Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Natuur en Menschen in Indië
Author: Wit, Augusta de, 1864-1939
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Natuur en Menschen in Indië" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



                             Augusta de Wit

                      Natuur en Menschen in Indië

                          Met 45 illustraties



                       Nederlandsche Bibliotheek

                      Onder leiding van L. Simons


                Boeken zijn de universiteit onzer dagen.

                            Uitgegeven door:
            De Maatschappij voor Goede en Goedkoope Lectuur
                               Amsterdam



AANKOMST


Sabang op Poeloe-Weh


Dit rotsige eilandje dan, is de uiterste spits van Indië, de
ver-vooruitspringende kaap van die wereld van bergen, te allen kant
door zee omgolfd. Bij het flauwe wisselvallige schijnsel dat van maan
en sterren uit een lucht vol drijvende wolken valt, zien wij het
zwart en steil opstaan uit zee, een duister berggevaarte dichtbij,
daarachter in wijden zwaai de verte in wijkend een baai, waarvan
de heuvelige kust als een lager gezonkene, dichtere, donkerdere
wolk tegen den hemel ligt. Een enkel groot licht schijnt uit die
duisternissen. Is het een ster? is het een sein?

Het schip streeft recht op de wijde baai toe. Van de brug af, waar
ik sta, is het zonderling om te zien, die smalle wig van planken
met de dunne lijnen van de reeling er om heen, en daarboven het als
spinneweb zoo teer toonende takelwerk, dat licht op en neer beweegt
tegen de sterrelucht; zoo smal, zoo broos, zoo fijn alles, midden door
die geweldig golvende zee zijn eigen onnaspeurlijken weg houdend,
recht op dien zwarten muur van rotsen aan, waartegen een enkele van
die onafzienbaar lange golven het wel te pletter lijkt te kunnen
slaan. En wat is dat ster-achtige licht nu, daar zoo ver?

Plotseling vlamt een purperen gloed over de plecht, de brug, tegen
mast en schoorsteenen omhoog. Twee matrozen zwaaien fakkels rood
Bengaalsch licht, een op het dek, de ander hoog op den schuins
omhoogstrevenden tentbalk, op de uiterste hoogste spits van het
schip. In zijn beide, steil opgestrekte handen zwaait hij de fakkels
hoog boven zijn hoofd. Wolken purperen licht en rook waaien uit die
wervelende vlammenbronnen. Vuurrood staat de halfnaakte fakkelzwaaier
met zijn steile armen en achterover geworpen hoofd, vuurrood de
dicht opeengedrongen drom mannen, haastig uit het donkere diep van
het schip naar boven gerend om den eersten blik op de Indische kust,
vuurrood aan weerszij van die smalle wig menschen de zee, waar het
schuim, in lange lijnen schuins wegstrevend van den boeg, bloost als
een strooisel rozen. En, meteen, flikkeren, ontelbaar, lichtjes op uit
die bergachtige duisternis vooruit en veranderen het gesteente in een
woonplaats van menschen. Het Bengaalsche licht is het sein geweest,
dat het naderende schip de mail aan boord heeft; nu haast alles in
Sabang het tegemoet. Als wij aankomen staat de pier vol menschen. In
het electrische licht schitteren de witgekleede Hollanders fel uit
de bonte menigte van inlanders en Chineezen te voorschijn.

Wij gaan aan wal om de haven-inrichtingen te zien, waarheen de
waarnemende administrateur van de maatschappij Sabang ons vriendelijk
zijn geleide heeft aangeboden.

Sabang is trotsch op die inrichtingen--vijf electrisch gedreven
kolentips, en uitmuntend ingerichte loodsen langs een verre lengte
van de prachtige haven. De natuurlijke voordelen van de diepe, tegen
zeegang en wind van alle zijden beschermde baai zijn door zulk gerief
zoozeer verhoogd, dat Sabang nu voor de beste en best-ingerichte
haven van het geheele Oosten wordt geroemd, en dat door de zeelui
van allerlei landaard die hier komen kolen innemen. De Engelschen
maken geen uitzondering. Zij spreken met de daad de meening tegen,
indertijd door de naar Poeloe-Weh afgevaardigde deskundigen tegenover
de Engelsche regeering geuit: dat de baai voor een haven niet geschikt
was: Veel Engelsche schepen vallen hier binnen.

Een groote handelshaven zal Sabang echter eerst kunnen worden
wanneer haar achterland Atjeh, en met name de peper-cultuur aldaar,
zich ontwikkelt.

Het werkvolk dat de haven, de electrische centrale en de gasfabriek
bedient--ijs wordt hier met behulp van uit Europa geïmporteerd
zwavelig zuur gemaakt van het water uit het meertje, waaraan Poeloeh
Weh (zoetwater-eiland) zijn naam ontleent--het werkvolk bestaat niet
uit eilanders, maar uit Javanen van Midden-Java en Chineezen, enkele
Arabieren ook. Sabang is alweer een van de vele sluizen waardoor Java
en China hun te veel aan hongerige menschen spuien. De Chineezen zag
ik bij mijn aankomst aan het werk, in de kolenloods, waar zij den tip
bedienden--bij zestien tegelijk hingen zij de volle zware kolenmanden
aan de sterk-gehaakte kettingstreng, die ze de hoogte in trok of ze
de slurf geweest ware van het olifantachtige monster dat daar zoo
zwart en geweldig omhoog stond, den kop uitgerekt over het schip.

De groote hoed, dien zij als bescherming tegen het neerstuivende
kolengruis droegen, hield hun gezicht in de schaduw: maar aan hun
bouw--zij liepen half-naakt--en meer nog aan de vlugheid en veerkracht
van hun bewegingen was te zien dat zij jong waren, welgevoed en
gezond. Ik hoorde hen prijzen verre boven de Javanen, om hun ijver
en werklust. Bij den bouw van de haven, zeide men mij, toen de zware
blokken koraalsteen opgestapeld moesten tegen de zee, arbeidden de
Chineezen met een voortvarendheid, of zij, om het loon niet enkel,
maar om het werk zelf ook, met pleizier in wat zij tot stand brachten,
zich inspanden: zij lachten, als een moeilijk te verplaatsen blok ten
laatste goed lag en vast. Terwijl de Javanen onverschillig en loom
waren. Hun minderheid in spierkracht en algeheele vitaliteit bij de
Chineezen vergeleken, schijnt mij een bijna voldoende verklaring voor
die minderheid van hun werk. Zoowel Chineezen als Javanen schuiven
en rooken opium.

Ik zag den volgenden ochtend de wijk van het werkvolk, waar inlanders
en Chineezen van elkander gescheiden wonen in op het oog zindelijke,
ruime, wèl-gebouwde huizen, aan weerskanten van een goed-gerioleerden
weg. De Chineezen zijn hier--volgens hun gewoonte--zonder gezinnen. Van
de Javanen hebben sommigen hun vrouw bij zich. Een aantal vrouwen zag
ik in een groote koele schuur aan het malen van de rijst, volgens
een methode, die de korrel het binnenste vliesje, het zoogenaamde
zilvervlies, laat behouden. Het dieet van rijst met het zilvervlies is
een afdoend voorbehoedmiddel gebleken tegen de beri-beri, waaronder
het volk vroeger zwaar te lijden had. De korrel is echter minder
oogelijk dan de gepelde blanke rijst. Vandaar een vooroordeel ertegen,
dat nog altijd niet geheel overwonnen is. In zake uitbetaling van het
loon, voedselverstrekking en feestdagen worden Javanen en Chineezen
behandeld elk volgens zijn nationale gewoonten. Die ik zag waren allen
welvarend van voorkomen, en de vrouwen ordentelijk, zelfs min of meer
sierlijk, in de kleeren. Voor enkele huizen stonden bloemen: de kleine
jasmijnstruik, die hier melatih heet, een roosje, een Canna, in een
oud petroleumblik op de trap, een oleander of een citroenboompje in den
vollen grond ervoor. Er groeiden vruchtboomen in de ruimte tusschen de
huizen, bananen, kokospalmen, brood-boomen, die met hun breed spreidend
gebladerte het zinken dak der huizenrij koel hielden. In de groote,
gemeenschappelijke keuken voor de Javanen waren vrouwen bezig met het
morgen-maal. Er lag iets opgewekts in het voorkomen van het geheele
koelie-dorpje, menschen en dingen. Ik nam mezelve stellig voor terug
te komen om de al te vluchtige indrukken te verdiepen, en tevens, na
de menschen ook de natuur van Poeloe-Weh te leeren kennen. Zij moet
zeer schoon zijn: van de kust af is dat al wel te zien; en ik hoorde
wonderen van de "zeetuinen"--de banken en zandplaten met allerlei bont
en zonderling zeegewas begroeid, waarboven, in het lucht-klare water,
de prachtig-gekleurde visschen spelen.

Over de reeling der Willem II geleund, zag ik nog lang naar de
schoone welig-groene bergen en den wijd-uitgegoten glans der baai,
waar een vloot van spiegelende schepen dreef. Strak en zwart stonden
de reikhalzende kolentips tegen den vroeg-ochtendhemel. Daar ginder was
de ijsfabriek--een stukje door menschen gemaakten winter, onaantastbaar
onder den gloed der tropische zon; en de electrische centrale ernaast,
die een elementaire kracht temt tot drager van lasten en stoker van
vuren, in dienst van meesters, duizenden mijlen ver weg. De koelies,
Chineezen, Javanen, Arabieren, aan het lossen van alweer een ander
schip, waren te zien als een bonte wemelende hoop, waar hier en ginder,
in bevelende houding, een witgekleede Westerling tusschen stond: een
"Europeaan," als men hier, kenteekenend, zegt voor Hollander.

Een overstelpend rijke en schoone natuur, bijna ongerept nog, en te
midden daarvan, zonder eenigen overgang of geleidelijkheid, toegepaste
wetenschap en modern grootbedrijf; een heterogene groep Westerlingen
als vertegenwoordigers van een enkel blank heerschers-ras staande
tegenover een heterogenen drom Oosterlingen, samengesmolten tot éen
enkel bruin ras van overheerschten; en over alles heen dat tijdelijke,
voorloopige, het altijddoor komen om weer weg te gaan: het waren de
elementen van het leven in Indië, die daar, op het rots-eilandje,
zichtbaar, naast elkander lagen.

Terwijl Sabang weggleed achter de ronding van den gezichtseinder,
dacht ik: "Dit is dan de inleiding geweest."



JAVA


Van Tandjong Priok naar Djombang


Neen, ik geloof niet dat het ergens op deze schoone wereld schooner
is dan hier op Java! Zooveel schoons heb ik toch al gezien; maar
zoo veel en zoo velerlei allerschoonst als nú, hier, nooit nog,
nergens. Bijna zeven uur lang onderweg van Tandjong Priok naar
Bandoeng in de Preanger: na de rustpooze van den nacht, 's ochtends
om 6 uur verder tot 's avonds 7, toen de trein stilhield aan het
Djombangsche station: in die haast twintig uur, en op dien afstand
van het uiterste Westen tot den Oosthoek van Java zag ik, altijddoor,
ontelbaar, in de bontste verscheidenheid, en onophoudelijk veranderend,
alle schoonheden van hemel, licht, atmosfeer, van velden en tintelende
heuvels, stroomende wateren, bergen blauw tegen de blauwe lucht, een
vlakte wijd uitgegoten als de zee zelve; van jaargetij en klimaat,
anders in de vlakte, anders in de hoogte, stroomend van regen hier,
dor en heet nog elders; en van menschelijk werk en bedrijf ook,
dat, het schoonst van alles, met al die schoone verandering van
uur en grond en seizoen mede veranderde. Het was zulk een feest,
zoo overvloedig, dat de oogen en de gedachte niet dan een duizelend
deel van den rijkdom grijpen of vasthouden konden.

Van Tandjong Priok naar Batavia loopt de weg door een moeras-streek,
ruig van een haast-verbijsterend rijken groei van onnoembaar-vele
soorten heester-gewas met varens en palmen vermengd, waar hier
en ginder boomgroepen uit opsteken, en, overal, bij duizenden de
wijd-open lichtpaarse bloemkelken van een weelderig slingerkruid
overheen gestippeld liggen. Dan komen, even, de vóorstations van de
stad: Weltevreden en Meester-Cornelis. Tusschen witgekleede Hollanders
staan Chineezen gestaart, maar verder op zijn Europeesch gekleed: en
daar wachten sierlijk gekleede Javaansche vrouwtjes op den "vuurwagen"
die hen naar stad zal brengen; een venter van vruchten en zoetigheidjes
zit op den grond gehurkt, tusschen zijn volle manden; door open
deuren heen komt een breedte van het stationsplein te zien, en een
reeks tweewielige rijtuigen met heel kleine hitjes bespannen. Dan
verdwijnt dat alles weer. Een inlandsche wijk komt te zien langs de
lijn. Daar staan, ieder op zijn eigen, door een bloeiende haag omsloten
erf, aardige huisjes, met het karakteristieke dak; het lijkt op een
zittenden vogel, hals opgerekt, vleugels uitgespreid--dat zelfs aan het
armelijkste Javaansche hutje zulk een sierlijk voorkomen geeft. Veel
van die erfjes zijn met vruchtboomen beplant, als moestuin aangelegd;
en de tuiniers zijn er aan het werk, terwijl hier en ginder, onder
een afdakje, een vrouw te voorschijn komt om den trein na te kijken,
en een paar naakte kinderen die met jonge geitjes sollend, op een
draf naar de heg geloopen komen, krijschend van pret. Nu verdwijnt het
gehuchtje, het laatste eenzame hutje verdwijnt. Het landschap begint
te golven, de weg stijgt, aan weerskanten komen heuvels op. Overal,
uit het pluimige groen van bamboeboschjes te voorschijn, die luchtig
aan de hellingen hangen, wuivend op den lichten wind, breken beekjes
te voorschijn en wit-beschuimde kleine watervallen. De heuvels worden
steiler, de spoorweg loopt nu vlak langs de hellingen, halfweg er
tegen op nu en dan, door een kleine tunnel dan weer, een eind verder
over een brug, die de bocht van het tracé mede-makend over een ravijn
heen is gebouwd. Telkens als de heuvelwand uiteen wijkt verschijnt
een prachtiger vergezicht, over een voorgrond van rijstvelden, in
trage glooiïngen klimmend, heen, naar al hooger en steiler stijgende
hoogten in de verte. Met zonsondergang is de hoogvlakte van Bandoeng
bereikt, flonkergroen binnen een hemelwijden kring van bergen.

Den volgenden dag om 6 uur begon de reis van Bandoeng naar Djombang. Nu
was het nog veel heerlijker! Daar lag de prachtige vlakte, floersig
nog van fijnen nevel, die overal boven de blankstaande rijstvelden
hing te gloren in het morgenrood. De bergen waren blauw als de blauwe
hemel zelf, de eene toppenreeks van de andere, nog hoogere, gescheiden
door lange witte wolkensleepen, die al helderder blonken in het al
verhelderende licht. Een overheerlijk kleurenspel begon over het
geheele wijde landschap. De roode dageraadswolken kleurden de sawah
dat de jonge rijsthalmen leken te staan in een purperen meer. Onder
het optrekkende nevelwit werden ontelbare tinten van groen levendig,
van dat allerteerste, der pas uitgeplante rijst, dat nog haast geel is,
tot het zware blauw-groen van her en der verspreide dorpsboschjes. De
gedaante van de verre bergen verscheen als kleur, blauwig-zwarte
diepten naast purper-bruine en fel-groene hoogten. De verre ketenen
waren zoo fijn, zoo ijl, zoo doorzichtig als de lucht. Veel louterder
en luchtiger dan wolken leken zij een deining van azuren hemelzee
zelve, onafzienbaar lange rijen luchtgolven, flonkerend getopt. Een
onuitsprekelijk gevoel van vreugde en verlangende kracht sprong
overeind in het hart, antwoordend op al die schoonheid van land,
en zon en die veerkrachtige golving naar telkens alweer zulk een
blinkend hoogen top van de klare bergen door de klare lucht.

Op de rijstvelden was het landvolk al aan den arbeid; het was
verwonderlijk om te zien op hoe velerlei wijs. De bouw van de rijst
is afhankelijk van water; en de ligging, hooger of lager tegen een
heuveltje aan, of in de vlakte, de richting van een kloof in het verre
gebergte misschien, die den regenbrengenden westenwind doorliet of
keerde, maakten zooveel verschil hier, dat op dicht bijeen gelegen
velden al de verschillende stadiën van bewerking van den grond en van
groei van het gewas vielen waar te nemen. Ik zag de bruine kluiten
ploegen, en een weinig verder het blankstaande veld eggen, waar
het buffelspan plonsend door het water waadde, tot over de knieën
toe. Vrouwen--alleen vrouwen, niet een enkele man was er bij--waren
bezig met het uitzetten van de gelig-groene bossen zaailingen, die
een drager, behoedzaam over het smalle dijkje loopend, haar bracht,
bij twintigtallen tegelijk aan beide uiteinden van zijn zwiepend
juk gehangen. Er werd gewied. Er werd water in- en uitgelaten op de
velden. En op éen plek zag ik zelfs den oogst beginnen: feestelijk
gekleede vrouwen die hun gladden zwarten haarwrong met een bloem
hadden versierd, plukten, vlak langs den spoorweg, een voor een de
zwaar-knikkende halmen af, die zij, tot een schoof bijeen vlijden in
hun armen. Niet dan gebrekkig kan het gezegd worden hoe overschoon
het alles was, hoe wonderlijk de pracht van dat landschap, waar de
velden meeren waren en heuvels stonden als torens van groen kristal,
van spits tot grondvesten kabbelig overvloten van klaar water dat
trapsgewijs afdalende rijstakkertjes doorschijnend maakte, en hoe
de glorie van den duizelhoogen hemel, en hoe het loutere blauw der
bergen zoo volkomen overeenstemde met het geruste bewegen van die
fijne bloembont gekleede menschen op den akker. De grootsche rijkdom
der natuur overweldigde niet maar dróeg den mensch.

Op die flonkergroene hoogvlakten van Bandoeng en Lelès volgde het
lage land langs de Zuiderkust; het lag vlak als een golflooze,
dofgroene zee, waar de nog donkerder groene boschjes die van binnen
dorpen zijn, als klippen steil en plotseling uit opstaken. Aan
de kleine stationnetjes was het druk van inlanders, marktgangers
klaarblijkelijk. De dracht der vrouwen was weer eenigszins anders
dan in het hoogland. Maar ook déze droegen die lange sjerp, de van
rechterschouder naar linkerheup geslagen slendang, die tegelijk sieraad
is en gereedschap, om het zoo uit te drukken; want zij dragen er al hun
lasten in, van een kind af, schrijlings op hun heup gezeten met den
kleinen rug tegen de slendang geleund, tot hun sirih-doos, portietje
rijst voor den tocht en bos vruchten voor de markt toe. Bijzonder
veel en prachtig ooft zag ik hier. Mijn medereizigers vertelden mij
dat er inderdaad in Djokjakarta beter ooft wordt geteeld dan ergens
elders op Java.

De dag ging ten einde. Van de moerasvelden, purperig in
wolkenspiegeling, keerde het landbouwersvolk naar huis, den lichten
houten ploeg over den schouder. Bedaard stapten de groote grijze
buffels, grazend langs den weg. Boven de dorps-boschjes stegen de
dunne blauwe rookwolkjes uit van het rijs-vuur waarop de huisvrouwen
de rijst kookten voor het gezin. Weinige minuten later was het overal
stil. Bij het minderende licht zag ik de bergen weer verschijnen in
het Westen eerst, dan in het Oosten. De geweldige massa die zoo zwart
doemde tegen de klaarheid der opengaande sterrelucht was de Kloet,
aan den voet waarvan Djombang ligt.

Wij bereikten het station een uur over den tijd. De trein had langzaam
moeten rijden, hoorde ik, over een aanzienlijk gedeelte van den weg
waar verzakking dreigde. De ingenieurskunst heeft wonderen gedaan
bij den bouw van deze lijn: maar de altijdwerkende aardkorst van de
vulcanenstreek vastleggen kan geen menschenkunst.

De volle maan bescheen den weg naar het gastvrije huis waar ik gewacht
werd. Ik zag rietvelden blauw-blank glinsteren, en fel-wit een steilen
fabrieksschoorsteen. Overdag, ik wist het wel, zou dit alles arbeid
zijn: maar nu mocht ik het zien als schoonheid, na de schoonheid van
morgen en middag en avond, de schoonheid van den nacht.



In het Dorp


Het woord is misleidend door de associaties die het oproept. In
niets gelijkt een Javaansch dorp op wat in Europa met dien naam wordt
genoemd. Zijn meest zichtbare trek is zijn onzichtbaarheid. Met huizen,
wegen en menschen ligt het diep verborgen in dichtheid van geboomte,
waarom dat dichtst groeiende van alle tropisch gewas, de bamboe,
nog als een levende muur is opgericht. Aan den rechtlijnigen vorm
alleen, en, nu en dan, aan de rookwolkjes die er uit opstijgen,
is zulk een bosch dat van binnen een dorp is, te onderkennen van
een bosch van enkel boomen, een bosch dóor en dóor. In deze streek,
waar de suikerindustrie aan tienduizenden handen werk geeft, staan de
dorpen, de "dessa's," zoo dicht op elkander, dat men in enkele uren
gaans er gemakkelijk twintig door wandelen kan. Als steile donkere
eilanden rijzen zij allerwegen op boven de lichtgroene en blauwige
zee van rijstvelden en riettuinen, en hier en ginder zijn ze samen
gegroeid tot als een vastland dat den halven horizon donker maakt.

Waar, door het wijkende rijstgroen, zulk een bosch doordringt tot
aan den grooten weg toe, ziet de voorbijganger er hier en ginder
een opening in. Daar staat een luchtige, uit gele bamboestijlen
ineengevoegde poort, waaraan een bord, wit met zwarte letters,
Latijnsche boven Javaansche, beschilderd: Dessa zus, onderdistrict
zóo: en zonderling genoeg lijken zulke schriftteekens en zulk
een stadhuiswoord aan den ingang van een woud. De rechte breede
schemergroene laan, waarvan de poort den ingang vormt, is de hoofdweg
van het dorp. Er loopen kinderen te spelen, spiernaakt, met ronde
glimmende rijst-buikjes. Een akkerman, den lichten houten ploeg over
den schouder, drijft zijn ossenspan voor zich uit, naar het veld. Een
vrouwtje komt er aan, op weg naar de markt, haar koopwaar in de bonte
sjerp, de "slendang," die zij schuins van schouder naar heup geslagen
heeft. En het getokkel van den rijststamper in het holle blok komt
van her en der uit haast ondoordringbare dichtheid van loover tegelijk
met kirren en diep-gorgelend geroekoe van gekooide tortelduiven.

Groen is hier alles, groen, een van alle kanten opstijgende,
uitspreidende, neerhangende volte van groen, een hol niet, niet een
spelonk, neen, een berg van groen, waarin holen en gangen gewroet
zijn, als de holen en gangen van konijnen in een zandhoop. Aan de
regelmatigheid alleen van die gangen, recht en rechthoekig op elkaar,
is de menschelijke gedachte te herkennen, die naar een nieuwe wet de
natuur herschept.

Aan weerszij van de rechte lanen, en door een strakke haag er
van afgescheiden, die, hier een bamboe staketsel is, en ginder
een bloeiende hegge, liggen, ieder afzonderlijk op het eigen erf,
de woonhuizen, bruine, als vogelnesten van vezel gevlochten hutjes,
waarvan het met "alang-alang" (het breedbladige gras der wildernis)
bespreide dak, van vier zijden steil opgetrokken naar een hoogen
nok, en omgeven van een traag-glooienden afdakvormenden rand, bij den
eersten oogopslag doet denken aan een vogel, die met waaksch-opgestoken
kop en gespreide vlerken het nest bebroedt. Pisangboomen met
hun zeegroene prachtig gebogen vaandels van bladeren staan er
omheen. Terzijde, in de schaduw van de donkere met witten bloesem
getooide citroenstruiken bij den put staat een vrouw rijst te
stampen. En allicht komt een tweede te zien, in de open huisdeur,
waar zij, neergehurkt naast het komfoor vol glorende houtskool en het
ijzeren pannetje met gesmolten was, bezig is een sarong te batikken.

Het binnenkomen in die huisjes is niet moeilijk: de bewoners ontvangen
vriendelijk een belangstellenden bezoeker, al lachen zij tersluiks
om die belangstelling die zij onbegrijpelijk vinden. Ik ben er in
verscheiden geweest, die alle op elkander leken. Door een open deur,
die gewoonlijk enkel een stuk wand is, verschuifbaar in de groeven
van een onderen boven-dorpel van bamboe, kwam ik in een vensterloos
vertrek, waar het licht blauwig naar binnen weefde door de van
bamboereepen gevlochten wanden. De vloer was de begane grond zelf,
ten ruwste gelijk gemaakt en hard door stampen met houten juffers. Voor
alle huisraad stonden er een paar slaapbanken--in fatsoen als heel lage
niet breede tafels--van naast elkaar gevoegde bamboe-schalmhelften, met
een bonte rietmat bespreid, en waarop wel eens een enkel klein, vuil
kussentje lag. Een van de slaapbanken, die van de ouders kennelijk,
was afgeschut met een laag rieten scherm. En aan de hoeken daarvan,
en hier en ginder aan pennen in de stijlen van het huis gedreven,
hing een sarong, een slendang, een reusachtige hoed van bladeren en
vezels gevlochten, van een meter middellijn soms, de beschutting
van den akkerman tegen zon zoowel als regen. Een tafel en stoelen
van Europeesch fatsoen en gebrekkig inlandsch maaksel, zag ik maar
in een enkele woning; met de petroleum-hanglamp (Duitsch fabrikaat,
zou ik zeggen) is dat klaarblijkelijk al weelde. Maar stellig wist
ik in den eenen hoek landbouwgereedschap te liggen, een spade, een
houweel, een groot kapmes; en in den anderen allicht het batik-gerei
van de huisvrouw, met, troostend er naast, het sirih-doosje waarin de
geliefde versnapering, betel-noot, gambir, sirih-blad en een weinigje
kalk, om er een smakelijke pruim van te rollen.

Tegen dit éene vertrek--slaap-, eet- en woonruimte tegelijk--dat
het heele huisje inneemt, is dan op zijde, onder de voortgezette
glooiïng van het afdak, een keukentje aangebouwd. Op den grond is
een lage gemetselde oven die gestookt wordt met kokosnootdoppen,
droog riet en rijsthout; de huisvrouw moet al in beteren doen zijn
als zij er houtskool voor gebruikt. Als zij voor dat oventje doende
is met haar pot, zit zij gehurkt. Zij heeft er aarden pannen, potten
en kannen voor, die onder de zwartigheid van roet en lang gebruik
een mooie tint van rood of zachtgeel laten zien. De rijst kookt zij
in een mandje van fijn vlechtwerk. En verder heeft zij een wan om
de zelf-gestampte rijst te wannen. Zij doet dit met een eigenaardige
draaiende beweging, waardoor niet enkel het kaf wordt weggeslingerd,
maar de groote grove korrels van de kleine en gebrokene afgescheiden
komen te liggen. Een bamboe drievoet, waarop 's avonds het olielampje
komt te staan, voltooit de inrichting van de keuken. Zij heeft geen
schoorsteen. De rook zoekt zijn weg naar buiten, als het licht naar
binnen: door het vlechtwerk van de wanden.

Zoó zien de meeste dessa-huisjes er uit, woningen van arm volkje
dat of nooit eigen akker bezeten heeft, of bij de al erger wordende
versnippering van hun familiebezit zoo smalle reepjes zich toegewezen
ziet dat het loonende van den bouw verloren gaat, en zij het veldje
liever verkoopen aan een rijkeren dorpsgenoot,--een woekeraar veelal,
met den eerbied-eischenden titel van "hadji" getooid sedert een tocht
naar Mekka; of, langs allerlei omwegen, om de letter der wet die het
verbiedt ongerept te laten, aan een Chinees of Arabier.

De woningen van de rijkeren zijn kenbaar, vooral aan de aanwezigheid
van een rijstschuur en een stal op het erf. En een enkele maal ziet men
zulk een huis wel van steen en met pannendak gebouwd. Het meest komt
dat voor in de buurt van fabrieken. Deze hebben altijd bouwmateriaal
van noode. Vanzelf ontstaan kleine Inlandsche ondernemingen, waar
van de klei, hier en daar op sawah-gronden te vinden, steenen worden
gebakken en pannen. De opzichters, de "mandoers," en de eigenaars
van trekvee die in den oogsttijd het suikerriet vervoeren, verdienen
genoeg om een huis van steenen en pannen te zetten, zoo niet ineens,
dan zoetjes aan, zoodat men wel eens gemetselde grondslagen ziet die
een tijd van voorspoed in de toekomst wachten om de hoogte in te
groeien; of een steenen huis, voorloopig met blad gedekt. Er zijn
stellig zeer veel meer steenen Inlanderhuizen in de dorpen nu, dan
een jaar of tien geleden.

In zulk een steenen huis is meer gerief te vinden, natuurlijk, dan
in het rieten hutje. Er staat in het slaapvertrek, dat afgeschoten
is van de woonruimte, een kleerenkist: de bewoners hebben méer
dan het éene stel dat de armeren dragen tot het in lompen van hen
afvalt, of het tweede, dat gewoonlijk bij den pandhuishouder ligt
opgeborgen. De keuken is een afzonderlijk gebouwtje, met een loods er
naast voor brandstoffen, waar de houten ploeg ligt en de eggen. En
misschien is er, behalve den buffelstal, ook nog een stal voor een
hitje, en staat zelfs, ergens onder een afdak, een licht wagentje
geborgen. Maar zoo iets is zeldzaam, zelfs onder meergegoeden. Wat
echter opvalt aan de erven van allerarmsten en gegoeden gelijkelijk,
is de verwaarloozing van den grond. Het vóorerf ziet er knap uit:
slordigheid daar zou den nalatige straf en boete bezorgen vanwege het
dessa-bestuur. Maar verderop, daar waar het niet in het oog valt, is
het ellendig gesteld. Groote stukken grond--vruchtbare grond--liggen
overwoekerd van onkruid. Wordt er al geplant--cassave bijvoorbeeld
en verschillende peulvruchten,--dan blijft het veld jaar in jaar uit
zonder mest, terwijl de velerlei afval, die daarvoor te gebruiken zou
zijn, verbrand wordt en zelfs stalmest onverzameld blijft liggen. "Mest
maakt den grond te heet"--antwoordde mij gisteren een vrouwtje, met wie
ik daarover sprak. Haast nergens ook ziet men eenigermate onderhouden
vruchtboomen. Wat groeit moet maar groeien zooals het wil. Het een
neemt het andere licht en lucht weg. Behalve de kokospalmen, die
zichzelven redden met hun hoog boven alle ander vruchtgeboomte in de
zonnige lucht opgestoken kruinen, vindt geen enkele andere ooftboom
zijn behoef. En wat een rijke gaard kon wezen, is niet anders dan een
wildernis, als zoodanig zeker mooi, zoo vol fonkelschaduw en gouden
lichtgesprankel als zijn ondoordringbare looverdichtheid zit, maar den
mensch van geenerlei nut. De kleine, wrange, rimpelige vruchten zijn
zelfs den vogels en den dievenden eekhorentjes te zuur. Aandrang op
verbetering, door het Bestuur geoefend, heeft tot nog toe maar weinig
geholpen. De dessaman laat zijn erf verwilderen. Het is een van die
hier zoo menigvuldige gevallen van gebrek te midden der rijkste natuur
geleden, waarvan de verklaring zeker niet in het voor de hand liggende
en hedendaagsche gevonden kan worden.



Het eerste wat de ervarene uit het aanzien van een dessa te weten komt,
dat is het karakter van het dessa-hoofd, den loerah, als zoodanig. Een
goed onderhouden omheining en poort, een effen dessaweg, slooten waar
het water frisch doorstroomt, en nette voor-erven bij de huisjes, dat
wil zeggen: de loerah is ijverig, nauwlettend en heeft den wind onder
zijn volkje. Een heg vol gaten en neergetrapt hier en ginder, een weg
die naar gelang van het seizoen zandpad is of modderbeek, stinkende
slooten en erven met een paar slordige bezemzwaaien zoowat aangeveegd,
dat wil zeggen: de loerah is liever lui dan moe, en als hij niet op
zijn eigen veld is, ligt hij strootjes te rooken op de baleh-baleh
(de slaapbank) thuis. Zoo de loerah is, zoo is zijn dorp, en zoo het
dorp is, zoo is ook weer de loerah. De twee maken--en breken--elkaar.

De Javaansche dessa is, men weet het, haar eigen baas. De
N. I. regeering bemoeit zich niet, of althans zoo weinig als maar
eenigermate mogelijk, met haar aangelegenheden. En de loerah, het
dessahoofd, is de rechtstreeks door de stemgerechtige dessalieden
zelven gekozene, die ook op een klacht hunnerzijds weder afgezet
kan worden. Zijn functies zijn: belastingheffen, toezicht houden
op veiligheid van persoon en have, waken over de behoorlijke
vervulling van dessa-diensten, door de daartoe verplichte mannen,
en regeling van de periodieke verdeeling der dessa-velden, daar
waar het communale bezit heerscht. De belastingheffing verbindt hem
met de N. I. regeering: al zijn andere functies worden verricht ten
behoeve van enkel en alleen de dessa, wier beambte hij is. De dessa
betaalt hem daarvoor niet in geld, maar in grond, met "sawahs,"
welker grootte verband houdt met ligging en grondgesteldheid van
het dessagebied. De N. I. regeering betaalt hem met een percentage
van de belasting. Dat alles lijkt eenvoudig, duidelijk en nauwkeurig
bepaald, en de inlandsche dorps-organisatie een model van democratische
instelling. Dat eenvoud, duidelijkheid en nauwkeurigheid eigenschappen
zijn van de abstraheerende gedachte en geenszins van het werkelijke
leven, en dat de inhoud van een instelling en haar vorm tweeërlei
dingen zijn, begrijpt, voor de hoeveelste maal! wie wat nader met
dessa's en met loerahs kennis maakt.

Van de loerahs hier in den omtrek heb ik er enkele leeren kennen, van
den ouden stijl, van den nieuwen stijl en van wat men den "permanenten
stijl" zou kunnen noemen.

Een van den ouden stijl is de loerah van (ik zal fantasie-namen geven)
van Djatirang. Wij bezochten hem onverwachts. Aan het uiterlijk der
dessa al hadden wij gezien dat de loerah een zorgvuldig administrator
was. Het voorkomen van zijn huis bevestigde dien indruk. Het was een
woning zooals een eenigermate gegoede dessaman er een bouwt, ruim,
koel, maar zonder eenige overdaad. Er was een afzonderlijk gedeelte
voor het ontvangen van gasten alleen bestemd, een "pendoppo," die
hier het voorgedeelte van het huis vormde (het staat wel eens geheel
afzonderlijk, als een luchtig huisje, op pilaren, zonder muren). Deze
pendoppo, wier vloer de begane grond was, had een rieten dak,
onder het hooge midden waarvan, als een soort tweede zoldering, om
de doorstralende hitte af te weren, een vierkante horde van bamboe
vlechtwerk hing. Een dubbele rij houten pilaartjes liep door de
geheele lengte van het vertrek, dat, schat ik, vijftien meter op
twaalf geweest zal zijn. En in het midden stond een ronde houten
tafel, met eenige stoelen er omheen en een hanglampje van gegoten
metaal er boven. Een oud, vrij vuil kamerscherm verborg den toegang
tot het binnenhuis. Voor versiering hingen aan de pilaren portretten
van de Koningin, den Prins, den Mikado en den Keizer van China, in
dubbeltallen, elk portret tegenover zijn duplicaat. (En wat beteekent
anders symmetrie, als 't u belieft?)

De loerah kwam met zooveel haast als zijn deftigheid toeliet, toen
hij van ons bezoek vernam.

Het was een man van een goede vijftig, met een schrander, energiek
gezicht, grof van trekken en donkerbruin, als in tegenstelling met dat
der aanzienlijken, het type van den kleinen man is op Java. De medaille
voor vijf-en-twintigjarige ambtsvervulling, een groot paars kristal in
zilveren sterrepunten gevat, gloorde op het zwart lustre jasje, dat hij
in der haast aangeschoten had: een mooi-gebatikte sarong hing hem om
de beenen met dien specialen drie- en vierdubbelen plooi van voren,
die aan het kleedingstuk het karakter geeft van een feestkostuum;
en de loerah hield--uiterste elegantie,--de slippen van die lang
afhangende plooien met een sierlijken duim en wijsvinger op, zoodat
zijn sarong als een waaier terzijde van hem uitgespreid stond. Op
eenigen afstand van ons hurkte hij neer op den grond, en maakte de
"sembah," den groet van saamgevouwen handen, opgeheven naar het even
nijgend gezicht. Toen wij naar zijn familie vroegen (mijn tochtgenoot
deed het woord voor mij, die het Maleisch nog slechts onvoldoende
ken) deed hij zijn vrouw halen, een aardig persoontje, zoo jong dat
zij eer zijn kleindochter had kunnen wezen. Wij hoorden later dat
zij de tiende was in een reeks echtgenooten, die hij om der wille
van de huiselijke harmonie oordeelkundig verdeeld hield over tien
afzonderlijke huishoudens in even zoo vele onderling op behoorlijken
afstand gelegen dessa's. De kinderen uit al die huwelijken waren ten
getale van tien in zijn eigen huis aanwezig, de oudste een knappe jonge
man, zelf al vader van opgeschoten jongens, het jongste een zuigeling
op den arm van zijn moeder. De kinders zagen er allen welvarende uit,
en diegenen onder hen die gekleed waren, zaten knap in de kleeren. Naar
school ging geen van hen. De loerah had het zelf zonder lezen en
schrijven ver genoeg gebracht in de wereld. En als zijn jongens op
de schoolbanken moesten zitten, wie zou dan de buffels hoeden, en
gras gaan snijden, 's ochtends? Hij hoopte dat zijn oudste zoon te
zijner tijd hem opvolgen zou als loerah. Dat zal wel. De dessa is
best tevreden met hem en zijn heele familie. Als een bewijs van de
tucht die hij handhaaft, zeide men mij dat er in deze dessa nooit
iets gestolen werd. Dat wil niet zeggen dat er geen dieven zijn;
maar dat ze naar een andere dessa gaan als ze willen stelen.

De loerah van Gandasoli is van een nieuwer type. Hij is een deftig
man, niet bruin, maar matgeel in het gezicht, met een hoogen neus,
en een zorgvuldig verpleegd snorretje. Hij draagt een staanden kraag,
een gouden horlogeketting, en verscheiden ringen aan zijn fijne
langgenagelde vingers. Zijn vrouw heeft diamanten in de ooren en gouden
spelden aan haar kabaja van donkerpaarse zij. Zijn schoonzoon is naar
Mekka geweest, en draagt, zijn Panislamitische gezindheid openlijk ten
toon spreidend, niet alleen den tulband, maar, over zijn Javanen-sarong
heen, ook nog den witten neteldoekschen rok der Arabische mode.

De loerah--die tegelijkertijd "bau" is, d. w. z. loerah over een
complex van kleinere dessa's--had ons verwacht en ontving ons in
zijn pendoppo, de sierlijkste ontvangstzaal wel die men hoeft te
wenschen, met het groen en de koelte van een welverzorgden tuin rondom,
beschilderde pijlers en aan de zoldering beeldhouwwerk. Hij gaf ons
de hand, met een lichte buiging, voor hij op den grond nederhurkte, en
onder het gesprek liet hij merken, dat hij Hollandsch niet alleen, maar
zelfs een dozijn woorden Engelsch verstond. Zijn dochtertjes werden
binnengeroepen en kwamen aan de hand der in paarse zij gekleede moeder,
de twee kleinsten in jurkjes zooals Hollandsche kinders er dragen. De
"bau" bestemt zijn zoons voor het loerah-schap of voor den dienst als
schrijver op een gouvernementsbureau: zij gaan allen op de Hollandsche
school te Djombang. De "bau" heeft een keurig rijtuigje met een span
goed-getuigde hitten ervoor. En zijn woonhuis is geriefelijk gemaakt
met Europeesche meubels, met bedden zelfs, die door neteldoeksche
gordijnen beschermd worden tegen de muskieten. Als verfrissching bood
hij ons Pilsener bier aan, waarvan hij zelf, met vrouw en schoonzoon,
meedronk. Dat alleen al was een aanduiding van zijn positie en zijn
eigen waardeering ervan. De boersche loerah van Djatirang had, op
een afstand neerhurkend, toegezien hoe wij het zoete water dronken
uit de kokosnoten, op ons verzoek versch van den boom gehaald.

De loerah van Merangan was niet thuis, toen wij hem wilden
bezoeken. Wij moesten dus volstaan met, terwijl de bediende heen
was gegaan om ons bezoek aan te melden, wat rond te zien in zijn
pendoppo, waar een prachtige gamelan stond, zeker een duizend
gulden waard. De deur naar het binnenhuis was kunstig gebeeldhouwd
en gestoken, zóó dat de paneelen, evenals Moorsche mesjrebijeh's,
het licht en de koelte doorlieten. Portretten van heerschers (dat
mist nergens!) hingen aan den muur, de Tsaar tegenover den Duitschen
Keizer. En een levensgroot in hout gebeeldhouwd hert, wien een klein
rood streepje langs het oog geschilderd was om een doodelijke wond
van jagershand te verzinnebeelden, lag aan een driemaal omgewonden
ketting op zij van de deur.

Dessa Merangan heeft een ellendig-arm voorkomen, in sterke
tegenstelling met al deze weelde in het huis van den loerah. De
verklaring bleek die weelde zelf. De loerah van Merangan weet zich
andere inkomsten uit zijn dessa te verschaffen dan de bij de wet
bepaalde. Hij leent geld uit: markt-vrouwtjes komen 's ochtends bij
hem om f 1 en brengen 's avonds f 1.25 weerom: als men bedenken wil,
dat op pasardagen vrijwel iedere dessavrouw gaat, als koopster of als
verkoopster, en dat elke vijfde dag een pasardag is, krijgt men een
kijk op des loerah's "verdienste." Grooter sommen ook leent hij uit:
bijvoorbeeld, op de vervaldagen der belastingen, wanneer de dessalieden
het geld niet gereed hebben liggen. Die dessalieden zouden naar een
door de regeering ingestelde voorschotbank kunnen gaan. Maar daar
moeten zij het tegen 12 pct. in het jaar geleende geld op zijn tijd
terugbetalen. En de loerah vraagt wel 200 of 300 pct. in het jaar,
maar daarentegen is hij schikkelijk op terugbetalings-termijnen. En
vooral--hij is de loerah! Hoe zou Kromo naar een ander durven gaan,
als zijn eigen loerah hem geld wil leenen?

Verder: er wordt nog al eens gestolen in de dessa. Diefstallen moeten
aan het licht gebracht: er moet "ketrangan," helderheid komen in zulk
een zaak, dat eischt het gewestelijk bestuur. Maar voor "ketrangan"
zijn, als volgens Montecuculi voor den oorlog, drie dingen noodig: het
eerste is geld, het tweede is geld, en het derde is geld. Is dat geld
bij den loerah, dan is de ketrangan bij den assistent-resident. Een
"schuldige" wordt gestraft, een verdachte gaat vrij uit, en iedereen is
tevreden. De Hollandsche ambtenaar met de "ketrangan," de "schuldige"
met een kleinen troost in klinkende argumenten, de verdachte met
zijn buit en zijn vrijheid, en de loerah met de drie bovengenoemde
noodige dingen.

Dit zijn een paar van de meest bekende manieren waarop loerah's als
die van Merangan de duiten van den boer in de dubbeltjes van den
loerah veranderen. Zonder twijfel zijn er nog een menigte meer.

En de dessa's waar die tooverkunstenaars heerschen zijn zoo goed
te onderkennen als de dessa's van den ijverigen en van den luien
loerah. Hun bijzonder kenmerk is: een rijke loerah-woning te midden
van armzalige boeren-hutjes.

Mij wordt verteld, dat het ouderwetsche loerah-type zachtjes aan
verdwijnt voor het elegante nieuwe, en dat onder beiderlei slag
degelijke dorps-bestuurders worden gevonden. Omtrent de verhouding
waarin het "permanente type" tot de twee andere staat, hoorde ik
niet veel.



De loerah van Njamploengan is, wegens gebleken onbetrouwbaarheid
in den dienst, ontslagen. Nu is het dorp in spanning over de keuze
van een nieuw hoofd. Het ambt moet begeerlijk wezen, want van de
pasars--elken dag is er markt, in elk dorp, ongerekend de groote
markten die om de vijf dagen gehouden worden--van de pasars komt
de tijding dat er wel zes of zeven candidaten zijn, waaronder een
broeder van den afgezetten loerah, en dat de stemmenwervers het druk
hebben. Met klinkende argumenten, buiten gezicht en gehoor van den
meest argwanenden Nederlandschen ambtenaar te berde gebracht, en
waarvan alleen een verre echo op te vangen valt uit dorpspraatjes,
trachten zij stemgerechtigden te overtuigen, ieder van de verdiensten
van zijn lastgever. De argumenten wegen, schijnt het, op tegen een
rijksdaalder in den regel, soms zelfs tegen een gulden of vier. Of,
om te beter te kunnen kiezen, er wel eens argumenten worden aangehoord
van twee, of zelfs van meer zijden?

Op den vastgestelden dag, 's ochtends om acht uur, ga ik naar
Njamploengan, en het huis van den afgezetten loerah, waar de
vergadering en verkiezing gehouden wordt. De weg is bont van de
menschen. (Altijd weer treft dat: dat bonte. In Holland is een straat
vol menschen zwart: op Java is zij zoo kleurig als een bloemtuin. En
stil, stil! geen geluid uit nóg zulk een volte; en ordelijk: nergens
een die stoot of dringt.) Als spreeuwen op een telegraafdraad zitten
zij, mannetje aan mannetje, op den hoogen berm aan weerszij van
den weg. Er zit een geheele drom gehurkt voor de poort van een der
candidaten, den broeder van den afgezetten loerah. En weer een bonte
zwijgende menigte omringt de poort van den vorigen loerah--het bordje
met "Jachman, Loerah" er op, dat zoo trotsch daar prijkte, is weg,
zie ik,--en heeft zich, ter weerszij van den oprit, in rijen op zijn
erf geschaard, van den ingang af tot vlak voor het huis toe.

In de pendoppo komt de vader van Jachman de binnentredenden
tegemoet. De oude is in zijn tijd zelf loerah geweest, en treedt
met een zekere waardigheid op. Hij ziet er uit als iemand die een
kleinen tegenslag in zaken gehad heeft, maar vertrouwt dien spoedig
te boven te komen. Jachman, de ongeluksvogel, zit neerslachtig tegen
den muur gehurkt. Op de plaats naast hem heeft klaarblijkelijk
de oude heer gezeten; en een derde lijkt wel te wachten op den
broeder-candidaat-loerah, die het tijdelijk gezonken aanzien der
familie, hoopt men, weer zal in de hoogte brengen. Bij den ingang van
de pendoppo rechts, hurken op een mat een half dozijn dessa-beambten
bijeen, kenbaar aan hun roode, gele en groene bandelieren. De ronde
tafel met een inktkoker er op, en twee leuningstoelen er naast,
wacht op den controleur en den wedana, de leiders der vergadering.

Hun komst wordt geseind door een plotselingen opstoot onder de al
dichter toegestroomde menigte op het erf. Ineens is alles leeg. Als
zij hun plaats hebben ingenomen en de twee lichte rijtuigjes zijn de
poort uit, golft de menschendrom weer te voorschijn uit de struiken, de
heg, het slootje, het veld, manshooge ketela, waar ze zich verborgen
had. Maar de zon brandt fel. En een heele troep zoekt de schaduw
van de ketela weer op. De schoone planten, die op lupinen gelijken,
reusachtig vergroot, houden breed hun frisch groen loof geheven
tegen het zonnelicht, dat in druppels en uiteenspattende stralen er
doorheen schiet. In hun bonte kleeren, wit, geel, paars, lichtrood,
zit het nieuwsgierige volkje daar te glanzen in de fonkelige schaduw,
tusschen stengels en bladeren in.

De assistent-wedana is bezig met luider stem de rol op te lezen van de
stemgerechtigden; onder dat geroep, dat door het altijd weerkeeren van
de diep-sonore Javaansche Ô, als een slag op een bronzen bekken, tot
een soort galmend recitatief wordt, komen een voor een de geroepenen
binnen, die een druk-doende dorpsschrijver met de hand op hun schouder
nederdrukt, ieder op zijn plaats in rijen van tien. Zoo komen ze te
zitten met zijn tachtigen. Er is een vrouw bij, die de schrijver bij
den arm neemt, en op een afzonderlijke plaats zet. Als weduwe die grond
bezit heeft zij het stemrecht, dat in deze dessa aan grondbezitters (en
aan hen alleen) toekomt. De gedrongen menigte toekijkers daar buiten,
voor zoover het menschen van Njamploengan zijn, zijn "bijwoners":
lieden zonder eigendom, die met werken huisvesting verdienen bij de
meer gegoeden.

De controleur spreekt in 't Javaansch de kiezers toe, hun verklarende
waarom Jachman uit zijn ambt ontzet is, wat de plichten zijn van
den loerah, wat de rechten der bevolking, welke de bescherming die
de N. I. regeering haar toezegt tegenover een hoofd dat zijn ambt
misbruikt. Zij zitten te luisteren met inpassibele gezichten, de
oogen op den grond. Nu en dan zegt er een--altijd dezelfde is het,
een met zorg gekleed man van middelbaren leeftijd, die zich voelt,
klaarblijkelijk: "Ingeh"--ja. En dan zien de anderen hem ter sluiks
aan, bewonderend: die durft! Zoo maar ja! zeggen, hardop, tegen den
heer controleur en den wedana--een wedana die tegelijk Patih is,
nog wel, en die daar zit als een Hollander bijna, met een witte jas,
precies als die de controleur draagt, een gouden horlogeketting, en
een gouden lorgnet! De wedana-patih neemt op zijn beurt het woord:
"Ingeh! Ingeh!"--Zij hebben alles goed begrepen.

Nu komen de candidaten te voorschijn voor het loerahschap--zes
of zeven niet, maar tien. Zij moeten--een bijzonderheid die te
denken geeft--hun kris afgeven. De zelfbewuste schrijver stapt
met een trofee van tien sierlijke dolken heen. Dan hurken de tien
mededingers op een rij vooraan. Al het volk buiten komt naar voren
gedrongen om hen te zien: zelfs de wegschuilers in het ketela-veld
verlaten de koelte daarvoor. Zij hebben den tijd van kijken,
terwijl de candidaten antwoorden op de vragen naar naam, beroep,
leeftijd en woonplaats. De vraag naar den leeftijd brengt allen
in verlegenheid. Wie weet dat nu?! Het wordt een gissen, waarbij de
wedana en de controleur helpen. "Dertig jaar? en je bent al grijs! Eer
vijftig, zou ik zeggen."--Goed! Vijftig jaar ben ik.--Maar ben je
dat nu wezenlijk?--Wie weet? Misschien vijf en veertig!--Best. Je
bent vijf en veertig.--De tweede zoon van het oude dessahoofd,
een jonge kerel met een stoutmoedig gezicht, geeft ook dertig op,
wat hij waarschijnlijk nog niet is; en voor zijn beroep dat van
karrevoerder. Als de laatste van de tien de vragen heeft beantwoord,
krijgen zij allen het bevel zich om te keeren. Nu zitten ze dus met
het gezicht naar de kiezers. Buiten is het een muur van gespannen
toekijkenden.

De controleur vraagt: of de kiezers deze mannen kennen voor eerlijke
lieden, en aan wie het dessa-bestuur goed toevertrouwd zou zijn? Of
zij gezond zijn en sterk? Of zij nooit in de gevangenis gezeten
hebben?--Ingeh!--Ingeh!--Botèn. (Neen). Dan kan de verkiezing
beginnen. De zelfbewuste schrijver en eenige ambtgenooten jagen
de toekijkers buiten uiteen en doen de kiezers naar buiten
gaan. De candidaten, die zich weer hebben omgekeerd, hooren een
vermanende toespraak aan van den controleur. Dan worden de kiezers
weer binnengelaten. En ieder hurkt neer achter den candidaat
zijner keuze. De oude loerah gaat zitten achter zijn zoon, den
karrevoerder. De weduwe ook. Het blijkt dat zij niet eens weet wie hij
is en hoe hij heet. Onder het gelach der anderen zegt een buurman 't
haar zachtjes voor. De gezichten van de candidaten zijn merkwaardig
om te bezien. Géén kijkt om, om te weten hoeveel er achter hem,
hoevelen er achter zijn mededingers zitten. Maar zij schijnen het te
voelen. Een, die niet een enkelen voorstemmer heeft, zit treurig in
een werkelijk treffende houding van droefheid. Een ander, even arm aan
vrienden, houdt zich onverschillig, en een derde lotgenoot doet of hij
in het algemeen nieuwsgierig is naar den afloop. De karrevoerder heeft
zulk een langen sleep stemmers achter zich aan, dat ze het lange huis
uit en een eindweegs den tuin in zijn, wanneer de drukke schrijver
zich met de zaak bemoeit, en van die lange rij een korte dubbele
maakt. Hij merkt het, de karreman. Zijn gezicht staat hevig gespannen,
zijn oogen vliegen heen en weer. Maar hij houdt zich goed. Hij ziet
niet om. Alle tachtig kiezers hebben gekozen. De schrijver telt,
de controleur en de wedana controleeren. De namen van de candidaten
worden nog eens opgelezen: de dubbele namen, op zijn Javaansch: de naam
op den trouwdag aangenomen, de naam als kind gedragen. "Niti, alias
Moedjadi." Aan dat "alias," zonderling klinkend voor een Westerling
tusschen die Javaansche namen, zijn ze al goed gewend: ze spreken
het vloeiend uit. De karreman heeft de meerderheid, blijkt het: 44
stemmen. Nog eens vraagt de controleur den kiezers, of ze bij hun
verklaring blijven, dat er niets is te zeggen op den candidaat.--Zij
blijven er bij. "Dan zal ik den heer president de keuze voorleggen."

De kiezers gaan het huis uit, het volk stroomt toe, de karreman is
omringd van vrienden, die hem streelen, den arm om zijn schouders
leggen, hem omhelzen bijna. Van de niet-gekozenen zijn er drie zoozeer
verslagen, dat zij vergeten hun kris terug te vragen,--hun kris, het
familie-erfstuk, den allerkostbaarsten schat! De schrijver loopt hen
na met de wapens. De oude loerah kijkt tevreden. Zelfs de afgezette
is niet zoo neerslachtig of verlegen meer als straks. De familie
is gerehabiliteerd.

Thuiskomend hoorde ik--alweer zat de zegsman op den pasar--dat de
karrevoerder, pas getrouwd met de dochter van een rijken loerah uit de
buurt, f 5 per stem had betaald uit den zak van zijn schoonvader. Wat
hem niet had belet tegenover den controleur de plechtige verklaring
af te leggen dat hij niemand met eenigerlei dwang, belofte of gift
bewogen had tot het uitbrengen van zijn stem op hem, zoomin als het
de ontvangers van de f 5 belet had te ontkennen dat zij op zulk een
wijze bewogen waren geworden tot hun verkiezing van den karreman.

Dat wil overigens niet zeggen dat de karreman geen geschikte
loerah voor Njamploengan zal zijn, al zullen die schoonvaderlijke
f 200 wel uit Njamploengansche gordels weer te voorschijn moeten
komen. Njamploengan heeft al een oude voorkeur voor zijn familie, als
uit de herhaalde keuze blijkt. Zijn familie is gegoed. En dat moet de
familie van een loerah zijn. Of hoe wil hij anders, als de nood aan
den dessa-man komt, diens borg zijn voor hoofdgeld of landrente? Zóo
zit het.

Voor den Oosterling is de vraag eenvoudig.

En de Westerling, die er eindelijk in geslaagd is den hem ongewonen
gedachtengang zoo eenigermate te volgen, vraagt zich tevergeefs af wàt
de dessa nu eigenlijk is: een communistische dorpsorganisatie, als de
Russische "mir" van onze dagen, of de Germaansche markgenootschap
van het verre verleden; een familie-bezit, als deze of gene
Hollandsche stad in den ergst-vervallen pruikentijd; een soort
economisch-politieke onderneming, waarvan de loerah en zijn familie
eigenaar en aandeelhouders zijn?



Rijstoogst


De velden staan rijp. Het landvolk gaat aan 't oogsten. Nu is de arbeid
vreugd. Tot dit hoogtepunt van het landbouwersjaar heeft een geheele
reeks van verrichtingen en godsdienstige plechtigheden het akkervolk
opgevoerd. Elke nieuwe toestand van den akker en van de plant, van
de eerste bereiding van den grond, en van het strooien van het zaad
af, is gewijd geworden met een "slametan," een offer aan geesten,
goden, voorouders, aan Moeder Aarde en Vader Hemel, een eerbetoon
aan de seizoenen, aan zon, maan en sterren, een inzegening van het
landbouwgereedschap, een bezwering van schadelijk gedierte. Als
twaalfde komt nu het schoonste van al de feesten, de oogst der rijpe
aren, en de groote Slametan, de "Sedekah Boemi," het offermaal van
den oogst dat straks de geheele dessa vieren zal in de woning van den
loerah. En het feest-zelf is niet feestelijker voor den boer en zijn
gezin dan het blijde werk, het oogsten.

Vroeg in den morgen--de zon is nog achter den nevelenden en wolkenden
Keloet-berg--komen zij er aan, op weg naar het veld, de vrouwen,
die hun dolkvormig rijstmesje als een sieraad achter in den kraag der
kabaya hebben steken, om te plukken, de mans, met draagstok of juk,
om de bossen te torsen, naar waar de eigenaar van het veld ze zal
tellen om ieder zijn loon uit te keeren. Voor het vroolijke werk zijn
ze vroolijk gekleed, licht en kleurig. Alleen oude menschen dragen
het stemmige effen blauw, en even-geschakeerd bruin. Al wat jong
is verheldert dat met geel, rood, rose, paars, helgroen. De mannen
hebben witte, gele, blauwe zonnehoeden op. Van de meisjes dragen er
vele bloemen in het haar, en sieradiën in de ooren en om den hals. Het
tanige rijstveld--want het bruin en grauw der verdorde halmen verdoft
het zuivere aren-goud--wordt zoo fleurig als een bloemtuin waar zij
er in gaan.

En of ze bloemen plukten ook, zoo licht en sierlijk bewegen die
oogstende vrouwen. Zij hebben een mesje in den vorm van een dolk:
aan houten gevest een houten kling waaraan een smal ijzer scherpte
geeft. Dit dolkje houden zij in de rechterhand, met twee vingers aan
weerskanten van de greep, en den duim vrij, om den halm, dien zij
met de linkerhand omvatten, tegen het lemmet aan te drukken. Zóó,
alsof zij een ruiker zochten, die zij bloem voor bloem garen en
bijeenhouden in den gebogen linkerarm, gaan zij langzaam door het
veld. Boven het schurende geruisch van de dorre halmen waarlangs zij
heen strijken, klinken hun stemmen in een zacht-vroolijk gegons. Zoo
bont als vlinders zijn zij om te zien in hun kleurige kleedij, zoo
tevreden-druk als bijen. Het is hun eigen voedsel dat zij halen. Want
zij worden betaald, straks, niet in geld, maar in rijst. Van elke
vijftien bossen in de eene dessa, van elke tien in de andere is
één voor den oogster. De gezinnen van de pluksters brengen hun
bossen samen ieder op zijn eigen plek; men moet zien hoe zij ze
daar behandelen en schikken. Zij komen er aan, den arm vol aren;
zuiver-geel, zwaar, zacht-ineengezegen hangt de volle schoof. Met
een handige beweging grijpen zij haar wringend aan, terwijl zij een
koord van halmen er om heen slaan; en zoo sierlijk als hadden zij
een ruiker in de hand, kappen zij de korte stelen gelijk, geven er
nog een paar lichte slagen tegen aan, met de vlakke hand, en zetten
het schootje op een rij bij de andere, die daar staan te blinken,
in het midden dun, boven en beneden breed van schuins uitspreidende
aren en stengeleinden. Hun heele gedrag is dat van menschen die met
liefde iets doen wat zij heel pleizierig vinden. Van de spanning
die zoo sterk te voorschijn komt in den oogst van het Westen, onder
de sikkel-zwaaiende mannen, en diep naar den grond bukkende vrouwen,
is hier niets te zien. Er is gezegd, dat tijd gewonnen zou worden als
de Javaan ook de sikkel gebruikte, en men heeft zich met afkeuring er
over verbaasd dat hij het niet wilde. Maar een goede reden voor dien
onwil is duidelijk. Dit met de hand plukken eischt een menigte handen,
en elk van die handen beurt loon. Het gebruik van een sikkel zou de
overgroote menigte buiten werk en loon stellen. Een bijkomstige reden
is, dat de Javaan het stroo laat staan, omdat hij er geen gebruik voor
heeft. Met de hand kan de halm korter onder de aar afgesneden worden
dan met een sikkel zou kunnen. Aan zulke practische redenen geeft de
"adat" de wijding van traditie en godsdienstig gevoel: en daarmee is
de gewoonte onaantastbaar geworden.

Naarmate de vrouwen hun bossen aanbrengen dragen de mannen die naar
den berm van den weg. Daar komt straks de eigenaar om ze te tellen. Al
dunner en bleeker wordt het veld, al blinkender de berm. De oogsters
gaan zitten tusschen hun bossen. Een sukkeldravende marskramer, die uit
de verte al de drukte ontwaard heeft, komt er bij met zijn schommelende
kastje vol vruchtenstroop en rijstkoekjes. Een paar buffelkarren
wachten op hun vracht van schooven. Eenige "sadoo's"--dos-à-dos heette
oorspronkelijk het tweewielige door een hit getrokken voertuigje--staan
te wachten op mogelijke klanten, de boomen op den grond, het hitje
los, en grazend hier of daar in de schaduw. Het is een vertier als
op een pasar, langs den kant van het veld, tot de eigenaar bezien en
nageteld heeft, en ieder van de oogsters met zijn deel rijst naar huis
gaat. De mannen dragen de bossen twee aan twee over een stok hangend,
of opgestapeld in een soort aan het juk hangende kooien, zoo hoog
en breed, dat de drager verdwijnt tusschen de schommelende gouden
schelven. De vrouwen tassen ze op in de breed-uitgehaalde slendang, en
torsen tusschen arm en heup. Thuis gekomen spreiden zij de bossen uit
om te drogen. En in de middagzon is het een geschitter van fijnstralig
en rondfonkelend goud, waarheen men ziet. De voorerven van alle huisjes
liggen overspreid met halmen. Wie aan zijn erf geen ruimte genoeg had,
is op het dak van zijn huis geklommen en heeft de aren gestrooid over
het in de zon blakerende riet. En een ander weer heeft zijn rijst
naar den grooten weg gedragen. De prachtige rijkdomskleur verguldt
de bermen, den kant van de waterleiding, de bruggen, en tot zelfs
de baan tusschen de rails van de stoomtram toe. Naakte, rondbuikige
kinders houden er de wacht bij, spelend onderwijl met vlieger-oplaten.

Het is een bekoorlijk gezicht, al dat jonge goedje midden in het
blinkend voedsel. En moeilijk zich te verweren tegen de betooverende
voorstelling, dat daar voor onze oogen het Leven groeit, korrels uit de
aarde, menschjes uit de korrels, in een overvloed die, onuitputtelijk,
altijd-door zich vernieuwen zal. De schijn is zoo schoon! Maar de
werkelijkheid ligt geheel anders, er naast. Rondom de afgeoogste
velden staan er andere nog hoog in het gewas. Daar staan de halmen dun
tusschen woekerend onkruid. Plekken vaal groen, in het geel, voren en
kuilen van laag-gebleven groeisel tusschen het hoog-opgeschotene toonen
waar de grond verarmd is, waar het voedende water niet is gekomen,
waar na de verstopping een plotselinge overstrooming van de leidingen
het verderfelijke vulcaanzand heeft uitgestort, dat sedert de groote
uitbarsting van 1902 onstelpbaar afvloeit van den Kloet. Hier en
daar komen ook de fouten aan den dag, door den boer bij de bewerking
begaan. Het land is ondiep geploegd; hij heeft, om den lagen prijs,
slechte rijst genomen om uit te zaaien; de jonge planten zijn te lang
op de kweekbedding gelaten en bij het overplanten op het rijstveld niet
ingekort. Aan parallel loopende strepen van donkerder groen is te zien
waar de mest nagewerkt heeft, die de suikerplanter het vorige jaar,
toen hij den akker in huur had, aanbracht in de plantgeulen van het
riet, een verrijking van den grond, waar de boer zijn rijst op teren
laat, zonder er verder iets bij te voegen. Niet anders dan een magere
oogst kan hier gehaald. En zullen de boeren zelfs dat weinige in de
schuur bergen? Van den eersten oogstdag af al hebben de karren der
Chineesche opkoopers zwaar geladen langs den weg gereden. Wat daar
op lag was de oogst van zóo en zóo veel kleine boeren, de dubbele en
driedubbele waarde van het "voorschot" dat de woekeraar hun aanbood,
drie maanden geleden, toen zij geld noodig hadden voor de belasting,
voor zaai-rijst, voor den slamettan ter wijding van het werkbegin,
voor de afdoening van schuld van verleden jaar, voor de honderd en
een dingen waarvoor een Javaan altijd in geldnood zit. En die oogst
gaat naar de stad, wachtend op den tijd van schaarschte en hooge
prijzen. Er zal niet veel van terugkomen in kleine boerenhuisjes.

Hoeveel komt daar eigenlijk? hoeveel Javaansche rijst? Is het
overvloedig? Is het zelfs maar genoeg? Op geen millioenen pikols
na. Invoer in Java en Madoera, over 1907, aan gepelde rijst voor een
waarde van bijna tien millioen gulden. [1] Invoer in het achterland
van Soerabaja alleen, gedurende 1909, aan rijst uit Saigon en
Rangoon voornamelijk, een hoeveelheid van ruim 2 millioen pikols;
invoer in 1910, toen de oogst bijzonder slecht was, omtrent 4 1/2
millioen pikols, voor een bedrag van tusschen 22 en 25 millioen,
[2] voor deze streek alleen. Inplaats van den schijnbaren overvloed
is er een verschrikkelijk tekort.

Hoe zal dat te beteren zijn?

Van Karel Holle, "den vriend van den landman" wordt, onder vele andere
verhalen, dit gedaan: de boeren zijner streek, gewoon hem in alles
om hulp en raad te vragen, kwamen op een goeden dag bij hem met de
bede hun toch het machtige toovermiddel te openbaren, waardoor zijn
velden zooveel rijker oogst droegen dan de hunne. Toen toonde hij
hun een zilverstuk.

Zilver voor landbouw-onderwijs, zilver voor landbouw-crediet, zilver
voor irrigatie vooral, zilver genoeg, met dat toovermiddel ware de
schoone schijn van Java's rijkdom wel te hertooveren in een schooner
werkelijkheid.

Maar totdat die talisman wordt aangewend....



Sultans-Land


De Sultan van Djokjakarta huwt zes van zijn dochters uit. Sedert het
begin van de feestelijkheden stroomt het van feestvierders naar de
hoofdstad, uit het sultanaat niet alleen en uit het andere vorstenland,
Soerakarta, maar uit al de omliggende residenties, Madioen, Kediri,
de Kedoe. Dat is een geregelde, aanhoudende, geluidlooze beweging
van honderden en honderden en honderden donkere, donker-gekleede,
gedempt-sprekende menschen, al maar de breede tamarindenlaan langs,
die van het station naar het hart der stad gaat. De Westerlingen
verdwijnen te eenenmaal voor de oogen en voor de gedachte. Zij zijn
er niet meer. Daar staan langs den weg wel groote witte huizen, daar
staan, in lange rijen, de winkels, daar staat, met hooge pijlers en
blinkenden marmeren vloer, de societeit; en diep in, achter de twee
reusachtige waringins van den ingang en een wijden tuin vol grauwe
godenbeelden, het residentie-gebouw: maar zij lijken daar slechts te
staan ter wille van den donkeren menschenstroom, zóo als hooge dijken
staan langs een rivier. De dijken zijn er, dat is goed, maar daaraan
denken wij verder niet, we zien naar de rivier.

Het zwaarst en het langzaamst stuwt de stroom langs den grooten
weg dáar waar de passar gehouden wordt. Het feest is tegelijk een
marktgang. Het boerenvolk van den omtrek komt verkoopen en koopen op
de hoofdplaats. De rijst, de vruchten, de kippen en duiven, die ze
in bengelende korven, aan een zwiependen bamboestaak, in de slendang,
op de achterover gebogen hand hebben meegedragen van huis, worden in
den loop van den ochtend centen en dubbeltjes, en voor de middag om
is, feest-tooi. Koopers en verkoopers, druk aan het toonen, bekijken,
loven en bieden, houden op telkens als er midden op den breeden weg,
uit de verte al aangekondigd door den glimp van vergulden pajong,
een kratonbewoner of aanzienlijk gast van den Sultan nadert.

Bij menigten komen zij. Het zijn de leenmannen van den suzerein,
houders van apanage-gronden, hoofden van districten, van dorpen, van
gehuchten, tot wier leen-plicht en hulde het behoort op de feesten
van den leenheer te verschijnen met gevolg en geschenken. Zij toonen
hun rang in den breederen of smalleren gouden rand van den pajong,
dien een dienaar hun boven 't hoofd houdt en in 't aantal hunner
volgelingen; hun rijkdom in hun juweelen-tooi en de pracht van de kris
die zij op den rug dragen, schuins door den gordel gestoken, zóo dat
het korte buis er door opgelicht wordt. Hoogmoedig, met een strakken
blik voor zich ziende, gaan zij door de menigte, die rechts en links
voor hen uitwijkt. Zij hebben een ander type dan het geringe volk,
het type van den Hindoe: lang gezicht, hoogen, scherp gebogen neus,
gelige tint. In blik en houding toonen zij den trots van hun afkomst,
al deze edelen, wier voorouders, voor vijftien eeuwen met die van den
Sultan als veroveraars op Java gekomen zijn. De minste zoo goed als de
machtigste onder hen is in deze dagen des Sultans gast in den Kraton.

Het Sultans-verblijf ligt hoog-ommuurd, als een stad in de stad. Het
groote voor-plein, van den hoofdingang uit te overzien, is wijd als
een veld. De waringinboomen, in onafgebroken rij langs de vier zijden
van het vierkant staande--zij zijn geschoren en behouwen tot het
fatsoen van reusachtige staatsie-pajongs, natuur-dingen, herschapen
tot verheerlijking van den vorst--de geweldige waringinboomen lijken
klein in die ruimte. Maar die ontzaglijke verhouding is het eenige
dat den indruk van vorstelijkheid geeft. Wat achter de waringin-rijen
te zien komt aan gebouwen is armoedig. Gebouwen is te aanzienlijk een
woord voor die wanden van bamboe en daken van blad, die de bewakers van
poort en plein beschutten. En wat achter een tweede poort en tweede
plein te zien komt is weinig deftiger. Het geheel doet eer denken
aan een geringe stadswijk dan aan de omgeving van een vorsten-woon.

Dat belet den inlander niet, den Kraton te beschouwen met een tegelijk
verheerlijkenden en vreesachtigen eerbied. En inderdaad heeft hij
daar ook reden toe: het onoogelijke gewar van vele huisjes, muren,
pleintjes, nauwe straten omsluit den Bezitter van al het hunne. De
grond van Djokja is het eigendom van den Sultan. Volkomen als een
middeleeuwsch vorst in Europa, en nog machtiger zelfs dan die, in
dit opzicht dat geen geestelijke macht tegenover hem staat, zooals
de kerk stond tegenover de koningen van den feodalen tijd, is hij de
groot-grondbezitter, de eenige. Alle andere bezit is van het zijne
afgeleid, voorwaardelijk, tijdelijk. Dat weet de "gogol," de kleine
man, de boer. En tegenover die wetenschap--en ervaring!--beduidt
het voor hem al zeer weinig--zelfs als hij het werkelijk weet, wat
betwijfeld mag, in zoover "weten" gelijkgesteld wordt met begrijpen
en conclusie trekken--beduidt het voor hem weinig of niets dat
de politieke macht van den Sultan niet meer is dan een al haast
weggekrompen schaduw. De economische houdt hem in dienstbaarheid
van dat hij geboren wordt totdat hij sterft. Niet zijn geld--want
geld heeft hij niet--maar zijn arbeid en de arbeid van zijn vrouw en
de arbeid van zijn kinderen, is des Sultans, door middel van al de
vazallen die langs een lange afdalende reeks grond van den Sultan
"in leen" hebben. Hij wordt voor dien arbeid betaald, alweer in
grond: de Hollandsche ondernemer, suiker-planter of tabaks-bouwer
[3] of de Javaansche apanage-houder voor wien hij werkt, staat
hem dien af, juist zóoveel als hem, met hulp van zijn heele gezin,
en bijverdienstetjes hier en ginder, in het leven kan houden. De
oogst van al het overige gaat langs de weer opklimmende reeks van
dorpshoofden, ondernemers of apanage-houders, regenten, toemeng-goens,
edelen, prinsen van allerlei rang naar den Kandjeng Sultan Hamangkoe
Boewana, den "Drager der Wereld."

De inkomsten van het Sultanaat bedragen (met inbegrip van de rijkskas)
vier millioen: die van den Sultan persoonlijk een millioen ongeveer. De
Ratoe (de wettige gemalin), de kroonprins en trouwens al de leden
der uitgebreide vorstenfamilie hebben, naar gelang van hun rang,
eigen inkomsten uit de landen waarmee zij door den Sultan, of door
diens "minister der domeinen" Mangko Boemi, den "Drager van den
Grond" beleend worden. Dat niettemin de omgeving van den vorst
zoo schamel is, valt te begrijpen, door wie bedenkt, ten eerste
hoeveel geld er achterblijft in hoevele van die vele handen tusschen
de gevende van den kleinen boer en de ontvangende van den Sultan
uitgestrekt; en ten tweede, hoeveel monden hun dagelijksch voedsel
en hoeveel lichamen kleeding en huisvesting uit die vorstelijke
hand verwachten. De inlander of ook wel de halfbloed--welk een
menigte van menigten Indo-Europeanen zijn er te Djokja!--zal den
vreemdeling, trotsch, zeggen: "Er wonen tienduizend menschen,
mannen, vrouwen en kinderen, in den Kraton." Een ambtenaar van het
binnenlandsch bestuur, uitstekend kenner van Djokjasche toestanden,
zegt mij: Vierduizend. Vierduizend--dat is een gezin dat wel eenige
honderdduizenden in het jaar vereten, verkleeden, verwonen kan,
zonder het bijzonder weelderig te doen....

Op dit oogenblik is het groote gezin bezig zich te tooien voor de
bruiloft; zes dochters van het gezinshoofd. In de kleine huisjes zitten
overal mannen en vrouwen te naaien aan sitsen badjoe's--zwart sits
met blauwe bloemen en groene bladers is het in éen wijk, rood-en-geel
sits in een andere, en verderop rose, en lichtgroen, en paarsig;
iedere prins kleedt zijn gevolg van dienaren in eenzelfde kleur. Het
zal vroolijk staan in den grooten optocht. De tienduizenden uit
het Sultanaat, uit Soerakarta, Kediri, Madioen, de Kedoe verheugen
zich daarop.

De Djokjasche societeit staat aan den viersprong van breede, prachtig
door waringin- en tamarindeloover overhangen lanen, waar de weg langs
gaat van den Danoeredjon, het verblijf van den rijksbestierder, naar
den kraton. De stoet zal straks voorbijkomen, die van den Danoeradjon,
waar de zes bruidegoms te gast zijn bij den Rijksbestierder, de
huwelijksgeschenken naar de Sultansdochters in den kraton brengt. Op
het bordes van het witte gebouw zit een groepje Hollanders, mannen en
vrouwen in witte kleeren. Aan den overkant van den weg, tusschen de
geweldige waringin-stammen, is het een glooiïng van bruine zwartoogde
gezichten, van den grond op waar de kinders tegen elkander aangedrongen
zitten, tot de hoogte van de achterste der op vijf, zes, zeven rijen
achter elkander staande volwassenen, duizenden en duizenden die haast
roerloos wachten. Tusschen dat brokje wit en die lange helling bruin
door bewegen groepjes kratonbedienden, volk van den pasar vlak bij,
en nu en dan een ruiter, of een rijtuig waarin zorgvuldig gekleede
Javanen hoogmoedig in blik en houding zitten, achter wie een dienaar
een vergulden pajong gesloten opgericht houdt: het zijn familieleden
van den Sultan op weg naar den Danoeredjon, waar de stoet opgesteld
zal worden. De onafhankelijke prins, Pakoe Alam, is met zijn vrouw en
zijn zusters in de societeit, en kijkt met de Hollanders toe. Er wordt
verteld dat de Sultan hem zijn Hollanders-manieren, zijn wit-linnen
pak, zijn zuiver Hollandsch op de Hoogere Burgerschool geleerd, en
zijn automobiel zeer kwalijk neemt; en dat hij zich daar weinig aan
stoort. Sedert een uur ongeveer zijn aldoor troepjes voorbijgekomen,
die straks deel zullen uitmaken van den stoet. Vrouwen in zijden
kabaia's en met fonkelende sieradiën op de borst en in den zwarten
glimmenden haarknoop, die op zilveren presenteerblaadjes met een
lap fluweel of zijde toegedekte kostbaarheden dragen; lange reeksen
kraton-bedienden, voorafgegaan door twee aan twee onder een kleurigen
pajong wandelende hoogere beambten, die een groenen triomfboog
van saamgesnoerde en versierde stengels suikerriet dragen, en in
sierlijke potten allerlei gewas: rijst, sirih, terong (aubergine),
ketela, tabak, in verzinnebeelding van den wensch, dat het aan de
dingen van dagelijksche behoefte en genot den jonggehuwden nooit
moge ontbreken. De bedienden hebben boven den donkeren sarong--niet
anders dan bruin in velerlei schakeering wordt in de Vorstenlanden
gedragen--bonte baadjes aan van sits, rood, rose, geel, fel groen,
gebloemd op zwarten grond. De beambten in het zwart dragen den
"koeloek," het staatsie-hoofddeksel, een afgeknotten kegel, soms
glimmend zwart of glimmend vuurrood gelakt, soms kleurloos en
doorzichtig: daar hangt het haar in een wrong en lossen sliert of
sierlijk gedraaiden krul onder uit.

Achter de dragers der symbolische planten komen er die in op
een baar staande of aan draagstokken hangende huisjes--huisjes
met deur en vensters en een dak, zoo geschilderd, dat het met
roode pannen gedekt lijkt,--allerlei keukengerei dragen: sierlijk
gevlochten mandwerk, aarden potten, pannen, kruiken, en zoowaar,
allernuchterst grijs-geëmailleerd goed, tot zelfs een ketel op
een petroleumtoestel toe. De prijzen hangen er nog aan. Een stem
uit de groep Hollanders zegt: "Dat gaat overmorgen terug naar
den winkel: de gewone afspraak." Twee ganzen in een kooi, die met
halfgespreide vlerken hun evenwicht probeeren te houden tegen het
geschommel in, komen achteraan: en daarachter een heele rij mannen
met leege kooien over het hoofd gestelpt: woningen voor de duiven,
die in geen Javaansch heem ontbreken mogen. Na een poos verschijnen
muzikanten: op sierlijke stellages dragen zij gamelan-speeltuig. In
telkens andere wanorde, zooals het toeval het heeft geschikt, komen
zes maal achtereen dergelijke groepen, de zes afdeelingen die den
stoet zullen samenstellen, voorbij. Een half uur nadat de laatste
verdwenen is, komt, pajong-dragers voorop, de geordende optocht uit
de richting van den Danoeredjon er aan. Vroolijk van al dat blauw,
paars, rozerood, vermiljoen, groen, oranje, geel, dat getemperd
en in onderlinge overeenstemming wordt gebracht door het stemmige
bruin van de sarongs, en waarboven, gouden, hier en daar een pajong
schittert, beweegt de bonte stoet door lommer en licht. Er boven uit,
als bootjes op een kleurigen stroom, varen de drie groen-en-gouden
draagstoelen der bruidegoms-zusters en -nichten, die, als afgezanten,
de geschenken gaan aanbieden aan de bruiden. Door de glazen wanden
komt maar even een glimp te zien van hun zacht-kleurige kleedij, en
van het getintel van goud en edelsteenen overal op hen. De laatste
draagstoel is voorbij. De stoet wordt onregelmatig: kinders loopen
nieuwsgierig er tusschen door: de vrouwen lachen en babbelen. Onder de
mannen zijn er die, bedaard, een strootje opsteken, terwijl zij, even,
het met roodpannen-dak beschilderde huisje, het petroleum-stel, den
ketel van grijs email, of de kooi met de waggelende ganzen, neerzetten
op den weg. Met al zijn symbolen wordt de stoet zelf een symbool,
in zijn staatsie, geleenden pronk, namaak van Westersche dingen,
nalatigheid en wanorde een symbool van Vorstenlandsche toestanden.



In den kraton wordt "de Ontmoeting der Bruiden en Bruidegoms" plechtig
gevierd. Het feest is in "de Gouden Troonzaal."

Wat verrassing na de gore armoe der buitenwijken, die kern van pracht
in het Sultansverblijf!

De "zaal" is een "pendoppo," zooals ook door mindere hoofden,
bij welgestelde loerahs zelfs, gebouwd wordt voor ontvangst van
gasten: maar in het prachtige. Een marmeren, rondom met treden
oprijzende vloer; gebeeldhouwde, beschilderde en vergulde pijlers;
en een koepeldak dat prachtig rood en goud uitstraalt van een gouden
hoogte. De gouden troonzetel van den Sultan, waarnaast de vergulde
leuningstoel staat van den resident, glanst in het midden van al dat
wit en rood en goud. En de sultan zelf is niettegenstaande de somberte
van zijn kleedij een enkele flikkering, zooveel goud en edelgesteente
hangt hem om hoofddoek en kris-scheede, op de borst, om den hals, aan
de vingers. Door de spiegelglazen wanden der troonzaal heen flikkert
bont als een zwerm kapellen op een bloembed een geheele schaar kleine
meisjes, op den marmeren vloer van een tweede, lager gelegen zaal
neergehurkt, de jonge zustertjes van de bruiden, wel vijftien of
twintig, prachtig in feesttooi, armen en schouders bloot, en behangen
met kleinoodiën, de kleine gezichten beschilderd en omlijst door
scherpe punten van het weggeschoren en bijgeschilderd haar, waarvan
de wrong, hoog tegen het achterhoofd, overspannen is door zilveren
netwerk, en vlak in het midden beprijkt met een scharlakenroode bloem.

Achter die tweede marmeren zaal gaan weer treden omhoog naar een derde,
op den achtergrond waarvan in nissen tusschen rood en gouden wanden,
twee staatsiebedden schemeren, met zijden kussens bespreid. Een leger
dienende vrouwen, ook met ontbloote armen en schouders en sarong hoog
gegordeld onder zijden boezemkleed, zit op gekruiste beenen langs den
rechterwand der zaal. In het midden, tusschen de twee praalbedden,
in een schijn van heel zachtgekleurde en glanzige stoffen, zijn al de
oudere, getrouwde zusters bijeen; weder een twintig wel. En links,
alleen, zitten de zes bruiden, uit de verte te zien als een zóó
neergestreken pauwenvlucht, enkel goud en flonkering.

Er is muziek geweest: het Wilhelmus, het Wien Neerlandsch bloed,
met oorverscheurenden wanklank van geweldig geslagen bronzen
gamelan-bekkens, van harpen, cithers en Perzische viool tusschen
trompetgeschetter door. De Sultan is opgestaan en gearmd met den
Resident--zonderling genoeg die zwart-gerokte Westerling naast den
sarong en hoofddoek en flonkerende kris dragenden Javaan--naar den
opgang der gouden troonzaal gegaan, van die achterste zaal uit,
waar de zes bruiden, kruipende genaderd, hem de knie hebben gekust.

En nu naderen, van den eenen kant de bruiden, ieder tusschen twee
oudere zusters, van den anderen de bruidegoms, ieder tusschen twee
oudere broeders.

Het is verblindend, verbijsterend prachtig.

Geen vrouwen lijken dat meer, die fonkelende gestalten, die daar zoo
langzaam, met neergehouden oogleden, voorbijgaan, maar wezens uit een
vreemde wereld. Met elke schrede die zij doen, loopen flikkeringen
van rood en goud hen van voet tot boezem. De uiteinden van een
somber-blauwe, van glanzen zilver en brons doorspeelde sjerp, die
van achteren in rond-uitstaande plooiïng bochtig onder het middel
hangt, zijn van voren over elkaar geslagen, en maken een lichte
fladder-beweging voor hun knieën. Een snoer van bloemen en lichtgroene
bladers hangt daar luchtig over heen. Boven het met goud beschilderde
boezemkleed van purperen zij, hangen op de geelgezalfde en bepoederde
borst, in haar geheele breedte haar bedekkend, drie halve manen van
in zilver gevatte diamanten, de eene boven de andere. Aan weerszij
van het beschilderde gezicht, strak als een masker, stralen zilveren
en diamanten oorsieraden, als vleugels gespreid en afstaande. Een
lichtgroene aigrette siddert op het hoofd. En aan de strak neergehouden
armen en aan de handen, in de handen der geleidende zusters gevat,
pralen spangen, banden, ringen, van de schouders af tot aan de spitsen
der vingers toe.

De bruigoms, die hen tegemoet komen, naakt van hals tot gordel, en met
gelijken tooi van ringen, armspangen en diamanten trits van halve manen
op de borst behangen, dragen prachtige krissen en een hoofd-sieraad,
half helm, half fantastische kroon. Vlak tegenover elkander houden
zij stil: zes bruiden tusschen twaalf zusters, zes bruigoms tusschen
twaalf broeders: zij schijnen afgodsbeelden te midden van dienende
priesters. Een lichte beweging gaat opeens langs de roerlooze rij:
de acolyten hebben bruiden en bruigoms elk een klein voorwerp in
de hand gegeven. Het is een peperhuisje van pisang-blad gedraaid,
dat de bestanddeelen bevat van de sirih-pruim. Zonder de oogen op
te heffen werpen de paren het elkander toe. Dan bukken de bruigoms
en bieden uit een voor hen neergezette schaal hun bruid rijst aan:
een zinnebeeld van de gemeenschappelijke maaltijden van nu aan.

Zij wijken terug van elkaar. De Sultan treedt tusschen bruiden en
bruigoms. Dan komt de hoogste in rang naar voren, Joedonegoro, die de
aangenomen zoon van den Sultan is, en omvat zijn bruid. Zijn broeder
treedt naast hem. Te samen beuren zij haar op en dragen haar naar de
poort van den Kraton. De andere volgen, iedere bruid door bruigom
en bruigoms-broeder gedragen. De kleine zustertjes wachten bij de
draagstoelen, waarnaast aan weerskanten tien in het rood gedoste
dragers staan. Bruiden en bruidsmeisjes worden er in getild. En de
stoet verdwijnt, de donkere poorten uit.

De menigte toeschouwers gaat, zonder eenig gerucht te maken, uiteen. De
Hollanders zoeken hun rijtuigen te bereiken zonder bespat te worden
door de modder en de plassen, die de stortregen van dezen ochtend
op het voorplein heeft achtergelaten. En een enkele haast zich om
nog eens, van de societeit uit, den stoet te zien van de gasten
die straks deel zullen nemen aan het feestmaal in den Danoeredjon,
en den dans zullen zien dien de dansers van den Sultan daar opvoeren.



Het eigenaardige van Djokja is, dat men er niet aan
went. Integendeel. Hoe langer men deze stad bekijkt, hoe meer vreemde,
onverwachte, verwonderlijke dingen men er vindt. Niet onder de
Hollandsche bevolking alleen, hoewel daar waarlijk ook genoeg! noch
zelfs onder de Indo-Europeesche, hoewel dáár van een soort waarvan men
de wedergade zou moeten zoeken, (barok als het klinkt) in verhalen van
Gogol of Turgenjew. Maar onder de Javaansche bevolking. Het Djokja
van de Djokjaneezen. Dat is het verwonderlijkste van alles. De
wonderlijkheid zit voor een deel hierin, dat in de geheele, een
zeventig duizend bewoners bergende stad, maar tweeërlei menschen
wonen en die van de onderling scherpst contrasteerende klassen der
maatschappij: namelijk vorsten met hun omgeving, en arm volk. Wat
overal elders op de wereld tusschen die twee uitersten verbindend
leeft, bestaat hier òf niet, òf alleen in een vorm waarvan men aarzelt
te zeggen of het er een van worden is of van vergaan. In de verre
middeleeuwen hebben, misschien in een of ander handwerk bedreven
hoorigen, die van tijd tot tijd hun werk ruilden met dat van de
hoorigen van een anderen gebieder, zóó om een kasteel heen gewoond
als ambachtsvolk en kleine handeldrijvenden hier in Djokja om den
kraton. Die vergelijking zal maken wie het stadsvolk beschouwt als
verkeerende in een staat van wording, met feodale toestanden achter
en burgerlijke vóór zich. En hij zal de drukte op den passar aanzien
voor een teeken van al sterker wordend handelsvertier.

Die passar, midden in de stad, aan een breede, door prachtige
tamarinden beschaduwde laan, is een plek van altijd hernieuwde
bekoring. Telkens anders en telkens weder even mooi. In den half-donker
van de lange loodsen en op de fel-bezonde paden daar tusschen, waar de
duizenden koopers en kramers ordelijk verdeeld blijven, is het aldoor
een blinken en verschieten van kleuren, een wemelend voorbijglijden
van bewegingen, gezichten die lachen en ernstig worden, gestalten
die, bukkend, aandragen met altijd meer koopwaar. Verschillende
ruimten zijn bestemd voor verschillende waar. Langs den straatweg,
als ware het de zoom van den passar, zit in een lange rij het volk
der marskramers. Netjes geschikt op een gevlochten mat, stallen zij
hun garen en band uit, kammen, zeep, knoopen, den gewonen inhoud ook
van een Westerlingen-mars; en tabak, inlandsche tabak, door Javanen
geteeld. Maar achter dien zoom beginnen de verschillende wijken van
de markt, de groepen loodsen voor een en dezelfde waar bestemd. In het
Hollandsch en in het Javaansch staat het boven den ingang geschreven:
vleesch, groenten, vruchten, visch, geweven goederen, ijzerwerk. Vaste
gewoonte, schijnt het, vult aan waar administratieve voorzorg te
kort is geschoten, en vogels van gelijke pluimage betrekken gelijk
verblijf. De goudsmeden en handelaars in juweelen zitten in één loods
bij elkaar, en bij elkaar de Britsch-Indiërs met hun balen zij en hun
borduurwerk van goud op fluweel, en de vogelverkoopers hebben allen
aan den uithoek van de markt bij de brug, hun rijen kooien opgehangen,
waarin rijstdiefjes, dwerg-papagaaien, beo's en vooral honderden
duiven zich zitten te nebben in den zonneschijn. Hier is het altijd
druk. Want een duif mag op geen Javaansch erf ontbreken; haar gekir
brengt immers geluk aan! En liefhebbers van duiven-wedstrijden hurken
in kringen om de neergezette kooi, waar de koopman een vogel in wijst,
die hoog vliegen, of in bijzonder diepe en krachtige tonen koeren
kan. De markt-drentelaars komen hier bijeen in getale. De duiven
gaan van hand tot hand, betast, geaaid, bekeken, gecritiseerd. Een
waronghouder loopt er tusschen door met glazen geschaafd ijs, waarop
vruchtennat is gegoten, rijst in zakjes van pisang-blad gekookt, en
sigaretten. Er wordt veel verhaald, veel gebluft en veel, met groote
heftigheid, tegengesproken.

Vrouwen ziet men hier zelden of nooit. Die gaan naar de markt om zaken
te doen. Ze komen uit den geheelen omtrek van de stad, uit gehuchten
tot op twaalf en vijftien kilometer afstands gelegen. Ze zijn in den
nacht op weg gegaan, om de koelte, en om vroeg te komen, en vijf of
zes uren onderweg geweest met een zwaren last op den rug: vruchten,
groenten, aardappelen, allerlei kweeksel uit de koele heuvelstreek,
bloemen van hun eigen erf, zoetigheid pas bereid, gevlochten matjes in
rollen, waaronder het kleine figuur der draagster verdwijnt, potten,
schalen, schenkkannen van rood aardewerk, behoedzaam opgebouwd tot een
heuvel, die alleen over den weg lijkt te wandelen. Zij komen verkoopen
om te koopen. De tros pisangs of de stronk boerekool in hun linkerhand
verandert in een mandje rijst voor het huishouden, tabak voor den man,
garen en naalden voor haar zelve, in haar rechter. Daar zijn er die
met niet anders dan een paar doerèn-vruchten in haar slendang komen
en met een waarde van drie stuivers aan rijst en medicijnen weggaan,
en den morgen goed besteed achten, als zij thuis komen, nog juist op
tijd om voor het middagmaal te zorgen. Om zulke allerkleinstigheidjes
gaat het hier.

Er zijn, dat is waar, ook winkeltjes in de stad, door inlanders
gehouden. In een afzonderlijke wijk staan ze bij elkaar. Maar
ook in die winkeltjes is alles gering, klein, schamel. Het zijn
wezenlijk "winkels" in den oorspronkelijken zin, in een hoekje van een
aanzienlijker gebouw weggedoken stalletjes. Maar weinig lijken zij op
de overvolle blinkende toko's der Chineezen in de wijk vlak er naast.

Met de Javaansche industrie staat het niet anders of beter
geschapen. Er is betrekkelijk veel nijverheid in Djokja: maar, alweer,
van een armelijk, sukkelend slag. In een afzonderlijke wijk bijeen
wonen bij voorbeeld kleermakers. Ik kwam door die buurt in de week voor
de kraton-feesten en herkende ze als de hunne, toen ik in de deur en
onder het afdak van al die lage, vuile, uit het lood gezakte huisjes
mannen zag zitten naaien aan baadjes van allemaal hetzelfde zwarte,
groen-en-blauw bebloemde sits. In een andere wijk, vrijwel buiten
de stad, voor men aan het zonderlinge rood-en-witte gedenkteeken
komt dat de een of andere sultan voor zijn gemalin heeft opgericht,
wonen de batikkers: men ziet de kains en hoofddoeken hangen, in het
halfdonker der openstaande huizen. Er zijn schoenmakers, timmerlui
en schrijnwerkers, vervaardigers van wayang-poppen en dergelijke
curiositeiten, waarnaar de al veelvuldiger naar Djokja komende
vreemdeling vraagt, goud- en zilversmeden, en zelfs een enkele
wapensmid, die de edele oude kunst van het pamor-smeden uitoefent en
een meester is in zijn vak.

Maar wat is dat alles arm en klein!

Ik ben in eenige van die huisjes geweest: bij een batikster,
een goudsmid, den wapensmid. En overal heb ik hetzelfde gevonden:
vlijtig werk, gebrekkig werktuig, schamelste verdienste. De batikster
mag misschien niet eens medegerekend: zij is een Britsch-Indische en
heeft, zoo niet industrieel dan toch commercieel moderne idees. Haar
winkel heet "The Old Curiosity Shop." (Jawel: wij lezen Dickens weer,
tegenwoordig.) Het staat er vol snuisterijen, Javaansche, echte,
mooie en ook andere. Maar de eigenlijke werkplaats, op het achtererf,
daar is het alles op zijn echt Djokjaasch: nauw, donker, een doolhof
je van galerijtjes, loodsen, potstalletjes, hokken, met een trap op
hier en een trap af daar, een paar vrouwen aan den arbeid onder een
zonnezeil, eenige kuipen met blauwe, bruine en gele verf rondom een
put, droogtonnen tusschen djamboe- en sawoe manila-boomen gespannen,
waaraan kaïns, half nog in de was, hangen uit te druipen, en in een
trillenden kring van hitte en bleekrooden schijn, een houtskool-vuur
in steenen komfoor, waarop was staat te smelten. Het verwonderlijke
is het mooie werk in zulk een omgeving gemaakt.

De goudsmid is al niet beter behuisd of ingericht. Met zijn drie
helpers zit hij op den vloer van zijn werkplaats achter een raampje van
bamboestijlen, waardoor het licht maar karig naar binnen komt. In een
wonderlijk tafeltje--geen voet hoog is het blad boven den grond--heeft
hij allerlei laadjes en hokjes waar hij goud en zilver, edelsteenen,
en de gewichten van zijn goudschaaltje in bewaart, die niet anders
zijn dan de mooie roode zaadpitten van een zekere klimplant. Zijn
helpers komen 's ochtends op de fiets--hun drie machines staan in
een hoek geleund. Maar hij smelt zijn goud en zilver in een aarden
kroesje, dat hij op een potscherf te midden van gloeiende houtskolen
zet; en daar hurkt hij naast om met een waaier-vlagje van gevlochten
palm-vezel den gloed aan te wakkeren. Door de werkplaats ziet men
in zijn huis. Dat de vrouw op orde en een zeker decorum gesteld is,
blijkt uit het bescheiden "praalbed" in een nis van den muur, een
soort bedstede, en waarvoor ook gordijntjes hangen, opgebouwd. Maar
niettemin is zij in versleten, verschoten kleeren gestoken, en van
de kinders is er maar één gekleed, en dat ten halve enkel, alleen
met een baadje, waaronder zijn naakte beenen mager te voorschijn komen.

De wapensmid is, als gezegd, een meester in zijn vak, een man van
overgeërfde bekwaamheid. Hij verhaalt u met een rustigen trots,
dat zijn voorvaderen de wapensmeden waren van de Keizers van
Mataram. Zijn zoon, en zijn kleinzoon, die, met een broederszoon,
zijn helpers zijn in de smidse, zetten de traditie van het geslacht
voort. Op het kleine, zware aambeeld, dat de litteekens toont van
den arbeid van vier generaties, smeedt hij die prachtige krissen,
waar op het blauwzwart van het staal het fel-blanke nikkel in figuren
van bladers, golven, vlammen blinkt. Daar zijn er bij die vorsten
worden aangeboden als waardig geschenk. En hij werkt even vlijtig,
de oude man met zijn zoon en kleinzoon, als vaardiglijk. Niettemin
zou hij zijn gezin niet kunnen verzorgen, als zijn vrouw niet een
bijverdienste aanbracht met het houden van een "warong" aan den weg.

Zoo staat het met de Djokjasche nijverheid.

En van die stoffelijke armoe is een geestelijke het gevolg. Deze
ambachtslieden hanteeren hun ambacht als iets doods. Zij herhalen
tot in het oneindige een paar gegeven voorbeelden. Daar is niet één
batikster die ooit een nieuwe teekening bedenkt. De goudsmid maakt
oorknoppen en armbanden nù precies zooals hij ze twintig jaar geleden
gemaakt heeft en over twintig jaar nog maken zal. Zelfs de wapensmid
houdt zich aan de vijf traditioneele motieven voor de versiering van
zijn krissen, en heeft nog nooit bedacht of hij ook niet eens wat
anders zou kunnen smeden dan die en lans-punten. Gelukkig nog, wanneer
de ambachtsman zich aan de Javaansche traditie houdt en niet vervalt
in de zin-leege navolging van slechte westersche voorbeelden! Heb ik
bij den goudsmid geen (vertaalden) Duitschen catalogus van armbanden,
ringen en broches zien slingeren? "Geloof, Hoop en Liefde"--symbool,
anker, kruis en hart vereend, om als kabaja-speld te dragen, een
briljanten "sieraad" in den vorm van een vraagteeken (dàt suggereerde
ten minste een en ander, hoewel dan zeker niet-bedoelde dingen) en
een dasspeld die een jockey-pet was met een karwats er om heen. En
venten de bewerkers van buffelleer geen ceintuurs met wayangpoppen
beschilderd, langs de hotels, en de batiksters geen (gedrukte)
tafelloopers met vergeetmijnietjes in de hoeken?

De Javaansche koopman is arm.

De Javaansche ambachtsman is arm, arm aan het lijf, arm aan de ziel.

Zij zijn een arm volkje, wonend in steegjes en krotjes rondom het
zwaar-ommuurde verblijf van een van duizenden bloedverwanten en
dienaren omgeven vorst.

Tusschen die twee is niets.

Nòg niets?

Of niets méér?

Dàt is het wat men zou willen weten.



Suikerland


Telkens rijst voor oogen, die zoeken wat de gedachte weet dat te
vinden is, de verbergende wand op van heuvelklingen en steilen
berg. Wie daar boven uit kon stijgen! Wie neer kon kijken op Djokja
van de ruime hoogten uit, waar de sperwer spiedend drijft! Hij
zou het land zien liggen als van donkere berg-eilanden doorbroken,
een prachtig-blauwgroene zee, waar her en der, meeuwen gelijk, die
rustend drijven op een golf, verblindend witte stippen blinken. En
begon het te donkeren, dan zou hij de zwartgeworden zee overgloord
zien van veruitstralende blanke helderheden, zoo vele als hij eerst
witte stippen had geteld, en overal tusschen die blanke en gestadige
glanzen in, rood geflakker, rosse rook, een mist, een dunnen nevel van
vuur, dien de wind verdicht tot vlammen of uiteendrijft in smeulenden
rook; en glimmende vonken zou hij, als levende wezens zeker van hun
weg, door brand en duisternis heen zien bewegen op de groote blanke
licht-eilanden toe. Dan had hij Djokja gezien als suikerland met de
witte fabrieksschoorsteenen te midden van de blauwgroene riet-tuinen,
en, door de duisternis glimmend, de locomotieven van de lange treinen,
die langs afgeoogste velden, waar heuvels verbranden van dor blad,
riet naar de stampende molens dragen. En die schijnbaar zoo van
zelf sprekende vereeniging van industrie en landbouw, die complexen
van fabriek en suikerrietveld ziende, die een heel land innemen,
had hij voor eigen oogen gehad een ding zóó zonderling, dat het
wel éénig mag heeten: de vereeniging, zooals zij waarschijnlijk
nergens elders op de wereld te vinden is, van twintigste-eeuwsche
arbeidsmethode en middeleeuwsche heerschappij over grond en
menschen. Het wonderlijk samengroeisel staat op het punt van een
gescheiden te worden. Binnenkort zal het levende deel tot krachtiger
ontwikkeling gekomen, het afstervende in ontbinding verdwenen zijn. En
dan zal wie het niet met eigen oogen zag moeite hebben te gelooven dat
het ooit bestond, dat ooit een industrie in samenwerking vereenigd
heeft gehouden de nieuwste machines uit Hengelo, Amsterdam, Halle,
Brunswijk, Glasgow, de methodes van het groot-kapitalisme, en het
wetenschappelijk onderzoek aan den eenen kant, met, aan den anderen,
feodaal landbezit en de arbeidskracht van een volk, dat met huis,
erf en veld te zamen voor zoo en zooveel jaar tegen zoo en zooveel
geld gepacht wordt van den vorst als van zijn bezitter.

De zonderlinge toestand is een gevolg van overoude oorzaken, en zelf
al oud.

Overal op Java gold vroeger de vorst als de eigenaar van den grond:
maar zijn eigendomsrecht werd beperkt door dat van den ontginner. Wie
woesten grond maakte tot vruchtbaren, verkreeg daardoor dien grond
in eigendom. In de streek die later de Vorstenlanden zou heeten,
veranderde die toestand ten voordeele van den vorst. Wanneer en door
welke oorzaken schijnt niet bekend; maar bij hun komst in de streek
vonden de Hollanders dien veranderden toestand als een gevestigden
en klaarblijkelijk sedert zeer lang reeds heerschenden. In het
toen geldende stelsel was de vorst onbeperkt eigenaar van den grond
en feitelijk onbeperkt eigenaar van de krachten der bewoners. Zij
konden niet anders bezitten dan wat hij hun gaf, en in ruil daarvoor
moesten zij betalen wat hij van hen eischte. Dat was niet minder dan
de helft van al het gewas en diensten tot aan de alleruiterste grens
van hun krachten. Uit dat bezit aan grond en krachten onderhield de
vorst zijn dienaren. De leden van zijn familie, de machtige edelen,
de legeraanvoerders, de bestuurders van gewesten, kortom allen, die,
onder welken titel dan ook, een deel van zijn gezag uitoefenden,
ontvingen een overeenkomstig deel van zijn bezit: land en menschen,
waarvan zij echter weer, evenals het volk, schatting in oogst en
diensten aan hem moesten opbrengen. Van den Soenan af tot op den
laagst in rang staanden edelman of ambtenaar toe, was er als een
trap waarlangs verplichtingen daalden, rechten opklommen. De Sultan
had alle rechten en geen verplichtingen; zijn laagste vazal enkele
rechten en vele verplichtingen; het gemeene volk geene rechten en
alle verplichtingen. De Oost-Indische Compagnie trad geleidelijk in
des Sultans plaats en besnoeide zijn macht ten voordeele van hare
eigene, doch liet in de hoofdzaak het oude stelsel voortbestaan:
van het geheele land, na aftrek van een bepaald gedeelte (1/5) als
betaling van toezicht houdende hoofden, was de helft voor het volk,
de helft voor den vorst. Opeenvolgende wijzigingen, waarvan de diepst
ingrijpende door Daendels en later door Raffles werden aangebracht,
lieten altijd nog dit stelsel ongerept. En het bleef bestaan toen in de
19de eeuw eindelijk de Hollandsche ondernemer optrad en in de plaats
kwam van den Javaanschen edelman of ambtenaar, den vorstenvazal. Als
aan dezen werd nu aan hem de helft toegewezen van den oogst, door
de bevolking geteeld, en als deze had nu hij het recht op arbeid en
diensten van den boer; als deze ook betaalde hij voor het een en het
ander schatting aan den vorst.

Het groote onderscheid echter was dit: dat de Hollandsche ondernemer
geen rijst behoefde als de Javaansche apanage-houder, maar wel
arbeid om een voordeeliger product dan rijst te telen. Hij trof
daarom een schikking met de boeren. Inplaats van rijst zouden zij
hem, onbetaald, zooveel arbeid leveren als voldoende zou wezen
om de verschuldigde hoeveelheid rijst te telen, doch dien arbeid
besteden aan de cultuur van suikerriet. Wat daarvoor meer noodig
was dan voor rijst, zou hij hun betalen; de cultuur van het riet
namelijk eischt veel meer arbeid dan die van de rijst. Daar, verder,
op tijd en kracht van den boer de velerlei diensten die hij onder
allerlei benamingen aan den Sultan bewijzen moest, zwaar drukten,
kocht de Hollandsche ondernemer voor zooveel mogelijk die diensten
af. De Sultan nam genoegen met het geld instee van den dienst. En
zoo werd de rijstbouwer van den Sultan rietbouwer van den fabrikant,
verhoudingen uit den tijd van de Hindoevorsten overgebracht op de
moderne industrie, en de Djokjasche sawahs veranderd in wimpelende
riettuinen, waar in de plaats van het wachtershuisje, speelplaats van
op rijstdiefjes passende kinderen, de fabriek verrees, dreunend van den
slag der door een beek gedreven machine. Die fabrieken uit het begin
der jaren achttienhonderd, klein nog en eenvoudig ingericht, waren
het eigendom van één man, den oprichter. Gewoonlijk was het iemand
op goed geluk naar Java gegaan--een koloniaal soms, of een matroos,
een enkele maal een Franschman, langs allerlei wonderlijke wegen uit
de legers van Napoleon zoo ver weg gedwaald; mannen die kwamen zonder
een rooden duit op zak; maar vol goeden moed en durf en inzicht
in toestanden en karakters. Zij vonden hun weg naar het hof, en,
dikwijls, naar de gunst van den Sultan. Er waren er die met dochters
uit den Kraton trouwden, en bij wijze van bruidschat land in leen
kregen: groote fortuinen werden op zulk een grondslag opgebouwd. De
teelt van het riet, het maken van de suiker kon op een primitieve,
weinig-kostbare wijze geschieden; er was nog geen ziekte in het riet,
nog geen concurrentie op de markt, nog geen dwang van welken aard ook
tot vermeerdering van productie en vermindering van uitgaven. Maar
ook dat veranderde. De slechte jaren kwamen. Wat nu niet mee kon met
den nieuwen tijd moest voorgoed achterblijven en ging ten onder.

Van de kleine met waterkracht gedreven fabriekjes verdween het
laatste. De rijkdom van één man was niet voldoende voor den bouw en
de inrichting van de groote nieuwe fabrieken, voor het aanschaffen
van de dure nieuwe machines, voor het pachten van de groote complexen
land. Geheele families werden gezamenlijk eigenaar, vennootschappen,
maatschappijen. De aandeelen kwamen aan de markt. En wie vandaag
deze of gene van de achttien groote fabrieken in Djokja ziet, wier
schoorsteenen uit het blauwig blinkende rietveld opsteken als uit
een zomersche zee een vuurtoren, kan zich vermaken met de gedachte,
dat op hetzelfde oogenblik misschien de een of andere couponknipper
in Amsterdam of Den Haag of Harleveen in den vorm van een strookje
papier de hem competeerende portie naar zich toe haalt van de
schatten, onder dien blinkenden schoorsteen uit dat wimpelende riet
te voorschijn geperst; en dat de orde-, vrede- en menschlievende
Nederlander, zachtzinniglijk aldus knippende, metterdaad zich
verklaart voor afstammeling-naar-den-gelde en politiek erfgenaam
van oude Djokjasche Sultans en Soenans van Mataram, de verdrukkers,
uitzuigers en keelbeulen van hun volk.

Wel wonderlijk hangen in deze wonderlijke wereld de dingen aan
elkaar....



Wie in dezen tijd langs Djokjasche wegen gaat, beweegt zich te
midden van een gestadig stroomende rivier van riet. Het is riet op
de lange vrachttreinen, riet op tram-wagons, riet op lorriereeksen,
riet op buffelkarren. Het lijkt of de velden zelf zijn opgestaan
en bewegen. De lucht is vol van den zachten geur, die uit de snede
der afgekapte halmen opstijgt. Op de kale akkers loopen buffels het
lichtgroene kruid af te weiden, dat in den schemerdonker tusschen de
hooge stengels is opgegroeid, mannen laden een kar vol met afgestroopt
blad, waarmee zij het dak van hun huisje in de dessa nieuw gaan dekken,
om een brandenden hoop afval speelt een bende spiernaakte jongens met
het triomfante pleizier dat jongens de heele wereld over in een vuurtje
hebben. En naast dat afgeoogste veld staan rechts en links andere
nog in vollen rijkdom, blinkend en wimpelend; en verderop glanzen,
laag bij den grond, de akkers, waar het jonge riet, in het begin
van het jaar aan stekken in den grond gezet, al forsch en bladerrijk
staat; en verre weg, tegen de wijkende bruine en roodachtig-paarse
hellingen aan, wazen hier en ginder, vegen van teeder groen, dat
alweer suikerriet is, in de koelte gezaaid en opgekweekt tot het,
telkens van een hooger naar een lager gelegen veld gebracht, rijp
zal wezen voor het planten in de vlakte. En verder weg nog, niet
voor het oog zichtbaar meer, maar duidelijk genoeg staat het voor de
gedachte, groeit het riet van de proefstations, de zorgelijk behoede,
beschutte, begoten en gekoesterde eerstelingen van nieuwe soorten,
uit verre streken hierheen gebracht, of gekweekt uit de vermenging
van de beste der inheemsche rietsoorten. Van zoo ver af begint het
al,--dat bewegen van het riet naar de fabriek toe: heel langzaam eerst,
met kweeken en stekken; telkens komen de stekken ván stekken uit hun
verte en hun hoogte wat dichter bij de fabriek--het proefstation, de
"grootmoeder-tuin," de "moeder-tuin," de bibit-tuin; dan plotseling
omlaag de vlakte in, naar het veld, waar de stekken zullen opgroeien
tot rijpe planten; dan, na een jaar of veertien maanden, de oogst en
de snelle stroom naar de fabriek toe.

De dagen door golft die stroom, de nachten door. De zon schijnt er op,
de maan en de nachtgloor der sterren. Over zijn monding in de fabriek
gaat het felle electrische licht op, wanneer de zon is ondergegaan
over zijn bronnen op de heuvels.

Rondom is de zwarte tropische nacht, de zwarte hemel staat vol
sterrengeflikker, immense boomkruinen maken een donkerte midden
in donkerheid. En te midden van die duisternis, die als een wal
ondoordringbaar staat, schittert, als de klaarlichte dag zoo wit,
de fabriek met haar reeks van stralende ramen en hoog in de lucht
zwevende groepen blanke lampen. De passar aan beide zijden van den
grooten weg en midden op een door boomen omgeven pleintje, waar
dozijnen vrouwtjes zitten met uitstallingen van allerlei eetwaar; de
groepen koelies, op hun hielen gehurkt, die onder praten en gelach
en met het rooken van een strootje zich verpoozen; de lange rechte
straat, aan weerskanten waarvan de witgekalkte employés-huizen staan,
elk in zijn bloeiend tuintje: dat alles komt met zoo vele en scherpe
bijzonderheden uit, als zelfs in den zonneschijn niet. En door die
felle klaarheid beweegt nu de lange trein rietwagens, zwarte wagens,
bevracht met achter en voor in een boog afhangende halmen-bundels,
groene, bruine, paarsige; de grauwe buffels en de roodbonte ossen
trekken bedaard stappend. De karrevoerders zitten half in slaap: hun
beesten kennen den draai van den weg naar de weegbrug. Op het plein bij
het pakhuis loopen al buffels los: zij grazen nog wat langs den berm,
terwijl zij naar stal gaan. Voor de groote fabriekspoort, waar de
rails van Decauville-lijnen en spoorwegen, elkander kruisend, ruiten
van een reusachtig dambord maken, loopen, schijnbaar vanzelf, wagens
de fabriek in en weer uit, hooggeladen naar binnen, hol en hoekig
naar buiten. Koelies loopen duwend en roepend mee. Ze zijn anders dan
anders, hier en nu. Het meestal onhoorbare volk is luidruchtig. Zij
joelen als er een zijn bundel riet onhandig van den wagen gooit,
als er een uitglijdt op den glibberigen vloer, als een karredrijver
zijn ossen niet bijtijds uit den weg kan krijgen. Het felle licht,
de snelle beweging, het dreunende geluid uit de fabriek, die sterke
menschelijke wil die zich doet gelden tegenover de donker-stille
natuur, heeft hun eigen levenswil gaande gemaakt.

In de fabriek staat de molen te zingen met een geweldige stem. Prachtig
gaat de klank op uit het ijzer-zwarte en staal-blanke gevaarte dat
daar staat te draaien met zijn pletterende rol en te dreunen met al
zijn platen, krukken, hefboomen, een klank als van een orgel waar
verschillende registers tegelijk in uitgetrokken zijn, zoo dat de
vox humana zingt en ook de bazuinen, en een fijne, klare, hooge toon
drijft op een dreunende wolk van donkere galmen. De grond-zelf geeft
mee met het harmonische gedaver. En die menigte van machines, waaraan
blinkende dingen bewegen, stangen en krukken opgaan en neer, wielen
wentelen, riemen trillen, lijken te bewegen alle op de maat van dat
geweldige gezang, het gezang van den pletterenden, malenden molen,
die, als een reusachtige werkman, overvol van kracht uit volle borst
zingt bij zijn werk.

De molen zingt, de machines draaien en dansen. Het riet komt naar
binnen gestroomd, of ook het riet luisterde naar die muziek. Hier is de
lange groene stroom, op de verre heuvels ontsprongen, aan zijn monding
gekomen. Met golven schiet de vloed van stengels den "carrier" langs
en, de wentelende brug over, den molen in. Een vormelooze massa komt
er uit aan den eenen kant, een troebele beek aan den anderen. En door
gemetselde kanalen en vijvers heen stroomt onophoudelijk het vuile,
met taai geel wit schuim bedekte sap, dat vermengd met zuiverende
kalk en zwaveldampen, verhit in reusachtige ketels, bezonken,
gefilterd, verdampt, gekookt, ten laatste uit de centrifuges door
bukkende vrouwen wordt losgemaakt als sneeuwwitte suiker. Bergen
gelige suiker liggen in een anderen hoek van de fabriek: daar staan
de half-naakte koelies, tot aan de knieën ingezonken, met groote
houten spaden in te scheppen. Ontelbaar in de rij, staan de zakken
vol bruine melasse, uitpuilend onder den druk van de zware stroop,
die na enkele oogenblikken zoo hard is geworden als steen. Door goten,
die, als duizend-pooten, op ontelbare, bewegelijke stangen staan, al
maar heen en weer schuddend, loopt gelige en blanke en bruine suiker
met schokken voort. Suiker, als zwarte modder, borrelt in een diepen
bak. Suiker wordt met lange bezems bijeengeveegd als stof van den
grond. En in het laboratorium staat, precieus in kleine stopfleschjes
geborgen, suiker, die van vlakke kristalletjes flikkert als de sneeuw,
als sneeuw zoo smetteloos, zoo fel wit.

Straks stroomt al dat product de fabriek uit. De kostbare witte
suiker naar de haven, waar de schepen al wachten op den last voor
Britsch-Indië, Japan, Australië, Amerika; de gele en bruinige naar
de booten op Amsterdam, waar de raffinaderijen stampen en stoomen,
de melasse naar de arakbranderijen en de fabrieken van vee-voeder. En
de lange treinen, die de suiker dus veranderd en nog altijd verder
te veranderen wegdragen, komen de lange treinen tegen, die de suiker
aandragen in haar oorspronkelijke gedaante, als lang, zwaar-buigend,
groen en bruin en paarsig riet.



Armoeland


Djokjakarta is het land van ongerijmdheden en tegenstellingen. Er zijn
er onder die meer nog dan het verbijsterde verstand het geschokte
en verontwaardigde gevoel treffen. Daarvan is wel de ergste: de
tegenstelling tusschen den rijkdom dien Westersche wetenschap
en werkwijze te voorschijn brengen uit den Djokjaschen grond,
en de ellende van het dienzelfden grond bebouwende en mede dien
rijkdom helpende voortbrengen Djokjasche volk, terneergedrukt onder
middeleeuwsch-despotische instellingen.

Die ellende is nog niet eens het ergst in den vorm van armoe. Zeker
zijn deze menschen arm. Ik ben in dessa's geweest waar--als men de
woning van den bekel uitzonderde--in al die huisjes samen voor nog
geen f 5 aan huisraad en kleeren was; en de waarde van de huizen
zelf werd door de bewoners op f 1.50 geschat: dat althans was de som
die zij bij den administrateur kwamen vragen na een brand, om nieuw
te bouwen. Maar in de aangrenzende gouvernementslanden, in de Kedoe
bijvoorbeeld, zijn stellig even arme dorpen te vinden.

Zij is erger in den vorm van ziekte. Er is veel oogziekte hier en
veel huiduitslag. Wie een groote menigte bij elkaar ziet, niet in
de stad, waar zorgvuldige kleeding een aangenamen schijn spreidt
over uitgemergelde gedaanten, maar op de velden, waar de menschen
half-naakt aan het werk te voorschijn komen zooals zij werkelijk zijn,
krijgt een indruk van verregaande zwakte en lichamelijke ontaarding:
een troep kinderen is een allerdroevigst schouwspel; niets kinderlijks
meer is er in die hoekige holle gezichten met de rood-ontstoken oogen,
niets dat er uitziet of het wil groeien, aan die scharminkelige kleine
lichamen. Maar lichamelijk leed is er ook in andere streken van Java
veel en erg onder gering volk.

Neen, de ergste ellende van dit volk, en de eigenlijk-Vorstenlandsche
dat is zijn geestelijke ellende, zijn stompe, onverschillige
willoosheid. Uit die doffe gezichten is zelfs de uitdrukking van
verlangen naar iets beters verdwenen. En wie hen in hun dagelijksch
zijn en doen eenigen tijd waarneemt, voelt soms de vrees in zich
opkomen, dat zij van iets beters geen baat zouden hebben. Een mensch
die al te lang honger heeft geleden, verdraagt geen spijs; die al te
zwaar geboeid is geweest, kan zijn leden niet gebruiken, als hij de
vrijheid herwint.

Het Djokjasche volk is gewonnen, geboren en getogen in een wereld,
die, met alles wat op haar leeft, en beweegt, het eigendom is van éen
oppermachtig wezen, zoo verheven en in alles volmaakt, dat hij een
godheid schijnt meer dan een mensch. De macht van den Sultan is zoo
alomtegenwoordig, alles omvattend, alles doordringend in die wereld,
als in de stoffelijke de dampkring. Er is geen ontkomen aan, er is
geen mogelijkheid van leven daarbuiten, er is geen verzet of verweer
tegen. Zooals de aarde gedrenkt wordt door regen en verwoest wordt
door regen, en niet anders dan lijdelijk kan zijn onder de lafenis of
onder de vernieling, zoo wordt door den wil van den Sultan het volk
beweldadigd of te gronde gericht en kan niet anders dan lijdelijk
wezen onder genade of onder gramschap.

De Sultan echter is ver. Hij woont in zijn prachtigen kraton. Een
gering man ziet hem niet, dan, misschien eens, éénmaal, in zijn
leven, wanneer hij in het gevolg van zijn bekel, die zelf weer in
het gevolg is van den apanagehouder, machtig edelman of prins uit
het Sultansgeslacht, naar den kraton opgaat, schatting en geschenken
dragend. Dichter bij, en door die nabijheid grooter van invloed op
zijn dagelijksch bestaan, is de apanagehouder, de pachter-leenman van
den Sultan, in alle machten en rechten over hemzelven, zijn grond en
zijn gewas, des Sultans plaatsvervanger. Voor den apanagehouder is de
helft van zijn oogst in den Westmoesson, het derde van zijn oogst in
den Oostmoesson. Voor den apanagehouder zijn de beste vruchten van
zijn erf.

De apanagehouder bouwt een huis, geeft een feest, maakt een reis,
trouwt een zoon of dochter uit: de kleine man brengt bamboe uit het
bosch, de steenen die hij zelf gebakken heeft, uit den oven en bouwt
het huis; hij neemt voor een paar dagen eten in een gevlochten zakje en
zijn draagjuk over de schouders, en volgt als lastdrager zweetend en
dravend den apanagehouder op reis; hij gaat houtskool branden in het
bosch, haalt de laatste rijst uit zijn schuur, slacht een paar kippen
of zijn geit, en brengt alles naar de keuken, waar de feestmaaltijd van
den apanagehouder wordt bereid. De rijst van den apanagehouder wordt
rijp op het veld, de rivier bedreigt zijn gronden, zijn vee heeft
herders noodig op een nieuwe wei, zijn huis bewaking tegen dieven:
de kleine man bouwt wachterhuisjes en zet er zijn kinderen op wacht,
hij gaat naar de rivier en bouwt dammen van bamboe-vlechtwerk en
keien, hij stuurt zijn zoon om de buffels te weiden, en gaat zelf
des nachts waken bij het huis van den apanagehouder. Soms komt de
apanagehouder met zijn vrouwen en zijn kinderen en zijn dienaren de
apanage bezoeken. De bekel ontruimt zijn huis voor hem en bedient
hem, hurkende, zelf. De apanagehouder blijft met zijn vrouwen, zijn
kinderen en zijn dienaren tot er niets meer in of om de dessa is,
dat de moeite van het blijven loont.

Op den apanagehouder volgt de bekel, zijn pachter-rentmeester. Die
is vlak bij den kleinen man, en door die allernaaste nabijheid is
diens invloed op zijn leven het allergrootst. Al wat de apanagehouder
doet, dat doet ook de bekel; maar hij doet het nog veel erger. Zooals
immers de apanagehouder pacht opbrengt aan den vorst, zoo brengt de
bekel pacht op aan den apanagehouder. Daarom, als de vorst een pikol
rijst eischt of een gulden belasting of een dag arbeid, eischt de
apanagehouder twee pikols, twee gulden, twee dagen; en de bekel,
natuurlijk, drie pikols, drie guldens, drie dagen. En omdat de
bekel zelf in de dessa leeft en precies weet wat er in ieder huis
gebeurt, kan hij den dessaman "vinden" op honderd manieren, waarvan de
apanagehouder niet weet. En de kleine man brengt zijn rijst; betaalt
zijn koperen duiten, arbeidt op het veld van den bekel, in zijn stal,
op zijn erf, aan zijn waterleiding, aan zijn huis. De bekel is de
plaatsvervanger van den apanagehouder, die de plaatsvervanger is van
den Sultan, die alle macht en recht over alle dingen en menschen bezit:
hoe zou een gering mensch anders kunnen dan hem in alles gehoorzamen!

Nu komt voor den apanagehouder een Hollander in de plaats, een
suikerplanter: Kromo verneemt het op een goeden dag. Zijn dessa, zijn
velden en hijzelf zijn nu van den suikerplanter, zooals ze vroeger
waren van een Javaanschen ambtenaar, hoveling, zoon, dochter of
afstammeling tot in het vierde geslacht van den Sultan. De macht-hebber
is een andere, de macht is dezelfde over hem. Het is waar dat de
macht-hebber hem met die macht tot andere dingen dwingt: niet meer
tot rijstplanten, aanbrengen van levensmiddelen en bouwmaterialen,
dragen van lasten, maar tot het bouwen van suikerriet en het werken
aan wegen en bruggen. Het is ook waar, dat hij van den Hollander eenig
geld verdienen kan, wat hij nooit verdiende van den Javaan, voor
werk trouwens dat zwaarder is dan het werken voor den Javaan. Maar
wat ook anders is geworden, dit éene is gebleven: de dwang. En dien
dwang te verdragen van een Hollander valt Kromo nòg zwaarder dan hem
te verdragen van een Javaan. Als hij zich veilig weet, uit hij zijn
geringschatting voor zijn nieuwen eigenaar door hem te vergelijken
bij een ondergeschikte van den vroegeren, den apanagehouder: hij
noemt den planter "een blanken bekel."

De bruine bekel overigens is gebleven. Hij die vroeger oogst deed
opbrengen, doet nu arbeid opbrengen: dat is het eenige verschil,
voor Kromo géen, in zoover het zijn afhankelijkheid van den bekel
betreft. Soms is die er zelfs nog erger op geworden: want voor
den arbeid volgens Westersche werkwijzen is toezicht noodig, welk
toezicht wordt uitgeoefend door een "mandoer." En dikwijls is de bekel
tevens die mandoer--de Hollandsche ondernemer heeft voor zijn nieuwe
doeleinden de oude organisatie gebruikt. De bekelmandoer heeft Kromo
nu niet alleen bij de resultaten van zijn werk, maar ook bij zijn werk
zelf in zijn macht. Wordt een gewone dessaman tot mandoer gemaakt,
dan is almee voor hem de winst niet groot. De dessaman-mandoer maakt
van zijn nieuwe plichten vliegensvlug nieuwe rechten: als hij zorgen
moet voor het werk van den planter, zal hij tegelijkertijd zorgen voor
zichzelf. Daarmee volgt hij de eeuwenheugende traditie, daarmee volgt
hij het voorbeeld van den Sultan en den apanagehouder en den bekel:
hij neemt zijn plaats in, in de rij van verdrukkers en verdrukten,
die, als de symbolische dieren der Oostersche kunst de een op den
rug van den ander staan. En met nog een machthebber meér bovenop hem,
hurkt Kromo als onderste op den grond.

Daar zit hij.



In het beeldhouw-werk, dat het geweldige Baraboedhoer-monument versiert
en die overschoone tempels van Mendoet, Kalassan Prambanan en zooveel
anders nog als er over is gebleven uit het tempelbouwende verleden van
Java, is een der altijd weer terugkeerende voorstellingen, de houding
van diepe nederigheid en zelfvergetende toewijding, aangenomen door
elken mindere tegenover zijn meerdere, door een dienaar tegenover
zijn heer, door een zoon tegenover zijn vader, door een krijgsman
tegenover zijn vorst.

In de wajang-vertooningen der aloude drama's, zooals die tot op
dit oogenblik toe gehouden worden--onlangs werd de bruiloft der zes
Sultansdochters er door opgeluisterd--zijn altijd weer terugkeerende
uitdrukkingen, de formules van nederig verlof vragen van een mindere
aan zijn meerdere,--verlof om voor hem te verschijnen, om te spreken,
om heen te gaan, ten einde zijn bevelen uit te voeren.

Het duizendjarig beeldhouw-werk, het duizendjarig drama aanschouwend
met die ontroering, die uitgaat van dingen, verdwenen en vergeten
uit de stoffelijke werkelijkheid, doch onvergankelijk levend door de
kunst, verwondert de Westerling zich over de zinnebeeldende kracht
der Oostersche kunst en haar idealiseerend vermogen: tot welk een
hoogte heeft zij alledaagsche dingen opgevoerd! Welk een gedachtevorm
gevonden voor het vormloos-stoffelijke!

Laat diezelfde Westerling er nu getuige van zijn hoe een Djokjasche
koeli,--een lastdrager, een karrevoerder, een bemodderde werker in
het suikerriet-veld--den administrateur tegemoet komt, die hem tot
zich roept, of, vooral, den Javaanschen ambtenaar op reis door de
streek, den wedana, den Regent: dan zal hij, verbaasd, zien hoe wat
hij voor den stijl der hooge kunst had gehouden, de stijl is van het
dagelijksch leven: de koeli houdt zich in de houding, hij spreekt in
de taal van de tempelreliefs en de wajang-vertooningen. Die aloude
voorstellingen gaven, zeer weinig veranderd slechts, de werkelijkheid
van dien tijd weder. En een ter hoofdzaak gelijke werkelijkheid geeft
het ceremonieel weder dat de hedendaagsche koelie in acht neemt wanneer
hij hoog-Javaansch spreekt en "sembah" verricht tegen een machtiger
dan hij. Zoo drukt hij zijn diep besef uit van de macht van dien
andere, en van zijn eigen afhankelijkheid. Niet alleen zijn lichaam
vernedert zich in die neergedoken ineengebogen houding; neen! in de
hof-taal die hij spreekt vernedert zich zijn gedachte-zelf. Daar is
in hem niets meer dat overeind staat.

Laat iemand hem nu zeggen dat hij "rechten" heeft; hoe zal hem dat
aandoen? Hoe zal het een lamme aandoen, wanneer men hem wijst naar
de hooge bergen?

De kleine man heeft rechten, en meér rechten op Hollandsche
ondernemingen dan op Javaansche apanages. Maar hij laat die niet
gelden. Hoe zou hij?

Er zijn landhuurders geweest die van die gelaten onderwerping aan het
onrecht, die geestelijke zwakte van den kleinen man, een afschuwelijk
misbruik maakten. Eén wordt er genoemd die door onmenschelijke
dwingelandij en afpersing het ongelukkige volk op zijn land zoover
heeft gebracht, dat de geheele bevolking van twee dorpen emigreerde,
velden en huizen, het weinige, alles wat zij in de wereld bezat, er aan
gevend om maar aan hem te ontkomen. Hij liet de vruchtboomen omkappen
en de huisjes verbranden en plantte nog meér tabak dan waarvoor hij
anders plaats had gehad. Zoo volslagen verstoken van menschelijk gevoel
niet alleen, maar van alle schaamte en begrip van recht was deze man,
dien de andere landhuurders hadden uitgestooten uit hun vereeniging,
dat hij hulp van de regeering eischte om zijn onwettige praktijken
tegenover de eindelijk zich verwerende bevolking door te zetten.

Er is een eind gemaakt aan het schandaal. En uit het vele kwaad is
dit goede voortgekomen, dat de Resident, van zijn bevoegdheid gebruik
makende, voor landbouw-ondernemingen in Djokja nadere bepalingen
vaststelde, die het landhuur-reglement aanvulden en verbeterden
ten gunste van de inlandsche bevolking. Dat was in 1906. De nieuwe
bepalingen worden, naar ik hoor, over het algemeen vrijwel in acht
genomen, en op vele fabrieken zelfs zeer stipt. Van eene weet ik door
eigen waarneming, dat de beheerder niet alleen nauwgezet zich aan
zijn exploitatie-regeling houdt, maar op werkelijk humane wijze de
bevolking op zijn landen te hulp komt in haar behoeften. Hij laat hen
den tijd om hun velden naar den eisch te bewerken; hij laat hen vrij
cultuurdiensten te verrichten in de uren die hen het best schikken, in
verband met den arbeid op hun eigen grond; van het recht op éen dag van
de vijf heerendienst (inplaats van éen dag op de zeven) hem toekomende
in ruil voor de velerlei feodale lasten, waarvan de onderneming het
volk heeft losgekocht, maakt hij géen gebruik; vroeger-onbetaalde
arbeid (als bijvoorbeeld het inhalen van den oogst) die verzacht is
geworden tot betaalden, hoewel verplichten arbeid, wordt gaandeweg
tot geheel-vrijen arbeid gemaakt; bij slechten oogst krijgt het volk
hulp; er is een school gebouwd op de onderneming. Zooals deze eene
zijn er méer. Ook brengt, afgezien zelfs van den goeden wil van een
administrateur en een directie, de landverhuur aan Hollanders der
bevolking voordeel aan. In het systeem van wisselbouw profiteeren
hun velden van de diepe bewerking en de bemesting, het vorig jaar
daarop aangebracht voor de teelt van het suikerriet: als streepen van
donkerder groen liggen op het lichte groen der rijst de vorig-jaarsche
plantgeulen van den goed-verzorgden riet-tuin geteekend. Evenzeer komen
hun de waterleidingen, de dammen en de sluizen ten goede, die zij in
dienst van den planter hebben gebouwd. Zij leeren betere werkwijzen van
hem, als blijkt uit den inlandschen tabak-bouw. De vele dessa-lieden,
die geen recht op de velden hebben--(van het gezin erft de oudste zoon
alleen dit recht)--krijgen gelegenheid tot geldverdienen in vrijen
arbeid op het veld, bij het oogst-transport en vooral in de fabriek.

Maar niettemin, niettegenstaande zulke algemeene voordeelen als
de Westersche exploitatie op zichzelf en zulke bijzondere als het
rechtvaardigheidsgevoel van een goeden beheerder aan het volk van
Djokja aanbrengen, blijft het er slecht aan toe. Die voordeelen
maken de nadeelen niet goed. De hoeveelheid loon die zij derven door
gedwongen arbeid is te groot. Het stuk land is te groot dat zij
moeten laten aan den ondernemer. En boven alle mate veel te groot
is de macht van den man die tusschen hen en den ondernemer in staat,
de macht van den bekel.

De bekel is de verpersoonlijking van het verderfelijke oude systeem,
dat sterker is dan welke goede wil ook. Zijn ambt is erfelijk, een
lange traditie verleent hem prestige tegenover het dessa-volk. De
landhuurder, die hem kent als een verdrukker van het volk, kan
hem niet ontslaan. Daarvoor is een vonnis van de rechtbank noodig,
na behoorlijk onderzoek. Maar hoe bewijzen van schuld te krijgen,
als de verdrukten tegen den verdrukker niet willen getuigen? De
bekel-mandoer houdt den koelies een gedeelte af van hun loon: hij
laat hen om niet, werken op zijn ambtsveld; hij ziet vruchten op hun
erf, kippen en duiven in de kooi, een geit in den stal, en beveelt
den koelie hem die te brengen: heeft de koelie bij zeldzaam toeval,
geld, dan "leent" hij het; heeft de koelie een knappe dochter dan
neemt hij haar tot bijvrouw, maakt den schoonvader in alles gedwee
door de vrees van een verstooting, en verstoot haar toch, wanneer
er van het huisgezin niets meer te halen is. En de koelie verdraagt
dat alles en zwijgt. Het is de bekel, wiens vader en grootvader zijn
eigen vader en grootvader op dezelfde wijze geplaagd hebben. Eerst als
hij geen keus meer heeft dan tusschen totalen ondergang en verzet,
verzet hij zich, op de éénig voor hem mogelijke wijze, langs een
omweg. De bekel is verantwoordelijk voor het werk op de onderneming:
hij treft, hem in die verantwoordelijkheid. Hij verwaarloost de tuinen,
slecht, of slechts in schijn arbeidend; hij steekt het rijpe riet in
brand. De menschkundige of, om precies te spreken, de Djokjaneeskundige
administrateur, die in plaats van tegen onwilligen en brandstichters
tegen den bekel een onderzoek met de noodige omzichtigheid begint,
en, vóór alles, zorgt dat geen weerwraak hen die de waarheid zeggen
treffen kan, verneemt dàn eerst van toestanden, die hij van tevoren
zoo min had kunnen weten als verhelpen.

De reorganisatie is op komst, die het monsterlijke vergroeisel van
feodalisme en moderne industrie vaneen scheidt, den inlander zijn
deel aan den grond hergeeft in den ouden vorm van gemeenschappelijk
grondbezit, den ondernemer tegen hooger loon ook beter, immers
niet-gedwongen, arbeid aanbiedt en door een geregeld belastingstelsel
en betalingen uit de Rijkskas de verandering voltooit, die een
eeuw geleden al begon, het omzetten van betaling in grond en
arbeid in betaling met geld. Iedereen zal daarbij gebaat zijn,
behalve de kleine-groote tiran, de bekel, die verdwijnen moet. En
zoo zouden zelfs op dit oogenblik de nu nog heerschende toestanden
eigenlijk geen andere beteekenis meer hebben dan een historische,
als het niet was om de uitwerking, die zij, een zoo lange reeks van
geslachten door, hebben gehad op den inlander, om zijn geestelijke
ellende, die niet tegelijk met de oorzaken, waaruit zij ontstond,
opgeheven kan worden. De kleine man mort tegen de verandering, die
toch om zijnentwille gebeurt. "De Kompenie wil den heer Sultan het
land afnemen en ons alles wat wij verdienen, voor belastingen." Dat
heeft de bekel hun gezegd; aan den bekel, hun onderdrukker, maar hun
Javaanschen, hun erfelijken, hun rechtmatigen onderdrukker, houden
zij zich tegenover den Hollander, zelfs wanneer die als helper komt.

Het onrecht heeft te lang geduurd: de geesten zijn er naar gegroeid,
vergroeid. De gedachten zijn krom en klein geworden, de wil hangt
slap. Wie dat goed gezien heeft en begrepen, zal niet verbaasd staan,
noch teleurgesteld, als de reorganisatie aanvankelijk dit volk weinig
baat. Den zieke moet den tijd gelaten om weer gezond te worden en
het gebruik te winnen van zijn nieuwe krachten. Dan eerst zal voor
hem een nieuw leven kunnen beginnen.



Djokjasche Landheeren


Er zijn er geen meer. Een reorganisatie, dieper gaande dan eenige
die het beleid van regeerders bedenken of bewerkstelligen kan, heeft
hen weg-georganiseerd: de hervorming van de suikerteelt na de groote
crisis. De omstandigheden zijn verdwenen en kunnen nooit wederkeeren,
waaronder, op andere wijze dan alle andere Indische ondernemers, de
Djokjasche landheeren van den ouden stempel groot geworden zijn. Zij
waren een afzonderlijk geslacht.

Niet van suiker kweekten zij een grondige en omvattende kennis, maar
van menschen, van Djokjasche menschen, van den Sultan, den Kraton en
den land-houdenden adel, meest van al. De grond was onuitputtelijk
rijk: elken dag in den Oostmoesson scheen de zon, elken dag in
den Westmoesson regende de regen, wat kon het riet anders doen dan
groeien? Het water, dat langs den van noord naar zuid hellenden grond
stroomt met gelijkmatig verval, draaide hun rietmolen, geen concurrent
streefde hun opzij, laat staan voorbij, met lage prijzen; hoe konden
ze anders dan grof geld verdienen? Maar die het in zijn hand had of
zon, regen, water, grond, voor hen veranderden in goud, dat was de
Sultan, en met hem zijn ontelbare familie en de adel. Die moesten zij
te vriend krijgen en hebben en houden, als zij landheeren wilden zijn.

De taak was geen lichte; en zwaarder dan voor anderen moet zij
voor hen zijn geweest, die, men kan wel zeggen zonder uitzondering,
voortkwamen uit een omgeving aan alle hoofschheid vreemd.

Het was niet de bloem der natie, die in hun tijd naar "den Oost"
ging. Van de gouverneurs-generaal zelfs der pas ontbonden Oost-Indische
Compagnie waren er vele, die niet eens tot den eenigermate beschaafden
stand behoorden. Wij weten van een soldaat, een sergeant, een matroos,
een kajuitsjongen die Landvoogd werden, van raadsleden naar de kolonie
gekomen uit het weeshuis, als gesjeesd student, als kwakzalver. [4]
De aanstaande Djokjasche landheeren, erfgenamen in een zekeren zin
van de Compagnie, wier val hun opkomst immers pas mogelijk maakte,
waren huns gelijken en kornuiten. En er zullen er wel ettelijke onder
geweest zijn van het slag wien de Compagnie den recommandatiebrief
placht mee te geven, met de drie H's, die niet beteekenden "Helpt Hem
Haastig," maar "Houdt Hem Hier." Dat alles was weerbarstig hout om
er hovelingen uit te snijden, al hoefden het dan ook maar hovelingen
op zijn Javaansch te zijn.

Maar het geluk diende hen. Zij kwamen op het tijdstip dat het
Oostersch-feodale stelsel juist genoeg vervallen was om weerloos te
zijn tegen het indringen van een nieuw krachtig element, maar nog
sterk genoeg om tegen al wat minder sterk was zich te weren. Er was
een bres gevallen in den kraton-muur; wie er dóor kon zat daar binnen
veilig en op zijn gemak. De bres was ongeveer een halve eeuw geleden
uitgebroken, in 1755, toen de Compagnie, krachtens voor enkele jaren
verkregen rechten het oude keizerrijk van Mataram deelde in Soerakarta
en Djokjakarta. De Djokjasche Sultan die (als tot op dezen dag toe) het
prestige miste dat, in de oogen der Vorstenlandsche Javanen, den uit
de oudere lijn stammenden Soesoehoenan van Solo omgeeft, wilde althans
een hofstaat hebben aan dien van zijn Soloschen bloedverwant gelijk;
en een even groot aantal ambtenaren, als vroeger in het onverdeelde
Mataram met landbezit bij wijze van salaris was beloond, moest nu van
de helft van die oppervlakte zijn deel krijgen. Wanhopige pogingen
tot oplossing van de onoplosbare moeilijkheden hadden voor eenig
resultaat, de ontevredenheid der apanagehouders. Het werd nog erger
toen Raffles kwam, en het zoozeer besnoeide gebied van den Sultan
(dat alweer het gebied der apanagehouders was) nog verder besnoeide,
zóo ver, dat hij in het leven sneed.

Onder het eene voorwendsel of het andere of zonder eenig voorwendsel
hoegenaamd, nam Raffles den Sultan land af: de Kedoe en de
Patjitanstreek, waar de beste apanages lagen; gronden voor den
onafhankelijken> Prins dien hij (het voorbeeld van Daendels in Solo
volgend) instelde, den Pakoe-Alam; gronden voor den Chinees van wien
hij een Javaansch edelman maakte; gronden voor den onafhankelijken
Prins van Solo, tot loon voor zijn diensten aan Raffles bewezen in
den oorlog tegen Djokja.

De Sultans zagen zich te redden zoo goed en kwaad als het kon. Het
was meestal kwaad. Zij waren, in de laatste jaren van de 18de eeuw al,
begonnen aan hun familie-leden met geld goed te maken, wat zij hun aan
land moesten te kort doen; zij zetten het systeem voort ten opzichte
van de andere groote leenmannen. [5] Dat had zijn grenzen echter, om
begrijpelijke redenen nog al nauwe grenzen. Toen maakten de Sultans van
weinig veel op dezelfde manier als de Westersche vorsten het hebben
gedaan, ten tijde dat in Europa de vervanging van het feodale door
het burgerlijke stelsel begon: zooals de Westersche koningen de munt
vervalschten, vervalschten de Oostersche het land: voor het gehalte,
de maat. De oude Sultan Sépoeh, onder wien de eerste huurders in 't
land kwamen, was daarin een virtuoos. Hij kon zóó knap meten dat een
land, dat de eerste maal van opmeten tien bouw groot had geheeten,
bij den tweeden keer vijftien bouw groot bleek, en bij een derden
misschien wel twintig, en wie weet hoe groot het ten slotte werd,
als de Sultan maar vaak genoeg liet opmeten. De ambtenaren en de
sultansafstammelingen werden volgens hun rang bedacht met al die
"nieuwe landen van den Sultan." Maar alweer moest er geld bij om
dat luchtige grondbezit toch éenig gewicht te geven, al maar meer
van het verwenschte geld dat er niet was en nog erger "niet-was"
dan ooit, sedert Raffles de schatten uit den veroverden kraton had
weggehaald. Daar kregen de nieuwkomelingen hun kans! Zij zelven hadden
ook wel geen geld, maar zij konden het maken: met suikerriet-bouw. De
Engelsche en Amerikaansche koopers boden immers tegen elkander op
voor het kostelijke product. De suikerrietstengel bleek de tooverstaf
die grond in goud veranderde. Inplaats van aan zijn priaji's gaf de
Sultan zijn apanagegronden aan de Hollandsche ondernemers.

Daar waren de landhuurders aan boord van het schip dat hen naar
de Goudkust varen zou; maar zij moesten zeemanschap gebruiken,
daar waren gevaarlijke klippen te ontzeilen. De vijandschap van de
vroegere apanagehouders eerst, die zelfs tegen redelijke vergoeding
in geld zich verzetten omdat, als zijzelven wel merkten, het geld
hun door de vingers liep, terwijl de levering in naturaliën nergens
anders heen kon dan naar hun maag. En daarnaast de vijandschap van
Hollandsche koloniebestuurders, die den staat de rol toewenschten,
vroeger vervuld door de Compagnie, die van groothandelaar, en
den universeel-erfgenaam van haar belangen bedreigd vonden door de
Djokjasche mindere legatarissen. De landheeren schenen tot schipbreuk
gedoemd en ondergang, toen de voorstanders van het vernieuwd-oude het
verbod teweeg brachten van landverhuur aan Europeanen. Maar de nood
van den Kraton werd hun uitkomst. Want het Sultanaat kon de enorme
sommen niet opbrengen als schadeloosstelling voor het verbreken der
aangegane contracten gevorderd. Wat lang al gebrouwd had brak los: de
Java-oorlog, waarvoor de gekrenkte rechten van Dipa Negara aanleiding
waren en voorwendsel. En het stelsel kwam ten val, dat tot zulke
noodlottige uitkomsten had geleid. Het verbod van landverhuur werd
door de opvolgers van den verbieder te niet gedaan. En na beëindiging
van den Java-oorlog begon een nieuwe, voorspoedige periode voor de
landhuurders. Dat was wel hun glorietijd. Toen werden de grondslagen
gelegd voor die reusachtige, rijkdomgebouwen, die hoe vervallen,
afgebroken, verminderd dan ook, tot op den dag van vandaag toe voor
zoovele hunner afstammelingen de prachtige levensherberg zijn. De
Javaansche adel kon hun niet langer schaden. De Nederlandsche regeering
liet hen met rust, van cultuur-stelsel en verbod van ontginning van
woeste gronden verschoond, die in de gouvernementslanden den lust
tot ondernemen stuitten. De Sultan was hun vriend. Voor de vullers
van zijn schatkist, voor de bestrijders van zijn vijanden, wat zou
voor die te goed wezen? Hij gaf hun voorrechten, arbeiders, land,
voor weinig pacht soms, in een enkel geval om niet; hij gaf hun
prachtige geschenken in huizen, goud, edelgesteenten; soms gaf hij
hun een dochter of kleindochter tot vrouw. De landheeren waren in het
pronkvertrek en in de schatkamer geïnstalleerd van den ouden feodalen
burcht, door de bres waarvan hun aanvoerders van 1800 zich heen hadden
gewrongen. Zij zijn er een goede halve eeuw in gebleven. Het verblijf
heeft vele en wonderlijke dingen gedaan aan hun uiterlijken, zoowel
als aan hun innerlijken mensch. Wie op den huidigen dag door Djokja
gaat, door stad en ommelanden, zal van die dingen de laatste sporen
nog gewaar worden aan hun achterkleinkinderen.



Wat de Djokjasche Indo-families, afstammelingen van de oude landheeren,
onderscheidt van alle andere, is, spelend in haast ontelbare
schakeeringen, de vermenging van het Javaansch-aristocratische met
het Westersch-democratische element.

In hun uiterlijk komt dat te voorschijn in de gelige tint der huid,
veel lichter dan zij elders bij Indo's is, en in den snit van het
gezicht, dat smal is, en in kaak en kin wat zwak, maar nooit grof
gevormd; terwijl bij alle rankheid de lichaamsbouw krachtig is en de
bewegingen vlug.

In het innerlijk toont zich de vermenging in ondernemingslust
en doorzettingsvermogen, waartegenover de spilzucht staan en de
achteloosheid in geldzaken van in erfelijken rijkdom opgegroeide
aanzienlijken, voor wie zulke geringschatting van wat voor de groote
meerderheid het levensbelang is, een teeken is van superioriteit;
en vooral in een vormelijkheid en een zekere verfijning die uit
het Oostersche principe voortkomt, en in een aan het dichterlijke
verwanten aanleg, die op zijn alleronverwachtst schuil kan gaan voor
Westersche nuchterheden, en een enkele maal ook wel voor Westersche
ruwheid, hoewel dat toch maar zelden. Westersch in het algemeen,
niet in het bijzonder Hollandsch: er is hier veel vreemd bloed.

Fransch bijvoorbeeld. De stichter van een der oudste en machtigste
landheerenfamilies in de Vorstenlanden was een Franschman, een kok uit
de Napoleontische legers, die in zijn pollepel een maarschalksstaf
bleek te bezitten. Hij kwam langs de hemel weet welke wonderlijke
wegen naar Java en aan het hof van den opvolger van dien Sultan Sepoeh,
die zulk een opmerkelijk talent had voor het uitbreiden van land door
meting. Het was een man van echt-franschen geest, voortvarend, moedig,
en verliefd op het buitengewone, dat de verbeelding aanvuurt; maar
tegelijk van het puur-avontuurlijke en romantische teruggehouden door
een precies begrip van de waarde van geld. Hij begon met den Sultan
lekkere schotels voor te zetten, en won zijn waardeering als kok. De
weg door de maag naar het hart was een korte bij den vorstelijken
lekkerbek. De knappe kok werd kameraad en bleek als beraden in--altijd
benarde en hopeloos verwarde--geldelijke zaken zijn gewicht in goud
waard. De Sultan gaf hem goud, in den vorm van land, en, om hem te meer
aan zich te binden, een van zijn dochters (hij was er vrijgevig mee en
kòn het zijn). De Franschman veranderde zijn voor een Javaansche tong
niet uit te spreken naam, en schikte zich ook verder naar Javaanschen
landaard. Als gemaal van een Sultansdochter leefde hij Sultan-lijk
op zijn met breede roeden gemeten landen. Hij bouwde er een huis dat
eer een kraton genoemd mocht, een labyrinth van gebouwen met een muur
van ettelijke voeten dik en zware poorten er om heen. Hij richtte
een eigen legercorps op, dat hij,--dacht hij nog aan den Grooten
Keizer?--zijn "legioen" noemde. Hij had zijn eigen muziekkorps, zijn
eigen menagerie, zijn eigen stoet jagers. En hij had ook een kris en
een speer, die als de wapenen der legendarische helden van het Westen,
als Durandal en Excalibur, een eigen naam hadden. Met die kris en
die speer trok hij, aan het hoofd van zijn legioen op tegen Dipa
Negara's benden in 1825. En de dikke muur van zijn kraton weerstond
alle aanvallen. Toen hij met zijn sultansdochter de zilveren bruiloft
vierde was niet enkel het geheele hof met alle edelen en ambtenaren
bij hem te gast en niet enkel de andere landhuurders, allemaal met
vrouwen, kinderen en dienstboden, maar de geheele bevolking van de
streek, voor wie hij een goed en rechtvaardig meester was.

Een landgenoot van hem kwam in de jaren 50, ook een soldaat, en ook uit
een "Napoleontisch" leger: uit dat van den derden Napoleon, dat in de
Krim had gevochten. Wie weet, had hij niet voor Sebastopol gestaan?,
den aanval gezien van "The Light Brigade" en gehoord hoe er gezegd
werd: "C'est magnifique mais ce n'est pas la guerre!" Er bleef iets
als een atmosfeer van avontuur en gevaar om hem zweven, zelfs hier
in Djokja. Hij kwam een samenzwering op het spoor in den kraton. Een
van de bijvrouwen van den Sultan, een eerzuchtige, geestkrachtige,
onversaagde vrouw, zooals er tusschenbeide, verwonderlijk, opstaan
uit den allen geest en moed verstikkenden druk van het kratonleven,
was de ziel ervan. Haar bewoog het eenige wat zelfs onder zulken druk
niet te verpletteren is: de moederliefde. Zij wilde haar zoon tot
troonopvolger doen verklaren, in plaats van den zoon der Sultane. In
het geheim had zij reeds een aanzienlijken aanhang. Haar toeleg werd
ontdekt en zij vluchtte, niet om zich met haar zoontje te bergen,
maar integendeel, om van een veilige plaats uit den strijd openlijk te
beginnen. De Fransche dragonder zette haar en haar gewapend geleide
in den nacht na, joeg de mannen op de vlucht, en bracht haar met het
kind terug in den kraton. De regeering, wie de schrik van 25 nog niet
uit het geheugen was gegaan, beval hem aan in de gunst van den Koning,
die den dragonder tweeden luitenant maakte. Toen hij, altijd nog in
Djokja, het vijftigjarige jubileum van zijn officierschap vierde,
werd de grijze tweede luitenant bevorderd tot kapitein.

De Hollanders, ook de soldaten onder hen, lieten zich veel minder aan
de glorie der wapenen gelegen liggen. Zij waren--ten minste de besten
onder hen waren--in hun hart kooplui; kooplui dan van het heroïsche
slag dat in Holland bloeide in de zeventiende eeuw, en waarvan onder
de aanzienlijke geldmannen van hun eigen tijd, renteniers als zij geen
speculanten waren, al lang de laatste eigenschappen waren verloren
gegaan. Met gerechtvaardigden trots spreken hun afstammelingen heden
van hen. Van dezen, die ontwikkelingen voorzag, toen zelfs nog niet in
beginsel aanwezig, en aan zijn land telkens nieuwe stukken aanvoegde,
zoodat het als met scherpe wiggen drong in nog onbezet gebied,
overal waar water overvloedig was. Van genen die op zijn landen
om de vijf paal een post had waar acht paarden gestald stonden,
met het aanlichten van den dag uitreed, zijn velden langs, en niet
terug kwam voor het donkerde. Hij wist alles wat overal gebeurde,
hij was alomtegenwoordig. Vermoeidheid kende hij niet, het woord
"gemak" had geen zin voor hem. Van een derde, geplaagd met een zwak
gestel, dat de kilte van de Djokjasche nachten slecht verdroeg: maar
die rheumatieklijder als hij was, er op uit ging, elken dag om de
ontginningen te inspecteeren, die hij overal in de streek had liggen.

Dat is het Westersche element, dat niet ten onder te brengen was door
welke verslappende invloeden ook. Maar niettemin liet het Oostersche
zich ook gelden: in hen, wel is waar, niet zoo sterk als in hun
kinderen. Bijna allen werden zij hartstochtelijke dobbelaars in den
omgang met de kratonbewoners, voor wie dobbelen de eenige uitkomst is
uit de doodschheid van hun leege dagen. Zij dronken zwaar ook. En zoo
niet zij zelf, dan hun kinderen, verkwistten ontzaggelijke rijkdommen
op geheel Oostersche manier, dat wil zeggen, zonder eenigen smaak of
zin, in pure, baldadige, roekeloosheid.

Van dit alles dragen hun huidige afstammelingen het kenmerk.

Niet in gelijke mate. Als in de industrie, waaruit hun macht en
beteekenis is voortgekomen, is ook in die kleine wereld-op-zich-zelf,
die de oud-Djokjasche families vormen, een element te onderscheiden dat
ten onder gaat, en een ander dat zich snel vervormt, zich aanpassend
aan nieuwe omstandigheden: terwijl bovendien, tusschen de twee in,
een derde staat, onveranderlijk, in zijn hoedanigheid, maar slinkend
bij den dag.

Dit element is een kleine, en al kleiner wordende groep, dat de oude
kenmerken duidelijk vertoont. Bij de andere twee zijn ze verbasterd.

Daar is, aan den eenen kant, de groote meerderheid die gaandeweg
terugzinkt in het Inlander-element. Het is alleen nog maar het bezit
van wat meer of minder fortuin dat, een onzekere afsluiting, hen
daarvan scheidt. Of zij zelven in steenen huizen wonen, "Europeesch"
huisraad gebruiken en--bij gelegenheid--in Europeesche dracht voor
den dag komen, hun naaste familie woont in den kampong, en zij zelven
voelen zich daar thuis.

Aan den anderen kant staat een groep, weinig in getal maar door
karaktereigenschappen de sterkste, die binnen afzienbaren tijd geheel
Hollander zal zijn geworden. De mannen die "in het landelijke" zijn
hebben een technische opvoeding ontvangen in Holland. En--ontwikkeling
van de allerlaatste jaren--onder de meisjes zijn er die zich
zelfstandig willen maken door een beroep, soms een waarvoor studie
aan de universiteit noodig is.

Over blijven, als erfgenamen van den ouden tijd, eenige weinige,
oudere menschen, tijdgenooten, velen van hen, van den ouden Sultan,
en zijn goede vrienden en bloedverwanten, die hij aanspreekt met
"broeder" als zij onder elkander zijn, en die de jonge pangeran's
en raden ajoe's "Oom" noemen. Zij zijn de bewaarders van al wat in
Djokja het verleden is: de hoofsche etiquette, de geschiedenis van
het Sultanaat en die van het oude landheerendom, die immers een eeuw
lang dezelfde geschiedenis geweest zijn; van de opvattingen en zeden
van vroeger. Veel merkwaardigs, veel moois ook is daaronder. En al
te gader heeft het de aandoenlijke bekoring van wat uniek geweest is,
en wat spoedig voor altijd verdwenen zal zijn.



Madjawarna


Langs een smal en steenachtig pad, dat soms opeens steil steeg en weer
zachtaan ging rijzen dan, en waar overal veel schaduw omheen was met
een glimpje van bloemen telkens en het lichte geluid van kabbelend
water, klommen wij de heuvels in boven Madjawarna. De zendeling van
den post, wiens gast ik voor eenige dagen was, wilde mij aan een
ontginning op de kruin van den heuvel toonen hoe Madjawarna, als zoo
menig ander Christenen-dorp, was ontstaan uit de nederzetting van
een enkel gezin midden in de wildernis.

Het pad, door naakte voeten in gras en kruid gesleten, liep door
het opene eerst, door struikgewas en boomopslag, dan door een hoog
en donker djati-woud, dat den grond bestrooide met zijn reusachtige
bladeren, bultig-bol als gedreven bronzen kommen. Alles was er bruin:
bruin van naakten grond, bruin van verdorrend gebladerte, bruin
van gladde, rechte zuilen van stammen, waar geen loover van afhing,
waar geen struweel tusschen opschoot. Heel in de hoogte pas gloorde
het groen der geweldige kruinen tegen de lucht, schuins doorstraald
van namiddagzon; daar kwam veel helder vogelgefluit uit, allerlei
fijne schelle tonen, boven het diepe gekoer van woudduiven uit en de
lach-roep telkens van den gelen wielewaal. Het was een andere wereld,
daar in de hoogte en waar wij gingen in den halfdonker.

Eén enkelen keer kwamen wij een mensch tegen, het was een mager,
armelijk gekleed, oud vrouwtje, met slierten wit haar langs het
ingevallen gezicht, die een hitje, even afgejakkerd en oud als
zijzelve, en bepakt met twee, van weerszij hem tegen de ribben
schokkende, manden vol gras, voor zich uit de helling afdreef. Wij
vonden het spoor van een ander mensch, die kort geleden hier gegaan
was, den geleider van een houttransport: de zware stam, aan een ketting
door buffels gesleept, had een glimmende streep getrokken over het
pad. Anders was van menschelijke nabijheid niets te merken. Op plekken
was het djati-woud minder dicht en gaf ruimte aan ander geboomte,
breeder en ijler van groei, waar met groote schijnsels en glanzen het
licht door heen viel; de boschrand ging open tegen de lucht, en de
wijde vlakte van Djombang gloorde op uit de diepte, fonkelgroen van
zonnig rijstveld. Dat verdween weer en dan was het woud nog donkerder
en nog eenzamer dan te voren.

De weg ging een steil ravijn door, en weer tegen een helling op. Toen
werd het licht. Rondom lagen de groote stammen geveld. En midden in
de open plek op de kruin van den heuvel verscheen het huisje van den
ontginner, van bamboe gevlochten, bleek en glimmig nog van nieuwheid.

Het was zoo laag dat wij bukken moesten om binnen te komen, en
schemerdonker als het bosch zelf: zóo rook het er ook: een reuk van
grond, dorre bladers en hout. Het huisgezin zat op een matje tegenover
ons, wien zij stoelen hadden aangeboden. De kinderen, een kloek met
kuikens, een jong geitje en een magere, spitsneuzige hond zochten
elk zijn plaats op de mat en tusschen de stoelen. De man vertelde,
met zijn zachte gedempte stem.

Het was te merken dat hij op de komst van den zendeling had gewacht
om in allerlei beslommeringen raad te krijgen. De vrouw zei een
woordje nu en dan. Zij zat met een kind aan de borst. Waakzaam zag
het verstandig-blikkende gezicht over het donzige koppetje van den
zuigeling heen.

Die twee menschen hadden met hun eigen handen alles wat om en aan hen
was gemaakt: hun kleeren, hun huisje, hun velden. De maïskolven van
den vorigen oogst hingen, goudig glimmend door de schemering, aan
rijen onder het lage dak. En op het veld rijpten de nieuwe al. Zij
toonden ons, wel-voldaan, den weligen akker. Rondom was ruimte voor
nieuwe ontginning; in hun hart en handen was moed. Zij hoopten enkel
op buren en vriendschappelijke hulp. Maar die zou wel komen op dezen
vruchtbaren grond, die voor arbeid verzekerde welvaart geeft.

Op den terugweg aan den rand van het al nachtelijk wordend woud
zag ik nog eens om naar het gelig-schemerende huisje, dat de kiem
was van een gehucht, wie weet hoe spoedig misschien een dorp van
gezeten boeren, eigenaars van den grond. Uit juist zulk een kiem,
zulk een gezin-in-een-huisje, begon, een goede vijftig jaar geleden,
Madjawarna zich te ontwikkelen. Midden in het wilde woud, dat de
vlakte toen bedekte, kapte een Christen-inlander, die zich onder zijn
Mohamedaansche dorpsgenooten niet langer op zijn plaats had gevoeld,
een plek open, waar hij een huisje kon zetten en wat voedsel bouwen
voor zich en zijn gezin. Een broeder kwam met het zijne om hem te
helpen. De ontginning werd een gehuchtje van eenige gezinnen; al
spoedig een dorp; het oude recht dat den ontginner tot eigenaar maakt
van den grond, beschermde de christen-gemeente toen ook Mohamedanen
zich daar kwamen neerzetten.

Het is nu een dorp van meer dan vijfduizend zielen. Aan het voorkomen
en de kleedij van de menschen, hun huizen en erven, de breede
wel-onderhouden wegen is het te zien dat het dagelijksch leven er
zijn eisch heeft en nog een begin van overvloed ook. De dorpsvelden
zijn goed verzorgd. Er staat vee in de stallen, roodbruine runderen en
ruige grauwe buffels die den ploeg trekken door den drassigen akker,
een enkele heeft een paardje. Op de markt, naast de brug, waar de
rivier met een frisch gebruis onder door schiet, ligt de kostelijke
rijst op hoopen en heuveltjes tusschen kramen vol waar.

Het huis van den zendeling staat midden in het dorp, tusschen
de inlander-huizen in. Men heeft er maar korten tijd te zijn om
te bemerken dat het een soort kantongerecht, notaris-kantoor,
consultatie-bureau en huishoudschool is in de oogen van de
dorpelingen. Een bescheiden kuchje, een "Ik vraag verlof," meer
gefluisterd dan gesproken, dat is alweer een vrager om raad of hulp,
die, onhoorbaar het erf opgekomen, neerhurkt ter zij van de kleine
voorgalerij. Uit de gesprekken van een enkelen na-middag zou men
vrijwel het beeld van de samenleving in het dorp kunnen construeeren.

Wongso komt de hulp van den "pandita" vragen in een moeilijk geval. Hij
heeft zijn huis--zijn mooi huis, met een pas nieuw dak!--verhuurd
aan een mantri van den waterstaat, omdat hij zulk een grooten meneer
't niet dorst weigeren. Maar de mantri staat bekend voor een kwaden
betaler. Als nu de pandita maar wilde.... Met de eene "sembah" na
de andere ontvouwt Wongso een plan, zooals een duizend jaar geleden
menige kleine landbezitter in Duitschland, Frankrijk, Holland,
Engeland het den abt van een machtig klooster voorgelegd heeft, als
zijn ridderlijke nabuur hem wat al te zwaar benauwde: hij wil zijn
huis aan den pandita overdragen, en de pandita zal de huur opeischen
van den boozen mantri. Gelukkiger in dit opzicht dan de Westersche
grondbezitter, die zijn eigenerfde akkers tot leengoed maakte om ze
niet heel en al te verliezen, weet Wongso dat hij het maar voor het
vragen heeft om zijn huis terug te krijgen van den pandita.

Jachman heeft zich muizenissen in het hoofd gehaald over de zekerheid
of onzekerheid van zijn erfelijk-individueel bezit aan sawah,
dat immers nooit goed te bewijzen is. Hij verzoekt dat de pandita
registratie als agrarisch eigendom voor hem zal aanvragen bij den
Landraad. Pas als hij den "brief" van den Landraad in handen heeft
"zal zijn hart koel zijn." Nu, namelijk, "brandt het."

Sidin--het is de rijkaard van het dorp--komt de geboorte aangeven
van een kind en legt een rolletje guldens, blinkend van tusschen
riem en sarong te voorschijn gehaald, op de tafel van den pandita,
met het verzoek dat de pandita een boekje van de spaarbank late halen
en er in opschrijve, dat Sidin deze guldens aan de postspaarbank te
bewaren geeft voor zijn kind.

Sarkam en Djembar zijn na een woedenden twist, dien zij liefst
met het mes beslecht hadden, door de buren overreed den pandita tot
scheidsrechter te vragen in hun zaak. Daar zitten zij, met fonkelende
oogen, links en rechts van de kamermat.

Niti's huis is afgebrand. Hij komt met getuigen, die verklaren dat de
brand op het dak begonnen is: brandstichting dus. Hij zal niet zeggen
dat hij zijn medeminnaar verdenkt, die gehoopt heeft op die wijze
zijn huwelijk te verhinderen, voor het sluiten waarvan de pandita
immers het bezit van een eigen huis eischt. Maar het is hem duidelijk
genoeg aan te zien dat hij van des pandita's alwetendheid uitredding
verwacht, ook zonder, mogelijk compromittante, medewerking zijnerzijds.

En inmiddels staan Mbôq-Ari, Mbôq-Sarinten, Sima en Sarkina te
wachten op de zendelingsvrouw om hulp bij het maken van kleeren,
het geven van medicijn aan een ziek kind, en het overreden van een
dochter die anders wil dan vader en moeder, plotseling, nu er sprake
is van vrijen en trouwen.

Er gaat geen dag voorbij zonder dat hulp gevraagd en gegeven wordt
in zulke dingen.

Zeker komen er ook die den zendeling zoeken als leeraar van den
godsdienst, die helderheid begeeren voor hun gedachte, vrede voor
hun hart. Maar zij zijn, klaarblijkelijk, in de minderheid.

De stoffelijke belangen zijner gemeenteleden behartigen, zóó als
zij dat met haast kinderlijke hulpbehoefte en vertrouwen van hem
verwachten; en dat uiteraard afwijkende zoo niet rechtstreeks
weerstrevende in gelijke richting doen loopen met wat hij hun
allerhoogste belang moet achten, het geloof in en het be-leven van
een wereld-verzakenden godsdienst: en te waken daarbij, dat niet de
schijn van het eene de werkelijkheid van het andere bedekke: dat is
het moeilijke probleem dat dag aan dag den zendeling in het Javaansche
dorp wordt gesteld.

Toen de man, wiens naam onafscheidelijk verbonden blijft aan
Madjawarna, toen Kruijt hier in '64 zijn levenswerk begon, vond hij
de jonge gemeente in een ongunstigen toestand. Vreemde elementen
waren binnengedrongen in de Christenen-nederzetting, en de strengere
moraal die daar een sterkte had moeten vinden, was bezweken onder
den aanval. Er werd opium geschoven, gedobbeld, ná feesten waarbij
verloopen vrouwen dansten, met messen gevochten, er werd gestolen en
gemoord in Madjawarna. Tegenover zulke euvelen die hij hoofdzakelijk,
zoo niet uitsluitend, aan de Mohammedaansche immigratie weet, koos
hij een politiek, die den indringelingen de keuze liet enkel tusschen
vereenzelviging met de gemeente der Christenen of verwijdering uit de
dessa. De oude Javaansche zede, die aan den ontginner een overwegend
aandeel geeft bij de regeling der dessa-zaken, verschafte hem (bij
samenwerking met die ontginners, immers Christenen), de mogelijkheid
daartoe.

Overreding tot overgang naar het Christendom of anders uitwijking,
verplichting tot kerkgang van volwassenen en verplichting
tot schoolgang van kinderen, elimineerden gaandeweg de vreemde
elementen. Later volgde op de negatieve actie een positieve door den
bouw van een kerk, van een school en van een ziekenhuis, terwijl ook
een spaarbank werd opgericht, een kweekschool voor onderwijzers en ten
slotte een ambachtsschool. Het was een wereld-in-het-klein met organen
voor al hare behoeften, lichamelijke, zedelijke, verstandelijke,
huishoudelijke, die de onvermoeid arbeidende vriend van den inlander
ten slotte daar had opgebouwd. Hij mocht verwachten dat zij zou
groeien en gedijen. In velerlei opzicht heeft zij dat gedaan. De
welvaart in Madjawarna en de omliggende Christendessa's is daarvan
een zichtbaar en tastbaar bewijs. En niet die gemeenten alleen, maar
de geheele streek, in een omtrek die bij den dag zich uitbreidt,
heeft baat bij de twee scholen en bij het ziekenhuis.

Het hospitaal dat in '92 werd opgericht om vijftig patiënten te
bergen, heeft op het oogenblik ruimte en verpleging voor meer dan
tweehonderd. [6] Er is onlangs--voornamelijk de suikerfabrikanten
van de streek hebben de gelden daartoe bijgedragen--een doelmatig
ingericht operatiegebouw bijgezet. Het heeft een afgezonderd liggende
afdeeling voor melaatschen. En de polikliniek wordt door gemiddeld
honderdtwintig patiënten per dag bezocht, die zelfs uit plaatsen,
waar openbare ziekenhuizen zijn, hierheen komen.

De Javaan wordt dikwijls voorgesteld als een natuurkind, gelukkig,
gezond, tevreden, en alleen door de aanraking met Westersche
onnatuur in gevaar gebracht. Een half uur in de voorgalerij van het
zendingshospitaal zou de kuur zijn voor zulke zoogenaamd dichterlijke
waan-voorstellingen. Wat een stroom van ellende gaat hier naar
binnen! Wonden, misvormingen, gezichten afschuwelijk door vuilen
uitslag en zweren, lichamen ellendig verminkt, oogen waaruit de blik
al bijna verdwenen is, leden die, lam, hangen. En onder die vele en
velerlei zieken hoeveel, ach! hoeveel kinderen, tot allerkleinsten toe,
als verflensende bloemetjes slap en bleek hangende in de draagsjerp van
de bekommerd-kijkende moeder! Het hart krimpt ineen bij de voorstelling
van wat er geleden zou worden, werd hier geen hulp geboden. In
de processie van ellendigen zijn het talrijkst de lijders aan
wonden. De Javanen gaan blootsvoets: zij treden op splinters, doorns,
scherven. Op den akker, bij het grassnijden, bij het bamboe hakken,
hanteeren zij een kort zwaar mes: een onhandige beweging slaat een wond
tot op het been toe. Zij werken in fabrieken: de gewoonte maakt hen
onachtzaam tusschen machines. Misschien is de kwetsuur onbeteekenend
geweest eerst. Maar fatalistische onverschilligheid, verwaarloozing,
onzindelijkheid en de praktijken van den Indischen kwakzalver, den
doekoen, maken van een schram al spoedig een etterende, invretende
wonde. Het zijn ijselijkheden die de dokter en de verpleegsters te
heelen krijgen, dag aan dag.

Ook teringzieken komen er in helaas! nog altijd vermeerderende
getallen. De voorwaarden waaronder het geringe volk leeft, bevorderen
de akelige armoedziekte, die te voorschijn komt in allerlei
afzichtelijke gezwellen en misvormingen van het beenderstelsel. De
behandeling in het hospitaal doet wat alleen-doenlijk is zoolang niet
betere levensomstandigheden een betere volksgezondheid voortbrengen:
veel pijn verzachten.

Dan komen de ooglijders. Volgens de ervaring van den behandelenden
arts zijn zij er in een menigte, waarvan de statistiek (l'art de
préciser les choses qu'on ignore) geen flauwe voorstelling geeft:
schrikwekkend. Java is een van de vier wereldcentra der "Egyptische
oogziekte;" (Egypte, Amsterdam en de provincie Limburg de drie andere)
en de achteloosheid en onkunde der lijders verergert het op zichzelf
al zoo erge kwaad. Mits bijtijds aangebracht, vermag medische hulp
hiertegen echter veel. En, gelukkig, wint die overtuiging veld onder
de Javanen, zoodat, wie vroeger zich maar overgaf als hij het al
grijzer en donkerder zag worden om zich heen, en zich niet meer uit
huis durfde wagen zonder een leidende hand, nu vol vertrouwen bij den
zendingsdokter komt, en zelfs voor de deur van de donkere kamer, en
voor het fel uit den nacht opschitterende oogspiegeltje en de scherpe
druppels uit het spuitje niet meer terugschrikt. Het is aandoenlijk de
gezichten te zien in de afdeeling voor ooglijders: een weinig opgeheven
naar waar, door het verdonkerende verband heen, het licht te voelen is,
als tastend naar een, nog verre, maar toch al maar dichterbij komende
vreugde. En zooals nu en dan een, met schuin gehouden hoofd, een heel
klein glansje poogt te vangen onder den blinddoek, en een ander, door
een zwarten bril heen, zijn hand beziet, duidelijk voor het eerst
weer sedert wie weet hoe langen tijd! De kinderen zitten heel stil,
ontroerend-geduldig, met een bloempje of een stuk speelgoed, dat een
verpleegster hen in de hand heeft gegeven. Als zij den stap van den
dokter hooren, verhelderen de kleine gezichten. Hij belooft hun dat
ze gauw weer naar huis mogen en spelen met de broertjes en zusjes.

Er zijn véél kinderen in het ziekenhuis, lijders aan allerlei
ziekten, operatie-patiëntjes ook, véle. Men moet zich den angst en
den afschuw, dien de Javaan voor het mes van den chirurgijn voelt,
eerst goed voorstellen om te kunnen begrijpen wat dat beteekent: een
overwinning, door zuivere menschenliefde behaald op vooroordeel niet
alleen, maar op het wantrouwen, de vrees, den haat die drie honderd
jaar lang bruin van blank gescheiden hebben gehouden op Java.

Voor een deel is die overwinning te danken aan het wijze inzicht
dat onnoodige botsingen vermijdt; er wordt in het ziekenhuis niet
gestreefd naar bekeering der patiënten. Wel vindt de Christen er de
gemeenschap in geestelijke dingen die hij zoekt, doch den Mohammedaan
wordt zij niet opgedrongen. Vandaar dat zelfs priesters het ziekenhuis
der zending zoeken.

Met de school staat het anders: deze is bepaald confessioneel. Zij
is opgericht om kinderen op te leiden tot de Christelijke
wereldbeschouwing. Niettemin zenden ook Mohammedaansche ouders,
en die willen dat hun kinderen Mohamedanen zullen blijven, hun
kinderen er heen. Het gebeurt zelfs dat de Moslim-kinderen er in de
meerderheid zijn. In een school, voorverleden jaar in een naburige
dessa opgericht, waar maar weinig Christenen wonen, is de proportie
van Mohammedanen tot Christen-kinderen zelfs als van bijna vier tot
een. Blijkbaar tellen de niet-Christenen het confessioneele gevaar
voor weinig of niets tegenover de winst die hun kinderen voor het
geheele leven hebben van een opvoeding op de zendingsschool. Het
geval is analoog met dat van het hospitaal, in zoover als ook de
school beantwoordt aan een behoefte die anders onvervuld zou blijven:
want de inlandsche dessaschool, waar niet anders geleerd wordt dan het
op een dreun opzeggen van onverstane Koran-teksten, wordt zelfs door
weinig nadenkenden in dezen tijd niet meer aangezien voor zulk een
vervulling. Zooals zij den arts en de verpleging in het ziekenhuis
zoeken, liever dan den doekoen en zijn toovermiddeltjes, zoo zoeken
zij ook den schoolmeester en het, zij het dan ook Christelijk gericht,
onderwijs liever dan den goeroe en zijn Arabische spreuken.

De opleiding in de zendingsschool is gericht in de eerste plaats
op de vorming van het karakter in Christelijk-deugdzamen zin; de
ontwikkeling van het denken door het aanbrengen van kennis is tot
dat doel een middel. Zij gaat te werk volgens een methode, die door
de hernieuwers van het onderwijs in Duitschland begonnen en bij ons
te lande nagevolgd, door den tegenwoordigen leider der school is
gewijzigd naar de behoeften van den Javaan.

De school neemt het dessa-kind op van zijn derde of vierde jaar af:
zulk een kleintje komt in de fröbelklasse. Met zijn vijfde of zesde
begint het dan aan het eigenlijke school-onderwijs dat, als het in
zijn geheel wordt gevolgd zes jaar duurt, en omschreven kan worden als:
het stelselmatig ordenen, tot een helder begrip herleiden en aan zijn
welzijn dienstbaar maken van de ervaringen van zijn dagelijksch leven,
zooals dat van kinder- tot jongelings-leeftijd verloopt. Het Javaansche
volkskarakter heeft een eigenaardige neiging tot het verzamelen van
volkomen onnutte mystieke "kennis;" die neiging wordt tegengegaan. De
kinderen leeren, stelselmatig, door aanschouwing, begrip en toepassing,
belang stellen in wat hen het meest onmiddellijk aangaat. Zij leeren
alles omtrent hun huis, hun huisraad, hun erf, de planten en vruchten
die er op groeien, de dieren die er verzorgd worden. Zij maken modellen
van wat hun vertoond is en uitgelegd: van een huisje, een schuur,
een kar, akkergereedschap en huisraad. Zij teekenen een paard en een
buffel, kippen, eenden, duiven, terwijl zij leeren hoe die dieren
behandeld en verzorgd moeten worden. Zoo worden zij geprikkeld tot
zelfwerkzaamheid, die een eind maakt aan het gedachtelooze ná-doen
dat zooveel bedorven heeft en altijd nog bederft van den goeden
aanleg van het Javaansche volk. Het is alleraardigst om te zien met
welk een pleizier en handigheid de kleine knutselaar van klei en van
rijststroo-halmen door bolletjes was verbonden, zijn heele omgeving
in het klein nabootst en speelgoed maakt met schoolwerk tegelijk. De
twee eerste jaren gaan er aan, hem op die manier zijn naaste omgeving,
en zichzelven in die omgeving te doen kennen. Dan breidt zijn ervaring
zich uit; hij wordt in theorie (als in de praktijk) een werkend lid,
van zijn gezin eerst, dan van zijn dessa: hij leert met luisteren,
herhalen en doen, wat er gebeurt in huis, in school, op de sawah, in de
warong, op den pasar, in de smidse en den timmermanswinkel. En in het
vijfde en zesde jaar wordt de kring uitgebreid tot de uiterste, voor
hem beschikbare grenzen, over de hoofdplaats van de streek en geheel
Java, waarbij hij dan de inrichting leert kennen van het dessa-bestuur,
de politie, de spaarbank, de gesteldheid van het land, de middelen van
verkeer, de toestanden, en die niet alle zooals zij op dezen dag zijn,
maar zooals zij zich, sedert de laatste, zeg, vijftig jaar, ontwikkeld
hebben. Lezen en schrijven, rekenen, aardrijkskunde en geschiedenis van
Java voor zoover ze voor hem bevattelijk en nuttig zijn, leert hij in
dit verband. En tevens wordt zijn aanleg voor muziek en voor teekenen
langs specifiek-Javaansche lijnen ontwikkeld. Op zijn twaalfde jaar
(dan is het Javaansche kind jonkman en jong-meisje) heeft de leerling
zooveel begrip van de samenleving als hij om harent- zoowel als om
zijnzelfswil behoeft; en het mogelijke is gedaan om zijn werklust te
ontwikkelen en zijn zin voor de gemeenschap.

Een kweekschool voor onderwijzers is verbonden aan deze school. En
zij sluit aan bij een ambachtsschool, die tegelijk werkplaats en
winkel, degelijk huisraad levert voor uiterst matigen prijs, zoodat
de dessa-man al begint daar te koopen, terwijl de leerlingen er
gevormd worden tot handige timmerlui en schrijnwerkers, die hun kost
kunnen winnen onafhankelijk van den hoe langer zoo meer precairen
landbouw. Naast die vak-opleiding voor jongens staat er eene voor
meisjes, een naaischool onder leiding van de onderwijzersvrouw, en een
zorgvuldige opleiding voor het huishouden die, in haar huiselijken
kring, de vrouw van den zendeling aan een vast aantal dochters van
gemeenteleden geeft.

Resultaten van deze inrichtingen en methoden der zending zijn het
die zoo verblijdend te zien komen in de algemeene welgesteldheid van
Madjawarna en zijn omgeving.



Weinig dingen zijn zoo moeilijk als een Javaan afbrengen van
overlevering en oude gewoonte. Een woord als dat van Potgieter:


    "Slechts vernieuwing kan behouden
    Achter raakt wie stil blijft staan,"


heeft voor hem geen zin. Het is voor de zending geen geringe roem,
dat zij werkelijk er in geslaagd is hem zooveel en zoo velerlei
nieuws te doen aanvaarden. Zoo als zij hem er toe gebracht heeft zijn
stoffelijk en zijn verstandelijk bestaan te vernieuwen en vernieuwend
te verbeteren, zoo streeft zij ook en uiteraard hoofdzakelijk, naar een
vernieuwing en verbetering van zijn zedelijk bestaan. De resultaten
zijn niet zoo spoedig bereikbaar, noch zelfs, bereikt, zoo dadelijk
bemerkbaar op dit gebied als op de twee andere. Niettemin valt toch
al bij vergelijking van Madjawarna met het gewone type der Javaansche
dessa een groote verandering ten goede waar te nemen in de openbare,
zoowel als in de huiselijke zeden.

Dit bijvoorbeeld, dat het dorpshoofd en de leden van het dorpsbestuur
niet Mohammedanen zijn, maar Christenen: dat is al een nieuwigheid
die gelijk geacht mag worden aan een omwenteling in de oude orde
van dessa-dingen. Voor den dessa-man is geen scheiding ooit denkbaar
geweest van kerk en staat, om op zijn Westersch te spreken. Althans
sedert de Mohammedaansche verovering is de beheerscher van het land
het hoofd van den godsdienst geweest, en alle van hem uitgaand en
afdalend gezag dit twee-ledige: staatkundig en kerkelijk. Nog altijd
is voor den kleinen man vooral, de Soesoehoenan van Soerakarta
de opperheer van Java, koning en priester tegelijk. (De Sultan
van Djokja, als uit een jongeren, en later, door de macht van
vreemden tot de heerscherswaardigheid gekomen tak, geniet niet
hetzelfde aanzien.) Hij gelooft dat de Soenan de zon kan doen
schijnen en den regen vallen. Als het hem gebeuren mag den Soenan te
zien--Vorstenlanders maken vaak opzettelijk de reis naar Solo--zal hij
het heele jaar gezond blijven. Op het nieuwjaarsfeest vecht hij om een
scherf van het vaatwerk waaruit de Soenan gegeten heeft, en bergt die
als "djimat," als geluk-aanbrengenden talisman, in zijn huis. Al gaat
hij niet zoo ver als de Vorstenlander die uit vergodenden eerbied
den ingang van zijn huis niet op dezelfde hemelstreek durft maken
als waarop de Kraton-poort is gericht, op het Oosten, hij beschouwt
toch den priester-koning als een wezen zoo verheven, dat reeds zijne
nabijheid heiligt. Tegenover een Vorstenlander als zoodanig gedraagt
hij zich als tegenover zijne meerdere. Een Vorstenlandsch gebruik is
voor hem de "adat" bij uitnemendheid. Een sarong of een hoofddoek uit
de Vorstenlanden is een kostbaar en ook gelukaanbrengend bezit. Geen
grootere glans kan verleend worden aan een regenten-familie dan door
een huwelijk met een Solosche of Djokjasche vorstendochter.

Van dien grootste daalt het gezag verminderd wel, maar niet in
aard veranderd, op de kleineren af. De regent van de streek is de
hoofdpriester van de streek. Het dessa-hoofd is de dessa-priester,
die voorgaat bij godsdienstige plechtigheden en voorzit bij de
offer-feesten van het dorp. Een Christen, dus een niet-priester,
haast zou men mogen zeggen een tegenpriester als dessa-hoofd, dat
was een breuk in wat onverbrekelijk had geschenen. Er is indertijd
gewaarschuwd voor het gevaarlijke van de proefneming: men vreesde voor
oproer. Niets van dat alles! Op de geleidelijkste en vreedzaamste wijs
heeft de groote vernieuwing haar beslag gekregen. Misschien hielp
daartoe, wat Madjawarna betreft, een recht nog ouder dan de Islam:
het ontginnersrecht dat gezag geeft over de dessa, en de godsdienst
van den ontginner van 1818 was het die het nieuwe recht van zijn
opvolgers beschermde. Maar in andere christendorpen ligt het geval
anders: zonder den beschermenden schijn van welke oude denkbeelden ook,
is dit nieuwe er ter overwinning gekomen. En, merkwaardig! uit eigen
beweging hebben zelfs Mohammedaansche dessa-lieden hun Christenhoofd
dezelfde voorrechten toegestaan, ten opzichte van akkerbezit en
dorpsdiensten als den Mohammedaanschen loerah toekomen. Dat hij geen
deel neemt aan de offerfeesten wordt, als nadeel, blijkbaar gering
geacht tegenover het voordeel dat een op betere beginselen rustend
bestuur aanbrengt. Het is weer hetzelfde geval als met het ziekenhuis
en de school; omdat het blijkbaar, tastbaar, zichtbaar beter is,
wint het nieuwe het van het nog zoo vereerde en hartstochtelijk
vastgehouden oude.

In het huiselijk leven is een dergelijke vernieuwing bemerkbaar. Er is
tegelijkertijd meer vrijheids-gevoel en meer verantwoordelijkheidsbesef
in gekomen. Man en vrouw scheiden zoo licht niet van elkander als
gewoonlijk Javanen doen, onder wie drie, vier, vijf maal scheiden
en hertrouwen niets ongewoons is. De ouders nemen de opvoeding der
kinderen ter harte. Er zijn er zelfs al bij wie die zorg zich uit op
een wijze haast ondenkbaar voor een gewonen Javaan: door zorg voor de
toekomst der kinderen. Zij hebben een spaarbank-boekje op den naam
van hun kind, en brengen geregeld daar op in. Zij laten de kinderen
op school, zoo lang zij maar eenigszins het zonder hun mede-arbeid en
-verdienste kunnen stellen. En ook de meisjes krijgen een opvoeding,
wat onder gewone dessa-lieden nooit gebeurt. Tegelijk komt een zekere
vrijheid in de houding der kinderen tegenover de ouders. Zij ligt niet
in de Javaansche zede. Zoolang het klein is wordt het Javaansche kind
vertroeteld en ook verwend en bedorven tot in het ongeloofelijke. Den
geheelen dag solt een Javaansche moeder met haar kind. Het gaat de
"slendang" niet uit. Als het kikt wordt het aan de borst gelegd. Zelfs
in de kerk. Geen sprake er van dat het een oogenblik, op nog zoo
veilige plek, alleen wordt gelaten, een oogenblik aan nòg zoo goede
hoede van een ander toevertrouwd. "Als mijn kind niet uit mij drinkt,
sterft mijn kind." Het "drinkt uit zijn moeder" nog wanneer het al
begint te rooken. Ieder die door de velden loopt kan dit tafereeltje
zien: een jongen van een jaar of drie die van zijn kornuiten bij het
rijst-bewaken of het rietblad-stroopen wegloopt naar de borst der
geduldig-neerhurkende moeder, en, verzadigd, een strootje opsteekt en
wegwandelt. Maar laat de dreumes grooter worden en met vertroetelen
is het uit. Tegenover een volwassen kind zijn ouders streng, om niet
te zeggen hard. Er wordt bevolen, en nooit gezegd waarom. Er wordt
gestraft en gewoonlijk niet rechtvaardig of redelijk, laat staan
zachtzinnig. Naar eigen wil van een zoon of dochter wordt zelfs niet
gevraagd bij een huwelijk. Dat is anders geworden sedert de zending
de huwelijksinzegening afhankelijk heeft gesteld van de verklaring
van bruid en bruidegom beiden, dat zij uit vrijen wil elkander tot
echtgenoot nemen. "Als u mij dwingen wilt moet ik gehoorzamen, maar ik
zal voor den pandita verklaren dat ik gedwongen ben" heeft al eens een
àl te autoritairen vader tot inzicht en toegeven gebracht. Terwijl
een verdere vrijheids-vermeerdering voor het kind bereikt is door
een tweeden eisch der zending: dat het jonge paar een eigen woning
hebbe. Gewoonlijk trekt het bij de ouders van den man in. Het is een
gebruik dat, als bekend, ook onder het Russische boerenvolk heerscht,
(altijd door vindt men punten van overeenkomst tusschen Javanen en
Russen, in het Westen en in het Oosten de hedendaagsche-middeleeuwers)
de lezers van Gorki's novellen weten met welke gevolgen. Zij zijn
hier op Java dezelfde. In het Christenendorp is de mogelijkheid voor
hun ontstaan afgesneden.

De levenswijze van den enkeling ook is veranderd onder den invloed der
nieuwe denkbeelden. Hoewel door geen tekst letterlijk verboden, zóo als
bijvoorbeeld alcoholische dranken verboden zijn door een Korantekst (en
niettemin, hoe langer hoe meer helaas, gedronken worden), wordt toch
drinken, opiumschuiven en dobbelen geacht voor een christen ongepast
te wezen, evenals het leenen tegen woeker-rente, de "nieuwe adat"
is daartegen. Het is niet aan te nemen dat dat alles in het geheel
niet meer voorkomt onder Christenen; maar stellig is het zeldzamer
onder hen.

Zooveel dan heeft de zending gewonnen. Heeft zij ook gewonnen wat haar
het allerbelangrijkste moet schijnen, de innerlijke bekeering van den
Javaan? Uit de woorden van zendelingen, zooals zij opgeteekend staan
in hun eigen organen, uit de herhaalde klachten over het langzame
vorderen van den zendingsarbeid, de zeldzaamheid der toetreding van
volwassenen tot het Christendom, en de kracht die, alle belijdenis
van den Christelijken godsdienst ten spijt, het oude, animistische
bijgeloof en de fataliteits-idee, beide even verderfelijk, nog over
den geest van den Javaan blijken te behouden, uit zulke klachten
schijnt het gewettigd de gevolgtrekking te maken dat de zending tot
dit haar hoogste doel, tot nog toe niet zoo dicht is genaderd als
tot die andere doeleinden, in het stoffelijke, verstandelijke en
maatschappelijk-zedelijke gelegen.

"In zijn verslag over 1898 klaagt hij (Kreemer) zeer over de
oppervlakkigheid zijner bekeerlingen. Hij miste bij hen maar al te
vaak energie en een levendige opvatting van het Christendom; en typen
van ontwikkelde, in het hart getroffen Christen-Javanen, die.... als
een bewijs van den zegenrijken invloed der zending vertoond kunnen
worden, zijn schaarsch." [7]

"Geeft men den menschen in de eene hand rijst, in de andere den
godsdienst, dan is de hand met rijst steeds aan den mond, de andere
zoover mogelijk uitgestrekt." [8]

"Er is geen andere weg (dan land-ontginning) om het Evangelie meer
ingang te doen vinden, en het tot gemeengoed van dit diep gezonken
volk te doen worden." [9]

"Er komt van lieverlede orde en regel in het leven van den Javaanschen
Christen. Hij wordt werkzamer, begint zich beter te kleeden; toont bij
toeneming de behoefte om goed te wonen en zich netter in te richten;
van opium-pijp, dansmeiden en spel is geheel afstand gedaan; de
lommerd blijft onbezocht; de landrente wordt geregeld gekweten; de
kinderen, ook de meisjes, gaan allen school; en van echtscheiding,
anders schering en inslag onder de Javanen, wordt niet, of hoogst
zelden, gesproken; politiezaken komen niet voor." [10]

Met zulke zeggingen in de gedachte, en het schouwspel van een dorp als
Madjawarna voor oogen, voelt de beschouwer die onpartijdig tracht te
staan, de gedachte opkomen dat de Javaan van de zending andere gaven
zoekt en aanneemt dan die eene, die zij de eéne-kostelijke acht en
dat hij "Christen" wordt om vooruit te komen in de wereld.

Als dat zoo is, dan heeft de zending een ander doel gediend dan
zij voor het hare koos. Die haar overtuigingen deelen zullen zich
daarover bedroeven. Die een andere wereldbeschouwing hebben, zullen
bedenken hoe dit niet de eerste maal zou zijn dat over de beweging
der enkelen heen, en er tegen in zelfs, en toch en zelfs juist door
middel daarvan, de maatschappij haar eigen voorwaartschen gang gaat,
naar haar eigen, nog achter onzen gezichteinder verborgen doel.



Een bevloeiïngswerk.


In het stroomgebied van de Solo ontspringt en verzinkt weer in den
drassigen grond de Pritjetan. Zij is een van die vele "tijdelijke
rivieren" op Java die in de regenmaanden aanwassen tot een woesten
vloed, en in den drogen tijd slinken tot verdwijnens toe. Haar
bovenloop gaat door een wijd dal tusschen twee met een verren zwaai
naar elkander toe buigende landruggen ingesloten, waarvandaan de grond
langzaam aan oprijst naar de streek waardoor de naaste der vele van
de bergen komende zijrivieren der Solo vloeit. In den Westmoesson,
als ontelbare bronnen en aderen opengaan in den doordrenkten grond,
zwelt de Pritjetan tot een sleurenden stroom die over zinking en
zwelling heen voortrent naar de groote rivieren. Maar zoo haast de
regens ophouden ebt zij van de hellingen weer weg, ligt als een
slijmerig groene plas in de kom van het dal, wordt een smalle en
al smallere kronkelbeek, en is ten slotte niet meer dan een dunne
trage spreng, die wegsiepelt in een moeras. Het dal, beurt aan beurt
verdronken en verdorrend, is gaandeweg verlaten door de bevolking
die er verhongerde, zoo rijk als de grond is. De weinigen die nog
bleven, leden ellende. Zij geneerden zich met houthakken in de groote
djatibosschen van den omtrek, met sprokkelen, het plukken van djatiblad
dat zij op de passars in den omtrek verkochten als inpak-materiaal
voor eetwaar, van hout-diefstal natuurlijk ook. Op de hellingen
trachtten zij tabak te telen; in de kuilen rijst. Het gebeurde soms
wel dat zij tot zeven malen in een jaar opnieuw plantten en van den
nu verschroeiden, dan verdronken grond niet éenmaal een eenigszins
voldoenden oogst wonnen. Wie een kip slachtte, deed het in het geheim,
om niet overvallen en mishandeld of misschien doodgeslagen te worden
voor het begeerlijke maal. Van het dagenlange zwerven door het scherpe
woud kregen kinders als volwassenen, vrouwen en mannen, wonden aan
de voeten, die gaandeweg invraten, tot het been bloot kwam; niemand
was er die hen verzorgde. Om zulke ellende te verhelpen, dadelijk,
en een toekomst te beginnen van allengs toenemende welvaart, werd
verleden jaar het groote werk aangevangen dat de Pritjetan zal maken
tot den wèl-geregelden bevloeier van de streek.

Het is het eerste werk van dien aard en die groote verhoudingen, op
Java van regeeringswege begonnen. Twee en een halven K. M2. oppervlakte
heeft het dal, dat door den afsluitdam veranderd zal worden in
een vergaarkom voor de bandjirwateren der rivier; de capaciteit
zal zijn van tien millioen M3.; zeventien M. hoog bij vierhonderd
lang en, op zijn zwaarst, negentig breed, de reusachtige dam die
de watermassa tegenhoudt; en het langs twee kanalen rechts en links
van den aftapduiker afgevoerde water zal voldoende wezen om meer dan
zesduizend bouw grond geschikt te maken voor rijst-teelt. Zesduizend
bouw rijst, in dit altijd meer rijst behoevende land! Het moest
heerlijk zijn te zien hoe zoo iets wèrd. Wij gingen.

Van het Djombangsche uit naar de Pritjetan-vallei is de tocht
een gang van de volheid der technische beschaving terug naar
de natuur. Het begin van den weg loopt langs enkel fabrieken en
spoorweglijnen; suikerfabrieken links en rechts van den langen, door
zware tjikarren stukgereden weg; twee ijsfabrieken, waarvan het groote
wiel gewenteld wordt door een voorbijstroomend, met dammen en sluizen
driftig gemaakt riviertje; de stad Djombang dan, het drukke station
van spoor- en tramlijnen, de straten waarlangs automobielen stuiven;
weer fabrieken, groote, pasgebouwde, dreunend van zwaren machineslag;
de dijk langs de Brantas en over de breede rivier heen de twee lange
bruggen, zwaar en breed, de eene voor het algemeen verkeer, de andere
als spinrag dun en zwart om te zien, twee smalle ijzeren staven op
vele smalle ijzeren stutsels, de brug van de Babat-Djombangtram. Aan
gene zij van de groote, als een meer breede en rustig-vloeiende
rivier, weer een suikerfabriek met geweldigen schoorsteen boven de
boomen uit, weer een drukke straat tusschen Chineesche winkeltjes en
woninkjes door, en altijd nog de blinkende rails der tramlijn. Maar
nu wordt het stiller. Voor onzen automobiel vliegen zwermen vogels
op uit de vaalgele Oostmoessonpadi, die armelijk op het veld staat,
verdord in de laatste gloeiende weken, waarin niet een enkele bui is
gevallen. Verderop gaan pluksters door het veld; zij bewegen langzaam,
geluideloos, lusteloos door den geringen oogst. Er staan armelijke
huisjes aan den weg, dun van wanden onder een uitgerafeld rieten
dak. Dan is ook dat verdwenen. En de weg duikt de schaduw in van
het bosch.

Het is djati-bosch, gouvernements-aanplant. De groote gladde, bruine
zuilen van stammen staan geregeld in de rij. Er zijn kenmerken op
aangebracht, hier, ginder, daar alweer, met roode en zwarte teekens,
met kepen diep gekerfd in den bast. Opeens wordt alles licht, dan,
heelenal grijs: hier is het bosch "geringd." Om de stammen heen loopt
een breede witte wond, waar de bast is afgelicht van het hout. Zóó
moet de boom doodgaan, "sterven op stam." Het duurt twee jaar voor de
laatste toppen zijn uitgedroogd en het levende organisme verstijfd
is tot bouwstof. Mager als geraamten, strak als steen staat het
bleeke bosch te sterven. En zonderling, vlak daarnaast weer, het
herbeginnende groen, dof grof groen van djati met verrassend daar
tusschen op een enkele plek de teedere, tintelend-lichte looverwolk
van een tamarinde, een lente van een boom, en, schitterend in de zon,
djoewars in vollen bloei, goudgeel.

Nog altijd loopt naast ons het spoor der tram. En, tusschen de
boomen, op een enkele plaats, komt een tweede spoor te zien, in de
hoogte, een spoor door de lucht, over afgezaagde stammen loopend;
de mono-rail, waarlangs van de heuvels af, hangende ijzeren wagens
met boomstammen bevracht, in een vliegende vaart naar beneden
komen. De exploitatiechef der tram, onze gids op dezen tocht,
legt ons de constructie in W-vorm der wagens uit, waarvan hij de
uitvinder is en eerste toepasser. Het is niet mogelijk, dat, zelfs
bij de scherpste bocht, de slingerende wagens ooit uit het gewicht
raken. In den regentijd, als de boschwegen in moeras veranderen, gaat
ongestoord het hout-transport zijn gang langs dezen luchtigen weg,
de eene ijzeren staaf op de onthoofde boomen gedragen. Overal in het
bergland van Java op cultuur- en houtaankapondernemingen begint men
nu met den aanleg van zulke monorails.

Wij hebben het punt bereikt waar wij den landweg moeten verlaten. Van
hier naar het waterwerk gaat de tocht verder in een lorrie. Er is
een dakje van gevlochten blad over gemaakt en twee omgekeerde leege
petroleum-kisten staan er in voor banken. Zes halfnaakte koelies
duwen ons voort over het smalle spoor, op zijn dwarsliggers van jonge
djati-stammen en zijn dijk van zand en kalksteen, omgewoeld op plekken
door een stortbui, plotseling gisteren gevallen. Heuvel op kruipen,
heuvel af vliegen wij, de koelies tusschen ons in. We zien tegen
glooiïngen op en in kuilen akkertjes van enkele voeten in het vierkant,
armzalige lapjes tabak- en rijstveld. In lompen gekleede sprokkelaars
gaan bukkend door het bosch. Wij komen mannen tegen als wandelende
heuvels bladeren, die den langen weg af gaan naar een pasar ergens in
den omtrek. Dan wordt, laag gelegen, een lang vlak gebouw zichtbaar,
wit en grauw. De van zweet gudsende koelies laten de lorrie stilstaan
voor de woning van den ingenieur. Hij brengt ons naar het werk.

Van een hoogte van uitgegraven en opgeworpen aarde uit zien wij het
wordende liggen. Daar blakert, grauwwit in de felle zon, de groote
aftapduiker, tusschen gemetselde muren vier lange rechte kanalen,
waardoor het water uit de groote vergaarkom, onder den dam door,
geleid zal worden naar de bevloeiïngs-kanalen. Op een uitgestrektheid
cementen vloer aan gene zij van den duiker is een ploeg werkvolk
aan den arbeid. Recht in de rij staan zij, met zware stampers, het
uitgegoten cement vast te stampen, onder toezicht van den mandoer,
een grooten, pikzwarten neger, in hemelsblauwen broek en wit hemd,
die als een zeeman op het schommelende scheepsdek, wijdbeens staat,
en zijn orders geeft op een bootmansfluitje. De cementen vloer wordt
de bedding van het water dat naar den uitwoelbak stroomt. Als in een
echte bedding is hier al een bronnetje te voorschijn gesprongen. Het
mag niet gestopt--levend water laat zich niet terugdringen: het
vingersmalle straaltje zou den geheelen geweldigen dam van binnen uit
gaan uithollen, en uiteen woelen. Er wordt een afzonderlijk kanaaltje
gemaakt in den cementen vloer voor het borrelende bronnetje: een koeli
is er bezig aan. Aan genen kant van het cement flikkert tusschen
gemetselde wanden een plas, vlak en plat, waar des vier stroomen
uit den duiker bruisend neerstorten zullen en tot effen rust komen
voor zij, naar links en naar rechts de twee lange leidingen in gaan,
die wat nu moeras is en zandwoestijn bij beurten zullen veranderen
in vruchtbaar veld.

Rondom dien duiker in de diepte, als rondom den grondslag van het
langzaam opgroeiende werk, is een leger arbeiders doende. Er wordt
beton gemaakt. Daar slaan dozijnen steenkloppers den harden grauwen
kali-steen voor stuk. Tot heuvelhoogte al is de hoop steenslag
gegroeid: de mannen zitten klein aan den voet van den blinkenden
schervenberg. Het onafgebroken geknetter van brekenden hamerslag en
verbrijzeld gesteente maakt de lucht aan het trillen. Terzij van den
steenslag-heuvel staat een gehucht van loodsen, blinkend met daken
van gegolfd metaal. Met kracht van handen en met kracht van machines
wordt de verbrijzelde steen gemengd met zand en met cement: eindeloos
komen de rijen zware witte zakken er aan, die eenige duizenden mijlen
ver weg, aan de overzij van de wereldzee, langs Engelsche rivieren,
gevuld zijn.

Op den vloer van de machineloods liggen de lange ijzeren stangen, die
aan het eind omgebogen moeten tot in elkander grijpende haken. Dan
worden zij gevoegd in het reusachtige rasterwerk, dat daar buiten
over den grond ligt, een strak en toch veerkrachtig net van ijzeren
mazen, dat den uitgegoten en dadelijk verstarden stroom van beton in
onverbrekelijken vorm en vastigheid zal vangen. De groote dam, die op
den aftapduiker komt te staan, in een boog tegen den loop der rivier
gericht, de groote dalkom afsluitend, zal voor binnensten kern zulk
een muur van kalk en ijzer hebben. De zachte siepeling van het water
kan niet door het beton. De druk en drang van het water verwringt
het ijzer niet.

De ingenieur schetst in groote trekken den gang dien het werk moet
volgen: het aanleggen van den dam: het bouwen van de twee torens op
den duiker waarvan uit het windwerk wordt geregeerd, dat het water
toelaat in de kanalen of afsluit: de oprichting van een nood-overlaat;
de verlegging van de in wijde bocht kronkelende rivier recht aan op
den duiker.

De "rivier" is nu een smalle loome beek, groen van slijmerig gewas. Zij
komt er aan uit het in wijdte weg-blauwende dal of zij niet verder
meer kan van moeheid en watergebrek, en liefst zou blijven, liggen
in plasjes. Er is een inspanning van gedachte en verbeelding toe
noodig om zich voor te stellen dat die groene slingersloot over zes
weken een stroomende zee zal zijn. "De Pritjetan heeft in banjir-tijd
een maximum afvoer van 300 kub. M. per seconde," zegt de ingenieur,
en laat ons in nadenken over de cijfers, die voor de leeken-gedachte
niet tot een beeld willen worden. Maar dan wijst hij naar het dal,
de wijde blauwige holte, waar een jong djati-bosch opgroeiende is:
"Over drie jaar vaart daar onze motor-boot." De herinnering aan
Hollandsche plassen helpt deze Indische werkelijkheid veranderen tot
de voorstelling van wat zij eenmaal zal zijn.

Als wij uit de laaie van middagzon pal op cement en zink teruggekomen
zijn in het koele huis, krijgen wij werk en landschap in kaart gebracht
te beschouwen.

Daar staat het, wit op blauw: lijnen, cijfers, letters, die geheele
wijde overweldigende werkelijkheid gevangen in teekens. Toovenaars
hebben zulke dingen beproefd, lang geleden, als zij onbekende machten
wilden dwingen in menschendienst. Daar staat het plan van het werk,
de loop van den stroom, de ligging van het land. Nog enkele jaren,
en de tooverteekening zal een nieuwe werkelijkheid zijn geworden,
en die groote onbekende die bij den dag en bij het uur al minder
onbekend wordt voor het indringende denken der zoekers, de Natuur,
zal al weder een van haar tallooze krachten overgegeven hebben in
den dienst van de maatschappij.



BALI


Singaradja


De boot die van Soerabaja uit de buurt ingaat der kleine
Soenda-Eilanden komt in den ochtend voor Boeleleng aan. Met het
aanlichten van den dag al is de Balische kust in zicht gekomen. Twee
doorschijnend blauwe toppen rijzen, zachtaan, omhoog aan de Oosterkim,
spits de eene, de andere als een lange golf geleidelijk op zich
heffende. Zij groeien de breedte en de diepte in, tot een groep van
schoone bergen, tot een lange keten dan, donker langs de hellingen
van woud. Langs den voet in wijde slingers van kaap en inham,
loopt naar het Zuiden toe een zacht-glooiend strand weg; breedten
flonker-blauwe zee, waar fel in de al klaarder schijnende zon witte
zeilen blinken, liggen tusschen bosch en verren bergwand. In de
diepte van een wijd-uitgebogen baai kleuren stippels helder rood;
dat zijn de daken van Boeleleng. Zoo haast ligt het schip niet stil,
of in een zwerm van bootjes, kano's, prauwen, komt, met den oogst
van het land het volk er aangevaren; het is of het eiland zelf het
aangestevende schip tegemoet komt. De schuitjes liggen opgehoopt met
vruchten, allerlei daaronder dat nieuw is in vorm en kleur. Op breede
prauwen, bij dertig en veertig tegelijk, komt goudgeel vee aangedreven,
zoo sierlijk van bouw, dat de groep denken doet aan een in 't nauw
gedreven en samenschuilende kudde herten. En de mannen, die uit de
dobberende vaartuigjes in de doorzichtig blauwe slagschaduw onder het
schip naar het dek komen opklimmen, zijn rank en krachtig tegelijk
van lijf, en hebben lichte gezichten, waarin de oogen lachend staan.

Boeleleng, dat met zijn uiterste huizen tot vlak aan het water
reikt, is een drukke handelsplaats. Altijd liggen aan weerszij van
de pier schepen en schuiten; de booten van de Paketvaart, Chineesche
zeilers, Makassaarsche prauwen, die als een oud-Hollandsch galjoen
van voor naar achter steil oploopen, prachtig als met opgespreide
wieken zwemmende zwanen op het water; bij twintig tegelijk dobberen
geankerd de Inlanderbootjes langs het strand, de zeilen tusschen
schuins hangende kokospalmen. Naast den vervallenden dooden-tempel,
vlak aan het water, waarvan de schoone, rijk gebeeldhouwde poorten
nog staan, ligt een groot pakhuis, onder het afdak waarvan troepen
vrouwen koffie verlezen. Verderop zijn houtstapelplaatsen en schuren
waar bergen huiden liggen opgestapeld. En de lange winkelstraat is
vol van allerlei Chineesch en Britsch-Indisch goed. Als overal in
aan zee gelegen handelsplaatsen heeft ook hier het drukke verkeer
het lands-eigene weggesleten. In die lange, nauwe straat, waar de
winkeltjes tegen elkander aangedrongen staan, is niets te zien dat niet
in een Soerabajasche of Semarangsche winkelbuurt van het mindere slag
ook gevonden kan worden. Het is er Oostersch-internationaal. In de
schaduwige diepte van de openstaande koophuizen komen, donker tegen
een achtergrond van bonte sarongs en stukken sits, haviksprofielen
van magere Arabieren te zien en paffig-witte vollemaansgezichten
van Britsch-Indiërs wien een met goud geborduurd kapje schuin op het
haar staat. Armeniërs, zwart gebaard, met tapir-gezichten, een en al
neus en vooruitstekende bovenlip, wandelen gewichtig, zelf-bewust als
mannen van geld. Overal zijn Chineezen, en Chineezen van alle slag,
gezeten handelsmannen, marskramers, die hun staart in een vettigen
krans om het hoofd gebonden hebben, koelies. Zij bewonen een geheele
buurt, rechthoekig op de zeestraat aangebouwd. Het is goed te zien
hoe overwegend hun aandeel in het handelsleven van het eiland al
sedert oudsher is: de pasmunt is Chineesch. De bronzen duiten, met
een gat in het midden voor het aanrijgen, hangen den marktgangers
aan snoeren over den schouder.

Van Boeleleng naar Singaradja, de hoofdplaats van Bali, loopt
een lange, breede, rechte weg, sedert kort pas aangelegd, met
jonge tamarindeboompjes aan weerszij, gemetselde kanalen voor het
afvloeiende sawah-water en een leiding, die uit de bronnen van het
gebergte--hoog en blauw in het verschiet--het zuivere drinkwater
de vlakte in brengt. Ten halve maar verborgen achter die westersche
regelmatigheid en orde begint hier het echte Bali, het Bali van de
Baliërs. Een muur langs de heuvelhooge bermen van den weg beneemt het
gezicht op de Inlander-huizen; maar de daken, dicht opeen, zonder
ergens een groenen boom ertusschen, de gevels van grauwen steen of
klei, een rijstschuurtje, door als pauwen gevleugelde leeuwenbeelden
bewaakt, een godenhuisje, versierd en bebloemd, komen hier en ginder
er boven uit. De pasar ligt op een viersprong, en daarnaast, tusschen
geboomte, het aan vier zijden open feest-gebouw, door een vervaarlijk
gevlerkt, geklauwd en geslagtand monster boven den hoofdingang bewaakt;
wat verderop de ommuurde badplaats der aanzienlijken; en daar, waar
de weg begint te klimmen naar de heuvel-gehuchten, de dorpstempel
met zijn prachtig getooide poorten, aan weerszij waarvan, de knots
op de knie, boloogde reuzen de wacht houden.

Op dezen weg is het van het aanlichten van den dag tot schemeravond
druk van volk.

Wat mooi slag van menschen! Groot, rank, rechtop. Het mooist zijn de
vrouwen. Zij dragen zware lasten--zoo zwaar, dat zij zonder hulp die
niet op kunnen tillen--op het hoofd, en de voortdurende spanning
heeft de spieren van hals, borst en rug tot volkomen schoonheid
ontwikkeld. Een arm opgerekt naar den in evenwicht zwevenden last, met
de andere hand een tip van de donkere boven-sarong sierlijk optillend,
waaronder een bont onderkleed te voorschijn komt, het tot den gordel
naakte bovenlijf omfladderd van een dunne, kleurige slendang, purper,
oranjegeel, fel-groen, viool-paars, gaan zij daarheen met wiegende
passen, een weinig draaiend. Het is een lust hen aan te zien komen,
een lust hen na te zien. Hun haar zit in een dikke wrong schuins tegen
den linkerkant van het hoofd geschikt. Allen hebben zij er bloemen
in gestoken, tjempaka's meest, of roode en witte oleanders. Zij zien
er uit, niettegenstaande dien zwaren last op hun hoofd, of zij naar
een feest gaan.

De mannen zijn over het algemeen groot van stuk, met forsche
ledematen. Zij bewegen zich met een zelfbewuste waardigheid. Van de
Hollanders, die zij groeten, ontvangen zij een wedergroet. Zelfs
armelijk-gekleeden, ja zelfs koelies, hebben hun sarong op een
doordacht-sierlijke wijze geschikt, met een van voren tot op den
grond afhangende slip, die, men begrijpt niet recht hoe, wegwuift voor
elke schrede die zij neerzetten. Het kastenstelsel heerscht op Bali,
sedert, haast vijfhonderd jaar geleden, de Javaansche Hindoes, in
volksverhuizing vluchtend voor den Islam, het hier invoerden. [11]
Maar van de scherpe afscheiding die de echte Hindoe-zede eischt,
is, uiterlijk, zoo min iets aan hen te bemerken als van Javaansche
gedweeheid en gedempte vormelijkheid. Wel moet het een krachtig ras
zijn geweest, dat oorspronkelijke Baliërvolk, dat trekken van zijn
wezen zich hebben kunnen handhaven tot in een zoo ver nageslacht toe,
tegen zooveel en zoo sterke vreemde invloeden in.

Of de hedendaagsche Baliërs daarvan iets gevoelen? Men moet aannemen
van niet. Want zij plachten vanouds op de Baliërs van het binnenland,
de Bali-aga, die zich met de Javanen niet hadden vermengd en hun
oud-Heidensche gebruiken in eere hielden, met minachting neer te
zien als op "boschmenschen." En met trots noemen zij zichzelven
Javanen-afstammelingen, "lieden van Madjapahit." Maar de herinnering
heeft wel veiliger en dieper schuilhoeken dan in het brein. En een
herinnering die niet in de hersens zit maar in het bloed, onbewust
en onverdringbaar, zulk een herinnering aan die verre voorouders, die
"boschmenschen," zou datgene wel eens kunnen wezen wat den Baliër van
vandaag juist als Baliër kenmerkt: zijn waardigheid, zijn vrijheidszin,
zijn levenslust.



Een wijk van de stad


In den zuidwestelijken hoek van den wegen-viersprong bij Singaradja
ligt een wijk gevoegd, waarbinnen alles bijeen is wat tot de
samenstelling behoort van een Balische stad: een buurt geringe
huisjes, een badplaats, de markt, de feest-loods, eenige huizen van
aanzienlijke leden der drie kasten, en de dorps-tempel. De aanleiding
tot mijn eerste bezoek daar,--het gold de geringe buurt,--was een
eenigszins griezelige. Er was gesproken in de pasanggrahan, over
de wijzen waarop de Baliërs handelen met hun dooden. De Hindoe-wet
beveelt lijkverbranding. Maar de ceremonie is kostbaar: van twee
tot drieduizend gulden is er mee gemoeid. Hoe doen de armen? De
allerarmsten, was het antwoord, begraven hun dooden tot tijd en wijle
een lijkverbranding plaats heeft. Hun wordt dan door den rijke verlof
gegeven tot mededoen, en de opgegraven overblijfselen, of als die in
stof zijn verdwenen, een den doode verbeeldende figuur van lontarblad,
wordt meegedragen in den stoet en bij het feest der verbranding. Die
echter eenigermate bemiddeld zijn, houden het stoffelijk overschot van
die hun lief zijn geweest, in hun woning. De echt-Balische manier is,
door een bijzondere behandeling het lijk te doen krimpen en drogen,
tot het hard is als hout; in windsels stijf gewikkeld blijft het dan,
in een afzonderlijk opgericht huisje, op het familie-erf, den dag
der verbranding afwachten. Onder Westerlingen-invloed heeft zich dit
gebruik veranderd in het kisten van het lijk, nadat het met bepaalde,
eenigermate bederfwerende middelen is behandeld; ook de kist blijft
op het familie-erf, en zelfs vlak bij de woning. Het verhaal leek mij
ongelooflijk; ik volgde den Baliër, die het mij had gedaan, naar een
huis in de volksbuurt, waar hij me zeide, dat ik met eigen oogen mij
kon overtuigen van de nauwkeurigheid zijner mededeelingen.

De weg er heen, vol hobbels en kuilen, ging langs lage muurtjes,
waar hier en daar bloeiend en vruchtdragend geboomte overheen hing:
een vonkel-bloemige granaatappel, een citroen-boom vol wit en goud,
een purperen djamboe. Hij stiet een houten poort open, die langs
posten en bovendorpel versierd was met prachtig snijwerk, lotusbloemen
voorstellend en een geweldigen Vogel Grijp, en bracht mij binnen in een
ruimte, waar alles één kleur leek--de kleur van den grond-zelf. Een
twintig huizen van grauwen, met grauwe klei bepleisterden, baksteen
stonden hier bijeen in groepen, die door lage leemen muren gescheiden
waren. Er lagen daken op van droog riet, droog gebladerte, drogen
vezel, bruin, grijs, zwart. Een geheele kudde varkens, slijk-zwarte
ruige borstelbeesten met een stijf-opstaande maan, van kop tot
staart den geheelen rug langs, en vervaarlijk-geslagtanden snuit,
was aan het wroeten in allerlei onnoemelijke vuilnis. Uit alle hoeken
kwamen honden aangeschoten, scharminkelig mager en afzichtelijk van
schurft, die met den staart tusschen de beenen en opgestrekten kop
losbarstten in een tegelijk woedend en bang, scherp-huilend geblaf. Op
dat teeken van onraad kwamen menschen te voorschijn; omringd door
een troep spiernaakte kinders, mannen en vrouwen in gore kleedij. Zij
brachten ons, dienstvaardig, waar wij wezen moesten, bij het gezin dat
eenige weken geleden een der grootouders had verloren. En daar zag
ik werkelijk, onder een soort troonhemel, bedekt met bonte kleeden
en omgeven met schalen vol offeranden van vruchten en bloemen en
allerlei symbolisch sieraad, de lijkkist. In de kleine loods, vlak
tegen het woonhuis aan, waar zij te praal stond, waren de kinders
aan het spelen; muziekinstrumenten stonden in een hoek. Naar de
woning, waar het weefraam der bedrijvige huisvrouw te zien kwam,
stond de deur wijd open.--Het angstige ontzag voor den dood is iets
Westersch-Christelijks: dat wordt iemand op een ietwat verbijsterende
wijze in het bewustzijn teruggeroepen door zulk een tooneel.

Het geheele gezin--een knap paar de vader en moeder, en de kinders,
het een al mooier dan het ander--was ons tot gidsen op een wandeling
door de buurt. Overal was het hetzelfde: vuiligheid. Overal wroetende
varkens, schurftige honden, afval, modder, lompen, stank. Naar de
handbreede scheuren in de leemen huismuren zag men onwillekeurig,
met het idee, dat dáar straks nog meer vuiligheid uit zou komen,
doorlekkend van binnen uit. Maar het was duidelijk dat het niemand
hinderde. De klaaroogde kinderen, die tusschen varkens en honden als
tusschen prettige speelkameraden over den grond rolden, kraaiden het
uit van pleizier. Een jonge vrouw, aan den arbeid voor den maaltijd
van het gezin, zat op den huisdrempel groenten tot moes te wrijven,
vlak naast een reusachtig zwijn, dat zijn rug schuurde tegen den
deurpost. Languit op een mat lag een man, pas terug van de sawah,
waar hij met zijn buffels den geheelen werkmorgen,--van zes tot
elf,--had geploegd, siësta te houden. Wat rondom stonk was erger dan
een mestvaalt; maar hij, de armen onder het hoofd, lag daar in schaduw
en niets-doen, te neuriën van onuitsprekelijke tevredenheid. En,
eigenlijk waarom ook niet? Waarom zou vuilnis vroolijkheid weren?--

De koele rustplaats van den zanger was de vloer, die tusschen de palen
van een héél hoog gebouwde rijstschuur als een soort van luchtige,
naar alle zijden opene, tweede verdieping maakte, waar een weefraam
de gewone plaats aanwees der vrouwen van het gezin, en, tusschen
een sirihdoos en allerlei keukengerei, een vechthaan in zijn korf
stond. De vloer van de rijst-bewaarplaats hield dit alles in de
schaduw. Naar boven kijkende, zag ik daar iets bonts. Het waren
aan weerszijden, naast de hoekpijlers der schuur, alleraardigste
godenbeeldjes, opgesierd als dansers, en in een houding of zij juist
wilden beginnen. Wat een vroolijkheid moet er in het hart van den
beeldsnijder geweest zijn, toen hij zoo luchtig hun gevouwen kleeren
schikte, en hun al dien mooien opschik aan hals en polsen gaf, en dien
lach op het gezicht! Zijn naam, waarnaar ik vroeg, wist het echtpaar
niet. "Ieder werkman hier kan zoo iets maken."--Gelukkig Bali!

Voor afscheid brachten mijn geleiders mij naar de Godenhuisjes: enkel
vierkante pilaren, met een nis er in, bij wijze van verblijf voor
den god. In éen lag een tak blankbloemige tjempaka, tusschen witte
en gelige lelies. Zeker was het de akkerman, die uit een bloeiend
boschje buiten den ruiker had geplukt; en zijn huisgod aangeboden,
met een gemurmeld: "Ik vraag zegen!"

De lucht rondom was zoet van den geur.

Een dag of wat later kwam ik terug in de stadswijk om een bezoek te
brengen aan een aanzienlijk en zeer rijk man, een lid van de laagste
der drie heerschende kasten, die der Wessya's, en als zoodanig den
titel van Goesti voerend, die een beroemde collectie van Balische
kunstvoorwerpen bezit, houtsnijwerk, gouden en zilveren vaatwerk,
antieke wapens en zijden stoffen.

Hij kwam mij tegemoet, gekleed als voor een feestelijken gang naar
den tempel, in een purperen, met goud doorweven opperkleed, dat,
van onder de armen in een plooienrijke slip afhangend, sleepte
voor zijn voeten. Zijn handen, waarvan de linker nagels had van
vier of vijf centimeter lang--kenmerk van den aanzienlijke die geen
handenwerk verricht--fonkelden van de ringen. En hij had een kris
in den gordel die in een gouden scheede stak, en waarvan de greep,
een gouden godenbeeldje, kwistig versierd was met robijnen. Zijn
zoon was maar weinig minder kostbaar gekleed. Met een trots dien
zij verborgen achter glimlachende hoffelijkheid, toonden zij mij
inderdaad vorstelijke schatten. Ingemetseld in den muur der voorgalerij
(het huis is naar Europeeschen trant gebouwd) een beeldhouwwerk in
djatihout, dat den strijd voorstelt van twee fabelachtige wezens, een
draak en een gevleugelden leeuw, te midden van de opstrevende en in
slingers afhangende takken van een fantastisch gewas. Daarna wapens,
sedert onheuglijke tijden al erfelijk in hun geslacht, krissen, breede
klewangs, lansen en speren, waarvan het kostbare versieringsmateriaal,
ivoor, zilver, goud, edelgesteente, zoo kostelijk niet was als de
fantasie die er de zonderlingste en schoonste voorstellingen in had
uitgedrukt. Allerlei tempelgereedschap ook: schalen voor bloemen- en
vruchtofferanden, bekers voor gewijd water, gouden horentjes, waarin
de biddende de bloem steekt die hij tusschen saamgelegde vingerspitsen
opheft naar de nis van het godenhuisje. Ten laatste zijden stoffen,
waarvan sommige met goud- of met zilverdraden doorweven waren,
andere een teekening vertoonden van zeer zacht in elkander overgaande
kleuren, en andere weer motieven van bloemen, vruchten en vogels. Dat
alles was het werk van de vrouwen der familie. "Zij doen niet anders,
hun geheele leven lang," zei de Goesti. Het was den meisjes, die nu
werden binnengeroepen, aan te zien, dat zij met zulk prachtig werk
stilzittend hun leven doorbrachten. Alles aan hen, hun gezicht,
handen, hun bouw, hun houding, was fijn en ietwat zwakkelijk. Zij
geleken maar weinig op die schoone sterke vrouwen uit de volksklasse,
die met een zwaren. last op het hoofd als dansende over den weg gaan.

De meisjes brachten mij door het huis en over het geheele erf. En daar
zag ik nu weer, in hoe andere vorm en verhouding dan ook, wat de vorige
maal op het erf van den Soedra in de volksbuurt mij zoo getroffen
had, de "innige vermenging" van vuil en kostelijk mooi. Zooals op
het Soedraerf de fijne godenbeeldjes, midden tusschen de varkens,
de modder en de lompen, zoo hier in het Wessya-verblijf gore bedden,
groen uitgeslagen muren en als een korst van viezigheid, overal te
midden van de gouden schatten en meesterwerken van oude sierkunst.

De Goesti, die veel met Westerlingen omgaat, is zich klaarblijkelijk
bewust van den indruk dien die vereeniging van dingen, in hún
voorstelling onvereenigbaar, op hen maken moet. Hij kwam, wat hij
wist dat mijn gedachte moest zijn, tegemoet. Terwijl hij mij de
"feest-loods" toonde (de pendoppo van de Javanen), die verwonderlijk
mooi versierd was met schilder- en beeldhouwwerk langs alle stijlen
en onder het middelpunt van de als in stralen nederdalende zoldering
een leeuw, die pauwen-blauwe vlerken uitspreidt, nam hij uit het
vergulde lofwerk een bloem weg, die al half kleurloos was geworden
en, wormstekig, afbrokkelde. "Wij maken mooie dingen, maar ze
onderhouden, dat doen wij niet." Ik vroeg waarom? De vraag bleek
lastig. Het voorhoofd fronsend, bracht de Goesti zijn langgenagelde,
zwaar beringde linkerhand aan de kin. Eindelijk:

"Zoo is het," zei hij. "Zie een huis als dit, waarin vroeger de broeder
van den Radja heeft gewoond: het is kostbaar; het vervalt. Zie den
dorpstempel, waarvoor wij allen zeer veel geld hebben opgebracht,
en dat gaarne, en meer, velen van ons, dan wij volgens den aanslag
behoefden te geven, want een Baliër eert de goden met vreugde. De
dorpstempel is een meesterwerk van onze bekwaamste bouwmeesters
en beeldhouwers. Ook de dorpstempel vervalt. Wij láten hem
vervallen. Waarom? Ik ben een Baliër, en ik weet het niet."

En ineens ontplooide zich zijn voorhoofd en hij begon uit volle borst
te lachen.

"Zóó zijn wij Baliërs!" riep hij, "zoo zijn wij!"

Ziedaar.

Er zit niet anders op, dan zich er in te schikken.



Rijst en rijstbouwers


Wie van Singaradja naar het aardige heuveldorp Gitgit gaat, volgt
een weg tusschen rijstvelden door. Zij liggen, blank als licht
kabbelende vijvers langs de helling, hier, ginder beginnen zij al te
sprieten. Op plekken staan zij, flonkergroen, vol in den halm en het
dunne zilverwaasje begint er al over te komen van den opengaanden
bloesem. De weg klimt slingerend, voorbij grauwe dessa's, leemen
huizen met rieten daken achter een hoogen leemen muur, die tegen
week worden en wegspoelen onder stortbuien beveiligd is door bossen
slordig er over geworpen alang-alang; voorbij bonte tempelpoorten,
door grijnzende monsters bewaakt, die uitpuilende oogen hebben en
slagtanden en vlerken aan de schouders; voorbij pasars, waar koopers
en verkoopers aan een warong koffie zitten te drinken: onderwijl
staan hun korven met vechthanen in de schaduw, en tegen den kant
van den weg liggen, in wijdmazig bamboe-vlechtsel, een soort fuik,
waarin zij door twee man naar den pasar gepikoeld zijn, knorrende
zwarte varkens. Allerlei marktvolk komt den steilen weg af, koopwaar
vervoerend op grobaks en op pakpaardjes, dragend aan het juk, dragend
op het hoofd. Jonge, ranke kerels drijven goudkleurig vee voor zich
uit. Een oud wijfje wandelt met een varken, dat zij een touw om het
lijf heeft gebonden. Een geheele rij vrouwen komt er aan met kruiken
sagoweer op het hoofd, zakken ketela, groente, rijst, stapels kains en
sitsen goed, en zelfs levende biggetjes, die worstelend tegen het touw,
waarmee zij aan elkander en aan den vierkanten draagbak vastgesjord
zijn, zwarte snuiten in de hoogte steken en wijdmuils schreeuwen,
terwijl de draagster onbekommerd voortloopt met haar lichte, sierlijke
schreden. De grauwe gehuchtjes, de tempels, de pasars komen er aan,
staan even stil, zijn voorbij, de marktgangers haasten de steilte af,
den klimmende tegemoet, en zijn verdwenen, maar altijd door blijven de
rijstvelden, blanke, gespikkelde, flonkergroene, zilverig overwaasde
rijstvelden. De hellingen zijn er mee bekleed. De toppen flikkeren er
van. Het kleine gemurmel van de watervalletjes, die van elk hooger
gelegen naar elk lager gelegen veld afsuizelen over de dijkjes,
is héél zacht te hooren onder het bruisen van den aanstrijkenden
bergwind door, die de stijfbladerige palmen ontroert. De reuk van de
bloeiende rijst maakt de lucht zoet.

Gitgit ligt vrij op een rondom van dal en diepte omgeven top. Bij de
pasanggrahan, half weggescholen onder een groep zware kanariboomen
ligt, midden in een tuin waar frisch de rozen bloeien, een luchtig
tuinhuisje, aan den uitersten rand der steilte. Daar vandaan ziet
men, van de donkere bergen in het Zuiden en Oosten afhellend naar
de Noordelijke zee, het geheele wijde land liggen; en van de bergen
tot de zee is het groen van rijst. De barre steen en het zilte water
enkel zijn zonder dat schitterige groen, waar het geheele menschenleven
van het eiland van groeit en gedijt.

De Baliër is er trotsch op, dat op zijn eiland meer en betere
rijst groeit dan op Java, overigens voor hem het land van alle
voortreffelijkheden, en dat zelfs Javanen naar Bali komen, om zijn
wijze van rijstteelt te bestudeeren. De irrigatie hier is eene
voortreffelijke. Het land is zeer steil en bergachtig, de rivieren
loopen snel en driftig door diepe ravijnen, en de taak om het water
te vangen en gelijkelijk te verdeelen over de velden, was dus een
zeer moeilijke. Dat de Baliër haar zoo goed volbracht heeft, dankt
hij aan de eendracht die ook hier macht is. Van den beginne aan is hij
te werk gegaan in vereeniging met kameraden, en aan twintig, veertig,
vijftig mannen viel gemakkelijk, wat voor een enkele onmogelijk ware
geweest. De landbouw hier berust op coöperatie. Eigenaars van sawahs
(dikwijls zij, wier velden uit een en dezelfde leiding het water
ontvangen), sluiten zich aaneen tot een vereeniging, eenigermate
vergelijkbaar bij onze oude waterschappen, die alles regelt wat op
den rijstbouw betrekking heeft.

De "Soebak" stelt den tijd van bevloeien, ploegen, planten, oogsten
vast. Hij bepaalt de hoeveelheid water waarop ieder akkerman recht
heeft; hij houdt het toezicht op dammen, tunnels en leidingen; hij int
bijdragen en stelt het door ieder verschuldigde vast; en het recht van
boete-heffing geeft hem het middel, zich te doen gehoorzamen. Als een
oogst mislukt, wordt door den Soebak een onderzoek ingesteld, om uit
te maken of nalatigheid van den landman zelf soms schuld is daaraan. De
vergadering beslist bij meerderheid van stemmen. Wordt de boer schuldig
bevonden, dan moet hij niet alleen het volle belastingbedrag, over een
goeden oogst verschuldigd, betalen, doch een boete op den koop toe. Al
de Soebak-leden om de beurt maken deel uit van het bestuur. Alle leden
zijn gelijk voor zijne wetten; een lid van een der drie kasten heeft
geen meerdere rechten noch mindere verplichtingen dan een eenvoudige
Soedra (of om hem te noemen met den naam dien hij liever hoort,
Kaoela). Wat, in het voorbijgaan gezegd, den hoogen ouderdom van deze
volksinstelling bewijst, en haar kracht, waartegen de veroverende
Hindoe-Javanen hun voorrechten niet hebben kunnen handhaven. Als vele
andere voortreffelijke dingen in het Balische volksbestaan is ook de
Soebak een erfenis der oer-Baliërs. De Nederlandsche regeering heeft
het systeem volgens haar eigen lijnen uitgebreid; de Soebaks, waarvan
de indeeling waar dat kon in overeenstemming is gebracht met den loop
der rivieren, vereenigd in groepen, met ieder een eigen bestuur;
en als hoofd van al de groepen in een landschap een ambtenaar met
uitgebreide bevoegdheden aangesteld, die den alouden titel voert van
"Groot-Soebakhoofd" Sedehan Agong. De Sedehan Agong van Boeleleng,
een man van kunde en rusteloos-ijverig, heeft den rijstbouw in het
landschap opgevoerd tot een nieuwe hoogte. De Javaansche deskundigen
komen bij hem in de leer.

Op dit oogenblik is, in het grootste gedeelte van de vlakte, de
rijstbouw begonnen. Ware ik een paar weken vroeger gekomen, ik had
het feest kunnen bijwonen van het herbeginnende landbouw-jaar, het
wed-ploegen. Nu moest ik me tevreden stellen met de beschrijving die
de Sedehan Agong er mij van gaf.

Eerst wordt een optocht gehouden naar den Soebaktempel midden in
het veld, die aan de Rijstgodin, Dewi Sri, is gewijd, en naar het
offerhuisje,--enkel een vierkante baksteenen pilaar, met een nis
er in--van den Watergod, om beider hulp en zegen te vragen voor
het beginnende werk. Dan komen de boeren op een groot veld bijeen,
ieder met zijn ploeg en zijn span stieren. De beesten zijn prachtig
opgesierd; sommige met een bekleedsel van uitgeslagen, beschilderd en
verguld leer, in den trant van de ornamenten die wajang-spelers dragen,
allen met groen en bloemen. Zij dragen geweldig groote houten klokken
om den hals, van anderhalf tot twee voet breed, die een klank geven
als van een gong, en die hen dwingen den kop hoog te dragen. Het
is de trots van den eigenaar wanneer de stier ook den staart hoog
draagt bij het ploegen, in het verlengde van den rug gestrekt, en
dan met een hoek naar beneden gebogen. Voor een mooi span wordt tot
vierhonderd rijksdaalders toe gegeven, (om te rekenen als een Baliër,
die niet anders kent dan een Chineeschen duit en een Hollandschen
rijksdaalder). Zulk een hartstocht heeft de Baliër voor mooi vee. Als
dan de groote goudgele prachtig-opgetuigde beesten langzaam voorbij
treden over het veld, met gespannen spieren den ploeg trekkend, dien
de feestelijk-gekleede akkerman bestuurt, terwijl het gebeier van
al die diepe houten klokken een heerlijke muziek maakt, dan viert
de Baliër zijn verheuglijkste feest. Het ernstige, strak-belijnde
Brahmanen-gezicht van den Sedehan Agong glansde terwijl hij er van
verhaalde.

Nu dan is het ploegen in vollen gang. Om 5 uur al gaat de boer
met zijn span naar den akker; en met zijn beesten samen plonst
hij door het zwalpende lauwe sawah-water tot elven toe. Dan is het
siësta-tijd. Is het ploegvee een stieren- of ossen-span, dan keert
het naar de dessa terug; maar karbouwen blijven in het veld om
te baden in een poel. Met een touw aan de horens getuierd aan een
paal in 't veld liggen de groote grauwe beesten daar als schepen
voor anker. Zij verroeren zich niet, uren achtereen; het water
rimpelt boven hun gelijkmatigen ademtocht. De ploeger ligt niet ver
van zijn vee in het gras langs den weg, of op de bale-bale van een
wachthuisje. Zijn kinderen brengen hem zijn middagmaal, rijst met een
droog vischje, een gezouten ei, wat scherpe toespijs, en allicht een
portie varkensvleesch. Misschien brengen zij ook een kruik water mee
uit de nieuw aangelegde leiding. Maar, zoo niet, dan weet hij toch
wel aan een dronk te komen. In den sawah-plas staat vastgemetseld
een groote filter, een gefatsoeneerd en uitgehold rotsblok. Het water
siepelt van buiten naar binnen. ("Zooals bij de filters van Pasteur"
verduidelijkt de dokter djawa). Hij treedt naar den filter, doopt er
zijn kruik in en laat ze vol-klokken; en het hoofd achterover giet hij
zich den straal recht in de keel eerst, over gezicht en borst dan;
gedrenkt, druipnat, water van buiten, water van binnen, staat hij
als een plant na den regen te glanzen van sap en frisschigheid.

's Middags werkt hij niet met zijn vee; met de spade bearbeidt
hij de hoekjes en zoomen, die met den ploeg niet te bereiken zijn
geweest. Hij zorgt dat de twee Soebak-inspecteurs niets te berispen
zullen vinden als ze straks voorbij komen op hun ronde. Als de rijst
uit de kweekbeddingen is overgeplant, (anders dan elders is dat hier
mannenwerk), heeft hij vooreerst vacantie. Alleen geregeld wieden is
noodig en het onderhoud van de dijkjes. Het neemt weinig tijd. Hij
heeft de dagen vrij voor zijn geliefkoosd spel van hanen te laten
vechten. Nu al zijn velen zoo ver. Op den grooten weg--mijn kamer
in de pasanggrahan ziet er op uit--zie ik den geheelen dag mannen
voorbij drentelen met gekooide vechthanen; en in de feest-loods,
en in alle warongs en pasar-schuurtjes langs de wegen zitten ze
in groepen bijeen. Zij wedden met hartstocht; men zou zeggen, met
verwoedheid, als zulk een woord paste bij een Baliër. Een oude inwoner
van Singaradja, goed van inlander-zaken op de hoogte, verzekert mij
dat een gewone Soedra-boer op een enkelen dag soms tot twee, drie
honderd gulden verliest. Hij wedt met handenvol rijksdaalders. Dat
trekt hij zich verder niet aan. Vandaag verloren, morgen gewonnen,
denkt hij. En verder, is de geldschieter er goed voor; en verder
zijn vrouw, die dan maar eens wat ijveriger moet zijn op de markt,
en aan den weefstoel; en ten slotte, zijn rijstoogst, ook al is die
al verpand en verkocht. Alles komt terecht op Bali, zoo lang er rijst
is! En die is er altijd.

Nu zelfs, terwijl in de vlakte pas de bouw is begonnen, zijn op de
heuvels al velden rijp. De eerste oogst-processies gaan voorbij,
muziek voorop, met bonte wimpeltjes aan bamboestaken en in het midden
een verguld miniatuur-tempeltje op een baar gedragen. De vrouwen,
die van al de landbouwverrichtingen aan den oogst alleen deelnemen,
dragen sierlijke mandjes op het hoofd met offergaven van vruchten
en bloemen. En hun stemmen klinken schel boven die der mannen uit in
het feestgezang, dat Dewi Sri en al de goden van den akkerbouw prijst.



Balische vrouwen


Den geheelen dag van zonsopgang tot donker, en overal, behalve enkel
en alleen in het veld, zijn hier bij menigte de vrouwen te zien;
en altijd, arbeidende.

Dat begint al voor dag en dauw. Tegelijk met het gekraai van den
eersten haan is het getokkel te hooren van stampers in het rijstblok;
op een erf, waar niemand anders nog beweegt, staan ongekamd en
slordig in de kleeren, de vrouwen de rijst te stampen voor het maal
van elven. De zon is nog niet boven de boomen, of in troepen al komen
zij den weg af naar den pasar, op horden, in manden, in zakken en
gevlochten nappen hun koopwaar op het hoofd torsend. Zij zitten den
heelen dag achter het tafeltje van een warong, naast een draagbaar
leemen oventje waarop boven een houtskool-vuur, de eene versnapering na
de andere wordt klaargemaakt voor den gaanden en komenden man. Tegen
zonsondergang kan men hen bij troepen vinden zitten rondom de steenen
pijlers van de waterleiding; ieder op haar beurt vullen zij onder de
kraan de groote zwart steenen potten, zoo zwaar, dat de eene de andere
moet helpen bij het optillen, als zij die, boordevol, op het hoofd
plaatsen. En het is al lang donker, en op zijn baleh-baleh ligt de
akkerman zichzelven in slaap te zeuren met een of anderen eentonigen
deun, als nog langs de dorpsstraat de dubbele tik van haar weefspoel
klinkt, bij het licht van een pitje in een halven klapperdop vol olie
heen en weer geworpen door de schering: de ijverige huismoeder doet
af wat zij nog afgedaan kan krijgen van haar eindelooze taak om haar
gezin in de kleeren te houden, met twee stel van alles voor ieder per
jaar. En of het nu in het begin van het landbouwjaar is, wanneer ook
de man zwaar werkt, of later in den tijd, wanneer hij er zijn rust
en zijn genoegen van neemt, dat maakt voor haar geen onderscheid:
zij werkt maar gestadig door.

Maar het moet den Baliër niet gezegd worden, dat eigenlijk de
vrouwen de harde werkers zijn op zijn eiland. "Wat verdient een
vrouw? Misschien een kwartje op een dag!, niet eens genoeg dat zij
er zelf van eten kan. Neen, die verdient en het werk doet, dat is de
man. Hij werkt op de sawah!" Dat zij niet mee doet aan wat voor den
Baliër het eigenlijke werk is, aan den rijstbouw, dat maakt de vrouw
voor hem tot een minderwaardig wezen. En de minachting voor haar als
zoodanig brengt het weer mee dat het werk dat zij wèl verricht, en
alléén verricht, gekleineerd wordt. Dat zij veel meer verdienen moet
dan een kwartje per dag, om haar gezin in stand te helpen houden,
hier, waar de levensstandaard hoog is en ruim f 0.30 gerekend wordt
voor den dagelijkschen kost alléén van een volwassene, behoeft geen
betoog, te minder als men bedenkt hoeveel, in de tijden dat hij
zelf weinig of niets verdient, een man op Bali noodig heeft voor
zijn genoegens,--hanengevechten, dobbelen, opiumschuiven. Maar het
komt nu eenmaal in zijn kraam te pas zijn vrouw en dus haar arbeid,
voor niets te tellen.

Een Balische vrouw is voor een Balischen man geen mènsch; zij is een
ding, dat hem behoort zooals andere dingen hem behooren, en waarmee
hij doen kan wat hij wil.

De eerste eigenaar van een vrouw is haar vader. Hij telt haar niet mee
onder zijn kinderen; "kinderen" dat zijn alleen de zoons. Hij waardeert
haar alleen,--dat echter nog al hoog--als een soort productie-middel:
van arbeid eerst, van geld later. Het gaat een huisgezin goed, waarin
veel meisjes zijn. Van hun vijfde of zesde jaar af werken zij. Niet
aan wat wij huishoudelijk werk noemen--in een Balisch huis is voor
"huishouden" geen gelegenheid, noch noodzaak; gekookt wordt maar
eens per dag: gewasschen wordt nooit iets; een Baliër draagt zijn
kleeren zooals ze zijn--of worden--tot ze hem, letterlijk!--van 't
lijf vallen; zij werken aan geld-inbrengend werk. Kinders, die hun
moeder nog niet tot aan het middel komen, loopen al achter haar aan
mee naar de markt met een last groenten, hout en geweven goed op hun
hoofdjes. Kinders van zes jaar zitten al aan den weefstoel en weven
geruite kains. En ze zijn nog niet veel ouder als ze met koekjes aan
den weg zitten en de duiten narekenen van hun klanten.

Zijn ze volwassen, dan brengen ze een som inéens op, wanneer zij
geschaakt worden, in werkelijkheid haar koopprijs, in naam de boete,
die de minnaar voor zijn rooven van het meisje aan den vader moet
betalen. Hoe mooier en van hoe aanzienlijker geboorte zij is, hoe
hooger die prijs of boete.

De schaking is er maar een voor den vorm, zij is met het meisje
afgesproken, en iedereen, de vader incluis, is op de hoogte van de
plannen van den "schaker" en het volkomen met hem eens. Daardoor wordt
zij het eigendom van haar man, die nu op zijn beurt zooveel voordeel
uit haar trekt als hij kan. Hij laat haar werken, zooals hij het zijn
buffelspan en zijn mager paardje laat doen: eer meer dan minder. En
zoomin als jegens zijn ploegvee en lastdier legt de Baliër-wet hem
tegenover haar verplichtingen op. Totdat het Nederlandsche gouvernement
paal en perk stelde aan zijn rechten over haar, waren zij onbegrensd:
hij kon haar, om zijn schulden te betalen, verpanden of verkoopen; het
kwam dikwijls voor bij in weddingschap-schulden geraakte liefhebbers
van hanengevechten; hij kon haar, voor ontrouw, dooden, zonder dat
iemand hem ter verantwoording riep. Dat hij haar verstiet, als 't
hem in zijn hoofd kwam een andere te nemen, en twee tegelijk hem
te lastig docht in huis, was iets dat vanzelf sprak. Het kon ook
voorkomen--en het kwam werkelijk nog al eens voor--dat een meisje
zich niet tot vrouw wou láten nemen, noch als zóoveelste, noch zelfs
als eerste en voorloopig eenige. Dan werd zij, in ernst en meenens,
geschaakt: met geweld. En tenzij zij bevrijd werd voor de roover met
zijn handlangers haar het huis van een helper had binnengesleept,
werd zij, door die daad van roof en geweld zelf, zijn wettig eigendom
en tegen wil en dank zijn vrouw. Een boete, of eigenlijk koopprijs,
viermaal hooger dan de gewone, werd voldoende schadeloosstelling voor
haar familie geacht. Aan eenig recht van haarzelve dacht niemand. Een
poging om zulk een recht geldend te maken en te verdedigen zou haar
zelfs duur te staan zijn gekomen. Het is voorgekomen, dat de roover,
door de bloedverwanten van het meisje achterhaald, haar doodde,
liever dan haar los te laten. Een dokter-djawa in deze streek heeft
eens een meisje te verplegen gekregen dat uit zeventien wonden
bloedend op den weg was blijven liggen, toen de woesteling die haar
geschaakt had op de vlucht ging voor haar bloedverwanten. Wonder
boven wonder herstelde zij. Het is nog niet lang geleden dat een
ambtenaar van het binnenlandsch bestuur, nu nog op het eiland,
heelmeesters-diensten bewees aan een ander arm schepsel, die zelve
zich had trachten te bevrijden uit den greep van haar roover, en
wie hij in woede zijn kris dwars door de borst had gestooten. Zij
stierf na ondragelijke pijnen. Behalve waarschijnlijk de moeder,
trok niemand zich veel van het geval aan. Het Nederlandsche bestuur,
dat de schaking-voor-den-vorm, als een volksgebruik en de wettige
huwelijksvorm der Baliërs, erkent, heeft aan de echte schaking een
eind, of zoo goed als een eind gemaakt, door bedreiging daarvan met de
eenige straf waarvoor een Baliër werkelijk beducht is: verbanning. Het
is een van de vele maatregelen, waardoor in den laatsten tijd de
toestand der vrouw hier te lande eenigermate is verbeterd.

Men zou denken, dat de ruwheid van zeden, die in zulk een
verdrukking van de zwakkere zich uit, alleen kon heerschen onder de
afstammelingen der oorspronkelijke bevolking van Bali, der Bali-aga,
der "boschmenschen." Niets daarvan. Onder de op hun adel en oude
beschaving zoo trotsche triwangsa is het niet anders. Ik vroeg een
aanzienlijk en zeer rijk man, een Wessya, wiens vrouw en dochters
als prinsessen gekleed gaan bij de tempelfeesten, van voorhoofd
tot enkels overflonkerd van goud en gesteente, en bedreven zijn in
allerlei prachtig en kunstig sierwerk, terwijl de meisjes, die school
zijn gegaan, lezen en schrijven kunnen en vloeiend Maleisch spreken,
behalve laag en hoog Balineesch,--ik vroeg den Goesti, of de vrouwen
van zijn kaste in haar eigen huis en gezin eenig gezag hadden? Zijn
verbaasde lach was als antwoord duidelijk genoeg. Degene dien ik
een vorig maal zoo minachtend over vrouwenarbeid had hooren spreken,
een kundig, en, naar Baliër-begrippen, fijn beschaafd man, was een
Brahmaan. Zij hebben zelfs de hun toch stellig vreemde zede van de
schaking-met-onderling-goedvinden aangenomen. Kort voor de vestiging
van het Nederlandsch gezag is hier te Singaradja op klaarlichten dag
een meisje uit de familie van den Radja geschaakt, wie, om het geval
goed duidelijk te maken, de schaker een mand over het hoofd had gezet,
zoodat het leek of zij blindelings en hulpeloos de vrouwen volgde,
die haar aan de handen voorttrokken, den "roover" na en zijn woning
binnen. De zoo naijverig bewaakte voorrechten van de triwangsa gelden
in het geval van de vrouwen alleen tegenover het laag-geboren volk:
tegenover hun mannelijke gelijken in rang zijn zij zoo al iets, dan
toch zeer weinig meer dan tegenover den Soedra-man de Soedra-vrouw is.

En niettemin! De Baliër-vrouw, de vrouw uit de volksklasse vooral, is
een vroolijk, onafhankelijk zich gedragend, van lijf en geest krachtig
mensch. Niemand kan haar aanzien en waarnemen in haar dagelijksch zijn
zonder door die tegenstelling tusschen haar uiterlijke omstandigheden
en haar karakter getroffen te worden. De druk zelf heeft haar weerstand
tegen den druk gegeven. De harde arbeid heeft haar sterk gemaakt. De
klein-handel, die geheel in haar handen ligt, en de gestadige omgang
met die geslepen kooplui en geldschieters, Arabieren, Klingaleezen,
Chineezen, heeft haar omzichtigheid geleerd en berekening en tegelijk
zelfbeheersching en zelfvertrouwen. En het bewustzijn zooveel bij te
dragen tot de welvaart van haar gezin vervult haar met een rustigen
trots.

Is het misschien een zijdelingsche erkenning van de rechtmatigheid van
dien trots? De wetten van al die vereenigingen die het maatschappelijk
leven van den Baliër beheerschen, van de dessa-vereeniging en den
Soebak af tot den kleinsten "bandjar" toe, verbinden het recht van
lidmaatschap aan den huwelijksen staat: geen vrouw, geen rechten. Een
jonkman telt niet: een weduwnaar moet een vrouwelijke bloedverwant
in huis nemen om als lid der dessa-vereeniging gehandhaafd te
blijven. En ook de godsdienstige zede ruimt der vrouw plaats en
rechten in naast den man. Er zijn vrouwelijke priesters, even hoog in
aanzien als de mannelijke, en die denzelfden titel van pedanda voeren
en gelijken dienst verrichten in de tempels. Aan de jonge meisjes,
die de godsdienstige feesten met gezang en reidans opluisteren, is
het vergund een vereeniging te vormen ter behartiging van haar eigene
belangen. Ook vrouwelijke dokters--half heksen en waarzegsters, half
kruidkundigen--staan in aanzien en goede verdienste. De practijk heeft,
ook hier, de theorie verbeterd, en het leven de wet.

De Balische vrouwen laten de wetten wetten zijn, en lachen het leven
aan met haar heldere oogen. Zij weten wel waarom.



Goesti Djilantik


Hij is nog in leven.

In zijn zwaar ommuurde poeri te Karang Assem zit hij als een stille
toeschouwer bij de dingen, waarvan hij zoo lang de krachtige bewerker
en beweger is geweest. In de dagen van de Lombok-expeditie klonk
zijn naam tot in de verste hoeken van Indië en van Nederland. Nu
is die een leeg geluid geworden. In de overgroote meerderheid wordt
geen gedachte meer wakker bij dien klank. De enkelen echter, bij wie
hij een herinnering oproept, zeggen: "De verrader!" Die hem kennen,
en het best weten hoe zijn gedrag geweest is in 1894 op Lombok en in
1906 te Karang Assem tegenover de Hollanders, in de jaren daartusschen
tegenover zijn eigen volk, weten dat hij beter verdient dan smaad of
vergetelheid. En als eens de geschiedenis hem herdenkt, zal zij hun
eenparig oordeel moeten bekrachtigen en getuigen, dat Goesti Djilantik,
door welke beweegredenen dan ook geleid, beiden, Nederland en Bali,
het verlies van honderden menschenlevens heeft bespaard en dat het
voor een niet gering deel zijn verdienste is, zoo het Balische volk
gereedelijk en met goeden wil den weg is opgegaan, waarlangs het
komen zal tot de zeer te wenschen ontwikkeling van zijn stoffelijke,
verstandelijke en zedelijke krachten.

Goesti Djilantik, die de stedehouder van Karang Assem is geweest,
eerst onder den vorst van Lombok, toen onder de Nederlandsch-Indische
Regeering, is de afstammeling van een Hindoe-Javaansch geslacht,
waarvan de stichter omstreeks de helft van de vijftiende eeuw naar Bali
kwam om het eiland voor den vorst van Madjapahit te veroveren. Toen
deze, voor den Islam vluchtend, van het vermeesterde eiland zijn
nieuw rijk maakte, gaf hij zijn veldoverste Karang Assem land in
leen. De afstammelingen van Gadja Mada vergenoegden zich niet lang
met het vazallenschap. Zij stonden op tegen de opvolgers van hun
leenheer, de vorsten van Kloengkoeng, ontnamen hun groote stukken
van hun gebied, veroverden het omliggende land, en waren vorsten van
Lombok geworden toen omtrent 1700 de Oost-Indische Compagnie in deze
streken zich trachtte te vestigen. Het was een Karangassemer dien
Valentijn noemt als "den Coninck van Baly;" en een Karangassemer ook
was die radja van Boeleleng tot wien de O.-I. Compagnie het verzoek
richtte haar het monopolie te gunnen van die zeer voordeelige trafiek,
den slavenhandel. Nu begon in den levensloop van het oude geslacht
een nieuwe periode: de tijd van het geweld was voorbij, de tijd van
overleg en list was begonnen. De Karangassemers moesten zien hoe zij
de positie, die zij op de oorspronkelijke inwoners van Bali eerst en
op hun Hindoe-Javaansche stamgenooten later veroverd hadden, nu op
hun beurt handhaafden tegenover den veroveraar uit het Westen, die
weer sterker was dan zij. Zij deden het door beurtelings voor hem en
voor hun landgenooten partij te kiezen, aldus de politiek beginnend
die hun late nazaat Goesti Djilantik ten einde zou voeren. Na den
val van de Compagnie volgden zij tegenover de Nederlandsch-Indische
Regeering dezelfde gedragslijn. Zij behandelden haar als gelijke. Dat
werd hun mogelijk niet alleen maar zelfs gemakkelijk gemaakt door
de Regeering zelve. Het was in de Jan-Saliedagen van het nieuwe
Koninkrijk der Nederlanden. En toen daar een nieuwe kracht wakker werd,
had die nog te zeer zich te weren tegen de overal haar belemmerende
sleur binnen de eigen grenzen, dan dat zij in Indië, en nog wel in
zulk een uithoek van Indië als Bali, de hand aan het werk had kunnen
slaan. Het meeste wat op Bali verkregen werd was een contract met de
vorsten der acht landschappen van het eiland; een contract waarmee de
Nederlandsche Regeering een erkenning van haar oppergezag bedoelde,
terwijl de Balische vorsten er niet anders dan een vriendschapsverbond
in zagen,--bedrogen naar het wel schijnt, aangaande den zin van dien
term souvereiniteit die in hunne taal niet over te zetten is: van
Hoëvell althans verklaart dit in ronde woorden. [12] Der Regeering
eerste poging om haar "rechten" geldend te maken deed den oorlog
losbarsten. De Karangassemers volgden hun oude taktiek van "jagen
met de honden en loopen met den haas." Maar ditmaal tevergeefs. Zij
kwamen in het gedrang, moesten vluchten, en het hoofd van het geslacht
verloor zijn rijk aan Nederland en zijn leven aan zijn eigen opstandige
onderdanen. Karang Assem werd als loon voor bewezen diensten toegevoegd
aan dat Lomboksche rijk dat vroeger van Karang Assem uit veroverd was,
en waar nog een afstammeling uit het Karangassemsche vorstengeslacht
regeerde. Deze zond twee van zijn neven--het waren broeders--als
stedehouders naar het nieuwe wingewest. De twee broeders hadden een
derden, zeer veel jongeren, zoon van een andere moeder, een kind nog
toen zij, in '49, naar Karang Assem gingen. Een en dertig jaar later
kwam die broeder, een man van veertig nu, uit Lombok tot hen gevlucht
uit vrees voor zijn leven. De vluchteling was Goesti Djilantik.

In de poeri levende van zijn oom, den radja van Lombok, had hij liefde
opgevat voor een van diens dochters en de wederliefde van het meisje
gewonnen. Nu was zij, als dochter van eene Ksatrya vrouw, de meerdere
in kaste van Djilantik, wiens moeder tot de lagere kaste der Wessya
behoorde en het huwelijk van een vrouw uit hoogere met een man uit
lagere kaste is een misdrijf, waarop de Baliër-wet de doodstraf voor
beiden stelt. De verhouding der twee werd ontdekt. Door overhaaste
vlucht alleen kon Djilantik zijn leven redden, dat zijn vijanden, eene
sterke partij in de poeri, eischten, ter voldoening aan de wet. De oude
vorst was hem welgezind: misschien heeft die zijn vlucht begunstigd.

In elk geval, hij liet het toe, dat zijn beide stedehouders in Karang
Assem den vluchteling opnamen en hem als "poenggawa" het bestuur
gaven over een deel van hun gebied. Tien jaar later stierf de eene
der twee stedehouders. Toen stelde de radja Goesti Djilantik in zijn
plaats aan. Bij den kort daarop gevolgden dood van den tweeden maakte
hij hem zelfs tot eenig stedehouder van Karang Assem.

Djilantik betoonde zich een wijs en rechtvaardig bestuurder. Anders
dan vroeger zijn oudere broeder, dien het volk "Doeniet" noemde, nam
hij de belangen van den kleinen man ter harte. Hij vergde geen zware
heerendiensten; hij perste geen arbeid noch opbrengst van de velden af;
hij was geen wedder bij hanengevechten; meisjes en vrouwen waren veilig
in zijn gebied,--een zeldzaam iets in een land, waar maagdenroof niet
voor misdrijf geldt, en waar, in sommige streken, de bevolking er toe
gekomen is, haar dochters het gezicht te mismaken met sneden over de
wangen, om hen te vrijwaren voor het lot, naar de poeri van den vorst
te worden gesleept. Het volk van Karang Assem werd Djilantik's vriend.

Zijn naaste bloedverwanten echter waren zijn vijanden. Zijn benoeming
tot stedehouder had de rechten gekrenkt van de nakomelingen zijner
beide oudere broeders. En in zijn grenzenlooze eerzucht had Djilantik
den meest rechthebbende, den oudsten zoon van zijn broeder Poetoe,
uit zijn weg geruimd door wat niet anders genoemd kan worden dan een
zedelijke sluipmoord. De jonge man had zich schuldig gemaakt--als
indertijd Djilantik zelf--aan kastevermenging. Zelf een Wessya
zijnde--alle vorsten van Bali (met uitzondering slechts van die
van Kloengkoeng, Bangli en Gianjar) behooren tot deze laagste
der drie kasten, die gaandeweg de eigenlijke vorstenkaste, de
Ksatrya, verdrongen heeft--had hij de liefde verworven van een
Brahmanen-dochter. Zijn eigen vader liet hem, met het meisje te
zamen, krissen. Maar die hem daartoe had overreed en aangezet,
was Djilantik. Het is mogelijk de vrees voor weerwraak geweest,
die Djilantik, met prijsgeving van de toch zoo brandend begeerde en
met zoodanige middelen verkregen macht van het stedehouderschap,
Bali deed verlaten, toen de oude radja van Lombok, zijn oom, hem
een poenggawa-schap op zijn eiland aanbood, als loon voor de hulp,
door Djilantik hem bewezen in een oorlog tegen de oproerige Sasaks.

Daar begonnen de dingen, die den radja in botsing moesten brengen
met de regeering. Djilantik kwam te staan waar sedert anderhalve
eeuw zijn vaderen telkens gestaan hadden--tusschen landgenoot en
vreemden overheerscher in het nauw. Hij deed als zij gedaan hadden,
en als ten slotte toch ook natuurlijk is dat een zwakkere doet: hij
trachtte tusschen beiden door te glippen. Den poenggawa's, die tot
den oorlog dreven--want de machtige edelen waren de strijdlustigen,
niet het volk, noch de oude radja, die stokdoof en zoo goed als
verlamd, zelfs tot de gedachte aan vechten niet in staat meer was--den
poenggawa's ried hij te wachten tot na het lijkverbrandingsfeest van
zijn broeder, den ouden stedehouder van Karang Assem, die het vorige
jaar was gestorven. Den Nederlandschen ambtenaar en bevelhebber der
troepen verklaarde hij, dat geen oorlog te vreezen was: hij hoopte
werkelijk dien met uitstellen, paaien en nogmaals uitstellen te kunnen
voorkomen. Dat is zijn "verraad" geweest. Voor rechtvaardigheid is
het woord te hard, al moet erkend, dat zijn houding geen volkomen
eerlijke was. Dit echter is wel te onthouden: hij verzette zich tegen
de oorlogspartij uit alle macht; hij verklaarde bij het eerste schot
dat viel, met zijn twaalfhonderd Baliërs Lombok te zullen verlaten,
en volvoerde dat voornemen; hij weigerde het radja-schap, dat nog op
het allerlaatste oogenblik de poenggawa's hem aanboden, om hem tot
blijven en deelneming aan hun strijd te bewegen. Natuurlijk niet uit
"trouw aan het gouvernement," maar omdat zijn helder verstand hem de
vergeefschheid toonde van den strijd tegen Westersche wapenen. Zooals
hij het den poenggawa's had voorgehouden: "Wanneer het ei wil vechten
tegen den steen, wie verliest dan?"--Te Karang Assem loerden zijn
neven, Poetoe en K'toet, op hem. Hij vluchtte naar het gebergte. Toen
bleek de vriendschap van zijn volk. Gewapenden waren opgeroepen om
"een vijand van de vorsten" dood of levend terug te brengen: maar zij
wisten niet, dat die vijand Djilantik was. Toen het hun gezegd werd,
stieten de mannen hun lansen met de spits in den grond, ten teeken
van hun weigering om hem te bevechten. De neven werden tot vergiffenis
vragen en  onderwerping gedwongen.

Tien jaar later kwam de beurt die Lombok had gehad aan Bali: het
Nederlandsch gezag, dat tot nog toe een naam geweest was, werd een
werkelijkheid. Weder was het toen Djilantik die tusschen "het ei"
en "den steen" zijn handen hield. Zonder hem had zijn neef Poetoe,
de onverzoenlijke vreemdelingen-vijand, Karang Assem medegesleept
in een met Bangli en Kloengkoeng gezamenlijk te voeren oorlog tegen
Nederland. De wijze, waarop Djilantik dat voorkwam, was weer dezelfde
die hij op Lombok had gevolgd: ter wille van het goede doel zoowel
vriend als vreemde misleiden. Tegenover de Nederlandsche ambtenaren
ontkende hij, dat eenige beweging gaande was; tegenover de poenggawa's
eischte hij uitstel, met belofte van latere vrijheid tot handelen. Een
groot godsdienstig feest, waarvoor al sedert drie jaren de vorstelijke
familie zich voorbereidde, was het gereede voorwendsel. Het uitstel
dat hij dus won was er een van een half jaar. De regeering maakte zich
den tijd te nutte. Haar oorlogsschepen en troepen kwamen aan drie dagen
voor het feest, waarop tienduizend gewapende mannen, tempel-gangers in
schijn, oorlogvoerders inderdaad, met Poetoe aan het hoofd, verschenen
zouden zijn. Djilantik's taktiek had verschrikkelijkheden voorkomen.

Het moet den ouden man zwaar gevallen zijn; maar toen de vestiging
van het Nederlandsche gezag op Karang Assem een eind maakte aan zijn
levenslangen droom, de herwinning van het radjaschap, heeft hij bij
het voldongen feit zich neergelegd, en den nieuwen staat van zaken
zonder voorbehoud aanvaard. Meer dan dat. Toen hij er eenmaal van
overtuigd was geworden, doordat hij met zijn eigen oogen het zag, dat
de Westersche beschaving hemzelven en zijn volk verder zou brengen dan
zij ooit op hun eigen wegen konden komen; dat bruggen over rivieren en
ravijnen, wegen van het gebergte uit naar de zee, rijtuigen en paarden
(er waren er geen hier, onder Hollandsch bestuur pas reed het eerste
karretje over de eerste brug), dat stoomschepen, telegraaf en telefoon
nuttige dingen waren, toen heeft hij zijn uiterste best gedaan om die
aan Karang Assem te verschaffen. Toen hij aan zichzelven de uitwerking
had leeren kennen van kinine en begrepen had wat hygiënische voorzorgen
vermogen tegen velerlei ziekten, die onder dit ongeloofelijk-vuile en
zorgelooze volk heerschen, heeft hij op een vaderlijk-listige manier
zijn Karangassemers, wantrouwig en weerbarstig als zij waren, voor het
geloof in Westersche wetenschap gewonnen. Zijn neef Bagoes, te wiens
behoeve hij van het stedehouderschap afstand deed, heeft hij diezelfde
denkbeelden ingeprent. En voor het opkomende geslacht gezorgd door den
bouw uit zijn eigen middelen, met ruime hand verstrekt, van een school.

Hij is vier-en-zeventig nu: maar oud naar het lichaam alleen: zijn
geest is zoo krachtig en frisch als die van een jongen man. In het
hol-wangige en door het verlies van de tanden klein geworden gezicht,
waaromheen het haar, dat glad naar achter gekamd tot in den nek
afhangt, een gitzwarten glans heeft, staan de donkere oogen vurig,
bijna fel. Hij maakt levendige gebaren onder het spreken, als een
echte Baliër, dien geen adat tot vormelijkheid kan bedwingen. Wat
hij zegt, zegt hij met een zekere drift, alsof hij met zijn geheele
persoonlijkheid voor zijn opinie instaat. En hij vraagt--vraagt
veel--met de tot in bijzonderheden doordringende volharding en op
de systematische wijze van wie iets nieuws volkomen begrijpen wil
om het in zijn beschouwing van de menschen en het leven organisch
te kunnen opnemen. Een antwoord neemt hij niet voetstoots aan: maar
bewaart het tot hij het op zijn waarachtigheid heeft beproefd door
vergelijking met het antwoord op dezelfde vragen door een anderen
zegsman gegeven. Zelfs als hij zich een telefoon-toestel of een
ontsmettingsmethode laat uitleggen, gaat hij op die wijze te werk;
het Oosterlingen-wantrouwen blijft wakker, ook waar het niet behoeft.

De beide malen dat ik gelegenheid kreeg hem te zien en te spreken,
en het gesprek te volgen, dat hij, geruimen tijd achtereen en over
verschillende onderwerpen, met anderen voerde, kreeg ik den indruk
van een buitengewone persoonlijkheid. Wat zijn bestuur en voorbeeld op
Bali tot stand hebben gebracht, zal, ten volle, pas de toekomst toonen.



Bali als het land van Goden en Geesten


In de voorstelling van den Baliër is zijn eiland het Land der Goden:
en hij heeft het van hen in bruikleen. Zooals op Java de vorst
de souverein van den grond is, zoo is het hier de godheid. Haar
geldt de hulde en de dienst van alle menschelijke bewoners van het
land. Haar raad wordt ingewonnen, haar hulp afgesmeekt, haar wordt
dank betuigd, vergiffenis gevraagd, verontschuldigingen aangeboden,
onder alle omstandigheden van het leven. De Baliër gaat met haar om
als met een onzichtbaren doch alom tegenwoordigen en al-machtigen
vorst, uit wiens handen hij alles heeft ontvangen wat hij bezit,
en wien hij daarvoor dank, rekenschap en dienst schuldig is.

In de theorie is deze zijn godsdienst een der ontelbaar vele vormen
van het Hindoeïsme op Bali; immers vond het Javaansche Hindoeïsme
een veilige wijkplaats toen het voor den Islam vluchtte die Java
vermeesterd had. Maar een andere godsdienst leefde in de harten
der Baliërs, toen de Javanen hier kwamen: het antieke Polynesische
Heidendom. En onder den nieuwen invloed van het veroverende en hooger
beschaafde volk bleef het oude zich handhaven, zooals, onder den vloed
van zoet water aan een rivier-uitmonding in de zee het zilte blijft,
en de groei van koralen en zee-anemonen diep in de donkerte. De
machten door de oorspronkelijke Baliërs geëerd, de zon, de zee, de
lucht, het water van meren en rivieren, de geheime kracht die het veld
vruchtbaar maakt en de kudde, die allen worden, soms onder den naam van
Hindoe-godheden, soms ook onder hun eigenen nog, tot op dezen dag toe,
geëerd en gediend op het eiland. Het is een toestand zooals het Westen
in de middeleeuwen kende, toen onder het officieele Christendom de oude
Heidengoden een maar half hen verbergende wijkplaats hadden gevonden,
en aan Maria offers werden gebracht zooals Freya er verlangde, en
op Kerstmis met groote vuren en het slachten van vee het Winterfeest
der sedert eeuwen al vergeten voorvaderen werd gevierd.

De groote schoone tempels zijn gewijd aan de Hindoe-goden; Siwa wordt
genoemd als de opperste van alle goden; de drie Hindoe-kasten, die der
Brahmanen aan het hoofd, doen het Kaoela-volk, de Soedra-kaste, waartoe
zij, de overwinnende Javanen, het oorspronkelijke Baliër-volk verlaagd
hebben, bukken voor hun gezag; dooden worden verbrand en hun asch in
zee of in een immers naar de zee stroomende, rivier geworpen, naar de
zede der Hindoes. Maar niettemin meent de Baliër als hij Siwa zegt, de
zon of de lucht, met Brahma het vuur, met Wisjnoe het water; niettemin
heeft zich onder de Soedra's een afzonderlijke klasse gehandhaafd,
afstammelingen waarschijnlijk van aloude aanvoerders-geslachten,
die in een zekere mate deel hebben aan de voorrechten der triwangsa,
zelfs aan het priesterlijke der Brahmanen-kaste; en er waren nog
voor betrekkelijk korten tijd geheele dorpen op het eiland die hun
dooden in het bosch neerlegden, en het wijwater der Brahmaansche
priesters weigerden. Dit ook is klaarblijkelijk een revanche van den
ouden godsdienst, dat niet de goden, maar de geesten, de "boeta's"
in de eerste plaats, ontzien en geëerd worden. Als hun aanbidders en
"landgenooten" zijn deze oude Heidensche goden tot een lageren rang
neder gedwongen door den veroverenden Hindoe; monsters en reuzen heeten
zij nu inplaats van goden. En zij moeten, "in effigie" voor de poort
gezeten der tempels, het verblijf van hun overwinnaars bewaken als
het Kaoela-volk de poeri van vorst en edelman. Maar met dat al hebben
zij zich gehandhaafd in de harten, en niet van het Kaoelavolk alleen,
maar van het kwansuis Hindoesche Javanendom even goed, en dat wel
zoo krachtig, dat eerst de booze geest wordt gevleid en verzoend,
voor de goede god wordt aangebeden.

Want als boos stelt de Baliër zich alle geesten voor: misschien wel
omdat zij verdrongen zijn uit hun eigen land en rechten? Hij probeert
hen te paaien. Dat kost niet veel geld of moeite: een geestenhand is
gauw gevuld! Een paar koperen duiten als men heel vrijgevig wil zijn,
een kliekje eten, anders desnoods een paar bloemen, aardig op een blad
geschikt, dat is al genoeg voor den dagelijkschen dienst. Natuurlijk
bij groote gelegenheden komt er meer aan te pas. Als iemand ziek is,
bijvoorbeeld, wat immers altijd de schuld is van een boozen geest,
dan begrijpt een ieder, dat die geest al in een bijzonder booze bui
verkeeren moet en dat er dus iets bijzonders gedaan moet worden om
hem weer in zijn humeur te brengen, zoodat hij toelaat, dat de zieke
beter wordt. Daarom worden bij epidemieën groote godsdienstige feesten
gevierd, waarop de booze geest wordt voorgesteld onder de gedaante van
een reusachtigen, rood-en-goud-geklauwden tijger, wiens woede bedaart
door het gezang en den dans van prachtig gekleede kinderen. Hier in
het Badoengsche, bijvoorbeeld, waar ik nu sedert eenigen tijd ben,
heerschte verleden jaar de cholera. Toen gaf de poenggawa van Mengwi,
die buitengewoon gezien is, omdat men hem voor zeer geleerd in geheime
wetenschappen en eigenlijk voor een toovenaar houdt, zulk een feest:
de tijger was een tijger, zooals hij bij zulk een voornaam heer past:
hij had een gouden kop en een gouden staart, en zijn geheele lichaam
was bedekt met pauweveeren. De dansers die voor hem dansten, de wierook
die werd ontstoken, de instrumenten waarop muziek werd gemaakt,
het was alles van het allerprachtigste. Tegen zooveel beleefdheden
was de booze luim van den cholera-geest niet bestand. Het bestuur,
dat rivieren en leidingen had doen desinfecteeren, zag dat het zich
die moeite had kunnen besparen. Dadelijk na het feest te Mengwi nam
de cholera af en na een korten tijd was er in heel Badoeng geen
zieke meer. Zulke "verzoenings-feesten" hebben echter nooit meer
dan een tijdelijke uitwerking. Het is noodig, daarom, de geesten in
den waan te brengen van tijd tot tijd, dat er in het geheel geen
menschen meer zijn op Bali, aan wie zij hun toorn en wrok kunnen
koelen, dan blijven zij vanzelf weg. Voor een poosje althans. Dan
wel is waar komen zij toch weer terug. Maar de Balische geestenleer
ignoreert zulke kleinigheden. Een maal in het jaar daarom wordt de
groote plechtigheid van het "Eenzaam Maken" gehouden. Met vreeselijk
getier, geschreeuw, gegalm, met slaan op gongs en op houtblokken
worden alle geesten uit hun schuilhoeken opgejaagd en mettervlucht de
lucht ingedreven. Dan trekken de Baliërs zich terug in hun huizen en
sluiten de dorpspoorten. Vier-en-twintig uren lang mag niemand zich
op den weg vertoonen, mag geen licht schijnen, geen vuur branden,
moet het geheele eiland verlaten lijken en leeg. Werken op de sawah,
koopen en verkoopen op de markt, blijven gedurende verscheidene
dagen nog verboden. Het gebruik, dat den nieuw opkomenden handel
van den Pasar belemmerde, is voor deze streek onschadelijk gemaakt
door een vaderlijke list van het bestuur; de Balische geesten, heeft
het verklaard, hebben het alleen op Balische menschen voorzien; op
Europeanen, op Chineezen, Arabieren en al het overige "Islam-volk,"
slaan zij geen acht. Zijn er dus slechts geen Baliërs op den weg dan
geldt voor de geesten Bali als ledig en verlaten, en zij vliegen ver
weg van dat woeste land. Met die uitlegging hebben de Baliërs volkomen
genoegen genomen. Nu blijven zij in hun huizen terwijl de handel
zijn ongestoorden gang gaat, en beide partijen zijn tevreden. Het
zal overigens misschien zoo lang niet meer duren of ook Baliërs--zij
krijgen bij den dag meer belang en rechtstreeksch aandeel in den
al levendiger wordenden handel--zullen er iets op vinden om mede te
profiteeren van deze schikking met de geesten.

Wat de goden betreft, die zijn goed en eischen geen offers ter
verzoening, maar offers van hulde en dankbaarheid alleen. Die worden
hun dan ook met genoegen gebracht. Geen erf of men ziet bloemen liggen
in de "godenhuisjes" en een van bladreepen gevlochten versiersel voor
de nis, naast de poort, van den "taksoe," den dienenden geest die
als bemiddelaar optreedt tusschen menschen en goden; geen dag in het
jaar of men ziet offeraars, feestelijk gekleed en sierlijke schalen
vruchten en bloemen dragend, op weg naar de tempels. Er zijn er ten
minste drie in elk, zelfs het kleinste, gehucht: de dorps-tempel, om
zoo te zeggen het geestelijke gemeentehuis, waar alle openbare zaken
behandeld worden, en tevens feesten gevierd en gasten--goden zoowel als
menschen van elders--geherbergd; de tempel op of bij de begraafplaats,
waar de dooden de verbranding wachten, aan de doodengodin Doerga
gewijd: de tempel aan het strand, ver gelegen soms van het dorp,
maar niettemin aan dat dorp behoorend, waar de goden der zee worden
geëerd. Op grootere plaatsen wordt dat getal van drie een veelvoud van
drie. Te Singaradja bijvoorbeeld, te Karang Assem en hier te Badoeng
[13] zijn er tempels meer dan buurten en wijken. Zij vertoonen alle
hetzelfde type: dat van het Balische erf in het groot en in het
mooi. Rondom loopt een muur, bij de "armere" tempeltjes van klei,
bij de "rijkere" tempels van steen; twee poorten, een op het Zuiden,
een op het Westen, staan daarin open: uit den voorhof, waarheen zij
toegang geven, leidt een derde poort tot het heiligste binnengedeelte,
dat door een versierden muur, een soort steenen scherm, vlak achter
die poort gebouwd, wordt beschut tegen den blik van voorbijgangers,
juist zóo als de Baliër zijn huiselijkheid tegen den blik van den
vreemde-op-de-straat beschut. In dat binnenste gedeelte staan
de woningen van de goden, van de mindere, de Dewa's, en van de
hoogere, de Batara's, die sierlijk zijn al naarmate de huizen van hun
aanbidders dat ook zijn; soms enkel maar van bamboevlechtsel en in de
zon gedroogden steen; soms gemetseld, en versierd met beeldhouwwerk,
door steenen monsters bewaakt, gedragen op beschilderde en vergulde
pijlers, en van deuren voorzien, een en al fijn gestoken werk, kleur
en goud. De Chineesche invloed, die veel moois en ook veel leelijks op
Bali heeft teweeggebracht, is hier een erg storend element; juist de
mooiste tempels worden ontsierd door een optooiïng met porcelein. Het
is begonnen, waarschijnlijk, met Chineesche borden en schotels, die
althans op zich zelven mooi toonen, hoe leelijk dan ook als toevoegsel
aan architectuur. Op het oogenblik echter zit allerlei grof goed in
tempelmuren gemetseld; tot boeren-aardewerk van Regout toe, zooals
het volk van de Gooistreek het koopt op de Hilversumsche markt, heb
ik hier in het Badoengsche en in Mengwi gevonden. De soldaten van de
expedities van 1906 hebben hier en daar, alle discipline ten spijt,
geprobeerd de borden die hun de mooiste leken, uit het metselwerk te
lichten, en in die poging alles doen barsten en breken. Nu, leelijker
dan het was, kon het niet worden. Het is verdrietig om te zien;
zelfs de prachtige Meradjan Kesiman, een vorstelijke familie-tempel,
is geschonden door al die witte en bonte ronde plekken, als door een
afschuwelijken uitslag. Er is een inspanning der gedachte noodig om,
zelfs in de herinnering, daarover heen te komen.

Naar die vele tempels, Balisch gebouwd, Chineesch versierd,
door Hindoe-goden bewoond, gaan dag aan dag de honderden. De
godsdienstige feesten van het Bali-jaar zijn ontelbaar; bij alle
belangrijke familiegebeurtenissen wordt er een gevierd; evenzoo voor
"den verjaardag" van het vee, van de wapens, van de vruchtboomen en
tuinen, van de kunst van het lezen en schrijven. Ik had een geleerden
Goesti op bezoek, onlangs, toevallig juist op "den verjaardag van het
letterschrift," die mij dat denkbeeld poogde duidelijk te maken. "Dit,"
zei hij, en lei zijn van ringen flonkerende hand op een brief, "dit
noemt u letters: maar het is een Godin! en deze dag is de dag, waarop
zij, voor eeuwen "uit haar moeder kwam." Daarom vieren wij haar heden
met optochten, en niemand mag van morgen- tot avondschemering lezen of
schrijven." Daarbij keek hij naar mijn pen of hij zeggen wou "het is
u ook geraden dat maar te laten vandaag."--Behalve al deze algemeene
feestdagen heeft elk dorp er nog bijzondere voor zijn eigen bijzondere
goden--de bijzondere goden, in wie de oude beschermgeesten van den
Heidentijd zoo licht te herkennen zijn. Zoodat van de 420 dagen van
het Balische jaar er weinig zijn, of geen misschien, zonder den glans
van een godenverheerlijkend feest; een optocht soms, met galm van gongs
en bamboekokers; op andere keeren een dans van dessa-maagden en jonge
mannen, of van kinders in de dracht van krijgslieden en prinsessen;
een tocht naar het zeestrand om een wonderdadig beeld te baden;
een pelgrimsgang, alle de tempels van een landschap rond, waarbij de
meegedragen goden elkander bezoeken; en, altijd, een vroolijk maal aan
de offeranden den goden aangeboden, waarvan de hemellingen den geur
alleen tot zich nemen, de substantie overlatend aan hun aanbidders.

En dat, offers en eerbewijs, is alles wat die goede goden den menschen
afvragen; het is maar voor de leus, als, een heel enkele maal,
eens wordt gerept van zedelijke verplichtingen. De goden-zelven
nemen het onder elkander óók zoo nauw niet, als ieder wel weet,
die de heilige verhalen kent. Een hulde-betoon dat op zichzelf een
genoegen is; meer vergen zij niet. En in ruil daarvoor geven de milden
een gelukkig bestaan op Bali en de eeuwige zaligheid in een hemel,
die een verheerlijkt Bali is.

Wat kan tegenover zooveel aangenaams, eenige andere godsdienst stellen?

En wat wonder als niet één er in geslaagd is in eenigen getale
belijders te winnen op Bali?



Het verleden op Bali en de toekomst


Aan den grooten weg van Dèn Pasar naar Mengwi, tegenover het schoone
met Ganeça-beelden versierde torenkoepeltje van den "koelkoel" het
holle houtblok, dat dreunend geslagen, uit mijlenverren omtrek al
het volk oproept, daar ligt, modderig van nooit wegzakkende plassen
en ruig overgroeid, de ledige plek waar eenmaal de poeri stond
van den Radja van Pametjoetan; en de plaats is nog aan te wijzen
van de poort, waaruit de vorst met al de zijnen, vrouwen, kinderen,
bloedverwanten, volgelingen en slaven, dien vreeselijken uitval deed,
den dood tegemoet, waarbij wie niet viel door de kogels van den vijand,
stierf onder de lanssteken van den vriend, en vrouwen en kinderen
elkander afmaakten met de kris. Aan deze en gene der vele tempels van
den omtrek der stad is de schade nog te zien, door baldadigheid hier,
bij ongelukkig toeval ginder, toegebracht aan muren en beelden. Men
hoort nu en dan van leden der oude vorstenhuizen van Bandoeng, van
Tabanan, van Gianjar en Bangli, die in ballingschap leven op Lombok,
en geregeld bezocht worden door hun getrouwen. En men ziet een enkele
maal in den dichten drom der toeschouwers bij een hanengevecht of
een of andere wayang-vertooning, mannen die het litteeken dragen
van een kogelwond of een lanssteek, en die, soms, ontvlucht zijn uit
den massamoord van 1906, en soms de door ambulance en artsen uit den
zieltogenden hoop geredden. Een ledige plek, verminkte tempelmuren,
litteekens: dat zijn de eenige zichtbare herinneringen aan den
grooten ommekeer die het verleden van Bali scheidt van zijn heden
en zijn toekomst. In de gedachte van het volk is er, indien dat kan,
nog minder van overgebleven. "De Baliërs denken alleen aan hun eigen
belangen. Om hun vorsten denken zij niet!" Een Wessya, die met mij
sprak over vroeger en nu, zeide dat met een zekere bitterheid. Hij
sprak als edelman: de tijd van de vorsten was ook zijn en zijner
gelijken tijd. Maar diezelfde woorden zouden op een anderen toon
geklonken hebben uit den mond van een Kaoela. En als het geringe
volk de vorsten vergeten is, dan komt dat, omdat het in de gelukkige
natuur van den Baliër ligt het kwade spoedig te vergeten; van hun
vorsten hebben zij zelden, indien al ooit, iets anders dan kwaad
ondervonden. Goesti Djilantik van Karang Asem is een uitzondering;
een alleenstaande mag wel gezegd; de overige Balische vorsten waren
wat overal en altijd alleenheerschers zijn geweest: dwingelanden. Zij
en hun volgelingen leefden van het kleine volk; en zij ontzagen het
noch in zijn arbeid, noch in zijn eigendom, noch zelfs in zijn lijf en
leven. Zij hadden honderd manieren voor éen om het bezit van den Kaoela
tot het hunne te maken: belastingen en heffingen tot in het oneindige;
vonnissen voor lichte overtredingen, waarvan verbeurdverklaring van
veld, huis, vee en alle overig bezit het gevolg was; naasting van
de erfenis van hen, die zonder zoons of allernaasten mannelijken
bloedverwant overleden; willekeurige grensveranderingen, waardoor de
sawah van een Kaoela plotseling de sawah van den vorst of van een
zijner bloedverwanten of edelen werd. Het volk kon nog van geluk
spreken als zijn radja enkel maar hebzuchtig was, en niet tevens
wellustig en wreed. Er waren streken, waar de mannen hun vrouwen
en dochters met kerven over het gezicht mismaakten, opdat de Radja
hen niet zou doen oplichten en naar zijn poeri sleepen. Het is nog
maar kort geleden, dat de stedehouders van Gianjar en Bangli bij
verdrag met de Nederlandsch-Indische regeering afstand deden van
het recht weduwen en dochters van zonder zoon overleden erflaters
als slavinnen te nemen, evenals verstooten vrouwen door den man als
slavin aangeboden. Het is bekend, hoe in 1903 de zoon van den pas
overleden radja van Tabanan twee van zijns vaders vrouwen tot den
"vrijwilligen" vuurdood op diens brandstapel dwong. Minder bekend,
misschien, van welken aard de straffen waren waarmede de vorsten
overtredingen der adat-wet of, evengoed, persoonlijke "beleedigingen"
wreekten. Diezelfde Wessya, die zoo verontwaardigd sprak over de
ontrouw van het Baliërvolk aan hun vorsten, verhaalde mij afschuwelijke
bijzonderheden van terechtstellingen waarvan hij ooggetuige was
geweest, nog in 1905--ik zal ze den lezer besparen. En het volk van
Karang Asem spreekt nog met haat en vrees van den vorstenzoon K'toet,
Goesti Djilantik's neef en doodsvijand, den zwaarlijvigen, vadsigen
doe-niet, die zijn genoegen vond in folteren. Het is te begrijpen,
dat het volk van Zuid-Bali, toen het, eindelijk, tot een botsing kwam
tusschen de regeering en de inlandsche vorsten, die vorsten hun eigene
zaak alleen liet uitvechten, en zich aan den vreemden overwinnaar
gewillig onderwierp. Zij konden het nooit slechter krijgen dan zij
het hadden; beter al heel licht. De uitzondering die Tabanan maakte,
toen na de gevangenneming en den zelfmoord van den vorst en zijn zoon,
een opstand uitbrak onder de aanvoering van eene zijner dochters,
was een uitzondering alleen in schijn. De Radja-dochter gedroeg zich
als een door de Godheid bezielde. Een dergelijk geval heeft zich
nu pas in het Kloengkoengsche voorgedaan, op kleine schaal. Door
een beroep op zijn godsdienstige gevoelens is de Baliër altijd te
winnen. Maar zelfs toen lieten de meesten het bij offers en wierook,
die zij aan de prinses en hare volgelingen aanboden als aan goden. Toen
het op vechten aankwam, vluchtte het grootste getal ook van hen die
haar gevolgd waren. De opstand was voorbij nog eer hij goed begonnen
was, en de prinses, die vóor het eerste treffen al een toevlucht had
gezocht in het gebergte, werd verlaten zelfs door haar bloedverwanten,
die haar als Radja hadden beloofd te huldigen. De weinige gewonden
zochten vertrouwelijk de ambulance op, om zich te laten verbinden,
en de leiders boden, zonder eenige vrees, hun onderwerping aan bij
de regeering: zij hadden aan de Godheid gehoorzaamd door te willen
vechten; nu zij het verloren hadden, waren zij wel tevreden weer naar
huis te mogen gaan. Het doorslaande bewijs van de eigenlijke gezindheid
van den kleinen man in Bali werd het volgende jaar, 1908, gegeven door
de bevolking van Gianjar: een optocht van eenige honderden kwam naar
Dèn Pasar met het verzoek om uitbreiding van het rechtstreeksche
bestuur over Gianjar. Hun verzoek werd niet ingewilligd: maar,
langs een omweg verkregen zij toch wat zij verlangden, zekerheid van
eigendom en leven. De eenigszins ingewikkelde toestand was deze:
de vroegere Radja van Gianjar, de toenmalige stedehouder, was wel
gewillig tot toegeven aan de rechtmatige eischen van het volk, maar
hij dorst niet te handelen, uit angst voor een overmachtigen vazal,
den Tjokorda van Oeboet. Die was, en is nog, een der rijksten,
zoo niet de allerrijkste van Bali; door zijn schatten aan goud en
juweelen, door zijn uitgestrekt grondbezit en door de menigte van zijn
heerendienstplichtigen, schuldenaars, en volgelingen, vrijwillige
en gedwongene van alle slag, had hij de werkelijke macht in handen,
waarvan de Radja alleen maar den schijn bezat. En hij gebruikte die
macht om een ommekeer van zaken te beletten, die hem er van berooven
zou. De optocht der honderden naar Dèn Pasar echter was hem een
waarschuwing. Hij besloot dreigende gevaren te voorkomen. En om niet
de mindere te worden van andere rijksgrooten, bood hij de regeering
zijn hulp aan bij het invoeren van nieuwe wetten en bepalingen, die
hun aller macht evenzeer beperkten als zij het zijn eigene deden. Zoo
heeft hij dus Gianjar van zichzelven bevrijd. Er is nu, in de practijk,
geen noemenswaardig verschil meer tusschen den toestand van het volk
van Gianjar onder het bestuur van den stedehouder, en dien van het
volk in de rechtstreeks bestuurde landschappen.

In het Badoengsche beter nog dan elders, kan men zien hoe goed reeds
nu en met den dag nog hoeveel beter wordend, die nieuwe toestand is.

Het bestuur is begonnen met het eerst-noodige: goede wegen en
bruggen. Daar heeft eerst, natuurlijk, het volk veel tegen gehad:
het is zwaar werk wegen te bouwen in de tropen: de diensten die zij,
zonder betaling voor den vorst verrichtten, waren lang zoo zwaar
niet geweest als deze nieuwe heerendiensten. Maar ten slotte kwam de
ervaring die hun leerde dat zij met deze nieuwe heerendiensten ook
hun eigen belangen hadden gediend. De cijfers van in- en uitvoer
uit de voornaamste haven van Zuid-Bali, Benoa in Badoeng, zijn
welsprekend. Een vergelijking van die over 1908 met die over 1911
toont dat de invoer méér dan verdubbeld, de uitvoer bijna verdubbeld
is: invoer 1908 voor een waarde van f 646,280; 1911 voor f 1,455,164;
uitvoer 1908 voor f 1,141,781; 1911 voor f 2,179,209. Het verschil
kon nog sterker zijn als niet oude sleur nog een groot gedeelte van
den uitvoer, die van vee vooral, voortdreef langs de gewende hoewel
slechte wegen naar de havens in Noord en West. Maar waarschijnlijk
zal die gewoonte vanzelf wel uitsterven; te eer nu de nieuwe haven er
komt te Serangan tegenover Benoa (eergister werd het Regeeringsbesluit
bekend, dat den bouw toestaat) zoodat ook de al grootendeels gebouwde
weg van Dèn Pasar naar zee, waarmee gewacht werd tot er zekerheid zou
zijn omtrent de haven, nu voltooid zal worden. Vroeger was de handel
voornamelijk het bedrijf van vreemde Oosterlingen, Chineezen vooral,
die hier woonden als in de handelssteden van middeleeuwsch Europa de
Joden, rijk, geminacht en altijd bedreigd met afpersing. Nu zal ook de
Baliër zijn deel daaraan krijgen. Het begint al met de copra; in het
Karangassemsche zag ik een kelapatuin die zijn eigenaar f 4000 winst
opbrengt in 't jaar; de bewoner van een onaanzienlijk huisje hier
te Dèn Pasar zeide mij gemiddeld f 13 per dag te verdienen met den
verkoop van copra. Van regeeringswege worden inlichtingen verstrekt
omtrent de beste wijze van bereiding. Er zal nog veel meer verdiend
worden als de Baliër zijn vruchten den tijd tot rijpen laat, en enkel
in de zon inplaats van op het vuur droogt. Het strenge toezicht op
den veestapel en het verbod van uitvoer van de beste exemplaren,
vroeger roekeloos aan Chineesche en Europeesche opkoopers afgestaan,
hebben ook den veerijkdom vermeerderd. En de bemoeienis met den
akkerbouw, den rijstoogst. Sedert de vaccinatie is ingevoerd, zijn de
pokken verminderd, vroeger hier endemisch, zóó, dat het volk den tijd
rekende naar de periodisch terugkeerende hevige uitbarstingen van de
ziekte. De dwang tot althans een eerste begin van zindelijkheid werkt
gunstig op den algemeenen gezondheidstoestand. Die voordeelen, die de
menschen elken dag in de beurs en aan den lijve ondervinden hebben
hen gaandeweg verzoend ook met wat hun in het begin hard viel. De
heerendiensten trouwens zijn hier niet zwaar. Als er in de weinige
jaren sedert de vestiging van het Nederlandsch gezag al zoo zeer veel
is verricht op Bali, meer dan in één van de Buitenbezittingen, dan
komt dat door de veelheid der handen, die het werk licht maakte. De
heerendienstplichtigen komen niet meer dan 40 dagen in het jaar
uit: maar zij tellen bij duizenden. Zuid-Bali heeft een bevolking
van gemiddeld 175 zielen op de vierkante mijl: 600,000 ruim in het
geheel. Evenmin als de belasting in arbeid, drukt de belasting in
geld hen zwaar: de landrente over het geheele zuiden van het eiland
bedraagt niet meer dan ruim een half millioen. Eene andere belasting
wordt in Zuid-Bali van inboorlingen niet geheven.

Het beschavingswerk is, natuurlijk, nog pas in zijn begin. Het
wegennet, moet uitgebreid over het geheele eiland: er moet gezorgd
voor voldoende, zuiver drinkwater; voor middelen van verkeer, sneller
dan de Balische "grobak;" voor uitbreiding van telegraaf en telefoon;
voor scholen--de weinige die er reeds zijn, kunnen de aantallen van
onderwijs begeerenden niet bergen--; voor geneeskundige hulp, die
altijd door verlangd wordt door veel meer zieken dan geholpen kunnen
worden. Zeker moet ook, op den duur, rechtsgelijkheid verkregen:
de triwangsa, die over het algemeen niet meer dan 5 pct. van
de geheele bevolking uitmaakt, geniet, ondanks alle sedert kort
ingevoerde beperkingen, toch nog altijd groote voorrechten boven
het Kaoela-volk, dat langzamerhand ongeduldig wordt onder dien door
niets meer gemotiveerden toestand. Daarmee zou tegelijk de hardheid
vervallen, waarmede kastevermenging wordt gestraft, zelfs nu nog,
nu het Hollandsche bestuur de doodstraf van vroeger heeft vervangen
door verbanning. En zoo is er nog veel begeerlijks, dat de Baliër
het recht heeft van den Hollander te verwachten, om niet eens--als
iets dat vanzelf spreekt--te noemen den plicht om den inboorling
te beschermen tegen mogelijke verdrukking door de overmacht van
het Europeesche kapitaal, als het zich eenmaal hier gevestigd zal
hebben. Niemand kan ook de schoonheid aanschouwen van de Balische kunst
in architectuur, tooneel en dingen van dagelijksch gebruik, zonder den
wensch, dat alles beschermd moge blijven tegen ongunstige invloeden
uit het Westen. Met die bescherming is gelukkig al een begin gemaakt:
van den assistent-resident van Badoeng is een plan uitgegaan--en door
alle poenggawa's van het rechtstreeks bestuurde gebied zoo goed als
door de "zelfbesturen" is het met instemming aanvaard--om te Dèn Pasar
een museum te stichten, een complex van gebouwen, dat een model van
Balische architectuur en een schatkamer tevens zal zijn van Balische
kunst. Elk landschap zal er zijn eigen gebouw hebben, in zijn eigen
trant opgetrokken, waarin zijn eigenaardige stijl in voorwerpen van
dagelijksch gebruik een uiting vindt en de voortbrengselen van zijn
nijverheid tentoongesteld worden. Het zal geen doode verzameling
wezen van allerlei en nog wat. De tempel, die erbij behoort, zal
open staan, als elke poera; en het groote bad, de "pantjoeran,"
wordt ingericht voor dagelijksch gebruik. De opbrengst van het voor
verkoop tentoongestelde zal dienen voor onderhoud van het museum,
waarvoor men vreemdelingenbezoek mag verwachten, zoodra wegen voltooid
en een nu nog zoo goed als ten eenenmale ontbrekende gelegenheid tot
verblijf tot stand gebracht zal zijn. En dat aldoor aanschouwde en
door vreemden bewonderde voorbeeld van zijn eigen kunst zal, zoo mag
men hopen, helpen om den Baliër te beschermen tegen navolging van
uitheemsche wansmakelijkheden.

Dit alles is zeer te hopen en zeer goed te bereiken ook: in het geheel
geen onbenaderbaar ideaal. Maar er voor noodig is, behalve inzicht
en goede wil, kracht: een kracht, die oneindig grooter moet worden
dan zij nu nog is, om werkelijk iets blijvends tot stand te kunnen
brengen. Er zijn hier mannen noodig en vrouwen ook, die hart hebben
voor het werk der beschaving, het schoonste, dat de Westerling in het
oude Oosten volbrengen kan, en het éénige dat zijn verovering en zijn
tijdelijk bezit van des Oosterlings land rechtvaardigt.

Mochten zij toch, en spoedig, komen!



BORNEO


Eerste indrukken van Borneo


Aan boord van de Koninklijke Paketvaartboot zijn wij op weg naar
Borneo: van Soerabaja naar Bandjermasin. Er zijn maar weinig passagiers
in de eerste klasse, een half dozijn; op het derde-klasse gedeelte
van het dek echter is het vol. Het geheele gezelschap der opvarenden,
Europeanen en Oosterlingen te zamen, geeft in zijn bonte samenstelling
ten naaste bij een begrip van de wordende maatschappij in het land
waarheen wij op weg zijn.

In de derde klas zijn het Maleiers, Javanen, Chineezen, Arabieren. De
Javanen zijn grootendeels koelies, mannen en vrouwen, die op de vele
rubberondernemingen gaan werken, met een contract voor drie jaar. De
vrouwen hebben zich huiselijk ingericht, met matten, kussens, aarden
potjes met eten en de welbeminde sirih-doos. Zij zitten en liggen
op het dek niet anders dan ze het zouden doen in hun eigen huis op
Java. De mannen zitten te rooken.

De Chineezen houden zich afzonderlijk van de overigen en bij elkaar. Er
zijn er verscheiden bij, die hun staart hebben afgeknipt, daarmee te
kennen gevend, dat zij republikeinsch gezind zijn en eene geheel nieuwe
orde van zaken toegedaan in het verre Chineesche vaderland, en ook in
het tegenwoordige, het vaderland-bij-adoptie, Nederlandsch-Indië. Zij
spreken gedempt en druk, misschien wel over de troebelen in Soerabaja
van een dag of wat geleden, den onverwachten aanval van de lieden uit
Macao op den kapitein-Chinees, en de houding van het Nederlandsche
bestuur. Was de aanval werkelijk onverwacht? Er wordt onder Hollanders
wel aan getwijfeld. Op de strakke gezichten dier druk en zacht
sprekenden is niets te lezen. Zij konden het even goed over hun
zaken hebben als over de gebeurtenissen in China en op Java. Het zijn
kooplui. In Bandjermasin hebben zij landgenooten, dùs bloedverwanten,
zakenvrienden, mede-leden van de groote nationale bonden, bij de
vleet. Verder het binnenland in mogen zij zich voorshands niet
vestigen. Officieel en in theorie. De practijk is rekkelijker.

Van de inlanders, de Maleiers vooral, zijn er velen in Arabische
dracht. Het zijn hadji's die de Arabische kleedij aangenomen hebben
ten blijke van die vervulling van den oppersten godsdienstplicht,
den pelgrimstocht naar Mekka. Voor een inlander--Javaan of Maleier--is
die reis, behalve een daad van vroomheid, ook nog een pleizier-, een
zaken- en een studie-reis. Hij spaart er jaren voor: hij maakt wat hij
heeft te gelde, en steekt zich in de schuld om de plus minus f 300,
die de reis kost, bijeen te krijgen. Hij weet dat het goed-belegd
kapitaal is. Want hij, die in zijn dorpje gevegeteerd heeft tot
nog toe, nooit komend buiten den engen kring van de pasars uit den
naasten omtrek, hij zal nu de wijde wereld leeren kennen, en wat
daar te koop is. En in de school van het sluwste handelaars-volk
ter wereld zal hij begrip krijgen van handel en nering, en zich
kunnen oefenen in die moeilijke kunst van het geldmaken, waarin
de Arabieren in Indië hem zoozeer de baas zijn, en waardoor zij
in goeden doen komen, terwijl hij, onwetende, arm blijft. Nog een
voordeel voor den Mekka-pelgrim: zijn hadji-titel en zijn Arabische
kleedij geven hem aanspraak op den eerbied van zijn geloofsgenooten,
en op al de voordeelen die daarvan het uitvloeisel zijn. Van het een
en het ander weet de hadji goed gebruik te maken. In de Inlandsche
handelswijken van Soerabaja staat het "Hadji" op den gevel van
een menigte winkels en werkplaatsen. De prauwen die de Brantas op-
en afvaren tusschen de havens en het binnenland tot Kediri toe, met
rijst, petroleum en allerlei toko-artikelen stroomop, met suiker
van de vele fabrieken stroomaf, zijn haast alle het eigendom van
hadji's, die prauwvoerders en sleepers in hun dienst hebben. En dezen
hadji's aan boord, meest Bandjareezen en mannen uit het binnenland,
terugkomend van een zakenreis naar Java, is de welvaart aan te zien
aan zware gouden horloge-kettingen en dikke gouden ringen, waarin
diamanten flikkeren. Er zijn, kennelijk, zaken te doen op Borneo.

Ook de passagiers der eerste klasse zijn mannen van zaken; en ook
dit kleine gezelschap is internationaal. Er is een Duitscher bij,
een rubberplanter; een jaar of tien geleden heeft hij in moeras
en oerwoud de onderneming begonnen waarop nu een duizend koelies
werken, onder een staf van geëmployeerden van allerlei landaard. Zijn
buurman aan tafel is een Engelschman uit Calcutta, àl te donker
van tint en oogen en al te tenger van gestalte om voor een volbloed
Engelschman te kunnen doorgaan. Hij komt, hoor ik, machines koopen
voor een Engelsche maatschappij, die van een Duitsche een kolenmijn
heeft overgenomen. Met de twee in gesprek zit een jonge Hollandsche
ingenieur, die naar petroleum gaat boren. Namen van Hollandsche,
Duitsche, Engelsche, Amerikaansche en Russische maatschappijen worden
genoemd. Ik hoor van een paar Denen, die op een naburig eilandje een
kolenmijn exploiteeren en voor het vervoer een contract hebben met
een Japansche firma. Zoo komt, van uit alle vier de hoeken van de
wereld, het kapitaal naar het nieuw te ontginnen land. Bandjermasin
moet nu al een soort Kosmopolis zijn.--In 't voorbijgaan--hoe lang
zal dat woord nog zijn tegenwoordigen klank, den klank van iets bonts
en buitengewoons, behouden? Op een plek als dit Paketboot-dek, en in
zulk een gezelschap, denkt men allicht: niet zoo heel lang meer! Men
hoort met ooren, met ziet met oogen den keer der dingen, en het
begin van een tijd waarin het burgerschap van een land tegenover het
wereldburgerschap verdwijnen zal, zooals een vierhonderd jaar geleden
het poorters-gevoel verdween voor het ontwakende nationaliteits-besef.

Het begint al te donkeren. Wij naderen de monding van den grooten
stroom, die van het bergachtige hart van Borneo uit naar de
zuidelijke kust stroomt: de Barito. Aan haar zuidelijkste zijrivier,
de Martapoera, ligt Bandjermasin.

De invaart is hachelijk bij nacht, wegens ondiepten en banken van
slib. Maar de afnemende maan geeft licht door een scheurend floers
van wolken heen: de kapitein waagt het. Wij stoomen de Barito-monding
binnen, breed als een zee-arm, dan Oostwaarts de Martapoera op. De
dichte flikkering van lichtjes in de verte is Bandjermasin.

Op de wandeling naar het hotel--rijtuigen zijn hier niet,--zie ik van
de stad--of, om op zijn Indisch te spreken, van de "plaats,"--niet
anders dan een gestadigen glans van water, waarop lichtjes flikkeren
en weerkaatsing van huizen en boomen zwart tegen een flauw wit van
manegloor ligt. Het hotel, een ware doolhof van gebouwen, gebouwtjes,
overdekte galerijen, staat op palen. Inplaats van over paden loop
ik over planken door den tuin. Door den kier van de vensterluiken
zie ik alweer water. En een geluid van riemslagen en kabbeling van
golven tegen een strevenden steven is het laatste wat ik, in halfslaap
al, hoor.



Den geheelen morgen ben ik aan en op de rivier geweest. Een vroolijke
drukte als het daar is, een leven, een bedrijvigheid! De Bandjareezen,
lijkt het wel, wonen op het water. Hun huizen staan langs den oever,
maar meer in de rivier dan op het land. Als men de winkelbuurt doorgaat
denkt men aan een gewone stad: daar is een breede, goed onderhouden
straat; daar staan in regelmatige rij de huizen,--groote Chineesche
winkels, pakhuizen, werkplaatsen, de loodsen van den pasar. Maar men
kijkt wat verder naar binnen in het half donker van die in de diepte
gebouwde huizen: daar gloort licht: door een wijd openstaande poort
komt zonneschijn naar binnen en de spelende glans van water, het
bruine dak van een prauw glijdt voorbij. En als men den hoek van de
straat om slaat, staat men opeens voor de volle breedte van de rivier,
en daarlangs, langs de breede waterstraat, staan de achtergevels
van de huizen hoog op palen, en loopplanken, bruggetjes, steigers,
dobberende vlotten maken als het ware een smalleren weg, een soort
"kleine steentjes" er langs. Hier, niet aan de voorzijde, is de
eigenlijke drukte. Bij dozijnen liggen de sierlijke prauwen--lang,
zwart, smal, als Venetiaansche gondels rank gebogen met hoog
opstaanden en versierden boeg--naast elkander gedrongen, voor de
aanlegplaatsen. En koopwaar wordt in en uit gedragen. Sommige van
die groote prauwen--ze zijn een twintig meter lang, op het oog--zijn
zelf winkels: als een wand die van den vloer tot aan het dak reikt,
staat over de geheele lengte in het midden van de prauw een dubbele
winkelkast; in de hokjes ligt Europeesche exportwaar opgestapeld:
blikjes, sigaretten, lucifers, leerwerk, snuisterijen, garen en band,
manufacturen van alle slag. De koopman zit naast zijn druipenden riem;
de klanten komen er aangeroeid, klampen den drijvenden winkel aan, en
laten zich hun begeer binnen boord reiken. Dat is misschien een stapel
bont sarong-goed, recht uit Twenthe; kant opgeklost op een blauw stuk
karton waarop in groote letters "Made in Austria;" Engelsch shirting;
Britsch-Indische zij. Er wordt aangeprezen en afgedongen. Een prauw
scheert weg, twee andere komen er aan.

De rivier is er vol van: woonprauwen, winkelprauwen, vrachtprauwen,
prauwen vol rijst, prauwen vol vruchten, prauwen vol kippen en
snaterende ganzen. Tusschen de groote vaartuigen door schieten
bij dozijnen de kleintjes,--uitgeholde boomstammen, waar de roeier
achterin zit, terwijl de boeg even opgetild staat boven het water:
als waterspinnen zoo vlug en nukkig schieten zij met korte sprongen
vooruit. Midden op de rivier zwoegt een stoombootje; een eindelooze
sleep vrachtprauwen hangt er aan. Ik tel er honderd en zie onduidelijk
in de verte, nog een menigte meer. Geweldige houtvlotten drijven
stroomaf. De stammen zijn aan elkander vastgesjord tot een vloer;
een huis staat er op; een heel gezin woont daar. De kinders loopen te
spelen en de moeder, aan den kant van het vlot gehurkt, spoelt kleeren,
terwijl de man en de zoons het drijvende erf tusschen schuiten en
prauwen door boegseeren, voorzichtig dat het niet tegen de straat
van steigers aanbonkt. De geweldige stammen komen uit de bosschen
van het binnenland. En daarvandaan komt ook de sago en de rotan,
en de djeloetong en de copal, en de damar, die de stoombootjes
van Chineesche handelaars en de schepen van de Paketvaart, van de
Borneo-Sumatra en van de Borneosche Industrie-Maatschappij, die de
ontelbare honderden prauwen en bootjes met rustelooze bedrijvigheid
aanvoeren. Men hoeft de tot zinkens toe geladen vaartuigen maar te
zien, om te begrijpen, dat er nog veel meer noodig zouden zijn voor
een behoorlijk vervoer. En dat, wederom, als dat vervoer er eenmaal
was, de overvloed van producten nog grooter zou worden.

Borneo is pas in het begin van zijn ontwikkeling. Wat er van worden
zal, is nog niet te zeggen: maar vast en zeker, iets overweldigend
groots. En de Barito in het Zuiden, de Mahakam in het Oosten, de
rivier van Pontianak in het Westen zijn voor dat nieuwe leven de
stuwende straten.



Stroomopwaarts het binnenland in


Sedert van ochtend halfacht zijn wij op weg naar het binnenland,
stroomopwaarts langs de Barito. De tocht begon in een "tambangan,"
die ons van den oever naar het diepe midden bracht van den stroom en
naar den kleinen stoomer, die daar lag te wachten om de reis de Barito
op te beginnen. De "tambangan," de rank gebouwde, sierlijk gedaakte
Borneaansche gondel, is het nationale vaartuig bij uitnemendheid,
en tevens het kostelijkste bezit van den Inlander. Een gezin dat een
tambangan heeft, is er goed aan toe. Met de tambangan wordt gevischt,
vracht gevaren, handel gedreven de vele riviermarkten langs, wordt
overgezet, worden reizigers vervoerd op dagenlange tochten. Een
prauw van de grootte van die, waarin wij vanochtend geroeid werden,
kost vijfhonderd gulden. Meest is zij een familie-erfstuk: het
taaie ijzerhout van haar kiel houdt het een dertig jaar uit. De
eigenaar behandelt haar met zorg, en met iets wat wel haast liefde
mag heeten: ongeveer als een Hollandsch keuterboertje zijn eenige
koe. Men hoeft hem maar bezig te zien, om dat te begrijpen. De wijze
waarop deze booten geroeid worden, is een aan de bij ons gebruikelijke
recht tegenovergestelde: de roeiers zitten met het gezicht naar den
steven, en slaan de riemen van voren benedenwaarts naar achteren,
zoodat zij vooruit komen door het water van zich weg te duwen, zooals
een vliegende vogel de lucht van zich wegduwt. De stuurman, die als
hoofd van de bemanning der boot met "tambangan" wordt aangeroepen,
staat of hurkt achterop: staat hij, dan kijkt hij over het dak
van het gondelhuisje heen; gehurkt, houdt hij door een driekant
venstertje in den achterwand den koers in het oog. Nooit, nergens
laat hij de prauw aanstooten. Ik verbaasde mij er over hoe vlug en
veilig de onze, een smallen gladden visch gelijk, heengleed door de
dichte scholen van vaartuigen waar de rivier donker van zag. Bij de
gewone verkeersdrukte had de Paketvaartboot het vertier van laden
en lossen aangebracht: en in den nacht was er een schip aangekomen,
met een paar honderd Mekka-gangers aan boord, wien nu geheele zwermen
verwanten, vrienden en vereerders tegemoet kwamen varen. De stroom
geleek een drijvende stad, met allernauwste straten. Maar zonder
aan een van die honderden her- en der-schietende, riemen reppende
bootjes, zwaargaande vrachtprauwen, schommelende houtvlotten zich te
schrammen of te schuren, zonder een hort of een stoot, stuurde onze
tambangan naar de stoomboot. Zij voer weg: en langs ons heen gleed
aan weerskanten der rivier de waterstad voorbij, schepen die drijvende
huizen, huizen die vastgemeerde schepen, straten die kanalen zijn. Over
plaatsen waarom lang en fel gevochten is, voeren wij daar. Van de
eerste jaren van vijftienhonderd af hebben Spanjaarden, Portugeezen,
Hollanders, Engelschen met de inboorlingen en met elkander gestreden
om het bezit van de rivier. Wij lezen hoe de Engelschen een faktorij
bouwden op een vlot; en later een sterkte op palen; en hoe het volk,
dat zij door hun aanmatigenden trots verbitterd hadden, eindelijk tegen
hen opstond en met zulk een woede hen aanviel, dat zij zich moesten
redden op de schepen en dat diegenen, die het leven er afbrachten,
op de vlucht naar Batavia hun heil moesten zoeken. Op den strijd met
de wapenen volgde de strijd met het geld: de uitslag was voor den
strijder die het het langst volhield, voor de Oost-Indische Compagnie,
niet gunstiger. Zij had het volk van Bandjermasin gedwongen peper
voor haar te bouwen. "Maar," zegt Veth, "de staatkunde der Compagnie
had Bandjermasin als een slang omkronkeld; maar toen zij het geheel
in haar macht had, voelde zij haar eigen krachten uitgeput, en liet
het uit eigen beweging los." Nadat Daendels den post had ontruimd,
haalden de Bandjareezen zelf de Engelschen weer in, en Alexander Hare
begon zijn avontuurlijke politiek van kolonisatie met Javanen, die hij
met geweld uit hun dorpen deed oplichten. Het herstelde Nederlandsche
gezag maakte daaraan een einde, en het scheen omtrent de jaren twintig,
dat de toestand geregeld was geworden. Toch is sedert, als men weet,
dit moedige volk niet minder dan tot driemaal toe opgestaan om te
trachten zijn vrijheid te herwinnen. Nu schijnt het wel dat het
zich bij de voldongen feiten heeft neergelegd. Misschien heeft het
nieuwe handelsverkeer en de voordeelen, die onder het Hollandsche
bestuurstelsel van tegenwoordig ook het geringe volk daardoor geniet,
het zijne daartoe bijgebracht.

Het schip heeft Bandjermasin achter den boeg: de huizen zijn verdwenen
en de schepen, een enkel visschersbootje, enkel nog maar met een
mannetje er in, dat zijn net uitwerpt, een kano, waarin, onder een
reusachtigen hoed, tot over de randen van het vaartuigje heenreikend,
een vrouw met een paar kinders, meer te zien dan te raden valt, komen
hier en ginder de rivier afgedreven. Plotseling gaat als een groot
zacht licht voor ons open: uit de smallere Martapoera stevent het
schip de schijnbaar oneindige wijdte van de Barito in. Als op een zee
zeilen wij--een rustig golvende, paarsig-bruine zee. In een schemerige
verte komt flauw een lage oever te zien. Als na eenigen tijd de koers
der boot den wal nadert, zie ik, dat wat een strook laag land leek,
hoogstammig oerwoud is, en besef door de gedachte beter nog dan zooeven
door de zinnen de ontzaggelijkheid der afmetingen van den prachtigen
stroom. Hij is hier bijna een kilometer breed. Het plan is geopperd,
eenige jaren geleden, om de haven van Bandjer, waar groote schepen
niet dan met moeite draaien kunnen, hierheen te verleggen; de plaats
was zelfs al gekozen: aan den linkeroever, tegenover Poeloe Kembang,
het Bloemeneiland, op Hollandsche kaarten als Apeneiland genoemd,
om de menigte grijze apen, die het bevolken, en die door de inlanders
voor heilig gehouden en met offers geëerd worden; een goede weg naar
Bandjer loopt daar langs. Maar de handelsstand opperde bezwaren; het
plan werd niet verwezenlijkt. Misschien echter komt de nieuwe haven
er toch nog, de rivier-ruimte voor Bandjer zal de al aangroeiende
menigte der handelsvloot, Inlandsche en vreemde, zoo heel lang
niet meer kunnen bergen. Borneo is een land waar de dingen snel
groeien. In de streek rondom Bandjer is sedert 1897 de bevolking
van 25.000 op 46.000 gestegen. Die van het geheele gewest, Zuider-
en Ooster-Afdeeling Borneo, wordt geschat op anderhalf millioen. De
gelegenheid voor handel en scheepvaart zal evenzoo moeten groeien.

Wij varen de invloeiïng voorbij van de Kwien, den waterweg naar
Bandjer. Te midden van een vloot van kleinere vaartuigen ligt er een
stoomboot, die tweehonderd prauwen op sleeptouw heeft. Een lang dorp
van bruine paalwoningen staat langs den oever gerijd. Spiernaakte
kwajongens, van te voren al glimmend van pret, komen op een ren den
oever afgevlogen, springen in een prauw en roeien de boot tegemoet,
om zich eens heerlijk te laten schommelen op de lange schuinsche
golven van het kielzog. Die geen prauw bezit, springt in het water. De
zwarte koppen, de bruine natte lachende gezichten bobbelen rondom het
schip. Er zijn krokodillen bij honderden in de Barito; het pleizier
is zooveel te grooter.

Het paaldorpje verdwijnt, rondom is weer de groote eenzaamheid. Wij
varen zoo dicht langs den oever nu, dat ik het gebladerte van boomen
en heestergewas, en zelfs de wilde vruchten aan de takken en de
bloemen tusschen varens en oeverriet onderkennen kan. Daar die lage,
op varenpollen gelijkende bladerbossen, wijd uitgespreid, dat zijn
struiken van de nipah, die alleen dáar groeit, waar zeewater haar
drenkt: mijlenver stroomt bij vloedgetij de zee de Barito op. Die
grootere, die als fonteinen van bladeren staan, zijn sagopalmen. Lange,
zwiepende sprieten van rotan steken boven de toppen uit van het
hooge wildhout. Een ficus toont hier en ginder zijn donkerglimmig
gebladerte. Bijwijlen komt onder het zware groen het bruin te zien van
daken, en langs het oeverriet het donkere vlechtwerk van uitgezette
fuiken. Door een bres in den boomenwal zie ik ruige rijstvelden,
op primitieve wijze bebouwd. De zon hangt dofrood op den rand van
het westelijk oeverwoud. De vlottende eilandjes water-hyacint, die
langzaam tegen het schip aangedreven komen, spiegelen roode bladeren
in een rooden vloed. Dan vangen aan weerszijde van de rivier houten
hutjes den afschijn en staan verguld. Wij hebben Marabahan bereikt,
de hoofdplaats van de streek die wij zooeven binnengevaren zijn.

Het is de eerste post in het binnenland.



Sedert eenige dagen ben ik nu te Marabahan, het welvarende
inlander-dorp aan de samenvloeiing van de Bahan (door Hollanders
meest Negara genoemd) met de Barito, aan welke ligging het zijn naam
Moeara-Bahan eigenlijk, dat is mond van de Bahan, te danken heeft. De
geweldige breedte der vereenigde rivieren ligt voor mij uitgegoten. En
altijd door heb ik het gevoel van op het water te zijn. De dorpsweg,
de huizen, het geheele land heeft iets vlottends, iets dat drijft
en schommelt.

Op de kaart is het goed te zien hoe het water doende is met den opbouw
van Borneo. Rondom een middelpunt met naar alle zijden zich rekkende
uitloopers van gebergte, brengen, van buitenaf de zee, van binnen uit
de groote stroomen, zand, slib en moerasgrond aan. Het zuidelijke deel
van het eiland, het stroomgebied van de beneden-Barito, ligt als een
diepe, vlakke driehoek tusschen heuvelklingen, die van het Noordelijk
bergland uit naar Zuid-West en Zuid-Oost loopen. Al stroomende heeft de
Barito met haar zijrivieren, die alle van het Oostelijk gebergte komen,
het opgebouwd. Het is nog maar ten halve gevormd en gestevigd. Ook
in den eigenlijken zin van het woord is Borneo een land in wording.

Het volk heeft stroomop den loop van het water gevolgd. Bij menigten
liggen de dorpen langs de groote rivieren. Allen zijn ze op dezelfde
wijze gebouwd: in een enkele oneindig lange reeks huizen langs het
water, als langs een natuurlijken weg. En zoo dicht opeen soms dat de
laatste huizen van het eene dorp pas den voorbijvarende uit het oog
zijn, of de eerste van het volgende dagen al weer op. Geen van deze
dorpen heeft als de Javaansche een omheining, ter afsluiting van welken
aard ook. En evenmin ziet men eenige scheiding tusschen de erven. Enkel
hier en ginder staat een los ineengevoegd staketsel naar den landweg
toe, dat langs een geheele rij loopt en waarin poortjes tot elk erf
afzonderlijk toegang geven. Het is zoo van buiten af al te zien,
dat niettegenstaande de sterke immigratie die van oudsher uit Java
hierheen is gegaan, en, die onder hoezeer veranderde omstandigheden
dan ook, nog steeds aanhoudt, het Borneaansche dorp zijn eigen
van de Javaansche wezenlijk verschillende wijze van ontwikkeling
heeft gevolgd. Hier wonen geen menschen die zich op het land hebben
vastgezet, met een tuin en zorgvuldig, van vader op zoon, bebouwden
akker. Dit zijn reizende en trekkende handelslieden, voor wie het
water de handelsweg is. Vandaag zijn zij hier, morgen ginder. Zij
binden zich maar weinig aan een plek.--Verleden zag ik uit de Negara
er aan komend, een groot vlot voorbij drijven, waarop een geheel huis
stond. Niet een scheepshuisje, als er zoo veel op prauwen en vlotten
staan: neen! een wezenlijk, echt huis, een huis dat ergens op het
land had gestaan. Op een goeden morgen klaarblijkelijk, had het den
bewoner verveeld, juist dàar te wonen. Hij had zijn buren bij elkaar
geroepen, met hun allen hadden zij het huis, zoo als het daar stond,
van zijn palen getild, en op een vlot: Vrouw en kinders waren op den
vloer gaan zitten op de gewende plaats. En de man met een langen boom
in de handen, om zijn huis en huisgezin, met de kippen, de koe, en
den rijstvoorraad voor eenige dagen, van vastraken aan den oever en
verongelukken verre te houden, was voorop gaan staan, uitkijk houdend
naar een plek die hem beter aanstond voor woonplaats. Hij zal wel
ergens aan den westelijken Barito-oever beland zijn denk ik. En wie
dezer dagen gaat kijken zal het oude huis op het nieuwe erf zien staan.

Als overal langs de rivier, hebben te Marabahan alle huizen een soort
uitbouw aan het water, tegelijk een plaats om te landen van de boot
uit, en een plaats om te baden en te wasschen en te plassen voor
de huisbewoners. Het vlot bestaat uit boomstammen van een bepaalde
soort, die alleen in het oerwoud worden gevonden. De boom moet op
stam gestorven zijn en al zoolang gestaan hebben, dat insecten tijd
hebben gehad, om hem in zijn geheele lengte en breedte te doorboren
met honderdduizenden uitgeknaagde gangetjes. Dan wordt hij geveld
en naar de rivier geroeid--geroeid, want ook het oerwoud van Borneo
staat in het water: de bosch-grond is een bosch-vloed. Dikwijls kan
men inlanders zien, die op zulk een stam, licht als een kurk drijvend,
de rivier afkomen. Ze hebben het schuitje, waarin zij uitgetogen zijn,
achter aan den stam vastgemaakt. Daar zitten ze schrijlings op den
boom, de afhangende voeten koel in het water, een pagaai in de hand,
waarmee ze nu en dan den hen af-voerenden stroom een nalatig slagje
helpen, een zonnehoed op het hoofd, een strootje in den mond; zij
lijken donkere, misschien door de tabak lichtelijk van hun hemelsche
waardigheid omlaag gehaalde, rivier-goden. Een vlot van zulke stammen
gemaakt houdt het tien jaar uit tegen de drie die gaaf hout weerstand
zou kunnen bieden aan de wrijving en schuring van het water. De
steigers zijn los verbonden aan den wal, zoodat ze met den stroom
kunnen rijzen en dalen. Ze hebben veel speelruimte noodig. Want
het vloedgetijde der zee doet zich gevoelen tot op 150 mijlen de
rivier op. En als de zware regens vallen boven in het gebergte, het
bronnenland van de stroomen, stijgen zij binnen enkele uren meters
hoog. Tot tien meter toe heeft het plotselinge waterstands-verschil
bedragen: huizen, aan gene zij van den landweg gebouwd, stonden aan
het water, en de steiger dreef op gelijke hoogte met den deurdrempel.

De weg is op zulke gebeurlijkheden berekend: een sterke schoeiïng
beveiligt hem aan den rivierkant. De planken van die schoeiïng zijn,
ondergronds, dwars onder den weg door, met kabels verbonden aan zware,
diep ingegraven stammen aan gene zij. Het mag gezegd: de weg ligt
voor anker.

Langs zijn landwaartsche zij liggen de huizen: of liever, staan
zij. Want allen zijn op palen gebouwd. Om het gewicht, dat de drasse
grond moet dragen, zoo gering mogelijk te maken, zijn er de lichtste
bouwstoffen voor genomen: hout en vlechtsel van riet en bladeren. En
verder is dat gewicht nog verdeeld door den vorm, waarin het huis is
gebouwd: dien van een kruis. Van een lang middengedeelte steken rechts
en links twee korte dwarse uitbouwsels uit. Het dak is berekend op
de zware regens die hier vallen: steil loopt het op naar een spitsen
nok. Zoo staat voor hemelwater en voor grondwater het huis veilig;
als het overdekte nest van een watervogel in de biezen hoog en droog.

Van opzij gezien, lijkt het als op een trap gebouwd: het voorste
gedeelte staat op lage palen; hooger zijn die welke het middendeel
dragen; daarop volgt op nog hooger palen gebouwd, een derde deel. Men
begrijpt de reden van dezen bouwtrant moeilijk; tenzij dan volgens de
uitlegging die zooveel zonderlings verklaart: als het uitwerksel van
een oude gewoonte, die zich heeft gehandhaafd ook onder veranderde
omstandigheden, waardoor haar eigenlijke reden van bestaan werd
opgeheven. Aan den rivier-oever, waar stellig de eerste huizen gestaan
hebben, is de doelmatigheid van zulk een trapsgewijs opklimmen der
woning duidelijk genoeg: van het watervlak tot den glooienden oever,
van daar tot de hoogte van den vasten wal. Men zal dien stijl behouden
hebben uit sleur, voor woningen die niet aan het water stonden. Er
zijn er die vijf van zulke, telkens een paar treden hooger gelegen,
afdeelingen hebben.

De ruimte onder het huis is, al naar gelang van de hoogte, kippenhok,
runderstal, voorraadschuur. 's Avonds wordt er een vuurtje van dorre
bladers en groen rijs ontstoken. De rook die daar van opstijgt,
dringt door de reten van den vloer het huis binnen en verdrijft de
giftige muskieten, de plaag van dit land.

Er moet voor de duidelijkheid bij gezegd, dat de vloer van al deze
huizen, zelfs van de goed gebouwde, die aan rijke lieden hooren,
niet van planken is, maar van uit rotan gevlochten horden. De vezel
is taai genoeg om het gewicht van menschen en huisraad (trouwens dit
laatste is niet veel!) te dragen. Buigzaam echter is hij ook. Over
zulk een vloer te loopen, die meegeeft onder elken stap, doet iemand
wanen in een schommelende boot te zijn, en zoeken naar zijn evenwicht.

Te Negara, een centrum van inlandsche industrie, kwam ik onlangs in
een smidse, waar van die groote, op zwaarden gelijkende grasmessen
gesmeed worden, die over het geheele eiland afzet vinden. Het was een
wonderlijke tegenstelling, de lange zware staven ijzer te zien liggen
op dien onder hun gewicht inzakkenden horden-vloer. En ik vroeg me af,
hoe ter wereld daar vastigheid genoeg was voor het aambeeld en de zware
hamerslagen die er op neer dreunen. De oplossing van het raadsel vond
ik toen ik weer buiten stond. Tusschen de dunnere palen waarop het
geheele huis rustte stond in het midden een geweldige djatistam, die
dwars door den vloer heenging. Het boveneinde van dezen stam was het,
dat het aambeeld vormde--het eenige punt van vaststaande stevigheid
in het geheele huis.

Het volk van Marabahan is, als dat van de meeste dorpen langs de
rivier waar die langs oerwoud stroomt, zoekers van en handelaars in
djeloetoeng (eigenlijk beloepantoeng genoemd), het wittige boomsap
waaruit, onder andere dingen, ook een (minder goede) soort caoutchouc
gemaakt wordt. Dit is weer geheel en al een schippersbedrijf:
want in kano's gaan ze het woud in en op prauwen vervoeren zij de
djeloetoeng naar Bandjermasin. Het past dus goed bij het "rivierleven"
van den Bandjarees. Maar terzelfder tijd als djeloetoeng-zoekers
zijn de oeverbewoners van de Barito en de andere groote stroomen
van Borneo rijstbouwers: de rijst is hun hoofdvoedsel. En het
curieuse is dat zij zelf dat essentieel-landelijke bedrijf van
den veldbouw veranderd hebben in iets waterigs, als men het zoo mag
uitdrukken. Op vele plaatsen namelijk is geen geschikte grond aanwezig
voor rijstkweekbeddingen. Wat doet onze Waterman? Van pisangstammen
of van grove matten maakt hij een vlot, dat hij met slib overspreidt
en te water laat. Daarop zaait hij zijn rijst uit. Een tweemaal
herhaalde verplanting brengt later de plantjes over eerst naar een
begin van vasten grond langs den oever, dan naar het hooger gelegen
veld, waarop de aren zullen bloeien en rijp worden. Zoo heeft hij
zelfs zijn akker op het water.

De oude waarheid dat de mensch een wezen is, in de hoogste mate
begaafd met het vermogen van aanpassing aan zelfs de ongunstigste
omstandigheden, treft iemand met geheel nieuwe kracht en beteekenis
bij de waarneming van zulke dingen.



Oude en nieuwe dingen in een centrum van inlandsche nijverheid


Volkrijk als een heirweg is de Barito bij Marabahan.

Bij de menigten van schuiten, vlotten, prauwen, schepen, die de
groote stroom heen en weer draagt tusschen bovenloop en monding,
voegen zich hier de menigten van de Negara, die met haar stelsel van
zijrivieren en kanalen de groote verkeersweg is voor een dichtbevolkte
nijverheids-streek. Het middelpunt van die nijverheid is het groote
dorp Negara, een eindweegs stroomopwaarts van haar invloeiïng in
de Barito, aan de Negara-rivier gelegen. Naar het oosten, langs de
vele zijstroompjes, die van noord en zuid haar toevloeien, liggen
Margasari, Moeara Moening, Kloempang, de bedrijvige marktplaats
Kendangan, en hoeveel dorpen en dorpjes meer nog, vol bedrijvig
volk. Heen en weer, tusschen al die plaatsjes en Bandjermasin, waar,
via de Paketvaart-booten en de Javaansche havens, het wereldverkeer
begint, gaat altijd door de tocht van allerlei vaartuig, met lange
rookwolken, die spiegelend den vloed verdonkeren, met vlaggen en
spitse wimpeltjes bij dag, met lichtjes zwevend in de hoogte of
vlak boven het water schommelend en een afschijn van verborgen
vuur bij nacht, met riemengeplas en ver heen roepende stemmen en
den schreeuw van stoomfluiten aldoor. De groote menigte van die
vaartuigen zijn Inlandersschuitjes--visschersbooten, vrachtprauwen,
tambangans. Maar daar tusschendoor, gering in getal, maar elk op
zichzelf aan een geheele vloot van die primitieve scheepjes gelijk,
gaan de sterke snelle stoombooten hun gang--die van de Koninklijke
Paketvaart, van de Borneosche Industrie-Maatschappij, van de
Borneo-Sumatra, van de groote Chineesche firma's, die Westersche
methodes toepassen. Zichtbaar in zijn duidelijkste zinnebeeld,
een transportmiddel door machinerie bewogen, gaat de nieuwe tijd
het binnenland van Borneo in met het onheugelijk-oude vreedzaam in
gezelschap. Den geheelen stroom langs zijn de uitwerkingen van die
vermenging, eigenaardig en belangrijk genoeg soms, waar te nemen,
hier wat minder, daár wat méer duidelijk. Ik had gelegenheid ze van
nabij en in bijzonderheden te zien, te Negara.

Negara is beroemd hoofdzakelijk voor scheepsbouw en voor sierlijk
koperwerk. Maar nog een menigte andere takken van nijverheid groeien
en bloeien hier. Ten eerste alles wat met scheepsbouw verband houdt:
houtzagen, touwslaan, vlechten van "atap," dak voor de groote prauwen,
en hout-snijden ter versiering van stevens en wanden. Dan het maken
van landbouwgereedschap, vooral van de breede, zware messen, met zulk
een geduchten slag er in, waarmee de Bandjarees hout kapt en gras
snijdt. Veel timmerwerk ook wordt hier gedaan: het gestoken werk,
waarmee de huizen der rijken in deze streek versierd zijn, komt
allemaal uit Negara. Dat alles is voor Inlander-behoef. Maar nu komt
de invloed van het nieuw-tijdsche Westen met andere eischen. Voor
een deel gaan die zoowat samen met de behoeften van de Inlandsche
markt. De kopersmeden bijvoorbeeld, die sirih-stellen en geld-kistjes
maken voor den Inlander, maken voor den Europeaan koperen siergoedje,
als b.v. miniatuur-tambangans, bloemen-bakjes, sigaren-kokers,
etc. etc. Voor een ander deel heeft de arbeid voor de Europeesche markt
dien voor de Inlandsche bijna geheel of geheel en al verdrongen. Er
zijn hier wagenmakers, die wel een grobak bouwen volgens Javaansch
model, maar vooral toch zich toeleggen op het bouwen van lichte
rijtuigjes, zooals alléen bruikbaar zijn op de smalle drassige wegen
van het binnenland. Als model hebben zij daarvoor buggies geïmporteerd
uit Amerika. En als geheel op de Westersche behoefte berekend, mag men
wel de industrie van het mattenvlechten aanzien. De Inlanders gebruiken
die matten wel is waar; zij slapen op een matje, zij pakken op reis
hun hebben en houden in een matje; maar de verbruikers in het groot
zijn de suiker- en de tabakbouwers. Verleden was de export van matten
uit Bandjermasin van de ruim 7 millioen stuks, die hij bedroeg in 1909,
gestegen tot 15 1/2 millioen. Van de biezen, voor die matten benoodigd,
worden tegenwoordig plantingen aangelegd. Het voor de markt gereed
maken van rotan ook is een op Europa berekende industrie. De vrachten
geschilde, op maat gesneden en gesorteerde rotan, die op vaartuigen
van alle fatsoen en slag de Negara en de Barito afdrijven--ruim 47.000
pikol rotan in bundels, ruim 1 1/8 millioen rotan stokken werden in
1911 uitgevoerd--gaan alle naar de groote meubelfabrieken in Europa.

Dat belet niet, dat werkwijzen en gereedschap nog echt inlandsch
zijn: tusschen de zuiver-inlandsche industrieën, als die van den
prauwen-bouw, en de voor de Europeesche markt berekende is er op dat
punt geen verschil. Een prauw wordt gebouwd, een mat wordt gevlochten
met hetzelfde gereedschap, op dezelfde manier, nú, als het tweehonderd
jaar geleden gebeurde. En die dat doen, zijn niet een ondernemer met
zijn arbeiders, maar een gezinshoofd met zijn zoons, broeders, neven,
zoodat het bedrijf het gezamenlijke bezit is van een geheele familie,
ook al weer naar overouden trant. Er wordt niet betaald volgens
den tijd van werken, en ook niet per stuk. Maar bij verkoop van het
werk deelen, volgens bepaalde proportie, zij die daaraan meegewerkt
hebben in de winst. Zoo althans werd de zaak mij uitgelegd bij den
koperslager, die mij als de beste in zijn vak was aangewezen, en bij
een messen-smid. En het districtshoofd van Negara, die mij bij de twee
bracht, zeide nog, dat dit hier zoo de algemeene wijze van arbeid-
en winst-deeling was.

Dat districtshoofd, de Kjai, was zelf een merkwaardig voorbeeld
van oudtijds-Oostersche en nieuwtijds-Westersche elementen in
vereeniging. Hij had geheel en al het voorkomen van een Maleier van
aanzienlijke afkomst, en had zich ook gehouden aan den godsdienst van
zijn volk, Islam in schijn, in wezen animisme. Maar hij had Hollandsch
geleerd, dat hij, wel niet vloeiend maar toch duidelijk en zelfs
zonder sterk accent sprak. En hij droeg, op dien tocht door Negara,
Hollandsche kleeren. Zijn zoons laat hij een Hollandsche opvoeding
geven. Van zijn dochters sprak hij niet. Ik vermoed dat die, naar
den conservatieven trant, het geheele Oosten door ten aanzien van
vrouwen betracht, op zijn echt-Inlandsch zullen opgroeien.

De eerste werkplaats waarheen de Kjai mij bracht was die van een
prauw-bouwer. In een groote loods, waarvan het los uit bladeren en
vlechtwerk ineengevoegde dak de lucht liet doorschemeren, en onder
de boomen van een drassig erf rondom, in het midden waarvan het huis
van den scheepsbouwer op hooge palen stond, was een aantal werklieden
aan den arbeid op vier prauwen van verschillende grootte. Zij hadden
gereedschap van eigenaardig model, blijkbaar heel oud al. Onder andere,
bijlen in den vorm van een houweel, het blad haaks op den steel gezet,
waarvan zij zich bedienden als van een schaaf, en dat met zulk een
behendigheid dat het harde ijzerhout zoo glad als satijn werd onder de
bewerking. Op de werf werd alleen de kiel van de tambangans gebouwd;
iets waaraan vijf werklui anderhalve maand werk hebben en van f 60 tot
f 130 samen verdienen. De opstaande wanden zijn het werk van een ander
slag ambachtsvolk; de sieraden aan boeg, wanden, pijlertjes, dat doet
weer een ander; het dak, dat uit een geraamte van gebogen bamboe en een
dek van vlechtwerk bestaat, maakt een derde; de arbeids-verdeeling,
men ziet het, kennen de Bandjareezen al. Nog niet de vereeniging van
het verdeelde in een gemeenschappelijke werkplaats.

Bij den koperslager bemerkte ik dat ook sommige toestellen en
hulpmiddelen bij den arbeid hen al bekend zijn: de werkman, die bezig
was een sirih-kistje te maken, had er een gemakkelijke manier op om
wanden en deksel met open-werk te versieren: het blaadje koper ging
tusschen twee open-werk ijzeren platen; en met een stel beitels,
die precies de vormen van de openingen in het ijzer hadden, werd
het koper weggestoken; in een paar minuten was alles klaar. In geen
Europeesche fabriek had het meer werktuigelijk kunnen gebeuren. Het
drijven van het koper zag ik niet: maar naar het voltooide werk te
oordeelen, dat de bestuurder van de werkplaats--tevens het hoofd van
het talrijke gezin, door het werkvolk gevormd--mij toonde, moet daarin
toch wel wat meer eigen gedachte en kunstvaardigheid steken.

Het werk van den messen-smid was geheel en al ouderwets Inlandsch. Ook
hij arbeidde met al zijn familie-leden samen, een paar vrouwen incluis,
die de zoó bekoelde messen glad en blinkend schuurden. Zijn aambeeld
stond vastgekeild in een zwaren stam, die door den gevlochten vloer
der smidse heen, en door het water dat onder het huisje zwalpte,
diep in den moerassigen bodem was ingegraven. En de blaasbalg,
die het vuur in den leemen oven wakker hield, bestond uit een stel
zware bamboe-schalmen, waaruit de dwars-schotten waren weggenomen,
en waarin, door middel van een kleinen hefboom, zuigers op en neer
werden bewogen. Het ijzer echter dat hij verwerkte--de rotan vloer
lag geheel verzakt onder de zware staven--kwam "uit Holland" naar
hij zei, met "Holland" alle verre landen aan de overzij der zee, waar
blanke menschen wonen, bedoelende; het zal wel Duitsche export-waar
geweest zijn. Ergens in den omtrek van Essen misschien was dat ijzer
gesmolten, gelouterd, in fatsoen gebracht, door geschoold werkvolk met
behulp van ingewikkelde machinerie, onder toezicht van ingenieurs,
die jaren van studie en practijk aan hun werk hadden gegeven. En nu
werd het hier in het binnenland van Borneo, in een vezelen huisje,
half in half uit het water als een eenden-nest, door een naakten
bruinen Bandjarees gesmeed tot messen, om er gras mee te snijden
en takken te kappen in de "rimboe," in de wildernis. Dat was een
zonderling einde na zulk een begin.

De Kjai, die mij van den smid nog naar een pottebakker bracht--daar
was àlles, materiaal èn werkwijze èn bestemming Inlandsch--en toen de
dorpsstraat langs, waar hij mij fuiken en allerlei vischtuig liet zien
in de rivier drijvende om vangst, en daarna in zijn eigen tambangan
terug naar de pasanggrahan, kwam in den namiddag, hoffelijk, weer, om
een officieel bezoek te brengen. De mantri had hem gelaten in de soort
vliegenkast-in-het-groot, die aan de waterzijde van de pasanggrahan
is aangebouwd, als de eenige, voor muggen veilige plaats van het
huis. Toen ik er binnenkwam, zat hij de Nieuwe Rotterdamsche Courant te
lezen, die mij juist dien ochtend uit Bandjermasin was nagezonden, en
die ik open op de tafel had laten liggen toen ik met hem uitging. Ik
onderdrukte tegelijk mijn verwondering en wat ik hem had willen
zeggen over dat Essensche ijzer, dat ik in Bandjareesche "parangs"
had zien veranderen. Voor iemand, die de inlandsche prauwen en de
stoomboot van de Paketvaart tezamen de Negara had zien binnenstoomen,
was er immers, welbeschouwd geen reden tot verbazing.



Een centrum van inlandschen handel


Zooals Negara een middelpunt van inlandsche nijverheid is voor het
zuiden van Borneo, zoo is Kendangan een middelpunt van inlandschen
handel. Het dorp ligt aan een zijrivier van de Negara, ten Oosten
van het dorp Negara. Inlanders gaan heen en weer langs den waterweg,
die door de bochtige rivier en een geheel stelsel van dien afstand
bekortende kanaaltjes loopt. Den landweg, veel korter nog, kunnen
zij niet benutten, omdat die over zeker twintig van zijn goed veertig
K. M. lengte geen bevrachte kar verdraagt. Het is niet anders dan een
smalle dijk, tusschen een moeras aan den eenen kant, en een kanaal
aan den anderen, uit opgebaggerde modder, vermengd met van elders
aangevoerd zand, gebouwd. Waar nu het kanaal is, was vroeger de weg. En
voortdurende arbeid is noodig om te voorkomen dat die nieuwe weg, uit
de opgevischte bestanddeelen van den vroegeren gebouwd, niet weer op
zijn beurt een kanaal worde. Elke regenbui--en het regent maar altijd
door over dit dampende waterland--doorsopt hem, dat de aarde in bruine
scheuten weglekt uit het netwerk van wortels, vezels en rafelende
stengels, dat zijn eigenlijke consistentie uitmaakt. Terwijl wij er
over heen rijden--ook al weer in een regenbui--in een allerlichtst
Amerikaansch karretje van het model zooals tegenwoordig in Negara
nagevolgd wordt door inlandsche wagenbouwers--zwalpt de grond of
hij zoo dadelijk zich wou begeven onder de kletsend neervallende
hoefslagen van het paardje.

Vlak als de zee en als de zee onafzienbaar, ligt rondom het
moeras. Zelfs onder het glasachtig-doorschijnende grijs van de
dichte regenstralen en het sluierende rook-grijs der neerdruilende
wolken-lucht blinkt het fel-groen, als van eigen licht. Het is de
water-hyacint, die er die glanzige krachtige kleur aan geeft. Dicht
als grashalmen in de wei staan over het wijde waterveld haar groote
ronde bladers, rechtop op sappig-gezwollen stengel. [14] Het moeras
groeit er langzamerhand dicht van. Als na zware buien het water wast
en begint te stroomen, sleurt het er lange strooken van mee, die,
als vlottende eilanden, de prauwenvaart op de Negara stremmen, en
van den oever tot in het midden van den stroom de breede Barito groen
maken. Maar bij millioenen van millioenen nieuw ontspruitend, heeft
de weelderende plant in enkele etmalen de ledige plaatsen hernomen
met haar sterke, rond-uitspreidende pollen. Tot aan den horizon
toe maakt zij alles fel-groen. Hier en ginder donkert er een veeg
bruin overheen van met lange pluimen bloeiend riet. Blank glanzen
plassen op en kleine meren. En op een enkele plaats, plotseling
en hel als zwevende vlammetjes, zuiverrood, zuiverwit schitteren,
vér heen over een de diepten van het landschap in loopend veld,
duizenden lotusbloemen, rond stralend op hun hooge stelen. Daarna
is het eeuwige groen nog eentoniger en triester geworden. Het is
of juist de felheid van zijn tint, onnatuurlijk onder dat dempende
grijs van wolken en regenstralen, het te somberder maakt. Er is iets
onheilspellends in. Verderfelijke koortsen, lijkt het, moeten opwalmen
uit dat giftige groen. Een zoo ellendig land zag ik nog nergens. Het
is niet alleen verlaten van alle bewust leven, maar het ziet er uit,
of geen leven er ooit zou kunnen komen, laat staan dan blijven.

Het is er, niettemin. Geheel alleen op de ledige vlakte staan twee
visschershutten, het dak aan rafels, de wanden gescheurd, scheef
voorover op verzakkende palen. De mannen verschijnen een eind verder,
aan den rand van een blinkenden plas, waar zij hun net in gespreid
hebben. Zij hebben hun gore lompen over het hoofd getrokken, tegen
den killen regen en tegen de wolken venijnig-stekende muskieten, die,
door den rook van het smeulende vuur niet te verdrijven, zoemend hen
omzwermen. Als grauwe, ruige, door wind en weer verhavende vogels staan
zij daar op hun magere beenen. De ellende van hun bestaan is uit de
verte hun aan te zien. Het stoomertje van de Koninklijke Paketvaart,
dat om de veertien dagen te Negara komt, wordt dikwijls aangeklampt
door arm volk uit deze streek, uren roeiens ver gekomen in hun sampans
om wat kinine en medicijn tegen de kwaadaardige huidziekten, die over
hun heele lichaam in walgelijke wonden uitbreken. De watervogels zijn
er beter aan toe, die tenminste tegen het water kunnen. En die er ook
genoeg eten uit ophalen, wat de visschers niet alle dag doen. Dikwijls
schuilt de visch weg in de ondiepe plekken van het moeras, onbereikbaar
voor hengel of net. Dan nemen de visschers een zonderling middel te
baat: zij steken het moeras in brand. Voor de smeulende hitte vlucht
de visch naar de meertjes, waar fuiken en netten al gespreid staan.

Als de zon eenigen tijd achtereen onafgebroken heeft geschenen en
riethalmen en verdorde bladeren van watergewas heeft gedroogd, wordt
de smeulende gloed wel eens een vlam, die overwaait op den weg en
zijn turfachtigen grond in brand zet. Het komt voor dat mijlenver
die smalle strook aarde in rook en bleekgele kruipende vlammetjes
verandert. Een neergudsende regenbui bluscht den brand weer. Kort
voor onze komst moest dat hier en ginder gebeurd zijn: op plekken
zagen wij den weg zwart verkoold.

De tijd leek eindeloos dat wij al maar over dien smallen zwalpenden
weg door de water-hyacint reden, doorweekt van regen, en aangezicht en
handen brandend van de giftige steken der muskieten, die als een dunne
nevel om ons heen dreven. Maar ten laatste kwam een verandering. De
grond begon een weinig te rijzen. Inlanderhutten stonden in groepen
bijeen, naast elk huisje eenige kleine terpen waarop klapperboomen
groeiden. Toen werd het riet dichter, de waterhyacint verdween voor
struikgewas, allengs hooger staken boomen er uit op, de weg klom over
bruggen, en werd hard en breed, eindelijk was het vast land rondom. En
daar verscheen al het eerste teeken van westersche beschaving: een
telegraaf-leiding. Even voor den middag bereikten wij Kendangan.

Het dorp gaat geheel en al schuil onder de klappers. Zoo dicht staan
de hooge, smalle stammen, dat men, langs den dorpsweg rijdend, den
indruk krijgt van te bewegen door een reusachtig halmenveld. Van
links en rechts komen de huizen te zien tusschen die zwartige
strepen. Ze zijn gebouwd volgens het bekende model, hoog op palen,
en met trapsgewijs oploopende verdiepinkjes, als klommen zij uit de
rivier naar den hoog-en-drogen oeverkant op. Stevig en wel-verzorgd,
vele zelfs versierd met gebeeldhouwde pijlertjes en Negaraasch
snijwerk langs balustrade en dak, staan zij midden op ruime erven,
waar hier en daar, in de rond-plekkende schaduw van de palmkruinen,
aardig heestergewas bloeit. Van diezelfde palmen komt de welvaart,
die hier over alles haar aangenamen schijn heeft gespreid. Kendangan
leeft van de copra. Op de wekelijksche markt, waarheen het volk uit
den geheelen omtrek geroeid, gereden en geloopen komt, is copra de
voornaamste waar.

De bereiding gaat op primitieve wijze. Als de vruchten rijp zijn,
worden zij van den boom geplukt (de Kendanganner, die véél liever
lui is dan moe, heeft soms een aap dien hij daarop africht) en op
een puntig ijzer in tweeën gespleten. Ontdaan van de houtige schil,
worden dan de kern-helften in de zon gedroogd. Op het voorgalerijtje
van ieder huis in het dorp liggen ze bij hoopen opgetast. Opkoopers
rijden rond met een ossenkar om, wat voor den verkoop gereed is,
mee te nemen naar de markt. Op pasar-dagen is de grond van het ruime
plein er mee bespreid, zoodat er niet dan smalle paadjes tusschen
over blijven, die de politie werk heeft om open te houden; en de heele
lucht is vervuld van den eigenaardigen, onaangenamen, zurigen reuk. De
hoeveelheid copra hangt, overigens, af van het weer. Drie dagen regen
maken de markt flauw. Want de zon is het die de copra moet drogen. Doet
zij het niet, dan doet het niemand anders. De Bandjareezen hebben wel
naar de vraag van de Westersche markt zich geschikt, maar willen nog
aan geen Westersche methodes van productie. Het gaat ook wel op zijn
inlandsch, vinden zij. Zij verdienen toch genoeg.

De export-cijfers van Bandjermasin toonen hoezeer de copra-handel
toegenomen is in den allerlaatsten tijd. In 1909 was de uitvoer ruim
twee millioen pikol: in 1911 was het ruim vier millioen. Dat komt alles
door inlandsche kooplui van inlandsche planters. Zóo als Kendangan
zijn er een menigte dorpen in de Zuidooster-afdeeling van Borneo,
die geheel en al van deze teelt en dezen handel leven. De inlander
heeft daarmee, blijkbaar, een groot voordeel gewonnen. Maar dat
voordeel heeft zijn nadeel, en geen gering nadeel ook. De loonende
en geen werk hoegenaamd eischende klapperteelt heeft den rijstbouw
overbodig gemaakt en tegelijk daarmede de inspanning, de orde en het
gemeenschappelijk overleg van het landbouwersleven. De luiheid van den
natuurlijken mensch heeft zich in den Bandjarees--niet in de vrouwen,
wel te verstaan, maar in de mannen--ontwikkeld tot wat werkelijk een
zedelijke ziekte mag heeten. Het is hem een genot den geheelen dag
en zijn geheele leven lang absoluut niets te doen. De aap plukt de
klappers; de vrouw splijt ze; de zon droogt ze; de voerman haalt ze
op; hij zelf ligt op zijn mat en neemt het geld er voor aan. En dan
gaat hij pleizier maken. Dat wil zeggen: drinken, dobbelen en wedden
bij hanengevechten. Het eind van de pret is gewoonlijk vechten. Daar
heeft hij zijn "parang" voor--zijn gesmeed mes uit Negara, dat bij
het handvat smal is en aan het uiteinde breed, en waarvan de slag
door dik hout en door vleesch en been al even gemakkelijk gaat. Een
geschil over een paar duiten bij het dobbelen, een slok palmwijn of
bier uit den toko van den Chinees te veel, een extra venijnige slag
door den eenen vechthaan den anderen toegebracht--en het mes wordt
uit den riem getrokken. Naar ik hoor hebben de vechtersbazen langer
tijd noodig voor hun genezing tegenwoordig dan vroeger: het bier
en de met allerlei chemicaliën geurig en kleurig gemaakte foezel,
waarop zij zich onthalen, beginnen hun werking te doen gevoelen,
zelfs op deze ijzersterke gestellen.

Om het verleden te treuren geeft niet veel--maar men zou aan de
verleiding toegeven, tegenover zulke toestanden, en wenschen, dat
men de noodzakelijke ontwikkeling der feiten kon tegenhouden en den
Bandjarees weer maken tot wat hij was, voor de Westerling in zijn
land kwam.



Pasar-dag op het groote plein van Kendangan, dat geheel vol ligt met
uitgespreide copra, [15] waar de opkoopers, met hun scherp kijkende
oogen, keurend doorheen gaan; terwijl langs den landweg op lange rijen
de volgeladen ossenkarren er aan komen en op de rivier de prauwen
zoo dicht naast elkaar vastgemeerd liggen, dat zij een breeden vloer
vormen over het water: dat ziende, krijgt men pas een voorstelling van
de rijkdommen van dit land en van de beginnende ontwikkeling onder dat
deel van het volk, dat aan de oude trage sleur van het inlanderleven
zich heeft onttrokken, om met dien natuurlijken rijkdom zijn voordeel
te doen. Op Java ziet men zoo iets niet. De rijkdom van het land is,
misschien, grooter nog. Maar die er van profiteert is de Hollander
en de vreemde Oosterling.

Hier zijn geen, of bijna geen Arabieren; maar weinig Chineezen;
handeldrijvende Hollanders of andere Westerlingen evenmin. (Eén
enkele, hoor ik, woont te Kendangan). Handelsman is de Bandjarees
zelf.--Men kan, geloof ik, wel zeggen, dat hij dat geworden is in
den omgang met Arabieren in hun eigen land. Komt men op den pasar,
dan ziet men het plein als in tweeën gescheiden: de eene helft is
voor den kleinhandel, echt-Inlandsch, zooals men het precies zoo op
Java of op Bali zou zien: etenswaar, medicijnen, bloemen, stukgoed,
snuisterijen; daar krielt het van vrouwen en van slenterende,
sigaretten rooken de, koekjes etende en "stroop" drinkende mannen;
ook al weer precies als op Java. Maar de andere helft, dat is het
terrein van den groothandel. Het is er leeg, in vergelijk met de
stampvolle klein-markt haast verlaten. Maar ieder van die mannen, die
hier met een opschrijfboekje en een linnen geldzak rondgaan tusschen
de met copra volgeladen ossenkarren, verhandelt alléén zooveel als
een paar honderd van die klein-venters en koopers. En het treft dat
bijna allen den hadji-tulband dragen. De tocht naar Mekka is hun
studie-tijd in de wetenschap van den handel geweest.

Niettemin dient gezegd dat Mekkagangers gevonden worden ook onder
gering en arm-gebleven volk. Zelfs vrouwen ziet men met den om de
slapen gevouwen sluier der hadji's die zwaar werk doen. Maar over
het algemeen kan gezegd, dat de èchte Maleier, de niets-doener,
de dobbelaar en liefhebber van hanengevechten, die naar den pasar
gaat als naar een feest, terwijl zijn vrouw naast hem zwoegt met
een mand op den rug, die zij aan een zeel over het voorhoofd spannend
draagt,--dat die de thuis-blijver is. Terwijl de Maleier van het nieuwe
slag, die naar den pasar gaat om geld te verdienen, die copra opkoopt
en boschproducten, en in zijn eigen prauw naar Bandjermasin brengt,
en die daarvandaan terugkeert met rijst uit Rangoon en winkelwaar
uit Europa,--dat die de Mekka-ganger is. Op de markt te Kendangan
ziet men de twee typen naast elkander.



Langs de Barito


Van Kendangan terug naar de Barito, die ik tot Poeroek Djahoe op
wilde varen, tot in het hart van Borneo toe, nam ik inplaats van
den land-, den waterweg, die door een geheel systeem van riviertjes,
beken en kanalen gaat. De prauw was telefonisch besteld uit Negara
(zoo zonderling zit hier oud en nieuw dooreen). Een matras, een
kussen, een muskieten-tent en een provisie eten en drinken voor den
dag maakten er een geriefelijk woninkje van. Het binnenkomen had zijn
moeilijkheden: de opening tusschen dak en prauwrand is maar laag:
men moet kruipend er door en tegelijk precies in het midden den
voet zetten om de prauw in evenwicht te doen blijven. Veel ruimte
is er ook niet. Althans niet in het verticale; men kan niet anders
dan liggen of, eenigszins bukkend, zitten. Maar met dat al bevond
ik deze wijze van reizen een alleraangenaamste. Het is betrekkelijk
koel op het water; geen stof; geen muskieten binnen het zorgvuldig
vastgemaakte gordijn: de prauw maakt een zachte schommelbeweging
op den maatslag van de riemen, die uit het groenige water blanke
fonteintjes opwippen; rechts en links glijdt het bedrijvige leven
voorbij van de rivier, en de oevers maken daar een lijst langs van
stammen, tot halver hoogte gezien, aanlegplaatsen, badhuisjes, buurten
van op palen staande hutten, waar naakte kinders omheen spelen. De
prauw vaart midden tusschen badende vrouwen door. Van een vlot,
waar een man languit ligt te rooken onder een muskieten-gordijn,
dat als een draperie schuin weggeslagen in plooien afhangt van het
atapdak, terwijl zijn kameraad met een vlag-vormigen waaier van
gevlochten vezel een houtskolenvuurtje aanwakkert onder den kokenden
rijstpot, worden de roeiers aangeroepen met een vraag waarvandaan en
waarheen. Van bruggetjes, waar wij onderdoor glijden, kijken, vroolijk
en nieuwsgierig, gezichten naar beneden. De Bandjarees is vrijmoedig:
de tegenwoordigheid van een Hollander belemmert hem niet. Mijn roeiers
en het volk op prauwen, vlotten, steigers, brugjes zijn doorloopend
in gesprek. De reis, die van halfacht 's ochtends tot ruim tien uur
's avonds duurde, was zoo vol vroolijkheid en afwisseling, dat ze
mij geen oogenblik te lang leek.

Te Marabahan kwam ik weer aan boord van den kleinen Paketvaartstoomer,
de Negara. Rechts en links had zij een breede laadprauw aan
zich hangen, vol volk en vracht, die zij van Bandjermasin en de
tusschenliggende plaatsjes af de rivier opsleepte, het binnenland
in; tot daar waar de stroomversnellingen, gevaarlijk tusschen de
steenbanken en zandplaten der bedding, het meevoeren van zulk een
last onmogelijk maken, hield zij die twee prauwen bij zich, als een
vogel onder uitgespreide vlerken haar jongen. En onder al de drukte
van lossen en laden, landen en aan boord komen door, hadden wij van
het dek der Negara af altijd-door het schouwspel van geregeld zijn
gang gaand, huiselijk inlanderleven op de prauwen. Over den rand
heen werd in de rivier gewasschen en gebaad; op uitgerolde matten
werd geslapen en gedobbeld; vrouwen zaten elkanders haar schoon
te maken; kinderen speelden op de stille manier van hun slag; tegen
zonsondergang verschenen mannen op de plecht, spreidden een matje uit,
en verrichtten met knielen, terneerbuigen van het voorhoofd tot den
grond toe, en weder opstaan, het Moslemgebed. En tot driemaal per
dag toe--het was almee bij wijze van tijdverdrijf, denk ik--werd er
gekookt en gegeten. Zij hadden--mannen zoowel als vrouwen--kleine
draagbare oventjes van gebakken klei bij zich, zooals er te Negara
gemaakt worden: daar ging een houtskoolvuurtje in en de rijstpot of
de pan met toespijs boven op. Die toespijs was meest "terasi"--een
gegiste brij van visch. De Maleiers hebben een spreekwoord: "gekookte
terasi, gebakken terasi, het is eenerlei, het eene stinkt zoo erg
als het andere:" het spreekwoord heeft gelijk.

Van Marabahan naar Poeroek Djahoe is het vier dagen stoomen: de eerste
drie blijft het landschap hetzelfde. Het is al maar oerwoud. Hier en
daar is een bres gekapt in den eentonig-groenen hoogen wal. Daar staat
een gehucht van bruine huisjes, met een landingsplaats, waar volk
staat te wachten op de boot. Er liggen rijstvelden links en rechts,
op de primitiefste manier ontgonnen in het woud: door verbranding. De
geblakerde stompen der afgehouwen boomen steken zwart op uit het
groen. Het dorpje en het ruige veld glijden voorbij en weer begint
het oerwoud. Geen teeken van menschelijk leven valt er waar te
nemen. Maar het is er, niettemin. Een volk van woudloopers is hier
doende met het kappen en omlaagrukken van den wilden rotan, die in
gewrongen bundels en trossen van als touw zoo taaie stengels door het
geboomte geslingerd hangt; met het zoeken van gom- en harssoorten,
en met het inzamelen van de was en den honing der wilde bijen,
die hun zwartige, op groote zakken gelijkende nesten ophangen aan
de takken der "kwala"-boomen. Hier en ginder ziet men een enkelen
van die bijzonder hooge boomen, verdonkerd door de nesten der bijen,
boven het omringende groen uitsteken; en dan hoort men hoe hevig en
lang er om zulk een boom gevochten is. De was wordt hoog betaald,
met tot f 90 per pikol toe; en de hoeveelheid is aan het slinken,
te oordeelen naar de exportcijfers van Bandjermasin, die voor 1909
een hoeveelheid aangeven van ruim 16.000 K. G. en voor 1911 slechts
ruim 4000: vandaar al die strijd. Ook de getah, die uit bast getapt
en uit bladeren gekookt wordt, gaat, over het geheel gerekend,
achteruit in hoeveelheid: van ruim 100.000 pikol in 1909, daalde ze
tot ruim 70.000 in 1911. Waarschijnlijk niet omdat er niet meer is
in het bosch, maar omdat dat meerdere onbereikbaar is, zelfs voor
Bandjareesche woudloopers. Als er eens een begin gemaakt werd met
regelmatige exploitatie--ja, dàn!--De rotan is, ook op primitieve wijze
ingezameld, nog overvloedig loonend. Overal ziet men de dunne buigende
stengels met hun wimpelende bladers boven de boomtoppen uitsteken. Het
lijkt wel of ze te sneller aangroeit, naarmate er meer van gekapt
wordt. Van ruim 42.000 pikol in 1909, steeg de export tot ruim 47.000
in '11 van dunnen rotan, die in opgetroste pakken wordt verkocht:
geheele heuvels van zulke pakken zag ik op de landingsplaatsen liggen:
de prauwen waren er volgeladen mee op den terugtocht naar Bandjar; in
de zwaardere soorten, de rotanstokken, is de vooruitgang nog beter te
zien: van ruim 40.000 tot ruim 1 millioen stuks. Ook de voorraad hout
is onuitputtelijk: geen nog zoo rauwe manier van roofexploitatie kan
daar een merkbare vermindering in brengen. Bij honderden en nog eens
honderden drijven de stammen, tot vlotten samengebonden, de Barito
af, en al haar zijrivieren. Meest wel bamboe en allerlei wildhout;
maar dikwijls toch ook is aan het diepe inzinken van het vlot te
zien, dat er vele stammen van edele soort tusschen zijn; djati en
de verschillende soorten die onder den naam van ijzerhout bekend
zijn niet alleen, maar menigten van andere, nog nooit in Europeesche
havens ingevoerd, en die toch prachtig materiaal voor bouw- en zelfs
voor schrijnwerk zouden zijn. Jaren geleden al werden mij door een
houtvester op Java monsters getoond van Borneo-hout, dat hij op
zijn reizen, de Barito op, meegevoerd had, achter zijn prauw aan;
gevlamd, geplekt, met donkere rozetten geteekend, fijn gestreept,
gesterreld hout, in de prachtigste tinten van goudgeel tot zwart toe,
met allerlei spelingen in het roodachtige, het grijze, het paarse
zelfs. Hij had zijn best gedaan om er een markt voor te vinden in
Holland en was niet geslaagd. Het gezicht van al die vlotten riep
de herinnering wakker en den wensch naar nieuwe pogingen en beter
uitslag. Als men denkt aan de armoe van Holland juist aan goed hout!

De zwarigheid zit waarschijnlijk in het vervoer: bij tijden is de
Barito zoo laag, dat zelfs vlotten blijven liggen. Zeker is het deze
omstandigheid, die de exploitatie tegenhoudt van de steenkolenbeddingen
langs de oevers. Waar de grond begint te rijzen, naar het gebergte toe,
komen die aan de steilere oevers te zien. Groote brokken steenkool
liggen voor het oprapen tusschen het struikgewas. De Negara deed er
haar voorraad van op. De steenkool is, hoor ik, niet zoo goed als de
Engelsche, maar veel beter dan de Japansche, en zou de exploitatie
zeker rijkelijk loonen, kon ze maar vervoerd. Maar daar zit 't hem. De
waterweg is gebrekkig; een landweg is er niet. Een Hollandsche
maatschappij, die de zaak begon, heeft haar moeten opgeven. Een
Chinees doet het nu in het klein.

Op den tocht naar boven kregen wij een bewijs voor oogen van de
moeilijkheden der vaart op de Barito: een Chineesche stoomboot,
gestrand op een zandbank. We vernamen dat zij daar al sedert drie
maanden zit, met geen geweld weer vlot te krijgen. En zelven
ondervonden wij de weer-strevende kracht van den stroom bij de
groote versnellingen rondom het midden in de rivier gelegen eilandje,
Poeloe Asoe. Viermaal werd de stoomer teruggeslagen van de wervelende
water-glooiïng, en eenmaal zoo dicht tegen den oever aan, dat takken en
kruinen van boomen met gekraak over het geheele dek schoten: de vijfde
poging eerst bracht de Negara in het weer gladde water bovenstrooms,
veilig uit het gevaar.

Zóó is de toestand; een schatrijk land, een volk voor ontwikkeling
vatbaar; een begin van Westerschen handel, die ook voor den Inlander
van voordeel en nut zal kunnen zijn; maar voorshands alles nog
belemmerd en stokkend, omdat het eerst-noodige ontbreekt: voldoende
middelen van verkeer.



SUMATRA


Aankomst te Medan


Aan boord van de "Rumphius" al--(en o! hoe heeft het me gespeten,
dat de reis niet langer duurde, en ik geen tijd had voor het volle
genot van al de mooie dingen in die nieuwe drijvende "rariteit-kamer,"
die schilderachtige zeventiend'-eeuwsche figuren langs de wanden,
en die prachtige vogels, al dat loover, kruid en gebloemte, en die
blazoenkleuren tusschen namen en jaartallen glorend op glas, waarmee
Lion Cachet een waardige omgeving heeft gemaakt voor de beeltenis
van den grooten natuuronderzoeker, die ook een geschiedschrijver
was, den Blinde, die zooveel meer dan eenig ziende zag!) Nu dan, aan
boord van de "Rumphius" al krijgt de naar Medan stevenende reiziger
een voorgevoel van de belangrijkheid en snelle ontwikkeling der stad
en tevens van het voorloopige van sommige Medansche toestanden. In
den meest letterlijken en lichamelijken zin krijgt hij dat gevoel:
namelijk als het schip begint te slingeren. En dat zit zóó: het
verkeer van Medan is in den laatsten tijd verdriedubbeld; de schepen
moesten driemaal meer ruimte hebben dan waarmee zij vroeger konden
volstaan; en om rustig op het water te liggen, heeft een groot schip
een bepaalden diepgang noodig. Maar tegen zulk een diepgang is de
ingang der Medansche haven, Belawan, door een zandbank versperd. En
daarom moeten schepen breed zijn en plat, en slingeren, Medan en de
zandbank ter eer. Niet lang overigens zal het meer behoeven. Een
begin is al gemaakt met het groote werk, dat Medan een haven zal
verschaffen zóo als de stad die behoeft. Belawan heeft al den trek
van het nieuwtijdsche en grootscheepsche in zijn ruimen--en toch reeds
te eng blijkenden--aanleg, in zijn gedrang van reizigers en koelies,
in zijn hooge en breede viaduct vooral, dat kenteekenende bouwsel van
een verkeer, waarbij de ren der donderende treinen den mensch geen
plaats meer laat op den beganen grond. Te sterker treft, daarna, de
eenzaamheid van de streek, waardoor de lijn naar Medan loopt. Alles
moeras-poelen, plassen, laag struikgewas, slingerplanten, een groep
hooge boomen, verloren staande hier en ginder. Watervogels reppen zich
klapwiekend weg voor den trein. Geen menschelijk wezen is ergens te
zien. De spoorbaan is de eenige weg--een eindeloos-lange brug van de
haven naar het vasteland. Eindelijk is het bereikt: de grond begint
te rijzen. Kleine stations, elk met een groepje huizen erom en er
achter, staan op langs de lijn, vestigingen, vroeger van Hollanders,
sedert lang al voor Medan verlaten en nu door inlanders en Chineezen
bewoond. Zijwegen loopen het land in naar de tabaksondernemingen,
tegen den voet van de heuvels gelegen, die, naar het Westen toe, in
al hoogere klingen opstijgen naar de blauw tegen de lucht glanzende
toppen der Bataksche bergen. Dan komt, blinkend van nieuwheid, het
stationsgebouw van Medan.

Geheel anders is de stad dan eenige andere in Indië. Alles er aan is
nieuw, frisch, op bedrijvigheid berekend en verkeer. Het is goed te
zien dat de bouwers de handen vrij hebben gehad en ruimte naar allen
kant, in den letterlijken zin en ook in den overdrachtelijken. Een
goede dertig jaar geleden was hier niets dan woud en wildernis,
waar een rivier breed doorheen stroomde, en, ergens in de verte, een
Maleisch vorstje, niet veel rijker noch beschaafder dan het half-wilde,
half-boersche volk, van wier schatting-duiten hij leefde. Het nieuwe
bedrijf, dat van die wildernis een voor de wereldmarkt teelende
landbouw-streek zou maken, vond nergens hinderende grenzen, noch
machtsverhoudingen, sterk genoeg om het te dwingen tot concessies met
zijn wezen en behoefte in strijd. Het "paleis" van den Sultan--of beter
de paleizen, want hij heeft een nieuw gebouwd voor het oude, waarin hij
zich niet thuis voelde, en zijn harem is in een afzonderlijk, groot,
getorend en gekoepeld gebouw gevestigd, en ook de "troonopvolger" heeft
een eigen, statig verblijf--de paleizen van den Sultan, en de groote
school voor zijn en zijner verwanten kinderen, en het rechtsgebouw,
waar de rechtspraak in zijn naam over een (al verminderend) aantal
onderdanen wordt uitgeoefend, en, ten slotte, de groote, waarlijk
prachtige moskee, zijn blijdschap en trots, met haar vijf koepels en
slanke minaret, waarvan des avonds het gebed der Moslemin af klinkt:
die geheele steenen sultanspracht is, inderdaad, het zegeteeken van
den tabaksbouwer.

Uit de grondpacht van de altijd door zich uitbreidende ondernemingen,
uit de sommen door de Nederlandsch-Indische regeering uitgekeerd
als vergoeding voor rechten, die zonder tabaksteelt en tabakshandel
nooit anders dan leege woorden waren geweest, uit de algemeene
welvaart door het nieuwe bedrijf ontstaan, is dat alles verrezen. De
opvolger der boersche Maleische vorstjes van voorheen zou zich kunnen
noemen: Sultan van Deli, bij Tabaks genade. Het geval heeft zijn
komiek-in-grooten-stijl:--en zijn zwarigheden....

Medan, dan, is een stad in den Europeeschen stijl van nieuwe
steden. Het heeft een winkelwijk, waar aan weerszij van de breede
straat groote met spiegelruiten blinkende winkels staan, vol nieuw,
duur goed; het heeft een waterleiding, die tot in alle hoeken van de
stad een koel, kostelijk-helder water brengt, op de bergen ontsprongen
en door een natuurlijken filter van zeventig meter hoog zand gezeefd;
het heeft electrisch licht in de huizen en langs de straten; een
villa-wijk, waar langs de schaduwige lanen de huizen te midden
van grasvelden en bloembedden liggen; een plantsoen; een wijd, door
groote en hooge gebouwen omringd plein, waar in het koele van den dag
voetbal-spelers en tennissers bij menigten aan het spel zijn. Zelfs
de geringe buurten, als die der Chineezen en die der Britsch-Indiërs,
hebben lucht en licht en een algemeenen schijn van zindelijkheid, van
welvaart zelfs. Het ziet er alles wèl-verzorgd, nauwkeurig-geregeld,
goed onderhouden uit.

In die wijde lichte ruimten is het bont van allerlei
nationaliteiten. Veel Oostersch volk woelt door elkaar in de
Vorstenlanden en meer nog te Soerabaja en in Bandjermasin. Maar hier in
Deli zijn voor de tientallen van daar honderdtallen en uit een grooter
aantal verder uiteengelegen streken afkomstig. Hier zijn niet enkel
Chineezen en kooplieden uit Bombay, maar ook Japanners, Bengaleezen,
Sikhs, Arabieren. Zij houden ook goeddeels aan hun eigen dracht en
gewoonten vast. Kom in de Chineesche wijk en daar ziet ge de vrouwen
loopen in wijde broek en baadje van glimmend-zwart katoen, met een
kind op den arm, dat midden op zijn kaal geschoren kopje drie sluike
vlokken haar heeft hangen en om zijn hals een tooisel van veelsnoerige
goud-en-bonte kettingen. Tegen den avond komen de mannen voor hun
deur een pijp opium rooken. Zij zitten in groepjes bijeengehurkt
om een dobbelspel, vlak aan de straat. Door de openstaande huisdeur
komt het altaar van de goede geesten en de voorvaderen te zien, met
veel bloemen en verguldsel opgesmukt. Met de armen op de boomen van
het lichte tweewielige wagentje, dat zij, als een paard, trekken,
slenteren de hongkong-mannen voorbij, op hun gemak als in de stad
waarnaar zij heeten. Het Chineesche element is sterk hier in Medan:
zoo groot een bestanddeel van de bevolking maakt het uit, dat men in
het openbare leven er rekening mee moet houden, en kennisgevingen,
op de muren aangeplakt, in twee talen gesteld zijn: in het Hollandsch
en in het Chineesch. Het Chineesche kerkhof beslaat breede strooken
lands, vlak langs de stad. Er is een prachtig versierde Chineesche
tempel, en de majoor-Chinees, die den drank in pacht heeft, het spel,
en tot pas geleden de opium, is verscheiden malen millionair.

De andere nationaliteiten, niet zoo talrijk noch zoo machtig als
de Chineezen, houden niettemin evenzeer aan hun eigen trant en
gewoonten vast. Japansche vrouwtjes, hier gekomen om op de eenig
voor hen mogelijke wijze, en die in hun eigen land niet veracht
wordt, een sommetje te verdienen waarop zij, teruggekeerd in Japan,
kunnen trouwen en een huishouden opzetten, loopen in sluiken kimono
op hoog-gezoolde schoenen; een enkele duwt, moederlijk behoedzaam, een
alleraardigst poppetje van een kind, ook in kimono, in een Europeesch
kinderwagentje. De Britsch-Indiërs dragen ieder het kostuum van hun
eigen streek. Daar zijn Sikhs, met prachtige gestalten en trotsche
gezichten, indrukwekkend onder een zorgvuldig-geplooiden witten
tulband, hoog als een bisschops-myter. Daar zijn Bengaleezen, zwart
als brons, met een vuurrooden lap om de lenden, gemakkelijk gaande
naast hun kar, een arm op den schoft van den roomwitten gebulten
trekos. Bombay kooplui loopen in geruiten zijden sarong en met goud
geborduurd mutsje. Vrouwen vertoonen zich getooid met een fel-gekleurde
bloem in de wrong van hun golvend blauw-zwart haar, en, in beide
neusvleugels, een door en door gedreven wit-beenen of wit-houten
stiftje, dat van verre al zonderling blinkt in het duister van het
wel-besneden gezicht. Arabieren, mager en felkijkend als havikken,
loopen met naakte voeten in gele en roode sloffen, een soort witten
talaar over een bont onderkleed, en een tulband. De Javanen hebben
hun sarong op de traditioneele wijze geplooid, en hun vrouwen dragen
de kabaja en den karakteristieken haarknoop. En ook het vele volk
uit Borneo laat zich herkennen onder Maleiers en Bataks uit.

Dat alles komt hierheen, om den arbeid in de tabakstuinen. De
Chineezen zijn de eigenlijke arbeiders, de verbouwers van de plant;
de Bengaleezen de hoeders en verzorgers van het trekvee; de statige
Sikhs, (wier imposant uiterlijk volslagen gebrek aan moed en kracht
schijnt goed te maken) de wachters; de Javanen doen het grondwerk, hun
vrouwen het sorteeren van de bladeren in de schuur; de Bandjareezen
zijn de timmerlui en huisbouwers. Als een zuigende maalstroom werkt
het bedrijf, die van rondom alle wateren zijn kolk in trekt. Onder
de Europeanen, onnoodig te zeggen, een overeenkomstige mengeling
van nationaliteiten, als blijkt uit de namen op kantoren en winkels;
veel Zwitsers en Zuid-Duitschers, veel Schotten en veel Engelschen. De
Engelsche invloed doet zich het sterkst voelen. Er is iets Engelsch
zelfs in het uiterlijk der stad, met die wijde rechte straten en,
binnen banden van asfalt, het prachtig-onderhouden, schitter-groene
gras.

Buitengewoon interessant om waar te nemen is die malende rassen-kolk,
door een sterk bedrijf in werveling gehouden, en gespijsd, jaar op
jaar, met stroomen van honderden uit het westen, van tien duizenden
uit het Oosten. Wat daar nog eens uit te voorschijn zal komen, boven
en behalve geld?



Tabak in Deli


In ergere mate dan ooit nog sedert het begin van deze reis heb ik hier
in Deli het te voelen gekregen, hoe groot een afstand ons Westerlingen
scheidt van den Oosterling. Daar ligt voor aller oogen het groote werk
van de Delische tabakscultuur. Maar van de tienduizenden die dat werk
verrichten zijn voor den Westerling enkel ettelijke Westerlingen de
verklaarders. Ook al kende hij de vele talen van die menigten van
Oostersche arbeiders, ook al kon hij persoonlijk Battaks, Boyans,
Bandjareezen, Javanen, Soendaneezen, Boegis ondervragen, hij zou niet
te weten komen hoe zij over dat werk in betrekking tot henzelven
oordeelen. Het historisch gewordene wantrouwen van het overwonnen
ras is te diep, dan dat het zoo voetstoots een onbaatzuchtige
belangstelling in het overwinnende zou kunnen aannemen. Wie van
buitenaf in Deli komt, zal het niet anders leeren kennen dan van
het standpunt van den Westerling en den werkgever uit: nooit van het
standpunt van den Oosterling en den werknemer uit. Mijn voorstelling
zal niet anders dan een éenzijdige kunnen wezen; voor meér geef ik
ze niet.

Het is overbekend uit hoe klein begin de industrie is ontstaan die op
het oogenblik voor de wereldmarkt werkt: de tabaksteelt op de Oostkust
van Sumatra. Iedereen heeft het verhaal wel gehoord hoe een jonge man
die, op Java zijnde, toevallig had gehoord dat tabak van bijzonder
goede hoedanigheid groeide in Deli, op goed geluk daarheen ging,
in een Chineesch vaartuigje; hoe hij, met een paar meubels van den
schipper geleend zoo goed en kwaad als het ging, een Inlander-woning
inrichtte die de Sultan hem in huur afstond; en hoe hij aan het
werk ging met Europeesche helpers die het al spoedig opgaven en met
Inlandsch werkvolk dat niet graag werken wou. De pionier beproefde
de methode die hij op Java had zien slagen: op zijn Vorstenlandsch
trachtte hij den arbeid van het volk te koopen door het belang van
den vorst. Maar de moeite die voor de beloofde f 0.50 per pikol tabak
de Sultan van Deli deed om zijn onderdanen tot planten te brengen
was onvoldoende of vergeefs: en de planter moest omzien naar ander
werkvolk. Hij dacht er te zullen komen met Javanen, een gezelschap
hadji's te Penang overgebleven. [16] Maar de hadji's wilden veel
liever preeken dan planten of plukken. Ten slotte nam hij de proef met
Chineezen uit Singapore. Zij bleken onkundig van landbouw-werk: maar
de begeerte om geld te verdienen en de leerzaamheid van den Chinees
hielpen over dien hinderpaal heen. Een vorm werd gevonden voor de
verhouding van werkgever en werknemers: het werk zou verricht worden
in contract en betaald volgens een vastgestelde taak,--de aflevering
van duizend boomen. Daarmee was ontstaan wat tot zulke reusachtige
afmetingen zou opgroeien en beide zooveel goed en zooveel kwaad zou
voortbrengen--een industrie in een nieuw land met uit den vreemde
binnengebrachte arbeiders, volgens contract werkende.

De pionier had in enkele jaren een reusachtig vermogen gewonnen. Die
volgden op den weg door hem gebaand kwamen in groepen. Bij getalen
werden maatschappijen opgericht. [17] Het werk ging nu in het groot.

De streek waar het werd aangevangen was een wildernis,--oerwoud
doorsiepeld van een ontelbare menigte riviertjes en beken, die in
vrijwel evenwijdigen loop de Oostelijke hellingen van het Bataksche
hoogland afgerend, op den vlakkeren grond gaandeweg vertragen; in
poelen en moerassen liggen hun mondingen langs het zeestrand. Er waren
duizenden en tienduizenden arbeiders noodig om in die woestenij ruimte
te hakken en te graven voor de tabak. Het werd een trek als van een
verhuizend volk uit alle omliggende landen waar honger geleden werd
naar Deli: uit Britsch-Indië, uit Java, uit Borneo, uit China. Uit
Europa ook, uit het ook-hongerige-Europa. Uit Holland, uit Engeland,
uit België, Duitschland, Zwitserland, Frankrijk, uit Polen zelfs
(als men af kan gaan op dien naam van Polonia, dien een onderneming
kreeg, zooals anderen de namen van Gallia, Helvetia, Hessia) kwamen
arbeiders voor het tabaksveld, arbeiders met het hoofd, door de
financiers-groepen in de verschillende landen die hun kapitaal in de
nieuwe industrie staken, uitgezonden als leiders van de arbeiders
met de hand. Tusschen de strandmoerassen en het barre gebergte,
omringd door het al verder weggedrongen oerwoud, was iets als een
kleine staat ontstaan. En de werkingen daarvan deden zich al spoedig
naar alle zijden gelden.

Het eerst wijzigde het gevestigde bestaan zich naar den nieuwen
toestand. Door een serie van reorganisaties, die in 1873 begonnen,
aanhield tot 1902, werd Deli losgemaakt eerst uit zijn verband met
het Sultanaat van Siak, toen uit dat met de residentie Riouw; tot
een afzonderlijk gewest gemaakt, kreeg het Medan tot hoofdplaats
en de overige tabakvoortbrengende streken als onderafdeelingen. Het
Nederlandsche gezag werd er versterkt tegenover dat van den Sultan,
die voet voor voet moest wijken. De regeering trok de rechten aan
zich over de menschen en over het geld: een nieuwe wet bracht onder
Nederlandsch gezag en recht al wie in Nederlandschen staatsdienst of
in dienst van Europeanen werkte; een verdrag met den Sultan bracht
in de Nederlandsch-Indische schatkist de al aanzienlijker bedragen
der in- en uitvoerrechten. Daar behalve de Sultan van Deli, die
om zijn vijandschap met dien van Siak belang had bij een leven in
vrede en vriendschap met de Hollanders, al de Sumatraansche vorstjes
zich tegen die uitbreiding der Hollandsche machtsfeer verzetten
en tabak-ondernemingen door gewapende benden werden aangevallen,
kwamen troepen, die de nieuwe orde van zaken met den sterken arm
doorzetten. De planters werden bevestigd in het pas gewonnen bezit,
en nieuw land werd voor hen opengesteld.

Onderwijl hadden zij zich onderling verstaan ter bevordering hunner
gemeenschappelijke belangen: de Plantersvereeniging was opgericht. In
het jaar volgend op dat der oprichting (1872) kwam de nieuwe
organisatie tegenover de regeering te staan in zake de verhouding
tusschen de planters en hun werkvolk. De wijze waarop de regeering
die wilde regelen oordeelden de planters een voor hen nadeelige. Zij
verzetten zich. De strijd was begonnen, waarin de koelie-ordonnanties
van 1880, '91, '97, 1903 de wapenstilstanden waren en het ontwerp
Blommestein met de tegen-actie der planters het laatst-geleden treffen.

De snelle uitbreiding, ook in de ruimte, der nieuwe cultuur, had
inmiddels de behoefte doen ontstaan aan middelen van verkeer. Een
dochter-maatschappij der Delische, kwam de Deli-spoor tot stand. Zij
werd in Holland zuur aangezien. Men vertrouwde haar niet recht. De
Hollandsche geldbelegger, de groote zoo goed als de kleine, bewaarde
zijn fiducie en zijn dubbeltjes voor Amerikaansche durf-allen en den
Russischen Vogel Grijp, die met twee snavels tegelijk kan scheuren
en slikt met een dubbele keel. De Deli-spoor zou er niet gekomen
zijn zonder de Delische tabakkers. Zij begon te bouwen in 1883. En
zulk een volharding, geestkracht en mate van wetenschap stelde zij
tegenover aanvankelijk gebrek aan geld en de schijnbaar onverwinlijke
moeielijkheden der natuur van het moerassige, zwaar overgroeide land,
dat in 1890 de lijn voltooid was, die, 102 K. M. lang, de eiland-haven
Belawan met Deli Toewa, Medan en Timbang Langkat verbond; en dat
die 102 K. M. lengte gaandeweg uitgroeide tot ruim 262, loopend
langs drie en twintig stations en haltes, terwijl rijtuigen, wagens
en locomotieven vermeerderd werden tot een aantal, dat in 1911 het
transport bewerkstelligde van ruim twee millioen reizigers en ruim
400.000 ton vrachtgoederen. [18] Een begin is gemaakt voor een verdere
uitbreiding van 123 K. M. lengte naar Assahan en Dollok Merassan, in
het Oosten der Bataksche hoogvlakte, waar de nieuw begonnen cultures
van rubber, gambier, copra en oliepalm behoefte hebben aan transport
voor hun producten, terwijl het plan overwogen wordt voor den bouw van
nog eens 200 K. M. spoorlijn het binnenland in. En inmiddels heeft
dezelfde maatschappij den heerweg door de lucht gebouwd waarlangs
de gedachte gaat en de levende stem. Van de haven tot de hoogvlakte
en den heelen wijden ring van ondernemingen langs loopt de telefoon;
en het telegraafnet heeft bijna 200 K. M. lengte.

Tegenover dien groei vertoonde zich echter het verval: de
onvermijdelijke neven-verschijnselen van een snelle industrieele
ontwikkeling vertoonden zich: speculatie, overproductie, instorting. De
jaren van 1884 tot '92 waren de magere die op zoo vele vette volgden,
en van die vette vele verslonden. Rijke menschen werden tusschen
ochtend en avond arm. Van de tabaksondernemingen ging alles wat buiten
het eigenlijke centrum der teelt lag ten gronde. In Padang en Bedagei
kon van zeventien ondernemingen maar eén enkele in stand gehouden
worden. De ellende werd zoo erg dat een fonds moest opgericht "voor
hulp-behoevende Europeanen." Er was geen geld, er was geen werk, en
het scheen haast of het er nooit meer zou komen, na de groote crisis
op de tabaksmarkt van '92, die op een jaar van misoogst, van lage
prijzen en van faillissementen volgde. Echter, de tabaksteelt kwam er
weer bovenop, en werd krachtiger nog na haar zware ziekte dan zij van
tevoren was geweest. Als de landbouw en het zuivelbedrijf in Holland
toen deed, als de suikerindustrie op Java al had gedaan, deed zij:
zij verbeterde te allen kant haar methodes, zij verbeterde haar gewas,
zij verbeterde haar arbeid. In '88 al had de organisatie der planters,
ijverend voor altijd ruimer immigratie van werkvolk uit China, het
Immigrantenbureau opgericht, waardoor regeling en nauwkeurige contrôle
en een directe snelle correspondentie met het emigratiecentrum
Swatow tot stand kwam. De vraag der openbare gezondheid eischte
strenge voorzorgen tegenover het vele immigrantenvolk uit voortdurend
besmette streken: de planters bouwden een quarantaine-station uit
ruime beurs, naar de beste methoden. Daarmee was het niet gedaan. Op
de ondernemingen ziek wordend werkvolk had geneeskundige hulp van
noode. De bestaande was geheel onvoldoende. Zelfs met de beste zorgen
en voorzorgen kon zelfs de meest voorzichtige en behalve voorzichtige
meest menschlievende planter het niet bereiken, dat een zieke koelie
naar den eisch werd verpleegd in het kleine hospitaal der onderneming,
noch voorkomen dat zijn ziekte de oorzaak werd van de ziekte van
wie weet hoeveel andere menschen. De verspreide en daarom zwakke
krachten werden vereenigd en een centraal ziekenhuis opgericht te
Medan, speciaal op de gewoonten van den Oosterling en den aard der
tropische ziekten aangelegd. En naast dat huis voor herstellenden
werd er een gebouwd voor wie niet meer herstellen zouden: een asyl
voor gebrekkige, ziekelijke en oude koelies.

Maar ook daar bleef het niet bij: gedachtig aan het woord dat
voorkomen beter is dan genezen, sloegen de planters de handen ineen
om een instituut tot stand te brengen waar de oorzaak der ziekten
bestudeerd kon worden en proefondervindelijk de middelen tot wering
onderzocht. Het Pathologisch Laboratorium verrees.

Tegelijk en op dezelfde wijze--die van wetenschappelijk onderzoek en
proefneming--gingen zij aan de verbetering van de geheele cultuur. Er
werden proefvelden aangelegd en onder deskundig beheer gesteld. En in
het laboratorium begon de arbeid met nieuwe methoden om de ziekten
der tabaksplant te genezen, om op haar terende insecten te weren en
om de voorwaarden van haar wasdom altijd door te verbeteren. Terwijl
hun onvermoeibaar initiatief den toch zoo wijd getrokken en zoovele
andere belangen omsluitenden kring van het eigen belang doorbrak
met den bouw van een leiding, die de stad Medan zuiver drinkwater
bracht uit de heuvels. Medan was in den tusschentijd gegroeid. Het
was een stad geworden, éenig in Nederlandsch-Indië, een stad met
"Europeeschen" zweem, ruim, regelmatig, zindelijk, met alle gerieven
voorzien; en met een gehéél eigenaardig kenmerk: de jeugd van alle
Europeesche bewoners. Als bijna al het andere is ook dit--dat er geen
oude menschen zijn in Medan noch in Deli--weer een uitwerking van
den voorspoed der tabaksindustrie: de menschen kunnen hier in korter
tijd dan elders geld genoeg verdienen om verderen arbeid in de tropen
onnoodig te maken. En jong nog en voor anderen werkkring bruikbaar
gaan zij naar hun geboorteland terug, niet denkend aan "ver-indischen"
en blijven. Zooals dat eenzame inlanderhuisje met het van een schipper
geleend huisraad, waarin de pionier der Delische tabaksteelt begon
met te wonen, het spiegelbeeld was van Deli in 1863, zoo is de volk-
en geldrijke stad van jonge menschen Medan het spiegelbeeld van Deli
in 1912.

Zoovele en zoodanige dan zijn de uitwerkingen geweest van wat nu
haast vijftig jaar geleden begon. Andere staan te wachten. En
daaronder zullen er naar alle waarschijnlijkheid wel zijn, die
niet toegejuicht zullen worden door wie die vroegere, terecht,
toejuichten. Niet alleen de werkers hebben het werk gemaakt: ook het
werk maakte de werkers. Zij zijn andere menschen nu, dan zij twintig
of zelfs tien jaar geleden waren, de Delische koelies. Zij hebben
gehoord van den strijd der arbeiders tegen het kapitaal in Europa;
zij hebben eenzelfden strijd in hun eigen land zien beginnen, en bewust
of onbewust, hebben zelfs diegenen de gevolgen ervan ondervonden, die
niet zelven er aan deelnamen. Voor den Javaan en den Soendanees uit een
afgelegen kleine dessa waar geen Europeaan ooit kwam, voor de mannen
uit den binnenlanden van Borneo en het Sumatraansche gebergte is het
koelieschap in Deli de ingang tot een nieuwe wereld geworden. En de
Chinees is tot politiek bewustzijn ontwaakt.--Hoe zal dat alles Deli
aandoen? Alleen dáarover is verschil van gevoelen: over de wijze van
de inwerking. Niet over de vraag of zich, ja dan neen, eene inwerking
zal doen gevoelen. Dat wordt aangenomen voor een zekerheid.



Tabak en Tabakkers


Toen ik voor het eerst een tabaksveld zag, in Mei, was het bloeitijd
en oogsttijd tevens. In lange vegen lag het lichtroode waas van
den bloesem gespreid over het grove grootbladerige groen van de
heuvelvelden. En overal, tusschen de hooge struiken waar zij het blad
afplukten, op de fel-zonnige paadjes waarlangs zij de volle manden
naar de droogschuur droegen, was het Chineesche koelievolk aan den
arbeid. In de schuren, koel en donker voor wie er binnenkwam uit
den blakenden zonneschijn, zaten de Javaansche vrouwen het blad te
rijgen aan dunne bamboe-stokken. Van de nok der hooge schuur af tot
op manshoogte boven den vloer hing het vol van als franje afbengelend
gebladerte, frisch groen, verleppend groen, geel, vaal, fijnbruin;
en de tabaksreuk maakte de lucht prikkelig.

Ik kwam terug in Juli; toen was de "schuurtijd" begonnen. Het volk,
dat over de uitgestrekte velden her en der verspreid had geloopen, was
bijeen in het middelpunt der onderneming: de groote fermenteer-schuur;
en in de fermenteer-schuur ook was de tabak, die op die velden
gegroeid en in al de droogschuren droog geworden was. In rijen van
geweldige bergen en mijten, rechtgestapeld als hooischelven, stond de
oogst opgetast van het eene eind der haast onafzienbaar-lange schuur
tot het andere; en langs de wanden, in een dubbele rij er om heen,
zaten vijfhonderd Chineezen het blad te sorteeren op lengte en op
kleur; terwijl een menigte vrouwen op den verhoogden vloer in het
midden zich heen en weer bewoog tusschen broeiende stapels tabak,
die afgebroken en in een andere schikking der bladerbundels weer
opgebouwd werden. In een afzonderlijk gedeelte van de schuur zaten
de beoordeelaars, Chineesche mannen, Javaansche vrouwen, aan wie de
sorteerders van de tabak hun werk kwamen toonen; zonder een woord
te spreken, met een tegelijk snel en rustig gebaar, namen zij aan,
bezagen en keurden goed of keurden af, naar twee zijden de bundels
werpend. En de Chineesche boekhouder achter zijn lessenaar schreef van
iederen koelie op wat hem aan loon toekwam. Binnenkort zou de laatste
voor het laatste werk zijn uitbetaald, en de tabak, gepakt in de op
Borneo gevlochten matten, aan boord gebracht van het stoomschip dat
de waar naar de Amsterdamsche veiling brengt.

De tabak die toen in de fermenteer-schuur behandeld werd,
was uitgezaaid in December en overgeplant in Februari en
Maart. Vijf-en-vijftig dagen had de plant daarna gebruikt om tot
vollen wasdom en bloei te komen. De maand Mei was de tijd voor het
oogsten geweest. Het had twintig dagen geduurd voor het groene blad
in de droogschuren bruin was geworden; twee maanden voor de stapels
gefermenteerd waren voor de eerste maal, en nog eens tweemaal zes weken
voor het gesorteerd en voor de tweede maal gefermenteerd was. In negen
maanden was de kringloop van het bedrijf voltooid geworden. En reeds
waren op het veld de arbeiders al weer aan het werk die de velden
bereidden voor een nieuwen oogst.

Behalve het persen voor het in balen pakken van de tabak, is al de
arbeid aan plant en product in die negen of tien maanden verricht,
arbeid met de hand. Het bedrijf is eenvoudig, vergeleken vooral met
de suiker. Maar inplaats van de complicaties door machinalen arbeid
en door scheikundige onderzoekingen, heeft het niet minder bezwaren
van anderen aard, ten deele van de teelt op zichzelve, ten deele van
plaatselijke omstandigheden het onvermijdelijke gevolg.

De tabaksteelt eischt, volgens het oordeel der planters, een rusttijd
van acht jaar voor den akker na elken oogst. Dat maakt een voortdurend
verplaatsen noodig van de woningen voor de assistenten en de koelies
en van de schuren voor het drogen van het blad. Drie jaar lang kunnen
de gebouwen blijven staan: de grond aan weerszij der "plantwegen"
waarop het gewas wordt geteeld, ligt verdeeld in drie strooken,
die de eene na de andere beplant worden. Is de oogst van de derde
veld-strook afgehaald, dan begint de verhuizing-in-'t groot. Een
nieuw stuk wordt in bewerking genomen van grond, die acht jaar
lang braak heeft gelegen: en mèt het werk gaan de werkers en het
werkgereedschap daarheen. Bij die periodieke verhuizing komt nog een
jaarlijksche: in den "schaar-tijd" komen alle assistenten (op één na,
die het volk surveilleert, dat bij het veldwerk blijft) te wonen
in de huizen gelegen op het "emplacement," d. w. z. het terrein
rondom het administrateurshuis, de fermenteerschuur, het kantoor
en het koeliekampement. Die vele verhuizingen (een van de oorzaken
die den assistenten het beginnen van een geregeld huishouden en een
gezinsleven langen tijd onmogelijk hebben gemaakt) vorderen veel tijd,
den arbeid van een groote menigte volk- en hooge uitgaven.

Maar een moeilijkheid, zwaarder dan deze, en dergelijke uit het
bedrijf voortkomende, is de bijkomstige, teweeggebracht door de
oorspronkelijke gesteldheid der streek, onbewoonbare wildernis als zij
was: de ontstentenis van inheemsch werkvolk, en de noodzakelijkheid van
te werken met uit den vreemde geïmporteerde arbeiders van verschillende
en ten deele onderling vijandige nationaliteiten. Dat was de groote
moeilijkheid nu vijftig jaar geleden, en dat is de groote moeilijkheid
vandaag nog. En de vrees van velen is dat het de groote moeilijkheid
zal blijven, en een nog grootere worden misschien wel!--in de toekomst.

Nemen wij als gemiddelde grootte van een onderneming aan 4000 bouw
(waarvan altijd maar 1/8 in bewerking onder het heerschende stelsel van
bebouwen), dan is daarvoor noodig, werkende onder een administrateur
en van vier tot zes employé's, een volk van duizend arbeiders, mannen
en vrouwen, van wie de helft gezinnen hebben. Van die duizend zijn
vijfhonderd Chineezen, mannen alleen. De andere vijfhonderd, allen
of zoo goed als allen getrouwd, mannelijke en vrouwelijke arbeiders,
zijn, Javanen, Boegineezen, Boyans, Bandjareezen, Bataks, volk van
de Westkust van Sumatra, Klingaleezen en Sikhs. Van deze vele rassen
heeft elk een eigen soort arbeid, waaraan het zich houdt, zoo goed
als eigen gewoonten en zeden die het geëerbiedigd wil zien, en eigen
vooroordeelen, die het wonen en werken afzonderlijk van alle anderen
tot een noodzakelijkheid maken, om niet te spreken van eigen ondeugden,
waarmee rekening gehouden moet worden.

De Chineezen zijn verreweg de beste arbeiders en aan wie het werk
dat de meeste zorg vereischt toevertrouwd kan worden. De Chineezen
wonen afzonderlijk, zoowel in den tijd van het veldwerk als in den
schuurtijd, en gehoorzamen aan eigen opzichters, "tandils," die weer
onder een hoofd-tandil staan. Zij hebben een tempel op de onderneming;
en een theater (in den trant van de zeventiend'-eeuwsche theaters van
Londen gebouwd) en een speelhuis, alleen voor zichzelven. Maar met
die afscheiding naar buiten is het niet gedaan: ze zijn ook onderling
gescheiden. Naar Deli komen Chineezen van drieërlei ras: Hailokhong,
Teoetjoe (uitgesproken tjautjoe) en Keh. Hailokhong en Teoetjoe zijn
echte landbouwers; Keh zijn ambachtslieden; Hailokhong en Teoetjoe
zien verachtelijk neer op Keh. Bij die uit verre tijden dateerende
verdeeldheid is onlangs de nieuwe gekomen tusschen oud-Chinees en
jong-Chinees, keizersgezinde en republikein. Verder zijn allen,
zonder onderscheid, hartstochtelijke spelers en is hun eenig spel
het dobbelen, zoodat wie als goede vrienden neerzitten rondom het
matje waarop de zeshoekige speeltol draait, elkaar misschien als
doodsvijanden naar de keel vliegen aan het eind van het spel. De
administrateur en zijn assistenten moeten op alles bedacht zijn om
moord en doodslag te voorkomen bij nachtelijke opstootjes in het
speelhuis.

De Javanen zijn vooral grond-arbeiders, terwijl de vrouwen het lichte
werk doen. Zij wonen in een eigen kampong, waar alles op zijn Javaansch
is ingericht; hebben als gouvernementsonderdanen geen eigen bestuur,
maar wel eigen mandoers en ook eigen velden voor rijstbouw. Zij
dobbelen even erg als de Chineezen en zitten nog veel dieper dan
dezen in speelschulden. Zij zijn min of meer getrouwd onder elkaar
(dikwijls min) en die toestand van labiel evenwicht in het echtelijke
veroorzaakt rare duikelingen, vooral als de evenwicht-verstoorders,
als nog al eens gebeurt, Chineezen zijn.

De Boyans (lieden van Bawean) zijn huizen-bouwers, en goed voor
hun werk, maar al te langzaam. De traagheid maakt dat zij het veld
moeten ruimen voor de handiger Bandjareezen. Er zijn er velen op
de ondernemingen, boschloopers, houtkappers, timmerlui, die bij het
gestadige afbreken en weer opbouwen hun werk hebben. Als reden voor
de verhuizing naar Deli geven zij wel eens op: afkeer van de op Borneo
gevorderde heerendiensten (die echter volgens officieele gegevens niet
zwaar zijn). De aard van hun werk laat hun lange tijden van vrijheid,
die zij gebruiken voor de bebouwing van gronden, tegen betaling van een
huur in gewas van de onderneming gehuurd. Zij werken onder een eigen
mandoer, maar hebben (als gouvernements-onderdanen) geen eigen bestuur.

Bataks werken in menigte op de tabaksvelden. Zij hebben daar eigen
dorpen, waarin zij, evenals op de Hoogvlakte, onder een eigen
bestuur leven. Hun prachtige bouwstijl heeft al erg geleden onder
de verhuizing naar deze nieuwe omgeving, die aan den anderen kant op
sommige schadelijke overleveringen, als b.v. het tanden-afvijlen, weer
gunstig inwerkt. Eén kwade gewoonte houden zij bijzonder hardnekkig
vast: het brandbrieven-schrijven. De administrateur die op een dag
aan zijn huis, of aan een tabaks-schuur, een bamboekokertje vindt
hangen met een miniatuur houten mes en fakkel als zinnebeelden van
doodslag en brandstichting, begrijpt daaruit dat er een Batak op de
onderneming is die grieven heeft. Het behoeven geen grieven tegen
hem, den administrateur, of zelfs tegen een der employé's te zijn:
ze kunnen evengoed een mandoer, een anderen koelie, een dorpsgenoot
van den bedreiger gelden. Maar in elk geval, de administrateur is de
bedreigde: hij moet zorgen dat de grief, welke zij dan ook wezen moge,
wordt weggenomen.

De Klingaleezen die voor eigen rekening uit Madras en Pondicherry
komen, leven in kongsies, onder een eigen hoofd, den kling-tandil. Zij
zijn karrevoerders en verzorgers van het vee, en als zoodanig goede
werklui. Maar zij geven veel overlast door hun onverbeterlijke
drankzucht. De andere Britsch-Indiërs, Bengaleezen en Afghanen, zijn
boodschappenloopers en nachtwakers. Een Afghaan, rijzig gebouwd, met
felle oogen uit een trotsch-besneden gezicht kijkend, en nog grooter
en fierder door den hoogen witten tulband, is een indrukwekkende
verschijning, voor wie Inlanders en Chineezen beiden ontzag voelen. Dat
komt hem te pas bij zijn nachtwakers-dienst en niet minder bij zijn
woekeraars-beroep. Wie zou aan zulk een imposante persoonlijkheid
twintig percent interest in de maand durven weigeren? Veel eer dan
tegen hèm zal de koelie opstaan tegen den mandoer, die zijn werk
afkeurt, of tegen den employé, die hem wegens luiheid doet bestraffen.

Deze en zoodanige dan zijn de arbeiders op de tabaksvelden. En licht
in te zien is de moeilijkheid voor de leiders eener onderneming,
eene op zich zelf eenvoudige cultuur met hen te drijven, zóo dat
het werk zijn geregelden gang gaat en ernstige botsingen daarbij
vermeden worden, zoowel tusschen werkgever en werknemer als tusschen
de arbeiders onderling.

Van de kwade kansen waaraan de tabakscultuur onderhevig is, kansen van
klimaat, markt, werkvolk afhankelijk, krijgt men ten naastenbij een
voorstelling uit enkele cijfers door de Plantersvereeniging officieel
medegedeeld. Van de 125 maatschappijen, sedert veertig jaar opgericht,
die een gezamenlijk kapitaal vertegenwoordigden van 104 millioen,
zijn geliquideerd of hebben het werk gestaakt niet minder dan 83,
met een kapitaal van 51 millioen. En van de overblijvende 42 zijn er
maar 13 met een kapitaal van 23 millioen, welker aandeelen boven pari
staan; wel is waar zéér hoog daarboven.

De goede kansen tegenover die kwade staande, komen uit in dien
hoogen koers.

De twee tegen elkander afwegend heeft een bekende autoriteit op het
gebied van de tabakscultuur in Deli en haar geschiedenis als zijn
eind-oordeel uitgesproken: dat er in het geheel bij de tabak tot nog
toe meer geld verloren was dan gewonnen.



De geschiedenis van Deli is in het verkleind en in het versneld een
herhaling van die van Nederlandsch-Indië; en als voor de kolonie is
er voor de streek een tijd geweest, dat vooral zij daarheen gingen,
die nergens anders meer terecht konden. Voor Deli is die tijd nog
niet sedert zoo lang voorbij; een twaalf, vijftien jaar geleden werd
het nog vaak genoeg, en met genoeg reden, gezegd van jonge mannen van
beter allooi: "te fatsoenlijk voor Deli." Dat hoort men niet meer. De
wisselwerking van betere omstandigheden en betere menschen, omtrent
1900 begonnen, heeft den toestand gunstig veranderd. Nu het noodlottig
trouwverbod, uit een tijd dateerend van primitieve toestanden ter eene
en kortzichtig eigenbelang ter andere zij, grootendeels of geheel is
opgeheven, dank zij den moed dier eersten, die hun carrière er aan
waagden om hun menschenrecht te verdedigen; nu er, ook door hen,
die geen administrateur worden, toch weer behoorlijk geld wordt
verdiend; nu er goede wegen gekomen zijn, gemakkelijke gemeenschap
met Medan, spoorweg, telegraaf, telefoon; en geneeskundige hulp, de
beste die in geheel Indië verleend wordt, dadelijk te krijg is: nu
komen ook jonge mannen van goede opvoeding en goed gedrag naar Deli,
als naar een passenden werkkring. Bij de tabak verdienen zij veel
meer dan bij de thee of de koffie; en, daar het getal employé's op
een tabaksonderneming van vier tot zes is, terwijl het gecompliceerde
suikerbedrijf het drie- en vierdubbele aantal vordert op een fabriek,
hebben "tabaksassistenten" een even veel malen grootere kans op het
administrateurschap als "suikeremployé's."

Eén nadeel echter--en het is een heel erg--schrikt velen van Deli
af: de onveiligheid. Zij is er altijd geweest: van het begin af zijn
aanslagen van koelies op Europeanen voorgekomen. Maar betrekkelijk
veelvuldiger zijn zij geworden juist in den laatsten tijd, nu de
oorzaken van haat der koelies tegen de Europeesche leiders van het
bedrijf juist minder zijn geworden.

Middellijk is dit een gevolg, een treurig gevolg, van een goede en
verheugelijke zaak: de ontwaking van den Oosterling.

De nieuwe ideeën nemen, het is waar, zonderlinge vormen aan in die
voor het overgroote meerendeel nog totaal ongeschoolde hersens. Men
kan hooren vertellen, onder Chineezen, dat een onlangs (op de Westkust
van Sumatra) ingevoerde belasting der Nederlandsch-Indische regeering
moet dienen om aan de Chineesche het "bloed-geld" te betalen voor de
slachtoffers der jongstleden troebelen te Soerabaja. En de Maleische
krantjes wagen het niet hun abonné's andere dan overwinningsberichten
te brengen omtrent den strijd, dien de Beheerscher der Geloovigen
tegen Italië voert. Maar hoe wonderlijk ook vergroeid, het idee is
er en zit onverwrikbaar vast, dat de Oosterling, lang geminacht en
geknecht, het juk van den Westerling heeft afgeworpen en tegenover hem
staat nu als de eene mensch tegenover den andere: gelijken. Zoodat,
wie vroeger zwijgend het grievendste onrecht verdragen zou hebben,
vandaag zelfs tegen een geringe verongelijking zich met de uiterste
heftigheid verzet.

De arbeidsinspectie, ingesteld, om het terloops te vermelden,
naar aanleiding van feiten niet in Deli voorgevallen--het waren de
koeliemishandelingen in Redjang Lebong, die den stoot gaven tot de
oprichting--de arbeidsinspectie, die zelfs van partijdigheid voor
de koelies beschuldigd is geworden, maakt eigen richting overbodig,
zoo goed als zij op zichzelf ongeoorloofd is. Maar de koelie ziet dat
zelden, indien ooit, in. Maar al te dikwijls schrijft hij een uitspraak
te zijnen gunste inplaats van aan rechtvaardigheidszin aan angst toe
en vindt er op zijn best een aansporing in om een volgend maal liever
zichzelven recht te verschaffen dan er op te wachten uit de hand van
wie het hem toch moeten geven. Misschien is aan zulke averechtsche
voorstellingen ook déze omstandigheid schuld, dat de inspecteerende
ambtenaars voor het verkeer met de vele talen sprekende koelies zich
van tolken bedienen: over zulk een omweg gaande kan veel verloren
raken of verkeerd terecht komen. Slotsom: er is gevaarlijk veel kans
dat het zelfbewustzijn van den koelie zal omslaan in overmoed.

Nu de assistent. Meestal is hij een jonge man; de beginnelingen zijn
even twintig. Hij heeft nog weinig menschenkennis; ervaring in het
leiden van ondergeschikten, zooals hij er nu ten getale van tachtig
tegelijk onder zich krijgt, nog in het geheel geen. Hij weet wat zijn
werk is: helpen winstmaken, een zoo groot mogelijke winst. Daarvan
hangt het af of hij spoedig vooruitkomt. Zijn eigenbelang drijft hem
voort. Achter het zijne staat dat van zijn administrateur. Achter
dat van den administrateur, dat van den hoofdadministrateur, weer
daarachter dat van de directie en de aandeelhouders der Maatschappij,
in een volgorde van toenemende kracht en nadruk. Dus voortgedreven komt
de assistent te staan tegenover den koelie, de Westersche assistent
tegenover den Oosterschen koelie. Er is gevaarlijk veel kans dat de
ijver van den employé zal overslaan in dwingelandij.

Vlak naast elkaar liggen de dyamiet-patroon en de lont: de
allerkleinste vonk en daar laait en dondert de ontploffing.

Er zijn ondernemingen waar dikwijls, er zijn er andere waar uiterst
zelden botsingen tusschen werkvolk en leiders voorkomen. Voor een
belangrijk deel zal dat liggen aan den administrateur. Het is voor
hem niet gedaan met het verbod van slaan; dat verbod is er een dat
iedere administrateur geeft, terwijl hij toch weet dat het niet strikt
opgevolgd zal worden. Het denkbeeld van de minderwaardigheid van het
gekleurde ras zit er al te diep in bij den blanke dan dat zelfs de
humaan-voelende, in wien tegenover een blanken werkman de aandrift tot
slaan niet op zou komen, zich tegenover den koelie altijd beheerschen
zou. De groote kunst is: het voorkomen van de kans op botsingen. Dat
is, natuurlijk, maar binnen bepaalde grenzen mogelijk in welk bedrijf
ook; en in een bedrijf waar de ondergeschikte zoo zelfstandig moet
handelen als in de tabaksteelt, kunnen die grenzen niet anders dan
betrekkelijk nauw zijn. Het goede voorbeeld en wat men opvoeding van
den assistent door den administrateur zou mogen noemen, moeten het
overige doen.

Degenen die in de preventieve kracht van straffen gelooven,
eischen een strengere bestraffing, en vooral een spoedigere, voor
koelie-misdrijven. Zij houden vol dat een dag of wat gevangenis
en het te werk stellen aan den openbaren weg, het "grassprietjes
trekken," geen straf is die den koelie van dienstweigering of van
een aanval op een Europeaan zal weerhouden. Een voorstel is gedaan
om tot werk onwilligen van regeeringswege te doen arbeiden aan een
werk van openbaar nut, door de regeering ondernomen; dit werk te doen
volvoeren voor den kost zonder loon; en uit de loon-waarde, na aftrek
van de kosten voor voeding van den koelie, den planter de schade te
doen vergoeden, door de dienstweigering geleden. Het is een der vele
voorstellen naar aanleiding van het ontwerp-Blommestein geformuleerd,
en waarop voor het eerste nog geen beslissing gewacht kan worden.

Die meer dan van het bestraffen der misdrijven verwachten van het
wegnemen dier toestanden, waaruit misdrijven voortkomen, dringen
aan vooral op het afschaffen van het dobbelspel, dat de koelies
demoraliseert en voorbeschikt tot allerlei geweldpleging. De regeering
heeft indertijd zulk een verbod overwogen, [19] maar is niet overgegaan
tot de uitvaardiging er van. Men weet dat in de Straits het verbod een
uitwerking heeft gehad, aan de beoogde lijnrecht tegenovergesteld. Er
wordt te meer gedobbeld in het geheim, buiten alle contrôle. Zelfs
komen uit de gewesten, waar het spelen geoorloofd is, de speellustigen
naar de verboden streek, om bijzonder hoog te kunnen dobbelen. Het
oordeel van den bekenden Maleiervriend en kenner van Maleische
toestanden, Frank Swettenham, luidt, dat men om het dobbelen te
beletten, achter iederen Inlander een politieagent zou moeten zetten,
en achter dien politieagent een tweeden, om den eerste op de vingers te
zien, en zoo voort tot in het oneindige. Wat hij daarmee van Maleiers
zeide, kan met gelijk recht gezegd van Chineezen. Waar de zaken zoo
liggen, moeten de pogingen, die door weldenkende administrateurs
gedaan zijn en nog worden, om het dobbelspel te weren wel vergeefs
blijven. Een zeker toezicht oefent de Chineesche "tandil" uit, die de
speelpacht (in onderpacht van den majoor-Chinees te Medan) heeft. Dat
belet niet, dat er soms gevaarlijke twisten onder de spelers ontstaan,
of dat zware verliezen geleden worden. De verbitterde verliezers zijn
de volgende dagen in een toestand van ingehouden woede, die bij de
geringste aanleiding tot een uitbarsting kan komen. Wie alles goed
bedenkt, zal zich niet zoozeer over het voorkomen van botsingen
tusschen Europeesche leiders en Oostersch werkvolk verwonderen,
als wel over de betrekkelijke zeldzaamheid van zulke botsingen.

De betrekkingen tusschen administrateur en employé's zijn, als in
wezen eveneens die tusschen werkgever en werknemers zijnde, eveneens
aan velerlei storing onderhevig en op zichzelven reeds bezwaard met
de kwade kansen die elke tegenstelling van belangen medebrengt. En
natuurlijk is bij een botsing de zwakkere, de employé, in het
nadeel. Maar dezelfde oorzaken die in zooveel andere opzichten een
verandering ten goede hebben bewerkt, hebben het ook hier gedaan. De
employé van 1911 staat er beter voor dan de employé van 1890 deed. En
de toenemende uitbreiding der cultuur, waarvan een toenemende behoefte
aan geschikte arbeidskrachten het gevolg is, heeft voor "achter-gevolg"
weer een toenemende verbetering van de positie der employé's, en een
vermeerdering van hun middelen van verweer tegen onredelijke eischen
of willekeur.

Een grief niet tegen de administratie maar tegen de Directie der
maatschappijen is, dat de inkomens en vooral de percentages aan
employé's toegekend, buiten alle verhouding veel lager zijn dan die,
toegekend aan de administrateurs.

De administrateurs van hun kant oordeelen hun hoog salaris de niet meer
dan redelijke vergoeding voor de verantwoordelijkheid die zij dragen.

Beide eindelijk, althans velen van beide categoriën, voelen als een
onrechtmatige beperking van hun persoonlijke vrijheid de bepaling
door de maatschappijen gemaakt, dat de beambten een deel van het
hun toekomende in de winst op rente moeten laten staan bij hun
maatschappij.

Daartegenover stellen de maatschappijen die bepaling voor als genomen
enkel in het belang der beambten.



De behoefte aan werkvolk uit den vreemde en de noodzakelijkheid om
het door gunstige voorwaarden aan te trekken; de bemoeienis van de
regeering sedert '72; vertoogen, nu en dan, van den kant van China,
het vaderland van de meerderheid der koelies; de drang der openbare
meening; en, zonder twijfel, ook de eigen menschelijkheid en zin
voor recht hebben de planters gebracht tot een arbeiders-politiek,
die van Deli een model-industrie-streek heeft gemaakt in meer dan
een opzicht; in dat van de hygiëne vooral. Wat den buitenstaander
het eerste treft, op de goedgeleide ondernemingen, is het gezonde
uiterlijk van het werkvolk.

Te danken is dat aan een beter loon dan òf Javanen òf Chineezen in
hun eigen land krijgen; aan een betere huisvesting; aan de wettelijke
beperking van den arbeidstijd (tot een maximum van tien uren); aan de
verstrekking, in gedeeltelijke voldoening van het loon, van deugdelijke
rijst, een marktwaarde hebbende van pl.m. f 13 (van het jaar is het
f 13.50), voor f 9.75; aan het geven van velden die de koelies voor
eigen gebruik bebouwen; en, vooral, aan den geneeskundigen dienst,
dien de planters voor hun volk hebben ingericht.

De afdeeling Sumatra's Oostkust der Vereeniging tot Bevordering
der Geneeskundige Wetenschappen in Nederlandsch-Indië heeft daar
de publieke aandacht op gevestigd met de brochure, die zij uitgaf
naar aanleiding van het ontwerp Blommestein, dat, in het oordeel der
artsen, dien gunstigen toestand bedreigde. De hier volgende opgaven
zijn grootendeels aan die brochure ontleend. De oorspronkelijke
toestand was: iedere onderneming behandelde haar eigen zieken. Uit
den aard der zaak was die behandeling onvoldoende. De versnipperde
krachten werden vereenigd en een geneeskundige dienst kwam tot stand,
die twintig centrale hospitalen bouwde, een centraal pathologisch
en bacteriologisch laboratorium, en een quarantaine-station,
en een staf aanstelde van twee-en-twintig Europeesche medici en
drie dokters-djawa. In vergelijking met de overige bevolking van
Nederlandsch-Indië wordt voor de Delische koelies zestig maal meer
aan geneeskundige hulp uitgegeven: bijna een millioen jaarlijks
(f 900.000) voor ongeveer 120.000 contract-koelies op Deli, tegen
ongeveer 5 millioen voor ongeveer 35 millioen inwoners van geheel
Nederlandsch-Indië. Het gevolg komt ten duidelijkste uit in de cijfers
der sterfte-statistiek, die, in tien jaar tijds van 60 op 1000 tot 15
op 1000 zijn gedaald, cijfers tot nog toe nergens elders op tropische
ondernemingen bereikt, terwijl die van veel plaatsen van vijf tot tien
maal hooger zijn; en bij een vergelijking met West-Europeesche landen
alleen voor de meest gunstig-gestelde klasse van arbeiders cijfers
worden gevonden gelijk aan die van sommige Delische maatschappijen. Een
niet te berekenen weldaad is vooral voor de Javanen--de Chineezen komen
over het algemeen in betere lichamelijke gesteldheid hier aan--de
geneeskundige behandeling op Deli. De overgroote meerderheid--de
laatste statistiek noemt 85 pct.--lijdt aan mijnwormziekte. Oogziekten,
ingewandsaandoeningen en allerlei slepende kwalen die het gevolg
zijn van onvoldoende voeding en huisvesting zijn algemeen onder hen,
evenals koortsen. Zij worden daarvan genezen, met of zonder eigen
goedvinden. Dat klinkt zonderling; maar de Javaan is, ook op dit
punt, een groot kind. Veel liever is hij ziek en blijft ziek, zoowat
sukkelend en knoeiend met de geneesmiddelen van een doekoen en allerlei
talismans, bezweringsformulieren, en tooverkunstjes, dan dat hij naar
een hospitaal gaat waar hij aan strenge regels is gebonden en leelijke
drankjes misschien moet slikken. En wat Javanen uit kinderachtigheid
doen, dat doen Chineezen uit verkeerde zuinigheid. Zij kunnen niet
verdienen als zij in het hospitaal liggen. De Deli Spoor kon indertijd,
toen zij door een moerasachtige streek een lijn bouwde waar malaria
uitbrak, van de Chineesche koelies die het werk aangenomen hadden,
het niet gedaan krijgen, dat zij de voor hen beschikbaar gestelde
woningen op een afstand van het moeras gelegen, betrokken; ze verloren
met heen en weer reizen te veel tijd: liever liepen zij de kans van
aan malaria te sterven. Toen het sterftecijfer 50 pct. bereikte
verliep het volk. De Deli Spoor begon opnieuw met eigen koelies,
die zij inkwartierde in een koortsvrije streek, wien zij belette
vóor zonsopgang en na zonsondergang te werken, en voorging met
het prophylactisch innemen van kinine; daarmee was aan de sterfte
een eind gemaakt. Op geheel dezelfde wijze moeten de Delische
planters tegen hun Chineesche koelies optreden: en zij hebben bij
hen hetzelfde gelukkige resultaat bereikt. De koelie werkende onder
het koelie-contract dat hem te dezen opzichte dwingt [20], is onder
en door dien dwang in een beteren toestand gekomen dan de naar eigen
gebrekkig inzicht levende vrije arbeider ooit bereikt. En dit voordeel
voor het individu is tegelijk een voordeel voor de gemeenschap, want
doordat de zieke in een hospitaal verpleegd, dus geïsoleerd wordt,
houdt het gevaar op, dat hij zijn omgeving besmet--een gevaar dat
moeilijk overschat kan worden bij het groote aantal infectieuze
ziekten waaraan vooral Javaansche koelies lijden--dysenterie,
cholera, mijnwormziekte, om maar de meestvoorkomende te noemen. Het
vooroordeel der arbeiders is gaandeweg aan het verdwijnen tegenover de
dagelijksche ervaring. Dat zij den algemeenen toestand op de Delische
tabaksondernemingen waardeeren, blijkt trouwens uit de cijfers. Volgens
de laatstverschenen statistiek zijn er van elke honderd tachtig die na
verloop van hun contract het vernieuwen. Zij gaan wel terug naar hun
land, omdat zij, de reis vrij hebbend, hun familie op willen zoeken
en hun belangen waarnemen in hun geboorteland; maar na afdoening
van zaken komen zij weerom. In de laatste jaren--nadat de treurige
gevolgen van de inzinking in de jaren 1890 verdwenen, of zoo goed als
verdwenen waren--heeft Deli onder werkzoekers zulk een goeden naam
gekregen, dat koelieronselaars op Java "voor den overwal" wervend,
werkvolk kunnen lokken met de voorstelling van Deli als land van
bestemming, wanneer zij inderdaad naar andere streken geëxpedieerd
zullen worden, waarheen zij niet wetens en willens zouden gaan. Wat
de Chineezen aangaat: de Chineesche regeering, die in 1909 emigratie
uit Chineesche havens naar Banka en Billiton heeft verboden [21]
laat die naar Deli vrij. Het streven van de planters is tegenwoordig,
de aanwerving zooveel mogelijk te bevrijden van de misbruiken die haar
terecht in discrediet hebben gebracht. Voor de Chineesche koelies is
het al, gedeeltelijk, bereikt door dat systeem dat de werving uit
de handen der ronselaars neemt en legt in die der koelies zelven,
die repatrieërend, familie en kennissen werven, met wie zij dan
terugkeeren naar Deli. Er zal nu op Java hetzelfde beproefd worden.

Zoo, ongeveer, doet Deli zich voor aan den buitenstaander die, als
Westerling, van Westerlingen-standpunt er naar ziet. Hoe lijkt het
den Oosterling? Hoe staat de koelie tegenover de onderneming van
Europeesche kapitalisten en planters?

Ik kan het niet zeggen. Maar over de geheele wereld is degeen die werkt
in het nadeel tegenover dengeen die bezit, ziet hij dus de dingen van
den anderen kant, meet hij dus met een anderen maatstaf. En in een
kolonie is de arbeider tweemaal in het nadeel: éénmaal als arbeider
en éénmaal als lid van een overwonnen en daarenboven economisch
en cultureel nog achterlijk ras. Het oordeel van den koelie over
Deli moet dus op hoofdpunten tegenovergesteld zijn aan dat van den
Deli-kapitalist of den planter.

Het onweerlegbaar bewijs--als er nog een noodig mocht zijn--dat
niettegenstaande alle voordeelen de overgroote meerderheid van de
koelies met den toestand niet tevreden is: de poenale sanctie is
noodig gebleken om hen aan het werk te houden. Die moet hier doen wat
in het van nature armere Europa de wreede honger doet: dwingen. Het
lijkt een veel erger teeken, dat koelies de Europeesche employé's
soms aanvallen. Maar wèl bezien is het dat niet. De aanslagen zijn,
op het groote aantal koelies gerekend, zeer zeldzaam. En daarbij,
hebben zij niet de beteekenis die in Europa de aanslag van een arbeider
op een werkgever zou hebben. Onder Europeanen zal men in het algemeen
uit de hevigheid van de weerwraak tot de hevigheid van de beleediging
kunnen besluiten. Maar met Oosterlingen kan men dat niet, omdat hun
inborst de verhoudingen (voor een Westerling de natuurlijke) tusschen
oorzaak en gevolg in het psychische verandert.

Zoo moeilijk het voor ons is het gemoedsleven van den Oosterling te
begrijpen, zóoveel weten allen die eenigen omgang met hem hebben
gehad: dat bepaalde aandoeningen niet dadelijk hem tot handelen
brengen, maar lang blijven nawerken en gaandeweg aan intensiteit
toenemend, ten slotte, soms zonder oogenschijnlijke aanleiding,
uitbarsten in een daad, die geheel en al buiten verhouding staat
tot de aanvankelijke oorzaak. Verder: dat onder den invloed van in
bepaalde vormen nog voortlevende communistische opvattingen, hij de
gemeenschap verantwoordelijk stelt voor het bedrijf van welk ook harer
leden. En, eindelijk, dat hij in hartstocht alle bezinning plotseling
verliest, "mataglap" wordt, "verduisterd van oogen," en letterlijk
in den blinde naar een slachtoffer slaat. Die dat weet, weet ook,
dat het niet een erge verongelijking behoeft te wezen, die met een
bloedige wraak gewroken wordt, en dat het evenmin de verongelijker
zelf behoeft te zijn die getroffen wordt door de weerwraak. Terwijl,
zonderling genoeg, werkelijke hardvochtigheid niet dan hoogst zelden
oproer verwekt tegen den hardvochtige.

Veel dat nu geweten noch begrepen wordt, zou voor allen duidelijk
worden, wilde iemand den arbeid ondernemen uit de vonnissen der
Delische rechtbank de op koelie-delicten betrekkelijke af te zonderen,
en uit "het juridisch" in het Hollandsch te vertalen. Althans datgene
wat nu in volle onwetendheid misdaan wordt, ware dan te vermijden. Dat
is natuurlijk niet meer dan een onderdeel van het geheel waartegen het
verzet der koelies gaat. En zoo zijn ook de koelie-aanslagen op dezen
of genen mandoer, tandil, employé, administrateur, minder-beduidend
dan die gebleken noodwendigheid van de poenale sanctie, als teeken
van de stemming der arbeiders, tegenover dezen of genen meerdere niet,
maar tegenover het geheele systeem.

Het Delische systeem is, ten slotte, het koloniale systeem in het
klein; en de toestanden op Deli op kleinere schaal--en behoudens de
verschillen veroorzaakt daardoor dat zooveel koelies niet-Inlanders
zijn,--vrijwel dezelfde als die in de geheele kolonie.

Het afloopende systeem van belangen, dat inlandsche vorsten en
edelen aan de zijde van den overheerscher brengt tegenover hun
eigen landgenooten, wordt herhaald in het systeem, dat met premies
op koelie-werving en koelie-arbeid, tandils en mandoers op de hand
van den ondernemer brengt. Oneindig veel beter dan onder zijn eigen
vorsten vroeger heeft de inlander het nu onder het Nederlandsche
gezag; en oneindig veel beter dan als "vrij man" in zijn eigen land
heeft Chinees en Javaan het op Deli onder den planter.

Niettemin heeft de Nederlandsche Regeering ten slotte troepen
noodig. En niettemin behoeft de planter een bijzondere wet. Waarom
anders dan omdat, ondanks alles de Inlander en de koelie het belang
niet hebben bij de handhaving van de toegepaste stelsels dat de
Nederlandsche Staat en de Deli-Maatschappijen er bij hebben, en dat
inziende, zich gaan verzetten?

De gedachte aan mogelijke gevolgen is voelbaar in de moreele atmosfeer
van Deli.



Naar de Bataksche hoogvlakte


In de weinige uren tusschen dageraad en middag kan men van Medan naar
de Hoogvlakte der Bataks komen--van de twintigst'eeuwsche beschaving
naar den natuurstaat. Een uitstekende weg en automobielen maken het
verbijsterende wonder mogelijk.

De weg, die, bij ongelijke deelen, door de planters, den Sultan en de
Ned.-Indische regeering is aangelegd, loopt van Medan af een tijdlang
tusschen tabaksvelden door, waar hoog, breed, bruin en ruig in hun
rieten bekleeding, als reuzen in berenpelzen, de groote droogschuren
staan, en over ondernemingen, waar de huizen van administrateurs en
assistenten villa's lijken in een wijd, mooi aangelegd park. Dan begint
hij te stijgen. Het landschap verandert; in groote golvingen, op en
neer, deinen groen-blauwe heuvelrijen aan, de vorm van verre toppen,
flauw ontwaard eerst tegen het blauw der lucht, wordt duidelijker,
diepe schaduw en koelte van woud valt over den weg, die, wittig,
in lange slingeringen klimt, uit een verborgen ravijn klinkt het
ruischen en schuren, dat snel water doet over gesteente. Al hooger
stijgt de zon aan de fel-blauwe lucht, waarin witte wolken verblindend
blinken; maar het is koel hier als in allervroegsten morgen; het gras,
het hooge varenkruid, het struikgewas langs de steilten blinkt van
dauw. Een lichte wind komt en gaat, in golven van frischheid. En
alles geurt zoo. Niet het dauwige en zonnige gras alleen, of al
dat kruizemunt-achtige bladerruig langs den weg, of de oranje,
roode en paarse bloem-tuiltjes der lantana, die de hellingen als
met vonken oversprenkelen, of, zoetst van alles, de arèn-bloesem,
in lange, donkere trossen hangende langs den stam, die als een zuil
zoo slank onder zijn kapiteel van uitbuigende blader-takken, zwart
en monumentaal tegen den vuur-blauwen hemel staat; maar van overal,
uit alles, tot uit vochtige steenen en de naakte bruine aarde zelve
toe, komt wèl-reuk gewademd. Een niet goed te benoemen fijnheid in
de atmosfeer, iets ijls, teeders, héél-zuivers veredelt de forsche
weelderigheid der tropische natuur. Van den rand van een steil ravijn
af gezien, waarlangs de bergen oprijzen, donker van woud, ligt de
verre flauw-blauwe Medansche vlakte, met de fonkelstreep van de zee
langs haar zoom, als een andere, vreemde, vèr-verwijderde wereld.

Twee dagen voor dien van onze reis had een aardstorting een gedeelte
van den weg overstelpt: werkvolk was nog bezig met wegruimen en
gelijk maken, en een twintig man kwamen te hulp om den auto over
de zacht-inzakkende plek te krijgen. Ik had al Bataks gezien te
Medan. Als Zigeuners zaten ze, langs den eenen kant van de Esplanade,
voor de lange rij van hun overhuifde buffelkarren in het gras gehurkt,
ieder bij zijn koopwaar, vruchten meest en groenten uit het gebergte,
en flesschen palmwijn; 's avonds flikkerden hun wachtvuurtjes;
zonderling keken de donkere gezichten op uit den schijn. Maar hier
pas, in hun eigen omgeving, zoo velen bij elkaar, en buiten het
verwarrend vergelijk met de vele andere Oosterlingentypen der stad,
kwam hun eigenlijk wezen goed uit. Niet groot van stuk zijn zij echter
forsch gebouwd, en hun bewegingen bedaard en krachtig. In het gezicht
vertoonen zij tweeërlei type: het eene, het Maleische, dat grof is van
trekken en ommelijn, heeft iets sombers en dreigends; wat komt door een
boven de oogen sterk vooruitspringend voorhoofd. Het andere maakt een
zeer verschillenden indruk; de trekken zijn rechtlijnig, de glanzige
oogen lang en smal, de mond welgevormd, het gezicht ovaal. Er is
verwantschap tusschen dit type van Batak en de Britsch-Indiërs, die men
in Medan ziet. Inderdaad wordt een immigratie uit vastelandsch Indië,
als voor eeuwen plaats gehad hebbende, door ethnografen aangenomen. De
weg naar de Hoogvlakte loopt langs het Batakdorp Sibolangit; wij gingen
het bezien. De wijze van binnenkomst was over eenige steenen en een
bamboe omheining heen. Weg of pad was er niet te bekennen. De huizen
stonden her en der, elk op zichzelf. Wonderlijke huizen! en mooi! Aan
niets doen zij zoozeer denken als aan sierlijke schepen. De wanden,
van planken, als die van een schip, staan, evenals scheepswanden,
schuins naar buiten. Men peinst, verbaasd, over de reden die de
menschen tot zulk een bouw gebracht mag hebben. Half verwacht men
dat het huis, als een schip, zal beginnen te slingeren in den wind;
en men gaat denken aan verschrikkelijk geweld van zee en storm, iets
als de zeebeving van Krakatau bijvoorbeeld, die een heele vloot van
visschersschepen omhoog geslingerd en op het gebergte weer neergeworpen
heeft; daar zijn dan de scheepsrompen tot huizen verbouwd....

Die lage, schuins-uitgebouwde huizen staan op palen, een voet of
vijf boven den grond; en onder een geweldig hoog dak, waaronder zij,
als verloren, schuil gaan. (Zóo gaat een schip schuil onder de wijdte
en hoogte van zijn volle zeilen.) De nok van dat bovenmatig hooge,
steile dak, is versierd met gehoornde buffelkoppen, die bukken tegen
een onzichtbaren vijand: de storm, de bliksem en de donder zijn het,
die zij dus dreigend afweren. Onder dat toornige en het donker van
het met riet en zwarte palmvezel gedekte dak, staat vroolijk het
driekant van den gevel vol aardige kleuren, in een sierlijk patroon
beschilderd. De lage wanden van het huis zijn ook versierd. Ten
eerste met het zwartige vlechtsel van arenvezel-touw, dat de planken,
in een gleuf gevoegd, bijeenhoudt--want de Batak, als elke Maleier,
spijkert niet, maar bindt zijn huis in elkaar. Door de wijze waarop
dat touw door de reten wordt geregen ontstaat de teekening van twee
paren reusachtige hagedissenkoppen (een kop en pooten aan elk einde
van het lange lijf) naar voor- en achtergevel van het huis gericht. Een
tweede ornament is een geschilderde rand van rankend gebladerte, dat,
onder de hagedissen, langs den wand loopt. Zóó, tegelijk imposant en
vroolijk, half paalwoning, half schip, donker van dak en bont van
gevel, staat het wonderlijk-mooie huis van den Batak, de heemstede
elk van acht gezinnen. De bewoners zien er stemmiger uit. Mannen en
vrouwen dragen kleederen van één kleur, indigo-blauw; hier en daar
enkel loopt een randje van wat lichter blauw, soms een simpel motiefje,
door inbinden van de nog ongeverfde stof verkregen, een rij ovaaltjes,
die op snoeren kralen lijken, zoo bij den eersten oogopslag. Een enkele
heeft aan het korte jak wat versiersel van gestikte figuren, kleur op
kleur. De indruk is wat somber en eentonig voor oogen, gewend aan de
kleurige kleedij van Java en vooral, het prachtige Bali. Maar niettemin
staat al dat blauw van kleeren en bruin van huid mooi bij elkaar. De
kinderen fleuren het op met een menigte sieraden, die zij om hals en
polsen, op de borst en langs het gezicht dragen: zilveren armbanden,
kettingen van groote zilveren muntstukken (Straitsdollars en oude
Spaansche matten vooral), gouden bellen en bolletjes, allerlei fijn
sieraad aan dunne snoertjes, dat, boven aan de oorschelp vastgemaakt,
langs hun wangen bengelt. De vrouwen tooien zich met een eigenaardig
gevouwen hoofddoek, die als een breede rol boven het voorhoofd ligt
en een langen, gewrongen, horizontaal uitstaanden kegel vormt tegen
het achterhoofd aan. Aan weerszijden blinken daar hand-lange zilveren
ornamenten in lier-vorm tegen, dubbele, van elkander afgewende spiralen
aan langen stengel; het linksche ornament naar voren, het rechtsche
naar achteren gericht. Deze "oorijzers" en de blauwe kegel-kap, die
zij in fatsoen houden, vormen een even schilderachtigen als vreemden
hoofdtooi. Alleen geeft het den Westerling een pijnlijk gevoel te zien,
hoe de zware zilveren stengel boven door de oorschelp der vrouwen
heengaat. Het sieraad zit wel vast in den hoofddoek, maar wordt toch
door het oor ook vastgehouden. En, naar ik hoor, gebeurt het vaak,
dat bij het gebukte werken op den akker, zulk een ornament losschiet,
en de oorschelp doorscheurt.

Vrijmoedig als de Bataks gelukkig nog zijn, kwamen mannen, vrouwen
en kinderen op ons toe, vroegen van waar en waarheen en wat wij
kwamen doen, en boden ons een dronk aan: het zoete water uit eenige
klappernoten, die een jongen rap uit den boom ging halen.

Zij zagen er welvarend en weltevreden uit, goed-hartig ook,
niettegenstaande het donkerende van dat over de oogen uitspringende
en licht-fronsende voorhoofd. En de kleine kinders, dik-gebuikt
en piep-smerig, waren allerliefst. Door kippen, honden en horden
pikzwarte varkens heen brachten zij ons naar de plek, waar de omheining
overgeklommen kon worden. En wij kregen een vriendschappelijken groet
mede op de weer voortspoedende reis naar de hoogvlakte. Een goed uur
later hadden wij haar bereikt--een gedempt-groene, hemel-wijde rondte
binnen een kring van in verte verflauwende ketens en toppen, waar
boven uit, majestueus, twee bergkolossen rijzen: de harmonisch-aan
stijgende Sinaboen, de schoone kegel, in het Zuidelijke Westen; en
in het Noord-Oost, geweldig met zijn gescheurde toppen en fel-bleeke
zwavel-schacht, de Si-bajak, wiens naam "de Heerscher" beduidt.



Onder de Karo-Bataks


In gezelschap van den besturenden ambtenaar waren wij de nieuwe
leiding bij Payong gaan zien, die aan de menschen en de velden
dezer van droogte verterende streek water toe zal voeren. Een lange
ris vrouwen, den bamboe-schalm op het hoofd, die hier voor emmer,
schepper, kan en vat wordt gebruikt, kwam juist het steile paadje
van het dorp naar de rivier af. Ons ziende, bleven zij staan. "Eh,
zusters, wat zijn dat voor Hollandsche mannen, die met den Toewan
Besar zijn meegekomen?" Eene riep terug: "Dat zijn geen mannen,
maar vrouwen!"--"O, vriendinnen!, hoor Djaroeng, hoe zij spot! Zij
noemt mannen vrouwen!"--"Neen, vaders-zuster, ik spot niet! Die
twee zijn werkelijk Hollandsche vrouwen." Al de vrouwtjes begonnen
te lachen. Wat? Geen sarong noch slendang aan, en geen doek op het
hoofd, maar een witten hoed, zooals de Groote Heer zelf er een droeg,
en op den openbaren weg in zijn gezelschap en in gesprek met hem,
en geen last op het hoofd, noch een kind in de draagsjerp, neen,
geheel en al niets doende, vrij en frank, voor eigen genoegen gaande
naar eigen wil--dat zouden vrouwen wezen? Zelfs de kleine meisjes,
wichtjes van een jaar of vijf, zes, die met een nog kleiner wicht op
den rug zwoegden, moesten er om lachen.

Zoo zeldzaam zijn nog, daar waar de groote weg ophoudt, de aanrakingen
geweest tusschen Hollanders en Bataks.

Er zijn vier stammen van Bataks: de Toba, in de streek rondom het
Toba-meer, die voor de bakermat van het volk geldt; de Timor ten
Oosten, de Pakpak ten Westen van hen; en in het Noorden de Karo,
die voor de meest beschaafden gelden. Onze kritische beschouwsters
bij de waterleiding waren Karo-vrouwen.

Het is een demokratisch-gezind slag. Voor de expeditie van 1904 en de
regeling der toestanden door het gouvernement leefden zij in hun dorpen
onder het gezag van hoofden, die zij zelven kozen en handhaafden zoo
lang het hun goed docht. Het beginsel van erf-opvolging bestond;
maar sterker dan die theorie was de practijk, die eischte,--en
doorzette--dat de best-geschikte hoofd werd. Die geschiktheid bestond
in vaardigheid met de tong en vaardigheid met de vuist. Een radja moest
welbespraakt zijn. Want elk Karo-dorp had altijd door geschillen met
elk ander Karo-dorp, over akkers, over recht van jagen, van visschen,
van houtkappen, van weiden en gras-snijden. En die geschillen werden
in den raad der dorpshoofden besproken en beslecht. Ieder hoofd trad
daar op als advokaat van zijn dorp: het kwam er dus op aan dat hij
een goed advokaat was. Verder werden geschillen, die op die vreedzame
wijs niet bijgelegd konden, uitgevochten met de wapens. Dat gebeurde
veel. Want de uitspraak der hoofden-vergadering was niet bindend;
alleen raad-gevend. Wilde iemand dien raad niet aanvaarden, dan zei hij
het en trok van leer. In het gevecht van dorp tegen dorp, (dat evengoed
particuliere als gemeenschaps-aangelegenheden betreffen kon; want het
was in alle dingen één voor allen en allen voor een bij de Bataks),
was, alweer, de radja de aanvoerder; daarom kwam het er op aan dat hij
een goed soldaat was. Was hij het een en het ander, dan bleven zijn
aanhangers hem trouw, en hij behoefde zich weinig te bekommeren om de
op erf-opvolging gegronde aanspraken van mededingers. Te Kaban-Djahe,
het groote welvarende dorp dat om ligging, zielental en rijkdom door
landbezit en opkomenden handel wel kan gelden als hoofdplaats der
Karo-Bataks, wonen nog twee hoofden, die het echte type van dien tijd
vertoonen, de een vooral vechtersbaas, de andere vooral redenaar; zij
zijn bekend onder de teekenende namen van "de Grove" (Pa M'Belgah)
en "het Lampje" (Pa Palita) mededingers van oudsher, en natuurlijk,
elkanders doodsvijanden. De redetwisten waaruit Het Lampje zegevierend
te voorschijn kwam zijn verwaaid. Maar de sporen van de oorlogen door
den "Grove" uitgevochten zijn menigvuldig in en rondom Kaban-Djahe.

Die oorlogen werden namelijk gevoerd van kleine vestingen en
hinderlagen uit. Elke heuveltop die den omtrek van het vijandige
dorp overheerscht was een vesting. En hinderlagen werden gemaakt
door het graven van een kuil in den ruig-bewassen grond, waarin een
man zich staande kon verbergen, tot aan de oogen toe: hij zag en
werd niet gezien: wie er aankwam dien schoot hij in de beenen. Er
vielen niet vele dooden bij die "oorlogen," het was veel geschreeuw
en weinig wonden. Maar de schade aan veld en vee toegebracht was
dikwijls belangrijk. En altijd bestond de kans dat de Atjehers er bij
kwamen, wanneer het met zulke schade niet afliep. De Atjehers waren de
"condottieri" der Bataks: zij vochten voor eigen voordeel in anderer
zaak. Zij kwamen hun hulp aanbieden tegen betaling. De Karo's waren
van die hulp dikwijls gansch niet gediend; maar namen aan, tegen heug
en meug, omdat ze niet anders durfden. De Atjehers waren vechtersbazen,
hun klewangs sneden vleesch. En als ze de overwinning hadden bevochten
betaalden zij zichzelven onpartijdiglijk uit het bezit van bondgenoot
en vijand beide. Zoo was het een toestand van voortdurende onrust,
van voortdurend gevaar waarin de Bataks leefden. Dat is misschien
wel de reden waarom zij zich zoo weinig verzet hebben tegen de
annexatie. Terwijl zij bukten voor de macht van den sterkere,
begrepen zij dat zulk bukken hun voordeel zou kunnen aanbrengen. Het
waren maar enkele dorpen die zich ernstig verweerden. Van de meesten
kwamen de hoofden hun onderwerping aanbieden, na niet veel meer dan
een schijn van verzet. Eéne voorwaarde echter stelden zij allen,
zonder uitzondering, en met den meesten nadruk: de grond moest hun
eigendom blijven, dat zonder hun wil niet vervreemd kon worden. Zij
wilden geen toestanden als in het benedenland, waar de sultans het land
verkochten aan de planters. Toen zij die toezegging ontvangen hadden
legden zij zich zonder meer bij de nieuwe toestanden neer. Zij schijnen
er tevreden onder, nu. Waarschijnlijk is het betalen der belasting op
den duur nog voordeeliger dan de kwade kansen van het oorlogje voeren
[22]. En van de heerendiensten zien zij het resultaat in goede wegen,
toenemend vervoer en volle markten.

In het begin, trouwens, trachtten zij daar hun vrouwen voor
te spannen. De vrouw van den Batak is nu eenmaal zijn werk- en
last-dier. Dáárvoor heeft hij haar van haar vader gekocht. En als zij
zijn veldarbeid deed, waarom dan niet zijn arbeid in heerendienst? Bij
dozijnen stonden de vrouwen te graven, te houwen en te hakken aan
den weg. Het werd verboden. Dat gaf een rumoer! En niet, als een
Westerling denken zou, onder de mannen alleen, neen, de vrouwen
waren het die het luidst protesteerden. Huilend kwamen zij op het
kantoor van den ambtenaar. "Ach Groote Heer, heb medelijden! Ach, ach,
mijn arme man! Och, och, mijn lieve zoontje! Hij moet werken! werken
met een spade! Wij bidden den Grooten Heer, dat wij het mogen doen,
zooals het toch de plicht is van ons vrouwen!"--Zij hebben de bakens
verzet sedert. Nu kan men ze zien komen: "Mijnheer, wilt u zoo goed
zijn en mijn man eens manieren leeren? Hij wil zijn werk niet doen!"

Het eigenlijke werk van den Batak is de akkerbouw. Dat gaat op tamelijk
primitieve wijze. Er is op de Hoogvlakte weinig, men mag wel zeggen
géén bevloeid land, en even weinig water. De smalle beken loopen door
beddingen, diep ingesleten in den lossen tuf-grond. Van de heuvels
af gezien lijken het ravijnen, wat donkerder groen van struikgewas en
geboomte tusschen het lichte groen van den alang-alang. Er is weinig
plaats voor den sawah-bouw van Javanen en Baliërs. De Batak bouwt op
drogen grond. In eeuwenlangen roofbouw heeft hij den bodem uitgeput,
zoodat bemesting noodzakelijk is geworden. Waar dat wordt ingezien,
is een schrede vooruit gedaan op den goeden weg. Daar ziet men over
het geheel meer arbeid en zorg besteden aan den grond, en ook beter
gereedschap: den ploeg bijvoorbeeld. Maar als hij er kans toe ziet,
bespaart de Batak zich die inspanning en maakt een rijstakker door
een veld alang-alang of een met struweel begroeide helling in brand te
steken. Eenige jaren achtereen geeft de grond hem dan vanzelf vrucht
genoeg. Dien bodem ploegt hij ook niet met een kouter. De vrouwen gaan
er heen, een heele schaar, van twaalf tot twintig. Op een rij staande,
stooten zij aangepunte staven in den grond, bewegen die tweemaal heen
en weer, en wrikken, alle tegelijk. Groote schollen aarde worden zoo
opgelicht en gekeerd. Daarmee is dan de akker voldoende bewerkt. Het is
een zonderling gezicht, zulk een rij den grond "omstekende" vrouwen;
met hun lange staken lijken zij lans-draagsters, zich oefenend in
een spiegel-gevecht.

De roekelooze wijze van roof-bouwen door het verbranden van gras
en struikgewas, die den bodem op zichzelf verarmt--immers de hitte
doodt de micro-organismen die hem vruchtbaar maken,--bedreigt ook
nog den woudrijkdom, of althans wat van den vroegeren woudrijkdom
is overgebleven, der streek. Zoodat toestanden te vreezen zijn als
waaronder tegenwoordig Italië lijdt--vermindering van regenval, en,
bij het neerkomen van buien, wegspoelen der teelaarde door de nergens
tegengehouden waterstroomen. Dit, om nog te zwijgen van het gebrek
aan timmer- en aan brandhout. Maar de Batak is, als in het algemeen
de natuur-mensch, zorgeloos. En zelfs strenge straffen helpen maar
weinig tegen een kwaad dat zijn gemak dient.

De rijst op droge gronden groeiend eischt de zorgen niet die de
in moerasbed geteelde behoeft. Zij kan aan zichzelve overgelaten
tot den tijd van rijp worden. Dan komen wakers om de rijstdiefjes
te verjagen. En over het veld wordt een net van touwen gespannen,
dat door een enkelen ruk van het wachthuisje uit, in beweging kan
gebracht. Bonte lappen fladderen er aan; bamboe-schalmen geven
klappend en fluitend geluid, de boer loopt er langs en schreeuwt
vervaarlijk. Het ligt niet aan het rumoer, wanneer de rijstdiefjes
niet, verschrikt, zéer verre blijven.

Het oogsten is voor het heele dorp het groote feest van het
jaar. Daarvan blijft niemand weg. En de scholen laten de kinders vrij
om te gaan helpen.

De korrels worden, op den akker zelf, uit de aar gedreven, doordat
de oogsters ze met de voeten treden. Dan scheppen de vrouwen alles in
een vlakke mand die zij op het hoofd tillen: gaan in den wind staan,
en laten, vooroverbuigend, korrels, kaf, onkruid, aarde, alles in
een langzamen scheut ter aarde vallen. De wind die er door blaast,
voert den lichten afval mee; en de korrels vallen op een hoop.

In den avond komt men de vrouwen tegen met gevlochten zakken vol
rijst op het hoofd. Het stampen in het gemeenschappelijk blok is de
voltooiing van den arbeid.

Er kan rijst genoeg groeien in de Karo-streek om de bevolking te voeden
en nog een zekere hoeveelheid te exporteeren ook. Maar daarvoor zouden
andere methodes noodig wezen, en vooral, beter gereedschap. Dat echter
zal de Westerling er moeten brengen.

Hoewel nog altijd in de eerste plaats landbouwer, begint, sedert
er wegen door zijn land zijn aangelegd, de Batakker al meer en
meer handelsman te worden. Op den grooten weg, dien de vereende
arbeid van planters, gouvernement en zelfbestuur heeft aangelegd
van Medan naar de Hoogvlakte, gaan dag en nacht de Bataksche karren
heen en weer, die rijst, groenten, aardappels en vruchten naar Medan
brengen en van de stad terugkomen met petroleum, gedroogde visch,
geweven goederen en allerlei steedsche waar, vroeger onbekend
in de Batak-dorpen en tegenwoordig dagelijks gebruikt. Lucifers,
bijvoorbeeld. De ouderwetsche manier was (evenals bij ons) vuur
slaan met een vuursteen en een stukje metaal, en de vonk opvangen in
een soort tondel. Op de markt van Kaban Djahe heb ik een oud wijfje
vinden zitten, dat kleingeklopte vuursteenen te koop had en gezien
hoe klanten die kochten en zorgvuldig wegborgen in de lange lederen
rol met een zilveren ketting omsnoerd, waarin een Batak al zulk klein
gerief bij elkaar houdt; en den zilversmid van het dorp heb ik met
zulk een vuursteen en tondeldoos den houtskool-oven zien aanmaken,
waarin hij zilver ging smelten. Maar het jonge volk weet daar niet
meer van: het gebruikt lucifers. Op diezelfde markt, die "tiga,"
van gepraat zoemende als een bijenkorf, zoodat men haar hoorde
nog eer men haar zag, verborgen als zij lag binnen een kring van
uitgespannen karren, waaromheen de room-witte, bultige Bengaalsche
trekossen het wreede gras liepen af te weiden, her en der, tusschen
kittige Batak-hitjes in,--op diezelfde "tiga," waar het oude wijfje
zat met haar klein-geklopte vuursteenen, had een jonge Batak een heele
uitstalling van lucifersdoosjes, smaakvol geschikt tusschen pakjes
sigaretten in. De lucifers kwamen uit Japan. Daar had men den ouden
en den allernieuwsten tijd vlak naast elkander.

Met vele andere Bataksche dingen gaat dat als met de lucifers en de
vuursteenen. Het oude handhaaft zich nog, maar het nieuwe wordt met
den dag sterker. Daar gaan, over de heuvels, de oude "Batakpaadjes,"
de zonderlinge weggetjes die soms een heelen voet diep in den grond
zijn ingesleten, zoodat men er in loopt als met geboeide enkels: langs
die paadjes houdt het oude zijn oude sleur. Maar reeds komen er aan,
en aldoor komen zij dichter bij, en reeds is hun gang aangewezen,
de diepten van het binnenland in, reeds komen er aan de groote
wegen, breed dat karren er op rijden kunnen, en verhard, sommige,
tegen wegsleurend geweld van regenbuien: en langs die wegen houdt het
nieuwe zijn intrek. Men zou, met de oogen op den grond, kunnen zeggen,
wat van de twee in een streek te vinden is. Wel te verstaan, doen niet
alle groote wegen zoo goeden dienst: die van Koeala naar Koeta Tani,
die tegen het advies in van de meeste ambtenaren der streek door
de regeering is doorgezet, en wel ten koste van twaalf ton, loopt
door een verlaten streek, ten gerieve van heen en weer marcheerende
soldaten alleen. Maar daarentegen zal er nu een gemaakt worden, die de
Bataklanden, door den Medanschen weg reeds met de Oostkust verbonden,
ook met de Westkust verbindt. Van Pamatang Si Antar, het opkomende
cultuur-centrum in het land der Timor-Bataks (waarheen van Medan uit
een spoorlijn geprojecteerd is), zal die weg gaan, in aansluiting
bij een reeds bestaanden, maar die noodig verbeterd moet worden,
door Z.O. Tapanoeli, naar Balige, aan den zuidelijken oever van het
Toba-Meer, en vandaar dwars over het gebergte en door het land der
Toba-Bataks naar Siboga. Daarmee zal dan het geheele cultuurgebied in
Noord-Sumatra één geworden zijn, en de stroom van handel en verkeer
langs vrije banen kunnen vloeien.

Wat de toch nog zoozeer gestremde en belemmerde beweging tot nu
toe al gedaan heeft, merkt men aan kleine dingen en aan groote
beide. De Bataks hebben van Westersche instellingen er dadelijk
vier overgenomen, met ware geestdrift: lucifers, parapluies,
naaimachines en de gramofoon. Men komt geen Batak op reis tegen,
hetzij man of vrouw, anders dan met een parapluie op het hoofd
gedragen--zoo'n echte dikke "besteedster." Op elke tiga zit de
"toekang mesjien," de reizende kleermaker, die met een Wheeler en
Wilson op het hoofd van de eene tiga naar de andere wandelt, overal
met ongeduld verbeid, en been-kruiselings zich neerzet in de schaduw
van een uitgespannen ossenkar om badjoes en broeken in elkaar te
flansen en om de blauwe jakjes van Bataksche nufjes te versieren
met rijen lichtblauw stiksel. Wat de gramofoon aangaat, die is in de
Doesoen (de "kolonie" eigenlijk, dorpen, van het centrale Batakgebied
uit gesticht in het lagere land), in de Doesoen geloof ik, meer in
gebruik dan op de eigenlijke hoogvlakte: de Doesoen-Bataks zijn in
alle opzichten meer ge-europeaniseerd dan de bergmenschen, doordat
zij meer met Westerlingen in aanraking komen. Maar te Medan kan men
de Bataksche handelaars van "boven" in getale zich zien verdringen
rondom de open deur waaruit een gramofoon zingt, lacht, praat en
schreeuwt. Hoe meer geweld hoe mooier! Vuur; beschutting tegen den
regen; sieraad; luidruchtige vroolijkheid: dat hebben de Bataks om
te beginnen gekozen uit de mars van den grooten kramer: Europa.

De Doesoen-Bataks ook al betere dingen: bijvoorbeeld betere ideeën
omtrent schoonheid en hygiëne. De Bataksche adat eischt, evenals de
Javaansche, het afvijlen van de tanden: volgens Kruyt (Het Animisme in
den Indischen Archipel) een uiting van het algemeen onder animistische
volkeren verbreide idee, dat de geesten der afgestorvenen afgunstig
zijn op de levenden, om dat groote geluk van het leven, dat zij
moeten missen; en dat hun afgunst gepaaid moet worden met het ten
offer brengen van kleine gedeelten van de levende persoonlijkheid;
weshalve ook de overblijvende tandstompjes zwart gemaakt moesten
worden om ze aan de naijverige geestenblikken te onttrekken en
den mond geheel tandeloos te doen schijnen. Dat afvijlen van de
tanden is een barbaarsche proceduur, gruwelijk pijnlijk, hoewel de
gepijnigden, meisjes zoowel als jongens, er een eer in stellen,
de urenlange marteling te verdragen zonder een kik te geven. En
de ergste ontstekingen en ziekten in de van het beschermende email
ontbloote tanden zijn er natuurlijk het gevolg van. Onder den invloed
der gaaftandige Westerlingen beginnen nu de Doesoen-Bataks te breken
met dien adat. Een gaaf en blank gebit, vroeger voor "honden-tanden"
gescholden, vindt nu al zijn bewonderaars onder jonkvolk.

Veel is op dit punt van hygiëne te danken aan de zending, die
onvermoeid is in den strijd tegen vooroordeel en vuiligheid. Er
is wat te doen, op dat gebied, onder de Bataks! Hun dorpen zijn
ware broeinesten van besmettelijke ziekten: cholera, typhus,
pokken, allerlei walgelijke uitslag, lepra zelfs en nog andere
verminkende kwalen. Elk huis staat om zoo te zeggen boven zijn
eigen mesthoop. Dat dat niet zoozeer in het oog valt, is alleen te
danken aan de varkens. De gevolgen kan men zich voorstellen. Veel
is er al verbeterd sedert de vaccinatie is ingevoerd, wat in 1894
in de Doesoen, 1904 pas op de Hoogvlakte gebeurde. De Batak, die
zeer gesteld is op een gave, gladde huid, en de pokkenlitteekens
verafschuwt, greep het middel tegen de gevreesde ziekte aan. Maar
op andere punten is hij niet zoo licht te overtuigen geweest. En
van wat te dien opzichte is verbeterd, komt de eer grootendeels toe
aan de zending. Een zendingshuis hier is een kliniek, een apotheek,
een consultatie-kamer. Tweemaal dagelijks zag ik te Kaban Djahe de
zieken daarheen gaan. Zij kwamen met klachten, kwalen en wonden, en
gingen getroost en geholpen weer heen. De zending heeft ook een asyl
opgericht voor de leprozen; zonder tegenstand laten de ongelukkigen
zich daarheen brengen. Op dat punt is de Hoogvlakte er beter aan toe
dan Medan, waar de leprozen in al hun afzichtelijke verderfelijkheid
vrij door de straten loopen. Het gouvernement geeft hierin de
zending steun--en niet zonder dwingende noodzaak: want behalve dat de
sterke arm der politie nu en dan toch en terdege noodig is om orde
te houden onder de melaatschen, is ook de geldbuidel van den staat
noodig om aan hun onderhoud tegemoet te komen. De familie der lijders
namelijk laat hen gewoonlijk aan hun lot over: het eerste medelijden,
dat dringt tot het brengen van eten aan den balling uit het gezin,
verflauwt nog al spoedig. Medelijdend zijn de Bataks nu eenmaal niet,
of, althans, niet lang achtereen. Als een moeder bij de geboorte van
haar kind sterft (het gebeurt nog al eens) begraven zij doode moeder
en levend kind te zamen. Een zendelingsvrouw, die ik leerde kennen,
redde een paar van de kleine slachtoffers, verhongerd en half-dood al,
en koesterde ze weer gezond. Toen dat bekend was geworden, brachten de
Bataks haar van links en rechts moederlooze kinders in huis. De eigen
families schoven den last bedaard van zich af. Vlak daartegenover
staat de hulpvaardigheid, die Bataks elkander in het algemeen
bewijzen, en ook de hooge eer waarin zij het moederschap houden,
en hun wensch naar kinder-rijkdom, die tot uiting komt in allerlei
al lang tot vaste gezegden en gemeenplaatsen geworden heilwenschen
bij elk huwelijk gedaan, en in het stereotype slot van oude verhalen:
zij leefden gelukkig en hadden zeer vele kinderen. Er zijn wel meer
van die tegenstellingen in het Batak-karakter, moeilijk te begrijpen
voor den vreemdeling: de verslagen van het Zendinggenootschap bewaren
voorbeelden bij menigte ervan, zooals zij trouwens over het geheel
een rijke bron van kennis zijn voor het zedelijk en verstandelijk
zoowel als voor het stoffelijk leven van dit volk.

De zending, die sedert 1890 onder de Doesoen Bataks en sedert 1905
op de Hoogvlakte werkt, heeft ook het onderwijs in de hand genomen
en wordt daarbij door de regeering met groote subsidies gesteund. De
bewondering, die de zelfopofferende arbeid der zendelingen voor het
lichamelijk welzijn der Bataks en voor wat zij het geestelijk heil
van dit volk achten, van elken onpartijdige vergt, behoeft hem niet
te dwingen tot medegaan met hun en der regeering gedragslijn op het
gebied van het onderwijs. Het onderwijs is voor de zending, uit den
aard der zaak, een middel om het christendom ingang te doen vinden:
niets minder, maar ook niets meer. Daardoor wordt het van het doel
op zichzelf, dat het behoort te zijn, een middel en van hoofdzaak
een bijzaak. Bij dit principieele bezwaar komt nog een practisch,
op zichzelf al voldoende, om de beste bedoelingen en de ijverigste
pogingen te verijdelen: gebrek aan onderwijzers. De zending is
begonnen met zooveel mogelijk scholen te bouwen, en in die scholen,
waarvoor zij geen onderwijzers had, als schoolmeesters inlanders te
plaatsen die zoowat konden lezen, schrijven en rekenen. In het beste
geval waren het kweekelingen uit de zendingsschool in de Minahasa. De
onvoldoende getallen werden aangevuld zoo goed en zoo kwaad als het
ging. Gewoonlijk ging het kwaad. Waar zouden opeens de leerkrachten
vandaan gekomen zijn? Als er dus een getal van 46 scholen met een
bevolking van 3677 leerlingen genoemd wordt in officieele verslagen,
zijn het geen "scholen" noch "leerlingen" in den zin dien men gewoon
is aan die woorden te hechten. De zending inspecteert haar scholen en
de inspecteerende ambtenaar van het inlandsche onderwijs heeft het
oppertoezicht. De ambtenaar, onder wien de Hoogvlakte ressorteert,
heeft ongeveer honderd gouvernementsscholen op ver uiteen gelegen
plaatsen te inspecteeren; en van andere, waaronder die der Bataksche
zending, ongeveer zeshonderd, eveneens her en der verspreid. De
zendelingen op de Hoogvlakte zijn met hun drieën (een vierde,
die hulp-onderwijzer is, heeft voor uitsluitend werk de vorming
van inlandsche onderwijzers aan een nieuw opgerichte kweekschool)
en hebben met hun drieën de zorg voor een bevolking van 130.000
zielen. Uit die getallen make men zich een voorstelling van den
toestand; dan zal men er niet verbaasd over staan dat bij een
examen voor de locale schoolcommissie van uit de zendingsscholen
voortgekomen aspirant-onderwijzers werk te voorschijn komt, o.a. in
sommetjes--optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en deelen met heele
getallen,--dat niet anders bewijst dan de eigen, dringende behoefte aan
onderwijs van het overgroote meerendeel dier onderwijzers-in-hope. Er
bestaat nu een kweekschool. De jongens die daar komen, leerlingen
van de zendingsschooltjes, hebben na het verlaten van die scholen
een paar jaar in den kampong rondgeloopen (hun ouders en zijzelven
verkiezen dat zoo) en moeten weer van voren af aan beginnen. Aan het
hoofd van de school staat een Hollander, een zendeling, die de akte
van hulponderwijzer heeft. Die hulponderwijzer is de eenige, zegge de
eenige, Hollander in die geheele menigte van "onderwijzers," zijnde en
wordende. Bij zulke toestanden vermogen persoonlijke eigenschappen,
ook de voortreffelijkste en zeldzaamste, maar weinig. Tenzij de
regeering met der regeering krachten doe wat der regeering is, zal
van de beschaving, die in den vorm van onderwijs van Nederland uit
moet gaan, aan den Batak niet veel ten goede komen.



Westkust van Sumatra


In enkele uren draagt de langs een tandradbaan klimmende trein den
reiziger uit het witte en het zwarte stof van Emmahaven naar Fort
de Kock. De spoor dient voor het vervoer van de Ombilinsteenkool,
waarvan datzelfde zwarte stof afkomstig is, en dat merkt men
zoowel aan den buitengewoon lagen prijs van het vervoer (het
personenvervoer is immers maar een bijzaak naast de hoofdzaak, het
steenkolenvervoer) als aan het schrikkelijke stuiven en warrelen
van scherp steenkolenstof in de wagens en aan de wolken stinkenden
en verstikkenden rook. De onaangenaamheden zijn trouwens gering in
vergelijking met de onberekenbare voordeelen die de steenkool de streek
heeft aangebracht. En verder is de reis zoo mooi, dat men al spoedig
aan niet anders dan aan genieten en bewonderen meer denkt. Door aldoor
stijgend landschap gaat de weg, in lange slingeringen. De kloof der
Anei gaat open. Achter trage golvingen van den grond rijzen heuvels
op, dan berghellingen, donker oerwoud, waarvan schuimwit, de beken
met wervelende watervalletjes afstorten in de onstuimige rivier,
grijs-blauw als een alpenstroom wanneer de sneeuw smelt. Al koeler
waait de wind den uitkijkende in het gezicht. De Inlanders die aan
de stopplaatsen langs de lijn wachten, de jonge meisjes vooral,
hebben een roodachtigen schijn door het bruin der wangen spelen.

Fort de Kock ligt binnen een krans van bergen, Merapi, Singalang,
Sago, Ophir, en de tallooze lagere kruinen en deinende heuvelklingen,
die groen en bruin golven tusschen het blinkende blauw dier steile
toppen. De frischheid van de bergen ligt als een waas over alle
dingen in het stadje. Er is overal geruisch en geklok van water,
een glans van natte rijstvelden in diepte van golvige dalletjes, heel
licht groen op de hellingen, een koele lucht, een reuk van bloemen,
die rijk bedauwd in de zon staan. Alle tuinen zijn vol rozen. Zelfs
zoo maar in het wild langs veldweggetjes en tusschen hagen bloeien
licht-roode maandrozen. En scheiding tusschen landstraat en erven
maakt niet een gemetseld muurtje of houten heining, maar het dichtste
gewas van breedbladige heesters, overschitterd van goud-geel gebloemte.

Op zijn aardigst is Fort de Kock 's Zondags, wanneer het pasar is. De
straat loopt omhoog naar het wijde marktplein, geleidelijk eerst,
dan, steil, als een heel breede trap, zooals men in Italiaansche
stadjes wel ziet. Van de hoogte af, waar men staat als aan den rand
van een recht-afvallend ravijn, ziet men uit de lage verte van den
weg, wit blinkend tusschen het groen van boomrijen, het pasarvolk
er aankomen, stuwend als een langzame bonte rivier. Boven het vlak
der voetgangers steken hotsende karbouwenkarren op. Aan den voet van
de steilte verdeelt zich de stroom. De hotsende karren, achter de
breede grauwe buffelbeesten aan, stuwen, nòg langzamer, tegen den
traag-stijgenden weg op, die langs het aardige park tegenover het
residentie-erf buigt, overschaduwd door een reusachtig-spreidende
groep waringins. De voetgangers beklimmen de breede trap. Aan den
kant, in de waringin-schaduw, staan de eerste stalletjes. Daar begint
al het markten, het gonzende gebabbel, het toonen en bekijken. De
helder gekleurde baadjes van de vrouwen, waar de slendangs en de op
een bijzonder sierlijke wijze gevouwen hoofddoeken in afstekende
tinten tegen uitblinken, maken den zonneschijn bont. Op het wijde
plein, waar de markt gehouden wordt, heeft het bestuur enkele jaren
geleden loodsen laten bouwen; sedert is het verkeer zóó toegenomen, dat
jaarlijks f 20.000 aan pacht voor verkoopplaatsen in de negari-kas komt
en het getal pasar-bezoekers op drukke dagen tot 40.000 stijgt. Men
krijgt een goeden indruk van de welvaart der bevolking en van haar
nijverheid en handelsgeest hier. De menschen zijn, over het algemeen,
goed gekleed. Niet mooi, wel is waar; vooral jonge vrouwen en alle
aankomende meisjes loopen in een soort vormloos, om den hals als een
zak dichtgehaald hemd met lange mouwen: en de eigenlijke landsdracht,
door die onbeholpen nabootsing van slechte Westersche modellen al
meer en meer verdrongen, de lange kabaja, die, aan den hals ondiep
ingespleten, over het hoofd heen wordt aangetrokken, en tot over
de knieën afhangt, is al evenmin sierlijk, al helpt hier de bonte,
aardig gedrapeerde slendang, en de hoofddoek, geplooid op een heel
eigenaardige en sierlijke wijze, die, wonderlijk genoeg, herinnert
aan den hoofdtooi van de vrouwen op sommige vroeg-Italiaansche
schilderijen. Maar zoo al niet bevallig, wèl goed verzorgd, zindelijk
en frisch van kleur is over het algemeen de kleedij van de vrouwen,
die daarenboven nog vermooid wordt door allerlei gouden en zilveren
sieraad. De dracht van de mannen is, als overal buiten Java en Bali,
leelijk en karakterloos. Maar dat zij, even goed als de vrouwen, een
geheel anderen tooi kennen voor feestdagen, en wat meer beteekent,
dat het volk het geld heeft om zich dien tooi aan te schaffen, ziet men
in de kraampjes van Silindoengsche weefsels en sarongs uit Atjeh. Dat
is allerprachtigst goed, het eene geheel doorschijnend, het andere
stijf en hard van dichtheid, zijde alle twee en doorweven met goud-
en zilverdraad. Een Siloengkangsche sluier kost een tien tot vijftien
gulden, een sarong uit Atjeh van vijf en twintig tot tachtig. Men ziet
hier ook waar het geld vandaan komt, dat tegen zulke kostbare dingen
opweegt; ten minste, waar het voor een groot deel vandaan komt; van
den handel, dien het volk in eigen handen heeft. Op dezen geheelen
vollen pasar, waar naast de voortbrengselen van het vruchtbare land,
import uit Europa, Amerika, Britsch-Indië, Siam, China en Japan te koop
ligt, is niet één vreemde koopman, Chinees noch Arabier te zien. Op
Java hebben die het heft in handen, de Chinees die zijn winkels
en werkplaatsen over het heele eiland heeft staan, de Arabier die
rondgaat met het linnen geldzakje over den schouder, waar de Javaan
zoo weinig uithaalt en zooveel in terug brengt. Op Borneo zijn het
Chineesche stoomertjes, die de Barito bevaren om boschproduct. Zelfs
op de Bataksche hoogvlakte zijn het Chineezen, die den opkoop van
vruchten, groenten, eieren en kippen georganiseerd hebben voor de
markt te Medan en den zorgeloozen Batak, behalve de moeite ook de
winst afnemen. De Minangkabauer echter doet zijn eigen zaken zelf af.

Rondom Fort de Kock ligt een krans van welvarende dorpen, daar kan
men zien hoe dit volk zijn huizen bouwt. Het verval in stijl en goeden
smaak, dat een onafscheidelijke schaduwzijde is van de hier en nu nieuw
groeiende dingen, doet zich ook hier gevoelen aan haastig saamgeflanste
vierkante bouwsels onder een dak van gegolfd zink. Maar er is toch nog
overvloedig genoeg van inheemschen trant om zulk een dorp een lust
voor de oogen en voor de gedachte te maken. De huizen staan hoog,
dikwijls op palen; een trap, die soms van steen gemetseld is en met
treden en balustrade in sierlijken zwaai zich opricht, klimt naar den
ingang. De deur is versierd met snijwerk, dat in sprekende kleuren
beschilderd is. In overeenstemming met de versiering der deur is de
geheele wand van het houten huis getooid; een breede lijst kleurig
snijwerk loopt beneden langs de ramen; een smallere boven, waarvan
de kleuren en de figuren licht gedempt worden door de schaduw van den
dakrand, en waar, in den wind wuivend, allerlei fijn plantengroeisel
over afhangt, orchideeën en varens, mossen, teer slingergewas, dat in
de dichtgespreide palmvezel van het dak, de zwarte idjoek, zijn behoef
aan voedsel en vochtigheid vindt. Boven al dat bonte van groen, kleur
en soms sober aangebracht verguldsel, rijst het dak donker en hoog, met
een lange nok, gebogen als de halve maan, waarop een tweede, kleinere
nok rust, volgens dezelfde schoone lijn gebogen, zoodat vier slanke,
scherpe spitsen twee aan twee oprijzen tegen de lucht. Aan de huizen
van rijke geslachten--want het huis is onvervreemdbaar familiebezit
hier--is nog een afzonderlijke uitbouw aangebracht in de lengte, van de
vloerbalken tot aan de spits van den gevel zoo kwistig gebeeldhouwd,
beschilderd en verguld, dat het denkbeeld van bouwwerk verdwijnt,
voor dat van een architectonisch kleinood. En de schoonheidszin van
den Minangkabauer heeft met den bouw van zulk een woning nog geen
volle bevrediging gevonden. Neen! nu moet hij ook zijn voorraadschuur
nog bouwen en tooien in denzelfden trant. Dwars door een tuin, die vol
bloemen en bloeiend vruchtgeboomte staat, maakt hij een breed pad naar
den ingang van zijn erf; en aan weerszij daarvan zet hij een kleine
rijstschuur, als een wieg van onder smal en van boven breed, op palen
geheven, met een overhangend dak gedekt, en aan alle vier de wanden,
van beneden tot boven, bont van vroolijk-kleurig ornament. Zulk een
woonstee met den blauwen Indischen hemel er boven, en het welige
groen der gaarde half verbergend, half omlijstend, rondom, iets
mooiers is niet te bedenken. En het genot van den beschouwer wordt
volkomen door de wetenschap, dat die verheugelijke woning een vesting
is en een sterkte, onneembaar voor welken vijandelijken nood ook,
onvervreemdbaar de tijden door, waarin van moeder op dochter, al een
geheele afdalende reeks gezinnen uit hetzelfde geslacht zijn kinderen
heeft grootgebracht, en waarin nu nog ongeborenen zullen opgroeien,
even veilig als eens die eersten, wier trots op het familiebezit in
den rijken tooi van huis en voorraadschuren zijn uiting vond.

Althans, zoo zal het wezen, indien het aloude stelsel ongerept blijft,
dat de Minangkabauer tot nog toe heeft gehandhaafd, zelfs tegen den
geestdrijvenden Islam in, het matriarchale stelsel. Maar zal dat oude
blijven? Het is de vraag. Het heeft nieuwe vijanden gekregen in dezen
allerlaatsten tijd.

Volgens de jongste onderzoekers van de geschiedenis van het
matriarchaat is deze vorm van het gezinsleven, voortgekomen uit de
uitbreiding van den exogamischen huwelijksregel over een geheele
groep van onderling gehuwde stammen verloren gegaan daar waar een
volk van het zwervende jagersleven overging tot landbouwbedrijf en
handel. Toen de man de plaats van kostwinner voor het gezin hernam,
door de vrouw bezet gehouden zoo lang haar arbeid in den landbouw in
het klein meer leeftocht verschafte dan de zijne op de wisselvallige
jacht, hernam hij ook de overmacht, en het patriarchale recht werd
buiten alle vergelijking grooter dan ooit het matriarchale geweest was.

Bij de Minangkabauers is het echter anders gegaan. De landbouw is
hun voornaamste middel van bestaan en het zware werk daarvan wordt
door de mannen verricht. De handel bloeit en is, althans in zijn
belangrijkste onderdeelen, geheel in handen van de mannen. Maar
niettemin heeft onder hen het matriarchale stelsel zich gehandhaafd
tot op den huidigen dag toe.

Zoo als het in den loop der tijden geworden is, werkt het hoofdzakelijk
als een economische bescherming van de familie, vertegenwoordigd in
de eerste plaats door haar vrouwelijke leden.

In de Minangkabausche familie is al het vaste goed, het huis, het
erf, het veld, eigendom van de moeder en erfdeel van de dochters. Ook
hebben zij alléén en uitsluitend het vruchtgebruik daarvan, waarover
zij beschikken naar eigen goeddunken. Echter mag ook de moeder van
dit bezit, dat niet geldt als het afzonderlijk-hare, maar als het
bezit der geheele familie, geen, hoe gering ook, gedeelte verkoopen
of op eenige wijze vervreemden. Alleen in geval van nood, en dan nog
alleen na raadplegen met en met goedkeuring van de geheele familie,
mag het, voor een bepaalden tijd, verpand, wanneer voldoende zekerheid
gegeven wordt, dat het te rechter tijd weer ingelost zal worden.

Op die wijze is het beschermd tegen slecht beheer en verkwisting van
den man niet alleen, maar evengoed tegen slecht beheer en verkwisting
van de vrouw zelve. Raadgever en helper van de gezins-moeder,
vertegenwoordiger van haar en haar gezin naar buiten en verdediger
van hun rechten, is haar oudste broeder. De geheele familie waakt er
voor dat hij zijn plichten vervult en van zijn rechten geen misbruik
maakt. En zijn erfgenamen zijn niet zijn eigen kinderen, maar de
kinderen zijner zuster, wier toeziende voogd (om met een nieuwtijdsch
woord de oude betrekking te noemen) hij levenslang is geweest. Zijn
opvolger, of in het (zeldzame) geval van ontzetting zijn vervanger,
is de in leeftijd op hem volgende broeder, of bij ontstentenis,
naaste mannelijke bloedverwant in de vrouwelijke linie. De echtgenoot,
van zijn kant, staat in dezelfde verhouding tot en vervult dezelfde
plichten jegens zijn eigen, vrouwelijke, familie, als nader hem
aangaande dan het uit zijn huwelijk voortgekomen gezin. Zoo houden de
oudere vormen van verwantschap en huwelijk te midden van de nieuwere
overheerschend stand.

De Minangkabauers hebben bij deze inrichting hunner maatschappij zich
klaarblijkelijk wèl bevonden. Want zij hebben met hand en tand er aan
vastgehouden, de tijden door, tegen alle vreemde invloeden in. En
zoo ijverige Mohammedanen ze zijn, tegenover het Mohammedaansche
patriarchaat hebben zij hun matriarchaat gehandhaafd. Zelfs de
Padris hebben die oude sterkte niet kunnen slechten. Zij staat op
den huidigen dag nog vast. En als men hier, waar trouwen, scheiden
en hertrouwen toch even gemakkelijk gaat als op Java, en ook, als op
Java, het huwelijk polygaam is, niet als op Java, verstooten vrouwen
vindt die bedelen of zich verkoopen en verlaten gezinnen die te gronde
gaan, dan is dat te danken aan het matriarchaat. De Javaansche en de
Minangkabausche familie zijn te vergelijken bij een rijstveld op de
bergen en een rijstveld in het dal. In een mild seizoen staat ook het
van regen afhankelijke bergveld welig en onder de zorg van een goeden
vader gedijt ook het Javaansche gezin. Maar er zijn dorre jaren en er
zijn nalatige vaders. Het rijstveld in de vlakte echter, door leidingen
bevloeid en omringd met dijkjes, groent en bloeit, ook al valt weken
achtereen geen regen, en het Minangkabausche gezin heeft dak, voedsel
en kleedij, ook al is de vader een verkwister of een doeniet.

Dat is de goede kant van het oude stelsel.

Maar er is een andere.

De Europeesche tegenstanders van het matriarchaat beweren dat het de
mannen lui en zorgeloos maakt, omdat zij zich altijd zeker voelen van
een toevlucht in het moederhuis; en onverschillig voor hun kinderen en
voor eigen-gewonnen geld tegelijkertijd omdat zij toch aan die kinderen
dat geld niet kunnen nalaten, maar altijd de gedachte hebben dat zij
werken en sparen voor hun zusters-kinderen. Van Inlanders zal men zulk
een redeneering niet hooren. Zij schijnt ook moeilijk te bewijzen. Een
doe-niet zou niet geduld worden in het moederhuis. De handelsgeest en
ondernemingszin van den Minangkabauer, die den Chinees en zelfs den
Arabier van de markt houdt--en dat niettegenstaande zijn overdreven
vereering van al wat met den Islam samenhangt--bewijst voldoende dat,
integendeel, de uitsluiting van erfelijk bezit middellijk gunstig
op hem heeft gewerkt: een geval te vergelijken bij dat van jongere
zoons uit Engelsche groot-grondbezittersfamilies, die door noodzaak
gedreven, den weg van den arbeid opgaan, en krachten ontwikkelen die
anders waarschijnlijk verschrompeld zouden zijn. Immers, nergens
anders dan in Engeland vindt men afstammelingen van aanzienlijke
geslachten menigvuldig onder de uitbreiders en vermeerders van het
rijk. En wat de onverschilligheid omtrent hun kroost betreft, zij
wordt in gelijke zoo niet hoogere mate gevonden onder de patriarchaal
georganiseerde bevolking van de overige eilanden van den Archipel. De
Minangkabauers met wie ik hierover sprak waren eenparig van oordeel
dat, hier zoowel als ginder, die onverschilligheid een der vele
treurige gevolgen is van het polygame huwelijk, dat het vormen van
een eensgezind gezin belet, en den groei van al de zachte gevoelens
die daaruit ontkiemen. Hun grieven tegen het matriarchaat,--want ook
Inlanders en vooral de vooruitstrevenden onder hen hebben die--hun
grieven waren andere. Zij achten in de eerste plaats de vrouw zelve
benadeeld er door. De "adat," die haar veiligheid verleent, ontneemt
haar vrijheid en de mogelijkheid van zelfstandige ontwikkeling.

Als het kind meisje wordt, sluit men haar op in het moederhuis, en daar
blijft zij, als een gevangene haast, zoo streng bewaakt, tot den dag
van haar huwelijk toe. Zelfs naar den pasar gaat zij niet, noch naar
het veld. Op den akker--dien de vaders en de broeders bebouwen--ziet
men niet anders dan kleine meisjes of oudere vrouwen, het allerlichtste
werk verrichten en den mannen het eten brengen. In het oorspronkelijke
matriarchale stelsel past die opsluiting van de vrouw niet, zoomin
als haar uitsluiting van den veldarbeid, die immers juist haar eigen
en eigenlijk werk was in de allervroegste tijden. Dat moet onder den
invloed van den Islam er in zijn gekomen. Het is te begrijpen dat
het den vrouwen veel kwaad doet. En nog meer, zoo mogelijk, schaadt
hen het vroege huwelijk. Het is geen zeldzaamheid dat een meisje van
twaalf, dertien jaar wordt uitgehuwelijkt. Zij kent haar aanstaanden
man niet, noch hij haar, geen van beider toestemming wordt gevraagd,
de wederzijdsche ouders beslissen en handelen voor hen. Het meisje
krijgt in den regel (in de streek rondom het meer van Singkarah gebeurt
dat niet, naar ik van inlanders hoor) een bruidschat mee. Waar dit de
regel is, houdt men zich zoo stipt daaraan, dat de adat de verplichting
tot het meegeven van den bruidschat heeft gemaakt tot een van de vier
gevallen waarin vaste goederen verpand mogen worden. [23] Het jonge
paar krijgt een vertrek in het moederhuis ter bewoning. Ook getrouwd
blijft dus een vrouw onder de bescherming wel, maar tevens onder het
gezag van haar moederlijke familie, in het bijzonder van het hoofd
dier familie, den oudsten broeder der moeder, den "mamak." Tot een
eigen, zelfstandig familie-leven komt zij nooit. Het gebeurt wel,
dat een man, die een voldoend eigen inkomen heeft, een huis inricht
in de kampong waar zijne vrouw bij hem komt inwonen. Maar ten eerste
is zulk een inkomen een betrekkelijk zeldzaam voorkomend iets, daar
een man verplicht is met het zijne zijn moeder en zusters bij te
staan. En verder is ook onder de Minangkabauers het polygame huwelijk
in zwang. De drie of vier vrouwen van een man wisselen elkander af in
zijn huis. En geen van allen beschouwt het als het hare of wijdt er
eenige de minste zorg aan. Nog liever dan in zulk een schijn-tehuis
zijn zij in de moederlijke woning, onder der moeder gezag en dat van
den "mamak."

Op de jongens werkt het stelsel even ongunstig in den
tegenovergestelden zin: inplaats van dwang bewerkt het voor hen
bandeloosheid. Op zijn tiende jaar al--en soms vroeger nog--gaat
een jongen het moederhuis uit en krijgt zijn plaats in een der
gemeenschappelijke mannen-huizen van het dorp. Hoe hij daar opgroeit
is na te gaan: in het wilde. Lichamelijke verwaarloozing is het minste
nog van de kwaden, waartoe hij, noodzakelijkerwijze, vervalt. Het
wordt ook niet beter als hij opgroeit en trouwt. In het huis van
zijn vrouws familie blijft hij de gast. Rechten heeft hij enkel in
het mannenhuis van zijn eigen familie, in de "soerau."

Dit dan zijn de, inderdaad, ernstige grieven, die ontwikkelde
Minangkabauers hebben tegen het in andere opzichten weer hoog door
hen gewaardeerde matriarchaat.

Het stelsel begint te brokkelen, niet door hun of iemands persoonlijk
toedoen, maar onder de inwerking van veranderende--en in al sneller
tempo veranderende--omstandigheden. De Minangkabauer is buitengewoon
intelligent, hij bezoekt vlijtig en met uitstekend gevolg de
gouvernementsscholen, hij slaagt bij examens, hij wordt ambtenaar,
en het is uit met het leven in de kampong. Hij moet gaan waar zijn
ambt hem roept. Nu kan hij niet langer een min of meer tijdelijke
inwoner zijn in het huis van zijn schoonmoeder. Hij moet een eigen
huis hebben, een eigen gezinsleven is het gevolg; aan welk gevolg weer
een geheele reeks gevolgen hangt. Veelal is het monogame huwelijk
daaronder. Verder laat de oude structuur los op die plekken waar de
behoefte aan gereed geld er aan gewrikt heeft. Het adat-verbod van
verkoop van vaste goederen wordt door hoe langer hoe meer bezitters
in den wind geslagen: het kàn niet gehandhaafd in vele gevallen. Een
nieuwe ontwikkeling is, door denzelfden nood begunstigd, onder de
vrouwen begonnen. Zij gaan naar nieuw-opgerichte industriescholen om
kant te leeren maken, dien zij verkoopen. Verscheidenen al kunnen
lezen en schrijven, zelfs onder de ouderen; de meisjesscholen zijn
vol. Een pionierster van de vrouwenbeweging, de dochter van een
inlandschen onderwijzer aan de kweekschool te Fort de Kock, heeft als
eenig meisje onder al die jonge mannen den cursus afgeloopen en een
buitengewoon goed examen afgelegd. Zij is nu naar Batavia gegaan om
te leeren voor de Nederlandsche hulponderwijzers-acte. De zoon van
denzelfden vooruitstrevend-gezinden voorganger van zijn volk is te
Batavia werkzaam op een handelskantoor en verloofd met een meisje dat
hij in zijn vaders huis heeft leeren kennen, en met wie vrije keuze
hem verbonden houdt. Dat alles zijn dingen die tegen den ouden adat,
zooals hij oorspronkelijk is en zóo als hij onder vreemde invloeden
is geworden, rechtstreeks ingaan. De strijd is begonnen tusschen het
oude en het nieuwe. Men moet hopen, dat de uitkomst het goede ongerept
zal laten dat het oude, terecht, aan vele harten dierbaar maakte,
en eerwaardig.



Nieuwe ontwikkelingen ter Westkust van Sumatra


In een bijzondere mate is de Minangkabauer ontvankelijk voor het
nieuwe, wanneer de deugdelijkheid daarvan hem op overtuigende wijs
wordt aangetoond. De algemeene houding van den Oosterling (bewesten
Suez verandert dat als bekend) tegenover een nieuw denkbeeld is die
van den welgestelden huisbewoner tegenover een inbreker: woedend
verbarricadeert hij alle deuren van zijn verstand. Maar de menschen
van Minangkabau--althans een gestadig toenemend getal onder hen, dat
wel binnenkort de meerderheid zal worden--gaan een nieuw idee tegemoet
als een bezoeker; en gaarne met welkom en eerbewijs. Duidelijker dan
aan iets anders kan men dat zien aan den groei en de uitwerkingen
van de kweekschool voor onderwijzers te Fort-de-Kock.

De instelling heeft al een lange geschiedenis. Meer dan een halve
eeuw is het reeds geleden dat na het houden van een enquête, waarbij
bleek, dat het Inlandsche onderwijs ter Westkust van Sumatra ten
eenenmale onvoldoende was, de regeering overging tot het oprichten
te Fort-de-Kock, van een normaalschool; uit die normaalschool is de
tegenwoordige kweekschool voor Inlandsche onderwijzers voortgekomen.

De normaalschool leverde de resultaten niet op, die men er van had
verwacht. Het lag voor een deel aan het gehalte der leerlingen die,
vrijwel onvoorbereid, van hier en ginder kwamen; voor een deel aan
het gehalte van de onderwijzers. Nieuwe onderwijskrachten als men van
de school had gehoopt, bracht zij niet voort. De leerlingen werden
ambtenaars--klerken, pakhuismeesters, vaccinateurs, opzichters bij de
(toen nog van gouvernementswege gedreven) koffiecultuur. Een hervorming
aan hoofd en leden was noodig. Zij geschiedde in '73. De school werd
uitsluitend bestemd voor opleiding van Inlandsche onderwijzers. Er
kwamen Hollandsche onderwijzers aan het hoofd--een directeur en
tweede onderwijzer, die beide de hoofdacte moesten hebben, een
derde met hulp-acte, en verder deugdelijk geschoolde Inlandsche
onderwijzers; en er werd een ruim program van studie opgemaakt, waarin
de Hollandsche taal plaats had, en verder rekening werd gehouden
met de behoeften van den Inlandschen dorpeling. Dadelijk stroomden
de leerlingen toe: zelfs getrouwde mannen kwamen op de schoolbanken
zitten om van dit heilzame nieuwe hun deel te ontvangen. Het werd
al spoedig noodig de school uit te breiden. Een nieuw gebouw werd
gezet, waarin vijftig inwonende leerlingen ieder een kamer hadden;
daarop een externen-school op hetzelfde terrein, waar de leerlingen
van de hoogste klas der kweekschool onderwijs gaven onder toezicht
van de kweekschool-onderwijzers. Toen kwam de slechte tijd die aan het
onderwijs hier als aan dat door heel Indië erge scha toegebracht. Een
verkeerde zuinigheid beknibbelde op het volstrekt noodige. Van 1884
tot 1904 werd geen Hollandsch onderwezen: het gevolg een periode
van stilstand in de volksontwikkeling. In 1904 echter werd het
onderwijs in het Hollandsch weer ingevoerd, de cursustijd met twee
jaar verlengd, het Europeesch personeel vermeerderd, en gelegenheid
gegeven aan Inlandsche jongelui, die ambtenaar wilden worden,
om deel te nemen aan het onderwijs; dit echter op eigen kosten,
terwijl de aspirant-onderwijzers een toelage van f 10.--(vroeger
was het f 15) van het gouvernement ontvingen. In getale kwamen nu
de aspirant-ambtenaars; in getale, niettegenstaande die vermindering
van de toelage met een vol derde, de aspirant-onderwijzers. Er moest
weer bijgebouwd, tot er plaats was voor omtrent honderd inwonende
leerlingen. En niettemin bleek nog altijd de ruimte onvoldoende. Dat
is nog altijd zoo voortgaande. Ik had gelegenheid het te zien tijdens
mijn verblijf in Fort-de-Kock. De weg voor de kweekschool was van
den vroegen ochtend af druk van aspirant-leerlingen, gekomen voor het
admissie-examen. En gekomen, van wie weet hoever, wie weet hoe! Er ligt
nog maar weinig spoorlijn ter Westkust, de reizen moeten gedaan te
paard, in karretjes, te voet. Het zijn alleen de meest welgestelden,
uitteraard maar een zeer klein deel van al de opkomenden, die de reis
per as betalen kunnen. Ook een paard is voor verreweg de meesten
nog veel te duur. Zij gaan te voet--niet uren ver, maar dag-reizen
ver, door de blakende zon, berg op, berg af, ravijnen neer en op,
rivieren door. Zij eten wat in een blad gekookte rijst, die zij van
huis meegenomen hebben, met wat toespijs misschien, hier en ginder
voor een paar duiten gekocht bij een zoetelaar aan den weg. Zij slapen
in het mannenhuis van het dorp, dat zij bij het vallen van den nacht
nog juist bereikt hebben. Men moet zich dat alles goed voorstellen om
te begrijpen, hoe sterk het verlangen is dat zulke dorpsjongens om
het meerdere weten en het betere bestaan dat zij er kunnen winnen,
drijft naar de "Sekola Radja" te Fort-de-Kock. Er werd me gezegd
dat de bij het examen afgewezenen vaak uitbarsten in snikken. Zulk
een droefheidsuiting is zeer, zeer zeldzaam bij een Inlander. De
teleurstelling moet hem wel in het hart geraakt hebben als hij de
klacht niet weerhouden kan.

De leerlingen komen uit alle gewesten van Sumatra; met de
Minangkabauers vermengen zich Bataks van de Hoogvlakte, uit de
Doesoens, uit de streek rondom het Toba-meer; bewoners van Nias
en de kleine eilanden langs de kust; Mandhelingers; Atjehers. De
laatsten komen niet uit eigen beweging: zij worden gezonden door de
regeering, die begrijpelijkerwijs voor de eindelijke pacificatie van
Atjeh meer verwacht van een goede opvoeding van het komende geslacht,
dan van kogels en bajonetten. Zij zijn op de school een lastig element,
hoovaardig tegenover andere Inlanders, stug tegenover de onderwijzers,
met een zekere ostentatie vasthoudend aan nationale zeden, waarvan
de strenge uiterlijke waarneming van godsdienstige plichten er een
is. Er wordt over gedacht een apart gebouwtje voor hen te zetten
op het erf der kweekschool, om botsingen te voorkomen. Over het
geheel is de uitzending der Atjehers naar hier een zaak die veel
geld kost. Maar hoeveel meer het ook nog mocht wezen, goedkooper dan
oorlog voeren is het in alle geval, om van belangrijker voordeelen
dan enkel-geldelijke nog te zwijgen. Als een bijzonder bewijs van de
aantrekkingskracht der school--en tevens wijst het feit op een geheel
nieuwe ontwikkeling in het volksbestaan, die, middellijk toch ook als
een uitwerking van het school-onderwijs moet worden beschouwd--als
een bijzonder bewijs van haar aantrekkingskracht mag het gelden,
dat ook een meisje dezen laatsten cursus heeft gevolgd. Zij heeft
nu juist een bijzonder goed examen afgelegd. Men stelle zich voor,
hoe onverbiddelijk de matriarchale "adat" het aankomende meisje binnen
haar moeders huis opsluit, en hoe vast het denkbeeld geworteld zit in
Oosterlingenhersens dat een vrouw niet noodig heeft iets, wat ook,
te leeren; en mete bij vergelijking de kracht der nieuwe idee over
het gemoed van zulk een meisje en van haar ouders. Geen twijfel of
op den weg, dien zij zoo moedig als eerste is ingeslagen, zullen haar
zusters nu spoedig in menigte volgen.

Dat de kweekschool zulk een toeloop heeft is te begrijpen als men
let op den aard van het onderwijs, en men mag wel zeggen, van de
opvoeding die de leerlingen er krijgen. Want het is niets minder
dan een werkelijke opvoeding. In hun eigen dorp hebben zij niets
van dien aard gehad--in hun tehuis kan men niet zeggen, want althans
de Minangkabausche man hééft geen thuis: hij groeit in het wilde op
in het mannenhuis van zijn familie. En wat de overigen aangaat, een
tehuis in onzen zin van het woord kennen ook zij niet: hoogstens een
plek waar zij slapen en eten. Hier heeft ieder zijn eigen kamer en
die moet hij zelf in orde en schoon houden. Dat is een heel ding voor
hen, vooral voor jongens van deftigen huize, die altijd van kind af
bediend en gehoorzaamd zijn, en werk met handen gedaan verachten. Maar
de regel is onverbiddelijk. En het gelukkige resultaat, dat jongens
die slordig, vuil en traag waren, toen ze kwamen, ordelijk en op
hun omgeving als op zichzelf kieskeurig worden na eenige maanden
verblijf op de school. Verder geeft het onderwijs hun wat zij in
hun dorp kunnen gebruiken: het onderwijs in plantkunde komt hun te
pas bij de sawah-bewerking, dat in de dierkunde voor hun vee. En
tevens winnen zij daarbij voor zichzelven, want inplaats van de
fantastische voorstellingen omtrent het menschelijk lichaam en gestel,
die de Inlandsche overlevering hun heeft opgedrongen, en waardoor
zij de voorbestemde slachtoffers worden van allerlei kwakzalverij
en toovermiddeltjes, krijgen zij nu een begrip van bloedsomloop en
spijsvertering, waarop zich een doelmatige gezondheidsleer laat
opbouwen. De natuurkunde bewijst hun eenzelfden dienst tegenover
het geloof aan allerlei wonderdadige krachten, die door middel van
amuletten en spreuken over de machten der natuur te verkrijgen zouden
zijn. En ten slotte helpt het onderwijs in de Maleische taal (het
Riouwsch-Maleisch, in alle scholen van Nederlandsch-Indië onderwezen)
hen over belemmerende dialect-verschillen heen naar een nationale
taal. Het Hollandsch maakt hun den weg open naar wat zij ooit meer
verlangen zullen van kennis.

Dat hij het belangrijke van zulke geestelijke aanwinsten inziet, en
niet aarzelt vàn zich te werpen wat hem belemmert in het streven
daarnaar--dat is de kenmerkende trek in het karakter van den
Minangkabauer.

Tegenover de partij der vernieuwers van de inlandsche maatschappij
op Sumatra staat die der behoudzuchtigen, hoewel in den laatsten
tijd zeker verzwakt, nog altijd zeer sterk. De drijvende kracht zijn
hier de Hadji's, de hulptroepen, de aanhangers van den onveranderden
matriarchalen adat.

Uiteraard zijn de twee eigenlijk vijanden. In het begin van de vorige
eeuw heeft de partij der Moslimsche geestdrijvers, de Padri's,
de vreedzame adat-aanhangers te vuur en te zwaard bekrijgd,
omdat zij weigerden het matriarchaat op te heffen en weigerden
zich te onderwerpen aan de tucht der dweepers. Men weet hoe de
vervolgden in hun wanhoop den Westerling, Engelschman en Hollander,
te hulp riepen tegen de eigen landgenooten. En onder de asch van het
gedwongen pais-en-vree houden smeult de haat der Hadji's nog. Want het
matriarchaat is den extreem-patriarchaal denkenden Moslim een doorn in
het oog; en de adat-aanhanger wil van die oude wet geen tittel noch
jota laten vallen. Maar dit groote geschil, zoo goed als kleinere,
die de twee partijen in het kamp der behoudzucht verdeelen, vallen weg
voor den vereenigenden invloed van den gemeenschappelijken haat tegen
het nieuwe. Het Westersch-politieke woord verstaande in Oosterschen
zin, zou men mogen spreken van een coalitie van adat en Islam.

Als gezegd, de Islam-partij is de drijvende kracht. Van Mekka uit,
waar een kolonie Javanen en Maleiers zich heeft gevormd, wordt de geest
der dweepzucht aangevuurd. De pelgrims worden in die kolonie gastvrij
ontvangen, in zaken van den godsdienst onderwezen, aangespoord tot het
maken van propaganda. Als drijver keert naar Sumatra menigeen terug die
als half-onverschillige naar Mekka ging. Ook de Maleische pers wordt
in den dienst geprest van het Islamisme, of, beter gezegd misschien,
het Pan-Islamisme. De oorlog dien Turkije tegen Italië voert wordt
verheerlijkt als een "heilige oorlog." Altijd is de overwinning
aan de zijde der Geloovigen. Brochuretjes worden verspreid, die
niet anders zijn dan schendschriften, om het Nederlandsch-Indisch
gouvernement verdacht te maken. Zoo grof kan de laster niet zijn of
hij vindt geloof. De toon van de manifestaties der "Ware Russische
Mannen" tegen de voorstanders van liberale ideeën en tegen de Joden
wordt in deze soort publicaties geëvenaard. De Islam-partijders
grijpen het voor de hand liggende middel aan om den Inlander tegen
het Westerlingen-bestuur op te zetten; zij beschuldigen het van
afpersing en uitzuiging, en sporen het volk aan tot het weigeren
van belastingopbrengst. Men heeft het kunnen zien in de laatste
troebelen. Het ging niet om die belasting. Zij was zeer laag, men
mag wel zeggen te laag, als men in aanmerking neemt de welgesteldheid
van den Sumatraan, en de armoede van den Javaan, van wiens oneindig
hoogere belasting-opbrengst de Sumatraan profiteert bij het voor handel
en verkeer geschikt maken van zijn land. Zeer gemakkelijk hadden de
bewoners der Westkust die geringe belasting kunnen opbrengen. Maar de
eisch van het gouvernement was juist wat den geestdrijvers in hun kraam
te pas kwam om het volk tegen het nieuwigheden-invoerend bestuur op
te zetten. En zij behoefden niet eens hun moed in te spreken voor een
gewapend verzet. Zij gaven hun volgelingen wat moed voordeelig verving:
het geloof in hun onkwetsbaarheid. Koperen en beenen amuletten, bij
hoopen door de vrome sluwaards verkocht, (en niet goedkoop ook),
waren de denkbeeldige bescherming van de strijders der heilige
zaak. In het witte gewaad, dat hen als medestanders der Padri's, als
"Witte Menschen" kenbaar maakte, trokken zij op tegen de soldaten,
die zij slechts met de nagels even behoefden te schrammen, om hen dood
neer te doen storten, terwijl kogels en bajonetten noch sabels zouden
vermogen hunzelven ook maar het lichtste letsel toe te brengen. Zulk
wondergeloof is zeker verzwakt geworden door de ontzettende nederlaag,
die zij toen leden, en door o. a. het zonderlinge toeval, dat een der
ergste stokebranden en raddraaiers, die zelf voorzichtiglijk buiten
het gevaar zich had gehouden waarin hij zijn volgelingen joeg, dat
die door een verdwaalden kogel neergeveld werd, waar hij schijnbaar
veilig op zijn eigen erf stond, verre van het gevecht. Maar geheel
te niet gedaan is het vertrouwen in spreuken en amuletten daarom
niet. Men heeft het dezer dagen kunnen zien, toen een rijke Inlander,
bezitter van pepertuinen, aangeslagen voor een belasting, waarvan hij
het tienvoud gemakkelijk had kunnen betalen, zich weigerachtig toonde
en het gouvernement tartte dwang op hem toe te passen: hij behoefde
maar de hand uit te strekken tegen de politiemannen, om hen dood ter
aarde te doen vallen, zulke krachtige tooverspreuken kende hij. De
man heeft het er werkelijk op aan laten komen. Het zou interessant
zijn te weten, wat hij later in de gevangenis gedacht heeft over die
tooverspreuk. Waarschijnlijk: dat hij een of andere fout had gemaakt
bij het opzeggen.

De Westerling, zelfs als hij jaren en jaren onder hen gewoond heeft en
vriendschappelijk (voor zoover dat mogelijk is) met hen is omgegaan,
zal altijd vreemd staan tegenover het gemoedsleven van den Oosterling,
wiens wordingsgeschiedenis immers, als enkeling en als volks-deel,
een van zijn eigene geheel verschillende en daarenboven hem slechts
gebrekkig bekende is. De Westersche reiziger, wien niet dan enkele
weken, of op zijn allergunstigst maanden, gegund zijn om een Oostersch
land en volk waar te nemen, heeft geen keuze dan bij voorbaat van alle
diepgaande beoordeelingen afzien. In het onderhavige geval zal ik, dit
doende, echter wel het oordeel mogen weergeven, dat een zeer ontwikkeld
inlander, een man op jaren reeds, van bezadigde denk-gewoonten en
helder inzicht, tegenover mij uitsprak over de drijfveeren en de
doeleinden der Islam-partijders. Het is waar, dat hij een overtuigd
aanhanger der nieuwe denkbeelden is, en als zoodanig gevaar loopt de
onpartijdigheid te verliezen tegenover hen die dat nieuwe bestrijden.

Volgens hem is het geen vaderlandsliefde, noch overtuiging des harten
die de Islam-partij drijft in hun heimelijk-gevoerden strijd tegen
den Westerling. Hij gaf niet toe, dat die idee van "vaderland" eenige
macht had over den Minangkabauer, voor wien de Atjeher, de Niasser, de
Batak, om van den Javaan en den Bandjarees te zwijgen, vreemdelingen
zijn,--niet zoo als de Westerling voor hem een vreemdeling is,
wel is waar, maar toch: vreemdelingen. En evenmin geloofde hij
aan waren godsdienst-ijver. Die immers zou zich moeten uiten in de
rechtvaardigheid, de gastvrijheid, de barmhartigheid jegens den arme
en hulpbehoevende, die de Koran den geloovige als plicht voorhoudt;
terwijl integendeel deze geestdrijvers woekeraars, bedriegers en
uitzuigers zijn. Naar zijn overtuiging was wat hen bezielde niet
anders dan eigenbelang van het minstwaardige soort. Zij wilden macht
om met die macht geld te winnen, het meest mogelijke geld van de meest
mogelijke menschen. De duiten, die in de staatskas gestort worden en
besteed aan wegenbouw, bruggen, scholen, dorps-rijstschuren, worden
onttrokken aan de moskee-kas en aan hun eigen diepe zakken. Daarvandaan
het ophitsen tegen dat "hùn" geld weghalende Westerlingen-bestuur. En
te dien einde de politiek van volks-verdomming, door middel van het
aankweeken van bijgeloof.

Als het krachtigste, misschien wel het eenige wapen in den strijd
tegen dit soort Pan-Islamisme, prijzen velen de prediking van het
Christendom. Maar hier schijnt twijfel geoorloofd. De ervaring
heeft bewezen, dat het aannemen van de Christelijke leer niet
hetzelfde is als het afzweren van bijgeloof: onverdachte getuigenis
daaromtrent is te vinden in de jaarverslagen der verschillende
zendingsgenootschappen. Ook kan het geval zich voor-doen--en inderdaad
doet het zich zeer dikwijls voor--dat juist de meest intelligente en
ook de van inborst en aanleg beste inlanders tot het Christendom zich
niet voelen aangetrokken als het hun geboden wordt in de plaats van
hun overgeërfden godsdienst. De eene theorie wordt tegenover de andere
gesteld: zij geven de voortreffelijkheid van die eene boven de andere
niet toe. Raden Adjeng Kartini, betreurder nagedachtenis, heeft in
haar boek welsprekende uiting gegeven aan het gevoel der dusgezinden.

Maar hier op de westkust zien wij een ontwikkeling beginnen, die niet
als bespiegeling tegenover bespiegeling, maar tegenover bespiegeling
als daad en werkelijkheid staat.

Het voorbeeld van den Westerling heeft den Minangkabauer gebracht tot
het besef, dat een beter leven zoowel mogelijk als wenschelijk is,
dan hij tot nog toe in zijn dorp heeft geleefd. Behoeften zijn in hem
wakker geworden, die hij vroeger niet kende. Een deugdelijk onderwijs
heeft krachten in hem ontwikkeld, door het gebruik waarvan hij die
behoeften zal kunnen bevredigen. De wisselwerking van toenemende
begeerte en voldoening, waarvan de beschaving het resultaat is,
is ook voor hem begonnen.

Wij zien dat de koffie-cultuur herleeft, die gestorven scheen, toen de
hatelijke dwang tot planten en verkoopen werd afgenomen van het volk,
en dat heuvels en steile berghellingen, vroeger een wildernis van
alang-alang, nu zorgvuldig beplant staan met fleurige struiken-rijen;
dat de sawah-bewerking, lang achterlijk, zoo goed is nu, dat uit Java
overgekomen ambtenaren, verwonderd, niets te verbeteren vinden, daar
alles wat zij dachten in te voeren hier al in gebruik is; dat vrouwen,
aan den adat-dwang zich onttrekkend, op de hier en daar opgerichte
kantscholen een nieuwe kunst komen leeren; dat meisjes met jongens
tegelijk naar de school gaan en in het Hollandsch examen afleggen
in vakken, hun vroeger niet eens bij name bekend; dat schooljongens
sportclubs oprichten en muziekgezelschappen en gezamenlijk zich
abonneeren op Hollandsche tijdschriften; wij zien dat het volk begrip
van hygiëne begint te krijgen, dat de Inlandsche arts bij een zieke
geroepen wordt inplaats van de doekoen met haar tooverkunstjes,
en dat de pokken verdwijnen door de veldwinnende vaccinatie; dat,
hoe zeldzaam ook nog, gezinnen zich beginnen te vormen van vader
en moeder met de kinderen die zij te zamen opvoeden tot bruikbare
leden der samenleving. Het is niet waarschijnlijk dat de Inlander,
zoo ver den weg van het nieuwe al opgegaan en zooveel reeds daarbij
gewonnen hebbend, tot prijsgave van zulke winst en terugkeer tot het
oude zich zal laten dwingen, in naam van welke en onder hoe schoonen
schijn vertoonde theorie dan ook. Hij behoeft slechts verder geholpen
te worden op den ingeslagen weg, en de onwaarschijnlijkheid zal
onmogelijkheid worden. Uitbreiding tot vele plaatsen van een onderwijs
als dat te Fort-de-Kock wordt gegeven; credietinstellingen, die den
kleinen ondernemer op de been helpen en houden; wegen, bruggen en
spoorlijnen om den oogst van het boertje in de binnenlanden te brengen
op de baan van het wereldverkeer; en de drijvers die, baatzuchtig
of verdwaasd, met Koranteksten den haat tegen het nieuwe prediken,
zullen prediken voor doovemans ooren.



Europeesche ondernemingen op de Westkust--Een Theetuin


Europeesche moet men wel zeggen: in dit bijzondere geval heeft de
algemeene Indische gewoonte van tegenover het Inlandsche element
niet het Hollandsche te stellen maar het "Europeesche," een goede
reden van bestaan: de ondernemers op de Westkust van Sumatra zijn,
inderdaad, burgers van vele landen van Europa. Op mijn-ondernemingen
zijn het vooral Duitschers en Engelschen: begrijpelijk genoeg, daar
die in hun geboorteland door practijk zoowel als door theorie den
mijnbouw leeren kennen. Op landbouw-ondernemingen zijn de Hollanders
in de meerderheid: waarin misschien de uitwerking gezien mag van
de eeuwenoude scholing en de sedert een twintig jaar met nieuwe
kracht oplevende practijk van ons volk in zaken van akkerbouw en
boomteelt. Beide soorten van ondernemingen liggen, in deze streek,
verre van de centra van bevolking, het binnenland in, de "rimboe"
als men hier zegt: bij een vergelijking van de Westkust van Sumatra
met de Oostkust, of met Java, is dat wel het eerste dat als een
kenmerkend verschil treft. De reden is een historische. Evenals op
Java en op de Oostkust heet op de Westkust de onbebouwde grond het
eigendom van den souverein, de souverein die vroeger de vorst en
tegenwoordig de Nederlandsche Staat is. Maar anders dan op Java,
waar sedert eeuwen al vorsten-tirannie den boer zijn rechten had
ontnomen, of op Oost-Sumatra, waar een dungezaaide bevolking den
moerassigen en zwaar met woud overgroeiden bodem braak liet liggen,
kwam op de Westkust de koloniseerende staat tegenover den inboorling te
staan. Hier waren de menschen vrij en stout: en de grond vruchtbaar. De
theorie van den Staatseigendom van alle woeste gronden is in hoofdzaak
theorie gebleven; en een theorie waarvan de Minangkabauer weinig weet
en nog minder zich aantrekt. De woeste grond is, in zijn oordeel,
zijn eigendom. Hangende nadere regelingen van de zaak heeft een
voorzichtig beleid moeilijkheden ontweken door alleen in de "rimboe,"
ver van alle dorpen en alle mogelijke en bedenkbare aanspraken van
Inlanders, grond in pacht te geven aan Westersche ondernemers.

De wildernis in dus, liep de weg, dien van Fort-de-Kock uit ik volgde
naar een nieuw begonnen thee-onderneming in het gebergte.

Het eerste gedeelte van dien weg is zoo voortreffelijk aangelegd,
dat een automobiel er met volle vaart over rijden kan zonder ergens
te horten of te stooten. In effen snelheid glijdt het prachtige
landschap voorbij, hellingen, heuvels, steilten van rechtrijzend
gebergte, plotseling uit wijkend woud de diepte van een ravijn, waar
de koelte en de eigenaardige reuk van water over gesteente bruisend
uit opstijgt. Soms wordt de weg zoo smal tusschen steilte en afgrond
dat uit de auto de inzittende recht de diepte in blikt aan den eenen
kant en aan den anderen haast met de hand de aard-orchideeën meent te
kunnen plukken, die, in trossen afhangen van den bergmuur. Dan wordt,
in lange slingers dalend, de weg weer breed, en heuvels wijken en
blijven achter, een vlakte gaat open waar de bergen wijd en ver omheen
staan. Hier was, voor ons, het eindpunt van den automobielweg. Den
volgenden ochtend zouden wij te paard verder gaan langs een smal
steil pad, het bergbosch door.

Er kwam bezoek in de pasanggrahan, waar wij voor den nacht waren
afgestapt. Wij hoorden verhalen omtrent het leven in de streek. Het
is er nog vrij eenzaam en wild. Dicht bij de pasanggrahan hebben
de tijgers hun pad van de met alang alang begroeide berghelling
naar de vlakte: een grooten boom aan den landweg hoorden wij den
"tijgerboom" noemen, hij staat op het punt waar het pad van de tijgers
den weg van de menschen kruist. Na donker gaat niemand onvergezeld
en ongewapend daar langs. Men hoort veel van geiten en kalveren, van
volwassen buffels zelfs, die door een tijger zijn meegesleept uit de
kraal: en soms ook van menschen, 's nachts aangevallen midden in het
dorp. Niettemin waren de Inlanders er niet toe te bewegen geweest een
val te bouwen op den "wissel" van de tijgers--het vaste pad dat zij
houden: in zulk een val moet een geit opgesloten, die met haar angstig
geblaat het roofdier lokt: en zij vonden het "jammer van de geit." Een
ambtenaar van het binnenlandsch bestuur maakte aan het uitstellen
en uitvluchten zoeken een eind, door een geit cadeau te doen aan
het dorp; waarop het bouwen van de val en de vangst van een tijger
volgden. Hij maakte zich echter geen illusies omtrent een bekeering
van de dorpelingen tot redelijker ideeën. Als de tijger gevangen
was, dan kwam het niet door de val met de blatende geit er in, maar
door het Lot, dat den tijger dien nacht en die plek had voorbeschikt
tot sterven. "Het was het uur van zijn dood." Het fatalisme van den
Islam? Neen: het fatalisme van den natuurmensch--zwak te midden van
geweldige machten levend, dat onder anderen in het Islamietisch geloof
een leerstellige uitdrukking heeft gevonden.

Den volgenden ochtend met het aanlichten van den dag stegen wij te
paard. Het stortregende. Maar eenmaal in het woud voelden wij daar
maar weinig meer van. Alleen was het pad dikwijls moeilijk voor de
geduldig zwoegende hitjes; met uitglijden en struikelen worstelden
zij tegen de stroomende steilten op, waar stortbeek was geworden wat
gister nog voetpad was. Tegen den middag bereikten wij den bergpas;
en kort daarna, bij helderen zonneschijn, de onderneming.

Het eerste waaraan de aanwezigheid en arbeid van menschen waren waar te
nemen, waren de groote, leege plekken van kaalgekapte hellingen, als
holen en gaten in het ruige zwartgroen van het oerwoud. Tienduizenden
stammen, van loof en takken ontdaan, naakt uitgeschud, liggen strak en
bleekgrijs over den grond. Loof en rijs zijn verbrand in vuren, die de
wind mijlen ver over de hellingen heeft geblazen. De zware takken zijn
omlaag gestooten in de ravijnen en de opbruisende bergbeken. De stammen
blijven liggen waar zij gevallen zijn, om met wind en weer de lange
jaren door te vermolmen tot teel-aarde, goed voor de jonge thee. Het
is niet mogelijk anders; de versche herinnering aan den tocht door het
bergwoud leert het ons, ook zonder de verklaring van den planter. Maar
daar die gevelde wouden te zien vermolmen, en dan te denken aan de
Deli Spoor, die door den nood gedwongen plannen overweegt om het
hout voor haar dwarsliggers uit Rusland te laten komen--dat geeft
iemand toch een zonderling gevoel. Wegen, bruggen, bruggen, wegen,
van de Westkust naar de Oostkust over moeras, ravijn en gebergte heen,
wanneer zal er geld genoeg wezen om die te maken? Het begin van het
wegennet is er: en dat juist doet zoo haken naar de voltooiing. Want
met zulk begin begint van allerlei mee, dat zònder niet gekomen zou
zijn en dat voor zijn ontwikkeling juist op die voltooiing wacht. Als,
bijvoorbeeld, de onderneming, die wij nu bezagen.

De gerooide hellingen langs, waaroverheen van den verren woudrand
af de bijlslagen van houthakkers klonken, en waar hier en ginder
uit hoopen rijs een vuurtje glom, bleek in den zonneschijn, onder
rechtopgaanden blauwen rook, gingen wij, het pad volgende, langs een
koelte-ademend ravijn. Toen kwamen wij daar waar het ontginningswerk al
eerder begonnen was en de bewerking van den grond al gaande. Zooals de
rijstbouwer een helling aanlegt voor zijn sawah, zoo had de planter de
heuvels gefatsoeneerd voor zijn thee: in smalle terrassen. Het geheele
beloop van voet, helling en kruin stond geteekend in evenwijdige
lijnen, juist zooals dat in rijststreken te zien is. Evenwel met een
onderscheid: het rijstterras heeft een kleinen dam als zoom, die het
water vasthoudt op de planten; het theeterras daarentegen een geul,
een "vang-goot," die, nog versterkt door een heg van struikgewas, de
aarde moet opvangen en tegenhouden, door de slagregens losgespoeld van
de helling. Een menigte koelievolk was aan het graven van terrassen
en vanggoten: mansvolk alles. Maar verderop arbeidden vrouwen. Op
een geterrasseerde helling waren zij bezig plantgaten voor de thee te
steken, volgens een maat, die zij aan een met knoopen gemerkt touw en
een bamboelat bij zich droegen, en met een verrassende behendigheid en
vlugheid pasten langs den grond: het geknoopte touw voor den afstand
van de plantgaten langs de golvende terrassen, de lat voor den afstand
van de gatenrijen in de breedte der aardstrook.

Weer een eind verder zagen wij de heuvels geheel en al groen. Daar
stond--al krachtig opgeschoten--datgene wat in de plaats was
gekomen van het oer-woud, en waarvoor al die arbeid van kappen,
rooien, branden, graven en meten de voorbereiding was geweest:
de jonge thee. Het fijne frissche loof, teer-tintelend in de zon,
was als water zoo koel tegen de oogen, zooals het daar doorschijnend
lag te gloren te midden van het zwartige oerwoud-groen.

Het huis van den planter stond op een heuveltje, midden in dien nieuwen
tuin. De planter had het zelf, met zijn eigen werkvolk, van het hout
dat rondom groeide, gebouwd; en de kleur, de glans en de zachte geur
van het woud hingen nog aan dak en wanden. Het was maar klein: en
de planter dacht aan den bouw van een grooter en geriefelijker. Maar
daarmede, als met zooveel anders op de jonge onderneming, moest nog
gewacht op ontwikkelingen, die eerst de toekomst brengen kon. Terwijl
wij thee dronken op het smalle bordesje, tusschen opgangs-trap en
huisdeur, en fotografieën bezagen van thee-tuinen op Java, om tot
een voorstelling te komen van wat de heuvels rondom ons zouden zijn
over eenige jaren, verhaalde de planter ons van zijn werk en zijn
verwachtingen.

De eerste thee die op Java gezaaid werd--dat was in 1826--was uit
China afkomstig. Maar die soort wordt sedert lang al niet meer
gekweekt. De "Chineesche thee" van tegenwoordig is meestal oogst
uit inlander-tuintjes, grof blad, dat met allerlei sterk geurende
bloemen welriekend gemaakt en op onzindelijke en gebrekkige wijs
bereid is. Verpakking in Chineesch papier moet aan de herkomst uit
China doen gelooven. De goede thee, die op Java wordt gekweekt, is
de Assamsche soort. Als de stammetjes drie voet hoog zijn, begint
de pluk; als ze de vijf voet hebben bereikt, worden zij geknot tot
struiken. Het uitsnijden van den stam dwingt het boompje tot het
maken van een menigte zijtakken. Op gelijke hoogte gesnoeid, vormen
die een groot "snijvlak," waarvan altijd door weer hoeveelheden jong
uitloopend blad te plukken zijn. Dit is het werk uitsluitend van
vrouwen: het vereischt een lichte, behoedzame hand. De bereiding van
het geplukte blad, het drogen, dat technisch "flensen" heet, en het
oprollen der bladeren tot de kleine staafjes zooals de thee-verbruiker
die kent, gaat tegenwoordig geheel machinaal: ook de thee heeft
de algemeene ontwikkeling medegemaakt, die handenarbeid door het
zindelijker, nauwkeuriger en sneller, weshalve goedkooper, werk van
de machine vervangt. En evenals de techniek de bereiding, bevordert
het wetenschappelijk onderzoek de teelt van de thee. De experimenten
door de gebroeders Bosscha in het laboratorium en op de proefvelden
van de onderneming Malabar gedaan, komen den planters van heel Java
ten goede. Het is alweer dezelfde ontwikkeling, als die zoovele andere
Indische cultures hebben doorgemaakt: van overlevering of probeeren
in het wilde, naar wetenschappelijk onderzoek en methode. Tezelfder
tijd is er naar het verbeterde product een steeds grooter vraag
gekomen. De teelt breidt zich uit: nieuwe landen gaan meedoen, onder
andere Sumatra. Hoe bij uitstek geschikt het koele klimaat en de rijke
woudbodem van de Westkust voor het gedijen der thee zijn, zagen wij aan
den forschen groei en het welige loof van den jongen aanplant rondom.

Er is echter ter Westkust een moeielijkheid, elders onbekend: zij ligt
in den eisch van vrouwenarbeid in verband met het matriarchaat. De
vrouw van deze streek is onder het matriarchale stelsel over het
algemeen wèl genoeg verzorgd, gevoed, gekleed, gehuisvest, om te
kunnen leven, zonder arbeid om loon. En degenen, die dat toch niet
kunnen, vinden zulken arbeid op het erf van dorpsgenooten en zoeken
niet verder. De theeplanter moet dus lokken met de allergunstigste
voorwaarden van loon, arbeidstijd, huisvesting en gelegenheid tot
aanschaffing van kleeding en verder behoef van de best mogelijke
soort tegen den laagst mogelijken prijs. Maar als hij er al in
slaagt op die wijze een voldoend aantal vrouwen te winnen voor een
begin van exploitatie, dan zal hij niettemin bedacht moeten blijven
op de mogelijkheid, hun aantal te vermeerderen naarmate van zijn
vermeerderenden oogst. De onderneming heeft twee vrouwelijke arbeiders
noodig tegen één mannelijken. Handhaven zich, ongewijzigd, de oude
toestanden, dan moet hij arbeidsters gaan zoeken op Java. Veranderen
zij, dan kan hij ze ook op Sumatra vinden; maar in welken getale,
dat zal, onder andere, van den aard en het tempo dier veranderingen
afhangen.

Niet de natuur is het, maar de maatschappij, die voornamelijk de
ontwikkeling van de thee-cultuur ter Westkust van Sumatra zal bepalen.



Europeesche ondernemingen op de Westkust.--Een Goudmijn


De groote aardplooi, die, van Malakka tot Amerika over den Maleischen
archipel en Japan loopend, de oppervlakte van het land tot gebergten
vervormt, houdt in het andesiet-gesteente, waaruit hij op Sumatra
bestaat, groote hoeveelheden goud- en zilvererts vast. Dat hebben van
oudsher de inboorlingen geweten, en van hen leerden het immigranten
en veroveraars. De goudmijnen, die nu Redjang Lebong, Lebong Soelit,
Simau heeten, zijn voor eeuwen al, door Maleiers eerst, toen door
Hindoes geëxploiteerd: Salida, zuidelijk van Painan, bij Padang, is
een oude mijn van de O. I. Compagnie, die bij haar komst de Inlandsche
gouddelvers daar reeds aan den arbeid vond. De methoden van exploitatie
waren natuurlijk primitief, en het gewonnen goud en zilver, waarvan
het grootste deel gevonden werd in het zand van de bergstroompjes,
maar een uiterst gering gedeelte van de hoeveelheden, in de scheuren
en barsten van het vaste gesteente beklemd. De werkwijzen van den
nieuwen tijd pas, toepassing van wat sedert het eind der achttiende
eeuw de nieuwe wetenschap omtrent den bouw der aarde had ontdekt,
konden in hun schuilplaats de kostbare ertsen vinden en bemachtigen. De
oude mijnen, veelal sedert lang al weer verlaten, werden met dynamiet,
met kracht van water, stoom, electriciteit, opengebroken en doorboord,
in de richtingen die de speurende geologen hadden aangewezen. En in
het hart van de wildernis, waar zelfs nog geen inboorlingen ooit
zich hadden gewaagd, werden er nieuwe ontdekt. Anderhalve dagreis
ver van de theeplantage in het oerwoud ligt een van de rijkste dier
nieuw-ontdekte goudmijnen; een Duitsch geoloog vond haar in 1909.

Er was al lang naar gezocht, door hem en door anderen. Zij allen
gingen af op twee stukjes gouderts die een Inlander had gevonden:
want de oude traditie van het goud-zoeken is nog levend onder het
volk, en jagers en woudloopers hebben er verwonderlijk goed slag van
het erts op te sporen. Een Engelsch geoloog ging de wildernis in,
bracht eenige maanden met zoeken door en kwam tot de slotsom, dat
de brokjes toevalligerwijs op de vindplaats gekomen moesten zijn en
dat er geen goud-ader liep door het gesteente van die streek. Hij
was een deskundige, die naam had gemaakt door nasporingen in
Australië: de maatschappij die hem uitgezonden had hield zich
aan zijn verklaring. Niet de Duitsche geoloog. En nu bleek weer,
wat zoo dikwijls al gebleken is bij een vergelijk van Duitsche en
Engelsche methodes, resultaten van Duitsch en Engelsch onderwijs:
de Duitsche, die wetenschappelijk is bereikte het doel, waar de
Engelsche, die empirisch is had gefaald. De Duitscher hield zich aan
zijn gedachte, die verder zag dan zijn oogen konden zien. Hij bleef aan
het zoeken; maanden niet, maar jaren hield hij vol. En ten laatste vond
hij. Een bekend geoloog, hoogleeraar aan een Duitsche universiteit,
won in Duitschland belangstelling en vertrouwen voor de zaak. Een
maatschappij werd gevormd, grootendeels met Duitsch, maar ook wel
met Hollandsch kapitaal. In Juli 1909 kwam een Duitsch mijn-ingenieur
met een geheelen staf van geschoolde krachten. En in Mei 1910 reed de
eerste buffelkar door het woud en over de bergen langs een effen weg
tot aan de plek toe waar het huis van den ingenieur werd gebouwd. Een
heirleger arbeiders was aan het werk op de onderneming, om langs de
steile hellingen, op de spitse toppen plaats te maken voor wegen en
voor woningen. En terwijl de eerste houten huisjes in elkaar getimmerd
werden, vorderden de ingenieurs met den arbeid aan de mijn. De eene
was bezig met den bouw van dammen, kanalen, bassins, om het water van
de rivier en de vele bronnetjes en beken der berghellingen te sturen
naar de plek waar zijn druk of zijn snelheid zou omgezet worden in
arbeid. Een tweede bracht de electrische installatie tot stand, die
overal nacht en donkerheden met witte helderheid zou doorstralen,
het gesproken woord langs metalen draden dragen over ravijnen en
bergtoppen, en de lucht vangen en samenpersen tot de drijvende kracht,
die vèr in het binnenste van den berg de groote boor duwen zou door
het gesteente. Een derde brak met dynamiet gangen open in de helling,
met balken en stutten geschoord tegen den druk van den berg en met een
ijzeren weg bevloerd voor den rit van de zware wagens, die het erts
zouden vervoeren. En in het kleine laboratorium op den heuveltop,
primitief ingericht, wat de geriefelijkheid van den werker, maar in
alles volkomen wat den eisch van het werk betreft, was een vierde bezig
met het onderzoek van het erts, dat, verbrijzeld en boven felwitte
vlammen gesmolten, het goud en zilver losliet uit hun verbinding met
waardelooze stoffen. Het bleek rijk. Het geel-blinkende spitsje aan
den kegel, die uit den puntig-toeloopenden smeltkroes te voorschijn
kwam, toonde een aanzienlijker hoeveelheid edel metaal in het erts
dan indertijd voldoende was om het vreemde kapitaal te lokken naar de
mijnen van Transvaal. De zes jaren zoekens van den Duitschen geoloog
waren verantwoord.

Op dit oogenblik is de onderneming, hoewel nog niet in alle onderdeden
voltooid, krachtig in werking. Inplaats van die eerste buffelkarren
is het nu een geweldige vracht-automobiel, die, langs den nieuw
aangelegden weg, met dozijnen bruggen, kloven en rivier-ravijnen
overspannend, en in geleidelijke stijging heenslingerend over
de steilten, de groote kisten met machinerieën aanvoert van
het naastbijgelegen spoorwegstation. Een zaag, door waterkracht
gedreven, verdeelt de zware stammen, die de buffelspannen in kettingen
komen aansleepen uit het oerwoud, in planken tot op een millimeter
precies gelijk in dikte. Het erts, dat al bij hoopen geborgen ligt
in bewaarplaatsen terzijde van altijd weer nieuw gemaakte gangen,
uitgebroken in den berg, zal niet in Europa maar op de onderneming
zelf verwerkt worden: en daarvoor wordt nu tegen een hooge helling aan
het groote gebouw van rotsblokken ineengevoegd, waar de hamerende,
verbrijzelende en fijn-schiftende machines komen te staan. In de
reusachtige kisten, waar namen van Duitsche fabrieken op staan,
liggen die al te wachten. En bouwmeesters en opzichters drijven aan
tot haast, want bij den dag groeien de hoopen erts. En telkens worden
nieuwe lagen gevonden. Het gunstige toeval deed er mij getuige van
zijn hoe een nieuwe ader ontbloot werd, een bijzonder rijke. Wij
hadden een geruimen tijd al geloopen door de mijn, ieder met zijn
mijnlampje in de hand. Op den zwarten grond glinsterden rails,
donkere waterplassen, hoopen steengruis, een stuk gereedschap hier
en ginder. Wij bukten onder balken door, langs een pijpleiding of
een electrischen draad. Uit zijgangen kwam een waarschuwend sein,
en, met al luider wordend geratel, een reeks ertskarren; de donkere
gezichten van de koelies, hurkend tusschen de brokken, glansden
voorbijrijdend op in het lantaarnschijnsel. En terwijl dat voortgleed
langs den mijnwand, maakte het al de teere, fijne kleuren wakker,
die daar zoo lang in donker van grond geslapen hadden: zuiver wit,
zacht grijs, paars en een bloemig-helder en vroolijk licht-rood. De
erts-aderen liepen zwartig daar doorheen, met plotselinge scherpe
flikkeringen. Opeens bleef onze gids staan. Wij hoorden uitroepen,
zagen verraste gezichten, een blanke hand tastte in de opening, waarvan
juist een bruine hand de boor wegtrok. In het Hollandsch en in het
Duitsch door elkander klonk de tijding ons tegen van de rijke vondst.

De inlander, die de groote boor hanteerde, keek als al de anderen naar
het schitterende brok erts in de hand van den hoofd-ingenieur. Wat
er op dat oogenblik door zijn hoofd ging?

Misschien niets dan een vluchtige verbazing. "Wah! zooveel goud en
zilver in den grond!" En een oogenblik later zet hij de boor weer
tegen den mijnwand, en voelt de sterke schudding van samengeperste
lucht tegen draaiend staal en van staal tegen gesteente, en denkt,
àls hij al aan iets denkt, aan het eind van zijn werkdag, aan de
uitbetaling van het loon op "Hari Besar" en aan het dobbelspel,
heimelijk 's nachts bij den rondreizenden croupier, wiens komst op
de onderneming de koelies elkander toegefluisterd hebben.

Maar misschien denkt hij toch ook aan iets anders. Misschien denkt hij
er over, welk een onderscheid het maakt, of een mensch oude gewoonte
en de getuigenis van zijn zinnen volgt, of dat hij te rade gaat met
het onderzoekende verstand: die Westerlingen met hun vele boeken en
hun machines vinden immers schatten, waar hij en zijns gelijken nooit
meer vonden dan kleinigheden! En misschien wordt er dan iets in hem
wakker als het begin van een begeerte naar weten.

Het is maar een misschien. Maar wie gezien heeft, hoe zulk een koelie,
vroeger daglooner misschien op een gebrekkig bebouwden Javaanschen
bergakker, of visscher in een prauw, die aan een schrapenden hadji
hoort, of woudlooper, in de moerasbosschen van Borneo djeloetoeng
zoekend,--hoe zulk een stomp voortvegeteerend mensch na enkele weken
op een onderneming al weet om te gaan met gecompliceerde machines,
die gelooft dat het "misschien" een goede kans heeft op den duur een
"waarschijnlijk" te worden.



CELEBES


Makassar


Van Soerabaja naar Makassar is het nog geen twee etmalen stoomens;
de laatste indrukken van de afvaart zijn nog levendig in de
herinnering als de eerste van de aankomst al weer met de kracht van
het tegenwoordige oogenblik hen overmachtigen. Eergisterenmiddag
was het de drukte van het Oedjong-kwartier te Soerabaja: de nauwe
straten en de schuifelende menschenvolte van de Chineesche wijk;
de rivier, bont van beschilderde prauwen, waarlangs aan de eene
zijde, pakhuizen, magazijnen, loodsen voorbij, de tram stoomt, aan
de andere de spoortrein; dan de wijde zee, miskleurd een eind ver,
door het uitspoelende grauw, goor en bruin der rivier, maar aan
gene zij van een scherp getrokken grens, die met de golving op- en
neergaat, doch nergens wijkt, plotseling fonkelend blauw; en her en
der verspreid over dat tintelende watervlak, dat de donkere rompen
spiegelt, en de schaduw en schittering der rookpluimen, een vloot
van statige schepen, waar doorheen de haastende stoombarkas haar
weg zoekt naar de boot der Paketvaart. Schemering daarna en nacht,
een dag van enkel zee en lucht, weer donker; en dan, met zonsopgang,
de naderende kust van Celebes, waar, als een wacht en voorpost, een
klein lichtgeel eiland voor ligt, maar juist ruim genoeg voor een
half dozijn bruine hutjes, tusschen laag geboomte verstoken, en een
dunnen hoogen seinpaal. Recht vooruit, tegen den al feller wordenden
zonneglans in, dommelt tusschen nevelig-groen geboomte met spitse
donkere daken Makassar. Ontelbare visschersprauwen liggen op de ree,
blinkende met hun vierkante schuins gestelde zeilen, die wachten
op den wind. Reusachtig daartusschen steken groote stoomschepen
op. Verscheiden liggen er al gemeerd aan de kade, een Engelsche
stoomer naast een Chinees. De scherpe fluiten gillen, de machines
bonzen en ratelen, van zwaaiend uitgerekte kranen-armen af dalen
geweldige bonken van in kettingen saamgesnoerde balen en kisten naar
de volgehoopte kade, waar de donkere koeliedrommen warrend dooreen
bewegen tusschen de rij der schepen en de rij der loodsen, gapende
open aan weerszij. Dat alles geeft een indruk van sterken groei, zoo
plotseling begonnen, dat de gewende verhoudingen opeens en overal te
klein zijn geworden. De schepen moeten vaak op elkander wachten om
er een plaats aan de kade te krijgen, wordt mij verteld. Kooplieden
en zeevolk wachten verlangend op de nieuwe haven.

Achter de aanlegplaats loopt een lange straat, die ook al ruimte
te kort komt voor het gedrang. Dat gaat naar de kade links af: en
recht uit naar de Chineesche wijk verderop, die met een rij smalle,
diep inloopende huizen, half winkel, half pakhuis, gedrongen staat
langs het strand. In het voorbijgaan ziet men door open achterpoorten
den fellen glans van de zee en het rechtlijnig gewar van masten en
takeltuig als achtergrond van een kantoor vol schrijvende klerken, een
donkere ruimte, waar balen en kisten opgehoopt staan, een winkel, waar
de menschen in- en uitloopen, of een naar de straat open huiskamer met
spelende kinders op den vloer, rondom de moeder, die op- en neergaat
met een kleintje op den arm.

De Maleische buurt ligt als een wederpart van de Chineesche aan gene
zij van een ruim open plein ten westen van de aanlegplaats. Ook hier
loopen huizen en erven tot vlak aan zee. 's Morgens in de vroegte
kan men de naakte kinders zóo uit de huisdeur, half in slaap nog,
het water in zien loopen. De wijk is zorgvuldig aangelegd met
een rechtlijnig rooster van straten en dwarssteegjes. En telkens,
tusschen bruin van huisjes en groen van geboomte door, komt weer
het zee-blauw blinken, en een groot schuins gestreken zeil scheert
voorbij, of een prauwtje dat met zijn wijduitgeslagen vlerken en de
reppende riemen der roeiers een wonderlijk waterdier lijkt, driftig
op weg naar meer ruimte. De inlandsche wijk is veel minder vol, veel
minder druk dan de Chineesche; maar bedrijvig toch ook, en verrassend
door den zweem van orde, zindelijkheid en welvaren die over menschen
en dingen ligt. Zij gaat van lieverlede langs een breede straat,
aan het uiteinde waarvan, alweer, de zee blinkt, over in de buurt
waar de Hollanders wonen: zoodat aan de ééne zijde nette inlandsche
huizen staan met gevlochten wanden en bladeren dak, en aan de andere
kalkwitte steenen Hollanderhuizen op ommuurde erven.

De Hollandsche stad van Makassar verschilt weinig van die van zooveel
andere steden op Java of Sumatra; witte huizen, elk in zijn eigen
tuin, aan weerskanten van wegen met zwaar geboomte beplant. Twee wijde
pleinen geven iets ruims en luchtigs aan den aanleg. Het eene gaat
tot aan het strand en heeft de fonkelingen en wijde verschieten van
de reede tusschen de stammen van de oude tamarinde- en kanariboomen,
die breed hun schaduwen spreiden. Aan de westelijke zijde van dit
plein ligt het fort.

Het is de oude sterkte van de zeventiend' eeuwsche kolonisten,
die haar ouden naam nog draagt: Rotterdam. De geweldige muur staat
ongeschonden. En daarboven uit komen spitse roode daken tusschen veel
geboomte. Het is als een brokje van een oude Hollandsche stad midden
in dit tropische landschap, onder dezen fellen tropischen hemel. In
den hoogen breeden muur is een poort, die niet recht doorgaat, maar
zoo is gebouwd, dat de weg een hoek maakt: om den toegang te beter
te kunnen verdedigen, was dat. En die poort door komt men als in een
afzonderlijk stadje. Rondom staan huizen: één groot en aanzienlijk,
op zichzelf alleen; het huis van den commandant nu, het huis van den
"koopman" vroeger; de anderen in een rij, met gelijke ramen en daar
boven, gelijke kleine venstertjes onder het dak. In het midden staat
de kerk. Het gebouw is nu kleeding-magazijn; maar de oude bouwtrant,
de hooge vensters, de trap naar de poort, en tot zelfs het antieke
smeedwerk van scharnieren en slot toe, doen het, alle verandering
en nieuwigheid ten spijt, een kerk blijven. En die indruk blijft,
zelfs als men binnengaat, en in plaats van bankenrijen, kasten ziet,
en militairen inplaats van koster en kerkgangers.

Rondom, tusschen kerk en huizen, is een groene hof, vol schaduw,
gras, aardige paadjes en gebloemte. Hier kan men wandelen, en, naar
de oude muren en spitse daken opkijkende, een oogenblik gelooven in
Haarlem te zijn, of in Naarden, ergens, tusschen de wallen en de stad.

Er is sprake van geweest de oude gebouwen af te breken: dat is
gelukkig voorkomen. Al te mooi, en, in Indië althans, al te zeldzaam
is zoo iets ouds. Al te zeldzaam en mooi vooral in zijn tegenstelling
met die andere schoonheid van het nieuwe, in jonge kracht opkomend,
dat hier gaat bloeien aan de haven. Nu pas beginnend zal het over een
jaar of wat in volle fleur staan. En dan zullen Verleden en Heden te
schooner zijn, het eene door het andere.



Door Paré Paré en Boni. De Meeren


Van Makassar naar Paré Paré, de opkomende haven, die de hoofdplaats is
van het gewest Paré Paré, gaat de weg der schepen door den Spermunde
Archipel. Mooiers is niet te bedenken dan deze vaart. Terwijl het
schip zijn lange, gladde, schuins wegglanzende vorens trekt over de
klare zee, waar de weerspiegeling van de hooge stapelwolken langs
de kim blank door blauw brekend op en neer wiegelt, zwemt het door
een geheelen zwerm heuvelige tot van den zoom van de zee toe groen
overlooverde eiland-dorpen heen. Half op het strand, half in het water,
staan op hooge palen de bruine visschershuisjes in een rij. Benden
naakte kinderen spelen er om heen. De vloot van prauwen, smal en
lang, op vlerken van breed-uitgebouwde bamboestammen evenwichtig
schommelend, ligt her en der verstrooid, wachtend op den wind. Telkens
verandert het zeelandschap, telkens andere eilandjes duiken op uit
het flonkerige, van blank, groen, bruin en violet doorblonken en
doorschaduwd blauw. Enkele staan alleen, als heuveltoppen; andere
liggen dicht te zamen, donkergroene eilandjes, lichtgroene ondiepten,
zandbanken, die wit, fijn grijs en goudig geel opschijnen door al
dunner overgloring van water, dat popelt van verschietende kleuren. Dan
weer wijken de eilandjes. En achter een breedte van diepere zee, die
haar eigen donker azuur weer toont, rijzen hoog en ver, wazig blauw,
de bergen van het Oostelijke vasteland. Hier in het opene varen de
groote Makassaarsche handelsprauwen, hoog van boeg als een zeventiend'
eeuwsch galjoen, met volle zeilen voor den wakkerenden wind. Het
scheepsvolk, Boegineezen met stoute gezichten, zonen van zeevaarders,
die meteen zeeroovers waren op de wijde wateren tusschen Malakka en
Nieuw-Guinea, zien onverschillig langs de groote stoomboot heen die
hun vaartuig dicht voorbijstreeft.

De vaart duurt ongeveer een halven dag. Om acht uur de haven van
Makassar uitgestoomd, gingen wij om drie ten anker voor Paré Paré.

De baai is bekoorlijk mooi. Tusschen den vasten wal, een ver
vooruitspringende kaap, en een rij eilandjes, in langen zwaai zich
strekkend, ingesloten, ligt zij, zoo vreedzaam als een groot meer,
het strand, de huizen en de groene heuvels daarachter te spiegelen. Het
plaatsje is in de lengte gebouwd, de lijn van het strand volgend, met
een buurt inlandsche visschershuisjes, een Chineesche winkelstraat, een
groep officierswoningen. Het assistent-residentshuis is pas voltooid,
zoo nieuw nog, dat struiken of gras den tijd nog niet gehad hebben,
het ruime erf rondom groen te maken. De weg die van den steiger er heen
leidt is ook nieuw, ruig van nog ongebroken stukken koraalsteen. De
handelsbeweging te Paré Paré is in den allerlaatsten tijd plotseling
en sterk toegenomen, en een krachtige verdere ontwikkeling wordt in
de naaste toekomst gehoopt. De zorgvuldig onderhouden zindelijkheid
en ordelijkheid van het plaatsje en de nieuwe aanbouw van woningen
en wegen geven een met die verwachtingen overeenstemmenden indruk
van nieuw ontwakend leven.

Den tocht het binnenland in naar de groote meren van Sidenreng en Tempe
begonnen wij den volgenden ochtend voor zonsopgang. Het landschap
bleef liefelijk zoolang de baai in zicht bleef met haar wisselende
verschieten, die wijder werden naarmate de weg al steiler klom. Toen
verdween die glans en die wijdheid en aan weerszij schoof bruinachtig,
even golvend veld aan, waar hier en ginder een mager boomgroepje op
stond. Een paar weken geleden had het er hier zeker anders en fleuriger
uitgezien; toen was alles goud van de rijpe rijst. Maar nu de kleur
er af was, lag het land armelijk in de eentonige onbeduidendheid van
zijn formatie ten toon: uren achtereen hetzelfde, zonder teekening of
verschiet. Met dat al is de grond uitnemend vruchtbaar. Zelfs zooals
ze nu zijn, gebrekkig gebouwd en geheel afhankelijk van den regen,
die soms weken lang weggehouden wordt door een heeten drogen bergwind,
brengen de velden een rijken rijstoogst op. En die kan verdubbeld,
wanneer een goede irrigatie tot stand komt. In het Noorden van
het groote eiland, aan de Tomini-bocht, is daarmee al een goed
begin gemaakt; het gouvernement heeft daar als zijn helpers en als
onderwijzers van het landbouwende volk Baliërs, die, om misdrijven
tegen den adat uit hun land gebannen, in een kolonie op de Oostkust
van Celebes leven, en hun vaderlandsche tradities overbrengen op den
vreemden bodem. Naarmate de invloedskring van het goede voorbeeld
verder zich uitbreidt, loopt over grootere breedten van rijstveld het
leven-brengende water. Wie weet hoe spoedig al Celebes even groen,
frisch en vruchtbaar is als Bali.

Voorloopig blijkt de bemoeienis van het bestuur uit den goeden
staat van de wegen, en uit de volkomen veiligheid. Het is moeilijk
voor wie hier vreedzaam langs den effen weg rijdt, zich voor te
stellen, hoe kort geleden alles nog wildernis was en strijd. Dat de
Celebes-expeditie, overigens, zoo snel afliep, schijnt wel grootendeels
een gevolg van den slechten toestand, waarin het geringe volk verkeerde
onder den druk van eene overheersching, in naam door zijn eigen
vorsten en adel, in werkelijkheid door de Arabische geldschieters,
die vorsten en adel in hun macht hadden, uitgeoefend. Kleine boeren,
kleine kooplui, visschers, zeevolk, woudloopers konden het onder "de
Compagnie" onmogelijk slechter en al heel licht beter krijgen dan zij
het hadden onder hun eigen radja's. Dat zij niet teleurgesteld zijn
geworden, merkt men aan de wijze waarop zij, in het binnenland,
reizende Hollanders bejegenen--zonder een zweem van angst of
onderdanigheid, maar voorkomend en zelfs gastvrij.

De menschen, die wij langs den weg zagen, waren haast allen
marktgangers, dragend hun waar. Van het binnenland naar de kust gaande,
mannen en vrouwen die in manden van nog groen palmblad houtskool
droegen, palm-suiker, gedroogde visch uit de meren, en visch-broedsel
dat in de poelen en vijvertjes van de dorpen wordt uitgeplant. In de
reusachtige kalebassen, die hier voor kruik en vat gebruikt worden,
hadden zij palmwijn; en op den rug van geduldige lastpaardjes ("pateke"
heeten ze), zakken rijst van hun velden en zakken zand en kalk uit
hun groeven; het was goed te zien dat er gebouwd wordt op Celebes. De
mannen die van de kust kwamen, droegen meest zout het binnenland
in. De behoefte daaraan is nijpend. Gebrek aan zout is de oorzaak,
zeggen deskundigen, van de huidziekte, die met haar wittige schilfers
dit anders kloeke en welgebouwde volk mismaakt. Tot aan kleine kinderen
toe is die akelige vaalheid te zien. Zij schijnen er overigens niet
veel door te lijden. Het innerlijk-gezonde van het volksgestel komt
uit in krachtigen gang en rechte houding, en zijn vroolijkheid in
de felle kleuren van zijn kleedij, die paars tegen vuurrood, groen
tegen geel, blauw tegen oranje blinkt in de zon.

Twee derden ongeveer van den weg heeft de reiziger achter zich,
als hij het hoogste punt van den onmerkbaar stijgenden weg bereikt,
en plotseling, verrassend schoon en stout, een wijd berglandschap
ziet liggen. Een paar kilometer verder verandert al weer het aanzien
van het land. Hier is toch een vlakte, waaruit, allerzonderlingst,
enkele kegelvormige heuvels opsteken. Men krijgt den indruk of dat de
toppen moeten zijn van een gebergte, waarvan valleien en hellingen
verborgen liggen onder die als een waterspiegel effen vlakte, het
bezinksel misschien van een binnenzee uit een verre geologische
periode. Het meer van Sidenreng, zilverig langs den gezichteinder
glanzend, ware dan het achterblijfsel dier zee, bij haar laatste ebbe
in een verzakking van den bodem gevangen.... Met die zonderlinge
kegelheuveltjes voor oogen, en over den weg verstrooid, stukken
koraal en schelpen, die breken onder den stap van het paardje, komt
men allicht tot zulke verbeeldingen.

Alakoeang, het gehucht waar wij halt wilden houden, ligt tegen den
voet van twee steil-ronde heuveltjes aan, in een aardig nestje van
groen, verkwikkend voor oogen die vijf uren achtereen niets dan
kaal veld en zonneschijn hebben gezien. Wij bekortten, verlangend,
den afstand door een voetpaadje te volgen, het steile van de laatste
helling af, een paar ondiepe beken en plassen door, en over een ruig,
grauw, met brokken overzaaid veld. Voor twaalven nog waren wij in de
pasanggrahan. En door de wijde reten van bamboevloer en peloepoehwanden
heen woei de koele wind ons in het gezicht, die er aankwam van over
de Meeren.

Vlak tegenover de pasanggrahan van Alakoeang wordt, eens in de vijf
dagen, pasar gehouden. Juist den avond voor pasardag waren wij er
aangekomen. Het vroolijk gerucht dat nog voor zonsopgang alle hanen
van het dorp aan het kraaien maakte, wekte ons in de vroegte. De
toestanden hier zijn nog primitief; dat was aan den pasar zoo goed als
aan de pasanggrahan te merken. De verkoopers zaten, met hun koopwaar op
het matje rondom zich uitgestald, op den grond. Een enkele maar had,
bij wijze van loods, vier bamboestijltjes met een schuins dakje van
riet en blaren, tot berging van zichzelf en zijn waar. De stalletjes
waren op zijn best twee-en-een-halven voet hoog. Men moest zich bukken
om te zien wat er onder zat: en dat bleek dan te zijn een stapeltje
opgevouwen sarongs--klaarblijkelijk Hollandsche import--een hoopje
ijzerwerk, spijkers, kettingen, hangsloten, of een paar blikken
petroleum, met misschien nog wat eetwaar of eenige aarden potten
en kannen. Zoo armelijk als het geheele gedoente was, ging het toch
vroolijk toe op den pasar. En de moeders hadden kans gezien om haar
kleintjes met sieraad van zilver en verguld op te tooien. Elke kleine
naaktlooper had een blinkende medaille op de borst en een blinkende
medaille op den rug hangen, als middelpunt van gekruiste snoeren. Er
waren alleraardigst bewerkte bij; de kinderen, in het geheel niet
bang of verlegen, lieten hun sieraad en zichzelf gereedelijk bekijken,
en de moeders stonden er glimlachend bij.

Van Alakoeang is het ongeveer een uur rijden naar Teteadji, het
eerstvolgende dorp aan den landweg. Hier doet de onmiddellijke
nabijheid van de meeren zich kond in de zwarte netten, die aan
alle huizen hangen, en in stapels visch, drogende in de zon. Alleen
vrouwen en kinders zagen wij binnen in het halfdonker der hoog op
palen gebouwde woningen. Het mansvolk was met de booten uit.

De aanhoudende droogte, die het geheele land van de kust af tot hier
toe vaal had geschroeid, had den waterspiegel tot ver beneden het
gewone peil doen dalen, en land gemaakt waar anders water is; de
blinkende zoom van het meer lag nu wel een twintig minuten rijdens
ver van het oeverdorp af. Van hier gezien pas toont het landschap
de ontzaggelijke grootte van zijn afmetingen. De heuvels en bergen,
die den rand vormen der vallei, liggen onduidelijk, flauw paars
en blauwachtig, langs den horizont. En onafzienbaar als een zee,
glanst tot in de verten toe het meer, dat de middelste laagte der
wijde inzinking overspreidt.

Uit den geheelen omtrek komt het volk hier visschen, en van het eene
oeverdorp met zeilen en riemen varen naar het andere. Maar het meer
is zoo wijd dat die menigten vaartuigjes er in verloren gaan. De
eenzaamheid blijft ongestoord. In het riet langs de oevers en op de
vele zandbanken nestelen duizenden vogels, die niet opvliegen, zelfs
als de prauw vlak voorbijvaart; het is of zij de menschen niet eens
bemerken, zoo zeker zijn zij hier in hun eigen rijk en recht. De
roeiers van onze prauw joegen er een paar op met luid geroep en
klappen in de handen. Zij zweefden een eindweegs voort, wielden, en
streken weer neer, zoo dichtbij, dat de droppels van de opslaande
schepriemen hen besproeiden. Meest in aantal en verscheidenheid
waren de meeuwen,--groote roodbruine, zooals ook langs de zeekust
vliegen, parelgrijze met paarlmoerachtige glansen langs de borst
en de onderzijde der vleugels, en kleine, heel smalle, die zoo wit
waren als schuim, en een langen, scherptrillenden kreet uitstieten,
terwijl zij in wijde kringen zeilden. Hoog in de lucht hingen donkere
roofvogels, die, als zij plotseling neerschoten op den bespieden
visch, een ruischend gerucht maakten met hun groote, grauw-bruine
vlerken. Er stonden witte reigers hoogpootig te blinken tusschen
't riet. Langs de zandbanken waadden op ooievaars gelijkende vogels
die, als pelikanen, een grooten zak tusschen snavel en hals hadden
hangen. En overal, op het water, langs het zand, tusschen de biezen,
schitterden prachtige waterhoentjes, met flikkerblauwe borst en een
schelrooden kam op den kleinen helderoogden kop. Onze prauw zwom:
de vogels zwommen: het ging alles in vrede en vriendschap.

We waren al een goed uur onderweg, toen wij de eerste visschersbooten
tegenkwamen. Zij blonken ons met purperen zeilen tegemoet, die vierkant
tusschen rechte staken gespannen stonden. Toen zij vlakbij waren,
zagen wij dat die zeilen sarongs waren, zooals wij er op den pasar
van Alakoeang en aan de voorbijgangers op den weg gezien hadden. Het
scheen al te zonderling om het te gelooven, zelfs op eigener oogen
getuigenis. Maar het inlandsche hoofd, dat de reis mede maakte,
verzekerde dat het inderdaad sarongs waren die het varende volk hier
voor zeilen gebruikt. Twee boven elkander uitgespannen vormen een
windvanger, groot en sterk genoeg voor deze lichte scheepjes. Zoo
gerieft dit volk zichzelf en zijn vaartuig met één en hetzelfde
stuk goed, sarong vandaag, morgen zeil. Er waren een menigte prauwen
op het meer, en óverschoon die schittering in de zon van purperen,
rozenroode, oranje en vioolpaarse zeilen tusschen het blauwe water
en de blauwe lucht.

Het meer van Sidènreng is met het meer van Tempe verbonden door een
waterloop, rivier in den regentijd, beekje in de droge maanden. Er
was ons gezegd dat het ditmaal geheel uitgedroogd was, en dat wij een
paar uur door modder te baggeren zouden hebben, om van het eene meer
naar het andere te komen. Maar er bleek nog juist zóóveel water te
staan, als voor onze prauw voldoende was. Tusschen blauwige biezen en
allerlei fijngebloemd watergewas wrikten de mannen het bootje voort. En
we kwamen er anderen tegen, die wij voorbijgingen met wederzijdsch
wijken en even dringen, zooals menschen zouden doen in een nauwe drukke
straat. Al die prauwen vervoerden visch, versche en droge. Dat wist
men al lang voordat men het zag. Vooral de droge visch--hoopen platte
grauwe beesten, den dungetanden muil opgesperd als in een verstarden
geeuw--was van verre al te merken. En dat niet alleen op de booten,
maar spoedig ook al van den wal. Langs weerskanten van het modderige
kanaal stonden hier, daar, overal, atap hutjes, waar visch lag te
drogen in de zon. Op den vloer van het paal-huisje, op den grond er
omheen, op de stellage van bamboestijlen en -horden er naast, overal
lag visch. Mannen en vrouwen, die langs het smalle pad gingen, liepen
gebukt onder lasten visch. Naakte kinders lagen te spelen tusschen
hoopen visch. En het voedsel, dat driften waggelende kwekkende eenden
onder zand, schelpen en wier te voorschijn haalden, was ook al visch.

Halverwege het meer van Tempe overgevaren, kwamen wij aan de plaats
waar een deel van al dien overvloed van visch vandaan komt. Het is
een lange, modderig-bruine ondiepte, met opstekende zandbanken hier
en ginder, en tusschen grijsgroene biezeneilandjes een enkele poel
dieper, klaarder water. Eenige visschersprauwen lagen er voor anker,
roerloos boven het even-rimpelend spiegelbeeld van hun donkere kiel en
roode en oranje zeilen. De mannen waadden rond in het ondiepe water,
in elke hand een met de opening omlaag gekeerde korf, die zij onder
het voortgaan, rechts en links om de beurt neerstieten tot op den
bodem, waar, in de modder, de visch verscholen ligt. Voelen zij een
spartelend bewegen in de mand, dan steken zij, door een opening in den
omhooggekeerden bodem, den arm erin en grijpen hun vangst. De mand,
die niet in een gevlochten rand maar in een krans van scherpe pinnen
uitloopt, is gemakkelijk neer te duwen en gemakkelijk op te halen uit
de weeke modder. Het is verwonderlijk om te zien hoe vlug de visschers
ermee voortkomen, rechts, links, bij elken plonzenden stap door het
water een stoot met de mand omlaag. Zoo vroeg als het nog was in den
morgen, de wachtende prauwen lagen al half vol met visch.

Met netten ook wordt er gevischt op de meren. Wij kwamen een geheele
reeks prauwen tegen, die de vangst al binnen hadden, en naar huis
varend met volle zeilen, het zwartige vischtuig tusschen de masten
gespreid droegen, om te drogen in den wind.

En vóór de dorpen langs den oever, wier zoetklinkende namen de
roeiers ons noemen,--Alasaleyo Tjelingingi, Tempe--stond allerlei
vischtuig uitgezet, fuiken van wonderlijk fatsoen, en staketsels,
die, in bochten en slingers loopend, een waren doolhof vormen, waar
de binnenzwemmende visch niet meer uit ontkomt.

De roeiers zeggen ons de namen van al dat vischtuig, de namen van de
visch, die overal, met een plons en een flikkering, opspringt uit het
water, de namen van de vogels, die, voorbijscherend, er op jagen. Zij
lachen, als zij zien dat dat alles wordt opgeschreven en nog meer,
als het hoofd hun verklaart, dat het in een courant komt te staan
en dat menschen in Holland het lezen zullen! Ze zijn vroolijk. De
roeitocht van zeven uren aan een stuk heeft hen niet moe gemaakt. Als
in de Oostelijke verte de daken van Tempe zichtbaar worden, roept
er een iets tot zijn kameraden. Meteen buigen tien lenige lichamen
diep voorover, de korte schepriemen vallen en springen met een slag,
waar het water in regenboog-doorgloorde buien van opstuift, de prauw
schiet vogelvlug vooruit. De drie roeiers naast het roer, achter op
de prauw, laten hun riemslag dwars tegen de maat van dien der anderen
in vallen. Als een huppelende dans klinkt dat. Een van de roeiers
begint te zingen, de anderen vallen in. De bruine daken komen nader,
de oever duikt op en rijst, aan den Zuidelijken horizont worden hooge
bergen al helderder. Uit het meer varen wij een rivier binnen. Het
is de Walanaë, die rustig en breed het land invloeit. Op den hoogen
oever ligt Tempe, dicht gedrongen met honderden bruine daken langs den
bochtigen loop der rivier gevlijd. Een half uur achtereen zien wij die
menigte van huizen. Al groeiende zijn twee groote dorpen elkander zoo
dicht genaderd, dat zij den voorbijvarende één lijken. Wij dachten
nog Tempe te zien, toen de roeiers hun riemen inhaalden, en terwijl
zij de prauw tegen den wal lieten drijven, zeiden zij dat hier het
doel van den tocht bereikt was, Singkang.

Singkang is wat men een provinciale hoofdplaats zou kunnen noemen:
het centrum van het onderdistrict Singkang, dat, als een der rijkste,
met verscheiden andere landschappen ressorteert onder de afdeeling
Boni. Het dorp ziet er welvarend uit; de menschen dragen degelijke,
soms zelfs zwierige kleedij, de paardjes, die het marktvolk in rijen
langs den weg drijft, zijn doorvoed en verzorgd en stappen stevig onder
hun last; op zindelijke erven staan wèl onderhouden, huizen die van
goed materiaal gebouwd zijn. Nog een teeken van welvaart, het beste
wel: het volk wil leeren. Pas is de nieuwe school vergroot geworden,
en reeds blijkt ze alweer te klein. En niet alleen de jongens zijn het,
neen, evengoed de meisjes, voor wie haar ouders onderwijs begeeren. Als
uit deze laatste bijzonderheid op te maken valt, is het de handel,
waaraan Singkang zijn voorspoed dankt. Een bevolking die hoofdzakelijk
van den landbouw en van huis-industrie leeft, meent allicht dat
zij met lezen, schrijven en rekenen niet van noode heeft. En als
zij, min of meer gedwongen, haar jongens, die zij veel liever voor
buffel-herders gebruikt, al naar de school laat gaan, dan houdt zij
stellig en zeker haar meisjes toch thuis. Handelsvolk is wel wijzer.

De pasanggrahan van Singkang ligt op den steilen oever der rivier. Van
de achtergalerij uit heeft men, over het smalle tuintje heen,
het uitzicht op de veerpont die daar heen en weer zwaait over het
breede sterk-stuwende water. Op pasardagen,--en pasar is het in
Singkang tweemaal in de vijfdaagsche week,--krijgt men hier een
indruk van de levendigheid van het handelsverkeer der streek. Voor
zonsopgang al begint het gedrang aan de pont, van dragende menschen
en bepakte paardjes. Daar komen ze aan, met rijst, met visch, met
maïs, met vruchten en groenten, met geweven goed, met kalk, met
atap. De slaperige veerman, dien zij wakker geroepen hebben, is nog
niet te voorschijn gekomen uit zijn deur, of zij hebben, dringend en
schikkend, hun plaats al gewonnen op den bamboehorden-vloer, die over
twee tot prauwenfatsoen uitgeholde boomstammen is vastgemaakt. En
de pont is nog niet halverwege den stroom, of een nieuwe menigte is
al weer saamgeloopen aan den voet der oeverhelling. Wie tegen een
uur of acht naar den pasar gaat, kan daar eenige duizenden menschen
bijeenzien. Het gemiddelde aantal wordt mij genoemd als van zeven
tot acht duizend. De pasarrechten, door den vorst van het district
gepacht, maken een aanzienlijk deel uit van zijn inkomsten. Als de
pogingen slagen, die het gouvernement doet, ter invoering van betere
landbouw-methoden, vooral als een irrigatiestelsel tot stand komt,
dat de rijstopbrengst van de streek eenige malen verveelvuldigen zal,
zullen handel en verdienste in een nog snellere en meerdere mate
toenemen dan zij deze allerlaatste jaren reeds deden.

Celebes is van oudsher een land van handelaren geweest. Lang voordat de
Compagnie er kwam, hadden Makassaren en Boegineezen rijkdommen gewonnen
in een handel, die over tusschenstations heen, verbindingen gehad moet
hebben tot met China toe: getuige de hoeveelheden "schoon porselijn"
die Rumphius in zijn "Ambonse Historie" telkens weer opnoemt onder
den buit, door expedities der Compagnie in Celebes behaald. Maar die
handel was van een avontuurlijke soort, en de handelsman bijwijlen
roover, en dikwijls genoeg ook weer beroofde. Zoolang hij op zee was
moest hij zijn waar en zichzelf zien te weren tegen "het kwaadaardig
gebroedsel" van Ternate en Ceram, handelaars-piraten, als hijzelf. En
aan land was het nog wel zoo erg: daar loerde op hem zijn eigen
radja met zijn aanhang, tegen wie geen snelheid van schepriemen
en zeilen en geen scherpte van forsch gezwaaid zwaard hem helpen
konden. De vorst, of de edelman, of erger nog dan een van beiden,
de Arabische geldschieter, die den een als den ander in zijn macht
had, trad zijn huis binnen, zag er iets wat hem beviel, nam het. Hij
durfde niet kikken. Hij moest nog blij toe zijn om wat ze hem wel
wilden laten. Tegenover den edelman en den vorst had de gemeene man
geen rechten. In het binnenland van Celebes heeft die toestand zich
gehandhaafd tot in dezen tegenwoordigen tijd toe. Het nieuwe régime
pas, dat niet alleen in naam, maar ook inderdaad het Nederlandsche
gezag in de plaats van dat der inlandsche vorsten stelde, heeft er
een eind aan gemaakt. En van dien keer der zaken dateert de opkomst
en bij den dag in ongestoorde ontwikkeling rijkere bloei van den
inlandschen handel, waardoor het geheele dorpsleven veranderende is.

Een einde gemaakt heeft het Nederlandsche bestuur ook aan de slavernij:
"met één pennestreek." En men zou verwachten dat de uitwerking van dit
verbod een nog diepergaande zijn moest, en die nog grootere en snellere
veranderingen in de inlandsche maatschappij teweeg moest brengen. Op
dit oogenblik echter--hoewel het in de toekomst stellig veranderen
zal,--is dat niet het geval. De opheffing der slavernij heeft de slaven
zelven vrijwel onverschillig gelaten. Op den pasar van Singkang hadden
wij een ontmoeting, die ons van die onverschilligheid een merkwaardig
staaltje gaf. Er was daar een gezelschap danseressen, onder geleide
van een oude vrouw. Terwijl de meisjes in haar bonte kleedij, wuivende
sluiers en aureool van vergulde bloemen op lange stelen rondom haar
beschilderd voorhoofd trillende, een langzamen rondedans dansten, zong
de oude een lang, eentonig lied, naar de maat waarvan zij haar schreden
schikten. Toen zij zweeg, hielden zij op en verbraken den kring. De
oude kwam naar voren en nam het geld van de toeschouwers in ontvangst,
dat zij wegstak in haar slendang. De meisjes keken er zelfs niet naar,
onverschillig, als omtrent iets dat hen niet aanging. Wij hoorden
dat zij ook werkelijk geen het minste belang hadden bij de opbrengst
van hun arbeid. Zij waren het eigendom der oude vrouw, die hen, jong,
van hun ouders had gekocht, hen onderwezen had in dansen en zingen,
hen voedde en kleedde, en zich het geld, dat zij verdienden met haar
vertooningen, toeëigende. Het bleek een erkende instelling te zijn, en
een door het geheele binnenland verspreide. Het gebeurt wel dat zulk
een meisje een minnaar vindt en trouwen wil: dan moet de vrijer haar
loskoopen van haar meesteres. Het gebeurt ook wel dat er een wegloopt,
omdat zij het eeuwig rondzwervende en toch eng-gebonden leven niet
langer harden kan misschien, of misschien ook omdat de man, die haar
trouwen wil, geen geld genoeg heeft om haar vrijheid te koopen. Dan
wordt er jacht op haar gemaakt en de gevangene teruggegeven aan
haar meesteres. Natuurlijk: als het geval voor den ambtenaar van het
Binnenlandsch Bestuur werd gebracht, was het oogenblik van klagen en
het oogenblik van recht en vrijheid krijgen, één. Dat weten zij ook,
allen: de ouders die het kind "afstaan voor geld," de oude vrouw die
hen exploiteert, de meisjes zelven. En niettemin gaan de eenen voort
met onrecht doen in volkomen gerustheid, en de anderen met onrecht
lijden in volkomen gelatenheid. Vraagt men: waarom dan toch?, dan is
het antwoord: "Wij zijn het altijd zoo gewend geweest."

Dat was het antwoord dat wij kregen op de markt te Singkang; en dat
is het antwoord dat ambtenaars van het B. B. krijgen, wanneer zij
"slaven" trachten uit te leggen dat zij niet langer slaven zijn,
en vrij om te gaan waarheen, te leven zooals en te doen wat zij
willen. De "slaven" hooren de verklaring aan, hoffelijk en zwijgend,
naar inlander-manier. Maar bij zich-zelven denken zij: "Dat is weer
zulk een nieuwigheid van de Blanda's waaraan geen verstandig mensch
zich zal storen. Ik ben een slaaf geweest. Mijn vader en moeder
zijn slaven geweest. Mijn grootouders en overgrootouders, en al mijn
voorouders voor zoover iemand het kan nagaan zijn slaven geweest. Mijn
kinderen zullen ook slaven zijn. Als nu de Companie beveelt dat
dat anders moet worden, wordt het daarom anders? De Companie kan
wel bevelen dat wij inlanders allen een blanke huid moeten hebben
voortaan. Maar wij blijven bruin! Laat de Companie maar zeggen dat
wij voortaan vrij zullen zijn! Wij blijven slaven."

Een enkele heeft de openhartigheid het ronduit te zeggen. En dan valt
den "bevrijder" de repliek moeilijk.

"Slavernij" in het Hollandsch en "slavernij" in het Makassaarsch of
Boegineesch of Ternataansch of welke andere talen meer in Celebes
en in de Molukken gesproken worden, is niet hetzelfde. Zelfs voor
gekochte of geroofde slaven was de meester maar zelden hard: en
de slaaf op zijn erf geboren, als kind van ouders die zijner ouders
slaven geweest waren, was een lid van zijn gezin. De slaaf diende hem,
zeker. Maar ook vele van zijn arme bloedverwanten dienden hem. Bepaalde
grenzen omsloten de verplichtingen van den slaaf; daarbuiten had hij
ook rechten. Dat ging zoover, dat een slaaf eigen bezit kon hebben en
inderdaad dikwijls had. Zoodat het voor den Westerling onbegrijpelijke
geval zich voordeed, dat de slaaf rijk was, en de meester arm. En
dan was het juist de slavernij, die den rijken slaaf beschermde,
daar waar de vrije man onbeschermd bleef. De radja of de "edelman"
die een vrijen koopman plunderde, wachtte zich wel den koopman aan
te tasten, die, als slaaf, onder de bescherming van een anderen
grooten heer stond. Terwijl die groote heer zelf zijn slaaf ontzag,
gedeeltelijk omdat de adat dat voorschreef en gedeeltelijk omdat
hij hem als een huisgenoot genegen was. Dat de verhouding al sedert
eeuwen zoo geweest moet zijn, blijkt uit een verhaal, dat Rumphius
doet omtrent "den Koninck van Ternate, Hamsa" en Hamsa's slaaf "den
ouden roover Djouw Loehoe." Hamsa had den roover, dien hij op last
der Compagnie gevangen had genomen, weer losgelaten en op de toornige
vraag waarom, niet anders geantwoord dan "dat dezelve zijn slaaf was,
denwelke hij telkens weder konde krijgen als hij begeerde." Toen
de gouverneur-generaal hem aan zijn woord hield en eischte dat hij
Djouw Loehoe zou te voorschijn doen komen uit de sterkte, waar hij
zich in allerijl verschanst had, bleek de ware toestand. "Djouw
Loehoe wist den Koning niets ter wille, latende hem aanzeggen dat
hij wel bekende Zijn Hoogheids slaaf te wezen, maar dat hij voor die
reis niet konde afkomen, vreezende dat hij hem mede in onze handen
mocht leveren." De Koning vertrok dan met een langen neus." Waar van
zoo oudsher de verhouding van slaaf tot meester een zoodanige was,
is het ten slotte zoo verwonderlijk niet, dat de Westerling daarin
nog geen verandering teweeg heeft kunnen brengen.



Pampanoea en Watampone


Op den weg naar de golf van Boni en Badjoa, dat de schepen der
Paketvaart aandoen, is Pampanoea het op Singkang volgende station. De
zachtjes krakende en kabbelende veerpont brengt den reiziger naar
de overzij der Walanaë, en een landweg op die door een vruchtbare
zorgvuldig bebouwde streek loopt. Zij is dicht bevolkt. Groepjes
hutten, het al groeiende begin van gehuchten, staan overal tusschen de
akkers langs den weg. De heerschende bouwtrant is hier dezelfde als op
Makassar: het huis dat van bamboe-reepen gevlochten is, staat manshoog
op palen. De voorzijde heeft drie langwerpig hooge vierkante openingen
als vensters, die dikwijls hetzij met gebeeldhouwde stijltjes, hetzij
met gordijnen zijn versierd, wat een Westersch-properen en gezelligen
glimp geeft aan het geheel. Aardig komen de gezichten der bewoners
te voorschijn binnen die omlijsting, wanneer zij den voorbijrijdenden
reiziger nakijken. Wij zagen twee van zulke huizen in aanbouw. Van het
eene stonden de gevel, vensters en alles voltooid, tegen het bloeiende
citroen-boschje van het erf geleund, te wachten op het gereed komen
van de zijwanden en den achtergevel. Het huisgezin was bezig die te
vlechten, met hun allen op den grond gehurkt rondom een rooster van
platgeslagen en gespleten bamboelatten, dat zij dichtten met behendig
doorgestoken reepen. Voor den avond zouden zij wel klaar zijn, leek
het, en de vier wanden, aan de randen samengehecht met een windsel
van rottan, dat tegelijk stevigheid en versiering geeft, vastgemaakt
hebben aan de bamboestijlen en op den houten vloer. En den volgenden
dag kon dan het dak er op, waarvoor de bedekking,--droog blad van den
arenpalm tot strooken saamgevlochten,--op den pasar van Singkang was
gekocht. En de buren, gekomen om te helpen aan den bouw, zouden met het
gezin de inwijding der nieuwe woning vieren bij een maaltijd waarvoor
ieder een portie spijzen had meegebracht. Het andere huis, waaraan
wij de bouwers bezig zagen was een al bewoond, dat vergroot werd. De
verbouwing had geen verhuizing noodig gemaakt. De wijdere wanden en
het hoogere dak waren om en over het oude huisje heen gezet; klein,
donker en dicht zat het binnen in de ijle overhuiving. In het bruine
tinteldonker achter de deur-opening kwam het huisgezin te zien, dat in
zijn snellen groei het stulpje zoo naar alle kanten uiteen had geduwd:
zeker een dozijn kinders, dicht om de moeder en een dampenden pot rijst
heengedrongen. Ieder kreeg zijn portie op een stuk pisangblad bij wijze
van een bord. Het allerkleinste werd gevoerd met balletjes samengeknede
rijst, die de moeder hem met den duim achter in de keel duwde,
onbekommerd om zijn gehuil: een schreeuw, een prop, een schreeuw,
een prop, om de beurt. Terwijl dus beneden in het oude huis gegeten
en gevoerd werd, werd gewerkt boven in het nieuwe; onder de handen
van den schrijlings over den nok gezeten huisvader vorderde het dak.

Wij bereikten Pampanoea even voor den middag. Na Singkang met zijn
bedrijvig gewoel langs de rivier en op den pasar, en zijn dicht
aaneengedrongen huizen, lijkt dit Pampanoea, dat de officieele
hoofdplaats van de streek en een garnizoensplaats is, al heel klein
en stil. Strategische redenen hebben de keuze van het gouvernement
bepaald: Pampanoena is van meér punten uit en gemakkelijker te bereiken
dan Singkang, waarheen de hoofdweg de in ontelbare bochten slingerende
rivier is. Als garnizoens-plaats heeft het dorpje een "ver-Hollandscht"
voorkomen; breede, rechte, goed onderhouden wegen en een aardig park,
waaromheen de huizen der officieren gelegen zijn. Het inlandsche
dorp, van deze omgeving uit niet te zien, heeft ook iets Hollandsch:
in zooverre namelijk, als het ordelijk en zindelijk is. Aan het eigen
goedvinden van de bewoners overgelaten is een inlandsch gehucht dat
zelden of nooit. Het materiaal waarvan de huisjes zijn gebouwd is
van het lichtste: het heeft veel te verduren van het klimaat, in de
lange stormachtige regentijden: reparatie is altijd door noodig. En
dat is iets waartoe een Oosterling zichzelven niet gauw of graag
brengt. Of het om een wonderwerk van architectuur als een Balischen
tempel gaat, of om een boerenhutje hier in het binnenland van Celebes,
dat is hetzelfde. Wat eenmaal vervalt dat laten zij liefst verder
vervallen. De Baliërs hebben het zelfs verstaan aan deze hun trage
nalatigheid een glimp van godsdienst te geven: de goden willen niet dat
het vervallende hersteld worde. Het moet vervallen tot het niet meer
is. En dan moet de ledige plaats ingenomen door het nieuwe. Makassaren
en Boegineezen, Moslims, houden zulke bespiegelingen niet. Maar hun
practijk is dezelfde. Men kan huizen zien van welgestelde gezinnen
waar het dak in flarden van afhangt. Een vergelijking van gehuchten
als Alakoeang of Teteadji in de afgelegen meren-streek met Singkang of
Paré Paré of Pampanoea, standplaatsen van ambtenaren van het B. B.,
maakt de verandering duidelijk die Westersch toezicht in Oostersche
toestanden te weeg brengt.

Althans in woning-toestanden; in andere opzichten blijken sleur en
vooroordeel dikwijls nog te sterk. Bijvoorbeeld in dat van hygiëne. De
inlander heeft daarvan geen begrip. Getuige de manier waarop een
moeder haar kokhalzend kind volstopt met voedsel--en met wàt voor
voedsel soms! "Als mijn kind niet eet, sterft mijn kind." Als al
slikkende "mijn kind" tòch sterft--en ach! in getale sterven de
kleinen in inlandsche dorpen!--dan is het de "wil van Toean Allah"
geweest. Evenzoo is het de wil van Toean Allah wanneer in tijden van
epidemie vele honderden menschen sterven, die uit stinkende slooten
en poelen drinken; of wanneer zeere oogen met een slip van gore
kleedij afgewischt, dof worden en blind; of als huidziekten en wonden,
aan het toeval overgelaten, een mensch den dood aandoen. "Zeker was
het zijn uur om te sterven." In geheele streken van Celebes zijn de
pokken epidemisch. Het bestuur heeft de vaccine-campagne er tegen
begonnen. Maar nu het volk er toe te krijgen dat het aan die om
zijnentwille begonnen campagne meedoet! Alweer: het is de wil van
Toean Allah volgens welken een mensch de pokken krijgt of niet krijgt:
en aan dien wil verandert geen medicijn iets. Soms hoort men nog een
andere reden opgeven voor dien algemeenen onwil. Om der zonderlingheid
wille dient zij vermeld, zij het dan ook al onder voorbehoud. Velen
gelooven, zegt men, dat wie eenmaal de pokken heeft gehad in
dit leven, in het volgende er van verschoond zal blijven. Daarom
vinden zij het zaak de ziekte te hebben, en wie zoo ongelukkig is
niet vanzelf haar te krijgen, gaat naar een fortuinlijker buurman
en haalt een beetje besmetting. Het moet geen geringe voldoening
zijn in een tijdelijk geschonden gezicht den waarborg van eeuwige
schoonheid te bezitten!--Meenen zij het werkelijk zoo? Men hoort
het, en men leest het zelfs in officieele mededeelingen. Maar het
blijft altijd uitermate moeilijk te weten te komen of zoo iets een
persoonlijke opvatting is, of eene misschien tijdelijk of toevallig
in een bepaalde streek heerschende, waar de een of andere dweepzieke
fantast vat gekregen heeft op de kinderlijke gemoederen, dan wel of het
werkelijk een algemeen vastgehouden overtuiging is. De Oosterling is,
om redenen voor hem voldoende, zeer gesloten tegenover den Westerschen
overheerscher. En ook wie met al den ijver en de belangstelling die
uit oprechte sympathie voortkomen zijn leven gadeslaat, zal zich
moeten neerleggen bij het besef, dat hij niet dan in zeer zeldzame
gevallen meer dan den buitenkant er van te zien krijgt.

De verbinding van het binnenland met de golf van Boni gaat langs de
rivier, die bij Singkang de Walanaë heet en verderop twee, driemaal
van naam verandert, bij het opnemen van andere stroomen. De mail, die
de booten der Paketvaart te Badjoa afgeven, wordt in een sloep aan
wal gehaald en met een stoombarkasje het binnenland in gebracht. De
menschen wachten op die barkas als een kleine honderd jaar geleden,
klein-stedelingen door heel Europa wachtten op de post-koets. En wie
kan, schikt zijn reizen naar de vaarbeurten van het bootje, liever
dan over de moeilijke wegen een tocht te ondernemen. Ook wij deden dat.

Van het midden van haar breeden vloed uit, die goor en dik van
opwolkende modderwervelingen langs de flanken der barkas stuwde, zagen
wij de rivier laag in haar bedding liggen. Slijkerig zwart langs den
zoom van het water, grauw omkorst hoogerop, hingen ontbloote wortels
van boomen en struweel. In den nacht nog, klaarblijkelijk, was het
water onder het toch al buitengewoon lage peil verder gezakt. Het trof
te meer te hooren, hoe kortgeleden nog diezelfde trage slinkende stroom
den geheelen omtrek langs zijn beide oevers onder water had gezet,
en de opkomende maïs-velden der dorpelingen had doen verrotten in
een vloed die drie maanden achtereen bleef staan. Een bleeke streep
langs de stammen van den steilen oever was er van achtergebleven
als een peil-merk der natuur zelve. En een ander merk zou de zoeker
kunnen vinden in leeg geworden huisjes en verzwakte lichamen. Zulke
schommelingen tusschen verdorring en watersnood zijn niet zeldzaam
in deze streek, waar weken achtereen soms een heete van kalkdeeltjes
doorstoven wind van de verschroeide hoogvlakte overheen blaast, en
in den regentijd de bergen, als een dijk in de luchtzee staande, den
Westmoesson tegenhouden, waarop de zware regenwolken komen aangezeild.

De kronkelige rivier kan de plotselinge vloeden niet verzwelgen noch
snel genoeg afvoeren. Regularisatie is allerdringendst behoef. Maar
ook hier weer is het--waar moet het geld, waar moeten de arbeiders
met het hoofd en de arbeiders met de handen vandaan gehaald?

Voorshands wordt er gewerkt aan nieuwe wegen en het is een lust om
te zien hoe die vorderen, een lust om te zien ook dat het volk,
in heerendienst opgeroepen, er aan werkt zooals menschen werken
die weten hun eigen belang te dienen. Zij hebben het ervaren,
dat zij langs een ordentelijken weg gauwer vooruitkomen, meer
kunnen verdragen en vervoeren van huis naar pasar, meer kunnen
verdienen dus met minder moeite, dan langs de ruige paadjes over
stok en steen, door poelen en kreupelhout, waarmee zij vroeger zich
tevreden stelden. Zoo iets stellen de geboren handelslui die zij zijn,
op den rechten prijs. Hetzelfde geldt voor den aanleg van telegraaf-
en telefoonlijnen. Zij kenden in het begin het gebruik er niet van. En
toen kwam het voor dat zij, in alle onschuld, de leidingen doorsneden,
om van dat mooie, blinkende metaaldraad arm- en enkelbanden voor hun
kinders te maken. De leiding was, in hun idee, "een wegwijzer voor
de Companie" en wèl zonde en jammer daarvoor metaal te gebruiken,
terwijl het toch met rottan precies even goed ging: waarom zij,
eerlijk, overal waar zij draad wegnamen, er rottan voor in de plaats
inlaschten. Maar sedert een invloedrijk hoofd, half verdwaasd van
blijden schrik, de stem van een ver verwijderden vriend door de
telefoon te hooren kreeg, en aan al zijn volgelingen het wonder mee
ervaren liet, heeft dat opgehouden. Op zijn hoogst wordt een heel
enkelen keer door dezen of genen, wien vaderliefde en schoonheidszin
al te sterk worden, een heel klein eindje gediefd van het draad dat
de palen aan hun stut verbonden houdt.

Bij een van de vele kleine gehuchten die als lafenis zoekende kudden
langs den oever zich neergelegd hebben, verlieten wij den stroom en
zochten een eind ver langs den nieuwen en voor onze oogen groeienden,
daarna langs den ouden, vervallenden weg, de richting naar de grot
van Mampoe. Er was ons gezegd, dat het gezicht daarvan alléén al loon
genoeg was voor meer tijd en moeite dan de reis door Paré Paré en Boni
kost. Zoozeer gespannen bleek onze verwachting toch nog kleiner dan de
werkelijkheid. Iets zoo fantastisch-schoons als dit binnen-bergsche
gebouw van blanke zalen, hoog als het schip van een kathedraal en
gedragen op zuilen waarlangs het afdruipend gesteente als tapijten,
als vaandels, als prachtig gewonden kransen en festoenen hangt,
vermag de verbeelding niet zich voor te stellen.

De ingang is weinig bemerkbaar, verscholen als hij ligt onder de
overhangende helling van den berg en al het dichte groen dat daar
weeldert in den zonneschijn. Achter de lage, lange poort ligt al een
drempel steenachtige grond, waar nog het daglicht helder schijnt, en
schaduwtjes van hangende ranken luchtig liggen. Daarachter, opeens,
zinkt de vloer omlaag, rijst de welving omhoog, wijken de wanden in
schemering. Een duisternis in de verte is de neerglijdende ingang
tot een nog wijdere spelonk. Klein bewegen de lichtjes er door
heen van de in bossen saamgebonden dorre palmtakken, waarmede als
met smeulende flambouwen de inlandsche gidsen voorgaan. Als zij de
toortsen met een zwaai doen ontvlammen, staat een ruimte belicht wit
als versch ivoor: een zuiver-witte koepel langs vijf zuiver-witte
zuilengroepen opgegroeid uit een wittig-grijzen grond. Geen zweem
van kleur, geen verste echo van verstervend geluid breekt de witheid
en de stilte. Achter de machtigste der veelvuldig samengestelde,
opwaarts strevende, neerwaarts vlietende zuilenbundels ligt de
uitgang onzichtbaar.

De smalle gang klimt, herwint den half-dag van de voorste grot,
kronkelt door hoekig versperde nauwten naar daarboven en daarachter
gelegenen. In de eene valt de zonneschijn door de bres, die een
geweldige aardstorting heeft gemaakt in de flank van den berg. Een
jonge boom groeit slank door de opening omhoog. Luchtwortels hangen
er in af van een waringin, die ergens, buiten staat. Tot een andere
hebben regen en plantengroei een weg gevonden langs verborgen
scheuren. Als een wonderlijke hemel, waaraan de regenboog schijnt,
staat het wittige verwulft gestreept met breede banden groen, bruin,
oranje en rood. Er is een derde, een vierde, een vijfde, waar het op
den grond afgedropen steen-vocht tot vormen zich heeft geschikt, die
het leven in de natuur daarbuiten nabootsen. Daar ligt--de Inlandsche
gidsen houden hun takken-flambouwen hoog om het vlammenschijnsel er
over te doen spelen--"de gestrande prauw," wier stuurman in zorgelijk
nadenken op de plecht zit, het hoofd op de rechterhand. De "krokodil
en de schildpad" kruipen naar het zwarte hol toe, dat de oever lijkt
van een ondergrondsche rivier. Een kudde herten is versteend in de
houding van doodelijk-beangste vlucht voor den jagenden ruiter en
zijn honden. En het rijstveld wordt aangewezen op een brokkelige
steilte, waar een reusachtige schoof donker tegen het licht staat
van de daarachter gelegen instorting. En "het graf van den Radja,"
die op de jacht hierheen verdoold, den weg terug niet meer kon
vinden, en het hoofd op de steenen neerleggend, zich overgaf aan den
eeuwigen slaap. Zijn Raden ajoe is hier, die hem ging zoeken; en de
geheele stoet van vrouwen, die haar volgde. Maar achter die zalen
van een roerloos gedrang van steenen gestalten vol, liggen andere
ruimten, ledig geheel en al. Door het wittige zand, dat den vloer
fijn bestrooit, valt een van verre gekomen licht, blauwachtig als
het schijnsel van de maan. En in weder andere hangen aan de wanden
zonderlinge klompen, zwart tegen grauw, en een voortdurend geruisch
vervult de lucht, dat doet denken aan het schurende spoelen van een
rivier over steenachtigen grond. Hier is het kil. Telkens waaien
lichte vlagen koude. En men begrijpt niet waar vandaan, in deze van
alle zijden besloten spelonk, tot de fakkeldragers, hun toorts in
een snellen cirkel zwaaiend, het licht opwerpen tot aan de welving,
waar, in een zwarte werveling, tienduizenden vleermuizen warrelen,
die de lucht wannen met hun reppende vlerken.

De doolhof van zalen en gangen met zijn wonderlijke versteenigen
heeft in de verbeelding van het volk een weerspiegeling geworpen
van legenden, even wonderlijk als verward. Het bleek ons dat zij
gaarne die vertellen. Geheel anders dan de eene deed de ander het. Hun
stemmen mompelden en morden in de bedompte lucht, terwijl zij elkander
tegensprekend in de rede vielen. Maar de meesten hielden toch vast aan
het verhaal van den Radja en zijn gemalin, die voor vele honderden
jaren, door een boozen geest in gestalte van een jachthond verlokt,
deze grot binnengekomen waren en na lang dwalen versteend. En wij
bemerkten, in het heengaan, dat bij "het graf van den Radja"--den
kring kleinere steenen die een groot, langwerpig blok omringt--eenige
vruchten neergelegd waren als offer.

Na de duisternis, de koelte, het zwijgen, kwam ons toen het zonnige
landschap en het groepje huisjes waar vrouwen aan het rijst-stampen
waren, vreemd voor. En gedachten over de legende van den jager en zijn
liefste reden met ons mee langs den dagelijkschen weg naar Watampone.

Watampone, een garnizoensplaats nu en een druk handeldrijvend inlandsch
dorp, is de oude residentie der vorsten van Boni. Reliquieën uit hun
glorie-tijd worden als in een soort museum bewaard in een huisje van
hout en atap, tot het complex van het vroegere vorstelijk verblijf
behoorend, en de nawerkingen van het oude regime zijn nog sterk in
de inlandsche maatschappij.

De "rijks-sieradiën van Boni" werden ons vertoond door den bewaker,
een oudachtig man, die in gelaat, gebaren, spraak en houding, in
zonderlinge vermenging, tegelijk iets priesterlijks had en iets
slaafs. Voor hij de zware kisten opende, ontstak hij een reuk-offer
van "doepa" in een bronzen komfoortje, dat een gerimpeld oud vrouwtje,
stellig ook een slavin vroeger in het vorstelijk gezin, hem bukkend en
hurkend bracht. Toen nam hij, met ceremonieuzen omslag, de schatten
uit hun schrijn. Daar kwamen eerst kostbare wapens te voorschijn,
zwaarden, als die Balische edelen in hun familie-schat bewaren, met
"pamor" ingelegd staal, geborgen in een gouden scheede, prachtig
gedreven en met robijnen en diamanten versierd. Toen werden zijden
vaandels ontvouwen, beschilderd en geborduurd. Het eene was de vlag,
die gouverneur-generaal Speelman namens de Oost-Indische Compagnie
aan den Bonischen bondgenoot vereerde: op de breede, witte zij, licht
vergeeld van ouderdom en in de vouwen gebroken, staat een met volle
zeilen en wapperende driekleur varend Hollandsch schip geschilderd,
tusschen zon en maan, die, als reuzen verbeeld, elkander de hand
reiken, terwijl een rondom loopende zinspreuk verklaart dat Boni en de
Edele Compagnie vereend zullen blijven zoolang als zon en maan zullen
schijnen. Twee saamgeklonken ijzeren ringen, door inlegsel van goud
sierlijk gemaakt, verzinnebeelden verder dat verbond,--duidelijker
dan in de bedoeling van den gever gelegen kan hebben: inderdaad,
het goud is voor de Edele Compagnie geweest, en het ijzer voor
Boni! Een gouden keten, geweldig zwaar en dik, van het soort dat
Rumphius bedoeld moet hebben, als hij schreef van "gouden slangen,"
gevormd door schakels niet, maar door gróote schubben, toont hoe de
Compagnie haar bondgenoot dankte voor hulp met de wapenen. Zij werd
aan den Vorst van Palakka vereerd, na zijn gelukkige veldtochten
in West-Sumatra en in Noord-Celebes, in 1672. En de scalp van den
vorst, de lange, grove zwarte haren los er langs zwierend, wordt als
allerkostbaarste reliquie vertoond, zorgvuldig gespannen over een
houten schedel. Er is sprake van geweest de "rijkssieradiën van Boni"
over te brengen naar Batavia, waar zeker het vele goud en edelgesteente
veiliger zou wezen dan hier. Maar men heeft ze in Watampone gelaten,
met ommezicht naar de gevoelens der bevolking. Het blijkt immers uit
de offers van wierook, bloemen en vruchten, geregeld nedergelegd in de
grafkoepels der sultans, een eindweegs buiten het dorp, hoezeer zij nog
steeds gehecht is aan de nagedachtenis van haar oude vorsten. Men zou
met recht mogen vragen, waarom dan toch? Veel goeds heeft zij waarlijk
van hen niet ervaren! Maar datgene wat de dessaman op het sultansgraf
komt eeren, is zeker niet deze of gene Aroe, van wiens daden, goed
of kwaad, hij immers niets weet; maar, eerder, een vage voorstelling
van eigen land en stam vereenzelvigd met de reeks zijner heerschers.

Van den laatsten, die door den Boni-oorlog--(als men met zulk een
groot woord éen enkel gevecht mag noemen)--uit gezag, huis en land
verdreven werd, hoort men spreken als van een goedaardigen zwakkeling,
geheel versuft door opium-schuiven. Zijn eenig genoegen--en eenige
bezigheid tevens--was het visschen. Het beheer of wanbeheer over
zijn land liet hij over aan de "anak aroeng" (de afstammelingen der
vorstelijke familie en de edelen), en aan de Arabische geldschieters,
die die anak-aroeng, en hem zelven ook, in hun macht hadden, als
geldschieters niet alleen, maar ook als bloedverwanten; want de
Arabieren, slimme politici, waren veelal met vrouwen uit de heerschende
families getrouwd. Het nieuwe bestuur heeft nu een eind gemaakt aan
wat men "de wettige macht van den adel" zou kunnen noemen. Niet langer
kan een anak-aroeng het paard van een dorpeling verbeurd verklaren,
omdat het onder zijn huis door is geloopen, of de karbouw van den
dorpeling, omdat die langs den rand van zijn veld heeft gegraasd. En
hij zal het ook niet meer wagen een rijstveld van den kleinen man
te laten afoogsten of uit het huis van een Boegineeschen handelsman
te halen wat hem belieft. Maar de macht en het aanzien, door oude
traditie hem verleend, heeft de adel ook onder het nieuwe regime
behouden. Gewillig buigt de geringe man daarvoor. Het is zelfs niet
zeldzaam dat hij gehoorzaamt, wanneer een anak-aroeng hem een bevel
geeft, voor zijn eigen welzijn gevaarlijk; een bevel, bijvoorbeeld,
tot moord. Eenige maanden geleden werd in een dorp, aan de Noordkust
van de Golf van Boni gelegen, een afschuwelijke moord gepleegd; bij
het gerechtelijk onderzoek verklaarden de daders op bevel van een
anak-aroeng gehandeld te hebben. In de gevangenis van een ander dorp
in deze streek zag ik zelf twee vrouwen, die te zamen een oud paar
hadden geworgd. Het paar stond in het dorp bekend voor gifmengers. De
radja had bevolen hen te dooden. De twee vrouwen hadden het gedaan. De
zaak was nog niet ten volle onderzocht en bewezen: maar er werd, in
dezer voege, over gesproken als over iets dat volkomen vast stond
en aan allen bekend was. Niemand scheen er iets afkeurenswaardigs
in te vinden. De twee vrouwen hadden kalme, zachte gezichten. Toen
ik ze zag in de gevangenis, waren ze bezig met hun beiden een klein
meisje, het kind van de jongste der twee, te voeren. Het zat op het
matje tusschen de twee in. En de oudere vrouw zag het zoo vriendelijk
aan als de moeder zelve. Het zal wel onvermijdelijk wezen dat zij
gestraft worden voor moord. Maar even onvermijdelijk zal hun gelaten
afkeuring van het vonnis zijn. Zij hebben immers niet anders gedaan
dan wat zij meenden te moeten doen: gehoorzaamd aan hun meerdere.

De adel onderhoudt het denkbeeld van die meerderheid in het volk en
in zichzelf door de handhaving van een uiterst strenge kasten-wet. De
geboorte bepaalt uitsluitend de waarde van den mensch. Omdat hij de
zoon was, niet van zijns vaders gemalin, met hem in rang en afstamming
gelijk, maar van een bij-vrouw, uit geringere familie voortgekomen,
werd de laatste Radja minder dan zijn voorgangers geëerd. De dochter
van een aanzienlijk geslacht huwt niet met den zoon uit een minder
edel. Liever blijft zij ongetrouwd, zoozeer dat tegen alle Oostersche
denkbeelden en zeden ingaat. Er zijn verscheiden "prinsessen" op
Celebes, dochters van regeerende vorsten of regeerende vorstinnen
(want ook vrouwen regeeren hier) die om die reden niet trouwen.

De jonge man van goeden huize heeft, van de eerste jongelingsjaren af
al, een niet-officieele vrouw. Als kind is zij zijn dienend speelnootje
geweest; zijn slavinnetje zou zij kort geleden nog geheeten hebben. Op
zijn dertiende of veertiende jaar is zij door zijn moeder hem als
vrouw gegeven. Gaat hij later een huwelijk aan met een vrouw van zijn
eigen stand, dan moet hij de laag-geborene verwijderen: een vrouw van
adellijken stand behoeft geen bijvrouw te dulden. Zóózeer heeft het
standsbegrip zelfs de Mohammedaansche zede gewijzigd, die toch voor
onaantastbaar geldt. Nog meer. Ook het huwelijk tusschen gelijken in
rang blijft door die gelijkheid beheerscht en van haar afhankelijk,
zooals het op haar gebaseerd is. Een vermindering in aanzien van de
ouders brengt vermindering in aanzien van de dochter teweeg: zij is
niet langer haars mans gelijke, zij heeft niet langer haar adellijke
voorrechten; hij kan, om zijn eigen rang en voorrecht te handhaven,
haar verstooten. Het gebeurt herhaaldelijk, naar mij verzekerd wordt,
dat een schoonzoon zich dus losmaakt van aan lager wal geraakte
schoonouders, om het even wat de oorzaak van den achteruitgang zij,
eigen schuld of ongeluk.

Het natuurlijk gevoel blijkt, dat spreekt vanzelf, dikwijls sterker
dan al dat kunstmatige. Een man weigert zijn laag-geboren liefste te
verstooten om de wille van de aanzienlijke vrouw, die zijn ouders hem
bevelen te trouwen. Een jonkman en een jong meisje willen zich niet
laten dwingen door de conventie, die op grond van verschil in stand
hun vereeniging verbiedt, en vluchten te zamen.

Elk geval van dien aard maakt een steen los uit het oude gebouw
van feodale instellingen. En het schijnt wel dat in den laatsten
tijd zij al veelvuldiger worden: de rebellen weten immers dat het
Westerlingenbestuur hen beschermen zal tegen de vergelding, die
onder het oude regime stellig hen getroffen hebben zou. Gelieven
zoeken hulp en toevlucht bij den "toewan petor" (als, met een
echt-inlandsche vervorming van het oud-Portugeesche "fettor" de
controleur wordt genoemd) zooals Romeo en Julia het deden bij den
vromen klooster-broeder--vertegenwoordigers, de een en de ander,
van een gezag boven familietwisten of stands-verschil verheven.

Maar, hoewel in aantal toenemend, blijven zulke gevallen toch
uitzonderingen. De regel is: de traditie. Traditie houdt de vereering
levendig voor den vorst, den onder Nederlandsch gezag "regeerende" of
den uit alle macht ontzette en buiten de landpalen verbannene. Traditie
houdt de voorrechten hoog van den adel. Traditie beheerscht huwelijk
en gezinsleven. En er zal nog heel wat water door de Walanaë loopen,
voor dat verandert.

Als veelal in streken met nog maar gebrekkig ontwikkeld verkeer, vindt
men ook in het binnenland van Paré Paré en van Boni dicht bij elkander
gelegen plaatsjes elk met zijn eigen bijzonderheden op zichzelf staan:
wat het eene voor gewoonte heeft is in het andere uitzondering, wat
het eene maakt is in het andere niet te krijg. Pampanoea en Watampone
zijn maar ettelijke uren gaans van elkander verwijderd, maar elk
van de twee heeft zijn eigen industrie, in het ander onbekend. In
Pampanoea is het vlechtwerk van fijn slag. De vrouwen maken daar
allersierlijkste mandjes--men zou ze om het fatsoen beter schaaltjes
met overgestulpten deksel noemen--soms van bladerreepen, die zij eerst
verven, en die zij, in hun sprekende kleuren, weten te schikken tot
allerlei aardige patronen; en soms (dat is de kostbaarste soort) van
de goudgele glanzende en buigzame stengels eener orchidee. Stapels
van dat aardige goedje kan men op den pasar daar vinden. Vraag er
naar in Watampone: "dat maken de menschen hier niet." Daarentegen
maken ze heel mooi aardewerk: lampjes, komforen en koelkruiken van
velerlei fatsoen en versiersel; zelfs het grofste, dat op den pasar
bij hoopen opgestapeld staat, en voor een paar duiten het stuk wordt
verkocht, is aardig om te zien. Onder het fijnere, waarvoor zuiverder
klei wordt gebruikt, die bij het bakken een bijzonder mooie warm-roode
kleur krijgt, zijn ware pronkstukjes van primitieve kunst. Men zou
deze naïeve ceramiek, evenals het vlechtwerk van Pampanoea, wijder
bekend en gewaardeerd wenschen, ware het niet dat dan het gevaar zou
kunnen ontstaan, dat overal dreigt waar kunstwerk handelswaar wordt:
dat om de wille van de winst de kunstenaar zijn waar vervormt naar
den minder goeden smaak van den kooper. Aan het batik- en koperwerk
van Java kan men het zien hoe noodlottig Westersche navraag wordt
voor Oostersche kunstnijverheid.

De pasar van Watampone, waar wij het mooie aardewerk vonden, werd
geheel beheerscht en geregeerd door een statigen, zwierig gekleeden
Arabier. Hij toonde ons de markt of het zijn eigen huis en erf was,
hij maakte met ons "le tour du propriétaire." Alles week voor hem
op zij. Hij had, hoorden wij, de pasar-rechten gepacht. Te Singkang
was het eenige huis, dat een zinken dak had en hoog daarmee uitblonk
boven al die bruine atap-nokjes, ons van verre al gewezen als het
huis van een Arabier. En we hadden gehoord van de feesten waarmee
hij een volle maand lang het huwelijk van een zijner dochters zou
vieren. Klaarblijkelijk hebben de Arabieren een goed deel herwonnen
van wat zij al verloren hadden gegeven, toen zij voor de naderende
troepen Boni ontruimden, nu vier jaar geleden.

Hun bondgenooten van toen, de anak-aroeng, hebben zich niet zoo goed
weten te schikken naar de veranderde omstandigheden. Met den val van
den Radja--hij, arme sukkel, zucht nog altijd dat hij den oorlog met
"de Compagnie" niet gewild heeft, hij vroeg niet anders dan in rust
en pais zijn opium te mogen schuiven en zijn vischje te vangen,--met
den val van den Radja viel hun geheele staat. Het gouvernement volgt
een politiek van conciliatie tegenover de vroegere machthebbers:
jaargelden en decoraties aan de vorsten, benoemingen tot aanzienlijke
ambten aan de anak-aroeng. Maar het getal van zulke ambten is beperkt,
de oudste zoons komen als eersten in aanmerking, de jongeren moeten
zichzelven zien te redden. Dat kunnen (of willen) zij maar zelden; zij
zijn nu eenmaal gewend aan het zoete niets-doen en lui-lekker-leven
van den kraton, gewend aan het verzorgd, gevoed en gediend worden
door slaven. Als de familie hen niet onderhoudt--en families zijn
nog al eens weigerachtig!--rest hun niet anders dan stelen: werken
natuurlijk buiten quaestie zijnde. En nu ook die tijden al weer
voorbij zijn, toen het stelen in grooten stijl mogelijk was, op zee
in snelle roofschepen, of te land onder zulk een vaandel als Speelman
aan Aroe Palakka vereerde, doen zij het bescheiden in het klein:
als veedieven. De besturende en rechtsprekende ambtenaren hier in
de streek hebben meer dan met iets anders last en werk met klachten
van dorpelingen over vee-diefstal. En slag op slag zijn het jongere
zoons uit anak-aroeng families, die als aanvoerders der dievenbenden
ontdekt worden. Het geringe volk, zoo gedwee het in andere opzichten
tegenover den adel zich houdt, verdedigt zijn rechten op het stuk van
het bezit. De wetenschap, dat het een anak-aroeng is, die zijn span
buffels heeft weggehaald uit het veld, of van zijn vetste koe niet
meer dan de horens en de hoeven heeft achtergelaten in een boschje
even buiten het dorp, weerhoudt den dorpeling niet van een klacht
bij den "toean pettor."

Hij zou zeker beter kunnen doen dan klagen: hij zou kunnen
voorkomen. Het ligt voor een goed deel aan hemzelven dat hij
bestolen wordt. Nergens wordt zoo slecht als hier in de streek voor de
veiligheid van het bezit gezorgd. Het vee wordt 's nachts niet naar het
dorp teruggedreven en opgesloten in stal of kraal: het blijft buiten,
in kampen, die, op zijn best, met een muur van los opeenliggende
steenen omheind zijn. Op zijn hoogst tegen de wilde varkens is dat
een afsluiting. Er is gepoogd het volk tot doelmatiger verzorging van
zijn eigendom te brengen; vergeefsche moeite. Naar hun voorgeven is er
geen plaats op de erven voor een stal, geen plaats in het dorp voor een
kraal, geen tijd om beter afsluiting te maken, geen mogelijkheid om op
gezamenlijke kosten een waker aan te stellen. Inplaats van overreding
is bevel geprobeerd: het hielp zoolang als de bevelende op de plaats
bleef, maar geen dag langer. Verdween hij, dan verdween de dwang,
en verheugd keerde alles terug tot de zoete vrijheid om zorgeloos
te zijn. Het is misschien een van de vele slechte gevolgen van het
Oostersch-feodale stelsel, nog zoo kort geleden hier het heerschende,
dat dit volk niet tot gemeenschappelijk overleg en samenwerking te
krijgen is, overal scheidingen van rang en stand gevoelende. In dat
geval kan het nieuwe regime verbetering brengen, ook hierin. Hoe
spoedig al, of over hoe lang eerst, dat zal, onder andere, afhangen
van het tempo waarin de middelen van verkeer zich ontwikkelen. In
het binnenland is daarvan nog maar het allereerste begin aanwezig.

Watampone met zijn overkoepelde sultansgraven, zijn rijkssieradiën
en feodale tradities, met zijn krachtig opkomend nieuw leven ook,
dat onzeker nog naar nieuwe ruimte zoekt, is maar een uur rijdens ver
van Badjoa, het havendorpje aan de Golf. De reiziger doet evenwel wijs
als hij veel meer dan dien theoretisch-noodigen tijd er voor neemt om
naar de boot te komen. Bij laag-water moet hij een halven kilometer
ver over slib geschoven, aan gene zijde van dat breede slijkstrand
eerst kan hij uit de smalle prauw, die een dozijn inlanders voortduwen,
overstappen in de zeilboot, die hem de volle zee inbrengt, en langszij
den Paketvaart-stoomer. Ons ging het zoo. Omdat de telefoon-verbinding
tusschen Paloppo en Watampone verstoord was (en werkelijk toch nergens
draad gestolen!), zoodat wij niet te weten konden komen hoe laat de
boot de vorige haven op haar koers verlaten had en wanneer zij dus te
Badjoa kon zijn, waren we daarenboven nòg een uur vroeger dan wegens de
ebbe noodig geweest zou zijn op weg gegaan. Het dorpshoofd, dat ons te
Badjoa opwachtte, een dikke jonge kerel, bijzonder kruiïg gekleed in
een zwart jasje met blinkende knoopen en een rozerood-en-wit geruiten
sarong, sierlijk opgewipt over zijn ter zijde uitstekenden kris, ried
voor alle zekerheid den tocht over het slijk maar dadelijk te beginnen,
en op zee het oogenblik af te wachten waarop de rookpluim der stoomboot
aan den horizont opging. Aan den voet van den steiger lag de vlerkprauw
al te wachten, en de twintig heerendienstplichtigen waren ter plaatse,
die haar over het slibstrand zouden trekken: zij ging namelijk om de
mail voor het binnenland van boord te halen. Als op de Walanaë zouden
ook op het slijkstrand wij weer passagiers met de post zijn.

De twintig mannen grepen de vlerken aan, waarmee de uitgeholde boomstam
straks op het water zijn evenwicht zou houden. Zij schoven en trokken,
met hooge stemmen elkander toeroepend, terwijl zij tot halverwege de
knieën voortplonsden door het groenachtig grijze zeeslib. Rondom, hier,
daar, ginder, waren menschen en vogels aan het krabben-zoeken. Geheele
scharen meeuwen trippelden over het slijk, reigers stonden op lange
pooten, naakte kinderen liepen er tusschen door, die hun hand in
blootgekomen gaten staken en er een spartelende klauwende krab uit
te voorschijn trokken. Wij zagen de verschrikte beesten wegvluchten
voor het schuddende naderen der prauw, dwars wegscharrelend uit den
verontrusten schuilhoek.

Een goed half uur lang duurde de zonderlinge tocht. Toen spoelden
de eerste golven tegen de prauw. Eenige van de koelies liepen het
water in, spoelden slijk en zweet af en sprongen druipend nat in het
vaartuigje, dat zij met korte riemslagen roeiden naar de wachtende
zeilprauw. Die had al veel volk aan boord, kooplui met balen, zakken
en kisten en visschers met hun versche vangst. Door een opening in de
bamboehorde, die het dek vormde, kwam af en toe een jongen te zien,
met gebogen rug bewegend in het donker en het zwalpende nat daar
beneden. Alles wachtte op de boot. De sergeant, die de post ging
halen, ontdekte als eerste haar blauwe rookwolk aan de kim. Een half
uur later voeren wij op de "Spilbergen." En de deinzende kust van
Boni begon te verflauwen, werd onduidelijk tusschen lucht en zee,
en verdween uit zicht.



MOLUKKENREIS


Ambon


Uit verten van Noord en van Zuid komen flauwe bergen aangedreven,
waas-blauw eerst, dan azuur, dan in gloor en schaduw van modelleering
heerlijk groen. En de wijde baai, groot golvend, vereffent tusschen
haar naderende oevers tot zij stil wordt als een geleidelijk
uitvloeiend meer. Klaar tot in diepe verten van blauw toe glanst
zij langs den zoom van de welig begroeide heuvels. Daar tegenaan,
met een rij witte huizen langs het water en op een landspits, donker
van geboomte, een grijzig fort, ligt Ambon. Aan den ingang haast
van de havenstraat laten de groote schepen, heengevaren door een
ontelbare vloot van prauwen en bruinzeilde visschersvaartuigjes,
het anker vallen.

Een smalle pier, op gering verkeer maar berekend, langs een aan
weerskanten bespoelden weg verlengd, die onder een poort doorgaat en
tusschen pakhuizen heen, loopt naar de stad.

Hier, langs en bij de haven is haar drukste buurt--een paar lange
straten, parallel, recht toe recht aan met dwarsstraatjes er tusschen,
waarlangs winkels zijn en werkplaatsen, een enkel kantoor. Hier is
ook de markt, drie lange donkere loodsen, waar, van de diepte uit,
de glans doorheen schijnt van de baai en de donkerblauwe bergen van
Leitimor. Dichtbij komen de visschers aan, en trekken hun prauwtjes
op het strand. In de vroege morgen-uren vooral is het hier bont
van menschen.

Het is het volk op straat aan te zien hoe sterk gemengd zijn afkomst
is. De meesten hebben glanzig krulhaar, groote rechtstaande oogen,
een krachtig bruine tint, waaraan vermenging met de Papoea's te merken
is, die vroeger, als slaven, bij menigten op het eiland leefden. Maar
Javaansche en Chineesche kenmerken zijn ook bij de vleet te vinden, in
gelige tint, in hooge jukbeenderen, in een wat schralen lichaamsbouw;
en in het geheel niet zeldzaam het Arabische profiel, of trekken die
zweemen naar het Westersche type, naar het gebogen Latijnsche of naar
het rechtlijnige Germaansche. Zoowel mannen als vrouwen hebben een
vrijen gang en blik, hun gezicht staat levendig, zij spreken met een
heldere stem, waarin een klank te hooren is van zingen. Wat aan hun
kleeding opvalt is het vele zwart.

Oorspronkelijk moet dit zwart volkseigen geweest zijn: evenals het
donkere blauw van de Bataks misschien wel het behulp van menschen,
die niet veel tijd willen besteden aan het wasschen van hun
kleeren. Maar het is gaandeweg--en hoe dan ook--het teeken geworden,
waaraan een bijzondere klasse zich liet kennen als in naam door
godsdienst, inderdaad door bepaalde voorrechten verscheiden van het
overblijvende deel der bevolking. Het zwart is nu de dracht van de
Christenen, die, sedert de dagen van de Oost-Indische Compagnie,
de bevoorrechten geweest zijn onder de inboorlingen en het nog zijn
op dezen huidigen dag. In de stad Ambon--anders dan in de over het
eiland verspreide dorpjes, de "negorijen"--zijn zij allen of bijna
allen "burgers." Hun geschiedenis begint met de zeventiende eeuw. De
eerste Hollandsche bestuurders van Ambon hadden dit denkbeeld: van
het eiland een Hollandsche volksplanting te maken. Rumphius geeft
hun gedachtengang weer, als hij de overwegingen beschrijft, waarmee
Cornelis Matelieff toezag, "hoe licht de Ambonees in 't bosch zijn
brood uit boom kapte, zijn wijn ook daaruit tapte, in de riviertjes
een garnaaltje of vischje wist te vangen, dat hij met moeskruiden,
die daar in 't wild wiesen, in een pot van groene bamboe toegemaakt,
met een gauwigheid wist te koken, en dat over een vuur, dat hij al
mede voor de vuist door 't wrijven van eenige houtjes tegen malkander
wist te maken, en diergelijke mooie dingen meer, die beter voor een
Hollanders oog dan voor zijn maag zijn." De bedenking aan 't slot
is Rumphius' kritiek. Matelieff en zijn geestverwanten dachten zoo
niet. Zij geloofden aan enkel heil voor Hollanders op Ambon, dat
Land van Kokanje, die Rijstebrij-berg--of Sago-berg dan, want dat
"uit boom in bosch gekapte brood" was de sago--en zij gingen aan den
slag om er Hollanders heemsch te maken, en tegelijkertijd Ambonneezen
Hollandsch. Zóó moest het lukken!

De Hollanders hadden maar al te vaak tot nog toe een losbandig leven
geleid, waarbij zij "niet anders als verachte slavinnen" tot gezelschap
hadden: Matelieff ijverde voor het huwelijk met "een dochter des lands"
en voor een behoorlijke opvoeding der kinderen, met catechisatie en
onderwijs in lezen, schrijven, rekenen "en het zingen der psalmen." De
Inlandsche kinders moesten ook ter school. In het binnenland wilden de
ouders daar niet graag aan, zij hielden de kleinen liever thuis als
hun helpers bij het werk op den akker. De beroemdste van Matelieff's
opvolgers haalde hen over met "schoolvoeding"--een pond rijst per
dag voor ieder kind dat kwam.

Wie der Compagnie echter goede diensten bewezen had, kreeg daarvoor een
loon, dat hem geheel en al tot haar verknochten dienaar zou maken, tot
een bijna-Hollander. Dat loon was het "burgerschap," dat hem onthief
van de verplichte lasten, waaronder de Ambonnees zoo ongelukkig gebukt
ging: o. a. het telen van kruidnagels voor de Compagnie en het roeien,
weken lang, van de zware corra-corra's, waarin de Compagnies-dienaren
uittrokken op den hongi-tocht, om de kruidnagel-bosschen in andere
streken dan de door hen bepaalde, te vernielen. Als "burger" hield
de Ambonnees op een "negorijman" te zijn: hij was een bondgenoot van
de Compagnie, een Hollander op zijn Ambonsch. Hij was uit de klasse
der overheerschten gehaald en gezet op een plaats tusschen haar en
de heerschers in, en wel zoo dicht bij de heerschers, dat hij zich
verbeelden kon een van de hunnen te wezen.

Hoe meer hij op hen geleek, hoe eerder hij aan die vereenzelviging
gelooven kon. Om burger te worden behoefde hij wel geen christen
te wezen. Maar als christen-burger was hij toch veel nader aan de
begeerde gelijkheid dan als Mohammedaansch burger. Er kwamen véle
christen-burgers. Van hen, en van degenen die later de klasse
vermeerderden,--op het scheiden van de markt maakte o. a. het
Engelsche tusschenbestuur "burgers" bij dozijnen tegelijk,--stammen
de hedendaagsche burgers af, de menschen in het zwart, die men 's
ochtends op den pasar tegenkomt. Zij zijn uitermate trotsch op hun
stand. Elke christen in Ambon acht zich méér dan elke Mohammedaan:
elk "burger" acht zich véel meer dan elke "negorijman." Maar iemand
die christen en burger beide is--tusschen dien en welken anderen
inlander ook, ligt een afstand onoverzienbaar: want hij is een
zoo-goed-als-Hollander. Tusschen hem en zijn vurig bewonderd Westersch
voorbeeld is maar éen rang: die van den Indo, den afstammeling van
den met "een dochter des lands" getrouwden kolonist naar het hart
van Matelieff en de zijnen. Het onderscheid is heden ten dage nog
maar in éen ding te vinden: in den Hollandschen familienaam van
den Indo. Dat is zoowat alles wat er van Matelieff's toch zoo goed
bedoelde plannen terecht is gekomen. De Indische natuur is sterk:
zijn Hollandsche leer kon nog niet weten, hoezéer.

Het systeem van de O.-I. Compagnie, het is wèl bekend, heeft Ambon
arm gemaakt. Door sommigen--Riedel bijvoorbeeld--is zelfs gezegd,
dat het aan het eiland niet alleen zijn natuurlijke rijkdommen,
maar twee derden van zijn bewoners ontnomen heeft. De schade was
ook met den besten wil niet te herstellen, toen de Staat die taak
beproefde. "Onbegrijpelijk ellendig en diep ongelukkig" vond immers van
der Capellen de Molukken. Het was of den Inlanders de kracht ontbrak
zelfs om de toegestoken hand te grijpen en zich te laten optrekken
uit den armoe-kuil. Er is sedert veel gedaan, veel hersteld, ellende
als in de jaren 1820 is er niet meer. Maar niettemin: op het rijke
eiland is het volk arm.

Dat het niet lijdt onder die armoe--lijden wat een Westerling lijden
noemt althans--dat het daarbij vroolijk is zelfs, en kan lachen,
zingen en dansen zooals het--zoo allerliefst!--doet, komt omdat het
toch zijn dak en zijn dagelijksch genoeg aan eten en aan drinken
heeft. Van den sago-boom, die wild in het bosch groeit, krijgt het
de bouwstof voor zijn huis en de bouwstof voor zijn lichaam. De
geweldige bladstelen zijn zijn planken, de gevouwen bladeren zijn
dak, het merg van den stam is zijn brood. Er is niet zooveel sago
meer op Amboina als vroeger; waaraan misschien de zorgeloosheid
van den Ambonner schuld is--Rumphius, die hulpvaardig zich met hen
bemoeide, klaagt daarover--en zeker het systeem van de Compagnie,
die den grond van het eiland en de krachten van het volk in beslag
nam voor de kruidnagelteelt. Maar véél is er toch nog, en wat er
tekort komt, dat wordt ruimschoots aangevuld door de aanplantingen en
de dorpsbosschen van Ceram, waar de Ambonneezen het gaan halen. Een
stam kost daar gemiddeld f 2.50.

De sagopalm groeit vanzelf: weliger wel bij goede verzorging, die
hem lucht en ruimte geeft, en knagende insecten van hem afhoudt,
maar toch ook zonder dat, en rondom den stam komt meer jonge opslag
dan voedsel en plaats voor opgroeien kan vinden. Hij groeit tot zijn
tijd van bloeien is gekomen. Als de geweldige bloemtros, die uit zijn
hart opschiet, zaad gaat zetten, begint hij te verwelken en is na
eenige maanden dood. Voor dien tijd is het merg volkomen gerijpt. De
inlander, die, tegen den stam tikkend, aan het geluid heeft gehoord
dat dit zoo is, kapt den boom om, hakt er de bladeren af en neemt een
lang stuk schors weg, zoodat het merg ontbloot wordt. Dat gaat hij er
nu uithalen. Hij heeft dan een stuk bamboe, met een kantig steentje
in het ondereind geklemd, of enkel maar toegespitst. Daarmee, als met
een hamer en beitel tegelijk, klopt hij het merg los van tusschen de
houtige vezels die er doorheenloopen. Aan het ondereind van den stam,
dien hij glooiend heeft gestut, is een grove lap gebonden, een stuk
weefsel van den boom zelf afgehaald, bij wijze van zeef. Daartegenaan
spoelt hij met gudsen water, langs den trog van den uitgeholden stam
gezonden, het losgeklopte merg. Vezels en splinters blijven vóór de
primitieve zeef, het meeldragende water loopt er door, komt terecht
in een zinkbak, van de groote bladscheede van den boom gemaakt,
en bezinkt. Als het meel gedroogd is, kan het, zóó in een aarden
oventje gestrooid, dat in vierkante hokken is verdeeld, tot broodjes
gevormd en gebakken worden: die blijven maandenlang goed. Uit een goed
uitgegroeiden boom--een van dertig voet lang en een voet of vijf in
omtrek--is tusschen negenhonderd en duizend pond sago te halen. Dat
kan een man in een dag of vier vijf doen. En in evenveel tijd kan een
vrouw er broodjes van bakken van een half pond elk: ze heeft niet
anders te doen dan haar aarden oventje te vullen met meel en het
heet te laten worden boven een houtskool-vuur. In enkele minuten is
alles klaar. Nu worden voor een goed dagrantsoen vijf sago-broodjes
gerekend. Dus met de achttienhonderd uit zulk een stam is onze vriend
een jaar lang voorzien.

Hij zal er natuurlijk wat bij moeten hebben: visch. Ook die is niet
moeilijk te krijgen. Als hij een "negorijman" is, heeft hij recht
van visschen op bepaalde plekken langs de kust, waar hij zijn lange
staketsels uitzet om met vloed de visch te vangen en haar tegen te
houden in het verloopend getij; en hij kan gaan schelpen en krabben
zoeken op de riffen en de zandbanken. Heeft hij als "burger" zijn
negorijrechten verloren, dan is het nog zoo slim niet: de heele zee
is vol visch! Wie omlaag kijkt over de verschansing van de stoomboot
kan ze zien zwemmen op de ankerplaats: prachtige dieren, rozerood
en purper sommige, en sommige paarlemoer en regenboogkleurig, en
zwart-en-groen, en bruin met paarse stippen. Ze springen spelend uit
het water op in zoo dichte scholen, dat de plons van het neervallen
doet gelooven aan het overboord slaan van lading. En om de pier heen
is het soms een gedrang van kleine vischjes als een massieve bank van
beesten. Wie er zijn hengel in uitgooit,--een touwtje met een kromme
speld doet het al, er hoeft niet eens een aas aan--die haalt op. En
in Februari, Maart, April komt ook nog de "Kaor," de overstelpende
massa van zeewormen, waar de heele baai wit van ziet, en die men maar
voor het opscheppen heeft. Wat water om het steenharde sagobrood in te
weeken, of anders wat sagomeel tot een stijfselachtige pap gekookt,
een zaadje Spaansche peper, een ui en eenige druppels citroensap bij
de visch: en het smakelijk maal is gereed.

Om er een waar feest van te maken, is alleen nog maar een slok
sagoeweer noodig. Daar komen elken ochtend de dorpelingen mee naar
stad; bij dozijnen komt men ze tegen omtrent den pasar. De vrouwen
dragen de groote kruiken--die niet anders zijn dan uitgeholde
kalebassen--op het hoofd, de mannen hebben er twee bengelen aan het
bamboejuk, dat piepend wipt over hun schouders. Zonder veel kosten
is de drank gemaakt: een snede in den rijpenden bloesemtros van een
arenpalm, een bamboegeleding gehangen aan den opgebonden steel, en
in den schalm vol zoetig nat een wortel gelegd die het bitter maakt
terwijl het gaat gisten: daarmee zijn de productiekosten voldaan,
zoodat de verkoopprijs goed kan wezen, wat hij is: een schijntje. Voor
enkele duiten heeft de kooper sagoeweer te over om er nog vroolijker
van te worden dan hij van gelukkige nature al is. Als hij nu nog 's
avonds een feestje hebben kan--en dat kan hij allicht: een fluitspeler,
wat iedere Ambonnees is, eenige vroolijke meisjes, die er in overvloed
zijn, en de gastvrijheid van een kennis, die nooit tevergeefs wordt
verzocht, en daar is de danspartij al aan den gang--als hij nu ook
's avonds nog zijn feestje heeft, dan zijn al zijn wenschen vervuld.

Gelukkig. Maar nog veel meer helaas. Want nu hij met zoo geringe
inspanning alles kan krijgen wat hij behoeft, laat hij het ook
daarbij blijven en hij komt niet toe aan die wisselwerking van
elkander aldoor opdrijvende begeerte en inspanning die de voorwaarde
van alle ontwikkeling is. Hij kan goed onderwijs krijgen; hij neemt
het zoolang het moet, en laat het liggen zoo spoedig als het kan. Hij
wordt geen ambachtsman, dat is hem veel te lastig, dat laat hij over
aan den Chinees. Niet voor niets heeten de straten in de havenbuurt van
Ambon, waar de winkels en werkplaatsen zijn, "Chineesche straten." Hij
wil geen handel drijven. Dat is hem veel te zorgelijk. Het is de
moeite waard eens te gaan kijken op den pasar. Er zijn daar drie
loodsen, twee voor "inlanders," een voor "vreemde Oosterlingen." In
de loods der vreemde Oosterlingen, d. w. z. der Chineezen, Arabieren
en Klingaleezen, liggen manufacturen te koop, ijzer- en koperwerk,
conserven, glas, porselein; de Chinees, de Arabier, de Kling zit
achter zijn waar met zijn kasboek op zijn knieën en zijn oogen op
den gaanden en komenden man.

In de loods voor Inlanders--en vooral er omheen, waar een
randje schaduw is en toch niet betaald hoeft te worden voor
standplaats!--liggen sago-broodjes, visch, eendeneieren, vruchten
(altijd onrijp, want de vijf, zes duiten voor djamboe en pisang zijn
vandaag noodig en dus kan niet gewacht tot overmorgen, als er tien
of twaalf voor gegeven zou worden) bij tijd en wijle ook eenige
ongelukkige kippen, bij de pooten tot een tros aaneengebonden en
de snavels amechtig open, zóó mager, dat de gewrichtshoeken door
het gevederte heen te zien komen: en de eigenaars, zielstevreden,
hurken op een kluitje met mogelijke klanten bijeen rondom een komfoor,
waarboven gedroogde visch geroosterd wordt; zoovelen als hun mond
niet vol hebben, praten allemaal tegelijk.

Zij behoéven niet te werken.

Nu doen zij het ook niet.

Véél liever lui dan moe!

De vreemde Oosterlingen worden menschen. De Ambonnees blijft tot zijn
dood toe een kind.

Eén behoefte is er weliswaar, die den al-te-weinig behoevenden
Ambonnees prikkelt: die aan rang en aanzien in de maatschappij. Maar
ongelukkig kan ook dááraan zonder inspanning voldaan worden; en dat
dit zoo is, komt voort uit het systeem door de Compagnie ingevoerd en
tot op dezen huidigen dag gehandhaafd, van den godsdienst te maken
tot een klasse-onderscheiding. Het aangeboren klasse-gevoel ook van
den weinig en zelfs in het geheel niet beschaafden Oosterling--het is
te vinden immers onder Boegineezen en Batakkers--dat in den Ambonnees
nog even levendig is als het van oudsher was, vindt een ruimen uitweg
in het Christendom.

's Zondags in de kerk: daar kan men het waarnemen. De vrouwen van de
"burgerij" komen in haar mooie kleeren: de eene in een zonderlinge
stijf geplooide japonrok, waaroverheen de geborduurde kabaja, de
andere in sarong en kabaja en met muiltjes aan die aan de punt zijn
opgewipt, een derde met een kapsel door vijf zilveren haarspelden
vastgehecht als bijzondere tooi, terwijl een vierde er maar drie
draagt en een vijfde geen ander verschil toont met de dagelijksche
dracht van zwart katoen dan een wit zakdoekje in de hand bij het
gezangboek gevouwen. Dat zijn geen toevalligheden noch kleinigheden;
dat zijn klasse-onderscheidingen. Er zijn vijf klassen van burgers,
en hun vrouwen toonen het onderscheid in bijzonderheden van hun dracht.

Wee dergene, die het wagen zou om in opgewipte muiltjes naar de kerk te
gaan als zij geen recht had dan op platte, of die vijf zilveren naalden
in haar "kondeh" zou willen steken, terwijl haar stand er haar maar
drie gunde! Het is nog niet lang geleden dat, bij opklimming in stand
door huwelijk (afdaling kwam niet voor) de hulpprediker er aan te pas
moest komen om de bruid in haar nieuw klasse-gewaad in te zegenen,
vóór zij naar de kerk ging, en haar te vermanen tot het betrachten
der "deugden aan dien hoogeren stand voegende." Die ceremonie is
afgeschaft. Maar van het gevoel is niets verdwenen.

De wet zelve wakkert het aan. Het leger heeft soldaten noodig en de
Ambonnees met zijn wild Alfoerenbloed is een uitstekend soldaat. Elke
Ambonnees. Maar de wet maakt een onderscheid: de christen-Ambonnees
is de beste. Om dat duidelijk te maken geeft zij den Christen f 200
als handgeld, terwijl de Mohammedaan maar f 60 krijgt. En behandelt
zij den Mohammedaanschen soldaat in het hospitaal als inlander,
samen met Javanen, en den Christen-soldaat als Europeaan, samen met
Hollanders. De Christen-Ambonnees is "gelijkgesteld," hem "competeeren"
dingen waarop de Europeaan recht heeft en de inlander niet.

Natuurlijk zijn de gevolgen allerbedroevendst. Natuurlijk wordt een
geregelde knoei-handel gedreven met namen en doop-ceelen (bad-briefje
is de inlanderterm, letterlijk vertaald), waardoor Mohammedanen f 200
handgeld trachten in te palmen inplaats van f 60, en zijn aanklachten,
onderzoek vanwege de justitie en veroordeelingen tot gevangenisstraf
wegens vervalsching van staat aan de orde van den dag. Natuurlijk
loopen de Christen-negorijen leeg van krachtige mannen, en blijven er
niet dan grijsaards, mismaakten en lepra-lijders over als (mogelijke)
beoefenaars van een ambacht. Natuurlijk komt het aan het Christendom
allerminst ten goede, wanneer eerzucht en geldzucht tot beweegredenen
worden gemaakt voor het toetreden tot de gemeente der Christenen.

Maar tot op dezen dag toe is het zóo. En de naar "rang" begeerige
Ambonnees bevredigt zijn verlangen door zoo vroeg mogelijk lidmaat
van de kerk te worden en bij alle mogelijke gelegenheden te pronken
met zijn hoedanigheid van "Christen."

Men moet zich, overigens, bij dat woord niet al te veel voorstellen
van hetgeen er gewoonlijk onder begrepen wordt. De Ambonnees is wel
heel precies op het bijkomstige en absoluut onbeduidende in de letter
van de leer: maar in hoofdzaken, naar den geest, is hij laksch en
laat zich zoo wat gaan op zijn oude fetisjisten-natuur.

Dit werd mij verteld omtrent het een en het ander door een inwoner van
Ambon, die er vele jaren geweest was en in een betrekking waardoor
hij de beste gelegenheid had tot beoordeeling van zulke dingen: de
Ambonsche Christen wil zijn Bijbel lezen in een bepaalde vertaling,
die van Leydekker. Er zijn er later betere gemaakt, maar voor hem
is de beteekenis van den tekst onafscheidelijk vast aan enkele,
bepaalde uitdrukkingen van Leydekker, in de betere vertalingen door
andere vervangen. Nu die fouten er aan ontbreken, wil hij den nieuwen
Bijbel niet. In het doopsformulier is het woord "zoon" vertaald door
"mannelijk kind:" dát is in het Maleisch de wijze waarop "zoon" en
"dochter" onderscheiden wordt, "mannelijk kind" en "vrouwelijk kind;"
een afzonderlijk woord voor zoon en voor dochter bestaat niet. Een
jonge predikant die vond dat zulk een uitdrukkelijke bijvoeging
van het "mannelijk" waar geen gedachte aan vrouwelijk mogelijk was,
hier zoo min behoefde als in het dagelijksch leven, waar ze in zulk
een geval ook achterwege blijft, liet bij een doop dat "mannelijk"
weg en sprak alleen van "kind." Er volgde een dusdanige commotie in
de gemeente, door geen verklaringen of vermaningen van een ouderen
leeraar tot bedaren te brengen, dat overplaatsing van den jongen man
noodig werd. Aan een eed daarentegen hecht de letter-vereerder zoo
hooge waarde niet. Als hij door middel dáarvan absolute zekerheid
zal geven omtrent belofte of verklaring dan moet de eed gedaan op een
of ander heilig voorwerp: bij voorbeeld bij de geldkist in de kerk,
waarin de giften aan de armen geworpen worden.

Twee Christenen hebben ruzie. Matulessi ziet over de borst van
Sopamena een gouden horlogeketting glanzen, dien hij den dag te voren
aan Mantulameten heeft geleend. "Dat is mijn ketting--hoe kom je
daaraan?"--"In het geheel niet! dat is mijn eigen ketting!" Hevige
ruzie. Matulessi krijgt zijn wederpartij de kerk in en naar de
geldkist, grist hem den ketting af en maakt ze vast aan de kist. "Als
ze van jou is, haal ze er dan maar af." Dat durfde Sopamena niet. Want
dan zou hij door den bliksem getroffen of door een slang gestoken
of door een krokodil verslonden zijn geworden. Dat geloof zat zoo
vast in hem als ooit in een zijner verre voor-vaderen, die bij den
heiligen steen in het bosch moest zweren en uit vrees voor geestenwraak
meineed meed.

De voorbeelden zouden te vermenigvuldigen zijn, ook met zulke die
uitwerkingen veel minder onschadelijk van de antieke gedachtengangen
aantoonen: het braak laten liggen van een akker bijvoorbeeld, of het
staken van een onderneming, hoe noodig ook, ter wille van een slecht
voorteeken, een muis over den weg, het gekras van een bepaalden vogel
in de boomen. Het ongemak en het gebrek zelfs daaruit ontstaan wordt
als iets onvermijdelijks verdragen. Wie dat niet wilde doen, wie
tegen de waarschuwing in ging en den toorn van de geesten trotseerde,
zou het immers bekoopen met den dood! Daar helpt geen redeneeren tegen.

Het lijkt echter of er verandering op komst is, of de Ambonnees begint
wakker te worden uit den eeuwenlangen dommel. Er zijn er onder de jonge
mannen en onder de jonge vrouwen ook, en de weinigen worden met den dag
meer, die niet langer tevreden zijn met het plantenleven van vroeger,
die het er op wagen willen met hun krachten. Inplaats van soldaat te
worden, probeeren die in den handel te komen of in administratieve
betrekkingen bij de scheepvaart. Er komen jonge Ambonneezen plaatsing
zoeken bij de Koninklijke Paketvaart, bijvoorbeeld, met de verklaring,
dat het hun niet om het salaris te doen is, maar om de gelegenheid
zich te oefenen in geregeld administratief werk. Er zijn ook wel
Ambonneezen onder het scheepsvolk, die zich oefenen in het schrijven,
sedert de schooldagen weer afgewend of heelemaal verleerd. Die vroeger
het leeren voor het schoolmeesterschap voor hoogste ambitie hadden,
verlangen nu naar middelbaar onderwijs of zelfs naar studie aan een
universiteit. Tehupejori heeft navolgers gevonden op het moedig
betreden pad. En meisjes die haar oudere zusters zien knutselen
met veeren en was om er bouquetten van te maken en als Ambonsche
curiositeiten te koop te bieden aan toeristen, gaan zelven den gang
naar de kweekschool, leeren zuiver Hollandsch spreken inplaats van
het brabbel-Maleisch met verdraaide Portugeesche woorden wonderlijk
vermengd, dat het taal-eigen van Ambon is, en doen een goed examen
als onderwijzeres. Zij worden geplaatst aan inlandsche scholen,
op Amboina en de Oeliase--de eilanden Haroekoe, Saparoea, Noesa
Laoet,--en voldoen daar, schijnt het, zeer goed.

Het is alles nog, weliswaar, maar een begin. Maar dat er een
begin is, hoe klein van beweging dan ook, is iets gewichtigs en
verheugelijks. Men mag nu toch gelooven aan een toekomst voor de oude
Molukkenstad, waar tot heden toe alles het verleden is.



Banda


De boot, die in den laten namiddag het anker licht uit de baai van
Ambon, komt met het krieken van den dag de uiterste eilandjes voorbij
van de wijd uitgestrooide Banda-groep, en de engte binnen tusschen
den eiland-vulkaan, Goenoeng Api en Banda Neira, groen van woud.

De hooge rookpluim boven den krater vangt het eerste licht en begint
te gloren in blank en rozerood, als de hooge vederwolkjes aan de
lucht. De schemerende engte gaat open, de onvergelijkelijk schoone
baai straalt op binnen haar krans van eilanden. Het Oostersche licht
maakt den naakten bruinen vulkaan klaar rood, dat de ribbels en diepe
groeven, die van den kraterrand af spreidend omlaag loopen, vol glans
schieten en de zuivere spits doorschijnend staat als een vlam. Al meer
goud gaat spelen door het steil opstijgende groen van Banda Lontar,
dat in langen halfboog den zuideroever bouwt der baai. Met spreidende
flardenkruinen komen de palmbosschen aan den voet uit den morgendommel
te voorschijn en tusschen de nakende halmachtige stammen het bruin van
inlanderhutjes; de kanari-wouden, die tegen de hoogten op staan, worden
in glans en donkerte zwevende gouden koepels. Als nu de heele hemel
daglicht wordt komt van onder de purpertinten, die over kabbelende
golfjes heen wegglijden, het diepe blauw van de baai op, blauw dat is
als blauw vuur. Een liggende laaie gloeit het water. De weerspiegeling
van de glooiende oevers giet groen en bruin in dat felle blauw, en er
loopt een witte flikkering langs de randen, waar de golving aanbruist
tegen een zaaisel van rotsblokken. De diepte waarin het schip zijn
anker laat vallen is de krater van een ontzaglijken vulkaan, waar de
zee in binnenstroomde toen kruin en wanden instortten voor het geweld
der laatste verscheurende uitbarsting. Of van de diepe vuren de gloed
nòg schijnt door golven van land en water, door de bergen heen en de
baai, zoo fel zijn alle kleuren.

Het stadje ligt aan den lagen oever van Banda Neira, met grauwige
gescheurde van loover overhangen tuinmuurtjes uit het water op,
bruine daken en een enkel rood er tusschen onder lage boomkruinen,
en aan gene zij van de steenen trap, waar altijd prauwen liggen te
dobberen, een ankerplaats voor de vloot der visschers. De douane-loods
is vlak voor aan den steiger; tusschen hoopen zakken en opgestapelde
kisten en vaten heen gaat de kortste weg naar de stad.

Men loopt er als in een droom, die altijd maar weer verwarrend over
nieuw begint en te loor gaat: zóó is hier het leven stil blijven
staan. De straten zijn zonder menschen, zonder geluid. Groote huizen
staan er langs, zwaar gebouwd tegen den schok van de aardbevingen;
de voorgalerij is met marmer bevloerd, en er is iets sierlijks aan
de pilaren en aan het houtwerk van de deuren; aan de poort in den
hoogen tuinmuur een verdwijnende zweem van ornament. Maar het is alles
verlaten, leeg, dood. Een troepje naakte inlandsche kinderen spelend
bij den put, een vrouwtje dat een verschoten sarong uithangt over
een lijn, door het groen van een verwilderden tuin gespannen, lijken
de eenige bewoners. Het is haast verwonderlijk voorbij de gesloten
gevels aan een huis te komen, dat door open deuren en vensters
leven naar buiten laat. Sedert de laatste daling van de noten- en
foelie-prijzen, dus sedert een goede twintig jaar, is dat zoo. Het
herstel is langzaam aan beginnende, nu. Er komen weer noten en foelie
aan den boom, de Paketvaartstoomers dragen ze weg naar de schepen die
op Amsterdam varen. Daar is de markt beter geworden. En op het eiland
zijn de methoden van den nieuwen tijd in de plaats gekomen voor de
sleur van vroeger, toen het allemaal maar op goed geluk ging en de
planters violen lieten zorgen.

Zooals het gaat op buitenplaatsjes, waar de aankomst van de boot
de gebeurtenis is een of twee keer in de maand, kregen wij bezoek
aan boord. Die verhalen toen van oud-ingezetenen, over den ouden
tijd! Eerst: de vrijlating van de slaven, voor wie de muren om
de oude erven zoo hoog gemaakt waren, indertijd. Nu mochten ze de
poort uit! Ze stonden klaar, gepakt en gezakt, man, vrouw en kind,
te wachten op den slag van twaalven in den nacht van Oud op Nieuw,
die hen vrij maakte. En er waren rijke planters, die hout hakten en
water haalden op 1 Januari, terwijl hun vrouwen rijst stampten onder
het afdakje in den tuin. Toen de goede jaren kort voor 1870. Het
begon te gaan, zóo zóo, met het vrije arbeidersvolk en de gestraften,
die de plaats hadden ingenomen van de slaven. De prijzen stegen in
Europa, en met een plotselingen sprong na den slag van Magenta, toen
Keizerin Eugénie voor haar lievelingskleur dat bloedige rood koos,
door cynische vleierij naar het slagveld genoemd, dat enkel uit foelie
bereid kon worden. Tot f 300 ging de prijs van den pikol omhoog!--Waar
moest men heen met al het geld! De fantasie van de planters vloog niet
hoog. Hoe zou zij? Ze hadden in hun jeugd, voor alle onderwijs, lezen,
schrijven en rekenen, les gehad van gepasporteerde soldaten, aan den
wal gezette stuurlui, een tijd lang zelfs van een ondermeester, die
geen Hollandsch verstond; en als jonge mannen en vrouwen waren zij het
eiland nooit afgekomen en hadden de slaven tot makkers gehad op het erf
van hun arm-geworden ouders. Zij konden niet anders verzinnen dan wat
zij gezien hadden: Bandasche dingen. De een liet zijn binnengalerij
bevloeren met rijksdaalders, de ander stak op een feest zijn sigaar
aan met een bankje van f 25, een derde verzon een schip vol ijs uit
Noorwegen te laten komen om de champagne te koelen voor een bruiloft,
de vierde ging niet anders meer dan met muziek voorop, heel Banda
als gast en een sleep van dragers met manden vol lekker eten en
drinken achterna zijn perken "inspecteeren," en een vijfde kreeg
een plotseling verlangen naar het gekwaak van Hollandsche kikkers,
waarvan hij een grootvader had hooren vertellen, en bestelde een lading
uit Holland, die in een reusachtigen bak aankwam, glimmend groen en
kwakend dat het dek er van dreunde. Ja! dat waren nog eens jolige
jaren! De oude heeren die er van vertelden eindigden met een zucht en
staarden hoofdschuddend voor zich heen. Te bedenken dat de foelie,
die f 300 gedaan had nog maar met moeite f 170 haalt, en de noten,
waarvoor f 150 de gewone prijs was, nù op zijn best f 25!

Wij gingen een van de oude notenperken zien. Het was als een
wandeling in een overheerlijk mooi park. De noteboom is teeder, men
moet hem beschutten tegen geweld van wind en regenbuien en tegen de
schroeiende zon; daarom worden in de perken kanari-boomen geplant,
die hoog groeiend en breed, wolken beschermend loover uitbreiden boven
de notemuskaatplantage. Frisch staan in de doorschijnende schaduw,
tintelig van zonneplekken, de lichtgroene boompjes. Zij hebben een mooi
fatsoen, kegelvormig is om den rechten gladden stam de luchtige bouw
van het gebladerte geschikt. De bloesem is onaanzienlijk: een kleine
geel-groene kelk, op eenige passen afstand niet te onderkennen van het
blad. Maar hij geeft een heerlijken, kruidig-zoeten geur, dezelfde
in het veel zachtere en vollere, die uit de foelie komt. De noten
hangen dik. De rijpe, zoo groot als een abrikoos en naar die vrucht
ook wat zweemend door den langwerpig ronden vorm, de diepe groeve
overlangs en het rijke geel der schil, maken een mooie schittering
in de donkerte van schaduw en dicht loof. De grond ligt bezaaid met
de overrijpe vruchten die opengebarsten zijn langs de groef. Zwart
en rood tusschen helder geel komt het binnenste te zien, de glimmend
zwarte pit, die heel en al ingesponnen zit in een fijn vertakt groeisel
van felroode foelie. Al die vroolijke kleuren verschieten en vergaan
bij de bereiding van de noot. De glanzige schil gaat van de pit af als
zij boven den rook is gedroogd tot zij, ineengekrompen, rammelt in het
omhulsel; bestoven bruin komt zij ten laatste te voorschijn uit het
kalkwater. En de foelie op vlakke wannen uitgespreid, waar de zon het
felste schijnt, wordt eerst geel en dan verlept ros-bruin. Wij zagen
dat op het erf van de oude planterswoning. Zij ligt tusschen kanari-
en muskaatnotenboomen, op de kruin van den heuvel, waar het perk
tegen op is geplant, en waar, in de schaduw, grafzerken schemeren
van haast een eeuw her. Rondom den van bloemen bonten tuin staan de
loodsen en schuren en het pakhuis, dat vroeger een woonhuis was,
en waar op twee gedenkplaten het jaar en de dag gegrift staan van
geweldige aardbevingen, toen dak en muren instortten en het huis van
de grondslagen af nieuw werd opgebouwd. Door de blauwige donkerte
van de droogschuur, waar op een zolder van sagobladstengels de noten
lagen te drogen, bewogen halfnaakte mannen, wonderlijk belicht door de
schijnsels van vijf groote knetterende en smokende vuren, die zij deden
opvlammen met sissend neerploffende wildhout-blokken. Een oude man
zat gehurkt noten te schiften met zeven van verschillende grofte. En
van de loods achter hem naar den tuin gingen vrouwen heen en weer
met wannen vol foelie, die van verre schitterde in den zonneschijn.

De eigenaar van het perk, een Arabier, die behalve planter, ook
parelvisscher is en handelaar in al de ontelbare voortbrengselen van de
eilanden en de zeeën tusschen Ceram en Nieuw-Guinea, heeft een museum,
waarin hij kijkers bereidwillig rondleidt. Als alle toeristen doen,
gingen ook wij er heen. We zagen er een parel waarvoor f 20.000 was
geboden en paradijsvogels in een groote volière samen met de groene
boschduif, lansen en schilden uit "de Papoe," prachtig oud Chineesch
en Japansch porselein, wortelhout uit Ceram en ebbenhout van Boeroe,
geel schildpad, vlinders, zeldzame schelpen en koraalgewassen. En
kregen al kijkend, vragend en luisterend het begin van een voorstelling
omtrent den rijkdom der Molukken.



Ceram


Varende rondom Ceram, krijgt men van het groote eiland--het grootste
van de Molukken is het--den indruk dat het éen enkele lange berg
is, steil op uit zee, met scheuren in de flanken, ingereten en diep
uitgespoeld door de regenrivieren die met een vaart van de toppen
afgeschoten komen, en met, langs den voet, kleine, groene vlakten om
de monding van de heftige korte stroomen heen.

Het is zwaar bewoud. Van zee uit gezien zijn de bosschen als een
donkere wolk tegen wanden aan en over hoogten heen. In dat zwartige
groen glanst soms een lichtere plek, dat is alang-alang, het hooge
gras van de wildernis, waar een man te paard in verdwijnt. Waar
het woud gekapt is, schiet het op, fijn groen eerst, dan gelig als
het begint te verdorren in de Oostmoesson-zon, dan wit als zilver
van bloesempluimen. De inlanders steken het in brand om de herten
er uit op te jagen, die voedsel en schuilplaats tegelijk zoeken in
de halmendichtheid. Dan is een poos lang de kale plek zwart; en de
eerste regen maakt alles wéer fijn groen.

De steile kust heeft hier en daar zachte glooiingen; groen, komen ze
van de vertragende helling afgegleden, met een blinkend witten smallen
zandzoom langs het fonkelende blauw van het water. In de diepte
van de baai liggen eenige huisjes, er staat een loods waar lading
wacht op de boot. Het karakter van al die havendorpjes is vrijwel
hetzelfde; Piroe aan de Zuidkust, het eerste dat de schepen aanloopen;
op de Noordkust Wahai; om de Oost terug naar de Zuidkust, Teloeti,
Amahei; het zijn alle oude Alfoerendorpjes met een splinternieuwen
schijn van Nederlandschen regelmaat en zindelijkheid er over heen,
die uitgaat van de civielgezaghebbers-woning op den achtergrond. De
huisjes zijn nieuw, de gaba-gaba van de wanden glanst nog, en ze zijn
langs de rooilijn opgezet aan weerskanten van een rechten breeden weg,
met een goed onderhouden afrastering er langs.

Achter dien ringmuur van ordelijke dorpen ligt het binnenland van
Ceram woest. Wat men de kust langs reizende daarvan gewaar wordt,
is niet veel meer dan een enkele troep Alfoeren, halfnaakt uit hun
bergen naar het strand gekomen om handel te drijven. Zij komen met
boschproducten, rottan, dammar, groote knobbels wortelhout; met huiden
en horens van herten, en willen Europeesch product mee terug nemen.

Het eiland wordt gezegd rijk te zijn. De Westersche ondernemer begint
de exploitatie. Op de Noordkust wordt naar petroleum geboord, op de
Zuidkust heeft een Moluksche vennootschap den boschaankap begonnen;
een Australische firma, wie, lang geleden al, een streek land in
concessie is gegeven, ook in het Zuidelijke binnenland, is een paar
jaar geleden den klapperaanplant in het groot begonnen. Er groeit
prachtig hout in de Ceramsche wouden, wit ebbenhout, kajoe-koening,
dat citroengeel ziet en waar ook kleurstof uit wordt gemaakt, lingoa,
een rood-gevlamde mahonie-soort, salamoeli, dat op notenhout lijkt,
en nu het wortelhout plotseling zoo in de mode is gekomen, wordt
ook van die knobbelige uitwassen voor groote waarden uit het woud
gehaald. Kajoepoeti, waar de bekende sterk geurende olie uit wordt
gestookt, die hoe langer hoe meer voor medicijn gebruikt wordt in
Europa, groeit hier ook veel. En de klapper schijnt al even goed te
willen als de sago-palm, waarvan er geheele wouden zijn. Elk dorp aan
de Oostkust heeft zijn bosschen--aanplantingen kan men het haast niet
noemen, want de boom maakt zooveel opslag, dat inplaats van planten
eer kappen noodig zou zijn, zoodat de eigenaars zich in den regel de
moeite niet geven om de jonge spruiten in te boeten; en behalve daar
groeit de sago nog wild in het bosch ook. De menschen van Ambon komen
met heele dorpen tegelijk over in hun prauwen om sago te "kloppen." Ze
blijven een veertien daag of drie weken en hebben dan een provisie,
waar ze niet alleen met vrouw en kinders van eten kunnen, een jaar
lang, maar ook nog genoeg overhouden om te verkoopen op de markt.

Op het algemeen type van kustdorpen maken twee een uitzondering:
Kilimoeri en Geser, op kleine eilandjes tegenover elkander gelegen
aan den voet van het steile kalkgebergte der Oostkust. Die twee zijn
door en door, wel niet Alfoersch maar toch Inlandsch; er is geen
zweem van het Westersche element aan te bekennen. Het zijn overoude
handelsplaatsen. Terwijl in het Ceramsche binnenland de Alfoeren, "de
wilde berg-boeren," zooals Rumphius ze noemt, koppensnellers-tochten
hielden, terwijl zij als roofvogels neerschietend uit hun horsten
van dorpen op het hakkelige gebergte, den guerillakrijg tegen
de Compagnie zoo verwoed en hardnekkig voerden, dat de Ambonsche
gouverneurs ten laatste in arren moede het opgaven, besluitend hen te
laten voor wat zij waren en "geen Compagnie's soldaten meer aan die
lompe nesten te verspillen;" terwijl dus de binnenlanders vochten,
verdienden de strand-Cerammers geld. Zij waren kooplui, zij moesten
eenigermate geregelde toestanden hebben. De orde die de expedities
van de laatste jaren gewapenderhand in Ceram moesten brengen was hier
al van oudsher thuis.

Kilimoeri is de oudste van de twee rijke handelsdorpen: Geser is,
naar de volksoverlevering wil, gesticht door inwoners van Kilimoeri,
die in een burgerstrijd het verloren hadden. Zij leggen hun naam uit
als beteekenende "de uitgewekenen."

Wat slag van volk het eigenlijk is, zou moeilijk te zeggen
vallen. De heele Zuidkust van Ceram is door gemengd volk bewoond, veel
Ternataners, Javanen, Chineezen, Papoea's ook, hebben zich daar in den
loop der tijden gevestigd, als handelaars soms, als schippers die heen
en weer voeren tusschen de eilanden en Nieuw Guinea; als slaven ook
zijn zij er heen gebracht. Het was er zoo bont, vroeger, dat de dorpen
elkanders taal niet verstonden, en een derde noodig hadden voor het
verkeer. Op Geser is het samenstel nog meer ingewikkeld schijnt het. De
plaats is al van oudsher een verzamelpunt voor de meest verscheiden
rassen uit de verst uiteengelegen streken. Maar de taal, door het
handelsbelang ingevoerd en staande gehouden, is het gewone Maleisch.

Geser is een "atol," het laatste uit deze groep van koralen-eilanden:
volgens sommige geologen althans, terwijl anderen het ontkennen:
een verschil van meening dat wel verklaard is uit een verschil in
de definitie door de eenen en door de anderen van dien term "atol"
gegeven. Hoe dan ook, het doet zich voor als een groen-begroeide ring
rondom een middelpunt van water. Het binnenste van het eilandje is
een zilt meer, dat langs een rivierachtig kanaal volvloeit uit en weer
leegvloeit in de zee, naarmate de vloed opkomt of het getij verloopt
in ebbe. Rond alom groeit kreupelbosch: een gewas dat lijkt op griend,
en met kleine onaanzienlijke bloesempjes heel zoet geurt. Dat wademt
wonderlijk door de lucht van zeewater, koraal, schelpen en wier heen
die uit het meer opslaat. En wonderlijk is het, over de schelpen
op den bodem van het klare water de schaduw te zien glijden van de
boschduiven, als zij af- en aanvliegen naar de waringin-boomen vol
rijpzoete vruchtjes aan genen kant van het kreupelbosch.

Het dorp is langs de bochten van het strand gebouwd. Men kan de kracht
van het vertier zien aan de wijze waarop nieuwe buurten opkomen en oude
vernieuwd worden, zoodat midden tusschen grauwe, verweerde huisjes
er staan waarvan de planken nog wit zijn. Aan den zoom van de oude
buurt begint een prachtig-breede laan, die uitloopt op een verschiet
van zee en donkerblauwe kustbergen. Aan weerszij, in de schaduw,
liggen heilige graven, waar de koopvaarders een offer komen brengen,
als ze op handelsreis gaan: om zeker te zijn van goede verdienste en
behouden thuiskomst. Die hier begraven liggen, zijn vrome hadji's. Zij
zijn, in naam, Mohamedanen, het volk van Geser; maar dat belet hen
niet op deze hadji-graven de offers te brengen van het heidendom, hun
voorvaderen sirih en betel aan te bieden, in ruil voor hun hulp bij
de voorgenomen zaak, en de geesten van de zee en den storm allerlei
te beloven, als zij hun schip met vrede willen laten. Daarna gaan zij
ook wel naar de moskee. Maar niet te dikwijls, zou men zeggen. Het
kleine gebouwtje, dat bij de graven staat, is zoo vervallen, stoffig
en vuil, als enkel een zelden of nooit bezocht huis wezen kan.

Het is misschien ook niet noodig, daar nòg eens te gaan bidden. De
geesten en de voorouders zorgen, in ruil voor al die pinang, wezenlijk
heel goed. Anders zouden de menschen van Geser, man, vrouw en nakend
klein kind, niet zoo veel goud en zilver kunnen dragen als ze doen.



Van Boeroe tot Ternate


De eigenlijke Molukken, historisch gesproken, zijn de eilanden,
in een keten langs de Westkust van Halmaheira gelegen: Ternate,
Tidore, Batjan, Makjan, Motir: de zee van deze streek heet nòg de
Molukken-zee. Dat Ambon en de eilanden daaromheen later dien naam
kregen, houdt misschien wel verband met het overbrengen van het
voornaamste Molukken-product, den kruidnagel, van de Molukken naar
Ambon, en met de daaropvolgende beperking van dien boom tot Ambon
alléén door het extirpatiestelsel; in de taal van den handel en dus
van de wijde wereld kwam daardoor Ambon in de plaats van de eigenlijke
Moluksche eilanden.

Het is overheerlijk mooi varen in deze streek. Het eene rotsige en
wuivend-groene eiland na het andere duikt op uit het flikkerende
blauw van de zee. In een statige rij rijzen de vulkanen, vèr-blauw,
met een blink van wit gewolkte om den kruin. Al-door verschieten,
in opglans en wegdonkering, klare kleuren: het azuur van de zee waar
de zonneschijn overheen huppelt in zwermen van stippelvonkjes, wordt
fijn groen over ondiepten, pauwe-glanzig boven de fel-witte zandstrook
die langs den voet van de eilandjes opschijnt. De weerspiegeling van de
toppen en van de groote gloeiend-witte wolken, hoog rondom den horizon,
door den golfslag gebroken tot een lange reeks van glansbeeldjes, ligt
in rechte banen van wit en van groen over het blauw. Wazig in de verte,
dommelblauw, of naar het paarse zweemend soms, worden de eilandbergen
al klaarder en krachtiger, naarmate zij het schip tegemoet varen,
tot zij, dichtbij, geweldig hoog, staan als een steil woud of als
een naakte bruine vulkaankegel. In dageraad en zonsondergang vlamt
alles van purper.

Uit de Ceram-streek komende, vaart het schip eerst naar Boeroe. Daar
voor is het water bijwijlen licht-groen, als boven een rif, boven
de menigte van kwallen, millioenen en millioenen doorschijnige
schijven van beesten, vademen hoog boven elkander drijvend, een
halve mijl ver. De oever en de recht opgaande heuvelwand schemeren,
grijzig-gestreept van kajoepoetih stammen: op de hoogte staan de magere
boomen, met hun als berken blanke, ranke stammen en hun héél hoog
gedragen ijle kruin, scherp geteekend tegen het luchteblauw. Als het
koel wordt, strijkt de wind een kruidige geur af van het gebladerte. De
haven, waar het schip binnenvalt, is een schoone, wijde baai, waar
twee dorpjes tegenover elkander liggen, Kajeli en Namalea. Achter
de huisjes van Kajeli om gaat een steil brokkelpad naar de kruin van
den heuvel, dun begroeid met knie-hoog kajoepoetih-gewas, waar hier
en ginder, mager, recht de hoogte in met zijn doorzichtige kruin,
een volwassen boom tusschen staat. Van den top af is de geheele baai
te zien, met Namalea, kleintjes bruin, aan den voet van bleek-groene
heuvels. De twee groote bergspitsen tegen de lucht, een hoogere,
een lagere, zijn de Moeder en de Dochter.

Na Boeroe is een tijd lang open zee. En dan, Obi voorbij, komt het
eerste Molukken-eiland Batjan, dat een en al klapperbosch is. En dan
begint de trotsche reeks van de vulkanen: Makjan met zijn geknotten
top; Motir, zuiver toegespitst als een pyramide. Mareh, dat lager ligt,
met een afdruilenden slier van wolken langs zijn diep-geribde flanken,
en dan prachtigst van allen, de trotsche piek van Tidoor. Daarachter
komt, flauw en fijn, de piek van Ternate te zien.

De stad ligt op den Oostelijken oever van het eilandje tegen den voet
van den altijd rookenden vulkaan aangebouwd, de huizen maar even te
zien in dicht boomengroen. De straat langs de haven heeft maar een
enkele rij huizen, en aan de overzij een reeks prachtige boomen tegen
den glans van de baai met de zeilende schepen; zij is altijd druk
van volk. Op boot-dagen rijden de karretjes, met hun kleine ruige
hitten, in een onafgebroken reeks, propvol Chineezen en kleurige
Arabieren, en het gewoel rondom de goederenloods en over de pier
duurt van dagworden tot donker. Achter dien rand van rumoer ligt de
binnenstad stil met wijde wegen, waarlangs de erven vol bloemen zijn
en de ouderwetsch-lage huizen orchideeën hebben hangen tusschen de
pilarenrij. De straten hebben namen die aan oude tijden doen denken:
Fiscaal-straat, Weeshuisstraat, Lijnbaanstraat. Aan de Noordelijke
grens staat het vroeg zeventiend'eeuwsche Fort Oranje, dat Cornelis
Matelieff de Jonge bouwde tegen den Spanjool.

De Sultan van Ternate, die de Hollanders er in haalde om hem
tegen Portugeezen en Spanjaarden te helpen, was een machtig-rijke
potentaat. Francis Drake, die, een goede twintig jaar voor de komst
van Van Waerwijck hem bezocht, stond versteld van de pracht die
hij ten toon spreidde. "De koning," schreef hij in zijn bericht
(Wallace heeft het voor zijn Malay Archipelago overgenomen uit
de verzameling van Hakluyt), "de koning liet boven zijn hoofd een
prachtigen troonhemel dragen met gedreven gouden sieraden, en had
een wacht van twaalf speerdragers. Van het middel tot de voeten was
hij in de kostbaarste gouden kleederen gehuld. In zijn kapsel waren
onderscheiden ringen van gouddraad, ongeveer een duim breed, keurig
ingevlochten, zoodat zij een fraaie en vorstelijke vertooning maakten,
eenigermate gelijkende op een kroon. Hij had een keten van goud met
zeer groote schalmen tweemaal om den hals gewonden, zijn linkerhand
was getooid met een diamant, een smaragd, een robijn en een turkoois,
en aan zijn rechterhand droeg hij twee ringen, waarvan de eene met
een zeer grooten en zuiveren turkoois, de ander met een aantal kleine
diamanten prijkte. [24]

Al die rijkdom kwam enkel en alleen van de kruidnagelen. De Heeren
Zeventien wisten wèl waarom zij in hun instructie aan J. P. Koen
schreven: "de eilanden van Banda ende Molucques zijn het principale
wit waarnaar wij schieten." Dat schieten heeft Ternate, althans zijn
vorsten, ànders getroffen dan het ongelukkige Banda en anders dan
Ambon ook. Banda werd uitgemoord, omdat het volk van den handel in
notemuskaat ook met anderen dan de zuinig-betalende Compagnie niet
verkoos af te laten. De Ambonneezen, hoofden als kampong-volk, werden
uit hun bergen naar het strand gehaald, aan het teelen gezet van
den nieuw-ingevoerden kruidnagelboom en met slagen naar de prauwen
gedreven, die zij roeien moesten op de verfoeide extirpatietochten
langs de eilanden. De Ternataansche Sultan, hun oppermachtig gebieder
echter kreeg zoóveel geld, dat hij zonder spijt zijn monopolie
overgaf aan de Compagnie: twaalfduizend rijksdaalders in het jaar
wat wel met acht of tien vermenigvuldigd mag, om overeen te komen
met de tegenwoordige waarde van geld. Hij profiteerde trouwens
ook nog op andere manieren van de Compagnie. Hij was Heer van de
Papoesche eilanden en van groote streken op de kust van Nieuw Guinea,
waar een artikel gehaald werd, al even voordeelig in den handel als
de kruidnagel: slaven. En het was juist de Compagnie, die door de
gestadige vraag naar slaven, met wie zij op het uitgemoorde Banda
de notenperken bewerkte en op Ambon het ontbrekende kwartsvolk
aanvulde, de prijs van slaven uit de Papoe deed stijgen. Zoo wiesch
de Compagnie's hand de Sultan's hand en beide werden schoon--zoo niet
in den zin van rein, dan toch in dien van fraai: blinkend van het goud!

Hoezeer de Sultans gesteld waren op de vriendschap met de heeren van
de Compagnie, blijkt wel hieruit, dat er troonopvolgers vernoemd zijn
naar gouverneurs-generaal: Prins Zwaardekroon: het klinkt!--al is
misschien de fraaiigheid van "Prins Mossel" en "Prins van der Parra"
een gedwongene geweest, later. En voor bewijs daarvoor dat, van den
weeromstuit, het volk de Hollanders al evenzeer ging bewonderen, mag
de overlevering gelden die de Sultans van Ternate, Tidore, Djilolo en
Batjan tot afstammelingen maakt van een hemelnimf en een Hollander. Het
aardige verhaal, dat door allerlei bijzonderheden aan de sage van
den Nibelungenheld en de Zwanen-jonkvrouwen doet denken, is in het
oud-Ternataansche gebied verspreid tot op de Noordkust van Nieuw-Guinea
toe, waar de Papoea's het elkander vertellen in het Noefoorsch. [25]

Het oude fort staat nog op Ternate, met zijn dikke wallen,
die de kruidnagelhaalders en hun schatten beschermden tegen
Spanjaard en Portugees. Maar wat op dezen dag de welvaart zoo vol
de Ternatanenhuizen doet binnenvloeien, dat is niet de kruidnagel
meer: dat is het gevederte van den Paradijsvogel. De booten die naar
Nieuw-Guinea varen, zijn elk jaar in Maart en weer in Augustus, vol
Ternatanen, die als "jagers" gaan en met een riem vol geld terugkeeren.

Om betere redenen dan in den Compagniestijd naar den uitslag van nagel-
en notenoogst, wordt nu in Ternataansche streken gewacht naar wat de
vogeljacht opbrengt: de pacht, door het gouvernement geheven, is méér
dan noodig om het gewest eindelijk en ten laatste--na vierhonderd
jaar van onverschilligheid eerst en onmacht later--eenigermate op
orde te brengen. Ternate is wel een welvarende en welgeregelde stad:
maar in de binnenlanden van het groote eiland, aan den rand waarvan
zij drijft, in het binnenland van Halmaheira is de toestand een
àndere. Het is pas drie jaar geleden, dat officieel werd geconstateerd
hoe het alleen in naam georganiseerd was, en genomen maatregelen niet
anders waren noch kónden zijn dan halve, voor voorloopig gebruik
zelfs onvoldoende. Op het groote eiland--zonder Ternate en Hiri
is het te besturen gebied grooter dan de Padangsche Bovenlanden,
of Bali en Lombok te zamen, of Bantam, Batavia en Krawang bij
elkaar,--zijn maar enkele Hollandsche ambtenaren geplaatst met
eenige Indo's en Ambonneezen als bestuursassistenten tot hulp. Het
prestige van den Ternataanschen Sultan is er nog overweldigend. De
middelen van verkeer zijn uitermate gebrekkig voor zoover ze niet
geheel en al ontbreken. Wat dat zeggen wil zal een ieder begrijpen,
die bedenkt wat, in het algemeen, de aard van absolute vorsten en
de lijdzaamheid van weinig-ontwikkelde volkeren is, en hóe absoluut
en lang-gevestigd al het gezag van de Ternataansche sultans. Een
voorbeeld, hoe het kort geleden nog maar,--in de jaren '80--toeging
op Sanana. Sanana is de hoofdplaats van Soela Besi, een eilandje dat
(op den weg der Paketvaartbooten), tusschen Boeroe en de Obi-groep
ligt. Het hoort onder het sultanaat Ternate en is dicht bevolkt.

Het eiland is vruchtbaar: er groeit (op droge velden) rijst, er zijn
klapperboomen in menigte en rijk dragende sago-palm, het mooie roode
lingoa-hout komt voor in de bosschen, en ebbenhout, kostbaarste van
alle Indische houtsoorten, wordt ook gekapt; er is rotan te halen
uit het woud, en was van wilde bijen; en uit de zee wordt schildpad
opgediept; en bijwijlen drijft in de omringende engten amber, dat
zijn dubbel gewicht aan zilver waard is: een stuk van de beste soort,
de donkerbruine, van 3 à 4 pond, brengt omtrent f 4000 op. Van dit
alles wordt schatting opgebracht aan den Sultan, wat in de praktijk
wil zeggen: aan de gemachtigden, etc. etc. van den Sultan.

Sedert de dagen van den grootvader van den tegenwoordigen Sultan nu,
waren de Arabieren de handelaars, en, als zoodanig, de eigenlijke
heerschers op Soela Besi. Zij kwamen er al die kostelijke producten
halen en betaalden wel eens met duiten en anders met katoen. Voor een
vrouwenkabaja is de maat 3 el, en de waarde daarvan f O.75. Nu. De
Arabieren kwamen hout, was, rijst, copra, klapperolie, schildpad en
lola-schelpen koopen voor kabaja-stukken, geprijsd op f 3.

Met de rotan kwamen duiten er bij te pas, want de rotan wordt niet
anders aangebracht dan door volk uit het wilde bosch-binnenland en
dat heeft voor zich of zijn vrouwen zoo geen kabaja's noodig. Saïd
Alhadar,--dat was de Arabier die contract voor rotan had met den
Sultan,--ging daarom koperen duiten op den grond uittellen, tegenover
de neergelegde stengels rotan. De stengels moesten hem, natuurlijk,
aan het strand, waar de prauwen ze maar voor het inladen hadden,
geleverd worden. En, natuurlijk moesten ze ook behoorlijk geschild en
schoongemaakt zijn, want dat te doen is een heele arbeid, die tijd,
moeite en krachten kost. En dan moesten de stengels goed dik zijn, en
afgekapt op een maat van drie vadem. Voor zulk een stengel wou hij dan
1 duit geven, of voor een pikol van zulke stengels 100 duiten, dat is
f O.83 in Nederlandsche munt berekend. En zulk een pikol verkocht Saïd
Alhadar voor f 4.50 of ook wel eens f 5. Wat Saïd Alhadar bijzonder
goed beviel en ook wel bekwam; maar der bevolking minder. En als Saïd
Alhadar met den rotan, deden andere zonen van Hadramaut met de was, of
het schildpad, of het ebbenhout, of de rijst. En ook dién edelen van
Hadramaut beviel dit goed en bekwam het wèl; maar ook der bevolking,
die met hèn handelde, bekwam en beviel het maar slecht. Hoe echter
zou iemand gewaagd hebben zich tegen de Arabieren te verzetten, die
gemachtigden en lasthebbers en vrienden immers waren van den Heer,
die glanst gelijk de Zon, den Sultan van Ternate?

Dat duurde, totdat in 1909 een resident van Ternate op dienstreis Soela
Besi bezocht, en een onderhoud had met Arabieren op Sanana en met den
Sultan in zijn hoofdstad. Waarna kabaja-stukken van f 3 verdwenen zijn,
en rotan-stengels van drie vaam lengte met 1 1/2 cent betaald worden
en door den kooper uit het bosch gehaald en schoongemaakt door hem. In
vele andere dingen ook is velerlei veranderd, en de veranderingen
zijn den Arabieren maar zeer matig bevallen en bekomen, maar der
bevolking daarentegen uitstekend. Wat Saïd Alhadar aangaat, die is,
eenigen tijd later, plotseling weggeroeid van Sanana, en sedert nooit
weer aan komen roeien. Van het waarom weet de toenmalige posthouder
het nadere misschien wel.

Er zijn vele Saïd Alhadars op Halmaheira. Er moesten ook vele
posthouders zijn, om van civiel-gezaghebbers en controleurs, en
eigenlijk misschien zelfs wel, assistent-residenten niet te spreken,
wanneer overal op Halmaheira het zoo goed zou gaan als het nu op
Sanana gaat. Maar het geld (volgens Heinrich Heine, het vervloekte
geld), dat men niet heeft?

Daaraan nu zal, onder andere, de pacht op de paradijsvogels
helpen. Verleden jaar was de binnenkomende som bijna een
halve ton--precies gezegd f 45.000. Daarvoor kan heel wat
binnenlandsch-bestuurd worden. En er wordt voor de toekomst nog meer
gehoopt. Want Ternataansche jagers vermeerderen en dames worden al
doller en doller op paradijsvogelveeren voor hun hoed.

Er is gewaarschuwd, dat paradijsvogels spoedig in allen ernst
paradijs-bewoners zullen zijn als het zoo voortgaat. Maar die het
weten kunnen, stellen gerust. De Paradijshaan--de hennen zijn maar
stemmig-bruine diertjes--krijgt zijn siervederen pas op zijn vierde
jaar, terwijl hij verder na het eerste al in alle opzichten volwassen
is. Dus kan het nooit meer dan een, betrekkelijk gering, gedeelte van
de menigte zijn, waarop elk seizoen geschoten wordt. En de landstreek,
waar de jagers op buit uitgaan, is een nog veel geringer deel van
het ontzaglijke Nederlandsch Nieuw-Guinea-gebied.

Een standpunt van humaniteit--en dat tegenover zóó prachtige
diertjes!--zou gemakkelijker te verdedigen wezen, als het niet
zoo ernstige belangen van menschen gold. Er zijn ook Engelschen,
die verklaren, dat het Britsche gouvernement zich daarop heeft
geplaatst met het verbod van jacht op paradijsvogels in Britsch
Nieuw-Guinea. Maar daarentegen zijn er weer niet-Engelschen, die een
heel andere reden aannemen voor het verbod dan dierenliefde. Op
paradijsvogels moet geschoten met geweren en geweren ziet de
Britsche regeering nu eenmaal niet graag in de handen van haar
Papoesche beschermelingen--wezenlijk, niet dan uiterst ongaarne. Dus
dan kunnen er, vanzelf, geen paradijsvogels (onder andere) worden
geschoten. Zoodat het veel eenvoudiger is bij het einde te beginnen
en te zeggen: In Britsch Nieuw-Guinea is de vogeljacht verboden:
zooals ook is geschied.

Die de zaak zoo uitleggen, doen tegelijk opmerken dat van de in
Nederlandsch Guinea geschoten vogels een overgroot deel den weg naar
Engeland opgaat, naar de groote Londensche markt.

En zoo is dan de hoed van een Londensche elegante de laatste
nestelplaats van een vogel, die anders allicht terecht zou komen in
den schelpen bovenarmband of in den takkebos-breeden stijfgekroesden
ragebol van een spiernakenden Papoea, als hij met zijn beste paar
wildezwijn-slagtanden door de doorboorde neusvleugels geschoven,
gaat dansen op een koppensnellersfeest.



NIEUW GUINEA


Naar het land van de paradijsvogels


Het schip gaat naar de Humboldts-baai van ruim tot reeling vol
opkoopers van vogelhuiden en ruilwaar. Achter den wand van zeildoek,
die het haast ledige dek van de eerste klasse afgrenst van de derde,
is het een enkele gepakte, gestuwde, opgetaste massa van lichamen,
liggende, gehurkt, weggedoken tusschen pakken, vaten, kisten, boven
op hoopen zakken geklommen, aanhangende tegen stapels planken aan. 's
Avonds schijnt het electrische licht op roerlooze rijen, zoo dicht
en vast aaneengevoegd als de planken van het dek zelf. Beneden,
in de kajuit van de tweede klasse, waar het licht op valt van den
koekoek, zitten langs alle tafels, geen plaats onbezet, Chineezen,
den dag door bezig met papieren en boeken. En de gangen langs de
laadkuilen en de hutten van de scheepsofficieren zijn versperd met
kisten, waaromheen altijd een schuifelend gedrang is van Chineezen
en Ternatanen. De Chineesche handelaars gaan als opkoopers van
vogelhuiden, de Ternataansche en Amboneesche "jagers" als opkoopers
van de arbeidskracht waardoor die huiden uit het binnenland van Noord
Nieuw-Guinea aan de kust gebracht worden. Van de eigenlijke jagers,
de Papoea's, is de naam overgegaan op hen. De organisatie van het
bedrijf is déze, langs afdalende reeks. Bovenaan staat een of ander
groot handelslichaam, een Chineesche kongsie, of een Europeesche
vennootschap, met verbindingen naar de wereldmarkt. Onder de
groote firma staan de Chineesche opkoopers, in een massa zelve weer
samengesteld uit grootere en kleinere, waarvan de enkele grootere
koopen van de vele kleinere. Onder de Chineesche opkoopers staan
de jagers, Ternatanen, Boegi's, Amboneezen, Cerammers, volk van
Geser. Onder de jagers staan de Papoea's. Een enkele maal onderhandelt
een groote firma rechtstreeks met de jagers, maar de verre afstand
tusschen de steden waar zij hun kantoren en hun agenten hebben, en de
woonplaatsen van de jagers, her en der door den archipel verspreid,
maakt dat dit niet anders dan bij uitzondering kan gebeuren.

De firma, of anders de grootere onder de opkoopers, verschaffen
het toebehoor voor de jacht, de jachtakte, "licentie" heet ze hier,
en het geweer met ammunitie, aan de jagers. Verder geven ze hun een
voorschot van om en bij de vijftig gulden, (het middel van bestaan
voor hun achterblijvende gezinnen gedurende hun afwezigheid), het geld
voor de reis, en de waar, waarvoor een Papoea op de jacht naar vogels
gezonden kan worden: dat wil zeggen: rood katoen, kralen, neusstangen,
halskettingen, armbanden, spiegeltjes, pruimtabak en vooral messen. De
verdienste van den jager moet komen van het aantal vogels, dat hij,
boven een van te voren vastgesteld aantal, en na verrekening van het
voorschot in geld en waren, aan de firma levert tegen een bepaalden
prijs, soms de locale marktprijs. Hij gaat dus op eigen risico "de
Papoe in." Hier zoekt hij de werkelijke jagers, de mannen uit het
binnenland. Terwijl, als hij een Ternataan is, en ook Amboneezen doen
dit wel, hij zelf ook "als geweer" het bosch in gaat.

De Papoea neemt niet anders mee voor een veertien dagen of drie
weken woud-loopen dan een pak sago, gedroogde visch, tabak, een mes
en zijn jachtgereedschap. Het mes--een gewoon Hollandsch keukenmes
kan men hem zien gebruiken, zoo een met een dik rood-geverfd
houten heft, en ook zwaardere kapmessen, als Maleiers altijd
hanteeren--is voor de meeste binnenlanders nog iets nieuws en
kostbaars, van de hoogste waarde op zulk een tocht door het bosch,
waarbij ze vroeger niet dan hun naakte handen als hulp hadden tegen
versperrend gewas. Zij gaan nu dáárheen waar een "speelboom" staat,
d. w. z. een boom, waarin de Paradijshaantjes neerstrijken om met
opgeheven vleugels en wijd-gespreide bossen van sierpluimen te
pronken voor de hennetjes. Dikwijls staan zulke boomen niet ver van
een Papoeagehucht; maar dan zijn ze allicht vast eigendom. En ook een
midden in de eenzaamheid staande boom kan al bezit zijn; dat wordt
aangewezen door een "verbods-teeken," een tak met een blad er op
gestoken, bij den stam. Wie zulk een "verbod" schond, zou zeker door
een doodelijke ziekte of door ongeluk in zijn gezin getroffen worden.

Er wordt dus gezocht tot een speelboom is gevonden waarop nog
niemand rechten heeft. De Papoea gaat op de loer liggen, en wacht
zijn kans. Bij voorkeur zal hij op den grooten "gelen Paradijsvogel"
schieten, die van onder zijn purperig-bruine vleugels een schitterend
oranje pluimenbos opsteekt, van wel twee voet lang. Of anders op
den effen zwarten, die bij elke beweging glansen van groen, rood en
paars laat opschijnen uit het zwarte fluweel van zijn gevederte; of
op den kleineren (dien Franschen Petit Emeraude noemen) die pluimen
heeft, niet oranje, maar stroogeel, met witte spitsjes; dat zijn
er al mee van de meest waardevolle. Hij moet zorgen den vogel zóó
te raken dat geen bloed de vederen besmeurt: de vlekken die niet
weer weg te nemen zijn, maken hem waardeloos. Dan worden vleugels
en pooten afgesneden en het afgestroopte huidje op een platte houten
pen opgespleten en gedroogd. Heeft hij er genoeg, dan brengt hij zijn
buit naar den jager, voor rood en blauw katoen, kettingen, armbanden
en neus-stangen. En het handels-artikel geworden bruilofts-kleed
der vogels gaat van den jager naar den opkooper, van den opkooper
naar de groote firma op Ternate, Makassar, Soerabaja, Batavia, van
de groote firma naar den "veeren-fabrikant" te Londen of te Parijs,
van den veeren-fabrikant, die het in een nieuw fatsoen heeft gebracht,
naar de modiste, van de modiste naar de elegante vrouw, bij wier zijde,
bont en juweelen een hoed met Paradijsvogel-pluimen behoort. En de lap
rood katoen, de neus-stangen en de tabak van den Papoe doen in laatste
gedaantewisseling zich voor als een chèque van een vijfhonderd gulden.

Voor het begin van het proces, waardoor die metamorphose tot stand
komt, gaat nu dit schip vol menschen "naar de Papoe," allen in
gespannen verwachting naar hun deel van vermenigvuldigende waarden,
dat voor elk grooter is naarmate hij verder van den arbeid aan den
oorsprong af staat. De Chineesche opkoopers zijn bezorgd omtrent het
hunne, sedert bekend geworden is dat een groote Europeesche firma
van de achttienhonderd uitgegeven licenties er meer dan tweehonderd
verworven heeft.

Een Chineesche groothandelaar, eerste-klasse passagier, die vorig
seizoen driehonderd corges (pakken van twintig stuks) huiden naar
Makassar heeft verkocht voor f 650 de corge, houdt veel overleg met
zijn landgenooten, ernstig kijkend. Beneden in de gangen, om het luik
heen, tusschen bossen pisangs, manden vol orchideeën, rissen witte
kakatoea's en purper-blauw-geel-groene lorries, op het voordek van
het schip, rondom de winch, bij het ankergat, tusschen de stapels
der opgerolde trossen, worden al door kisten open gemaakt met kralen,
glazen armbanden en celluloïde neusstangen--Oostenrijksch fabrikaat,
dat de schelpen-ringen en de varkensslagtanden van vroeger gaat
vervangen. Handel aan boord is verboden, al die kisten hoorden in
het ruim. Maar geen nog zoo scherp toezicht ziet door de listen heen,
waarmee Ternataansche en Chineesche jagers koopwaar voor bagage bij
zich houden. En het meest wat onophoudelijke waakzaamheid vermag
is een uiterlijke orde en regel handhaven onder dien onderling
wantrouwenden en afgunstigen troep, die van uit de verte al loert op
de Paradijsvogels en de Papoea's.



Het eerste station van de booten op Noord Nieuw-Guinea is tegenover
Sorong op het eilandje Doom--niet veel meer dan een groene heuvel met
op den kruin een grooten boom, onder den lommer waarvan binnenkort
het huis van een bestuursambtenaar zal staan. Hier kwamen de eerste
Papoea's aan boord en de eerste Paradijsvogel. Van den vogel was
niet veel te zien: hij was "aangehaald," als contrabande in beslag
genomen, wijl geschoten in het seizoen waarin de jacht verboden is,
en zat stevig ingepakt in bruin papier. Aan de Papoea's viel des te
meer te bekijken; zij hadden niets aan dan een lendedoek van dunne
bruine stof, die boombast bleek te wezen. Het taaie groeisel wordt in
water geweekt, van het allergrofste ontdaan en zoo lang geklopt, tot
het niet dikker of stijver meer is dan gewoon katoenen weefsel. Het
zat om de leest der mannen heen zoo glad als een sarong.

De vier, voor al de anderen aan boord geklommen, waren gekomen om zich
als jagers aan te bieden, en tegelijk matjes te verkoopen daar in de
streek gemaakt,--aardige dingen van sagobladstelen, met levendige
kleuren beschilderd. Aan hun manieren--ze rookten sigaretten en
namen, als iets waaraan ze al lang gewend waren, een glas vruchtensap
aan--was het te zien, dat zij al vaak met Westerlingen te doen hadden
gehad. Het waren slanke, krachtig gebouwde menschen, bronsbruin,
met een geweldigen bos heel fijn gekroesd haar, dat er uitzag of het
zou veeren als er op gedrukt werd, en waarin ze allerlei versiersels
hadden gestoken: lange naalden van gesneden hout, beenen pennen,
een veertje. Zij hadden opgewekte gezichten met een helderen blik
in de groote glanzend zwarte oogen, en een forschen arendsneus. Het
geheel zou mooi geweest zijn, zonder den breeden, groven mond,
waarin iets dierlijks was. Het waren waarschijnlijk geen Papoea's van
zuiver ras. De heele kuststreek heeft een sterk gemengde bevolking;
handelaars van Geser, Ceram laoet, de Zuidkust van Ceram, Boegineezen,
Tidoreezen, Ternatanen hebben van oudsher overal hier gevaren, zoo ver
als het gebied--hoezeer dan ook maar schijngebied,--van de Moluksche
vorsten reikte. Misschien dat de vermenging met meer ontwikkelde
rassen een oorzaak is van hun gereede aanpassing aan nieuwtijdsche
handelsgebruiken. Zij stonden met opkoopers en jagers zakelijk te
onderhandelen. Ten slotte gingen zij naar het kuildek en richtten
zich in voor de reis. Een die zijn sigaret wilde opsteken maakte
vuur door twee bamboe-latjes vlug tegen elkander te wrijven. Het
antieke gebaar riep daar midden op de stoomboot een vizioen op van
pas half-menschelijk leven.

Te Manokwarie, de hoofdplaats van het gewest, die maar een dag
stoomens van Sorong verwijderd is, kregen wij Papoea's te zien van,
op het oog, hetzelfde ras, maar die een anderen ontwikkelingsgang
gevolgd hadden dan de Sorongsche. Zij waren Christenen, en droegen
kleeren. Er kwamen er een groote menigte aan boord om het gezin van
een zendeling te verwelkomen. En later op den dag was het op den
steiger een ware oploop om het wonderdier te zien, door de familie
medegebracht: een paard. Er zijn op Nieuw-Guinea noch paarden, noch
runderen. Kort geleden heeft de zendeling er runderen ingevoerd,
die goed gedijen. Dit paard was nu wéer een nieuw wonder. De vrouwen
vooral waren er over uit. De mannen, van wie de meesten al eens met
de prauw, of misschien zelfs wel met de stoomboot naar den Maleischen
Archipel waren geweest, hielden zich bedaarder.

Om de Geelvinkbaai heen, langs de kust en op de vele kleine eilanden
liggen een menigte Papoeadorpen, op palen gebouwd, half op zand, half
in water bij ebbe, rondom in zee als de vloed opkomt. De boot doet
er verscheiden aan: als eerste, Roon. Het eilandje ligt tusschen de
Geelvinkbaai en de Baai van Wandamen, als de eigenlijke spits van
een ver vooruitspringende kaap die de twee scheidt. Vlak in het
Zuiden, aan de overzij van de smalle straat die het afsnijdt van
het vasteland, staan donkerblauw en prachtig hooge bergen; de wijde
Geelvinkbaai, onafzienbaar als een zee, ligt, uitgegoten naar Oost
en Noord, met zwermen eilandjes overstrooid. Aan het strand staat
het Papoea-gehucht op zijn bruine palen, in twee groepjes van lange
laag-gedakte hutten. Het witte zand blikkert fel er tusschen. Prachtige
kleuren hebben de ondiepten rondom: allerlei groen, van het lichtste,
zon-doorblonkene tot een dof en ondoorschijnend malakiet, dooraderd
met wittige schuimstrepen, paars in breede banen daarlangs. Als
een regenboog uit het blauw van de lucht glanst die groen-en-paarse
zoom uit het blauwe water. Zoo rechtop uit de zee, dat de wortels,
blootgespoeld, hangen in de branding, klimt een woud langs de steile
helling. Veel laurierboomen groeien er in. De lucht om de hutjes is
bitter van den fijn-prikkeligen geur. Over de wankele brugjes, die
van de woningen naar den woudzoom gaan, loopen, rank-rechtop, donkere
menschen. Er dobbert een prauw hier en daar, aan een paal gebonden.

Op de Zuidkust van Japen--het langgerekte eiland, dat in het Noorden
de Geelvinkbaai halverwege sluit,--ligt Ansoes, waar de vogeljagers
heengaan om den prachtigen geel-gepluimden Paradijsvogel. In de
diepte van een zuiver ronde baai ligt het gehucht lang uitgebouwd,
over de breedte van het gladde, klare water. In het Oosten is de
bouw begonnen: daar zijn de hutjes al oud. Naar het Westen toe worden
zij al nieuwer. Daar is de steiger, daar is de lange rij Chineesche
winkeltjes, waar,--als een trottoir--een brug van drie planken langs
loopt: wankelliggende stammen worden het op het eind; een ijl leuninkje
staat er onzeker tegen aan. Een geheele vloot prauwen, aan één kant
maar gevlerkt en met een geweldig matten zeil op, dobbert rondom
den steiger. Een naakte jongen, met een snoer schelpen om den hals,
flikkerwit in de zon tegen zijn goudachtig bruin, roeit zijn hollen
boomstam vol orchideeën naar de stoomboot.

Pom ligt op de Noordkust van Japen. Als een reusachtige school
schildpadden drijft het dorp, elke schildpad een lange bruine
woning met een gladden ronden rug van een dak. Wel een twee honderd
voet lang is zulk een woning. Naast en achter elkander liggen ze
daar. Als wij er tusschen komen, in onze prauw, zijn we midden in
een groot waterdorp. We varen een waterstraat af, een waterplein op,
watersteegjes door, her en der. Achter de flonkering van water,
die groen en zonneblank door een woud van zwartige palen speelt,
achter de lange, gedoken dakenruggen, is een lage oever, groen van
woud. Allerlei klaar gekwinkeleer klinkt er uit, schelle vogelkeeltjes,
waardoorheen de groote stem van de kroonduif roept; zoo zonderling,
dat het lijkt of uit de verte een diep-inzettende scheepssirene
schalt. Dwars over de baai vliegen kaketoes, donker tegen het felle
blauw van den hemel, met een doorschijnend gloorrandje langs de bocht
van de scherpgespitste vleugels, en de randen van den staart als een
waaier gespreid. Weinig menschen zijn maar in het dorp. Vanochtend in
het eerste licht hebben wij in een lange "vrouwen-prauw" een menigte
vrouwen zien wegroeien om de oostelijke kaap, naar de bosschen,
waar zij den dag door damar zullen zoeken. De mannen zijn allen op
de stoomboot, bij de Chineezen en de Ternatanen, met hun kisten vol
moois. Wij klimmen een huis binnen, waar een meisje van een jaar of
twaalf, op den vloer-rand gezeten, met voeten afbengelend boven het
water, haastig opspringt, en vlucht, zonder zelfs om te kijken naar
ons geroep. We hebben den voet nog niet op de los gelegde stammen
van den ingang--het watergroen flikkert er doorheen--of we zien haar,
een eind ver weg al, over het water heenschieten, in haar smalle prauw.

We bezien het huis, waarin zeker meer dan honderd menschen te zamen
leven. De ingang is, klaarblijkelijk, gemeenschappelijk terrein. Aan
een paal hangt een geweldige schildpad-schaal, waarin langs den
rand vierkante gaten zijn uitgebroken: om het vleesch, zegt de
Ternataan, die onze gids en tolk is. De beenige, scherp-getande
zaag van een zaagvisch leunt tegen den wand tusschen een rommel
vischtuig: schepnetten, werpnetten, drietandige speren, waarmee de
visch geharpoeneerd wordt, een boog en bundels visch-pijltjes, die
aangespitste nerven van sagoblad zijn. Een bonk sagomeel, in bladeren
gewikkeld, hangt aan een stijl. Op den grond ligt een groot stuk
zware boomschors, waarin half verkoolde stukken hout nog gloeien--de
haard, waarboven het gevluchte meisje zeker juist wat sago had willen
roosteren en een stuk schildpadvleesch.

Achter deze vóór-ruimte liggen de afzonderlijke kamers, elk door een
gezin bewoond, aan weerskanten van een gang die door het geheele
huis heen loopt. Dit gedeelte, de eigenlijke woning, is met zorg
afgewerkt. De gang heeft een vloer van vastgevoegde planken, de deuren
sluiten in den langen houten wand. Ze zijn alle dicht nu, de gezinnen
zijn uit. Dat zullen zij overdag wel meest altijd wezen, de vader op
de jacht of op de zee, de moeder met de kleinste kinders in het bosch
om damar te zoeken of in de tuinen aan het werk, die tegen de heuvels
aan met omkappen van een enkelen boom en in brand steken van gras en
struikgewas ten ruwste gemaakt zijn, de groote kinders op het strand,
bezig met het zoeken van schelpdieren en krabben. En dan hindert het
ook niet veel dat zoo'n "éénkamerswoning" een hokje is van niet meer
dan een voet of tien in het vierkant, en zoo laag, onder de schuinte
van het dak, dat de bewoners er maar juist in kunnen staan. Zij zijn
er alleen wanneer zij er niets van merken--als zij slapen.



Beoosten Kaap d'Urville


Kaap d'Urville is de Oostelijke grens van de Geelvink-baai: hier begint
de oceaan. Het water lijkt effen. En toch schommelt het schip. Het
voelt de groote golvingen van de Stille Zuidzee.

Langs deze kust en op de eilandjes, die in een ver vooruitgeschoven
rij erlangs liggen, wonen de Papoea telandjang, de naakte Papoea's.

Toen wij Wakdé naderden, kwam een geheele zwerm ons in prauwen
tegemoet. Ze droegen niets dan, van het snoer rond hun middel
afhangend, een lapje bont katoen, en aan hals en armen een aantal
ringen, banden en kettingen van kralen en schelpen. In hun armbanden
hadden sommigen een bundel dracaena-bladeren gestoken. Zij waren
getatoueerd, sommigen met een teekening van donkerblauwe lijnen,
stippels en plekken, die een mooi patroon vormden over borst, buik
en dijen, aan de polsen ook en op den rug; anderen met een dergelijk
patroon, waarvan de lijnen bestonden uit litteekens van breedingekorven
sneden. Zij hadden roode klei in hun haar gekneed, zoodat het in een
krans van strakke rosachtige pieken om hun voorhoofd heen stond. En
hun gezicht was met zwarte verf zóó beschilderd, dat het leek of zij
een masker droegen. De meesten hadden het zitten tot over den neus,
maar er waren er, die het scheef over één oog droegen--het voorhoofd
zwart, den neuswortel en één oog zwart, één jukbeen zwart, de rest
van het gezicht natuurlijk-bruin. En sommigen hadden, wat bijna nòg
zonderlinger stond, als het ware een sluier van zwart halverwege
over het gezicht laten zakken, enkel maar lijnen, recht en gegolfd,
met zwarte stippeltjes er tusschen. (Of die soms dames met voiles van
gemoesde tulle gezien hadden?) Sommigen hadden een hoed op, hoewel zij
overigens zorgvuldig naakt waren gebleven. Zij kwamen er aanroeien in
prauwen, die uitgeholde boomstammen waren, met een opening zoo nauw,
dat de roeier tusschen de naar binnen gebogen randen alleen tot de
knieën toe de beenen kon passen, en zàt boven op de prauw. De bootjes
waren vroolijk beschilderd met roode en zwarte sterren en versierd
met beeldhouwwerk, forsch gefatsoeneerde koppen van kakatoes of van
schildpadden, vooruitstekende op den steven. Van het strand van Wakdé
af kwamen zij in zulke menigten, dat de zee tusschen het schip en
den wal een wemelend plein geleek.

Het dorp ligt tegen een achtergrond van woud en van
palmen-aanplanting. Langs het strand, als een aanspoelsel uit de
branding der wereldzee van verre beschavingen, loopt een ordelijke
straat, waarlangs nieuwe huizen staan, in aanbouw nog vele, genummerd
in de rij. Daarachter, met hutjes van gaba-gaba en atap, begint het
eigenlijke Wakdé, het Papoea-dorp.

Middelpunt er van is een tempel; aan de geesten en de voorouders
toegewijd. Het is een gaba-gaba gebouw van het allereenvoudigste
fatsoen onder een hoog en puntig met bladeren bespreid dak. De geheele
gevel is beschilderd, reep voor reep, met doorloopende patronen van
rood en zwart, elke reep weer anders, zoodat het geheel een samenstel
wordt van verticale strepen. Een trapje, met gebeeldhouwde leuningen
en op de posten twee hurkende figuren, klimt naar de deuropening,
waardoorheen een inkijk is van ledige schemering. De tempel moet nog
maar kort geleden opgericht zijn, het rood en zwart is versch op de
sagopalm-stengels der wanden. Maar toch begint hij al te vervallen;
het bladerenspreidsel van het dak hangt in flarden, de trap leunt
scheef tegen den ingang. En rondom is een wildernis van breed-bladerige
planten opgeschoten, waartegen gewaarschuwd wordt als tegen een nest
van slangen. Er is geen zendingspost op Wakdé. Vanzelf moeten dus
onder deze Papoea's de voorstellingen in verval zijn geraakt, die
kort geleden nog krachtig genoeg waren om zich te uiten in tempelbouw.

Rondom, en naar het strand van den achterwal heen, liggen, onregelmatig
verspreid, de hutten van het dorp: bruine paalwoninkjes, met ladders
naar den ingang, die opgetrokken kunnen worden. De bouw van alle
is dezelfde, dezelfde ook als die van den tempel, recht op en neer,
wanden van sagopalm-stengels en een dak van sagopalm-blad. Precies
in het midden van den gevel is de hoogste van drie openingen, deuren
en vensters tegelijk, op gelijke afstanden waarvan de twee andere
zijn aangebracht. De verdeeling van het binnenhuis komt te zien:
een vrij groote middenruimte, doorloopend van voor- naar achtergevel,
en aan weerszij, afgeschoten, donker, veilig, kleinere ruimten, waar,
onduidelijk, een rommel van voorraad gereedschap, rijs en vischnetten
te ontwaren is, en waaruit gezichten te voorschijn kijken van
vrouwen en kinders. De vrouwen zijn, met een goren lap om de lenden,
maar weinig meer bekleed dan de mannen, en, als zij, met snoeren van
kralen en schelpen omhangen, houten pennen door een warrigen haarbos
gestoken. Allen, jonge als oude, hebben lippen vuurrood van de sirih,
en een pruim achter de kiezen, waar de wang in een scheeven bult over
uitstaat; de kalk voor de sirih-pruim dragen zij bij zich in een soort
fleschjes, die kleine uitgeholde pompoenen zijn, alleraardigst met een
zwarte teekening versierd. Een enkele heeft een dergelijke teekening op
de borst getatoueerd. In vergelijking met de mannen zijn het schrale,
armelijke wezens, wien ontbering aan is te zien en arbeid vèr boven
hun krachten. Zelfs de jongsten, die een kind aan de borst houden,
zien er oud uit. Klaarblijkelijk zijn zij het, die al het akkerwerk
doen, terwijl de mannen zwerven en jagen.

Het station dat op Wakdé volgt is het laatste in de rij. Hollandia, aan
de Humboldtsbaai, eindpunt der Noord-Nieuw-Guinea reis. De boot laat
het anker vallen voor een drukke kleine handelsplaats aan de monding
van een rivier. Dicht gerijd staan langs beide oevers de huisjes,
de stroom is als een dobberende markt. Bij de aanlegplaats staan
loodsen en een pakhuis; Chineezen met gouden ketting van knoopsgat
naar borstzak van hun khaki jas controleeren het binnenbrengen uit
de laadprauw van kisten, waarop namen van Europeesche steden en
fabrikanten staan.

Aan de overzij van de baai, enkele minuten roeiens ver, ligt het oude
Papoea-gehucht op een zandbank maar juist boven het water uit. Er
staan hutten op als hooge, hoekige bijenkorven, op palen, dicht
aaneengedrongen op de smalle plek. Reusachtige schildpadschalen, aan
palen gehangen, drogen in de zon; de stank slaat den naderende over
het water tegen. De gezichten van de naakte, war-harige, vervuilde
wezens, die in een zwijgenden troep hem tegemoet zien, zijn een afweer,
nog erger haast dan de stank. Denkende aan wat verhaald wordt van hun
stompzinnige wreedheid, dingen die ongeloofelijk lijken en onmogelijk,
begint hij nú te gelooven daaraan.



Chineesche winkels


Te Sorong al begon het; hier in de Humboldtsbaai, in dat bedrijvige
dorp, waar de boot haar laatste vracht ontlaadt, is het nog; en
nergens, op de geheele lange reis was het er niet--het Chineesche
winkelbedrijf. Niet ééne was er van al de vele aanlegplaatsen,--Saonek,
Manokwarie, Roon, de Wooibaai, Ansoes, Pom, Mokmer, Wakdé,--of langs
het strand stond een wal van Chineesche toko's, splinternieuw alle,
sommige niet eens af nog; en Chineezen stonden te wachten op de
ladingen gaba-gaba, planken, dakzink, atap in reepen, die langs
het laadbord de vlet in gleden, en op de Chineesche timmerlui, uit
Ambon en Menado meegekomen om, voor een dagloon van f 3, beginnend
met den eersten dag van uitreis en eindigend met den laatsten van de
terugreis, over een anderhalve maand te beginnen, van al dat materiaal
weer Chineesche winkels te maken.

De kust is, in wording, één Chineesche winkelstraat, honderd-en-vijftig
geografische mijlen lang in de vogelvlucht gemeten, met voor zichtbare
klanten een troep spiernaakte, een stuk gedroogde visch kauwende
Papoea's. De reiziger ziet er naar, verbaasd, tot hij, instee van
de oogen, de herinnering te hulp neemt. Die begint aan een lange
geschiedenis.

Het is wèl bekend hoe het land van de Paradijsvogels niet dan half bij
toeval, half bij dwang Nederlandsch koloniaal gebied is geworden--bij
toeval een exploitatieland van de Oost Indische Compagnie, die er
weinig voordeel van heeft gehaald, bij dwang der omstandigheden en
annexatie, bij stukken en brokken, een bezit van den staat, die de
desolate erfenis aanvaarden moest en later, tegen wil en dank meest,
verdedigen tegen andere gegadigden.

In den bloeitijd van de O. I. C. waren "de Papoesche Eilanden"
nog onbekend land voor haar, al wist zij, dat de Molukkenvorsten
daarvandaan groote rijkdommen haalden, en dat Portugeezen zich daar
hadden gevestigd en Spanjaarden. Een gerucht dat er goud te vinden
zou wezen, prikkelde den ondernemingslust.

Er werd een schip gezonden naar de Zuidwestkust, om te zien wat er
aan was van het op Ceram gehoorde omtrent den rijkdom dier streek,
en een contract werd gemaakt met den Sultan van Batjan, die daar vage
rechten had. Tien jaar later eerst kwamen de schepen der Compagnie op
de Noordkust, geheel bij toeval, gedurende een tocht, ondernomen om
een anderen weg naar Indië te vinden, dan die bij octrooi haar was
toegestaan. De kust en eenige der dichtbij gelegen eilanden werden
onderzocht, maar er leek weinig te halen, zooals op heel Nieuw-Guinea,
waar van goud niets gevonden was, en de muskaatnoten--een in het
wild groeiende soort--van veel minder hoedanigheid bleken, dan
die op Banda geteeld werden, terwijl er voor den pluk geen handen
te vinden waren, en het volk kwaadaardig slag was, verraderlijk en
moordzuchtig. Ook bleek de kust gevaarlijk te bezeilen. De regeering
verbood ten slotte den handel. En dat hij hervat werd, kwam door
denzelfden dwang, die, onder geheel veranderde omstandigheden,
anderhalve eeuw later de formeele annexatie te weeg zoude brengen,
alle aarzelende voorzichtigheid, en zuinigheid óok, ten spijt:
door den dreigenden binnenval van den vreemdeling. De Compagnie,
die zich wilde verweren "met de wapenen die God ons gegeven heeft,"
als bij een andere gelegenheid een van haar doortastende pioniers
verlof vroeg te doen, kreeg ongelijk van de hooge regeering bij het
gevankelijk opbrengen van den Engelschen ontdekkingsreiziger William
Dampier naar Ambon. Zóo hardhandig ging het niet. De tijd van betoogen
en onderhandelen begon, contracten werden vertoond, met Moluksche
vorsten gesloten, met sultans van Batjan, Tidore, Ternate. Het was niet
anders dan een schijngezag dat zij op Nieuw-Guinea uitoefenden, en hun
eenige functie: het innen van schatting en het rooven van slaven. Maar
een ander gezag was er zelfs ook niet in schijn, en ook de Engelschen
wisten gedurende het interim niet beter te doen om eenigermate rust
te krijgen in het land, dan de potentaten van Tidore en Ternate,
met elkander erfelijk in een krijg, die ook in Nieuw-Guinea werd
uitgevochten, te bewegen tot vredesluiting. Toen daarop Nieuw-Guinea
mèt den Oost-Indischen archipel terug kwam aan Nederland, erkenden
opeenvolgende regeeringen, soms zwijgend, soms uitdrukkelijk, het
recht van den Sultan van Tidore, dat eindelijk zelfs uitgebreid werd,
over gebied, trouwens, waar het Nederlandsche gezag zich nog nooit had
doen gelden. Het leek veiliger de verantwoordelijkheid voor wat daar
gebeurde over te laten aan anderen, nu men de middelen eenmaal niet
bezat om het zelf te beletten: zeeroof, slavenhalen, moord en doodslag.

Dat alles was het gevolg van Moluksche regeersystemen, maar
Westersche handelsontwikkelingen hadden het ergste nog verergerd
met den invoer--ter sluiks--van jenever, opium en vuurwapenen; dit
laatste om de Paradijsvogeljacht.

Op zichzelf was deze geen nieuwigheid uit het Westen. Het is bekend,
onder anderen uit Wallace's boek, hoe op het laatst van de zestiende
eeuw al Portugeezen, Hollanders en Engelschen dien handel gaande vonden
in de Molukken. "Godenvogels" noemden de Maleiers om hun schoonheid de
schitterende diertjes, wat de Portugeezen, met een verchristelijking
van het denkbeeld vertaalden als "Paradijsvogels." Jan Huygen van
Linschoten zag er, op die reis waarvan hij zijn beroemd verhaal
zou doen. Als het anno 1598 aan een schrijver paste, gaf hij
den "Godenvogel" een latijnschen naam en verhaalde van de "Avis
paradisea." En het Hollandsche "paradijsvogel" ontstond, dat andere
volkeren ieder in de eigen taal overnamen en waaraan de fantastische
dierkunde van den tijd de voorstelling vastmaakte van een vogel zonder
pooten, die nergens nestelde noch neerstreek, maar op uitgebreide
pluimen dreef in den zonneschijn. Er waren immers ook nooit anders dan
verminkte huidjes naar Europa gekomen. Trouwens, in de Molukken zelven
werd niet anders gezien: de vogels waren handels-artikel, enkel om
de pluimen. Dat de Papoea's ze als schatting opbrachten aan den radja
van Ternate ziet men onder anderen ook uit het Noefoorsche sprookje,
tegenwoordig nog verteld, van hoe de Paradijsvogels in een prauw naar
Ternate voeren, om schatting te brengen aan den Sultan. De handel in
de huiden was dus een oorspronkelijk-inlandsche. Maar hij veranderde
toch van karakter, hij werd wereldhandel, door de navraag uit het
Westen in den nieuwen tijd. Wallace zag het begin van die verandering,
en voorspelde erge gevolgen voor de vogels. De allerergste kwamen
voor de menschen. Concurrentie onder moord en doodslag, vuurwapenen
onder de wilden, de jenever als ruilmiddel. Van de Merauke rivier
in het Zuid-Westen af tot aan de Hollandiabaai in het Noord-Oosten
werd de kust van Nieuw-Guinea een hel. Beccari en Mikloecho Maclay
schreven op en lieten het aan de wereld lezen wat zij met eigen
oogen gezien hadden. Er ging een schreeuw op over de "koloniale
mogendheid" die zulke dingen duldde. Gevaar begon te dreigen van allen
kant. Australische avonturiers, die op de Zuid-Westkust kwamen om
wilde muskaatnoten--de prijs was een voorlaad-geweer van f 10 voor
een mand met f 100 waarde aan noten--trachtten van Papoea-hoofden
het land te koopen dat de koloniale regeering, voor complicaties
beducht, hen geweigerd had. De Berlijnsche conferentie van 84, ter
regeling van internationale koloniale belangen bijeengeroepen, gaf
een definitie van koloniaal bezit die de Nederlandsche autoriteit
over het gebied der Molukkenvorsten in Nieuw-Guinea tot een
hachelijke quaestie maakte. Engeland beklaagde zich over invallen
van Papoesche rooverbenden, Nederlandsche onderdanen in naam, in
Britsch Nieuw-Guinea. Toen was het geen wil meer maar een moet. De
schaduwen der Molukkenvorsten gleden weg van het land en ambtenaren
van het Binnenlandsch Bestuur stapten aan wal. Als laatste herinnering
misschien aan vroegere toestanden werd Zuid-West Nieuw-Guinea een
afdeeling van het gewest Ambon, Noord Nieuw-Guinea een afdeeling
van Ternate. De regeering zat in de Papoesche prauw: zij roeide met
de riemen die er in lagen--schepriemen, voor Westerlingen-handen
de deugdelijkste niet. De Paradijsvogel-handel was er een van. Er
werd geprobeerd uit het onvermengde kwaad een vermengd goed te
maken. Het licentiestelsel moest aan het land het allernoodigste geld
verschaffen om een begin van organisatie en beschaving te brengen. Om
het allerergste gespuis te weren werd de bepaling gemaakt, dat niemand
tot de aanvrage van een jacht-acte zou toegelaten worden dan wie op
de kust als handelaar met een winkel gevestigd was.

Een poging werd nog gedaan ten gunste van een Nederlandsche
maatschappij, om de jacht tot monopolie te maken. De voorstanders
voerden als reden aan, dat exploitatie door een Nederlandsch
handelshuis het best zou beantwoorden aan de bedoeling der
wet, namelijk van den handel een middel tot beschaving van
den Papoea te maken. De tegenstanders wezen op het gevaarlijke
van het monopolie-stelsel en de behoefte van Nieuw-Guinea aan de
ontwikkeling, die concurrentie mede kan brengen. Een buitenlandsche
firma verzette zich heftig tegen bevoorrechting van het Nederlandsche
kapitaal. De zaak werd in de Tweede Kamer besproken en het
voorstel verworpen. Allen, die wilden, begonnen den wedstrijd. De
overweldigende meerderheid waren Chineezen, bouwers van winkels
en winkeltjes in soorten, van de keurige toko's in Manokwarie af,
als een Europeanen-huis gebouwd en vol Europeeschen import, tot de
gaba-gaba-doos met gegolfd zinken deksel toe, waarin op Pom of Wakdé de
speculant in vogelhuiden neergehurkt zit, tusschen een zak rijst en een
baal rood katoen. En zoo ontstond en staat--voor zoolang de Parijsche
mode het zal beschikken--die Chineesche winkelwijk, die met de zee
voor straat van 131° tot 141° Oosterlengte langs den evenaar loopt.

De hoop is, dat daarlangs de beschaving binnen zal komen in
Nieuw-Guinea.



Fakfak


Het eerste station op de reis naar Zuidwest Nieuw-Guinea is Kokas, een
klein plaatsje aan de Zuidkust van de Maccluer Baai, spiksplinternieuw
blinkend met twee groepen houten, met zink gedakte huisjes ter weerszij
van een heuvel, die op de kruin het huis van den bestuursambtenaar
draagt. Zuidwaarts kaap Fatagar om, en het Oosten in, gaat dan de
vaart naar Fakfak.

De vestiging ligt prachtig tegen de steilte aan van een rotsachtige
baai, die door een eilandje van de zee is afgedamd. Het gesteente
van de rots is lichtgrijs, wit bijna. Struikgewas en allerlei
slingerplanten hangen er met hun rijk groen langs, het klaarblauwe
water kaatst groen en wit licht overblauwd terug. Op een smal strookje
fel-wit zand staat een buurt Chineesche winkels. De Papoea-hutjes
zijn tegen de hoogte aangebouwd. Er loopt een steil pad langs, dat,
boven, over de kruin van de rots weer naar beneden duikt. Daar ligt het
eigenlijke dorp langs een ondiepen inham van de zee--hutjes op palen,
die bij ebbe boven zwarte modder staan. Doode stammen, naakt en bleek,
met allerlei wrak en nameloos aanspoelsel tusschen de starre takken,
steken uit de zwartigheid op, waarin kinders rondwaden op den zoek
naar krabben en schelpgedierte. De mannen en vrouwen van het dorp
dragen een dunnen schijn van kleeding. Fakfak is, in den korten tijd,
sedert de vestiging van het Nederlandsch gezag verstreken, een centrum
geworden van inlandschen handel: paradijsvogelhuiden komen hierheen uit
het oostelijke binnenland, massooi,--de sterk-geurende schors waaruit
in Europa de basis gewonnen wordt voor allerlei reukwerk--damar uit de
bosschen, en schelpen uit de strandzee langs Kaimana. Er wonen veel
Moluksche handelaars rondom, die een missigit hebben op het eilandje
voor de baai, Serang. Vandaar die schijn van kleedij.

De binnenlanders, die met hun vogelhuiden en massooi naar Fakfak
komen, loopen naakt, ten hoogste enkelen met een lap katoen, van
voren afhangende van het vezelsnoer rond hun middel. Den dag voor
onze aankomst was er juist een bende van veertig binnengebracht:
als gijzelaars voor stamgenooten, die op een raaktocht waren gegaan
en een aantal koppen gesneld hadden. De omweg over onschuldigen heen
is de kortste, de eenige dikwijls om een Papoeaschen schuldige te
bereiken. Het volk zelf gaat dien weg bij voorkeur. "Als wij den boom
willen vellen, die naast ons huis staat, dan hakken wij er een om,
een eindweegs verder in de rij. De vallende velt den naaste, tot de
laatste dengene velt dien wij eigenlijk meenen." Nooit velt een Papoea
den "eigenlijk gemeenden" man, die sterker is dan hijzelf. Neen! Hij
kiest een derde, die te eenenmale vreemd is aan de vijandschap en haar
oorzaak, doch sterk genoeg om die vijandschap uit te vechten, ware het
zijn eigen zaak. Door de opzettelijke beleediging wordt de zaak nu tot
de zijne gemaakt, en meteen hem uitgelegd, met wien hij ze uit moet
vechten. Hij gaat heen en raakt den "eigenlijk gemeende." Zoo komt
de zaak in orde. Het gebeurt wel dat de over-te-brengen beleediging
hem zelven zóó treft, dat hij ze niet meer overbrengen kàn. Een man,
die een moord te wreken heeft en den moordenaar niet aandurft, zal den
derde dooden, en zijn stam van de bedoeling in kennis stellen. Dan gaat
de sterkste van den stam er op uit, in de plaats van den verslagene, en
doodt den oorspronkelijken moordenaar. De moord op den tusschenpersoon
wordt niet als misdaad gerekend, noch als eenige reden van haat
of vijandschap. Geheel met den Papoeaschen gedachtengang strookte
dus die gevangenneming van veertig man, die aan den sneltocht niet
medegedaan hadden. Nu zouden hun bloedverwanten natuurlijk zorgen de
koppensnellers te vinden, en hen ter berechting te brengen naar Fakfak.

De laatste flarden van wildemans-romantiek, waarmede westersche
onwetendheid den koppensneller omhangt, vallen van hem af, wanneer
men hem in zijn eigen land ziet, en de wijze verneemt waarop hij te
werk gaat. Er is geen zweem van wilden moed in, het is door-en-door
arglistig, wreed en jammerlijk laf. Op de Noordkust is het vijandschap,
die tot dien sluipmoord aanzet; hier op de Westkust zijn het met
den godsdienst verband houdende voorstellingen. Aan een nieuwgeboren
kind kan niet een willekeurige naam gegeven worden; het moet de naam
zijn, door eenig mensch op dat oogenblik levende gedragen, en die
naam kan hem niet anders afgenomen dan met zijn leven tegelijk. In
den donker besluipt de bende snellers het dorp, waar zij den meesten
buit en den minsten tegenweer denken te vinden, en verschuilen zich
langs de wegen die naar het veld gaan of in het woud. Die met het
aanlichten van den dag daarlangs komen, worden, van de hinderlaag
uit, met pijlen en speren doorschoten, in den rug. Man, vrouw of
kind, dat is eender. De moordenaar vergt den gewonde zijn naam af,
terwijl hij hem den hals van de schouders zaagt met een bamboelatje,
dat, zoo dikwijls het afstompt, wordt gescherpt op den rand van een
schelp. Het duurt lang. Een plotselinge ruk trekt, ten laatste, de
wervelstreng doormidden. Het geheele binnenland is nog het rijk van
den koppensneller. Geen ander afdoend middel is te vinden tegen den
gruwel dan ijzeren dwang, dwang met de wapenen. Het verstand is er
nog niet, waarop een beroep gedaan zou kunnen worden, het gevoel is
er nog niet, dat gaande gemaakt zou moeten worden, om den eigen wil
te bewegen tot het betere. Het slechte moet eerst onmogelijk gemaakt
worden. Hoe? met een paar dozijn gewapende politie-manschappen voor
een land zoo groot als half-Borneo!

Voor wie gevangen werden was de straf vroeger dwangarbeid in
ballingschap. Het bleek, in de praktijk, de doodstraf. De Papoea
verdroeg, met zijn lichaam, de rijstvoeding van Celebes of Sumatra
niet, met zijn gemoed niet het heimwee; hij stierf al na korten
tijd. Nu is van de straf de ballingschap afgenomen: koppensnellers
doen hun dwangarbeid, werkende aan de wegen, die door hun eigen
land worden aangelegd: te Fakfak, te Merauke, te Manokwarie. En nu
gebeurt het gelukkige. De onmogelijkheid, waarin ze zijn gekomen om
den ouden moorddrang te volgen, het geregelde leven, de zekerheid van
elken dag genoeg te zullen eten en drinken, elken nacht tegen dauw
en kilte dek genoeg te zullen hebben, de veiligheid, ongekend tot
nog toe door hen die nooit konden weten waar hun plotselinge vijand
vandaan zou komen, noch zelfs wie hij was, de vaste arbeid eindelijk,
te zamen met vele gelijken, doen het menschelijke ontkiemen in wat
eerst maar een wezen van het woud en de wildernis was. Als de eerste
schrik en wantrouwige haat geweken zijn, begint hij te beseffen dat
het toch beter zóó is, toch beter, zelfs onder dwang, met goedwilligen
samen te wezen, zelf goedwillig, dan, in volle vrijheid, een vijand
onder vijanden. Langzaam aan wordt ook de dwang minder hard te
verdragen. Hij gaat wennen aan den arbeid. Als zijn tijd om is,
hebben zich behoeften en gewoonten in hem gevormd, waaruit een nieuwe
levenswijze kan ontstaan; hij is voor het betere vatbaar geworden. Het
besef van die verandering drukt hij, op zijne wijze, uit, als hij
verlof vraagt om het bruine dwang-arbeiders-pak te mogen behouden,
dat hij, zóó gekleed, gekenteekend voor "goed-vriend van de Kompenie"
in zijn bergdorp moge terugkeeren. Het verzoek wordt vaak gedaan.

Het is een al oude manier van de Papoea's in het binnenland,
"beschaving" te gaan halen bij de stammen langs de kust, tot wie zij
opzien als tot hun meerderen en beteren. Die menschen, die immers
geleerd hadden van vreemdelingen uit rijkere landen, van Chineezen,
Arabieren, Cerammers, Boegis, wisten en hadden van allerlei, waarvan
de binnenlanders nog nooit vernomen hadden. Zij aten beter voedsel,
zij gebruikten beter werktuigen, hun leven was gemakkelijker. Graag
kwamen zij daarom naar de kust met hun troepen buitgemaakte slaven,
hun massooi, hun paradijsvogelhuiden en hun damar. En zij trachtten
zooveel mogelijk van hun eigen vrouwen te doen trouwen met mannen op
de kust, en zooveel mogelijk vrouwen van de kust mee te krijgen naar
hun eigen dorpen, om door verwantschap zoowel als door handelsverkeer
de verbintenis nauwer te maken van hun wildernissen met de kust. De
nieuwe manier, waarbij ouders in het binnenland bewogen worden, hun
dochters voor een paar jaar naar Fakfak te laten gaan, als huisgenoot
van een "goeroe"--een inlandschen schoolonderwijzer, Ambonees of
man uit de Minahassa meest--, of anders als pleegkind in het gezin
van een met het gouvernement bevriend hoofd, komt hun daarom niet
als iets vreemds voor, niet als een Westersche nieuwigheid, die men
wantrouwen moet. De meisjes komen gaarne en blijven gaarne, en nemen,
als ze teruggaan, onder andere de gewoonte van zich te wasschen mee.

Zij van hùn kant, de ontslagen dwangarbeiders van den hùnnen,
brengen zoo nieuwe mogelijkheden het binnenland in. Zij willen wel,
de Papoea's: alléén: zij moeten eerst geholpen worden om te willen.

Dat voor zulk helpen toch zooveel geld noodig is!

En dat de helpers zoo weinig maar hebben!



Merauke


Mannen kwamen aan boord, naakt van hoofd tot voeten, met gezichten
zwart en fel-rood geverfd, door hun neusvleugels scherpe lange
slagtanden gestoken, en aan den arm bossen stinkende stukken huid van
een wild zwijn. Zij liepen met een lichten, sterken gang, hun voeten
veerden als zij den grond aanraakten. Een trotsch jong dier loopt zoo,
lichtweg den boschgrond slaande met zijn hoeven. Zij waren als dieren
schoon, het was de blik van een dier die uit de zwarte oogen kwam,
half-wild, half-schuw. Zij droegen wapens: een hoogen boog, pijlen,
een speer; zij hadden sieraden aan: een ring uit de wrong van een
schelp geslepen om den pols, snoeren van schelpen en hondetanden
om den hals; en van hun haar, dat, met roode klei doorkneed, als
een breede krans hun om het voorhoofd stond, waren achter aan den
schedel lange vlechten gestrengeld, bont van ingevoegde stengels en
bladerreepen. Zelfs de wapens en het sieraad namen dat dierlijke niet
weg; aan hen leek het een natuurlijk-gegroeid verweer als klauwen,
scheurende tanden, horens, een natuurlijk gegroeid siersel als manen en
prachtige kleuren van vacht. Die menschelijke dieren waren Kaja Kaja's,
Papoea's, inheemsch in de van giftige moerassen walmende streek die wel
"Duivelsland"  is genoemd: "the Devil's own country." Hun eigenlijke
naam is Marinda. Maar den eersten keer, dat zij, niet als vijanden
op een stoomboot afgeroeid kwamen, schreeuwden zij uit de verte dat
woord Kaya Kaya, dat "goede vrienden" beduidt: het is hun sedert
onder Westerlingen voor naam gebleven.

Zij; en de Toegeri, de "messendragers," om wier invallen op
Engelsch gebied te keeren Merauke gebouwd werd twaalf jaar geleden;
de moordzuchtige woestelingen langs de Digoel; noordelijk de kust
op, zij die langs de Golf van Maccluer wonen, menschenjagers van
oudsher, en nog zoo lang geleden niet menscheneters, kinder-roovers,
slavenhaalders, koppensnellers; als dieren woest en als dieren
vervolgers en vervolgden tegelijk, hebben zij sedert eeuwen in dit
verschrikkelijke land geleefd.

De sterke stammen op de bergen joegen de zwakkeren: de zwakkeren
vluchtten, telkens opgejaagd, telkens weer verder. Zij kwamen aan de
kust, tusschen de moerassen. Daar besprongen de vreemdelingen hen, de
Ceramsche en Boegineesche zeeroovers. Zij kropen weg in de bosschen,
langs de monding van de groote rivieren, zij kregen de vergiftige
moeraskoortsen, zij hongerden bij het bittere armzalige voedsel,
hun bloed verarmde, hun huid werd ziek, hun gedachte was niet anders
meer dan hoe zich te verbergen, hoe zich te verweren, zij werden bang
en boosaardig. Nog vinden de exploratie-detachementen die de groote
rivieren opgaan, in hun nestelplaatsen troepen van zulke wezens
zitten, die bouwen in het geboomte. Anderen waren gelukkiger, zij
sloegen de vijanden af, of werden bondgenooten met hen. Zij hielpen
hen slavenhalen, zij gingen het bosch in en schoten Paradijsvogels,
die zij den vreemdelingen verkochten. Er kwamen er vele, al meer van
al verder gelegen landen, na de Cerammers en de Boegies en de mannen
van Ternate en Tidore, kwamen Chineezen en Arabieren. En toen kwamen
er van landen nòg verder af, toen kwamen de blanken. Ook zij wilden
slaven in de allereerste plaats, ook zij Paradijsvogels, reukhout,
hars, schelpen, parels. Maar zij brachten iets wat nog nooit door
iemand vroeger gebracht was in ruil; jenever en vuurwapenen. Toen werd
het nog veel erger onder de Papoea's dan het al was. Het allerergste
werd nog erger. Die eerste blanken voor wier nagelbosschen op Banda
de slaven gehaald werden inplaats van het volk dat zij uitgemoord
hadden op het eiland, hadden hen om hun gezicht en gedaante monsters
genoemd, morsige varkens, een beestachtige natie; nu werden zij het
naar het gemoed. De Kaja-Kaja's zijn hun afstammelingen, geworden
wat zij worden moesten.

Er ligt een Kaja-Kaja gehucht in de buurt van Merauke, een klein
uur gaans verder langs het strand. De weg er heen gaat door een
klapper-aanplanting, waarvan de "copra-ruilers," hier op de Zuidkust
wat op de Noordkust de "jagers" zijn, den oogst komen ophalen. Een
regelmatig rooster van rechte slooten over het geheele terrein heen
getrokken, zóó dat de stortvloeden van den natten moesson een snelle
afwatering vinden naar de zee, ligt daar als een bewijs van wat het
volk van het gehucht met zijn weinig ontwikkeld verstand bedenken en
met zijn gebrekkige werktuigen--als een aangepunte stok, in steê van
een spade gebruikt, een werktuig heeten mag--uitvoeren kan.

Het gehucht ligt open en bloot tusschen den boschrand en het strand
van de zee, zonder eenige afsluiting, haag, hek noch heining. Het is
niet anders dan een paar dozijn hutten, zoo armzalig, scheef geduwd
door den zeewind, verzakt in het zand, vervallend, aan flarden, dat
het een hoop bladers en takken lijkt door den storm bijeengewerveld
uit het knakkende bosch, eer dan menschelijk bouwsel. Er is een zekere
orde in te zien, toch. Een staketsel scheidt het in tweeën. De helft
naar het strand toe is het vrouwen-verblijf; de helft naar het bosch
toe het kamp van de mannen.

In het midden daarvan staat het feesthuis, een vierkant van palen
met een dak er op. De palen zijn hier en daar versierd met grof
rood en zwart schilderwerk, het dak met een afhangende franje
van verdord klapperblad. Het eigenlijke sieraad echter ontbreekt:
menschenhoofden. De rijen schedels die hier vroeger hingen, liggen
nu te Merauke en de vervanging door versche is, sedert een paar
jaar, ondoenlijk gebleken. De mannen van het dorp houden hier den
gezamenlijken maaltijd als zij met een buit van kangaroe of wild zwijn
zijn teruggekomen uit het woud; hier ook hun drinkgelagen. Niet van
jenever: de invoer van alcohol is, als die van geweren en kruit,
verboden, en hier in de nabijheid van Merauke waarschijnlijk ook
zoo goed als onmogelijk. Maar op vele plaatsen, in den Maleischen
archipel zoowel als op Nieuw-Guinea, groeien in het wild planten
wier sap bedwelmt. Hier is het de "wati," een kruidachtig struikje
waar alle bosschen vol van zijn; het groeit tot aan de hutten van het
gehucht toe. Uit de bitter-geurige bladeren en stengels komt een sap
dat eerst vroolijk, dan half-dol, dan bewusteloos maakt. Het wordt er
uit geperst door kauwen, wat, met het opvangen van het sap, het werk
van de vrouwen is. Den avond voor onze komst was er, waarschijnlijk,
een feest in de loods geweest. Wij vonden er een man op den grond
liggen, bewusteloos-dronken. Anders was er niemand. De overigen
waren naar de boot--"een schip-vol rijst is aangekomen!", was in de
vroegte al geroepen; of naar het hospitaal van de missionarissen
van het Heilig Hart, met de een of andere wond, bij ontnuchtering
gewaar geworden; of mogelijk naar de tuinen, waarin de broeders
trachten hen ketellah obi en allerlei groenten te doen verbouwen;
of--meer waarschijnlijk--op de jacht. In het vrouwendorp was eenige
beweging. De meesten ook van hen waren weg, zij werkten in de tuinen of
zij vischten op de zee. Maar er waren er toch een paar achtergebleven
met eenige jongens en meisjes van een jaar of tien, en één kleintje,
van misschien drie--het eenige kind in het geheele gehucht, als wij
van onzen gids hoorden. Het vrouwendorp zag er nog ellendiger uit--als
het kan--dan het mannendorp. Een lange loods met één wand, die naar de
zee was gekeerd, en een rij ten ruwste van de takken ontdane stammen,
met de schors er nog aan, als pijlers om aan den anderen kant het
schuins afhangende bladerdak te stutten, was de gezamenlijke woning
van een aantal vrouwen-en-kindergezinnen. Op de breede bank, bed en
tafel tegelijk, langs de geheele lengte van de loods loopend, waren
de plaatsen afgedeeld door hoopjes van elks bezittingen--een mat,
bamboe-schalmen om water in te dragen, een van bladreepen gevlochten
zak, een vezelen net, een paar klappernoten. De etens-voorraad van het
dorp hing aan de palen--klompen steenhard sagomeel in bladers gepakt,
rissen gedroogde visch, een stuk vleesch, dat in den rook zwart was
geworden. In een hoek lag een zieke--verlamd, als we hoorden, sedert
jaren. Her en der liepen, knorrend, zwarte varkens, die wroetten in
allerlei afval van klapperschalen, vischgraten en leege schelpen. Aan
den ingang van een afzonderlijk krot zat een vrouw met een biggetje op
den schoot, dat zij koesterde of het een kind was. De vrouwen waren,
als de mannen, geheel naakt. Als sieraad hadden ook zij een tatouage
van litteekens. Die worden, als de huwbare leeftijd intreedt, met
scherpe schelpen aangebracht, en verduidelijkt door inwrijving van de
wonden met asch, wat het spoedige sluiten belet en breede litteekens
doet ontstaan. Zooals die versiering met litteekens het onderscheid
was tusschen kind en meisje, zoo was een ellendig-vervallen voorkomen
het onderscheid tusschen meisje en vrouw. Waren zij jong, waren
zij oud, die getrouwde vrouwen, moeder een enkele, de anderen alle
kinderloos? Het was niet te zeggen. Allen waren zij mager, holoogd,
suf, vuil. Allen ook hadden zij litteekens, àndere nog en wreedere
dan die voor sieraad ingekorvene. Van vrouwelijke gedaante was niets
meer over dan wat sterker was gebleken dan afbeuling, mishandelingen
en afzichtelijke ziekten. Aan verscheidene onder hen was in het
hospitaal van de missie het haast verloren leven teruggegeven. Waartoe
eigenlijk? Voor de vermeerdering van welk nut, welke vreugde, welke
liefelijkheid ter wereld? Als ooit omtrent barmhartige hulp zulk een
vraag gedaan mocht, dan mocht het hier. En als ooit, ook door wie een
afkeer heeft van dwang, naar dwang verlangd mag worden, om den wille
van het eigen best van den gedwongene, dan mag dat hier in Merauke.



Langs de Geelvink-Baai


Tusschen de woestelingen van de Hollandia Baai en het zieke volk van
Merauke staan de Geelvinkbaaiers als een ander slag menschen. Bij
de oppervlakkigste beschouwing valt het op. Of zij minder geleden
hebben van slavenjagers in een oud, of van handelaars in vogelhuiden
en copra-ruilers in een jonger verleden; of zij oorspronkelijk van
beter ras zijn of met beter zich hebben vermengd; of zij meer voordeel
hebben gehad van Westerschen invloed--welke de oorzaken ook mogen
wezen, de toestand is zóó, dat zij in alle opzichten het beste er
aan toe zijn van al de kustbewonende Papoea's in het Nederlandsch
gebied. Sommige onderzoekers houden het er voor, dat zij vroeger
op een veel hoogeren trap van beschaving gestaan hebben. Materieele
overblijfselen van die beschaving zijn wel is waar tot nog toe niet
gevonden: maar zij gelooven er geestelijke te kunnen aantoonen in
hun taal en hun godsdienst. [26] De taal, het Noefoorsch, dat van
de Oostkust van Halmaheira tot het eiland Japen in de Geelvink-Baai
wordt gesproken, kent woordvorming door een soort reduplicatie; de
godsdienst heeft nog een verdwijnend spoor van monotheïsme; een gebed
tot een oppersten God wordt nog hier en daar uitgesproken.--Overigens
zijn de Geelvinkbaaiers zoo goed als Marindineezen en "Naakte Papoea's"
echte wilden, die van letter- en cijferschrift noch munt weten, geen
eigenlijke werktuigen kennen en maar bitter weinig van landbouw, en
leven van jacht en visscherij; terwijl zij, even goed als die anderen,
koppensnellers zijn. Het onderscheid zit meer in een toch zachtere
zede, een frisscher lichaamsgesteldheid en een vroolijker karakter.

Het voorvaderlijke bedrijf, waar ook de Noefoor nog met hart en
ziel aan is gehecht, is de jacht; zijn visscherij is eigenlijk óók
jacht. Zooals hij met een speer naar een kangoeroe of naar een wild
zwijn werpt, zoo werpt hij ook met een speer naar schildpadden of
naar visschen. Geen van allen zijn het gevaarlijke dieren, waarop
hij jaagt; er zijn er geen in Nieuw-Guinea met uitzondering alleen
van het wilde zwijn, dat hij ook dikwijls probeert te dooden met een
springlans: een scherp gepunte stok, door een strik zóó gebogen, dat
als het dier in den strik geraakt, de lans, uitschietend, hem in het
lichaam treft. Het komt misschien door die afwezigheid van gevaar en
van de noodzaak bijgevolg, om vastberadenheid en moed te ontwikkelen,
dat de Papoea nogal laf is. Zijn vechten gaat meest met den mond. En
de koppensneller valt van achteren aan.

Aan landbouw is hij moeilijk te krijgen, niettegenstaande alle
pogingen van de zending op Zuid- en Noordkust en van het binnenlandsch
bestuur. Hij doet, als het niet anders kan, het allergrofste werk
in de tuinen: het kappen van een boom, het uithalen van wortels of
steenbrokken; voor het overige laat hij zijn vrouw zorgen als, nog
niet zoo lang geleden, zijn slaaf.

Tot voor korten tijd hield de geheele kust slaven. Dikwijls waren
dat gevangenen uit de oorlogjes, die ieder dorp altijd door tegen
zijn buur-dorpen voerde; dikwijls ook waren zij als kinderen van hun
bloedverwanten voor slaaf gekocht; met weezen was zulk een verkoop
en aankoop iets algemeens. Bij den dood van den vader ontlastte de
familie zich op die wijze van de kinderen, voor wie zij anders had
moeten zorgen.

Op de hoofdplaats zelf van het district, den zetel van het bestuur,
is zoo iets pas gebeurd, wat eerst na lang onderzoek aan het licht
kwam. Een Papoea was 's nachts op koeskoes [27] gaan jagen. In het
donker zijn speer werpend naar de plek waar hij iets hoorde ritselen,
trof hij doodelijk een kind. De familie was een machtige, die een jaar
of wat geleden zeker leven voor leven genomen zou hebben. Zij voegde
zich nu naar de nieuwe wet en verklaarde genoegen te willen nemen met
een geldboete. Er werd niets meer van de zaak gehoord en zij scheen
geschikt, toen het uitkwam, dat de boete die inderdaad was betaald,
niet geld was, maar een kind, dat aan de familie van het vermoorde
was gegeven voor slaaf. Het bleek uit een bergdorp gehaald en het
kind van een weduwe. Om den last van de opvoeding niet te dragen
(men hoort hier véél van dien last, maar ziet er niets en begrijpt er
nog minder van), hadden de bloedverwanten van den overleden vader het
jongetje toen maar voor slaaf verkocht, terwijl zij de moeder opnieuw
uithuwelijkten. Het bevel om het kind terug te geven aan de moeder en
in zijn plaats geld aan te nemen, verwekte een hevige ontevredenheid
en bedreiging met opstand. Ten slotte echter schikte de beleedigde
familie zich, en het kind kwam bij de moeder terug.

Overigens, de slavernij was van oudsher al geen harde hier. De slaven
werden als leden van het gezin beschouwd, in den dagelijkschen
omgang. Daarvandaan dat de taak van hun bevrijding een zoo te
eenenmale ondankbare was. In de Noefoorsche sprookjes, door Van
Hasselt verzameld en vertaald, heeft men een aardig spiegelbeeld van
het leven, dat heeren en slaven te zamen leidden. Altijd, als een
kleine jongen gaat visschen in zijn prauw, is zijn slaafje bij hem,
als zijn vrindje en kameraad. Ernstige vragen bespreekt een meester
met zijn ouden slaaf en neemt zijn raad wel aan ook. Een vrouw zit
bekommerd over het lange wegblijven van haar man, die op een verre
reis is; haar slavin komt binnenloopen. "Wees niet langer bedroefd,
hij is terug, onze heer! Ik heb zijn prauw gezien in de verte!" Aan
alle feesten van het gezin hebben de slaven deel. En met zijn meester
gaat de slaaf op jacht, als een paar vroolijke makkers.

Het is aan het dorp van den Noefoor goed te zien, dat hij een jager is,
een zwerver, een eenzelvig mensch die geen nòg zoo geringen dwang of
regel kan velen: er is geen muur of greppel of haag of wat voor soort
omheining dan ook om zulk een gehucht. De hutten staan her en der, zoo
en wáar als de bouwer heeft goed gevonden ze te zetten. Niet anders is
het met zijn bestuur. Eigenlijk is er geen, behalve daar waar invloeden
van buiten af hebben ingewerkt. Alléen aan zijn familiehoofd bewijst
hij een zekere mate van eerbied en volgzaamheid. Hij houdt zich ook bij
dat hoofd wanneer hij in het dorp van een ander geslacht gaat wonen. De
familie-organisatie, de oudste, is de alleén sterke, die door latere,
zwakkere, (uitheemsch van oorsprong), heenbreekt. Het volk is nog niet
gekomen tot een meer omvattend verband; het heeft de soort arbeid die
daartoe opvoedt, nog niet verricht. Aan zijn familie-hoofd brengt de
Noefoor ook nu en dan schatting: niet dikwijls en niet veel; maar toch:
schatting. Aan het "vreemde" dorpshoofd niet. Toen de nieuw-ingevoerde
belastingen geïnd zouden worden door de dorpshoofden, die het bestuur
bij de organisatie van Noord-Nieuw-Guinea had aangesteld, bleek dàt
de moeielijkheid. "Wij willen ons zweet niet aan vreemden geven!" Wie
ooit een Papoea in zijn doen en laten,--in zijn láten vooral,--heeft
waargenomen, zal dat Papoeasche "ons zweet" verhollandschen met
"het zweet van onze vrouwen." Maar de bedoeling is duidelijk genoeg:
zij willen dat het zweet in de familie blijft.

De familie zoo hoog waardeerend, is de Papoea natuurlijk ook zeer
trotsch op geboorte en bloedverwantschap. Zijn hoogste roem is te
behooren tot een geslacht van vrijen, die van ouder tot ouder vrijen
geweest zijn en met slaven noch hun afstammelingen zich vermengd
hebben. Fier zal een "edelman" zeggen: "Ik heb geen droppel lood
in mijn bloed, het is alles puur zilver en goud!" Een familiehoofd
wordt enkel uit zulk een geslacht gekozen. Een oudste zoon--daaraan
verandert de meest vriendschappelijke verhouding niets--mag nooit
met een slavin trouwen.

In dorpsvergaderingen zal een man, die "lood in zijn bloed heeft,"
bescheiden moeten zijn. Bij een op den voorgrond plaatsen van zijn
opinie krijgt hij allicht te hooren, dat meepraten aan een afstammeling
van slaven niet betaamt. Eén uitzondering alleen is op dien regel:
wanneer een kinderloos paar een slavenkind aanneemt voor eigen. Dat
gebeurt met een curieuze ceremonie, die zweemt naar het ritueel van
den Christelijken doop: uit een schaal, waarin een of ander gouden
voorwerp ligt, wordt "goudwater" over het slavenkind gesprenkeld,
terwijl het een nieuwen naam krijgt. Zoo wordt de smet van zijn
lage afkomst van hem afgewasschen en hij opgenomen in de nieuwe
familie-gemeenschap. Niemand durft hem later slaafsche geboorte
verwijten: hij is de erfgenaam van den "adel" zijner pleegouders. [28]

Er is, officieel, geen slavernij meer tegenwoordig; maar met de
instelling kunnen niet tegelijk de gevoelens, die uit haar zijn
opgegroeid, afgeschaft worden. De vrije Papoea, die de zoon van vrijen
is, minacht den vrijen Papoea, die de zoon is van onvrijen. Dat is
op een verbijsterende wijze aan den dag gekomen bij de invoering van
het onderwijs. Op de scholen gingen de pleegkinderen van de zending,
weesjes, geroofde kinderen, slaven-kinderen ook. En dat maakte,
dat de hoofden de hunne er van weghielden in het begin. "Waar het
kind van een slaaf onderwezen wordt, daar kunnen ònze kinderen niet
onderwezen worden."

Klassegevoel als een belemmering voor de beschaving onder wilden,
dat is iets waar men, als Europeaan, niet vanzelf op verdacht zou zijn.



Bij het zwervende leven dat van oudsher de Papoea geleid heeft,
komt de verzorging van het gezin geheel en al, de kostwinning bijna
geheel en al neder op de thuis blijvende, op de vrouw. Zij is het die
den last draagt waarover hij zoo kan klagen. Zij werkt in de tuinen,
ze plant de groenten en de maïs, ze draagt op haar rug de zware vracht
van den oogst naar huis; langs het strand en op de koraalriffen zoekt
zij schelpdieren en krabben, 's avonds kan men haar tegenkomen met een
walmig bamboe-toortsje, bukkend langs den rand van het strandbosch om
de slakken te zoeken waarmee als aas gehengeld wordt. Te Fakfak gaat
zij met de prauw de zee in, en schiet met pijl en boog op de visch. De
verkenningstroepen, die het binnenland achter de Humboldtsbaai in
gingen, zagen in het Sentani-meer vrouwen naar visch duiken, als
watervogels drijvend met de armen over een bamboe, dien ze loslieten
als zij in de diepte een visch zagen. Is er damar te halen in de
streek, fossiele, die opgegraven wordt uit den alouden woudgrond, of
levende die van de stammen kan geschraapt, dan zijn het de vrouwen die
hem gaan halen, in prauwen die zij zelven roeien. Natuurlijk zorgen zij
voor het eten, en voor het vuur waarop het gekookt wordt, en voor de
brandstof voor dat vuur. In Fakfak zorgen zij zelfs voor den bouw van
het huis: dak-dekken is daar vrouwenwerk. Als vanzelf spreekt is ook de
verzorging van de kinderen haar taak; zooals de Papoea het uitdrukt:
"Zij zijn er om voor onze kinderen te zorgen." En waar kleeren van
boombast gedragen worden zijn zij het die den bast moeten weeken en
dun kloppen. (Weven echter doen zij niet. Zij hebben den stap nog niet
gedaan die van knoopen tot weven leidt: de uitvinding van het werktuig,
om den arbeid te verrichten, voor de menschelijke hand te fijn. De
geweven kleeren die de Papoea's beginnen te dragen, zijn import,
meest Europeesche, door de vogelhuiden-opkoopers het land ingebracht.)

Voor den Papoea is het dus zaak te trouwen, dat er behoorlijk voor hem
gezorgd en gewerkt wordt wanneer hij er op uitgaat, de kangoeroe's en
de wilde varkens achterna, of de Paradijsvogels of de visschen. En
omdat vrouwen schaarsch zijn--alle berichten stemmen overeen op dit
punt van de groote minderheid in getallen van de vrouwen onder de
Papoea's--moet hij, of zijn familie, bij de pinken zijn om er bijtijds
een te krijgen.

Allerwonderlijkst komen hier de verwarde dooreengroeisels te zien van
ouder en nieuwer in het volksbestaan van den Papoea; overblijfsels
uit den tijd dat hij nog in een stamverband geleefd moet hebben,
en de jongelingen van den eenen stam hun vrouw gingen rooven uit
den anderen, zitten dooreengestrengeld en verknoopt met manieren en
berekeningen, zooals hij er geleerd kan hebben van de huidenhandelaars
uit den ouden tijd, uitgeslapen Ternataansch en Ceramsch volk. De
voorvaderlijke wijs van huwelijksluiting is de schaking; en zij geldt
nòg. Maar de algemeen-gebruikelijke is een schikking tusschen twee
families, die wèl beschouwd niet anders is dan een koop en verkoop
van de wederzijdsche kinderen, waarbij de voorwaarden van betaling
en levering allernauwkeurigst zijn bepaald. Daar vrouwen een artikel
zijn, meer gevraagd dan aangeboden, zorgt de bruigoms-familie vroeg
er bij te zijn. Kinderverlovingen komen véel voor. "We leggen de
prauw maar vast voor anker, anders mocht ze eens wegdrijven," zegt
de voorzienige bruigoms-familie dan. Van het oogenblik af dat de
twee gezinnen het éens zijn geworden, wat niet gebeurt dan na een
schijnvertooning van onwil door de familie der "bruid," beginnen zij
over en weer met het bijeenbrengen van den bruidschat, die voor een
gedeelte later aan het jonge paar komt om er hun huishouden mee op te
zetten en voor de rest een wederzijdsch geschenk van de twee families
aan elkander is. De giften gaan van de eene familie naar de andere
gelijk op, en er wordt met de grootste zorg door elk der twee gewaakt
dat niets meer gegeven worde dan terugontvangen. Het boekhouden gaat
bij middel van stokjes, die in bundeltjes bijeen worden gebonden. Dìt
beteekent: een visch gegeven; dàt: een bos pisang; dit andere weer:
geholpen met sagokloppen, of meegeroeid in de boot; want ook diensten
en handreikingen worden beschouwd als betaling, toegebracht aan den
bruidschat. Vandaar groote moeilijkheden, als de zaak ten slotte
toch niet doorgaat, omdat een der twee, volwassen, plotseling een
eigen wil toont en een ander kiest, als in den laatsten tijd nog al
eens, en zelfs hoe langer hoe meer, voorkomt. In dat geval moet de
gecompliceerde rekening uiteengehaald met vergelijking van stokjes
en bundeltjes, en een "schande-prijs" betaald worden--want ook de
aangedane beleediging kan in materieele waarde worden omgezet--aan
de teleurgestelde familie.

Dit is alles zoo zakelijk mogelijk. Maar door de handelsgewoonte
heen komt plotseling de oude zede weer te voorschijn in het verbod
aan verloofden, hoe jong ook, om elkander te ontmoeten; in het gebod
aan den jongen, om zich voor alle leden van zijn meisjes familie te
verschuilen, wáár hij er ook een tegenkomt; en in de wijze waarop
het trouwen van het aan-elkander-gekochte paar wordt gevierd, met de
dramatische vertooning van een roof en daarvoor genomen weerwraak. Als
had de bruidegom hun bloedverwante geroofd, gaan de jonge mannen uit de
familie van het meisje in een dreigende bende naar zijn huis--of wat
op dien dag daarvoor geldt--en breken het uit weerwraak tot den grond
toe af, door met stokken ernaar te gooien, dat geen spaander aan den
anderen blijft. De bruigom verschijnt op den splinterhoop en biedt,
als boete, aan ieder der beleedigden een geschenk, dat tegenwoordig
bestaat uit een mes--een gewoon Hollandsch keukenmes met rood houten
heft is het gewilde soort. Die uitgave moet de bruigomsfamilie zich
getroosten, en zij loopt dikwijls hoog genoeg op. Het gebeurt wel, dat
een paar honderd wrekers van maagdenroof een huis komen afbreken. Maar
de kosten van wederopbouw heeft de familie althans niet. Het huis is
ook maar een voorstelling, een theaterhuis, om het zoo uit te drukken,
geheel waardeloos en van te voren voor de vernieling aangewezen. Het
is dan, òf een geheel vervallen krot, òf een huis, verlaten omdat
daarin iemand gestorven is (wanneer een huis verlaten móet worden);
òf, ook wel, een nieuw, dat niet betrokken mocht om dat er, in den
eersten nacht toen de bouwer er voor proef ging slapen, gekraak in is
vernomen, wat de aanwezigheid kenbaar maakt van een boozen geest. Van
zulke waardelooze huizen zijn er altijd genoeg in elk dorp. Zoo wordt
de schade, die de wildeman zou willen aanrichten, vernuftiglijk door
den koopman ondervangen. En 't is eere gewaard en kosten gespaard
bij het bruilofts-drama.

De affaire wordt voortgezet: het jonge paar betrekt met het toegewezene
deel van den familiebruidschat een kamertje in het huis van de
bruidegoms-ouders. Van nu af is alle voordeel aan den kant van deze
laatsten. Zij hebben een zoo goed als niet betaalde werkkracht in huis
gekregen. Zij wordt behoorlijk uitgebuit. Zelfs het moederschap wordt
beschouwd als een dienst aan den man en zijn familie. De moeder-zelve
heeft geen rechten op haar kinderen: enkel plichten tegenover hen als
tegenover het eigendom van haar man en zijn familie, wier eigendom zij
zelve is. "Wij trouwen om kinderen te hebben, en de vrouwen zijn er
om voor onze kinderen te zorgen." Zoo neemt de Papoea de verhouding
op. Als het ongeluk wil dat tijdens afwezigheid van den vader een
kind ziek wordt en sterft, dan zal hij dat zeker met een mishandeling
wreken aan de schuldige moeder die zijn eigendom heeft verwaarloosd.

Dit belet hem niet het recht van den eigenaar uit te oefenen, om
zich van een bezit, dat hem bezwaarlijk valt, te ontdoen. Wanneer hij
vindt, dat het huisgezin te talrijk wordt, zoodat hij wel eens voor
de noodzaak kon komen te staan "hard te moeten werken om allen te
voeden," en wanneer "de last van het kinderen grootbrengen" hem dan
te zwaar lijkt voor zijn zwakke krachten, mag hij een kind ter dood
brengen. In de Hollandiabaai moet dit véél voorkomen. En er wordt
zelfs gezegd, dat uit angst voor den toorn van den man, rampzalige
moeders zelven hun pas-geborenen vermoorden. Langs de Geelvinkbaai,
waar de toestanden in alles gunstiger zijn en de zeden ook zachter,
hoort men niet dan zelden van kindermoord.

Bij de nieuwe huwelijkswetgeving voor Christenen afgekondigd, worden
de vrije keuze van jongen man en jong meisje tegenover familie-dwang,
en de rechten van de moeder op haar kind gevrijwaard. Om dit laatste
is zij door de mannen met grooten onwil vernomen. Maar al mokkende
en dreigende schikken zij zich toch, zooals zij mokkend en dreigend
zich geschikt hebben in het verbod van slaven halen en het verbod
van koppensnellen. En misschien hebben de verstandigsten het al
ingezien, dat ook deze nieuwe beperking van hun "rechten" ten slotte
een bevordering van hun welzijn is.



In den strijd dien koopman en wildeman, voeren om het hart van den
Papoea, is de koopman aan de winnende hand; hoezéér, dat komt te zien
in de Papoeasche opvattingen omtrent recht en rechtvaardigheid. De
wildeman laat zijn schorren schreeuw nog hooren: wond voor wond, bloed
voor bloed, leven voor leven! Maar de koopman dringt al verder door met
zijn nuchtere beschouwing, dat ten slotte toch niemand veel heeft aan
bloed en dat eigen bate beter is dan vijands schâ, en een ronde boete
wèl zoo veel goed maakt als een afgezaagd hoofd. Hij heeft het gedaan
gekregen dat het denkbeeld: geleden onrecht om te zetten in voordeel,
werd toegepast op een heele reeks vergrijpen, van de ernstigste tot de
lichtste. Voor het verbreken van trouw, hetzij voor het huwelijk of er
na: boete. Voor een wond in drift geslagen: boete. Voor een leeggeroofd
veld: boete. Voor een onbeleefdheid: boete. Van "vergeten en vergeven"
geen quaestie; er wordt niets doorgehaald in de rekeningcourant die
iedereen met iedereen anders heeft, de vriend met den vriend zelfs,
de broeder met den broeder, de man met de vrouw. Maar van "nadragen"
ook geen quaestie: er wordt niets dubbel opgeschreven. Aan den eenen
kant van het kasboek de beleediging; aan den anderen de boete; en
volgens vast tarief--een tarief zonder veel vijven en zessen,--waarop
niets wordt afgedongen en waarbij ook niets wordt overvraagd. Wie
ruzie heeft gemaakt en weer vrede wil hebben, komt aandragen met zijn
boete. Nu, dan krijgt hij ook vrede. Alles is in orde.

Tot deze eerste halte op den weg uit het oerwoud naar de stad nog
in verten achter den horizont verborgen, de halte waar al zoovele
volkeren, als nu in de steden wonen, hun legerplaats gehad hebben,
is de Papoea uit eigen krachten gekomen. Maar daar staat hij nu en
kan niet verder, omdat de wildeman hem met zijn rooddruipende vuisten
vastgegrepen houdt, schreeuwend om "leven voor leven." Voor doodslag
neemt hij nog geen boete aan, wanneer hij niet gedwongen wordt.

Pas nu, hier aan de Geelvink-baai, dicht bij de hoofdplaats Manokwarie,
zijn twee voorvallen gebeurd waaruit ook de buitenstaander, wiens
waarneming niet anders dan oppervlakkig zijn kan, een begrip kan
winnen omtrent de kracht die dat idee nog in den Papoea heeft. De
gevallen zijn te merkwaardiger om de rol die het geestelijke er
in speelt. Dit is het eerste. Een man van Andy wenscht te trouwen
met een weduwe uit zijn dorp. Het familiehoofd geeft toestemming,
onder voorwaarde dat de geest van den overleden echtgenoot verzoend
wordt door een menschenoffer. Gewillig gaat de vrijer heen, ziet
een vrouw aan het strand die schelpen zoekt en slaat haar dood. Haar
familie eischt leven voor leven. Maar daar Andy een dorp is, sterker
dan het hunne, verzinnen zij een list tegen een ander waarmee zij
bevriend zijn, lokken acht mannen in een hinderlaag en vermoorden
hen. Nu is het de zaak van dat dorp om het met Andy uit te vechten:
en de reeks van sluipmoorden uit wraak en weerwraak kon tot in het
oneindige voortgezet worden als "de Kompenie" het niet stuitte. Het
oorspronkelijk-beleedigde dorp kan daar buiten blijven: aan zijn
verplichting is voldaan, het heeft leven voor leven genomen. Het
waren onschuldige levens. Dat doet er niet toe.

Dit is het tweede geval. Een deputatie mannen uit een kustdorp komt
bij het bestuurshoofd behoorlijk verlof vragen tot doodslag. Er is
een man in hun dorp gestorven die toch nog niet oud was: dus is hij
gedood door toovenarij. Een droom, door den vriend van den doode
gedroomd terwijl hij in het open graf naast het lijk sliep, heeft
den moordenaar kenbaar gemaakt. Nu komen de bloedverwanten om zijn
hoofd. De verbittering was groot, toen zij in plaats van het gevraagde
verlof den raad kregen op hun beurt den toovenaar te betooveren tot
de dood er op volgde. (Wat in 't voorbijgaan opgemerkt, wel lijkt
te bewijzen dat zij toch zoo steevast niet meer waren in het geloof
aan de kracht der toovenarij; en voor alle zekerheid maar liever een
aangescherpte bamboe-lat namen.) Zonder de vrees voor "de Kompenie"
hadden de bloedwrekers triomfen gevierd langs de Geelvink-baai. Zooals
het nu is hebben zij het bij morren moeten laten. Misschien duurt
het morren niet eens lang. Er zijn er altijd wel enkele onder de
malcontenten die, niettegenstaande alle tegenstribbelen, ten slotte
toch eigenlijk wel geholpen willen worden om los te komen uit den
greep van den wildeman. Anders zouden wij het niet zoo dikwijls hooren
en zien, dat Papoea's hulp en raad komen vragen bij den Westerling
en dat ambtenaren, zendelingen van beide gezindten en leiders van
verkenningstroepen die het wilde binnenland ingaan, met vreugde worden
binnengehaald in de dorpen.



De sombere fantasie waaruit het geloof aan toovenarij is opgegroeid,
het koppensnellen om aan een kind een naam te kunnen geven, en de
verwordingsellende op de Zuidwestkust, heeft een tegenhanger in een
allerliefelijkste: tegenover den zwarten schrik van het oerwoud, zijn
geuren, zijn vogelgezang en zijn schijnsel van zon en maan. Veel er
van is al--helaas, maar hoe kan het anders?--verdwijnende. Alleen
bij overlevering weten wij nog van den maneschijndans der vrouwen
en hun gezang als de mannen verre zijn op hun reis. "Deze maan die
wij zien is dezelfde die onze mannen zien, ginder in de verte." [29]
En hoeveel moet er al verloren zijn gegaan waarvan wij niets weten!

Maar veel is toch nog over. Op dezen dag nog halen de Noefooren
van de Geelvink-baai den jongeling die zijn eerste reis naar "het
Buitenland" heeft gedaan, naar het eiland in het Rijk der Vier Radja's,
Salwatti, bij zijn terugkomst in met het aloude gezang van den held,
terugkeerende met het takje thijm in de hand, de plant die enkel op
Salwatti groeit; en zij hangen aan de triomfbogen waardoor zij hem
heen leiden, afbeeldingen van de maan, vriendelijke gezellin der
zwervenden. Nog dansen de vroolijke jonge meisjes den bamboe-dans,
waarbij jonge mannen twee op den grond liggende bamboestangen op
de maat van koorgezang tegen elkander slaan, en de danseres haar
vlugge voeten rept daartusschen en daarnaast, dat niet een enkele
slag haar enkels treft. Nog worden de oude sprookjes verhaald van
den reus Uri, den oolijken bedrieger, lievelingsheld van den Papoea,
van den stoutmoedigen Boeginees die in het onderaardsche hol den
monsterlijken duizendpoot aandurfde om zijn twee oogen van louter
goud; van de blondlokkige schoone in de Tritonschelp, en den jongen
held die haar vond, en won voor vrouw; van den verwachten Leider
van alle Papoea's, die toovermacht verkreeg van de Avondster toen
hij haar ving in zijn klapperboom waar zij aan den koker vol zoet
bloemensap nipte. [30] Op dezen eigen dag nog viert de stam der
Marindineezen het Majo-feest, in dans, gebaar en plechtigheid de
geschiedenis voorstellend van het volk, zoo als het in nog dierlijke
gedaante aan de groote moeder van alle leven, de Zee, ontstegen,
van dieren, elementen en geesten vriendschap en hulpbetoon ontving
ter mensch-wording. [31] Nog zingen op feestnachten de mannen van
de Zuidkust vierstemmige gezangen in koren van honderden, te zamen
gezeten aan het strand van de ster-lichte zee. De eilanders die te
Wakdee aan boord van ons schip kwamen en er een tifa vonden staan,
grepen de groote trom en begonnen op de maat van haar diep-dreunende
slagen een dans van de jacht, met de buiging naar den grond die het
spoor zoekt van den kasuaris, en met den snellen armzwaai die den
vluchtenden vogel vèr heen de speer na zendt.

Dans, feestelijk koorgezang, sprookje dat natuurmacht herschept tot
mensch, ons eigen ras kende ze in dien verren tijd toen het nog een
kind was zooals nu het Papoea-ras een kind is. Wij waren eens wat
zij nu zijn.

Op vele plaatsen in Indië komt den Westerling die gedachte tegen,
bij de waarneming van veler rassen gebruiken en gedragingen. En het
wordt hem dan te moede soms of hij in stede van ruimten te doorreizen,
tijd heeft doorreisd, voor mijlen, eeuwen. En of verschil in leeftijd
de verklaring ware van alle ander verschil tusschen blanke rassen
en bruine.

Het broederlijk gevoel verwelkomt die gedachte, Zij brengt zulke
zekerheid van, over alle tegenwoordige dingen heen, in de toekomst,
een allerschoonst geluk.



INHOUD



                                                                Pag.
AANKOMST:

    Sabang op Poeloe-Weh                                          7


JAVA:

    Van Tandjong Priok naar Djombang                             15
    In het Dorp                                                  21
    Rijstoogst                                                   41
    Sultans Land                                                 47
    Suikerland                                                   69
    Armoeland                                                    80
    Djokjasche Landheeren                                        91
    Madjawarna                                                  102
    Een bevloeiïngswerk                                         122


BALI:

    Singaradja                                                  133
    Een wijk van de stad                                        140
    Rijst en rijstbouwers                                       150
    Balische vrouwen                                            157
    Goesti Djilantik                                            167
    Bali als het land van Goden en Geesten                      178
    Het verleden op Bali en de toekomst                         191


BORNEO:

    Eerste indrukken van Borneo                                 203
    Stroomopwaarts het binnenland in                            211
    Oude en nieuwe dingen in een centrum van
    inlandsche nijverheid                                       223
    Een centrum van inlandschen handel                          230
    Langs de Barito                                             238


SUMATRA:

    Aankomst te Medan                                           247
    Tabak in Deli                                               254
    Tabak en Tabakkers                                          263
    Naar de Bataksche hoogvlakte                                283
    Onder de Karo-Batak                                         291
    Westkust van Sumatra                                        307
    Nieuwe ontwikkelingen ter Westkust van Sumatra              326
    Europeesche ondernemingen op de Westkust.--Een Theetuin     338
    Europeesche ondernemingen op de Westkust.--Een Goudmijn     347


CELEBES:

    Makassar                                                    355
    Door de Paré Paré en Boni.--De Meeren                       360
    Pampanoea en Watampone                                      378


MOLUKKENREIS:

    Ambon                                                       401
    Banda                                                       415
    Ceram                                                       422
    Van Boeroe tot Ternate                                      428


NIEUW-GUINEA:

    Naar het land van de paradijsvogels                         441
    Beoosten Kaap d'Urville                                     452
    Chineesche winkels                                          459
    Fakfak                                                      465
    Merauke                                                     474
    Langs de Geelvinkbaai                                       480



AANTEEKENINGEN


[1] Handboek van Insulinde, door D. van Hinloopen Labberton,
f 9,738,000.

[2] Verslag van de Kamer van Koophandel en Nijverheid te Soerabaja
over het jaar 1910.

[3] De Hollander betaalt ook in geld: nl. voor al zulke
landbouwverrichtingen als niet begrepen zijn in de oorspronkelijke
contracten. Deze zijn gesloten in een tijd toen cultuur-methodes
veel eenvoudiger waren dan tegenwoordig. Er wordt dus voor allerlei
werk--herhaald bemesten, bijvoorbeeld--bij betaald. Dit o. a. maakt
dat de arbeider op Hollandsche ondernemingen er beter aan toe is dan
die in Javanen-dienst.

[4] Kalff. Indische Gids, 94 en 97. Aangehaald bij Clive Day "The
Policy and Administration of the Dutch in Java."

[5] Woordenboek van Nederlandsch-Indië: Vorstenlanden, door Rouffaer.

[6] Ik grijp de gelegenheid aan om voor de inrichting in Holland de
hulp te vragen die Indië haar niet geven kan: wetenschappelijke. De
bibliotheek heeft erg gebrek aan nieuwe medische literatuur. Zouden
heeren artsen en uitgevers hier niet eens willen helpen?

[7] De Zendingseeuw voor Nederlandsch Oost-Indië: VI Het Nederlandsch
Zendelinggenootschap 261.

[8] Woorden van een Christen-Javaan, aangehaald in de Mededeelingen
vanwege het Nederlandsche Zendelinggenootschap. Verslag omtrent den
werkkring Madjawarna in 1910, blz. 134.

[9] Zendingseeuw etc. p. 255.

[10] t. a. p.

[11] De drie kasten zijn in afdalende rij, die der Brahmanen, die der
Ksatrya, die der Wessya. De leden der Triwangda hebben nog enkele
historische voorrechten op de gemeenen, de Kaoela. De Ksatrya zijn
zoo goed als verdwenen en de Wessya nemen hun plaats in.

[12] W. R. van Hoëvell. Reis over Java, Madura en Bali in het midden
van 1847. Deel III blz. 45 en vlg.

[13] De eigenlijke naam van de door Hollanders dikwijls Dèn Pasar
genoemde plaats.

[14] De plant wordt zoo genoemd om de gelijkenis van haar rozig-paarsen
bloemtros met dien van de hyacint. Ik zag slechts een enkel exemplaar
in bloei.

[15] Hierbij is er veel, die niet in de zon, maar boven vuur gedroogd
is, wat ik, persoonlijk, te Kendangan niet zag geschieden.

[16] Javanen, naar den hadji-titel begeerig doch van den Mekka-tocht
afkeerig, gaan naar Penang om zich den schijn te geven van den tocht
te hebben volbracht en keeren na enkele weken, als van Mekka komend
terug. De bron waaruit schrijfster dezes putte geeft geen zekerheid
omtrent de vraag of de planter met zulke namaak-hadji's te doen had,
of met toevallig onder weg opgehouden echte.

[17] Het Rekest en Betoog der Deli Plantersvereeniging aan
den G. G. van Ned. Indië naar aanleiding van het ontwerp van
mr. v. Blommestein noemt als het getal der tot 1910 toe opgerichte
maatschappijen 125 met een gezamenlijk kapitaal van ruim 104 millioen.

[18] Reizigers 2,314,994 in 1911 tegen 823.860 in 1901.

Vrachtgoederen 429,653 ton in 1911 tegen 205.577 ton in 1901.

Rapport van den hoofdadministrateur aan den resident ter Oostkust
van Sumatra.

[19] Mr. H. J. Bool. Arbeidswetgeving in de Residentie Oostkust van
Sumatra: blz. 13, noot.

[20] Niet met de letter van de wet; maar volgens de uitlegging die
zoowel werkgevers als werknemers er altijd aan gegeven hebben. Van
Ned.-Indische koelies werken alléén Javanen in contract.

[21] Volgens een officieele mededeeling in Engelsche vertaling
aangehaald op blz. 45 van het "Rekest en Betoog der Deli
Plantersvereeniging  aan den G. G. van Ned.-Indië naar aanleiding van
het ontwerp Blommestein," waar tevens vermeld staat "dat de toestanden
op Banka door meer toezicht veel verbeterd zijn."

[22] Belasting in geld: progressief van 2 1/2 % voor een inkomen
per gezin van f 50 in 't jaar tot 4 1/2 % voor een inkomen van f
 630 en daarboven. Heerendiensten 40 dagen per jaar als maximum: 4
daarvan zijn voor de hoofden. Bij wegenarbeid wordt de nacht op het
werk doorgebracht gerekend voor 1/2 dagarbeid, in de practijk is het
maximum 24.

[23] De drie andere gevallen zijn: als er geen geld is voor de
begrafenis van een lid der familie, geen geld om het begonnen
familiehuis af te bouwen, geen geld om een schuld bij hanengevechten
aangegaan, te voldoen, voor het geval de verliezer een "penghoeloe,"
een dorpshoofd is.--De bruidschat is soms verkeerdelijk voorgesteld
als de "koopsom" van den man.

[24] Vertaling van Veth "Insulinde."

[25] Zie Van Hasselt: Noefoorsche Sprookjes.

[26] M. Müller leidt deze stelling uit de taal af; uit den godsdienst
van Hasselt, wiens vertaling van Noefoorsche sprookjes hier al
meermaals is aangehaald, en van wien ook afkomstig zijn de hieronder
volgende mededeelingen omtrent het gezinsleven, den godsdienst en de
feesten der Noefooren.

[27] Een klein nacht-dier, een buidel-drager.

[28] Mondelinge mededeeling van v. Hasselt, zendeling te Manokwarie.

[29] Volgens mondelinge mededeelingen van Van Hasselt, zendeling
te Manokwarie.

[30] Noefoorsche sprookjes, vertaald door Van Hasselt.

[31] Jos Viegen, M. S. O. pastoor te Merauke in het tijdschrift
v.h. Kon. Ned. Aard. Genootschap, 15 Maart 1912.



                             AUGUSTA DE WIT

                                  JAVA
                           FACTS and FANCIES

                         WITH 160 ILLUSTRATIONS

                 ROYAL 8o FL. 5.75 IN BEAUTIFUL BINDING


Prologue.--First glimpses.--A Batavia Hotel.--The Town.--A colonial
home.--Social life.--Glimpses of native life.--Native life in the
streets.--On the beach.--Of Buitenzorg.--In the hill-country.--In
the dessa.

Recensie van HENRI BOREL in "De Gids":


    "Toen ik dit heerlijke, weldadige, mooie, o! zoo mooie boek in
    handen kreeg van Augusta de Wit, dacht ik, dat wanneer er nog
    eens een paar schrijvers als deze opstonden, dan zou eindelijk
    de hoop ontstaan een Nederlandsch-Indische literatuur te
    krijgen, die door haar verfrisschenden, verreinenden invloed
    het leven daar kon zuiveren van materialisme.--Ik meende
    vroeger altijd dat het aan Indië zelf lag, dat het daar geen
    land was om mooie dingen te zien en daar vreugdevol van te
    schrijven. Maar nu is het gekomen! dit mooie boek heeft het
    mij doen zien."


Uitgave van: W. P. VAN STOCKUM & ZOON, Den Haag





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Natuur en Menschen in Indië" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home