Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Op de Levensreis
Author: Various
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Op de Levensreis" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



  +----------------------------------------------------------------+
  |                                                                |
  |                 OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER:                   |
  |                                                                |
  | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele,     |
  | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te      |
  | moderniseren.                                                  |
  |                                                                |
  | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het  |
  | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld.                 |
  |                                                                |
  | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn       |
  | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden.             |
  |                                                                |
  | In het origineel cursieve tekst is weergegeven als _cursief_.  |
  |                                                                |
  | In het boek worden lage en hoge aanhalingstekens gebruikt.     |
  | Deze dubbele aanhalingstekens zijn in dit e-boek aangegeven    |
  | als »aanhalingstekens«.                                        |
  |                                                                |
  | Aan het eind van dit e-boek volgt een overzicht van de         |
  | aangebrachte correcties.                                       |
  |                                                                |
  | De illustraties zijn beschikbaar bij de html-versie van dit    |
  |                                                                |
  |                                                                |
  +----------------------------------------------------------------+


OP DE LEVENSREIS

[Illustratie]



                            Op de Levensreis

                    Bijdragen van Dr. J. A. Cramer,
                          Dr. J. H. Gerretsen,
                     Dr. F. van Gheel Gildemeester,
                    P. J. Molenaar, J. C. Schuller,
                          H. A. C. Snethlage,
                           A. J. A. Vermeer,
                              W. L. Welter


                                  1915

                  Uitgave van G. J. A. Ruys te Utrecht


                  GEDRUKT TER BOEK- EN KUNSTDRUKKERIJ
                   G. J. VAN AMERONGEN TE AMERSFOORT



INLEIDING


Voor de stille, en wat men zoo ten onrechte noemt: »verloren« uren in
ons leven, is dit boek in de eerste plaats bestemd.

Om dan eens opgenomen te worden, en te midden van 's levens vaak zoo
vermoeiende sleur, door een ontdekkende, vermanende, vertroostende
gedachte ons een oogenblik de realiteit der eeuwige dingen wat naderbij
te brengen.

Om bij wat langer poozen ons in de een of andere levens- en
schriftwaarheid 'n weinig dieper in te leiden.

»Op de levensreis«, die voor velen zoo moeilijk, zoo bezwaarlijk is, mag
nu en dan een vriendenwoord, somwijlen een wenk van een vriendenhand
waarlijk niet overbodig heeten. Zulke woorden biedt dit boek zijnen
lezers aan; zulke wenken wil het hun geven.

Het werd uitsluitend geschreven door predikanten der Haagsche gemeente,
omdat zij meenden, dat dit sommige hunner gemeenteleden zou aantrekken.

Maar het is daarom volstrekt niet uitsluitend voor die gemeente bestemd.
Integendeel: de schrijvers zullen zich gelukkig rekenen, wanneer zij
elders, ook bij oude vrienden, lezers mogen vinden.

En zij koesteren de stille hoop menig hart tot zegen te mogen zijn.



INHOUD


                                                         Bladz.

  J. A. Cramer, _Lenteleven_                                 25
  J. A. Cramer, _Dansen_                                    122
  J. H. Gerretsen, _Eenvoudigheid_                            2
  J. H. Gerretsen, _De Toekomst des Heeren_                  50
  J. H. Gerretsen, _Begeeren en willen_                      64
  J. H. Gerretsen, _Iets over het lezen der Evangeliën_      77
  J. H. Gerretsen, _Hoe God arbeidt_                         95
  F. v. Gheel Gildemeester, _Over geloof en ongeloof_         5
  P. J. Molenaar, _Niet zonder strijd_                        1
  P. J. Molenaar, _Bidden_                                   23
  P. J. Molenaar, _De Bijbel_                                24
  P. J. Molenaar, _Geestdrift en opwinding_                  65
  P. J. Molenaar, _Roeping_                                  79
  P. J. Molenaar, _Somberheid_                              120
  P. J. Molenaar, _Moed_                                    121
  J. C. Schuller, _Uitverkoren_                              96
  H. A. C. Snethlage, _Jeanne d'Arc_                        105
  H. A. C. Snethlage, _Met de helden_                       112
  H. A. C. Snethlage, _Jozef_                               115
  A. J. A. Vermeer, _Belijdenis_                              2
  A. J. A. Vermeer, _Als een nevel_                          48
  A. J. A. Vermeer, _Tot zich zelven gekomen zijnde_        130
  W. L. Welter, _Josua's Gezicht_                            67



NIET ZONDER STRIJD


Om het eeuwige leven te verwerven, heeft de mensch àlles op te offeren.

Dit verstaan vele menschen niet.

Voor het verkrijgen van aardsche goederen willen zij zich wel veel
inspanning getroosten. Men bewondert den man, die, rijk willende worden,
reeds als knaap begonnen is zich alle genot te ontzeggen en centen en
stuivers heeft bijeengeschraapt, om zoo langzamerhand in het bezit van
een groot kapitaal te komen. Men vindt 't een vanzelfsheid, dat de
Grieksche kampvechter zich jaren aaneen oefende om later den kampprijs
te verwerven. Men prijst den jonkman, die na jarenlange ingespannen
studie, de vereischte diploma's heeft verworven, die hem in staat
stellen straks de lang begeerde betrekking te aanvaarden.

Maar aangaande het allerhoogste, het eeuwig goed schijnen velen te
denken, dat het hun als 't ware zoo maar in den schoot zal worden
geworpen. O, hoe vergissen zij zich! Want is 't eensdeels waar, dat de
zaligheid een genadegift Gods is, men vergete aan de andere zijde niet,
dat er geschreven staat: strijd den goeden strijd des geloofs, grijp
naar het eeuwige leven!

    _Voor een eeuw'gen levenskrans,_
    _Heer, dit arme leven gansch!_



EENVOUDIGHEID


Doe nooit iets, _om_ iets. Vele menschen zeggen, dat een Christen
vroolijk moet zijn, om anderen te trekken. Dit is fout. Eigenlijk
Jezuïtisme, protestantsch Jezuïtisme. Men moet nooit iets doen, om
iets te bereiken; men moet eenvoudig doen wat men doet, zonder eenige
bijbedoeling en het overgeven, wat deze handeling uitwerken zal. Wees
die ge zijt. Doe, wat ge doet. Anders wordt ge een huichelaar. In de
»wereld« beschuldigt men de »Christenen« altijd van onwaarachtigheid.
De »geloovigen« zijn niet recht te vertrouwen. Zouden ze niet eenigszins
gelijk hebben? Zou onze dubbelzinnigheid haar oorsprong misschien hebben
in onze gewoonte iets te doen _om_ iets?



BELIJDENIS


Nadat de Heiland in Galiléa en ook aan gene zijde van de zee van
Tiberias Zijn krachten betoond, Zijn teekenen gedaan en Zijn woorden
gesproken had--krachten en teekenen en woorden, die Hem tot het
middelpunt hadden gemaakt van opgewonden bewondering--heeft Hij zich,
met Zijn discipelen, begeven naar de stille landstreken ten noorden van
het Galileesche meer en aan Zijn discipelen twee vragen gesteld. Ten
eerste: »wie zeggen de menschen, dat ik, de Zoon des menschen, ben?« en
ten tweede: »wie zegt gij, dat ik ben?« Op deze beide vragen hebben de
discipelen geantwoord.

Volgens de menschen is Jezus Elias, of Johannes de Dooper of een van de
Profeten.

En volgens henzelven, Petrus treedt nu op als hun woordvoerder, is Hij
de Christus, de Zoon des levenden Gods.

Na deze uitspraak van Petrus, waarop het bekende woord volgt: »Zalig
zijt gij, Simon Bar-Jona; want vleesch en bloed heeft u dat niet
geopenbaard, maar mijn Vader, die in de hemelen is« (Matth. 16: 14-19)
verbiedt de Heiland Zijn discipelen, aan iemand te zeggen: »dat Hij was
Jezus de Christus.«

Dit is een opmerkelijk verbod. Het werd met allen nadruk uitgesproken.
Markus toch, deze gebeurtenis met weinig woorden weergevend, deelt mede:
»En Hij gebood hun _scherpelijk_, dat zij het niemand zeggen zouden van
hem.« (Markus 8: 30).

Wat zou er gebeurd zijn, indien de discipelen hun overtuiging, dat Jezus
de Christus, de lang verwachte Godskoning is, eens hadden mogen prediken
aan die vele honderden in Galiléa, die Jezus bewonderend hadden omringd?

Als een loopend vuur zou zich de mare, een blijmare van de hoogste
beteekenis, hebben verbreid. Zonder ernstig nadenken, zonder eigen
overtuiging, zou de schare haar hebben overgenomen. Velen onder hen
zouden naar de wapenen hebben gegrepen, om zich bij den Christus
te voegen en Hem te steunen in Zijn opstand tegen de Romeinsche
overheersching. Allen zouden op Hem de verwachting hebben gebouwd,
dat Hij het Messiasrijk nu zou vestigen; dat nu de heerlijke tijd
van verlossing en vrede en welvaart zou zijn aangebroken.

En deze allen zouden bitter worden teleurgesteld, wanneer het hun zou
blijken, dat al die heerlijkheid een ijdele droom was geweest. Sneller,
dan zij opgekomen was, zou de bewondering neerslaan tot verachting. En
de liefde, die Jezus als den beloofden Profeet of als den verwachten
Elias prees, zou wijken voor een haat, die in deze teleurgestelde liefde
zijn brandstof zou vinden. Wie eerst Jezus volgden, zouden dan Hem
verlaten; wie eerst Hem bewonderden, zouden dan Hem verfoeien; wie eerst
Hem zegenden, zouden dan Hem vloeken.

Dit wìst Jezus.

En vandaar dat scherpe verbod, om aan iemand te zeggen, dat Hij de
Christus was.

Zeker! Jezus wil erkend zijn als de Christus. Welt deze belijdenis op
uit het tot overtuiging gebrachte gemoed, dan spreekt de Heiland zalig
hem, die zóó spreekt.

Zeker! Jezus wil niets liever, dan dat niet alleen Galiléa, maar ook
Judéa en Jeruzalem Hem als Davids Zoon belijdt. En Hij beveelt, dat het
Evangelie alom worde verkondigd, opdat alle creaturen zouden komen tot
Hem als hun Koning.

Maar geen belijdenis, die den naam van belijdenis draagt en het wezen
er van mist, omdat de grondslag der eigen ervaring er aan ontbreekt.
Geen belijdenis, die alleen maar kan napraten, daar de persoonlijke
erkentenis er niet aan voorafging.

Eén woord, maar tintelend van liefde, is, als belijdenis, meer waard,
dan de keurigste formule, de meest preciese overtuiging, maar waaraan
het persoonlijk ervarene, het in eigen leven ondervondene ontbreekt.



OVER GELOOF EN ONGELOOF


Voor zoover mij bekend, wil niemand gaarne voor een onverstandig
mensch gehouden worden. In een periode die nu vrij-wel achter ons ligt,
noemden de voorstanders van een bepaalde richting op staatkundig gebied
zichzelven, met beminnelijke bescheidenheid, »het denkend deel der
natie«; misschien hebben zij hunne zaak nooit grootere schade gedaan dan
met deze onbenulligheid. En toch komt een dergelijke argumentatie nog
menigmalen voor; ja, waar de bedenking niet onder woorden gebracht is,
ligt zij toch wel te sluimeren op den bodem onzer voorstellingen, dat
bij iemand die het vlak en vierkant onééns met ons is, het een of ander
aan zijn denkvermogen hapert.

Er zijn groote kringen in ons land en daarbuiten waar, men het ééns is
met een nederlandsch aphorisma »alle geloof is bijgeloof«. In Fransch
Zwitserland, waar ook zooveel wezenlijk godsdienstig leven wordt
aangetroffen, zijn vlak daarnaast tal van huisgezinnen waar het geloof
aan een God, die hemel en aarde geschapen heeft, belachelijk wordt
genoemd; een der duitsche afgevaardigden naar het eeuwfeest van het
nederlandsche bijbelgenootschap verzekerde ons dat in Bremen, onder
jonge menschen, iemand die den bijbel las, werd aangezien als een
voorwereldlijk dier; de schrijvers van het belangrijk werk »facing
the facts«, an englishman's religion, komen voor breede kringen
uit Engeland, Schotland en Ierland, met bedroevende mededeelingen;
en uit ons vaderland kunnen voorbeelden van gelijke strekking
worden aangevoerd. Er zijn uitzonderingen, maar de meerderheid onzer
intellectueelen schijnt het geloof niet vriendelijk gezind. Mij kwam
ter oore hoe een hoogleeraar op zijn college zeide dat, wie een aantal
gedegenereerden bij elkaar wilde zien, maar eens het uitgaan van eene
afgescheiden kerk moest gadeslaan, en dit was niet met een booze
bedoeling gezegd.

Nu is dit niet voor het eerst dat zulke dingen over geloovigen beweerd
zijn. Op den pinksterdag werd er over Petrus en de andere apostelen
gespot; men hield ze voor dronken; vol zoeten wijn, buiten hunne
zinnen. Festus, de Romeinsche stadhouder, heeft iets dergelijks van
Paulus verklaard en hem verzekerd dat hij raasde, al werd er dan
beleefdheidshalve bij gevoegd dat het zijne groote geleerdheid was, die
hem tot razernij gevoerd had; ja onze Heiland zelf is wel voor uitzinnig
gehouden; en Paulus weet zelf het best de aanleiding die hem drong om
aan de Corinthiërs te schrijven: »wij zijn dwazen, om Christus wil«.--De
jonge geloovigen die dus in onze dagen hier of daar een schouderophalen
ontmoeten, zijn nog niet bepaald in slecht gezelschap.

Toch wensch ik hier eens met hen de vraag te behandelen: is het nu
wezenlijk zoo onverstandig om aan God te gelooven? Is het wezenlijk waar
dat het verstand zich verzet tegen het geloof? Ik ben er van overtuigd
dat er onder onze beschaafde en gestudeerde jonge mannen en jonge
vrouwen, tal van eerlijke oprechte karakters zijn, die wel gaarne zouden
willen gelooven, maar meenen dat ze het niet kunnen; dat de bezwaren
tegen het gelooven onoverkomelijk zijn; dat zij de waarheid geweld
moeten aandoen en hun wetenschappelijk geweten het zwijgen moeten
opleggen, om te kunnen gelooven. En aan bedrog meedoen, dat willen ze
niet; ook niet aan zelfbedrog.

Nu zou ik die eerlijke twijfelaars wel eens gaarne een dienst bewijzen;
juist die eerlijke twijfelaars. En ik zou willen beginnen met een heel
eenvoudige vraag. Wij hooren nog wel eens luid verzekeren: »geloof is
bijgeloof!« Maar wat is ongeloof? _Bebel_, de bekende overleden leider
der sociaal democraten in Duitschland heeft gezegd: »de resultaten
der wetenschap rooven aan het christendom den grond onder den voet
weg, en brengen het ten val.« _Haeckel_, de hoogepriester van het
monisme, verzekert: »de kosmologische grondwet bereikt den hoogsten
intellectueelen vooruitgang, nl. den val van God, vrijheid en
onsterfelijkheid«;--en een zeker soort van halfbeschaafde napraters
verzekeren ons met groote stelligheid: »daar is geen God, natuurlijk
niet!« Maar wanneer we nu eens niet voor groote woorden uit den weg
gaan, is dit ongeloof niet óók een »geloof«?

Dat geloof van Bebel en Haeckel wordt ons wel als wetenschap
aangeprezen; maar het is geloof; en, ik vind, bijgeloof. De wetenschap,
óók de natuurwetenschap, bevestigt de filosofie van Bebel en van Haeckel
niet, maar verklaart zich daar in den laatsten tijd eer tégen dan vóór.
De wetenschap heeft aan het christendom als zoodanig nog heelemaal geen
grond onder de voeten weggenomen. Toch leeft dit waandenkbeeld in vele
harten. In sommige gemoederen zit het muurvast.

Maar dat is geen reden om er voor uit den weg te gaan; een
waanvoorstelling blijft een waanvoorstelling, ook al neemt het getal
harer aanhangers toe. Neen, het verstand staat het gelooven niet in den
weg; veeleer het onverstand.

Ik moet hier nog eerst eene inleidende opmerking maken; en wel deze:
_gelooven is niet hetzelfde als volkomen begrijpen._ Dat denken
sommigen; en zij zeggen van iets: »ik geloof het niet«, wanneer zij
eigenlijk bedoelen: »ik begrijp niet hoe dat toegaat.« Eene verstandige,
nu reeds bejaarde dame, vertelde mij daar een aardig staaltje van. Zij
woonde in hare prille jeugd met haar vader in het zuiden van ons land;
toen daar de eerste spoorwegen werden aangelegd; ze was toen een meisje
van zes of zeven jaar. Haar vader had haar verteld van een rijtuig dat
voortbewogen zou worden zonder paarden, even hard, ja harder dan zij
ooit een rijtuig had zien rijden. »Dat geloof ik niet!« had ze gezegd.
Een paar dagen later ziet ze den eersten spoortrein rijden; was ze nu
overtuigd? Wel neen! ze zei: »ik zie het, maar ik geloof het toch niet!«
Natuurlijk bedoelde zij: »ik begrijp niet hoe dat in elkaar zit«; »ik
begrijp het niet.« Maar ze beweerde: »ik geloof het niet.« Sommige
groote meisjes doen nog wel als dit kleine meisje; en nog wel anderen
ook.

Zij vertelde mij nog iets anders. Vader, die een kundig dokter was, had
haar verzekerd dat het witte licht kon breken in zeven stralen, de zeven
kleuren van den regenboog. »Dat geloof ik niet!« had het kind al weer
gezegd; en stilletjes had ze haar verfdoos genomen, en de zeven kleuren
van den regenboog dooreengemengd. Natuurlijk kwam er toen geen wit. »Zie
je wel, dat dit samen geen wit wordt?« had ze gezegd; en triomfantelijk
er bij gedacht: »ik heb toch maar schoon gelijk gehad met dit niet te
gelooven!«

Deze kleine vertegenwoordigster van de empirische filosofie was even
eerlijk overtuigd van haar goed recht en hare goede trouw als menig
volwassen ongeloovige; en ondertusschen had haar vader toch gelijk; en
ging het witte licht maar voort zich in zeven stralen te breken, telkens
als het door een prisma opgevangen werd. Ik heb er dikwijls aan gedacht.
Behalve door hare eigenwijsheid, waarmede zij vaders woord in twijfel
trok, maakte het kind het zich onnoodig moeilijk dewijl zij »gelooven«
verwarde met »begrijpen.«

Doen wij het nooit? Ik vrees van wel; maar dan maken wij het onszelven
onnoodig moeilijk. Neen »aan God gelooven« is niet hetzelfde als
»God begrijpen.« Er zullen altijd wel raadselen overblijven, en
moeilijkheden; maar dat doet er eigenlijk heel weinig toe. De raadselen
en de moeilijkheden liggen eigenlijk op een ander terrein, en hebben met
het gelooven al heel weinig te maken.

       *       *       *       *       *

Eene andere opmerking is deze: »gelooven« geeft geene _mindere_
zekerheid dan »weten«; maar zekerheid op een ander gebied. Wanneer ik
iets weet, dan heb ik het niet te gelooven; en waar iets een voorwerp
is van mijn geloof, daar kan mijn wetenschap thuisblijven. Ik weet wel
dat het spraakgebruik daar alle dagen tegen zondigt; maar dat maakt het
niet beter. Wij zijn gewoon gelooven een minderen graad van zekerheid te
achten; maar dat is een slordige manier van doen. Gelooven geeft geen
mindere zekerheid dan weten, maar zekerheid op een ander gebied. Laat
een voorbeeld mijn meening verduidelijken.

Het was in 78 of 79. Ik was op mijn eerste standplaats, Wilhelminadorp,
»de polder« bij Goes. Daar waren in die dagen de verhoudingen nog al
gespannen; de »heeren« die zich liberaal noemden, waren nog al vijandig
en onverdraagzaam; sommigen, wanneer het niet al te oneerbiedig klinkt,
sommigen waren bekrompen; en kenden geen grooter pleizier dan een
geloovige voor den mal te houden. Eens kom ik in den trein tegenover
een meneer te zitten, dien ik van aangezicht en van reputatie al wel
kende; een »papenvreter«; en bij gebrek aan een paap verorberde hij ook
wel eens een dorpsdominé. Hij scheen dien morgen een goeden eetlust te
hebben; althans, hij viel dadelijk aan. »Is u niet de nieuwe dominé uit
den polder?« Ik was zoo vrij.

»Een naar baantje, dominé!«

Wel? Hoezoo?

»Nu, dat is toch nog al duidelijk; u moet allerlei dingen preeken die
u zelf niet gelooft, en ook niet kunt gelooven. Ik, meneer, ik geloof
heelemaal niets!«

Komaan, meneer, dat is merkwaardig. Mij dunkt, u moest in uw testament
bepalen dat men u later op sterk water zet, en in een museum bewaart,
als een mensch die wezenlijk niets geloofd heeft. Maar mag ik weten wie
u is?

»Ik ben meneer R.«, en hij noemde een welbekenden naam in Goes.

Zoo, zoo, dus dat gelooft u!

»Wat? gelooven? Welneen, dat weet ik zeker!«

Best, meneer; bewijs u het mij dan maar.

»Nu, dat kunt u in Goes op het stadhuis vernemen, dat ik ben«, en hij
liet zijn twee of drie voornamen rollen door de coupé; die en die R.,
zoon van den ouden R. enz.«

Jawel, meneer; zeker. Dat bewijst nog niet anders dan dat ze dat in Goes
op het stadhuis ook gelooven. Ik wil het ook wel gelooven, met veel
genoegen; maar weten is iets anders!

Enfin, het eind van de geschiedenis was, dat hij erkennen moest niet
te »weten« dat hij een zoon van zijn vader was. »Dan zal ik maar in het
vervolg zeggen: ik geloof dat ik meneer R. uit Goes ben!« grinnikte hij,
toen hij in Dordt den trein verliet.

Best, meneer; en dan zal u meteen geleerd hebben dat u er niets minder
zeker van is, dan toen u dacht het te weten. Want gelooven geeft geen
minderen graad van zekerheid dan weten. Het komt er maar op aan, dat men
gelooft op goede gronden.

Inderdaad, wij »wandelen door geloof«.--De heer R. en ik beiden hadden
geloof in de directie van de S. S. toen we in den trein plaats namen.
Wij vertrouwden den weg, den staat der groote spoorwegbruggen, Moerdijk,
Dordrecht, Rotterdam; het materieel, den machinist of de machinisten.
Hij zou al zeer vreemd opgekeken hebben, mijn sceptische reisgenoot,
wanneer men hem in Dordt gevraagd had: »wie was de machinist op uw
trein?«--Hij had zich toch aan dien man toevertrouwd!

Wij »wandelen door geloof«, veel meer dan wij weten. Wij hebben geloof
in den architect en de werklui die het huis hebben gebouwd dat wij
bewonen; in den ingenieur en zijne medewerkers die de spoorlijn hebben
gelegd waarlangs we ons bewegen; in den koopman, die ons zijn koopwaar
brengt; in de onbekenden uit verre landen, die hem de opbrengst van
hun oogst hebben gezonden. Wij zijn, eerlijk gezegd, hier nooit zonder
geloof geweest; ook niet de slimme meneer R, die »heelemaal niets«
geloofde. Want we zijn hier aangekomen onwetend, absoluut onwetend;
maar niet ongeloovig. We hebben met vertrouwen de lucht ingeademd die
zich aanbood; de melk gedronken die ons voeden moest, zonder dat wij
haar chemische bestanddeelen kenden; ja zonder te weten dat wij een
maag hadden en hoe de spijsvertering toeging. Maar wanneer wij het
geloof verliezen, dan gaan we dood. Ik denk hier aan een man, een
fabrieksarbeider, een arme, sombere man die niemand vertrouwde, en met
zijn volle weekgeld naar de omstreken van Haarlem liep, omdat hier de
waterleiding vergiftigd was. Hij is van Vrijdag tot Dinsdag uitgebleven
en had in dien tijd vijftien centen verteerd. Holoogig en uitgehongerd
kwam hij terug; we hebben hem naar een gesticht moeten brengen; waarom?
Omdat hij eerlijk, consequent, alle geloof verloren had. Want het geloof
is onmisbaar in het leven; zonder geloof wordt het leven onmogelijk.

       *       *       *       *       *

Maakt het ongeloof de menschen beter? Is door het ongeloof wel eens ooit
een mensch van zijne zonde verlost? Gij kent het oude verhaal van Jozef;
die in een groote verleiding is staande gebleven; en gevraagd heeft;
»zou ik zoo groot kwaad doen en zondigen tegen God?« Wanneer hij »een
dwaas« geweest was, die in zijn hart gezegd had: »daar is geen God«, dan
had hij dezen steun niet gehad, en was misschien niet staande gebleven.
Wij hebben allen wel gehoord van den Christushater Voltaire; en ook kent
ieder den naam van Graaf von Zinzendorf, den stichter van de Hernhutter
gemeente: uit liefde tot Christus heeft Von Zinzendorf in West-Indië het
lot der slaven op de plantages gedeeld, enkel om hen met het evangelie
bekend te maken. In dienzelfden tijd had Voltaire aandeelen in een
schip, voor den slavenhandel bestemd. In het Frankrijk der negentiende
eeuw heeft de vrijdenkerij zich ongehinderd uitgebreid; ik wil volstrekt
niet beweren dat daar geen nobele oprechte menschen zijn onder de
vrijdenkers, maar het systeem is niet wezenlijk verdraagzaam; en
waar het de macht had, heeft het geleid tot tirannie. Herinner u den
gouverneur van Madagascar, socialist en materialist; die zijne macht
als bewindhebber gebruikt heeft om het chistendom uit te roeien op
dat groote Afrikaansche eiland. Eerst heeft hij getracht de kerken
te sluiten; daarna den bouw van nieuwe verhinderd; hij heeft den
zendelingen allerlei belemmeringen in den weg gelegd; de christelijke
jonge mannen-vereenigingen tegengewerkt, en als men hem vroeg waarom?
Dán kwam eerst recht zijn bekrompen onverdraagzaamheid aan het licht;
»die christelijke zending maakt hier zelfstandige mannen en die wil ik
niet: die zijn te moeilijk te regeeren!« Toen hij in zijn vaderland
terug was, liet hij zich aan een banket van vrijdenkers aldus uit:
»de emancipatie begint pas; de christelijke kerk is gevaarlijker dan
ooit. Het is nu niet een strijd tusschen kerk en staat, maar een krijg
tusschen hen die gelooven en die niet gelooven. Wij moeten de
godsdienstige gedachte zelve aanvallen!«

Dit is nu wat erg ruw, wat erg ronduit gezegd; maar het is niets nieuws.
Het ongeloof als systeem is onverdraagzaam.

En kan het vertroosten in den dood?

Ik heb aan het sterfbed gestaan van een man die »atheistisch redenaar«
van de socialisten geweest was. Op een vroeger ziekbed, aan den rand
van het graf gekomen, had hij niet genoeg aan zijn ongeloof gehad; en
hij heeft dat later ook openlijk erkend. »Ik heb wel kunnen leven in
theoretisch atheïsme,« zoo sprak hij; »maar ik heb er niet mee kunnen
sterven.«--Een jong meisje van 15, 16 jaar ligt aan de tering; haar
vader was een atheïst, hare moeder een christin. Ouders en dochter
beiden wisten dat het met haar niet lang meer zou duren. Op zekeren
middag is zij met haren vader alléén. »Vader!« vraagt het meisje, »op
welk geloof moet ik nu sterven; op het uwe of op dat van moeder?« De
vader staart een oogenblik vóór zich uit. Maar daarna zegt hij met
bewogen stem: »sterf liever in het geloof uwer moeder, mijn kind!«
Ik denk dat velen in een zelfde geval zouden doen als deze vader.

En kan het ongeloof den mensch kracht geven in zijn leed? Dr.
Dubois-Reymond, een geleerde Darwinist, die een oogenblik gemeend heeft,
dat zijn wetenschap hem dwong tot atheïsme, maar daar al spoedig van
teruggekomen is, Dr. Dubois-Reymond wijst er op hoe alléén het levend
godsvertrouwen kan troosten onder het leed des levens: »Troost eens een
zaal vol kankerlijders met de verzen van Goethe of Schiller« zegt hij.
Het is dan ook wel voorgekomen dat godloochenaars door de diepe wegen
van lijden en droefheid bekeerd zijn van hunnen dwaalweg. Maar het
levend geloof; het echte, niet de namaak en niet het surrogaat, dat
maakt geduldig en moedig. Dat is eene ervaring aan de ziek- en
sterfbedden.

Het is soms vermakelijk om op te merken hoeveel bijgeloof er heerscht
in ongeloovige kringen. Daar wil men niet met dertien aan tafel zitten;
niet op Vrijdag op reis gaan; als men zout gestort heeft, spoedig een
paar korreltjes over den schouder op den grond werpen, anders brengt
elke zoutkorrel een ongelukkigen dag. Zijt gij gelukkig gezond in een
tijd van veel ziekten, vertel het niet zonder drie maal op de tafel te
kloppen en daarbij te zeggen »unberufen!« Men kan nooit weten! Bij het
nemen van een beslissing zijn er vóórteekenen die niet verwaarloosd
behooren te worden; en waarzeggers, kaartenlegsters, mediums worden in
stilte opgezocht door menschen die voor ongeloovigen willen doorgaan.
Lord Herbert van Shaftesbury had een boek geschreven waarin hij de
openbaring Gods bestreed; maar toen het af was, wist hij niet of hij het
wel uitgeven mocht; hij knielde neder en bad om een teeken uit den hemel
als goedkeuring op zijn boek! En de overtuigde »positivist« Auguste
Comte vond in de tweede helft van zijn leven een godsdienst uit met eene
godheid »de humaniteit«, wier hoogepriester hij zichzelven maakte, hij
Auguste Comte, de positivist.

       *       *       *       *       *

Wat gelooft toch eigenlijk een »ongeloovige«? Als gij het hem vraagt,
dan zegt hij waarschijnlijk, precies als mijn zeeuwsche meneer in den
trein: »ik geloof heelemaal niets!« Want hij wil zijn geloof voor
wetenschap laten doorgaan. Maar dat gelukt hem niet. Zijn ongeloof is
ook een geloof. Hier hebt gij artikel I van zijn geloofsbelijdenis.

»Ik geloof aan de almachtige stof en de almachtige kracht; die van
eeuwigheid zijn en tot in alle eeuwigheid duren; die alles uit zich
zelven geschapen hebben, ook den menschelijken geest, ofschoon zij zelve
geen geest zijn en geen geest hebben; en die de natuur met wonderbare
wijsheid ingericht hebben, ofschoon zij niet wisten dat ze dit deden.«

Ziedaar eigenlijk het eerste en éénig artikel van het materialistische
geloof. Ik voor mij vind het christelijke geloof veel verstandiger, dat
belijdt: »ik geloof aan God, den Vader, den Almachtige, den Schepper des
hemels en der aarde«.

Kent gij, lieve lezer, het mooie gedicht »de Schepping«, van ten Kate?
Sommigen uwer hebben er wel eens van gehoord; niet velen van de jongeren
kennen het. Ik heb mij altijd verstout er mooie passages in aan te
treffen, en het deed mij onlangs goed aan mijn eigenwijze hart, in eene
studie van een der »jongeren« te lezen dat ten Kate toch maar mooier
verzen had geschreven dan de tachtigers wisten. »Ja, ja,« knikte ik mijn
wel doorvoeden criticus toe; »véél meer!« Ik zou lust hebben u eens de
passage op te zeggen, die juist zoo mooi bij ons onderwerp past; hoe God
zich openbaart in de natuur; het is in het zevende tafreel te vinden;
aldus begint het:

    Met de middlen, met de wegen
    Van Zijn goedheid, van Zijn macht
    Komt de Algoede zijn geslacht
    Op den hangen dwaalweg tegen;
    En daar straalt een spoor van zegen
    Door de wanorde en den nacht;

Gij moet het maar eens lezen, in het zevende tafreel; ook die mooie
regels:

    »God is goed en groot« herhalen
    Alle heuvlen met hun dalen;
    Alle bergen die daar staan
    Als voor de eeuwigheid geschapen,
    Aan wier borst de wolken slapen;
    Aan wier voet, gelijk de blaân,
    Volken komen en vergaan;
    's Heeren stem is op de waatren,
    Die Hij van Zijn vingertop
    Sprenkelde als een regendrop,
    En, wanneer de diepten schaatren,
    't Bliksemvuur de wolken deelt,
    En de zee heur psalmen speelt
    Onder 't loeiend onweerklaatren,
    Dan ontblooten zelfs Gods haatren
    Met een huivring 't schennig hoofd;
    En--de twijfelaar gelooft!

Zooals ik zeg, ik herinner mij nauwelijks den tijd dat ik dit vers niet
kende, en ik verstout mij nog het mooi te vinden. Maar laat mij u nu
eens vertellen wat mij onlangs gebeurd is. Een mijner jonge vrienden,
een literair genie van de bovenste plank, komt bij mij, en vraagt mij:

»Weet u wel dat de Schepping niet van ten Kate is?«

Ja, zeker weet ik dat, die is van God!

»Nu, wees niet flauw; het gedicht »de Schepping« bedoel ik.«

»Zoo«, zeg ik; (ik kreeg al een beetje binnenpret!) »ik heb anders den
dichter nog zelf gekend--en hem stukken er uit hooren voordragen; en
ik verzeker u, niemand in mijn tijd twijfelde er aan of dit groote
dichtwerk was de arbeid van Ds. J. J. L. ten Kate in Amsterdam.«

»Neen«, zegt mijn wijsneus. »U weet er heelemaal niets van«. (De jonge
man weet dat ik een dagje ouder word, en me niet kwaad mag maken; daar
maakt hij misbruik van!) »Ik zal u vertellen dat stuk, dat u zoo mooi
vindt, dat ik u al dikwijls heb hooren opzeggen; dat is heelemaal niet
van ten Kate!«

Wel--en van wien is het dan?

»Van niemand!«

»Van niemand?« vraag ik--want daar was ik dan toch nieuwsgierig naar. Ik
dacht natuurlijk in de verste verte niet dat iemand mij, in mijn eigen
huis, Toussaintkade 35, zou trachten »er in te laten loopen.«--»Van
niemand? wou jij zeggen dat dat vers zichzelf gemaakt heeft?«

»Ja, wat zal ik zeggen«--ging mijn historisch-conjecturaal-criticus
voort. »Oordeelt u er zelf maar eens over; aan wien die verzen naar
uwe meening moeten toegeschreven worden. Weet dan dat het nu al bijna
vijftig jaar geleden is, op een mooien Mei-morgen in het jaar 1867--we
hadden toen nog mooie Meimorgens--dat een jonge os hier de stad
's-Gravenhage werd binnengeleid; hij kwam van het Bezuidenhout, de
Heerengracht langs, naar de Pooten. Of het de aanblik was van den
slagerswinkel, het derde huis links, of dat hij de slagersjongens niet
vertrouwde die hem geleidden; plotseling rukt het beest zich los; maakt
rechtsomkeert, en zet het op een loopen; de Pooten uit; den Fluweelen
Burgwal op; de Landsdrukkerij binnen. Daar, in de consternatie gooit
hij alle letterkasten omver; een geweldige drukfout! En de toenmalige
directeur met zijn duitsch accent, wat haastig, wat schutterig, roept
uit: »kau, kau as de weerlich! Vorsicht, vorsicht; feeg me die
Buchstaben netjes op, dat me die Buchstaben niet fertrapt werden!«
En heel netjes, en heel voorzichtig, nemen daar de gezellen elk een
stoffer en blik, en vegen die letters netjes bij elkaar, om ze weer
in de letterkast op te bergen. Maar--daar komt er een; u weet die
letterzetters lezen spiegelschrift net zoo gemakkelijk als u de
Standaard of het Volk!... en hij bekijkt zijn blik en zegt: »wel, heb ik
nu ooit; hoe toevallig: kijk eens meneer, wat ik hier op mijn blik bij
mekaar geveegd heb, dat lijkt wel een vers!«

    Met de middlen, met de wegen
    Van zijn wijsheid, van zijn macht,
    Komt de algoede zijn geslacht
    Op den bangen dwaalweg tegen;
    En daar straalt een spoor van zegen
    Door de wanorde en den nacht.
    Wat al kreeten....«

»He, meneer,« zegt de jongen; »dat zou een mooi vers geworden zijn;
jammer dat het hier uitscheidt«....

Maar daar kwam een tweede jongen, en hij zegt: »kijk, meneer, dat is nu
toch al heel toevallig; ik geloof dat ik het vervolg heb. Hoe was ook
je laatste regel?« »'t Was een halve regel«, zegt de eerste: »Wat al
kreeten....«

»Juist,« valt de ander in; »dan kan ik wel het vervolg hebben:

    ........ Hem bestormen,
    Door den wanklank ongestoord,
    Werkt de Vader liefdrijk voort,
    En in duizendvoude vormen
    Kleedt Hij Zijn welsprekend woord.
    Leesbaar staat het aan den hemel
    Met zijn ongerimpeld blauw
    Lovend de Onbezweken Trouw;
    Met zijn vonklend stargewemel....«

En daar was het weer uit.

»Ik heb zoowaar het vervolg,« komt een derde vertellen: »luister maar
toe; wat was ook weer je laatste regel? »Met zijn vonklend stargewemel«
ja juist:

    Prijzend als op d'eersten dag,
    't Eenig en Alhoog gezag.
    Hoorbaar klinkt het uit de stroomen,
    Uit de velden, uit de boomen,
    In een eindloos lofchoraal.
    Want het schepsel al te maal,
    Houdt niet op zijn God te roemen;
    Ieder in zijn eigen taal,
    Wil den naam des Scheppers noemen;«

en zoo ging dat maar door; en wanneer daar één blik was afgelezen, dan
kwam er een jongen met een ander blik; en hij had zoowaar het vervolg.
't Was nog nooit ergens anders gezien; en allen die er verstand van
hadden, voorspelden dien directeur een groote toekomst.

»En dus«--zoo eindigde mijn verslaggever; »aan wien kan men nu dat vers
eigenlijk toeschrijven? Is het een vers van een os? Is het een gedicht
van het toeval? Van wien is het nu eigenlijk?«

Ik moet bekennen dat ik zoover nog niet gedacht had. Een vers van een
os! En zoo'n vloeiend vers, nog wel; het is zeker wel heel bizonder;
maar--ik geloof er natuurlijk geen sikkepit je van!«

»Wat gelooft u niet?« vroeg mij mijn literair genie, min of meer scherp;
»wat gelooft u niet? Dat een os een letterkast omverstooten kan? Waarom
niet? Een os is sterk, en een letterkast kan niets terug doen!«

Neen; maar dat die letters in die bepaalde volgorde zouden vallen; dat
is glad onmogelijk!

»Waarom is dat zoo onmogelijk? Ze moeten toch in de eene of andere orde
vallen; waarom dan niet in deze?«

Ja--wel zeker; ik kan natuurlijk niet bewijzen dat dit onmogelijk is;
maar ik houd dan maar eenvoudig vol dat ik er geen sikkepitje van
geloof. Dat zulk een vers van acht en veertig regels ontstaan zou zijn
door de letters van een of meer letterkasten door elkaar te gooien, dat
gelooft niemand. Als zoo iets dergelijks nu eens in den bijbel stond,
dan zoudt ge eens wat hooren! Wat een bijgeloovige menschen! Wat een
onnadenkende menschen! Met zulke menschen valt niet te redeneeren! Maar
verlangt de geleerde monist Haeckel van ons niet iets dat duizendmaal
absurder is? Een gedicht over de Schepping, bij toeval ontstaan,....
onzin. Maar de wereld zelve, door toeval ontstaan, diepe wijsheid!
Professor Reinke uit Kiel, een botanicus van grooten naam, heeft een
geleerd boek geschreven, de wereld als daad, »die Welt als That«; hij
bespreekt ook daarin de vraag: is het denkbaar dat een cel in het verre
verleden _vanzelf_ is ontstaan uit de anorganische bouwstoffen? Hij
verzekert ons dat de kunstmatige vorming van organische verbindingen
(b.v. eiwit) uit anorganische grondstoffen nog nooit en nergens is
gelukt. Gesteld het onwaarschijnlijke geval dat het lukte, dan moet eene
nog moeilijker vraag worden opgelost: hoe is nu daaruit een levende cel
ontstaan, die bij hare voeding machine-arbeid verricht, en het vermogen
van voortplanting bezit? Want de eerste cel moet, van haar ontstaan àf,
eene volkomen goed afgewerkte, doelmatig afgewerkte machine geweest
zijn, een opgewonden automaat!

Kán nu dit alles, tot in de kleinste en fijnste bizonderheden toeval
geweest zijn; of moeten we hier denken aan een besturend verstand?

Het woord »toeval« is een woord voor bijgeloovige menschen; het is
een woord dat onze onkunde verbergt of het bankroet van ons denken
verbloemt. Maar wat denkt men zich toch wel bij zulk een woord »toeval«?

Neem eens uw horloge. Vijl het, totdat gij een schoteltje hebt met fijn
stof. Durft gij denken dat die fijne metaaldeeltjes, onder den invloed
van mechanische krachten, door een gelukkig »toeval« zich weer zouden
vereenigen tot een uurwerk dat correct gaat?

Even brutaal zou de bewering zijn dat alleen onder den indruk van
chemische krachten, zonder verstand, een levende cel zou ontstaan zijn.

De naturalisten, die van ons verlangen dat wij dit gelooven zullen,
verlangen te veel. Het blijkt ons dat wij, om »ongeloovigen« te zijn,
bijgeloovig moeten wezen. En dat willen we niet.

Als ik al die mooie woorden hoor, die toch welbeschouwd groote woorden
zijn, waarmede Bebel en Haeckel en hunne geestverwanten mij bewijzen
willen dat deze wereld van zelve ontstaan is, dan denk ik aan de jongens
uit de landsdrukkerij en aan hun »blik met letters.« Inderdaad behoeven
onze jonge menschen niet voor groote woorden uit den weg te gaan. Met
een volkomen vertrouwen mogen zij nog altijd instemmen met het algemeen
ongetwijfeld christelijk geloof:

  _Ik geloof in God den Vader, den Almachtige,
  Schepper des hemels en der aarde._



BIDDEN


Wie het gebed verzuimt, de stille, gestadige gemeenschapsoefening met
God, berooft zich zelf daardoor moedwillig van de rijkste bron van
kracht.

Wanneer het geestelijk leven niet voortdurend onderhouden wordt, moèt
het wel zwakker worden en sterven. Men heeft de gebedsoefening zoo vaak
vergeleken--en een betere vergelijking kan men wel niet vinden--bij het
naar boven komen van den duiker, die lang op den bodem van het water
gewerkt heeft, maar nu een tijd lang weer in de vrije lucht moet
ademhalen om nieuwe kracht te verzamelen--anders hield hij het niet vol.

Onze Heiland geeft ons hier, gelijk in alles, het voorbeeld. Altijd
weder zocht Hij het aangezicht, de gemeenschap zijns Vaders. En in 't
bijzonder, wanneer de verzoeking zeer sterk tot Hem was gekomen, beklom
Hij den berg, om in de stilte, ver van het menschengewoel af, met God te
verkeeren en zóó in staat te zijn den Satan te wederstaan.

Wie onzer zal dan niet, op oneindigen afstand den Heiland achterna,
dagelijks in het gebed God zoeken, opdat de krachten des toekomenden
levens telkens opnieuw ons toevloeien; opdat wij in staat zijn den
strijd des levens te strijden en weerstand te bieden aan de listige
omleidingen des boozen?



DE BIJBEL


Sven Hedin, de beroemde reiziger, schreef eens in een brief uit
Stockholm: »Zonder het vaste en levende vertrouwen in den Heer, en in
zijne almachtige, bewarende liefde, zou 't mij onmogelijk geweest zijn,
't twaalf jaren lang in die ontoegankelijke streken van Azië uit te
houden. Op al mijne reizen is de Bijbel steeds mijn begeleider en mijn
beste lektuur geweest.«



LENTELEVEN


Als je meent, dat de hei alleen maar mooi is in den nazomer, wanneer de
erica bloeit en haar herfstweelde in alle schakeeringen van paars en
rood ten toon spreidt, dan heb je het heelemaal mis.

Want de hei is altijd mooi!

De hei is mooi bij hooge blauwe luchten, die lijnen en kleuren zoo
scherp doen uitkomen, en bij laag neêrhangende regenwolken, wanneer de
toppen der boomen in nevel zijn gehuld; in den zomer, wanneer 't heete
zand de lucht daarboven doet trillen en de horizon in blauwigen nevel
wordt weggedoezeld, en in den winter, wanneer 't kale struikgewas zich
zwart tegen den besneeuwden bodem afteekent en de dennebosschen zwijgend
op de witte vlakten nederzien.

Wat in de hei zoo aantrekt, is de rust, de diepe, plechtige rust. Het is
er zoo stil, zoo verheven stil. Men voelt er zich als in een heiligdom.
Een heiligdom mag niet druk zijn. Lijnen, verhoudingen, kleuren, 't moet
alles in harmonie zijn. Niets mag er wezen, dat te veel de aandacht
trekt, want dan wordt de harmonie verbroken en komt er een te harde toon
in den lofzang, die er door henen ruischt. Het verhevene is altijd
harmonisch. Het majestueuse is altijd stil. De kleine mensch maakt
gaarne drukte. God spreekt in de stilte. Die in Gods heiligdommen
ingaat, gaat in de stilte in en dan wordt ook zijn hart een heiligdom,
waarin vrede woont.

Zulk een heilige tempel is de hei. Is er hooger koepeldak denkbaar dan
de hemel, die er zich over heen welft, wijder ruimte dan de eindelooze
uitgestrektheid van den golvenden grond? De hoogste heuvel daar is een
kansel, waarop je de grootheid Gods zoudt willen verkondigen, die groep
statige boomen er om heen een orgel, waar de psalm zijner eer uit
oprijst.

Zie je die houthakkers, die daar midden op de hei een vuurtje hebben
aangemaakt? Wat zitten ze met hun blauwe kielen en roode dassen daar
aardig om heen! Schilderachtiger en vrediger kan het al niet. Maar het
intiemste is toch wel het rookzuiltje, dat regelrecht naar boven stijgt,
telkens veranderend en toch zich zelf gelijk blijvend, steeds zich
bewegende en toch stil: een gebed, ten hemel gezonden. En onwillekeurig
kom je in de stemming om meê te bidden.

Ben je blij, ga dan naar de wijde, zwijgende heidevelden en jubel daar
je blijdschap uit. Ben je bedroefd, ga dan ook, want de hei verstaat
de smart van 't arme menschenhart, zij hoort, wat niet kan worden
uitgesproken, zacht klaagt zij mede de klacht, die niet onder woorden
kan worden gebracht.

Nu zijn er misschien stadsmenschen, die meenen, dat je tot de beschaafde
kringen moet behooren, om de taal der natuur te verstaan! Wanneer ze een
paar weken buiten zijn, genieten ze van de stilte, zoo in tegenstelling
met het drukke stadsleven, van de eenvoudige schoonheid van bosch en
hei, die niets gemeen heeft met de vermoeiende schittering der hel
verlichte straten, en keeren verkwikt terug naar hun bezig leven. Maar
't is de vraag, of zij de taal der natuur hebben verstaan!

Het intieme meêleven met de natuur, het door en door begrijpen van haar
spraak, moet je toch eigenlijk zoeken bij hen, die er dagelijks meê
omgaan, ja, zelven een stuk natuur zijn geworden. Zij zullen het zich
misschien niet zoo bewust zijn, het niet met zoovele woorden kunnen
uitdrukken, maar zij leven veel inniger met de natuur mede dan menig
beschaafd mensch wiens hoofd en hart door allerlei zorgen is ingenomen.
Geen enkele verandering van windrichting of wolkenformatie ontgaat hun.
Zij hebben overdag geen zakuurwerk noodig om te zien, hoe laat het is en
richten zich naar den stand der zon even nauwkeurig als de stationschef
naar zijn klok. Zij weten, wat het loeien van hun beesten en het blaten
van hun schapen beteekent, het zenuwachtig trappelen van hun paarden,
of 't onrustig heen en weer schuren van hun kalveren. Zij geven acht op
de richting der vogels, op het gonzen van de bijen, op het ruischen van
de beek. Alle geluiden in de natuur hebben beteekenis voor hen, alles
spreekt tot hen. Zet eens een buitenman in de stad. Eerst kijkt hij zijn
oogen uit en meent, dat alle menschen hun zondagsche spullen aan hebben,
maar al heel spoedig zoekt zijn oog den wijden hemel, de zon, de maan,
de bosschen, de velden, ach, hij zou het tusschen al die steenen huizen
niet lang uithouden!

Zoo was het tenminste Jaap Boesveld gegaan, toen hij een paar dagen
bij zijn zuster in de stad was geweest om zijn dochter te bezoeken, die
in 't ziekenhuis lag, maar hoeveel mooie dingsigheidjes hij ook in de
winkels achter de ramen had zien liggen, en hoeveel vreemds hij ook van
de stadslui had gezien, hij had toch telkens tegen zijn zuster moeten
zeggen: »mensch, ik weet niet, hoe je het hier uithoudt!« »Gewoonte,
Jaap, alles gewoonte,« had zij hem geantwoord, »en een mensch heeft er
zijn brood.« Jaap had daar op niets kunnen antwoorden, maar hij was
blij geweest, toen hij weer met Jenneke, de vrouw, in zijn hoeve op de
stille hei terug was. 's Avonds zag hij voor zijn huis de maan opgaan.
't Trof hem, hoe plechtig stil 't daar buiten was en hoe statig de maan
omhoog rees. In de stad moest je 'm zoeken tusschen hooge daken en
schoorsteenen, maar hier zag je 'm al, krek als ie boven den horizon
kwam. En Jaap had een gevoel gekregen, of hij zijn pet had willen
afnemen, net als in de kerk, wanneer de meester zoo mooi op 't orgel
speelde.

Jaap hield veel van de hei. En weet je waarom?

Omdat je er zoo goed kon prakkizeeren.

Dat prakkizeeren was zooveel als een familiekwaal. Vader had er ook last
van gehad, maar toen hij er meê was opgehouden, was 't ook metéén met
hem gedaan geweest. Vader prakkizeerde zóó diep, dat de meester en zelfs
de dominee hem om raad kwamen vragen. »Boesveld, wat moeten wij doen?«
En dan had vader nooit dadelijk antwoord kunnen geven, maar als 't
dan later goed of slecht uitkwam, zei vader altijd: »dat had ik wel
gedacht.« Veel spreken deed vader niet, want, zie je, die veel zegt,
heeft veel te verantwoorden, maar denken deed hij zooveel te meer!

Op het laatst van zijn leven was hij er over gaan prakkizeeren, waarom
hij na een moeizaam leven niet stillekes mocht sterven, en waarom hij
anderen tot last moest zijn. En of zij hem al hadden gezegd, dat vader
heelemaal niet tot last was en dat ze vader nog graag wat bij zich
hielden, het had niet geholpen.

Eindelijk was de dominee er aan te pas gekomen. Die had hem gezegd, dat
hij niet langer zoo mocht tobben en geloovig moest afwachten, wat God
doen zou.

Dat had geholpen, maar toen was 't ook metéén met vader gedaan geweest.

Jaap was graag op de hei. Wanneer hij 's morgens den dauw op de
heiplanten zag glinsteren in de zon en zoo'n grooten droppel zag
schitteren in een spinneweb, was het hem, of er een sterretje van den
hemel was gevallen, dat onze lieve Heer vergeten had op te rapen. Zóó
had hij gedacht, wanneer zijn kleine Geertje met hem naar buiten liep
en dan schik had in die mooie sterretjes, zooals zij ze noemde.

Ach, Geertje! ach, Geertje!

Één plek in de hei was er, waar Jaap altijd naar moest kijken. Dat was
de plek, waar drie berken stonden. Wat stonden ze daar met hun zilveren
stammetjes aardig bij elkaar! In het voorjaar kwamen ze met hun glimmend
wit zoo mooi tegen de helder blauwe lucht uit, en als dan de eerste
blaadjes kwamen, wel, dan was nergens teerder groen te vinden.

Jammer, dezen zomer was het kleinste der drie boompjes dood gegaan. Hoe
dat gekomen was? Misschien had 't grootste van de twee andere 't geen
lucht gegeven om te leven. Wie zal 't zeggen? Nu kon je niet zien, dat
't kleinste berkje dood was, tenminste niet op een afstand, want 't was
laat in November, guur en somber en ze hadden alle drie hun bladeren
verloren.

Waarom hij toch telkens naar die berken moest kijken? Omdat daar 't
plekske was, waar zijn eenig kind, zijn Geertje, zoo graag had gespeeld,
toen ze klein was.

Hij ziet haar nog met haar blonde haren onder den strooien hoed uit
en met haar pop in de bloote armen. Uren kon zij daar heen en weer
drentelen in haar katoenen jurkje en bonte schort, terwijl vader in de
nabijheid hout hakte of dennen pootte.

Die drie berken had zij »Vader« en »Moeder« en »Geertje« genoemd. De
langste was »Vader«, de dikste »Moeder« en de kleinste, »Geertje«, of
»ikke«, zooals ze altijd zei. En dan lachte ze zoo helder, dat 't
aardigheid was en je wel moest meêlachen.

Waarom was Geertje niet bij vader en moeder thuis gebleven?

Ze had met alle geweld naar de stad gewild. Ze kon op de stille hei niet
aarden. Ze moest onder de menschen.

Vader en moeder hadden er eerst erg op tegen gehad. Maar hoe gaat het,
wanneer zoo'n kind eenmaal haar zinnen er op heeft gezet en je een
zuster in de stad hebt wonen! En zoo was zij gegaan. Maar hij had er
hartzeer genoeg van gehad. Waarom was hij niet standvastiger geweest en
neen blijven zeggen?

Anderhalf jaar geleden was ze nog thuis geweest. Voor 't laatst! Ze
had toen wel erg wonderlijk gedaan en veel zitten prakkizeeren, maar
hij had daar niet zooveel acht op geslagen, want dat zat nu eenmaal
in de familie. Wel had hij 't vreemd gevonden, dat zij telkens zoo had
gehuild! Geertje was niet meer de vroolijke Geertje van vroeger geweest.
En toen ze wegging, had ze zóó schrikkelijk gehuild, dat hij meewarig
had moeten zeggen: »nou kind, hou je maar goed.«

Jenneke, de vrouw, had 't beter begrepen. Daar zijn 't dan ook vrouwlui
voor. Want toen een groot half jaar later de tijding kwam van de
geboorte van Geertjes kindje, een jongetje, toen was zij heelemaal niet
van streek geweest, zooals hij, maar kalm en bedaard en had precies
geweten, wat ze deed. Ze zei hem toen nog, dat hij niet zoo boos mocht
wezen, dat 't toch zijn eigen kind was en dat hij haar niet verstooten
mocht.

En dat had hij ook niet gedaan. Ze had zelfs wel thuis mogen komen,
maar.... zonder 't kind. Altijd die schande voor oogen, dat wilde hij
niet.

Daarom had hij ook dadelijk voor ouderling bedankt. De dominee was nog
bij hem geweest en had getracht hem tot aanblijven te bewegen, maar Jaap
was onverzettelijk geweest. Een ouderling moest iemand zijn, die zijn
huis wèl wist te regeeren, dat wist dominee toch ook wel. Deze zei toen,
dat een vader toch niet verantwoordelijk was voor wat zijn dochter
buiten's huis verkeerd deed, maar, zie je, daar had nou de dominee zoo
geen verstand van, wat die had geen kinders en kon dus niet weten, wat
een vader in zoo'n geval voelde.

Zoo was Geertje weggebleven. Zij wilde niet zonder haar kindje thuis
komen en daarom was ze dadelijk na haar bevalling hard aan 't werk
gegaan om 't kostgeld voor 't kind te kunnen betalen. Tante was te oud
geweest om 't kind bij zich te nemen.

Of had Geertje zelve ook niet willen thuiskomen om de schande in het
dorp?

Dat vroeg Jaap zich gedurig af, terwijl hij naast zijn bruine voortliep,
die in gelijkmatigen tred de kar met plaggen voorttrok.

Geertje was reeds een maand of zes in het ziekenhuis. Al dadelijk, toen
ze uit werken was gegaan, was ze gaan sukkelen en eindelijk was 't zóó
erg geworden, dat de dokter het beter had gevonden ze in 't ziekenhuis
te doen opnemen.

Hij en Jenneke hadden haar al eens bezocht. Ze lag op een groote zaal.
Mensch, mensch, wat 'n zieken bij elkaar! Zoo iets had hij nog van zijn
leven niet gezien! Hij had Geertje eerst heelemaal niet kunnen vinden,
maar een zuster,--een vriendelijk schepseltje, dat was niet anders te
zeggen--had hem den weg gewezen: op één na de laatste krib rechts. En
daar lag ze. Eerst was ze wat beduusd geweest, toen ze vader en moeder
zag, maar anders had 't nog al geschikt. Wel had ze niet veel gezegd
en gedurig de oogen dicht gedaan en dan waren er zoo'n paar diepe,
pijnlijke rimpels gekomen, net of ze over 't een of ander lag te
prakkizeeren, waar ze geen weg meê wist; heelemaal niet meer de
vroolijke Geertje van vroeger. Ze had onrustig met 't hoofd liggen
draaien en op alle vragen weinig asem gegeven.

Maar de laatste weken was 't niet al te best geweest. Jenneke had 't
niet langer kunnen uithouden en was naar haar schoonzuster gegaan om
Geertje dagelijks te kunnen bezoeken. Nou, dat vond Jaap voor de
gerustigheid veel beter. Je kon toch zoo'n onnozel schaap niet
moederzalig alleen laten liggen.

Nu had hij dien morgen, juist toen hij op 't punt stond de plaggen te
gaan halen, waarmede hij nu terugkwam, een brievekaart uit 't ziekenhuis
gekregen, zeker van een zuster, dat Geertje hard ziek was en graag had,
dat hij overkwam.

Hij had natuurlijk niet dadelijk kunnen gaan, want je moet toch eerst
overleggen, hoe je den boel vóór mekaar moet krijgen. Twee koeien,
waarvan de stal moest worden uitgemest en waarvoor hij juist de plaggen
had gehaald, een paard en vier varkens, dat kon je toch niet allemaal
op eens aan een jongen knecht overlaten. Maar als hij morgen met den
eersten trein ging, kon hij al om tien uur 's morgens in de stad zijn.

Geertje hard ziek! Arm kind! Nou zou ze wel sterven. Hij had altijd nog
hoop gehad, dat 't ten langen leste nog wel zou schikken, maar nou was
't mis!

Zou ze voor d'r zelve vrede hebben? Want ze had toch in de zonde
geleefd. Zou ze voor Gods rechterstoel kunnen bestaan, als de boeken
geopend werden? Als hij ze morgen zag, zou hij vragen, hoe of ze er vóór
stond. Dat was hij als vader verplicht. Ach, hij had 't haar bij zijn
eerste bezoek ook al willen vragen, maar toen had hij niets kunnen
uitbrengen. Hij had zoo'n medelijden met haar gehad. 't Was niet trouw
geweest. Maar nu zou hij beter oppassen. Al was 't zijn eigen Geertje,
hij zou 't haar aanzeggen. Ja, juist omdat 't zijn eigen kind was, zou
hij 't haar aanzeggen. Hij zou zijn eigen smart trachten te vergeten en
alleen aan 't zieleheil van zijn kind denken.

Arm kind, zoo jong nog en dan te moeten sterven door eigen schuld. Want
't Woord sprak waarheid: »de bezoldiging der zonde is de dood.«

Zóó liep Jaap Boesveld te peinzen naast zijn bruine, die rustig de kar
met plaggen voorttrok.

Hij had de zweep onder den arm en het pijpke, hoewel reeds lang
leeggerookt, vast tusschen de tanden. Niet dat Jaap de zweep ooit
gebruikte. Paarden moet je niet slaan. Je moet tegen ze praten: »hu
bruine! Kom bruine! Wat is er bruine?« dan kon je alles van ze gedaan
krijgen. Net menschen, die dieren.

En Geertje dan? Of was hij misschien te zacht tegen haar geweest,
te toegefelijk? Nou ging ze sterven, door eigen schuld.--Door eigen
schuld? Die vraag rees voor het eerst in zijn hart op, heel beslist en
duidelijk. Door eigen schuld, Jaap? Maar als jij ze met haar kindje in
huis had willen nemen, als jij je hoogmoed wat meer de zweep had laten
voelen, had ze zich dan ook behoeven dood te werken? Hij moest erkennen,
dat, als hij tegenover Geertje te toegefelijk was geweest, hij het
tegenover zijn eigen hoogmoed nog veel meer was geweest. Bij zijn bezoek
in 't ziekenhuis had hij niet naar 't kind willen vragen. Hij had nooit
met iemand over 't kind willen spreken. Was Geertje misschien daarom zoo
stil geweest?

Jaap had zich deze dingen nog nooit zoo afgevraagd als nu. Hij had er
nooit aan getwijfeld, of hij had goed gehandeld, maar of het kwam van
den schrik, dat hij Geertje zou moeten verliezen, dat wist hij niet,
maar hij begon aan de rechtmatigheid van zijn gedrag te twijfelen.

Maar Geertje zelve had toch ook nooit met haar kind op 't dorp willen
komen. Dat wist Jaap zeker, want ze had net 't karakter van haar vader.
Met die gedachte paaide hij zich.

Als Geertje er voor haarzelve nu maar goed vóór stond. Hij zou het haar
vragen. Hij had zelfs den dominee ook eens gevraagd, of hij geloofde
in den eenigen algenoegzamen Zaligmaker, en of hij wel vlak lag in de
waarheid, die hij anderen verkondigde. Jongen, jongen, 't was toch
bijster ellendig anderen te prediken en zelf verwerpelijk te worden. Hij
had 't den dominee gevraagd, omdat hij 't als ouderling verplicht was
geweest. Hij zou het zijn eigen vleesch en bloed ook vragen. Dat was hij
als vader verplicht.--Vreemd, tegenover zoo'n onnozel kind was 't toch
veel moeilijker, dan tegenover zoo'n wildvreemden dominee! Maar dat
kwam, omdat 't zoo eigen was.

Intusschen was Jaap met zijn bruine den weg langs 't bosch afgekomen
en den voet van den grintweg genaderd, die langzaam opliep naar den
heuvelrug. Bruine was gewend dat gedeelte van den weg wat harder aan te
stappen en boven te wachten op zijn baas. Jaap liet hem dus stil zijn
gang gaan en volgde langzaam.

Als Geertje stierf, waar leefde hij dan nog voor? Hij had zoo graag zijn
spulletje aan haar vermaakt, als 't nog eens tot een goed huwelijk was
gekomen. Maar nu? Zijn vader had ook gevraagd, waarvoor hij leefde, maar
die was toen oud geweest, terwijl hij, Jaap, nog een betrekkelijk jonge
kerel was van zes en veertig jaar! En op eenmaal werd het heel donker in
zijn ziel. Hij kon de stem van zelfverwijt, die zich telkens weer bij
hem deed hooren, maar niet tot zwijgen brengen. Waarom had hij Geertje
niet met 't kind thuis willen nemen? Waarom had hij haar alleen den last
harer schande laten dragen?

Bruine stond reeds boven op den heuvel te wachten. Jaap liep wat harder
aan en was weldra boven. De lucht was grauw en de avond begon te vallen.
't Was doodstil om hem heen. Het eenige antwoord, dat de hei op al zijn
vragen gaf, was 't ritselen van 't dorre beukeblad, als er een windstoot
door de struiken ging.

Jaap leunde met zijn rug tegen de kar. »Stil bruine, de baas moet
nog even de pijp aansteken.« Hoe meer de zorgen hem drukten, des te
krachtiger rookwolken blies hij uit. Dat was voor Jenneke altijd een
teeken om hem maar stil met rust te laten.

De wind kwam uit 't Zuidwesten opzetten. Met den rug daarheen gekeerd,
achter zijn kar, streek hij een lucifer aan tegen den binnenkant van
zijn jas. De wind blies 't vlammetje uit. Weer een aangestoken, nog een,
nog een. 't Ging niet, hij moest 't opgeven.

Plotseling kwam de zon door een spleet in de wolken te voorschijn en
wierp vóór het scheiden een gouden lichtgloed over bosch en hei. Zie,
hoe alles gloeide en tintelde! Wat een schakeeringen van groen en bruin
en wit! In vierkante vakken zag je het lichte groen van den jongen
dennenaanplant met 't donkere bruin der uitgebloeide heidestruiken daar
tusschenin. Het dorre blad onder aan eike- en beukeboomen straalde in
hel-bruin en in de verte trilden de sparrebosschen van vreugd in hun
gouden feestgewaad. En dan telkens daartusschen in die bultige heuvels
met hun witte zandhellingen en die plekken zwarte hei; het was alles één
harmonisch geheel: vóór 't scheiden van den dag zong de hei haar
avondzonnezang, vredig en plechtig.

Maar 't ging alles aan Jaap voorbij. Hij zag niets dan zijn eigen leed,
hij hoorde niets dan 't zuchten van eigen hart. Hij stond daar, met
den rug naar 't licht toegekeerd, de pet diep in de oogen, voor zich
uitstarende naar de zwaar neêrhangende luchten, die, nadat de zon achter
een grijze bank was weggezonken, in vale eentonigheid over de hei
wegdreven.

't Werd avond en nog stond Jaap in 't duister te staren, verdiept in
eigen leed. Als je beneden op den weg had gestaan, had je de silhouetten
van paard en kar en boer daar op den heuvel zich duidelijk tegen den
avondhemel kunnen zien afteekenen. Onbewegelijk stond 't geheel daar,
als uit de hei opgegroeid.

Er begon regen te vallen. Toen kwam er beweging in 't heidebeeld. 't
Kiezel knarste onder de lompe wielen, stootend en knoerpend ging de kar
den heuvel af, de duisternis in. De omtrekken werden al flauwer, 't
geluid der wielen al zwakker, eindelijk werd het heelemaal stil. De hei
zou ook dit leed, als zooveel ander, zwijgend bewaren, als straks de
plek, waar 't haar werd toevertrouwd, zou zijn toegedekt met 't zwarte
kleed van den nacht--------------------------------

       *       *       *       *       *

Den volgenden morgen om half elf schelde Jaap Boesveld aan bij den
hoofdportier van 't ziekenhuis: »of hij al bij Geertje Boesveld terecht
kon?«

Jawel, die had doorloopend bezoek. De eerste deur rechts, twee trappen
op en dan de eerste deur links, zaal 5.

Jaap ging. Hij wist den weg nog wel van den vorigen keer. Aan den ingang
der zaal bleef hij weifelend staan. Toen kwam er een zuster naar hem
toe, die hem met iets heel vriendelijks in haar stem vroeg: »U komt
zeker Geertje Boesveld opzoeken? Dat zal zij aardig vinden; kom maar
meê, haar moeder is er al.« En terwijl zij met hem naar 't eind van de
lange zaal ging, waar Geertje's bed stond met een wit schermpje er om
heen, zeide zij zacht tot hem: »U wilt er wel om denken, dat zij heel
ziek is?«

Jaap antwoordde niets, 't dwarrelde alles voor zijn oogen. De zuster
schoof tusschen het bed en het scherm in, links van de zieke, terwijl
rechts aan het hoofdeinde haar moeder zat. Langzaam ging Jaap naar
Geertje toe en lei zwijgend zijn hand op haar arm. Zij had de oogen toe
en scheen te sluimeren.

Wat was ze afgevallen en wat zag ze bleek! In half zittende houding,
hoog tegen de kussens aan, met haar dikke blonde vlechten langs de
slapen over de ingevallen borst, lag ze daar als een wassen beeld.

Jaap boog zich voorzichtig over haar heen en gaf haar een kus op het
voorhoofd. Zij sloeg de oogen op en staarde vóór zich uit als
terugkomende ver uit een droomenland, waarvan zij de beelden nog
vasthield.

»Kijk eens Geertje, wie daar is! Zie je 't wel, 't is je vader, die eens
komt zien, hoe 't met je gaat.« Met deze woorden riep de zuster haar
zacht tot de werkelijkheid terug, terwijl zij haar met de hand over 't
hoofd streek.

Geertje deed haar oogen wijd open en toen zij haar vader zag, gleed er
een blijde glimlach over haar mager gezichtje, als een heldere
zonnestraal over een somber najaarslandschap.

Zie je, Jaap, toen de zon gisteren op de hei plotseling doorbrak, merkte
je niets van het lied, dat de scheidende dag als zijn avondzonnezang
zong. Maar hier zie je toch wel den zonneschijn over Geertje's gelaat,
hier hoor je toch wel het afscheidslied van het scheidende leven?

Hij zei Jenneke met een knik g'ndag en zette zich zwijgend tegenover
haar. De onderarmen lei hij op de knieën en de handen liet hij slap
naar beneden hangen en met zijn vingers draaide hij zijn pet heen en
weer. Zóó zat hij naar Geertje te staren.

Nu kon je toch wel zien, dat vader en dochter op elkaar leken. Datzelfde
regelmatige gezicht, dat vierkante voorhoofd, die rechte neus, die
smalle lippen en die breede kin. D'r mooie blauwe oogen had ze van
moeder, maar anders was ze krek d'r vader.

Jenneke zat met betraande oogen aan Geertjes hoofdeinde. Zij hield
Geertjes magere hand vast. De eenige, die er blij en tevreden uitzag,
was de zieke zelve. Zij keek maar rustig naar vader en lachte hem
vriendelijk toe. Al gaf Jaap er zich geen rekenschap van, toch onderging
hij den invloed van Geertje's vredige blijdschap. Hij had verwacht weer
die diepe, pijnlijke rimpels tusschen de oogen te zien, weer dien
onrustigen blik en die ongedurige houding. Hij had zich voorgenomen haar
te vragen, of ze wel vrede had. Maar dat behoefde niet meer! En nu hij
dien glimlach op haar gelaat zag, nu daalde daar op eenmaal een groote
warmte in zijn ziel, en vóórdat hij 't wist, was de vraag er al uit:
»Geertje, hoe gaat 't met je kind, met den kleinen Gerrit?«

Zij antwoordde niet, maar zag hem lang en rustig met haar groote blauwe
oogen aan. Daarna zeide zij, terwijl zij haar hand uit die van moeder
losmaakte en aan haar vader reikte: »Dank u, vader, dat u me vergeven
hebt.«

Jaap greep haar hand en zeide: »Maar kind, ik heb je altijd vergeven.«

Geertje schudde 't hoofd: »neen vader, nog nooit zooals nu.«

Zij deed haar oogen dicht. Alles vermoeide haar zoo.

Toen, een oogenblik daarna: »vader, ik ben niet bang om te sterven.«

»Zoo kind.«

»Neen, vader, ik ben niet bang, niet waar zuster?«

Deze begreep haar. »Boesveld,« zeide zij, »uw dochter is heelemaal
niet bang voor den dood. Gisterenmorgen nog wel, maar 's middags is
de dominee bij haar geweest en die vroeg haar, waarom ze zoo tegen 't
sterven opzag. Toen was ze erg begonnen te huilen en had eindelijk
gezegd, dat ze 't zoo vreeselijk vond, omdat ze niet wist, of ze
behouden was. Ze had zich zelve nooit willen bekennen, dat ze heenging,
al had ze 't van den beginne af wel gevoeld en iedereen in haar
omgeving, ook de dokter, had gezegd, dat ze beter werd. En dat hoorde
ze zoo graag.

»Maar nu niet meer zuster.«

»Neen, kind, nu niet meer. En terwijl de zieke haar onafgebroken lag aan
te zien, alsof ze blij was 't nog eens te hooren, ging de zuster voort
met vertellen. De dominee had Geertje een dom meisje genoemd. Hij had
haar vergeleken met iemand, die, achteruitloopende, op 't punt stond in
een donkere, diepe gracht te vallen. En toen had hij gevraagd: »Zou je
het nu goed vinden, wanneer wij je allemaal maar stil achteruit lieten
loopen om je straks met een gil in de diepte te zien verdwijnen? Waarom
wil je je niet omdraaien, Geertje? Je meent, dat het achter je zoo
donker is, maar zie eens om, 't is alles licht.« »Je moet niet met den
rug naar 't licht gaan staan«, zei de dominee, is 't niet Geertje?«

De zieke knikte van ja. Jaap voelde zijn mondhoeken trillen en moest
oppassen, dat hij niet ging huilen.

De zuster ging voort met vertellen. De dominee had gezegd, dat, als
Geertje zich omdraaide naar 't licht, zij een bootje zou zien met den
Heer Jezus er in, die haar naar den overkant zou varen, waar 't alles
licht en vrede en blijdschap was. En Geertje had zich omgedraaid, had
't bootje gezien, was er ingestapt en nu was Jezus bezig haar over te
varen.

Toen de zuster klaar was met vertellen, stonden er een paar groote
tranen in haar oogen. Ach, zij zelve had 't ook zoo verkeerd gevonden,
dat de dominee met dat zieke kind over den dood was gaan spreken. Zij
was bij 't geheele gesprek tegenwoordig geweest, had de droefheid, den
strijd van Geertje gezien. Maar toen zij ook had gezien de uitwerking
zijner woorden, toen had ze beseft de heerlijkheid van 't geloof, al
bezat ze 't zelve niet.

Stil gleed ze tusschen het bed en het scherm weg.

Geertje lag met gesloten oogen, als in stil gebed. Eindelijk zei ze
fluisterend: »alles licht... alles licht...! Niet... met je rug... naar
't licht gaan staan... vader... niet... met je rug... naar 't licht...

Ze vroeg aan moeder wat te drinken. Na een paar teugjes te hebben
genomen, bleef ze roerloos liggen.

Jaap Boesveld zat onbewegelijk. Hij kon geen woord zeggen. Neen, dat was
bij zijn kind geen schijngrond, geen ingebeelde hemel, geen gestolen
zegen! Hij behoefde haar niets meer te vragen. Wat was zij gelukkig! En
hij, wat was hij ongelukkig, wat was zijn toekomst donker! In plaats
dat hij 't zijn kind moest aanzeggen, had zijn kind 't hem aangezegd.
Wonderlijk toch, zoo'n kind! Waarom zou ze dat juist tegen hem hebben
gezegd, dat hij niet met zijn rug naar 't licht mocht gaan staan? Zou
ze geweten hebben, hoe bitter hij onder alles, wat er gebeurd was, had
geleden en nog leed en hoe donker hij de toekomst inzag? Stond hij met
zijn rug naar 't licht? Maar er was immers nergens licht, waarheen hij
zich ook wendde of keerde? Zijn Geertje, zijn eenig kind, ging sterven.
Waarom leefde hij nog? Maar.... als hij Geertjes kind toch nog bij zich
in huis nam?

't Was hem, of die gedachte 't een weinig lichter maakte in zijn duister
leven. Maar wat moesten hij en Jenneke met zoo'n wurm beginnen? En dan
altijd die schande voor oogen. Maar daar wilde hij nu niet aan denken,
als 't moest, dan moest het!

Toen werd het weer heelemaal duister.

Zoo zat hij te peinzen, uren lang, onbewegelijk aan 't bed van Geertje.

Maar had hij alleen Geertje vergiffenis te schenken, had zij hem niets
te vergeven? Toen werd 't weer wat lichter in hem. Hij moest haar toch
eigenlijk nog zeggen, dat hij er leed van droeg haar niet te hebben
gevraagd met haar kindje thuis te komen. Toen werd 't nog lichter in
hem. Ja, hij zou 't haar zeggen, maar nu niet, een anderen keer; zij lag
nu zoo rustig.

Eindelijk was 't tijd om weg te gaan. 's Avonds zouden zij nog eens
terug komen. En zij kwamen 's avonds terug. Maar toen was de zieke te
moe om iets te zeggen. Ze gingen maar stilletjes heen. Den volgenden
morgen zouden ze heel vroeg terug komen.

Maar in dien nacht stierf Geertje, nog geheel onverwacht.

't Was drie uur, de klok had juist geslagen. De lichten op de zaal
waren alle uit, behalve 't electrisch lampje, dat zijn blauw-matten
schijn zacht over Geertjes bed heenwierp. Buiten de zaal vóór de open
deuren zat de waakzuster met een scherm om haar tafeltje, waarop 't
licht brandde.

Heel rustig was 't op de zaal. De zieken sliepen meest allen, men hoorde
't tikken van de klok.

Daar klonk op eenmaal een lied, gezongen met heldere stem: »'t Hijgend
hert, der jacht ontkomen, schreeuwt niet sterker naar 't genot van de
frissche waterstroomen, dan mijn ziel verlangt naar God!« De zieken
werden wakker en gingen overeind in haar bedden zitten om te luisteren.
't Was, zoo vertelden zij later, of daar in de stilte van den nacht een
engel door de zaal zweefde. Zij zagen Geertje rechtop zitten met haar
oogen omhoog geslagen. Zij was het, die met zoo'n mooie, heldere stem
dat psalmvers zong. Nooit had ze zich op de ziekenzaal doen hooren en
nu daar op eenmaal dat afscheidslied. Want 't was haar eerste en haar
laatste lied in 't ziekenhuis. 't Was 't doorbreken van 't licht midden
in de duisternis van den dood. De waakzuster kwam ijlings naar haar toe
en had nog juist gelegenheid haar in haar armen op te vangen, toen zij
achterover zonk. Haar hoofd lag tegen haar schouder.

»Geertje, wat is er?«

»Zeg.... tegen.... den dominee.... dat 't sterven.... beter is....
dan.... 't leven.«

Dat waren haar laatste woorden. Toen was zij niet meer.

Den volgenden dag ontmoette Jaap Boesveld den dominee, die naar Geertje
kwam kijken. Jenneke had hem op den dominee opmerkzaam gemaakt. Hij had
't niet erg op stadsdominees. Ze liepen gemeenlijk zoo luchtig over de
zaken heen. Vooral zulke jonge menschen, zooals er nu een tegenover hem
stond. Maar hij ging toch naar hem toe, stak de hand uit, en zeide: »ik
dank u, dominee, voor wat je aan mijn kind gedaan hebt.«

»O, is u Boesveld. Ik betuig u wel mijn deelneming. Gij zult veel aan
haar missen, want ze was een lief meisje, van wie ik veel heb geleerd.«

Zie je, dat viel Jaap hard meê. Dat was nog eens een leeraar, die zelf
ook nog leeren wou. Hij was dan ook nog jong genoeg!

Hij had vertrouwen in hem gekregen en vroeg: »zou je denken, dominee,
dat Geertje gelukkig was?«

»Boesveld,« antwoordde deze, »gelooft u niet, dat, wie zich naar 't
licht toekeert, een kind des lichts is?«

Daar had Jaap al weer niks tegen in te brengen. Hij keek den dominee vol
aan, gaf hem de hand en zeide nog eens: »ik dank u.« Toen keerde hij
zich om, en ging met Jenneke de zaal af------------------------

       *       *       *       *       *

En nu zitten ze weer in hun huiske aan den zoom van de hei.

Jaap heeft den geheelen dag hard gewerkt en is nu bezig op de deel zijn
spullen aan kant te brengen en alles gereed te maken voor den volgenden
dag. Want hij moet weer vroeg aan 't werk. Hij is met een vracht
dennestronken de achterdeur ingereden. Den ganschen dag is hij met
Hannes, den knecht, bezig geweest om dat taaie goedje met 't houweel uit
den grond te krijgen. Maar in stukken gehakt is 't best brandhout en
bovendien, met 't land is niks niemendal te beginnen, zoolang 't er nog
in zit. Ze zullen de kar maar opgeladen laten staan. Terwijl Hannes den
bruine naar stal bracht, kon Jaap opruimen om den volgenden morgen
dadelijk met afladen en 't kleinhakken van 't hout te beginnen.

Je kan wel zien, dat 't sterven van Geertje hem ouder heeft gemaakt.
Daar gaat geen uur voorbij, of hij moet aan haar denken, en hij is maar
blij, dat hij uit de drukke stad op 't land terug is, en dat hij weer
rustig kan prakkizeeren. Maar 't is wel erg leeg in zijn leven geworden.

Wat hem bovenal drukt, is de gedachte, dat hij Geertje niet meer vóór
haar dood heeft kunnen zeggen, dat hij er leed over droeg haar zoo hard
te hebben behandeld. Hij zag steeds duidelijker in, hoe verkeerd hij had
gedaan. En nu had hij 't niet meer kunnen goedmaken. Ze was ook zoo
schielijk gestorven! Hij wist wel, Geertje had hem vergeven, maar hij
had 't haar zoo gaarne willen zeggeen, dat hij er hartzeer over had.

Vooral dien avond drukte die gedachte hem. Hij wist niet, hoe 't kwam.
Hij had haar maar steeds voor oogen. Hij moest al maar aan haar denken.

Hij kon 't binnen niet langer uithouden. 't Gouden licht van de
ondergaande zon viel door de openstaande deur naar binnen en 't was, of
hij Geertje's stem hoorde: »Vader, niet met je rug naar 't licht gaan
staan!«

Hij ging naar buiten, en bleef op den drempel van de deeldeur staan.
Wat een prachtige zonsondergang! De horizon was één en al goud en purper
en de blauwgrijze wolken, waarlangs de zon haar stralenbundels naar
alle kanten deed uitschieten, hadden randen van vuur. Het was, of de
hemelpoort open stond en duizenden lichtgestalten zichtbaar werden.

En nu gebeurde er iets heel wonderlijks! Hij zag een groote schare van
lichtgestalten naar zich toe komen en Geertje vooraan, ja, hij bedroog
zich niet, 't was Geertje met haar kind op den arm. Vriendelijk lachend
zag ze hem aan met haar blauwe oogen. Ze kwam aangezweefd op den adem
van den wind, heur lange haren, die over rug en schouders golfden,
blonken in 't gouden zonnelicht en boven haar voorhoofd straalde een
ster met zilverwitten glans. Ze kwam al nader en nader en legde haar
jonske in zijn armen.

»Mag ik dat kind hebben?« wilde hij haar vragen, maar op eenmaal was ze
weg.

Jaap begreep er niets van. Hij weet nu nog niet beter, dan dat hij
met 't kind naar binnen is gegaan. Hij kon later nooit hebben, dat je
er om lachte en zeide, dat alles verbeelding was geweest. Hij had wel
in de kranten gelezen, dat 't dien avond zoo'n buitengewoon mooie
zonsondergang was geweest, maar wat hij gezien had, had niemand gezien,
dan hij alléén. Hij weet zich niet goed meer alles te herinneren, maar
één ding weet hij heel best, dat Jenneke, de vrouw, een oogenblik daarna
met Geertje's kindje op schoot zat en heelemaal niet verbaasd was 't
kind bij zich te zien. Daar zat toen een vreemde vrouw uit de stad naast
haar. Die had 't kind gebracht, zei zij. Maar hij begreep wel, dat
Jenneke dat maar zei, om hem niet aan 't malen te brengen, als hij soms
te veel over dat gezicht mocht gaan prakkizeeren. Hij was maar blij,
dat zij 't ook goed vond, dat 't kind bij hen bleef. Want nu kon hij
tegenover dat kind goed maken, wat hij ten opzichte van Geertje niet
goed had gedaan.

Hij en Jenneke spraken nooit meer over dien wonderlijken avond. Toen de
vreemde vrouw uit de stad 's avonds wegging, bleven zij met hun drieën
in de woonkamer achter en sinds dat oogenblik zijn ze met hun drieën
gebleven.

De menschen in 't dorp vonden, dat Jaap heelemaal weer opfleurde. Als
je'm tegenkwam en je vroeg: »Jaap, hoe gaat 't met den kleinen Gerrit?«
dan kwam er een groote blijdschap over zijn gelaat en dan was 't
antwoord steeds: »best, jong, best!«

En nou moet je nog even meêgaan naar de hei, je weet wel, naar dat
bekende plekje van de drie berken. De winter is voorbij en de lente
is gekomen. De hei heeft dit jaar lang onder den sneeuw gelegen, maar
eindelijk kwam 't zachtere weer en toen was de sneeuw in een ommezien
weg.

De drie berken staan er nog. Twee ervan leven en de derde, ja, die is
natuurlijk dood gebleven. Dat kan je nu duidelijk zien, nu onder den
invloed van regen en zon de knoppen beginnen te zwellen.

Jaap komt aangewandeld met een jong boompje in de ééne en een spa in
de andere hand. Je behoeft niet te vragen, wat hij gaat doen. Hij had
gewacht op het geschikte oogenblik om het doode berkje door een nieuw
te vervangen. Daar had hij nou zoo z'n aardigheid in en daar behoefde
niemand iets van te weten. Zulke dingen doe je 't beste alleen, zonder
drukte. Tegen Jenneke had hij ook niets gezegd. Die wist amper, dat één
van de drie berken het laatste jaar was dood gegaan. Misschien had zij
hem ook niet heelemaal begrepen. In elk geval, hij wilde dat Geertje's
lievelingsplekje er weer uitzag, zooals 't behoorde: zonder dood hout.
Dan kon je er weer met pleizier naar kijken.

De hei keek zwijgend naar wat hij deed en begreep hem. Als je hem daar
zoo zag werken, zou je niet zeggen, dat er den laatsten winter zooveel
door zijn hart was heengegaan, waardoor nieuw leven was gewekt. Maar
als je de hei daar zoo stil zag liggen, zou je ook niet zeggen, dat 't
overal binnen in haar woelde en werkte van nieuw leven en dat zij alles
in gereedheid bracht om bij den eersten warmen dag den beste in
feestgewaad te verschijnen.

Maar evenals daar buiten in de natuur 't nieuwe leven begon te ontwaken,
zoo was ook in 't hart van dezen man, toen Gods warme liefde er over was
opgegaan, nieuw leven ontwaakt, dat niet meer zou sterven, heerlijk,
krachtig Lenteleven.



ALS EEN NEVEL


De nevel; een grauwe vochtige wade, die het landschap omfloerst. Alles
dof, alles donker, alles kil. Gebogen de sprieten en halmen van gras
en korenveld. Weggedoken diep in de veeren, wat er placht te fladderen
en te vliegen, te tjilpen en te kwinkeleeren. Ontglansd het loover en
ontkleurd de bloemen. Alles, als wachtte het den ijzigen greep van den
dood.

Maar opeens, daar breekt hij, de nevel. Er straalt blauw door de
grauwte, er sprankelt klaarte door de donkerte heen. Wat gebogen was,
heft zich op; wat weggedoken was, schudt zich de wieken vrij; wat
verstomd scheen praeludieert op een lied; wat geen verf meer had, schiet
zich kleuren aan. Alles is als wachtende op de herboorte. En deze komt,
binnen weinig tellen. Zij komt met den wind, die den nevel verdreef; met
de zon, die zich haast, om te stralen; met den gloed, die het vlietende
leven terug roept.

En nu het licht weer heerscht, het lied weer klinkt, de kleuren weer
pralen, trilt aan riet en blad en bloem een fonkelende dauwdruppel,
die herinnert aan 't geleden leed en vastgehouden wordt als tolk van
dankbaarheid voor genoten verlossing.

Zoo ligt eerst de schuld als een lijkwade over ons zieleleven. Het lied
is tot zwijgen gebracht; de hope gevloden; de blijdschap verstikt. Wij
sidderen als bij de nadering van den dood.

Maar breekt het licht van Gods genade door, dan richt zich de gebogene
op, dan wierookt er een gebed uit de ziel naar boven, dan klinkt er weer
een psalm, dan gevoelen wij de komst van de wedergeboorte.

En straks stamelen wij van schuldvergeving en van verlossing en
koesteren wij ons in het licht van Gods aangezicht.

Het eenige, dat er bleef van 't leed over de zonde, en dat vastgehouden
wordt als uiting van dankbaarheid, is een traan, die er trilt in het oog
en die het genoten licht weerkaatst.

Dit alles ligt opgesloten in het woord van den profeet: »Ik delg uwe
overtredingen uit als eenen nevel en uwe zonden als een wolk.« Jes.
44: 22.



DE TOEKOMST DES HEEREN


Oud en Nieuw Testament beide beschouwen het leven des menschen als een
strijd. In het Oude Testament wordt dit woord in den gewonen zin van
oorlogvoeren genomen. Israël moest strijdende oorlogen van Jehova. Job
vraagt: (VII: 1) heeft niet de mensch een strijd op aarde, een strijd
eig. een krijgsdienst. In het Nieuwe Testament wordt het woord strijd
meestal genomen in den zin van kampstrijd. In de Grieksche wereld waren
kampstrijden aan de orde van den dag. De lezers van de apostolische
brieven konden ze dagelijks rondom zich aanschouwen. Aan dien strijd
herinneren de apostelen de Gemeenten, wanneer zij haar vermanen den
goeden strijd te strijden.

Wordt dus in Oud en Nieuw Testament het woord strijd in verschillenden
zin genomen, de bedoeling is beide malen dezelfde. En Oud en Nieuw
Testament waardeeren het leven als strijd.

En dit is de eenig juiste waardeering van het leven. Wie het leven zoo
ziet en aanvaardt, heeft de praktische oplossing van het benauwende
levensraadsel ontvangen. Theoretisch blijven er dan nog wel allerlei
vragen over en het zal ons misschien nimmer gelukken een volledig
antwoord op die vragen te geven, het doet er minder toe, practisch
bezitten wij den sleutel van het levensraadsel. Strijdende, iederen dag
op nieuw strijdende, ondervinden wij, dat deze levensbeschouwing de
juiste is, want al strijdende verdwijnt het raadselachtige-angstige uit
ons leven. Het leven gaat ons voldoen. Wij worden dankbaar, dat wij
leven mogen. Strijdende oogsten wij het loon der overwinning en in het
vreugdevolle bezit der overwinning verdwijnt het angstaanjagende uit ons
leven dat ons kwelt. Wij ondervinden door den vrede, die in ons hart
geboren wordt, dat wij de rechte wijze, om het leven te aanschouwen,
hebben gevonden.

Alzoo, het leven is een strijd.

Doch eerste voorwaarde om een strijd te kunnen voeren is dat wij weten,
waarom wij strijden. Ik acht het mogelijk dat iemand strijdt, zonder te
weten, wat het doel is van den levensstrijd. Doch in dezen strijd is
iets ontmoedigends, iets afmattends. Het is dan zoo moeilijk den goeden
moed te bewaren. Gedurig besluipt ons de verlammende gedachte: waarvoor
strijd ik eigenlijk? of: zal mijn strijd wel op iets uitloopen?

Om met blijden moed te kunnen blijven strijden is noodig, dat wij het
doel van onzen levensstrijd kennen.

Misschien meent iemand, dat het onmogelijk is ooit wezenlijk het doel
van den levensstrijd te vinden en acht hij het verloren moeite daarnaar
te zoeken. Wij weten niet van waar wij komen, wij weten niet waar wij
henen gaan. Als een vogel die door de hel verlichte feestzaal het eene
venster in en het andere uitvliegt, alzoo is het leven des menschen.
Wij komen uit het duister en gaan naar het duister. Tusschen deze twee
duisternissen ligt het vluchtige menschenleven. Niemand, die het van
waar of het waarheen kent.

Zoo zegt men.

Doch zoo spreekt een Christen niet. Hij behoeft althans zoo niet te
spreken. Want indien wij ons door de H. S. laten voorlichten, kunnen
wij het doel van den levensstrijd vinden. Een Christen weet, welke de
bedoeling Gods is met deze wereld. Hij weet, waar het met deze wereld
henengaat. Het is hem gezegd. De geschiedenis der menschheid beweegt
zich heen naar de toekomst van Christus. Over deze toekomst van Christus
wilde ik in de hier volgende bladzijden iets zeggen, opdat wie het
leest, met nieuwe lust en moed worde aangegord, om den strijd, waarin
hij zich bevindt, voort te zetten.

Laat ik eerst iets zeggen mogen over de uitdrukking »toekomst« van
Christus. Door een gelukkige vondst van papyrusrollen in de pyramiden
van Egypte, is men in den laatsten tijd in staat zich van veel, wat in
het N. Testament wordt gezègd, een helderder voorstelling te vormen,
dan tot nu toe mogelijk was. Op die papyrusrollen vindt men nl. het
dagelijksche leven van de menschen, uit den tijd van des Heeren
omwandeling op aarde, opgeteekend. Men kende totnogtoe het leven der
oudheid slechts uit boeken. Maar boeken staan dikwijls ver van het
werkelijke leven af. Welk een beeld zou men wel van onzen tijd krijgen,
indien men het enkel kende uit de litteratuur onzer dagen? Ongetwijfeld
een zeer eenzijdig, scheef getrokken beeld. Zoolang men de oudheid
alleen maar kende uit haar litteratuur wist men nog maar weinig van haar
af. Doch andere bronnen dan die der litteratuur hebben zich geopend. In
Egypte is het dagelijksche leven der menschen der oudheid teruggevonden.
Zoo is ook het woord toekomst zooals dit voorkomt in de bekende
uitdrukking toekomst des Heeren ons duidelijk geworden. Met het
woord toekomst werd bedoeld de feestelijke intocht van een Koning of
Keizer binnen een stad. Voor zulk een komst werd alles in gereedheid
gebracht. De stad werd versierd. Het volk wachtte in spanning. Zulk een
binnenkomst van een vorst noemde men een paroesie. Dit woord paroesie
werd ook gebruikt als men in de Christelijke Kerk sprak van de toekomst
van Christus. Wij zullen daarom goed doen het woord toekomst te
vervangen door paroesie.

Een woord van gelijke beteekenis als het Grieksche parousia heeft het
Hollandsch niet. Laten wij daarom dit woord maar overnemen uit het
Grieksch. Het is goed en noodig dit te doen. Allerlei misverstand wordt
daardoor voorkomen. Het woord »toekomst« zegt bovendien zoo weinig. Het
zegt niet meer dan dat de komst des Heeren aanstaande is. Hoe fletsch is
dit woord tegenover het levens-volle equivalent in het oorspronkelijk.
Wanneer de lezers van de apostolische brieven van de paroesie van
Christus hoorden, zagen zij in gedachte eensklaps de blijde inkomst
van een Koning of Keizer voor zich, een blijde inkomst, waarvan zij
menigmaal hadden gehoord, en die zij misschien zelven wel eens hadden
bijgewoond. Zooals deze Koning, zoo zou ook Jezus eenmaal komen op deze
wereld.

Paroesie is dus de komst des Heeren in heerlijkheid tot zijn Gemeente.
Van deze paroesie-verwachting is geheel het Nieuwe Testament vervuld. Op
iedere bladzijde des Nieuwen Testaments bijna lezen wij van haar. En het
Nieuwe Testament is in dezen principieel gelijk aan het Oude Testament.

Want gelijk de Nieuw-Testamentische Gemeente met brandend verlangen
uitzag naar de paroesie van Christus, zoo had ook het volk Israël
uitgezien naar de komst van zijn Messias.

Israël is een merkwaardig volk. Voor bijna alle volken ligt de periode
van glorie en heerlijkheid in het verleden. Men ziet om. Helaas, de
gouden eeuw is voorbij! Een volk doet in dezen als een mensch. Ook de
mensch heeft neiging terug te zien. Achter hem ligt zijn zonnige jeugd.
Misschien was die jeugd niet zoo zonnig als hij zich die voorstelt.
Maar hij ziet haar zoo. Hij ziet haar zoo, omdat in de herinnering het
moeilijke, dat men doormaakte, weg valt, hij ziet haar zoo, ook omdat in
de jeugd de zorg, die het leven in later tijd zoo dikwijls verdonkert,
er nog niet was. Zoo idealiseert een mensch, zoo idealiseert ook een
volk zijn jeugd. De volken leven uit hun verleden. Niet alzoo Israël.
Israël leeft uit de toekomst. Eenmaal zal de Messias komen. Dan zal over
Israël de gouden eeuw aanlichten. Op dien Messias wachtte men. Met
ongeduldig verlangen. »Och, dat gij de hemelen scheurdet«!

Zooals Israël zoo leeft ook de Chr. Gemeente uit de toekomst. Ja het
zwaartepunt van haar bestaan lag, veelmeer nog dan bij Israël, in de
toekomst. Aan de toekomst richtte zij zich op. Door de gedachte aan de
toekomst hield zij zich staande. Het was moeilijk in het heden. Zware
tijden maakte men door. Maar wat nood, de Heer was immers nabij. Het
devies van de eerste Gemeente, haar strijd- en zegelied, het opschrift
op haar banier was: Maran-atha. De Heer komt.

Voor de eerste christelijke Gemeente stond paroesie-verwachting in het
middelpunt.

Bij ons is dat niet het geval. De toekomst-verwachting is op den
achtergrond geschoven of voorzoover zij is blijven bestaan is zij
geheel van karakter veranderd. Voor vele menschen is de wederkomst van
Christus niet anders en niet meer dan zijn komst ten gerichte. Veler
toekomst-verwachting gaat op in de woorden van de XII artikelen: »van
waar Hij komen zal om te oordeelen de levenden en de dooden.« Dat is
dan alles, wat er overgeschoten is van de paroesie-verwachting der
eerste Gemeente. Men verwacht niet meer den Koning, den Heiland maar
den Rechter. Men gaat Hem niet meer met blijdschap te gemoet, maar wacht
sidderende op Hem. In de middeleeuwen zong men: »Judex ergo cum sedebit,
quidquid latet apparebit nil inultum remanebit«[1], de dag van Christus
was een dies irae geworden, een dag des toorns. Nu werden ongetwijfeld
deze tonen in het oorspronkelijk Evangelie van de toekomst van Christus
niet gemist. Ook Paulus spreekt van den dag van Christus (1 Cor. III)
als een dag van vuur, waarop al het onloutere in het werk der menschen
zou worden verbrand. Maar in de eerste plaats is de gedachte aan het
oordeel niet overheerschend en in de tweede plaats is ook dit komen ten
gerichte een deel van het Heilandswerk van Christus. Want juist het
wegbranden van het zondige uit het leven des menschen is onmisbare
voorwaarde voor zijn zaligheid. Wat toch verhindert ons om zalig te
worden dan onze zonde? Er is maar één ding, dat ons rampzalig maakt:
de zonde. Daarom, laat Christus in zijn wederkomst het zondige, dat
ons aankleeft, maar wegdoen. Juist daarom zullen wij hem met dubbele
blijdschap ontvangen. Het is ten slotte alles enkel heil wat Hij brengt
voor degenen, die Hem liefhebben en in Hem gelooven.

[1] Wanneer dan de Rechter op zijn troon zal zijn gezeten zal alles wat
    verborgen was openbaar worden en niets zal ongewroken blijven.

Doch hoe kan deze paroesie-verwachting nu richting en doel aan ons leven
geven, zooals ik in den aanvang veronderstelde?

Zal deze paroesie-verwachting niet eerder verslappend werken op den
mensch, die ze koestert? Wordt strijden niet overbodig?

De Heer zal immers komen en Hij zal Zijn heerlijkheid onder ons
openbaren en wij hebben niet anders te doen dan te wachten op de
openbaring van des Heeren heerlijkheid? Zoo kan men spreken. Deze
toepassing kan men trekken uit de waarheid van de wederkomst van
Christus.

En zoo heeft men gesproken. Menigeen heeft de paroesie-verwachting
tot een dekmantel van zijn traagheid gemaakt. In de Gemeente van
Thessalonica waren in de dagen van Paulus reeds menschen, die deze
gevolgtrekking maakten. Paulus moest sommigen uit die gemeente vermanen
»te werken met hunne eigene handen.« Mede door de prediking van den
komenden Christus waren deze menschen er toe gekomen hun dagelijkschen
arbeid te verwaarloozen. Waarom zou men arbeiden? Was de Heer niet
nabij?

Toch is het een dwaling zoo te redeneeren. De paroesie-verwachting geeft
ons juist den echten prikkel tot arbeid. Want ja, de Heer komt. Maar Hij
komt in ons. Hij wil zich in ons leven een plaats bereiden. Nu is dit
het eigenaardige in het geestelijke leven, dat alle arbeid Gods altijd
omslaat in arbeid des menschen. Gods arbeid maakt onze arbeid niet
overbodig. Wij moeten niet zeggen: o, God arbeidt, dus behoef ik niet te
arbeiden. Die zoo spreken kennen den arbeid Gods niet. Zij spreken niet
uit ervaring. Zij hebben hoor en spreken van den arbeid Gods en trekken
nu een logische conclusie uit het feit, dat God arbeidt. Maar deze
conclusie is onjuist. Zij gaat om buiten de werkelijkheid. Alle arbeid
Gods wordt arbeid in ons en van ons. Als God arbeidt in een mensch dan
gaat die mensch zelf arbeiden. Zoo zeide Jezus: de Zoon kan van zich
zelven niets doen tenzij hij den Vader dat ziet doen (Joh. V:19). Wij
zouden zeggen: indien de Vader iets doet, dan behoeft de Zoon het niet
meer te doen. Maar Christus redeneert anders. Hij zegt: als ik den
Vader iets zie doen, dan kan ik het eerst doen. En dan kan Hij het niet
alleen doen dan doet Hij het ook, zooals Hij dan ook het zooevengenoemde
woord aldus eindigt: »Wat die (nl. de Vader) doet, doet ook de Zoon
desgelijks.« De Zoon neemt zelfstandig het werk des Vaders over. Zooals
het werk des Vaders zich verhoudt tot het werk des Zoons, zoo verhoudt
zich ook het werk Gods tot het werk des menschen. Het werk Gods is
voorwaarde voor het werk des menschen. Wij moeten het werk Gods
overnemen. Wij moeten doen, wat God doet. En indien God waarlijk in ons
werkt, dan werken wij. Een mensch is geen onpersoonlijk doorgangspunt
voor de kracht Gods. Een mensch is persoon. Door God wordt hij actief,
werkende. Het werk Gods wordt zijn werk. Breng deze gedachte over op het
onderwerp dat ons hier bezig houdt en het zal duidelijk zijn, waarom de
toekomst van Christus bron wordt van oneindige kracht en voortdurende
prikkel tot arbeid. Wij gelooven dat Christus komt. Dit komen van
Christus tot ons is een komen Gods tot ons. Want God doet alle dingen
door den Zoon. Het werk des Zoons is het werk des Vaders. Met Christus
komt de almacht Gods tot ons. En nu gaan wij vanzelf arbeiden. Zijn
arbeid wordt onze arbeid. Het is een reuzen-arbeid, waartoe wij worden
geroepen. Want Christus komt om de wereld te vernieuwen. Een nieuwe
wereld moet uit de oude wereld geboren worden. Deze onze wereld is een
abnormale wereld. De zonde heerscht in haar. Van den bodem af moet deze
wereld worden hersteld. Dit is het werk van den komenden Christus. Maar
daarom is het ook ons werk. En deze arbeid zal niet ijdel zijn. Want
Christus die achter dezen arbeid staat, heeft alles volbracht. »Mij is
gegeven alle macht in hemel en op aarde.« De wereldvernieuwing, waarop
wij hopen, is in Christus reeds gegeven. Want Christus is opgestaan.
Hij is lichamelijk uit het graf verrezen, en wat is die lichamelijke
verrijzenis anders dan de verheerlijking van het natuurlijke leven? De
verrezen Christus is een stuk verheerlijkte natuur. De natuur ìs in
Christus verheerlijkt. Daarom zàl zij worden verheerlijkt. Het werk van
Christus herhaalt zich in de geloovigen. Maar deze herhaling van het
werk van Christus gaat niet buiten hen om. Zij geschiedt in hen. Meer
dan dit: zij geschiedt door hen.

Wij nemen deel aan het werk van den komenden Christus. En juist omdat
wij weten, dat Hij achter ons staat, weten wij ook dat onze arbeid niet
te vergeefsch zal zijn. Nu kunnen wij aan de ontzachelijke taak der
wereldvernieuwing, die ons op de schouders is gelegd, arbeiden zonder
gekweld en verlamd te worden door de gedachte: zal ons werk ons ooit
gelukken? Neen, onze arbeid zal niet ijdel zijn. Onze arbeid loopt op
iets uit. Zij werpt vrucht af. Ons leven heeft een doel, dat door den
komenden Christus is gewaarborgd.

Zoo de toekomst des Heeren beschouwende, kunnen wij begrijpen hoe het
achteruitwijken van deze verwachting de grootste invloed gehad heeft
op geheel de christelijke moraal. Men zag Christus niet meer komen in
heerlijkheid, en nu geschiedde er tweeërlei.

Eenerzijds ging men zich bij de onvolmaakte toestanden in de wereld
neerleggen. Men nam de wereld maar zooals zij was. Er was immers toch
niets aan te doen. Men paste zich aan de wereld aan. Richtte zich
behagelijk in de wereld in. Het christendom werd niet anders dan een
vernis, dat over een innerlijk verrotte wereld werd heengestreken. Met
het achteruittreden, weldra het verdwijnen van de hoop op de wederkomst
van Christus werd het christendom wereldsch.

Anderzijds werd door het verbleeken van de paroesie-verwachting de
monnikenmoraal geboren. Een monnik is een christen op de vlucht. Hij
ziet geen kans de wereld te overwinnen. De wereld is hem te machtig
geworden. Daarom trekt hij zich terug achter de dikke muren van zijn
klooster. Wereldontvluchting niet wereldoverwinning is het ideaal van
den kloosterling. En dit kan wel niet anders. Monnikenmoraal is de
eenige vorm van ernstig Christelijk leven, die er overblijft, waar
men den komenden Christus niet meer ziet. Want wie kan meenen, dat
hij dat geweldige complex van toestanden, dat wij wereld noemen, zal
kunnen overwinnen, indien de almacht van den Christus, die de wereld
overwonnen heeft, en die deze overwinning in deze wereld indraagt niet
achter hem staat? Zonder den komenden Christus is het dwaasheid te
meenen, dat deze wereld ooit zal worden overwonnen.

Hier schuilt een groot gevaar, dat ons protestantisme bedreigt.
Wij, protestanten, willen van geen monniken en kloosters weten. Wij
ontvluchten de wereld niet, maar willen midden in de wereld verkeeren.
Maar wat zal er van dit verkeeren-in-deze-wereld terecht komen, wanneer
men geen paroesie-verwachting heeft? Immers niets. Men zal den strijd
met een wereld, die ons te machtig is, weldra opgeven. Ten slotte schiet
er voor dit paroesielooze Protestantisme niet anders over dan het
streven zalig te worden, d.i. naar den hemel te gaan. Men schikt zich.
Men gaat een compromis aan met de wereld. Men aanvaardt de wereld.
Het verkeerd begrepen leerstuk van de vergeving van zonden helpt dit
compromis mogelijk maken. Men behoeft immers niet bevreesd te zijn voor
de zonde, die men noodzakelijker wijze in zijn verkeer in de wereld
doet, want de zonden zijn immers vergeven? Zoo goed en kwaad het kan
slaat men zich door de wereld heen, om straks uit deze wereld verlost in
den hemel te worden opgenomen. Zalig worden wordt het hoogste en eenige
ideaal. Maar met dit streven om zalig-te-worden is men weer geheel op de
Roomsche lijn komen loopen. Wat toch is de wensch om naar den hemel te
gaan anders dan de wereldontvluchting van den Roomsche, die zich in een
klooster uit de wereld terugtrekt?

Zonder de paroesie worden wij Roomsch, Protestantsch-Roomsch. Eerst met
de paroesie-verwachting in het hart kunnen wij wezenlijk protestantsch
zijn.

Neen de paroesie-verwachting verslapt niet. Zij is bron van kracht
en moed. Zien wij dit niet aan den apostel Paulus? Is er één mensch
geweest, die zoo sterk uit de paroesie heeft geleefd als hij? Hij was
geheel toekomstman. En is er één mensch op de wereld geweest, die meer
kracht heeft ontwikkeld dan hij? Zijn leven was een leven van enkel
arbeid.

Zoo wordt het leven van iederen Christen een leven van arbeid door
de paroesie-verwachting. Deze verwachting geeft kracht. Wie met den
komenden Christus in aanraking komt is als een schip, dat met alle
zeilen wind vangt en met onwederstaanbare kracht over de golven wordt
voortgedreven. Kent ge een vroolijker gezicht dan het glijden van een
schip met den vollen wind in de volle zeilen over de zee? Zulk een
vroolijk beeld vertoont het leven van den waarachtigen
paroesie-Christen.

Laat ik deze zelfde gedachte nog weer anders mogen uitdrukken, ook opdat
men in zal zien hoe practisch deze toekomstverwachting is.

Wij zien uit naar den komenden Koning. Met den Koning komt het
Koninkrijk. Nu is voor degenen, die deze hoop in het hart dragen,
het eenig streven van deze wereld een Koninkrijk Gods te maken. Zij
zoeken het Koninkrijk. Maar dit zoeken van het Koninkrijk gaat niet om
buiten de werkelijkheid van het leven, integendeel, het geschiedt in
onmiddellijke aansluiting aan de praktijk van het leven. Zijt gij, die
dit leest, misschien man van zaken? Welnu maak van uw zaak een stukje
Koninkrijk.

Ban uit alle oneerlijkheid. Doe weg alle baatzucht. Werk niet om
het loon, maar om Gods wil, en laat al het andere over. Zijt gij
onderwijzer? Laat uw school, uw klas worden een stukje Koninkrijk,
d.i. laat er orde en tucht zijn onder uwe leerlingen. Want, waar geen
orde is, is geen Koninkrijk. Staat gij midden in de drukte van het
huishoudelijke leven? Dat dan uw huishouden worde een stukje Koninkrijk.
Alles moet Koninkrijk worden. Dat is onze arbeid. Dat is ons doel. Een
doel dat zal worden verwezenlijkt, omdat achter alles staat de komende
Koning.

Zoo geeft de gedachte aan de toekomst van Christus, doel en inhoud aan
onzen levensstrijd. Er is geen praktischer leerstuk dan dat van de
parousie des Heeren.

Dit boek wil een boek zijn voor nieuwe leden van de Gemeente, wat men in
Duitschland noemt: een confirmandenbuch.

Ik wil daarom deze overdenking eindigen door mij met een enkel woord
regelrecht richten tot de nieuwe leden. Gij zijt aangenomen en
bevestigd. Weet gij wat dit zeggen wil? Dit, dat gij beloofd hebt
voor uw deel mede te strijden aan den grooten levensstrijd, welke de
christelijke Gemeente voert voor de verwezenlijking van de komst van
Christus op aarde. Om dit te doen moet ge staan op de plaats, waar God u
in het leven heeft gesteld en daar uw strijd uit-strijden. Gij hebt het
misschien moeilijk. Uw levenswerk is niet interessant. Gij zoudt wel wat
anders willen. Misschien zoekt ge wel een werk z.g. in het Koninkrijk
Gods. Maar wees niet dwaas, en meen niet, dat werken in het Koninkrijk
Gods een werken is buiten het gewone alledaagsche leven om. Onthoud dat
werken voor het Koninkrijk Gods is werken midden in het leven, werken,
lijden en strijden, daar waar God een mensch heeft geplaatst.

Wat zijn wij protestanten toch dikwijls echte Roomschen. Neen wij zijn
niet Roomsch. Wij gelooven niet aan de onfeilbaarheid van den paus.
Wij gaan niet naar de mis. Wij zijn van harte het leerstuk van de
rechtvaardigmaking toegedaan. Maar met dat alles zijn wij nog geen
protestanten in de praktijk van het leven. Het Roomsch-Katholicisme
heeft zijn eigenaardigheid juist in de scheiding van Koninkrijk Gods
en wereld. Het religieuse is in het Roomsch-Katholicisme iets aparts.
Volgens het protestantisme daarentegen staat het Koninkrijk Gods midden
in de wereld. Wie zijn dagelijksch werk goed doet, die doet geestelijk
werk. Volgens het protestantisme zit het geestelijke niet in wat men
doet maar wel in de manier waarop men het doet. Preeken kan een heel
wereldsch een heel ongeestelijk werk zijn, als men het doet om eer bij
de menschen in te oogsten. En ik verzeker u dat men met deze bedoeling
preeken kan. Preeken kan een ongeestelijk werk zijn en timmeren een
heel geestelijk werk. Wie timmert, omdat hij in dit dagelijksche werk
de taak ziet, hem door God op de schouderen gelegd en die deze taak om
Gods wil, uit gehoorzaamheid en liefde tot God aanvaardt, die doet een
echt geestelijk werk. Dat is de echt protestantsche beschouwing van
wat geestelijk is. Hoevelen zijn er niet, die protestanten heeten en
wezenlijk Roomschen zijn?

Alzoo het leven is een strijd. Als in een leger heeft ook in de wereld
ieder zijn eigen plaats en post, hem door den Koning zelven toegewezen.
Wee dengene, die zijn post verlaat! Daarom, sta op de plaats, waar God
u stelde in de wereld en verlaat uw plaats niet. Sta en strijd. Strijd
voor het Koninkrijk. Gij moet voor uw deel medearbeiden aan de omzetting
van wereld in Koninkrijk.

Dat is moeilijk, zegt gij. Inderdaad dat is het. Maar het is niet te
moeilijk. Het kan niet te moeilijk zijn, indien gij slechts strijdt in
aansluiting aan Christus die komt; niet te moeilijk, indien gij strijdt
en bidt, dat de kracht van den komenden Christus zich ook in u zal
openbaren. Zoo staan wij en strijden wij. En boven ons wappert de banier
der Christelijke Gemeente met haar oude devies:

    _Maran-atha_
    _De Heer komt._



BEGEEREN EN WILLEN


De heele bekeering der menschen bestaat in een gaan van de begeerte
naar den wil. Van nature worden wij door allerlei wat ons aantrekt in
beweging gebracht. Er komt dan een activiteit in ons leven, die in den
grond toch geen activiteit maar passiviteit is. Dit is de begeerte. De
wil is van geheel anderen aard dan de begeerte. Als ik wil word ik niet
bewogen door iets buiten mij maar beweeg ik mij zelven. Dit is de rechte
activiteit.

Uitwendig beoordeeld zijn begeeren en willen hetzelfde. Beide malen,
als ik begeer en als ik wil, beweeg ik mij. Maar innerlijk zijn beide
bewegingen geheel van elkander onderscheiden.

Het groote levensprobleem is te komen van de begeerte tot den wil.
Alleen wie wil, leeft. Willen, bewogen worden door zich zelven, dat is
eeuwig leven. Wie begeert heeft een schijnleven. Hij is in den tijd.
Zalig, die wil, hij is in de eeuwigheid.



GEESTDRIFT EN OPWINDING


Geestdrift kan alleen bestaan bij den Christen. Geestdrift d.i. in God
te zijn! En het kenmerk der ware geestdrift is, dat zij _blijft_.

Er bestaat ook geestelijke opwinding, die zich naar buiten openbaart in
een soort van vrome drukte. En wie nog weinig of geen ervaring bezit,
laat er zich licht door in de war brengen en ziet die opwinding voor de
ware geestdrift aan, die van boven is.

Die opwinding is gelijk aan het vuurwerk, dat voor een oogenblik door
zijn schittering het oog boeit, maar daarna in grooter duisternis
de toeschouwers achterlaat; de geestdrift is het rustig schijnend
hemellicht, dat door zijn glans den mensch verblijdt. De opwinding doet
denken aan het zaad, dat op eenmaal hoog opging en wonderveel deed
hopen, maar toen de zon ter middaghoogte steeg, en de zonnestralen
brandden en schroeiden, bleek het geen diepte van aarde te hebben en het
verdorde. De geestdrift is gelijk aan het zaad, dat in de goede aarde
viel, en lang verborgen bleef, maar straks te voorschijn kwam, gestadig
aan opwies en rijke vrucht droeg.

Velen waren er in Jezus' dagen, die vol schijnbare geestdrift tot Hem
kwamen, en zeiden: »Meester, ik zal U volgen, waar gij ook heengaat,«
maar wier geestdrift straks bleek slechts opwinding te zijn, want ze
ging voorbij, ze was niet blijvende, ze was niet tegen de beproeving
bestand. De echte geestdrift vinden wij in de eerste plaats in onzen
Heiland zelf, als Hij tot Maria spreekt: »Wist gij niet, dat ik moest
zijn in de dingen mijns Vaders!«

Dat is het heilige »moeten«, dat Hem gedragen en voortgedreven heeft
al de dagen zijns levens; waardoor Hij in staat is geweest weerstand
te bieden aan al de levensstormen, die boven zijn heilig hoofd zouden
losbarsten. En ieder waarachtig Christen bezit door Jezus' genade iets
van de heilige geestdrift, die in den loop der jaren niet dezelfde
blijft en nog minder afneemt, maar veeleer groeit en krachtiger wordt;
die misschien, naarmate de mensch toeneemt in ervaring, in andere vormen
zich openbaart, en andere wegen kiest dan de vroeger bewandelde, maar
dat alleen, omdat zij waarlijk levend is en daarom de oude vormen niet
de hoofdzaak acht.

Ieder, die zich aan Christus heeft verbonden, en dat misschien ook
openlijk voor de gemeente heeft uitgesproken, beproeve zich zelven, of
die heilige geestdrift zijn leven ook bestuurt.

En wie het besluit Jezus te volgen misschien al vele jaren geleden
genomen en uitgesproken heeft, vrage zich af, of zijn geestdrift
blijvende en toenemende was, en zijn leven daardoor gedragen en bezield
wordt.



JOSUA'S GEZICHT

EENE OVERDENKING

                                                          Josua 5: 13-15


Wij willen met het verhaal zelf beginnen, 't milieu, waarin wij er door
worden verplaatst. Met ons den toestand eenigermate in te denken, waarin
de man, dien wij er in zien optreden, Josua, op dat oogenblik verkeerde;
de gedachten, die hem vervulden, om daarin het aanknoopingspunt voor de
hem ten deel gevallene verschijning te zoeken, en zóó er de blijvende
kern, het Woord Gods, niet enkel voor hem, maar nog altijd voor ons ook,
in op te sporen.

Mozes was gestorven. En Josua, nog bij diens leven er toe aangewezen,
had de leiding van het Israëlietische volk op zich genomen. Gewis niet
zonder schroom was dit geschied, niet zonder groot tegenopzien. Wel had
het hem reeds tot dusverre niet aan teekenen, aan bizondere ervaringen
van Gods gunst ontbroken. De Heer zelf had tot hem gesproken. Droogvoets
en ongedeerd was hij met Israël den Jordaan overgetrokken. Thans evenwel
is 't nog wat anders, en staat hij voor 't eerst in Kanaän zelf, bij 't
eigenlijk begin van zijn taak. Nu zal het dus zijn.

O, 't is zulk een onderscheid of wij iets nog slechts op een afstand,
in een meer of minder ver van ons verwijderd verschiet tot ons zien
naderen, dan wel of wij 't op eens vlak vóór ons zien staan. 't Is hier
zoo echt gelijk de hemelsche verschijning tot Josua zegt: _Nu ben ik
gekomen._ Nú! Het groote »nú« van zijn leven is dáár.

In zijne onmiddellijke nabijheid ligt Jericho met zijn hooge wallen,
zijn vaste muren en poorten. En achter dat Jericho, daar ziet hij ze éen
voor éen oprijzen, die vele, vele steden en vesten, die moeten worden
genomen. En nog verder heel dat land, al die volken met hunne vorsten,
die moeten worden ten onder gebracht. En iets heel onbeschrijflijks
valt op hem, een groote angst, een bange vrees. 't Wordt alles donker
en verward daar vóór hem. Alles loopt in elkander. Nergens een vast
punt. Duizend vragen, die hem bestormen. Zal 't gaan? Zal Israël het
uithouden? Zal hij zelf, zal zijn geloof het uithouden? Of is alles wat
hij tot dusverre van overwinnen gedroomd heeft een waan slechts? En 't
einde straks toch een neêrlaag? En dan op eens, wanneer hij de oogen
opheft, staat hetgeen hij inwendig heeft doorgemaakt, ook uitwendig hem
tegenover. Al zijn vreezen, al het jagen en vragen zijner ziel, hij ziet
het als tot vleesch en bloed geworden hier vóór zich. Het subjectieve
geobjectiveerd. Het inwendige veruitwendigd. Een man met een uitgetogen
zwaard in de hand.

Wat wil die man? Wat wil dat zwaard? En Josua overmant zich, en hij
treedt toe op die gestalte. Duizendmaal beter zekerheid te hebben, laat
het de vreeslijkste wezen, dan die onzekerheid van daareven. Vandaar
zijne vraag: Wie zijt gij? En _wat_ zijt gij? _Zijt gij van ons of van
onze vijanden?_ Komt gij aan onze zijde u scharen, of u tegen ons
keeren?

En nu het antwoord, dat hij ontvangt. Eigenlijk geen antwoord. Althans
niet een rechtstreeksch. Maar een vooralsnog de zaak in het midden
laten. Neen, zoo luidt het. Neen, noch het één noch het ander. Noch vóór
noch tegen. Dat zal eerst later blijken, en hangt er van af, of en in
hoeverre Josua de gestalte daar vóór hem, in welke hij voor 't oogenblik
nog niet anders ziet en kan zien dan een man, een mensch van gelijke
beweging als hij zelf, zal erkennen en aannemen als te zijn wat deze
hem zegt: _Neen, maar ik ben de Vorst van het heir des Heeren; ik
ben nu gekomen!_ 't Zal hiervan afhangen: of Josua het op 't geen
hier hem gezegd wordt wil en durft wagen, alles wagen. 't Wagen alleen
en onvoorwaardelijk met wat en zooals het van God tot hem komt,
onverschillig hoe het zal zijn: Overwinning of neêrlaag, leven of dood.

En Josua zegt: ja. Ja, dat wil ik. Hij vraagt niet nog verder: _Zijt gij
van ons of van onze vijanden?_ Niet: wat zal de toekomst mij brengen?
Niet: langs welken weg zal het gaan? Wat mag ik hopen? Wat moet ik
vreezen? Niets er van. Maar hetgeen wij van hem zien en hooren is iets
geheel anders. _Toen_, zoo wordt ons verhaald, _viel Jozua op zijn
aangezicht en aanbad, en zeide tot hem: wat spreekt mijn Heer tot Zijn
knecht?_

Josua gelooft. Dit is alles. Hij vraagt niet meer als zoo even: Wat
_zal_ ik? Maar: Wat _moet_ ik? Niet meer: _Hoe_ zal dit en _hoe_ dat?
Hoe kom ik hier door, en hoe dáár over? Maar: _Wat wil mijn_ God? En
zooals _Hij_ wil, wil _ik_; ik ben Zijn knecht. Hij wil slechts dienen,
gehoorzamen, volgen.

Josua gelooft. En nog eens: Dit is alles. Maar ook, dit brengt hem tot
alles. Hij is onoverwinbaar.

Maar ook dit laatste zal hij eerst later ervaren. Dit is de beteekenis
van hetgeen hier thans nog verder tot hem gezegd wordt. _Toen zeide de
Vorst van het heir des Heeren tot hem: Trek uwe schoenen uit van uwe
voeten, want de plaats, waar gij staat, is heilig._

Heilig. Dit is hier bedoeld in den schoonen en diepen zin, dien dit
woord oorspronkelijk in het Oude Testament heeft. Den zin van
afgezonderd, door God Zich vóórbehouden, Gode toegewijd en toebehoorend,
Zijn bizonder eigendom.

En dit geldt niet enkel van die éene bepaalde plek, waarop wij hier
Josua zien staan, maar 't geldt van heel het land, dat hier voor 't
eerst door hem wordt betreden. Gansch Kanaän is heilig land. In dit
geloof, in dit bewustzijn heeft Josua het ook verder te betreden en het
straks in bezit te nemen. In het geloof dus dat de volken, die het voor
't oogenblik bewonen, er niet de eigenlijke, de rechtmatige bezitters
van zijn. Maar dat het toebehoort aan den Heer, en aan hen, voor wie
Deze 't bestemd heeft. En dat is hier dus het Israëlietische volk. Dat
heeft het geloof te zijn, de kracht, waarmede Josua den strijd aanbindt.

Maar hij heeft het te doen, zooals hem verder gezegd wordt, met
ontbonden schoenzool. Dat is: bij het heilig land behoort het besef van
heilige roeping, de zekerheid: tot hetgeen ik ga doen ben ik door God
geroepen, door God uitverkoren.

_En.... Josua deed alzoo._ Daarmede besluit het verhaal, even sober als
schoon. En daarmede _kan_ het besluiten. Daarmede toch is alles gezegd,
is heel het verdere van den weg en het leven van dezen mensch geteekend.
Het kan niet meer anders: 't zal, 't moet hem gelukken. Tot dusverre 't
verhaal zelf. En nu het blijvende in deze dingen, de eeuwige kern. Het
Woord Gods nog altijd voor ons.

       *       *       *       *       *

_Nú ben ik gekomen._ Zóó klonk het eenmaal van de lippen dier hemelsche
verschijning een Josua tegen.

_Nú._ Zoo zijn er nog altijd in het leven van iederen mensch, ook in het
onze, van die »nú's«. Oogenblikken van groote beslissing. Oogenblikken,
die meer dan andere spreken. Die beslag op ons leggen, en die het met
zoo grooten nadruk en klem ons toeroepen: _Nú ben ik gekomen._ Nú komt
het er op aan. Nú moet er worden gehandeld, nú worden gekozen.

We staan voor een nieuw begin in ons leven. Voor een nieuwe taak, die
ons wacht. Een nieuwen werkkring, die de inspanning van al onze krachten
komt opeischen. Nieuwe toestanden, nieuwe verhoudingen, waar wij ons
moeten inleven. Daar is zulk een »nú«. _Nu ben ik gekomen._

Of ook, iets wat sedert overlang dreigde is gebeurd. We zagen een paar
oogen, die tot hiertoe de vreugde en de zonneschijn van ons leven
geweest zijn, voor altijd zich sluiten. Een hand, waarop wij ons leven
lang gewoon waren te steunen, en buiten welker vasten en vriendelijken
druk wij niet konden, ontgleed voor goed aan de onze. En nu moeten
wij het verder zonder haar doen. Alleen moeten wij verder. Ons zelven
een weg banen. Zelf optreden, zelf handelen. O, wat kan het dan
onbeschrijflijk leeg in een menschenziel wezen! Wat kan het dan jagen en
stormen daarbinnen! Wij durven de oogen nauwelijks opslaan en vóór ons
uit zien. En toch, wij moeten. Alweêr zulk een »nú«. _Nú ben ik
gekomen._

En wanneer wij 't dan doen, als wij vooruitzien,--neen, dan wordt het
er nog niet gemakkelijker op. Dán daar vóór ons een toekomst, die zich
onbekend en onbegrensd uitbreidt. En in die toekomst alles zwijgend en
zwart, een onpeilbaar donker, waar wij in staren. Echt, zooals bij
Josua, een dreigende gestalte, een gewapend man, die op ons toetreedt.
Een zwaard flikkert ons tegen. Maar wàt het ons brengt, wáár het op
wijst,--wij weten het niet.

Duizend gebeurlijkheden, die vóór ons oprijzen. Menschen, die op ons
toetreden. Dingen, die op ons aandringen. Omstandigheden, die ons
bestormen. Beslissingen, waar wij ons voor geplaatst zien. O, zoo
verward en verwarrend dit alles. En wij weten geen raad. Wij zien er
geen weg en geen licht in. Hoe _dit_ moet, en hoe _dat_ zal. Wat _hier_
te doen, en hoe daar te handelen. Wij kunnen slechts vragen: _Zijt gij
van ons of van onze vijanden?_ Dat vele, vele, daar vóor ons, wat zal
het, wat wil het? Komt het aan onze zijde zich scharen, of komt het zich
tegen ons keeren? Wat komt het ons brengen? Zegen of kruis, overwinning
of neêrlaag, leven of dood? Mogen wij hopen? Moeten wij vreezen?

Ja, vraag maar, vraag maar,--'t baat u toch niet. Gij krijgt op àl uw
vragen geen antwoord.

Of beter gezegd, gij krijgt wèl een antwoord. Maar een geheel ander dan
gij verwacht hadt. Een antwoord, dat u aanvankelijk toeschijnt geen
antwoord te zijn. Eén, dat begint met »neen« tot u te zeggen. Neen, uw
vragen zelf deugt niet. De wijze, waarop gij vraagt, deugt niet.

Gij ziet louter »menschelijke« gebeurtenissen, louter »menschelijke«
machten, »menschelijke« verhoudingen, waarmeê gij te doen hebt. Maar zoo
is het niet. Gij hebt met een ander, met een meerdere dan met die
menschen te doen. Met God.

In die toekomst, in al dat menschelijke, naar gij meent, is God, en
treedt God u tegen. Maar zóó, dat gij Hem daar maar niet altijd zoo
aanstonds in herkent en terugvindt. God, een geheel ander als gij Hem u
gedacht hadt. Een gansch andere ook als gij Hem tot hiertoe gekend hebt,
en als Hij tot dusverre tot u is gekomen. God. Niet zooals wij allen Hem
't eerst hebben gezien, en wij voor 't eerst van Hem hebben gehoord, in
de verhalen van vader en moeder, van leermeester en vrienden. Niet de
Liefdevolle en de Ontfermende, de armen wijd uitgestrekt om ons in op te
vangen en vast te omklemmen. Niet de zegenende Heiland, die 't ons zoo
vriendelijk toeroept: _Komt herwaarts tot mij, allen die vermoeid en
belast zijt, en Ik zal u rust geven._ Neen, maar God als een gewapend
man. God met een zwaard in de hand. Een zwaard, dat veeleer ons bedreigt
dan bemoedigt; dat veeleer met angst en vrees dan met hoop en troost ons
vervult. En toch is het God.

En nu is de vraag maar, de groote vraag, waarvoor hetzij vroeger hetzij
later een ieder onzer in het leven zich ziet geplaatst, of wij God,
zooals Hij tot ons komt, ook wanneer Hij zoo echt als de Onbegrepene en
de Onbegrijpelijke tot ons komt, als »God« willen aanvaarden. 't Ook
dán, 't altijd, met Hem durven te wagen. Alles te wagen.

Wij kunnen »neen« zeggen. 't Met duizenden en nog eens duizenden
zeggen: Neen, in al dat donkere en dikwijls dreigende daar vóór mij,
in al dat onverklaarbare en onbeantwoorde, in al die moeilijke wegen,
waarlangs ik geleid word, kan ik God niet zien en ontdekken, en ik wil
het ook niet. O, ik kan en wil er alles in zien, noem het toeval, noem
het noodlot, noem het natuurwet, noem het hoe en wat ge wilt, 't kan mij
niet schelen. Maar noem het niet God. Dring er mij niet een liefdevolle
hand in op, niet een wijze bestiering, niet het hart van een vader.
Zeker, dit alles kunnen wij, en wie weet hoe veel meer nog. Maar dan
moeten wij wèl weten wat wij daarmede doen. Dan is ook werkelijk God ons
tegen. En dan wordt alles ons tegen. Paulus zegt ergens: _Zoo God vóór
ons is, wie zal tégen ons zijn?_ Maar 't omgekeerde is even waar: Zoo
God tégen ons is, wie zal vóór ons zijn? Dan wijkt gaandeweg alle kleur
en glans uit ons leven; alle blijdschap en hoop, alle moed en geloof uit
ons hart. En dan wordt alles om ons en in ons zoo koud en zoo kil. Dan
moeten wij ook werkelijk alleen, geheel alleen verder. Enkel op ons
zelven, op onze eigene zwakke kracht aangewezen, den strijd in en tegen.
Een strijd, die, hoe wij ook worstelen, wij weten 't bij voorbaat, met
een nederlaag eindigt. 't Bang vertwijflen aan alles. 't Wegzinken in 't
bodemloos donker. 't Sterven zonder hoop.

[Illustratie]

Maar wij kunnen ook anders. Doen wat wij in dat oude verhaal een Josua
zien doen, _neêrvallen en aanbidden_. Neen, 't is zoo. Wij begrijpen
Gods doen en Gods optreden niet. Wij begrijpen niet al dat vele, vele,
dat soms zoo donker ons aanstaart. Maar toch, wij wagen 't er op: God
eenvoudig te nemen, zooals Hij is; met Hem alles tegen te gaan, ook het
op zich zelf meest dreigende en raadselachtige, zooals Hij 't daar
vóór ons plaatst. We vragen niet meer: Hoe zal het? Maar wij vragen iets
anders: _Wat spreekt mijn Heer tot Zijn knecht?_ Niet: Wàt zal het zijn,
dat ook nú weêr mij wacht? Overwinning of neêrlaag? Zegen of kruis?
Licht of donker? Gaat het met mij de hoogte in, of de diepte tegen?
Neen, niet dáárom is 't ons als 't eerste en 't meeste nu verder te
doen. Maar om God zelven. Om Hem te hebben. Om Hem overal dicht bij en
om ons te weten.

Daarmede, dit weet ik ook wel, zijn volstrekt niet alle vragen voor ons
beantwoord. In geenen deele alle moeilijkheden weg, alle duisternissen
verdwenen. Neen, dat niet. Maar wel is het benauwende, het verwarrende,
het schrikaanjagende er uit weg. Wij voelen: Er is een hand, die mij
leidt; er is een oog, dat mij volgt; er is een zwaard, dat voor mij
strijdt. Wij ervaren en doorleven 't telkens op nieuw: Het gaat wat ik
nooit gedacht had dat zou gaan, er is een weg ook door het donkerste
donker. Wij hooren een stem, die 't ons toeroept: _Vrees niet want Ik
heb u verlost. Wanneer gij zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn.
En door de rivieren, zij zullen u niet over stroomen. Wanneer gij zult
gaan door het vuur, gij zult niet verbranden, geen vlam zal u deren.
Alle dingen zijn mogelijk dien, die gelooft. Dengenen, die God
liefhebben, werken alle dingen mede ten goede._

Ja, alle dingen. En al is er dan ook in ons verleden nog zooveel
droevigs; het leven, dat achter ons ligt, nog zoo vol graven. En al
wierde ook in de toekomst, zooals die daar onbekend vóór ons ligt,
het éene graf na het gedolven. Graven in letterlijken, graven in
figuurlijken zin ook, waar wij o zoo veel, wat wij hebben liefgehad en
nagestreefd, in zien wegzinken. Plan op plan. En wensch op wensch. Bij
ieder graf staat een Heiland, die het ons toefluistert: _Heb maar geen
angst, heb Ik u niet gezegd dat, zoo gij gelooft, gij Gods heerlijkheid
zien zult?_

En dan zien wij haar ook. Heerlijkheid. Groote heerlijkheid. Gods
heerlijkheid, ook door de donkerste wolken en nevelen blinken. Wonder op
wonder. Redding op redding. Uitkomst op uitkomst.

Alles wordt anders. 't Gansche leven »heilig land.« Overal heilig de
bodem, waar wij op staan en op gaan. Heel het leven met al zijn
samengestelde verhoudingen en toestanden; ook de toekomst daar vóór
ons;--'t wordt alles iets heiligs; iets, waarin God tot ons nadert;
iets, waardoor God ons opzoekt. En waarin wederkeerig wij Hem hebben te
zoeken, Zijn stem hebben te beluisteren, Zijn werk hebben te verrichten.
't Gansche leven wordt vol aanrakingspunten met Hem. Overal God, die ons
tegenkomt; God, die Zijne hand ons toesteekt, die ook door en over 't
allermoeilijkste heenhelpt.

_Alles is het uwe._ Zoo roept een Apostel van Christus ons toe. Alles,
't leven in zijn ruimsten omvang en zijn verschillendst gebied. Alles,
de menschen, hetzij Paulus, hetzij Apollos, hetzij Céfas. Alles, de
dingen, hetzij de wereld, hetzij leven, hetzij dood. Alles, wat er is en
wat er komt, hetzij tegenwoordige, hetzij toekomende dingen. Ze zijn
alle de uwe. De uwe dáárin, dat zij ten slotte alle u ten zegen hebben
te worden, alle u moeten dienen. Doch gij zelf zijt van een ander. _Doch
gij_, zoo vervolgt de Apostel, _zijt van Christus, en Christus is van
God_. Uw leven behoort niet u zelven meer toe. En mag ook u zelven niet
meer toebehooren. Gij dient.

Met ontbonden voetzool hebben wij dan ook verder door 't leven te
wandelen. Dat is: in het besef van een heilige roeping, een heilige
taak, die wij in dat leven hebben te vervullen. In het besef tegelijk
van een heilige kracht, die daarbij ons draagt.

Hoe verder alles zal loopen? Wij weten het niet. Wat het leven daar vóór
ons ons nog zal brengen, wat ook ons ontnemen? Niemand, die het ons
zegt. Maar van één ding zijn wij gewis. Zij moeilijk en donker, zij
licht en effen de weg, wij hebben er niet ons zelf op geplaatst, maar
wij zijn er op gezet door onzen God. Wáár wij staan, en wáárheen wij
gaan, onze Heer en onze Heiland is met ons.

Dát maakt onverwinlijk, en doet overwinnen.



IETS OVER HET LEZEN DER EVANGELIËN


Bij het lezen der Evangeliën wordt, geheel onwillekeurig dikwijls een
groote fout gemaakt, die aan den rechten zegen van het lezen der
Evangeliën in den weg staat. In de Evangeliën spreekt Jezus tot de
menschen. Hij richt tot hen zijn woord, zijn eisch: zij moeten gelooven,
niet meer zondigen, niet vreezen, goeden moed hebben enz. Vergeet men
nu, dat in de werkelijkheid, waarover de Evangeliën spreken, Christus
tegenwoordig was, toen hij tot de menschen sprak, dan gaat men meenen,
dat Christus allerlei van de menschen eischt, dat zij moeten volbrengen,
voordat zij door hem kunnen worden gezegend. Doch dat is onjuist. Op het
oogenblik, dat Christus tot deze menschen sprak, was Hij met zijn genade
tegenwoordig, en konden deze menschen dus door Hem wat zij zonder Hem
niet zouden hebben gekund. Christus zelf maakt mogelijk, wat zonder Hem
onmogelijk is. Lezen wij dus de Evangeliën, dan moeten wij niet meenen,
dat Christus van ons bijv. vraagt, dat wij zullen gelooven en dat Hij
ons dan helpen zal. Ware dit het geval, niemand zou ooit door Christus
geholpen kunnen worden. Want uit ons zelven gelooven wij niet en kunnen
wij niet gelooven. Alleen door Christus gelooven wij. Lezen wij dus dat
Christus zegt: geloof en gij zult behouden worden, dan moeten wij dezen
eisch omzetten in een gebed, in dit gebed: Heer help mij, doe mij
gelooven. En ditzelfde moeten wij doen met alle eischen, die Christus
stelt. Hij moet het alles in ons werken. Door Zijn genade wordt ons
alleen mogelijk te doen wat Hij eischt. Hoe menigeen is de dupe geworden
van dit onwillekeurig misverstand, gewekt door het lezen der Evangeliën.
Men spant zich in, men pijnigt zich af, men wil iets volbrengen, om
aldus den zegen, die aan den eisch of de voorwaarde is verbonden, te
ontvangen. Alles te vergeefs! Totdat men met den eisch en de voorwaarde
tot Christus gaat, om door Hem in staat gesteld te worden, te doen, wat
Hij ons gebiedt.



ROEPING.


Toen Henk van Kempen nog pas negen of tien jaar oud was, stond 't hem al
heel duidelijk voor wat hij worden zou. Hij wilde dokter worden. Hij
wilde dat niet, zooals andere jongens iets willen worden, die misschien,
als men er lang met hen over sprak, ook wel tot wat anders over te halen
zouden zijn. Hij wilde 't, omdat hij wist, dat 't mòest, dat 't niet
anders kòn. Als de familie-leden hem wel eens vraagden, of hij al
gekozen had, wat hij worden wou, zei hij: »ik moet dokter worden!« De
toon, waarop hij dat zei, was niet een toon van trotschheid, maar een
toon van groote kalmte en zekerheid. Hij zeide 't zóó, alsof niemand er
ooit aan zou kunnen twijfelen, of hij misschien ook later nog eens van
plan zou veranderen; met de zekerheid van een, die zijn weg daar heel
duidelijk voor zich ziet liggen.

Langzamerhand was dat in het kind iets heel teers en innigs geworden,
dat besef van zijn roeping. Hij voelde 't als een heilige taak. Toen hij
eens in een gezelschap een vader en moeder had hooren zeggen, dat zij
er maar in toegestemd hadden, dat hun jongen in de medicijnen zou gaan
studeeren, omdat hij daar 't meeste lust in had, had hem dat 'n beetje
pijn gedaan. Dokter worden, dat was toch maar niet iets, dat je koos uit
'n vijf-en-twintig ambten en beroepen, die daar voor je lagen. Dat werd
iemand alleen, omdat hij moèst, omdat hij niet anders kòn. 't Was te
mooi, om er zoo luchtigjes over te spreken.

Zijn moeder was eigenlijk de eenige, met wie Henk daar ooit over
gesproken had. En hij sprak er dikwijls met haar over. Henk hield heel
veel van zijn moeder. Hij zag met een stillen eerbied tot haar op.

Van haar had hij den tengeren lichaamsbouw; en de fijne lijnen van haar
gelaat vond men in het zijne terug. Ook had hij dezelfde bleekheid als
zij. Henk had zich het leven zonder zijn moeder niet kunnen denken.

Als hij 's avonds met zijn moeder in de schemering zat, sprak
hij met haar over zijn heerlijke toekomst. Zij had hem al vroeg van
den Heiland verteld en de verhalen van het N. Testament, vooral de
wondergeschiedenissen, waren de wereld, waarin hij leefde, de meest
reëele wereld, die zich denken laat.

Hij had den Heiland lief zoo naïef en eenvoudig als alleen een kind lief
hebben kan. Hij kon er dikwijls lang over denken, hoe heerlijk 't was,
dat de Heiland zoo zegenend door het midden van de menschen ging en hen
genas van hun ziekten en kwalen. Dat wilde hij ook doen. Hij twijfelde
er niet aan of hij 't wel zou kunnen. En hij twijfelde er ook niet aan,
dat 't eenmaal gebeuren zou. Hij werd nooit ongeduldig en trappelde niet
van verlangen, dat 't maar alvast zoo zijn mocht. Hij ging naar school
en leerde braaf en wist, dat 't eenmaal komen zou zooals hij 't nu al
klaar zag.

Met zijn moeder sprak hij daar dikwijls over, maar met zijn vader nooit.
Hij wist zelf niet waarom, maar met zijn vader sprak hij er nooit over.
En soms had hij wel opgemerkt, dat zijn moeder, als hij er met haar over
sprak, stil en 'n beetje droevig glimlachte. Hij had nooit begrepen,
waarom ze dat deed. Maar hij had er ook niet veel meer over nagedacht.
Ook had hij bij zich zelf aangenomen, dat zijn vader dat van zelf wel
wist, dat hij later dokter zou worden. 't Kwam niet in hem op, dat zijn
vader ooit iets anders voor hem zou kunnen willen. Dat was een
vanzelfsheid.

Zijn vader was een groote, grove, vierkante man. Henk leek niets op
hem. Henk leek alleen op zijn moeder. Van Kempen was iemand van heel
eenvoudige afkomst. Van timmermansknecht had hij zich opgewerkt tot
baas. Nu was hij aannemer, huizenbouwer, zooals de menschen zeiden. En
't was juist in den tijd, die voor de aannemers gunstig was. Hij had »'n
neus« voor zaken. Heele blokken huizen, licht en dicht gebouwd,--echte
revolutiebouw!--had hij gezet in een buurt, waar nog niemand het oog op
had. Zijn vakgenooten hadden hem uitgelachen, maar hij had ze stilletjes
làten lachen. En al heel gauw was 't uitgekomen, dat hij goed gezien
had. De huizen vlogen weg. Wel drie vier huurders kon hij aan elken
vinger krijgen. Na een paar jaar kon hij de huren al opslaan, of de
huizen voor het dubbel van den prijs, dien ze hem gekost hadden, van de
hand doen.

Daar ging zijn heele leven in op. Altijd was hij aan 't cijferen
of teekenen. Als hij de krant las, was er bijna niets in, dat hem
interesseerde, dan wat op het »vak« betrekking had. Vooral de
advertenties bestudeerde hij, om te zien hoeveel de huizen »deden«, die
in den omtrek van zijn pandblokken stonden, en hij wist precies welke
lang leeg stonden, welke eigenaars er mee »zaten«, en dan lachte hij
genoeglijk in zijn baard om hun domheid en hun pech, en om zijn eigen
flinkheid en boffen.

Langzaam aan was er echter den laatsten tijd nog een andere gedachte bij
hem opgekomen, die hem ook gedurig bezig hield. Hij moest een helper
hebben in zijn zaken, die ze behartigde alsof 't zijn eigen zaken waren.
Maar dat deed een vreemde toch nooit. Daar moest je een »eigen« voor
hebben, die er zelf bij betrokken was, wiens belang van den goeden gang
der zaken afhing. Dat moest dus zijn zoon worden. Meestal lette Van
Kempen al heel weinig op zijn zoon. Hij leefde altijd alleen voor zich
zelf. Zijn vrouw zorgde voor het huishouden en voor Henk, en hij voor de
zaken. Zoo ging alles, zooals 't gaan moest. Menschen, die hen kenden,
hadden dikwijls hoofdschuddend tot elkaar gezegd: Hoe die man en die
vrouw toch ooit bij elkaar gekomen zijn? Maar 't had Van kempen ook al
heel weinig kunnen schelen, hoe die vraag beantwoord moest worden.
Hoofdzaak was nu maar, dat Henk zijn helper, en later zijn opvolger
werd.

       *       *       *       *       *

»Hoe lang zal je nu nog op school moeten gaan?« vroeg hij op een avond
aan Henk, die over zijn huiswerk gebogen zat.

Verbaasd zag Henk op. Hij was niet gewoon, dat zijn vader over zulke
dingen met hem sprak. Hij antwoordde niet dadelijk.

»Het toelatings-examen is begin Juli,« zei hij vervolgens.

»Welk toelatings-examen?«

»Voor het gymnasium.«

»Wat moet jij op het gymnasium?«

Van Kempen deed alsof hij Henk niet begreep. Natuurlijk had hij in
zijn dagelijksche omgeving dikwijls genoeg over Henk's plannen hooren
spreken, maar hij had altijd de schouders opgehaald en gezegd:
jongensgrillen! Henk zou immers, als 't zijn tijd was, doen wat zijn
vader verkoos. Daar werd niet eens over gepraat.

»Wat moet jij op dat gymnasium uitvoeren?« vroeg Van Kempen nog eens aan
Henk, die hem niet-begrijpend aanzag.

»U wilt me toch niet naar de H. B. School sturen, vader? Dat is zoo'n
omweg. Dan duurt de studie zooveel langer, heb ik altijd gehoord.«

»Wat klets jij toch van studie, jongen?« barstte Van Kempen uit. »Ik
begrijp wel wat je bedoelt. Je heb je in je kop gezet om dokter te
worden. Maar, mannetje, je moet maar weten, dat daar niets van komt.
Daar heb ik niet al die jaren voor geploeterd om jou te laten studeeren.
Jij komt in 't vak, versta-je, net als je vader. Met studie houd 'k me
niet op!«

Heel bleek zat Henk daar aan de tafel. Met zijn pen teekende hij
figuurtjes op zijn schrift, vierkantjes met diagonalen er in, en daar
al weer streepjes dwars doorheen, en toen een cirkel er om heen en nog
een cirkel, en nòg een. En toen voelde hij--of hij voelde 't eigenlijk
niet--dat er een paar dikke tranen in zijn oogen kwamen, die eindelijk
op zijn schrift vielen en om het natte plekje, dat er van kwam, teekende
hij ook een cirkel, totdat de inkt vervloeide in het vocht en 't een
heele vies-vochtige vlakte werd.

Hij zei niets meer.

Van Kempen had zijn krant weer opgenomen en las de advertenties. Van
dat diepe kinderleed daar vlak naast hem voelde hij niets, besefte niet,
dat hij een zware misdaad begaan had door een teere kinderziel zóó aan
te grijpen.

Wel een half uur bleef Henk zoo zitten. Toen deed hij zijn schrift en
zijn boeken dicht, legde alles in het gewone hoekje en liep naar de
zijkamer, waar zijn moeder met haar naaiwerk zat.

Zij wist alles, had alles gehoord. Zij zag haar kind in de oógen, drukte
hem tegen zich aan en gaf hem een zoen op zijn voorhoofd.

Zacht snikkend ging Henk naar boven, naar zijn slaapkamertje. Langzaam
kleedde hij zich uit, knielde bij zijn bed neer, maar bad niet, snikte
alleen, en stapte toen in bed.

Een bed is zoo'n heerlijk ding. Je bent er zoo alleen met je zelf, de
dekens geven zoo'n gezellige warmte. En in het kussen kan je al je leed
uitsnikken. 't Is alsof je kussen dan 'n beetje levend wordt en je
woorden wel verstaat, alsof 't je troost in je leed. Henk snikte in zijn
kussen totdat hij in slaap viel; en in zijn slaap snikte hij nog
gedurig.

Toen hij den volgenden morgen wakker werd, brandden zijn oogen nog, maar
hij wist eerst niet wat er gebeurd was. Hij ging overeind zitten. Daar
was 't weer, dat nare van gisteravond: »Je komt in 't vak, in 't vak,
versta-je, net als je vader. Met studie houd 'k me niet op!« Die woorden
waren voortdurend in zijn ooren blijven naklinken. En ze kwamen nu ook
weer dadelijk bij hem op.

Er was als een nevel in zijn geest. Hij deed zijn oogen even dicht en
toen weer open om te zien of 't weg was, maar 't was daar nog. Hij
vond 't naarste van al, dat zijn vader zóó gesproken had over zijn
dokter-worden, dat zijn eigen vader daar niet in geloofde. Hoe was dat
nu mogelijk, zijn eigen vader?

Of was 't eigenlijk wel zoo wonderlijk? Hij had er nooit met zijn vader
over gesproken. Nu pas viel hem dat op, en hij begon tevens vaag te
beseffen hoe ver hij van zijn vader af stond. Vreemd, iemand, die altijd
zoo dicht bij je was, en toch zoo ver van je af!

En hoe zou 't nu gaan, hoe zou hij nu dokter worden? Want 't aardige
was, dat er bij Henk geen oogenblik twijfel was opgekomen, of 't nu wel
gebeuren zou. Hij zou, dacht hij zoo onder het wasschen, en aankleeden,
dat heel langzaam ging, hij zou maar flink zijn best doen en zorgen,
dat hij een goed toelatings-examen deed, misschien zou dan zijn vaders
boosheid wel overgaan. En als moeder dan nog een goed woordje deed,
dan.... hij werd langzamerhand zóó opgewekt bij de gedachte, dat 't
misschien alles nog wel goed zou afloopen, dat hij met een glimlach op
zijn gezicht naar beneden ging en heel gewoon zijn vader goêmorgen zei,
die hem ietwat bevreemd aankeek en bij zich zelf dacht: Hij heeft eieren
voor zijn geld gekozen.

       *       *       *       *       *

Half-Mei zei de onderwijzer, bij wien Henk school ging, dat de jongens,
die van plan waren toelatings-examens voor de H. B. School of het
Gymnasium te doen, zich daar zoo spoedig mogelijk voor moesten opgeven.
Ze moesten 't maar eens vragen aan hun ouders.

Dat was een moeilijke middag voor Henk. 't Was den laatsten tijd net
voor hem geweest, alsof 't vanzelf wel zou terecht komen. Hij had over
zijn plannen, ook met zijn moeder niet meer gesproken, omdat hij bang
was haar verdriet ermee te doen, maar hij had gewoon doorgewerkt en zijn
vader had er geen woord meer over gerept.

Nu 't er op aan kwam er zelf over te beginnen bij zijn vader, wist hij
niet hoe hij 't zou aanleggen.

Om twaalf uur ging hij alleen naar huis, al maar denkende, denkende en
naar woorden zoekende om met de vraag voor den dag te komen. Toen hij
zijn vader hoorde thuis komen, ging er een schok door hem heen en
begreep hij, dat hij nu althans niet zou durven.

's Middags op school was hij er zonder ophouden mee bezig. Hoe zou hij
't zeggen, wanneer zou hij 't zeggen? die vragen woelden hem den heelen
tijd door 't hoofd, totdat hij er suf van werd. Tot driemalen toe werd
hij dien middag betrapt op onoplettendheid, wat iets ongewoons voor hem
was. Toen hij om vier uur naar huis ging, was hij nog al maar aan 't
denken, en 't werd steeds moeilijker voor hem. Hij ging dadelijk naar
zijn kamertje om daar zijn huiswerk te maken, zooals hij altijd deed als
't nog licht was, maar 't wou niet, hij schoot geen zier op, en toen hij
tegen zeven uur geroepen werd om koffie te drinken, durfde hij haast
niet binnengaan. Toch begreep hij, dat 't er nu van komen moest.

Toen Van Kempen na het eten de krant opnam, en op zijn gemak wou gaan
zitten, kwam Henk met een hooge kleur naar hem toe.

Stotterend kwam 't er uit: »Vader hebt u er al eens over gedacht?«

»Waarover?«

»Over dat examen.«

»Daar komt niets van.«

»Meneer heeft vanmorgen gezegd, dat de jongens, die 't wilden doen, zich
nu moesten aangeven.«

»En wat wou je dan?«

»U vragen of u me nu wil aangeven.«

»'k Heb 't je immers gezegd, dat 'r niets van komt. Je komt mij helpen
in 't timmeren en in de bouwerij, en later doen we samen. Dat's ook veel
beter voor je. Begrijp je dat niet, jongen,« vroeg Van Kempen met een
zweem van plots ontwakend vaderlijk gevoel, »heb-je wel 'ns gekeken
hoeveel dokters 'r hier in de stad wonen? We stikken in de dokters. Ze
halen mekaar 't brood uit den mond. Op 't Prinsenplein wonen er tien
bij mekaar, en ze zijn blij als er 'n patiënt komt. Kom, jongen, wees
wijzer. Kijk naar je vader. Als je pienter in ons vak bent, is 't 'r
wat te verdienen. En daar is 't een mensch toch maar om te doen. Als je
vader niet zoo had gewerkt, hadt jij ook niet op zoo'n school kunnen
gaan. En 't is jammer genoeg, want daar heb je die gekheid vandaan. Als
je gewoon zooals ik, 'n beetje lezen, schrijven en rekenen had geleerd,
was je er nooit op gekomen. Maar dat Fransch en al die fratserij heeft
je kop op hol gebracht. Je wil zeker later ook zoo'n deftige meneer
worden en in een koetsje rond rijen? En straks geen geld om den koetsier
te betalen, hè? Ja, sta nou maar niet te grienen, want gebeuren doet 't
toch zooals ik 't wil, begrijp je? Als 't vacantie is, ga-je van school
af, en kom je in de werkplaats.«

       *       *       *       *       *

Als een verslagene stond Henk daar. Daar was iets heel moois in hem
beleedigd. Zijn ideaal was hem altijd iets heiligs geweest, onbezoedeld,
hoog boven de besmeurende vingers der menschen uit. Niemand, die 't naar
omlaag kon halen. Ook nu was het niet naar omlaag gehaald. Nog even hoog
en rein zweefde het daar boven hem. Maar--evenals die keer, maar nu veel
erger--dat zijn vader, zijn eigen vader er zóó over oordeelen kon, zóó
grof, zóó plomp, dat deed hem zoo'n pijn. Geld verdienen, geld bij
elkaar schrapen, alsof hij daar ooit aan gedacht had, als hij daar
in zijn gedachte zegen-aanbrengend tusschen de menschen doorging!
't Leek hem zoo iets ontzettend, 'n heiligschennis! En een heel erge
heiligschennis ook! 't Was weer net als die vorige keer: Henk zei niets
meer, maar ging zonder verder een woord te spreken naar zijn moeder. Zij
zag de doodelijke bleekheid van zijn gezicht en in haar medelijden met
haar kind zei ze: »Bid tot den Heer, Henk, wie weet wat er nog gebeurt!«
En toen ging hij naar boven, viel op zijn bed neder en barstte uit in
tranen.

Twee dagen later kwam de hoofdonderwijzer om Van Kempen even te spreken.
Hij werd in de voorkamer gelaten en zoodra Van Kempen binnenkwam, begon
hij over Henk. De jongen had er op school zoo ongelukkig bij gezeten,
dat hij begreep dat er iets aan schortte. Na veel vragens was hij er
achtergekomen, dat Henk voor zijn vader niet naar 't gymnasium mocht.
Dat was heel jammer, beweerde de heer Jansen, de jongen had een goed
hoofd om te leeren. »U zult eens zien, meneer Van Kempen,« eindigde hij
zijn pleidooi, »er steekt een heel goed verstand in uw zoon, hij zal
misschien van al mijn leerlingen het beste toelatings-examen doen, u
zult eer met hem inleggen.«

Van Kempen, die al dadelijk met een gemelijk gezicht was binnengekomen
en voortdurend onwillig had zitten kijken, schudde het hoofd. »Neen,
meneer,« zei hij, »daar kan niets van komen, heb 'k al tegen Henk
gezegd. De jongen moet me helpen in de bouwerij«--en toen de heer Jansen
er iets tegen inbracht over aanleg en roeping--»ach, met uw verlof, dat
vind 'k malligheid. Die jongen z'n roeping ligt vlak voor hem. Dat kan
ieder zien, die oogen heeft. Waar kan-ie 't beter hebben als bij z'n
vader? Neen, ik vind 't heel vriendelijk van U, dat U zooveel belang in
hem stelt, maar die studie, daar komt niets van, hij komt bij mij in de
werkplaats.«

De heer Jansen kon heengaan en nam tamelijk koel afscheid.

Een paar weken later had het toelatings-examen plaats en Henk's makkers
slaagden allen. Maar hij stond dienzelfden dag voor 't eerst in de
timmermanswerkplaats.

       *       *       *       *       *

Van dien tijd af was er een groote droefheid in Henk. Hij was als
iemand, die een zwaren schok heeft gekregen en daarvan altijd onder den
indruk blijft. Dat was de schok van zijn eerste smartelijke kennismaking
met het menschen-wee. Hij had dien schok al vroeg gekregen, en kwam 't
niet spoedig te boven.

Hij voelde zich niet vernederd, hij wrokte niet over zijn
teleurstelling. Maar hij was bedroefd. Hoe kon dat zoo? vraagde hij zich
al maar af. Waarom was hij niet naar het gymnasium gegaan? En hoe moest
hij nu dokter worden? 't Werd langzamerhand een stil kwijnen in hem
over dat ideaal, dat hij wel niet verloren had,--o neen!--maar dat nu
op eens zooveel verder van hem af lag. Als hij 's avonds geknield voor
zijn ledikant lag, was zijn bidden iets heel anders dan het vroeger
geweest was. Toen was 't een echt kinderlijk, blijmoedig gebed geweest,
een vertrouwelijk spreken met zijn hemelschen Vader, dien hij
eenvoudig-weg liefhad. Nu was 't dikwijls als een tasten in den blinde,
als een gedurig vragen, zonder dat er antwoord volgde.

Dikwijls droomde hij er van. Eens zag hij zichzelf in zijn droom aan
den oever van een sloot staan en aan den overkant van die sloot lagen
allerlei ongelukkige menschen. Er waren er met afzichtelijke wonden aan
het hoofd en met verminkte ledematen, die zij klagend omhoog staken. Een
was erbij, die gilde van pijn, en wiens gelaat stuipachtig verwrongen
was. En in de verte liepen blinden, die tastend voetje voor voetje
voortgingen en naar hem toekwamen. Ze riepen allen met smeekende stem of
hij ze wilde komen helpen, en dat hij de eenige was, die dat doen kon,
maar toen hij zich gereed maakte om de sloot over te springen, werd die
sloot op eens veel breeder en al breeder, zoo wijd haast als een zee. In
de verte zag hij al die ongelukkigen verdwijnen. Wanhopig staken zij de
handen of de stompen van ledematen naar hem uit, maar hun droevig
schreeuwen stierf eindelijk geheel weg.

Toen Henk dien droom eens gehad had, kwam die telkens weer. En gedurig
dezelfde droom, zoodat hij ten slotte al wist, wat er komen moest.
Daarna werd hij soms huilend wakker. Als hij dan 's morgens aan zijn
werk moest, ging 't nog veel moeilijker dan anders. Gedurig zag hij nog
die vreeselijke figuren uit zijn droom en hij had dan een gevoel van
zelfverwijt, alsof 't eigenlijk zijn schuld was, dat al die ongelukkigen
zonder hulp bleven.

Op een Zondagmiddag nam zijn vader hem mee naar het ziekenhuis. Een
jongere broer van Van Kempen lag daar in een der groote zalen. Hij was
sigarenmaker, had 't niet zoo ver weten te brengen als zijn broer.
Sinds eenige maanden had hij het werk moeten opgeven. Rust nemen,
had de dokter gezegd; dan wordt 't misschien nog beter. En hoewel de
omstandigheden dat niet toelieten, had hij wel moeten gehoorzamen. Maar
het borst-lijden was toegenomen, en de dokter had opneming in het
ziekenhuis gelast.

Toen Henk daar zoo bij dien armen uitgeteerden man stond, voelde hij een
groot medelijden in zich opkomen. En daar links en rechts, en aan de
overzijde der zaal, waàr hij ook heenzag, waren ook ledikanten met oude
en jonge patiënten, kinderen dikwijls nog, jonger dan Henk zelf. Hij had
wel één voor één al die zieken een hand willen geven en met hen spreken
en ze troosten en beter maken. Plots schoot hem zijn droom te binnen, en
tranen kwamen in zijn oogen, toen hij bedacht, dat die mogelijkheid nu
zoo ver van hem verwijderd was.

Toen ze even het ziekenhuis uit waren, vroeg Van Kempen hem opeens:
»zou je nu nog dokter willen worden, als je al die ellende van dichtbij
ziet?« Hij had er nooit meer met Henk over gesproken, maar nu had hij
hem eigenlijk met opzet meegenomen, om hem nog beter te laten gevoelen
hoe wijs zijn vader er toch aan gedaan had zóó voor hem te kiezen.

Met verwondering hoorde hij Henk antwoorden: »Heerlijk om al die
menschen te kunnen helpen!«

»Malle jongen!« was 't eenige, wat hij nog zei, en zwijgend gingen zij
verder den weg naar huis.

       *       *       *       *       *

Toen 't zoo een jaar geduurd had, kòn Henk niet meer. Van Kempen had
't eerst niet willen zien. Als de familie-leden, naar wie hij nog eer
luisterde dan naar zijn vrouw, hem opmerkzaam maakten op Henk's
matbleeke, ingevallen gezicht, lachte hij er om.

Maar toen Henk op zekeren morgen een flauwte kreeg en naar bed gebracht
moest worden, begreep hij toch wel, dat 't ernst was.

De dokter, die erbij geroepen werd, en Henk onderzocht, was niet zoo
spoedig met zijn oordeel gereed.

»Tobt die jongen ergens over?« vraagde hij eindelijk. Hij vraagde 't aan
Van Kempen, toen zij naar beneden waren gegaan, terwijl Henks moeder nog
bij hem boven gebleven was.

»Waar zou hij over tobben?« trachtte van Kempen onverschillig te
antwoorden.

»Zoo iets moet 't toch zijn«, zei de dokter weer, »want een bepaald
gebrek of aanleg voor een kwaal heb ik niet bij hem ontdekt. Kunt u zelf
niet nagaan, wat hem scheelt?«

»Och, wat zou 't zijn? de jongen heeft al wat-ie hebben kan.«

»Vreemd toch,« prevelde de dokter. »Hij geeft er mij heelemaal den
indruk van. Enfin, u moet hem trouw laten innemen en maar in bed laten
blijven. Over 'n paar dagen kom ik nog eens terug.«

Toen de dokter terugkwam, vraagde hij of hij eens een poos met den
patiënt alleen mocht zijn. Hij wilde hem een en ander vragen. En een
kwartier daarna wist hij al opperbest, wat er aan mankeerde. »U moet uw
jongen zijn zin geven,« zei hij tot Van Kempen, »anders gaat hij kwijnen
en dan kon u hem weleens verliezen. Ik sta voor niets in, als er geen
verandering komt.«

Een half jaar later was Henk op het gymnasium. Van Kempen had moeten
berusten in het onvermijdelijke.

»Maar«, zei hij, den dag, dat hij zijn toestemming gegeven had, »jij met
je geloof en je meelijden met de arme menschheid, jij helpt je zelf naar
de maan; later zal 't je nog eens berouwen, dat je niet naar je vaders
woorden geluisterd hebt; denk daar maar eens om!«

       *       *       *       *       *

Zestien jaren zijn verloopen.

Henk heeft zich na een schitterende promotie gevestigd in den Haag, en
verheugt zich in een toenemende chirurgische praktijk. Zijn patiënten
roemen hem zeer, en menige hartelijke handdruk bij zijn vertrek bewijst,
dat hij hun harten gewonnen heeft.

Er is in dezen dokter iets bijzonders, dat de menschen nog bijna nooit
in een anderen hebben gevonden. Iets in zijn stem, in zijn blik neemt ze
dadelijk voor hem in. De meesten onder hen kunnen zich niet verklaren
wat 't is. Maar sommigen weten 't wèl; zij voelen 't bij intuïtie: deze
man gelooft! En al heeft hij 't hun niet gezegd, zij weten, dat Dr. Van
Kempen zijn patiënten maar niet aanziet als een soort van voorwerpen,
waarop hij proeven neemt, maar dat ieder van hen voor hem een schepsel
Gods is, wonende in een brozen tabernakel, tot welks onderhoud en
genezing God hem heeft geroepen. En als de dag, de dikwijls zoo zware
dag, ten einde loopt, buigt hij de knieën voor zijn God en gedenkt al
zijn zieken hoofd voor hoofd in den gebede. En 't zijn nog andere, dan
alleen hun lichamelijke ellenden, die hij dan voor God brengt en waarvan
hij den hemelschen Vader smeekt hen te verlossen.

       *       *       *       *       *

Er wacht hem nog een zware beproeving. De oude van Kempen had al
geruimen tijd gesukkeld. Lang had hij zich op de been gehouden en
gemelijk geantwoord, als men hem aanraadde naar bed te gaan en medische
hulp in te roepen.

Maar eindelijk was 't hem te machtig geworden. Daar ligt hij nu neder,
met pijnlijk verwrongen gelaat, de anders zoo forsche en zeker toch
energieke man.

Hij heeft 't zoo lang mogelijk tegengehouden en er niets van willen
weten, dat Henk hem onderzoeken zou, maar den laatsten tijd zijn de
pijnen hand over hand toegenomen en ten slotte ondragelijk geworden.

Nu moet er operatief ingegrepen worden. »En 't zal er op of onder
zijn«, zegt met bedenkelijk gelaat de collega, met wien Dr. Van Kempen
consult houdt, omdat hij alleen de verantwoording niet wil dragen.
»Blindedarmoperaties, je weet er alles van! Vooruit kunnen we nooit iets
zeggen. 't Is een naar geval voor je, waar 't je eigen vader betreft.
En als je er erg tegen opziet, wil ik 't wel van je overnemen. Bedenk
je maar eens en telefoneer me maar, als je me noodig hebt«.

Dat wordt een gebedsstrijd voor den nu meer dan ooit, zwaar beproefden
zoon. Maar in dien strijd maakt God 't hem duidelijk, dat hij in Zijn
kracht de zware taak mag aanvaarden.

Vier en twintig uren later is alles voorbij en mag men hopen, dat de
patiënt behouden is. En op zijn knieën dankt Van Kempen den God van alle
genade, die zijn hand leidde en bestuurde, zoodat hij zonder beven zijn
werk kon verrichten.

Als na een paar dagen de zieke weer spreken mag, staan zijn vrouw en
zijn zoon bij zijn bed.

»Is 't goed?« is zijn eerste vraag, en als zij beiden zich haasten van
ja te knikken, en hij weder vraagt: »wie heeft 't gedaan?« wijst met
stillen trots de dankbare moeder naar haar zoo geliefd kind.

Een traan blinkt in het oog van den grijsaard.

Of dat hart ook gebroken was?



HOE GOD ARBEIDT


In 1 Kon. VI: 7 lezen wij, dat de tempel van Salomo gebouwd werd met
volmaakten steen, zoodat geen hameren, noch bijl, of eenig ijzeren
gereedschap gehoord werd in het huis als het gebouwd werd.

Zooals de tempel van Salomo werd gebouwd, zoo wordt nog het huis Gods
in deze wereld gebouwd. Onhoorbaar in een geruischlooze stilte rijst
het omhoog. Het huis Gods wordt gebouwd, zooals een boom groeit. Men
bespeurt niet, dat de boom groeit. Zoo bemerkt men niet, dat God zijn
tempel bouwt. En toch het geschiedt. Zooals de vruchten rijpen in den
nacht, zoo rijpt Gods werk in de stilte.



UITVERKOREN

                                                             Johannes 15


Misschien bevreemdt het over dit »gevaarlijke« woord een en ander in dit
boek te lezen.

Voor velen is dit woord verdoemd. Zij haten het leerstuk der
uitverkiezing met een bitteren haat. Anderen is het woord »uitverkoren«
buitengewoon dierbaar. Het bevat al hun geestelijk bezit. Het verklaart
het wel en wee des levens; het geeft de oplossing van het raadsel der
onverschilligheid voor eeuwige dingen, die zoo menig leven ontsiert.

Toch geloof ik dat wij veel te weinig hebben nagedacht over wat van ouds
het »cor ecclesiae«, het hart der kerk, is genoemd, en in den Bijbel
zeer dikwijls wordt besproken. Vooral de jonge lidmaten, voor wie deze
regelen in hoofdzaak zijn bestemd, moeten een gevestigde overtuiging op
dit punt verwerven, opdat zij niet stroomloos, in dezen, op godsdienstig
gebied, zoo verwarden tijd, leven.

Een duidelijker verklaring van de uitverkiezing dan door den Heiland
in Johannes 15 gegeven wordt, vind ik nergens in de Schrift. Reeds de
opklimming in dit hoofdstuk is zoo schoon. Eerst spreekt de Heer van
ranken, dan van discipelen, vs. 8, vervolgens van vrienden, vs. 14,
en eindelijk van uitverkoornen, vs. 16. De Heer begint niet met de
uitverkiezing, maar eindigt er mee.

Een tweede gedachte, die in Johannes 15 sterk naar voren treedt is het
verband dat tusschen Christus en de uitverkiezing bestaat. Wij zijn
uitverkoren met Christus, _in_ Christus en _voor_ Christus. Dit is het
troostrijke en het voor allen aannemelijke in de leer der uitverkiezing,
en over deze gedachte zeg ik nu enkele opmerkingen.

       *       *       *       *       *

Ik ben de ware wijnstok, zoo begint de Heer. Indien deze woorden in de
opperzaal te Jeruzalem gesproken zijn, is de Heiland wellicht tot deze
gedachte gekomen door het zien van den wijn, die bij den Joodschen
Paaschmaaltijd gedronken werd, of door het gezicht op een wijnstok,
welks takken tot in de feestzaal doordrongen. Misschien heeft Hij aan
den wijnstok gedacht, die een der tempelpoorten versierde.

Is de Heer reeds op weg naar Gethsemané geweest, dan heeft Hij
waarschijnlijk een wijngaard gezien, en stilstaande zegt Hij de zoo
bekende woorden tot z'n discipelen. Hij is de ware wijnstok. Zijne
vruchten zijn goed tot spijze en tot verheuging van het hart. De
vruchten van den wilden wijnstok door Eliza's leerlingen verzameld,
brachten den dood in de pot. (2 Kon. 4). De wijnstok in Habakuk's dagen
was onvruchtbaar (Hab. 3: 17), maar Christus is de ware wijnstok. Hij
stelt niemand teleur.

Wie onzer zou in dezen zwakken boom het beeld van den Heiland zien?
Wij zouden Hem veel beter kunnen vergelijken bij den eik, die met zijn
machtigen kruin en frissche takken van heerlijkheid getuigt. Maar deze
woudreus geeft slechts varkensvoedsel, gelijk iemand heeft opgemerkt;
de onaanzienlijke wijnstok geeft de kostelijke druif en de verkwikkende
drank, zijn bloed is beeld van het bloed dat de zonde der wereld
wegneemt. Met zulk een eenvoudigen boom vergelijkt Hij, die geen
gedaante of heerlijkheid had, Zijn leven en werk.

Gelijk elke vruchtdragende wijnstok heeft ook de ware zijn eigenaar.
Mijn Vader, zegt Jezus, is de landman. Hij heeft Christus in dezen
wereldakker geplant. Hij bezit Hem, en draagt voor Hem zorg.

_Hier begint de uitverkiezing._ Christus is door den Vader uitverkoren
om de zonde der wereld weg te dragen voor Gods aangezicht. Christus is
een planting, een gave Gods. Eer de wereld uitverkoren was om den waren
wijnstok tot voedselbodem te dienen, was Christus uitverkoren. Hij is
dan ook de eenige, die in de Schrift met name als een uitverkorene Gods,
van voor de grondlegging der wereld, wordt genoemd. Alle anderen die
in het Nieuwe Testament uitverkoornen heeten, Paulus en »de heiligen
en beminden« te Rome of Corinthe, allen zijn uitverkoren met den Heer.
Zonder Hem zijn zij niets. Zij zijn maar ranken, Hij is de wijnstok.
In Hem ligt al hun kracht.

Ik geloof, dat gij in de uitverkiezing van Christus gelooft. Wie uwer
belijdt niet dat Christus Gods allerbeste gave is, en dat in Hem het
meest de heerlijkheid Gods is geopenbaard? Van al het werk Gods is de
Heiland het middelpunt.

Ook dit zegt ons het beeld van den wijnstok. In Palestina werd aan
den wijnbouw veel zorg besteed. Op de helling van vruchtbare heuvelen
werd de wijngaard aangelegd. Een muur werd om hem gebouwd. Een toren
diende den wachters tot uitkijkplaats. Persbakken werden gemetseld of
uitgehouwen in de rots. Dit alles geschiedde ter wille van den wijnstok.

Hij was van al dezen arbeid het middelpunt.

Nu heeft de hemelsche Vader een schoone wereld geschapen. Hij heeft haar
koninklijk versierd. Alles is gedaan wat aan dien wijngaard te doen was
en van al dien arbeid is de ware wijnstok, Christus, het middelpunt. Hij
is de uitverkorene Gods.

Een wijnstok heeft ranken; zij openbaren het leven van den boom, zij
dragen zijn vruchten. Zonder den wijnstok zijn de ranken niets. Maar als
hij is uitverkoren zijn de ranken het ook. Van al de liefde die aan den
boom gegeven wordt, ontvangen de ranken hun deel. Zonder den wijnstok
zijn de ranken niets.

Deze eenvoudige waarheid wordt dikwerf vergeten. Er is een christendom
zonder Christus. Het trekt vele kringen aan; het heeft de voorkeur van
velen, die in deze dagen wederom belijdenis afleggen van hun geloof.
Maar zonder Christus zijn wij niets. In ieder mensch is een ledige
plaats op Hem berekend; in ieder hart woont een heimwee, dat Hij alleen
stillen kan. Hij is de wijnstok en de menschen zijn Zijne ranken.
Slechts met Hem verbonden is hun leven krachtig, en hun woord vol gezag.
Zoodra wij ons losmaken van de persoonlijkheid van Christus, verbreken
wij de gedachte der uitverkiezing. Dan zijn wij geen ranken van den
wijnstok meer, dus geen voorwerpen van 's Vaders zorg, geen eigendom van
den hemelschen Landman. Dan zijn wij slechts dorre takken voor het vuur
bestemd.

_Met_ Christus zijn wij uitverkoren. Met Hem vereenigd waakt des Vaders
oog over ons en bearbeidt ons des Vaders hand.

Gelooft gij deze uitverkiezing niet? Wilt gij u van Christus straks
scheiden om eigen wegen te gaan? Of klinkt het nog heel duidelijk in u:
»Neen Heer, ik wil van U niet scheiden.« Erkent gij dat Hij woorden en
krachten des eeuwigen levens heeft? Voelt gij dat Hij de weg en de
waarheid is? Belijdt gij: zonder Hem vermag ik niets, met Hem kan ik
alles doen?

       *       *       *       *       *

Niet alleen _met_ Christus zijn wij uitverkoren, _in_ Hem ook. Waartoe
is een rank bestemd? Tot vruchtdragen zegt de Heer. De ranken moeten dus
geleiders zijn van de levenssappen van den wijnstok. Dat is niet van
alle ranken waar. Er zijn levende en doode ranken. Er zijn ranken, die
volkomen onvruchtbaar zijn.

Van den waren wijnstok geldt dit evenzeer. Deze wijnstok doet zien,
dat er tweeërlei ranken gevonden worden. In den discipelkring treft men
Petrus en Judas aan, een levende en een doode rank. In Jeruzalem leven
Stefanus en Ananias, tweeërlei rank. In de kerk openbaren Luther en de
Paus hun tegenwoordigheid, en van alle menschen is het waar: gij zijt
een levende of een doode rank. Want allen zonder onderscheid zijn ranken
van den wijnstok, door den Vader in deze wereld geplant. 't Is maar de
vraag of wij levende of doode ranken zijn.

Het beeld van den wijnstok is m.i. zulk een heerlijk beeld, omdat zoo
duidelijk gezegd wordt wie ranken zijn.

Tot op dit oogenblik toe kan niemand den wijnstok inenten; alle ranken
behooren van nature hem toe. Zoo kan ook niemand op later leeftijd in
Christus worden ingeplant. Allen behooren Hem van nature toe. Wij kunnen
uitvallen, wij «kunnen verdorren, maar wij behooren allen Christus toe,
zooals elke rank van nature tot den wijnstok behoort. Ranken zijn we,
maar zijn wij levend of dood?

Dat is een ernstige zaak, want er is een groot onderscheid tusschen
een levende en een doode rank! Een levende rank draagt veel vrucht,
een doode rank is voor het vuur. De dorre rank wordt afgesneden.

Weet gij wat dat zeggen wil? Dit is aangewezen te zijn op zichzelf. In
den storm alleen, in de verleiding alleen. Geen toekomst bij de poorten
des doods. IJdel ons werk. Verduisterd onze horizont. Afgesneden voor
goed.

Weet gij wat dat zeggen wil? Geen vergeving der zonden, geen openbaring
der liefde, die alle dingen verdraagt. Geen oor geopend om naar het
klagen van 't menschenhart te hooren. Geen hart met medelijden vervuld.
Omringd van zonde en zelfzucht, pijnlijk gekwetst door de Kaïnsvraag
»ben ik mijns broeders hoeder«. Dit alles wil zeggen afgesneden van den
waren wijnstok te zijn.

Hoevelen zijn in Christus' dagen doode ranken geweest! Zijn woord boeide
hen misschien. Zij beleden en volgden Hem, maar op een afstand en tot
op zekere hoogte. Zij voelden zich niet met Hem een en niet in Hem
uitverkoren. Ten slotte gingen zij toch hun eigen weg.

Nog altijd zijn er velen, die Christus oppervlakkig volgen, en snellijk
van Hem verwijderd worden. Alleen de levende ranken zijn zij, die in Hem
blijven. Zij leven Zijn leven. Zij dragen Zijn vrucht. Ze weten zich
uitverkoren met Hem niet alleen, in Hem ook.

Gelooft gij aan deze heerlijke waarheid der uitverkiezing niet? Ziet dan
maar rondom u en ge zult bemerken dat het leven telkens weer aantoont:
zonder Christus geen waarachtig christelijk geloof en leven, met
Christus alleen een bedenken van de dingen die boven zijn. Onderzoekt u
zelven dan ernstig of gij levende dan wel doode ranken zijt.

       *       *       *       *       *

Wij zijn eindelijk ook uitverkoren voor Christus. De ranken moeten den
roem van den wijnstok verhoogen. Daarom spreekt de Heiland eerst van
vrienden en dan van uitverkoornen. Vrienden toch kunnen en willen
zichzelven zóó verloochenen dat Christus eer ontvangt. Zij plaatsen Hem
op den voorgrond en treden zelf terug. Zij willen niets zijn, opdat Hij
alles worde in hun en anderer leven.

Zietdaar het heerlijk doel der uitverkiezing. Weinig wordt dit begrepen.
Menigeen die een christen zich noemt, zoekt de eer van Christus niet te
verhoogen. Daar is veel christelijk tooneelspel en bedrog. Velen willen
niet van »uitverkiezing« weten, omdat zij dan zichzelf moeten verliezen.
En anderen willen alleen uitverkorenen zijn, omdat zij dan zichzelven
kunnen verheerlijken, maar geen van deze beide soorten van menschen
kunnen Christus' vrienden worden genoemd.

De Schrift leert dat de uitverkiezing ten doel heeft Christus' beeld te
dragen, Christus' roem te verhoogen, Christus' liefde als den troost van
het leven aan anderen te brengen.

In het veeltijds misbruikte woord Rom. 8: 29 en 30 lezen we duidelijk
het doel der uitverkiezing: »want, die Hij te voren gekend heeft, die
heeft Hij ook te voren verordineerd _den beelde Zijns Zoons gelijkvormig
te worden_«. Christus moet wassen. Wij moeten minder worden. Maar
slechts die Jezus' vrienden zich weten, willen Zijne uitverkoornen zijn.
Zij kussen de hand van den hemelschen Hovenier als Hij op wonderlijke
wijze hun leven door middel van Zijn snoeimes reinigt, hen van levende
ranken tot discipelen vormt, tot vrienden heiligt en hun hunne
uitverkiezing _met_ en _in en voor_ Christus volkomen bewust maakt.
Zij begrijpen dat druiven hitte van noode hebben om anderen te kunnen
verkwikken en verbazen zich dus niet over de loutering van de smart, die
in hun leven wordt geopenbaard. Zij wachten en dulden. Immers niet in
één oogenblik heeft deze Vader in de hemelen zijn doel bereikt. Niet in
één uur is ons hart rein voor God. Maar het komt. Reeds is het woord der
verlossing gesproken. Straks zal de daad der verlossing volkomen zijn
vervuld.

Gelooft gij aan dit doel der uitverkiezing? Benaarstigt u dan uwe
roeping en verkiezing vast te maken. Hoe kunnen wij dat doen? Door te
blijven in den Heer. Van nature behooren wij bij Hem. Hij is de wijnstok
en wij zijn de ranken. Hij is de verlosser en wij zijn de verloornen.
Zoo laat ons dan in Hem blijven. Dan dragen wij vrucht. Dan worden wij
ons meer en meer bewust discipelen, vrienden, uitverkorenen te zijn.

De onvruchtbare rank moet afgesneden worden. Want de voortreffelijkheid
van den stam blijft verborgen als de rank geen vrucht draagt.

Slechts de levende rank is Christus waardig. Zij blijft in Hem en Hij is
haar leven en kracht.

Laat ons dus in Christus blijven. Allereerst in Zijn woord.

Het woord van Christus wone rijkelijk in ons. Het leere ons bidden en
danken, het leere ons spreken al wat liefelijk is en wel luidt. Dat
woord zij de toetssteen onzer gedachten, de oordeeler onzer daden, de
bezieler van ons woord. Het zij de kracht van onze persoonlijkheid.

Laat ons vervolgens blijven in de liefde. Toen ik nog in het bezit van
een grooten pastorietuin was heb ik veel van de bloemen geleerd. Ik
bemerkte dat de eene bloem de andere benadeelde en belemmerde in den
groei. Wat schoon had kunnen zijn op zichzelf, en een versiering van
de omgeving, werd nu tot schande en schade vaak. Zooals de eene bloem
de andere vergiftigt of ziek maakt is dikwerf ook de eene mensch een
schade voor een ander. Dat behoeft niet zoo te zijn. Gezegenden kunnen
en moeten ten zegen zijn. Blijft in de liefde. Strooit hare bloemen
rondom u. Brengt haar geuren in der armen hut en in het aanzienlijke
huis. Blijft één als lidmaten van Christus. Blijft vrienden van Jezus
en vrienden van Zijn vrienden. Toont de praktijk der uitverkiezing,
in woord en wandel, tot verheerlijking van uwen Heiland en Heer, tot
verhooging van uwe geestelijke kracht, tot beveiliging van wat rondom u
den Heer losgelaten heeft.



JEANNE D'ARC


Jeanne d'Arc--gij kent haar naam wel uit uwen schooltijd, gij hebt
misschien wel iets van haar leven gehoord, misschien wel eens met haar
gedweept.... Maar weet ge wel, dat zij u iets persoonlijks te zeggen
heeft?

Zij is eene heilige, die gij gerust zonder schade voor uw Protestantsche
geloof, als zoodanig liefhebben en eeren moogt.

Haar leven bloeit op als eene schoone bloem uit een moeras. Het
Frankrijk van hare dagen, in de 15e eeuw, verkeert in een ellendigen
toestand. Inwendig wordt het land door tweedracht verscheurd. Wij geven
geen nauwkeurig overzicht van den staatkundigen toestand dier dagen.
Alleen dit: om de regeering van Frankrijk strijden twee partijen, aan
het hoofd der eene staat de hertog van Orleans, aan het hoofd der andere
de hertog van Bourgondië. Zij storen zich niet aan den eigenlijken
koning. Deze is Karel VII, zoolang zijn krankzinnige vader leeft, de
dauphyn genaamd. Karel VII is machteloos. Frankrijks vijand is Engeland,
dat reeds eeuwen lang beweerde rechten op Frankrijk heeft uitgeoefend.
Nu heeft zich de partij van Bourgondië verbonden met Engeland. Bij den
dood van den krankzinnigen koning komt deze toestand: het Noorden van
Frankrijk met Parijs, de bourgeoisie en de Bourgondische adel erkennen
de Engelsche regeering; alleen het Zuiden houdt vast aan den wettigen
koning Karel VII en aan het recht van een eigen nationaliteit. Het is
een tijd van groote ellende. Zedelijk staat de bevolking, ook tengevolge
van de langdurige twisten, zeer laag. De kerk is bedorven, de priesters
zijn slechte leidslieden. Plundering en hongersnood zijn telkens
terugkeerende rampen.

In dezen tijd wordt Jeanne d'Arc geboren, in 1412 te Domrémy, een
dorpje aan de grens van Lotharingen. Zij is in dienst van haar armen
vader, en hoedt de schapen. Jeanne is een vroolijk kind, en ook
kinderlijk-geloovig. Zij kan lachen, maar zit ook soms lang te peinzen.
Met eigen oogen ziet zij de ellende van haar land, zij hoort van den
Engelschen vijand en den ongelukkigen koning; maar zij leeft ook nog in
eene andere wereld, de wereld van haar geloof.

Oppervlakkige menschen, welke te laag leven om het boven-natuurlijke
te kunnen zien, hebben van haar een dweepster gemaakt, maar hare
tijdgenooten zijn soms verbaasd over haar nuchterheid. Nog nooit heeft
een dweepend mensch zulke verstandige dingen gedaan als zij, die
krijgsplannen ontwerpt met heusche generaals aan hare zijde, die in den
strijd als een echte veldheer leiding geeft, die voor hare rechters in
volle kalmte en groote scherpzinnigheid zich verdedigt.

Als jong meisje heeft zij hare »stemmen«. Die spreken haar van eene
taak. Zij moet Frankrijk gaan bevrijden. Zij verzet zich. Evenals alle
ware profeten roept zij uit: zend mij niet! Maar zij moet gehoorzamen.
En ook deze profeet ontmoet den tegenstand van den eigen kring, van
ouders en vrienden. Zij zet door, want zij moet de stem des hemels
gehoorzamen. En wanneer zij eindelijk bij haren koning, bij Karel VII
is, weet zij ook hem te overtuigen van hare goddelijke roeping; zij
trotseert alle tegenwerking van de hofpartij, van het legerbestuur, van
de priesters, en zij krijgt een leger, waarmede zij de haar opgedragen
taak kan gaan vervullen: haar vaderland bevrijden van den vijand, haar
koning op den troon brengen.

Het optreden van deze jonge vrouw is een wonder.

Wanneer de hevigste tegenstand van de leiders is gebroken, groeit de
geestdrift van het volk. Zij is als Debora, van wie het boek Richteren
ons verhaalt. Zij verzamelt de dapperen, zij geeft het teeken tot den
strijd, zij bezielt en voert aan. Haar invloed is natuurlijk ook
reinigend: in haar leger verstommen de vloeken en wordt weder gebeden.
In het bijzijn van eene hoogstaande vrouw wordt de atmosfeer zuiver. Een
wonder is haar moed. Zij neemt zelf deel aan den strijd, en haar paard
rent vooruit. Met 3000 man komt zij in Orleans, de door de Engelschen
belegerde stad. Na hevige gevechten, dikwijls bijna verslagen, overwint
deze troep, omdat Jeanne d'Arc volhoudt en van geen wijken wil weten. De
Engelschen worden verjaagd en Orleans is bevrijd.

Dan strijdt zij om haren koning gekroond te krijgen. Ongelooflijk is het
te lezen, hoe zij allen tegenstand overwint, en ten slotte met Karel VII
te Reims komt. Het is de dag harer glorie, wanneer in de oude Kathedraal
Karel VII op plechtige wijze wordt gekroond. Zij staat naast hem, in
krijgsdos, met haar vaandel omhoog geheven. Maar de taal van haar zwaard
en haar harnas staat geschreven op haar vaandel, in deze beide woorden:
Jésus, Maria. Voor haar is de strijd eene hemelsche roeping, zij
strijdt niet om buit, om eer, niet voor zichzelf, zij strijdt voor
Jezus, die haar land wil maken tot wat het zijn mag: een vaderland. Zij
voelt zich een met de vrouwen, die in Maria zien haar ideaal; want Maria
heeft geluisterd naar Gods stem, Hem gehoorzaamd, en geleefd voor de
zaak van het Koninkrijk Gods.

In zeer korte trekken heb ik de geschiedenis der overwinning van Jeanne
d'Arc beschreven; ook haar nederlaag, daarna, beschrijf ik met slechts
enkele zinnen.

Na de glorie komt de vernedering. Zij krijgt haar koning niet met zich
mee; degenen, die haar trouw schuldig zijn, laten haar in de steek. Zij
verliest. Eindelijk weten de Engelschen haar te vangen, zij sluiten haar
op in de gevangenis, dan brengen zij haar op den brandstapel.

Maar haar ideaal is ten slotte, zonder haar, toch vervuld: Frankrijk
heeft de Engelschen verjaagd. Zooals de geschiedschrijver het uitdrukt:
»het zelfstandig volksbestaan van het Fransche volk en de naam van
Jeanne d'Arc, deze twee kunnen nooit meer gescheiden worden.«

       *       *       *       *       *

In Jeanne d'Arc's leven is het bovennatuurlijke, dat wat van ieder leven
de echte rijkdom is. In haar leven openbaart het zich op bijzondere
wijze. Laten wij nu niet alleen letten op dat, wat Jeanne d'Arc
onderscheidt van ons, maar verbaasd zijn over de kracht, die te
voorschijn komt uit een leven, dat gelooft, en zich nu gehoorzaam
overgeeft aan de leiding van God.

Wij hebben te veel het gevoel, dat voor een bijzonder leven bijzondere
dingen noodig zijn, als bijvoorbeeld een stem uit den hemel, of een
gansch ongewoon talent, en ondertusschen komen zoovelen om in het
alledaagsche van het leven! Vinet zeide: »l'extraordinaire est le
caractère de la vie chrétienne«. Jeanne zeide als kind, dat zij in het
luiden der kerkklok de eeuwigheid hoorde. Die kerkklok is toch in ieder
leven wel, als er nu maar ooren zijn om te luisteren! Wie aldus zijne
ooren oefent, krijgt zulk een fijn gehoor, dat hij stemmen hoort, op
hetzelfde oogenblik, dat een ander niets verneemt.

Men begrijpe mij goed: ik redeneer het wonder niet weg uit Jeanne
d'Arc's leven; ik getuig alleen maar, dat het wonder komt, als eene gave
Gods, tot menschen, die in staat zijn op nog iets anders te letten dan
op stoffelijke dingen, en naar iets anders te luisteren dan naar de
eigen gedachten. De voorwaarde voor het ontvangen van groote dingen ligt
voor een aanzienlijk deel in het open zijn van onze oogen en ooren, en
in onze houding. Er is in het leven van Jeanne d'Arc een beginsel van
groote beteekenis, dat eigenlijk kinderlijk eenvoudig schijnt, maar tot
daden brengt, die overwinningen zijn. Het is dit beginsel: wat zijn
_moet_, wat gebeuren _moet_, is de zaak van Christus. Dat is de
getuigenis van haar vaandel: Jésus! Het is Zijn zaak!

Hoe veel sterker zou ons leven worden, wanneer wij dit konden gelooven!
Nu blijft er zooveel onbereikt, zoovele idealen worden prijs gegeven,
zooveel jonge energie wordt door machteloosheid verlamd, omdat men niet
verstandig genoeg is--gelooven is ten slotte weer verstandig zijn!--om
Hem de leiding te geven, die de macht heeft de overwinning te brengen.

De Engelsche schrijver Chesterton zet Jeanne d'Arc naast Tolstoi en
Nietzsche. Er behoort durf toe dit te doen; mag een kind wel binnenkomen
in het gezelschap van zulke geweldige reuzen?

In onze jonge jaren bewijzen wij, weinigen ontkomen er aan, onze
eerbiedige hulde aan Nietzsche; heerlijk die reuzenkracht! heerlijk die
voor-niets-terugdeinzende woede! heerlijk dat smalen op alles wat gewoon
is!

Later komt bij velen de bewondering van Tolstoi. De ernst breekt door in
ons leven; wij willen iets absoluuts; wij zien overal schijn en leugen,
wij dweepen met het ongewone.

Zijn wij verder gekomen, dan zien wij de meerdere grootheid van Jeanne
d'Arc.

Chesterton zegt het zoo goed: ik dacht aan al wat edel is in Tolstoi,
aan zijne vreugde in eenvoudige zaken, vooral in eenvoudig medelijden,
in de werkelijkheid der aarde, in den eerbied voor de armen, in de
waardigheid van den gebogen rug. Jeanne d'Arc bezat dat alles, maar
daarbij ook nog deze zaak, dat zij niet alleen armoede bewonderde, maar
ook armoede leed, terwijl Tolstoi slechts een gewoon aristocraat is, die
het geheim der armoede tracht na te vorschen. En ik dacht aan alles, dat
stoutmoedig en grootsch en pathetisch was in den ongelukkigen Nietzsche,
en aan een verzet tegen de ledigheid en vreesachtigheid van onze eeuw.
Ik dacht aan zijn kreet om het zielsverrukkend evenwicht van gevaar, aan
zijn honger naar het hoefgetrappel van zware strijdrossen, aan zijn
oorlogskreet. Maar Jeanne d'Arc bezat dat alles, en wederom met dit
verschil, dat zij den krijg niet prees, maar krijg voerde. Wij weten,
dat zij niet vervaard was voor een leger, terwijl Nietzsche misschien
bang was voor een koe. Tolstoi prees slechts den boer; zij was boer.
Nietzsche prees slechts den strijder; zij was strijder. Zij overtrof
beide in hun eigen tegenstrijdige idealen; zij was zachtaardiger dan de
een, geweldiger dan de ander. Toch was zij een volkomen praktisch
persoon, terwijl de anderen ijdele droomers zijn, die niets doen.

Tot zoover Chesterton. In Jeanne d'Arc's leven is niet alleen eene
gedachte, maar ook een daad. Die gedachte heeft op 't eerste gezicht
iets onvrouwelijks. Maar wie dieper ziet, verstaat het verhevene dezer
gedachte. Het is barmhartig om te strijden en tot den strijd aan te
vuren, wanneer de heiligste goederen worden bedreigd.

Tot jonge menschen spreek ik, zelf ook nog jong. Laat u toch nooit
overhalen het zwaard en het vaandel weg te bergen!

Onze tijd is vol van gedachten. Iedere kring heeft zijn profeet. Maar
hij is een valsche profeet, wanneer hij ons niet bezielt tot de daad. En
wanneer wij nu verstaan, dat van ons de daad wordt gevraagd, de strijd,
het offer, dan is daar slechts Een, die ons overwinnen doet, dat is de
Meester van Jeanne d'Arc. Want met Jezus verliezen wij onszelf, en onze
strijd wordt strijd Gods, en dus altijd overwinning! Ook de brandstapel,
waarop Jeanne d'Arc sterft, is een teeken harer overwinning. Het is
beter te sterven in den dienst van eene roeping dan in het leven te
blijven, en schade te lijden aan de ziel. De ziel lijdt schade, hopeloos
schade, wanneer zij geen idealen bezit, of ze verloren heeft!



MET DE HELDEN


Die menschen hebben het Christendom toch wel zeer slecht begrepen,
welke het beschuldigen dit leven saai en doodsch te maken. De eenige
verontschuldiging voor hunne onkunde is dat zij vele Christenen hebben
gezien, in wier leven gloed en rijkdom ontbreken. Chesterton zegt
ergens, op zijne eigenaardige manier: »christelijke leer en christelijke
tucht mogen muren zijn, maar zij zijn de muren van een speeltuin. Het
Christendom is de eenige omlijsting, waarin het genot van het heidendom
bewaard is.«

De Bijbel is het boek, dat ons den toegang tot de wereld opent. Wel is
de weg om de wereld te winnen de weg van het kruis; maar het gaat ten
slotte toch om het veroveren van de wereld, haar rijkdom, haar weelde,
hare heerlijkheid.

Eene der eigenschappen van den geloovige is heldhaftigheid. Telkens
wordt het oordeel uitgesproken over een mensch, die vreest. Wanneer
op een der laatste bladzijden van den Bijbel geteekend wordt de
heerlijkheid der nieuwe wereld, worden buitengesloten buiten het
genieten daarvan: de vreesachtigen.

In het lied van Debora lezen wij, Richteren 5: 23: »Vloekt Meroz, zegt
de Engel des Heeren, vloekt hare inwoners geduriglijk; omdat zij niet
gekomen zijn tot de hulp des Heeren, tot de hulp des Heeren _met de
helden_.« Debora duldt niet, dat haar volk, het volk Gods, wordt
onderdrukt door de goddelooze Kanaänieten. In Israël is het ware, het
schoone, bij de Kanaänieten de schijn en de leugen. Debora bezielt de
helden, zij werpen het smadelijke juk af, en bij Israël wordt weer
gezien de schoonheid van het licht, zij zijn »als de zon, die opgaat in
hare kracht.«

Maar nu zijn er, die thuisbleven: de inwoners van Meroz. De Engel des
Heeren vloekt hen. De helden gingen uit om, met God, te strijden voor
wat waar en schoon is, maar zij bleven achter, waren bang, waren lauw,
misten idealisme: dat is hunne blijvende schande. Zij zijn niet geweest
»met de helden.«

Mij klinkt dit krasse woord tegen Meroz in de ooren als een woord ook
tegen velen onzer tijdgenooten.

Er zijn Goddank ook nu nog helden. Dat zijn de menschen, die idealen
hebben, en nu voor die idealen willen strijden. Dat zijn de menschen,
die strijden voor recht en waarheid, voor een beginsel, voor eene
heilige zaak. Maar zij ontmoeten niet alleen vijanden, die zich
verzetten tegen hen, uit afkeer van het ware en reine en heilige; zij
ontmoeten ook vreesachtigen, en menschen, die met de koude van hun
cynisme en met de armoede van hun twijfel den gloed willen dooven en de
rijke idealen willen vernielen.

Hoevele jonge menschen zijn door hen gehinderd, misschien wel verlamd
door hun kritiek!

Het is niet gemakkelijk in deze wereld zijn idealen te behouden!
Natuurlijk is in ieder leven een ideaal een teer bezit, omdat ieder
leven gevaar loopt ruw en onheilig te worden. Maar: o die menschen! Zij
beginnen reeds met de kinderen te willen verhinderen tot Jezus te komen.
Zij kritiseeren alles, zij kunnen zoo weinig geestdriftig worden, zij
hebben zoo weinig geloof. Zooals in de lente één koude zucht vele jonge
knoppen kan vernielen, is ook hier dat gevaar. »Toen ik jong was, had
ik ook dat ideaal« zegt de oudere, »ook ik had roeping, ook ik stelde
mij voor, dat het zoo zou zijn, zooals gij het u nu voorstelt... wacht
maar... gij zult ook wel anders leeren...« Kan de oudere dit woord niet
inhouden, en in de stilte weenen, dat de jeugd voorbij is, en bidden,
bidden dat de jongeren winnen?

Er is in deze wereld een zuiging naar beneden, en beneden sterven wij
door gebrek aan lucht.

Deze wereld heeft hare helden. Zij zijn er op ieder levensterrein. De
rijkdom van het leven openbaart zich in vele gaven; de helden zijn
mannen en vrouwen van allerlei stand en gedaante.

Ieder, die het leven ingaat, vindt menschen, die dragers zijn van zijn
ideaal. Hij wordt niet gedwongen, maar mag kiezen. Indien hij maar niet
thuis blijft en werkeloos! Ik raad u aan: lees den Bijbel. Hij geeft
u de zekerheid, dat er voor u in dit leven eene taak ligt. Indien gij
deze zekerheid hebt gekregen, wees dan blijde, dat gij uwe taak moogt
vervullen op uw eigen wijze; gij behoeft u niet te laten verminken door
een harnas, dat u niet past; gij kunt u zelf blijven, mits gij held wilt
worden. Want heldhaftigheid wordt van u gevraagd.

En, indien het u ernst is, ontmoet gij Christus. Die bidt voor u, niet
dat God u »uit de wereld wegneemt, maar bewaart voor den booze.«

De helden winnen het. Indien gij met de helden voor Gods zaak in deze
wereld strijd, blijft gij bewaard voor den vloek, en deelt in de
overwinning.



JOZEF

                               Gen. 39: 9_b_ »hoe zoude ik dit een zoo
                               groot kwaad doen, en zondigen tegen God?«


De meesten onzer hebben wel een tijd lang moeite gehad--misschien
hebben wij het nog--om Jozef een aantrekkelijk man te vinden. Hij wordt
misschien wel eens te veel voorgesteld aan de kinderen als een model;
zijne geschiedenis is het »succes-verhaal« op de Zondagschool. Maar is
hij niet een droomer? een pedante jongen? een verklikker van de zonden
der broers?

Er is wel eenige reden om moeite te hebben met de bewondering voor
Jozef.

Totdat wij zijne grootheid hebben gevonden, zooals zij openbaar wordt in
het huis van Potifar. Wanneer wij haar daar hebben gezien, gaan wij ook
de andere dingen beter begrijpen: hij is van het begin af een bijzonder
kind; een, die evenals het kind Jezus, zou geantwoord hebben, wanneer
wij hem vroegen »waarom doet gij zoo?«: »weet gij niet, dat ik moet zijn
in de dingen mijns Vaders?« Er is iets naïefs in Jozef, kinderlijk is
hij tegenover zijnen God. En, wanneer hij een jonge man is geworden,
blijkt hij bestand tegen de verleiding: zijn God is hem alles, hij is
een kind des Vaders, die in de hemelen is.

Wij kennen het verhaal van Jozef en Potifar's vrouw. Wanneer dit verhaal
wordt gelezen, zijn er onreine gedachten bij menschen, die, als zij aan
hunne moeder of zuster denken, zich moeten schamen.

Van dit verhaal wordt een roman gemaakt, of een tooneelstuk. Het vorige
jaar was »Jozef en Potifar's vrouw« de clou van de tooneelwereld. De
nieuwe opera had succes, straks na den oorlog keert dat succes weer
terug; de muziek is verleidelijk-mooi, de strijd tusschen de vrouw en
Jozef boeit, de reine jongeling wordt bedreigd door de netten van de
sluwe, schoone vrouw. Dat gloeien en laaien van den hartstocht houdt
den toeschouwer in voortdurende spanning. Het publiek komt kijken, en
bewonderen. En de menschen vergeten, dat vlak bij, in de stad, levens
onder gaan door de verleiding, op de straten ligt hier en daar gebroken
porcelein; daar loopt een verliederlijkte vrouw, die had moeten blijven
vrouw, in den hoogen heiligen zin van het woord; er zwerven stumpers
rond, ongelukkige kinderen, die slachtoffers zijn van de zonde; zij
komen in gestichten terecht; en die ongelukkigen klagen ons aan, ook
ons, want de wereld wordt slecht gemaakt door de slechtheid der
menschen!

Het is toch eigenlijk onmogelijk te genieten van het spel der
hartstochten, en muziek te maken bij al dat gebeuren van vreeselijke
dingen!

Jozef heeft een afschuw van de zonde. Dat is zijn grootheid. Hij geeft
een schreeuw van angst, dat is zijne kracht. Wij leven in een tijd,
waarin de »afschuw« hoe langer zoo minder wordt. Het »kwaad« wordt
weggeredeneerd, het wordt verklaard, het wordt geduld, en heet nu geen
»kwaad« meer, maar »onvolmaaktheid«.

Jozef weet van het kwaad, en schrikt er voor terug. Nu heeft hij een
zwaren strijd, nu vindt hij overal tegenwerking en tegenspoed; maar de
winst is, dat hij idealen kan behouden. Wie met de zonde speelt, haar
toelaat, moet den duren prijs betalen van het verloren gaan der idealen!
Hoevelen, ook in onzen kring, zijn arm aan geestelijke schatten! Er is
gebrek aan idealisme. Is er geen oorzaak? En Jozef! toen hij sterven
ging, bezat hij nog idealen! Hij sterft in een vreemd land, maar zijn
oog ziet eene schoone toekomst, »begraaf mij in het beloofde land« zegt
hij; zijne oogen stralen bij de gedachte aan de heerlijkheid van Gods
belofte. Wie onzer zal op dezelfde wijze oud worden en den dood tegemoet
gaan?

       *       *       *       *       *

Wat is het geheim van Jozef's leven?

Hij leeft met God. God is voor hem een levende God, een God, die recht
heeft op zijn leven.

Daarom heeft Jozef de macht de zonde te overwinnen. Er zijn allerlei
middelen om zich tegen de zonde te verdedigen.

Ik noem de vrees voor straf. Deze vrees is geen ondeugdelijk middel;
toch voelen wij goed, dat wij, uit vrees voor straf de zonde afwerend,
nooit zullen komen tot wezenlijke grootheid.

Dan is daar: de eer. Jozef noemt haar ook. Zie vs. 8 en 9. Het is de eer
van Jozef om dankbaar te blijven voor het vertrouwen, dat Potifar hem
heeft geschonken. Onze eer is een kostbaar bezit; in den strijd tegen de
zonde is zij een vaandel, dat helpen kan en zal om staande te blijven en
vol te houden. Maar dit vaandel kan zinken. En dan?

Er wordt geredeneerd. Jozef zou nu, in de ure der verleiding, ook kunnen
redeneeren. »De vrouw is ongelukkig getrouwd; zij vindt in haren man
geen bevrediging; er is geen echte liefde«.... Daar zinkt het vaandel,
en de strijd wordt opgegeven. Dit gebeurt telkens, nietwaar? ook in
onzen tijd.

Er is een andere steun in ons leven. Dat is de steun, die een mensch ons
geven kan, een vriend, een man of vrouw, die wij eeren.

Ook Jozef heeft dien steun: hij herinnert er aan, wanneer hij 't
uitspreekt, dat hij ontrouw zou zijn aan de vriendschap van Potifar: »al
wat hij heeft, heeft hij in mijne hand gegeven.«

Zoo hebben ook wij dien rijkdom. Een vader, eene moeder, een geliefde,
de vriendschap van een hoogstaand mensch. Maar: moeder sterft, haar
licht schijnt nog na, en gaat dan uit. En vader is toch ook een zondig
mensch; wij krijgen oog voor zijne zonde, en van dit oogenblik af steunt
hij ons niet meer, zooals vroeger. Vader en moeder verlaten ons. De
mensch is, zooals een profeet het uitdrukte, een rietstaf, die afbreekt
in de hand van hem, die daarop leunt.

Vader en moeder bidden voor ons. Waarom? Omdat zij ons niet vasthouden
kunnen, maar God kan het wel. Door God komt de hoogste ernst in ons
leven.

»Ik herinner me nog«--schrijft eene moeder--»hoe mijn kleine jongen,
toen hij een jaar of vijf was en ik zooals gewoonlijk op een avond bij
zijn bedje zat, terwijl hij zijn gebedje opzei, mij plotseling vroeg:
»Moeder, wie van ons beiden is nu het heiligst?« Ik weifelde een
oogenblik en zei toen: »ik denk wel van jij, mijn jongen, omdat je nog
zoo kort geleden bij God waart.« Toen zei het kind met een peinzende
uitdrukking in zijne mooie kinderoogen, terwijl hij ernstig zijn blond
kopje schudde: »neen, ik dacht juist van moeder, omdat moeder toch gauw
weer naar God teruggaat.«

Dat gesprek geeft geen diepe wijsheid, zeker niet de hoogste wijsheid.
Toch getuigt het, van de heiligheid des levens. Want het leven komt van,
en gaat tot God. Wie weet, dat God er is, weet, dat elk oogenblik van
ons leven de nabijheid Gods heeft. Zoo komt er ontzag, vreeze Gods.
Deze vrees is geen bangheid, maar eerbied. Hoe heilig is ons leven!
Het zijn niet de minst sterken, die gebogen gaan onder den ernst van
hun leven. Zij hebben een gevoel van verantwoordelijkheid: hun is
iets kostbaars toevertrouwd, zij vreezen het te verliezen, ja ook de
beschadiging van dat kostbare leven zou ontzettend zijn.

Maar er is meer. De heiligheid van ons leven is ten slotte hierin
gelegen: dat God ons lief heeft. Jozef is in aanraking gekomen met die
wonderbare liefde Gods, zij heeft zijn leven gemaakt tot een heiligdom.
Nu wil de duivel daarbinnen. Dat kan niet, dat mag niet, Jozef verdedigt
het heiligdom, desnoods zal hij vallen voor deze heilige zaak. »Zou ik
zondigen, en Gods liefde bedroeven?«

Wie Gods liefde heeft gezien, is door haar gegrepen, om nu voortaan zijn
leven Hem te wijden. Zonde is vreeselijk; want zij tast het allerhoogste
aan: de liefde Gods. Jozef's leven is vol tegenspoed. Wanneer hij de
zonde ontvlucht, ontvangt hij het kruis. Dit is de wet des levens, ook
voor ons.

Maar wie de liefde Gods kent, »verkiest liever met het volk van God
kwalijk gehandeld te worden, dan voor een tijd de genieting der zonde te
hebben«. Want hij ziet »op de vergelding des loons«. Dat loon ligt niet
in de toekomst, maar is reeds nu de zaligheid. Want die Gods liefde
geniet, weet, dat nabij God te zijn het allerhoogste goed is, het
eenige, dat wezenlijk »goed« is.

Jozef is de man, die volstrekt niet afkeerig is van de schoonheid en
macht der wereld, er is in zijn leven plaats voor een troon; maar alleen
Gods heerlijkheid kan die wereld voor hem heerlijk maken. Dat geloof is
de grootheid van Jozef's leven.



SOMBERHEID


»Wat zijn dat voor redenen, die gij al wandelend met elkander wisselt?«
vraagde de Heer aan Kleopas en zijn metgezel.

En zij staarden somber voor zich heen.

Hoe is 't mogelijk, vraagt men zich af, dat menschen somber zien,
met wie de Heiland wandelt op den weg? Dat was voor deze beide
»Emmaüsgangers« alleen mogelijk, omdat zij Hem niet kenden, omdat hun
oogen »werden gehouden«.

Straks, als hun oogen opengaan, verdwijnt alle somberheid als sneeuw
voor de zon, en blijft er niets over dan blijdschap. En zij vragen zich
met verbazing af, hoe 't toch mogelijk was, dat weinige uren te voren
hun hart nog zonder reden zoo vervuld was van droefheid, terwijl toch de
Heiland leefde en er alleen oorzaak was om blijde te zijn.

Wordt nu in die Emmaüsgangers, vóór zij den Heer hadden herkend, niet de
toestand geteekend van zoo menig Christen?

[Illustratie]

Een Christen behoort blijde te zijn; het is zijn recht en zijn plicht.
Want hij heeft den eenigen waren levensgrond gevonden. En die zekerheid
mòet hem met blijdschap vervullen. Wanneer dus de blijdschap ontbreekt,
is dat een bewijs, dat ook de zekerheid ontbreekt. En een Christendom
zonder zekerheid, zonder vasten grond, en dus zonder blijdschap, mag
den naam van Christendom niet dragen. Een mensch kan Christus in zijn
onmiddellijke nabijheid hebben en Hem toch niet herkennen, en dus toch
de blijdschap des geloofs missen. Hoevele Christenen staren somber
voor zich heen, gaan moeilijk het leven door; tobben, klagen en
murmureeren! En het kòn zoo anders zijn! Het mòest zoo anders zijn!

Jezus is bij hen. Maar zij, zij herkennen Hem niet. Door ongeloof,
wereldzin, aardschgezindheid, zondelust, worden hun oogen gehouden.

Och, dat hun oogen mochten opengaan! Hoe anders zou hun leven worden!



MOED


Wat in het dagelijksch leven moed en doodsverachting wordt genoemd,
verdient dien naam niet of nauwlijks.

De krijgsman, die in het vuur gaat de kogels tegemoet, doet 't toch
vooral in een zekere opwinding, in een vergeten van zichzelf en al
het zijne, anders ging hij onmiddellijk terug. Zelfmoord, waartoe naar
het gewone zeggen, altijd een soort van moed behoort, komt toch, wèl
beschouwd, voort uit een niet-aandurven van het leven met zijn moeite en
zijn strijd.

Moed behoort er toe, om, niet in ijdele zelfvergetelheid, maar in fiere
zelfbewustheid voor zijn overtuiging uit te komen. En om Jezus' naam
smaadheid te lijden, uitgelachen en bespot te worden en toch vol te
houden in woord en gedrag dien naam te belijden--dat is de hoogste, ja,
eigenlijk de eenige moed.

»De langmoedige is beter dan de sterke,« zegt de spreukendichter; »en
die heerscht over zijn geest, dan die een stad inneemt.«



DANSEN


En ze had er zich nog al zoo veel van voorgesteld! Toen haar baljapon
van de naaister was gekomen, had ze die over de pop gehangen en er met
innig welgevallen naar gekeken. Het was juist de kleur, die hij zoo
gaarne zag; op 't laatste concert had hij 't haar nog gezegd. En ze wist
ook wel, dat die kleur haar goed stond met haar mooi donker haar en
bruine oogen en slanke figuur. Maar bovenal had ze zich er op verheugd
hem te kunnen toonen, dat zijn oordeel haar niet onverschillig was.

Ze had moeten belooven de eerste twee walsen voor hem vrij te houden en
toen nu kort voor 't bal zijn bouquet van lichtrose anjers was gekomen,
had ze in verrukking haar gezichtje diep in de bloemen verborgen.

Maar hoe wreed was ze teleurgesteld geworden! Terwijl ze met haar ouders
naar huis reed, moest ze zich op de lippen bijten om niet in huilen uit
te barsten.

Geen woord had hij van haar nieuwe japon gezegd. De twee haar
verschuldigde walsen had hij plichtmatig met haar afgedanst en haar
onderwijl een paar vriendelijkheden gezegd, die haar niets hadden kunnen
schelen. Want ze had heel goed opgemerkt, dat hij den ganschen avond met
een paar anderen had heengefladderd om de engelsche logée van mevrouw
v. H. Zoo'n flirt! En wat of ze toch aan zoo'n kind vonden met haar rood
haar en zomersproeten!

Haar vader had reeds een paar maal op zijn horloge gekeken en door
enkele hartgrondige geeuwen niet onduidelijk te kennen gegeven, dat de
heele boel hem geweldig begon te vervelen.

Ze was dan ook maar blijde geweest, dat er eindelijk een eind aan kwam.

Toen ze met haar ouders wegging, had hij 't niet eens gemerkt en 't
liefst had zij de bouquet op de bank in de vestiaire laten liggen. Maar
zij wilde de eer aan zich zelve houden, dus gingen de bloemen meê in 't
rijtuig.

Daar had ze 't telkens bijna te kwaad gekregen. Gelukkig echter had
haar vader voor de noodige afleiding gezorgd door maar steeds te zitten
brommen over dat ellendige nachtbraken en telkens te verzekeren, dat dit
de laatste maal was, dat hij naar zulke danspartijen meêging: voortaan
moest zijn vrouw alleen maar meegaan.

Eindelijk was ze op haar kamer. Ze wierp de bloemen op den eersten stoel
den beste, trok haar baljapon haastig uit, lei die achteloos op de sofa
en wierp haar flanellen nachtkleed om. Het was niet noodig licht op te
steken, want de maan scheen vol in haar kamer. Ze ging voor 't raam
staan en staarde naar buiten, waar de tuin dik onder den sneeuw lag,
terwijl zij haar tranen den vrijen loop liet----------------------------

       *       *       *       *       *

Is dat een bladzijde uit den een of anderen roman? 't Kan best, want we
hebben hier de noodige gegevens bij elkaar: een knap jong meisje, een
ontrouwen minnaar, een brommerigen papa, een bal, bloemen, tranen, ja
zelfs maneschijn.

Een bladzijde uit een roman? Ach, het is de bladzijde uit menig, menig
levensboek, alledaagsch, als gij wilt, maar is het leven van alle dagen
niet alledaagsch?

Wanneer ik eens ging schrijven over 't leed, dat achter de schittering
van balzalen verborgen ligt! Wanneer ik eens ging uitweiden over al de
ellende, die de ouders hun kinderen berokkenen door ze de uitgaande
wereld in te sturen!

»Ik moet wel!« zeide mij eens een moeder, die 't zelve heel naar vond,
dat haar kind de wereld inging, maar van oordeel was 't aan haar stand
verplicht te zijn. Ik ken ouders, die blij waren, dat ze door de een of
andere omstandigheid hun dochter dat jaar nog niet behoefden te laten
uitgaan. »Want, ziet u, ze is nog zoo jong, en als ze 't volgend jaar
een jaartje ouder is, kan ze er beter tegen.«(!)

Nu willen wij geen lange verhandeling over 't dansen gaan schrijven.
't Zou anders zeer belangwekkend zijn na te gaan, hoe er in de
verschillende eeuwen en onder de verschillende volken gedanst
is en gedanst wordt. Misschien is dat een vak van studie aan de
»dansacademies,« die in verscheidene groote steden van ons lieve
vaderland worden gevonden.

Wij zouden kunnen gaan schrijven over het dansen als kunstuiting, en
psychologische beschouwingen kunnen vastknoopen aan de symboliek van
lijnen en vormen, houdingen en standen. Zoo'n dansende juffrouw, een
levend kunstwerk! Wij zouden kunnen spreken over de sierlijkheid van
beweging, en onderzoek kunnen gaan doen naar de juistheid van expressie,
wanneer innerlijke gemoedstoestanden als vreugde, schrik, twijfel,
vrees, wanhoop door uiterlijke lichaamsstanden al dansende uit de sfeer
van 't innerlijke in de wereld der zichtbare vormen worden
»uitgedragen.«

Wij zouden ook kunnen spreken over de onzedelijkheid van het dansen,
maar wij zijn bevreesd voor de verontwaardiging van hen, die ons als
vunzige zielen verre van zich zouden terugwijzen, omdat wij 't waagden
het reine en verhevene met onze onreine gedachten te bezoedelen! Daar
zijn er, die 't dansen afkeuren, omdat 't dansen van Herodias'
dochtertje Johannes den Dooper den dood heeft gebracht.

Mij dunkt, dat is nog al gezocht, en 't zal wel niet noodig zijn op
dergelijke redeneeringen in te gaan. Allerlei bezwaren, tegen het dansen
ingebracht, zouden, vrees ik, precies de tegenovergestelde uitwerking
hebben op jonge meisjes, die 't dansen eenvoudig »dol« vinden en zich
heusch niet door nurksche opmerkingen daarvan zullen laten terughouden.

Is het dan ook niet heerlijk? Is het niet een gansch bijzonder genot op
de maat van een goed gespeelde wals de zaal door te zweven, meêgevoerd
als in een maalstroom van kleuren en tonen, gedragen op de vleugelen van
meesleepende muziek, den grond nauwelijks aanrakende, levende als in een
droom, de oogen half gesloten, de mond tot een glimlach flauw geplooid,
indrinkende met volle teugen de zalige bedwelming van 't oogenblik, zich
gevende aan de onbezorgde blijheid der jeugd?

Maar is dat alles onschuldig? Het lijkt zoo, maar meestal zijn de dingen
niet zoo onschuldig, als zij lijken! Gelooft gij niet, dat de bekoring
van een meesleepende wals op menig jong hart een zeer slechten invloed
kan hebben? Is zinnelijkheid niet altijd 's menschen gevaarlijkste
vijand, vooral wanneer zij zich in zoo verfijnden vorm openbaart?

Daar is zeer zeker menig jonge man en menig jong meisje, die terecht
zich diep beleedigd zouden gevoelen, wanneer iemand maar eenigszins aan
de reinheid van hun gedachten of bedoelingen twijfelde. We willen dan
ook niet nader daarop ingaan en er alleen op wijzen, dat er jonge
menschen kunnen zijn, op wie deze dingen een slechten invloed hebben.
Maar wij spreken niet over het dansen in het algemeen, maar over
alles, wat daarmede in verband staat, en meer bepaald over de bals der
uitgaande wereld. Dansen op zich zelf is het onschuldigste werk, dat
zich denken laat. Kinderen doen het al, wanneer zij blijde zijn. Als 't
dansen was een uiting van natuurlijke blijheid, dan zou ik zeggen: »dans
maar zooveel je wilt.« Wanneer ik jonge menschen met elkaar een walsje
zie doen, en dan jongens met meisjes, want die zoeken elkaar toch,
natuurlijk! dan denk ik gedurig: »men moet toch ook al een principieele
brombeer zijn om daarin iets kwaads te zien!« En ik vind het ook geen
bewijs van hoogstaande moraliteit om altijd iets achter de dingen te
zoeken. Kinderen op de bewaarschool leeren al figuurtjes loopen en
»patertje langs den kant« kennen de kinderen al, zoodra ze maar even op
hun kleine beentjes staan. En zouden de kinderen, ouder wordende, dat
alles niet mogen ontwikkelen?

Maar alles wordt anders, wanneer wij spreken over de bals der
uitgaande wereld. Daar zien wij het leven in al zijn uitwendigheid en
oppervlakkigheid, daar ontbreekt ten eenenmale, wat aan 't leven zijn
eigenlijke bekoring geeft: de eenvoud. De mensch heeft van nature den
eenvoud lief. Geef een kind een kast vol mooi speelgoed: zijn liefste
stuk zal zijn een geschilderd paard met drie poten, of een gebreide pop
met kralen oogjes en zemelende beenen. De ellende der wereld is, dat zij
ons den eenvoud afhandig maakt.

De ellendigste dingen zijn kinderbals. Daar wordt de eenvoud der
kinderen vermoord. Ouders, die kinderbals geven, beseffen niet, hoeveel
kwaad zij daarmede doen! Ik weet van jongetjes van acht jaar, die er
heen gingen in miniatuur rokje, ja heusch, en frac! en een bouquet
gaven aan hun »dame«, met wie ze »soupeerden«! Is het niet meer dan
belachelijk? Het is misdadig, en de eenige verontschuldiging voor de
ouders is hun kortzichtigheid. Kinderbals, kinderoperettes en dergelijke
nonsens zijn de beste middelen om kinderen in den grond te bederven. Een
goede opvoeding moet juist alles doen om den eenvoud van het kind te
bewaren. De wereld is er op uit om in de harten van kinderen reeds vroeg
de begeerte te wekken naar uiterlijken glans en schijn. En mogen nu
Christenouders daaraan mededoen?

En wat is een bal in optima forma anders dan de wereld in haar
uiterlijken glans? Dáár dansen de mooiste meisjes het meest en
verzamelen de grootste flirten de meeste heeren om zich heen. Dáár
blijven de minder knappe als muurbloemetjes zitten, of worden een paar
maal uit beleefdheid jegens papa en mama afgedanst. Dáár wordt gewerkt
op de ijdelheid der meisjes en van de zwakke zijde van het vrouwelijk
geslacht op de meest brutale wijze partij getrokken. En nu is er, dunkt
mij, niets weerzinwekkenders dan wanneer men anderer zwakheid gebruikt
tot eigen vermaak. Heeren, op wier zedelijk leven veel, zeer veel is
aan te merken, dansen daar met fatsoenlijke, hoogst-beschaafde meisjes,
omdat zij over al de middelen beschikken om »zoo'n onschuldig kind«
onder hun bekoring te brengen, en er zijn ouders, die ze een goede
partij voor hun dochters vinden bovendien, omdat zij van goede familie
zijn en geld hebben. En hoe zijn de gesprekken?

»Maar gij moet niet denken, dat wij op een bal ook niet over ernstige
dingen spreken«, zeide mij eens een jong meisje. Ik merkte op, dat deze
verzekering de scherpste veroordeeling van de oppervlakkigheid der
bal-conversatie was.

Neen, laten wij 't maar eerlijk bekennen, in een balzaal weten wij
eigenlijk niet, wat wij met ons Christendom zullen aanvangen. Wanneer
wij als lidmaten der gemeente bevestigd worden, belooven wij de wereld
te zullen verzaken. Die weet, wat deze gelofte inhoudt, weet ook, dat de
balzaal de meest typeerende vorm van de wereld is, en weet dus, dat hij
zijn Christendom moet uitschakelen, wanneer hij daar echt wil
»genieten«.

»Maar dan is er zooveel »genot«, dat in strijd is met het Christendom!«

Misschien wel, maar wij hebben 't nu alleen over het gaan naar het bal.

»Dus mag ik niet naar een bal gaan?«

Mijn vriend, dat moet gij zelf weten. Het Christendom geeft geen
uitwendige geboden. Als Jezus Christus ons bepaalde leefregels gaf,
zou 't wel gemakkelijk zijn een Christen te wezen, maar dan had 't
Christendom geen waarde, omdat het de kern onzer persoonlijkheid niet
raakte, maar alleen den uitwendigen kant van ons leven. Nu moet echter
ieder zijn eigen levensproblemen doorworstelen. Gevoelt gij u thuis in
de balzaal, ga er dan heen, als gij lust hebt, maar beklaag u dan later
niet, wanneer gij daar banden hebt aangeknoopt, die uw geheele verdere
leven blijven knellen! Hoevele engagementen worden in de uitgaande
wereld gesloten, die tot huwelijken leiden, waarin langzamerhand de
uitwendige glans gaat verdwijnen, en de koude en duistere werkelijkheid
zich met beangstigende duidelijkheid openbaart.

Zouden er veel engagementen zijn, die in de binnenkamer met gebed zijn
begonnen? Als gij werkelijk den Heer wilt dienen, kunt gij dan den
voornaamsten stap van uw leven wel anders dan met het oog op God doen?
Eén ding is zeker: hoe teerder uw gemeenschapsleven met den Heer wordt,
des te minder zult gij u in de wereld op uw plaats gevoelen. Dan wordt
het verzaken van de wereld geen moeilijke plicht, maar levensvoorwaarde
en levensbehoefte. Hoevelen hebben door lijden en teleurstelling den
ernst van het leven geleerd. Eigenlijk moeten wij allen door lijden en
teleurstelling den ernst van het leven leeren. Maar er wordt zooveel
leed en teleurstelling ondervonden, die niet noodig waren! En wanneer
ik aan die walsende wereld denk, ronddraaiende in den wervelwind der
dansmuziek, komt onwillekeurig mij het beeld van den lijdenden Christus
voor oogen, en is het mij, of ik zijn stem hoor, die zegt: »ach, hoeveel
zullen die arme menschen nog moeten leeren, voordat zij in mijn kruis
hebben gevonden de redding hunner zielen!«



TOT ZICH ZELVEN GEKOMEN ZIJNDE

                                                         (Lukas 15: 17a)


Met dit woord teekent Jezus den ommekeer in het zieleleven van den
verloren zoon.

Toen deze, jaren geleden, eigen meester had willen zijn en gevraagd had,
»het deel des goeds, dat hem toekwam,« had hij zich gevleid, dat hij
zichzelf wilde zijn. Toen hij, in het bezit gesteld van wat zijn deel
was, zich bekneld was gaan gevoelen binnen de muren van het ouderlijk
huis en belemmerd onder het oog van zijn vader en van zijn werkzamen
broeder, had hij gemeend, dat hij, buiten dat huis en zonder dat
toezicht, zichzelf zou kunnen zijn. En toen hij, alles bijeen vergaderd
hebbende, weg kon reizen, ver weg, naar een vergelegen land, ja, toen
kreeg hij de kans om zichzelf te zijn; toen dronk hij de teugen van de
vrijheid gretig in, toen sloeg hij de vleugelen van de vrijheid wijd
uit, toen was hij, naar hij meende, zichzelf. Zichzelf was hij immers,
toen hij »overdadiglijk leefde«; zichzelf, toen hij, tegen den komenden
nood, zocht naar werk; zichzelf, toen hij, aangewezen op zichzelven, er
zich wel doorheen zou slaan; zichzelf, toen hij, het onreinste werk niet
schuwend, »zich verhuurde bij een van de burgers van het verre land, om
de zwijnen te hoeden?« En in dien waan van zichzelf te zijn, was hij, de
rijke zoon van den rijken vader, ten slotte de jammerlijke caricatuur
van zichzelven geworden, vermagerd van lichaam, bedekt met lompen,
veracht en beleedigd door die hem omringden.

En toen, eindelijk, uit een woord, uit een blik, het hem bleek, dat hij,
naar de schatting van zijn meester, minder waard was dan een zwijn,
toen, op-eens, kwam uit verre verte, het huis zijns vaders hem voor den
geest. Het huis zijns vaders, dat hem eens van walging had vervuld,
omdat het hem belet had zichzelf te zijn. Maar dat nu hem begeerlijk
toescheen, bekoorlijk, betooverend.

Toen kwam hij tot zichzelven. Toen ontdekte hij, dat hij zichzelf niet
was geweest, al dien tijd, onder al die gedachten, bij al die woorden
en al die daden. Zichzelf niet, bij al die onafhankelijkheid, al die
gulheid, al die macht om zichzelf te redden, al die verkwisting, al die
werkkracht. Zichzelf niet, in die lompen, bij die zwijnen, onder dien
kommer, bij dien knagenden honger.

Want, diep in zijn ziel, was hij nog altijd het kind van zijn vader.
En niet, dan nadat hij, teruggekeerd in het huis des vaders, weer zou
deelen in den overvloed van brood, die daar heerschte, maar dan ook
onder toezicht, dat hij noodig had en gebonden aan den wil zijns vaders,
die immers een wil was vol wijsheid en na werk, dat trouw moest zijn
volbracht, zou hij zichzelven kunnen terugvinden en volkomen zichzelf
worden.

       *       *       *       *       *

Menig jeugdige van jaren verbeeldt zich, dat het geheim om zichzelf te
worden, schuilt in het zich uitleven. Zich uitleven, een leelijk woord
voor een nog veel leelijker zaak.

Maar wie »zich uitleeft« leeft buiten zichzelven.

En verliest ten slotte zichzelven.

En soms is, als bij den verloren zoon, een stroom van jammer noodig, om
ons uit onzen waan te wekken.

Als dan die ellende nog maar uitwerkt, dat ook wij »komen tot onszelf.«



  +--------------------------------------------+
  |                                            |
  |       OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER:         |
  |                                            |
  |  De volgende correcties zijn in de tekst   |
  |  aangebracht:                              |
  |                                            |
  |  Bron (B:) -- Correctie (C:)               |
  |                                            |
  |  B: brandstof zou vinden, Wie eerst        |
  |  C: brandstof zou vinden. Wie eerst        |
  |  B: Dit wìst Jezus,                        |
  |  C: Dit wìst Jezus.                        |
  |  B: ze het niet kuunen; dat de             |
  |  C: ze het niet kunnen; dat de             |
  |  B: opleggen. om te kunnen                 |
  |  C: opleggen, om te kunnen                 |
  |  B: hoeveel bijge-geloof er heerscht       |
  |  C: hoeveel bijgeloof er heerscht          |
  |  B: niet wisten dat ze dit deden.          |
  |  C: niet wisten dat ze dit deden.«         |
  |  B: »de Schepping« bedoel ik«              |
  |  C: »de Schepping« bedoel ik.«             |
  |  B: ten Kate in Amsterdam.                 |
  |  C: ten Kate in Amsterdam.«                |
  |  B: niemand;?« wou jij zeggen              |
  |  C: niemand? wou jij zeggen                |
  |  B: zichzelf gemaakt heeft?                |
  |  C: zichzelf gemaakt heeft?«               |
  |  B: voort. Oordeelt u er zelf              |
  |  C: voort. »Oordeelt u er zelf             |
  |  B: Wat al kreeten....                     |
  |  C: Wat al kreeten....«                    |
  |  B: laatste regel? »'t Was een halve       |
  |  C: laatste regel?« »'t Was een halve      |
  |  B: kreeten....                            |
  |  C: kreeten....«                           |
  |  B: Juist, valt de ander in; dan kan       |
  |  C: »Juist,« valt de ander in; »dan kan    |
  |  B: zijn vonklend stargewemel....          |
  |  C: zijn vonklend stargewemel....«         |
  |  B: derde vertellen: luister maar          |
  |  C: derde vertellen: »luister maar         |
  |  B: naam des Scheppers noemen;             |
  |  C: naam des Scheppers noemen;«            |
  |  B: bij laag nêerhangende regenwolken,     |
  |  C: bij laag neêrhangende regenwolken,     |
  |  B: 's morgens in de stad zijn,            |
  |  C: 's morgens in de stad zijn.            |
  |  B: nog even mêegaan naar de               |
  |  C: nog even meêgaan naar de               |
  |  B: dat zie doen (Joh. V=19).              |
  |  C: dat ziet doen (Joh. V:19).             |
  |  B: hem wordt betreden, Gansch Kanaän      |
  |  C: hem wordt betreden. Gansch Kanaän      |
  |  B: de dokter.« »Hij geeft                 |
  |  C: de dokter. »Hij geeft                  |
  |  B: jong n zijn zin geven«                 |
  |  C: jongen zijn zin geven,«                |
  |  B: praktijk. Zijn patienten               |
  |  C: praktijk. Zijn patiënten               |
  |  B: Christus' moet wassen.                 |
  |  C: Christus moet wassen.                  |
  |  B: afgesneden worden, Want de             |
  |  C: afgesneden worden. Want de             |
  |                                            |
  +--------------------------------------------+





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Op de Levensreis" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home