Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Het voedsel der Goden en hoe het op Aarde kwam
Author: Wells, H. G. (Herbert George), 1866-1946
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Het voedsel der Goden en hoe het op Aarde kwam" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



                           Wereld Bibliotheek
                      Onder leiding van L. Simons


                              H. G. WELLS

                         HET VOEDSEL DER GODEN
                        en hoe het op Aarde kwam

                         Uit het Engelsch door
                               J. Kuylman



                           Uitgegeven voor de
               Mij. voor Goede en Goedkoope Lectuur door
                        G. Schreuders Amsterdam



BOEK I.

DE ONTDEKKING VAN HET VOEDSEL



HOOFDSTUK I.

DE ONTDEKKING VAN HET VOEDSEL.


I.

In het midden der negentiende eeuw begon in onze vreemde wereld voor
het eerst in grooten getale een klasse van menschen op te komen,
die voor het meerendeel aanleg hadden om oudachtig te worden,
en die genoemd worden en dit zeer terecht, hoewel zij zelf dezen
titel buitengewoon onaangenaam vinden--"Scientisten." Zij vinden
dit woord zóó onaangenaam, dat het in de kolommen van "de Natuur,"
hetwelk van het begin af hun uitsluitend en karakteristiek orgaan was,
even zorgvuldig vermeden wordt alsof het dat andere woord ware, dat
de basis van alle werkelijk-gemeene taal in dit land vormt. Doch het
Groote Publiek, en zijn Pers weten dit wel beter, en "Scientisten"
blijven zij, en als zij ook maar eenigszins algemeen bekend raken,
noemen wij hen "beroemde scientisten," en "eminente scheikundigen"
en "alom-bekende natuurkundigen" op zijn minst.

Voorzeker verdiende de heer Bensington zoowel als Professor Redwood
elk van deze termen ten volle, lang vóór zij de wondervolle ontdekking
deden waar dit verhaal over handelt. De heer Bensington was Lid van het
Koninklijk Genootschap, een voormalig Voorzitter van het Scheikundig
Genootschap, en Professor Redwood was Professor in de Physiologie
aan het College van de Londensche Universiteit in Bond-street en hij
was herhaaldelijk door de anti-vivisectionisten in geschriften grof
belasterd. En sedert hun prilste jeugd hadden zij levens geleid van
academische onderscheiding.

Zij zagen er natuurlijk heel onberoemd uit, zooals inderdaad alle
ware Scientisten. Er steekt meer persoonlijke distinctie in den
gladst-gemanierden acteur dan in het geheele Koninklijke Genootschap.

De heer Bensington was kort van postuur, en erg, erg kaalhoofdig,
en liep lichtelijk gebogen; hij droeg een gouden bril en linnen
schoenen die erg laag uitgesneden waren om zijn talrijke likdoorns,
en Professor Redwood had een doodgewoon voorkomen. Tot zij toevallig
het Godenvoedsel vonden (ik sta er beslist op het zoo te noemen),
leidden zij zulke eminente en obscure studie-levens, dat ik er den
lezer moeilijk iets van zou kunnen vertellen.

De heer Bensington verdiende zijn sporen (als wij tenminste een
dergelijke uitdrukking mogen bezigen met betrekking tot een heer met
uitgesneden linnen schoenen) met zijne schitterende onderzoekingen op
het gebied van de Meer Giftige Alkaloïden, en Professor Redwood werd
beroemd--dat herinner ik me eigenlijk niet recht meer, hoe hij beroemd
werd! Méér van hem weet ik niet dan dat hij erg beroemd was. Dergelijke
dingen groeien. Ik zou denken dat hij er gekomen was door een dik
werk over den Duur der Reactie-bewegingen, met talrijke platen van
sphygmographische opteekeningen (ik schrijf dit natuurlijk onderhevig
aan verbetering) en een bewonderenswaardige nieuwe terminologie.

Het groote publiek kreeg weinig of niets van deze beide heeren te
zien. Nu en dan, op plaatsen als het Koninklijk Instituut en de
Maatschappij van Wetenschappen, kreeg het eens iets te zien van
den heer Bensington, tenminste zijn blozende kaalheid en een stukje
van zijn kraag en jas, en hoorde fragmenten van een lezing of een
verhandeling, die hij zich verbeeldde goed verstaanbaar voor te
dragen. En ééns herinner ik me hem gehoord te hebben--'t was op een
middag in het grauwe verleden--toen het Britsche Genootschap te Dover
vergaderde, en ik inviel bij afdeeling C. of D. of een dergelijke
letter welke haar kwartier had opgeslagen in een herberg, en ik uit
louter nieuwsgierigheid twee ernstig-kijkende dames met bruinpapieren
pakjes gevolgd was door eene deur waarop "Billard" en "Potspel" te
lezen stond, een schandelijke duisternis in, die slechts gebroken
werd door een tooverlantaarn-lichtkring van Redwood's diagrammen.

Ik sloeg het inzetten en weder uithalen van de platen gade en luisterde
naar een stem (ik ben vergeten wat de stem zeide) die naar ik meen
de stem van Professor Redwood was, en er kwam een gesis uit de
lantaarn en nog een ander geluid dat mij daar vasthield, zuiver uit
nieuwsgierigheid, totdat de lichten plotseling opgedraaid werden. En
toen bemerkte ik dat dit geluid niets anders was dan het geluid van
het mummelen op krentenbroodjes en sandwiches en dergelijke dingen,
waarvoor de leden van het Genootschap hierheen gekomen waren om op
te eten onder bedekking van de duisternis der toover-lantaarn.

En ik herinner mij dat Redwood al maar doorpraatte zoolang de lichten
op waren, en stond aan te wijzen op de plaats waar zijn diagram op het
scherm zichtbaar behoorde geweest te zijn--en dit was het dan ook weder
zoodra het weer duister werd. Ik herinner mij hem bij die gelegenheid
als een doodgewonen donkeren man, die er een beetje zenuwachtig uitzag,
met een air als of hij met iets anders bezig was en doende wat hij
in die oogenblikken deed door een onverklaarbaar plichtsgevoel.

Ook Bensington heb ik eenmaal gehoord--in de dagen van ouds--op een
opvoedkundige samenkomst in Bloomsbury. Zooals de meeste eminente
Natuurkundigen en Botanici beschouwde Bensington zich ook als een
groote autoriteit in opvoedkunde,--al was ik zeker dat een middelmatige
klasse van een gemeenteschool hem binnen een half uur totaal van de
wijs zou gebracht hebben--en zoo ver als ik het mij nù nog herinneren
kan, stelde hij een verbetering van professor Armstrong's Heuristische
methode voor, waardoor, met drie of vierhonderd pond kosten aan
toestellen, met algeheele verwaarloozing van alle andere studievakken,
en de onverdeelde aandacht van een buitengewoon begaafd onderwijzer,
een middelmatig kind met een bizonderen vorm van stompzinnige
degelijkheid in den loop van tien of twaalf jaren bijna evenveel
chemie kon leeren als men kon halen uit een van die oppervlakkige
twee-kwartjes-boeken, die toen zoo algemeen gebruikt werden...

Ge ziet wel dat beiden doodgewone menschen waren, buiten hun
wetenschappelijke sfeer. En nog wel aan den onpractischen kant van het
gewone. En gij zult bevinden dat dit laatste het geval is, de geheele
wereld over, met "scientisten" als klasse. Wat er groots aan hen is,
is een kwelling voor hun medenatuurkundigen en een mysterie voor het
groote publiek; en wat niet groot is, is duidelijk genoeg.

Er bestaat inderdaad geen twijfel omtrent wat niet groot is, want
geen andere menschen-categorie heeft zulke in het oog vallende
kleinheden als zij. Zij leven in een erg begrensd wereldje zoover
het hun omgang met menschen betreft; hun navorschingen vergen een
oneindige aandacht, en een bijna kloosterachtige afzondering; en
wat er overblijft, is niet erg veel. Als men den een of anderen
eigenaardigen, blooden, misvormden, grijsharigen, opgeblazen
kleinen uitvinder van groote uitvindingen ziet, op belachelijke
wijze getooid met het breede lint van de een of andere ridderorde,
en receptie houdend voor zijne medemenschen; of den angst van "De
Natuur" leest, bij het "verwaarloozen der Wetenschap," als de engel
der geboortedag-eerelinten het Koninklijk Genootschap voorbijgaat;
of luistert naar den onvermoeiden mosplantkundige die een verhandeling
houdt over het werk van een ander onvermoeid mosplantkundige, komt men
tot de onvermijdelijke ervaring van de onveranderlijke menschelijke
kleinheid.

En toch is het rif der wetenschap, dat deze kleine "natuurkundigen"
bouwden en nòg bezig zijn te bouwen zoo wondervol, zoo gewichtig,
zoo vol geheimzinnige, nog half-gevormde beloften voor de groote
toekomst van den mensch! Zij schijnen zelf de dingen die zij doen
niet te beseffen! Zonder twijfel had de heer Bensington, toen hij
lang geleden dit beroep koos, toen hij zijn leven wijdde aan de
alkaloïden en hunne verwante samenstellingen, een vaag begrip van het
visioen--méér dan een vaag begrip waarschijnlijk. Want welke jonge man
zou zonder een inspiratie, voor zoo weinig glorie en positie als een
gewoon "natuurkundige" verwachten kan, zijn leven gegeven hebben aan
zulk werk? Neen zij moèten den roem er van gezien hebben, zij moeten
dit visioen gehad hebben, doch van zóó dichtbij, dat het hen verblind
heeft. De heerlijkheid ervan heeft hen verblind, (en dat is gelukkig),
zoodat zij voor het overige van hun leven de fakkel der kennis hoog
kunnen houden zonder berouw opdat wij kunnen zien.

En misschien wordt Redwood's afgetrokkenheid verklaard door het feit
dat hij (en daar bestaat nu geen twijfel meer aan) van zijne makkers
verschilde; en wel hièrin, dat er in zijn oogen nog iets van het
visioen schitterde.



II.

Ik noem het 't Voedsel der Goden, deze zelfstandigheid die de heer
Bensington en professor Redwood samen maakten; en in aanmerking nemend
wat het reeds gewrocht heeft, en alles wat het voorzeker nog zal doen,
is de naam beslist niet overdreven. En derhalve zal ik het zoo blijven
noemen mijn geheele verhaal door.

Doch mijnheer Bensington zou het evenmin zóó in koelen bloede hebben
durven noemen, als zijne kamers in Sloane-street te verlaten, gehuld
in koninklijk purper en met een lauwerkrans op. Deze benaming was niets
anders dan een eerste kreet van verbazing die hem ontsnapte. Hij noemde
het 't Voedsel der Goden, in zijn enthousiasme, en dit wel een uur
lang achter elkaar. Daarna kwam hij tot de conclusie dat het dwaas
was. Toen hij het eerst over de zaak nadacht, had hij als het ware
een uitzicht op enòrme mogelijkheden--eenvoudig enorme mogelijkheden,
doch na één blik van verbazing, sloot hij resoluut de oogen voor dit
verblindende uitzicht, zooals een conscientieus "natuurkundige" dit
behoort te doen. Hierna klonk "Het Voedsel der Goden" hem zóó snoeverig
toe, dat hij het bijna onbehoorlijk ging vinden. Hij was er verwonderd
over dat hij deze uitdrukking gebezigd had. Maar niettegenstaande dit,
was er tòch nog iets van dat helder-geziene oogenblik in hem blijven
hangen, en kwam telkens weder voor den dag...

"Waarachtig," zei hij, zich in de handen wrijvend en zenuwachtig
lachend, "het is van meer dan theoretisch belang."

"Bijvoorbeeld," deelde hij den professor in vertrouwen mede, zijn
gezicht dicht bij dat van den geleerde brengend en zachter sprekend,
"het zou misschien te verkóópen zijn, als het goed aangelegd werd."

"Precies als een voedingsstof," zei hij, een eindje wegloopend. "Of
ten minste als een voedingsbestanddeel. Natuurlijk aannemend dat
het smakelijk is. Iets wat we niet kunnen zeggen vóor we het bereid
hebben."

Hij wendde zich om op het haardkleed en bestudeerde aandachtig de
zorgvuldig afgewerkte spleetjes in zijn linnen schoenen.

"De naam?" zei hij, opkijkend, als antwoord op een vraag. "Wat mij
betreft hel ik over naar de goede oude klassieke zinspeling. Het--'t
maakt de wetenschap respectabel--geeft er een tikje ouderwetsche
waardigheid aan. Ik dacht zoo... Ik weet niet of je 't zot van me
zult vinden... een beetje verbeelding is nu en dan toch zeker wel
veroorloofd... Herakleophorbia. He? Het voedsel van een mogelijke
Hercules? Het zou best kùnnen, niet waar... Natuurlijk als jij denkt
dat het nièt...."

Redwood keek aandachtig in het vuur en opperde geen bezwaren.

"Geloof je dat die naam gaan zou?"

Redwood's hoofd bewoog zich ernstig.

"We konden het ook Titanophorbia noemen, zie je. Titanen-voedsel... of
lijkt het eerste je beter? Weet je zeker dat je het niet een beetje
tè...."

"Neen."

"Ha, daar ben ik blij om."

En aldus noemden zij het Herakleophorbia, zoolang hunne onderzoekingen
duurden; en in hun rapport,--het rapport dat nooit uitgegeven werd,
door de onverwachte gebeurtenissen die al hun schikkingen in de war
brachten,--wordt het ook voortdurend aldus genoemd. Er werden drie
verwante zelfstandigheden bereid voor ze dàt tot uitkomst kregen,
wat hunne berekeningen hun voorspeld hadden, en van deze drie
substantie's spraken zij als Herakleophorbia I, Herakleophorbia II
en Herakleophorbia III.

En--vasthoudend aan den oorspronkelijken naam dien Bensington het
gaf--noem ik hier Herakleophorbia IV het Voedsel der Goden.



III.

Het was een idee van den heer Bensington. Doch daar het hem aan de
hand gedaan werd door een van Professor Redwood's stukken in de
"Philosophische Verhandelingen," waaraan deze medewerkte, ging
hij dezen heer er behoorlijk over raadplegen vóor hij het verder
uitwerkte. Bovendien was het zoo goed een physiologisch als een
scheikundig onderzoek.

Professor Redwood was een van die mannen der wetenschap, die
verslaafd zijn aan diagrammen en kromme lijnen. Gij weet wel--als
ge tenminste ook maar eenigszins tot het soort lezers behoort waar
ik van houd--welk soort van wetenschappelijk artikel ik bedoel. Het
is een verhandeling waar ge geen touw aan kunt vastknoopen, en aan
het einde komen er vijf of zes lange opgevouwen figuren, die men
ontvouwen kan en eigenaardige zigzag-lijnen, overdreven bliksemflitsen,
of onverklaarbare kronkelende dingen doen zien, die "vlakke lijnen"
worden genoemd, getrokken op ordinaten en wortelend in abscissae--en
dergelijke dingen. Ge zit een heelen tijd te gissen, en eindigt met
een vaag vermoeden dat niet alleen gìj het niet begrijpt, maar dat de
schrijver zelf dit evenmin doet. Maar zonder gekheid, verscheidene
van deze mannen der wetenschap begrijpen hun eigen schrifturen heel
goed: het is eenvoudig een gebrek aan duidelijk uitdrukken dat deze
hinderpaal tusschen hen en ons opwerpt.

Ik voor mij geloof dat Redwood in rechte en kromme lijnen dacht. En
na zijn monumentaal werk over den Duur der Reactie-beweging (den
onwetenschappelijken lezer verzoek ik zich hier nog een beetje meer
in te werken, dan zal alles hem zoo helder zijn als klaarlichte dag)
begon Redwood voor den dag te komen met vlakke gebogen lijnen en
sphygmographeriën over Groei, en het was een van zijn stukken over
"de Groei," dat den heer Bensington op het denkbeeld bracht.

Redwood, moet ge weten, had allerlei groeiende dingen opgemeten, zooals
jonge katten, jonge honden, zonnebloemen, paddestoelen, boonstengels
en (tot zijn vrouw er een stokje voor stak) zijn eigen baby, en hij
toonde aan, dat de groei zich voortzette, niet gelijkmatig of zooals
hij het aanduidde:


[Afbeelding: Diagonale lijn omhoog.]


maar met plotselinge zetten en tusschenpoozen, ongeveer als volgt:


[Afbeelding: Getrapte lijn omhoog.]


en dat, voor zoover hij kon uitmaken, nièts regelmatig en staag
kòn doorgroeien; het leek alsof ieder levend wezen kracht moest
opgaren om te groeien, slechts voor eenigen tijd krachtig groeide,
en dan weder een zekeren tijd moest wachten vóor het met groeien
kon voortgaan. En in de bedekte en uitermate technische taal van
den werkelijk voorzichtigen "natuurkundige," opperde Redwood,
dat het groeiproces waarschijnlijk de aanwezigheid van de een of
andere substantie in het bloed noodzakelijk maakte, dat slechts
zeer langzaam gevormd werd, en dat als deze substantie door den
groei verbruikt was, zij slechts zeer langzaam weder aangevuld kon
worden, en het organisme onderwijl tijd moest gelaten worden. Hij
vergeleek zijn onbekende substantie bij olie in een machine. Een
groeiend dier had werkelijk veel gemeen met een machine, die zich een
zekeren afstand kon voortbewegen, en dan geölied moet worden voor
zij verder loopen kan. ("Doch waarom zou men de machine niet van
bùìten-af van olie voorzien?" zei de heer Bensington, toen hij het
stuk las). "En dit alles," zei Redwood met het heerlijke zenuwachtige
over-tusschenliggende-gedachten-heenspringen van zijn klasse, "zou
waarschijnlijk licht kunnen werpen op het mysterie van enkele der
niet-geleidende klieren." Alsof dìe er iets mee uit te staan hadden!

In een volgende verhandeling ging Redwood reeds verder. Hij gaf een
waar "Brock's Benefit" [1] van diagrammen--die precies leken op de
banen van vuurpijlen; en de clou ervan--voor zoover het eenige clou
bevatte--was, dat het bloed van jonge honden en katten, en het sap
van zonnebloemen en het sap van paddestoelen, als deze waren in wat
hij noemde "het groei-stadium," verschilde in de aanwezig-zijnde
proporties van zekere deelen van het bloed en sap, op de dagen dat
zij niet bijzonder sterk groeiden.

En toen Bensington, na de figuren op hun kant en onderstboven gehouden
te hebben, begon te zien wat dit verschil was, werd hij uitermate
verbaasd. Omdat, ziet ge, het verschil mogelijk veroorzaakt werd door
de aanwezigheid juist van diè substantie, welke hij kort te voren
getracht had te isoleeren bij zijn onderzoek van diè alkaloïden,
welke het zeerst het zenuwstelsel stimuleeren. Hij legde Redwood's
verhandeling op den gepatenteerden lessenaar, die ongemakkelijk
weg-draaide van zijn leunstoel, nam zijn gouden bril af, ademde erop,
en wreef hem zeer zorgvuldig af.

"Allemachtig!" zei de heer Bensington.

Toen hij zijn bril weder had opgezet, wendde hij zich weder naar den
lessenaar, die, zoodra zijn elboog er tegen stootte, een coquet gepiep
liet hooren, en de verhandeling met al haar figuren op den grond deed
belanden, verfrommeld en verspreid.

"Groote hemel!" zei mijnheer Bensington, zijn buik over den leunstoel
rekkend met een geduldige minachting voor de gewoonten van dit
gemakkelijk meubelstuk, en toen, bevindend dat de brochure nog buiten
zijn bereik lag, liet hij zich op de handen vallen, om de stukken
bijeen te garen. Op den grond viel het denkbeeld hem eigenlijk in,
het "'t Voedsel der Goden" te noemen...

Want ziet ge, als hij het bij het rechte eind had, en Redwood eveneens,
zou hij, door deze nieuwe substantie in te spuiten of door ander
voedsel te mengen de rustpoos geheel buiten rekening kunnen laten,
en in plaats dat de groei aldus ging:


[Afbeelding: Getrapte lijn omhoog.]


zou hij (als ge mij volgen kunt) aldùs gaan:


[Afbeelding: Diagonale lijn omhoog.]



IV.

Bensington deed den nacht na zijn gesprek met Redwood haast geen oog
dicht. Eens meende hij in den dommel te raken, doch dit was slechts
voor een oogenblik en toen droomde hij dat hij een diep gat in de
aarde gegraven had, en daarin tonnen vol Godenvoedsel wierp en de
aarde zette al meer en meer uit, en al de grenzen der verschillende
landen scheurden, en het Koninklijk Aardrijkskundig Genootschap was
als één man aan het werk, als één gróót kleermakersgilde, om den
equator ùit te leggen...

Het was natuurlijk een belachelijke droom, doch het toont veel
beter dan één der dingen, die hij zeide of deed als hij wakker en
op zijn hoede was, den staat van geestelijke opwinding aan, waarin
hij verkeerde. Anders zou ik er geen melding van gemaakt hebben,
daar ik over het algemeen het elkaar-droomen-vertellen volkomen
onbelangrijk vind.

Door een vreemde toevalligheid droomde Redwood dien nacht eveneens,
en wat hij droomde was het volgende:


[Afbeelding: Lijn recht omhoog.]


Het was een figuur dat vurig stond afgedrukt op een lange rol, die
zich tot in het oneindige verlengde. En hij (Redwood) stond op een
planeet voor een soort van zwart podium; en hij hield een lezing over
den nieuwen groei die nu mogelijk was, voor het Meer dan Koninklijk
Instituut van Oorspronkelijke Krachten,--krachten die tot dan toe,
zelfs bij den groei der rassen, keizerrijken, sterrenstelsels en
werelden steeds aldus gewerkt hadden:


[Afbeelding: Getrapte lijn omhoog.]


En in sommige gevallen zelfs zoo:



[Afbeelding: Lijn, eerste in stappen omhoog, dan curve naar beneden.]


En hij was bezig heel helder en vol overtuiging uit te leggen dat
deze langzame, achteruitgaande methoden weldra geheel uit de mode
zouden zijn door zijne ontdekking.

Belachelijk natuurlijk. Doch ook dit toont aan--

Dat elk van deze beide droomen moet beschouwd worden als ook maar
eenigermate meer beteekenisvol of profetisch dan ik categorisch gezegd
heb, zou ik geen oogenblik durven opperen.



HOOFDSTUK II.

DE PROEF-HOEVE.


I.

Bensington nam zich oorspronkelijk voor, met zijn goedje proeven
te nemen op jonge donderpadden, zoodra hij het werkelijk kon
produceeren. Dergelijke dingen worden altijd het eerst geprobeerd op
donderpadden; want daar zijn kikkers toch voor!--En zij kwamen overeen
dat hij en niet Redwood de proefnemingen zou doen, omdat Redwood's
laboratorium in beslag genomen werd door den projectiel-snelheidsmeter
en de dieren, die noodig waren voor een onderzoek naar de Dagelijksche
Afwijking in het aantal horenstooten per dag van den Jongen Stier,
een onderzoek dat kromme lijnen van abnormale en zeer verwarrende soort
opleverde, en de aanwezigheid van glazen bollen met donderpadjes erin
was bijzonder ongewenscht, zoolang bovengenoemd onderzoek juist in
vollen gang was.

Doch toen de heer Bensington zijn nicht Jane iets toevertrouwde van
wat hij in het hoofd had, sprak zij onmiddellijk haar veto uit over den
invoer van donderpadden of dergelijke wezens om op te experimenteeren,
in hun verdiepingwoning. Zij had niet het minste bezwaar dat hij
een der vertrekken van hun verdieping gebruikte voor dingen zooals
scheikunde waar geen ontploffingen bij te pas kwamen, en die geen
nadeelige gevolgen had wat haar zelve betrof; zij had geen bezwaar
dat hij een gas-fornuis en een gootsteen en een stof-vrije kast er op
nahield, die veilig bleven voor den wekelijkschen storm der schoonmaak
dien zij op andere plaatsen duchtig liet woeden. En daar zij lieden
gekend had die aan den drank verslaafd waren, beschouwde zij zijn haken
naar onderscheiding in geleerde genootschappen als een uitmuntende
plaatsvervanger voor den groveren vorm van verdorvenheid. Doch
massa's levende dingen, die zoo "kronkelerig" waren als ze leefden en
"stinkerig" als ze dood waren, dat kon en wilde ze niet dulden. Zij
zei, dat dergelijke dingen beslist ongezond moesten zijn, en dat
Bensington een man was die erg moest oppassen--en dat het onzin zou
zijn als hij wilde beweren dat dit niet zoo was.

En toen Bensington probeerde haar het enorme gewicht van deze mogelijke
ontdekking te doen zien, zeide ze dat 't allemaal goed en wel was,
maar dat, als zij hem toestond alles in huis akelig en ongezond te
maken (en daar kwam 't toch maar allemaal op neer), hij de eerste
zou zijn om zich te beklagen.

En mijnheer Bensington liep het vertrek op en neer, niet lettend op
zijn eksteroogen, en praatte langen tijd met veel gedecideerdheid, en
zelfs misnoegen in zijn stem, zonder het geringste effect. Hij opperde
dat niets de Bevordering der Wetenschap in den weg behoorde te staan
en zij zeide dat de Bevordering der Wetenschap allemaal heel goed en
wel was, maar dat een hoop donderpadden op een bovenverdieping háár te
machtig was; hij zei dat het in Duitschland een voldongen feit was,
dat een man met een idee als het zijne onmiddellijk twintig duizend
goed-ingerichte kubieke voet laboratorium tot zijn beschikking zou
krijgen, en zij zei dat ze blij was, en altijd blij was geweest, dat ze
geen Duitsche was; hij zei dat het hem voor altijd beroemd zou maken
en zij zei dat er veel meer kans bestond dat het hem ziek zou maken,
als hij een hoop donderpadden op een verdieping als de hunne hield; hij
zei dat hij baas in zijn eigen huis was, en zij zei dat zij dan maar
liever directrice van een school werd, dan te moeten zorgen voor een
hoop enge jonge kikkers; en toen verzocht hij haar niet zulken onzin
te praten en zij verzocht hem hetzelfde, en verzocht hem die ideeën
over kikkers te laten varen; en hij zei dat ze wel een beetje meer
respect voor zijn ideeën kon hebben, en zij zei dat zij dat niet kon
of wilde als er zoo'n "luchtje" aan was--en toen--niettegenstaande de
klassieke opmerkingen die Huxley over dit punt gemaakt heeft--verloor
hij alle geduld en zei een goddeloos woord. Niet zoo heel goddeloos,
maar toch plat genoeg. En toen was zij zeer beleedigd en hij moest
excuus vragen, en het vooruitzicht het Godenvoedsel ooit op hun
verdieping op kikkers te probeeren, verdween geheel in het excuus.

Derhalve moest Bensington er iets anders op zien te vinden om zijn
proefnemingen op het gebied van voeding, die noodig zouden zijn om
zijn ontdekking te demonstreeren, te kunnen uitvoeren, zoodra hij zijne
zelfstandigheid afgezonderd en bereid had. Eenige dagen lang bepeinsde
hij de mogelijkheid zijn kikkers bij den een of anderen vertrouwden
persoon in den kost te doen en toen richtte het toevallig-zien van
de uitdrukking in een courant zijne gedachten op een "Proef-Hoeve."

En kuikens. Direct toen hij er aan dacht, dacht hij eraan als aan een
hoenderfokkerij. Plotseling kreeg hij een visioen van reusachtig-sterk
groeiende kuikens. Hij zag voor zich een beeld van rennen, en hokken,
hokken die àl grooter en grooter werden, en rennen die in grootte hier
gelijken tred mede hielden. Kuikens zijn zoo gemakkelijk te naderen,
zoo gemakkelijk te voederen en waar te nemen, zóóveel droger om te
hanteeren en te meten, dat kikkers hem voor zijn doel nu erg wilde
en onhandelbare beesten toeleken. Hij kon maar niet begrijpen hoe
het kwam dat hij niet aan kuikens en wèl aan kikkers gedacht had van
het begin af. Onder meer, zou het hem al dat gezeur met nicht Jane
bespaard hebben. En toen hij het Redwood voorstelde, was deze het
volkomen met hem eens.

Redwood zei overtuigd te zijn dat experimenteele physiologen een
grooten misslag begingen met proeven te doen op noodeloos-kleine
dieren. Het stond precies gelijk met experimenteeren in de scheikunde
met een onvoldoende hoeveelheid materiaal; fouten in opmerking en
behandeling worden onevenredig groot. Het was, juist in dezen tijd,
van buitengewoon groot gewicht, dat de wetenschappelijke mannen
hun recht lieten gelden op groot materiaal. Dat was dan ook de reden
waarom hij zijn tegenwoordige experimenten aan het Bond-street College
verrichtte op jonge stieren, niettegenstaande zekere mate van ongerief
voor de studenten, en professoren die in andere vakken college gaven,
door de lichtzinnigheid en het gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel
van deze dieren in de corridors nu en dan. Doch de kromme lijnen,
die hij kreeg, waren buitengewoon belangwekkend en zouden, zoo ze
uitkwamen, zijn keuze ten volle rechtvaardigen. Wat hemzelf betrof,
zoo de wetenschap niet zoo stiefmoederlijk bedeeld ware geweest in
dit land, zou hij nooit, als het niet hoefde, experimenteeren op iets
kleiners dan een walvisch. Maar een Publiek Vivarium, van voldoende
grootte om dit mogelijk te maken, was, vreesde hij, op dit oogenblik
in dit land tenminste, een Utopistische eisch. In Duitschland--enz.

Daar Redwood's jonge stieren zijn dagelijksche zorg vereischten, kwam
het kiezen en uitrusten der Proef-Hoeve grootendeels op Bensington
neer. Ook werd overeengekomen dat alle kosten zouden bestreden worden
door Bensington, tot zij voldoende van buitenaf gesteund werden om het
experiment voort te zetten. Derhalve wisselde hij zijn werk in het
laboratorium op zijn verdieping af met de jacht naar een pachthoeve
langs de spoorweglijnen, die van London naar het zuiden loopen,
en zijn glurende bril, zijn vriendelijke kaalhoofdigheid, en zijn
opengewerkte linnen schoenen, vervulden de eigenaars van tallooze
onverhuurbare eigendommen met ijdele hoop. En hij adverteerde in
verscheidene dagbladen en in "de Natuur," om een verantwoordelijk paar
(gehuwd) dat nauwgezet en handig was, en gewoon met hoenders om te
gaan, om het algeheele beheer van een Proef-hoeve van een grooten
bunder op zich te nemen.

Hij vond de plaats die hij noodig had te Hickleybrow, dicht bij Urshot
in Kent. Het was een eigenaardige, afgelegen plek, in een vallei,
omzoomd door pijnbosschen, die des avonds donker en ongastvrij
waren. Een hooge heuvel sneed het af van den zonsondergang en een
grillige put met een uit elkaar hangend afdak deed het gebouw kleiner
lijken dan het was. Tegen het kleine huis klommen geen klimplanten
op, er waren verscheidene ruiten gebroken, en de wagenschuur wierp
zelfs in den middag een donkere schaduw. Het lag op anderhalven mijl
van het laatste huis van het dorp en de eenzaamheid ervan werd op
twijfelachtige wijze vervroolijkt door een rondwandelende familie
van echo's.

De plaats leek Bensington bijzonder geschikt voor wetenschappelijk
onderzoek. Hij liep het erf rond, hokken en rennen teekenend met
een zwaaienden arm, en bevond dat de keuken zonder veel verandering
te behoeven te ondergaan een aantal broedtoestellen en kunstmoeders
kon bergen.

Hij nam de plaats onmiddellijk; en op den terugweg naar Londen stapte
hij uit te Dunton Green, en engageerde een geschikt paar dat op zijn
advertenties geschreven had, en nog dien zelfden avond slaagde hij
erin een voldoende hoeveelheid Herakleophorbia I te isoleeren om deze
schikkingen meer dan te rechtvaardigen.

Het geschikte paar, dat onder Bensington de eerste aalmoezeniers op
aarde van het Voedsel der Goden zou zijn, was niet alleen zeer merkbaar
op jaren, maar ook buitengewoon vuil. Bensington merkte dit laatste
niet op, omdat niets het algemeene opmerkingsvermogen zoozeer afstompt
als een leven van experimenteele wetenschap. Zij heetten menheer en
juffrouw Skinner, en de heer Bensington interviewde hen in een klein
vertrek mat hermetisch gesloten vensters, een verweerden spiegel
boven den schoorsteenmantel en een paar kwijnende calceolaria's.

Juffrouw Skinner was een heel klein oud vrouwtje, zonder muts, met
vuil-wit haar dat erg plakkerig was weggekamd van een gezicht dat
oorspronkelijk al bestond uit, en nu, door het verlies van tanden
en kin, en het rimpelen van wat er verder was, eindigde met bijna
uitsluitend te zijn--neus. Zij was gekleed in lei-kleurige kleedij
(voor zoover haar japon tenminste nog kleur had), die op een plaats
gelapt was met een strook rood flanel. Zij liet hem binnen en praatte
zeer bedachtzaam tegen hem, en gluurde naar hem om en over haar neus,
terwijl ze hem in vertrouwen mededeelde dat Skinner eenige wijziging
in zijn toilet aan het aanbrengen was. Zij bezat één tand, die haar
uitspraak in den weg stond, en zij hield haar lange gerimpelde
handen zenuwachtig saamgeperst. Zij vertelde den heer Bensington
dat zij al jaren met hoenders had omgegaan, en alles wist omtrent
broedmachines; ja, zij zelven hadden eens een hoenderpark gedreven,
en het was eindelijk alléén failliet gegaan door gebrek aan leerlingen.

"Ziet u," zeide juffrouw Skinner, "de leerlingen, die brenge de
cente in."

Meneer Skinner bleek bij zijne verschijning te zijn een man met
een groot breed gezicht, die lispelde en zóó erg scheel zag, dat
hij over uw hoofd heenkeek; hij had opengesneden pantoffels aan,
die Bensington dadelijk voor hem innamen, en hij zat erg schaars in
zijn knoopen. Hij hield met één hand zijn jas en hemd bij elkaar, en
trok, met den wijsvinger van de andere, modellen op het zwart-met-goud
tafelkleed, terwijl zijn eene oog dat hiernaar niet keek, Bensington's
zwaard van Damocles (om het zoo maar eens uit te drukken), gadesloeg
met een eenigszins droevige los-van-de-wereld-zijnde uitdrukking:
"U wilt dethe boerderij niet drijven om de winst. Neen, meneer. 't
Komt alleth op 't zelfde neer, mijnheer. Proeven! Net thoo!"

Hij zeide dat ze dadelijk naar de boerderij konden vertrekken. Hij
deed niets te Dunton Green dan een beetje kleermaken. "'t Ith niet
zoo'n voordeelige plaatsth als ik dacht, en wat ik daar maak, ith
haastht niet de moeite waard," zeide hij, "thoodat, als 't u beter
thchikt, wij dadelijk..."

En binnen een week waren meneer en juffrouw Skinner op de boerderij
geïnstalleerd, en de karwei-timmerman van Hickleybrow wisselde de
taak van kippehokken-timmeren en rennen-maken af met een systematisch
gesprek over den heer Bensington.

"Ik heb hem nog niet veel gethien," zeide de heer Skinner. "Maar
voorzoover als ik uit hem wijth heb kunnen worden, lijkt hij mij een
stomme ouwe dwaath."

"Ik dacht wel dat er een van z'n vijf op den loop was," zei de
timmerman van Hickleybrow.

"Hij denkt, dat ie wat weet van hoenderth," zeide de heer
Skinner. "Heerem'ntijd! Als je 'm hoorde, zou je denken dat niemand
wat van hoenderth wisht dan hij."

"'IJ ziet er zelf uit as een 'en," zeide de timmerman van Hickleybrow;
"misschien door z'n bril."

De heer Skinner kwam wat dichter bij den timmerman van Hickleybrow
staan, en sprak vertrouwelijk met hem, en het eene treurige oog
keek naar het verwijderde dorp, en het andere schitterde en keek
kwaadaardig. "Moete èlke dag gemete worde,--iedere kip, thegt ie. Om
te thien of the goed groeie. Nou theg,--he? Iedere kip, thowerachtig,
iedere dag."

En de heer Skinner stak zijn hand op om er achter te lachen op een
beschaafde, en aanstekelijke manier, en haalde de schouders erg hoog
op--en alleen zijn andere oog deelde niet in den lach. Toen, eraan
twijfelend of de timmerman het fijne van de zaak wel gesnapt had,
herhaalde hij met een doordringend gefluister: "gemète!"

"'IJ is nog erger dan onze ouwe baas; verdompeld as 't niet waar is,"
zei de timmerman van Hickleybrow.



II.

Experimenteeren is het langzaamste werk ter wereld; (de rapporten
erover in de "Philosophische Verhandelingen" zijn misschien nòg
vervelender) en het leek den heer Bensington erg lang toe, vóór
zijn eerste droom van enorme mogelijkheden vervangen werd door een
kruimpje verwerkelijking. Hij had de Proef-Hoeve in October gekocht,
en het was al Mei voor het eerste succès begon te dagen. In dien
tijd moesten Herakleophorbia I, II en III geprobeerd worden, en
mislukten; er ontstond last met de ratten op de boerderij en óók met
de Skinners. De eenige manier om Skinner ertoe te krijgen te doen
wat hem gezegd werd, was hem te dreigen met ontslag. Dan placht hij
met zijn vlakke hand over zijn ongeschoren kin te wrijven--hij was
steeds op de meest wonderbaarlijke manier ongeschoren en toch had
hij nooit een baard--en naar den heer Bensington te kijken met één
oog, en over hem heen met het andere en te zeggen: "O, natuurlijk,
meneer--als 't u ernst ith...!"

Doch eindelijk brak de dageraad aan. En zijn heraut was een brief in
het lange spichtige handschrift van den heer Skinner.

"Het nieuwe Broeisel is uit," schreef de heer Skinner, "en ik kan niet
zeggen dat ze me bijzonder bevallen. Groeien erg spichtig op--heelemaal
niet zooals dat andere toom was, vóór u uw laatste orders gaf. De
anderen, vóór de kat ze te pakke kreeg, waren flinke, tierige kuikens,
maar deze groeie als distels. Nooit zoo iets gezien. Ze pikken zóó
hard, dat ik onmogelijk de juiste maat van ze kan geven. 't Zijn ware
Reuzen en eten net zooveel. We zulle heel gauw weer graan noodig hebbe
want nooit heb je kuikens zóó zien ete'. Grooter dan Bantams. Als
ze zoo dóor gaan, zullen ze, al zijn ze ook spichtig, gauw groot
genoeg zijn voor een tentoonstelling. Plymouth Rocks zijn er niks
bij. Gisteren avond ben ik erg geschrokken, omdat ik dacht dat de kat
achter ze zat, en toen ik uit het raam keek zou ik er op hebben kunnen
zweren dat ik 'em onder het ijzerdraad door in het hok zag kruipen. De
kuikens waren allemaal wakker, maar ik kon geen kat ontdekken. Daarom
gaf ik ze maar wat koren, en sloot alles goed toe. Wees zoo goed me
te melden of ik met het voer moet doorgaan zooals u gezegd heb. Het
voeder dat u mengde is bijna allemaal op en ikzelf meng liever niets
meer, na het ongeluk met de pudding. Met onze vriendelijke groeten,
en ons in uwe gunst aanbevelend verblijf ik,


Hoogachtend,

Alfred Newton Skinner.


De toespeling aan het einde sloeg op een melkpudding waar op de een
of andere onverklaarbare wijze wat Herakleophorbia II in geraakt was,
met pijnlijken en bijna noodlottigen afloop voor de Skinners.

Doch de heer Bensington, die tusschen de regels doorlas, zag in den
weligen groei de bereiking van zijn lang gezocht doel. Den volgenden
morgen stapte hij uit te Urshot en in de tasch in zijn hand droeg
hij, goed verzegeld, in drie bussen, een voorraad Voedsel der Goden,
voldoende voor alle kuikens in Kent.

Het was een heldere, mooie morgen, laat in Mei en zijne likdoorns waren
zooveel beter, dat hij besloot door Hickleybrow naar zijn boerderij
te wandelen. Het was goed drie en een halve mijl, door het park en
het dorp, en dan langs de valleien van de Hickleybrowsche afgesloten
jachtgronden. De boomen waren allen als met een waas van groene
loovertjes bedekt, de heggen waren vol kamille en paaschbloemen, en
de bosschen vol blauwe hyacinthen en roode orchideeën; en overal was
gerucht van vogels, grijze lijsters, merels, roodborstjes, vinken en
vele andere soorten en in een warmer hoekje van het park ontvouwde
zich wat brem, en renden en sprongen vaalroode herten rond.

Deze dingen deden Bensington terugdenken aan het vroegere en
nu vergeten genot dat hij in het leven vond; voor zijne oogen
werd de belofte zijner ontdekking levend en vreugdevol, en het
scheen hem werkelijk toe dat hij den gelukkigsten dag zijns levens
bereikt had. En toen hij in den door de zon verlichten ren bij het
zandheuveltje onder de schaduw der pijnboomen de kuikens zag die van
het voedsel dat hij voor hen gemengd had, hadden gegeten, reusachtig
en onbeholpen, nù al grooter dan menige kip die getrouwd en gezet is,
en nog steeds groeiend, nog in hun eersten zachten gelen dos (licht
getint met bruin over den rug), toen begreep hij ten volle dat zijn
gelukkigste dag was aangebroken.

Op aandrang van meneer Skinner ging hij den ren binnen, doch nadat hij
een of tweemaal door de spleten in zijn schoenen gepikt was, kwam hij
er maar weer uit, en sloeg deze monsters gade door het traliewerk. Hij
bracht het hoofd heel dicht erbij, en volgde al hunne bewegingen,
alsof hij nooit tevoren een kuiken gezien had.

"Je kunt er haath niet inkomme hoe ze d'er zulle uitzien as ze volwasse
benne," zei de heer Skinner.

"Groot als een paard," zei de heer Bensington.

"Thal niet veel thchelen," zei Skinner.

"Verscheiden menschen zouden hun maal kunnen doen van één
vleugel!" zeide de heer Bensington. "Zij zouden aan stukken te snijden
zijn als rundvleesch."

"The thullen anderth wel niet doorgaan met tho hard te groeien,"
zeide Skinner.

"Niet?" zei de heer Bensington.

"Nee," zei de heer Skinner. "Ik ken dit thoort. Thij beginne geil,
maar the thcheijen er gauw mee uit!"

Er volgde een oogenblik stilte.

"'t Ith nikth anderth dan de behandeling, die 't em doet," zeide de
heer Skinner bescheiden.

De heer Bensington wendde plotseling zijn bril naar hem toe.

"We fokten ze haatht net tho groot op onthe eigen sthtee," zeide
meneer Skinner, zijn goede oog vroom ten hemel slaand, en een beetje
loskomend; "ik en m'n vrouw."

Bensington deed zijne gewone ronde over het erf, doch keerde spoedig
naar den ren terug. Het was werkelijk meer dan hij had durven hopen. De
gang der wetenschap is zoo kronkelig en zoo langzaam; na de duidelijke
beloften en vóór de verwerkelijking komt, zijn dikwijls jaren en
jaren van ingewikkeld gescharrel noodig en hier--hier droeg het
Voedsel der Goden reeds vrucht na weinig meer dan één proefjaar! Het
leek hem alles tè mooi--tè mooi. De uitgestelde verwachting die het
dagelijksch voedsel is der wetenschappelijke verbeelding, zou nu niet
langer zijn deel zijn!

Zoo leek het hem tenminste toèn. Hij kwam telkens weder naar den ren
en staarde verbaasd naar zijn wondere kuikens.

"Laat ik eens kijken," zeide hij. "Ze zijn nu tien dagen oud. En ik
zou denken dat ze, vergeleken bij een gewoon kuiken, ongeveer zes of
zeven maal zoo groot zijn..."

"'t Wordt tijd dat we opthlag van loon vrage," zeide Skinner tot
zijne vrouw. "Hij ith tho lekker ath wat, dat we die kuikes in de
tweede ren tho ver gekrege hebbe,--zoo lekker ath wat."

Hij boog zich vertrouwelijk naar haar over.

"'IJ denkt dat 't dat goedje van 'em ith," zeide hij achter zijn hand,
en deed een onderdrukt gelach hooren in zijn keelholte...

De heer Bensington was wèl een gelukkig man dien dag. Hij was niet
in de stemming om te vallen over kleinigheden in het beheer. Het
heldere daglicht deed weliswaar de groeiende slordigheid en vuilheid
der Skinners duidelijker dan ooit zien, doch zijn aanmerkingen waren
zeer zacht. De schotten van verscheidene hokken waren in staat van
verval, doch hij scheen den uitleg van Skinner zeer geldig te vinden,
toen deze hem in vertrouwen mededeelde, "dat 't 'n hond of een foth
of ietsth dergelijkth wath dat 't dee."

Bensington wees hem er op, dat de broedmachine niet schoongemaakt was.

"Dat is ie ook niet, meneer," zei juffrouw Skinner met over elkaar
geslagen armen, en zedig glimlachend achter haar neus. "'t Is as of
we geen tijd gehad hebbe, om 'em schoon te make sints we hier zijn..."

Hij ging naar boven om naar de rattenholen te zien, waarvoor Skinner
een val wilde hebben--zeer zeker waren ze enorm groot--en ontdekte
dat het vertrek, waarin het Voedsel der Goden vermengd werd met meel
en zemelen, in schandelijke wanorde verkeerde. De Skinners behoorden
tot het slag van lieden, die gebarsten schotels, oude bussen, en
flesschen van ingemaakte augurken en mosterdpotjes nog wel ergens
voor weten te gebruiken, en het vertrek was er mee bezaaid. In een
hoek lag een groote hoop appels, die Skinner bijeengegaard had, te
rotten en aan een spijker aan het afloopend gedeelte der zoldering
hingen verscheidene konijnenvellen, waarop hij zijne vaardigheid als
bontwerker wilde beproeven. ("The kunne mìjn niet veel meer leere
van bont en tho," zeide Skinner).

De heer Bensington haalde weliswaar critisch den neus op voor
deze wanorde, doch hij maakte geen noodeloos kabaal, en zelfs
toen hij een wesp zich vond te goed doen in een medicijnpot, half
vol Herakleophorbia IV, merkte hij eenvoudig kalm op, dat ze zijn
substantie liever moesten afsluiten voor de vocht, dan het zóó aan
de lucht bloot te stellen.

En hij wendde zich af, om op te merken, wat hem al eenigen tijd in het
hoofd gezeten had: "ik geloof, Skinner--dat ik maar een van de kuikens
zal slachten,--eenvoudig om een exemplaar te hebben. Ik denk dat we
't vanmiddag nog kunnen slachten, dan neem ik 't mee naar Londen."

Hij deed alsof hij in een anderen medicijnpot keek en nam toen zijn
bril af om die schoon te wrijven.

"Ik zou graag," zeide hij, "ik zou erg graag een reliquie--een
aandenken juist van dìt broedsel en speciaal op dèzen dag--hebben."

"Tusschen twee haakjes," zei hij, "je geeft die kuikens toch geen
vleesch?"

"O, nee, meneer," zei Skinner, "dàt kan ik je verthekere, meneer,
dat we nog tè veel afwete van hoenderthfokke, van welken aard dan ook,
om thóó ietsth te doen."

"Dus je weet zeker dat je geen restantjes van je middageten werpt
in--ik meende de beenderen van een konijn te zien liggen in den
versten hoek van de ren--"

Doch toen zij ze eens bekeken, bevonden zij dat het de grootere
beenderen van een kat waren, erg goed schoongepikt, en al erg droog.



III.

"Dàt is geen kuiken," zei Bensington's nicht Jane. "Denk je dat ik
geen kuiken ken," zei Bensington's nicht Jane heftig. "'t Is véél
te groot voor een kuiken, en bovendien, je kunt héél goed zien, dat
't geen kuiken is. Het lijkt meer op een trapgans dan op een kuiken."

"Ik moet zeggen," zei Redwood, aarzelend, Bensington noode toestaand
hem in het dispuut te betrekken, "ik moet bekennen, dat, de bewijzen
in aanmerking genomen--"

"O, als u dát doet," zei nicht Jane, "in plaats van uw oogen te
gebruiken als een verstandig man--"

"Nee maar, heusch, juffrouw Bensington--!"

"Och, loop heen!" zei nicht Jane. "Jullie mannen zijn allemaal
't zelfde."

"De bewijzen in aanmerking nemend, valt dit dier toch zeker onder dit
soort--ongetwijfeld is het abnormaal, en overvoed, maar tòch--vooral
daar het gekomen is uit het ei van een normale kip--geloof ik toch,
juffrouw Bensington, te moeten toegeven, dat dit, voor zoover men
het ièts kon noemen, een kuiken is."

"Dus u denkt dat dit een kuiken is?" zei nicht Jane.

"Ik gelóóf dat dit een kuiken is," zei de heer Redwood.

"Wat een onzin!" zei Bensington's nicht Jane, en "och," (dit gericht
tegen Redwood's hoofd) "jullie met je onzin," en toen keerde zij zich
plotseling om, ging de kamer uit en sloeg de deur achter zich dicht.

"En 't is een heele opluchting, ook voor mij, het te zien, Bensington,"
zei Redwood, toen de nagalm van het dichtslaan der deur weggestorven
was. "Al moet ik zeggen dat 't erg groot is."

Zonder dat Bensington hem hiertoe behoefde uit te nooden, ging hij
in den lagen leunstoel bij het vuur zitten en bekende dingen bedreven
te hebben, die zelfs voor een leek ongepast zouden zijn geweest.

"Je zult het wel wat overhaast van me vinden, Bensington," zei hij,
"maar de quaestie is, dat ik een klein beetje--niet erg veel--maar
toch, een beetje--in de flesch van baby gedaan heb, nu zoowat een
week geleden!"

"Maar als nu--!" riep Bensington uit.

"Jawel, dat weet ik," zeide Redwood, en keek naar het reuzenkuiken
op den schotel op tafel.

"'t Is gelukkig goed afgeloopen," en hij zocht in zijn zak naar
zijne cigaretten.

Bij stukjes en beetjes gaf hij de bijzonderheden:

"Arme kleine kerel, kwam maar niet vooruit in gewicht... vreeselijk
ongerust. Winkles, een vent van niks... vroegere leerling van me... deê
niks... m'n vrouw, onbeperkt vertrouwen in Winkles... Je weet wel,
een man met een optreden als een rots... overdonderend... Niets geen
vertrouwen in mìj, natuurlijk... Gaf Winkles les... mocht nauwelijks
in de kinderkamer komen... moest toch ìets gedaan worden... sloop
naar binnen toen de zuster zat te ontbijten... en kreeg de flesch
in handen."

"Maar dan zal het aan 't groeien gaan," zei de heer Bensington.

"Het gróéit al. Zevenentwintig ons verleden week... Nu moet je Winkles
'es hooren. "Ligt alleen aan de behandeling," zei hij.

"Wel allemachtig! precies 't zelfde zei Skinner!"

Redwood keek nog eens naar het kuiken. "'t Moeilijke van de zaak is,
om het aan den gang te houden. Ze vertrouwen mij niet meer alleen
in de kinderkamer, omdat ik probeerde een groei-lijn van Georgina
Phyllis te krijgen--en hoe moet ik em nu een tweede dosis geven--"

"Is 't noodig?"

"Hij schreit al twee dagen--hoe dan ook, met zijn gewone voedsel kàn
hij niet doorgaan. Moet nu méér hebben."

"Zeg 't aan Winkles."

"Winkles kan naar den duivel loopen!" zei Redwood.

"Je kondt Winkles in den arm nemen, en hem poeders geven om aan het
kind te geven--"

"Ja, daar zal wel niets anders op zitten," zeide Redwood, zijn kin
op zijn vuist latend rusten en in het vuur kijkend.

Bensington stond een oogenblik het dons op de borst van het kuiken glad
te strijken. "'t Zullen reusachtig groote hoenders worden," zei hij.

"Dàt zullen ze," zei Redwood nog steeds in den gloed starend.

"Zoo groot als paarden," zei Bensington.

"Gróóter," zei Redwood. "Wat ik je zeg, hoor!"

Bensington wendde zich van het exemplaar af.

"Redwood," zei hij, "deze hoenders zullen fureur maken."

Redwood knikte tegen het vuur.

"En waarachtig!" zei Bensington plotseling naderbij tredend met
schitterende brilleglazen, "je kleine jongen óók!"

"Daar denk ik net aan," zei Redwood.

Hij liet zich achterover in zijn stoel vallen, zuchtte, wierp de
nog-niet-opgerookte cigarette in het vuur, en stak zijn handen diep
in zijne broekzakken. "Daar dacht ik juist over. Dit Herakleophorbia
zal raar goedje worden om mee om te gaan. Denk toch es hoe hard dat
kuiken gegroeid moet zijn--"

"Een kleine jongen, die zóó hard groeit," zei de heer Bensington
langzaam, en keek naar het kuiken terwijl hij het zeide.

"Zeg!" zei Bensington, "wat een kerel zal dàt worden."

"Ik zal hem steeds kleiner wordende doses geven," zei Redwood. "Of
liever gezegd, Winkles zal dit doen."

"'t Experiment is tè sterk."

"Jawel."

"Maar toch, weet je, moet ik zeggen--...Te een of andere tijd zal de
een of andere baby 't tòch moeten slikken."

"O, zeker, we zullen er beslist proeven mee nemen op de een of
andere baby.--"

"Precies," zei Bensington, kwam op het haardkleed staan en zette zijn
bril af om hem schoon te maken.

"Ik geloof niet, Redwood, dat, vóór ik deze kuikens zag, ik begòn
te beseffen--ook maar iets--van de mogelijkheid die er lag in wat
wij gemaakt hadden. En zelfs nu begint het pas tot mij door te
dringen... de mogelijke gevolgen..."

En zelfs op dat oogenblik had Bensington nog geen vaag besef van de
mijn, die dat lontje zou doen springen.



IV.

Dit gebeurde in het begin van Juni. Gedurende een paar weken was
Bensington verhinderd de Proef-Hoeve te bezoeken door een ernstige,
doch zuiver denkbeeldige catarrh, en Redwood bracht er slechts een
noodzakelijk overhaast bezoek aan. Hij kwam terug, als vader nog
bezorgder kijkend dan vóór hij ging. Alles bij elkaar genomen, was
het nu zeven weken dat de groei staag en ononderbroken voortging...

En toen begonnen de wespen hun loopbaan.

Het was achter in Juni, en bijna een week vóór de kippen uit
Hickleybrow ontsnapten, dat de eerste der groote wespen gedood
werd. Het bericht ervan verscheen in verscheidene bladen, maar ik
weet niet of het nieuws den heer Bensington bereikte, en nog veel
minder of hij het in verband bracht met het gebrek aan orde dat in
alles op de Proef-Hoeve heerschte.

Er bestaat nu niet meer den geringsten twijfel aan, dat, terwijl
de heer Skinner de kuikens van den heer Bensington opfokte met
Herakleophorbia IV, een aantal wespen èven werkzaam--en misschien nòg
werkzamer--bezig waren hoeveelheden van hetzelfde deeg te vervoeren
naar hun vroege zomer-broedsels op de heuvelen achter de naburige
pijnbosschen. En het is boven allen twijfel verheven, dat deze vroege
broedsels precies evenveel baat vonden bij deze substantie als de
kippen van den heer Bensington. Een wesp bereikt uitteraard vroeger
den rijpen leeftijd dan een kip--en inderdaad waren van al de wezens
die--door de gulle achteloosheid der Skinners--deelden in de geneugten
waarmede de heer Bensington zijne kippen overlaadde--de wespen de
eersten, die in de wereld op den voorgrond begonnen te treden.

Het was een boschwachter, Godfrey genaamd, op het buiten van
luitenant-kolonel Rupert Hick, bij Maidstone, die het eerste dezer
monsters ontmoette en het geluk had het te dooden. Hij liep tot aan
zijne knieën in de brem, dwars over een open veld in de beukenbosschen,
die verscheidenheid brengen in het park van luitenant-kolonel Hick,
en hij droeg zijn geweer--gelukkig voor hem een dubbelloops--over
zijn schouder, toen hij het ding het eerst in het oog kreeg. Het kwam,
zegt hij, met het licht mee, zoodat hij het niet duidelijk kon zien,
en terwijl het op hem afkwam, liet het een gesnor hooren "als een
automobiel." Hij geeft toe dat hij bang werd. Het was blijkbaar zoo
groot als, of nog grooter dan een kerkuil, en voor zijn geoefend oog
moet de vlucht en in het bijzonder het nevelige gedwarrel der vleugels
iets onheilspellend on-vogelachtigs geleken hebben. Bij het instinct
van zelfverdediging, stel ik mij voor, kwam langdurige gewoonte,
toen, zooals hij zegt, hij "het schot er aftrok."

Het vreemde van het geval had waarschijnlijk invloed op zijn mikken;
het grootste gedeelte van zijn schot hagel miste tenminste, en het
ding viel slechts een oogenblik neer met een nijdig "Wzzzz," dat
het onmiddellijk kenmerkte als een wesp. Toen vloog het weder op,
terwijl alle strepen tegen het licht glansden. Hij zegt dat het op
hem af kwam. Hoe dan ook, hij ledigde zijn tweeden loop op nog geen
twintig pas, en wierp zijn geweer weg, liep een paar pas ver weg,
en bukte zich toen om het uit den weg te gaan.

Hij is er zeker van dat het hem op nog geen meter afstands
voorbijsnorde, tegen den grond sloeg, weder opvloog, nogmaals neerviel,
op misschien dertig meter afstand, en toen op zij rolde, met een zich
krommend lichaam, terwijl de angel om zich heen stiet, in en uit, in
zijn laatsten doodstrijd. Hij schoot er beide loopen nogmaals op af,
vóor hij er zich dichtbij waagde.

Toen hij aan het meten ging, bevond hij dat het een vlucht van
zevenentwintig en een halven duim had, en de angel was drie duim
lang. De buik was hem schoon van het lijf weggeschoten, maar hij
schatte de lengte van het ding van kop tot angel op achttien duim--wat
ongeveer uitkomt. Zijn facetten-oogen waren zoo groot als guldens.

Dat is de eerste authentieke verschijning van deze reuzen-wespen. Den
dag daarna scheelde het heel weinig of een fietsrijder, die met
opgetrokken beenen den heuvel tusschen Sevenoaks en Tonbridge kwam
afdalen, reed over een tweede dezer reuzen, die dwars over den weg
kroop. Zijn voorbijkomen scheen het dier te verschrikken, en het vloog
òp met een gedruisch als een zaagmolen. Zijn fiets hotste over den
weg in de ontroering van het oogenblik, en toen hij in staat was òm
te kijken, zweefde de wesp heen, hoog over de bosschen, in de richting
van Westerham.

Na een tijdje onvast voortgereden te hebben, remde hij, stapte af--hij
beefde zoo hevig, dat hij over zijn fiets viel terwijl hij het deed--en
ging aan den kant van den weg zitten om bij te komen. Hij was van plan
geweest naar Ashford te trappen, doch kwam niet verder dan Tonbridge
dien dag...

Merkwaardig genoeg zijn er de eerstvolgende drie dagen geen berichten
van groote wespen, die gezien werden. De weerberichten van die
dagen raadplegend, bevind ik dat de lucht bedekt was, en het door
plaatselijke buien te koud was om veel uit te vliegen, wat misschien
deze tusschenruimte verklaart. Op den vierden dag was de hemel weder
blauw, en scheen de zon prachtig en braken er zooveel wespen los,
als de wereld voorzeker te voren nooit gezien had.

Het is onmogelijk te raden hoeveel groote wespen er dien dag te
voorschijn kwamen. Er zijn minstens vijftig gevallen van hunne
verschijning vermeld. Er viel één slachtoffer, een kruidenier, die
een van deze monsters in een suikervat ontdekte en het onbezonnen
aanviel met een spa, toen het opvloog. Hij sloeg het neêr voor een
oogenblik, en het stak hem door zijn laars toen hij het een tweeden
slag toebracht, en het lichaam van het dier in tweeën sneed. Hij was
het eerste van hun tweeën dood...

De meest dramatische van die vijftig verschijningen was wel die van de
wesp die het Britsch Museum bezocht, tegen den middag, en die uit het
blauwe luchtruim neerschoot op een der tallooze duiven die op het plein
vóór dat gebouw gevoederd worden, en ermee naar de kroonlijst vloog
om zijn slachtoffer op zijn gemak te verslinden. Daarna kroop zij een
tijdlang over het dak van het museum, kwam door een vallicht den koepel
der leeszaal binnen, gonsde hier eenigen tijd in rond--er ontstond een
paniek onder de lezers--vond eindelijk een raam en verdween plotseling
in stilte weder uit de menschelijke waarnemingssfeer.

Het meerendeel der andere berichten behelsde niets anders dan dat
ze langs, of neergekomen waren. Een picnic werd te Aldington Heuvel
uiteengejaagd en alle lekkernijen en de jam verorberd, en een jonge
hond werd gedood en aan stukken gescheurd dicht bij Whitstable,
voor de oogen van zijn meesteres...

De straten weerklonken dien avond van den roep over de wespen,
de plakkaten der nieuwsbladen wijdden zich in de vetste letters
uitsluitend aan de "Reusachtige Wespen in Kent!" Opgewonden
hoofdredacteurs en redacteuren holden wenteltrappen op en af en
brulden allerlei over "wespen." En Professor Redwood, die uit zijn
college in Bondstreet kwam, opgewonden door een warm dispuut met
zijn comité over den prijs van jonge stieren, kocht een avondblad,
opende het, verschoot van kleur, dacht geen oogenblik langer aan zijn
jonge stieren en zijn comité, en reed zoo hard het paard maar loopen
wilde in een bakje naar Bensington's kamers.



V.

De verdieping werd in beslag genomen, leek het hem toe--met
buitensluiting van alle andere voelende dingen--door meneer Skinner
en zijn stem, zoo ge tenminste een van beiden een voelend iets
kunt noemen!

De stem was héél hoog, baggerend in de angsttonen.

"We kunne onmogelijk blijve, meneer, we thijn d'r gebleve in de
hoop dat 't beter thou worden, en 't wordt hoe langer hoe erger,
meneer. 't Thijn niet alleen de wethpen, meneer--d'r thijn groote
oorwormen, meneer, thóó groot, meneer." (Hij stak zijn geheele hand en
nog ongeveer drie duim vette, smerige pols uit). "M'n vrouw krijgt er
haatht een beroerte van angtht van, meneer. En de brandnetelth bij de
kippenloopen, meneer, diè groeie ook al, meneer, en het kanariekruid,
meneer, dat we bij de thinkput thaaiden, meneer--dat sthak z'n ranke
door het raam 'th nachts, meneer, en greep m'n vrouw bijna bij d'r
beene, meneer. Dat komt door dat voeder van u, meneer. Overal waar we
wat gemortht hebbe, meneer, ith alles wèliger an 't groeie gegaan,
meneer, dan ik dacht dat mogelijk wath. 't Ith onmogelijk, meneer,
om nog 'n maand te blijve, meneer. We thoue d'r niet levend van daan
komme, meneer. Al stheke de wespen onth niet, dan thulle we gethmoord
worde door de thlingerplant, meneer. Je kunt je d'r geen denkbeeld
van make, meneer--alth je thelf niet komt kijke, meneer--"

Hij richtte zijn verheven oog naar de kroonlijst boven Redwood's
hoofd. "Wie thal thegge, meneer, of de ratte 't ook al niet te pakke
hebbe, meneer! En daar ben ik 't bangthste voor, meneer. Tot nog toe
heb ik geen groote rat gethien, meneer, maar wie thal 't thegge,
meneer? We thijn dage lang in de war geweetht van thchrik toen we
die oorwurme thage--alth kreefte, meneer--twee, meneer--en dan dat
kanariekruid; en tho gauw toen ik de wethpen hoorde, meneer, thnapte ik
't. Ik wachtte geen oogenblik langer, dan om 'n knoop antethette die
'k verlore had, en toen ben ik maar gauw hierheengekomme. En nou ben ik
half buite methelf van angst over m'n vrouw, meneer. Dat kanariekruid
kruipt over de heele plaatth alth een thlang, meneer--terwijl je d'r
naar kijk, meneer! en dan die oorwurme, die hoe langer hoe grooter
worde, en de wepthe--ze heeft thelfths geen thakjethblauw [2],
meneer,--alth d'r wat overkwam, meneer!"

"Maar de kippen," zeide de heer Bensington; "hoe gaat het met de
kippen?"

"We hebbe the tot githtere gevoederd, 't ith waar," zei de heer
Skinner, "maar vanmorge dòrthte' we niet meer, meneer. 't Lawaai dat de
wethpe' maakte'--vreethelijk, meneer. The vloge net uit--dothijne. Tho
groot ath kippe. Ik theg tege d'r "naai me eve 'n paar knoope'
aan," theg ik, "want ik kon toch thò niet naar Londen," theg ik,
"en dan ga ik naar meneer Benthington," zeg ik, "om 'em alleth te
vertelle. En jij blijf in dethe kamer tot ik terugkom," theg ik,
"en hou de rame' tho dicht alth je maar kan," theg ik."

"Als jelui niet zoo vervloekt slordig waart geweest"--begon Redwood.

"O, theg dàt niet, meneer!" zeide Skinner. "Noù niet meneer, nou
dat ik tho in angthst thit over m'n vrouw, meneer! Athjeblìéft,
meneer. Ik kan nou nikth tegenthegge. Waarachtig, meneer, 't gaat
niet! Ik moet al maar an die ratte denke--wie weet of the m'n vrouw
al niet beet hebbe, terwijl ik hier ben?"

"En heb je dan niet één enkele opmeting van al die heerlijke
groei-lijnen!" zeide Redwood.

"'k Ben te veel in de war geweetht, meneer," zeide meneer
Skinner. "Alth je witht, wat wij doorgethtaan hebbe--ik en m'n
vrouw. We withte niet wat er van te denke, meneer. Doordat die kippe
tho groeiden, en de oorwurme, en het kanarie-kruid..."

"Ja, ja, dat heb je nou allemaal al verteld," zeide Redwood. "Maar
wat moeten we aanvangen, Bensington?"

"Wát moeten wij aanvange?" vroeg meneer Skinner.

"Jij zult natuurlijk terug moeten naar je vrouw," zeide Redwood. "Je
kunt haar daar niet alleen laten den geheelen nacht."

"Maar alléén ga 'k nièt, meneer, al ware d'r 'n dothijn juffrouwen
Thkinner. 't Ith meneer Benthington --"

"Onzin," zeide Redwood, "'s Avonds zijn d'r geen wespen, en de
oorwurmen gaan je wel uit den weg--"

"Maar de ratten dan?"

"Er zìjn geen ratten," zeide Redwood.



VI.

De heer Skinner had zich zijn voornaamste punt van bezorgdheid kunnen
besparen. Juffrouw Skinner bleef zelfs niet tot den avond.

Tegen elf uur begon het kanariekruid, dat den geheelen morgen ijverig
werkzaam geweest was, over het raam heen te klimmen, en dit sterk
te verduisteren, en hoe donkerder het werd, hoe duidelijker het
juffrouw Skinner werd, dat haar toestand heel spoedig onhoudbaar
zou zijn. En ook, dat 't was alsof zij eeuwen doorleefd had sedert
Skinner heenging. Zij gluurde een tijdje uit het duister wordende raam,
door de steeds verder reikende ranken, ging toen zeer behoedzaam de
slaapkamerdeur open doen en luisterde... Alles scheen rustig, en aldus
haar rokken bij elkaar houdend, holde zij de slaapkamer binnen en nadat
zij eerst onder het bed had gekeken en de deur op slot gedraaid had,
begon zij met de stelselmatige vlugheid van een vrouw van ondervinding
aan het pakken om te vertrekken. Het bed was nog niet opgemaakt en de
vloer der kamer was bezaaid met stukken der kruipplant die Skinner
den vorigen avond afgehàkt had om het venster te kunnen sluiten,
doch aan deze wanorde stoorde zij zich niet. Zij pakte alles in
een fatsoenlijk laken. Zij pakte haar geheele eigen garderobe in en
een velveteen jas die Skinner droeg als hij er eens héél netjes wou
uitzien, en zij pakte een pot augurken in, die nog niet aangebroken
was, en tot zoover was haar pakken volkomen in orde. Doch zij pakte
ook in twéé van de hermetisch-gesloten bussen met Herakleophorbia IV,
die de heer Bensington bij zijn laatste bezoek had medegebracht. (Zij
was wel eerlijk, 't goeie mensch,--maar zij was toch ook grootmoeder en
haar hart bloedde als zij zulk een heerlijk groeimiddel zag verspillen
op een troep van die verwenschte kuikens.)

En toen ze al deze dingen ingepakt had, zette zij haar hoed op,
deed haar schort af, bond een nieuwen schoenveter om haar parapluie
en na langen tijd aan de deur en het venster geluisterd te hebben,
opende zij de deur en trad naar buiten om de gevaarlijke buitenwereld
in te gaan. Zij hield de parapluie onder den arm en zij omklemde het
pak met twee beenige handen, die niet los zouden laten. Het was haar
beste zondagsche hoed en de twee klaprozen die hunne hoofden opstaken
midden uit de pracht van lint en kraal, schenen bezield met denzelfden
huiverigen moed, die haarzelf vervulde.

De lijnen om haar neuswortel trokken rimpels van vastberadenheid. Nu
had zij er genoeg van! Heelemaal alleen daar te zitten! Als Skinner zin
had kon die daar terugkomen, maar zij moest er niks meer van hebben.

Zij ging de vóórdeur uit, niet omdat zij naar Hickleybrow wilde
gaan (haar doel was Cheasing Eyebright, waar haar getrouwde dochter
woonde), maar omdat zij door de achterdeur er niet meer uit kon door
de slingerplant, die zoo woest aan het groeien gegaan was, nadat zij
de bus met voeder dicht bij de wortels bij ongeluk omgegooid had. Zij
luisterde een poosje, en sloot de voordeur zeer behoedzaam achter
zich dicht.

Bij den hoek van het huis bleef zij staan en nam poolshoogte.

Een lang litteeken van zand op de helling van den heuvel achter het
pijnbosch, duidde op de nabijheid van het Reuzen-wespen-nest, en dit
litteeken sloeg zij aandachtig gade. Het uitvliegen en terugkomen
van 's morgens was gedaan, toevallig was er geen enkele wesp in
het zicht, en behalve een geluid dat weinig meer hoorbaar was dan
een stoom-houtzaag in volle werking tusschen de denneboomen zoude
geweest zijn, was alles stil. Wat de oorwormen aangaat, zij zag
er geen enkele. Weliswaar zag ze onder in de kool iets bewegen,
doch dat kon evengoed een kat zijn die op vogels loerde. Zij keek
hier een tijdje naar. Zij verwijderde zich enkele schreden van den
hoek, kreeg den ren met de reuzen-kuikens in het zicht en bleef
weder staan. "Ach!" zeide zij, en schudde langzaam het hoofd toen
zij ze zag. Zij waren nù ongeveer zoo groot als een casuaris, doch
natuurlijk veel breeder van lijf--heelemaal veel grooter. Het waren
allen hennen, vijf stuks, nu dat de twee jonge hanen elkaar gedood
hadden. Ze aarzelde een oogenblik toen zij ze in zulke neerslachtige
houdingen zag staan. "Arme sukkels!" zeide zij, en legde haar pak neer;
"ze 'ebbe' geen water. En ze 'ebbe' in vierentwintig uur geen ete'
gehad! En dan met zoo'n eetlust!" Zij bracht een magere vinger aan
hare lippen en ging met zichzelve te rade.

En toen deed deze slordige vrouw wat mij tenminste werkelijk een
heldhaftige, barmhartige daad toelijkt. Zij liet haar buidel en
parapluie midden op het klinkerpad liggen, ging naar den put en
putte niet minder dan drie emmers water voor den ledigen drinkbak der
kuikens, en toen, terwijl zij zich daar allemaal om verdrongen, deed
zij stilletjes de deur van den ren open. Daarna werd zij bijzonder
actief, nam haar pak weder op, klom over de heg achter in den tuin,
stak dwars de welige weiden (om het wespennest te vermijden) over en
beklom moeizaam het kronkelende pad naar Cheasing Eyebright.

Al hijgend ging het tegen den heuvel op, en onder het gaan bleef zij
telkens even staan, om uit te rusten, op adem te komen en nog eens om
te kijken naar het kleine huis naast het pijnbosch daar beneden. En
toen zij eindelijk bijna den top van den heuvel bereikt had, zag zij
in de verte drie wespen van elkaar verwijderd vliegen, en log naar
het westen afdalen, en dat maakte haar beenen een boel vlugger.

Zij had nu weldra het open terrein achter zich gelaten, en kwam aan
de met hooge bermen afgezette laan (die haar een veiliger plaats
toeleek) en zoo over Hickleybrow Coombe naar de heuvels. En daar
aan den voet der heuvels, waar een dikke boom haar een schuilplaats
aanbood, rustte zij een oogenblik uit op een hek.

Toen weder vastberaden voorwaarts...

Gij ziet haar al, hoop ik, met haar witten bundel, zelf een soort
van op-de-achterste-pooten-loopende mier, zich voortreppend langs
het kleine witte pad-lint dwars over de hellingen der heuvels, in de
felle zon van den zomernamiddag. Zij sukkelde voort, haar vastberaden,
onvermoeibaren neus achterna, en de papavers op haar hoed trilden
zonder ophouden, en haar elastieken schoenen werden al witter en
witter door het mulle zand. Flip-flap, flip-flap petterden haar
schoenen door de stille hitte van den dag, en voortdurend trachtte
haar parapluie ondeugend weg te glijden van onder den elleboog die
'm vasthield. De mond-rimpel onder haar neus was nu saamgetrokken tot
de uiterste vastberadenheid, en telkens beval zij haar parapluie weder
naar boven te komen of gaf een nijdigen ruk aan haar bundel. En soms
mompelden hare lippen gedeelten van een wel-te-wachten twistgesprek
tusschen haarzelf en Skinner.

En, mijlen ver weg, groeiden een torenspits en een bosch ongemerkt
op uit het ijle blauw, zoodat het vreedzame uithoekje waar Cheasing
Eyebright veilig verborgen lag voor het gedruisch der wereld,
steeds duidelijker zichtbaar werd, zich zeer weinig bekommerend om
het Herakleophorbia dat verborgen lag in dien witten bundel, die zoo
volhardend op de kalme rust van het plaatsje toesukkelde.



VII.

Zoover als ik kan nagaan, kwamen de kuikens in Hickleybrow 's middags
tegen drie uur. Hun komst schijnt heel wat levendigheid meegebracht
te hebben, hoewel er toevallig niemand op straat was om ze te zien
aankomen. Het geweldige gekrijsch van den kleinen Skelmersdale schijnt
de eerste aanduiding te zijn geweest dat er iets niet in den haak
was. Juffrouw Durgon van het postkantoor stond als gewoonlijk voor
het raam, en zag de kip, die het ongelukkige kind beetgepakt had,
met groote passen de straat afrennen met haar slachtoffer, dicht
op de hielen gezeten door twee anderen. Ge kent wel die waggelende
groote passen van het geïmproviseerde athletische kuiken van heden ten
dage! Gij kent wel het vinnige vasthouden van de hongerige kip! Er
zat bloed van Plymouth Rocks in deze kippen, heb ik hooren zeggen,
en zelfs zonder Herakleophorbia, is dit een mager, hardloopend ras.

Het is mogelijk dat juffrouw Durgon niet zoo heel erg verrast
was. Niettegenstaande het aandringen van den heer Bensington op
geheimhouding, liep er toch reeds sinds eenige weken in het dorp een
gerucht rond omtrent het groote kuiken, dat Skinner aan het opfokken
was. "Goeie hemel!" riep zij uit, "net wat ik dacht."

Zij schijnt zich met groote tegenwoordigheid van geest gedragen te
hebben. Zij greep den verzegelden zak met brieven, die lag te wachten
om door te gaan naar Urshot, op, en rende hiermede onmiddellijk de deur
uit. Bijna op hetzelfde oogenblik verscheen de heer Skelmersdale, een
gieter krampachtig bij de tuit houdend, en erg bleek. En het spreekt
vanzelf, dat binnen een minimum van tijd iedereen in het dorp naar
de deur of het venster holde.

Het schouwspel dat juffrouw Durgon aanbood, den weg afhollend, met de
geheele correspondentie van dien dag in de hand, bracht het kuiken,
dat in bezit was van den jongenheer Skelmersdale, tot nadenken. Het
bleef één oogenblik besluiteloos staan, en wendde zich toen naar het
open hek van de plaats van Fulcher. Dit oogenblik was noodlottig. Het
tweede kuiken kwam gezwind aanloopen, kreeg het kind te pakken door een
goedgerichte pik, en vloog over den muur in den tuin van den dominé.

"Charawk, chawk, chawk, chawk, chawk, chawk!" riep de achterste hen,
netjes geraakt door den gieter van den heer Skelmersdale, en fladderde
in wilde haast over het landhuis van mevrouw Glue, en zoo op het
terrein van den dokter, terwijl de overige van die Gargantuaansche
vogels dwars over het grasveld der pastorie het kuiken achtervolgden,
dat op dàt oogenblik in bezit was van het kind.

"Goeie hemel!" riep de hulpprediker uit (zooals enkelen beweren, zei
hij iets veel manlijkers) en liep toe, zijn crocket-hamer zwaaiend
en schreeuwend om de jacht te keeren.

"Halt, schurk!" riep de hulpprediker, alsof reuzen-kippen doodgewone
dingen waren.

En toen, bevindende dat hij het met geen mogelijkheid kon tegenhouden,
wierp hij zijn hamer met alle macht het dier achterna, en in een
sierlijken boog vloog hij rakelings langs het hoofd van jongenheer
Skelmersdale en door de glazen lantaarn van de broeikas. Krak! De
nieuwe broeikas! De prachtige nieuwe broeikas van de domineesche!

De kip schrok er van. Iederéén zou er van geschrokken zijn. Zij liet
haar slachtoffer vallen in een Portugeeschen laurierstruik, (waaruit
het een oogenblik later te voorschijn gehaald werd, gehavend doch
heelshuids, op zijn minder fijne kleêren na), sprong fladderend naar
het dak van Fulcher's stal, zakte met den poot door een zwakke plaats
in de pannen, en daalde, om het zoo maar eens uit te drukken, uit de
oneindige ruimte, in de contemplatieve rust van den heer Bumps, de
lamme, die--en het is nu boven allen twijfel verheven door de bewijzen
die voorhanden zijn--bij deze speciale gelegenheid in zijn leven,
de geheele lengte van zijn tuin afliep, en zoo naar binnen zonder
eenige hulp, de deur achter zich grendelde en toen zich onmiddellijk
weder overgaf aan Christelijke berusting en algeheele afhankelijkheid
van zijn vrouw...

De overige kuikens werden tegengehouden door andere crocketspelers, en
gingen door den moestuin van den predikant het veld van den dokter in,
waar de vijfde zich ook bij hen voegde, mistroostig klokkend na een
mislukte poging om over de komkommerkassen te loopen in den tuin van
meneer Witherspoon. Ze schijnen daar bij elkaar gestaan te hebben,
zooals kippen dat doen kunnen, en een beetje gekrabd en peinzend
geklokt te hebben, en toen pikte er een naar een bijenkorf van den
dokter en wierp hem omver, en hierop gingen ze aan den haal met een
zotten, hortenden, onregelmatigen gang, dwars de velden door in de
richting van Urshot, en de straat te Hickleybrow zag ze niet weder. Bij
Urshot schijnen ze werkelijk aan hun vraatzucht geëvenredigd voedsel
gevonden te hebben in een veld koolrapen, en pikten hier een tijd
met smaak aan, tot hun roem hen achterhaalde.

De voornaamste onmiddellijke reactie op dezen verbazingwekkenden inval
van reuzen-hoenders op den menschelijken geest was het plotseling
ontwaken van een eigenaardige onweerstaanbare neiging om te schreeuwen
en hard te draven en met allerlei dingen te gooien, en in een bijzonder
korten tijd was nagenoeg de geheele beschikbare mannelijke bevolking
van Hickleybrow en verscheidene dames, er op uit met een merkwaardige
verzameling van ratelende en klapperende dingen in de hand--om het
verdrijven der reuzenkippen aan te vangen. Ze dreven ze Urshot binnen,
waar een Landelijk Feest gehouden werd, en Urshot beschouwde ze als
de kroon op een gelukkigen dag. Men begon op ze te schieten dicht bij
Findon Beeches, doch in het begin slechts met een vogelroer. Natuurlijk
kunnen vogels van deze grootte een onbeperkte hoeveelheid kleine hagel
in zich opnemen zonder eenige nadeelige gevolgen. Zij raakten dicht
bij Sevenoaks van elkaar en bij Tonbridge liep er een, al klokkend,
een tijdlang buitengewoon opgewonden, naast den namiddagboot-express,
en een eindje er voor uit,--tot groote verbazing van alle passagiers.

En tegen half vijf werden er twee zeer handig gevangen door een
circuseigenaar te Tunbridge Wells, die ze in een kooi, welke leegstond
door den dood van een tot weduwe geworden drommedaris, lokte, door
koekjes en brood te strooien...



VIII.

Toen de ongelukkige Skinner dien avond te Urshot uit den Zuid-Ooster
trein stapte, was het bijna schemer. De trein was laat--doch niet
buitensporig laat--wat meneer Skinner dan ook tegen den stationschef
opmerkte. Misschien zag hij het oog van den chef veelbeteekenend
schitteren. Na een zeer korte aarzeling en met een vertrouwelijk
handgebaar naar den kant van zijn mond vroeg hij of er dien dag ook
"iets" gebeurd was.

"Wat bedòel je?" zei de chef, een man met een harde nadrukkelijke stem.

"Met die wethpen en dat tuig."

"We hebbe niet veel tijd gehad om aan wespe te denke," zei de chef
vriendelijk. "We zijn veels te druk geweest met je pesterige kippen,"
en hij deelde hem mede wat er met de kuikens gebeurd was.

"Je hebt toch nikth ge'oord van juffrouw Thkinner?" vroeg Skinner,
tusschen dien stortvloed van kernachtige woorden en aanmerkingen
door...

"Ben je nou heelemaal!" zeide de chef--alsof zelfs hij de grens trok
op het gebied van dingen-weten.

"Dan moet 'k er toch eth naar gaan onderthoeke," zeide meneer Skinner,
zich zijdelings verwijderend buiten schot voor de algemeene opmerkingen
over de verantwoordelijkheid, die iemand op zich nam door kippen te
zwaar te voeden, waarmede de chef besloot...

Toen hij Urshot doorkwam werd hij aangeroepen door een kalkbrander
uit de groeven in de buurt van Hankey, die hem vroeg of hij naar zijn
kippen zocht.

"Je hebt bijgeval toch niksth gehoord van m'n vrouw?" vroeg hij.

De kalkbrander--wàt hij precies zeide gaat ons niet aan--gaf te kennen
dat hij méér belang stelde in kippen....

Het was reeds donker--zoo donker als een nacht in de maand Juni
in Engeland tenminste zijn kan--toen Skinner--of zijn hoofd liever
gezegd--om de deur van "de Vroolijke Drijvers" kwam kijken, en zeide:
"Ello! je 'ebt toch nikth ge'oord van die gesthchiedenith met mijn
kippe, hè?"

"Zoo!" zeide Fulcher. "Nou, een gedeelte van die geschiedenis is
door het dak van mijn stal komen zakken, en één hoofdstuk heeft
een gat gestooten in de broeibak van de domineesche--neem me niet
kwalijk--Broeikàst."

Skinner trad binnen. "Ik wil een troothtertje hebbe," zei hij "warme
jenever met water, athjeblieft," en iedereen begon hem te vertellen
omtrent de kuikens.

"Goeie god!" zeide Skinner. "Je 'ebt toch nikth ge'oord van juffrouw
Thkinner?" vroeg hij toen het even stil was.

"Nee, dat niet!" zeide Witherspoon. "An haar hebbe we niet
gedacht. Trouwens an jou evenmin, hoor."

"Ben je vandaag dan niet thuis geweest?" vroeg Fulcher, over zijn
bierpul heen.

"As een van je verwenschte vogels d'r gepikt heeft," begon Witherspoon,
en liet de gansche onuitgesproken verschrikking zijner woorden aan
hun hulpelooze verbeelding over...

Het leek de vergadering op dat oogenblik interessant toe, als besluit
van een gebeurtenis-vollen dag, om Skinner te vergezellen, en te
zien of er iets gebeurd wàs met juffrouw Skinner. Je weet nooit wat
meevallertjes je kunt hebben als er ongelukken op de baan zijn. Doch
Skinner, die bij de toonbank stond en zijn warme jenever met water
dronk, met één oog dwalend over de dingen achter het buffet en het
andere gericht op het onbegrensde, miste het psychologische van
dit moment.

"D'r ith vandaag toch niksth an de hand geweetht met een van die
groote wepthen?" vroeg hij, met een bestudeerde losheid van manier.

"Veels te druk geweest met je kippe," zei Fulcher.

"Ik vertrouw dat the nou toch al wel binne thulle thijn, hè?" zei
Skinner.

"Wat--de kippe?"

"Ik dacht an de wepthe," zei Skinner.

En toen, met een omzichtigheid die wantrouwen zou gewekt hebben in
een kind van een week oud, en den klemtoon leggend op het meerendeel
der woorden die hij zeide, vroeg hij, "níémand 'ééft toch ge'óórd van
andere groote dingen, wel? Groote 'onde' of katte' of thóó ietsth? Ik
thou thegge dat as d'r groote kippe en wepthe' thijn, dat--"

Hij lachte met een uitstekend nagebootst air alsof hij zoo maar
wat zei.

Doch er kwam een peinzende uitdrukking op de gezichten der
Hickleybrowers. Fulcher was de eerste die aan hun aller, steeds
helderder wordende gedachte den concreten woorden-vorm gaf.

"'n Kat, die past bij die kippe'--" zei Fulcher.

"Net zoo!" zei Witherspoon, "'n Kat die past bij diè kippe'."

"Dat zou 'n tijger zijn," zei Fulcher.

"Nog erger dan 'n tijger," zei Witherspoon.

Toen Skinner eindelijk het eenzame voetpad volgde over het glooiende
veld dat Hickleybrow scheidde van de sombere vallei, die overschaduwd
werd door pijnboomen, in welker donkere schaduw de reusachtige
kanarie-kruid-kruipplant in stilte zijn strijd uitvocht met de
Proef-Hoeve, volgde hij het alléén.

Zeer duidelijk zag men hem rijzen tegen de lucht--want zoover volgde
de publieke belangstelling hem--en weder afdalen in den nacht, in
een duisternis waaruit hij nooit weder zal te voorschijn komen. Hij
verdween--in één groot mysterie. Tot op dezen dag weet niemand wat
er met hem gebeurde, nadat hij de helling over was.

Toen later de beide Fulchers en Witherspoon, aangevuurd door hun
eigen verbeelding, den heuvel beklommen, en naar hem uitstaarden,
had de nacht hem geheel verzwolgen.

De drie mannen stonden dicht bij elkaar. Er kwam geen enkel geluid
tot hen vanuit de duisternis van het bosch, dat de Hoeve aan hunne
oogen onttrok.

"'t Zal wel in orde zijn," zeide de jonge Fulcher, een lang stilzwijgen
verbrekend.

"Ik zie geen lichten," zei Witherspoon.

"'t Is dampig," zei de oudste van de Fulchers.

Zij bleven een oogenblik in gedachten verzonken staan.

"Hij zou wel teruggekomme zijn as d'r iets niet in den haak was." zei
de jonge Fulcher, en dit leek zóó voor de hand liggend en afdoend,
dat een oogenblik later de oude Fulcher zei "kom," en zij alle drie
naar huis en te bed gingen--ik moet toegeven, wel wat nadenkend...

Een herder, die buiten was in de buurt van Huckster's boerderij,
hoorde een gejank in den nacht, dat hij dacht van vossen afkomstig
te zijn, en den volgenden morgen was een van zijn lammeren gedood,
halverwege naar Hickleybrow gesleept en gedeeltelijk verslonden...

Het onverklaarbare van het geval is, dat er geen onbetwistbare
overblijfselen van Skinner gevonden werden!

Verscheidene weken daarna, werd er tusschen de verkoolde ruïnen
der Proef-Hoeve iets ontdekt, dat een menschelijk schouderblad kon
geweest zijn, maar het ook evengoed nièt kon geweest zijn, en in een
ander gedeelte der ruïnen een lang been, erg afgekloven, en eveneens
van twijfelachtige herkomst. Dicht bij den opstap van het hek, op de
helling naar Eyebright, werd een glazen oog gevonden, en verscheidene
lieden ontdekten naar aanleiding hiervan, dat Skinner veel van zijn
persoonlijke bekoring te danken had aan dit artikel. Het staarde
de wereld aan met hetzelfde air van los zijn van al het aardsche,
dezelfde strenge zwaarmoedigheid, die de redders waren geweest van
zijn gelaat, dat anders wereldsch had kunnen lijken.

En om de ruïnen bracht een ijverig onderzoek de metalen ringen en
verkoolde omtrekken van twee linnen knoopen, en drie onaangetaste
beenen knoopen aan het licht, en een van die metalen soort die gebruikt
worden voor de minder in het oog vallende naden der menschelijke
kleedij. Deze overblijfselen zijn door personen, die het weten
konden, beschouwd als zonder eenigen verderen twijfel, wijzend
op een verslonden en verstrooiden Skinner, doch terwille van mijn
eigen overtuiging, en zijn zeer sterk aangeboren slordigen aard in
aanmerking nemend, moet ik zeggen dat ik voor mij liever wat minder
knoopen en wat meer beenderen had wenschen te zien.

Na het vinden van het glazen oog is het natuurlijk zeer moeilijk de
eerste meening te weerleggen en deze heeft dan ook allen schijn van
waarheid, doch als het werkelijk het oog van den heer Skinner is,--en
zelfs juffrouw Skinner wist nooit zeker of zijn onbeweeglijk oog van
glas was--dan moet het een of ander het veranderd hebben van zacht
bruin tot helder en geprononceerd blauw. Dat schouder-blad is een
zeer twijfelachtig bewijsstuk, en ik zou het wel eens willen leggen
naast de afgeknaagde schouderbladen van enkele van de meer gewone
huisdieren, vóor ik toegeef dat het aan een mensch toebehoorde.

En waar waren Skinner's schoenen dan wel, bijvoorbeeld?

Verdorven en vreemd als de vraatzucht van een rat moge zijn, is het
dan nog aan te nemen dat dezelfde wezens een lam half-opgegeten
zouden laten liggen, en Skinner oppeuzelen met haar, beenderen,
tanden en laarzen?

Ik heb zooveel mogelijk lieden ondervraagd die Skinner zeer persoonlijk
gekend hadden, en als één man zijn zij het er over eens, dat zij
zich niet konden voorstellen dat ièts, wat dan ook, Skinner zou
opeten. Hij behoorde tot het soort van menschen,--zooals een ex-zeeman
die in een woning van den heer W. W. Jacobs te Dunton Green woonde,
mij vertelde, met een voorzichtige gewichtigheid in zijn optreden,
niet ongewoon in die streken--die tòch eenmaal "naar de haaien gaan,"
en wat betreft die verscheurende dieren, dat Skinner in staat was
"om een vuur het licht uit te blazen."

Hij beschouwde Skinner even veilig op een ronddrijvende balk als
overal elders. De ex-zeeman voegde erbij dat hij niks van Skinner zou
zeggen, hoor, maar feiten waren feiten, en dat hij, wat hem betreft,
nog maar liever de bak in ging dan zijn kleeren bij Skinner te laten
maken. Deze opmerkingen stellen Skinner voorzeker niet in een erg
appetijtelijk daglicht.

Om volkomen eerlijk spel met den lezer te spelen, moet ik voor
mij verklaren, niet te gelooven dat hij ooit naar de Proef-Hoeve
terugkeerde. Ik geloof dat hij lang en aarzelend bleef rondzwerven
in de velden om Hickleybrow, en dat hij eindelijk, toen dat gejank
begon, den kortsten weg nam om uit zijne verlegenheid te geraken,
en zoo het onbekende in.

En in het onbekende, hetzij van deze wereld of van het hiernamaals,
is hij hardnekkig en zonder eenigen twijfel gebleven tot op den
huidigen dag...



HOOFDSTUK III.

DE REUZEN-RATTEN.


I.

Twee nachten na het verdwijnen van den heer Skinner, reed de dokter
van Podbourne nog laat in zijn tilbury in de buurt van Hankey. Hij was
den geheelen nacht bezig geweest een onaanzienlijken jongen burger
onze vreemde wereld in te helpen, en nadat zijn taak volbracht was,
reed hij slaperig naar huis.

Het was ongeveer twee uur in den morgen en de afgaande maan kwam op. De
zomernacht was kil geworden, en er hing een lage bleeke mist, die
de dingen onduidelijk zichtbaar maakte. Hij was geheel alleen--want
zijn koetsier lag ziek te bed--en er was aan weerszijden van den
weg niets te zien dan een erg-mysterieus-uitziende heg, die voor het
gele licht zijner lantarens heentrok, en er was niets te hooren dan
het getrappel van zijn paard en de scherpe echo's die door de heg
weerkaatst werden. Zijn paard was even betrouwenswaardig als hijzelf
en het is dan ook niet te verwonderen dat hij dommelde...

Gij kent dat afwisselende indutten en met schrik wakker worden wel,
dat knikkebollen van het hoofd, het knikken op het rhytmisch geluid
der wielen, nu eens met de kin op de borst en dan het plotseling
weder opschrikken.

"Klep, klep, klep."

"Wat was dat?"

Het leek den dokter toe alsof hij een zacht, schril gejank vlak
bij zich hoorde. Een oogenblik lang was hij klaar wakker. Hij zeide
een paar onverdiende verwijtingen tegen zijn paard en keek om zich
heen. Hij trachtte zichzelven gerust te stellen. 't Zou 't verwijderde
geblaf van een vos wel zijn,--of misschien een jong konijn dat door
een fret gepakt was.

"Rikke-tikke-e-tik-tik-tik...."

"Wat was dat dan toch?"

Hij voelde dat zijn verbeelding hem parten begon te spelen. Hij
schurkte es met de schouders en jeude zijn paard aan. Hij luisterde,
doch hoorde niets meer.

"Of zou het niets geweest zijn?"

Hij had een vaag idee dat er even iets naar hem gegluurd had over de
heg, een rare, groote kop. Met ronde ooren! Hij tuurde ingespannen,
maar zag niets.

"Onzin," zei hij.

Hij ging rechtop zitten met de overtuiging dat hij de nachtmerrie
gehad had, gaf zijn paard een heel zacht tikje met de zweep,
sprak het toe en tuurde weer over de heg. Het helle licht van zijn
lantaarn, samen met den mist, maakte de dingen schimmig, en hij kon
niets onderscheiden. Het kwam toen plotseling in hem op, zegt hij,
dat daar niets kòn zijn, want als er iets geweest was, zou zijn paard
wel schichtig geworden zijn. Doch hoe hij zichzelf ook trachtte gerust
te stellen, bleven zijn zinnen toch zenuwachtig waakzaam.

Toen hoorde hij heel duidelijk een zacht gepetter van voeten achter
zich aan, op den weg.

Hij wilde zijn ooren niet gelooven. Hij kon niet omkijken, want de
weg nam daar juist een scherpen draai. Hij legde de zweep over zijn
paard en keek nogmaals op zijde. En toen zag hij heel duidelijk,
waar een straal van zijn lantaarn over een laag eindje heg heengleed,
den gekromden rug van--het een of ander groot dier, hij kon niet
bepalen wat het was, dat met snelle, schokkende sprongen voortliep.

Hij zegt dat hij dacht aan de oude heksen-verhalen--het beest leek
zoo absoluut niet op eenig ander dier dat hij kende, en hij vatte
de teugels steviger beet uit vrees voor den angst van zijn paard. En
man van opvoeding als hij was, geeft hij toch toe, dat hij zichzelven
afvroeg of dit iets was dat zijn paard niet kon zien.

Voor hem uit, en steeds dichterbij komend zag hij tegen de
opkomende maan, de silhouet van het kleine gehucht Hankey. Dit was
geruststellend, al zag hij ook geen enkel licht en hij klapte met de
zweep en zei nog eens wat tegen zijn paard, en toen schoten plotseling
als een bliksemstraal de ratten op hem toe!

Hij kwam een hek voorbij, en terwijl hij dit deed, sprong de voorste
rat erover op den weg. Het ding besprong hem van uit het duister,
en was nu zeer duidelijk te zien, het scherpe, felle, rond-oorige
gezicht, het lange lichaam dat nòg langer leek door de bewegingen
die het maakte; en wat hem vooral trof waren de roode, van vliezen
voorziene voorpooten van het dier. Wat het nog vreeselijker moet
gemaakt hebben, was, dat hij geen vaag idee had of het beest, hetwelk
hem aanviel, wel een áárdsch beest was. Hij herkende het niet als een
rat, doordat het zoo groot was. Zijn paard sprong opzij toen het wezen
naast hem op den weg neerkwam. Het smalle laantje was plotseling vol
gerucht door het klappen van de zweep en den schreeuw dien de dokter
gaf. Alles ging plotseling snel.

"Rrr-klr-pats--."

Het schijnt dat de dokter opstond en zijn paard aanvuurde, en er uit
alle macht op los sloeg. De rat deinsde terug en sprong opzij onder
zijn slag--wat den dokter geruststelde omtrent het aardsche van het
dier--bij het schijnsel der lantaarn was de voor, die de zweep in het
haar gehaald had, duidelijk zichtbaar--en hij sloeg telkens weder,
onbewust dat er aan de andere zijde een tweede vervolger staag
veld won.

Hij vierde de teugels, keek om, en zag de derde rat, hem
achtervolgend...

Het paard sprong vooruit. De tilbury sprong hoogop bij een
kruisspoor. Een krankzinnig oogenblik lang leek alles hem met rukken
en sprongen te gaan...

Het was puur geluk dat het paard nog in Hankey kwam te vallen, en
niet vóór zij aan de huizen kwamen of ze achter zich gelaten hadden.

Niemand weet hoè het paard kwam te vallen, of het struikelde, of dat de
rat van de andere zijde het werkelijk een van die kervende beten van
boven naar beneden gaf met haar tanden (die zij aanbrengen en kracht
bijzetten met hun volle zwaarte); en de dokter werd niet gewaar dat hij
zelf gebeten was, vóór hij in het huis van den metselaar was, en nog
veel minder had hij gemerkt wannéér de beet was toegebracht--hoewel
hij gebeten was en erg ook--een lange snede, als de snee van een
dubbelen tomahawk, die twee evenwijdigloopende reepen vleesch van
zijn linker schouder gerukt had.

Hij stond op een gegeven oogenblik rechtop in zijn tilbury en het
volgende was hij op den grond gesprongen, met een erg verstuikten
enkel, hoewel hij dit toen niet bemerkte, en sloeg woest naar een derde
rat, die direct op hem kwam aanvliegen. Hij kan zich den sprong dien
hij gedaan moet hebben boven over het rad, toen de tilbury kantelde,
haast niet meer herinneren, zoo snel en verward werd hij bestormd
door indrukken.

Ik voor mij geloof dat het paard steigerde toen de rat het in den
strot beet, opzij viel en de heele geschiedenis meesleepte; en dat
de dokter als het ware instinctmatig er uit sprong. Toen de tilbury
viel, sprong het oliereservoir van de lantaarn, en smakte plotseling
een hellen gloed van brandende olie en witten vlammengloed temidden
van den strijd.

Dit was het eerste wat de metselaar zag.

Hij had het geratel van de naderende tilbury gehoord en--hoewel de
dokter zich hier niets van herinnert --het wilde geschreeuw dat de
dokter deed hooren. Hij was haastig uit bed gekomen, en terwijl hij
dit deed, hoorde hij den vreeselijken smak, en zag dien gloed buiten
opschieten door het half-opgehaalde gordijn. "'t Was nog helderder dan
de dag," zegt hij. Hij bleef met het gordijnkoord in de hand staan
en staarde met open mond het venster uit naar den welbekenden weg,
die een verandering had ondergaan als in een nachtmerrie. De donkere
gestalte van den dokter met zijn om zich heen slaande zweep rees en
daalde tegen de vlam. Hij zag het paard staan, half verborgen door
den gloed, met een rat aan zijn keel. In de duisternis, die tegen
den kerkhofmuur opstond, schitterden de oogen van een tweede monster
kwaadaardig. Een derde--niets meer dan één brok vreeselijke duisternis
met rood-gloeiende oogen en vleeschkleurige handen--klemde zich onvast
aan den rand van den muur, waar het tegen opgesprongen was bij het
oplaaien van den uit-elkaar-springende lantaarn.

Ge kent wel den scherpen snuit van een rat, met die twee scherpe
tanden en de meedoogenlooze oogen. Ongeveer zes maal vergroot en
nog meer vergroot door duisternis en verbazing en de plotseling
opschietende schimmen van een grilligen gloed, moet dit alles iets
vreeselijks geweest zijn om aan te zien voor den metselaar--die nog
meer dan half sliep.

Toen had de dokter de gelegenheid, die het oplaaien der vlam hem een
oogenblik aanbood, te baat genomen, en verdween uit het gezicht van
den metselaar, en stond beneden op de deur te rameien met den knop
van zijn zweep....

De metselaar wilde hem niet binnenlaten vóór hij licht aangestoken had.

Er zijn lieden die dat in den man gelaakt hebben, maar ik aarzel
om mij aan hun zijde te scharen, tot ik mijn eigen moed beter heb
leeren kennen.

De dokter gilde en hamerde op de deur...

De metselaar zegt dat hij huilde van angst toen de deur eindelijk
openging.

"Grendel," zei de dokter, "grendel"--hij kon niet zeggen "grendel de
deur." Hij probeerde te helpen maar kon niet. De metselaar grendelde
de deur en de dokter moest eerst een poosje op den stoel naast de
klok zitten voor hij den trap kon opkomen...

"Ik weet niet wàt 't zijn!" herhaalde hij verscheidene malen. "Ik
weet niet wat het zijn,"--en zijn stem ging de hoogte in, telkens
als hij aan "zijn" kwam.

De metselaar wilde hem whiskey geven, doch de dokter wilde niet alleen
gelaten worden met niets dan een flakkerend licht.

Het duurde geruimen tijd voor de metselaar hem ertoe kon bewegen naar
boven te gaan...

En toen het vuur uit was, kwamen de reuzenratten terug, sleepten
het doode paard dwars het kerkhof over naar het veld waar het puin
neergeworpen werd en aten ervan tot de dageraad aanbrak, en zelfs
toèn durfde nog niemand hen storen.



II.

Redwood liep den volgenden morgen tegen elf uur bij Bensington aan,
met de "tweede edities" van drie avondbladen in de hand.

Bensington, die in moedeloos gepeins verzonken zat boven de vergeten
bladzijden van den meest afleidenden roman, dien de boekhandelaar
op den Bromptonweg voor hem had kunnen vinden, keek op. "Iets
nieuws?" vroeg hij.

"Twee menschen gestoken bij Chatham."

"Zij moesten ons dat nest laten uitrooken. 't Is hun eigen schuld."

"Zeker is 't hun eigen schuld," zei Redwood.

"Heb je ook iets gehoord--omtrent den aankoop van de boerderij?"

"De huizen-makelaar," zei Redwood, "is een wezen met een grooten
mond en gemaakt van ondoordringbaar hout. Het wezen geeft voor, dat
er een ander zin in het huis heeft--dat is zoo z'n vaste taktiek,
snap je--en wil maar niet begrijpen dat er haast bij is. "Maar dit
is een kwestie van leven of dood," zeide ik, "begrijpt u dat dan
niet?" Het wezen sloot zijn oogen half en zeide: "waarom is u dan
niet genegen die overige tweehonderd pond er bij te geven?"

"Ik moet zeggen dat ik liever in een wereld van reuzenwespen leef,
dan dat steenen-metselende brok stomheid zijn zin te geven. Ik--"

Hij zweeg even, voelend dat een dergelijke zin licht bedorven kon
worden door zijn samenhang.

"'t Is te veel om te durven hopen," zei Bensington, "dat er een van
die wespen--"

"De wesp heeft niet meer idee van algemeen nut dan een--dan een
makelaar in huizen," zei Redwood.

Hij praatte nog een poosje door over huizen-makelaars en advocaten
en dergelijke menschen, op de onrechtvaardige, onredelijke manier die
zoovele lieden aannemen als ze over deze zaken-factotums aan het praten
raken--(van al de zotte dingen in deze zotte wereld, lijkt het mij
't zotst van alles, dat, terwijl wij eer, moed, bekwaamheid van een
doctor of een krijgsman verwachten als iets dat vanzelf spreekt, wij
procureurs of makelaars in huizen niet alleen vergunnen, maar zelfs
van hen verwachten, een schraperige, vettige, in-den-weg-staande,
afzetterige stomheid ten toon te spreiden--enz.)--en ging toen,
erg opgelucht, naar het venster en keek wat naar het verkeer in
Sloane-street.

Bensington had den roman op het tafeltje gelegd dat zijn electrischen
standaard droeg. Hij bracht de vingers van zijne beide handen zeer
voorzichtig tegen elkaar en keek er naar. "Redwood," zei hij, "wordt
er veel over òns gepraat?"

"Niet zooveel als ik dacht."

"Maar veroordeelen ze ons heelemaal niet?"

"Nee, heelemaal niet. Maar daarentegen bevorderen ze ook heelemaal
niet wat ik aangetoond heb dat moèt gedaan worden. Ik heb naar de
"Times" geschreven, moet je weten, en heb alles uitgelegd--"

"Wij lezen de "Daily Chronicle"," zei Bensington.

"En de "Times" heeft een lang hoofdartikel over het onderwerp--een
erg goed doorwerkt, goed geschreven hoofdartikel met drie stukken
"Times"-Latijn--status quo is er een van--en het laat zich lezen als de
stem van Iemand die zijn naam niet noemt, van grooten invloed en die
lijdt aan Influenza-Hoofdpijn en die door vellen en vellen viltpapier
heenpraat zonder er baat bij te vinden. Als je tusschen de regels
dóór leest, merk je tamelijk duidelijk dat de "Times" het noodeloos
vindt er doekjes om te winden, en dat er iets (natuurlijk wordt er
niet gezegd wàt) moet gedaan worden en dat wel onmiddellijk. Anders
steeds meer ongewenschte gevolgen, "Times"-Engelsch, snap je, voor
nòg méér wespen en steken. Een door en door diplomatisch artikel!"

"En onder de hand verspreidt zich deze Grootheid al meer en meer op
allerlei leelijke manieren."

"Precies."

"Ik wou wel eens weten of Skinner gelijk had omtrent die groote
ratten--"

"Kom! Dàt zou tè erg zijn," zei Redwood.

Hij kwam naast Bensington's stoel staan.

"Tusschen twee haakjes," zei hij, terwijl hij zijn stem iets liet
dalen, "hoe vat zìj--?"

Hij wees naar de gesloten deur.

"Nicht Jane? Zij weet er nog niets van. Brengt ons er niet mee in
verband, en wil de artikelen niet lezen. "Reuzenwespen!" zegt ze,
"ik zou nog net zoo lief, als die kranten te lezen."

"Dat is heel gelukkig," zei Redwood.

"Ik hoop toch niet, dat--mevrouw Redwood--?"

"Nee," zeide Redwood, "'t wordt net gevoed--ze tobt verschrikkelijk
over het kind. 't Gaat àl maar door, moet je weten."

"'t Groeien?"

"Ja. Is in tien dagen een-en-veertig ons aangekomen. Weegt nu
bijna tachtig pond. En nog maar zes maanden! Natuurlijk een beetje
onrustbarend."

"Is ie goed in orde?"

"Puik. Zijn kindermeid vertrekt omdat hij zoo van zich af trapt. En
natuurlijk is hij overal totaal uitgegroeid. We hebben alles
nieuw voor hem moeten laten maken, kleeren en al 't overige. Van de
kinderwagen--'n licht ding--brak een rad, en het ventje moest naar huis
gebracht worden op de handkar van den melkboer. Ja. Een heele menigte
er achteraan... En we hebben Georgina Phyllis in zijn bed moeten laten
slapen en hem in het bed van Georgina Phyllis. Zijn moeder--natuurlijk
wat geschrokken. Eerst vol trots en geneigd Winkles te prijzen. Nu niet
meer. Voelt dat zoo iets niet gezond kàn zijn. Begrijp je natuurlijk."

"Ik dacht dat je hem kleinere doses zou geven."

"Heb 't geprobeerd."

"Werkte 't niet?"

"Gegil. In gewone gevallen is het geschreeuw van een kind al luid en
hinderlijk; 't is goed voor de soort dàt dit zoo is,--maar sints hij
gevoed wordt met Herakleophorbia--"

"Hm"--zei Bensington, met meer gelatenheid naar zijn vingers kijkend
dan tot nu toe het geval was geweest.

"'t Ligt voor de hand dat de zaak moèt uitkomen. De menschen zullen
van dit kind hooren, het in verband brengen met onze kippen en 't
andere spul, en m'n vrouw zal de heele zaak te weten komen... Ik heb
geen vaag idee hoe ze 't zal opvatten."

"'t Is stellig moeilijk," zei Bensington, "om eenig plan te maken----"

Hij zette zijn bril af, en veegde hem zorgvuldig schoon.

"'t Is alweer een voorbeeld van wat er voortdurend geschiedt. Wij--als
ik het tenminste zoo eens mag uitdrukken--wij, mannen der
wetenschap--wij werken natuurlijk altijd om een theoretisch resultaat
te bereiken--'n zuiver theoretisch resultaat. Doch, zonder dat
wij het zelf willen--brengen wij soms krachten in werking--nìèuwe
krachten. Wij mógen die niet beheerschen--en niemand anders kàn
het. Feitelijk hebben wij de quaestie niet langer in onze macht,
Redwood. Wij verschaffen het materiaal--"

"En zij" zei Redwood, zich naar het raam wendend, "ondervinden de
gevolgen."

"Voor zoover het die plaag in Kent betreft, zal ik mij er niet verder
moeilijk over maken."

"Als ze het òns tenminste niet moeilijk gaan maken."

"Precies. En als ze willen komen aanzeuren met procureurs en
beunhazen in de rechten en wettelijke belemmeringen en allerlei
wichtige bezwaren van het nonsensicale soort, tot ze een aantal
nieuwe soorten reuzen-ongedierten in de wereld geschopt hebben--De
zaken zijn altijd in de war geweest, Redwood."

Redwood trok een kromme ineengestrengelde lijn in de lucht.

"En het belang dat wij bij de zaak hebben, zetelt feitelijk op dit
oogenblik alleen bij jouw jongen."

Redwood wendde zich om, kwam naderbij en keek zijn medewerker
scherp aan.

"Wat is jouw idee omtrent hem, Bensington? Jij kunt de zaak
onbevooroordeelder bekijken dan ik. Wat moet ik met hem aanvangen??"

"Doorgaan met hem te voeden."

"Met Herakleophorbia?"

"Met Herakleophorbia."

"En dan groeit hij dóór."

"Hij zal opgroeien, voor zoover ik het kan berekenen naar de kippen
en wespen, tot een lengte van ongeveer vijf en dertig voet--met alles
daaraan geëvenredigd--"

"En wat zal hij dan aanvangen?"

"Dat," zei Bensington, "maakt de geheele quaestie juist zoo
interessant."

"Maar goeie hemel, kerel, denk es aan zijn kleêren! En als hij
volwassen is," zei Redwood, "zal hij een eenzame Gulliver zijn temidden
van een Lilliputter-wereld."

De oogen van den heer Bensington keken veelbeteekenend over zijn bril.

"Waarom eenzaam?" zeide hij, en herhaalde nog somberder: "waarom
eenzaam?"

"Maar je wilt toch niet zeggen--?"

"Ik zeide," zei de heer Bensington, met de zelfvoldoening van iemand
die een goed beteekenisvol iets gezegd heeft, "waarom eenzaam."

"Bedoel je dat we nog meer van dergelijke kinderen zouden kunnen
grootbrengen--?"

"Neen, ik bedoel niets meer dan wat ik vroeg."

Redwood begon de kamer op en neer te loopen.

"Natuurlijk," zeide hij, "dat zou kunnen.--Maar toch! Wat zou het
einde ervan zijn?"

Bensington schepte blijkbaar behagen in zijn eigen hooge
gedachtenvlucht.

"Wat mij het meeste belangstelling inboezemt, Redwood, is de gedachte
dat zijn brein daar hoog in de lucht, als mijn redeneering tenminste
juist is, óók vijfendertig voet of zoo verheven zal zijn boven ons
niveau... Wat is er?"

Redwood stond voor het venster en keek verbaasd naar een plakkaat op
een wagen van een courantenbureau, die de straat kwam afratelen.

"Wat is er aan de hand?" herhaalde Bensington, opstaand.

Redwood slaakte een luiden kreet.

"Wat is er dan toch?" zei Bensington.

"Haal even een courant," zei Redwood, naar de deur gaand.

"Waarom?"

"Haal een courant.--Ik heb 't niet heelemaal--Reusachtige ratten--!"

"Ratten?"

"Ja, ratten. Skinner had bij slot van rekening toch gelijk!"

"Wat bedoel je?"

"Hoe kan ik dat zeggen vóór ik een krant heb? Groote Ratten. Goeie
God. Als ze hem maar niet opgegeten hebben!"

Hij keek rond naar zijn hoed en besloot dan maar zonder hoed te gaan.

Terwijl hij den trap afrende, twee treden tegelijk, kon hij op straat
het geweldige gebrul der Hooligan-couranten-verkoopers hooren, dat
nu eens nader kwam, en zich dan weder verwijderde. De kerels sloegen
er een aardig slaatje uit.

"Vraiselijke gebeurtenis in Kent--vraiselijke gebeurtenis in
Kent. Dokter ............ opgevreten door ratte. Vraiselijke
gebeurtenis--ratte,--opgevreite door reusachtige ratte--"



III.

Cossar, de welbekende civiel-ingenieur, vond hen beiden staan in
de groote deur der bovenwoningen, terwijl Redwood de nog vochtige,
rose courant op armslengte hield en Bensington op de teenen stond,
over zijn arm heen lezend. Cossar was een groote man met magere
onbehouwen ledematen, die toevallig op geschikte hoeken van zijn
lichaam geplaatst waren en een gezicht als een houtsnee, die in
begin-stadium reeds onafgewerkt was gelaten, al tè weinig belovend
om ze te voltooien. Zijn neus was vierkant gelaten en zijn onderkaak
stak verder uit dan de bovenkaak. Hij ademde hoorbaar. Weinig lieden
vonden hem knap. Zijn haar was volkomen tangentiaal en zijn stem,
die hij niet te veel deed hooren, was hoog en meestal klonk er een
bitter protest in door. Hij droeg bij alle gelegenheden een grijs
linnen jacket-costuum en een zijden hoed. Hij peilde een onmetelijken
zak met een groote roode hand, betaalde zijn koetsier en kwam hijgend
en resoluut den trap op, een exemplaar van de rose courant in het
midden vastklemmend als een bliksemstraal van Jupiter.

"Skinner?" zei Bensington, niet lettend op Cossar's nadering.

"Staat niks over hem in," zei Redwood. "Is beslist
opgegeten. Allebei. 't Is te vreeselijk!... Hallo, Cossar!"

"Is dat dat goedje van jullie?" vroeg Cossar, met de courant
wuivend. "Waarom maak je er geen eind aan?" vroeg hij.

"De plaats koopen?" riep hij uit. "Wat een onzin! Brand 'em tegen
den grond. Ik wist wel dat lui als jelui d'r 'n rommel van zoudt
maken. Wat je moet aanvangen? Wel--wat ik je zeg."

"Jij? Doen? Natuurlijk de straat opgaan naar den
wapenhandelaar. Waaròm? Om geweren. Ja--er is maar één winkel. Haal
acht geweren! Met getrokken loop. Geen olifant-roeren--nee! Te
groot. Geen infanteriegeweren ook--te klein. Zeg dat 't is
om 'n stier dood te schieten. Zeg dat ze zijn om buffels te
schieten! Zie je? Hè? Ratten? Nee! Hoe kunnen ze dàt begrijpen,
voor den duivel?... Acht? Omdat we er acht nóódig hebben. Zorg voor
een hoop ammunitie. Koop geen geweren zonder ammunitie--nee! Neem 't
heele zaakje mee in een vigelante naar--waarheen ook weer? Urshot? Dan
moet je Charing-Cross station hebben. Er gaat een trein om--enfin,
de eerste de beste trein na tweeën. Denk je dat je 't doen
kunt? Goed zoo. Vergunning? Haal er acht aan een postkantoor,
natuurlijk. Vergunning voor 't dragen van geweren, snap je. Geen
jachtakte. Waarom? Omdat 't ratten zijn, man."

"Jij--Bensington! Heb je 'n telephoon? Ja. Ik zal vijf van m'n
mannetjes uit Ealing opbellen. Waarom vijf? Omdat dat 't juiste
getal is.--Waar ga jij heen, Redwood? Een hoed zoeken! Onzin. Hier
heb je den mijne. Geweren heb je noodig, man--geen hoeden. Heb je
geld? Genoeg? Goed zoo. Vooruit dan maar. Waar is die telephoon,
Bensington?"

Bensington keerde zich gehoorzaam om en ging voor. Cossar gebruikte de
telephoon en belde af. "Dan heb je die wespen nog," zei hij. "Daar
zijn zwavel en salpeter goed voor. Natuurlijk. Gips. Jij bent
scheikundige. Waar kan ik zwavel bij de ton krijgen in zakken die
niet te groot zijn. Waarvoor? Wel, m'n goeie god!--om dat nest uit
te rooken, natuurlijk! Moet toch zwavel zijn, niet waar? Jij bent
scheikundige. Zwavel het beste, he?"

"Ja, ik gelóóf wel dat zwavel 't beste is."

"Niets beters? Goed, dat is jouw werk. Zie zooveel zwavel te krijgen
als je kunt--en salpeter om het te doen branden. Sturen? Charing
Cross. Dàdelijk. Zorg ervoor dat ze 't doen ook. Loop zèlf mee. Nog
iets?"

Hij dacht een oogenblik na.

"Portland cement--alle cement is goed--nest blokkeeren--gaten, snap
je? Dàt zal ìk wel halen."

"Hoeveel?"

"Hoeveel wat?"

"Zwavel."

"Ton. Begrepen?"

Bensington kneep zijn bril wat vaster met een hand die beefde van
vastberadenheid. "In orde," zei hij, zeer kortaf.

"Geld in je zak?" vroeg Cossar. "Loop naar den duivel met
cheques. Gereed geld betalen. Natuurlijk. Waar is je bank? Goed. Stap
onder weg uit en haal veertig pond--bankbiljetten en goud."

Weer even nadenken. "Als we dit zaakje aan de ambtenaren
overlaten dan gaat heel Kent aan flarden," zei Cossar. "Is er nog
iets--? Neen. Hìèr!"

Hij stak een enorme hand op naar een vigelante die gretig aan-hotste
om hem te bedienen. "Rijtuig, meneer?" zei de aapjes-man. "Nog
al vanzelf," zeide Cossar en Bensington, nog steeds zonder hoed,
pagaaide den trap af, en maakte zich gereed in te stappen.

"Ik vind," zei hij, met zijn hand op het zeil der vigelante, en met
een schichtigen blik naar de vensters zijner verdieping, "ik geloof
dat ik het eerst nog even aan nicht Jeanne ga vertellen.--"

"Meer tijd om te vertellen als je terugkomt," zei Cossar, hem erin
duwend met een enorme hand die zijn rug ongeveer besloeg... "Knappe
kerels," merkte Cossar op, "maar geen zier initiatief. Jawel, nicht
Jeanne. Ik ken 'er. Snert, al die nichten Jeanne!--'t land is er
mee verpest. Ik wed dat 't me den geheelen nacht zal bezighouden
om ervoor te zorgen dat ze doen wat ze aldoor geweten hebben dat ze
moèsten doen. Ik wou wel es weten of 't dat napluizen of nicht Jeanne
of iets anders is, dat ze zoo maakt?"

Hij liet dit ondoorgrondelijke probleem voor wat het was, staarde
een poosje in gedachten op zijn horloge en bevond dat er nog juist
tijd genoeg zou zijn om een restaurant binnen te vallen en koffie te
drinken vóór hij op het portland-cement uitging en het naar Charing
Cross vervoerde. De trein vertrok om vijf minuten over drieën, en hij
kwam te Charing-Cross aan om kwart vóór drie, en vond daar Bensington
buiten het station in heet dispuut met twee politie-agenten en zijn
wagenvoerder buiten het station en Redwood in het goederenbureau, in
een technische moeilijkheid gewikkeld omtrent zijne ammunitie. Iedereen
gaf voor, niets te weten of geen macht te hebben, op de manier waarvan
de beambten op de Zuid-Ooster-lijn zooveel houden als ze zien, dat
ge haast hebt.

"Jammer dat ze al die beambten niet kunnen neerschieten en een nieuw
stel nemen," merkte Cossar zuchtend op. Doch de tijd was te kort om
lang te redekavelen en deshalve schoof hij al deze kleinere hinderpalen
op zij, en dook uit de een of andere obscure schuilplaats een wezen op,
dat de station-chef kan geweest zijn--maar het ook even goed niet kan
geweest zijn--liep heen en weer, hem stevig vasthoudend, gaf orders
in zijn naam, en was het station uit met alles en iedereen veilig aan
boord, vóór die beambte den vollen omvang begreep van de inbreuk die er
gemaakt was op den meest heiligen gang van zaken en voorschriften. "Wie
wàs dat?" vroeg de hooge beambte, den arm betastend, dien Cossar beet
had gehad, en glimlachend met gefronste wenkbrauwen.

"Hoe of wat dan ook meneer," zei een kruier, "maar 't was een
meneer. 'IJ en allemaal die bij 'em waren, reisden eerste klas."

"Nu, we hebben hèm en zijn goedje aardig vlug de baan uitgestuurd--wie
hij dan ook was", zeide de hooge beambte, zijn arm wrijvend met iets
dat naar voldoening zweemde.

En terwijl hij langzaam terugwandelde, knipoogend in het daglicht
waaraan hij zoo weinig gewoon was, naar die deftige plaats van
afzondering waarin de hoogere beambten te Charing Cross hun toevlucht
zoeken tegen den overlast van het plebs, liep hij nog steeds te
glimlachen om zijn ongewone energie. Het geval gaf hem een zeer veel
voldoening gevenden blik op zijn eigen handigheid, niettegenstaande
zijn stijven arm. Hij wenschte dat enkelen van die verwenschte critici,
die in een gemakkelijken stoel het bestuur der spoorwegen liggen af
te kammen, hem eens hadden kunnen zien.

Tegen vijven had die niet genoeg te bewonderen Cossar zonder eenigen
schijn van overhaasting, al zijn materiaal voor zijn strijd tegen
deze losgebroken Grootheid Urshot reeds uit, en was hij op weg naar
Hickleybrow. Twee vaten petroleum en een vracht droge rijzen had
hij in Urshot gekocht; een meer dan voldoend aantal zakken zwavel,
acht geweren voor groot wild en ammunitie, drie lichte achterladers,
met fijne-hagel-patronen voor de wespen, een bijl, twee kapmessen,
een houweel en drie spaden, twee streng touw, wat flesschen bier,
soda en whiskey, een gros pakjes rattenkruid en koude proviand voor
drie dagen, waren uit Londen mee gekomen. Dit alles had hij op zeer
zakelijke manier in een kolenlorrie en een hooiwagen vooruit gezonden;
behalve de geweren en de ammunitie, die geborgen werden onder de bank
van het wagentje uit den Rooden Leeuw, dat bestemd was om Redwood en
de keurbende van vijf man die op Cossar's bevel uit Ealing gekomen was,
te vervoeren.

Cossar leidde al deze werkzaamheden met een air, alsof het de meest
doodgewone zaak ter wereld was; hoewel er in Urshot een ware paniek
heerschte over de ratten, en alle wagenbestuurders moesten extra
betaald worden. Alle winkels in het plaatsje waren gesloten, en men
zag bijna niemand op straat, en als hij op een deur klopte, ging
niet de deur, maar het raam open. Hij scheen het zaken-drijven vanuit
open vensters een volkomen gewettigd en voor de hand liggend iets te
vinden. Eindelijk kregen hij en Bensington den sjees uit den Rooden
Leeuw, en gingen op weg met net karretje, om zich bij de bagage te
voegen die reeds een eind vooruit was. Dit deden zij een eindje voorbij
de kruiswegen, en kwamen zoodoende het eerst te Hickleybrow aan.

Bensington, met een geweer tusschen de knieën, naast Cossar zittend
in de sjees, voelde een reeds lang in zich groeiende verbazing tot
rijpheid komen. Al wat zij nu deden, was, zooals Cossar volhield,
zonder twijfel het meest voor de hand liggende om te doen, maar--! In
Engeland doet men zelden wat voor de hand ligt. Hij keek van de voeten
van zijn buurman, naar de forsch gespierde handen op de teugels. Cossar
had blijkbaar nooit gemend, en reed maar recht uit recht aan over het
midden van den weg, volgens een zonder twijfel voor de hand liggende,
doch zeer zeker ongewone eigen methode.

"Waarom doen wij toch niet allemaal wat voor de hand ligt? dacht
Bensington. Wat 'n goeie wereld zou 't dan worden als iedereen dat
deed! Waarom doe ik bijvoorbeeld zoo'n massa dingen niet, terwijl ik
weet dat 't goed zou zijn ze te doen--dingen die ik graag doen zou! Is
iederéén dan zóó, of ligt 't alleen aan mij!" Hij verzonk in sombere
overpeinzingen over den wil. Hij dacht na over de ingewikkelde,
ingeroeste beuzelachtigheden van het dagelijksch leven, en in
tegenstelling hiermede, over de eenvoudige en voor de hand liggende
dingen die men behoorde te doen, de aangename en mooie daden, die
eigenaardige invloeden ons nooit veroorloven te volbrengen. Nicht
Jeanne? Hij bemerkte dat nicht Jeanne op de een of andere listige en
moeilijk-na-te-gane manier een belangrijke factor in deze quaestie
was. Waarom moeten wij, bij slot van rekening, eten, drinken, slapen,
ongetrouwd blijven, híerheen gaan, dáár nièt heen gaan, en dit alles
uit consideratie voor nicht Jeanne?

Zij werd symbolisch zonder op te houden ondoorgrondelijk te zijn!...

Een overstap, en een pad dwars door de velden trokken zijn aandacht
en deden hem denken aan dien vroolijken helderen dag, nog zoo kort
geleden wat tijd betrof, terwijl de emoties ervan reeds zoo ver achter
hem lagen, toen hij van Urshot naar de Proef-Hoeve liep om naar de
reuzen-kuikens te gaan kijken...

Het lot speelt met ons.

"Tchek, tchek," zeide Cossar, "sta op."

Het was een zeer warme middag, er was geen zuchtje en het stof lag
dik op de wegen. Menschen waren er niet veel te zien, doch de herten
achter de omheining van het park graasden vreedzaam.

Zij zagen een paar van de groote wespen een kruisbessenstruik
leegplunderen even buiten Hickleybrow, en er kroop er een op en neer
voor het kleine kruideniers-winkeltje in de dorpstraat, trachtend
ergens een ingang te vinden. De kruidenier was nog zichtbaar binnen,
met een oud vogelroer in de hand en de pogingen van het dier
aandachtig volgend. De koetsier van het karretje hield stil voor
"de Vroolijke Koejongens," en deelde Redwood mede, dat zijn deel van
de overeenkomst hiermede afliep. Hierbij sloten zich een oogenblik
later ook de voerlieden van den hooiwagen en de kolenlorrie aan. Zij
hielden deze bewering niet alleen staande, doch weigerden pertinent
om de paarden verder mee te laten gaan.

"Die groote ratten zijn dol op paarden", herhaalde de kolentremmer
telkens.

Cossar keek het getwist een oogenblik aan.

"Haal de spullen uit het wagentje", zeide hij, en een van zijne mannen,
een lange, blonde, smerige werktuigkundige, gehoorzaamde.

"Geef me dat jachtgeweer es an", zeide Cossar.

Hij ging tusschen de voerlui staan. "Wij verlangen niet van jelui
dat je rijden zult," zeide hij.

"En nu kun je verder zeggen wat je wilt," gaf hij toe--"maar wij
moeten die paarden hebben."

Zij begonnen over en weer te praten, maar hij ging voort: "Als jelui
het hart hebt om een hand naar ons uit te steken, schiet ik je uit
zelfverdediging in je beenen. Maar de paarden gaan mee verder."--Hij
beschouwde de zaak hiermede als afgedaan.

"Klim op dien wagen, Flack," zei hij tot een breedgeschouderden,
taaien, kleinen man. "Boon, jij neemt den kolenwagen."

Twee wagenvoerders begonnen tegen Redwood te tieren.

"Jelui hebt je plicht gedaan jegens jelui werkgevers", zeide
Redwood. "Jelui blijven in dit dorp tot wij terugkomen. Niemand zal
je de schuld geven, als ze zien dat wij geweren hebben. Wij willen
niets onrechtvaardigs of gewelddadigs doen, maar de quaestie is
dringend. Ik betaal als er iets met de paarden gebeurt, dus stel je
op dat punt maar gerust."

"Goed zoo," zeide Cossar, die zelden beloften deed.

Zij lieten de sjees achter, en de mannen, die menden, gingen
te voet. Over elken schouder bungelde een geweer. Het was een
allervreemdste kleine expeditie voor een Engelschen landweg. Het
geleek meer op een Yankee-troep, die bezig was westwaarts te trekken
in de goede oude dagen der Indianen.

Zij volgden den weg, totdat zij op den top van den heuvel, bij den
overstap, de Proef-Hoeve in het zicht kregen.

Zij vonden boven op den heuvel een klein troepje mannen met een
geweer--de beide Fulchers waren er onder anderen ook bij--en een man,
een vreemde uit Maidstone, stond een paar pas vóór de anderen en nam
het terrein op door een tooneelkijker.

Deze mannen wendden zich om en keken verbaasd naar Redwood's troep.

"Iets nieuws?" zeide Cossar.

"De wespen vliegen af en an," zei de oude Fulcher.

"Kan niet zien of ze wat meebrengen."

"Het kanariekruid is nou al tusschen de pijnboomen," zeide de man
met den tooneelkijker. "Van morgen was het daar nog niet. Je kunt
het zien groeien terwijl je er naar staat te kijken."

Hij haalde een zakdoek uit zijn zak en wreef de glazen van den
tooneelkijker doodbedaard zorgvuldig af.

"Jelui gaan zeker naar beneden, he?" waagde Skelmersdale te zeggen.

"Ga je mee?" vroeg Cossar.

Skelmersdale scheen te aarzelen.

"Duurt den geheelen nacht."

Skelmersdale besloot, als dat zoo was, maar liever niet mee te gaan.

"Ook ratten op de vlakte?" vroeg Cossar.

"D'r zat er een tusschen de dennen van morgen. Ik vertrouw dat ie op
konijnen uit was."

Cossar sjokte weer voort om de anderen in te halen. Bensington,
die van onder zijn hand naar de Proef-Hoeve tuurde, kreeg voor het
eerst eenigermate een denkbeeld van de kracht van het voedsel. Zijn
eerste indruk was, dat het huis kleiner was dan hij gedacht had--véél
kleiner zelfs; zijn tweede indruk was, dat de geheele plantengroei
tusschen het huis en het pijnbosch ontzettend groot was geworden. Het
dak boven den put keek nog maar even uit van tusschen acht voet hooge
graspluimen en het kanariekruid had zich om den schoorsteen geslingerd
en gesticuleerde met stijve ranken in de lucht. Zijn bloemen waren
helder-gele vlekken, die wel een mijl ver duidelijk zichtbaar waren
als afzonderlijke, gele, spikkels.

Een groote, groene kabel had zich dwars door het ijzergaas van
den looper der reuzen-kuikens gewrongen en had zijn bladerstelen
geslingerd om twee aan den buitenkant staande pijnboomen. Bijna half
zoo hoog was ook het boschje brandnetels, dat om de karreschuur was
opgeschoten. De geheele aanblik deed, hoe meer zij naderden, denken
aan een aanval van dwergen op een poppenhuis dat in een vergeten
hoekje van den een of ander grooten tuin is blijven staan.

Zij zagen dat de wespen voortdurend ijverig af en aan vlogen. Een zwerm
zwarte gedaanten vloog door elkaar in de lucht boven de verweerde
heuvelhelling achter het pijnbosch en telkens schoot een van deze
gedaanten op in de lucht, met ongelooflijke snelheid, en zweefde heen
naar een verwijderd doel. Hun gegons was reeds hoorbaar op meer dan
een halve mijl van de Proef-Hoeve.

Eenmaal kwam een geel-gestreept monster hun kant uit schieten, zweefde
een tijdlang vóór hen, naar hen kijkend met zijn groote facettenoogen,
doch op een mislukt schot uit Cossar's jachtgeweer, vloog het weder
heen. Rechts in een hoek van het veld, kropen er verscheidene over
eenige afgekloven beenderen, die waarschijnlijk de overblijfselen
waren van het lam dat de ratten hierheen gesleept hadden van Huxter's
boerderij. De paarden begonnen onrustig te worden, toen zij deze wezens
naderden. Geen van het gezelschap was een goed menner, en zij moesten
ieder paard bij den teugel leiden en het aanmoedigen met hun stem.

Zij zagen geen enkel spoor van de ratten, toen zij het huis naderden,
en alles scheen volmaakt rustig, behalve het nu eens duidelijker,
dan weer minder duidelijk aanzwellende whoozzzzzzZZZ, whoooooozoo--oe
uit het wespen-nest.

Zij leidden de paarden het erf op en een van Cossar's mannen
die de deur zag openstaan--het geheele middengedeelte ervan was
weggeknaagd--ging naar binnen. Niemand miste hem den eersten tijd,
daar de anderen bezig waren met de vaten petroleum, en zij bemerkten
eerst dat hij niet bij hen was, toen zij het knallen van zijn geweer
en het fluiten van zijn kogel hoorden. "Pang, pang," allebei de
loopen, en zijn eerste kogel ging, schijnt het, door het vat zwavel,
rukte er een duig aan den anderen kant uit, en vervulde de lucht met
geel poeder. Redwood had zijn geweer in de hand gehouden en trok
het schot er af op iets grijs' dat hem voorbij rende. Hij zag nog
even het breede achtergedeelte, den langen schubachtigen staart en
lange zolen der achterpooten van een rat, en ledigde zijn tweeden
loop. Hij zag Bensington neervallen op het oogenblik, dat het beest
om den hoek verdween.

Toen was iedereen een tijdlang druk in de weer met een geweer. Drie
minuten lang waren levens geen cent meer waard op de Proef-Hoeve, en
het knallen der geweren vervulde de lucht. Redwood in zijn opwinding
niet op Bensington lettend, achtervolgde het dier, en werd omver
gegooid door een massa puin, kalk, cement en splinters van vermolmde
latten, die recht op hem af kwam stuiven, nadat een kogel juist
tegenover hem door den muur was komen vliegen.

Hij vond zich zelf op den grond zitten met bebloede handen en lippen
en groote stilte hing drukkend over alles om hem heen.

Toen merkte hij een geestlooze stem vanuit het huis op:

"Gee--whizz!"

"Hallo!" zei Redwood.

"Hallo daar!" antwoordde de stem.

En toen: "hebben jellui 'em?"

Een besef van de plichten der vriendschap ontwaakte in Redwood. "Is
meneer Bensington gewond?" vroeg hij.

De man binnen verstond hem niet goed. "'t Is jullie schuld zèker niet,
dat ik nog leef" zeide de stem.

Het werd Redwood steeds duidelijker, dat 't niet anders kon, of hij
had Bensington neergeschoten. Hij dacht niet langer aan de schrammen
in zijn gezicht, stond op en vond Bensington op den grond zitten,
zijn schouder wrijvend.

Bensington keek hem over zijn bril aan. "We hebben 'em smeer gegeven,
Redwood", zeide hij en toen: "hij probeerde over me heen te springen,
en gooide me omver. Maar ik gaf 'm allebei de loopen, en goeie hemel,
m'n schouder is murw."

Er verscheen een man in de deur van het huis. "Eéns raakte ik 'm in
zijn borst en eens in z'n zij," zeide hij.

"Waar zijn de wagens?" zeide Cossar, te voorschijn komend uit een
warbos van reusachtige kanariekruid-bladen.

Het bleek tot Redwood's verbazing, ten eerste, dat er niemand
doodgeschoten was, en ten tweede dat de trollen en de wagen wel een
vijftig pas verplaatst waren, en nu met ineengeloopen wielen in den
verwoesten moestuin van Skinner stonden.

De paarden hadden opgehouden met slaan en steigeren. Een eind
verder lag het gebarsten vat zwavel op het pad met een wolk van
stof er boven. Hij vestigde Cossar's aandacht hierop en ging er
naar toe. "Heeft een van jullie die rat ook gezien?" brulde Cossar,
hem volgend. "Ik raakte hem éénmaal tusschen z'n ribben, en éénmaal
recht in zijn facie toen hij op me afkwam."

Terwijl zij nog bezig waren om de in elkaar gewerkte raderen te
trekken, voegden juist twee mannen zich bij hen.

"Ik heb die rat neergelegd," zeide een van hen.

"Hebben ze 'em?" vroeg Cossar.

"Jim Bates heeft 'm gevonden, achter de heg. Ik raakte 'm net toen
hij om den hoek kwam...."

"Pats, achter zijn schouder......"

Toen de zaken weder een beetje op orde waren, ging Redwood eens kijken
naar het kolossale, wanstaltige lijk. Het dier lag op zijn zijde,
met lichtelijk gekromd lijf. Zijn knaagtanden, die uitstaken over
de onderkaak, gaven aan zijn gezicht een uitdrukking van zwakheid
bij al zijn grootte en vraatzucht. Het leek niet in 't minst woest of
vrees-aanjagend. De klauwen der voorpooten deden denken aan vermagerde
handen. Behalve een klein rond gaatje met een geschroeiden rand er
om heen aan weerszijden van den hals, was het dier volkomen ongedeerd.

Hij bleef hierover eenigen tijd staan peinzen.

"Dan moeten er twéé ratten geweest zijn," zeide hij eindelijk,
zich afwendend.

"Ja, en die, die iedereen geraakt heeft,--is ontsnapt."

"Ik weet anders zeker dat mijn schot......"

Een kanariekruid-rank, die op de geheimzinnige manier van alle
kruipplanten naar een houvast zocht, boog zich allervriendelijkst
naar zijn hals, en deed hem haastig ter zijde gaan.

"Whoe-z-z-z-z-z-z-Z-Z-Z", klonk het uit het wespennest, een eind
verder, "whoe-oe-zoe-oe."



IV.

Dit geval deed het gezelschap op zijn hoede zijn, hoewel het er niet
buitengewoon ontdaan over was.

Zij brachten hun provisie in het huis, dat blijkbaar ondersteboven
gehaald was door de ratten, nadat juffrouw Skinner het verlaten had, en
vier van de mannen brachten de twee paarden naar Hickleybrow terug. Zij
sleepten de doode rat door de heg, zóó dat zij van uit de vensters
van het huis goed te zien was, en bemerkten toevallig een kolonie
reuzen-oorwormen in de greppel. Deze dieren gingen haastig uit elkaar,
doch Cossar stak zijn ontzettende ledematen uit en slaagde er in,
er verscheidene te dooden met zijn laarzen en geweer-kolf. Vervolgens
hakten twee der mannen verscheidene hoofd-stammen van het kanarie-kruid
door--dit waren reusachtige cylinders van een paar voet in doorsnede,
die uitkwamen bij den zinkput achter het huis; en terwijl Cossar het
huis voor den nacht in orde bracht, liepen Bensington, Redwood en een
der bijstand-verleenende electriciens behoedzaam om de kippenrennen
heen, zoekend naar de rattenholen.

Zij maakten een wijden boog om de reuzen-brandnetels heen, want dit
reusachtig onkruid bedreigde hen met giftige doornen van ruim een
duim lang.

Vervolgens kwamen zij aan gene zijde van het afgeknaagde, onttakelde
hek, en stonden plotseling voor het meest westelijk-gelegen reusachtige
ratten-hol--, een kwalijk-riekende diepte,--dat hen op éen rij deed
gaan staan.

"Ik hoop dat zij te voorschijn zullen komen", zeide Redwood met een
blik naar het afdak van den put.

"En als ze er eens niet uitkomen," zei Bensington.

"Dat zullen ze wel," zei Redwood.

Zij bleven in gedachten verzonken staan.

"We zullen op de een of andere manier vuur moeten aanmaken àls we er
in gaan," zeide Redwood.

Zij gingen een klein paadje van wit zand op, door het dennenbosch,
en hielden een oogenblik later stand in het gezicht der wespen-holen.

De zon ging nu onder, en de wespen kwamen allen naar huis; hun vleugels
vormden in het gouden licht snel-ronddraaiende stralen-kransen om hen
heen. De drie mannen keken behoedzaam toe van onder de boomen--zij
waagden het niet tot aan den rànd van het bosch te gaan--en zagen
deze kolossale insecten neerkomen, een beetje rondkruipen, de holen
binnengaan en verdwijnen.

"Binnen een paar uur zijn ze kalm," zei Redwood... "'t Is net of je
weer een jongen bent."

"We kunnen deze holen niet misloopen," zei Bensington, "al is de
nacht ook donker. Tusschen twee haakjes--hoe moet het met 't licht"--

"Volle maan," zei de electricien. "Heb 't opgezocht."

Zij gingen terug en raadpleegden Cossar.

Hij zeide, dat 't "voor de hand lag", dat ze voor 't schemer de zwavel,
salpeter en gips 't bosch doorbrachten en derhalve ontlaadden zij de
wagens en droegen de zakken op hun rug.

Na het noodige geschreeuw der voorafgaande orders werd er geen woord
meer gesproken, en toen het gezoem uit het wespen-nest verstierf,
was er bijna geen ander geluid te hooren dan het gedruisch van
voetstappen, de zware ademhaling van beladen mannen en het neerwerpen
der zakken. Om beurten hielp ieder een handje behalve Bensington
die hier klaarblijkelijk ongeschikt voor was. Hij vatte post in de
slaapkamer der Skinners met een geweer, om het lijk der doode rat te
bewaken en de andere droegen om beurten zakken en rustten dan weder,
en hielden twee aan twee de wacht bij de ratten-holen achter het
brandnetel-boschje. De zaadbolletjes der netels waren rijp, en telkens
werd hun waken verlevendigd door het opengaan van een dezer bolletjes,
wat precies klonk als het knallen van een pistool, en de zaadkorrels,
zoo groot als hertenloopers, vlogen overal om hen heen.

Bensington zat voor zijn venster in een harden paardenharen leunstoel,
waarover een smoezelige anti-macasser lag, die gedurende vele jaren
een tikje van maatschappelijke distinctie gegeven had aan de huiskamer
der Skinners.

Zijn geweer, waaraan hij zoo weinig gewoon was, rustte op het kozijn,
en zijn bril keek nu eens naar de duistere gestalte der doode rat
in het steeds-meer-dalende schemerduister, dan weer om zich heen,
in vreemde overpeinzingen. Er was een flauwe stank van petroleum,
want een van de vaten lekte, en deze lucht vermengde zich met een
minder onaangenamen geur, die opsteeg uit den afgehakten en vertreden
stengel van het kanariekruid.

Als hij het hoofd omwendde herinnerde een mengeling van vage
huiselijke geuren, van bier, kaas, rotte appels en oude laarzen
als leidmotieven, hem sterk aan de verdwenen Skinners. Hij keek een
tijdje lang rond in het duistere vertrek. Het meubilair was zeer in
wanorde gebracht--misschien wel door de een of andere nieuwsgierige
rat--doch een jas aan een pen, tegen de deur, een scheermes en enkele
vuile strookjes papier, en een stukje zeep dat tot een hoornachtigen
dobbelsteen geworden was doordat het sedert jaren niet meer gebruikt
werd, dit alles rook naar Skinner's marquante persoonlijkheid.

De gedachte kwam in Bensington's brein op, dat hoogstwaarschijnlijk
het monster, dat daar nu in het halfduister lag, Skinner gedood en
opgegeten had, tenminste gedeeltelijk, iets waarvan hij den geheelen
omvang nog niet overdacht had.

Waar toch een er-onschuldig-uitziende ontdekking op chemisch gebied
al niet toe leiden kon!

Hier zat hij nu, in zijn eenvoudige, oude Engeland, en toch aan
alle zijden belaagd door gevaren, geheel alleen met een geweer
in een halfduister, bouwvallig huis, ver van elk gemak, met zijn
schouder deerlijk gekneusd door het stooten van een geweer, en--bij
alle heiligen!

Hij begreep nu eerst ten volle hoezeer de gewone orde van zaken van
het Heelal voor hem veranderd was. Hij was weggegaan naar de plaats
van dit verbazingwekkende avontuur, zonder er zelfs met één woord
van te reppen tegen zijn nicht Jeanne!

Wat moest zij wel van hem denken?

Hij trachtte zich dit voor te stellen, doch het gelukte hem niet. Hij
had het vreemde gevoel, dat hij en zij nu voor altijd gescheiden
waren, en elkander nooit weer zouden zien. Hij gevoelde, dat hij een
verbazenden stap gedaan had, en een wereld van nieuwe onmetelijke
dingen had betreden. Wat voor monsters konden die steeds duisterder
wordende schaduwen niet verbergen?... De toppen der reuzen-netels
staken donker en scherp af tegen het bleeke groen en amber van de lucht
in het westen. Alles was heel stil--heel, heel stil. Hij verwonderde
zich waarom hij de anderen niet kon hooren daar ginds om den hoek
van het huis. De schaduw in het karrehuis was nu één zwarte diepte.

Pang... pang... pang.

Een keten van echoos en een schreeuw.

Toen lange stilte.

Goddank! daar kwamen Redwood en Cossar opdoemen uit de onhoorbare
duisternis, en Redwood riep "Bensington!"

"Bensington! We hebben wéér 'n rat! Cossar heeft een tweede rat
neergelegd!"



V.

Toen de expeditie zich voldoende ververscht had, was de nacht
gedaald. De sterren schenen zoo helder als zij maar konden, en een
steeds grooter wordende bleekheid in de richting van Hankey kondigde
de maan aan. Nog steeds werd er wacht gehouden bij de rattenholen,
doch de wakers hadden van plaats verwisseld en hadden post gevat
op de heuvelhelling boven de holen, voelend dat dit een veiliger
punt was om te vuren. Zij hurkten daar in de overvloedig vallende
dauw, en bestreden de vochtigheid met whiskey. De anderen bleven in
huis en de drie leiders bespraken met de mannen het werk dat hun
gedurende den nacht voor de borst stond. Tegen middernacht ging
de maan op, en zoodra zij boven de duinen uitkwam, begaven allen,
behalve de schildwachten bij de rattenholen, zich op weg, achter
elkaar loopend, in den ganzenpas, en aangevoerd door Cossar, naar
het wespennest. Voor zoover het 't wespennest betrof, was hun taak
buitengewoon licht--verbàzend licht. Behalve dat 't langer duurde,
had het niet veel meer voeten in de aarde dan het eerste het beste
gewone wespennest. Zeker, er was eenig gevaar bij--levensgevaar nog
wel, doch dit stak zelfs het hóófd niet buiten het hol. Zij propten
er de zwavel en salpeter in, stopten de holen zorgvuldig dicht en
staken hunne lonten aan.

Toen wendde het geheele gezelschap, behalve Cossar, zich als één man
om en rende dwars door de lange schaduwen der pijnboomen, en ziende
dat Cossar stand gehouden had, kwamen zij een honderd meter verder
tot staan, dicht op elkaar gedrongen, knus dicht bij een greppel,
die een schuilplaats aanbood. Een paar minuten lang was de zwarte en
witte maannacht zwaar van een gesmoord gegons, dat aanzwol tot een
gebrul, tot een diepen breeden klank, zijn hoogtepunt bereikte en
toen weder verstierf; en toen--het was haast niet te gelooven--was
de nacht weder stil.

"Bij den hemel!" zei Bensington, bijna fluisterend, "hij heeft
't klaargespeeld."

Allen stonden in spanning. De heuvelhelling boven het donkere
naald-kantwerk van de schaduwen der pijnboomen was helder als het
daglicht en kleurloos als sneeuw. Het verstijvende cement in de holen
glom zoo waar. Cossar's losse gestalte kwam op hen toe.

"Klaar hoor"--zei Cossar.

"Pang--pang!"

Een schot van dicht bij het huis en toen--stilte.

"Wat is dàt?" zei Bensington.

"Een van de ratten zal z'n kop naar buiten gestoken hebben," opperde
een van de mannen.

"Tusschen twee haakjes, we hebben onze geweren ginds gelaten,"
zei Redwood.

"Bij de zakken."

Iedereen begon weer den kant van den heuvel uit te loopen.

"Dat moeten de ratten zijn," zei Bensington.

"Ligt voor de hand," zei Cossar, op zijn nagels bijtend.

"Pang!"

"Hallo?" zei één van de mannen.

Toen klonken er plotseling een roep, twee schoten, een luiden
schreeuw die bijna een gil was, drie snel op elkaar volgende schoten
en het geluid van hout dat versplinterde. Al deze geluiden waren zeer
duidelijk en zeer klein in de onmetelijke stilte van den nacht. Toen
eenige minuten lang niets dan een zacht, gedempt verward geluid uit
de richting der rattenholen, en toen weder een woeste gil... allen
liepen om 't hardst naar de geweren... Weer twee schoten.

Bensington holde met het geweer in de hand door het pijnbosch achter
een aantal voor hem uithollende ruggen aan. Het is eigenaardig dat de
gedachte, die op dat oogenblik den boventoon voerde in zijn brein,
de wensch was, dat nicht Jeanne hem nu eens kon zien. Zijn bolle
opengewerkte schoenen sloegen uit in wilde groote passen en zijn
gezicht was vertrokken tot een voortdurende grijns, omdat dit zijn
neus deed rimpelen en zijn bril op zijn plaats hield. Ook hield hij
den loop van zijn geweer recht voor zich uit, terwijl hij daar door
het plekken-werpende maanlicht holde. De man die weggeloopen was,
kwam hen in vollen ren tegen--hij had zijn geweer laten vallen.

"Hallo," zei Cossar, en ving hem op in zijn armen. "Wat heeft dit
te beduiden?"

"Ze kwamen er allemaal samen uit," zei de man.

"De ratten?"

"Ja, zes waren 't er."

"Waar is Flack?"

"Die ligt ginds."

"Wat zegt ie?" hijgde Bensington, die kwam aanloopen zonder dat iemand
op hem lette.

"Ligt Flack ginds?"

"Hij viel."

"Ze kwamen er een voor een uit."

"Wat?"

"Deden een uitval. Ik loste m'n beide loopen."

"En heb je Flack daar alleen achtergelaten?"

"Zij zaten ons op 't lijf."

"Vooruit," zei Cossar. "Jij gaat met ons mee. Waar is Flack? Breng
ons er heen."

Het geheele gezelschap ging op weg. Verdere bijzonderheden omtrent
het gevecht ontvielen den man die weggeloopen was. De anderen,
behalve Cossar die voorop ging, verdrongen zich om hem.

"Waar zijn ze nou?"

"Misschien al weer in hun holen. Ik smeerde 'n 'm. Ze renden op ons
in om bij hun holen te kommen."

"Wat bedoel je? Waren jelui dan achter ze gekomen?"

"Wij gingen naar hun hol. Zagen ze d'r uit kommen, en probeerden
ze den pas af te snijden. Ze kropen d'r uit--net als konijnen. Wij
holden naar beneden, en brandden los. Zij liepen wild in 't rond na ons
eerste schot, en toen kwamen ze plotseling op ons af. Op ons àf, hoor!"

"Hoeveel?"

"Zes of zeven."

Cossar ging vóór naar den rand van het pijnbosch en hield stil.

"Bedoel je dat ze Flack gepakt hebben?" vroeg iemand.

"'k Zag wel dat er een op 'em afkwam."

"Schoot je niet?"

"Hoe kon ik dat nou?"

"Heeft iedereen geladen?" zei Cossar over zijn schouder. Van alle
kanten werd toestemmend geantwoord.

"Maar Flack--" zei er een.

"Je wilt toch niet zeggen dat Flack--" begon een tweede.

"Er is geen tijd te verliezen," zei Cossar en riep luid
"Flack!" terwijl hij vóórging. De geheele gewapende macht ging op
de rattenholen toe, de man die weggeloopen was een beetje in de
achterhoede. Zij gingen voorwaarts door allerlei soorten welig,
overdreven-groot onkruid en liepen om het lichaam van de tweede
gedoode rat heen. Zij waren uitgespreid tot een lijn, waarbij elke
man dicht bij zijn buurman liep; allen liepen met hun geweer recht
voor zich uit en gluurden om zich heen in het heldere maanlicht, of
ze niet een ineengedoken, onheilspellende gestalte zagen. Zij vonden
zeer spoedig het geweer van den man die weggeloopen was.

"Flack!" riep Cossar. "Flack!"

"Hij liep voorbij de netels en viel toen," zei de man die weggeloopen
was.

"Waar?"

"Daar ginds."

"Waar viel hij?"

Hij aarzelde en leidde hen een tijdlang door de donkere schaduwen en
keerde toen om.

"Zoowat daar, geloof ik."

"Zoo, maar nu is hij er toch niet meer."

"Maar zijn geweer dan--?"

"Bliksems nog an toe!" vloekte Cossar, "maar waar is dan alles
gebleven?" Hij deed een schrede in de richting der donkere schaduwen op
de heuvelhelling die de rattenholen verborg en bleef staan kijken. Toen
stootte hij nogmaals een vloek uit, "àls ze hem naar binnen gesleept
hebben--!"

En aldus bleven zij een tijdlang dralen, elkaar hunne gedachtetjes
toewerpend. Bensington's brilleglazen schoten stralen uit als
diamanten, als hij van den een naar den ander keek. De gezichten der
mannen veranderden van koude helderheid tot geheimzinnige duisternis,
naarmate zij zich van of naar de maan keerden. Iedereen sprak,
doch geen van allen maakten zij een zin af. Toen besloot Cossar,
met zijn korte manier van optreden, wat hij doen moest. Hij gooide
zijn ledematen hierheen en daarheen en gooide er bevelen uit als
ballen. Het lag voor de hand, dat hij lampen noodig had. Iedereen
behalve Cossar liep heen in de richting van het huis.

"Ga je in de holen?" vroeg Redwood.

"Ligt voor de hand," zei Cossar.

Hij maakte het hun nog eens duidelijk dat de lantaarns van de kar en
de trolley gehaald moesten worden.

Toen Bensington dit ten volle begreep, ging hij op weg, het pad bij
den put af. Hij keek over zijn schouder en zag de reusachtige gestalte
van Cossar op den voorgrond staan, alsof hij in gedachten verzonken
naar de holen stond te kijken. Op dit gezicht bleef Bensington een
oogenblik staan en wendde zich half om. "Zij lieten Cossar daar maar
alleen staan--!"

Natuurlijk, Cossar was wel in staat voor zichzelven te
zorgen. Plotseling zag Bensington iets dat hem een ademloos
"Hier!" deed uitschreeuwen. In een oogwenk hadden drie ratten zich
uit den donkeren warbos van slingerplanten losgemaakt en kwamen op
Cossar toeschieten. Drie seconden lang stond Cossar daar, zonder hen
op te merken, en toen werd hij plotseling het actiefste wezen ter
wereld. Hij schoot niet. Klaarblijkelijk had hij geen tijd om te
mikken, of dacht hij niet aan mikken; Bensington zag dat hij zich
bukte om een hem bespringende rat te ontgaan, en gaf het dier toen
een slag achter zijn kop met de kolf van zijn geweer. Het monster
sprong in de hoogte en viel over zijn kop duikelend op den grond.

Cossar's gedaante verdween uit het gezicht tusschen het rietachtige
gras, en toen kwam hij weder te voorschijn, op een van de andere
ratten inrennend en zijn geweer boven zijn hoofd zwaaiend. Een
zwakke kreet trof Bensington's oor, en toen zag hij de twee overige
ratten in verschillende richtingen wegloopen en Cossar hen achterna
in de richting der holen. Het geheele voorval was in nevelachtige
schaduwen gehuld; alle drie vechtende monsters werden nog grooter
en onwerkelijker gemaakt door de bedriegelijke helderheid van het
licht. Nu eens was Cossar kolossaal, dan weder onzichtbaar. De ratten
schoten voor zijn oog heen met plotselinge onverwachte sprongen, of
renden met zulk een snelle beweging der pooten, dat zij op raderen
leken te gaan. Het geheele voorval was afgespeeld in een halve
minuut. Niemand anders dan Bensington zag het. Hij kon de andere
achter zich hooren nog steeds op weg naar het huis. Hij schreeuwde
iets onsamenhangends en liep toen terug naar Cossar, terwijl de
ratten verdwenen.

Hij bereikte hem buiten de holen. In het maanlicht duidde het spelen
der schaduwen, die over Cossar's gezicht gleden, kalmte aan. "Hallo,"
zei Cossar, "al terug? Waar zijn de Iantaarns? Ze zijn nu allemaal
weer in hun holen. Eén heb ik z'n nek gebroken toen ie langs me heen
kwam... Zie je? daar!" En hij wees naar het dier met een mageren
vinger.

Bensington was te verbaasd om iets te zeggen... Het leek een ontzettend
langen tijd vóór de Iantaarns kwamen. Eindelijk verschenen zij,
eerst één helder, onbeweeglijk oog, voorafgegaan door een heen en
weer bewegenden gelen gloed, en toen, nu en dan even verdwijnend en
dan weder tevoorschijn komend, nòg twee. Daar achter kwamen kleine
gestalten aan met zachte stemmen, en toen enorme schaduwen. Deze
groep vormde als het ware één plek brand in het reusachtige droomland
van maneschijn.

"Flack," zeiden de stemmen. "Flack."

Een verklarende zin kwam tot Cossar en Bensington over. "Heeft zichzelf
in het dakkamertje opgesloten."

Cossar wekte van oogenblik tot oogenblik méér verbazing. Hij haalde
groote handen-vol ruw katoen voor den dag, en propte die in zijne
ooren.--Bensington vroeg zich verwonderd af waarvoor dit diende. Toen
laadde hij zijn geweer met een kwart lading kruit. Wie anders dan
Cossar kon aan zoo iets gedacht hebben. De illusie van het wonderland
bereikte zijn hoogtepunt, toen Cossar's twee breede vlakken schoenzool
in het middelste hol verdwenen.

Cossar kroop op handen en voeten met twee geweren die aan weerszijden
achter hem aan sleepten aan een touw, dat vastgemaakt was onder zijn
kin, en zijn meest vertrouwde helper, een kleine donkere man met een
ernstig gezicht, zou hem in de holen volgen, achter hem aan kruipen,
en een lantaarn boven zijn hoofd houden. Alles was met even veel
verstand voorbereid en was éven voor de hand liggend en in orde, als
de droom van een krankzinnige. Het bleek dat het katoen was om het
effect van het geweerschot tegen te gaan; ook de helper had wat in
zijn ooren. Natuurlijk! Zoo lang de ratten voor Cossar uitvluchtten,
was er geen gevaar, en zoodra zij stand hielden, zou hij hun oogen
zien en daar tusschen vuren. En daar zij door den koker van het hol
moesten komen, kòn Cossar ze bijna niet missen. Cossar verklaarde,
dat het de meest voor de hand liggende manier was, misschien een
beetje vervelend, maar absoluut zeker. Toen de helper zich bukte om
naar binnen te kruipen, zag Bensington dat het eind van een kluwen
bindtouw aan het jaspand van den man was vastgebonden. Hiermede moest
hij het touw naar binnen trekken om zoo noodig de lichamen der ratten
naar buiten te sleepen.

Bensington bemerkte dat het voorwerp hetwelk hij in de hand hield,
Cossar's zijden hoed was.

Hoe was die daar gekomen?...

In ieder geval was het een soort souvenir. Bij elk van de aangrenzende
holen stond een klein groepje met een lantaarn op den grond, die het
hol verlichtte, en een man lag voor elk hol geknield te mikken op de
ronde, ledige diepte, wachtend dat er iets zoude uitkomen.

Eindelooze spanning.

Toen hoorden zij Cossar's eerste schot, als een ontploffing in
een mijn...

Elk's zenuwen en spieren spanden zich, en pang! pang! pang! de ratten
hadden geprobeerd weg te komen, en twee waren neergeveld. Toen rukte
de man die het kluwen bindtouw vasthield aan de lijn.

"Hij heeft er daar binnen een neergelegd," zei Bensington, "en hij
heeft het touw noodig."

Hij zag toe hoe het touw het hol inkroop, en het leek wel alsof
er een slangachtig leven in gevaren was--want de duisternis maakte
het bindgaren onzichtbaar. Eindelijk kroop het niet langer voort,
en gebeurde er een heelen tijd niets. Toen kroop er, wat Bensington
het vreemdste monster van alles toeleek, langzaam uit het hol en
ontpopte zich als de kleine werktuigkundige, die er achterwaarts
uitkroop. Achter hem aan en diepe voren ploegend, stak Cossar zijn
voeten naar buiten en toen volgde zijn door den lantaarn verlichten
rug...

Slechts nog één rat was er nu in leven, en deze arme, ten doode
opgeschreven sukkel zat ineengedoken in den versten schuilhoek,
tot Cossar en de lantaarn weder in het gat verdween en het doodde,
en eindelijk deed Cossar, die menschelijke fret, de ronde door al de
holen om zich te vergewissen, dat er niet méér waren.

"We hebben ze," zei hij tot zijn van eerbied bijna stomme
gezelschap. "En als ik niet zoo'n stuipekop geweest was, dan zou
ik me tot op m'n middel uitgekleed hebben. Ligt voor de hand, niet
waar. Voel m'n mouwen es, Bensington! Kletsnat van 't zweet. Maar je
kunt niet an alles tegelijk denken. Alleen een halve flesch whiskey
kan me 'n kou van 't lijf houden."



VI.

Er waren oogenblikken in dezen wondervollen nacht waarin het Bensington
toescheen, dat hij voorbestemd was voor een leven van fantastische
avonturen. Dit was voornamelijk wel een uur lang het geval nadat
hij een flink glas whiskey gedronken had. "'k Ga niet terug naar
Sloanestreet," deelde hij den langen, blonden, groezeligen monteur
in vertrouwen mede.

"Niet?"

"Waarachtig niet," zei Bensington, somber het hoofd schuddend.

De inspanning die het sleepen van de zeven doode ratten naar den
brandstapel bij het brandnetelboschje van hem vereischte, deed hem
baden in zweet, en Cossar wees op de voor de hand liggende physieke
reactie van whiskey om hem te behoeden voor de anders onvermijdelijke
kou.

Ze hielden een soort van roovers-souper in de oude met tegels bevloerde
keuken, terwijl de rij doode ratten tegen de kippeloopen buiten lag in
het maanlicht en na ongeveer een half uur slaap, wekte Cossar hen allen
weder om het werk, dat nog gedaan moest worden, te verrichten. "'t
Ligt voor de hand dat we de plaats met den grond gelijk moeten maken,"
zei hij. "Geen rommel, en geen schandaal. Snap je?" Hij haalde hen
over tot zijn idee om de verwoesting volkomen te maken. Zij sloegen en
versplinterden ieder stukje hout in huis; zij legden paden van gehakt
hout overal waar de ontzaglijke plantengroei opschoot; zij maakten
een brandstapel voor de rattenlijken, en overgoten ze met petroleum.

Bensington werkte als een polderjongen, die weet wat hem te doen
staat. Hij bereikte zijn toppunt van vroolijkheid en energie tegen twee
uur. Als hij in het verwoestingswerk een bijl zwaaide, ontvluchtte
zelfs de dapperste zijn nabijheid. Daarna kalmeerde hij een beetje
door het tijdelijk verlies van zijn bril, die de anderen eindelijk
vonden in den zijzak van zijn jas. Mannen liepen af en aan--vuile,
nijvere mannen. Cossar bewoog zich tusschen hen als een god.

Bensington dronk diep van die vreugde, die men vindt in elkaars
gezelschap, die zegevierende legers en stoere expedities leeren
kennen,--doch nooit zij, die het leven van eerzaam burger in steden
leiden. Nadat Cossar hem zijn bijl had afgenomen, en hem aan het
hout-dragen gezet had, liep Bensington af en aan, zeggend dat ze
allemaal "goeie kerels" waren. Hij werkte dóór, nog lang nadat hij
vermoeidheid begon te voelen.

Eindelijk was alles in gereedheid en werd er begonnen met het
openbreken der petroleum-vaten. De maan, nu beroofd van haar toch
reeds niet talrijk nachtelijk gevolg van sterren, scheen hoog boven
den dageraad.

"Verbrand alles," zei Cossar, af en aan loopend--"verbrand den grond
en alles wat er op staat of groeit."

Bensington kreeg hem in 't oog; Cossar zag er nu zeer mager en
vreesaanjagend uit in het eerste bleeke aanlichten van den dageraad,
voorbijhollend met vooruitstekende onderkaak, en een walmend zwam in
de hand.

"Vooruit, kom mee!" zei iemand, aan Bensington's arm trekkend.

De stille dageraad--er zongen daar geen vogels--was plotseling vervuld
met een rumoerig geknapper; een klein, dof rood vlammetje lekte om
de basis van den brandstapel, werd blauw toen het den grond raakte,
en begon van blad tot blad tegen den stam van een reuzennetel op te
klimmen. Een zangerig geluid vermengde zich met het geknapper...

Zij grepen haastig hunne geweren uit den hoek van de woonkamer der
Skinners, en toen holden allen weg. Cossar kwam achter hen aan met
zware reuzenpassen...

Nu stonden allen te kijken naar de Proef-Hoeve.

Langzamerhand vatte alles vlam; de rook en de vlammen stortten naar
buiten als een menigte in een paniek, uit deuren en vensters en uit
duizend spleten en reten van het dak. Cossar wist wel hoe hij een
vuurtje moest stoken! Een groote rookkolom waaruit bloedroode tongen
en uitschietende vuurstralen te voorschijn kwamen, schoot op ten
hemel. Het was alsof er een ontzaglijke reus plotseling opstond, zich
uitrekte en op eens zijn reuzenarmen over den hemel uitspreidde. Het
dompelde hen weder in het duister en verbleekte geheel den gloed
der zon die er achter opging. Geheel Hickleybrow bemerkte spoedig
den ontzaglijken rookkolom, en kwam aangeloopen naar den heuveltop,
in allerlei vormen van déshabillé om hen te zien terugkeeren. Achter
hen, als een fantastische fungus [3] zwaaide en vervormde zich deze
rookkolom, al hooger en hooger de lucht in--en deed de heuvelen
laag lijken en alle andere voorwerpen klein, en op den voorgrond,
aangevoerd door Cossar volgden de stichters van dezen brand, het pad,
acht kleine donkere gestalten die moe, met het geweer op schouder,
de weide doorkwamen.

Toen Bensington omkeek, kwam er in zijn moede brein een welbekend
gezegde op, en bleef daar hangen. Wat was het ook? "Ge hebt vandaag
ontstoken--? Ge hebt vandaag ontstoken?--"

Toen herinnerde hij zich Latimer's woorden: "wij hebben heden een
licht ontstoken in Engeland, dat niemand ooit weder blusschen kan--"

Wàt 'n man was die Cossar! Hij bewonderde zijn rug een tijdje en was
er trotsch op, dien hoed vastgehouden te hebben. Trotsch! Hoewel
hij een beroemd navorscher was en Cossar slechts aan toegepaste
wetenschap deed.

Plotseling begon hij te huiveren en vreeselijk te geeuwen en wenschte,
dat hij warm ingestopt in zijn bed lag op zijn kleine bovenhuis,
dat uitzag op Sloanestreet. Aan nicht Jeanne te denken ging heelemaal
niet meer. Zijn beenen waren strengen katoen geworden, en zijn voeten
van lood. Hij verwonderde er zich over of er iemand in Hickleybrow
hun koffie zou kunnen verschaffen. Hij was gedurende drie en dertig
jaren nooit een heelen nacht opgebleven.



VII.

En terwijl deze acht avonturiers om de Proef-Hoeve ratten bevochten,
kampte, negen mijlen ver weg, in het dorp Cheasing Eyebright, een oude
juffrouw met een ontzettenden neus, met groote moeilijkheden bij het
licht van een flakkerende kaars. Zij had een tang om sardinenblikjes
open te breken in de eene knokkige hand, en in de andere hield zij
een bus Herakleophorbia, die zij zei te willen openen, of te sterven
in de poging. Zij spande zich onvermoeid in, terwijl door het uiterst
dunne beschot de stem van het kleine kind der Caddles klaagde. "'t Arme
schaap," zei juffrouw Skinner; en vervolgens, zich met haar eenigen
tand in de lip bijtend in een extase van vastbeslotenheid, zei zij:
"Hier d'r maar mee!"

En een oogenblik later, "jap!" en een nieuwe voorraad van het Voedsel
der Goden werd vrijgelaten om zijn reuzengroeikracht de wereld in
te slingeren.



HOOFDSTUK IV.

DE REUZEN-KINDEREN.


I.

Voor een tijd tenminste moet de zich steeds uitbreidende kring van
de nog achtergebleven gevolgen op de Proef-Hoeve buiten ons verder
verhaal blijven--bijvoorbeeld hoe nog een tijd lang een reuzengroei
in fungus en paddestoel, in gras en onkruid voortwoekerde in dat
wel verkoolde doch niet geheel uitgewischte centrum. Ook kunnen
wij niet uitweiden over de geschiedenis van die twee kwijnende
vrijsters, de twee overlevende hennen; hoeveel bekijks zij hadden
en hoeveel verbazing zij verwekten, en hoe zij hunne verdere jaren
doorbrachten in ei-looze beroemdheid. De lezer, die haakt naar verdere
bijzonderheden omtrent deze dingen, verwijs ik naar de nieuwsbladen
van dien tijd--naar de ruime, niet al te kieskeurige kolommen van
den modernen boekstavenden Engel. Wij zullen ons verder bezighouden
met den heer Bensington ten tijde van deze verontrustende dingen.

Hij was dan naar Londen teruggekeerd, en bemerkte dat hij plotseling
een zeer beroemd man was geworden. In één nacht was de geheele wereld
ten zijnen opzichte veranderd. Iedereen begreep hem. Het leek wel alsof
nicht Jeanne er alles van wist; de menschen op straat wisten er ook
alles van: de bladen eveneens alles en nòg méér. Zeer zeker was het
iets vreeselijks geweest nicht Jeanne onder de oogen te moeten komen,
doch toen het voorbij was, was het bij slot van rekening toch niet
zoo héél vreeselijk.

Zelfs háár macht over feiten had grenzen; het was duidelijk, dat
zij met zichzelve te rade was gegaan en het Voedsel aangenomen had
als iets dat in de natuur der dingen lag. Ze nam een houding van
snauwende plichtmatigheid aan. Het was duidelijk, dat zij er haar
goedkeuring geenszins aan hechtte, doch zij verbood niets. Het is
mogelijk dat Bensington's vlucht, zooals zij die moet hebben opgevat,
haar vermurwd heeft, en het ergste wat zij deed, was hem met bittere
volharding op te passen onder voorwendsel van een verkoudheid die de
goede man niet gevat had, en van zijne vermoeidheid die hij reeds
lang vergeten was, en hem een nieuw soort hygiënisch heel-wollen
"combination" stel ondergoed te koopen dat even veel neiging vertoonde
om gedeeltelijk binnenste buiten te keeren en gedeeltelijk niet, en
waar hij, als afgetrokken mensch even moeilijk kon inkomen, als in
gezelschapskringen. En nog een tijdlang, en voor zoover dit gemak
hem ledigen tijd liet, ging hij voort een aandeel te nemen in de
ontwikkeling van dit nieuwe element in de menschelijke geschiedenis,
het Voedsel der Goden.

De publieke opinie, die haar eigen, mysterieuze wetten van selectie
volgde, had hèm uitgekozen als den eenigen verantwoordelijken uitvinder
en bevorderaar van dit nieuwe wonder; zij wilde niets van Redwood
weten, en zonder protest stond het Cossar toe zijn natuurlijke neiging
te volgen en in een uiterst vruchtbare obscuriteit te verzinken. Vóór
hij bemerkte waar dit alles heen wilde, stond hij, om zoo te zeggen,
reeds stijf en ontleed op de schuttingen tentoongesteld. Zijn
kaalhoofdigheid, zijn eigenaardige roode kleur en zijn gouden bril
waren algemeen eigendom geworden. Vastberaden jonge mannen met groote,
er-duur-uitziende camera's en een air alsof zij er het volste recht toe
hadden, namen Bensington's verdieping in bezit gedurende korten, doch
zeer vruchtbaren tijd, lieten er plotseling helle lichten in schijnen,
die het huis nog dagen daarna met een dikken, ondragelijken stank
vervulden, en gingen dan weder heen om de bladzijden der periodieken te
vullen met hunne bewonderenswaardige kiekjes van den heer Bensington
ten voeten uit, en te huis zittend in op één na zijn beste jasje en
opengewerkte schoenen. Weer andere personen met resolute manieren,
van verschillende leeftijden en sexe, kwamen binnenvallen en verhaalden
hem allerlei dingen over Bom-Voedsel--het was Punch, die het goed het
eerst "Bom-Voedsel" noemde--en drukten later af wat zij gezegd hadden,
als zijn eigen origineele bijdrage in het interview. Het geval werd
Broadbeam, den populairen humorist, een ware bezetting. Hij rook weer
iets dat hij niet begrijpen kon, en tobde zich af in pogingen om het
geval door zijn moppen onbeduidend te doen schijnen. Men kon hem in
societeiten vinden, een grooten onbeholpen man, met de sporen van zijn
middernachtelijk werken bij een walmende olie-lamp op zijn ongezond
bleek gelaat afgedrukt, aan iedereen dien hij maar te pakken kon
krijgen, uitleggend: "Die wetenschappelijke mannetjes weet je, hebben
niet 't minste gevoel van Humor. Dat is 't. Deze wetenschap--vermoordt
het." Zijne grappen op Bensington werden kwaadwillige lasterschriften.

Een ondernemend agentschap in couranten-uitknipsels zond Bensington
een lang artikel over hemzelven, geknipt uit een schelling's
weekblad, genaamd "Een nieuwe Terreur," en bood hem aan honderd van
dezelfde artikelen te leveren voor een tientje; en twee buitengewoon
bekoorlijke jonge dames, die hem geheel onbekend waren, bezochten hem,
en bleven, tot de onzeggelijke verontwaardiging van nicht Jeanne,
thee bij hem drinken, en zonden hem later hun verjaarsalbums om zijn
handteekening in te zetten. Hij was er spoedig aan gewend zijn naam
in één adem genoemd te zien met de meest onsamenhangende ideeën in
de publieke pers, en in de revues artikelen te ontdekken, handelend
over Bom-Voedsel en hemzelven, en geschreven op de meest familiare
wijze door lieden, waarvan hij nooit gehoord had. En welke verkeerde
denkbeelden omtrent het aangename van beroemdheid hij ook moge gevoed
hebben in de dagen toen hij nog onbekend was, deze werden zeer spoedig
en voor altijd gebannen. In het begin--Broadbeam uitgenomen--was de
toon der publieke opinie vrij van alle vijandelijkheid. Het leek het
publiek niet anders dan een speelsgewijze geopperde mogelijkheid, dat
er nog meer Herakleophorbia zou kunnen ontsnappen. En het scheen het
publiek niet in te vallen, dat de groeiende kleine groep kinderen,
die nu gevoed werden met het voedsel, binnen korten tijd meer "òp"
zouden groeien dan de meesten van ons ooit groeien. Waar het publiek
het meest plezier in had, waren Caricaturen van eminente politici "na
een kuur van Bom-Voedsel," het gebruikmaken van de Bom-Voedsel-idee op
schuttingen, en zulke stichtelijke teekeningen als van de doode wespen
die aan het vuur ontsnapt waren en van de nog overblijvende kippen.

Verder dan dit keek het publiek liever niet, totdat er zeer
ijverige pogingen gedaan werden om aller oogen te vestigen op de meer
verwijderde gevolgen en zelfs toèn nog was de geestdrift om te handelen
nog maar betrekkelijk bij het publiek. "Er is altijd iets nieuws," zei
het publiek--een publiek dat zoo overvoerd was van nieuwigheden, dat
het zonder verbazing zoude aangehoord hebben, dat de aarde gespleten
was, zooals men een appel doorsnijdt, en dat zou gezegd hebben:
"'k Zou wel es willen weten wat "ze" hierna weer zullen beginnen."

Doch er waren er een paar die buiten het publiek stonden, en die
reeds verder zagen, en enkelen, schijnt het, werden angstig van wat
zij daar zagen. Daar hadt je bijvoorbeeld de jonge Caterham, neef van
den graaf van Penterstone, en een van de meestbelovende Engelsche
politici, die, op gevaar af voor een leuteraar gehouden te worden,
een lang artikel schreef in de "Negentiende Eeuw en Daarna," om de
algeheele onderdrukking van het Voedsel voor te stellen. En dan was
er nog--in sommige stemmingen--Bensington zelf.

"Ze schijnen niet te begrijpen--" zei hij tot Cossar.

"Nee, dat doen ze ook niet."

"En doen wij dat wel? Soms, als ik er aan denk wat het zeggen wil--dit
arme kind van Redwood--en, natuurlijk, joùw drie--misschien veertig
voet groot!... Mogen we, bij slot van rekening er wel mee doorgaan?"

"Er mee doorgaan!" riep Cossar uit, schokkend van plompe verbazing, en
met hooger stem dan ooit. "Natúúrlijk ga je d'r mee door! Waar denk je
wel voor gemaakt te zijn? Om rond te slenteren tusschen je maaltijden?"

"Ernstige gevolgen," gilde hij, "natúúrlijk! Enorm! Ligt voor de
hand--Ligt voor de hand. M'n goeie man, 't is de eenige kans die je
in je leven hebt op een ernstig gevolg! En nou wil je terug!" Een
oogenblik lang was hij sprakeloos van verontwaardiging. "'t Is
schànde!" zei hij eindelijk, en barstte nog eens nà los: "Schande!"

Doch Bensington werkte nu in zijn laboratorium met meer emotie dan
lust. Hij kon niet zeggen of hij ernstige gevolgen in zijn leven
wenschte of niet; hij was een man met een kalmen smaak. Het was een
wondere ontdekking, natuurlijk, zeer wonderbaarlijk--maar--Hij was
reeds eigenaar geworden van verscheidene hectaren verschroeiden, te
slechter-faam bekend staanden grond bij Hickleybrow, tegen een prijs
van bijna f 1000 per are, en soms was hij geneigd ook dit als zùlk
een ernstig gevolg van speculatieve chemie te beschouwen, als een
man zonder eerzucht maar kon wenschen. Meer dan voldoening gevend,
ja, veel meer dan voldoening gevend was de roem, dien hij bereikt
had.--Doch de gewoonte van navorschen zat hem in het bloed...

En soms, in sommige oogenblikken, zeldzaam voorkomende oogenblikken,
voornamelijk in het laboratorium, vond hij nu en dan nog iets anders
dan gewoonte en Cossar's argumenten om hem tot zijn werk aan te
zetten. In dezen kleinen gebrilden man, die, met zijn opengewerkte
schoenen om de pooten van zijn hooge kruk geslagen, zich hierop in
evenwicht hield, met de hand op het pincet zijner gewichtjes, placht
dan plotseling weder een lichtstraal van dat jeugd-visioen door te
breken, een momenteele visie van het eeuwig ontkiemen van het zaad
dat gezaaid was in zijn geest, en zag hij als het ware in de lucht,
achter de grotesque gedaanten en voorvallen van het heden, de komende
wereld van reuzen en al de machtige dingen die in de toekomst weggelegd
waren--vaag en schitterend, als een glanzend paleis dat plotseling
gezien wordt in een voorbijschietenden zonnestraal in de verte... En
een oogenblik later was het hem weer alsof die voorbijgaande glorie
zijn geest nooit beschenen had, en zag hij niets in de toekomst
dan sombere schaduwen, onmetelijke hellingen en donkere diepten,
onherbergzame wildernissen, koude, woeste en vreeselijke dingen.



II.

Temidden van de ingewikkelde en verwarde gebeurtenissen, de schokken
van de groote buitenwereld, die den heer Bensington zijn roem
bezorgden, trad een schitterende, en actieve figuur weldra op den
voorgrond--werd bijna, als het ware, een leider en heraut van deze
dingen, die Bensington als buiten de zaak omgaand toeleken. Dit was
dr. Winkles, die zelfbewuste jonge praktizeerende dokter, die reeds
in dit verhaal ten tooneele gevoerd is als het middel waardoor het
Redwood mogelijk werd het Voedsel zijnen zoon toe te dienen. Zelfs
vóor het algemeen uitbreken der gevolgen in Hickleybrow, was het
duidelijk, dat de geheimzinnige poeders die Redwood hem gegeven had,
de levendige belangstelling van dezen heer hadden opgewekt, en zoodra
de eerste wespen verschenen, bracht hij de dingen met elkaar in
verband. Hij behoorde tot het soort van dokters, die in manieren,
moraal, wijze van werken en voorkomen het best konden getypeerd
worden met het woord "opkomend." Hij was lang en blond, met een hard,
waakzaam, pedant, aluminium-kleurig oog, haar als aangemengde kalk,
regelmatige gelaatstrekken, met sterk ontwikkelde kaakspieren
en vierkanten gladgeschoren kin, recht van lijf en leden en met
flinken gang, vlug en zich op de hielen omdraaiend; hij droeg lange
gekleede jassen, zwart-zijden dassen en eenvoudige gouden manchet-
en boorden-knoopen en horloge-ketting, en zijn zijden hoeden hadden
een bijzonderen vorm en rand die hem er verstandiger en beter dan
iemand anders deden uitzien. Hij zag er even jong of oud uit als de
eerste de beste volwassene. En na dit eerste wondervolle uitbreken,
klampte hij zich aan Bensington en Redwood en het Voedsel der Goden
met zulk een overtuigend air van eigenaarschap vast, dat Bensington,
niettegenstaande het feit dat de pers het tegendeel verklaarde, soms
geneigd was hèm als den oorspronkelijken uitvinder van de geheele
zaak aan te zien.

"Deze kleine ongelukjes," zei Winkles, toen Bensington een toespeling
maakte op de gevaren van verdere ontsnappingen, "deze kleine ongelukjes
hebben niets te beteekenen. Niets. De ontdekking is alles. Behoorlijk
uitgewerkt, zorgvuldig behandeld, verstandig gecontroleerd, en we
hebben iets heel gewichtigs gevonden in dit voedsel van "òns"... Maar
we moeten er een oogje op houden... We moeten het niet weer laten
ontglippen, en--we moeten het er niet bij laten zitten."

En dit was hij voorzeker niet van plan te doen. Hij kwam nu bijna
elken dag bij Bensington. Als Bensington uit het raam keek, placht hij
de uiterst-correcte equipage Sloane-street te zien af komen draven,
en na een ongelooflijk korten tijd trad Winkles de kamer binnen met
lichten, veerkrachtigen tred, en vervulde haar met gerucht, haalde
het een of ander nieuwsblad uit den zak, voorzag Bensington van nieuws
en maakte opmerkingen.

"Nou," placht hij te zeggen, zich in de handen wrijvend, "en schieten
we op?" en bracht met deze woorden het gesprek erop.

"Zie je wel," zei hij bijvoorbeeld, "dat die Caterham over ons goedje
gesproken heeft op de Bijeenkomst van den Kerkelijken Bond?"

"Goeie hemel!" zei Bensington, "dat is 'n neef van den eersten
minister, hè?"

"Ja," zei Winkles, "een heel bekwame jonge man--werkelijk heel
bekwaam. Zijn hoofd staat hem heelemaal verkeerd, weet je, verwoed
reactionnair--maar op en top een handige vent, hoor. En 't schijnt
werkelijk alsof hij geld wil slaan uit ons goedje. Slaat een beslisten
toon aan. Praat over "ons" voorstel om het te gebruiken op de lagere
scholen--"

"Ons voorstel om het te gebruiken op de lagere scholen!"

"Ja, onlangs zei ik daar zoo iets over--zoo terloops--praatje
aan een Polytechnische. Probeerde 't duidelijk te maken, dat 't
goedje werkelijk veel goed kon doen. Niet in 't minst gevaarlijk,
niettegenstaande die kleine ongelukjes. Die kunnen onmogelijk weer
plaats hebben... Weet je, 't zóú werkelijk goed zijn voor--Maar nu
is hij er over aan 't praten gegaan."

"Wat heb je dan gezegd?"

"Och, enkele voor de hand liggende onbeduidende dingen. Maar zooals je
ziet--hij neemt het in vollen ernst op. Zegt dat er zonder dit ook al
geld genoeg verknoeid wordt aan de openbare scholen. Vertelt weer de
oude geschiedenissen over piano-lessen--weet je. Niemand, zegt hij,
wil de kinderen uit het volk verhinderen een opvoeding te genieten,
die overeenkomt met hun stand, maar door ze dergelijk voedsel te
geven, zou je hun besef van verhoudingen absoluut vernietigen. Heeft
't onderwerp nog verder uitgewerkt. Welk nut heeft het, zegt hij,
arme lieden zes en dertig voet lang te maken? Hij gelooft werkelijk,
zie je, dat ze zes en dertig voet lang zullen worden."

"Dat zouden ze ook," zei Bensington, "als je ze ons voedsel geregeld
gaf. Maar niemand heeft iets gezegd van--"

"Jawel, ik zei iets."

"Maar m'n beste Winkles--!"

"Ze zullen natuurlijk nòg Grooter worden," viel Winkles hem in de rede,
met een air van "'k weet er alles van," en verachtelijk over de onrijpe
ideeën van Bensington heenloopend. "Ontegenzeggelijk Grooter. Maar
luister eens naar wat hij zegt! Zal het hen gelúkkiger maken? Dat is
de quaestie. Zullen ze meer eerbied hebben voor de over hen gestelde
machten? Is het wel billijk tegenover de kinderen zelf?" Grappig hoe
bezorgd lui van zijn slag zijn voor de rechtvaardigheid--voor zoover
het schikkingen in de toekomst betreft. Zelfs heden ten dage, zegt hij,
bedragen de kosten van kleeding en voeding meer dan menig ouder voor
zijn kinderen kan betalen, en als dit nieuwe wordt toegelaten!--He?"

"Je ziet dat hij mijn terloops gegeven wenk tot een positief voorstel
maakt. En dan berekent hij verder hoeveel een broek zal kosten
voor een groeienden jongen van twintig voet ongeveer. Alsof hij
werkelijk geloofde--Honderd twintig gulden berekent hij, en dan is
nog alleen maar de naaktheid van den jongen bedekt. Grappige kerel,
die Caterham. Zoo concreet! En op den braven en hard-werkenden
belastingbetaler zal 't neerkomen, zegt hij. Hij zegt dat wij
rekenschap hebben te houden met de Rechten der Ouders. Hier staat het
allemaal. Twee kolommen. Ieder ouder heeft het recht zijne kinderen
groot te brengen naar zijn eigen lengte..."

"Dan komt de quaestie van de inrichting der scholen, kosten van
vergroote banken en lessenaars voor ons tòch al tè zwaar belaste
Rijksscholenbudget. En wat krijg je dan nòg?--een proletariaat van
hongerige reuzen. En hij eindigt met een heel ernstige passage; hij
zegt dat, zelfs al komt er niets van dat alle perken overschrijdende
voorstel--ik greep 't zoo maar uit de lucht, moet je weten en heelemaal
verkeerd uitgelegd bovendien--van die scholen, dat dan de quaestie daar
nog niet mee uit is. Dit is een eigenaardig voedsel, zóo eigenaardig,
dat het bijna kwaadaardig lijkt. Het is roekeloos rondgestrooid--zoo
zegt hij--en niets waarborgt, dat het niet nogmaals zal worden
rondgestrooid. Als men er eenmaal van genomen heeft, is het gif,
tenzij men er mee doorgaat. ("Dat is het ook," zei Bensington). En om
kort te gaan, hij stelt voor een "Nationaal Genootschap ter Behoud
van de Normale Verhoudingen der Dingen" op te richten. Zot, he? En
heel veel lui voelen er veel voor. Maar wat denken ze te doèn?"

Winkles haalde de schouders op en stak zijn handen uit. "Een
vereeniging vormen," zei hij, "en lawaai maken. Ze willen het onwettig
doen verklaren, dit Herakleophorbia te fabriceeren--of tenminste het
algemeen bekend maken van het bestaan ervan. Ik heb er een beetje
over geschreven naar dit en dat blad, om aan te toonen, dat Caterham's
begrip van de zaak schromelijk overdreven is--schròmelijk overdreven,
maar mijn geschrijf schijnt hem niet tegen te houden. Grappig, he, hoe
de menschen er zich tegen gaan kanten. En de Nationale Matigheids-Bond
heeft een afdeeling opgericht voor Matigheid in Groei."

"Hm," zei Bensington en streek zich over den neus.

"Na al wat er gebeurd is kan dat lawaai slecht uitblijven. Oppervlakkig
beschouwd is de quaestie werkelijk wat--onrustbarend."

Winkles liep een tijdje de kamer op en neer, aarzelde en vertrok.

Het was duidelijk, dat hij iets verborgen hield, iets dat op twee
manieren van belang voor hem was en dat hij nog niet wenschte te laten
zien. Op zekeren dag toen Redwood en Bensington samen op Bensington's
kamers zaten, liet hij even doorschemeren wat het was, dat hij in
reserve hield.

"Hoe staan de zaken?" zei hij, zich in de handen wrijvend.

"Wij zijn bezig een soort van rapport samen te stellen."

"Voor het Koninklijk Genootschap?"

"Juist."

"Hm," zei Winkles, heel gewichtig doend, en ging naar het
haardkleed. "Hm. Maar--De quaestie is maar, mag je dat wel doen?"

"Mogen we--wat?"

"Mag je dat wel publiek maken?"

"Wij leven niet meer in de middeleeuwen," zei Redwood.

"Dat weet ik wel."

"Zooals Cossar zegt, "kennis ruilen,"--dat is de ware wetenschappelijke
methode."

"In de meeste gevallen wel, ja. Maar--Dit is een exceptioneel geval."

"Wij zullen het Koninklijk Genootschap de geheele zaak behoorlijk
voorleggen," zei Redwood.

Winkles kwam bij een latere gelegenheid hier op terug.

"In veel opzichten is 't een merkwaardige uitvinding."

"Dat verandert niets aan de zaak," zei Redwood.

"Maar dit is een soort van wetenschap die heel licht aanleiding
kan geven tot ernstige misbruiken,--"tot ernstige gevaren,"--zooals
Caterham het uitdrukt."

Redwood zei niets.

"Zelfs achteloosheid, weet je--Als we een commissie van betrouwbare
lieden vormden om het vervaardigen van Bomvoedsel, Herakleophorbia
bedoel ik, te controleeren--zouden we kunnen--"

Hij zweeg, en Redwood, met een heimelijk onaangenaam gevoel, deed
alsof hij de vraag in Winkles' woorden niet opmerkte.

Buiten de vertrekken van Redwood en Bensington werd Winkles,
niettegenstaande de onvolledigheid van zijn kennis ervan, een leidend
autoriteit op het gebied van Bomvoedsel. Hij schreef brieven waarin hij
het gebruik ervan verdedigde; hij schreef korte stukjes en artikelen
waarin hij het nut ervan verklaarde; hij sprong op oogenblikken
dat het heelemaal niet te pas kwam op in de vergaderingen der
wetenschappelijke en medische genootschappen om erover te praten;
hij vereenzelvigde er zich mede. Hij gaf een pamflet uit, getiteld
"De waarheid omtrent Bomvoedsel," waarin hij het geheele voorval te
Hickleybrow nagenoeg tot niets reduceerde. Hij zei, dat het onzinnig
was te zeggen dat Bomvoedsel de menschen zeven en dertig voet lang zou
maken. Het "lag voor de hand," dat dit overdrijving was. Natuurlijk
zou het hen Grooter maken, maar meer niet...

In dat intieme kringetje van twee zag men maar al te duidelijk, dat
Winkles dolgraag wilde helpen bij het maken van Herakleophorbia, en
helpen bij het corrigeeren van de proeven van het een of ander artikel
dat voorbereid werd over dit onderwerp, ja alles te doen waaruit hij
de bizonderheden van het vervaardigen van Herakleophorbia kon te weten
komen. Voortdurend vertelde hij hen beiden, dat hij voelde, dat het
"een Groot Ding" was, en dat er enorme mogelijkheden in verscholen
lagen. Als ze maar eerst op de een of andere manier ongestoord hun
gang konden gaan. En eindelijk vroeg hij op zekeren dag ronduit,
of ze hem niet zeggen konden hoe het gemaakt werd.

"Ik heb nog es nagedacht over wat je zei," zeide Redwood.

"Nu, en?" zei Winkles, plotseling oplevend.

"Het is een soort van kennis die heel licht aanleiding zou kunnen
geven tot ernstige misbruiken." zei Redwood.

"Maar ik zie niet in waar dat op slaat," zei Winkles.

"'t Is tòch zoo," zei Redwood.

Winkles dacht er een paar dagen over na. Toen kwam hij bij Redwood
en zei dat hij er aan twijfelde of hij aan Redwood's kleinen jongen
wel langer poeders mocht geven, waarvan hij niets wist; het leek hem
toe erg veel te hebben van lichtvaardig verantwoordelijkheid op zich
te nemen. Dit stemde Redwood tot nadenken.

"Heb je gezien, dat de "Vereeniging tot Algeheele Onderdrukking van
Bomvoedsel" al verscheidene duizenden leden telt?" zei Winkles van
het onderwerp afstappend.

"Ze hebben een petitie op touw gezet," zei Winkles. "En de jonge
Caterham zal haar de Kamer voorleggen. 't Gaat meenens worden,
hoor. Zij zijn bezig plaatselijke comité's te vormen om invloed
te oefenen bij verkiezingen. Zij wenschen het vervaardigen en het
in voorraad hebben van Herakleophorbia zonder speciale vergunning,
strafbaar te stellen, en het toedienen van Bomvoedsel--zoo noemen
ze het--aan eenig persoon onder de eenentwintig, als landverraad
aan te merken, met gevangenisstraf zonder boete. Maar er zijn nog
andere vereenigingen weet je. De "Vereeniging tot Behoud van de Oude
Lichaamsgrootte" wil den heer Frederic Harrison in den raad zien
te krijgen, zeggen ze. Je weet dat hij er een verhandeling over
geschreven heeft; hij zegt dat het absoluut niet harmonieert met
die Openbaring van het Menschelijk Geslacht die gevonden wordt in de
leeringen van Comte. Dat het iets is, dat zelfs de achttiende eeuw in
hare ergste tijden niet zou hebben kúnnen voortbrengen. De gedachte
aan dit Voedsel is nooit in het hoofd van Comte opgekomen--wat wel
een bewijs is, dat het werkelijk uit den booze is. Niemand, zegt hij,
die Comte werkelijk heeft begrepen..."

"Maar je wilt toch niet zeggen--" zei Redwood, die van schrik over
zijn verachting voor Winkles heenraakte.

"Nou, ze zullen dat nu allemaal wel niet doen," zei Winkles. "Maar
de publieke opinie is nu eenmaal de publieke opinie, en stemmen zijn
stemmen. Iedereen kan wel zien dat jullie een lastig ding in de wereld
geschopt hebt. En het menschelijk instinct stelt zich onmiddellijk
tegenover dingen die de rust verstoren.

"Niemand schijnt te gelooven in Caterham's denkbeeld van menschen
van zeven en dertig voet lang, die geen kerk of vergaderlokaal
kunnen binnenkomen, of eenig andere maatschappelijke of menschelijke
inrichting. Maar toch zijn ze er niet zoo heel gerust op. Ze zien
wel dat dit iets is,--iets dat meer is dan een gewone ontdekking--"

"Dat zit er in iedere ontdekking," zei Redwood.

"Hoe dan ook, ze worden--schichtig. Caterham zeurt maar steeds over
wat er gebeuren kàn, als het weer losbreekt. Ik herhaal telkens en
telkens weer dat het dat niet zàl, en dat 't dat niet kàn. Maar--je
staat er voor!"

En hij liep een tijd lang lawaaiërig in de kamer op en neer, alsof
hij het onderwerp van het geheim weder wilde op de proppen brengen,
bedacht zich en ging heen.

De beide geleerden keken elkaar aan. Een tijdlang spraken alleen
hunne oogen.

"In het ergste geval," zei Redwood, met gemaakt-kalme stem, "zal ik
het Voedsel mijn kleinen Teddy eigenhandig toedienen."



III.

Slechts enkele dagen na dit gesprek, sloeg Redwood, zijn courant
open en zag, dat de Eerste Minister een "Koninklijke Commissie ter
onderzoek van Bom-Voedsel" had toegezegd. Dit deed hem, met de courant
in de hand, naar Bensington's kamer snellen.

"Ik geloof, dat Winkles de zaak aan het bederven is. Hij maakt
het Caterham gemakkelijk. Hij praat er al maar over en wat het nog
uitwerken zal, en jaagt de menschen vrees aan. Als hij zoo doorgaat,
geloof ik vast dat hij onze navorschingen onmogelijk zal maken. Zelfs
zoo als de zaken nu staan--met dit gedoe over mijn kleinen jongen--"

Bensington zei dat hij wenschte dat Winkles er mede ophield.

"Heb je wel opgemerkt, dat hij de gewoonte heeft aangenomen het
Bomvoedsel te noemen. Ik mag dien naam niet," zei Bensington, over
zijn bril heenkijkend.

"Maar 't drukt precies uit wat 't is--voor Winkles."

"Waarom blijft hij er zich toch zoo voor interesseeren. Hij is de
uitvinder toch niet!"

"Ja, ik begrijp 't ook niet," zeide Redwood. "Maar al is hij de
uitvinder niet, iedereen is toch mooi op weg te denken, dat hij
't wel is. Niet dat 't er véél op aankomt, hoor!"

"Maar als deze domme, belachelijke agitatie--eens--ernstig wordt,"
begon Bensington.

"Mijn kleine jongen kan er niet meer buiten," zei Redwood. "Ik zie
niet in wat me ànders te doen staat. In 't ergste geval--"

Een licht bonzend geluid duidde de komst van Winkles aan. Hij stond
plotseling midden in de kamer, zich in de handen wrijvend.

"Ik zag graag, dat je in 't vervolg aanklopte," zei Bensington,
kwaadaardig over de gouden randen van zijn bril kijkend.

Winkles putte zich uit in excuses. Toen wendde hij zich tot
Redwood. "Goed dat je hier bent," begon hij, "de quaestie is--"

"Heb je gelezen van die Koninklijke Commissie?" viel Redwood hem in
de rede.

"Ja," zei Winkles, van zijn stuk gebracht. "Ja."

"Wat is jouw opinie daarover?"

"Uitstekend iets," zei Winkles. "Moèt een eind maken aan al dit
lawaai. Licht laten schijnen over de geheele zaak. Caterham zijn
mond snoeren. Maar daarom ben ik niet hierheen gekomen, Redwood. De
quaestie is--"

"Ik moet zeggen, dat ik niet erg òp heb met die Koninklijke Commissie,"
zei Bensington.

"Ik kan je verzekeren, dat dàt zaakje in orde is, hoor. Ik kan je wel
zeggen--ik geloof niet dat 't een misbruik van vertrouwen is--dat ik
er hoogst waarschijnlijk zitting in zal nemen--"

"H'm," zei Redwood, in het vuur starend.

"Ik zal dat zaakje wel in orde brengen. Ik kan het in de eerste plaats
volkomen duidelijk maken, dat het goedje zeer wel in bedwang te houden
is, en ten tweede, dat er wel een wonder zou moeten gebeuren als die
quaestie te Hickleybrow nog eens voor zou vallen. Dat is wat ze noodig
hebben, een verzekering van iemand die het weten kan. Natuurlijk zou
ik met meer zelfvertrouwen kunnen spreken als ik wist--Maar dat zeg
ik maar zoo, hoor. En nu dat ik toch hier ben, wou ik je meteen wel
even raadplegen in een ander zaakje. Ahem. De quaestie is--nu--Ik
verkeer in een kleine moeilijkheid en jij kunt me daaruit helpen."

Redwood trok de wenkbrauwen op, en was heimelijk verheugd.

"De quaestie is--zeer confidentieel."

"Ga voort," zei Redwood. "Je kunt op me vertrouwen."

"Nu dan, onlangs is er een kind onder mijn behandeling gesteld--het
kind van--van een Verheven Personage."

Winkles kuchte.

"Nou, nou, je raakt mooi op weg," zei Redwood.

"Ik moet bekennen, dat het grootendeels te danken is aan jouw
poeders--en de reputatie van mijn succes met je kleine jongen--'t Is
waar, ik kan het niet verhelen, de publieke opinie is erg tegen het
gebruik ervan. En toch merk ik, dat onder de meer intellectueele--Je
moet niet te hard van stapel loopen met dergelijke dingen--langzaam
aan. En toch, in het geval van Hare Doorluchtig--ik bedoel dit nieuwe
patientje van mij. Feitelijk kwam het voorstel van haar vader, of ik
zou nooit--"

Het kwam Redwood voor dat hij niet goed wist, hoe zich te houden.

"Ik dacht dat je er aan twijfelde of het wel raadzaam was deze poeders
te gebruiken," zei Redwood.

"O, die twijfel was van voorbijgaanden aard."

"Je bent toch niet van plan er mee uit te scheiden--"

"Wat jouw kleine jongen betreft? Beslist niet!"

"Voor zoover ik er kijk op heb, zou ik 't tenminste als moord
beschouwen."

"Nee, en voor de wereld zou 't óók niet gaan er mee op te houden."

"Je zult de poeders hebben, hoor," zei Redwood.

"Je zoudt me zeker niet kunnen zeggen--"

"Nee, nee," zei Redwood. "Er bestaat geen recept. Vergeef mij
m'n openhartigheid, Winkles, maar probeer 't maar niet uit me te
krijgen. Ik zelf zal je de poeders maken."

"Misschien nog wèl zoo goed," zei Winkles, na Redwood een oogenblik
strak te hebben aangekeken--"misschien nog wèl zoo goed." En
vervolgens: "ik kan je verzekeren dat ik er absoluut niets tegen heb."



IV.

Toen Winkles weg was, kwam Bensington op het haardkleed staan en zag
op Redwood neer.

"Hare Doorluchtigheid!" merkte hij op.

"Hare Doorluchtigheid!" zei Redwood.

"Het is de prinses van Weser Dreiburg!"

"Niet verder dan een nicht in den derden graad."

"Redwood!" zei Bensington, "'t is natuurlijk gek dat ik 't zeg,
maar--geloof je dat Winkles 't begrijpt?"

"Wat?"

"Wàt het is dat wij gemaakt hebben."

"Zou hij werkelijk begrijpen," zei Bensington, zijn stem latende
dalen, en zijn blik op de deur gericht houdend, "dat in de Familie--de
Familie van zijn nieuwe patiente--"

"Ga door," zei Redwood.

"Die altijd een beetje onder--onder--"

"De middelbare lengte?"

"Juist. En zoo bijzonder tactvol onberoemd als hij is op elk mogelijk
gebied, gaat hij nu een koninklijk personage te voorschijn brengen--een
te langzaam groeiend koninklijk personage--van diè grootte. Weet je,
Redwood, ik ben er niet zeker van of er niet iets bijna--verraderlijks
in schuilt...."

Hij wendde zijn oogen van de deur naar Redwood.

Redwood maakte een gebaar--met gestrekten wijsvinger--in de richting
van het vuur. "Bij den hemel!" zei hij, "hij weet 't níét!"

"Die man," zei hij, "weet nièts. Dat was reeds zijn meest tergende
eigenschap als student. Letterlijk niets. Hij kwam door al zijn
examens, hij had al zijn feiten bij elkaar--en hij had evenveel
kennis als een draaiende boekenplank waarop de "Times Encyclopedie"
staat. En nù weet hij nog evenmin iets. Hij is Winkles en niet in
staat om werkelijk iets in zich op te nemen en te verwerken, wat
niet in onmiddellijk verband staat met zijn oppervlakkig, pedant
eigen-ik. Alle verbeeldingskracht ontbreekt hem en als een gevolg
daarvan, is hij ongeschikt voor kennis. Niemand kan zonder juist diè
ongeschiktheid, door zooveel examens komen, en zoo goed gekleed gaan,
en zooveel succes hebben als dokter. Dat is de geheele quaestie. En
niettegenstaande alles wat men hem verteld, en wat hij gehoord en
gezien heeft, heeft hij nòg geen vaag begrip van wat hij aan den gang
gebracht heeft. Hij heeft een goed zaakje aan de hand, dat hij opkweekt
met Bomvoedsel, en de een of ander heeft hem die koninklijke baby in
handen gespeeld. En het feit, dat Weser Dreiburg over eenigen tijd
zal staan voor het reuzen-probleem van een dertig en idem zooveel
voet lange prinses, is niet alleen niet in zijn hoofd opgekomen,
maar kòn het ook niet--kòn het ook niet."

"'t Zal een ontzettende herrie geven," zei Bensington.

"Ja, binnen een jaar of zoo al."

"Zoodra ze zien dat het kind al maar blijft dóórgroeien."

"Tenzij zij, zooals dat doorgaans in dergelijke kringen gedaan wordt,
't doodzwijgen."

"'t Is anders wel wat véél om stil te houden."

"Ja, nog al!"

"'t Zal me benieuwen wat ze zullen doen?"

"Zij dòèn nooit iets--Koninklijke tact."

"Maar ze moeten toch ièts doen."

"Misschien dat zij dat wel zullen doen."

"O, Heer, ja."

"Zij zullen haar achterbaks houden. Dat is meer gebeurd."

Redwood barstte in een onbedaarlijk gelach uit.

"Het overtollige koningskind--de niet te stuiten baby met het IJzeren
Masker!" zei hij.

"Ze zullen haar in den hoogsten toren van het oude kasteel Weser
Dreiburg moeten zetten, en gaten in de plafonds maken, naarmate zij
van verdieping tot verdieping groeit!"...

"Nu, ik verkeer in 't zelfde geval. En Cossar en zijn drie jongens
net zoo. En--nu ja."

"'n Ontzettende herrie zal dat geven," herhaalde Bensington, niet
mede lachend. "Ontzettend."

"Ik vertrouw dat je de quaestie goed overdacht hebt, Redwood. Maar
weet je zeker dat 't niet wijzer zoude zijn Winkles te waarschuwen,
jouw kleine jongen er langzamerhand zien af te brengen--en--ons te
vergenoegen met de Theoretische Overwinning die we behaald hebben?"

"Ik wou waaràchtig dat je eens een half uur doorbracht in mijn
kinderkamer als het Voedsel een beetje laat is," zei Redwood, met
een ongeduldigen klank in zijn stem, "dan zou je wel anders praten,
Bensington. Bovendien--stel je voor, Winkles waarschuwen!... Nee
hoor! De opkomende vloed van deze quaestie heeft ons onverhoeds
overvallen en of we bang zijn of niet--we zullen moèten zwemmen!"

"Ja, daar zal wel niet anders opzitten," zei Bensington, naar zijn
teenen starend. "Ja, we moeten zwemmen. En jouw jongen zal moeten
zwemmen en Cossar's jongens--hij heeft het aan alle drie gegeven. Niets
halfs in Cossar--alles of niets. En Haar Doorluchtigheid. En al het
verdere. Wij gaan voort met het Voedsel te maken."

"Cossar ook. Wij zijn pas in den dageraad van het begin, Redwood. Het
is duidelijk, dat er allerlei dingen volgen zullen. Monsterachtig
groote dingen. Maar ik kan me ze niet goed voorstellen,
Redwood. Behalve--"

Hij keek vorschend naar zijn nagels. Toen keek hij Redwood aan met
zachte oogen door zijn bril.

"Ik geloof half en half," waagde hij te zeggen, "dat Caterham gelijk
heeft. Soms. Het zal wèrkelijk de normale afmetingen der dingen
omverwerpen. Het zal in de plaats komen van--Ja, wat zal het niet
verplaatsen?"

"Wat het ook doet," zei Redwood, "mijn kleine jongen moet het Voedsel
hebben."

Zij hoorden iemand vlug tegen de trap optuimelen. Toen stak Cossar zijn
hoofd om de deur. "Hallo!" zei hij, toen hij hun gelaatsuitdrukking
zag en binnenkomend: "Wel?"

Zij vertelden hem de quaestie met de prinses.

"Moeilijk geval?" merkte hij op. "Geen quaestie van. Zij zal
groeien, jouw jongen zal groeien. Al de anderen waaraan je 't gaf,
zullen groeien. Alles. En hard ook. Waar steekt het moeilijke van de
zaak? Alles in orde, hoor. Een kind kan je dat zeggen.... Waar zit
de moeilijkheid?"

Zij trachtten hem dat duidelijk te maken.

"Er niet mee doorgaan!" gilde hij bijna. "Maar--! Jullie staat
machteloos. Daar ben jelui voor op de wereld. Daar is Winkles
voor. Alles in orde, hoor! Heb me dikwijls verwonderd waar Winkles
eigenlijk voor was. Nù ligt 't voor de hand. Herrie. Natúúrlijk. Dingen
in de war brengen? Zal àlles in de war brengen. En eindelijk zal het
àlle menschelijke aangelegenheden omverwerpen. Helder als de dag,
niet waar! Ze zullen probeeren 't tegen te houden, maar ze zijn er te
laat bij. Dat zijn ze meestal. Jullie gaat er mee door en verspreidt
er zoo veel van als je maar kunt. Dank God dat hij je ergens voor
gebruiken wil!"

"Maar de strijd die er uit volgen moet!" zei Bensington, "de
spanning! Ik weet niet of je je wel een denkbeeld gevormd hebt--"

"Jij behoorde de een of andere stronk groente geweest te zijn,
Bensington," zei Cossar--"dat moest je. Iets dat groeide op een
kunstrotsje in 'n tuin. Daar zit je nu, wonderbaarlijk geformeerd,
en jij denkt dat 't eenige waar je voor op aarde bent, is om hier
en daar wat om te hangen en je malen te gebruiken. Denk je dat deze
wereld gemaakt is voor ouwe wijven om wat in te luiwammissen? Maar
hoe dan ook, jelui staat er machteloos tegenover--je moèt er wel
mede doorgaan."

"Ik vertrouw 't ook," zei Redwood. "Langzaam."

"Neen!" zei Cossar, met een geweldigen kreet. "Neen! Maak er zooveel
van als je kunt en zoo vlug je maar kunt. Strooi het overall"

Hij werd geïnspireerd tot een vlaag van geestigheid. Hij parodieerde
een van Redwood's kromme lijnen met een breeden zwaai omhoog van
zijn arm. "Redwood!" zei hij, om zijn beweging duidelijker te maken,
"maak het Zoo!"



V.

Er schijnt een lengte-grens te zijn voor moedertrots, en deze werd
in mevrouw Redwood's geval bereikt, toen haar spruit de zesde
maand van zijn aardsch bestaan volbracht, zijn uiterst soliede
bassinet-kinderwagen in elkaar deed zakken, en thuis gebracht werd op
den melkwagen. De jonge Redwood woog te dien tijde vijf en negentig en
een half pond, mat acht en veertig duim in de lengte en kon ongeveer
zestig pond opbeuren. Hij werd naar de kinderkamer boven gedragen door
de keukenmeid en de werkmeid. Na deze gebeurtenis was ontdekking nog
slechts een quaestie van dagen. Op zekeren middag kwam Redwood uit
zijn laboratorium thuis en vond zijn ongelukkige vrouw verdiept in de
boeiende bladzijden van "Het Machtige Atoom," [4] en toen zij hem zag,
legde zij haar boek terzijde, liep driftig op hem toe en barstte in
tranen uit, terwijl zij tegen zijn schouder leunde.

"Zeg mij toch wat je aan hem gedaan hebt," klaagde zij. "Zeg me toch
wat je gedaan hebt."

Redwood vatte haar hand, en leidde haar naar de sofa, terwijl hij
nadacht hoe hij zich het best verdedigen kon.

"O, 't is niets, lieve," zei hij; "'t is niets hoor. Je bent alleen
wat overspannen. 't Komt door dien goedkoopen kinderwagen. Ik heb een
man, die altijd achter een ziekenstoel loopt, besteld om morgen hier
te komen met iets stevigers."

Mevrouw Redwood keek hem door haar tranen heen aan over de punt van
haar zakdoek.

"Een baby in een ziekenstoel?" snikte zij.

"Nu, waarom niet?"

"Dan is het net of hij kreupel is."

"Als een jonge reus, lieve, en je hoeft je heusch niet over hem
te schamen."

"Je hebt iets aan hem gedaan, Dandy," zei zij. "Ik kan het aan je
gezicht zien."

"Nu, in ieder geval heeft hij toch niet opgehouden te groeien,"
zei Redwood harteloos.

"Ik wist het wel," zei mevrouw Redwood en frommelde haar zakdoek tot
een bal in haar eene hand. Zij keek hem plotseling streng aan. "Wat
heb je aan ons kind gedaan?"

"Wat is er dan met hem?"

"Hij is zoo groot. 't Is een monster."

"Onzin. Hij is zoo recht van lijf en leden en zoo gladjes als je maar
wenschen kunt. Wat is er dan met hem?"

"Zie dan toch eens hoe groot hij is."

"O, dat is volkomen in orde. Kijk liever eens om je heen naar die
kleine, sukkelende kinderen van anderen. Hij is de flinkste baby--"

"Hij is tè flink," zei mevrouw Redwood.

"Dat gaat zoo niet door," zei Redwood geruststellend, "'t is zoo maar
een groeischeut."

Maar hij wist zeer goed, dat het wèl zou doorgaan. En dat deed het
dan ook. Toen deze baby een jaar oud was, waggelde hij heen en weer,
juist een duim onder de vijf voet lang, en woog honderd vijftien pond;
hij was inderdaad even groot als een cherubin in de Sint Pieters "in
Vaticano", en zijn speelsche greep naar het haar en de gelaatstrekken
der bezoekers werd het onderwerp van den dag in West-Kensington. Zij
hadden een invalide-stoel om hem naar boven en beneden te dragen
naar zijn kinderkamer, en zijn speciale ziekenzuster, een stevig
jong vrouwspersoon die juist haar proeftijd achter den rug had,
ging met hem wandelritten doen in een Panhard-ziekenstoel-auto van
8 paardekracht, in staat heuvels van een hoek van vijftien graden te
beklimmen, en speciaal gemaakt ten zijnen dienste. Het was in ieder
opzicht gelukkig dat Redwood bij zijn professorschap nog verstand
van dergelijke dingen had ook. Als men over den schok van de enorme
grootte van den kleinen Redwood heen was, zoo hebben wij lieden die
hem dagelijks langzaam Hyde-Park zagen rond-tuf-tuffen hooren zeggen,
was hij een wonder-vroolijke en lieve baby. Hij schreeuwde zelden en
behoefde niet gesust te worden. Doorgaans omklemde hij een grooten
ratel, en soms riep hij onder het voorbijgaan de omnibus-koetsiers
en de politie-agenten langs den weg buiten het hek toe met "Dadda"
en "Babba!" op een sociaaldemocratische manier.

"Daar gaat dat groote kind, dat met Bomvoedsel gevoed wordt," zei de
omnibus-koetsier dan.

"Ziet er gezond uit," zei de passagier, die naast hem op den bok zat.

"Opgevoed met de flesch," legde de koetsier dan uit. "Ze zeggen
dat er zoowat vier liter ingaat, en dat ie speciaal voor 'm gemaakt
moest worden."

"'Eel gezond kind, 'oe dan ook," besliste de passagier voorop.

Toen mevrouw Redwood tot het besef kwam, dat de groei onbepaald en
logisch voortging--en dit deed ze werkelijk voor de eerste maal
toen de motor-kinderwagen voor de deur reed--gaf ze toe aan een
wilde smart. Ze verklaarde, dat ze nooit weder in de kinderkamer
wilde komen, dat ze wenschte dat ze dood was, en dat haar kind dood
was, dat iedereen dood was, wenschte dat ze Redwood nooit getrouwd
had, dat ze niemand getrouwd had, en trok zich in haar eigen kamer
terug, waar zij gedurende drie dagen bijna uitsluitend van kippesoep
leefde. Toen Redwood kwam om haar tot andere gedachten te brengen,
gooide zij met de sofakussens, weende en bracht haar haar in wanorde.

"O, hij is zoo gezond als een visch," zei Redwood. "Waarachtig, hij
is er niet slechter aan toe omdat hij groot is. Je zoudt toch niet
willen, dat hij kleiner was dan de kinderen van anderen?"

"Ik wil dat hij nèt is als andere kinderen, niet kleiner en niet
grooter. Ik had gehoopt dat hij een aardig klein ventje zou worden,
net als Georgina Phyllis een aardig klein meisje is, en ik wilde hem
grootbrengen zoodat hij lief werd, en kijk nù eens"--en de stem van
de ongelukkige vrouw brak weder--"hij draagt schoenen van nummer vier
voor volwassenen, en wordt rondgereden door--boeboe!--Petroleum! Ik
kan hem nooit liefhebben," klaagde zij. "Hij is me tè groot! Ik kan
nooit een moeder voor hem zijn, zooals ik had willen zijn!"

Doch eindelijk kregen ze haar er toe naar de kinderkamer te gaan,
en daar zat Edward Monson Redwood ("Pantagruel" was pas later zijn
bijnaam) te schommelen in een speciaal versterkten hobbelstoel, en
glimlachte en zeide "yoe en wou." En het hart van mevrouw Redwood
ging weder uit naar haar kind, en zij nam hem in haar armen en weende.

"Ze hebben iets aan je gedaan," snikte zij, "en je zult al maar
doorgroeien, liefje, maar wat ik voor je kan doen om je fatsoenlijk
groot te brengen, dat zàl ik doen, wat je vader er ook van mag zeggen."

En Redwood, die geholpen had haar naar de deur te brengen, ging erg
verlucht de gang af.

("Hè, maar 't is een min zaakje een man te zijn--tegenover vrouwen
tenminste!")



VI.

Vóór er een jaar verstreken was, waren er, behalve Redwood's
pionier-voertuig, een heel aantal motor-kinderwagens te zien in het
westen van Londen. Men heeft mij verteld, dat er wel zeven waren; doch
een zeer nauwkeurig onderzoek wijst uit, dat er slechts zes waren in de
Hoofdstad te dien tijde. Het scheen dat het goedje verschillend werkte
op verschillende constituties. In het begin leende Herakleophorbia zich
niet tot inspuiten, en het is boven allen twijfel verheven dat er een
groot aantal menschelijke wezens niet in staat zijn deze stof in zich
op te nemen en op de normale wijze te verteren. Het werd bijvoorbeeld
gegeven aan den jongsten zoon van Winkles; doch hij schijnt even weinig
in staat geweest te zijn tot groeien, als,--zoo Redwood tenminste
gelijk had--, zijn vader tot kennis in zich opnemen. Weer anderen
werden er, volgens de "Vereeniging tot Algeheele Onderdrukking van
Bomvoedsel," op de een of andere onverklaarbare wijze door verdorven,
en stierven reeds in het begin aan kinderkwaaltjes. De jongens van
Cossar namen het in zich op met verbazingwekkende gulzigheid.

Natuurlijk komt iets als dit nooit in het leven van een mensch met
absolute eenvoudigheid van toepassing; groei, in het bijzonder,
is een ingewikkeld iets, en alle generalisaties moeten uit den aard
der zaak een weinig onnauwkeurig zijn. Doch de algemeene regel van
het Voedsel leek dèze te zijn: dat als het organisme het in zich kòn
opnemen op de een of andere manier, het dit in alle gevallen nagenoeg
even sterk stimuleerde. Het vermenigvuldigde het groeicijfer van zes
tot zeven malen, en daar bòven ging het niet, hoeveel van het Voedsel
ook verder genomen werd. Te groote hoeveelheden van Herakleophorbia,
toegediend boven het noodige minimum, leidden, zooals men bevond,
tot ziekelijke storingen in de spijsverteringsorganen, tot kanker en
gezwellen, beenverhardingen en dergelijke. En als de groei eenmaal
op groote schaal begonnen was, bleek het weldra dat men er slechts op
denzelfden voet mede kon doorgaan, en dat het onafgebroken toedienen
van kleine doses Herakleophorbia dringend noodig was.

Hield men er mede op, terwijl de groei nog in gang was, dan vertoonde
zich eerst een onbestemde rusteloosheid en benauwdheid, dan een
tijdperk van abnormaal veel eten,--zooals in het geval der jonge
ratten te Hankey--en dan kreeg het groeiende wezen een soort van
erge bloedarmoede, ging kwijnen en stierf. Planten leden op een
dergelijke wijze. Doch dit alles was alleen toepasselijk op het
groei-tijdperk. Zoodra de mannelijke staat bereikt was--in planten
openbaarde zich dit door de vorming van de eerste bloemknoppen--werd
de behoefte aan, en de lust naar Herakleophorbia minder, en zoodra
de plant of het dier volkomen volwassen was, hield alle behoefte aan
elken verderen toevoer van het Voedsel op. De plant of het dier was
dan als het ware geheel gevormd op de nieuwe basis. Het was zoo gehéél
hiernaar gevormd dat, zooals de distels van Hickleybrow en het gras aan
den duinkant reeds gedemonstreerd hadden, het zaad van dit dier of deze
plant reuzen-nakomelingschap voortbracht, even groot als de ouders.

En het duurde niet lang of de kleine Redwood, pionier van het nieuwe
geslacht, en het eerste kind van allen dat het voedsel at, begon in
de kinderkamer rond te kruipen, meubels te breken, te bijten als een
paard, te knijpen als een nijptang en reuzen-babytaal te stamelen
tegen zijn "paatje," en "maatje," en tegen zijn tamelijk onthutsten
en van ontzag vervulden vader, die dit kwaad in de wereld geschopt had.

Het kind was geboren met goede voornemens. "Padda zoet zijn, zoet
zijn," placht hij te zeggen, terwijl alles wat maar breekbaar was
voor hem uit vloog. "Padda" was zijn overzetting van Pantagruel, den
bijnaam dien Redwood hem gegeven had. En Cossar, zich niet storend aan
eenige Oude Oorkonden die hem zeer spoedig in moeilijkheden brachten,
ging, na een conflict met de plaatselijke bouw-verordening, op een
braakliggend stuk grond, dat grensde aan Redwood's huis, aan het
bouwen van een heerlijke, goed-verlichte speelkamer, schoollokaal
en kinderkamer voor hun vier jongens--zestig voet in het vierkant,
en veertig voet hoog.

Redwood vatte een ware passie op voor deze groote kinderkamer terwijl
hij en Cossar haar bouwden, en zijne belangstelling in kromme lijnen
ging aan het tanen, zooals hij nooit gedroomd had dat zij kòn tanen,
en maakte plaats voor belangstelling in de dringende behoeften
van zijn zoon. "Er zit heel wat in het behoorlijk in orde brengen
van een kinderkamer. Heel wat. De wanden, de dingen die er in zijn,
dit alles zal tot onzen nieuwen geest spreken, hier een beetje meer,
daar een beetje minder welsprekend, en hem al of niet duizenderlei
dingen leeren."

"Ligt voor de hand," zei Cossar, haastig naar zijn hoed grijpend.

Zij werkten eenstemmig samen, doch Redwood zorgde voor het grootste
gedeelte der opvoedkundige theorie die noodig was... Zij lieten de
wanden en het houtwerk verven met prettige, heldere kleuren; voor
het meerendeel voerde een, door een andere kleur wat warmer gemaakt,
wit den boventoon, doch er waren ook strepen heldere zuivere kleur
om de eenvoudige lijnen der constructie beter te doen uitkomen. "We
moèten zuivere kleuren hebben," zei Redwood, en liet op een plaats
een aardigen horizontalen rand ruiten aanbrengen, waarin purper en
karmozijn, oranje en geel, blauw en groen prijkten. Deze ruiten moesten
de reuzen-kinderen schikken en herschikken naar eigen genoegen. "Er
moeten versieringen volgen," zei Redwood; "laat ze eerst de rij
van al de tinten in hun hoofd prenten, dan kan dit weg. Er is geen
reden waarom wij hen zouden doen overhellen naar een bepaalde kleur
of dessin."

Vervolgens zei Redwood: "Het lokaal moet overal voor hen belangwekkende
dingen bevatten. Belangstelling is voedsel voor een kind en leegheid
kwelling en verhongering. Hij moet massa's prenten hebben!" Er
werden geen vaste prenten opgehangen in het vertrek, doch blanco
lijsten werden aangebracht, waarin steeds nieuwe afbeeldingen konden
gezet worden en van daar in een portefeuille gelegd, zoodra hunne
belangstelling erin begon te tanen. Er was één venster van waaruit
men de geheele lengte eener straat kon afzien, en dan had Redwood, om
hunne belangstelling nog te verhoogen, boven op het dak der kinderkamer
een camera obscura aangebracht, die uitzag op Kensington High Street
en op een deel van het Kensington Park.

In een hoek wachtte dat waardige werktuig, een rekentafel,--vier voet
in het vierkant, een speciaal versterkt stuk ijzer met afgerande
hoeken--, de eerste rekensommen der jonge reuzen. Er waren weinig
wollen lammeren en dergelijke speeldingen, doch inplaats hiervan had
Cossar op zekeren dag, zonder verderen uitleg, met drie vigilanten
een groot aantal speeldingen aangebracht (allen natuurlijk net iets te
groot om doorgeslikt te worden door de kinderen); deze dingen konden
worden opgestapeld, op rijen gerangschikt, in het rond gegooid; er
kon in gebeten worden, er waren er die konden klepperen en ratelen,
die tegen elkaar geslagen konden worden, die ze konden bevoelen,
uittrekken en opendoen, sluiten en verminken en proeven op nemen tot
in het oneindige. Er waren veel blokken hout in verschillende kleuren,
ovale en kubieke, blokken van glanzend porcelein, blokken doorschijnend
glas en blokken gomelastiek; er waren leien en griffels; kegels en
afgeknotte kegels, en verlengde spheroïden, ballen van verschillende
grondstof, massieve en holle, veel doozen van verschillende grootte en
vorm, met hengsel-deksels en deksels die er op moesten vastgeschroefd
worden, en een paar om op slot te draaien; er waren riemen van leer
en van elastiek, en een aantal grove en stevige voorwerpen, alle
even groot, die stevig konden staan, en de gedaante van een mensch
voorstelden. "Geef ze deze," zei Gossar. "Eén tegelijk."

Deze dingen schikte Redwood in een kist in een hoek. Langs den eenen
wand in het vertrek, op een behoorlijke hoogte voor een zes- of acht
voet lang kind, was een bord, waarop de kinderen konden teekenen met
wit en gekleurd krijt, en daar dichtbij een soort teeken-bloknoot,
waarop zij met houtskool konden teekenen, en dan was er een kleine
lessenaar, voorzien van groote timmerman's potlooden van verschillende
hardheid en een ruime voorraad papier, waarop de jongens eerst konden
krabbelen en daarna netter konden teekenen. En bovendien bestelde
Redwood, (want zóóver liep zijne verbeelding vooruit) bijzonder
groote tuben verf en verfdoozen, tegen den tijd dat zij noodig zouden
zijn. Hij sloeg een vat modelleer-klei in. "Eerst zullen hij en zijn
leeraar tezamen modeleeren," zei hij, "en als hij wat meer kent,
zal hij gipsen en misschien dieren namaken. En à propos, ik moet ook
een kist met gereedschap voor ze laten maken!"

"En dan nog boeken. Ik zal 'n massa boeken moeten uitzoeken, en wat
'n druk zal dàt moeten zijn. Wat genre van boeken zullen ze noodig
hebben? Hun verbeelding moet gevoed worden. Want deze is bij slot van
rekening toch maar de kroon van alle opvoeding. De kroon--zooals
gezonde gewoonten van geest en leven de troon zijn. Heelemaal
geen verbeelding staat gelijk met een dierlijken staat; een lage
verbeelding is wellust en lafheid; doch een edele verbeelding is God
die weder op aarde wandelt. Zij moeten ook droomen van een heerlijk
sprookjesland en van al de typische kleine dingen van het leven, als
ze zoover zijn. Doch hoofdzakelijk moeten zij hun geest voeden met de
heerlijke werkelijkheid; zij zullen verhalen hebben van reizen, de
geheele wereld door, reizen en avonturen, en hoe de wereld veroverd
werd. Zij zullen dierengeschiedenissen hebben, groote, duidelijke,
prachtige boeken over dieren en vogels, planten en kruipende wezens,
groote boeken over de eindeloosheden der lucht en de mysteriën der zee;
ze zullen de geschiedenis en kaarten hebben van al de rijken, die de
wereld heeft zien komen en gaan, afbeeldingen en verhalen van al de
stammen en de gewoonten en gebruiken der menschen. En dan nog moeten
ze boeken en prenten hebben om hun schoonheidsgevoel te ontwikkelen,
fijne Japansche afbeeldingen, om hen de fijnere schoonheid van vogel
en bloemenrank te doen liefhebben, en ook westersche afbeeldingen,
van mooigevormde mannen en vrouwen, lieve groepeeringen, en wijde
vergezichten van land en zee. Zij zullen boeken hebben van huizen en
paleizen; zij zullen zelven vertrekken ontwerpen en steden uitdenken"--

"Ik denk ze een klein theater te geven."

"En dan is er de muziek nog!"

Redwood dacht hier over na, en besloot dat zijn zoon het beste deed
te beginnen met een zuiver-klinkend harmonicon van één octaaf, dat
misschien later kon vergroot worden. "Hiermee zal hij eerst spelen,
er bij zingen en namen aan de noten geven," zei Redwood, "en daarna--?"

Hij keek op naar de vensterbank daarboven, en mat de grootte van het
vertrek met zijn oog.

"Ze zullen zijn piano hierbinnen in elkaar moeten zetten," zei
hij. "Haar in stukken hier binnenbrengen."

Hij bleef nog wat wijlen tusschen zijne voorbereidende maatregelen,
en leek temidden van al deze grootheid een peinzende, donkere, kleine
gestalte. Als ge hem daar hadt kunnen zien, zou hij u een tien-duims'
mannetje hebben toegeleken temidden van gewone kinderkamer-dingen. Een
groot dekkleed--in werkelijkheid was het een Turksch tapijt--van
vierhonderd vierkante voet, en waarop de jonge Redwood weldra zou
rondkruipen, strekte zich uit tot den met een rooster afgeschutten
electrischen radiator, die het geheele gebouw verwarmen zou. Een van
Cossar's mannen hing heel hoog tusschen de palen van een steiger, om de
groote lijst op te hangen waarin de te verwisselen schilderijen zouden
geschoven worden. Een vloeiboek voor plantensoorten, zoo groot als een
huisdeur, leunde tegen den wand, en uit dit boek stak een reusachtige
stengel, een rand van een blad en een bloem van het vogelkruid, allen
van die reusachtige grootte die Urshot weldra beroemd zoude maken,
de geheele botanische wereld door...

Een soort van ongeloovigheid beving Redwood, terwijl hij temidden
dezer dingen stond.

"Als het werkelijk doorgáát--" zei hij, naar het plafond daàr heel
hoog starend.

Uit de verte kwam een geluid, als het loeien van een Mafficking stier,
alsof het een antwoord op zijne gedachten was.

"Blijkbaar gaat alles nog geregeld zijn gang," zei Redwood. Er volgden
dreunende slagen op een tafel, gevolgd door een luiden kraaienden kreet
"Goeloe, Boezoe! Bzz...." "'t Beste wat ik doen kan," zei Redwood,
een anderen gedachtengang volgend, "is dat ik zelf hem onderwijs."

Het geklop werd hoe langer hoe heviger. Een oogenblik lang leek het
Redwood alsof er 't rythme inkwam van het dreunen eener machine--als
de machine van een zwaren langen trein van gedachten die op hem
afkwamen. Toen verbrak een opeenvolging van lichtere vluggere slagen
dezen gedachtengang, en werd eenige malen herhaald.

"Binnen," riep hij uit, bemerkend dat er iemand tikte, en de deur die
groot genoeg voor een kathedraal was, ging langzaam een eindje open. De
nieuwe kruk hield op te knarsen en Bensington verscheen in den kier,
goedaardig glimlachend onder zijn sterk-uitkomende kaalhoofdigheid
en over zijn bril.

"Ik heb 't er maar es op gewaagd om es te komen zièn," fluisterde hij,
op vertrouwelijken toon.

"Kom binnen," zeide Redwood, en dit deed hij, terwijl hij de deur
achter zich sloot.

Hij kwam naar Redwood toe met de handen op den rug, deed een paar
stappen en gluurde naar boven met een vogelachtige beweging van den
hals. Hij streek zich nadenkend over de kin. "Telkens als ik binnen
kom," zei hij op ingehouden toon, "treft het me als--"Groot".

"Ja," zei Redwood, zijn oog eveneens nog eens over alles latend dwalen,
alsof hij trachtte den zichtbaren indruk vast te houden. "Ja, gróót
zullen ze worden, daar kun je van op aan."

"'k Geloof het ook," zei Bensington, met iets bijna eerbiedigs in
zijn stem. "Héél groot."

Zij keken elkander aan, bijna angstig.

"Ja, héél groot," zei Bensington, zich over den rug van zijn neus
strijkend, en met één oog Redwood twijfelachtig aankijkend, alsof
hij verwachtte op zijn gelaat nog een bevestiging te zien zijner
eigen woorden. "Allemaal--vrééselijk groot. 't Is me alsof ik 't me
niet kan voorstellen--zelfs al zie ik dit--hoe groot ze allemaal wel
zullen worden."



HOOFDSTUK V.

HET IN HET NIET VERDWIJNEN VAN DEN HEER BENSINGTON.


I.

Het was in den tijd toen de Koninklijke Commissie tot onderzoek van het
Bomvoedsel haar rapport opmaakte, dat Herakleophorbia werkelijk begon
te laten zien hoe geschikt het was om ergens uit te lekken. En deze
te vroege uitbarsting kwam des te ongelegener, tenminste van Cossar's
standpunt, omdat de schets van het rapport, die nog bestaat, aantoont
dat de commissie, onder voogdijschap van dat hoogstbekwame lid, Doctor
Stephen Winkles (Lid van het Koninklijk Genootschap, Medicinal Doctor,
Vrederechter, Litterarum Doctor enz.) er reeds eenstemmig over was,
dat dergelijke toevallige ontsnappingen onmogelijk waren, en gereed
was te verklaren dat zoo men de contrôle erover in handen stelde
van een bevoegde commissie (vooral Winkles), met een onbeperkte
contrôle over den verkoop ervan, dit meer dan voldoende was om aan
alle redelijke bezwaren, die geopperd konden worden tegen de vrije
verspreiding ervan, te gemoet te komen. Het comité zou een onbeperkt
monopolie hebben. En zonder twijfel moet het beschouwd worden als
een deel van de ironie des levens, dat de eerste en ernstigste dezer
tweede serie van ontsnappingen plaats greep op nog geen vijftig pas
van een klein landhuis in Kent, dat voor de zomermaanden door dokter
Winkles betrokken was.

Er kon geen twijfel meer aan bestaan, dat Redwood's weigering om
Winkles in te wijden in de samenstelling van Herakleophorbia IV,
in laatstgenoemden heer een hem tot dan toe vreemde en hevige
belangstelling had gewekt voor analytische chemie. Hij was geen
erg zaakkundige werker, en juist hierdoor zag hij waarschijnlijk
kans om te werken, niet in de uitstekend uitgeruste laboratoria
in Londen, die ter zijner beschikking waren, doch zonder iemand te
raadplegen, en steelsgewijze, in een klein laboratorium, dat in een
verwaarloosd tuintje van zijn huis te Keston stond. Hij schijnt bij
zijne onderzoekingen geen al te groot blijk van energie of groote
bekwaamheid gegeven te hebben; ja, het is slechts al te duidelijk,
dat hij zijn onderzoek opgaf, na er met tusschenpoozen gedurende een
maand aan gewerkt te hebben.

Dit tuin-laboratorium, waarin hij werkte, was zeer elementair
uitgerust, voorzien van een standpijp met water, dat afliep door
een pijp, die uitkwam in een drassigen, met biezen afgezetten poel
onder een elzenstruik in een afgelegen hoekje van de weide, die zich
aan de andere zijde van den heg bevond. De pijp was gebarsten en het
overblijfsel van het Voedsel der Goden ontsnapte door de scheur in
een kleinen plas, te midden van bosjes biezen, juist vóór het ontwaken
der lente.

Het leven in dat vuile, kleine hoekje was uit zijn winterslaap
ontwaakt. Er dreef kikkerdril, sidderend van donderpadjes, die juist
door hun geleiachtig omhulsel braken; er waren kleine waterslakken
die uitkropen; en onder den groenen bast van het riet, deden de
larven van den grooten waterkever al hun best om uit hunne eieren
te komen. Ik weet niet of de lezer de larven kent van den kever, die
(ik weet niet waarom) Dytiscus genoemd wordt. Zoo'n tor is een geleed,
vreemd beest, erg gespierd, en plotseling in haar bewegingen, en heeft
de gewoonte om met haar kop naar beneden te zwemmen, met haar staart
uit het water; zij is zoo lang als het bovenste lid van een mannenduim,
en misschien nòg langer--wel twee duim (dat wil zeggen, diè torren,
die niet van het Voedsel gegeten hebben)--en zij heeft twee scherpe
kaken die vóór haar kop samenkomen--cylinder-vormige kaken met scherpe
punten,--waardoor zij 't bloed harer slachtoffers opzuigt... De eerste
wezens die de ronddrijvende kruimels van het Voedsel te pakken kregen,
waren de donderpadden en de kleine waterslakken; de kleine kronkelende
donderpadden in het bijzonder, kregen er veel trek in, toen zij er
eenmaal den smaak van beet hadden.

Doch nauwelijks begon er een van hen een in het oog loopende positie te
bereiken in dat kleine donderpaddenwereldje, en een kleinen broeder of
zoo te nuttigen als aanvulling van een vegetarisch diëet, of kip! daar
sloeg een van de Tor-larven haar kromme bloedzuigende scharen in zijn
hart, en met dien rooden stroom ging Herakleophorbia IV, in een staat
van oplossing of ontbinding, in het organisme van een nieuwen cliënt
over. Het eenige, dat, naast deze monsters, nog iets van het Voedsel
kon te pakken krijgen, was het riet en het slijmerige groene schuim
op het water en de pas ontkiemde waterplanten in de modder op den
bodem. Een schoonmaak van de studeerkamer kort daarop, wiesch een
nieuwen vloed van het Voedsel in den poel, deed hem overstroomen,
en voerde deze geheele onheilspellende vermeerdering in den strijd om
het bestaan naar den aangrenzenden poel onder de wortels van den els...

De eerste die ontdekte wat er gaande was, was een zeker heer Lukey
Carrington, buitengewoon leeraar in de natuurwetenschappen onder
de Londensche Commissie van Onderwijs en, in zijn vrijen tijd,
specialiteit in zoetwaterplanten, en zeer zeker behoeven wij hem zijn
ontdekking niet te benijden.

Hij was van Keston Common gekomen om dien dag een aantal proef-buizen
te vullen om later te onderzoeken, en hij kwam met, zeg een dozijn,
gekurkte buisjes die zacht tegen elkaar klingelden in zijn zak, over
den zanderigen heuveltop heen en zoo naar den poel, met den stok
in de hand. Een tuinjongen, die op de bovenste trede der keukentrap
stond en de heg van dokter Winkles aan het knippen was, zag hem in
dit weinig bezochte hoekje, en vond hem en zijn bezigheid genoegzaam
onverklaarbaar en interessant om hem nauwkeurig na te gaan.

Hij zag den heer Carrington zich voorover buigen naar den poel,
met zijn hand tegen den stam van den ouden els, en in het water
gluren, doch natuurlijk kon hij de verrassing en het genoegen niet
apprecieeren, waarmede de heer Carrington de groote, ongewoon-lijkende
knobbels en slingers der waterplanten op den bodem gadesloeg. Er
waren geen donderpadden meer te zien--die waren nu allen gedood--en
het schijnt, dat de heer Carrington niets ongewoons zag dan den
buitengewoon weelderigen plantengroei. Hij stroopte zijn mouw op
tot den elleboog, boog zich voorover, en stak den arm in het water
om een exemplaar te bemachtigen. Zijn tastende hand ging steeds
lager. Onmiddellijk schoot er iets uit de koele schaduw onder
de boomwortels. Bliksemsnel had het zijn scharen diep in zijn arm
begraven--een bizarre gedaante was het--een voet en meer lang, bruin
en geleed als een schorpioen.

De leelijke verschijning en de plotselinge, scherpe pijn die de beet
veroorzaakte, deden den heer Carrington het evenwicht verliezen. Hij
voelde dat hij van den oever afgleed en gilde luid. Daar ging hij
met zijn gezicht vooruit, plas! den poel in.

De jongen zag hem verdwijnen en hoorde hem spartelen in het water. Hij
zag den ongelukkige weder bovenkomen, zonder hoed, druipend van het
water en gillend!

De jongen had nog nooit te voren een màn hooren gillen.

Het leek wel alsof deze verbazingwekkende vreemde aan iets rukte aan
den kant van zijn gezicht. Er vertoonden zich daar strepen bloed. Hij
stak zijn armen op als in wanhoop, sprong in de lucht als een bezetene,
liep razend tien of twaalf pas, viel toen op den grond en rolde al
maar rond, tot de jongen hem niet meer zien kon. De jongen was in een
oogwenk van de trap af en door de heg--gelukkig met de heggeschaar
nog in de hand. Hij zegt, dat, toen hij bezig was door de bremstruiken
te dringen, hij half en half zin had om terug te gaan, daar hij bang
was met een krankzinnige te doen te hebben, doch het bezit van de
heggeschaar stelde hem gerust. "Als ie me wat had willen doen, kon ik
'm altijd in z'n oogen gestoken hebben," legde hij uit. Zoodra de
heer Carrington hem zag, begon hij zich te gedragen als iemand die
wèl bij zinnen, doch wanhopig is. Hij krabbelde op de been, wankelde,
stond op en kwam naar den jongen toe.

"Kijk es!" riep hij, "ik kan ze er niet afkrijgen!"

En met een rilling van ontzetting zag de jongen dat er aan de wang
van den heer Carrington, aan zijn blooten arm en aan zijn dij, en
verwoed slaand met hunne lenige bruine gespierde lichamen, zich drie
van deze afschuwelijke larven hadden vastgeklemd, met hunne groote
haken diep in zijn vleesch, en zich vastzogen alsof 't om hun leven
ging. Zij hielden zich vast als buldoggen en de pogingen van den heer
Carrington om de monsters van zijn gezicht los te maken, hadden tot
eenig resultaat, dat hij het vleesch waaraan het beest zich vastgehecht
had, afscheurde, en zijn gelaat, hals en jas met levend purper bedekte.

"'k Zal em d'r afknippe'; hou je goed, meneer."

En met het behagen, dat jongens op dien leeftijd in dergelijke dingen
scheppen, scheidde hij de koppen der aanvallers van den heer Carrington
een voor een van hunne lichamen. "Yoep," zei de jongen met een beetje
benauwd gezicht, telkens als er een voor hem neerviel. En zelfs toèn
nog was hun greep zoo vast en taai, dat de afgesneden koppen nog een
tijdlang woest bleven toebijten en zuigen, terwijl het bloed achter
uit hun halzen stroomde. Doch de jongen maakte hier een eind aan met
nog een paar happen van zijn schaar--waarvan de heer Carrington zelf
er ook nog een mee kreeg.

"Ik kon ze er niet afkrijgen!" herhaalde Carrington en bleef een
tijdje lang staan, wankelend en hevig bloedend. Hij bette met slappe
handen zijne wonden en keek naar zijn handpalmen. Toen zonken zijn
knieën onder hem uit en hij viel voorover zoo lang als hij was voor
de voeten van den jongen in zwijm, tusschen de nog steeds opspringende
lichamen zijner verslagen vijanden. Gelukkig viel het den jongen niet
in water op zijn gezicht te sprenkelen,--want er waren nog meer van
deze monsters onder de wortels van den els--, en inplaats hiervan ging
hij om den vijver heen, den tuin door, om hulp te halen. En daar kwam
hij den tuinman-koetsier tegen en vertelde hem het geheele geval.

Toen zij samen den heer Carrington weder bereikten, zat hij op,
versuft en zwak, doch met genoeg bewustzijn om hen te waarschuwen
voor het gevaar in den poel.



II.

Dusdanig waren de omstandigheden, waardoor de wereld voor de tweede
maal bemerkte, dat het Voedsel weder losgebroken was. Binnen een week
was Keston Common in volle werking, en werd wat de natuurkundigen
een "verspreidings-centrum" noemen. Ditmaal waren er geen wespen
of ratten, geen oorwormen en geen netels, doch er waren tenminste
drie water-spinnen, verscheidene larven van waterjuffers, die
weldra zelf waterjuffers werden, en geheel Kent verblindden met
hun zwevende saffier-kleurige lichamen; en dan was er nog een vieze,
gelei-achtige vegetatie, die over den rand van den vijver heengroeide,
en zijn glibberige groene massa's halverwege het tuinpad naar dokter
Winkles' huis opstuwde. En er begonnen reuzen-biezen, en equisetum en
potamogeton te groeien, die eerst gestuit werden toen zij den vijver
hadden doen opdrogen.

Het werd het publiek spoedig duidelijk, dat er ditmaal niet één
verspreidings-centrum was doch een heele màssa centrum. Er was er
een te Ealing--dat lijdt nu geen twijfel meer en hieruit ontstonden
de vliegen- en de roode spinnenplaag; er was er een te Sunbury,
die vraatzuchtige palingen voortbracht, die aan land konden komen,
en schapen doodden; en er was er een te Bloomsbury, die de wereld
een nieuw ras van kakkerlakken van een vreeselijke soort gaf,
welke met allerlei ander gespuis een oud huis in Bloomsbury
bewoonden. Plotseling, zonder voorteekenen, stond de wereld weer
tegenover al de verschijnselen van Hickleybrow, met allerlei vreemde
buitensporig-vergrootte monsters, (die men tot nu toe als doodgewone
onschadelijke dieren gekend had), inplaats van de reuzen-hennen,
ratten en wespen.

Ieder centrum brak uit met zijn eigen karakteristieke plaatselijke
fauna en flora...

Wij weten nu, dat elk van deze centra in verband stond met een
der patienten van dokter Winkles, doch dit was niet bekend te
dien tijde. Dokter Winkles was de laatste om onder verdenking
te vallen. Natuurlijk ontstond er een paniek, een woedende
verontwaardiging, doch tegen het Voedsel en nog niet zoozeer tegen het
Voedsel als wel tegen den ongelukkigen Bensington, wien de publieke
verbeeldingskracht van het begin af hardnekkig had beschouwd als de
eenige persoon die voor deze nieuwe zaak aansprakelijk was.

De poging om hem te lynchen, die volgde, is niet meer dan een van die
plotselinge uitbarstingen van volkswoede welke in de geschiedenis zoo
menigvuldig voorkomen, en die in werkelijkheid wel de onbelangrijkste
aller gebeurtenissen zijn.

De geschiedenis van dezen opstand is in het duister gehuld. De groote
massa van de menigte kwam ongetwijfeld uit een Anti-Bomvoedsel Meeting
in Hyde-Park, georganiseerd door drijvers van Caterham's partij,
doch er schijnt niemand geweest te zijn die het eerst voorstelde,
en niemand die ook maar doelde op de gewelddadigheid waaraan zooveel
menschen meededen. Het is een probleem voor den heer Gustave le Bon
[5]--een mysterie in de psychologie der menigten. Het blijkt dat des
Zondagsmiddags tegen drie uur een merkwaardig groote en kwaadaardige
Londensche menigte, die niet meer te regeeren was, Thursday Street kwam
afstroomen, bedacht op des heeren Bensington's exempleerlijken dood
als afschrikwekkend voorbeeld voor alle wetenschappelijke navorschers,
en dat deze menigte dichter bij het volvoeren van haar plan kwam dan
eenig andere menigte ooit gekomen is sedert de hekken van Hyde-Park
omver gehaald werden in de ver achter ons liggende tijden van het
midden van Victoria's regeering. Deze menigte kwam zelfs zoo dicht
bij haar doel, dat gedurende een uur een enkel woord het lot van den
ongelukkigen Bensington zou beslist hebben.

Hij bemerkte het eerst wat er gaande was aan het rumoer dat het volk
buiten maakte. Hij ging naar het venster en gluurde naar buiten, niet
bevroedend wat hem boven het hoofd hing. Een minuut lang misschien zag
hij het aan hoe de menigte zich om den ingang verdrong, een dozijn
politieagenten die haar den weg versperden, uit den weg ruimend,
vóór hij ten volle de rol begreep die hij in de zaak speelde. Toen
ging hem plotseling een licht op en begreep hij dat die brullende,
deinende menigte het op hem gemunt had. Hij was geheel alleen op de
verdieping--misschien gelukkig nog--daar zijn nicht Jeanne naar Ealing
op de thee was bij een familielid van moeder's kant, en hij had even
weinig begrip hoe zich onder dergelijke omstandigheden te gedragen, als
van de etiquette van den Dag des oordeels. Hij was bezig door de kamers
te hollen, aan de meubelen vragend wat hij beginnen moest, sleutels
in sloten omdraaiend en ze dan weder ontsluitend, naar deur, raam en
slaapkamer vliegend--toen de beambte van de verdieping binnenkwam. [6]

"Geen oogenblik te verliezen, meneer," zei hij. "Ze hebben uw nummer
gevonden op het bord in den gang! Ze komen recht hier naar toe!"

Hij sleepte den heer Bensington mee den corridor op, die reeds
weerklonk van het naderend tumult op de groote trap, draaide de deur
achter hen op slot en ging Bensington voor naar de tegenoverliggende
kamers, die hij binnenging door middel van een duplicaat sleutel.

"Dat is onze eenige kans nog," zei hij.

Hij wierp het venster open dat uitkwam op een ventilatie-koker en
vanuit dit venster zagen zij dat in den muur een rij krammen op
gezetten afstand onder elkaar waren geslagen die een zeer ruwe en
gevaarlijke ladder vormden, welke als brandladder moest dienen om
uit de bovenste verdiepingen te komen. Hij duwde den heer Bensington
zachtjes het raam uit, toonde hem hoe hij zich vast moest houden, en
kwam achter hem de ladder op, hem in zijne beenen porrend en prikkend
met een bos sleutels zoodra hij even met klimmen ophield. Het leek
Bensington soms of hij die verticale ladder verder tot in alle
eeuwigheid zou moeten blijven beklimmen. Boven, was de goot nog
onbereikbaar ver--'t leek wel een mijl--; beneden--Hij durfde niet
denken aan wat er beneden wachtte.

"Vooruit!" riep de klerk, en pakte hem bij den enkel. Het was
vreeselijk zoo bij den enkel gepakt te worden en de heer Bensington
greep de ijzeren kram boven zich zóó stevig beet alsof hij op 't punt
was te verdrinken, en slaakte een onderdrukten kreet van angst.

Het bleek dat de klerk een ruit ingedrukt had, en toen leek het hem
alsof hij zijdelings een enorm eind gesprongen was, en toen drong het
geluid van een venster, dat neergeschoven werd tot zijn besef door. Hij
brulde allerlei dingen. De heer Bensington wendde voorzichtig het hoofd
tot hij den klerk kon zien. "Kom zes treden naar beneden," beval deze.

Al dit beweeg leek hem erg dwaas toe, maar heel, heel behoedzaam liet
hij toch een voet zakken.

"Niet trekken!" riep hij uit, toen de klerk hem wilde helpen vanuit
het open venster.

Het leek hem toe dat het bereiken van het raam van de ladder af een
heel respectabel feit zou zijn voor een vliegenden vos, en het was
meer met het idee van een fatsoenlijken zelfmoord, dan in de hoop hem
te volbrengen, dat hij den stap eindelijk waagde en de klerk heesch
hem meedoogenloos naar binnen.

"U zult hier moeten blijven," zei de klerk; "mijn sleutels helpen
hier niet. 't Is een Amerikaansch slot. Ik zal naar buiten gaan en
de deur achter me dichtslaan, en zien of ik 't mannetje van deze
verdieping kan vinden. U zult zoolang opgesloten moeten blijven. 't
Eenigste is, ga niet naar 't raam. 't Is de kwaadaardigste menigte
die ik ooit gezien heb. Als ze maar eerst denken dat u uit is, zullen
ze zich waarschijnlijk wel tevreden stellen met uw boeltje in mekaar
te slaan--"

"De indicator wees "Tehuis" aan," zei Bensington.

"Dat zal je de drommel halen! In ieder geval, ze moeten mij hier
niet vinden--"

Hij verdween, de deur achter zich dichtslaand.

Bensington was weder aan zijn eigen initiatief overgelaten. En dit
initiatief dreef hem onder het bed. Daar werd hij een oogenblik later
gevonden door Cossar.

Bensington was bijna versuft van angst toen hij gevonden werd, want
Cossar had de deur met zijn schouder ingeloopen door er van den
overkant van den gang op toe te springen.

"Kom er onderuit, Bensington," zei hij. "'t Is goed volk. Ik ben 't. We
moeten zien hier vandaan te komen. Zij steken het huis in brand. De
portiers gaan er allemaal vandoor. De bedienden zijn al weg. 't Is
gelukkig dat ik den man, die van dit zaakje afwist, te pakken kreeg."

"Kijk es hier."

Toen Bensington onder het bed uit gluurde, zag hij eenige zonderlinge
kleedingstukken over Cossar's arm hangen, en wat het belachelijkste
van alles was, een zwarten vrouwenmuts in diens hand!

"Ze zoeken het heele huis af," zei Cossar. "Als ze het niet in brand
steken, komen ze beslist hierheen. Troepen kunnen er niet binnen een
uur zijn. Vijftig percent "Hooligans" [7] onder de menigte, en hoe
meer gemeubileerde kamers ze binnenkomen, hoe meer ze den smaak er
van beet zullen krijgen. Ligt voor de hand... Trek dezen rok aan en
zet dien muts op, Bensington, en snij uit met mij."

"Bedoel je--?" begon Bensington, een hoofd onder het bed uitstekend,
op de manier van een schildpad.

"Ik bedoel, maak er wat mee voort, en kom mee."

En met plotselinge heftigheid trok hij Bensington onder het bed
uit, en begon hem zelf aan te kleeden als een oud vrouwtje uit het
volk. Hij sloeg zijn broek op, liet hem zijn pantoffels uittrekken,
deed zijn boord, das, jas en vest uit, schoot een zwarten rok over
zijn hoofd en deed hem een rood-flanellen keurslijf aan en een lijf van
dezelfde stof. Hij liet hem zijn al te karakteristieken bril afzetten
en drukte hem de muts vast op het hoofd. "Je kondt waarachtig als
ouwe vrouw geboren zijn," zei hij, terwijl hij de linten der muts
onder Bensington's kin samenbond. Toen kwamen de elastieke laarzen
aan de beurt--een pijnlijk getrek voor de likdorens--en de shawl,
en de vermomming was voltooid.

"Loop es op en neer," zei Cossar, en Bensington gehoorzaamde.

"'t Zal gaan," zei Cossar.

En in deze vermomming, onbeholpen struikelend over zijn ongewone
rokken, en een vloed van vrouwelijke verwenschingen doend neerdalen op
zijn eigen hoofd, met een schrille falsetto om in zijn rol te blijven,
en temidden van het brullen eener menigte die er op uit was om hem te
lynchen, kwam de oorspronkelijke ontdekker van Herakleophorbia IV, den
corridor der Chesterfield-Mansions af, midden tusschen die verwoede
wanordelijke menigte, en verdween aldus geheel van het tooneel der
gebeurtenissen die ons verder verhaal vormen.

Na deze ontsnapping bemoeide hij zich nooit weder met de
wonderbaarlijke ontwikkeling van het Voedsel der Goden, dat het eerst
aan hem zijn ontstaan te danken had.



III.

Het mannetje dat de geheele zaak op touw zette, verdwijnt uit deze
geschiedenis en na eenigen tijd verdween hij heelemaal uit de wereld
der zichtbare en vertelbare dingen. Doch omdat bij de zaak aan den
gang bracht, lijkt het mij niet meer dan billijk, aan zijn uitvaart
een extra bladzijde te wijden. Gij kunt hem u wel voorstellen in later
tijd, zooals Tunbridge Wells hem leerde kennen. Want te Tunbridge
Wells dook hij weder op, na een tijdelijke verdwijning, zoodra hij ten
volle begreep hoe voorbijgaand, hoe exceptioneel en onbeduidend die
oproerige woede der menigte was. Hij verscheen weder onder de hoede
van nicht Jeanne, om zijn geschokt zenuwgestel te restaureeren, en
hiervoor werden alle verdere belangen terzijde gesteld. Hij scheen ook
volkomen onverschillig te zijn geworden voor den strijd die toen juist
woedde om deze nieuwe centra van verspreiding, en voor de Kinderen
van het Voedsel.

Hij nam zijn intrek in het Mount-Glory Hydro-Geneeskundig Hotel,
dat werkelijk bijzonder goed ingericht is op het gebied van
gecarbonneerde Baden, Creosoot-Baden, Galvanische en Faradische
Baden-Behandeling, Massage, Dennen-Baden, Stijfsel- en Kervel-Baden,
Radium-Baden, Licht-Baden, Hitte-Baden, Zemel- en Naalden-Baden, Teer-
en Vogeldons-Baden--alle mogelijke soorten van baden; en hij gaf al
zijn denken aan de ontwikkeling van dat systeem van geneeskundige
behandeling, dat nog niet volmaakt was toen hij stierf. En soms reed
hij in een huurrijtuig, met een met zeehondenleer gevoerde jas naar de
Pantiles, of als zijne voeten het hem permitteerden liep hij er ook
wel heen, en dan slurpte hij daar ijzerhoudend water onder toezicht
van nicht Jeanne.

Zijn gebogen schouders, zijn roode gezicht, zijn schitterende bril,
dit alles werd een van de typische dingen van Tunbridge Wells. Niemand
was ook maar in het minst onvriendelijk tegen hem, en het plaatsje
en het Hotel schenen zelfs erg met zijne tegenwoordigheid vereerd te
zijn. En hoewel hij liever den verderen loop zijner uitvinding niet
volgde in de dagbladen, was het, als hij de Promenade vóór het Hotel
overstak, of de Pantiles afliep, en hij hoorde fluisteren "dat is
'em, dat is 'em!"--toch geen ontevredenheid die een zachter trek om
zijn mond bracht en een oogenblik in zijn oog schitterde.

Deze kleine figuur, deze heel kleine gestalte, zond het Voedsel der
Goden de wereld in! Men weet werkelijk niet wat verbazingwekkender
is, de grootheid of de kleinheid dezer mannen der wetenschap en
filosofie. Ge ziet hem voor u, op de Pantiles, in den met bont
gevoerden overjas. Hij staat onder dat steenen kozijn waar de fontein
opspringt, en houdt het glas met ijzerhoudend water, waaruit hij nu en
dan een teug neemt, in de hand. Eén helder oog is, over den vergulden
rand van zijn bril gevestigd op nicht Jeanne, met onverbiddelijke
strengheid. "Mm," zegt hij en slurpt.

En wij maken ons souvenir voor hem, in deze houding, zóó richten wij
onze camera op hem, en "nemen" dezen ontdekker voor de laatste maal,
en laten hem achter, als een spikkel op onzen voorgrond, en gaan
verder naar het grootere schilderij dat zich om hem gevormd heeft,
naar het verhaal van zijn Voedsel, hoe de verspreide Reuzen-Kinderen
met den dag grooter werden en opgroeiden temidden eener wereld die
zóóveel te klein voor hen was, en hoe het net der Bomvoedsel-wetten,
en Bomvoedsel-conventies die de Bomvoedsel-commissie aan het weven was,
zich ieder jaar al dichter en dichter om hen samentrok. Totdàt--



BOEK II.

HET VOEDSEL IN HET DORP.


HOOFDSTUK I.

DE KOMST VAN HET VOEDSEL.


I.

Ons thema, dat zoo beknopt begon in de studeerkamer van den heer
Bensington, heeft zich reeds uitgebreid en vertakt, tot het nu dezen,
dan genen kant uitwijst en van nu aan zullen de gebeurtenissen
in ons verhaal op verschillende plaatsen voorvallen. Het Voedsel
der Goden verder te volgen, staat gelijk met de vertakkingen van
een voortdurend lotenschietenden boom na te gaan; in korten tijd,
in het vierde gedeelte van een menschenleven, was het voedsel uit
zijn eersten bron te Hickleybrow op de kleine boerderij, gelekt en
had zich verspreid--het voedsel, en ook de faam en schaduw van zijn
kracht--de geheele wereld over. Zeer spoedig had het zich ook buiten
Engeland verspreid. Weldra werkte het in Amerika, op het geheele
vasteland van Europa, in Japan, in Australië, eindelijk de geheele
wereld over, naar het gezette doel. Steeds werkte het langzaam, langs
indirecte kanalen en tegen de verdrukking in. Het was de grootheid die
in opstand gekomen was. Niettegenstaande vooroordeelen, ten spijt van
wet en verordening, niettegenstaande al de koppige vasthoudendbeid,
die ten grondslag ligt aan de formeele orde der menschheid, ging het
Voedsel der Goden, als het eenmaal losgelaten was, zijn onnaspeurlijken
en niet te stuiten gang. Gedurende al deze jaren groeiden de kinderen
van het Voedsel staag; dit was de belangrijkste factor van dien
tijd. Doch het zijn juist de gevallen waarin het uitbrak, die het
tot historie maken. De kinderen die ervan gegeten hadden, groeiden,
en weldra waren er nog andere kinderen die ook begonnen te groeien; en
de beste voornemens ter wereld konden niet verhoeden dat het telkens
en telkens maar weer aan uitlekte. Het Voedsel volhardde in het
losbreken, alsof het een levend iets was. Als het met bloem van meel
vermengd geraakte, werd het Voedsel, bij droog weder, als bij opzet
tot fijn poeder en stoof voor het lichtste briesje uit. Nu eens was
het een of ander insect dat tot tijdelijke noodlottige ontwikkeling
kwam, dan weder een nieuw uitbreken der rattenplaag uit de riolen,
en dergelijk ongedierte. Eenige dagen lang had het dorp Pangbourne in
Berkshire te kampen met reuzenmieren. Drie mannen werden gebeten en
stierven. Er placht een paniek te ontstaan, er werd gekampt en dan was
de losgebroken plaag weder aan banden gelegd, doch liet steeds iets
na in de minder op den voorgrond tredende dingen des levens--die voor
altijd veranderd waren. Dan was het weder een acute en onrustbarende
uitbarsting, een snel opgroeien van monsterachtig kreupelhout, een
vertakking over de aarde van onredelijk-sterk groeiende distels,
van torren die door de menschen bevochten werden met jachtgeweren,
of een plaag van reusachtige vliegen.

Hier en daar werd op vreemde en wanhopige wijze gekampt in obscure
plaatsen. Het Voedsel verwekte helden in de zaak der kleinheid...

En in de levens der menschen kwamen allerlei, tot nu toe ongekende,
gebeurtenissen en zij traden ze tegen zooals zij het beste konden,
en zeiden tegen elkaar, dat er eigenlijk in de orde der dingen
niets veranderd was. Na de eerste groote paniek werd Caterham,
niettegenstaande zijn groote welsprekendheid, een minder belangrijke
figuur in de politieke wereld, en bleef slechts in de heugenis der
menschen hangen als de voorstander van een zeer geavanceerde opvatting.

Slechts zeer langzaam veroverde hij zich een op den voorgrond tredende
positie. "Er had geen verandering in de essentieele orde der dingen
plaats gegrepen"--die eminente leider der moderne gedachte, Dokter
Winkles zei hier zeer duidelijke dingen over,--en de voorstanders
van wat men in die dagen Progressief Liberalisme noemde, werden
werkelijk sentimenteel over de essentieele onoprechtheid hunner
vooruitstrevendheid. Het blijkt dat hunne droomen uitsluitend liepen
over natietjes, taaltjes, huishoudentjes, elk zichzelf bedruipend op
zijn eigen kleine hoeve. Er ontstond plotseling een mode van het kleine
en nette. Groot-zijn was "vulgair", en sierlijk, net, mignon, miniatuur
"minitieus-volmaakt" werden de grond-woorden voor critischen bijval.

Ondertusschen groeiden de Kinderen van het Voedsel rustig en namen hun
tijd ervoor, zooals kinderen dit moeten, in een wereld die veranderde
om hen te ontvangen, en verzamelden kracht en postuur en kennis,
werden persoonlijkheden met een doel in het oog, en groeiden langzaam
op tot de afmetingen waarvoor het lot hen bestemd had. Weldra leken zij
een natuurlijk deel te vormen van de wereld rondom hen, en begonnen
de menschen zich verwonderd af te vragen, hoe alles vóór hun tijd
geweest was. Verhalen van wat de reuzen-jongens konden doen drongen
tot hunne ooren door, en men zei "dat is sterk!"--zonder eenige
verwondering. De populaire bladen verhaalden van de drie zonen van
Cossar en hoe deze wonderbaarlijke kinderen groote kanonnen konden
optillen, ijzer-massa's honderden meters ver weg slingeren, en twee
honderd voet ver springen. Men vertelde dat zij bezig waren een put
te graven, dieper dan eenig andere put of mijn die de menschen ooit
gemaakt hadden, en dat zij, zoo zei men, zochten naar schatten die
in de aarde verborgen lagen sedert de aarde geschapen werd.

"Deze Kinderen," zeiden de populaire tijdschriften, "zullen bergen
met den grond gelijk maken, zeeën overbruggen, tunnels graven door
jelui aarde tot deze een honiggraat gelijkt." "Merkwaardig," zei
het kleine volk, "niet waar? Wat een massa gemakken zullen we dan
hebben!" en gingen weder huns weegs, alsof er van geen Voedsel der
Goden sprake was op aarde. En inderdaad was dit alles nog slechts
een vage aanduiding en belofte van wat de "Kinderen van het Voedsel"
zouden kùnnen doen, later. Nù was alles nog slechts kinderspel bij hen,
niet anders dan het eerste gebruik maken van kracht, waarin nog geen
doel stak. Zij zelven wisten nog niet waarvoor zij waren. Zij waren
kinderen--langzaam groeiende kinderen van een nieuw geslacht. De
reuzenkracht groeide dag aan dag--de reuzen-wìl moest nog tot een
doel rijpen; doch inderdaad zag niemand het komen van Grootheid in de
wereld, zooals ook niemand ter wereld, vóór er eeuwen verloopen waren,
het verval en den ondergang van Rome als één gebeurtenis zag. Zij,
die in die dagen leefden, stonden te veel temidden van deze heele
ontwikkeling van Groei, om ze als een enkel op zichzelf staand iets te
zien. Het leek zelfs wijzen menschen toe, dat het Voedsel de wereld
niets anders zou geven dan een oogst van onhandelbare, met elkaar
niets uit te staan hebbende dingen, die de bestaande orde van zaken
konden doen beven op hare grondvesten en haar konden verontrusten,
doch verder niets.

Het wonderbaarste in dezen tijd van toenemende kracht leek
wel--tenminste één' opmerker leek het dit--het koppig volharden van
de groote massa in den ouden toestand, hun rustig voortgaan in het
negeeren van de kolossale gestalten die zich tusschen hen bewogen,
en van de belofte van nog meer kolossale dingen, die temidden van hen
zouden opgroeien. Zooals menige stroom het rustigst voortstroomt,
diep en krachtig, in de nabijheid van een waterval, zoo scheen al
wat behoudend in den mensch was, in die dagen een kalm overwicht te
voeren. De reactie werd populair; men praatte van het bankroet der
wetenschap, van het sterven van den vooruitgang, van de nadering der
Mandarijnen--, en van dergelijke dingen, terwijl de schreden van de
"Kinderen van het Voedsel" te midden van hen daverden. De lawaaierige
doellooze Revolutien van ouds, een groote menigte dwaze kleine lieden
die den een of anderen dwazen kleinen monarch verjoegen, dit alles lag
ver achter hen en hiermede had men afgedaan; doch de Verandering was
nièt gestorven. Het eenige was, dat de Verandering veranderd was. Het
nieuwe was bezig te komen op zijn eigen manier en dit ging boven het
alledaagsch begrip der wereld.

Uitvoerig te verhalen van deze komst, zou gelijk staan met een groote
Geschiedenis te schrijven, doch overal was een evenwijdig-loopende
keten van gebeurtenissen. Zoodat het verhalen van de komst ervan op
ééne plaats, feitelijk het verhalen van het geheel is. Toevallig
viel er een zaadje dezer Onmetelijkheid in het aardige dorpje
Cheasing Eyebright in Kent; en te oordeelen naar het verhaal van de
eigenaardige ontkieming ervan en van de tragische beuzelachtigheden
die hieruit ontstonden, kan men trachten--als het ware één draad
volgend--de richting aan te wijzen waarin dit geheele groote weefsel
van gebeurtenissen het weefgestoel van den Tijd ontrolde.



II.

Cheasing Eyebright had natuurlijk een dominé.

Nu zijn er dominé's en dominé's; en van alle soorten houd ik van een
nieuwigheden invoerenden dominé--van een bonten, naar vooruitgang
strevenden professioneelen reactionnair--het minst. Doch de dominé
van Cheasing Eyebright was iemand die wel het allerminst dacht aan
nieuwigheden invoeren, een brave, gezette, rijpe en conservatieve
kleine man. Het is niet meer dan passend een eindje met ons verhaal
terug te gaan om van hem te vertellen. Hij paste volkomen bij zijn
dorpsbewoners en men kan hen zich het beste voorstellen zooals zij
waren, op den avond tegen zonsondergang, toen juffrouw Skinner--gij
herinnert u haar vlucht nog wel!--het voedsel, zonder dat iemand het
vermoedde, tusschen haar wereldsche goederen deze landelijke rust
binnen droeg.

In dit licht uit het westen, zag het dorp er op zijn best uit. Het
strekte zich uit over de lengte der vallei onder de beukenwouden van
den "Hanger," als een koralensnoer van met riet bedekte en roodpannige
huisjes--huisjes met portico's, die met latten bespijkerd waren en
met pyracanthus [8] afgezette voorgevels, welke zich al dichter
en dichter tegen elkaar aandrongen naarmate de weg daalde van de
taxusboomen bij de kerk naar de brug. De pastorie gluurde niet al
te hoogmoedig tusschen de boomen uit achter het dorpslogement; zij
had een Georgiaanschen gevel, gerijpt door den tijd, en de spits der
kerk verhief zich blij boven de holte die de vallei in de heuvels
vormde. Een kronkelend riviertje, dat als een smal lint van schuim
en hemelblauw voortstroomde, glinsterde tusschen breede randen riet
en zich er overheen neigende wilgen, midden door een méékronkelende
strook weide. Het geheel bood den eigenaardigen Engelschen aanblik
van goede bebouwing--dien aanblik van kalme afgerondheid--die de
volmaaktheid nabijkomt in de warmte van de ondergaande zon.

En ook de dominé zag er rijp uit. Hij was gewoon er bijzonder rijp
uit te zien, alsof hij geboren was als een murwe baby, een rijpe,
en sappige kleine jongen. Al vóór hij het u vertelde, was het aan
hem te zien dat hij op eene oude gevestigde openbare kostschool was
geweest, die begroeid was met klimop, en die schitterende tradities,
aristocratische relaties, en geen scheikundige laboratoria bezat;
en dat hij vandaar gegaan was naar een eerwaardige hoogeschool,
gebouwd in den rijpsten gothischen stijl. Hij bezat weinig boeken die
jonger waren dan duizend jaar; van dezen vormden Yarrow en Ellis en
goede preeken uit den tijd vóór de Methodisten het meerendeel. Hij
was een man van middelmatige lengte, een beetje kleiner lijkend door
zijn equatoriale afmetingen en met een gezicht, dat hoewel rijp van
het begin af, nu climacterisch [9] rijp was. De baard van een David
verborg zijne dubbele onderkin; hij droeg geen horloge-ketting uit
verfijning, en zijn hoogsteenvoudige kleeding van geestelijke, was
gemaakt door een kleermaker uit het West-End [10]... En hij zat daar,
met een hand op elke dij, genoegelijk knipoogend naar zijn dorp. Hij
wuifde er met een mollige hand naar. En in hem zong weer zijn oude
refrein. "Wat kan men meer wenschen?" "Onze ligging is heel gelukkig,"
zei hij, zich niet al te sterk uitdrukkend.

"Wij liggen in een sterke vesting tusschen de heuvelen," legde hij
nader uit.

En eindelijk kwam hij geheel en al voor de zaak uit. "Wij liggen er
gelukkig geheel van afgesloten."

Want hij en zijn vriend hadden gepraat over de Verschrikkingen der
Eeuw, over Democratie en Openbaar onderwijs en Lucht-schrapers [11]
en auto's en de Inval van Amerika, het Onoordeelkundig Lezen van het
Publiek, en het verdwijnen van allen smaak.

"Wij staan er hier heelemaal buiten," herhaalde hij en net terwijl
hij dit zei trof het geluid der voetstappen van iemand die dien kant
uitkwam zijn oor, en hij rolde zich om in zijn stoel en keek naar haar.

Gij kunt u de stage, beverige nadering der oude vrouw wel voorstellen,
met haar pak in haar knoestige, vermagerde hand geklemd, haar neus (die
haar gezicht vormde) gerimpeld van ademlooze vastberadenheid. Gij ziet
de klaprozen al zwaar van noodlot knikken op haar hoed, en de met stof
bedekte elastieken laarzen onder haar schamele rokken onherroepelijk
en langzaam beurtelings oost en west wijzend. Onder haar arm schoof
een niet zeer kostbare parapluie heen en weer, als een oproerige
gevangene. Wat kon den Dominé aanduiden, dat deze grotesque oude
gestalte--tenminste voor zoover het zijn dorp betrof--niemand anders
was dan het Vruchtbare Toeval, en het Onverwachte--de oude harpij die
de menschen het Noodlot noemen. Doch voor ons is zij niemand anders
dan juffrouw Skinner.

Daar zij te veel bepakt was om een buiging te maken, deed zij net of
zij hem en zijn vriend niet zag, en ging hen dus, flip, flap, op nog
geen drie pas voorbij, op het dorp toe. De dominé zag haar daar zoo
langzaam in stilte heentrekken en deed ondertusschen een opmerking
in zich rijpen...

Het voorval leek hem niet in het minst belangrijk. Er zijn stééds
oude vrouwen, in àlle tijden, geweest die bundels getorst hebben,
de geheele wereld door. En wat heeft het uitgemaakt? "Wij liggen
er geheel en al buiten," zei de dominé. "Wij leven in een sfeer
van eenvoudige dingen die niet licht veranderen; van Geboorte en
Arbeid, simpelen tijd van zaaien en simpelen oogst. Het rumoer
gaat ons voorbij." Hij kon altijd goed praten over wat hij noemde
de permanente dingen. "De dingen veranderen," placht hij te zeggen,
"doch de Menschheid--aere perennius". [12] Hij hield van een klassieke
aanhaling die listiglijk verkeerd te pas gebracht werd. En verder op,
den heuvel af, was de ongracieuze doch vastberaden juffrouw Skinner,
op grappige wijze één geworden met Wilmerding's "overstap." [13]



III.

Niemand weet wat de dominé van de Reuzen-Wolfsveesten [14] dacht.

Zonder twijfel was hij een van de eersten die ze ontdekte. Met kleine
afstanden ertusschen waren ze langs het pad verspreid; tusschen den
dichtst bijzijnden heuvel en het einde van het dorp--een pad dat hij
dagelijks bezocht op zijn digestie-wandelingetje. Alles bij elkaar
genomen, waren er van het begin tot het einde, minstens dertig van deze
zwammen. De dominé schijnt naar elk van hen afzonderlijk verbaasd te
hebben staan kijken, en in de meeste een paar maal met zijn wandelstok
te hebben gestooten. Eén ervan trachtte hij met zijne armen te meten,
doch zij barstte bij zijn Ixionische omarming.

Hij sprak er met verscheidene menschen over en zeide dat zij
"wonderbaarlijk!" waren en hij verhaalde aan minstens zeven
verschillende personen de welbekende geschiedenis van den vloersteen,
die opgelicht werd van den keldervloer door een hoop paddestoelen
die er onder groeiden. Hij keek er zijn Sowerby eens op na om te
zien of het Lycoperdon coelatum of giganteum was. Hij hield er een
geliefkoosde theorie op na, dat de benaming "giganteum" niet juist was.

Men weet niet of hij ook opmerkte dat deze witte bollen juist op
het pad groeiden dat die oude vrouw gisteren gevolgd had, en of hij
opmerkte dat de laatste op nog geen twintig passen van het hek van
het huisje van Caddles zijn dikken kop opstak. Zoo hij dit alles al
opmerkte, trachtte hij toch niet er aanteekening van te houden. Zijn
observatie-vermogen in botanische dingen was wat de kleinere
natuurkundigen een "geoefende waarneming" noemen--men zoekt naar
zekere bepaalde dingen en ziet alle verdere dingen over het hoofd. En
hij deed geen moeite om dit verschijnsel in verband te brengen met
het merkwaardig snelle groeien van den zuigeling van Caddles, wat nu
al eenige weken aan den gang was; ja, feitelijk van den dag af dat
Caddles ongeveer een maand tevoren zijn schoonmoeder was gaan bezoeken
en hij zijn schoonmoeder hoorde opsnijden over het fokken van kippen.



IV.

Het groeien der wolfsveesten, volgend op het plotseling groeien
van den baby der Caddles, behoorde den dominé de oogen geopend te
hebben. Het laatste dezer twee feiten was hem reeds rechtstreeks in
de armen gevoerd bij het doopen--bijna overweldigend...

De hummel gilde oorverdoovend, toen het koude water, dat zijn goddelijk
erfdeel en zijn recht op den naam van Albert Edward Caddles bezegelde,
op zijn voorhoofd druppelde. Hij ging de moederlijke draagkracht
reeds te boven en Caddles, weliswaar wankelend onder den last, doch
ouders van minder voordeelige kinderen triumphantelijk toegrijnzend,
droeg hem terug naar de bank die door zijn gezelschap werd ingenomen.

"Zóó'n kind heb ik nog nooit gezien!" zei dominé.

Dit was de eerste openlijke aanduiding dat het kleine kind van Caddles,
dat zijn aardsche loopbaan begonnen was ònder een gewicht van zeven
pond, bij slot van rekening zijn ouders toch nog eer aan zou gaan
doen. En heel gauw werd het duidelijk dat het niet alleen voornemens
was hun een eer, doch zelfs een glorie te zijn. En binnen een maand
schitterde hun glorie zoo helder, dat zij, den stand van lieden als
de Caddles in aanmerking nemend, onbehoorlijk was.

De slager woog het kind elf maal. Hij was geen erg spraakzaam mensch
en besteedde niet veel tijd aan dit wegen. De eerste maal zei hij:
"'t is een goeie hoor;" de tweede maal zei hij: "wel allemachtig!" De
derde maal zei hij: "Nou, hm," en daarna blies hij ieder maal slechts
geweldig, krabde zich het hoofd, en keek naar zijn weegschaal met een
tot hier toe nooit gevoeld wantrouwen. Iedereen kwam naar het "Groote
Kind" kijken--zoo werd het algemeen genoemd--en de meesten zeiden:
"'t is een dikzak, hoor!" Juffrouw Fletcher kwam ook kijken en zeide
dat ze nog nooit zóó iets gezien had, wat volkomen juist was.

Lady Wondershoot, de dorps-tyran, kwam op den dag nadat het voor de
derde maal gewogen was aanzetten en bekeek het phenomeen nauwkeurig
door haar lorgnon, wat het kind deed brullen van angst.

"'t Is een merkwaardig "Groot kind,"" vertelde zij de moeder,
met een luide, leerende stem. "Je mag er wel goed voor zorgen,
Caddles. Natuurlijk gaat dat zoo niet dóór, daar het met de flesch
grootgebracht wordt, maar we moeten er voor doen wat we kunnen. Ik
zal je nog wat flanel sturen."

De dokter kwam en mat het kind met een elletje, en schreef de
cijfers in zijn notitieboekje, en de oude meneer Drifthassock, die
een boerderij bij Up Marden had, maakte met een voerage-reiziger een
omweg van een half-uur, om het te zien. De reiziger vroeg drie malen
hoe oud het kind was en zeide eindelijk dat hij "verdompeld" zou
zijn. Hoe en waarom hij "verdompeld" was moest men maar raden. Hij
zei ook dat het in een reuzen-kinderen-tent op de kermis moest
tentoongesteld worden. En den geheelen dag kwamen er kinderen die
zeiden: "juffrouw Caddles, maggen we asjeblief je kind es zien,"
tot juffrouw Caddles er een stokje voor moest steken. En temidden
van al deze verbazingwekkende dingen stond daar juffrouw Skinner,
glimlachend en zich een beetje achteraf houdend, met de puntige
elbogen in haar lange slappe handen, en al maar glimlachend om en
bij haar neus, met een oneindig diepzinnigen glimlach.

"Zelfs die oude heks van een grootmoeder ziet er opgeruimder door
uit," zei Lady Wondershoot. "Al spijt 't mij ook dat ze weer hier in
het dorp terug is."

Natuurlijk, zooals bij de meerderheid der zuigelingen van de armere
dorpelingen, werd het bedeeld, doch door een enorm gekrijt maakte het
kind het weldra duidelijk dat het, wat het vullen van zijn zuigflesch
aanging, nog lang niet genoeg bedeeld werd.

De baby had recht op een negendaagsche bewondering, en iedereen had
schik in zijn verbazenden groei, gedurende tweemaal dien tijd en
langer. En zelfs daarna, inplaats van op den achtergrond te geraken,
en plaats te maken voor andere wonderen, bleef het maar steeds
doorgroeien, nog sterker dan te voren!

Lady Wondershoot luisterde met de uiterste verbazing naar haar
huisbewaarster.

"Caddles al wéér beneden. Geen eten voor het kind! Maar m'n beste
Greenfield, dat kàn niet. Het schepsel eet als een nijlpaard! 't Kan
beslist niet waar zijn."

"Ik mag van harte lijden dat ze u niet bedriegen, barones," zei
juffrouw Greenfield.

"Het is zoo moeilijk te zeggen bij zulk soort menschen," zei Lady
Wondershoot. "Doe me een pleizier, m'n beste Greenfield, er vanmiddag
zelf even heen te gaan en je zelf te overtuigen--en blijf erbij als 't
de flesch krijgt. Al is 't werkelijk een groot kind, ik kan me heusch
niet voorstellen dat 't méér dan zes pint per dag zou noodig hebben."

"'t Heeft er geen recht op, barones," zei juffrouw Greenfield.

Lady Wondershoot's hand beefde, met die C. O. S. soort van emotie,
die achterdochtige woede, die in alle ware aristocraten beeft, bij de
gedachte dat mogelijk de lagere klassen bij slot van rekening--even
laag zijn als hun meerderen en--en hier steekt de angel--op dit gebied
nog beter aan toe zijn misschien dan zij.

Doch juffrouw Greenfield kon geen bewijzen vinden dat er op
den zak harer meesteres gespeculeerd werd, en er werd bevel
gegeven, aan Caddles' baby een grooter dagelijksch rantsoen te
verstrekken. Nauwelijks was het eerste rantsoen op, of daar kwam
Caddles alweer aan, met een wanhopig air van "ik kan er niks aan doen."

"Wij hebben er zuinig op gepast, juffrouw Greenfield, 't is waar,
juffrouw, maar ze zijn 'em d'r allemaal gewoon afgesprongen! Ze vlogen
met zoo'n kracht in de rondte, juffrouw, dat er een knoop door een
ruit ging, en een andere me nèt hier tegen m'n hoofd vloog da 'k er
van duizelde."

Toen Lady Wondershoot vernam dat het wonderbaarlijke kind zoowaar
zijn prachtige bedeelingskleeren had doen barsten, besloot zij er
Caddles zèlf eens over te spreken. Hij verscheen vóór haar; zijn haar
inderhaast natgemaakt en gladgestreken met de hand, buiten adem en
zich aan zijn hoed-rand vastklemmend alsof het een zwemgordel was,
en struikelend in zijn rampzaligheid over den rand van het vloerkleed.

Lady Wondershoot mocht Caddles graag afsnauwen. Caddles was in
haar oog het ideaal van iemand die tot de lagere klassen behoort,
oneerlijk, trouw, kruiperig, werkzaam, en onbegrijpelijk ongeschikt om
verantwoordelijkheid op zich te nemen. Zij zeide hem dat hij werkelijk
niet te licht moest denken over de wijze waarop dat kind zich gedroeg.

"Niks anders dan dat hij zoo'n honger heeft, barones," zei Caddles,
met verheffing van stem.

"En je kunt hem niet tegenhouden ook, barones," zei Caddles. "Hij
ligt daar maar van zich af te trappen en te gillen dat je hooren en
zien vergaat. 't Gaat niet, barones en als we 't al deden, zouden de
buren tusschen beiden komen..."

Lady Wondershoot raadpleegde er den dokter eens over.

"Ik zou wel eens willen weten," zei Lady Wondershoot, "of 't wel goèd
is dat dit kind zulk een verbazende hoeveelheid melk krijgt?"

"De gewone hoeveelheid voor een kind van dien leeftijd," zei de
dorpsdokter, "is anderhalf tot twee pint in de vierentwintig uur. Ik
zie heusch niet in dat u geroepen is om méér te verschaffen. Zóó
u het doet, dan is 't alleen uw eigen edelmoedigheid. Natuurlijk
zouden we het met de hoeveelheid die hem toekomt eens een paar dagen
kunnen probeeren. Maar ik moet toegeven, dat het kind, door de een
of andere oorzaak physiologisch van andere kinderen verschilt. Het
is mogelijk dat het, wat men een "Sport" noemt, is. Een geval van
Algeheele Overvoeding."

"Het is niet eerlijk tegenover de andere dorpskinderen," zei Lady
Wondershoot. "Ik weet zeker dat er klachten inkomen als dit zoo
dóórgaat."

"Ik zie werkelijk niet in dat er van iemand verwacht kan worden
méér te geven dan de hoeveelheid die algemeen aan kinderen van dien
leeftijd gegeven wordt. We zouden er op kunnen staan dat 't zich
daarmede tevreden stelde, of, als 't dat niet wilde, het als een
"geval" naar het ziekenhuis sturen."

"Ontdekt u, nog afgezien van de grootte en den eetlust, ook nog iets
anders dat abnormaal is--niets monsterachtigs?" zei Lady Wondershoot
nadenkend.

"Neen, neen, dat niet. Doch als deze groei doorgaat, zullen wij
ernstige moreele en intellectueele tekortkomingen ontdekken. Men zou
dit reeds nu haast durven voorspellen aan de hand van Max Nordau's
wet. Een zeer begaafde, en beroemde filosoof, Lady Wondershoot. Hij
ontdekte dat het abnormale--abnormaal is, een zeer gewichtige
ontdekking, die wel de moeite waard is onthouden te worden. Voor
mij is zij tenminste van groot belang in mijn praktijk. Als ik iets
abnormaals ontdek, zeg ik dadelijk: "Dit is abnormaal." Zijn oogen
namen een diepzinnige uitdrukking aan; hij liet zijn stem dalen,
zijn houding grensde aan het intiem-vertrouwelijke. Hij hief stijf
een hand op. "En in dien geest behandel ik dan zoo'n geval," zei hij.



V.

"Wel, wel!" zei de dominé tegen zijn ontbijt-gerei--den dag na de
aankomst van juffrouw Skinner.

"Wel, wel, wat hebben we hier?" en richtte zijn bril op zijn courant
met een afkeurenden blik.

"Reuzenwespen! Wat beleven we al niet... Amerikaansche journalisten,
vertrouw ik! Ik moet niets hebben van al die nieuwe fratsen. Ik ben
al heel tevreden met reuzen-klapbessen."

"Onzin!" zei de dominé, dronk in één teug zijn koffie leeg, met zijn
blikken vast op zijn courant gevestigd, en smakte ongeloovig met
de lippen.

"Nonsens!" zei de dominé, het bericht niet willend gelooven. Doch den
volgenden dag stond er meer over in, en toen ging hem plotseling een
licht op. Doch alles werd hem niet opeens duidelijk. Toen hij dien dag
zijn digestie-wandeling ging doen, liep hij nog onderdrukt te lachen
over dat nonsensicale verzinsel, dat zijn courant hem op de mouw
wilde spelden. "Jawel! Wespen--die een hond gedood hadden!" Toen hij
toevallig voorbij de plek kwam waar die eerste was van Wolfsveesten
groeide, merkte hij bij zichzelven op dat het gras daar erg hoog en
weelderig groeide, doch hij bracht dit op geenerlei wijze in verband
met dat waarover hij in stilte zulk een pleizier had.

"Dan zouden we er toch hier ook wel ièts van gehoord hebben," zei hij;
"Whitstable is nog geen twintig mijlen hier vandaan."

Een eindje verder vond hij weder een wolfsveest, een van de tweede
collectie, die als het ei van een rock [15] uit de abnormaal grove
aarde stak.

Toen schoot de beteekenis van dit alles in hem als een bliksemstraal.

Dien morgen deed hij niet zijn gebruikelijke rondte. Hij sloeg af bij
den tweeden overstap en liep zóó om naar het huisje der Caddles. "Waar
is je kind?" vroeg hij, en toen hij het zag, riep hij uit: "Goeie
hemel!"

Hij liep den stijgenden weg naar het dorp op en kwam den dokter tegen
die in allerijl naar beneden liep. Hij vatte hem bij den arm. "Wat
betéékent dit allemaal?" zei hij. "Heb je de laatste dagen couranten
gelezen?"

De dokter antwoordde toestemmend.

"Nu, en wat is er aan de hand met dat kind? En al dat andere--wespen,
wolfsveesten, zuigelingen, hè, zeg? Wat is het dat ze zoo sterk doet
groeien? 't Komt erg onverwacht. En dat nog wel in Kent! Als 't nu
nog Amerika was--"

"'t Is op 't oogenblik nog moeilijk te zeggen wat 't precies is,"
zei de dokter. "Zoover als ik de symptomen kan nagaan--"

"...is het overmatige voeding--algemeene overvoeding."

"Overvóéding?"

"Ja, algeheele--doet den geheelen lichaamsbouw aan--het geheele
organisme. Tusschen ons, in vertrouwen gezegd, ben ik er wel haast van
overtuigd dat het dàt is... Maar je moet altijd een beetje voorzichtig
zijn in je oordeel."

"Ha," zei de dominé, erg opgelucht, te bevinden dat de dokter tegen
het geval was opgewassen; "maar hoe komt 't dat 't overal op deze
manier uitbreekt?"

"Ja, dat is weer iets dat moeilijk te zeggen valt."

"In Urshot, en nu hier, 't is een vrij duidelijk geval van
verspreiding."

"Ja," zei de dokter, "ja. Ik geloof het ook. Het lijkt in elk geval
erg op de een of andere epidemie. Waarschijnlijk zal 't wel Epidemische
Overvoeding zijn."

"Epidemisch!" zei de dominé. "Je wilt toch niet zeggen dat 't
besmettelijk is?"

De dokter glimlachte vriendelijk en wreef zich in de handen. "Ja,
zie je, dàt kan ik niet zeggen," zei hij.

"Maar--!" riep de dominé, met wijd open oogen. "Als 't eens
besmettelijk is--dan--dan steekt 't òns ook aan!"

Hij liep een paar pas den weg op en wendde zich toen weder om.

"Ik kom er juist vandaan," riep hij. "Zou 't niet goed zijn als--? Ik
ga dadelijk naar huis, om een bad te nemen en mijn kleeren te
ontsmetten."

De dokter keek zijn zich verwijderende gestalte een oogenblik na,
wendde zich toen om en ging naar zijn eigen huis...

Doch onderweg dacht hij na over het feit dat er nu al een maand lang
een geval in het dorp was zonder dat iemand anders er door besmet
werd, en na een korte aarzeling besloot hij moedig te zijn zooals
een dokter betaamt en de gevolgen als een man af te wachten.

En wèl waren zijn overdenkingen juist. Want groei was het allerlaatste
dat hèm nog zou aansteken. Hij,--en ook de dominé--kon een handkar
vol Herakleophorbia opgegeten hebben. Want de groei was bij hen uit,
voor altijd.



VI.

Een dag of zoo na dit gesprek,--dat wil zeggen een dag of zoo na het
verbranden der Proef-Hoeve, kwam Winkles bij Redwood en liet hem een
beleedigenden brief zien. Het was een ongeteekende brief, en een auteur
behoort de geheimen zijner sujetten te bewaren. "Ge denkt eer in te
leggen met wat niets anders dan een volkomen natuurlijk verschijnsel
is," luidde de brief, "en ge tracht voor uzelf reclame te maken met uw
brief aan de "Times." U en uw Bomvoedsel! Laat ik u even zeggen dat
dit voedsel met zijn zotten naam slechts zeer toevallig in verband
staat met deze groote wespen en ratten. De naakte waarheid is dat er
een epidemie van Overvoeding heerscht--Besmettelijke Overvoeding--die
ge ongeveer even weinig kunt tegengaan als ge het zonnestelsel kunt
bedwingen. Het is een quaestie die zoo oud is als de wereld. Er
heerschte overvoeding in het geslacht van Enak. Geheel buiten uw
bereik, te Chaesing Eyebright bevindt zich op dit oogenblik een kind--"

"Beverige op- en neerhalen. Blijkbaar oude heer," zei Redwood. "Maar
het is toch vreemd dat een kind--"

Hij las een paar regels verder, en kreeg plotseling een ingeving.

"Bij den hemel!" zei hij. "Dat is mijn verdwenen juffrouw Skinner!"

Hij overviel haar plotseling den volgenden dag in den namiddag.

Zij was bezig uien te trekken in het tuintje voor haar dochter's
huisje, toen zij hem zag aankomen door het tuinhek. Zij bleef een
oogenblik "beduusd" staan, zooals de lui op 't land het uitdrukken,
sloeg toen de armen over elkaar en wachtte zijn komst af met het
bosje uien als ter verdediging onder haar linker elboog. Haar mond
opende en sloot zich verscheidene malen; zij mummelde wat met haar
eenigen tand, en eenmaal maakte zij plotseling een buiging, als het
flikkeren van een booglamp.

"Ik dacht wel dat ik je vinden zou," zei Redwood.

"Ja, dat heb ik ook al gedacht, meneer," zei zij, zonder veel
vreugdebetoon.

"Waar is Skinner?"

"'IJ 'eeft me nooit weer geschreve', meneer, en is ook nooit meer
'ier geweest vanaf dat ik 'ier ben."

"Weet je niet wat er van hem geworden is?"

"'IJ 'eeft me nooit meer geschreve', meneer,'' zei zij en deed
zijdelings een schrede naar links, half met het doel Redwood van de
deur af te houden.

"Niemand weet wat er van hem geworden is," zei Redwood.

"Nou maar, 'ijzèlf wel," zei juffrouw Skinner, "maar 'ij wil 't
niet zegge', want 'ij 'ad t'r altijd slag van 'n mensch, dat 't em
't naaste stond in last te brenge' en te late' zitte'. Maar slim was
ie, da mô' k zegge'," zei juffrouw Skinner....

"En waar is dat kind nu?" vroeg Redwood plotseling.

"Wâ blieft u?"

"Dat kind daar ik van heb hooren spreken, 't kind dat je ons goedje
gegeven hebt--het kind dat acht en twintig pond weegt."

De handen van juffrouw Skinner waren zenuwachtig in de weer,
en ze liet de uien vallen. "Warachies, meneer," zei zij, "ik weet
werkelijk niet wat u bedoel. M'n dochter, meneer, juffrouw Caddles,
'ééft een kind, meneer." En zij maakte zenuwachtig een reverence,
en probeerde er onschuldig-vragend uit te zien, door haar neus naar
één kant te trekken.

"Ik zou graag dat kind es zien, juffrouw Skinner," zei Redwood.

Juffrouw Skinner deed één oog wat wijder open toen zij hem voorging
naar de deel. "Natuurlijk, meneer, d'r kan ergens wel een klein beetje
in geweest zijn, in een kleine bus van Nicey die ik aan zijn vader
gaf om van de boerderij mee te brengen, of misschien een klein beetje
dat ik om 't zoo maar es uit te drukken bij me had, en dat door m'n
gauwe inpakke' d'r tussche' zal zijn geraakt...."

"H'm!" zei Redwood nadat hij een poosje naar het kind had staan
kijken. "H'm!"

Hij zei tot juffrouw Caddles dat het een erg voordeelig kind was, iets
wat zij hoe langer hoe meer in al zijn omvang begon te begrijpen,--en
na dit gezegd te hebben, bemoeide hij zich verder niet met haar. Een
oogenblik later verliet zij het vertrek uit louter onbeduidendheid.

"Nu dat je er mee begonnen bent, zul je er mee voort moeten gaan,"
zei hij tot juffrouw Skinner. Hij wendde zich plotseling tot haar.

"En denk er wel om, dat je 't niet wéér rondmorst," zei hij.

"'t Rondmorse, meneer?"

"Kom, je begrijpt me heel goed."

En dàt zij hem begreep bleek uit haar zenuwachtige gebaren.

"Je hebt er hier niemand iets van verteld? De ouders, den dorpsheer
op het heerenhuis, den dokter, aan niemand?"

Juffrouw Skinner schudde ontkennend het hoofd.

"Dat zou ik je ook niet raden," zei Redwood.

Hij ging naar de deel-deur en keek eens naar buiten. De schuurdeur
zag, tusschen het eind van het boerenplaatsje en eenige ongebruikte
varkenskotten, door een hek met vijf dwarslatten uit op den
heirweg. Daar achter bevond zich een hooge steenen muur, weelderig
met klimop, muurbloemen en huismanslook begroeid, en die van boven
voorzien was van glasscherven. Net voorbij den hoek van den muur stak
een door de zon verlicht bord tusschen de groene en gele bladerentakken
uit, boven de weelderige schakeeringen der eerste gevallen bladeren,
en behelsde het gebruikelijke "Verboden Terrein, volgens artikel 461
Wetboek van Strafrecht." De donkere schaduw van een gat in de heg
deed een eind prikkeldraad duidelijk uitkomen.

"Hm," zei Redwood, en toen nog eens wat dieper, "hm!"

Het geklep van paardenhoeven en het geratel van raderen kwam naderbij
en Lady Wondershoot's schimmels kwamen in het zicht. Hij lette
op de gezichten van koetsier en palfrenier, onderwijl de equipage
naderbij kwam. De koetsier was een zeer mooi exemplaar in zijn soort,
welgedaan en rijp, en hij mende met een soort van sacramenteele
waardigheid. Anderen mochten aan hun roeping en positie twijfelen in
de wereld, hij was er ten minste zéker van--hij reed de barones. De
palfrenier zat naast hem met over elkaar geslagen armen en met een
onbeweeglijk, zéker gezicht. Toen werd de groote dame zelf zichtbaar,
met hoed en mantel die alle elegance verachtten. Twee jonge dames
rekten, met haar, hunne halzen uit en gluurden naar buiten. De dominé,
die aan den anderen kant voorbij kwam, nam met een zwaai den hoed
van zijn David's voorhoofd, zonder dat hij opgemerkt werd.

Redwood bleef nog langen tijd nadat het rijtuig verdwenen was,
in den deurpost staan kijken, de handen op zijn rug. Zijn blikken
gingen naar het hooge duinland en de met wolken geplekte lucht,
en gingen toen weder terug naar den met glasscherven afgezetten
muur. Hij wendde zich om naar de koele schaduwen daarbinnen, en
temidden van plekken en klodders kleur zag hij daar het reuzen-kind
in dat Rembrandtieke halfduister, naakt op een flanellen luier na,
gezeten op een ontzettend dikke wis stroo en met zijn teenen spelend.

"Ik begin in te zien, wat wij gedaan hebben," zei hij.

Hij verzonk in gedachten, en de jonge Caddles en zijn eigen kind
en Cossar's jongens vormden deel van zijne mijmeringen. Plotseling
begon hij te lachen. "Goeie hemel!" zei hij, als om een voorbijgaande
gedachte.

"In ieder geval mag hij niet gekweld worden met storing in het geregeld
krijgen van zijn voedsel. Dàt kunnen we tenminste voorkomen. Ik zal je
elk half jaar een bus sturen. Daar zal hij wel mee uitkomen, denk ik,"
zei hij tot juffrouw Skinner.

Juffrouw Skinner mompelde iets van "als uwes dat denkt, meneer," en
"is er vast bij ongeluk tusschen geraakt.... dacht niet dat 't kwaad
kon as 'k 'em er 'n beetje van gaf," en aldus met behulp van allerlei
buigzame gebaren beduidde zij hem dat ze hem begreep.

En aldus ging het kind voort met groeien.

"Feitelijk," zei Lady Wondershoot, "heeft hij ieder kalf in het dorp
opgegeten. Als die Caddles toch nog weer zoo'n kind--"



VII.

Doch zelfs zulk een afgezonderd plaatsje als Cheasing Eyebright kon,
bij de steeds toenemende drukte die er over het Voedsel gemaakt werd,
niet lang volharden in de theorie van Overvoeding--besmettelijk
of niet. Weldra kwam het tot pijnlijke ophelderingen voor juffrouw
Skinner--ophelderingen die haar slechts sprakeloos deden mummelen
op haar eenigen tand--verklaringen, die uit haar haalden wat
er uit te halen was, die haar als 't ware doorzòchten, en haar
ontmaskerden--totdat zij zich ten laatste genoodzaakt zag haar
toevlucht te nemen tot de waardigheid van een ontroostbaar weduwschap,
om de zich steeds ophoopende blaam te ontgaan. Zij sloeg haar oog--dat
ze steeds in een waterigen toestand hield--op de burchtvrouwe, en
veegde het zeepsop van haar handen.

"U vergeet, barones, waar ik onder gebukt ga."

En zij liet op deze waarschuwing, met lichtelijk uitdagende stem
volgen:

"Aan 'em denk ik, nacht en dag."

Zij perste de lippen samen en haar stem werd zachter en haperde:
"En nog wel opgegeten en wel."

En zich aldus op dit standpunt geplaatst hebbend, herhaalde zij de
verklaring die de barones eerst niet had willen aannemen. "Ik 'ad niet
méér idee wat ik an 't kind gaf, dan ieder ander mensch zou 'ebben."

De barones richtte hare gedachten op hoopvoller dingen, doch vergat
niet Caddles natuurlijk flink de les te lezen. Afgezanten, vol van
diplomatieke bedreigingen, kwamen plotseling in de bewogen levens
van Bensington en Redwood. Zij verschenen in den vorm van leden van
den parochialen raad van bestuur, dom vasthoudend als een speeldoos
aan hun vooraf in elkaar gezette bewerinkjes.

"Wij beschouwen u als aansprakelijk, mijnheer Bensington, voor al het
nadeel dat onze parochie ondervonden heeft. U draagt hiervan alleen
de schuld."

Een advocaten-firma, met een arglistigen stijl--zij noemden zich
Banghurst, Brown, Flapp, Codlin Tedder en Snoxton, en verschenen
onveranderd in den vorm van een rood, er-listig-uitziend heertje
met een spitsen neus--zei vage dingen over schadevergoeding, en dan
was er nog een erg gepolijst personage--de agent der barones, die
Redwood plotseling op zekeren dag overviel en vroeg: "Nu, mijnheer,
wat denkt u te doen?" Waarop Redwood antwoordde dat hij van plan was
het verstrekken van het "Voedsel" aan het kind te staken, als hij of
Bensington nog verder over iets lastig gevallen werden. "Ik geef het
toch al gratis," zei hij, "en als u ophoudt het 't voedsel te geven,
zal het uw dorp omvèr schreeuwen vóór het sterft. Jullie hebt dit kind
nu eenmaal, en jullie moet het houden. Lady Wondershoot kon niet altijd
Lady de Milde en Aardsch Voorzienigheidje spelen in haar parochie
zonder zoo nu en dan eens een verantwoordelijkheid tegen te komen."

"Het kwaad is geschied," besliste Lady Wondershoot toen men haar
mededeelde--met de noodige afkortingen en zuiveringen--wat Redwood
gezegd had.

Hoewel inderdaad het kwaad pas bezig was een aanvang te nemen.



HOOFDSTUK II.

DE REUSACHTIGE TELG.


I.

"Het reuzenkind was leelijk"--hield de dominé vol. "Het was altijd
leelijk geweest, zooals alle buitensporige dingen dit uit den aard der
zaak moèsten zijn." De overtuiging van den dominé stond zijn onbevangen
oordeel in den weg. Zelfs in deze landelijke afzondering werden
er heel wat kiekjes genomen van het kind en hun onbevooroordeelde
getuigenis staat lijnrecht tegenover de verklaring van den dominé,
daar zij uitwijzen dat het jonge monster eerst bijna knap was, met
een overvloedigen krullekop met haar, dat tot op zijn voorhoofd viel,
en dat het altijd klaar was om te glimlachen. Op de meesten dezer
kiekjes staat Caddles, die tenger gebouwd was, achter het kind,
aldus zijne betrekkelijke kleinheid nog meer latende uitkomen.

Na het tweede jaar werd de knapheid van het kind meer betwistbaar. Hij
begon, zooals zijn ongelukkige grootvader het zéker zoude uitgedrukt
hebben "geil" op te groeien. Hij verloor zijn kleur, begon er bij
al zijn kolossaalheid, toch maar smalletjes uit te zien. Hij was
erg tenger. Zijn oogen en iets in zijn gezicht werden fijner, en
werden, zooals men het uitdrukte, "interessant." Nadat zijn haar
eenmaal geknipt was, begon het één warbos te worden. "Dat is de
degeneratie die in hem zit," zei de dokter, die dit alles gadesloeg,
doch in hoever hij hierin gelijk had, en in hoever het achteruitgaan
van de gezondheid van het kind te wijten was aan het voortdurend
verblijf houden in een schuur met gewitte wanden, en levend van Lady
Wondershoot's liefdadigheid, die nog getemperd werd door een gevoel
van rechtvaardigheid, blijft een onuitgemaakte zaak. De kiekjes
die er van hem genomen werden, van zijn derde tot zijn zesde jaar,
wijzen uit dat hij zich aan het ontwikkelen was tot een rond-oogigen,
vlasharigen jongen met een dopneus en een niet onvriendelijk starenden
blik. Er zweeft om zijne lippen die nooit ver-verwijderde belofte van
een glimlach, die op al de foto's van de jonge reuzenkinderen is weer
te vinden. In den zomer draagt hij losse kleederen van tijk, die aan
elkaar genaaid zijn met touw; doorgaans heeft hij op zijn hoofd een
van die strooien manden die werklieden voor hun gereedschap gebruiken,
en hij is blootsvoets. Op één opname grinnikt hij met breeden mond
en houdt hij een afgeknabbelden citroen in de hand.

De foto's die in den winter van hem genomen werden zijn minder talrijk
en minder goed gelukt. Hij draagt reusachtige klompen--natuurlijk van
beukenhout en (zooals brokstukken van de inscriptie "John Stickells,
Iping" uitwijzen) zakken als sokken, en zijn broek en jas zijn
onmiskenbaar gesneden uit het overblijfsel van een carpet met een
vrolijk patroon. Daaronder bevonden zich grove flanellen luren; vijf
of zes el flanel zijn als een bouffante om zijn hals gebonden. Het
ding op zijn hoofd is waarschijnlijk eveneens een zak. Hij staart,
soms lachend, soms een beetje treurig naar de camera. Zelfs toen hij
pas vijf jaar oud was, kon men die half grillige rimpels boven zijn
zachte bruine oogen opmerken, die zijn gelaat kenteekenden.

Zooals de dominé tenminste van het begin af beweerde, was hij een
schrikkelijke last voor het dorp. Hij schijnt een aan zijn grootte
geëvenredigden lust om te spelen gehad te hebben. Hij schijnt bovendien
erg nieuwsgierig en erg op gezelschap gesteld geweest te zijn, en
dan nog had hij een zeker verlangen--het spijt mij dat ik het zeggen
moet--naar meer voedsel.

Niettegenstaande wat juffrouw Greenfield een "buitengewoon" ruim
rantsoen noemde, en dat hem door Lady Wondershoot verstrekt werd,
gaf hij toch blijk van wat de dokter onmiddellijk herkende als
de "Crimineele Honger." Het bewees slechts al te duidelijk Lady
Wondershoot's zwartgalligste ondervindingen van de lagere klassen--dat,
niettegenstaande een rantsoen, dat het maximum van een volwassene ver
overtrof, men het kind toch betrapte op diefstal. En wat hij stal,
at hij op met een onbevallige gulzigheid. Zijn groote hand placht
plotseling over tuinmuren te verschijnen; zelfs hunkerde hij naar het
brood in de bakkerskarren. Kazen verdwenen van Marlew's voorraadzolder
en geen varkenstrog was veilig voor hem. Als de een of andere boer eens
door zijn koolrapenveld liep, zag hij dikwijls het spoor zijner enorme
voeten, en het bewijs van zijn knagenden honger--hier en daar was een
raap uitgetrokken, en de hierdoor ontstane gaten had hij dan weder,
met kinderlijken list, onbeholpen dichtgemaakt. Hij at een koolraap
zooals men een radijs eet. Hij stond de appels van een boom te eten
als er niemand in de buurt was, zooals gewone kinderen bramen van
een struik plukken. In één opzicht was dit gebrek aan voldoende
proviand tenminste heilzaam voor den goeden vrede te Cheasing
Eyebright--want vele jaren lang at hij ieder kruimpje op van het
Voedsel der Goden dat hem gegeven werd... Ontegenzeggelijk was het
kind lastig en niet op zijn plaats. "Hij slenterde altijd rond,"
placht de dominé te zeggen. Hij kon geen school bezoeken; hij kon
evenmin ter kerk gaan, om reden van den beperkten kubieken inhoud
ervan. Er werd een poging gedaan om te voldoen aan den geest van die
"allerdwaaste en onheil-stichtende" wet--ik herhaal wat de dominé
zei--de Wet op het Lager Onderwijs van 1870, door hem buiten het open
schoolraam te doen plaatsnemen, terwijl er binnen onderwezen werd. Doch
zijne tegenwoordigheid ondermijnde de discipline der school, daar de
kinderen voortdurend opstonden en naar hem gluurden, en telkens als
hij wat zei, lachten zij in koor. Zijn stem was zoo vreemd! En aldus
lieten zij hem maar niet weder komen.

Ook werd er niet verder bij hem aangedrongen naar de kerk te gaan,
want zijn kolossale afmetingen droegen er niet toe bij, om de
algemeene aandacht te bevorderen. En toch konden zij op dit punt
een lichter taak gehad hebben; want er is alle reden te vermoeden
dat er ergens in dat groote lichaam kiemen van godsdienstig gevoel
huisden. Misschien ook dat de muziek hem aantrok. Zoo kon men hem
Zondagsmorgens vaak opmerken op het kerkhof, voorzichtig tusschen
de graven doorloopend, nadat de gemeente de kerk binnengegaan was,
en hij zat daar dan zoolang de dienst duurde bij de groote deur,
en luisterde toe, zooals men luistert naar het geluid in een bijenkorf.

In het begin toonde hij een zeker gebrek aan tact; de menschen in de
kerk plachten zijn voeten rusteloos om het gebouw te hooren kraken,
of zagen zijn gezicht door de verweerde ruiten naar binnen gluren, half
nieuwsgierig, half afgunstig, en soms trof hem plotseling een eenvoudig
gezang en brulde hij met sombere stem mede, in een reuzen-poging om in
te stemmen. Waarop de kleine Sloppet, die orgeltrapper, banksluiter,
koster en bode en klokkenluider op Zondag was, benevens postbode
en schoorsteenveger in de week, heel dapper en flink naar buiten
placht te gaan en hem, het kind, met hangend hoofd wegzond. Het doet
me genoegen te kunnen zeggen dat Sloppet het,--in de oogenblikken
dat hij er ernstiger over nadacht--voelde. "Het was net als dat je
'n hond naar huis stuurde als je ging wandelen," vertelde hij mij.

Doch de verstandelijke en moreele opvoeding van den jongen Caddles,
al ging ze ook bij stukjes en beetjes, liet niets aan duidelijkheid
te wenschen over. Van het begin af aan, spanden dominé, moeder en de
geheele wereld samen om hem duidelijk te maken dat zijn reuzenkracht
nièt was om te gebruiken. Het was een ongeluk dat hij maar zoo goed
mogelijk moest zien te dragen. Hij moest ter harte nemen wat hem gezegd
werd, en doen wat hem bevolen werd, oppassen nooit iets te breken of
iemand pijn te doen. Vooral moest hij oppassen nergens op te trappen
of tegen dingen aan te loopen of in het rond te springen. Hij moest
de groote lui beleefd groeten en dankbaar zijn voor het voedsel en
de kleeren, die er voor hem van hunne rijkdommen overschoten. En hij
leerde al deze dingen onderworpen, daar hij van aard en uit gewoonte
een leerzaam kind was, en slechts door zijn voedsel en bij toeval,
een reus.

In die dagen bleek hij den diepsten eerbied voor Lady Wondershoot
te hebben. Zij vond dat zij het beste tegen hem kon spreken als
zij korte rokken aan en haar hondenzweep bij zich had, en hiermede
gesticuleerde zij en deed altijd een beetje minachtend en praatte erg
luid. Doch soms speelde de dominé den baas--een kleinen, buiten adem
zijnden David van middelbaren leeftijd, die berispingen en verwijten
en bevelen slingerde naar een kinderlijken Goliath. Het monster was
nu zoo groot, dat niemand er zich rekenschap van scheen te kunnen
geven dat het bij slot van rekening nog slechts een kind van zeven
jaar was, met het verlangen van een kind om aangehaald te worden,
en om zich te vermaken en nieuwe ondervinding op te doen, met al het
verlangen van een kind naar wederliefde, aandacht en genegenheid,
en met al de in een kind schuilende geschiktheid tot afhankelijkheid
en oneindige verveling en ellende.

Als de dominé zoo 's morgens in den zonneschijn den dorpsweg
afwandelde, placht hij een lompen achttien voet van het Onverklaarbare
te ontmoeten, die voor hem even fantastisch en onaangenaam was als een
nieuwe vorm van afscheiding der kerk, zooals het daar onregelmatig
heenliep met uitgestrekten hals, voortdurend zoekend naar de twee
dingen die een kind het meeste noodig heeft--iets te eten en iets om
mee te spelen.

Als het den dominé zag, kwam er een blik van heimelijken eerbied in
de oogen van het wezen, en het probeerde aan de verwarde voorlok te
tikken bij wijze van groet.

Op bescheiden schaal bezat de dominé werkelijk
verbeeldingskracht--tenminste het overblijfsel ervan--en tegenover
den jongen Caddles nam zij den vorm aan van het berekenen der
reusachtige mogelijkheden van persoonlijk geweld die er lagen in
zulke enorme spieren. Veronderstel bijvoorbeeld een plotselinge
krankzinnigheid--! Veronderstel een momenteel verliezen van
respect--! Doch de werkelijk dappere man is niet hij die geen vrees
voelt, doch hij die haar overwint. En telkens weder gelukte het den
dominé de vlucht zijner verbeelding te bedwingen. En steeds sprak
hij den jongen Caddles aan met een helderen preektenor.

"Pas je nog altijd goed op, Albert Edward?"

En terwijl de jonge reus dichter bij den muur ging staan en diep
kleurde, placht hij te antwoorden "ja meneer--zooveel as 'k kan."

"Ja, pas maar goed op," zei de dominé dan, en ging hem voorbij met
hoogstens een kleine versnelling van zijn adem. En uit eerbied voor
zijn manlijkheid maakte hij het zich tot regel, om, wat hij zich ook
in het hoofd mocht halen, nooit om te kijken naar het gevaar als hij
het eenmaal voorbij was.

Zoo nu en dan onderrichtte de dominé den jongen Caddles zelf. Hij
leerde het monster nooit lezen--dat was niet noodig; doch hij leerde
hem de meer gewichtige punten van den Catechismus--zijn plicht jegens
zijn naaste bijvoorbeeld en ook sprak hij hem over die godheid,
die Caddles zoude straffen met de uiterste gestrengheid als hij het
ooit waagde den dominé of Lady Wondershoot ongehoorzaam te zijn. Deze
lessen werden gegeven op de plaats van den dominé, en de voorbijgangers
plachten die zware vlugge kinderlijke stem de leeringen der Gevestigde
Kerk te hooren opdreunen.

"Den koning en allen die macht 'ebben onder 'em te
ge'oorzamen. Onderworpen te zijn aan al m'n leermeesters, geestelijke
'erders en meesters. En ootmoedig te zijn jegens allen die over mij
gesteld zijn--"

Weldra bleek het, dat de indruk dien de jonge reus op paarden, die niet
aan hem gewoon waren, maakte, dezelfde was als de schrik die een kameel
hen inboezemde, en hij kreeg bevel niet meer op den heirweg te komen,
niet alleen niet meer in de buurt van het kreupelhout, (waar zijn domme
lach die over den muur klonk, de barones buitengewoon gehinderd had)
doch nèrgens meer. Hij gehoorzaamde deze wet nooit volkomen, daar
de heirweg hem àl te veel belangstelling inboezemde. Doch zijn gang
naar de plaats waar hij vroeger geregeld kwam, werd een hèimelijk
genoegen. Zijn tochten waren ten laatste bijna geheel tot de oude
weide en de heuvels beperkt.

Ik weet werkelijk niet wat hij had moeten beginnen als de heuvels
er niet geweest waren. Dààr waren ruimten waar hij mijlen ver kon
loopen, en dit deed hij dan ook. Hij brak takken van de boomen en
maakte onzinnige groote bouquetten tot het hem verboden werd, hij
nam de schapen op en zette ze netjes op rijen, waar ze onmiddellijk
weer uitliepen, (en altijd lachte hij hier hartelijk om) totdat het
hem verboden werd, hij groef den bovengrond weg en maakte in zijn
baldadigheid groote gaten, totdat ook dit hem verboden werd...

Hij placht over de heuvelen te dwalen, zelfs wel tot den heuvel
achter Wreckstone, doch niet verder, omdat hij daar aan bebouwd land
kwam en omdat de lieden, door de verwoestingen die hij aanrichtte
onder hunne wortelvelden, en bovendien aangemoedigd door een soort
vijandelijke blooheid die zijn ongekamd voorkomen dikwijls verwekte,
steeds op hem afkwamen met blaffende honden om hem te verjagen. Zij
dreigden hem en sloegen op hem los met karrezweepen. Ik heb hooren
zeggen dat ze soms zelfs op hem schoten met hagel. En den anderen
kant uit dwaalde hij tot onder Hickleybrow. Als hij op den heuvel
achter Thursley Hauzer stond, kon hij nog juist de London- Chatam-
en Dover-lijn zien, doch bebouwde velden en een verdacht gehucht
hielden hem terug van elke poging naderbij te komen.

En na eenigen tijd verschenen er waarschuwingsborden--groote borden
met roode letters, die hem in iedere richting den weg versperden. Hij
kon niet lezen wat de letters voorstelden: "Verboden terrein," doch
weldra begreep hij het. Spoorwegreizigers zagen hem in die dagen
dikwijls zitten met zijn kin op de knieën, tegen het duin aan, dicht
bij de kalkmijnen van Thursley, waar hij later aan het werk gezet
werd. De trein scheen vage vriendschappelijke gevoelens in hem te
wekken, en soms wuifde hij naar het gevaarte met een enorme hand,
en soms riep hij het in zijn boersch dialect een groet toe.

"Kolossaal," zei de passagier dan. "Dat is een van de
Bomvoedsel-kinderen. Ze zeggen, meneer, dat hij absoluut niet voor
zichzelven kan zorgen--feitelijk niet veel meer dan een idioot,
en een groote last voor de plaats waar hij woont."

"Ouders erg arm, hoor ik."

"Leeft van de liefdadigheid van de plaatselijke deftige lui."

En iedereen keek dan, alsof ze 't volkomen begrepen, naar die in de
verte neerhurkende monsterachtige gestalte.

"Daar moest feitelijk een stokje voor gestoken worden," opperde dan
de een of andere verruimde geest. "Stel je voor als je d'r zoo es
een paar duizend in den kost had, he?"

En doorgaans was er wel één onder de passagiers die wijs genoeg was
dezen filosoof te antwoorden met zijn gansche hart: "ja, dan zou je
wat zien, meneer."



II.

Het was niet alles rozegeur en maneschijn met den jongen Caddles.

Daar hadt je bijvoorbeeld die onaangenaamheden die ontstonden uit de
quaestie met de rivier.

Hij maakte kleine bootjes uit heele couranten, een kunst die hij
afzag van den jongen van Spender, en hij liet ze stroomafwaarts
drijven--precies groote papieren steekhoeden. Als ze onder de brug
verdwenen, die de grens vormt van de voor het publiek gesloten gronden
om het kasteel Eyebright, placht hij een luiden kreet te slaken en naar
den anderen kant te loopen, dwars door Tormat's nieuwe veld--goeie
hemel! wat gingen die varkens van Tormat er van door, zóólang tot al
hun goede vet tot mager vleesch werd!--om zijn bootjes aan den anderen
kant bij de doorwaadbare plaats weer op te vangen. Deze papieren
bootjes plachten dwars tusschen de dichterbij gelegen gazons door te
varen, tot vóór het kasteel, waar Lady Wondershoot ze vlak voor haar
neus zag voorbijvaren! die opzichtige opgevouwen couranten! "'t Was
wat moois!"

Stoutmoediger wordend omdat hij niet gestraft werd, begon hij op zijn
kindermanier zich toe te leggen op waterbouwkunde. Hij groef een groote
haven voor zijn papieren vloten met een oude schuurdeur, die als spade
dienst deed, en daar toevallig niemand zijne werkzaamheden gadesloeg,
dacht hij op vernuftige wijze een kanaal uit, dat ongelukkigerwijs
den ijskelder van Lady Wondershoot deed onderloopen, en ten slotte
maakte hij een dam dwars door de rivier met een paar deuren aarde--hij
moet hieraan gewerkt hebben als een lawine--en daar kwam plotseling
en op wonderbaarlijke wijze een stroom water dwars door de heesters
en voerde juffrouw Sprinks en haar schildersezel mede, en liet haar
achter, kletsnat tot de knieën, met druipende rokken, loopend al wat
zij loopen kon in de richting van het huis. En vandaar stortte het
water zich door den moestuin en zoo langs de groene deur het laantje
in en door Short's sloot, zóó weer naar de rivierbedding terug.

De dominé, die in zijn gesprek met den smid gestoord werd, was
verbaasd de visch, die allertreurigst op het droge geworpen was,
te zien opspringen uit een paar overgebleven plassen, en groen wier
opgehoopt te zien in de stroombedding, waar nog geen tien minuten
tevoren acht voet en meer helder koel water gestaan had.

Hierna ontvluchtte de jonge Caddles, ontsteld over de gevolgen zijner
daad, zijn tehuis gedurende twee dagen en nachten. Slechts door den
honger gedreven keerde hij er in terug, om met stoïcijnsche kalmte een
hoeveelheid scheldwoorden te verdragen, die méér aan zijne grootte
geëvenredigd was dan iets anders dat hem in het Gelukkige Dorp ooit
ten deel was gevallen.



III.

Onmiddellijk na deze zaak, vaardigde Lady Wondershoot, die om zich
heen zocht naar nog meer dingen die zij als reden kon opgeven voor
de uitbranders en het vasten waarmede zij den ongelukkige gestraft
had, eene ukase uit. Het eerst aan haren bottelier en dit erg
plotseling, zoodat zij hem van schrik deed opspringen. Hij was bezig
den ontbijtboel op te ruimen, en zij keek een erg groot raam uit dat
uitzag op het terras waar de reeën altijd gevoederd werden. "Jobbet,"
zei zij op haren meest gebiedenden toon,--"Jobbet, dit Wezen moet
werken voor den kost."

En zij maakte niet alleen Jòbbet duidelijk (hetwelk gemakkelijk ging),
doch ieder ander in het dorp, den jongen Caddles zelf hierin begrepen,
dat zij hierin, als in alle andere dingen, meende wat zij zeide.

"Houdt hem bezig," zei Lady Wondershoot. "Dáár moeten we heen met
den jongenheer Caddles."

"Daar moet het met de geheele Menschheid heen," zei de dominé. "De
simpele plichten, tijd van zaaien, tijd van oogsten--"

"Juist," zei Lady Wondershoot. "Dat zeg ik ook altijd. Ledigheid is
des duivels oorkussen. Dat is tenminste zoo bij de lagere klassen. Wij
voeden onze onder-werkmeiden altijd naar dit principe op. Waar zullen
we hem aan zetten?"

Ja, dit was een lastige vraag. Zij bedachten verschillende dingen,
en ondertusschen wenden zij hem een beetje aan werken, door hèm,
inplaats van een bereden boodschapper te gebruiken bij het bezorgen
van telegrammen en berichten als er dringende haast bij was, en ook
droeg hij bagage en kisten en dergelijke dingen in een groot net,
dat zij voor hem maakten. Hij scheen van bezigheid te houden, en het
te beschouwen als een soort spelletje en Kinkle, Lady Wondershoot's
rentmeester, die hem op zekeren dag een kunstmatig aangelegde
rotspartij voor haar zag verplaatsen, kreeg den schitterenden
inval hem in haar krijt-groeven te Thursley Hanger aan het werk te
zetten. Aan dit denkbeeld werd gevolg gegeven, en het had er allen
schijn van dat hiermede het probleem opgelost was. Hij werkte in de
krijtgroeve, eerst met het pleizier van een spelend kind, en later uit
sleur--gravend, opladend, en alleen al de wagentjes ophijschend, de
vollen de rails naar het wisselspoor opduwend en de leêgen optrekkend
aan het staaldraad van een groote windas--en de geheele groeve alleen
bewerkend.

Ik heb hooren vertellen dat Kinkle een heel aardig sommetje uit hem
sloeg ten bate van Lady Wondershoot, daar Caddles bijna niets anders
verteerde dan zijn voedsel; doch dit belette niet dat zij "het Wezen"
"een reusachtigen parasiet van haar liefdadigheid" bleef noemen...

Te dien tijde droeg hij een soort boerenkiel van zakkenlinnen,
een broek van gelapt leder, en met ijzer beslagen klompen. Op
zijn hoofd droeg hij soms een vreemdsoortig ding--een niet langer
gebruikte stoel-zitting, die gevlochten was uit het stroo van een
bijenkorf, doch gewoonlijk liep hij blootshoofds. Hij bewoog zich in
de groeve met groot overleg, en als de dominé 's middags, op zijn
digestiewandeling daar voorbijkwam, vond hij hem zijn verbazende
hoeveelheid voedsel verorberend, alsof hij er zich eenigszins voor
schaamde, en met zijn rug naar zijne verdere omgeving gekeerd. Zijn
voedsel werd hem dagelijks gebracht--een massa koren in de aar, op
een lorrie--een kleine spoor-lorrie, gelijkend op een van de lorries
die hij voortdurend met krijt vulde, en deze lading placht hij te
roosteren in een ouden kalkput en haar dan te verorberen. Soms ook
vermengde hij haar wel met een zak suiker. Soms zat hij te likken aan
een klomp zout zooals men aan koeien geeft, of at hij een reusachtigen
klomp dadels met pitten en al op, zooals men ze in Londen wel op de
wagens der straatventers ziet. Zijn drinkwater haalde hij uit het
riviertje, dat achter het verbrande terrein der Proef-Hoeve stroomde,
en ging met zijn gezicht voorover in het water liggen en slurpte het
zóó op. Door dit drinken, nadat hij gegeten had, raakte het Voedsel
der Goden op zekeren keer los, en deed zijn werking voelen, eerst
in het opschieten van reuzen-onkruid aan den rivierkant, toen in
groote kikvorschen, grootere forellen en karpers, en dàn nog in een
fantastischen overvloedigen plantengroei, die zich over de geheele
kleine vallei verspreidde.

En na ongeveer een jaar werden de vreemde monsterachtige larven in het
stuk land voor het huis van den smid zóó groot en ontpopten zich in
zùlke vreeselijke torren en kakkerlakken--motor-kakkerlakken noemden
de jongens ze--dat ze Lady Wondershoot het land uitdreven.



IV.

Doch weldra zou het Voedsel een nieuwe phase bij hem
intreden. Niettegenstaande de eenvoudige leeringen van den
dominé--leeringen die er op berekend waren, het bescheiden natuurlijke
leven dat een reuzen-boer paste, op de beste en meest afdoende
wijze af te ronden--begon hij te vragen naar allerlei dingen en te
dènken. Naarmate hij van jongen tot man opgroeide werd het steeds
duidelijker dat zijn brein er een eigen denk-proces op na hield--dat
geheel buiten het toezicht van den dominé viel. De predikant deed
zijn best dit verontrustend verschijnsel te negeeren, maar toch,--hij
voelde zeer goed dat het aanwezig was.

De stof waar de jonge reus over kon denken, vond hij overal om
zich heen. Zonder dat hij het bepaald kon helpen, moet hij toch,
met zijn ruimer uitzicht, zijn voortdurend op de dingen néérzien,
heel wat gezien hebben van het menschelijk leven, en naarmate het
hem duidelijker werd dat, uitgenomen zijn lompe grootte, hij óók een
mensch was, moet hij steeds meer hebben leeren inzien van hoeveel
hij buitengesloten was door dit meewarig punt van onderscheid. Het
gezellige gegons dat uit de school kwam, het mysterie van den
godsdienst dat in zooveel weelde genoten werd, en zulk een zoete
melodie uitademde, het joviale gezang dat uit de herberg klonk, de
warm-verlichte vertrekken, met kaarsen verlicht en met vuur verwarmd,
waarin hij gluurde van uit de duisternis buiten, of de luidruchtige
opwinding, de energie der in flanel gekleede jongens, die naar een,
door hem maar vaag begrepen doel speelden op het cricketveld--al
deze dingen moeten luid gesproken hebben tot zijn naar gezelligheid
hakend hart. Het blijkt dat naarmate hij langzaam zijn volwassen
staat bereikte, hij een warme belangstelling begon te voelen in de
handelingen van minnaars, in de keuzen en het paren, en in al die
intimiteiten die zoo gewichtig zijn in het leven.

Op zekeren Zondag, tegen het uur dat de sterren en de vledermuizen en
de hartstochten van het leven op het land te voorschijn komen, bevond
zich toevallig een jong paartje dat "mekaar een beetje kuste", in het
"Minnaarslaantje", een laantje met breede heggen, dat achterom loopt
naar de Upper Lodge. Zij vierden hun emotietjes bot, zoo veilig in
den warmen, stillen schemer als minnaars maar zijn kunnen. De eenige
stoornis kon, zoo meenden zij, van den kant van den weg komen, en deze
konden zij een heel eind afzien; de twaalfvoet hooge heg die naar de
stille duinen liep, leek hun een absolute waarborg tegen stoornis.

En toen werden zij--'t is haast niet te gelooven--van den grond
gelicht en van elkaar gescheiden.

Zij bevonden dat zij onder de oksels in de hoogte werden gehouden
tusschen een vinger en duim, terwijl de ontstelde bruine oogen van
den jongen Caddles hen scherp in hunne warme, kleurende gezichten
staarden. Het is begrijpelijk dat zij niets konden zeggen van
verbazing.

"Waaròm doen jelui dat zoo graag?" vroeg de jonge Caddles.

Ik maak, uit wat ik ervan gehoord heb, op, dat de verlegenheid
duurde tot de boerenjongen, zich herinnerend dat hij een man was,
den jongen Caddles heftig, met luide bedreigingen, geschreeuw en
manhaftige vloeken, zooals het geval vereischte, beval hen bij dit en
dat neêr te zetten. Waarop de jonge Caddles, plotseling inziend dat
hij onbeleefd was, hen knus dicht bij elkaar bracht, zoodat ze hun
omarmingen, indien ze zin hadden, dadelijk weder konden hervatten,
en nadat hij een oogenblik aarzelend boven hen was blijven staan,
verdween hij weder in den schemer...

"Maar ik voelde toch maar dat ik een héél raar figuur sloeg,"
deelde de jongen mij in vertrouwen mede. "We konden bijna niet naar
mekaar kijken--omdat hij ons zóó gesnapt had. We kusten mekaar zoo'n
beetje--weetje. En 't gekste van alles was dat ze mijn van alles de
schuld gaf", zei de jongen.

"Gaf me leelijk smeer, en wou de heele weg naar 'uis bena niet meer
teuge me spreke..."

Het leed geen twijfel of de reus begon de dingen zelf te
onderzoeken. Het was duidelijk dat zijn geest vragen begon te
stellen. Tot nu toe deed hij ze aan weinigen, doch hij liep er mede
rond. Ook zijn moeder kreeg haar deel van de strikvragen.

Hij placht het erf achter zijn moeder's huisje op te komen en na den
grond nauwkeurig onderzocht te hebben of er ook kippen of kuikens
liepen, zich langzaam op den grond neer te laten, met zijn rug tegen
den schuur. In een oogwenk waren de hoenders, die hem graag mochten,
bezig met overal aan hem te pikken aan de krijt-laag die zich in de
naden van zijn kleederen had vastgezet, en als het weder op regen
stond en het hard waaide, zette het jonge katje van juffrouw Caddles,
dat nooit het vertrouwen in hem verloor, een hoogen rug, en rende het
huisje in, naar het fornuis in de keuken, dan weer terug, naar buiten,
tegen zijn been op, dan tegen zijn lijf op, tot op zijn schouder,
bleef dan een oogenblik als in gedachten zitten, en dan, hip, daar
ging het weer! denzelfden weg terug en zoo voort. Soms zette het hem
de nagels wel eens in het gezicht van pure pret, doch hij durfde het
nooit aan te raken omdat hij er niet zeker van was wat het effect zoude
zijn als hij zijn zware hand op zulk een zwak wezentje legde. Bovendien
hield hij er wel van om gekitteld te worden. En een poosje later deed
hij dan zijne moeder eenige onhandige vragen.

"Moeder, als het goed is om te werken, waarom werkt dan iederéén niet?"

Dan keek zijn moeder naar hem op en antwoordde:

"Dat is goed voor ons soort van menschen."

Hij dacht dan een tijdje na. "Waaròm?"

En als hij hierop geen antwoord kreeg, ging hij voort: "Waar diènt
werken eigenlijk voor, moeder? Waarom hak ik krijt en wasch jij,
van dag tot dag, terwijl Lady Wondershoot rondrijdt in haar rijtuig,
moeder, en op reis gaat naar die mooie vreemde landen die jij en ik
nooit zullen zien, moeder?"

"Dat komt omdat zij 'n dame is," zei juffrouw Caddles.

"Zoo zoo," zei de jonge Caddles en verzonk in diep gepeins.

"Als er geen deftige lui waren die werk voor ons maakten, hoe zouwen
wij arme lui dan an de kost kommen?" zei juffrouw Caddles.

Dit moest hij eerst weer verwerken.

"Moeder," waagde hij nog eens, "als er nu es geen adellijke lui waren,
zou dan alles niet aan menschen zooals jij en ik hooren, en als ze--"

"Goeie hemel, hoor me die jongen nou toch es!" zei juffrouw Caddles
dan--met behulp van een goed geheugen had zij zich sinds haar
moeders dood tot een bloemrijk- en krachtig-uitende persoonlijkheid
ontwikkeld--"nadat je arme goeie grootmoeder 'eengegaan is, ben je
onverdragelijk geworden. Zorg jij maar dat je geen vragen doet,
dan krijg je geen leugens te hooren. As ik je es ècht zou willen
gaan antwoorde', dan zou je vader wel eerst iemand anders magge gaan
hale om z'n avondete' klaar te make'--om nog niet eens te spreke'
van de wasch--"

"Nou, goed, moeder," zei hij dan, na haar een oogenblik verwonderd
te hebben aangekeken. "Ik wou 't je niet lastig maken."

En dan verzonk hij weder in gedachten.



V.

Hij was ook bezig met denken vier jaren later, toen de dominé, nu niet
langer rijp, doch òverrijp, hem voor de laatste maal zag. Ge kunt u den
ouden heer wel voorstellen, voor het uiterlijke een weinig ouder nu,
minder zwaarlijvig, een beetje grover, en wat zwakker van gedachten
en in zijn spraak, met een zekere beverigheid in zijne hand en een
zekere beverigheid in zijne overtuigingen, doch met een nog helder en
blijmoedig oog, niettegenstaande al wat "het Voedsel" in het dorp en in
hemzelf gewrocht had. Soms was hij verontrust en beangst geworden; doch
was hij nog niet in leven en dezelfde? en vijftien lange jaren--een
heel brokje eeuwigheid--hadden de bezoeking in nut doen verkeeren.

"Ik geef toe, dat het een heele omkeer was," placht hij te zeggen,
"en de dingen zijn werkelijk anders geworden--anders in vele
opzichten. Vroeger kon een jòngen wieden, doch nu gaat een màn het veld
in met bijl en breekijzer--tenminste, dit is noodig op sommige plaatsen
bij het kreupelhout. En het is ons ouderwetsche menschen nòg altijd
een beetje vreemd, te zien, dat, waar vroeger de rivierbedding was,
vóór zij aan het irrigeeren gingen, nu koren van vijf en twintig voet
groeit--zooals dit jaar het geval is--. Men gebruikte de ouderwetsche
zeis hier twintig jaar geleden en dan bracht men den oogst op
een wagen thuis--en men verheugde zich--kalm en fatsoenlijk. Een
beetje dronken, niet al te erg, zeker, een beetje eerbaar gevrij,
waarmede het Oogstfeest eindigde... Arme Lady Wondershoot--zij kon
niet tegen al deze veranderingen. Erg conservatief! Had nog een tikje
van de achttiende eeuw in zich, placht ik altijd te zeggen. Haar taal
bijvoorbeeld... opgeblazen in haar trots...

"Zij stierf betrekkelijk arm. Dat groote onkruid raakte ook in háár
tuin. Zij was niet een van die vrouwen die aan tuinieren doen, doch
zij zag haar tuin graag netjes--dat de dingen groeiden wáár ze geplant
werden, en zooàls ze geplant werden--onder toezicht... De wijze waarop
de dingen begonnen te groeien was heelemaal niet wat zij wenschte--en
bracht een algeheele omwenteling in hare denkbeelden teweeg. Zij hield
niet van de voortdurende invallen van dit jonge monster--ten laatste
begon zij zich te verbeelden dat hij voortdurend haar stond aan te
gapen over haar eigen muur... Zij vond het naar, dat hij bijna zoo
lang was als haar huis hoog... Haar aesthetisch gevoel kwam hiertegen
in opstand. Arme goeie dame! Ik had zoo gehoopt dat zij niet vóór mij
was heengegaan. Het waren de groote meikevers die hier een jaar of
zoo waren, die haar deden besluiten naar het buitenland te gaan. Die
meikevers kwamen van de reuzen-larven--leelijke dingen zoo groot als
ratten--in de grasgrond van de vallei... En ook de mieren droegen er
ongetwijfeld het hunne toe bij.

"Daar nu toch alles onderstboven gekeerd was en er nergens rust
en vrede te vinden waren, zei zij dat zij feitelijk even goed naar
Monte Carlo kon verhuizen als ergens anders heen. En daar ging zij
dan ook heen.

"Ik heb hooren zeggen dat ze tamelijk hoog speelde en stierf in
een hotel daar. Treurig einde... Bannelinge... Niet--niet wat men
behoorlijk acht... Door geboorte een leidster van ons Engelsch
volk... Ontworteld. Ja ja!

"En toch," ging de dominé voort, "heeft het feitelijk niet zooveel te
beteekenen. 't Is natuurlijk wel een last. De kinderen kunnen niet
zoo vrij meer rondloopen als vroeger, uit vrees voor mierenbeten
en andere dingen. Maar misschien is dàt nog wel zoo goed... Er
werd over gepraat--alsof dit goedje in alles een omwenteling zou
teweegbrengen... Doch er is iets dat al deze krachten van het
Nieuwe wederstaat... Natuurlijk ik weet daar niet van. Ik behoor
niet tot de moderne filosofen,--die alles met aether en atomen
verklaren. Evolutie. Stel je voor, dergelijke nonsens. Wat ik bedoel
is iets dat de Ologiën niet bevatten. Quaestie van verstand, niet van
begrip. Rijpe wijsheid. De menschelijke natuur. Aere perennius... Noem
het wat ge wilt."

En zoo liep alles eindelijk met hem op een eind.

De predikant had geen voorgevoel van wat hem boven het hoofd hing. Hij
deed zijn gewone wandeling langs Farthing Doron, zooals hij dit meer
dan twintig jaren lang gedaan had, en zóó naar de plaats waar hij
den jongen Caddles kon gadeslaan. Hij was een beetje buiten adem
toen hij boven op de helling van de krijt-groeve aankwam--sedert
lang had hij den Veerkrachtigen Christen-tred van vroeger jaren
verloren; doch Caddles was niet aan zijn werk, en toen, terwijl hij
heenliep om het kreupelboschje van reuzenbrem dat den Hanger begon te
verduisteren en er zijn schaduw op wierp, stond hij plotseling voor de
reuzengestalte van het monster, dat op den heuvel zat--alsof het op de
aarde zat te broeden. Caddles' knieën waren opgetrokken, hij steunde
den wang met zijn hand, en hield het hoofd een weinig op zijde. Hij
zat met zijn schouder naar den Dominé gewend, zoodat de oogen, die,
als niet begrijpend, rondstaarden, niet zichtbaar waren. Hij moet
zeer ingespannen hebben zitten werken--hij zat tenminste heel stil...

Hij wendde zich niet om en wist niet dat de dominé, die zulk een
groote rol gespeeld had in het vormen van zijn bestaan, naar hem
stond te kijken voor het laatst voor langen, langen tijd--wist zelfs
niet dat hij daar stond (op deze wijze hebben zoovele scheidingen
plaats.) Het kwam in het brein van den dominé op, dat bij slot van
rekening niemand ter wereld een vaag begrip had van wat dit monster
bepeinsde als hij uitrustte van zijn arbeid. Doch hij was te traag
om dit nieuwe thema dien dag verder uit te werken; hij liet het weder
varen en verviel weder in zijn vroegeren gedachtengang.

"Aere perennius," fluisterde hij, langzaam huiswaarts wandelend
langs een pad, dat niet langer zooals vroeger recht over den met
gras bedekten grond liep, doch in allerlei bochten kronkelde om
nieuwe opgeschoten bosjes reuzengras te vermijden. "Neen! Er is niets
veranderd. Afmetingen zeggen niets. De simpele rondgang, de weg van
altijd." En dien nacht, zonder eenige pijn, en zonder dat hij het
zelf wist, ging ook hij den gewonen weg--en verliet dit Mysterie van
Verandering dat hij gedurende zijn leven staag geloochend had.

Men begroef hem op het kerkhof van Cheasing Eyebright, dicht bij
den hoogsten iep, en de eenvoudige grafsteen, die zijn grafschrift
droeg--het eindigde met: Ut in Principio, nunc est et semper,--werd
bijna onmiddellijk aan het oog onttrokken door het opschieten van
reusachtig, grijs-gepluimd gras, dat te dik en te grof was voor zeis
en schapen, en dat zich als een mist over het dorp kwam storten uit
de aan kiemen rijke vochtige vallei-weiden, waarin het Voedsel der
Goden gewerkt had.



BOEK III.

DE OOGST VAN HET VOEDSEL.


HOOFDSTUK I.

DE VERANDERDE WERELD.


I.

Gedurende twintig jaren speelde de Verandering met de wereld. Voor de
meeste menschen kwamen de nieuwe dingen merkwaardig genoeg langzaam en
dag aan dag, doch niet zoo plotseling dat zij hen overstelpten. Doch
aan één mensch zou alles wat zich in die twintig jaar had opgehoopt,
geopenbaard worden plotseling en verbazingwekkend, en wel alles in één
dag. Voor ons doel is het noodzakelijk dien dag met hem te doorleven,
en iets te verhalen van de dingen die hij toen zag.

Deze man was een tot levenslange gevangenisstraf veroordeelde--wat
hij bedreven had komt hier minder op aan--dien de wet na twintig
jaren gratie geschonken had.

Op zekeren zomermorgen werd deze arme sukkel, die de wereld verlaten
had als een jonge man van drie en twintig, plotseling uit de grauwe
sleur van arbeid en discipline, waaraan hij gewoon was geworden,
geplaatst temidden der heerlijkst-schitterende vrijheid. Men had hem
ongewone kleêren aangetrokken; zijn haar had hij gedurende eenige weken
laten groeien, en hij had er gedurende eenige dagen een scheiding in
gekamd; en daar stond hij nu, met een soort armoedige, en onbeholpen
nieuwheid van lichaam en geest, knipperend met de oogen en zelfs
knipperend met zijn ziel, weder buiten de gevangenis, en trachtend in
één ongelooflijk iets te denken, namelijk dat hij zich gedurende een
tijdje weder in het daadwerkelijke leven bevond, en geheel onvoorbereid
op alle andere ongelooflijke dingen. Hij was zoo gelukkig een broeder
te bezitten, die wel zóóveel gaf om de vervlogen dingen van vroeger
dagen, welke zij tezamen beleefd hadden, om hem te komen afhalen
en zijn hand te drukken--een broeder dien hij als kleinen jongen
achtergelaten had en die nu een gebaard man was wien het goed ging
in de wereld--en wiens oogen hij zelfs niet meer herkende. En tezamen
kwamen hij en deze vreemdeling, die tot zijn naaste familie behoorde
in de stad Dover aan, wèinig met elkaar sprekend en véél denkend.

Zij zaten een tijdje in een café, terwijl de een de vragen van den
ander omtrent dezen en genen persoon beantwoordde; eigenaardige
oude gezichtspunten leefden weer op; eindelooze nieuwe uitzichten en
verten werden op zij geschoven, en toen was het tijd naar het station
te gaan, om den trein naar Londen te kunnen halen. Hunne namen en
de persoonlijke dingen die zij te bespreken hadden, komen er voor
onze geschiedenis minder op aan, doch enkel de veranderingen en al
het vreemde dat deze arme wederkeerende ziel vond in de eens hem
zoo bekende wereld. In Dover zelf viel hem weinig anders op dan dat
het goed was bier uit een pul te drinken--nooit had bier hem tevoren
ooit zóó gesmaakt, en het deed tranen van dankbaarheid in zijne oogen
wellen. "'t Bier is nog altijd even goed om te drinken," zei hij,
het inderdaad oneindig veel beter vindend dan vroeger...

Eerst toen de trein hen voorbij Folkestone deed vliegen, was hij
in staat iets verder te zien dan zijne onmiddellijke emoties,
en zag hij wat er met de aarde gebeurd was. Hij gluurde uit het
raampje. "Lekker zonnetje," zei hij, voor de twaalfde maal. "Ik kon
geen beter weêr treffen." En toen viel het hem voor het eerst op,
dat er nieuwe verhoudingen in de dingen gekomen waren. "Goeie hemel,"
riep hij uit, terwijl hij rechtop ging zitten, en voor de eerste
maal met levendigen blik naar buiten keek, "dat zijn allemachtig
groote distels, die daar op den oever bij dat brem daar groeien. As
't tenminste distels zijn. Of weet 'k 't niet meer?"

Doch het waren wèl distels, en wat hij voor hooge bremstruiken aanzag,
was het nieuwe gras, en hier middenin was een compagnie Britsche
soldaten--nog altijd met roode jassen aan--bezig te schermutselen
volgens de regelen van het excercitie-boekje dat gedeeltelijk herzien
was na den Boeren-oorlog. Toen plotseling--sjt--een tunnel in,
en toen vlogen zij Sandling Junction binnen, dat geheel omgeven en
verduisterd werd--alle lampen brandden er--door een groot kreupelbosch
van rododendrons, die uit een naburigen tuin gekropen waren en zich
over de geheele vallei verspreid hadden. Er stond een trein op het
zijspoor te Sandling, die hoog opgeladen was met rhododendronblokken,
en hièr hoorde de wederkeerende burger voor het eerst van Bomvoedsel.

Toen zij voortsnelden, een landstreek in die geheel onveranderd
scheen, waren de beide broeders druk bezig met hunne uitleggingen. De
een was vol van driftige vervelende vragen: de ander had zich nooit
bekommerd, en er nooit aan gedacht de quaestie als een op zichzelf
staand feit te zien, en bij sprak over dingen die hem heel gewoon
leken en die de ander zich moeilijk kon voorstellen. "Dat is dat
Bomvoedsel," zei hij, al zijn grondkennis van het geval op èenmaal
luchtend... "Snap je? Hebben ze je daar geen van allen iets van
verteld? Bomvoedsel! Dat weet je toch wel--Bomvoedsel. Waar de heele
verkiezing om draait. Wetenschappelijk goedje. Niemand je d'r ooit
van verteld?"

Hij vond dat de gevangenis een ontzettenden sufkop van zijn broeder
gemaakt had, dat hij dàt niet wist. Over en weer vlogen de vragen
en antwoorden. En hiertusschen waren soms tusschenpoozen dat zij
uit het raampje keken. In het begin was de belangstelling die de
man voor de dingen voelde, vaag en algemeen. Zijn verbeelding was
bezig geweest met wat die en die, dien hij nog kende van vroeger,
wel zeggen zou, hoe die en die er wel zou uitzien, hoe hij tegen
allen die hij van vroeger kende enkele dingen zou zeggen die zijn
"verhuizen naar de Nor," in een minder ongunstig daglicht zouden
stellen. Dit Bomvoedsel had zich 't eerst aan hem voorgedaan, alsof
hij er zóó van in een couranten-artikel gelezen had, en toen was het
een bron van geestelijke moeilijkheid geworden tusschen hem en zijn
broeder. Doch het werd hem spoedig duidelijk, dat dit Bom-voedsel in
ieder gesprek dat hij begon binnensloop.

In die dagen was de wereld in een alles desorganiseerend tijdperk
van overgang, zoodat dit groote nieuwe feit hem in zijne contrasten
trof met een schok. Het veranderingsproces was niet algemeen geweest;
het had zich verspreid vanuit centra, die ver van elkaar lagen. Het
land was in plekken verdeeld; er waren groote uitgestrektheden waar
het Voedsel nog komen moest, en andere, waar het reeds in den grond
en in de lucht zat, sporadisch en besmettend. Het was als een brutaal
nieuw motief dat zich tusschen oude, eerwaardige melodieën dringt.

Het contrast was te dien tijde vooral zeer levendig langs de spoorlijn
van Dover naar Londen. Een tijd lang snelden zij door juist zulk een
landstreek als hij gekend had sedert zijn kindsheid, de kleine ovale
met heggen-afgezette akkers, juist groot genoeg om door dwerg-paardjes
geploegd te worden, de weggetjes, breed als drie karren, de olmen en
eiken en populieren die als spikkels in deze velden stonden, kleine
boschjes van wilgen op de oevers der riviertjes, hooischelven die
niet hooger waren dan de knieën van een reus, poppen-landhuisjes met
ruitvormige venster-ruiten, braakliggende stukken land, en slingerende
dorpsstraatjes, de grootere huizen op de klein-groote, met bloemen
overdekte stations, en al die kleine dingen der negentiende eeuw die
nog weerstand boden aan deze enorme Grootheid. Hier en daar stond
een bosje door den wind gezaaide en verwaaide reuzendistels, die
den bijl weerstonden; hier en daar stond een tien voet hooge zwam,
of de buigzame stengels van een dor afgebrand bosje reuzen-gras;
doch dit was het eenige dat op de komst van het Voedsel duidde.

Een veertig mijlen ver was er niets dat wees op de aanwezigheid van
het reusachtige graan en van het onkruid, dat op nog geen twaalf
mijlen afstand over de heuvelen in de vallei van Cheasing Eyebright
groeide. En toen begonnen zich plotseling sporen van het Voedsel
te vertoonen.

Het eerste wat hem opviel, was het groote nieuwe viaduct te Tonbridge,
waar het moeras van de dichtgegroeide Medway (dit dichtgroeien was
veroorzaakt door een reuzen-varieteit van "Chara") in die dagen
begon. Toen weder het gewone kleine land, en vervolgens, toen de
klein-krioelende uitgestrektheid van Londen zich in de wazige verte
begon uit te spreiden, werden de sporen van den strijd der menschen
om deze grootheid buiten te sluiten, talrijk en zonder tusschenpoozen.

In dat zuid-oostelijk gedeelte van Londen, en overal om de plaats
waar Cossar en zijn kinderen woonden, was het Voedsel op honderden
punten op geheimzinnige wijze losgebroken; het kleine leven ging
gewoon zijn gang tusschen deze dagelijksche voorteekenen, die niet
langer waarschuwend tot de menschen spraken, door het geleidelijke van
hunnen aanwas, en doordat men langzaam en even geleidelijk wende aan
hunne tegenwoordigheid. Doch deze huiswaarts-keerende burger staarde
naar buiten, en zag voor het eerst hoe vreemd en overweldigend het
Voedsel gewerkt had. Platgebrande en verkoolde stukken grond, groote
wanstaltige verdedigingswerken en voorzorgsmaatregelen, barakken en
arsenalen, die deze subtiele volhoudende invloed in het leven der
menschen had gedrongen.

Hier had zich telkens en telkens weder op grooter schaal de
ondervinding der eerste Proef-Hoeve herhaald. Het Voedsel had gewerkt
in de minder belangrijke dingen des levens--op braakliggende plaatsen,
onregelmatig en zonder doel--en hierin had de komst van een nieuwe
kracht en nieuwe punten van uitgang zich het eerst doen gelden. Er
lagen groote kwalijkriekende erven en afgeschoten plaatsen, waar de
een of ander onuitroeibare wildernis van onkruid, brandstof leverde
voor reusachtige machinerieën (kleine stadsmenschjes kwamen staan
gapen naar de geoliede snorrende raderen en gaven de werklieden een
kwartje fooi); er waren wegen en wagensporen voor groote motoren en
voertuigen--wegen, die aangelegd waren van de inelkaar gevlochten
vezels van overvoed vlas; dan waren er torens met stoom-sirenen, die
onmiddellijk konden gillen en de wereld waarschuwen als er weder een
nieuw soort ongedierte was losgebroken, of, en dit was nog vreemder,
oude eerwaardige kerktorens, die in het oogloopend voorzien waren van
mechanisch-gillende instrumenten. Er waren kleine rood-geschilderde
vlucht-hutten en barakken voor het garnizoen, elk met een schietbaan
van 300 meter, waar de scherpschutters zich dagelijks oefenden
met kogels met zacht-looden punten, op schijven die den vorm van
reuzen-ratten hadden.

Sedert den tijd der Skinners was er zesmaal een reuzen-ratten-plaag
geweest--telkenmale vanuit de riolen van het zuidwesten van Londen,
en nù werd hun bestaan geaccepteerd, als dat der tijgers op den delta
van Calcutta...

De broeder van den man had op nonchalante wijze een courant gekocht
te Sandling en eindelijk viel het oog van den ontslagen gevangene
hierop. Hij sloeg de bladen waaraan hij zoozeer ontwend was, op--ze
leken hem kleiner, talrijker en anders gedrukt dan de couranten van
vroeger--en hij zag voor zich tallooze afbeeldingen van dingen die zóó
vreemd waren, dat hij er geen belang in stelde, en met lange kolommen
druks, welker opschriften even onbegrijpelijk voor hem waren alsof
ze in een vreemde taal geschreven waren--"Groote Redevoering van den
heer Caterham"; "De Bomvoedsel-Wetten."

"Wie is die Caterham?" vroeg hij, pogend het gesprek weder op gang
te brengen.

"O, laat diè maar loopen," zei zijn broeder.

"Aha! Zeker zoo'n politieker, he?"

"Legt 't 'r op an de Kamers naar huis te sturen. 't Wordt tijd ook,
hoor."

"Zoo!" Hij dacht even na. "'k Vertrouw dat al de lui die àn waren
toen ik er nog was--Chamberlain, Roseberry--al die lui--Wat?"

Zijn broeder had hem plotseling bij den pols gegrepen en wees het
portier uit.

"Daar heb je de Cossars!" De oogen van den ontslagen gevangene volgden
de richting van den vinger en zagen--"

"Mijn God!" riep hij uit, voor het eerst werkelijk overweldigd
van verbazing. De courant viel, nu geheel vergeten, tusschen zijne
voeten. Tusschen de boomen kon hij zeer duidelijk een menschelijke
gestalte van ruim veertig voet lang zien staan in een gemakkelijke
houding, wijdbeens, en in de hand een bal, alsof hij op het punt stond
dezen weg te slingeren. De gedaante schitterde in het zonlicht, gekleed
als zij was in een pak van gevlochten wit metaal en met een breeden
stalen gordel om. Een oogenblik concentreerde hij aller aandacht op
zich en toen werd deze afgetrokken door een tweeden reus, die een eind
verder stond, als klaar om op te vangen en het werd duidelijk dat
dit geheele groote terrein in de heuvelen even benoorden Sevenoaks,
gebezigd werd voor reuzendoeleinden.

Een reusachtige omwalde trens omgaf de krijtgroeve, waarin het huis
stond, een monsterachtige, plompe Egyptische structuur, die Cossar
voor zijne zonen gebouwd had, toen de Reuzen-Kinderkamer haar tijd
uitgediend had, en daarachter stond een groote donkere loods, die een
kathedraal had kunnen overkappen, waarin een sissende gloeihitte af
en aan laaide en waaruit een Titanisch gehamer klonk. Toen werd de
aandacht nogmaals gevestigd op den reus, toen de groote, met ijzer
beslagen houten bal uit zijne hand schoot en de lucht in vloog.

De beide mannen stonden op en keken verbaasd toe. De bal leek zoo
groot als een vat.

"Hij heeft 'em gegrepen!" riep de man uit de gevangenis, toen een
boom den werper aan het gezicht onttrok. De trein liet al deze dingen
slechts een ondeelbaar oogenblik zien en verdween toen achter boomen
en zoo de Chislehurst tunnel in. "Goeie God!" zei de ex-gevangene
nogmaals," toen de duisternis hen omsloot. "Die kerel is zoo groot
als een 'uis."

"Dat zijn die jonge Cossars," zei zijn broeder, met zijn hoofd een
gebaar makend naar den kant waar de reuzen verdwenen waren--"waar al
die herrie om is..."

Zij kwamen de tunnel weder uit en ontdekten nog meer torens met
sirenen erop, nog meer roode hutten, en toen de rijen villa's der
voorsteden. De kunst van het reclame-biljetten-aanplakken was er
in den tusschentijd niet op achteruit gegaan, en op tallooze hooge
schuttingen, op zijmuren van huizen, op omheiningen, en honderden
van dergelijke schoone gelegenheden waren de veelkleurige oproepingen
voor de groote Bomvoedsel-verkiezing te lezen.

"Caterham," "Bomvoedsel," en "Jack de Reuzendooder" telkens
en telkens weêr, en monsterachtige caricaturen en verminkte
afbeeldingen--honderden varieteiten van verkeerde, belachelijke
voorstellingen van die schitterende gestalten, die zij van zoo dichtbij
gepasseerd waren, enkele oogenblikken geleden...



II.

De jongere broeder was van plan geweest iets heel royaals te doen,
namelijk dezen terugkeer tot het leven te vieren met een diner in
het een of ander restaurant van onbetwistbare renommé, een diner
dat gevolgd zou worden door die uitermate schitterende opeenvolging
van indrukken, die de café-chantants dier dagen zoo uitmuntend geven
konden. Het was een waardige manier om hiermede alle restende sporen
van de gevangenis uit te wisschen door dit vertoon van gulheid;
doch wat het tweede gedeelte van het plan betrof, kwam er wijziging
in. Het diner werd gegeven, doch er was reeds een sterker verlangen
dan de lust naar vertooningen, een verlangen dat beter zijn somber
peinzen over zijn verleden kon doen verdwijnen dan eenig theater, en
dit was een alles overstemmende nieuwsgierigheid naar dit Bomvoedsel
en deze Bomkinderen--dit nieuwe dreigende reuzendom, dat de wereld
scheen te overheerschen.

"Ik heb 't er 't mijne nog niet van," zei hij. "Ze wille' me niet uit
't hoofd."

Zijn broeder had die fijnheid van geest, die zelfs kan heenstappen
over voorgenomen gastvrijheid. "Jij kunt kiezen vanavond, kerel,"
zei hij. "We zullen probeeren in 't Volkspaleis te komen bij die
massavergadering."

En eindelijk was de ex-gevangene zoo gelukkig zich, van alle kanten
opgedrongen, te bevinden tusschen een opeengepakte menigte, en van uit
de verte te staren naar een klein, helder-verlicht podium onder een
orgel en een gaanderij. De organist had iets gespeeld dat de voeten aan
het trappelen had gebracht, terwijl de menigte naar binnen stroomde;
doch nu zweeg het orgel weder.

Nauwelijks had de ontslagen gevangene zich neergezet en zijn twist
met een lastigen vreemde, die hem met de elbogen op zijde drong,
geëindigd, of Caterham kwam binnen. Hij trad vanuit het halfduister
midden op het podium, en leek, zoo van uit de verte gezien, een
alleronbeduidendste kleine dwerg, een kleine zwarte figuur met een
roze vlek als gezicht--en profil zag men zijn sterk geprononceerden
arendsneus--een klein gestaltetje, dat achter zich aansleepte--een
juichkreet. Applaus dat dicht bij hem werd aangeheven en aangroeide
en zich verspreidde. Een gedempt rumoer van stemmen, om het podium,
dat plotseling over de geheele menschenmassa heensloeg, in het gebouw
en daarbuiten. Wat applaudiseerde men: "Hoera! Hoera!!"

Niemand van al die myriaden applaudiseerde als de ontslagen
gevangene. De tranen stroomden hem langs de wangen en hij hield
niet eerder op met toejuichen, vóór zijn aandoening hem bijna had
doen stikken. Ge moet zoolang als hij in de gevangenis geweest zijn,
vóór ge begrijpen kunt, of zelfs ook maar een begrip kunt krijgen,
wat het zeggen wil voor zoo iemand om zijne longen eens flink uit te
kunnen zetten temidden van een menigte. (Doch niettegenstaande dit
alles maakte hij zich zelf zelfs niet wijs dat hij wist waar al dit
gejuich om was.) "Hoera!--Hoera!"

En toen volgde er eenigermate stilte. Caterham stond opzichtig-geduldig
te wachten tot het rumoer wat bedaard zoude zijn, en onbelangrijke en
slecht-te-verstane lieden zeiden en deden officieele en onbeduidende
dingen. Het was als stemmen die men in de lente door het ritselen
der bladeren heen hoort. "Wawawawa--" Wat kwam 't er ook op
aan? Groepen toehoorders praatten met elkaar--"Wawawawa"--de zaak
ging gewoon door. Kwam die grijs-harige suffer dan noòit aan het
eind? Tusschenroepen? Natuùrlijk werd er geroepen. "Wa, wa, wa, wa--"
Doch zullen wij Caterham beter hooren? In ieder geval kan je naar
Caterham kijken, en je kan opstaan en van uit de verte de trekken
van den grooten man eens opnemen. Hij was gemakkelijk te teekenen,
deze man, en reeds kon de wereld hem naar hartelust bekijken op
lampeschermpjes en kinder-bordjes, op Anti-Bomvoedsel-medailles en
Anti-Bomvoedsel-vlaggen, op het zelfkant van Caterham-zijde en katoen
en aan den binnenkant van Goede Oude Engelsche Caterham-hoeden. In
al de caricaturen van dien tijd is hij te vinden. Men ziet hem
als een zeeman bij een ouderwetsch kanon staan, met een lontstok,
met "Nieuwe Bomvoedsel-Wetten" erop, in zijn hand; terwijl de zee
dat reusachtige, leelijke, dreigende monster "Bomvoedsel" opgeeft;
of hij is een figuur-ten-voeten-uit in volle wapenrusting, met 't
St. George's kruis op schild en helm, en een laffe titanische Caliban,
aan den ingang van een vreeselijk hol gezeten, weigert onder allerlei
verwenschingen te gehoorzamen aan de "Nieuwe Bomvoedsel-Bepalingen;"
of hij komt als Perseus uit de lucht aanvliegen en bevrijdt een
geketende en schoone Andromeda (met een gordel om waarop duidelijk
te lezen staat "Beschaving") van een zich tot in oneindige
verten kronkelend zeemonster, op welks verschillende halzen en
klauwen te lezen staat: "Anti-Christ", "Alles vertredend Egoïsme",
"Mechanisme", "Monsterachtigheid" en dergelijke dingen. Doch als
"Jack de Reuzen-Dooder" beschouwde het groote publiek hem het best
getroffen, en de ontslagen gevangene stelde zich de gestalte die
daar in de verte stond dan ook voor als een Jack de Reuzen-Dooder,
zooals hij die op de aanplakbiljetten had zien staan.

Het "Wawawawa" hield plotseling op.

"Hij is klaar. Hij gaat zitten. Ja! Nee! Jawel! 't Is
Caterham! Caterham! Caterham!" En toen begon het gejuich opnieuw.

Er is een menigte toe noodig om zùlk een stilte te kunnen veroorzaken
als toen volgde op het lawaaierlge gejuich. Een man alléén in een
wildernis;--zeker is ook dit stilte tot op zekere hoogte; doch hij
hoort zichzelven ademhalen, hij hoort zichzelven bewegen, en hij hoort
allerlei andere dingen. Doch hier in deze zaal was Caterham's stem
het eenige dat verneembaar was, heel helder en duidelijk, als een
klein lichtje dat brandt in een zwart fluweelen nis. Of je hem kon
verstaan? Je kondt hem verstaan alsof hij naast je stond te spreken.

De indruk op den ontslagen gevangene was geweldig: die kleine
gesticuleerende gestalte, die daar stond in een stralenkrans van licht,
in een krans van weelderige, golvende klanken; en achter de gestalte
op het podium zaten, met gedeeltelijk uitgewischte gezichten, de
partijgenooten die hem steunden, en op den voorgrond was een ruim
veld van tallooze ruggen en profielen, één reusachtige aandacht
van een menigte. Die kleine gestalte scheen het wezen van die allen
uitgezogen te hebben.

Caterham sprak van onze oude instellingen.

"Juistjuistjuist", brulde de menigte, "Juist! net zoo!" zei de
ontslagen gevangene. Hij sprak van onzen ouden geest van orde en
rechtvaardigheid. "Jajajaja!" brulde de menigte. "Ja ja!" riep de
man uit de gevangenis, diep bewogen. Hij sprak van de wijsheid
onzer voorvaderen, van den langzamen groei van eerbiedwaardige
instellingen, van zedelijke en maatschappelijke overleveringen, die
zich aan onze nationale Engelsche eigenaardigheden aanpasten zooals
de huid over de hand. "Ja, ja!" kermde de man uit de gevangenis,
terwijl de tranen van opwinding hem over de wangen biggelden. En nu
zouden al deze dingen in den smeltkroes moeten verdwijnen. Ja, in
den smeltkroes! omdat twintig jaar geleden drie mannen een vreemde
zelfstandigheid hadden uitgevonden, daarom moest voor de geheele
geregelde orde der dingen--"Kreten van "Neen! Neen!"--Nu, als dit
nièt moest, dan dienden allen zich in te spannen, en alle aarzeling
op zij te zetten.--Toen Caterham zóóver gekomen was, volgde er weder
een uitbarsting van gejuich.--Dan moesten zij alle aarzeling en halve
maatregelen vaarwel zeggen."

"Wij hebben gehoord, heeren," riep Caterham, "van brandnetels, die
reuzen-netels werden. Eerst zijn ze niet meer dan gewone netels--kleine
plantjes die een stevige hand kan beetpakken en uittrekken; doch
als ge ze laat staan--als ge ze laat staan, groeien ze met zóóveel
giftige kracht, dat ge eindelijk bijl en touw noodig hebt, en loopen
uw leven en ledematen gevaar, en moet gij u inspannen en volgt er
moeite--onder het vellen ervan kunnen menschen gedood worden, onder
het vellen ervan kunnen menschen gedood worden--"

Er volgde even eenig rumoer en toen hoorde de ontslagen gevangene
Caterham's stem weder, die helder en krachtig opklonk: "Leer uw les
omtrent 'tgeen ge met het Bom-voedsel te doen hebt van het Bom-voedsel
zelf en--" Hij hield even op--"pak de brandnetel beet voor het te
laat is!"

Hij zweeg, en wischte zich de lippen af. "Een glas," riep iemand,
"een glas," en toen hoorde men weder dat geluid, dat zoo merkwaardig
snel aangroeide tot een donderend gejuich, tot het leek alsof de
geheele wereld juichte...

De ontslagen gevangene verliet de zaal eindelijk wonderbaar bewogen;
op zijn gelaat eene uitdrukking alsof hij een visioen gezien had. Nu
wist hij het, iedereen wist het nu; zijn denkbeelden waren niet langer
vaag. Hij was teruggekeerd in eene wereld die in een crisis verkeerde,
die onmiddellijk moest beslissen in een geweldige moeilijkheid. Hij ook
moest zijn rol in den grooten strijd spelen als een man--als een vrij
man, doordrongen van zijn verantwoordelijkheidsgevoel. De vijandelijke
botsing stond voor zijn verbeelding als een schilderij--Aan de eene
zijde deze reusachtige in-malien-gekleede gestalten van dien morgen--nu
zag hij ze in een heel ander licht--aan de andere zijde dit kleine, in
het zwart gekleede gesticuleerende mannetje onder het magnesium-licht,
dit dwergje met zijn goed-geordenden vloed van welluidende overredende
argumenten, met zijn klein-menschelijke, wonder-doordringende stem,
"John Caterham"--"Jack de Reuzen-Dooder." Zij moesten allen schouder
aan schouder staan "om de netel beet te pakken" vóór het "te laat" was.



III.

Het grootst, het sterkst en het meest ontzien van al de kinderen van
het Voedsel waren de drie zonen van Cossar. Het stuk bij Sevenoaks van
een mijl lengte en breedte ongeveer, waarop zij hun jeugd doorbrachten,
werd zóó omwald, zóó uitgegraven en onderste-boven-gehaald, zóó
bedekt met loodsen en reusachtige werk-modellen en al het gespeel
van hunne zich ontwikkelende krachten, dat er geen tweede plaats op
aarde was die hiermede vergeleken kon worden. En reeds lang was zij
te klein geworden voor de dingen die zij wilden doen. De oudste zoon
was een machtig ontwerper van rader-machines; hij had zich een soort
reuzen-fiets gemaakt, waarvoor geen weg ter wereld ruimte genoeg had,
en die geen brug kon dragen. Daar stond het ding, een groote structuur
van raderen en machines, in staat een snelheid van twee honderd
vijftig mijlen per uur te ontwikkelen, ongebruikt, behalve wanneer
hij er nu en dan op stapte en er die overvulde plaats mede overrende
en weder terug. Hij had er deze kleine aarde mee rond willen rennen;
met dit doel had hij het ding gemaakt, toen hij nog niet veel meer
dan een droomerige jongen was. Nu had de roest in de spaken gevreten,
die rood waren als wonden, overal waar het nikkel eraf geraakt was.

"Je moet er eerst een weg voor maken, zoontje," had Cossar gezegd,
"voor je dat kunt doen."

Zoodat op een goeden morgen de jonge reus en zijn beide broeders aan
het werk waren getogen om een weg om de wereld aan te leggen. Zij
schijnen een voorgevoel gehad te hebben van komende tegenkanting, en
zij werkten derhalve met nog meer vaart. De wereld had ze gauw genoeg
betrapt, terwijl ze dien weg aanlegden, zoo recht als een kegelbaan
naar het Engelsche Kanaal, toen ze er reeds eenige mijlen van gelijk
gemaakt en vastgestampt hadden. Vóór het midden van den dag waren
ze in hun werk gestoord door een groote menigte opgewonden lieden,
bestaande uit landeigenaars, makelaars, plaatselijke overheden,
advocaten, politie-agenten, en zelfs soldaten.

"We zijn bezig een weg aan te leggen," had de grootste jongen hun
uitgelegd.

"Dat is een heel verdienstelijk werk," zei de leidende advocaat
ter plaatse, "maar eerbiedig alstublieft de rechten van anderen. U
hebt nu reeds inbreuk gemaakt op de privaat-rechten van zeven
en twintig privaat-bezitters; om nog niet eens te spreken van de
bijzondere privilegien en het eigendom van een stedelijk bestuur,
negen parochie-besturen, een graafschapsraad, twee gasfabrieken en
een spoorweg-maatschappij"....

"Goeie grootje!" zei de oudste jongen van Cossar.

"U zult hier mee uit moeten scheiden."

"Maar heb je dan geen mooie rechte weg noodig, inplaats van al die
vunze stinkende laantjes?"

"Ik zal niet zeggen, dat het geen groot voordeel zou zijn, maar--"

"'t Is niet te doen," zei de oudste Cossar, zijn gereedschap opnemend.

"Niet op deze manier," zei de advocaat, "zeker niet zóó!"

"Maar hoe dan wèl?"

Het antwoord van den woordvoerenden advocaat was ingewikkeld en vaag.

Cossar zelf was er ook bijgekomen om te kijken naar het kwaad, dat
zijn kinderen aangericht hadden en berispte hen ernstig en lachte
verbazend en scheen erg blij te zijn met dit zaakje. "Jelui zult
nog een beetje moeten wachten, jongens," brulde hij naar hen op,
"voor je dergelijke dingen kunt gaan doen."

"Die advocaat zei, dat we moesten beginnen met een plan te maken,
en speciale vergunningen aan te vragen en dergelijke onzin. Zei dat
't jaren zou duren"--

"We zullen gauw genoeg een schema klaar hebben, ventje," riep Cossar
met zijn handen aan den mond, "maak je maar niks bezorgd. Maar nu
moet je nog maar liever een beetje hier spelen en modellen maken van
de dingen die je wilt doen."

En zij deden als gehoorzame zoons wat hij hen beval.

Maar niettegenstaande dit, broeiden de jongens van Cossar op iets.

"Dat is allemaal heel goed en wel," zei de tweede tot den eerste,
"maar ik heb er geen zin in hièr altijd te spelen en plannen te
maken. Ik wil iets doèn, weet je. Wij zijn niet geboren met zooveel
kracht in ons om hier maar wat te spelen op dit ellendige lapje grond,
en wandelingetjes te doen en zorgvuldig de steden te vermijden"--want
het was nu zoover gekomen dat alle bewoonde plaatsen hun verboden
waren. "Niets doen is slecht. Zouden we niks kunnen vinden, dat de
kleine menschjes noodig hebben, en het dan voor hen maken--alleen
maar voor het plezier van het doen?"

"Hoopen menschjes hebben geen goed-bewoonbare huizen," zei de tweede
jongen. "Laten we een huis voor ze gaan bouwen, vlak bij Londen,
waar er hoopen en nog es hoopen in kunnen, en het zoo maken, dat 't
er prettig en gezellig in is, en laten we een mooi weggetje voor hen
maken naar de plek waar ze allemaal heengaan om zaken te doen--een
mooi recht weggetje. We zullen alles zoo helder en prettig maken,
dat ze geen van allen langer zoo smerig en beestachtig meer kùnnen
leven zooals ze nu doen. Massa's water om zich in te wasschen moeten
ze hebben--want ze zijn zoo smerig, nu negen van de tien huizen zelfs
geen badgelegenheid hebben, die smerige kleine bunsings! En weet je wat
zoo grappig is, de lui die wèl baden hebben, gooien de anderen die ze
niet hebben beleedigingen naar hun hoofd, inplaats van ze te helpen,
zoodat ze er ook een kunnen aanschaffen--en noemen ze de "Groote
Ongewasschen Menigte." Nu zullen wij daar es verandering in brengen. En
we zullen electrisch licht voor ze maken en voor ze koken en groote
schoonmaak voor hen houden en al dergelijke dingen. Stel je voor! Ze
laten hun vrouwen--vrouwen die moeders zullen worden--rondkruipen
en de vloeren schrobben! Wij zouden alles zoo mooi kunnen doen. We
zouden een dam om een vallei ginds in die heuvelrij kunnen leggen,
en een mooi reservoirtje maken, en dan konden we hièr een groote
flinke gelegenheid maken voor het opwekken van onze electriciteit en
't alles zoo knus mogelijk maken. Is 't niet, broêr?... En dan zouden
ze ons misschien nog wel meer laten doen ook."

"Ja," zei de oudere broeder, "we zouden 't hun werkelijk heel prettig
kunnen maken."

"Nou, laten we 't dan doen óók," zei de tweede broeder.

"Ik heb er niet op tegen," zei de oudere broeder en keek om zich heen
naar een geschikt stuk gereedschap.

En ook dit leidde weer tot ontzettende moeilijkheden.

Opgewonden menigten zaten hun in minder dan geen tijd op den hals,
hun om duizenderlei redenen bevelend uit te scheiden, hen bevelend
te stoppen zonder éénige reden--kakelende, verwarde, veelsoortige
menigten. Het gebouw dat ze bouwden was te hoog--dat kon onmogelijk
veilig zijn. Het was leelijk; het stond bovendien het behoorlijk
verhuren van huizen in de buurt die de juiste hoogte hadden, in den
weg; het bracht den stijl van de geheele buurt in de war; 't was
ònbuurzaam; het was in strijd met Plaatselijke Bouwverordeningen;
het maakte inbreuk op de rechten der plaatselijke overheid, om
zelf te gaan knoeien met een eigen dure, petiterige, electrische
centrale; het botste aan tegen de belangen der plaatselijke
waterleidings-maatschappij.

Klerken van het Ministerie van Handel en Nijverheid werden zoo
actief, dat ze rechtskundige bezwaren in het midden brachten. Het
kleine advocaatje kwam weer te voorschijn om het woord te doen voor
een twaalftal bedreigde belanghebbenden; plaatselijke landeigenaars
voerden oppositie; menschen met vage aanspraken wenschten onzinnig
hooge schadevergoedingen; de werkliedenbonden van al de bouwvakken
verhieven eendrachtig hun stem; en een trust van handelaars in allerlei
soorten van bouwmateriaal werd een ware hinderpaal. Buitengewone
vereenigingen van menschen met profetische visies van aesthetische
verschrikkingen wierpen zich in den strijd om het natuurschoon te
bewaren van de plaats waar zij het groote huis wilden neerzetten, en
van de vallei waar zij het waterreservoir wilden maken. Deze laatste
groep van lieden waren wel de grootste ezels van het heele zoodje,
vonden de jongens van Cossar. Dat mooie huis van Cossar's jongens
werd in minder dan geen tijd als een wandelstok, die in een wespennest
gestoken wordt.

"Wel god beware me!" zei de oudere jongen.

"We kunnen er zoo niet mee voortgaan," zei de tweede broeder.

"Beroerde kleine beestjes zijn 't," zei de derde der broeders;
"we kunnen eenvoudig nìks doen?"

"Zelfs als 't voor hun eigen gemak is, niet."

"En we zouden 't hun zoo prettig en gezellig gemaakt hebben."

"Ze schijnen hun zotte kleine leventjes door te brengen met mekaar
in de wielen te rijden," zei de oudste jongen. "Rechten en wetten
en bepalingen en gemeenigheden; net een knibbelspelletje... Nu, dan
moeten ze nog maar wat langer in hun stoffige, smerige, zotte huisjes
wonen. 't Is nog al duidelijk dat wij er mee uit moeten scheiden."

En de kinderen van Cossar lieten het groote huis onvoltooid, niet
veel meer dan een gat voor de fundamenten en het begin van een muur,
en gingen bedrukt terug naar hun groote omheinde plaats. Na eenigen
tijd vulde het gat zich met water dat ging stinken, met waterplanten en
allerlei ongedierte, en het Voedsel, dat daar òf door Cossar's zonen
neergeworpen, òf als stof er heen gewaaid was, zette de groeikracht
aan als gewoonlijk. Waterratten verspreidden zich over het land en
richtten ontzettende verwoesting aan, en op zekeren dag betrapte
een boer zijne biggen op het drinken uit dezen poel, en slachtte ze
allen onmiddellijk met groote tegenwoordigheid van geest--want hij
herinnerde zich nog het geval met die groote zeug te Oakham. En uit
dien diepen poel kwamen ook de muskieten, werkelijk vreesaanjagende
muskieten, die alleen dit bewerkten, dat de zonen van Cossar, na een
beetje gestoken te zijn, het niet langer konden uithouden, doch een
maannacht uitkozen, toen wet en orde sliepen, en het water afleidden
naar de rivier bij Brook.

Doch de groote waterplanten en het onkruid en de groote waterratten
en allerlei andere ongewenschte dingen bleven nog leven en zich
voortplanten in de streek die Cossar's zonen bewoonden--het stuk grond
waarop het mooie groote huis voor de kleine menschjes zich ten hemel
had kunnen verheffen...



IV.

Dit alles was voorgevallen toen zij nog maar jongens waren, doch
nu waren zij bijna mannen. En de ketenen waren àl nauwer om hen
saamgetrokken, met elk jaar van hun groei. Met ieder jaar dat zij
groeiden en het Voedsel zich verspreidde en groote dingen zich
vermenigvuldigden, werd ook de spanning grooter. Voor de groote
massa was het Voedsel eerst niet meer dan een ver-af wonder geweest,
en nu kwam het tot voor bijna iederen drempel, de geheele geregelde
orde van zaken bedreigend en verdringend. Het deed dìt dichtgroeien
en wierp dàt omver; het veranderde natuurlijke producten, en doordat
het de natuurlijke producten veranderde, zette het allerlei bedrijven
stil en maakte honderdduizenden werkloos; het vloog de grenzen over
en bracht de geheele handelswereld slag op slag toe; geen wonder dat
de menschen het haatten.

En daar het gemakkelijker is levende, dan levenlooze wezens te haten,
dieren meer dan planten, en zijn medemenschen meer dan dieren,
werd de angst en al de last die veroorzaakt werd door reuzennetels
en zes voet hooge grassprieten, vreeselijke insecten en tijgerachtig
ongedierte samengevat in één grooten haat tegen die verspreide groep
van groote menschelijke wezens, de kinderen van het Voedsel. Die haat
was de voornaamste kracht geworden in het politieke leven. De oude
partij-grenzen werden overschreden en uitgewischt en maakten plaats
voor deze nieuwere belangen, en de strijd werd nù gevoerd tusschen de
partij dergenen die wilden schipperen, die kleine politieke mannetjes
het Voedsel wilden laten controleeren en regelen; en de partij der
reactie voor wie Caterham sprak, steeds sprekend met een sinistere
dubbelzinnigheid, zijn bedoeling kristalliseerend nu eens in dezen
dreigenden zin, en dan weer in een anderen; nu eens zei hij, dat men
"den reuzengroei der bremstruiken moest snoeien," dan weder dat men
een "middel tegen olifantiasis" moest zien te vinden, en eindelijk,
aan den vooravond der verkiezingen, dat men de "netel moest aanpakken."

Op zekeren dag zaten de drie zonen van Cossar, die nu niet langer
jongens doch mannen waren, tusschen de massa's van hun nuttelooze
gewrochten, en spraken samen op hun wijze over al deze dingen. Zij
hadden den geheelen dag gewerkt aan een van een serie groote
samengestelde verschansingen die hun vader hen verzocht had te
maken, en nu neeg de zon ten ondergang, en zaten zij in het lapje
tuin voor het groote huis en keken op de wereld neder en rustten,
totdat de kleine bediendetjes daarbinnen zouden aankondigen dat het
eten klaar was.

Ge moet u deze machtige gestalten voorstellen, de kleinste veertig voet
lang, uitgestrekt liggend op een stuk grasveld, dat een gewoon mensch
een met rietstoppels bedekte oppervlakte zou toegeleken hebben. De eene
ging overeind zitten en krabde de aarde van zijn reusachtige schoenen
met een ijzeren dwarsbalk, die hij in de hand geklemd hield; de tweede
rustte op zijn elboog; de derde sneed een punt aan een pijnboom met
zijn zakmes en vervulde de lucht met harsgeur. Zij waren gekleed, niet
in laken, doch in onderkleeren van gevlochten touw en bovenkleederen
van met vilt bekleed aluminium-draad; ze waren geschoeid met hout en
ijzer, en de maliën en knoopen en gordels hunner kleederdracht waren
alle van geplet staal. Het groote huis met één verdieping waarin zij
woonden, in zijn massiefheid gelijkend op de Egyptische pyramiden,
gedeeltelijk gebouwd van monsterachtig-groote blokken krijt, en half
uitgehouwen in het graniet van den heuvel, had een gevel van ruim
honderd voet hoog, en daarachter rezen de schoorsteenen en raderen,
de kranen en daken hunner werk-plaatsen wondervreemd ten hemel. Door
een cirkelvormig raam in het huis was een pijp zichtbaar, waaruit
een wit-gloeiende metaal-massa druppelde in afgemeten druppels in een
onzichtbaren vergaarbak. De plaats was omheind, en ruw versterkt door
reusachtige aarden wallen, gestut door staal, zoowel boven de kruinen
der heuvelen uit, als dwars door de golvende vallei. Alleen een mensch
van gewone grootte kon de kolossaalheid ervan opmerken. De trein die
van Sevenoaks kwam aanrazen, binnen hun gezichtskring, en een oogenblik
later de tunnel invloog en zóó aan bun blik onttrokken werd, zag er in
zijn contrast met hen uit als een klein automatisch stukje speelgoed.

"Ze hebben de grenzen van al de bosschen aan dezen kant van Ightham
veranderd," zei de eene, "en het bord met "verboden terrein" erop,
dat eerst bij Knockholt stond, meer dan twee mijlen hierheen gezet."

"Ze konden slecht anders doen, hè?" zei de jongste, na een oogenblik
zwijgen. "Ze probeeren den wind uit Caterham's zeilen te nemen."

"Daar is het niet genoeg voor, en--het is ons bijna te veel," zei
de derde.

"Zij willen ons van Broeder Redwood afsnijden. De laatste maal toen
ik naar hem toeging, waren de roode waarschuwingsborden al weer een
mijl naar beide kanten verder gezet. De weg, die over de duinen naar
hem toeleidt, is niet meer dan een nauw laantje." De spreker dacht
na. "Wat kan er met onzen broeder Redwood gebeurd zijn?"

"Hoezoo?" zei de oudste broeder.

De spreker kapte een tak van zijn pijnboom.

"Het was net--of hij niet goed wakker was. Hij scheen heelemaal niet
te luisteren naar wat ik te zeggen had. En hij zei iets over--liefde."

De jongste tikte met zijn dwarsbalk op den rand van zijn ijzeren zool
en lachte. "Broer Redwood" zei hij, "is een droomer."

Beiden zwegen eenigen tijd. Toen zei de oudste:

"Dit hoe langer hoe nauwer insluiten wordt me haast te machtig. Ze
zullen zoowaar op z'n laatst nog een lijn om onze laarzen trekken en
ons bevelen daarbinnen te leven."

De middelste broeder veegde met één hand een massa dennetakken terzijde
en verschikte.

"Wat ze nu doen is nog niets vergeleken bij wat ze zullen gaan doen
als Caterham de macht in handen krijgt."

"Als hij die krijgt," zei de jongste broeder, met zijn dwarsbalk op
den grond slaand.

"Dat zal hij beslist," zei de oudste, naar zijn voeteind kijkend.

De middelste broeder hield op met kappen en zijn blik ging naar de
groote aarden wallen die hen aan alle kanten beschermden. "Dan,
broeders," zei hij, "is onze jeugd voorbij, en zullen wij ons,
zooals Vader Redwood ons lang geleden al gezegd heeft, moeten weren
als mannen."

"Jawel," zei de oudste broeder; "maar wat wil dat eigenlijk precies
zeggen? wat wil dat zeggen als die moeilijke dag aanbreekt?"

Ook hij keek naar die ruwe, ontzaglijke aarden wallen om hen heen,
doch niet zoozeer nààr hen, als wel er dóórheen en over de heuvelen
naar de ontelbare menigten daarachter. Allen overdachten iets
dergelijks--een visie van een klein volkje dat ten strijde optrok,
in ontelbare scharen, het kleine, onuitputtelijke, kwaadaardige kleine
volk der menschen...

"Ze zijn klein," zei de jongste broeder; "doch zij zijn niet te tellen,
als het zand aan den oever der zee."

"Zij hebben wapenen--zij hebben wapenen ja, die onze broeders in
Sunderland nog wel voor hen gemaakt hebben."

"Bovendien, Broeders, wat weten we van doodmaken, behalve hier en
daar wat ongedierte en kleine ongelukjes met kwade dingen?"

"Ja, 't is waar," zei de oudste broeder. "Maar toch--we zijn die we
zijn. Als de kwade dagen komen moeten we doen wat onze hand vindt om
te doen."

Hij klikte zijn mes dicht--het lemmet was zoo lang als een mensch--en
gebruikte zijn nieuwe dennenstaf om op te staan. Hij stond op en wendde
zich naar het kolossale, plompe huis. Het purper van den zonsondergang
overstroomde hem terwijl hij opstond, viel op de maliën en gespen
bij zijn hals en het gevlochten metaal over zijn armen, en het leek
zijnen broeders toe alsof hij plotseling overstroomd was van bloed...

Terwijl de jonge reus oprees, kreeg hij een kleine zwarte gedaante in
het oog, afstekende tegen den westelijken gloed die het bovengedeelte
van den aarden wal, machtig rijzend boven het duin, nog verlichtte. De
zwarte kleine ledematen zwaaiden met vreemde gebaren. Iets in dit
zwaaien deed den jongen reus denken aan haast. Hij zwaaide met zijn
dennemast ten antwoord, vervulde de geheele vallei met zijn enorm
"Hallo!" riep zijn broeders toe "d'r is iets aan de hand," en ging
met passen van vijf en twintig voet zijn vader tegemoet om te zien
of er te helpen viel.



V.

Toevallig was ook juist op dezen tijd een jonge man, die geen reus
was, bezig zijn hart te luchten over deze zonen van Cossar. Hij
en zijn vriend waren van over de heuvels achter Sevenoaks gekomen,
en hij was voortdurend aan het woord. Onder het voorbijgaan hadden
zij in het kreupelhout een erbarmelijk gepiep gehoord en hadden drie
jonge meezen die in het nestje zaten, beschermd tegen den aanval van
twee reuzenmieren. Dit avontuur had hen aan het praten gebracht.

"Reactionair!" zei hij, toen zij het kamp der Cossars in het zicht
kregen. "Wie zou niet reactionair worden? Zie dat vierkant stuk grond
eens aan, dat gedeelte van God's aarde, dat eens zoo liefelijk en mooi
was, hoe woest, en ontheiligd en uitgegraven het is! Die loodsen! Dat
groote windrad! Die monsterachtige machine op raderen! Die aarden
wallen! Zie eens hoe die drie monsters daar neerhurken, onder elkaar de
een of andere duivelsche streek uitdenkend! Zie eens--zie de geheele
streek eens aan!"

Zijn vriend keek naar zijn gelaat. "Je hebt zeker Caterham hooren
spreken," zei hij.

"Nee, ik gebruik mijn eigen oogen en blik eens terug naar den
vrede en de goede orde van het verleden, dat wij achter ons gelaten
hebben. Dit gemeene Voedsel is de laatste gedaante van den Duivel,
nog altijd bedacht op den ondergang van onze wereld. Bedenk toch eens
wat de wereld moet geweest zijn vóór onzen tijd, wat zij nog was toen
onze moeders ons droegen, en zie nù eens! Bedenk toch eens hoe deze
hellingen blijde lachten onder den gouden oogst, hoe de heggen vol
geurige kleine bloemen stonden, en het bescheiden stukje grond van den
een scheidden van dat van zijn buurman; hoe de rood-gedakte boerderijen
over het land verspreid lagen en de kerkklokken van gindschen toren
elken Zondag de geheele omgeving tot het gebed opriepen. En nu groeit
er met ieder jaar steeds meer reusachtig onkruid en komt er steeds
meer monsterachtig ongedierte, en dan deze reuzen, die overal om ons
heen opgroeien, die over ons heen stappen, en tegen alles wat ons
heilig is aanloopen. Hier--kijk bijvoorbeeld hier maar eens!"

Hij wees ergens heen en het oog van zijn vriend volgde de richting
van zijn vinger.

"Eén van hun voetindrukken. Kijk! Is er drie voet diep in gezonken,
een valkuil voor paard en berijder, een valstrik voor hen die er
geen erg in hebben. Daar is een wilde roos vertrapt; daar is gras
uitgerukt en een koordendistel geknakt, de draineer-buis van een
boer afgebroken en de kanten van het pad afgetrapt. Vernielen! Dat
doen ze de geheele wereld over, en alle orde en fatsoen die tot nu
heerschten gooien zij omver. Ze vertrappen alles onder hun plompe
voeten. Reactie! Wat anders?"

"Maar--wat denk je met die reactie te bereiken?"

"Paal en perk stellen aan dit alles, vóór het te laat is," zei de
jonge man van Oxford.

"Maar--"

"Het is niet onmogelijk," riep de jonge man van Oxford, terwijl zijn
stem plotseling de hoogte in ging. "We hebben de vaste hand noodig;
een vernuftig plan, en een onwrikbaren geest. Wij zijn te bedeesd
geweest in onze uitdrukkingen en te zwak van hand; we hebben onzen
tijd verknoeid en de zaak op de lange baan geschoven, en het Voedsel
heeft tijd gehad om zich te verspreiden. En zelfs nù nog--"

Hij zweeg een oogenblik. "Dit is de echo van Caterham," zei zijn
vriend.

"En zelfs nù nog. Zelfs nù is er nog hoop--gegronde hoop, als we maar
eerst goed weten wat wij willen en wat we moeten vernietigen. Wij
hebben de groote massa op onze hand, veel meer dan dit een paar jaren
geleden het geval was; de wet is op onze hand, de grondwet en de goede
gang van zaken der maatschappij, de geest der erkende godsdiensten,
de gebruiken en gewoonten der menschheid staan allen aan onzen kant--en
tegenover het Voedsel. Waarom zouden wij de zaak nog langer op de lange
baan schuiven? Waarom zouden wij liegen? Wij haten het en hebben het
niet noodig; waarom zouden wij het dan dulden? Wou jij dan maar bij
de pakken neerzitten, en alleen lijdelijke obstructie voeren en niets
doen--tot het te laat is?"

Hij zweeg en wendde zich om. "Zie dat boschje brandnetels daar eens. In
het midden ervan staan huizen--verlaten--waar ééns heldere gezinnen
van eenvoudige lieden hun leven leefden! En daar!" hij keerde zich
driftig om naar de plaats waar de jonge Cossars over het onrecht dat
hun aangedaan werd zaten te praten.

"Kijk hen eens! En ik ken hun vader, een bruut, een soort van
bruut beest met een onverdragelijk luide stem, een wezen, dat
nu al dertig jaar en meer amok maakt in onze maar al te genadige
wereld. Een werktuigkundige! Alles wat ons heilig en dierbaar is,
is hem niets. Niets! De schoone overleveringen van ons ras en land,
de edele instellingen, de eerbiedwaardige orde, de breede, langzame
gang van precedent tot precedent, die ons Engelsche volk groot gemaakt
heeft en dit zonnige eiland vrij--dit is alles een ijdel verhaal,
dat verteld en dan vergeten wordt. Wat bombast over de Toekomst wordt
boven al deze heilige dingen gesteld..... Het soort van man dat een
trambaan over zijn moeder's graf zou laten loopen als hij dacht dat
het 't goedkoopst was hem zóó aan te leggen! En jij denkt er nog aan,
de zaak op de lange baan te schuiven, een compromis te sluiten, dat
je in staat zal stellen op jouw manier te leven, terwijl die--die
machinemensch het op zijn manier doet. Ik zeg je, 't geeft niets,
't is hopeloos. Je zoudt even goed een verdrag met een tijger kunnen
sluiten! Zij willen de dingen reusachtig groot hebben--wij wenschen ze
liefelijk en normaal. Je staat hier òf voor 't een, òf voor het ander."

"Maar wat kùn je aanvangen?"

"O, heel veel! Alles! Het Voedsel inhouden! Zij zijn nu nog verspreid,
deze reuzen, nog onrijp en nog niet vereenigd. Keten ze, stop ze een
prop in den mond, doe ze een muilband voor. Hoe dan ook, ze moeten
gestuit worden. Het gaat erom of deze aarde de hunne zal worden of
de onze blijven! We kunnen het Voedsel inhouden. We kunnen de lui
die het fabriceeren in de kast duwen. We zullen àl het mogelijke
doen om Cossar te stuiten! Je schijnt heelemaal niet in aanmerking
te nemen, dat--dat we maar één geslacht behoeven te onderdrukken,
en dàn--Dan kunnen we die aardhoopen weer met den grond gelijk maken,
hun voetsporen dempen, de leelijke sirenen van onze kerktorens nemen,
al onze olifanten-geweren aan stukken slaan, en terugkeeren tot de
oude orde der dingen, de rijpe oude beschaving, waarvoor de ziel van
den mensch aangelegd is."

"Dat zal een geweldige poging worden."

"Tot het bereiken van een grootsch doel. En als we haar niet
wagen? Zie je dan niet zoo helder als de dag, het verschiet dat voor
ons ligt? Overal zullen de reuzen zich vermenigvuldigen en groeien;
overal zullen zij het Voedsel gaan maken en verspreiden. Het gras
zal reusachtig hoog opgroeien in onze velden, het onkruid in onze
heggen, het ongedierte in het kreupelhout, de ratten in de riolen,
alles zal reusachtig worden. Steeds meer en meer. Dit is nog pas een
begin. De insecten-wereld zal tegen ons opstaan, en de plantenwereld
eveneens; ja, zelfs de visschen der zee zullen onze schepen doen
volloopen en ze doen zinken. Een reusachtige plantengroei zal onze
huizen verduisteren en ze verbergen, onze kerken verstikken, de goede
orde in onze steden vernietigen en wij zullen niet veel meer zijn dan
een zwak soort van ongedierte onder de voeten van het nieuwe ras. De
menschheid zal overstroomd worden en verdrinken in dingen die zij
zelve verwekt heeft! En dat volkomen doelloos. Grootte. Niets anders
dan grootte! Uitzetting en "da capo." Nu reeds moeten we oppassen waar
we onze voeten zetten tusschen de eerste aanduidingen van den komenden
tijd. En het eenige wat we doen, is zeggen: "wat een last!" We grommen
en doen niets. Neen!"

Hij hief zijne hand op.

"Laten zij doen wat ze denken te moeten doen. Dat zal ik ook. Ik
ben voor Reactie--voor reactie zonder vrees en die van geen wijken
weet. Wat kun je in deze wereld nog beginnen, als je zelf het
Voedsel niet wilt innemen? We hebben te lang getreuzeld op den gulden
middenweg. Treuzelen op middenwegen is jullie gewoonte, jelui bestaan,
en hetgeen waar jelui je tijd aan geeft. Doch Ik ben niet zoo! Ik ben
tegen het Voedsel met al de kracht die in mij is, en tot het uiterste
zal ik mij er tegen verzetten."

Hij wendde zich tot zijn metgezel toen hij diens gegrom van afkeuring
hoorde. "Aan welken kant sta jij?"

"Ja, dat is zoo in een paar woorden niet te zeggen, 't is een
ingewikkelde zaak--"

"Och--drijfhout!" zei de jonge man van Oxford bitter, terwijl hij
een wanhopend gebaar maakte met alle ledematen. "De middenweg leidt
tot niets. Wij hebben hier òf het een, òf het andere te kiezen. Ons
laten òpeten, of zèlf vernietigen. Wat kunnen we ànders beginnen?"



HOOFDSTUK II.

DE REUZEN-GELIEFDEN.


I.

Nu gebeurde het in de dagen, toen Caterham bezig was met zijne campagne
tegen de Bomkinderen, vóór de Algemeene Verkiezingen die--temidden
van de meest tragische en vreeselijke omstandigheden--hem op het
kussen moesten helpen, dat de Reuzen-Prinses, die Doorluchtigheid,
welker voeding jaren te voren zulk een gewichtige rol had gespeeld in
de schitterende loopbaan van Dokter Winkles, het koninkrijk van haren
vader verlaten, en zich naar Engeland begeven had, voor eene zaak, die
als zeer gewichtig beschouwd werd. Zij was om staatsredenen verloofd
met een zekeren Prins--en het huwelijk zou tot een gebeurtenis van
internationale beteekenis gemaakt worden. Er was een geheimzinnig
oponthoud ontstaan. Het Gerucht en de Verbeelding vertelden samen
het wàarom en er ging heel wat van mond tot mond. Men sprak van een
recalcitranten prins, die verklaard had, dat hij terwille van niemand
een dwaas figuur wou slaan--tenminste niet zóó erg. Men sympathiseerde
met hem. En dat is de gewichtigste kant van de zaak.

Nu mag het volgende vreemd lijken, doch het is een feit, dat toen de
Reuzen-Prinses naar Engeland kwam, zij niets afwist van het bestaan van
nog andere reuzen. Zij had geleefd in een omgeving, waar tact bijna
een hartstocht is en gereserveerdheid de adem des levens. Men had
alles voor haar verborgen gehouden; men had haar van de buitenwereld
afgesloten, zoodat zij nooit een reus gezien of ervan gehoord had,
vóór de tijd gekomen was dat zij naar Engeland zou vertrekken. Vóór
zij den jongen Redwood ontmoette, had zij zelfs geen flauw vermoeden,
dat er sprake kon zijn van nog andere reuzen.

In het koninkrijk van den vader der Prinses waren onherbergzame
hooggebergten, waar zij vrij had rondgedwaald. Zij hield méér van
den zonsopgang en van den zonsondergang en van het geheele drama
der natuur, dan van iets anders ter wereld; doch onder een volk,
dat zóó democratisch is en tegelijkertijd zóó koningsgezind als het
Engelsche, werd haar vrijheid natuurlijk erg beperkt. De menschen
kwamen met Janpleziers, met pleizier-treinen, bij heele menigten
om haar te zien; zij fietsten lange afstanden om haar aan te gapen,
en zij moest vroeg opstaan als zij tenminste rustig wilde wandelen.

De dageraad was nog pas aangebroken, dien dag, toen de jonge Redwood
haar ontmoette.

Het groote Park bij het Paleis waar zij verblijf hield, strekte
zich meer dan twintig mijlen ver naar het westen en zuiden van
de westelijke poorten van het paleis uit. De kastanjeboomen der
lanen verhieven zich hoog boven haar hoofd. En elk hunner scheen,
terwijl zij voorbijging, te wedijveren wie van hen haar den rijksten
bloemenschat zou aanbieden. Een tijdlang stelde zij zich tevreden
met het zien en ruiken der mooie bloesems, doch eindelijk liet zij
zich overhalen en begon ijverig uit te zoeken en te plukken, zoodat
zij den jongen Redwood niet bemerkte vóór deze vlak bij haar was.

Zij bewoog zich tusschen de kastanjeboomen, met den haar door het
lot beschoren minnaar dicht bij zich, zonder dat zij het bevroedde of
iets bemerkte. Zij stak haar handen tusschen de takken, ze afbrekend
en vergârend. Zij was alleen op de wereld. En toen--

Zij keek op en in dat oogenblik was haar lot beslist.

Wij moeten onze verbeelding op zijn maat stellen, om de schoonheid
te kunnen zien, die hij zag. Die onbenaderbare grootheid die het
ons onmogelijk maakt ons een met haar te voelen, bestond voor hem
niet. Daar stond zij, een gracieus meisje, het eerste schepsel, dat
hem een waardige gezellin toeleek, licht en slank, licht gekleed,
terwijl de frissche morgenwind haar kleed plooide om de weeke lijnen
van haar gestalte, en met een groote massa bloeiende kastanjetakken
in hare handen. De boord van haar kleed was open en liet de blankheid
van haar hals en een zachte schaduwige rondheid zien, die naar hare
schouders afdaalde en aan het oog onttrokken werd. De wind had een vlok
haar gestolen en strekte de rood-gepunte haren over haar wangen. Haar
oogen waren groot en blauw en om haar lippen zweefde steeds de belofte
van een glimlach, terwijl zij tusschen de takken doorreikte.

Zij wendde zich met schrik naar hem om, bemerkte hem, en een tijdlang
deden zij niet anders dan elkaar aankijken. Het zien van hem was voor
haar wonderbaarlijk en zóó bijna-ongelooflijk, dat het haar eenige
oogenblikken lang iets vreeselijks toeleek. Hij was tot haar gekomen en
had haar geschokt zooals een bovennatuurlijke verschijning dit gedaan
zou hebben; hij verbrak al de vaste wetten van haar wereld. Hij was
toen een jongeling van een en twintig, slank, met het donkere teint
en den ernst van zijn vader. Hij was gekleed in sobere, zacht-bruin
lederen, nauw-passende, doch gemakkelijk-zittende kleêren en met bruine
kuitbroek aan, die hem goed stond en zijn figuur deed uitkomen. In
weer en wind, hij liep blootshoofds. Zij stonden elkaar al maar aan
te kijken--zij ongeloovig-verbaasd, en hij met snelkloppend hart. Het
was een oogenblik zonder inleiding, de belangrijkste ontmoeting van
hun leven.

Hij was minder verbaasd. Hij had haar aldaar gezocht, en zijn hart
klopte onstuimig. Hij ging naar haar toe, langzaam, met de oogen op
haar gelaat gevestigd.

"U is de prinses," zei hij. "Mijn vader heeft mij van u verteld. U
is de prinses die men van het Voedsel der Goden gegeven heeft."

"Ja, ik ben de Prinses,"--zei zij, met verbaasde blikken. "Maar--wie
zijt gij?"

"Ik ben de zoon van den man, die het Voedsel der Goden gemaakt heeft."

"Voedsel der Goden!"

"Ja, het Voedsel der Goden."

"Maar--"

Haar gezicht drukte de grootste verbazing uit, als begreep zij
hem niet.

"Wat is dat? Ik begrijp er niets van. Het Voedsel der Goden, zei u?"

"Hebt ge daar nooit van gehoord?"

"Van het Voedsel der Goden? Néén!"

Zij bemerkte dat zij hevig beefde. Zij verschoot van kleur. "Ik wist
niet," zei zij. "U wilt toch niet zeggen--?"

Hij wachtte tot zij haar zin voltooien zou.

"U wilt toch niet zeggen, dat er nog méér reuzen zijn?"

En hij herhaalde: "Wist u dat niet?"

En zij antwoordde met steeds toenemende verbazing, toen zij begon te
begrijpen: "Neen!"

De geheele wereld en de geheele beteekenis ervan begon in haar oog
anders te worden. Een kastanjetak ontgleed haar hand. "U wilt toch
niet zeggen, dat er nog meer reuzen op aarde zijn? Dat het een of
ander voedsel--?"

Nu was het zijn beurt om verbaasd te staan.

"Maar wist u dan niets?" riep hij uit. "Had u dan nooit van ons
gehoord? U, die door het Voedsel aan ons verwant zijt!"

Er sprak nog steeds angst uit de blikken die hem aanstaarden. Haar hand
ging naar haar keel en viel weder neer. Zij fluisterde: "Neen." Het was
haar of zij òf weenen, òf in zwijm vallen moest. Doch een oogenblik
later had zij hare zelfbeheersching herkregen en sprak en dacht
zij weder duidelijk en helder. "Dit is alles voor mij verborgen
gehouden," zeide zij. "Het is als een droom. Ik heb gedroomd--Ik heb
van dergelijke mogelijkheden gedroomd. Doch wakend--Neen. Vertel mij
toch alles. Alles! Wat zijt ge? Wat is dit Voedsel der Goden? Vertel
het me langzaam--en duidelijk. Waarom heeft men voor mij verborgen
gehouden, dat ik niet alleen sta in mijn grootte?"



II.

"Vertel het mij," zei zij, en de jonge Redwood begon haar bevend
en opgewonden te vertellen--het was toèn maar een onsamenhangende
en armelijke vertelling--van het Voedsel der Goden en van de
Reuzenkinderen, die over de geheele wereld verspreid waren.

Stel u hen voor, met opgewonden kleur en nog wat verschrikt, trachtend
elkaar te begrijpen uit tallooze half-verstane, half-uitgesproken
zinnen, steeds weder herhalend, en dan weder plotseling zwijgend,
en het nog eens opnieuw beproevend--een wonder-vreemd gesprek,
waarbij zij ontwaakte uit de onwetendheid waarin zij haar geheele
leven verkeerd had. En heel langzaam werd het haar duidelijk, dat zij
geen uitzondering vormde op den gewonen regel der menschheid, doch
dat zij deel uitmaakte van een verspreide broederschap, waarvan alle
leden van het Voedsel gegeten hadden, en die voor altijd de kleine
verhoudingen van de menschjes onder hunne voeten ontgroeid waren. De
jonge Redwood sprak van zijn vader, van Cossar, van de broederen die
over het gansche land verspreid waren, van den grooten dageraad die
grootscher willen met zich had gebracht en die in de geschiedenis der
wereld was opgegaan. "Wij zijn in het begin van een begin," zei hij;
"dit wereldje, dat ze nu hebben, is slechts een inleiding tot de wereld
die het Voedsel scheppen zal. Mijn vader gelooft--en ik met hem--dat
er een tijd zal komen, waarin kleinheid geheel uit de menschenwereld
verdwenen zal zijn,--waarin reuzen vrijelijk over deze aarde--hùnne
aarde zullen rondwandelen--voortdurend grooter en grootscher dingen
verrichtend. Doch dat--dat moet nog komen. Wij zijn hiervan zelfs
niet het eerste geslacht--wij zijn de eerste experimenten."

"En van al deze dingen wist ik niets!" zeide zij.

"Soms denk ik wel eens, dat wij te vroeg gekomen zijn. Natuurlijk één
van allen moest het eerst komen. Doch de wereld was geheel onvoorbereid
op onze komst en op de komst van al de minder groote dingen, die hunne
grootheid aan het Voedsel ontleenden. Er zijn grove fouten begaan;
er is strijd geweest. Het kleine menschenvolk haat ons...

"Zij zijn hard jegens òns, omdat zìj zoo klein zijn... En omdat onze
voeten zwaar neerkomen op de dingen, die hen doen leven. Doch hoe dit
ook zij, zij haten ons nu; zij moeten niets van ons hebben--alleen
als wij tot hunne normale grootte konden inkrimpen, zouden zij ons
langzamerhand vergeven...

"Zij zijn gelukkig in huizen, die ons gevangeniscellen toelijken;
hunne steden zijn ons te klein. Het doet ons pijn langs hunne smalle
wegen te loopen; wij kunnen niet mede opgaan naar hunne plaatsen
van eeredienst...

"Wij kijken over hunne muren, en over hunne verdedigingswerken;
we kijken zonder er bij te denken door hunne bovenste vensters;
wij houden geen rekening met hunne gewoonten; hun wetten zijn ons
slechts een net om onze voeten...

"Telkens als wij struikelen, hooren wij hen schreeuwen; telkens als wij
hunne grenzen overschrijden, of ons opmaken tot eenige breede daad...

"Als wij op ons doode gemak loopen, lijkt het hun alsof wij ergens
wild op losstormen, en al de dingen die zij groot en wondervol achten,
zijn voor ons niet meer dan poppen-pyramiden. De kleinheid van hun
methodes en toepassingen en verbeeldingskracht belemmert en verslaat
onze kracht. Er bestaan nog geen machines, die evenredig zijn aan
de kracht onzer handen, en geen hulpmiddelen die in onze nooden
kunnen voorzien. Zij maken onze grootte dienstbaar door duizenden
onzichtbare handen. Wij zijn man voor man honderdmaal sterker, doch
wij zijn ongewapend; juist onze grootte maakt ons tot schuldenaren;
zij laten rechten gelden op het land, waar wij nu op staan; zij
belasten onze grootere behoefte aan voedsel en onderdak, en voor al
deze dingen moeten wij om hunne dwergen-grillen te bevredigen, zwaren
arbeid verrichten met de werktuigen die deze dwergen voor ons maken....

"Op alle mogelijke manieren belemmeren zij onze bewegingen. Al
was het alleen maar om te leven, mòèten wij de grenzen die zij ons
gesteld hebben wel overschrijden. Om u hier vandaag te ontmoeten,
heb ik zelfs op verboden terrein moeten gaan. Alles wat aangenaam en
begeerenswaardig in het leven is, stellen zij buiten ons bereik. Wij
mogen niet in de steden komen; wij mogen niet over bruggen loopen;
wij mogen niet loopen door hun bebouwde velden of in de wildparken
voor het wild, dat zij dooden. Ik ben nu afgesneden van al de Broederen
behalve van de drie zonen van Cossar, en zelfs diè doorgang wordt met
elken dag nauwer. Het is of zij twist met ons zoèken, om ons het een
of ander te kunnen aandoen."

"Maar we zijn toch heel sterk," zeide zij.

"Wij behóórden tenminste sterk te zijn, ja. Allen voelen wij--en ik,
weet dat jij dat ook moet voelen--dat wij macht hebben, de kracht
om groote dingen te doen, macht die in ons dringt om vrijgelaten te
worden. Doch vóór wij iets kunnen beginnen--"

Hij stak driftig een hand uit, die een wereld scheen weg te vagen.

"Al heb ik ook gemeend, dat ik alleen op de wereld was," zeide zij,
na een tijdlang gezwegen te hebben, "heb ik tòch wel over deze dingen
nagedacht. Men heeft mij steeds geleerd, dat kracht bijna zonde was,
dat het beter was klein te zijn dan groot, dat alle ware godsdienst
bestond in het beschermen der zwakken en kleinen, de zwakken en
kleinen te bemoedigen, hen te helpen zich te vermenigvuldigen en
al maar vermenigvuldigen, totdat zij ten laatste elkaar verdringen;
men heeft mij geleerd al ònze kracht op te offeren voor hunne zaak,
maar... ik heb altijd getwijfeld aan wat men mij onderwees."

"Dit leven," zei hij, "deze lichamen, die wij gekregen hebben, zijn
niet om te sterven."

"Neen."

"En ook niet om in beuzeling door te brengen. Doch zoo wij dit laatste
niet doen willen, is het allen Broederen nu reeds duidelijk, dat een
strijd niet kan uitblijven. Ik kan niet zeggen hoe verbitterd de
strijd, die spoedig komen moet, zijn zal, vóór de kleine menschen
zullen dulden, dat wij leven op de wijze waaraan wij behoefte
hebben. Al de Broederen hebben hier over nagedacht. Ook Cossar,
waarvan ik je verteld heb, heeft hier over nagedacht."

"Zij zijn heel klein en zwak."

"Ja dat is zoo, tenminste het lijkt zoo. Maar jij weet ook, evenals ik,
dat zij alle middelen om te dooden in handen hebben, en die ook naar
de grootte hunner handen gemaakt zijn. Al honderdduizenden jaren lang
hebben deze kleine menschjes, wier wereld wij overrompelen, geleerd
hoe zij elkaar het beste en snelste kunnen dooden. Hierin zijn zij heel
bekwaam. In meerdere dingen zijn zij zeer bekwaam. En bovendien kunnen
zij bedriegen en zich plotseling anders voordoen dan zij zijn... ik
weet het niet... er is strijd op til. Jij--jij bent misschien anders
dan wij. Maar voor òns komt er zeker strijd.... Wat de menschen Oorlog
noemen. Wij weten het. En tot op zekere hoogte bereiden wij ons er
op voor. Maar je kent--deze kleine menschen!--wij weten niet hoe wij
dooden moeten, tenminste wij missen de lust om te dooden--"

"Zie eens," viel zij hem in de rede, en hij hoorde een toeterenden
hoorn.

Hij wendde zich om, en keek in de richting die hare oogen aanduidden
en zag hoe een helder-gele automobiel, met een donkeren chauffeur
met een motor-bril op, en met in bont gekleede passagiers, gillend en
dreunend en nijdig puffend bij zijn hiel stond. Hij verplaatste zijn
voet en het ding vervolgde met drie toornige kreten zijn lawaaierigen
weg in de richting van de stad.

"Blokkeeren tegenwoordig den weg ook al!" klonk er tot hem op.

Vervolgens zeide iemand: "Zie! heb je haar wel gezien? Daar ginds
achter de boomen staat de reuzen-prinses!" en al hun van stof-brillen
voorziene gezichten wendden zich naar haar toe om haar aan te staren.

"Nee maar, hoor es," zei een derde. "Dat gaat niet aan"...

"Dit alles," zeide zij, "verbaast mij meer dan ik zeggen kan."

"Dat ze je van dit alles niets gezegd hebben," zei hij en voltooide
zijn zin niet.

"Vóór je mij ontmoette, had ik geleefd in een wereld waarin ik
groot en--alléén was. Maar toch had ik mijn leven hier zoo goed
mogelijk aangepast. Ik dacht eerst, dat ik het slachtoffer was van
een gril der natuur. En nu is mijn wereldje in een half uur in elkaar
gevallen, en ik zie een andere wereld, andere voorwaarden, ruimere
mogelijkheden--kameraadschap--"

"Kameraadschap," antwoordde hij.

"Je moet me nog wat meer vertellen, nog véél meer," zeide zij. "Weet
je, dit alles vaart door mijn geest als een verhaal dat mij verteld
wordt. Zelfs jij... Binnen een dag of wat zal ik misschien in je
kunnen gelooven. Maar nu--nu droom ik... Luister!"

De eerste slag van een klok bovenop de paleisgebouwen ver weg drong
tot hen door. Elk telde werktuigelijk tot "zeven."

"Nu moet ik weg," zeide zij. "Zij zullen nu net ongeveer de bowl
met mijn koffie het vertrek waarin ik slaap binnendragen. De kleine
lakeien en bedienden--je kunt je haast niet voorstellen hoe ernstig
die zijn--zijn nu al weer druk bezig aan hunne werkzaamheidjes."

"Zij zullen zich wel verwonderen, waar... maar ik wil met je praten."

Zij dacht na.--"Maar ik wil er ook over denken. Ik wensch nu alléén
er over na te denken, en tot klaarheid te komen in deze algeheele
verandering der dingen, en de oude eenzaamheid weg te denken en jou en
al die anderen in mijn wereld in te denken... Ik moet nu heen. Vandaag
zal ik teruggaan naar mijn oude plaats in het kasteel, en morgen,
als de dageraad aanbreekt, zal ik hier weder komen."

"Ik zal je hier opwachten."

"Den geheelen dag zal ik droomen van deze nieuwe wereld die je mij
gegeven hebt. Ik kan het nu zelfs nog haast niet gelooven--"

Zij deed een schrede achterwaarts en nam hem op van het hoofd tot de
voeten. Hunne blikken ontmoetten elkaar en bleven een oogenblik vast
op elkaar gericht.

"Ja," zeide zij, met een lachje, dat bijna een snik was. "Je bent tòch
werkelijk. Maar het is zoo wondervreemd! Denk je--werkelijk--? En als
ik nu morgen eens hier kwam, en ik vond--dat je net zoo'n dwerg was
als de anderen!--Ja, ik moet over alles nog eens nadenken. En daarom,
voor vandaag--zooals de kleine menschen doen--"

Zij stak haar hand uit, en voor de eerste maal raakten zij elkander
aan. Zij hielden elkaar's hand stevig vast en hunne blikken ontmoetten
elkaar weder.

"Voor vandaag--goedendag," zeide zij. "Vaarwel! Vaarwel, Broeder Reus!"

Hij aarzelde, alsof hij nog iets wilde zeggen, en eindelijk zei hij
eenvoudig "goedendag."

Een tijdlang hielden zij elkaar's hand vast, en keken elkaar vorschend
aan. En nadat zij van elkaar gegaan waren, keek zij nog verscheidene
malen half weifelend naar hem om, en bleef staan op de plaats waar
zij elkaar ontmoet hadden...

Zij liep dwars over het plein van het Paleis hare vertrekken binnen
als een die in den slaap wandelt, met een grooten kastanje-tak,
die slap in hare hand hing.



III.

De twee ontmoetten elkaar, alles bij elkaar genomen, veertien maal
vóór het begin van het einde. Zij kwamen samen in het Groote Park, of
op de hoogten en in de passen van het moer, dat doorsneden werd door
ruwe wegen en hier en daar begroeid was met sombere pijnbosschen, en
dat zich naar het zuidwesten uitstrekte. Tweemalen hadden zij elkaar
ontmoet in de groote kastanjelaan, en vijf malen aan den breeden,
aangelegden vijver, die de koning, haar grootvader, had doen graven. Er
was daar een plek waar een groot, mooi-glad grasperk, dat met hooge
coniferen bezet was, gracieus afhelde naar den waterkant, en daar
placht zij dan te gaan zitten, en hij legde zich aan hare knieën
neder, keek op naar haar gelaat en praatte; hij verhaalde haar van
alles wat voorgevallen was, en van het groote werk, dat zijn vader hem
opgedragen had te volbrengen, en van den grooten en verruimden droom
van al wat het reuzenvolk eens zijn zoude. Gewoonlijk kwamen zij bij
elkaar bij het aanbreken van den dageraad, doch eens ontmoetten zij
elkaar in den middag en zagen weldra, hoe zij omringd werden door
een menigte van loerende luisteraars, fietsrijders en voetgangers,
die allen van uit de struiken naar hen gluurden, ritselend (zooals
de musschen soms ritselen in de boschjes om u heen in de Londensche
parken) tusschen de dorre bladeren in de bosschen, het meer komend
afroeien in booten naar een punt, vanwaar zij hen konden zien, en
trachtend hen zoo dicht te naderen, dat zij hen goed konden zien en
hooren. Dit was voor de twee reuzen de eerste aanduiding van de groote
belangstelling die de geheele streek in hunne samenkomsten stelde. En
eens--het was de zevende maal, en verhaastte het schandaal nog--kwamen
zij samen op het frissche moerland bij helder maanlicht en fluisterden,
want de nacht was warm en stil. Zeer spoedig hadden zij het bewustzijn
verloren, dat in en door hen een nieuwe wereld van reusachtige dingen
zich vormde in de aarde, en dachten zij niet langer over den grooten
strijd tusschen klein en groot, waarin zij blijkbaar voorbeschikt
waren een rol te spelen, en dachten zij slechts aan meer persoonlijke
en grooter belangen. Telkens als zij elkaar ontmoetten en met elkaar
spraken en elkaar aanzagen, leerden zij iets meer begrijpen, dat er
iets dierbaarders en wondervollers dan enkel vriendschap in hun gevoel
voor elkaar was, en overal met hen meeging en hunne handen elkaar
deed zoeken. En binnen zeer korten tijd vonden zij het woord zelf en
waren zij minnenden, de Adam en Eva voor een nieuw geslacht op aarde.

Zij schreden tezamen de wonderschoone vallei der liefde in, met hare
diepe en vredige plaatsen. De wereld om hen nam een geheel ander
aanzicht aan, naarmate zij zelven anders gestemd waren, totdat weldra
een schoonheid als van het Heilige der Heiligen hunnen samenkomsten
weldra omgaf en de sterren niet anders dan bloemen van licht waren
onder de voeten hunner liefde, en de dageraad en de zonsondergang de
kleurige draperiën langs hunnen weg. Zij waren niet langer wezens van
vleesch en bloed voor elkaar en voor zichzelven; zij werden tot een
belichaamd weefsel en voor zichzelven; zij werden tot een beschaamd
weefsel van teederheid en verlangen. Eerst fluisterden zij en toen
zwegen zij geheel en naderden elkaar àl meer en staarden in elkaar's
door de maan verlichte, schemerige gezichten onder den oneindigen
boog des hemels. En de stille donkere pijnboomen stonden om hen
als wachters.

De weerklinkende schreden van den tijd werden tot stilte gebracht en
het leek hen alsof het heelal onbeweeglijk om hen heen hing. Alleen
de klop hunner harten was hoorbaar. Zij leken samen te leven in
een wereld waar geen dood meer was, en dit was werkelijk zoo in
hun gevoel. Het leek hen toe, dat zij peilden, en werkelijk peilden
zij zulke verborgen heerlijkheden in het hart der dingen als nooit
te voren door iemand bereikt was. Zelfs voor lage en kleine zielen
is de liefde een openbaring van groote heerlijkheden. En dit waren
reuzen-geliefden, die van het Voedsel der Goden gegeten hadden...

Stel u de zich steeds méér verspreidende schrik in deze goed-geordende
wereld voor, toen het bekend werd dat Hare Doorluchtigheid de Prinses,
die koninklijk bloed in de aderen had en die verloofd was met den
Prins! samenkwam,--dikwijls samenkwam--met den overvoeden telg van
een gewonen professor in de chemie, een schepsel zonder rang, zonder
positie, zonder rijkdom, en met hem praatte alsof er geen Koningen en
Prinsen waren, geen orde, geen eerbied--niets dan Reuzen en Dwergen
op aarde. Zij praatte met hem en men was er maar al te zeker van,
dat zij hem als haar minnaar beschouwde.

"Als de krantenlui er de lucht van krijgen!" zei Sir Arthur Poedel
Laarslik...

"Ik heb hooren zeggen"--fluisterde de oude bisschop van Frumps...

"Weer een nieuwtje boven," zei de eerste lakei, terwijl hij hier en
daar knabbelde aan dessert-dingen. "Voor zoover ik er uit wijs kon
worden, is die reuzen Prinses--"

"Men zegt--" zei de juffrouw die den winkel in kantoor- en
schrijfbehoeften bij den hoofdingang van het paleis hield, en bij wie
de kleine Amerikanen hun kaartjes nemen voor de Statie-Vertrekken...

En vervolgens:

"Wij kunnen uit goede bron tegenspreken--" zei "Picaroon," in "Het
Babbeltje."

En aldus kwam het geheele geval uit en ontstond al de last voor de
twee minnenden.


IV.

"Ze zeggen, dat wij scheiden moeten," zei de Prinses tot haar geliefde.

"Maar waarom?" riep hij uit. "Wat hebben die kleine wezens zich nu
weêr voor zotternij in het hoofd gehaald?"

"Weet je wel," vroeg zij, "dat mij liefhebben hoogverraad is?"

"Lief," riep hij uit, "wat komt het er alles op aan? Wat kan ons hun
recht--recht zonder een zweem van redelijkheid--en hun hoogverraad
en hun trouw aan den koning schelen?"

"Dat zal ik je vertellen," zeide zij, en vertelde hem van al wat men
tot haar gezegd had.

"Zoo'n typisch klein mannetje als er toch op me af kwam, met een
zachte, prachtig gemoduleerde stem, een gladjes daarheenloopend
heertje, dat zijdelings de kamer in kwam, net als een kat, en dat
zijn mooie witte handje zóó opstak, telkens als hij iets gewichtigs te
zeggen had. Hij is kaal, maar natuurlijk niet heelemaal, en zijn neus
en gezicht zijn klein en rozig als van een bazuinengeltje, en zijn
baard is allerliefst in een punt geknipt. Hij deed verscheidene malen
alsof hij erg onder den indruk was, en liet zijn oogen schitteren. Weet
je, hij is een warm aanhanger van de koninklijke familie hier, en
hij noemde mij zijn "waarde jonge dame," en was van het begin af
erg deelnemend. "M'n waarde jonge dame, u móógt zoo niet voortgaan,"
zei hij verscheidene malen en vervolgens: "u hebt plichten."

"Waar vormen ze toch zulke mannetjes?"

"O, hij mag zoo iets juist wel," zeide zij.

"Maar ik begrijp niet--"

"Hij zei heel ernstige dingen tegen me."

"Je gelooft toch niet, dat er iets zit in wat hij zei?" zei hij,
zich plotseling tot haar wendend.

"Zéker zit er iets in," zeide zij.

"Je meent dat--?"

"Ik meen, dat, zonder dat we 't zelf wisten, wij op de heiligste
concepties van dit kleine volkje hebben getreden. Wij, die koninklijk
bloed in onze aderen hebben, zijn een op zichzelfstaande klasse. Wij
zijn gevangenen die aangebeden worden, speelgoed om in processies
medegevoerd te worden. Wij betalen voor deze hulde met het verlies
van--onze vrijheid. En ik had dien prins moeten huwen--Maar van
hèm weet je niets. Nu, 't is een dwerg Prinsje. Hij is niet van 't
minste belang... Het schijnt, dat het den band tusschen mijn land en
een ander hechter gemaakt zou hebben. En ook dìt zou er voordeel van
gehad hebben. Stel je es voor!--de band hechter maken!"

"En wat nu?"

"Zij wenschen, dat ik in dezelfde verhouding tot hem blijf staan
alsof er niets tusschen òns bestond."

"Niets tusschen ons!"

"Ja, maar dat is nog niet alles. Hij zei--"

"Je specialiteit in takt?"

"Ja. Hij zei, dat het beter voor jou en beter voor alle reuzen zou
zijn als wij tweeën--ons onthielden van met elkaar te spreken. Zóó
zei hij het."

"Maar wat willen ze dan doen, gesteld dat we eens doen wat zij
verlangen?"

"Hij zei, dat jij je vrijheid dan zou kunnen krijgen."

"Ik!"

"Hij zei, met nadruk, "m'n waarde jonge dame, het zou heusch beter
zijn, het zou waardiger zijn, als ge uit eigen vrijen wil van elkaar
scheiddet." Dat zei hij, en legde den nadruk op "uit vrijen wil."

"Maar--! Maar wat hebben deze ellendige kleine peuters er eigenlijk
mee te maken, waar en hoe wij elkaar liefhebben! Wat hebben zij en
hun heele wereldje met ons uit te staan?"

"Zij denken er anders over."

"Natuurlijk," zei hij, "geef je niets om wat zij zeggen."

"Het lijkt me wel héél dwaas toe."

"Dat hunne wetten ons willen binden! Dat wij, in de eerste lente
van ons leven, ons ons geluk zouden laten ontnemen door hun oude
engagementen en hun redelooze oude instellingen. O--! Maar wij zullen
er ons niet aan storen."

"Ik ben de jouwe. In zooverre heb je gelijk, ja."

"In zooverre? Is dat dan niet alles?"

"Maar ze--Als ze ons nu eens willen scheiden--"

"Wat zouden ze kunnen beginnen?"

"Ik weet het niet. Wat kùnnen ze doen?"

"Wie geeft er wat om wat zij kunnen doen, of wat ze zùllen doen. Ik
behoor jou en jij mij. Verder is er niets. Ik ben de jouwe en jij de
mijne voor eeuwig. Denk je, dat ik je zou laten varen om hun kleine
wetjes, en hun kleine verbodjes, en hun roode waarschuwingsbordjes,
jawel!--en van jòu wegblijven?"

"Ja. Maar toch, wat kunnen ze ons doen?"

"Je bedoelt", zeide hij, "wat wij moeten doen?"

"Ja."

"Wij? wij gaan onzen gang."

"Maar als ze ons dat nu eens willen beletten?"

Hij balde de vuisten. Hij keek om zich heen alsof de kleine menschjes
er reeds aankwamen om het hem te beletten. Toen wendde hij zich van
haar af en staarde in de verte. "Ja," zei hij, "je hadt gelijk met
te vragen "wat kunnen ze doen?""

"Hier in dit kleine landje," zeide zij, en zweeg toen.

Hij scheen alles te overzien. "Ze zijn overal."

"Maar we konden--"

"Waarheen?"

"We zouden heen kunnen gaan. We zouden samen de zeeën kunnen
overzwemmen. Aan de overzijde--"

"Ik ben nooit aan de andere zijde van de zee geweest."

"Daar zijn groote, eenzame bergen, waartusschen wij niet meer zouden
lijken dan kleine menschjes, daar zijn afgelegen en verlaten valleien,
nog onbekende meren en met sneeuw bedekte hooglanden, nog niet betreden
door een menschenvoet."

"Daar--"

"Doch om daar te komen, moeten wij ons iederen dag door millioenen
en millioenen menschen heen vechten."

"Het is onze eenige hoop. In dit dichtbevolkte land is geen
toevluchtsoord voor ons. Waar zouden wij moeten wonen temidden
van al deze millioenen? Zij die zoo klein zijn, kunnen zich voor
elkaar verbergen, doch waar moeten wij ons verschuilen? Er is geen
plaats waar wij zouden kunnen eten, geen plek om te slapen. Als we
vluchtten--zouden zij dag en nacht onze schreden volgen."

Toen viel hem iets in.

"Er is één plaats," zei hij, "zelfs op dit eiland."

"Waar?"

"De plaats die onze Broeders ginds gemaakt hebben. Zij hebben groote
aarden wallen om hun huis opgeworpen, aan noord- en zuid-, oost- en
westkant; zij hebben diepe groeven en verborgen plaatsen, en straks
nog--kwam er een bij mij. Hij zei--ik luisterde niet aandachtig naar
wat hij zei. Maar hij sprak van wapenen. Mogelijk--dat we daar een
schuilplaats zouden vinden..."

Na lang gezwegen te hebben, zei hij: "ik heb onze Broeders in
verscheidene dagen niet gezien... Liefste! ik heb gedroomd, en heb
alles om me heen vergeten! De dagen zijn voorbijgegaan en ik heb
niets gedaan dan uitgekeken naar het oogenblik, dat ik je weer zou
zien... Ik moet met hen gaan spreken en hen van jou vertellen en van al
de dingen die ons boven het hoofd hangen. Als zij ons helpen willen,
kunnen zij ons helpen. Dàn zou er hoop voor ons zijn. Ik weet niet
hoe sterk hun plaats is, maar zonder twijfel zal Cossar haar erg
versterkt hebben. Hiervóór--vóór jij mij ontmoette, herinner ik me,
dat er ook al onheil broedde. Toen was er eens een verkiezing--dat is
als de kleine menschen de zaken opknappen door het aantal hoofden te
tellen. Maar die verkiezing moet nu al voorbij zijn. Toen werden er
bedreigingen geuit tegen ons geheele ras--dat wil zeggen, tegen ons
geheele ras, behalve jou. Ik moet met onze Broeders gaan spreken. Ik
moet ze vertellen van al wat er tusschen ons is voorgevallen, en van
alles dat ons nu bedreigt."

De volgende maal dat zij elkaar zouden ontmoeten, moest zij eenigen
tijd wachten vóór hij kwam. Zij zouden dien dag tegen twaalf uur bij
elkaar komen in een gedeelte van het park dat in een bocht langs de
rivier liep, en terwijl zij zuidwaarts uitkeek, haar hand boven de
oogen houdend, viel het haar op dat alles heel stil was, ja, dat de
stilte drukkend was. En toen bemerkte zij, dat niettegenstaande het
reeds zoo laat was, haar gewoon gevolg van vrijwillige spionnen niet
tegenwoordig was. Rechts en links, waar zij ook keek, was niemand te
zien, en er was geen enkele boot in de zilveren bocht der Theems. Zij
trachtte voor deze vreemde stilte om haar een verklaring te vinden...

En toen zag zij tot haar blijdschap, den jongen Redwood aankomen,
boven een open plek uit, tusschen de boomen die haar het uitzicht
belemmerden.

Een oogenblik onttrokken de boomen hem aan haar gezicht en toen zag zij
hem er zich weder doorheen breken. Zij zag wel, dat er iets ongewoons
had plaats gegrepen, en toen zag zij, dat hij harder liep dan anders
en dat hij hinkte. Hij wenkte haar en zij liep naar hem toe. Zijn
gezicht werd nu duidelijker zichtbaar, en zij zag met bezorgdheid,
dat zijn gelaat bij iedere schrede pijnlijk vertrok.

Zij snelde naar hem toe, met het hoofd vol vragen en onbestemden
angst. Hij bereikte haar en hijgde zonder haar eerst te groeten:

"Moeten wij scheiden?"

"Neen," antwoordde zij. "Waarom? Wat is er?"

"Maar als we niet van elkaar gaan--! Het ìs al zoover."

"Wat is er dan?"

"Ik wil niet van je scheiden," zei hij. "Maar--"

Hij zweeg plotseling en vroeg een oogenblik later: "dus je wilt niet
van mij scheiden?"

Zij keek hem met vasten blik in de oogen. "Wat is er gebeurd?" drong
zij aan.

"Ook niet voor een tijd?"

"Wat voor een tijd?"

"Voor jaren misschien."

"Scheiden! Neen!"

"Heb je alles goed gewikt en gewogen?" hield hij aan.

"Ik wil niet scheiden." Zij vatte zijn hand. "Al moest ik nu op dìt
oogenblik sterven, zou ik je niet laten gaan."

"Al moest je op dit oogenblik sterven," zei hij, en zij voelde,
dat zijn vingers haar hand omknelden.

Hij keek om zich heen alsof hij vreesde de kleine menschen al te zien
aankomen terwijl hij nog sprak. En toen: "het is heel wel mogelijk,
dat het ons het leven kost."

"Vertel mij nu wat er gebeurd is," zeide zij.

"Zij probeerden mijn gaan hierheen te belemmeren."

"Hoe?"

"En toen ik uit mijn werkplaats kwam, waar ik het Godenvoedsel voor
de Cossars maak, om in voorraad te houden in hun kamp, zag ik een
klein inspecteurtje van politie--een man in het blauw gekleed, met
schoone witte handschoenen aan--die mij wenkte stil te staan. "Deze
weg is voor u afgesloten!" zei hij. Dit was geen bezwaar voor mij;
ik liep om mijn werkplaats heen naar een anderen weg die westwaarts
loopt, en daar stond er weer een. "Hier kunt u niet door!" zei hij
en voegde erbij: "alle wegen zijn voor u afgesloten!"

"En toen?"

"Ik redeneerde wat met hem. "Dit zijn publieke wegen!" zei ik.

"Precies," zei hij. "U maakt ze onbegaanbaar voor het publiek."

"Heel goed," zei ik, "dan zal ik de landen overgaan," en toen sprongen
er nog anderen op van achter heggen en zeiden "deze akkers zijn
privaat eigendom."

"Loop naar den duivel met je publiek en je privaat eigendom," zei
ik, "ik ga naar mijn Prinses," en ik bukte me en nam er een heel
voorzichtig op--hij schopte en schreeuwde erg--en zette hem uit den
weg. In een oogwenk leken de velden om mij te leven van hardloopende
mannen. Ik zag er een te paard naast mij voort hollen, die iets voorlas
onder het rijden--of liever, hij schreeuwde het. Hij hield op, wendde
zijn paard om, en galoppeerde weg--met gebogen hoofd. Ik begreep er
niets van. En toen hoorde ik achter mij het knallen van geweren."

"Geweren!"

"Geweren--net alsof zij op ratten schoten. De kogels floten door de
lucht met een geluid alsof er iets scheurde: een stak me in het been."

"En wat deed jij?"

"Ik liep door naar jou, en liet hen achter, schreeuwend en rennend
en op me schietend."

"En nu--"

"Nu?"

"Dit is slechts een begin. Zij zijn vastbesloten ons te scheiden. Zelfs
op dit oogenblik achtervolgen ze mij. Wij willen niet scheiden."

"Neen. Maar als we niet scheiden willen--dan moet je met me mee naar
de Broeders."

"Welken kant?" zeide zij.

"Naar het oosten. Van gindschen kant zullen mijne vervolgers komen. Dus
dit is de weg dien wij moeten volgen. Deze laan af. Laat mij voorgaan,
zoodat als zij wachten--"

Hij deed een schrede voorwaarts, doch zij had zijn arm gevat.

"Neen," riep zij uit. "Ik wil dicht bij je blijven, je
vasthouden. Misschien dat ze, omdat ik van koninklijken bloede en dus
heilig ben, dat ze niet zullen durven schieten. Als ik je vasthoud--God
gave, dat we konden vluchten terwijl ik mijn armen om je heengeslagen
hield! dan zouden ze misschien niet op je schieten--"

Zij hield zijn schouder vast, en vatte zijn hand terwijl zij nog sprak;
zij drong zich dichter tegen hem aan. "Mogelijk dat ze dan niet op je
schieten," herhaalde zij, en met plotselinge teederheid nam hij haar
in zijne armen en kuste haar op de wang. Zóó hield hij haar eenigen
tijd vast.

"Zelfs al kost het ons den dood," fluisterde zij.

Zij sloeg haar armen om zijn hals en hief haar gelaat tot het zijne.

"Liefste, kus mij nog eenmaal."

Hij trok haar naar zich toe. Stilzwijgend kusten zij elkaar op de
lippen, en hielden elkaar nog een oogenblik omklemd. En toen, terwijl
zij voortdurend trachtte haar lichaam dicht bij het zijne te houden,
gingen zij hand in hand op weg om te trachten het veilige kamp der
zonen van Cossar te bereiken, vóór de hen achtervolgende menschjes
hen achterhaalden.

En terwijl zij het gedeelte van het park achter het kasteel dóorstaken,
kwamen er tusschen de boomen ruiters aan galoppeeren, die tevergeefs
trachtten hun reuzenpassen bij te houden. En een oogenblik later
zagen zij voor zich huizen en mannen, die met geweren de huizen kwamen
uitloopen. Toen zij dit zag, deed zij hem omkeeren hoewel hij wilde
doorgaan en strijd leveren, en sloegen zij af naar het zuiden.

Terwijl zij vluchtten vloog een kogel rakelings over hunne hoofden.



HOOFDSTUK III.

DE JONGE CADDLES IN LONDEN.


I.

Geheel onbewust van den gang van zaken, niets wetend van de wetten
die zich steeds nauwer samentrokken om al de Broederen, ja, zelfs
niet wetend dat er een Broeder leefde op aarde, koos de jonge Caddles
dezen tijd uit om uit zijn krijtgroeve te komen en de wereld te gaan
zien. Door zijn somber gepeins kwam hij hièr eindelijk toe. Hij
kreeg in Cheasing Eyebright geen antwoord op al zijn vragen; de
nieuwe dominé was nòg minder verlicht dan de oude, en het raadsel
van zijn doelloozen arbeid werd eindelijk zoo groot, dat hij het niet
langer dragen kon. "Waarom moet ik hier dag in dag uit in deze groeve
werken?" vroeg hij. "Waarom zou ik me binnen zekere grenzen houden,
en zou ik al de wonderen van de wereld daarbuiten niet mogen zien? Wat
heb ik gedaan, dat ik hiertoe veroordeeld ben?"

En op zekeren dag stond hij op, rekte zich uit, en zeide met luider
stem: "Neen! ik doe 't niet langer," en toen verwenschte hij de
groeve met kernachtige taal. En toen, daar hij niet rad van tong
was, trachtte hij zijn gedachten in daden uit te drukken. Hij nam een
lorrie, die half met krijt gevuld was en keilde hem met een smak tegen
een anderen aan. Toen greep hij een heele rij leege lorries en gooide
ze een glooiing af. Hij smeet er een reusachtig krijtblok tusschen
dat aan stukken vloog, en brak toen met één krachtigen schop van zijn
voet ongeveer twaalf rails op. Aldus begon hij op nauwgezette wijze
de groeve te vernielen.

"'k Zou nog liever, dan hier al mijn dagen in te werken," zei hij.

De kleine geoloog dien hij, in zijn abstractie, over het hoofd
gezien had, beleefde een angstige vijf minuten. Nadat dit arme wezen
ternauwernood twee rotsblokken ontweken was, vluchtte hij door den
westelijken uitgang, den heuvel over, met zijn knapzak dansend op zijn
rug en met glanzende beentjes die in een kuitbroek gestoken waren,
en liet een spoor van krijtachtige echinodermata achter zich, terwijl
de jonge Caddles, voldaan over de verwoesting die hij aangericht had,
met groote passen naar buiten kwam om zijn fortuin in de wereld te
gaan zoeken.

"Ik zou nog liever dan in die ouwe rot-groef te werken, tot ik
doodga en rot en stink!" Wat voor 'n wurm dachten ze wel, dat in
mijn reuzenlichaam huisde? Krijtgraven voor god weet wat een onzinnig
doel. 'k Zou je danken!..

De richting van den weg, of van de spoorlijn misschien, deed hem
den kant naar Londen opgaan, en daar kwam hij opaan stappen, over
de Duinen, dwars over de weiden, in den heeten namiddag, tot groote
verbazing van de wereld. Het had voor hem geen beteekenis, dat er aan
iederen muur en schuur verscheurde roode en witte aanplakbiljetten
fladderden, waarop verschillende namen te lezen waren.

Hij wist niets van de verkiezings-revolutie die Caterham, "Jack
de Reuzendooder" plotseling op het kussen gebracht had. Het wilde
voor hem niets zeggen, dat op elk aanplakbord aan elk politiebureau
langs zijn weg, aangeplakt was wat bekend stond als Caterham's ukase,
proclameerend dat geen reus, of eenig ander persoon boven de acht voet,
zich verder dan vijf mijlen buiten zijn "woonplaats" mocht begeven,
zonder speciale vergunning. Het zei hem niets, dat achter hem aan
constabels, die hem niet bij konden houden, en voor wien het een ware
opluchting was dat ze dit niet konden, waarschuwende biljetten achter
zijn verdwijnenden rug schudden. Hij wilde zien wat er in de wereld te
zien was, de arme ongeloovige domme jongen, en hij was niet van plan
zich te laten ophouden door lieden die nu en dan nijdig "ho" tegen hem
schreeuwden. Hij liep voort door Rochester en Greenwich op een steeds
compacter wordende huizenmassa toe; hij liep nu tamelijk langzaam,
verbaasd om zich heen ziend, en met zijn geweldig houweel zwaaiend.

De Londenaars hadden tevoren al wel iets van hem gehoord, hoe hij een
beetje idioot was, doch erg zachtzinnig, en wonderwel in toom gehouden
door Lady Wondershoot's rentmeester en den predikant; hoe hij op zijn
suffe manier hoog tegen deze autoriteiten opzag en dankbaar was voor
de zorg, die zij aan hem besteedden, en zoo voort. Zoodat, toen men
dien middag op de plakkaten der nieuwsbladen [16] las, dat ook hij
het werk neergelegd had, het velen toeleek dat het een afgesproken
zaak was. "Zij willen onze kracht op de proef stellen," zeiden de
passagiers in de treinen, die van hun kantoor naar huis gingen.

"'t Is maar goed dat we nu Caterham hebben."

"Dat is het antwoord op zijn proclamatie."

De lieden in de societeiten wisten er meer van. Zij verdrongen zich
allen om het telegraaflint of praatten in groepen in hunne rookzalen.

"Hij is ongewapend. Als hij wist wat daar gaande was, zou hij naar
Sevenoaks gaan."

"Caterham zal wel weten hoe hij hem klein moet krijgen."

De winkeliers vertelden het hun klanten. De kellners in restaurants
braken er een oogenblik tusschen de schotels uit om een avondblad
te lezen. De huurkoetsiers lazen het dadelijk na het wedren-nieuws
ingekeken te hebben... Op de plakaten van het voornaamste
regeeringsavondblad stond met vette letters te lezen van "De koe bij
de horens vatten"--Anderen trachtten effect te bereiken met: "Reus
Redwood gaat voort met de prinses te ontmoeten." "De Echo" volgde een
geheel eigen methode: "Berichten van Opstand onder de Reuzen in het
Noorden van Engeland. De Sunderland Reuzen op weg naar Schotland." De
"Westminster Gazette" liet haar gewone waarschuwende klanken hooren.

"Reuzen, Laat af," zei de "Westminster Gazette," en trachtte uit het
geval iets te halen, dat dienstig kon zijn om de Liberale Partij weder
te vereenigen--waarin ten dien tijde vreeselijke scheuring ontstaan
was door zeven intens-egoïstische leiders. In de latere bladen kwam
meer eenheid. "De Reus op den New Kent Road," luidde hun aankondiging.

"Ik wou wel es weten," zei de bleeke jongeling in de theezaak,
"waarom we niets hooren van de jonge Cossars. Je zoudt anders kunnen
verwachten dat zij zich meer dan een van de anderen zouden roeren..."

"Ik heb hooren zeggen, dat er wéér een van die jonge reuzen op pad
is," zei de buffetjuffrouw, een glas afdrogend. "Ik heb altijd gezegd
dat't gevaarlijke kerels waren om zoo maar los te late' loope'. 'k Heb
't al dàdelijk gezegd.... Ze moesten d'r 'n stokje voor steke'. Ik
'oop maar, in elk geval, dat ie deze kant niet uitkomt."

"Ik wou 'm anders wel es zien," zei de jonge man voor het buffet
snoeverig, en voegde erbij "'k heb de Prinses óók gezien."

"Denk je dat ze 'm wat doen zulle'?" zei de buffetjuffrouw.

"Zulle' misschien wel moete'," zei de jonge man die voor den toonbank
stond, zijn glas leegdrinkend.

En temidden van tien millioen dergelijke praatjes kwam de jonge
Caddles naar Londen...



II.

Ik denk aan den jongen Caddles altijd terug zooals men hem
op den Nieuwen Kentschen weg zag, met de warme stralen der
ondergaande zon op zijn verbaasd gezicht. De weg was overvol van
omnibussen, trams, wagens, karren, trolleys, fietsers, auto's en
een menigte-in-verbazing--straatslijpers, vrouwen, kindermeisjes,
winkelende vrouwen, kinderen, vermetele melkbaarden--die alle achter
zijn moeilijk-bewegende voeten aankwamen. De schuttingen waren overal
slordig van de verscheurde verkiezingsbiljetten. Een gekakel van
stemmen rees en daalde om hem. Ge kunt u de klanten en winkeliers
zich zien verdringen in de deuren, de gezichten die aan vensters
verschenen en weder verdwenen, de kleine straatjongens hardloopend en
schreeuwend, de politieagenten die het allen heel stijfjes en kalmpjes
opnamen, de werklieden hun karwei neerleggend op de steigers en al de
dooreenkrioelende mengelmoes van kleine menschjes. Zij schreeuwden hem
toe, vage aanmoedigende woorden of nauw-verstaanbare beleedigingen,
de stomme pakmoppen van den dag, en hij keek verbaasd op hen neer,
naar zulk een menigte van levende wezens als hij zich nooit op aarde
gedacht had.

Naarmate hij verder in Londen vorderde moest hij hoe langer hoe
langzamer loopen, daar de kleine menschjes zich zoo om hem heen
verdrongen. De menigte werd bij iedere schrede dichter en eindelijk,
op den hoek waar twee drukke straten bij elkaar kwamen, stond hij stil,
en de menigte vloeide als het ware om hem heen en sloot hem in.

Daar stond hij, met zijne voeten een eindje van elkaar, met zijn rug
tegen een grooten hoogen kroeg die wel tweemaal zoo hoog was als hij,
en in de lucht eindigde in een reclame bord. Hij staarde neer op de
dwergen en verwonderde zich al meer--zonder twijfel trachtend dit
alles in verband te brengen met de andere dingen van zijn leven, met
de vallei tusschen de lage heuvellanden, de minnaars die hij bij avond
betrapte, het zingen in de kerk, het krijt dat hij dagelijks afbikte,
en met instinct, den dood en de lucht, trachtend den samenhang en
beteekenis van dit alles te vinden. Hij stond daar met gefronste
wenkbrauwen. Hij hief zijn enorme hand om er mede door zijn haar te
varen, en kermde luid.

"Ik zie het niet", zeide hij.

Men verstond zijn dialect niet. Een luid gekakel rees over de open
ruimte--een gebabbel waartusschen de gongs der trams, die hardnekkig
hun weg door de menigte bleven ploegen, uitklonken, zooals roode
klaproozen tusschen het koren uitsteken. "Wat zei ie?" "Zei dat ie
't niet begreep." Hij zei "waar is de zee?" Hij zei "waar kan ik toch
gaan zitten?" "Hij wil gaan zitten." "Kan die idioot dan niet boven
op een huis of iets dergelijks gaan zitten?"

"Wat is jelui doel, jelui kleine krioelende menschjes? Wat doen jelui
toch allemaal, waar zijn jelui allemaal voor?"

"Waarom zijn jelui allemaal hier, terwijl ik krijt voor jelui hak in
de krijtgroeven daar ginder?"--zijn eigenaardige stem, de stem die
zoo nadeelig gewerkt had op de discipline van de school te Cheasing
Eyebright, deed de menigte verstommen zoolang zij klonk, en deed hen
eindelijk weder in luid tumult losbreken. De een of andere droogkomieke
persoon brulde: "Spreken, spreken!" "Wat zegt hij?" werd er telkens
en telkens weer gevraagd, en men begon te vertellen dat Caddles
dronken was. "Hé, hé, hé," brulden de omnibus-koetsiers die zich een
weg baanden. Een dronken Amerikaansch matroos liep huilend rond en
vroeg: "wat moet hij eigenlijk hebben?" Een voddenkoopman, met een
leêrachtig gezicht, die op een karretje met een ponnie er voor zat,
overstemde de menigte door zijn luidere stem. "Ga naar 'uis, pest van
een reus!" brulde hij, "Ga naar 'uis! Jij verpest groot gevaarlijk
ding! Zie je dan niet dat je de paarden an 't schrikke maakt. Ga
naar je land. 'Eeft niemand je gezeid wat er in de wet staat?"--En
boven al dit rumoer stond de jonge Caddles verward, vol verwachting
en niets meer zeggend.

Uit een zijstraat kwam een klein rijtje deftige politieagenten,
en kronkelde zich handig door het gedrang; "doorloopen, asjeblieft."

De jonge Caddles bemerkte dat er een klein donker blauw mannetje hem
op zijn scheen stond te tikken. Hij keek naar beneden en zag twee
witte gesticuleerende handen. "Wat?" zei hij, zich vooroverbuigend.

"Kunt hier niet blijven staan," riep de inspecteur.

"Nee! Je kunt hier niet blijven staan," herhaalde hij.

"Maar waar moet ik dan heen?"

"Terug naar je dorp. Je woonplaats. In ieder geval--je moet
doorloopen. Je stremt het verkeer."

"Wat voor verkeer?"

"Hier op den weg."

"Maar waar leidt die dan heen? waar komt ie vandaan? wat beteekent dit
toch allemaal? ze staan allemaal om me heen. Wat willen ze toch? wat
gaan ze doen? Ik wil het weten. Ik heb genoeg van krijt bikken en
alleen zijn. Wat doen zij voor mij terwijl ik krijt hak? Nu ik toch
hier ben, zou ik graag hebben dat 't me nù uitgelegd werd."

"Ja hoor is, maar wij zijn hier niet om dergelijke dingen uit te
leggen. Ik moet je verzoeken door te loopen."

"Maar weet je 't dan niet?"

"Doorloopen, áls je blieft...... Ik zou je raden om maar te maken dat
je thuis komt. We hebben nog geen speciale instructies ontvangen--maar
't is in ieder geval tegen de wet... Uit den weg daar, uit den weg."

Het trottoir aan zijn linkerkant werd heerlijk leeg, en de jonge
Caddles begaf zich langzaam op weg. Doch nu raakte zijn tong los.

"Ik begrijp het niet," mompelde hij. "Ik begrijp het niet."

Hij sprak nu en dan de menigte, die steeds naast en achter hem
voortging, met gebroken stem aan. "Ik wist niet dat er zulke plaatsen
als deze waren. Wat doen jelui toch allemaal voor de kost? waar is
dit allemaal voor? Waar is dit toch allemaal voor en wat is mijn
rol hierin?"

Hij had reeds een nieuwe mop doen geboren worden. Jonge mannen, vol
geestigheid en boertigen luim, spraken elkander op de volgende wijzen
aan: "Hello, 'Arry, O'cock, waar is dit allemaal voor? Hè? Waar dient
dit allemaal voor?" waarop een concurreerende varieteit van snedige
antwoorden gegeven werd, voor het meerendeel onbeleefd. Het meest
populaire en best geschikte voor algemeen gebruik schijnt geweest te
zijn "Hou je smoel," of een verachtelijk eruitgegooid: "Stik!"

Maar er waren ook nog andere die bijna even populair waren.



III

Wat zocht hij toch? Hij verlangde iets dat de dwergen-wereld hem
niet gaf, een doel, dat de dwergen-wereld hem belette te bereiken,
dat zij hem zelfs belette duidelijk te zien, en dat hij nooit helder
zou zien. Dit was het haken van het eenzame stomme monster naar
gezelligheid, naar zijn ras, naar de dingen die aan hem verwant waren,
naar iets dat hij zou liefhebben en iets dat hij kon dienen, naar een
doel dat hij kon begrijpen, en een bevel dat hij kon gehoorzamen. En
ge weet dat dit alles in hem "stom" was en met stomme woede in hem
kookte, en dat hij het, zelfs al had hij een broeder-reus ontmoet,
niet in woorden had kunnen uitdrukken. Het eenige wat hij van het
leven kende was de eentonige kringloop van het dorpsbestaan, de
eenige taal die hij kende waren de onbelangrijke praatjes van het
boerderijtje, die zelfs zijn minst reusachtige behoefte onbevredigd
lieten. Deze reusachtige eenvoudige jongen kende geen geld, wist
niets af van handel, niets van de ingewikkelde voorwendsels waarop
het maatschappelijke gebouw der kleine menschjes gebouwd was. Hij
had behoefte aan...... Hij had behoefte aan......

Maar waar hij ook behoefte aan had, het werd nooit bevredigd.

Dien geheelen dag en den zomeravond die er op volgde, dwaalde hij rond,
hongerig wordend, doch tot dàn toe nog onvermoeid, het verkeer, dat
verschilde naar het karakter der straten, gadeslaand, de niet na te
gane affairetjes van al die ontelbare wezens. Het geheel droeg een
zeer verwarrend karakter voor hem......

Ik heb hooren vertellen dat hij in Kensington een dame uit haar
rijtuig nam, een dame in zeer chic avond-toilet, dat hij haar
nauwkeurig bekeek, haar sleep en schouderbladen en dat hij haar er
toen weder--een beetje achteloos--inzette met een diepen zucht. Doch
voor de waarheid hiervan kan ik niet instaan. Een uur lang stond hij
te kijken naar de menschen die vochten om plaatsen in de omnibussen
aan het einde van Picadilly. Men zag hem des middags een paar minuten
lang als een toren op Kennington Oval [17] staan, doch toen hij zag
dat deze opeengepakte duizenden verdiept waren in de mysteriën van
het cricket-spel en niet op hem letten, ging hij weder stenend heen.

Hij kwam weder in Picadilly Circus tusschen elf en twaalf uur des
nachts en vond daar nu een geheel ander soort van menigte. Blijkbaar
keken allen scherp om zich heen: vol van de dingen die zij, hij
begreep niet waarom, wilden doen en van andere dingen die zij niet
konden doen. Zij keken naar hem op en jouwden hem uit en gingen
door. De huurkoetsiers, met hun gierenoogen, volgden elkaar in één
lange rij, langs den rand van het krioelende trottoir. Er kwamen
lieden uit de restaurants of traden ze binnen, ernstig, vol aandacht,
vol waardigheid of lichtelijk en aangenaam opgewonden of waakzaam
en scherp om zich heen kijkend--gladder dan de gladste kellner die
hen wilde afzetten. Terwijl de kolossus daar op zijn hoek stond, keek
hij op dit alles neer. "Wat is toch het doel van dit alles?" mompelde
hij zacht en klagelijk. "Wat is toch het doel van dit alles? Zij zijn
allemaal zoo ernstig. Wat is er dan dat ik niet begrijp?"

En geen van die allen scheen te zien, zooals hij dit doen kon,
de dronken ellende der geblankette vrouwen op den hoek, die in
lompen gehulde ellende, die langs de goten voortsloop, de oneindige
beuzelachtigheid van al dit gedoe. De oneindige nietigheid! Geen van
die allen scheen ook maar in de verte de behoefte van dezen reus te
begrijpen, de schaduw der toekomst te zien, die over hun pad viel......

Aan den overkant gloeiden hoog in de lucht de geheimzinnige letters
op en verdwenen weder. Zoo hij ze had kunnen lezen, zouden ze hem
een denkbeeld hebben kunnen geven van de afmetingen der menschelijke
belangen, zouden zij hem hebben kunnen vertellen van de fundamenteele
behoeften en van de dingen des levens, zooals de kleine menschjes
dit tenminste opvatten. Eerst kwam er een gloeiende T.

Toen volgde er een U.

    T U.

Toen P.

    T U P.

Totdat er eindelijk in zijn geheel tegen de lucht de blijde mare te
lezen stond voor allen die den last van 's levens ernst voelden:


    TUPPER's VERSTERKENDE WIJN TOT
    HERSTEL VAN KRACHTEN.


Klik! en het was weder verdwenen in het duister, om op dezelfde
langzame wijze gevolgd te worden door een tweede algemeene behoefte:


    SCHOONHEID's ZEEP.


Let wel, het was geen gewone zeep om schoon te maken, maar iets,
wat men noemt "ideaal"; en vervolgens om den drievoet van het kleine
leventje volledig te maken:


    YANKER's GELE PILLEN.


Hierna zat er niets anders op dan dat Tupper weder zou verschijnen,
in gloeiende purperen letters; klik, klik, schoten ze over het duister:

    T U P P............

Kort na middernacht schijnt de jonge Caddles aan de lommerrijke rust
van het Regent's Park gekomen te zijn; hij moet over het hek gestapt
zijn en zich neergelegd hebben over een met gras begroeide helling
dicht bij de plaats waar men 's winters schaatst en daar sliep hij
een uur lang. Tegen zes uur in den morgen zag men hem praten tegen
een beslijkte vrouw, die hij slapende gevonden had in een greppel bij
Hampstead Heath, en hij vroeg haar zeer ernstig waar zij voor dacht
op de wereld te zijn......



IV.

Het omdwalen van Caddles door Londen liep den tweeden dag in den morgen
plotseling ten einde. Want toen werd zijn honger hem de baas. Hij
bleef aarzelend staan bij een kar waarin warme, lekker riekende brooden
gegooid werden, en toen knielde hij snel neder en begon te rooven. Hij
ledigde de kar terwijl de bakkersknecht de politie ging halen en toen
kwam zijn groote hand den winkel binnen en veegde den toonbank en de
kisten ledig. Toen ging hij met een armvol brooden, al etend heen,
uitziend naar een tweeden winkel om zijn maal voort te zetten.

Toevallig was het een tijd, waarin het werk schaars en het voedsel duur
was, en in dat stadsgedeelte sympathiseerde de menigte zelfs met een
reus, al nam hij ook het voedsel dat zij begeerden. Zij juichten hem
toe toen hij aan het tweede gedeelte van zijn maal begon, en lachten
om zijn domme gebaar tegen den politie-agent.

"Ik had honger", zeide hij, met zijn mond vol.

"Brayvo!" riep de menigte. "Goed soo!"

Toen hij nu aan een derden bakkerswinkel beginnen wilde, werd
hij tegengehouden door een half dozijn politie-agenten die zijne
schenen met wapenstokken bewerkten. "Kijk es hier, reusje, jij gaat
met mij mee", zeide de hoofdagent. "Je mâg zoover niet van huis. En
nou ga je met mijn mee naar huis!" Zij deden hun uiterste best hem te
arresteeren. Men had toen nog geen plan hem te dooden. "Hij heeft niets
met het complot te maken," had Caterham gezegd. "Ik wil mijn handen
niet met onschuldig bloed bezoedelen." En hij voegde erbij:--"vóór
we alles beproefd hebben."

Eerst begreep Caddles niet wat deze attenties te beduiden hadden. Toèn
hij het begreep, zei hij den agenten zich niet als zotten aan te
stellen, en ging er van door met groote passen, en liet hen allen
achter zich. De bakkerswinkels bevonden zich in Harrow Road en hij liep
dwars door Londen naar St. John's Wood en ging daar in een privaten
tuin zitten om zijn tanden te stoken, en hier werd hij zeer spoedig
weder aangevallen door een nieuwen troep agenten.

"La' me met rust, hoor," gromde hij, en liep log door de
tuinen--bedierf verscheidene gazons en trapte een paar schuttingen
omver, terwijl de rappe politie-agentjes hem volgden, enkelen door de
tuinen, anderen langs den weg aan den voorkant der huizen. Er waren
er hier ook een paar met geweren, doch zij maakten er geen gebruik
van. Toen hij in den Edgeware-Road uitkwam, was er een andere stemming
onder de menigte, en een bereden agent reed over zijn voet. Het gevolg
was dat het mannetje omver werd gekijld voor zijn dienstijver.

"La' me met rust," zei Caddles, zich naar de ademlooze menigte
keerend. "Ik heb je niks in den weg gelegd."

Hij was toen ongewapend, want hij had zijn krijthouweel in Regent's
Park achtergelaten. Doch de arme drommel schijnt nu gevoeld
te hebben dat hij een wapen noodig had. Hij liep terug naar het
Goederen-emplacement der Great Western Spoorweg-Maatschappij, rukte den
paal van een groot booglicht uit den grond, die een geweldigen knots in
zijn hand vormde, en schouderde hem. En toen hij bevond dat de politie
hem nog maar steeds bleef nazetten en kwellen, liep hij terug, door den
Edgware Road, naar Cricklewood, en ging droevig gestemd noordwaarts.

Hij zwierf tot bij Waltham en keerde zich toen weder westwaarts, en
zoo weder naar Londen en langs de begraafplaatsen en over den heuvel
bij Highgate. En zoo kwam hij tegen den middag weder in het gezicht
der enorme stad. Hij ging aan den kant van den weg in een tuin zitten
met zijn rug tegen een huis aan, dat op Londen uitzag. Hij was buiten
adem en zijn gelaat stond dreigend, en nu verdrongen de menschen zich
niet langer om hem zooals de eerste maal, toen hij in Londen kwam,
doch loerden naar hem vanuit een tuin daarnaast, en gluurden vanuit
veilige schuilplaatsen. Men wist nu dat de zaak er ernstiger uitzag
dan men eerst gedacht had.

"Waarom kunnen ze me niet met rust laten?" gromde de jonge Caddles. "Ik
moèt eten. Waarom late' ze me niet met rust?"

Hij zat daar met een gezicht, dat steeds donkerder werd, bijtend op
zijn knokkels en op Londen neerziend. Al de vermoeidheid, de kwelling,
de verwarring en de onmachtige woede die hij op zijne zwerftochten
gevoeld had, bereikten nu hun toppunt. "Wat willen ze toch?" fluisterde
hij. "Wat willen ze toch? En ze willen me niet met rust laten." En
telkens herhaalde hij weder bij zich zelven: "wat willen ze toch?"

"Bah, dat kleine volkje!"

Hij beet harder op zijn vingers en zijn gezicht werd nog
dreigender. "Krijt voor hen bikken," fluisterde hij. "En de heele
wereld hoort an ze! Ik heb nergens deel aan--nergens."

Plotseling zag hij met een aanval van weëe woede de hem nu reeds zoo
goed bekende gestalte van een agent schrijlings op den tuinmuur zitten.

"La' me met rust," gromde de reus. "La' me met rust."

"Ik moet m'n plicht doen," zei het agentje, met een bleek, doch
vastbesloten gezicht.

"La' me met rust, hoor! Ik moet net zoo goed leven as jij ook. Ik
moet denken. Ik moet eten. La' me met rust!"

"De wet is eenmaal niet anders," zei het agentje, blijvend waar hij
was. "Wij hebben de wet niet gemaakt."

"Ik ook niet," zei de jonge Caddles. "Jelui kleine menschjes hebben
dat allemaal gemaakt vóór ik geboren werd. Jelui met je wet! Wat ik
mag doen en wat niet! Geen eten voor me of ik moet er voor werken
als een slaaf, geen rust, geen onderkomen, niks, en jij zoudt me
willen vertellen--"

"Daar heb ik allemaal niks mee te maken," zei de agent. "Ik kan
daar niet over praten. 't Eenige wat ik te doen heb, is de wet te
voltrekken." En hij stak zijn tweede been over den muur en scheen
van plan te zijn naar beneden te komen. Achter hem werden nog meer
agenten zichtbaar.

"Denk erom--tegen jou heb ik niks," zei de jonge Caddles, zijn
reusachtige knots omknellend, met bleek gelaat, en een slappen vinger
naar den agent uitstekend. "Tegen jou heb ik niks, maar dit zeg ik je,
je láát me met rust."

De agent trachtte kalm te doen, alsof er niets buitengewoons voorviel,
terwijl hij de reusachtige tragedie toch voor zijne oogen had. "Geef
mij de proclamatie," zei hij tot een ander die onzichtbaar was,
en een klein wit papier werd hem aangegeven.

"La' me met rust," zei Caddles, dreigend naar hem kijkend, en zijn
spieren spanden zich.

"Dit papier wil zooveel zeggen als "ga naar 'uis," zei de agent,
vóór hij begon te lezen. "Ga naar 'uis naar je krijtgroef. En als je
dat niet wil, dan zul je d'r de last van motte drage!"

Caddles gromde iets onverstaanbaars.

En toen de proclamatie hem voorgelezen was, gaf de agent een
teeken. Vier mannen met geweren werden nu zichtbaar en stelden zich
met voorgewende kalmte op langs den muur. Ze droegen den uniform
der ratten-politie. Toen hij de geweren zag, werd de jonge Caddles
plotseling woedend. Hij herinnerde zich de pijnlijke steken die de
geweren der Wreckstone boeren hem veroorzaakt hadden. "Wil je die
op me afschieten?" zei hij, ernaar wijzend, en het leek den agent,
dat hij bang was.

"Als je niet naar je groef terugwilt--"

Het volgend oogenblik had de agent zich laten terugglijden van den
muur en van zestig voet boven hem kwam de electrische-booglamp-paal
neerschieten met doodelijke juistheid. Pang, pang, pang, knalden
de zware geweren, en krak! de versplinterde muur, de grond, en de
ondergrond van den tuin vloog in het rond. Er kwam iets meevliegen
dat roode droppels op de handen van een der schutters achterliet. De
schutters zochten, zich bukkend, een goed heenkomen en keerden zich
dapper om, om nogmaals te vuren. Doch Caddles, die reeds tweemaal
door het lichaam geschoten was, had zich met een ruk omgekeerd om
te zien wie hem zoo ernstig in den rug geraakt had. Pang, pang! Hij
zag huizen en serres en tuinen om zich heen draaien, en menschen die
zich verschrikt van de ramen terugtrokken, alles draaide en wankelde
geheimzinnig en vreeselijk om hem heen. Hij deed drie wankelende
schreden voorwaarts, hief zijn reusachtige knods op, liet hem toen
vallen, en drukte zijn hand tegen de borst. De pijn stak hem en deed
hem ineenkrimpen. Wat was dat, dat daar zoo warm en kleverig op zijn
hand lekte?...

Een man die uit een slaapkamerraam gluurde, zag zijn gezicht, zag hem
neerkijken, met weenende verslagenheid, toen hij het bloed op zijn hand
zag en toen knikten zijne knieën onder hem en hij viel met een smak
ter aarde, de eerste der reuzen-netels die in Caterham's vastbesloten
klauwen terechtkwamen, en de allerlaatste die hij gedacht had dat in
zijn handen zou vallen.



HOOFDSTUK IV.

REDWOOD'S TWEE DAGEN.


I.

Zoodra Caterham het oogenblik om den netel aan te vatten gekomen wist,
nam hij de uitvoering der wet in eigen handen en zond lieden uit om
Cossar en Redwood te arresteeren.

Met Redwood ging dit gemakkelijk genoeg. Hij had een operatie in de
zijde ondergaan en de doktoren hadden alle verontrustende tijdingen
voor hem verborgen gehouden, totdat hij aan de betere hand zou zijn. En
nu was hij zoover. Hij was juist opgestaan, en zat in een verwarmd
vertrek, met een berg couranten om zich heen, voor het eerst lezend
van de agitatie die aan Caterham het land in handen gespeeld had,
en van al de moeilijkheden die zich boven de hoofden van zijn zoon
en de prinses samenpakten. Het was 's morgens op den dag dat de jonge
Caddles stierf en waarop de politieagent den jongen Redwood trachtte
te weerhouden van zijn tocht naar de Prinses. De laatste bladen die
Redwood had, stipten deze dingen slechts vaag aan. Hij las deze eerste
afschaduwingen van tegenspoed nog eens over met een zinkend hart,
en las er steeds meer de schaduw des doods uit; hij las voort om
zijn geest bezig te houden tot er verder nieuws zoude komen. Toen de
politiebeambten den knecht de kamer in volgden, keek hij verlangend op.

"Ik dacht dat je me een avondblad bracht," zei hij.

Toen stond hij op, en zei met een plotselinge verandering van houding:
"Wat heeft dit te beteekenen?...."

Hiernà bereikte Redwood geen tijding van iets gedurende twee dagen.

Men was met een rijtuig gekomen om hem mede te nemen, doch toen
het bleek dat hij ziek was, besloot men hem nog een dag of zoo te
laten waar hij was, tot hij veilig kon vervoerd worden, en de politie
bezette zijn huis en veranderde het in een tijdelijke gevangenis. Het
was hetzelfde huis waarin de Reus Redwood geboren was, en waarin
Herakleophorbia voor de eerste maal aan een menschelijk wezen gegeven
was, en Redwood was nu al gedurende acht jaar weduwnaar en woonde
daar alleen.

Hij was nu metaal-grijs, met een klein puntbaardje, en met nog
altijd levendige bruine oogen. Hij was tenger en had een zachte stem,
zooals hij altijd gehad had, doch zijne trekken hadden nu die niet te
beschrijven uitdrukking welke ontstaat door het peinzen over groote
dingen. Het leek den beambte die hem kwam arresteeren, toe, dat zijn
voorkomen een indrukwekkend contrast vormde met de kolossaalheid zijner
vergrijpen. "Deze vent," zei de hoofdagent tot zijn ondergeschikte,
"heeft zijn uiterste best gedaan om alles in de war te schoppen, en hij
heeft een gezicht als een kalm landedelman; en daar heb je nou Rechter
Hangbrow, die de zaken in orde houdt voor iedereen, en die heeft een
kop als een varken. En dan hun manier van optreden! De één een en al
vriendelijkheid en de ander niks dan grommen en brommen. 'k Wil dus
alleen maar zeggen dat je niet op iemand z'n uiterlijk kunt afgaan."

Doch dezen lof van Redwood's minzaamheid werd al heel gauw den
bodem ingeslagen. De agenten vonden hem lastig in het begin, tot
zij hem aan zijn verstand gebracht hadden dat het nutteloos was,
vragen te doen of om couranten te vragen. Zij stelden een onderzoek
in, in zijn studeerkamer, en namen zelfs de couranten mede die hij
hàd. Redwood's stem was luid en vol protest. "Maar begrijp jelui dan
niet," zei hij telkens weer, "dat het mijn zoon is, mijn eenige zoon,
die in moeilijkheid zit. Om het Voedsel geef ik niets, maar mijn zoon."

"Ik wou waarachtig dat ik u iets kon mededeelen, mijnheer," zei de
agent. "Maar onze orders zijn strict."

"En wie heeft je die orders gegeven?" riep Redwood uit.

"Ah, ja, ziet u, meneer--" zei de agent, naar de deur gaand...

"Hij loopt z'n kamer op en neer," zei de tweede agent, toen zijn
superieur naar beneden kwam.

"Goed zoo, dan zal hij 't er wel wat uitloopen."

"Ik mag 't lijjen," zei de hoofdagent, "van diè kant heb ik 't nog
niet bekeken, zie je, maar die Reus, die met de Prinses verkeert,
weet je, is zijn zóón."

De twee keken elkaar aan en toen den derden agent.

"Ja, dan is 't wel wat hard voor hem," zei de derde agent.

Het bleek dat Redwood nog niet ten volle begrepen had, dat er een
ijzeren gordijn gevallen was tusschen hem en de buitenwereld. Zij
hoorden hem naar de deur gaan, aan den knop draaien en aan het
slot rammelen, en vervolgens de stem van den agent, die op den
overloop geplaatst was, en die hem beduidde dat dit alles hem niets
hielp. Daarna hoorden zij hem aan de vensters, en zagen de agenten
buiten opkijken. "Neen, u kunt er langs dièn kant evenmin uit," zei
de tweede agent. Toen begon Redwood uit alle macht te bellen. De
inspecteur ging naar boven en legde hem met veel geduld uit, dat
het hem niets gaf of hij al belde, en dat als hij er nù voor niets op
drukte, men er wel eens niet naar kon luisteren, als hij wèrkelijk iets
noodig had. "We willen u graag in 't redelijke geven wat we kunnen,
meneer," zei hij, "maar als u op het knopje drukt, eenvoudig om te
protesteeren, dan zullen we 'em moeten uitschakelen."

Het laatste woord dat de inspecteur hoorde was een luid: "maar u
kondt me toch in ieder geval wel vertellen of mijn zoon--"



II.

Hierna bracht Redwood een groot gedeelte van zijn tijd aan de
vensters door.

Doch de vensters lieten hem heel weinig zien van den gang der zaken
buiten. Het was altijd al een stille straat geweest en dien dag was
zij buitengewoon stil. Men zag er bijna geen enkel huurrijtuig,
en dien geheelen morgen ging er bijna niets anders voorbij dan
een winkeliers-karretje nu en dan. Af en toe gingen er menschen
voorbij--zonder dat er iets bijzonders aan hen te zien was,--nu en dan
een troepje kinderen, een kindermeisje en een vrouw die ging winkelen,
en zoo voort. Ze kwamen de straat af links of rechts, met een tergenden
schijn van onverschilligheid voor alles wat grooter en ruimer van
zin was dan zijzelven, zij kregen het door de politie bewaakte huis
met verbazing in het oog en verwijderden zich in tegenovergestelde
richting, waar de groote ranken van een reuzen hydrangea over de
straat hingen, en keken dan nog eens om en wezen.... Nu en dan ging
er een man naar een van de agenten toe om dezen iets te vragen en
kreeg dan een kort antwoord...

Aan den overkant schenen de huizen uitgestorven te zijn. Eenmaal
verscheen er een werkmeisje aan een slaapkamerraam en bleef een
tijdlang nieuwsgierig staan kijken, en het viel Redwood in, haar
teekens te geven. Een poosje bleef zij naar deze gebaren kijken alsof
zij haar interesseerden en maakte op haar beurt eenige gebaren terug,
toen keek ze plotseling over haar schouder en ging heen. Een oude
man kwam Nummer 37 uitstrompelen, de stoep af en ging zonder op te
kijken de straat af. Het eenige wat er gedurende tien minuten in de
straat te zien was, was een kat... En met dergelijke onbelangrijke
gebeurtenisjes rekte zich die oneindige en toch zoo gewichtige morgen.

Tegen twaalf uur begonnen de courantenjongens in de straat daar
dichtbij te schreeuwen; doch ook dit verstomde. Tègen hunne gewoonte
kwamen zij niet door Redwood's straat en hij begon te vermoeden dat
de politie het einde der straat had afgezet. Hij trachtte het raam
op te schuiven, doch dit haalde hem onmiddellijk een agent op den hals.

De klok der naburige kerk sloeg twaalf, en na een zee van tijd--één
uur.

Het was alsof ze hem wilden voor den gek houden met hem een lunch
voor te zetten.

Hij at een stukje en strooide het voedsel wat rond opdat ze het maar
weg zouden nemen, dronk nog al wat whiskey, nam een stoel en ging
weder voor het venster zitten. De minuten rekten zich uit tot grijze
oneindigheden, en een tijdlang sliep hij...

Hij werd wakker met een vagen indruk van verwijderde ontploffingen. Hij
nam een trillen der vensterruiten waar als bij een aardbeving; dit
duurde een minuut of zoo en hield weder op. Toen, na een tijdje stilte,
herhaalde het zich nogmaals... Toen hield het weder op. Hij dacht dat
het eenvoudig het voorbijgaan van het een of ander zware voertuig in
de hoofdstraat zou zijn. Wat zou het anders kunnen wezen?...

Na eenigen tijd begon hij het te betwijfelen of hij dit geluid wel
gehoord had.

Hij hield eindelooze redeneeringen met zichzelf.

Waarom hadden ze hem eigenlijk gevangen genomen? Caterham was pas
twee dagen áán--juist lang genoeg--om zijn koe bij de horens te
grijpen! Zijn koe bij de horens te grijpen! Zijn Reuzen Netel! Toen
dit refrein hem eenmaal in zijn hoofd zat, kon hij het niet weder
kwijtraken. Wat kon Caterham eigenlijk doen? Hij was een godsdienstig
man. Hierdoor kon hij niet zonder geldige redenen geweld gebruiken.

Zijn Netel uitrukken! Misschien dat ze de Prinses zouden gevangen nemen
en haar buitenslands sturen. Dan konden moeilijkheden volgen met zijn
zoon. En in dàt geval--! Maar waarom was hijzèlf gearresteerd? Waarom
was het noodzakelijk hem omtrent een dergelijk iets onwetend te
laten? Het leek wel alsof er--iets meer--iets gewichtigs achterzat.

Misschien dat ze àl de reuzen wilden oppakken! Allemaal tegelijk. Daar
was al op gedoeld in de verkiezingstoespraken. En dan?

Zonder twijfel hadden ze Cossar ook al opgepakt.

Caterham was een godsdienstig man. Dààr hield Redwood zich aan
vast. Het was of de achtergrond van zijn brein een zwart gordijn was,
en op dit gordijn verscheen en verdween telkens weder een woord--een
woord, geschreven in vurige letters. Hij vocht voortdurend om het woord
niet te zien. Het was alsof het telkens begon op het voorhangsel te
komen en niet voleindigd werd.

Eindelijk zag hij het onder de oogen. "Slachting!" Daar stond het
woord in zijn volle bruutheid.

Neen! Neen! Neen! Dat was onmogelijk! Caterham was een man met
godsdienstige principes, een beschaafd man. En bovendien het kòn toch
niet, dat het werk van al deze jaren, dat al deze hoop met één slag
vernietigd werd!

Redwood sprong op, en liep de kamer op en neêr. Hij praatte in
zichzelf; hij riep luide: "Neen!"

Zóó krankzinnig zou de menschheid toch zeker niet zijn--'t kòn
niet! Het was onmogelijk, het was niet te gelooven, het kòn niet. Wat
voor nut kon het hebben de menschen-reuzen te dooden, waar de tijd
van het reusachtige in al de lager-staande dingen nu onherroepelijk
aangebroken was? Zóó krankzinnig kònden ze niet zijn.

"Ik moet dit uit mijn hoofd zetten," zei hij luid, "ik moet dit
denkbeeld absoluut uit mijn hoofd zetten!"

Hij zweeg plotseling. Wat was dat?

Nu was hij er toch zeker van dat de ruiten gerateld hadden. Hij ging
naar het venster om in de straat te kijken. Aan den overkant zàg hij
de onmiddellijke bevestiging van wat zijne ooren gehoord hadden. Voor
een slaapkamerraam, op nummer 35 stond een vrouw, met een handdoek in
de hand, en aan het venster van de eetzaal van nummer 37 zag hij een
man staan achter een groote vaas overvoed venus-haar, en beiden keken
ongerust en nieuwsgierig naar boven. Hij zag nu maar al te duidelijk
dat de agenten op straat het ook gehoord hadden. Het kwam dus niet
voort uit zijne verbeelding.

Hij wendde zich om naar de duisterwordende kamer.

"Kanonnen," zei hij.

Hij bleef staan peinzen.

"Kanonnen?"

Men bracht hem sterke thee, zooals hij die gewoon was te
drinken. Blijkbaar had men zijn huishoudster hierin geraadpleegd. Nadat
hij zijn thee had uitgedronken was hij te rusteloos om nog langer
aan het venster te zitten, en hij liep de kamer op en neer. Hij begon
langzamerhand geregelder te denken.

Deze kamer was al vierentwintig jaar zijn studeerkamer geweest. Zij
was gemeubeld bij zijn trouwen, en al de zwaardere meubels dateerden
van dien tijd, de groote dubbele schrijftafel, de draai-stoel, de
luie-stoel bij het vuur, de draaiende boekenstander, de vaste rij
genummerde vakjes die de nis aan het eind van het vertrek vulden. Het
kleurige Turksche tapijt, de kleeden uit den lateren tijd van
Victoria's regeering, en gordijnen die nu verschoten waren tot een
mooie waardige kleurschakeering, en het roode en gele koper blonk
prachtig vóór den gloed van het vuur. Electrische lampjes hadden de
plaats ingenomen van de petroleum-lamp van vroeger dagen; dit was de
voornaamste verandering, die het oorspronkelijke meubilair ondergaan
had. Doch tusschen al deze dingen had zijn omgaan met het Voedsel
allerlei sporen achtergelaten. Langs den eenen wand, boven den dado,
was een drukke groepeering van foto's en photogravures in lijsten,
die zijn eigen zoon en Cossar's zonen en andere Bomvoedsel-kinderen
voorstelden op verschillende leeftijden en temidden van verschillende
omgevingen. Zelfs het peinzende gezicht van den jongen Caddles kon men
weervinden in deze verzameling. In den hoek stond een bosje reusachtige
grashalmen uit een weide bij Cheasing-Eyebright, en op de schrijftafel
lagen ledige manekoppen zoo groot als hoeden. De gordijn-roeden waren
grasstengels. En de reusachtige schedel van het groote varken van
Oakham hing met den snuit naar beneden als een massieve ivoren schouw,
met een Chineesche pul in elke oogholte, boven het vuur...

Redwood ging naar de foto's en keek in het bijzonder naar de foto's
van zijn zoon.

Zij riepen hem tallooze herinneringen in het geheugen terug, die
hij haast vergeten had, uit de dagen toen het Voedsel nog pas in de
geboorte was; hij dacht aan Bensington's bloode verschijning, aan
Bensington's nicht Jeanne, aan Cossar en aan den nachtelijken arbeid
op de Proef-Hoeve. Deze dingen kwamen hem nu weder erg klein en helder
en duidelijk voor den geest, als dingen die men op een zonnigen dag
door een verrekijker ziet. En dan was er die reusachtige kinderkamer,
de kindertijd van den reus, de eerste pogingen om te spreken, en de
eerste duidelijke teekenen van affectie van het reuzen-kind.

Kanonnen?

Het drong zich aan hem op, onwederstaanbaar en overweldigend, dat
daarbuiten, ver van deze vervloekte stilte en geheimzinnigheid, zijn
zoon en Cossar's zonen en al deze heerlijke eerste vruchten van een
grootscher eeuw aan het vechten waren--op dàt oogenblik zelfs--aan het
vechten waren om het leven! Zelfs op dat oogenblik was het mogelijk
dat zijn zoon in de een of andere groote moeilijkheid zat, gewond
en vermeesterd....

Hij wendde zich plotseling van de foto's af en liep gesticuleerend
het vertrek op en neer.

"Het kàn niet," riep hij uit. "Het is onmogelijk. Het kàn zoo niet
eindigen!"

"Wat was dat?"

Hij bleef als verstijfd staan.

Het beven der ramen was weder begonnen, en toen was er plotseling een
doffe plof gevolgd--een ontzettende ontploffing die het geheele huis
deed dreunen. Dat moest erg dichtbij geweest zijn. Een oogenblik lang
leek het hem alsof iets het huis boven hem geraakt had--een enorme
drukking waarop een gerinkel van vallend glas volgde en toen een
stilte die eindelijk eindigde in een duidelijk hoorbaar geluid van
dravende voeten beneden op straat.

Deze voeten schudden hem uit zijne verstijving wakker. Hij wendde
zich naar het venster en zag dat de ruiten gebarsten waren.

Zijn hart klopte hevig, als voelde hij dat nu de crisis, de
eindbeslissing en de bevrijding gekomen was. En toen viel de
plotselinge gedachte aan de gevangenschap, die hem machteloos maakte,
weder om hem heen als een gordijn!

Buiten zag hij niets behalve dat de kleine electrische lamp aan den
overkant niet brandde; hij hoorde niets na de eerste aanduiding
van wilde verwarring. En hij kon niets verders gewaar worden om
dit mysterie te verklaren of nog te vergrooten, behalve dat er een
oogenblik later een roodachtig, heen en weer bewegende gloed in de
lucht zichtbaar werd in het zuid-oosten. Dit licht werd telkens helder
en verdween weder. Als het verdween twijfelde hij eraan of het eerst
wel opgekomen was. Het was langzamerhand in de kamer gegleden met het
schemerduister. Het werd het voornaamste feit in dien langen nacht,
vol spanning. Soms leek het hem dat het beefde als flikkerende vlammen
en dan weder verbeeldde hij zich dat het niets anders was dan de gewone
reflectie der avond-lantarens. Het groeide aan en werd weder minder,
al die uren lang, en verdween niet éér voor het vervloeide in den
aanbrekenden dageraad. Beteekende dit--? Wat hàd het te beduiden? Hij
was er bijna zeker van dat het een brand was, dichtbij of verwijderd,
doch hij kon zelfs niet zeggen of het rook was of wolken die langs
de lucht zeilden. Doch tegen één uur begonnen er zoeklichten te
flikkeren door dien rossigen schijn, die den geheelen nacht bleven
heen en weder glijden. Dit óók kon allerlei beteekenen. Wat kòn het
beduiden. Wat betéékende het? Het eenige wat hij had om zijn geest
bezig te houden, waren deze vuilgevlekte rustelooze lucht en de indruk
van een geweldige ontploffing. Verder deed zich geen geluid vernemen,
geen verder heen en weer gedraaf, niets dan geschreeuw dat evengoed
van dronken lieden op een afstand kon komen....

Hij draaide zijn lichten niet op; hij bleef voor zijn tochtige gebroken
ruiten staan, en leek den agent, die telkens eens in de kamer kwam
kijken en hem aanried om wat te gaan rusten, een kommervol, klein
donker omlijnd mannetje toe.

Den geheelen nacht bleef Redwood voor het venster staan, keek op naar
het verwarde voorbijdrijven der wolken, en niet vóór den dageraad,
gaf hij aan zijne vermoeidheid toe en ging hij liggen op het veldbed
dat men voor hem gespreid had tusschen zijn schrijftafel en het steeds
lager vlammende vuur in den haard, onder den kop van het groote varken.



III.

Zesendertig uur lang bleef Redwood opgesloten in zijn kamer en
afgesloten van het groote drama der Twee Dagen, waarop de kleine
menschenkinderen, in den dageraad der grootheid, tegen de Kinderen van
het Voedsel streden. En toen ging plotseling het ijzeren gordijn weder
op en bevond hij zich dichtbij het centrum van den strijd. Laat in den
middag werd hij naar het venster getrokken door het rollen van een
huurrijtuig dat buiten stilhield. Een jonge man sprong eruit en een
oogenblik later stond er voor hem in de kamer, een tenger gebouwde
jonge man van misschien dertig jaren, gladgeschoren, goed gekleed
en welgemanierd.

"Mijnheer Redwood, mijnheer," begon hij, "zoudt u genegen zijn bij
mijnheer Caterham te komen? Hij verzoekt u zeer dringend bij hem
te komen."

"Verzoekt mij dringend!"... Er kwam plotseling een vraag in Redwood's
hoofd op, die hij niet kon uiten. Hij aarzelde. En toen vroeg hij
met bevende stem: "Wat heeft hij met mijn zoon gedaan?" en wachtte
ademloos op het antwoord.

"Uw zoon, mijnheer? Uw zoon maakt het goed. Ten minste dat vertrouwen
wij."

"Maakt hij het goed?"

"Hij werd gisteren gewond, mijnheer. Hebt u dat dan niet gehoord?"

Redwood wierp deze huichelarijen omver door te zeggen, met een stem
waarin nu niet langer vrees, doch toorn klonk: "U weet heel goed dat
ik dit niet vernomen heb. U weet heel goed dat ik niets vernomen heb."

"Mijnheer Caterham was bang, mijnheer--Het was een tijd van
opstand. Iedereen--overrompeld. Hij arresteerde u om uwe veiligheid
te verzekeren, Mijnheer."

"Hij arresteerde mij om te voorkomen, dat ik mijn zoon zou waarschuwen
of hem raadgeven. Maar ga voort. Vertel mij wat er gebeurd is. Zijn
uwe pogingen geslaagd? Hebt gij ze allen gedood?"

De jonge man deed een schrede in de richting van het venster en wendde
zich toen om.

"Neen, mijnheer," zei hij kortaf.

"Waarvoor komt u hier?"

"Het is ons bewijs, mijnheer, dat wij dit gevecht niet begonnen
zijn. Zij vonden ons--geheel onvoorbereid.

"U bedoelt?"

"Ik bedoel, mijnheer, dat de reuzen zich tot op zekere hoogte
hebben--staande gehouden."

Redwood zag nu alles in een ander licht. Een oogenblik leek het alsof
eene zenuwaandoening de spieren van Redwood's gelaat en keel deed
schokken. Toen uitte hij een diep "Ah!" En zijn hart sprong in hem
op van vreugde. "De reuzen hebben zich staande gehouden."

"Er is vreeselijk gevochten--en er zijn vreeselijke verwoestingen
aangericht. Alles komt voort uit een afgrijselijk misverstand... In het
Noorden en in het midden van het land zijn er Reuzen gedood... Overal."

"Wordt er nù nòg gevochten?"

"Neen, mijnheer. Er werd een wapenstilstand gevraagd."

"Door hen?"

"Neen, mijnheer. Mijnheer Caterham zond een witte vlag en vroeg
een wapenstilstand aan. Alles komt voort uit een vreeselijk
misverstand. Daarom wenscht hij met u te spreken, en u zijn geval
voor te leggen. Zij staan erop, dat u als bemiddelaar zult optreden--"

Redwood viel hem in de rede. "Weet u ook wat er met mijn zoon gebeurd
is," vroeg hij.

"Hij werd gewond!"

"Vertel het mij, vertel het mij!"

"Hij en de Prinses stuitten--nog vóór de beweging om het kamp der
Cossar's--de groeve der Cossar's te Chislehurst--te omsingelen geheel
uitgevoerd was, plotseling op een colonne infanterie toen zij door
een dicht kreupelbosch van reuzen-haver kwamen breken... De soldaten
waren den heelen dag al erg zenuwachtig geweest en dit veroorzaakte
een paniek."

"Hebben ze hem doodgeschoten?"

"Neen, mijnheer. Zij vluchtten. De een of ander schoot in het wilde
op hem--tegen de bevelen in."

Redwood gaf te kennen dat hij dit niet geloofde.

"Het is zoo, mijnheer. Ik wil niet beweren dat 't om uw zoon was,
maar terwille van de prinses."

"Juist, dàt is het."

"De twee reuzen renden schreeuwend naar het kamp. De soldaten liepen
wild door elkaar en toen vuurde er een. Men zegt, dat ze hem zagen
wankelen--"

"Hu!"

"Ja, mijnheer. Maar wij weten ook dat hij niet ernstig gewond is."

"Hoè weet u dat?"

"Hij zond bericht, mijnheer, dat hij wel was!"

"Aan mij?"

"Aan wien anders, mijnheer?"

Redwood stond bijna een minuut lang met over elkaar geslagen armen
om dit alles te omvatten. En toen gaf de verontwaardiging hem zijn
stem weder.

"Omdat jelui krankzinnig waren dit alles te doen, omdat jelui je
misrekend en een stomme fout gemaakt hebt, zou je mij willen doen
gelooven, dat jelui geen moordenaars in voorbedachten rade zijt. En
bovendien--Hoe is het met de anderen?"

De jonge man keek hem vragend aan.

"De andere Reuzen?"

De jonge man wendde niet langer voor hem niet te begrijpen. Zijn
stem daalde.

"Er zijn er dertien gesneuveld, mijnheer."

"En nog anderen gewond?"

"Ja, mijnheer."

"En Caterham," hijgde hij, "wil hebben, dat ik hem ga opzoeken!... Waar
zijn de anderen?"

"Enkelen bereikten het kamp onder het gevecht, mijnheer.... Zij
schijnen geweten te hebben dat--"

"Natuurlijk wisten ze dat. Als Cossar er niet geweest was--Is Cossar
daar ook?"

"Jawel, mijnheer. En al de nog overgebleven reuzen bevinden zich
daar--die welke het kamp niet konden bereiken onder het gevecht,
zijn verdwenen, of zijn nu veilig onder de vlag der wapenstilstand."

"Dat wil dus zooveel zeggen, als dat jelui verslagen zijt," zei
Redwood.

"Wij zijn nièt verslagen, mijnheer. Neen, mijnheer. Dàt kunt
u niet zeggen. Maar uwe zonen hebben tegen de krijgsgebruiken
gehandeld. Eenmaal gisterenavond en vandaag wèder. Nadat onze
aanvallende colonnes zich teruggetrokken hadden. Vanmiddag begonnen
zij Londen te bombardeeren--"

"Dat is volkomen gewettigd!"

"Zij vuurden bommen af, gevuld met--vergif."

"Vergif?"

"Ja. Vergif. Het Voedsel--"

"Herakleophorbia?"

"Ja, mijnheer. Mijnheer Caterham, mijnheer--"

"U zijt verslagen! Natúúrlijk kunnen jelui dáár niet tegen op. Dat
is het werk van Cossar! En wat rest jullie nu nog? Wat geeft het of
je de hemel weet wat ook begint? Jelui zult het inademen met het
stof van de straten. Waarom zouden jelui nog dóórvechten? Jawel,
krijgsregelen! En nu wil Caterham mij zoover overduvelen dat ik hem
zal helpen onderhandelen. Goeie God, man? Waarom zou ik meegaan
naar jelui uitelkaar gespatte zak met wind? Hij heeft zijn kaart
uitgespeeld... gemoord en de boel wanhopig in de war gestuurd. Waarom
zou ik nù nog meegaan?"

De jonge man stond daar in een houding van eerbiedige waakzaamheid.

"Mijnheer, het is zooals ik u zei," viel hij Redwood in de rede;
"de reuzen staan er op u te zien. Zij willen geen anderen bemiddelaar
dan u. Ik vrees dat, zoo u niet naar hen toegaat, er nog meer bloed
zal vloeien."

"Aan úw kant misschien."

"Néén, mijnheer--aan beide zijden. De wereld heeft vast besloten,
dat er een einde aan moet komen."

Redwood keek zijn studeervertrek rond. Zijn oog bleef een oogenblik
rusten op de foto van zijn zoon. Hij wendde zich om en antwoordde
den in spanning verkeerenden jongen man:

"Ja, ik zal meegaan."



IV.

Zijn ontmoeting met Caterham was geheel anders dan hij verwacht
had. Hij had den man slechts tweemaal in zijn leven gezien, eenmaal
aan een diner, en eens in de corridors van het Parlementsgebouw,
en zijn verbeeldingskracht had zich beziggehouden, niet met den
màn, doch met de creatie der nieuwsbladen en karikaturen, met den
Caterham uit de legende, "Jack de Reuzendooder," "Perseus" en al
die andere nonsens. Doch nu kwam de persoonlijkheid van vleesch
en bloed dit alles omverwerpen. Dit was niet het gelaat uit de
caricaturen en afbeeldingen, doch het gelaat van een afgewerkt man
die aan slapeloosheid leed, gerimpeld en lusteloos, en met geel in
het wit zijner oogen, en een beetje verzwakt om den mond. Zeker,
dit waren de roodbruine oogen, het zwarte haar, het gepronunceerde
arends-profiel van den grooten volksman, doch hier was eveneens iets
dat alle vóór-opgevatte geringschatting en rhetorica wegdreef. Deze man
was lijdende; hij leed acúut; en zijne zenuwen waren tot het uiterste
gespannen. Van het eerste oogenblik af aan zag hij eruit als de man
die zijn rol speelt. Een oogenblik later zag Redwood aan een enkel
gebaar, en aan een lichte beweging, dat hij zich met artsenijen op
de been hield. Hij bracht zijn duim naar zijn vestzak en na nog even
doorgepraat te hebben, wierp hij alle geheimhouding terzijde en liet
het tabletje tusschen zijn lippen doorglijden.

Bovendien, niettegenstaande zijne overspanning, niettegenstaande het
feit dat hij ongelijk had, en een dozijn jaren jonger dan Redwood,
voelde Redwood toch in hem die vreemde hoedanigheid, dat onverklaarbaar
iets--men zou het bij gebrek aan een beteren naam "persoonlijk
magnetisme" kunnen noemen--nog aanwezig hetwelk hem deze noodlottige
hoogte had doen bereiken. En ook hièrop had Redwood niet gerekend. Van
het eerste oogenblik af aan, overheerschte Caterham Redwood voor zoover
het den loop en de leiding van hun gesprek betrof. De aard van het
eerste gedeelte van hun samenspreking, de toon en de leiding er van
gingen van hem uit. En dat gebeurde alsof het zoo vanzelf sprak. Al
Redwood's verwachtingen gingen in rook op toen hij voor hem stond. Zij
hadden elkaar de hand gedrukt vóór Redwood zich nog goed bewust was,
dat hij deze familiariteit had willen afwijzen; hij gaf van het begin
den toon van het gesprek aan, zeker en duidelijk, alsof zij samen
naar middelen zochten om een gemeenschappeltjke ramp te bezweren.

Als hij al eens een fout beging, was het wanneer zijne vermoeidheid
zijne aandacht een oogenblik de baas werd, en de gewoonte in
het publiek te spreken hem meêsleepte. Dan richtte hij zich
op--gedurende hun geheele conferentie stónden de beide mannen--en
staarde hij langs Redwood heen, en begon zich te verweren en zich
te rechtvaardigen. Eenmaal zei hij zelfs: "Mijne heeren!" Rustig
uiteenzettend, begon hij te praten...

Op sommige oogenblikken vergat Redwood zelfs, dat hij tegenover dezen
man stond als ondervrager, en werd hij niets dan de toehoorder van een
monoloog. Hij werd de begunstigde toeschouwer van een buitengewoon
verschijnsel. Hij voelde bijna iets van een specifiek verschil
tusschen zich zelf en dit wezen welks mooie stem als het ware om
hem heenvloeide, al maar doorpratend. Deze geest, die zich hier voor
hem uitte, was zoo machtig en toch tegelijk zoo klein. De naar zijn
doel stuwende energie, het persoonlijke gewicht, het onverbeterlijke
over het hoofd zien van zekere dingen, deden in Redwood's geest
een belachelijk en vreemd beeld geboren worden. Inplaats van als
een tegenstander, die een medemensch was, een man dien men moreel
verantwoordelijk kon stellen, en tot wien men redelijke verzoeken
kon richten, zag hij Caterham als iets, ja, als een monsterachtigen
rhinoceros, als het ware een beschaafden rhinoceros, voortgekomen uit
de wildernis van het democratische leven, een monster welks aanval
en verdediging onwederstaanbaar en onoverwinbaar waren. In al de
tegen elkaar indruischende woordenwisselingen van die netelige
zaak was hij de eerste. En verder? Deze man was een wezen, bij
uitnemendheid geschikt om zich een weg te banen door menigten van
menschen. Voor hem bestond er geen grover fout dan zelftegenspraak,
geen wetenschap zóó belangrijk als het verzoenen van met elkaar
strijdige "belangen." Economische werkelijkheid, topografische
behoeften, de nauwelijks aangeraakte mijnen van wetenschappelijke
hulpmiddelen bestonden voor hem evenmin, als spoorwegen of geweren
of land- en volkenkunde bestaan voor den rhinoceros waarop hij
in Redwood's verbeelding geleek. Wat alléén voor hem bestond waren
vergaderingen en kiesvereenigingen en stemmen--ja bovenal, stèmmen. Hij
was de geïncarneerde stem--millioènen stemmen.

En nu, in deze geweldige crisis met de Reuzen, die wel geleden hadden,
doch niet verslagen waren, praatte dit stem-monster.

Het was zoo duidelijk dat hij zelfs nù nog alles te leeren had. Hij
wist niet dat er physieke en economische wetten waren, grootheden
en reacties die de geheele menschheid, al stemt ze ook "nemine
contradicente" niet kan weg-stemmen, en waaraan men alleen ten koste
van algeheele vernietiging kan ongehoorzaam worden. Hij wist niet,
dat er moreele wetten zijn, die niet verbogen kunnen worden door
welk oogbedrog ook, of die slechts gebogen worden om met wrekende
hevigheid terug te springen. Het werd Redwood duidelijk, dat deze man
als hij voor schroot of den Dag des Oordeels gesteld werd, zich zou
verschuilen achter de een of andere op eigenaardige manier verdraaide
"stemming van het Lagerhuis."

Wat zijn geest zelfs op dit oogenblik het meest bezig hield, waren
niet de machten die de sterkte ginds in het zuiden bezet hielden,
niet nederlaag of dood, doch den indruk dien dit alles op zijne
"Meerderheid" zou maken, (de eenige, groote werkelijkheid in zijn
leven.) Hij moest de Reuzen verslaan of zelf van het politiek tooneel
verdwijnen. Hij was nog geenszins geheel wanhopig. In dit uur van
algeheel falen, met bloed en ramp op zijn geweten, en de rijke belofte
van nog meer vreeselijke rampen; terwijl de reusachtige krachten der
wereld zich hoog boven hem verhieven en over hem heen vielen, was
hij nog in staat te gelooven dat als hij zijn stem maar uitzette,
en uitlegde en nog eens weder uitlegde, hij zijn macht weder zou
kunnen herstellen. Zonder twijfel zat hij in de klem, en was hij moe
en lijdend, maar als hij zich er maar bovenop kon houden, als hij
maar kon blijven sprèken--

Terwijl hij praatte leek het Redwood toe alsof hij naar voren trad en
zich weder terugtrok, alsof hij zich uitzette en inkromp. Redwood's
aandeel in wat er gezegd werd, was van zeer ondergeschikt belang,
en niet anders als het ware dan wiggen, plotseling tusschen zijn
phrases geschoven.

"Onzin mijnheer." "Neen." "Dàt voorstel geeft natuurlijk
niets." "Waarom begon u er dan mee?"

Het is twijfelachtig of Caterham hem wel hoorde. Caterham's rede
omvloeide dergelijke onderbrekingen als een snelle stroom een
rots. Daar stond deze wonderbare man, op zijn officieele haardkleed,
pratend, al maar pratend met enorme kracht en vaardigheid, pratend
alsof een oogenblik rust in zijn rede, in zijne uitleggingen, in zijn
voorstelling van een standpunt, van overwegingen en middelen, den
een of anderen vijandigen invloed gelegenheid zou geven zich te doen
gelden--zich in wóórden uit te drukken,--het eenige wat hij begrijpen
kon. Daar stond hij temidden der lichtelijk verwelkte pracht van dat
officieele vertrek waarin de eene man na den ander was ondergegaan
door het geloof dat een zekere handigheid in het bemiddelen de beste
manier was om een keizerrijk te regeeren...

Hoe meer deze man praatte, hoe sterker Redwood doordrongen werd van
de verbazende oppervlakkigheid van dezen woordenvloed. Besefte deze
man wel dat, terwijl hij daar stond te praten, de geheele groote
wereld voortleefde; dat het niet te keeren getij van groei al maar
voortstroomde, dat er nog andere uren bestonden dan die welke men in
het Parlement doorbracht met praten, en dat de hand der Wrekers van
het vergoten Bloed gewapend was? Buiten tikte één enkel reuzenblad
van een Virginische meelbloem, dat het geheele vertrek verduisterde,
tegen de ruiten, zonder dat iemand er op lette.

Redwood verlangde naar het slot van deze wondere alleenspraak, om te
kunnen gaan naar een plaats waar hij weder gezonde rede en oordeel zou
hooren, naar het belegerde kamp, naar de sterke vesting der toekomst,
waar de Zonen nu bij elkaar waren, in al de glorie hunner grootheid. Om
daarheen te kunnen gaan had hij al dit gepraat geduldig aangehoord. Hij
kreeg het eigenaardige gevoel, dat zoo deze alleenspraak niet spoedig
eindigde, hij er door zou meê gesleept worden, dat hij moest kampen
tegen den indruk dien Caterham's stem op hem maakte, zooals men kampt
tegen de werking van een slaapmiddel. De feiten waren veranderd,
en vervormden zich nog steeds onder die betoovering.

Wat zei die man toch?

Daar Redwood het den Kinderen van het Voedsel moest overbrengen,
begreep hij dat het tot op zekere hoogte van belang was ernaar te
luisteren.

Hij zou beter moeten luisteren en zijn neiging om zich te laten
afleiden door de dingen om hem heen, zoo veel mogelijk moeten
beheerschen.

Hij hoorde veel praten over "bloedschuld." Dat was alleen maar terwille
van de welsprekendheid. Dus dat kwam er minder op aan. En dan?

Hij stelde een verdrag voor!

Hij stelde voor, dat de nog overgebleven Kinderen van het Voedsel
zouden capituleeren en ergens afzonderlijk zouden gaan wonen en een
eigen maatschappij vormen. De geschiedenis kon op meer dergelijke
maatregelen wijzen. "Wij zouden hun grondgebied kunnen aanwijzen--"

"Waar?" viel Redwood hem in de rede, zich verwaardigend om te praten.

Caterham greep naar de vraag als een concessie. Hij wendde zijn gelaat
naar Redwood, en zijn stem werd overredend. Dat zou men later kunnen
bepalen. Hij moest opmerken, dat dit een punt van ondergeschikt
belang was. Toen ging hij voort met vaststellen: "En behalve over
hetgeen zij zelf behoeven op de plaats waar zij zijn, moeten wij de
absolute beschikking hebben over het Voedsel, en al de Vruchten van
het Voedsel moeten verdelgd worden--"

Redwood bemerkte dat hij zelf ook aan het onderhandelen raakte:
"En de Prinses?"

"Die staat erbuiten."

"Neen," zei Redwood, kampend om weder tot het oude standpunt terug
te keeren. "Dat is belachelijk!"

"Daar spreken we later nog wel over. In elk geval zijn wij het er
over eens, dat het fabriceeren van het Voedsel moet ophouden--"

"Ik heb niets toegegeven. Ik heb niets gezegd--"

"Maar het gaat toch niet aan, op één planeet twéé menschensoorten te
hebben, een groot en een klein! Denk eens aan wat er gebeurd is! Bedenk
dat het nog slechts een voorproefje is van wat er gebeuren zal als
dit Voedsel ongestoord zijn gang gaat! Denk eens aan al wat u al
over deze aarde gebracht hebt! Als er een ras van Reuzen moet zijn,
dat steeds aangroeit en zich vermenigvuldigt--"

"Ik kan daar niet over gaan redeneeren," zei Redwood. "Ik moet
naar onze kinderen. Ik wil naar mijn zoon. Daarom ben ik naar u toe
gekomen. Zeg me kort en goed wat uwe voorwaarden zijn."

Caterham hield weder een redevoering over zijne voorwaarden.

Den Kinderen van het Voedsel zou een groot eigen grondgebied afgestaan
worden--misschien in Noord-Amerika of in Afrika--waarop zij hun leven
konden leven zooals zij dit zelven wenschten.

"Maar dat is onzin," zei Redwood. "Op dit oogenblik zijn er overal
al Reuzen. Over geheel Europa--overal!"

"Wij zouden een internationaal verdrag kunnen sluiten. Het is niet
onmogelijk. Iets dergelijks is al besproken... Doch op dit terrein
kunnen zij hun leven leven zooals zij dit zelven wenschen. Zij mogen
doen wat zij willen; zij mogen maken wat zij willen. Wij zullen het
apprecieeren, als zij allerlei dingen voor ons willen maken. Zij
kunnen er zeer gelukkig zijn. Bedenk dit eens!"

"Mits er niet meerdere Kinderen komen?"

"Juist. De Kinderen zijn voor ons. En op deze wijze, mijnheer,
zullen wij de wereld redden, wij zullen haar geheel vrijwaren voor de
vruchten uwer vreeselijke ontdekking. Het is nog niet te laat voor
ons. Doch tevens willen wij gaarne deze practische noodzakelijkheid
verzachten met wat toe te geven. Op dit oogenblik reeds zijn wij
bezig de plaatsen waar hunne granaten gisteren insloegen, uit te
branden en dicht te maken. We zullen het overwinnen. Geloof me,
we zullen het onderdrukken. Doch op die wijze, zonder wreedheid,
zonder onrechtvaardigheid--"

"En als de Kinderen hier eens niet in kunnen treden?"

Voor de eerste maal keek Caterham Redwood recht in de oogen.

"Zij moèten!"

"Ik geloof niet dat zij het doen zullen."

"Waarom zouden zij niet toestemmen?" vroeg Caterham, met
warm-geschakeerde verbazing.

"En als ze het eens niet doen?"

"Wat rest ons dan nog behalve strijd? Wij mògen het zóó niet
voort laten gaan. Wij mógen niet, mijnheer. Hebben jullie,
mannen der wetenschap dan geen verbeeldingskracht? Hebt ge geen
mededoogen? Wij kunnen onze aarde niet laten vertrappen door een
steeds aangroeiende kudde van zulke monsters en door monsterachtigen
plantengroei zooals uw Voedsel veroorzaakt heeft. Wij kùnnen niet,
en ik herhaal nog eens, wij mógen het niet! Ik vraag u, mijnheer,
wat rest ons dan nog dan oorlog? En bedenk wel--wat nu gebeurd is
was nog pas een begin! Dit was een schermutseling. Niets anders
dan een gevecht met politie. Gelooft u me, niets anders dan een
gevecht met de politie. Laat u niet misleiden door perspectief,
door de grootheid van deze nieuwere dingen en wezens. Achter ons
staat de natie--staat de menschheid. Achter de duizenden die gevallen
zijn, staan millioenen. Zoo ik niet teruggedeinsd was voor nog meer
bloedvergieten, mijnheer, zouden zich achter onze eerste aanvallen,
nieuwe aanvallen vormen, zelfs op dit oogenblik. Of wij dit Voedsel
al of niet kunnen uitroeien, zonder eenigen twijfel kunnen wij uwe
zonen dooden! U bouwt te veel op de dingen die gisteren gebeurd zijn,
op de gebeurtenissen van een twintig jaren, op één slag. U hebt geen
begrip van den langzamen gang der Geschiedenis. Ik stel u dit verdrag
voor terwille van de menschenlevens, nièt omdat het het onvermijdelijk
einde kan afwenden. Zoo u denkt dat uw armelijke paar dozijn Reuzen
de geheele kracht van ons volk en van al de met ons verbonden natiën
die ons ter hulp zullen snellen, kunnen weerstaan; als u denkt dat u
de Menschheid kunt veranderen in één slag, in één enkele generatie,
en den aard der natuur en de lichaamsbouw van den Mensch--" Hij stak
een arm uit. "Ga naar hen toe, Mijnheer! Nù dadelijk! En zie hoe zij,
om al het kwaad dat zij aangericht hebben, neerhurken tusschen hunne
gewonden--"

Hij zweeg, alsof hij toevallig een blik op Redwood's zoon geslagen had.

Een tijdlang zwegen de beide mannen.

"Ga naar hen toe," zei hij.

"Ja, dat is juist wat ik wil."

"Ga dan nù..."

Hij wendde zich af, drukte op het knopje van een schel; en buiten
klonk, als antwoord, onmiddellijk een geluid van deuren die zich
openden en voeten die kwamen aansnellen.

Het gesprek was geëindigd. De comedie was afgespeeld. En plotseling
scheen Caterham in te krimpen, te verschrompelen tot een man, met
een geel gezicht, uitgeput, van middelbare lengte en van middelbaren
leeftijd. Hij deed een schrede voorwaarts, alsof hij uit de lijst van
een schilderij trad, en met een voorwenden van die vriendelijkheid die
loert achter al den openlijken strijd van ons ras, stak hij Redwood
de hand toe.

En alsof dit zoo van zelf sprak, drukte Redwood hem ten tweeden male
de hand.



HOOFDSTUK V.

DE REUZEN-LEGERPLAATS.


I.

Eenigen tijd later zat Redwood in een trein die zuidwaarts over den
Theems ging. Hij zag in het voorbijgaan even de rivier, die schitterde
onder de lichten, en de rook die nog opsteeg van de plaats op den
noordelijken oever waar de granaat neergekomen was, en waar een groote
menigte mannen aan het werk gezet was om de Herakleophorbia uit den
grond te branden.

De zuidelijke oever was duister, en om den een of anderen reden waren
de straten zelfs niet verlicht, en het eenige wat duidelijk zichtbaar
was, waren de omtrekken der hooge alarm-torens en de duistere massa's
van bovenverdiepingen en scholen, en na een minuut lang naar buiten
gegluurd te hebben ging hij met den rug naar het raampje zitten en
verzonk in gepeins. Er was niets meer te doen of te zien vóór hij de
zonen zag...

Hij was moe van de spanning der laatste twee dagen. Het leek hem
toe dat zijne emoties nu uitgeput moesten zijn, doch hij had zich
versterkt met sterke koffie voor hij op weg ging en nu dacht hij weder
helder. Hij dacht na over velerlei dingen. Hij ging nog eens na,--doch
nu in het licht van de gebeurtenissen die voorgevallen waren--, de
wijze waarop het Voedsel het eerst in de wereld was gekomen en hoe
het zich ontwikkeld had.

"Bensington meende, dat het een uitstekend Voedsel voor kleine kinderen
zou zijn," fluisterde hij bij zich zelven, flauwtjes glimlachend. En
toen kwam in zijn brein weder op, alsof hij nog onbeslist was, de
pijnigende twijfel nadat hij het Voedsel aan zijn eigen kind gegeven
had. En hierna, met een stagen, niet aarzelenden gang, niettegenstaande
elke poging der menschen om het te bevorderen of het tegen te houden,
had het Voedsel zich verspreid over de geheele menschenwereld. En nu?

"Al dooden zij hen allen," fluisterde Redwood, "dan is de zaak tòch
geschied."

Het geheim van het maken ervan, was nu heinde en ver bekend. Dit
was zìjn werk geweest. Planten, dieren, een menigte ontzettend-sterk
groeiende kinderen zouden onwederstaanbaar samenspannen om de wereld
te dwingen toch weder tot het Voedsel terug te keeren, wat er ook
uit den huidigen strijd mocht voortvloeien. "De zaak is niet meer
te veranderen," zei hij, terwijl zijn geest, niettegenstaande alle
pogingen om het te verhinderen, toch weder begon na te denken over
het tegenwoordige lot der Kinderen en dat van zijn zoon. Zou hij
hen uitgeput vinden van de vermoeienissen van den strijd, gewond,
omkomend van honger, op het punt verslagen te worden, of zou hij hen
nog krachtig en vol hoop vinden, gereed voor den nog meer verwoeden
strijd van morgen?... Zijn zoon was gewond! Doch hij had een boodschap
gezonden!

Hij begon weder te denken over zijn interview met Caterham.

Hij werd uit zijne overpeinzingen opgeschrikt door het stoppen van den
trein aan het station te Chislehurst. Hij herkende de plaats aan den
reusachtigen ratten-alarmtoren die op den top van den heuvel te Camden
stond, en de rij bloeiende reuzen-klavers die langs den weg groeiden.

Caterhams privaat-secretaris kwam naar hem toe uit het andere rijtuig
en zei hem, dat de lijn een half uur verder opgebroken was, en dat het
overige der reis afgelegd zou moeten worden in een auto. Redwood stapte
uit, op het perron, dat slechts verlicht werd door een handlantaarn
en waarover de nachtwind koel aanwoei. De stilte van deze verlaten,
met hout begroeide, en door onkruid overdekte buitenwijk--want al de
bewoners hadden den vorigen dag de wijk genomen naar Londen, zoodra
de strijd een aanvang nam--was indrukwekkend. Zijn geleider voerde
hem den trap af naar de plaats waar een automobiel stond te wachten
met helle lantaarns aan--de eenige lichten die te zien waren--beval
den chauffeur goed zorg voor hem te dragen en zei hem vaarwel.

"Zult u uw best voor ons doen?" zei hij, zijns meesters wijze van
optreden zoo getrouw mogelijk nabootsend, terwijl hij Redwood's hand
gevat hield.

Zoodra Redwood goed in het bont gestopt was, reden zij het nachtelijk
duister in. Een oogenblik stond de auto stil en toen vloog hij zacht
en snel het stationsplein af. Zij draaiden een hoek om en daarna nog
een, volgden de kronkelingen van een met villa's afgezette laan en
toen lag de weg voor hen. Het gesnor van den auto klonk al luider en
luider, tot hij zijn grootste snelheid bereikt had en de donkere nacht
vloog hen voorbij. De geheele omgeving lag zeer duister onder het
licht der sterren uitgespreid en het gansche drukke leven lag daar,
geheimzinnig stil, volkomen geluidloos. Er voer geen zuchtje door de
boomen en struiken waar zij langs vlogen; de verlaten, bleek-witte
villa's aan weerszijden, met hunne donkere vensters waarachter geen
licht brandde, deden hem denken aan het geruischlooze voorbijtrekken
van een processie skeletten. De chauffeur naast hem was een zwijgzaam
man, of misschien dat hij zich niet tot spreken geneigd voelde door
de omstandigheden van den tocht. Hij antwoordde op de korte vragen
van Redwood met monosyllaben en tamelijk barsch. Langs de zuiderlucht
schoten geruischloos zoeklichten; de eenige vreemde teekenen van leven
in die geheele verlaten wereld, die zich overal om de voortsnellende
machine uitstrekte.

Een oogenblik later stonden er overal langs den kant van den weg
reusachtige sleedoorn-twijgen die het erg donker maakten, en dan
stonden er nog hoog gras en pijpkruid, reusachtige doove netels,
zoo hoog als boomen, wier duistere silhouetten boven hunne hoofden
voorbijschoten. Toen zij Keston voorbij waren, kwamen zij aan een
heuvelhelling en reed de chauffeur langzamer. Toen hij den top bereikt
had, stopte hij. De machine dreunde en zweeg. "Daar," zei hij, en
zijn groote gehandschoende hand schoof al wijzend, als een zwarte
vormlooze massa voor Redwood's oogen.

Hij meende in de verte de groote schans, gekroond door den gloed
waaruit de zoeklichten schoten, tegen de lucht te zien afsteken. Deze
stralen kwamen en gingen tusschen de wolken en het heuvelland om hen
heen alsof zij geheimzinnige tooverformules trokken.

"Verder weet ik niet," zei de chauffeur eindelijk en het was duidelijk
dat hij bang was verder te gaan.

Daar schoot een zoeklicht uit de lucht naar hen neer, bleef plotseling,
als met schrik, staan, bekeek hen nauwkeurig, een verblindende
blik die nog eerder verscherpt dan verzacht werd door den stengel
van het een of ander reuzen-onkruid, dat zich tusschen hen en dit
licht plaatste. Zij zaten daar met hunne handschoenen voor de oogen,
trachtende er onderdoor te kijken, tegen het licht in.

"Rij door," zei Redwood na eenigen tijd.

De chauffeur aarzelde nog steeds; hij trachtte zijn aarzeling onder
woorden te brengen, doch het eenige wat hij zeggen kon was: "verder
weet ik niet."

Eindelijk waagde hij het verder te gaan. "Nou, vooruit dan maar,"
zei hij, en bracht weder leven in zijn machine, zorgvuldig gevolgd
door dat groote helle oog.

Het leek Redwood geruimen tijd toe dat zij niet langer op aarde waren,
doch in een toestand van zenuwachtigen haast door een lichtende wolk
schoten. Tuf, tuf, tuf, tuf, ging de machine en telkens--gehoorzamend,
ik weet niet aan welke zenuwachtige aandrift--liet de chauffeur zijn
hoorn toeteren.

Zij schoten de welkome duisternis eener met hooge schuttingen
afgezette laan in, een vallei binnen, en zoo voorbij eenige huizen
weder in dat verblindende licht. Toen liep de weg een tijdlang over een
onbegroeiden heuvel, en zij schenen dreunend in de oneindige ruimte
te hangen. Toen vertoonde zich weder reuzen-onkruid om hen heen en
schoot langs hen. En toen stond er plotseling vlak voor hen de gestalte
van een reus, helder blinkend waar liet zoeklicht van onderen op hem
viel en donker afstekend tegen de lucht daarboven. "Hallo daar!" riep
hij. "Stop! verder gaat de weg niet... Is dat Vader Redwood?"

Redwood stond op en schreeuwde flauwtjes ten antwoord, en toen stond
Cossar plotseling naast hem op den weg, zijne beide handen stevig
drukkend en hem uit den auto trekkend.

"Hoe is 't met mijn zoon?" vroeg Redwood.

"O, goed," zei Cossar. "Hèm hebben ze niet erg geraakt."

"En jouw eìgen jongens?"

"Goed in orde, allemaal. Maar 't is een warm dagje geweest gisteren."

De reus zei iets tot den chauffeur. Redwood ging op zij toen de auto
omdraaide en toen verdween Cossar plotseling, alles verdween, en hij
stond een tijd lang in absolute duisternis. Het zoeklicht volgde
den auto weder terwijl deze terugreed naar den top van den heuvel
van Keston. Hij zag het kleine rijtuig zich verwijderen temidden
van dien witten stralenkrans. En het eigenaardige van de zaak was
dat het net was alsof het voertuig zelf stilstond en de stralenkrans
zich voortbewoog. Een groep, door den krijg gehavende, reuzen-elzen
werd plotseling zichtbaar met hunne grillige verkoolde takken, en werd
weder verzwolgen door de duisternis... Redwood wendde zich weder naar
de duidelijk-zichtbare gestalte van Cossar en drukte hem de hand:
"Ze hebben me opgesloten en van alles totaal onwetend gehouden,
twee volle dagen lang," zei hij.

"Wij vuurden het Voedsel op hen af," zei Cossar. "Ligt voor de
hand! Dertig schoten. Hè!"

"Ik kom van Caterham."

"Dat weet ik." Hij lachte en er klonk iets bitters in dien lach. "Ik
vertrouw dat hij bezig is 't op te vegen, he?"



II.

"Waar is mijn zoon?" zei Redwood.

"O, daar is alles mee in orde, hoor. De Reuzen wachten op je
boodschap."

"Jawel, maar mijn jongen--"

Hij ging met Cossar een lange, hellende tunnel af die een oogenblik
rood verlicht en toen weder duister werd, en uitkwam op de groote
veilige groeve die de reuzen gemaakt hadden.

Redwood's eerste indruk was die van een enorme arena, die omzet was
met heel hooge rotsen, en welker vloer bestrooid was met allerlei
dingen. Het eenige licht dat dit alles deed zien was het schijnsel
der zoeklichten die voortdurend hoog over de groeve heenschoten, en
een gloed die nu eens aanlaaide dan weder verflauwde, vanuit een hoek,
waar twee reuzen samen werkten temidden van metaal-geklank. Toen deze
gloed weder oplaaide zag hij tegen de lucht de bekende omlijningen
der oude werkloodsen en speelgebouwen die daar gemaakt waren voor
de jongens van Cossar. Zij hingen nu, als het ware, aan den rand
van een rots, en waren eigenaardig vervormd en gehavend door het
bombardement van Caterham's geschut. Hij zag daar boven iets dat op
stellingen voor reusachtig geschut geleek, en dichter bij lagen groote
pyramiden kolossale cylinders opgestapeld die misschien ammunitie
voorstelden. Over de geheele ruime uitgestrektheid beneden lagen groote
machinerieën en massa's, waarvan hij het gebruik niet kon gissen, in
wanorde door elkaar. De reuzen verschenen en verdwenen weder tusschen
deze massa's en in het onzekere licht; allen groote gestalten doch niet
buiten verhouding met de dingen waartusschen zij zich bewogen. Enkelen
waren druk bezig, anderen zaten en lagen alsof zij den slaap zochten,
en een, die zich vlak bij Redwood bevond en wiens lichaam verbonden
was, lag op een ruw leger van dennetakken en sliep vast.

Redwood keek verbaasd naar deze nauwelijks te onderscheiden gedaanten;
zijn oogen dwaalden van den eenen bewegenden omtrek naar den anderen.

"Waar is mijn jongen, Cossar?"

En toen zag hij hem.

Zijn zoon zat in de schaduw van een grooten stalen muur. Hij was niet
anders dan een groote zwarte gedaante, slechts te herkennen aan zijn
houding--zijn gelaat was onzichtbaar. Hij zat met de kin in de hand,
alsof hij moê of in gedachten verdiept was. Naast hem ontdekte Redwood
de gestalte der Prinses, of liever, hij meende uit de donkere gestalte
die naast zijn zoon stond, te kunnen opmaken dat zij het was, en toen,
toen de gloed van het ijzer, een eind verder, weder oplichtte, zag
hij een oogenblik haar rood-verlichte zachte gezicht. Zij keek op
haren minnaar neer, terwijl haar hand tegen het staal van den muur
rustte. Het scheen dat zij tot hem fluisterde.

Redwood wilde naar hen toe gaan.

"Straks," zei Cossar. "Eerst je boodschap."

"Ja," zei Redwood, "maar--"

Hij hield plotseling op. Zijn zoon keek nu op en zei wat tot de
Prinses, doch te zacht om het te verstaan. De jonge Redwood hief zijn
gezicht op en zij boog zich tot hem over, en wendde haar gelaat af
voor zij begon te spreken.

"Maar als wij nu eens verslagen worden," hoorde hij de stem van zijn
zoon fluisteren.

Zij zweeg even, en de roode gloed liet haar oogen zien die glansden
van ongestorte tranen. Zij boog zich nog meer naar hem over en sprak
nog zachter. Er was iets zóó intiems en innigs in hun houding, in
hun fluisteren, dat Redwood--Redwood die twee dagen lang aan niets
anders dan zijn zoon gedacht had--zich hier te veel voelde. Hij bleef
plotseling staan. Voor het eerst in zijn leven misschien besefte hij,
hoeveel méér een vader zijn zoon kan liefhebben dan een zoon ooit
zijn vader; hij besefte ten volle de heerschappij der toekomst over
het verleden. Tusschen deze twee was geen plaats voor hem. Hij had
zijn rol gespeeld. Hij wendde zich tot Cossar, terwijl dit besef hem
nog vasthield. Hunne oogen ontmoetten elkaar. Zijn stem klonk nu heel
anders met een toon van kleurlooze vastbeslotenheid erin.

"Ik wil mijn boodschap nù afleveren," zei hij. "Daarna--....Dan kan
't altijd nog wel."

De groeve was zoo enorm en lag zoo bezaaid met allerlei, dat de weg
naar de plaats vanwaar Redwood de Reuzen kon toespreken, lang en
kronkelig was,

Hij en Cossar volgden een steil afgaanden weg die onder een boog van
inelkaar sluitende machinerieën doorliep, en kwamen zoo in een groote
diepe verschansing die dwars over den bodem der groeve liep. Deze
verschansing, breed en ledig, en toch betrekkelijk smal, droeg er,
met al het verdere om hem heen, toe bij om Redwood's gevoel van eigen
kleinheid nog te verhoogen. Het begon hem als het ware een uitgegraven
keel toe te lijken. Hoog boven zijn hoofd, van hem gescheiden door
duistere rotsen, flikkerden en schenen hel de zoeklichten en de
blinkende gedaanten gingen af en aan. Reuzen-stemmen riepen elkander
daar boven toe, riepen de Reuzen ten Krijgsraad, om de voorwaarden te
hooren die Caterham gesteld had. De verschansing helde steeds verder
naar donkere ruimten, naar schaduwen en mysteriën en niet te begrijpen
dingen, waarin Redwood langzaam afdaalde met aarzelende schreden en
Cossar met vastberaden tred als van een, die dit alles reeds kende...

Redwood's gedachten gingen over allerlei dingen.

De beide mannen waren nu in de diepste duisternis gekomen, en Cossar
vatte zijn metgezel bij den pols. Zij waren nu wel gedwongen langzaam
voort te gaan.

Redwood voelde zich gedrongen te spreken.

"Dit alles is heel vreemd om te zien," zei hij.

"Groot," zei Cossar.

"Vreemd. En het is vréémd dat het mij vreemd toeschijnt--mij, die,
tot op zekere hoogte, de schepper van dit alles ben. Het is--"

Hij zweeg, trachtende zijn bedoeling duidelijk te maken, en maakte
een gebaar naar de klip boven, dat de ander door de duisternis niet
kon zien.

"Ik heb er nooit zoo aan gedacht. Ik heb het druk gehad en de jaren
zijn omgevlogen. Maar hier zie ik--Het is een nieuw geslacht, Cossar,
met nieuwe aandoeningen en nieuwe behoeften. Dit alles, Cossar--"

Cossar zag nu zijn onduidelijk gebaar naar de dingen om hen heen.

"Dit alles is de Jeugd."

Cossar gaf geen antwoord, en zijn onregelmatige schreden gingen voort.

"Maar ònze jeugd is het niet, Cossar. Zij hebben alles overgenomen. Zij
vangen nu aan met eigen aandoeningen, eigen ondervinding en eigen
levenswijze. Wij hebben een nieuwe wereld gemaakt, die de onze niet
meer is. Zij is mij zelfs niet--sympathiek. Deze groote ruimte--"

"Die heb ik ontworpen," zei Cossar, met strak gezicht.

"Maar nù?"

"Ah, ik heb haar aan mijn jongens gegeven."

Redwood kon den lossen zwaai van den arm dien hij niet zien kon,
voelen.

"Juist, zoo is het. Wij hebben onzen tijd uitgediend--of tenminste
bijnà."

"Je boodschap!"

"Ja. En dan--"

"Is 't gedaan met ons."

"Nu--? Natuurlijk staan wij buiten dit alles, wij twee oudjes," zei
Cossar, met den welbekenden klank van plotselingen toorn in zijn
stem. "Natuurlijk. Ligt voor de hand. Een ieder op zijn tijd. En
nu--is het hùn tijd om te beginnen. Natuurlijk. Wij doen wat we
doen moeten en dan gaan we heen. Snap je? Daar is de dood voor. Wij
verwerken ons kleine verstand en onze kleine emoties en dan beginnen
die na ons komen opnieuw. Met frisschen moed! Heel eenvoudig, niet
waar? En wat is daar niet goed in?"

Hij zweeg even om Redwood naar een trap te leiden.

"Ja," zei Redwood, "maar ik voel toch--"

Hij voltooide den zin niet.

"Daar is de Dood voor." Hij hoorde 't Cossar beneden zich nogmaals met
overtuiging zeggen: "Hoe zou 't ànders met de wereld moeten gaan? Dààr
is de Dood voor."



III.

Na veel gedaal en geklim kwamen zij uit op een vooruitstekenden
rand, vanwaar het mogelijk was het grootste gedeelte van de groeve
der Reuzen te overzien, en vanwaar Redwood zich verstaanbaar kon
maken voor de geheele vergadering. De Reuzen waren reeds verzameld,
beneden hem en op verschillende hoogten, om de boodschap te hooren
die hij zou brengen. Cossar's oudste zoon stond op den wal daarboven,
gadeslaand wat de zoeklichten openbaarden, want zij vreesden dat
de wapenstilstand verraderlijk zou verbroken worden. Zij die het
groote instrument in den hoek bedienden, stonden daar hel verlicht
door hun eigen licht; zij waren bijna geheel naakt; zij wendden hunne
gezichten naar Redwood, doch keken telkens weder naar de gietvormen
die zij niet konden verlaten. Hij zag degenen, die dichtbij stonden
onduidelijk in het weifelende licht en zij die verder af stonden, nòg
onduidelijker. Zij verschenen plotseling uit, en verdwenen weder in
de diepten der duisternis, want deze Reuzen brandden niet méér licht
dan absoluut noodig was in de groeve, opdat hunne oogen dadelijk
elke aanvallende strijdmacht, die hen van uit de duisternis mocht
bespringen, zouden kunnen zien.

Telkens als er toevallig een lichtstraal op hen viel, werd er de een
of andere groep van lange reuzen-gestalten zichtbaar, de Reuzen van
Sunderland gekleed in metalen platen die over elkaar heenvielen,
en de anderen gekleed in leder, in gedraaid touw of in gevlochten
metaal, al naar de omstandigheden hen hadden doen kiezen. Zij zaten
tusschen, of lieten de handen rusten op, of stonden rechtop tusschen
machinerieën en wapenen even machtig als zijzelven, en in hun aller
oogen, als ze zichtbaar werden, lag vastberadenheid.

Hij probeerde te beginnen, doch kwam zoover niet. Toen, in een
plotseling oplaaien van het vuur, zag hij het gelaat van zijn zoon
naar hem geheven, vol liefde en toch sterk; en toen vond hij zijn
stem weder om hem toe te spreken, en was het hem of hij dwars over
een afgrond tot zijn zoon sprak.

"Ik kom van Caterham," zei hij. "Hij heeft mij tot u gezonden, om u
de voorwaarden die hij u aanbiedt, mede te deelen."

Hij zweeg even. "Ik weet, dat zij onmogelijk zijn aan te nemen,
nu ik u hier allen verzameld zie; het zijn onmogelijke voorwaarden,
doch ik breng ze u over, omdat ik u allen wenschte te zien--en ook
mijn zoon. Ik wilde mijn zoon--nog eens zien..."

"Zeg hun de voorwaarden," zei Cossar.

"Dit is wat Caterham aanbiedt: Hij wil, dat jullie van hier gaat en
zijn grondgebied verlaat!"

"Waarheen?"

"Dat weet hij nog niet. Hij zei zoo iets van "een groot terrein ergens
in de wereld reserveeren.... En gij moogt geen Voedsel meer maken,
geen kinderen krijgen, ge moogt leven zooals ge wilt tot ge sterft,
en dan is alles meteen uit."

Hij zweeg.

"Meer niet?"

"Meer niet."

Er volgde een diepe stilte. De duisternis die de Reuzen omhulde
leek hem peinzend aan te staren. Hij voelde dat iemand zijn
elboog aanraakte, en Cossar schoof hem een stoel toe--een typisch
stukje poppenspeelgoed temidden van deze op elkaar gestapelde
reuzen-dingen. Hij ging zitten en sloeg de beenen over elkaar, legde
vervolgens het eene been dwars over de knie van het andere, en hield
zenuwachtig zijn laars vast, en voelde zich erg klein en alleen, en
scherp zichtbaar en belachelijk misplaatst temidden van dit alles. Toen
klonk er plotseling een stem en vergat hij zichzelven weder.

"Ge hebt het gehoord, Broeders," zei deze stem vanuit het duister.

En een tweede antwoordde: "Wij hebben het gehoord."

"En het antwoord, Broeders?"

"Aan Caterham?"

"Is "Neen!"

"En dan?"

Er volgde een stilte van eenige seconden.

Toen zei een stem: "Deze menschen hebben gelijk. Dat wil zeggen, van
hùn standpunt en naar het verstand dat zij gekregen hebben. Zij hadden
gelijk alles te dooden wat grooter was dan zijzelven--dier en plant,
en alle groote dingen die opschoten. Zij hadden gelijk, toen zij ons
trachtten om te brengen. En ook nù hebben zij gelijk als zij zeggen,
dat wij niet mogen huwen met anderen die even groot zijn als wij. Zij
beseffen--en het wordt tijd, dat wij dit ook inzien--dat reuzen en
dwergen niet tezamen in één samenleving passen. Caterham heeft dat
telkens en telkens weder herhaald--heel duidelijk--òf aan hun of aan
òns de wereld."

"Maar wij zijn geen vijftig man sterk," zei een ander, "en zij
tallooze millioenen."

"Dat is mogelijk. Maar het is zooals ik gezegd heb."

Toen volgde er weder een lange stilte.

"En moeten wij dan sterven?"

"God beware ons daarvoor!"

"Zij dan?"

"Neen."

"Maar dàt zegt Caterham! Hij wil hebben, dat wij ons leven uitleven,
éen voor éen sterven, totdat er slechts één over is, en die eene
zal eindelijk ook sterven, en zij zullen alle reuzen-planten en
onkruid omhakken, de lager-staande reuzen-dierenwereld uitroeien, alle
sporen van het Voedsel uitbranden--ook aan ons en aan het Voedsel een
einde maken voor altijd. Dan eerst zal de dwergen-wereld weer veilig
zijn. Zij zullen voortgaan--voor altijd veilig,--hun kleine leventjes
te leven, dwergen-vriendelijkheidjes bewijzend, en dwergen-wreedheidjes
begaand tegenover elkaar; ze zouden het misschien zelfs wel tot een
dwergen-heilstaat kunnen brengen, een eind maken aan allen krijg, een
eind maken aan overbevolking, en zich neerzetten in een de geheele
wereld omvattende stad om aan dwerg-kunst te doen, elkaar vereerend
tot de wereld begint te bevriezen...."

In den hoek viel een ijzeren plaat met donderend geraas op den grond.

"Broeders, wij weten wat wij willen."

Bij een plotseling flikkeren der zoeklichten, zag Redwood ernstige
jeugdige gezichten zich naar zijn zoon wenden.

"Het is nu gemakkelijk het Voedsel te maken. Wij zouden gemakkelijk
Voedsel voor de geheele wereld kumnen fabriceeren."

"Je bedoelt, Broeder Redwood," zei een stem uit de duisternis,
"dat de kleine menschjes het Voedsel moeten eten."

"Wat valt er anders te doen?"

"Maar wij zijn geen vijftig man sterk en zij vele millioenen."

"Maar wij hebben ons staande gehouden.''

"Tot nu toe, ja."

"Als God het wil, kunnen wij dit nògmaals."

"Ja, maar denk eens aan de dooden!"

Toen vervolgde een andere stem: "De dooden. Denk aan de nog niet
geborenen...."

"Broeders," zei de stem van den jongen Redwood, "wat rest ons nog,
dan hen te bevechten, en àls wij hen verslaan, hen te dwingen om
van het Voedsel te eten? Zij moèten het nu wel nemen. Veronderstel,
dat wij ons erfdeel zouden afstaan en dezen nonsens die Caterham ons
aanbiedt, aannemen! Gesteld dat wij dit kònden! Gesteld dat wij al dit
groote opgeven dat in ons leeft, en al wat onze vaders voor ons gedaan
hebben,--dat gìj vader--voor ons gedaan hebt--en als onze tijd daar
is, in het niet verzinken en rotten! Wat dan? Zal deze kleine wereld
dan zijn zooals zij tevoren was? Zij mogen kampen tegen grootheid
in ons die menschenkinderen zijn, maar zullen zij overwinnen? Zelfs
al doodden zij ons een voor een, wat zou dit dan nog? Zou dit hen
redden? Neen! Want er is Grootheid opgestaan, niet alleen in ons,
niet alleen in het Voedsel, maar in het willen van alle dingen. Het
uit zich in den aard van alles; het is een deel geworden van tijd en
ruimte. Te groeien, al maar te groeien, dit is het doel--dit is de
Levenswet. Welke andere wet kan daarnaast nog bestaan?"

"Om anderen te helpen?"

"Te groeien. Anderen te helpen is óók groei. Tenzij wij hen helpen
te falen...."

"Zij zullen hun uiterste best doen om ons te verslaan," zei een stem.

En weer een andere: "Wat zou dat?"

"Zij zullen vechten," zei de jonge Redwood. "Als wij deze voorwaarden
niet aannemen, twijfel ik er niet aan of zij zullen vechten. Ik hoop
werkelijk, dat zij er open en rond mee voor den dag zullen komen en ons
bevechten. Als zij ons bij slot van rekening vrede aanbieden, zal hun
dit des te beter in staat stellen ons onverhoeds aan te vallen. Begaat
geen fout, Broeders; op de een of andere wijze bestrijden zij ons
tòch. De strijd is begonnen en wij moeten strijden tot het einde. Als
wij niet wijs zijn, zullen wij nog bevinden, dat wij slechts geleefd
hebben om hun beter wapenen tegen onze kinderen en ons geslacht
in handen te geven. Tot nu toe hebben wij slechts den dageraad van
den strijd gezien. Ons geheele leven zal één strijd zijn. Eenigen
van ons zullen gedood worden in den strijd, anderen zullen belaagd
worden. Er zal geen gemakkelijke overwinning volgen--geen overwinning,
die niet half een nederlaag voor ons is. Weest daar zeker van. Doch
waarom zou ons dit afschrikken? Als wij ons slechts staande houden,
zoo wij slechts achterlaten een groeiende menigte, om den strijd
voort te zetten als wij heengegaan zijn!"

"En morgen?"

"Zullen wij het Voedsel overal verspreiden; wij zullen de wereld
verzadigen van het Voedsel."

"En als zij eens nieuwe en meer aannemelijke voorwaarden mochten
stellen?"

"Onze voorwaarden zijn het Voedsel. Nooit kunnen klein en groot naast
elkander leven in een duurzamen vrede. Of het één, of het ànder. Met
welk recht zouden onze ouders zeggen: "Mijn kind zal geen ander licht
hebben dan ik gehad heb, zal niet grooter worden dan ik geworden
ben." Zijt gij het met mij eens, Broeders."

Een goedkeurend gemompel antwoordde hem.

"En voor de kinderen die vrouwen zullen worden, zoowel als voor de
kinderen die mannen zullen worden," zeide een stem uit het duister.

"Méér nog--die moeders zullen worden van een nieuw geslacht..."

"Doch voor het volgend geslacht moet er nog groot en klein zijn,"
zei Redwood met de oogen op het gelaat van zijn zoon gevestigd.

"Nog vele geslachten lang. En het kleine zal het groote steeds in
den weg staan en het groote zal het kleine onderdrukken. Dit mòèt
zoo zijn, vader.

"Er zal strijd heerschen.

"Strijd zonder einde. Eindeloos misverstand. Het geheele leven is
zoo. Groot en klein kunnen elkaar niet begrijpen. Doch in elk kind
dat uit menschen geboren wordt, Vader Redwood, schuilt een zaadje
grootheid--dat op het Voedsel wacht."

"Dan zal ik naar Caterham moeten gaan en hem zeggen, dat--"

"Gij blijft bij ons, Vader Redwood. Bij het aanbreken van den dageraad
gaat ons antwoord naar Caterham."

"Hij zegt, dat hij jullie zal bevechten tot...."

"Zoo zij het," zei de jonge Redwood, en zijne broederen mompelden
goedkeurend.

"Het ijzer wacht," mompelde een stem, en de twee reuzen die in den
hoek aan het werk waren, begonnen rythmisch te hameren, wat bij dit
tooneel klonk als een begeleiding van een machtige muziek. Het metaal
gloeide heller dan het tevoren had gedaan, en liet Redwood het kamp
duidelijker zien dan hij het tot nu toe had kunnen waarnemen.

Om hem heen stonden de jonge reuzen, torenhoog en schoon, glanzend in
hun maliën, temidden der toebereidselen voor den dag van morgen. Zijn
hart sprong op van vreugde toen hij hen zoo zag. Hun kracht kwam
zoo gemakkelijk! Zij waren zoo groot en gracelijk! Hunne bewegingen
waren zoo vast! En daar stond zijn zoon tusschen hen, met de eerste
van alle reuzen-vrouwen, de Prinses naast zich....

In zijn hoofd kwam plotseling een allervreemdst contrast op, het
terugdenken aan Bensington, heel levendig en klein--Bensington met
zijn hand in het zachte borstdons van dat eerste groote kuiken,
staande in zijn conventioneel gemeubileerde kamer, en weifelend over
zijn bril heenkijkend naar Nicht Jane, die de deur dichtsmeet...

Het was alles gebeurd in een gisteren van een en twintig jaren.

Toen werd hij plotseling bevangen door een vreemden twijfel: dat
deze plaats en al de grootheid die hij om zich zag, slechts een
droomweefsel was; dat hij zelf droomde en straks zou ontwaken,
en zich weder in zijn studeerkamer bevinden, de Reuzen vermoord,
het Voedsel geheel vernietigd en hij zelf gevangen en opgesloten.

Als je daar op neer kwam; wat was het leven dan anders dan een
voortdurende gevangenschap! Dit was het hoogtepunt en het einde van
zijn droom. Hij zou ontwaken temidden van bloedvergieten en strijd,
en zijn Voedsel het dwaaste aller hersenschimmen bevinden, en zijn hoop
op en geloof aan een beter wereld zouden evenmin verwezenlijkt worden
als het kleurige vliesje op een poel vol rottende stoffen. Onverwinbare
kleinheid!...

En zoo hevig en diep was deze neerslachtigheid, deze vrees voor
ontnuchtering, dat hij opsprong; Hij stond daar en drukte de gebalde
vuisten tegen zijne oogen en bleef zoo een oogenblik staan, bang, als
hij ze opende, te zien, dat de droom reeds in het niet vergaan was.....

De stemmen der reuzenkinderen spraken tot elkaar, als een
zachteren klank door de galmende melodie der smeden. Zijn twijfel
verminderde. Hij hoorde de reuzenstemmen; hij hoorde hunne
bewegingen nog om zich heen. Het was werkelijk, ongetwijfeld was
het werkelijkheid--even werkelijk als spijtige daden! Inderdaad méér
werkelijk, want mogelijk zijn deze groote dingen, de dingen die komen
zullen; en de kleinheid, bestialiteit, en de zwakheid der menschen
zijn dingen die voorbijgaan. Hij opende de oogen.

"Klaar!" riep een der twee smeden, en zij wierpen hunne hamers neer.

Er klonk een stem hoog boven Redwood. De zoon van Cossar, die op de
groote aarden wal stond, had zich omgewend en sprak hun nu allen toe.

"Het is niet ons opzet om het kleine volk de wereld uit te dringen,"
zei hij, "opdat wij die slechts één stap verder zijn van hun
kleinheid, de wereld voor altijd zouden kunnen bezitten. Het is de trap
waarlangs wij moeten opklimmen, waarvoor wij strijden, en niet voor
onszelven.... Hier zijn wij, Broeders, en met welk doel? Om getrouw te
zijn aan het leven en het Doel waarvoor wij geboren zijn. Wij strijden
niet voor onszelven--want wij zijn slechts de handen en oogen van het
Leven der wereld. Dit hebt gij, Vader Redwood, ons geleerd. Uit ons,
zoowel als uit het kleine volk, spreekt de Geest. En van ons moet hij,
door woord, geboorte en daad overgaan--op nòg gróótere levens. Deze
aarde is geen rustplaats, deze aarde is geen speelplaats; als dit
zoo was, ja, dan zouden wij onze keel het mes van het kleine volkje
kunnen voorhouden, daar wij dan niet méér recht om te leven zouden
hebben dan zij. En dan zouden zij op hun beurt moeten onderdoen voor
mieren en ongedierte. Wij strijden niet voor onszelven, doch voor
den Groei--groei die steeds dóórgaat. Morgen, hetzij wij blijven
leven of sterven, zal de Groei door ons overwinnen. Dat is de wet van
den Geest voor altijd. Te groeien zooals God het wil! Deze spleten
en holen, schaduwen en duisternis te ontgroeien, naar grootheid
en licht! Grooter," zei hij, het woord langzaam en met nadruk
uitsprekend,--"steeds grooter. Al maar te groeien--. Groeien tot
wij eindelijk groot genoeg zijn om bij God te leven. Groeien... tot
de aarde niet meer is dan een voetbank onzer voeten... Tot de geest
de vrees geheel zal verdreven hebben en zich over alles zal hebben
verspreid"... Hij zwaaide zijn arm hemelwaarts:--"Daar!"

Zijn stem zweeg. De witte gloed van een der zoeklichten straalde
neer, en viel een oogenblik op hem, en hij stond daar, reusachtig,
met één hand ten hemel geheven.

Eén oogenblik straalde hij, en keek onbevreesd in de met sterren
bezaaide hemeldiepten; gekleed in maliën, jong en sterk, vastberaden
en kalm. Toen gleed het licht heen en was hij nog slechts een groote
donkere omtrek, die tegen den sterrenhemel afstak,-- een groote
zwarte omtrek, die met een machtig gebaar het firmament en al die
sterrenscharen bedreigde.



INHOUD.


Boek I.

De ontdekking van het voedsel.

                                                        Pag.
    Hoofdstuk I.      De ontdekking van het Voedsel       5
    Hoofdstuk II.     De Proef-Hoeve                     19
    Hoofdstuk III.    De Reuzen-Ratten                   58
    Hoofdstuk IV.     De Reuzen-Kinderen                102
    Hoofdstuk V.      Het in het niet verdwijnen van
                      den heer Bensington               138

Boek II.

Het voedsel in het dorp.

    Hoofdstuk I.      De komst van het Voedsel          153
    Hoofdstuk II.     De reusachtige Telg               179

Boek III.

De oogst van het voedsel.

    Hoofdstuk I.      De veranderde wereld              201
    Hoofdstuk II.     De Reuzen-Geliefden               232
    Hoofdstuk III.    De jonge Caddles in Londen        256
    Hoofdstuk IV.     Redwood's Twee Dagen              273
    Hoofdstuk V.      De Reuzen-Legerplaats             298



AANTEEKENINGEN


[1] Brock is dè vuurwerkmaker in Engeland en bij Brock's Benefiet,
eenmaal per jaar in het "Crystal Palace", wordt een eindeloos getal
rakketten enz. opgelaten.

(Noot van Vertaler.)

[2] Reckitt's zakjes-blauw wordt geacht uitstekend te helpen als men
door een wesp etc. gestoken is, en dit op de oploopende plaats legt.

[3] Sponsachtige uitwas van het genus fungales.

[4] Roman van de veelschrijfster Marie Corelli. (Red.)

[5] Fransch schrijver van werken over "de zielkunde der menigte",
evenals Sighele. (Red.)

[6] In Amerika heeft, in de groote hôtels, iedere verdieping haar
eigen beambte of klerk. Wells schijnt dit overgebracht te hebben op
de groote particuliere huizen, die in verdiepingen verhuurd worden.

[7] Hooligans zijn de ruwste, meest bandelooze soort van
straatslijpers.

[8] Pyracanthus is een soort hagedoorn.

[9] Climacterisch, letterlijk: naar zekere tijdperken. Volgens
oud-medische beschouwing wordt een menschenleeftijd verdeeld in
tijdperken, die aan het eind levensgevaarlijk zouden zijn. Vooral
het 63e jaar, waarbij een zekere sufheid intreedt. Men zou, als van
een vrucht, kunnen zeggen, dat de mensch "beurs" wordt.

[10] West-End is het deftigere gedeelte van Londen.

[11] De hooge huizen van twintig en meer verdiepingen in Londen.

[12] "Verandert niet".

[13] "Overstap".--Waar in Engeland een voetpad over partikulier land
loopt, dat omheind is, zijn bij de kruisingen en afscheidingen overal
zoogenaamde "stiles" aangebracht; soms draaiende hekken, soms eenige
treden, om over te stappen.

[14] Wolfsveest: kampernoelje, paddenstoel--latijn: Lycoperdon.

[15] Het "ei van Koning Rock" speelt een rol in de geschiedenis van
Aladdin en de Wonderlamp, waar de broeder van den vermoorden toovenaar
Aladdin doet overhalen de geesten van de lamp om dat ei te vragen. (Zie
onze uitgave van dit verhaal.)

[16] Anders dan hier te lande worden de nieuwsbladen, onmiddellijk
nadat zij uitgegeven zijn, rondgevent op straat door jongens, die
tevens groote reclame-biljetten bij zich hebben, waarop het meest
sensationeele van den dag te lezen staat.

[17] Kennington Oval: het bekende cricket-veld bij Londen.





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Het voedsel der Goden en hoe het op Aarde kwam" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home