestaan. Schijnt wellicht, bij eene
oppervlakkige beschouwing, in andere talen de spelling eenvoudiger
en gemakkelijker, het is ook inderdaad niet meer dan schijn. Zoodra
men de orthographie van het Fransch, het Engelsch, het Hoogduitsch
vooral, nauwkeurig overweegt, ontdekt men overal inconsequentie,
gemis van regelmaat, verwarring en willekeur: gebreken, die alleen
daarom minder sterk in het oog vallen, omdat zij nooit behoorlijk
in het licht zijn gesteld, terwijl men veelal lijdelijk berust in
het eenmaal aangenomen gebruik, door het wetgevend gezag van enkele
taalgeleerden of door den voorgang der beste schrijvers bepaald. Dat
gebruik kent men uit leerboeken of woordenlijsten, die men raadpleegt
zonder zich om gronden en beginselen, om regelmaat of verwarring,
te bekommeren. Ook onze Nederlandsche spelling kan op dezelfde
wijze uit gelijksoortige hulpboeken worden gekend, en reeds in
zooverre staat onze taal bij vreemde niet achter. Maar zij heeft dit
boven andere vooruit, dat hare schrijfwijze--langdurig onderzocht,
veelzijdig besproken en telkens opnieuw beproefd--met bewustzijn
uit erkende en deugdelijke beginselen is afgeleid en naar een vasten
maatstaf geregeld; dat zij weet wat zij doet, en waarom zij zóó en
niet anders handelt. Waarlijk, een voorrecht, dat wij wel op prijs
mogen stellen! Indien eene verstandige spelling gunstig getuigt van
de denkkracht der natie, dan zal voorzeker die onzer moedertaal niet
tegen ons volk getuigen.



Zaakregister.


De alleenstaande nommers verwijzen naar de paragrafen van den tekst.



A, is een der drie oorspronkelijke klinkers, blz. 37,

  heeft een aantal zachte e's opgeleverd, blz. 38,
  wordt in geslotene lettergrepen door verdubbeling verlengd 73.


Aaneen te schrijven of te verbinden zijn:

  eigenlijke samenstellingen, waarbij, indien men ze oploste,
  invoeging, omzetting of vormverandering zou moeten plaats hebben,
  138,
  eigenlijke samenstellingen, uit koppelingen ontstaan 139,
  woorden, door middel van een achtervoegsel afgeleid 140,
  werkw., verbonden met zelfst. nw., bijv. nw. en bijw.,

    wanneer, wanneer niet 142,
    met zoogenaamde scheidbare en onscheidbare voorzetsels en bijw. van
    richting 143,

  bijv. nw. met de bijw. wel, vol en al 144,

    benamingen van kleuren 145,

  voornaamw., welke 146,
  telw., welke 138, aanm.
  bijw., welke 147-149,
  voorzets., welke 150,
  voegw., welke 151,
  tusschenw., welke 152,
  titels, welke 139, 144.


aau, zie au.

Achtervoegsel of suffix heet elke achter een woord gevoegde letter of
lettergreep, die geen op zich zelf bestaand woord is, en niet dient om
te verbuigen of te vervoegen, maar om een nieuw woord te vormen. Ook
woorden, die ter vorming van nieuwe woorden achtergevoegd worden,
en òf in het geheel niet meer, òf niet meer zóó geschreven, op zich
zelve staande in gebruik zijn, worden tot de achtervoegsels gerekend;
b.v. -schap, -zaam, -aard, -erd; zie 100, 265;

  waarin verschillend van een uitgang 242, aanm.;
  welke bij het afbreken der woorden in hun geheel worden afgescheiden
  265-267, welke niet 268;
  -aadje, zie hier -age,
  -aard en -erd, niet -aart, -ert 100,
  -age, niet -aadje 243,
  -eel, -eele, -eelen 77, 79; wanneer -el- blz. 44,
  -eeren, niet -eren 77, 79,
  -ees, -eezen, niet -ezen 77, 79,
  -el, in bijv. nw. en in samenstellingen 166, 167,
  -eet, -ete, -eten, geen achtervoegsel 77, aanm.,
  -er, soms een blijk van samenstelling 140,
  -erd, zie hier -aard,
  -heid, mv. -heden 77-79,
  -ie, wanneer in het mv. i-en (iën), wanneer ie-en (ieën) 83,
  -ief, -ieve, -ieven, wordt soms -iv-, 82,
  -iek, -ieke, -ieken niet -ijk 86; wordt soms -ik- 82,
  -iet, -iete, -ieten, wordt soms -it- 82,
  -ig, soms een blijk van samenstelling 140,
  -ijk, wanneer te verwerpen en in -iek te veranderen 86,
  -ing, soms een blijk van samenstelling 140,

    wanneer -ing te bezigen en niet -ling 113,

  -isch, waarom niet -iesch 84,
  -je, niet -jen 119,
  -ken en -ke 119,
  -lijk, neemt soms eene toonlooze e vóór zich; wanneer 112,
  -ling, een samengesteld achtervoegsel 113,
  -loos, -looze, niet -loze 77, 79; neemt soms eene toonlooze e vóór
  zich; wanneer 112,
  -pje 119,
  -s, achter bijw. een blijk van samenstelling 140,
  -sch, hoe te schrijven achter woorden op s 124; is soms een blijk
  van samenstelling 140,
  -ster, soms een blijk van samenstelling 109,
  -tje, niet te bezigen achter woorden op d 119.


ae, waarom niet gebezigd in de plaats van aa 73,

  waarom niet als voorstelling van den klank tusschen a en e in wereld
  en vers 81.


Aesthetica of Schoonheidsleer, hare eischen aan de Spelling 36,

  vordert vooral waarheid, d.i. overeenstemming tusschen uiterlijk
  en innerlijk 234.


Affix (aanvoegsel) heet elke letter of lettergreep, welke ter vorming
van een nieuw woord vóór of achter een bestaand woord gevoegd wordt,
wanneer die op zich zelve geen woord is, òf, zóó geschreven, niet
meer als zoodanig gebruikt wordt. Affix is dus de algemeene benaming,
die voorvoegsel of praefix en achtervoegsel of suffix omvat; zie
deze woorden.

Afleiding,

  Regel der Afleiding, hoe hij luidt 54; staat gewoonlijk beneden dien
  der Beschaafde Uitspraak 57; in welke bijzondere gevallen niet 58;
  zijn rang en waarde 72;
  afleiding

    der woorden op -hande en -lei 93,
    op -halve 120,
    der achtervoegsels -aard en -erd 100,
    van admiraal 104,
    van Dinsdag 128,
    van kruit 127,
    van litteeken 131,
    van nochtans 97,
    van omtrent 118,
    van ootmoed 117,
    van samen 108.



ai, is de oorspronkelijke tweeklank, waaruit de meeste scherpe e's
zijn ontstaan, blz. 39.

Apperceptie en appercipieeren, wat 20; kan door de spelling worden
bevorderd 21.

au, is de oorspronkelijke tweeklank, waaruit de meeste scherpe o's
zijn ontstaan, blz. 39,

  de schrijfwijze au is geschikter ter voorstelling van den thans
  bedoelden tweeklank dan aau 74.


Bastaarduitgangen, welke en hoe te spellen 242, 246,

  -age, niet -aadje 243,
  -eet, -ete, -eten, 77, aanm.,
  -loog, -loge, -logen 77, aanm.,
  -noom, -nomen 77, aanm.,
  -oop, -open 77, aanm.,
  -scoop, -scopen 77, aanm.


Bastaardwoorden, wat 214, 217,

  hoe ontstaan 218,
  waaraan te onderkennen 219, 220,
  hoe te spellen 242-250.


Beginletters, wat 257, a.

Beschaafde Uitspraak, wat 11; moet door het schrift vertegenwoordigd
worden 39, doch kan nooit volkomen juist worden voorgesteld 42.

  Regel der Beschaafde Uitspraak, hoe hij luidt 40; zijne
  verhouding tot de dialecten 41; is de grondregel der spelling 40,
  c en 69; overheerscht alle andere regels 46, 70, doch moet door
  andere regels aangevuld worden 47.


Boekentaal, zie Schrijftaal.

C, te bezigen in Grieksche woorden ter vervanging der k 245.

  waarom te behouden in cijfer 219, in cel, cent en cirkel 220,
  in cedel, ceder, cijns 222.


ch, wordt niet verdubbeld 95,

  de stomme ch achter s, in welke woorden te behouden, uit welke weg
  te laten 123.


cht, wanneer te bezigen, wanneer gt 94.


D, niet in te lasschen in drieërhande, drieërlei, tweeërhande,
tweeërlei 93.

  niet t, te bezigen als sluitletter van de achtervoegsels -aard en
  -erd 100, en van het znw. aard 101,
  te behouden in admiraal 104,

    in iemand en niemand 116,

  te vervangen door t in buskruit en rattenkruit 127,
  is in t overgegaan in sommige woorden, die daarom met t, niet met
  dt moeten geschreven worden 102,
  niet te herstellen in thans, althans, doorgaans, nopens, volgens
  enz. 122.


Dialecten, wat zij zijn en hoe zij ontstaan 10; hebben in de spelling
slechts eene raadgevende stem 41; zijn ontoereikend om de spelling
met e en o of ee en oo te bepalen 75.

ds, wanneer te bezigen, wanneer ts 99.


E, is geen oorspronkelijke klinker, maar uit andere ontstaan, blz. 37:
de zachte uit a of i, de scherpe uit ai, blz. 38 en 39,

  als verbindingsletter in samenstellingen, hoe ontstaan 164-166,
  wanneer de toonlooze e in te voegen in de woorden op -lijk, -ling
  en -loos 112.


F, gaat over in v in dievegge 107,

  vervangt ph in de bastaarduitgangen -aaf, -ief, -oof 246; doch niet
  in het lichaam der Grieksche woorden 245.


G, te behouden in nog (tot hiertoe, bovendien) 132.

Gaping, zie Hiatus.

Gebruik (het), in samenstellingen 177.

  Regel van het Gebruik, hoe hij luidt 65; beperking van den regel 66;
  is geen eigenlijke spelregel 66, b.


Gelijkvormigheid in de spelling, wat 48; strekt ter bevordering der
apperceptie 49, f.

  Regel der Gelijkvormigheid, hoe hij luidt 49; is grootendeels
  dezelfde als die, welken men gewoonlijk den Regel der Afleiding
  noemde 49, e; zijne strekking 49, f; is in rang de tweede algemeene
  spelregel 71.


Genitief (zwakke), wat 182,

  komt in samenstellingen slechts zelden voor 185-187; in welke
  185, 194.


gt, wanneer te bezigen, wanneer cht 94.

H, niet te bezigen in nochtans 97, noch in troon 221, noch in Antonius,
Margareta, hypotenusa 255.

Hiatus, of gaping, wat 172,

  wordt in samenstellingen vermeden door het invoegen van eene n
  204, 205.


I, is een der oorspronkelijke klinkers, blz. 37.

  heeft een aantal zachte e's opgeleverd, blz. 38.
  vervangt soms ie in de achtervoegsels -ief, -iek, -iet 82.


ie, stelt een te langen klank voor om in het achtervoegsel -isch
gebezigd te kunnen worden 84,

  gaat soms over in i in de achtervoegsels -ief, -iek, -iet 82.


IJ, oorsprong en waarde 85,

  te veranderen in ie in het achtervoegsel -iek (-ijk) en in koffie,
  melodie, poëzie 86;

    in i in Januari, Juni enz. 87;
    in ei in sacristein en karwei (werk) 88;

  moet ei vervangen in malvezij en karwij (zaad) 88;
  moet blijven in dozijn, ijzen, ijselijk 88, in bij, hij, wij, zij,
  razernij enz. 89;
  niet te bezigen in de plaats van y in de tweeklanken ay, ey, oey,
  uy 86, aanm.


Indeclinabilia, zie Woorden (onveranderlijke).

J, hare waarde in het samengestelde letterteeken ij 85,

  niet meer te bezigen achter de tweeklanken aai, ei, ooi, ui, oei 92.


K, niet te verdubbelen achter de toonlooze i 106,

  te vervangen door t in litteeken voor likteeken 131.


Klemtoon, als kenmerk van bastaardwoorden 219;

  verandering van den klemtoon, een blijk van samenstelling 134, 139.


Koppelingen, wat 136, 1372 en 163,

  hoe zij in eigenlijke samenstellingen kunnen overgaan 139.


Koppelteeken, (gebruik van het)

  in woorden van eigennamen gevormd 155 en 157,
  in titels 156,
  achter bijvoeglijke woorden 158,
  wordt niet gebezigd in hoofd- en ranggetallen 159, 160.


L, niet te bezigen vóór het gewaande achtervoegsel -ling 113.

Letterschrift, wat 2, 3;

  ons letterschrift beantwoordt niet aan alle eischen 47, a-d.


M, niet te verdubbelen achter de toonlooze u 106.

Meervoudsvorm der woorden op -ie 83,

  der vreemde eigennamen op heldere of lange klinkers 90,
  der Nederl. woorden op a 90, aanm.


Middelwoorden, wat 257, b.

N, niet te schrijven achter de verkleinwoorden op -je, -pje, -tje 119,
blz. 98,

  noch in ordelijk, voor ordenlijk, blz. 93.
  wanneer achter -ke 119, blz. 99,
  in de uitspraak onderdrukt in sommige samenstellingen 168, 203,
  als verbindingsletter, zie Verbindings-n.


ng, geen enkelvoudige medeklinker, en daarom bij het afbreken der
woorden te scheiden 262,

  niet te bezigen in Dinsdag 128.


O, is geen oorspronkelijke klinker, maar uit andere ontstaan, blz. 37:
de zachte uit den oorspronkelijken klinker u (oe), de scherpe meestal
uit au, blz. 38 en 39.

Onverbuigbaarheid van een op zich zelf verbuigbaar woord, een kenmerk
van samenstelling 139.

Oorsprong der e's en o's 75; waarom dezen aan te nemen tot grondslag
voor het spellen 76,

  der toonlooze e in sommige samenstellingen 164-166,
  der ij 85,
  der lettergrepen -el- en -er- in sommige samenstellingen 166.


Overtreffende trap der woorden op -s en -sch, hoe te schrijven 124.

P, ingelascht in verkleinwoorden, gevormd van woorden op m 119,
blz. 101.

ph, te bezigen in bastaardwoorden uit het Grieksch ontleend 245,
behalve in de uitgangen -aaf, -ief, -oof 246.

Praefix, zie Voorvoegsel.

Psychologie, wat zij van het schrift eischt 38.

Regels voor het verdeelen der woorden in lettergrepen.

  regels voor de niet samengestelde woorden

    met ééne tusschenletter 259,
    met twee opeenvolgende tusschenletters 261;

  voor de samengestelde woorden 263;
  voor de woorden met voorvoegsels 264,

    met de onechte achtervoegsels -aard, -achtig, -haft, -haftig,
    -schap en -zaam, 265,
    met de ware achtervoegsels, die met een medeklinker beginnen 266,
    met de ware achtervoegsels, die met een klinker beginnen 268;

  voor de woorden met meer dan twee tusschenletters, die niet onder
  de vorige regels vallen 269;
  voor de vreemde woorden 270;
  voor het aaneenschrijven der woorden, zie Aaneen;
  voor het gebruik van het koppelteeken, zie Koppelteeken.


Reproductie der gedachten en woorden, hoe teweeg te brengen 1, 3, 4;

  is het doel van het schrift 7.


S, achter een langen klinker of tweeklank niet te verdubbelen 105;

  in te lasschen in de woorden, samengesteld met zins 125;
  als verbindingsletter, zie Verbindings-s.


Samenstelling, wat 134;

  het Nederlandsch maakt een verstandig gebruik van het vermogen om
  samen te stellen 180;
  oudere en nieuwere samenstelling 161,
  oudere, hoedanig 162,
  nieuwere, hoedanig 167, 170,
  eigenlijke samenstellingen, wat 135,

    moeten aaneen geschreven worden 138;

  overzicht der regels voor de samenstelling 213;
  van welke samenstellingen de vorm onzeker 178, 179;
  lange samenst. welluidendheidshalve vermeden 193, b;
  met middel, niet midden 114;
  spelling der samengestelde woorden op -boom 181, 196,

    van andere kruidkundige benamingen 195.



sch, verdubbeld door het voorvoegen eener s 96;

  wanneer gebezigd 123.


Schrift, zijn doel 1,

  onmisbaar voor de rechte kennis eener taal 19.


Schrijf- of Boekentaal, wat 11;

  waarom hooger geacht dan andere dialecten 12.


Sluitletters, wat 257, a.

Spelling (de), wat 23;

  nut eener eenparige spelling 16;
  hoe de spelling te beschouwen 26-28;
  eene volmaakte spelling niet bestaanbaar 28;
  van welke soort van woorden eene verandering der spelling mogelijk
  30;
  drieërlei spelling: volgens de uitspraak, vereenigbaar met de
  uitspraak, strijdig met de uitspraak 68;
  spelling der onveranderlijke woorden (indeclinabilia) 50,

    der verkleinwoorden 119 en blz. 227,
    der vreemde woorden, die geheel Nederlandsch zijn geworden 221,
    der eigenlijke vreemde woorden 223,
    der vreemde woorden, bij dichters in gebruik 251,
    der bastaardwoorden 224-256;

  tweeërlei richting in de spelling der bastaardwoorden 224,
  oudere richting, hoedanig 225, welke hare voordeelen 228,
  nieuwe richting, hoedanig 226, welke hare voordeelen 229,
  vergelijking der beide richtingen 230-237,
  waarom de oudere richting te verkiezen 238.


Spelregels, wanneer niet te veranderen 26.

  algemeene spelregels, wat 24, 25,

    waarom onmisbaar 31, 32,
    hunne natuurlijke volgorde en onderlinge verhouding 69-72;

  regel der beschaafde uitspraak 40, zie nader bij Beschaafde
  uitspraak:

    der gelijkvormigheid 49, zie nader bij Gelijkvormigheid;
    der onderscheiding, wat hij eischt 51;
    der afleiding 54, zie nader bij Afleiding;
    der analogie 59;
    der welluidendheid 62, zie nader bij Welluidendheid;
    van het gebruik 55, zie nader bij Gebruik,

  bijzondere spelregels, wat 24, 25, 65.
  regel voor het spellen der achtervoegsels met den vollen klemtoon,
  als -eeren, -eel, -ees, -loos 77;

    voor het gebruik van cht en gt 94,

      van ds en ts 99,
      van samen en zamen 108,
      van de toonlooze e in woorden op -lijk, -ling en -loos 112.

    der verbindings-n, zie Verbindings-n,
    der verbindings-s, zie Verbindings-s;

  regel voor het aaneenschrijven der samengestelde woorden, zie Aaneen;

    voor de keus tusschen den enkel- en den meervoudsvorm van het
    eerste lid eener samenstelling 188-197;
    voor de keus tusschen den Latijnschen en den Franschen vorm van
    een bastaardwoord 254;
    voor de samenstellingen, wier eerste lid is

      een persoonsnaam, die een geheelen stand vertegenwoordigt 193,
      de naam van een dier 194, 195, 197,
      de naam van een boom 181,
      de naam van eene vrucht of eene bloem 196;

    voor het spellen der Grieksche woorden, blz. 207 vlgg.

      der bastaardwoorden 241, 242,
      der bastaarduitgangen 242, 246.



Stoffelijke bijvoegl. naamw., komen niet voor als eerste lid eener
samenstelling 180, 181.

T, te bezigen in kruit (poeder), buskruit en rattenkruit 127;

  bij voorkeur niet in te lasschen in woorden op -lijk, noch in
  gansch 115,
  niet in verkleinw., gevormd van woorden op d, blz. 99;
  moet in sommige woorden, als rit, gebint, beeltenis enz., de d
  vervangen 102; zoo ook in antwoord 103, en ootmoed 117;
  niet te verdubbelen achter een toonloozen klinker 106.


Titels, welke aaneen te schrijven 139, 144.

Tongvallen, zie Dialecten.

Toonlooze klinkers en lettergrepen, wat 84, aanm.

ts, wanneer te bezigen, wanneer ds 99.

Tusschenletters, wat 257, a.

Uitgangen, wat, en waarin verschillend van achtervoegsels 242, aanm.,

  -eet, -loog, -noom, -scoop, -throop, -troop zijn, zoo men wil,
  uitgangen, maar geene achtervoegsels 77, aanm.,
  -aat, -iet, [**aal, iel?] soms achtervoegsels, soms niet 242, aanm.


Uitlatingsteeken (ecthlipsis), zijn gebruik bij vreemde woorden 90.

V, tot f verscherpt in fonkelen e.a. 114, maar niet in ontvangen en
ontvonken 109;

  vervangt de w in verf, verven enz. 126.


Verbindingsklanken of -letters, in samenstellingen, welke 167,

  bestonden oorspronkelijk niet 162, 163,
  hoe ontstaan 164-167,
  van welke het gebruik onzeker 178.


Verbindings-n, als teeken van den zwakken genitief thans slechts in
weinige gevallen in gebruik 185-187,

  in welke 185, 194;
  als teeken van het meervoud, in welke gevallen 188, 189, 191-195,
  197;
  als teeken van een verbogen naamval 198-201;
  als invoegsel voor de welluidendheid 204, 205;
  komt niet voor in samenstellingen, wier eerste lid is

    een onverbuigbaar woord 178,
    een werkwoord 202, 203.



Verbindings-s, als teeken van den 2den naamval,

  achter zelfst. naamw. 208,
  achter bijvoegl. woorden 210, 125;
  als teeken van het meervoud 209;
  als invoegsel voor de welluidendheid 212.


Verdubbeling der a en u 73,

  der e en o 75-80,
  der k 106,
  der m 1O6,
  der sch 96,
  der t 106;
  de ch wordt niet verdubbeld 95.


Verkleinwoorden, hoe te spellen 119 en blz. 227.

Verlenging der a en u door verdubbeling 73,

  der woorden op aai, ei, ooi, ui, oei 92.


Voorvoegsel of praefix heet elke vóór een woord gevoegde letter of
lettergreep, die onder dien vorm niet meer als woord op zich zelf
in gebruik is; b.v. de g in g-lijden van lijden, be, voor bij, in
bezitten; zie ook 264, aanm.;

  wordt bij het afbreken der woorden, indien het eene lettergreep
  uitmaakt, in zijn geheel afgescheiden 264.


W, in verf, verven enz. door de v te vervangen, doch niet in murw 126.

Welluidendheid, wat in 't algemeen in de taal 62;

  wordt in samenstellingen in acht genomen 172, 204, 205;
  regel der welluidendheid 62, zijn rang en waarde 72.


Wetten, in de wetenschappen, wat 23, aanm.

Woorden, genaturaliseerde, wat, en waarin nog steeds verschillend
van echt Nederlandsche 215;

  onverbuigbare of onveranderlijke, wat en hoe te spellen 50;
  samengestelde, zie Samenstelling;
  vreemde, worden bastaardwoorden door het aannemen van de
  Nederl. verbuiging of van een Nederl. affix 217,
  door het afwerpen van den vreemden uitgang 218.


Zwakke genitief, wat 182, 183,

  wordt in samenstellingen niet meer verstaan, en is dientengevolge
  zeldzaam geworden 185;
  in welke samenstellingen volstrekt te behouden 187,
  in welke te dulden 194.



Lijst der woorden, wier spelling opzettelijk behandeld is.


De alleenstaande nommers verwijzen naar de paragrafen van den tekst.



aaien 92.
aandoenlijk 112.
aanvankelijk 98.
aanzienlijk 112.
aar (korenaar) 91.
aard (natuur) 101.
aardebaan, blz. 153.
aardewerk, blz. 153.
aardig 101.
abrikozeboom 196.
abstract 250.
academie, blz. 210.
achtereen 149.
Achter-Indië 157.
acht geven 142.
achthonderd 159.
acht slaan 142.
acustiek 255, 246.
adellijk 113.
adjunct-commies 156, a.
admiraal 104.
admiraal-generaal 156, a.
adspirant-ingenieur 156, a.
advocaat 250.
aequatoriaalcirkel, verwerpelijk germanisme, blz. 152.
aëroliet 246, aërolieten 82.
afhankelijk 98.
Algoede 144.
alhoewel 151.
allenthalve 120.
allerwegen 153.
alleszins 125.
aloud 144.
alsmede 151.
alsof 151.
althans 122.
alwijs 144.
Amazonenrivier 157, aanm.
ambassadeur-plenipotentiaris 156.
ambt 130.
anderszins 125.
ankersmid 209.
Antonius 255.
Antwerpen 103.
antwoord 103.
apengezicht 194.
apenkuur 194.
apenliefde 194.
apocrief, apocriefe 246.
aquarel 250.
asem 105.
astronoom, astronomen 77, aanm.
auditeur-militair 156.
autoriteit of auctoriteit 255.
baaien 92.
baaierd 92.
Baai-tabak 155 a.
bagage 243.
bajonet 92.
bakkersschotel 208.
balie 86, mv. baliën 83.
basilisk 246.
bastaard 100.
bedsteetje, blz. 227.
beeltenis 102.
beer (varken, waterkeering, muurstut en heiblok), mv. beeren, blz. 48.
beer (verscheurend dier), mv. beren, blz. 48.
begeeren 80, a.
behalve 120.
bei, mv. beien 92.
Beiersch 92.
Beiersch-bierbrouwerij 158.
belangeloos 112, belangelooze 79.
beminlijk en beminnelijk 112.
Beneden-Egypte 157.
berenjong 194.
berenklauw 194.
Bergumer 106.
berkeboom 181.
berkenhout 205.
Berlijnsch-blauw 155, b.
besseboom 196.
bessensap 188.
beukeboom 181.
beukenhout 205.
bezijden 121.
biggenkruid 195.
bij 89.
bijaldien 151.
bijderhandsch 140.
bijeen 149, c.
bijeenzamelen 108.
bijgeval 149, a.
bijleman 190.
bijtijds 140.
biljart 250.
biljet 250.
binnenshuis 153.
binnenskamers 153.
binnenslands 153.
binnensmonds 153.
binnenstijds 153.
bint 102.
biograaf 246.
biographie 246.
biographisch 248.
bistouri 250.
bits 123.
blauw 74.
blindeman, des blindemans 139.
bloemetje 119.
bloem-pje 119, 267.
blommetje 119.
blootshoofds 153.
blootsvoets 153.
bochel 95.
bodenloon 193.
boeien, boeier 92.
boekenkast 188.
boekenrek 188.
boekenstalletje 188.
boerenbedrijf 193.
boerenboonen 193.
boerendochter 193.
boerenhofstede 193.
boerenwoning 193.
boerinnenjak 193.
boerinnenmuts 193.
bokkesprong 194.
bolvormige-driehoeksmeting 158.
boom-pje 119, 267.
boonenbrood, blz. 153.
boos, overtreffende trap booste 124.
botterik, botteriken 106.
bovenal 149, c.
bovenop en boven op 147.
brasem 105.
breien 92.
brengen, ik bracht, gebracht 94.
brievenbesteller 188.
brievenpost 188.
brilleglas 190.
brillenhuisje 204.
brillenslijper 188.
broekenstof of broekstof 188.
bruggegeld 190.
bruggenhoofd 205.
bruinkolen 139.
buien 92.
buitendijks 140.
buitenshuis 153.
buitenslands 153.
buitentijds 140 en buitenstijds 153.
burgerstand 209.
buskruit 127.
Cayenne-peper 155, a.
canaille en kanalje 239.
canapé, canapé's 250, 90.
candelaber of candelabre 250.
canoniek 253.
categorie, 233, 255.
catholiek, catholieken of katholiek enz. 86.
cedel, ceêl 222.
ceder 222.
cel 220.
cent 220.
chemie 255.
chijl 239.
chrysoliet, chrysolieten 246, 82.
Cicero, Cicero's 90.
cichorei 239.
cijfer 219.
cijferschrift 209.
cijns 222.
cirkel 220.
classicaal 253.
classis 253.
clericaal 253.
cliniek 246.
cochenille 239.
comedie (blijspel), verschillend van komedie (schouwburg) 252.
commies (ambtenaar aan een der ministeriën of bij de posterijen),
verschillend van kommies (ambtenaar bij de belastingen) 252.
compascuum 230.
compleet, complete, blz. 43.
concreet, concrete, blz. 43 en § 250.
conservatief 253.
courant en krant 239.
crayon 250.
credit (term in het Italiaansch boekhouden), verschillend van krediet
(vertrouwen) 253.
critiek (oordeelkunde), verschillend van kritiek (hachelijk) 252.
critisch (oordeelkundig) 252.
daaraan, daarbij, daardoor 148.
daarenboven 151.
daarentegen 151.
daarin, daarmede enz. 148.
dadelijk 112.
dagelijks 112.
dassenhaar 205.
dassenhol 205.
dassenhuid 204.
dauw 74.
deel (gedeelte), mv. deelen, blz. 48.
deel (plank en dorschvloer), mv. delen, blz. 48.
deemoedig, blz. 48.
deesem, 105 en blz. 48.
degelijk 112.
degene, blz. 127.
dejeuneeren 250.
denneboom 181.
dennenwoud 188.
derhalve 120, 153.
dermate 153.
dertienhonderd enz. 159.
deskundige 153.
desniettegenstaande 151.
desniettemin 151.
desnoods 140.
desolate-boedelkamer 158.
destijds 153.
deugdelijk 112.
deugniet 202, aanm.
dezelfde, blz. 128.
dezelve, blz. 128.
dezulke, blz. 127.
diaconie, blz. 211.
diaken 246.
diegene, blz. 127.
diemit, diemiten 106.
dievegge 107.
dievenbende 188.
Dinsdag 128.
diptiek 246.
discretie 250.
dochterken en dochterke, blz. 99.
doctor (titel), verschillend van dokter (geneesheer) 252.
Dokkumer 106.
dokter (geneesheer), verschillend van doctor (titel) 252.
dolle-hondsbeet 158.
dollekervel 139.
dolleman 139.
donkerblauw, donkerrood enz., verschillend van donker blauw, donker
rood 145.
dooier (van een ei) 92.
door, dooren (van een ei) 91.
doordien 151.
doordroog 139.
dooreen 149, c.
dooreerlijk 139.
doorgaans 122.
doorgoed, doorkoud enz. 139.
door middel van 150.
dorpsschool 208.
dorpsschout 208.
dozijn 88.
draadje, blz. 100.
draaier 92.
dragonderstal 209.
drakenbloed, blz. 167.
drieërhande 93.
drieërlei 93.
driehonderd 159.
droog, droge, droger, drogen, blz. 48.
droogvoets of droogsvoets 153.
druiveboom 196.
druivennat 188.
druiventros 188.
druivepit 190.
duitendief 188.
duivenei 205.
duivenkervel 195.
duivenslag 197.
duiventil 188.
dukaat 250.
dwepen, blz. 48.
dwingelandij 89.
echel 95.
echo 95, mv. echo's 90.
economie en oeconomie 254.
Edelachtbaar 144, 139.
edelgesteente 139.
Edelgrootachtbaar 144, 139.
eega, blz. 48, mv. eegaas 90, aanm.
een, eene, een zelfde, blz. 128.
eendenei 205.
eendenkooi 188.
eendenkroos 195.
eenigszins 125.
eereprijs 187.
ei, mv. eieren 92.
eigenlijk 112, 115.
eikeboom 181.
eikenbosch 188.
eikenhout 205.
eilieve 152.
elfhonderd 159.
elzeboom 181.
engelenkoor 188.
Engelsch-Russisch 155, c.
Engelsch-zout 155, b.
er aan, er bij, er door enz. 148.
ergens aan, ergens bij, ergens door enz. 148.
erwtensoep, blz. 153.
ethnographie 246.
ethnographisch 248.
evenals 151.
evenzeer 147.
executoir 242.
fabriek, fabrieken 82, 86.
fabrikant 82.
falie, mv. faliën 86, 83.
familie en famielje 254.
fatsoen 99.
fatsoenlijk 112.
Februari 87.
felicitatie 250.
feniks en phoenix 254.
flauw 74.
flesch, mv. flesschen 96.
flesschebakje 192.
flesschenrek 188, 192.
flits 99.
foelie 86.
fondement en fundament 254.
fonkelen, in overdrachtelijken zin, 111.
frambozenkoekje 188.
Franco-Gallisch 155, c.
Fransch-Engelsch 155, c.
Friesch-groen 155, b.
frisch, overtreff. trap frischte 124.
fundament en fondement 254.
gadeslaan 142.
galgebrok 190.
galgenaas 205.
gansch 115, 123.
ganzenei 205.
ganzenhagel 205.
ganzetong (plant) 195.
ganzevoet (plant) 195.
Garibaldi's 90.
gauw 74.
gebindten, zie gebint.
gebint, gebinten 102.
geenszins 125.
geesel 105.
geheschen 96.
geiteleer en geitenleer of -leder 197.
geitenblad 195.
geitenoog 190, 205.
geitevleesch en geitenvleesch 197.
gekkenpraat 193.
gekreschen 96.
gelijke (mijns, uws enz.) 146, aanm.
gelukkigerwijze 153.
gemeenlijk 112.
genie, mv. genieën 83.
genius, mv. geniën 83.
genoeglijk 112.
geograaf 246.
geographie 245.
geographisch 248.
gerstebrood, blz. 153.
gevangennemen 142.
gevoeglijk 112.
gewapenderhand 153.
gewicht 94.
gewoonlijk 112.
gezamenlijk 108, 112, 115.
gezeglijk 112.
gezicht 94.
gids 99.
gijl 239.
gindsch 99.
gitaar 244.
goddelijk 112.
goeddoen 142.
goedendag (wapentuig) 199.
goedendagzeggen enz. 201.
goedmaken 142.
goedschiks 210.
goedsmoeds 153.
goedvinden 142.
Gorkumer 106.
gortenteller 188.
gouverneur 228.
gouverneur-generaal 156, a.
grappenmaker 188.
grauw 74.
's-Gravendeel, 's-Gravenhage, 's-Gravenland 158.
grenen 181, aanm.
grijnzaard 265.
grijsaard 100, 265.
groenling 112.
Groot-Britannië 157.
Grootedelachtbaar 144.
grootmeester-nationaal 156, b.
grootschrift, verschillend van groot schrift 139.
grootspreken 142.
groot-zegelbewaarder 158.
gruttenbrij, blz. 153.
guds, zie guts.
guts 99.
gutsen 99.
gymnasiaalonderwijs, verwerpelijk germanisme, blz. 152.
haar (hoofdhaar) 91.
haars gelijke, zie gelijke.
halverwegen 153.
handhaven 142.
handje 119.
hanebalk 194.
hanekam 194.
hanengekraai 194.
hanengevecht 188.
hanepoot 194.
haneschree 194.
hanespoor 194.
hanetred 194.
haneveer 194.
harddraven, hardrijden, verschillend van hard draven, hard rijden 142.
harenthalve 120.
harmonie, bij dichters ook
harmonij 86.
hartediefje, harteleed, hartelust, hartewensch 186.
hartenaas, hartenboer, hartenheer enz. 186, 188.
Hartsgebergte 157, aanm.
hazendistel 195.
hazenlip 194.
hazenmond 194.
hazenslaap 194.
hebbelijkheid 112.
Hebe's 90.
heelshuids 153.
heep, hepen, blz. 48.
's-Heerenberg 158.
heerenboonen 193.
heerendienst 193.
heerenhuis 193.
heerenknecht 193.
heesch 123.
Heilige-Geestgasthuis 158.
heir (legermacht), mv. heiren 91.
helaas 152.
heldenarm 193.
heldendaad 193.
heldenmoed 193.
heldenschaar 188.
heliotroop, heliotropen 77, aanm.
hemdenlinnen 188.
hemeling 113.
hertebeest 190.
hertenkamp 188.
's-Hertogenbosch 158.
hetwelk, blz. 127.
heuglijk 112.
hieraan, hieraf, hierbij, hierdoor enz. 148.
hij 89.
hoededoos 192.
hoedenmaker 188.
hoeverre, verschillend van hoe ver 147.
hoewel (voegw.), verschillend van hoe wel 151.
hoezeer (voegw.), verschillend van hoe zeer 151.
hondeketting 192.
hondenhok 205.
hondje 119.
hoogachten, verschillend van hoog achten 142.
hoogaltaar 139.
Hoogeerwaard 139, 144.
hoogepriester, des hoogepriesters 139.
hoogeschool 139.
Hooggeboren 139, 144.
hooggeel 145.[**.verwijderd]
Hooggeleerd 139, 144.
hoogte 94.
Hoogwelgeboren 139, 144.
hooien 92.
hoonen, blz. 48.
horoscoop, horoscopen 77, aanm.
huishouden 142.
hunnenthalve 120.
huns gelijke, zie gelijke.
hypotenusa, hypotenusa's 255, 90.
iemand 116.
ijpeboom 181.
ijpenlaan 188.
IJsel 105.
ijselijk 88.
ijzen 88.
ijzeren-spoorweg 158.
in aller ijl 153, aanm.
incommodeeren 250.
Indisch-Europeesch 155, c.
Indo-Germaansch 155, c.
indroog 139.
ingeval (voegw.) 151.
in geval van (uitdrukking met de waarde van een voorzetsel) 150.
ingevolge 150.
ingierig, ingoed, ingoor, inlui enz. 139.
integendeel 149 a.
intijds 140.
inzonderheid 149 a.
Israëliet, Israëlieten 82.
Januari 87.
Java-koffie 155, a.
jezuïet, jezuïeten, jezuïtisme 82.
Jodenbuurt 188.
jongsken en jongske, blz. 99.
jonkheer 98.
jonkheid 98.
jonkvrouw 98.
juffer 110.
juffrouw 110.
Juli 87.
Juni 87.
kaatsen 99.
kachel 95.
kachelsmid 209.
kamfer 250.
kamperfoelie 250.
kanalje en canaille 239.
kanenbrood, blz. 153.
kanonnierskazerne 209.
kanunnik 253.
kapel 250.
kapelaan 250.
kapitaal 239, 250.
kapitein-geweldiger 156, b.
kapitein-kwartiermeester 156, b.
karaf en kraf 239.
karakter 250.
karkas 250.
karonje 239.
karwats 250.
karwei (werk) 88.
karwij (zaad) 88.
kastanjeboom 196.
kasteel, kasteelen 250.
kastelein 250.
kastrol 250.
katholiek, katholieken en catholiek, catholieken 86.
kattendoorn of -doren 195.
kattengeslacht 194.
kattestaart 195.
kauw 74.
kavalje 239.
kazerne 239.
keel (in de bouwkunde en wapenkunde), kelen, hetzelfde woord als keel
(lichaamsdeel), blz. 48.
keren (vegen), blz. 48.
kerkenorde of kerkorde 206.
kerkeraad 206.
kerseboom 196.
kettinkje 98.
kevie 86.
kievit, kieviten 106.
kindeken en kindeke, blz. 99.
kindsch 99.
kippenloop 197.
klaaglijk 112.
klacht 94.
klasse, maar classis, classicaal 253.
klauw 74.
kleerenmaker en kleermaker 188.
Klein-Azië 157.
klein-kinderschooltje 158.
kleinschrift, verschillend van klein schrift 139.
klerk, maar clericaal 253.
kloot (wereldkloot), mv. klooten of kloten 80, c.
klooven (doen splijten), onderscheiden van kloven, mv. van kloof,
en van wij kloven, onvolm: verl. tijd van kluiven, blz. 48.
klotsen,[** , weg?] 99.
knaster 250.
knauwen 74.
knie, knieën 83.
knods, zie knots.[**formatting gecorrigeerd]
knoeien, knoeier 92.
knoop, knoopen 80, b.
knots 99.
koeiekop 194.
koeienhaar 205.
koekeloeren 203.
koekenbakker 188.
koerier 253.
koets 99.
koffie 86.
koliek 86.
komedie (schouwburg), verschillend van comedie (soort van tooneelspel)
252.
komeet, kometen 77, aanm.
kommies (ambtenaar bij de belastingen), verschillend van commies
(ambtenaar aan een der ministeriën of bij de posterijen) 252.
kompas 239.
konijnenblad 195.
koninginnenkroon, -mantel enz. 193.
koninkje 98.
koninklijk 112.
koninkrijk 98.
konserf, maar conservatief 253.
konzenielje, maar cochenille 239.
kooien 92.
koozen (liefkoozen), blz. 48.
koudeschaal 139.
koudvuur 139.
kousenwever 188.
krant en courant 239.
krauwen 74.
krediet (vertrouwen), verschillend van credit (term in het boekhouden)
255.
krenteboom 196.
krijgsmansstand 208.
krijt 88.
kritiek (hachelijk), verschillend van critiek (oordeelkunde) 252.
kroon, kronen, blz. 48.
kruid (plant), onderscheiden van kruit (poeder) 127.
kruien, kruier 92.
kruisen 105.
kruisigen 105.
kruit (poeder), onderscheiden van kruid (plant) 127.
kuchen 95.
kurassiersstal 209.
kurkenmandje 192.
kurketang 192.
kurketrekker 192.
kwartier 239, 250.
kwee (soort van vrucht), mv. kweeën, blz. 48.
kwijtraken 142.
kwijtschelden 142.
laagte 94.
laatje, blz. 227.
lakei 242.
lampeglas 190.
lancet 250.
landschapschilder 208.
landschapsschrijver 208.
langzamerhand 153.
lankmoedig 98.
lauw 74.
leeperd 100.
leeuwenbek 194.
leeuwenkop 194.
leeuwenwelp 194.
leidstar, leidstèr 212.[**leidster?]
lekkage 243.
letterspecie 209.
lichaam 95.
licht (daglicht) 94.
licht (niet zwaar) 94.
lichtblauw, lichtbruin, lichtgeel enz., verschillend van licht blauw,
licht bruin, licht geel enz. 145.
liefhebben 142.
liefkoozen 142.
Lieve-Vrouwen-bedstroo, 193, c.
Lieve-Vrouwenkerk 158, 193, c.
lijdelijk 112.
likeur 250.
likkebaard 202.
likteeken, zie litteeken.
lindeboom 181.
lindenhout 205.
linie, mv. liniën 83.
lithographeeren 249.
litteeken 131.
livrei 242.
locaal (bijv. naamw.), verschillend van lokaal (vertrek, zaal) 252.
loge 250.
logica 250.
lokaal (vertrek, zaal), verschillend van locaal (bijv. naamw.) 252.
lomperd 100.
loods (man) 99.
loods (houten gebouw) 99, 250.
loos, loozer, looste 124.
lorgnet 250.
los (lynx) 123.
loslaten, verschillend van los laten 142.
luidskeels en luidkeels 153.
luitenant-generaal 156, a.
luitjes, blz. 227.
maagdelijk 112.
maagdenhart 193.
maagdenpalm 193.
maagdenschenner 193.
maagdenwas 193.
maaier 92.
macaroni 250.
macht 94 [*94?].
maçonnerie 250.
malie, mv. maliën 83.
malvezei 88.
mandenmaker 188.
Manilla-sigaren 155.
mannelijk en manlijk 112.
mannenmoed 193.
Margareta 255.
Maria's 90.
matrozenhoed 193.
matrozenlied 193.
matrozenpak 193.
medearbeider 205.
medeërfgenaam 205.
medeoorzaak 205.
meer (waterplas) 91.
meidendienst 193.
meidendracht 193.
melodie, melodieën, bij dichters ook melodij 86, 83.
menigte 94.
Mennoniet, Mennonieten 82.
menschenbloed 193.
merrie, mv. merries en merriën 86.
messenmaker 188.
messenmandje 192.
messescheede 190.
metgezel 102.
metterdaad 153.
mettertijd 153.
metterwoon 153.
middeleeuwen 114.
middelevenredig 114.
middellijk 113.
Middelnederlandsch 114.
middelpunt 114.
middelrif 114.
middenin, verschillend van midden in 147.
mij 89.
mijnenthalve 120.
Mijnheer, mv. Mijne heeren, blz. 129.
mijns gelijke, zie gelijke.
Mijns-Heerenland 158.
militair 242.
minister-resident 156, a.
misanthroop, misanthropen 77, aanm.
moeilijk 112.
mogelijk 112.
mogen, moogt, mocht, 94.
mollepoot 190, 194.
mollevel 190, 194.
monnik, monniken 106.
mooi, mooier 92.
morille 250.
mosch, mosschen of musch, musschen 96.
motief, mv. motieven, doch motiveeren 82.
muggenzifter 188.
muizengerst 195.
murw 126.
musch, musschen of mosch, mosschen 96.
mutsebol 192.
muziek 86, doch muzikaal, muzikant 82.
naaldenkoker 192.
naar gelang van, naar luid van, naar mate van 150, doch naarmate
(voegw.) 151.
nademaal 151.
nauw 74.
negenhonderd 159.
nergens aan, nergens bij, nergens door enz. 148.
niemand 116.
nieskruid 127.
niettegenstaande 150.
Nieuw-Holland 157.
nieuwjaar, verschillend van een nieuw jaar 139.
Nieuw-York 157.
nimf 251.
noch (ook niet) 132.
nochtans 97.
nog (tot hiertoe, daarenboven) 132.
nommer en nummer 254.
Noord-Brabant 157.
Noord-Holland 157.
Noordzee 157, aanm.
nopens 122.
noteboom 196.
notedop 190.
nummer en nommer 254.
och of 152.
oeconomie en economie 254,[** .?]
oeconoom, oeconomen 77.[*,?] aanm.
officierstafel 209.
officiersvereeniging 209.
oir (erfgenaam) 91.
olie, oliën 83.
omtrent 118.
ondershands 153.
onderuit, verschillend van onder uit 147.
onhebbelijk 112.
onkruid 127.
ons (gewicht) 250.
ons gelijke, zie gelijke.
ontstentenis 102.
ontvangen 109.
ontvonken 109.
ontzaglijk 112.
onverrichter zake 153, aanm.
onzenthalve 120.
ooievaar 92.
oorsprong 91.
oorzaak 91.
Oostergoo 157, aanm.
Oostzee 157, aanm.
ootmoed 117.
opeen 149, c.
openlijk 112, 115.
opnieuw 149.
opruien, opruier, opruiing 92.
Opsterland 157, aanm.
opzamelen 108.
oranjeboom 196.
ordelijk 112.
ordentelijk 112.
orthographie 245, 246.
oudejaar, verschillend van het oude jaar 139.
oude-kleerkoop 158.
oude-mannenhuis 158.
ouder gewoonte 153, aanm.
overal aan, overal bij, overal door enz. 148.
overdwars, overlang enz. 149.
overgroot, overklein, overoud, overvet enz. 139.
Overijsel 105.
paardekop 191.
paardenbloem 195.
paardenkooper 191.
paardenmarkt 191.
paardenras 194.
paardenstal 197.
paardestaart 191.
paardevoet 194.
paddenstoel 195.
page 243.
paleis 242.
Paschen 96.
passage 243.
pauw 74.
pelgrimage 243.
pennemes 192.
pennenkoker 192.
penseel 250.
pereboom 196.
perzik, perziken 106.
perzikeboom 196.
philanthroop, philanthropen 246 en blz. 43.
philoloog, philologen, blz. 43.
philosoof, philosofen 246.
philosophie 246.
phoenix en feniks 254.
photograaf 246.
photographeeren 249.
photographie 246.
photographisch 248.
physica 245.
pijnlijk 112.
pijpedop 192.
pijpenlade 192.
pijpenmandje 192.
pijpewroeter 192.
pincet 250.
plaats 99.
plaats grijpen, plaats hebben, plaats nemen 142.
planeet, planeten 77, aanm.
platte-driehoeksmeting 158.
plechtig 94.
plegen, ik placht 94.
pleizier of plezier 244.
poëet, poëten 77, aanm.
poëzie, bij dichters ook poëzij, 86, 251.
politie-commissaris 156, a.
pontonnierscompagnie 209.
porfier 251.
pose 250.
postiljon 250.
pottenbakker 188.
pottenkast 188.
praeparaat 254.
praesens, doch present 254.
praeses, doch president 254.
preparatieven 254.
present, doch praesens 254.
president, doch praeses 254.
priesterschaar 209.
prinsessenbier 193.
prinsessenboonen 193.
procurator 254.
procureur 250.
procureur-crimineel 156, a.
profeet, profeten 77, aanm.
profijt 242.
proseliet, proselieten 246.
pruikebol 192.
pruikenmaker 188.
pruimesteen 190.
Pruisen 105.
Pruisisch-zuur 155 b.
ra, raas 90, aanm.
raad-pensionaris 156 b.
raadplegen 142.
raam-pje 119, 267.
rantsoen 99.
rattenkruit 127.
rattestaart (ronde vijl) 194.
rauw 74.
razernij 89.
receptie 250.
recht 94.
rechter 94.
rechtspreken 142.
redelijk 112.
reliquie, reliquieën 83.
republiek, republieken 82.
republikein 82.
Reuzengebergte 157, aanm.
richel 95.
ridderstand 209.
ridselen, zie ritselen.
Riga-balsem 155, a.
rijnsche-wijnflesch 158.
rijstebrij, blz. 153.
rit 102.
ritmeester 102.
ritselen 99.
roggebrood, blz. 153.
rondom 150.
roodaarde 139.
roodbont 145.
roodekool 139.
Rood-Rusland 157.
rots 99.
rozeboom 196.
rozenkrans 188.
ruggemerg 190.
ruilebuiten 203.
ruiterstal 209.
sacristein 88.
sacristij 88.
saffier 251.
sajet 92.
Salland 157.
samen (te zamen) 108.
samenhangen, -hang 108.
samenkomen, -komst 108.
samenspreken, -spraak 108.
samenvloeiing 92.
scaphander 246.
schaats 99.
schadeloos 112.
schadeloosstellen 142.
schapeleer en schapenleer 197.
schapevleesch en schapenvleesch 197.
schendekeuken 202.
schepter 129.
scherts 99.
schoonmaken 142.
schroot 127.
scrupel 250.
seconde en secunde 254.
securiteit, doch sekuur 253.
seizoen 244.
sekuur, doch securiteit 253.
sergeant-majoor 156, a.
sergeantsstrepen 208.
sieraad 221.
sieren 221.
sigaar 250.
sigarenfabriek 188.
silhouet 250.
sinaasappel 155.
sinds 99.
singel 221.
slaatje, blz. 227.
slakkenhuisje 205.
slangekop 195.
slangenbloem, -wortel 195.
slavenaard, -arbeid, -dienst, -werk 193.
sleepen (voorttrekken), verschillend van slepen (gesleept of
voortgetrokken worden), blz. 48.
sleetje, blz. 227.
slijtage 243.
slippedrager 190.
sloof (voorschoot), mv. slooven, verschillend van sloof
(sukkelaarster), mv. sloven, blz. 48.
smaldeel 139.
smidse 99.
Smyrna-vijgen 155, a.
snarenspeeltuig 188.
snelschrijven, verschillend van snel schrijven 142.
soldatenkind, -lied, -vrouw 193.
soupeeren 250.
souverein 228, no. 2.
Spanjaard 100.
sparreboom 181.
specerij 250.
spectator 252.
spektakel 252.
speldenkussen 192.
spelemeien 203.
spelevaren 203.
spie, spieën 83.
spillebeen 190.
spits, zelfst. en bijvoegl. nw. 123.
sprinkhaan 98.
stadsschout 208.
staten-generaal 156, b.
stationnair 242.
St.-Catharinagasthuis 158.
steeds 99.
steedsch 99.
stellage 243.
stenographisch 248.
sterrenkunde 189.
stierenkop 194.
St.-Janskerk 158.
stoelendraaier 188.
stoffage 243.
stokebrand 202.
stokkenknecht 188.
studentenlied 193.
stukadoor 250.
subject en sujet 254.
substantief, substantieven 82, 86.
substituut-griffier 156, a.
suikerij en cichorei 239.
sujet en subject 254.
synoniem, synoniemen 246.
syringeboom 196.
tachygraaf 245, 246.
tapijt 88.
tarwebrood, blz. 153.
te gelijker tijd 153, aanm.
tegenover 150.
tegoeds of te goed 140.
Teisterbant 157, aanm.
te land, te voet, te paard enz. 149.
telegraaf 246.
telegrafist 247.
telegraphisch 248.
telescoop 246, mv. telescopen 77, aanm.
teleurstellen 149[**.]
telkens 140.
Teloorgaan 149. [*hoofdletter?]
ten hove, ten onrechte enz. 149, aanm.
tenware 151.
tenzelfden 149, aanm.
tenzij 151.
terdege, terdeeg 149.
ter leen, ter zee enz. 149.
terloops 140.
tersluiks of ter sluik 140.
terstond 149.
terug 149.
terugbrengen, -deinzen enz. 149.
terzelfder 149, aanm.
tevergeefs of vergeefs 140.
thans 122.
theocratie 245.
theoloog, theologen 77, aanm.
tichel 95.
tinnegieter 190.
tocht 94.
toets 99.
toevalligerwijze 153, no. 5.
toon (muziektoon), mv. tonen, verschillend van toonen (wijzen) en toon
(teen), mv. toonen, blz. 48.
toonloos 112.
toorts 99.
topographie 246.
topographisch 248.
torsen 123.
traktaatje 250.
traktement 250.
tralie, mv. tralies en traliën 83.
transitoir 242.
triomf en triumf 246, 251.
troon, tronen 221 en blz. 48.
trots (zelfst. nw.) 99.
trotsch (bijv. nw.) 124.
tucht 94.
tuigage 243.
tulpeboom 196.
tusschen 96.
tusschenin 147.
twaalfhonderd 159.
twee, tweeën 83.
tweeërhande 93.
tweeërlei 93.
tweehonderd 159.
uiteen 149.
uitermate 153, no. 3.
uit hoofde van 150.
uws gelijke, zie gelijke.
vandaar, vanhier 149, b.
vanderhandsch 140.
vannieuws 140.
varkensstal 208.
varkensziekte 208.
veeleer en veel eer 147.
veelszins 125.
veinzaard 100, 265.
venijn 88.
verbintenis 102.
verf, verfpot, verfwinkel 126.
vergeefs of tevergeefs 140.
vermicelli 250.
vermiljoen 250.
vermurwen 126.
vers 81.
verstandelijk 112.
verven, verver 126.
verzamelen, verzameling 108.
vierhonderd 159.
vijfhonderd 159.
vijgeboom 196.
visch, visschen 96.
vla, vlaas 90, aanm.
volgens 122.
volzalig 144.
vonkelen (in eigenlijken zin) 111.
vooraan, voorin, vooronder, voorover, vooruit 147.
vooral, voorgoed, voorwaar, voorzeker 149 b.
Voor-Indië 157.
voorshands 153, no. 2.
vorstenkroon, -telg, -zoon 193.
vrijlaten, verschillend van vrij laten 142.
vroolijk, blz. 49.
vrouwenhand, -hemd, -kleed, -rok 193.
vuren(hout) 181, aanm.
waarheidszucht 208.
was (van bijen) 123.
wasch, wasschen 96.
welbespraakt, weldoend 144.
Weledel, Weledelgeboren,



De laatste bladzijde van dit boek ontbreekt in het ons ter beschikking
staande exemplaar. Indien u toegang heeft tot deze bladzijde, wordt
u verzocht een scan hiervan naar Doctrine Publishing Corporation te sturen.



AANTEEKENINGEN


[1] J. Grimm, Ueber das pedantische in der deutschen sprache, in
de Philol. und hist. Abhandlungen der Kon. Academie te Berlijn,
1847, bl. 203 (Kleinere Schriften, I, 348). In de Inleiding op
het »Deutsches Wörterbuch", bl. LIV, zegt hij niet minder sterk:
»In den letzten drei jahrhunderten trägt die deutsche schreibung
so schwankende und schimpfliche unfolgerichtigkeit an sich, wie
sie in keiner andern sprache jemals statt gefunden hat, und nichts
hält schwerer als diesen zustand zu heilen." Over de Nederlandsche
spelling velt hij een veel gunstiger oordeel (D. Gramm. I3, bl. 323 en
elders). Tegenover de onbillijke geringschatting, die onze spelling
zoo dikwijls van landgenooten te verduwen had, mag op dergelijke
getuigenissen van Grimm wel eens worden gewezen.

[2] Dat het hoofdstuk »Bastaardwoorden" in het Verslag van
Prof. Heremans niet volkomen eensluidend is met deze Regeling der
Nederlandsche Spelling, maar met het Ontwerp, is niet toe te schrijven
aan verschil van gevoelen, maar daaraan, dat dit gedeelte tijdens de
uitgave van het »Verslag" nog niet geheel was afgedrukt. Daardoor was
het ons ondoenlijk geweest den Gentschen Hoogleeraar de wijzigingen
en invoegingen in den tekst tot in alle bijzonderheden mede te deelen,
gelijk tot dusverre door het toezenden der afgedrukte bladen geschied
was.

[3] Uit het Verslag der Belgische Spelling-Commissie blz. 35 vlg.,
blijkt, dat het verschil in de uitspraak van dezelfde woorden op
verschillende plaatsen in België vooral niet geringer is dan in
Noord-Nederland.

[4] Voor het Sanskrit en Gothisch is die stelling geene bloote
hypothese, tot wier erkenning men alleen door gevolgtrekkingen
gedwongen wordt. In de eerstgenoemde taal komen wel twee letterteekens
voor, die thans als e en o worden uitgesproken, doch uit alles
blijkt ten klaarste, dat e vroeger ai en o vroeger au geweest is;
zie Bopp, Vergleichende Grammatik. § 2. Reeds eene vergelijking der
letterteekens voor âi = aai en âu = aau met die voor ê = ai en ô =
au leert dit duidelijk.

In het Gothisch komen insgelijks twee letterteekens voor, die op epsilon
en Omega gelijken, en daarom in Latijnsch letterschrift door e en o
voorgesteld worden, maar deze stemmen niet overeen met de e's en o's in
de overige Germaansche talen: aan het eerste, ofschoon het een langen
i-klank voorstelde, beantwoordt onze lange â in daad, jaar, slaap; en
de Friesche ie in died, jier, sliep; aan het tweede onze oe in boek,
goed, stoel; terwijl bovendien blijkt, dat die klanken uit tweeklanken,
meestal uit ia en ua, soms ook uit ai en au samengesmolten zijn.

Dat ook het Oudnoordsch aanvankelijk geene e's noch o's bezat, blijkt
uit de zoogenaamde Helsingrunen, in welk alphabet geene andere klinkers
dan a, i en u voorkomen; zie U. W. Dieterich, Runen-sprachschatz,
blz. X.

Er zijn wel is waar schrijvers, die beweren, dat Ulfila door ai en au
onze e- en o-klanken heeft voorgesteld. Zij gronden dat beweren op de
wijze, waarop hij in Grieksche woorden e en o heeft weergegeven. Dit
heeft echter niet verhinderd, dat Grimm, dien iedereen wel voor
den grootsten kenner der Germaansche talen zal houden, steeds is
voortgegaan ai en au als ware tweeklanken te beschouwen. In het vorige
jaar is door F. Dietrich in een afzonderlijk werkje, Die Aussprache
des Gothischen, aangetoond, dat ai en au ook nog lang na Ulfila echte
tweeklanken waren, en door niet-Gothen als zoodanig werden gehoord
en opgevat; dat de Gothen de vreemde eigennamen naar hunnen tongval
wijzigden, en dat het aannemen van ai = e en au = o toch volstrekt niet
toereikend is om hunne spelling van de Grieksche woorden te verklaren.

Eene vergelijking van de Gothische schrijfwijze met de gelijktijdige
van het Grieksch en Latijn geeft de tegenstrijdigste uitkomsten,
en bevestigt slechts, wat door deskundigen erkend wordt, namelijk,
dat de uitspraak en spelling der beide laatstgenoemde talen in het
Gothische tijdperk tamelijk onzeker en verward was. Indien men deze
spelling tot maatstaf van die van het Gothisch wilde aannemen, zou men
tot het ongerijmde besluit moeten komen, dat goth. a te gelijker tijd
als a, e en au,--i als i, e, ei, ê, u en ch,--u als ou, o, ô enz. klonk.

Het onregelmatige gebruik der klinkers en tweeklanken, waaraan men
zooveel gewicht hecht, bestond alleen bij woorden uit het Grieksch en
Latijn overgenomen, inzonderheid bij eigennamen; daarentegen kan men
in de spelling van het Gothisch zelf, inzonderheid ten opzichte van
de klinkers, eene regelmaat opmerken, die verwonderlijk mag heeten,
als men bedenkt dat de Gothen kennelijk geheel naar de uitspraak,
en niet naar grammatische regels, te werk gingen.

[5] In een geheel ander geval verkeeren de woorden met tweeklanken
op u, als blauw, eeuw, ruw, nieuw, rouw, enz. Daarbij gaat men
geheel regelmatig te werk, en schrijft men de w zoowel in de
onverbogene als in de verbogen vormen: blauw--blauwe enz., en niet
zonder reden. In slechts weinige woorden, misschien slechts in één:
leeuw, lat. leo, is de w een overgangsletter en van lateren oorsprong;
vermoedelijk in alle andere maakt zij een wezenlijk bestanddeel van de
stamlettergreep uit, maar is niet, gelijk de j in drajen enz. slechts
een achtervoegsel. Ook hoort men in de uitspraak nog iets van de w
op het einde der lettergrepen, b. v. in uw, ruw, schuw, mouw, rouw,
enz., die niet volkomen hetzelfde klinken als u, nu, kou en zou
(verkortingen van koude en zoude, waarin de w niet behoort). Het een
en ander verklaart, waarom de voorstanders der schrijfwijze baaien
enz. ten opzichte van de w niet van de gewone spelling zijn afgeweken.

[6] Wij gevoelen geen berouw over onze keus, sedert een ijverig
voorstander der gch leert, dat men de beide letters, de g zoowel als de
ch, moet laten hooren, en overeenkomstig den aard der g den keelklank
zachtelijk laten aanvangen, om dan allengs tot ch te verscherpen
(Tijdspiegel van Juni 1863): iets dat niet mogelijk is zonder een
hoogst onwelluidenden klank voort te brengen. Bij de spelling met de
enkele ch zal niemand tot zulk eene uitspraak vervallen; wij meenen dus
met recht hier den Regel der Welluidendheid te hebben doen gelden.--De
bewering van dien zelfden recensent, dat de woorden als lachen enz.,
met de enkele ch geschreven, niet te spellen zijn, heeft ons zeer
bevreemd. In de vorige eeuw zou dat schijnbaar ongetwijfeld indruk
hebben gemaakt, en misschien ook voor ons reden genoeg geweest zijn
om de gch te behouden. Thans zal ieder, die behoorlijk spellen kan,
die de zoogenaamde klankmethode kent, in die bewering niets meer dan
eene drogreden zien. Hij weet, dat men thans bij het spellen, gelijk
de aard der zaak medebrengt, iedere letter met dien klank noemt,
dien hij in het woord heeft, en spreekt, als hij b.v. bèdstéde spelt,
de drie e's op drie verschillende wijzen uit: è, é en e. Hij zal dus
dienovereenkomstig l, à, ch, e, n zeggen, en zoodoende ook zonder g den
juisten klank treffen, evengoed als hij d, à, g, dag zegt, en niet d,
á, g, hetgeen daag zou opleveren. Wat geschiedt, kan geschieden.

[7] Het bevreemdt ons, dat een geacht beoordeelaar dit punt
betwist. Wij willen gaarne erkennen, dat de uitspraak Háárlem en
Arnhem in de volkstaal wel gehoord wordt; doch in de beschaafde
uitspraak wordt zeer zeker Haarlèm en Arnhèm gezegd. In den laatsten
naam klinkt de è wel iets flauwer dan in den eersten, maar het blijft
toch altijd eene è en daalt niet tot eene geheel toonlooze e. Zoo
spreekt men ook wel degelijk van den Hààrlèmmer Hout, niet van den
Hààrlëmer Hout.

[8] Omtrent de spelling van het hier behandelde woord heeft de Redactie
lang gewankeld. In de eerste uitgave (§ 96) gaf zij de voorkeur aan
juffrouw, in de tweede (§ 110) aan jufvrouw, en nu in de derde keert
zij tot juffrouw terug. De reden was eenvoudig gelegen in verschil
van gevoelen tusschen de beide redacteurs, die, hoe eenstemmig ook
in bijna alle vraagstukken, het omtrent dit punt nooit eens hebben
kunnen worden. In de eerste uitgave was mijne overtuiging aangenomen;
in de tweede had ik aan den aandrang van Te Winkel moeten toegeven,
op grond dat wij van het beginsel uitgingen, in de bestaande spelling
geene verandering te maken dan bij volstrekte noodzakelijkheid,
terwijl die noodzakelijkheid niet bleek zoolang de beide redacteurs
het niet eens waren. Thans echter, nu ik bij herhaalde overweging
mijne vroegere opvatting nog altijd als de ware beschouw, en mijne
tegenwoordige mederedacteuren, Dr. Verwijs en Dr. Cosijn, eenstemmig
met mij denken, heb ik niet geaarzeld de vroegere uitspraak der
Redactie te herstellen en de spelling met ff voorgoed aan te nemen.

M. D. V.

[9] Men noemt de t doorgaans eene tandletter. Wanneer men echter
bedenkt, dat tot het uitspreken eene sluiting der mondbuis door middel
van de tong vereischt wordt, dan zal men de benaming tongletter in
het algemeen, en voor dit geval in het bijzonder, gepaster achten.

[10] Zoo vindt men b.v. »van Gods halven" in Maerlant's
Spieg. Hist. III, 7, 25, 76; »van minen halven" in Serrure's
Vad. Mus. I, 310, vs. 70; waar het enkelvoud ongetwijfeld te verkiezen
zou zijn.

[11] Zie Hildebrand, Deutsches Wörterbuch, op Kraut, en Beckering
Vinckers in Taal- en Letterb. III. 125 vlgg.

[12] Wij onthouden ons vooralsnog van het vaststellen van regels, die
de spelling betreffen van woorden, uit talen ontleend, die een ander
letterschrift hebben, gelijk b.v. de Oostersche. Dit onderwerp toch
vereischt een afzonderlijk onderzoek, des te moeilijker, doordien de
vorm, welken zoodanige woorden bij ons hebben aangenomen, gedeeltelijk
ook afhangt van het kanaal, waardoor zij tot ons gekomen zijn. Met
woorden, uit het Grieksch ontleend, is het eenigszins anders gelegen:
zie beneden, § 245.

[13] De nadenkende lezer zal inzien, dal de schrijfwijze lachen,
lichaam enz., die de Redactie ter bevordering der welluidendheid,
dus om de uitspraak, heeft aangenomen, zich in een geheel ander
geval bevindt. Die spelling verzaakt zeker den erkenden regel, dat
medeklinkers met zich zelve verdubbeld worden; doch die regel is niet
door ons, maar door het algemeen Gebruik ter zijde gezet. Niemand
wil het regelmatige lachchen, lichchaam, evenmin zij die lagchen,
als zij die lachen voorstaan. Wij moesten uit die twee gebrekkige en
onregelmatige spellingen kiezen, en lieten den Regel der Welluidendheid
beslissen, omdat andere zwegen.

[14] Om geene verandering te brengen in de nommers der paragrafen,
wordt dit toevoegsel afzonderlijk achteraan geplaatst.





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "De grondbeginselen der Nederlandsche spelling - Regeling der spelling voor het woordenboek der Nederlandsche taal" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home