Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: De Nederlandsche Geslachtsnamen
Author: Johan, Winkler
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "De Nederlandsche Geslachtsnamen" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



                    DE NEDERLANDSCHE GESLACHTSNAMEN
                In oorsprong, geschiedenis en beteekenis


                                  Door
                             JOHAN WINKLER



                           Goedkoope uitgaaf
                                Haarlem
                          H. D. Tjeenk Willink



        Boeck, ey soo men di wil laecken,
        Segg' dat si yet beters maecken.
        Laecken end maecken is groet verscil,
        Dye nyet en can maecken magh swigen still.

                                                          ?


        D'æbarre traeppet plomp yn 't gnod,
        Oer 't goe kruwd hinne in sykt de Podd'.
        Dy hier uwt naet az fuwl op-syckje,
        Momme eack, mey rjuecht, by Rea-schonck lyckje.

                                            Gysbert Japicx.


        Wy willen gheerne 't onse om een beter gheven,
        Isser iet ghefaelt, tsy groot oft cleene.
        Maer qualick can ment elck te passe gheweven:
        Want niemant volmaeckt, dan God alleene.

                                     Marcus van Vaernewyck.



VOORBERICHT.


In dit boekwerk bied ik mynen land- en volksgenooten de vrucht aan
van myne onderzoekingen en navorschingen op taal- en geschiedkundig
gebied, naar den oorsprong, de geschiedenis en de beteekenis der
hedendaagsche nederlandsche geslachtsnamen.

Moge dit werk met zoo veel genoegen aanveerd worden, als waar mede
het geschreven is! Maar dit is naueliks te denken. Immers byzonder
veel genoegen verschafte my het opstellen van dit namenboek. Allerlei
verrassende, ten deele ook belangryke uitkomsten verkreeg ik, vooral op
taalkundig gebied, by myne navorschingen in deze zake. En dies leverde
my mijn arbeid zoo veel genot op, dat ik hier wel mag herhalen, wat
ik in 1873 schreef by 't voleindigen van mijn Algemeen nederduitsch
en friesch Dialecticon. Te weten deze woorden: »de arbeid, aan mijn
boek besteed, was my zoo aangenaam »(en leerrijk)", dat, waneer door
een of ander ongelukkig toeval mijn handschrift, terstond na dat
ik de laatste letter er van op het papier zette, was vernietigd of
verloren geraakt, ik my toch voldoende voor mijn werk beloond zoude
gerekend hebben, door het genot dat ik er door gesmaakt had."

De Nederlanders in 't algemeen hebben tot nog toe, in wetenschappeliken
zin, weinig aandacht aan hunne geslachtsnamen geschonken. Immers meen
ik dit te mogen afleiden uit de omstandigheid dat zy er zoo weinig
over geschreven hebben. Alles wat er tot nog toe hier te lande over dit
onderwerp in het licht kwam, bestaat uit eenige weinige, veelal kleine
en min belangryke opstellen, verspreid in verschillende tijdschriften
van deze eeu. Het belangrijkste daar van, wat de nederlandsche
geslachtsnamen in 't algemeen aangaat, is zekerlik de »Historische
beschouwing der nederlandsche eigennamen", van Mr. L. Ph. C. van den
Bergh. Ook mag ik, met de noodige bescheidenheid, daartoe tellen de
opstellen over de friesche geslachtsnamen die, voor en na, van myne
eigene hand verschenen zijn in de tijdschriften De vrije Fries en
De Navorscher.

Het is te meer te verwonderen dat dit veld van taal- en geschiedkundig
onderzoek in de Nederlanden zoo braak ligt, als men in aanmerking neemt
aan den eenen kant de zeer byzondere en eigenaardige belangrijkheid
der nederlandsche maagschapsnamen in taal- en geschiedkundig opzicht,
en aan de andere zyde waarneemt dat onze hoogduitsche stamverwanten
reeds zoo veel belangrijks en merkweerdigs over hunne geslachtsnamen
in verschillende, meestendeels wetenschappelike werken, aan het licht
gebracht hebben.

Terstond na het voltooien van mijn bovengenoemd Dialecticon voelde
ik dan ook den lust in my ontwaken om aan dit onderwerp myne
onderzoekingen en mijn verzamel-yver te wyden. Dat ik toen zoo
bedroevend weinig over dit toch zoo echt volksaardig-nederlandsch
onderwerp door nederlandsche geleerden geschreven vond, noopte my
tot jaren lang voortgezet verzamelen van boustoffen en gegevens, eer
ik daar aan denken kon, mijn onderwerp nader uit te werken. In der
daad, gedurende verscheidene jaren heb ik een goed deel myner anders
ledige uren besteed aan het samenbrengen en ordenen van alles wat ik
noodig had tot het schryven van dit boek. Had ik dies dubbel moeite
en veel arbeid, mijn werk is er ook zoo veel te meer mijn werk door
geworden en gebleven. Immers had ik by het schryven van mijn reeds
meermalen hier vermeld Dialecticon in veler hulp en medewerking
my te verheugen en te roemen, voor dit geslachtsnamenboek stond ik
aleen. Maar nu is hier ook alles eigen werk. En daar by, het werk
is zoo eigenaardig-nederlandsch als maar mogelik is. Opsettelik heb
ik uiterst weinig of ook in het geheel geen kennis genomen van het
gene door onze hoogduitsche stamverwanten geschreven is over hunne
geslachtsnamen, die ook grootendeels zoo nau aan de onzen verwant
zijn. Zelfs het werk van Pott, [1] dat zeker te recht by onze oostelike
buren als een standaard-werk over dit onderwerp beschoud wordt, en heb
ik met opset nooit geraadpleegd. Ik heb het zelfs nooit gezien. [2]
Men moge meenen dat deze bezorgdheid om mijn werk louter te houden
en zuiver nederlandsch, overdreven is en slechts tot schade voor
de volledigheid van dezen arbeid kon gedyen! Wel! ik heb nu toch
de voldoening een echt eigen-nederlandsch werk mynen nederlandschen
landsgenooten, mynen frieschen volksgenooten te kunnen aanbieden. En
hier in verblijd ik my.

Zoo veel ik kon heb ik my in het behandelen der nederlandsche
geslachtsnamen voor eenzydigheid willen vrywaren. Ik heb uit het
Zuiden gelykelik als uit het Noorden, uit Vlaanderen zoo wel als uit
Friesland, uit Holland zoo wel als uit Brabant, uit Limburg zoo wel
als uit Zeeland en Gelderland de namen by elkanderen gebracht. En ik
heb geen enkel gewest buiten spel gelaten. Maar omdat ik mijn leven
lang nooit ergens elders gewoond heb als in Friesland en Holland,
zoo zijn my natuurlik de friesche en hollandsche namen bekender en
eigener als die uit andere gewesten. Intusschen, het ontbreekt my in
geen der andere oorden, in Belgenland zoo min als in Noord-Nederland,
aan vrienden en bekenden die my geerne de behulpsame hand boden,
door my adresboeken, plaatselike nieusbladen, ambtelike lijsten,
enz. uit hunne streken te doen toekomen, als zoo vele mild floeiende
bronnen ter verzameling van byzondere namen.

Reeds een vluchtige blik in de volgende bladen doet den opmerksamen
lezer bespeuren dat de taal waar in dit boek geschreven is, eeniger
mate afwijkt in zinbou, woordegebruik en spelling van de hedendaagsche
hollandsche boeketaal. Zeker! Ik ben dan ook geen Hollander. Een
Fries ben ik. Maar als zoodanig een goed Nederlander. Waarom zoude
ik dan my zelven dwingen om myne gedachten, gelijk zy in friesche
bewoordingen, en vooral in friesche formen, in mijn friesch brein
ontstaan, kunstmatig om te zetten in schoolsch-hollandsche woorden
en formen? Zoo doende zoude ik zelve mijn eigen werk bederven,
mijn stijl gekunsteld, stijf, gewrongen, onnatuurlik, leelik
maken. En zoo dwaas ben ik niet. Ook in deze zake geldt my »Vryheid,
blyheid." En al is dan myne taal niet onnoodiger wyze nieuerwetsch
schoolmeesters-hollandsch,--goed-nederlandsch, zuiver dietsch is zy
zeker. Zy is louter. Op een enkel kunstwoord na (b. v. patronymikon,
dat ik herhaalde malen heb moeten gebruiken ter afwisseling met het
anders al te vaak voorkomende woord vadersnaam), is alles zuiver
nederlandsch. En dat kan men van de meeste werken der hedendaagsche
Hollanders niet getuigen. Ach neen!

Een ingeschapen luide sprekend gevoel van eigenweerde als vrye
Fries verbiedt my om, tegen beter weten in, de wetten te volgen
waar mede hollandsche geleerden, zeer verdienstelike en hoog
geleerde mannen, maar wier opvatting van taal niet de myne is,
ons aller algemeen-nederlandsch in byzonder-hollandsche kluisters
klinken. Toch is myne kettery niet al te bar, zoud' ik meenen. De man,
die onbevangen oordeelen wil en die de woorden verstaat in hunnen
oorsprong, moet my gelijk geven als ik b. v. aleen (al en een),
waneer (wan en eer), Engelland (het land der Engelen of Angelen),
enz. schryve, in stede van alleen (al en leen?), wanneer (wan en
neer?), Engeland ('t land der Engen?) zoo als het algemeene gebruik
in Noord-Nederland eischt. Ook zal men vinden dat mijn zinbou en
woordvoeging niet altijd en overal overeenkomen met den zinbou en de
woordvoeging die door hollandsche schoolmeesters, in schoolschen waan
bevangen, aan onze taal tot wet is gesteld. Om een enkel voorbeeld te
noemen: in het gebruik van het woordje dan, in plaats van als, na den
vergelykenden trap der byvoegelike naamwoorden. Waar de doode regel van
den schoolmeester in strijd is met den regel dien de levende spreektaal
volgt, daar geldt voor my slechts de laatste. Hier en daar, waar het
pas gaf en het my zoo vryelik behaagde, heb ik ook gebruik gemaakt
van 't oude loochenwoordeken en, dat wel door onze hedendaagsche
taaldwingelanden verworpen is, maar dat in den volksmond, vooral in
onze zuidelike gewesten, en ook hier en daar in Holland, nog leeft,
en dat door de beste vlaamsche schryvers nog wel gebezigd wordt,
terwijl het zoo veel bevalligheid en zoetfloeiendheid aan de taal
verleent. En ook daar heb ik my nog niet aan vaste regels gebonden,
waar ik afwyke van den geijkten regel. Ik spreek en schrijf eenvoudig
zoo als my de gedachten in mijn brein ontstaan, en juist zoo als op
dat oogenblik mijn geest my de woorden op de tonge legt of uit de
pen doet floeien. Al die vryheden neem ik my, naar eigen welbehagen,
en in spijt van wien er zich aan moge ergeren.

Dat ik eene, zy het dan ook uiterst bescheidene mate van dank
en lof zal oogsten met dit werk, kan ik wel hopen, maar niet
verwachten. Menig man zal, om menige redenen, in arren moede dit
geschrijf verwerpen. Immers ondervond ik maar al te vaak dat vele
lieden byzonder prikkelbaar en gevoelig zijn op het stuk van hunne
namen. O! bewijs dien ryken en verwaanden opkomeling niet dat zijn
geslachtsnaam van zeer nederigen en eenvoudigen oorsprong is! Toon
dien nieu-bakken adeling niet aan dat zijn maagschapsnaam, die nu
in spelling een weinig anders is als de gelijkluidende naam van
zynen burgerliken buurman, met dien naam oorspronkelik geheel en
al eenzelvig is. Immers en zal hy u geen dank wyten. Maar zoo hy
u al niet met hoon en smaad overlaadt, zal hy, in het beste geval,
uit der hoogte en met voorname minachting op uw werk en misschien
op u-zelven nederzien. En dan nog, hoe vele lieden--ja immers een
zeer groot gedeelte der menschen, is aangaande zynen geslachtsnaam
wat oorsprong en beteekenis aangaat, in krasse vooroordeelen
bevangen! Vooroordeelen, die in den regel reeds als erfdeel hunner
voorouders hun zijn toegekomen. Tracht die vooroordeelen niet om verre
te werpen, zoo uwe vrede u lief is. En overtuig dien lieden niet van
hunnen ydelen waan! Gy en zoudt daar geen eere mee behalen. En dank
even min. O! ik heb dit herhaaldelik ondervonden.

Toch stuur ik met vrooliken moed dit mijn werk de nederlandsche
letterwereld in.

Voor dorre geleerde betoogingen heb ik my, by de samenstelling er
van, gewacht. Alle wezen en schijn van boekekast-geleerdheid heb
ik gemeden. Immers was het mijn streven dat mijn namenboek (even
als vroeger mijn gousprakenboek) ook leesbaar zoude wezen voor den
eenvoudigen beschaafden man. Maar tevens heb ik getracht het niet
geheel verwerpelik te doen zijn voor den geleerde, voor den taalkundige
en den geschiedvorscher in d' eerste plaats. Ook zal de man, die zich
met de geschiedenis en het wezen der beschaving van ons volk inlaat,
en die geerne d' uitingen van ons volksleven gadeslaat, dit boek,
zoo ik hope, niet zonder eenige voldoening ter zyde leggen.

Dit werk en bedoelt anders niet als eene eerste poging te zijn op
het gebied van de beoefening onzer geslachtsnamen, eenvoudig, sliucht
end riucht.

Moge men het, in dezen zin, welwillend aanveerden!



Den vriendeliken lezer een vriendelike groet van


                                                                Haarlem,
                                                         Midzomer, 1885.

        Johan Winkler



INLEIDING.


§ 1. De eerste menschen, of liever zy, wier namen het eerst in onze
geschiedboeken vermeld worden, hadden, ieder voor zich, maar éénen
enkelen naam. By alle volken der oudheid, by Joden, Egyptenaars,
Grieken, Romeinen, by allen, van welken stam ook, was dit oorspronkelik
het geval. Een enkele naam werd voldoende geacht voor eenen enkelen
persoon. Hoe ouder de namen, of beter: hoe vroeger de menschen leefden,
wier namen ons bewaard gebleven zijn, hoe eenvoudiger hunne namen
waren. Later kwamen ook samengestelde namen in gebruik, en nog later
namen de menschen, de machtigen en voornamen het eerst, ook twee namen
aan. Van die twee namen was echter slechts één de eigenlike naam, die
uitsluitend voor den persoon gold welke hem voerde. De andere naam was
gewoonlik een patronymikon of vadersnaam, soms ook oorspronkelik een
by- of toenaam van den man zelven of ook wel van zynen vader; in het
laatste geval gold die naam dan voor al de kinderen van eenen en den
zelfden vader. Deze tweede namen werden in verloop van tijd ook wel
erfelik; zy gingen niet alleen van den vader op den zoon, maar ook wel
op de kleinzonen over, en op de volgende nakomelingschap. Dit was de
oorsprong van de geslachtsnamen die eigen zijn aan al de leden van eene
en de zelfde maagschap. Maar eigenlik gezegde geslachtsnamen, volkomen
in den zelfden zin dien de beschaafde volken in den tegenwoordigen tijd
aan dat woord hechten, hadden de ouden niet. Deze zaak was by hen niet,
of slechts weinig door wetten geregeld. In het aannemen en afleggen
van namen, vooral van by- en toenamen, die de plaats vervulden der
hedendaagsche geslachtsnamen, gingen de oude volken zeer willekeurig
te werk. En onze eigene voorouders vóór 1811, toen de wetgeving op den
burgerliken stand, en daar mede op de geslachtsnamen, geregeld werd,
deden niet anders.

Juist zóó als by de volken der oudheid, is ook de geschiedenis der
persoonsnamen, en der daaruit ontstane geslachtsnamen by onze eigene
voorouders, by de Germanen in 't algemeen. De oudsten onzer voorouders,
't zy ze van frieschen of van saksischen stam waren, 't zy ze deel
uitmaakten van de talryke kleine stammen--Batauers, Kaninefaten,
Maresaten, Sicambriers, Taxandriers, Morinen, Menapiers, waar van er
velen later zich onder den naam van Franken vereenigden--zy allen
droegen slechts éénen enkelen naam. En hoe ouder, hoe vroeger de
namen der Germanen in de geschiedboeken vermeld worden, zooveel te
eenvoudiger waren de namen. Abo, Athal, Bercht, Dodo, Edo, Fritho,
Gero, enz. waren zulke eenvoudige mansnamen. Deze namen waren,
by honderden in getale, by de verschillende volken van germaanschen
bloede in gebruik. Eenigen er van zijn ook tot op den dag van heden
in gebruik gebleven; by de Friesen vooral is dit met betrekkelik
velen dezer namen het geval. Men noemt deze enkelvoudige namen wel
naamstammen, wijl de latere samengestelde namen uit deze naamstammen
ontstaan zijn en geformd. Weldra toch, by toenemende volkrijkheid,
waren deze namen niet meer voldoende ter onderscheiding. Immers
kwam het wel voor dat verschillende personen, leden van een en den
zelfden stam, soms wel van eene en de zelfde maagschap, den zelfden
naam droegen. Dit gaf verwarring; maar tevens aanleiding om nieuwe
namen te zoeken. En men vond die, door twee namen, tot dus verre elk
op zich zelven in gebruik, te verbinden, saâm te voegen tot éénen
enkelen nieuwen naam. Van de enkelvoudige namen of naamstammen Gero
en Hart b.v. maakte men Gerhart (Gerard, Gerrit, Geert), van Athal en
Win formde men Athalwin (Alewijn), en Thiudo (Tiede) en Rik voegde men
samen tot Thiudorik, Theodorik (Diederik, Dirk). De samenstelling dezer
namen was aan weinige of geene taalkundige of andere wetten gebonden,
behalven aan die der welluidendheid en zoetvloeiendheid. Men kon in
den regel de naamstammen samen voegen, gelijk men wilde. Zoo kon men
b.v. van de naamstammen Gang en Olf of Wolf zoo wel Gangolf maken als
Wolfgang; van Hart en Gero zoowel Gerhart als Hartger; beide formen
komen voor. Men had dus tamelik vry spel, en vooreerst geen gebrek
aan eigennamen. Want zoo de oude enkelvoudige namen by honderden
telden, door willekeurige samenvoeging van al deze naamstammen kon
men honderd-duizenden van nieue namen formen. By duizenden zijn deze
samengestelde namen ons in oude geschriften en oorkonden overgeleverd
geworden; by honderden zijn ze nog onder ons in gebruik. Men kan er
duizenden vermeld en beschreven vinden in Förstemann's Altdeutsches
Namenbuch.

Deze namen waren natuurlik geenszins zinledige klanken. Integendeel! zy
hadden allen eene beteekenis. Oorspronkelik waren het allen eenvoudige
woorden, aan de volksspreektaal ontleend. De namen werden toen nog door
het volk verstaan; het waren zinryke namen, en als zoodanig verstond
men ze. En wijl alle Germanen oorspronkelik eene en de zelfde stamtaal
gesproken hadden--hoe wel dan min of meer gewyzigd in uitspraak en
woordenschat by de verschillende stammen--zoo verstonden ook allen deze
namen, en gingen die namen, zonder bezwaar, van den eenen volksstam
tot den anderen over. Toch waren van ouds her by het eene volk meer
deze, by het andere meer gene namen in gebruik, en kon men dus daar
uit, met eenige zekerheid, afleiden, tot welk volk, tot welken stam,
tot welke maagschap deze of gene persoon behoorde. Maar overigens
hadden de namen weinig kenmerken waar uit men weten kon, van welk volk
of welke maagschap de dragers dier namen deel uitmaakten. Er waren
geene algemeene namen, aan al de leden van een enkel geslacht eigen,
en waaraan men elkanderen kennen en herkennen kon. In deze leemte,
welke zich, by de toenemende volkrijkheid, vooral ook by het steeds
drukker wordende verkeer der menschen onderling, hoe langer hoe
meer deed gevoelen--in deze leemte werd voorzien door den kinderen
samengestelde namen te geven, waar de namen van vader of moeder,
zoo deze namen enkelvoudige naamstammen waren, of ook deelen van
de namen der ouders, zoo dezen reeds samengestelde namen voerden,
in voorkwamen. Heette de vader b. v. Bruno en de moeder Hildigunda,
dan kregen de zonen dezer echtgenooten wel de namen Brungar, Hildebrun,
Brunolf, de dochters die van Brunhilda, Hildeberchta, Gundtruda. Deze
samengestelde namen waar de namen of naamstammen van vader en moeder
in voorkwamen, waren eene eerste, zwakke poging om algemeene namen
te formen, die aan alle leden van een gezin iets eigens gaven,
waar door zy zich van anderen onderscheidden, en als kinderen van
één paar ouders, of als afstammelingen van eenen enkelen stamvader,
aan anderen kenbaar waren. Later bereikte men hierin beter doel,
door ware patronymika te formen; te weten, door den uitgang ing,
op zich zelven een oude naamstam, te voegen achter den naam van den
vader. Als b. v. de vader van eenen jongeling die Athalbercht heette,
den naam droeg van Athal, dan noemde deze jongeling zich Athalbercht
Athaling, dat is Athalbercht zoon van Athal, ter onderscheiding van
anderen die ook wel Athalbercht heetten, maar geen zonen van Athal
waren. (Athalbercht Athaling, dat is in onze tegenwoordige taal Albert
Adeling.) Sedert deze patronymika of vadersnamen in gebruik gekomen
waren, was er eenen grooten stap voorwaarts gedaan, ter verkryging van
geslachtsnamen. Immers niet aleen Athalbercht voegde dat patronymikon
Athaling achter zynen eigenen naam, maar ook zyne broeders Athalgar
(Alger), Athalwin (Alewijn) en Athalhart (Allart) deden eveneens,
wijl ze ook zonen van Athal, dus ook Athalingen waren. En zoo hadden
zy, alle vier gebroeders, in dien gemeenschappeliken vadersnaam
eenen band die hen verbond, en waren ze ook aan geheel vreemden, als
broeders, als zonen van éénen zelfden vader kenbaar. Deze patronymika,
als oorsprong van duizenden hedendaagsche nederlandsche geslachts-
en plaatsnamen, zijn in de volgende bladen van dit werk uitvoeriger
behandeld en verklaard.

Omstreeks het jaar 1000, ook een paar eeuen vroeger en later, waren
deze patronymika by de germaansche volksstammen in volle gebruik,
en dienden ze wel als geslachtsnamen. Na de 10de eeu kwamen er ook
andere namen in gebruik, ter nadere aanduiding van personen. Dit waren
soms bynamen, afgeleid van de eene of andere persoonlike eigenschap
van de dragers dier namen, of ontleend aan plaatsnamen, of aan andere
byzondere zaken. En het bleek soms, dat deze namen zoo vast verbonden
waren aan de personen die ze droegen, dat zy ook op de zoons van die
personen overgingen, en later op de kleinzoons; met andere woorden
dat zy erfelik werden, en volkomen als geslachtsnamen in gebruik
bleven. Tevens kwam er na den jare 1000 nog eene andere wyze om
vadersnamen of patronymika te formen, in zwang; eene andere wyze dan
de tot dan toe gevolgde door achtervoeging van ing achter den vaders
naam. Immers door veelvuldig gebruik, en uitsluitend in dien form, was
het woordje ing in onze taal als 't ware versleten geraakt. Het had
by het volk zyne beteekenis verloren; men verstond het niet meer. De
namen die op ing uitgingen, en die er nu eenmaal waren, bleven wel
voor en na in gebruik, maar men formde geen nieue meer. Was er nu een
jongeling die Wolther heette, en zijn vader droeg den naam van Bruno,
dan noemde hy zich nu niet meer, naar oude zede, Wolther Bruning,
maar Wolther Bruyns soen, Wouter, de zoon van Bruin,--wat overigens
geheel op 't zelfde uitkomt.

§ 2. De kruistochten gaven den menschen aanleiding om hunne vaste, vaak
afgezonderd liggende woonsteden te verlaten, en door andere gouen te
trekken, door verre landen te zwerven. Zy kwamen, zoodoende, veelvuldig
met andere, tot dus verre hen geheel onbekende menschen in aanraking en
verkeer. Zy kregen hierdoor hoe langer hoe meer behoefte aan vaste by-
of toenamen, ter onderscheiding van de gelijknamige personen, die zy
in andere plaatsen gezeten vonden, en die dikwijls in hun gezelschap
naar het Heilige-land trokken. Immers vroeger, op de eenzame hoeve,
mocht één enkele naam, Hugbrecht b. v., voldoende geweest zijn
voor éénen enkelen man,--vroeger, in het kleine dorp waar maar twee
mannen waren die Hugbrecht heetten, mocht het voldoende geweest zijn,
zoo men dien eenen man Hugbrecht Woltering noemde, naar zynen vader
Wolter, en den anderen man Hugbrecht Bernding, naar zynen vader Bernd
(Bernhart)--thans, onder die duizenden kruisvaarders, onder dat groote
getal tochtgenooten, waar mede zy gezamentlik naar 't Heilige-land
trokken, waren er zoo velen die Hubrecht heetten! Maar er waren slechts
weinigen, soms was er ook niemand by de schare, die wist dat de vader
van den eenen Hubert den naam had gedragen van Walther, die van den
anderen den naam van Berend; dat dus de eene Hugbercht een Woltrink,
de andere een Bernharding was. De noodzakelikheid drong dus spoedig om
die verschillende Hugberts van elkanderen te onderscheiden. En daarop
wist het redzame volk wel raad. Den eenen die eenen rooden baard had,
noemde men Hubert Roobaert, den anderen die byzonder lang was van
gestalte: Hubert de Langhe. De derde praalde dikwijls met de scherpte
van zijn zwaard: de volksgeestigheid had hem weldra, eerst spottender
wyze, den toenaam Scerpsweert gegeven. De vierde eindelik had zich
in zyne woonplaats Keulen by 't heir der kruisvaarders gevoegd;
dies noemde men hem Hubert de Ceulenaere. En die bynamen bleven in
gebruik zoo lang de kruisvaart duurde, en ze bleven ook wel aan de
personen hechten, als dezen reeds weder in eigen huis en hof waren
terug gekeerd, en gingen ook later wel op hunne kinderen over.

Na de kruistochten was het vooral de opkomst en aanvankelike bloei
der steden, met het ontstaan van den derden stand, die der vrye
poorters of burgers, welke zeer bevorderlik was aan het ontstaan van
by- en toenamen, eerlang ook van vaste geslachtsnamen. In die steden
vestigden zich velen van het platte land, die tot dus verre slechts
eenen enkelen naam, hoogsten nog een patronymikon daarenboven gevoerd
hadden. Vreemdelingen, van heinde en verre soms samengevloeid, of door
het grillige noodlot her- en derwaarts verdreven, woonden eerlang als
burgers naast elkanderen in de enge straten der opkomende steden. Daar
kende men elkanderen niet van vroeger; daar kende men nog veel minder
elkanders maagschap, dus evenmin elkanders vadersnamen. Zoo was men
genoodzaakt elkanderen nieue toenamen te geven, ter onderscheiding van
gelijknamige personen. De poorters der steden oefenden veelal het eene
of andere handwerk uit, of dreven de eene of andere koopmanschap. Niets
lei dus nader voor de hand, om twee mannen die beiden Godefert heetten,
maar waar van de eene kleêrmaker was en de andere in kruideryen
handelde, te onderscheiden als Godfried de Crudenier en Govaert
Snider, Govert de Sceppere of Goert Schroeder, al naar mate snider,
sceppere of schreuder--in Friesland nog heden ten dagen skroar--de
gewone benaming was voor kleêrmaker, in de gouspraak der landstreek
waarin de stad gelegen was. Ook noemde men den lieden wel naar hun
handwerkstuich, of naar hunne koopwaar. Den Govert die kleêrmaker was,
noemde men dus ook wel Govert Knipscheer, den Govert die kruidenier
was, wel Govert Canneel of Govert Peperman. Liet de eene Govert
echter duidelik merken, door zynen tongval, dat hy een Fries was,
spoedig hadden zyne nieue stadgenooten hem Govert de Friese genoemd;
en vertelde de andere dikwijls van Gent of van Groningen, als deze
of gene plaats zyne geboorteplaats was, aanstonds had de volksmond
hem Govaert van Ghent of Godefried van Groeninghe gedoopt. Breidde
de stad zich uit, nam het getal harer huizen voortdurend toe, dan
moesten ook die huizen een herkenningsteeken hebben, eenen naam dragen,
ter onderscheiding. Gevelsteenen en gevelteekens, en uithangborden,
met afbeeldingen, spreuken en namen, voorzagen in die behoefte. En
de namen der huizen gingen veelvuldig over op de personen die in die
huizen woonden. Woonde de eene Govert in een huis, waar »Daniel in den
Leeuwenkuil" in den gevel stond--Govert in den Leeuwenkuil--eerlang
ook enkel Govert Leeuwenkuil--zoo noemde hem de openbare volksstem;
terwijl de andere Govert, aan wiens huis geschreven stond: »dit es
yn den Wulff", dien ten gevolge den naam kreeg van Govert de Wolf.

Zeer velen van deze by- en toenamen zijn later vaste geslachtsnamen
geworden. En de oorsprong en beteekenis er van kan men in dit boek
zoeken en vinden--soort by soort.

§ 3. De zuidelike gewesten, Vlaanderen in de eerste plaats, waren
in de middeleeuen den noordeliken gouen verre vooruit in beschaving,
in volkrijkheid, in den bloei van hunnen handel en nyverheid; ook in
talrijkheid van welvarende steden. Daar deed zich dus de behoefte aan
by- en toenamen, eerlang ook aan vaste geslachtsnamen veel eerder
gelden, veel dringender gevoelen dan in de veel minder bevolkte en
toen nog zoo afgelegene noordelike gouen, waar ook handel, nyverheid
en verkeer veel minder tierden. Van daar dat in de middeleeuen de
geslachtsnamen veel eerder en veel meer in gebruik waren in Vlaanderen
dan in Holland, in Brabant dan in Friesland. In oude oorkonden uit die
tyden bewaard gebleven, blijkt dat de ingezetenen der vlaamsche steden
in die dagen reeds grootendeels, zoo niet allen, vaste geslachtsnamen
voerden, terwijl de Hollanders en Friesen uit die dagen, althans
zoo ze niet van adelliken stam of anderszins aanzienlike lieden
waren, maar eenvoudige burgers en boeren, slechts eenen enkelen naam
droegen, hunnen doopnaam; soms ter onderscheiding daarenboven nog
eenen persoonliken, niet algemeen voor hunne verwanten geldigen by-
of toenaam. Of zoo zy dezen niet hadden, dan kwam daar een eenvoudig
patronymikon voor in de plaats; b. v. Heinrik Allaertssoen. De burgers
van Brugge en Gent hadden in de 14de en 15de eeu reeds voor verre weg
het grootste gedeelte vaste geslachtsnamen. Die van Amsterdam hadden
er, over 't algemeen, nog geen in de eerste helft der zestiende eeu,
en zeer velen, de kleine en geringe lieden, hadden er nog geen in
de 17de eeu en later. Maar in de kleine steden van de noordelikste
gewesten was de verhouding natuurlik nog geheel anders, wat het
voeren van vaste geslachtsnamen aangaat. Ten platten lande kwamen de
geslachtsnamen daar eerst in de vorige eeu in gebruik. Ja, in vele
afgelegene gewesten en gouen, vooral in Friesland, Groningerland en
Drente, duurde het tot in deze eeu eer alle landzaten een geslachtsnaam
hadden. En waren daar de lieden, in 1811, by de instelling en wettelike
regeling van den zoogenoemden burgerliken stand, niet genoodzaakt,
ja gedwongen geworden, vaste geslachtsnamen aan te nemen, menigeen in
onze noordelikste en noordoostelikste gewesten zoude nog heden geenen
anderen naam voeren, dan zynen eigenen vóórnaam, met zynen vadersnaam
in den tweeden naamval, als een patronymikon, daar achter gevoegd.



INDEELING.


Dit werk is verdeeld in vier hoofd-afdeelingen. Deze bevatten:

    I. De geslachtsnamen die ontleend zijn aan mansvóórnamen. Het zijn
       de zoogenoemde vadersnamen of patronymika. Van § 4 tot § 66.
   II. De maagschapsnamen van aardrijkskundigen oorsprong. Met andere
       woorden: die ontleend zijn aan de namen van volken en
       volksstammen, landen en gewesten, eilanden en gouen, steden en
       dorpen, rivieren, enz. of aan gemeene zelfstandige-naamwoorden
       welke als plaatsnamen dienst doen. Van § 66 tot § 108.
  III. Geeft een overzicht van al de geslachtsnamen die niet tot de
       beide vorige hoofd-afdeelingen kunnen gebracht worden. Het zijn
       de namen van allerlei oorsprong. Van § 108 tot § 151.
   IV. In deze afdeeling vindt men de maagschapsnamen beschoud uit het
       oogpunt van hunne aardrijkskundige verdeeling in en buiten
       Nederland; van hunnen oorsprong uit vreemde talen; van hunne
       verhouding tegen over elkanderen, enz. Van § 151 tot en met
       § 168.

Deze vier hoofd-afdeelingen zijn elk weêr in verschillende
onder-afdeelingen gesplitst, die met de letters van het a-b-c
aangeduid zijn.


Hoofd-afdeeling I vervalt nader in

A.  De patronymika in hunnen oudsten form, op ing uitgaande. Van
    § 7 tot § 32.
B.  Die vadersnamen, welke nieue taalformen vertoonen. Van § 32 tot
    § 66.


Hoofd-afdeeling II is samengesteld uit de twee onder-afdeelingen

A.  Waarin de maagschapsnamen behandeld worden die van volkenkundigen
    aard zijn, of wel ontleend aan byzondere aardrijkskundige namen.
    Van § 66 tot § 94. En
B.  Waarin men de geslachtsnamen vermeld vindt, van
    algemeen-aardrijkskundigen oorsprong. Van § 94 tot § 108.


Hoofd-afdeeling III vervalt in vele onder-afdeelingen. Dit zijn
de volgenden:

A.  Geslachtsnamen, aan de namen van ambten, bedryven, handwerken,
    enz. ontleend. Van § 108 tot § 124.
B.  Geslachtsnamen, ontleend aan persoonlike eigenschappen, zoowel
    lichamelike als geestelike. Van § 124 tot § 128.
C.  Geslachtsnamen, van huisnamen, gevelteekens, uithangborden,
    enz. afgeleid. Van § 128 tot § 131.
D.  Geslachtsnamen, ontleend aan de namen van dieren. Van § 131 tot
    § 135.
E.  Geslachtsnamen, aan het plantenrijk ontleend. Van § 135 tot § 137.
F.  Geslachtsnamen, aan het delfstoffenrijk ontleend. § 137.
G.  Geslachtsnamen, ontleend aan het heelal, aan natuurverschijnselen,
    jaargetyden, byzondere dagen, enz. § 138.
H.  Geslachtsnamen, aan de namen van lichaamsdeelen ontleend. § 139.
I.  Geslachtsnamen, aan spyzen, dranken, en kleedingstukken
    ontleend. Van § 140 tot § 142.
J.  Geslachtsnamen, afgeleid van de namen van munten, geldsoorten,
    maten en getallen. § 142 en § 143.
K.  Geslachtsnamen, ontleend aan de verwantschap en de onderlinge
    betrekkingen der menschen. § 144.
L.  Geslachtsnamen, ontleend aan de namen van goden en godinnen,
    kerkheiligen, godsdiensten, enz. § 145.
M.  Geslachtsnamen, ontleend aan de namen van denkbeelden, zaken,
    eigenschappen, zoo goede als kwade. § 146.
N.  Zonderlinge geslachtsnamen. Van § 147 tot § 150.
O.  Imperativische geslachtsnamen. § 150.


Hoofd-afdeeling IV is samengesteld uit de volgende onder-afdeelingen:

A.  De noord- en de zuid-nederlandsche geslachtsnamen. § 151.
B.  De geslachtsnamen der verschillende nederlandsche gewesten. Van
    § 152 tot § 156.
C.  Geslachtsnamen, die kenmerken van nederlandsche gouspraken
    vertoonen. § 156 en § 157.
D.  Nederlandsche geslachtsnamen, buiten de hedendaagsche nederlandsche
    grenzen inheemsch. Van § 158 tot § 162.
E.  De geslachtsnamen der nederlandsche Israëliten. § 162 en § 163.
F.  Vreemde geslachtsnamen in Nederland. Van § 164 tot § 167.
G.  Latynsche en grieksche geslachtsnamen. § 167. Eindelik
H.  Een paragraaf (§ 168) »Tot besluit".



I.

GESLACHTSNAMEN, ONTLEEND AAN MANSVOORNAMEN.

DIT ZIJN DE VADERSNAMEN, DE ZOOGENOEMDE PATRONYMIKA.


§ 4. Zoodra zich by de menschen van 't eene of andere land de behoefte
had doen gevoelen om nog eenen toenaam te voegen by den eigenen
naam, ter onderscheiding van gelijknamige personen, ontstonden
die toenamen, welke afgeleid zijn van den naam des vaders van den
betrokkenen persoon. Als er b. v. in eene en de zelfde plaats twee
mannen woonden, die beiden Hendrik heetten, maar waar van de eene
een zoon was van zekeren Willem, de andere van zekeren Frederik, dan
lag er wel niets naders voor de hand, dan dat men den eenen Hendrik,
zoon van Willem of Willems-zoon, den anderen Hendrik, zoon van Frederik
of Frederiks-zoon noemde.

Deze zeer eenvoudige en natuurlike wyze om aan kinderen, ter onderlinge
onderscheiding, toenamen te geven, afgeleid van de namen hunner vaders,
is zeer algemeen onder de meeste volken der aarde verspreid geweest. Zy
was dit reeds in vroege tyden; de geschiedenis weet daarvan talryke
voorbeelden aan te wyzen, by Joden, Persen, Grieken, enz. De bekende
namen van Gyges Dascili, van Darius Hystaspis, Zapyrus Megabizi,
Xantippus Periclis, Ptolemaeus Lagi, Seleucus Antiochi, enz. kunnen als
voorbeelden dienen. Vooral by de Israëliten werd, duidelikheidshalve,
en meest als de naam geschreven werd in geslachtsregisters, de
vadersnaam, als toenaam, gevoegd achter den naam van iederen man. De
bybelboeken geven daar van talryke voorbeelden aan; o. a. het eerste
hoofdstuk van 't boek Numeri. En de Romeinen, uit den tijd toen zy
reeds aanmerkelik in beschaving en ontwikkeling waren vooruit gegaan,
droegen niet aleen wel tweederlei soort van geslachtsnamen, maar zy
voerden buitendien nog dikwijls hun vaders naam in den tweeden naamval
daar by. Zoo is ons een Lucius Furius Marci filius Camillus bekend, en
een Cneius Cornelius Publici filius Scipio, en meer anderen. En ook nog
later, zelfs tot in onzen tijd, is deze naamsforming by sommige volken
in stand gebleven, vooral in het oosten. Joden en Arabieren aldaar
noemen zich in dezer voege: Jehuda ben Halevi (Juda, zoon van Levi,
of van den priester), Abraham ben Esra; Osman ben Omar of Osman ibn
Omar (Osman, zoon van Omar), Achmet ben Ali, enz. Grieken, Bulgaren,
Bosniaken en andere christelike volken, die tot voor korten tijd nog
onder turksche heerschappy stonden, of ten deele ook nog heden staan,
hebben mede dit oude gebruik in stand gehouden, wijl de Turken het
dragen van vaste geslachtsnamen niet verplichtend stellen. Georgios
Michaëlopoulos (Georg of Joris, zoon van Michiel), Dimitri Rafaëlovich
(Demetrius, zoon van Rafaël), Spiridion Daniëlowitz, enz. zijn namen,
met den vadersnaam als toenaam, van mannen uit die landen. Onder de
Russen heerscht deze gewoonte eveneens, wijl ook in Rusland de zaak
der geslachtsnamen nog niet vast geregeld is; Paul, die een zoon is
van Iwan, noemt zich Paul Iwanowitz (Paul, zoon van Jan, of Paulus
Janszoon, of Paul Jansen), en Iwan, wiens vader Paul heet, noemt
zich, omgekeerd, Iwan Paulowitz. Maar wy kunnen ook by onze eigene
germaansche stamverwanten blyven. Immers tot voor weinige jaren, toen
ook in de skandinaafsche landen het voeren van geslachtsnamen nog niet
vast geregeld was, volgden Zweden, Noren, Denen en IJslanders eveneens
dit gebruik, en zelfs heden is het nog veelvuldig by de Skandinaviers
in zwang. Heet de vader Sven, de zoon Harald noemt zich Harald Svensen;
draagt de vader van Axel den naam van Thorbrand, eerstgenoemde wordt
Axel Thorbrandson geheeten. Zoo heette de vader van Per Thomasson,
den zweedschen, in 1818 geborenen dichter, natuurlik Thomas, en wel
Thomas Svensson, en zyne moeder Hanna Svensdotter (Sven's dochter);
toeval was het dat zyne beide grootvaders, naar luid der patronymika
zyner ouders, Sven heetten. En zelfs onder de hedendaagsche Friesen
in Nederland en Duitschland, ofschoon dan in 't begin dezer eeu
reeds het dragen van vaste geslachtsnamen onder hen aan eene vaste
regeling werd onderworpen, is dit aloude en waardige gebruik, van
gepasten kinderliken eerbied voor den vader getuigende, nog steeds
in stand gebleven. Vooral ten platten lande in de friesche gewesten
is dit het geval. Daar heeten de mannen nog steeds Frank Eabes,
Sybren Hoites, Auke Sjoerds, en de vrouen Sytske Walles, Wybrechtje
(of Wibrichje) Teakes, Baukje Tjaards, enz. Althans zóó, en nooit
anders, worden Frank, Sybren en Auke, Sytske, Wybrechtje en Baukje
in 't dageliksche leven genoemd, naar de namen hunner vaders Eabe,
Hoite en Sjoerd, Walle, Teake en Tjaard. En dit niettegenstaande deze
lieden vaste geslachtsnamen hebben, en b. v. als Frank Wynalda, Sybren
Ruurda, Auke Rommertsma, en als Sytske Abbinga, Wybrechtje Hoitema,
Baukje Heidstra in de boeken van den burgerliken stand ingeschreven
staan. Vraagt men den Friesen ten platten lande, hoe deze of gene
man heet, gewoonlik zal men u den vóórnaam van dien man noemen, met
zynen vadersnaam in den tweeden naamval, b. v. Albert Sierks. Wil
men weten hoe de geslachtsnaam is van den eenen of den anderen, dan
moet men niet vragen: hoe heet hy? (ho hjit er?) maar: hoe schrijft
hy zich? (ho skriuwt er him?) Dan zal men u antwoorden: Remmerda,
Oeblema, Hattinga, enz. Zie ook § 37.

En niet aleen in het hedendaagsche, eigentlik zoo gezegde Friesland,
het gewest tusschen Fli en Lauers, heerscht nog deze zede; zy is
eveneens nog inheemsch, zy het dan ook in eenigszins mindere mate,
in de overige gewesten die eene zuiver- of gemengd-friesche bevolking
hebben, vooral ook in Groningerland, Oost-Friesland en in 't eigenlik
gezegde Noord-Holland, benoorden 't Y. In laatstgenoemd gewest,
vooral ook aan de Zaan en in Drechterland en West-Friesland, is by
eenige oud-ingezetene geslachten de oud-nederlandsche zede bewaard
gebleven om zoo wel de zonen als de dochteren des huizes met het
patronymikon in vollen form te noemen; b. v. Dirk Evertszoon Fok en
Maartje Folkertsdochter Dijk; Albert Leendertszoon Vlak en Guurtje
Wybrandsdochter Sloot.--En ook in andere nederlandsche gewesten wordt
de geijkte geslachtsnaam in 't dageliksche leven weinig of niet
gebruikt, b. v. in sommige saksische gouen, als in de graafschap
Zutfen en in Twente, waar de naam van huis of hoeve veelal by den
bewoner of eigenaar daarvan in de plaats treedt van den eigenen
geslachtsnaam. Zie § 9.

En juist zoo als de Friesen nog heden doen, zoo gingen ook de oude
Nederlanders in 't algemeen te werk, eer de vaste geslachtsnamen in
gebruik waren gekomen. Ewout, die een zoon van Hugo was, noemde zich
Ewout Huygenzoon, ter onderscheiding van eenen anderen Ewout, wiens
vader Rykaert heette, en die zich dus Ewout Rykertszoon noemde. In
't dageliksche leven, door 't vele gebruiken, sleet dit woord
zoon (oudtijds soon, soen en seune) weldra af tot sen (Rykertsen,
Evertszen), of ook tot se (Evertse, Albertse). Of ook, men liet het
woord zoon geheel achterwege, en zette den vaders naam eenvoudig in den
tweeden naamval (Huygen, Rykaerts); daar was dan zoon onder verstaan.

Al deze oude formen van vadersnamen hebben aan hedendaagsche
geslachtsnamen oorsprong gegeven.


§ 5. Een andere, onder de germaansche volken nog oudere form om
van mansvóórnamen, van de vóórnamen of enkele namen der vaders,
toenamen voor de kinders af te leiden, bestond hierin, dat men den
lettergreep ing achter den oorspronkeliken mansnaam plaatste. Hugo,
de zoon van Bartel (Barthold), noemde zich Hugo Barteling, dat is:
Hugo, zoon van Barthold; en omgekeerd, Bartel, wiens vader Hugo heette,
noemde zich Bartel Hugink, Barthold, zoon van Hugo. Zoo komt van den
mansnaam Bruno, de toenaam Bruning; van Nolt, een afgesleten form
van den vollen naam Arnold of Aarnout, komt Nolting; van Albert komt
Alberdingk, van Wolter komt Woltringh, enz.

Zulke toenamen, op ing eindigende, zijn later ook in grooten getale,
tot vaste geslachtsnamen geworden.


§ 6. De namen (toenamen, geslachtsnamen), die door het eene of het
andere achtervoegsel, het zy door zoon of ing, van mansvóórnamen
afgeleid zijn, noemt men, met een grieksch woord, patronymika,
vadersnamen. Reeds de oude Grieken zelven gebruikten dit zelfde woord
in dezen zelfden zin. Zoo droegen by hen b. v. Hippias en Hipparchus,
zonen van Pisistratus, den naam van: de Pisistratiden. Deze toenaam,
in 't enkelvoud Pisistratides, was een patronymikon, even als de
namen Bruins en Bruning, ook Bruinsma en Bruininga, oorspronkelik
toenamen, thans geslachtsnamen, nederlandsche patronymika zijn van
den mansvóórnaam Bruno, Bruin.

De nederlandsche patronymika laten zich gevoegelik verdeelen in twee
groepen; te weten: in die, welke op ing uitgaan, en in die, welke op
zoon (son, sen, se) eindigen, of die ook slechts eenen eenvoudigen
tweeden-naamvals-uitgang vertoonen.



A. DE PATRONYMIKA IN HUNNEN OUDSTEN FORM, OP ING UITGAANDE.


§ 7. Reeds van overoude tyden af is in nagenoeg alle germaansche
talen, de uitgang ing een der algemeenste achtervoegsels achter
allerlei woorden geweest. En nog heden komt in alle germaansche talen
dit zelfde achtervoegsel (by de Hoogduitschers ung) zeer algemeen
voor. Het is hier de plaats niet, om, in taalkundigen zin, verder uit
te weiden over den oorsprong en de beteekenis van dit achtervoegsel,
noch over de verschillende formen waar onder het in 't nederlandsch
en in de talen onzer stamverwante volken voorkomt. Die hier meer van
weten wil, leze een opstel van L. A. Te Winkel, »Over de woorden
met den uitgang ing", in A. De Jager's Archief voor Nederlandsche
taalkunde (Amsterdam, 1848), dl. I. bl. 89. Hier is het voldoende op
te merken, gelijk ook reeds hier voren geschied is, dat ing achter
eenen mansvóórnaam gevoegd, dien naam tot een patronymikon maakt,
welke als toenaam gebruikt wordt. En dat dit ing dan beteekent: zoon
of nakomeling van den persoon, achter wiens eigennaam het geplaatst
werd; b. v. Wolfert, die een zoon van Benno was, noemde zich Wolfert
Benning; dat is: Wolfert, zoon van Benno.

Deze wyze om toenamen te formen, van den vadersnaam afgeleid, is
reeds zeer oud. En tevens oorspronkelik germaansch. In den gryzen
voortijd was zy eigen aan alle germaansche volksstammen. Van daar dat
wy zulke patronymika, op ing uitgaande, by alle germaansche volken, by
Engelschen, Duitschers en Skandinaviers, zoo wel als by Nederlanders,
nog heden als geslachtsnamen zeer talrijk en in volle gebruik vinden.

In de oudste oorkonden en geschriften der germaansche volken treffen
wy van deze naamforming reeds voorbeelden aan. In den angelsaksischen
Travellersung b. v. lezen we:


    »Fin Folcvalding veold Fresna cynne".


Dat is: Fin, de zoon van Folkwald, regeerde het volk der Friesen. In
een ander angelsaksisch geschrift wordt de zoon van Elisa, Elising
genoemd, en draagt de zoon van zekeren Godvulf den toenaam van
Godvulfing. In de angelsaksische Chronyk wordt de afkomst van de
Friesen Hengist en Horsa, de bekende aanvoerders der germaansche
stammen die Brittannie veroverden, op de volgende wyze vermeld:

»Heore heretogan woeren twegen gebrothra, Hengest and Horsa, the woeren
Withgilses suna. Withgils was Witting, Witta Wecting, Wecta Wodning."

Dat is: Hunne hertogen (aanvoerders) waren twee gebroeders, Hengist en
Horsa, die waren Wichtgilses zonen. Wichtgils was de zoon van Witta,
Witta de zoon van Wecta, Wecta de zoon van Wodan.

Eindelik nog in de Saxon Cronicle, van 't jaar 547, lezen wy:

»Ida waes Eopping, Eoppa waes Esing, Esa waes Inguing, Ingui
Angenwiting."

Ook in het Oud-Hoogduitsch vinden we dezen naamform. In zynen
Althochdeutscher Sprachschatz noemt Graff eene overgroote menigte
zulke oud-hoogduitsche, op ing uitgaande patronymika op; b. v. Anninc,
Bazmundinc, Hamminc, Lantinc, Lentinc, Husinc, Wibichinc, Puzinc,
die blijkbaar geformd zijn van de oud-germaansche mansvóórnamen
Anno, Bazmund, Hammi, Lanto, Lento, Huso, Wibicho (Wibeke, Wibe in
verkleinform; zie Wiebeking op bl. 28 en 29), Puzo.

Bekend zijn ook nog de namen van sommige koninklike en adellike
geslachten onder allerlei oud-germaansche volken; en deze namen
zijn oorspronkelik zulke patronymika, zulke door het achtervoegsel
ing van mansvóórnamen geformde vadersnamen geweest. Zoo waren de
Thuringen of Thuringa's een bekend geslacht by de West-Gothen, even
als de Silingen by de Wandalen; Thuringen en Silingen heetten zoo
naar hunne stamvaders Thuro en Silo. Onder de Gothen werden verder
nog de Hastings, afstammelingen van zekeren Hasta, als een der
edelste geslachten genoemd. Het koninklik geslacht van de Wandalen
heette Arding; dat van de Avaren Iring, dat van de Warinen Billing,
enz. Eindelik hebben we nog te herinneren aan de namen der bekende
koningsgeslachten by de oude Franken, aan de Merovingen, de Carolingen,
de Capetingen, die aldus waren genoemd naar hunne stamvaders Merowik
of Merou, Karel en Kapet.


§ 8. Zoo als uit de laatstgenoemde voorbeelden blijkt, waren het
ook geheele geslachten, en niet slechts aleen de zonen van zeker
man, die deze patronymika als toenamen voerden. Maar oorspronkelik
en eigenlik komen zulke patronymika aleen den kinderen van éénen
enkeling toe, en kunnen ze van rechtswegen door zyne kleinkinderen en
verdere nakomelingen niet gedragen worden. Gesteld een man heet Anso,
en zyne zonen heeten Benno en Immo; dan dragen beide die zonen het
patronymikon Ansing, met volle recht, als toenaam: Benno Ansing en
Immo Ansing, dat is: Benno, de zoon van Anso, en Immo, de zoon van
Anso. Benno Ansing krijgt later eenen zoon, dien hy Benhart noemt,
en Immo Ansing wordt eveneens vader van eenen zoon, die door hem
Imhart genoemd wordt. Nu moest, volgens d' oud-germaansche zede,
die Benhart, de zoon van Benno, het patronymikon Benning voeren, en
niet het patronymikon Ansing, 't welk zijn vader Benno voerde naar
den naam van zynen grootvader, den ouden Anso. En eveneens Imhart,
de zoon van Immo Ansing, moest zich Imhart Imming noemen, naar zynen
vadersnaam Immo, en niet Imhart Ansing. Toch gebeurde 't wel, dat
kleinkinderen hunne toenamen niet ontleenden aan den naam van hunnen
vader, maar aan dien van hunnen grootvader. Dit geschiedde vooral dan
als die grootvader een aanzienlik en geëerd man was, die ook nog lang
nadat zyne eigene zonen reeds vaders, en misschien reeds grootvaders
waren geworden, toch nog aan het hoofd der maagschap staan bleef,
en nog menig tiental jaren zyne waardigheid als stamvader van een
geheel geslacht bleef handhaven. En nog zooveel te meer geschiedde dit
als al die kinderen en kleinkinderen en verdere naneven by den ouden
stamvader op de zelfde uitgestrekte state of sate, heerd of hoeve
bleven wonen--gelijk wel gebeurde--of althans in de onmiddellike
nabuurschap daarvan hunnen eigenen heerd grondvestten, zoo dat die
geheele sibschap eerlang werd tot eenen afzonderliken volksstam,
in een afzonderlik oord wonende. Dan bleef wel het patronymikon van
den naam des eersten vaders afgeleid, als toenaam in gebruik voor al
de kleinkinderen en afstammelingen van dien ouden man, ofschoon dat
zelfde patronymikon oorspronkelik en eigenlik slechts den eigenen
zonen van dien stamvader toekwam. En zoo bleef dit oude patronymikon
wel by het gantsche geslacht van dien eenen man in gebruik, en werd
eerlang van eenen toenaam, tot eenen vasten geslachtsnaam.

Die oude patronymika, die als toenamen voor geheele verwantschappen
in gebruik waren, gingen ook wel over op de plaatsen, door zulke
afzonderlike geslachten bewoond. Met andere woorden, die patronymika
hechtten zich wel aan de sate of landhoeve, die door den eersten
stamvader, van wiens naam dat patronymikon afgeleid was, eerst
bewoond was geworden; en die later ook de vaste woonplaats, de
stamsate, van al zyne nakomelingen bleef. Zulk eene oude stamsate
werd wel, hoe talryker het geslacht, dat er woonde, aangroeide,
door aanbou van meerdere huizen, door ontginning van meer weiden en
akkers daar om heen, van eene eenzame hoeve, gelijk het eertijds was,
langzamerhand een gehucht. Dat gehucht breidde zich nog meer uit; er
werd eene kerk geboud en eene school--het was een dorp geworden. By
meerdere ontwikkeling, vooral van handel en nyverheid, klom dat
dorp in grootte en aanzien. De inwoners er van omringden hun dorp
met muren en wallen. De vorst, in wiens gebied het lag, verleende
stedelike rechten--het dorp was eene stad geworden. Maar by al die
wisselingen bleef het oude patronymikon gehecht aan sate, gehucht,
dorp en stad, en is, als zoodanig, dikwijls nog heden ten dage in
stand. Stellen wy een voorbeeld. In een der vroege middeleeuwen
leefde er in het friesche land tusschen Fli en Lauers een Fries, die
wy Harle willen noemen. Die oude friesche, ook oud-duitsche mansnaam
(Harilo) kwam oudtijds meer voor dan tegenwoordig. Nu is hy nagenoeg
uitgestorven. In de 15de eeu treffen we hem nog in Friesland aan. De
vader namelik van Haio Harles (dat is Haio, zoon van Harle), de uit
de geschiedenis welbekende hooftling van Gewarden (Jever), heette
alzoo.--Onze Fries Harle werd door de prediking en het voorbeeld van
den eenen of anderen ierschen of schotschen monnik, die als zendeling
onder de heidensche Friesen het kerstengeloof verkondigde, genoopt
om het ruwe jagers- en visschers- of zeerooversleven, of ook het
zwervende herdersleven dat hy voerde, te laten varen. Hy vestigde
zich hier of daar in het land, waar de gesteldheid van den bodem,
de nabyheid van vrienden en verwanten, of iets anders hem daar toe
behaagde; stellen wy aan den rechter oever van het Fli. Hy boude hier
eene hut of een huis, beboude of beweidde 't land, en bleef er wonen
tot zijn einde. Zijn oudste zoon Sîgbern (Sybren in 't hedendaagsche
friesch), die als toenaam het patronymikon Harlinga of Harling voerde,
van den naam zijns vaders Harlo ontleend, bleef in zijn vaders huis,
op zijn vaders sate, wonen. En Sîgbern Harlinga's broeders en zusters,
die natuurliker wyze allen ook Harlinga heetten, allen ook Harlingen,
dat is: kinderen van Harle waren, bleven ook in het ouderlike huis
wonen; of zy bouden zich nieue huizen naast het oude, op het ruime
ouderlike erf. En zoo deden na hen, Sîgbern Harlinga's kinderen,
en de kinders en kleinkinders van zyne broeders en zusters, al die
Harlinga's of Harlingen, ook, waardoor er eerlang een gehucht ontstond,
ter plaatse die d' oude Harlo zich eerst tot eene vaste woonstede had
verkoren. Die plaats, dat gehucht nu, had uit zich zelve geen naam;
want eer Harlo zich daar vestigde, was het een onbewoond en onbenoemd
oord. Maar als iemand uit de nabuurschap zich daar heen begeven wilde,
zeide hy: »ik ga to den Harlingen; naar de Harlingen of Harlinga's,
zoo als men heden ten dage spreekt. Dit to den Harlingen werd
eerlang, door afslyting en in 't snelle spreken: to 'n Harlingen,
to Harlingen. En langzamerhand, na verloop van vele jaren, eeuen
misschien, toen de nakomelingschap de oude namen niet meer verstond,
toen de taal meer en meer verfloeide, en de woorden versleten, toen
zeide men niet slechts: ik ga to den Harlingen, of ik woon to (den)
Groningen, maar men vatte dit verbogene woord op alsof het in den
eersten naamval stond, alsof die oude, verbogene form werkelik op
zich zelven reeds een eigennaam, een plaatsnaam ware, en men zeide:
dat gehucht, dat dorp, die stad, of wat het dan geworden was, heet
Harlingen, en--de plaatsnaam was kant en klaar, en is nog heden in
gebruik. En deze plaatsnaam, oorspronkelik een toenaam voor menschen,
gaf op zyne beurt weer oorsprong aan eenen geslachtsnaam, aan Van
Harlingen. Zoo kan de hedendaagsche plaatsnaam Harlingen, die zonder
eenigen twyfel oorspronkelik een patronymikon is, ontstaan zijn; en
zoo is, ongetwijfeld, menige, menige plaatsnaam in alle germaansche
landen, ontstaan. Want zulke plaatsnamen, eenvoudige zoowel als in
samenstellingen, zijn ongemeen talrijk, overal waar maar ooit Germanen
gewoond hebben, of nog wonen.

Het is hier de plaats niet, om over deze plaatsnamen, van patronymika
afgeleid, of daar uit bestaande, verder uit te weiden. Die meer van
dit belangryke onderwerp wil weten, leze mijn opstel Een en ander
over friesche eigennamen, in De Vrije Fries, deelen 13 en 14, en
vooral ook Taylor's Words and places.

Ook kan ik hier niet dieper doordringen in de eigenlike beteekenis,
in taalkundigen zin, van dit achtervoegsel ing; noch van het voorkomen
er van, ook in plaatsnamen zoo wel als in geslachtsnamen, by al de
verschillende germaansche volken. Behalve tot de bron, reeds eerder
in dit opstel (bl. 16) door my vermeld, moet ik den belangstellenden
lezer verwyzen tot de geschriften, hier beneden aangegeven. [3]


§ 9. Tot omstreeks het jaar 1000 van onze tijdrekening bleef in
de germaansche talen in het algemeen, in de friesche, frankische
en saksische, die de voorloopers waren van onze hedendaagsche
nederlandsche taal, in het byzonder, de kracht bewaard, om patronymika
te formen door ing achter eenen mansvóórnaam te voegen. Na dien
tijd verloor de taal onzer voorouders die kracht, en raakte
deze naamsforming in onbruik. Men verstond de beteekenis van dit
achtervoegsel niet meer; men kende de weerde daar niet meer van. Toen
kwam het gebruik in zwang, om het woord zoon achter den vadersnaam in
den tweeden naamval, te plaatsen; en dit gebruik verving eerlang geheel
de oude zede om de patronymika met ing te formen. De oude patronymika
evenwel, die reeds bestonden, en als toenamen, 't zy dan voor enkele
personen, 't zy voor geheele verwantschappen en geslachten reeds in
gebruik waren, bleven voortbestaan. En zeer velen daarvan bestaan
nog heden, als plaatsnamen en als geslachtsnamen.

Het gebruik om patronymika met ing te formen, stierf, na 't jaar
1000, ook niet overal in de nederlandsche gewesten gelijktydig
uit. Het eerste geschiedde dit by de frankische en friso-frankische
volksstammen in de zuidelike en westelike gouen. By de saksische en
friesche stammen in het oosten en in het noorden bleef het langer in
gebruik. By de Friesen waarschijnlik wel tot in de veertiende eeu.

Reeds vroeg moeten ook saten of landhoeven, of andere bezittingen en
vaste goederen, kortom plaatsen, met die oospronkelike patronymika,
met die ingnamen genoemd zijn, gelijk op bladz. 20 en 21 hiervoren
aangegeven is. Op eene lijst van landhoeven in Twente, van den jare
1188, die voorkomt by Racer, Overijsselsche gedenkstukken VII, 52-73,
vinden wy onder anderen de namen Smedinc, Rotgerinc, Bennekinc,
Wescelinc, Elekinc, Ernestinc, Lenderinc, Spelemanninc, Temminc, als
eigennamen van zulke hoeven. Dit zijn allen patronymika, ontleend aan
de mansvóórnamen Rotger, Benne(ke), Wessel, Ele(ke), Ernest, enz. En
deze namen zijn zeker gedragen geweest door de eerste mannen, die deze
hoeven eerst geboud en gesticht hebben. De patronymika, de toenamen
oorspronkelik uitsluitend den kinderen van deze mannen toekomende,
waren dus in de 12de eeu reeds op hunne hoeven overgegaan. Het is,
alsof men zeide: het smedink'sche erve, de wesseling'sche hoeve, het
temming'sche heem, enz. En toen het geschiedde, dat de nakomelingen
van dien ouden Rutger, van dien eersten Wessel, dat die Rotgerinks en
die Wesselings eens allen uitgestorven waren op hunne voorouderlike
erven, toen kwamen daar andere menschen, uit andere geslachten, op
die hoeven wonen. En nu bleek het dat die oude patronymika, ofschoon
dan eigenlik uitgestorven met de menschen die ze met recht hadden
gedragen, toch zoo taai van leven waren, dat zy bleven voortbestaan
als namen der landhoeven zelven, al woonde nu b.v. een Immink op de
erve Lenderink, en een Wolterink op de erve Elekink. En niet aleen dat,
maar het oude patronymikon was sterker dan het nieue, de oude naam van
het goed zat zoo vast in de gedachten der menschen, dat de naam van
den nieuen bewoner of eigenaar daarvan, er voor wyken moest. Herbert
Folkring b.v. die op de erve Smedink kwam wonen, werd weldra door
zyne nieue buren Herbert Smedink genoemd. En zoo is het, vooral
in de saksische landstreken van ons land, in een deel van Drente,
in Twente, in de graafschap Zutfen (even als in de aangrenzende
streken van Westfalen), eene vaste zede geworden en is dit eeuen
en eeuen gebleven, dat de tydelike bewoner den naam der hoeve die
hy in pacht of in eigendom had, als een toenaam aannam en voerde,
in plaats van zynen eigenen oorspronkeliken toenaam, 't zy dit dan
een patronymikon, een bynaam, of wel reeds een vaste geslachtsnaam
ware. En zoo is het ook dikwijls voorgekomen, dat zulk een plaatsnaam
niet aleen toenaam werd voor den bewoner van die plaats, maar dat zyne
kinderen en kindskinderen, ofschoon die niets meer te maken hadden
met die hoeve waar hun vader of grootvader op gewoond had, toch den
naam van die hoeve, als een vaste geslachtsnaam behielden. Nemen
wy een voorbeeld, tot meerdere duidelikheid. Geert was de zoon
van eenen man, die Albert heette, en die Albert de Jager genoemd
werd, omdat zijn vader een bekend jager was, en deze dien toenaam
de Jager reeds by zijn leven gedragen had. Want die oude jager,
even als zyne voorouders voor hem, en zijn zoon Albert na hem, had
geenen vasten geslachtsnaam, geen patronymikon. Deze lieden immers
stamden af uit een geslacht dat in de middeleeuen onvry geweest
was, en geen vaste goederen had bezeten. De oude jager en zijn
zoon Albert waren dan ook nu geene eigenerfde boeren, die op hun
eigen erf zaten, maar zoogenoemde keuterboeren, kotsaten, katers,
brinkzitters, die het land dat zy bebouden en waar van zy leefden,
van eenen eigenerfden boer als in leen hadden, en die dezen boer
daarvoor in den oogsttijd, en anderszins, als arbeiders moesten
dienen, gelijk zulks in de Saksische gou, waar zy woonden, van ouds
her gebruikelik was. Zy hadden dies ook geenen vasten geslachtsnaam,
geen eigen oud patronymikon, zoo als de eigenerfde boeren, en hunne
hoeven, wel hadden. Geert, de zoon van Albert, de kleinzoon van den
jager, noemde zich dus voluit Geert Albertszoon de Jager. Hy was een
spaarzaam en degelik jongman, die door zynen handenarbeid en vlijt
eene flinke som had verdiend en bespaard, zoo dat hy, toen het oude
geslacht van eigenerfde boeren Poppink uitgestorven was, het huis en de
landeryen, die zoo vele eeuen lang aan dat geslacht in eigendom hadden
behoord, koopen kon. Hy vestigde zich als boer op dat erve, dat naar
zyne oorspronkelike eigenaars steeds het erve Poppink genoemd werd,
naar den Saks Poppo, die daar, in den ouden, ouden tijd, reeds voor
d' invoering van het kerstendom, eerst gewoond en het land ontgonnen
had. En wijl Geert Albertsz. de Jager nu 't erve Poppink in eigendom
bezat, wijl hy, als boer, de opvolger was der oude Poppinks, zoo
ging dat oude patronymikon op hem over. Zijn eigen toenaam de Jager
raakte in onbruik en vergeten by de lieden. Weldra was hy slechts
als Geert Poppink bekend, ofschoon hy eigenlik geen Poppink was, en
geen recht op dien naam had. De zoon van Geert de Jager, die Poppink
genoemd werd, heette Harmen. Deze Harmen kreeg, wijl hy een leerzame
knaap was, eene geletterde opvoeding; hy volgde zynen vader niet op
in het voorouderlike boerenbedrijf, maar vestigde zich in eene stad,
waar hy 't een of ander ambt vervulde. Hier deed zich de behoefte
aan eenen vasten toenaam sterker gevoelen dan in het ouderlike dorp,
en dies nam onze Harmen Geertsz. den toenaam Poppink in vast gebruik,
en noemde zich Herman Poppink of Harmanus Poppingius, ofschoon hy op
dezen ouden naam eigenlik nog minder recht had dan zijn vader, die
dan toch in den tijd nog het erve Poppink in eigendom had bewoond. Het
nageslacht van Herman Poppink behield dezen toenaam, en toen de tijd
kwam, in 1811, dat men zich vaste geslachtsnamen kiezen moest, lieten
zyne nakomelingen zich als Poppink inschryven. Zoo dat de naam, die
zy nu reeds honderd jaren en langer als vaste toenaam hadden gedragen,
hun vaste geslachtsnaam werd en tot den dag van heden bleef.

In menige streek van ons vaderland gaat het, in zulke gevallen, nog
heden juist zoo als het Geert de Jager, gezegd Poppink, ging. Maar
met dit onderscheid, dat zulke toenamen, aan de namen der boerenerven
ontleend, tegenwoordig slechts by- of toenamen blyven, en nooit als
vaste geslachtsnamen gelden kunnen, al worden de lieden, die ze dragen,
altijd met die namen, en nooit anders, genoemd.

Ook in Friesland, waar de voorouderlike adellike en vrye boerenerven
in den regel de oude patronymika dragen van hunne eerste stichters en
eigenaars, b. v. Abbinga-state, Hellinga-sate, enz.--ook daar is menig
hedendaagsch geslacht op de zelfde wyze als in 't voorbeeld van Geert
de Jager-Poppink aangegeven is, aan zynen hedendaagschen geslachtsnaam
gekomen. Van daar ook, dat men onder de Friesen, vooral van den kleinen
boerenstand, nog heden zoo menigvuldig geslachtsnamen vindt van oude,
't zy dan adellike of eigenerfde-boerengeslachten, die reeds voor
eeuen zijn uitgestorven. Maar die oude patronymika zijn tot op den
dag van heden verbonden gebleven aan de stam-staten en stam-saten
dier geslachten, en in 1811 of ook eerder, heeft menige Fries, die
toevallig die state of sate, soms ook slechts als pachter bewoonde,
zich den ouden naam daarvan, die oorspronkelik de naam was van een
reeds voor eeuen uitgestorven oud-friesch geslacht, als geslachtsnaam
toegeeigend. En al waren ook die oude aanzienlike geslachten van
edellieden en eigenerfde boeren nog niet uitgestorven, ofschoon ze
dan die stam-staten en stam-saten niet meer in eigendom bezaten,
dan kwam het toch wel voor dat de opvolgende eigenaar daar van, of
ook maar de tydelike bewoner, zich dat oude patronymikon, dat aan
zyne boereplaats verbonden gebleven was, als geslachtsnaam toeeigende.

Ten gevolge van deze eigenlik wederrechtelike handelwyze, leven
tegenwoordig in Friesland niet slechts de namen van oude aanzienlike
geslachten, die reeds sedert eeuen uitgestorven zijn, nog steeds als
hedendaagsche geslachtsnamen voort (b. v. Wiarda, Galama, Dotinga,
Offenga), maar dragen dikwijls ook pachters en boerenarbeiders, en de
burgery in de steden, de zelfde namen als sommige oude adellike of
aanzienlike, nog levende en bloeiende geslachten, waar mede zy niet
verwant zijn; b. v. Donia, Hania, Harinxma. Dikwijls zijn die namen in
spelling en form een weinig veranderd van den oorsponkeliken form,
die nog voor den naam van 't oorspronkelike geslacht in gebruik
bleef; b. v. Eizenga en ook (Van) Eisenga nevens (Van) Eysinga,
Kammenga nevens (Van) Cammingha, Buttinga nevens (Van) Buttingha,
Zytsema nevens Sytsema, Fynje nevens Finia, enz.

§ 10. De form ing, om patronymika van mansvóórnamen te maken,
is de oudste en eenvoudigste. Men kan dezen form de normale
noemen. Hedendaagsche nederlandsche geslachtsnamen die dezen form
vertoonen, zijn b. v. Benning, Hilverding, Otting, patronymika van
de mansnamen Benno (in Friesland Binne), Hilwarth en Otto. Maar by
sommige nederlandsche stammen, vooral by de Saksen in Twente en in
de graafschap Zutfen (even als in d'aangrenzende gouen van Westfalen)
wordt dit ing als ink uitgesproken, en dus ook zoo geschreven. Van daar
de hedendaagsche geslachtsnamen in die streken, Bennink, Hilverdink,
Ottink. Elders in Nederland, vooral in West-Vlaanderen, spreekt men
dit ink als ynk uit, met lange i, en schrijft dan gewoonlik ynck;
van daar de westvlaamsche patronymika Gellynck, Cnapelynck, Hallynck,
enz. Andere afwykende formen waarin wy het oorspronkelike ing in
hedendaagsche geslachtsnamen geschreven vinden, zijn nog ingk, ingh,
inghe, inge, eng, ung, ong, enz. Ook komt het wel in versleten form,
als ig en ik voor.

By de Friesen neemt het achtervoegsel inga, als uitgang van
patronymika, volkomen de zelfde plaats in, die ing en ink by
de patronymika der andere Nederlanders bekleedt. Trouens, deze
friesche uitgang inga is ook werkelik anders niet dan het ing der
andere Germanen. Zoo komen de friesche patronymikale geslachtsnamen
Benninga, Bollinga, Poppinga in oorsprong volkomen overeen met
Benning en Bennink, met Bolling en Bollynck, met Popping, Poppinge
en Poppink, die in andere nederlandsche gewesten inheemsch zijn. Ook
by de Friesen is inga de zuiverste en oorspronkelikste form, even
als ing by d' andere Germanen. Maar ook by de Friezen treffen we in
hunne patronymikale geslachtsnamen byformen aan, nevens dit inga;
namelik enga (Bottenga), ingha (Van Julsingha), unga (Hayunga),
enz. En tevens de versletene formen ega (Mennega), ia (Hania), enz.

Van al deze verschillende formen van patronymika wil ik hier eenige
geslachtsnamen als voorbeelden vermelden, en nader verklaren.

§ 11. Patronymikale geslachtsnamen, op den oorspronkeliken form
ing uitgaande, zijn over geheel Nederland verspreid, en komen ook
veelvuldig in Duitschland, Skandinavie en Engeland voor. Reeds by
de Angel-Saksen waren zulke patronymika veelvuldig als toenamen
van mannen in gebruik. En nog heden is deze ingform de eenige,
die in Engeland voorkomt, 't zy dan by geslachtsnamen (Anning,
Elling, Warning), 't zy by plaatsnamen (Birmingham, Eppingforest,
Markington). In Nederland, al hoe talrijk deze patronymika op ing er
ook als geslachtsnamen voorkomen, zijn ze toch niet talryker dan die,
welke den byform ink vertoonen.

Als voorbeelden mogen de volgende geslachtsnamen hier genoemd worden:
Alting, Benning, Damming. [4] Zy zijn afgeleid van de mansnamen Alte,
Benno, Dammo; beteekenen dus: zoon van Alto, Benne, Damme, Deze namen
zijn heden ten dage in Nederland als mansvóórnamen nagenoeg geheel
buiten gebruik geraakt. In Friesland kan men nu en dan nog eenen
man ontmoeten, die Alte heet; de Benno's echter, vooral ook in den
gewyzigden form Binne, zijn daar niet zeldzaam. Maar de naam Damme is
geheel in onbruik gekomen. Nevens de geslachtsnamen Alting, Benning en
Damming treft men in Nederland nog de volgende geslachtsnamen aan, die
ook allen, als patronymika, van eenen dezer drie mansvóórnamen ontleend
zijn: Althing, Alting, Althes en Alts; in Friesland Alta, † Aldinga, †
Aldesna, Altena (deze naam kan ook eenen anderen oorsprong hebben; zie
§ 46), † Altama en Van Altema. Bennink, Benninck, Benningh, Benninge,
Bennigsen, in Friesland Benninga, Bennenga, Bennema, Bennen, Bennes,
Bensz, Bens, in Engeland Benson. Dammen, Dammes, in Friesland Damminga
en Damsma. Volledigheidshalve voeg ik hier ook eenige plaatsnamen by,
aan deze namen ontleend: Alting, een gehucht by Beilen in Drente;
Altikon, saamgetrokken uit Altinkhoven, een dorp in Zwitserland;
Bennekom, dat is oorspronkelik Benninkheim, dorp in Gelderland (deze
plaatsnaam verschilt slechts in form van den naam van het oostfriesche
dorp Bingum, dat is Binningheim); Benningbroek, dorp in Noord-Holland,
en Benningbrough, dorp in Yorkshire, Engeland; Bennebroek, dorp in
Kennemerland; Benninghusum, dorp in Noord-Friesland; Bennighofen,
dorp by Rotenburg in Hanover; Bennington, in Hertshire, Engeland,
enz. En van deze plaatsnamen zijn op hun beurt weêr de geslachtsnamen
Van Bennekom en Van Bingum ontleend. Eindelik nog Damsum (Damsheim,
Dammo's woonplaats), dorp by Esens in Oost-Friesland.

De mansvóórnamen waaraan de andere hiervoren opgenoemde geslachtsnamen
ontleend zijn, liggen niet allen evenzeer voor de hand, noch zijn
allen algemeen bekend. Jan, in Janning, vindt iedereen er terstond
wel uit. En voor de Friesen, of voor andere Nederlanders zoo zy
geschiedenis en taalkunde beoefenen, zijn ook de namen Fokke,
Hart, Imme, Kampo, Menno of Minne, Onno, Poppe, Renso of Rinse,
Sybert, geene onbekenden. Twee dezer patronymika zijn ontleend aan
eenen mansvóórnaam in verkleinform; te weten Eelking van Eelke,
Eelco, oorspronkelik Ele (Edele, Athal), en Wiebeking van Wibeke,
oorspronkelik Wibe, Wybo. Deze namen zijn zoowel in den hoofd-, als
in den verkleinform, nog heden in Friesland in volle gebruik. Dat
Leffring een patronymikon is van Leffert, Lefhart, een naam die
in Friesland en elders in de Nederlanden nog wel in gebruik is,
en dat Nolting van den verkorten naamform Nolt, voluit Arnolt,
Aarnout, afgeleid is, vindt de opmerkzame ook al lichtelik. Maar by
de geslachtsnamen Groening, Huising, Uiling en Veering zou men wel
geneigd zijn eerder aan de gemeen-zelfstandige naamwoorden groen,
huis, uil, veêr te denken, dan aan mansvóórnamen. Toch schuilen
ook in deze patronymika wel degelik oud-germaansche, dus ook
oud-nederlandsche namen; namelik Grono of Gruno, Huso, Ulo en Faro,
die men allen in Förstemann's Altdeutsches Namenbuch vinden kan. Gruno
of Grono komt heden ten dage in de Nederlanden nergens meer voor,
en Huso evenmin; maar Ulo is in de verkleinformen Uulke, Uultje
(Uilke, Ulco, Uiltje) en Uultsen in Friesland nog in volle gebruik
als mansvóórnaam, en Fere (de friesche form van Faro) komt daar ook
nog wel een enkele maal als zoodanig voor. Met Groening, Huising,
Uiling en Veering zijn de volgende geslachts- en plaatsnamen van
de namen Gruno, Huso, Ulo en Faro afkomstig: Groenings, Groeninx,
Groeninks, (in Duitschland ook Grüning) Gronenga, Groeninga,
Groenia, Groenje. Groningen, de bekende stad; Groeningen, dorp in
Noord-Brabant; Grons, sate by Burgwert in Friesland; Groonhusen,
gehucht by Grootkerk in Oldenburg; Gröningen, vlek in Zwaben
en Gröningen, stadje by Oschersleben in Neder-Saksen. Verder de
geslachtsnamen Van Groningen, Van Groeninge, Grüninger, enz. Van Huso:
Huizing, Huisinghe, Husink, Olden-Huizing, in Friesland Huisinga,
Huisenga, Huizinga, Huizenga; verder: Husen, Huyssoon, Huissen,
in verkleinform Huyskes, † Huisama en Huisma. Huisinge is een dorp
in Groningerland, en Huysinghe een dorp in Zuid-Brabant. Van Ulo:
Ulens, Uilsma, en in Oost-Friesland Uhlen. Uilsmahorn is eene buurt
by Tonnaart (Ternaard) in Friesland, Ulbargen een dorp by Aurich in
Oost-Friesland, Uhlebüll een gehucht by Niebüll in Noord-Friesland,
Uhlentrup (dat is Ulendorp) een dorp by Beckum in Munsterland, Uhlingen
een dorp by Lauenburg (Cöslin) in Pommeren, en Ulgeweer (Ulingaweer)
eene sate te Larrelt in Oost-Friesland. Van Faro, Fere: behalve Veering
nog Fehring, Feringa en Van Feringa, Veeren, Fehres, Veere, Feerma,
Ferens, Feersma, Veersma en Veersema; van eenen my niet bekenden
plaatsnaam Feringen is de geslachtsnaam Feringer afgeleid; eindelik
nog Feerwert een dorp in Groningerland en Feringa-sate te Fisvliet
in die zelfde Ommelanden. De oude mansvóórnaam Fere kan echter ook
eene samentrekking zijn van Feder, een naam die eveneens by de oude
Germanen in zwang was, en waar van de oostfriesche, uitgestorvene
geslachtsnaam Federinga het patronymikon is. Van dezen vollen form
Federinga zou dan Feringa een saamgetrokken form kunnen wezen.

De mansnaam Tede, waar de geslachtsnaam Teding van is afgeleid,
is nog heden, met de byformen Tade, Teade, Tete, Tate, enz. in
Friesland in volle gebruik. Met Teding zijn van dezen ouden mansnaam
nog afkomstig de volgende geslachts- en plaatsnamen: Tedinga, Thedinga,
† Thedema en Tedema. Van Tedinga zijn de geslachtsnamen † Theenga en,
in den tweeden naamval, Teengs weêr versletene formen, even als Thema
van Thedema. Thedinga was de naam van een oud, aanzienlik klooster
by Nüttermoor in Oost-Friesland, maar dat in de 16de eeu opgeheven
werd. De naam is nog gebleven aan een gehucht dat heden ten dage de
plaats van dat klooster inneemt. De byzondere naamsoorsprong van dit
klooster is bekend en bewaard gebleven. Thedinga-klooster namelik
heette oorspronkelik en eigenlik Syna. Het werd door eenen ryken
Groninger, Hatebrand geheeten, in 't jaar 793 reeds gesticht, en de
eerste abt die het bestuur er over uitoefende, heette Theda. Eene
oude chronyk vermeldt van dezen abt Theda: »(he) heft dorch syne
vramheid (vroomheid) de gemeene lueden aen sich getagen (getogen,
getrokken) und den armen groote handreyckinge gedaen, also dat door
synen nakomen dat Closter Thedinga-Monniken genoemt is worden." In
1479 waren beide namen, Syna en Thedinga, nog in gebruik; want de abt
Sibrant, die toen leefde, teekent zich: »ghekoren Abbet to Tedingen,
anders gheheyten Syna." [5] De naam Thedinga-monniken wil dus zeggen:
monniken van Theda, en het patronymikon Thedinga is hier gebruikt in
overdrachteliken zin, wijl men den monniken wel den naam van zonen of
kinderen van den abt geeft. Hier hebben we dus een nieu bewijs dat
het patronymikon, ofschoon oorspronkelik slechts den eigenen zonen
van eenen man toekomende, ook wel door anderen, door kleinkinders,
door verdere nakomelingen, zelfs wel door onderhoorigen (zie §
45) gedragen werd. Ook van elders is dit genoeg bekend. Nog andere
plaatsnamen van den mansvoornaam Tede (Thedo) en van 't patronymikon
Teding afgeleid, zijn: Thedingweert, een landgoed te Kapel-Avezaath
in de Betuwe; Thedinghaus, een stadje aan de Weser boven Bremen;
Thedafeld, eene sate by Grootkerk of Hohenkirchen, zoo als dat dorp nu
hoogduitsch heet, in Wrangerland (Oldenburger Friesland); Thedema- of
Thema-burcht te Noordwolde, en Thema-heert, eene sate te Pieterburen,
beide in Hunsingo (Groningerland); Tedema-state te Roden in Drente;
eindelik nog Dedesdorf, oudtijds Thedestorpe, een vlek in 't Land
Wührden (Oldenburger Friesland).

Nog zy hier vermeld als eene byzonderheid, dat het patronymikon
Leffring (zie bl. 28) nog oorsprong gegeven heeft aan den
hedendaagschen plaatsnaam Leffrynchoucke (Leffrinkhoek), een dorp by
Duinkerke in Fransch-Vlaanderen.

Dat de patronymika, op bl. 28 opgenoemd, ook reeds van zeer oude
dagteekening zijn, kan men in Förstemann's Altdeutsches Namenbuch
naslaan, waar we eenen Alting reeds in 't jaar 793 vinden, eenen
Husinc ook reeds in de 8ste eeu, eenen Benning in de 9de eeu, en
eenen Imminc en Ulinc vóór het jaar 1100. Wibichinc (Wiebeking) en
anderen zijn ons ook reeds uit zeer vroege tijden bekend (zie bl. 18).

Ik heb de patronymikale geslachtsnamen van bl. 28 zoo uitvoerig hier
besproken, en andere geslachtsnamen met plaatsnamen van die zelfde
oorspronkelike mansvóórnamen afgeleid, zoo volledig hier vermeld,
om aan te toonen hoe talrijk de geslachts- en plaatsnamen zijn, die
van eenen en den zelfden mansvóórnaam afstammen, hoe al deze namen
onderling verwant zijn en samenhangen, en hoe verre zy verspreid zijn
over alle landen met eene germaansche bevolking.

§ 12. De oude Nederlanders schreven den uitgang ing gewoonlik als
ingh en ook wel als inghe; b. v. coningh, oeffeningh, vergaderinghe,
enz. En zoo schreven zy den patronymikalen uitgang van geslachtsnamen
ing ook wel als ingh en inghe. By sommigen onzer hedendaagsche
patronymikale maagschapsnamen is die oude form nog bewaard
gebleven; b. v. by Abbingh, Bussingh, Coelingh. [6] Maar slechts
drie hedendaagsche geslachtsnamen ken ik, die nog den ouden form
inghe vertoonen; dit zijn Muntinghe, Huisinghe en Sinninghe. Al deze
ingh- en inghenamen zijn ook echte patronymika, van oud-germaansche
mansvóórnamen afgeleid. Wolter (Wouter, Walther), de mansvóórnaam die
aan den maagschapsnaam Woltringh ten grondslag ligt, is nog heden
ten dage in alle nederlandsche gewesten, als zoodanig vry algemeen
in gebruik. Maar Abbe, Adde, Hidde, Ids, Luit, Menso of Minse, Rein,
Tabe en Sinne zijn tot Friesland beperkt, ofschoon daar dan geenszins
zeldzaam. De mansvóórnamen die aan de andere hiergenoemde patronymika
ten grondslag liggen, Hert aan Herdingh, Busse aan Bussingh, Weit
aan Weytingh enz., zijn eveneens allen zuiver germaansch, en in
Förstemann's Altdeutsches Namenbuch te vinden.

Een geenszins onverdienstelik letterkundige, die omstreeks de
helft dezer eeu werkte, droeg den naam van D. Buddingh. Maar hoe
verdienstelik ook op velerlei gebied, als woord-afleidkundige beging
hy de grootste flaters; om er niet meer van te zeggen. Zijn werk:
Verhandeling over het Westland, Leiden, 1844, kan dit ruimschoots
getuigen. Buddingh meende ook dat zijn geslachtsnaam eene samentrekking
was van het zelf-gesmede woord »boetding-heer" of boete-rechter. Dies
schreef hy zynen naam ook als Buddingh', om door dat afkappingsteeken
het woord heer aan te duiden, dat, naar zyne meening, achter zynen
naam weggesleten was. Sommigen zyner geslachtsgenooten schryven hunnen
naam nog heden op die wyze. [7] Onnoodig hier aan te toonen dat deze
zonderlinge meening geheel verkeerd, en de geslachtsnaam Buddingh een
oud patronymikon is, van den oud-germaanschen mansvóórnaam Budde,
Butte, Botte. Buddingh is dus de weêrga van † Buttinghe en van
Bottinga, beide ook patronymika van dezen zelfden mansvóórnaam,
al is het dan in eenigszins anderen form. Deze laatste naam is,
met Bottenga, ook nog een hedendaagsche nederlandsche geslachtsnaam.

§ 13. In vele gouspraken van het nederlandsche nederduitsch
spreekt men nog heden de woorden, welke in onze hedendaagsche
algemeene landstaal op ing eindigen, in den ouden form als inge
uit; b. v. bloedinge, waarschouinge, bezoekinge, enz. Dit is, onder
anderen, vooral het geval in onze noordelike en noordoostelike gouen,
onder de friesche en friso-saksische bevolking dier gewesten. En
waar men zulke woorden zóó uitspreekt, daar laat men natuurlik
die toonlooze e ook hooren achter den patronymikalen uitgang der
geslachtsnamen. In Drente en in de zuidelike gouen van Groningerland
komt dit meest voor. Vandaar dat men juist in die streken dan ook zulke
maagschapsnamen, op inge eindigende, meest aantreft. Zie hier eenigen
van die namen, grootendeels van drentschen oorsprong en in Drente,
het Oldambt en Westerwolde inheemsch: Alinge, Buninge, Dillinge. [8]
Al deze namen zijn patronymika van oud-germaansche, ten deele nog
hedendaagsch-friesche mansvóórnamen. In Alinge, Ebbinge, Eppinge,
Hiddinge, Lubbinge, Uninge, Willinge herkent men gemakkelik de nog
heden by de Friesen in volle gebruik zijnde mansvóórnamen Ale, Ebbe,
Eppe, Hidde, Lubbe, Une (Oene) en Wille (Wiltje, Wilke of Wilco). Maar
ook by Buninge, Dillinge, Hachtinge, Santinge en de anderen, is de
oorspronkelike mansnaam, met hulp van Förstemann's Namenbuch, nog
wel min of meer gemakkelik uit te vinden en aan te toonen.

By deze drentsche geslachtsnamen formt de uitgang inge eenen
overgang van den algemeenen form van dit achtervoegsel ing tot
den byzonder-frieschen form inga. Velen van deze namen komen dan
ook als geslachtsnamen zoowel in den algemeen-nederlandschen als in
den byzonder-drentschen en byzonder-frieschen form voor, en zijn als
zoodanig aan verschillende geslachten eigen. Nevens de maagschapsnamen
Buninge, Ebbinge, Eppinge, Elinge, Hiddinge, Santinge bestaan ook
Buyning en Buininga; Ebbink en Ebbinga; Epping (ook in Engeland),
Eppink en Eppinga; Eeling, Elink, Elinga en Elenga; Hiddingh, Hiddink,
Hiddinga en Hiddenga; Zantinga, Zantenga en Zanting. En al deze namen
beteekenen het zelfde, namelik: zoon van Buno, van Ebbe, van Eppe,
van Ele, van Hidde, van Sante.

Oudtijds, toen men algemeen zoo onstandvastig was in de spelling der
woorden, heerschte ook de grootste onregelmatigheid in de boekstaving
der eigennamen. De eene schreef den zelfden naam nu eens sus,
dan weêr zoo, en de andere weêr geheel anders. Een man b. v. die in
Friesland woonde, schreef zynen geslachtsnaam als Hesslinga, omdat hy
zynen naam steeds zóó, met het volle inga er achter, door de Friesen,
zyne landgenooten, hoorde uitspreken. Zijn broeder woonde in Twente,
en deze schreef zynen naam, om de zelfde reden, als Hesselink. Een
neef van hem, die den zelfden naam droeg, woonde in West-Vlaanderen,
en hy spelde zynen naam als Hesselynck; terwijl weêr een andere, in
Holland wonende, dien zelfden naam als Hesseling boekstaafde. Toch
moesten al deze verschillende spelwyzen een en den zelfden naam
voorstellen. Want al deze vier mannen waren afstammelingen van eenen
en den zelfden Hessel. Verder in dit werk zal de gelegenheid zich
voordoen, deze onregelmatigheden nader aan te toonen.

Zoo werden oudtijds deze zelfde patronymikale geslachtsnamen ook wel
nu eens in den drentschen (friso-saksischen), dan eens in den zuiver
frieschen form geschreven. Vooral te Groningen, waar de Drenten in
de onmiddellike nabuurschap zaten van d' ommelandsche Friesen, kwam
deze verscheidenheid in spelling dikwijls voor. De namen van sommige
oude groninger geslachten vindt men in oude geschriften nu eens
als Folkinge, Gelkinge, Gockinge, Haddinge, dan weêr als Folkinga,
Gelkinga, Gockinga, Haddinga geschreven. En nog heden ten dage is men
in Groningerland en Oost-Friesland onstandvastig in het boekstaven
van plaatsnamen, die met zulk een patronymikon samengesteld zijn. De
eene schrijft Appingadam, Mensingaweer, Bellingawolda en Eppingaweer;
de andere Appingedam, Mensingeweer, Bellingewolde en Eppingeweer,
of ook wel Bellingwolda en Eppingwehr. De eene schrijfwyze is goed,
en de andere niet minder. En waarom dan zou men deze verschillende
schrijfwyzen niet door elkanderen gebruiken, vryelik en naar eigen
willekeur? By de geslachtsnamen dient men zich heden ten dage wel
by eene enkele schrijfwyze te bepalen, om misverstand, en daar uit
voort vloeiende verwarring te voorkomen. By plaatsnamen echter is
dit gevaar veel minder groot, ja naueliks aanwezig.

Wijl dus te Groningen een en de zelfde geslachtsnaam oudtijds nu
eens op drentsche en dan eens op friesche wyze geschreven werd, zoo
is het zeer wel mogelik dat de hedendaagsche drentsche geslachten
Buninge, Ebbinge, Elinge, Eppinge, Hiddinge, Tebinge, Uninge, Waninge
oorspronkelik de zelfden zijn als de hedendaagsche friesche geslachten
Buininga, Ebbinga, Eppinga, Hiddinga, Uninga of Unia, enz. Of ook
als de geslachten Buyning, Elink, Tabingh, Waning, die wy elders in
de Nederlanden aantreffen. Ja, maar het is even zeer mogelik dat de
drentsche Eppinge's en de zutfensche Eppink's en de friesche Eppinga's
en de engelsche Epping's van vier verschillende stamvaders hunnen
oorsprong namen, die toevallig alle vier den zelfden voornaam Eppo
droegen. Want deze naam, die tegenwoordig nog slechts by de Friesen
in zwang is, was oudtijds algemeen eigendom van alle germaansche
stammen. En dit is ook van toepassing op de andere bovengenoemde
patronymika, en op de mansvóórnamen, waar zy van afgeleid zijn.

§ 14. Even als in de hoogduitsche taal de uitgang ung staat achter
de zelfde woordstammen, die in het Engelsch, Nederlandsch, Deensch,
enz. den uitgang ing vertoonen (opening en öffnung, bevryding en
befreiung), zoo eindigen in Duitschland ook de zelfde patronymikale
geslachtsnamen, welke in Engeland en de Nederlanden op ing uitgaan,
soms op ung. Een paar van die geslachtsnamen, op ung eindigende, komen
ook in de Nederlanden voor, waar zy waarschijnlik uit Duitschland zijn
ingevoerd geworden; b. v. Amelung, Hartung (nevens het inheemsche
Harting) en Weidung. Ook de verlatynschte maagschapsnaam Hallungius
behoort oorspronkelik tot deze groep.

Even zeldzaam komen zulke patronymikale geslachtsnamen onder ons voor,
waar by het oorsponkelike ing of ink tot ong en enk veranderd is. My
zijn slechts bekend Hartong (nevens Harting en Hartung); Wallenk (naast
Wallink) en Wittenck (naast het uitgestorvene Wittinga). Ook komt
deze verbasterde form enk nog voor in de samengestelde geslachtsnamen
Gussenklo (welke naam ook wel ten onrechte als Gussenk'lo geboekstaafd
wordt) en Pippenghegen.--Gussenklo beteekent: eikenbosch van Gussink,
van den nakomeling des mans, die Gusse (Gosse? Guse?) heette. En
Pippenghegen beduidt: de hege of haag, en daar mede (pars pro toto)
het omhaagde erve, van Pipping, van den afstammeling des mans die
den naam van Pippo droeg. Dit woord hege, haag, vinden wy terug
in den oud-saksischen geslachtsnaam Berghege en tevens in Heeger,
dat is: Heger, Häger, Hager. Ook in Duitschland komt een enkele maal
die zelfde afwyking van den oorspronkeliken form des patronymikons
voor. Te weten in den geslachtsnaam Ehrenghaus, dat is Ehringhaus,
het huis der Eringen.

§ 15. Naast den oorspronkeliken form ing, komt als uitgang van
patronymikale geslachtsnamen eveneens den form ink voor. Dit ink
is slechts eene andere uitspraak van ing. Anders niet. Het vindt
zynen oorsprong in sommige gouspraken van het Nederlandsch, in welke
deze uitgang ing in het algemeen als ink wordt uitgesproken. Dit is
vooral het geval in de saksische taal van Twente en de graafschap
Zutfen. Daar komen dan ook deze op ink eindigende geslachtsnamen
het meeste voor, en van daar zijn zy over de andere streken van
Nederland verspreid geworden. Ten platten lande in Twente en de
graafschap Zutfen, vooral by den erfgezetenen boerestand in die
streken, komen deze geslachtsnamen buitengewoon talrijk, haast
algemeen voor. Zy zijn daar ook overgegaan op de landhoeven of
boerenerven. Dat dit reeds in overoude tyden het geval was, is
op bl. 23 reeds aangetoond. Ook elders vinden wy reeds zeer vroeg
zulke ink-namen als toenamen in gebruik; Hugo Radinck b. v. leefde
in 1217 te Vollenhove in Overijssel. [9] Dit patronymikon, van den
oud-germaanschen mansnaam Rado afgeleid, komt, als Ratink geschreven,
reeds in 709 voor, zooals Förstemann's Altdeutsches Namenbuch vermeldt,
ja, als Reding, Retinc, enz. nog vroeger. In middeleeusche geschriften
komt dit patronymikon herhaaldelik voor, en nog heden bestaat het
als geslachtsnaam Radink. [10] Over het geheel genomen zijn deze
patronymika van hoogen ouderdom; in middeleeusche oorkonden komen zy
menigvuldig voor. En, voor zooverre ze nog heden als geslachtsnamen
in gebruik zijn, getuigen zy van den degeliken, behoudenden, aan het
eervolle oude lofweerdig verkleefden zin van den volksstam die deze
namen zoo trou bewaarde en in eere hield.

Ofschoon deze inknamen nergens in de Nederlanden zoo talrijk en
algemeen voorkomen als in Twente en de graafschap Zutfen, zoo zijn ze
toch niet uitsluitend tot deze gouen bepaald. Behalve in Westfalen,
vooral in 't eigenlike Munsterland bewesten de stad Munster, waar
zulke namen onder den erfgezetenen boerestand naueliks minder talrijk
voorkomen als in onze saksische streken, treft men deze patronymika
ook wel in andere nederlandsche gouen aan, waar ze ook oorspronkelik
inheemsch zijn. Dit is vooral het geval in eenige streken van
de zuidelike Nederlanden, van Brabant en Vlaanderen. Daar wordt
deze uitgang ink gewoonlik inck geschreven, op oud-nederlandsche
wyze. Zie hier eenigen van deze geslachtsnamen, zoo wel uit Noord-
als uit Zuid-Nederland, en beide schrijfwyzen vertoonende: Arink,
Beernink, Bennink. [11] Al deze patronymikale geslachtsnamen,
op twee na, zijn van oud-nederlandsche mansvóórnamen afgeleid. By
sommigen er van kan men deze mansnamen gemakkelik herkennen. B. v. by
Dirckinck, van Dirck, Diederik.--Beernink is eene samentrekking van
Bernharding, uit den mansvóórnaam Bernhart, Bernard; deze naam wordt
nog heden onder de saksische bevolking van ons land als Berend, Beern
uitgesproken.--Lamrinck (met Lamring en Lammerding) is oorspronkelik
Lammerdink, Lambrechting, Landbrechting, van Landbercht, Lambrecht,
Lambert, Lammert, een bekende mansvóórnaam.--Reymerink is versleten
van Reinmering, van den mansvóórnaam Reimer, Reinmer, Reimar, Reginmar,
Raginmar.--Siegerink komt van den mansvóórnaam Sieger, Siegher, Sîgher,
Zeger, dat is gezeid Victor, de overwinnaar.--Volmerinck van Folmer,
Fulmar.--Wolberink van Wolbert, Wolbrecht, Wolfbercht.--Benne,
Bonte, Haite, Sikke (Sicco), Teie (Teye), waar de patronymika
Benninck, Bennink, Bontinck, Haitinck, Sikkink en Teyinck van
afgeleid zijn, worden, als mansvóórnamen, in Friesland nog veelvuldig
gedragen. Tenckinck komt van Tenke, Tenco, Tinco, en dit is weêr een
verkleinform van Tenno, welke mansvóórnaam, volgens Förstemann's
naamboek in de achtste eeu voorkomt, en oorspronkelik slechts een
byform is van Tanno. Van dit Tanno is weêr de friesche geslachtsnaam
Tanninga afgeleid, die meest in versletenen form als Tania, Tanja,
Tanje, en zelfs verfranscht als Tanjé voorkomt. Even als Tenckinck,
zoo zijn ook de geslachtsnamen Evekink, Duyckinck, Ikink, Onnekink en
Tilekink niet van mansnamen in hunnen oorspronkeliken form afgeleid,
maar van verkleinformen (diminutiven). En wel van Eveke, Duike, Ike,
Onneke en Tileke, in deze formen, en ook in de oorspronkelike formen
Onno, Ide, Tijl, enz. bekende, meest friesche mansvóórnamen.

De twee uitzonderingen, waar ik hier boven van sprak, zijn de
maagschapsnamen Johanninck en Teuninck, die niet afgeleid zijn van
oud-germaansche mansvóórnamen, maar van eenen bybelschen en van eenen
kerkeliken naam. Te weten van Johan, Johannes en van Teun, Teunis,
Antonius. Van Johannes zijn ook nog de patronymika Jannink, Jansingh
en Janninga ontleend, met den samengestelden naam Johanningmeyer,
die allen in Nederland als geslachtsnamen voorkomen; zie ook § 58.

§ 16. Hier volgt nog een enkel twaalftal uit dat overgroote aantal
inknamen, dat bepaaldelik eigen is aan de zuiver-saksische gouen van
Overijssel en Gelderland: Abbink, Eggink, Makkink. [12] Natuurlik
zijn ook deze maagschapsnamen allen afgeleid van oud-germaansche
mansvóórnamen. Onder dezen zijn Abbe, Egge, Makke, Melle, Roelf
(Roelof) en Temme (Tammo) nog heden by de Friesen in gebruik. Reerink
en Reering, dat is oorspronkelik Reerdink, Rederding, Retharding, komen
van den mansvóórnaam Rethart, Redert; zie § 48. Dit zelfde patronymikon
komt in Groningerland onder den byzonder-frieschen form Reeringa voor,
en in de westelikste gouen van Westfalen onder den hoogduitschen form
Rörink, hoewel er ook aan deze zijde onzer oostelike grenzen Reurink's,
Rörink's en Rörik's (dit is een versletene form) wonen. En dit zelfde
is het geval met den maagschapsnaam Höpink. Rörink en Höpink zijn
oorbeeldige grensnamen. Wilbrenninck komt van Wilbrant. Even zoo
heeft ook de eenvoudige mansvóórnaam Brant oorsprong gegeven aan
het patronymikon Brennink, versleten van Branding, Brändink. Dit
patronymikon maakt ook deel uit van den samengestelden geslachtsnaam
Brenninkmeyer.--De maagschapsnaam Roelvink, en ook Roolvink, moest
eigenlik met eene f in plaats van met eene v geschreven worden. Want
deze naam is anders niet als het patronymikon van den mansnaam Roelf,
Roolf, Rolf, Roelof, Rodlof, Rodolf, Rudolf.--Stroink eindelik komt van
den mansvóórnaam Stro, Strodo, waarvan ook de friesche patronymika †
Stroma, Stroosma en Strooisma afgeleid zijn; zie § 168.

Voor wy overgaan tot het behandelen van andere patronymika, moeten
hier nog twee zonderlinge en byzondere maagschapsnamen vermeld
worden, die eveneens tot deze saksische inknamen behooren. Namelik:
Gyseweenink en Janweenink. De lieden die deze namen, welke ook in de
saksische gouen van Gelderland inheemsch zijn, dragen, heeten eigenlik
eenvoudig Weenink; zy zijn oorspronkelik Weeninken. Twee broeders
uit de maagschap Weenink, beiden met talrijk kroost gezegend, en
naast elkanderen wonende, droegen de voornamen Gise (Gijs, Gijsbert,
Gyselbrecht) en Jan. Ten einde nu die talryke kinderen der twee
gebroeders van elkanderen te onderscheiden, ten einde Harbert en
Bartha Weenink van den eenen broeder te onderkennen van Harbert en
Bartha Weenink van den anderen, voegde men de vóórnamen der vaders by
de oude patronymika, en noemde deze jongelieden Harbert Giseweenink
en Bartje Janweenink. En deze onderscheidingsnamen bleven in gebruik,
gingen ook later op de kinderen van die Harbrechts en Bartjes over,
en werden eindelik vaste geslachtsnamen.

Ten slotte nog een paar incknamen, bepaaldelik uit West-Vlaanderen:
Cnapelinck ook Cnapelynck (en, in den tweeden naamval Cnapelincx,
Cnapelinckx), Gebberlinck, Ghellinck en Ghellynck, Plettinck, Slabbinck
en Vlietinck. Ghellinck is afgeleid van den mansvóórnaam Gelle,
die nog heden in Friesland in gebruik is. Dit zelfde patronymikon
komt ook nog voor in den samengestelden geslachtsnaam Gellinckhuysen,
en in vele plaatsnamen; b. v. in Gellekom of Gellicum (Gellink-heim),
een dorp in de Tielerweerd, Gelderland. De geslachtsnamen Terlinck en
Teirlinck zijn mogelik slechts het woord teerling (cubus, dobbelsteen),
in oude spelling. By de namen Cnapelinck, Plettinck en Vlietinck is
de oorspronkelike mansnaam niet zoo gemakkelik aan te toonen. Toch
zijn het echte patronymika, en al vermelden de gewone lijsten van
nederlandsche en friesche personennamen, van Wassenbergh, Leendertz
en Brons geene mansnamen Knapele, Plet of Vliet,--als men maar genoeg
zoekt, vindt men die namen ook wel, en kan ze aantoonen. In den jare
1800 woonde er een man te Stramprode in Limburg, die den voornaam
Vliet droeg; hy heette Vliet Kluizenaar [13]. Förstemann vermeldt
eenen oud-germaanschen mansnaam Flidulf; en in dezen samengestelden
naam is de enkelvoudige naamstam Flid, Vliet, waarvan het patronymikon
Vlietinck, begrepen.

§ 17. In de zuidelike Nederlanden, bepaaldelik en vooral in
West-Vlaanderen, zijn eenige geslachtsnamen inheemsch die den
patronymikalen uitgang in den form ynck vertoonen. Deze schrijfwyze
der i als y berust op de uitspraak die in den tongval van dit
gedeelte van Vlaanderen, met Zeeusch- en Fransch-Vlaanderen, gehoord
wordt. Overigens verschillen deze yncknamen in geen enkel opzicht
van de inck-, ink- en inknamen. In den regel zijn het zeer oude
namen, nog dagteekenende uit den tijd, toen de eenig goede regel
gold: »schrijf zoo als gy spreekt." Talrijk zijn deze eigenaardige
oud-vlaamsche namen niet. Zie hier eenigen er van: Bellynck, Bullynck,
Bultynck, Cnapelynck [14]. Het grootste deel dezer namen is gemakkelik
te verklaren. Belle (Belke), Bulle (Boele), Halle, Kempe (Kempo,
Kampo) en Wyte (Wite, Witte) zijn mansvóórnamen die men heden nog
in de friesche streken in gebruik heeft. Ghellynek is op de vorige
bladz. reeds verklaard. Hebbelynck en Gyselynck zijn ontleend aan
Hebbele en Gisele, dat weêr verkleinformen (Hebbelyn en Giselyn)
zijn van d' oorspronkelike mansvóórnamen Hebbe of Habbo en Gijs
(Gijsbert), die nog wel als zoodanig by ons volk in gebruik zijn,
vooral in Friesland.

Opmerkelik is het dat deze eigenaardige westvlaamsche geslachtsnamen
in Friesland zoo hunne tegenhangers of weêrgaden hebben. Trouens, d'
overeenkomst tusschen westvlaamsch en friesch is, ook in menig ander
opzicht, merkweerdig groot. Naast den westvlaamschen geslachtsnaam
Bellynck hebben wy den frieschen maagschapsnaam Bellinga. Even zoo
Bullinga nevens Bullynck; Gelkinga (afgeleid van Gelke, Gelleken, de
kleengedaante of verkleinform van Gelle) by Ghellynck; Hallinga naast
Hallynck, Kempinga naast Kempynck. En nevens Wytynck, voor zoo verre
my bekend is, toevallig wel geen Witinga, maar toch wel een Wytema
en Witema, eveneens patronymikale geslachtsnamen, zy het dan ook
in anderen form, met † Hwytnyngha in het Oud-friesch, en Whiting in
't Engelsch.

Zoo als men zien kan aan dezen als voorbeeld vermelden ouden
geslachtsnaam Hwytnyngha, die in de hedendaagsche spelling als
Witteninga zoude geschreven worden, werd oudtijds in Friesland de i
van den uitgang ing, in dit geval inga, ook wel als eene y geschreven
en gesproken, even als in het hedendaagsche Westvlaamsch. Immers ook
de hedendaagsche friesche geslachtsnamen Beninga, Homminga, Idsinga,
enz. komen in oude geschriften als Benyngha en Benynghe, als Hummyngha
en Idsyngha voor.--

De behandeling dezer patronymikale geslachtsnamen op ing en ink
uitgaande, mag niet gesloten worden, zonder dat hier nog kortelik
gewezen worde op het oude frankisch-nederduitsche woord eng of enk, dat
volgens Van Dale's Nieuw Woordenboek der nederlandsche taal beteekent:
»eene omheinde of afgeslotene streek weiland." Zoo als te verwachten
is, komt dit woord wel als plaatsnaam, ook in samenstellingen voor. Als
voorbeelden noemen wy: de heerlikheid den Engh en de ridderhofstad
den Engh, de eerste in Linschoten, de tweede in Vleuten, beide
gemeenten van het Sticht van Utrecht; de havesate Enghuizen in de
geldersche gemeente Hummelo,--het gehucht Westeneng in de geldersche
gemeente Ede, enz. En evenzeer als plaatsnamen, zoo bestaan er ook
enkele maagschapsnamen uit dit woord, of zijn daar mede samengesteld;
b. v. Van Eng, Van den Engh, Westenenk, Buiteneng, Boeienk, Grooteneng,
enz. De vermelding en behandeling dezer eenvoudige en duidelike namen
had eigenlik moeten geschieden in die afdeeling van dit werk, waar de
geslachtsnamen van aardrijkskundigen oorsprong hunne plaats vinden, en
waar deze eng- en enknamen dan ook volgens recht toebehooren. Ja, maar
toch heb ik juist te dezer plaatse d' opmerkzaamheid op deze kleine
groep van aardrijkskundige namen willen vestigen, omdat velen onzer
oude nederlandsche taalkundigen, vooral onzer talryke (onberoepene)
naam- en woord-afleidkundigen, den patronymikalen uitgang ing of ink,
in plaats- en geslachtsnamen, verwarren met het woordje eng of enk. De
verwisseling van d' onvolkomene e vóór n met d' onvolkomene i vóór n
(b. v. brengen en bringen), aan vele nederlandsche gouspraken eigen,
gaf hier toe gereede aanleiding. Toch heeft in der daad dit woord eng
met den uitgang ing in het geheel niets te maken, al wil ook heden
nog wel deze of gene »beunhaas" op het gebied der nederlandsche taal,
de ing- en ink-namen van d' eng- en enk-namen afleiden, en al is
zelfs deze meening nog steeds zeer verbreid by 't nederlandsche volk,
voor zoo verre het dan over den oorsprong en de beteekenis der namen
eens nadenkt.

§ 18. Eene byzondere groep van geslachtsnamen wordt geformd door die
patronymika, welke achter den uitgang ing nog het aanhangsel son,
sen of eene enkele s vertoonen. Die s is hier anders niet als het
kenmerk van den tweeden naamval waarin het woord of de naam staat. Het
zijn dus namen die te gelijker tijd de kenmerken vertoonen der oude
en der nieue patronymikale formen; zie § 4, 5 en 6. In taalkundig
opzicht kunnen zy ter nauer nood verdedigd of goedgekeurd worden. In
hunnen hedendaagschen, dubbelen form zijn zy ongetwyfeld ontstaan in
den tijd toen men de beteekenis van den uitgang ing niet meer kende,
dien uitgang niet meer verstond. Dat ontstaan moet verklaard worden op
deze wyze: een man heette Leendert en droeg den toenaam van Hemming,
een oud patronymikon, ontleend aan den vóórnaam van zynen stamvader
Hemmo. De vader, grootvader en nog menig oudvader van Leendert hadden
allen reeds dat patronymikon als vaste toenaam gedragen. Door de eene
of andere byzondere omstandigheid, misschien ter onderscheiding van
andere mannen in de onmiddellike omgeving van Leendert Hemming, die
eveneens Leendert heetten, werd onze man in het dageliksche leven door
zyne buren, vrienden en verdere tijdgenooten niet by zynen voornaam
Leendert genoemd, zoo als anders gebruikelik was, maar by zynen toenaam
Hemming. Weldra kende byna niemand hem anders als by den naam Hemming,
en raakte zijn voornaam Leendert haast geheel vergeten. Hemming's zoon
Rutger die in den tijd leefde toen de gewoonte in zwang kwam om den
voornaam van den vader, in den tweeden naamval, met of zonder zoon
daar achter, den zoon als toenaam te geven,--Hemming's zoon Rutger
noemde zich dien ten gevolge dan ook niet Rutger Leenderts zoon,
of Rutger Leendertssen, of Rutger Leenderts, zoo als het volgens
recht zijn moest, maar Rutger Hemming's son (zoon). Hy maakte zich
een patronymikon als toenaam, naar de gewoonte van den tijd waarin
hy leefde. Echter niet van zijn vaders voornaam, maar van het oude
patronymikon dat eigenlik zijn vaders toenaam was, ofschoon het in
de plaats van den voornaam gebruikt werd. En de kinderen van Rutger
Hemmingson (de twee letters s van Hemmings son, in d' uitspraak niet
afzonderlik te hooren, smolten in geschrifte al spoedig tot eene s
samen) behielden hun vaders toenaam ook als hunnen toenaam aan. En
zoo werd in verloop van tijd dat Hemmingson een vaste geslachtsnaam,
zoo als het nog heden is. In plaats van dit son of zoon er achter
te voegen, nam men het vaderlike patronymikon ook wel eenvoudig in
den tweeden naamval als toenaam aan. En zoo kwam b.v. van het oude
patronymikon Alink, de toenaam Alinks (voluit des Alinks zoon),
nog heden als geslachtsnaam by ons voorkomende. Strikt genomen wil
Hemmingson zeggen: zoon van den zoon van Hemme; en Alinks, zoon van
den zoon van Ale. Men gevoelt dat deze naamformen eigenlik monsters,
misbaksels zijn, in strijd met het wezen der taal. Zy konden dan
ook slechts gemaakt worden en in gebruik komen, toen men de oude
patronymika niet meer verstond; toen het volk niet meer wist dat
Hemming en Alink reeds zoon van Hemme, zoon van Ale beteekenden;
toen men de kracht van dat ing niet meer gevoelde.

Hemme en Ale, waar van bovengenoemde patronymika ontleend zijn,
komen by de hedendaagsche Friesen nog dikwijls als mansvóórnamen voor.

Zulke dubbelde patronymika zijn niet aleen in de Nederlanden, maar
evenzeer in Engelland, en ook wel in Duitschland, vaste geslachtsnamen
geworden.--Zie hier eenigen, die nog heden als nederlandsche
maagschapsnamen in gebruik zyn: Beerlings, Bennigsen (oorspronkelik
Benningsson, Benning's son, zie bl. 28). [15] Deze patronymika zijn
ook allen weêr van mansvóórnamen afgeleid, waar van eenigen nog in
gebruik zijn: Bruno, Otto. Anderen komen nog in Friesland voor: Boie,
Benne enz. Eldert is ook nog bekend. En Thiadbern, waar Tjaberings
van afkomt, is een oud-friesche mansnaam, die voor een paar eeuen nog
in de friesche streken tusschen Eems en Weser voorkwam. De overige
namen kan men in Förstemann's Namenbuch nasporen.

§ 19. Als in eenig woord eene k en eene s onmiddellik op elkanderen
volgden, dan vervingen de oude Nederlanders, in hun schryven, die twee
letters meestal door eene x. Zoo schreven zy b. v. de woorden: des
konings brug, des koninks brugge, als sconincx brugghe; monniks-kleêren
als munnicx ghewaed. Ook by 't boekstaven hunner eigennamen
handelden zy zoo, en schreven Feddrixma en Haaxbergen, welke namen wy
tegenwoordig beter als Feddriksma en Haaksbergen spellen. In sommige
eigennamen bleef die x tot den dag van heden in gebruik; b. v. in
den frieschen geslachtsnaam Blinxma, dat is Blink-sma, en beteekent:
zoon van Blinke. Deze naam is weêr een verkleinform (Blin-ke) van den
oorspronkeliken mansvóórnaam Blin, die by Förstemann als Blion, Bliun
voorkomt. Verder in de friesche plaatsnamen Boxum, Waaxens, enz. Ook
schreef men voor weinig jaren nog algemeen Boxtel, Axel, Nibbixwoud;
thans meer Bokstel, Aksel, Nibbikswoud, zoo als 't ook beter is. Vooral
in de zuidelike Nederlanden zit die x in menige eigennaam nog vast in
den zadel; b.v. in Dixmude, Exaerde, Sint-Antelinckx, namen die men
in de nieuste spelling ook als Dijksmuiden, Eksaarde, Sint-Antelinks
boekstaaft. En zoo vinden wy in de zuidelike Nederlanden, vooral in
Vlaanderen, die geslachtsnamen, welke eigenlik zijn op ink (inck,
ynck) eindigende patronymika, in den tweeden naamval, meestal met eene
x geschreven; b. v. Bollinckx, Bruyninckx, Cnapelinckx, Daggelinckx,
[16] enz. Ook deze patronymikale geslachtsnamen zijn natuurlik allen
weêr aan mansvóórnamen ontleend. Het zuidnederlandsche Bruyninckx
verschilt slechts in spelling van het noordnederlandsche Bruinings,
maar komt er in oorsprong en beteekenis volkomen mede overeen. De
maagschapsnamen Duerinckx en Tuerlinckx stammen af van eenen en
den zelfden mansvóórnaam; namelik van Dure, Ture, Thuro. Deze naam
was reeds by de Gothen in gebruik--immers Thuro was een gothische
bevelhebber--, en ook het land Thüringen in Duitschland ontleend
zynen naam van dien mansvóórnaam. Tuerle, de naamsform die aan het
patronymikon Tuerlinckx ten grondslag ligt, is oorspronkelik anders
niet als een verkleinform (Turlyn) van Ture. Ook in Friesland treffen
wy dezen ouden mansvóórnaam nog aan in geslachts- en plaatsnamen. Te
weten in de geslachtsnamen Duursma, Duursema, During en Duurs,
nevens Dürigen en Von Düringsfeldt in Duitschland. Verder in
Duurswolde, zoo als een dorp heet in Opsterland (Friesland), en
eene landstreek in Fivelgo (Groningerland). Düringen is de naam
van een dorp by Bremen. Van den verkleinform Duurke (het zelfde als
Tuerle, maar in andere gouspraak) stamt de groninger geslachtsnaam
Duurkens, en de plaatsnaam Duurkenakker, een gehucht by Muntendam in
Groningerland. De geslachtsnamen Cnapelinckx, Hebbelynckx, Ratinckx,
of liever de mansvóórnamen die er aan ten grondslag liggen, zijn op
bl. 41, 42 en 37 reeds besproken. Hellynckx en Hellinckx hebben hunne
tegenhangers in de friesche patronymikale geslachtsnamen Hellinga
en Hellenga. Verder in Hellynck, Hellink, Helling en Hellings, en in
den samengestelden maagschapsnaam Hellinghuizer. Al deze patronymika
zijn afgeleid van den oud-germaanschen mansvóórnaam Hello, die in
Förstemann's Namenbuch vermeld wordt, en die tevens oorsprong gaf
aan vele andere geslachts- en plaatsnamen. Te weten aan Hellema en
Helma, Hellen en Helles; aan Hellum, een dorp in Fivelgo, en aan
Helwert, een gehucht by Rottum in Hunsego, beide in Groningerland;
aan Hellingen, een dorp in Luxemburg; aan Hellinghen, een gehucht by
Hérinnes-lez-Enghien in Henegou; aan Hellinghill in Northumberland
(Engelland); aan Hellinghausen, een dorp by Lippstadt in Westfalen,
enz. In Snellinx en in 't eveneens voorkomende Snellings vinden
we het patronymikon van den oud-germaanschen, in Friesland nog
een enkele keer voorkomenden mansvóórnaam Snello, Snel, die ook
oorsprong gaf aan de geslachtsnamen Snellen en Snellens, en,
in verkleinform, aan Sneltjes, alle drie tweede-naamvalsformen,
en zoon van Snello beteekenende. Ook aan de plaatsnamen Snelleghem
(dat is eene samentrekking van Snelling-hem, Snellinga-heim) een
dorp in West-Vlaanderen, en Schnellingen, een dorp by Hasslach in
Baden. Eenen tegenhanger van den vlaamschen geslachtsnaam Surinx
vinden wy in den frieschen, in Groningerland inheemschen geslachtsnaam
Suringa. Verder in Sühring, dat ik te Bremen vond; in het geldersche
Surink; in 't afgesletene, te Antwerpen voorkomende Suerickx (dat is
oorspronkelik ook Suerincks); en hoogst waarschijnlik ook in het nog
meer versletene Sury en Surie. In den samengestelden geslachtsnaam
Suringbroek komt dit patronymikon almede voor. En Süren en Suersen,
namen van buitenlandschen, westfaalschen en noordfrieschen oorsprong,
maar die ook in Nederland voorkomen, zijn eveneens patronymika van den
ouden, buiten gebruik gestelden mansvóórnaam Suur, Sure. Deze naam
is slechts eene samentrekking van den vollen form Suder, Sudhari,
een oud-germaansche mansnaam, die blykens de hedendaagsche friesche
geslachtsnamen Zuiderma en Zuidersma oudtijds ook door Friesen gedragen
werd. De stamform van den mansnaam Sudhari (Suder, Sure) is Sudo,
die in Förstemann's Namenbuch vermeld wordt, en oorsprong gaf aan
de friesche geslachtsnamen Sudinga (in Oost-Friesland inheemsch),
Zuidinga (in Drente), Suiding, Suydema, Suidema en Zuidema, allen
patronymika. Het patronymikon van den mansnaam Sudhar vind ik reeds
in de middeleeuen, ook in Vlaanderen; Laureins Zuerinc was een poorter
van Brugge, ten jare 1320 [17].

In eene oude oorkonde vind ik nog dat ten jare 1328 zekere Jan
Geylincx burger was der stede Geraertsbergen in Vlaanderen. Dat jaartal
moet ongeveer de gemiddelde tijd voorstellen waarin deze zonderling
geformde dubbelde patronymika eerst opgekomen zijn. In de zuidelike
Nederlanden mag dit ook nog wel eene eeu vroeger voorgekomen wezen,
even als in de noordelike gewesten eerst een honderdtal jaren later.

§ 20. Eene kleine groep van geslachtsnamen wordt geformd door
eenige oude patronymika, die vóór den oorspronkeliken mansvóórnaam,
waarvan zy afgeleid zijn, nog een voorvoegsel vertoonen, bestaande
uit de woorden groot of klein, oud of nieu. B. v. de geslachtsnamen
Grootnibbeling, Kleinstarink, Oudewesseling, Nyemanting, ook wel, en
beter, Groot-Nibbeling, Klein-Starink, Oude-Wesseling, Nye-Manting
geschreven. Deze geslachtsnamen zijn niet onmiddellik ontleend
aan patronymika, die als toenamen van personen in gebruik waren,
zoo als dit met alle andere tot hier toe vermelde patronymikale
geslachtsnamen wel het geval is. Zy zijn onmiddellik ontleend aan
de namen van boerenerven of hoeven; en eerst in de tweede plaats of
middellik aan de oude patronymikale toenamen der geslachten welke
deze erven in eigendom bezaten en bewoonden. Zie bl. 23. Het ontstaan
dezer geslachtsnamen had op de volgende wyze plaats. De boer Gerlof
Eitinge, die zynen patronymikalen toenaam ontleende aan den naam van
zynen voorvader Eite, en die, even als zyne voorouders, geslachten en
geslachten vóór hem, het erve Eitinge, zoo genoemd naar den eigenen
toenaam van zijn geslacht, in eigendom bewoonde,--die drentsche boer
Gerlof Eitinge had twee zoons. De oudste daar van erfde, naar vaste
zede, die voorouderlike bezitting. Maar, ten einde den jongsten zoon,
wien hy misschien eene byzondere liefde toedroeg, eenigszins schadeloos
te stellen, nam de oude Gerlof nog by zijn leven een deel van de
landeryen af van het oude erve, boude daar op een huis, en schonk
dit nieue gedeelte dien tweeden zoon. Nu waren er twee afzonderlike
landhoeven Eitinge naast elkanderen; beiden ook door eenen Eitinge
bewoond. Niets natuurliker dus, dan dat men, ter onderscheiding,
het eene, het oorspronkelike erve met den naam Groot-Eitinge noemde,
en aan het andere den naam Klein-Eitinge gaf. En deze namen gingen
van de hoeven weêr zeer gereedelik over op de bewoners er van, die
beiden oorspronkelik reeds Eitingen waren, maar nu Albert Gerlofs
Groot-Eitinge en Meindert Gerlofs Klein-Eitinge genoemd werden. Of
een andere (ditmaal een geldersch- of liever zutfensch-saksische
boer, noemen we hem Garrit Bekkink) ontgon een heideveld dat aan
zyne landeryen paalde. Hy boude daar een huis, en richtte alles tot
eene nieue hoeve in, voor eenen zyner zonen, om de zelfde reden als
boven opgegeven is. Natuurlik moest die nieue hoeve ook den ouden
naam Bekkink dragen; ze was immers, als 't ware, een uitvloeisel van
het oude erve Bekkink, en werd ook door eenen Bekkink bewoond. Maar
ter onderscheiding noemde men het eene erve Oud-Bekkink, het andere
Nieu-Bekkink, en ook deze namen gingen weldra op de bezitters dier
hofsteden en op hun nageslacht als vaste toenamen over.

Het getal dezer eigenaardige geslachtsnamen is niet groot, en
zy zijn slechts in de saksische gouen van ons land, in Drente,
Twente en de graafschap Zutfen inheemsch. In Friesland komen oude
patronymika, met de voorvoegsels oud en nieu, groot en klein, en
door de zelfde of soortgelyke oorzaken, als hier boven vermeld is,
in het leven geroepen, ook wel voor als namen van staten en saten,
van edelmans- of boerenerven; b. v. Groot-Aysma, Klein-Donia,
Oud-Hemminga en Ny-Hemminga, enz. Maar zulke plaatsnamen, met die
voorvoegsels verbonden, zijn dáár nooit als toenamen van personen in
gebruik gekomen, noch tot vaste geslachtsnamen geworden, zoo als in
de saksische gouen wel het geval geweest is.

De volgende geslachtsnamen stellen deze groep samen: Olden-Banning,
Nyen-Banning, Ool-Bekkink. [18] De formen old en ny in deze namen, in
plaats van oud en nieu, geven getuigenis van het volk van saksischen
stam, waar by deze namen eerst ontstonden.--Ool, by Ool-Bekkink,
beeldt de eigenaardige uitspraak af van het woord old, zoo als dat
by eenige saksische stammen, aan de oostelike grenzen van ons land
gezeten, gebruikelik is; zie § 156.

Al deze patronymika zijn weêr van oud-germaansche mansvóórnamen
ontleend. By de namen Olde-Bronninge, Ny-Hoving, Olden-Huising
zoude men misschien wel aan eene oude bron of put, aan een nieu
hof of een oud huis denken. Toch schuilen ook in deze namen
echte mansvóórnamen. Huising van Huso is op bl. 29 en 30 reeds
besproken. Bronninge en Hoving komen van Bronno en Hove, Houe, Haue,
namen die in Friesland nog in gebruik zijn, en waarvan ook de friesche
patronymikale geslachtsnamen Bronninga, Hovinga en Hovenga ontleend
zijn, met Bronnema, Bronkema, Bronsema, Brondsema, Brontsema en Brons,
Hoving en Hofma.

Opmerkelik, maar gemakkelik te verklaren is het dat men, naast
bovengenoemde samengestelde patronymika, ook de enkelvoudige formen
dier namen als geslachtsnamen in gebruik vindt. Zoo bestaan in Drente,
nevens Olden- en Nyen-Banning, Nye-Manting, Ny-Hoving, Ny-Huising,
Olden-Wening en Olden-Waving de geslachtsnamen Banning, Manting,
Hoving, Huising, Wening en Waving. Elders weêr nevens Ool-Bekkink,
Klein-Bentinck, Klein-Budding, Olde-Dubbelink, Klein-Starink en
Klein-Ubbink de enkelvoudige namen Bekkink, Bentinck, Buddingh,
Dubbelink, Starink en Ubbink.

Dubbelink, in Friesland als Dubblinga voorkomende, is een patronymikon,
waar van de oorspronkelike mansvóórnaam niet zoo gemakkelik aan te
wyzen is. Die oorspronkelike naam is Dietbolt in oud-saksischen,
Thiebald of Thiebaut in oud-frankischen form; voluit Theodbald. Door
verzachting en afslyting is die naam in den loop der eeuen by
het nederlandsche volk tot Dubbelt, Dubbel, Dobbel geworden. In
Friesland komt hy nog heden ten dage in den form Dubbelt, als mansnaam
voor. Dubbelink (ook eene havesate in Twente draagt dien naam) is
dus een versletene form van 't oorspronkelike Theodbalding.

§ 21. Naast deze groep van patronymikale geslachtsnamen met een
voorvoegsel, bestaat er ook eene groep van zulke namen waar een
aanhangsel achter gevoegd is, en wel 't een of ander gemeen-zelfstandig
naamwoord, meestal huis of hof. Een huis of eene landhoeve,
die soms eeuen lang door één en het zelfde geslacht in eigendom
bezeten en bewoond is, neemt gereedelik den naam van dat geslacht
als eigennaam aan, en wordt dan Meininghuis genoemd of Rogerinkhof,
naar de geslachten Meining of Rogerink, waaraan ze toebehooren. Kwam
nu dit Meininghuis of dit Rogerinkhof later in andere handen, en wel
van iemand die b. v. slechts Evert Janszoon heette, maar die geen
afzonderliken geslachtsnaam had, dan ging de oude naam van huis of
hof wel op den nieuen eigenaar over, en werd hy weldra Evert Jansen
Meininghuis of Evert Jansz. Rogerinkhof genoemd, welke naam dan later
tot een vaste familienaam van zijn nageslacht werd.

Deze patronymikale geslachtsnamen met een achtervoegsel zijn dus,
even als die van de voorgaande groep, eigenlik plaatsnamen en slechts
middellik aan eenen mansvóórnaam ontleend, even als dezen.

Talrijk zijn deze geslachtsnamen in de Nederlanden niet. In Duitschland
komen zy meer voor; b. v. Ellinghaus (als Van Ellinckhuyzen in
Nederland voorkomende), Bellingrath, Collinghorst. En nog veel meer
in Engelland: Bolingbroke, Carlingford, Paddington, Elkingham. De
volgenden zijn my in de Nederlanden voorgekomen: Barlinckhoff,
Bruyninghuys, Bruininkweerd. [19] Deze namen zijn allen met ware
patronymika samengesteld, die wel geen naderen uitleg behoeven, na
alles wat daaromtrent reeds is medegedeeld. De byzondere schrijfwyze
van den naam Gussenklo, die op redelike gronden niet verdedigd worden
kan, dankt haar ontstaan aan den wensch om de lettergrepen van dezen
naam wel te onderscheiden, om wel te doen uitkomen dat het Gussenk-lo
is (Gussink-loo ware nog beter), en niet iets anders, b. v. Gussen-klo;
wat trouens ook geen verstandig mensch zal meenen. Zie bl. 33.

§ 22. Eene kleine groep van nederlandsche geslachtsnamen omvat oude
vadersnamen met eenen latynschen uitgang. Van dezen noemen wy:
Gardingius, Grevinchovius, Hachtingius. [20]--Grevinchovius is
verlatynscht van Grevinkhof, een geslachtsnaam tot de voorgaande
groep behoorende. Over Hachtingius zie men bl. 34; over Hallungius
bl. 36 en 42. Hundlingius heeft den oud-germaanschen mansvóórnaam
Hundo, Hunt, Hont tot oorsprong, en wel in verkleinform als Hundle,
Hondelyn. Van Hundle, Hondele zijn ook nog de geslachtsnamen Hondelink,
Hündling en Hondela, de twee laatsten in Oost-Friesland voorkomende,
afgeleid. En van den mansnaam Hunt in zynen oorspronkeliken form:
de geslachtsnamen Hondinga in Groningerland (Hondinga-sate is te
Pieterburen in Hunsego), misschien ook het verlatynschte Hondius in
Holland, Hunting in Friesland en Engelland, met Hunding en Huntington
eveneens in Engelland. En van de zeer talryke plaatsnamen van dezen
ouden mansnaam afgeleid, noemen we slechts Hondeghem (Hondinga-heim),
een dorp in Fransch-Vlaanderen; Hunting, een dorp in Lotharingen;
Huntingdon in Engelland; Hündlingen, een dorp in den Elsasz, enz.

§ 23. In de oude friesche taal gaan vele woorden, die in de andere
nederlandsche talen en tongvallen, 't zij dan saksische of frankische,
op eene toonlooze e eindigen, of ook zonder openen uitgang zijn, op
eene a uit. Zoo luidt ook de uitgang ing (inge, ink) der vadersnamen,
die overigens aan alle nederlandsche gouspraken, ja aan alle andere
germaansche talen eigen is, in het Friesch als inga. En deze a is ook
geheel het eenige wat de friesche patronymika onderscheidt van andere
vadersnamen, in de andere nederlandsche gewesten voorkomende. Even
als dezen zijn de friesche patronymika louter van mansvóórnamen,
natuurlik meest van friesche mansvóórnamen afgeleid. Even als dezen
komen ze ook heden ten dage voor in verschillende spellingen, en op
verschillende wyzen saamgetrokken of versleten. Ook zijn de friesche
vadersnamen van zeer ouden oorsprong. Reeds in de 9de eeu vinden
wy het geslacht Cammingha, nog heden bestaande, vermeld. Intusschen
zulke patronymika zijn ongetwyfeld nog veel ouder.

De oude friesche patronymika zijn in grooten getale als hedendaagsche
geslachtsnamen in leven en gebruik gebleven. Zy zijn over de geheele
hedendaagsche provincie Friesland verspreid. Tot dat gewest uitsluitend
beperkt, zijn zy echter geenszins. Even als de andere friesche op
a eindigende geslachtsnamen (nieuere patronymika en andere formen)
komen ze even zeer voor in de oud-friesche landstreken tusschen
Lauers en Eems en Weser, in het hedendaagsche Groningerland en
Oost-Friesland. Daar zijn deze namen van ouds her even zoo inheemsch
en volkseigen als bewesten Lauers. In laatstgenoemde landstreek (het
nederlandsche Friesland) zijn ze niet gelijkmatig over het geheele
land verspreid. In Oostergo en Westergo komen zy veel talryker voor
dan in de Zevenwouden.

Hier volgen eenige oud-friesche vadersnamen, die allen den zuiveren
ouden form op inga eindigende, vertoonen: Abbinga, Benninga, Bottinga
[21]. Deze namen komen, met zeer vele anderen soortgelyken, nog heden
als geslachtsnamen in de friesche landstreken van Nederland voor, en
zijn ook allen ontleend aan mansvóórnamen, die nog heden by de Friesen
in volle gebruik zijn. B. v. aan Abbe, Benno (Binne) (zie bl. 28),
Botte, Gau (meest in verkleinform als Gauke, Gouke voorkomende),
Ubbo of Obbe, enz.

Eenige friesche geslachtsnamen op inga uitgaande, stammen van
mansvóórnamen af, die geenszins zoo gemakkelik zijn aan te wyzen
als by de bovenvermelde namen het geval is. De mansnamen waar de
volgende vadersnamen van zijn afgeleid, komen of slechts in zeer
versletenen form voor, of ze zijn by de Friesen in het geheel
niet meer in gebruik. Zulke geslachtsnamen zijn b. v. Eckringa,
Folkeringa en Folkringa, Kleveringa en Cleveringa [22]. Eckringa is
voluit Eckhardinga, en afgeleid van den mansnaam Ekhart, Ekkehart,
Eckart, die in Duitschland nog wel in gebruik is.--Folkringa is
oorspronkelik Fulkhardinga, van Fulkhart, Folkert.--Kleveringa en
Cleveringa is saamgetrokken en versleten van Klefhardinga, het friesche
patronymikon van den oud-germaanschen mansnaam Klefhart, Cleffehart,
die weêr eene samenstelling is van den nog ouderen enkelvoudigen naam
Cleffo, Claffo en van den naamstam Hart. Even als Fulkhart (Folkert)
van Fulco (Folke) en Hart; Ekhart (Ekkert) van Ekke, Ecco en Hart;
Rikhart (Richard, Rykaert) van Rico of Rijk en Hart. Hoe oud die
naam Cleffo of Claffo reeds is, kan men in Förstemann's Namenbuch
opzoeken. Hy was reeds by de Longobarden in gebruik. Immers Claffo,
zoo heette de zesde, en Cleph ('t welk de zelfde naam is in eene
andere spelling), de elfde koning van dat oud-germaansche volk. Ook
de beteekenis van dezen naam leert Förstemann te zoeken in het
oud-hoogduitsche woord klaphôn, in het oud-noordsche woord klappa,
waar het begrip van slaan, stooten in ligt opgesloten, en waar ook het
woord anaklaf, dat aanval beteekent, van afgeleid is. Die oude woorden
hebben dus eene krijgshaftige beduidenis. Maar ook het hedendaagsche
woord kleven, ofschoon nu slechts in eene zeer gewyzigde beteekenis
in gebruik, zal er wel oorspronkelik mede samen hangen. Van den
mansnaam Klefhart, Klevert zijn niet enkel de twee bovengenoemde
byzonder-friesche patronymika ontleend, maar ook de vadersnamen
in algemeenen form Klevering en Clevering, benevens het nog meer
samengetrokkene Cleringa en Klering, alle vier nog hedendaagsche
geslachtsnamen. Opmerkelik is het dat al deze zes zoo na verwante
geslachtsnamen in Groningerland inheemsch zijn. Zeer waarschijnlik
stammen al deze nu verschillende geslachten van één en het zelfde
oorspronkelike geslacht Klefhardinga af, en dus ook van één en den
zelfden stamvader Klefhart, die dan de eerste grondvester was van de
sate Cleveringa-heert te Uithuizen in Hunsego. Het schijnt dat een tak
van dit oud-friesche geslacht, of misschien een enkele man er van,
deelgenomen heeft aan den gemeenschappeliken uittocht van Angelen,
Saksen en Friesen naar Groot-Brittanje. Wy vinden althans dit zelfde
patronymikon, in den form Clavering, nog heden ten dage als de naam van
een engelsch geslacht. Van Cleffo is de hedendaagsche geslachtsnaam
(friesch patronymikon in nieueren form) Kleefsma ook afkomstig,
en van den verkleinform Kleefke de geslachtsnaam Kleefkens. Deze
zelfde mansnaam gaf ook oorsprong aan den plaatsnaam Kleffens (dat is
waarschijnlik eene samentrekking van Kleffingen), zoo als een gehucht
heet by 't dorpke Raart in West-Dongeradeel by Dokkum. En weêr door
middel van dien plaatsnaam aan den naam van het in Oostergo gezetene
geslacht Van Kleffens, waar van de voorouders, omstreeks het midden
der vorige eeu, als landeigenaars op de sate Kleffens woonden, en toen
dien geslachtsnaam aannamen. Nog zijn my als plaatsnamen, aan den
mansnaam Klefhart ontleend, bekend: Cleverns, een dorp in Jeverland
(Oldenburger Friesland); Klieverink, eene havesate by Oldenzaal in
Twente, en Kleverskerke, een dorp op 't eiland Walcheren.

Dat de geslachtsnaam Vitringa het patronymikon is van eenen
mansvóórnaam die niet slechts tot onkenbaarheid toe versleten en
ingekrompen, maar die tevens verkeerd gespeld is, blijkt uit de
letter v, waarmede deze naam begint. Die v is, als beginletter
van eenig woord, in de friesche taal volkomen onbekend. De Friesen
kunnen die letter op die plaats in het geheel niet uitspreken. Als
beginletter spreken zy, en schryven dus zeer te recht ook, eene f,
waar de Hollanders en andere Nederlanders eene v noemen; nederlandsch
vrede = friesch frede; nederl. vel = fr. fel, enz. Maar zoo wy
Vitringa al tot Fitringa maken, dan komen we geen stap nader tot
oplossing van de vraag, welke mansvóórnaam ten grondslag ligt aan dezen
vadersnaam. Liever verwisselen we dus die onmogelike v met eene w, en
denken dat misschien een geleerde man, uit dit geslacht gesproten, drie
eeuen geleden, zynen naam Witringa tot Vitringa heeft verlatynscht. Die
germaansche w immers is geen latynsche letter, maar werd wel, waar
men een germaansch woord dat onmogelik vertaald kon worden, in het
Latyn wou schryven, met eene v verwisseld. En Witringa is, door
vergelyking met Eckringa van Ekkehart en Folkringa van Fulkhart (zie
bl. 54) te verklaren als Withardinga, het patronymikon van Withart,
of als Witheringa (de e haast niet te laten hooren) het patronymikon
van Wither, Witheri, oud-germaansche mansvóórnamen.

By Kruisinga, Musschenga, Plantinga zou men oppervlakkig eerder
denken aan eene afleiding van de gemeen-zelfstandige naamwoorden
kruis, musch en plant, dan aan mansvóórnamen. Dat echter ook deze
geslachtsnamen echte patronymika zijn, aan mansnamen ontleend,
lijdt by my geen twyfel, al kan ik dan die oorspronkelike mansnamen
uitvinden noch aantoonen. Over Musschenga en Muischenga hebben de
heer P. Leendertz Wz. en ik zelve in het tijdschrift De Navorscher,
dl. XXVII, bl. 78 en 80, en dl. XXVIII, bl. 75, het een en ander te
berde gebracht. Om herhaling en te groote uitvoerigheid te myden,
verwijs ik den belangstellenden lezer dus dáár heen.--Dat Plantinga
en Kruisinga ware oude vadersnamen zijn, blijkt my uit zoo menige
andere nederlandsche geslachtsnaam, die van den zelfden mansvóórnaam
afgeleid moet zijn. Nu er zoo vele geslachtsnamen (oude en nieue
patronymika in allerlei formen) bestaan, waaraan dit zelfde Kruse
en Plant ten grondslag ligt, kan het niet missen of dit zijn in
der daad mansvóórnamen geweest. Die geslachtsnamen zijn Kruizenga,
slechts in spelling van Kruisinga verschillende, even als Kruisink
en Kruissink. De naam Kruisinga wordt in de friesche streken van ons
land natuurlik als Krusinga uitgesproken, en in de friso-saksische
en Saksische als Kroesinga, eigenlik Krusinga met hoogduitsche
u. Van daar dat in Drente deze geslachtsnaam in den form Kroezinga
voorkomt. Verder de patronymika (in nieueren form) † Cruisema (het
huis Cruisema is by Hoogkerk in het Westerkwartier van Groningerland),
Kruysse en Cruyce.--Behalve Plantinga, Plantenga en Van Plantinga
zijn my nog bekend de geslachtsnamen Plantema, Planting, Planten,
Plantinus († Plantyn te Antwerpen), die allen van eenen mansvóórnaam
Plant moeten afstammen.

§ 24. Even als by sommige geslachtsnamen de patronymikale uitgang
ink in enk veranderd is (zie bl. 36), zoo wordt ook by friesche
patronymikale namen de uitgang inga wel als enga geschreven. Maar
terwijl deze verwisseling van i in e elders zeer zeldzaam is, komt
ze in Friesland juist dikwijls voor. In Friesland maken de namen die
op den verbasterden form enga uitgaan, in getal wel de helft uit van
de namen die op den oorspronkeliken form inga eindigen. Een ander
verschil dan in spelling bestaat er overigens niet tusschen deze
twee namengroepen. Als voorbeeld van zulke enganamen noemen wy de
volgenden: Boyenga (vergelijk Boyunga op bl. 59), Bonnenga, Douwenga
[23]. Een groot deel van deze namen is ontleend aan mansvóórnamen
die nog heden by de Friesen in volle gebruik zijn. Namelik aan Boie,
Bonne, Douwe, Enno, Homme, Jette (komt meest in verkleinform voor
als Jetse, eigenlik Jet-tse, friesch ts, tz = k), Libbe, Minne,
Namme (ook meest in verkleinform als Nammele), Offe of Uffo en
Wale.--Veenenga komt, met de geslachtsnamen Veninga, † Venia,
Veenje, Feninga (de beste form), Fenenga, Fenega, Feening, Fening,
Veenink, Venink, allen vadersnamen in verschillende formen, van
eenen ouden mansvóórnaam Fene, die waarschijnlik oorspronkelik één
is met den oud-germaanschen mansnaam Fin, in Förstemann's Namenbuch
vermeld.--Grimmenga komt van den mansvóórnaam Grim, die tegenwoordig
in Nederland als zoodanig uitgestorven is, maar toch oudtijds onder de
germaansche volken in gebruik was. Grimmink en Grimminck, de saksische
formen van dit patronymikon zijn ook nederlandsche geslachtsnamen,
even als de enkelvoudige naam Grim ook. Grimmens, zoo heet een
gehucht by Grootkerk of Hohenkirchen in Wrangerland (Oldenburger
Friesland); Grimminghe is een dorp in Oost-Vlaanderen; Grimminghausen,
een dorp by Herford in Westfalen, en Grimsthorpe in Lincolnshire,
Engelland.--Ruidenga is denkelik eene verhollandsching van Ruudinga,
en dit weêr eene verbastering van Ruurdinga, het patronymikon van den
frieschen mansvóórnaam Ruurd (Ruwart), waarin de Friesen de tweede
letter r niet uitspreken.

§ 25. Zoo als reeds een paar malen hier boven gebleken is, komen
sommige friesche patronymikale geslachtsnamen in de beide formen
voor, zoowel met inga als met enga; b. v. Bottinga en Bottenga,
Dallinga en Dallenga, Fellinga en Fellenga, Havinga en Havenga,
Kempinga en Kempenga, Oostinga en Oostenga. Dit is in der daad zoo
veelvuldig het geval dat het allen schijn heeft als of telkens twee
geslachten, die toevallig het zelfde patronymikon als geslachtsnaam
hadden, by onderlinge overeenkomst, ter onderscheiding, het ééne
geslacht den éénen form, het andere geslacht den anderen form zich
had toegeeigend. Het onderscheid tusschen inga en enga blijkt dan
ook slechts in geschrifte. By 't spreken is het niet hoorbaar, ten
zy men het dan met opzet wil laten hooren.

§ 26. Andere byformen van 't oorspronkelike inga komen by de friesche
geslachtsnamen weinig of niet voor. De oude schrijfwyze als ingha,
vroeger algemeen in gebruik, komt tegenwoordig nog slechts voor by drie
namen. Te weten by Van Buttingha, Van Cammingha en Van Julsingha,
die toevallig alle drie het voorzetsel van by zich hebben. Door
hoogduitschen invloed is in Oost-Friesland het oorspronkelike
inga een enkele maal in unga overgegaan; b. v. Boyunga, Hayunga,
Sajunga. Maar binnen de nederlandsche grenzen heb ik dezen form niet
ontmoet. Het friesche ingha en unga komt natuurlik geheel overeen
met de uitgangen ingh, inge, inghe en ung by andere patronymika;
zie bl. 32-37. Patronymikale geslachtsnamen, in den tweeden naamval
(zie bl. 44), komen onder de friesche namen niet voor. Maar wel zijn er
eenigen, die het voorzetsel van by zich hebben. Oorspronkelik behoort
dit voorzetsel voor geen ééne friesche geslachtsnaam te staan. Het past
er niet by. Het is eene tegenstrydigheid. Aleen in zooverre als men
deze namen beschoud als plaatsnamen, als namen van staten en saten,
en er dan van voor plaatst, geven zy eenen drageliken zin. Immers die
staten en saten, die den patronymikalen naam dragen van het geslacht,
dat er eerst in eigendom op gezeten was, b. v. Hottinga-state,
Wallinga-sate, Wetsinga-sate, worden in de wandeling ook wel genoemd
zonder dat woord state of sate er achter, even als ook in Twente
en de graafschap Zutfen de vrye boerenerven zulke patronymika als
namen dragen; zie bl. 23. De Friesen zeggen dus ook wel: »Ik ga naar
Hottinga", of »ik woon op Wallinga", of »dou bist up Wetsinga berne"
(gy zijt op Wetsinga geboren), en verstaan daar dan Hottinga-state,
Wallinga-sate en Wetsinga-sate onder. En op die wyze kunnen ook de
friesche geslachtsnamen met van er voor, ontstaan zijn, en door
lieden aangenomen, die, ofschoon oorspronkelik geen Hottinga's
of Wallinga's zijnde, op de staten of saten dier oude geslachten
woonden of gewoond hadden. En waar zulke patronymika met van er voor,
de hedendaagsche namen zijn van oud-adellike friesche geslachten,
b. v. Van Cammingha, Van Eysinga, daar is dit van een byvoegsel van
lateren tijd, toen men dit voorzetsel, door hoogduitschen invloed,
als een kenmerk van adeldom beschoude. Want oorspronkelik past van
voor geen friesche geslachtsnaam, ten zy dan voor eenen frieschen
plaatsnaam (Van Kleffens, zie bl. 55). Behalve de bovengenoemde
namen behooren tot deze groep nog de geslachtsnamen: Van Aldringa,
Van Andringa, Van Hasinga, Van Hettinga, Van Hottinga, Van Idsinga,
Van Wallinga, Van Wetsinga, enz. Grootendeels komen deze namen
ook zonder dat overtollige van, als geslachtsnamen voor: Andringa,
Hottinga, Hettinga, Idsinga. Het patronymikon van den nog heden by de
Friesen in volle gebruik zijnden mansnaam Eise vooral komt in velerlei
formen als geslachtsnaam voor; als Eisinga, Van Eysinga, Eisenga,
Van Eisenga, Eizenga, Van Eizinga, Eising, Eisink en ook Eysinger;
zie bl. 26. Buitendien bestaan nog de patronymikale maagschapsnamen,
in nieueren form: † Eyssema, Eizema en Eisma, Eissen en Eises, met
het verlatynschte Eyssonius. En de plaatsnamen Eisink, een gehucht
by Haren in Groningerland; Eisinghusen, een gehucht by Loppersum,
en een ander by Nüttermoor, in Oost-Friesland; Eysinghem, een dorp
in Zuid-Brabant; Eisingen, een dorp by Pforzheim in Baden, enz.

§ 27. De patronymikale geslachtsnamen, tot hier toe vermeld,
vertoonen allen, in hunne uitgangen, volle formen, al zijn die formen
onderling dan ook nog zoo verschillend. Maar by eenige hedendaagsche
geslachtsnamen, oorspronkelike patronymika, zijn die volle formen
versleten. By namen die voor verre weg het grootste gedeelte,
reeds zoo overoud zijn als dit by de ware patronymika het geval
is, kan het geenszins bevreemding wekken, dat zy niet allen in
hunne volle, oorspronkelike formen tot op onzen tijd in 't leven
gebleven zijn. Integendeel, 't is eerder byzonder, dat het altijd
maar een zeer klein gedeelte is van het groote getal patronymikale
geslachtsnamen, dat zoo in versleten staat tot ons gekomen is. De
geslachtsnamen Heenk en Oonk b. v., ook Bonga met Van Bonga, en
Sinnighe zijn zulke versletene formen. By Heenk en Oonk is eene d en
eene i verloren gegaan, by Bonga de lettergreep nin, by Sinnighe en
Sinnige eene n. Want deze namen zijn oorspronkelik en voluit Hedink,
Odink, Bonninga en Sinninghe geweest. Zie hier nog eenige andere
geslachtsnamen tot deze groep behoorende, met de volle formen er
achter: Beddigs (Beddings); Bennigsen (Benningsen--zie bl. 28 en 44);
Diegerick (Diegerink; de geslachtsnaam Deegerink is slechts een andere
form hier van). [24] Moeieliker te verklaren zijn de geslachtsnamen
Banga, Tjeenk en Swynga. Oppervlakkig zoude men Banga wel houden voor
eene samentrekking van Banninga, aan den mansvóórnaam Banne ontleend,
die ook aan de geslachtsnamen Banning, Olden-- en Nyen-Banning (zie
bl. 50), Bannema en Bans ten grondslag ligt, en even als ook Bonga
uit Bonninga is saamgetrokken. Dat Banga echter niet van Banninga,
niet van den mansnaam Banne komt, maar van den mansnaam Baue--dat deze
geslachtsnaam versleten is uit het oorspronkelike Bauwinga of beter
Bauinga, blijkt uit den form Bawnga, waar onder deze naam voorkomt in
eene oorkonde, die in de friesche taal opgesteld is en van 't jaar
1493 dagteekent. [25] In deze oorkonde wordt één en de zelfde man,
die in een ander stuk van het jaar 1489 [26] Douwa Banga heet, Douwa
Bawngha genoemd. Er komt in Friesland nog een andere eigennaam voor,
waarin het oorspronkelike patronymikon Bauinga tot Bang versleten is;
te weten de naam van het dorp Bangstede, tusschen Emden en Aurich
gelegen. Dit dorp heet oorspronkelik Bauingastede, de stede, de
woonplaats der Bauinga's, der Bauingen of Bavingen, der zonen en
afstammelingen van den man die Baue of Bavo heette. Op eene oude
landkaart van Oost-Friesland, van Ubbo Emmius, uit het laatst der
16de eeu, staat dit dorp nog als Bavestede of Bauestede vermeld. Dat
de nog hedendaags by de Friesen in volle gebruik zijnde mansnaam Baue
(Bauwe) in het middeleeusche monnikenlatyn als Bavo werd geboekstaafd,
is bekend. De heilige Baue is als St. Bavo de patroon van de steden
Aardenburg, Gent en Haarlem. En deze zelfde mansnaam heeft nog aan zeer
vele andere geslachtsnamen oorsprong gegeven, om niet te spreken van de
talryke plaatsnamen die er van afgeleid zijn. Die geslachtsnamen zijn:
† Bavinga, † Bauwenga, † Bavema, Bauma, Bauwes, allen in Friesland;
Bange, saamgetrokken van Bauinge, als Banga van Bauinga; Bavink,
in Engelland als Baving voorkomende, Bauwen, Bauwens, Baafs, Baefs,
Baafse, en het verlatynschte Bavius.

De geslachtsnaam Tjeenk is moeielik te verklaren. Ik waag dien
aangaande de volgende gissing. Zoo die gissing juist is, dan is Tjeenk
niet slechts een zeer oud patronymikon, maar ook een zeer byzonder,
als vertoonende zoowel friesche als saksische formen. Tjeenk is dan
naar myne meening, eene samentrekking van Tjedink, en dit weêr een
door klankwyziging veranderde form van Tjadink, Tjading, Thiading,
Thiadinga, het friesche patronymikon van den oud-frieschen mansnaam
Thiad, die door de Friesen als Tjaad, Tjade wordt uitgesproken, en,
onder dien form, nog wel als mansnaam by hen in gebruik is. Deze
naam Tjaad, Tjade moet niet verward worden met den eveneens nog
zeer gebruikeliken frieschen mansnaam Tjaard (ook wel Tjeerd),
die door de Friesen ook zonder r, als Tjaad wordt uitgesproken,
maar oorspronkelik een andere naam is, eene samentrekking van
den samengestelden mansvóórnaam Tjadert, Thiadhart. Van dezen
eerstgenoemden mansnaam Tjade is ook de geslachtsnaam Tjaden (een
tweede-naamvalsform) afgeleid. Die byzondere samenvoeging van een'
frieschen voornaam en een' saksischen patronymikalen form in één en
den zelfden geslachtsnaam, weet ik anders niet te verklaren dan door
aan te nemen dat een Fries, die het patronymikon Thiadinga, Tjadinga
als toenaam voerde, zich buiten zijn vaderland onder eene saksische
bevolking vestigde, waar zijn naam, door den invloed van het saksische
taaleigen zyner nieue landgenooten, al spoedig de kenmerkende a als
uitgang verloor en de saksische klankwyziging aannam, dus eerst
Tjading, dan Tjäding, dan Tjeding werd, allengs ook nog meer den
saksischen form als Tjedink vertoonde, om eindelik tot Tjeenk te
verslyten. Dit gaat alles zeer geleidelik, en druischt, zoo ver
ik weet, tegen geene taalwetten in. Maar dit alles is gissing. Die
't beter weet mag het zeggen!

De geslachtsnaam Swynga is eene samentrekking van Swyninga,
het patronymikon van den frieschen mansvóórnaam Swyn, Swine. Men
verwondere zich niet over dezen naam, noch denke dat de oude Friesen
hunne zonen zwyn, varken, noemden. Swine is de byzonder-friesche
uitspraak van den oud-germaanschen mansnaam Swind, Suint, welke
naam vlugheid beduidt. Ons hedendaagsch woord gezwind stamt met dien
naam van den zelfden wortel af. Even als Swyn, Swîn, voor Swind, zoo
zeggen de Friesen ook wîn voor wind, fine voor vinden, Hînljippen,
voor Hindeloopen, enz.

De geslachtsnamen Hoynck en Hoyng behooren ook tot de versletene
patronymika; althans zoo men deze namen met y schrijft. De
eerstgenoemde behoort dan in de groep der yncknamen, die op bl. 42
besproken is, en heeft eene i verloren. Immers is de oorspronkelike
mansnaam waar hy van afgeleid is, Hoi, Hoie, en moet de naam dus
voluit Hoiynck geschreven worden.

Boekstaaft men den naam echter op hollandsche wyze met de
byzonder-hollandsche letter ij, oorspronkelik i i, dan is de naam als
Hoijnck, Hoiinck (Hoi-ink) volkomen. De patronymika Hoying en Hooying,
Hooyenga en Hoyenga, alle vier als geslachtsnamen voorkomende, zijn
oorspronkelik met Hoynck geheel de zelfde namen. Hoynck wordt dikwijls
als ééne lettergreep uitgesproken, alsof oy, oi een tweeklank ware. En
zoo doet men ook by de patronymikale geslachtsnamen Stroink, Schaink
en Spaink. Dit is verkeerd. Die namen zijn uit twee lettergrepen
samengesteld: Hoi-ink, Stro-ink, Scha-ink, Spa-ink; zy dienen ook zoo
te worden uitgesproken. Dat men by dit Hoi en Stro (zie ook bl. 40)
niet aan de woorden hooi en stroo te denken hebbe, kan men in §
168 nalezen. Ook spa van Spaink komt niet van het woord spa, spade,
maar van den mansvóórnaam Spade, die in Förstemann's Namenbuch als
Spatto vermeld is. Over Skade, de mansvóórnaam die aan Schaink ten
grondslag ligt, zie men § 28.

Of de friesche geslachtsnaam Sonnega ook tot de versletene vadersnamen
behoort, meen ik te moeten betwyfelen. Het zoude kunnen zijn, dat
Sonnega oorspronkelik en voluit Sonninga ware, even als Hillega en
Mennega (zie bl. 61) oorspronkelik en voluit Hillinga en Menninga
zijn. Te meer nog, wijl Sonningha de naam van een thans uitgestorven
friesch geslacht geweest is. Toch wil ik hier liever denken aan
den naam van het dorp Sonnega, in Stellingwerf (Friesland), waaruit
het geslacht Sonnega wellicht afkomstig is. Dit ga als uitgang van
friesche plaatsnamen verwarre men niet met den lettergreep ga van
den frieschen patronymikalen uitgang inga. Het eerstgenoemde ga is
eigenlik in het Friesch gea en beteekent dorp; Sonnega = Sonnedorp
(Sonneghem = Sonning-heim is een dorp in Vlaanderen); St. Nicolaasga =
St. Nicolaas'dorp; Oudega = Ouddorp, enz.

Ten bewyze van den ouderdom dezer verbasterde, versletene patronymika,
tevens als bewijs dat zy werkelik uit de volle formen ontstaan zijn,
zy hier nog vermeld dat de oudst bekende der friesche vadersnamen,
nog heden de geslachtsnaam (Van) Cammingha, reeds in oorkonden van
de 13de eeu als Canga, Kanga werd geschreven. [27] Terwijl in een
geschrift van het jaar 1495 een der leden van dit overoude, ja
alleroudste friesche geslacht zynen naam als Kamga boekstaaft [28].

§ 28. Even als de Drenten hunnen eigenen form van patronymika als
geslachtsnamen hebben (zie § 13), zoo hebben zy ook eenen eigenaardigen
form van versletene vadersnamen, die slechts in hun land inheemsch
is. De geslachtsnamen Haange, Luinge (men spreekt natuurlik Luunge,
ook wel Luunje), Schaange, Smeenge, Steenge en Hofsteenge vertoonen
dien byzonderen form. Haange is eene samentrekking van den vollen
form Haninge, het patronymikon van den ouden mansvóórnaam Hano, die
by Förstemann vermeld wordt, en die aan den engelschen geslachtsnaam
Haning, en aan de friesche geslachtsnamen Hanema en Hania eveneens
ten grondslag ligt. Van dezen mansnaam in verkleinform zijn ook de
geslachtsnamen Haantjes, Haentjens, die in alle Nederlanden talrijk
verspreide patronymika, afkomstig.--Luinge is samengetrokken van
Ludinge, het patronymikon van den ouden mansvóórnaam Lude, Lode,
Hlude, Hlode, Chlodo. Het drentsche Ludinge en Luinge is volkomen
het zelfde als het friesche † Ludinga en † Lunia--zie § 29. Luinge
en Lunia worden dan ook beiden wel als Luunje uitgesproken. Oudtijds
bestond in Groningerland een geslacht † Luinga; deze naam staat in
form midden tusschen het friesche Ludinga en het drentsche Luinge
in. Verhollandscht tot Luidinga is dit overoude patronymikon nog een
hedendaagsche geslachtsnaam, even als Luding en Ludink.--Schaange is
voluit Schadinge, van den frieschen mansnaam Scato. De geslachtsnaam
Schaink (Skadink) is de twentsche tegenhanger van den drentschen
naam Schaange.--Smeenge is Smedinge; over dezen naam zal in §
31 gehandeld worden.--Steenge is voluit Stedinge, dat, evenals de
friesche geslachtsnamen Stada, Stadema, Stades, Stedma en Stedes,
en de plaatsnaam Stedum (Steda-heim, woonplaats van Stede), dorp
in Fivelgo, van den mansnaam Stede, Stade, by Förstemann als Stad
voorkomende, ontleend is. Of zoo men deze afleiding niet wil gelden
laten, mag men ook aannemen dat de geslachtsnaam Steenge ontleend
zy aan den naam van het aan Drente palende stellingwerfsch-friesche
gehucht Steginga of Steggenga, by 't dorp Oosterwolde, welke naam in
de friso-saksische gouspraak van Stellingwerf en Drente ook Steenga of
Steenge wordt genoemd.--De oorsprong van den geslachtsnaam Hofsteenge
is my duister. Dat hy zoude aangenomen zijn door iemand »die niet als
zijne buren op een klein erfjen, maar op eene aanzienlijke hofstede
woonde", gelijk Leendertz (Navorscher, dl. XXVIII, bl. 620) meent,
is mogelik, maar komt my toch niet waarschijnlik voor. Liever wil
ik hier aan een patronymikon blyven denken. Het is dus twyfelachtig,
of de beide laatstgenoemde namen Steenge en Hofsteenge wel tot deze
groep van geslachtsnamen moeten gerekend worden, en of zy misschien
niet tot de geslachtsnamen, aan plaatsnamen ontleend, behooren.

§ 29. De Friesen hebben in hunne taal veel eigenaardigs, veel
byzonders. Dit blijkt ook uit hunne eigennamen. Onder hunne
geslachtsnamen zijn vooral die welke op ia eindigen, zeer
byzonder. Deze hebben zulk een vreemd voorkomen, Sinia b. v.,
Runia en Tania, dat niet-Friesen deze namen bezwaarlik als
oorspronkelik nederlandsche geslachtsnamen gelden laten. En toch
zijn ook dit goed germaansche, echt friesche namen. Want het zijn
samengetrokkene, verfloeide, versletene formen van de patronymika,
op inga eindigende. Zoo is Bothnia oorspronkelik en voluit Bothinga,
Bottinga; Sinia is eigenlik Sininga; Tania is Tanninga, enz.

Deze zonderlinge afslyting van inga tot ia, van Sininga tot Sinia,
vond hare eerste aanleiding zekerlik in de byzondere, zachte
uitspraak der friesche g. Eene eigenaardige uitspraak die nog
zoo veel te flauer wordt, wanneer eene n de g voorafgaat, en daar
door de letterverbinding ng geboren wordt, die eigenlik als eene
byzondere, op zich zelve staande letter aan te merken is, zoo als in
den patronymikalen uitgang inga het geval is. Vele woorden, die in
andere germaansche talen met eene g beginnen, hebben in de friesche
taal tot eerste letter eene j. Zoo is het nederlandsche woord geven,
hoogduitsch geben, engelsch to give, deensch give, zweedsch gifva,
in het Friesch jaen, Oud-friesch jeva; zoo is het nederlandsche gave,
gift, in het Friesch jefthe; het nederl. gister, hoogduitsch gestern,
is in 't Fr. jister of jüster, en 't nederl. garen, hoogd. garn, in
't Fr. jern (men spreekt uit als jen); in beide laatstgenoemde woorden
overeenstemmende met het Engelsch, dat de g ook tot j verzacht heeft,
in yesterday en yarn. In den hedendaagschen naam van het dorp Dongjum
by Franeker, oudtijds Dodinga-heim of de woonplaats der Dodinga's,
der Dodingen, der nakomelingschap van Dodo of Doede--heeft, in de
schrijftaal, de oorspronkelike g van het patronymikon Dodinga eene j
naast zich gekregen. In de spreektaal echter is de g volkomen door
j vervangen, want de Friesen spreken dezen dorpsnaam als Donjum,
Doinjum of Dünjum uit; de juiste uitspraak is met nederlandsche
klanken moeielik af te beelden. Even zoo is het met den naam van
het dorp Dedgum (Deddingum, Deddinga-heim, van den mansnaam Deddo),
die steeds als Dedjum uitgesproken wordt; en met den dorpsnaam
Pingjum (Pingia-heim, Pinninga-heim, van den mansnaam Pinne,
Penne), dien de Friesen als Peinjum, zelfs als Peium uitspreken. De
hedendaagsche dorpsnaam Anjum schreef men oudtijds voluit, als Aninghem
(Aninga-heim). Het duidelikste voorbeeld om den overgang van inga tot
ia, van Sininga tot Sinia aan te toonen, levert het woord penning(a)
op, dat in het Friesch als penje, peinje (pennia) uitgesproken wordt,
en in het Engelsch tot penny versleten is. Daarentegen heeft dit
zelfde volle en oorspronkelike woord penning in het hedendaagsche
Hoogduitsch eene n verloren, en is tot pfennig versleten, even als
b. v. de geslachtsnaam Huding tot Hudig (zie bl. 61).

Maar bewyzen te over, dat de friesche g wel als j wordt
uitgesproken. Passen wy deze uitspraak nu ook op de g van inga toe,
dan luidt b. v. Sininga als Sininja. En neemt men dan hier by in
aanmerking dat de volle nadruk by deze patronymika op den eersten
lettergreep valt, en dat de laatste lettergreep slechts eenen
halven klemtoon heeft, terwijl de middelste toonloos is, dan is de
overgang van Sininja tot Sinia waarlik niet groot. Integendeel, zeer
gemakkelik, geleidelik en als van zelven floeiende. En even zoo leidde
't oorspronkelike Bottinga, door d' uitspraak Bottinja tot Botnia of
Bothnia, en Tanninga, door Tanninja, tot Tania.

Dat overigens werkelik en in der daad de geslachtsnamen op ia
eindigende, ontstaan zijn uit die welke op inga uitgaan, blijkt ook
hieruit, dat de naam van 't oude geslacht † Gratinga, Grætinga of
Grettinga (alle drie spellingen komen voor), dat op de nog bestaande
Grettinga-state te Almenum (Barradeel, Friesland) gezeten was, en
waarvan de buurt Gratinga- of Grettinga-buren, by Harlingen, haren
naam ontleend heeft, in oude oorkonden zoo wel Gratinga als Gretnia
genoemd wordt. En even zoo wisselen by één en het zelfde geslacht
de namen Hottinga en Hotnia, Uninga en Unia, Wyninga en Wyngia en
Wynia elkanderen af, in oude geschriften. En eveneens blijkt dit ook
hieruit, dat het geslacht Burmania in eene oorkonde van den jare 1300,
[29] als Burmanninga vermeld wordt. [30]


[ERROR: Contains unhandled entity &metbrev;]
In de middeleeuen, toen de friesche taal hare volle formen op a en ia
(mula = mond, biwaria = bewaren) nog behouden had, en men die uitgangen
nog duidelik, onderscheidenlik uitsprak, toen spraken de Friesen die
samengetrokkene namen Sinia (- &metbrev; -), enz., ook juist zóo
uit, als zy ze schreven, en zóo, als wy ze nu nog schryven. Maar
sedert is de friesche taal verloopen, en heeft hare volle formen
verloren. Sedert de 16de eeu spreekt men niet meer mula, maar mule
(mûle, met hoogduitsche u, ten naaste by als nederlandsch moele dus);
en niet meer biwaria, maar biwarje. En juist zóo is ook de uitspraak
der geslachtsnamen, die op ia eindigen, veranderd en verloopen. Men
spreekt tegenwoordig niet meer voluit Sinia, maar Siinje (Sînje,
Synje, - &metbrev;); niet meer Tania, maar Tanje; niet meer Runia,
maar Rûnje (ongeveer Roenje) en Rüünje. Heden ten dage is dit de
algemeene en gewone uitspraak dezer namen by de Friesen; en dat
deze zelfde uitspraak ook reeds in vorige eeuen bestond, blijkt uit
menige oude oorkonde. Zoo vind ik, al weêr in 't Oorkondenboek van
't leeuwarder St. Anthonij-Gasthuis, in een stuk van den jare 1542,
den geslachtsnaam Donia geschreven als Donye, en in een stuk van het
jaar 1562, als Doenye.--Hania staat in het laatstgenoemde stuk als
Hanye gespeld. Wyngia, in eene oorkonde van 1558, als Wyngie.--†
Ringia, in 1566, als Ryngie; † Fernia, in 1595, als Fernij.--Unia
eindelik, in een geschrift van 1547 [31], als Oenye.

Toch begint deze oude, maar niet oudste uitspraak, die in d'
eigenaardige uitspraak der friesche taal in 't algemeen gegrondvest
is, heden ten dage, in den mond van sommige Friesen weêr te wyken
voor de uitspraak naar de letter. Hollandsche onderwyzers vooral,
die, met de friesche taal volkomen onbekend--dwaas genoeg!--den mond
van friesche kinders gewelddadig naar hunne hollandsche uitspraak
dwingen, zijn hiervan de oorzaak. En zoo hoort men tegenwoordig
de namen Sinia, Tania, Runia wel weêr juist zóó uitspreken als zy
geschreven worden. Maar de meeste Friesen, sliucht end riucht, blyven
voor en na Siinje, Tanje, Rûnje uitspreken.

Tot een ander, tegenovergesteld uiterste zijn die lieden vervallen,
welke deze geslachtsnamen op ia, het eerst zóó geschreven hebben, als
men ze uitspreekt; die dus niet slechts Fiinje spraken, zoo als het
trouens ook goed was en is, maar die ook Fynje schreven. Ten gevolge
van deze slordige, in de vorige eeu meest opgekomene schrijfwyze,
vertoonen sommige oud-friesche patronymika op ia, als hedendaagsche
geslachtsnamen dien leeliken schrijfform op ja en je eindigende. Rynja,
Synje, Bruinje, Veenje, in plaats van Rinia, Sinia, Brunia, Fenia. En
Fynje, verbasterd van Finia, is in Holland nog weêr meer verbasterd in
spelling en uitspraak beide; te weten als Fijnje, gesproken Feinje! Een
gruwelike wanklank in de fijn-gevoelige ooren der Friesen! Maar dwazer
nog als deze verbastering is van het friesche Fininga = Finia tot een
hollandsch Fijnje = Feinje, ergerliker nog heeft men gehandeld door
van den geslachtsnaam Tania, Tanje den schijnbaar-franschen naam Tanjé
te maken. Pieter Tania of Tanje, te Bolswart geboren in 1706, was een
beroemd plaatsnyder (graveur). Hy vestigde zich in Holland, en droeg
daar den naam van Tanjé! Wat een domheid, en wat een kleingeestige
elendigheid, om zóó de Franschen na te apen! Zie § 165.

Door hunnen versletenen toestand getuigen de patronymikale
geslachtsnamen die op ia eindigen, van hoogen ouderdom. En zeer
oud zijn zy in der daad. De Bothnia's, de Burmania's, de Donia's,
de Unia's behooren tot de oudste friesche geslachten, of liever en
beter gezeid: hunne namen behooren tot de eersten, tot de oudsten,
die in de friesche geschiedenis genoemd worden.

In den tegenwoordigen tijd komen geslachtsnamen op ia, ja en
je eindigende, als oorspronkelik inheemsche namen nog slechts
in Friesland, en wel meest tusschen Fli en Lauers, dat is in de
nederlandsche provincie Friesland voor. In de middeleeuen echter waren
deze versletene patronymika ook wel in andere friesche gewesten in
gebruik; b. v. † Mormannia, tusschen Lauers en Eems (Groningerland);
† Boycmonia, Onnia of Onja, † Tongia, tusschen Eems en Weser
(Oost-Friesland), enz. Ja, ook by de Friesen aan de Weser, by de
Rustringer-, Ostringer-, Wranger- en Stedinger-Friesen waren ze in
zwang. En nog heden ten dage treft men onder hunne afstammelingen, de
Friesen in Jeverland, Butjadingerland (Oldenburg), enz. geslachtsnamen
aan als Dorrie, Hamje, Hemmie en Hemje, Hennye, Hobbie, ook, in
den tweeden naamval als Bunnies en Bunjes (tevens ook de volle form
Bunnings) en Jellies. Het lijdt geen twyfel dat deze namen slechts
verbasteringen zijn van de volle formen Dorria of Dorringa, Hammia
of Hamminga, enz. En in der daad komen deze volle formen Hamminga,
Hemminga en Jellinga nog in het nederlandsche Friesland heden ten
dage als maagschapsnamen voor. Even als Hammingh, Hamming en Hammink,
Hemming en Hemmink, Dorring, Henning en Hobbing in andere nederlandsche
gewesten. En allen zijn dit echte patronymika van oud-germaansche,
ten deele nog hedendaagsch-friesche mansvóórnamen afgeleid.

Ook in plaatsnamen vindt men in de oud-friesche gouen aan de Weser
deze oud-friesche patronymika in versletenen form terug; b. v. in
Jelliestede, dat is: Jellia-stede, de stede of woonplaats der
Jellinga's, der Jellingen, der afstammelingen van zekeren ouden Fries
Jelle. Eene sate by 't dorp Grootkerk (Hohenkirchen) in Wrangerland
(Oldenburg) heet alzoo.

Van de vele oud-friesche patronymika op ia eindigende, zijn
de volgenden nog als hedendaagsche geslachtsnamen in leven. De
oorspronkelike, volle formen der patronymika, die ook grootendeels,
zoo niet allen, eveneens nog als friesche geslachtsnamen bestaan,
zijn er by gevoegd tot vergelyking: Bothnia (Bottinga); Brunia en
Bruinje (Bruininga); Burmania, Van Burmania en Burmanje (Burmanninga)
[32] enz. Al deze patronymika zijn ook weêr van oud-germaansche
mansvóórnamen ontleend, waarvan eenigen nog heden by de Friesen als
zoodanig in gebruik zijn; b. v. Botho of Botte, Bruno of Bruin, Dodo of
Doede, Sine, enz. Over Groenia, Groeninga, afgeleid van Gruno, zie men
bl. 29. Over Tania, Tanninga, van Tanno, bl. 39. Over Venia en Veenje,
Feninga, van Fene, bl. 57 en 61. En over Hania, Hanje, Haninga, bl. 65.

Friso, Frise, Frese, Friese, in verkleinform ook als Frieske en
Vrieske, is een oud-germaansche mansvóórnaam, die ook thans nog wel in
gebruik is, hoe wel zeldzaam, en dan nog meest in Friesland. Förstemann
vermeldt hem reeds in zijn Altdeutsches Namenbuch en Wassenbergh en
Leendertz eveneens in hunne lijsten van friesche en nederlandsche
personennamen. Behalve Frisia zijn van dezen mansvóórnaam nog de
volgende patronymikale geslachtsnamen ontleend: Friesenga, Vriesinga,
Vriesenga, Friesinga, Fresing, Friesema, Friezema, †Friesma, Vriesema,
Frezema, Fresema, Fresena, Friesen, Friese en Vriese; verder nog
Friso, en misschien ook, althans in sommige gevallen, Vries en
Frese, benevens het verlatynschte Fresenius, dat oorspronkelik het
patronymikon Fresen is.

Sinia en Synja zijn voluit Sininga, en dit is het patronymikon van den
mansvóórnaam Sine, welke, in dien form en ook als Siene en Syno nog
heden in Friesland in gebruik is. Waarschijnlik vertegenwoordigt deze
naam Sine de byzonder-friesche uitspraak van den oud-germaanschen, door
Förstemann vermelden mansnaam Sind. Aangaande deze byzonder-friesche
uitspraak van dergelyke woorden en namen vergelyke men bl. 63. De
friesche mansvóórnaam Sine, welke dan ook zynen oorsprong zy, ligt nog
ten grondslag aan de geslachtsnamen Syna, Sienema, Sienes, Synen en
Zijnen, allen patronymika in verschillende tweede-naamvalsformen, en
allen nog heden ten dage voorkomende. De laatstgenoemde geslachtsnaam
is slechts eene verhollandsching van den oorspronkelik zuiver-frieschen
form Synen. Ook de plaatsnaam Syns, een gehucht by Hartwert in
Wonseradeel (Friesland), is van den mansnaam Sine afgeleid. En
waarschijnlik is dit ook het geval met den naam van het dorp Synghem
(Sining-hem? Sininga-heim), in Oost-Vlaanderen gelegen.--Over den
hoogst merkwaardigen geslachtsnaam Sminia zal in § 31 nader worden
gehandeld.

Buiten Friesland, in Holland en andere nederlandsche gewesten komen
eenige geslachtsnamen voor, die ik anders niet weet te verklaren dan
door aan te nemen dat het zulke versletene patronymika zijn. Zy zijn
dan zekerlik eigen aan oorspronkelik-friesche geslachten, die hun
vaderland met der woon verlaten hebben. Deze namen zijn Balje, Havie,
Pierie, Schaalje en Schaly, Schoonie, Surie en Sury, Thierie, enz. Zoo
als men ziet, vertoonen deze namen ook de volle kenmerken der geheel
versletene friesche ia- en ie- en jenamen. Balje zal dan zijn Ballia,
Ballinga, het patronymikon van den oud-germaanschen mansvóórnaam
Ballo, Balle, die tevens oorsprong gaf aan de geslachtsnamen †
Ballama en † Ballema, Balma, Balsma en Bals, en aan de plaatsnamen
Ballum, een dorp op 't eiland Ameland, en Ballingham, in Hereford,
Engelland. De in spelling dwaselik verfranschte geslachtsnaam Baljé
(een tegenhanger van den op bl. 69 en 70 vermelden maagschapsnaam
Tanjé) is oorspronkelik eveneens dit patronymikon Balje, Ballia,
Ballinga.--Havie komt ook nog in Friesland in den onversletenen
form Havinga voor.--Pierie acht ik oorspronkelik te zijn Pieringa,
het patronymikon van den mansvóórnaam Pier, die in Friesland en ook
wel in de zuidelike gewesten in gebruik is als eene samentrekking van
Pieter of Petrus, en die tevens oorsprong gaf aan de geslachtsnamen
Piersma en Piers in Friesland, aan Aupiers (zie § 61 en § 156) in
Brabant, en aan Pierson elders voorkomende.--Surie en Sury zijn op
bl. 48 reeds verklaard.--Schoonie is eene verbastering van Schonia of
Schoninga; deze laatste volle form komt nog als geslachtsnaam in de
friesche gewesten voor. De mansvóórnaam die aan dit patronymikon ten
grondslag ligt, is de oud-germaansche naam Schone, Skauni, die door
Förstemann vermeld wordt. In den tegenwoordigen tijd komt deze naam,
althans in de Nederlanden, nog slechts in den vroueliken form, als
Schoontje, voor. Ook oudtijds schijnt deze naam niet zeer verbreid
geweest te zijn. My zijn althans, behalve Schoninga en Schoonie,
geene andere hedendaagsche geslachtsnamen voorgekomen, die tot dezen
mansnaam terug gebracht kunnen worden, dan Schöningh, oorspronkelik
een westfaalsche geslachtsnaam, maar die ook in Holland ingevoerd
is, en den vlaamschen geslachtsnaam Schoentjens. Of de naam van het
oud-friesche geslacht Schunia (in beter friesche spelling Skunia),
voluit Skuninga, ook van Schone, Skauni moet afgeleid worden, wil
ik niet met zekerheid beweren. Deze geslachtsnaam is als zoodanig
onder de hedendaagsche Friesen uitgestorven. Maar hy leeft toch nog
in den naam van het gehucht Skunia-bûren, by Mirns in Gaasterland. Men
verhollandscht dezen naam ook wel tot Schuinjebuurt.

Schaalje is Schalia (Skalia), Schalinga (Skalinga), het patronymikon
van den oud-germaanschen, door Förstemann vermelden mansvóórnaam Scal,
die vroeger in Friesland als Skele (Schele) in gebruik was, gelijk
uit de naamlijsten van Brons en Leendertz blijkt. In den geslachtsnaam
Schaallema (Schalema, of Skalama ware beter spelling) vinden we dezen
ouden mansvóórnaam terug. Misschien ook in Schalekamp. En zekerlik
in Scheelings.

§ 30. In de zuidelike Nederlanden en vooral ook in noordelik en
oostelik Frankrijk, maar ook wel in de andere nederlandsche gewesten,
en tevens in andere germaansche landen (Engelland en Duitschland),
komen geslachtsnamen voor, in grooter of kleiner aantal, die dit
gemeenschappelike vertoonen, dat zy op y uitgaan. Maar ook overigens
vertoonen deze namen veel gelijkformigheid, zoodat men ze tot eene
groep kan samenvoegen. Die gelijkformigheid blijkt vooral uit de
omstandigheid dat men deze uitgang y slechts in ing (ink, inga,
ynck) behoeft om te zetten, om ware patronymika, echt-germaansche
vadersnamen van oud-duitsche mansvóórnamen afgeleid, te verkrygen. Naar
myne meening zijn deze ynamen dan ook anders niet als versletene
ware patronymika, en wel van byzonder-frankischen form, even als
de ia en jenamen versletene patronymika van byzonder-frieschen form
zijn. Door den frankischen oorsprong dezer namen kan het voorkomen er
van hooftsakelik in de zuidelike Nederlanden, gereedelik verklaard
worden. Wijl een goed deel des algeheelen nederlandschen volks van
frankischen oorsprong is, zoo moeten de ynamen wel degelik tot de
nederlandsche geslachtsnamen gerekend worden. Zie hier eenigen van
deze namen tot voorbeeld. De patronymikale geslachtsnamen waar mede
zy overeenkomen, heb ik er achtergevoegd. Bonny (Bonnink, Bonninga
in Friesland, Bonning in Engelland); Borry († Bornia = Borringa in
Friesland) [33]. Deze byzondere overeenstemming in aanmerking genomen,
komt de stelling my niet te gewaagd voor, dat ook deze geslachtsnamen
tot de versletene patronymika behooren, al hoe vreemd, hoe ongermaansch
hun voorkomen thans ook zy. Trouens, de sprong van 't oorspronkelike
Borring tot Borry is niet grooter dan van Borringa tot Bornia, dan
van Bruninga tot Bruinje. Het voorkomen dezer namen in het romaansche
Frankrijk laat zich zeer gereedelik verklaren door aan te nemen dat de
geslachtsnamen op y verbasteringen zijn van de volle patronymika die
als toenamen gedragen werden door de germaansche Franken, Burgundiers,
enz. welke een deel van het hedendaagsche Frankrijk bevolkt hebben,
en er zelfs hunne namen nog aan lieten (Frankrijk, Bourgondie). In
allen gevalle, al vertoonen deze namen nu een vreemd, een romaansch
voorkomen, zy zijn toch zuiver germaansch van oorsprong.

§ 31. Tot besluit van deze verhandeling over de oude patronymika,
dient hier nog eene kleine groep van zeer byzondere geslachtsnamen
vermeld te worden. Deze namen, op ing, ink, inga eindigende, zijn,
wat hun form aangaat, echte patronymika. Maar zy onderscheiden zich
hier in van alle andere patronymika, dat zy niet van mansvóórnamen
afgeleid zijn, maar van woorden, die een beroep of bedrijf of ambt
aanduiden; b. v. Jagerink, Meestringa, Vogeding, van de woorden jager,
meester en voged, voogd, en dus zoon van den jager, nakomeling van
den meester, van den voogd beteekenen. Het ontstaan dezer namen is
gemakkelik te verklaren door aan te nemen dat oudtijds deze of gene
man, door zyne omgeving en tijdgenooten, in het dageliksche leven,
niet by zynen naam genoemd werd, maar by den naam van het bedrijf
dat hy uitoefende, of van het ambt dat hy bekleedde. Deze zaak is
niet vreemd, en geschiedt nog dageliks, en is ook de oorsprong
van al de hedendaagsche geslachtsnamen, als Jager, de Meester,
Voogt, die op zich zelven een ambt of beroep aanduiden. Maar in deze
byzondere gevallen hadden de beroepsnamen zoo volkomen de plaats der
eigennamen ingenomen, dat die eigennamen geheel vergeten en in onbruik
geraakt waren, zoo dat de zonen dezer mannen hunne patronymika niet
ontleenden aan hun vaders vóórnamen, zoo als de regel was, maar aan
hun vaders toenamen. In dit geval, aan de namen van het beroep door
hunne vaders uitgeoefend. Dat de naam van eenig beroep zóó volkomen
den eigennaam van den persoon die dat beroep vervulde, verdrong,
als noodig was om er voor de zonen patronymika van te formen, was
zeker slechts by uitzondering het geval. Van daar ook dat zulke
oneigenlike patronymika als geslachtsnamen weinig voorkomen. My
zijn de volgenden bekend: Beckeringh en Beckering, van becker,
bäcker, bakker; Borchgrevink, van borchgreve, burggraaf; Grevinge,
Greving, Greevingh, † Grevinga, van greve, graaf. [34] Dezen laatsten
geslachtsnaam zou men ook nog van eenen mansvóórnaam kunnen afleiden,
naar dien Grawo in Förstemann's Altdeutsches Namenbuch als zoodanig
vermeld wordt. Behalve de patronymika Grevinge, enz., bovengenoemd,
zijn van dezen zelfden naam nog ontleend de geslachtsnamen Graafsma,
Greven en Greeven, met Grevinchovius (zie bl. 52 en 74); waarschijnlik
ook nog 'S Graauwen; zie § 64. In overeenstemming met den geslachtsnaam
Borchgrevink, waar by aan eenen oorsprong van borchgreve, burggraaf of
slotvoogd, niet getwyfeld worden kan, zoude ik by Greving, enz. liever
aan het woord graaf, dan aan den mansnaam Grawo denken. Grutterink is
van grutter en Maaldrink van maalder, maler, mulder of molenaar. De
friesche geslachtsnaam Meestringa, van meester, kwam oudtijds ook in
eenen anderen, meer saksischen form voor: zekere Johan Meisterinck toch
woonde in den jare 1640 te Groningen. [35] Neirinckx en Neyrinckx en
Neirynck zijn vlaamsche geslachtsnamen, waarschijnlik ontleend aan
het woord neier, neyer, naeyer, naaier, dat in Vlaanderen gebruikt
wordt voor het hollandsche woord kleêrmaker. Van daar ook de vlaamsche
geslachtsnaam De Naeyer.--Rigterink is van richter, rechter; Ridderink,
van ridder; Schildering en Schippering van schilder en schipper;
Scholting, Schulting, Scholtink, Schulting zijn afgeleid van het
woord scholte, schulte, schout. Dit woord was oudtijds ook wel als
mansvóórnaam in gebruik, zoo dat bovengenoemde geslachtsnamen ook wel
kunnen worden beschoud als echte, oorbeeldige vadersnamen. Schelte,
beter skelta, is de friesche form van het Saksische scholte, schulte,
van het frankische schout; en Schelte is tevens nog heden een
friesche mansvóórnaam, in volle gebruik. De friesche patronymikale
geslachtsnamen Scheltinga en Van Scheltinga, met het saxo-friesche
Schultinga in Groningerland, en waarschijnlik ook met Schuitinga en
Schuttinga, zijn tegenhangers van Scholting, Schulting, enz. [36]
Weeveringh en Weverink zijn afgeleid van het woord wever.

Smeding, Smedink en Smedinga zijn patronymikale formen van het woord
smid, en beteekenen dus: zoon van den smid. De i van het nederlandsche
woord smid gaat, by samenstellingen en in den meervoudsform,
in eene e over: smedery, smeden. Zoo is ook het patronymikon van
smid Smeding en niet Smidding. Het woord smid op zich zelven luidt
trouens ook in menige vlaamsche en brabantsche gouspraak als smet;
van daar de geslachtsnamen De Smedt en De Smet in de zuidelike
Nederlanden. Afgaande op de verbazende talrijkheid der geslachtsnamen
Smid, Smit, Smits, De Smedt, Smets, Schmitt, Schmidt, Schmitz,
Smith, Smithson, enz. by Nederlanders, Duitschers en Engelschen,
zijn smeden zeker van alle handwerkslieden het menigvuldigst naar
hun bedrijf genoemd geworden. En was dit oudtijds reeds het geval,
ook nog heden spreekt men zulk eenen man veelal als smid aan, en
wordt hy, vooral in dorpen en kleine steden, steeds zóó genoemd,
zoodat menigeen die dageliks met den smid omgaat, 's mans eigen naam
niet kent. Van daar dat ook het woord smid, smith zelf by de oude
Germanen wel als een mansvóórnaam gebruikt werd. In Förstemann's
Altdeutsches Namenbuch vinden wy eenen man vermeld die in de 9de eeu
leefde, en Smido heette. Talrijk zijn de patronymikale geslachtsnamen,
die van het woord smid, of van den mansvóórnaam Smido geformd zijn. In
alle formen komen ze voor. Behalve de volledige formen Smeding en
Smedinga, bestaan er de geslachtsnamen Schmeding en Schmedding,
die beiden aan hoogduitschen infloed deze byzondere schrijfwyze
danken. Ook Schmeink, waar de d uitgesleten is; zoo spreekt men in
Holland het werkwoord smeden ook als smeeën (sme-je) uit. Eindelik
ook Smeengh, nog meer samengetrokken. Even als in de friesche taal
het werkwoord smeien bestaat tegenover het nederlandsche werkwoord
smeden, zoo bestaat in Friesland ook de geslachtsnaam Smeyenga,
nevens het oorspronkelike Smedinga. Uit dezen vollen form verfloeid
en samengetrokken zijn de friesche geslachtsnamen † Smenga en Smynga,
op de wyze als in § 27 is vermeld, en Sminia en Van Sminia, op de
manier als in § 29 medegedeeld is. De Saksische namen Smeenk en Smink,
even als de naam Smeengh, zijn uit de volle formen Smedink en Smidink
samengetrokken; en Smeenks is een tweede-naamvalsform daar van; zie §
18. Het woord of de naam smid, smede is in verkleinform smedeke; van
daar de geslachtsnaam Smeeking, die uit Smedeking, het patronymikon van
Smedeke is samengetrokken. Pseudo-patronymika, eveneens hedendaagsche
geslachtsnamen, van smede zijn nog: Smeda, Schmeda en Smedema, drie
friesche formen, benevens Smedes en Schmedes. Al deze geslachtsnamen
zijn in de noordelike en oostelike gewesten van Nederland inheemsch;
tevens in de aangrenzende noord-westelike gouen van Duitschland. Ook
de geslachtsnaam Goldschmeding, van hoogduitschen oorsprong, komt in
Nederland (te Amsterdam) voor. Hy is afgeleid van het woord goldschmid,
goudsmit, en strekt nog tot een byzonder bewijs dat smid wel degelik
het woord is, waar van het patronymikon Smeding is ontleend.

Dat zulke vadersnamen, van beroepsnamen geformd, zeer oud zijn, blijkt
uit de op bl. 23 vermelde oorkonde van 1188, waarin de twentsche erven
Smedinc en Spelemanninc worden opgenoemd. Is het patronymikon Smedinc,
van smid, tot in onzen tijd talrijk en veelvuldig bestaan gebleven,
de vadersnaam Spelemanninc, van speleman, speelman (muzikant
in nieuerwetsch hollandsch), schijnt uitgestorven te zijn. Een
geslachtsnaam Speelmannink is my althans nooit voorgekomen.

Of de patronymikale geslachtsnamen Boerink, Boering, (met Buerinck,
Buringh, Buringa en Buiringa, en Burring in Engelland), ook tot deze
groep behooren, moet ik in het midden laten. Zy kunnen immers zoo
wel tot den mansvóórnaam Bure, Burre, Boere worden terug gebracht,
als tot het woord boer, als naam van een bedrijf.

Over deze geslachtsnamen in patronymikalen form, en van beroepsnamen
afgeleid, heb ik ook het een en ander medegedeeld in een opstel
Eenige nederlandsche geslachtsnamen, voorkomende in het tijdschrift
De Navorscher, dl. XXIX, bl. 207.



B. DE PATRONYMIKA, DIE NIEUE TAALFORMEN VERTOONEN.


§ 32. Behalve de oude, op ing, enz. eindigende vadersnamen, hiervoren
vermeld, bestaan er ook vele patronymikale geslachtsnamen, die
nieuere taalformen vertoonen. Zy onderscheiden zich hierin van
de oude patronymika, dat zy niet het aanhangsel ing (ink, inga)
achter den mansnaam dragen, maar achter dien naam de gewone, nog
heden in de nederlandsche schrijf- en spreektaal in gebruik zijnde
tweede-naamvalsformen, op s en en, vertoonen. Buitendien hebben
velen van deze nieuere vadersnamen nog het woord zoon, meestal
verkort als son, sen, soms ook tot eene enkele s of z versleten,
achter zich. Dit geldt voor de algemeen-nederlandsche patronymika als
maagschapsnamen die van nieueren oorsprong zijn. Maar de Friesen hebben
buitendien nog vele geslachtsnamen, die eveneens patronymika zijn,
in tweede-naamvalsformen van de oud-friesche taal. Deze gaan op eene
enkele a, op ma en na, op sma, sema, sna, sena uit. Bruining, Bruinink,
Bruininga b. v. zijn oude patronymika; Bruins, Brunen, Bruinsen, Bruna,
Bruinema, Bruinsma zijn nieue vadersnamen, en allen te samen, met vele
andere geslachtsnamen (Brunings, Brunia, † Brunsema, Bruininkweerd,
Van Bruyningen) zyn van éen en den zelfden mansvóórnaam Bruno ontleend.

Even als de oude vadersnamen zijn ook de nieue patronymika afgeleid
van de namen van vaders, en door de zonen dier mannen als toenamen,
ter onderscheiding, gedragen. In den beginne natuurlik uitsluitend door
de zonen. Later kregen deze vadersnamen een meer vasten aard, eene meer
algemeene strekking. Niet enkel de zonen, ook de kleinzonen en verdere
nakomelingen van den man, wiens eigen vóórnaam tot het formen van een
nieu patronymikon gebruikt was, bedienden zich daarvan als van eenen
vasten toenaam, eerlang ook als van eenen vasten geslachtsnaam. En niet
slechts de zonen, ook de dochters noemden zich oudtijds evenzeer naar
den naam van haren vader. Heette een man Albert, zijn zoon Hendrik
noemde zich Hendrik Albertszoon, zyne dochter Brechta werd Brechtje
Albertsdochter genoemd. De toenaam, het patronymikon Albertszoon,
spoedig door het vele gebruik tot Albertsen versleten, of tot
Alberts ingekort, kwam als een vaste toenaam, weldra als een vaste
geslachtsnaam voor de kinderen en verdere nakomelingen van Hendrik
Albertszoon in gebruik, en bleef tot op onzen tijd in het leven. Maar
de toenaam van Brecht Albertsdochter verdween toen deze vrou zelve
stierf, ook al had zy zonen en dochteren. Deze immers noemden zich
weêr naar hunnen vader, niet naar hunne moeder.

De nieue patronymika zijn de oude vadersnamen opgevolgd. Zy zijn
van lateren tijd. In de laatste middeleeuen, van de elfde eeu tot de
vijftiende, verloor de taal, die, in zoo verschillende formen door het
volk tusschen Schelde en Eems gesproken werd, de macht, de kracht, de
eigenschap om, door achtervoeging van ing, ink, inga, van mansvóórnamen
patronymika te formen. De beteekenis van dit aanhangsel ging voor het
volk verloren. Men verstond niet meer wat zulke namen als Huging,
Ernestink, Homminga eigenlik beduidden. En zoo maakte men zulke
toenamen dan ook niet meer, en raakten ze geheel in onbruik. Overal
in de Nederlanden geschiedde dit niet gelijktydig. Hier gebeurde 't
eerder, dáár later. In de zuidelike Nederlanden wel het eerst; later
in Holland en Gelderland; het laatst in Friesland. Ook verdwenen de
echte patronymika in eenige bepaalde landstreek niet plotseling uit
het gebruik. Sedert de eerste nieue patronymika opkwamen, en tot dat
de laatste oude vadersnamen in den levenden volksmond nog geformd
werden, verliep er allicht eene eeu.

Behalve de nieue patronymika, die vaste geslachtsnamen zijn geworden,
zijn deze naamsformen ook buitendien nog by 't nederlandsche volk tot
op dezen tijd in gebruik gebleven, in hunnen oorspronkeliken zin. Jan
Smit b.v., die een zoon is van Hendrik Smit, noemt zich nog wel, ter
onderscheiding van anderen, die even zoo heeten, Jan Hendriksz. Smit,
of Jan Smit Hendrikszoon. Maar sedert de zestiende eeu is dit gebruik
toch langzamerhand by 't nederlandsche volk verminderd, en thans,
met uitzondering van de friesche gouen, nergens meer algemeen
in zwang. Hier hebben wy ons verder slechts bezig te houden, met
die hedendaagsche nederlandsche geslachtsnamen, welke die nieuere
patronymikale formen vertoonen.

§ 33. De oudste, tevens de volledigste form van nieue patronymika
bestaat uit eenen mansvóórnaam in den tweeden naamval, met het woord
zoon daar achter. My zijn slechts een paar hedendaagsche geslachtsnamen
bekend, die dezen volledigen form in de hedendaags geldige spelling
vertoonen. Het zijn Egbertszoon en Jacobszoon. Buitendien eindigt de
geslachtsnaam Moederzoon eveneens in dezen form. Toch behoort deze
naam niet tot de patronymika, wijl het eerste lid er van (moeder)
geen mansvóórnaam is. In § 60 zal deze byzondere naam nader besproken
worden.

Dat het woord zoon in vorige eeuen niet aldus, maar als zone,
zoone, sone, soone, soen, soon gespeld werd, is bekend. Van daar
dat eenige hedendaagsche geslachtsnamen nog die oude formen en
spelwyzen vertoonen. En die namen bewyzen daar door dat zy van
oude, gedeeltelik zeer oude dagteekening zijn, terwijl de twee of
drie bovengenoemden op zoon uitgaande, juist door dien nieuen form
aantoonen, dat hun oorsprong in het laatst der voorgaande of in het
begin dezer eeu te vinden is. Zie hier eenigen van die hedendaagsche
maagschapsnamen, welke het woord zoon nog in zulke oude spellingen
vertoonen: Baertsoen, van den mansvóórnaam Baart, Barend, Bernard,
Bernhart;--Bettesone (over den mansnaam Bette zie men § 59); Boecksoone
en Boucksoone. De mansvóórnaam Boek, Boeke, die aan laatstgenoemden
geslachtsnaam ten grondslag ligt, is waarschijnlik de oud-germaansche,
in Förstemann's Namenbuch vermelde naam Bucco, die als Bokke (waar van
de geslachtsnamen Bokkes, Bokkema, Bokma, Bockma, Boksma) nog heden by
de Friesen in volle gebruik is. In den form Boek, Boeke vinden wy dezen
mansnaam terug in de geslachtsnamen Boeckx in Vlaanderen, Boekema, †
Boekma en Boeken in Friesland, allen ook patronymikale formen. Bucing
en Bocing kwamen reeds als echte patronymika by de Angel-Saksen [37]
voor. Dat de geslachtsnamen Beukinga, Beukema en Beuckens ook van dezen
zelfden mansvóórnaam afgeleid zijn, komt my zeer waarschijnlik voor.

Claeissone komt van Claei, Claeis, 't welk de, in West-Vlaanderen
volkseigene verkorting van Nicolaas is. Deze geslachtsnaam is
dus de zelfde als Klaassen in Holland, Klasema in Friesland,
Clausson in Neder-Duitschland, Nicholson in Engelland. Florizoone,
van Floris, heeft eene s verloren, even als Florison, een andere
form van dezen zelfden geslachtsnaam. Huyssoone en Huyssoon,
van den mansnaam Huso (zie bl. 29 en 30). Jansone en Janssone,
van Jan, zijn duidelik genoeg. Liefsoons en Lievesoons stammen
van den mansvóórnaam Lieven, Lieve, Liwijn, Liefwin. Deze twee
laatste geslachtsnamen zijn nog byzonder, wijl ze nog eens, ten
tweeden male dus, door de achtergevoegde s, in den tweeden naamval
geplaatst zijn. Letterlik beteekenen deze namen dus: zoon van den
zoon van Lieven.--Mabesoone weet ik niet te verklaren, even min als
Tierssoone en Tryssesoone.--Moyersoen is een andere, oudere form van
het hier boven reeds genoemde Moederzoon.--Verheyllesone eindelik is
een byzonder metronymikon en wordt in § 60 nader besproken.

Het woord zoon, soon is achter eenige geslachtsnamen ook tot son
ingekort. By de Engelschen en Skandinaviers is juist dit de form waar
onder deze patronymikale maagschapsnamen, en dat wel zeer veelvuldig,
voorkomen. Johnson, Thomson aan den westeliken, Erikson, Björnson aan
den oosteliken oever van de Noordzee. Ook in noordelik Duitschland komt
deze form geenszins zeldzaam voor. In Nederland is hy oorspronkelik
zeldzamer. En dan nog zijn velen dier namen uit Noord-Duitschland naar
de Nederlanden overgekomen. Een echt nederlandsch karakter vertoonen
ze des niet te min. Zie hier eenigen van die namen: Derkson, Hanson,
Jansson met Janson en Johansson, [38] enz. De meesten van deze namen
eischen weinig nadere toelichting. Derk, de oorspronkelike naam waar
Derkson van is afgeleid, is de saksische (geldersche en overijsselsche)
form van Dirk, Durk, Diederik, Theodorik.--Pier (waar van Pierson)
is eene, vooral in Friesland en Vlaanderen volkseigene verkorting van
Pieter, Petrus. Over Hemmingson zie men bl. 44. In dezen naam is een
valsch en een echt patronymikon op elkanderen gestapeld. Letterlik
beteekent deze naam: zoon van den zoon van Hemmo. Eerst toen men het
patronymikon Hemming niet meer verstond, kon men er toe komen om er
nog een son achter te voegen. De mansvóórnaam Tammo, Tamme, nog heden
by de Friesen in volle gebruik, ligt aan den geslachtsnaam Tamson
ten grondslag, even als aan Tamminga, Tammes, Tamming enz. Over
den oorspronkeliken mansnaam die aan den geslachtsnaam Muysson
ten grondslag ligt, zie men het tijdschrift De Navorscher dl. XXVI,
bl. 561, en dl. XXVII, bl. 78 en 80. Neeteson is waarschijnlik ontleend
aan den oud-germaanschen mansnaam Nato, die in Förstemann's Namenbuch
vermeld staat. Van dezen zelfden mansnaam, die ook als Natto voorkomt,
zijn ook de geslachtsnamen Nettinga, † Nettema, Nettes en Netten, met
Nettekoven ontleend. Deze laatste naam is eigenlik een plaatsnaam,
en samengetrokken uit den volledigen form Nettinkhoven. Een gehucht
by Bonn in de Duitsche Rijnprovincie heet alzoo.

Deze geslachtsnaam Neeteson komt te Antwerpen voor onder den afwykenden
form Neettesonne, en dezen zelfden vreemden form vertoonen ook de
geslachtsnamen Heylesonne, Leenesonne, Meiresonne.

Patronymikale maagschapsnamen op son eindigende, komen ook veelvuldig
onder duitsche Israëliten als geslachtsnamen voor. En met deze lieden
zijn eenigen van die namen in de Nederlanden gekomen; b. v. Abrahamson,
Davidson, Benjaminson, Levison met Levisson, Salomonson, enz. Eenige
namen op sohn uitgaande, zijn natuurlik ook van hoogduitsche
inkomelingen afkomstig; b. v. Behrensohn, Elsensohn, Levyssohn en
Leefsohn. Ook zijn de namen dezer kleine groep hooftsakelik, zoo niet
uitsluitend, aan israëlitische geslachten eigen.

Door hollandsche misspelling is de oorspronkelike uitgang son by
eenige nederlandsche geslachtsnamen tot zon geworden. Deze dwaze
spelling vinden wy in de namen Gerbenzon, Gosenzon, Hanzon, Harmenzon,
Janszon, enz. Gerben, de naam die aan Gerbenzon ten grondslag ligt,
is een friesche mansvoornaam, nog heden in volle gebruik. Deze naam
gaf ook oorsprong aan de geslachtsnamen Gerbens en Gerbensma.--Gosenzon
beteekent: zoon van Gosen, van Gosewyn of Godeswyn, Godswin. Van dezen
zelfden schoonen naam (Godswin immers beteekent Gods vriend) zijn ook
de veelvuldig voorkomende geslachtsnamen Gozens, Gosens, Goossen,
Goossens afgeleid.--Eenen zeer zonderlingen, pruikerig-geleerden
form vertoont ook de geslachtsnaam Brouckxon, die in Vlaanderen
inheemsch is, en in eenvoudig nederlandsche spelling als Broekson
dient geschreven te worden. Nevens dit Brouckxon komen in de vlaamsche
gewesten nog de geslachtsnamen Brouckx, Broecx en Broeckx voor, even
als in de friesche gouen Broekema, Broeksma, Broeksema en Broekens,
allen (zoon) van Broek, Broeke (Bruco) beteekenende. Dat dit Broeke
een oude mansvóórnaam is, blijkt ontegenzeggelik uit de bovenstaande
patronymikale geslachtsnamen. Hy is my echter in oude geschriften nooit
voorgekomen; en evenmin vond ik hem vermeld in de bekende naamlijsten.

In het grootste deel der nederlandsche gouspraken luidt het woord
zoon als zeun, seun of seune. Een paar hedendaagsche geslachtsnamen
vertoonen dien byzonderen form. Dit zijn Goudezeune en Goudeseune,
Janseune en Janszeune, en Lyseseune. De mansvóórnaam Goude, die aan
Goudeseune oorsprong gaf, houd ik voor den zelfden naam als Goue,
die, meestal in den verkleinform Gouke, nog heden by de Friesen in
volle gebruik is. De friesche geslachtsnamen Gouma, Goukema en Goukes
zijn daarvan afgeleid. En waarschijnlik ook de friesche dorpsnamen
Dola-Goutum, meestal enkel Goutum genoemd, en Scharne-Goutum. De
geslachtsnaam Gouwe (Gouwen? een tweede-naamval van Goue?), in
Holland voorkomende, zal hier ook wel mede samenhangen. Over Lyse,
de stamnaam van Lyseseune, zie men nader § 59.

§ 34. By het grootste deel der nederlandsche nieue patronymika is
het oorspronkelike achtervoegsel zoon, soon nog meer versleten en
verbasterd, dan in bovengenoemde voorbeelden aangegeven is. Namelik tot
zen, sen, se en zelfs tot eene enkele z of enkele s. De geslachtsnamen
die deze versletene formen vertoonen, zijn veel talryker dan die
welke op de vollere formen son, zon, soone, enz. uitgaan.

Zie hier eenige geslachtsnamen, waar het oorspronkelike soon of
zoon tot sen of zen is verbasterd: Freerkszen, Harmszen, Janszen,
Janssen, Janzen en Jansen, Klaassen en Klaaszen, Lambrechtsen,
Meinertsen, Pietersen, Willemsen.--Freerk, van Freerkszen, is de
oud-nederlandsche verkorting van Frederik, die tegenwoordig in Holland
door den hoogduitschen form Frits verdrongen is, maar in Friesland
nog dikwijls voorkomt.

By eenigen van bovenstaande namen is de tweede-naamvalsform op s,
tusschen den oorspronkeliken mansvóórnaam en het achtervoegsel sen
of zen behouden gebleven, terwijl die s in andere namen niet meer
geschreven wordt. By Harmszen en Janssen (Harm-s-zen, Jan-s-sen)
komt zy voor; by Jansen (Jan-sen) en Pietersen (Pieter-sen) is ze
verdwenen. Wijl deze s onmiddellik voorafgaat aan de s of z waarmeê de
lettergreep sen, zen begint, zoo versmelten deze beide sisklanken in
elkanderen, en raakt een er van gemakkelik in het schryven verloren,
omdat men hem in het spreken niet afzonderlik kan onderscheiden.

By een paar geslachtsnamen valt juist het tegenovergestelde op te
merken. Daar is niet slechts de s van den tweeden naamval behouden
gebleven, maar die tweede naamval van den mansvóórnaam vertoont nog den
volledigsten form op es, die sedert eeuen reeds uit de nederlandsche
schrijftaal verdwenen is. En daarachter volgt dan nog het tot sen
versletene woord zoon. Die namen zijn Gerdessen en Hugessen.--Gerd
(Gert, saamgetrokken van Gerhart), in ouden tweeden-naamvalsform
Gerdes, met sen, zoon daarachter, maakt Gerdessen. Even zoo Hugo,
Huge, in tweeden-naamval Huges, met sen er achter: Hugessen. Uit
deze samenstelling blijkt ook dat men de stemsate of klemtoon by
't uitspreken dezer namen niet op den tweeden lettergreep moet laten
rusten, zoo als dikwijls geschiedt. De geest onzer taal eischt dat
de volle klemtoon op den eersten lettergreep valle.

De Vlamingen en Brabanders zetten van ouds allerlei reeds
bestaande toenamen en geslachtsnamen in den tweeden naamval. Zy
maakten er patronymika van voor de zoons van de mannen, die reeds
zulke toenamen droegen. Ook by zulke eigenaardige namen welke
niet in eenen tweeden-naamval gedacht kunnen worden, of waar de
genitivus geheel overbodig was, of rechtstreeks tegen den geest
der taal indruischte, deden zy toch zoo. Op bl. 46 is reeds op
deze eigenaardige naamsforming gewezen; verder op in dit werk
zal men ook nog meer voorbeelden daarvan vinden. En zoo komen er,
hooftsakelik in de zuidelike Nederlanden, geslachtsnamen voor, waar
nog eene geheel overtollige s, als uitgang van eenen tweeden naamval,
gevoegd is achter een nieuformig patronymikon, achter eenen naam
die reeds in den tweeden naamval staat. Door die opeenhooping van
genitiven wordt den geest onzer taal geweld aan gedaan. Zulke namen
konden dan ook slechts dáár ontstaan, waar de geest der taal zoo
weinig gekend werd, zoo weinig gevoeld, dat men niet eens meer den
reeds bestaanden tweeden naamval in de patronymikale namen erkende,
dat men die naamsformen niet meer verstond. Adriaenssens, Aertssens,
Bastiaenssens, Claeissens, Claessens, Christiaenssens, Diercksens en
Dierckxsens, Janssens, Thijssens zijn voorbeelden van zulke dubbele
vadersnamen, die onder de zuid-nederlandsche geslachtsnamen geenszins
zeldzaam voorkomen. Janssens b. v. beteekent: zoon van den zoon van
Jan. Zulke namen zijn ware monsters, echte wanformen. Dierckxsens is
ook buitendien nog een monster van wanspelling.

My zijn nog een paar geslachtsnamen bekend, die ook tot deze groep
behooren, maar die nog zonderlinger verbastering vertoonen, wijl het
aanhangsel sen tot sin geworden is. Bruinssins en Lampsins zijn deze
namen. Bruinssins beteekent: zoon van den zoon van Bruno.--Lampsins
komt van den mansvóórnaam Lampe, die weinig of nooit meer in gebruik
is, maar die in de lijsten van nederlandsche vóórnamen van Wassenbergh
en Leendertz nog voorkomt, en ook, als Lampo, in Förstemann's
Namenbuch vermeld staat. Met Lampsins zijn ook de geslachtsnamen
Lamping, Lampsma, Lampen, benevens Lampson in Engelland, van dezen
ouden mansnaam afgeleid.

§ 35. Eenvoudiger in hun samenstelling zijn de geslachtsnamen waar
het reeds verbasterde achtervoegsel sen ook nog de n verloren heeft
en se geworden is. Hollanders en Zeeuen in d' eerste plaats, maar
ook wel Vlamingen en Brabanders, laten geerne, in hunne dageliksche
spreektaal, de slot-n achter de woorden weg--'t is genoeg bekend. Zoo
is in hun mond, b. v. van 't oorspronkelike Michielszoon, Michielszen,
weldra Michielsze of Michielse geworden. En wijl ze zoo spraken,
schreven ze ook alzoo. En toen deze losse toenamen eerlang vaste
geslachtsnamen werden, bleef die eigenaardige schrijfwyze wel
behouden. Dat dit aanhangsel se achter sommige geslachtsnamen in
der daad eene verbastering, eene inkorting is van sen, zoon, blijkt
ook uit het voorkomen dezer namen meest in Holland en Zeeland, waar
juist deze byzondere uitspraak heerscht. In de noordelike en oostelike
Nederlanden, onder de friesche en saksische bevolking dier gewesten,
waar men de slot-n achter de woorden juist zoo vol en duidelik,
als met nadruk hooren laat, zijn deze namen oorspronkelik niet
inheemsch. Van daar dat mansvóórnamen, die bepaaldelik in de friesche
en saksische streken van ons land in zwang zijn of waren, ook niet
als wortelnamen van deze geslachtsnamen voorkomen. Maar integendeel
zijn dat juist zulke mansnamen als bepaaldelik in Holland en Zeeland
gebruikelik zijn. Met ééne uitzondering--Jarigse, een geslachtsnaam
die aan den frieschen mansvóórnaam Jarich ontleend is. Toch komt
deze geslachtsnaam in Holland voor, en niet in Friesland; hy zal ook
wel in Holland ontstaan zijn, als toenaam voor de zonen van eenen in
Holland wonenden Fries Jarich. Echt friesche tegenhangers van dezen
geslachtsnaam Jarigse zijn de geslachtsnamen † Jariga en Jarichsma met
Jarigsma. De in Holland voorkomende geslachtsnaam Japikse heeft ook
half en half een friesch voorkomen, in zoo verre Japik heden ten dage
een meest friesche verbastering is van den naam Jacob, en men by dezen
naam als van zelven aan den naam van den grooten frieschen dichter
Gysbert Japicx denkt. Maar oudtijds kwam ook in Holland en andere
nederlandsche gewesten de naam Jacob in den form Japik en Jappick
voor, even zeer als nu nog in Friesland. Zoo vermeld nog het gildeboek
van het Sint-Sebastiaans-Handboogschuttersgilde te Inghelmunster in
West-Vlaanderen, zekeren Joos Jappick, op den jare 1716. De friesche
weêrga van den naam Japikse is de geslachtsnaam Jacobsma, en een
andere tegenhanger daarvan is de geslachtsnaam 'S Jacob.

Hier volgen nog eenige geslachtsnamen, patronymika op se:
Aarnoutse, Adriaanse, Baafse, Faasse [39]. Deze namen eischen weinig
verklaring. De mansnaam Baaf, die aan den geslachtsnaam Baafse ten
grondslag ligt, is eene verhollandsching van het latynsche Bavo, en
deze naam is oorspronkelik weêr het friesche Baue (zie bl. 62). In
den verkleinform Baafje komt deze naam ook nog in Holland en elders
als vrouenaam voor. Faasse komt van Faas, eene verkorting van
Bonifacius. Van dit zelfde Faas zijn nog afgeleid de geslachtsnamen
Fasinga en Fazinga en Faasma; terwijl het patronymikon Faasse nog in
allerlei formen, als Faassen, Vaassen, Fasen, Vaesen, Faessen, Fase,
zelfs Vase, als geslachtsnaam voorkomt. Lieven, waarvan Lievense,
is de oud-nederlandsche afkorting van den vollen oud-germaanschen
naam Liefwin, die, als geslachtsnaam, ook in den verbasterden form
van Liwijn voorkomt; zie ook bl. 82.

Vooral in Zeeland zijn de nieue patronymika op se eindigende, als
geslachtsnamen inheemsch. Opmerkelik is het dat er onder deze zeeusche
namen eenigen zijn, die afstammen van mansvóórnamen, welke tamelik
ongewoon, of in Nederland weinig meer in gebruik zijn. B. v. Aalbregse,
Alewijnse, Boudewijnse. [40]

De geslachtsnaam Cruyce, ofschoon in zulk eene afwykende spelling
voorkomende, behoort ook tot deze namen op se, wijl hy eigenlik
als Kruisse (Kruissen, Kruis'zoon) moest geschreven worden. Hy komt
dan werkelik ook in den form Kruysse als geslachtsnaam voor. Over
den mansnaam waarvan dit patronymikon is afgeleid, zie men
bl. 57. Waarschijnlik vertoonen de geslachtsnamen Kroese en Kroeze
slechts eenen anderen form van dezen zelfden naam. Intusschen kan
aan laatstgenoemde namen ook een ander woord ten grondslag liggen. Te
weten: kroes, krullend; zie § 126. Waarschijnlik is de geslachtsnaam
Bource ook anders niet dan zulk eene zonderling verkeerde, daarenboven
nog half vreemde (fransche ou in plaats van nederlandsche oe) spelling
van Boerse, (Boerssen, Boers-zoon) een patronymikon, even als Boeren,
Boers en Boersma, van den mansvóórnaam Boere; zie bl. 79.

§ 36. In sommige geslachtsnamen is het woord zoon, soon nog meer
verkort, dan tot zen, sen of se; het is samengekrompen tot eene
enkele z, die men daarenboven slechts in geschriften ziet, maar in
de uitspraak niet hoort. Deze geslachtsnamen, die oorspronkelik
grootendeels, zoo niet allen, in Noord-Nederland inheemsch zijn,
danken hun ontstaan aan de gewoonte van velen, vooral oudtijds en
in de eigenlik-hollandsche gewesten, om hunnen vadersnaam, in den
tweeden-naamval en met die z er achter, ter onderscheiding, te voegen
tusschen hunnen eigenen vóórnaam en hunnen geslachtsnaam, of achter
hunnen geslachtsnaam. Indien b. v. in de zelfde plaats twee mannen
wonen, die beiden Jan De Boer heeten, maar de een is een zoon van
Willem De Boer, en de vader van den anderen heette Hendrik--dan noemt
de eerste zich Jan Willemsz. De Boer, en de andere Jan Hendriksz. De
Boer, of Jan De Boer Willemsz. en Jan De Boer Hendriksz., voluit: Jan
Willems-zoon De Boer en Jan De Boer Hendriks-zoon. Om de omslachtigheid
in het noemen van die volle namen te myden, liet men ook weldra den
eigenliken geslachtsnaam (De Boer) weg, en sprak men slechts van Jan
Willemsz. en Jan Hendriksz., welke toenamen eerlang volkomen de plaats
van den oorspronkeliken geslachtsnaam innamen. Heden ten dage, nu de
zaak der geslachtsnamen vast geregeld is, kunnen zulke vadersnamen
niet meer in vaste geslachtsnamen overgaan. Maar het gebruik om zulke
toenamen, ter onderscheiding, te voeren, is nog hier en daar in zwang,
niet het minst ook by de burgers, kooplieden en boeren in de kleine
steden en dorpen van Noord-Holland, als overblijfsel van eene goede
oud-nederlandsche zede.

Zie hier eenige geslachtsnamen, die tot deze groep behooren:
Baltensz, Barendsz, Bruynsz. [41] Grootendeels zijn ze van welbekende
mansvóórnamen ontleend. Balt, (Bold, Bout) en Hilbert (Hildbrecht),
de wortels van Baltensz en Hilbertsz, zijn wel weinig in gebruik,
maar toch zeer goede oud-nederlandsche mansvóórnamen. En even zoo
is het met den wortel van Duivensz, met den mansvóórnaam Duif,
die nog zeldzamer voorkomt, en die, als zoodanig, niet gevonden
wordt in de naamlijsten van Wassenbergh, Brons en Leendertz. Dat hy
toch in gebruik was oudtijds, kan bewezen worden. In een stuk van
den jare 1582, voorkomende in de »Oorkonden der geschiedenis van
het Sint-Anthonij-Gasthuis te Leeuwarden", dl. II, bl. 720, worden
vermeld: »die erffgenaemen van Duyff Jelles in Sintte Jacobstraet"
te Leeuwarden. Hier is Duyff, Duif 's mans vóórnaam; Jelles,
patronymikon van den nog in volle gebruik zijnden frieschen mansnaam
Jelle, de toenaam van Duif. Waarschijnlik hangt deze oude mansnaam
samen met den oud-germaanschen mansnaam Dubi, die in Förstemann's
Namenbuch voorkomt. Even als Duyvensz stammen ook de geslachtsnamen
Duyfs en Duyvis van den mansnaam Duif af, met Duifjes en Duyfjes,
in verkleinform. Waarschijnlik ook het enkele Duif, ofschoon deze
naam ook kan ontleend zijn aan den naam van den bekenden vogel,
misschien als huisnaam, of van een uithangbord afkomstig. Of de
nederlandsche plaatsnamen Duiven, Duivenee, Duivendyke, Duivendrecht,
Duivenvoorde, en de namen van de dorpen Duveneck by Hoya in Hanover,
Duvenstedt by Hamburg, en Düverodt by Sieg in de Rijnprovincie, ook
aan dezen mansvóórnaam ontleend zijn, moet ik in het midden laten,
maar komt my toch wel waarschijnlik voor.

Een groot gedeelte van de geslachtsnamen op sz uitgaande, zijn niet
van algemeen-nederlandsche, maar van byzonder-friesche mansvóórnamen
geformd. Zy komen dan ook meest in Friesland voor. Zie hier eenigen
daarvan: Agesz, Edesz, Gelfsz. [42]--Age, Ede (Edo), Gelf of Gerlif,
Halbe, Ige (Ygo), Lolke (verkleinform van Lolle), Meine, Melle, Nanne,
Oeble (Oebele (Ubolyn) verkleinform van Oebe, Ubo), Ome (komt vooral
in Groningerland en Oost-Friesland in den verkleinform als Oomke,
Omke, Umke, Umco voor--van daar de geslachtsnaam Oomkens), Poppe,
Rinse, Ruurd, Rouke, Sebe (is vooral aan de Eems in gebruik--van daar
de oorspronkelik oostfriesche geslachtsnamen, friesche patronymika,
Seba, Seeba en te Amsterdam verhollandscht Zeeba), Sibble, Sibe of
Sybo, Sikke of Sicco--dat zijn allen mansvóórnamen in onze friesche
gewesten nog in volle gebruik.

De geslachtsnaam Amesz is het patronymikon van den ouden, by Förstemann
als Amo, by Leendertz als Ame vermelden mansvóórnaam, waarvan ook de
geslachtsnaam † Amama een friesch patronymikon is. Bensz komt van Benne
(zie bl. 28) en Lelsz van Lelle, Lello, een friesche mansvóórnaam,
die wel zelden voorkomt, maar toch zoo wel door Förstemann, als
door Wassenbergh, Leendertz en Brons in hunne lijsten is opgenomen,
en die ook oorsprong gaf aan den naam van het dorp Lellens in
Fivelgo (Groningen), met Lellingen, een dorp in Luxemburg, en Lelm
(Lella-heim), een dorp by Königslutter in Brunswijk.

Eenige geslachtsnamen zijn my nog bekend, die, door verkeerde
schrijfwyze, slechts eene enkele z achter den oorspronkeliken
mansvóórnaam vertoonen, en waar van de s, het kenmerk van den tweeden
naamval verloren gegaan is. Dat zijn Arentz, Baartz, Baerentz,
Clootz, [43] van de mansvóórnamen Arend, Barend en Leendert, die
welbekend, en Baart, Kloot, Feite, Loot en Reit, die minder bekend
zijn. Baart, Baert, ook Beert, is eene verbastering van Barend,
Bernart; zie bl. 81. De mansnaam Kloot is my, als zoodanig, nooit in
Nederland voorgekomen. Dat hy echter moet bestaan hebben, getuigen,
nevens Clootz, nog de geslachtsnamen Cloots, Kloots, Klootsema,
ook Clootens, Cloetens en Cluytens; misschien ook, in versletenen
form, Kloos en Klosma, allen nieue patronymika. Eveneens de oude
vadersnamen Clotinck en Cloetingh, en den naam van het dorp Kloetinge,
by ter Goes in Zeeland. Kan deze mansnaam Kloot samenhangen met den
oud-germaanschen naam, in frankischen form, Chlodio? De nederlandsche
form die aan dezen ouden naam beantwoordt, is anders Lode, Lude,
Luite. Deze naam Lode, Lote geeft de verklaring van den geslachtsnaam
Lootz, met Loots--dit kan ook een beroepsnaam ijn, loods--, Looten,
Loten, Lotinga en Lootsma.--Feite en Reit, van Feitz, Feits, Feytama,
Feitema, Feites, en van Reitz, Reitinga, Reidinga, Reiding, Reidsma
en Reits, zijn nog in volle gebruik als friesche mansvóórnamen.

§ 37. Eene zeer talryke groep van geslachtsnamen wordt door die
vadersnamen geformd, by welken het achtervoegsel zoon, ook in zyne
verschillende afgesletene formen, volkomen verloren is gegaan, zoo dat
slechts een mansvóórnaam in den tweeden naamval is overgebleven. Zulke
zeer eenvoudige namen zijn b. v. Bartels, Bastiaans, Commers [44]. Het
grootste deel dezer namen eischt geenen naderen uitleg. Commer,
Kommer is een oud-nederlandsche mansvóórnaam die nog heden, vooral
ten platten lande in Zuid-Holland wel voorkomt. Koert en Coenders
zijn beide ontleend aan samengetrokkene formen van den mansnaam
Koenraad; zie bl. 74. Koop, de wortelnaam van Koops en Coops, is eene
verbastering van Jacob, vooral in de friso-saksische streken van Drente
en Overijssel in gebruik, en die ook aan de geslachtsnamen Kopinga,
Copinga en Koopsma oorsprong gaf. Sibout of Sibolt, voluit Sîgbolt,
Sîgbalt, is een schoone, volle oud-germaansche mansvóórnaam, die in
Friesland en Groningen nog in gebruik is--onder den form Sibout meest
in Friesland, als Sibolt meer in Groningerland. En zoo komen ook de
geslachtsnamen Sybouts in het eerste, Sibolts in het laatstgenoemde
gewest voor.

Onder deze groep van geslachtsnamen komen er ook velen voor, die aan
schoone, volle oud-germaansche mansnamen ontleend zijn. Mansvóórnamen
die thans in Nederland weinig of niet meer in gebruik zijn, tenzy dan
in onze noordelike en noord-oostelike gewesten, onder de friesche en
saksische bevolking dier gouen, maar die in de middeleeuen algemeen
eigendom waren van alle germaansche volken. Deze patronymika
moeten reeds vroeg, vóór 1600, tot vaste toenamen zijn geworden,
en bleven later ook als vaste geslachtsnamen in gebruik, terwijl de
oorspronkelike namen, waar zy van afstammen, by het nederlandsche volk
als mansvóórnamen uitstierven. Zy getuigen nu nog van oude tyden, toen
het germaansche taal-bewustzijn by ons volk nog levendig was. Zulke
namen zijn: Arkenbouts, Bloemarts, Ganglofs. [45] De mansnaam Arkenbout
is nog als Archimbald in Engelland in gebruik. Bloemaart, Bloemhart,
Bluomhart, een oude, schoone naam, al wordt hy in geen der my bekende
lijsten van nederlandsche namen vermeld, is in Friesland althans nog
niet geheel uitgestorven. Petrus Bloemerts (dat is Bloemerts-zoon)
Prins, geboren te Dwingeloo, was van 1784-1828 predikant te Diever,
in Drente. Van dezen zelfden naam stammen nog de geslachtsnamen Van
Bloemersma (Bloemersma-sate is te Niekerk in het Wester-kwartier
van Groningerland), en Blommerde, beiden patronymika; buitendien nog
Blomhert, Blommaert, Bloemert, Blommert, Bloemer, en in Duitschland
Blumhart. Bloemhart is een samengestelde naam, van Bloem en Hart,
even als Evert, Everhart van Ever en Hart; Rykert, Richard,
van Rijk en Hart, enz. De enkele wortel van dezen naam Bloem was
oudtijds ook als mansnaam in gebruik. Dit getuigen de hedendaagsche
geslachtsnamen Bloeming, Bloemink in Twente, Blumink in Duitschland,
Bloomington in Engelland, allen oude vadersnamen. Buitendien nog
Bloema, Bloemsma, Blomsma, Bloems en Bloemen, Blommen, Blomme,
allen nieue patronymika. Misschien ook het enkelvoudige Bloem, met
Blom. Ik vermeld al deze geslachtsnamen hier zoo opzettelik, omdat
Wassenbergh, Leendertz en Brons de mansnamen Bloem en Bloemhart niet
in hunne lijsten opgenomen hebben, en Förstemann slechts den stamnaam
(Blom) vermeldt. Toch blijkt uit al deze geslachtsnamen dat deze
mansvóórnamen hier oudtijds niet zoo zeldzaam kunnen geweest zijn.

De mansnamen die aan de overige hier genoemde patronymika ten
grondslag liggen, hebben grootendeels ook nog aan andere hedendaagsche
geslachtsnamen het aanzijn gegeven. Gerolt (Gerholt, Gerout) b. v. aan
† Gerrolluma, † Gerroltsma, † Van Gerolsma, † Gralda, † Graalda, †
Grolda, † Groldama, Greults, Gerelts, Gehrels, Gerrelts, Gerlsma,
Geerlsma. In den verbasterden form Greult is deze naam onder de
Friesen nog als mansvóórnaam in volle gebruik. Van Helmer (Helimar)
komt † Helmersma, Helmering en Helmar. Van Remmer (Reginmar) komt
Remmersma, Remmersna, Remmers. Van Wigmar, als Wiemer by de Friesen
nog in dageliksch gebruik, behalve Wyemars en Wiemers nog Wiemerink.

In Friesland in d' eerste plaats, maar ook onder de oorspronkelik
friesche bevolking onzer andere noordelikste gewesten, is het oude
gebruik om den vadersnaam in den tweeden naamval te plaatsen tusschen
den eigenen vóórnaam en den eigenen geslachtsnaam nog in zwang
gebleven tot op dezen dag. Nog in de vorige eeu heerschte dit gebruik
daar algemeen. In deze eeu stierf het er in de steden eenigszins uit;
thans is het er hooftsakelik tot het platte land bepaald, en ook daar
neemt het reeds af. Ofschoon deze tusschengevoegde vadersnamen (Sibren
Tjeerds Veldstra b. v. en Auke Sjoerds Sikkema) geene wettelike namen
zijn, ofschoon de mannen die in het dageliksche leven zoo genoemd
worden, in de boeken van den burgerliken stand slechts als Sybren
Veldstra en Auke Sikkema vermeld staan, zoo hechten de Friesen aan deze
patronymikale tusschennamen toch zoo veel weerde, dat zy volkomen de
plaats innemen der eigenlike geslachtsnamen. Menigeen is in den kring
zyner dageliksche omgeving slechts als Sibren Tjeerds of Auke Sjoerds
bekend; en lieden, die dageliks met die mannen omgaan, weten soms in
het geheel niet dat hunne geslachtsnamen Veldstra en Sikkema zijn. Zie
ook bl. 14. In vorige eeuen, tot in het begin van de tegenwoordige,
was dit gebruik nog veel meer in zwang, wijl de meeste Friesen uit
de lagere standen toen geene geslachtsnamen hadden, en anderen hunne
geslachtsnamen volkomen verwaarloosden. En dit is de oorzaak dat
zoo velen van die toenamen, van die patronymika, van die friesche
mansnamen in den tweeden naamval, in 1811 als geslachtsnamen aangenomen
werden. Het getal dezer namen is zeer groot in alle noordelike gouen
van Nederland. Slechts een twaalftal dier namen moge hier eene plaats
vinden, als voorbeelden; Boeles, Bokkes, Binkes. [46] De wortels dezer
geslachtsnamen Boele, Ealse, Renger, enz. zijn allen als mansvóórnamen
onder de Friesen in volle gebruik, en hebben buitendien nog aan menig
anderen geslachtsnaam het aanzijn gegeven. Om ons tot drie er van te
bepalen: Boelema, Boelma en Boelsma, Boelen, Boele, Boels, Boelens,
Van Boelens, Bulens, Boelsen en Boelings, ook nog, van verkleinformen
dezes naams: Boeltjes, Boeltjens en Boelken. Van Fedde komen Feddinga,
Feddema, Fedden en Feddens. Van Rinke, verkleinform van Rinne, Renno,
komen Rinkema, Rinken en Rinkens, † Rinnema, Renninghoff, Renning in
Engelland, Renkema en Renken, Rentjema, Rintjema, en Rintjes.

§ 38. De oude Nederlanders schreven veelal eene x in plaats van eene
ks; zy spelden de woorden bliksem, fluks, hoekske als blixem, flux,
hoecxken. Nog veel meer boekstaafden zy hunne eigennamen alzoo, en die
oude spelling vinden wy nog in sommige hedendaagsche geslachtsnamen
terug. In § 19 zijn reeds eenigen van die namen (op incx uitgaande)
behandeld. Hier dienen eenige maagschapsnamen, in nieuen patronymikalen
form, welke die vreemde letter behouden hebben, vermeld te worden. Het
zijn mansvóórnamen die op zich zelven eene k tot eindletter hebben;
b. v. Hendrik, Dirk. Sommigen dezer geslachtsnamen hebben die k
nog vóór de x behouden; by anderen is die letter volkomen in de x
versmolten. Als voorbeelden noemen we: Bakx, Bax, Boeckx. [47]--Bakke,
waar van Bakx en Bax tweede naamvallen zijn, is een oud-germaansche
mansvóórnaam die in Förstemann's Namenbuch als Bacco vermeld wordt,
en waar de geslachtsnamen Baksma, Bakkes en Bakken, en, middellik,
Bakhuizen en Van Bakkum ook van afkomstig zijn. Boeckx is op bl. 81
en 82 besproken. Derx is Derks, van Derk, de saksische form van
Dirk; zie bl. 83. Farx is Farks, van Farke, een verkleinform van den
ouden mansnaam Farre, Fare, Faro, die door Förstemann en Leendertz
vermeld wordt. De friesche patronymika Faringa en † Farnia zijn van
dezen mansnaam afgeleid, met de engelsche Farringdon en Farrington;
en misschien ook wel Vaartjes, van den verkleinform. Hake, Haco
is de oud-nederlandsche mansnaam, zoowel door Förstemann als door
Leendertz in hunne naamlijsten opgenomen, waar de geslachtsnaam Haex
(Haeks) van afgeleid is, met Haakma, Haaksma en Haaxma--deze laatste
geslachtsnaam ook weêr met x in plaats van ks geschreven. Marx eindelik
is de tweede-naamval van den mansnaam Marco, Marke, Mark (niet te
verwarren met Marco, Marc, verkortingen van den bybelschen naam
Marcus) een oud-germaansche naam, ook in samenstellingen (Markwart,
Markolf) voorkomende. In den form Marks komt dit zelfde patronymikon
ook als geslachtsnaam voor, terwijl de mansnaam Mark, Merk nog aan
eenige andere geslachtsnamen oorsprong gaf, b. v. aan Markens, Merks,
Merkens, enz.

Nog dient hier, wegens zyne byzondere, geheel verouderde spelling
vermeld te worden de geslachtsnaam Wincqz. In eenvoudiger spelling is
deze naam Winks, een tweede-naamval van den mansnaam Winke, die weêr
een verkleinform is van den oud-nederlandschen mansvóórnaam Winne, Wyne
of Win, Wyn, 't welk vriend beteekent in de oud-germaansche talen. Vele
oude en volle mansnamen zijn met dit woord win of wyn samengesteld;
b. v. Alewijn (Adelwin), Boudewijn (Boldwin, Bolduin), Liefwijn (zie
bl. 82 en 88), Harrewijn, Oortwijn, enz. Als Winne en Wyne, Wynke en
Winke zijn deze namen nog heden by de Friesen in gebruik. Zy hebben
oorsprong gegeven aan de geslachtsnamen Winsma, Wynsma, Wyninga,
Winia (zie § 29), Wynen, Wijnne, Wijnkes en Wienken. Misschien ook
aan Windsma; zie bl. 63.

§ 39. Aan den Zaankant komen eenige geslachtsnamen voor, die hierin
afwyken van andere patronymika, dat ze niet op es of eene enkele s,
maar op is eindigen; b. v. Avis, Duyvis. Uitsluitend aan de Zaan
eigen zijn deze namen niet. Ze zijn ook wel elders in Noord-Holland
ten platten lande inheemsch (Galis, Tamisz), en komen eveneens, maar
zeldzaam, in andere nederlandsche gewesten voor (Jonxis, Tanis). De
oorsprong van den afwykenden form dezer vadersnamen is te zoeken in
de gewoonte, welke sommige nederlandsche schryvers in vorige eeuen
hadden, om den tweeden naamval van mansvóórnamen aldus te spellen. Eene
gewoonte die in taalkundig opzicht wel verkeerd was, maar waar de
eigenaardige uitspraak der volkstaal in sommige landstreken aanleiding
toe gaf--gelijk zulks ook nog heden het geval is. Vooral by de Friesen
heerscht deze uitspraak, en de spelwyze is in plaats van es achter
mansnamen vinden we dan ook nog meest in oude friesche geschriften. In
de »Oorkonden der geschiedenis van het Sint-Anthony-Gasthuis te
Leeuwarden" kan men van deze spelling vele voorbeelden aanwyzen. In een
geschrift van het jaar 1455, in dien bundel voorkomende (dl. 1 bl. 22),
vinden we iemand als Hemka Reenkys zoen vermeld; dat is Hemka, Reenkes
zoon. In een ander geschrift--aldaar dl. I, bl. 28--, van den jare 1457
komt Jarich Joenkis zoen voor; dat is: Jarich Joenkes zoon. En deze
zelfde man heet in eene andere oorkonde van dat zelfde jaar--dl. I,
bl. 30--slecht weg Jarich Joenkis. Dan staan nog in deze oorkonden
vermeld: Bauke Sickis--in plaats van Sickes, zoon van Sikke-- [48],
Hiilgond Siiurd Buiickis wiif--Hillegonda, de vrou van Sjoerd Buikes
(zoon)-- [49], Jan Nannis [50], Jan Mennis [51], Trin Jeppis [52],
en in een register van het jaar 1511, waar in de burgery de stad
Dokkum met name wordt vermeld, Take Sapis. [53]

Merkweerdig is het, dat de geslachtsnamen op is en isz heden ten dage
juist niet meer in 't eigenlike Friesland voorkomen, maar meest in
Noord-Holland. Trouens, de Noord-Hollanders zijn oorspronkelik Friesen,
en de friesche eigenaardigheden bleven juist aan de Zaan het langst
bewaard, tot in deze eeu.

De geslachtsnamen op is en isz, my bekend, zijn de volgenden: Alvis,
Arisz, Avis. [54] Het grootste gedeelte van de mansvóórnamen, die aan
deze patronymika ten grondslag liggen, zijn bepaaldelik friesche namen,
of althans by de Friesen meest in gebruik. Ook uit deze byzonderheid
blijkt de friesche oorsprong dezer geslachtsnamen. De mansnaam Ave
wordt door Leendertz vermeld. In verkleinform, als Aafje of Aafke is hy
over geheel Noord-Holland en Friesland nog heden als vrouen-vóórnaam
in volle gebruik. Over den naam Duif, waarvan Duyvis een nieue
vadersnaam is, zie men bl. 90; over Fene, de stamnaam van Veenis,
bl. 58. Jonxis komt van Jonke, Joenke, een oud-friesche mansvóórnaam,
die tevens aan de geslachtsnamen Jonks, en † Joenkema oorsprong gaf,
en zekerlik één is met den frieschen mansvóórnaam Jonge. Zoo dat ook
de geslachtsnamen Jongema, Jongma, Jongsma, Jonges, Jonks enz. met
Jonxis uit den zelfden wortel voortspruiten. Gale, tegenwoordig in
Friesland ook als Geale voorkomende, is een friesche mansvóórnaam,
waarvan, met Galis, nog de geslachtsnamen Galama en Galema, Galen en
Gales, en, van den verkleinform, Gaaljema afgeleid zijn.

Niet enkel eenvoudige patronymika, die slechts tweede naamvalsformen
zijn, zooals de bovengenoemden, vertoonen den uitgang is in plaats van
es, ook in eenige met sen (zoon) samengestelde vadersnamen komt deze
byzondere form voor. Het zijn de geslachtsnamen Alberdissen (Alberdes
zoon, Alberts zoon), Breunissen (van Bruno? of van Bronno?), Domissen
(als tegenhanger van Domis en Dommisse, dat de n verloren heeft,
(van den ouden mansnaam Domme; zie § 46). Deze namen behooren dus
eigenlik tot die welke in § 34 zijn vermeld, en staan in de zelfde
verhouding tot de eenvoudige patronymika op is, als b. v. Bruinssins
tot Bruinssens, Gerdessen tot Gerdes.

§ 40. De ryke nederlandsche taal kent twee verschillende wyzen om
tweede naamvallen van mansvóórnamen te formen--afgezien nog van
de byzonder-friesche wyzen. Te weten op s en op en: Dirks huis en
Dirken huis. In de middeleeuen waren beide formen naast elkanderen
in gebruik; ja, in vele nederlandsche gouen zal de laatste form wel
de meest gebruikelike geweest zijn. Dit is tegenwoordig niet meer
zoo. De schrijftaal heeft langzamerhand den form op en verworpen,
en dien op s behouden. Heden ten dage is de genitivus op en geheel
uit de schrijftaal verdwenen, en dien ten gevolge ook byna geheel uit
de spreektaal. Slechts in enkele nederlandsche gouspraken bleef die
oude, goede en welluidende form tot op dezen dag in gebruik. Onder
anderen in het zoogenoemde Strand-hollandsch, in de volkstaal der
hollandsche visschersdorpen aan de Noordzee, Zandvoort, Noordwijk,
Katwijk, Scheveningen, enz. Dáár spreekt men nog van Dirken wægen,
Gijsen skoit, Louen seun en Krijnen dochter, waar de schrijf- en
spreektaal der stedelingen slechts Dirks wagen, Gijsbrechts schuit
of Gijs z'n schuit, Laurens' zoon of Lou z'n zoon en Krijns dochter
of de dochter van Quirinus kent.

Natuurlik formde men oudtijds de nieuformige patronymika, die
oorspronkelik anders niet zijn dan eenvoudige tweede-naamvals formen,
even zoo op en. Zulke namen en toenamen als Marten Huyghen soon,
Govert Thysen zone, Gerlof Bruynen zoon en Harm Foppen seun kan men
in oude oorkonden zeer talrijk vinden. Het woord zoon sleet in het
dageliksch gebruik ook al spoedig achter die toenamen weg, en zoo
bleven slechts over: Marten Huyghen, Govert Thysen of Thyssen (zóó
geschreven om den scherpen klank der s af te beelden, om te verhoeden
dat men Thyzen zou lezen), Gerlof Bruynen, Herman Foppen, enz. Zelfs
al hadden de oude Nederlanders reeds eenen vasten geslachtsnaam, dan
plaatsten zy nog ten overvloede hunnen vadersnaam in dien byzonderen
tweeden-naamval, achter hunnen eigenen doopnaam. Laurens, de zoon
van Joost Baeck, een aanzienlik Amsterdammer uit de zeventiende eeu,
schreef zynen naam als Laurens Joosten Baeck. En zyne tijdgenooten
deden vast allen zoo. Zulke patronymika zijn ook in grooten getale als
vaste geslachtsnamen tot op den dag van heden in stand gebleven. Toch
is hun aantal niet zoo groot als dat der vadersnamen op s. Dat
komt omdat reeds sedert de 16de eeu de schrijftaal den form op s
begunstigde boven dien op en, en de meesten dezer toenamen van na
dien tijd dagteekenen. Ook zal menigeen, die een zoon was b. v. van
Dirk, en die door zyne tijdgenooten steeds (Jan) Dirken genoemd werd,
toch dien toenaam, als hy hem schryven moest, wel als Dirks of Dirksz
hebben neêrgesteld, wijl de mode dat eischte.

Zie hier eenigen van die geslachtsnamen op en, waar by de opmerking nog
gemaakt moet worden, dat ze in alle nederlandsche gouen inheemsch zijn,
maar meest by Friesen, Hollanders en Vlamingen: minder of slechts
zeldzaam by Gelderschen en Brabanders. Alderden, Barten, Fransen
[55]. Het grootste deel dezer namen is van bekende mansvóórnamen
afgeleid, sommigen in oud-hollandsche afkortingen: Bart, Frans,
Gijs, Huig, (Hugo), Joris en Goris (oud-nederlandsche formen van
den kerkeliken mansnaam Georgius, George), Joost, Kerst (Kerstiaan,
Christiaan), Luik (Lucas), Nolt (Arnold), Onno, Otto, Rijk, Thijs
(Mattheus). Kees is de gewone nederlandsche verbastering (kosename) van
den mansnaam Cornelis. De patronymika Keessen, Krelissen, Nelissen,
Knelisse en Cornelissen stammen allen van dezen zelfden mansnaam
af. Over den mansnaam Wyn, waarvan Wynen en Wijnne zie men bl. 97. Aan
den geslachtsnaam Alderden ligt de volle oud-nederlandsche mansnaam
Aldert, in Friesland meest Allert, ook Allart, voluit Adelhart,
ten grondslag. De geslachtsnamen Aldringa en Van Aldringa, Aldrink,
Alderding, Aaldrink, Alders, Alderts, Aldertsma, Allertsma en Allersma,
Alers, Alerding, Alring, met Aldring en Aldrington in Engelland,
zijn allen van dezen schoonen naam afgeleid. Zoo mede de plaatsnamen
Aldrington in Sussex, Engelland; Aldringa-burcht te Bedum in Hunsego,
Groningerland; Audrehem, dat is Alderda-heim, Adelharta-heim,
woonplaats van Aldert, in Artesie, Frankrijk; Aldersbach by Vilshofen
in Beieren; Allersma-heert te Godlinse in Fivelgo, Groningerland;
en Alerdink, eene havesate by Heino in Salland, Overijssel.

De geslachtsnaam Alderden komt te Aalsmeer voor. Opmerkelik is
het dat in dit overoude hollandsche dorp zoo vele eigenaardige
oud-hollandsche geslachtsnamen, van volle, oud-germaansche mansnamen
afgeleid, voorkomen. Trouens, Aalsmeer, dat eeuen lang, zoo lang de
Haarlemer-meer nog meer was, een afgelegen dorp bleef, heeft eene
eigenaardige bevolking, waaronder Oud-Doopsgezinden en Oud-Roomschen,
die tot in deze eeu aan hunne oud-hollandsche, eenvoudige zeden
getrou bleven, en zich door allerlei eigenaardigheden in kleeding,
levenswyze, enz. van de andere hollandsche dorpelingen bleven
onderscheiden. Behalve Alderden bestaan te Aalsmeer nog de soortgelyke
geslachtsnamen Lubberden (van Lubbert, Ludbert, Ludbrecht), Syberden
(van Sybert, Sîgbrecht), Jooren (van Jore) enz. Deze laatste naam is
ook een oud-nederlandsche mansnaam, die door Wassenbergh, Leendertz en
Brons in hunne lijsten wordt vermeld, en die ook aan de geslachtsnamen
Joors (aan de Zaan) en Jorink (in Twente), en aan den plaatsnaam Jorum
(Jora-heim, woonplaats van Jore), zooals eene state heet te Kubaart
in Friesland, oorsprong gaf. De geslachtsnaam Kommerden (zie bl. 92)
behoort ook tot deze kleine byzondere groep, benevens Blommerde (van
Bloemhart, zie bl. 93 en 94) en Remmerde (van Remmer, Reginmar, zie
bl. 94); de twee laatste namen in versletenen form, zonder slot-n;
zie de volgende §.

By alle geslachtsnamen, patronymika op en, is de oorspronkelike
mansvóórnaam niet zoo duidelik aan te toonen als by de bovengenoemden
het geval is. Velen zijn van byzonder friesche mansvóórnamen
afgeleid, en komen dies den niet-frieschen Nederlander vaak
onverstaanbaar voor. Anderen zijn van oude, niet meer gebruikelike
namen ontleend. Zie hier eenigen van zulke geslachtsnamen: Binken,
Blanken en Blenken, Coelen [56]. De friesche mansvóórnamen Binke,
verkleinform van Binne, Benno (zie bl. 28), Foppe (waarvan ook de
geslachtsnamen Foppema, Fopma, Foppes, Foppens), Hedde (waarvan
Heddinga, Heddema, Heddes, en Hedding in Engelland), Heere of Hero,
Luit, (in verkleinform Luutzen) Makke, Okke of Occo, Poppe, Rense of
Renso of Rinse, Sine (zie bl. 72), Temme of Tammo, Uneke of Unico,
ook Oenke, Oentsen, alles verkleinformen van Uno, Oene; Warre en
Wobbe, in verkleinform Wobke, Wopke, Wopco--die allen weêr aan zeer
talryke geslachtsnamen oorsprong gaven, zijn de wortels van velen
der genoemde patronymika. Blank, Blanco, waarvan Blanken en Blenken,
even als Blanksma en Blanks, is een oud-germaansche, door Förstemann
vermelde mansvóórnaam. De geslachtsnamen Coelen, Koelinga, Coelingh,
Colinck en Koelinck, met Koolsma en Coolsma, Coolen en Coole, met Coles
in Engelland (Coleshill heet eene stad in Warwickshire, Engelland;
en Koolskamp is een dorp in West-Vlaanderen); met Kooltjes, van den
verkleinform, misschien ook met Kool en Cool, wyzen duidelik op eenen
mansvóórnaam Koele of Kole, al is my die naam nergens op zich zelven
ontmoet. Hubben (de naam komt te Duinkerke voor) is een patronymikon
van den oud-frieschen en ook oud-engelschen mansvóórnaam Hubbe,
Hobbe, en bewijst al weêr de byzondere verwantschap van Vlamingen,
Friesen en Engelschen. De vóórnaam Hobbe is in Friesland nog in volle
gebruik, en gaf oorsprong aan de geslachtsnamen Hobbing, Hobbema,
Hobma, Hobbes en Hobbie (zie bl. 70) alle in friesche gouen; Hobbes
en Hobson komen ook in Engelland voor. Aan den geslachtsnaam Pollen,
zoo mede aan Pollema en Polsma met Polsius in Friesland, Polling in
Drente, aan Pols en Pollsen, waarschijnlik ook aan Pol (in Friesland),
en aan de plaatsnamen Polleben, dorp by Eisleben in Saksen; Polling,
dorp by Weilheim in Beieren; Pollhorn by Rendsburg in Holstein,
moet een mansvóórnaam Pol of Polle ten grondslag liggen--al kan ik
dien naam niet met bewyzen staven. Deze naam zal wel één zijn met de
friesche mansnamen Pelle en Palle, waarvan Pelsma, Pels, Pellens en
middellik Van Pellecom, met Palma, Palsma en Pals. Het patronymikon
Snellen eindelik, is afgeleid van den oud-hollandschen mansnaam Snel,
door Leendertz en Brons vermeld, en welke naam, volgens Förstemann,
als Snello, ook aan andere germaansche volksstammen eigen was; zie
bl. 47. De geslachtsnamen Snellens en Snellings, met Sneltjes--in den
verkleinform--, misschien ook met het enkele Snel, en de plaatsnamen
Snelleghem (Snellinga-heim), dorp in West-Vlaanderen, Schnellingen,
dorp by Hasslach in Baden en Schnelsen, dorp by Pinneberg in Holstein,
stammen allen ook af van Snello, dat is gezeid: de snelle, de vlugge.

By eenige geslachtsnamen, patronymika op en, is de mansvóórnaam
die er aan ten grondslag ligt, over 't algemeen zóó weinig bekend,
dat men die namen voor alles eerder zoude houden, dan juist voor
wat zy zijn. Immers zullen de meeste menschen, zoo zy deze zaak niet
opzettelik onderzocht hebben, eer geneigd zijn in de geslachtsnamen
Dyken, Roozen, Staelen, Sterren, Struyken, Veenen, Veeren, Vinken en
Vossen meervoudsformen te zien van de woorden, dijk, roos, staal,
ster, struik, enz. dan tweede-naamvalsformen van mansvóórnamen. En
toch zijn zy dit laatste in der daad. Over de namen Fene en Fere, waar
van Veenen en Veeren, kan men bl. 58 en bl. 30 naslaan. Dike, waar
Dyken van komt, met Dykama, Dykema, Dikema, Dijkma, Dijksma, Diekes,
Dykens en Dijksen, ook met Diekenga en Dikena in Oost-Friesland,
en met † Dicing dat reeds een stamnaam was onder de oude Engelschen,
is een mansvóórnaam, in Friesland nog in gebruik, en oorspronkelik
eene samentrekking van Dideke, dat weêr een verkleinform is van
Dide.--Roozen, met Roosen, misschien ook met Rose en Roos, stamt
van den oud-nederlandschen, door Leendertz vermelden mansnaam Roos,
die ook door Förstemann als oud-germaansch wordt aangegeven. Van
dezen mansnaam stammen vele geslachtsnamen, die over alle Nederlanden
verspreid zijn, en die het dus byna zeker maken, dat de mansvóórnaam
Roos oudtijds hier te lande geenszins zeldzaam moet geweest zijn. Het
zijn Rosinga, Rosema, Rozema, Roosma, Rozenga in onze friesche gouen,
Rösing in Oost-Friesland, Roosens, Rooses en Reusens in Vlaanderen;
en van de verkleinformen: Roosjen in Friesland, Roosjes en Roskes in
Holland en Brabant, Röskens in Oost-Friesland.

Het zou waarlik te omslachtig worden, zoo ik hier alle verwante formen
van de mansnamen, die aan de overige bovengenoemde geslachtsnamen
ten grondslag liggen, en alle geslachtsnamen die er nog verder van
afgeleid zijn, uitvoerig wilde aanduiden. Het zy dus genoeg hier
nog te melden dat Stale of Stalle, Sterre of Stere of Star, Struuk,
Finke (verkleinform van Finne) en Fosse allen goede oud-nederlandsche
mansvóórnamen zijn, die allen uit oude oorkonden en andere geschriften
kunnen bewezen worden, en allen aan talryke geslachts- en plaatsnamen
oorsprong gaven.

Over de beteekenis van de veelvuldig voorkomende geslachtsnamen
Franken en Sassen, met Franke en Sasse in versletenen form, die ook
tot deze groep behooren, kan men § 69 nazien. Maar een paar regels
moeten nog gewijd worden aan den uitleg der geslachtsnamen Thoden,
Tholen, Tjaden en Uden, die, in onze friesche gewesten inheemsch
zijnde, menigen niet-Fries wel als onverstaanbaar mogen voorkomen,
ten zy men Tholen misschien wel voor den naam van het bekende zeeusche
stadje zou willen houden. Wat in dit geval niet juist is. Want deze
namen alle vier zijn patronymika op en, en afgeleid van de oud-friesche
mansvóórnamen Thode of Tode, Thole of Tole, Thiad of Thiado, (door de
Friesen als Tjaad uitgesproken, zie bl. 62) en Udo, Oede; deze laatste
naam komt meest in verkleinform voor als Udeke (Udico), Oedke, in
middeleeusch friesch Oedtse (k = ts), tegenwoordig meest Oetse, Oetzen
en Oeds gespeld. Van Thole hebben wy nog de geslachtsnamen Tholema,
Tholing, Tolings, Tolens en misschien ook Tool. Van Thiado, Tjaad
kwamen in de middeleeuen nog de maagschapsnamen Thiadama en Tyadana,
de eerste in West-, de tweede in Oost-Friesland inheemsch. En Udo,
Oeds heeft oorsprong gegeven aan Oedsma en Oetsma, Oetzes en Oetzen,
Udinga, Udema, Udens en Udink. Deze zelfde naam was oudtijds ook in
Holland als mansvóórnaam in gebruik, onder den verkleinform Oetje,
Oetjen, dat men op oud-hollandsche wyze ook wel Oetgen schreef,
en in Brabant als Oetken; van daar de geslachtsnamen Oetjes, Oetjen
en Oetgens en Oetkens. Te Amsterdam is een Oetgenspad, en Oetingen
(patronymikon van Udo, in den derden naamval), is de naam van een
dorp in Zuid-Brabant.

§ 41. De Hollanders en sommige andere Nederlanders spreken de slot-n
achter de woorden niet uit; in § 35 is dit reeds aangetoond. Deze
verkeerde uitspraak werd door hen ook wel in geschrifte afgebeeld,
en dit is de oorsprong der patronymikale geslachtsnamen die op eene
toonlooze e eindigen. Zulke geslachtsnamen zijn anders niet als
nieue vadersnamen op en uitgaande, die hunne laatste letter verloren
hebben. Velen er van komen dan ook nog in beide formen voor; voluit
(Huigen), en afgesleten (Huige). Oorspronkelik komen deze afgesletene
namen, die in de zelfde verhouding staan tot de volle naamsformen
op en, als de namen op se (Pieterse) staan tot de namen op sen
(Pietersen),--oorspronkelik komen zy slechts voor in die gewesten van
Nederland, waar dit weglaten der slot-n tot de volkseigene uitspraak
der taal behoort. Als voorbeelden van zulke geslachtsnamen vermelden
wy: Bane en Baane, Boone, Faasse, Huighe, Koene en Kuene, Koppe, Louwe,
Nolte en Steene. Over Faasse en Nolte (Faassen en Nolten) zie men
bl. 88 en bl. 101. Huige en Huighe komen van Hugo; zie bl. 100. Koene
(Koenen komt ook voor) is het versletene patronymikon van Koen,
de gewone verkorting van Koenraad; dit Koen (Kuno) kan echter ook
als naamstam op zich zelven gedacht worden. Kuene (en Kuenen, dat
ook voorkomt, benevens Kühnen, Kühne en Kühn op hoogduitsche wyze
gespeld) is de brabantsche uitspraak en spelwyze van dezen zelfden
naam. Koppe en Koppen komen van Kop, een der talryke volkseigene
verkortingen van Jacob; zie bl. 93; zoo ook Louwe van Lou, eene
hollandsche verkorting van Laurens.--Bane en Baane, Boone en Steene,
met de volle formen Banen, Boonen, Steenen en Steinen, stammen alle
drie van oud-germaansche mansvóórnamen af, die echter ook alle drie
als zoo danig niet meer in gebruik zijn, uitgenomen in Friesland
en de skandinavische landen. Dat deze mansnamen oudtijds in Holland
zoowel als in Vlaanderen, in Brabant zoo wel als in de nederduitsche
gewesten van Noord-Duitschland in gebruik waren, blijkt onweêrsprekelik
(of men dit anders ook al niet en wiste) uit deze patronymika, en
uit vele andere verwante geslachtsnamen, die over al deze gewesten
verspreid zijn. Bane is tegenwoordig in het nederlandsche Friesland als
mansvóórnaam ook zeldzaam, maar in Noord-Friesland nog zeer algemeen in
gebruik. Behalve Bane, Baane en Banen, zijn van dezen mansvóórnaam nog
afgeleid de geslachtsnamen Banema, Baansma, Baning, Banens, Bahnsen, en
Bahntje in verkleinform. De oud-germaansche mansvóórnaam Bono, Bone is
tegenwoordig in Friesland ook zeldzaam. Leendertz heeft hem nog in zyne
naamlijst als Boontje, in den verkleinform. De geslachtsnamen Boning
(in Engelland), Boninga (in Groningerland), Böning (in Duitschland),
Boonsma (in Friesland), met Boontjes in verkleinform, zijn er van
afgeleid. En even zoo de plaatsnamen Boninghall, in Salopshire,
Engelland; Boningue, zoo als een dorp heet in Artesie (Frankrijk);
Boneburg, een gehucht by Greetsyl in Oost-Friesland.

De mansnaam Steen, ook Stein, Stien en in Skandinavie Sten,
is geenszins zoo zeldzaam als Bane en Bone. In Friesland
en Noord-Duitschland komt hy nog voor; in Skandinavien nog
veelvuldig. Oudtijds was hy over alle Nederlanden verspreid; in
Holland was dit nog in de zeventiende eeu het geval. Talryk zijn de
geslachtsnamen, van dezen mansnaam afgeleid--om van de plaatsnamen nog
niet eens te gewagen. My zijn bekend: † Steninga, Steenema, Steensma,
Stiensma, Steens, Stiens, Steins, Steensen en Steenis; zie bl. 98.

§ 42. In de nederlandsche taal is de tweede-naamvalsform op en
minstens even oud als die op s, zoo hy niet ouder is. Maar de
form op en is uitgestorven, terwijl die op s behouden bleef; zie
bl. 99. Er kwam dus eens een tijd, in 't eene gewest eerder, in
't andere later, dat het volk dien form op en niet meer verstond;
dat het de beteekenis niet meer kende van patronymika of toenamen
als Huigen en Joosten. En zoodra dit het geval was, zoo dra men in
deze namen slechts eenen klank hoorde en niets meer, toen was ook het
tijdstip gekomen dat men zulke namen op nieu in den tweeden naamval
plaatste. Ditmaal echter in den nieuen, op s uitgaanden form. Kwam
b. v. in zekere plaats een man wonen die Pieter Joosten heette, dan
noemde het volk weldra den zoon van dien man--gesteld de jongen heette
Klaas--niet Klaas Pieterszoon of Klaas Pieters, zoo als d'oude zede
vorderde, maar Klaas Joostenszoon of Klaas Joostens. En dit Joostens,
ofschoon het eigenlik een onzinnige naam is, waarin twee genitiven op
elkanderen gestapeld zijn, bleef in gebruik, ook tegenwoordig nog,
als vaste geslachtsnaam. Deze groep van dubbelde nieue patronymika
maakt dus de weêrga uit van de geslachtsnamen op ings, inkx, die in §
18 en 19 besproken zijn. Zy zijn in taalkundig opzicht even onredelik.

De geslachtsnamen op ens zijn over alle Nederlanden verspreid;
het meeste komen ze voor in de noordelike gewesten, vooral
in Groningerland. Elders zijn ze nergens talrijk. Zie hier
eenigen van die namen: Bertens, Dierkens, Eppens. [57] Behalve de
algemeen nederlandsche mansvóórnamen Bert, Dierk (Dirk, van Diederik
saamgetrokken), Hugo en Rijk, van Bertens, Dierkens, Huigens en Rykens,
zijn de wortels van deze geslachtsnamen allen friesche mansvóórnamen,
die ook nagenoeg allen, Eppe, Feike, Fokke, Foeke, Heike, Leeue of
meest Lieue (Lieuwe), Onno, Rouke, Tidde, Tjabbe (Tjebbe), Tonco,
Ubbo, Uilke (zie bl. 29 en 30) nog heden by de Friesen in volle
gebruik zijn. Al deze mansnamen hebben buitendien aan talryke andere
geslachtsnamen oorsprong gegeven; van elk wil ik hier slechts éen
vermelden: Eppinga (Epping in Engelland--Epping-forest, een bekend
engelsch woud), Feikema, Fockema, Foekema, Heikema, Leeuwinga, Onnes,
Rykema, Roukema, Tjabben, Tiddinga, Tonnema, Ubbinga en Uilkema.

Deze geslachtsnamen op ens zijn wel te onderscheiden van sommige
namen die dezen zelfden uitgang vertoonen, zooals Martens en Feltens,
maar die eenvoudige tweede-naamvalsformen zijn op s, en dus tot
de groep behooren die in § 37 behandeld is. De mansvóórnamen, waar
deze geslachtsnamen aan ontleend zijn, gaan op zich zelven reeds uit
op en. Marten en Felten zijn oud-nederlandsche formen van de volle
kerkelike namen Martinus en Valentinus.

En evenmin moeten de geslachtsnamen op ens verwisseld worden met
anderen die ook den uitgang ens vertoonen, maar die toch tot de
groep der eenvoudige genitiven op s behooren. Zy zijn afgeleid
van mansvóórnamen in verkleinform. De verkleinformen (ken en tjen)
worden in de zuidelike gewesten gewoonlik met eene n daarachter, in
de noordelike zonder die n (als ke en tje) geschreven. Deze groep van
geslachtsnamen is dan ook vooral in Vlaanderen en Brabant inheemsch,
terwijl de namen met dubbelden genitivus, en en s, ens, meer in het
noorden t'huis behooren. Voorbeelden van zulke namen zijn: Arekens,
Bollekens, Boomkens. [58] Dit zijn allen namen van zuid-nederlandsche
geslachten, en allen van oude mansvóórnamen in verkleinform op en
(Areken, Scheltjen) afgeleid. In de noordelike Nederlanden daarentegen
vinden wy geslachtsnamen als Bantjes, Brantjes, Buyskes, [59] ontleend
aan verkleinformen op tje en ke, zonder slot-n.

Enkelen van deze namen wil ik nader verklaren. Arekens is het
patronymikon van Areken, dat weêr een verkleinform is van den
oud-germaanschen, by Förstemann vermelden mansvóórnaam Are. Deze naam
gaf ook oorsprong aan de geslachtsnamen Arema in Friesland en Arink
te Zwolle; zoo mede aan eenige plaatsnamen, b. v. aan Aringzele,
dorp by Kales (Calais) in Frankrijk; dat is: de zele, de zale, de
zaal, de halle, het groote huis der nakomelingen van den man die Are
heette. Arekens echter zou ook kunnen komen van Areken, Aarnken,
verkleinform van Aarn, Arn, samentrekking van den vollen ouden
mansnaam Arend. Arnken komt ook als geslachtsnaam voor. Kannekens
komt van Kanneke, Kanne, een naam die oudtijds als mansvóórnaam in
gebruik moet geweest zijn by de germaansche stammen, al is hy my op
zich zelven nooit voorgekomen. Dit blijkt toch uit de geslachtsnamen
Kanninga en Cannenga; Cankena (eveneens een patronymikon, en wel
van den verkleinform) in Oost-Friesland; Canning en Cannington in
Engelland. En uit de plaatsnamen Cantrup (d. i. Kandorp), dorp by
Bassum in Hanover; Kanning, dorp by Ernsthofen in Beneden-Oostenrijk;
Caneghem (Kaning-heim), dorp in West-Vlaanderen; Canum (Kanna-heim) en
Canhusen, dorpen in Oost-Friesland, enz.--Seuntjens komt met Zoontjes,
Soenens, Soons, Zoons, Sons, verlatynscht als Sonius, met Sönnichsen
(van den verkleinform Sönnicke, Sonneke) en met Zonsma, Sonsma,
Sonnema, † Sonningha, misschien ook met Sonnega (zie bl. 64) en met
vele plaatsnamen, als Sonnega, dorp in Friesland; Sönnenwerf, gehucht
by Okholm in Noord-Friesland; Sonneghem, dorp in Oost-Vlaanderen;
Sonsbeek, dorp by Gelder in de Rijnprovincie--allen van den
oud-germaanschen, hier en daar in de Nederlanden nog voorkomenden
mansnaam Sonne, Sone, Sönne. Hier te Haarlem woont nog iemand die dezen
ouden vóórnaam in den verhollandschten form Zone draagt. Maatjes
is een patronymikon van Maatje, en dit is een verkleinform van
den ouden mansvóórnaam Mate, door Förstemann als Mato vermeld, en
die ook aan de geslachtsnamen Maats, Maetens in Vlaanderen, Matena
(een oud-oostfriesche tweede-naamvalsform) in Drente enz. oorsprong
gaf. Over Bollekens zie men bl. 27, over Schellekens en Scheltjens,
twee formen van éen en den zelfden naam, bl. 77; over Vennekens, van
Venneken, Venne, Fenne, Fene, bl. 58 en 98; over Bantjes van Bantje,
Banne, bl. 51, enz. Brantjes is van Brant, een welbekende mansnaam,
en Haantje, Lolke, Mintje, Onneke (Onno), Rinke (Rinne), Solke (Solco),
Waalke zijn friesche mansvóórnamen, nog heden in volle gebruik.

Oudtijds schreef deze en gene, hier en daar, het aanhangsel ke, ken
of tje, tjen, dat den verkleinform uitmaakt, wel als gen. Woorden
als huysgen, kintgen, poertgen voor het hedendaagsche huisje, kindje,
poortje treft men menigvuldig in oud-nederlandsche geschriften aan. In
sommige nederlandsche gewesten, Groningerland, Drente, Overijssel,
en tevens te Dordrecht en elders in 't overmaassche Holland, laat de
volkspraak deze g (gie), ook wel ch (chie, chien), in verkleinwoorden
nog heden hooren. Te Dordt, op Beierland, enz. spreekt men van
borregie, poregie voor bordje, poortje, te Zwolle van lämmechie,
in Drente van lammechien voor lammetje, enz. Natuurlik maakte men de
verkleinformen van eigennamen ook op deze wyze, en schreef die namen
met g, gen. Namen als Barentgen, Marytgen treft men zeer dikwijls
in oud-nederlandsche geschriften aan, gelijk men nog heden in onze
noordoostelike gewesten namen als Alechien, Alechina; Lubbegien,
Lubbechina (oorspronkelik Lubbrechtje, Lubbrecht, Ludbrechta,
Hludberchta), enz. aantreft. Als de namen van groningerlandsche,
drentsche en oostfriesche koffen en tjalken en schuiten krijgt men
in Holland zulke namen onder d' oogen.

Deze oude form is in eenige geslachtsnamen tot den dag van heden
bewaard gebleven. B. v. in Bontgens, Fortgens, Heyntgens en Heintges,
Lutgens, Seipgens, Wintgens, allen patronymika van verkleinformen
van oud-nederlandsche mansvóórnamen. Bontgens (Bontjes komt ook voor)
is van Bonne; zie bl. 57 en 58. Heyntgens komt van Heintje, van Hein,
Hendrik.--Lutgens, met Lutjens, komt van den verkleinform des ouden
mansnaams Lute, Lude, Lode, Hlude, Hlode, die in Friesland nog als
Luut, Luit, in verkleinform Luutzen, Luitsen, in volle gebruik is. Over
Wintgens van Wintje, Winne, Win, zie men bl. 97. Deze kleine groep
van geslachtsnamen is meest eigen aan de zuidwestelike gewesten van
Nederland, en komt evenzeer voor in de streken van Duitschland, daaraan
grenzende, dus in de Rijnprovincie, vooral aan den linker oever,
rondom Aken, enz. Daar ook op zich zelven, en zonder patronymikalen
form, als Bürsgen (Bürsgens in Nederland), Pörtgen, Röndgen, Wirtgen
(Wiertjens in Nederland), enz.

§ 43. De Friesen, in hun taal en zeden zoo eigenaardig en
byzonder, hebben ook hunne eigene formen van nieue patronymika
als geslachtsnamen, even als zy ook hunne eigene formen van oude
patronymikale geslachtsnamen hebben; zie § 23. Zy hebben deze
eigene nieue patronymika, die hunnen oorsprong vinden in de wetten
en regels der oud-friesche taal, boven en behalven al de andere
algemeen-nederlandsche formen van nieue patronymika, die ook allen
onder hen in geslachtsnamen voorkomen, gelijk in de vorige bladzyden
herhaaldelik aangetoond is.

De byzonder friesche formen van nieue patronymika komen in alle
oorspronkelik friesche gouen van noordelik Nederland zeer veelvuldig
als geslachtsnamen voor. Behalven in noordelik Noord-Holland--welke
uitzondering by de oude patronymika eveneens plaats heeft. Daarentegen
zijn deze byzonder-friesche maagschapsnamen in de friesche landen
van noordelik Duitschland weinig minder algemeen als in onze gewesten
tusschen Fli, Lauers en Eems.

By deze geslachtsnamen kan men drie hoofdgroepen onderscheiden;
te weten:

1º. Namen die op eene enkele a eindigen (Gerbranda).

2º. Namen die op ma uitgaan (Abbema). De namen op na (Ukena) formen
hier van eene bygroep.

3º. Namen, waar van de laatste lettergreep sma is (Geertsma). Hiervan
formen de namen op sema (Geertsema), op sna (Snelgersna) en sena
(Sierksena) bygroepen.

§ 44. In de oud-friesche taal wordt de tweede naamval van sommige
woorden, vooral van die welke op eene opene lettergreep uitgaan,
geformd door achtervoeging van eene a, of door verwisseling der
toonlooze e, op het einde van eenig woord, met a. B. v. het woord
campa, gevecht, wordt of liever blijft in den tweeden naamval campa,
van het gevecht; tunge, tong, wordt in den genitivus tunga, van de
tonge; en are, oor, wordt ara, van 't oor. By eigennamen vooral
was deze tweede-naamvalsforming byzonder in zwang, en bleef dat
ook nog toen, in de 16de en 17de eeu, die forming op a by gemeene
zelfstandige naamwoorden reeds langeren of korteren tijd, in de
verschillende gouspraken der friesche taal, uitgestorven was en in
onbruik geraakt. De voorbeelden hier van zijn maar voor het grypen
in d' oorkonden die in d'oude friesche taal opgesteld zijn, b. v. in
het Register van den aanbreng van 't jaar 1511 en in de Oorkonden
van 't St. Anthonij-Gasthuis te Leeuwarden. In 't eerstgenoemde werk
b. v. vinden wy eenen man genoemd Jarich Focka zoen, dat is: Jarich
Fokke's zoon, of Jarich Fokkes, zoo als men heden ten dage spreekt
en schrijft. Dit Focka is hier niet een vaste toenaam, veel min een
vaste geslachtsnaam, die van vader op zoon overgaat, maar eenvoudig
een patronymikon, eenvoudig de naam van den vader van dezen Jarich,
in den tweeden naamval. En zoo is het ook met de volgende namen en
met zeer vele anderen, die allen in bovengenoemde boeken voorkomen. In
het Register b. v. Hette Feycka zoen, Renick Homma zoen, Pier Roucka
zoen, Gosse Goffa zoen, enz.; in 't Oorkondenboek, in eene oorkonde
van den jare 1436: »om Buwa ende Beyka beda willa", dat is: om de
wille van het verzoek (bede of gebed) van Boue en Beike.

Deze friesche patronymika waren natuurlik oorspronkelik strikt
persoonlik, even als de andere patronymikale formen op ing, op s,
op en, enz. Maar even als dezen gingen zy, door verloop van tijd,
en sedert men van de eigenlike beteekenis dezer toenamen niet zoo
duidelik meer bewust was, langzamerhand ook op de zonen en op de
verdere nakomelingen over van den man, van wiens naam ze waren
afgeleid; zy werden vaste toenamen, later vaste geslachtsnamen. Zoo
komt het patronymikon Homma, gelijk Renick Homma zoen bovengenoemd
droeg naar den naam zijns vaders Homme, nog heden in Friesland als
geslachtsnaam voor. Zoo ook Hommes, dat eveneens een patronymikon is
van den zelfden frieschen mansvóórnaam, maar in nieueren form; en al
mede Homminga en Hommema, welke namen ook al het zelfde beteekenen.

De geslachtsnamen op eene enkele a uitgaande, behooren, met die op
inga eindigende, tot de oudste formen van friesche patronymika. Van
daar dat juist deze namen in kleiner aantal onder ons voorkomen,
als zulks met de andere formen van friesche geslachtsnamen het
geval is. Vele geslachten die zulke oude, eenvoudige namen dragen
(Aytta, Hermana, Martena, Folkerda), zijn reeds sedert langen of
korten tijd uitgestorven, en wy kennen nu hunne namen slechts uit
geschiedboeken, oorkonden en opschriften. Zoo zijn ook de oudste
munten de zeldzaamsten. Daarby zijn deze geslachtsnamen dikwijls
versleten, samengetrokken uit hunne volle, oorspronkelike formen;
of ook afgeleid van mans- en plaatsnamen die tegenwoordig onder de
Friesen niet meer bekend of in gebruik zijn. Daardoor zijn ze vaak
moeielik om te verklaren. Weêr eveneens als de oudste munten die
't meeste versleten zijn, en die in hunne opschriften soms personen-
en plaatsnamen vermelden, welke men heden ten dage niet meer kent.

In § 91, 101 en 102 worden de hedendaagsche friesche geslachtsnamen
vermeld, die door achtervoeging van eene a, van plaatsnamen
geformd zijn. Hier hebben wy ons slechts bezig te houden met die
geslachtsnamen, welke op de zelfde wyze van mansvóórnamen afgeleid
zijn. Zie hier eenigen daar van als voorbeeld: Alberda, Algra,
Andla. [60] De oorsprong der namen Alberda (met Albarda), Bernarda,
Bruna, Menalda, Reinalda (met Reenalda, Renalda, en zelfs verbasterd
Ringnalda en Ringenalda) en Wynalda, van de mansvóórnamen Albert,
Bernard, Bruno, Menald (Meinout, Meginhold, Meginhalt), Reinald
(Reinout, Reginald, Raginholt) en Wynald (Winout, Winhalt), ligt voor
de hand; te meer wijl deze vóórnamen nog in gebruik of althans genoeg
bekend zijn. Andla en Andela, Gosliga (met Van Gosliga, Goslinga en
Van Goslinga), Idsarda (met Idzarda en Idserda), Jilderda, Ruurda,
Sjoerda, Tjaarda en Tjarda zijn patronymika van de mansvóórnamen
Andle, Goslig (Goslich, Gosling), Idsart of Idsert (Edsart),
Jildert, Ruurd, Sjoerd en Tjaard, die allen by de Friesen nog in
volle gebruik zijn. Hameka, met Hammeka, komt van Hameke of Hamke,
een verkleinform van den oud-germaanschen, by Förstemann vermelden
naam Hamo, die als Hamme by de Friesen in gebruik is, en ook aan de
geslachtsnamen Hamminga, Hamming, Hammingh, Hammink, † Hammama, Hamje
(zie bl. 70) en Hammes met Hamkema oorsprong gaf. Algra en Algera
zijn tweede-naamvallen van den oud-germaanschen, in Friesland als
Alger nog gebruikeliken mansvóórnaam Algar, Adelger, Athalgar, van
welken naam ook de geslachtsnaam Algersma is afgeleid. Popta met Van
Popta en Pupts zijn afgeleid van den mansvóórnaam Popt, door Brons als
een byzonder friesche vermeld, en die als een byform van den algemeen
bekenden mansnaam Pop, Poppe (Popke) te beschouen is. Rembada is een
versleten form van Rembalda, overeenkomstig de friesche uitspraak
(kald, koud = kâ'd; wrald, wereld = wra'd); en Rembald (Reginbalt,
Reinbout) is een volle, oude mansvóórnaam. De mansvóórnaam Rippert,
die aan de geslachtsnamen Ripperda en Rypperda ten grondslag ligt,
was vroeger algemeen in de Nederlanden in gebruik. In de 17de eeu
was hy in Holland geenszins zeldzaam. Ook thans is hy, hier en daar,
nog niet volkomen uitgestorven. Over Tjaard zie men bl. 62.

Sjoerda en Sjoorda zijn vadersnamen van den mansnaam Sjoerd, in
Friesland een der algemeenste vóórnamen. De oorspronkelike form van
dezen naam is Sigurd (Sîg-ûrd), en dit is de byzondere oud-noorsche en
oud-friesche form van het hoogduitsche Siegfried, een naam die oudtijds
in Holland en elders in de Nederlanden als Sîgfert, Sifert, Sivert,
Syvert, Seifert, Sieuert werd uitgesproken, en waar de geslachtsnamen
Sieuertz; Siewertsz, Siewertsen, Sieverts, Cijffers nog van afkomstig
zijn. De zachte friesche g van den oud-frieschen form dezes naams
Sigurd, verfloeide tusschen twee klinkers al spoedig tot eene j:
Sigurd, Si-j-urd, Sjûrd, in hollandsche spelling Sjoerd. De duitsche
Friesen aan Eems, Weser, Elve en Eider spellen dezen naam nog heden
als Siud, Siut, zonder r, wijl zy, en ook de nederlandsche Friesen,
in hunne uitspraak van dezen naam de r niet hooren laten (Sjoe'd). In
vorige eeuen, toen de aanzienliken, vooral de geleerden onder de
Friesen hunne namen verlatynschten, toen zy van Hette maakten Hector,
van Tjaard Tarquinius, van Tjibbe Tiberius, toen verformden zy Sjoerd
tot het barbaarsche Suffridus, een mansvóórnaam die nog heden onder
de Friesen in gebruik is. Nevens Sjoerda en Sjoorda zijn van den
mansnaam Sjoerd nog afgeleid de geslachtsnamen Sjoerdinga, Sjoerdema,
Sjoerdsma (in oude oorkonden als Siurdisma geschreven), Sjoerds
(deze naam heeft in Holland, volgens de hollandsche uitspraak, de d
verloren en is tot Sjoers geworden), Siurtz, Siutz, Sjuds, enz. De
drie laatsten in Oost-Friesland. Sjoerda-staten eindelik zijn er te
Kollum, Oenkerk en Lioessens, allen in Friesland.

De mansvóórnaam Sjaard, ook in Friesland in volle gebruik, en die aan
de geslachtsnamen Sjaarda, Sjarda en † Sjaardema ten grondslag ligt,
moet met Sjoerd niet verward worden. Sjaard immers is eene verkorting,
volgens de friesche uitspraak, van Sighart, Si-j-(h)art, Si-jaart,
Sjaart. De beteekenis van dezen naam is zegaart of overwinnaar;
hy komt dus overeen met den meer gebruikeliken latynschen naam
Victor. Als geslachtsnaam komt deze naam in den form Siegart voor,
waarvan Segaar en Siggaar, in Holland inheemsch, zekerlik verbasterde
formen zijn. Want aan het woord cigaar is by de verklaring dezer
namen niet te denken.

Wiard is een oud-friesche mansvóórnaam, onder de Friesen nog in volle
gebruik, evenals Wierd, Wiert, Weert, en, met dezen, eene samentrekking
van den vollen naam Wîghart (Wi-j-(h)art). Van dezen naam zijn ontleend
de geslachtsnamen Wiarda, die over geheel Friesland tusschen Fli en
Weser veelvuldig verspreid is, Van Wyarda, Wearda, Wierda, Weerda,
Wiards, Wierts, Wiertz, Weerds, Weerts, Wiertsema, Wiertzema, Wierdsma,
Wierdema, enz. In sommige friesche gouspraken luidt de naam Wiard
als Weiert; vandaar de geslachtsnamen Wyerda en Weyerda. De naam van
het oud-friesche dorp Wiarden in Wrangerland (Oldenburger Friesland),
die eveneens van den mansnaam Wiard is afgeleid, wordt in de wandeling
ook als Weierden, Weieren, Wei'rn uitgesproken.

Den mansvóórnaam die aan de geslachtsnamen Jorna en Jurna ten
grondslag ligt, zoomede aan † Jornsma en misschien ook aan Jörning,
zal de niet-friesche lezer niet gemakkelik herkennen. Het is Jorn,
en deze naam vertoont de friesche uitspraak van den oud-germaanschen
mansnaam Eburwin, die als Eberwein in Duitschland, en als Everwijn
in Nederland nog wel als mansnaam in gebruik is. Eburwin of Evorwin,
Ivor(w)in, I(v)orin, Jorin, Jorn. In den naam van het friesche dorp
Jorwert (waarvan de maagschapsnaam Jorwerda--zie § 91), en in den nog
gebruikeliken frieschen mansvóórnaam Jorrit (waarvan de patronymikale
geslachtsnamen Jorritsma en Jurritsma), treffen wy deze zelfde
byzondere uitspraak aan. Immers de friesche mansvóórnaam Jorrit is de
zelfde naam als Eberhart, Everhart, Everaart in andere germaansche
talen. Jorrit is eigenlik voluit Jorhart, volkomen zoo als Gerrit
eigenlik voluit Gerhart is. In middeleeusche oorkonden en zelfs nog
wel in geschriften van lateren tijd staat de hedendaagsche friesche
dorpsnaam Jorwert als Everwert of ook Everwirth geboekstaafd. De
Angel-Saksen en de hedendaagsche Engelschen, zoo na aan de Friesen
verwant, hadden en hebben deze zelfde uitspraak. Den hedendaagschen
naam toch van de engelsche stad York, in het Latyn Eboracum, schreven
de oude Engelschen Eurewic (Evrewic), [61] de Angel-Saksen Eforvic,
dat is I(v)or(r)ic of York. De friesche plaatsnaam Jorwert en de
engelsche plaatsnaam York moeten dus eigenlik in goed-nederlandsch
geschreven worden Everwert en Everwijk. Werkelik schreven dan ook de
oude Nederlanders aldus; Kiliaan b. v. heeft: »Eberwijck of Jork." En
de friesche patronymikale geslachtsnamen Jorna en Jorritsma zijn
letterlik de zelfde namen als de zeeusche geslachtsnaam Everwijnse
(zie bl. 89), als Everijnsz dat ik elders vond, en als Everaarts,
Eberhardi, Eberhardts, enz.

Aangaande het verschil tusschen Jorna en Jurna, Jorritsma en Jurritsma,
op eene byzonder-friesche uitspraak berustende, zie men § 78, by de
namen Van Borkum en Van Burkom.

§ 45. De friesche patronymikale geslachtsnamen op ma eindigende,
hebben eenen zeer byzonderen oorsprong. Zy bestaan, in hunnen
oorspronkeliken form, uit twee deelen: uit den een of anderen
mansvóórnaam in den tweeden naamval, en uit het achtervoechsel ma;
b. v. Gercama, bestaat uit Gerca, een oud-friesche tweede-naamvalsform
(zie bl. 112) van den nog heden ten dage onder de Friesen in volle
gebruik zijnden mansvóórnaam Gerke (een verkleinform van den ouden
naamstam Ger, Gero), en uit ma. En dit achtervoechsel ma beteekent
eenvoudig man. Dus Gercama is letterlik man (zoon, hoorige) van Gerke
of van den kleinen Gero; Lycklama is man van Lykle, een heden ten dage
nog in volle gebruik zijnde friesche mansvóórnaam, en dit is weêr een
geheel verknoeide vleinaam van den kerkeliken mansnaam Nicolaus. Zoo
geven ook de Friesen in het dageliksche leven den naam van Likelsgea
of St. Liklesgea aan het dorp St. Nicolaasga (ga of gea is dorp in
het Friesch) in Doniawarstal. Zie bl. 64.

Het woord man of ma, de laatste lettergreep der friesche patronymikale
geslachtsnamen die op ma eindigen, heeft in dit geval in 't algemeen
de beteekenis zoowel van zoon als van kleinzoon en nakomeling, ook van
neef, broeders of zusters zoon, of van jongere broeder, en dan nog van
hoorige, volgeling, dienstman. Men stelle zich eenen ouden stamvader
voor, een man nog in de volle kracht des levens, ofschoon hy reeds
verscheidene volwassene kinderen heeft, en eene geheele school van
kleinkinderen. Zyne zonen wonen met hunne vrouen en kinderen by hem op
de zelfde stamsate, op de zelfde landhoeve. En ook eene groote schare
hoorigen, dienstmannen, knechten en maagden wonen, ten deele met hunne
gezinnen, op het heem of in de onmiddellike nabyheid der sate. De oude
Gerco, een echte Stand-Fries, is het hoofd van dit groote gezin, welks
leden door een zelfde belang verbonden en gebonden zijn. Hy is als
een aartsvader, als een kleine koning over dezen stam van volk, over
dezen clan, die soms wel uit honderd personen bestaat. Al die lieden
noemen zich naar den ouden vader, naar aller hoofd en broodheer. Naar
zynen naam noemen zy zich Gercama of Gercamannen, mannen van Gerke.

Het woord man vinden wy in het Oud-friesch gewoonlik als mon, soms
ook als man, en als men of mena in het meervoud, ook als mona in den
tweeden naamval van het meervoud. Dat het ook wel, door afslyting der
slot-n als ma luidde, leert ons het woordje men, dat in 't Oud-friesch
als ma, later ook als me voorkomt, en nog heden wel in dien form
door de Friesen in hunne spreektaal gebruikt wordt; b. v. me scoene
sizze! men zou zeggen! Dit woordje men (ma, me) is anders niet als het
woord man in meervoudsform. En dat ook de hedendaagsche Friesen het
aldus opvatten en gebruiken, blijkt uit den meervoudsform, dien zy aan
het werkwoord geven, dat door men beheerscht wordt; ma scoene sizze,
en niet ma scoe sizze, op de wyze der Hollanders, die het werkwoord
dat door hun woordje men beheerscht wordt, in het enkelvoud nemen,
en zeggen: men zou zeggen, en niet men zouden zeggen.

Maar genoeg! Het achtervoechsel ma achter vele friesche patronymikale
geslachtsnamen is werkelik het woord man in het meervoud. En dit
blijkt onweêrsprekelik uit de oude formen waarin deze namen in oude
oorkonden voorkomen. Zoo komt de naam Frouwama, eigen aan een geslacht
van friesche edelingen, in Hunsego gezeten, in oorkonden der 13de en
14de eeu voor als Frouwamona. (Over de beteekenis van dezen naam zie
men § 60). Verder Bolsma als Bolesmona, Sierksma als Sirikesmona,
Brongersma als Brungersmona, enz. By verloop van tijd ging deze
volle form mona ook, door verfloeiing der klanken, in mena over. Zoo
brengt eene oude oorkonde ons den naam der Luidera-mena in Garreweer
(Fivelgo). Luidera-mena, dat is letterlik: de Luidera-mannen, de
mannen van Luider, een verloopene oud-germaansche mansvóórnaam,
die in zynen vollen oudsten form Lutheri (Luther, Lothar, Chlotar)
is. Deze oorspronkelike beteekenis der geslachtsnamen op mona, mena,
ma eindigende, was den middeleeuschen Friesen, in de 13de en 14de eeu,
nog ten vollen bewust. Sicco Siccama b. v. toen ten tyde levende,
wist zeer wel dat zijn geslachtsnaam oudtijds voluit Siccamona
geweest was, dat hy dus de Sicco of Sikke was der Sicca-mannen, der
mannen van Sicco, zynen ouden stamvader, wiens naam hy ook nog als
doopnaam droeg. In middeleeusche friesche oorkonden en in middeleeusche
chronyken, als deze geschriften in de latynsche taal opgesteld zijn,
vindt men deze geslachtsnamen ook verlatynscht, waaruit dan blijkt dat
de vertaler zeer wel de beteekenis kende van het achtervoechsel mona,
mena, ma. Zoo vind ik in de Gedenkschriften der Abdy Mariëngaarde door
Æ. W. Wybrands uitgegeven, op 't jaar 1224, de Blondera-viri genoemd,
en in de aanteekening in dat werk, op bl. 152, de Sembranda-viri, de
Ummegga-viri (Umminga-mannen), de Wibrenda-viri en de Herwarda-viri,
als vermeld wordende in de Vita Frethrici en in andere levens van
oud-friesche geesteliken en heilige mannen. Verder vinden wy nog
in oude oorkonden, dat in de 13de eeu te Uithuizen (Groningerland)
de Aybadamani (Aybada-mannen, mannen van Aybad, Adelbald) wonen,
even als in het naburige Warfum de Dincinga-manni, de Obeka-manni en
de Onninga-manni, en dat er te Oldesyl eene area Aylbadis-mannorum
was. Zoo ook heerschten in de middeleeuen in oost-friesche gouen
de Beninga-mannen, even als tusschen Fli en Lauers de Ludigmannen
(Ludinga-mannen), de Fortemannen en Jellamannen aanzienlike geslachten
waren. [62] (Jellaman, nog heden als geslachtsnaam Jellema bestaande,
is man van Jelle, en Jelle is een nog hedendaags zeer gebruikelike
friesche mansvóórnaam).

Slechts weinige hedendaagsche friesche geslachtsnamen op ma eindigende,
vertoonen nog den mansvóórnaam, die er aan ten grondslag ligt, in den
vollen oud-frieschen tweeden-naamvalsform op a (zie bl. 112). Dit zijn
b. v. Dykama (zie bl. 104), Donama, Dorama, Ekama, Galama, Gercama,
Gratama, Lycklama, namen die juist door deze volle oud-friesche formen
hunnen hoogen ouderdom staven. Van sommigen dezer geslachtsnamen komen
heden ten dage ook de versletene formen voor, als maagschapsnamen,
aan andere geslachten eigen. Zoo bestaan de namen Ekema en Eekma naast
Ekama; Galema naast Galama; Gerkema naast Gercama. De mansvóórnamen
die aan deze geslachtsnamen ten grondslag liggen, zijn grootendeels nog
heden als zoodanig by de Friesen in volle gebruik. Als voorbeeld noemen
wy den naamstam van den geslachtsnaam Ekama, den mansvóórnaam Eke, ook
als Eco voorkomende. Dit Eke, Eco is anders niet als eene verfloeiing,
een versletene form, vooral ook als vleinaam of kosename in gebruik,
van den eveneens nog gebruikeliken mansvóórnaam Eelke of Eelco. De
vrouelike form van Eelke is Eelkje, en de Friesinnen die dezen naam
dragen, worden, by wyze van vleinaam, gewoonlik ook Eeke (Eke) en,
weêr verkleind, Eekje genoemd. Nevens den meer frieschen en saksischen
form Eelke is ook de meer hollandsche form Eeltje als mansvóórnaam
in gebruik. De groote friesche dichter Eeltje Hiddes Halbertsma
b. v. heette alzoo. Eelke en Eeltje nu zijn verkleinformen van Ele,
Elo, ook in dezen form als mansvóórnaam by de Friesen in gebruik. En
Ele is eene samentrekking van Edele, een naam die in haren oudsten
form als Adel, Athal onder onze vroegste voorouders niet zeldzaam
was, en die in der daad de edele (man), de adellike beteekent. Zoo
dat de hedendaagsche nederlandsche geslachtsnamen Ekama met Ekema,
Ecoma en Eekma, Eelkinga, Eelking, Eelkema, Eelkes, Eeltjes, Edeling,
Adeling, en het uitgestorvene Adelen, allen patronymikale formen,
eenvoudig beteekenen: zoon van Athal.

Zeer talrijk zijn de geslachtsnamen op ma eindigende, en waar de
oud-friesche tweede-naamvalsform op a van den mansvóórnaam, die
aan den geslachtsnaam ten grondslag ligt, in eene toonlooze e is
overgegaan; b. v. Ekema, nevens Ekama. Zie hier eenigen van die namen
als voorbeeld: Attema, Aukema, Balkema, [63] enz. De mansvóórnamen,
in deze geslachtsnamen besloten, zijn allen oud-germaansche namen,
en grootendeels nog heden ten dage by de Friesen in gebruik. De
mansvóórnamen Benno en Otto zijn by de meeste germaansche volkeren,
by de Duitschers in de eerste plaats, nog heden in volle gebruik. Zy
hebben oorsprong gegeven aan de friesche geslachtsnamen Bennema en
Ottema. Ook de mansvóórnaam Klaas, die ten grondslag ligt aan den
geslachtsnaam Klasema, is bekend genoeg. Klasema en Lycklama (zie
bl. 117) zijn dus twee geslachtsnamen die, met Klaassen, Claessens,
Claeissone, Klaaysen, Klazes, Klasinga, Klasing, Clausing, Nicolai
en vele anderen, volkomen het zelfde beteekenen. Atte, Auke, Beint,
Epke, Feike, enz., de namen die aan de andere ma-namen ten grondslag
liggen, zijn als mansvóórnamen by de Friesen nog in volle gebruik.

Als de mansvóórnaam die besloten is in eenig patronymikon op ma
eindigende, niet op eenen klinker uitgaat, maar op eenen medeklinker,
dan is er gewoonlik, om de wille der welluidendheid, eene e gevoegd
tusschen dien mansvóórnaam en het achtervoechsel ma. By Beintema,
Gjaltema en Klasema, afgeleid van Beint, Gjalt en Klaas, is dit
het geval. Een paar andere voorbeelden van dezen form zijn nog de
geslachtsnamen Frankema en Joostema, van de mansvóórnamen Frank
en Joost.

De friesche mansvóórnamen die in onze oudste oorkonden veelal
met eene a op 't einde werden geschreven (Humma of Homma, Hetta,
Saka, tegenwoordig Homme, Hette, Sake), werden oudtijds, gelijk ook
heden nog, even zeer wel met eene o als sluitletter geboekstaafd;
b. v. Eelke = Eelco, Otte = Otto, Rinse = Renso, Harke = Harco. De o
is in deze namen van jongere dagteekening dan de a, en waarschijnlik
door duitschen infloed in gebruik gekomen, toen in de dageliksche
spreektaal de oorspronkelike a tot eene toonlooze e verfloeide. Deze
o is althans reeds van ouds her, even als nog heden, meer by de
Oost-Friesen en Groningerlanders in gebruik achter hunne friesche
mansvóórnamen, dan by de westerlauersche Friesen. In deze eeu vooral
heeft de schrijfwyze met o weêr meer veld gewonnen, en komt ook by de
westerlauersche Friesen meer en meer in gebruik. Het schijnt dat men
deze spelling en uitspraak voor fraaier houdt dan die met de toonlooze
e. En zy is dit ook in der daad. En dat men ook in vorige eeuen die
o reeds voor welluidender, vooral ook voor deftiger hield dan de
toonlooze e, bewyzen de zeventiende-eeusche herformde predikanten
uit het geslacht Albertema, waarvan eenigen hun ambt in Friesland
(te Leeuwarden, Groningen en Emden) vervuld hebben, en die hunnen
geslachtsnaam tot Alberthoma verfraaiden. Albert Albertema (dat
is: Albert Albertszoon) schreef zynen naam, als dominus: Albertus
Alberthoma. Een echt-pruikerige naamsform!

By eenige ma-namen is die o tot op den dag van heden in stand gebleven;
b. v. by Deroma, Ecoma, Heeroma, Van Heloma, Tacoma en Takoma, enz.

Velen van deze ma-namen komen ook in eenen verkorten, als het ware in
eenen samengekrompenen form voor. Zoo bestaat er nevens Ekema met Ekama
en Ecoma ook de geslachtsnaam Eekma; naast Abbema, Bokkema, Bottema,
Eikema en Hobbema komen ook Abma, Bokma, Botma, Eickma en Hobma
voor. Het is duidelik dat al deze namen oorspronkelik geen verschil
opleveren, dat zy allen den zelfden oorsprong hebben en het zelfde
beteekenen. Namelik man of zoon van Eke (zie bl. 120), Abbe, Bokke,
Botte, Eike en Hobbe, allen nog heden gebruikelike mansvoornamen.


§ 46. Nevens de ma-namen komen in de friesche gewesten ook eenige
geslachtsnamen voor die op na uitgaan. Ook dit zijn oud-friesche
vadersnamen, en zy leveren met de ma-namen slechts een uiterst
gering verschil op. Naar veler meening is er tusschen deze twee
namengroepen geen ander verschil dan dat het welk door het verschil
in tongval tusschen de Friesen bewesten Lauers en beoosten Eems
veroorzaakt wordt. En in der daad kan men opmerken dat de na-namen
in Oost- of Duitsch-Friesland volkomen de ma-namen in West- of
Nederlandsch-Friesland vertegenwoordigen en dekken. Zoo vindt men
in Oost-Friesland van ouds her de geslachtsnamen Attena, Habbena,
Sydsena, Ottena enz. nevens Attema, Habbema, Sytsema en Ottema in
Friesland tusschen Fli en Lauers.

Den oorsprong, in taalkundigen zin, dezer na-namen, die ook in het
nederlandsche Friesland niet ontbreken, kan ik niet met zekerheid
aangeven. De uitgang na kan evenzeer als ma, eene verslyting
zijn van den vollen oud-frieschen patronymikalen uitgang mona
(zie bl. 117). Zoo kan de oostfriesche geslachtsnaam Frouwana
zoo wel uit den ouden vollen form Frouwa-mona ontstaan zijn, als
de groningsch-friesche naam Frouwama. Het hedendaagsche verschil
tusschen m en n kan dan zynen oorsprong hebben in een oorspronkelik
gering verschil in uitspraak, volgens tongval of plaatsing van den
klemtoon, by Oost- en West-Friesen. Maar de uitgang na kan even zeer
beschoud worden als een oud-friesche tweede-naamvalsform, die de
zelfde is als de oud-nederlandsche tweede-naamvalsform op en, welke
in § 40 besproken is. De omstandigheid dat deze oud-friesche na-form
in geschriften uit de 15de en 16de eeu dikwijls vervangen wordt door
den nederlandschen tweeden-naamvalsform op en, legt veel gewicht in
de schaal ten voordeele van deze zienswyze. Immers is juist de 15de
en 16de eeu de tijd dat het zuivere Oud-friesch uitsterft, en door
de friso-frankische en friso-saksische mengelspraken van Holland en
noordwestelik Duitschland vervangen wordt. In dien tijd van overgang
vinden wy den naam van eenen en den zelfden man nu eens op oud-friesche
wyze als Ayolt Wibena, dan weer op oud-nederlandsche wyze als Ayolt
Wyben geschreven. De beteekenis van deze beide naamformen is de
zelfde. Het is duidelik Ayolt, (zoon) van Wibe of Wybo. Een ander man
uit dien tijd vinden wy nu eens als Thiark Jellena, dan eens als Tjarck
Jellen vermeld. En een derde nu eens als Sibad Atsena, dan eens als
Sybolt Atzen. De laatste hooftling van het dorp Berum, in de eerste
helft der 15de eeu levende, wordt in oude oorkonden nu eens Marten
Sitzena, dan weêr Martinus Sytzen genoemd. En zoo wisselt ook de naam
van den bekenden krijchsveerdigen hooftling van Leer af als Fokke Uken
en Focke Ukena. En geen wonder! In die dagen verstonden en gebruikten
de Friesen nog hunne aloude taal in hare volle, zuivere formen. Maar
zy begonnen toen ook al meer en meer de nederduitsche taal, door den
infloed hunner saksische en frankische buren in Neder-Duitschland en
Nederland, te gebruiken; vooral in hunne geschriften. Voor de 15de en
16de eeusche Friesen was het even duidelik of zy Marten Sytsena zeiden
en schreven, of Merten Sytsema of Maerten Sitzen of Sytzen. Alle deze
formen immers beteekenen het zelfde. Te weten: Marten, zoon van Sytse,
of Marten Sytses, zoo als men heden ten dage in het nederlandsche
Friesland spreekt en schrijft. Deze omstandigheid is dan ook oorzaak
dat nog heden ten dage alle drie of vier deze tweede-naamvalsformen als
samenstellend deel van friesche geslachtsnamen voorkomen; b. v. Epena,
Epen, Epema en Epesz, van den frieschen mansvóórnaam Epe afgeleid,
en allen (zoon) van Epo beteekenende.

Komen de na-namen meest in de oostfriesche gewesten voor, ja moet
men ze als eigenaardig oostfriesche namen beschouen, zy ontbreken
toch ook niet in het nederlandsche Friesland. En die welke in de
nederlandsch-friesche gewesten voorkomen zijn daar ook niet uit
Oost-Friesland ingevoerd, althans niet allen, maar oorspronkelik
aldaar inheemsch. En even als Groningerland door zyne ligging
tusschen de oost- en de westfriesche gouen, als eene verbinding
daar tusschen beschoud moet worden, zoo komen de na-namen ook
in de groninger-friesche Ommelanden meer voor dan in het land
tusschen Fli en Lauers. Het aantal echter der na-namen staat in
de nederlandsch-friesche gewesten in geen vergelyking met dat
der ma-namen. Zoo talrijk de laatsten zijn, zoo zeldzaam zijn de
eersten. My zijn geene andere bekend dan Altena, Bultena, Domna, [64]
enz. En deze geslachtsnamen zijn allen van oud-friesche mansvóórnamen
afgeleid. Domna b. v. van Domme of Dome, een mansnaam die in de
lijsten van Leendertz nog vermeld wordt, en eveneens in Förstemann's
Namenbuch. De geslachtsnamen Dommisse (zie bl. 99) en † Doma zijn
ook patronymika van dezen zelfden vóórnaam. Doma-sate is nog de naam
eener landhoeve te Anjum in Dongeradeel (Friesland). Heden ten dage
wordt de vóórnaam Domme door niemand in Friesland meer gedragen. Welke
vader ook zoude eenen naam met zulk eene beteekenis aan zynen zoon
geven? Maar die ongunstige beteekenis is slechts schijnbaar. De
vóórnaam Domme of Dome heeft niets uit te staan met het byvoegelike
naamwoord dom, maar is oorspronkelik ons woord doem (nog in verdoemen
over), Oud-hoogduitsch tuom, Oud-noorsch tôm, en judicium, oordeel,
beteekenende. Zie Förstemann's Namenbuch op den naam Dom.

De namen Bultena en Altena dienen hier nog afsonderlik besproken
te worden. De eerstgenoemde naam wordt gedragen door een geslacht
van vrye friesche boeren, dat gezeten is in de buurschap De Bult
by Bellingawolde in Groningerland. En het heeft den schijn alsof
deze geslachtsnaam geformd ware naar aanleiding van den plaatsnaam,
zoo als trouens vaak geschied is. Intusschen meen ik wel te mogen
beweren dat hier slechts eene toevallige overeenkomst aanwezig is,
en dat Bultena wel degelik een echt oud-friesch patronymikon is,
afgeleid van den mansvóórnaam Bult. Deze oude naam is, met Bultet,
een byform van den mansvóórnaam Bulle, Bolle, Boele, Bole, en schijnt,
denkelik wel om zyne min-gunstige by-beteekenis, oudtijds weinig in
gebruik geweest te zijn. Tegenwoordig is hy volkomen buiten gebruik
gesteld. Maar dat hy vroeger wel degelik in gebruik geweest is,
blijkt onweêrsprekelik uit de geslachtsnamen Bultema en Bultsma in
Friesland, en Bultynck in Vlaanderen. Zoo mede uit den naam van het
gehucht Bultinge by Runen in Drente, en misschien ook uit dien van
het gehucht Bulthusen by Jemgum in Reiderland (Oost-Friesland).

Alte, de mansvóórnaam waar de geslachtsnaam Altena aan is ontleend, is
reeds op bl. 28 besproken geworden. En in zoo verre als Alte een oude
mansvóórnaam is, kan er ook geen twyfel bestaan aan den patronymikalen
oorsprong van den geslachtsnaam Altena. Maar omdat deze naam
toevalliger wyze ook kan opgevat worden als drie nederlandsche woorden,
als al te na, zoo is het volksvernuft er mede gaan spelen, even als ook
geschiedt met den oostfrieschen patronymikalen geslachtsnaam Denkna,
waar van men vertelt dat het oorspronkelik een bevel zoude zijn om na
te denken; denk na! Niet te min is Denkna eenvoudig een patronymikon
van den oud-germaanschen mansvóórnaam Denke Dank, Tanc, die nog
deel uitmaakt van de samengestelde mansvóórnamen Danklef, Dankwart
(Tanquart) en Dankret (Tancred). En zoo heeft men ook dien naam Altena
gegeven aan huizen en plaatsen, die al te na by iets anders stonden
of lagen, vooral ook aan herbergen, die even buiten de poorten eener
stad, dus al te na daar by stonden. Volgens de volksoverlevering is dit
ook de oorsprong van den naam der stad Altona, even buiten de poorten
van Hamburg gelegen. En waarom zoude dit niet het geval wezen? Maar
zeker is het dat de herberg aan de Streek, even buiten Dokkum, Altena
heet, omdat zy zoo na by de poort der stad gelegen is. En dit is ook
het geval met het gehucht Altena by Idsegahuizen, met het voormalige
blokhuis Altena vlak tegenover Deventer, met het voormalige kasteel
Altena vlak buiten de Schoolpoort te Delft; met Altona, onmiddellik by
de stad Gewarden (Jever), met Altona by Sengwarden in Jeverland, met
Altona by Tettens in Wrangerland, enz.--deze drie laatste plaatsen in
de friesche gouen van Oldenburg. En zoo is dan ook de naam van menig
geslacht Altena in Holland en in andere niet-friesche gewesten van
Nederland inheemsch, van eenen dezer plaatsnamen afgeleid, en heeft
niets te maken met het friesche patronymikon Altena.

§ 47. Strikt genomen formen de friesche patronymikale geslachtsnamen
die op sma of sema, sna of sena eindigen, en die ik hier thans nader
bespreken wil, geen afzonderlike groep van geslachtsnamen. Eigenlik
maken zy slechts eene onder-afdeeling uit van de ma- en na-namen. Want
oorspronkelik behoort de s van sma en sna niet tot dit achtervoechsel,
maar by den stam van den geslachtsnaam, by den mansvóórnaam die aan
den geslachtsnaam ten grondslag ligt. Het dan overblyvende ma (ema)
en na (ena) is volstrekt niets anders als het achtervoechsel ma en na,
dat in de vorige bladzyden behandeld is. De maagschapsnamen Halbertsma
en Geertsema b. v. bestaan niet uit de lettergrepen Halbert en sma,
Geert en sema, zoo als gewoonlik aangenomen wordt; maar uit Halberts en
ma, uit Geertse (omzetting van Geertes) en ma. En die s, ingeschoven
tusschen den stam van den geslachtsnaam of den oorspronkeliken
mansvóórnaam, en het achtervoechsel ma, is werkelik niets meer of
minder dan de s, waarmede in de nederduitsche en in de nieue friesche
mengelspraken (friso-frankisch en friso-saksisch) den tweeden-naamval
geformd wordt. Halbertsma wil dus eenvoudig zeggen: de ma of man, dat
is: de zoon of de volgeling van Halbert, van den stamvader die Halbert
heet; dus Halberts man. En Geertsema is Geertes man, de zoon van Geert.

Uit een taalkundig oogpunt beschoud, zijn deze namen niet onberispelik
van form; zy vertoonen zoowel oud-friesche taalformen (de uitgang
ma), als saksische of frankische (de s in den tweeden-naamval). Het
patronymikon op ma van de mansvóórnamen Halbrecht en Gerhart zoude in
zuiver oud-frieschen form Halbertama en Gertama moeten zijn. De sma-
(en sema-) namen konden dan ook eerst ontstaan in eenen tijd, toen
het gevoel voor taalzuiverheid reeds sterk afnam by het friesche volk
in 't algemeen, en by sommige stammen daarvan, vooral by die welke
tusschen Lauers en Eems woonden (de hedendaagsche Groningerlanders),
in het byzonder. In eenen tijd toen reeds hier en daar in de aloude
friesche taal vreemde formen uit de friso-saksische gouspraken van
Neder-Duitschland, uit de friso-frankische tongvallen van Holland
werden opgenomen. De sma-namen zijn dan ook van jongere dagteekening
als de friesche patronymikale namen die op enkele a, op inga, ma
en na uitgaan. In de 13de eeu mogen er reeds hier en daar enkelen
van deze sma-namen voor den dag gekomen zijn--dat waren dan ook de
allereersten. De anderen zijn allen van lateren tijd. En zeer velen,
zoo niet de meesten, dagteekenen eerst uit de vorige eeu, en zelfs
uit het begin van dit loopende jaarhonderd. Een der oudste sma-namen,
my bekend, is die van het geslacht der Bolesmona dat in de 13de
eeu te Stedum in Fivelgo (Groningerland) gezeten was. Bolesmona,
Boles mona, dat is: de Boles mannen, de mannen van Bole, en Bole
(Bolle, Boele, Bulle, zie bl. 95) is een oud-friesche mansvóórnaam. De
oorspronkelike naam Bolesmona treedt later als Bolesma en Bolsma voor
den dag, en bestaat in laatstgenoemden form nog als een hedendaagsche
geslachtsnaam. Zoo vindt men in oude oorkonden ook de Sirikesmona en
de Brungersmona vermeld als friesche geslachten. Die namen, mannen
of zonen van Sirik, Sierk en van Brungar, Bronger beteekenende,
komen nog heden onder de Friesen als de geslachtsnamen Sierksma en
Brongersma voor.

De opmerkzame navorscher heeft by het doorsnuffelen van oude
friesche oorkonden en chroniken overvloedig gelegenheid om den
langzamen overgang van oud-friesche patronymika, als Bolesmona,
tot de hedendaagsche friesche geslachtsnamen op sma eindigende,
waar te nemen. Zoo vind ik b. v. in eene oorkonde van den jare
1432 [65] den hedendaagschen geslachtsnaam Sjuksma als Siukisma
geschreven. (Aangaande dit byzonder-friesche is in plaats van es,
als tweede-naamvalsform achter mansvóórnamen, vergelyke men de
hedendaagsche maagschapsnamen die op is uitgaan, en die in § 39
behandeld zijn). De man die in dat stuk Benka Siukisma genoemd wordt,
komt in eene oorkonde van 1436 [66] voor als Beenka Siukesma, en in
eene andere van 1442 [67] als Beenko Syuxma. Heden ten dage wordt
deze naam, een patronymikon van den nog heden voorkomenden frieschen
mansvóórnaam Siuk (Sjoek), als Sjuksma gespeld. Hier hebben wy nu drie
verschillende formen van eenen en den zelfden naam in een klein bestek
by elkanderen--duidelik het ontstaan van het achtervoechsel sma uit
esma en isma aantoonende. Tevens als voorbeeld van de onnaukeurigheid
en onstandvastigheid onzer voorouders wat het spellen hunner namen
betreft. In mijn geschrift Een en ander over friesche eigennamen kan
men nog meer dergelyke voorbeelden vinden.

§ 48. De sma-namen zijn zeer talrijk, en hooftsakelik in Friesland
tusschen Fli en Lauers inheemsch. In Groningerland zijn zy betrekkelik
zeldzaam, en in Oost-Friesland is dit nog meer het geval. In die
landstreken worden zy door de sema-namen vervangen. De sma-namen
zijn grootendeels echte vadersnamen; dit zijn de ware, de oudste,
de oorspronkelike sma-namen. Anderen, allen in de vorige en in het
begin van deze eeu ontstaan, zijn geformd door den uitgang sma te
voegen achter de namen van ambten en bedryven, of achter allerlei
andere woorden. Deze zullen in § 64 en ook nog hier en daar elders in
dit werk worden behandeld. Van het groote getal oorbeeldige sma-namen
wil ik hier slechts een klein getal vermelden. En dat is voldoende,
omdat zy in den regel gemakkelik te verklaren zijn. Zie hier eenigen:
Albertsma, Arendsma, Barendsma, [68] enz. Van dezen namen zijn
Albertsma, Arendsma, Barendsma, Brandsma, Engelsma, Meindertsma met
de verwante formen Meinderdsma, Meindersma, Mindertsma en Mindersma,
Pietersma met Petersma, enz. afgeleid van mansvóórnamen, van Albert,
Arend, Barend, Brand, Engel, Folkert, Gerbert, Hendrik, Jan, Lammert,
Meindert (Meinart, Meginhart), Pieter en Peter, Siger of Zeger,
die algemeen in Nederland gangbaar zijn. Maar de byzonder-friesche
mansvóórnamen Dure (zie bl. 46 en 47), Gelder, Hoite, Jorrit (zie
bl. 116), Nammen, Riemer (Redmar), Sierd (Siard, Sîghart), Steen,
Tjalle, Tjebbe, Tiemer (Thiadmar), Wiger en Wierd (Wiard, Wîghart)
liggen ten grondslag aan Duursma, Geldersma, Hoitsma, enz. Nevens
Arendsma komen ook nog de verwante, versletene of eenigszins gewyzigde
formen Aartsma en Arensma (oudtijds ook † Aarnsma) voor; nevens
Brandsma nog Brantsma en Bransma; verder Folkersma en Volkersma
nevens Folkertsma; Lammersma nevens Lammertsma; Siersma en Wiersma
nevens Sierdsma en Wierdsma (oudtijds ook † Syardsma en † Wyardsma);
Wiegersma, Wygersma en Wiggersma nevens Wigersma, enz. (Dit alles wordt
hier slechts vermeld om ook eene enkele maal in dit werk den rijkdom
der friesche naamsformen aan te toonen.) De mansvóórnaam Gelder,
waar Geldersma van afgeleid is, vindt men ook in den geslachtsnaam
Geldra; over Sierd zie men bl. 115; en over Steen bl. 106. Tiemer,
de mansvóórnaam die aan de geslachtsnamen Tiemersma en Tymersma ten
grondslag ligt, is eene samentrekking van den vollen, oorspronkeliken
form Thiadmar, een schoone oud-friesche naam. Van dezen zelfden naam
stammen ook de geslachtsnamen † Tiadmersna, Tiedmers, en misschien
ook Diemer en Diemers met Dethmers (van Dietmar, den nederduitschen
form) af. En verder de plaatsnamen Tjamsweer (samengetrokken uit
Tiadmerswere, zoo als het in middeleeusche oorkonden heet), een dorp
in Fivelgo by Appingadam; Tiedmerswarfe, een gehucht by den dorpe
Tettens in Wrangerland (Oldenburger-Friesland); Tjummarum, een dorp
in Barradeel, Friesland, welke naam oudtijds als Tiedmarum (dat is,
Tiedmare-heim, Thiadmara-heim, Thiadmars woonplaats) geschreven werd;
Timertsma-state te Idaart, enz.

Een byzondere friesche geslachtsnaam is Leefsma, die door een
israëlitisch geslacht in Friesland gedragen wordt, en geformd is
van den hebreeuschen mansvóórnaam Levi. Deze naam is van zeer jonge
dagteekening, van den jare 1811, en in navolging der zuiver-friesche
sma-namen opgemaakt. Dat men van Levi en sma niet Levisma gemaakt
heeft, is niet vreemd. De form Levisma druischt toch tegen den geest
der friesche spraak in; terwijl de form Leefsma, in dat opzicht,
onberispelik is, vooral zoo men de f niet te scherp uitspreekt,
maar ongeveer Leevsma zeit. Buitendien wordt de vóórnaam Levi by
de Joden, in het dageliksche leven, wel verkort als Leev, Leef
uitgesproken, en, vooral ook in Duitschland, als Löv, Löw, en zelfs
als Löb. Onze nederlandsche form Leip (ten onrechte wel als smaadnaam
gebruikt) is daarvan nog eene verdere verbastering. Die verkorte
form Leef maakt ook deel uit van den nederlandsch-israëlitischen
geslachtsnaam Leefmans. Leefsma is de friesche wederga van de
geslachtsnamen Levyssohn en De Levie (de = van), die beiden ook in
Nederland voorkomen. Eene zeer zonderlinge samenstelling vertoont
deze naam. Hebreeusch en Oud-friesch in één woord vereenigd! Toch
is eene dergelyke samenvoeging minder zeldzaam als men wel denken
zoude. In vele friesche geslachtsnamen komt zy voor. Te weten: in
de geslachtsnamen afgeleid van den eenen of anderen bybelschen of
kerkeliken mansvóórnaam, die van hebreeuschen, griekschen, latynschen
of anderen oorsprong is; b. v., om ons by de sma-namen te bepalen:
Abelsma, Jacobsma, Simonsma (met Siemonsma, Symensma, Siemensma). Maar
deze namen komen ons minder vreemd voor, omdat Abel, Jacob en Simon
mansvóórnamen zijn die ook door Christelike Germanen worden gedragen,
terwijl Levi tot de Israëliten beperkt is. [69]

Sommige sma-namen, reeds eeuen oud, zijn in zeer versletenen toestand
tot ons gekomen, zoo dat de oorspronkelike mansvóórnaam, die aanleiding
gaf tot het formen van het patronymikon, naueliks meer te herkennen
is. Een voorbeeld daar van is de geslachtsnaam Van Reesema. Als
men een oudere form waaronder deze naam ook voorkomt, niet kent,
zoude men al licht meenen dat Reesema een patronymikon op ma (en
niet op sma) ware van den oud-germaanschen mansnaam Rese, die in de
naamlijst van Brons voorkomt, en waar o. a. ook de geslachtsnaam
Reesink van afgeleid is. Maar Reesema werd in de vorige eeu nog
Reersema geschreven, dat eene samentrekking is van Redersma. Reer,
Reder, Redert is een oud-nederlandsche mansvóórnaam die in zynen
vollen oudsten form Redart, Redhart is. In de 15de eeu vertoonde deze
geslachtsnaam nog zynen vollen form als Redartsma. Toen was Redart
Redartsma deken van Oldehove te Leeuwarden. [70] In oude geschriften
van lateren tijd (16e en 17e eeu) komt deze naam ook als Redertsma,
Redersma en Reedersma voor. Rethardisna is een zeer oude oostfriesche
form van dit patronymikon, die later in Oost-Friesland ook tot Reersna
verloopen is, even als Redartsma tot Reersema en Reesema. Van dezen
zelfden ouden mansnaam zijn nog afgeleid de geslachtsnamen Reterink,
Reerink, Reering, Reurink, Rörink, Rörik, Rördts, Rierink, Reurts,
enz. En tevens de plaatsnamen Rederstall, een dorp in Ditmarschen;
Redertshausen, een dorp by Friedbergen in Ober-Beieren; Reringhausen,
een dorp by Olpe in Westfalen; Reersum (dat is Rethardesheim) een
dorp by Norden in Oost-Friesland, enz.

Bergsma, Brugsma, Hamersma en Wakkersma zijn geslachtsnamen wier
oorsprong men ook eer in de woorden berg, brug, hamer en wakker
zoude zoeken, dan in mansvóórnamen. Het geslacht Bergsma voert zelfs
een varken, friesch baerch, barg, als sprekend wapen. In Kiliaan's
Woordenboek komt dit woord nog voor als »Bergh, Bargh. Maialis,
porcus exsectus sive castratus. Ger. Bargh: Ang. Barrowe." En toch
ligt aan dezen geslachtsnaam, zoo mede aan Bargsma, en aan de drie
andere bovengenoemde namen een mansvóórnaam ten grondslag. Berg of
Barg is eene verkorting van den oud-germaanschen mansnaam Bercht,
Barcht, Brecht, Bracht; ook in samenstellingen (Adelbrecht of Albert,
Harbrecht of Herbert) zeer algemeen. Andere geslachtsnamen van dezen
zelfden mansnaam ontleend, zijn: Bergema, Bergen, Bergs en Bargen;
misschien ook Bergman, Bergmans, Barchmans.--Bergsma en Bargsma,
naverwante formen van den zelfden oorsprong, staan volkomen in de
zelfde verhouding tot elkanderen als Albregt en Albracht, Hermans
en Harms, Gerritsen en Garritzen, enz. die ook als geslachtsnamen
voorkomen.

Brugsma is een versletene vadersnaam van den mansvóórnaam Brucht,
die, ook als Brugt, zelfs als Brug geschreven, nog heden in
Friesland in volle gebruik is. Ook kwam hy oudtijds onder alle
andere germaansche volken, ook in samengestelde formen voor, als
Bruchtert of Burgert (Burghart, Borchart) enz. Met Brugsma komen nog
de geslachtsnamen Brugma, Bruggema, Bruchtink, Bruggink, Bruchts en
Brugs, waarschijnlik ook Burga, en de plaatsnaam Burchsum (Burch's
heim, Bruchts woonplaats), een dorp op het noordfriesche eiland Föhr,
van den mansvóórnaam Burcht.

De geslachtsnamen Hamersma en Hammersma, met Hamringa, Hameringa, †
Hammerga en Hammers, en de plaatsnaam Hammerum (Hammara-heim), dorp
in Jutland by Ringkiöbing, hebben met het bekende werktuich niets
te maken, maar stammen van den oud-germaanschen, door Förstemann ook
vermelden mansvóórnaam Hamar (Hamr, Hammer) af. Men houde echter in
't oog dat deze oud-germaansche mansnaam wel degelik oorspronkelik
het zelfde woord is als hamer. De hamer was oudtijds ook een wapen,
een oorlochstuich (men denke aan Thor's hamer), en de Germanen gaven
geerne hunnen kinderen de namen van hunne wapens: Ger, Geer (Gerhart,
Gerolf) = speer; Bronno = schild, harnas; Brant (Hildubrant, Hadubrant,
Adelbrant) = zwaard, enz.

Wakkersma eindelik, met Wakkers en misschien Wakker, en met menige
plaatsnaam in germaansche landen, stamt van den ouden mansvóórnaam
Wakker, by Förstemann als Vacar, Wacchar, voorkomende.

§ 49. Tusschen de geslachtsnamen die op sma en die op sema eindigen,
bestaat geen ander verschil dan in uitspraak. Sma komt als uitgang
in den regel in Friesland bewesten Lauers voor, sema in Groningerland
en ook in Oost-Friesland; b. v. Geertsma in d' eene, Geertsema in d'
andere gou. En zoo is 't ook met Bonsma en Bonsema, met Boersma en
Boersema, Bylsma en Bylsema, Duursma en Duursema, Hansma en Hansema,
enz. De oorzaak van dit kleine verschil berust enkel en aleen op
't onderscheid in tongval tusschen de Friesen beoosten en bewesten
Lauers. De Friesen in 't algemeen maakten van hunne mansvóórnamen,
sedert zy den oud-frieschen form van den genitivus op a niet meer
gebruikten, den tweeden-naamval op is of es. Van den mansvóórnaam
Geert b. v. maakten zy in den tweeden-naamval Geertis of Geertes. Kwam
daar nu het oude woord ma achter ter forming van een patronymikon,
dan ontstond alzoo de geslachtsnaam Geertisma of Geertesma. In oude
friesche oorkonden, vooral uit de 14de en 15de eeu, vinden wy vele
patronymikale geslachtsnamen in dezen form; Aylufsisma (later Alofsma),
Juwisma (Jouwsma), Jarichisma (Jarichsma), Siukesma (Sjoeksma),
Siwrdesma (Sjoerdsma), enz. By de Friesen bewesten Lauers krompen
deze volle formen gedurende de 16de en 17de eeu in. Zy verloren
hunne toonlooze i of e, en werden Alofsma, Sjoerdsma, Geertsma, als
boven aangeduid is. Maar by de oosterlauersche Friesen, dat zijn
de hedendaagsche Groningerlanders en Oost-Friesen, die in hunnen
tongval breeder zijn dan hunne westelike buren, en gerekter spreken,
bleef die toonlooze e in deze oude patronymika bewaard. Maar omdat
in der daad de volle formen Jeltisma, Geertesma zelfs voor eene
groningerlandsche tonge op den duur te zwaarwichtig, te ongemakkelik
om uit te spreken zijn, zoo verliepen deze namen van Jeltesma tot
Jeltsema, van Geertesma tot Geertsema; by zeer gebruikelike letterkeer
sprak men es als se uit. De oorspronkelike formen Geertesma en Hoekesma
werden dus by de westerlauersche Friesen samengetrokken tot Geertsma
en Hoeksma, by de oosterlauersche tot Geertsema en Hoeksema. En een
ander onderscheid bestaat er tusschen deze twee naamformen, tusschen
deze twee patronymikale uitgangen niet.

Eenige weinige sma-namen, allen in Friesland tusschen Fli en Lauers
inheemsch, hebben deze samentrekking van isma of esma tot sma
niet ondergaan, maar hunnen ouden vollen form behouden. Dat zijn
b. v. Agesma, Aukesma, Minnesma, Pebesma, Sibesma met Siebesma en
Sybesma, afgeleid van de nog heden gebruikelike friesche mansvóórnamen
Age, Auke, Minne of Menno, Pebe of Pibo en Sibe. Hadden deze namen,
die door hunnen ouden form aanduiden dat zy van oude dagteekening
zijn, de gewone samentrekking ondergaan, dan zouden zy nu Aagsma,
Auksma, Minsma, Peepsma en Sypsma luiden.

De volgende geslachtsnamen, allen in Groningerland inheemsch,
mogen als voorbeelden der sema-namen gelden: Ausema, Bansema,
Brondsema [71]. Deze namen zijn allen patronymika van oud-germaansche,
grootendeels bepaaldelik oud-friesche mansvóórnamen. Maar van Ilpsema
is de oorsprong my duister. Franssema is van Frans afgeleid, dat weêr
eene verkorting is van den kerkeliken naam Franciscus. Echter is deze
kerkelike naam oorspronkelik toch een germaansche; de mansvóórnaam
Frank ligt er aan ten grondslag. Roelfsema is duidelik genoeg, en
stamt met Roelfzema en het westerlauersche Roelofsma af van den
bekenden mansnaam Roelf, Roelof, Rudolf. Op bl. 92 is Klootsema
reeds verklaard. Ausema komt van den frieschen mansvóórnaam Aue,
die hedendaags meest in verkleinform als Auke in gebruik is, en
die in zyne onverkleinde gedaante tevens aan de geslachtsnamen †
Auwema en Auwen oorsprong gaf. Bansema komt met de maagschapsnamen
Banning, Olden-Banning, Nyen-Banning en Bans van den ouden mansvóórnaam
Banno.--Brondsema en Brontsema, met Bruntink, Brunten en Brunt, stammen
af van Bront of Brunt, een mansvóórnaam die of eene samentrekking is
van den samengestelden naam Bronnert, Brunnart, Brunhart, of eene
uitbreiding, door zeer gewone aanhanging eener t, van den naamstam
Bron, Bronno, beide oud-germaansche mansvóórnamen. Van dezen laatsten
naam, die in Friesland nog in gebruik is (my is een man bekend,
te Emden geboren, te Leeuwarden wonende, althans van 1850-1870, die
Bronno Brons heet), stammen de geslachtsnamen Bronninga, Bronnema,
Bronsema en Brons, welke laatste naam veelvuldig voorkomt in alle
gouen tusschen Fli en Eems en verder oostelik. De maagschapsnaam
Bronkema eindelik is een patronymikon van Bronke, Brunnico,
dat is Bronno in verkleinform.--Jelte, Tiete en Weite, waarvan
Jeltsema, Tietsema en Weitsema, zijn in onze noordelike gewesten,
voor zoo verre de ingezetene bevolking daar van frieschen stam is,
in volle gebruik als mansvóórnamen.--Luurtsema eindelik en Luursema
zijn met de geslachtsnamen Luurts, Luurs, Luirs, Lührs en Luyrink
afgeleid van twee verschillende, maar na-verwante oud-germaansche
mansvóórnamen. Te weten: van Luithart, Ludehart en van Luiter, Luther,
Lothar of Liudheri, waar Luurt en Luur afgesletene en samengetrokkene
formen van zijn. In de formen Luurd, Luyert, Luyer komen deze namen
nog eene enkele maal in de friesche, vooral friso-saksische gewesten
als mansvóórnamen voor. De maagschapsnamen Luurtsema en Luursema zijn
nu slechts in Groningerland inheemsch, maar hadden oudtijds hunne
tegenhangers in de namen der nu uitgestorvene geslachten Luyrtsma in
Friesland bewesten Lauers, Lyursna in Friesland beoosten Eems.

Door infloed der hollandsche uitspraak en spelwyze, die steeds de s
als beginletter van woord of lettergreep, vóór eenen klinker, door
de z vervangt, is by eenigen van de sema-namen die uitgang in zema
veranderd. Geslachtsnamen, die deze verkeerde, onfriesche spelwyze
vertoonen, zijn: Gerzema (de goede form Gersema komt ook voor),
Hoekzema (nevens Hoeksema), Roelfzema (naast Roelfsema), Rinzema,
Schultzema, Wiertzema en Zetzema. En by sommige sma-namen, waar de
mansvóórnaam, die er aan ten grondslag ligt, op k eindigt, is de s
van sma met die k tot eene x versmolten. Deze verouderde spelling,
op bl. 46 ook besproken, treffen wy aan in de namen Blinxma (zie
bl. 46), Boxma, Haaxma (zie Haex op bl. 96), Harinxma en Van Harinxma
(de zuivere form Haringsma komt ook voor), Looxma, Sixma (Siksma en
zelfs Sixsma bestaan ook), enz.

Eenige geslachtsnamen zijn slechts sema-namen in schijn, maar behooren
in der daad tot de ma-namen (zie § 45). Het zijn die namen, waar
by de mansvóórnaam, die er aan ten grondslag ligt, reeds op zich
zelven op se eindigt; b. v. Reitse, Haitse, Sytse, Ritse, waar de
geslachtsnamen Haitsema, Reitsema, Ritsema en Sytsema van afgeleid
zijn. Deze geslachtsnamen vervallen dus niet in Hait en sema, maar
in Haitse en ma, Reitse en ma, enz. Haitse, Reitse, Ritse en Sytse
zijn nog heden in Friesland als mansvóórnamen in volle gebruik,
en de patronymikale geslachtsnamen daarvan afgeleid, komen in het
westerlauersche Friesland ook in samengetrokkenen form, als Haitsma,
Reitsma, Ritsma en Sytsma voor.

De geslachtsnamen die op sna en sena eindigen († Edzardsna, †
Sierksena), staan volkomen in de zelfde verhouding tot die welke
op na uitgaan (zie § 46), als de sma en sema-namen staan tot die
welke ma tot uitgang hebben. Deze sna- en sena-namen komen slechts
in Oost-Friesland voor; niet in de friesche gewesten die tegenwoordig
deel uitmaken van de Nederlanden. Wy hebben er ons in dit werk dus niet
verder mede op te houden. Het is voldoende er op gewezen te hebben,
ter wille der volledigheid. Die er meer van weten wil, even als van
de andere byzonder-friesche geslachtsnamen in 't algemeen, leze myne
studien over friesche eigennamen in De vrije Fries, deelen XIII en XIV.

§ 50. Onder de oorbeeldig-friesche patronymikale geslachtsnamen, zoowel
van ouden als van nieuen form, zijn er eenigen die het voorzetsel van
voor zich hebben. In zoo verre als al deze namen vadersnamen zijn,
of daar voor gelden, past dit van volstrekt niet vóór deze namen. Van
past slechts vóór plaatsnamen. By de samenstelling van deze friesche
namen met van er voor is soms domme en dwaze navolging in het spel
geweest van het gebruik dat by andere Nederlanders, en vooral by
Duitschers, wel in zwang was en nog is, om de geslachtsnamen, als
't ware, te adelliken, door er van of von voor te zetten. [72] Die
zoo deden, hebben niet bedacht dat de oude friesche geslachtsnamen
(Burmania, Cammingha, Harinxma) uit en op zich zelven reeds tuigen
van het edelste bloed onder alle germaansche volken--het bloed der
vrye Friesen, die geenen vreemden tooi noodig hebben om hunnen alouden
edeldom te staven. Maar waar van zulk eene dwaze naäpery geene sprake
kan zijn, daar moeten deze vadersnamen beschoud worden als dienstdoende
plaatsnamen. De staten en saten, stinsen en heerden toch der Friesen,
de sloten der edelingen, de landhoeven of boereplaatsen der vrye,
eigenerfde boeren (Einierden, Erfegsen), dragen in den regel als
eigennamen de patronymika der eerste, oorspronkelike stichters
en bezitters; b. v. Abbinga-state, Aggema-state, Allinga-sate,
Elgera-sate, Cleveringa-heert, Ompteda-burcht, enz. In het dageliksche
leven laat men de woorden state en sate wel achterwege, als men van
deze plaatsen spreekt, en zeit eenvoudig: »ik woon op Abbinga", en »ik
kom van Allinga". Neemt men nu aan, dat de friesche geslachtsnamen
met van er voor, oorspronkelik zulke plaatsnamen geweest zijn,
dat b. v. Van Baarda en Van Bloemersma eigenlik in de plaats staan
voor Van Baarda-state en Van Bloemersma-sate--dan ligt er nog eenen
redeliken zin in deze namen; maar ook slechts in dat geval. Anders
zijn namen als Van Hottinga en Van Buma in het Friesch even dwaas,
als b. v. Van Jansen en Van Pietersen in het Hollandsch wezen zouden,
als Von Schiller, Von Schumacher, Von Schweitzer in het Hoogduitsch
zijn. Zie ook § 26.

Het is wel voorgekomen dat de huurboer of pachter van eene als
landhoeve ingerichte adellike state, die den naam droeg van haar
eerste stichters en bewoners (nemen we b. v. Olferda-state), dien
alouden naam met van er voor, als Van Olferda voor zich en de zynen
als eenen vasten geslachtsnaam aannam, ofschoon de oorspronkelike
bezitters van die state, tevens de eenigen welke op dien naam recht
hadden, nog leefden, ofschoon het oude geslacht Olferda nog bestond
en bloeide. De boer, in zyne onnoozelheid, vatte dezen naam eenvoudig
als een plaatsnaam op. Hy noemde zich Van Olferda(-state), omdat hy
op Olferda(-state) woonde. Hier hebben wy dus het omgekeerde van
het gene elders wel voorkomt: de form van den naam zonder van, is
hier de oudste en oorspronkelikste, de eenige echte, soms de eenige
adellike. Terwijl de form met van eenvoudig een willekeurig aangenomen
geslachtsnaam is. Maar ook omgekeerd zijn dikwijls juist de namen
der oudste, adellike geslachten by de Friesen met dit van voorzien,
terwijl de namen der burgerliken dat voorvoechsel missen. Als dit
nu by overigens oorbeeldig friesche geslachtsnamen voorkomt, dan is
dit van een byvoechsel van lateren tijd, dan is het een toevoechsel
tot den naam, uit de 16de of 17de eeu, uit den tijd van het verval
der friesche taal dagteekenende. En dan komt die zelfde naam, in de
oudste oorkonden, in zynen oudsten form voor, zonder van, 't welk er
ook niet by behoort. Van Cammingha, Van Bothnia, Van Burmania zijn
in de middeleeuen slechts als Cammingha, Bothnia, Burmania bekend.

Zie hier eenige voorbeelden van friesche geslachtsnamen met het
voorvoechsel van: Van Goslinga en Van Gosliga, Van Haga, Van Eysinga,
Van Hettinga, Van Hanja, Van Abbema, Van Reesema (zie bl. 132), Van
Itsma. Tevens bestaan ook de formen zonder van: Goslinga met Gosliga;
Haga met Ter Haagha [73]; Eisinga en Eizenga; Hettinga en Hettenga,
Hania en Hanje; Abbema en Abma; Ietsma en Ytsma.

Het overgroote getal friesche geslachtsnamen wordt nog vermeerderd
door de verschillende wyzen waarop zy geschreven worden. Deze
verschillende formen van namen zijn ook weer eigen aan verschillende
geslachten. Elders in de nederlandsche gewesten komt dit ook wel
voor (Kranendonk b. v. en Cranendoncq, Derx en Derks), maar nergens
zoo veelvuldig als in Friesland. Dat de oude Nederlanders in 't
algemeen zeer onstandvastig waren en zeer onnaukeurig in de wyze
waarop zy hunne namen schreven, is bekend. En zoo gebeurde 't wel
dat de eene broêr zynen naam geheel anders spelde als de andere. By
meer verwyderde bloedverwanten was dit dikwijls in nog sterkere
mate het geval. En zoo liet soms de eene, in 1811, zynen naam op
deze wyze, de andere den zelfden naam weêr in anderen form in de
boeken van den burgeliken stand schryven en vaststellen. Ook schijnt
het wel voorgekomen te zijn dat de hoofden van sommige geslachten,
die den zelfden patronymikalen geslachtsnaam voerden, ofschoon zy
niet verwant waren, in 1811 overeenkwamen om hunne namen voortaan op
verschillende, aan de uitspraak niets afdoende wyzen te schryven,
ter meerdere onderscheiding; Kamminga b. v. en Kammenga, Raadersma
en Radersma, Attama en Attema.

Ook gebeurde 't wel dat deze of gene friesche edeling zynen
geslachtsnaam en daar mede zijn adeldomsbewijs zóó weinig op prijs
stelde, vrywillig zóó verwaarloosde, dat in den loop der tyden
zoo wel geslachtsnaam als adeldomsbrieven te loor gingen. Sommige
afstammelingen toch der oude, middeleeusche friesche edelen, tot
beter en reiner inzicht van de menschelike weerde en bestemming
gekomen door de hooge vlucht, die ontwikkeling, beschaving en ware
veredeling van den menscheliken geest in den loop der tyden namen,
smeten eerlang dien ganschen verouderden, verschimmelden en vermolmden
middeleeuschen ridderrommel van zich. Zy herschiepen hunne staten
tot saten, hunne sloten en stinsen tot landhoeven, en werden van
edellui boeren, vrye eigenerfde friesche boeren, in den besten zin
van dit woord, en zonder zich te verboeren, of in beschaving en
ontwikkeling achter uit te gaan. Deze edele boeren verloren hunne
aloude geslachtsnamen volkomen. Sommigen van hunne nakomelingen,
die zelfs de heugenis verloren hadden aan den adeldom en aan den
geslachtsnaam van hunne voorouders, namen in 1811 nieue, door hen
zelven geformde geslachtsnamen aan. Anderen herinnerden zich nog de
geslachtsnamen die hunne voorvaders gevoerd hadden, en zy namen die,
maar hunnen adeldom daarom nog niet, in 1811 op nieu aan. En dit is
ook eene van de vele redenen, waarom in Friesland sommige adellike
en burgerlike geslachten de zelfde namen voeren, en ook waarom in
Friesland de geslachtsnamen in zoo verschillende spellingen voorkomen;
b. v. Scheltinga en Van Scheltinga, Van Eysinga en Van Eisenga (zie
bl. 26 en 60), Van Harinxma en Haringsma, Van Heemstra en Heemstra, Van
Cammingha, Kamminga en Cammenga, Aylva en Aleva, Buwalda en Buwolda,
Wolda, Walda, Wouda, Walta, enz.

§ 51. Eene kleine groep van nederlandsche geslachtnamen bestaat uit
vadersnamen welke geformd zijn van mansvóórnamen met het bepalende
lidwoord, eveneens in verbogenen form, daar voor. In de Nederlanden
even min als in Engelland en Noord-Duitschland, is men niet gewoon
om het bepalende lidwoord voor eenen mansnaam te plaatsen. Men
spreekt hier niet van »de Jan, de Piet en de Klaas," zooals men in
Opper-Duitschland wel doet: der Wilhelm, der Joseph, die Maria,"
enz. Toch schijnt deze spreekwyze oudtijds hier en daar in Nederland,
vooral in Brabant, wel in gebruik geweest te zijn. Anders toch konden
wy daar nu geen patronymikale geslachtsnamen ontmoeten, als Swolfs,
Smertens, dat is: des Wolfs(zoon), des Mertens(zoon), enz. Want het
verbogene lidwoord des (tweede-naamval van de) is by deze namen tot
s ('s) versleten, en aan den eersten letter van den oorspronkeliken
mansnaam gehecht. Die afslyting komt nog veelvuldig voor; b. v. 's
Heeren goedheid; 's prinsen beleid; 's mans berou; voluit: des Heeren
goedheid, of de goedheid van den Heer; het beleid van den prins;
het berou van den man. Zoo ook Swolfs, 's Wolfs, des Wolfs zoon,
of de zoon van den man die Wolf heet.

Behalven Swolfs en Smertens zijn my van deze soort van geslachtsnamen
nog bekend: Smaassen, Spiers, Stielen, Stieltjes, Stiemens, Stillemans,
enz.--Smaassen, dat ook als Smasen, Smaasse, Smaessen, Smaesse, en
zelfs in Neder-Rijnland tot Schmasen verhoogduitscht voorkomt, is 'S
Maassen, des Maassen, des Maassen zoon, de zoon van Maas. En Maas is
eene, vooral in Zuid-Nederland gangbare verkorting van den bybelschen
mansnaam Thomas.--Speters en Spiers, met de verwante en versletene
formen Speers, Spies, Spees, Speessen, is 's Piers, des Piers zoon,
de zoon van Pier, Peer, Pieter, Petrus.--Stillemans komt op deze wyze
van den oud-nederlandschen mansvóórnaam Tilleman, Tilman, Tielman, die
ook in deze drie formen, en als Tilmans, Tielmans als geslachtsnaam
voorkomt.--Stielen en Stieltjes komen eveneens van Tiel en Tieltje,
dat is: Tyl, Tilo, welke naam als Tijl, en, in verkleinform, als
Tilkin ook als geslachtsnaam voorkomt. Dus beteekent Stieltjes:
zoon van den kleinen Tyl.--Stiemens eindelik staat in de plaats van
'S Tiemens, des Tiemens zoon; en Tiemen, Tymen, Tieman, Timan (niet te
verwisselen met den griekschen mansnaam Timon) is een oud-nederlandsche
mansnaam, die in Friesland en hier en daar in Holland nog heden in
volle gebruik is. Van dezen mansnaam, die oorspronkelik Tiedman,
Tiudman is, stammen ook de geslachtsnamen Tydeman, Tideman, Tiedeman,
Tyman, Tieman, Tiemans en Tiemens af.

De oud-germaansche naam Godfried, vernederlandscht tot Godefert,
Godevaert, Govert, Govaert (waarvan de geslachtsnamen Govaerts,
Goevaert en Govertz) is de naam waar aan de geslachtsnaam Schoevaerts
ontleend is. Deze zelfde naam komt ook als Schovaers, Schoovaert en
Schoevaart voor. Schoevaerts is eene wanspelling voor Sgoevaerts,
'S Goevaerts, dat is: des Goevaerts zoon, de zoon van Goevaert of
Godfried. Wijl overigens de letterverbinding sg in het begin van
een woord of lettergreep in de nederlandsche taal niet voorkomt,
zoo kwam men er toe om Sgoevaerts als Schoevaerts te schryven, te
meer wijl volgens den byzonder-hollandschen tongval de sch als sg
wordt uitgesproken. Deze zelfde vervanging van sg door sch komt ook
voor in den vlaamschen geslachtsnaam Keerschieter, die oorspronkelik
Keersgieter was, het bedrijf aanduidende van den man die keersen giet,
die gegotene kaarsen maakt. (Eene andere zonderlinge verbastering
van dezen zelfden naam Keersgieter, die werkelik ook in dezen zuiver
geschrevenen form voorkomt, vindt men vermeld in § 165). Zoo zag ik
den naam der stad 's Gravenhage en dien van het dorp 's Gravezande
wel geschreven als Schravenhage en Schravezande, en de geslachtsnaam
'S Grauwen komt ook als Schrauwen voor; zie § 64. In den geslachtsnaam
Schoevers vinden wy 't oorspronkelike Schoevaerts, 's Goevaerts nog
meer verbasterd.

Deze geslachtsnamen met voorgevoegde s, afgesleten uit des, zijn
oorspronkelik in de brabantsche en limburgsche gouen van Nederland
inheemsch.

Daar is nog een nederlandsche geslachtsnaam die tot deze groep schijnt
te behooren, maar waar de s van des niet saamgesmolten is met de eerste
letter van den mansnaam; dit is de geslachtsnaam 'S Jacob. Vreemd is
het ook dat de naam Jacob zelve hier niet verbogen is. Ware het 'S
Jacobs, de oorsprong van dezen naam zoude aan geen twyfel onderhevig
zijn. Nu echter ben ik niet zeker; te meer niet, wijl het geslacht dat
dezen naam draagt, naar ik meen, niet van nederlandschen oorsprong
is. Deze s, van des versleten, ons Nederlanders overigens zoo wel
bekend uit sommige plaatsnamen ('s Gravenhage, 's Hertogenbosch, 's
Heerenberg), maakt ook nog deel uit van een paar andere geslachtsnamen,
die in § 64 te vinden zijn.

§ 52. Eene byzondere ondergroep van de patronymikale maagschapsnamen
met voorgevoegde s, formen die geslachtsnamen welke met ser en tser
beginnen. (Serroelofs, Tserstevens). Deze namen bestaan uit eenen
mansvóórnaam, met het woord her, (h)er, heer daarvoor, en tevens met
het bepalende lidwoord, in den tweeden-naamval verbogen. Serroelofs
b. v. is: Sherroelofs, 's Her Roelofs, des heeren Roelofs, de zoon
van den heer Roelof. Of liever nog: de zoon van Heer Roelof; immers
het woord her, heer, is in deze namen niet mede verbogen geworden,
wijl het met den eigenliken mansvóórnaam zoo vast versmolten was,
dat beide woorden slechts als één enkele naam golden (Heer-Roelof),
en ook als één enkele naam verbogen werden (des Heer-Roelofs, en niet:
des heeren Roelofs). De h van her is weggesleten, door den infloed
der scherpe s die voorafgaat, en die de h, in de uitspraak, nagenoeg
stom maakt. En dit nog zoo veel te meer, als deze namen slechts in de
vlaamsche gewesten voorkomen, hooftsakelik in West-Vlaanderen, waar de
volkseigene uitspraak de h als beginletter van woord of lettergreep,
toch uiterst weinig, veelal in het geheel niet, hooren laat.

De geslachtsnamen met ser beginnende, zijn allen van hoogen
ouderdom. Grootendeels komen zy reeds in de middeleeuen voor. Zy deden
toen echter nog gewoonlik slechts dienst als eenvoudige vadersnamen,
als toenamen die maar voor eenen enkelen persoon golden; geenszins
als eigenlike geslachtsnamen. Zoo vind ik in eene oude vlaamsche
oorkonde, welke afgedrukt is in de Annales du Comité flamand de
France, Duinkerke, 1853, bl. 244, zekeren Karstiaen ser Boidekins
soene vermeld, als schepen van de stad Damme, in 1286. Karstiaen
ser Boidekins soene, dat is: Karstiaan, (eene verdietsching van
den mansvóórnaam Christianus) de zoon van heer Boidekin, Bodekyn,
verkleinform van den ouden mansvóórnaam Bode, Bodo, Botho, Bote. Onder
laatstgenoemden form is deze naam nog heden in Friesland in volle
gebruik. De geslachtsnamen Botinga, Botenga, Bootsma, Botes, Boten,
Boots, enz. zijn er van geformd.

Zie hier eenige geslachtsnamen van deze groep: Serarents,
(Serarens, Serraris). [74] De mansnamen die aan het grootste deel
dezer vadersnamen ten grondslag liggen, Arent, Bruno, Jacob, Lip
(Philippus), Neel (Cornelis), Pieter, Rein (Regino, Ragin), Sander
(Alexander), Simoen (oud-vlaamsche form van Simon), Staas (Eustatius),
Steven, Vrank (beter Frank) (zie bl. 135) en Wouter zijn algemeen
bekend. Serdobbels is, gelijk het eveneens voorkomende enkele Dobbels,
van den mansvóórnaam Dobbel, Dubbel, Dubbeld, die een verbasterde form
is van den vollen haam Dibbolt, Dietbold, Thiebout, Thiudbald; zie
bl. 51. Seroyen, ook nog meer samengetrokken als Sroyen voorkomende,
beteekent: zoon van heer Oye, dat is eene verfloeiing van Ode, Odo,
Udo, een oud-germaansche mansnaam, die aan zeer vele geslachtsnamen
en plaatsnamen ten grondslag ligt. De oorsprong der geslachtsnamen
Sergeys, Sergeyssens en Sergeysels is waarschijnlik de mansvóórnaam
Geys, Gijs, Gîs, Gisil. Die van den geslachtsnaam Serruis, welke
naam ook als Serruys, Seruis en Serruus voorkomt, is nog minder
zeker. Ruisch is wel een oud-nederlandsche mansvóórnaam, die in de
14de, 15de en 16de eeu te Amsterdam in gebruik was. [75] Maar dat
Serruis van dezen naam zoude ontleend zijn, betwyfel ik op grond
dat juist de West-Vlamingen, by wie deze geslachtsnaam inheemsch is,
de sch op 't einde der woorden wel degelik en duidelik uitspreken,
even als de Friesen ook doen. Ruisch kon in hunnen mond dus moeielik
tot Ruis (Serruis) versleten zijn, al is dit in de hollandsche
spreektaal een zeer gewoon geval. Ware de geslachtsnaam Serruisch,
dan zoude ik op deze afleiding niets hebben aan te merken. Thans wil
ik liever denken aan den oud-germaanschen mansvóórnaam Huso, Huis,
die in den vlaamschen mond de h verloren heeft--Ser(h)uis. Over
dezen naam Huso zie men bl. 29. Buitendien blijft de mogelikheid
bestaan dat de naam Serruis in het geheel geen vadersnaam is, maar
eenvoudig het woord seruis of loodwit. Dit woord, een bastert van
het fransche woord céruse, werd in myne jeugd te Leeuwarden steeds
gebruikt om de verfstof loodwit aan te duiden; en dit is nog heden in
de zuidelike gewesten het geval. In dit geval kan Serruis als naam
van eenen schilder of van eenen koopman in verfstoffen in gebruik
zijn gekomen. Weiten, de mansnaam waar Serweytens van afgeleid is,
komt nog heden wel in Vlaanderen voor, even als in den form Weite, Weit
in Friesland. Het is een oud-germaansche vóórnaam, waarvan ook nog de
geslachtsnamen Weytingh (zie bl. 32), Weitema, Weitsema (zie bl. 135),
Weits en Weitz afgeleid zijn, met de plaatsnamen Weyteghem, een dorp
in Oost-Vlaanderen en Weitingen, een dorp by Horb in Würtemberg.

Een paar van deze geslachtsnamen hebben de s op 't einde verloren,
en komen nu als Serdobbel en Serwouter voor. Zoo ook Serbrock,
van den mansvóórnaam Brokke afgeleid, die oudtijds zekerlik in de
Nederlanden in gebruik geweest is, ofschoon hy my nooit voorkwam. Maar
behalven uit den geslachtsnaam Serbrock blijkt my overtuigend dat
een mansvóórnaam Brokke of Brok eertijds moet bestaan hebben, uit
de geslachtsnamen Brockema en Broksma, Brox en Broks, zoo mede uit
de plaatsnamen Broxeele (dat is Brok's zele, Broks zaal of halle),
een dorp in Fransch-Vlaanderen, en Brockum (Brokkeheim), een dorp by
Lemförde in Hanover.

Enkelen van deze geslachtsnamen hebben nog eene t vóór de s van ser
gevoegd. Het zijn Tserclaes, Tserstevens en Tservrancx, alle drie in
de zuidelike Nederlanden inheemsch. Deze voorgevoegde letter t is niet
het voorzetsel te, en even min het lidwoord het, by verkorting,--zoo
als zy schynen te meenen, die deze namen als 'T Serclaes of T'
Serclaes, 'T Serstevens en T' Servrancx schryven, gelijk veelal
geschiedt. Neen--maar deze t is anders niet als eene verscherpte
uitspraak der oorspronkelike d van des. Toen by versnelde uitspraak,
en langdurig gebruik, de e uit dit verbogene lidwoord verdween,
en de d derhalven onmiddellik voor de s kwam te staan, moest deze
letter noodzakelik tot t verscherpt worden. Tser en tseren, in plaats
van des heren, komt by schryvers uit de middeleeuen meermalen voor;
b. v. Lekenspiegel II, 1, 70:


        »Men weet dat ter waerheden,
        Dat Maria, na ende vore,
        Quam van tser Davids ore."


En nog aldaar III, 16, 134 (hs. H):


        »Omme te hebbene tseren hulde." [76]


Dat overigens dit voorvoechsel ser by patronymikale geslachtsnamen
wel degelik eene samentrekking is van 's her, des heeren, blijkt
ook uit sommige zeeusche plaatsnamen, waar dit zelfde ser als sir
voorkomt. De namen toch van de gehuchten Sirhelsdorp by Kloetinge op
Zuid-Beveland, en van Sirpoppekerke by West-Kappelle op Walcheren,
zijn oorspronkelik 's Heer-Els-dorp en 's Heer-Poppen-kerke.

Met dezen form sir in bovengenoemde zeeusche plaatsnamen, stemt
nog overeen de geslachtsnaam Sirjacobs. Daarnevens komen ook
de geslachtsnamen Sirejacobs en Sirejacob voor. De man, die deze
namen eerst zóó heeft geschreven, schijnt het voorvoechsel sir, ser
aangezien te hebben voor den ouden franschen titel sire, messire. De
oud-vlaamsche naam Sirjacobs is ook verfranscht tot Sirjacques en
Sirjacq, en komt in die beide formen nog heden als geslachtsnaam in
de zuidelike Nederlanden voor.

§ 53. Al deze geslachtsnamen met het voorgevoegde ser in de
verschillende formen, zijn oorspronkelik in Vlaanderen en Brabant
inheemsch. Maar er zijn my toch ook eenige geslachtsnamen uit de
noordelike gewesten bekend, die eveneens vadersnamen zijn met het
woord heer of her samengesteld, en die de tegenhangers uitmaken van
die zuidnederlandsche namen. Het zijn † Heriwesma, † Herjuwsma en †
Heer-Alma uit onze friesche gewesten, en Hereygens en Herreilers,
elders in de Nederlanden inheemsch. Bovendien nog Herrijgers en
Herroelen, die ik in de zuidelike gewesten vond.

De geslachten die de drie eerstgenoemde namen gevoerd hebben, zijn
uitgestorven. Maar hunne namen zijn in de friesche geschiedenis
bewaard, en worden daar op verschillende wyzen gespeld: Heerjousma
b. v. en Heerywesma; ook Her-Alma. Het zijn patronymika van Heer-Jou,
Heer-Ivo en Heer-Alle.--Jou, Juw, meest in verkleinform als Jouke
voorkomende, Iwe of Ivo en Alle zijn nog heden als mansvóórnamen in
Friesland in volle gebruik.

De friesche geschiedboeken, en de volksoverlevering tevens, vermelden
nog den naam van zekeren Heer-Ivo. Van dezen echter stamt het geslacht
Heriwesma niet af. Heer Ivo Johannis was de laatste roomsche priester
van de kerk van Oldehove te Leeuwarden. Hy overleefde langen tijd
den ommekeer in het kerkelike, die in Friesland in de 16de eeu plaats
greep. Hy bleef aan de roomsche kerk getrou, en woonde te Leeuwarden
in de Groote-Kerkstraat, op den hoek van het straatje dat naar den
Boterhoek voert. Hy was zeer bekend en zeer bemind by de burgery der
friesche hoofdstad. Het volk maakte zelfs een rijmke op zynen naam:
»Her Ief--Heth it folk lief", zeiden de Leeuwarders van dezen weerdigen
man. Zijn naam is te Leeuwarden nog in dageliksch gebruik. Immers
het straatje naast zijn huis draagt nog naar hem den naam van 's
Her-Ive-straatje. Er staat wel op het naambordje aan het hoekhuis
Hero-Ivo-straatje, als of de naam van zekeren Hero Ivo afkomstig ware
(Hero is een friesche mansnaam); en zoo is ook de geijkte spelling die
het gemeentebestuur van Leeuwarden volgt. Maar het volk blijft voor
en na, en zeer te recht, spreken van Serivestraatsje, met voorgevoegde
s. Ook al een bewijs dat het voorvoechsel ser in de geslachtsnamen op
bl. 144 genoemd, werkelik eene samentrekking is van 's her, des heeren.

De patronymika Hereygens, Herrijgers, Herroelen en Herreilers
beteekenen: zoon van Heer-Eige, zoon van Heer-Roel (Roelof) en zoon
van Heer Eiler. De mansvóórnaam Eige of Eigen is de oud-germaansche,
door Förstemann vermelde naam Eigen, Agino, Agin. En Rijger, beter
Reiger (zie ook § 134), is waarschijnlik de verloopene form van den
vollen oud-germaanschen mansvóórnaam Reingar, Regingar, Ragingar. De
naam Eiler is ook bekend, en eveneens in Nederland wel in gebruik. De
volle, oude form daarvan is Agilheri, Eilher, en de enkelvoudige
geslachtsnaam Eilers is er mede van afgeleid.

§ 54. De nieuste, de jongste wyze om van mansvóórnamen patronymika te
maken, bestaat in het voorvoegen van het voorzetsel van, waarby dan de
mansnaam zelve onverbogen blijft. Zulke geslachtsnamen komen slechts
in kleinen getale in de Nederlanden voor. My zijn geene andere bekend
dan: Van Alewijn, Van Ditmar, Van Frank, Van Walraven en Van Marselis,
die geen van allen naderen uitleg vereischen.

Deze wyze om vadersnamen te maken; is nog in zwang by sommige spaansch-
en portugeesch-israëlitische geslachten in Nederland. Benjamin
b. v. die een zoon is van Aron Mendes Chumaceiro, noemt zich Benjamin
van Aron Mendes Chumaceiro; Aron, die een zoon is van Josef Vaz Dias,
noemt zich Aron van Josef Vaz Dias, en Esther de dochter van Jacob
Lopes Quiros wordt genoemd: Esther van Jacob Lopes Quiros. Deze
patronymika zijn natuurlik slechts toenamen, die geene geijkte
weerde hebben, even min als de gewone patronymika Jan De Groot
Corneliszoon b. v. of Sjoerd Aukes De Vries, die by ons eigen volk,
als tusschengevoegde toenamen gebruikelik zijn.

§ 55. Dat de oude Nederlanders geerne hunne namen verlatynschten en
vergriekschten, is bekend genoeg. Herhaalde malen wordt er in dit werk
op gewezen. Ook hunne vadersnamen moesten in dit lot deelen, en velen
van deze vertaalde namen komen nu nog onder ons als geslachtsnamen
voor. Men volgde tweederlei wyze om de vadersnamen om te zetten. Te
weten: men maakte er regelrechte latynsche of grieksche tweede
naamvallen van, zoo goed of zoo kwaad als de dikwijls oorspronkelik
germaansche naam zich daar toe leende (Hermanides, Conradi). Of wel,
men hing eenvoudig eenen latynschen uitgang achter het patronymikon dat
men overigens zynen germaanschen form liet behouden; b.v. Reddingius,
Jansenius: dat is ius achter de patronymikale namen Redding en
Jansen gevoegd.

Het getal der geslachtsnamen die bestaan uit den eenen of anderen
mansvóórnaam in eenen griekschen tweeden-naamvalsform, is kleiner
dan het getal der namen met latynsche formen. Trouens de kennis der
latynsche taal is in Nederland dan ook steeds algemeener verspreid
geweest dan die der grieksche. Voorbeelden van zulke geslachtsnamen
in den griekschen patronymikalen form zijn: Antonides, Hermanides en
Harmanides, Jacobides, Michalides, Nicolaides, Paulides en Simonides,
allen van bekende mansnamen, van Antonius, Herman, Jacob, Michiel,
Nicolaas, Paulus enz. afgeleid. Andere maagschapsnamen, eveneens
in den griekschen form, zijn van byzonder-friesche mansvóórnamen
afgeleid, en zijn dan ook oorspronkelik in Friesland inheemsch. Het
zijn: Gatsonides, Hajonides, Mensonides, Nolledes, Oneides en
Ynsonides, afgeleid van de nog algemeen in gebruik zijnde friesche
mansvóórnamen Gatse, Haio, Menso, Nolle, Oene (Uno) en Ynse. De
geslachtsnaam Hilarides, in Friesland voorkomende, is wel een grieksche
tweede-naamvalsform van den latynschen mansvóórnaam Hilarius, die
op zich zelven ook als geslachtsnaam aldaar inheemsch is. En dit
Hilarius is op zijn beurt weêr eene verlatynsching van den frieschen
mansvóórnaam Hile, Hyle, Hille, ook in verkleinform als Hylke,
Hylco, en voor vrouen als Hylkje, Hielkje (Hike in de wandeling)
en Hiltje (Hikke), veelvuldig in gebruik. Van dezen naam stammen ook
de geslachtsnamen Hielema, Hylen, Hieltjes, Hylkema, Hielkema, Van
Hylckama, Hielkes, Hillinga, Hillenga, Hillega (zie bl. 61), Hillema,
Hilma, Hillingh, Hilles, Hillen en Hillenius, Hillens en Hillekens af,
met vele plaatsnamen. Misschien ook Hiel; zie § 139.

Door een zonderling misverstand is het grieksche patronymikon Hajonides
in eenige friesche geslachten als enkelvoudige mansvóórnaam in
gebruik,--waar toe het niet past. Men zie dienaangaande De Navorscher,
dl. XXXII, bl. 481.

§ 56. De geslachtsnamen die bestaan uit den latynschen
tweeden-naamvalsform van eenigen mansvóórnaam, vervallen, even
als de grieksche in de vorige afdeeling genoemd, in twee groepen;
naar mate de oorspronkelike mansnaam een algemeen-nederlandsche is
(van welken oorsprong dan ook), of een byzonder-friesche. Tot de
eerste groep behooren de geslachtsnamen Adriani, Alberti, Andreæ
[77], allen aan welbekende mansvóórnamen ontleend. Winold, Wynald,
Wynout, de naam die aan den geslachtsnaam Winoldi ten grondslag ligt,
moge tegenwoordig al weinig in gebruik zijn, het is niettemin een
volle, oud-germaansche naam, die oudtijds in de Nederlanden geenszins
zeldzaam was, en waarvan ook de geslachtsnamen Wynalda en Wynolds,
met den plaatsnaam Winaldum (Winalda-heim, woonplaats van Winald,
Wynout), een dorp in Barradeel, Friesland, afkomstig zijn. Zoo stamt de
geslachtsnaam Allebrandi ook van eenen oud-germaanschen mansvóórnaam
af, te weten van Albrand, Adelbrant, een naam dien wy terugvinden
in de geslachtsnamen Albranda en Albrands en in † Ailbrandesna (zie
bl. 137), in Friesland voorkomende, en in de plaatsnamen Albrandeweer
(verkeerdelik meestal Olbrandeweer geschreven), een gehucht by Birdaart
in Friesland; Albrandswaard, in het Land van Putten, Zuid-Holland;
en Albringsweer (voluit Albrandingsweer), ook Albrandswehr, een
gehucht by Emden.

»Maar Allebrandi is een italiaansche naam!", zal men my
toevoegen. »De geslachtsnaam Allebrandi is in Italië, te Rome,
inheemsch!"--Toegegeven. Maar hy is evenzeer in de Nederlanden
inheemsch. En de oorspronkelike naam waar deze geslachtsnaam
van is afgeleid, is zonder twyfel van germaanschen, dus ook
van nederlandschen oorsprong. Zoo zijn ook Garibaldi en Giraldi
italiaansche geslachtsnamen, in eenen romaanschen of latynschen
form. Maar de mansvóórnamen die er aan ten grondslag liggen, zijn
goed germaansch: Garbald, Gerbout, en Gerald, Gerhold, Gerout.

De geslachtsnaam Gualtherie behoort ook tot deze groep, maar
wijkt er eenigszins van af, door de ie op het einde. Dit is eene
wanspelling. Eene enkele i zoude niet slechts voldoende geweest
zijn, maar ware tevens de eenig goede schrijfwyze. Gualtherus,
de mansvóórnaam, waarvan dit patronymikon is afgeleid, is een
would-be-latynsche form van den germaanschen mansvóórnaam Walther,
Wolter, Wouter, die in het Fransch als Gauthier luidt.

Het gebruik om de mansvóórnamen, en dien ten gevolge de vadersnamen
eveneens, te verlatynschen, was oudtijds vooral in Friesland byzonder
in zwang. Van daar dat er nog heden in de Nederlanden, en in d'
eerste plaats in Friesland, nog al veel geslachtsnamen voorkomen, die
latynsche tweede-naamvallen zijn van byzonder-friesche mansvóórnamen,
of althans van zulke namen, gelijk Wybrand, Sybrand, Ysbrand, Wigbold,
Wiard, Gerbrand, die oorspronkelik wel algemeen-germaansch eigendom
zijn, maar die, elders buiten gebruik geraakt, in Friesland het
burgerrecht behouden hebben. Zie hier eenigen van deze geslachtsnamen:
Gerbrandy, Idsardi (van Idsard, Idsert), Ypey (van Ipe, Ype,
verlatynscht tot Ipeus), Ysbrandi (van Ysbrand). [78]

De geslachtsnaam Aeneæ houd ik voor een patronymikon, in latynschen
form, van Aenea, oorspronkelik Ane, in goed-friesch. Van welken
mansnaam ook de geslachtsnamen Aninga, Anema, en, in verkleinform,
Aantjes, met de plaatsnamen Anjum (oudtijds, en voluit, Aninga-hem,
heim of woonplaats der Aningen, der nakomelingen van Ane), een dorp in
Dongeradeel (Friesland); Anewiel, een meerke by Goingaryp (Friesland),
enz. afkomstig zijn.

Odolphi eindelik is afgeleid van Odolphus, Odolf, Olof, Olaf,
in oud-frieschen form Alef, een oud-germaansche mansvóórnaam,
die oudtijds by alle noordelik wonende germaansche volken (Friesen,
Angel-Saksen, Skandinaviers) veelvuldig in gebruik was. In de friesche
gewesten van Nederland zijn nog de volgende geslachtsnamen inheemsch,
die allen afgeleid zijn van dezen zelfden mansvóórnaam: † Aylva en
Aleva (beide namen zijn slechts verschillende spelwyzen, eene oudere
en eene nieuere, van een en den zelfden patronymikalen form), †
Aylufsisma en † Alofsma, † Aylufsisna, Alefs, Alofs, Alofsen, Aalfs,
Alvis (zie bl. 98), Alfs, Oleffs en Olfen. Buitendien nog Aalvink
(samengetrokken uit Alofink) in onze saksische gouen, een tegenhanger
van Roelvink, op bl. 40 behandeld.


§ 57. Aan het slot dezer afdeeling van vergriekschte en verlatynschte
vadersnamen, moet hier nog eene kleine groep van maagschapsnamen
genoemd worden, welke bestaat uit volle, in zich zelve onveranderd
geblevene patronymika, maar waar willekeurig de latynsche uitgang
ius achter gevoegd is. Het zijn kwaad-latynsche namen, want die
ius-steert kan van oorspronkelik nederlandsche namen en woorden
geen latynsche maken. Waren de geslachtsnamen op bl. 150 vermeld,
uit een taalkundig oogpunt nog eenigszins te verdedigen, de namen,
hier beneden genoemd, zijn ware monsters, en geven in mismaaktheid
niets toe aan de namen in § 22 besproken. Die zulke namen eerst bedacht
hebben en zich toegeeigend, hebben daar mede een bewijs gegeven dat
hun gevoel voor taalzuiverheid weinig ontwikkeld was, en hun smaak
verbasterd, al schreef de mode van hunnen tijd deze misformingen dan
ook voor. Talrijk komen zulke namen niet meer onder ons voor, al zijn
ze dan ook juist niet zeldzaam. Zie hier eenigen er van: Arntzenius,
Bolsius, Borgesius. [79] Om de oorspronkelike formen van deze namen te
vinden, behoeft men dien uitgang ius er slechts achter weg te nemen. De
formen Arntzen, Bols, Borges, enz. die men dan verkrijgt, zijn allen
zuiver-nederlandsche vadersnamen. Arntzen, Bols, Hajen en Hayen,
Heins en Heyns, Hillen (ook versleten als Hille), Jansen, Jansson,
Matthes, Metten, Nolten, Tielen (en het versletene Tiele), Straten,
komen ook allen nog in hunne onverbasterde formen als nederlandsche
geslachtsnamen voor. Arntzen is Arnt-zen, Arnts-zen, Arnts-zoon,
de zoon van Arnt, Arent; Eysson en Jansson, zoon van Eyse, Eise,
een nog in volle gebruik zijnde friesche mansvóórnaam, en zoon van
Jan.--Borg (Burg, Brug, Brucht, zie bl. 133); Haio; Hein (Hendrik);
Hille (zie bl. 150); Jan; Matthes (Mattheus); Nolt (Arnold) en Tiel,
Tyl, (zie bl. 142) zijn de mansvóórnamen, die aan deze vadersnamen
ten grondslag liggen. Bol, Bolle, door Förstemann als Bollo vermeld,
is een oud-germaansche mansvóórnaam die, behalven aan Bols, Bolsius,
nog oorsprong gaf aan eene geheele reeks van maagschapsnamen; te
weten, aan Bollinga, Bolling, Bollinck, Bollinckx, Bolma, Bols, Bolls,
Bollen, Bollens, Bolle, Bol. Verder aan Bolks, Bolkens, Bollekens,
Boltjes, die uit verkleinformen zijn ontstaan, en, in Engelland, aan
Bollington.--Mette is de oud-germaansche mansvóórnaam, in de naamlijst
van Brons als een friesche vermeld, die aan de geslachtsnamen Metten
en Mettenius ten grondslag ligt. By Förstemann komt deze zelfde naam
als Matto voor. Talrijk zijn de nederlandsche maagschapsnamen die aan
dezen naam ontleend zijn. Zie hier eenigen er van: † Mettinga, Mettens,
Mets en Metz (kan in sommige gevallen ook de naam der lotharingsche
hoofdstad zijn), Metting, Mettjes, † Metsema, Metzen en Metskes--de
vier laatsten van verkleinformen afkomstig. Straten en Stratenus, met
Straatsma, Stratingh en Straatjes, zijn patronymikale maagschapsnamen,
waar de oud-germaansche, door Förstemann aangetoonde mansvóórnaam
Strato aan ten grondslag ligt. In de lijsten van Wassenbergh vindt
men dezen naam, Strate, als een friesche vermeld. De naam van het
noordbrabantsche dorp Stratum zal er ook wel van afgeleid zijn
(Strate-heim, woonplaats van Strato), en dien ten gevolge dan ook,
middellik, de geslachtsnaam Van Stratum.

§ 58. Vadersnamen in 't algemeen, maar vooral ook de patronymika
die nieuere taalformen vertoonen, zijn onder de nederlandsche
maagschapsnamen uit der mate talrijk vertegenwoordigd. Er bestaat geene
enkele groep van nederlandsche geslachtsnamen, die, ook maar halver
wege, zulk eene ryke verscheidenheid zoude kunnen aantoonen. In der
daad, aan het getal en aan de verscheidenheid dezer namen, zoo wel
wat de verschillende formen en spellingen der patronymikale uitgangen
betreft, als wat aangaat het aantal en de onderscheidene formen,
spelwyzen, afkortingen, samentrekkingen, afslytingen, verkleinformen
en byformen der mansvóórnamen, die er aan ten grondslag liggen, is
haast geen einde. Hier en daar in dit werk heb ik, waar het te pas
kwam, reeds een en ander maal een gedeelte van die verschillende
formen van patronymika uit een en den zelfden mansnaam ontstaan,
aangetoond. Maar in den regel was dit nog de helft niet of geen
vierde gedeelte van de geslachtsnamen die er bestaan, en die ik
zoude hebben kunnen aanwyzen. Ik heb my, om verschillende redenen,
zeer moeten beperken. Als een enkel voorbeeld echter van dien rijkdom
van verscheidenheden en formen by de patronymikale geslachtsnamen, van
eenen enkelen mansvóórnaam afstammende, wil ik hier die geslachtsnamen
vermelden welke van den naam Johannes afgeleid zijn.

De naam van den apostel Johannes, tevens die van Johannes den
Dooper, is by de Christenen van alle landen en van alle tyden
steeds zeer bemind geweest, en steeds in volle gebruik gehouden
als mansdoopnaam. Hy was dit reeds in oude tyden--hy is dit
nog heden. Johannes is een der meest en algemeenst verspreide
namen. Vooral ook in Nederland. By de verschillende volken komt
deze naam in verschillende formen voor, min of meer verbasterd
van den oorspronkeliken form, al naar de taal des volks het zus of
zoo eischte. Zoo hebben de Engelschen hun John, de Skandinaviers
hun Jon en Jens, de Duitschers hun Johann en Hans, de Franschen
hun Jean, de Spanjaarden hun Juan, d' Italianen hun Giovanni, de
Russen hun Ivan, Polen, Czechen en andere Slaven hun Jan, Janko;
de Nederlanders eindelik hun Johannes, Joannes (vooral in de
roomsch-katholyke gewesten), Joan (meer in vorige eeuen, vooral in
de 17de), Johan, in den laatsten tijd veel in gebruik gekomen, ook
door hoogduitschen infloed, Jan (overal in Nederland zeer algemeen),
Hans (meest in Friesland en de andere noordoostelike Nederlanden),
Janke, Jancko (als verkleinform in Friesland verouderd), Jentje
(ook in Friesland, en in het geslacht Wybrandi weêr verlatynscht tot
Gentius voorkomende), Jannes, Jannis, Jans, Hannes, Jennis, Jens,
Jenniske, enz. enz.--om van de vrouelike formen Johanna, Janna,
Jansje, Jenneke, enz. nog niet te gewagen. En van al deze formen
aan eenen en den zelfden mansvóórnaam ontleend, zijn weêr allerlei
patronymika, in allerlei formen en in allerlei spellingen afkomstig,
die als geslachtsnamen in gebruik zijn. Zie hier een lijstje van die,
welke my voorgekomen zijn, enkel in de Nederlanden: Johannesma--dit
is de eenige onder al die geslachtsnamen, welke den mansnaam nog in
den vollen, oorspronkeliken, onversletenen form heeft,--Johansson,
Johansing, Johanninck. [80] Enkelen van deze namen zijn my slechts
zelden voorgekomen, en worden, voor zoo veel my bekend is, slechts door
eene enkele maagschap gedragen. Maar anderen zijn geenszins zeldzaam,
en velen (al de Jansen's, met al de verscheidenheden in spelling)
zijn zeer talrijk en zeer algemeen, in alle nederlandsche gewesten
verspreid. En verre daar buiten, in westelik Duitschland, over die
geheele landstreek tot Bremen en Hamburg, Osnabrück en Münster, Keulen
en Aken, evenzeer. Langs den geheelen Beneden-Rijn, van Keulen tot
onze grenzen, komen de Jansen's, in allerlei afwykende spellingen,
veelvuldig voor. In Oost-Friesland is Jansen een der algemeenste
namen. En Strackerjan vermeld in zijn werk Die Jeverlandischen
Personennamen, bl. 34, dat in Jeverland (de omstreken van de stad
Gewarden of Jever in noord-westelik Oldenburg--eene oud-friesche gou)
op de 23,000 inwoners er 1723 zijn die Jansen, Janssen of Janszen
heeten! Die verhouding is nog veel grooter dan ergens in de Nederlanden
voorkomt, en wel mede een bewijs hoe verre de nederduitsche form Jan
van den mansnaam Johannes over geheel den noordwesteliken hoek van
Germanie (de Nederlanden daarby begrepen) verspreid is.

§ 59. Al de geslachtsnamen, van § 7 af in dit werk behandeld
en vermeld, zijn patronymika, vadersnamen. Eene kleine groep van
geslachtsnamen staat in eene byzondere tegenstelling tot deze groote
afdeeling. Die kleine en merkweerdige groep wordt geformd door de
metronymika, de moedersnamen. Dat zijn namen die volkomen op de zelfde
verschillende wyzen als dit by de patronymika is aangegeven, afgeleid
zijn van de vóórnamen der moeders van de personen, die eerst met deze
namen genoemd werden. De stam of wortel, die aan de metronymika ten
grondslag ligt, is dus een vrouenvóórnaam.

Ieder kind heeft een vader, zoowel als eene moeder. Ja--maar de vader
is niet altijd bekend. En waar de vader onbekend is, kan zijn naam ook
niet dienen om er een patronymikon van te maken, als toenaam voor zijn
kind. Dus was men, in die gevallen, wel genoodzaakt, zoo men het kind
niet zonder toenaam wilde laten, om met den vóórnaam van de moeder te
handelen, zoo als men anders met dien des vaders zoude doen. Dit is
wel als de hoofdoorzaak van het ontstaan der metronymika aan te merken.

In De Navorscher, dl. XXVIII, schreef ik, op bl. 74, over metronymika
handelende, het volgende: »D'oorsprong van zulke geslachtsnamen van
vrouenamen afgeleid, is volstrekt niet verre te zoeken. Integendeel, hy
leit voor de hand, en 't is eerder te verwonderen, dat die metronymika
niet meer in Friesland voorkomen. Ongetwyfeld zou dit het geval
wezen, ware 't niet dat er schande in deze namen opgesloten lach
voor d'eerste dragers daarvan. Immers men geeft nog heden ten platten
lande in Friesland zulke namen uit spot en hoon aan laffe mannen, die
verachtelik genoech zijn om onder d'overheersching van hun vrouen te
leven. Meer dan één voorbeeld is my persoonlik daar van bekend. Zoo
wordt iemand die volgens recht Seerp Tjallings heeten moest, naar z'n
vader Tjalling, in 't dageliksch leven door z'n dorpsgenooten Seerp
Grietjes genoemd, omdat-i onder den plak zucht van Griet, z'n boos
wijf. Vond zulk een naam soms zoo veel byval, dat de sukkel Seerp
Grietjes of Jan Trijntjes zich dezen smaad goedschiks of kwaadschiks
moest welgevallen en aanleunen laten, dan ging zoo'n naam soms ook
op z'n kinders en kleinkinders over, voor wie d'oorspronkelike
beteekenis verloren ging, of hun hoe langer hoe minder ergerde,
tot dat de spotnaam op 't lest werkelik geslachtsnaam werd."

De heer P. Leendertz Wz. antwoordde hierop, in De Navorscher,
dl. XXVIII, bl. 80: »De heer Winkler meent, dat wij hen die
familienamen dragen aan vrouwennamen ontleend, Maaikes, Pietjens
en dergelijke, als levende gedenkteekenen van pantoffelregeering
moeten beschouwen. Mij dunkt er is wel eene andere verklaring voor
te vinden. Stel eens, Grietje is in het dorp gewonnen en geboren,
en dus bij oud en jong bekend, maar Tjalling, haar man, van buiten
ingekomen; of vader Tjalling is kort na de geboorte van zijn kind
gestorven, maar moeder Grietje is blijven voortleven. Is het in beide
die gevallen wel vreemd, dat men den zoon niet naar den vader maar
naar de moeder, niet Seerp Tjallings, maar Seerp Grietjes heet? In
Waterland is het my meermalen voorgekomen, dat men die kinderen naar
de moeder, niet naar den vader noemde: men sprak b. v. van Klaas van
Niesje, Aart van Naatje."

Behalven in Waterland is deze wyze om mannen te noemen met den naam
hunner moeder, ook nog elders ten platten lande, vooral ook op de
eilanden, meest waar de bevolking friesch is, nog in gebruik. Zoo
vond ik op 't eiland Ameland iemand genoemd: Betse-Rinse-Piet,
dat is: Pieter, zoon van Rins (Rins, Rinske is een bekende
friesche vrouenaam), dochter van Betje (zie Friesche Volksalmanak,
jaargang 1842, bl. 176). En op 't eiland Marken een Symen van
Neele-Kee'n-Pieters-Dirk, dat is Symen (oorspronkelik Sîgman, niet
Simon), zoon van Dirk, zoon van Pieter, zoon van Kee (Cornelis),
zoon van Neeltje (Cornelia); zie De Taalgids, dl. IV, bl. 206.

Ook elders onder de friesche eilandbewoners heerscht nog de
zonderlinge, maar gemoedelike zede, om de namen van het voorgeslacht in
het dageliksche leven nog te hechten aan die der kinderen. En ook om
den knapen den naam van hunne moeder, en niet dien van hunnen vader,
als toenaam te geven. Het noordfriesche eiland Sylt leverde my een
voorbeeld van het eerstgenoemde gebruik, en het oostfriesche eiland
Borkum van het tweede. Zoo vind ik in de belangryke geschriften
van den bekenden sylter Stand-Fries C. P. Hansen, eene sylter vrou
vermeld die in 1746 leefde, en Merret Lorens Petersen Hahn genoemd
werd. Dat is: Merret, de dochter van Lorens, die een zoon was van
Peter Hahn. Eene andere sylter Friesin, in 1766 levende, heette
Moiken Manne Jens Eben, dat is: Moiken, de dochter van Manne, de zoon
van Jens, de zoon van Ebe. Deze vrou torschte dus nog den naam van
haren overgrootvader. Dit zonderlinge gebruik vindt zynen oorsprong
in d'omstandigheid dat de bevolking op de friesche eilanden veelal
en veelvuldig onderling verwant is, en daar by gering in aantal. Zoo
komen de zelfde namen dikwijls voor by neven en nichten, die in kleine
dorpkes en gehuchten samen wonen, als naaste buren. En daarom is ook
eene naukeurige onderscheiding van deze personen, door toevoechsels
by hunne namen, noodzakelik.

In het Ostfriesisches Monatsblatt, VIII, bl. 200 (Emden, 1880) vinden
wy in een schoon gedicht Erinnerungen an Borkum, de volgende regels:


    Wuchsen die Kinder heran, so war es besonders die Mutter, Welche
    den Knaben zu zügeln, das Mädchen zu leiten bestimmt war, Während
    der Mann abwesend, oft lange, durchkreuzte die Meere. Drum auch
    hatten die Mütter zu schaffen und galten zuerst auch. Wunderbar
    war's also nicht, wenn der Mann nach dem Weibe genannt ward:
    »Tryntje's Johann und Geertrud's Klaas sind binnengekommen,"
    Hörte man häufig dort sagen, und meistens fehlte das »s" noch, So
    dass der Name der Frau oft des Mannes Vorname dann wurde: »Tryntje
    Johann" hiess der Mann und »Geertrude Klaas" hies der andre. Das
    gab nicht selten den Namenerforschern gewaltig zu denken.


Verder nog schrijft Leendertz, ter boven aangehaalder plaatse: »Laat
ik er met een enkel woord bijvoegen dat dit noemen van kinderen naar
de moeder, al vrij oud is. Om een paar voorbeelden te geven: Hughe
Fs. vheilsoeten (d. i. Hughe filius verHeilsoeten; Hugo, zoon van
vrou Heilsoete) komt verscheidene malen voor in de rekening der stad
Hulst van 1326, door onzen geachten medewerker, den heer F. Caland
uitgegeven; en van eenen ouden dichter Clays ver Brechten sone gewaagt
Maerlant, Spiegel historiael. IV. 1, 29 vs. 75."

Ik kan hier nog byvoegen den naam van Johannes Swanekens, die in 1342
cureet was van der Aa-kerke te Groningen. [81] Swane, in verkleinform
Swaneke, is een oud-nederlandsche vrouenaam, die als Swaantje,
Zwaantje nog heden wel in gebruik is, vooral in de friesche gewesten.

Eene andere oorzaak die het formen van moedersnamen ten gevolge had,
vermeldt van den Bergh. [82] Hy gewaagt namelik van metronymika,
die geformd werden »wanneer de moeder van edeler geboorte dan de
vader was. Zoo in een Zeeusch charter van 1290 bij K., Pierre fils
Agheten, Heine filz Zuanekin, Hallinc ver Lieven zone, Jeans fils
Dame Natalie." Dit is: Pieter, zoon van Aaght (Agatha); Heine, zoon
van Zuanekin, Swanekyn, Swaneke, Zwaantje (zie hier boven); Hallink,
zoon van vrouw Lieve. Uit dezen naam blijkt dat de geslachtsnaam
Liefsoons, op bladz. 82 genoemd, ook een metronymikon zijn kan,
zoo wel als een patronymikon, wijl Lieve een vrouenaam was, even als
Lieven een mansnaam.

Ontwyfelbaar echte metronymika komen heden ten dage nog slechts weinig
als geslachtsnamen voor. De reden hiervan is uit het bovenstaande
gemakkelik af te leiden. My zijn, in de eerste plaats, als zoodanig
bekend: Aagtjes, Agneessens, Grietens, Grietjens, Maayen, Maaikes,
Magdaleens, Trynes, Trienekens, Truyens en Willemijns. En in de tweede
plaats: Veraechtens, Vreven, Vergrietens, Vertruyen, Verheyllesone,
Verjans, Verjutten en Vernaleken.

Aagtjes is: de zoon van Aagtje, ook als Aagjen, Aagje, eene
zeer gebruikelike verkorting van den kerkeliken vrouenaam
Agatha.--Agneessens beteekent: zoon van Agnees, Agnes, een bekende
kerkelike vrouenaam. Maayen en Maaikes, met Maeyen, Maayens, Maeyens,
die my ook zijn voorgekomen, komen van de vrouenamen Maai en Maaike
(Maey, Maeyken), en dit zijn, met Mary en Maryke (Marytje, Maryken,
Marytgen), oud-nederlandsche verkortingen, afslytingen of hoe men ze
noemen wil (zoogenoemde koseformen) van den vollen bybelschen vrouenaam
Maria.--Grietens en Grietjens, Magdaleens en Willemijns, van Griete,
Grietje, verkorting van Margaretha, van Magdalena en Wilhelmina, zijn
duidelik genoeg. Trynes en Trynekens met Trines en Trienekens, die
my ook zijn voorgekomen, zijn afgeleid van Trijn, Trijntje, Tryneke,
verkortingen van den vollen kerkeliken vrouenaam Catharina. En Truyens
komt van Trui, eene volkseigene afkorting van Geertruida, Gertrudis,
een volle oud-germaansche vrouenaam. In vorige eeuen wemelden de
nederlandsche steden en dorpen van Maeykens en Trynekens. Thans
zijn de Maaikes tot Friesland hooftsakelik beperkt, ofschoon men
er in Holland ook nog wel aantreft, vooral ten platten lande in
afgelegene gouen, als noordelik Noord-Holland en het Over-Maassche
in Zuid-Holland. Trijntjes vindt men nog overal in Noord-Nederland,
vooral ten platten lande; Grietjes en Truitjes nog meer, ook in
de steden. De namen Agatha, Agnes, Margaretha, Maria, Magdalena,
Catharina en Geertruida zijn echte vrouenamen; zy hebben ook geene
mannelike tegenhangers. De geslachtsnamen die daar van zijn afgeleid,
zijn dus ontwyfelbaar ware metronymika.

Iets anders is het met de geslachtsnamen Aafjes, Betjes, Duyfjes,
Elskens, Leentjes en Pietjens. Naar myne meening zijn dit ook
metronymika. Maar ontwyfelbaar zeker is het toch niet, dat zy tot
de moedersnamen behooren. Aafke of Aafje is wel een vrouenaam,
nog heden in Friesland en Noord-Holland in volle gebruik. Duifje,
Duveke is een oud-nederlandsche vrouenaam die nog eene enkele maal
voorkomt. Leentje (Magdalena of Helena) en Pietje (Petronella) zijn
alomme in Nederland als vrouenamen bekend, maar het zijn tevens
verkleinformen van mansnamen, van Ave (waar van de geslachtsnaam
Avis, zie bl. 98), van Duif (waarvan Duyvis, zie bl. 90), van Leen,
Leendert; en van Piet, Pieter, Petrus. In menige streek van ons
vaderland worden de mansvóórnamen veelvuldig in verkleinform gebruikt,
vooral in Friesland. De verkleinform die men aan de namen van kleine
kinderen geeft (Jantje, Pietje, Heintje), blijft wel in gebruik,
ook als dat kind een volwassen man, of zelfs vader geworden is. En
zoo kunnen de geslachtsnamen Aafjes, Betjes, Elskens, Leentjes,
enz. even goed patronymika zijn als metronymika.

»Maar Betjes en Elskens ook?" zal allicht gevraagd worden. »Betje
en Elsje, beide verkortingen (koseformen) van den vollen bybelschen
vrouenaam Elisabeth, zijn toch stellig vrouenamen!" Niet altijd. Betje
kan ook een verkleinform wezen, voor eenen man in gebruik, van
den oud-germaanschen, oud-frieschen mansvóórnaam Bette. Deze naam
Bette levert met den mansvóórnaam Botte, die in Friesland nog
in volle gebruik is, slechts een gering verschil op in tongval,
in uitspraak; anders niet. Bette en Botte zijn oorspronkelik twee
verschillende formen van éénen en den zelfden mansvóórnaam; de e en
de o zijn wisselletters in de verschillende tongvallen der friesche
taal. Zoo wisselen de mansvóórnamen Jelle en Jolle, Jelmer en Jolmer,
Helmer en Holmer, Werp en Worp, Melle en Molle, Jette en Jotte, en
de woorden therp en thorp (in Kollumerland), del en dol, (visch-)
net en not, gers en gors (te Molkwerum), bern en born of ben en bon
(te Hindeloopen en ter Schelling), enz. In den verkleinform Betse
(eigenlik Bettse, Bet-tse == Betke, friesch ts == k) komt de mansnaam
Bette nog eene enkele maal in den tegenwoordigen tijd in Friesland
voor. De geslachtsnamen Betting, Bettink, Bettenga, Betten, Bettens,
Betz en Bets zijn er van afgeleid. Zoo ook de plaatsnamen Betteweer,
een verdronken dorp in den Dollart (Oost-Friesland); Bettenwarfen,
een gehucht by Secriem in Harlingerland; Bettingburen, een gehucht
by Berne in Stedingerland (Oldenburger Friesland), enz.

Elskens kan zoo wel een metronymikon zijn van den vrouenaam Elske,
Elsje (Elisabeth) of van den vroueliken form van Else, als een
patronymikon van den oud-germaanschen, door Förstemann vermelden
mansnaam Alis, Eliso, die in den form Else, Elso, nog heden in
Friesland in gebruik is, en dan ook in de naamlijsten van Wassenbergh
en Leendertz gevonden wordt. Van dezen mansvóórnaam Else zijn nog
afgeleid de geslachtsnamen Elsing en Elzing, Elsinga, Elsenga, Elzinga,
Elzenga en Elsen, met de plaatsnamen Elswert, een gehucht by Kantens;
Elsinghusen, een gehucht by Flachtwedde, beide in Groningerland;
Elseghem (Elsinga-heim), dorp in Oost-Vlaanderen; Elsom (Elsa-heim),
eene plaats in het Land van Antwerpen; Elsing, gehucht by Cham in
den beierschen Ober-Pfalz, enz.

Leenesonne (zie bl. 83) en Lyseseune (zie bl. 84) zijn ook twee
geslachtsnamen, waar van het twyfelachtig is, of men ze tot de vaders-
of tot de moedersnamen moet rekenen. Leenesonne kan zoo wel de zoon
van Leen (Magdalena, Helena), als van Leen (Leendert, Leonhard,
Leeuwenhart) beteekenen. En Lyseseune is naar myne meening wel:
zoon van Lyse, Lijsje, Lize (Elisabeth)--maar deze naam kan toch ook
evenzeer afgeleid zijn van den oud-germaanschen mansvóórnaam Lis, door
Förstemann vermeld. Als Lisse en Lise komt deze naam in Friesland nog
wel eene enkele maal als mansnaam voor, en wordt dan ook in de lijsten
van Leendertz en Brons gevonden. In sommige friesche geslachten (vooral
te Leeuwarden--b. v. Hosbach, Harmenzon, Heeringa), waar deze mansnaam
Lise gebruikelik is, heeft men er Eliza, Elisa van gemaakt, volgens
den naam van den israëlitischen profeet; als om aan te toonen dat
Lise niet een vrouenaam is, maar wel degelik een mansnaam. Overigens
heeft het oud-germaansche Lis, Lise met de oud-hebreeusche namen
Elisa en Elias natuurlik niets te maken. Van dezen naam zijn nog
de geslachtsnamen Liezinga en Lyzenga, echt friesche patronymika,
afgeleid; eveneens Lysen. En tevens de plaatsnamen Liesbüttel, dorp by
Itzehoe in Holstein; Liessem (Lise-heim), dorp by Bonn aan den Rijn;
Liesing, welbekend dorp by Weenen in Oostenrijk, enz.

De metronymikale geslachtsnamen Van Gertruyden, Van Lysebeth en Van
Lysebetten vertoonen weêr eenen anderen form, en zijn de vrouelike
tegenhangers van de geslachtsnamen Van Frank, Van Alewijn, enz., op
bl. 148 vermeld. Wat hunnen oorsprong betreft, zijn ze duidelik. De
eerstgenoemde naam is in de zuidelike Nederlanden geenszins zeldzaam,
en komt ook onder de formen Van Geertruyden, Van Geertruyen en zelfs
versleten als Van Geetruyen voor.

Enkele vrouenamen op zich zelven, zonder eenig voor- of achtervoechsel,
komen slechts weinig als geslachtsnamen voor. Zy zijn er dan ook
weinig geschikt toe. Hoe men er toe mag gekomen zijn, zulke namen
als geslachtsnamen aan te nemen, is my ook niet duidelik. Sommigen
er van zullen wel als metronymika in gebruik zijn gekomen; anderen
danken wellicht hun ontstaan aan spotterny. My zijn slechts bekend:
Cathelijn (Cathelyne, Catheline is een oud-nederlandsche, vooral in
de zuidelike gewesten gebruikelike form van Catharina), Henriette,
Leysbeth (Elisabeth), Naatje (de gewone hollandsche verkorting en
verkleinform van Anna of Wilhelmina, of van eenigen anderen op na
eindigenden vrouenaam), Salomé, Sophie, Suzanne, Susanna, Susan
en Soesan. Over den oorsprong van dezen laatstgenoemden bybelschen
vrouenaam, ook als geslachtsnaam, vindt men iets in De Navorscher,
dl. XXXIII, bl. 282. Eindelik is my nog de geslachtsnaam Xantippe
voorgekomen; en zoo één naam als maagschapsnaam ongeschikt is, dan
is het zeker deze.

§ 60. Ver is eene, in het middeleeusche Nederlandsch zeer gebruikelike,
en in middeleeusche geschriften veelvuldig voorkomende verkorting
of verslyting van het woord vrou; vooral dan, als de eigennaam van
die vrou er op volgt: Ver-Brechte, Ver-Heylsoete, zoo als blijkt uit
de voorbeelden op bl. 159 en 160 aangehaald. Eene aanzienlike vrou,
te Damme ten jare 1286 wonende, wordt in eene oorkonde van dat jaar,
vermeld in de Annales du Comité flamand de France, 1853, bl. 245,
genoemd: Ver Gheile van den Dauwe. Dit zelfde woordje ver maakt
nog deel uit van eenige hedendaagsche geslachtsnamen, Veraechtens,
Vreven, Vertruyen, Vergrietens, Verheyllesone, Verjans, Verjutten
en Vernaleken. Deze namen formen eene aardige tegenstelling met
die geslachtsnamen, welke met her samengesteld, en in § 52 en 53
beschreven zijn.

Veraechtens, met den volleren form Veraechtenszeune en met den
afgesletenen form Veraechten, die beiden ook als geslachtsnamen
voorkomen, beteekent: Vrou-Aachten-zoon, de zoon van Vrou-Aagt, van de
vrou die Agatha heet. Vreven, en Vreeven, want ook alzoo misspeld komt
deze geslachtsnaam voor, is eene samentrekking van Vereven, Ver-Even,
Ver-Even-zoon, Vrou-Eva's zoon, de zoon van vrou Eva, een naam,
volgens den bybel, eigenlik op alle menschen toepasselik. Vertruyen
is: zoon van Vrou-Truye, van de vrou die Trui, Truda (Gertruda)
heet. Vergrietens is: zoon van Vrou-Griete, Margaretha.--Verheyllesone
is: zoon van Vrou-Heyle, van de vrou die Heile heet. Heile, (in
verkleinform ook Heilke en Heiltje) is een oud-nederlandsche vrouenaam,
nog heden ten dage in Friesland in volle gebruik. Verjans en Verjutten
beiden beteekenen: zoon van Vrou-Johanna. Immers Jans, Jansje is nog
heden in Nederland veelvuldig als zoogenoemde koseform van Johanna
in gebruik. In de middeleeuen echter verkortte en verknoeide men den
naam Johanna in het dageliksche leven tot Jutte.

Vernaleken eindelik is: der Vern-Aleken sone, de zoon der vrouen (der
vroue) Aleke, de zoon van de vrou die Aleke heet. En Aleke (Aaltje)
is een verkleinform van Ale, welke naam weer eene samentrekking,
inkorting, verfloeiing is van A(de)la, Adela, Athala, (ook Edele,
gelijk de moeder heette van den vlaamschen graaf Karel de Goede;
zy was eene dochter van koning Knut van Denemarken.) Een volle en
schoone oud-nederlandsche, ook algemeen oud-germaansche vrouenaam. In
manneliken form is hy op bl. 120 vermeld. Deze edele naam wordt
tegenwoordig nog slechts in den franschen form Adèle de eere waardig
geacht om door »hollandsche dames" gedragen te worden, ofschoon hy
in de formen Aaltje en Aaltien nog steeds voor en na in de friesche
en saksische gouen van Nederland in gebruik bleef, en ofschoon nog
menige edele Friesin, menige saksische vroue, die zich geenszins haren
germaanschen volksaard schamen, met eere dien alouden, zinryken naam
blyven dragen.

In de middeleeuen treffen wy de metronymika met ver er voor dikwijls
aan. Om nog een enkel voorbeeld te voegen by die op bl. 160 vermeld,
noem ik Bouden filius Verheylzoeten, schepen van de stad Sluis in
Vlaanderen, in 1345. Zie het tijdschrift De oude Tijd, jaargang 1869,
bl. 114.

De friesche taal kent de letter v niet als beginletter van eenig
woord. Van daar dat het nederlandsche woord vrou in het Friesch als
frou luidt en geschreven wordt, ook overeenkomstig het hoogduitsche
frau. En zoo komt ook in het middeleeusche Friesch de versletene
form fer voor, in plaats van ver, als elders in de Nederlanden. Dit
fer treffen wy aan in den oud-frieschen geslachtsnaam † Ferhildema
(Fer-Hildema, Fer-Hilda-ma, man (zoon) van Fer-Hilda, van vrou
Hilde), een echt metronymikon. Het geslacht dat dezen naam voerde, is
uitgestorven; maar de geslachtsnaam Hildema (zonder het voorvoechsel
fer) komt nog in Friesland voor. En ook deze geslachtsnaam schijnt
my toe een waar metronymikon te wezen, naar dien d' oud-germaansche
naam Hildis, Hilda, ook in hare samenstellingen Berchthildis,
Machthildis (Mathilde), Hlothildis, Chlothildis (Clotilde), byna
zonder uitzondering een vrouelike is. Ook nog heden ten dage is
deze naam, in den form Hiltje, Hilletje, Hilke, Hilleke (Hillechien)
slechts als vrouenvóórnaam in gebruik--hooftsakelik by de Friesinnen,
althans by vrouen van frieschen stam, ook in Holland ten platten lande.

In den vlaamschen geslachtsnaam Veranneman treffen wy dit ver ==
vrou ook aan. Toch kan men dezen naam eigenlik niet tot de echte
metronymika, tot de moedersnamen rekenen. Veranneman toch beteekent
niet de zoon van Vrou-Anna, maar de man, dat is: de hoorige, de
volgeling, de dienstman dier vroue. Zie § 45.

Als een aanhangsel tot de metronymika moeten hier nog de
geslachtsnamen Moederzoon, Meyskens, Nonnekens, Vrouwes en Wyvekens
vermeld worden. Moederzoon, welke naam ook in de oude spellingen
en gedeeltelik versletene formen Moyersoen en Moeyersoon voorkomt,
en zelfs weer in tweeden naamval als Moyersons, spreekt duidelik
genoeg voor zich zelven. Het is eigenlik slechts eene nederlandsche
vertaling van het woord metronymikon, even als de mannelike tegenhanger
van dezen naam, de geslachtsnaam Vaarzon en Vaarson (vaders-zoon) als
eene nederlandsche overzetting van het woord patronymikon kan beschoud
worden. Een Jan Vaderszoon wordt vermeld in Van Lennep en Ter Gouw's
Uithangteekens, bl. 404. Meyskens, de zoon van een meysken, een meisje,
eene ongetroude vrou, is ook duidelik genoeg. Maar Nonnekens en Nonkes
behoeft men geenszins onvoorweerdelik te beschouen als beteekenende:
zoon van een nonneke, van eene non, als tegenhanger dus van de
geslachtsnamen Munniks, Munnicks, Munnickx, Munks, Munckx, Muynckx en
Munniksma, die zoon van eenen monnik beduiden. Neen--maar Nonnekens
en Nonkes kunnen zeer goed afgeleid zijn van den oud-germaanschen,
door Förstemann vermelden mansvóórnaam Nunno, Nonno, Nonne, Nunne,
Nune, Nono. Deze naam komt, ook in verlatynschten form als Nonus,
nog eene enkele maal in Friesland als mansnaam voor, en is dan ook in
de bekende lijsten van friesche vóórnamen opgenomen. De oud-friesche
patronymikale geslachtsnamen † Nonninga, versleten tot † Nonia (zie §
29), en † Noneka van den verkleinform Noneke (even als Nonnekens en
Nonkes), zijn er van afgeleid. Het oud-friesche patronymikon Nuninga
komt nog heden in Groningerland voor, in spelling tot Nuinenga
verhollandscht. Eindelik nog Noninckx en Noeninckx, Nüninghoff en
Nunninghaven (zie bl. 52). De Nonia-sate is te Tonnaart (dat is
Ternaard) in Dongeradeel (Friesland), en Nünningen is een dorp by
Fallingborstel in Hanover.

De geslachtsnamen Vrouwes en Vrouwe (afgesletene form van Vrouwen)
moet men niet beschouen als tweede-naamvallen van het voord
vrou. Althans niet onvoorweerdelik. Het kunnen zeer wel goede
patronymika zijn, tweede-naamvallen in twee verschillende formen,
van den ouden mansvóórnaam Frau, Vrou. Het woord vrou heeft in der
daad oudtijds in de germaansche talen eene mannelike beteekenis
gehad; in het Gothisch beteekent het woord frauja heer. Van heer
(dominus) werd het heerinne of vrou (domina); later vrou (femina). De
friesche dienstmaagd spreekt hare meesteresse nog heden aan als frou
(domina). Dat Fraw, Frau, Fro een oud-germaansche mansvóórnaam is, kan
men in Förstemann's Namenbuch vinden. En dat deze naam oudtijds ook
in Nederland als zoodanig in gebruik was, bewyzen de geslachtsnamen
Vrouwes en Vrouwe, met † Froukana, † Frouwama en † Fraukema (van
den verkleinform Frauke), en Froma, een nog bestaande oud-friesche
geslachtsnaam uit het Westerkwartier van Groningerland, waar wy nog
te Lutkegast een Froma-heert, en te Niehove eene Froma-sate vinden.

Wyvekens is, wat zyne afleiding aangaat, ook een twyfelachtige
geslachtsnaam. Deze naam kan zoo wel zynen oorsprong gevonden hebben
in het woord wijf, in verkleinform wyveke, wijfke, wijfje (dus een
tegenhanger formende van den geslachtsnaam Mannekens), als wel in
den oud-nederlandschen vrouenaam Wyveke, verkleinform van Wiva, Wive,
Wyf, een naam die oudtijds geenszins zeldzaam door nederlandsche vrouen
gedragen is. Volgens Leendertz's naamlijst ook nog na den jare 1500. In
den bastaardform Wivina komt deze naam nog heden in Zeeusch-Vlaanderen
voor. Elders ook als Wyva, en in Fransch-Vlaanderen nog in den ouden
form Wyfken. Maar hoe dan ook--Wyvekens is zoowel in 't eene als in
't andere geval een metronymikale geslachtsnaam.

De maagschapsnaam Der Weduwe behoort ook tot deze afdeeling. De
beteekenis er van, zoon eener weduwe, is duidelik genoeg. De
meervoudsform, waaronder deze naam ook voorkomt, Der Weduwen, dankt
zijn ontstaan zeker aan eene misspelling. Een ander geslacht nog
spelt dezen zynen naam als Der Weduwé--eenigszins verfranscht.

Zoo eenvoudig en duidelik de naam Der Weduwe te verklaren is, zoo
moeielik is het my de eigenlike, oorspronkelike beteekenis van den
geslachtsnaam Der Kinderen aan te toonen. Ik vermeld dezen naam,
die ook als Van der Kinderen en Der Kinder--beide min zuivere
formen--voorkomt, dan ook slechts hier ter plaatse, wijl ik hem
eenigszins, wegens zynen form, als een tegenhanger van den vorigen
naam, Der Weduwe, beschou. Iemand kan de zoon zijn van eenen man,
die 'T Kint genoemd wordt of die zoo heet; immers deze geslachtsnaam
bestaat. En zoo die zoon dan van dien toenaam zijns vaders een
patronymikon, voor zijn gebruik, wilde maken, dan zou hy zich Jan
of Piet Des Kinds moeten noemen. Maar de bestaande geslachtsnaam
is duidelik een meervoudsform: Der Kinderen. Aan een patronymikon
valt hier dus niet te denken. Dat kinderen gezamenlik, na den dood
hunner ouders, in 't ouderlik huis blyven wonen, en daar 't ouderlik
bedrijf b. v. eene boerdery, met elkanderen, zonder te huwen, blyven
voortzetten, komt wel voor. Men noemt hen dan, met elkanderen, de
kinderen, ook al zijn het langzamerhand bejaarde lieden geworden. Men
zegt: ik ga naar de kinderen. En de boereknecht die in dat huisgezin
dient, zegt: ik woon by de kinderen. Heet die knecht Pieter, en
is er in zyne nabuurschap nog een andere boereknecht die eveneens
Pieter heet, dan onderscheiden de buren den eerstgenoemden van zynen
naamgenoot, door hem Pieter der kinderen te heeten. En die toenaam kan
een vaste geslachtsnaam geworden zijn. Dit is de eenige verklaring,
die ik geven kan van dezen zeer byzonderen naam.

Een andere naam, die my eveneens raadselachtig is, maar die weêr
bepaald een metronymikaal voorkomen heeft, is Witvrouwen. De
afgesletene formen Witvrouwe, Witvrouw en Wittevrouw komen ook
voor. Moeten wy by deze »witte vrou" aan eene non, eene witte
nunne denken? In dat geval wil ik dezen naam ook liefst niet
als een ware moedersnaam beschouen, maar, even als Der Kinderen,
Veranneman, enz., als de toenaam van eenen dienaar, eenen hoorige
of iets dergelijks.--Zonderling genoeg zijn de namen Der Weduwe,
Der Kinderen en Witvrouwen, met hunne verscheidenheden, geenszins
zeldzaam, hooftsakelik in de zuidelike gewesten, en behooren daar
aan verschillende, onderling niet verwante geslachten.

§ 61. Eene kleine groep van byzondere geslachtsnamen dient hier
nog vermeld te worden. Deze groep bestaat in den regel uit goed
geformde vadersnamen; maar de mansnamen, die er aan ten grondslag
liggen, zijn dubbel. Zy bestaan uit twee verschillende, saâmgevoegde
namen (Woutermaartens); of uit eenen enkelen naam met het eene of
andere woord daar voor, als eene nadere bepaling (Jongejans), of
daar achter (Janbroers). Soms ook staan deze dubbele namen niet in
den tweeden naamval, zijn dus in taalkundig opzicht eigenlik geene
patronymika, maar eenvoudig namen op zich zelven (Kleinjan, Langejan,
Langclaus, Koppejan). Wijl echter zulke namen tevens ook wel in eenen
tweeden-naamvalsform als geslachtsnamen voorkomen (Kleinjans), zoo kan
de mogelikheid aangenomen worden dat zy oorspronkelik wel patronymika
geweest zijn, maar later door afslyting van dien tweeden-naamvalsform,
het kenmerk daar van verloren hebben. In allen gevalle zijn ze zóó
na verwant aan de patronymika die deze groep samenstellen, dat ik
hen van dezen niet heb willen scheiden, maar hen gelijktydig daar
mede hier vermelde.

De volgende maagschapsnamen dan formen, met eenige anderen nog,
deze byzondere groep.

Aertgeerts, de zoon van Aert-Geert, van Arend-Geraart.--Hansates,
de zoon van Hans-Ate.--Hans is de algemeen bekende inkrimping van
Johannes, en Ate is een friesche mansvóórnaam, nog heden onder de
Friesen in volle gebruik. De geslachtsnamen Ates, Aats en Aten met
Atinga en Atema en † Aatsma, en de plaatsnamen Ateburen, een gehucht
by Hieslum in Wonseradeel (Friesland), en Atens (Atingen), een dorp in
Butjadingerland (Oldenburger Friesland), danken hun ontstaan eveneens
aan den mansnaam Ate.

Coppejans en Coppieters, de zoon van Jacob-Jan of Jacob-Johannes,
en die van Jacob-Pieter of Jacob-Petrus. Dat Cop, Coppe, Kop
oud-nederlandsche afkortingen, versletene formen zijn van den
bybelschen mansnaam Jacob, blijkt o. a. uit eene oorkonde van den
jare 1466, waar iemand in vermeld wordt als: »Coppe offt Jacop
Meluszoen." [83] Maar ook nog later vindt men in oude geschriften
nog menigmaal den mansvóórnaam Kop. De geslachtsnamen Kops, Cops,
Koppen, Koppes, Coppens, en zekerlik ook wel het verlatynschte Koppius
zijn er van afgeleid.--Koopmeiners is de zoon van Koop-Meiner, van
Jacob-Meinert of Jacob-Meinhart. Want even als Kop, zoo is ook Koop,
met Jaap, Koben en Kobus, ook met Japik en Jappe, en misschien met
Jakkele, eene volkseigene verbastering van den mansnaam Jacob. In
sommige streken van Nederland, vooral by de friso-saksische bevolking
van noordelik Overijssel, van Drente en Groningerland, is Koop als een
byzondere mansvóórnaam nog in volle gebruik. De maagschapsnamen Kopinga
en Copinga, Koopsma, Koops, Coops en Kopen zijn er van afgeleid. Het
patronymikon Coping, de weêrga van de friesche vadersnamen Kopinga en
Copinga, kwam reeds onder de Angel-Saksen voor, even als Coppingsyke
nog een plaatsnaam is in Lincolnshire, Engelland. (Zie bl. 131).

Jansegers is de zoon van Jan-Seger, van Johannes-Segher.--Seger is
een oud-nederlandsche mansnaam, in Friesland ook als Sieger, Siger,
in Holland als Zeger nog heden voorkomende. Van dezen schoonen
oud-germaanschen naam (zie bl. 115) zijn onze geslachtsnamen
Siegerink, Sigersma en Siegersma, Siegers, Segers en Zegers, met †
Sigera afgeleid, en de plaatsnamen Sigerswolde, zoo als een dorp
in Opsterland en een gehucht by Garyp, beide in Friesland, heeten;
verder Zegerscapel, een dorp in Fransch-Vlaanderen; Siegersleben,
een dorp by Neu-Haldensleben in de pruissische provincie Saksen, enz.

Kortjanse is: de zoon van Kort-Jan, van Koenraad-Johannes. Want Kort,
met Koort, Koord, Koert, Koen, zijn nederlandsche volkseigene
verkortingen van den vollen oud-germaanschen mansvóórnaam
Koenraad. Behalven Koenraads en Conradi zijn nog zeer vele andere
nederlandsche geslachtsnamen van dezen mansnaam afgeleid. Zie hier
eenigen daar van: Koerts, Coerts, Koertssma, Koordes, Kordes, Cordes,
Kortenga, Korting, Corty (zie bl. 74), Corting, Korten, Corten,
Koens, Koenen, Coenen, Koene, Kundersma, Kuindersma, Kuinders. In de
brabantsche streken ook Kuenen, Kuene, Kune, wijl de Brabanders de
tweeklank oe als ue uitspreken (groen = gruen) enz. Zie bl. 106. Het
is echter ook mogelik dat de geslachtsnaam Kortjanse een patronymikon
zy van Kort-Jan, als een bynaam, in den zin van »den korten Jan."

De maagschapsnamen Janclaes en Pieterhans eischen geene nadere
verklaring. Perclaes is: Peter-Klaas; Per, Peer, Peerken is in de
brabantsche gouen de volkseigene vleiform van Petrus.--Woutermaartens
eindelik en Wautermaertens (deze twee slechts in spelling verschillende
formen vervangen elkanderen in Noord- en Zuid-Nederland, en behooren
oorspronkelik ongetwyfeld aan eene en de zelfde maagschap) zijn ook
duidelik genoeg.

De volgende geslachtsnamen zijn samengesteld uit mansvóórnamen
met het eene of andere woord daar vóór gevoegd, als eene nadere
aanduiding. Zy zijn oorspronkelik bynamen geweest, ontleend aan de
eene of andere byzonderheid die eigen was aan den eenen of anderen,
met name genoemden man. B. v. Langewouters beteekent zoon van den
langen Wouter; Langejan is duidelik genoeg. Ook Jongejan en Jongejans;
Oudejan, Ouwejan en Oudejans, met Oljans, in versletenen saksischen
form; Jongeneel, Jongenelen, Jongeneelen, Ouweneel en Oldeneel (Neel
is eene verkorting van Cornelis [84]; Jongepier en Aupiers (Pier is
eene vlaamsche en friesche verkorting van Pieter, Petrus; Aupiers
beteekent: zoon van den ouden Pieter, in brabantsche gouspraak:
van den ouen Pier, van den Au-Pier.) Verder Roodhans en Roothans,
dat is: de roode Hans. Echter komt Roothaan ook voor als geslachtsnaam
(zie § 132), en Roothans zoude daarvan ook een verbasterd patronymikon
kunnen wezen. Toch acht ik dit min waarschijnlik. Jongkees (Kees is de
bekende volkseigene verkorting van Cornelis), Kleynhens en Cleynhens
(Hens, Hans, Johannes), Ouweleen (Leen als verkorting van Leendert),
Sterkendries, Langendries en Langhendries (Dries als verkorting
van Andries), eischen geen van allen naderen uitleg. Schoonhein;
de schoone Hein of Hendrik? Deze naam zoude ook eene verdietsching
kunnen wezen van den hoogduitschen maagschapsnaam Schönhain, die
geheel iets anders beteekent. Schoonejans en Nevejans, (zoon) van
Neef-Jan, zijn duidelik, en worden vooral in de zuidelike Nederlanden
door verschillende geslachten gedragen, en verschillend gespeld
tevens. Nevens de gewone spellingen toch, boven vermeld, treft men ook
Schonejans, Schoonjans, Schonians en het half verfranschte Schoonéans
aan, met Nevejan en Neveyans. Een tegenhanger van Schonians, wat de
spelling aangaat, is de maagschapsnaam Grotrian, die nevens Groterjan
voorkomt, en daarmede oorspronkelik één is, even als met Grotjohan,
Grootjan en Grootjans.--Grotrian, Groterjan, Grotjohan en Grotjohann
zijn eigenlik nedersaksische (zoogenoemd platduitsche) formen, en uit
onze noordoostelike grensgouen afkomstig, even als de tegenhangers
van deze namen, Lütjohan, dat is: de kleine Johan, en Lüthenning,
de kleine Henning; Henning is het patronymikon van Henne, Hänne,
Johannes. De nederlandsche naam Grootjan vindt ook in Nederland zyne
weêrga in den oorspronkelik hoogduitschen geslachtsnaam Groshans
en in den oorspronkelik franschen maagschapsnaam Grosjean, even als
Kleinjan in Petitjean; in Engelland komt Littlejohn als geslachtsnaam
voor. Wilderjans is zeker wel (zoon) van den wilden Jan, en doet door
die r ook aan hoogduitschen infloed denken; terwijl Heetjans my tamelik
duister is. Moet by dezen naam aan het byvoegelike naamwoord heet =
warm gedacht worden? of aan heeth, heede, heide? Bruggetijs, ook al
een nederlandsche maagschapsnaam, is waarschijnlik Tijs (Matthijs,
Mattheus) die aan eene brug woont, of anderszins iets met eene brug te
doen had, zoo dat hy dien naam als bynaam verwierf. Kroeseklaas is de
kroese, de kroes- of krulharige Klaas of Nicolaas. Het is opmerkelik
dat sommige leden van het geslacht dat dezen naam draagt, het byzondere
kenmerk van hunnen voorzaat, wien eerst dezen naam als bynaam gegeven
werd, nog in sterke mate vertoonen. Poggenklaas is minder duidelik,
maar zal oorspronkelik ook wel een bynaam zyn; in sommige nederlandsche
gouspraken heet eene padde pogge; zie § 133. Appeljan is oorspronkelik
ongetwyfeld een bynaam geweest van eenen Jan die appelen verkocht of op
andere wyze iets met die vrucht te doen had. Timmerhans en Timmerjans
zijn hoochst waarschijnlik afkomstig van eenen Hans en eenen Jan,
die timmerlieden waren, en dies Timmer-Hans en Timmer-Jan werden
genoemd. Schipperheyn is oorspronkelik de bynaam van eenen schipper
die Hein, Hendrik heette. In de zuidelike Nederlanden, waar deze naam
als Schipperein voorkomt, heeft hy, volgens den vlaamschen tongval,
de h verloren.

Quahannens eindelik, ook als Quatannens, Quattannens, en Quathannens
voorkomende, is eveneens een zuid-nederlandsche geslachtsnaam, zoo als
de byzondere en ouderwetsche spelling wel aanduidt, en beteekent: de
zoon van Qua-Hannes of van Quaet-Hanne, van den kwaden Johannes. Deze
naam is oorspronkelik zonder twyfel een bynaam geweest van eenen
man die Hannes of Hanne (Johannes) heette, en die wegens zyne minder
loffelike eigenschappen de kwade Hannes, Qua-Hannes genoemd werd. Uit
Vlaanderen zijn my nog een paar voorbeelden bekend, uit den ouden tijd,
van zulke met kwaad samengestelde geslachtsnamen, tevens ook van zulk
eenen bynaam. Een Pietere Quaclaeys (Pieter, de zoon van den kwaden
Klaas) woonde in 1500 te Berthen in (Fransch)-Vlaanderen. (Zie de
Annales du comité flamand de France, 1853, bl. 236.) En de vrou die
in 1520 weerdinne was in »den Engel", eene herberg aan de zuidzyde
van de Groote-Markt te Iperen, heette Elisabeth Quaedjonck. Duidde
deze hare geslachtsnaam reeds aan dat een harer voorvaders, wien
dezen naam eerst als bynaam gegeven was, kwaadaardig van inborst was
geweest,--Elizabeth droeg dien naam te recht, want ook zy was wijd en
zijd berucht als een boos wijf. Daar van wisten de reizigers en de
bezoekers van hare herberg meê te praten; vooral zy die door eenen
schralen buidel genoodzaakt waren weinig vertering te maken. Zy had
dan ook van hare omgeving den bynaam Qua-Bette ontfangen. Ook keizer
Karel V, de volksaardige Vlaming, die eens, als een eenvoudig reiziger
vermomd, in haar huis kwam om te beproeven of het gerucht waarheid
sprak, moest haren boozen aard maar al te zeer leeren kennen. Tot
haar straf veranderde de keizer den naam van hare herberg. Hy liet
»de Engel" wegnemen, en »de Beer" daar voor in de plaats stellen »ter
gedachtenis hoe Elisabeth de menschen niet als een engel, maar als
eene berin placht te bejegenen." [85] En nog heden staat de herberg
»de Beer" te Iperen aan de Markt.

By de volgende geslachtsnamen is het bygevoegde woord niet voor,
maar achter den oorspronkeliken mansnaam geplaatst: Dirkzwager (een
tegenhanger van Nevejan) en Dirkmaat, Janmaat en Pietermaat. Maat is
een volksaardig woord dat in de eerste plaats iemand beteekent die met
eenen anderen de zelfde betrekking vervult, maar in de tweede plaats
ook wel goede-vriend beduidt; goede-maats, goede-maatjes met iemand
wezen, is eene uitdrukking uit de dageliksche volksspreektaal. Het
woord is vooral by ons zeevolk in gebruik--bootsmansmaat, verkort tot
bootsmaat; koksmaat, timmermansmaat. By de Engelschen heet zelfs de
stuurman mate; bedoeld is: de mate van den schipper of kapitein. En
Janmaat is de algemeene naam voor den nederlandschen zeeman. De
maagschapsnamen Janbaas en Janknegt behoeven geen uitleg. Leentvaar is
een gemoedelike naam voor Vader-Leendert, even als Keesom voor Oom-Kees
(Cornelis). Deze laatste naam is in noordelik Noord-Holland inheemsch,
waar de friesche uitspraak om voor oom oudtijds gelding had, even
als nog heden beoosten Fli. Janbroers is: de zoon van Broêr-Jan, van
broeder Jan. Maar deze laatste naam kan men ook als het patronymikon
van eenen dubbelen mansnaam beschouen, zoo als Woutermaartens
is. Immers Broer is een mansvóórnaam, die voornamelik in Friesland nog
heden in volle gebruik is, die Förstemann reeds als Brothar vermeldt,
en die oorsprong gaf aan de volgende geslachtsnamen: Broers, Broeren,
Broersma, Broersema, Broderssen, Broders, Broren, Breuren, Breure,
Brören, Brorks, Brorken, Brörkens (van den verkleinform Brörke), enz.

§ 62. Als aanhangsel tot al de vadersnamen in de voorgaande afdeelingen
behandeld, moge hier nog eene byzondere groep van geslachtsnamen
vermeld worden, welke bestaat uit oude, ten deele zeer oude,
ten deele ook verouderde, maar volle en schoone oud-germaansche,
dus ook oud-nederlandsche mansvóórnamen, op zich zelven. Zy staan
meestendeels niet in den tweeden naamval, en zijn dus ook geene echte
patronymika. Toch zijn zy ten naasten aan de vadersnamen verwant,
en staan in de plaats daarvan. Immers men kan wel met zekerheid
aannemen dat deze hedendaagsche geslachtsnamen in vorige eeuen door
de stamvaders dier geslachten als eenvoudige vóórnamen, als eenige
namen, zijn gedragen geworden; en dat zy, geheel zoo als patronymika,
op de kinderen en het verdere nageslacht van die mannen, eerst als
toenamen, ter onderscheiding, zijn overgegaan. Deze geslachtsnamen zijn
belangrijk en merkweerdig; want zy toonen ons nog de volle, schoone,
volkseigene namen die onze voorouders droegen. Die edele namen vol
zin en leven! Ook herinneren zy ons aan menig roemvol feit uit de
geschiedenis van ons voorgeslacht, bedreven door mannen die deze
zelfde namen droegen. Of zy brengen ons de gestalten te binnen die
eene rol vervullen in onze oude volksoverleveringen. Zy spreken ons
van de roemryke dagen der Gothen, Friesen, Saksen, Franken, uit den
tijd toen het kerstendom met de namen van zynen stoet van bybelsche
personen en kerk-heiligen, nog niet begonnen was de roemruchtige,
schoone, volkseigene namen van onze eigene voorouders te verdryven.

Zie hier eenigen van deze oude namen, die nu als maagschapsnamen
dienst doen, en waarvan er velen bepaaldelik in onze friesche
en vlaamsche gouen inheemsch zijn: Alewijn (Adelwyn, Adelwin,
Athalwin == edele vriend). Allewaert (Alwart, Athalwart, waar van,
in versletenen form, ook de geslachtsnamen Alverdink en † Alvaarsma
afkomstig zijn). Beerewoud (Berwalt, Barwold, Barwout, waarvan ook
de plaatsnaam Barwoutswaarder, eene gemeente in Zuid-Holland, is
afgeleid). Blomhert en Blommaert (zie bl. 93 en 94). Burghardt en
Borchart, ook, by letterkeer, Brochard, een volle, oud-germaansche
mansnaam, waarvan ook de maagschapsnamen Borgrink, Burgerding,
Burgers, Borcherts afstammen. Ditmar; van dezen mansnaam zijn ook
nog afgeleid de geslachtsnamen Detmering, Detmers en Dethmers,
met Van Ditmar (zie bl. 130 en 148). Eerebout (Erbalt). Einhout
(Eginhold of Aginald). Elewaut en Ellewaut, en in samengetrokkenen
form Elout (met den plaatsnaam Ellewoutsdijk, dien de Zeeuen als
»Ellou'sdike" uitspreken, een dorp op Zuid-Beveland). Gheerbrant,
Gillebaert en Gillebert. Ghiselin (Gyselyn, een verkleinform
van Gise, Gijs, Gisil; zie bl. 145; van dezen verkorten naam
komen ook de patronymikale maagschapsnamen Giezing, Gyssen en
Giezen). Gisolf. Haanraadt (dat is oorspronkelik Hagenrad). Harrewijn
en Herrewijn (oorspronkelik Herwin, Hariwin). Herrebaut, Heerbout en
Herreboudt (Haribald). Herrebrandt. Hillegeer (Hildger, Hildigar);
ook verloopen tot den mansvóórnaam Hilger, die weêr oorsprong gaf aan
de patronymikale geslachtsnamen Hilgerink en Hillegers. Hillewaert
(Hildiward, Hildoard), ook verloopen tot den mansvóórnaam Hilwert,
waar de patronymikale maagschapsnamen Hilwerda en Hilverda, Hilwerts
en Hilwers, Hilverding, Hilverdink en Hilverink van afgeleid zijn,
met de plaatsnamen Hilversum (Hilwarthisheim, Hilwart's woonplaats),
een vlek in het Gooiland; Hilwartshausen, dorp by Einbeck in Hanover,
enz.--Hollebrand (oorspronkelik Huldbrant; een Hulbrand Sicka zen, dat
is: Holbrand, de zoon van Sicko, of Sikkes zoon, wordt vermeld in eene
oorkonde van 1465. [86] Isenbaert en Ysebaert (Isanbercht, later in
Holland en Friesland ook Ysbrecht, waar van de plaatsnaam Ysbrechtum,
dat is: Ysbrechta-heim, dorp by Sneek in Friesland). Merwart. Oortwijn
(Ortwin is wel bekend uit de Gudrun-sage). Meilof (oorspronkelik en
voluit Meginolf, Maginvulf, Meinwolf, Meinolf, by letterkeer Meinlof en
eindelik Meilof). Door misverstand, wijl men dacht dat voor dit of eene
h was verloren gegaan, heeft men dezen versletenen form Meilof weêr
veranderd in Meilhof, 't welk ook als maagschapsnaam voorkomt. Oswold
en Osewoudt (Oswald, Ansowald). Rooryck (oorspronkelik Roderyk, Rodrik,
Hrodrik, als Roderich in Duitschland, als Rodrigo in Spanje (uit den
Gothen-tijd?) nog voorkomende). Ryckewaert (Ricwart), komt ook voor
in de geslachsnamen † Rickwardsma en Riquards. Snellebrand. Thiebaut
en Thiebout (Thiudabald, Theudobald, Theobald, Dietbout, Dibbold,
Dubbeld, zie bl. 51 en 145). Volbout (Folcbald), in Friesland Folcbald,
Folbad, waar van de geslachtsnamen Volbeding (Folcbalding) en Volbeda
(Folcbalda). Vrambout en Vroombout (Frombald, Frumold).

Deze namen zijn, als mansvóórnamen, heden ten dage, nagenoeg zonder
eenige uitzondering, by de Nederlanders buiten gebruik geraakt. Tot
deze groep van geslachtsnamen behooren echter ook eenige namen die
als mansvóórnamen onder ons volk nog niet volkomen uitgestorven
zijn, al komen zy dan ook zeldzaam voor. Hier toe kunnen gerekend
worden de geslachtsnamen: Adelbert, Albracht, Albrecht, Albregt,
als Albert nog in volle gebruik. Baudewijn, Boudewijn en Boldewijn,
ook verfranscht als Bauduin (Baldwin). Everwijn (Eburwin, zie
bl. 116). Godschalk, Gosschalk (Godescalc, Godes knecht, Gods
dienaar). Hillebrand en Hildebrandt. Bertram (Berchtraven). Dittlof
en Ditloff (Thiudolf, Diedolf, Detelf, Dietlof, Detlef) waarvan de
geslachtsnamen Ditlofs, Detelfs, Detlefsen en Detheleven. Leopold
(Luitpold, Liutbald). Librecht (Liudbrecht), verbasterd als
Liebert, Libbert en Lubbert nog in volle gebruik; en waarvan de
geslachtsnamen Liebersma, Lybering, Libbers, Lubberts, Lubbers en
Lubberden (zie bl. 101). Walraven en Walraf. Wibaut (Wigbald),
als Wibolt nog in de friesche gewesten in gebruik, waarvan
de geslachtsnamen † Wibalda, † Wibolda, † Wyboltsma, Wigboldy,
Wiebols en de plaatsnaam Wybelsum (Wigboldes-heim), dorp by Emden in
Oost-Friesland. Wilmar, met de patronymikale geslachtsnamen Wilmerink,
Wilmering, Wilmers. Wolfgang. Udo. Wybo en Wibo. Deze laatste naam
komt als geslachtsnaam in Vlaanderen geenszins zeldzaam voor. Als
mansvóórnaam, ook onder de formen Wybe en Wiebe, is hy in Friesland
nog algemeen in gebruik. De geslachtsnamen Wybinga, Wybenga, Wybema,
Wiebes, Wiben, ook in verkleinform Wiebeking, patronymikon van Wibeke,
zijn er van afgeleid.

Weêr andere geslachtsnamen tot deze groep behoorende, vertoonen zeer
oude formen en spellingen van mansvóórnamen, die in hunne hedendaagsche
formen en spelwyzen by ons volk nog in volle gebruik zijn. Voorbeelden
van zulke namen zijn: Beernaert, tegenwoordig Bernard, Barend,
Berend, Baart, Beert, en de zeer talryke geslachtsnamen daar van
afgeleid. Everard, Eberhardt, tegenwoordig Evert, ook als patronymikale
geslachtsnamen Everaarts, Everaedts, Eberhardi, met Everda (zie § 44),
Everts, Evertsz, Evertszen, Eversma, Evers, enz. Gheeraert (Gerhard),
tegenwoordig Gerard, Gerrit, Garrit, Geert, waarvan Gerards, Gerrits,
Gerritsen, Garritzen, Geerts, Geertsema en Geertsma, enz. Hughebaert
en Huygebaert (Hugibercht), tegenwoordig Hubrecht, Huibert, waarvan
Huiberts, Hubrechts, Hubregtse, Hubers, Huiversma, enz. Meynhardt
(Meginhart), tegenwoordig Meindert (zie bl. 129). Volkwaert (Fulcwart),
tegenwoordig Folkert, Volkert (welke versletene form echter eveneens
uit Fulchart ontstaan is), en waarvan de geslachtsnamen Folkerts,
Folkertsma (zie bl. 129) en Volquardsen.

Ten slotte mogen hier nog eenige geslachtsnamen genoemd worden,
eveneens van zulke volle oud-germaansche mansvóórnamen geformd,
maar die in den tweeden naamval staan, dus echte patronymika zijn,
en eigenlik in § 37 behoorden vermeld te worden. Het zijn: Ganglofs
(Gangulf, Gangwolf, dat is geheel de zelfde naam, maar omgekeerd,
als Wolfgang). Gerrebrands (Gerbrand is in Friesland nog wel als
mansvóórnaam in gebruik); Gerrebrandt, weer in eenen anderen form,
is ook een geslachtsnaam, even als de patronymika Gerbrands in
algemeen-nederlandschen, Gerbranda in frieschen, Gerbrandy in
verlatynschten form. Gevaerts, en in versletenen form Gevers;
de volle, oorspronkelike form Gebhard komt ook als geslachtsnaam
voor. Reinouts (Reginhald) met Reinalda (zie bl. 113). Roelants
(Hrodlant), met Rolands. Sybouts en Sibolts (Sîgbald), met Sybeda
(oudtijds in minder versletene formen als † Sybalda en † Sybada
voorkomende), † Sibetsma, Sybolts, Siebolds, Sieboldts, en met de
plaatsnamen Sebaldaburen, dorp in het Wester-kwartier, en Siboldaweer,
eene sate te Godlinse in Fivelgo, beiden in Groningerland; Sibada-state
te Oosterend in Hennaarderadeel (Friesland); Sibetsburg, gehucht by
Ni-Ende in Jeverland, en Sibetshus, gehucht by Jever, beiden in het
Oldenburger Friesland. Volkmaars (Fulcmar), versleten tot Folmer,
Volmer, en nog voorkomende in de geslachtnamen Völlmar, Folmers en
Volmers, Volmerinck en Volmerink, enz.

§ 63. Enkelvoudige mansvóórnamen, aan den bybel ontleend, komen
ook als geslachtsnamen voor. Het grootste deel dezer namen bestaat
oorspronkelik uit de namen van personen die in de boeken van het oude
testament voorkomen. Zy worden meest door onze joodsche landgenooten
gedragen. Als zoodanig vermeld ik de geslachtsnamen Absalon, Baruch,
Boas, David en Davyt. [87] Aan namen uit het nieue testament ontleend,
zijn de geslachtsnamen Ananias, Bartholomeus, [88] enz. Deze namen
worden ook wel door oorspronkelik nederlandsche, door germaansche,
kerstelike geslachten gevoerd. En wijl deze namen ten deele ook
veelvuldig onder ons als mansvóórnamen in gebruik zijn, zoo komen
zy ook als vadersnamen voor, en wel tevens in allerlei afgesletene
formen. Als voorbeelden voer ik slechts de geslachtsnamen aan die van
een paar dezer namen, van Lucas en Stephanus, afkomstig zijn. Van Lucas
komen: Lucassen, Luiks, Luickx, Luycks, Luiks, Luiken, Luycken, Luike,
Lüken, ook Loeks, dat verkeerdelik op hollandsche wyze geboekstaafd is,
Lukenga, Luikenga, Luikinga. En van Stephanus, in het dageliksche
leven Steven en Steffen, komen: Stephani Steveninck, Stevensz,
Steffens, Steffensma, enz. Verder nog de geslachtsnamen Israël (ook
Israëls), Tobias, Daniël (ook Daniëls), Emmanuël, Gabriël en Raphaël,
die eveneens aan den bybel ontleend zijn.

Nevens deze bybelsche mansnamen hebben ook de namen van Heiligen
der Roomsche kerk veelvuldig oorsprong gegeven aan nederlandsche
geslachtsnamen. Deze namen van Kerk-heiligen zijn niet minder dan
die van bybelsche personen by ons volk als vóórnamen in gebruik
geraakt. Reeds aanvankelik by d'invoering des kerstendoms was
dit het geval. En velen daarvan zijn onder ons nog in dageliksch
gebruik. Natuurlik hebben deze namen aan zeer vele patronymikale
geslachtsnamen oorsprong gegeven. En even natuurlik moesten deze
namen, die grootendeels uit vreemde talen, van vreemde volken genomen
zijn, in den mond van ons nederlandsche volk vele verkortingen en
verbasteringen en omzettingen lyden, eer zy werkelik volkseigendom
konden worden. Dien ten gevolge zijn de geslachtsnamen, aan zulke
namen van Kerk-heiligen ontleend, heden ten dage dikwijls moeielik
te herkennen en te duiden. Vooral als die oorspronkelike namen
tegenwoordig by ons volk slechts zelden meer als mansvóórnamen in
gebruik zijn. Wie herkent b. v. in de geslachtsnamen Fazinga en
Faasma (oudtijds ook Phaesma geboekstaafd), in Fasen en Vaasse zoo
terstond den kerkeliken mansvóórnaam Bonifacius, verkort tot Faas? Of
in Bleesing († Blesingha), Blesen en Blesma den naam Blasius, die
oudtijds door het nederlandsche volk als Blees gesproken werd? Of
in Kopinga, Jacob? in Tiesma, Mattheus, Matthias, Thijs? in Kastma
en Kassen, Christianus, Karstiaan, Karst? in Centen, Vincentius? in
Ceelen, Marcelis?

Verstrooid door dit geheele werk zal men zeer vele geslachtsnamen
aantreffen die op bovengenoemde wyze aan kerkelike namen ontleend
zijn. Hier mogen aleen sommigen van die geslachtsnamen vermeld worden,
welke slechts bestaan uit de namen van Kerk-heiligen, in weinig
verbasterden of onverbasterden form, en dat wel van zulke namen, die
tegenwoordig weinig als mansvóórnamen by het nederlandsche volk in
gebruik zijn. B. v. Augustinus (Augustini komt ook voor), Bonefaes,
Clement, Dominicus, [89] enz.

Eindelik komen onder de nederlandsche geslachtsnamen nog eenige
weinigen voor, die de namen zijn van oude Grieken en Romeinen;
b. v. Caesar en Cezar, Milo, Plato, Scipio, Felix en Julius. De beide
laatstgenoemden zijn minder vreemd, wijl ze ook als mansvóórnamen
onder ons in gebruik zijn.

§ 64. Aan het einde van deze verhandeling over patronymikale
geslachtsnamen, moeten hier nog twee groote groepen van geslachtsnamen,
als aanhangsels dezer hoofdafdeeling, vermeld worden.

Wat hunnen form betreft, zijn deze namen wel patronymika; immers
staan zy allen in den tweeden naamval. Maar wat hunnen aard aangaat,
wat de oorsprong en eigenlike beteekenis betreft der woorden, die aan
deze geslachtsnamen ten grondslag liggen, kan men ze tot de eigenlike
patronymika, in den naukeurigen zin van dit woord, niet rekenen. Ik
noem ze dus oneigenlike vadersnamen, quasi-patronymika. Zy zijn
volkomen op de zelfde wyze ontstaan als de werkelike patronymika. Maar
de stam of wortel dezer geslachtsnamen is niet een mansvóórnaam, zoo
als eigenlik de conditio sine qua non der vadersnamen is, maar een
ander woord. Dit woord kan een ambt, een bedrijf, een beroep aanduiden,
of ook het kan ieder ander woord zijn, b. v. een dierenaam, een
huisnaam, een bynaam, een byvoegelik naamwoord, een aardrijkskundige
naam, of wat dan ook; als het maar als een by- of toenaam voor een
man in gebruik geweest is. De quasi-patronymikale geslachtsnamen,
waarvan de wortel een naam van eenig beroep is (Timmermans, Scholten,
Smolenaars) formen de eerste groep; de anderen (Kieviets, Sleutels,
Sterckx, Asselbergs) maken de tweede groep uit.

De oorsprong der geslachtsnamen van de eerste groep ligt voor de
hand. Menig man wordt meer genoemd met het woord dat het ambt, beroep
of bedrijf aanduidt, 't welk hy bekleedt of uitoefent, dan met zynen
eigennaam. En vroeger was dit nog meer het geval. Dat dus Rutger,
die een zoon was van eenen man, welke, in overeenstemming met zijn
handwerk, steeds Smit genoemd werd--dat deze jongeling door zyne tijd-
en plaatsgenooten gemeenlik Rutger Smits, Rutger Smit's zoon, Rutger
de zoon van den smid werd geheeten, is duidelik. Even zoo was het
gegaan met Lieven Vendrickx, de zoon van eenen man die vaandeldrager
was en daarom eenvoudig Vendrik genoemd werd. Even zoo ging het ook
met de kinderen van den eenigsten molenaar of mulder in zeker dorp,
een man die dus nooit by zynen eigenen naam, maar steeds eenvoudig
Mulder werd genoemd. Immers die kinderen noemde men Warner Smulders,
Gerlof Smolders, Reinout Smolenaers, d. i. des mulders, des molders,
des molenaars zoon--al naar de gouspraak dier lieden het eischte.

Byna al deze beroepsnamen, in den tweeden naamval, als hedendaagsche
geslachtsnamen voorkomende, zijn, wat hunnen oorsprong of hunne
afleiding, hunne beteekenis betreft, duidelik genoeg. Ik kan
dus volstaan met eenigen daarvan, als voorbeelden, hier op
te sommen. Bakkers, Barbiers, Cassiers, Capiteyns, Cruyniers,
Goutsmits. [90] De geslachtsnaam Bierstekers (het enkele Biersteker
komt ook voor, even als Beerstecher, van platduitschen oorsprong) is
afgeleid van het bedrijf van iemand die bier vertapt, die vaten bier
aansteekt. Ketelbueters is een brabantsche form voor ketelboeters,
d. i. de zoon van den ketelboeter of ketellapper. Wat een man uitvoert
die latynhouwer is, waarvan de geslachtsnaam Latynhouwers, beken ik
niet te weten.

Hebben wy hier voren gezien dat, in taalkundigen zin, verschillende
wyzen van tweede naamvalsforming te pas komen by de patronymikale
geslachtsnamen, dit zelfde is ook het geval by de geslachtsnamen
aan beroepsnamen ontleend. Want behalven den tweeden naamvalsform
op s, in bovenstaande geslachtsnamen voorkomende, bestaan er ook
zulke maagschapsnamen die den tweeden naamvalsform op en vertoonen,
of dien met het tot s verkorte lidwoord des vóór zich hebben. Zulke
namen zijn: Prinsen (en Princen) met den versletenen form Prinse,
die ook als Prince geschreven wordt; Greven, de zoon van den greve,
den graaf; Schouten met Schoute, Scholten met Scholte, Schulten met
Schulte, alles de zoon van den scholte of van den schout beteekenende,
't zy men aan dit schulte en scholte de saksische (geldersche
en overijsselsche) beteekenis hecht van erfgezetene, aanzienlike
boer, of de oud-hollandsche van hoofd der policie. Schoutheten,
Schoutheete, Schouteden, Schouteeten, Scholtedes, Schautteete,
Schouteten is oorspronkelik de zelfde naam, afgeleid van den vollen
form Schoutheet, Schultet, Schuldheiss. In latynschen form komt deze
geslachtsnaam als Scultetus voor. Dat Schoute, Schulte, Scholte echter
ook een mansvóórnaam zijn kan, vindt men op bl. 77 vermeld. Boeren
en Boere, Pasteure, enz. zijn ook nog geslachtsnamen die men tot deze
afdeeling kan brengen. By Prinsen, Greven, enz. behoeft men niet aan
den zoon van eenen werkeliken prins of graaf te denken, even min als
by Keizers, Conincks, Coninx, 'S Hertogen, enz. aan den zoon van eenen
werkeliken keizer, koning of hertog. Ofschoon de mogelikheid bestaan
blijft, dat deze namen wel eens in hunne eigenlike beteekenis bedoeld
zijn, zoo zal toch in den regel dit woord keizer, koning, enz. wel
als een bynaam voor den eenen of anderen burgerman gegolden hebben;
zie § 119. Dit zelfde is ook het geval met zulke namen als Pasteure,
Paaps, Papen en Pape (met Spapen en † Papinga), Bisschops, Proostens,
Priesters, Munnicks, Munniksma enz. Niet dat ik wil beweren dat
geestelike heeren geen zoons hadden. O! dit kwam in de middeleeuen
volstrekt niet zeldzaam voor; de geschiedenis toont dat veelvuldig
aan. Maar de woorden pasteur of pastoor, paap, monnik, enz. werden ook
wel om d'een of andere reden, als bynamen gedragen door mannen die deze
ambten geenszins bekleedden. Bottemanne (Bottemannen, de zoon van den
botteman, van den botvisscher of botverkooper of botboer, gelijk men in
Holland zeit?) is ook een byzondere naam tot deze afdeeling behoorende.

Geslachtsnamen, van beroepsnamen ontleend, met eene voorgevoegde
s (des in den tweeden naamval geplaatst, op de wyze als in § 51
en 52 vermeld is) zijn de volgenden: 'S Hertogen en 'SHertoghen,
ook samengetrokken tot Sertogen, de zoon van den hertog; Smeyers,
de zoon van den meier; Smeysters, van den meyster of meester;
Smessemaeckers--van den messemaker; Smoutmaeckers--van den
moutmaker. De geslachtsnaam Moltmaker komt ook voor, als tegenhanger
van Smoutmaeckers. Laatstgenoemde naam echter kan ook even goed
zoon van den smoutmaker beteekenen (smout, Schmalz = gesmolten
vet). Smeuninx, de zoon van den monnik; Smulders, Smeulders, Smolders,
Smolenaars, Smoolenaers; dezen zijn duidelik genoeg. Snaeyers, de
zoon van den naaier, zoo als men in vlaamsche gewesten den kleermaker
wel noemt (zie bl. 76); Spapen, Spaepen, Spaapen, zoon van den paap,
eene oude benaming voor een geestelik heer in 't algemeen. Sroevers,
zoon van den roover? Het enkele Roevers, nevens Rovers en De Roever,
De Rover komt ook voor. Sweerts, zoon van den weert, den waard, den
kastelein. Deze naam moet wel onderscheiden worden van Weerts (zie
bl. 115) en van Sweers, het patronymikon van den mansvóórnaam Sweer,
Sweder, Swither. Deze oud-germaansche mansvóórnaam beschoude men
ook wel verkeerdelik als eene verkorting van den naam Ahasveros. En
diensvolgens doopte men, in den pruiketijd, de kinderen die naar
hun grootvader of oom of peet, Sweer moesten heeten, wel met dien
prachtigen (?) bybelschen naam. Eindelik nog Swevers, de zoon van
den wever, en 'S Heeren, de zoon van den heer.

De maagschapsnamen Sauwen, de zoon van den auwen, volgens brabantsche
uitspraak in plaats van: de zoon van den ouden (man). Slangen en
Slanghen, des langen (mans zoon), en Swalens des Walens (zoon),
de zoon van den Waal, misschien ook Swildens, Zwildens en Swillens
(des wilden mans zoon?)--ofschoon deze namen dan niet van beroeps-
of waardigheidsnamen afgeleid zijn, moeten hier, om hunnen form,
ook vermeld worden.

In de spelwyze van de geslachtsnamen 'S Graeuwen en 'S Graauwen
is, even als in die van 'S Heeren, 'S Hertogen, 'S Jongers, de
s met het afkappingsteeken ('S), als versleten overblijfsel van
't oorspronkelike Des, bewaard gebleven. By de andere namen, die
eveneens met dit des zijn samengesteld, wordt meestal die versletene
form 'S onmiddellik, als gewone S, aan het hoofdwoord verbonden, en
schrijft men, ten onrechte, Smulders Swolfs, enz. Zie ook Sgraeuwen,
Sgraauwen en Sgrauen. Volgens de byzonder-hollandsche uitspraak
luidt de letterverbinding sgr volkomen zóó als schr. Eerstgenoemde
letterverbinding is even zoo ongewoon voor het lezend oog, als de
laatstgenoemde gewoon is in de nederlandsche taal. Van daar dat
eene maagschap, welke oorspronkelik dezen geslachtsnaam 'SGrauen
droeg, haren naam thans als Schrauen spelt. De oorspronkelike
beteekenis gaat door deze verkeerde spelwyze geheel verloren. By
nog een paar andere geslachtsnamen is de oorspronkelike 'S G of
Sg ook in Sch overgegaan. Te weten, by Schravemade (oorspronkelik
's-Gravemade, des graven made, het hooi- of maailand van den graaf),
by Van Schravesande en Van Schravendijk, die aan de plaatsnamen
's-Gravesande en 's-Gravendijk ontleend zijn. En tevens by Schoevaerts;
zie bl. 142. Zoo kan men te Amsterdam wel op uithangbordjes lezen:
»Hier stuurt men de wast op Schraveland", waar de wasch, het waschgoed,
en het gooische dorp 's-Graveland bedoeld worden.

'S Graeuwen, enz. beteekent: des graauwen (zoon), de zoon van den
grauen, van den grau- of grijsharigen man. Het onverbogene De Grauw,
De Graeuwe, Den Graeuwe en De Graauwe komt ook als maagschapsnaam voor,
zoo wel als De Grijs, De Gryze, Den Gryzen; zie § 126. 'S Graeuwen,
vooral 'S Grauen zoude echter ook kunnen beduiden: des grauen, des
graven (zoon), de zoon van den graaf. Zie bl. 76. [91]

Even als er slechts zeer weinig patronymikale maagschapsnamen zijn,
die den nieusten tweeden-naamvalsform vertoonen, te weten dien met het
voorzetsel van (zie bl. 148), zoo zijn er ook slechts een paar van
de oneigenlike vadersnamen, die in deze afdeeling behandeld worden,
welke dit zelfde kenmerk aanbieden. Het zijn de geslachtsnamen Van
den Boer en Van Koster; dat is (de zoon) van den boer, en (de zoon)
van den koster; of, in dit byzondere geval, misschien ook: (de zoon)
van Koster, van den man die den beroepsnaam koster reeds als eigennaam
voerde.

Ook onder de byzonder-friesche maagschapsnamen treffen wy eenigen
van deze, aan beroepsnamen ontleende quasi-patronymikale formen
aan. Dit zijn de geslachtsnamen Graafsma, Jagersma, Koksma, Kuipersma
en Riddersma, en deze namen, de zoon van den graaf, van den jager,
van den kok, enz. beteekenende, zijn duidelik genoeg. Bykersma is
afgeleid van het friesche woord byker, ook ymker (zie § 153), het
welk een man beteekent, die, om voordeelswille, byen of ymen, immen,
houdt; de zoon van den byenhouder dus. Fabersma is een merkweerdige
naam, wijl in dezen naam Latyn en Oud-friesch vereenigd zijn. Faber
toch, als geslachtsnaam ook afsonderlik veelvuldig voorkomende, is
het latynsche woord voor smid (men vergelyke hier den naam Leefsma
op bl. 130). Turksma, de zoon van den turk, zekerlik van eenen man,
die om de eene of andere reden den bynaam droeg van de turk, is een
tegenhanger van Swalens (zie bl. 185) en van Vlaemynckx, Sassen,
Frankema (zie § 69), enz. Munniksma, ook tot deze onder-afdeeling
behoorende, is op bl. 166 en 184 reeds vermeld. Boersma en Boersema
kunnen zoon van den boer beteekenen, en dus friesche tegenhangers zijn
van den antwerpschen maagschapsnaam Van den Boer. Toch zou ik by dit
patronymikon eerder aan eene afleiding van den mansnaam Boer, Bure
denken. Van dezen mansvóórnaam zijn ook de geslachtsnamen Boerema,
Boerma, Boering, Buursma, Buirsma, Buursema, Buirsema, Buiring,
misschien ook Burema, Buurma, Buirema en Buirma ontleend; zie bl. 79.

Men vergelyke deze groep van geslachtsnamen met die welke in §
108-121 behandeld zijn.

§ 65. De tweede groep van quasi-patronymikale geslachtsnamen op
bl. 182 aangeduid, bestaat uit allerlei namen en woorden in den
tweeden naamval. Het getal dezer eenigszins onregelmatig geformde
namen is niet gering. Vooral in de zuidelike Nederlanden zijn zy
algemeen--veel meer dan in het Noorden. De woorden en namen die aan
deze geslachtsnamen ten grondslag liggen, loopen wat hunnen aard
en oorsprong betreft, wijd uiteen. De eenigste overeenstemming die
er tusschen deze geslachtsnamen onderling bestaat, is deze: dat zy
allen in den tweeden naamval, op s, staan; en dat de woorden en namen
die er aan ten grondslag liggen, oorspronkelik als by- of toenamen
van bepaalde personen gegolden hebben, of ook reeds op zich zelven
geslachtsnamen geweest zijn. Iemand b. v. die bekend was om zyne
veerdigheid in het zwemmen, kreeg allicht den bynaam van »Snoek"; een
ander die gewoonlik snel liep, dien van »Kieviet". De bynaam van eenen
derde was »Meulendijk" omdat hy aan den Molendijk, aan of op eenen dijk
by eenen molen woonde; die van eenen vierde was »Roô-Leeuw", omdat
hy in een huis woonde, waar »De roode leeuw" in den gevel stond. Die
by- of toenamen van de vaders, dikwijls de eenigste namen waaronder
zy by hunne tijd- en plaatsgenooten bekend waren, gingen dan soms
op hunne zoons over. Jan Snoeks, Piet Kieviets, Klaas Meulendijks,
Hein Rooleeuws, zoo werden deze jongelieden genoemd, by verkorting,
in plaats van Jan Snoeks zoon, Hein Roô-Leeuws zoon of Jan, de zoon
van Snoek,--Hein, de zoon van Roô-Leeuw, gelijk bedoeld en verstaan
werd. En had een vader reeds eenen vasten toenaam of geslachtsnaam,
waar by hy, te recht, ook steeds genoemd werd, dan nog ging die naam
wel, niet rechtstreeks en op zich zelven, zoo als de regel was en
nog steeds is, op den zoon over, maar middellik, door er weêr een
schijnbaar patronymikon van te maken, door dien naam in den tweeden
naamval te plaatsen. Asselbergh b. v. en Bruylant zijn geslachtsnamen
die, reeds van ouds, de eerste aan een geslacht te Antwerpen, de
andere aan eene maagschap te Brussel eigen zijn. Maar nevens deze
namen komen in beide steden ook de geslachtsnamen Asselbergs, en
Bruylants en Bruylandts voor. Deze laatste namen moet men beschouen
als patronymika van de eersten. Zy zijn ontstaan door dat men den zoon
van iemand, die den vasten geslachtsnaam Asselberg of Bruylant droeg,
b. v. Karel Asselbergs noemde, of Ferdinand Bruylants, dat is Karel,
Asselbergh's zoon,--Karel, de zoon van Asselbergh, enz.

Van het groote getal dezer minder belangryke geslachtsnamen kunnen
hier slechts enkelen genoemd worden. Zy vereischen geenen naderen
uitleg. Min belangrijk zijn deze namen, in zoo verre, als zy slechts
tweede naamvalsformen zijn van woorden of namen, die overigens
op zich zelven genomen, belangrijk genoeg kunnen wezen. Zie hier
eenige voorbeelden: Boogaerts, Brabants en Hollants, Couwenberghs
[92]. Het grootste deel dezer namen, zoo niet allen, komt ook op zich
zelven voor--Boogaert, Brabant, Couwenbergh, gelijk de aard dezer
zake meêbrengt.



II.

GESLACHTSNAMEN, VAN AARDRIJKSKUNDIGEN OORSPRONG.


A. GESLACHTSNAMEN VAN VOLKENKUNDIGEN AARD, EN DIE AAN BYZONDERE
AARDRIJKSKUNDIGE NAMEN ONTLEEND ZIJN.


§ 66. Iemand verliet zijn vaderland, waar hy steeds gewoond had, en
vestigde zich in een ander land; namelik in het onze. Hier was hy dus
vreemdeling, en die vreemdelingschap was het juist, welke byzonder
de opmerkzaamheid trok van de lieden in zyne nieue omgeving. Zeer
natuurlik dus dat men dien vreemdeling, in zyne nieue woonplaats, al
spoedig ging noemen met zynen volksnaam, met den naam van het volk
waar toe hy oorspronkelik behoorde. En dit zoo veel te eerder nog,
naar mate die vreemdeling eenen eigenen naam had, het zy dan vóór-
of geslachtsnaam, die aan zyne nieue buren, land- of plaatsgenooten
onbekend was, of die hun moeielik viel om uit te spreken, en dus
ook om te onthouden. Eerlang dan was de man in zyne nieue woonplaats
niet anders bekend, dan onder den naam van De Waal, Spanjaard, Den
Engelschman, of van eenen soortgelyken, al naar dat hy een Waal,
een Spanjaard, een Engelschman of iets anders was. En onder zulken
naam werd onze vreemdeling al spoedig zoo algemeen bekend, dat die
oorspronkelike bynaam hem werkelik als een vaste toenaam eigen bleef,
dat die zelfde naam by verloop van tijd, een ware geslachtsnaam werd
voor hem, zoowel als voor zyne kinderen en nakomelingen na hem. En dit
nog zoo veel te gereeder, als in deze en soortgelyke namen, ofschoon
het dan oorspronkelik bynamen zijn, voor den drager niets onteerends
ligt. In tegendeel! Men kan zelfs aannemen dat menig vreemdeling
het niet ongeerne hoorde, als hy met zynen volksnaam genoemd werd,
wijl dit voor hem eene dageliksche, eene gestadige herinnering was
aan zijn vaderland, dat hy misschien noode verlaten had, en waaraan
hy zich, zijn leven lang, in liefde en trou verbonden bleef gevoelen.

Reeds van ouds hebben zich in de Nederlanden steeds vele vreemdelingen
met der woon gevestigd. Om tweederlei redenen. Te weten: om den
bloeienden handel die in deze gewesten gedreven werd, om den met
recht gevoerden naam van welvaart en rijkdom, die menig jongman uit
de aangrenzende minder bevoordeelde landen, vol hoop hier heen deed
komen, gelijk dit trouens nog heden steeds plaats vindt. En dan ook
om de vryheid van geweten die sedert de kerkherforming hier meer
dan in andere landen van het beschaafde Europa heerschte, vooral
voor Calvinisten uit andere protestantsche landen verdreven, en voor
andere Herformden ook, uit roomsche landen verjaagd. En zoo is het
zeer natuurlik dat de namen van volken juist in de Nederlanden zoo
veelvuldig als geslachtsnamen voorkomen.

§ 67. De volgende geslachtsnamen, aan namen van volken ontleend,
heb ik in de Nederlanden gevonden.

Duitscher en Den Duits of Denduits met Duytsche en Den Duytsen, ook op
hoogduitsche wyze als Deutscher en Deutschmann geschreven. Deze namen,
weinig in getal, zijn buitendien nog zeldzaam. Dit moet wel eenige
verwondering baren, als men bedenkt dat het, van alle vreemdelingen,
juist Duitschers zijn, die zich het allertalrijkst in de Nederlanden
gevestigd hebben. Maar de Nederlanders hadden gewoonlik weinig reden
om dien volksnaam te geven aan de Duitschers, die onder hen kwamen
wonen. Ten eersten, omdat de namen dezer Duitschers, zoo wel hunne
vóór- als geslachtsnamen, weinig van de onzen afwyken, in den regel
daar mede nau verwant zijn, en dus voor ons volk verstaanbaar en
gemakkelik te onthouden en te gebruiken. Ten tweeden, omdat men, zoo
al niet in Holland en Vlaanderen, dan toch in onze oostelike gewesten,
de Duitschers eigenlik weinig als vreemdelingen beschoude, vooral
niet als zy uit de aangrenzende westelike streken van Duitschland,
uit Westfalen en Neder-Rijnland kwamen, gelijk meestal het geval
was. Oost-Friesen, Bentheimers, enz. beschoude men in het geheel niet
als Duitschers. Het gevoel van stamverwantschap tusschen d' oostelike
Nederlanders en de westelike Duitschers sprak dan ook, tot diep in deze
eeu nog, veel te luid om in Duitschers zulke vreemdelingen te zien als
b. v. in Franschen of Polen. Men noemde ook de eigene nederlandsche
taal, 't zy dan geldersch of brabantsch of hollandsch, algemeen,
en zeer te recht, nog nederduitsch, zelfs wel duitsch slechtweg. Ja,
in Holland zelf deed men dit nog wel in de 17de en 18de eeu.


        »Wij spreken immers altemaal,
        Oprechte, zuiv're duitsche taal."


gelijk Langendijk in een zyner blyspelen eenen Hollander laat
zeggen. En Hugo de Groot spreekt ook van zyne »duytsche moedertale,"
ofschoon hy een echte Hollander was, en van Delft geboortig. Zoo noemde
de nederlandsche volksmond den Hoog-duitschers dan veelal Bovenlanders,
in tegenstelling van den eigenen naam Nederlanders, als om twee
onderdeelen van eenen en den zelfden volksstam aan te duiden. En
deze benaming is by ons volk heden nog wel in gebruik. Eindelik nog
is de verdeeldheid der Duitschers, in verschillende volksstammen,
die, vroeger meer dan thans, daar te boven ook nog staatkundig
verdeeld waren, oorzaak dat de algemeene naam Duitscher weinig als
maagschapsnaam by ons volk voorkomt. In plaats daar van hebben wy de
geslachtsnamen De Swaef en De Swaaf, met Swaap en Zwaap. Deze twee
laatste namen zijn slechts kwade verdietschingen van den hoogduitschen
naam Schwab, die ook in Nederland voorkomt. Slechts de twee eerste
namen zijn goed-nederlandsch. Verder De Hes, Hes en Hesse; Veling
en Velinger met Westfaal en Westphal. De form Veling (beter ware
Feling) is de eenige zuiver-nederlandsche van de vier laatstvermelde
namen. Nog heden noemt men in onze friesche en friso-saksische
gewesten eenen inboorling van Westfalen met dezen naam. De form
Velinger, die ook wel gebruikt wordt om eenen »(West-)Faling" aan te
duiden, is minder oorspronkelik. Westfaal is verhollandscht van den
hoogduitschen form Westphal, die nog, uit den pruiketijd, eene ph
in plaats van f vertoont. Munsterlander is iemand uit Munsterland,
dat is de westelikste westfaalsche gou die zich langs onze grenzen
uitstrekt. Saks, Sax, Sachs en Sachse; de oude, goed-nederlandsche,
meest oud-hollandsche form van dezen volksnaam, Sas, is my als
maagschapsnaam nooit voorgekomen. Verder De Beyer, Beyer, Beyerman,
Bayer en Bayermann. Beyerman kan echter ook beteekenen: iemand die
beiert, dat is: de torenklokken op eene byzondere wyze luidt of doet
klinken. Frank, met de (hoogduitsche) verkleinformen Fränkel, Frenkel,
iemand uit Franken of Frankenland, eene landstreek in Duitschland, in
noordelik Beieren. Echter is Frank, met Franke, ook een mansvóórnaam
en by ons volk, vooral by de Friesen, niet zeldzaam in gebruik. De
maagschapsnaam Frank kan dus in sommige gevallen oorspronkelik ook
wel eenvoudig die mansnaam zijn; zie § 69.

Of de maagschapsnamen Duyts, Duits, Duitsch, ook in hoogduitsche
spelling als Deutz hier te lande voorkomende, ook te dezer plaatste
vermeld dienen te worden, moet ik in het midden laten. Het kunnen
ook patronymika zijn (vooral de twee eerstvermelden) van eenen
ouden mansvóórnaam Duut, Duyt, Duit, Teut, Teuto. Of wel, Duyts,
enz. is eenvoudig de in spelling verdietschte naam van het stadje
Deutz aan den Rijn, tegenover Keulen. Misschien is de nederlandsche
maagschapsnaam Lalleman eene verdietsching van het fransche L'
Allemand; anders althans is my deze naam onverklaarbaar. In dat geval
dient hy te dezer plaatse vermeld te worden. Hy is dan zeker over en
uit Frankrijk tot ons gekomen.

Als men den maagschapsnaam Stadlander beschout als aanduidende
een man die in Stadland t' huis behoort, van daar herkomstig is,
dan behoort hy zeker op deze plaats te worden genoemd. Immers het
Stadland is eene oud-friesche gou in noord-westelik Duitschland,
aan den oever der Weser, beneden Bremen.

In de vorige eeu echter, spelende met de beteekenis der woorden stad
en land, gaf men dezen naam Stadlander wel aan huizen, buitentjes,
optrekjes, herbergen of uitspanningsplaatsen, die wel op het land, ten
platten lande, gelegen waren, maar toch in de nabyheid eener stad. Tot
in deze eeu was er nog eene uitspanningsplaats, de Stadlander met name,
in de nabyheid van Amsterdam. En zoo kan de maagschapsnaam Stadlander
ook eenvoudig aan zulk eenen huis- of plaatsnaam ontleend zijn. Maar
in jaargang 1846 van den Groninger Volksalmanak vindt men op bl. 146
nog eenen anderen oorsprong vermeld van dezen geslachtsnaam. Daar is er
sprake van eene maagschap, die, vroeger in »de stad" (d. i. Groningen)
wonende, in lateren tijd naar »het land" verhuisde, en om deze reden
dien naam Stadlander zoude aangenomen hebben.

Engelsman, Den Engelsman, Engelschman, Den Engelse, Engelander
en Britt. Ook deze maagschapsnamen komen zeldzaam voor in de
Nederlanden. Trouens, in vergelyking met andere volken, met Duitschers
en Franschen vooral, hebben er zich ook nooit veel Engelschen blyvend
onder ons neêrgezet. Immers vryheid van geweten, met welvaart door
handel en scheepvaart veroorzaakt, door welke begeerlike zaken zoo vele
vreemdelingen bewogen werden zich in de Nederlanden te vestigen--dat
hadden de Engelschen in hun eigen land ook, zoo wel als wy.

Schot, Schott, Schotsman en ook als patronymikon, in den
tweeden-naamval, Schotsmans. De overeenkomst, in de 17de en 18de eeu,
tusschen de schotsche kerk en de noord-nederlandsche, beiden van streng
calvinistische richting, was oorzaak dat er in die eeuen tusschen
Schotten en Nederlanders nog al talryke betrekkingen bestonden, en
dat menige Schot onder ons kwam wonen. Van daar bovengenoemde namen,
en van daar ook de betrekkelike menigvuldigheid van byzonder-schotsche
geslachtsnamen (Mac-Donald, Mackenzie, Mackay) in de Nederlanden;
zie § 164. Maar de roomschgezinde Ieren hadden veel minder, of ook
in het geheel geene aanleiding om naar de Nederlanden te trekken. En
zoo is een maagschapsnaam »Ier" of »De Ier" my dan ook nooit onder
ons volk voorgekomen.

Skandinaviers in 't algemeen, maar vooral Noren en Denen, hebben
steeds met de Nederlanders talryke betrekkingen, door handel en
zeevaart in het leven geroepen, onderhouden. Er hebben zich steeds
veel Noren en Denen in Nederland gevestigd (meer dan men in 't
algemeen wel denkt); en zulks geschiedt nog dageliks. Van daar de
geslachtsnamen Zweed en Sweed, Noorman, Norman, Noorlander, Deen,
Den Dene en Jut. Toch zijn deze namen in geenen deele zoo talrijk
als men wel zoude moeten denken, de vele Skandinaviers, die zich
onder ons hebben neêrgezet, in aanmerking genomen. Dit vindt zyne
oorzaak in d' omstandigheid dat de maagschapsnamen, hooftsakelik
patronymika in algemeen-germaansche formen, welke deze vreemdelingen
dragen, in den regel weinig verschillen van onze eigene nederlandsche
geslachtsnamen, en dus door ons volk gemakkelik worden uitgesproken
en onthouden. Ook is my een geval bekend dat een Deen die in Holland
zich met der woon neêrzette, zynen deenschen naam in het Hollandsch
vertaalde, gelijk in § 104 nader vermeld is. Maar de maagschapsnaam
Jut behoort geenszins tot de zeldzaam voorkomenden. Toch is Jutland
maar een klein land en zijn er weinig Jutten. Maar de Noord-Friesen,
vooral die van de eilanden en halligen, die in de 17de en 18de eeu als
bekwame en vertroude, dies zeer begeerde zeelui veelvuldig dienden op
onze koopvaardy- en visschersvloot, gelijk ook nog wel heden ten dage,
waren toen in Noord-Nederland veelal bekend onder den naam van Jutten,
en stonden, onder dien volksnaam, op de monsterrol vermeld. Echter
komt deze volksnaam hun geenszins toe, naardien de Noord-Friesen
echte Friesen zijn, zoo goed als de beste Stand-Friesen in Oost- of
West-Friesland. Maar hun land werd vroeger gedeeltelik tot Jutland
gerekend; en zoo ontstond die verkeerde benaming.

In West-Vlaanderen is de maagschapsnaam Daenekindt inheemsch. Het komt
my niet onwaarschijnlik voor dat deze naam moet worden verklaard als
het kind (de zoon) van den Deen, van den man die een Deen was. Als
eene zeer byzondere soort van patronymikon zoude deze naam dan
moeten worden geduid, en een tegenhanger dan zijn van den waren
vadersnaam Daeninck, ook Daeninckx, die ook als maagschapsnaam in
Vlaanderen inheemsch is. Het schijnt in der daad, dat na de invallen
der skandinaafsche Vikingen, eenige Denen achter gebleven zijn in het
toen reeds bloeiende Vlaanderen. In de 16de eeu vinden wy te Brugge
den geslachtsnaam Den Dene. Ook de geslachtsnamen Daane, Daene,
Danen, met het hoogduitsche Daehne, zoude men eveneens hier toe
kunnen brengen. Intusschen vermeldt Förstemann in zijn Altdeutsches
Namenbuch eenen oud-germaanschen mansvóórnaam Dano (toch ook in de
beteekenis van den volksnaam Deen). Het is dus evenzeer mogelik dat
deze vlaamsche patronymika aan dien mansnaam hunnen oorsprong danken.

De maagschapsnamen Zwitser, Zwitzer, De Zwitser, ook in tweeden
naamvalsform Zwitzers, met Switsar, Zweitzer en Schweitzer, vereischen
geene nadere verklaring.

Gaan wy thans tot de geslachtsnamen over die aan de namen van
romaansche volken ontleend zijn, dan noemen wy in de eerste plaats
de namen:

Franschman, Fransman, Frantzmann (zekerlik over Duitschland
tot ons gekomen), met Francois, Le Francois en Gallois, en den
weêr uit het Fransch in nederlandsche spelling verbasterden form
Franswa. Francois kan zoo wel oorspronkelik de bekende mansnaam zijn,
als de volksnaam. Franco, in vreemden form, en De Franc wil ik hier
liever als verscheidenheden van Franschman rekenen, dan ze tot Frank
(uit Frankenland; zie bl. 192) te brengen.

Normand duidt iemand aan uit het fransche gewest Normandye, en Picard
iemand uit Picardye. Deze laatste naam komt ook nog al talrijk voor
onder de formen Piccardt, Piccaerdt, Pikaar en Pickhardt, ten bewyze
(of men het anders ook al niet en wiste) dat oudtijds inwoners van
Picardye zich veelvuldig in de Nederlanden hebben gevestigd. En dit is
ook in der daad het geval, vooral in Vlaanderen en Brabant. Trouens,
de Picardiërs zijn de naaste buren van de fransche Vlamingen, en
de picardische gouspraak is met menig oud-nederlandsch woord nog
heden vermengd.

Talrijk zijn ook in de Nederlanden de geslachtsnamen De Waal,
De Wael, De Waele, Waal, De Walsche, ook in hoogduitschen form
Wahle. Maar talrijk ook hebben de Walen, vooral uit Luik en
omstreken, de zoogenoemde Luiker-Walen, zich onder ons neêrgezet,
vooral als regenschermkooplui, stroohoedenvlechters, oudtijds ook als
rarekijk- en tooverlanteernvertooners, enz. My heugt nog uit myne
prille jeugd, hoe een Waal, met eene tooverlanteern op zynen rug,
's avonds door de straten van myne vaderstad Leeuwarden liep te
schreeuen: »tòverlantern! frai, curieus en moi!" En andere Walen
liepen toen nog, langzaam stappende, en met eenen grooten blikken
trommel op den rug, door steden en dorpen, hunne waar, die in fyne
manufacturen, vooral shawls en kanten bestond, onder het geschreeu
van »doek-madras!" ventende. Van die lieden hebben velen zich blyvend
onder ons gevestigd; zie § 164.

De namen Spanjaard, Spanjaerdt en Spanjer (ook in de fransche
en hoogduitsche formen Espagniol en Spanier by ons voorkomende),
Portegies, Italiaander, Lombard, Lombaerdt en Wallach vereischen
weinig nadere verklaring. In de nederlandsche volkstaal gebruikt men
gewoonlik den form Italiaander, overeenkomende met het hoogduitsche
Italiäner, voor het meer boeksche Italiaan. En Portegies, in plaats
van Portugees, was oudtijds de gewone volksuitspraak van dit woord,
die ook thans nog van onze zeelui, vooral van die van frieschen stam,
gehoord wordt. De geslachtsnamen Lombard, De Lombaerde, De Lombaert
duiden iemand aan uit Lombardye; terwijl Wallach iemand uit Wallachye
beduidt. Deze laatste naam komt ook als Wallich en Walch voor. Hoe
zonderling het schyne, moet ik hier den geslachtsnaam Bloch vermelden,
als oorspronkelik geheel het zelfde woord zijnde als Wallach. Namelik,
in zoo verre de geslachtsnaam Bloch door duitsch-israëlitische
geslachten gedragen wordt. Immers het woord Wallach = Wallachyer wordt
in de joodsch-duitsche mengeltaal die in geheel oostelik Europa onder
de daar zoo talryke Israëliten in gebruik is, als bloch uitgesproken;
walch, wolch, wloch, bloch, de overgang is geleidelik. Ook de Saksen in
Zevenburgen noemen den Wallachyer of Rumenier: Bloch. Een volksrijmke
by dat volk in gebruik, begint alzoo: »Der Onger, Bloch uch der Zigu"
dat is: De Hongaar, Wallach en de Zigeuner [93]. In Wallachye wonen
zeer vele Israëliten, en velen van hen hebben hun land verlaten,
steeds westwaarts trekkende naar Duitschland en Nederland. Zoo hebben
zy den naam van hunnen landaard--Wallach en Bloch--naar die landen
gebracht, en komen deze woorden nu hier als geslachtsnamen voor. De
geslachtsnamen Blog en Blok, voor zoo verre ze door Israëliten worden
gedragen, behooren ook hier toe. Blog is eene misspelling van Bloch,
en Blok is eene vernederduitsching daarvan, in overeenstemming met
woorden als ich, fluch, machen, enz., in het Nederduitsch ik, vloek,
maken; dies ook Bloch = Blok.

Nederlandsche geslachtsnamen, die oorspronkelik namen zijn van
Slavische of andere volken, zijn nog de volgenden:

Rus en Rusman met Moscoviter, Pool en Polak, ook Pohl en Polack. Joden,
uit Polen verdreven, of door de welvaart van ons vaderland aangelokt,
hebben zich sedert de zeventiende eeu, in aanmerkeliken getale,
in de Nederlanden gevestigd. Van daar dat de naam Polak hier zoo
veelvuldig door israëlitische geslachten gedragen wordt. In Friesland
echter is my ook een christelik geslacht, niet van joodsche afkomst,
van dien naam bekend. Of Poolman (met Pohlmann) ook hier toe behoort,
schijnt my minst genomen twyfelachtig. Deze naam beschou ik liever
als een hoogduitsche form van het nederduitsche Poelman--afgeleid van
poel, moeras.--By den Rus behoort ook nog de man wiens landaard wordt
aangeduid door den geslachtsnaam Courlander. De geslachtsnamen Bosnak,
iemand uit Bosnie, Griek en DeGrieck, en Slowack, iemand uit Slavonie,
eischen geenen naderen uitleg.

De naam Oostinjer zal waarschijnlik wel eerst gedragen zijn door iemand
die langen tijd in Oost-Indie gewoond had--niet door eenen Javaan,
Maleier of anderen Oostindier. De namen De Jode, De Joode, De Jeude
en De Jude moeten hier ter plaatse ook genoemd worden, benevens Turk,
Turcq, De Turck, en Den Turck, en Moor, De Moor--met Mohr. Dat deze
laatste namen eerst gevoerd zijn door lieden die werkelik Turken
en Mooren waren, welke zich in de Nederlanden vestigden, schijnt
my niet aannemelik, ofschoon het niet onmogelik is. Maar liever wil
ik aannemen dat deze namen aan uithangborden of huisnamen ontleend
zijn. Huizen, die »de Turk" of »de Moor" heetten, of uithangborden,
vooral by tabakshandelaars, waar »de rookende Turk" of »de rookende
Moor" op stonden afgebeeld, waren er oudtijds in alle nederlandsche
steden. En zy zijn er nog wel. Of de namen Moorman en Mohrmann hier
ook behooren, betwyfel ik. Wel noemde men oudtijds eenen Moor ook
wel een Moorman (de Statenvertaling des bybels levert daarvan een
voorbeeld op.) [94] Toch komt het my waarschijnliker voor dat Moorman
eenvoudig moerman of veenman beteekent, iemand in de moeren, moerassen
of venen wonende, of van daar afkomstig. Zulke moeren noemt men langs
onze oostelike grenzen mooren; men herinnere zich ook de oostfriesche
dorpsnamen Stapelmoor, Breinermoor, Neermoor, enz., en Moormerland,
eene veenryke gou in dat gewest. De namen Moerman en Veenman komen
ook als nederlandsche geslachtsnamen voor.

Van de namen van oude, verdwenene volken, natuurlik niet rechtstreeks
afkomstig, zijn de geslachtsnamen Romein, Romeyn en Romijn,
met den hoogduitschen form Römer, en waarschijnlik ook Romer en
Romar--en Batavier. Romein zal oorspronkelik wel meest een huisnaam
of een uithangteeken geweest zijn. Römer, Romer en Romar kunnen ook
afslytingen zijn van den oud-germaanschen mansvóórnaam Rodmar, Rodmer,
die nog heden in Friesland in gebruik is. En ook evenzeer kunnen zy
de byzondere naam van een drinkglas wezen, als romer nog heden in
Friesland in volle gebruik.

Eindelik, als aanhangsel van deze groep van geslachtsnamen, moeten
hier nog vermeld worden de geslachtsnamen Oosterling, Oosterlynck en
Den Oosterlingh, met Westerlinck en De Westelinck, en misschien ook
met Westerman en Ostermann.

Zonderling genoeg komt de naam van ons eigen volk hier te
lande in hoogduitschen form als geslachtsnaam voor; te weten als
Niederländer. Maar hoogst waarschijnlik heeft men hier niet te denken
aan eenen Nederlander in onzen zin. De naam zal wel afgeleid zijn
van eene der vele duitsche landstreken die het »Niederland" genoemd
worden, in tegenstelling met eene naburige bergstreek of »Oberland."

In Vlaanderen komt de geslachtsnaam Stragier voor, die almede
in deze afdeeling vermeld moet worden. Deze naam beteekent
vreemdeling. Stragier is een oud-vlaamsch bastaardwoord, dat met het
fransche étranger en het engelsche stranger den zelfden oorsprong
heeft. [95] De weêrga van dezen naam »vreemdeling" is de geslachtsnaam
Landsaat, ook in misspelling als Landzaad voorkomende.

§ 68. Maar niet slechts van de namen van vreemde volken zijn er
nederlandsche geslachtsnamen afgeleid; ook de namen van inlandsche
volksstammen en volksafdeelingen komen wel als zoodanig voor. Onder
dezen treffen wy in de eerste plaats den geslachtsnaam De Vries
aan, met De Fries, De Vriese, De Friese, Friese, Frese, De Vreeze,
Vriesman, Vrieseman, Freseman en Vrieslander. De naam De Vries komt in
de meeste nederlandsche gewesten talrijk voor; het is in der daad een
der algemeenste nederlandsche geslachtsnamen. Aanleiding hier toe heeft
gegeven de omstandigheid, dat de Friesen, hoewel in den regel sterk aan
hun vaderland gehecht, toch veelvuldig in andere nederlandsche gewesten
zich met der woon gevestigd hebben. Friesland was voor de Nederlanden
steeds eene mildvloeiende »lüdeborn" eene ware »vagina gentium". En het
is dit nog heden. En daar komt nog by de omstandigheid dat de Friesen
hunne eigenaardigheden in hunne eigene uitspraak, kleeding, zeden,
enz. steeds behouden, ook al wonen zy jaren en jaren in den vreemde,
zoodat men hen steeds gemakkelik als Friesen onderkent. Zonderling
echter is het dat juist in de friesche gewesten zelven, en niet het
minst in de hedendaagsche nederlandsche provincie Friesland, die
naam De Vries zoo byzonder veel voorkomt. Zoo lang immers een Fries
in Friesland woont, bestaat er geene reden om hem door dien toenaam
byzonder van anderen te onderscheiden. Stammen de lieden die in
Friesland wonen en De Vries heeten, dan allen af van voorvaders, die
zich vroeger in Holland of ergens elders buiten Friesland vestigden,
en daar dien naam van hunne omgeving ontvingen? Die later weêr naar hun
oud vaderland terug keerden, en toen dien naam, ofschoon hy hier onder
hunne eigene volksgenooten geen de minste reden van bestaan meer had,
toch als een vaste geslachtsnaam behielden? Het schijnt vreemd. Toch
kan ik het anders niet verklaren. Ook onder de nederlandsche Joden komt
deze geslachtsnaam geenszins zeldzaam voor; werkelik zoo veelvuldig,
dat er eene byzondere reden voor bestaan moet. Nu is het wel waar dat
de friesche volksaard zeer sterk spreekt, zóó sterk dat ook de Joden
in Friesland zich aan den infloed daarvan niet kunnen onttrekken--dat
ook zy door spraak, kleeding en andere zaken als bepaaldelik friesche
Joden zich onderscheiden van de Israëliten in andere nederlandsche
gewesten. Maar of dit voldoende is om den oorsprong van al die
geslachtsnamen De Vries, by dikwijls in het geheel niet verwante
israëlitische geslachten voorkomende, te verklaren, moet ik in het
midden laten. De naam De Vries schijnt werkelik byzonder in den smaak
gevallen te zijn by sommige lieden, die zich in het begin dezer eeu
eenen geslachtsnaam kiezen moesten, zoo dat eenigen dezen naam maar
aannamen, zonder daar byzondere reden voor te hebben, of zonder juist
van frieschen oorsprong te zijn. My althans verhaalde een geloofweerdig
man, dat zijn grootvader in 1811 dien naam De Vries maar had aangenomen
om dat hy toch eenen maagschapsnaam hebben moest, en de eene naam,
naar zyne meening, zoo goed was als de andere, en deze naam hem nu
juist, zonder byzondere reden, behaagde. Een joodsch geslacht voert
dezen naam zelfs in den zonderlingen form Vrieslander. Ook onder
de Oost-Friesen is de naam De Vries geenszins zeldzaam, terwijl
hy ook als Friese en Frese in Duitschland, als Frison te Antwerpen
voorkomt. In de zuidelike Nederlanden, bepaaldelik in West-Vlaanderen
komt de geslachtsnaam De Vriese, De Vries almede tamelik veelvuldig
voor. Geleerden zijn van oordeel, dat een deel van het vlaamsche volk,
langs de zeekust gezeten en in de lage landen daaraan palende, van
frieschen oorsprong zy. En zy verklaren op deze wyze het voorkomen
van dezen maagschapsnaam onder de hedendaagsche Vlamingen. Er is veel,
dat sterk voor deze zienswyze pleit. [96]

De geslachtsnamen Drent en Drenth, Geldersman en Gelderlander, zekerlik
ook Gelderman en het patronymikale Geldermans; verder Hollander,
De Hollander, Den Hollander, D'Hollander, Zeeuw, De Zeeuw, De Seeuw,
Zeelander en Zélander (sic), Vlaming, Vlamingh, Vlaemynck, De Vlaming,
De Vlamingh, De Vlaemingh, Fleminck, Vlemynck, De Vleminck, (ook in den
tweeden naamval en als patronymika Fleminckx, Vlemynckx, Vlemincks);
dan nog De Brabander, Brabänder, Brabänter en De Brabandere eischen
geene nadere verklaring, evenmin als Twent (iemand uit Twente),
Bilkert, het friesche woord voor iemand afkomstig uit de grieteny
het Bilt in Friesland,--Gooyer en Goyjer (iemand uit het Gooiland),
en De Kempenaer, Kempenaar, Kempeneer, De Kempenaire, De Kempeneir,
Kempenaers, Kempenaars en Kempeneers, de naam der bewoners van de
Kempen, eene landstreek in oostelik Brabant.

Van onze eilandbewoners zijn de namen Schellinger, Vlielander,
Tesselaar, Schokker en Bevelander afkomstig. Ook Juister, van 't
oostfriesche eiland Juist.

§ 69. Wellicht behooren sommige patronymika, als geslachtsnamen
voorkomende, b. v. Friesinga, Sassink, Frankema, Beyerinck en Beyering,
Swavink, Daeninck (zie bl. 194), ook tot deze groep van namen, aan
de namen van volken ontleend. Maar wijl de namen Fries, Saks, Frank,
Beier, Swaaf, Dano, die aan deze geslachtsnamen ten grondslag liggen,
zoo wel mansvoornamen zijn als volksnamen, zoo is het twyfelachtig
of men hier met het eene te doen heeft of met het andere. Deze
geslachtsnamen komen vooral onder de Friesen voor. Behalven de
bovengenoemden, die ook onder de formen Fresinga, Friesenga, Vriesinga,
Vriesenga, Fresing (met latynschen uitgang Fresenius), en Sassinga
met Sassing voorkomen, zijn my nog de volgenden bekend, die allen van
gelyken oorsprong zijn: Frisia (saamgetrokken uit Frisinga), Frezema,
Friesema, Vriesema, Friesma, Fresena (zie § 46); Frankena, Franckena,
Francken, Franken (Vrancken komt ook voor), Frenken; Saxema, Sassema,
Sasma, Sassen; Daenen, enz. Zooals op vele voorgaande bladzyden kan
worden nageslagen, beteekenen deze namen allen: afstammeling of zoon
van eenen Fries, eenen Saks, eenen Frank, eenen Beier, eenen Swaaf,
eenen Deen, of van mannen die eenen dezer namen (Friso, Saxo, Frank),
als vóórnaam droegen.

Eenige geslachtsnamen wil ik hier nog vermelden, die wel niet
rechtstreeks tot bovenstaande namengroepen behooren, maar die
toch beschoud kunnen worden, een toevoechsel tot die groepen uit te
maken. In de eerste plaats behoort dan tot deze namen de geslachtsnaam
Provinciael, waar ik den geslachtsnaam Van Hoofdstadt aan den eenen
kant, en de maagschapsnamen Steeman en Stheeman aan den anderen
kant tegen over stel. Zoo ook, als tegenhangers, de namen Van der
Stad en Van Dorp, die al mede den zelfden zin hebben. Eindelik nog
de geslachtsnaam Eilander. Nadere verklaring eischen dezen namen
niet. Het zijn, als 't ware, ook algemeene aardrijkskundige namen
(zie § 94), wijl men niet weten kan uit welke provincie, uit welke
hoofdstad, uit welke stad en welk dorp, of van welk eiland de eerste
dragers dier namen afkomstig waren.

§ 70. Even als de namen van landen en gouen, zoo zijn ook van de
namen van steden en dorpen geslachtsnamen gemaakt, en wel juist op de
zelfde wyze als boven vermeld is in § 66. Het ligt in den aard der
zaak dat zulke namen meest van nederlandsche stads- en dorpsnamen
ontleend zijn, naar dien de namen der buitenlandsche plaatsen aan
onze spraakmakende gemeente, die deze namen het eerst in gebruik nam,
meestal weinig bekend waren. Of iemand uit Darmstad of uit Kassel in de
Nederlanden kwam wonen, was voor ons volk zoo tamelik het zelfde. Dat
volk immers zag in dien man geen Darmsteder of Kasselaar, maar in 't
algemeen eenen Duitscher, of hoogstens eenen Hes. Men noemde hem dus
naar zynen volksnaam, en niet naar den naam zyner geboortestad. Maar
iets anders was het, of iemand uit de eene nederlandsche plaats in de
andere ging wonen; als b. v. iemand uit Zwolle en iemand uit Leiden
beiden zich te Amsterdam vestigden. Want de Amsterdammers merkten
natuurlik wel degelik onderscheid tusschen den man uit Zwolle en dien
uit Leiden. En dies noemden zy wel degelik den eenen Zwolsman, den
anderen Leyenaar, welke toe- of bynamen later vaste geslachtsnamen
geworden zijn, en als zoodanig nog onder ons bestaan.

Toch vinden wy nog wel eenige geslachtsnamen, die aan de namen van
buitenlandsche plaatsen, op de wyze der volksnamen ontleend zijn. Maar,
voor zoo verre dit oorspronkelik nederlandsche geslachtsnamen zijn,
en niet uit Duitschland tot ons overgekomen, zoo zijn zy toch meest
afkomstig van de namen van steden, niet verre van onze grenzen gelegen,
en die by ons volk, reeds van ouds her, genoegzaam bekend waren,
b. v. Guliker en De Guliker, Munsterman, Oldenburger, [97] enz., van
de steden Gulik, Munster en Oldenburg. De volgende geslachtsnamen
zijn nog ontleend aan de namen van verder afgelegene, of minder
bekende plaatsen: Altorfer (van Altorf, eene stad in Zwitserland),
Augsburger (van Augsburg, stad in Zwaben, Beieren), Berliner, Binger
(van Bingen, stad in Rijn-Pruissen), enz. [98] Deze soort van namen is
in Duitschland veel talryker dan in Nederland, en vooral ook onder de
duitsche Joden in zwang. Van daar dat zy ook in de Nederlanden veelal
voorkomen by israëlitische geslachten, uit Duitschland herkomstig. En
tevens dat sommigen, door de wyze waarop zy geschreven worden, nog
duidelik hunnen hoogduitschen oorsprong vertoonen; b. v. Darmstädter.

De geslachtsnamen die niet van vreemde, maar van nederlandsche
plaatsnamen, op deze wyze geformd zijn, behooren geenszins tot de
meest voorkomenden. Immers worden in Nederland de namen van inlandsche
plaatsen veel meer tot geslachtsnamen gemaakt door voorvoeging van
het woordje van. Behalven Zwolsman en Leyenaar, hier boven reeds
genoemd, zijn my nog bekend: Bruggeling (een ingezetene van de
vlaamsche hoofdstad Brugge), Oostburger (van het stedeke Oostburg in
Zeeusch-Vlaanderen) [99], enz. De geslachtsnamen Opzoomer, Opzomer
en Opsomer behooren aan verschillende, nog al talryke geslachten,
zoowel in Noord- als in Zuid-Nederland inheemsch. Met den geslachtsnaam
Bergopzomer [100] zijn zy afgeleid van den naam der brabantsche stede
Bergen-op-Zoom. Mijn eigen naam Winkler behoort ook hier genoemd te
worden, als zijnde, volgens maagschaps-overlevering, ontleend aan
den naam van het dorp Winkel by Medemblik in West-Friesland. De naam
Winkler, ook Winckler, Winkeler, Winklaar, Winkelaar en Wynkeleer,
is vry algemeen; onder beide eerstgenoemde formen vooral ook in
Duitschland. Dat komt omdat er ook zoo veel dorpen en gehuchten
zijn die Winkel heeten. In Duitschland liggen er wel honderd. Ook
in Vlaanderen vinden wy dezen dorpsnaam als Wynkel; van daar ook de
vlaamsche form van dezen geslachtsnaam Wynkeleer, met De Winkelair,
De Winckeleer, en zelfs half verfranscht als De Winquelair en misschien
ook Vinqueleir.

Eindelik nog dient de geslachtsnaam Suringar hier vermeld te
worden. Men meent dat deze naam die door dat ar op 't einde in plaats
van het meer gewone er wel wat vreemd schijnt, ontleend zy aan den naam
van het friesche dorp Surich (of Zurig en Zurich), en dus Suricher
zoude beteekenen. Deze meening krijcht nagenoeg zekerheid als men
weet dat oudtijds het byvoegelike naamwoord aan den plaatsnaam Surich
ontleend, werkelik suring luidde. In het Register van den Aanbreng van
1511, dl. III, lees ik op bl. 320, in eene oorkonde van den jare 1546
»noch een pondemate op Suringer meden gelegen". En die zonderlinge
uitgang ar in plaats van er, is ook niet zonder voorbeeld. Nevens
den geslachtsnaam Switser toch hebben wy ook Switsar (zie bl. 195);
nevens Romer ook Romar (zie bl. 198).

§ 71. Met het boven besprokene achtervoechsel er of aar, dat in de
nederlandsche taal dienst doet om van plaatsnamen eerst byvoegelike
naamwoorden, daarna ook weêr zelfstandige naamwoorden en eindelik
geslachtsnamen te formen, stemt volkomen overeen het achtervoechsel
stra in het Friesch. Dit stra is Oud-friesch, en luidt in het
hedendaagsche Friesch ster; b. v. friesch: de boarnster tûr == de toren
van het dorp (Olde-)Boorn; Lemsterland, het land van de Lemmer, naam
der grieteny waar van dat friesche vlek de hoofdplaats is. Oud-friesch:
Tiettzerckstera dela, heden ten dage Tietjerksteradeel, de naam
der grieteny die naar het dorp Tietjerk genoemd is; Kiestra sîl,
tegenwoordig Keester zijl, de sluis by het slot Kie of Kee, enz.

In Friesland komen zeer vele geslachtsnamen voor die op dit
achtervoechsel stra eindigen. Te dezer plaatse willen wy slechts
die genen vermelden van deze stra-namen, welke van plaatsnamen
zijn afgeleid. Zy formen de weêrgaden van de boven besprokene
algemeen-nederlandsche geslachtsnamen op er of aar uitgaande. Balkstra
(van het vlek Balk); Riedstra en Riestra (van het dorp Ried);
Speerstra (van het gehucht Speers, ook wel Speersterhuizen, oudtijds
Speerstrahusen genoemd, by 't dorp Deersum), enz. [101]


§ 71. De oude Nederlanders, vooral in de 16de en 17de eeu, waren
liefhebbers om hunne namen te verlatynschen. By de behandeling
der geslachtsnamen van mansvóórnamen geformd, heb ik daar reeds op
gewezen (zie §§ 22 en 55-58); ik zal er verder in dit werk, in § 167,
ook nog nader op te rug komen. Ook met hunne geslachtsnamen, van
plaatsnamen ontleend, handelden onze voorouders zoo. Zy vertaalden
die namen rechtstreeks in het Latyn; of als dit niet wel ging, dan
hingen zy er maar eenen latynschen steert aan. Jacob Harmenszoon van
Oudewater (hy was van het zuidhollandsche stadje Oudewater geboortig)
b. v. vertaalde zynen naam in Jacobus Arminius Veteraquinas. Maar
zekere Hendrik, in het drentsche dorp Beilen geboren, en die in 1602
predikant was te Bloksyl, wist zich niet anders te helpen dan dat
hy eenen latynschen uitgang achter den naam van zyne geboorteplaats
hing. Hij noemde zich Henricus Beylanus--zoo doende had zijn naam toch
eenen latynschen, naar de meening dier dagen eenen geleerden klank. En
dien naam dragen zyne nakomelingen nog heden als geslachtsnaam. Verder
in dit werk zal nader op dit onderwerp terug gekomen worden. Hier zy
slechts vermeld dat er onder ons nog eenige andere geslachtsnamen
bestaan, die van plaatsnamen verlatynscht zijn. B. v. Acronius,
Neomagus, Roldanus, van de plaatsnamen Akkrum, een dorp in Friesland,
van de stad Nymegen, en van Rolde, een dorp in Drente. [102] Zekere
Ruurd, van Akkrum geboortig, een herformd predikant in de 16de eeu,
verlatynschte zynen naam in Ruardus Acronius. [103] Hy was de stamvader
van het nog bestaande friesche geslacht van dien naam.


§ 72. In plaats van met de namen van volken en volksstammen,
of met namen geformd uit de namen van landen en gouen, steden en
dorpen, heeft men oudtijds in de Nederlanden vreemdelingen ook wel
genoemd naar de enkele namen van de landen en gouen, steden en
dorpen, waaruit zy afkomstig waren, zonder die namen door voor-
of achtervoechsels te veranderen of te wyzigen. Zulke namen zijn
later ook vaste geslachtsnamen geworden, en komen nog onder ons
voor; b. v. Italië, Bourgonje, Vlaanderen, Belgrado, Jerusalem,
Hinlopen. Even als de geslachtsnamen die de vorige groep formen, komen
ook deze enkelvoudige namen betrekkelik zeldzaam voor. Althans veel
minder dan de geslachtsnamen met het voorvoechsel van. Eenigen zijn
nog al byzonder, of eischen eenige verklaring. America en Oostindië
zijn waarschijnlik eerst gedragen door lieden die eenigen tijd,
korter of langer, in Amerika en in Oost-Indië hadden gewoond, maar die
toch oorspronkelik Nederlanders waren. Spitsbergen is de naam van een
onbewoond eiland in de IJszee. In de 17de eeu plachten de nederlandsche
walvischvaarders daar de zomermaanden te vertoeven om hun vischspek
tot traan te koken. Hunne nederzetting aldaar droeg den naam van
Smerenburg. Misschien is de geslachtsnaam Spitsbergen (die ook, volgens
den hollandschen tongval, als Spisbergen voorkomt) wel rechtstreeks
aan den naam ontleend van een huis, 't welk men genoemd had naar dat
oudtijds by ons zoo bekende eiland. Zuidstrand is de naam van een
noordfriesch eiland, dat reeds vroeg in de middeleeuen in de Noordzee
verdronken is. Weinig meer dan de naam is er nog van bekend. Of
de geslachtsnaam Zuidstrand dus zijn ontstaan aan den naam van dat
eiland heeft ontleend, is minstens hoogst twyfelachtig. Misschien
is deze geslachtsnaam slechts ontstaan als een tegenhanger van den
maagschapsnaam Noordstrand. Dit is oorspronkelik de naam van een ander
eiland in Noord-Friesland. Op dit eiland Noordstrand is sedert de 17de
eeu eene volkplanting gevestigd van uitgewekene hollandsche boeren,
die den Oud-roomschen, zoogenoemd Jansenistischen godsdienst belyden,
en nog heden in het kerkelike verbonden zijn met hunne geloofsgenooten
in de Nederlanden, van waar zy ook hunne geesteliken bekomen. Door
deze omstandigheid is het voorkomen van dezen geslachtsnaam onder
ons te verklaren.

De maagschapsnaam Beeuwzier is oorspronkelik een engelsche plaatsnaam,
maar in verdietschten en dan nog verbasterden, misspelden form. De kaap
Beachy-head aan de zuidkust van Engelland, wel bekend by allen die het
Engelsche-kanaal bevaren, draacht van ouds reeds by onze zeelieden den
naam van Brevesier, Beevsier of Beeuwzier, en dit is eene verbastering
van Pevensey, de naam van het plaatsje dat naby de kaap ligt. [104]

Nederlandsche geslachtsnamen die oorspronkelik de namen zijn van
vreemde landen, gouen en eilanden, zijn, behalven de bovengenoemden,
nog: Beyeren, Holstein en het misspelde Holstijn, Maltha, enz. [105]
Inlandsche landstreken vinden wy genoemd in de maagschapsnamen
Brabant (met den patronymikalen form Brabants), Betuwe, Gaasterland
(in Friesland), Gelderland, Holland (met de patronymikale formen
Hollands en Hollandts), Maaskant, Stellingwerf en Stellingwerff (in
Friesland), Vlaanderen en Vlieland. En den geslachtsnaam Zeekant mag
men hier ook wel toe rekenen, even als Juist, aan het oostfriesche
eiland van dien naam ontleend. Eindelik nog Nederland.

Als nederlandsche maagschapsnamen die oorspronkelik de namen van
vreemde plaatsen zijn, noem ik hier, behalven Belgrado en Jerusalem,
nog: Barnouw (Barnow, dorp in Pommeren), Bakewel (in Engelland),
Bethlehem en Betlem, Bourdeau, enz. [106] De oud-nederlandsche
form van den naam waaronder by onze voorouders de stad Danzig
aan de Oostzee bekend was, luidde »Danswijck," en Danswijck komt
nog heden als geslachtsnaam onder ons voor.--Ik ben niet zeker of
ik de geslachtsnamen Romeny en Rummenie ook tot deze groep moet
brengen. Wellicht zijn deze namen, die oorspronkelik wel één zullen
geweest zijn, en nu slechts in spelling verschillen, ontleend aan den
naam van het stadje Romney in Engelland, naby de Singels (Dungeness,
zie de noot op bl. 209), aan het Nau van Kales gelegen. Dit oord
wordt door nederlandsche zeelui steeds druk bezocht. Misschien ook
is Romeny eenvoudig de naam van romenye, zekere soort van spaanschen
wijn, die in de middeleeuen by onze voorouders veel gedronken werd.

Merkweerdig is het dat er onder deze namen nog al velen voorkomen
die oorspronkelik de namen van poolsche steden zijn. Deze namen
worden hooftsakelik gedragen door israëlitische geslachten, welke
uit die steden afkomstig zijn, en die, toen zy zich in ons vaderland
vestigden, die stedenamen als geslachtsnamen hebben aanveerd. De naam
Konijn, door een Israëlitisch geslacht gedragen, heb ik ook hiertoe
gerekend. De mogelikheid bestaat echter dat deze naam ook eenvoudig
aan het bekende dier konijn ontleend zy. Waar die zelfde naam, ook
als Conijn voorkomende, door een oorspronkelik-nederlandsch geslacht
gedragen wordt, gelijk het geval is, neem ik dezen laatstgenoemden
oorsprong ook liever aan. Maar by de Joden is het konijn een dier,
't welk door hunne godsdienstige wet hun verboden is te eten, zoo
wel als het zwijn. Dus is het niet waarschijnlik dat een Jood zich
zoude genoemd hebben naar een, voor hem onrein dier. Toch draagt een
israëlitisch geslacht den naam Haas, niettegenstaande in de joodsche
spijswetten ook de haas, zoowel als het konijn en het zwijn, tot de
onreine dieren wordt geteld.

Dat reeds in de 17de eeu, en ongetwyfeld nog veel vroeger, zulke
namen van vreemde plaatsen, eerst als by- of toenamen, later als
vaste geslachtsnamen in gebruik waren, leert ons Cornelis Hendricxz
Compostel, die in 1644 een der schepenen was van Hoorn. Deze
naam Compostel is oorspronkelik de naam van de stad Sint-Jacob
van Compostella of Santiago de Compostella, in Spanje; eene stad,
die oudtijds door Nederlanders zeer veelvuldig in bedevaart bezocht
werd. Die spaansche plaatsnaam Santiago de Compostella is, hoe vreemd
het schyne, eene verbastering van het latynsche Sanctus Jacobus
Apostolus. [107] En dat die spaansche verbastering Compostella in
Nederland op hare beurt niet slechts tot Compostel, maar ook nog
verder werd ingekort, zien wy in het tijdschrift De Navorscher, waar
(deel XXXII, bl. 247) een zestiende-eeusche Nederlander, namens »Jacob
van Compostelle of Stelle" vermeld wordt. Wie zou in dezen eenvoudigen
nederlandschen geslachtsnaam Stelle den spaanschen naam Compostella
en het latynsche woord apostolus vermoeden?

§ 73. Wijl er steeds zeer vele Duitschers in de Nederlanden zich
gevestigd hebben, zoo ligt het voor de hand dat ook zeer vele
duitsche plaatsnamen hier als geslachtsnamen moeten voorkomen. En
dit is in der daad het geval. Zulke geslachtsnamen zijn zoo talrijk,
dat ik hier slechts enkelen daar van opnoemen kan; Anspach, Bamberg
(Ansbach, ook even vaak Anspach geschreven, en Bamberg zijn steden
in Frankenland, Beieren); Berlijn en Berlin; Byleveld, Bylefeldt,
Bielevelt. Laatstgenoemde naam, op verschillende wyzen geschreven,
komt zoo veelvuldig voor, omdat de westfaalsche stad Bielefeld, waar
hy aan ontleend is, oudtijds eenen drukken handel in lijnwaad met de
Nederlanden dreef. Uit die reden vonden vele ingezetenen dier stede
aanleiding zich onder ons te vestigen. Verder Breslau en Breslou,
Darmstadt, Dortmund en Dortmond, [108] enz. Dit zijn allen namen van
groote of van welbekende steden in Duitschland. Maar in grooter aantal
nog komen, als nederlandsche geslachtsnamen, de namen van kleine
en minder bekende plaatsen voor, die in westelik Duitschland, ten
deele ook niet verre van onze grenzen gelegen zijn. Uit die plaatsen
immers was en is het grootste deel afkomstig van de Duitschers die
zich in Nederland vestigen. Zie hier eenigen van die namen: Achenbach
(dorp by Siegen in Westfalen), Ahaus (stadje in Westfalen, naby onze
geldersche grenzen), Aurik (stad in Oost-Friesland). [109] In hunne
spelling zijn deze soort van geslachtsnamen vaak gewyzigd naar de
nederlandsche boekstaving; b. v. Boerlage en Buurlage, Geelkerken,
Gilhuys, Meurs, in de plaats van Burlage, Geilenkirchen, Gildehaus
en Mörs, zoo als de hoogduitsche rechtschryving eischt.

Ten slotte mogen hier nog enkele nederlandsche geslachtsnamen eene
plaats vinden, die ontleend zijn aan de namen van kleine en minder
bekende steden en dorpen, verderop in Duitschland gelegen. Dit zijn:
Bischoffsheim (dorp in Rijn-Hessen), Breidenbach, ook in hollandsche
misspelling als Brijdenbach, en verdietscht als Breedenbeek (dorp in
Hessen aan de Lahn), Görlitz (stad in het koninkrijk Saksen), Kaub
(stadje aan den Rijn in Nassau), Märkelbach en Merkelbach, ook in
misspelling als Markelbach (dorp in Nassau), Oppenheim (stadje in
Rijn-Hessen), Oschatz (stad in het koninkrijk Saksen), Stevenhagen
(dit is de nederduitsche form, ook wel samengetrokken en verbasterd
tot Stemhagen, van den hoogduitschen naam van het stadje Stavenhagen
in Mecklenburg), Trarbach (stadje in de Rijn-provincie, aan de Moesel),
Wertheim (stad aan de Main in Baden), enz.

De geslachtsnaam Sarlouis is ontleend aan den naam van het stadje
Sarlouis of Saarluis, in Lotharingen. Ook als Sarluis en Serlui, en
zelfs geheel verbasterd als Scharlewie komt deze zelfde geslachtsnaam
in Nederland voor. Of de geslachtsnaam Charlouis ook aan dezen
zelfden plaatsnaam ontleend zy, waag ik niet te beslissen, maar komt
my zeer waarschijnlik voor. Misschien echter is hy ook afkomstig,
evenals de geslachtsnamen Sjaarlouis, Sjaarloos en Saarloos, van
den naam van het overmaassche dorp Charlois, in Zuid-Holland. Al
deze geslachtsnamen zijn in spelling en uitspraak zoo verbasterd,
dat men ze kwalik meer van elkanderen onderscheiden kan, veel min
met zekerheid hunnen oorsprong kan aangeven.

Hernals is de naam van een dorp in Oostenrijk, by Weenen. Deze
naam heeft waarschijnlik wel oorsprong gegeven aan de geslachtsnamen
Hernalsteen, Ernalsteen en Ernaelsteen, die in de zuidelike Nederlanden
voorkomen, en die ik anders niet weet te verklaren. Misschien ligt
er by dit dorp wel een burcht, die den naam van Hernals-stein voert,
en kunnen van dien naam nog nader de bovengenoemde geslachtsnamen
ontleend zijn. De omstandigheid dat de zuidelike Nederlanden in de
17de en 18de eeu onder oostenrijksche heerschappy stonden, waardoor
er wel oostenrijksche beambten in die gewesten werden aangesteld, die
hunne oostenrijksche namen daar invoerden, geeft aan bovengenoemde
vooronderstelling te meer grond. Volgens de eigenaardige vlaamsche
uitspraak is de oorspronkelike letter h in Ernalsteen verloren
gegaan, en toont Ernaelsteen nog grooter verbastering, volgens de
zuid-nederlandsche spelling.

De geslachtsnaam Nederkoorn, te Haarlem niet zeldzaam, zal wel eene
verdietsching zijn, in spelling en uitspraak, van den naam van het dorp
Niederkorn of Nieder-Korn (daar is ook een Ober-Korn), in Luxemburg.

De geslachtsnamen Emmerik en Emrik eindelik, zijn hoogst waarschijnlik
wel afgeleid van den naam der stad Emmerik in de Rijn-provincie,
naby onze geldersche grens. Emmerik, Emmerich is echter eveneens een
oud-germaansche mansvóórnaam, en deze mansnaam kan dus ook de oorsprong
der genoemde geslachtsnamen zijn. Aan het patronymikon Emmeriks,
ook als geslachtsnaam voorkomende, ligt hy zonder twyfel ten grondslag.

§ 74. Wat nu de geslachtsnamen betreft, die oorspronkelik
de namen zijn van nederlandsche steden en dorpen, vlekken en
gehuchten,--dezen zijn, uit den aard der zake, zóó talrijk, dat
er geen denken aan is, hier ook slechts een honderdste gedeelte
van al die namen op te noemen. Slechts eenige weinigen, opzettelik
uit alle verschillende nederlandsche gewesten genomen, kunnen hier
vermeld worden: Dokkum, Dronrijp, Hinlopen. [110] Dit zijn allen
namen van welbekende plaatsen. Maar ook vele maagschapsnamen zijn
ontleend aan de namen van kleine gehuchten, die weinig bekend zijn
buiten hunnen naasten omtrek. De verklaring van die namen ligt dus
niet zóó voor de hand. Zulke maagschapsnamen zijn: Bakhuizen (een
zeer klein dorpke, eigenlik slechts een gehucht, in Gaasterland,
Friesland), Reen (gehucht by Lutke-Wierum, Friesland), Tjallewal
(gehucht by Schagen, West-Friesland), Knossens en Cnossens (gehucht,
of eigenlik slechts eene enkele sate in de zoogenoemde Sneeker-Vijfga,
Friesland), Bobeldijk (gehucht by Berkhout, Noord-Holland), Delfgaauw
en Delfgou (gehucht by de stad Delft), Harscamp (een landgoed by 't
geldersche dorp Ede), Onsenoort (gehucht by Heusden in Noord-Brabant),
enz. Wie zoude ook niet in de maagschapsnamen Stroobos en Valom
veel eerder iets anders zoeken dan juist plaatsnamen? En toch zijn
zy oorspronkelik wel degelik de namen van de gehuchten Stroobos in
Achtkarspelen, en Valom in Dantumadeel, beiden in Friesland. Zelfs
aan de namen van enkele huizen, buitenverblijven, bekende herbergen,
enz. zijn maagschapsnamen ontleend; b. v. Slangenburg, landgoed by
Deutinchem in Gelderland, Spannenburg, naam van eene herberg naby
de stad Sloten in Friesland, aan den Lemster-straatweg; Luchtenveld,
eveneens de naam van eene herberg in Friesland, by het vlek de Joure;
Spaarenberg, de naam van eene buitenplaats by Haarlem; Rustenburg,
de naam van vele onderscheidene buitenplaatsen en herbergen, overal
in de Nederlanden verspreid, enz. De geslachtsnamen Hoogerbeets
en Hogerbeets, die geenszins zeldzaam zijn, en aan verschillende,
onderling niet verwante geslachten behooren, dienen hier ook vermeld te
worden. De bekende Rombout Hoogerbeets voerde dezen zynen toenaam naar
eene hofstede van dien naam in of by het dorp Beets in West-Friesland
by Hoorn gelegen, welke hofstede, naar alle waarschijnlikheid, op
eene eenigszins verhevene plaats zich bevond. Zijn bloedverwant,
de minder bekende dichter Johan Beets, ontleende weer zynen toenaam
aan dien van het dorp zelven, waar de hofstede gelegen was, die
denkelik van ouds eigen was aan de maagschap, waar Rombout en
Johan deel van uitmaakten. [111] Nog heden, 't is genoeg bekend,
komt de maagschapsnaam Beets in Holland voor. En ook in Friesland,
waar hy wel aan den naam van het friesche dorp Beets, in Opsterland,
zal ontleend zijn. De geslachtsnaam Gonggrijp is eigenlik de naam van
het dorpke Goingaryp, in Doniawarstal (Friesland), in verbasterden
form. Maar Deutekom, als maagschapsnaam voorkomende, kan naueliks
als een verbasterde form van den plaatsnaam Deutinchem (stadje in
Gelderland) beschoud worden, naardien »Deutekom" werkelik de algemeen
gebruikelike uitspraak van dezen naam voorstelt. De geslachtsnaam
Nierop (even als Van Nierop), ook nog meer samengetrokken als Nierp
voorkomende, is eigenlik de naam van het noord-hollandsche dorp
Niedorp, in de volksspreektaal »Nierop" of zelfs »Nierp" genoemd,
even als het volk in Holland ook »Rarop", »Apkou" (Abcoude), »Berkou"
en »Boref" zegt en gedeeltelik ook wel schrijft, in stede van de volle
namen der dorpen Ransdorp, Abekenwoude, Berkwoude en Bodegraven. Den
maagschapsnaam Tra (Traa komt ook voor, met Van Traa) ziet men zynen
oorsprong van den plaatsnaam Ter-Aa ook niet op het eerste gezicht
aan. Ter-Aa of Nieuwer-ter-Aa voluit, is een dorpke in het gewest
van Utrecht. De maagschap, die dezen naam draagt, voert tevens den
geslachtsnaam Kranen (»Tra Kranen"). Voegt men deze twee namen samen,
gelijk veelal by misverstand gebeurt, als Trakranen, dan schijnt
de beteekenis nog duisterder. [112] De naam van het dorp Stolwijk,
by Gouda gelegen, wordt in de wandeling tot »Stolk" samengetrokken,
en komt ook in dien versletenen form--Stolk--als geslachtsnaam voor. De
geslachtsnamen Grol en Groll zijn eveneens samentrekkingen, volgens het
alledaagsche spraakgebruik, van den naam dien het geldersche stedeke
Groenloo in den volksmond draagt. Oldenzeel, als maagschapsnaam
voorkomende, vertoont de dageliksche volksuitspraak van Oldenzaal,
het stadje in Twente. De geslachtsnaam Bellingwout moet beschoud
worden als eene omzetting in byzonder-hollandsch van den naam des dorps
Bellingawolde in Groningerland. Maar de maagschapsnamen Wildervank en
Wildervanck zijn niet ontleend aan den naam van het vlek Wildervank
in Groningerland. Het omgekeerde is waar! Immers hier is het de
plaatsnaam die aan den geslachtsnaam ontleend is. Het vlek draagt
zynen naam naar dien van den stichter dier plaats, in de eerste helft
der zeventiende eeu, naar Adriaan Geerts Wildervanck of Wildvang,
een toenaam, die te kennen geeft »iemand die wild vangt"; die dus,
met »Wildschut", jager beteekent.

Holierook en Olierook zijn nederlandsche maagschapsnamen, die zekerlik
door niemand zoo terstond zullen worden beschoud als afgeleid te zijn
van plaatsnamen, ten zy dan van eenen engelschen naam »Holyrock",
gelijk men eens heeft willen beweren, en tegenover my heeft staande
gehouden. De oorsprong van deze zonderlinge namen is als volgt:
Van ouds lag, niet verre van Schiedam, het huis van een adellik
geslacht, en dat huis droeg den verstaanbaren, duideliken, zuiver
nederlandschen naam van Hooglede (Hoog-Lede). Maar deze naam werd
door het volk al spoedig verbasterd en verkort. Natuurlik sleet de
laatste lettergreep er spoedig af, en de g werd, op oud-nederlandsche
wyze, zoo zacht mogelik uitgesproken, dat deze letter weldra in eene j
(of i, y) verfloeide, eerlang ook geheel uit het oorspronkelike woord
sleet. Eene andere eigenaardigheid, de byzonder-hollandsche uitspraak
van menige e als i (ee als ie, been = bien), deed mede haren infloed
op den naam Hooglede gelden. Met dat gevolg dat Hooglede in den mond
des volks nog slechts voorkwam als Hooilee, Holee, Holy of Holi. De
Schiedammers echter, als zoo vele andere Nederlanders, laten de h
geerne achterwege in hunne uitspraak, zoo dat Holy nog meer inkromp
en Oli werd. De weg die van ouds uit Schiedam voerde naar het huis
Hooglede, de Hooglederweg dus, is dan ook te Schiedam nog slechts
bekend als de »Olieweg". Immers, de zoo erg mishandelde naam Oli kon
door het volk niet meer verstaan worden; zoo dacht men dan aan het
woord olie, en--de schiedamsche »Olieweg" had nu eenen verstaanbaren
naam. Ook in hedendaagsche maagschapsnamen vinden wy deze min of meer
versletene formen terug; namelik in Van Hoylede en in Van Holy.

Zeker oord in de nabyheid van het huis Hooglede werd, om de eene of
andere reden, die tot onze zaak niet afdoet, de Hooglederhoek genoemd,
en de polder, daar bestaande, is nog heden bekend onder den naam van
Hooglederhoeksche polder. Maar even als 't oorspronkelike Hooglede
tot Holy was verbasterd, zoo maakte het volk van Hooglederhoek
ook Holyerhoek, Holiërhoek, en dien ten gevolge ziet men den naam
van den polder dan ook wel als »Holiërhoeksche polder" geschreven;
b. v. in Witkamp's Aardrijkskundig Woordenboek. De schielandsche in- en
omwonenden van Hooglederhoek of Holiërhoek kapten, naar schielandsche
gewoonte, in hunne uitspraak die h weêr weg, en maakten van dezen
plaatsnaam: 'oliër'oek, Olieroek. Met dezen form Olieroek weet het
volk nu weêr geen weg. Het maakt er dus Olierook van. Daarin is ook
nog wel geenen duideliken zin opgesloten, maar olie en rook zijn toch
twee woorden die het volk kent, en daarmede is men dan te vreden
gesteld. Zoo zijn de maagschapsnamen Olierook en Holierook waarvan
de laatste ten minste nog de beginletter h bewaard heeft, ontstaan
uit den plaatsnaam Hooglederhoek, en daarvan verbasterd.

§ 75. De geslachtsnamen Duinkerken en Hazebroek moeten hier ook
genoemd worden, zoowel als Belle, Peene en Linzeele, op bl. 214
vermeld. Want al behooren de steden, wier namen oorsprong gaven
aan deze geslachtsnamen, thans (nog) tot Frankrijk, zy zijn toch
oorspronkelik echt vlaamsch, zuiver nederlandsch, gelijk hunne namen
duidelik uitwyzen, en gelijk de volkstaal dezer plaatsen dan ook
nog steeds is. Het schijnt dat vooral uit de stad Hazebroek vele
ingezetenen, zoo voor als na, in andere plaatsen, zoo wel van Noord-
als van Zuid-Nederland, zich met der woon hebben gevestigd. Immers
komt de maagschapsnaam, aan dezen stadsnaam ontleend, dikwijls
en veelvuldig onder ons voor, en wel onder allerlei formen, als:
Hazebroek, Hasebroeck, Haesebroeck, Haesebroek, Haesebrouck, (met Van
Hazebroek), enz. en behoort aan verscheidene, onderling niet verwante
geslachten. De geslachtsnaam Hautryve (met Van Houtryve) is ontleend
aan den naam van het westvlaamsche dorp Hautryve. Deze naam is van
romaanschen oorsprong: alta ripa, haute rive, hooge oever, namelik van
de Schelde, waaraan dit dorp gelegen is. Toch zijn de bewoners van
dit dorp vlaamsch-sprekende Vlamingen.--De maagschapsnamen Doornik,
Luik en Luyk zijn afkomstig van de namen der bekende steden in het
waalsche gedeelte van België. Slechts voor zoo verre deze namen zuiver
nederlandsch zijn, behooren zy hier vermeld te worden.

§ 76. Ten slotte mogen hier nog eenige zeer byzondere namen vermeld
worden, die tot deze groep behooren. Het zijn de geslachtsnamen
Remmerswaal, Aalbertsberg, Blydenstein, Diepenhorst, Tetrode en
Rodenburg. De dorpen Bloemendaal en Overveen, by Haarlem, droegen
in de middeleeuen de namen Aalbertsberg en Tetrode; het stadje
Aardenburg in Vlaanderen heette oorspronkelik Rodenburg; Diepenhorst
is de oude naam van het dorp Ouddorp op 't eiland Goeree; en een
klooster van Benedictyner monniken, dat in de middeleeuen na by 't
dorp Runen in Drente lag, maar reeds in de 16de eeu opgeheven werd,
droeg den naam van Blidestat (de blyde stede), ter blider steden,
ter blider steên, later Blidensteen en Blijdenstein. Deze naam ging
ook over op het dorp, dat rondom dit klooster ontstond, maar dat
thans den naam van Runerwolde draagt. [113] Deze zes oude plaatsnamen
behooren in de middeleeuen t' huis, en zijn thans nog slechts aan
geschiedkundigen bekend. De hedendaagsche geslachten die deze namen
dragen, vertoonen juist in die middeleeusche namen, die sedert de 16de
eeu en vroeger reeds als plaatsnamen verdwenen zijn, het bewijs van
hunne oudheid. Nevens Rodenburg bestaat ook Roodenburch en Roodenburg
als geslachtsnaam, en nevens Tetrode nog Tetroode, Tetterode en
Tettero, by verschillende geslachten. Hier uit zoude men wel kunnen
afleiden, dat het hedendaagsche dorp Overveen in de middeleeuen geen
onaanzienlike plaats moet geweest zijn. Van Aardenburg is het bekend
dat dit thans zoo stille, kleine stedeke in de middeleeuen eene groote
en bloeiende havenplaats was. Over den naam Remmerswaal zie men § 88.

Nog al byzonder is ook de geslachtsnaam Waterloo, die natuurlik
ontleend is aan den naam van het dorp Waterloo in Zuid-Brabant,
waar in 1815 de bekende veldslag plaats vond. Later dan 1811 kan de
geslachtsnaam Waterloo moeielik ontstaan zijn. Hy dagteekent dus nog
uit den tijd vóór den slag, toen Waterloo nog, als een klein afgelegen
dorpke zeer weinig bekend was. Merkweerdig dat de naam van dit eertijds
zoo onbeduidende plaatske juist een geslachtsnaam worden moest!

De geslachtsnaam Deurloo is ook zeer byzonder. Dit is de naam van
het zeegat aan den mond van den Hont of Wester-Schelde in de Noordzee
(zie § 104).

§ 77. De bewoners van verschillende wyken of buurten in groote
steden zijn elkanderen veelal zoo vreemd, als anders de bewoners
van twee kleine steden of dorpen onderling zijn. Zoo konden de
geslachtsnamen Oudschans, Kattenburg en Buitenkant, te Amsterdam
voorkomende, ontstaan. Zy zijn ontleend aan de namen van drie
welbekende oud-amsterdamsche buurten, waar de eerste dragers dier
namen zekerlik gewoond hadden, »gewonnen, geboren en getogen" waren,
eer zy in andere amsterdamsche wyken kwamen wonen, waar deze namen
als toenamen, als »kenmerk van herkomst" hun gegeven werden. De
geslachtsnaam Van Cattenburch echter heeft eenen anderen oorsprong,
is van eenen anderen plaatsnaam ontleend. In zeer vele nederlandsche
steden is er eene Peperstraat; het is gewoonlik de straat waar
in de middeleeuen de kooplieden in speceryen, »die crudenieren"
hunnen handel dreven en hunne winkels hadden. De maagschapsnamen
Peperstraete en Van Peperstraete zijn ontleend aan dezen straatnaam,
zekerlik op de zelfde wyze als boven beschreven is aangaande de namen
Oudschans, enz. Tot deze zelfde groep van geslachtsnamen behooren
verder nog Austraete (brabantsch voor »Oudestraat";--deze naam is dan
ook in Zuid-Brabant inheemsch); Billestraete, Binnekade, Damsteeg,
Diepenstraten, Groenestege, Hoogeweg en Hoogewegen, Hoogenstraten,
Kampsteeg en Kamsteeg, Mommersteeg, Muntstege, Nieuwesteeg, Kerkbuurt,
Vierstraete, Weststrate, Zeestraten, Scheldstrate en Schelstraete,
enz. Deze laatste straatnaam komt als maagschapsnaam ook voor in
de formen Verschelstraete en Verscheldstraete, dat is: Van der
Scheldestrate, van de Scheldestraat. Hy moet dus oorspronkelik zijn
uit de eene of andere plaats aan de rivier de Schelde gelegen. In
der daad zijn deze vier geslachtsnamen dan ook eigen aan vlaamsche
maagschappen.--De geslachtsnaam Vreeburg doet thans wel denken aan het
bekende marktplein in de stad Utrecht. Maar deze naam kan evenzeer
onmiddellik ontleend zijn aan den naam van het oude kasteel dat in
den spaanschen tijd verwoest werd, en waaraan ook het hedendaagsche
plein zynen naam te danken heeft. Immers daar ter plaatse stond die
oude burcht.

§ 78. De grootste groep van nederlandsche geslachtsnamen, of liever
die groep welke het grootste aantal namen omvat, is zonder twyfel
de groep die uit namen bestaat, welke met het voorvoechsel van
zijn samengesteld. In der daad, zulke namen komen uit der mate
veelvuldig voor by het nederlandsche volk. Die van-namen zijn
byna zonder uitzondering van aardrijkskundigen oorsprong, en
men kan ze onderscheiden in byzondere en algemeene. De byzondere
aardrijkskundige van-namen bestaan uit de namen van landen, gouen,
eilanden, steden, dorpen en gehuchten (buitenlandsche natuurlik even
zeer als binnenlandsche), allen met het voorvoechsel van er voor;
b. v. Van Engeland, Van Wieringen, Van Deventer, Van Keulen. De
algemeene aardrijkskundige van-namen bestaan uit gemeene zelfstandige
naamwoorden die eene algemeene aardrijkskundige beteekenis hebben
(berg, dijk, heide), maar die als byzondere aardrijkskundige namen
dienst doen; eveneens met van er voor, en zoo wel met als zonder een
lidwoord. B. v. Van Dijk, Van Sluis, Van den Berg, Van der Heide.

De byzondere talrijkheid dezer van-namen, voor zoo verre zy aan
de namen van uitheemsche landen en plaatsen ontleend zijn, strekt
ten bewyze van de talrijkheid der vreemdelingen, die zich onder
ons hebben neêrgezet. En voor zoo verre zy afkomstig zijn van de
namen van inheemsche gouen en plaatsen, kan men daaruit afleiden
de veelvuldigheid waar mede de Nederlanders, binnen hunne eigene
landpalen, hunne woonplaatsen verwisseld hebben.

§ 79. De maagschapsnamen met van samengesteld, en aan de namen
van vreemde landen ontleend, zijn, uit den aard der zake, het minst
talrijk. Zie hier die, welke my bekend zijn: Van Beyeren, Van Boheme,
Van Bourgondien en Van Bourgonje. [114] In de zuidelike Nederlanden
komen de geslachtsnamen Van Ingelandt en Van Inghelant voor, als
tegenhangers van den noord-nederlandschen geslachtsnaam Van Engeland;
»Ingelant" toch, of »Inghelandt" is eene oud-nederlandsche spelwyze van
't woord Engelland, eene spelwyze die overeenstemt met de vlaamsche
en friesche volksuitspraak. Twyfelachtig zijn my de geslachtsnamen
Van Cornewal en Carnewal. Zijn zy ontleend aan den naam van de
engelsche gou Cornwallis?--Een Franschman, Adrien geheeten, verliet
in de laatste helft der zeventiende eeu zyne woonplaats, de stad
Rochelle, en vestigde zich in Nederland. Hier noemde hy zich Adrien
de Charente, naar het gewest Charente, waar in zyne geboorteplaats
Rochelle ligt. Later verdietschte hy dien aangenomen franschen toenaam
tot Van Charante, en in dezen form wordt die naam nog heden door zyne
nakomelingen als geslachtsnaam gedragen. [115]

Werd op bl. 193 de opmerking gemaakt dat de volksnaam Ier niet als
geslachtsnaam schijnt voor te komen, hier kan toch op den naam Van
Ierland gewezen worden.

Het oostfriesche eiland Borkum, het eerste oostwaarts in de reeks
der friesche eilanden die niet tot Nederland behooren, kan ter nauer
nood voor een vreemd eiland gelden. Niet slechts omdat de Borkumers
echte Friesen zijn, maar vooral ook omdat zy door zoo vele banden
aan de Nederlanden en de nederlandsche koopvaardy- en visschersvloot
gehecht zijn. [116] Immers nog tot voor weinige jaren was dit wel het
geval; in de eerste helft van deze eeu en in vorige eeuen, tydens den
bloei van den nederlandschen handel en van de visschery, natuurlik
nog veel meer. Aan den naam van dit, in menig opzicht zoo hoochst
merkweerdige eiland zijn de geslachtsnamen Van Borkum, Van Burkom en
Van Burkum ontleend, met het enkele Borkum en waarschijnlik ook met
Van Buurkom. Deze geslachtsnamen komen geenszins zeldzaam voor, en
behooren aan verschillende, onderling niet verwante geslachten. Ook
al een bewijs voor de talrijkheid der betrekkingen die er steeds
tusschen dat eiland en de Nederlanden bestonden. De form Van Burkom
en Van Burkum is volgens de friesche uitspraak; naukeuriger nog zou de
spelling »Börkum" zijn, gelijk d'Oost-Friesen zelven ook spreken. Zoo
luidt de geslachtsnaam Van Gorkum in den mond der oude Leeuwarders
ook als »Van Gurkum"; de plaatsnaam Workum als »Wurkum", het woord
vork als »furk", enz.

De bovengenoemde geslachtsnamen zijn weinig in getal; maar die welke
ontleend zijn aan de namen van nederlandsche gouen, landstreken,
eilanden, zijn even min talrijk. My zijn, als tot deze afdeeling
behoorende, slechts bekend de geslachtsnamen Van Braband, Van
Friesland, Van Holland, Van Drenth, (misschien ook Van Kempen), Van
Marken, Van Proostdy (zoo heet eene kleine landstreek in de provincie
Utrecht, gemeente Abkoude), Van Schouwen, Van Urk, Van Veluwe, Van
Vlaanderen, Van Waas, Van Walcheren en Van Walchren, Van Wieringen
en Van Wieringhen, en Van Zeeland.

De geslachtsnaam Van Graefschepe dient hier ook vermeld. Dit is
eigenlik een algemeene aardrijkskundige naam, wijl niet blijkt welk
graafschap bedoeld is. De oude graafschappen Zutfen en Benthem dragen
beiden by de in- en omgezetenen den naam van »de Graafschap" als by
uitnemendheid. Waarschijnlik is bovengenoemde geslachtsnaam aan eene
dezer twee graafschappen ontleend.


§ 80. Geslachtsnamen samengesteld uit de namen van uitheemsche
steden en dorpen, met het voorvoechsel van daar voor, zijn uit den
aard der zake talryker dan die aan de namen van landen en gouen
ontleend. Zie hier eenigen van die namen: Van Basel, Van Bremen,
Van Costenoble [117] (het enkelvoudige Costenoble komt ook voor),
enz. Costenoble, Costenoblen, Constenoblen is de form waarin de
naam der stad Constantinopel in oude, middeleeusche vlaamsche
oorkonden geschreven staat. De geslachtsnaam Van Costenoble
komt dan ook in Vlaanderen voor, en wel in het hedendaagsche
Fransch-Vlaanderen. Oogenschijnlik is deze naam reeds zeer oud. Hy
dagteekent wellicht nog uit den tijd der kruistochten, toen vooral
ook Vlamingen naar de hoofdstad van het turksche rijk kwamen. Immers
ook juist onder de Vlamingen waren, van alle nederlandsche stammen,
het eerst geslachtsnamen in gebruik.--De geslachtsnaam Van Bethlehem
zal wel uit eenen huisnaam geformd zijn. Want dat hy rechtstreeks aan
den naam der bekende plaats in Palestina zoude ontleend zijn, door
een voormalig ingezetene dier stede, schijnt my minder aannemelik,
ofschoon het mogelik blijft.--Leinsele, een dorp in Fransch-Vlaanderen
en waarvan de geslachtsnaam Van Leynseele ontstaan is, kan naueliks
als een vreemde plaatsnaam gelden. (zie bl. 218).

De geslachtsnaam (Van den Berg) Van Saparoea is ook een zeer
byzondere. Hy is, zoo verre ik weet, d'eenigste in Nederland,
die ontleend is aan den naam eener plaats in Indië. Zie hier den
oorsprong van dezen naam, volgens het tijdschrift De Navorscher,
deel XXX, bl. 322.

»Saparoea is een welbekend eiland in den Molukschen archipel en
behoort tot de Nederlandsch-indische bezittingen. Daar ter plaatse
was in der tijd resident J. R. van den Berg, die bij een oproer of
amokpartij, in Mei 1817, met zijne geheele familie (zijne echtgenoot
Johanna Christina Umbgrove en drie kinderen), is vermoord, uitgenomen
een kindje, het oudste zoontje, toen vijf jaar oud, dat door zijne
min is gered, doch niet dan nadat het een krisslag had ontvangen,
waardoor het eene oor door midden is gespleten. Later is het door
de ijverige pogingen van den kapitein ter zee Q. M. R. Ver Huell,
die zich in de baai van Saparoea bevond en onderrigt was dat het kind
nog leefde, gelukt dat het hem werd uitgeleverd.

»Dit geredde kind is sedert naar Nederland overgevoerd, hier te lande
opgevoed, thans (1880) een persoon tusschen de 60 en 70 jaren, een
der voornaamste inwoners van Velp bij Arnhem, en sedert verscheidene
jaren wethouder der gemeente Rheden.

»Vroeger teekende de bedoelde persoon zich steeds J. L. van den berg,
doch aangezien er vele familiën van dien naam zijn, en dit vaak tot
verwarring aanleiding gaf, vroeg hij voor een drietal jaren verlof,
bij zijnen familienaam te mogen voegen van Saparoea, hetwelk bij
koninklijk besluit is toegestaan, en sedert dien tijd voert de familie,
waarvan hij thans het waardige hoofd is, den geslachtsnaam van den
Berg van Saparoea.

»Omtrent bovenbedoelde moordgeschiedenis te Saparoea kan men
nadere bijzonderheden vinden in: Merkwaardige gebeurtenissen uit de
Nederlandsche Geschiedenis (te Amsterdam uitgegeven), alwaar in eene
noot een verhaal daarvan voorkomt."


§ 81. Duitschers hebben steeds het grootste gedeelte uitgemaakt
van al de vreemdelingen, die in de Nederlanden een nieu vaderland
zochten en vonden. En onder dezen waren het natuurlik weêr meest
lieden uit de aan Nederland grenzende streken van Duitschland, uit de
pruissische Rijnprovincie, uit Westfalen met de graafschap Benthem en
het Nederstift van Munster (Arenberg, Meppen), en Oost-Friesland. Dien
ten gevolge is het getal geslachtsnamen ontleend aan de namen van
plaatsen in die gewesten gelegen, dan ook nog al aanzienlik. Zie
hier eenigen van die namen, enkel van nederrijnlandsche plaatsen:
Van Aken, Van Aaken en Van Ake, Van Calcar, Van Kleef en Van Cleeff,
Van Cranenburgh met Van Kranenburg en Van Cranenborg [118], enz.

Niet aleen dat vele Neder-Rijnlanders zich om voordeelswille in de
Nederlanden neêrgezet hebben,--velen deden dit ook om redenen van
godsdienstigen aard. Immers nadat de kerkherforming aan den duitschen
Beneden-Rijn al spoedig grooten opgang gemaakt had, en zeer velen
aldaar in de 16de eeu de kerk van Rome verlaten hadden, werden later,
in de 17de en ook nog in de 18de eeu, door de wereldlike en geestelike
vorsten dier streken, de Protestanten vervolgd en verdreven. Vooral
ook de Doopsgezinden of Mennoniten, die geen onaanzienlik deel
schynen geformd te hebben van die Herformden, hadden veelvuldige
vervolging te dulden. Ofschoon enkele doopsgezinde gemeenten aldaar,
onder anderen te Krefeld, Kleef en Emmerik zich nog tot in deze eeu,
gedeeltelik nog tot heden toe konden staande houden in naue aansluiting
aan de nederlandsche Doopsgezinden, zoo waren toch vele leden dier
gemeenten genoodzaakt hun land te verlaten. En waarheen zouden zy
gereeder uitwyken dan naar de naburige noordelike Nederlanden, waar
de herformde kerk heerschte, en waar men die verdrevenen, die veelal
welgestelde, neringdoende en nyvere burgers waren, geerne eene gastvrye
ontfangst bereidde! Deze zaak is d'oorzaak dat zoo menig doopsgezind
geslacht ons heden ten dage in zynen geslachtsnaam nog zyne afkomst
uit Neder-Rijnland vertoont,--dat juist zulke geslachtsnamen aan
nederrijnsche plaatsnamen ontleend, veelvuldig onder onze doopsgezinde
landgenooten voorkomen. Zie hier eenigen daar van: Van Calcar, Van
Gelder, Van Goch, Van Gulik, Van Cleeff, Van Meurs, Van Rees, enz. Ook
Van Bracht (tegenwoordig nog als Van Bragt voorkomende), zoo als de
schryver heette van het zoogenoemde »Menniste Martelaarsboek", dat is:
Het bloedigh tooneel der doopsgezinde en wereloose Christenen. Bracht
is de naam van een dorp by 't stadje Kempen.

En ook evenzeer als Mennoniten, werden ook Israëliten wel uit
nederrijnsche plaatsen verdreven, en zochten in de Nederlanden een
vrediger verblijf. Of anderszins, toen handel en nyverheid, dus
ook bloei en welvaart in de 17de eeu vooral uit vele nederrijnsche
plaatsen weken, ook al ten gevolge van den uittocht der neringdoende
Herformden naar de Nederlanden, toen trokken ook de Joden uit,
om hier een neringryker oord te vinden. En zoo is het gekomen dat
wy zulke namen als Van Kleef en Van Cleef, Van Gelder, Van Goch, Van
Creveld, Van Wezel (met Emrik, Kalker, zie § 73), enz. by verschillende
israëlitische geslachten in Nederland aantreffen. Maar ook buitendien
nog schijnt het dat vele ingezetenen der stadjes Xanten, Calcar, Goch
naar Nederland gingen wonen. Immers de geslachtsnamen Van Santen, Van
Sante, Van Zanten, Van Zante, Van Calcar, Van Kalker, Van Kalkert,
Van Kalkeren (ook het enkele Kalker), Van Goch, Van Gogh, Van Gog,
enz. in allerlei verschillende spellingen, komen zeer veelvuldig
voor. Zy worden in talrijkheid echter nog verre overtroffen door
voormalige ingezetenen van het stadje Gelder, wier nakroost met de
geslachtsnamen Van Gelder, Van Gelderen, Van Geldre, Van Geldern,
Van Geldere, Van Ghelder buitengewoon talrijk is onder ons. De
geslachtsnamen De Gelder, De Gueldre, De Ghelder en De Gheldere,
in de beide laatste formen vooral ook in Vlaanderen voorkomende,
houd ik voor verfranschte formen van Van Gelder, te meer wijl ik
reden heb te vermoeden dat het noordnederlandsche geslacht De Gelder
uit Vlaanderen in Holland is komen wonen, terwijl het westvlaamsche
geslacht De Gheldere nog het oude wapen van Gelre als geslachtswapen
voert. Maar de friesche geslachtsnamen Gelderda, Geldra en Geldersma,
evenmin als Gelders, elders in de Nederlanden inheemsch, hebben niets
te maken met den plaatsnaam Gelder of Gelre. Deze namen zijn ontleend
aan den oud-germaanschen mansvóórnaam Gelder, Gelther.

§ 82. Minder talrijk dan de geslachtsnamen aan plaatsnamen in
Neder-Rijnland ontleend, zijn onder ons die maagschapsnamen welke
samengesteld zijn uit eenen westfaalschen plaatsnaam en het voorzetsel
van. En toch hebben Westfalingen volstrekt niet in kleiner aantal dan
Neder-Rijnlanders zich in de Nederlanden neêrgezet. Als slachters
en bakkers, als bierhuishouders, vooral ook als handelaars in
kleedingstoffen, met hunne talryke knechts, kellners, kantoor-
en winkelbedienden en reizigers, zijn de zonen van de »Rothe
Erde" rykelik onder ons vertegenwoordigd. Maar deze »Felingen"
(zie bl. 191) kwamen meest allen in lateren tijd hier wonen dan de
Neder-Rijnlanders. Zy kwamen toch in den regel om den broode, niet
om gewetensvryheid. Immers behooren zy grootendeels tot de roomsche
kerk. Zy kwamen meest in de vorige en vooral ook in deze tegenwoordige
eeu--hunne scharen stroomen ons nog steeds toe; en zy brachten dies
hunne geslachtsnamen reeds kant en klaar mede. Zoodat ons volk geene
reden had om hen te noemen naar hunne plaatsen van herkomst--ook al
ware dit na den jare 1811 nog mogelik geweest.

Eene uitzondering maken d' inwoners van de graafschap Benthem, welke
landstreek tot Westfalen gerekend wordt. Dezen zijn hooftsakelik
Herformden, en de nederlandsche taal was tot diep in deze eeu
hunne kerktaal, ja, is dat by sommige gemeenten, even als in
Oost-Friesland, nog heden. Van daar dat er steeds veel betrekking
over en weêr tusschen deze landstreek en onze Nederlanden bestond,
't welk ook al mede aanleiding gaf (met den grooten hollandschen
magneet, welvaart en rijkdom, handel en nering) om Bentheimers, in
onze noordelikste gewesten als »Graafschappers" bekend, hier heen te
doen trekken. Over de oorbeeldig nederlandsche geslachtsnamen dier
Bentheimers zal verder in dit werk gehandeld worden; zie § 159.

Zie hier eenige nederlandsche geslachtsnamen aan westfaalsche
plaatsnamen ontleend. De veelvuldig voorkomende naam Van Munster
moet in d' eerste plaats genoemd worden. En dan Van Bekkum (stadje
by Munster), Van Byleveld (Bielefeld, zie bl. 211), enz. [119] En
aan bentheimer plaatsnamen ontleend zijn dezen: in d' eerste plaats
de talrijk voorkomende namen Van Bentheim, Van Benthem, Van Bentem,
Van Bentum; verder Van Noothoorn (Noordhoorn, Nordhorn, stadje aan
onze twentsche grens), Van Veldhuizen met Van Velthuyse (Velthuizen,
Velthusen, thans ook Velthausen genoemd, dorp in die landstreek),
enz. [120]

§ 83. De Oost-Friesen zijn, wat de talrijkheid van hun volk betreft,
veel geringer dan de Westfalingen en de Neder-Rijnlanders. Niettemin
is het getal der Oost-Friesen, die zich voor en na in de Nederlanden
gevestigd hebben, niet geringer dan het getal van onze andere
oostelike buren. Vooral ook in onze noordelike gewesten, onder
hunne stamgenooten, hebben zich de Oost-Friesen steeds in grooten
getale neêrgezet. De omstandigheid dat de Oost-Friesen zich steeds,
tot diep in deze eeu, tot de Nederlanders in 't algemeen, tot
hunne volksgenooten bewesten Eems en Lauers in het byzonder voelden
aangetrokken, veel meer dan tot Duitschers--dat ook de Oost-Friesen met
de Nederlanders in volkstaal, zeden, bronnen van bestaan, godsdienst,
enz. ten nausten verbonden zijn, droeg veel daar toe by. En ook boden
de bloeiende nederlandsche gewesten den Oost-Friesen meer uitzicht op
welvaart aan dan hun eigen land deed, vooral ook meer dan de duitsche
landstreken achter hun gewest gelegen.

Uit deze talrijkheid van Oost-Friesen in de Nederlanden, zoude men
mogen besluiten dat geslachtsnamen uit oostfriesche plaatsnamen
met het voorvoechsel van samengesteld, ook talrijk onder ons zouden
moeten voorkomen. Dit is echter het geval niet. Zulke namen zijn er
wel, maar geenszins in die mate als men uit het bovenvermelde zoude
mogen afleiden. Dat komt omdat de Oost-Friesen de zelfde friesche
vóórnamen dragen als de nederlandsche Friesen en als allen die in de
Nederlanden van frieschen stam zijn. En omdat de Oost-Friesen van ouds
ook juist de zelfde oud-friesche wyze volgden om van hunne vóórnamen
patronymika te formen, die dan later tot vaste geslachtsnamen werden,
even als dit hier, bewesten Eems, het geval was en is. Zoo hadden dus
de nederlandsche Friesen, de Groningerlanders, enz. geene redenen
om aan de Oost-Friesen die zich onder hen vestigden, nieue namen,
afgeleid van de plaatsen hunner herkomst, te geven. Immers droegen
die Oost-Friesen reeds soortgelyke, of ook geheel gelyke, ten deele
ook volkomen de zelfde namen, patronymika en andere geslachtsnamen,
als de nederlandsche Friesen. Zoo treft men ook thans nog in
onze noordoostelike gewesten en in de noordwestelike streken van
Duitschland, voor zoo verre er oost en west van de Eems Friesen
wonen, of lieden van frieschen stam, geheel de zelfde geslachtsnamen
aan. Op deze gelijkheid van geslachtsnamen in Oost-Friesland en in
de Nederlanden in 't algemeen, in het nederlandsche Friesland in het
byzonder, zal ik verder in dit werk nog gelegenheid hebben nader te
rug te komen. Zie § 160.

Nederlandsche geslachtsnamen, met van er voor, aan oostfriesche
plaatsnamen ontleend, zijn de volgenden. In de eerste plaats moet
hier de geslachtsnaam Van Emden genoemd worden, die, met Van Embden,
Van Emde, Van Embde (en het eenvoudige Emden, Emde), enz. nog al
talrijk en algemeen onder ons voorkomt; ook onder onze israëlitische
medeburgers. Emden trouens is ook niet slechts de voornaamste en
volkrijkste der oostfriesche steden, maar de bewoners van die aloude
Eemsstad hebben ook steeds de nauste betrekkingen met de Nederlanden
onderhouden. Verder Van Aurich en Van Aurick, Van Bingum, Van Borssum,
enz. [121]

Het schijnt dat vooral ook Israëliten uit Oost-Friesland zich in de
Nederlanden hebben gevestigd. Immers treffen wy onder hen, behalven
Van Emden, ook de geslachtsnamen Van Geuns, Van Leer en Van Norden
aan. Geuns is de nederlandsche form van den naam van het oostfriesche
stedeke Gödens of Neustadt-Gödens, welke naam door d' Oost-Friesen
zelven ook als Gööns of Geuns uitgesproken wordt. Hier behoort de
geslachtsnaam Van Goens (oe = ö = eu) ook genoemd worden, die even eens
aan dit oostfriesche stadje ontleend is. De bekende Gouverneur-Generaal
van Neêrlandsch Indië, Ryklof Van Goens was dan ook een Oost-Fries,
even als zijn ambtsvoorganger Gustaaf Willem Van Imhoff, en, zoo als
Arends zeit: »entweder im Gödenschen oder zu Leer geboren." [122] En
dat het juist eene doopsgezinde en eene israëlitische maagschap is,
die beiden den geslachtsnaam Van Geuns dragen, is ook niet zonder
beteekenis. Het stadje Geuns toch was oudtijds eene byzondere stede,
waar lieden van allerlei godsdienst en kerk mochten wonen en vryelik
hunne geloofsplechtigheden verrichten. Iets wat in andere oostfriesche
plaatsen ('t en zy dan Emden) niet, of althans niet in die mate
geoorloofd was.


§ 84. Na al deze namen aan buitenlandsche plaatsnamen ontleend,
zijn thans de geslachtsnamen, geformd met het voorzetsel van, uit de
namen van nederlandsche steden, dorpen en gehuchten, noord en zuid,
aan de beurt om hier besproken te worden. Byzonderheden leveren deze
geslachtsnamen weinig op. Ook eischen zy, uit den aard der zake,
voor den nederlandschen lezer geenen naderen uitleg. Zulke namen
toch als Van Groningen, Van Vlissingen, Van Gent, Van Leuven zijn
voor iedereen duidelik, en gemakkelik verklaarbaar. Wijl ik in dit
werk van alle groepen en soorten van geslachtsnamen die ik bespreek,
voorbeelden heb aangevoerd, wil ik ook hier eenigen van die namen
opnoemen, ofschoon het eigenlik onnoodig is, want ieder een kent ze
voldoende. Van Dokkum, Van Oosterzee, Van Leens, [123] enz.


§ 85. Het aantal dezer geslachtsnamen, in de Nederlanden inheemsch,
is verbazend groot. Geformd van plaatsnamen uit alle gewesten, treft
men ze in al onze provinciën menigvuldig aan. Toch is de verspreiding
dezer namen over alle deelen des lands geenszins gelijkmatig. Zeldzaam
zijn zy nergens; maar in de noordelike en oostelike gewesten komen
ze betrekkelik weinig voor. Hoe zuideliker van Friesland en Groningen
en noordelik Noord-Holland men komt, hoe talryker men ze ontmoet. Het
grootste deel is te vinden in de middelste streken der Nederlanden, in
westelik en zuidelik Gelderland, in het Sticht van Utrecht, zuidelik
Noord-Holland, Zuid-Holland en Noord-Brabant. Het allermeeste in
getal treft men deze namen aan in de groote hollandsche steden, daar
by te Utrecht, Arnhem, enz; vooral ook te Rotterdam. Nog zuideliker,
in Zeeland, de beide Vlaanderen, Antwerpen, Zuid-Brabant, Limburg,
treden ze weêr meer op den achtergrond, ofschoon zy in deze gouen toch
nog veel talryker zijn dan in Friesland, Groningen, Drente, noordelik
Noord-Holland, Overijssel, noordelik en oostelik Gelderland. In 't
algemeen kan men zeggen dat zy onder de frankische bevolking meer
voorkomen dan onder de friesche en saksische. In de noordelikste
zoowel als in de zuidelikste gewesten treden de vadersnamen meer
op den voorgrond. In Friesland daarenboven worden zy nog vervangen
door sommige geslachtsnamen op a uitgaande en die van plaatsnamen
geformd zijn. En dáár en in Noord-Holland benoorden 't Y ook door
de plaatsnamen op zich zelven, zonder eenig voor- of achtervoechsel;
b. v. Dokkum, Deinum, Wydenes, Medemblik.

De plaatsnamen van alle nederlandsche landstreken hebben niet in
de zelfde mate bygedragen tot het formen van de geslachtsnamen hier
omschreven. Die welke van plaatsnamen uit de noordelike gewesten van
ons land geformd zijn, komen niet zoo veelvuldig voor als die welke
samengesteld zijn met plaatsnamen uit de middelste gedeelten van
Nederland. Velen vooral zijn ontleend aan de talryke noordbrabantsche
plaatsnamen. Die in eene onzer groote hollandsche steden woont,
neme eens eene uitvoerige landkaart van Noord-Brabant voor zich, en
zie eens hoe velen van de plaatsnamen daar op voorkomende, oorsprong
gegeven hebben aan geslachtsnamen van personen uit zyne omgeving,
of die hy anderszins by name kent.

Uit der mate talrijk zijn in de noordelike Nederlanden de
geslachtsnamen Van Staveren en Van Hinlopen, met Hinlopen, Hinlópen,
Hinloope, enz. verspreid. Zoo talrijk dat het getal dergenen die
deze geslachtsnamen dragen ongetwyfeld veel grooter is dan het getal
der inwoners van die friesche stadjes. De reden hier van ligt voor
de hand. Staveren en Hindeloopen zijn in vorige eeuen bloeiende,
nering- en volkryke steden geweest. Vooral Staveren, d' aloude friesche
hoofdstad, was in de middeleeuen eene belangryke handelsstad, vol volk
en rijkdom. Maar toen de handel zich van daar verplaatste, vooral naar
Enkhuizen en Amsterdam, welke steden aan den ondergang van Staveren
al mede hunne opkomst te danken hebben, en toen de welvaart uit den
frieschen Zuidhoek verliep, toen verlieten ook vele inwoners die
plaatsen en vestigden zich elders, waar zy al licht van anderen den
toenaam: Van Staveren of Van Hinlopen, enz. kregen, en die toenamen
als geslachtsnamen behielden.

Zeer talrijk zijn in Holland en elders in de noordelike gewesten
ook de geslachten die de namen Van Son en Van Zon, Van Os, Van Oss
en Van Osch voeren. Zekerlik wonen er daar meer lieden die Van Son
of Van Zon heeten, dan het geheele dorp Son inwoners telt. Wat de
reden is dat zoo vele ingezetenen uit die noord-brabantsche plaatsjes
hunne geboorteplaats verlaten en zich elders gevestigd hebben, is my
niet bekend.

De geslachtsnamen Van Belkum, in Friesland voorkomende, en Belkom,
zijn ontleend aan den naam van het dorp Berlikum in Friesland, welke
naam door de friesche stedelingen als »Belkum" wordt uitgesproken,
terwijl hy in de eigenlike friesche taal »Berltsum" (spreek uit:
Beltsum) luidt. Maar de geslachtsnaam Van Berlekom is aan den naam
van het noord-brabantsche dorp Berlikum ontleend.


§ 86. Het is bekend dat vooral in de 16de eeu zeer vele nyvere burgers
uit Vlaanderen en andere zuid-nederlandsche gewesten, ten deele om
geloofsvervolging te ontgaan, ten deele ook aangelokt door den bloei
en de welvaart der noordelike, van het spaansche juk bevryde streken,
zich in grooten getale alhier, vooral in het eigenlike Holland,
hebben neêrgezet. Vele antwerpsche en brugsche kooplieden trokken naar
Amsterdam, vele kunstenaars (schilders) en nyveren (spinners, wevers),
naar Haarlem en Leiden. Dien ten gevolge treffen wy nog heden in het
Noorden zoo vele geslachtsnamen aan, die afgeleid zijn van plaatsnamen
in het Zuiden. B. v. Van Aerschot, Van Beveren, Van Bree. [124] En de
talrijkheid dezer geslachtsnamen staat nog in geen de minste verhouding
tot de duizenden van Zuid-Nederlanders die zich in het Noorden hebben
neêrgezet, omdat het grootste deel dezer Vlamingen en Brabanders reeds
vaste geslachtsnamen had, vóór zy zich hier vestigden. Voor zoo verre
het protestantsche, vooral ook doopsgezinde geslachten zijn, die deze
geslachtsnamen, aan zuid-nederlandsche plaatsnamen ontleend, voeren,
dagteekent het verblijf dezer maagschappen in de noordelike gewesten
reeds uit het laatst der 16de en het begin der 17de eeu. Men herinnere
zich hier de afsonderlike gemeenten van »Vlaamsche Mennisten," die tot
in het laatst van de vorige eeu in vele noord-nederlandsche steden
bestaan bleven. Ook de Vlamingstraat te Haarlem, waarschijnlik ook
wel die in andere hollandsche steden (den Haag? Delft? Leiden?),
draagt haren naam naar de Vlamingen, die zich aldaar met der woon
vestigden. Dat er echter ook reeds vóór de kerkherforming Vlamingen
in Holland waren komen wonen, blijkt b. v. uit de »Informacie up den
staet van Hollant", bl. 281, waar wy reeds in 1514 eenen »Jan Van
Beveren" vinden als inwoner van het dorp Sassenheim, by Leiden.

De maagschapsnaam Van Bergen-Henegouwen is zeer naukeurig van form,
en moet geenszins als een dubbelde naam beschoud worden. Immers
draagt Bergen (Mons), de hoofdstad van de Henegou, dezen toenaam
ter onderscheiding van zoo menige andere bekende plaats die eveneens
Bergen heet; b. v. van St. Winox-Bergen in Vlaanderen, Bergen-op-Zoom
in Brabant, Bergen in Kennemerland, Bergen in Noorwegen, enz.

Geslachtsnamen ontleend aan plaatsnamen uit het fransche gedeelte
van Vlaanderen komen ook geenszins zeldzaam in Noord-Nederland
voor. Zie hier eenigen: Van Belle, Van Grevelingen, Van Duynkerken,
[125] met het enkele Duinkerken, enz.

§ 87. Omgekeerd komen er in Zuid-Nederland geslachtsnamen voor,
die ontleend zijn aan plaatsnamen uit de noordelike gewesten. Maar
dezen zijn daar toch niet zoo talrijk als hunne tegenhangers in het
Noorden zijn, wijl er zich nooit zooveel Noorderlingen in het Zuiden
gevestigd hebben, als omgekeerd. De volgende namen, die deze groep
formen, zijn my bekend: Van Biervliet, Van Delft, Van Dieren. [126]
De namen Van Tilborgh echter, Van Biervliet en Van Yzendijk mogen hier
eigenlik niet gelden. Immers de noordbrabantsche stad Tilburg en de
stadjes Biervliet en Yzendijk in Zeeusch-Vlaanderen, behooren slechts
in staatkundigen, geenszins in geschiedkundigen en volkenkundigen
zin tot Noord-Nederland.

§ 88. Natuurlik zijn er onder de maagschapsnamen, tot deze groep
(plaatsnamen met van er voor) behoorende, ook eenigen waarvan de
oorsprong in sommige opzichten duister is, of naderen uitleg noodig
heeft. Sommigen dezer namen toch zijn ontleend aan de namen van kleine,
weinig bekende plaatskes, gehuchten, enkele huizen, enz. Ook zijn er
die verbasterde naamformen vertoonen, waar door de oorspronkelike
naam van de plaats, die aan zulken geslachtsnaam oorsprong gaf,
haast onkenbaar geworden is. Of eindelik, de plaats zelve, wier naam
nog in eenen maagschapsnaam voort leeft, is reeds van den aardbodem
verdwenen. Als voorbeelden kunnen in de eerste plaats gelden de
geslachtsnamen Van Akendam, Van Houweninge met Van Houweningen, Van
Munnikreede met Van Munnekrede, De Rommerswaele met Remmerswaal,
enz. Voor weinige jaren lag nog even benoorden de stad Haarlem,
vlak voor de Nieue- of Kennemerpoort aldaar, een gehucht onder het
kennemerlandsche dorp Schoten behoorende, en dat den naam van Akendam
droeg. De geslachtsnaam Van Akendam is er aan ontleend. Thans is, door
uitbreiding der stad Haarlem, en door verandering der grensscheiding
tusschen de gemeenten Haarlem en Schoten, dat gehucht geheel
verdwenen. De haarlemsche straat die den naam van Schoterweg draagt,
met het Frans-Hals-plein en de Frans-Hals-straat, nemen volkomen de
plaats in van het oude Akendam.--Houweningen was de naam van een der
zuidhollandsche dorpen, die by den tweeden Sint-Elisabeth's vloed, ten
jare 1421, overstroomd werden, en sedert verdronken gebleven zijn ter
plaatse waar thans de Biesbosch is.--Munnikreede was in de middeleeuen
een vlaamsch stedeken, gelegen by Damme tusschen Brugge en Sluis. Het
is thans volkomen verdwenen. [127]--En Rommerswaele, ook Roemerswaal
en Reymerswael, was eene zeeusche stad aan den noordeliken wal van het
eiland Zuid-Beveland gelegen, maar in de 17de eeu langzamerhand geheel
verzwolgen door de ongebreidelde stroomen der Ooster-Schelde.--De
geslachtsnamen nog heden in wezen, houden de herinnering aan deze
oude plaatsen levendig. De Rommerswaele (de naam is eigen aan een
zuidnederlandsch geslacht) is een verfranschte form. Zie § 165.

Van Bakkenes. Deze geslachtsnaam is ontleend aan den naam van het
dorp Bakenes, dat in de middeleeuen benoorden de stad Haarlem lag,
aan het Spaarne, maar dat reeds in d' eerste helft der 14de eeu
tot Haarlem is binnengevest. De oude dorpskerk van Bakenes, nog
onder den naam van Bakenesserkerk bekend en in gebruik, staat nog
heden ten dage binnen de Spaarnestad, en de Bakenessergracht, d'
oude grensscheiding tusschen dorp en stad, is daar nog aanwezig. Het
volk te Haarlem spreekt nog steeds »Bakkenes" in plaats van Bakenes,
en deze volksuitspraak beeldt de geslachtsnaam ook af.

Eenige geslachtsnamen zijn ook byzonder, omdat zy ontleend zijn
aan de namen van middeleeusche sloten of kasteelen, die voor het
grootste gedeelte geheel verdwenen zijn, of nog slechts als min of meer
belangryke bouvallen bestaan. Zijn de dragers dezer namen in der daad
nog afstammelingen van de oude edellieden, die deze sloten of burchten
gesticht hebben en bewoond, dan vervalt de byzonderheid. Maar dit komt
betrekkelik zelden voor. Meestal zijn het onadellike verwantschappen,
die deze oude namen voeren, omdat een hunner voorouders, die eerst
dien naam als een toenaam aannam, toevallig op de eene of andere wyze,
als hoorige of dienstman of pachter, aan dat oude huis verbonden
was, of misschien ook slechts op het grondgebied daar van geboren
was. Wy willen slechts een paar van deze geslachtsnamen vermelden;
Van Brederode en Van Teylingen.

Indien de hedendaagsche dragers van den naam Van Brederode in der
daad afstammelingen zijn der aloude graven van Brederode, gelijk wel
beweerd wordt, zoo is deze geslachtsnaam zeker minder byzonder, dan
waneer hy enkel ontleend is aan den naam Brederode, als plaatsnaam,
als naam van het stamslot van dat oude geslacht van hollandsche
edelingen. Dat kasteel, sedert de 15de eeu in verval, ligt reeds sedert
de 16de eeu als een schilderachtige bouval in het schoonste oord van
Haarlems heerlike omstreken. Het geslacht Van Brederode is dan ook
te Haarlem gezeten. Het woord Brederode wordt in den haarlemschen
tongval als Breêroô uitgesproken: van daar dat een ander haarlemsch
geslacht den naam Van Brero draagt. Tegenhangers van den naam Van
Brederode zijn de geslachtsnamen Van Teylingen en Van Hoogteilingen,
die eveneens door burgerlike geslachten in Holland gevoerd worden,
en afgeleid zijn van het oud-adellike slot Teylingen, dat sedert eeuen
reeds in puin ligt by het dorp Sassenheim tusschen Haarlem en Leiden.

§ 89. Een byzondere geslachtsnaam is ook nog Van Bredael (het
enkelvoudige Bredael komt ook voor), die te Antwerpen nog al
veelvuldig voorkomt. Bredael was in vroegere tyden, hier en daar in
de Nederlanden, de volksuitspraak van den naam der stad Breda. Een
huis op de Roozegracht te Amsterdam, in de laatste helft der 17de eeu,
heette: »Het schip van Breda"; zeker in herinnering aan het turfschip
van Breda, waarmede Prins Maurits by verrassing het kasteel van Breda
innam. Een feit uit de vaderlandsche geschiedenis, by ons volk zoo wel
bekend. De doodgraver van de Westerkerk te Amsterdam, die den naam
van dit huis eens in zijn grafboek schryven moest, schreef echter:
»'t schip van Bredael" (eigenlik schreef de man, die al zeer slecht ter
penne was: »sep van Bredael."). [128] Die byzondere uitspraak van dezen
brabantschen plaatsnaam was dus oudtijds ook te Amsterdam in zwang.

De geslachtsnaam Van Wensveen is ontleend aan den naam van het
zuidhollandsche dorp Waddinksveen, welke naam in de volkstaal
aldus wordt uitgesproken. Van Beusekom, Van Blarcom, Van Deutekom,
afgeleid van de plaatsnamen Beusichem, dorp in Gelderland, Blaricum,
dorp in het Gooiland, Deutichem of Doetinchem, stadje in Gelderland,
kunnen naueliks voor verbasteringen gelden, omdat de volksmond deze
plaatsnamen gemeenlik alzoo uitspreekt. En dit is eveneens het geval
met de geslachtsnamen Van Bruyssel, Van Bruysselen en Van Bruyssele,
Van Beem en Van Tertholen, die ontleend zijn aan de namen van de
stad Brussel, van het dorp Bedum in Groningerland, en van het stadje
Tolen in Zeeland. Deze namen luiden in de wandeling Bruessele (by de
Zuid-Nederlanders), Beem en Ter Tolen. By dezen laatsten naam, even
als by Ter Goes, Ter Gou en misschien ook Ter Mei, in plaats van Goes,
Gouda en Ameide, heeft de volksmond den vollen oorspronkeliken naam
behouden. De geslachtsnaam Van ter Tholen of Van der Tholen komt ook
in samengetrokkenen form voor, als Vertholen.

§ 90. In vorige tyden, in de 16de en 17de eeu vooral, toen de
geleerden hunne namen verlatynschten, heeft men het voorzetsel van
by de geslachtsnamen die daar mede waren samengesteld, ook in ab of
a omgezet, en op die wyze getracht deze namen althans eenigszins een
geleerd voorkomen te geven. Overeenkomstig de regelen der latijnsche
taal gaf men het voorzetsel van door ab terug, als het daarna volgende
woord met eene klinkletter begon (Ab Utrecht), en door a waar dit niet
het geval was (A Brakel). Ook voor eene h zette men ab, om dat men
deze letter althans als half stom beschoude (Ab Huisen). Men schreef
deze a veelal met een teekentje, als à, en doet dit nog wel. Waarom
is my niet recht duidelik; goed Latyn is het niet.

Onder de nederlandsche geleerden van de 16de en 17de eeu en ook nog
onder hunne nakomelingen in de 18de eeu, treft men menigvuldig zulke
geslachtsnamen met ab en a aan. Zie hier eenigen van die namen, die
voor zoo verre my bekend is, thans uitgestorven zijn: † Ab Andringa,
† A Besten, † A Biler, † A Bolswert, en (men schreef die a gewoonlik
klein) † à Laxten, † à Vullen, † à Mark, † ab Oostbroek, enz. Die oude
geleerden sprongen soms nog al wonderlik om met deze geslachtsnamen,
die eigenlik en oorspronkelik slechts toenamen voor hen waren, naar de
plaatsen hunner geboorte. Johannes Gerhardi à Besten, by voorbeeld,
predikant te Dokkum in 1620, en die dezen toenaam waarschijnlik
droeg naar zynen vader, die dan in het westfaalsche dorp Beesten, by
Osnabrück, [129] zal geboren zijn, schreef zich ook wel à Groninga,
wijl hy een Groninger van geboorte was. En Johannes Fokkes, die
te Holwert, een dorp in Friesland, geboren was, verlatynschte en
vergriekschte zynen naam, sedert hy hoogleeraar was te Franeker
(in het midden der zeventiende eeu), tot Johannes Phocylides ab
Holwarda. Deze man overdreef de zaak buiten dien ook nog. Had hy
zich nog maar eenvoudig ab Holwert genoemd, hy hadde althans niet
dwazer gehandeld dan zoo velen zyner tijd- en ambtgenooten. Maar
hy maakte van den enkelvoudigen naam zyner geboorteplaats ook nog
eenen oud-frieschen genitivus: ab Holwarda is Latyn en Oud-Friesch
te gelijk--eene zonderlinge verbinding!--en beteekent »van van
Holwert!" Dit is eene dubbele dwaasheid.

Slechts zeer weinigen van deze namen zijn tot op onze tegenwoordige
dagen in het leven gebleven. My zijn slechts de volgenden bekend:
A Brakel, (Lycklama) à Nyeholt, A Steringa (Lemke), A Tellinghuis,
(Thomassen) à Thuessink (Van der Hoop), en Ab Utrecht (Dresselhuys).

§ 91. In Friesland komen eenige geslachtsnamen voor, die ware
tegenhangers zijn van de namen die uit het voorzetsel van en eenen
plaatsnaam zijn samengesteld. Het zijn als 't ware vertalingen van
zulke namen in het Oud-Friesch. In het Oud-Friesch namelik wordt
eenig zelfstandig naamwoord door achtervoeging van de letter a in
den tweeden naamval geplaatst. Zie § 44. Zoo ook zet men friesche
plaatsnamen door achtervoeging van eene a in den tweeden naamval;
maakt dus van den plaatsnaam Jellum den geslachtsnaam Jelluma, dat »Van
Jellum" beteekent. Ofschoon deze oud-friesche taalform, in de volkstaal
reeds in de middeleeuen uitstierf, bleef men toch nog lange daar na
op deze wyze geslachtsnamen maken. Zie hier een voorbeeld. Wytse
Foppes was, in d' eerste helft der 18de eeu, een eenvoudig man,
woonachtig in het friesche dorp Dongjum, dat by Franeker ligt. Hy had
geenen eigenen geslachtsnaam. Immers zijn toenaam Foppes was anders
niet als de naam van zynen vader Foppe, in den tweeden naamval;
dus een patronymikon. Zoo lang Wytse Foppes te Dongjum woonde,
was deze eenvoudige naam hem voldoende. Maar toen hy later zich te
Leeuwarden als rekenmeester en instrumentmaker vestigde, had hy eenen
afsonderliken geslachtsnaam noodig, ter onderscheiding van anderen,
die ook deze algemeene namen Wytse Foppes droegen. Ware onze man
een Hollander of andere Nederlander geweest, wis hadde hy zich »Van
Dongjum" genoemd. Nu echter, als Fries, bezigde hy, zeer gepast, ook
eenen frieschen taalform; hy smeedde zich den geslachtsnaam Dongjuma,
dat Van Dongjum beteekent.

Reeds in § 44 van dit werk heb ik uitvoeriger over dezen form van
friesche geslachtsnamen gesproken; ik kom er ook later op terug. Zie
§ 101.

Talrijk zijn deze namen in Friesland juist niet, vooral niet in
vergelyking met de geslachtsnamen die uit eenen plaatsnaam met
het voorzetsel van samengesteld zijn, en ook met die friesche
geslachtsnamen, welke eveneens geformd zijn door achtervoeging van
die oud-friesche a, maar dan achter eenen mansvóórnaam. Zie Een en
ander over friesche eigennamen, in De Vrye Fries, dl. XIII.

De volgende geslachtsnamen, tot deze byzondere groep behoorende,
zijn my bekend: Anjema, Aruma, Baarda, Buruma, [130] van de namen der
dorpen Anjum, Arum, Baard en Burum, alle vier in Friesland tusschen
Fli en Lauers, in de hedendaagsche provincie Friesland gelegen. Maar
er komen, meest in Groningerland, ook geslachtsnamen voor, die op deze
oudfriesche wyze afgeleid zijn van groningerlandsche plaatsnamen;
b. v. Beswerda, van het gehucht Beswert by Esinge; Bieruma, van het
dorp Bierum in Fivelgo; Enuma, van Enum, eene buurt tusschen Loppersum
en het Zand. [131] Dit zijn zeker zeer oude geslachtsnamen die nog
dagteekenen uit den tijd toen men ook nog in deze landstreek, in 't
oude Friesland tusschen Lauers en Eems, de friesche taal sprak. Dus
minstens uit de 16de eeu. Eindelik moet hier nog genoemd worden de
geslachtsnaam Smilda, die op oudfriesche wyze geformd is uit den naam
van het drentsche dorp de Smilde.


§ 92. By den rijkdom van onzen vaderlandschen bodem aan stroomen
en rivieren, enz. is het natuurlik dat er ook vele geslachtsnamen
van ons volk ontleend zijn aan de namen van zulke wateren. Deze
geslachtsnamen zijn in den regel uit zich zelven duidelik genoeg, en
eischen weinig nadere verklaring. Eene eerste plaats onder de namen
der kleine rivierkes in Nederland, neemt de naam A of Aa in. Deze naam
die eenvoudig water, stroomend water beteekent, is aan vele rivierkes
eigen; b. v. aan de Aa by Breda; de Aa by 's Hertogenbosch; de Aa
by Gendringen in Gelderland; de Aa, het bovenpand van den Angstel,
in de provincie Utrecht; de Almelosche Aa in Twente; de Mussel-A
en de Pekel-A in Groningerland, enz. In overeenstemming met het
veelvuldig voorkomen van dezen riviernaam A, komt ook de daarvan
afgeleide geslachtsnaam Van der Aa geenszins zeldzaam voor. Andere
geslachtsnamen, aan riviernamen ontleend, zijn nog: Van der Aar; de
Aar is een stroom die by Alfen uit den Rijn naar de Drecht by Nieuveen
vloeit. Van Amstel; deze naam komt in Holland, vooral in Amstelland en
Kennemerland algemeen voor. Van Berkel; de Berkel is een rivierke dat
te Zutfen in den IJssel valt; maar deze geslachtsnaam kan eveneens
aan het zuidhollandsche dorp Berkel ontleend zijn. Van der Does en
Verdoes; de Does is een stroom by Leiden. [132]

De geslachtsnaam Van Overschelde moge hier ook vermeld worden, al is
deze naam niet rechtstreeks aan den riviernaam Schelde ontleend. Immers
Overschelde is de naam van eene landstreek over, aan den anderen
kant van de Schelde gelegen, even als het Overmaassche over de Maas
ligt. Zoo mede de maagschapsnaam Overeem, van het rivierke de Eem by
Amersfoort afgeleid.

Ook namen van buitenlandsche stroomen en rivieren zijn in Nederland
tot geslachtsnamen geworden; b. v. Van der Hever, Van der Lip met Van
der Lippe en Van Wezer. De Weser is bekend genoeg. De Hever is een
stroom in Noord-Friesland (westkust van Sleeswijk), vóór de stad Husum,
tusschen het eiland Noordstrand en den vasten wal. En de Lippe is een
bekende zijdrivier van den Rijn, in Duitschland.--Omdat de Roer (Ruhr)
en de Aar (Ahr) beiden ook namen van bekende zijdrivieren van den Rijn
in Duitschland zijn, zoo wel als namen van nederlandsche rivieren,
zoo zoude men de op bl. 243 genoemde geslachtsnamen Van de Roer en
Van der Aar ook evenzeer kunnen rekenen tot de geslachtsnamen aan de
namen van buitenlandsche rivieren ontleend.

De maagschapsnaam Jordaan doet aan de bekende rivier in Palestina
denken. Toch geloof ik niet dat deze naam van dien riviernaam afkomstig
is. Mogelik is het dat de oorsprong van dezen naam te zoeken zy
in den naam van die byzondere wijk der stad Amsterdam, welke den
naam van »de Jordaan" draagt. Maar het komt my aannemeliker voor te
stellen dat de geslachtsnaam Jordaan, met de patronymika daarvan,
Jordaans en Jordaens, zynen oorsprong dankt aan den oud-nederlandschen
mansvóórnaam Jorden, die ook in latynschen form als Jordanus, en weer
verkort als Jordaan voorkomt. De geslachtsnamen Jordensz en Jordens
zijn eveneens aan dezen mansnaam ontleend.

§ 93. Een byzonder-friesche form voor deze aan riviernamen ontleende
geslachtsnamen ontbreekt ook al niet. Als zoodanig zijn my bekend de
geslachtsnamen Eemstra, Rynstra (met den onzinnigen form Van Rynstra)
en Scheenstra, afgeleid van de namen der rivier de Eems, van het
stroomke de Ryn (Lemster-Ryn), dat uit het Tjeukemeer komende, by
de Lemmer in de Zuiderzee floeit, en van het rivierke de Scheene, in
West-Stellingwerf, alle drie in Friesland. Men zoude den geslachtsnaam
Diepstra hier ook toe kunnen rekenen, omdat "diep", in de noordelike
gewesten een algemeene naam is voor stroomende waters; het Dokkumerdiep
b. v., het Damsterdiep, het Reitdiep, enz. Zoo ook Deelstra. En tevens
de geslachtsnamen Boornstra en Boonstra, naar de rivier de Boorn
(Boarn, gewoonlik als Boan, Boon uitgesproken); Eestra en Iestra,
naar de (Dokkumer-) Ee, volgens friesche uitspraak Ie (dit woord is de
friesche weêrga van het algemeen nederlandsche A of Aa--zie bl. 242);
Flietstra en Vlietstra, naar het woord fliet of vliet, in Friesland,
als elders, aan eenige wateren eigen; Groustra en Grouwstra, enz. Maar
het is eigenaardiger deze geslachtsnamen afkomstig te rekenen van de
namen der plaatsen die aan deze stroomen liggen, en die daar mede den
zelfden naam dragen. Te weten: van het dorp Oldeboorn, in de wandeling
enkel Boorn (Boan) genoemd; van het dorp Ee of Ie, in Dongeradeel;
van het Vliet, zoo als eene voorstad heet van Leeuwarden, en eene
van Franeker; van het dorp Grou, enz. Zie bl. 206.



B. GESLACHTSNAMEN, ONTLEEND AAN ALGEMEENE AARDRIJKSKUNDIGE NAMEN.


§ 94. Woorden die ter aanduiding dienen van algemeene formen welke
de aardbodem uit nature vertoont (b. v. berg, bosch, meer), en ook
woorden die de wyzigingen aanduiden, welke de hand des menschen
kunstmatig op onzen aardbodem heeft aangebracht (b. v. terp, gracht,
dam), noem ik algemeene aardrijkskundige namen. Ter onderscheiding
van de byzondere aardrijkskundige namen, de eigennamen van landen,
gouen en eilanden, van rivieren en andere waters, steden en dorpen,
heb ik dezen algemeenen naam gekozen, omdat de bovengenoemde woorden
en honderden anderen, overal in ons land gelden waar gelyke formen
van den aardbodem, of gelyke kunstgewrochten gevonden worden, terwijl
de byzondere namen in den regel slechts eene enkele maal voorkomen.

Zeer talrijk zijn de geslachtsnamen die aan deze algemeene
aardrijkskundige namen ontleend zijn. Het zy dan dat zulke namen
uit niets anders bestaan als uit die enkele woorden (b. v. de
maagschapsnamen Dijk, Dam, Berg, Duin)--het zy dat zy nog met
lidwoorden (De Bergh, 'T Felt, De Vyver), met voorzetsels (Van Dam,
Van Duin, Op Meer (Opmeer), Voor Duin (Voorduin)), of met voorzetsels
en lidwoorden beiden (Van den Berg, By de Weg, Ter (dat is: te der)
Meulen) zijn samengesteld. En niet aleen dat de geslachten, die
deze algemeene en eenvoudige namen dragen, veelal talrijk in leden
zijn, maar ook verre weg het grootste gedeelte dezer namen zijn,
elk voor zich, weêr aan talryke, onderling niet verwante geslachten
eigen. Hoevele maagschappen, by voorbeeld, zijn er niet, die de namen
Van den Berg, Van den Bosch, Van Dam, Van Dijk voeren? Te recht moet
men zulke namen algemeene aardrijkskundige geslachtsnamen noemen.

Uit den aard der zaak is de oorsprong en beteekenis dezer
geslachtsnamen duidelik. Ieder een verstaat ze. Ik zal hier dan ook
slechts betrekkelik weinig bladzyden aan de behandeling dezer zoo
talryke namengroep kunnen wyden, en slechts een klein getal van die
namen, als voorbeelden, vermelden. Byzondere of merkweerdige namen
komen er slechts zeldzaam onder voor.

De eenvoudigste geslachtsnamen van deze afdeeling zijn die,
welke slechts uit een enkel algemeen aardrijkskundig woord, zonder
eenig byvoechsel, bestaan; b. v. Akker en Acker, Baan, Beek. [133]
Daarop volgen de algemeene aardrijkskundige namen met een lidwoord er
voor. Dat zijn b. v. De Baan, De Bergh, De Brinke, [134] enz. Winkel,
in den naam De Winkel, meen ik hier in de beteekenis van hoek te
moeten duiden, zie ook bl. 204. Sas, in den naam 'T Sas (het sas),
is het vlaamsche en zeeusche woord voor het algemeen-nederlandsche
woord sluis; in de plaatsnamen Sas-van-Gent, Sas-van-Goes,
Stryensas komt het eveneens voor. Geest, in De Geest en De Gheest,
beteekent een hooge zandgrond, en is in onze noordelike gewesten,
even als in noordwestelik Duitschland, ook in den form gast nog in
volle gebruik. In de geslachtsnamen Van der Geest en Ter Gast komt
dit woord nog voor, even als in Dorregeest, Suydgeest, Brondgeest,
Geestman, enz. Ook in de plaatsnamen Oegstgeest, Uitgeest, Groote-
en Lutje-Gast, Addinga-Gast, enz.

Vervolgens komen d'algemeene aardrijkskundige namen, met het enkele
voorzetsel van er voor. Deze geslachtsnamen zijn veel talryker dan
die welke de beide laatstgenoemde soorten uitmaken. Als voorbeelden
kunnen dienen: Van Acker en Van Ackere, Van Dale en Van Daele,
Van Dam, [135] enz. Lede en het versletene lee in de namen Van
Lede en Van Lee beteekent, even als lei in de namen Van der Lei,
Verleyen en By de Lei, eene (ge)lede, (ge)leide, eene leiding, eene
waterleiding. Uit sommige plaatsnamen, waar dit woord in voorkomt,
blijkt deze beteekenis nog; b. v. uit den naam van 't aanzienlike
gehucht De Leie, onder de gemeenten Het Bilt, Leeuwarderadeel en
Ferwerderadeel in Friesland behoorende, en dat in der daad aan eene
leie, eene waterleiding gelegen is. Rode of rade, in plaatsnamen ook
als rood en raad, raed, roth, rath geschreven en in versletene formen
als rooi, roy, raey en ray, beteekent eene opene plaats in een bosch,
waar de boomen gerood, gerooid, uitgeroeid zijn. Behalven in Van Rood,
Van 't Rood, Van Rooy, Van Rooyen, Van Raey, enz. komt dit oude woord
ook voor in de geslachtsnamen Winderoode, Hopperaadt, enz. en in vele
plaatsnamen, vooral in de zuidelike Nederlanden (om van Duitschland
niet te spreken) als St. Oedenrode, Schelderode, 's Hertogenrade,
in de volkstaal Harkenroth en Herkenraai (waarvan de geslachtsnamen †
Harkenroth en Herckenrath), in het Hoogduitsch Herzogenrath, in het
Fransch Rode-le-Duc, samengefloeid tot Rolduc.--Ooi eindelik in Van
Ooi, Van Oye en Van Oyen is eene verfloeiing van het oud-nederlandsche
woord ode, dat eene woeste, onbeboude, niet ontgonnene plaats beduidt,
ook samenhangt met het hoogduitsche woord oede, woest, eenzaam,
en in vele plaatsnamen voorkomt: Amersode (Ammerzoden, Amersooi),
St-Josse-ten-Ode, gewoonlik verkeerd St-Josse-ten-Noode geschreven,
enz. [136] Zijl eindelik, in Van Zijl, Van Zijll, Van Sijll, Van
der Zijl en Verzijl, Verzeyl, is een verhollandschte form van het
friesche woord sîl, sluis, en komt in vele friesche plaatsnamen voor:
Blokzijl, Tacozijl, Delfzijl, Greetsyl, Hilgenriedersyl, enz. En in
den frieschen geslachtsnaam Zylstra.

In talrijkheid worden de geslachtsnamen met enkel van er voor nog
verre overtroffen door die algemeene aardrijkskundige namen, welke by
dit voorzetsel ook nog een lidwoord vóór zich hebben. Dit voorzetsel
gaat natuurlik het lidwoord vooraf, als Van den, Van de en Van der
('t welk een zeer goede, maar verouderde form is van het verbogene
vrouelike lidwoord) en Van het, dat meestal in samentrekking als Van
't voorkomt. Voorbeelden van zulke geslachtsnamen zijn: Van den Acker,
Van der Baan, Van der Beek, Van der Beeck, Van der Beke, Van der Becke,
[137] enz.

Verder nog: Van den Broek, Van den Broeke, Van den Broecke, Van den
Brouke; broek (brook, broick, bruch) beteekent een laag gelegen,
moerassig, door water gebroken veld. Het woord broek komt in vele
geslachtsnamen, Beerenbroek, Suringbroek, Biesbrouck, Muelenbroock,
Mecklenbroick, Waelbroeck, en in zeer vele plaatsnamen voor. Zie ook
§ 141.

Van den Bilcke en Van den Bulcke; bilk of bulk is een vlaamsch woord
dat een byzonder weiland beteekent, door eene heining, haag of sloot
omgeven en afgesloten. De ossebilk is in Vlaanderen, ten platten lande,
wel bekend. In den geslachtsnaam Van Keersbilck, ook op vlaamsche wyze
geschreven als Van Keirsbilck voorkomende, treft men dit woord ook aan.

Van de Bregge en Van der Breggen is het zelfde als Van de Brug. Bregge
is de friesche form van dit woord, en in de friesche gouen nog in
volle gebruik, ook wel ten platten lande in Holland. Ter Bregge
(dat is: by de brug) is eene buurt aan de Rotte, by Hillegersberg in
Zuid-Holland. Ook in den maagschapsnaam Breggeman komt deze form voor.

Van den Dries. Driesch of dries is een zuidnederlandsch woord, dat
in verschillende gewesten eene eenigszins verschillende beteekenis
heeft. Meestal beduidt het een met gras begroeid stuk land, waar
op boomen staan en waar het vee zynen vryen loop heeft. Zie De Bo,
Westvlaamsch Idioticon, op het woord dries. Men vergelyke ook den
geslachtsnaam Optendrees, in § 96.

Van den Horn en Van den Hoorn; horn, hoorn (herna, horna, herne, horne)
is het friesche woord voor hoek, en, in die beteekenis, in Friesland
nog in volle gebruik. Het komt ook in de geslachtsnamen Dijkshoorn
en Dijkxhoorn, en Droghorn voor, als mede in zeer vele plaatsnamen,
ook buiten Friesland.

Van der Horst. Een horst is een klein, dicht begroeid bosch; de groote
en ruwe nesten der roofvogels noemt men ook wel horst. Dit woord
komt in vele plaatsnamen voor, en niet minder in geslachtsnamen,
als: Horstman, Rouwenhorst, Quellhorst, Selhorst, Borghorst, Ter
Reehorst, enz.

Van der Koogh en Van der Koog met Van der Kaag. Koog, kaag, keeg zijn
allen verschillende formen van een en het zelfde oud-nederlandsche,
meest oud-friesche woord, dat polder beteekent, en als plaatsnaam
niet zeldzaam is (Koog op Tessel, Koog aan de Zaan, de Kaag by
Leiden), ook in Noord-Friesland (Gotteskoog, Ockholmer-Koog,
Langenhorner-Koog). Keegstra is de friesche tegenhanger van Van
der Koog.

Van de Kreke is een zeeusche geslachtsnaam, en kreke, kreek is een
zeeusch woord, het welk een binnenlandsch water beteekent, als een
vliet of wetering, en dat vroeger in den regel met de opene zee in
verbinding stond.

Van der Made. Eene made is een grasveld, dat gemaad, gemaaid wordt,
ten behoeve der hooioogst. In de geslachtsnamen Vermade en Schoonmade
komt dit woord ook voor, en tevens in sommige plaatsnamen (Hoogmade,
Winkelmade).

Van der Meersch, in vlaamsche spelling Van der Meirsch, in versletenen
form Vermeersch, Vermeirsch en zelfs Vermeesch. Een vlaamsch woord is
dit meersch, en het beteekent: het vruchtbare veld dat zich, meestal
als weiland, langs de oevers van beken en rivieren uitstrekt. 'T
is het zelfde woord als mersch en marsch, dat meer in de noordelike
gewesten in gebruik is, en aldaar geldt als tegenstelling van geest,
gast (zie bl. 247). Ook in de noordelike, bepaaldelik friesche
Nederlanden beteekent marsch de vruchtbare landstreek, meestal uit
kleigrond bestaande, aan de oevers der zee en der riviermonden. In
de maagschapsnamen Van der Marsch, Ter Marsch en Overmars treffen wy
dit zelfde woord aan.

Van de Pitte. De vlaamsche en zeeusche form van het woord put is pit
of pitte. In den geslachtsnaam Wullepit komt deze form ook voor.

Van 't Verlaat, Van 't Zet en Van der Zwet zijn maagschapsnamen die aan
de friesche, of in Friesland althans meest gebruikelike woorden verlaat
(dubbele sluis), zet of beter set (veer, overzet over een water), en
zwette, swette (grensscheiding) ontleend zijn. In den geslachtsnaam
Zwetheul komt dit laatste woord ook voor. Deze naam beteekent:
grenssloot, en is tevens als plaatsnaam (in de zuidhollandsche gemeente
Vryenban) in gebruik. Het woord heul, heule, waarvan de maagschapsnamen
Van der Heul en Verheul, misschien ook Verhuel afkomen, heeft in de
gouspraken van sommige nederlandsche gewesten de beteekenis van eene
smalle sloot tot afvoer van water dienende; in de steden ook wel die
van een open riooltje tot afvoer van spoel- en keukenwater. In andere
gewesten, zuidelik Zuid-Holland en Zeeland, beteekent het een klein
bruchje of vonder, dat over zulk eene sloot of waterloop voert.

Van der Wielen en Van de Wiele, met Van de Wiel en het ontaalkundige
Van den Wielen. Een wiel is een klein meerke, in den regel het
overblijfsel van eene overstrooming, meestal gelegen achter dat
gedeelte van den dijk waar de dijkbreuk heeft plaats gehad, en waar
dus het water gewield, in eene kolk gedraaid heeft. De leeuwarder
maagschap Van der Wielen draagt haren naam bepaaldelik naar de meerkes
de Groote en de Kleine Wielen, in Tietjerksteradeel, beoosten de
friesche hoofdstad.

In het oude Antwerpen gaf men aan eenige straat waardoor een water
floeide, en die men in Holland »gracht" noemt, den naam van rui;
b. v. de Suikerrui. In den vlaamschen maagschapsnaam Blockkeruy meen
ik dit woord terug te vinden, al is deze zelfde naam onder den form
Blockerye aan een ander vlaamsch geslacht, en onder den form Van de
Blocquery aan eene in Holland gezetene maagschap eigen.

§ 95. Deze geslachtsnamen, samengesteld uit een algemeen
aardrijkskundig woord met een lidwoord en het voorzetsel Van,
zijn buitengewoon talrijk, en formen met elkanderen eene der meest
kenmerkende groepen van nederlandsche namen. In alle nederlandsche
gewesten zijn zy inheemsch; in de meesten komen zy veelvuldig voor. Dit
is vooral het geval in Holland, Vlaanderen en Brabant.

Het voorzetsel van en het verbogene lidwoord der zijn dikwijls in de
maagschapsnamen samengefloeid tot een enkel woordje ver. Vermeer by
voorbeeld, en Versluys zijn samengetrokken uit Van der Meer en Van
der Sluys. Ook deze groep van geslachtsnamen is zeer talrijk. Die
namen zijn vooral in onze zuidelike gewesten inheemsch, en dáár het
meeste verspreid. Hoe noordeliker in de Nederlanden, in hoe kleiner
aantal deze namen optreden. In de friesche gewesten ontbreken ze. Die,
welke men dáár aantreft, zijn er niet oorspronkelik inheemsch. Als
voorbeelden van deze, op zich zelven meestal onbelangryke namen
mogen hier genoemd worden: Verbaan, Verbeek met Verbeeck, Verbeke
en Verbeken, Verbrugge met Verbruggen, Verbrugghe en Verbrugghen,
[138] enz. Zoo als de aard dezer zake meêbrengt, komen de volle formen
dezer namen, met van der, in den regel nevens de versletene, met ver,
voor. B. v. Verbaan naast Van der Baan, Verkerckhoven nevens Van der
Kerkhove, Verschelde naast Van der Schelden, enz.

§ 96. Het voorzetsel van is geenszins het eenichste, dat als
voorvoechsel dient, by geslachtsnamen aan algemeene aardrijkskundige
namen ontleend. Ook andere voorzetsels treden in dezen rol op, en,
even als van, ook met of zonder lidwoord er by. Maar het getal dezer
aldus samengestelde geslachtsnamen is uit der mate gering, vergeleken
by het zeer groote aantal namen die van by zich hebben.

Die voorzetsels zijn: aan, by, onder, over, te, uit, enz. Zie hier
eenige voorbeelden van geslachtsnamen, die daar mede samengesteld zijn.

Met aan: Aan de Kerk, Aan de Brugh, Aan den Boom en Aen den Boom. Het
voorzetsel aan wordt in de meeste noord-nederlandsche, vooral
hollandsche tongvallen, als an uitgesproken. In dien form komt het
voor in den geslachtsnaam An de Weg.

Met by: By de Beek, By de Kerk, By de Kerke, By de Lei, By den Dijk,
By de Weg; en in Bey der Wellen, dat van hoogduitschen oorsprong
is. Bymholt behoort ook hier toe; want deze naam is eene samentrekking
van Bi 'm Holt, Bi dem Holte, by het hout, anders gezeid: by het
bosch. Nog meer samengetrokken en versleten, als Bimolt, is het ook de
naam van een gehucht aan onze twentsche grenzen, by het bentheimsche
dorp Veldhuizen.

Een tegenhanger van Bymholt is de geslachtsnaam Biederlack (Bi
der Lack, by de lak of lek). Lack of lak (het woord is ook eigen
aan eenige nederduitsche plaatsnamen, b. v. aan Kurslack, een dorp
aan de Elve by Hamburg), lack of lak, laak, leek of lek is de naam
die aan eenig water, meest aan eenen rivierarm toekomt. Het woord
hangt samen met onze woorden lekken en leken, en wordt gegeven
aan een water, dat, by geringe beginselen, als 't ware lekkende,
uit eenen grooteren waterstroom voortfloeit. In onzen riviernaam
De Lek, in den groningerlandschen dorpsnaam De Leek, in den naam
Medemblik of Memelik, zoo als ons volk spreekt, oudtijds Middenleek of
Medemelaca, vinden wy dit woord terug. Bie der Lack, een nederduitsche,
zoogenoemd platduitsche taalform, is, in taalkundig opzicht, een
naam als Bymholt, Bütefür, Lütkebühl, Schöttelndreier, enz. Deze
zijn niet hollandsch, kunnen ter nauer nood nederlandsch heeten,
maar nederduitsch zijn zy zonder tegenspraak. De maagschapsnaam Ter
Laak is de zuiver-nederlandsche tegenhanger van Biederlack.

Met buiten: Buytendijck, Buitendijk, Buitenweerd.

Met binnen: Binnendijck, Binneweg.

Met op: Op den Akker, Op de Beeck, Op den Bosch, Op 't Broek, Op de
Camp, Op de Coul (coul, dat is limburgsche gouspraak voor kuil),
Oppedijk (versleten van Op den dijk), Op 't Einde; Opteynde en Op
den Ende, Op de Hoek, Op den Hoff en Op den Hoof, Op den Kelder,
Op de Kluis, Op 't Land, Op de Ley (zie bl. 243), Op de Macks
(een naam die my duister van beteekenis is), Op de Weerd en Op de
Woerd. De maagschapsnaam Op den Oort komt ook, door verharding
der d in eene t, wegens de voorafgaande p, als Optenoort voor;
ook als Oppenoorth, by geheele wegslyting der d van het lidwoord,
even als in Oppedijk. Buitendien nog, geheel by misverstand en
verbastering, als Op ten Noort. Het woord oort of oord beteekent
in deze namen een meestal lang gestrekt eilandje in eene rivier,
anders gezeid een weert of waard, dat oorspronkelik, met woerd en
wierde en wier, wel een en het zelfde woord als oort zal wezen. De
nederlandsche maagschapsnamen Op den Oort, Optenoort en Oppenoorth
vinden hunne tegenhangers in de hoogduitsche geslachtsnamen Auf 'n
Orte en Aufmorth (eene samentrekking van Auf'm Orth, Auf dem Orth)
en in Aus 'm Weerth, welke namen alle drie van den Boven-Rijn in de
Nederlanden zijn afgezakt. De hoogduitsche en de nederduitsche formen
komen vereenigd voor in den byzonderen, aan een nederlandsch geslacht
eigenen maagschapsnaam Oppenoorth genaamd Auffmorth (zie Haarlemsche
Courant van 20 Juni 1884). Dat overigens deze geslachtsnaam reeds oud
is, bewijst Harman opten Ort, burger der stad Leeuwarden, ten jare 1511
(zie Register van den Aanbreng, dl. I, bl. 35).

De zelfde verharding van d tot t, die in Optenoort voorkomt, vindt
men ook in de geslachtsnamen Optenberg, (oorspronkelik Op den Berg)
en Optendrees, (dat is: Op den Drees, Op den Dries. Aangaande dit
woord drees of dries, zie men bl. 250).

De geslachtsnaam Op den Zieke schijnt wel vreemd. Maar deze
zonderlingheid verdwijnt, als men weet dat er in sommige hollandsche
steden (Haarlem, 's Gravenhage) eene buurt is, die van ouds her het
Zieken of het Zieke heet. Te Haarlem was die buurt in d' onmiddellike
nabyheid van het Stads-Armen- en Ziekenhuis, een gesticht dat in vorige
eeuen byzonderlik gediend heeft om er de melaatschen of leprozen,
volgens middeleeusche spreekwyze de zieken als by uitnemendheid,
te verplegen. Van daar de naam dier buurt, alsof men zeide: ten
zieken of by de zieken. Die buurt is in de laatstverloopene jaren
door aanbou zeer veranderd, en draagt nu den naam van Schootersingel,
Kennemerstraat, enz. Van oude Haarlemers echter kan men nog hooren: »ik
woon op het Zieken." Dit is in nog ouderen form gezeid: Op den Zieke.

De maagschapsnaam Opstelten behoort eigenlik, naar myne meening,
hier ter plaatse niet. Wel is hy samengesteld met het voorzetsel
op, maar stelten schijnt my geen algemeen aardrijkskundig woord
toe. Waarschijnlik is deze naam oorspronkelik wel een bynaam (voor
iemand met lange beenen?) Anders weet ik hem niet te verklaren. Ook
is my de geslachtsnaam Opscholten niet duidelik.

Met onder: Onderwater, Onder den Boom, Ondereyck, Onder de Linde,
Onder de Wijngaard.

Met voor: Voor den Haak (het hoogduitsche Vor der Hake komt ook in
Nederland voor, zoo mede het half-hoogduitsche Vor der Wullbecke),
Voor 't Bosch, Voor 't Hekke, Voorhoeve, Voor der Meulen.

Met achter: Achterberg, Agter den Bosch en Achternbusch, Agterkamp,
Agtereek, dat is: achter den eik.

Met over: Overakker, Overbeek, Overdijk, Overdulve (dulve is
een zeeusch woord voor sloot, gedolven waterloop, of delf in het
Oud-nederlandsch); Overdiep (groningerlandsch deip of diep voor
waterstroom, zie bl. 245); Overeem (zie bl. 244); Overgaauw (over
het rivierke de Gouwe, by Gouda)? Verder Over de Linde (rivierke
in Friesland? of lindeboom?); Overkamp, Overputte, Over 't Veld,
Overvoorde, Over 't Zet (zie bl. 251).

Met met: Mettepenningen (zie § 142 en 168); Met den Ancxt. Deze laatste
zonderlinge maagschapsnaam, in de zuidelike Nederlanden inheemsch,
en door zyne byzondere spelling van hoogen ouderdom getuigende,
valt moeielik te verklaren. Beteekent hy: met den angst? en is hy
dus wellicht oorspronkelik anders niet als de bynaam voor eenen
angstigen, vreesachtigen, bangen man? Zie § 148. Beide deze namen,
met het voorvoechsel met samengesteld, behooren eigenlik in andere
afdeelingen van dit boek vermeld te worden. Immers tot de algemeene
aardrijkskundige namen kunnen zy niet gerekend worden.

Met in: Incoul (in kuil, in den kuil, volgens limburgsche spelwyze en
uitspraak; men treft dezen zelfden form ook aan in den maagschapsnaam
Op de Coul, en, meer verhollandscht, in Leemkoel. Verder Inthof
(beter In 't Hof geschreven); In den Klef (dit klef zal hier wel het
zelfde woord zijn als kleef, kleve, klief, klif, en beteekent dan:
helling van eenen heuvel, eene hellende vlakte), In 't Veld, In de Wey,
In den Berken.

Met uit: Uit de Broeck en Uyttenbroeck (zie bl. 249); Uyttendaele,
Uitterdijk, Uytterhaegen en Uitenhage, Uit den Hoef, Uytterhoeven
en Uyterhouve, Uyttenbogaerdt, Uitenbosch, Uitendaal, Uitterschoot,
Uytenhoudt, Uiterweer. Ook Uyterelst en Uytterelst, in welke namen
het woord elst de beteekenis heeft van elsenbosch, even als in de
maagschapsnamen Van der Elst en Verelst, en in menige plaatsnaam in
verschillende nederlandsche gewesten. Door den infloed der t van uit
is in bovenstaande namen de d van het lidwoord geheel verloren gegaan,
of tot eene t verhard; b. v. Uitenbosch in plaats van Uit den Bosch,
Uitterschoot in stede van Uit der Schoot. Slecht by een paar dezer
namen, by Uyt de Broeck en Uit den Hoef is de volle, oorspronkelike
form bewaard gebleven.

Het woordje uit luidt nog heden in het grootste deel der nederlandsche
gouspraken, even als oudtijds algemeen, als uut (ût); van daar de
byzondere form van den geslachtsnaam Uut het Hooghuis. Dit is een nog
al zonderlinge, onregelmatige naam, wegens den nieuerwetschen form
van het woord huis, dat, in overeenstemming met uut, hier huus had
moeten wezen. Ook in den maagschapsnaam Utenhove vinden wy dit ût,
uut, in plaats van uit. Utenhove is de oude form van dezen naam,
die ook met van er voor, als Van Utenhove voorkomt. In taalkundigen
zin, een onjuiste form. De nieuere form, Uyttenhoven, komt ook als
geslachtsnaam voor. Utermöhlen is een maagschapsnaam, die, blijkens
de öh, van platduitschen oorsprong is; en Utermark waarschijnlik ook.

In de middeleeuen werd het woordje uit, uyt, uut gewoonlik als wt
geschreven, omdat de w oorspronkelik anders niet en is als eene dubbele
u (uu, vv, w); in het Engelsch en in het Friesch heet deze letter dan
ook nog zóó. Mijn vader, geboren in 1796, in zyne jeugd te Leeuwarden
ter schole gaande, leerde aldaar die letter, in het Nederlandsch,
nog dubbeld-ou of ook dobbeld-ou (met den klank van het woord rouw)
noemen; en omstreeks 1815 werd in het zeeusche stadje ter Goes der
jeugd nog geleerd de v als uve, de w als dubbeld-uve te noemen. In
vijf hedendaagsche nederlandsche geslachtsnamen komt die overoude
schrijfwyze van uit als wt nog voor. Dat zijn Wtteneng (uit den eng;
eng, ing, enghe is groenland, grasland, weide; zie bl. 43); Wttewaal,
Van Wttberghe, Wtenweerde met Wtenweerden en Wtterwulghe. Wulge
is de vlaamsche form van het woord wilg, zekere boomsoort. Dus is
wtterwulghe, wt der wulghe, uit de wilg, waarschijnlik oorspronkelik
wel de toenaam van eenen man, wiens huis tusschen wilgen verscholen
stond. Deze vijf of zes maagschapsnamen brengen, door hunne overoude
schrijfwyze, het bewijs hunner eerweerdige oudheid mede. Nevens
Wttewaal en Wtterwulghe bestaan ook nog de nieuere formen Uyttewaal,
Uytewaal en Utterwulghe als hedendaagsche geslachtsnamen. Voor lieden
die de oude schrijfwyze van uit als wt niet en kennen, nog ook de
ware uitspraak dezer namen van anderen hebben gehoord, levert deze
uitspraak moeielikheden op. Velen weten niet wat zy daar van maken
zullen. Zy denken dan dat het eene schrijffout is, dat er eene letter,
b. v. eene i uitgevallen is, tusschen de w en de t weg, en spreken
Wttewaal dan als Wittewaal uit. Deze uitspraak kan men dikwijls van
oningewyden hooren. En deze geheel verkeerde uitspraak is zelfs wel
in de schrijftaal overgegaan. Nevens Wtterwulghe en Utterwulghe is
er ook een tak van dit aloude zuidnederlandsche geslacht, dat zynen
naam als Witterwulghe schrijft. Het komt my waarschijnlik voor dat de
geslachtsnaam Wittenrood zijn ontstaan ook aan zulk een misverstand
en misspelling heeft te wyten, en dat hy oorspronkelik Wttenrood,
Wtenrode (uit den rode--zie bl. 248) geweest zy.

§ 97. In het belangryke werk van Jos. Habets, De Wederdoopers te
Maastricht (Roermonde, 1877), wordt op bl. 213 de naam genoemd
van eenen limburgschen Wederdooper, die in d' eerste helft der
16de eeu leefde. Die naam staat daar vermeld als Arnold in gen
Esschenbroek. En deze by- of toenaam in gen Esschenbroek heeft
klaarblykelik de beteekenis van: in den Esschenbroek, en duidt dus
aan dat deze Arnold in eene plaats woonde, die den naam droeg van de
Esschenbroek. En in der daad vinden wy nog heden in deze landstreek,
naby 't stedeke Erkelentz, dat tegenwoordig tot Pruissen behoort,
en niet verre van onze limburgsche grenzen by Roermond, een dorpke
dat den naam Essenbruch draagt, en waar onze Arnold de Wederdooper
hoogst waarschijnlik t'huis behoorde of woonde. Alzoo Arnold in den
Esschenbroek werd die man te recht genoemd.--Ja! maar in die oude
oorkonde, door Habets vermeld, staat: »in gen Esschenbroek." Is dat
gen dan eene drukfout voor den?

Geenszins!--»In gen Esschenbroek" is geschreven zooals in die
gouen tusschen Rijn en Mase gesproken wordt. In de verschillende
nederfrankische tongvallen van deze landstreken (Limburg, het oude
Overkwartier van Gelderland, het Land van Valkenburg, van Gulik
en van Kleef, vooral ook te Aken en in d' omstreken van die stad,
en verder aan den Beneden-Rijn, te Bonn, Keulen, Dusseldorp) wordt
de n, als sluitletter van eenig woord of lettergreep, veelal met den
neusklank, als zoogenoemde nasaal-n, dus ongeveer als ng uitgesproken
[139]. Zoo luiden b. v. de woorden: »geeft hem eenen ring aan de hand,
en schoenen aan de voeten," in de dageliksche spreektaal van de stad
Aken: »geft hem 'n reng angen hank, en schong angen puute." Hier
staat dus angen in de plaats van ang de(n), aan de. Zoo luidt ook
het woordje onder te Sittard steeds als onger; oorspronkelik ongder,
maar de d is daar uit gesleten. En zoo sleet ook die d uit angen (ang
den), in bovenvermelden akenschen volzin, en uit ingen (ing den) in
bovengenoemden oud-limburgschen naam. Over 't algemeen slijt de d, in
alle nederlandsche tongvallen, zeer licht weg, en vooral ook na zoo'n
dreunenden neusklank. En zoo is dus werkelik »in gen Esschenbroeck"
eene verkeerde spelwyze voor ing(d)en, in den Esschenbroek.

Nog in eene andere oud-limburgsche oorkonde, van den jare 1447, die
vermeld wordt in Jos. Habets' werk Het vrijdorp Neeritter, bl. 6 en
vervolgens, lees ik: »Onser Heeren heerligheyt uit onsen dorpe (gaat)
al die syder straet langs...... voert te Winckel neven 't feldt op
gen Quaeckmeer, die eyne syde Toeren-heerlyckheyt, die andere syde
Ittereheerlyckheyt; soo voirt op gen Doussenbergh" enz. Op gen staat
hier voor op den.

Aldus geven deze oude oorkonden ons eenen sleutel in de hand ter
verklaring van sommige geslachtsnamen, in Nederland voorkomende, en
die my tot dus verre duister waren en onverklaarbaar. En wis velen
met my, voor zoo verre zy geene Limburgers zijn. Deze geslachtsnamen
zijn: Aengeveld, Angemeer, Aangevoort (aang (d)e Voorde), Aangevaren
(de beteekenis van dezen naam, te Stramprode in Limburg inheemsch,
is my niet duidelik), Angenent (ang(d)en Ent) [140], enz. Ingenbroich
is: in den broich; en broich is de form die tusschen Rijn en Maas
geldt voor broek, brook, bruch, moeras,--zie bl. 249. Behalven in
de geslachtsnamen Mecklenbroick en Hucklenbroick komt dit zelfde
woord ook voor in menigen plaatsnaam in die streken: Grevenbroich,
Hackenbroich, Kleinenbroich. Zoo ligt er in den geslachtsnaam
Ingenbroich tweemaal het bewijs opgesloten dat hy tusschen Rijn en
Maas t'huis behoort. Ingenhousz is: in den huize; housz of hous (huis)
is eene byzonder-limburgsche spelling en uitspraak, even als coul
voor kuil--zie bl. 254 en 256). Door hollandschen infloed komt deze
naam ook voor als Ingenhoes gespeld. Ingenluyff is: in den luif of
luifel, zoo als oudtijds aan de gevels der huizen aangebracht was. De
limburgsche form luif, in plaats van den hollandschen form luifel,
die eigenlik een verkleinform is, is ook eigen aan de friesche
taal. Luif is zonder twyfel ook een oudere en betere form van dit
woord dan luifel; hy stemt volkomen overeen met het vlaamsche love,
het hoogduitsche Laube [141]. In den maagschapsnaam Opgenhaaffe,
op den haaffe, op den hafe, op den have, op den hove, treffen wy nog
den ouden form opgen aan, in bovengenoemde oorkonden aanwezig.

§ 98. Behalven het zoo algemeen voorkomende van, is er geen voorzetsel
dat in ruimere mate deel uitmaakt van geslachtsnamen dan het voorzetsel
te, in verschillende formen, als toe, tot, thoe, en in verschillende
samenstellingen, als ten en ter, thor, tom, enz. Toch bedraagt het
getal dezer namen zeker nog geen duizendste deel van het getal der
namen die met van samengesteld zijn. Deze te-namen kan men beschouen
als antwoord gevende op de vraag die men eenen vreemdeling doet:
»waar woont Gy?" In tegenstelling met het antwoord op de vraag:
»waar komt Gy van daan?" als oorsprong der van-namen. Maar de namen
van bekende, groote plaatsen, 't zy dan van steden of dorpen (landen,
gouen, eilanden natuurlik nog veel minder), komen niet of zelden achter
deze te-namen voor. Het zijn in den regel namen van enkele landhoeven
of van adellike huizen, ook algemeene aardrijkskundige namen, die
achter het voorvoechsel te volgen; b. v. Te Boekhorst, Te Lintum, Ten
Brink, Ter Horst. Meestal is het de naam van een byzonder huis of van
eene byzondere hoeve, die door den bewoner van dat huis of die hoeve,
't zy hy dan eigenaar of slechts bewoner, huurder of pachter daar van
is, als toenaam aangenomen werd, ter onderscheiding, en die later vaste
geslachtsnaam werd. De boer Geert b. v., die in 1684 als eigenaar zat
op het groote en aanzienlike scholten-erve Lintum, by Winterswijk,
wordt in eene oorkonde van die dagen Geert te Lintum genoemd. Die
toenaam bestaat nog heden ten dage als vaste geslachtsnaam. [142]

Verre weg het grootste gedeelte der geslachtsnamen met het voorzetsel
te samengesteld, is oorspronkelik inheemsch in de saksische gouen van
ons land, bepaaldelik van Overijssel en Gelderland. Zie hier eenigen
van die namen als voorbeelden: Te Boekhorst, Te Braake, Te Gempt,
[143] enz. Brake zal hier wel een byzondere (oud-saksische?) form
zijn van het woord broek (zie bl. 249). Het zelfde woord komt voor
in de geslachtsnamen Ter Brake en Ten Brake (het geslacht van dit
woord schijnt aan twyfel onderhevig te zijn); misschien ook in
Braakenburg en Brakenhoff. By de Zuid-Nederlanders komen allerlei
namen in samengetrokkenen form voor, vooral ook als er eene h by in
het spel is; zoo is de geslachtsnaam Te Hollebeeke in die streken
tot Thollebeeke geworden.

Het voorzetsel te werd oudtijds ook wel als the geschreven. Van
daar de geslachtsnaam The Pass, gewoonlik als Thepas geschreven, die
nevens Te Pass voorkomt. In den maagschapsnaam Theepas meen ik dit
zelfde voorzetsel the of te te moeten herkennen, dat door misbegrip
vast onkenbaar geworden is. Maar in den geslachtsnaam Tho Pass is de
oudste form bewaard gebleven. Een ander geslacht voert dezen zelfden
naam in den form Thopas, waar by een oningewyde lichtelik aan zekeren
edelsteen, topaas, kan denken. Pas is een algemeen aardrijkskundig
woord, dat in sommige oorden van Gelderland gebruikelik is in
de beteekenis van boschje, vooral van eene kleine groep boomen,
by elkanderen in een open veld staande. Als men dit weet zijn de
geslachtsnamen Berkenpas en Wilgenpas duidelik van beteekenis. Zoo
ook Uilenpas (pas waar uilen nestelen) en Berenpas, pas waar beren,
bessen, te plukken zijn. Men zal hier wel aan de beren van den brummel-
of braamstruik te denken hebben. Braam is de hollandsche, brommel,
brummel de friesche en saksische form van den naam van deze bekende
plant. Beide naamformen vind men terug in de geslachtsnamen Braamcamp
en Brummelkamp met Brommelcamp. De geslachtsnaam Weerpas is my niet
duidelik, al vind ik er dit woordje pas in. Maar de naam Pasman zal
wel oorspronkelik een toenaam geweest zijn voor eenen man wiens huis
by of in zulk eene pas stond.

Het hedendaagsch-algemeen-nederlandsche voorzetsel te luidt in onze
friesche en friso-saksische gouspraken als to, en werd oudtijds als
tho en ook als thoe geschreven. Dit thoe maakt nog deel uit van enkele
oud-nederlandsche geslachtsnamen, en komt ook voor als vertaling
van het hoogduitsche voorzetsel zu, welks plaats het volkomen
inneemt. Immers de duitsche baron Georg Wolfgang Zu Schwarzenberg
und Hohenlansberg schreef zynen naam als Thoe Schwarzenberg en
Hohenlansberg, sedert hy, in het laatst der zestiende eeu met de
friesche jonkvrou Doed Holdinga gehuwd, zich voor vast in Friesland
met der woon vestigde. En zyne nakomelingen schryven hunnen naam
nog heden aldus. Het adellike friesche geslacht Harinxma was in
twee takken verdeeld, waarvan de eene tak te Sneek woonde en de
andere te Sloten. De leden van die twee takken onderscheidden zich
diensvolgens als (Van) Harinxma thoe Sneek en (Van) Harinxma thoe
Slooten. Laatstgenoemde tak van dit aloude geslacht, en zynen naam
in dezen ouden form, bloeit nog heden in het friesche vaderland. Een
tak van de friesche maagschap (Van) Beyma bezat en bewoonde oudtijds
de Kingmastate te Sweins in Franekeradeel. Dies voerde het ter
onderscheiding, achter zynen geslachtsnaam den toenaam thoe Kingma. By
de hedendaagsche leden van dit geslacht is Van Beyma thoe Kingma nog
de vaste naam.

Deze oude form van het voorzetsel te, zonder h als toe geschreven,
komt nog voor in de maagschapsnamen Toe Bosch, Toe Brugge, Toe Laer,
Toe Poel, Toe Rippel en Toe Reppel (deze twee laatste namen zullen
oorspronkelik wel een en de zelfde geweest zijn), Toe Set (dat is:
bij de overhaal; zie bl. 251), en Toe Water. Laatstgenoemde naam in
de weêrgade van den hier boven vermelden naam Te Water. Omdat men
heden ten dage veelal onkundig is van de beteekenis, van de weerde
van dit oude voorzetsel toe, zoo schrijft men de geslachtsnamen die
er mede samengesteld zijn, gewoonlik als een enkel woord: Toebosch,
Toereppel, Toepoel, enz.

Op bl. 252 is aangetoond dat het voorzetsel van wel met het verbogene
vrouelike lidwoord der samengesmolten is tot het voorvoechsel ver. Dit
is ook het geval met het voorzetsel te en het lidwoord. In dit geval
zoo wel met het verbogene mannelike lidwoord den, als met het verbogene
vrouelike lidwoord der. En deze samenfloeiing van te en den, van te
en der is zelfs regel; regel zonder uitzondering. Immers te den en
te der komen als voorvoechsels by geslachtsnamen niet voor. Maar de
samengefloeide formen ten en ter wel. En geenszins zeldzaam ook. Even
als de maagschapsnamen die door het enkele voorzetsel te voorafgegaan
worden, zoo zijn ook de geslachtsnamen die met ten en ter samengesteld
zijn, meest allen oorspronkelik inheemsch in de saksische gewesten
van Nederland. Tevens ook in de aangrenzende saksische gewesten van
Duitschland (Bentheim, Munsterland). Zie hier eenigen opgenoemd van
de namen die deze groep formen:

Met ten: Ten Brink, Ten Broecke, Ten Geuzendam, Ten Grootenhuysen
[144], enz.

Met ter: Ter Hazeborg, Ter Horst (zie bl. 250), Ter Haar, [145] enz.

Even als thoe nevens toe, zoo komen ook eene enkele maal then en ther
nevens ten en ter voor. Dit is het geval in de geslachtsnamen Then
Berge (naast Ten Berge) en Ther Busch, dat volgens deze schrijfwyze
zeker een zeer oude naam is.

De oude friesche en friso-saksische formen tho, thoe, to, toe komen
ook met het lidwoord samengetrokken als thor en thom, tor en tom
voor. Zulke namen zijn zoo wel aan deze als aan gene zyde van onze
oostelike grensen oorspronkelik inheemsch. Men behoeft ze, wegens hun
eenigermate platduitsch voorkomen, toch volstrekt niet allen over
de grensen te wyzen, al zijn zy juist niet oorbeeldig hollandsch,
en al staat het van sommigen, b. v. van den geslachtsnaam Thorbecke
vast, dat zy over de grensen tot ons gekomen zijn. Slechts in kleinen
getale komen deze namen by ons voor. My zijn bekend: Tombal (to'm Bal),
Tombeyl, Tombergh, Tombrink, Tombrock, Thomputte en Tomputte. Tongronde
is To'n Gronde, to den gronde, aan, by of in den grond of het dal,
en is de weêrga van de friesche geslachtsnamen Grondstra en Grunstra
(zie § 103.) Thorbecke is tho'r Becke, to'r Becke, to der Becke, to
der Beke, by de beek of ter Beke. Deze naam is dus een tegenhanger
aan den eenen kant van het hoogduitsche Zumbach, aan den anderen
van den hollandschen geslachtsnaam By de Beek, met den frieschen
Beekstra. [146] Verder nog: Tor Weele (Torweele) nevens Ter Weele
(weele == wiele, wiel? zie bl. 251), en Thor Westen.

De oude Nederlanders gebruikten tot in deze eeu, in plaats van te,
dit zelfde voorzetsel ook wel in den form tot. Te en tot, dat is
oorspronkelik een en het zelfde woord. Nog omstreeks het midden
dezer eeu schreef men in Friesland wel op naambordjes tot in plaats
van te. B. v. »Abe Elsinga, Schoenmaker tot Warga", een bordje dat
voor de kraam van eenen de markten afreizenden schoenmaker hing. En
nu nog krijg ik wel brieven uit Vlaanderen aan myne t'huisrichting
(een goed nederlandsch, in Vlaanderen gebruikelik woord voor ons
bastertwoord adres): »tot Haerlem." De oorsprong en de beteekenis der
geslachtsnamen met dit tot samengesteld, blijkt hieruit voldoende. Die
namen komen slechts in klein aantal voor. Zy zijn meest aan adellike
geslachten eigen; hoewel niet uitsluitend. De naam die dan achter
tot volgt, is gewoonlik de naam van een slot of ander huis, waarin
het geslacht erfelik gezeten is. (Schuller) tot Peursum, (Hugenpoth)
tot den Beerenclauw, (De Geer) tot Oudegein, (Van Bevervoorden) tot
Oldemeule, (Van Son) tot Gellicum, (Hora Siccama) tot de Harkstede,
en anderen, kunnen tot voorbeelden dienen.

Enkele geslachtsnamen zijn zelfs met meer dan één voorzetsel
samengesteld; b. v. Van in 't Veld (meestal Vanintveld geschreven),
Van over 't Veld, Van Utenhove, Van op Bergh, Van op den Bosch,
Van Wttberghe. Het ontstaan dezer namen is slechts te verklaren als
men aanneemt, dat In-'t-Veld, Op-Bergh, Op-den-Bosch reeds in deze
samengestelde formen als plaatsnamen in gebruik waren, eer men er,
door van er voor te voegen, geslachtsnamen van maakte.

Er zijn ook eenige geslachtsnamen, die slechts uit een bywoord bestaan,
met een voorzetsel (van) daar voor: Van Boven, Van Beneden, Van Onder,
Van Achter, eischen geen verklaring. De geslachtsnamen Achterop en
Voorby behooren hier ook toe. En een enkele geslachtsnaam bestaat zelfs
uit twee voorzetsels en een bywoord daar tusschen; zonder hoofdwoord,
't zy dan een byzondere of een algemeene aardrijkskundige naam. Toch
heeft deze naam eenen goeden zin. Het is de naam Van Ginder-achter.

§ 99. De geslachtsnamen Ten Kate en Ten Cate, hier bovengenoemd,
die geenszins zeldzaam en aan verschillende geslachten eigen zijn,
geven my aanleiding te dezer plaatse eene kleine, byzondere groep van
maagschapsnamen te bespreken. Die groep bevat de namen welke met dit
woord kate zijn samengesteld. Kate of kaat is een nedersaksisch woord,
dat hut of kleine, geringe boerewoning beteekent. Dit woord kate is
oorspronkelik één en het zelfde woord als keet en kot, die beiden in
andere nederlandsche gouen in tamelik gelyke beteekenis in gebruik
zijn. Van dit woord keet is de geslachtsnaam Houtekeet afgeleid,
die in de zuidelike Nederlanden menigvuldig voorkomt, ook onder de
formen Hautekeet, Autekeet, Hautekiet en Houtekiet. Terwijl van kot
de geslachtsnamen Oldenkot, Walkot en Damkot geformd zijn; zie ook
Sevecotius op bl. 207. Verder Van Cooth, Koot, enz. De saksische
form kate schijnt uitsluitend aan Twente eigen te zijn. Daar zijn
de geslachtsnamen, met dit woord samengesteld, ook hooftsakelik,
zoo niet uitsluitend, inheemsch.

Behalven Ten Cate en Ten Kate noem ik hier, als voorbeelden
van deze kate-namen: Barnecaten, Ten Bruggencate, Ten Doornkaat,
Getkate, Haverkate, Losecaat (met den byform Loosekoot, die ook als
maagschapsnaam voorkomt), Van Molecaten, Mokkelenkate, Stekate,
Walkate (met den bovenvermelden byform Walkot) en Wyvekate. Waar
de lettergreep die aan het woord kate voorafgaat, op eene s
eindigt, daar zijn die naast elkanderen komende s en k, sk, tot sch
verbasterd. Deze letterverbinding sk toch, aan onze verschillende
friesche gouspraken en aan de noordsche talen zoo eigen, is volkomen
vreemd aan de saksische en frankische tongvallen der nederlandsche
taal, welke daar voor in de plaats sch hebben. En dien ten gevolge is
de hedendaagsche schrijfwyze ontstaan der geslachtsnamen Ten Doesschate
en Ten Wytschate, uit de oorspronkelike formen Ten Does-kate en Ten
Wyts-kate. Zoo ook de plaatsnamen Colmschate, oorspronkelik Colms-kate,
dorp in Salland (Overijssel), en Wytschate, oorspronkelik Wyts-kate,
dorp in West-Vlaanderen. Zie mijn opstel Wytschaete, in het brugsche
tijdschrift Rond den Heerd, jaargang 1884, bl. 1.

Dat kate en kot oorspronkelik slechts twee verschillende schrijfwyzen
zijn van een en het zelfde woord (men herinnere zich de zware, naar o
zweemende uitspraak der saksische a), blijkt ook uit de geslachtsnamen
Walkot en Walkotten, Haverkotte en Havekotte, die nevens Haverkate en
Walkate voorkomen. In het aan Twente grenzende deel van Munsterland
komt deze geslachtsnaam Haverkate of Haverkotte ook voor. Maar hy is
daar in spelling eenigszins verhoogduitscht, tot Haberkotte. Iemand
uit dit geslacht vestigde zich in de vorige eeu te Leeuwarden met der
woon. De Friesen verstonden natuurlik dien saksischen naamform niet,
en maakte er, voor het gemak in d' uitspraak, maar Habekotte van. Toen
er in de laatste tientallen jaren der vorige eeu zoo'n fransche wind
over de meeste landen van Europa woei, toen alles eenen franschen
zwaai en eenen vreemden draai moest hebben, schoeide de toenmalige
drager van den naam Haberkotte, die reeds tot Habekotte versleten was,
zynen naam ook op de fransche leest. Te weten: hy liet den vollen
nadruk vallen op de laatste e van zynen naam, die uit den aard der
tale toonloos is, en maakte er, in uitspraak, Habekotté van. En toen
in 1811 ook deze verfranschte oud-saksische naam in de boeken van den
burgerliken stand onder eenen vasten form moest worden ingeschreven,
geschiedde dit onder den nog meer franschachtigen form Habecotee. Onder
dien form komt hy nog heden te Leeuwarden voor. Zoo de geschiedenis
van deze vermakelik dwaze naamsverbastering my niet toevallig bekend
geweest ware, dan hadde ik den geslachtsnaam Habecotee ook zeker
onder § 149, by d'onverklaarbare namen gerangschikt.

§ 100. In den regel stemt, by de geslachtsnamen die met een voorzetsel
en een lidwoord samengesteld zijn, het geslacht van het lidwoord,
door een voorzetsel beheerscht, overeen met het geslacht van het woord
dat er op volgt. Van den Berg b. v. en Ten Berge, omdat het woord
berg mannelik is. En Van de Werf en Van der Wal en Ter Stege, omdat
de woorden werf, wal en steeg van het vrouelike geslacht zijn. Maar
altijd is dit niet het geval. Ook al omdat het geslacht hetwelk de
woorden in de volksspreektaal hebben, niet steeds overeenstemt met het
geslacht dat in de geijkte boeketaal aan die zelfde woorden toegekend
wordt. Zoo heeft het woord wal in de volksspraak het vrouelike
geslacht, ofschoon het volgens de hedendaagsche woordenboeken der
nederlandsche taal mannelik is. Van daar de form van den geslachtsnaam
Van der Wal, en niet Van den Wal, zooals het volgens de taalregels zijn
moest. En naar myne meening heeft de volksmond hier al weêr gelijk,
en niet de schoolmeester. Immers het woord wal komt in sommigen
onzer gouspraken als walle voor. De geslachtsnamen De Walle en Van
der Walle stemmen hier ook mede overeen. Het woord hoek heeft in de
volkstaal der stad Leeuwarden het vrouelike geslacht (hoeke). Van
daar de geslachtsnaam Van der Hoek, te Leeuwarden voorkomende;
en niet Van den Hoek. De zelfde naam wordt ook wel, door de eene
maagschap in den vroueliken, door de andere in den manneliken form
gevoerd. Zoo is het woord burcht, ook borcht, burg, borg, mannelik,
volgens de regels onzer taal; en de geslachtsnamen Van den Burg en
Van den Borg stemmen daar mede overeen. Ja, maar de geslachtsnamen
Van de Burg, Van der Burgh, Van der Borgh, Verborg, Ter Burg en Ter
Hazeborg zijn met dien regel in strijd. En de naam van het geldersche
stadje Ter Borch is dit eveneens. Die zelfde onstandvastigheid merken
wy op in de geslachtsnamen Ten Brake, Ter Brake en Te Braake en in
menigen anderen naam. Zie § 157.

§ 101. Ofschoon de geslachtsnamen die geformd zijn uit algemeene
aardrijkskundige namen met van, of met van en een lidwoord daar
voor, in Friesland geenszins ontbreken, en alhoewel ook zulke
namen met andere voorzetsels samengesteld, daar wel voorkomen, zoo
hebben toch alle geslachtsnamen, in de laatstvermelde afdeelingen
opgesomd, hunne tegenhangers in twee groepen van byzonder-friesche
maagschapsnamen. Deze groepen bestaan uit geslachtsnamen,
geformd uit algemeene aardrijkskundige namen, 't zy dan uit de
algemeen-nederlandsche, 't zy uit de byzonder-friesche taal ontleend,
maar die, in plaats van door voorzetsels en lidwoorden te worden
voorafgegaan, als aanhangsel achter zich hebben eene enkele a of
den lettergreep stra. Deze enkele a en dit aanhangsel stra zijn
reeds eerder in dit werk besproken geworden. De a, een oud-friesche
tweede-naamvalsform, dient ook tot het formen van de eenvoudigste
soorten van friesche vadersnamen, gelijk in § 44 vermeld is, en van
geslachtsnamen aan byzondere plaatsnamen ontleend, zoo als in §
91 behandeld is. En stra als middel om van byzondere plaatsnamen
friesche geslachtsnamen te maken, is in § 71 en 93 nader aangeduid
en uitgelegd. Naar die drie afdeelingen kan ik dus hier den lezer,
die den oorsprong, de eigenlike beteekenis van de achtervoechsels a
en stra wil kennen, verwyzen.

De geslachtsnamen, ontstaan door achtervoeging van eene enkele
a achter een algemeen-aardrijkskundig woord, zijn niet zeer
talrijk, en komen uitsluitend in onze friesche gouen beoosten
Fli voor. Het zijn de friesche tegenhangers, in alle opzichten,
van de algemeen-nederlandsche geslachtsnamen, die met het enkele
van samengesteld zijn. De geslachtsnaam Berga b. v. beteekent in
letterlike vertaling: Van Berg. De maagschapsnaam Bosscha (Van Bosch)
vertoont eene verhollandschte schrijfwyze. Deze zelfde naam komt als
Boska en Buska, nog in zuiver oud-friesche spelling, in de friesche
gouen beoosten Eems voor. Dan nog Burga, Heida, Porta (van porte,
poort), enz. Voorda en Voerda komen van het oude woord forth, ford,
voorde, doorwaadbare plaats in eenig water. De geslachtsnaam Muda komt
van het oude woord mude, dat nog als muide, muiden in zoo menigen
nederlandschen plaatsnaam (Muiden, IJsselmuiden, Emuiden of Emden,
Ymuiden, Arnemuiden), en als mouth in zoo menigen engelschen plaatsnaam
(Yarmouth, Plymouth, Portsmouth) voorkomt, en mond, riviermond,
beteekent. Haga, ook in den versletenen form Hage, en tevens als
Ter Haagha en Van Haga voorkomende, van het woord haag? Morra en
Moora zijn afgeleid van het woord morre, moor, moer, moeras. Morra,
Sormorra, enz. zijn ook friesche plaatsnamen. De maagschapsnaam Werda
komt van het woord werd, ward, als samenstellend deel van friesche
plaatsnamen zoo welbekend: Leeuwarden, Bolsward, Ferwerd, Holwerd,
enz. De geslachtsnaam Opwyrda (Op Wyrda ware beter spelling, Op Wierda
nog beter) is Wierda, van het friesche woord wierde--in den plaatsnaam
Holwierde (Fivelgo)--, en het voorzetsel op.

Swaga, verhollandscht tot Zwaga, komt ook in versletene formen als
Swage en Zwage voor. Deze geslachtsnaam is afgeleid van het friesche
woord sweach, dat veeweide beteekent [147], en veelvuldig in friesche
plaatsnamen voorkomt, en wel in den verhollandschten form zwaag. Een
dorp by Hoorn in West-Friesland heet enkel Zwaag. Ook vindt men daar
een gehucht Zwaagdijk. In Friesland tusschen Fli en Lauers liggen de
dorpen en gehuchten Beetsterzwaag, Snikzwaag, Kollumer-Zwaag, enz. In
het Oldambt: Scheemderzwaag en Eeksterzwaag; in Oost-Friesland,
by het dorp Veenhusen, het gehucht Swoog (volgens de oostfriesche
zware uitspraak der volkomene a byna als o) of Schwoog, nog meer
verhoogduitscht. En vele andere plaatsnamen in alle friesche en ook
friso-saksische gouen van Nederland en Duitschland. In geslachtsnamen
komt dit woord eveneens veelvuldig voor; b. v. in Zwaagstra,
Swaagstra en Van der Zwaag, in Friesland; Ter Zweege in Drente;
Zwaagman en Zweegman. Zoo mede in het westfaalsche Schweigmann,
dat ook in Nederland ingeburgerd is.

Het oud-friesche woord wald, walt is het zelfde woord als het saksische
wold en het algemeen-nederlandsche woud. Van al deze vier formen waarin
dit algemeen-aardrijkskundige woord in Nederland voorkomt, zijn er
friesche geslachtsnamen, door achtervoeging eener enkele a, afgeleid;
namelik Walda, Walta, Wolda en Wouda.--Buwalda en Buwolda komen van
eenen frieschen plaatsnaam Buwald, Buwold, Buwoud (Bouwe-wald?),
die oudtijds bestaan moet hebben. Steentilla eindelik beteekent:
van de steenen brug. Tille toch, ook voorkomende in de plaatsnamen
Kingmatille en Enumatil, het eerste eene buurt in Franekeradeel,
het tweede een dorp in het Westerkwartier van Groningerland, is een
friesch woord dat »kleine brug" beteekent.

§ 102. Sommigen van bovengenoemde geslachtsnamen, te weten Berga,
Bosscha, Burga, Heida, Wolta zoude men ook kunnen beschouen als
patronymika, als namen aan mansvóórnamen ontleend, en niet als
namen van algemeen-aardrijkskundige woorden afgeleid. Berg, Boske,
Burg, Heit, Wolt immers komen ook wel als friesche mansvóórnamen
voor, en zijn, ten deele, als afslytingen te betrachten van volle,
algemeen-germaansche mansvóórnamen. Aangaande den mansvóórnaam Berg
kan men bl. 132 nazien. Het woord of de naam die aan den geslachtsnaam
Bosscha, Buska ten grondslag ligt, kan zijn de mansvóórnaam Boske,
Buske, een verkleinform van den oud-germaanschen mansvóórnaam Bos,
Boso. Deze naam, ook in verkleinform als Bosico, dat is Boske, wordt
in Förstemann's Altdeutsches Namenbuch vermeld, en is nog in Friesland
in gebruik; een man die Bose Eelzes Kingma heet, woonde in 1882 te
Dokkum. Geslachts- en plaatsnamen van dezen mansnaam afgeleid zijn
in Nederland niet zeldzaam. Van den oorspronkeliken form Boso, Bos,
hebben wy de geslachtsnamen Bosma, Bossing, Bossinga, Bosingh, Bossen,
Bosse, Bos, ook Busma, Bussink, Bussing, Bussen en waarschijnlik
Buisinga, Busink, Buysing, Buisma, Buyssens, Buisen, Buyse, Buys,
Beusink, Boesema, met de plaatsnamen Bosum, dorp in Friesland;
Beusichem, gezegd Beusekom, oudtijds Bosinchem, dat is: Bosinga-heim,
de woonplaats der Bosingen of afstammelingen van Boso; het is een
dorp in Gelderland. Verder Bosseghem, en Boeseghem, dorpen in Oost-
en in Fransch-Vlaanderen, eveneens voluit Bossinga-heim; Bussum,
dorp in het Gooi (Holland); Büsum, vlek in Ditmarschen; Bussenhuus,
sate by Hamswerum in Oost-Friesland, enz. Van den verkleinform
Boske, Buske komen de geslachtsnamen Boskma, Boschma, Boschga, by
samentrekking uit Boskinga (men vergete niet dat de Friesen sch als
sk uitspreken) Bosken en misschien Bosch; verder Busken, Buschen,
Buschkens, Buschgens, ook Böeseken en Buyskes.

Burg, als mansvóórnaam, is eene verslyting van Burgt, Burcht, Brucht;
zie bl. 133. Heit, Heite, Heide is een oud-friesche mansvóórnaam,
die als Haido, Heido by Förstemann vermeld staat, en die in den
verkleinform Heitse, Haitse (beter schrijfwyze ware Heittse,
Haittse, dat is: Heitke, Haitke; friesch ts = k) nog in Friesland
in volle gebruik is. Van dezen mansnaam bestaan in Nederland nog
de patronymika, als geslachtsnamen: Haytema, Haytsma, Haytsema,
Haitsma, Haaitsma, Haitzema, Haites, Haaites, Haiting en Haitinck,
Heidinga, Heitinga, Heitingh, Heidema, Heites, Heits, Heitsma en
Heitsema, en eenige plaatsnamen. De mansvóórnaam Walte eindelik, als
oud-germaansche mansnaam onder den form Woldo door Förstemann vermeld,
is in Friesland nog heden in volle gebruik, gelijk ook Wassenbergh,
Leendertz en Brons getuigen. Deze naam kan ook aan de geslachtsnamen
Walta, Walda, Wolda en Wouda ten grondslag liggen, even zeer als dit
ontwyfelbaar het geval is by de geslachtsnamen † Waltinga, Woldinga,
Woltinge en Woldinge, Woltema, Walts, Wolts, Woltjes, enz.

§ 103. Als voorbeelden van friesche geslachtsnamen op stra eindigende,
en aan algemeen-aardrijkskundige namen ontleend (tegenhangers dus der
namen in § 71 vermeld), noem ik hier de volgenden: Bergstra, Bogtstra
(van bocht of kromming in straat of weg), Broekstra (van broek, moeras;
zie bl. 249), Damstra, [148] enz. By velen dezer geslachtsnamen zijn
de algemeen-aardrijkskundige woorden die er aan ten grondslag liggen,
aan de byzonder-friesche, niet aan d' algemeen-nederlandsche taal
ontleend. Dit is het geval by Bartstra, van barte, het friesche woord
voor vonder of vondel, een paar samengevoegde planken die tydelik
over eene sloot liggen om als brug te dienen--ook een houten stoep
of opstap aan en over het water. Dit woord wordt door de Friesen
nagenoeg zonder r uitgesproken: van daar de geslachtsnaam Batstra. Het
friesche woord voor oever, waterkant, is bird (men spreekt uit bud);
de geslachtsnaam Budstra (Birdstra ware beter geschreven) is er aan
ontleend; zoo mede de plaatsnamen de Bud of de Bird, een gehucht by 't
dorp Grou, Tjallebird, Luniabird, twee dorpen in Eangwirden, alle drie
in Friesland, enz. Dit friesche woord wordt ook wel verhollandscht
tot bert. Men schrijft bovengenoemde friesche dorpsnamen ook wel
als Tjallebert, Luinjebert, en het maakt in dezen form deel uit
van de dorpsnamen Middelbert, Lettelbert, die in de oud-friesche
Ommelanden van Groningen voorkomen. De naam van het dorp de Beerta,
in het groninger Oldambt, is ook al niet anders als dit oud-friesche
woord voor waterkant of oever, en de groninger-friesche geslachtsnamen
Beerta en Beerda zijn er aan ontleend. Aangaande dit woord bird leze
men een opstel van myne hand »Friesche plaatsnamen", in het Tijdschrift
van het Nederlandsch aardrijkskundig Genootschap,--Nomina Geographica
neerlandica--dl. I, bl. 76.

Een gegraven, gedolven vaarwater draagt in Friesland den oud-frieschen
naam van deel; het Langdeel, het Scroetsma-deel by verkorting 't
Skroet genoemd, het Naudeel (nau == eng) zijn welbekende vaarwaters in
Friesland. De geslachtsnaam Deelstra (zie bl. 245) is van dit woord
afgeleid. In den byzonderen tongval der friesche taal die in den
zuidwesthoek van Friesland inheemsch is (meest in Hemelumer Oldefert
en Noordwolde), en dien men het Zuidhoeksch-friesch noemt, wordt dit
woord deel als dol, dolte uitgesproken; b. v. de Dolte, eene gracht in
de stad Workum. Van dezen byzonderen form is de geslachtsnaam Dolstra
afgeleid. Deze woorden deel en dol (te) heeft men wel, en zeer te
recht, verhollandscht tot delf. Zoo schrijft men den naam van een
dorp in Schoterland dat in het Friesch Dolstrahusen heet, in geijkt
boeke-hollandsch als Delfstrahuizen. Aan dezen verhollandschten form
is de geslachtsnaam Delfstra ontleend.

Heem, in Friesland hiem, is het zelfde woord als het hoogduitsche
heim en het engelsche home. Als hiem, hieminge beteekent het
tegenwoordig in Friesland het erf, of de werf rondom een huis, vooral
boerehuis. De geslachtsnamen Hiemstra, Heemstra, Van Heemstra zijn van
dit woord afgeleid, even als Hooghiemstra en het half-verhollandschte
Hooghiemster. Horn, hern, verhollandscht tot hoorn, zijn de friesche
woorden voor hoek. De geslachtsnamen Hornstra, Hoornstra en Henstra
(in plaats van Hernstra, omdat de Friesen in deze woorden de r niet
uitspreken) zijn er van afkomstig. Hoekstra en Hoeckstra behooren
ook hier toe. Over het woord keeg, waarvan de geslachtsnaam Keegstra
(misschien ook, by verbastering, Keekstra en Kikstra), zie men
bl. 250. Pyp, pîp, is het friesche woord voor eene boochformig geboude
steenen brug. Van daar de geslachtsnaam Pypstra. De geslachtsnaam
Polstra komt, even als Van der Pol en Van de Poll, van het friesche
woord polle, klein eilandje. Een rak, zoo noemt men in Friesland
dat gedeelte van eenig vaarwater, dat zich in één zelfde richting
uitstrekt. De geslachtsnaam Rakstra is aan dit woord ontleend. En ook
de naam van het gehucht Franekerraksend (het einde van het Franekerrak)
by de stad Franeker (waar onkundigen wel Franeker-accent van maken);
tevens de namen van de amsterdamsche buurten Damrak en Rokin (het rak
in).--Over de woorden set en sîl, waar de geslachtsnamen Zetstra en
Zylstra aan ontleend zijn, zie men bl. 251 en 248.--Slot, burg, stins
zijn woorden van vry wel de zelfde beteekenis. Zy gaven oorsprong
aan de geslachtsnamen Slotstra, Burgstra en Stinstra (Stinsstra
ware naukeuriger schrijfwyze). Van de Kasteele, Van den Casteele,
Van Kasteel met Van den Burg, enz. zijn de tegenhangers van deze
friesche namen, in andere nederlandsche gewesten. Een boerehuis,
meestal tot eene kleine sate behoorende, waar de schuur, de stalling
van het vee en het woonhuis van den boer allen onder één groot dak
vereenigd zijn--waar dus dat groote dak als eene stulp of stolp
die drie verschillende onderdeelen van een boerehuis overstelpt,
heet in Friesland eene stjelp, verhollandscht tot stelp, en in
Noord-Holland eene stolp. Het algemeen-nederlandsche woord stulp,
geringe boerehut, is van den zelfden oorsprong. Deze woorden liggen
aan de geslachtsnamen Stelpstra, versleten tot Stelstra, en Stulpstra,
en aan het hollandsche Van der Stolpe ten grondslag. De woorden terp en
wier hebben in het hedendaagsche friesche spraakgebruik al zoo tamelik
de zelfde beteekenis. Beide woorden, waarvan de geslachtsnamen Terpstra
en Wierstra zijn afgeleid (zoo mede Opwyrda, zie bl. 269), komen in
friesche plaatsnamen voor. Slappeterp, Greonterp, Ureterp, Allingawier,
Offingawier, Poppingawier zijn namen van friesche dorpen; en Hoogterp,
Kleiterp, Westerterp, Laasterp, Luitsmaterp, met Heldewier, Noordewier
en Rollingswier zijn friesche geslachtsnamen. Een andere form van
het woord wier is weer, dat slechts in uitspraak een weinig afwijkt,
en meer beoosten Lauers en beoosten Eems, in plaatsnamen voorkomt;
b. v. in Mensingaweer, Tjamsweer, Marienweer, Abbingweer, allen dorpen
in Groningerland en Oost-Friesland. Langweer en de Wonser-weren
zijn echter plaatsnamen uit het westerlauersche Friesland. De
geslachtsnamen Weerstra (juist in de Wonser-weren inheemsch, en
ongetwyfeld afgeleid van den naam van dat gehucht by 't friesche
dorp Wons) en Walsweer danken aan dit woord weer hun ontstaan. Het
woord kerk is in het Friesch tsjerke, waar van de plaatsnamen (in
eenigszins verhollandschten form) Tietjerk, Tjerkwerd, Tjerkgaast,
enz. allen dorpen in Friesland. De geslachtsnamen Tjerkstra en het
half-verhollandschte Kerkstra zijn er van afgeleid. Ten slotte zy hier
nog vermeld de geslachtsnaam Waldstra van het friesche woord wald,
bosch of woud. Half-verhollandscht komt deze naam ook als Woudstra
en Houtstra voor.

Velen van deze stra-namen in Friesland hebben in de andere
nederlandsche gewesten hunne tegenhangers in geslachtsnamen die met
het voorzetsel van en een lidwoord zijn samengesteld. De aard der
zake brengt dit mede. Zoo komt het friesche Baanstra overeen met het
algemeen-nederlandsche Van der Baan en met Verbaan; Boomstra met Van
den Boom; Kooistra met Van der Kooi (van het woord kooi, eendekooi);
Laanstra met Van der Laan; Landstra met Van der Land; Meerstra met
Van der Meer en Vermeire (hollandsch en vlaamsch); Walstra met Van
der Wal; Wykstra met Van der Wijk. Al dezen namen komen, over en weêr,
in beteekenis volkomen met elkanderen overeen.

§ 104. De algemeene aardrijkskundige namen, die aan de geslachtsnamen
ten grondslag liggen, welke in de laatstvermelde afdeelingen
zijn genoemd, zijn allen eenvoudig. Zij bestaan slechts uit het
eenvoudige woord op zich zelven. Maar al die namen komen ook in
samengestelden form voor, met nog een woord daar by tot nadere
bepaling; b. v. watermeulen, in den geslachtsnaam Verwatermeulen,
nevens het eenvoudige woord meulen of molen, in Van der Molen,
Vermeulen, enz. Zulke samengestelde namen komen zoowel op zich zelven
voor, als met een voorzetsel, of met voorzetsel en lidwoord beiden. Zie
hier eenigen van die namen met voorzetsels en lidwoorden: Van den
Aardweg met Van den Eertweg, Van den Ertwegh en Van den Eirtweg, allen
slechts verschillende schrijfwyzen van eenen en den zelfden naam (zie
§ 151); Van Bloppoel, waarschijnlik eene verbastering van Blokpoel,
welke naam ook aldus op zich zelven voorkomt; de eene form zoo wel
als de andere is in Zuid-Nederland inheemsch. Verder Verborghstad,
Van den Braambussche, Van den Brandhof, Van der Heymeulen, Verdaasdonk,
Verdysseldonk, Van Droogenbroeck, Van de Goorbergh. [149] En ook Van de
Cleemputte. Dit woord kleemput is slechts een andere form van leemput,
een put of kuil of poel waar men leem uitgraaft, zooals vooral in
de zuidelike gewesten van Nederland gevonden worden. Talrijk zijn de
geslachtsnamen die aan deze leemputten ontleend zijn; b. v. behalven
Van de Cleemputte nog Van Cleemput en Van Cleemputten, Cleemput,
Leemput, Van de Leemput, Van de Leemputte, Van Leempoel, Leempoel
(ook als oneigenlike vadersnaam Leempoels), Tot de Leemcule, Leemkuhl,
Leemcoul in Limburg (zie bl. 256), ook verhollandscht tot Leemkoel,
enz. Opmerkelik is het dat het grootste gedeelte dezer samengestelde,
wel ietwat zwaarwichtige geslachtsnamen in de zuidelike gewesten t'
huis behoort.

Verder zijn nog samengesteld met het woord veld de geslachtsnamen:
Booneveld, Daverveldt, Hengeveld, Heukensfeldt, Langeveld, Schooneveld,
Roseveldt, Sonnevelt en Zonneveld, Maarleveld.

Met land: Baeckelandt, Dorland, Hartland, Hoogland en Laagland,
Veenland, Weiland en Weitland. Wieland echter, ook als geslachtsnaam
voorkomende, is oorspronkelik een oud-germaansche mansvóórnaam,
die als zoodanig nog niet geheel onder ons buiten gebruik geraakt is.

Met akker: Boonacker, Loerakker, Schoonakker, Wijlacker, Rooyakker,
Paanakker.

Met made: Schoonmade, (Van) Venckemay, Dolkemade, Schravemade (zie §
186 en 143).

Met huis: Langenhuyzen, Goedhuis, Leemhuis, Steenhuyze, Jongerhuis,
Rodenhuis en Roodhuyzen, Welkhuysen, Wilkeshuis, Wyckhuyse,
Jelgerhuis, Norberhuis. Deze laatste naam komt ook in verbasterden en
samengetrokkenen form als de geslachtsnaam Norbruis voor. Zoo wordt
ook de geslachtsnaam Jelgerhuis (oorspronkelik en voluit Jelgera-huus)
te Leeuwarden in de dageliksche spreektaal tot Jellegruis, Jellegruus
verbasterd en samengetrokken. De geslachtsnaam Nieuwenhuis dient hier
ook vermeld. Deze naam komt, in verschillende formen en spellingen
(Nyhuis, Niehuis, Nyenhuis), veelvuldig voor, en zal in de meeste
gevallen wel aan het benthemsche stadje Nieuwenhuis, Nienhuis,
Nienhaus, tegenwoordig Neuenhaus, tusschen onze drentsche en twentsche
grenzen gelegen, zynen oorsprong danken. Immers van ouds her zijn er
steeds, jaar op jaar, jongelieden uit alle standen, zoowel mannelike
als vrouelike, uit dit stadje naar Holland en Friesland getrokken,
om daar werk en brood te zoeken en te vinden. By een, meest in
Holland gezeten geslacht Nieuwenhuis heeft deze naam echter eenen
byzonderen oorsprong. In de vorige eeu vestigde zich een Deen, Jacob
Nyegaard geheeten, in Holland met der woon, en wel te Alkmaar. Het
hollandsche volk maakte zich dezen, voor zynen mond eenigszins vreemden
naam weldra beter van pas, door er, als in letterspel, »nydigaard"
(iemand van nydigen aard) van te maken. Deze verbastering van zynen
naam mishaagde onzen Deen. Om dus te voorkomen dat deze verbasterde
naam weldra volle gelding, als het ware burgerrecht zoude erlangen,
zette hy het deensche Nyegaard in het hollandsche Nieuwenhuis om. Zyne
afstammelingen voeren dezen naam nog heden. [150] Althuis en Althuysen
zijn geslachtsnamen die ook verlatynscht als Althusius en Althuysius
voorkomen, en deze latynsche formen zijn weêr in omgekeerden zin half
en half terug verloopen in het Nederlandsch, tot Althuizes. In de
zelfde verhouding staan ook de geslachtsnamen Heshuysen en Heshusius
tot elkanderen. De algemeen-aardrijkskundige namen veld en huis komen
beiden voor in den geslachtsnaam Huis-in-'t-Veld.

Met hof: Aldershof, Ameshoff, Attenhoven, Balkenhoven, Bomhoff,
Eekhoff, Eeckhoff en Eekhof, Kouwenhoven, Kruythoff, Noordhof,
Nyhoff, Rauwenhoff, Sijthoff, Spaenhoven, Uuldershof, Uvenhoven, en
het verlatynschte Lindenhovius. Hof, hove, have zijn oorspronkelik
de zelfde woorden, in verschillenden form en uitspraak. Zoo zijn
b. v. de namen der oostfriesche dorpen Marienhave en Engerhave,
tegenwoordig ook wel als Marienhafe en Engerhafe, zelfs wel door
misverstand als Marienhafen en Marienhaven geschreven, geenszins
van het woord haven afgeleid, maar integendeel van have, hove,
hof. Zoo zijn ook de geslachtsnamen Ten Have, Van 't Haaf, Van der
Have en Verhave met Opgenhaaffe (zie bl. 259 en 260), Van Schevichaven,
Manhave en Nunninghaven, misschien ook met Seynhaeve en Seynaeve, mijns
inziens, samengesteld met have, hof, en niet met haven (portus). Dat
have in der daad wel hove is, blijkt ook uit de geslachtsnamen Van
Bokhoven, Van Bochove, Verboeckhoven, Verboeckhaven en Verbockhaven,
die nevens elkanderen, vooral in de zuidelike Nederlanden voorkomen,
en oorspronkelik allen wel van eenen en den zelfden stam, van een
en het zelfde algemeen-aardrijkskundige woord (bok- of boekhof,
beukenhof) zullen ontleend zijn. Zoo vind ik ook in 1649 iemand die den
geslachtsnaam Van Schevinckhoven voert; [151] zeer waarschijnlik is dit
de zelfde geslachtsnaam die tegenwoordig als Van Schevichaven voorkomt.

Daarentegen meen ik in de geslachtsnamen Van de Haven, Noorderhaven en
Oosterhaven het woord haven (portus) te moeten erkennen. Noorderhaven
komt, als weêrga van Norbruis uit Norberhuis, ook in samengetrokkenen
en verbasterden form als Noordraven voor.

Opmerkelik is het, onder de talryke hofnamen, den form hoff, met twee
letters f, zoo veelvuldig aan te treffen.

Met oever: Van Goudoever, Kortenoever, met Ten Oevere, Ten Oever en
Van den Oever.

Met berg: Asselbergh (Asselbergs is hiervan een oneigenlike vadersnaam;
zie bl. 188), Bloemberg en Bloembergen, Cauwenbergh, Engelenberg,
Hazenberg, Kleyberg, Knynenberg, Loosbergh, Halsberghe, Maekelberg,
Mijsberg, Schenkenberg. Opmerkelik is het dat er in ons vlakke
Nederland zoo byzonder veel namen voorkomen die met het woord berg
zijn samengesteld. Zoo is ook de geslachtsnaam Van den Berg een der
algemeenste, overal voorkomende namen. Trouens, eene verheffing van
den bodem, weinige ellen hoog, wordt door het nederlandsche volk
reeds met den naam berg, zoo niet hooge-berg vereerd. De dalen zijn
in onze geslachtsnamen oneindig veel geringer in aantal.

Met dal: behalven Van Dale en Van Daele, nog Eikendal, Lovendaal,
Boterdael en Botterdaele (ook Van Boterdael en Butterdael) en,
als weêrga van dezen naam, Boterberg (beide te Brussel). Verder
Diependaele, Candaele, Hennixdael (Hennink's dal; zie bl. 52),
Hinderdael, Hiebendaal, Leeuwendaal, Groenendaal.

Met duin: Noorduyn, Rijsduin, Westerduin, Vredenduin, Zuiderduin.

Met beek: Camelbeek, Geysbeek, Heymbeeck, Ysenbeek, Legebeke, Noordbeek
en Noorbeek, Schaeverbeke, Swaanebeek en Zwanenbeek, Siegenbeek,
Wolterbeek. In de oostelikste (saksische) gouen van ons land, in
Twente en den gelderschen Achterhoek, wordt het woord beek als bek,
bekke uitgesproken. Van daar plaatsnamen als de Bekkematte, buurt by
Eibergen; Bekveld, buurt by Hengelo (O); de Rammelbekke of Rammelbeek,
enz. in die gouen. En van daar ook geslachtsnamen als Schierbeck (het
verhollandschte Schierbeek komt ook voor), Thor Becke of Thorbecke (zie
bl. 264), Uhlenbeck, Bekhuis nevens Beekhuis, Visbeck nevens Visbeek,
Vor der Wullbecke (zie bl. 255), enz. De uitspraak van het woord beek
als bek (beck) of bekke strekt zich ook over geheel Westfalen en andere
aangrenzende duitsche landen uit, en geslachtsnamen op beck eindigende,
komen ook daar menigvuldig voor. Velen van de thans als nederlandsche
namen geldende maagschapsnamen met beck samengesteld, zullen dan
ook wel over onze oostelike grenzen tot ons gekomen zijn. Geenszins
zeldzaam zijn ook in Nederland de hoogduitsche geslachtsnamen die op
bach eindigen. Deze namen, als vreemden, kunnen eigenlik in dit werk
niet in aanmerking komen. Maar toch dient hier vermeld te worden dat
enkelen dezer bach-namen in schrijfwyze verhollandscht zijn, en nu
op bagh of op bag uitgaan. Zulke namen zijn: Breydenbagh, Avenbag,
Kolbag, Dievenbag (verhollandsching van Tiefenbach?), enz. Andere
oorspronkelik hoogduitsche bach-namen zijn geheel vertaald geworden
in het Nederlandsch; b. v. Breidenbach tot Breedenbeek; Kalsbach tot
Kalsbeek; Stolzenbach tot Stoutenbeek, enz.

Een groot gedeelte van Nederland heeft geene beken, maar zooveel
te meer slooten. Toch zijn de maagschapsnamen met het woord beek
samengesteld, talrijk in vergelyking met die welke van het woord
sloot afgeleid zijn. Behalven Van der Sloot zijn my slechts bekend:
Donkersloot en Helsloot (tegenhangers? zie § 168), Ouwersloot,
Galesloot, Korsloot, Wykersloot met De Wykerslooth in half-franschen,
dus onzinnigen form, enz.

Grachten en vlieten zijn in Nederland al niet minder talrijk
dan slooten. Toch zijn ook de maagschapsnamen, aan deze woorden
ontleend, zeldzaam. Ik ken slechts Van der Gracht en Van der Graft,
Berghgracht (eene min of meer zonderlinge samenstelling), Steengracht
en Coenegracht. Deze laatste naam komt ook als oneigenlike vadersnaam,
als Coenegrachts voor; en dan ook nog te Hoegaarde (Hougaerde) in
Zuid-Brabant, op de grenzen van ons taalgebied, door misverstand
en in verbasterden form, als Coenegras. Verder Godvliet, Polvliet
met Polfliet en Pollefliet, Schyvliet en Sneevliet met Van Vliet,
Van der Vliet en Vervliet.

Water en a of aa (het oud-nederlandsche woord voor water), broek,
poel, moer of moor (moeras), meer, vaart en diep zijn allen algemeene
aardrijkskundige woorden, die men, in aanmerking genomen de gesteldheid
van een zeer groot deel des nederlandschen bodems, met reden in groot
aantal als samenstellend deel van nederlandsche geslachtsnamen zoude
kunnen verwachten. Toch komen zy zoo byzonder talrijk niet voor. Zie
hier eenigen van die namen: Blankwater, Borrewater en Bornwater,
Hoekwater, Leegwater, Meulewater, Slagwater met Van de Water en
Van de Wateren.--Minderaa, Wykeraa en Van Wiekeraa, Van der Aa
en Van der Ouderaa met Van der Auweraa.--Beerenbroek, Biesbrouck,
Eysbroek, Hagebrouck, Meulebrouck met Muelenbroock (in Duitschland
is Mühlenbruch een tamelik algemeene maagschapsnaam), Slimbrouck,
Surenbroek, Rubroek, met Van den Broek, Van de Broecke, Ten Broek,
Ten Broeke, Broekstra, Broekman, misschien ook Broeker en Brooker,
Brookman en zelfs Brauckmann, met Ten Brake, Braakman, enz. Verder
Van der Poel en Poelstra, Toe Poel (zie bl. 263), Poelman en Poelmans,
misschien ook Spoelders ('s poelders, des poelderszoon, zie bl. 184),
en Poolman, met Abspoel, Zwanepoel, Evenepoel, Polspoel, Rikmenspoel,
Vogelpoel (met Van Vogelpoel) en de neder-(plat-)duitsche weêrga
van dezen naam Vagelpohl, enz. Deze neder-(plat-)duitsche form
van het nederlandsche woord poel, te weten pool of pohl, komt ook
voor, nevens Vagelpohl, in de maagschapsnamen Cleypool, Weddepohl
en Poolman met Pohlmann; zie bl. 197. Dan Van der Moere met Van der
Moer en Vermoure, Moerman en Moorman (zie bl. 198). Eindelik Van der
Meer met Belkmeer, Noordermeer, Bennemeer, Leyermeer, Schoffelmeer en
Zuidmeer; Van der Vaart met Heyvaert, Poldervaart en Zuidervaart. Wat
de maagschapsnaam Heyvaert aangaat, zoo heb ik wel eens hooren beweren
dat deze naam van engelschen oorsprong, en eigenlik Hayward was. Ook
de geslachtsnaam Engelvaart durf ik naueliks tot de namen rekenen, die
met het algemeen-aardrijkskundige woord vaart samengesteld zijn. Wel
is er werkelik in Friesland, by het Heerenveen, eene vaart die de
Engelenvaart heet, maar deze aardrijkskundige naam is ontleend aan
den geslachtsnaam Van Engelen, en de maagschapsnaam Engelvaart heeft
er dus niets mede te maken. De Zuid-Nederlanders zeggen, zeer te
recht, Godevaart voor Godfried, Govert; zoo kan ook Engelvaart een
zuid-nederlandsche form wezen van den oud-germaanschen mansvóórnaam
Engelfried. Dezen byzonderen zuid-nederlandschen form vinden wy
terug in de vlaamsche dorpsnamen Godveerdeghem en Hemelveerdeghem,
heim of woonplaats der Godveerdingen en der Hemelveerdingen, dat is:
der nakomelingen van Godveerd, Godevaert, Godfried en van Hemelveerd,
Emelveert, Emelvaert, Amelfert. [152] Van het groningsch-friesche
woord diep voor vaarwater (zie bl. 245) is de maagschapsnaam Westerdiep
ontleend.

Waar water is, daar zijn ook dyken, dammen, sluisen, bruggen, veren
en voorden. Deze algemeen-aardrijkskundige woorden vinden wy in de
maagschapsnamen Van Dijk, zeer talrijk, en Dykstra, eveneens. Verder
in Ackersdijk, Bazendijk, Bilderdijk, Burgersdijk, Craandijk, Hofdijk,
Hordijk, Soutendijk, Wesseldijk, enz. Ook in Dijkman en Dijkmans. Deze
met dijk samengestelde namen komen hooftsakelik, zoo niet uitsluitend,
in Noord-Nederland voor, en zijn daar geenszins zeldzaam. Of de
maagschapsnaam Kerdijk ook tot deze namen, met het woord dijk
samengesteld, behoort, meen ik te mogen betwyfelen, al kan ik hem
ook anders niet verklaren. Dam-namen zijn Van Dam, zeer algemeen,
't welk in ons damrijk land geen wonder is; Verdam, Bekedam, Bondam,
Duindam, Hoogendam, Nieuwendam (kan ook een byzondere aardrijkskundige
naam zijn, ontleend aan den naam van het dorp Nieuwendam in
Noord-Holland aan het Y; zie ook § 156) en Nydam, Ryersdam, Soutendam,
Stouwdam.--Beversluis met Van der Sluis en Versluys, misschien ook met
Sluizer.--Van 't Sas is de zeeusch-vlaamsche, Van Zijl (en Zylstra)
de friesche tegenhanger van Van der Sluis. Het woord brug vinden wy
in de maagschapsnamen Van de Brug, Van der Brug, Van der Breggen,
Van Bruggen, Brugman, Bruggeman, Brugmans, in Barenbrugh, Koebrugge,
Leembruggen, Meulenbrugge, Mijnsbrughen (zie bl. 276), Niggebrugge,
enz. Laatstgenoemde naam zal wel over onze oostergrenzen tot ons
gekomen zijn, en dan nieue brug beteekenen, naardien het woord nieu
in sommige westfaalsche tongvallen, o. a. rondom Osnabrück, uit welke
oorden er steeds zoo velen naar Nederland kwamen afzakken, als nigge
wordt uitgesproken. In de maagschapsnamen Van der Veer en Verveer,
De Veirman, Veerman, Altveer, Cijfveer(?) en Westveer vinden wy
't woord veer; misschien ook in De Veer. Maar deze laatste naam is
my twyfelachtig--ook al om het afwykende geslacht, dat, blykens het
lidwoord, in dezen naam het anders onzydige woord veer heeft. De
Veer zoude ook kunnen zijn het woord veêr, veder, vogelveêr, en
dan oorspronkelik als huisnaam. Te Amsterdam toch staat nog op den
Nieuwendijk een huis, dat »de oude Veêr" heet, en waarin van ouds
een beddewinkel (van veêren bedden) was; en te Rotterdam komt nog de
geslachtsnaam Veder voor. Het kan ook zijn eene verkorting van het
oud-friesche woord feder, vader. Te Hindeloopen spreken de kinderen
hunnen vader nog aan als feer; en de maagschapsnaam Vader is niet
zeldzaam; in de vlaamsche gewesten komt hy ook in samengetrokken form,
als De Vaere voor. Het woord voort, voorde, plaats waar men door het
water waadt, komt voor in de maagschapsnamen Van der Voort, Van der
Voorde, Vervoort, Vervoorde, Vervoerde, Voorda, Voerda, Voortman,
Balfoort, Blankevoort, Langevoort, Markvoort, Gantvoort, Poelvoorde,
Vredevoort, Wagenvoorde en Ten Bengevoort (ten Benninge-voorde?).

Oort en weert, weide, veen en heide, bosch en loo, hout en woud,
roode, marsch en geest, donk en horst formen eene andere groep van
algemeen-aardrijkskundige namen, die grootendeels talrijk voorkomen
in allerlei geslachtsnamen. Zie hier eenige voorbeelden: Van Oort
en Van Oorde, Op den Oort (zie bl. 254), Bredenoort, Hagoort,
Kraayenoord, Schilperoort; Van de Weert, Blyweert, Duyvewaerdt en
Flikweert; Lagerwey en Klaverweyden met Van der Weide, Van de Wey,
Verwei, Verwey, enz. Van den Bosch, Van den Bussche en Van den Bos
met Boschman, Buschman, Bosman, misschien ook met Bosscher, Busscher,
Bosker en Busker, en Bosgra, volgens het friesche taaleigen; Bysterbos,
Doorenbosch, Doornbosch en Doorenbos, Hulsebos, Strybos, Veenenbos,
Wylgenbosch. Opmerkelik, dat by het grootste gedeelte dezer namen
het woord bosch zyne ch verloren heeft.--Een loo is een eikenbosch,
of naukeuriger gezeid: een oord met jong eikenhout bezet, een
akkermaalsbosch, waar men dunne eikenstammetjes kweekt, als hakhout,
vooral om de bast er van als looistof te gebruiken. Hangen onze woorden
loo en looien niet samen? Wy vinden dit oud-germaansche woord, dat
ook in nederlandsche plaatsnamen zoo veelvuldig voorkomt (Almeloo,
Beverloo, Eekloo--dat is tweemaal het zelfde gezeid,--Groenloo), terug
in de geslachtsnamen Van de Loo, Loman met Looman en den hoogduitschen
form Lohmann (alle drie vry algemeen), Apperloo, Boschloo, Biddeloo met
Bidloo en misschien ook met Pitlo, en de versletene formen Beeloo en
Beelo; verder in Donkerloo, Oosterloo, Tinckloo, Venverloo, Wesseloo,
Zelderloo. De byzondere maagschapsnaam Deurloo (zie bl. 220) behoort
hier ook genoemd te worden. Het eikenbosch dat aleer dien naam gedragen
heeft, ligt nu verdronken in den mond der Hont of Westerschelde,
in de Noordzee. De naam echter, een zeer oneigenlike voor eenen
riviermond (dies zeit men ook wel »de Rassen"), is tot op den dag
van heden aan die plaats gehecht gebleven. De geslachtsnaam Anslo
(†?) is ook byzonder, en behoort by deze algemeen-aardrijkskundige
namen eigenlik niet. C. Honigh in zyne Reisschetsen uit Noorwegen (De
Gids, jaargang 1884, bl. 228) vermeldt het volgende: »Claes Claessen,
de grootvader van den zeventiende-eeuwschen dichter Reyer Anslo, en
stichter van het Ansloos-hofje in de Egelantiersstraat, was in 1555
in Oslo geboren. Zyne nakomelingen voerden den uit Oslo verbasterden
geslachtsnaam Ansloo." Oslo is de naam van eene oud-noorsche stad,
in den jare 1624 verbrand en niet weêr herboud. In plaats daarvan
werd de tegenwoordige hoofdstad van Noorwegen, Christiania, gesticht.

Over de beteekenis van het woord rode of rade zie men bl. 248. Behalven
de namen, daar ter plaatse opgenoemd, zijn met dit woord nog
samengesteld de maagschapsnamen Van Roo, Van Rode, Van de Raadt,
Breedenraedt, Bruynseraede, Hoogenraad, Stramrood, Schreveraey (dat
beduidt: des graven rade), Tavenraat, Weustenraadt, Mallinckrodt.

Hout en woud in frankischen, holt en wold in saksischen form
zijn woorden van eene en de zelfde beteekenis, ook van eenen en
den zelfden oorsprong. Behalven in talryke plaatsnamen, en in
de eenvoudige maagschapsnamen Van Hout, Van Haute, Van 't Hout,
Van Holte, Van den Haute, Van Houte, Van Houtte, Van Hautte, Op
't Holt, Houtstra, Van Woude, Van 't Wout, Van der Woude, Van der
Wouw, Verwoude, Verwou, Verwolde, Van de Wolde, Woudstra, Woldstra,
Houtman, Wouman, enz. vinden wy deze woorden in de meer samengestelde
geslachtsnamen Boekhout, Boekhold, Bouckout, Bouckhaut, enz.,
Frankenhout, Halverhout, Langhout, Mansholt, Eekhout en verwante
formen (zie §135), Moerenhout, Schelfhout (de zelfde naam komt in
de zuidelike Nederlanden voor als Schelfaut), Spitholt, Suyderhoud,
Vastenhout en Vastenoudt, Wechterholt, Wentholt en Witholt. Deze namen,
met hout, holt samengesteld, zijn byzonder talrijk in allerlei formen
en schrijfwyzen. En dit is ook met de woud- en wold-namen het geval:
Bruinwold en Bruynewold, Duysterwout, Dunnewold, Swartwold, en vooral
ook Groenewold, dat met Groenewoud, Groenewoldt en zelfs met het half
en heel hoogduitsche Groenewald en Grünewald, vry algemeen is.

Geest en Gast (zie bl. 247), komen voor in Van der Geest, Ter Gast,
Geestman, Gastman, Van der Gaast, Geestra en Gaastra, Brondgeest,
Houckgeest, Wittegeest, Zuidgeest. Marsch of mersch en meersch in
Van der Marsch, Ter Marsch, Wittemarsch, misschien ook in Marsman en
Mersman. Verder in Vermeersch, Overmars, enz.

Het woord heide treft men in de maagschapsnamen Van der Heide,
Van der Hei, Van Hei, Van Heed, Van Hee, Verhey, Oosthey, enz. Het
woord donk in Donck, Van Donck, Van der Donk en Verdonck, Daesdonck,
Haseldonck, Kilsdonck, Lindonk, Meynendonk, Kranendonk en Cranendoncq,
Stipdonck en Surendonk. Deze geslachtsnamen met donk samengesteld, en
eveneens de plaatsnamen op donk eindigende, komen meest in de zuidelike
Nederlanden voor. Horst (zie bl. 250) vindt men in Van der Horst,
Ter Horst, Ingenhorst en Horstman. Verder in Binkhorst, Bronkhorst,
Methorst, Quellhorst, Riedhorst, Rouwenhorst, Selhorst, Snaakhorst.

Eindelik nog eenige veen-namen: Van der Veen en Van der Feen, Feenstra
en Veenstra komen zeer talrijk voor, hooftsakelik in de noordoostelike
Nederlanden, waar veel venen zijn. Verder: Glimmerveen, Nederveen,
Noortveen, Oostveen, Roggeveen, Sureveen, en Roveen, Zwarteveen
en Witteveen. Men onderscheid in de veenstreken, naar mate van den
byzonderen aart van het veen, roodveen, witveen en zwartveen. Van
daar deze maagschapsnamen.

§ 105. Eene laatste groep van algemeen-aardrijkskundige woorden
omvat de benamingen van zulke zaken welke meer bepaald aan de
werkzaamheid van den mensch hun ontstaan danken; als: burg, zeele,
hoek, werf, brink, kamp, laan en baan en weg, kuil en put, wijk, tuin
en gaarde. Ook al deze woorden komen veelvuldig in samengestelde en
enkelvoudige algemeen-aardrijkskundige geslachtsnamen voor. Enkelen
van dat groote aantal dienen hier vermeld te worden.

Met burg en borg (oorspronkelik burcht, borcht, slot, kasteel) zijn
samengesteld--behalve Van den Burg, enz.; Buddenborg, Meerburg,
Moolenburgh, Ypenburg, Schotborgh, Siedenburg, Smallenburg,
Spierenburg, Stekelenburg, Sterkenburg en Starkenborg, Witsenborg,
Waterborg, Wekenborg, Meyborg, Pannenborg. In navolging van de
namen der middeleeusche burchten, gaven ook vele zeventiende-
en achttiende-eeusche Nederlanders, vooral Hollanders, zulke
burg-namen aan hunne landgoederen en buitenplaatsen. En ook zulke
nieue burg-namen zijn wel als geslachtsnamen in gebruik gekomen. In
den regel was het niet de heer, de eigenaar van zulk een landgoed,
die den naam daarvan als geslachtsnaam aannam, maar de rentmeester
of de tuinbaas of een pachter, als zy er jaren lang gewoond hadden,
en als 't ware met zulk een landgoed vereenzelvigd waren geworden. Men
kent zulke nieuerwetsche burgnamen wel aan hunnen soms gewrongenen, ook
burgerliken form; b. v. Eendenburg, Paddenburg, Rustenburg, Uilenburg,
Vaartburg, Waayenborg, enz. allen hedendaagsche geslachtsnamen.

De namen der middeleeusche burchten en sloten eindigden dikwijls
op stein of steen, het zy om aan te duiden dat het vaste huizen
waren van steen geboud (stinsen, stenhusen), of dat ze op eenen
steen of rots waren gegrondvest. Het eerste was meest het geval
in de Nederlanden, waar de woningen der poorters in de steden en
vooral ook der boeren ten platten lande, in de middeleeuen doorgaans
van hout waren, met riet of stroo gedekt. Het andere kwam uit den
aard der zake meer in hooger gelegene landstreken aan en over onze
oostelike en zuidelike grenzen voor. Later werden zulke steinnamen,
even als de burgnamen, ook dikwijls aan burgerlike landgoederen en
buitenplaatsen gegeven, en die namen zijn ook al tot hedendaagsche
geslachtsnamen geworden. B. v. Boekestein (ook Boekestijn komt voor,
in wanspelling--zie § 157); Druyvesteyn, Oudsteyn, Pecsteen(?),
Quakkelsteyn, Sypesteyn, Wecksteen met Wegsteen en Weeksteen,
enz. Verder Hoekstein en de hoogduitsche weêrga daarvan, Ekstein en
Eckstein, die te Antwerpen nog eens in spelling veranderd als Exsteen
voorkomt; buitendien nog Van der Steen, Steenstra, Stienstra, enz. De
friesche maagschapsnaam Hoogstins dient hier ook vermeld.

By sommige oud-germaansche volksstammen, onder anderen by de Saksen,
voor een deel onze voorouders, werd de groote woning van eenen
hoofdman of ander aanzienlik persoon sale of sele genoemd. Dit woord,
oorspronkelik na verwant met het woord hal, halle, eene opene, door
zuilen geschraagde woning beteekenende, gelijk die oud-germaansche
selen veelal waren, bestaat nog in ons woord zaal. En tevens,
vooral ook in den form zele, zeel, maakt het deel uit van vele
nederlandsche plaatsnamen: Oldenzaal b. v. stad in Twente, en
Oudezeele, dorp in Fransch-Vlaanderen; beide namen leveren slechts
een verschil op in tongval. Verder in Scherpenzeel, zoo heeten twee
nederlandsche dorpen, een in Friesland, en een in Gelderland op de
Feluwe; Loenderzeel, Bissezeele, enz. In geslachtsnamen is dit woord
tamelik zeldzaam. My zijn bekend: Bruynzeel, Immerzeel, Ipperseel,
Nevenzeel; en waarschijnlik ook Wittezaele. Buiten dien nog Verzele.

Stede, steê, woonstede, vinden wy in de geslachtsnamen Borgstede,
Alsteede, Damsté, Duynstee, Haagstee, Hoogsteede (het weinig afwykende
Hoogstad komt ook voor; dit is waarschijnlik een byzondere plaatsnaam,
afgeleid van Hochstadt, een plaatsnaam die veelvuldig in Duitschland
voorkomt). Verder Kolstee, Maalsteed (ook half hoogduitsch geschreven
als Mahlstede), Volsteedt, enz.--Wijk, een woord van verschillende
beteekenissen, komt voor in Damwijk, Frieswijk, Haelewijck, Klapwijk,
Kromwijk, Sandwijk, Swaanswijk, Vaerewijck, Woudwijk, enz.

Met hoek samengesteld zijn de geslachtsnamen: Kalishoek, Noordhoek,
Kurpershoek, Leegenhouck, Molhoek, Smitshoek, Spieringshoek, Oosthoek,
Stegerhoek. Horn en hoorn is het zelfde als hoek. Dit oude woord,
van frieschen oorsprong (zie bl. 250), vinden wy in de geslachtsnamen:
Barghoorn, Dijkxhoorn, Droghorn, Spilthoorn, Oosterhoorn, Wolthoorn,
enz. Een ander woord voor hoek is winkel, waarvan ons woord winkelhaak;
zie ook bl. 204. Winkel is het tegenovergestelde van horn; het
eerste woord beteekent een binnen-, het andere een buitenhoek. Het
woord winkel komt voor in de geslachtsnamen Baerwinckel, Boswinkel,
Cramwinckel, Gleenewinkel, Hooghwinkel, Kattewinkel, Hanewinkel,
Hasewinkel, Nieuwinckel, Romswinckel; buitendien in Van de Wynckel. In
den geslachtsnaam Vettewinkel schijnt het woord winkel my toe de
nieuere beteekenis te hebben van een gedeelte van een huis, een
voorhuis, waar koopwaren uitgestald zijn en verkocht worden. Een
winkel, waar vet, boter, olie, spek en dergelike dingen te koop zijn,
noemt men wel een vettewinkel. Den man, die zulk eenen vettewinkel
houdt, noemt men te Middelburg, en elders in Zeeland en Vlaanderen,
met het zonderling geformde bastertwoord vettewarier, van vette waar
afgeleid. De maagschapsnaam Rooswinkel zal wel oorspronkelik de naam
zijn van het dorp Roswinkel in Drente.

Werf, brink, kamp, laan, baan, einde, weg, kuil en put, tuin en gaarde
zijn algemeene aardrijkskundige woorden, die geenen naderen uitleg
eischen, en die in talryke geslachtsnamen voorkomen. Zie hier eenige
voorbeelden daarvan:

Met werf zijn samengesteld: Van der Werf, Van de Werve, Bergwerf,
Disselwerf, Hoogewerf, Lagewerff.

Met brink: Van den Brink, Van de Brinke, Ten Brink, Brinkman (deze naam
is, als Brinkmann, ook dikwijls uit Westfalen, waar hy zeer algemeen
is, tot ons overgekomen), Dambrink, Hurrelbrink, Kraayenbrink,
Kottelbrink, Kruisselbrink, Sandbrink, Speekenbrink, Veenbrink,
Westenbrink. Ook Stornebrink en Störnebrink, dat in Friesland,
in uitspraak op friesche wyze verbasterd en op hollandsche wyze
geschreven, als Steunebrink voorkomt.

Met kamp: Van der Kamp, Kampstra, Belekamp, Elskamp, Feltkamp
en Veldkamp, Hasekamp, Haverkamp, Peperkamp, Reuvekamp, ook op
hoogduitsche wyze als Rövekamp geschreven, Schalekamp, Steenkamp,
Westerkamp, Witkamp.

Met laan: Van der Laan, Laanstra, Batelaan, Felperlaan, Yperlaan,
Langelaan, Zuiderlaan.

Met baan: Van der Baan, Baanstra, Oosterbaan, Schiebaan, Westerbaan,
Zuiderbaan.

Met einde of ende: Van der Ende, Van 't Einde, Endstra, Balkenende,
Zuiderend.--Van den Hende, in Vlaanderen inheemsch, behoort
waarschijnlik ook wel hier, als eene, in Vlaanderen niet ongewone
wanspelling van Van den Ende.

Met weg: Van der Weg, Wegstra, en Weistra (weg = wei in het Friesch),
Breedeweg, Groenewegen, Harweg en Harwegen, Heirwegh, Herrewegh,
Heerwegh, Hoogeweegen, Hoornweg, Korteweg, Kleiweg, Schuerwegh.

Met kuil: Van der Kuylen en Verkuilen, Koelstra, Ter Kuile,
en half-hoogduitsch Ter Kuhlen; verder Leeuwenkuyl, Steenkuyl,
Wolfskuyl, Voskuyl en Voskuil. De laatstgenoemde naam is geenszins
zeldzaam, en aan verschillende geslachten eigen. Ook als Voskuilen
komt hy voor. Hy is ongetwyfeld aan een wezenlik vossehol ontleend,
even als de maagschapsnaam Wolfskuyl aan een wolvehol. Maar om het
ontstaan van den geslachtsnaam Leeuwenkuyl te verklaren, heeft men
aan eenen oneigenliken oorsprong van dezen naam te denken. En wel aan
eenen huisnaam, aan eenen gevelsteen, die »Daniël in den leeuwenkuil"
voorstelde. De huisnaam is dan hier op den bewoner van het huis
overgegaan, gelijk oudtijds geenszins zeldzaam geschiedde. Zie §
128 en vervolgens. Reeds in 1578 was er te Amsterdam een huis, »de
kuil der Leeuwen" geheeten; de bewoner van dat huis werd genoemd
Simon Pietersz. in den kuyl der Leeuwen [153]. Over sommige namen,
die met coul, een andere form van het woord kuil zijn samengesteld,
zie men bl. 256.

Met put: Pitstra, Helleputte, Nechelput, Verseput (dat is een put
van versch, zoet water, in tegenstelling van brak of zout water),
Waelput, Wullepit. Over put en pit, en over een paar geslachtsnamen,
met dit woord samengesteld, zie men bl. 251.

Met tuin: Tuinstra, Houttuyn (de maagschapsnaam Tuinhout komt ook voor;
als tegenhanger? zie § 168), Vlastuin, Elsentuin, Blomtuin. Het woord
houttuin beteekent eene omtuinde of omheinde plaats, waar timmerhout
bewaard wordt. Aan de buitenhelling van den ouden Haarlemmer-dijk te
Amsterdam lagen oudtijds zulke houttuinen. Van daar dat de buurt,
die later daar ter plaatse ontstond, nog heden den naam draagt van
»de Haarlemmer Houttuinen."

Met gaarde: Diergaarde, Roosegaarde, Schilfgaarde, Oolgaardt. Zoude
deze laatste naam geene verbastering zijn van den hoogduitschen
naam Oelgarten, dat oorspronkelik een oud-duitsche naam is voor den
Olyfberg, anders gezeid Gethsemane, of wel Hofken van Oliveten, gelijk
de Vlamingen zeggen. Ook Vergaerde, samengetrokken uit Van der Gaerde,
komt voor. In den geslachtsnaam Mergaert meen ik eenen versletenen
oud-germaanschen mansvóórnaam (Markwart, Merkart, Merwart?) te vinden.

De maagschapsnaam Noordziek, die aan oningewyden, welke zynen oorsprong
niet en kennen, al zeer zonderling moet toeschynen, behoort mede
tot de namen van algemeene aardrijkskundige beteekenis. Eigenlik
behoort deze naam tot de nederlandsche namen niet. Hy is slechts eene
verdietsching van den oorspronkelik hoogduitschen naam Nordsieg of
Nordsieck, die onder deze beide formen nog in Duitschland voorkomt. Het
woord sieg of sieck in dezen naam, en in eenige andere geslachts- en
plaatsnamen voorkomende, is een zoogenoemd algemeen aardrijkskundig
woord; het beteekent: een laag, vochtig oord. [154] Ook eenige andere
maagschapsnamen, thans in Nederland inheemsch, maar die ongetwyfeld van
hoogduitschen oorsprong zijn, ofschoon sommigen min of meer verdietscht
zijn in spelwyze, zijn met dit woord samengesteld. B. v. Bohnensieg,
Braakensiek, Bommelsiek, Brummelsiek, Erdtsieck, Heidsieck, Steinziek,
Uhlmansieck en Wellensiek met Siekman, Siegman en Ziekman. Middellik
behoort de geslachtsnaam Hagenzieker ook tot deze kleine en byzondere
groep. Hy is namelik afgeleid van eenen hoogduitschen plaatsnaam
Hagensieck; van deze plaats was de man die eerst den naam Hagenzieker
voerde, zeker herkomstig; zie § 70.

§ 106. Daar zijn nog vele andere algemeene aardrijkskundige woorden,
die als geslachtsnamen dienst doen. De byzondersten daarvan hier ook
slechts te melden, zoude reeds te veel ruimte eischen. Die namen
te verklaren, ware ook overbodig; zy zijn in den regel duidelik
genoeg. Als voorbeelden kunnen gelden de maagschapsnamen Kalkoven
en Tiggeloove (misspelling van Ticheloven), Zeedijk, Hooyschuur,
Hogetoorn, Schutstal, Koestal, Schapenstal en Schaaphok, Hofstede en
Hofstee, Hoogeboezem. Boezem heet het binnenwater van een waterschap of
polder-district; van daar ook de geslachtsnaam Van den Boezem. Verder
Voorspuy, Binnekolk en Stouwdam (een dam in stroomend water gelegd
om het water op te stuwen of te stouen, in het Hoogduitsch ook stau
genoemd), ook namen aan de water-aangelegenheden van onzen bodem
ontleend. Dan nog Noordhoek, Bloemhof, Lusthoff, Appelhof, Blomtuin,
Wijnberg, Vlasveld, Boomgaard, Wijngaard, Kerkhof. Vooral de drie
laatste namen komen menigvuldig en onder allerlei formen voor; als:
Kerckhof, Kerckhoff, Van den Kerkhove, Van de Kerckove (dit is een
vlaamsche form, zonder h); Van den Wijngaerde, Van den Wingert,
Onder de Wijngaard, enz. Maar de formen waaronder het eenvoudige
woord Boomgaard als maagschapsnaam voor den dag komt, zijn byzonder
groot in aantal. Zie hier slechts eenigen daar van, als een tweede
voorbeeld ('t eerste staat op bl. 155 en 156), van den formenrijkdom
onzer sprake: Boomgaard, Boomgaerd, Boomgaert, Boomgaerdt, Boogaert,
Bogaert, Bogaerdt, Bogert, Bongert, Boomgert, Van den Boomgaard,
Van de Boomgaard, Van den Bogaert, Uyttenbogaerdt, Ten Bogaerde,
enz. Ook als oneigenlike vadersnamen komen deze namen voor: Bogaerds,
Bogaerts, Bogaertz, Bogerts, Bongarts, zelfs Bungartz, en verlatynscht
tot Bogardus. De formen Bongert en Bonger echter, met Bongerts en
Bongers, kunnen ook afkomstig zijn van het oud-nederlandsche woord
»bonger", 't welk een speelman beduidt, die op eene bonge of blaas,
't zy dan onder de gedaante van doedelzak of van rommelpot, 't zy
onder die van boerhalvezeve (tamboeryn) muzyk (?) maakt.

Eene algemeene aanmerking, geldig voor deze geheele afdeeling van
maagschapsnamen uit algemeene aardrijkskundige woorden genomen,
en waar op ik in het byzonder nadruk leg, dient hier nog vermeld
te worden. Onder al de geslachtsnamen, in de laatste §§ opgenoemd,
zullen er ongetwyfeld wel eenigen zijn, die, hoewel zij uit algemeene
aardrijkskundige woorden samengesteld zijn, toch in werkelikheid de
namen zijn van byzondere plaatsen, 't zy dan in Nederland, 't zy daar
buiten. Namen van groote dorpen of steden zullen dit wel niet wezen,
maar namen van kleine dorpkes, van gehuchten en buurten, landhoeven,
enkele huizen, enz. kunnen zeer wel hier onder voorkomen. Wie kent
al die namen? In dat geval echter behooren zulke namen dan niet in
deze afdeeling, by d' algemeene plaatsnamen, maar integendeel by
de maagschapsnamen aan byzondere aardrijkskundige namen ontleend,
en die in § 72-78 reeds zijn opgenoemd. Heb ik dus hier eene enkele
maal gedwaald, de vriendelike lezer zy dan zoo goed my om deze zake
te willen verontschuldigen.

§ 107. Er is nog eene kleine groep van maagschapsnamen, die eveneens
tot de namen van algemeenen aardrijkskundigen aard moeten worden
gerekend. Velen daar van zijn reeds, verstrooid onder de reeds
behandelde groepen, in dit werk ter loops vermeld. Deze namen gaan
op man uit, of, in patronymikalen form, op mans. Een man die by eene
brug of by eene sluis, aan of op eenen dijk, in een bosch, op eenen
heuvel of berg woonde, kreeg al licht, naar die byzondere woonplaats,
den bynaam van Bruggeman, Sluisman, Dijkman, Boschman, Heuvelman,
Bergman, enz. En deze toenamen, aan de woonplaats, in aardrijkskundigen
zin ontleend, zijn veelvuldig tot vaste geslachtsnamen geworden, en
als zoodanig tot op onze dagen eigen gebleven aan de afstammelingen
van de mannen, wien ze eerst gegeven waren. Als voorbeelden van zulke
geslachtsnamen noemen wy Beekman met Beeckman, Beekmans en Beeckmans,
Bergman met Berghman, Bergmans, Berchmans, en misschien door eene
in de nederlandsche gouspraken zeer gewone verwisseling van er met
ar, Bargman (zie bl. 133)--en van g of gh met ch, Barchmans. Verder
Brinkman en Brinckman, [155] enz. Heiman kan als eene samentrekking
van Heideman en Heidtman gelden. Waar deze naam echter, ook als Heyman,
Heimans en Heymans, zelfs in wanspelling als Hijman, aan israëlitische
geslachten eigen is, daar houd ik hem voor den mansvóórnaam Heiman,
die by de nederlandsche Joden, als zoodanig, in gebruik is. Nevens
Boschman en Woltman behoort ook Loman, dat ook als Looman, Lomans,
enz. en zeer veelvuldig ook in half of heel hoogduitschen form als
Lomann, Lohman, Lohmann voorkomt, vermeld te worden. Immers beteekent
het oud-germaansche woord loo, loh, leag, waarmede zoo vele plaatsnamen
samengesteld zijn, oorspronkelik eikenbosch (zie bl. 284). Van daar
ook Lomeyer en Lomuller, dat is: de boer en de molenaar die by het
eikenbosch wonen. En naast Straatman en Straetman met Straatmans
en Straetmans meen ik nog Strootman te moeten vermelden, als een
byform van dezen naam, die in eene byzondere (saksische) uitspraak
zyne oorzaak vindt. Zoo komt ook in de nederduitsche gouen langs onze
grenzen, te Bentheim, de geslachtsnaam In der Stroth (in de straat,
in der Strasse) voor. En in onze geldersch-saksische gouen zijn de
geslachtsnamen Te Strote en Ter Stroot (zie bl. 261) inheemsch. De
maagschapsnaam Enkelstroth behoort ongetwyfeld ook tot deze byzondere
straatnamen. Enkelstroot, Enkelstraat, (in Friesland: Inkelde rige)
zoo noemt men eene straat of eenen weg die slechts langs den eenen
kant met huizen bezet is.

Hoogduitsche formen, soms ook weêr half verdietscht, van al
deze man-namen komen ook zeer veelvuldig in de Nederlanden voor;
b. v. Brinkmann en Brinckmann, Mohrman, Mohrmann, Waldman en Waltmann,
enz.

Eenigen van de bovenvermelde namen, als Bruggeman, Zijlman, Sluisman,
Poortman, kunnen ook even zeer als beroepsnamen worden geduid, en
dus by § 118 worden gevoegd.



III.

GESLACHTSNAMEN VAN ALLERLEI OORSPRONG.


§ 108. In deze afdeeling zullen alle geslachtsnamen besproken worden,
die niet van mansvóórnamen afgeleid, en niet van aardrijkskundigen
oorsprong zijn; alle soorten van geslachtsnamen dus die niet in de
beide voorgaande afdeelingen vermeld werden. Zy formen met elkanderen
een zeer bont samenstel, wijl zy van zoo zeer verschillenden oorsprong
zijn.



A. GESLACHTSNAMEN AAN DE NAMEN VAN AMBTEN, BEDRYVEN, HANDWERKEN,
ENZ. ONTLEEND.


Sedert de opkomst der steden in de Nederlanden, sedert de opkomst
tevens van den zoogenoemden derden stand, dien der burgers of
poorters, kwamen ook de verschillende handwerken in bloei en
eere. Handwerkslieden van allerlei soort, kooplieden die met allerlei
verschillende waren handel dreven, zy die fynere kunsten uitoefenden
en daar mede een bestaan vonden, vereenigden zich in gilden. Deze
gilden hadden hunne eigene wetten. En die wetten, welke naar den
strengen geest der middeleeuen, geenszins mild te noemen waren,
zorgden er vooral voor dat slechts bekwame werklieden, of slechts zy
die bewijs konden leveren hun bedrijf of nering of handel uit der
mate wel te verstaan, in die gilden werden opgenomen. Daarenboven
moest men een eerlijk man zijn, wel te naam en faam bekend, zoo
men als gildebroeder zoude worden aangenomen. Het was dus voor den
burger eene eere, broeder van dit of dat gilde te zijn, of door de
hoofdlieden dier vereenigingen als meester in het eene of andere
bedrijf te zijn erkend. Men voegde dan ook geerne den naam van zijn
handwerk of bedrijf achter den eigenen persoonsnaam, het zy dan
achter den enkelen vóórnaam, of achter vóór- en vadersnaam beiden;
b. v. Claes Laeckenwever, of Claes Egbertse Laeckenwever; Symoen de
Backer of Simon Henrickszoon de Backer. En in navolging van deze
meesters-handwerkers of ambachtslieden, voegden geringere lieden,
die het een of ander schameler bedrijf uitoefenden, en die niet in een
gilde vereenigd waren, den naam van dat bedrijf ook wel achter hunnen
eigennaam; b. v. Pierkin d' Houtsaegher, Kaerle Ketelboeter. Dat de
mannen die aanzienlike ambten, het zy in het wereldlike of in het
geestelike bekleedden, of die wetenschappelike betrekkingen vervulden,
nog meer dan de handwerkslieden en anderen de namen van hunne ambten
en waardigheden achter hunne persoonsnamen voerden, ligt voor de hand:
Hillebrant Drossaert, Seger Lievenszoon de Landtheer, Ryklof Proest
(Proost), meester Aert Doctoor, enz. zijn zulke namen.

Al deze namen gingen later wel op de zonen en kleinzonen van de
mannen die ze eerst gevoerd hadden, als vaste geslachtsnamen over,
ook al oefenden dezen het voorvaderlik bedrijf, dat tot het dragen
van die namen aanleiding gegeven had, niet meer uit. En zoo zijn
honderden van die namen tot op onzen tijd als vaste geslachtsnamen
in volle gebruik gebleven.

Het voeren van zulke namen, eerst als toenamen slechts voor eenen
enkeling geldig, later ook als geslachtsnamen, klimt reeds tot
vroeg in de middeleeuen op. In der daad, deze namen behooren, met de
patronymika en de aardrijkskundige namen, tot de oudsten die in gebruik
zijn gekomen. Ziet men de naamlijsten in van de poorters van deze of
gene nederlandsche stad, in middeleeusche oorkonden ons bewaard, zoo
zal men daar onder altijd zeer velen vinden, die toenamen, soms ook
reeds ware geslachtsnamen dragen, aan de namen van handwerk, bedrijf
of ambt ontleend. Deze zaak is overvloedig bekend aan allen die de
geschiedenis der laatste middeleeuen beoefenen of kennen. En ook is het
ontstaan van zulke namen, en het voorkomen er van als hedendaagsche
geslachtsnamen zoo eenvoudig en geleidelik te verklaren, dat het
wel geheel onnoodig is, voorbeelden uit middeleeusche geschriften
dienaangaande, hier te vermelden.

§ 109. Onder de zeer talryke hedendaagsche geslachtsnamen aan
menschelike bedryven ontleend, zijn er velen die slechts uit het
eenvoudige woord, dat eenig bedrijf of ambt aanduidt, bestaan;
b. v. Bakker, Bleeker, Boekbinder, [156] enz. Anderen hebben
het lidwoord er voor behouden; b. v. De Bakker, De Beenhouwer,
De Bisschop, [157] enz. Dit lidwoord wordt ook wel als den in
plaats van de geschreven; b. v. Den Boer, Den Abt, Den Heyer,
Den Herder. Opmerkelik is het dat de namen zonder lidwoord meer in
de noordelike, en die met lidwoord meer in de zuidelike gewesten
voorkomen. Die, welke het lidwoord den hebben, zijn uitsluitend tot
de zuidelike Nederlanden, tot Vlaanderen en Brabant met Zeeland en
het overmaassche Zuid-Holland beperkt.

Vele maagschapsnamen aan bedrijfsnamen ontleend, staan, als
patronymika, in den tweeden naamval; b. v. Bakkers, Brouwers, Kuipers,
Schoenmakers. In § 64 vindt men reeds een aantal dezer namen opgesomd
en nader besproken. Zy eischen hier geene nadere toelichting.

Over het algemeen genomen, komen de geslachtsnamen aan bedrijfsnamen
ontleend, in grooter aantal voor in de zuidelike, dan in de noordelike
gewesten. Is de oorzaak hiervan te zoeken in de omstandigheid,
dat reeds van ouds her de nyverheid, het handwerk en de kunst,
meer in Zuid-Nederland bloeiden dan in het Noorden? Dat reeds in
de middeleeuen deze zaken in het zuiden eene groote mate van bloei
hadden bereikt, toen zy in de noordelike gewesten nog grootendeels
sluimerden? Zulks komt my zeer waarschynelik voor. En dat velen
dier zuid-nederlandsche maagschapsnamen, door de byzondere spelling
waarin zy nu nog voorkomen, blyken geven van hoogen ouderdom, pleit,
dunkt my, ook nog ten voordeele dezer opvatting. Zie hier eenigen
van die byzondere zuid-nederlandsche namen: De Cupere, D'Huyvettere
(dat is de leêrlooier), Harnisfeger, Raeymaecker (raey == raderen),
De Saedelaer, De Scheemaeker, Schrynemaeckers, Selversmet, Swertvagher,
Teegelbeckers, De Waepenaert, De Wannemaeker, enz.

§ 110. De eerste menschen waren jagers en visschers. Later werden
hunne nazaten herders, en nog later landbouers. Maar het uitoefenen
van handel en van handwerken kwam eerst nog veel later in zwang. Het
is dus billik dat men, by 't uitvoerig behandelen der geslachtsnamen
aan menschelike bedryven ontleend, beginne met de namen van deze
oudste bedryven.

Allereerst vermelden wy dan de geslachtsnamen Jager en De Jager,
die nog al algemeen voorkomen. Een oud-nederlandsch woord voor jager
is weiman; zoo ook noemde men de jacht wel het weispel. Nog hier
en daar aan oude herbergen ten platten lande hangt »de Weiman" uit,
in plaats van »De Jager"; b. v. te Santpoort in Kennemerland. Weiman
komt ook als maagschapsnaam voor, even als Weyman, en in misspelling
Wijman. Een ander oud woord voor jager is wildschut, overeenkomende
met het hoogduitsche Schütz, Wildschütz. »De Wildschut" hangt nog, in
stede van »de Jager", uit aan een huis te Amsterdam, by de Munt. Als
geslachtsnaam is Wildschut ook niet zeldzaam. Een andere maagschapsnaam
met dit woord schut samengesteld, is Busschut, iemand beteekenende
die schiet met eene bus of bos, het oud-nederlandsche woord voor
schietgeweer, en dat overeenkomt met het hoogduitsche Büchse,
waarvoor men in nieu-nederlandsch buks zegt. Reeds in 1511 vinden
wy eenen burger van Leeuwarden, die den toenaam Busschut draagt. Een
andere form van dezen zelfden naam is Bosschieter, als geslachtsnaam
voorkomende. De maagschapsnamen Hazejager, Hoendervanger en Snepvangers
behooren tot de jagernamen, zoo mede Vogelvanger, Vinkelaar, Finkeler
en misschien het half verfranschte Vinqueleir (zie bl. 205), en
Flapper. De drie voorlaatste namen komen overeen met het hoogduitsche
woord Finkler, vinkevanger; terwijl in Friesland iemand die met een
flapnet allerlei moeras- en veldgevogelte vangt, zoo als daar zeer
gebruikelik is, een flapper wordt genoemd. De geslachtsnaam Flapper
is dan ook in Friesland inheemsch. De maagschapsnamen Mollevanger
en Kraaivanger met Craeyvanger zijn zeker meer namen voor wegvangers
van schadelik gedierte, dan voor eigenlike jagers. De Valckenier en
Valkenier, met De Valckenaer, Valkenaar, Valckenaar en Valckenaere
behooren ook tot de jagernamen, even als Vogelaar, De Voghelaer,
De Vogheleir en, in patronymikalen form, Veugelaers. Eindelik dient
hier nog vermeld de maagschapsnaam De Strooper.

In ons waterrijk en aan zee gelegen Nederland overtreffen de visschers
den jagers in aantal. En zoo zijn ook de geslachtsnamen Visscher
met De Visscher, Visser, De Visser, De Visschere, De Vischere,
Visker, Fisker en Vissers algemeener dan Jager en De Jager. Vooral
in de friesche gewesten is deze algemeene bedrijfsnaam aan vele
verschillende geslachten als maagschapsnaam eigen. Byzondere visschers
vinden wy onder de geslachtsnamen weinig vertegenwoordigd. My zijn
geene andere bekend dan Varkevisser, Botvanger, Botschuyver en
Schelvisvanger. Waarschijnlik behooren Botman en Bottemanne (zie
bl. 184) ook tot de visschersnamen. Eene byzondere wyze om bot te
vangen, is in sommige oorden van ons vaderland gebruikelik, vooral
op de slikkerige gronden buitendijks, in onze wadden, riviermonden
en zeegaten. De visscherman schuift over die gevaarlike gronden met
eene vlakke slede, de botsleê, in het Friesch kraite genoemd. Aan deze
eigenaardige visschery is de maagschapsnaam Botschuyver ontleend. Een
varkenvisscher is natuurlik niet een man die varkens, zwynen, vischt;
maar iemand die bruinvisschen of zoogenoemde tuimelaars vangt. Deze
vischvormige zoogdieren, die in grooten getale aan onze kusten en
in onze wyde stroommondingen voorkomen, werden in vorige eeuen veel
gevangen, en dienden onzen voorouders tot een welkom voedsel. Men
noemde die dieren wel zeevarkens of meerzwynen. Nog heden zegt onze
zeeman, als hy bruinvisschen en tuimelaars, volgens de gewoonte van
die dieren in groote scharen vereenigd, al tuimelende en buitelende
ziet voortzwemmen: »kijk! de boer met z'n varkens!" De Franschen
noemen den tuimelaar ook marsouin. Dit is eene verwaalsching van
het friesche woord mar-swiin, meer-zwijn. En naar deze zeevarkens
draagt de varkenvisscher (Varkevisser) zynen naam. Visman is ook
nog een visschersnaam, die door een geslacht van visscherliên op het
eiland Tessel, als maagschapsnaam gevoerd wordt. Eindelik is nog de
geslachtsnaam Commandeur aan de visschery ontleend. Immers »commandeur"
was de titel van den hoofdman op eenen »groenlandsvaarder", die
oudtijds, en nog in d' eerste helft van deze eeu, de walvischvangst
in de IJszee bedreef.

Aan het veehoeders- en veehoudersbedrijf danken de geslachtsnamen
Herder, De Herder, De Harder, Den Herder hunnen oorsprong. Zoo
ook Schaper--dat is schaapherder; en Scheper met het patronymikale
Schepers. Immers noemt men in onze saksische gewesten den schaapherder
scheper. Het woord schaper of scheper is de nederlandsche weêrga
van het hoogduitsche woord Schäfer. Volgens onze geslachtsnamen
zijn de hoogduitsche schaapherders (geslachtsnamen Schäfer, Schäffer,
Scheffer, Schäfers) talryker onder ons dan de nederlandsche schapers en
schepers. Een tegenhanger van den schaper is, in taalkundig opzicht,
de geiter, de geitehoeder. In de formen De Geyter en De Geetere komt
dit oude woord nog als maagschapsnaam voor. Veeman, Schaepman met
Schaapman en Koeman met Koemans en Coeymans, benevens De Schaepmeester
en De Schaepdryver zijn eveneens namen aan het veehoudersbedrijf
ontleend. Ook voeg ik hier nog by de maagschapsnamen Kalverboer
en Bargeboer. Een »bargeboer" is een varkensboer; »baerch, barch"
geldt tegenwoordig in Friesland als een woord voor varken in het
algemeen. Oorspronkelik echter beteekent het slechts een gelubde beer
of gesneden mannelik zwijn. Ook in menige andere gou van Nederland
wordt zulk een dier berg genoemd. Zie blad. 132. Het woord geld of
gild heeft, by dieren, ook de beteekenis van onvruchtbaar. Van daar het
werkwoord gilden, een dier onvruchtbaar maken of lubben. En een gilder
is iemand die van deze zaak zijn bedrijf maakt. In De Navorscher,
dl. XXXII, bl. 338 vind ik de volgende aanteekening: »In Noord-Brabant
onderscheidt men bergen van gilden. Berg is een gewezen beer; gild een
gewezen zeug, niet waar? Ik heb in die provincie eene familie Gilders
gekend, waarvan de mannelijke leden zich voornamelijk onledig hielden
met het verkoopen van te mesten varkens en wat er toe behoort." Dien
ten gevolge dient de geslachtsnaam Gilders ook in deze afdeeling
vermeld te worden. En eindelik mag de maagschapsnaam Melkman ook nog
wel tot de veehoudersnamen geteld worden, even als De Kaesmaeker en
De Caesemaeker met Waaiboer, Waiboer, Soepboer en Molkenboer. Den
uitleg van deze namen vindt men op de twee volgende bladzyden.

Aan het landboubedrijf, zoo veel ryker aan byzondere onderdeelen
dan het veehoudersbedrijf, zijn ook meer geslachtsnamen ontleend als
aan de veehoudery. Behalven al de boeren (De Boer) en meyers (Meyer)
mogen hier eerst genoemd worden de geslachtsnamen Landman, Bouwman
en Bouman met Bouwknecht, De Zaayer, Zaayer en De Saeyere, Boonzajer,
De Maeyer, Hooyer, Hooiman, Stroman, Akkerman, Ackermans, Havermans,
Gerstman, Rogmans, en vele dergelyken. Tuinman, Hovenier en Hofman
(met Hoffman, Hofmans, Hoffmann, enz.), Bloemist met Gardenier en
Gerdenier behooren hier ook toe. Eindelik nog Pachter en De Pachter.

In vorige eeuen, tot in het begin van dit loopende jaarhonderd werden
de boeren veelal »huislieden" genoemd; huysman, hûsman, vooral in
Holland en Friesland. Van daar de geslachtsnamen Huisman, Huysman,
Huysmans, Huesman, enz.

De geslachtsnamen Boer, De Boer, Den Boer zijn uit der mate talrijk,
voornamelik in de noordelike gewesten, en in de friesche gouen wel
het meest. Boers en Boeren met Boere, (misschien ook de verfranschte
(?) formen Boursse en Bource?), als oneigenlike vadersnamen, komen ook
voor. En de namen Boerman (met Buhrman) en Boermans reken ik hier ook
toe, even als, in sommige gevallen, de friesche geslachtsnamen Boerema,
Boerma, Boersma, Boersema.--Boering kan een patronymikon zijn van
de soort die in § 31 is vermeld. Echter kan in deze laatstgenoemde
friesche namen ook de oude mansvóórnaam Boere, Bure, Bore schuilen;
zie bl. 79 en 187. In verkleinform komt het woord boer ook al als
geslachtsnaam voor; in Friesland als Boerke, in Holland als Boertje.

Talrijk zijn ook de samengestelde geslachtsnamen die men van het
woord boer heeft geformd, door er het eene of andere woord, als tot
nadere aanduiding, by te voegen; b. v. Veenboer, Heyboer (heideboer),
Hooiboer, Strooboer, Bravenboer, Rijckeboer, Turfboer, Biesboer,
Wortelboer en Worteleboer, Jongeboer, Polderboer, Mooyboer, enz. Allen
namen, die geene nadere verklaring noodig hebben. Waaiboer, met
Waiboer, Molkenboer en Soepboer zijn naverwante namen. Molken is een
oud-nederlandsch woord (Kiliaan vermeldt het als byzonder-geldersch)
voor zuivel in het algemeen. Als zoodanig zou de Molkenboer by den
Veeman en den Melkman, op bl. 301 genoemd moeten zijn. Zoo ook de
Waaiboer en de Soepboer, wier samen men in § 140 nader verklaard vindt.

Iemand die nieu op eene boerenhoeve komt wonen, of iemand die eene
nieu geboude en nieu ingerichte boereplaats betrekt, noemt het
volk, althans in Friesland nog heden, de nieuboer, de nyboer. Aan
die benaming danken de geslachtsnamen Nieuwboer, Nieuweboer,
Nyboer en ook Niebuhr hun ontstaan. Grooteboer en Lutjeboer formen
elkanders weêrga; lutje, lutke, overeenkomende met het friesche
woord lîts, het engelsche little, enz. is friso-saksisch voor
klein, en nog in onze noordoostelike gouen en de noordwestelikste
van Duitschland in gebruik. By den naam van menige plaats in onze
friesche gewesten gelegen, komt het nog voor; b. v. Lutje-Broek in
noordelik Noord-Holland, Lutke-Wierum in Friesland, Lutje-Gast in
Groningerland, Lutje-Wolde in Oost-Friesland, enz.--Sommige boerderyen
zijn in oude tyden het byzonder eigendom van kloosters geweest,
en anderen zijn wel opgericht ter plaatse waar vroeger een klooster
stond. Zulke boerderyen dragen dan nog heden wel den naam van »de
Kloosterhoeve" of »de Kloosterplaats," en de boer die er woont,
wordt nog wel »de Kloosterboer" genoemd. Deze toenaam is ook een
vaste geslachtsnaam geworden: Kloosterboer. En deze naam werd als
zoodanig in 1844 nog gevoerd door den boer die op de Kloosterplaats
woonde te Heiligerlee in het Oldambt, ter plaatse waar vroeger een
klooster van Norbertyner nonnen stond, tevens de plaats waar in 1568
onze voorouders eene roemryke overwinning behaalden op den spaanschen
dwingeland.--De geslachtsnaam Ledeboer is zoowel in de Nederlanden
als in Duitschland (als Ledebur en zelfs Von Ledebur), eigen aan
verschillende geslachten. Dezen naam weet ik niet met zekerheid te
verklaren. De maagschaps-overlevering en het volksverhaal geeft
er dezen uitleg van. Een ryke vader, die onder anderen ook vele
boerderyen bezat, door pachters bewoond, verdeelde op zijn sterfbed
zyne nalatenschap onder zyne zonen, en gaf tevens aan ieder hunner
eene aanwyzing welk gedeelte van het bestuur over de boerderyen hy in
het vervolg in het byzonder vervullen moest. Zoo zeide die vader ook
tot eenen zyner zonen: »lede Du den Buren!" leid Gy de boeren! (de
man sprak nederduitsch). En dit bevel was oorzaak dat die zoon in
het vervolg den toenaam kreeg van Ledebur of Ledeboer. Volgens deze
overlevering zou Ledeboer eigenlik »Boere-leider" beteekenen. Vilmar in
zijn Deutsches Namenbüchlein (Frankfurt a/M. 1863), bl. 22, schrijft:
»Ledebur (Bauer auf der Lede, d. i. Heide)." Deze afleiding kan
ik niet aannemen.--Holsboer kan ik anders niet verklaren als door
aan te nemen dat deze naam eene nederlandsche verbastering zy van
eenen hoogduitschen naam Holzbauer, die in der daad voorkomt.--In de
middeleeuen richtte men op uitgestrekte landgoederen wel groote, van
kelders en zolders wel voorziene, ook dikwijls met wallen en torens
versterkte en bevestigde gebouen op, om daarin het graan en andere
landelike voortbrengselen veilig te kunnen bewaren. Zulke bergplaatsen
droegen den naam van »het Spycker", een bastaardwoord van het latynsche
spicarium. Dit woord »spyker" komt nog heden wel als plaatsnaam
voor; b. v. het geldersch Spyker, by Arnhem, en het dorp Spyker in
Fransch-Vlaanderen, by Duinkerke. Ook maakt het, naar myne meening,
deel uit van den geslachtsnaam Spykerboer. Deze naam zal oorspronkelik
dus de toenaam geweest zijn van eenen boer, die in, of naby zulk een
spyker woonde, of er het opzicht over had.--Ook plaatsnamen maken
wel deel uit van geslachtsnamen met boer samengesteld. Velserboer en
Beemsterboer namelik zijn afgeleid van de plaatsnamen Velsen, een dorp,
en de Beemster, een polder, beiden in Noord-Holland.--De Wilde Boer is
van ouds, o. a. te Haarlem en Amsterdam, een huisnaam, een gevelteeken
geweest; daarvan is de geslachtsnaam Wildeboer ontleend. Blaauboer,
Witteboer en Dubbelboer zijn my moeielik te verklaren. Met Meereboer,
Ongerboer, Pinksterboer, Segboer en Traanboer weet ik in het geheel
geen weg. De maagschapsnaam Hatenboer zal wel tot de aardrijkskundige
namen behooren, en ontleend zijn aan den naam van het gehucht Hateboer,
by Roermond.

De meier-namen formen de weêrga van de boer-namen. Immers het woord
meier, al heeft het ook verschillende andere beteekenissen, moet,
waar het op zich zelven of als samenstellend deel, geslachtsnamen
uitmaakt, wel opgevat worden als pachter, boer. In dien zin is het
nog heden ten dage in eenige nederlandsche gewesten in gebruik;
b. v. in Groningerland, even als ook in de aangrenzende duitsche
gouen, vooral van Westfalen, meer byzonder van Munsterland. En juist
uit Munsterland, dat reeds van ouds her steeds zoo velen zyner zonen
naar de Nederlanden zendt, zijn ons de meesten dezer meiernamen
toegekomen. Behalven de enkelvoudige namen Meyer, Meier en De Meier
met De Meyere in zuid-nederlandschen form, die geenszins zeldzaam
zijn, is het getal der geslachtsnamen met meier (in verschillende
spellingen met ei en ey) samengesteld, zeer groot. Zie hier een
twaalftal uit die honderden: Bichelmeier, Bredemeier, Brenninckmeier,
Bodemeier, Gravemeyer, Kolkmeyer, Krusemeyer, Langemeier, Leidelmeier,
Lindemeyer, Tielkemeyer, Winkelmeyer. Van velen dezer namen, zoo mede
van Brockmeier, Poolmeyer, Bruggemeyer, Johanningmeyer, Rootmeyer,
enz. is de oorsprong gemakkelik na te gaan en de beteekenis te
verklaren. Nieuwmeyer, met Nymeyer, Neumeier, Numeyer, Niemeier,
is de tegenhanger van Nieuwboer, Nyboer, enz. op bl. 302 besproken,
en heeft met dien naam den zelfden oorsprong. Zoo ook Grootmeyer en
Greutemeyer met Grooteboer; Luttikmeyer met Lutjeboer; Kloostermeier
met Kloosterboer, enz. Een groot aantal dezer meier-namen vindt men
opgenoemd in De Navorscher, deel XIX, bl. 44 en 204.

Een paar byzondere meier-namen mogen hier nog nader verklaard
worden. In De Navorscher, dl. XXIX, bl. 30, schreef ik: »Dezen zomer
(1878) in zekere landstreek van 't noordelike Westfalen vertoevende,
noemde een ingezetene van die streek my verschillende meier-namen op,
terwijl hy my de meieryen of landhoeven, waar die namen aan verbonden
zijn, aanwees: dort wohnt der Brüggemeier, dort der Niermeier,
da der Obermeier, hier der Erlenmeier, enz. Ten slotte nog: und da
wohnt der Dreckmeier. By dezen laatsten naam, die ook in Nederland
als geslachtsnaam voorkomt, moest ik glimlachen, wijl ik dacht dat
hy zoo juist paste aan eenen westfaalschen boer, die gewoonlik zoo
morsig is en vuil, als wy ons dat hier te lande gelukkig haast niet
voorstellen kunnen. Mijn lachen bemerkende, voegde mijn geleider
my toe: Gy lacht wel om dien Dreckmeier? Dat is oorspronkelik niet
Dreckmeier maar Dree-eek-meier. Zie maar! daar staan ook dree eeken
(westfaalsch-nederduitsch voor drie eiken) by 't huis!--En zoo was
het in der daad. In die drie eeuen-oude eiken is de oorsprong van
den naam Dreckmeier te vinden."

Wien het vreemd moge schynen dat dree-eek tot dreck, drek, en niet tot
dreek samengetrokken zy, dien maak ik opmerkzaam dat ook in andere
nederduitsche gouspraken en tongvallen deze zelfde verbastering
van den tweeklank ei of ee tot onvolkomene e (ek) voorkomt, en wel
in dit zelfde woord. Zoo heet de eikenboom te Leeuwarden, even als
in Westfalen: eek; men spreekt te Leeuwarden van eekenhout, eekene
planken, 'n eekenhoutene kiste. Wat in Holland een runmolen heet,
noemt men te Leeuwarden een eekmöln. En als een Leeuwarder ergens
komt waar eikenhout in voorraad ligt of verwerkt wordt, dan zeit
hy wel: »it ruukt hier eekerich." Toch heet de eikel, de vrucht
van den eek, te Leeuwarden niet eekel, zoo als het zijn moest in
overeenstemming met het hollandsche eikel en het hoogduitsche eichel,
maar ekkel. Ekkelspek, spek van zwynen die met eikels gemest zijn,
houdt men er voor het beste; en aan klierachtige kinderen geeft men
daar ekkelkoffi te drinken. Deze naam van de vrucht heeft men er
ook weêr terug gebracht op den eek of eikenboom zelven; van daar de
geslachtsnaam Ekkelboom, te Leeuwarden. Tegenhangers van den naam
Dreckmeier, van de westfaalsche dree eeken, zijn de geslachtsnaam
Vijf-eeken (die zekerlik zynen oorsprong dankt aan vijf eiken die
by 't huis van den man stonden, welke eerst dezen toenaam droeg),
de plaatsnaam Seveneecke, zoo als een dorp heet in Oost-Vlaanderen,
en de engelsche geslachtsnaam Sevenoake.

Uit den geslachtsnaam Wedemeyer (ook komt Wehdemeier voor) is eene m
verloren gegaan, in het schryven. In het spreken immers maakt het geen
onderscheid of men Wedemeier dan wel Wedemmeyer zegge. De wedemmeier
is de boer die op de hoeve woont welke tot de wedeme behoort, of
die op de wedem zelve woont, zoo deze eene boerehoeve is. Wedeme,
wedem, ook versleten tot weême, is de oude naam (oud-saksisch
en oud-friesch withum, dat is: wijddom, het gewyde) dien men
hier en daar in de friesche en saksische gewesten van Nederland
en Duitschland nog geeft aan de pastory, aan het huis dat tot de
kerk of aan de kerkelike gemeente behoort, en tot woning van den
geestelike dient. De wedemhoeve wordt tegenwoordig in het nederlandsche
Friesland ook wel »de pastory-plaats" genoemd. De weeme zelve is hier
en daar ook wel eene boerdery, die dan door eenen pachter of meier,
de wedemmeier, wordt bemeierd. Van die pachtpenningen, of anderszins
uit de opbrengst der boerdery leeft dan de geestelike. Zoo was het
oudtijds in vele dorpen van de noordoostelike Nederlanden en van
noordwestelik Duitschland, en zoo is het daar nog wel. Ook in de
friesche geslachtsnamen Wymstra en Weemstra (dat is gelyk aan Van
der Weeme--zie bl. 264), vind ik dit oude woord terug.

§ 111. De tegenhanger van den landman is de zeeman; de schipper is
de weêrga van den boer, zooals de jager is van den visscher. In ons
waterrijk, langs zee zich uitstrekkend vaderland zijn er natuurliker
wyze vele zeelieden en schippers, en de woorden die hun stand en
bedrijf aanduiden, vinden wy in de geslachtsnamen terug. Zie hier
eenigen van die geslachtsnamen, die geene verklaring eischen. In
d' eerste plaats Zeeman, en dan Schipper met het patronymikale
Schippers. Verder het patronymikale Zeevaarders, met Schipman,
Koffeman, Buisman en Buysman met Buismans (de schipper van eene
haringbuis), Stuurman, Schieman, Bootsman en Bootsgezel, Matroos
en Schuitevoerder. Of de maagschapsnaam Kapitein, met Kapteyn
en Capiteyn, van eenen zeeman of van eenen krijchsman, die ja
beiden dezen titel voeren, afkomstig zy, moet ik hier in het midden
laten. De geslachtsnamen De Reeder, Loots en Tonneboeyer zijn ook al
aan het zeemansbedrijf ontleend. En eveneens Kaper. De geslachtsnaam
Schuiteboer, of liever het bedrijf waaraan deze naam ontleend is,
formt als het ware eenen overgang van den schipper tot den boer. In
Friesland wordt de man die binnenlands vracht vaart, gewoonlik met
een klein vaartuich turf uit de venen of zand uit »de wouden" naar
de steden voert, en van daar stratendrek of andere meststof terug
brengt naar heiden en venen, »skuteboer" genoemd. Dit woord vinden
wy terug in den geslachtsnaam Schuiteboer, in de friesche gouen
inheemsch. Ook de maagschapsnamen Veerman en De Veirman behooren in
deze afdeeling. En naar myne meening is dit ook het geval met den
geslachtsnaam Schuttevaer. Immers meen ik dezen naam te moeten houden
voor eene verbastering van het oud-nederlandsche woord Scutevarer,
schuitevaarder, of, in het Friesch skutefarjer. Dit woord komt
herhaalde malen voor als toenaam van burgers der stad Leeuwarden,
in het begin der 16de eeu. Immers vinden wy in het Register van den
Aanbreng van 1511, dl. I, onder de leeuwarder burgery opgenoemd
eenen Claes Scuteferger (bl. 4), Hilcke Scutefergier (bl. 5),
Upke Scutefergier (bl. 13), Jetthie Scutefergier (bl. 13), Herman
Scuteferger (bl. 27), enz. In der daad merkweerdig is het dat de
geslachtsnaam Schuttevaer eigen is aan eenen man die zich aan het
hoofd stelde der binnenschippers of schuitevaarders (skutefarjers),
en met hen eene vereeniging stichtte tot heil der binnenscheepvaart,
welke vereeniging ook zynen naam draagt.

§ 112. Van de geslachtsnamen die aan het bedrijf der handwerkslieden
ontleend zijn, zal ik er hier slechts eenige weinigen kunnen opnoemen
van het overgroote aantal dat er bestaat, en zoo menigvuldig voorkomt
in alle nederlandsche gewesten.

De timmerlieden mogen de ry openen, met de maagschapsnamen
Timmerman, Temmerman, De Timmerman, De Temmerman, en als patronymikon
Timmermans. Het hoogduitsche Zimmermann en het fransche Carpentier
zijn als geslachtsnamen in Nederland ook niet byzonder zeldzaam.

Nevens de eigenlike timmerlieden behooren ook de kastemakers
of schrijnwerkers, de scheepstimmerlieden, de wagenmakers, en
eenige anderen tot dit gilde. Aan hunne bedryven zijn de volgende
geslachtsnamen ontleend: Schrynemaeckers en Schryner, Kistemaker,
Kistemaecker en Kistemaeckers, Schuitemaker en Schuitmaker,
Scheepmaker, Mastenmaker, Breeuwer en Breeuwers. Het bedrijf
der wagenmakers vooral heeft aan vele geslachtsnamen oorsprong
gegeven. Vooreerst aan Wagenaar met de byformen Wagenaer, De
Wagenaere, Wagenaere, De Wageneire, Wegenaar, Wegener, en de meer
hoogduitsche formen Wagner en Wegner. Dan aan De Waegemaecker
en Swagemakers (zie bl. 184) en aan Stelmaker; want zóó wordt
in onze noordoostelike gewesten de wagenmaker genoemd, even als
in het Hoogduitsch Stellmacher. Ploegmakers en De Baeremaecker
behooren er ook toe, even als Molenmaker, Wielmaker, Rademaker,
Raeymaeckers, De Raeymaker, enz.; en Leestemaker kan men er ook toe
brengen. Ten slotte nog Drayer, De Saegher, misschien ook Zaagmans,
en Houtzager, Houtzagers, Houtsaegher, Holtsager, enz. De kuipers
kan men ook nog tot de timmerlui rekenen. Van hun bedrijf hebben wy
de geslachtsnamen Kuiper, Kuyper, De Cuyper, De Cuypere, De Cupere,
Cuyper, de verlatynschte formen Cuperus en Couperus, met de oneigenlike
vadersnamen Kuipers, Kuypers, Cuypers, Küppers, Cuperi, Couperi, enz.

Zeer talrijk zijn ook de namen der smeden onder de geslachtsnamen
vertegenwoordigd. Vooreerst het eenvoudige woord smid, in allerlei
formen, als Smid, Smit, Smitt, Smidt, Smet, Smedt, De Smet, De
Smedt, ook in patronymikalen form: Smits, Smidts, Smedes, Smidtz,
en in hoogduitsche en engelsche formen: Schmidt, Smith, enz. En
dan de samengestelde namen Ankersmit, Kopersmit, Walsmit, Hoefsmit,
Beylsmit en Beilschmidt, Koelensmid, met de hoogduitsche Guthschmidt
en Kleinschmit, en in verkleinform Smidje. Ook Slotemaker. Den
naam Broeksmit weet ik niet te verklaren, ten zy men hem als eene
schertsende benaming voor kleêrmaker wou opvatten--gelijk iemand,
die dezen naam droeg, my verzekerde dat het geval is. Men zoude ook
kunnen denken aan eenen smid, die in eene der talryke, »het Broek"
(het moeras) genoemde streken woonde. De wapensmeden behooren ook
tot het smidsgilde; aan hun bedrijf zijn de namen Zwaardemaker,
Bussemaker en Bosgieter (bus, bos is de oud-nederlandsche form die
met het hoogduitsche bücks overeenstemt, en in eenigen onzer gewesten
nog in gebruike is; in Holland zegt men buks, dat zonder verandering
van de Hoogduitschers is overgenomen; zie ook bl. 298). Verder
De Mesmaecker (met de patronymikale formen Messemaeckers en
Smessemaeckers, zie bl. 184), Swertvagher en Harnisfeger.--Zilversmit
en Selversmet, Goudsmit en Goldsmit behooren al mede hier toe. En
dan nog Silvergieter, Blikslager (misschien ook Blikman), Ketelaer
en De Ketelaere, met Ketellapper, Ketelbueters en Panneboeter. Zoo
mede Tingieter, Potgieter, Kannegieter, met den hoogduitschen form
Kannengiesser, enz.

Nu mogen de steenarbeiders volgen: Steenhouwer, Metselaar, Metzlar,
Smetsers (des metsers [metselaars] zoon), en Muirker (zie § 153);
ook Opperman en Kalkman. En dan nog de namen van die handwerkslui
welke almede by den huisbou te pas komen: Dekker, Decker, De Decker,
De Dekkere, Den Dekker, met de patronymikale formen Dekkers en
Deckers en den samengestelden form Laeyendecker, en met Leydekkers
als patronymikon. Mogelik behoort de geslachtsnaam Quadekker
(de kwade dekker?) ook tot deze dekker-namen. Dan nog Verwer en
De Verwer in algemeen-nederlandschen, en Varwer met De Varver in
gouspraaksform. Ook behooren hier toe de maagschapsnamen Glazemaker
met Glaser (dat zekerlik wel van hoogduitschen oorsprong is), en
Glaasker met Glasker, zoo als men in onze noordoostelikste gewesten
den glazemaker noemt. Zekeren Sybren Glaesker vinden wy reeds in den
jare 1511 als burger der stede Dokkum. [158]

De handwerkslieden die ons spyze en drank bereiden, zijn de bakkers,
de koks, de slachters, de brouers, enz. Aan hun bedrijf zijn talryke
geslachtsnamen ontleend, die ook grootendeels veelvuldig voorkomen,
en aan vele verschillende maagschappen eigen zijn. B. v. Bakker,
Backer, De Bakker, De Backer, in verlatynschten form Bakkerus,
en als patronymikon Bakkers. Sommige oude Nederlanders zeiden ook
baken en baker met opene a, in plaats van het hedendaagsche bakken
en bakker. Zoo deden ook de oude Friesen, die den bakker batser
(ba-tser; ts == k) noemden; de zeventiende-eeusche Gysbert Japicx
schrijft baetsir. Het Engelsch heeft nog heden ten dage dit woord
als baker. Die oud-nederlandsche form leeft nog in de geslachtsnamen
Baker, De Baker en De Baecker, met Baekers als patronymikon. Men
heeft by deze namen, die klaarblykelik van oude dagteekening zijn,
natuurlik geenszins te denken aan het hedendaagsch-hollandsche woord
baker (de Friesen zeggen naukeuriger baekster) voor kraamwaarster,
friesch: kreamwarster of kreamheinster. De geslachtsnamen Bekker,
Becker, De Becker en Beckers komen ook menigvuldig onder ons voor. Zy
beteekenen bakker, en zijn van hoogduitschen oorsprong. Byzondere
bakkers worden nog aangeduid door de geslachtsnamen Bollebakker
(bolle wordt in Friesland gezeid voor wittebrood), Bonebakker,
Koekebakker en Wafelbakker.

De maagschapsnamen De Koker en De Kokere houd ik voor gelijkbeduidend
met Kok, Kock, Cock, De Kok, De Kock, enz. die nog al talrijk
voorkomen. Ook is de hoogduitsche form van dezen naam, Koch, geenszins
zeldzaam onder ons. Intusschen, alle geslachtsnamen Kock zijn niet
aan het koksbedrijf ontleend. Een myner voorouders, de schoonvader
van mynen overgrootvader, heette Nicolas Coq. Hy was een Franschman,
en, omdat hy een Protestant was, by de herroeping van het Edict
van Nantes, door den franschen koning Lodewijk XIV uit zijn land en
eigendom verdreven. Hy zette zich, als fransche uitwykeling, in de
Nederlanden neêr, en zyne zonen reeds verdietschten hunnen naam, niet
volgens de beteekenis, tot Haan, zoo als het toch zijn moest, maar in
spelwyze. Zy maakten er namelik Kock van. Deze zelfde naam bestaat nog
heden in de namen der maagschappen Kock Beylanus en Kock Winkler. [159]

Het bedrijf van den slachter heeft de volgende maagschapsnamen doen
ontstaan: Slager en Slagter, Vleeschhouwer (zie bl. 320), Beenhouwer
en Beenhakker. De namen Vleesman (met den hoogduitschen, ook hier te
lande voorkomenden form Fleischmann) en Spekman zijn hier zeker ook
toe te rekenen. Misschien ook de anders wel wat zonderlinge namen
Van der Spek en Van der Ham.

De Nederlanders zijn van ouds her liefhebbers geweest van »eene goede
teuge biers," en het getal bierbrouers was in vorige eeuen onder de
nederlandsche burgery steeds zeer aanzienlik. Geen wonder dan ook
dat de geslachtsnamen Brouwer, Brouer, De Brouwer, De Brauwer en
De Brauwere zoo veelvuldig onder ons voorkomen. Verlatynscht als
Brouerius en in patronymikalen form als Brouwers, komt deze naam
ook voor. Hoppenbrouwer met Hoppenbrouwers behooren eveneens tot
dit gilde. Eene byzondere soort van bier, reeds in de middeleeuen
bekend, gelijk nog heden in sommige streken van de Nederlanden,
b. v. in Limburg, draagt den naam van kuit, kuyt, koit. Van daar de
geslachtsnaam Kuytenbrouwer. De moutmaker (geslachtsnamen Moltmaker
en Smoutmaeckers--met voorgevoegde s, zie bl. 184) behoort ook
tot het brouersgild. De bierhandelaar draagt den byzonderen naam
van biersteker, en deze naam is als Biersteker, Bierstekers en
(half saksisch, half hoogduitsch) Beerstecher tot geslachtsnaam
geworden. Bierman behoort hier ook by.

§ 113. Aan het bedrijf der handwerkslieden die voor onze kleeding
zorgen, zijn de volgende namen ontleend: Kleermaker, De Kleermaeker,
De Cleermaeker, Kleersnyder, Snyder, Snyders en Snieder met Snieders;
ook de hoogduitsche Schneider is niet zeldzaam. De fransche Tailleur
komt ook voor, zoo wel als de engelsche Taylor. Waarschijnlik was de
geslachtsnaam Teyler, in de vorige eeu te Haarlem voorkomende, wel
eene halve verdietsching van Taylor. De geslachtsnamen De Naeyer,
De Nayer, De Naeyere, Den Naeyer, enz. die meest in de vlaamsche
gewesten inheemsch zijn, beteekenen ook kleêrmaker. Men vergelyke ook
den geslachtsnaam Neyrinckx, op bl. 76 besproken. Kiliaan heeft nog
»naeyer == sartor." Een andere in Vlaanderen inheemsche geslachtsnaam,
en die eveneens kleêrmaker beduidt, is De Schepper, De Scheppere. In
oude vlaamsche geschriften komt het woord »schepper" in dezen zin nog
voor; men zie Edw. Gailliard's Glossaire flamand, op het woord »scepper
== tailleur". Ook als geslachtsnaam is dit woord reeds van oude
dagteekening; Martin die Sceppere was in 1286 schepen van de vlaamsche
stad Damme (zie Annales du comité flamand de France. Duinkerke,
1853, bl. 224). In de friesche en saksische gewesten van Nederland
en Duitschland had men oudtijds nog eene andere benaming voor den
kleêrmaker. Men noemde hem skrodare, schroder, schröder, schreuder,
schrader. Nog heden is het woord skroar, uit het oude skrodare
saamgetrokken, in Friesland in volle gebruik om den kleêrmaker zoo wel
als zyne vrouelike kunstgenoote, de naaister, aan te duiden. Hier en
daar in de saksische gewesten wordt de kleêrmaker ook nog wel schreur,
schrör genoemd. Skrodar, skroar, schröder, schreur beteekent letterlik:
snyder. Het oud-friesche werkwoord skroda, oud-vlaamsch schrooden,
thans schrooien, is snyden, afsnyden. Den franschen koning Filips
die een geldsnoeier was, noemen de oud-vlaamsche geschiedschryvers
Filips de munteschroodere of munteschrooier. [160] Talrijk zijn
de nederlandsche geslachtsnamen, die hunnen oorsprong aan dat oude
skrodan, schrooden ontleenen; b. v. Schreuder, dat zeer veel voorkomt,
Schreur, Schrader, Schroor, als oneigenlike vadersnaam Schreuders en
Schreurs, zoo mede het hoogduitschformige Schröder of Schroeder. De
samengestelde naam Kampschreur beteekent: dorpskleêrmaker. »Kamp"
(de Kempen, la Campine, la Campagne, Champagne) of »het veld" in
tegenstelling van »de stad." Tot besluit van al deze kleêrmakersnamen,
dient hier nog de latynsche form Sartorius (van sartor), die ook als
nederlandsche geslachtsnaam voorkomt, vermeld te worden.

In de middeleeuen, en eer de kunst van kousenbreiden (die van
betrekkelik jonge dagteekening is) uitgevonden was, sneed en
naaide men de kousen van leer of laken of andere stof, even als
andere kleederen. En de kousemakers formden toen eene byzondere
afdeeling van het kleêrmakersgilde. Aan hun bedrijf zijn ontleend de
geslachtsnamen Kousmaker, Kousemaker, De Kausemaeker, De Coussemaeker,
De Coussemaecker, De Causmaeker; zoo ook Cousseschepper.

Dan volgt de pelsmaker, wiens bedrijf, dat oudtijds veel meer
werd uitgeoefend als heden, aan de geslachtsnamen Pelsmaeker,
Pelser, Pelster oorsprong gaf. Het woord pelser is een oudfriesche
form voor het woord pelsmaker of pelswerker, zoo als men nu veelal
zegt. Eenen Jelke Pelser vind ik reeds opgenoemd onder de burgery der
stede Leeuwarden, ten jare 1511. [161] Te Groningen is er nog eene
Pelserstraat (ook wel Pelsterstraat genoemd); en eveneens te Emden. De
fransche en hoogduitsche formen van dit woord, Pelletier en Peltzer,
Pelzer komen onder ons ook als geslachtsnamen voor. De laatste naam
in schrijfwyze weêr verdietscht, als Peltser.

Hoedemaker en De Hoedemaker komen, vreemd genoeg, slechts zeldzaam als
geslachtsnamen voor. En nog zeldzamer is De Capmaker. De schoenmakers
daarentegen zijn zeer talrijk vertegenwoordigd, als Schoemaeker,
Schoemaker, Schoenmaker, Schoemakers, Schomaker, enz. Ook de
hoogduitsche formen Schuhmacher, enz. zijn geenszins zeldzaam in
Nederland. In het Latyn heet de schoenmaker sutor. Dit latynsche woord
is in de germaansche talen overgegaan; b. v. in het Oud-Engelsch als
sooter en in het Oud-Duitsch als suter. Men zeide ook schuh-suter;
het hedendaagsch hoogduitsche woord schuster is daar van eene
samentrekking. De oude Nederlanders, vooral in de vlaamsche gewesten,
verbasterden het latynsche sutor eveneens tot suter, en zetten er dan
ook wel hun woord schoe, schoen, nog voor. Ook verbasterden zy dit
suter nog wel verder tot sutter, zelfs tot sitter en setter. Van daar
de meest in Vlaanderen en Brabant inheemsche geslachtsnamen De Sutter,
De Suttere, De Zutter, De Zuttere, De Sittere, De Sitter, De Zetter,
Schoesitter, Schoesetters, enz.--By den schoenmaker behoort nog de man,
wiens handwerk wordt aangeduid door den geslachtsnaam Klompmaker.

§ 114. Geen bedrijf dat meer aanleiding heeft gegeven tot het
ontstaan van maagschapsnamen, dan dat van den molenaar. En de
omstandigheid dat juist dit bedrijf in de verschillende gouspraken
van Nederland, en naar de onderscheidene tongvallen der Nederlanders,
zoo verschillend genoemd wordt, is oorzaak dat hier te lande de
namen van allen die naar den molen heeten, zoo veel verscheidenheid
aanbieden. Zie hier, in hoofdzaak, die namen opgenoemd: Molenaar,
Molenaer, Moolenaar. [162] In samenstellingen komt de naam Mulder of
Muller ook geenszins zeldzaam voor; b. v. Bergmuller, Kruysmulder,
Lindemulder, Kortmuller, Soetmulder, Wijsmuller (zoude dit niet
oorspronkelik een hoogduitsche Weissmüller zijn?), Watermulder,
Windemuller, Zuidmulder, enz. Het grootste deel dezer namen eischt
geene nadere verklaring. De oliemolen, waar men olie uit zaad slaat,
draagt hier en daar, byzonderlik in de zuidelike gewesten, den naam
van slagmolen. Van dit woord zijn de maagschapsnamen Slagmulder,
Slachmulder, Slagmuylder, Slachmuylder, Slaghmulder, Slagmuelder,
Slagmolder, met het patronymikale Slachmuylders en met Van der
Slagmolen ontleend. De geslachtsnamen Olislager, Olislaeger, Dolislager
(waar misverstand het afgekorte lidwoord met het zelfstandige naamwoord
heeft doen samensmelten), en Oliemuller hebben de zelfde beteekenis. De
grutters behooren ook tot het molenaarsgilde. Aan hun bedrijf zijn de
geslachtsnamen Grutter, Gruyter, De Grutter, De Gruyter, De Gruter,
enz. ontleend; met Gorter, De Gorter en Gortmaker. De Gruiters
zijn meest in de zuidelike gewesten inheemsch, en de Gorters in de
noordelike. In de friesche gouen wordt de grutter in den regel gorter
of gortmaker genoemd; zie ook § 160. Een molen waar garst of ander
graan, ontbolsterd, gepeld wordt, heet in Friesland een pelmolen. En
den pelmolenaar noemt men er wel, in den dagelikschen omgang, en by
verkorting: pel; b. v. »Baas Pieter Pel." Dit is de oorsprong van
den in Friesland inheemschen geslachtsnaam Pel.

Het bedrijf van den pottebakker (de man heet, meen ik, tegenwoordig
»fabrikant in aardewerk") gaf oorsprong aan de geslachtsnamen
Pottebakker, Pannebakker, Panbakker, Potter, De Potter, De Pottere,
en, als patronymikon Potters. Potjer en Panjer zijn in Groningerland
inheemsch, en volgens het friso-saksische taaleigen geformd; zie §
153. Des steenbakkersbedrijf vindt men in de maagschapsnamen Tichelaar,
Tigchelaar, Tiggelaar en Steenbakker. De hoogduitsche form van dezen
naam, Ziegler en Ziegeler is mede niet zeldzaam hier te lande, en
komt ook, half-verdietscht, als Ziegelaar voor. Zoo de geslachtsnamen
Bicker en Bikker aan den steenbikker zijn ontleend (en ik zoude niet
weten wat zy anders kunnen beteekenen), dan worden zy gevoegelikst
te dezer plaatse vermeld. De tegelbakker behoort ook tot dit gilde;
in den patronymikalen geslachtsnaam Teegelbeckers vindt men zijn
kunstmatig handwerk genoemd. De looier draagt, vooral in de zuidelike
gewesten, nog wel den oud-nederlandschen naam van huidevetter. In
vele vlaamsche steden vindt men nog eene Huyvettersstraet of een
Huidevettersplaats. Aan dit woord danken de maagschapsnamen Huyvetter,
D'Huivetter, D'Huyvettere en D'Huvettere, in Vlaanderen inheemsch,
hunnen oorsprong. In Holland is deze naam, door samensmelting der
d van het lidwoord aan het hoofdwoord, en door uitslyting der h,
tot Duyvetter geworden. De hollandsche geslachtsnaam De Looyer is
de weêrgade van den vlaamschen Huyvetter. De kaarsemakers vinden
wy weêr meest in de zuidelike gewesten, onder de maagschapsnamen
Keersemaeker, De Keersmaeker, De Kersmaeker, Kersemakers, Keersmaekers,
Keersgieter, enz. Ook de geslachtsnamen aan het zadelmakersbedrijf
ontleend, zijn meest in Zuid-Nederland inheemsch. De zadelmaker
draagt daar ook wel den naam van zadelaar, overeenkomstig den
hoogduitschen form sattler. En van dezen byzonderen form zijn de
maagschapsnamen De Sadelaer, De Sadeleer, De Saedeleer, De Zadeleer en
het half verfranschte De Sadelaire met het patronymikale Saelmaekers
afgeleid. Andere werklieden in leder zijn nog vertegenwoordigd door
de geslachtsnamen De Leersnyder met De Leersnydere, Riemsnyder,
Teschemaker (tasschenmaker) en De Scheemaeker. De naam Touwslager
eischt geene verklaring, maar Lijnslager, Seeldrayers, Reepmaker
wel. Dit zijn oude, byzondere benamingen voor den touslager. Eene
andere oude naam van dien handwerksman is Reepslager; van daar nog
de Reepslagersbaan (Reepschlägersbahn), eene straat te Hamburg in
St. Pauli. Een reep is een plat gevlochten tou. Ten slotte moeten
in deze groep nog vermeld worden de geslachtsnamen Wever en De
Wever, met het patronymikale Wevers en het hoogduitsche Weber dat
vry algemeen is; Zeilmaker en Zeylemaker, met de latynsche formen
Velius en Carbasius; Wolkammer, Boendermaker, Verwer, Mandemaker en
Korfker (zie § 153), De Wannemaeker, Stoelwinder, Tabakspinder, Zeper,
enz. Waarschijnlik behooren de namen Corver en Korver ook te dezer
plaatse, als beteekenende korfmaker. Het woord zeepzieder is in het
Oud-Friesch sieper (sjiëper), weêr verhollandscht tot zeper. Nog heden
wordt deze geslachtsnaam (Zeper) door eenen zeepzieder te Leeuwarden
gevoerd, gelijk reeds door zyne voorvaderen, van ouder tot voorouder
eveneens geschiedde.

De fynere kunsten zijn vertegenwoordigd in de maagschapsnamen
Beeldsnyder, Schilder, Houtsnyder en Holtsnyder, De Munter, Graveur,
Drukker en Drucker, Schryver en Schriever, De Schryver, Landmeter,
De Landmeter, en, als patronymikon Landmeeters; verder Sanger en De
Zanger, Muzykant, Speelman (de oud-nederlandsche benaming van den
muzikant), Trompetter, Bonger (zie bl. 292), Pyper en de hoogduitsche
formen Pfeiffer, Pheiffer, Feifer, en de daarvan verbasterde formen
De Feifer, De Vijver, enz.

§ 115. Een groot aantal andere bedryven en kostwinningen zijn er
nog, die men tot de eigenlike handwerken of ambachten niet rekenen
kan, en evenmin tot den handel. Ook de namen van zulke bedryven
zijn tot geslachtsnamen geworden voor de nakomelingen der mannen,
welke die kostwinningen in hunnen tijd uitoefenden, en daar naar
toenamen verkregen. Zie hier eenigen van deze maagschapsnamen:
De Waard en De Weerdt met Casteleyn, Kastelein en Hospes; Tapper,
Wijnschenk en Bierschenk. De geslachtsnaam Kruger behoort hier
ook; hy is van hoogduitschen oorsprong en beduidt: kroeg- of
tappery-houder. Bleeker, De Bleeker en De Bleeckere, De Mangelaere,
en misschien ook Wasman, behooren by elkanderen. Verder Barbier en
Barbiers, Scheerder, Pruikemaker en Kapper; ook Uitdrager, Colenbrander
en Loteryman. Vrouen, die waarzeggen (kaartleggen, handkyken,
koffidikkyken) zijn er nog in alle nederlandsche steden. Oudtijds
oefenden ook wel mannen dat bedrijf uit; voor een vijf-en-twintig-tal
jaren heb ik er nog eenen gekend te 's-Gravenhage. Aan dat bedrijf zijn
de maagschapsnamen Waersegger en Waersegers ontleend. De geslachtsnamen
De Gidts en Lijdsman (Leidsman?), Tolk, Voerman, Reisiger, Reiser
en Reizer, De Bo, De Boo, De Boodt, Bode en Boode behooren ook by
elkanderen. Denkelik ook Minnebo (Minnebode? de dietsche weêrga van
den franschen Postillon d'amour?) en Slotboo (de bode van het slot,
van het kasteel?).

Tollenaar en Tollner doen denken aan den tijd toen de steden nog tol
eischten van den invoer en uitvoer van allerlei waren, en de tollenaars
aan de poorten gezeten, dien tol moesten innen. Het hoogduitsche
Zöllner komt ook by ons voor, en ik houd de geslachtsnamen Tullenaar,
Tullener en Tullner, met de patronymikale formen daarvan, Tulleners,
Tulners, voor halve verdietschingen van dien naam. De Roover is ook een
byzondere naam, van duidelike beteekenis. Dat de geslachtsnamen Rovers
en Roovers echter als vadersnamen van het woord roover te beschouen
zouden zijn, wil ik geenszins beweren. Ter verklaring van dezen
naam denk ik liever aan den oud-germaanschen mansvóórnaam Hrodfrid,
Rodfried. Even als het patronymikon Govers van den mansvóórnaam Govert
komt en deze naam weer eene verslyting is van den vollen form Godfried,
zoo komt ook Rovers van Rovert, Rodfried. De oud-germaansche naam
Hrodfrid, Rodfried is in Förstemann's Altdeutsches Namenbuch te vinden,
ook in den afgesletenen form Rofred; van Rofred tot Rovert is slechts
één stap, niet meer als een zeer gewone letterkeer.--Zeer byzonder,
en tevens duidelik, is ook de geslachtsnaam Ziekenoppasser.

Tot de lagere standen der maatschappy afdalende, vinden wy de
geslachtsnamen Keetbaas, Den Heyer, Werkman, Sjouwerman, Daggelder,
Pakkedrager, Lastdrager, Bierdrager, Drager, Kruyer en Bezorger,
Karreman (en, in limburgschen form, als patronymikon Kerremans),
Poerstamper (poederstamper, waarschijnlik een werkman in eenen
kruitmolen, of een apothekersknecht), Vischschraper enz. aan het werk
dier klasse ontleend. Dan volgen nog de geslachtsnamen Baggerman,
Modderman en Aschman. De geslachtsnamen Asman en Asmans acht ik niet
afkomstig van het bedrijf des mans die asch aan de huizen in ontvangst
neemt. In Asman, enz. zie ik liever, met Förstemann, volgens diens
Altdeutsches Namenbuch, een oud-germaansche mansvóórnaam, de zelfde
waar aan ook de naam van het stadje Assmannshausen aan den Rijn zynen
oorsprong dankt. De hedendaagsche Hollanders doen het niet meer,
maar de oude Nederlanders in het algemeen onderscheidden wel degelik
zeer scherp in hunne uitspraak tusschen asch en as. De hedendaagsche
Friesen en Vlamingen doen het nog.

De bedelaar staat op den laagsten trap der samenleving. Aan het woord
schooien, nog eene verscherpte uitdrukking voor bedelen, zal wel de
geslachtsnaam Schoyer ontleend zijn. Zonderling dat iemand daar ooit
vrede meê kon hebben, vrywillig zulk eenen geslachtsnaam aan te nemen
of te dragen.

Ten slotte moet ik hier nog, als zeer zonderling, vermelden den
geslachtsnaam Kussendrager; en niet minder is dit de geslachtsnaam
Tafelkruier, waar ik geenen redeliken oorsprong voor vinden
kan. Hoendervoogt en Pluimgraaf, Keukenmeester en Keukenschryver mogen
ook wel tot de zonderlinge geslachtsnamen van deze groep gerekend
worden, al zijn ze juist niet onverklaarbaar.

§ 116. Maagschapsnamen, aan het bedrijf der kooplieden ontleend, zijn
de volgenden. In de eerste plaats het eenvoudige Koopman, Coopman, De
Coopman; als vadersnamen Koopmans en Coopmans. Oudtijds zeide men wel,
by uitslyting der letter p, cooman in plaats van koopman, en nog meer
verbasterd, coomen, gelijk men ook van coomeny sprak in plaats van
koopmanny of koopmanschap. Uit de geslachtsnamen De Cooman, Coomen,
Koomen en Komen blijkt nog deze oude verbastering. De hoogduitsche
en fransche formen Kaufmann en Marchand ontbreken natuurlik ook
niet onder onze geslachtsnamen. Verder behooren nog tot deze groep
de maagschapsnamen Handelaar, Zeehandelaar, Makelaar en Kramer met
al de byformen van laatstgenoemden naam: Kraamer, Cramer, Kremer,
Cremer, Cremers en Creemers, en het verlatynschte Cramerus.--Merseman
en De Mersseman duiden eenen marskramer aan; misschien ook Marsman;
zie echter bl. 293. Kruidenier, De Crudeniere en, in patronymikalen
form Cruyniers zijn duidelik van beteekenis; zoo ook Beddekoper,
Boterkooper, Blommekoper, Houtkooper, Huidekoper en Huydecoper,
Kleerekoper, Paardekooper, Ossekooper, Stofkoper (dit is zekerlik een
verkooper van kleedingstoffen), Vellekoper, Vischkooper en Viskoper,
enz. Een byzondere tegenhanger van Paardekooper is de zekerlik reeds
zeer oude patronymikale maagschapsnaam Hengstmangers. Immers manger of
menger, met de byformen monger en minger, is een oud-nederlandsch,
ook oud-friesch en oud-engelsch woord voor koopman, slyter; men
zie 't woordenboek van Kiliaan, op het woord: »Mangher, Mengher,
vetus. Permutator, commutator mercium, negotiator--appelmangher,
vleeschmangher--" enz. In het begin van deze eeu was dit woord onder
den form menger of minger nog in de friesche taal in gebruik; zie
Wassenbergh, Taalkundige Bijdragen, I, bl. 12. Een Hengstmanger is
dus anders niet als een paardekoopman. Ook leeft dit oude woord nog
in de eenvoudige maagschapsnamen Manger en Menger.

§ 117. Het aantal der bovenstaande geslachtsnamen, van § 108 af
vermeld, en van nog honderden anderen soortgelyken, wordt nog
aanmerkelik vermeerderd door de verschillende wyzen waarop deze
namen gespeld worden. Oude spelwyzen en boekstavingen volgens de
eene of andere gewestelike uitspraak, ook slordige spellingen door
afkortingen en afslytingen der oorspronkelike woorden, misspellingen
en wanspellingen, alle dergelyke zaken komen by deze geslachtsnamen,
zoowel als by anderen, voor. Menig voorbeeld hier van is op de
voorgaande bladzyden reeds vermeld, zoo als alle spellingen en formen,
waarin de eenvoudige woorden smid en molenaar als maagschapsnamen,
op bl. 308 en 314 voorkomen. De woorden vleeschhouwer en rademaker
(wielmaker, wagenmaker), waaraan vele geslachtsnamen, vooral in de
zuidelike gewesten, ontleend zijn, kunnen nog tot voorbeeld dienen
van de groote verscheidenheid waarin deze woorden, als geslachtsnamen,
gespeld worden. Zie hier die welke my zijn voorgekomen. Daar zullen er
echter nog wel meer zijn. Vleeschhouwer, Vleeshouwer, Vleyshouwer,
Vleeschouwer, Vleeschauwer, De Vleeshouwer, De Vleeschouwer, De
Vleeschauwer, De Vleesaver, De Vleeschouder, De Vleeschoudere,
De Vleschoudere; eindelik nog het hoogduitsche Fleischhauer. Dan
Rademaker, Raedemaeker, Raedemaecker, Radermecker, Ramaeker,
Raymaecker, De Raedemaecker, De Raedemaeker, De Raeymaker, De
Raymaeker, De Reymaeker, en als patronymika Rademakers, Raedemaeckers,
Raedemaekers, Ramaeckers, Raemaekers, Raeymaekers, Raaymaakers,
Raymaekers, het hoogduitsche Rademacher, enz. in haast oneindige
afwisseling, en allen aan verschillende maagschappen eigen.

§ 118. »De vele geslachtsnamen op man uitgaande, die in ons land
bestaan, hebben meerendeels hun oorsprong te danken aan het vroeger
door een der voorouders uitgeoefend bedrijf." Zoo zegt J. Soutendam
in zijn, voor oudheidkundigen zoo belangrijk geschrift Een wandeling
langs Delfts straten en grachten in 1600, bl. 86. En zoo is het in
der daad. In dat werk worden dan ook de namen opgenoemd van eenige
bedryven, of liever de toenamen van eenige neringdoende burgers van
het oude Delft, allen op man uitgaande, en welke toenamen tegenwoordig
nog als geslachtsnamen onder ons in gebruik zijn. Onder deze man-namen
zijn er eenigen, die thans niet meer in dien form in het hedendaagsche
nederlandsch voorkomen, al zijn ze nog als geslachtsnamen bewaard en in
gebruik gebleven. By voorbeeld speckman voor varkensslachter; coolman
voor groenteboer of warmoezier; brandewijnman, dunnebiersman, enz. Als
voorbeelden van zulke hedendaagsche geslachtsnamen, op man uitgaande,
en aan het eene of andere bedrijf of handel ontleend, kunnen gelden:
Wijnman en Bierman, Spekman en Mostertman, Zoutman, [163] enz. Velen
van deze namen zijn tegenwoordig niet meer in gebruik om het eene
of andere bedrijf aan te duiden; maar met anderen is dit nog steeds
het geval. En laatstbedoelde namen vinden wy vertegenwoordigd in de
geslachtsnamen Koopman, Speelman, Tuinman, [164] enz. Eene andere
groep van deze man-namen is niet ontleend aan het eene of andere
maatschappelike bedrijf, maar aan de byzondere woonplaats van hem,
die eerst met zulken naam genoemd werd. Deze man-namen behooren dus
eigentlik niet in deze afdeeling; zy zijn dan trouens ook reeds op
bl. 293 vermeld en behandeld.

Nevens deze eenvoudige man-namen staan de patronymika daarvan, die ook
eene niet kleine groep van nederlandsche geslachtsnamen formen. Het
zijn allen eenvoudige nederlandsche tweede-naamvallen, en gaan dus
allen op s, op mans uit. Velen van deze patronymikale man-namen
zijn slechts herhalingen van de hier voor reeds genoemde eenvoudige
namen; b. v. Biermans, Appelmans, Mosselmans, [165] enz. Anderen
zijn my slechts in hunnen patronymikalen form voorgekomen; als:
Kerremans, d. i. (zoon) van den karreman, Havermans, Slotmans,
Costermans, enz. Onder deze mans-namen, waarvan er velen eigen
zijn aan de zuidelike, bepaaldelik aan de brabantsche gewesten,
zijn er niet weinigen, waarvan my de beteekenis min of meer
duister is. Als zoodanigen noem ik: Wittemans, Geloudemans,
Mortelmans, [166] enz. Beersmans en Breugelmans, beiden in Brabant
inheemsch, acht ik afgeleid te zijn van Beersman en Breugelman,
in de beteekenis van: een man van of uit Beers, of van of uit
Breugel.--Beers en Breugel beide zijn namen van brabantsche dorpen,
in de antwerpsche en noord-brabantsche Kempen. Deze beide namen
zouden dus tegenhangers zijn van de geslachtsnamen Lemmersman
en Kuindersman, op bl. 204 vermeld. Tielemans met Tielmans, en
Tillemans met Tilmans zijn eenvoudig patronymika van den oudtijds in
de Nederlanden niet zeldzamen, en ook thans nog niet volkomen buiten
gebruik zijnden oud-germaanschen mansvóórnaam Tilman, Tielman. Verder
Hoosemans, van hoseman, de man die hosen, hozen = kousen maakte of
verkocht? En Goemans, Koumans en Coumans met Wakkermans, van Goeman
(ook in dezen form voorkomende), Kouman en Wakkerman, eigentlik
bynamen? oorspronkelik de goede, de koude, de wakkere man?

§ 119. Zijn al de bovenstaande geslachtsnamen, van § 108 af, zekerlik
eerst gedragen geworden door lieden die werkelik de handwerken en
bedryven uitoefenden, welke door die geslachtsnamen worden aangeduid,
dit is gewis niet het geval by die geslachtsnamen welke ontleend
zijn aan de namen van weerdigheden, ambten en bedieningen, zoo wel
wereldlike als geestelike. Althans niet wat de namen der hooge
weerdigheden betreft. De geslachtsnamen Keizer, Koning, Hertog,
Prins, Paus, Bisschop, enz. komen veelvuldig onder ons voor. Niemand
zal echter willen beweren dat de voorvaders van al die »Keizers,
Koningen, Hertogen, Prinsen, Pausen, Bisschoppen" in der daad de
weerdigheden hebben bekleed, die door hunne namen worden aangeduid. En
niettegenstaande de voorvaders van hen, die de geslachtsnamen Bakker,
Smid, De Boer, De Jager dragen, ongetwyfeld wel degelik bakkers,
smeden, boeren, jagers geweest zijn. Die geslachtsnamen Keizer,
Koning, Bisschop, enz. zijn zekerlik eerst slechts toenamen of bynamen
geweest van mannen, die om de eene of andere reden door hunne tijd-
en plaatsgenooten zoo werden genoemd. In de meeste gevallen zal zulk
een bynaam wel afgeleid zijn van de opschriften of afbeeldingen op
gevelsteenen en uithangborden, dus van de namen van huizen. Huisnamen,
gevelsteenen en uithangborden als: »de Keyser van Romen", »de Koningh
van Enghelant", »de Bisschop van Munster", enz. kwamen oudtijds
veelvuldig voor in alle nederlandsche plaatsen. Van Lennep en Ter
Gouw vermelden er velen in hun werk De Uithangteekens. Die namen waren
wel wat te lang in het dageliksche gebruik. Men kortte ze dus wel in,
en sprak enkel van »de Keizer", »de Koning", »de Bisschop"; b. v. ik
woon in »de Keizer", of naast »de Koning", ik ga naar »de Bisschop." En
zeer geleidelik gingen deze verkorte huisnamen wel over op de lieden
welke in die huizen woonden. Leenaert Heyndricks-zoon b. v. die in het
huis De Keyser van Duytschlandt woonde, noemde men al spoedig niet meer
Leenaert Heyndricksz, maar Leen in »de Keyser." Maar ook deze benaming
was op den duur voor den gemakzoekenden volksmond nog te omslachtig,
en eerlang werd het Leen de Keyser. En deze toenaam »de Keyser" ging
ook na den dood van Leenaert Heyndricksz wel op zynen zoon Heyndrick
Leenaertsz over, vooral als deze ook in het vaderlike huis »de Keyser"
bleef wonen,--en hy werd in verloop van tijd een vaste geslachtsnaam
voor al de nakomelingen van den ouden Leendert. Ook kan het wel zijn
voorgekomen dat deze of gene heerschzuchtige, die reeds als knaap
steeds aanvoerder en eerste wilde zijn by het spel met zyne makkers,
die later ook als jongeling en man dien trek van zyne inborst niet
verloochende, maar soms nog te sterker deed uitkomen, dat zulk een
knaap reeds »het koninkje" werd genoemd, of by het noordnederlandsche
volk in de dagen van ons gemeenebest, »het prinsje";--dat die bynaam
als »Koning" of »Prins" ook aan den volwassen man bleef hechten,
en voor diens nageslacht een vaste geslachtsnaam werd. En nog menige
andere redenen zoude men kunnen bedenken die aanleiding verschaften
tot het geven of tot het aannemen van dergelyke bynamen.

Dit geldt echter aleen voor de namen van hooge weerdigheden of van
zeer aanzienlike ambten. Voor die van lageren rang (ridder, drossaart,
hopman, vaandrig, koster) bestaat natuurlik geen enkele reden waarom
men niet zoude aannemen dat de voorvader van den hedendaagschen drager
van dien naam werkelik die betrekking vervuld heeft, welke door den
geslachtsnaam wordt aangeduid.

Hier volgt eene opsomming van de geslachtsnamen aan de namen van
allerlei weerdigheden, ambten, bedieningen, betrekkingen en posten
ontleend, die my zijn voorgekomen--hoog en laag, aanzienlik en gering,
geestelik en wereldlik, van den keizer tot den slaaf, van den paus
tot den koster.

Keizer, De Keizer, Keyser en De Keyser; het hoogduitsche Kaiser
komt ook voor.--Koning, De Koning, Coninck, Keuning, De Ceuninck, De
Ceunynck, De Cueninck, Conninck en het hoogduitsche König.--Hertog,
De Hertog, Den Hertog, De Hertoghe, Hartog, Hartoch, Hartogh, De
Hartog, Den Hartogh, met het hoogduitsche Herzog en het fransche
Le Duc.--Graaf, Graaff, Graeff, De Graaf, De Graaff, De Grave, De
Graeve, Greve, De Greef, De Greeve, De Greve, en het fransche Le
Comte. Misschien ook De Groof? Dan nog Vorst en het verlatynschte
Vorstius. Zeer talrijk komen deze geslachtsnamen ook voor als
patronymika: Keizers, Konings, Conincks, Coninckx, Ceunynckx,
Connyncks, Cuenyncx, Hertogs, Hartogs, 'S Hertogen, Graven, Graeven,
Greven, Grefen, enz. De maagschapsnamen Hoogvorst en D' Hoogvorst
meen ik tot deze groep van namen niet te moeten brengen. Ik vermoed
in dezen naam veel eer eenen aardrijkskundigen oorsprong. Vorst,
voorst, forst, foorst, foreest is een oud-nederlandsch bastaardwoord,
in de beteekenis van woud, bosch. Dus Hoogvorst is het hooge woud.

Nu volgt Ceurvorst, Prins, De Prins, De Prince (als patronymikon
Prinsen, Prinssen, Prinsse, zelfs Prince), Markgraaf, De Landgraaf,
Burggraaf, Burghgraef, De Borchgrave en Borggreve, met Borchgrevink
als patronymikon (zie bl. 76). Baron, Edelman, Edeling, Adeling (zie
bl. 120). Jonkheer, Jonker, De Jonckheere, De Jonker, Joncheere,
Jonckheere en Jonkers; Ridder, De Ridder, in Vlaanderen, volgens
de vlaamsche uitspraak, De Ruddere en De Rudder. De Bontridder
behoort zeker ook hier by? wat dat voor een ridder is, weet ik
niet.--Stadhouder, Stedehouder en Stehouwer, Landsheer, Landtsheer,
Landsheere, De Landtsheer, De Lantsheere, Leenheer en Ambachtsheer
met Ambagtsheer. Hierop volgt de eenvoudige heer, als Heer, De Heer,
Dheere en D' Heere. Dit woord heer zal wel te verstaan zijn in de
aloude feodale beteekenis, niet in de nieuerwetsche beduidenis, waarin
ieder man die een hoed draagt en heele schoenen, als heer geldt. De
patronymika Heeres en Heeren meen ik echter niet van den titel heer,
maar van den frieschen mansvóórnaam Hero of Here, Heere, Heerke, te
moeten afleiden, even als de patronymikale geslachtsnamen Heringa,
Heering, Herema, Heerma, Heerkens, enz. ook. Met het bezittelike
voornaamwoord er vóór, eigenlik in den vocativus, komt het woord heer
ook als geslachtsnaam voor. Te weten als Mijnheer, Menheer en Menheere.

Nevens de heeren, en gelijk met dezen in rang, staan in de friesche
gouen de »welgeboren mannen", de eigenerfden of erfgezetenen, de
einierden of erfesgen, de vrye boeren, die op hunne eigene saten
zitten. Van hunnen alouden titel »welboren" (wolberne is in het Friesch
nog heden gebruikelik) of »welgeboren," is de geslachtsnaam Welboren
afkomstig. In de Informacie up den staet van Hollant ende Frieslant,
worden, op bl. 25, die vrye friesche mannen van den dorpe Velsen
in Kennemerland afsonderlik vermeld als »Die welgeboren luyden van
Velzen", en als zoodanig wel degelik onderscheiden van »Die huysluyden
van Velzen." Deze laatsten zijn de onvrye boeren, de pachters,
de huurboeren met de arbeiders, de keuterboeren of de brinkzitters,
gelijk men ze in onze saksische gouen noemt. Hugo de Groot, in zyne
»Inleiding tot de Hollandsche Rechtsgeleerdheit", bl. 22b, schrijft:
»'t Schijnt dat wel-gebooren mannen van ouds zijn geweest die van aver
tot aver van vrye ende eerlicke luyden waeren gekomen." Vermoedelik
was de man die het eerst den naam van Velserboer (zie bl. 304) droeg of
aannam, wel een dezer »welboren" mannen van Velsen. Het schijnt althans
dat hy prijs stelde op het voeren van dien naam, als iets byzonders.

De geslachtsnaam Hooggeboren, een tegenhanger van Welboren, komt my
voor oorspronkelik een bynaam geweest te zijn, in scherts gegeven,
en ironice bedoeld.

Nu komen wy tot de regeerings-ambtenaren: Goeverneur, Senator,
Burgemeester met den byform Burgemeestre, Balju en Bailyu, Droste,
Drost (misschien ook wel Troste), Drossaart, Schoutheet, Schoutheete,
De Schoutheet, De Schoutheete, De Schautheete, De Schauteete,
Schauteeten en Schautetten (de twee laatste namen zijn patronymika,
in wanspelling), Schout, Scholte, Schulte met den hoogduitschen form
Schulze, enz. Over deze namen Schout, Scholte, enz. die evenzeer
oorspronkelik mansvóórnamen kunnen zijn, zie men bl. 77 en 184. De
geslachtsnamen Commissaris, Klerk, Schryver en Schriever zullen wy
ook maar rekenen tot die welke ontleend zijn aan regeerings-ambten. De
naam Klerk en De Klerk, ook als patronymikon Klerks, is zeer algemeen,
en komt in allerlei spellingen voor. Zie hier slechts eenigen van
die byformen: Klerck, Clerck, Clercq, De Clercq, De Klerck, Clercks,
Clerqx, Clerckx, enz.

De geslachtsnamen Regter, Richter (ook als patronymika Rigters en
Richters), Raadsheer, Boerrichter en Boerrigter met Dorprechter,
Procureur, Advokaat en Advookaat, met het oud-nederlandsche
Taalman, Deurwaerder en De Deurwaerder, Diender, De Beule en De Beul
vertegenwoordigen de rechterlike macht, even als Doctor, Dokter, Docter
met het patronymikon Docters, Arts en De Stadbader den geneeskundigen
dienst. De laatste naam is zekerlik van zeer oude dagteekening. Hy
stamt toch af uit den tijd toen men badstoven, openbare baden had
in de nederlandsche steden, gelijk in de laatste middeleeuen het
geval was. Deze inrichtingen stonden onder het bestuur van eenen,
door de stedelike regeering aangestelden bader of stovenhouder, den
stadsbader. Deze man oefende tevens een gedeelte der geneeskunde uit;
b. v. het aderlaten, het koppenzetten, en dergelyke geringe zaken,
gelijk ook de barbiers deden. In sommige streken van Duitschland,
vooral in het Zuiden, draagt nog heden de wondarts (chirurgyn) den
naam van »Bader".

Aan het leeraarsambt zijn de geslachtsnamen Rector en Schoolmeester
(ook als patronymikon Schoolmeesters) en Onderwyzer ontleend. De
geslachtsnamen Meester, De Meester en Meesters met Mesters voeg ik
ook hier by. Andere meesters worden nog vertegenwoordigd door de
geslachtsnamen Bouwmeester, Den Boumeester, Boermeester, Hofmeester,
Dijckmeester, Rentmeester en Rentmeesters, Waagmeester, De Meulemeester
en eindelik Keukenmeester. Onder de burgery der stad Leeuwarden van
den jare 1511 wordt reeds een Oeswalt Koeckenmester genoemd. [167]
De keukenmeester behoorde zeker wel tot eene hofhouding, even als
de keukenschryver, wiens post ook als geslachtsnaam (Keukenschryver)
voorkomt. Tot zulk eene hofhouding behooren nog andere bedieningen,
die door de geslachtsnamen Hoveling, Kamerling, Camerlinck,
Camerlynk en Camerlingh (als patronymikon Kemerlinckx), en Schenk
worden aangeduid. Schenk is eene oude benaming voor »schenker"; men
vergelyke hier de namen Wijnschenk en Bierschenk, reeds op bl. 317
vermeld. De naam van dit ambt komt ook in verlatynschten form, als
Schenkius, als geslachtsnaam voor.

De onvryen, de hoorigen, by de germaansche volken, vroeg in
de middeleeuen en vóór dien tijd, werden door hunne heeren wel
vrygemaakt, vrygegeven, vrygelaten, van verplichte dienstbaarheid
ontslagen. Zy kregen dan den naam van laten;--niet waar? Aan dit
woord zijn de geslachtsnamen De Laat en De Laet ontleend, die
vooral in de zuidelike gewesten inheemsch zijn. Zekerlik waren het
vooral deze »laten", die by de opkomst en bevestiging der steden,
den kern formden der burgery, der vrye poorters. De benaming van
dezen zoogenoemden derden stand vinden wy terug in de geslachtsnamen
De Poortere en De Poorter, Borger, De Borger, De Borgher, Burger,
De Burger, Den Burger, Burgerman, enz. Dat de patronymika Borghers,
Burghers en Burgers van dit woord burger zouden afgeleid zijn, is
niet geheel zeker. De oud-germaansche mansvóórnaam Borchart, Borgert,
Burkhard, Burgert kan ook daar aan ten grondslag liggen; zie bl. 176.

De burgery in de steden, voor zoo verre zy tot de handwerkslieden en
neringdoenden behoorde, was in gilden verdeeld. Aan het hoofd van elk
gild stonden de gildemeesters; de verdere leden van elk gilde bestonden
uit meesters of bazen, gezellen en leerlingen. Al deze benamingen komen
nog als geslachtsnamen voor; te weten: Gildemeester, Baas, Gezelle,
Geselle, Gheselle, Ghezelle, De Gheselle (als patronymikon in den
tweeden-naamval Gesellen en Gezellen), en Leerling. De veenbaas,
die aan het hoofd der veenarbeiders staat, en wiens naam ook als
geslachtsnaam (Veenbaas) voorkomt, behoort meer tot de boeren dan
tot de burgers. De knechten, behulpzaam by allerlei bedrijf, staan
een trap lager dan de gezellen der ambachten. Hun stand vinden wy
vertegenwoordigd in de geslachtsnamen Knegt, Knecht en De Knegt, ook
in Bouwknecht, Wagenknecht en Stalknecht. Hier toe behoort ook de
geslachtsnaam Koetsier en Coetsier. Ook Koetser, dat my eene halve
verdietsching schijnt van het hoogduitsche Kutscher. De beteekenis
van den naam Leenknecht is my niet duidelik. Misschien is het wel
een gemeenzame form van Leendert de knecht, Leen-knecht, op de wyze
als de geslachtsnamen Janknegt, Leentvaar, enz. die op bl. 174 zijn
vermeld. Beneden den knecht staat de slaaf; ook dit woord is tot een
geslachtsnaam, Slaaff, geworden. Zonderling genoeg komt deze naam juist
onder de vrye Friesen, te Leeuwarden voor. Dat deze naam nog zoude
dagteekenen uit den tijd toen de Germanen werkelik slaven hielden,
acht ik geheel onwaarschijnlik. Zou Slaaff hier ook een volksnaam
zijn? Eenen Slavonier beteekenen? Of eene halve verdietsching van
eenen hoogduitschen geslachtsnaam Schlaf? Deze naam is my wel nooit
voorgekomen. Toch kan hy zeer wel bestaan, gelijk ook het nederlandsche
woord slaap een geslachtsnaam formt; zie § 146.

Uit het heir der krijchslieden, uit de verschillende rangen die daar
in voorkomen, is ook menige nederlandsche geslachtsnaam genomen, van
den hoogsten rang tot den laagsten. Als zoodanig zijn my de volgenden
bekend: vooreerst de geslachtsnamen Krijgsman (met Kriegsman), en
Ruiter, Ruyter, De Ruiter, De Ruyter, De Ruytter, enz. een krijchsman
te peerd beteekenende. Deze namen zijn van algemeenen aard. Daarna
staat als de hoogste in rang Veldheer; vervolgens Maarschalk, De
Maerschalk, ook verbasterd als De Maeschalck en De Maesschalck
voorkomende. Verder Overste, Majoor, Kapitein (zie bl. 307),
Hoofdman, Hooftman en Hopman (een nederlandsch bastaardwoord van
het hoogduitsche »Hauptmann", tydens ons gemeenebest by het leger in
gebruik), Ritmeester, Sergeant, Korporaal en Corporaal, Vaandrager,
Vaandrig, Vendrik, en als patronymikon Vendrickx, Soldaat, Musquetier,
De Schutter, De Handschutter (handboogschutter, in tegenstelling van
den voetboogschutter), en Schildwagt. Aan de zeemacht in het byzonder
zijn de geslachtsnamen Admiraal, Konstabel en Bottelier ontleend. Dan
komen nog Trompetter, Tamboer en Pyper, met het patronymikon Pypers. De
hoogduitsche form van laatstgenoemden naam, die echter eene meer
algemeene beteekenis heeft, Pfeiffer, komt in verschillende formen
en spellingen (zie bl. 317) ook geenszins zeldzaam in de Nederlanden
voor. Geen wonder! hoe menig bovenlandsche toonkunstenaar is niet reeds
onze grenzen overschreden!--Gyzelaars komen meest in oorlogstyden voor,
al is dit niet uitsluitend het geval, en al worden ze niet altijd
uit den krijchsmansstand genomen. Toch meen ik de geslachtsnamen, aan
dien maatschappeliken toestand ontleend, hier te moeten vermelden. Het
zijn De Gyselaar, en, als patronymikon, Ghiseleers.

§ 120. Byna alle kerkelike weerdigheden, ambten en bedieningen zijn
ook onder de geslachtsnamen vertegenwoordigd. Hier volgen die, welke
my bekend zijn. Roomschen en Protestanten door elkanderen--ik kan ze
niet schiften.

Van algemeene beteekenis zijn vooreerst de geslachtsnamen Kerckheer,
De Kerckheer en De Paap, ook Paap, Pape en De Paepe, met de patronymika
Paaps, Spapen, Spaapen en het versletene Spaape. Aangaande de forming
van laatstgenoemde namen zie men bl. 184 en 185. Wat de beteekenis
eigenlik is van den geslachtsnaam De Boelpaep, die hier ook schijnt
te behooren, is my niet duidelik; 't en zy men hier by aan het
oud-nederlandsche woord boel te denken hebbe (?). In aanmerking
nemende, dat in dit geval aan het dragen van dezen naam schande zoude
verbonden zijn, valt dit naueliks aan te nemen. Maar Langpaep, een
lange geestelike, is zoo veel te duideliker.--De volgende namen zijn
allen duidelik: Paus, en misschien ook Pous. (Neemt men in aanmerking
dat Pau, Pauw in gemeenzame dageliksche spreektaal ook wel in gebruik
is als afkorting van den mansvóórnaam Paulus, zoo is het zeer wel
mogelik dat deze geslachtsnaam Paus, althans in sommige gevallen,
een patronymikon zy van dien mansnaam Pau; b. v. Karel Pauszoon of
Karel Pausz, d. i. Karel de zoon van Pau of Paulus). Verder Cardinaal,
Bisschop, De Bisschop en Den Bisschop met het verbasterde Busschop en
het hoogduitsche Bischoff. Dan Priester en De Priester, Pastoor en,
als patronymika, Pastoors en Pasteurs met Pasteuren en Pasteure. Proost
en De Proost, De Deken en Den Deken, Dominé, Abt en Den Abt, Prior,
Pater en De Pater, Monnik, Munnik, Munk, Monk, De Monnik, De Munnik,
De Munnick, De Meuninck, De Munck en De Muynck, met de patronymika
Munniks, Munninckx, Meunynckx, Munnyncks, Smeunincks en Munninksma;
zie bl. 166. Eindelik Jeswiet en Carmeliet. Omdat een monnik door de
Roomsch-Catholyken als »broeder" wordt aangesproken, en men ook van
hem spreekt als van »den broeder" of b. v. als »broeder Benedictus",
zoo houd ik het daar voor dat in de geslachtsnamen De Broeder en Den
Broeder ook zeer wel een monnik schuilen kan. Cluysenaer, Cluysenaar,
Heeremiet en Pelgrim, ook Pelgrum en Pellegrom, met het hoogduitsche
Pilger, en de patronymika Pelgrims en Pylgroms. Het woord pelgrim,
in den frieschen form Pylgrom, is in Friesland ook nog heden als
mansvóórnaam (Pylgrom) in gebruik. En dus kunnen deze patronymika
ook zeer wel aan dien mansvóórnaam ontleend zijn, en niet aan het
woord pelgrim.--Aan den joodschen eeredienst ontleend, is my enkel
de geslachtsnaam Rabbie bekend.

Tot de geslachtsnamen van lagere kerkelike bedieningen afkomstig,
reken ik de namen: Kerkmeester, Koster, Coster, De Koster, De Coster,
De Custer, De Costere, De Keuster, De Ceuster, met het verlatynschte
Costerus en de patronymika Kosters, Custers, Ceusters, ook als Custodis
in goed Latyn overgezet. Verder Voorzanger met het hoogduitsche
Vorsänger, en Orgelist.

Als aanhangsel tot deze kerkelike namen reken ik nog de geslachtsnamen
Apostel, Profeet en De Maertelaere met De Maerteleire (martelaar). Zoo
ook Den Heyligen. Waarschijnlik zijn deze namen van huisnamen
afkomstig. Te Amsterdam toch was in deze eeu »de Profeet" nog de naam
van een huis--althans van eene handelszaak.

§ 121. De vrouen die oudtijds eenig handwerk, nering of bedrijf,
als kostwinning uitoefenden, kregen ook wel, even als de mannen,
den naam van haar bedrijf als een toenaam gevoegd by haren eigenen
vóórnaam. Onder de burgery der stad Leeuwarden, van den jare 1511, vind
ik opgenoemd: Alijt Weefster. Hilck Naaister, Gheert Froedmoer, Sack
Dekennaister; onder die van Dokkum: Ken Froedmoer, Aecht Baeckster,
enz. [168] Toch is my geen enkel geval bekend dat de toenaam aan
zulk een vrouelik bedrijf ontleend, tot een geslachtsnaam geworden
is. Trouens dit is geenszins vreemd. Immers de zoon van Alijt Weefster
(ook al had deze Alijt misschien geen man) kon zich toch niet wel
naar het handwerk zyner moeder noemen. Hy kon zich b. v. niet Willem
Weefster heeten. In dezen naam zoude eene tegenstrydigheid opgesloten
zijn.

Toch komt de geslachtsnaam Sangster voor, een naam die, naar myne
meening, geene andere beteekenis kan hebben dan die van het meer
nieuerwetsche woord zangeres. Is deze naam dan eerst door eenen
man gedragen, die de zoon van eene zangeres was, van eene vrou,
die algemeen onder dien naam b. v. van »Ghese Sangster" bekend
was? Dit is byna niet aan te nemen. Eerder zoude ik geneigd zijn te
gelooven dat deze naam Sangster eene halve verdietsching ware van het
engelsche woord, misschien ook wel van den engelschen geslachtsnaam
Songster. Een woord dat, ten spijt van zynen vroueliken form, toch
eene mannelike beteekenis, dien van zanger heeft. Even zoo is het met
het engelsche woord webster; ook dit woord vertoont eenen vroueliken
form, en beteekent, volgens het engelsche spraakgebruik, toch wever,
niet weefster. De geslachtsnaam Webster, van engelschen oorsprong,
komt ook in de Nederlanden voor.

Iets anders is het met de geslachtsnamen Beghyn, De Nonne
en Quanonne. Dezen zijn zonder twyfel van echt-nederlandschen
oorsprong, en duiden, eveneens twyfelloos, iemand van de vrouelike
kunne aan. Hoe deze benamingen ooit als geslachtsnamen in gebruik
gekomen zijn, verklaar ik niet te kunnen bevroeden. »De Begijn"
en »De Non" kunnen nog namen van huizen geweest zijn, (»de Non"
althans wordt als huisnaam door Van Lennep en Ter Gouw vermeld), en
als zoodanig overgegaan op de bewoners dier huizen. Maar Quanonne,
de kwade non! Zeker is wel geen naam ongeschikter om eerst als by-
of toenaam, later als geslachtsnaam door eenen man te worden gedragen.

§ 122. Even als met zoo vele andere geslachtsnamen het geval is, zoo
zijn er ook eenige geslachtsnamen aan weerdigheden, ambten, bedryven
en handwerken ontleend, in het Latyn omgezet geworden. Zie § 167 en
bl. 150. Zoo is b. v. de geslachtsnaam Bakker tot Pistorius geworden,
Kuiper tot Viëtor enz.

Zie hier eene lijst van die namen: Sartorius, dat is: kleêrmaker, van
het latynsche woord sartor; Sutorius, de schoenmaker, van het latynsche
woord sutor; Faber, de smid, ook nog meer »verschnörkelt" als Fabricius
en Fabritius voorkomende, en in patronymikalen form als Fabri, Fabry en
Faberi, dat is: Smids, des smids zoon. Rusticus en Agricola, de boer
of de landman; Textor, wever; Carbasius en Velius, zeilmaker; Cantor,
de zanger; Mechanicus, de werktuigkundige. Dezen laatsten naam houd ik
voor jonger dan de 17de eeu. Waarschijnlik is hy eerst in het laatst
van de vorige of in het begin van deze eeu in zwang gekomen. Pistorius
is niet de eenigste vreemde form, waarin de naam Bakker is omgezet
geworden. Immers Syds Buwes Bakker, die in 1633 predikant was te
Dokkum, schreef zynen naam als S. D. Artopaeus. Maar deze naam schijnt
weêr met dien man verdwenen te zijn; als hedendaagsche geslachtsnaam is
hy my nooit voorgekomen. De geslachtsnaam Nauta, met het ontaalkundige
Van Nauta, in Friesland aan verschillende geslachten eigen, kan
beschoud worden als eene verlatynsching van den naam Schipper. Immers
het woord schipper is in het Latyn nauta. Ook neem ik geerne aan, dat
dit met sommigen van deze namen Nauta in der daad het geval is. Maar
deze naam kan ook even zeer een eigenaardig friesch patronymikon zijn
(zie § 44) van den oud-germaanschen mansvóórnaam Nauto, Naute, die
in Förstemann's Namenbuch voorkomt, en waarvan ook de geslachtsnaam
Nauts een vadersnaam is.

In den tijd toen het verlatynschen der geslachtsnamen in gebruik was,
gebeurde het ook wel dat men die namen niet in zuiver Latyn vertaalde,
maar dat men slechts eenen latynschen uitgang, us of ius, voegde achter
den nederlandschen naam. Zeker dwaas genoeg! Eenigen van die namen,
aldus van eenen latynschen steert voorzien, zijn tot den dag van
heden als geslachtsnamen in wezen gebleven. Sommigen daar van zijn
in dit werk reeds genoemd: Bakkerus, Brouerius, Costerus, Cramerus,
Cuperus. Anderen zijn nog: Scrinerius, van schryner, schrijnwerker of
kastmaker. In het Nederlandsch, en wel in bepaald hollandschen form,
als Schrijnder, komt dit woord ook als maagschapsnaam voor. Verder
Vorstius, Schenkius (zie bl. 327), Stamperius (Stamper, Poerstamper,
zie bl. 318), Schipperus, enz. Ook schijnt de geslachtsnaam Smedicus
my toe eene quasi-verlatynsching te zijn van het woord smid.

Titels en weerdigheden komen, als maagschapsnamen, ook al in het
Latyn voor. By de namen Doctor, Prior, Rector, Senator, in § 119
reeds vermeld, noem ik hier nog Praetorius en Sindikus. Misschien
behoort de maagschapsnaam Factor ook tot deze groep.

De geslachtsnamen Estor, Proctor en Toxopeus hebben ook een latynsch
voorkomen. Maar ik kan die namen niet verklaren; ik weet niet wat zy
beteekenen, en hun oorsprong is my volkomen duister.

§ 123. Tot besluit van al deze maagschapsnamen, aan ambten en
bedryven ontleend, dienen hier nog eenige namen te worden vermeld,
die oorspronkelik half uit scherts, half uit spot, als bynamen gegeven
zijn aan handwerkslieden, en die aan het gereedschap door die lieden
by hun werk meest gebruikt, ontleend zijn. Tot deze namen reken
ik b. v. Knipscheer en Vingerhoed, oorspronkelik bynamen voor eenen
kleermaker; Knieriem, de spotnaam voor den schoenmaker (in myne jeugd,
te Leeuwarden, noemde men iederen schoenmaker wel schertsender wyze:
»Baas Knieriem," of »Baas Pikkedraad"). Verder Hoefnagel, de bynaam
van den hoefsmid; Hamer, de bynaam van den timmerman, enz. Deze namen
komen geenszins zeldzaam, en in allerlei formen voor; b. v. als Knyrim
en Knierum, Vingerhoedt, door uitslyting der h als Vingeroedt, ook als
patronymikon Vingerhoets; Hoefnagel, ook als patronymikon Hoefnagels,
in Vlaanderen als Houvenaghel en Houvenaeghel, in hoogduitschen form
als Hufnagel, enz.

Dikwijls ook is het voorvoechsel van der of van den geplaatst vóór
de namen van allerlei handwerksgereedschap, en heeft men op die wyze
allerlei tamelik onzinnige maagschapsnamen zich geformd. De slachter
noemde zich of werd genoemd Van der Bijl, de kleêrmaker Van der
Naald, de schoenmaker Van der Els of Van der Leest, de timmerman Van
den Hamer, Van der Zaag of Van der Schaaf, enz. De Friesen volgden
weêr hunne eigene wyze om zich, in scherts, zulke geslachtsnamen
te formen. De bleeker in Friesland noemde zich Osinga, de slachter
Bylsma, de schoenmaker Elsinga, de glazemaker Glasstra, de timmerman
Latsma, de schipper Scheepstra, enz. Al die namen bestaan thans nog als
geijkte maagschapsnamen, en houden de herinnering aan het voorvaderlike
bedrijf levendig. Sommigen van deze namen bestonden reeds, vóór men ze
in scherts aan handwerkslieden gaf. Zy waren reeds het eigendom van
oude bestaande geslachten, en hadden eenen geheel anderen oorsprong,
dan het volk daarin meende te vinden. Met de namen Van der Els (zie
bl. 256 en § 135), Osinga, Elsinga (zie bl. 162) is dit o. a. het
geval. Men zie aangaande deze en soortgelyke namen ook § 129.



B. GESLACHTSNAMEN AAN PERSOONLIKE EIGENSCHAPPEN ONTLEEND.


§ 124. Dat aan dezen of genen persoon, die de opmerkzaamheid van
anderen trekt door de eene of andere byzondere eigenschap van zijn
lichaam of van zynen geest, eenen bynaam gegeven wordt naar aanleiding
van die eigenschap, is eene zeer alledaagsche zaak, die nog heden
veelvuldig onder ons voorkomt. Iedereen kent wel personen in zyne
omgeving welke in het dageliksche leven bynamen dragen als: »de lange,"
»de dikke," »de manke," als zy lang of dik zijn van lichaamsbou,
of wel kreupel zijn--of als »de goeie," »de vrek," »scherp" als
ze byzonder goedaardig, uit der mate gierig, of zoogenoemd scherp,
vinnig, bits zijn van inborst. In beschaafde kringen vermijdt men te
recht het gebruik van zulke bynamen, die in den regel, ook al zijn
ze van onschuldigen aard of al vermelden zy soms wel eene loffelike
eigenschap--toch onaangenaam, zoo niet hatelik klinken in d' ooren
van den persoon die zulken bynaam zich hoort toevoegen. Maar in min
beschaafde kringen, en in de laagste standen der maatschappy is men
geenszins achterhoudend met zulke bynamen. Men spreekt de personen,
aan wie ze gegeven zijn, daar wel rechtstreeks mede aan, of noemt
hen wel met die namen, ook in hun byzijn. »De rooie," »de lamme," »de
bult," »mankpoot" zijn zulke liefelike namen die in onze achterbuurten
soms zoo algemeen in gebruik zijn, dat menigeen nooit anders wordt
genoemd door de lieden zyner dageliksche omgeving. Zoo dat op het
laatst menigeen geenen anderen naam meer kent van de personen die
alzoo genoemd worden--en de personen wien het aangaat die bynamen
zich dan ook maar goedschiks-kwaadschiks aanleunen laten.

Oudtijds was men ook in beschaafde kringen en in de hoogere standen
der samenleving veel minder kiesch wat het geven en gebruiken van
zulke bynamen betreft. In middeleeusche oorkonden en ook nog wel
in geschriften van lateren tijd, van de 16de en 17de eeu, worden de
personen die daarin genoemd worden, dikwijls, ter meerdere duidelikheid
of uit gewoonte, met hunnen bynaam vermeld. En deze personen zelven
schynen daar dan niets op tegen gehad te hebben. Zulke namen als
»Harm Gerloffssoen gezegd Witkop"--»Govert Claessen, dien men noemt
Crombeen"--»Egbert Wilminck genoemt de Stercke" komen dikwijls voor
in oude geschriften. Een burger der vlaamsche stad Hondschote, ten
jare 1568, wordt in eene oorkonde van dien tijd genoemd: »Jehan
Scrobbe, alias Cromhals"; [169] een burger der stad Alkmaar, ten
jare 1514, heette »Willem Roothooft" en zekere »Dirrick Coevoet" was
in dat zelfde jaar schepen der stede Gorinchem. [170] De naam eener
vrouelike ingezetene van Leeuwarden, ten jare 1511, was »Grijthie
Onbeleefd", [171] en die van eenen burger van Sluis in Vlaanderen,
in het jaar 1526, »Ryckaert de Gryse." [172] En om nog een paar
voorbeelden by te brengen, kan ik niet beter doen dan de woorden aan
te halen van J. ter Gouw, voorkomende in diens werk Amsterdamsche
kleinigheden--Amsterdam, 1864--bl. 58: »Daar klonken wel wat raarder
namen in den ouden tijd. Blader de historiën, de oude registers,
brieven en keuren maar eens door. Hier treedt u een Luitenant Leepoog
tegen, en daar de makelaar Laurens het houten aangezigt. Hier ontmoet
gij een deftig poorter, dien ge als Jonge Jan Doet er niet toe hoort
aanspreken; elders is het de eerzame Dirk Dirksz, die, om hen van een
anderen dubbelen Dirk te onderscheiden, den sierlijken toenaam draagt:
»Zoon van bezeten Lijsje!" Ten jare 1600 waren er te Delft burgers
die met hunne by- en spotnamen in oorkonden en registers vermeld
staan; by voorbeeld Mr. Jan Smeer-de-borst en Frans Mont-van-de-hel
(zie Soutendam, Een wandeling langs Delfts straten in 1600). Ja,
zelfs vorsten en koningen moesten zich, in de middeleeuen, het dragen
van zulke bynamen, aan allerlei persoonlike byzonderheden ontleend,
laten welgevallen. Men denke aan namen als Floris de Vette, Karel
de Kale, Pepyn de Korte, Karel de Eenvoudige, Govert met den Bult,
Zwarte Margriet, enz.

Dat het geven van zulke bynamen reeds van zeer oude dagteekening is,
daar van kan menige naam, die onder de volken der oudheid in gebruik
was, getuigen; Xenarchus Metretes, de dronkaard; Phocion Chrestus,
de goede; Pittacus Soropada, breedvoet; Marcus Curius Dentatus, de
getande, door byzondere tanden gekenmerkte, enz. Dergelyke namen
heeft de geschiedenis ons veelvuldig overgeleverd. En dat zulke
bynamen ook reeds vroeg by onze eigene voorouders in zwang waren,
leeren ons de oudste oorkonden. Uit de 11de, 12de en 13de eeu kennen
wy eenen Frank de roode (ten jare 1050), Giselbrecht de zwarte (1225),
Ekbrecht de kale (1162), [173] eenen Willem Eenoog, Reiner de kleine,
[174] enz. En dat deze persoonlike bynamen, door op de kinders van
de mannen die eerst met deze bynamen genoemd werden, over te gaan,
langzamerhand ook geslachtsnamen konden worden, daar van zien wy ook
in oude oorkonden menig voorbeeld. Onder velen: Reinska langhe Symens
dochter," eene leeuwarder vrou ten jare 1534. [175]

De algemeenheid dezer bynamen in aanmerking genomen, kan het niet
anders of velen van deze namen moeten van de vaders, wien ze eerst
gegeven waren, op de zoons zijn overgegaan; en van de zoons weêr op de
kleinzoons, tot dat het langzamerhand vaste toenamen geworden waren
die alle leden van een zelfde geslacht droegen,--tot dat zy eindelik
geheel als vaste geslachtsnamen beschoud en in gebruik genomen
werden. En deze zaak heeft zich in der daad zeer veelvuldig aldus
toegedragen. De talryke geslachtnamen, heden ten dage nog bestaande,
en die van ouds eerst als zulke persoonlike bynamen, aan byzondere
persoonlike eigenschappen ontleend, ontstaan zijn, strekken ten
bewyze daarvan. Merkweerdig is het, dat menig persoon nog de zelfde
kenteekens vertoont, die by zynen voorvader aanleiding gegeven hebben
tot het in gebruik komen van diens bynaam, welke nu heden ten dage
zijn geslachtsnaam is. Menig man, die den geslachtsnaam De Rooi voert,
om maar een voorbeeld te noemen, heeft rood haar; en een ander die
Kroese heet, heeft eenen gekroesden haardos. Verschillende voorbeelden
van dergelyke overeenstemmingen zijn my bekend. Zy kunnen, ja, louter
op toeval berusten. Maar zy kunnen tevens zeer gemakkelik verklaard
worden door d' omstandigheid, dat zulke lichamelike kenmerken dikwijls,
ja in den regel, van vader op zoon en kleinzoon, door eene lange reeks
van nakomelingen heen, overerven. Zie op bl. 173, den naam Kroeseklaas.

§ 125. De geslachtsnamen aan persoonlike eigenschappen ontleend,
en die geenszins zeldzaam voorkomen, ook over alle nederlandsche
gewesten verspreid zijn, kan men gevoegelik verdeelen in zulken die
hun ontstaan danken aan lichamelike eigenschappen, en in die welke
ontleend zijn aan byzonderheden van den inborst, het geestesleven
der menschen. Als voorbeelden van eerstgenoemde soort kunnen gelden:
De Groot, De Witte, Scheluwaert, Breebaart; van laatstgenoemde:
De Coene, Sorgeloos, De Vroe. Gebreken, en ook byzonderheden die
als schoonheden of volkomenheden gelden (Scheele en Slingervoet
tegenover Schoonooghe en Zwaanshals),--ook goede en kwade eigenschappen
(De Brave en Welgemoed tegenover De Quay en De Sot) komen gelykelik
voor. Eene andere verdeeling zoude men kunnen maken al naar mate deze
geslachtsnamen eenvoudig uit byvoegelike naamwoorden bestaan, met of
zonder een lidwoord (Schele, De Lange),--dan wel of het zelfstandige
naamwoorden zijn (Caluwaert, De Blindeman). Maar ik wil liever deze
onderscheidingen achterwege laten, en hier al de namen welke, als
tot deze groep behoorende, my bekend zijn, in geleidelike volgorde
opsommen. De geslachtsnamen van lichamelike eigenschappen der menschen
afgeleid, mogen de ry openen; om te beginnen die welke van algemeenen
aard zijn.

De Groote, De Groot, De Groodt, Grote, Groot.--De Reus en Reuse
behooren hier ook toe. In tegenoverstelling van deze namen bestaan:
De Kleine, De Cleine, De Cleyne, De Cleene, De Klein, De Cleyn, De
Cleen, Kleine, Clene, Klein, Cleyn. Ik heb hier de woorden klein en
kleen door elkanderen genomen. De form kleen is tegenwoordig nagenoeg
volkomen buiten gebruik geraakt in de algemeene nederlandsche taal;
althans in de byzonder-hollandsche schrijf- en boeketaal. En waar
deze oude form nog voorkomt, wordt hy als volkomen gelijkbeduidend
met klein gebruikt. Intusschen is er wel degelik onderscheid tusschen
klein en kleen. Het eerste woord is het latynsche parvus; het tweede
het latynsche minutus. Onze voorouders, ook in Holland, voor zoo
verre zy naukeurig en kiesch waren op hunne taal, onderscheidden wel
naukeurig tusschen klein en kleen. De Vlamingen doen het nog heden
wel, en de Friesen, die er twee verschillende woorden voor hebben,
te weten lîts == klein == parvus, en klien == kleen == minutus,
eveneens. Toch raakt tegenwoordig het woordje klien in Friesland
en kleen in Vlaanderen zeer in verval, door den infloed van het
taalverarmende Hollandsch, dat deze fyne onderscheiding niet meer kent.

De Lange, De Lang, De Langh, Lange, Lang en De Corte, De Kort, De Cort,
De Curte, Kort. Ook D' Hooghe, De Hoogh, De Hoog, Hoog en Laag.

De Vette met Veth, Dik en Den Dubbelden (een zeer dikke man, zoo dik
als twee, als een dubbelde man), met Maegherman, Magherman, Magerman,
Mager. Ook Schrale en Schraal.

Den Breejen, De Breejen, Breed en Breet, met Smale en Smal.

Den Oudsten, De Oude, De Olde, Den Ouden, Den Oude, Den Ouwen,
Dauwe (D' Auwe, brabantsch, ook als patronymika Dauwen en Sauwen,
zie bl. 185), Doude (D' Oude), Den Olden, Oud en Out (Oldeman en
Oudemans reken ik ook hier toe), met De Jonge, De Jonghe, De Jong, De
Jongh, De Iong, Jonge en Jong. De geslachtsnamen De Jonge, enz. zijn
zeer algemeen en komen zeer veelvuldig voor. Menige zoon droeg den
zelfden naam als zijn vader. Ten einde hem nu van zynen vader te
onderscheiden lag er dus niets naders voor de hand, dan eenvoudig
het byvoechsel »de Jonge" of »de Jong" achter zynen naam te plaatsen,
terwijl de vader dan nog ten overvloede wel door het toevoechsel »de
Oude" achter zynen naam onderscheiden werd. Deze oorspronkelik slechts
persoonlike toenamen gingen wel op de zoons der aldus benoemde mannen
over, en zijn in groot aantal tot geslachtsnamen geworden.

Al de hier boven in deze § opgenoemde namen behooren tot de algemeenst
voorkomenden. Weinig plaatsen, vooral in de noordelike gewesten,
waar deze namen niet voorkomen. Vooral De Groot, Klein, De Lang en
De Jong zijn uit der mate talrijk.

Andere persoonlike eigenschappen van algemeen-lichameliken aard worden
nog vertegenwoordigd door de geslachtsnamen De Sterke, De Staercke,
Sterk, Sterck, Stark; Struis, Struys en misschien ook De Stuers,
aangenomen dat deze naam eigenlik een letterkeer zy van De Strues,
De Struys--(struisch, in de beteekenis van kloek en krachtig van
lichaamsbou, is een woord dat vooral in de zuidelike Nederlanden
in gebruik is). Dat de geslachtsnamen De Ronde, De Ronden en Rond
hier ook behooren genoemd te worden, in de beteekenis van rond,
dik, welgedaan van lichaamsform, acht ik zeer waarschijnlik. Komt
nog een zware, grove lichaamsbou by die ronde, welgedane formen, dan
ontstaat die gedaante, welke men wel vierkant (een vierkante kerel)
noemt. De geslachtsnaam Vierkant is allicht oorspronkelik een bynaam
geweest voor iemand die zulken lichaamsform vertoonde. Maar met den
geslachtsnaam Eyrond weet ik geen weg; als eene lichamelike eigenschap
van eenig mensch althans kan ik hem niet verklaren.

Verder behooren tot deze groep nog de namen De Schoone, De Schoonen,
Schoone, Schone, Schoon, met Schoonhoefd, Schoonheere, Schoonman en
Schoonejongen. Verder De Fraeye, De Mooi, Mooy en Mooi, met Mooyekind,
alsmede het verbasterd hoogduitsche Hupscher (Hübscher). De afleiding
van de geslachtsnamen Schone, Schoone en Schoon van het byvoegelike
naamwoord schoon, fraai, mooi, is intusschen niet volkomen zeker,
hoewel daar aan by De Schoone (wegens het lidwoord), Schoonheere,
enz. geen twyfel bestaat. Schoone toch is ook een oud-germaansche
mansvóórnaam, die zoo wel op zich zelven als in samenstellingen
(Skoniburga, Skonehildis, Sconrat, Sconolf) voorkwam, gelijk men
in Förstemann's Altdeutsches Namenbuch op den naamstam Skauni == de
schoone, vinden kan. Zie ook de geslachtsnamen Schoninga, Schoonie
en Schoentjens op bl. 73 vermeld.

De geslachtsnamen De Recht en De Regt, in tegenoverstelling met De
Crom, Crom en Krom en met Den Bult, moeten hier nog genoemd worden. Zoo
ook Stotteraar.

Eindelik zijn nog de geslachtsnamen Blanckaert, Blankaard, Blanquaert,
Blankert, De Blancke, Blancke en Blank aan eene algemeen-lichamelike
eigenschap ontleend, aan eene byzonder blanke huidkleur. Dat echter
de geslachtsnamen Blanks, Blanken en Blenken (dit laatste is slechts
eene gewyzigde uitspraak) patronymika zouden zijn van den bynaam blank
(van huid), is geenszins zeker. Men vergelyke hetgeen op bl. 102
aangaande de namen Blanken en Blanksma vermeld is.

De geslachtsnamen Blondeel en De Blonde hebben vry wel de zelfde
beduidenis als De Blancke. Immers gaan blondheid van haar en blankheid
van huid gemeenlik samen. Maar als tegenhangers van deze geslachtsnamen
beschou ik de geslachtsnamen Donker en Doncker, met het patronymikon
Donkers.

By sommige menschen, lydende aan hartgebreken, vertoont de huid
duidelik eene blaue, blau-achtig graue kleur. Ook is dit wel het
geval na het gebruik van sommige geneesmiddelen. Waarschijnlik zijn
de geslachtsnamen De Blaauwe, De Blaeuwe en Blauwaert oorspronkelik
bynamen geweest van lieden, aan wier huid deze byzondere kleur eigen
was. Ik kan my althans die namen anders niet verklaren. De naam
Blauwaert is geformd als grijsaard, als Caluwaert, Scheluwaert
(zie bl. 344 en 345) enz. Blauwert zou men in het Hollandsch
zeggen. De naam is vlaamsch, en in Vlaanderen inheemsch. Dat de
geslachtsnamen Blaauw, Blaeu, Blaau, Blau en Blauw eveneens aan deze
byzonderheid hun ontstaan te danken hebben, schijnt my minst genomen
zeer twyfelachtig. Deze namen kunnen ook eenvoudig bestaan uit den
oud-germaanschen mansvóórnaam Blau. Dat deze naam oudtijds bestaan
heeft, en bepaaldelik in Friesland in gebruik was (al vermeldt
Förstemann's Altdeutsches Namenbuch slechts eenen vrouenaam Blawa,
en geenen manneliken form daar van) blijkt my uit den frieschen
patronymikalen geslachtsnaam Blauma. Ook is my een geval bekend,
dat een blauverwer, in de vorige eeu levende, het woord Blaauw als
geslachtsnaam aannam, in zinspeling op zijn beroep. Zoo handelde in
dien tijd ook een friesche blauverwer, die zich Blauwstra noemde. In
myne jeugd heb ik te Leeuwarden nog eenen blauverwer, Blauwstra
geheeten, gekend.

Dat de geslachtsnamen De Groen en Groen ook tot deze groep gerekend
moeten worden, durf ik niet beweren. Onmogelik is het niet, naardien
werkelik een duidelik groenachtig-gele huidkleur by sommige menschen,
als een verschijnsel van leverziekte, wel gezien wordt. Maar deze
huidkleur is toch altijd slechts tydelik, en duurt niet lang genoeg
om aanleiding te kunnen geven tot eenen bynaam. Daarenboven--de naam
Groen is geenszins zeldzaam, en aan vele, onderling niet verwante
geslachten eigen. Zoo veel te raadselachtiger is my het ontstaan van
dezen naam. Kan er de oud-germaansche mansvóórnaam Gruno (zie 29)
in schuilen? Ei ja toch!

§ 126. Deze laatste namen voeren ons geleidelik van de
algemeen-lichamelike tot de byzonder-lichamelike eigenschappen over. Te
weten tot die geslachtsnamen, welke ontleend zijn aan de byzondere
eigenaardigheden van het eene of andere byzondere lichaamsdeel. Nemen
wy in d' eerste plaats die van het haar. De verschillende kleuren van
het menschelike haar hebben oorsprong gegeven aan de geslachtsnamen:

De Witte, De Witt, De Wit, De With, Witte en Wit met De Zwarte,
De Swarte, De Zwart, De Swart, De Swert, Zwart en Swart, en met de
patronymika Swarts, Zwarts, Swartz, enz. Verder De Roode, De Rooy,
De Rooi, De Roo, Rood, De Bruine, De Bruin, De Brune, Bruin, Bruyn, De
Gryze, De Gryse, De Grysen, De Grijs, Grijs, De Graauwe, De Graeuwe,
De Graauw, De Graeu en De Schiere en Schiere. De twee laatste namen,
van frieschen oorsprong, zijn ontleend aan het friesche woord skier,
dat grijs of grau beteekent, en in Friesland nog in volle gebruik
is. Over de patronymika van den naam De Graauwe, Graauw afgeleid,
zie men bl. 185. De geslachtsnamen De Bonte, De Bont, Bonte en Bont
reken ik ook hier toe. Immers lieden met bont haar, b. v. donker,
met hier en daar een lichter gekleurde lok of vlok, zijn geenszins
zeldzaam. Verder nog Wittebol en Wittebolle, Withaar en Witkop, Roobol
en Roothooft, Swartbol en Swarthoofd. De geslachtsnaam Gryspeerdt,
in Vlaanderen inheemsch, behoort ook tot deze groep, hoe vreemd het
schijne. Gryspeerdt toch is eene verbastering van Grysperre, zoo
als deze zelfde naam nog wel in oude stukken geschreven staat. By de
gewone vlaamsche uitspraak is het onderscheid tusschen Gryspeerdt en
Grysperre ook minder groot dan het in geschrifte schijnt. »Grys perre"
is letterlik grijs hoofd, gryze kop; »perre" is een oud-vlaamsch
woord voor hoofd of kop. Het leeft nog in de volksspreektaal, in
sommige uitdrukkingen; b. v. »te perre staan" = op het hoofd staan,
met de beenen in de lucht, als de spelende knapen wel doen. Men kan
er de vlaamsche woordeboeken op na slaan.

Als by bovengenoemde geslachtsnamen het lidwoord staat (b. v. De Wit),
dan valt er niet aan te twyfelen dat het byvoegelike naamwoorden
zijn, die als persoonlike bynamen in gebruik zijn geweest. Maar iets
anders is het als die namen op zich zelven voorkomen (b. v. Wit,
Bruin). Dan kunnen deze namen oorspronkelik ook wel anders niet zijn
als eenvoudige mansvóórnamen. Immers als oud-germaansche mansvóórnamen,
ook by onze voorouders in gebruik, komen Wit of Witte, Root, Brune en
Grise wel voor. Men vindt ze allen vermeld, ook in samenstellingen,
in Förstemann's Altdeutsches Namenbuch. De vóórnamen Witte (men
denke aan Witte de With) en Bruin of Bruno worden heden nog wel door
Nederlanders gedragen. Zeer vele geslachtsnamen, meestal patronymika,
zijn van deze mansvóórnamen afgeleid; b. v. Wittinga, Witting (ook in
Engelland, met Whittington), Wittenck, Wytynck in Vlaanderen, Witsen,
Wits en Wittema, Roding, Roodema, Roden en Rhodens, met Rooikens
(dat is Rodekens) in verfloeiden verkleinform, enz. Zie ook bl. 79.

Nog zijn aan byzondere eigenschappen van het haar ontleend de
geslachtsnamen Kroese en Kroeze met Kroeskop, Kruishaar (kruis in dezen
naam is eene verhollandsching van het saksische en frankische krûs,
kroes), Fijnhaar en Lankhaar. Als tegenhanger van Kruishaar kwam in
de vorige eeu de geslachtsnaam Gladhair voor. Ongetwyfeld vinden de
geslachtsnamen Krul, Krull, Crul, Krol en Crol ook hunnen oorsprong
in het krullende haar van hem die eerst zulken naam droeg. De Ruig,
Ruig, Ruyg en Ruge zijn geslachtsnamen die zekerlik ook op eenen
ruigen haartooi betrekking hebben. Gemis van haar, kaalheid, heeft
oorsprong gegeven aan de geslachtsnamen De Caluwe, Kaal, Caluwaert,
verbasterd tot Callewaert, en als patronymikon Calluwaerts. Caluwe,
kaluw is de oorspronkelike, volle, zuiver nederlandsche, meest
byzonder-frankische form van het hedendaagsch algemeen-nederlandsche,
meest byzonder-friesche woord kaal, zuiver friesch keal. De woorden
caluwe, kaluw en kaal, keal staan in de zelfde verhouding tot
elkanderen als zwaluwe, zwaluw, friesch sweal, engelsch swallow;
als het vlaamsche geluwe, engelsch yellow, hoogduitsch gelb (b =
uw), hollandsch geel, friesch giel; als schaduw, engelsch shadow,
zuiver friesch skaed, in de friesche steden ook skat, hoogduitsch
schatt(en). Caluwaert, letterlik in het Hollandsch kalert, is geformd
als grijsaard.--Dat kruse, kroese oudtijds ook als een mansvóórnaam
in gebruik moet geweest zijn, wordt bewezen door de patronymikale
geslachtsnamen die daar van afgeleid, en op bl. 57 vermeld zijn.

Niet aan het gemis van haar, maar wel aan het gemis van
hoofddeksel, heeft de geslachtsnaam Bloothoofd zynen oorsprong te
danken. De oorsprong der geslachtsnamen Brooshooft en Kluifhoofd
is minder duidelik. Zou Kluifhoofd niet in de plaats staan van
Kloofhoofd? Kluiven, kluifjes toch zijn gekloofde beenderen. Kloofhoofd
zou dan een bynaam kunnen geweest zijn voor iemand wiens hoofd
(schedel, hersenpan) door eene zware verwonding, eenen sabelhou b. v.,
als 't ware door midden was gekloofd geweest, waar van hy zijn leven
lang een duidelik zichtbaar likteeken overgehouden had. En Brooshooft
kan een bynaam zijn geweest voor iemand wiens schedelbeenderen, door
eene ziekelike aandoening, byzonder broos waren, zoodat zy, ook by
geringe aanleiding, lichtelik braken.--De maagschapsnaam Schoonhoefd
(hoefd == hoofd) dient hier ook vermeld te worden.

By het hoofdhaar behoort de beerd. Aan byzondere hoedanigheden van
den beerd zijn ontleend de geslachtsnamen Breebaart, Langebaerd en
Langebaard, Robaert en Roobaart, Schoonbaert en Witbaard, welke geen
van allen naderen uitleg behoeven.

Byzondere hoedanigheden der oogen gaven aanleiding tot het ontstaan
der geslachtsnamen Bruinooge en Bruynooge (eene byzonderheid by ons
oorspronkelik blonde, blau-oogde volk), Liefhooghe, Schoonooghe,
Spanooghe (wijd open-gespannen oogen), Wijdhooge en Wijdoogen. In de
namen Liefhooghe en Wijdhooge is, door misverstand, eene h vóór de
eerste letter van het woord oog, ooge, ooghe geplaatst. Deze namen
zijn in Vlaanderen inheemsch. De Vlamingen, die de h niet uitspreken,
zijn wel onnaukeurig ook in het schryven van die letter, en plaatsen
haar wel waar zy niet behoort. Of de geslachtsnaam Boekenoogen ook
tot deze groep behoort, en wat of deze naam dan beteekent, en kan
ik niet zeggen. Ik en weet het niet. Maar De Scheele en Schele
zijn duidelik. Het zelfde beteekent Scheluwaert, een vlaamsche
geslachtsnaam, en een oud-vlaamsch woord tevens, dat letterlik
schelert is in het hollandsche taaleigen, even als caluwaert en
kalert. Het vlaamsche woord scheluwe staat in de zelfde verhouding
tot het hollandsche scheel, het friesche skîl(ich), als caluwe staat
tot kaal, keal, enz. zie bl. 344. De hollandsche timmerlieden noemen
een scheef of scheel getrokken stuk hout nog schelf, dat is schelve,
scheluwe.--De Blinde, De Blende en Blindeman zijn maagschapsnamen
die ook behooren tot deze groep.

Gebreken aan het oor hebben, voor zoo verre my bekend is,
slechts aan éénen geslachtsnaam oorsprong gegeven; aan Den Dooven
namelik. Opmerkelik is het dat geen enkele geslachtsnaam zijn ontstaan
dankt aan byzondere hoedanigheden van den neus. Althans is er my
nooit zulken naam voorgekomen. Bynamen die op den neus betrekking
hebben, worden er toch wel genoeg gegeven! Maar de neus is een zeer
gevoelig punt voor de menschelike ydelheid. Bynamen die gebreken
van andere lichaamsdeelen aanduiden, laat men zich nog des noods
welgevallen. Maar niemand wil zynen neus hooren smalen. Immers een
leelike of misformde neus mismaakt het geheele gelaat. Geschonden
neus is geschonden aangezicht. Dies al werden en worden bynamen als
»langneus", »wipneus", »klompneus" wel gegeven, niemand laat zich zoo'n
bynaam aanleunen; by niemand kon hy vaste toenaam worden en nog veel
minder geslachtsnaam. By de oude Romeinen vinden wy den bynaam »neus"
wel als een vaste toenaam aangenomen; te weten by Ovidius Naso. En
ook het enkele De Neus en Neus is my wel als een nederlandsche
geslachtsnaam voorgekomen; zie § 139. Maar deze eenvoudige namen
laten het nog te raden over, of men hier oorspronkelik te doen heeft
met eenen byzonder mooien of met eenen byzonder leeliken neus.

De mond en het gebit worden genoemd in de geslachtsnamen Suermondt,
Guldemond en Goudemond, Hazelip, Iserentant, Yzerentand, Iserbyt
en Quatant. Een »zuurmond" is een mond, die door eenen byzonderen
trek de verdrietige, ontevredene inborst van den persoon verraadt,
wiens eigen hy is. Het volk in Holland zegt nog wel: »zuursmoel";
te Leeuwarden »suertoet";--»toet", »tuit" is mond. Guldemond of
Goudemond is een bynaam voor een zeer welsprekend man. Deze namen
zullen wel geformd zijn in navolging van den griekschen mansnaam
Chrysostomus, die eveneens gouden- of guldenmond beduidt; immers
recht volksaardig is deze naam by ons niet. Hazelip is een naam voor
de bekende misforming, splyting, der bovenlip. De namen Iserentant,
Yzerentand, Iserbyt duiden iemand aan, die zulk een krachtig gebit
heeft, dat hy er yzer mede zoude kunnen byten. Het tegenovergestelde
beteekent Quatant, kwade tand, slecht gebit. Volgens dezen laatsten
naam schijnt een slecht gebit of kwade tanden wel eene uitzondering,
eene byzonderheid geweest te zijn onder onze voorouders. Anders is
het nu!--De geslachtsnamen Quatannens en Quattannens, die op bl. 173
vermeld staan als vadersnamen van Quatannes, Quathannes, den kwaden
Johannes, kan men ook beschouen als versletene patronymika van dezen
bynaam Quatant.

Aan de gesteldheid van den hals zijn ontleend de geslachtsnamen
Corthals en Korthals, Cromhals, Langhals, Scheefhals en Schevenhals,
Stijfhals en Zwaanshals, die grootendeels duidelik genoeg
zijn. Schevenhals komt door verkeerde uitspraak en misspelling ook
voor als Schevenhels en Schevenels.--Dichters mogen eenen blanken,
slanken hals by eenen zwaanshals vergelyken, het volk is zoo dichterlik
niet in zyne uitdrukkingen. Vooral niet als er sprake is van bynamen,
die buitendien in den regel meer van smalenden, dan van pryzenden
aard zijn. Men zie er deze geheele lijst van geslachtsnamen
aan persoonlike bynamen ontleend, maar eens op na: Schoonman,
Schoonheere, Schoonejongen, Liefhooghe en Schoonooghe zijn de eenigste
uitzonderingen op dezen regel. Hoogstens dat de overige namen van
onverschilligen aard zijn, als de Groot, Langebaard, Bruinooge. Dies
wil ik by de verklaring van den geslachtsnaam Zwaanshals liever denken
aan den aardrijkskundigen naam Zwaanshals (zoo als b. v. eene buurt
heet aan de Rotte, onder Hillegersberg, by Rotterdam), en dien men wel
geeft aan een vraagteeken-formig verloopend vaarwater. 'T Swaenshals
was ook de naam van eene brouery te Delft in de 18de eeu.

De geslachtsnaam Jukkenekke is oorspronkelik een bynaam voor iemand
die met eenen voorwaarts gestrekten, eenigszins styven nek loopt,
zooals lieden doen die eene zware vracht dragen aan een juk op den nek,
melkboeren, groentevrouen, enz. »Dukelhalsich" zegt men te Leeuwarden
daar voor.

Geelhant en Geelhand zijn geslachtsnamen die, naar het my toeschijnt,
niet aan eene hand met in het oog loopend gele huidkleur ontleend
zijn, maar aan een uithangbord of gevelsteen. Immers »De Ghele Hant"
was de naam van een huis op de Verwersgracht te Amsterdam, ten jare
1656. Dit is ook het geval met den geslachtsnaam Guldenarm. Immers
een (ver)gulden houten arm, met het eene of andere voorwerp in de
hand, was oudtijds een vry algemeen gevelteeken aan de huizen in de
nederlandsche steden. Over de gele hand en den gulden arm zie men
Van Lennep en Ter Gouw's Uithangteekens, dl. II, bl. 170 en 171.

Wat de geslachtsnaam Ouwehand eigenlik beteekent, is my niet
duidelik. Maar Hardevuust wel; dit is een middeleeusche bynaam,
duidelik van beteekenis, en die in Zuid-Nederland nog als geslachtsnaam
voorkomt.

Talrijk zijn de bynamen die aan de byzondere gesteldheid van been
en voet ontleend zijn: Blaaubeen, Crombeen, De Crombeen, Langbeen,
Spillebeen, Strakbeen, Roodbeen zijn namen die geenen uitleg eischen,
evenmin als Blaevoet (Blau-voet) [176], Slingervoet, Platvoet en
Plaetevoet, en Zwartvoet.--Stutvoet is de voet aan een opgekrompen
been (door heupziekte), die door een stut wordt ondersteund. Andevoet
wordt in sommige gouspraken gezeid voor »eendevoet". Hy is dus ook
een »platvoet". Ligtvoet zal oorspronkelik wel een bynaam geweest zijn
voor iemand die licht te voet, vlug te been was, in loopen, springen
of dansen. Holvoet en Hollevoet zijn de tegenhangers van »platvoet,"
en aldus genoemd naar den hoog gewelfden form van den voet, waar door
de vrye holte onder den voet byzonder groot wordt. Witvoet, enkel
naar de witte huidkleur van den voet, als Blaevoet en Zwartvoet? De
uitdrukking »witvoet" schijnt oudtijds eene byzondere beteekenis te
hebben gehad. Men zegt nog: »by iemand een witten voet (een wit voetje)
hebben", en dat beduidt: »byzonder in iemands gunst staan." Hazevoet,
Haesevoet, en als patronymikon Hasevoets; zou dit geen bynaam zijn voor
iemand van eene vreesachtige inborst, snel bereid tot de vlucht? Of
voor iemand die zeer snel kan loopen? Het kenmerkende van den hazevoet
is overigens, dat ook de zolen behaard zijn. Dit byzondere kenteeken
komt echter by menschen, zoo ver ik weet, niet voor, en heeft dus
geen aanleiding tot eenen bynaam kunnen geven.--Koevoet en Coevoet,
ook als vadersnaam Koevoets, en zelfs Kofoed (als ik my niet bedrieg
uit Noorwegen afkomstig), is een geslachtsnaam die geenszins zelden
voorkomt. De koevoet, het bekende werktuich, kwam oudtijds ook
wel als uithangteeken of gevelsteen, als huisnaam voor. Boven een
poortje te Utrecht stond hy in 1867 (en misschien nog heden wel)
uitgehouwen, met het opschrift »In den Koeivoet. 1691". [177] Maar dit
uithangteeken behoorde toch volstrekt niet tot de meest voorkomenden,
en het schijnt my dus wel een weinig gewaagd al die geslachtsnamen
Koevoet van huisnamen af te leiden. Ondertusschen weet ik geenen
anderen oorsprong van dezen naam aan te geven. Want dat een menschelike
voet, al is hy op de eene of andere wyze misformd, met eenen koevoet
vergeleken werd, of in de volksspraak zoo genoemd werd, is my nooit
voorgekomen. Het vierde gedeelte van eene geslachte koe, behalven kop,
ruggestreng en ribben, draagt ook den naam van »koevoet".--Om een
einde te maken aan al deze voeten, vermelden wy nog de geslachtsnamen
Barvoet, Barrevoet, Barfoed, Berrevoet, als patronymika Barvoets,
Bervoets, Baervoets, enz., ontstaan als bynamen van lieden die men
gewoonlik zonder schoeisel zag loopen. Dit gebeurde oudtijds zeker
minder zeldzaam dan tegenwoordig, te oordeelen naar de talryke en
veelvuldig voorkomende geslachtsnamen, die hierop betrekking hebben.

Slechts een enkele geslachtsnaam is my bekend die aan eene byzondere
gesteldheid der toonen ontleend is. Te weten Steketee. Tee, en niet
teen, of too, en niet toon, overeenkomende met het hoogduitsche
zehe, het engelsche toe, het deensche taa, het zweedsche tå) is het
oorspronkelike woord, in het enkelvoud. De West-Vlamingen hebben ook
hier, als in zoo menig ander geval, den zuiveren woordform behouden. Zy
zeggen nog heden tee, tegenover het verbasterde teen of toon der
Noord-Nederlanders. Zoo ook gebruiken de West-Vlamingen nog heden den
zuiveren ouden form schoe, even als de Friesen skoe, de Hoogduitschers
schuh, de Engelschen shoe, de Zweden en Denen sko, tegenover het
verbasterde schoen der Hollanders. Deze verkeerde hollandsche formen
teen of toon en schoen zijn ontstaan uit de meervoudsformen teeën of
tooën en schoeën, die lichtelik in d' uitspraak tot tee'n of too'n en
schoe'n worden samengetrokken. De maagschapsnaam Steketee is eenvoudig
steekteen, een tee (teen) die steekt--dus wellicht oorspronkelik de
bynaam van eenen man die met likdoorns bezocht was.

Ten slotte moet hier nog de geslachtsnaam Suyckerbuyk en Suikerbuik
worden vermeld. Is dit oorspronkelik niet de bynaam voor eenen man
die geerne suiker eet, of in meer uitgebreiden zin, voor eenen
lekkerbek? En dan nog vier namen afgeleid van eene byzondere
gesteldheid van een inwendig lichaamsdeel, van de lever. De
volksmeening houdt zich veel met de lever op, en schrijft daar aan
allerlei byzonderheden toe. Van den man die veel dorst heeft en
veel drinkt, zegt men dat hy eene droge lever heeft. Van eenen man
die kort na zijn huwelik zyne vrou door den dood verliest, en by
wien dit ongeval zich twee, drie malen herhaalt, zegt het volk, op
geheimzinnigen toon, »hy heeft eene witte lever!" Ik hoorde dit nog in
myne jeugd, te Leeuwarden. Van daar de geslachtsnamen Droogleever en
Witlever. Wat echter oorsprong gaf aan de geslachtsnamen Cortlever,
Kortleever en Ringlever en kan ik niet mededeelen, omdat ik het niet
en weet.

§ 127. Het getal der geslachtsnamen, die oorspronkelik bynamen zijn
aan de eene of andere byzondere eigenschap van de inborst, het gemoed,
het zielsleven van dezen of genen persoon ontleend, is nog veel grooter
dan het getal der geslachtsnamen in de vorige afdeeling behandeld. Wat
de oorsprong dezer namen als bynamen betreft, deze is de zelfde als
by de namen aan lichamelike eigenschappen ontleend, aangegeven is: Die
oorsprong, en de beteekenis dezer namen, zijn meestal duidelik genoeg.

Uit een taalkundig oogpunt beschoud, kan men deze namen gevoegelik in
drieën verdeelen. Namelik voor zoo verre zy uit eenvoudige byvoegelike
naamwoorden en bywoorden bestaan (Dapper, Zuinig, Kostelijk)--of
uit zulke woorden met een lidwoord er voor (De Goede, De Wreede,
De Surgeloose)--of uit een zelfstandig naamwoord, met of zonder
lidwoord (Den Held, Zorgdrager, Goedhart). Deze verdeeling is tamelik
willekeurig, en ik zal er my, by 't vermelden der geslachtsnamen van
deze afdeeling, dan ook niet streng aan houden. En te meer niet wijl
de zin, de beteekenis die in deze geslachtsnamen opgesloten ligt,
dikwijls gebiedt om verschillende namen uit de drie onder-afdeelingen
by elkanderen te voegen en met elkanderen te vermelden.

Beginnen wy met de goede eigenschappen, dan moeten eerst vermeld
worden de geslachtsnamen Goed, Best, Wijs, [178] enz. Dan komen Deftig,
Droog, Streng [179], en daarna Dom, Gram, Slegt. [180]--De Goede, De
Reine en Reyne, De Vroede, [181] met De Droog, De Loos en De Looze en
De Slegte, De Snoo en Snooy (de snoode) en De Wreede, [182] formen
de namen onzer tweede afdeeling. Eindelik maken de geslachtsnamen
Dapperheld met Vrybloed, [183] dan Goethals, De Praeter en De Leener,
[184] en ook Ledeganck, Hooghart en Quataert [185] de namen uit van
de derde afdeeling. Laatstgenoemde naam is eene oude spelling van
kwaadaard, iemand van kwaden aard, van kwade geaardheid.

Byzondere namen, tot deze groep behoorende, zijn nog: Behaeghel,
Behaghel, Behaegel en Behagel, die vooral in de zuidelike gewesten
inheemsch zijn. »Behaeghel, behaghel" is eene oudtijds gebruikelike
afkorting van »behaeghelick, behagelijk", gelijk men oudtijds
het woord »kostelick" ook wel tot »kostel" afkortte. Door de
gewone verwisseling van (vlaamsche en zeeusche) h in g, is van
het oorspronkelike zuid-nederlandsche Behagel in Noord-Nederland
Begagel geworden. Immers onder dezen zonderlingen form is deze naam te
Hoorn als geslachtsnaam inheemsch. De geslachtsnamen Roosenschoon en
Vergult kunnen naueliks opgevat worden als bynamen van mannen. Toch
moeten zy dit geweest zijn. Maar de reden waarom ze gegeven werden,
laat zich achterna moeielik gissen.--By den geslachtsnaam Reukeloos
heeft men niet te denken aan de hedendaagsche beteekenis van dit woord
(niet riekend, zonder geur), maar aan de oude, verouderde beduidenis
van »roekeloos".--Gouweloose kan ik niet verklaren; beteekent deze
geslachtsnaam misschien »goudeloos", zonder goud, de geldelooze? Hy
zoude dan de weêrga zijn van den geslachtsnaam Dhaveloose, dat
is D'Haveloose, De Havelooze, welke naam ook nog meer misschreven
als Daveloose en Dhavelosse, aan verschillende geslachten eigen,
voorkomt. Want ook dit woord haveloos moet niet in de hedendaags meest
gangbare beteekenis van verwaarloosd, liederlik vuil worden opgevat,
maar in de oude en rechte beduidenis zonder have, zonder bezitting,
zonder eigendom.--By nog een paar andere geslachtsnamen is, even als
by Dhaveloose, het lidwoord met het byvoegelike naamwoord versmolten;
te weten by Doosche en Dedel. De naam Doosche is in West-Vlaanderen
inheemsch, en heeft, volgens de vlaamsche uitspraak, en even als
Daveloose, eene h verloren. Immers in oude oorkonden komt deze zelfde
naam voor als Dhoosche, D'Hoosche, dat is De Hoosche, versleten van De
Hoofsche, een naam die dus in beteekenis overeenkomt met den franschen
geslachtsnaam Courtois, welke ook in de Nederlanden voorkomt. De
geslachtsnaam De Heus heeft volkomen den zelfden oorsprong en de
zelfde beteekenis als Doosche. Immers »hoofsch" is in het Hoogduitsch
höfisch, en ook de brabantsche en geldersche gouspraken geven aan de
o van dit woord den gewyzigden klank: »heufsch". Van »De Heufsche"
kwam »De Heusche" en, als hedendaagsche geslachtsnaam, De Heus. Ook
het woord heusch als byvoegelik naamwoord en bywoord, meest in
Holland in gebruik, is eene verbastering en afslyting van heufsch,
hoofsch. Het hoogduitsche byvoegelike naamwoord en bywoord hübsch,
is al mede eene verbastering van hübisch, höbisch, höfisch, en van
dezen hoogduitschen form hübsch is ons woord hupsch weêr eene leelike
wan-verdietsching. Het hoogduitsche woord hübsch heeft weêr oorsprong
gegeven aan den geslachtsnaam Hübscher, in Duitschland niet zeldzaam,
en in beteekenis samenstemmende met onze geslachtsnamen De Schoone,
De Fraeye, De Mooy. En deze naam Hübscher is in Nederland weêr half
verdietscht tot Hupscher. Zoo dat de geslachtsnamen Doosche, De Heus
en Hupscher, hoe vreemd het schyne, den zelfden oorsprong hebben, ja
de zelfde woorden zijn. De naam Dedel, eigen aan een oud-utrechtsch
adellik geslacht, komt in oude oorkonden dikwijls voor als D'Edel en
De Edel, ook wel als Den Edelen, by uitbreiding, en als Deel (D'Eel),
by inkrimping. Ja, in ééne en de zelfde oorkonde, van het jaar 1420,
wordt zeker lid van dit geslacht, Lambert geheeten, afwisselend
genoemd Lambert Dedel, L. d'Edel, L. Edelen en L. den Edelen. [186] Men
vergelyke ook de geslachtsnamen Doude en Dauwe, op bl. 339 vermeld.--

Of Grim, ook in hoogduitsche spelling als Grimm voorkomende,
opgevat moet worden als het byvoegelike naamwoord grim, grimmig,
dus als de weêrga van den geslachtsnaam Gram, dan wel of deze naam
oorspronkelik anders niet en is als de mansvóórnaam Grim, moet ik
in het midden laten. De oud-germaansche mansnaam Grim, Grimmo is
oudtijds ongetwyfeld ook by onze voorouders in gebruik geweest. Onze
patronymikale geslachtsnamen Grimmenga, Grimminck en Grimmink strekken
ten bewyze daar van, even als de plaatsnamen Grimmingen, een dorp
in Oost-Vlaanderen, en Grimmenes, een gedeelte van Oud-Amsterdam
(de hedendaagsche Grimmenesse-sluis heet er nog naar). Verder is nog
Grimmen de naam van eene buurt by 't dorp Grootkerk (of Hohenkirchen)
in de oud-friesche gou Wrangerland (Oldenburg); Grimsthorpe ligt
in Lincolnshire (Engelland); en Grimminghausen, zoo heeten twee
westfaalsche dorpen, een by Herford, 't andere by Meschede gelegen.

Even als met Grim, zoo is het ook met de geslachtsnamen Snel en
Wakker en Wacker. Beide deze namen kunnen oorspronkelik bynamen zijn,
en wel de bekende byvoegelike naamwoorden snel en wakker. Maar het
kunnen ook evenzeer de oud-germaansche mansvóórnamen Snel en Wakker
zijn. Aangaande deze oude mansvóórnamen, en de geslachtsnamen met
de plaatsnamen daar van afgeleid, zie men bl. 47 en bl. 133. De
geslachtsnaam Dazert heeft de zelfde beteekenis als zot of dwaas. Het
woord dwaas wordt in sommige nederlandsche gouspraken, onder anderen in
die van West-Vlaanderen (zie L. L. de Bo's Westvlaamsch Idiotikon) en
van Holland, althans te Haarlem nog dageliks, uitgesproken als daas. En
dazert of dwazert (dwaas-aard) is daar van afgeleid.--Eindelik moet
nog genoemd worden de geslachtsnaam De Nieuwe, als bynaam gegeven aan
iemand die ergens nieu kwam wonen; deze naam heeft dus den zelfden
oorsprong als Nieuwboer, Niemeyer, Nyman, enz. op bl. 302 en 304
vermeld.

Ook de geslachtsnamen Den Dievel en Den Engel met Engel houd ik voor
oude bynamen. Dievel is de oud-vlaamsche form van het woord duivel;
Kiliaan vermeldt het nog in dezen form. Ook de friesche taal heeft in
overeenkomst met het engelsche woord devil, divel voor duivel. Den
Dievel is, als geslachtsnaam, in Vlaanderen inheemsch, en aldaar
reeds van oude dagteekening. Immers vermeldt een grafschrift in de
St.-Jans-kerk te Sluis in Vlaanderen zekeren Cornelis de Dievele,
»die starf in 't jaer 1496". [187] Dat het volk aan dezen of genen
boosaardigen man den bynaam geeft van duivel, komt nog dageliks voor;
bynamen als Piet den Duivel, Hein de Duvel of Durk Divel (in Friesland)
kan men in onze achterbuurten wel hooren gebruiken. Maar in andere
gevallen kan zulk een geslachtsnaam ook wel aan den naam van een huis,
waar »de Duyvel" uithing, ontleend zijn. »In de 15de eeuw vindt men
onder de regeeringsleden" (van Amsterdam) »een familie Boel, en een
tak daarvan voerde den toenaam van Duyvel. In 1420 was Jacob Boel,
gezegd Duyvel, Burgemeester, in 1470 Jacob Boel Claasz, gezegd Duyvel,
Schepen, en in 1486 Coert Jacobsz. Boel, gezegd Duyvel, Schepen en
in 1490 tevens Raad. 't Is niet te onderstellen, dat men aan mannen,
die alzoo bleken het vertrouwen hunner medeburgeren te bezitten, dien
leelijken toenaam zou gegeven hebben, of dat zij zich dien zouden
hebben laten aanleunen, indien het niet was omdat het huis, door
hen bewoond, naar het teeken dat er uithing, dien naam voerde. Ook
een geslacht van dien naam was er in de laatste helft der volgende
eeuw te Amsterdam bekend en een der leden daarvan behoorde tot de
Watergeuzen." [188]

De geslachtsnaam Den Engel kan aangenomen zijn als tegenhanger van
Den Dievel; zie § 168. Of, met Engel, ook als bynaam voor een byzonder
engelachtig man, en dan gewis in scherts bedoeld. Ook kan het zijn dat
deze geslachtsnaam oorspronkelik anders niet en is als een huisnaam,
aan een gevelteeken ontleend. De geslachtsnaam Coorengel, dien ik niet
verklaren kan, moge hier by ook vermeld worden. Engel (zonder lidwoord)
kan ook eenvoudig de oud-nederlandsche mansvóórnaam Engel zijn, die in
Holland, o. a. te Katwijk, my bekend, nog wel in gebruik is, en ook in
Friesland, als Engele, geenszins zeldzaam voorkomt. Van dezen mansnaam
zijn ook de patronymikale geslachtsnamen Engels, Engelen en Engelsma
ontleend, met Engelkens en Engelkes, in verkleinform. De geslachtsnaam
Van Engelen duidt op eenen plaatsnaam. In der daad bestaat er dan
ook een dorp Engelen, in Noord-Brabant, by 's Hertogenbosch.

Ten slotte dienen hier nog eenige geslachtsnamen vermeld te worden, als
tot deze groep behoorende, maar die ik moeielik of onmogelik verklaren
kan. Zy bestaan uit eenige byvoegelike naamwoorden van smaak en van
kleur: De Soete, Soete, Soet, Zoet, met Zuur, Zuure en Bitter. Deze
namen weet ik anders niet te duiden, dan door aan te nemen dat zy,
als bynamen, in gebruik gekomen zijn om de byzondere gemoedsstemming,
in overdrachteliken zin, by dezen of genen aan te duiden. Vooral
met den naam De Soete schijnt my dit het geval te wezen, ofschoon
eene andere afleiding ook kan gegeven worden. Zoo weet ik b. v. van
twee broeders, de eene een apotheker, de andere een kruidenier, die
door hunne stadgenooten met de bynamen »de zoete" en »de bittere"
werden onderscheiden. Zoo iets kan by 't ontstaan van bovengenoemde
geslachtsnamen ook hebben plaats gehad.

De oorsprong van sommige maagschapsnamen, afgeleid van haar- en
huidkleur, heb ik op bl. 341-344 vermeld. Waren de namen De Blaeuwe,
Blaauw, enz. en De Groen en Groen my reeds twyfelachtig--wat zal
ik dan maken van Bladergroen, Hoogbruin en Reynwit? In welken
zin kunnen deze namen eerst in gebruik gekomen zijn om mannen aan
te duiden? Ik weet het niet. De drie laatstgenoemde namen zijn,
op zich zelven genomen, nog verstaanbaar. Maar de geslachtsnamen
Croockewit en Hulsewit zijn my volkomen onverklaarbaar. Zoo
schijnt ook de geslachtsnaam Bruinzwart, die ook als Bruinswart
voorkomt, tamelik vreemd. Maar hier helpt ons de geslachtsnaam
Van Bruinzwaard uit de onwetendheid. Immers het voorvoechsel van
duidt aan dat wy hier met eenen plaatsnaam te doen hebben. En zoo
is het in der daad. Deze drie geslachtsnamen zijn anders niet als
verhollandschte formen van den frieschen plaatsnaam Brunswarden,
zoo als een gehucht heet by het dorp Rodenkerk in de oud-friesche gou
Butjadingerland (Oldenburg). De geijkte naam Brunswarden wordt door
het friesche volk steeds als »Brunswert" (natuurlik met hoogduitsche
u) uitgesproken, even als de Friesen hunne hoofdstad Leeuwarden
ook Liowert noemen, het dorp Sengwarden Sennewert enz. De form van
den geslachtsnaam Bruinswart is eene regelrechte verhollandsching;
maar Bruinzwart en Van Bruinzwaard zijn verbasterde formen. Die deze
namen eerst alzóó hebben geschreven, hebben ongetwyfeld het woord
Bruins-wart niet verstaan. Zy hebben gemeend dat het »Bruin-swart"
was. De eene heeft daarby waarschijnlik gedacht aan zekere kleur,
bruinachtig-zwart; de andere aan een bruin zwaard. Zij hebben de s
niet erkend als eindletter van eene lettergreep of een woord (bruins),
maar hebben die letter als beginletter (swart of ook swaard, zwaard)
aangezien. Zoo kwamen zy er ook toe om die s te verwisselen met eene
z, op hollandsche wyze. Volkomen door het zelfde misverstand wordt
de geslachtsnaam Van Lamzweerde tegenwoordig aldus geschreven, als
of hy bestond uit de woorden lam en zweerde, en niet Van Lamsweerde,
gelijk het wezen moeste. Echter draagt eene nederlandsche maagschap
dezen naam ook aldus in den goeden form. Immers is deze geslachtsnaam
ontleend aan den naam van den polder Lamsweerde, in het Land van Hulst,
Zeeusch-Vlaanderen, gelegen. Deze naam Lamsweerde (Lams-weerde) wordt
tegenwoordig wel verhollandscht tot Lamswaarde, en nog meer verbasterd
tot Lamzwaarde. Zoo ook worden de plaatsnamen Ammersode (Ammers-ode),
dorp in den Bommelerweerd, Gelderland, en Walsoorde (Wals-oorde),
de veerbuurt aan de Schelde by 't dorp Hontenisse in het Land van
Hulst, heden ten dage wel als Ammerzoden en Walzoorden misformd en
onverstaanbaar gemaakt. [189] En dat deze verkeerde afbreking der
lettergrepen, met de misspelling van s als z, daardoor veroorzaakt,
reeds oud is, bewijst de naam van den balju van Rotterdam, Willem
van Reymerzwale (dat is: Reymerswale [Reimer 's wale], de toen nog
bestaande zeeusche stad); welke naam alzóó geschreven, voorkomt in
eene oorkonde van den jare 1514. [190]

De geslachtsnaam Oranje komt my voor niet te moeten worden opgevat
als de kleurnaam oranje, maar als eene party-leuze, als een bynaam,
gegeven aan eenen voorstander van de staatkundige partyschap der
aanhangers van het huis van Oranje, in de vorige eeu.



C. GESLACHTSNAMEN AAN HUISNAMEN ONTLEEND.


§ 128. Even als heden ten dage elk huis in onze steden en dorpen zijn
nummer heeft, zoo had oudtijds elk huis zynen eigenen naam, waarby
het bekend was, en waardoor men het onderscheiden konde van andere
huizen. In de steden voornamelik, maar ook wel in de beboude buurten
der groote dorpen, was elk huis voorzien van eenen gevelsteen, van een
uithangbord of een uithangteeken, waarop de naam van het huis, 't zy
in beeldtenis, 't zy in letterschrift, gewoonlik wel in beide formen,
vermeld stond. Deze zaak is genoechsaam bekend. Ook zijn er nog heden
in onze steden en dorpen zeer vele huizen overgebleven--al mindert
hun getal ook dageliks--die zulk eenen naam dragen, en in afbeelding
of opschrift aan den gevel vertoonen. Hoe algemeen die huisnamen
waren, hoe zy aan alle mogelike dingen en zaken waren ontleend, hoe
zy reeds vroeg, by de eerste opkomst onzer steden in de middeleeuen,
in gebruik kwamen, en hoe zy stand hielden tot in het begin dezer
eeu--dit alles kan men uitvoerig en geestig beschreven vinden in het
te recht vermaarde werk van Van Lennep en Ter Gouw, De Uithangteekens.

Het ligt voor de hand dat zulke huisnamen wel overgingen op de personen
welke in die huizen woonden. Als b. v. in één en de zelfde stad, of,
by groote plaatsen, in één en de zelfde buurt twee mannen woonden
die beiden toevallig den zelfden naam droegen, die beiden Harmen of
Herman Janssoon of Jansen heetten, maar de eene woonde in het huis
de Swaen, terwijl aan het huis, waar in de andere woonde, 't Fortuyn
uithing, dan kreeg al spoedig de eerste Harm Jansze van zyne buren,
ter onderscheiding, den naam van Harm Jansz in de Swaen, of Harmen
van der Swan, of ook eenvoudig Herman de Swaen of Herm Swaan, al naar
dat het viel of den menschen »mundgerecht" was. En de andere werd
Harm Fortuyn genoemd. Zulke bynamen waren oudtijds zeer algemeen in
gebruik, en een groot aantal onzer hedendaagsche geslachtsnamen dankt
aan deze bynamen, aan huisnamen ontleend, zynen oorsprong. In oude
geschriften, uit de 15de en 16de eeu vooral, vinden wy vele personen
genoemd, die zulke bynamen dragen, en die toen meestal nog woonden in
het huis dat hun dien bynaam bezorgde. Laurens Jacobszoon, een man
vermaard in de geschiedenis van zyne vaderstad Amsterdam, woonde op
het Water (Damrak) in een huis waar »de Gouden Reael" (een muntstuk)
uithing. Dies noemde hy zich Laurens Reael; en deze bynaam ging als
geslachtsnaam op zyne kinderen en zijn verder nakroost over. »De
blaeue Hulck" (hulk is een byzonder vaartuich) was de naam van een
huis te Enkhuizen, waar zekere Jacob Sieuwertszoon in woonde, welke
dien ten gevolge zich Jacob Sieuwertsz Blaeuwhulck noemde, en onder
dien naam burgemeester van Enkhuizen werd. Zulke voorbeelden kunnen
by honderden aangebracht worden door iedereen die de geschiedenis
onzer oud-nederlandsche steden doorvorscht. Claes in de Gulde Hant,
Olfert in de Fuyck, Jan in 't blaeuwe Paert (zekerlik de oorsprong
van den nog hedendaags bestaanden geslachtsnaam Blaauwpaart), Barend
Janszoon in den Engelschen Dog, Lysbet in den Zilveren Reael, Goossen
Jansz. Reecalf, Claes Cornelis Roôwagen, en nog zeer vele anderen van
16de eeusche amsterdamsche burgers, vindt men vermeld in Van Lennep
en Ter Gouw's werk De Uithangteekens (bl. 47 en 48), waaruit ook vele
voorbeelden en namen van personen uit den ouden tijd, verder in deze
opstellen vermeld, ontleend zijn.

§ 129. Uit het overgroote aantal van hedendaagsche nederlandsche
geslachtsnamen, die oorspronkelik bynamen zijn aan huisnamen ontleend,
kunnen hier slechts weinigen van de byzondersten vermeld worden. Het
zijn de volgenden:

In de Sleutele. Dezen geslachtsnaam, te Antwerpen inheemsch, zet ik
bovenaan, omdat hy zeer byzonder, ja eenig in zyne soort is.--De
opschriften aan de huizen vermeldden oudtijds den naam van het
huis gewoonlik in dezen form: »In de Sleutele", »In den Wildeman",
»In den Bonten Mantel," enz. Ook nog wel vollediger: »Dit is in den
grauen Hynxt", of »Dit es in de dry Keunynghen", of nog vollediger:
»Dit huys is genaemt in die vier Heemskyere." Vooral in de middeleeuen
komen zulke volledige formen voor. Later, sedert de 17de eeu vooral,
verkortte men die opschriften meestal, en schreef eenvoudig den
naam van het huis onder de afbeelding van het huisteeken; b. v. »De
drie Wolven, De gulden hamer, De Vrede, 't Lam", enz. Althans in de
noordelike Nederlanden was dit het geval. In de zuidelike gewesten
bleef men meer het oude gebruik volgen, en behield den volledigen
form, tot op dezen dag. Zoo zag ik nog in 1883 te Kortrijk een nieu
opschrift: »In den Rifleman." Nieuerwetscher kan het niet. Dit huis was
aldus genoemd naar de engelsche scherpschutters (riflemen), die in de
laatste jaren België bezocht hebben om meê te dingen in de vlaamsche
en brabantsche kampspelen. In vorige eeuen hing men dit volledige
huis-opschrift wel als bynaam achter eenen persoonsnaam; Hendrik
Cornelisz. van Marcken in de Roômeulen, Raadsheer van Amsterdam
in 1547,--Claes Franszoon in de drie koperen potten, mede een
zestiende-eeusche amsterdamsche burger, en anderen, op de voorgaande
bladzyde vermeld, kunnen daar van ten voorbeelde strekken. Maar zulke,
in het dageliksche gebruik zeker te omslachtige namen hebben geen
stand gehouden. Zy zijn allen weêr verdwenen, althans zoo verre ik
weet, op dezen eenen hedendaagschen, antwerpschen geslachtsnaam na:
In de Sleutele. Dezen zelfden naam vinden wy ook, als toenaam, te
Amsterdam, in 1567: Klaes Hendrikszoon in den Sleutel.

Hoorde men oudtijds zekeren man Wouter noemen, en vroeg men: »welke
Wouter is dat?" dan luidde het antwoord wel: »Wouter van den Anker",
»Wouter van den Arend", »Wouter van de Ploeg", of ook »Wolter uut
de drie Rapen", »Wauter uyt de dry duyfkens", al na dat die Walther
in een huis woonde, waar »het Anker", »den Arend", »de Ploegh", »de
drie Raepen", »de dry Duyfkens" of iets anders uithing. En deze namen
werden al spoedig bynamen, later ook geslachtsnamen. Van dezen laatst
genoemden form met het voorzetsel uit zijn er slechts zeer weinigen
dezer namen als geslachtsnamen tot ons overgekomen; Uut het Hooghuis,
en misschien ook Uyttenbogaardt. Maar de bynamen samengesteld uit het
voorzetsel van, en het lidwoord, vóór den naam van het huis, zijn in
zoo veel te grooter aantal hedendaagsche geslachtsnamen geworden. Als
zoodanigen noemen wy, in bonten regel: Van der Maen (de maan, vooral
ook »de halve maan," was oudtijds een algemeene huisnaam); Van der
Bijl, Van de Wijnpersse (»in de Wynpaersse" zoo heet nog een huis te
Haarlem in de Damstraat; en Aecht Simonsdochter in de Wijnpers was
eene ingezetene van Amsterdam, ten jare 1578), Van der Zwaan, Van
der Zwan en Van den Zwaene. (»De Zwaan" was steeds, en is nog, een
zeer algemeen huisteeken, vooral by herbergen en tapperyen. Swan is
de friesche form van het woord zwaan; de oude Hollanders spraken dit
woord ook zoo uit. Van der Zwan en Swan zijn, als geslachtsnamen, nog
heden in Friesland inheemsch; en Claes in de Zwan was een amsterdamsch
burger, ten jare 1481.) Verder Van der Ploeg, Van de Vysel, waar van
ook de fransche form als Du Mortier in de Nederlanden als geslachtsnaam
voorkomt; Van der Klok, Van der Pijl, Van der Zweep (met Van der Zwiep,
volgens de friesche en plat-hollandsche volkstaal), Van der Zaag, Van
der Kam, Van den Anker, Van 't Lam, Van den Arend, Van der Leeuw, Van
der Paauw, Van der Beker, Van der Lely, Van der Schaaf, Van der Swaan,
Van der Star, Van der Sterre, Van der Starre, Van der Zwaard, enz. »De
Spiegel" was oudtijds ook een algemeen voorkomende huisnaam. De bekende
zestiende-eeusche Amsterdammer Jan Laurenszoon Spieghel droeg naar dit
huisteeken zynen naam. Ook de hedendaagsche geslachtsnamen Spiegel,
Van de Spiegel en Van der Spieghele zijn er van afkomstig. Zelfs in
eene latynsche vertaling komt deze geslachtsnaam nog heden voor. Te
weten als A Speculo, in belgisch Limburg inheemsch.

Het eenvoudigste en sprekendste teeken dat men oudtijds als kenmerk
van eene taveerne uithing, was eene kan. De geslachtsnamen Kan, De
Kan en Van de Can zijn aan dit teeken ontleend. Om dit uithangteeken
nog te meer te doen spreken (en lokken), versierde men deze kan
ook dikwijls met eenen krans van groen loof, »de groene kan". Dit
teeken vooral was oudtijds zeer algemeen. Nog in deze eeu, toen de
stad Leeuwarden nog in wallen besloten lag, droeg eene buurt, langs
den wal (het bolwerk) zich uitstrekkende, naar zulk eene herberg waar
»de groene kan" uithing, den naam van »Achter de groene kanne". Ook de
buurt »De Groene-kan", by Utrecht, onder den dorpe Maartensdijk, heeft
aan dit teeken haren naam ontleend, even als ook de geslachtsnaam Van
de Groenekan daaraan zynen oorsprong dankt. Men liet ook wel de kan
achterwege, en hing enkel den groenen krans uit. Dit laatste teeken
kwam al spoedig meer in gebruik dan het oude volledige, met de kan. In
de 16de en 17de en 18de eeu was de krans als het teeken van een wijn-
of bierhuis zeer algemeen in de Nederlanden in gebruik. Nog heden ziet
men het in sommige streken van Duitschland. Van dezen krans zijn de
geslachtsnamen Crans, Krans, Van de Krans, Van der Crans afkomstig,
en denkelik ook wel, als oneigenlike vadersnamen, Cransen en Kransen.

»De Wereld," als een wereldbol, soms ook, b. v. in myne jeugd te
Leeuwarden nog, als eene zinnebeeldige voorstelling van het geheele
zonnestelsel afgebeeld, was oudtijds ook een huisteeken dat veel in
gebruik was. De geslachtsnamen Van de Waereld en Van Weerelt zijn er
aan ontleend. De friesche geslachtsnaam Wereldsma heeft echter met
dit woord wereld niets te maken. Het is veelmeer een patronymikon
van den oud-frieschen mansvóórnaam Wereld, eene verbastering van
den oud-germaanschen naam Werhald, die in Förstemann's Altdeutsches
Namenbuch voorkomt als Wideralt, Widarolt, Vidarolt, en die ook
aan den hoogduitschen, maar ook in de Nederlanden voorkomenden
geslachtsnaam Wiederhold oorsprong gaf. Toch is het in het begin dezer
eeu voorgekomen dat een friesche zeeman, die misschien reeds »de wereld
rond gereisd" had, genoodzaakt zich eenen geslachtsnaam te kiezen,
dezen reeds bestaanden naam Wereldsma maar aannam, in zinspeling op
zyne tochten. [191] Van Lennep en Ter Gouw vermelden: [192] »Vóór 1636
stond er" (aan een huis op de Heerengracht te Amsterdam) »de Werelt
in den gevel: het huis was gebouwd door Jan van Aldewerelt, die dat
uithangteeken zal gekozen hebben met zinspeling op zijn naam." Hier
hebben wy dus de omgekeerde verhouding: het huis genoemd naar den
geslachtsnaam van den bewoner. Een paar soortgelyke voorbeelden, uit
Leeuwarden, heb ik in De Navorscher, dl. XXVIII bl. 73 vermeld. De naam
van Jan van Aldewerelt, boven vermeld, brengt my er toe om ook met een
paar woorden dezen geslachtsnaam te bespreken. In verschillende formen
komt deze naam voor; als: Van Aldewerelt, Aldewereld, Alderwerelt,
Allewerelt, Alleweireld, Alleweireldt, aan verschillende geslachten
eigen. Ik vermoed dat deze namen afkomstig zijn van een huis, waar
»de oude Werelt" uithing. Denkelik, wegens den form ald = oud, hier
of daar aan den Beneden-Rijn, in 't oude Overkwartier van Gelderland,
in het Land van Kleef, of daar omtrent, waar ook nog het dorp Aldekerk
(d. i. Oudekerk, als tegenstelling van het naburige dorp Nieukerk)
ligt. Te meer denk ik dit, omdat deze naam ook in den saksischen
form, als Oldewelt voorkomt. »De oude Werelt," en »Die nye Werlt"
waren oudtijds als huisnamen niet zeldzaam in de nederlandsche steden.

Veel talryker dan de geslachtsnamen, samengesteld uit eenen huisnaam,
met een voorzetsel daarvoor, zijn de geslachtsnamen die enkel uit
eenen huisnaam bestaan, zelden met, meestal zonder het lidwoord. En
evenals de namen der huizen en de uithangteekens aan alle mogelike,
soms ook onmogelike zaken en dingen ontleend zijn, zoo treffen wy
deze groote verscheidenheid ook by de geslachtsnamen aan, die uit
deze namen en teekens ontstaan zijn.

Zoogenoemde heraldische figuren waren vooral in de middeleeuen als
huisteekens veel in zwang. En niet minder de namen en afbeeldingen
van allerlei wapentuich. Daaraan danken de volgende geslachtsnamen
hunnen oorsprong: Moolenyzer en Meulenyzer, Schilt, Silvercruys,
Ruitenschild, Arenspoot, Beerepoot, Vogelpoot, Van der Vlugt, Kam, De
Kam, Kroon, Helm met Groothelm, Ligthelm en Voorhelm, Degen, Pallast,
Sabel, Dolk, Priem, Lans, (Spies--zie bl. 142), Pijl, Piek en Pieck,
enz. Ook de samengestelde namen Lancksweirdt, Lancsweert en (in
versletenen form) Lanszweert, en Scherpzwaard. De beide eerstgenoemde
namen verraden door hunne spelling hunnen hoogen ouderdom. En ook de
laatste naam, al komt hy nu in nieuerwetsche spelling voor, is van
oude dagteekening. Immers een goudsmid te Utrecht, ten jare 1362,
droeg reeds den naam van Elya Scerpswert. [193]

Uiterst talrijk zijn ook de namen aan allerlei gereedschap en
handwerkstuich ontleend: Hamer en Hammer met Hoefhamer, Klaarhamer,
Klinkhamer en Voorhamer; Bijl met Berkenbijl, Hakbijl, Klinkenbijl,
Quekebijl; Beitel, en Voorbeytel; Kerfyser, Kimmyzer en Schutyzer;
Mes en Hakmes; Schaaf en Schaaff, Zaag, Spyker (zie ook bl. 303),
Kram en Cramm, enz. De beteekenis van sommigen dezer namen is
my niet bekend (Quekebijl, Kimmyzer). Hamer en Hammer kunnen zoo
wel oorspronkelik mansvóórnamen zijn, als huisnamen. Immers Hamer,
Hamar, Hamr is een oud-germaansche mansvóórnaam, die in Förstemann's
Altdeutsches Namenbuch vermeld wordt. En dat deze naam oudtijds ook wel
door onze eigene voorouders gedragen werd, bewyzen onze patronymikale
geslachtsnamen Hamers, Hammers, Hameringa, Hamerinck, Hamersma en
Hammersma; zie ook bl. 133. Brouwhamer is ook een geslachtsnaam aan
eenen huisnaam ontleend. Nog heden is my een huis van dien naam, en
dat ook de afbeelding van zulk een werktuich in den gevel voert, te
Leeuwarden bekend. Maar wat is een brouhamer? Met brouen, bierbrouen,
heeft deze hamer niets te doen. Het woord breeuen, dat is: de naden van
een schip dichten, heet in het Friesch brouen. En de hamer waar mede
men brout of breeut, waarmede men het werk, het uitgeplozene oud-tou,
tusschen de scheepsnaden drijft, is de brouhamer. De geslachtsnaam
Brouwer, voor zoo verre deze naam in Friesland inheemsch is, duidt
dan ook geenszins in alle gevallen eenen bierbrouer aan, maar is
oorspronkelik soms de tegenhanger van den geslachtsnaam Breeuwer, aan
de Zaan voorkomende. My is althans een geval bekend dat een friesche
scheepstimmerman, een breeuwer, den geslachtsnaam Brouwer aannam,
naar aanleiding van zijn bedrijf.

Of de geslachtsnamen Nagel en De Naeghel tot de namen aan werktuigen
ontleend, moeten geteld worden, als tegenhangers van Spyker, of dat
zy als namen ontleend aan een deel van het menschelik lichaam moeten
beschoud worden, en dus in § 139 behooren, kan ik niet uitmaken. De
geslachtsnaam De Niet (eene niet is een klein spykerke of nageltje
zonder kop) kan hier ook toe gebracht worden. Hoefnagel, Knieriem,
Vingerhoed, Knipscheer zijn op bl. 334 reeds besproken. Nevens
Knipscheer komt ook nog het enkele woord Schaar en Scheer als
geslachtsnaam voor. Van der Scheer echter is geen soortgelyke naam
als Van der Schaaf, Van der Zaag, enz. Hy is niet aan eenen huisnaam,
althans niet aan een uithangteeken ontleend. Eene oude havesate, tevens
een gehucht tusschen Koevorden en Gramsbergen, heet De Scheere. En
van dezen plaatsnaam is de geslachtsnaam Van der Scheer, welke ook
in die landstreek inheemsch is, ontleend.

Nevens allerlei gereedschap en handwerkstuich is oudtijds ook
allerlei huisraad als uithangteeken aan huizen in gebruik geweest,
en zijn dien ten gevolge vele geslachtsnamen ontstaan, uit de namen
van zulk huishoudelik gereedschap. Zie hier eenigen daarvan, die
geene nadere verklaring eischen: Tanghe en De Tanghe, De Rooster,
Pot en Pott, Pan. [194] De eerste van deze namen kan ook anders
worden geduid; te weten als een tegenhanger van den geslachtsnaam
Den Dievel. Immers »tange" is een bynaam dien men in West-Vlaanderen
den duivel geeft. En wijl juist de geslachtsnamen Tanghe en De Tanghe
in dat gewest voorkomen, zoo is het niet onwaarschijnlik dat wy hier
oorspronkelik met eenen persoonliken bynaam te doen hebben.

Aan herbergen, waar gelegenheid is om peerden te stallen, hangt
dikwijls »de Roskam" uit. Daaraan is de geslachtsnaam Roskam, die ook
in oude spelling als Roscamm voorkomt, ontleend. Ander peerdetuich,
als huisnamen, vinden wy terug in de geslachtsnamen Den Toom, De
Haam, Breydel en Zweep.--Toontuigen werden ook als gevelteekens
gebruikt. Reeds in de 16de eeu moet »De Bas" te Amsterdam hebben
uitgehangen, zoo als trouens nog heden te Haarlem in de Warmoesstraat
het geval is. Pieter Jacobsz Bas en Dr. Dirk Bas, amsterdamsche
burgers uit de 16de eeu hadden aan zulk een huisteeken hunnen naam
ontleend. [195] En nog heden komen de geslachtsnamen Bas en De Bas
voor, met Bazuin, Fluit, Trompetje, Viool en Hacquebart. Laatstgenoemde
naam vertoont den ouden form en eene oude spelwyze van het woord
hakkebord, een oud-nederlandsch toontuich, thans buiten gebruik. De
geslachtsnaam De Keghel is zeker ontleend aan een huis waar eene
kegelbaan gehouden werd, en dus »De Kegel" uithing. Misschien
herinneren de namen Kolff, Kolf en Schaack, Schaak ook aan de
spelen van dien naam. Bal en De Bal, Bontenbal, Dobbelsteen en
Teerling, Teerlinck, Terlinck danken ook aan speeltuigen hunnen
oorsprong. Roosenkrans, Rosenkrans, Rosencrantz en Paternoster zijn
aan uithangteekens van gants anderen aard ontleend. »Int Paternoster",
zoo heette een huis te Delft, in 1600. Zie Soutendam, Een wandeling
langs Delfts straten en grachten, bl. 34. Den geslachtsnaam Goudschaal
reken ik ook van eenen huisnaam afkomstig. Pers en Pars is ontleend
aan een huis waar eene »pers" uithing, 't zy dan eene wijnpers (zie
Van de Wijnpersse op bl. 361) of eene drukpers. »De Witte Persse"
hing vóór 1610 uit in de Oudebrugsteeg by 't Water »(te Amsterdam)"
en later op 't Water bij dezelfde steeg, by den boekdrukker Dirck
Pietersz, die naar dat symbool den toenaam »Pers" aannam en zich als
dichter en historieschryver ook Theodorus Petrejus Persius, ook wel,
naar zijne geboorteplaats, »Persius van Emden" liet noemen. [196] De
geslachtsnaam Guldenarm, aan een huisteeken ontleend, is op bl. 347
reeds verklaard. Een tegenhanger van dezen naam is Goudenhooft. Een
gouden manshoofd komt nog heden te Leeuwarden als huisteeken voor. En
Andries Boeleszoon in 't Gouden Hooft was een burger van Amsterdam
ten jare 1567. Was zulk een manshoofd uit hout gesneden, niet verguld
noch beschilderd, dan noemde men het huis waar dit teeken aan den
gevel stond: »het houten Hooft", of, te Amsterdam in de 16de eeu:
»het houten Aangezicht." In 1600 stond te Delft een huis dat »Int
houten Hooft" heette. En in het midden der 16de eeu hing ook te
Amsterdam ergens dit huisteeken uit. Immers vinden wy omstreeks dien
tijd een amsterdamsch burger, die Laurens 't houten Aangezicht werd
genoemd. [197] Ook de heden ten dage nog bestaande geslachtsnamen
Houthoofd en Toutenhoofd zijn aan dit huisteeken ontleend. Toutenhoofd
is eene samentrekking en misspelling van 'T (H)outenhoofd, het
houten hoofd. In Zeeland is deze naam inheemsch. En als Houthoofd in
Vlaanderen; uitgesproken »Outooft." Aan de zeeusche gewoonte om de
letter h niet uit te spreken, dankt deze naam zynen hedendaagschen
verbijsterden form. De geslachtsnaam Houtekindt, in West-Vlaanderen
voorkomende, is vermoedelik ontleend aan een huis waar het houten
beeld van een kind, een »houten kind", als huisteeken aan den gevel
gesteld was.--Hoppzak en Haverzak zijn twee geslachtsnamen die ook
aan huisnamen ontleend zijn. In den ouden tijd toen hier te lande ook
veel hop werd verboud, ten gebruike voor de talryke bierbroueryen,
waren er in zeer vele steden herbergen waar »De Hopsack" uithing,
en waar brouers en boeren samenkwamen om te handelen. In de 16de eeu
heette een huis te Amsterdam »De Hoppezak", en in de 17de eeu was er
een huis van gelyken naam te Dendermonde. In myne jeugd (1850) was er
nog eene herberg »De Hopzak" te Leeuwarden in de Kleine Kerkstraat. Ook
is »Hoppensack" nog de naam van eene buurt te Hamburg, en eveneens
aan een huisnaam ontleend. »De Haverzak" vinden wy, onder anderen,
te Amsterdam en te Wijk by Maastricht. [198]--In 1690 woonde Gerrit
Claesz te Amsterdam aan den Singel »in de Blaupot" (een pot met blaue
verfstof?), en droeg er zynen toenaam af, die als geslachtsnaam,
Blaupot, nog heden bestaat. [199] Ook Blaukuip, het waarteeken van den
blauverver, komt als geslachtsnaam voor. De byekorf was van ouds een
zeer algemeen uithangteeken, vooral by koekbakkers, om den honig. Toch
is my een geslachtsnaam, aan dat teeken ontleend, in de noordelike
gewesten nooit ontmoet. Wel in Vlaanderen; te weten: als Biebuyk. Dit
byzondere woord toch (byebuik, de West-Vlamingen zeggen biebuuk) is
in West-Vlaanderen in plaats van het algemeen-nederlandsche byekorf
in gebruik. [200]

Eenige byzondere geslachtsnamen, wier beteekenis my niet ten vollen
duidelik is, maar die ik by deze groep meen te moeten voegen,
zijn: Den Bandt, Strooband, Ketelbant, Ratelband en Roggeband. Is
»De Strooband" een huisteeken geweest, dan moet het oudtijds niet
zeldzaam zijn voorgekomen. Immers de naam Strooband is aan vele
verschillende geslachten eigen, en komt in allerlei spellingen voor:
Strobant, Stroobant, Stroybant, Stroobandt, ook in patronymikalen form:
Stroobants, Stroybants.

Dat het dragen van zulke toenamen en geslachtsnamen, aan huisteekens
ontleend, en allerlei gereedschap en huisraad noemende, reeds
van oude dagteekening is, bewyzen ons, onder vele anderen, de
namen van den beroemden en vromen Thomas à Kempis, zoogenoemd
naar zyne geboorteplaats Kempen, maar wiens geslachtsnaam eigenlik
Hamerken was. Hy leefde in de 15de eeu. Verder Adam Potken, die in
1496 leeraar was in de grieksche taal, te Xanten. De namen dezer
inwoners van nederrijnsche stadjes mogen ons zeer wel als voorbeelden
dienen. Immers werd die landstreek in de middeleeuen te recht tot
Nederland gerekend--en dragen de geslachtsnamen, aldaar inheemsch,
nog heden ten duidelikste de nederlandsche kenmerken (zie § 159),
gelijk trouens de namen Potken en Hamerken die ook vertoonen. Maar om
tot de eigenlike Nederlanden ons te bepalen, zoo vinden wy in den jare
1357 reeds eenen Roger de Hamere te Ingelmunster in West-Vlaanderen. En
de naam van Breydel werd reeds in de 13de eeu door een geslacht van
brugsche poorters dragen, zekerlik ontleend aan een huis, misschien
eene boerenafspanning, waar »De Breydel" uithing, en die misschien
stond in de straat die nog heden, te Brugge, de Breydelstraat heet, en
die niet naar het geslacht Breydel zoo genoemd is. Wat de vijftiende-
en zestiende-eeusche Noord-Nederlanders aangaat, dezen droegen toen ten
tyde, zoo zy hunne toenamen ontleenden aan de namen hunner huisteekens,
die toenamen nog voluit, met de voorzetsels en lidwoorden er by,
en daar door duidelik hunnen oorsprong aanwyzende. Op bl. 360 zijn
daarvan reeds eenige voorbeelden genoemd. Zie hier nog eenige dergelyke
namen van amsterdamsche ingezetenen uit de 15de en 16de eeu: »Claes
Dirksz. in de drie Koningen," »Jacob Cornelisz. in Sint-Andries,"
»Claes in de Gulde Hant," »Pieter Dirkszoon in 't Vlasvat," »Willem
Lubbertsz. in den Helm," [201] »Pieter Laurens in den Haen," »Simon
Dirksz. uyt die Poort," »Arend van den Anxter." [202]

Van al de huisnamen, wellicht een zeer enkele uitgezonderd, die,
volgens het in deze afdeeling medegedeelde, aanleiding gegeven hebben
tot het ontstaan van geslachtsnamen, zijn voorbeelden vermeld in het
werk van Van Lennep en Ter Gouw, De Uithangteekens.

§ 130. De oude Nederlanders vergenoegden zich niet met de namen van
allerlei handwerkstuich, gereedschap, huisraad, dieren, planten,
vruchten, enz. tot hunne huisnamen en uithangteekens te nemen, maar
zy ontleenden die ook wel aan de namen van zaken, van denkbeelden, en
duidden dezen dan in zinnebeelden op hunne gevelsteenen aan. B. v. »'t
Geloof," »de Hoop," »de Liefde" kwamen geenszins zeldzaam voor,
vooral als er drie gelyke huizen naast elkanderen werden geboud,
even als de namen der vijf zintuigen wel moesten dienen by vijf huizen
die gelijktydig naast elkanderen werden opgericht. »Het Fortuin," »De
Vrede," »De Dood," enz.--allen, en nog velen meer, in het meergemelde
boek der Uithangteekens te vinden, zijn eveneens zulke huisnamen. En
ook aan deze soort van huisnamen danken eenige hedendaagsche
nederlandsche geslachtsnamen hunnen oorsprong. Zie hier eenigen
daarvan: De Deugd, De Dood, Dood, Fortuin, Fortuyn en 't Fortuin
(»'t Fortuin" was steeds een veel begeerd uithangteeken--men dacht aan
nomen est omen--van daar ook dat dit woord als geslachtsnaam veelvuldig
voorkomt). Verder Den Handel, De Hoop, D'Hoop en samengesmolten als
Doop, De Liefde, Trouw en De Trouw, Vrede, Vreede, De Vrede en De
Vree, Welvaart, ook als patronymikon Welvaerts, Zeevaart, enz. Zelfs
de hemel, de hel en het vagevuur, met het paradys en dergelyke zaken,
kwamen als huisnamen voor, gelijk men by Van Lennep en Ter Gouw nalezen
kan. En ook aan zulke huisnamen zijn maagschapsnamen ontleend; als
Paradies en Paradis, Helleput (en misschien ook Nechelput--Neckerput,
Nikkerput?), Van de Helle, Hemelrijk, Van Hemelrijck, Van den Hemel,
Van den Hemele, Van Hemelen, enz.

Eenige geslachtsnamen, die hier nog moeten worden genoemd als besluit
van deze groep, zijn niet aan eenig gevelteeken ontleend, maar wel
aan de byzondere gesteldheid van den gevel of van een ander deel des
huizes. Naar den byzonder fraaien gevel dien het huis vertoonde,
waar hy in woonde, heeft iemand in den ouden tijd zynen toenaam
verkregen. Die toenaam is op 's mans kinderen overgegaan, en een vaste
geslachtsnaam geworden, die als zoodanig nog heden voorkomt; te weten:
Schonegevel. En zoo ook de maagschapsnaam Gladdegevel. Een zeer oud
huis, »De gladde Gevel" genoemd, staat nog heden in de Uniabuurt,
zoogenoemd »by den Ossekop," op den hoek van de Oude Oosterstraat,
te Leeuwarden. De gevel van dit zonderbaar bonte huis is geheel
opgezet met glimmend-gladde, verglaasde, groene en gele tegeltjes,
om en om gezet, als de ruiten van een dambord. Van daar de naam van
het huis. Maar of de geslachtsnaam Gladdegevel nu juist aan dit huis
te Leeuwarden ontleend is, kan ik niet met zekerheid zeggen.

De maagschapsnaam Van Kimmenaede is een byzondere form en verbastering
tevens van het woord kemenade. Dit oud-nederlandsche basterdwoord,
thans uit onze taal geheel verdwenen, beteekent eigenlik »stookplaats
of vuurheerd, schoorsteen in een vertrek," en is met het fransche
woord cheminée en de italiaansche woorden cammino en camminata van
den zelfden oorsprong. Maar in de middeleeuen had het woord kemenade
hier te lande, even als in Duitschland, de byzondere beteekenis van
»vrouevertrek," de kamer of de zaal waar eene stookplaats was, en waar
de vrouen des huizes gewoonlik samen zaten en hun verblijf hielden. Een
deel voor het geheel genomen, ging de naam die oorspronkelik den
steenen vuurheerd toekwam, en die later op het geheele vrouevertrek was
toegepast geworden, ook over op het geheele huis of slot, waarin zulk
eene kemenade gevonden werd, en is dien ten gevolge nog wel aan een
enkel huis als plaatsnaam gehecht gebleven. Van daar de geslachtsnaam
Van Kimmenaede.

Aan byzondere kenmerken van huizen zijn, naar myne meening
ook de geslachtsnamen Pilaar, Poort, Trap, Venster
en Portael ontleend. Laatstgenoemde naam komt ook als
patronymikon--Portaels--voor. Aan byzonder kenmerkende gedeelten
van eenig huis, acht ik dat de volgende maagschapsnamen hun ontstaan
danken: Hooghkamer, Van de Kamer, Zaal, Keuken en Poestkoke, Kelder,
Op den Kelder en Stall. Een steenen kruis, naby of aan een huis
opgericht, gelijk wel voorkomt in streken, waar de inwoners den
roomschen eeredienst volgen, heeft zekerlik oorsprong gegeven aan den
geslachtsnaam Steenecruys, die dan ook in de zuidelike Nederlanden
inheemsch is.



D. GESLACHTSNAMEN AAN NAMEN VAN DIEREN ONTLEEND.


§ 131. Zeer groot is het aantal van geslachtsnamen, die eigenlik de
namen zijn van verschillende dieren; b. v. De Leeuw, Calkoen, Kikkert,
Den Braasem, Spin, Mossel, enz. Verre weg het grootste deel dezer namen
is oorspronkelik aan huisnamen ontleend. Afbeeldingen van dieren toch,
en hunne namen als opschriften, waren oudtijds zeer algemeen als
huisteekens en huisnamen op gevelsteenen en uithangborden te zien,
en algemeen in gebruik. Byna al de maagschapsnamen, aan diernamen
ontleend, en in de volgende bladzyden vermeld, kwamen oudtijds, en
komen gedeeltelik ook heden nog als huisnamen voor, gelijk men in Van
Lennep en Ter Gouw's Uithangteekens nalezen kan. In dat werk staan
ook vele voorbeelden vermeld van personen die zulk eenen diernaam,
wijl het hun huisnaam was, als toenaam kregen of namen, en later als
geslachtsnaam behielden. B. v. op bl. 36, deel I: »Reeds in de eerste
helft der 14de eeuw schijnt er te Delft een aanzienlijk huis geweest
te zijn, waar de Mol uithing, en naar 't welk het geslacht Mol zijn
naam voerde." Verder worden op bl. 47 aldaar vermeld: »Claes in de
Cat", »Fredrik Sieuwertszoon in den Haen", »Jan in 't blaeuwe Paert",
»Barend Janszoon in den engelschen Dog", als de namen van 16de eeusche
amsterdamsche burgers. En op de volgende bladzyde nog de namen »Floris
Jan Claesz. Otter", »Goossen Jansz. Reecalf", »Reynier Paeu", »Thomas
Willemsz. Bontekoe", »Jacob Huyg Pietersz. Haring", enz. allen ook
aanzienlike Amsterdammers uit dien tijd. Andere dierenamen, die als
toenamen en geslachtsnamen reeds van oude dagteekening zijn, vinden
wy ook elders evenzeer; b. v. »Huge Spierinck", schepen van de stad
Heusden, »Jan de Beer" in het dorp Oud-Heusden, »Jan de Wolf" in het
dorp Eethen (Noord-Brabant), »Heindrick Blieck", pastoor van het dorp
Capelle (op de IJssel in Zuid-Holland), »Gerrit Mol", »gaermeester"
te Bleskensgraaf (Zuid-Holland), enz. allen ten jare 1514. [203] In de
14de eeu treffen wy onder de burgery van Leiden reeds eenen »Jan Vos"
aan [204], en »Jan de Katere" met »Geraerd Dhond" onder de burgers
van de stad Sluis in Vlaanderen. [205] Het oudste voorbeeld van eenen
diernaam als geslachtsnaam, my bekend, is de naam van »Casen de Haene",
een burger van de vlaamsche stad Iperen, ten jare 1127. [206]

Ofschoon de geslachtsnamen aan diernamen ontleend, wel voor verre weg
het grootste gedeelte oorspronkelik huisnamen geweest zijn, zoo is dit
toch geenszins met allen het geval. Allerlei oorzaken hebben wel ten
gevolge gehad dat deze en gene man eenen diernaam als geslachtsnaam
kreeg. Menigeen die de eene of andere diersoort verkocht, of anderszins
in zijn bedrijf daar mede te doen had, werd door anderen met den naam
van zulke dieren, als toenaam, genoemd. Hendrik Harrewijnsz b. v.,
die paling ving en verkocht, kreeg al spoedig den bynaam van Hein
Paling, en dien bynaam bleef hy behouden, en ging als toenaam op
zyne kinderen, als vaste geslachtsnaam op zyne verdere nakomelingen
over. [207] Het beruchte rotterdamsche wijf Kaat Mossel, die in
de staatkundige beroerten van de laatste helft der voorgaande eeu
hare rol speelde, had eenen anderen geslachtsnaam. Het grootste deel
der Rotterdammers evenwel wist, dat wijf aangaande, anders niet dan
dat zy Kaat heette, en dat zy keurster was van de schelpvisch op de
rotterdamsche vischmarkt. Daarom noemden zy haar Kaat Mossel, en zóó
was zy bekend. [208] Een ander weêr kreeg een diernaam tot bynaam,
wegens de eene of andere byzondere eigenaardigheid van zijn persoon, 't
zy dan naar het lichaam of naar den geest. Een man b. v., bekend wegens
zijn byzonder scherp gezicht, werd wel Jan Valk genoemd. Een ander,
zeer vlug te been, wel Klaas Kieviet. Eenen derden, vreesachtig van
aard en by 't minste gevaar op de vlucht gaande, noemde men spottender
wyze Hein de Haas, enz. Dan nog zijn vele geslachtsnamen, schijnbaar
uit diernamen bestaande, eenvoudig mansvóórnamen, en als zoodanig,
als geslachtsnamen in gebruik gekomen of verformd. Valk, Duif, Bot
(Botte), Haring, enz. zijn allen oud-nederlandsche mansvóórnamen,
gelijk in § 134 nader wordt verklaard. Eindelik nog, hoe zulke namen
ook uit misverstand kunnen ontstaan zijn, daar van is my een zonderling
geval bekend, het welk ook reeds in De Navorscher, dl. XXVII, bl. 387
door my is medegedeeld. In het midden der vorige eeu kwam een eenvoudig
man, die geen geslachtsnaam had, gelijk de meeste Friesen uit den
geringen stand in die dagen--uit het dorp Beers in Friesland, [209]
te Leeuwarden wonen. Laat ons dien man, welke vóór dien tijd altijd
te Beers had gewoond, maar Eabe noemen, of Eabe Sytses, met zynen
vadersnaam, als patronymikon, daar by. Te Leeuwarden moest onze man
nu wel een geslachtsnaam voeren, ter onderscheiding van anderen,
die misschien ook Eabe Sytses heetten. En dus noemde hy zich maar
(of anderen noemden hem zóó--'t is het zelfde) Eabe Sytses Beers,
naar zyne plaats van herkomst. E. S. Beers nu had eenen zoon, die vry
wat uit het friesche laag sloeg, die graag den Hollander uithing,
en dien de naam Beers wat al te plat in d' ooren klonk. Hy noemde
zich alzoo graag Baars--dat klonk hollandscher, dus voornamer,
volgens zijn dom begrip. Beers is immers ook maar het friesche
woord voor het hollandsche baars! En in 1811, toen deze dwaas eenen
vasten geslachtsnaam in de boeken van den burgerliken stand moet
laten inschryven, gaf hy werkelik zynen naam aan als Baars. En zoo
heeten natuurlik zyne nakomelingen nog heden. Men oordeele of deze
geslachtsnaam Baars oorspronkelik met den naam van den visch iets te
maken heeft!--De geslachtsnaam Baars is aan menig nederlandsch geslacht
eigen, om van Den Baars niet te spreken. Het grootste deel van deze
namen zal wel aan huisnamen of uithangteekens ontleend zijn. Dezen
immers, »de Baars" of »de dry Beerskens" of »de gekroonde Baars",
waren oudtijds in ons vischrijk vaderland volstrekt niet zeldzaam. Eene
andere zonderlinge wyze waarop iemand eenen diernaam tot maagschapsnaam
verkreeg, wordt in § 148 vermeld.

De geslachtsnamen, aan diernamen ontleend, komen in vier verschillende
formen voor. Eerst als de enkele namen op zich zelven: Wolf, Kieviet,
Kikkert, Schol, Spin. Dan met een lidwoord er voor: De Leeuw, 'T
Hoen, De Puyt, De Haay, De Bye. Ten derden met een lidwoord en een
voorzetsel: Van der Paerdt, Van den Arend, Van der Steur, Van der
Krab. Eindelik in den tweeden-naamval, als oneigenlike vadersnamen:
Kieviets, Koekoeks, Spierings, Vliegen. Onder de namen van deze
eerste afdeeling schuilen er velen die oorspronkelik mansvóórnamen
zijn. Die van de derde afdeeling, welke ook geenszins in grooten
getale voorkomen, stammen ongetwyfeld van huisnamen en gevelteekens
af. Afsonderlik zullen de namen van deze vier afdeelingen hier niet
besproken worden. Om de wille der duidelikheid toch is dit niet
noodig. Maar in eene natuurlike volgorde zullen de diernamen, als
geslachtsnamen, hier worden behandeld. Wy beginnen echter met den leeu,
op de wyze der Ouden, die in hem den koning der dieren zagen. En niet
met den aap, zoo als de hedendaagsche dierkundige wetenschap eischt.

Leeuw, De Leeuw, Leeuwen, Leeuwe. De geslachtsnaam De Leu,
in Vlaanderen inheemsch, is niet van den leeu afkomstig, maar,
zonderling genoeg, van den wolf. Want deze naam is eene halve
verdietsching van den waalschen maagschapsnaam Le Leu; d. i. Le
Leup, Le Loup, De Wolf. (Zie § 165.) Aangaande de namen Leeuwen en
Leeuwe, die ik als patronymika, als tweede-naamvalsformen van eenen
mansvóórnaam beschou, zie men § 134. De geslachtsnaam Van der Leeuw
is ongetwyfeld aan eenen huisnaam, aan een gevelteeken »De Leeuw"
ontleend. Aangaande de taalkundige fout in dezen naam aanwezig, zie
men § 157. Ook komt de maagschapsnaam Leeuwin voor; zie § 163. De
geslachtsnaam Van Leeuwen is afgeleid van het geldersche dorp Leeuwen,
tusschen Maas en Waal gelegen, of van de limburgsche buurt Leeuwen,
by den dorpe Maas-Niel.--De oud-nederlandsche naam van den leeu,
waar hy als wapenteeken voorkomt, is Liebaert, in Vlaanderen ook wel
Klauwaert. De eerstgenoemde bynaam leeft nog in de maagschapsnamen
Liebaert en Lybaert, en deze namen zijn zekerlik ontleend aan een
wapenschild, dat den »liebaert" vertoonde, en als huisteeken aan
eenen gevel pronkte.

Waarschijnlik is de geslachtsnaam Luypaert eene verbastering van
Liebaert. In allen gevalle zal deze naam ook wel aan een wapenschild
op eenen gevelsteen ontleend zijn.

Kat, Cat, De Kat, De Kadt, De Cat, Cath en Katje. Ook Kats, Cats,
Catz? zie § 134. Huizen, die »de Kat" heetten, waren er oudtijds zeer
velen. Een huis te Leeuwarden, »over de Brol", pronkt nog met het
zeer fraai in hout gesnedene en vergulde afbeeldsel van eene kat. In
dat huis woonde in het midden der 16de eeu de apotheker Jan Huyberts,
die zich naar dat huisteeken Jan Huyberts Cathuis noemde. Hy formde
zich dus wel eenen geslachtsnaam naar zynen huisnaam, maar deed dit
op eene andere wyze als gewoonlik geschiedde. Zyne zonen, waar onder
er een hoogleeraar was te Leuven, verlatijnschten dien naam weêr,
en maakten er Cathius van, en ook Catzius. Ook waren er onder 's
mans nakomelingen die hunnen geslachtsnaam enkel Cath schreven, en
die dus het meest gewone gebruik volgden. [210] Een Jan Claesz. Kat
was burgemeester van Amsterdam, in 1579.--By de kat behoort de kater,
en ook hy kwam oudtijds als huisteeken voor. De geslachtsnamen Kater
en De Kater zijn er aan ontleend. Toch kan deze naam ook iets geheel
anders beteekenen; zie § 134.

Beer, De Beer, Den Beer, misschien ook, als patronymikon, Beers; zie
echter bl. 375.--Wolf, Wulf, De Wolf, De Wulf en Van der Wolf. Over
de patronymika Swolfs en Wolfs zie men bl. 142. Het jong van den
wolf, en ook wel dat van andere roofdieren, heet welp; en ook
deze naam komt als geslachtsnaam, Welp, voor.--Vos, Voss, De Vos,
en verlatynscht Vossius.--Hond, De Hond, De Hondt, D'Hondt, Dhont,
in verkleinform Hondekyn, verlatynscht tot Hondius. Ook de naam van
den manneliken hond komt als geslachtsnaam voor: De Reu. Rassen van
honden zijn vertegenwoordigd door de geslachtsnamen Brack en Brak,
[211] Hazewind en Hazewindt. Deze laatste naam komt ook nog voor als
Hazewindus, met eenen latynschen steert opgepronkt. De geslachtsnaam
Vliegendehond is ongetwyfeld aan een uithangbord ontleend. My is
zulk een gevelteeken wel nooit voorgekomen, maar in Van Lennep en
Ter Gouw's werk over dit onderwerp, vinden wy wel een vliegend hert,
een vliegend kalf, een vliegend paard, een vliegende vos en zelfs
een vliegend varken als uithangbord vermeld. Dit laatste zonderlinge
teeken hing te Amsterdam uit--nog in deze eeu. In 1590 woonde in zulk
een huis te Amsterdam: Jacob Jansen Benning in 't Vliegende Varken,
[212] die er zynen toenaam af droeg. Waarom dan ook geen »vliegende
hond" als huisnaam, nu deze geslachtsnaam bestaat?

By den geslachtsnaam Muyshond, ook als Muyshondt, en versleten als
Musont en Mussont en zelfs als Musson voorkomende, heeft men aan geen
byzonder soort van hond te denken. In de middeleeuen noemde men de kat
wel muyshond, en nog heden draagt in sommige streken van Vlaanderen,
in de volkstaal, de wezel wel dezen naam. [213] De geslachtsnaam
Muysson schijnt slechts eene gewyzigde spelling van Musson, te
meer wijl deze naam, ter plaatse waar hy inheemsch is (Heille, in
Zeeusch-Vlaanderen), werkelik als Mu-sson wordt uitgesproken. Het kan
dit dan ook zeer wel zijn. Maar ook evenzeer kan het, even als Muusses,
een patronymikon zijn van den oud-nederlandschen mansvóórnaam Muus,
Muys, die nog heden hier en daar in gebruik is, b. v. op het eiland
Marken. Deze naam schijnt eene verkorting en verbastering te wezen
van den vollen bybelschen mansnaam Bartholomeus. [214]

By de wezel behoort de bunsing, de otter en ook de das. En aan de
namen dezer dieren zijn de geslachtsnamen Mud (het friesche woord
voor bunsing; zie § 152), Otter en Das waarschijnlik ontleend.

Mol, Moll, De Mol. Een huis dat de Mol heette, schijnt reeds in de
eerste helft der 14de eeu te Delft te hebben bestaan, en aan een
geslacht zynen naam te hebben gegeven. De naam van een stadje in de
antwerpsche Kempen is ook Moll, en van die plaats kan het eene of
het andere van de talryke geslachten die dezen naam voeren, ook wel
den zynen ontleend hebben.

Muis, Muys, Muus en Muysken; De Ratte en De Rotte; Konijn en
Conijn--zie bl. 210; Haas, De Haas en D'Haese, met den verkleinform
Haasken, met Coolhaas en Koolhaas en met Kenniphaas (kennip is
het zelfde als hennep). De haas is een liefhebber van kool, en in
koolvelden wel te vinden. De naam koolhaas is dus te verklaren, en
kwam oudtijds ook meermalen als huisnaam voor. Maar Kenniphaas? Eet
de haas misschien ook geerne het groene kruid van de hennepplant?

Aap. Op uithangborden was de aap oudtijds niet zeldzaam. Te Haarlem
heb ik nog eene tappery gekend: »het oude Aapje", by de Kleine
Houtpoort. Thans heet dat huis natuurlik »De Poort van Kleef", en is
een »café." Te Brugge heet nog heden eene herberg: »In den gouden Aap."

Rob, Bruinvis, Tuimelaar en Tuymelaar (dat is een andere naam voor
den bruinvisch of »den boer met zijn varkens", zie bl. 300), Dolfijn
(als huisnaam oudtijds geenszins zeldzaam), Walvis. Vervolgens
Oliphant.--Het varken is niet vertegenwoordigd, ofschoon het als
uithangbord niet zeldzaam was. Maar wie zoude ook vrywillig »zwijn"
of »varken" willen heeten? »Aap" is al slim genoeg! Dus betwyfel ik ook
of de geslachtsnaam Schram wel te dezer plaatse moet vermeld worden, al
is het woord schram, ook bloedschram, in sommige gouspraken, o. a. in
de hollandsche te Haarlem, in gebruik om zeker soort van varken aan te
duiden. Liever wil ik den geslachtsnaam Schram afleiden van het woord
schram in de beteekenis van likteeken. Denkelik is iemand eerst zoo
genoemd, die aan een of ander schramformig likteeken, misschien in
zijn gelaat, byzonder kenbaar was. Over de namen Bergsma en Bargsma
(berg, barg == varken), zie men bl. 132.

Het woord peerd is my, op zich zelven, nooit als geslachtsnaam
voorgekomen. Wel Van der Paardt, duidelik een huisnaam van
oorsprong. Verder Hengst, Hingst, Hinxt, Den Hengst, Ros, De Ruyne,
Schimmel en Kedde (kedde, in Noord-Holland ket, is het friesche woord
voor het hollandsche hit). Of de geslachtsnamen Ket en Ketjen ook tot
deze peerdenamen moeten gerekend worden, kan ik niet beslissen. Het
kan ook zeer wel zijn dat deze beide laatste namen oorspronkelik de
oud-friesche mansvóórnaam Kette (Katte, Kete) zijn, die nog vermeld
wordt in de naamlijst van Brons, [215] en waarvan de geslachtsnamen
Kettema en Ketting, gelijk ook Keta, vadersnamen zijn. Over den
mansnaam Kat, Ket zie men verder § 134. De geslachtsnamen Maliepaart
en Molenpage reken ik ook tot de peerdenamen, maar Gryspeerdt, op
bl. 343 verklaard, behoort daar niet toe. Den maagschapsnaam Eyspaart
wist ik langen tijd niet te verklaren. Aan eene verbastering en
wanspelling van den oud-nederlandschen mansnaam Isbercht, Ysbrecht,
ook als Isanperht, Isanperath by Förstemann vermeld, te denken,
kwam my te gewaagd voor, al was deze oorsprong niet onmogelik. Later
echter vond ik dat in het West-Vlaamsch eene byzondere soort van
ijsslede den naam draagt van »IJspaard", »IJspeerd." Men zie de
Bo's Westvlaamsch Idioticon op het woord »ijspeerd." De geslachtsnaam
Eyspaart behoort dus eigenlik niet tot de namen aan diernamen ontleend,
maar veel meer op bl. 366 te zijn vermeld. Maliepaart zal wel het
zelfde zijn als het oud-vlaamsche woord male peerd, dat verklaard
wordt als: »Cheval Malet, l'Equus sarcinarius dont parle Carpentier,
Suppl. Duc. vo Maletus; Mallier, dit encore Carpentier au t. IV;
le Cheval porte-malle, qui portait la Pera viatoria, la malle de
voyage. Kiliaan l'appelle Maelhengst." [216]--Page is de naam waarmede
men in de friso-saksische gouspraken van noordoostelik Nederland, een
oud afgeleefd peerd bestempelt. Ook in noordwestelik Duitschland is dit
woord inheemsch. Van daar de hoogduitsche geslachtsnaam Pagenstecher
(peerdeslachter, peerdevilder, roodschilder), die ook in de Nederlanden
voorkomt. Molenpage beteekent dus een oud molenpeerd--een naam die
misschien wel oorspronkelik als spotnaam gegeven is.

Koe, De Koe en Bontekoe. »De bontekoe" is als uithangbord aan
dorpsherbergen niet zeldzaam. Thomas Willemsz. Bontekoe,
een amsterdamsch burger van den jare 1578 [217] droeg
waarschijnlik daar zynen naam af. En zeker was dit het geval
met Willem Ysbrantsz. Bontekoe, de bekende oud-hollandsche
Oostinje-vaarder.--Stier en De Bull komen ook voor, maar een
geslachtsnaam aan het woord (en algemeene uithangteeken) »de Os,
de deensche Os," enz.--niet. Daarop was nooit iemand gesteld. De
talrijk voorkomende geslachtsnamen Van Os, Van Oss, Van Osch zijn
ontleend aan het vlek Os in Noord-Brabant. Eindelik nog Hokkeling,
Kalf, Calf, Kalff en 'T Calf.

Schaap, Schaep, De Schaap, Ram, De Ram, Hamel, Lam, Het Lam en 'T Lam,
Ooilam en Oylam.--Jongschaep komt ook voor; in scherts genomen voor
Lam?--Edelschaap is my onduidelik.

Bok, Bock, De Bok, De Bock, De Buck, Buck, Steenbok. Verder 'T Hert,
'T Hart, Hert en Vliegenthart. Laatstgenoemde naam, de tegenhanger
van Vliegendehond (zie bl. 377), is natuurlik weêr aan eenen huisnaam
ontleend. Als zoodanig komt 't Vliegend Hert voor te Naarden en het
vlieghenden Hert te Gent. [218]--Ree, Rhee, De Ree en Reekalf. Deze
laatste naam is van oude dagteekening. Immers Goossen Jansz. Reecalf
was in 1535 burgemeester van Amsterdam. De maagschapsnaam Van Rhee is
natuurlik afgeleid van eenen plaatsnaam, en wel van het gehucht Ree
by den dorpe Vries in Drente. Eindelik nog de geslachtsnaam Eland en
Elandt, waarin ook nog een mansvóórnaam schuilen kan.

Voor wy met de vogelnamen beginnen, moeten hier nog vermeld worden
de geslachtsnamen Wildebeest en Eenhoorn, die ik beiden ook van
huisnamen afkomstig reken. Een gevelteeken »'t Wilde beest" is my
wel nooit voorgekomen. Maar daarom kan het toch zeer wel bestaan
hebben. »De Eenhoorn" echter kwam oudtijds dikwijls als huisnaam
voor. [219] Aan de fabelachtige dieren, waar van de Ouden bazelden,
en die ook als gevelteekens voorkwamen, is nog de maagschapsnaam
Zeekat ontleend. Zie § 148.

§ 132. De geslachtsnamen Vogel, Stoorvogel, Vettevogel, Witvogel en
Ziervogel moeten, als algemeene namen, vóór de byzondere vogelnamen
genoemd worden. Nevens Vogel komen ook Veugel, Voghel, De Vogel,
De Voghel, De Veughele en De Veugle als geslachtsnamen voor. Zoo ook
als oneigenlike vadersnamen Vogels en Voghels.--Stoorvogel beteekent:
groote vogel. Het oud-germaansche woord stor, stur = groot komt in de
Nederlanden nog slechts voor als stoer, struisch, stuursch, in drie
gewyzigde beteekenissen. In de skandinaafsche talen heeft stor de oude
beduidenis behouden. Stoor staat eigenlik tegenover kleen, als groot
staat tegenover klein. Stoor en kleen hebben eene zeer stellige, eene
zeer zekere beteekenis--groot en klein eene betrekkelike. Zie bl. 339.

Openen wy de reeks van byzondere vogelnamen weêr met den vogel die
van ouds als »koning der vogelen" geacht werd, met den arend. Arend,
Den Arend en Van den Arend zijn geslachtsnamen die geenszins zeldzaam
voorkomen. Trouens, de arend, wiens beeld op zoo vele wapenschilden
prijkt, was oudtijds ook als huisnaam en gevelteeken zeer algemeen. Een
oude naam van den arend, vooral in de wapenkunde gebruikelik, is
adelaar. De naam Adelaar, ook in hoogduitschen form als Adler, komt
nog als maagschapsnaam onder ons voor. In myne jeugd woonde er te
Leeuwarden een man die Adelaar heette, in een huis waar een adelaar,
fraai in hout gesneden, boven de voordeur stond. Ik weet niet wie
in dit geval ouder was, de geslachtsnaam of de huisnaam. Andere
namen van roofvogels zijn de geslachtsnamen Valk, Valck, De Valk,
De Valck, De Valke; Havik, Buizerd, Sperwer, Wikel en Blauwikel. De
twee laatsten vertegenwoordigen de friesche namen van den torenvalk
(Tinnunculus alaudarius) en van den blauen kiekendief (Circus cyaneus);
zie § 152. Verder nog De Gier met Uil, Uyl en Den Uil. Dan volgen Raaf,
De Raaf, De Raeve, Kraai, Kraay, Kray, Craey, Craeye en De Kraai, met
De Roek, De Rouck, De Gaai, Exter, Den Exter, en, als patronymikon
Axters. Verder Koekoek en Koekkoek met Cockuyt en Cocquyt. Deze
beide laatste namen komen meest in de vlaamsche gewesten voor. Zy
vertoonen niet slechts eene verouderde spelwyze, maar tevens eenen
byzonder-vlaamschen en byzonder-frieschen form van dit woord. Zie De
Bo, Westvlaamsch Idioticon op het woord koekoek, koekuit. De jeugd in
Friesland zingt nog een rijmke, dat begint alzoo: »Koekuut! de broek
uut.", enz.--Specht, Papegaay, IJsvogel, Vink, Vinck, Vyncke, Vinke,
De Vyncke en Van der Vink, Geelvink en Rietvink. Maar Roelvink en
Aalvink (zie bl. 40 en 152) zijn geen vogelnamen. Putter, Sijs, Van
der Sijs. Behoort laatstgenoemde naam wel hier? Of is hy slechts eene
verbastering van den naam Van der Chijs, dien ik overigens ook niet
verklaren kan. Spreeuw, Musch, Mosch met het nedersaksische Lünink
en het hoogduitsche Sperling. Leeuwrik en Lerk, Mees, De Meeze en
Koolmees, Meerlaer, De Maerel en De Meerleere en De Lyster. Reeds
vroeg treffen wy den laatsten naam als bynaam aan (wegens byzondere
veerdigheid in het zingen?): Atte Mockama, alias Lijster, een boer
te Ferwert in 1511. [220]--Nachtegaal, Nachtegaele, De Nagtegaal en
Nachtergaal. Zwaluw, Swalue, Swaalf, Swalf, en de friesche formen van
dezen naam, Zwaal en Swaal.--Duif, Duyf, De Duve en Duyvejonck. Deze
laatste naam weet ik anders niet te verklaren, als door hem hier te
plaatsen. De mannelike duif of doffert heet in Vlaanderen Duiver;
daar komen ook de geslachtsnamen Duyver en Den Duyver voor. Hoen en
'T Hoen. De Haan is zeer algemeen. Geen wonder; als uithangteeken
of huisnaam komt »de Haan" en »'t Haantje" zoo dikwijls voor! Als
geslachtsnaam vinden wy den naam van den haan nog in deze formen:
Haan, Den Haan, Den Haene en D'Hane. Buitendien nog de samengestelde
namen Roothaan (huisnaam De roode haan?), Mouthaan (een haan die
mout eet?) en Stoerhaan. Laatstgenoemde naam beteekent groote haan
(zie bl. 381 op Stoorvogel), en komt ook als Stuurhaan voor. Tot
de hoendernamen behooren verder nog: Hen, Kip, De Kip, Capoen en
Capuen (dit laatste is de brabantsche form van dezen naam), Kuiken
en Hinnekint. Deze laatste naam acht ik te zijn eene, schertsender
wyze gegevene of aangenomene omzetting van den geslachtsnaam Kuiken,
een tegenhanger van Duyvejonck, bovengenoemd, en van Jongschaep op
bl. 380 vermeld. Veldhoen, Fezant, De Quartel en Quartel met Auerhaan
(laatstgenoemde naam zekerlik van hoogduitschen oorsprong) zijn aan
de wilde vertegenwoordigers van het hoendergeslacht ontleend. Kalkoen
en Calkoen met Pauw, Paauw, Paeu, De Paauw, De Paeuw en De Pauwe zijn
ook als geslachtsnamen geenszins zeldzaam.

Struis kan zoo wel den vogel Struis beteekenen, als het byvoegelike
naamwoord struisch; zie bl. 340. Als huisnaam was »De vogel
Struys" oudtijds niet zeldzaam. [221] De Crane, zoo genoemd naar de
kraan of den kraanvogel, oudtijds ook als gevelteeken bekend. Een
allerbelangrijkste bydrage over dit woord en dezen naam, ook als
geslachtsnaam, van de hand des vlaamschen taalgeleerden Guido
Gezelle kan men vinden in het tijdschrift Loquela--jaargang 1883,
bl. 25.--Plevier, Kievit, Kieviet, en als vadersnaam Kieviets.--Reiger
en D'Heygere. Heygere is de oud-vlaamsche naam van den reiger. Kwak,
Quack en De Quack [222]; De Lepeleer, De Lepelaere, De Lepeleir
en De Lepeleire; Ooyevaar, Ojevaar, met de oude formen van dit
woord Ovaere, Odevaere en Ottevaere, alsmede met den saksischen,
ook hoogduitschen en engelschen form Stork. Verder Snippe met Stind,
beter stint, de friesche naam van eenen strandvogel, Tringa (zie §
152). Spriet en Schriek--dat zijn twee namen van een en den zelfden
vogel (Crex pratensis). Koet, Zwaan, Swaan, Swaen, De Swaen, De
Zwaan met Van der Zwaan en de friesche formen Swan en Van der Zwan,
algemeen voorkomende, en afgeleid van het huisteeken de Zwaan en 't
Zwaantje, dat veelvuldig in gebruik was en nog is. Gans en De Gans
zijn daarentegen zeldzaam, en »de eend" ontbreekt geheel. Taling
echter bestaat, en schijnt oorspronkelik als bynaam, aan eenen
wildkoopman gegeven te zijn. Rotgans en Slobbe zijn de namen van
byzondere soorten van gansen en eenden. Pellekaan en Pillekaan zijn
oorspronkelik zeker huisnamen. Eindelik nog Meeuw en Malefijt, Malefeyt
en Maelfeyt. De drie laatstgenoemde namen zijn die van eenen kleinen
zeevogel, van de zoogenoemde Stormzwaluw (Thalassidroma pelagica). In
der daad draagt deze vogel by de nederlandsche zeelieden den naam
van malefijt of malefeit, een woord van romaanschen oorsprong,
en waarschijnlik van de Portugeezen overgenomen. Wijl echter de
stormzwaluw door onze zeelieden slechts in de ruime wereldzee wordt
ontmoet, en niet dan hoogst zeldzaam, na hevige stormen, een enkele
maal aan het nederlandsche strand gezien wordt, waar zy by het
volk nagenoeg onbekend is,--en wijl daarentegen de naam Malefijt,
Malefeyt als geslachtsnaam niet zoo byzonder zeldzaam is, maar in
Vlaanderen zoo wel als in Holland voorkomt (zie § 151), zoo komt my
de afleiding van dezen geslachtsnaam van den vogelnaam wel eenigszins
gewaagd voor. Liever wil ik hem houden voor eene verbastering van den
franschen geslachtsnaam Malfait, voor de weêrga dus van den franschen
naam Bienfait, die ook in Nederland als geslachtsnaam voorkomt. [223]

§ 133. Aan de namen van amphibiën en dergelyke dieren zijn slechts
weinig geslachtsnamen ontleend. Eigenlik geen andere als die van
den kikvorsch en de padde. Deze namen zijn: Kikker en Kikkert in
Holland, en Puit, Puydt, De Puydt, Den Puydt in Zeeland en Vlaanderen
inheemsch. Puit of Puut toch is het zeeusche en vlaamsche woord voor
het hollandsche kikkert. Verder de geslachtsnaam Pogge, die padde
beduidt. Dat dier toch draagt in onze friso-saksische gouspraken dezen
naam, welke ook voorkomt in den geslachtsnaam Poggenbeek.--Slangen en
Slanghen (op bl. 185 reeds verklaard) behooren niet tot deze afdeeling,
ofschoon het wel den schijn heeft. Maar de geslachtsnamen Griffioen en
Draak, De Draak, De Draek, Den Draeck, Den Draak dienen hier vermeld,
omdat de fabelachtige dieren griffioen en draak als amphibiën worden
voorgesteld. Immers aan deze wanschepsels uit de verbeelding der
Ouden hebben wy hier te denken, en niet aan het fladderend hagedisje
uit de tropische gewesten van Azië, dat trouens ook tot deze familie
behoort. »De draak" en »De griffioen" kwamen oudtijds niet zelden
als huisnamen en gevelteekens voor.

De algemeene naam van de orde der visschen, vertegenwoordigd door
de geslachtsnamen Vis, Visch, De Vis en De Visch, moge hier weer
den byzonderen vischnamen voorafgaan. De Haay, Steur, De Steur en
Van der Steur, Rog, Paling, Maeckereel, Schol, Bot, Both, De Both en
Botvis, misschien ook Botje--zie bl. 398. Verder Cabeljaeu, Cabeljau,
Cabilliauw en Cabliauw, Baekeljau, Schelvisch, Haring, Den Harynck,
Den Haerynck, Groenheering, Smelt, Spiering (ook als patronymikon
Spierings) en Spierlynck, Meyvis (dat is elft, hoogduitsch Maifisch),
Zalm en Salm, De Blieck, Den Braasem, Zeelt, Goudvis, Voorn en Vervoorn
(d. i. Van der Voorn), Pos en De Posch, Baars, Beers en Den Baars,
ook (in het Friesch) in verkleinform Beerske; Snoek, Snouck en De
Snouck. Volgens De Navorscher, dl. XXXII, bl. 573 behoort tot de
geslachtsnamen aan vischnamen ontleend, ook de geslachtsnaam Gobius,
»daar dit uit Italië stammend, doch sedert de 16de eeuw in Nederland
aanwezig geslacht den zijnen ontleend heeft aan de, voornamelijk
in de Tyrrheensche zee aanwezige beenige visschen van dien naam;
hetgeen ook blijkt uit hun wapen." Gobius echter is de latynsche
naam van den grondel (Gobius niger), een bekend vischje, aan de
nederlandsche zeekusten ook voorkomende. Rhijnvis (rijnvisch) is de
oud-nederlandsche naam van eene byzondere soort van visch, die ik niet
nader kan aanduiden. In Edw. Gailliard's Glossaire flamand--Brugge,
1882--vind ik: Rynvissche, sorte de poisson de mer." En daar blijkt
ook dat de geslachtsnaam Rynvisch reeds in de middeleeuen te Brugge
voorkwam. Aangaande dezen byzonderen naam, die in Nederland (door
misverstand) ook als mansvóórnaam in gebruik is (Rhijnvis Feith), zie
men ook De Navorscher, dl. XXXIII, bl. 36. De geslachtsnamen Bakvis,
Stokvis, Pannevis, Pekelharing enz. zijn eigenlik namen van spyzen,
van visch bereid, en worden dus beter in § 140 vermeld.

Ten slotte kunnen als geslachtsnamen, ontleend aan de namen
van insekten, schaal- en weekdieren, nog vermeld worden: Kever,
Watertor, De Bie, De Bye en Van der By, Hommel, De Mot, Mug, Rups,
De Vlieg, Vlieghe en Vliegen. Het komt my waarschijnlik voor dat
in den laatstgenoemden naam een persoonsnaam schuilt, dat hy dus
een patronymikon is. Oudtijds hingen te Amsterdam aan zeker huis
»de Vijf Vliegen" uit, en de bewoner van dat huis droeg daar af den
naam van Jan Vijf-Vliegen. [224] Een geslachtsnaam, die in Limburg
voornamelik inheemsch is, en daar aan verschillende geslachten eigen,
is Quaetvliegh (de kwade vlieg). Deze zelfde naam komt in verschillende
vormen voor, als Quaedtvlieg, Quadvliegh, Quatfleigh, enz. Wat de
oorsprong van dezen zonderlingen naam is en weet ik niet. Omdat de
vlieg oudtijds als een kenteeken van den duivel gold, van den »kwade",
zoo gis ik dat de naam Quaetvliegh in eenig verband met den naam
van den duivel staat, en als zoodanig tot een geslachtsnaam geworden
is. De geslachtsnamen Potvlieghe en Schauvliegh met Schauvliege, die
eveneens in de zuidelike gewesten, vooral ook in Limburg voorkomen,
zijn my evenmin duidelik, wat hun oorsprong betreft.

Verder komen nog voor de geslachtsnamen De Vloo, Mier, Spin, Kreeft,
Kreefft, Krab, Krabbe, Crabbe en Van der Krab, Geirnaert en Garnaat,
het eerste de vlaamsche, het tweede de friesche naam van het bekende
schaaldiertje dat men in Holland garnaal noemt. Eindelik nog Oester
en Mossel.--Willok of Wullok is de vlaamsche naam voor zekere soort
van zeeslak (Buccinum undatum), die langs onze Noordzee-stranden
en zeegaten veel gegeten wordt, en daar, by Zeeuen, Hollanders en
Friesen onder verschillende namen, als alikruuk, kreukel, ulk, wulk,
einekoon, enz. bekend is. De vlaamsche naam van dit weekdier komt in
Vlaanderen als geslachtsnaam voor. Namelik als Willock en Willocq;
ook als patronymikon: Willocks, Willox, Willockx, enz.

Als de laatsten der geslachtsnamen aan diernamen ontleend, moeten
nog vermeld worden: Worm, Wurm en Lintwurm. De geslachtsnaam Van der
Worm, van anderen oorsprong, is reeds op bl. 244 verklaard. By den
geslachtsnaam Lintwurm denke men niet aan het bekende ingewandsdier. De
naam Lintwurm is afgeleid van den ouden naam, waaronder de draak of
eenig ander fabelachtig ondier in sagen en maren optreedt. Tegenwoordig
spreekt en schrijft men van den »Heiligen George met den draak;"
oudtijds echter van »St-Joris met den lintwurm." Eene afbeelding
daarvan kwam in vorige eeuen niet zelden als gevelteeken voor. Van
daar hoogst waarschijnlik dezen, in den tegenwoordigen tijd zoo
zonderling luidenden naam.

Als geslachtsnamen, ontleend aan woorden die byzondere voortbrengselen
uit het dierenrijk aanduiden, noem ik hier nog: Koehoorn, Honig,
en Parel, met Perel, Paerl, Paerel, en het patronymikale Parels.

§ 134. Sommige namen van dieren komen ook als mansvóórnamen
voor. Zulken zijn: Beer, Bero (in Bernhart, Barend, Berend), Ever
(in Everhart, Evert), Leeuw, Lieue (in Leonhart, Leeuwenhart,
Leendert), Wolf (in Wolfhart, Wolfert), Arend, Swano, enz. En deze
mansnamen zijn werkelik, wat hun oorsprong aangaat, de zelfden
als deze diernamen. En andere diernamen komen toevalliger wyze
overeen, volkomen of ten naasten by, met mansvóórnamen, zoo wel met
mansvóórnamen in hunnen oorspronkeliken form, als met verkorte en
misformde namen. Voorbeelden hiervan zijn de mansnamen Hase, Bokke,
Duif, Valk, Botte, Reiger, enz. die met de dierenamen haas, bok,
duif, valk, bot, reiger overeenstemmen, ofschoon zy eenen anderen
oorsprong hebben. Muis, Mees, Meeuwe, Haring, Vinke, enz. komen ook als
mansvóórnamen voor, en stemmen tevens overeen met de diernamen muis,
mees, meeuw, haring, vink. Deze mansnamen vertoonen echter niet hunnen
vollen, oorspronkeliken form. Immers Muis, ook Muys of Muus, is eene
verbastering en verkorting van den bybelschen mansnaam Bartholomeus;
en Meeuwe of Meeuwis is dit ook (even als Teeuwis van Mattheus), zoo
mede Mees. Dit wordt duidelik aangetoond en bewezen in De Navorscher,
dl. XXVII, bl. 411, 412, 413. De mansvóórnaam Haring is eigenlik het
patronymikon van den oud-germaanschen, nu nog in Friesland in volle
gebruik zijnden mansnaam Haro, Here. En Vinke, Vink is een verkleinform
(Vin-ke = Vin-tje) van den mansvóórnaam Finne.

Het ligt dus voor de hand dat niet alle geslachtsnamen, in de vorige
paragrafen opgesomd, van de diernamen zijn afgeleid. Integendeel--daar
kunnen er ook onder wezen, die eenvoudig uit mansvóórnamen
bestaan. Staat by eenigen geslachtsnaam het lidwoord vóór den diernaam
(De Leeuw, Het Lam, Den Arend, De Bye, Den Baars), dan is er geen
twyfel aan of oorspronkelik ligt hier de diernaam ten grondslag. En
even zeker mag aangenomen worden dat de geslachtsnaam met eenen
diernaam samengesteld, oorspronkelik aan eenen huisnaam ontleend
is, als een lidwoord en een voorzetsel den diernaam voorafgegaan;
b. v. Van der Paardt, Van den Arend, Van der By, Van der Steur. Maar
als de diernaam op zich zelven voorkomt (Arend, Leeuw, Wolf, Zwaan,
Bot) dan kunnen ook zeer wel mansvóórnamen aan deze geslachtsnamen ten
grondslag liggen. Terwijl ik de oorsprong van zulke geslachtsnamen
uit mansvóórnamen voor vry zeker acht, als zy in verbogenen form
voorkomen. By zulke geslachtsnamen als Leeuwen, Wolfs, Otters,
Duyfjes, Harings, Bots, enz. is weinig twyfel aan hunnen oorsprong uit
mansvóórnamen. By Arendsma, Haringsma, Botjes, Haantjes, enz. geheel
geen. Geslachtsnamen, die als patronymika in den tweeden-naamval staan,
en zonder eenigen twyfel van diernamen zijn afgeleid, komen slechts
in zeer gering aantal voor; b. v. Koekoeks, Kievits, Willockx, en
eenige anderen. Alle andere patronymika zijn hoogst waarschijnlik,
byna zeker, aan mansvóórnamen ontleend.

Dat buitendien nog geheel andere oorzaken aanleiding gegeven hebben
tot het aannemen van geslachtsnamen, welke schijnbaar aan de namen
van dieren zijn ontleend, vindt men, wat de namen Zeekats, Baars en
Kater aangaat, vermeld en bewezen in § 148, en op bl. 375 en 390 van
dit werk.

Veel byzonders en belangrijks aangaande dit onderwerp staat te lezen
in eenige opstellen, die door den taalgeleerden P. Leendertz. Wz. en
door my zelven, onder de namen »De mansnaam Muus," en »Diernamen als
geslachtsnamen" zijn geschreven, en opgenomen in het tijdschrift De
Navorscher, deelen XXVI, XXVII en XXVIII.

Hier volgen eenige geslachtsnamen, schijnbaar diernamen, maar die
ik, met meer of minder waarschijnlikheid, tot de geslachtsnamen,
aan mansvóórnamen ontleend, meen te moeten brengen.

Lew of Lewon is een oud-germaansche, in Förstemann's Altdeutsches
Namenbuch voorkomende naamstam, die zoo wel op zich zelven voorkwam,
als in samenstellingen. Deze naam beteekent leeu. Als Leeuwe, ook wel
Leuwe, Leuve, Lewe was deze zelfde naam oudtijds ook in Holland in
gebruik; en als Lieuwe, Lieue (de leeu heet in het Friesch lieu) komt
hy nog heden geenszins zeldzaam in Friesland voor. Lewe, Leeuwens,
Leeuwes, Leuwen en Leeven zijn de geslachtsnamen aan den naamstam
Leeuwe ontleend. Zoo mede het friesche patronymikon Leeuwinga, dat
als geslachtsnaam in de friso-saksische streken van Drente inheemsch
is. Aan den frieschen mansvóórnaam Lieue, Lieuwe zijn de friesche
geslachtsnamen Lieuwema, Lieuwma en Lieuwes ontleend; en ook Lieuwkes
aan den verkleinform Lieuke.

Catto, Katte, Kat is een oud-germaansche mansvóórnaam, die ook
in samenstellingen, als Catuald (Katwalt) en Catumer (Katmar)
voorkomt, en door Förstemann in zijn Altdeutsches Namenbuch tot drie
verschillende naamstammen, Chad, Gad en Hath, gebracht wordt. Een
enkele der talryke geslachtsnamen Kat en Cat, en, in den tweeden
naamval als patronymikon, Kats, Cats en Catz, zal zeker wel van
dezen ouden mansvóórnaam afstammen. Zekerlik is dit het geval met de
friesche patronymikale geslachtsnamen Katsma en Katma, en met menigen
plaatsnaam. Waarschijnlik behoort het patronymikon Cæding, dat by
de Angel-Saksen voorkwam, ook wel tot dezen mansnaam. Buitendien
kan de geslachtsnaam Cats, Katz, behalven een tweede-naamvalsform
van den diernaam, of van den mansvóórnaam, ook nog de plaatsnaam
Kats of Cats zijn, zoo als een dorp heet op het zeeusche eiland
Noord-Beveland. By de zeeusche maagschap Cats althans meen ik dat
dit zekerlik het geval is.

De geslachtsnaam Kater en De Kater kan ook een geheel anderen
oorsprong hebben, als van het woord dat de mannelike kat aanduidt. Een
kater toch is iemand die in eene kate (keet of kot--zie bl. 266)
woont. Het woord kater, als de benaming van eenen geringen boer,
of van eenen boeren-arbeider, die in eene hut of kate op het erf van
den eigenerfden boer woont, is in sommige saksische streken van ons
land en van Duitschland in gebruik. Even als keuter (in Friesland
zeit men wel keuterboerke), kötter, kaatsitter, kotsitter, katsate,
kotsaat, cotsath, enz.,--woorden die allen van den zelfden oorsprong
zijn, en allen het zelfde beteekenen. Naar myne meening ligt dit
woord kater ten grondslag van menigen geslachtsnaam Kater en De
Kater. De geslachtsnaam Keuter, in eene friso-saksische gou van
Overijssel inheemsch (Bloksyl), is ongetwyfeld aan het woord kötte,
kate, hut, ontleend. Kötter ware wis eene betere spelling voor dezen
naam, die daarom toch geenszins van hoogduitschen, maar van zuiver
nederlandschen, ofschoon dan ook al niet hollandschen, oorsprong is.

Bare of Baro is nevens Barre of Barro een oud-germaansche mansvóórnaam,
die nog heden in Friesland in gebruik is. De geslachtsnaam Baars
kan een patronymikon zijn van dezen naam, zoo als Baarsma dit zonder
twyfel is. Andere geslachtsnamen aan dezen zelfden mansnaam ontleend,
zijn nog Barma (met Barring in Engelland, en Barry in Frankrijk,--als
een versleten patronymikon der oorspronkelik germaansche Franken? zie
§ 30.) Verder Barkema, een oud-friesche tweede-naamvalsform van
den verkleinform Barke, die tevens aan de engelsche geslachtsnamen
Barks, Barkes en Barkins oorsprong gaf. Barrahuis, een gehucht by
Wirdum; Barrum, een gehucht by Tjum (beide in Friesland); Barwert,
een gehucht by Oldehove in Groningerland; Barkwert, een gehucht by
Kubaart in Friesland, misschien ook Barchem, een gehucht by Laren
in Gelderland, zijn plaatsnamen die van deze mansnamen afstammen,
en gemakkelik verklaard kunnen worden.

Dat Fosse, Fos oudtijds ook als mansvóórnaam in gebruik moet zijn
geweest (al is het dat deze naam dan zekerlik slechts een verbasterde
zal geweest zijn), blijkt duidelik uit de geslachtsnamen Vossema
(oudtijds als Fossema geschreven), Vosma, Fossen, Vossen, Vosse,
allen patronymikale namen van eenen mansvóórnaam Fos. Ook blijkt
dit uit menigen plaatsnaam. De geslachtsnaam Vos kan dus evenzeer
oorspronkelik deze mansvóórnaam zijn, als de diernaam.

Aangaande den oud-germaanschen mansvóórnaam Hundo, Hond, die aanleiding
kan gegeven hebben tot het aannemen der geslachtsnamen Hond, Hondt,
Hondius, enz. zie men bl. 52.

Molle is een friesche mansvóórnaam, nog heden in volle gebruik. Het
is oorspronkelik de zelfde naam, in andere uitspraak, als Melle; zie
bl. 162. Van dezen mansnaam Molle kan de geslachtsnaam Mol, Moll ook
worden afgeleid. Maar de geslachtsnamen Mollema, Mollen, Molling en
Mollink zijn er zonder twyfel van afkomstig. Zoo ook Mollekens, een
patronymikon van den verkleinform Molleke. Als plaatsnamen, waar aan
deze naam al mede ten grondslag ligt, vermelden wy nog: Molla-state,
te Eakmaryp; Molmaburen, een gehucht by Lutke-Wierum; Molsert (dat
is samengetrokken van Molswert), eene buurt by Franeker, alle drie
in Friesland. Verder Molhem, een dorp in Zuid-Brabant; Mollincourt
in Isle-de-France (Frankrijk); Mollenkotten, gehucht by Hagen in
Westfalen; en Molling, een gehucht by Bruneck (Enneberg) in Tirol.

De mansnaam Muus, nog heden als zoodanig in Noord-Holland voorkomende,
is eene verkorting en verbastering van Bartholomeus--zie bl. 378
en 396. De geslachtsnamen Muis, Muys, Muisken kunnen dus even zeer
aan dezen mansvóórnaam ontleend zijn, als aan den diernaam. De
geslachtsnamen Muusse en Muusses zijn ongetwyfeld vadersnamen van
dezen mansnaam; waarschijnlik ook Muysson.

Haso is een oud-germaansche mansvóórnaam, en als zoodanig in
Förstemann's Altdeutsches Namenbuch vermeld. Dat deze naam ook oudtijds
by onze voorouders in gebruik geweest is, bewyzen de geslachtsnamen
Van Hasinga, Haasma, Haesen, Hazes, Hasens, misschien ook Haasse en
Hase, benevens menige plaatsnaam, die allen er van zijn afgeleid. Van
den verkleinform Haasje is de geslachtsnaam Haasjes geformd. Wijl
de mansvóórnaam Haso, Hase door my nog niet in oude nederlandsche
oorkonden is gevonden (ofschoon aan het bestaan er van geen twyfel
is), en daarentegen de verkleinform Haasje wel als vrouenaam kan
bewezen worden (Haesje Claes in 't Paradys b. v., de vrome vrou, die
in de 16de eeu het Burgerweeshuis te Amsterdam stichtte), zoo kan de
geslachtsnaam Haasjes ook wel een metronymikon zijn (zie § 59), en geen
patronymikon. In allen gevalle is het duidelik dat de geslachtsnaam
Haas niet noodzakelik aan den diernaam behoeft ontleend te zijn.

Dat de geslachtsnaam Konijn ook oorspronkelik een plaatsnaam kan wezen,
even zeer als een diernaam, is reeds op bl. 210 aangetoond.

De namen der oude Friesen Hengist en Horsa (twee peerdenamen) bewyzen
dat de geslachtsnamen Hengst, Hinxt en Ros (letterkeer van Hors of
Ors) ook zeer wel oorspronkelik mansnamen kunnen zijn, even wel als
huisnamen of diernamen.

Ram, Ramo is een oud-germaansche mansvóórnaam, gelijk door menigen
plaatsnaam (Rammingen of Ramegnies, een dorp in de Henegou; Rammingen,
een dorp by Ulm in Würtemberg; Ramminghausen, een gehucht by Syke
in Hoya, Hanover) bewezen wordt. Van den verkleinform Ramke is de
friesche patronymikale geslachtsnaam Ramkema geformd.

Lamme is een friesche mansvóórnaam, die oudtijds, meer dan
tegenwoordig, in gebruik was. Sedert de hollandsche gouspraak in
Friesland meer en meer bekend en gesproken werd, is deze naam buiten
gebruik geraakt, wegens de min gunstige beteekenis die het woord lam
(friesch laem met gerekte, opene a), althans voor eenen mansvóórnaam,
in het Hollandsch heeft. In de naamlijsten van Wassenbergh, Leendertz
en Brons, meermalen in dit werk aangehaald, wordt de mansnaam
Lamme nog vermeld. In vroueliken form, als een enkel verkleinwoord
(Lamke), en als een dubbel verkleinwoord (Lamkje), komt deze naam
in Friesland nog meer voor als in den manneliken form. Ook in den
friso-saksischen form Lammechien, in Groningerland en Drente. De
mansnaam Lemme, mede in Friesland voorkomende, en oudtijds ook
in andere nederlandsche gewesten in gebruik, is oorspronkelik de
zelfde naam als Lamme, en levert daarmede slechts een klein verschil
in tongval op. In de brabantsche en vlaamsche gewesten is Lam en Lem
nog heden in gebruik als eene verkorting van den vollen naam Wilhelm,
Willehalm, Willem. Deze mansvóórnaam kan, evenzeer als de diernaam
lam, aanleiding hebben gegeven tot den geslachtsnaam Lam. Buitendien
zijn de geslachtsnamen Lamminga en Lammenga, Lamming en Lamsma, Lams,
Lammens, met Lemmens, Lems en Lemson, en de verkleinformen Lammekes,
Lemkes en Lemke, zekerlik van dezen mansnaam afgeleid.

Bocco, Bucco is een oud-germaansche, in Förstemann's Altdeutsches
Namenbuch vermelde mansvóórnaam, die als Bokke nog heden ten dage
in Friesland in volle gebruik is. De geslachtsnaam Bok zal zekerlik
wel, in menig geval, ontleend zijn aan dezen ouden mansnaam. Hy gaf
buitendien oorsprong aan vele andere geslachtsnamen en plaatsnamen. Als
geslachtsnamen, van den mansnaam Bokke afgeleid, vermeld ik hier:
Bokkenga, Bocking en Buckinx, alle drie oude patronymika. Ook de
engelsche plaats- en geslachtsnaam Buckingham behoort hier toe. Verder
Bokkema, Bokma, Bockma, Van Bokma, Boksma, Boxma, Bokkens en Bokkes,
ook allen tweede-naamvalsformen. Het getal der plaatsnamen aan den
mansnaam Bokke ontleend, in alle germaansche landen voorkomende,
is nog veel grooter dan dat der geslachtsnamen. Hier kunnen slechts
de nederlandschen vermeld worden: Bokkum, gehucht by 't dorp Akkrum,
en Boksum, dorp in Menaldumadeel, beide in Friesland; Nibbikswoud,
een dorp in noordelik Noord-Holland; (deze naam is eene verbastering
en samentrekking van Nieu-Bokswoude; Oud-Bokswoude is het dorp
Hauwert, mede in het westerfliesche Friesland). Waarschijnlik ook nog
Boksbergen, eene havesate by Olst in Overijssel. Buitendien zijn nog de
geslachtsnamen Van Bockom en Van Oldenboccum aan plaatsnamen ontleend,
die op hunne beurt weêr van den mansnaam Bokke afgeleid zijn. Plaatsen
die Bockum en Bochum heeten, liggen er wel vier in Duitschland.

Een bekende oud-nederlandsche mansnaam, nog heden in volle gebruik,
is Arend, by samentrekking Aart. De geslachtsnaam Arend kan evenzeer
oorspronkelik deze mansnaam zijn, als de diernaam. Vele andere
geslachtsnamen zijn eveneens aan dezen naam ontleend. Dit zijn: Arends,
Arendsen, Arentzen, Arents, Arendsma, Arensma, † Aarnsma, Arentsma,
Serarents (zie bl. 144), Aartsma, Aarts, Aerts, en misschien ook Arens,
Ahrens, Arning, het verlatynschte Arntzenius (van Arntzen, Arendsen),
Aarsen, in verkleinform Arnken en Arenkens, enz.

De naam van den roofvogel valk diende den ouden Germanen almede als
mansvóórnaam. Als Falacho, Falco wordt hy vermeld in Förstemann's
Altdeutsches Namenbuch. Förstemann hecht evenwel eene andere beteekenis
aan dezen naam. Tot in de 17de eeu bleef deze naam in Holland in
gebruik. In 1628 voerden twee burgers van Amsterdam dien naam; de
eene heette Jan Valcksz (dat is Jan, zoon van Valk), en de andere
Valk Theunisz. [225] Ook in den jare 1471 woonde er te Schoonhoven
zekere Valk Mertensz. [226] Maar in Friesland is deze zelfde naam,
door de Friesen te recht Falke geschreven, tot op den dag van heden in
gebruik gebleven. Hoochst waarschijnlik is menige geslachtsnaam Valk of
Valck oorspronkelik deze mansvóórnaam, en geenszins in alle gevallen
de diernaam. Maar zonder twyfel zijn de geslachtsnamen Falkema en
Valkema, Falkena en Falckena, Falks, Valks, Falcksz, Valksz aan dezen
mansnaam ontleend. Zoo mede de plaatsnaam Falkum of Falkum-burcht,
by Bellingaweer in Hunsego (Groningerland). Misschien ook Valkoog,
een dorp in het westerfliesche Friesland.

Een andere roofvogel is de havik, en ook zijn naam moest oudtijds als
mansvóórnaam dienen. Die voornaam kan dus, zoo wel als de vogelnaam
zelve, aanleiding gegeven hebben tot het ontstaan van den geslachtsnaam
Havik. In 1572 vinden wy te Leiden eenen man die Meus Haviksz. (dat is
Meus, de zoon van Havik) genoemd wordt door den geschiedschryver Bor,
en die door Hooft voluit Bartholomeus Haavixzoon wordt geheeten. [227]
De vogel havik heet in het Friesch hauk, en in het Engelsch eveneens
hawk. Van daar de friesche geslachtsnaam Haukema en de engelsche
Hawkins. Ook Haucke kwam my als nederlandsche geslachtsnaam voor.

Hraban, Rabo in hoogduitschen, Hravan, Raven, Rave, Raaf in
nederduitschen form, is een oud-germaansche mansvóórnaam, die
waarschijnlik aan den geslachtsnaam Raaf zynen oorsprong heeft
gegeven. Buitendien zijn de geslachtsnamen Ravinga en Raven aan dezen
mansnaam ontleend.

Hoe zonderling het klinke, ook Crai, Kray of Kraai moet ik voor eenen
oud-germaanschen mansvóórnaam houden, al is het dat die naam my tot
nog toe nergens voorgekomen is. Maar uit de geslachtsnamen Kraaima en
Craien, vooral ook uit de oude patronymikale geslachtsnamen Kraayinga
en Kraayenga in Friesland, en Craying in Engelland, zoo mede uit de
plaatsnamen Kraaienwerf, een verdronken gehucht op het eiland Marken;
Kraaienisse, een polder op het eiland Over-Flakee; en Craywijk, een
dorp by Grevelingen in Fransch-Vlaanderen, meen ik met zekerheid tot
het bestaan van den mansvóórnaam Krai te mogen besluiten.

Een friesche mansvóórnaam (al is hy weinig in gebruik, hy wordt
toch in de naamlijsten van Wassenbergh en Leendertz aangetroffen)
is Finke. En deze naam kan aanleiding hebben gegeven tot het
ontstaan der geslachtsnamen Vink, Vynck, enz. Van dezen mansnaam,
die een verkleinform is van den frieschen mansvóórnaam Finne, Fin,
(Fin-ke = Fin-tje), die als een oud-germaansche mansnaam ook door
Förstemann vermeld wordt,--van den mansnaam Finke hebben wy buitendien
de geslachtsnamen Finken en Vinken en in versletenen form Vinke;
benevens vele plaatsnamen. En aan den oorspronkeliken mansnaam Fin
zijn ontleend de geslachtsnamen Vinnema, het uitgestorvene Fingia
(dat is Finninga) in Friesland, en Finning in Engelland.

De geslachtsnamen Musschenga en Muischenga in Groningerland, en Muskens
in Limburg en Gelderland inheemsch, schynen van eenen mansvóórnaam
Mus of Musk (Muske = Mus-ke?) afgeleid te zijn. Deze twyfelachtige
mansnaam, die buitendien ook nog in den naam van het hanoversche
dorp Müssingen, by Bodenteich in het Lüneburgsche schijnt voor te
komen, kan ook aan de geslachtsnamen Musch en Mosch ten grondslag
liggen. Over dezen naam staat nog het een en ander, van de hand des
geleerden Leendertz en van my zelven geschreven, in De Navorscher,
dl. XXVI en XXVII, bl. 361, 561 en 78, 80.

Over den mansvóórnaam Mees, eene verbastering en verkorting van
den bybelschen naam Bartholomeus, en waarvan de geslachtsnaam Mees
kan afgeleid zijn, zie men eenige byzonderheden in De Navorscher,
dl. XXVII, bl. 412. Ook de geslachtsnaam Meeuw behoeft niet nootsakelik
de vogelnaam te zijn, maar kan eene verkorting wezen van Meeuwis,
een hollandsche mansvóórnaam die eveneens eene verbastering is van
Bartholomeus. Een patronymikon van dezen mansvóórnaam bestaat als
geslachtsnaam in den form Meeuwse. De geslachtsnamen Meeuwen echter
en Van Meeuwen acht ik ontleend te zijn aan den plaatsnaam Meeuwen,
zoo als een dorp heet in Noord-Brabant.

Duif is een oud-friesche mansvóórnaam, die oudtijds ook wel, als Duive,
in Holland in gebruik was (Navorscher, dl. XXVII, bl. 408). In eene
oorkonde, ten jare 1582 te Leeuwarden geschreven, vind ik vermeld:
»Die erffgenaemen van Duyff Jelles in Sintte Jacobstraet". Van dezen
mansvóórnaam kunnen de geslachtsnamen Duif en Duyf ontleend zijn,
zoo wel als van den vogelnaam. De patronymikale geslachtsnamen Duyfs
en Duivis (zie § 98), en, in verkleinform Duyfjes, zijn zonder twyfel
van den mansnaam afgeleid.

Hano is een oud-germaansche, by Förstemann vermelde mansvóórnaam,
die als Hane nog in onze friesche gewesten in gebruik is, alhoewel
zeldzaam. In verkleinform, als Haantje, komt hy meer voor. Talrijk
zijn de geslachts- en plaatsnamen van dezen mansnaam geformd, en naar
myne meening kan ook menige geslachtsnaam Haan daaraan zynen oorsprong
te danken hebben. Met de patronymika Haans en Haenen, Haantjes en
Haentjens is dit zonder twyfel het geval. Andere geslachtsnamen,
waar aan de mansnaam Hano ten grondslag ligt, zijn nog de versletene
patronymika Hania, Hanja, Hanje, Hainja, Hainje en Van Hanja (zie
§ 29). De volle patronymikale form Haning is nog in Engelland als
geslachtsnaam inheemsch. Ook Hanema is nog een friesche geslachtsnaam,
die zoon van Hano beduidt.

Volkomen zoo als Hano is ook Henno een oud-germaansche, in Förstemann's
Namenbuch vermelde mansvóórnaam, die in den form Henne, en in
verkleinform als Henke nog by het friesche volk in volle gebruik is. De
geslachtsnaam Hen kan er aan ontleend zijn. Zonder twyfel is dit het
geval met Henning (dit patronymikon deed en doet ook wel eens dienst
als mansvóórnaam), waar Hennye en Henny versletene formen van zijn
(zie § 30). Verder met Hens, met den samengestelden naam Hennixdael
(dat is Henninks-daal), met Henkema en met Henkes; zie bl. 156. Als
plaatsnamen mogen hier vermeld worden: Hennaart (dat is Hennawert,
de wert of weerd van Henno) een dorp in Friesland; Henshuizen en
Henswoude, gehuchten by Akkrum, Friesland; Hensbroek, dorp by Hoorn
in West-Friesland; Henningen, dorp by Salzwedel in Pruissisch-Saksen;
Hennighausen, gehucht by Meschede in Westfalen; Hennstedt, dorp in
Ditmarschen, enz.

Eene zeer gebruikelike verkorting van den bybelschen mansnaam Paulus is
Pau. De geslachtsnamen Paeu, Pauw, enz. kunnen zoo wel deze verkorte
mansnaam zijn, als de vogelnaam. En ook kunnen Paus, Paeus, Pous
patronymika daarvan wezen, even wel als ontleend te zijn aan het ambt
van het hoofd der roomsch-katholike kerk.

In Friesland komt nog eene enkele maal als mansvóórnaam voor:
Reiger. In de lijsten van friesche namen van Wassenbergh, Leendertz
en Brons wordt hy vermeld. Ook is de friesche geslachtsnaam Reigersma
er van afgeleid. De geslachtsnaam Reiger kan ook zeer wel aan dezen
mansnaam zijn ontstaan te danken hebben. De volle form waaronder de
oude germaansche volken dezen mansnaam in gebruik hadden, is Ragingar,
in Förstemann's Namenbuch te vinden. Ragingar werd Raingar, Reinger
en eindelik Reiger.

Swaan, Swano, Suano is al mede een oud-germaansche door Förstemann
aangewezen mansvóórnaam. In vroueliken form, als Zwaantje, komt deze
naam nog heden geenszins zeldzaam voor. Vooral in de friesche gewesten
is hy inheemsch. De geslachtsnaam Zwaan, Swaan, Swaen kan zeer wel
oorspronkelik deze mansnaam zijn. Hy is althans niet onvoorweerdelik de
vogelnaam. Swaans, Swaens, Zwanes, Zwanen, Swaenen, ook in verkleinform
Zwaantjes en Swanekens, zijn patronymikale geslachtsnamen van dezen
mansnaam ontleend. De twee laatstgenoemden kunnen, wijl Zwaantje,
Swaneke als vrouenaam in gebruik is, ook metronymika zijn; zie
bl. 159. De friesche geslachtsnamen Swama en Zwama, die ik anders
niet te verklaren weet, houd ik voor afgesletene formen van Swaanma,
Swanama, anders gezeid: Swaans zoon.

De geslachtsnaam Bot, Both kan zoo wel de vischnaam wezen, als de
oud-germaansche, nog heden by de Friesen in volle gebruik zijnde
mansvóórnaam Botto. Botte, als vrouenaam Botje. Talrijk zijn de
geslachtsnamen en plaatsnamen, waar aan deze mansnaam ten grondslag
ligt; b. v. Bottinga en Bottenga, de volle oude patronymika, en Botnia
met Van Bothnia, de versletene formen daarvan; zie bl. 66. Verder
Bottema, Botma, Bottens, Bots en Bottes, en in verkleinform Botje,
Botke, Botjes, meest allen in de friesche gewesten inheemsch. Bottingen
is een dorp by Emmendingen in Baden; Bottum ligt by Fürstenau in
Hanover; Bottorf by Berssenbrügge in Hanover; Bottens is een gehucht
by Pakens in Jeverland (Oldenburger Friesland), en Botniahusen is
een gehucht by Franeker.

Haring is nog heden ten dage in de friesche gewesten als mansvóórnaam
in volle gebruik, en was het oudtijds ook in Holland. By dezen
mansnaam moet aan eenen vischnaam geenszins gedacht worden. En my
dunkt ook menige geslachtsnaam Haring, Haerynck, enz. vindt in dezen
mansnaam zynen oorsprong. Haring als mansnaam is oorspronkelik een
oneigenlik gebruikte vadersnaam van den ouden mansnaam Hare, Haro,
die in Förstemann's Namenbuch als Hari voorkomt, en nog heden by
de Friesen in gebruik is. Van Haring hebben wy de geslachtsnamen
Harings, Haringsma, Harinxma en Van Harinxma, en de plaatsnamen
Haringhuizen en Haringkarspel, dorpen in het westelikste Friesland
of noordelik Noord-Holland, en Haringhusum, een gehucht by het dorp
Fisvliet in het Westerkwartier van Groningerland. In Oost-Friesland
is de geslachtsnaam Haringsna reeds uitgestorven. Talrijk zijn ook de
geslachtsnamen die onmiddellik aan den mansnaam Haro, den naamstam
van Haring, zijn ontleend. Als zulken noemen wy Haringa, Harema,
Haarsma, Haersma, Van Haersma en Haren; ook in verkleinform Haarken.

Even als de naam van den visch haring in de meeste nederlandsche
tongvallen als hering uitgesproken wordt, zoo komt nevens den mansnaam
Haro ook de form Hero voor. En deze laatste form is ook in Friesland
het meeste in gebruik, veelal als Here of Hero, in misspelling Heere,
en zelfs, door de eigenaardige friesche klankbreking, als Hjerre,
dat men ook wel Herre schrijft. In verkleinform als Heertje en Heerke
en Herke, Herco en Harco komt deze naam eveneens voor, en is nog
in volle gebruik. Behalven de patronymikale geslachtsnamen Hering,
Herink, Herynck, enz. die men ook voor den vischnaam kan houden,
zijn er nog zeer vele andere geslachtsnamen van dezen mansnaam
afgeleid--om van de plaatsnamen niet te spreken. Zie hier eenigen
van die geslachtsnamen: Herincks, Heerinckx, Heringa, Heeringa,
Herenga, Heerema en Heerma, Heersema en Heersma, Heeres en Heeren,
Heerkema, Heerkes, Heerkens, Heertjes, Herrema, Herres, Herking,
Herkes, Herkens. Als tegenhangers van de laatstgenoemde namen,
en daarmede slechts een klein verschil in uitspraak opleverende,
terwijl zy van den zelfden oorsprong zijn, noemen wy hier nog de
geslachtsnamen Harringa, Harsma, Harren en Harrens, Harkema, Harkink,
Harken, Harkens, Harkes, Harksen, Hartjes en Hartjens; ook Hartsinck,
Hartsing, Hartsema en het versletene Harssema, van den oud-frieschen
verkleinform Har-tse = Har-ke, Harco, de kleine Harro.

De zelfde verhouding als tusschen Haro en Hero, haring en hering,
bestaat ook tusschen de vischnamen baars en beers, tusschen de
mansvoornamen Baro en Bero. Van deze oud-germaansche, by de Friesen nog
in volle gebruik zijnde mansvóórnamen kunnen de geslachtsnamen Baars en
Beers ook patronymika zijn, in den form van eenen tweeden naamval. Van
Baro, Barro en van de verkleinformen Barke en Barle (Barlyn) zijn
buitendien nog vele geslachtsnamen afgeleid, die op bl. 391 vermeld
zijn. Die, welke van Bero, Berre, Berke, enz. afkomstig zijn, vindt
men in § 136 opgegeven. Eindelik is nog de plaatsnaam Beers, aan drie
dorpen eigen, in Friesland, in Noord-Brabant en in de antwerpsche
Kempen,--oorzaak geweest van het ontstaan van geslachtsnamen Beers
en Van Beers, misschien ook Beersman en Beersmans.



E. GESLACHTSNAMEN AAN HET PLANTENRIJK ONTLEEND.


§ 135. Is het getal der geslachtsnamen, die in der daad of schijnbaar
ontleend zijn aan de namen van dieren reeds zeer aanzienlik, de
geslachtsnamen afgeleid van de namen van planten en van gedeelten
daarvan, in 't algemeen van voorwerpen uit het plantenrijk afkomstig,
zijn nog veel meer in aantal.

De oorzaken die iemand er toe kunnen gebracht hebben om eenen
plantenaam als geslachtsnaam aan te nemen, zijn velerlei. Menigeen
draagt zulk eenen naam, wijl het huis van eenen zyner voorouders
byzonder kenbaar was door den eenen of anderen boom, die er by
stond. Men noemde zulk een huis dan wel: »het huis onder de linde",
of »by de eiken", of »by den peereboom". En zulke huisnamen gingen
weêr over op de bewoners van die huizen, die men b. v. »Aarnout onder
de linde", of »Bartold by de eiken", of »Hubert van den peereboom"
noemde; of ook by verkorting: »Arnold de Linde", of »Berthout van de
Eiken", of »Hubrecht Peereboom." Ook droeg in de nederlandsche steden
van ouds menig huis de afbeelding of den naam van eenen boom, van eene
plant, of gedeelte daarvan (bloem of vrucht), in den gevel. In het werk
De Uithangteekens van Van Lennep en Ter Gouw kan men daarvan eenige
voorbeelden vinden. En zulke huisnamen gingen eveneens wel over op de
lieden, welke die huizen bewoonden, en werden, by verloop van tyden,
van toenamen tot vaste geslachtsnamen. Als voorbeelden noemen wy:
de Karsseboom en de Sparreboom, beide te Leeuwarden als huisnamen
voorkomende. Verder de Roos, de Lelie, de Koornbloem, de Appel
en de Oranjeappel, de Druivetros, de drie Rapen, het Klaverblad,
enz. Andere lieden weer kregen eenen bynaam, die later een vaste
geslachtsnaam werd, omdat zy sommige voorwerpen uit het plantenrijk
afkomstig, verkochten. Hein, de worteleboer, werd al spoedig Hein
Wortel genoemd,--Bartel, die in granen en zaden handelde, noemde men
Bartel Coolsaet of Barthold Rogge,--Pieter, de kruidenier, kreeg den
bynaam van Pier Peper. En Levi, die »spaansche fruiten", gelijk onze
voorouders zeiden, ventte, heette eerlang Levi Citroen, terwijl men
Krijn, het gooische boertje, die in het najaar zyne lange witte rapen
ter markt bracht, slechts kende als Krijn Langeraap. En al die bynamen
zijn niet slechts aan de personen, aan wie men ze eerst gegeven had,
blyven hechten, maar ook aan hunne kinderen en hun nageslacht. Zy
bestaan tegenwoordig nog als vaste geslachtsnamen.

Om de geslachtsnamen, uit het plantenrijk ontleend, nader aan te toonen
en te verklaren, beginnen wy met de boomen, en vermelden dus eerst de
geslachtsnamen Boom, De Boom, Ten Boom en Onder den Boom. Omdat Boom
ook de naam is van een dorp tusschen Antwerpen en Mechelen, wil ik
den geslachtsnaam Van Boom liefst verklaren als van dezen plaatsnaam
afgeleid. Boomnamen, die geen naderen uitleg eischen, zijn nog:
Appelboom, Kersenboom en Carsseboom, Lindeboom, Noteboom en Neuteboom,
Palmboom, Peereboom, Rozeboom en Rooseboom, Denneboom, Sparreboom
en Mastboom (zoo noemt men wel, vooral in Brabant, alle recht op
gaande en kegeldragende boomen--van daar ook het Mastbosch by Breda en
elders). Dan nog Vygeboom, Vlierboom, enz. De naam van den eikenboom is
my, zonderling genoeg, in dezen thans meest gebruikeliken form nimmer
als geslachtsnaam voorgekomen. Het schijnt dat het nederlandsche volk
dezen boom oudtijds meest genoemd heeft naar den naam zyner vruchten,
de eikels. Zoo laten zich de geslachtsnamen Eykelboom en Eikelenboom
verklaren. In den tongval der friesche steden draagt de eikel den naam
van ekkel: zoo spreekt men te Leeuwarden van ekkelkoffi (fijn gestampte
gebrande eikels), van ekkelspek (het spek van varkens, die met eikels
gemest zijn), enz. Zie bl. 305. En van daar ook de geslachtsnaam
Ekkelboom, te Leeuwarden inheemsch. De oud-hollandsche naam van den
eikel is aker. »De Akerboom" kwam oudtijds in Holland niet zeldzaam
als huisnaam voor, in afbeelding op eenen gevelsteen. In 1868 was er
nog zoo een te zien in de St.-Nicolaas-straat te Amsterdam; [228]
misschien ook heden nog. En de oude rederykerskamer te Vlaardingen
heette De Akerboom. De geslachtsnamen Akerboom en Akerenboom blyven
de gedachtenis aan dezen eigen oud-hollandschen naam bewaren. De
geslachtsnaam Zevenboom vertoont de oud-nederlandsche naam van
den boom, dien men ook sevenboom, savenboom, savelboom noemt,
dien de geleerden Juniperus Sabina noemen, en die oudtijds by
het volk zoo welbekend was. Den geslachtsnaam Slijboom houd ik
voor eene verbastering van Sleeboom, het welk de naam is van den
Prunus spinosa, dien men ook Sleedoorn noemt. Te meer wijl de sleeën,
vruchten van dezen boom, in Groningerland sleien worden genoemd. In den
geslachtsnaam Slebos vindt men ook den naam van deze wilde pruimesoort
terug; slebos, verbastering van sleebosch, een nederlandsche form van
den hoogduitschen geslachtsnaam Schleebusch, die ook in de Nederlanden
voorkomt. Wijl echter Schlebusch ook de naam is van een dorp tusschen
Dusseldorp en Keulen gelegen, zoo kan de maagschapsnaam Slebos ook tot
de namen van byzonder aardrijkskundigen oorsprong worden gerekend; zie
bl. 212. Toch is, am Ende, de dorpsnaam Schlebusch ook weêr ontleend
aan den naam van den sleeboom. De teeboom, waaraan de geslachtsnaam
Teeboom zynen oorsprong verschuldigd is, zal oorspronkelik wel
op het uithangbord van eenen theehandelaar gepraald hebben. Een
oud-nederlandsche naam van dennen, sparren en andere kegeldragende
boomen is kienboom. Kilianus heeft »Kien-boom, kien-hout, pinus,
teda." In versletenen form vinden wy dezen ouden naam terug in den
geslachtsnaam Kieboom.

Enkele geslachtsnamen bestaan ook uit den naam van eenen boom op
zich zelven, zonder het woord boom daar achter. Dit zijn Hagedoorn
en Haeghedoorn, Hulst, De Hulst en D'Hulst. Verder De Linde (kan ook
de riviernaam zijn, zie bl. 243) en De Lynde, Louwerier en Lourier
(hollandsche uitspraak van laurier), Palm en Popelier.

Sommige boomachtige gewassen, van geringe grootte en stevigheid, noemt
men »stok" in plaats van »boom"; b. v. »wijnstok" en »rozestok". De
geslachtsnamen Rosenstok en Wijnstok zijn oorspronkelik deze woorden.

Een zeer oude germaansche naam voor boom is het woord thriu, tere,
tra of dro, al naar de verschillende taalstammen eischen. Dit
woord, dat onder anderen nog in de engelsche taal leeft als tree,
en in de skandinaafsche als träd en træ, boom, was oudtijds ook
eigen aan de nederlandsche taalstammen. Enkele plaatsnamen en
geslachtsnamen hebben dit oude woord bewaard. Men vindt het nog in
de namen Apeldoorn (oud-saksisch Apoldro, appelboom), Appeltern,
een geldersch dorp tusschen Maas en Waal, en Appelterre, een dorp
in Oost-Vlaanderen, by Sotteghem. [229] In sommige gouspraken
is dit zelfde oud-germaansche woord nog tot den huidigen dag in
leven gebleven. In Limburg b. v. draagt de mispelboom den naam van
mispelteer, de vlierboom heet daar holenteer, overeenkomende met
het hoogduitsche woord Holunder (der = boom); en de jeneverstruik
wachelteer, hoogduitsch Wacholder, enz. Oudtijds noemde men in sommige
zuid-nederlandsche gouspraken den appelboom dan ook appelteer,
appelteir, appeltere, overeenkomende met het engelsche appletree,
en den noteboom notelteer, neuteltere. In sommige geslachtsnamen, die
eveneens meest in de zuidelike Nederlanden inheemsch zijn, komen deze
oude boomnamen nog heden ten dage voor. Zulke namen zijn Mispelter,
Mispeltier en, als patronymikon, Mispelters. En Notelteirs, dat my
ook slechts in den tweeden naamval als vadersnaam voorgekomen is. De
geslachtsnamen Hagedoorn, Haghedoorn, enz. en Doornbosch, Dorenbos,
Hoogendoorn enz. behooren eigenlik ook tot deze afdeeling.

Een ander woord om boomen, in het byzonder vruchtboomen aan te duiden,
en dat eveneens in de zuidelike Nederlanden het meeste in gebruik
is, bestaat uit de lettergreep laar (lare, laere, leer, lere). Zoo
spreekt men in die gewesten nog heden ten dage van eenen appelaar,
voor appelboom; van eenen kerselaar, mispelaar, neutelaar, enz. voor
kerseboom, mispelboom en noteboom. Ook deze eigenaardige boomnamen
vinden wy onder de nederlandsche geslachtsnamen vertegenwoordigd. Als
zoodanig zijn my bekend de namen Appelaar, Perelaer, De Haeseleer,
D'Haselaer en D'Haseleire (haselaar = haselnoteboom), Kersselaers,
Kriekelaer, Mispelaere en Mespelaere, Neutelaers, Rozelaar, De
Rozelaar, Roseleer en Rooseleer. Deze namen zijn, zoo als de aard der
zake medebrengt, hooftsakelik in de zuidelike Nederlanden inheemsch.

Is de beteekenis van de tot nu toe vermelde geslachtsnamen, aan
boomnamen ontleend, geenszins duister, met alle geslachtsnamen,
die tot deze groep behooren, en is dit niet het geval. Zoo weet ik
b. v. de geslachtsnamen Huyboom, Toortelboom en Raeckelboom niet
te verklaren; en Göljenboom evenmin. Ook Boerenboom, Boerboom en
Bourboom zijn my zoo min duidelik als Slotboom en Soeteboom. De
geslachtsnamen Graanboom en Meelboom kan ik my slechts voorstellen,
als uit spotterny ontstaan. Bosboom kan eene misspelling zijn van
boschboom, woudboom. Maar evenzeer kan deze naam geduid worden als
bosboom, boksboom, buksboom, hoogduitsch Buxbaum, de soms boomachtige,
welbekende heester, die in de nederlandsche volkstaal veelal den
naam van palm draagt (Buxus sempervirens). In de geslachtsnamen
Kwekkeboom en Quekeboom schuilt een oud woord kwekke, kweke, kwik,
dat leven beteekent, en dat ook nog voorkomt in het woord kwikborn,
levende bron, springbron. Van daar ook de geslachtsnaam Quekkeboorne
(zie § 165). Kwekkeboom en Quekeboom zijn dus, met den geslachtsnaam
Groeneboom, de tegenhangers van de geslachtsnamen Dorreboom en
Dorrenboom.--Hoogeboom, Holleboom, Dikboom en Oldenboom (oude boom,
in saksischen form) eischen geenen naderen uitleg. De geslachtsnaam
Heyligenboom zal wel ontleend zijn aan eenen boom, waaraan het beeld
van eenen Heilige was bevestigd, gelijk zulks wel voorkomt in landen,
waar de roomsche godsdienst de heerschende is. Het zoude echter ook
kunnen zijn dat deze naam van veel oudere dagteekening ware, en nog
uit den tijd stamde toen onze voorouders, nog voor de invoering
van het kerstendom, sommige boomen als heilig vereerden. Ook nog
na hunnen overgang tot het kerstendom bleven de oude Nederlanders,
soms nog eeuen lang, zulke boomen als heilige boomen beschouen en
noemen. Lichtelik kon iemand, naby zulken boom wonende, daaraan
zynen toenaam ontleenen.--De geslachtsnaam Meiboom en Meyboom kan,
ja, hagedoorn of meidoorn beteekenen. Liever echter wil ik dezen
naam duiden als ontleend aan den bekenden »meiboom", die in vele
germaansche gouen in den meitijd, gewoonlik te Pinkster, voor de
huizen werd opgericht, versierd, enz. en waar om heen men danste
en andere feestelikheden bedreef. Waar zulk een meiboom, misschien
een byzonder hooge of schoone, langer dan gewoonlik staan bleef,
misschien wel standvastig zyne plaats behield, daar kon dit geval
gemakkelik aanleiding geven dat iemand, voor wiens huis die meiboom
was opgericht, daaraan zynen toenaam ontleende.--De beteekenis van den
naam Bierboom is my niet duidelik. Zoude het oorspronkelik beerboom,
hefboom, draagboom, dus een werktuich zijn?

Nevens deze boomnamen komen er ook eenige geslachtsnamen voor, die
met het woord hout zijn samengesteld, en die met de boomnamen veelal
na verwant zijn. Zie hier eenigen van die namen: Ebbenhout, Eekhout,
Beukenhout, van bekende houtsoorten afgeleid. Verder Langhout,
en, in saksischen form Lankholt, Witholt, Kromhout en Cromhout,
Drijfhout, Dorhout, enz. De naam Eekhout, in het hedendaagsche geijkte
Nederlandsch «eikenhout," komt in verschillende formen voor; als
Eechout, Eekholt, Eeckhout, Eckholt, Eekhaut, ook in hoogduitschen
form als Eicholtz, enz. Verder nog Van den Eeckhoutte, Van den
Eeckhautte en Van den Eechaute. De geslachtsnaam Beukenhout komt
ook voor als Buekenhaut en Buekenhoudt, in brabantschen form; als
Boekhold en Boekholt, in saksischen form; als Bouchout en Bouckhout,
in vlaamschen form; verder nog als Boekhout, Bucholtz, enz. Schelfhout
komt in Brabant ook als Schelfaut en Schelfhautte voor. Burgerhoudt en
Tuinhout behooren mede tot deze groep. Eveneens Van 't Lindenhout en
Roegholt. Deze laatste naam vertoont den saksischen form voor »ruig
hout", dat is te zeggen: een ruw, ruig begroeid bosch.

De geslachtsnamen Eekhof, Eekhoff, Eeckhoff, Ekhof en Eckhoff, allen
een hof van »eeken" of eikenboomen aanduidende, Beukenhof, Berckhof
en Berckenhof, Appelhof, ook Lindenhovius in verlatynschten form,
enz. mogen almede by deze groep eene plaats vinden. Men vergelyke
verder bl. 278.

Eene byzondere groep van geslachtsnamen omvat nog zulke namen die
samengesteld zijn uit de namen van eenen boom, met een voorzetsel,
meestal ook met het lidwoord en een voorzetsel daarvoor, b. v. Van Eik,
Van Haegedoren, Van der Linde, Verbuecken, enz. Deze namen danken hun
ontstaan ongetwyfeld aan den eenen of anderen byzonderen, door grootte
of iets anders kenbaren of zeldzamen boom, welke naby het huis stond
van den man, die eerst van dien boom zynen toenaam ontleende. Tot deze
groep van namen behooren nog Van den Peereboom en Van den Peireboom,
Van den Kieboom (zie bl. 403), Van der Eiken, Van der Eyken, Van
den Eyken, Van Eik, Van Eyk, Van Eick, Van Eek, Van Eecke, Van Ek,
Van Eck, Vereecke, Vereecken, enz. Verder ook de maagschapsnamen
Vijf-Eiken, met Van Vijfeyken en het kwalik gespelde Veyfeyken,
van eene plaats afgeleid, waar vijf eikenboomen stonden. Deze namen
zijn tegenhangers van den geslachtsnaam die naar drie eiken heet;
te weten van Dreckmeier; zie bl. 305. Eindelik nog de maagschapsnaam
Agtereek, dat is: Achter den eikenboom. Onder deze eiknamen kunnen
ook plaatsnamen schuilen, naar dien plaatsnamen als Eik, Eecke,
Eycken, enz. niet zeldzaam zijn; deze zijn dan oorspronkelik eveneens
aan den eik (als boom) ontleend. Ek in Van Ek en Van Eck kan ook
plaatsnaam zijn, in de beteekenis van »hoek." Verder Van der Wilgen,
Van de Willigen, Van der Willigen, Verwilghen en Utterwulghe (zie
bl. 257);--Van der Flier, Van der Els, Van der Elst, Verelst, Van
den Elsen en Van den Elzen met Verelzen. Verbueken, met Verbuecken,
is een brabantsche form voor Ver- of Van der Beuken. Nevens Van der
Linde (dat ook aan den riviernaam kan zijn ontleend, zie bl. 243) nog
Van der Linden, Verlinde en Verlinden, en Verlindt met Verlint. Dan
nog In den Berken, In den Berke, Van Espen, Verolme (olm is de
zuid-nederlandsche naam van den yp), Van de Peppel (peppel of pappel
of popel is de nederlandsche volksnaam van den populier). Van de
Wijngaert met Van de Wingert, enz. is op bl. 292 reeds vermeld. De
geslachtsnaam aan den abeel of witten peppel ontleend, is vooral in
de zuidelike Nederlanden zeer algemeen, en komt in vele formen voor,
als Van den Abeele, Van den Abeelen, Van den Abbeele, enz. Zelfs,
door overgang van de b in eene m by verkeerde uitspraak, als Van den
Ameele. Aan sommigen dezer namen zal ook wel de naam van het gehucht
Abeele op het eiland Walcheren, tusschen Middelburg en Vlissingen,
ten grondslag liggen. Den geslachtsnaam Van der Palm eindelik zoude
ik liefst verklaren als afgeleid van eenen huisnaam, van den naam
van een huis, waar een palm (boom) als uithangbord uithing of als
gevelteeken was aangebracht. De palmboom in natura komt toch niet in
Nederland voor; wel vinden wy »De Palm" als huisnaam.

Als aanhangsel tot deze groote groep van geslachtsnamen aan boomen,
hout, bosch en woud ontleend, mogen hier nog vermeld worden de meer
algemeene geslachtsnamen Van den Bosch, Van den Bussche, Van 't Wout,
Van der Woude, Van de Woude, Van 't Hout, Van Houte, Van Houtte,
Ten Houte, Op 't Holt, Bymholt (zie bl. 253), Van den Boom, Verboom,
Van de Loo, Van der Elst, Ther Bosch, Wouda, Wolda, Walda, Bosscha,
Boschman, Woudman, Loman, enz. die grootendeels reeds elders in dit
werk vermeld zijn.

§ 136. Zijn de geslachtsnamen aan de namen van boomen ontleend reeds
talrijk, niet minder is dit het geval met die maagschapsnamen welke
bestaan uit de namen van gewassen van kleineren omvang dan boomen
en struiken, en die men onder den naam van planten en kruiden
samenvat. Tot deze groep breng ik tevens die geslachtsnamen welke
ontleend zijn aan de namen van deelen van planten, van bloemen en
vruchten, en van andere voortbrengselen uit het plantenrijk.

In de eerste plaats dan vermeld ik hier als geslachtsnamen ontleend aan
de namen van geheele planten: Byvoet, ook in patronymikalen form als
Byvoets voorkomende; Hoppe, Thijm, Braam en Braem, Brem, Roosemarijn,
Boekweit, Klaver en De Klaver, Coorevitse (zie § 151), Vlas,
Dopheide, Bies en Biese, Quakernaat, Gras, Graan en De Graan, Tarwe
en Taerwe, Rogge, Geerste, Haver, Spelt en Koorn. De geslachtsnaam
Heederik vertegenwoordigt den naam van den hederik of krodde (Sinapis
arvensis), een welbekend onkruid. Wijl echter Hederik, Hadarik ook
een oud-germaansche mansvóórnaam is, zoo als men in Förstemann's
Altdeutsches Namenbuch kan vinden, zoo komt het my aannemeliker voor
te stellen dat de geslachtsnaam Heederik, in Duitschland als Hederich
voorkomende, aan dezen mansnaam ontleend zy.--De maagschapsnamen
Oudegerst en Oltrogge moeten ook tot de graannamen worden gerekend,
even als Tervecoren, Somercoren, Haverkorn, enz.--Mos en Schimmel
zijn twee geslachtsnamen die ik hier ook tot de plantenamen reken,
ofschoon laatstgenoemde naam evenzeer beschoud kan worden als ontleend
aan den naam van een byzonder soort van peerd. En omdat de peerdenaam
»Schimmel" wel als uithangbord en als huisnaam voorkomt, zoo acht ik
het zelfs hoochst waarschijnlik dat de geslachtsnaam Schimmel daar aan
ontleend zy, en niet aan den naam van het schimmelplantje. Ten slotte
behoort in deze groep noch eene plaats aan de geslachtsnamen Kruid,
Kruyt (hier kan ook buskruit bedoeld zijn) en Onkruid.

Als geslachtsnamen bestaande uit woorden die gedeelten van boomen
en planten aanduiden, noem ik hier: Wortel, Stam, Tak, De Bast, Blad
(met Kleeblad, klaverblad), Blom, Bloem, De Bloem, Blomsteel, Vrugt,
De Vrugt, Fruit, Bes, Pit en Kern.

In de maagschapsnamen Blom en Bloem, die dikwijls voorkomen, zoo
als ook de hoogduitsche formen van dezen naam, Blum en Blume, als
geslachtsnamen in de Nederlanden niet zeldzaam zijn, kan oorspronkelik
zoo wel een mansvóórnaam schuilen als het woord bloem. Immers Blom,
Bluoma is een oud-germaansche mansvóórnaam, die oudtijds ook in de
Nederlanden als zoodanig in gebruik moet geweest zijn. Want zeer
vele hedendaagsche nederlandsche (en ook hoogduitsche en engelsche)
geslachtsnamen zijn van dezen mansnaam afgeleid. Zie bl. 93 en 94.

De maagschapsnamen Stam, Bloem, Vrugt, enz. bovenvermeld, zijn aan
algemeene woorden ontleend. Meer byzonder zijn de geslachtsnamen, van
de namen van byzondere bloemen en vruchten afgeleid. Als zoodanig noem
ik hier in de eerste plaats de geslachtsnamen De Roos, Roos, Roose,
Rose, Roze, met Witteroos en Meyroos. Verder Lelie, De Lelie, Lely en
Van der Lelie; deze laatste naam is hoochst waarschijnlik ontleend
aan eenen huisnaam of aan een uithangbord »de Lelie." Vervolgens
Tulp, Boterbloem, Distelbloem, Vlasbloem en Vlasblom, Korenblom,
Heyblom. De geslachtsnamen Goublomme en Gaublomme (beide formen zijn
inheemsch in West-Vlaanderen) acht ik oorspronkelik den naam te zijn
van den van ouds bekenden goudsbloem (Calendula officinalis) onzer
hoven. De geslachtsnaam Blauwblomme eischt geene byzondere verklaring,
al is het dan dat hier wellicht aan de overdrachtelike beteekenis
van dit woord (blaue bloemkes, in de volkstaal eene vergoêlikende
uitdrukking voor leugens--»die blaue Blume der Romantik") moet gedacht
worden. Kleinbloesem is een geslachtsnaam van meer algemeenen aard.

De maagschapsnamen Mispelblom en Gelderblom zijn wellicht hier minder
op hunne plaats als op bl. 364, by de geslachtsnamen aan de wapenkunde,
of in § 128, by de namen aan huisteekens in 't algemeen ontleend. De
bloesem van den mispel, de »mispelblom" was afgebeeld op het oude
wapenschild van Gelre, en werd dien ten gevolge wel »de geldersche
bloem" en »de geldersche roos" of »Roos van Gelre" genoemd. Van
Lennep en Ter Gouw zeggen er van, in hunne »Uithangteekens", dl. I,
bl. 398: »Te Arnhem, te Utrecht, te Gorkum hangt nog aan logementen
de Geldersche Blom uit, die vroeger vry algemeen was, als zijnde de
Mispelbloem, uit het oude wapen van Gelre, die men nog in de wapens
van Lochem en van Deutinchem terug vindt."

Dat de geslachtsnaam Roos, Rooze, Rose, enz. in alle gevallen
oorspronkelik de naam is van de bekende bloem, wil ik geenszins
beweren. Immers Ros, Rose is een oud-germaansche mansvóórnaam, die
als zoodanig in Förstemann's Altdeutsches Namenbuch vermeld wordt. En
dat deze naam, bepaaldelik als mansvóórnaam ook wel in Nederland,
zelfs nog sedert den jare 1500, voorkwam, vermeldt Leendertz in zyne
Naamlijst (Navorscher XXII bl. 612). Overigens, de vrouelike en de
verklein-form van dezen naam, Rosa, Roosje, is als vrouenaam by ons
nog wel in gebruik. Nevens de eenvoudige formen Roos, Rooze, Rose,
enz. bewyzen nog vele andere nederlandsche geslachtsnamen, die men op
bl. 104 vermeld vindt, dat Roos, als mansvóórnaam, oudtijds geenszins
zeldzaam by ons volk moet geweest zijn.

Even min zeldzaam als aan de namen van verschillende bloemen,
zijn aan de byzondere namen van vruchten en zaden geslachtsnamen
ontleend. Nevens het algemeene Vrugt, Bes en Noot met Neut en De Neut,
komen als vruchtnamen voor, de geslachtsnamen: Appel, Den Appel en
Houtappel (ook in hoogduitschen form Holzapfel; de houtappel is de
vrucht van den wilden appelboom). Citroen, Pruim (zie echter bl. 212),
Olijff, Vijgh, Druyff en Rozijn, Meloen, De Amandel, Eykel, Pijnappel,
Kokernoot, Haasnoot, Corstanje en Carstanjen. Eenigen dezer namen
(Citroen, Rozijn, Kokernoot, Corstanje) zijn zeker wel eerst gedragen
geworden door kooplieden die in deze vruchten handelden.

Wat namen van zaden aangaat, kunnen hier, nevens de geslachtsnamen
Bloemzaad en Tuinzaad met Quasaet en Quaesaet (kwaad zaad, zaad
van onkruid), die van algemeene beteekenis zijn, nog genoemd
worden de geslachtsnamen Koolsaet en Coolsaet, Lijnzaad en
Kennipzaad. Zonderlinger wyze heeft het woord raapzaad (denkelik
wel eerst als geslachtsnaam gedragen door kooplieden die in raapzaad
handelden, of door boeren die het verbouden) aan vele geslachtsnamen
oorsprong gegeven, in vele onderscheidene formen, al naar verschil
van taal en tongval, en van spelwyze. Te weten aan de namen Raepsaet,
Rupzaad, Ruebsaet, Rupsaat, Rübsaam, Ribsaam, Ripsam, Ripsaam en
Riepsame.

De geslachtsnamen Peperkorn en Kokkelkoorn behooren ook tot de
zaadnamen; en eigenlik eveneens Haverkorn, Tervecoren, enz. op bl. 408
reeds vermeld.

Speceryen, keukengroenten en andere voortbrengselen uit het
plantenrijk, die eene rol spelen in het dageliksche leven der
menschen, hebben hunne namen ook moeten leenen tot het formen
van geslachtsnamen. Als van zulken oorsprong vermeld ik hier de
geslachtsnamen Peper, Kaneel, Caneel en Canneel, Sucaet, Comijn,
Komijn en Comeyn, Annijs, Salie, Dille en Kervel, Koffy, Coffy, Thee,
Tabak, Toeback en zelfs Tobback. Verder Zoethout (met het hoogduitsche
Süssholz), Siepel, Juyn (sipel is de friesche, juyn of juun (ajuin)
de zeeusche naam van de uie), Juynboll, Peperwortel, Radijs, Langeraap
en De Pee. Ook dienen hier nog de maagschapsnamen Balsem, Pik en Hars
te worden vermeld, als afkomstig van namen van voortbrengselen uit
het plantenrijk.



F. GESLACHTSNAMEN AAN HET DELFSTOFFENRIJK ONTLEEND.


§ 137. Ofschoon niet geheel ontbrekende, zoo komen toch geslachtsnamen,
ontleend aan het rijk der delfstoffen, in veel geringer aantal
voor dan de namen aan het dieren- en plantenrijk ontleend. Dat de
namen van metalen, gesteenten en dergelyke stoffen minder geschikt
zijn voor huisnamen (omdat men ze moeielik afbeelden kan) is zeker
wel eene hoofdreden van het kleine getal geslachtsnamen dat hierop
betrekking heeft.

Nemen wy in d' eerste plaats de namen van metalen, dan vinden wy als
zoodanig de geslachtsnamen Goud en Zilver, met Gold, Silver en Zulver,
volgens de volksuitspraak in vele streken. Verder Koper, Yzer, Lood en
Loot. Als byzondere toestanden van het yzer aanduidende, bestaan de
geslachtsnamen Staal, Koudstaal, Coudyser, Coudyzer en Caudyzer met
Hardyzer. Koperdraat en Yzerdraad (met het hoogduitsche Eisendrath)
behooren eveneens tot deze groep. Ook de geslachtsnamen Van Koperen
en Van Yzeren breng ik er toe, omdat ik deze namen anders niet en
weet te duiden.

In de tweede plaats vinden wy eenige namen van gesteenten, aardsoorten,
enz. dienst doen als maagschapsnamen. Het zijn: Marmelstein,
Bruynsteen, Granaat, Saphier en Diamant. De drie laatstgenoemde
namen zijn, naar myne meening, oorspronkelik bynamen geweest van
kooplieden die met zulke edelgesteenten handel dreven. Intusschen,
»De rouwe Diamant" komt ook als huisnaam voor te Amsterdam, [230]
en kan aan den geslachtsnaam Diamant ten grondslag liggen. By
het israëlitische geslacht dat den naam van Thopas draagt, zal de
oorsprong van dezen naam ook wel te vinden zijn in den handel in
edelgesteenten (topazen). In tegenstelling met dezen zelfden naam,
aan eene oorspronkelik nederlandsche maagschap eigen, en die eenen
geheel anderen oorsprong heeft, zoo als op bl. 262 vermeld is. De
maagschapsnaam Agaat heeft aan eene zeer byzondere oorzaak zijn
ontstaan te danken. Men heeft dezen naam gegeven aan eenen vondeling,
omdat dit kind, toen het gevonden werd, een agaatsteentje, zekerlik
als een herkenningsteeken, aan een bandje om den hals had. [231] De
geslachtsnamen Pecsteen, Wecksteen en Weeksteen, waar van de oorsprong
my niet ten vollen duidelik is, behooren ook nog tot deze groep. Maar
Wetstein is aan eenen huisnaam ontleend. Immers het huis »De Wetsteen"
is nog te Amsterdam bekend in de Jonge-Roelensteeg, oorspronkelik
echter in de Kalverstraat. De beroemde boekdrukker Hendrik Wetstein
bewoonde dit huis (in de Kalverstraat) op het einde der 17de eeu. [232]
Of de hedendaagsche maagschap Wetstein echter de zelfde is als die
van den beroemden boekdrukker, betwyfel ik. Hoekstein en Hoeksteen,
met Eckstein in hoogduitschen form, en met Exsteen, kunnen ook tot
deze groep gebracht worden. Verder Smalt, Gips, Krijt, Roodzant,
Schulpzand en Stuivesand met Stuyvesant. Naardien echter »het Roode
zand" de naam is van eene buurt te Rotterdam, zoo blijft het de
vraag of de geslachtsnaam Roodzant niet veeleer had behoord vermeld
te zijn by de namen aan straatnamen ontleend, op bl. 220. Ten slotte
nog de oude maagschapsnamen Moerenclaey en Moerentorf (moer, moeras;
claey, klei; torf, turf) met Kuindertorf (turf uit de Kuinder, een
vlek op de grenzen van Friesland en Overijssel, waar oudtijds veel
turf uitgevoerd werd).



G. GESLACHTSNAMEN, ONTLEEND AAN HET HEELAL, AAN NATUURVERSCHIJNSELEN,
JAARGETYDEN, BYZONDERE DAGEN, ENZ.


§ 138. Zon, maan en sterren zijn van ouds her zeer menigvuldig als
huisnamen, uithangteekens, enz. gebezigd, en het ligt dus voor de
hand om de geslachtsnamen Zon, Son, Maan, Maen, De Maan, De Maen
en Van der Maen, Ster, Sterre, Star, Stern, Van der Star en Van
der Starre te verklaren als ontleend aan zulke huisnamen. Dit zal
dan in den regel ook wel de oorsprong van deze en soortgelyke namen
geweest zijn. Zoo mede van Morgenster, Sevenster en Sevenstern. Tot
verklaring van den oorsprong van laatstgenoemden naam behoeft
men dus niet een romantisch verhaaltje op te disschen, gelijk in
de geschiedenis van Klaasje Zevenster het geval is. Immers kwam
oudtijds »de Zevenster" zeer veelvuldig als uithangteeken voor. En
nog heden is dit wel het geval, o. a. aan de herberg in het gehucht
Snakkerburen by Leeuwarden. Moeieliker valt de verklaring van den
oorsprong der geslachtsnamen Zonligt en Maneschijn, die ook in
hoogduitschen form als Sonstral en Sonnenschein in de Nederlanden
voorkomen. De maagschapsnamen Avontroodt en Schemering zijn als de
tegenhangers van Zonligt en Maneschijn, en, wat hunnen oorsprong
betreft, my even onverklaarbaar. Trouens, by het grootste gedeelte
der volgende geslachtsnamen is dit eveneens het geval. Te weten by:
Lugt en De Lugt, De Wind en De Windt, Storm, Storme en Sturm [233],
enz. De maagschapsnamen Regenboog en Regenbogen komen niet zeldzaam
voor, en zijn aan verschillende geslachten eigen. »De Regenboog" kwam
oudtijds wel als huisnaam voor. Zoo is althans deze naam gemakkelik te
verklaren. Den naam Regenbogen meen ik niet als een meervoudsform te
moeten beschouen. My dunkt het is oorspronkelik Regenboge geweest,
volgens den frieschen en saksischen form van dit woord (boge,
bage). Door onverstand, meenende in boge eenen, op hollandsche wyze
uitgesprokenen meervoudsform te hooren, heeft men er, in het schryven,
eene n achter gevoegd. De geslachtsnaam Renneboog vertoont eenen
samengetrokkenen form, even als ook in het Friesch, West-Vlaamsch en
Engelsch het woord regen als rein en rain voorkomt. De maagschapsnaam
Vonk is, ook in den form Vonck, veelvuldig over vele nederlandsche
gewesten verspreid. Ook in patronymikalen form, als Vonks en Vonckx
komt deze naam voor. Wat de oorzaak is van deze algemeenheid by eenen
naam die uit een woord bestaat, dat op zich zelven al zeer weinig
voor eenen geslachtsnaam geëigend is, verklaar ik niet te weten.

De laatste namen van het lijstje in de noot beneden aan deze bladzyde
vermeld, voeren ons geleidelik tot die geslachtsnamen, welke bestaan
uit de namen van jaargetyden, maanden, dagen, enz. Hoe men er toe
mag gekomen zijn, zulke weinig geëigende woorden tot maagschapsnamen
aan te nemen, is my een raadsel, ten zy men aanneme dat in die namen
oud-germaansche mansvóórnamen schuilen. Als voorbeelden noem ik hier
de geslachtsnamen Lente, Zomer en Somer, Herfst en Winter, met De
Winter en De Wynter. Laatstgenoemde naam is al zeer oud. Immers reeds
ten jare 1127 leefde er in de vlaamsche stad Iperen een aanzienlik
man die Boudewyn de Wyntere heette. [234] De geslachtsnaam Lente kan
oorspronkelik ook de naam zijn van het gehucht Lenthe, onder Dalfsen
en Heino in Salland, waar de maagschapsnaam Van Lenthe zonder twyfel
ook aan ontleend is. Wil men deze jaargetyde-namen als geslachtsnamen
uit oud-germaansche mansvóórnamen duiden--dan vinden wy vooreerst als
zoodanig den naam Lente. Deze mansnaam moet alsdan beschoud worden als
een andere form of uitspraak van den mansvóórnaam Lante, Lanto, Lando,
die, ook in samenstellingen geenszins zeldzaam is. Brons vermeldt in
zyne Friesische Namen Lente als een vrouenaam. De patronymika Lentink,
in Nederland als geslachtsnaam, en Lenting, in Beieren, by Ingolstadt,
als dorpsnaam voorkomende, wyzen ook duidelik eenen mansvóórnaam
Lente aan. Dit doet ook de patronymikale nederlandsche geslachtsnaam
Lentelink, die geformd is van den verkleinform Lentele (Lentelyn).

Suomar, Sumar, Somar, Somer is een oud-germaansche mansvóórnaam, ook
door Förstemann vermeld. De hedendaagsche geslachtsnaam Somer, Zomer
kan zeer wel oorspronkelik deze mansnaam zijn. By de patronymikale
formen Somers en Somering, die ook als geslachtsnamen geenszins
zeldzaam voorkomen, houd ik dit voor byna zeker.

Wintar vind ik als een oud-germaansche mansvóórnaam in Förstemann's
Namenbuch vermeld. Wintar en Sumar (Winter en Zomer), deze namen
droegen ten jare 858, twee broeders (Altd. Namenbuch, bl. 1126). Maar
ook als samentrekking van den samengestelden oud-germaanschen
mansvóórnaam Winidhari, Winithar, Winthare, Winthere, komt deze naam
voor. De geslachtsnamen Winters en Winterink zijn vadersnamen van
dezen ouden mansvóórnaam.

Namen van maanden zijn my voorgekomen als de geslachtsnamen Meert,
April, De Mey en Julij. Zonder twyfel zijn de namen April en De Mey in
der daad aan de namen der maanden ontleend. In Julij kan een vadersnaam
schuilen. Namelik een latynsche genitivus van den mansvóórnaam
Julius. Terwijl Meert eene verkorting kan zijn van den kerkeliken
mansvóórnaam Martinus, die in sommige nederlandsche gouspraken tot
Meerten geworden is. Daarvan komt ook de patronymikale geslachtsnaam
Meertens. In Koelemey schuilt mede de naam van de maand Mei.

Namen van dagen der week komen ook als geslachtsnamen voor. Te weten
Zondag, Sondag, Sundag, Sontag en Sonntag met Vrydag, Vridagh,
Van Fridagh, het hoogduitsche Freitag en in patronymikalen form
Vrydaghs. Deze geslachtsnamen zijn geenszins zeldzaam. Daarentegen
kwamen Maandag en Maendagh, Dinsdag met Dingsdag en Saterdag my slechts
eene enkele maal voor. Eenen »Woensdag" en eenen »Donderdag" echter
heb ik nooit ontmoet. Of het toeval hierby in het spel is, dan wel
of werkelik de laatstgenoemde namen niet bestaan en wat de oorzaak
mag wezen van dit zoo ongelijkmatige voorkomen, is my niet bekend.

Als geslachtsnamen ontleend aan de namen van byzondere dagen,
dienen hier nog vermeld: Nieuwjaar, met het hoogduitsche Neujahr en
het patronymikale Nieuwejaers. Drykoningen; deze naam kan ook zeer
wel ontleend zijn aan eenen huisnaam. Immers was »De drie Koningen"
oudtijds geen zeldzaam gevelteeken, zoo als men in Van Lennep en Ter
Gouw's Uithangteekens (dl. II, bl. 76) nalezen mag. Verder Vastavond en
als oneigenlike vadersnaam Vastenavondts; dan nog Paschen en Pinkster
met Van Paesschen en Van Pinxteren. De twee laatstgenoemde namen zijn
my niet recht duidelik. Als meer algemeene namen van dagen noem ik de
geslachtsnamen Vierdag en Heylidy. Dezen laatsten naam houd ik voor
eene halve verdietsching van Halliday, oorspronkelik een engelsche naam
(?), die ook in Nederland voorkomt. Verder Mesdag, Mesdagh, Mesdach,
een oorspronkelik vlaamsche naam, en misdag, dag waarop in de Roomsche
kerk de mis gehouden wordt, beteekenende. Uit Vlaanderen is deze naam
ook naar Noord-Nederland gekomen. Een geslacht van dezen naam, thans
in de noordelike gewesten inheemsch, heeft een van daarby genomen,
en heet nu Van Mesdag; een even zonderlinge, tegen den aard onzer tale
strydende form als Van Paesschen en Van Pinxteren. De volksuitspraak
neemt geerne eene t achter sommige letters (zie § 156). Zoodoende
komt de naam Mesdag ook voor als Mestdagh en Mestdach, en is, in dezen
form die eenen zonderlingen zin geeft, aan sommige geslachten eigen.

Als aanhangsel tot deze groep mogen nog de geslachtsnamen Nieuwentijt
en Ouendag, Tijdgaat (zie § 148), De Zaeytijdt, Duurentijdt en Ontijd
vermeld worden.



H. GESLACHTSNAMEN AAN DE NAMEN VAN LICHAAMSDEELEN ONTLEEND.


§ 139. De enkele, eenvoudige namen van menschelike lichaamsdeelen
komen ook als geslachtsnamen voor. Ik vermeld deze namen hier in eene
afzonderlike groep, als aanhangsel van de andere namen die rechtstreeks
ontleend zijn aan voorwerpen en zaken uit de natuur. Ik had aan
deze maagschapsnamen, aan de namen van lichaamsdeelen ontleend, ook
gevoegelik eene plaats kunnen geven by die geslachtsnamen, welke hun
ontstaan danken aan byzondere lichamelike eigenschappen der menschen;
§ 124-126. Immers velen van de onderwerpelike geslachtsnamen zijn
eerst als bynamen in gebruik geweest voor personen, by welke het
eene of andere lichaamsdeel, wegens misforming, byzondere grootte,
of eenige andere oorzaak, in het byzonder de opmerkzaamheid van
andere lieden trok. Zoo krijgt b. v. iemand, die de opmerkzaamheid
van anderen opwekt door eenen zeer grooten, of krommen, of rooden
neus, al lichtelik den bynaam van »Neus". En dat zulke bynamen
langzamerhand vaste toenamen geworden zijn, en eindelik vaste
geslachtsnamen, daarvan zijn in dit werk reeds vele voorbeelden
opgenoemd. My is iemand bekend, wiens gebit, door byzonder groote
snytanden in de bovenkaak, en door eene korte bovenlip, sterk in het
oog loopt. Deze man draagt daar eenen bynaam af, te weten dien van
(zeggen wy maar Teake) Tosk. Immers hy woont in Friesland; en tosk
(tusk) is het friesche woord voor tand. Dat zulk een bynaam oudtijds
in der daad een vaste geslachtsnaam is geworden, wordt door het
voorkomen, heden ten dage, van de geslachtsnamen Tand in Holland,
Tosch in Friesland, en Zahn in Duitschland (ook van daar in Nederland
overgebracht) bewezen. Karl Strackerjan verhaalt in zijn werk Die
Jeverländischen Personennamen, bl. 39, van eenen boerenarbeider, die
»bekam einmal beim Mähen von seinem Nebenmann mit der Sense in der
Wade, plattdeutsch Küet, eine Wunde, an welcher er lange zu leiden
hatte. Bald hiess er in seiner Umgebung nur »Behrend Küet", und als
er starb, erbte sein Sohn den Namen. Trotz Widerspruch und Klagen
bei der Behörde, zum Theil auch wohl eben deswegen, blieb für ihn
der Name »Gerd Küet" und sein Häuschen hiess die Küeterê" (kuitery,
in het Hollandsch). »Sicherlich wäre daraus ein Familienname geworden,
wenn Kirchen- und Erdbuch noch eine solche Schöpfung des Volksmundes
aufgenommen hätten." Intusschen komt in Nederland werkelik Kuit en
Kuyt als geslachtsnaam voor; terwijl te Rotterdam eene brug den naam
draagt van Jan-Kuiten-brug, ten bewyze dat ook daar een man geweest
is die Jan Kuit heette of aldus genoemd werd.

Als voorbeelden van geslachtsnamen ontleend aan de namen van byzondere
lichaamsdeelen, noem ik hier: Hooft en 'T Hooft, met Hoeuft, Heuft
en het versletene Heuff, die ik niet anders kan verklaren dan als
eene byzondere uitspraak van het woord hooft of hoofd in de eene
of andere byzondere gouspraak. In den geslachtsnaam Bleyenheuft
komt deze spelwyze ook voor; en eene andere in Schoonhoefd (zie
bl. 345). Moet eerstgenoemde geslachtsnaam verklaard worden als
»looden hoofd"? Beduidt deze naam niet hoofd of kop van lood,
die als uithangteeken diende? en is dus een tegenhanger van de
geslachtsnamen Goudenhooft en Houthoofd (zie bl. 367 en 368)? Verder
D'Oore, in Vlaanderen voorkomende. De Vlamingen spreken nog zeer
te recht en taalkundig zuiver de oore, voor het noord-nederlandsche
het oor. Zoo spreken zy ook de ooge, voor het hollandsche het oog,
en dien ten gevolge meen ik den vlaamschen geslachtsnaam Doghe te
moeten verklaren als D'Oghe, D'Ooghe, De Ooghe, het oog. Misschien
echter schuilt in dit Doghe ook de bekende geslachtsnaam De Hooge,
De Hoog, op vlaamsche wyze uitgesproken en geschreven, als D''Oge,
De Hoge, De Hooge. Nevens D'Oore in Vlaanderen komt in Holland de
geslachtsnaam Oor voor, en zelfs het fransche Oreille. Verder De Neus,
Neus, Kaakebeen, Mond (en Bek; zie echter bl. 279), Tand, De Tandt,
Kies, Baert, Den Hals, Borst, De Borst, Buyck, Maagh, Lever, Blaas,
'T Hart, Pols, Vuist, De Vuyst, Duim, Duym en zelfs Van Duym, Pinck,
Been (en Poot), Kuit en Kuyt, Scheen, Voet en Hiel, Nagel en De Naeghel
(zie bl. 365). Eindelik nog Vel en Schornagel (scheurnagel? de man
die kenbaar was aan eenen gescheurden nagel).

By deze namen zullen er wel enkelen zijn, die eenen anderen oorsprong
hebben, en die slechts toevallig de namen van lichaamsdeelen
vertoonen. Zoo kan in Baert een oud-nederlandsche mansvóórnaam
schuilen (Baert, Beert, Barend, Berend, Bernard, Bernhart), de zelfde
mansvóórnaam die ook aan de patronymikale geslachtsnamen Baarts en
Baerts ten grondslag ligt. Blaas komt voor als eene verkorting van
den kerkeliken mansvóórnaam Blasius (zie bl. 181), en zoo kan dus
de geslachtsnaam Blaas zeer gevoegelik gehouden worden als zynen
oorsprong te ontleenen aan genoemden mansnaam. Polle is een friesche
mansvóórnaam, en de geslachtsnaam Pols kan zeer wel een tweede naamval,
een patronymikale form daar van zijn. Wel is de friesche mansvóórnaam
Polle of Pol als zoodanig weinig in gebruik; maar hy ligt toch aan
verschillende geslachtsnamen ten grondslag. Te weten aan Pollema,
Polsma, Polling, Pollen, Pollsen, enz.; allen vadersnamen. En ook
aan het verlatynschte Pollius. In den geslachtsnaam Been kan de
friesche mansvóórnaam Bene schuilen, de oud-germaansche naam Beno,
welke ook oorsprong gaf aan de patronymikale geslachtsnamen Beninga,
Beenenga, Beening, Beens, Beenen, Benes, Benen, enz. Hile (Hyle)
eindelik is nog een friesche mansvóórnaam, die tegenwoordig meest in
verkleinform, als Hylke en Hyltje voorkomt. De geslachtsnaam Hiel kan
zeer wel oorspronkelik deze mansnaam zijn. Aan de geslachtsnamen Hylen,
Hieltjes, Hielkes (zie bl. 150) heeft hy tevens oorsprong gegeven.



I. GESLACHTSNAMEN, AAN DE NAMEN VAN SPYZEN, DRANKEN EN KLEEDINGSTUKKEN
ONTLEEND.


§ 140. Spijs en drank en kleeding zijn zaken die eene groote rol
spelen in het dageliksche leven der menschen. Het is dan ook niet
vreemd dat de namen daar van wel voorkomen als geslachtsnamen. Iemand
toch, die byzonder graag deze of gene spyze of drank at of dronk,
die daar voor bekend was by zyne omgeving, kreeg al licht, uit spot,
zulk eenen naam als bynaam. En deze bynamen gingen als gebruikelike
toenamen, later als vaste geslachtsnamen wel op de kinderen en
nakomelingen dier mannen over. En even zoo ging het met de namen
van kleedingstukken. Iemand die bekend was wegens het dragen van
't eene of andere byzondere, ongemeene, of sterk in het oog vallende
kleedingstuk, kreeg al licht den naam daar van als bynaam. Ook kwamen
de afbeeldingen en namen van spyzen en dranken en kleedingstukken
wel als gevelteekens en huisnamen voor. Zoo kan ook langs dien weg
menige dergelyke geslachtsnaam in gebruik gekomen zijn.

By de opsomming der geslachtsnamen aan de namen van spyzen
ontleend, mogen wy wel beginnen met »den staf des levens", met
het brood. Broodnamen zijn Wittebroodt, Soetbrood, Schoonbrood,
Platbroodt. Eerstgenoemde naam is al oud; immers Jan Wytbroot was
reeds in 1511 een burger der stad Leeuwarden. [235] Ook in Engelland
komt de geslachtsnaam Whitbread voor, terwijl het fransche Blanpain in
Nederland my voorgekomen is. Verder Teirbroodt, dat is het brood waar
men van teert, het dageliksche brood om van te leven. De geslachtsnaam
Droogenbroodt is een tegenhanger van den maagschapsnaam Boterenbrood,
welke naam ook in den form Botterbrodt voorkomt, en van Kaasenbrood. De
laatstgenoemde geslachtsnaam komt ook, half verfranscht, als De
Casembroot voor. Te Monster in het Westland ziet men, aan eene herberg,
nog »Kaas en brood" als uithangbord. [236]

Tot het bereiden van brood is koorn noodig; en ook zuurdeeg. Deze
woorden zijn ook tot geslachtsnamen geworden; namelik als Broodkoren,
Broodcoren, Brotcorne, en zelfs in versletenen form en als vadersnaam
Brocorens. En als Zuurdeeg (met den hoogduitschen form Sauerteig).

Als aanhangsel tot deze broodnamen vermelden wy nog de geslachtsnamen
Beschuydt en Wermenbol (warme bol) met Krentebol. Eene bol is een
bolvormig fijn gebak; in Friesland noemt men nog alle wittebrood
»bolle". Deze bolnamen, waartoe misschien ook Wittebol (zie bl. 343)
behoort, voeren geleidelik tot de koeknamen, die vertegenwoordigd
worden in de eerste plaats door de eenvoudige geslachtsnamen Koek en
Coucke, in Holland en Vlaanderen, en dan door Wittekoek, Krentekoek
en Pannekoek, Pankoek, Pannekoucke, enz. De vorm Pantekoek komt ook
voor. Wijl my nooit, in geen enkele gouspraak, de uitspraak pantekoek
voorgekomen is, in plaats van pannekoek of pankoeke, zoo weet ik het
voorkomen van dezen eenigszins zonderlingen naam niet te verklaren.

Zuivelspyzen waren van ouds her by de Nederlanders zeer bemind
en werden dageliks genuttigd. Vooral in het veeryke Holland en
Friesland. De namen van zulke spyzen vindt men in de geslachtsnamen
Heetebry, Wittewronghel, Ouboter, Dolleboter, Kaas en Caes, Hooikaas
en Ooykaas, enz. Als men melk by middel van eenig stremsel, gewoonlik
van leb, stremt, dan schift zy zich in de vaste, kaasachtige stoffen,
wrongel genoemd, en in de vloeibare bestanddeelen, de wei of hui, in de
friesche gewesten waei of wai genoemd. (Van daar de noord-hollandsche
geslachtsnaam Waaiboer). Die wrongel was vroeger als verkwikkende en
verkoelende spyze zeer bemind. Te Groningen, buiten de Heerenpoort,
is het Wrongelhuus nog bekend, waar men zich aan wrongel vergasten
kan. Ook buiten Hamburg werd my nog, in eene boereherberg, wrongel
voorgezet. De oude Vlamingen, in de middeleeuen, schynen ook groote
liefhebbers van zuivelspyzen geweest te zijn; althans de vlaamsche
boeren, de zoogenoemde »vlaamsche kerelen", die oorspronkelik Friesen
en Saksen waren. Immers luidt het referein van een middeleeusch
vlaamsch volkslied, een spotlied op die »keerlen":


        »Wronghele ende wey,
        Broot ende caes,
        Dat heit hi al den dach!"


En werkelik is ook thans nog de geslachtsnaam Wittewronghel met
Wittevronghel en Wittevrongel in Vlaanderen inheemsch. De juiste
beteekenis en oorsprong van den zonderlingen naam Dolleboter is
my onbekend. Ooykaas houde ik voor eenen versletenen, ouden form
van Hooikaas.

In de middeleeuen was karnemelk en wei de dageliksche drank van den
geringen man, als hy geen bier bekostigen kon; vooral ook van vrouen
en kinderen. Het was het drinken of het zuipen, het suypen, gelijk
men toen zich uitdrukte en schreef, als by uitnemendheid. Van daar
dat in de friesche taal karnemelk nog heden sûpe (spreek ongeveer als
soepe uit) heet. In de friesche steden, waar, b. v. te Leeuwarden en te
Sneek, »de Suupmerk", in deze eeu soms verhollandscht tot »Zuipmarkt",
nog bestaat, zegt men suup. Elders in de noordelike gewesten, b. v. te
Groningen, is eene zuivelspyze als diksoepen bekend; en ook in Brabant,
b. v. te Breda, kent men zuipen als zuivelspijs. De geslachtsnamen
Karmelk, Soetewey en Vetsuypen, met den patronymikalen form Vetsuypens,
leggen nog getuigenis af van het zuiveldrinken onzer voorouders.

Vleesch- en vischspyzen zijn my slechts voorgekomen in de
geslachtsnamen Potharst, Spek, Ham, Spekham, Worst en De Worst,
Pannevis, Pekelharing en Stokvis. De naam Potharst komt menigvuldig
voor, ook in de versletene formen Pothast en Potthast. Potharst bestaat
uit vuistdikke stukken rundvleesch, van de harst (ruggestreng),
met gort en rapen of wortelen samengesmoord. In Holland noemt men
dit herfst-gerecht hutspot. Sedert de opkomst der eerdappelen in de
Nederlanden, is (jammer genoeg!) de potharst van de tafel der burgery
verdwenen; toch is hy hier en daar in onze noordelike en oostelike
gewesten nog bekend en in gebruik. Kiliaan heeft »Pot-harst,
Sax. Fris. Sicamb. j. hutspot. Caro iussulenta."--»Schelharst"
is de naam van een ander stuk vleesch. Ook dit woord komt als
geslachtsnaam voor, maar dan in verbasterden form, door de vage
uitspraak der r, byzonder der ar, by de saksische Nederlanders. Te
weten als Schelhaas. Nevens den geslachtsnaam Spek komt ook Van der
Spek voor, en Van den Ham naast het enkele Ham.--»De Ham", vooral »De
Westfaalsche Ham" was oudtijds als huisnaam niet zeldzaam, en staat
nog heden te Haarlem in den Anegang. Daarenboven heeft het woord ham
nog eene algemeen-aardrijkskundige beteekenis, en formt als zoodanig
aardrijkskundige namen. Vele dorpen en buurten in de verschillende
nederlandsche gewesten dragen den naam van Ham en Den Ham, ook in
samenstellingen (Drogeham, Blankenham, IJsselham). De geslachtsnaam
Van den Ham zal dus waarschijnlik, even als Ten Ham en Hamstra,
afgeleid zijn van dit algemeen-aardrijkskundige woord.

Namen van spyzen en gerechten, uit het plantenrijk herkomstig,
ontmoeten wy in de geslachtsnamen Kool en Cool, Buiskool, Boerkool,
Warmoes, Koolmoes, Witteboon, Gort, Gortworst en Potjegort. Nevens
den naam Witteboon komt ook Bonewit voor; beide deze namen zijn aan
israëlitische maagschappen eigen. Is de naam Witteboon misschien door
een spelend vernuft aangenomen als een ommekeer, een tegenhanger van
den reeds bestaanden naam Bonewit? En is deze laatste naam misschien
weêr eene verbastering van den eveneens voorkomenden maagschapsnaam
Bonewitz, die van slavischen oorsprong is? Zie § 164. In Kool en Cool
kan ook de oud-germaansche, door Förstemann vermelde mansvóórnaam
Colo schuilen. Zie bl. 102. Nevens Boerkool komt ook de geslachtsnaam
Boerkoel voor. Deze laatste naam schijnt my toe niet eene verbastering
te zijn van den eerstgenoemden, maar veeleer te behooren tot de koel-
(kuil) namen, op bl. 256 en 289 opgenoemd.

Om al deze namen van spyzen en gerechten te besluiten, moet hier nog
de geslachtsnaam Braspot vermeld worden, die (brassen = smullen) de
kroon op alle voorgaanden zet. En dan, als toegift, noemen wy hier nog
de geslachtsnamen Mostert, Olie, Oly en Honig. Vooral de laatste naam
is geenszins zeldzaam, en komt in allerlei formen en spelwyzen voor,
als Honingh, Honing, Honigh, Hooning en Heuninck.

Van de spyzen tot de dranken overgaande, vinden wy dat bier en wijn,
ook in samenstellingen, almede hun aandeel hebben moeten leveren
tot het formen van geslachtsnamen. Die woorden komen voor in de
geslachtsnamen Bier, Wijn en De Wijn. Vervolgens in Zuurbier (de
hoogduitsche form Sauerbier komt ook in Nederland voor) en Soetbeer,
hetwelk een platduitsche form is. Beer, in plaats van bier, komt ook
in den geslachtsnaam Beerstecher, zie bl. 183 en 311, voor. Verder nog
Scherpbier, Dunbier en Dunnebier en Coelenbier met Coelembier. Een
byzondere soort van bier dat oudtijds te Groningen gebrouen werd,
droeg den naam van Kluun, verhollandscht tot Kluin. Van daar dat
het vrachtschip van Groningen op Leeuwarden, het welk oudtijds
geheele ladingen van dat veelbegeerde bier bewesten Lauers bracht,
in laatstgenoemde stad nog steeds den naam draagt van »kluunskip",
kluinschip. En van daar dat het pijnlike voeteuvel (podagra), dat men
zich op den hals, of beter in den voet haalt door onmatig bierdrinken,
in het Friesch den naam draagt van »kluunskonk" [237] Kluun en Kluin
zijn twee geslachtsnamen, in de noordelikste gewesten inheemsch.

Nevens Zuurbier treffen wy den geslachtsnaam Soerewyn aan, een friesche
en saksische form van »zurewijn". En als de weêrga van Coelenbier
de geslachtsnaam Koelewijn. Andere formen van laatstgenoemden naam
vertoonen nog de geslachtsnamen Koldewyn en Kollewyn. [238] Maar de
geslachtsnamen Coldewey, Kollewei en Kohlwei verwarre men er niet
mede. Dezen immers hebben eenen gants anderen oorsprong en beteekenis;
het zijn plaatsnamen. Aan verschillende gehuchten in de friesche
streken van Oldenburg, in de gemeenten Ferwert of Fedderwarden, Berne,
Grootkerk of Hohenkirchen, is deze plaatsnaam eigen. De geslachten
die thans in de Nederlanden deze namen voeren, zullen oorspronkelik in
genoemde gehuchten gezeten geweest zijn. Als de naam van eene byzondere
soort van wijn, die oudtijds door de Nederlanders gedronken werd, komt
de geslachtsnaam Romeny voor; en Rummenie, dat slechts eene andere
schrijfwyze is van het zelfde woord. Men vergelyke hier echter bl. 210.

Ten slotte noem ik hier nog de geslachtsnamen Koekenbier en
Bierenbroodspot. De eerste toont ons een oorbeeldig boerenonthaal. De
laatste is de naam van het dageliksche morgen- en avondgerecht
onzer voorouders. Roggenbrood, vooral ook roggentweebak, in dunbier
gebrokkeld en te zamen verwarmd, dat was »de bier-en-broodspot",
die oudtijds zoo hoog in achting stond, dat hy wel op gevelsteenen en
als huisnaam voorkwam, en dat hy zelfs, vermoedelik langs dien weg,
geslachtsnaam geworden is.

§ 141. Als geslachtsnamen, die oorspronkelik de namen zijn van
kleedingstukken, noemen wy in de eerste plaats Jas (met Van
der Jas), Buis en Buys, Broek, Hoos, Das, Mantel, Schorteldoek
en Borstlap. De oorspronkelike beteekenis der drie laatstgenoemde
namen als kleedingstukken, is buiten twyfel. Niet alzoo is het met de
anderen. Jas immers is ook als verkorting van den mansvóórnaam Jasper
in gebruik. In Buis en Buys kan ook een mansvóórnaam schuilen, en wel
de zelfde die voorkomt in de patronymikale maagschapsnamen Buysing,
Büsink, Bussing, Bussink, Buissink, Buisinga, Buisma, Busma, Buyssens,
Buyse, Buizen, Buyze, enz.; in verkleinform als Buyskes, Busken en
Buska (zie echter bl. 270). Namelik de oud-germaansche mansnaam Buso,
door Förstemann vermeld.--Broek kan men ook rekenen tot de namen
van algemeen-aardrijkskundigen oorsprong (zie bl. 281), even als men
Das tot de diernamen kan tellen. De beteekenis van het woord hoos,
als kleedingstuk, zweeft tusschen die van onze hedendaagsche woorden
broek en kous. In het hedendaagsche Friesch heeft hoas de beteekenis
van kous. Maar in Holland had in de middeleeuen hoos de beduidenis
van een kleedingstuk, dat bestond uit broek en kousen aan één stuk,
gelijk men in die tyden droeg. Buitendien zoude men den geslachtsnaam
Hoos nog kunnen voegen by die welke in § 138 vermeld zijn, omdat hoos
ook de naam is van een natuurverschijnsel.

Als ontleend aan de namen van byzondere soorten van kleedingstukken
noemen wy nog de maagschapsnamen Ruygrok en Ruifrok, Ruigrok en
Ruyfrok, allen het zelfde beteekenende. Immers ruig, ruif, ruw zijn
niet aleen woorden van de zelfde beduidenis, maar ook van den zelfden
oorsprong. Ook zijn deze namen al van oude dagteekening. Volgens het
tijdschrift De oude Tijd, jaargang 1869, bl. 206, komt reeds in eene
oorkonde van den jare 1435 zekere Jan Ruychrock voor.--Verder Langerok
en Langerock, Zwarterok, Blontrock en Schoonrok, Witjas, Bontemantel,
enz. Oudtijds was »De Bontemantel" een huisnaam die meermaals voorkwam;
volgens Van Lennep en Ter Gouw onder anderen te Amsterdam, Antwerpen
en Delft. Als geslachtsnaam komt Bontemantel, waarschijnlik aan eenen
huisnaam ontleend, reeds in het begin der jaren 1500 voor. Een der
eerste ontginners van het Bilt in Friesland droeg dezen naam. En deze
naam is daar weêr gegeven aan het huis door dien man geboud en bewoond,
en als huisnaam, daar tot op den huidigen dag in wezen gebleven. In
dit geval heeft dus eerst een huis den naam gegeven aan eenen man,
en later is die naam weêr van den man op een huis overgegaan.

In sommige nederlandsche gouspraken, vooral in die van onze
noordoostelike gewesten, draagt een mansbroek den naam van bokse. Of
de zonderlinge geslachtsnaam Vixseboxse, dien ik anders niet en weet
te verklaren, met dat woord in verband staat? En dus fiksche broek
beduidt? In dit geval zou deze naam zoo zonderling wezen, dat ik dit
naueliks aannemen durf. Trouens, aan zeer zonderlinge namen hebben
wy geen gebrek. § 147 en vervolgens leert dat voldoende. Daar zijn
er nog wel zonderlinger vermeld dan Vixseboxse, ook al neemt men
bovengenoemden oorsprong aan. De geslachtsnaam Kousbroek, die in
Vlaanderen in den byzonderen form Van Causbrouck voorkomt, doet aan
de middeleeusche hozen, op de vorige bladzyde vermeld, denken. Of
aan de geslachtsnamen Blaauwbroek, Bruynbroeck, Wittebrouck en
Rybroek de naam van het kleedingstuk ten grondslag ligt, of wel
het algemeen-aardrijkskundige woord broek = moeras, is moeielik
uit te maken. Ik houd het laatste voor het waarschijnlikste. In
Van Swartenbrouck is dit zekerlik het geval. Maar in den als
patronymikon voorkomenden geslachtsnaam Swartenbrouckx is het weêr
twyfelachtig. Ook is de oorsprong en eigenlike beteekenis van den
maagschapsnaam Geuzebroek, waar aan toch hoochst waarschijnlik wel
een plaatsnaam ten grondslag ligt, my onbekend gebleven.

Als geslachtsnamen ontleend aan de woorden die hoofddeksels en
voetbekleedsels aanduiden, vermeld ik hier: Hoed, Hoet en Hoedt met
D'Hoedt, Den Hoed en Den Hoedt. In Ten Hoet schijnt een plaatsnaam
te schuilen, dien ik echter niet aanwyzen kan.--Verder Geelhoed en
Zwarthoed, met de hoogduitsche namen Grünhut en Schönhuth, die ook in
de Nederlanden voorkomen. Ook Pet, Muts en Dubbeldemuts. Dan Laars en
Leers, Schoen en Schoe. Deze laatste naam vertoont den oorspronkeliken,
zuiveren, eenvoudigen form van het woord. De maagschapsnaam Schoegje
vertoont den byzonderen verkleinform (in plaats van »schoentje"),
welke in Friesland zoo wel als in het Overmaassche by Dordrecht, der
volksspreektaal eigen is. Van der Laars zal oorspronkelik wel de bynaam
geweest zijn van eenen leersemaker, even als Van der Jas die van eenen
kleêrmaker. Maar deze geslachtsnamen kunnen ook aan huisnamen ontleend
zijn. Immers gevelteekens als »De Roode Leers" of »De Rylaers" kwamen
oudtijds niet zeldzaam voor.--Ook behooren hier nog vermeld te worden
de maagschapsnamen Klomp, Trip (eene muil met houtene zool) en Schaats.

Gedeelten van kleedingstukken leenden hunne namen aan de geslachtsnamen
Knoop en Cnoop (die ook in patronymikalen form als Knoops en Cnoops
voorkomen), Roksnoer en Mouw. Raadselachtig is my de geslachtsnaam
Der Mouw, wegens dat voorvoechsel der; een oud lidwoord? of het
verbogene vrouelike lidwoord? By de vier knoopnamen zal men wel liefst
te denken hebben aan den mansvóórnaam Knoop of Cnoop, die oudtijds
wel in de Nederlanden voorkwam. (Zie De Navorscher, XXII, bl. 566
en 574). Ten slotte komen de namen van kleedingstoffen nog voor in
de geslachtsnamen Bommezijn, Chits, Flanel, Katoen, Scharlaecken,
Vijfschaft en Witdoeck. Vijfschaft (Fiifskaft) is de friesche en
friso-saksische naam van zekere wollen stof die oudtijds door de
landlieden in onze noordoostelike gewesten geweven werd. Zy heette
alzoo naar hare byzondere wyze van samenstelling. De geslachtsnaam
Vijfschaft is dan ook in Drente inheemsch, waar ook nog fiifskaft
gedragen wordt. Waarschijnlik zijn al deze namen oorspronkelik bynamen
geweest van lieden die in zulke stoffen handel dreven. De naam
Witdoeck is aan verschillende geslachten in de zuidelike gewesten
eigen. Hy komt daar ook in de spelling Wittouck voor, en tevens in
de patronymikale formen Witdouckx en Wittoucx.



J. GESLACHTSNAMEN, AFGELEID VAN DE NAMEN VAN MUNTEN, GELDSOORTEN,
MATEN EN GETALLEN.


§ 142. De geslachtsnamen die geformd zijn uit de namen van munten en
geldsoorten, maten en getallen, hebben gewis ook, althans ten deele,
hun ontstaan te danken aan gevelteekens en huisnamen. Voor een ander
deel ook aan bynamen, die uit de eene of andere oorzaak, welke nu niet
meer na te speuren is, oudtijds dezen of genen man gegeven waren. Dat
eene oud-amsterdamsche maagschap, uit de 16de eeu, haren naam Reael
ontleende aan »De gouden Reael" (een muntstuk uit dien tijd), zoo als
het huis heette aan het Damrak te Amsterdam, waar Laurens Jacobsz. de
stamvader van dit geslacht woonde--is bekend. En zoo zal het ook wel
gegaan zijn met andere geslachten, die tegenwoordig den naam van een
muntstuk of iets dergelijks, als naam voeren.

Om met de kleinste munten te beginnen, vermelden wy eerst
de geslachtsnamen Penning en Penninck, en, nog geringer,
Kleinpenning. Gering is ook de beteekenis van den naam
Schimmelpenninck, al wordt hy door een aanzienlik geslacht
gedragen. Een penning echter, die men zoo lang in eenen spaarpot
bewaard had, dat hy er beschimmeld uitkwam, was by onze zuinige
voorouders, als een bewijs van spaarzaamheid, in hooge weerde. In den
form Schimmelpenning is deze geslachtsnaam almede by ons inheemsch. Ook
de hoogduitsche form van dezen naam komt in Nederland voor, als de
geslachtsnaam Schimmelpfennig; buitendien ook nog versleten als
Schimmelpfeng. Minder in achting was de kwade, dat is de valsche
penning, die nog in den geslachtsnaam Quapenninck leeft. Zulk een kwade
penning werd oudtijds in den winkel waar hy aangeboden of ontdekt werd,
met eenen spyker doorgeslagen en aan de toonbank of den toogdisch
bevestigd. In de vorige eeu was dit nog in Friesland in gebruik, en
dat men het ook in Vlaanderen deed, bewijst dit vlaamsche rijmke,
dat tevens den oorsprong van den geslachtsnaam Quapenninck buiten
twyfel stelt:


        "Slaet al wat kwapennink is
        "Slaet kwapennink aen den disch!
        "Dat van Brugge tot aen Gent
        "Heer Kwapennink sta bekend!
        "Als dat hy kwapennink is!
        "Slaet kwapennink aen den disch!"


De speelpenning had geen eigenlike weerde. Hy was dan ook in den handel
niet gangbaar, en vertegenwoordigde slechts eene ingebeelde weerde als
hy by eenig spel diende, op de wyze der hedendaagsche beenen vischjes,
die men in kwaad fransch wel fiches belieft te noemen. Duitsche
speelpenningen, met den stempel »Spielmarke" er op, waren in myne
jeugd te Leeuwarden nog in gebruik. In den geslachtsnaam Speelpenning
is dit woord bewaard gebleven. De braspenning was in den ouden tijd
een muntje, waar men, in die goedkoope dagen, voor »brassen", smullen
kon. Zóó althans verklaart de volksmond dezen naam, by de overlevering
van den metselaar die aan St.-Jans-kerk in 's Hertogenbosch arbeidde,
en die den pot met groene-erwten-soep, welke zyne vrou hem als zijn
middagmaal bracht, verachtelik omschopte, terwijl hy uitriep:


        »Is dat eten voor eenen man.
        "Die daags eenen braspenning verdienen kan?"


De geslachtsnaam Braspenning (zie ook Braspot op bl. 423) komt nog
heden ten dage voor. Meer als in al deze enkele penningen leit er
opgesloten in den geslachtsnaam Tweepenninck, die ook in patronymikalen
form, als Tweepenninckx voorkomt.

Voor wy tot de namen van andere munten overgaan, dient hier nog
vermeld, dat men in den geslachtsnaam Penning en Penninck niet
onvoorweerdelik den muntnaam zien moet. Immers kan deze naam evenzeer
een oud patronymikon zijn van eenen oud-germaanschen mansvóórnaam Penne
(Pinne), dien ik wel niet afsonderlik, en als zoodanig, in eenig oud
geschrift aantoonen kan, maar die toch zekerlik in gebruik geweest
is. Dit blijkt zonder eenigen billiken twyfel uit de geslachtsnamen
Penninga en Pennenga, die in Friesland inheemsch zijn. Alsmede
waarschijnlik uit Pens, en uit Penninckx in Vlaanderen, uit Penning in
Engelland voorkomende, en uit Penninkhof. Verder uit den westfaalschen
geslachtsnaam (Von) Pinning, uit den naam van het uitgestorvene
oud-friesche geslacht Pingia (dat is eene samentrekking van Pinninga),
en misschien ook uit den groningerlandschen geslachtsnaam Pynema, en
uit Pienemann. In de plaatsnamen Pennington in Hantshire (Engelland);
Pennigbüttel, een dorp by Osterholz in Hanover; Pennigsehl, een dorp in
Hoya (Hanover); Pingjum, dat is Pingia-hum, Pingia-heim, Pinninga-heim,
woonplaats der Pinninga's, der Pinningen, der afstammelingen van Pinne,
zoo als een dorp heet in Friesland (Wonseradeel); en in Pinning, een
dorp by Landau in den Beierschen Palts, komt deze oude mansnaam Penne,
Pinne eveneens voor.

Van de penningen tot de duiten en centen overgaande, vinden wy de
geslachtsnamen Drieduiten, Duit en Duitgenius, met Deutgenius, Cent
en Centen.--Deutgenius houd ik voor eene verlatynsching van Deutgen,
en dit is eene oude spelwyze van het woord duitje. Men zie bl. 110,
en Van Lennep en Ter Gouw, De Uithangteekens, dl. II, bl. 193, waar wy
lezen van »een brabantsch muntje, dat de waarde had van een kwart groot
oft deutgen (duitje)". Deutgen is ook als geslachtsnaam bekend. De
geslachtsnaam Cent echter en heeft oorspronkelik met den naam
onzer hedendaagsche pasmunt niet te maken, maar is eene volkseigene
verkorting van den kerkeliken mansvóórnaam Vincent (Vincentius). En
Centen is daarvan een patronymikon, op de wyze als in § 40 vermeld
is. De volle vadersnaam Vincenten komt ook als geslachtsnaam voor.

»De Stuiver" kwam reeds in de 15de eeu als uithangteeken voor. Reeds
in het midden dier eeu had dit huisteeken zynen naam gegeven aan eenen
burgemeester van Amsterdam, Hendrik Dirksz. Stuyver. En omstreeks eene
eeu later was zekere Gerrit Stuiver burgemeester van Haarlem. [239]
Nog heden komen de geslachtsnamen Stuiver en De Stuyver voor,
alsmede Kroonstuiver, dat zeker de naam is van eene byzondere soort
van stuiver, in stempel of muntslag verschillende van den gewonen.

De stooter is geen eigenlike munt; het is de volksnaam voor eene
geldsweerde van 12-1/2 cent. Dit woord formt den geslachtsnaam Stooter,
die ook als patronymikon, Stooters, voorkomt. Verder zijn nog de
geslachtsnamen Daalder, Gulden en Ducaet muntnamen die geen naderen
uitleg eischen, evenmin als Duyzenddaalders. Maar deze laatste naam
is eigenlik een basterdvloek, en staat in de plaats van »duizend
donders!" Het schijnt dat de man die eerst den zonderlingen naam
Duyzenddaalders voerde, dezen basterdvloek zoo dikwijls in den mond
genomen heeft, dat hy er eenen bynaam van kreeg. Schild of »schilt",
»scilt", was de naam van zekere oude munt, en dit woord bestaat
nog in den geslachtsnaam Vijftigschild, die ook door afslyting zyne
laatste letter verloren heeft, en als Vijftigschil voorkomt. Misschien
ook in den enkelvoudigen geslachtsnaam Schilt; zie bl. 364.--In de
middeleeuen berekende men de kleine munten, de penningen, ook by
het gewicht. Van daar nog de geldsweerden die men noemt »een pond
sterling", in Engelland, »een pond vlaamsch," in sommige nederlandsche
gewesten (Zeeland) nog in gebruik, enz. Deze ponden gelds vindt men
nog terug in de geslachtsnamen Tweepondt, Driepont en Dryepondt,
Tienpont, Thienpondt en Thienpont. De geslachtsnamen Vijfstuk,
Vijffstuk en Grootstuk met het door verbasterde uitspraak misspelde
Grautstuk, meen ik ook tot de muntnamen te moeten brengen. Misschien
ook Grevenstuk, met welken naam men een »gravenstuk", eene grafelike
munt kan hebben aangeduid.

Algemeene geldnamen zijn nog Kleingeld, Nievergeld en Offergeld met
Offergelt en den versletenen form Offergel.--Nievergeld, misspeld
voor Nieuwergeld, is Nieuwgeld, nieu geld; even als Niervaart
= Nieuwervaart; Nieuwer-Amstel, in de uitspraak ook dikwijls
Nieveramstel, enz. Eindelik zoude men de geslachtsnamen Smytegeld,
Grijptenduit (zie § 150), ook Met de Penningen en Mettepenningen,
ook nog tot de geldnamen kunnen brengen.

§ 143. Slechts weinige geslachtsnamen zijn oorspronkelik de namen van
maten. De oorsprong van het grootste deel dezer namen is zekerlik
wel in huisnamen te vinden. Zoo was er voor weinige jaren nog te
Haarlem een huis dat »De Houtmaat" in den gevel voerde. En als eene
woordspeling met het bevel: »houdt maat!" stond er op dien gevelsteen
in geestig rijm:


        "Want het is een wijs man
        Die de maet houden kan."


Deze aardige gevelsteen is door Van Lennep en Ter Gouw onvermeld
gelaten. Daarom heb ik aan zyne beschryving hier een plaatske
ingeruimd. Geslachtsnamen, tot deze groep behoorende, zijn Mudde,
Schepel, Zoutmaat en Havermaet. Het hoogduitsche Biermasz is my
ook in Nederland voorgekomen. Verder nog Goedmaat en Vierendeel
met den patronymikalen form Vierendeels. De beteekenis van den naam
Goedmaat is niet zeker. Hy zoude ook kunnen beduiden: goede maat,
in de beteekenis van goede vriend, en dus een weêrga zijn van den
geslachtsnaam Goedvriend; zie § 144.

Zonderling genoeg, en, wat hun oorsprong betreft, voor my vry
duister, zijn die geslachtsnamen, welke uit de namen van getallen
bestaan. Daarvan zijn de volgenden my bekend: Drie, Zeven, Dertien
(ook in patronymikalen form Dertiens), Zestiene, Achttien en Agtien,
Sestig, Honderd en Duizend, met den hoogduitschen form Tausend,
die almede hier te lande voorkomt. De geslachtsnaam Drie zoude ook
zeer wel oorspronkelik de naam kunnen zijn van het gehucht Drie,
by Ermeloo op de Veluwe. De geslachtsnaam Van Drie is zonder twyfel
aan dien plaatsnaam ontleend. Zoo ook dankt de geslachtsnaam Van Agt
zynen oorsprong niet aan het getal acht, maar aan het dorp Acht, in
de noord-brabantsche Kempen gelegen. De geslachtsnaam Zeven eindelik
zoude oorspronkelik ook een oud-germaansche mansvóórnaam kunnen zijn,
de zelfde als de naamstam Sew, door Förstemann vermeld, en die ook
oorsprong gaf aan de patronymikale geslachtsnamen Sevensma en Zevensma
in Friesland, en Sevens in Vlaanderen.



K. GESLACHTSNAMEN ONTLEEND AAN DE VERWANTSCHAP EN DE ONDERLINGE
BETREKKINGEN DER MENSCHEN.


§ 144. Het is reeds van ouds her in gebruik geweest om twee personen,
die den zelfden naam droegen, van elkanderen te onderscheiden door
eenen bynaam, ontleend aan de byzondere betrekking of verwantschap
waar in die personen tot elkanderen, of ook tot anderen stonden. Had
een vader b. v., die Karel Van Dijk heette, zynen zoon ook Karel
genoemd, dan kreeg die vader eerlang, als zijn zoon volwassen
werd, ter onderscheiding den bynaam van de Vader; Karel Van Dijk
De Vader noemde men hem ter onderscheiding van den jongen Karel Van
Dijk. Of ook, als oom en neef den zelfden naam droegen, dan gaf men
aan laatstgenoemden wel den bynaam van de Neef. Andere soortgelyke
benamingen, als Vondeling, Bastaard, Voogd, Jongeling, Grijsaard,
Vriend, Buurman, enz. aan de betrekkingen of verhoudingen der menschen
onderling ontleend, werden almede als bynamen gegeven. Velen van die
bynamen zijn van den vader op den zoon overgegaan, zijn vaste toenamen
gebleven, en eindelik vaste geslachtsnamen geworden. Deze byzondere
geslachtsnamen formen eene eigene groep. De volgende namen breng ik
daar toe:

Vader, by zeer gebruikelike samentrekking De Vaar en De Vaere,
als patronymikon ook Vaders. Waarschijnlik beteekent de reeds in
de 15de eeu voorkomende geslachtsnaam De Veer oorspronkelik even
eens de Vader. Immers is veer, feer voor vaar, faar, vader, fader,
father, oud-friesch ook fether, eene oude noord-hollandsch-friesche
uitspraak. Nog heden ten dage luidt het woord vader in den byzonderen
frieschen tongval der stede Hindeloopen als feer. Verder Kind,
met 'T Kint en 'T Kindt, De Kyndt en Jongkind met Jongkindt. De
maagschapsnamen Veefkind en Vollekindt behooren zekerlik ook tot deze
groep. Ik kan ze niet verklaren. Over Daenekindt zie men bl. 194. De
geslachtsnaam Der Kinderen is op bl. 168 reeds besproken, en De
Jong, De Oude, enz. met de talryke verscheidenheden van die namen
welke in zekeren zin ook tot deze groep kunnen gebracht worden,
zijn op bl. 339 reeds vermeld. De geslachtsnamen Den Oudsten en De
Jongste, met Jongste, als in het byzonder de verhouding van broeders
onderling aanduidende, dienen hier ter plaatse niet onvermeld
gelaten te worden. Ook Jongezoon en 'T Jonck moeten hier vermeld,
benevens den byzonderen patronymikalen form 'S Jongers, dat is: des
jongers, des jongers (zoon), de zoon van den jongeren (broeder); zie
bl. 185. Andere broedernamen zijn nog Broeder, Den Broeder, Oolbroer
(een versletene saksische form, ool' broêr, ool' broeder, old broeder,
oude broeder; zie op bl. 50 den naam Ool-Bekkink). Verder Stillebroer
en Bestebroer, en in verkleinform, tevens met de klankwyziging
(umlaut), in de frankische en saksische tongvallen gebruikelik,
Bestebreurtje. De patronymikale geslachtsnamen Broers, Broeren,
Broere, Broersma en Broersema meen ik niet van het woord broeder te
moeten afleiden, maar van den mansvóórnaam Broer (zie bl. 175). Zoo
ook komt het my aannemeliker voor om de geslachtsnamen Oome, Oomen,
Ooms, Oomsz, Omenga, met de verkleinformen daarvan Ohmken en Oomkens,
allen patronymikale formen, niet af te leiden van het woord oom, maar
van den mansvóórnaam Ome, die nog heden wel eene enkele maal in onze
friesche en saksische gewesten voorkomt, en die een byform is van Omme,
Ommo, Ummo, Umo, allen oud-germaansche mansvóórnamen. Zie bl. 138.

De maagschapsnamen Peetoom echter, De Peet en De Peter laten geen
twyfel over aan hunne oorspronkelike beteekenis. Als weêrga van deze
namen bestaat er in Vlaanderen de geslachtsnaam De Vaddere. »Vadder"
is in het Oud-Vlaamsch het zelfde wat men thans peter, gevader,
godvader noemt (zie Guido Gezelle's tijdschrift Loquela, jaargang
III, 1883, bl. 11). En even duidelik wat hun oorsprong en beteekenis
aangaat, zijn ook de maagschapsnamen De Neve, Den Neef, Neef,
die ook in de zuidelike Nederlanden half verfranscht voorkomen
als Deneve en Denève. Verder de verkleinform van dit woord, als
patronymikon, Neefjes, en eindelik de oud-fransche form daar van,
die ook in de Nederlanden als geslachtsnaam voorkomt, Nepveu. Of de
geslachtsnaam Swagerman ook tot deze groep behoort, in de beteekenis
van zwager = aangehuwde verwant, bepaaldelik geen bloedverwant,
is niet zeker. Swagerman zoude ook kunnen beteekenen: een man van
de Swaag, een inwoner van een der dorpen die de Zwaag heeten. Zie
bl. 269 en 270. Iedereen verstaat ook de geslachtsnamen De Wees,
De Weze, met het gewestelik-hollandsche Weesie (zie § 156), en
met de half-verfranschte formen, die in de zuidelike Nederlanden
voorkomen: Dewez en De Vèze. Ook Van Wees en Van der Wees, namen
die van eenen byzonderen of algemeen-aardrijkskundigen naam Wees
schynen afkomstig te zijn, maar die my onduidelik blyven. Verder De
Moerloose en, in eenigszins verbasterden form De Morloose, dat is:
de moederlooze.--Een halve wees is ook het kind dat na zijns vaders
dood geboren wordt. Zulk een kind noemden de Romeinen een »postumus"
of »postuma," al naar dat dit kind een knaapje was of een meiske. De
maagschapsnaam Posthumus is zekerlik oorspronkelik gegeven aan zulk
eenen nageborenen knaap. Maar met den geslachtsnaam Posthuma acht
ik dit niet het geval; dat men een nageboren meiske Postuma noemde,
is zeer wel mogelik, maar die naam kon toch later niet op hare zonen
overgaan! De maagschapsnaam Posthuma is in Friesland inheemsch. Zoude
hy niet een versierde, quasi-latynsche form zijn van den eveneens aan
een friesch geslacht eigenen naam Postma? Ook Postmus komt in Friesland
voor, nevens Posthumus. Verder nog Postema en Postsma. Waarschijnlik
is er verwarring onder al deze namen, door onverstand ontstaan en door
verwisseling en verbastering van Oud-Friesch en Latyn, by toevallige
overeenkomst in form en klank. Hoe het zy, ik kan geenen uitweg vinden
uit den doolhof van deze geslachtsnamen.

By den wees behoort zijn voogd, en dit woord treffen wy aan in de
geslachtsnamen Voogt, De Voogt, De Vooght, in hoogduitschen form
als Vogt voorkomende, en ook als Voigt, het welk eveneens eene
hoogduitsche spelwyze vertoont, maar in den verouderden form die ook
nog gebruikelik is in de benaming van het Voigtland, eene gou in het
koninkrijk Saksen. Duidelik is ook de maagschapsnaam Vondeling. En
de namen Vindevogel, Vindevoghel met het patronymikale Vindevogels
hebben de zelfde beteekenis. De drie laatstgenoemde namen komen in
de zuidelike Nederlanden voor, en het woord »vindevogel" heeft ook
juist in de volksspreektaal der vlaamsche en brabantsche gewesten de
beteekenis van iets dat gevonden wordt in het algemeen. Ook behoort
tot deze groep van namen de geslachtsnaam Vindelinckx (waarvan
Windelincx een uit misverstand ontstane verbastering schijnt te
zijn), die mede in de zuidelike gewesten t' huis behoort. Het
is een patronymikale form van het woord »vindelink," vindeling,
vondeling. Zonderling genoeg, heeft men in den maagschapsnaam Van
de Vondel, die nog heden ten dage in de zuidelike Nederlanden, waar
hy trouens oorspronkelik inheemsch is, ook nog als Van Vondelen, Van
den Vondel, Van der Vondelen en Vervondel voorkomt, eene toespeling
meenen te vinden op het woord vondeling. Zoo hadden de Regenten van
het Aalmoeseniershuis te Amsterdam, in de laatste jaren der 17de eeu
wel eens de aardigheid om vondelingen doopen te laten met den naam
Joost of Joostje, al naar gelang dat het kind een jongen was of een
meiske. Zy deden dit in toespeling op den naam van onzen grooten
dichter Joost Van den Vondel. Intusschen heeft deze geslachtsnaam,
in de verschillende formen waarin hy voorkomt, niets met de woorden
vinden en vondeling te maken. Immers het woord vondel heeft in deze
woorden de beteekenis van een klein, smal brugje, meestal uit eene
enkele plank bestaande, die in een voetpad over eene sloot ligt. Men
zegt ook vonder en zelfs wel vlonder. De maagschapsnamen Van de Vondel,
enz. behooren dus by die welke van algemeen-aardrijkskundigen aard
zijn, en in § 105 vermeld werden.

Men is wel verlegen, welke geslachtsnamen men aan vondelingen geven
zal, en komt er dan wel toe om namen te ontleenen aan byzondere
zaken die by het vinden van het kind aan den dag kwamen, of daar
mede in verband stonden. Een voorbeeld daar van is op bl. 412
reeds vermeld. Een ander voorbeeld is my bekend, waar men aan
den vondeling den naam van de straat, waar hy gevonden was, als
geslachtsnaam gaf. Een derde voorbeeld vind ik in het volgende
bericht, voorkomende in het brugsche nieusblad »Burgerwelzijn,"
in het nummer van 21 Mei 1884: »Zondagnacht, rond 12 ure, heeft de
genaamde A. V. E. te Zuidschote, een pas geboren kind gevonden, dat
in een pander verborgen was. Den maandag namiddag is het gedoopt,
en het kreeg de namen van Renilde Marie van Pander."--Zuid-Schote
is een dorp in West-Vlaanderen, en een »pander" of »paander" is,
in de westvlaamsche gouspraak, een korf of mand.

De maagschapsnamen Basterd, met het half-verdietschte, oorspronkelik
fransche Battaerd (bâtard), en Banckaert met Bankert geven getuigenis
dat zy oorspronkelik toenamen geweest zijn voor kinderen van
zoogenoemde onechte geboorte. Immers dat is de beteekenis dier namen.

De betrekkingen der menschen onderling, van maatschappeliken aard,
hebben ook aanleiding gegeven tot het ontstaan van geslachtsnamen. Als
zoodanig vermeld ik hier de namen: Vriend, Vrind, De Vriendt
en De Vrient, Goedvriend en Cortvriendt, De Macker en misschien
ook Slaap. Immers is slaap (bepaaldelik sleep, slep of sliep in
de westfriesche taal) het woord dat oudtijds in Noord-Holland en
Friesland in gebruik was voor vriend, namelik waar het de byzondere
vriendschap tusschen twee jongelingen gold. Op onze westfriesche
eilanden (Wieringen, Ameland) is dit woord nog in die beteekenis
bekend. (Zie mijn Algemeen Nederduitsch en Friesch Dialecticon, dl. I,
bl. 485 en dl. II bl. 30). Verder De Gast, Buur, Buurman, en Nabuurs
als patronymikon. In onze oostelike gewesten (de graafschap Zutfen,
Overijssel, Drente) is naber het woord dat voor het hollandsche
en friesche buurman, bûrman, voor het vlaamsche gebuer in gebruik
is. Dit is de saksische form waaronder dit woord optreedt, en die
overeenkomt met het hoogduitsche nachbar en het engelsche neighbour. De
Schotten zeggen, meer in overeenstemming met de saksische Nederlanders,
neebor. Onder dezen form komt dit woord voor in de gedichten van Burns,
die in den schotschen tongval van het saksisch zijn opgesteld. Dit
oude woord naber komt ook als maagschapsnaam voor (Naber), de weêrga
van den geslachtsnaam Buurman. Zoo zijn ook de geslachtsnamen
Nieubuur en Niebuur tegenhangers van Ninaber en Nienaber, en met
dezen van de zelfde beteekenis; te weten: nieue buurman. Deze
buurnamen vinden in de zuidelike Nederlanden hunne tegenhangers in
de geslachtsnamen Goetgebuer en Quagebuer (goede en kwade buurman),
die in verschillende spelwyzen en formen voorkomen, als Goetgebuur,
Goetghebuer, Goetghebeur, Goegebuer, Goegebeur, ook als Goedegebure
in Zeeland; en Quaghebuer. Vooral de eerstgenoemde naam is tamelik
algemeen in Vlaanderen en Brabant. De goede buren zijn talryker dan
de kwaden.

Eenige geslachtsnamen, die byzondere leeftyden en toestanden der
menschen vertegenwoorden, mogen almede by deze groep eene plaats
vinden. Het zijn Drieling en Vierling, die op eene gemeenschappelike
geboorte, by drieën en vieren te gelijk, betrekking hebben. Verder
Knaap, Cnaap en Knape, met den patronymikalen form Knaapen, en, als
verkleinwoord met de frankische klankwyziging, Kneepkens; dat is:
de zoon van den kleinen knaap. Het woord knaap in deze namen kan
ook de oude beteekenis van schildknaap, in de middeleeuen gewoonlik
enkel cnape, hebben. In dit geval behooren deze namen eerder by die,
welke op bl. 325 vermeld zijn. Verder Jongen en Meisje met Meiske,
Jongeling, Jöngeling, Jonkman, De Maegdt en Maagdelijn. Zonderlinge
namen voor mannen moet men Meisje, Maagdelijn, enz. noemen. Maagdelijn
en De Maegdt echter, vooral de laatstgenoemde naam, kunnen ook aan
eenen huisnaam ontleend zijn. Huizen immers die de Maagd van Gent, de
Dortse Maagt, de Zeeusche Maeght, enz. heetten, kwamen oudtijds in de
nederlandsche steden wel voor. En ook nog heden wel; b. v. De Zeeuwsche
Maegd te Gent. By deze namen behoort ook de geslachtsnaam Feynt. Immers
het woord feint, veint heeft nog heden ten dage zoowel in Friesland
als in Zeeland en Vlaanderen de beteekenis van krachtvolle jongeling,
jonge man;--niet volkomen in overeenstemming met de beduidenis die de
Hollanders aan hun woord vent hechten. Ten slotte nog Vryer, Fryer
en De Vryer, Bruidegom en Bruigom, Ouwerling en Grijsaard en het
half-verfranschte Grisar. Het woord ouderling (ouwerling, auerlynk)
heeft in de zuidelike Nederlanden niet de protestantsch-kerkelike
beteekenis die het in de noordelike gewesten heeft, maar beduidt
eenvoudig: oude man, in tegenoverstelling met jongeling.

De geslachtsnamen Mensch en Man, Mann, De Man, 'T Mannetje en Mannekens
breng ik, als aanhangsel, mede tot deze groep. Ook De Keirel en De
Keyrel (in oud-vlaamsche spelling). In dezen naam heeft het woord
kerel zeker niet de hedendaagsch-hollandsche beteekenis, maar veeleer
de oud-vlaamsche, te weten, die van een vrye landman in het Brugsche
Vrye (West-Vlaanderen); zie bl. 421. Aangaande Vrouwes, Der Weduwe,
enz. is op bl. 167 en 168 reeds het een en ander medegedeeld.



L. GESLACHTSNAMEN, ONTLEEND AAN DE NAMEN VAN GODEN EN GODINNEN,
KERKHEILIGEN, GODSDIENSTEN, ENZ.


§ 145. Hoe zonderling en onpassend het eigenlik ook zy, by het
nederlandsche volk komen eenige geslachtsnamen voor, welke aan
de oude grieksche en romeinsche godenleer ontleend zijn. Sommigen
dezer namen zijn oudtijds wel als huisnamen voorgekomen, en dit kan
hun ontstaan als geslachtsnamen verklaren. Ook haalden vooral de
Hollanders in de zeventiende eeu overal waar het maar te pas of ook
niet te pas kwam, die goden en godinnen by. Dit kan ook aanleiding
gegeven hebben, zulke namen als bynamen te geven; welke bynamen dan
later tot vaste geslachtsnamen werden. Zie hier die, welke my zijn
voorgekomen: Venus, Flora, Mars, Apol (vooral by nederlandsche dichters
eene zeer gebruikelike verkorting van Apollo), Cupido en Cupedo,
Pollux, Hercules, Janus, Bachus, met Baghus en Baggus in hollandsche
wanspelling, en Paris. Op sommigen dezer namen valt iets af te dingen
wat hunnen oorsprong als namen van goden en godinnen betreft. Venus
kan eene, uit scherts ontstane misspelling zijn van den patronymikalen
geslachtsnaam Venes of Venis, afgeleid van den ouden mansvóórnaam
Vene of Fene (zie bl. 58). Tusschen Venus, Veenesz en Venis is in
de uitspraak het verschil nau hoorbaar. En Mars kan eveneens een
vadersnaam zijn van den oud-germaanschen mansvóórnaam Marro, Marre,
Mar, welke naam tevens ten grondslag strekt aan de patronymikale
geslachtsnamen Marra, Marringa, Marrenga en Marring, in Friesland,
Groningerland en Drente inheemsch. En aan de plaatsnamen Marrum, een
dorp in Friesland, en Marwert, zooals twee saten heeten, de eene by 't
dorp Lollum, de andere by 't dorp Wirdum, beide in Friesland.--Janus
is eene zeer gebruikelike verkorting van den mansvóórnaam Adrianus,
en tevens eene verlatynsching van Jan, en beide kan dit ontstaan
gegeven hebben aan den geslachtsnaam Janus.--Bachus kan zeer wel eene
oude spelling zijn van den geslachtsnaam Bakhuis, die heden ten dage
ook in deze nieuerwetsche spelling voorkomt. En dit gevoelen krijgt
zoo veel te meer waarschijnlikheid als wy zien dat deze zelfde naam
(ook de zelfde verwantschap?) oudtijds ook als Backus en Backhues
geschreven werd. [240] In den geslachtsnaam Paris eindelik kan ook even
zeer de naam der stad Parijs schuilen. Ik acht dit zelfs waarschijnlik;
zie bl. 209.

Fortuna of het Fortuin was oudtijds een zeer algemeen voorkomend
huisteeken en huisnaam. Geen wonder dat dien ten gevolge de
geslachtsnaam Fortuin, Fortuyn, 'T Fortuin ook nog heden ten dage
geenszins zeldzaam is. De voor eenen man zeker nog al zonderlinge
geslachtsnaam De Amazoon, misschien ook wel aan eenen huisnaam
ontleend, behoort mede tot deze groep. En dan nog de maagschapsnamen
Godinne en Godin, zeker zeer zonderlinge namen. Hoe zijn ze
ontstaan? En hoe te verklaren? Het wapenschild van het geslacht Godin
schijnt een zoogenoemd sprekend wapen te zijn, en geeft dan eene
verklaring van dezen naam, die my zeer gezocht voorkomt. Volgens
dat wapen zoude die naam eigenlik »God-in" zijn. Immers vertoont
het op een blau veld eenen gouden kelk (waarin de hostie?). Zie De
Navorscher, dl. XXXIV, bl. 483. Op eene landkaart uit de vorige eeu
staat een huis Godin aangeteekend, by het dorp de Bilt aan den weg
van Utrecht naar Amersfoort.

Het voorkomen van geslachtsnamen aan de namen van kerkheiligen
ontleend, ligt meer voor de hand om te verklaren dan dat der namen
van goden en godinnen. Immers waren de namen van de volksaardigste
heiligen der roomsche kerk oudtijds zeer algemeen als huisnamen en
gevelteekens in gebruik. En zoo kan het ons slechts verwonderen, dat
zulke geslachtsnamen zoo weinig voorkomen. My zijn slechts bekend de
geslachtsnamen Sint-Nicolaas, St-Martin en St-Joris.--Sinjorgo acht ik
eene verbastering van italiaanschen oorsprong, even als Sintobijn en
Sintobin van franschen oorsprong zijn; te weten: St-Aubin. Notterdam
en Noterdaem, al hoe nederlandsch deze eerstgenoemde geslachtsnaam
er ook uit moge zien, zijn slechts verdietschingen van het fransche
»Nôtre-dame", en dus tegenhangers van de goed-nederlandsche, vooral
in de zuidelike gewesten inheemsche geslachtsnamen Lievevrouw
en Lievrouw. In de geslachtsnamen Van Sintjans en Van Sintfyt
zie ik eerder plaatsnamen, wegens het voorvoechsel van. Immers
plaatsen die St-Jan heeten, komen er wel voor (Sint-Jan by Iperen,
Sint-Jan-in-Eremo, Sint-Jan-Geest, allen in Vlaanderen en Brabant);
en Sint-Fyt is een stadje in Rijn-Pruissen, bezuiden Aken.

Een paar benamingen van godsdiensten zijn ook als geslachtsnamen in
gebruik gekomen. Op welke wijze? dat is lichtelik na te gaan. Van twee
personen, die beiden den zelfden naam droegen, Egbert Swedersz. b. v.,
maar waarvan de eene tot het luthersche, de andere tot het doopsgezinde
kerkgenootschap behoorde, werd de eerste, ter onderscheiding, in
het dageliksche leven Luteraan genoemd, de laatste Mennist. (Egbert
Sweers Luteraan, en Eibrecht Swiersz. Mennist), en die bynamen zijn
op hunne kinderen overgegaan, en vaste geslachtsnamen geworden. My
zijn slechts voorgekomen, de reeds genoemde Luteraan en Mennist, met
den afwykenden form Menist. Verder Rooms en Christen, met Kristen
en Christens. In de drie laatstgenoemde geslachtsnamen kan echter
ook zeer wel de mansvóórnaam Christiaan schuilen, die by verkorting
gewoonlik als Christ voorkomt. Deze drie geslachtsnamen zouden
daar van dan vadersnamen kunnen wezen. Ook komt een geslachtsnaam
Luthers voor. Deze echter kan zeer wel een vadersnaam zijn van den
oud-germaanschen mansvóórnaam Luther, Luthar, Lothar, Chlothar. Ik
acht dit waarschijnliker dan dat die geslachtsnaam als benaming
van eenen belyder van den lutherschen godsdienst moet opgevat
worden. De maagschapsnaam Dooper, oudtijds als een soort bynaam
wel gegeven aan de belyders en vooral aan de eerste voorstanders
van den godsdienst der Wederdoopers en Doopsgezinden, mag hier ook
een plaatske vinden. De geslachtsnamen De Jode, De Jeude, enz. als
meer een volksnaam vertegenwoordigende dan een godsdienstnaam, heb
ik reeds op bl. 197 vermeld.

Ten slotte dienen tot deze groep nog gebracht te worden twee namen,
die niet zoo zeer als namen van godsdiensten moeten beschoud worden,
dan wel als namen van partyschappen. Ik bedoel de geslachtsnamen
Geus, De Geus met De Gheus en Paap, De Paap, De Paepe, enz. Zoo als
bekend is dienen deze benamingen den belyders van den roomschen en
van den protestantschen godsdienst over en weêr als partynamen, ja als
scheldnamen. Maar omdat het woord paap, pape in de middeleeuen ook in
't algemeen voor eenen geestelike der Roomsch-Katholyke kerk in gebruik
was, zonder dat er eene min gunstige beteekenis aan werd verbonden,
zoo kan dit woord, ook in die beteekenis, aanleiding gegeven hebben
tot het ontstaan van genoemde geslachtsnamen. En zoo zijn dan ook
deze geslachtsnamen, met de patronymikale formen daar van, reeds in
eene andere groep opgenomen geworden, en op bl. 330 vermeld.



M. GESLACHTSNAMEN ONTLEEND AAN DE NAMEN VAN DENKBEELDEN ZAKEN,
EIGENSCHAPPEN, ENZ.


§ 146. De geslachtsnamen, welke de groep samenstellen, die
ik thans behandelen wil, hebben over 't algemeen een nog al
zonderling voorkomen, en behooren ook geenszins tot de meest
gebruikeliken. Integendeel, zy behooren in den regel slechts aan eene
maagschap, en hier door klinken zy meestal nog ongewoner ons in d'
ooren. Het zijn namen van denkbeelden, eigenschappen, hoedanigheden,
in 't algemeen van onlichamelike zaken, die als geslachtsnamen
dienst doen. Hoe oudtijds deze en gene man er toe gekomen is, zulk
eenen zonderlingen naam als geslachtsnaam aan te nemen of zich
door anderen te laten geven, kan nu moeielik meer worden nagegaan
en uitgemaakt. Velen van deze namen zijn denkelik oorspronkelik wel
bynamen geweest, die meestal uit scherts gegeven werden. De oorsprong
van eenigen echter kan men ook tot huisnamen en gevelteekens terug
voeren; deze zijn op bl. 371 reeds besproken, maar, om de wille der
volledigheid, dienen ze ook hier nog vermeld te worden.

Ten einde deze namen te beter te kunnen overzien, heb ik ze in drie
ondergroepen verdeeld. Te weten in geslachtsnamen die eenen goeden zin
hebben, in die welke eenen kwaden of althans min gunstigen zin hebben,
en in zulken die eene zaak of eigenschap van meer onverschilligen
aard aanduiden. Eene scherpe scheiding laat deze verdeeling uit den
aard der zaak niet toe.

Vooraf echter mogen eenige geslachtsnamen hier eene plaats vinden,
die allen op heid eindigen, en als oorbeelden der namen van deze
geheele groep gelden kunnen. Het zijn: Liefheid en Schoonheid met
Schoonheydt en Schoonheyt, Jonkheid en Luchtigheid, Hoogheid en
Overheid, Vryheid en Redelijkheid. Het schijnt dat in Duitschland
dergelyke namen ook voorkomen. Althans heb ik in Nederland den
hoogduitschen geslachtsnaam Weisheit ontmoet. In sommigen van
bovenstaande namen, in Schoonheid, Hoogheid en Overheid, kan ook
het woord heide schuilen. In dat geval zouden zy behooren tot de
aardrijkskundige namen. Dit is te meer waarschijnlik omdat my nevens
Hoogheid en Overheid ook de geslachtsnamen Hoogerheide en Overheide
(Over Heide) bekend zijn. Hoogerheide is de naam van een dorp in
Noord-Brabant, by Bergen-op-Zoom.

Tot de geslachtsnamen, aan de namen van goede zaken ontleend,
reken ik de volgenden. Om met het beste te beginnen, De Liefde
(zie ook bl. 371); verder Minne en Goeminne. Minne zoude ook
zeer wel oorspronkelik anders niet kunnen zijn als de friesche
mansvóórnaam Minne, die ook als Minno, Menno, by de Friesen nog
heden ten dage in volle gebruik is. Aan vele andere geslachtsnamen,
meestal vadersnamen, heeft deze zelfde oud-germaansche mansvóórnaam
nog oorsprong gegeven. B. v. aan Minnenga en Minning met het half
versletene Minnigh; Minnema, Minnesma, Minnes, Minnens en Minnen,
Menninga, Mennenga, het versletene Mennega, Menninck, Menningh, Mennes,
Mens en Mennen. Eindelik van de verkleinformen Menke en Minke nog
de geslachtsnamen Menkema, Van Menkema en Menken met Menko, Menke,
Minkema en Minks. By De Liefde voegt De Trouw en Trouw, De Hoop met
D'Hoop en het verbasterde Doop (zie ook bl. 418), De Vrede met De
Vree, het half-verfranschte De Vré en Vreede, enz., allen nog heden
bestaande geslachtsnamen. Verder De Deugd, Geluk (met de fransche
en hoogduitsche formen Bonheur en Glück), Goetgeluk, Vreugde en De
Vreught, Vermaak, Pleizier en Plaizier, Genot, Heil, Vollewens (volle
wensch), Lust met Hartelust, Welvaert, enz. Deze laatste naam kan
eene verdietsching zijn van den hoogduitschen form Wohlfahrt, die my
ook in de Nederlanden voorgekomen is. Is dit het geval, dan zoude de
geslachtsnaam Welvaert eene plaats moeten hebben by de geslachtsnamen,
die oorspronkelik oud-germaansche mansvóórnamen zijn, en die ik in §
62 besproken heb. Immers volgens de hoogduitsche woord-uitleggers
is de naam Wohlfahrt anders niet als eene verbastering van den
oud-germaanschen mansvóórnaam Wolfhart, die ook nog in den verbasterden
form Wolfert in de Nederlanden in gebruik is. En als Olfert byzonder in
Friesland, waar ook de daarvan afgeleide patronymikale geslachtsnamen
Olferts en Olfertsma voorkomen. En dat werkelik in den nederlandschen
geslachtsnaam Welvaert het hoogduitsche Wohlfahrt = Wolfhart schuilt,
krijgt door het voorkomen van den patronymikalen form van dezen
naam, Welvaerts--dus: zoon van Wolfhart, Welfhart--zoo veel te meer
waarschijnlikheid.

Een paar geslachtsnamen tot deze groep behoorende, gaan op
leven uit. Te weten Blyleeven, Goeleven, Langleven, Zachtleven en
Saftleeven. De twee laatstgenoemde namen zijn slechts verschillende
formen van den zelfden naam. De beteekenis dezer namen is duidelik. Als
de weêrga van den naam Langleven vinde ook de naam Kortleven hier
eene plaats, ofschoon een kort leven dan ook juist niet tot de goede,
de begeerlike zaken behoort.

Ten slotte brengen wy nog tot deze ondergroep de geslachtsnamen
Aandacht, Gunst, Voorrecht, Lof, [241] enz. Nevens den geslachtsnaam
Kennis komt ook nog Verkennis voor, een naam dien ik niet weet te
verklaren; (Verkennis = Van der Kennis?) Denkelik is dit kennis de
een of andere--verbasterde?--aardrijkskundige naam.

De tegenhangers van deze namen, allen aan goede zaken ontleend,
zijn de maagschapsnamen die uit woorden bestaan, waar mede slechte,
onaangename, onbegeerlike zaken worden aangeduid. Zy formen eene
kleinere groep dan de namen in de voorgaande § opgenoemd. Hun
oorsprong is gewoonlik even duister als dit by genen het geval is,
ja, nog duisterder. Immers kan ik my moeielik voorstellen wat iemand
mag bewogen hebben, zulk een woord van onaangename beteekenis tot
geslachtsnaam te kiezen. Of, zoo het oorspronkelik bynamen zijn, door
anderen gegeven, dan is het my nog raadselachtig hoe iemand er in
heeft kunnen berusten, dat zulk een bynaam zijn vaste geslachtsnaam
werd. De volgende maagschapsnamen, tot deze groep behoorende, zijn
my bekend: Blaam, Gewelt, De Honghere en Dorst (met Grootendorst en
Kleinendorst [242]) enz. De geslachtsnaam Verraed is misschien niet
het woord »verraad," maar veeleêr eene samentrekking van Van der Raad,
dat is van de rade, van de rode--zie bl. 248. Nevens den maagschapsnaam
Twist komt ook Van Twist voor. De form van laatstgenoemden naam duidt
aan dat hy van eenen plaatsnaam is ontleend. In der daad bestaat
er dan ook een dorp Twist by Arolsen in Waldeck, en twee anderen,
de Heseper en de Rühler Twist of Twiste in Hanover aan onze drentsche
grenzen. De geslachtsnaam Twist kan dus ook zeer wel oorspronkelik een
plaatsnaam zijn. De maagschapsnaam Mikmak zal wel aan de dageliksche
volksspreektaal ontleend zijn. Daarin toch heeft het woord »mikmak"
de beteekenis van oneenigheid, twist, ruzie.

Eene derde onderafdeeling van deze byzondere groep van geslachtsnamen
omvat zulke namen die uit woorden bestaan, welke zaken van
meer onverschilligen aard, niet bepaaldelik goeden of slechten,
aanduiden. Hier toe breng ik de volgenden: Abuys, Dienst, De Geest
(zie bl. 247), enz. [243] Den maagschapsnaam De Maere, met De Mare en
Demaar, houd ik oorspronkelik voor het woord mare, in de beteekenis
van tyding, bericht. Het voorkomen van de geslachtsnamen Goemaere
(goede tyding) en Boussemaere (booze, kwade tyding), versterkt
dit vermoeden. Deze drie geslachtsnamen zijn in de zuidelike
Nederlanden, in Vlaanderen en Zuid-Brabant inheemsch; dit verklaart
de zonderlinge spelling waarin zy voorkomen, en die hen haast
onkenbaar maakt. Het zoude echter ook kunnen zijn dat in den naam
Goemaere een mansvóórnaam school. Immers de naam van St-Gummarus,
een Heilige der Roomsche kerk, patroon der stad Lier, komt in het
Vlaamsch wel voor als St-Goemaar. Onder den form Gomarus is deze
naam in de noordelike gewesten als maagschapsnaam inheemsch. De
oud-hollandsche form van dezen kerkeliken naam is Gommer. In dezen
form werd hy wel in vorige eeuen door Noord-Nederlanders gedragen,
en Gommers met Gommerse, patronymikale formen daar van, komen nog
heden als geslachtsnamen in de noordelike gewesten voor.--Sellschap
en Sellschop zijn oud-hollandsche formen van het woord gezelschap,
meer overeenkomende met den frieschen form selskip. Den niet zeldzamen
geslachtsnaam Vogelzang, met Vogelsang, Vogelsangh, Voghelsangh,
enz. als tegenhanger van Vogelgezang, wil ik liever verklaren als
oorspronkelik een der talryke plaatsnamen Vogelzang, Fogelsang,
enz. zijnde, die in de verschillende nederlandsche gewesten voorkomen.

Ten slotte noem ik hier nog drie geslachtsnamen die uit woorden
bestaan, welke lichamelike ongemakken aanduiden. Te weten De Hoest,
Kramp en De Snick. Denkelik zijn deze namen oorspronkelik wel gegeven
als bynamen aan personen, welke bezocht waren met zulke kwalen. Wijl
snikke, snik echter een friesch woord is voor zeker vaartuich,
zoo kan de geslachtsnaam De Snick ook die beteekenis hebben, en
dus overeenkomen met de geslachtsnamen Cogge, Buis en Buys, Sloep,
De Koff, Brik, Schuit en Schuyt, Hulk en Hulck, Boot, enz. Tot deze
scheepsnamen behoort ook de maagschapsnaam De Prouw, eene verdietsching
van het maleische woord »prahoe", dat een byzonder vaartuich beteekent.



N. ZONDERLINGE GESLACHTSNAMEN.


§ 147. Een groot getal nederlandsche geslachtsnamen vertoont een
zonderling voorkomen, of heeft eene zonderlinge beteekenis. Die namen
passen eigenlik in geene der tot hier toe in dit werk behandelde
groepen. Ik heb al die namen dus, al vertoonen ze, over het geheel
genomen, onderling ook weinig of geen samenhang, met elkanderen in
eene byzondere groep samengebracht, onder den naam van »Zonderlinge
geslachtsnamen." Toelichtingen van algemeenen aard kunnen, uit den
aard der zake, by deze groep niet gemaakt worden. De namen, welke deze
groep formen, zijn onderling zoo verschillend van aard, dat zy slechts
ieder afsonderlik, of in kleine ondergroepen, kunnen verklaard worden.

Als eene algemeene verdeeling, en ten einde nog eenigszins een
gemakkeliker overzicht te verkrygen, heb ik deze groote geheele groep
onderscheiden: a. in zonderlinge namen, waarvan de beteekenis duidelik
is; b. in zulke namen, die, ofschoon ze uit duidelik nederlandsche
woorden bestaan, toch geen redeliken zin vertoonen; c. in namen, die my
ten eenen male onverklaarbaar zijn. Geen dezer drie ondergroepen echter
is scherp omschreven; er bestaan geslachtsnamen, die zoowel tot de
eene, als tot de andere dezer onderafdeelingen kunnen gebracht worden.

a. De zonderlinge namen, waarvan de beteekenis duidelik is, of die
althans verstaanbaar zijn en verklaard kunnen worden, formen, wat hun
getal aangaat, verre weg de grootste ondergroep. Velen dezer namen
zijn oorspronkelik bynamen, die, uit scherts en uit spot, uit allerlei,
soms onbeteekenende aanleidingen, aan dezen en genen man gegeven zijn.

Zie hier, in bonte opsomming, de namen die ik tot deze onderafdeeling
brenge:

Zondervan en Sondervan. Vele nederlandsche geslachtsnamen bestaan uit
eenen plaatsnaam met het voorzetsel van daarvoor, gelijk van § 78 tot §
90 aangetoond is. Die namen komen by ons volk zóó talrijk en algemeen
voor, dat niet slechts vreemdelingen aan zulke namen den Nederlander
herkennen, maar dat zelfs, in de nederlandsche volksspreektaal,
vooral in de noordelike gewesten, in het dageliksche leven een
geslachtsnaam een »van" genoemd wordt. »Hoe is je van?" in plaats
van »Hoe is uw geslachtsnaam?"--die spreekwyze kan men algemeen
by het noord-nederlandsche volk hooren gebruiken. Deze byzondere
beteekenis van dit woord heeft aanleiding gegeven dat deze of gene,
die geen geslachtsnaam, geen van had, en die er toch een wilde of
moest (in 1811) aannemen, zich Zondervan, Sondervan, dat is: »zonder
geslachtsnaam" noemde.

Misverstand schijnt aanleiding gegeven te hebben tot het ontstaan
van den geslachtsnaam Van 't Zelfde. Twee mannen, misschien broeders
of bloedverwanten, en die beiden reeds den zelfden geslachtsnaam
voerden, of ook die, nog steeds geenen vasten geslachtsnaam
dragende, overeengekomen waren zich onder eenen en den zelfden naam
te laten inschryven in de registers van den burgerliken stand, kwamen
gelijktydig by den ambtenaar, daarmede belast. De eerste man gaf zynen
naam op, en de ambtenaar schreef dien in de registers. »En hoe heet
Gy?" vroeg hy daarop aan den tweeden. »Van 't zelfde!" luidde diens
antwoord, waarmede hy te kennen wilde geven: »ik wil onder den zelfden
naam als mijn broeder of vriend hier, wiens naam Gy zoo even hebt
ingevuld, ingeschreven worden." Maar de ambtenaar begreep dit antwoord
verkeerd, dacht dat die tweede man den geslachtsnaam Van 't Zelfde
droeg of dragen wilde, en schreef hem alzoo in. Toen dit misverstand
later uitkwam, berustte de man, wien het aanging, daar in. Hy nam
genoegen in dien zonderlingen naam, en zyne nakomelingen dragen hem
nog heden. Waarschijnlik is de maagschapsnaam Dito ook op deze wyze
ontstaan, en naar men zegt, is dit ook het geval geweest met den
geslachtsnaam Van Eenennaam. Te weten: ook als antwoord op de vraag:
»Hoe heet Gy?"--»Van éénen naam!" luidde dat antwoord, 't welk ook
verkeerd begrepen werd; »van éénen naam, van den zelfden naam ben ik,
als de man, wiens naam zoo pas door U ingeschreven is."--Ik heb echter
eene bedenking tegen de waarheid van dit verhaal, het welk my gedaan is
door iemand die zelve dezen naam droeg. Zou dit Van Eenennaam niet eene
verbastering zijn van den geslachtsnaam Van Eename? En dan ontstaan
by wyze van poging om eenen verstaanbaren zin te leggen in eenen
naam dien men niet meer verstond? Deze geslachtsnaam Van Eename, die
ook als Van Eenaeme voorkomt, is afgeleid van den plaatsnaam Eename,
zoo als een dorp heet, by Audenaarden in Oost-Vlaanderen gelegen. In
de zuidelike Nederlanden is deze maagschapsnaam dan ook inheemsch.

Voor den ambtenaar van den burgerliken stand, in 1811, is ook
de oorsprong te vinden van den geslachtsnaam Zoekende. »Wie zijt
Gy?" vroeg die ambtenaar aan den man, die by hem kwam, om zich,
onder eenen geslachtsnaam, in de registers van den burgerliken
stand te laten inschryven. De ambtenaar bedoelde met die vraag:
»Hoe is uw naam?" of »Welken naam neemt Gy aan?" De man antwoordde:
»Ik ben zoekende!" en wilde daar mede te kennen geven: »Ik heb nog
geen vasten geslachtsnaam; ik ben nog niet besloten welken naam ik zal
aanveerden; ik ben nog zoekende!" De ambtenaar echter begreep--of hy
deed dit althans zoo voorkomen--dat de man zynen geslachtsnaam opgaf
als Zoekende. Hy schreef dezen dwazen naam dus in zyne registers,
en--de naam bestaat nog heden.

Vele menschen hebben het eene of andere stopwoord, dat zy veelvuldig
in hunne reden te pas, ook dikwijls te onpas brengen. Is dit
laatste het geval, dan worden die stopwoordjes hun wel door
anderen als bynamen gegeven. Zoo iets is waarschijnlik de oorsprong
geweest der geslachtsnamen Evenwel, Justement, Eveleens, Zoovele,
Aldus, Hoezoo, Perexempel, Sijnjewel, enz. Deze laatste naam,
in Fivelgo (Groningerland) voorkomende, is eigenlik de vraag
»zie-je-wel?" (als stopwoord niet zeldzaam in gebruik) in den
groningschen volkstongval. Wijl in de waalsche gewesten van België
de waalsche maagschapsnaam Houzeau voorkomt, zoo is mogeliker wyze
de naam Hoezoo slechts eene verdietschte spelwyze daar van. Hoezee,
Godhelp en Godthelp, Regtdoorzee, Ietswaard, Lukwel ('t lukt = het
gelukt wel), hebben waarschijnlik ook eenen dergelyken oorsprong,
en Nooitgedagt eveneens. Toch kunnen zulke namen ook op andere wyzen
ontstaan zijn. My is een eerzaam burger bekend in eene der friesche
steden; noemen wy hem Harmen De Vries. Hy is eigenaar van een huis,
dat in den gevel, in eenen steen uitgebeiteld, den naam draagt van
»Nooit gedacht." Dien ten gevolge, ook om hem te onderscheiden van
anderen, die den zelfden geslachtsnaam dragen als hy, wordt deze
Harmen de Vries in het dageliksche leven gewoonlik Harmen Nooitgedacht
genoemd. In dezen bynaam steekt niets onteerends. Dies wordt onze man
onbeschroomd zoo genoemd, en, zoo veel my bekend is, heeft hy zelve
daar niet op tegen. Leefden wy nu nog honderd jaren vroeger, hoe licht
zou deze bynaam niet een vaste geslachtsnaam worden? Misschien heeft
zulk eene omstandigheid ook aanleiding gegeven tot het ontstaan van
den geslachtsnaam Nooitgedagt en van anderen.

Een man die veel in zijn huis was, en weinig daar buiten, kreeg al
licht den bynaam van (Jan) T'huis. En dit kan de oorsprong geweest
zijn van den geslachtsnaam T'huis, die in Uitentuis (uit-en-te-huis),
en in Zeldenthuis met Seldenthuis zyne tegenhangers heeft. Even als
laatstgenoemde naam, zoo zijn ook geformd de geslachtsnamen Zeldenrust
en Seldenrijk. Een tegenhanger van Zeldenrust is nog de geslachtsnaam
Buitenrust. De beteekenis van den naam Seldenrijk, die in Nederland
ook voorkomt in den hoog-duitschen (zuid-duitschen of zwitserschen)
form Seltenrych, is duidelik. Ja, maar 't is geenszins zeker dat
deze naam oorspronkelik in der daad »zelden rijk" beteekent. Volgens
hoogduitsche taalgeleerden beteekent deze naam, die reeds zeer oud is,
en in Duitschland reeds betrekkelik vroeg in de middeleeuen voorkwam,
in het Oud-Hoogduitsch: »rijk aan zaligheden." Immers is Saeldenrich
de oudste form waaronder deze naam voorkomt. Toen het volk in lateren
tijd dezen ouden naam niet meer verstond, maakte het er Seltenrich,
Seltenreich van, by wyze van poging om er weêr eenen verstaanbaren zin
in te leggen. Onze nederlandsche geslachtsnaam Seldenrijk kan zeer
wel eene verdietsching zijn van den hoogduitschen form Seltenreich,
Saeldenrich. Hoe lichtelik het volk toch dwaalt in zyne duiding van
namen, kan het volgende voorval bewyzen. In myne jeugd woonde te
Leeuwarden een oude Duitscher, die Morgenschweisz heette. Die naam
was oorspronkelik waarschijnlik wel een bynaam geweest, gegeven aan
iemand die reeds des morgens vroeg zich in het zweet arbeidde. Maar
zóó vatte de leeuwarder jeugd dien naam niet op, en kon dat ook niet,
omdat zy geen Hoogduitsch verstond. Toch wist ze er een mou aan te
passen, en riep den man, die appels en noten en ander ooft langs de
straten ventte, na: »'s morgens wijs en 's avonds gek!"

Naaktgeboren en Niemantsverdriet zijn geslachtsnamen waarvan de
beteekenis voor niemand een raadsel is. Ofschoon er niets af te dingen
valt op de waarheid die in den eerstgenoemden naam opgesloten ligt,
zoo schijnt het toch alsof sommige leden van het nog al talryke,
in Zuid-Holland gezetene geslacht, dat dezen naam draagt, weinig
behagen vinden in het voeren daar van. Immers zy laten in het schryven
van hunnen naam die lettergreep »naakt" weg, als of zy dat naakt
geboren zijn niet met alle menschen op de wereld gemeen hadden. Heet
een man b. v. Jan Naaktgeboren, dan schrijft hy zynen naam wel:
J. N. Geboren. Ik zal hier maar niet zeggen, hoe ik over zulk eene
handelwyze denk. Ware er schande gelegen in dien onschuldigen naam,
of oneerbaarheid, dan zoude men deze naams-besnydenis nog kunnen
vergoêliken. Maar slechts een ziekelik jufferachtig gemoed kan,
dunkt my, ergernis of aanstoot vinden in den naam Naaktgeboren.

De geslachtsnamen Fynebuik en Soetekou houd ik oorspronkelik voor
bynamen aan lekkerbekken en smullebroêrs gegeven. Iemand die gaarne
allerlei zoetigheden eet, krijgt nog heden te Leeuwarden lichtelik
den bynaam van »soetekou," een woord van »zoet" en »kauen" (kauwen)
geformd. Suyckerbuyk en Suikerbuik zijn denkelik oorspronkelik ook
wel bynamen geweest voor menschen, die graag suiker proefden. Ook
deze naam heeft zooveel ergernis gegeven aan eenen drager er van,
dat hy niet rustte voor hy de laatste twee derde gedeelten van zynen
geslachtsnaam er achter weg mocht nemen, en er een (fransch-schynend)
de vóór mocht zetten, en alzoo dien naam volkomen onkenbaar had
gemaakt. Immers leest men eene aankondiging in het amsterdamsche
nieusblad, het Algemeen Handelsblad van den 28sten September 1883,
gedagteekend uit 's Gravenhage van den vorigen dag, en onderteekend
door Mr. G. Belinfante, advocaat en procureur, het volgende:

»Ter voldoening aan Artikel 64 van het Burgerlijk Wetboek wordt bekend
gemaakt, dat door den Heer Guillaume Suyckerbuyk, wonende te Amsterdam,
aan den Koning vergunning is gevraagd om zijn geslachtsnaam in dien
van De Suyck te mogen veranderen, zoodat genoemde Heer en al diens
wettige nakomelingen, in het vervolg De Suyck zullen heeten."

Wie zal nu, zoo hy het bovenstaande niet weet, in het vervolg in
dien geslachtsnaam De Suyck, half Fransch en half Oud-Nederlandsch,
den ouden naam Suyckerbuyk kunnen terugvinden, en den oorsprong van
dit De Suyck bevroeden?

De geslachtsnaam Nederhoed is misschien oorspronkelik de bynaam
geweest van een zeer beleefd man, even als Trouborst (borst heeft
hier immers de oud-nederlandsche beteekenis van eenen flinken,
jongen man?) die van eenen trouen, eerliken kerel, en Waterdrinker
die van iemand welke zeer matig leefde, althans in zynen drank zich
tot water bepaalde. Woordhouder, Geldmaker en Geldtelder, Liefhebber
(van wat?), Sorgdrager, Zonderland, met Landeloos als tegenhanger,
en Broodwinner zijn ook duidelik genoeg wat hunne beteekenis
aangaat. Ook deze namen houde ik voor oude bynamen. Als tegenhanger
van den geslachtsnaam Broodwinner, in Friesland inheemsch, komt in
de vlaamsche gewesten de geslachtsnaam Winnebroot voor, die natuurlik
de zelfde beteekenis heeft, en die, by misspelling en onverstand, in
Fransch-Vlaanderen als Winibroot geschreven wordt. Juist zoo geformd
als deze naam Winnebroot is ook de geslachtsnaam Winnepenninck,
die in beteekenis eveneens duidelik is. Ook als vadersnaam komt deze
naam in de zuidelike Nederlanden voor; te weten als Winnepenninckx
en zelfs als Winnenpenninckx. De maagschapsnaam Rookmaaker is
misschien oorspronkelik wel de bynaam geweest van iemand die aan
het tabaksrooken verslaafd was--even als Platteborze en Plateborse
(beide formen komen voor) die van iemand welke aan het euvel leed
van gewoonlik eene platte, geldelooze beurs te hebben. Voordewind
was oorspronkelik wel een bynaam van iemand wien het voor den wind
ging in het leven; anders gezeid: die voorspoedig was. En Te Peerdt
van iemand die veel te peerd reed of anderszins een ruiter was, in
tegenoverstelling van eenen anderen, misschien gelijknamigen man,
die niet te peerd kon ryden, maar die te voet moest gaan, en daarom
den bynaam van Te Voet kreeg. Te Voet immers, zoo wel als Te Peerdt,
komt nog heden als geslachtsnaam voor. Hondendorst (met het geheel
onverstaanbare Honderdors, een verbasterde form?) en Zonderkop,
ook Breesnee (breede snede? broods?), Cleenwerk, Blaauwendraat,
Fijn-van-Draad, Potjewijd, Wijnoogst en Wijnstroom, Helleganger en
Allemekinders zijn geslachtsnamen, die, al zijn ze niet onverstaanbaar,
toch door my niet, wat hunnen oorsprong betreft, kunnen verklaard
worden. De maagschapsnamen Goedkoop en Duurkoop zullen oorspronkelik
wel als bynamen eigen geweest zijn aan kooplieden, die hunne waren,
de eene om weinig, de andere om veel geld verkochten. Wonderlike
geslachtsnamen zijn ook Bierhaalder en Windwaayer, en niet minder
zonderling zijn Hameetman en Hameeteman (ham eet de man?), die in het
overmaassche Holland inheemsch en daar geenszins zeldzaam zijn. In
die zelfde streken, o. a. te Dordrecht, komt ook de geslachtsnaam
Hameter voor, en tevens (als tegenhanger?) Spekmyder (iemand die spek
mijdt, die geen spek eet). In der daad dwaze namen! Dwaas zyn ook
de maagschapsnamen Stoutintwoud, Vroegindewey en Schietekatte. Deze
twee eerste namen zullen oorspronkelik wel schertsender wyze gegevene
bynamen geweest zijn voor eenen dapperen jager en voor eenen veeboer,
die gewoon was reeds vroeg in den ochtend zyne bezigheden in de weide
te verrichten. De naam Schietekatte (schiet de kat) is in Zeeland en
Vlaanderen inheemsch, en komt daar in verschillende formen voor, die
aan verschillende geslachten eigen zijn. Te weten: als Schiettekatte,
Schiettecatte, Schietecatte, Schietekat, Schiekatte. Deze naam is al
zeer oud. Reeds ten jare 1342 droeg een burger van de vlaamsche stad
Oudenaarde, Lodewyc Scitcatte, dezen naam. [244]

§ 148. De lijst der zonderlinge geslachtsnamen is lang; wy hebben
haar nog niet ten halven behandeld.

Sparen en verkwisten zijn by vele lieden altijd twee byzondere
eigenschappen geweest, die aan anderen gewoonlik sterk in 't oog
liepen of ergernis wekten, en dus ruimschoots aanleiding gaven tot het
in gebruik stellen van bynamen. Eenigen van zulke bynamen zijn tot
op den dag van heden in stand gebleven als geslachtsnamen. Zie hier
enkelen daarvan: Quistecoren, Kwistewijn, Kwisthout en Quistwater,
tegenhangers van Spaergaren met Spaargaren en Spaargaare, Spaarkogel,
Spaerewijn, Sperlaecken (spaar laken) en Spaarwater. Men verwondere
zich niet, by andere zaken hier ook het water te vinden, als iets
dat door den eenen zorgvuldig bespaard, door den anderen roekeloos
verkwist werd. In sommige streken van Nederland, vooral in de zeeusche,
hollandsche en friesche polders, is zuiver drinkwater dikwijls
niet te bekomen, en dus eene kostelike zaak. Een geslachtsnaam,
die oorspronkelik zeker aan een byzonder spaarzaam man gegeven werd,
is nog Garegoed (vergader of verzamel goed, goederen). Deze naam is
ook al van oude dagteekening. Zoo vinden wy in 1514 als burger van de
stad Gouda zekeren Christoffel Gaergoet genoemd, in de »Informacie
up den staet van Hollant ende Vrieslant" bl. 372. De geslachtsnaam
Lievegoed is misschien als eenen tegenhanger van Garegoed te beschouen,
en oorspronkelik eigen aan eenen man, die zijn goed, zyne bezittingen,
byzonder lief had. Zou de geslachtsnaam Vallendgoed geene zinspeling
zijn op de onstandvastigheid der wereldsche goederen? Maar al neemt
men deze verklaring aan, dan nog is het moeielik te begrypen, hoe
dit woord tot eenen naam, tot eenen geslachtsnaam kon worden.--Vier
geslachtsnamen bestaan uit de zoete naamkes, die verliefde lui
elkanderen geven. Het zijn: Soetelief en Zoetelief, Mijnlieff,
Meliefste en, in overtreffenden trap, Alderlieste. Eene f is
uit laatstgenoemden naam gesleten. De woorden goed, lief en zoet
komen ook voor in andere geslachtsnamen, als Lievendans, Goedvolk
en Hemelsoet. Eerstgenoemde naam zal wel een bynaam zijn geweest
(Lieve, dat is: houd veel van, den dans) voor eenen liefhebber van
dansen. Goedvolk verklaart zich zelven, en is de weêrga van namen
als Goetheer, Goedvriend, enz. Hemelsoet, ofschoon wel verstaanbaar,
is echter niet zoo wel verklaarbaar. Ik weet aan dien naam eigenlik
geen mou te passen.

De laatstgenoemde naam brengt ons tot de geslachtsnamen die uit de
woorden hemel, aarde en hel zijn samengesteld. Als zoodanigen noemen
wy hier: Hemelrijk, Van Hemelrijck, Van den Hemel, Van den Hemele,
Van Aarde, Van Ertrijck, Van Aerdrijk, Van de Helle, enz. Van de
Waereld met Van Weerelt, Oldewelt, Wereldsma, enz. zijn op bl. 363
reeds behandeld. Het vagevuur komt, voor zoo verre my bekend is,
in geslachtsnamen niet voor. Een Paradies met Paradis, enz. is op
bl. 371 al vermeld geworden. De oorsprong van bovengenoemde namen
is my niet duidelik, ten zy men hen wilde afleiden van de namen van
huizen (uithangborden, gevelsteenen). In der daad kwamen hemel en hel
oudtijds wel als huisnamen voor. Van Lennep en Ter Gouw noemen eenige
voorbeelden daarvan op, in hun werk De Uithangteekens. Onder anderen
te Delft heette in 1600 eene herberg In 't Hemelrijck. Dit was volgens
Soutendam, Een wandeling langs Delfts straten en grachten, bl. 21,
»toenmaals een gebruikelike naam voor dergelijke inrichtingen." Wat
de geslachtsnaam Van de Helle aangaat, deze kan ook zijn ontstaan
te danken hebben aan het woord hel of helle, dat, op zich zelven
of in samenstellingen, in zoo menigen nederlandschen plaatsnaam
voorkomt. Men sla de aardrijkskundige woordeboeken der nederlandsche
gewesten maar op.--In West-Vlaanderen ligt een dorp dat den naam van
Aertrijcke draagt; de geslachtsnamen Van Aertrijcke en Van Aerdrijk
zijn hoochst waarschijnlik aan dezen dorpsnaam ontleend. De gedachte
is by my opgekomen of de geslachtsnaam Van Hemelrijck misschien ook
kon ontstaan zijn, en willekeurig geformd, als eenen tegenhanger
van Van Aertrijcke. Of de geslachtsnaam Van Ertrijck ook als eene
verbastering moet worden aangenomen van Van Aertrijcke, dan wel
of deze naam oorspronkelik de zelfde is of althans den zelfden
oorsprong heeft als de geslachtsnaam Van Herterijck, moet ik in het
midden laten. Het van vóór den laatstgenoemden naam schijnt op eenen
plaatsnaam Herterijk of Hertrich te duiden, die my echter niet bekend
is, in Nederland noch in Duitschland. Wel ken ik den oud-germaanschen
mansvóórnaam Harderick, Harterich, Hertrich, en deze naam komt werkelik
ook in Nederland voor. Namelik als Herterich en als Hertrich, beide
waarschijnlik van hoogduitschen oorsprong. Hoe nu de juiste samenhang
en onderlinge verhouding is van deze verschillende geslachtsnamen,
is my niet duidelik gebleken.

Signor en Sinjoor (beide spelwyzen komen voor), is een geslachtsnaam
die in de zuidelike Nederlanden inheemsch is, en waar aan het
spaansche woord señor, heer, ten grondslag ligt. Toch zijn de
geslachten die dezen naam dragen, niet van spaanschen oorsprong,
maar veeleer van antwerpschen. Immers de burgers van Antwerpen dragen
reeds sedert den spaanschen tijd, van de zestiende eeu tot heden toe,
by de andere Zuid-Nederlanders den spotnaam van Signor, Sinjoor,
Sinjoorke. Spaansche zeden, spaansche taal toch waren omstreeks de
helft der jaren 1500 en daar na, te Antwerpen zeer in zwang. Ook
lieten de kooplieden van die stad zich als »Señor" aanspreken. De
hedendaagsche bovengenoemde geslachtsnaam herinnert nog aan die
dagen. Hy is zeker oorspronkelik half uit spot gegeven aan eenen
antwerpschen señor, die zich in eene andere stad met der woon vestigde.

Onder de zonderlingste namen moet ook de geslachtsnaam Tijdgaat
genoemd worden. Oorspronkelik is deze naam in de zuidelike
Nederlanden inheemsch, en wel in West-Vlaanderen. Hy komt, zoo wel
by misspelling als by klaarblykelik onverstand wat zyne beteekenis
aangaat, en ook by verwaalsching, in verschillende formen voor,
en is, in die verscheidenheid van formen, ook aan verschillende
maagschappen eigen. Die onderscheidene spelwyzen zijn: Tijdgaat,
Tijdgaet, Tijtgaet, Tytgat, Titecat en Titeca. De twee laatstgenoemde
formen zijn verwaalschingen; zie § 165. Ik weet dezen naam anders
niet te verklaren als door hem te houden voor eene verdietsching
van het bekende latynsche gezegde: hora ruit, de tijd of het uur
vervliegt, of de tijd gaat. Dit gezegde was in de middeleeuen veel
in der lieden mond en penne, en werd toen dikwijls te pas gebracht,
ook in opschriften, b. v. op zonnewyzers, uurwerkplaten, enz.

Half aan misverstand, half aan eene uiting van speelsch vernuft heeft
de naam Olivijf, in Friesland inheemsch, zijn bestaan te danken. In
sommige nederlandsche maagschappen is de mansvóórnaam Olivier in
gebruik. Deze naam, die vroeger minder zeldzaam was als heden ten dage,
en die ook aan de geslachtsnamen Olivierse en Olleviers oorsprong
gegeven heeft, is waarschijnlik wel uit Frankrijk of uit Engelland
(ten tyde van Olivier Cromwel?) by ons ingeburgerd. Is Olivier niet
eene verwaalsching van den oud-germaanschen mansvóórnaam Ulfhari,
Olfer? Een oude naam, die by ons nog voortleeft in de geslachtsnamen
Olfers, Olfersma en Ulffers. Als een tegenhanger van dezen naam
Olivier, nog heden in Friesland ook als geslachtsnaam voorkomende,
liet iemand die geen eigen geslachtsnaam nog had, zich in 1811 als
Olivijf in de boeken van den burgerliken stand inschryven. »Heet Gy
Olivier?" zoo vroeg hy aan den man die even vóór hem zich onder dien
naam, die reeds lang de vaste geslachtsnaam was van zyne maagschap,
had laten inschryven--»heet Gy Olivier?--Wel! dan wil ik Olivijf
heeten!" En men moest den man, met deze zyne goedkoope woordspeling,
zynen zin geven. Ik meen dat dit voorval te Sneek heeft plaats
gegrepen. [245]

Te Leeuwarden komt de geslachtsnaam Zeekats voor. En dezen naam zoude
men, even als Kievits, Snoeks, enz., op bl. 188 vermeld, kunnen houden
voor eenen oneigenliken vadersnaam, voor eenen tweeden naamval van den
geslachtsnaam Zeekat, die my in Holland voorgekomen is. Of ook, men
zoude gevoegelik kunnen aannemen dat Zeekats eene halve verdietsching
ware van eenen hoogduitschen geslachtsnaam Seekatze. Maar dit is zoo
niet. Het eene zoo min als het andere. Ook deze naam Zeekats heeft
eenen zonderlingen oorsprong, op de wyze als de voorgaande naam. In
het begin dezer eeu namelik leefde er te Leeuwarden een gering man,
die geen geslachtsnaam had, even als zoo velen van zynen stand in
die plaats en in die dagen. 'S mans vóórnaam begon met de letter C;
denkelik heette hy dus Cornelis of Christiaan. Even als ieder ander
Nederlander, moest onze man in 1811 ten raadhuize van zyne woonplaats
zich onder eenen vasten geslachtsnaam inschryven laten. Hy ging daartoe
dan ook naar het stadhuis; maar hy kwam daar geheel onbeslagen ten ijs,
want hy had zich nog geen geslachtsnaam uitgedacht. Hy nam de geheele
zaak trouens zeer luchtig op, zoo als velen zyner tijdgenooten. Zoo
kwam hy »voor de heeren." Een van die heeren, die P. Cats heette,
zeggen wy b. v. P(ieter) of P(aulus) Cats, en die in de wandeling,
ter onderscheiding van anderen, welke den zelfden geslachtsnaam
voerden (zoo als dit nu ook nog wel gebruikelik is) gewoonlik P. Cats
(Pee-Cats) genoemd werd, vroeg onzen man: »Wel, Kees! wat fan nimstou
an?" (Wel, Cornelis! welken geslachtsnaam neemt Gy aan?)

Kees. »Ik weet it ferdomd niet, koopman!"

De heer C. »Ja, mar dou muste nou doch 'n fan angeve,--»dat helpt
niet!"

Kees. »Hoe hiete jou dan, koopman?"

De heer C. »Wel! P. Cats."

Kees. »Nou, skriif my dan mar op foor C. Cats!"

De heer Cats had daar misschien nog al wat op tegen, en de schryver of
de ambtenaar van den burgerliken stand ook. Maar er was niet aan te
doen--Kees bleef op zijn stuk staan. Natuurlik, hoe meer »de heeren"
zich daar tegen verzetten, hoe meer pret Kees in het geval kreeg. En
zoo kreeg de man ten slotte zynen zin. De schryver kon den zonderlingen
geslachtsnaam C. Cats wel niet anders te boek stellen dan als Seecats
of als Zeekats. En zóó geschiedde het. Aldus werd Cornelis Zeekats
de stamvader van dit nog te Leeuwarden bestaande geslacht. [246]

Raad eens, lezer! wat beteekent de geslachtsnaam Roosenik? Iemand uwer
zal misschien gissen dat de i uit e bedorven is, dat het eigenlik
Roosenek of Roseneck zal moeten wezen, en zynen atlas opslaan om by
eene bocht van den Rijn of eene andere rivier van Duitschland te zoeken
naar eene plaats die zoo heet. Een ander zal, op den uitgang lettende,
vermoeden dat het een poolsche of hongaarsche naam is. Alles mis. Ik
zal het u vertellen. In 1811 was er onder de velen die nog geenen
geslachtsnaam hadden en er daarom eenen moesten kiezen, iemand die
deze gelegenheid wilde waarnemen, om den naam van zyne lieve vrou
te vereenigen. Zy heette Roosje. Maar daar hy begreep dat in den
geslachtsnaam, dien zy beide van nu af aan dragen zouden, beide ook
moesten vermeld worden, noemde hy zich Roos en ik. Zoo is de naam
Roosenik ontstaan. 't Was eene onschuldige aardigheid, waar wy vrede
meê zouden hebben, ware 't niet dat men met zulke aardigheden van
anderen wel eens wat nutteloos hoofdbreken vergt. [247]

Hartsuyker is een geslachtsnaam, die iedereen aan de woorden
hard en suiker, aan een hard klontje suiker zal doen denken. En
toch is de oorsprong en de beteekenis van dezen naam een geheel
andere. Hartsuyker is namelik eene quasi-verhollandsching van den
oorspronkeliken form, waaronder deze naam reeds oudtijds voorkwam; te
weten van Hartsoeker. Ook nog heden is deze naam, in laatstgenoemden
zuiveren form, aan eene byzondere maagschap eigen. In de noordoostelike
Nederlanden, ik meen in Drente, is de form Hartsuyker ontstaan. Daar
wordt, in de friesche en friso-saksische gouspraken, het woord
suiker als sûker (met hoogduitsche u, dus ongeveer als soeker), en
ook wel als süker uitgesproken. Men schijnt gemeend te hebben dat
in den geslachtsnaam Hartsoeker dit woord soeker, sûker voorkwam, en
verhollandschte dien naam dus, in geschrifte, tot Hartsuyker, al bleef
men des niet te min steeds Hartsoeker uitspreken. De geslachtsnaam
Hartsuyker is nog heden in de noordoostelike Nederlanden inheemsch,
evenals de oorspronkelike form Hartsoeker in Holland. Wat nu echter
de beteekenis van dit woord hartsoeker (hart- of hardzoeker?) is,
moet ik bekennen niet te weten. Is het misschien de naam van een oud
wapentuich? van eenen hart-zoeker, of harts-vanger?

Viergever en Fürbringer zijn nog twee geslachtsnamen, die ik te zamen
vermelde, omdat in beiden het woord vuur (vier, für) voorkomt, en de
beteekenis van beiden niet veel onderscheid oplevert. Hoe deze namen
ontstaan zijn, kan ik niet verklaren. Zijn vuurgever en vuurbrenger
misschien oude benamingen van eenen man, belast met het aanleggen,
het aanmaken of aanboeten van vuur? Zie op bl. 469 den geslachtsnaam
Bütefür.

Smakelooze, ja, zeer leelike geslachtsnamen, een last voor
wie ze moeten dragen, zijn Paardebek en Paardehaar, Kalfsvel en
Kattestaart. Aan duidelikheid van beteekenis laten deze namen niets
te wenschen over. Maar hoe deze en gene man er toe gekomen is, zulk
eenen naam als zynen geslachtsnaam te aanveerden, is minder duidelik.

Minder ergerlik dan de voorgaande namen, ofschoon dan altijd nog leelik
genoeg, zijn de geslachtsnamen Vogelpoot, Arenspoot, Beerepoot, Tot
den Berenclauw, enz. Het schijnt dat oorzaken van heraldischen aard
(byzondere figuren op geslachtswapenschilden voorkomende) aanleiding
gegeven hebben tot het ontstaan dezer namen. Als zoodanig zijn zy dan
ook reeds op bl. 364 door my vermeld, even als de geslachtsnamen
Iserbyt en Minnebo, die ook tot de zonderlinge namen gerekend
worden moeten, reeds op bl. 346 en 317 genoemd zijn. Aangaande den
zonderlingen geslachtsnaam Met den Ancxt verwijs ik naar bl. 256.

Boerendans is zekerlik ook al een zonderlinge geslachtsnaam. Een
gehucht Boerendans ligt er by het overijsselsche dorp Batmen. De
geslachtsnaam zal wel aan den plaatsnaam ontleend zijn. Maar hoe komt
dan nog die plaats aan zulken dwazen naam? Is het de naam geweest van
eene herberg waar de boeren wel kwamen dansen? Te Brugge toch draagt
nog heden eene herberg dezen naam. Of stond daar »De Boerendans"
op een uithangbord afgebeeld, gelijk elders wel »De Kalverendans"
en »De Apendans"?

Duyvendak. Beteekent deze maagschapsnaam een huis, kenbaar aan de
vele duiven die er in den regel op het dak zitten--het huis dus
van eenen duive-liefhebber? En is deze naam dan van het huis op den
bewoner overgegaan?

Deze opsomming van zeer byzondere en zonderlinge geslachtsnamen zoude
te recht onvolledig genoemd worden, ware 't dat de naam Duivenbode
daar by niet genoemd en werd. Deze naam, die ook als Duyvenbode en
Duyvenboode, en zelfs als Van Duivenbode en Van Duyvenbooden voorkomt
(ook in samenstellingen: Van Leeuwen van Duyvenbode, Van Renesse
van Duivenbode, Van Duivenbode Varkevisser)--deze naam heeft eenen
merkweerdigen, geschiedkundigen oorsprong. Immers in de bange dagen
van Leidens vermaard beleg door de Spanjaarden ten jare 1574, maakten
drie burgers dier zoo zwaar benarde maar ook zoo roemrijk verdedigde
veste zich zeer verdienstelik door hunne duiven, die tydingen van het
leger dat tot ontzet van Leiden opdaagde, aan de haast vertwyfelende
burgery binnen de wallen brachten. Die drie mannen waren drie broeders
en heetten Ulrik, Willem en Jan Cornelisz. Niettegenstaande er,
tegen het einde van het beleg nagenoeg geene spyze meer in de stad
was, en niettegenstaande de drie gebroeders ongetwyfeld ook honger
leedden, zoo lieten zy toch hunne duiven in leven, en maakten er,
tot troost hunner benaude stadgenooten, zoo schoon gebruik van. Ter
belooning van, en in herinnering aan deze vaderlandslievende daad,
verleende het stedelik bestuur van Leiden in 1578 aan Willem Cornelisz,
waarschijnlik ook aan Ulrik en Jan, de vergunning, met recht van
overgang op zyne nakomelingen, om voortaan den naam Duivenbode
als geslachtsnaam te voeren. Het geslacht dat Willem Cornelisz
Duivenbode tot stamvader had, is, volgens het gene Pars in zyne
Katwijksche Oudheden mededeelt, thans sinds meer dan anderhalve eeu
uitgestorven. Hoochst waarschijnlik stammen dus de maagschappen die
thans den naam Duivenbode in de verschillende boven vermelde formen
dragen, af van Ulrik en van Jan.--Ter herinnering aan deze vermaarde
duiven, die als liefelike en gezegende boden zoo zoete troost en hoop
brachten binnen de belegerde en uitgehongerde stad, leest men nog
in het huis waar Willem Cornelisz gewoond heeft, op het Rapenburg te
Leiden, onder het eigenaardige wapenschild dat aan hem verleend werd,
dit min of meer onduidelik kreupelrijm:


        Dat God gewrocht
        Die va Duiveboode,
        Doe God tot Boden Duiven schikte,
        Ontzet voor Leydens Stad aanblikte. [248]


Elenbaas. Deze geslachtsnaam is my langen tijd onverklaarbaar gebleven,
tot dat ik in Oudemans' Bijdrage tot een Middel- en Oud-nederlandsch
Woordenboek vond dat »elenbaas" een oud-hollandsch woord is, het welk
nog in de geschriften van den oud-amsterdamschen blyspeldichter Bredero
(1585-1618) als een vleiwoordeken voorkomt, in de beduidenis van »brave
borst, knappe baas, nobele kerel, beste vriend." Het is eene inkrimping
van den vollen form edele baas, even als men oudtijds ook sprak van
»eleman" en »elegeest" voor edele man of edelman, edele geest, enz.

Een zonderling voorkomen heeft ook de maagschapsnaam Doodkorte. Ik heb
echter goede redenen om met groote waarschijnlikheid te durven beweren
dat deze naam Doodkorte eene misspelling, en dat de oorspronkelike
form van dezen naam Doodkotte is. Hy zoude dan met Exterkotte,
Haverkotte en anderen tot de kotte-namen behooren; zie bl. 266. De
naam Exterkotte is my ook wel eens, by misspelling, als Exterkorte
voorgekomen, en op deze misspelling grondde E. Laurillard [249] zyne
bewering dat deze naam zoude beduiden: de extra korte, de byzonder,
buitengewoon korte of kleine man.

Vier zonderlinge geslachtsnamen zijn my bekend, allen in de
zuidelike gewesten inheemsch, en waar van er twee goed-latynsche en
twee quasi-latynsche formen vertoonen. Oculorum en Sanctorum zijn
maagschapsnamen van zuiver-latynschen, Springorum, met Stekelorum
en Stikkelorum van nagebootst-latynschen form. Wat aanleiding kan
gegeven hebben tot het ontstaan dezer in der daad zonderlinge,
ja, wat de drie laatsten aangaat, onzinnige namen, is my onbekend
gebleven. Eenen latynschen form vertoont ook nog de geslachtsnaam Ego
(het latynsche woord voor »ik"), die reeds van oude, zestiende-eeusche
dagteekening schijnt te zijn; zie § 151.

Als tegenhangers van deze vijf of zes zonderlinge namen noem ik hier
nog de maagschapsnamen Oremus (laat ons bidden!) en Amen. Ongepaste
en dwaze scherts is misschien wel de oorzaak van het ontstaan dezer
namen. De geslachtsnamen Genesis en Leviticus, eigenlik de namen van
het eerste en derde bybelboek, mogen hier ook genoemd worden.

Wat den geslachtsnaam Amen betreft, deze zoude nog kunnen geduid
worden als een vadersnaam, op de wyze der namen in § 40 behandeld,
van den oud-germaanschen mansvóórnaam Ame, die door Förstemann
wordt vermeld, en die nu en dan nog by de Friesen in gebruik is,
gelijk hy dan ook in Leendertz's naamlijst als Ame voorkomt. De
geslachtsnaam † Amama is een byzonder-friesch patronymikon, en Amesz
een nieu patronymikon van dezen mansvóórnaam, die ook deel uitmaakt
van den aardrijkskundigen geslachtsnaam Ameshoff, het hof, de hoeve,
van Ame. Nau verwant met dezen naam Ame (misschien oorspronkelik wel
een en de zelfde naam) is de oud-germaansche, ook heden ten dage nog
friesche mansvóórnaam Ammo, Amme, waarvan de geslachtsnamen Ammema,
Amming, Ammen en Amshoff afkomstig zijn.

Moet al de oorsprong der bovengenoemde latynsche en quasi-latynsche
namen duister worden geacht, geenszins duister voor den ingewyde zijn
de volgende geslachtsnamen. Namelik wat de omstandigheid betreft,
die aanleiding gaf tot hun ontstaan, en wat de wyze aangaat, waarop
zy geformd zijn. En echter, ieder oningewyde zal my moeten toegeven
dat de geslachtsnamen Snitsevorg, Rhemrev, Ednenov, Kijdsmeir,
Reeb niet slechts een hoochst zonderling, maar tevens een alles
behalven nederlandsch voorkomen vertoonen. Het zijn eenvoudig
omgekeerde namen, namen die achterste-voor zijn gezet, namen waarvan
de laatste letter het eerst geschreven staat, en zoo vervolgens in
geregelde verplaatsing, tot de eerste letter van den oorspronkeliken
de laatste letter van den omgezetten naam geworden is. Snitsevorg is
dus anders niet als eene omzetting, van achteren naar voren, van den
geslachtsnaam (Van) Grovestins, even als Kijdsmeir van Riemsdijk,
Reeb van Beer, Rhemrev van Vermehr en Ednenov van Von Ende. Deze
zonderlinge geslachtsnamen zijn ontstaan onder de Europeërs in
de nederlandsche oost-indische bezittingen, en zijn door de vaders
gegeven aan hunne zoogenoemde natuurlike kinderen, die zy buiten wettig
huwelik, by inlandsche vrouen hadden verwekt. [250] Op zulk eene wyze
is eveneens de geslachtsnaam Vodegel in Oost-Indie ontstaan. By de
forming echter van dezen geslachtsnaam heeft men niet alle letters
van den oorspronkeliken vadersnaam omgezet. Integendeel, men heeft
de eerste lettergreep van dien oorspronkeliken naam--te weten De
Vogel--eenvoudig tusschen de tweede en derde lettergreep geplaatst,
en er Vodegel van gemaakt.

De geslachtsnamen Efdee en Erbee kunnen evenmin als de voorgaanden
verklaard worden, tenzy men hunnen oorsprong kenne. En deze
oorsprong is niet minder zonderling. Deze geslachtsnamen toch zijn
oorspronkelik anders niet als de enkele letters F. D. en R. B. Iemand
die b. v. Frederik heette, en die geen vasten geslachtsnaam had,
maar zich Frederik Dirkszoon noemde, of by inkorting, Frederik Dirks,
omdat zijn vader den voornaam Dirk droeg, heeft zich in 1811 dezen
naam toegelegd, naar de eerste letters van zynen naam en van zijn
patronymikon F(rederik) D(irks). Of misschien ook Feike Douwes of Foppe
Doedes; want deze zonderlinge naam is in Friesland ontstaan--ik meen te
Sneek. En zoo is het ook met Erbee, dat is R. B., R(obert) B(arends)
of R(inse) B(erends). De enkele letters F. D. en R. B. kon men toch
niet als geslachtsnamen voeren. Zoo maakte men daar Efdee en Erbee van.

Nog een paar enkele letters zijn my als geslachtsnamen voorgekomen; te
weten Aa en O. Om de wille der byzonderheid vermeld ik hier deze namen,
waarvan ik de eerste te Amsterdam, de tweede te Brussel vond. Of nu de
geslachtsnaam O werkelik tot de oorspronkelik nederlandsche behoort,
dan wel of hy van vreemden (waalschen?) oorsprong is, en wat of de
beteekenis van deze twee namen is, ook wat aanleiding gaf tot hun
ontstaan--dit alles is my onbekend gebleven. Ik meen echter dat by den
geslachtsnaam Aa niet gedacht moet worden aan het oud-nederlandsche
woord a of aa, water, dat in de geslachtsnamen Van der Aa en Traa
voorkomt, en op bl. 216 en 281 reeds besproken is.

§ 149. Was by het grootste getal der bovengenoemde zonderlinge
namen nog eene verklaring mogelik, en kon de oorsprong by velen
worden aangegeven, dit is niet het geval by de volgende namen,
welke ik eveneens tot de zonderlinge namen reken, maar die ik niet
verklaren kan. Ik verdeel dezen nog weer in twee groepen, welke my
wel beiden even onverklaarbaar zijn, maar waarvan de namen, die de
eerste groep samenstellen, toch uit duidelik nederlandsche woorden
en letterverbindingen zijn geformd. Maar de namen van de tweede groep
vertoonen buitendien nog een vreemd voorkomen. Zy zijn oogenschijnlik
van vreemden oorsprong.

Als voorbeelden van geslachtsnamen, die ik tot deze eerste ondergroep
brenge, noem ik Hoenderdos, Regenplomp, Missoorten. Laatstgenoemde
naam, in de zuidoostelike gewesten, meest in zuid- en
noord-nederlandsch Limburg verspreid, komt daar ook in de eenigszins
afwykende formen Missooten en Missotten voor. De verschillende woorden
of lettergrepen waaruit de bovengenoemde namen zijn samengesteld, zijn
op zich zelven genomen wel nederlandsche woorden en nederlandsche
lettergrepen (regen en plomp, dos en soorten, hoenders en mis),
maar in hunne samenstelling tot éénen naam formen zy geene redelike
woorden noch namen. Zy brengen anders niet als onzin te weeg. En dit
is eveneens het geval met de geslachtsnamen Eigenraam en Diepraam,
Vuylsteke, enz. [251]

Als voorbeelden van geslachtsnamen die by hunne zonderlingheid
en onverklaarbaarheid (voor my althans), ook nog een vreemd,
onnederlandsch voorkomen vertoonen, noem ik hier Pabbruwe, Vizjevène,
Leffef, enz. [252] Met deze namen weet ik weinig of niets aan te
vangen. Kan Vizjevène samenhangen met de maagschapsnamen Vizevene,
Vigeveno en Vigevano? En zijn alle vier deze namen slechts afwykende
spellingen van eenen en den zelfden geslachtsnaam? In allen gevalle
hebben wy hier toch met namen van vreemden oorsprong te doen. Zy
behooren allen (?) of ten deele (?) aan joodsche (portugeesche
of spaansche (?)) geslachten.--In geschriften van de vorige
eeu is my de geslachtsnaam Padbrué, ook als Padbruhe geschreven,
voorgekomen. Dat dit de zelfde naam is als het hedendaagsche Pabbruwe
is wel waarschijnlik. De verklaring van dezen naam echter wordt my
daar nog niet duideliker.

Velen van de laatstgenoemde geslachtsnamen zullen wel van
buitenlandschen oorsprong zijn, en hebben misschien, in Nederland
overgeplant, door verbasterde nederlandsche spelwyze, eerst hun
zonderling voorkomen verkregen. Zoo is de geslachtsnaam Harrebomee,
die te Haarlem inheemsch is, waarschijnlik de zelfde als de
geslachtsnaam Herbomez of D'Herbomez, die in noordelik Frankrijk, in
de fransch-vlaamsche gewesten oorspronkelik inheemsch is. [253] Dit
vermoeden verkrijgt te meer waarschijnlikheid, omdat de haarlemsche
maagschap Harrebomee oorspronkelik tot het menniste of doopsgezinde
kerkgenootschap behoort, en omdat juist vele Doopsgezinden uit de
vlaamsche gewesten van Zuid-Nederland en Noord-Frankrijk verdreven,
in vorige eeuen te Haarlem zich neder zetten, daar bescherming,
althans vryheid van godsdienst vonden, en er eene byzondere gemeente
van Vlaamsche Mennisten formden. Voor hem, die deze byzonderheden
niet kent, moet de naam Harrebomee volkomen onverklaarbaar zijn.

En zoo is het ook met den geslachtsnaam Rotteveel, die in Holland niet
zeldzaam is. Blykens het wapenschild dat door een der leden van dit
geslacht, misschien ook door meerdere leden daarvan, misschien door
allen gevoerd wordt, en dat, als een sprekend wapen, de afbeeldingen
vertoont van eene veêl, vedel, viool, en van rotten, ratten, schijnt
men te denken dat de oorsprong van dien naam Rotteveel te zoeken
zy in de namen van die dieren en van dat toontuich. Maar dit is
eene dwaling. De naam Rotteveel is eene halve verdietsching van den
hoogduitschen geslachtsnaam Rothenfeer, door niet ongewone omzetting
der verwante letters r en l. En dit Rothenfeer is eene samentrekking
van Rothenfeder, oorspronkelik een bynaam, denkelik wel gegeven aan
iemand die gewoonlik eene roode veêr droeg (misschien als sieraad
op zynen hoed?) en die bekend was wegens deze byzonderheid.--De
geslachtsnaam Geiregat zoude oorspronkelik de naam van eene straat
kunnen zijn die een »geirend, geerend, gierend" verloop had, als
b. v. de Gierstraat te Haarlem; gat zoude hier ingang van eene straat
kunnen beduiden, gelijk b. v. de benaming »het Gat van de Houtstraat"
te Haarlem bewijst. Dezen naam »gat" vind ik ook in de geslachtsnamen
Ten Rodengate, Van den Noortgate, en misschien ook in Moortgat; de twee
laatsten zijn in de zuidelike Nederlanden inheemsch. Echter niet in
Tytgat; zie bl. 456.--Onder de namen, my ten eenen male onverklaarbaar,
zijn er ongetwyfeld velen, die aan vreemde talen oorspronkelik eigen
zijn; Plutschouw b. v. en Hoyack met Schuak hebben een slavisch
voorkomen; Lasones en Pollones met Vizjevène en Vigevano een romaansch.



O. IMPERATIVISCHE GESLACHTSNAMEN.


§ 150. Eenige byzondere nederlandsche geslachtsnamen vat ik te
zamen tot eene groep, waaraan ik, in navolging der Duitschers,
die over dit onderwerp schreven, den naam geef van »Imperativische
geslachtsnamen." Tot de »Zonderlinge geslachtsnamen" (zie de voorgaande
afdeeling) moeten deze namen zekerlik ook gebracht worden, al behooren
zy dan grootendeels geenszins tot de onverklaarbare namen. Het
eigenaardige dezer namen bestaat hierin dat zy uit de gebiedende wijs
van eenig werkwoord bestaan, veelal met toevoeging van een zelfstandig
naamwoord of een bywoord. Of zelfs dat zy, met andere woorden te
zamen, eenen geheelen kleinen volzin formen. B. v. Stavast (sta
vast), Lachniet (lach niet), Kijk in de Vegt, enz. De oorsprong dezer
zonderlinge, ten deele zelfs vermakelike namen is wel meest hierin
te zoeken, dat zy oorspronkelik bynamen, half en half scheldwoorden
geweest zijn, door de volks-geestigheid bedacht en toebedeeld aan
dezen of genen, die door zijn gedrag, door byzondere eigenaardigheden
in zijn doen en laten of in zyne inborst, aanleiding gaf den eenen of
den anderen van deze namen op zich toe te passen. Een gierigaard b. v.,
tuk op een gering muntstuk, kreeg al licht in scherts den bynaam van
Geert Grijp-den-duit, en die oorspronkelike scheldnaam is nog heden,
in form een weinig versleten, als de geslachtsnaam Grijptenduit in
gebruik. Eenen dronkaard, die geen wijn, bier of sterke drank kon
laten staan, maar alles »uitzoop", noemde de geestige volksmond al
spoedig Symen Suip-het-uit, en ook deze scheldnaam is tot den dag
van heden in stand gebleven, als de geslachtsnaam Zuipetuit.

Velen van deze geslachtsnamen zijn reeds van oude dagteekening,
't welk ten deele ook blijkt uit de versletene formen die deze
namen thans vertoonen. In de middeleeusche naamlijsten van poorters
in de nederlandsche steden, en in andere oorkonden uit die jaren,
komen zulke imperativische toenamen geenszins zeldzaam voor. Zoo
vinden wy te Amsterdam eenen burger die den naam draagt van Jonge-Jan
Doet-er-niet-toe [254], en te Leiden, omstreeks den jare 1400, eenen
koopman die Jan Blijf-hier heet. De man voldeed niet aan het bevel
dat in zynen toenaam opgesloten was. Immers hy bleef niet te Leiden,
maar vertrok naar het land van Schonen in Zweden, waar hy stierf. [255]
De namen Schiettekatte en Garegoed kan men ook tot de imperativische
brengen, en dat deze namen eveneens reeds van oude dagteekening zijn,
vindt men op bl. 454 vermeld.

Zie hier een lijstje van de imperativische namen, die nog heden in
de Nederlanden als geslachtsnamen voorkomen: Makeblyde (maak blyde,
vroolik), Breekpot, ook in de formen Breecpot, Breckpot en Brecpot
voorkomende, Stavast, Zitvast en Hautvast, dat is: houd vast, in
zuid-brabantschen en limburgschen form; de naam is dan ook in Limburg
inheemsch. Tevens in Groningerland, als Holvast (hold vast), volgens
het taaleigen van dat gewest. Verder Halover (haal over), Kiekepoos
(kiik eene poos, kijk een oogenblik), Schuddeboom en Schuddebeurs,
Grijptenduit en Zuipetuit, boven reeds vermeld; Schepop, Scheiuit,
Leguit en Loopuyt, Houtrouw (houd troue, wees getrou), Schafraad en
de tegenhanger van dezen naam Raadgep, dat is eene verbastering van
den hoogduitschen form Rathgeb, welke ook in Nederland voorkomt, en
raad geef, anders gezeid: geef raad, (ver)schaf raad beteekent. Dan
nog Vliegop, Plukhooy, Schenkbier, Snydewind, Leeflang, Snydoodt en
Sladoot, Schuddemat, Bytebier en Slokkenbier (bijt het bier en sluk
het bier), Scheurleer, Smytegelt (smijt het geld), Stortenbeeker
en Sturtewaegen. De beide laatst genoemde namen, die men zeer wel
als imperativen, stort den beker (om), en stort den wagen (om)
kan verklaren, kunnen evenwel oorspronkelik ook de namen zijn van
eene byzondere soort van beker en van wagen, en misschien by wege
van huisnamen tot geslachtsnamen geworden. Immers vinden wy onder
het drinkgetuich onzer voorouders byzondere bekers, waaruit iemand
die »het loopje" daarvan niet en kende, niet drinken kon zonder te
»storten", onder den naam »stortebekers" genoemd. En een »stortewagen"
zal wel de naam zijn van eenen byzonderen wagen of kar, dien men,
door eene eigenaardige inrichting, kan laten wippen of kippen, zoo dat
zijn inhoud uitgestort wordt, gelijk onze boeren wel by 't vervoer
van eerde, mest, enz. gebruiken. Treur en Treurniet, Kreukniet
(ver)kreuk(el) niet--, Wijkniet en Lachniet, Keereweer, Koopal
en Maakal, zijn nog imperativische namen wier beteekenis duidelik
is. Keerwolf kan als keer den wolf worden geduid, maar het kan ook
een oud-germaansche mansvóórnaam zijn; immers Kjerulf vinden we als
zoodanig in Skandinavien. Bütefür is een nederduitsche (platduitsche)
form, en wil zeggen: zet het vuur aan. Vuur aanboeten, vuur aanbüten
wordt nog door het volk in onze noordoostelike gewesten gezegd. De
Franschen hebben dit oud-germaansche woord ook nog in hunne taal. Het
fransche woord boute-feu, zoo als men (te 's Gravenhage! liefst) den
man noemt, die belast is met het vuur aanzetten of vuur aanboeten,
bediedt in alle opzichten het zelfde als deze nederduitsche
geslachtsnaam Bütefür; zie bl. 460.

Twee van de imperativische geslachtsnamen, ja drie, zijn zelfs
uit kleinere volzinnen samengesteld. Het zijn Kijk-in-de-Vegt
en Kom-te-Bed met het vragende Sijn-je-wel (zie je wel?), zie
bl. 449. Kijk-in-de-Vegt is oorspronkelik waarschijnlik een huisnaam,
aan zulk een huis eigen, waar men uit de vensters in de rivier de Vecht
kon kyken. Zekerlik wel in de overijsselsche Vecht, en niet in de
hollandsche; want de geslachtsnaam Kijk-in-de-Vegt is in Overijssel
inheemsch. Dergelyke namen zijn meer door de volksgeestigheid
gegeven aan huizen, burchten, schansen, enz., van waar men in of
naar eene andere plaats kon zien. De oorsprong van het zonderlinge
Kom-te-Bed is denkelik wel in eenen uit scherts gegevenen bynaam te
zoeken.--De kwist- en spaarnamen, op bl. 454 vermeld, kan men ook
tot de imperativische geslachtsnamen rekenen.



IV.

GESLACHTSNAMEN VOLGENS HUNNE AARDRIJKSKUNDIGE VERDEELING.


§ 151. Zoo men de nederlandsche geslachtsnamen, en de vreemde
geslachtsnamen in Nederland voorkomende, beschout volgens
hunne aardrijkskundige verdeeling, en volgens hunnen oorsprong in
aardrijkskundigen zin, dan levert die beschouing ook menige belangryke
en merkweerdige byzonderheid op. Zy doet ons reeds aanstonds twee
hoofdgroepen van namen, in aardrijkskundigen zin geordend, kennen. Te
weten: de nederlandsche geslachtsnamen, die aan byzondere nederlandsche
en nederduitsche gewesten eigen zijn, zoo wel binnen als buiten de
staatkundige grenzen van Noord- en van Zuid-Nederland, als ook in
vreemde landen. En dan de vreemde, de onnederlandsche namen, van
verschillende volkeren afkomstig, uit verschillende vreemde talen
oorspronkelik, die in de Nederlanden voorkomen. Elk van deze twee
hoofdgroepen vervalt weer nader in onderdeelen.

Beschouen wy eerst de zuiver nederlandsche namen, die aan byzondere
gedeelten van het geheele Nederland eigen zijn, dan doen zich, als
eerste onderverdeeling daarvan, ten eersten voor:



A. DE NOORD- EN DE ZUID-NEDERLANDSCHE GESLACHTSNAMEN.


Oorspronkelik en von Haus aus, om met de Hoogduitschers te spreken,
is er tusschen de geslachtsnamen van de noordelike en van de
zuidelike nederlandsche gewesten, van Nederland en België zoogenoemd,
geen byzonder onderscheid waar te nemen. En zulk een onderscheid
bestaat er dan eigenlik ook niet, en kan er niet bestaan. Immers
de schrijftaal is de zelfde in Vlaanderen en Holland, in Brabant
en Gelderland, in Limburg en Zeeland. Daar zoo wel als hier gelden
voor een en de zelfde taal ook geheel de zelfde taalwetten, die in
den volksgeest zelven gegrondvest zijn, en waar schoolmeesters en
taalleeraars niets aan veranderen kunnen--noch mogen, zoo zy althans
hunne roeping wel begrypen. En die volkseigene taalregels, die de
zelfden zijn noord en zuid van den Moerdijk, de zelfden aan Schelde
en Rijn, aan Maas en IJssel, die zijn het juist, volgens welke de
nederlandsche geslachtsnamen geformd zijn. De geslachtsnamen toch
zijn rechtstreeks uit den mond van het eigenlike volk voortgekomen;
zy danken hunnen oorsprong onmiddellik aan de spraakmakende gemeente.

Maar is er dan in hooftsaak geen onderscheid tusschen de geslachtsnamen
van Noord- en die van Zuid-Nederland,--in byzaken is dit wel het
geval. In de omstandigheid dat de Vlamingen, Brabanders en Limburgers
in Zuid-Nederland, sedert de scheiding tusschen noord en zuid, die in
de 16de eeu plaats greep, in vele gevallen eene andere spelling volgden
voor ons aller gemeenschappelike taal, dan de Hollanders en Zeeuen, de
Gelderschen en Friesen in de noordelike gewesten aannamen, vindt men
voor een gedeelte de oorzaak van dat onderscheid. En voor een ander
gedeelte is die oorzaak gelegen in eenige byzondere woorden die in
't algemeen aan de verschillende zuid-nederlandsche gouspraken eigen
zijn, maar in de noordelike streekspraken niet voorkomen. Als zulke
byzonder-zuidnederlandsche woorden deel uitmaken van geslachtsnamen,
geven zy aan die namen een eigen zuid-nederlandsch voorkomen, dat hen
eenigszins onderscheidt van de noord-nederlandsche namen. Zie hier
een paar voorbeelden. In De Brauwere, De Cueninck, Van Meirhaeghe,
Dierckxsens, Van Suetendael, Den Haene, enz. erkent iedereen terstond
byzondere zuid-nederlandsche geslachtsnamen, omdat zy in hunne
spelling de byzondere zuid-nederlandsche kenteekenen vertoonen,
tegenover die zelfde namen in noord-nederlandsche spelling, en
die dan ook in de noordelike gewesten inheemsch zijn. Te weten:
De Brouwer, De Koning, Van Meerhagen, Dirksens, Van Zoetendaal en
De Haan. Eveneens in Van den Driessche (en het versletene Van den
Dries), Van de Cauter, Van den Bilcke, Van der Meersch, Schoesetters,
De Naeyer, D'Huyvetter, enz. omdat deze namen samengesteld zijn uit
woorden die slechts aan de zuid-nederlandsche gouspraken eigen zijn en
die in de noord-nederlandsche door anderen vervangen worden, zoodat
dan ook genoemde namen in de noordelike gewesten hunne tegenhangers
vinden in Van den Akker, Van der Weide, Ter Marsch, Schoenmakers,
Kleermaker of Snyder, De Looyer, enz.

Niet enkel wyken de zuid-nederlandsche namen in hun voorkomen van de
noord-nederlandsche af door de beide bovenvermelde oorzaken--maar
ook nog door de oude, ten deele zelfs zeer oude, geheel verouderde
spelling die aan velen hunner eigen is. Die oude, veelal middeleeusche,
of anders 16de eeusche spelwyze was eertijds even zeer gebruikelik
in de noordelike als in de zuidelike Nederlanden. Dat evenwel
zoo vele zuid-nederlandsche geslachtsnamen die oude spellingen
vertoonen, terwijl men zoo zelden noord-nederlandsche namen in dat
verouderde gewaad ontmoet, vindt zyne oorzaak in de omstandigheid
dat de Vlamingen en Brabanders in de middeleeuen en in de eerste
eeu van den nieuen tijd reeds vaste geslachtsnamen voerden, terwijl
de Noord-Nederlanders zulke namen toen, in den regel, nog geenszins
hadden. Die zuid-nederlandsche namen zijn ontstaan ten tyde dat die
nu zoo geheel verouderde spellingen in zwang waren, en zy zijn sedert
dien tijd steeds op die wyze geschreven geweest, en hebben die oude
schrijfwyze behouden tot op den dag van heden, al veranderde van tijd
tot tijd, van eeu tot eeu, de rechtschryving der nederlandsche taal ook
nog zoo zeer. Die byzondere zuid-nederlandsche geslachtsnamen leggen
dus, door de oude spelwyze waar in zy geschreven worden, getuigenis
af van den tijd van hun ontstaan, dus van hunnen ouderdom. In
Noord-Nederland kwam het dragen van vaste geslachtsnamen eerst veel
later algemeen in zwang. In de hollandsche steden begonnen eerst in
de 15de en 16de eeu de aanzienlike burgers, later ook de geringeren,
geslachtsnamen te voeren. Het gros der bevolking in Holland, vooral ook
ten platten lande, kreeg eerst in de 18de eeu vaste geslachtsnamen,
en in de overige noord-nederlandsche gewesten, vooral ook in de
friesche gouen, duurde het tot het begin dezer eeu, eer iedereen
eenen vasten geslachtsnaam had. Van daar, dat de noord-nederlandsche
geslachtsnamen in den regel geschreven worden volgens de spelregels
die in den nieueren, gedeeltelik in den laatsten tijd, in deze eeu,
in zwang waren en zijn. Van daar dat woorden welke sedert de 16de
eeu uit de nederlandsche taal verloren gingen, en woorden die dienen
ter aanduiding van zaken en dingen welke in den nieueren tijd niet
meer bestaan, of die thans andere namen dragen dan voorheen, in de
noord-nederlandsche geslachtsnamen niet meer voorkomen, zoo als in
de zuid-nederlandsche wel het geval is. En hier in is hooftsakelik
de oorsprong te zoeken en te vinden van het onwezenlike onderscheid
dat er bestaat tusschen de geslachtsnamen in de noordelike en in de
zuidelike Nederlanden.

Eenige byzondere, oorbeeldige zuid-nederlandsche geslachtsnamen mogen
hier nog eene plaats vinden. De nieuere formen, waaronder die zelfde
namen in de noordelike gewesten voorkomen, heb ik er achter gevoegd:
Van Eerdewegh en Van den Eertweg (Van den Aardweg), Vermeire (Vermeere,
Vermeeren en Van der Meer), Keersmaekers, [256] enz.

Zeer eigenaardige zuid-nederlandsche namen zijn ook Mispelters,
Notelteirs, D'Haseleire, enz. En eveneens D'Haeiere en Coorevitse. Ter
verklaring van den voorlaatsten geslachtsnaam wete men dat in vele
vlaamsche, brabantsche en limburgsche gouspraken een werkwoord haaien
(haeyen) voorkomt, in de beteekenis van halen, ophalen, iets te
zamen brengen door het een of ander op te halen, huis aan huis,
gelijk jonge lieden wel doen, die tegen Kerstmis, met St. Pieter
en St. Maarten, met Driekoningen-dag, enz. al zingende goede gaven
by de huizen inzamelen. Ook noemt men den bode van het gerecht die
de zettingen int, inhaalt, ophaalt, inhaait, hier en daar in de
zuidelike gewesten de haaier, in oude spelwyze d'haeyere. [257]
Dit is de oorsprong en de beteekenis van den naam D'Haeiere.

De wikken, verschillende soorten van planten uit het geslacht Ervum,
en die wel, vooral Ervum tetraspermum, als onkruid op onze akkers
voorkomen, dragen by het volk in de zuidelike gewesten, en ook wel
hier daar in Noord-Nederland, den naam van vitsen, vitse--door de
verwisseling van k en ts, die nog heden in de friesche taal veelvuldig
voorkomt: kerk = tsjerke, karn = tsjerne, enz. De wikke of vitse,
die vooral als onkruid in het koorn voorkomt, het bovengenoemde
E. tetraspermum, noemt men dus de koornvitse of korenwikke. Dit woord,
in het Luiker-Waalsch tot coirvèse verbasterd, is tot eenen vlaamschen
geslachtsnaam, tot Coorevitse geworden.

Natuurliker wyze treft men de zuid-nederlandsche namen meest in de
zuidelike gewesten, de noord-nederlandsche meest in het Noorden
aan. En dit is niet slechts in het algemeen het geval, maar het
komt zelfs ook zeer in het byzonder voor, veel meer dan men zoude
meenen te moeten afleiden uit de, toch niet zóó zeldzame wisseling
van bevolking tusschen het Noorden en het Zuiden. Oorbeeldige
geslachtsnamen, duidelik de kenmerken van hunnen oorsprong in het
Noorden of in het Zuiden vertoonende, treft men, over en weêr, buiten
de gouen waar zy oorspronkelik inheemsch zijn, slechts zelden aan. De
oorbeeldige vlaamsche geslachtsnamen op ynck, inckx, enz. eindigende
(zie bl. 42 en 46) komen slechts uiterst weinig voor in de noordelike
gewesten. Van de byzonder-friesche, op a eindigende geslachtsnamen die
in de friesche gouen zoo algemeen, en in de andere, vooral hollandsche
gewesten van het Noorden ook geenszins zeldzaam zijn, vond ik slechts
Bockma en Dykstra te Brussel, slechts Sinia te Gent. De oorzaak van
dit verschijnsel is hierin te zoeken, dat de wisseling van bevolking
tusschen Noord- en Zuid-Nederland sedert de laatste helft der vorige
eeu en sedert het begin dezer eeu heeft stilgestaan, of althans,
vooral sedert de tweede scheiding tusschen Noord en Zuid, sedert
den jare 1830, van zeer geringe beteekenis is geweest. Eerst in den
allerjongsten tijd is er weêr verandering--verbetering--in deze zake
te bespeuren. En het is vooral sedert de laatste honderd jaren dat
de vaste geslachtsnamen, althans in het Noorden, ontstaan zijn. In
de omstandigheid dat de Zuiderlingen eenige eeuen vroeger vaste
geslachtsnamen voerden dan de Noorderlingen, is ook de oorzaak
te vinden van het feit dat er altijd meer namen van zuideliken
oorsprong te vinden zijn in de noordelike gewesten, als omgekeerd. De
zestiende eeu hooftsakelik deed, wegens redenen van godsdienstigen
en staatkundigen aard, vele Vlamingen en Brabanders zich in de
noordelike gewesten, vooral in Holland en Zeeland vestigen. Ook
omgekeerd bracht toen de zelfde oorzaak vele Noorderlingen met der
woon naar het Zuiden. Die Vlamingen en Brabanders hadden nagenoeg
allen toen reeds vaste geslachtsnamen. En zy behielden die ook,
ten deele zelfs in hunne oude, weldra verouderde spelling, in hunne
nieue woonsteden. Maar die Noorderlingen voerden voor het grootste
gedeelte in die jaren nog geene vaste geslachtsnamen. En toen zy,
of hunne nakomelingen, zich vaste geslachtsnamen uitkozen, waren dit
meestal, op het voorbeeld der Vlamingen en Brabanders, onder wien zy
zich gevestigd hadden, ook vlaamsche of brabantsche namen, althans
in vlaamsche en brabantsche formen en spelwyzen, en daar mede ging
het bewijs van hunnen noordeliken oorsprong verloren. Of ook wel,
zoo deze Noord-Nederlanders by hunne verhuizing naar het Zuiden reeds
geslachtsnamen voerden, dan lieten zy, in hunne nieue woonplaatsen,
die namen, welke toch in den regel meer als toenamen, dan wel als
vaste geslachtsnamen golden, wel vervallen, en namen nieue aan. Waren
die oude namen friesche namen, dan was de onverstaanbaarheid daarvan
voor Vlamingen en Brabanders misschien wel de reden, waarom men ze
buiten gebruik stelde. Zoo lieten de leden van een friesch geslacht
dat de patronymikale toenamen Joenkema en Jariga voerde, en die in
het begin der 16de eeu te Mechelen zich met der woon vestigden, dáár
in Brabant die aloude namen varen, en namen (althans een van hen,
de beroemde kruidkundige Rembert) het verlatynschte patronymikon
Dodonaeus (dat is Doedes) aan. [258] Omgekeerd gebeurde het ook wel
dat de nakomelingen van Zuid-Nederlanders die in de 16de eeu in Holland
zich hadden neêrgezet, de oud-vlaamsche en oud-brabantsche spelwyzen,
die zy by 't schryven hunner namen, op het voetspoor hunner ouders
hadden gevolgd, lieten varen, en eene nieuere, hollandsche spelling
daar voor aannamen. Zoo komt b. v. de oud-brabantsche geslachtsnaam
Van den Eertwegh heden ten dage te Haarlem voor als Van den Aardweg;
de oud-vlaamsche naam Tydgaet eveneens te Haarlem als Tijdgaat. Verder
De Rynck en Van der Ghote, ook van vlaamschen oorsprong, in Friesland
als De Ring en Van der Goot, enz.

Haarlem en Leiden in de eerste plaats, waren de steden waar in de 16de
en 17de eeu vele Zuid-Nederlanders, uit hun eigen land verdreven of
gevlucht, zich met der woon vestigden. Daaronder waren vele wevers en
andere nyveren, en dezen brachten door hunne kunstvlijt aan Haarlem en
Leiden roem en voordeel, eere en rijkdom. Zoo is het te verklaren dat
nog heden in genoemde steden eenige byzondere zuid-nederlandsche namen,
behoorende aan de nakomelingen dier oude uitwykelingen, voorkomen;
ten deele in vernieude, verhollandschte spelling. Behalven de reeds
hier boven vermelde namen Tijdgaat en Van den Aardweg vinden wy als
zoodanig te Haarlem: Smissaert (ook in Vlaanderen), Kokkelkoorn (in
Vlaanderen Kokelkoorn), Strybos (ook te Antwerpen), Malefijt (als
Malefeyt en Maelfeyt ook te Antwerpen en elders in Zuid-Nederland),
Verkruysen (als Vercruysse in Vlaanderen niet zeldzaam), Wijkhuizen (in
Vlaanderen Wyckhuyse), De Laat (in Vlaanderen De Laet), De Breuk (te
Brugge De Breuck), Ego (ook te Kortrijk), Rybrouk (als Rybrouck, ook
als Reybroeck en Van Reybrouck, in de zuidelike gewesten inheemsch);
Lodder (te Haarlem) en De Loddere (te Kortrijk), Van der Elst (te
Brussel zeer algemeen), Van der Smissen (ook te Brussel), Proot
(te Haarlem, te Leiden en in Vlaanderen), Muylaert (in de zuidelike
gewesten niet zeldzaam), Overbeek (Van Overbeke in Vlaanderen), De Hoog
(D'Hooghe in Vlaanderen), Hazevoet (Haesevoet in Vlaanderen), Steenkist
(Van de Steenkiste in Vlaanderen), enz. Buitendien nog in het Noorden
De Ring, Van der Goot, Van der Plaats, Korthals, enz. tegenover De
Rynck, Van der Ghote met het saamgetrokkene Vergote, Van der Plaetse
en het saamgetrokkene Verplaetse en Corthals in het Zuiden. Velen van
deze uit het Zuiden naar het Noorden verhuisde maagschappen behooren
nog heden tot het Doopsgezinde kerkgenootschap, en maakten nog in de
vorige eeu de byzondere, vooral in Holland en Friesland verspreide
kerkgemeenten der zoogenoemde Vlaamsche Mennisten uit (Van der Smissen,
Van Mesdag, Overbeek, Van der Goot, Van der Plaats, De Ring, enz.),
ten bewyze dat hunne voorvaderen om hun Protestantsch geloof verdreven
waren uit de zuidelike gewesten, waar zy van ouds gezeten waren en waar
de Katholyk geblevene leden hunner maagschap nog heden gezeten zijn.



B. DE GESLACHTSNAMEN DER VERSCHILLENDE NEDERLANDSCHE GEWESTEN.


§ 152. De geslachtsnamen die in de verschillende nederlandsche
gewesten inheemsch zijn, vertoonen sommige eigene kenmerken en
eigenaardigheden, waar door men hen, als zoodanig en voor ieder gewest
afzonderlik, herkennen kan, en waar door zy zich onderscheiden van de
geslachtsnamen aan andere gewesten eigen. Deze eigenaardigheden treden
by de geslachtsnamen van het eene gewest sterker op den voorgrond,
als by die van het andere. Sommige gewesten bieden zelfs in hunne
geslachtsnamen niets eigenaardigs aan; of ook die eigene kenmerken, zoo
zy bestaan, zijn eveneens in een aangrenzend gewest inheemsch. En dit
is ook gemakkelik te verklaren. Immers vallen de staatkundige grenzen
der nederlandsche gewesten lang niet overal samen met de grenzen van
het gebied der verschillende volkstammen--Friesen, Saksen, Franken--die
ons volk samenstellen. En dus ook evenmin met de grenzen van het gebied
der verschillende gouspraken. En juist in die verschillende gouspraken
is voor een groot gedeelte d' oorzaak te vinden van het verschil dat
de geslachtsnamen van het eene gewest opleveren met die van een ander.

Even als in zoo vele andere zaken uit het volksleven voortspruitende,
is Friesland ook zeer byzonder wat de geslachtsnamen betreft,
die er eigen zijn aan de ingezetenen. Die eigenaardige friesche
geslachtsnamen, wier byzonderheid een gevolg is van de eigene taal der
Friesen, zijn, althans in Noord-Nederland, bekend genoeg door hunnen
uitgang op a, in verschillende formen: a, inga, ma, sma, stra, enz. Wat
de oorsprong en de beteekenis van al die onderscheidene formen van
friesche eigennamen aangaat--dit alles is reeds in dit werk uitvoerig
behandeld (zie § 22-27, 29, 44-51, 71, 91, 93 en 101-104). Ik kan hier
dus volstaan met daar heen te verwyzen. Slechts dient hier nog vermeld
te worden dat die friesche geslachtsnamen geenszins beperkt zijn tot
het gewest Friesland in hedendaagsch-staatkundigen zin. Neen! die
namen zijn ook evenzeer oorspronkelik eigen aan, en inheemsch by de
friesche bevolking van Groningerland, om van Oost-Friesland niet te
gewagen. Ook in de aan het hedendaagsche Friesland grenzende streken
van Drente komen nog oorbeeldige friesche geslachtsnamen oorspronkelik
voor. Toch zijn zy nergens zoo talrijk als juist in de oud-friesche
gouen Oostergoo, Westergoo en de Zevenwolden, die gesamentlik het
grootste deel formen van het hedendaagsche noord-nederlandsche gewest
Friesland. Hier toch formen zy zekerlik meer als de helft van alle
bestaande geslachtsnamen,--terwijl zy in de groninger Ommelanden te
nauer nood een vierde gedeelte van het getal dier namen uitmaken.

Nevens deze byzonder-friesche geslachtsnamen, is aan de friesche
gewesten ook nog byzonder eigen een groot aantal geslachtsnamen,
die uit patronymika bestaan, op algemeen-nederlandsche wyze geformd
uit byzonder-friesche mansvóórnamen. Deze namen gaan op s, sz,
n, ns (es, esz, en, ens) uit, en zijn eveneens reeds in dit werk
besproken, op bl. 91, 95, 102 en vervolgens. Sikkes, Doedes, Meinesz,
Aten, Beenen, Fekken, Feyckens, Boelkens, Foppens, dit zijn allen
algemeen-nederlandsche naamvalsformen van de byzonder-friesche
mansvóórnamen Sikke (Sicco), Doede (Dodo), Meine, Ate, Been
(Beernd? Bernard?), Fekke, Feike (Feico), Boelke (verkleinform van
Boele), Foppe, enz. En zy mogen nog als voorbeelden gelden van deze
groep van eigenaardig-friesche geslachtsnamen, die eveneens weêr
over alle friesche gouen, ook buiten de grenzen van het hedendaagsche
gewest, verspreid zijn.

Behalven al deze namen, komt er nog eene kleine groep van
geslachtsnamen in Friesland voor, die eveneens in het byzonder aan dit
gewest eigen is. Dat zijn die namen, welke geheel of ten deele uit
woorden en formen van woorden bestaan, welke slechts in de friesche
taal voorkomen, en aan de andere nederlandsche gouspraken vreemd
zijn. Tot die namen behooren de volgenden: Soepboer, dat is te zeggen:
karnemelk-boer; sûpe, men spreke soepe ongeveer, is het friesche woord
voor karnemelk; de friesche stedelingen zeggen suup; zie bl. 302 en
422. Nyboer, de nieue boer, zie bl. 302. Nydam, de nieue dam, Nyhoff en
andere namen met het friesche ny, nieu, samengesteld. Boerke, boertje,
en andere namen die den frieschen verkleinform op ke vertoonen,
als Beerske, baarsje, enz. Nylan en Oudeboon, zijnde de namen van de
friesche dorpen Nyland en Oude-Boorn, geschreven volgens de eigene
friesche uitspraak. Schroor, eigenlik in zuiver friesche spelling
skroar, samen getrokken uit het oud-friesche skrodar, kleêrmaker;
zie bl. 312. Liets, een in spelling verhollandschte form van het
friesche woord lîts, dat is: klein. Feynt, het friesche woord voor
jonge man (zie bl. 438), en Bouwfeint, de knecht van eenen bouboer,
landbouer. De Wein, het friesche woord voor wagen (rytuich); Stykel,
het friesche woord voor distel; Siepel, het friesche woord voor ajuin
of ui--zie bl. 411; Schrier, in zuiver-friesche spelling eigenlik
skrier, de friesche benaming voor den vogel tureluur; ook Stind,
zie bl. 384. Gorter en Meelker, de friesche benamingen voor den
grutter en den meelkoopman. De laatste naam is half verhollandscht;
de oorspronkelike, zuiver-friesche form is moolker. Schoegje,
eigenlik skoegje, skoechje, beteekent schoentje, in de friesche taal;
zie bl. 427. Schriemer, eigenlik skriemer, dat is te zeggen: iemand
die weent, schreit of huilt, in het Friesch skriemt. Deze friesche
geslachtsnaam heeft zyne weêrga in den geslachtsnaam Schreyer, dien
ik te Antwerpen aantrof. En misschien ook in Weener, ofschoon deze
geslachtsnaam oorspronkelik ook zoowel iemand kan beteekenen die uit
de oostenrijksche hoofdstad afkomstig is, als ook eigenlik de naam kan
wezen van het oostfriesche vlek Weener--zie bl. 212. Bargeboer, dat is:
varkensboer; zie bl. 132. Tosch, eigenlik Tosk, is het friesche woord
voor tand, en deze naam is zeker oorspronkelik een bynaam geweest voor
iemand met groote of anderszins byzondere, in 't oog vallende tanden;
zie bl. 417. Verder nog Byker, iemand die byen houdt--zie bl. 186 op
den naam Bykersma; Kooiker en Kooyker, de eigenaar of houder van eene
eendekooi. Dan ook Pypker, Tjoelker, Duinker en Duintjer, Blesker en
Bilkert (zie bl. 204 en 201), allen namen, die, in byzonder-frieschen
form, den oorsprong aanduiden of de afkomst van eenen man uit de eene
of andere plaats. Zoo is een pypker of pîpker iemand die aan eene pîp
(pijp), in Friesland eene gemetselde steenen boogbrug beteekenende,
woont. Een Tjoelker is iemand, afkomstig van, of t'huis behoorende
in het gehucht De Tjoele, dat by den dorpe Augustinusga ligt, in
Friesland. Een Blesker is een man uit het gehucht De Blesse, op de
grenzen van Friesland en Overijssel, tusschen de dorpen Peperga en
Oldemark gelegen. Maagschapsnamen als Hoogterp, Kleiterp, Westerterp,
Luitsmaterp, Hooghiemster (zie bl. 273), Hoogstins en Burenstins,
Rollingswier en Noordewier zijn eveneens eigenaardig-friesche namen. De
geslachtsnamen Oudeboon, Boonstra en Boonemmer, allen aan friesche
geslachten eigen, dragen het kenmerk van hunnen frieschen oorsprong
in de misspelling die zy vertoonen. Want uit alle drie deze namen is
eene r gesleten, overeenkomstig de gewone friesche uitspraak. De naam
Oudeboon is op de vorige bladzyde reeds verklaard. Boonstra staat in
de plaats van Boornstra of Van Boorn; zie bl. 245. En Boonemmer is
oorspronkelik Boornemmer of Bornemmer, de emmer waar mede men naar de
boorn, born of bron, naar de bornput of welput gaat om water te halen
ten einde het vee te drenken. Vee-drenken heet in het Friesch dan ook
borne, boarne, en bornamers (boornemmers) zijn by alle friesche boeren
te vinden.--Het stadje Ylst wordt door de Friesen steeds genoemd met
het lidwoord er voor, en dan in den derden naamval, als Der Ylst, by
samentrekking Drîlst of Drylst (ik gean nei Drîlst), in misspelling
Drielst. Van daar de maagschapsnaam Van Drielst, even als Drielsma.

§ 153. De geslachtsnamen die byzonder eigen zijn aan Groningerland, aan
de (friesche) Ommelanden van (de stad) Groningen, welk gewest van ouds
en van rechts wegen den naam draagt van Friesland tusschen Lauers en
Eems, vertoonen over 't algemeen den frieschen eigenaard. Grootendeels
zijn zy ten nausten verwant, wat oorsprong zoo wel als form aangaat,
aan de eigenaardige geslachtsnamen die in de beide aangrenzende
friesche gewesten (nederlandsch Friesland of West-Friesland en duitsch
Friesland of Oost-Friesland) inheemsch zijn. Ja, ten deele zijn het de
zelfde namen. De byzonder-friesche geslachtsnamen die op a eindigen,
formen ook een goed deel van die groningerlandsche namen welke het
meest in 't oog vallen. Byzonder eigen aan de groningsche gouen zijn
die friesche geslachtsnamen welke op sema (in enkele namen verkeerdelik
als zema geschreven) uitgaan; b. v. Geertsema, Ilpsema, Roelfzema,
enz. In § 49 zijn deze namen afsonderlik behandeld. De namen die op
stra eindigen, komen in Groningerland betrekkelik slechts zeldzaam
voor, en dan nog het meest in het zoogenoemde Westerkwartier, in de
gouen die aan het westerlauersche Friesland grenzen.

Van die byzonder-friesche geslachtsnamen, welke bestaan uit
de patronymika, op algemeen-nederlandsche wyze geformd, van
byzonder-friesche mansvóórnamen, komen er ook een groot aantal in
Groningerland voor. Velen van deze groningsche namen op s, en, ens
eindigende, zijn de zelfden als in Friesland tusschen Fli en Lauers
inheemsch zijn, en in Friesland beoosten Eems. Anderen zijn in het
byzonder aan de groningsche gouen eigen, omdat de mansvóórnamen
die er aan ten grondslag liggen, al zijn het allen zuiver-friesche
en dus even zeer echte algemeen-germaansche namen, toch meer by de
groningsche bevolking in gebruik zijn als by de friesche bevolking west
van de Lauers. Buitendien komen de vadersnamen op n (en) en ns (ens)
eindigende, meer in Groningerland (en Oost-Friesland) voor, dus meer in
de oud-friesche landen die thans eene gemengde, eene friso-saksische
bevolking hebben, dan bewesten Lauers, onder de zuiver-friesche
bevolking die tusschen Fli en Lauers gezeten is. Daarentegen is de
form op enkele s (es) maar eigen aan het laatstgenoemde gewest. Toch
komen over en weêr op deze regels vele uitzonderingen voor.

Onder de groningerlandsche ingezetenen zijn eenige mansvóórnamen in
zwang, die, ja, wel by alle friesche volksstammen eveneens in gebruik
zijn, maar dan toch in het westerlauersche Friesland veel zeldzamer
voorkomen. Het zijn byna uitsluitend groningerlandsch-friesche
vóórnamen, of algemeen-friesche vóórnamen in bepaald groningerlandsche
formen, en de patronymika op s, n, en ns, van deze vóórnamen afgeleid,
zijn dus ook, als geslachtsnamen, bepaaldelik aan Groningerland
eigen. Reeds op bl. 102 en 107 zijn eenigen van deze soort van
geslachtsnamen vermeld en verklaard geworden. Eenige anderen, die
hooftsakelik aan de groningsche Ommelanden eigen zijn--al komen ze
dan in de andere friesche gouen, vooral ook in de oostfriesche, ook
wel voor--en die aan de groningsche geslachtsnamen in 't algemeen
eenen byzonderen stempel verleenen, zijn nog: Benes, Brongers (zie
bl. 118 en 128), Brons en Bronts (zie bl. 51), [259] enz. Dan, op
n eindigende (zie bl. 99): Fekken, Heiken (zie bl. 107), Holken en
Hölken, [260] enz. En eindelik, op ns uitgaande--en dezen vooral
zijn kenmerkend groningerlandsche namen: Addens, Alkens, Deddens,
[261] enz. Al deze namen zijn eenvoudig vadersnamen van friesche,
en wel meest van groningerlandsch-friesche mansvóórnamen. Zy allen
kunnen hier niet nader verklaard en besproken worden; slechts drie
van elke groep wil ik daartoe nemen.

Hemme, Hemmo is de oud-friesche mansvóórnaam, die aan den geslachtsnaam
Hemmes ten grondslag ligt. Reeds onder de oud-germaansche namen by
Förstemann vermeld, is Hemmo nog heden in de friesche gouen geenszins
zeldzaam als mansvóórnaam in gebruik. Deze naam heeft dan ook,
behalven aan Hemmes, nog oorsprong gegeven aan de friesche en saksische
geslachtsnamen Hemminga, Hemminge (in Drente, zie bl. 34); aan het
versletene Hemmie (zie bl. 72) in Butjadingerland; aan Hemmingson in
Engelland; aan het uitgestorvene Hemmema en aan Hemmen. Verder aan de
plaatsnamen der verschillende Hemminga- en Hemmema-staten in Friesland;
aan Hemmen, een gehucht by Haren in Groningerland; aan Hemmingen,
een dorp in Elsasz-Lotharingen; aan Hemmingen en Hemmendorf, beide by
de stad Hanover gelegen; aan Hemmingstedt, een dorp in Dithmarschen,
enz.--Tjapkes beteekent: (zoon) van Tjapke of Tjapco, beter Tjabbeke,
Tjabco, omdat deze naam een verkleinform is van den oud-frieschen
mansvóórnaam Tjabbe (Thiabbo) of Tjebbe, die nog in alle friesche
gouen in gebruik is. Onder laatstgenoemden form, en als Tjepke,
Tjepco (Tjebbeke), meest in het westerlauersche Friesland. Andere
geslachtsnamen, van dezen zelfden oud-frieschen naamstam ontleend,
zijn nog Tjabben en Tjabbens--beiden ook in Groningerland inheemsch;
† Thiabbana, Tjebbes en Tjebbens, Tjebken en Tjebkes, Tjepkema,
Tjeppema en Tjepma, misschien ook Tjibbes, enz.

Uunkes is, even als Uniken, een patronymikon van den
byzonder-groningschen mansvóórnaam Uunke, Uneke, Unico, een
verkleinform van Uno of Oene, onder welken laatsten form deze zelfde
naam in het westerlauersche Friesland inheemsch is. Vele andere
geslachtsnamen zijn van dezen zelfden oud-germaanschen mansnaam
afgeleid; b. v. het volle (uitgestorvene) patronymikon Uninga,
met de versletene, nog levende formen Unia in Friesland (zie § 29),
Uninge in Drente (zie bl. 34); verder Unink, Unema, Unkes, Uncken,
Unken, Uhnken, Oenema, Oenen, Oenes, enz.

In Holken en Hölken, zoo mede in de verwante geslachtsnamen Holkema
en Van Holkema, Holkes en Holkens vinden wy den mansvóórnaam
Holke (Holco), in Friesland in gebruik en die een verkleinform
is van den frieschen, nog heden eveneens geenszins zeldzamen
naam Holle. Laatstgenoemde naamstam gaf weer aan de geslachtsnamen
Hollinga en Van Hollinga, Hollenga, Hollema en Holma, Holling en Hollen
oorsprong, even als aan vele plaatsnamen in alle friesche gouen. Luxen
is afkomstig van Luuks, een groningsche form van den bybelschen
naam Lucas; zie bl. 180. In Toppen, even als in de geslachtsnamen
Toppinga en Topma schuilt de friesche mansvóórnaam Toppe, die heden
ten dage uitgestorven schijnt, maar die, in den verkleinform Topke,
in de naamlijst van Brons nog vermeld wordt.

Adde, Addo is de friesche, in Friesland nog in volle gebruik zijnde,
ook algemeen oud-germaansche, by Förstemann vermelde mansvóórnaam, die
even als aan den geslachtsnaam Addens, zoo ook aan Addinga, Addingh,
Addink, Addinck, Addings, Addes, Adden oorsprong gaf. Tevens aan den
oostfrieschen geslachtsnaam Addena (zie bl. 124) en aan de engelsche
maagschapsnamen Addington en Addisson. Daarenboven aan zeer vele
plaatsnamen in allerlei germaansche landen.

In Dekens zit verscholen de oud-friesche, thans weinig meer
gebruikelike mansvóórnaam Deke, die eene samentrekking is van Dedeke,
Dedico, en deze naamsform is weêr eene kleengedaante (diminutivum) van
den vollen oud-germaanschen mansvóórnaam Dede, Dedo, die ook in vele
byformen voorkomt, en door Förstemann vermeld wordt. Aan zeer vele
geslachtsnamen gaven Dede, Dedde, Deke, Dekke, enz. oorsprong. Wy
noemen hier slechts het uitgestorvene Dekama, en het nog levende
Dekema met Dekena en Deekena, Dekinga en Dekenga, Dekens en Deekens,
Deeken, Deking en Deeking, Dekkinga en Dekking, enz.--Wibbe eindelik,
waarvan de geslachtsnaam Wibbens een patronymikon is, leeft als
mansvóórnaam (en als vrouenaam Wibbechien, Wibke, Wibbeke, Wipke) nog
in Groningerland, en is een byform van Wibe, Wibo, Wybe, Wiebe, Wypke,
Wypkje onder welke formen deze zelfde naam in het westerlauersche
Friesland inheemsch is; zie bl. 178.

By sommige friesche geslachtsnamen duidt de uitgang ker een oorsprong
of afkomst aan van zekeren persoon uit de eene of andere plaats of
uit de eene of andere landstreek. Zie bl. 481. Zulke namen komen in
Groningerland talryker voor als in het westerlauersche Friesland,
en geven een eigen karakter aan de groningerlandsche namen. Eene
landstreek wordt dikwijls genoemd naar den aard van haren bodem--de
klei b. v. in Friesland, het veen, het duin, enz.--en zoo vinden wy
deze byzondere landschapsnamen terug in de geslachtsnamen: Leemker,
Veenker, Bosker, welke laatste naam ook als Bosscher en Busscher
in Groningerland voorkomt. Zylker, van het friesche woord sîl,
verhollandscht tot zijl (sluis), en Boomker behooren al mede tot
deze groep van namen, zoo mede Rasker. Den laatsten naam kan ik
echter niet verklaren. De k en de tj zijn in de friesche tongvallen
wisselletters (kerk, friesch tjerke; karn, friesch tjerne, enz.). Zoo
komt ook de k van ker wel als tj voor in deze byzonder-groningsche
geslachtsnamen. Van daar de maagschapsnaam Woltjer, in het
westerlauersche friesch waldjer, woud- of boschbewoner. Dat deze
uitgangen ker en tjer in der daad oorspronkelik een en den zelfden
form uitmaken, blijkt uit de geslachtsnamen Tuinker en Tuintjer,
Veenker en Veentjer, Duinker en Duintjer. De laatstgenoemde naam,
in zynen dubbelen form, komt oostwaarts van de Eems ook als Düntjer
en Dünker voor, en is, van de Helder tot Bremen, over alle friesche
eilanden, en alle friesche gouen aan de zeekust verspreid. Daar is hy
eigen aan verschillende maagschappen die zekerlik allen oorspronkelik
in het duin haren zetel hadden.

Ook sommige beroepsnamen gaan in de friso-saksische gouspraken
van Groningerland eveneens op deze lettergreep ker, tjer (jer)
uit. Zulke woorden komen ook als geslachtsnamen voor, en dezen zijn
eveneens kenmerkend voor onze noordelike, vooral noordoostelike
gewesten. Als voorbeelden noemen wy de geslachtsnamen Moesker,
kweeker van keukengroenten; Zaatjer, zaadkoopman; Kooltjer, kweeker
van koolsoorten; Muirker, van het woord muur, in oud-groningerlandsche
spelling muir (zie bl. 489), dus muurmaker of metselaar; Hoetjer
hoedemaker; Glaasker en Glasker, glazemaker; Potjer en Panjer,
iemand die potten en pannen van eerdewerk maakt; Korfker, in Holland
mandemaker genoemd, Snitjer en Snitker, een houtsnyder; deze naam komt
in Oost-Friesland ook als Snitger voor, en verder op in Duitschland
als Schnittger. Verder Kofker (kofschipper), en eindelik nog Bontjer
(in de aangrenzende streken van Munsterland zegt men ook Buntker),
een koopman die katoenen kleedingstoffen (bontgoed zoogenoemd)
verkoopt. Meelker (meelkoopman--in het Friesch moolker genoemd), en
Imker, zoo als men (ook ymker) in onze friesche en saksische gewesten
den byenhouder noemt, van 't oud-friesche woord ima, by.

Een byzonder groot aantal geslachtsnamen die op huis uitgaan, is ook
zeer kenmerkend voor Groningerland. Het zijn overigens op zich zelven
weinig byzondere namen. Hun form is algemeen-nederlandsch, maar juist
hun aantal over eene betrekkelik kleine uitgestrektheid verspreid,
maakt hen opmerkelik. Oorspronkelik zijn het allen ware huisnamen
geweest, aan huizen, niet aan personen eigen. Maar zy zijn overgegaan
op de bewoners der aldus genoemde huizen. Zie hier eenigen van die
namen, die geenen naderen uitleg vereischen: Beekhuis, Berghuis,
Bolhuis, [262] enz.

Ten slotte mogen hier nog eenige geslachtsnamen vermeld worden, die een
byzonder groningsch voorkomen hebben, en ook enkel aan Groningerlanders
eigen zijn. Wiersum en Hoeksum met Hoexum zijn geslachtsnamen
die volkomen het voorkomen hebben van friesche plaatsnamen, en
dit oorspronkelik ongetwyfeld ook wel zullen zijn, al is het dat
my die plaatsnamen in geen enkele friesche gou zijn voorgekomen,
noch ook in de aardrijkskundige woordeboeken vermeld worden. Volgens
overlevering echter zijn het afslytingen, by verlies van de slot-a,
van de groningsch-friesche geslachtsnamen Wiersema en Hoeksema, die
in het westerlauersche Friesland als Wiersma en Hoeksma voorkomen, en
(zoon) van Wier (Wierd, Wiard), en (zoon) van Hoeke beteekenen. Immers
dat wy in de geslachtsnamen Hoeksema en Hoeksma geenszins met het
nederlandsche woord hoek te doen hebben (dat wel aan den geslachtsnaam
Hoekstra [zie bl. 273] ten grondslag ligt) maar wel met eenen ouden
mansvóórnaam, blijkt ook uit de geslachtsnamen Hoekinga en Hoekenga met
Hoekema, en de plaatsnamen Hoekaart (Hoekawerd), een gehucht by Arum in
Wonseradeel, en Hoekens, een gehucht by Oosterend in Hennaarderadeel,
beide in Friesland. Die geslachtsnamen zijn allen vadersnamen van den
frieschen mansvóórnaam Hoeke, die wel weinig in gebruik is, maar die
toch ook in de naamlijsten van Wassenbergh en Leendertz vermeld wordt,
en die waarschijnlik een byform is van den mansvóórnaam Houke, die,
ook als vrouenaam Houkje, nog heden onder de Friesen in volle gebruik
is, en aan de geslachtsnamen Houkema en Houkes oorsprong gaf.

Verder Hoogheem (in Friesland Hooghiemstra en Hooghiemster, zie bl. 481
en 273); Woltil, dat is wold-til, in het groningerlandsch-friesche
taaleigen bosch-brug beduidende; Hamster, iemand van het dorp De Ham,
in het Westerkwartier van Groningerland, afkomstig; Tilbusscher
(zie Busscher, Bosker op bl. 486); Visker, de friesche uitspraak
van het woord visscher. Zoo ook Boneschansker, iemand te huis
behoorende in de Boneschans, dat is een gehucht by de Nieue-Schans,
op de groningsch-oostfriesche grenzen. Verder Uuldershof en Aldershoff
(Uulder, Uuldrik, Ulrik en Alder, Aldert zijn twee groningsch-friesche
mansvóórnamen, waar van ook de groningsche geslachtsnamen Uuldersma,
Uildersma (en Ullersma?), met Aldringa, Van Aldringa, Aldertsma,
Alders, enz. zijn afgeleid; zie ook bl. 101. Vervolgens Moltmaker;
molt is de friso-saksische form van het hollandsche woord mout,
hoogduitsch Malz; zie bl. 184. Kluun, eene byzondere soort van
bier (zie bl. 424); Buurke en Schuurke; Koiter en Stoit, in andere
gewesten Kuiter en Stuit. Stuit, stuut, stüte, stûte of stoete,
stoet is de naam van zekere soort van brood, vooral in de saksische
gouen, in 't algemeen in de noordelike gewesten, maar evenzeer in het
gedeeltelik saksische West-Vlaanderen bekend. De geslachtsnamen Stuit
in Friesland, Stuut in Drente, en Stoete, elders voorkomende, zijn met
het groningsche Stoit aan den naam van dit brood ontleend. Byzonder
eigen aan Groningerland zijn ook eenige geslachtsnamen waar in de u
door i verlengd is, en niet door u, zoo als gewoonlik. Als voorbeelden
van zulke namen kunnen dienen: Schuiringa, Buirma, Van Buiren, Muirker.

§ 154. De geslachtsnamen van Drente sluiten zich grootendeels ten
nausten aan by die van Friesland en Groningerland, of zijn daarmede
geheel de zelfden. Toch heeft ook Drente een paar groepen van byzondere
geslachtsnamen, die aan dit gewest eigen zijn en kenmerkend. Het
zijn de vadersnamen op inge, en eenige versletene patronymika in
byzonderen form (Haange, Luinge, Steenge, enz.) die in § 13 en §
28 reeds uitvoerig besproken zijn.

De geslachtsnamen van Overijssel in 't algemeen, maar in het byzonder
die van Twente, worden door twee groote groepen van namen byzonder
gekenmerkt. Te weten door de namen die het verbogene en met het
lidwoord samengesmoltene voorvoechsel ten, ter en te voor zich hebben,
en door de saksische vadersnamen die op ink eindigen. Die namen,
vooral ook d' eerstgenoemden, ontbreken wel geenszins in andere
nederlandsche gewesten. Maar zy komen toch nergens zóó menigvuldig
voor als juist in Overijssel in 't algemeen en in Twente in het
byzonder. En wat van Twente geldt is eveneens ten vollen van
toepassing op de geslachtsnamen die in het aangrenzende deel van
Gelderland, in de zoogenoemde graafschap Zutfen sterk op den voorgrond
treden. Vooral de ink-namen, zoo talrijk in deze gouen voorkomende,
zijn zeer kenmerkend. In § 98 en § 15 en 16 zijn die namen met ten,
ter en te beginnende, en die op ink eindigende, reeds nader besproken
en verklaard. Eenigen van die byzondere, en daar by meest verspreide
overijsselsch- en geldersch-saksische geslachtsnamen mogen hier nog
worden vermeld: Ten Kate en Ten Cate, Ten Bruggencate, Ten Raa [263];
Addink, Hiddink, Hissink. [264]

Eene kleine groep van maagschapsnamen is ook nog aan Overijssel
byzonder eigen. Het zijn namen die met het woord belt zijn
samengesteld. Dit woord heeft in de saksische gouen de beteekenis van
eene opgeworpene hoogte, van eenen kleinen, kunstmatigen heuvel. In
algemeen Nederlandsch komt dit woord voor als aschbelt, vuilnisbelt,
en is als zoodanig vooral in de hollandsche steden gebruikelik. Met
de woorden en namen bol, bult (ook als plaatsnamen voorkomende,
zie bl. 125), De Bilt en Het Bilt in Utrecht en Friesland, hangt dit
woord belt samen. Het komt voor in de overijsselsche geslachtsnamen
van den Belt en Beltman, Kieftenbelt en Kyftenbelt, Knottenbelt,
Meulenbelt, Vossebelt en Zunnebelt. Vooral Kieftenbelt, Meulenbelt
en Zunnebelt zijn oorbeeldig-overijsselsche geslachtsnamen; kieft,
meulen en zunne zijn woorden uit de overijsselsche gouspraak voor
kievit, molen en zon. De naam Vossebelt komt ook als plaatsnaam voor,
by Dalen in het zuiver-saksische gedeelte van Drente.

Aan de Veluwe, de Betuwe en het overige gedeelte van Gelderland
(behalven de Graafschap van Zutfen), even als aan het geheele Sticht
van Utrecht zijn, voor zoo verre my bekend is, geen byzondere
groepen van geslachtsnamen eigen. En in hooftsaak is dit ook het
geval met de maagschapsnamen van Holland, zoowel Noord als Zuid. Van
de namen dezer gewesten kan anders niet worden gezeid dan dat zy
de algemeen-nederlandsche kenteekenen vertoonen. Ook komen door de
groote toeloop van volk uit d'andere gewesten van Nederland, naar
Holland, de oorbeeldige geslachtsnamen uit die andere gouen, allen
ook in grooter of kleiner aantal in Holland en Utrecht voor. Vooral
in de groote hollandsche steden, die eene zeer gemengde bevolking
hebben, is dit het geval. Tevens komen daar ook zeer veel namen van
buitenlandschen oorsprong voor.

Toch heeft het platte land van noordelik Noord-Holland zoo wel als
dat van zuidelik Zuid-Holland iets eigenaardigs in de geslachtsnamen
die er inheemsch zijn. Zoo komen in noordelik Noord-Holland
vele namen voor die, op d'eene of andere wyze, friesche kenmerken
vertoonen. Uit d'omstandigheid dat noordelik Noord-Holland eigenlik
West-Friesland is of het westelikste der oudfriesche gouen, dat de
voorouders der hedendaagsche landzaten aldaar, in de middeleeuen
de friesche taal spraken, dat hun hedendaagsche hollandsche tongval
nog de duidelikste sporen der friesche taal vertoont, daaruit is dit
friesche voorkomen der geslachtsnamen in deze landstreek gemakkelik te
verklaren. Eigenlik gezegde friesche geslachtsnamen, zulken namelik die
op a uitgaan, komen in noordelik Noord-Holland ook geenszins zeldzaam
voor (Braaksma, Jelgersma, Jorritsma, Hoekstra, Rygersma, Eikema,
Schoninga, Scheringa), en meer dan in eenige andere landstreek van
Holland. Maar ik geloof toch niet dat deze namen aldaar oorspronkelik
inheemsch zijn. De voorouders van de hedendaagsche dragers dier namen
zijn veel meer uit het naburige Friesland beoosten Fli afkomstig. Maar
vadersnamen in nieueren form op s eindigende, en van bepaald friesche,
in het overige Holland geenszins gebruikelike mansvóórnamen afgeleid,
als Igesz, Douwes, Tates, Stammes, Sieuwerts en Sievertsz, geven aan
de noord-hollandsche geslachtsnamen een eigenaardig voorkomen. Daar by
moet nog vermeld worden dat er in Noord-Holland, en wel bepaaldelik
in het eigenlike Noord-Holland benoorden Y, aan de Zaan zoo wel
als in het Waterland, Drechterland en West-Friesland, zoo vele
geslachtsnamen voorkomen, die dit eigenaardige vertoonen dat zy zeer
kort, eenlettergrepig zijn, en veelal slechts uit drie of vier letters
samengesteld. Deze korte namen drukken in der daad eenen byzonderen
stempel op de geslachtsnamen van dit gewest. Zie hier eenigen uit
dat groote getal namen, als voor de hand opgenomen: Nan, Rem, Kos,
[265] enz. Meestal zijn deze namen te verklaren als zeer versletene
formen van oud-friesche mansvóórnamen, die in 't eigenlike Friesland
nog in vollere formen voorkomen, en nog in dageliksch gebruik zijn. En
dat deze verklaring in der daad de ware is, blijkt hieruit, dat die
weinige oud-friesche vóórnamen welke nog in Noord-Holland, vooral
onder de boerestand, als zoodanig in gebruik zijn, daar werkelik
ook in zulke uiterst verkorte formen voorkomen. De voorliefde der
Noord-Hollanders voor sterk ingekorte, eenlettergrepige voornamen (Wim,
Kas, Jan, Klaas, Hein, voor Willem, Kasper, Johannes, enz.) hebben
zy gemeen met hunne oude buren, de zoogenoemde Zuidhoeksch-Friesen,
de Hindeloopers vooral en de Molkwerumers. De noord-hollandsche
geslachtsnamen Nan, Rem, Bon, Top (zie bl. 485), enz. stemmen volkomen
overeen met de friesche mansvóórnamen Nanne, Remme (Remmert), Bonne,
enz. die allen nog tusschen Fli en Lauers in volle gebruik zijn. Het
zijn allen oorspronkelik oud-germaansche namen, en allen hebben ook
aan vele andere geslachtsnamen, meest friesche patronymika, oorsprong
gegeven. Nemen wy slechts drie dezer namen, Nanne, Remme en Bonne,
allen zeer gemeen als mansvóórnamen in Friesland, zoo vinden wy daar
van, behalven de genoemde ingekorte geslachtsnamen in Noord-Holland,
nog: Nanninga en Nannenga, Nannes en Nannen, Nanning en Nannings, in
verkleinformen Nankes en Nantjes, ook Nennen en Nentjes (op 't eiland
Urk), dat slechts dialectische afwykingen zijn. Verder Remminga,
Remmen en Rems, met Remmington in Engelland, en nog Remkema van den
verkleinform Remke. Eindelik Bonninga en Bonnenga (zie bl. 74), Bonning
in Engelland en Bonnink in de saksische gouen van ons land, Bonnema,
Bonsma en Bonsema (zie bl. 134), Bonnen, Bons en Bonzen, misschien ook
Bonny (zie bl. 74), Bontjema, Bontjes en Bontkes van de verkleinformen,
enz. Buitendien zeer vele plaatsnamen in alle germaansche landen.

Onze grootste taalgeleerde heeft ook reeds gewezen op die aan
Noord-Holland byzonder-eigene eenlettergrepige geslachtsnamen. [266]

Een byzonder-noordhollandsche maagschapsnaam is Luttik, de weêrga
van den byzonder-frieschen geslachtsnaam Liets. Zie bl. 480. Even als
Liets, zoo beteekent ook Luttik klein. Het is het zelfde oude woord
dat meestal in den form Lutke of Lutje nog deel uitmaakt van menigen
plaatsnaam in de friesche gewesten. Bepaaldelik in Noord-Holland
treffen wy dit woord aan in de plaatsnamen Lutje-Broek, Lutje-Schardam,
Lutje-Winkel, en zelfs in den byzonderen form luttik in den plaatsnaam
Luttik-Ouddorp, den Alkmaarders wel bekend.

Onder de geslachtsnamen van zuidelik Zuid-Holland (van de overmaassche
waarden en eilanden) treden velen op den voorgrond, die frankische
formen vertoonen, formen die hooftsakelik aan de zuid-nederlandsche
gewesten eigen zijn, ook aan Zeeland. Uit de nabuurschap met
Zeeland en Noord-Brabant is het voorkomen dezer namen, die een
byzonder kenmerk verleenen aan de namen dezer landstreek, licht te
verklaren. Geslachtsnamen met het frankische lidwoord den voor zich,
die in 't overige Holland en in de noordelike en oostelike Nederlanden
ontbreken, zijn in zuidelik Zuid-Holland niet zeldzaam: b. v. Den Boer,
Den Haan, Den Besten, Den Breems, enz.

§ 155. Kenmerkend voor Zeeland zijn de patronymikale geslachtsnamen
die op se eindigen, en waaronder er velen zijn die van ouderwetsche
en vreemde, in de overige Nederlanden weinig of geheel niet
gebruikelike mansvóórnamen afgeleid zijn. Beide deze byzondere
groepen van geslachtsnamen zijn in dit werk reeds behandeld in §
35. Ik kan hier dus volstaan met daar heen te verwyzen. Buitendien
treden onder de in Zeeland inheemsche geslachtsnamen velen op den
voorgrond die frankische, bepaald vlaamsche kenmerken vertoonen, in
form en spelling; b. v. Snouck, Vercauteren, Dorselaer, Cuilenaere,
Pierssens, De Clercq, Van Waesberghe, Wondergem, Van Renterghem,
Schuurbeque, Kerckhaert, Van den Bussche, D'Hondt, D'Hert, Verhaegen.

De noord-brabantsche geslachtsnamen en die van noord-nederlandsch
Limburg vertoonen over het algemeen genomen de kenmerken der
zuid-nederlandsche geslachtsnamen (zie bl. 472), en zijn wat hun
form aangaat, duidelik frankisch. Toch komen zulke geheel oude en
verouderde spelwyzen, als by de belgisch-brabantsche geslachtsnamen
zoo veelvuldig bestaan, by de noord-brabantsche in veel geringer aantal
voor. En al zijn het oorspronkelik de zelfde namen, noord en zuid van
de grenzen, dan vertoonen die welke in Noord-Brabant inheemsch zijn,
meer de nieuere spelling. De omstandigheid dat Noord-Brabant reeds
sedert de zeventiende eeu nau met de eigenlike noord-nederlandsche
gewesten verbonden is, heeft dit verschijnsel te weeg gebracht. De
geslachtsnamen die op mans (man in den tweeden-naamval, als
vadersnamen) eindigen, ofschoon van algemeen-nederlandschen form
zijnde, en ofschoon ook in alle Nederlanden wel voorkomende, zijn toch
nergens zoo talrijk als in Noord-Brabant. Zy geven eenen eigenaardigen
stempel aan de noord-brabantsche namen in 't algemeen. Als byzonder
eigen aan Limburg en Brabant noemen wy: Heuvelmans, Bertelmans,
Molemans, Muyldermans, Puttemans, Schuermans, Bergmans, Gitmans,
Martelmans, Schoormans, Zijlmans, Roymans, Kingmans, Biermans,
Cosemans, Nuchelmans, Notermans, Systelmans, Bemelmans, Mosmans,
Bormans, enz. allen namen die elders zeer zeldzaam zijn of volkomen
ontbreken.

Eenige byzondere kenmerken en eigenschappen der zuid-nederlandsche
geslachtsnamen in 't algemeen zijn reeds op bl. 472 en vervolgens
behandeld en vermeld geworden. Ik kan dus hier volstaan met daar heen
te verwyzen. Te meer, omdat de byzondere zuid-nederlandsche namen over
alle zuid-nederlandsche gewesten, vlaamsche zoo wel als brabantsche,
gelykelik verspreid zijn, en de namen dier verschillende gewesten,
elk voor zich afsonderlik, weinig eigens hebben. Dat die namen
grootendeels reeds zeer oud zijn, en dus, in het verloop der eeuen,
veelvuldig uit het eene gewest in 't andere zijn overgebracht, acht
ik de oorzaak van deze gelijkformigheid onderling. West-Vlaanderen
echter, dat ook in andere opzichten vele byzonderheden vertoont in
taal- en volkseigenaardigheden, heeft eene kleine groep van oude
geslachtsnamen, die hooftsakelik aan dat gewest aleen eigen is. Dat
zijn de oude vadersnamen op ynk (ynck, ynckx) uitgaande, die reeds
in § 17 nader zijn vermeld en behandeld. En de brabantsche gouen,
vooral ook Zuid-Brabant, kenmerken zich door de namen die met eene
s, versleten form van het verbogene lidwoord des, beginnen. Smasen,
Swolfs, Smulders, enz. zijn zulke namen, die eene kleine afsonderlike
groep formen, en die over het geheel niet talrijk vertegenwoordigd
zijn, maar die toch in Zuid-Brabant meer dan elders in de (uitsluitend
frankische) nederlandsche gewesten voorkomen. Men zie aangaande deze
namen § 51.



C. GESLACHTSNAMEN, DIE KENMERKEN VAN NEDERLANDSCHE GOUSPRAKEN
VERTOONEN.


§ 156. De nederlandsche taal is rijk aan een zeer groot aantal
verschillende gouspraken of streek- en stadsspraken, zoogenoemde
tongvallen. Deze gouspraken worden overal, in Holland zoo wel als in
Brabant, in Vlaanderen niet minder als in Friesland, door het volk,
ja in meerdere of mindere mate door iederen Nederlander, algemeen in
het dageliksche leven gesproken. Geen wonder dus dat vele nederlandsche
geslachtsnamen, die toch onmiddellik uit de spreektaal ontstaan zijn,
menigvuldige kenmerken der verschillende gouspraken vertoonen, en
dit zoo wel door de uitspraak, aangeduid door de spelwyze, als door
byzondere woorden en formen waaruit deze namen zijn samengesteld.

De uitspraak der tweeklank ui als enkele, lange u, en der (hollandsche)
klank ij als zuivere, lange i is zeer algemeen verspreid en
aan nagenoeg alle nederlandsche gouspraken eigen, zoo men de
byzonder-hollandsche en brabantsche (met de oost-vlaamsche), en dezen
nog niet eens allen, uitzondert. En toch komt juist dit kenmerk,
deze byzondere uitspraak, weinig in geslachtsnamen voor; minder dan
menig ander byzonder kenmerk, dat toch niet zoo algemeen verspreid
is als juist dit. De oorzaak van dit verschijnsel is dat oudtijds
en nog algemeen in het begin der 17de eeu, alle Nederlanders, ook de
Hollanders en Brabanders, de klanken ui (uy) en ij (dat is de dubbele
i) als u en i uitspraken, ook al schreven ze ui of uy en ij. Toen dus
de uitspraak dezer klanken in Holland en Brabant verliep tot ui (zelfs
oi) en ei (zelfs ai), toen hield men toch in andere nederlandsche
gewesten, waar men op zuivere, oude wyze u en i bleef uitspreken,
de schrijfwyzen uy of ui, en ij by, in de spelling. Immers had men
in die gewesten geen reden om de spelling te veranderen, al was het
dat de Hollanders en Brabanders de uitspraak veranderden. De andere
Nederlanders toch bleven de zelfden in spelling en uitspraak hunner
taal; zy schreven den bekenden geslachtsnaam Buytendijk, voor en na
aldus, en bleven dien zeer te recht uitspreken als Butendiik. Dies
komt de spelling met enkele of dubbele u, waar de geijkte nederlandsche
taal tegenwoordig ui eischt, slechts uiterst weinig in geslachtsnamen
voor, niettegenstaande de uitspraak als u zoo algemeen is. My zijn
geen andere namen bekend, die deze byzonderheid vertoonen, dan: De
Cupere en Kupers, anders De Kuiper en Kuipers; Kluun en Stuut (zie
bl. 488), Muus, Hardevuust, Rahusen, Garmhusen, en Uut het Hooghuis ten
deele. Ook nog de geslachtsnaam (Mulert) Van de Leemcule. In sommige
tongvallen, vooral langs onze oostelike grenzen, spreekt men dit woord
kule, kuul uit met de hoogduitsche u, in klank overeenkomende met het
fransche ou en ten naasten by met het nederlandsche oe. Die byzondere
uitspraak van dit woord heeft aanleiding gegeven tot het ontstaan
van de geslachtsnamen Koelstra en Leemkoel, die ook als Lemkuhl en
Lehmkuhl voorkomt, en van Savelcouls, als patronymikon van savelcoul,
dat is savelkule of zandkuil; zie bl. 256 en 289.

De enkele i werd oudtijds, vooral ook in geslachts- en plaatsnamen,
en althans als deze letter lang, gerekt, uitgesproken werd, gewoonlik
als y geschreven. In het hedendaagsche geijkte Nederlandsch bestaat
er eene schromelike verwarring tusschen die enkele y (geen y-grec,
maar een goed-nederduitsche letter, de zoogenoemde steert-i onzer
grootouders) en de dubbele i, anders gezeid de ij. De hedendaagsche
Nederlanders grootendeels kennen geen onderscheid tusschen deze
twee letterteekens. Van daar de algemeen-gevolgde spelling met ij,
b. v. in de geslachtsnamen Van Yperen, De Mey, Meynders, Rykens,
enz. die meestal met ij (Van IJperen, De Meij) geheel verkeerd worden
geschreven, en ten deele ook verkeerd uitgesproken als Van Eiperen,
Reikens, in plaats van Van Iperen, Rikens, enz. Ten einde te beletten
dat men de y als ij = ei uitspreke, verlengen sommige ontaalkundigen
en die geen zuiver gehoor hebben, de enkele i wel met eene e, tot
ie. Maar ie = ia is toch een tweeklank, al spreken de Hollanders dien
klank tegenwoordig verkeerdelik als eene enkele, lange i uit; dienen =
dînen, di-nen. Zoo is men er ook toe gekomen om die eigenlik onredelike
ie te schryven in een paar namen die oorspronkelik den enkelen i-klank
hebben; enkel maar om de verkeerde uitspraak als hollandsche ij =
ei te beletten. Die namen zijn Schriever (de zuivere form Schryver
komt ook voor), Kriegsman (Krijgsman), Snieders (Snyders), enz.

De verwisseling van a en e vóor eene r is in alle nederlandsche
tongvallen, ja in alle germaansche talen, zeer algemeen. Ster en star,
hert en hart, smert en smart, bermhertig en barmhartig zijn reeds van
ouds her wisselformen, ook in de schrijftaal. Verder is het neder-
en hoogduitsche ver en fern in het Engelsch far, en het nederlandsche
sterk in het Hoogduitsch stark, enz. Die verwisseling treffen wy ook
in enkele geslachtsnamen aan: Varwer en De Varver nevens Verwer en De
Verwer; Stark nevens Sterk; De Starke, en zelfs gerekt De Staercke,
nevens De Sterke. Verder Kerremans (de zoon van den karreman, een
oorbeeldig brabantsche naam), Garritzen nevens Gerritsen, Karkemeyer,
Dannenbargh, enz. En omgekeerd Ligthert nevens Ligthart, De Swert
nevens De Swart, Wermenbol (zie bl. 421), enz.

De Temmerman, De Smet en De Smedt met Selversmet vertegenwoordigen
de uitspraak van sommige zuid-nederlandsche gouspraken in de
woorden timmerman, smid, zilver. Deze geslachtsnamen zijn dan ook
in Zuid-Nederland inheemsch. Tegenover deze verheldering van de
onvolkomene i tot onvolkomene e staat eene verdoffing tot onvolkomene
u, die aan andere gouspraken, in Friesland, Noord-Holland en
West-Vlaanderen, eigen is. Deze byzondere uitspraak heeft de volgende
geslachtsnamen doen ontstaan: Durksz, in Friesland, nevens Dirks,
en nevens Derks in de saksische gouen; Zulver, in Noord-Holland,
nevens Zilver (zie bl. 412); Wullems en Wulmkes (zie bl. 109),
patronymika van den mansvóórnaam Willem; Van der Wurff nevens Van
der Werff; De Rudder, in West-Vlaanderen, elders De Ridder, enz. Het
omgekeerde komt ook voor, namelik de verheldering van de doffe u der
geijkte nederlandsche taal tot eene onvolkomene i. Te weten in den
maagschapsnaam Van de Pitte, nevens Van de Putte. Deze naam is in
Zeeland en Vlaanderen inheemsch, en in deze gewesten wordt ook het
woord put als pit uitgesproken.

Sommige nederlandsche gouspraken laten eene onvolkomene doffe u
hooren in plaats van de geijkt-nederlandsche o in de woorden boter,
storm, gestorven, enz. Deze uitspraak heeft de geslachtsnamen Sturm,
Butter, Wurkum, enz. doen ontstaan. De beide laatste namen zijn in
noordelik Noord-Holland inheemsch, en de eerste vond ik in Zeeland. De
geslachtsnaam Wurkum is oorspronkelik de naam van de friesche stad
Workum, en hy maakt de weêrga uit van den maagschapsnaam Van Burkum
(zie bl. 223). Burkum en Wurkum, zoo kan men nog van ouderwetsche
Leeuwarders den naam der stad Workum en dien van het eiland Borkum
hooren uitspreken.

Aan eenige nederlandsche gouspraken, bepaaldelik aan de frankische
in 't algemeen, aan de hollandsche in het byzonder, is eigen dat
men de slot-n der woorden in d'uitspraak achter wege laat. Aan deze
uitspraak, welke aan de Nederlanders die van frieschen en saksischen
stam zijn, zoo zonderbaar in d'ooren klinkt, danken geslachtsnamen als
Tiggeloove (tichel-oven), Jansse, Van Heusde, Van Ake, Van Campe,
Van Emde, Minde, Van Vuure (Vuren is de naam van een geldersch
dorp), hun ontstaan. De gerekte en lymige uitspraak aan de meeste
byzonder-hollandsche gouspraken eigen, vindt men afgebeeld in den
geslachtsnaam Van Mouwerik. Deze naam, afgeleid van den gelderschen
dorpsnaam Maurik komt ook als Van Mourik voor (omdat de Hollanders
in hunne uitspraak ou en au niet onderscheiden); tevens ook in den
goeden form als Van Maurik.--Blom, in plaats van bloem, is aan de
volkspraak van vele nederlandsche gewesten eigen. Deze form komt voor
in de geslachtsnamen Blom, Blommendaal, Van Blommenstein, enz.

In de zuiver-saksische en in de friso-saksische gouen, in de
noordoostelike Nederlanden dus, komt in geslachtsnamen zoo wel als
in plaatsnamen menigvuldig ol voor, waar het geijkte Nederlandsch
ou heeft, overeenkomstig de volksspreektaal in die streken. Zulke
geslachtsnamen, in die gewesten oorspronkelik inheemsch, maar die ook
elders wel voorkomen, zijn: Boekholt, Eekholt, Nieholt, Niewoldt,
Olthoff, Groenewold, Swartwoldt, Ten Wolde, Op 't Holt, De Olde,
Oldenboom, Coldewyn, Deurholt, Tinholt, Holvast (zie bl. 468),
enz. In de geslachtsnamen Van Oldenaller en Van Ouwenaller, beiden
ongetwyfeld aan eenen en den zelfden plaatsnaam ontleend, kan men ook
den infloed bemerken van den hollandschen tongval in den laatsten,
van den saksischen in den eersten naam. Bovengenoemde geslachtsnamen
Boekholt, Eekholt, Groenewold, enz. vinden hunne tegenhangers in de
maagschapsnamen Boekhout en Buekenhout, Eechout, Groenewoud, De Oude,
Den Ouwen, enz. in andere gewesten inheemsch. Het woord old, oud,
verliest in de saksische tongvallen ook wel de d, en wordt dan,
hier meer, daar minder gerekt uitgesproken, als ol en ool. Deze
form komt voor in de geslachtsnamen Ool-Bekkink (zie bl. 50),
Oolbroer (zie bl. 434) en Oljans (zie bl. 171). De tweeklank oe
wordt in sommige nederlandsche streekspraken vervangen door eu. Van
daar de geslachtsnamen Jongebreur en Bestebreur (zie bl. 434). In
andere tongvallen weêr laat men den eu-klank hooren, waar het
geijkte Nederlandsch eene o heeft. Deze uitspraak is afgebeeld in
de geslachtsnamen Keuning en De Ceuninck, die nevens Koning en De
Coninck voorkomen. Verder in Neuteboom nevens Noteboom, in Van der Neut
nevens Van der Noot, enz. Het woord molen vooral wordt veelvuldig als
meulen uitgesproken. Van daar dat ook in geslachtsnamen meer meulen
wordt geschreven en gesproken dan molen. Zoo is allereerst de naam
Van der Meulen en Vermeulen veel meer algemeen als Van der Molen,
en daar by aan zeer veel verschillende maagschappen eigen. Verder
Meulebrouck, Van der Oudermeulen nevens Molenbroek, enz. Deze klank
eu wordt, door hoogduitschen infloed, ook wel als ö geschreven,
en komt als zoodanig voor in de geslachtsnamen Rörink, Höpink (zie
bl. 40), Frankemölle, enz. De zuiver nederlandsche form van dezen
laatsten naam, Frankemolen, is aan eene andere maagschap eigen. In
de geslachtsnamen Homulle en Kattemulle (zie bl. 314) wordt dit woord
molen, meulen, mölen, möle weêr op eene andere wyze geschreven. Deze
naam Homulle vertoont wel drie afwykingen, volgens de volksuitspraak,
van het geijkte Nederlandsch. Immers behalven den form mulle voor
molen, is ook de n achter 't oorspronkelike mullen weg gesleten,
en is tevens hoog tot ho afgesleten. Want de volle form van dezen
naam is Hoogemolen, welke form ook als geslachtsnaam voorkomt. Hoog
tot Ho verkort vinden wy ook in de geslachtsnamen Van den Hoonacker
(van den Hoogenakker), Homeyer, (Hoogmeier, in tegenoverstelling van
Niermeyer, Niedermeier, Nedermeier) en Van Hoboken. Deze laatste naam
is ontleend aan dien van het dorp Hoboken by Antwerpen, en beteekent:
hooge beuken. De verwisseling van o en eu neemt men ook waar in den
naam der stad Leuven, die door de Zuid-Nederlanders Loven genoemd
wordt. Beide formen komen in geslachtsnamen voor; zie bl. 474.

In de zuiver-saksische en friso-saksische gouspraken staat het woord
lutje, ook lutke, in de plaats van 't algemeen-nederlandsche klein. Van
daar de groningerlandsche geslachtsnaam Lutje, een tegenhanger van
Klein, en Lutkemeyer, Lutjens en Lutgens, nevens Kleintjes dat in
andere gewesten voorkomt, enz. Zie ook den maagschapsnaam Luttik,
op bl. 492. Eene andere byzonderheid dezer zelfde streekspraken is
nog de uitspraak der sch als sk, voorkomende in de geslachtsnamen
Visker, Fisker en Busker. Verder de verkleinform op ien, die voorkomt
in de geslachtsnamen Boertien in Drente (nevens Boerke in Friesland,
zie bl. 480 en bl. 302); in Karssiens, elders Karsjens en Kersjens,
van Karsje, Kars, Kers, Kerstiaan of Christiaan; Knoppien, Lukkien,
Mandties, enz. De verkleinform je luidt in menige gouspraak, vooral
in de hollandsche, als ie. Van daar de geslachtsnamen Assies, Keesie,
Lampie, Weesie, Jaapies (Jacobs), enz. Assies is een patronymikon
van Assie, en deze mansvóórnaam staat in de plaats van Asje, een
verkleinform van Asse, 't welk een oud-friesche mansvóórnaam is,
weinig in gebruik, maar ook door Leendertz in zyne naamlijst vermeld,
en waar de patronymikale geslachtsnamen Asma, Assma, Assing, Assink,
Van Asma, en vele plaatsnamen van afgeleid zijn. Een andere, zeer
algemeen buiten Holland en Zeeland gebruikelike verkleinform is ke,
in plaats van je of tje. Deze verkleinform komt in vele geslachtsnamen
voor, in vele verschillende gewesten. Zie hier eenigen: Buurke, Boerke,
Schuurke, Beerske, Mannekens, Guskens (van den verkleinform van Gus of
Augustus), Wyvekens (zie bl. 167), Harkema, Gerkema, Waalkes, Gieskens
(van den verkleinform van Gys, Gijs (zie bl. 176), Lollekens, Boomkens,
Heykens en Heykema, enz. Zeer algemeen is ook de verfloeiing der d tot
j of w. Deze volksuitspraak komt in vele geslachtsnamen voor; b. v. in
Van Muyen, in plaats van, en nevens, Van Muyden, Den Ouwen, De Goeje
en De Goeye, De Quay (de kwade), De Vroey (zie bl. 351), De Breeje,
Van Goeyenhuisen, Van Ostaeyen, in plaats van Van Ostade, welke naam
ook voorkomt, en die afgeleid is van het gehucht Ostade (Oost-Ade? of
Ode-stade?) by Asten in Noord-Brabant; een ander gehucht Ostade of
Ostaye ligt by Zundert, ook in Noord-Brabant. Eene oud-amsterdamsche,
ook over andere steden en gouen van Noord-Holland verspreide uitspraak
van het woordje nieu (nieuw) luidt als nuw, nu. Te Amsterdam kan men
vele lieden nog hooren spreken van den Nuwendijk en de Nuwmarkt. Deze
byzondere uitspraak vinden wy afgebeeld in de geslachtsnamen Nuwendam,
in plaats van Nieuwendam, de naam van een dorp in het Waterland,
tegenover Amsterdam aan 't Y gelegen; Nuwland en Nulant, Nuveen, Nuhout
en Nusteeg (zie bl. 220). De formen Nieuwland met Nyland en Nieland,
Nieveen, Nyhout, Nyholt, A Nyeholt, Nieholt komen ook, nevens dezen,
voor. Eene andere uitspraak van dit woord nuw = nieu, en wel als nou,
nouw, zelfs wel als noud, nouwd, is eveneens aan deze en gene gou in
Noord-Holland eigen; onder anderen aan de spreektaal van het eiland
Wieringen. En ook deze byzondere form komt in geslachtsnamen voor,
en wel in Nouwland en Van den Nouwland. Eene andere verbastering
van het oorspronkelike nieu, nieuw, vindt men in de maagschapsnamen
Van Nievervaart en Nievergeld; zie bl. 431. De geslachtsnaam Mosk is
eveneens in het westelikste Friesland inheemsch, en vertegenwoordigd
de friesche uitspraak van 't algemeen-nederlandsche woord musch;
zie bl. 382. In Friesland, zoowel als in West-Vlaanderen, spreekt men
het woord duivel niet slechts als duvel, maar ook als dyvel, divel,
dievel uit. Van daar de geslachtsnaam Den Dievel (zie bl. 355). De
vogel kievit heet kyfte of kieft in de saksische gouspraak van
Twente en oostelik Gelderland. Van daar de geslachtsnamen Kiefte,
als tegenhanger van 't algemeen-nederlandsche Kievit, die in Twente
(te Gramsbergen) my voorkwam, en Kyftenbelt, elders in Overijssel
inheemsch. Zie bl. 490. De geslachtsnaam Borggreve, een tegenhanger
van Burggraaf en Burghgraef, vertoont ook eenen saksischen form,
even als Brouwhamer (zie bl. 365) eenen frieschen. Renneboog,
samengetrokken uit Regenboog (zie bl. 414), komt in form naby 't
woord rein, dat in het Friesch en West-Vlaamsch in de plaats van het
algemeen-nederlandsche woord regen staat. Bemd voor beemd of weide,
is eene brabantsche uitspraak, die wy terug vinden in den geslachtsnaam
Van den Bemden (eene andere maagschap schrijft zelfs Van den Bempden),
welke in Zuid-Brabant inheemsch is. In dat gewest vinden wy ook den
plaatsnaam Suerbempden (Zuurbeemden), zoo als een dorp heet in het
Hageland, met den daarvan afgeleiden geslachtsnaam Van Zuerbempden. In
West-Vlaanderen laat men in de volksspreektaal de w wel achterwege,
als deze letter aan het begin van een woord staat. Zoo zegt men
daar orm of oorm in plaats van worm, oensdag voor woensdag, oelen en
oekeren voor woelen en woekeren, gelijk de Hoogduitschers ook Rache
(Wrache) zeggen voor het nederduitsche woord wraak. En zoo is er
in Vlaanderen ook eene maagschap, die haren naam als Van der Ostyne
spreekt en schrijft, nevens eene andere die Van de Woestyne heet, in
den oorspronkeliken form. Deze vlaamsche naam, die zyne weêrga vindt
in den noord-nederlandschen geslachtsnaam Van Wildernis, is tamelik
algemeen in de vlaamsche gouen verspreid, en komt daar in allerlei
formen en verbasteringen voor. Nevens Van der Ostyne nog als Van der
Ostuyne en als Van der Hoestyne; naast Van de Woestyne nog als Van de
Waestine, en, half verwaalscht, als Van de Wattyne. In der daad komt
het hedendaagsche woord woestijn in oude west-vlaamsche oorkonden
herhaaldelik voor als waestyn, waestine. Andere verbasteringen
van dit woord vinden wy nog in de vlaamsche geslachtsnamen Wostyn,
Hostin en Ostin, zelfs Van de Goesteene, en eene halve verwaalsching
in De la Woestine, dat men ook, nog meer verknoeid, als Delawoëstine
schrijft. De naam Van de Goesteene dankt zynen byzonderen form aan
eene zeer gewone verwisseling van de letters w en g in de germaansche
en romaansche talen. Zoo zijn de oud-germaansche mansvóórnamen
Walther of Wouter, Wilhelm of Willem en Witte (of Wyten, zoo als de
Vlamingen zeggen) in den mond en in de pen der Franschen tot Gauthier,
Guillaume en Guido geworden, even als de oud-germaansche woorden war
of oorlog (thans uitsluitend engelsch), wafel en waas (wasem) door
de Franschen als guerre, gauffre en gas, zelfs gaz, in hunne taal
zijn overgenomen. En juist in die verhouding staat ook de naam Van de
Goesteene, die op de grenzen van het germaansch-romaansche, van het
nederlandsch-fransche taalgebied, in Fransch-Vlaanderen inheemsch is,
tot den naam Van de Woesteene, Van de Woestyne.

In velen onzer gouspraken nemen de woorden, die zich daartoe leenen,
geerne, als ter versterking, eene t achter zich. Zoo kan men vele
Hollanders den naam van 's Gravenhage als den Haagt of liever als
den Haacht hooren uitspreken. In Gelderland noemt men de rivier
de IJssel veelal den Iisselt; en Meppel wordt door vele Drenten en
Overijsselaars altijd Meppelt genoemd. In West-Vlaanderen kan men de
woorden wylen, heden, samen, pastoor, kelk, enz. als wilent, hedent,
sament, pastoort en kelkt hooren uitspreken. Ja, te onzent en ten uwent
behooren zelfs in geheel Nederland tot de schrijftaal. Deze, by tongval
achtergevoegde t vinden wy ook in eenige geslachtsnamen, in Van Zutvent
(nevens Van Zutphen); in Van Isselt (naast Van IJssel); Valkenborgt
(by Valkenburg); Andernagt (oorspronkelik Andernach--zie bl. 211);
Kleywegt (nevens Kleiweg); Mestdag en Mestdach (nevens Mesdag, zie
bl. 417), enz. Misschien ook in Tellenhoft. Te Antwerpen komt de
naam Asselberg in drie verschillende formen, aan drie verschillende
maagschappen eigen, naast elkanderen voor. Te weten, in zuiveren form
als Asselberg, in tongval-form als Asselbergt, en als patronymi