Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Het Auteursrecht - in het Nederlandsche en internationale recht
Author: Beaufort, Henri Louis de
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Het Auteursrecht - in het Nederlandsche en internationale recht" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



                            HET AUTEURSRECHT
              in het Nederlandsche en internationale recht

                              Proefschrift

             Ter verkrijging van den graad van Doctor in de
             Rechtswetenschap aan de Rijks-Universiteit te
            Utrecht na machtiging van den Rector Magnificus
            Dr. H. Zwaardemaker hoogleeraar in de Faculteit
             der Geneeskunde volgens besluit van den Senaat
              der Universiteit tegen de bedenkingen van de
             Faculteit der Rechtsgeleerdheid te verdedigen
              op vrijdag 17 december 1909 des namiddags te
                               4 uur door

                        HENRI LOUIS DE BEAUFORT

                           Geboren te Leusden



              P. den Boer Senatus Veteranorum Typographus
                    et Librorum Editor Utrecht 1909



                                                        Aan mijne Ouders



Niet gaarne zou ik de gelegenheid laten voorbijgaan, die mij hier
is gegeven, om openlijk mijn dank te brengen aan U, Hooggeachte
Professor de Louter, voor de groote bereidwilligheid waarmede U,
tijd noch moeite ontziende, mij bij het schrijven van dit proefschrift
terzijde hebt gestaan en bovenal voor de vriendelijke belangstelling,
die U mij daarbij steeds hebt willen betoonen.

Ook aan de overige Hoogleeraren, onder wier leiding ik het voorrecht
heb gehad aan deze Universiteit te studeeren, betuig ik mijne
erkentelijkheid voor de welwillendheid en belangstelling, die ik
van hen mocht ondervinden. In het bijzonder denk ik hierbij ook aan
de verplichtingen, die ik als oud-lid van het Collegium Themis heb
tegenover Prof. Hamaker en Prof. Molengraaff, de eere-voorzitters
van dit gezelschap in de jaren, dat ik aan de werkzaamheden deelnam.

Ten slotte wil ik, nu ik op het punt sta de Academie te verlaten,
het Utrechtsch Studenten-Corps gedenken, waarmede alle herinneringen
uit mijn studententijd onafscheidelijk verbonden zullen blijven. Het
is mijn oprechte wensch, dat het blijve bloeien, zoolang Utrecht en
zijne Academie bestaat.



INHOUD


                                                                      P.

BRONNEN EN LITERATUUR                                               XIII

HOOFDSTUK I

HISTORISCHE INLEIDING

    § 1 De bescherming tegen den nadruk in ons land tot aan het
        einde der achttiende eeuw                                      1
    § 2 Onze wetgeving op het auteursrecht van het einde der
        achttiende eeuw tot dezen tijd                                39
    § 3 Geschiedkundige ontwikkeling van het internationaal
        auteursrecht                                                  52


HOOFDSTUK II

GRONDSLAG EN RECHTSKARAKTER

    § 1 Algemeen overzicht der verschillende theorieën                70
    § 2 Recht of doelmatigheid?                                       78
    § 3 Economische theorieën                                         95
    § 4 Het auteursrecht als recht op een onlichamelijk goed         108


HOOFDSTUK III

DE OBJECTEN

    § 1 Algemeen overzicht en groepeering                            126
    § 2 Geschriften
        a Kenmerkende eigenschappen                                  137
        b Vorm en inhoud                                             143
        c Practische toepassingen van het voorgaande                 169
            I   Vereischten waaraan een geschrift moet voldoen
                om object van auteursrecht te zijn                   170
            II  Het recht van den vertaler                           176
            III Het uitsluitend vertalingsrecht                      180
            IV  Het recht van den bewerker en het uitsluitend
                bewerkingsrecht                                      186
    § 3 Wetenschappelijke en technische platen en kaarten            195
    § 4 Werken der toonkunst                                         202
    § 5 Dramatisch-muzikale werken, balletten en pantomimes          211
    § 6 Werken van beeldende kunst                                   219
    § 7 Kunstnijverheid, photographie en bouwkunst                   228


HOOFDSTUK IV

OMVANG EN DUUR

    § 1 Omvang                                                       234
        I   Het door den druk gemeen maken van geschriften en
            muziekwerken                                             236
        II  Het maken van afschriften                                238
        III Vervaardiging en verspreiding van mechanische
            muziek-instrumenten en phonografen                       240
        IV  Reproductie door den kinematograaf                       244
        V   Op- en uitvoering                                        246
        VI  Voordracht                                               251
        VII Reproductie van werken van beeldende kunst               252
    § 2 Duur                                                         254


HOOFDSTUK V

VOORWAARDEN EN FORMALITEITEN                                         261


HOOFDSTUK VI

EENIGE MET HET AUTEURSRECHT IN VERBAND STAANDE RECHTEN               275

    I   Recht op brieven                                             278
    II  Persoonlijkheidsrecht in verband met beslag op
        auteursrecht                                                 281
    III Het recht van den auteur dat zijn werk in ongeschonden
        staat wordt publiek gemaakt                                  288
    IV  Het recht met betrekking tot den auteursnaam                 291
    V   Recht van den afgebeelden persoon                            299


HOOFDSTUK VII

INTERNATIONAAL AUTEURSRECHT

    § 1 Algemeene opmerkingen                                        305
    § 2 De Berner Conventie                                          319
        a Algemeene regelen betreffende het internationale
          auteursrecht in het Verbond
            I   Doel en strekking van het Verbond                    321
            II  De werken waarop de Conventie van toepassing is      322
            III Aard en omvang der bescherming                       343
            IV  Duur der bescherming                                 366
        b Bijzondere regelen omtrent sommige onderdeelen
            I   Het uitsluitend vertalingsrecht                      370
            II  Dagbladen en tijdschriften                           383
            III Bloemlezingen                                        395
            IV  Op- en uitvoeringsrecht                              398
            V   Bewerkingsrecht                                      403
            VI  Mechanische muziek-instrumenten                      406
            VII Kinematograaf                                        413
        c Rechtsmiddelen tot handhaving van het auteursrecht
            I   Legitimatie voor den rechter                         417
            II  Beslag op nadruk                                     420
        d Uitvoerings- en overgangsbepalingen
            I   Maatregelen der Verbondsstaten tegen verspreiding
                of uitstalling van geschriften en kunstwerken        423
            II  Overgangsbepalingen                                  424
            III De wetten en afzonderlijke tractaten in verband
                met de Conventie                                     434
            IV  Huishoudelijke inrichting van het Verbond            436
            V   Toetreding van nieuwe staten en hunne koloniën       436
            VI  Bekrachtiging, inwerkingtreding en opzegging         439


BIJLAGEN

I   Wet van 28 Juni 1881 (Staatsblad no. 124) tot regeling van
    het auteursrecht                                                 443
II  Gewijzigd ontwerp van wet tot regeling van het auteursrecht
    op werken van beeldende kunst                                    452
III A   Convention de Berne du 9 Septembre 1886 concernant la
        création d'une Union internationale pour la protection
        des oeuvres littéraires et artistiques                       459
            Article additionnel                                      464
            Protocole de clôture                                     465
    B   Acte additionnel du 4 Mai 1896                               467
        Déclaration du 4 Mai 1896                                    469
    C   Convention de Berne revisée pour la protection des oeuvres
        littéraires et artistiques du 13 Novembre 1908               471
IV  Association littéraire et artistique internationale Projet
    de Loi-Type                                                      481


STELLINGEN                                                           487



BRONNEN EN LITERATUUR


Een enkel woord over de bronnen en de literatuur, waarvan voor dit
proefschrift gebruik is gemaakt, moge hier voorafgaan.

Voorzoover mijn onderzoek direct gericht was op het bestaande recht
van nu en van vroeger tijd, heb ik zooveel mogelijk de officieele en
oorspronkelijke bescheiden, die daarover licht konden verschaffen,
geraadpleegd.

Bij de bestudeering van de privilegies tegen nadruk in ons land van
de zestiende, zeventiende en achttiende eeuw bestond mijn voornaamste
bron in de Resolutiën van de Staten van Holland en de Resolutiën van de
Staten-Generaal, beide (de eerste gedrukt, de laatste in handschrift)
berustende in het Rijksarchief te 's Gravenhage. Ik achtte het echter
niet noodig alle jaargangen uit het ruim tweehonderdjarig tijdperk
te doorzoeken; hier en daar deed ik een greep, daarbij zorg dragende,
dat nergens eene periode van eenigen omvang geheel ondoorzocht bleef.

Voorts heb ik voor dit gedeelte van mijn onderzoek veel gehad aan het
Archief voor kerkelijke en wereldsche geschiedenissen, inzonderheid van
Utrecht, uitgegeven door J. J. Dodt van Flensburg; van de "Resolutiën
der Generale Staten uit de XVIIde eeuw meer onmiddellijk betreffende
de geschiedenis der beschaving", die in de deelen IV, V, VI en VII van
dit werk zijn opgenomen, bleken er een groot aantal op mijn onderwerp
betrekking te hebben.

Van verscheidene privilegiën heb ik ook kennis kunnen nemen, doordat
zij in het geprivilegieerde boek zelf stonden afgedrukt.

Van de schrijvers over de boekdrukkers-privilegiën dient te worden
genoemd Bodel Nyenhuis (De wetgeving op drukpers en boekhandel in de
Nederlanden tot in het begin der XIXde eeuw). Na dit boek, waarvan de
eerste (Latijnsche) uitgave in 1819 verscheen, schijnt een zelfstandig
onderzoek van eenigen omvang door niemand meer te zijn ingesteld;
zoo alleen is te verklaren, dat enkele onjuistheden uit het genoemde
werk bij alle latere schrijvers worden teruggevonden.

Voor de kennis van het Nederlandsche recht ná 1796 behoefde uit
den aard der zaak een opsporingswerk van eenige beteekenis niet te
worden verricht. Het werd, voorzoover noodig, nog vergemakkelijkt
door eene verzameling van wetten, tractaten, rechtspraak enz.,
uitgegeven door de Vereeniging ter bevordering van de belangen des
Boekhandels. (Het letterkundig eigendomsregt in Nederland. Wetten,
tractaten, regtspraak, benevens de wetgeving op de drukpers in
Nederland en Nederlandsch-Indië, 's-Gravenhage 1865; id. Tweede
Gedeelte, 's Gravenhage 1867).

Bij de bestudeering van de Berner Conventie heb ik in de eerste en
voornaamste plaats gebruik gemaakt van de officieele handelingen
der Conferenties.

Daar de belangrijkste arbeid op deze Conferenties werd verricht in
de gesloten vergaderingen der Commissie, aan wie de verwerking der
verschillende voorstellen en tegen-voorstellen was opgedragen, zijn
het niet het minst de verslagen dier Commissie aan de Conferentie,
die aan de handelingen hunne waarde verleenen.

Vooral de Commissie-verslagen van de twee laatste Conferenties (van
Parijs 1896 en Berlijn 1908) zijn om hunne volledigheid en helderheid
zeer waardevolle documenten, waarvoor den bekwamen rapporteur,
Prof. Louis Renault, terecht algemeen lof is gebracht.

Van de geraadpleegde literatuur over de Conventie noem ik in de
eerste plaats het standaard-werk van Prof. Ernst Röthlisberger,
Die Berner Uebereinkunft zum Schutze von Werken der Literatur und
Kunst und die Zusatzabkommen. (Bern 1906). Deze voortreffelijke en
zeer volledige commentaar is echter reeds eenigermate verouderd,
daar hij geschreven is vóór de herziening van Berlijn.

Daarnaast heb ik alleen geschriften van kleineren omvang over de
Conventie tot mijne beschikking gehad, grootendeels artikelen in het
maandblad Le Droit d'Auteur, officieel orgaan van het Internationale
Verbond. Behalve deze studies over de Conventie bevatten de twee en
twintig jaargangen, die reeds van dit voortreffelijk geredigeerde
tijdschrift zijn verschenen, een schat van gegevens over wetgeving
en jurisprudentie op het auteursrecht van bijna alle landen der wereld.

Wat de literatuur over het auteursrecht in het algemeen betreft,
nog het volgende:

De lijst van geraadpleegde werken, die ik hieronder laat volgen, is
wat de vaderlandsche literatuur betreft, vrijwel volledig. In elk
geval meen ik te kunnen zeggen, dat geen belangrijk geschrift van
eenigen omvang erop ontbreekt. Niet opgenomen zijn de dagbladartikelen
en korte stukken in tijdschriften, alsmede die werken, waarin het
auteursrecht slechts terloops wordt besproken.

Van de buitenlandsche literatuur met haar reusachtigen en nog steeds
toenemenden omvang, heb ik slechts een klein gedeelte tot mijne
beschikking gehad. Ik hoop echter dat mijne keus, waarin ik natuurlijk
niet volkomen vrij was, niet al te ongelukkig is uitgevallen.

Ten aanzien van één schrijver ben ik op dit punt niet ongerust:
ik bedoel Kohler, wiens werken ongetwijfeld tot het belangrijkste
behooren van hetgeen over het auteursrecht is geschreven. Uit de
volgende bladzijden zal men herhaaldelijk kunnen zien, hoeveel ik
aan dezen schrijver verschuldigd ben.



Men vindt hier eerst de Nederlandsche, daarna de buitenlandsche werken,
alphabetisch gerangschikt naar de namen der auteurs.


J. Aikes van Kregten, Het contract tusschen schrijver en uitgever,
Proefschr. Groningen 1889.

Mr. G. Belinfante, Het recht van den auteur, Themis 1877 pp. 204a sqq.

J. T. Bodel Nyenhuis, De wetgeving op drukpers en boekhandel in de
Nederlanden tot in het begin der XIXde eeuw. (Vertaling van: De juribus
typographorum et bibliopolarum in regno Belgico, Lugd. Bat. 1819). Met
de latere bijvoegsels en verbeteringen van den schrijver.

J. D. Doorman, Het vrije vertalingsrecht verdedigd, Leiden 1885.

Mr. Evertsen de Jonge, Verhandeling over de regten van schrijvers
en kunstenaars op hunne werken, voornamelijk uit het oogpunt van het
internationale regt, Utrecht 1853.

Mr. J. Heemskerk Azn., Voordragten over den eigendom van
voortbrengselen van den geest, Haarlem 1856.

Prof. Mr. H. van der Hoeven, Een verongelukt artikel, Tijdschrift
voor Strafrecht V pp. 99 sqq.

J. van de Kasteele, Het auteursrecht in Nederland, Proefschr. Leiden
1885.

Mr. S. Katz, Het auteursrecht, Rechtsgeleerd Magazijn I pp. 311 sqq.

J. H. Kok, Auteursrecht en Berner Conventie, Rotterdam 1905.

-- Aansluiting bij de Berner Conventie, Pro en Contra serie I no. 10.

Mr. J. A. Levy, Nederland en de Berner Conventie, Het Paleis van
Justitie, 9 Aug. 1898 pp. 1 en 2.

Jhr. Mr. A. F. de Savornin Lohman, Over de regten van den uitvinder,
Themis 1862 pp. 213 sqq.

-- Boekbeoordeeling (De Kon. Akademie van Wetenschappen en de
zoogenaamde letterkundige en kunsteigendom. Eene kritiek door
mr. T. van Hettinga Tromp), Nieuwe Bijdragen voor Regtsgeleerdheid
en Wetgeving deel XIV (1864) pp. 140 sqq.

-- Grond en omvang van het regt van schrijver en uitvinder, Bijdragen
tot de kennis van het Staats-Provinciaal en Gemeente-Bestuur in
Nederland XVI (nieuwe serie III) pp. 1 sqq.

J. Mosmans, Diefstal? Nederland en de Berner Conventie, Venloo 1905.

Mr. A. A. de Pinto, Begrip en omvang van het auteursrecht volgens de
Nederlandsche wet, Verslagen en Mededeelingen der Kon. Akademie van
Wetensch. Afd. Letterkunde 3de reeks, 12de deel pp. 5 sqq.

Mr. L. J. Plemp van Duiveland, Nederland en de Berner Conventie,
de Gids 1896 III pp. 385 sqq.

-- Nederland en de (herziene) Berner Conventie, Onze Eeuw 1909 I
pp. 102 sqq.

N. de Ridder, Eenige beschouwingen over kopierecht, Proefschr. Utrecht
1875.

Herman Robbers, Aansluiting bij de Berner Conventie, Pro en Contra
serie I no. 10.

-- De Berner Conventie, te Berlijn herzien, de Gids 1908 IV pp. 541
sqq.

J. G. Robbers Jr., Het auteursrecht. Opmerkingen en beschouwingen,
Proefschr. Amsterdam 1896.

Mr. Paul Scholten, Recht op brieven, Weekblad voor Privaatrecht,
Notarisambt en Registratie 22 Sept. 1906 no. 1917.

Mr. Ph. W. Scholten, Eene leemte in de wet betreffende het
auteursrecht, Themis 1884 pp. 154 sqq.

A. G. N. Swart, Opmerkingen betreffende auteursrecht op werken van
beeldende kunst, Proefschr. Leiden 1891.

Mr. J. D. Veegens, Het auteursrecht volgens de Nederlandsche wetgeving,
1895.

-- Nederland en de Berner Conventie, de Gids, 1896 III pp. 411 sqq.

-- id. met Bijlagen; Supplement op: Het auteursrecht volgens de
Nederl. wetgeving, 2de druk Groningen 1898.

Mr. B. van den Velden, Over het kopyregt in Nederland, 's Gravenhage
1835.

Mr. J. Freseman Viëtor, Eene bijdrage tot het leerstuk van
den intellectueelen eigendom, Bijdragen tot de kennis van het
Staats-Provinciaal en Gemeente-Bestuur in Nederland XV (nieuwe serie
II) pp. 1-49, 113-166.

-- Het auteursrecht, Kantteekeningen op het ontwerp van wet tot
regeling van het auteursrecht, Utrecht 1877.

-- Praeadvies voor de Nederlandsche Juristen-Vereeniging, Handelingen
der Nederl. Juristen Vereeniging 1877 I pp. 34 sqq.

Henry Viotta, Het auteursrecht van den componist, Proefschr. 1877.

Mr. B. M. de Vos, Het auteursrecht in actie, Rechtsgeleerd Magazijn
1908 pp. 28 sqq. en 414 sqq.



Dr. Karl Adler, Zur juristischen Konstruktion des Urheberrechtes,
Archiv für Bürgerliches Recht X pp. 104 sqq.

Dr. O. Bähr, Hat der Eigenthümer einen Anspruch auf Schutz gegen
Vervielfältigung eines ihm gehörigen Schrift- oder Kunstwerks? Archiv
für Bürgerliches Recht VIII pp. 150 sqq.

Louis Blanc, De la propriété littéraire, Organisation du Travail 5me
ed. Paris 1848 pp. 220 sqq.

Bluntschli, Das sogenannte Schrifteigenthum, Das Autorrecht, Kritische
Ueberschau der deutschen Gesetzgebung und Rechtswissenschaft I
pp. 1 sqq.

Jules Charreyron, De la propriété littéraire et artistique, Thèse
pour le doctorat Paris 1904.

Dr. P. Daude, Lehrbuch des Deutschen litterarischen, künstlerischen
und gewerblichen Urheberrechts, Stuttgart 1888.

Louis Delzons, La propriété artistique et littéraire à la Conférence
de Berlin, Revue des deux mondes Octobre 1908 pp. 667 sqq.

Louis Delzons, L'oeuvre de la Conférence de Berlin sur la propriété
littéraire et artistique, ibid. Dec. 1908 pp. 895 sqq.

J. G. Fichte, Beweis der Unrechtmässigkeit des Büchernachdrucks. Ein
Räsonnement und eine Parabel, Sämmtliche Werke 8 pp. 223 sqq.

C. F. von Gerber, Ueber die Natur der Rechte des Schriftstellers und
Verlegers, Jahrbücher für die Dogmatik III pp. 359 sqq.

O. Gierke, Deutsches Privatrecht (Systematisches Handbuch der Deutschen
Rechtswissenschaft von dr. Karl Binding 2de afd. IIIde deel), Leipzig
1895 pp. 702 sqq. 756 sqq.

Hegel, Grundlinien der Philosophie des Rechts §§ 43, 68, 69.

Prof. Dr. Paul Hinschius, Ueber die Schutzberechtigung von Pantomimen
und Ballets gegen unbefugte öffentliche Aufführung, Jahrbücher für
die Dogmatik XXVI pp. 185 sqq.

Dr. Julius Jolly, Die Lehre vom Nachdruck, nach den Beschlüssen
des deutschen Bundes dargestellt, Beilageheft zum Archiv für die
civilistische Praxis, Band XXXV (1852).

Im. Kant, Metaphysik der Sitten I, Rechtslehre, I Theil, II Hauptst.,
3 Abschn.

Dr. Joseph Kohler, Das Autorrecht, eine zivilistische Abhandlung,
zugleich ein Beitrag zur Lehre vom Eigenthum, vom Miteigenthum,
vom Rechtsgeschäft und vom Individualrecht, Jahrbücher für die
Dogmatik XVIII.

-- Das literarische und artistische Kunstwerk und sein Autorschutz,
Eine juridisch-ästhetische Studie, Mannheim 1892.

-- Urheberrecht an Schriftwerken und Verlagsrecht, Stuttgart 1906-1907.

-- Kunstwerkrecht, Stuttgart 1908.

-- Die Idee des geistigen Eigenthums, Archiv für die civilistische
Praxis 82 pp. 192 sqq.

-- Das Recht an Fahrtenbüchern, ibid. 85 pp. 98 sqq.

-- Autorrechtliche Studien, ibid. 85 pp. 399 sqq.

-- Die Immaterialgüter im internationalen Recht, Zeitschrift für
internationales Privat- und Strafrecht VI (1896) pp. 236 sqq. en
338 sqq.

-- Das Individualrecht als Namenrecht, Archiv für Bürgerliches Recht
V pp. 77 sqq.

-- Das Recht an Briefen, ibid. VII pp. 94 sqq.

-- Zur Konstruktion des Urheberrechts, ibid. X pp. 241 sqq.

Paul Laboulaye, Étude sur le droit de propriété littéraire en
Allemagne, Paris 1855.

Macaulay, Copyright, A speech delivered in The House of Commons on
the 5th of February 1841.

-- id. on the 6th of April 1841, Speeches by Macaulay in two volumes,
vol. 1 pp. 273 sqq. (Tauchnitz edition vol. CCLXXXIV).

Mandry, Der Entwurf eines gemeinsamen deutschen Nachdruckgesetzes,
Kritische Vierteljahrschrift für Gesetzgebung und Rechtswissenschaft
VII pp. 1-55, 242-274, 565-609.

-- Der civilrechtliche Inhalt der Reichsgesetze, Archiv für die
civilistische Praxis 60 (neue Folge 10) pp. 228 sqq.

F. de Martens, Traité de droit international, traduit du Russe par
Alfred Léo, Paris 1886 II pp. 195-234.

Aloïs d'Orelli, La Conférence internationale pour la protection des
droits d'auteur, réunie à Berne du 8 au 19 Septembre 1884, Revue de
droit international et de législation comparée 1884 pp. 533 sqq.

-- La deuxième conférence internationale pour la protection des
oeuvres littéraires et artistiques, ibid. 1886 pp. 35 sqq.

Hermann Ortloff, Das Autorrecht als strafrechtlich zu schützendes
Recht, Jahrbücher für die Dogmatik V pp. 263 sqq.

Eugène Pouillet, Traité théorique et pratique de la propriété
littéraire et artistique et du droit de représentation, Paris 1879.

P. J. Proudhon, Les Majorats littéraires, Examen d'un projet de loi
ayant pour but de créer, au profit des auteurs, inventeurs et artistes
un monopole perpétuel, Paris 1868, Oeuvres Complètes tome XVI.

Fernand Renouard, Essai sur la nature du droit d'auteur, improprement
désigné sous le titre de propriété littéraire, Genève 1869.

Prof. Ernst Röthlisberger, Die Berner Uebereinkunft zum Schutze von
Werken der Literatur und Kunst und die Zusatzabkommen, geschichtlich
und rechtlich beleuchtet und kommentiert, Bern 1906.

Dr. A. Schäffle, Die ausschliessenden "Verhältnisse" mit besonderer
Rücksicht auf litterarisch-artistisches Autorrecht, Patent-, Muster-
und Markenschuz, Zeitschrift für die gesammte Staatswissenschaft Band
23 (1867) pp. 143-219; 291-477.

-- Ueber die volkswirtschaftliche Natur der Güter der Darstellung
und der Mittheilung, ibid. Band 29 (1873) pp. 1-70.

Dr. Schmid, Ueber dingliche Gewerberechte, Archiv für die civilistische
Praxis Band 4 pp. 1 sqq.; 174 sqq.

Dr. Heinrich M. Schuster, Das Urheberrecht der Tonkunst in Oesterreich,
Deutschland und andern europäischen Staaten mit Einschluss der
allgemeinen Urheberrechtslehren historisch und dogmatisch dargestellt,
München 1891.



AFKORTINGEN


Actes 1884 Actes de la Conférence internationale pour la protection des
droits d'auteur réunie à Berne du 8 au 19 septembre 1884, Berne 1884.

Actes 1885 Actes de la 2me Conférence internationale pour la protection
des oeuvres littéraires et artistiques réunie à Berne du 7 au 18
Septembre 1885, Berne 1885.

Actes 1886 Actes de la 3me Conférence internationale pour la protection
des oeuvres littéraires et artistiques réunie à Berne du 6 au 9
septembre 1886, Berne 1886.

Actes 1896 Actes de la Conférence réunie à Paris du 15 avril au 4
mai 1896, Berne Bureau international de l'Union 1897.

Actes 1908 Actes de la Conférence réunie à Berlin du 14 octobre au
14 novembre 1908, Berne Bureau de l'Union internationale littéraire
et artistique 1909.

D. A. Le Droit d'Auteur, organe officiel du Bureau de l'Union
internationale pour la protection des oeuvres littéraires et
artistiques.

Ontw. B. K. Gewijzigd ontwerp van wet tot regeling van het auteursrecht
op werken van beeldende kunst.

W. A. R. Wet van 28 Juni 1881 (Staatsblad no. 124) tot regeling van
het auteursrecht.



HOOFDSTUK I

HISTORISCHE INLEIDING


§ 1 De bescherming tegen den nadruk in ons land tot aan het einde
der achttiende eeuw

Den voortbrengers van intellectueele producten (werken van kunst en
letterkunde) komt, op grond van hun auteurschap, het vrije genot van
de door hen geschapen geesteswerken toe en daarmede het recht, over de
exploitatie dezer werken uitsluitend te beschikken. Dit is de thans
vrijwel algemeen erkende grondregel, waarvan bij de regeling van het
auteursrecht dient te worden uitgegaan en die in dit proefschrift
nog herhaaldelijk van verschillende kanten zal worden toegelicht
en uitgewerkt.

Dat dit niet van oudsher zoo is ingezien, vindt zijne oorzaak niet
in de auteursproducten zelf--het is algemeen bekend, dat reeds in de
oudheid literatuur en beeldende kunst bij sommige volken tijdperken
van grooten bloei hebben gehad--maar in de wijzen, waarop die producten
geëxploiteerd kunnen worden.

De belangrijke gebeurtenis, die in dit opzicht verandering bracht, was
de uitvinding der boekdrukkunst. Het staat vast, dat daarvóór van het
toekennen van uitsluitende rechten op de exploitatie van intellectueele
producten nooit sprake is geweest. Men heeft zich hierover wel
verwonderd, omdat ook vóór de boekdrukkunst verveelvoudiging van
boeken reeds op groote schaal plaats had.

In het oude Rome b.v. waren reeds "bibliopolae" gevestigd, die
honderden slaven als overschrijvers in hun dienst hadden, zoodat
het aantal afschriften, dat van eenzelfde boek--soms in zeer korten
tijd--verspreid kon worden, zeker niet geringer was dan dat van
de gedrukte exemplaren, die een uitgever kort na de uitvinding der
boekdrukkunst in denzelfden tijd kon afleveren [1].

Ook in de Middeleeuwen kon aan de steeds toenemende vraag naar boeken
door de overschrijvers genoegzaam worden voldaan; in verscheidene
steden van Europa, o. a. Venetië, Parijs en Londen, waren huizen
gevestigd, waar dit bedrijf, evenals vroeger in Rome, in het groot
werd uitgeoefend. In ons land waren het vooral de talrijke Broeders
des gemeenen levens, die zich hierop toelegden en daaraan zelfs den
naam "Broeders van de penne" te danken hadden [2].

De exploitatie van letterkundige producten was dus ook vóór de
toepassing der boekdrukkunst reeds van beteekenis; toch laat het
zich wel verklaren, dat men er in die tijden niet toe gekomen is,
een uitsluitend recht op kopie te scheppen.

In de eerste plaats zou een dergelijk recht practisch waarschijnlijk
van weinig beteekenis zijn geweest, daar het in de meeste gevallen
niet mogelijk zou zijn een inbreuk erop te constateeren; bovendien
zou het uitsluitend tot bescherming hebben gediend van degenen
die een groot aantal overschrijvers in dienst hadden; op zichzelf
staande personen, die in het overschrijven een middel van bestaan
vonden, zou het onmogelijk hebben gemaakt. Doch de voornaamste
reden moet gezocht worden in het feit, dat bij verveelvoudiging
door overschrijvers de te behalen winst niet afhangt van het aantal
exemplaren, dat van hetzelfde boek verkocht kan worden, zooals dat
bij toepassing van den druk het geval is. Er worden niet, zooals
bij het drukken, bijzondere kosten vereischt voor de bewerking van
nieuwe kopie, zoodat daarvoor ook geene vergelding behoeft te worden
gezocht in den verkoop van zooveel mogelijk exemplaren van hetzelfde
boek. Het vervaardigen van afschriften kon geleidelijk plaats hebben
in overeenstemming met de vraag; zoodra een werk geen koopers meer
vond, kon de reproductie zonder schade worden gestaakt en een ander
ter hand worden genomen. Werd van dezelfde kopie door anderen gebruik
gemaakt om afschriften in den handel te brengen, dan leed de eerste
uitgever hierdoor geen meerdere schade dan door elke andere daad
van concurrentie.

De drukker-uitgever echter wordt door nadruk van een door hem
uitgegeven boek veel zwaarder getroffen.

Het in druk uitgeven van een geschrift is--en was vooral te dien tijde,
toen de drukkunst nog in haar opkomst was--altijd min of meer een
waagstuk. Daar men meestal niet op den verkoop van een vast aantal
exemplaren kan rekenen, blijft de kans bestaan, dat met verlies zal
worden gewerkt. Vandaar dat het den uitgever er vóór alles om te doen
is, kopie machtig te worden, waarmede eene flinke oplage kan worden
gewaagd. Doch de moeite en kosten daaraan besteed zullen hem weinig
baten, wanneer het ieder vrijstaat, zijn boek na te drukken. De
nadrukker kiest natuurlijk juist de werken uit, waarmede winst zou
zijn te behalen; door de prijs zijner exemplaren iets lager te stellen
dan die der oorspronkelijke uitgave, trekt hij de meeste koopers naar
zich toe.

Toen de toepassing der boekdrukkunst meer algemeen begon te worden,
zag men dan ook spoedig in, dat het stelsel van vrij gebruik van kopie,
waaronder het bedrijf der overschrijvers tot bloei had kunnen komen,
aan de ontwikkeling der boekdruk-industrie in den weg stond. Om dit
kwaad te keeren, werd toen van overheidswege de meest voor de hand
liggende maatregel genomen: iemand die een boek in druk wenschte
te doen verschijnen, kon op een daartoe gedaan verzoek octrooi
of privilegie krijgen, dat boek gedurende een bepaalden tijd met
uitsluiting van ieder ander te mogen drukken en verkoopen.

De privilegiën zijn in de meeste landen tot aan het einde der
achttiende eeuw vrijwel het eenige beschermingsmiddel tegen den nadruk
gebleven. Het recht--al was het dan een uitzonderingsrecht--der
privilegie-houders heeft vele punten van gemeenschap met het
auteursrecht en komt in omvang en strekking vrijwel overeen met het
kopierecht van de tegenwoordige wetten; het tijdperk der privilegiën
en octrooien is dus te beschouwen als de eerste periode in de
ontwikkelingsgeschiedenis van het auteursrecht. Om die reden moge er
hier, voorzoover ons land betreft, eene bespreking van volgen.



Voor het eerst schijnt in ons land een privilegie te zijn verleend
in het jaar 1516 door Karel V voor Die Cronycke van Hollandt,
Zeelandt en Vrieslant, beghinnende van Adams tiden tot de jare 1517
[3]. Van dat jaar af zal waarschijnlijk hier steeds de gelegenheid
hebben opengestaan voor de boekdrukkers en uitgevers, om zich op
deze wijze tegen den nadruk te doen beschermen. Aanvankelijk werden
de privilegiën hier verleend door den Vorst over deze landen: door
Karel V en na dezen door Philips II. Uit dien eersten tijd heb ik
er slechts enkele kunnen ontdekken [4], doch het schijnt toen al
niet tot de groote zeldzaamheden te hebben behoord dat zij werden
verleend, want reeds in eene keizerlijke verordening van 19 Mei 1570
komt de bepaling voor (art. 13): "dat geen Printer eenig boek zal
mogen printen, waarom een ander privilegie verkregen heeft, binnen
drie maanden na den dag van expiratie van 't privilegie."

Toen het gezag van Philips II hier niet meer werd erkend, verleenden
de Staten de privilegiën zelf.

Ook op dit punt komt de eigenaardige verhouding aan het licht, die
tot aan het einde van de Republiek der Vereenigde Nederlanden bestond
tusschen de Staten-Generaal en de Provinciale Staten, speciaal die
van Holland, doordat elk dezer lichamen het souvereine gezag zooveel
mogelijk naar zich wilde trekken. Zoowel door de Provinciale Staten
als door de Generaliteit werden privilegiën verleend; de eersten
waren natuurlijk slechts in ééne provincie van kracht, de laatsten
golden, voorzoover zij niet uitsluitend voor de Generaliteitslanden
waren bestemd, in de geheele Republiek. Doch de rechtskracht van de
privilegiën der Staten-Generaal werd niet steeds in alle provinciën
erkend. Dit bleek o. a. toen de Staten-Generaal in 1632 aan de weduwe
van Hillebrant Jacobsz, van Wouw een privilegie hadden verleend voor
de Statenvertaling van den bijbel, hetgeen protesten uitlokte van
verschillende boekverkoopers in de Hollandsche steden, "... als niet
konnende verstaen dat de Staten Generael macht hadden om Octroy te
geven aen d'eene, ende verbot te doen aen d'andere..." enz. [5]. Door
de Steden van Holland werd tegen dit octrooi aangevoerd, "dat sulcks
niet konde prejudiceren aen de Provinciën of Leden van dien, of om
korter te spreken, dat haer Ho. Mo. geen macht hadden sulcken octroy
te gheven." [6] Wel werd in 1639 door de Staten-Generaal het gegeven
octrooi "geconfirmeert," maar dit belette niet, dat de bijbel door
verscheidene Hollandsche boekdrukkers werd nagedrukt [7].

Na dit voorval kwam het in gebruik, voor de door de Staten-Generaal
verleende privilegiën in de verschillende provinciën attache aan
te vragen; in sommige privilegiën vindt men zelfs de verplichting
hiertoe uitdrukkelijk door de Staten-Generaal voorgeschreven [8]
en van Aitzema meldt, dat sinds dien tijd geen octrooi van de
Staten-Generaal in Holland van waarde is geweest zonder attache
[9]. Of dit tot aan het einde der Republiek zoo is gebleven, is mij
onbekend; in elk geval staat vast, dat de Staten-Generaal doorgingen
met het verleenen van privilegiën voor de geheele Republiek, zooals
uit het onderstaande herhaaldelijk zal blijken.

Om een privilegie te verkrijgen, was het gebruikelijke middel het
inzenden van een request, waarin titel en schrijver van het werk
werden vermeld, soms met eene korte aanduiding van den inhoud. Een
placcaat van de Staten van Holland van 9 Januari 1686 [10] bepaalde,
dat in een dergelijk request de naam van het boek moest worden vermeld;
werd voor meerdere boeken tegelijk octrooi aangevraagd, dan kon met
één request worden volstaan, zoo het allen werken van eenzelfden
auteur waren en zij voor den druk gereed waren; anders moesten er
evenveel requesten worden ingestuurd als er auteurs waren.

Van den inhoud van het geschrift namen de Staten dus in den regel
vóór het verleenen van het octrooi geen kennis; meestal stond in het
octrooi de uitdrukkelijke verklaring, dat er in geenen deele alles
mede werd "geapprobeerd" wat in het boek te lezen stond. Bleek later,
dat een geprivilegieerd boek aanstootelijke zaken inhield, dan kon
het privilegie steeds worden ingetrokken, zooals o. a. in 1677 met
de Historie der Reformatie van Brandt geschiedde en in 1762 met den
Emile van Rousseau.

In den regel werd een verzoek om octrooi toegestaan, doch niet altijd
zóó als de requestrant het had verzocht; soms werd het b.v. verleend
voor een korteren termijn dan gevraagd was of werd slechts het recht
gegeven voor het drukken van het boek in ééne taal, hoewel het verzocht
was voor alle talen [11].

Het gebeurde echter ook, dat het octrooi werd geweigerd [12]; de
reden hiervoor is niet altijd na te gaan. Soms was het, omdat voor
hetzelfde werk of een van soortgelijken aard reeds octrooi aan een
ander was verleend. In de vergadering der Staten van Holland van
13 Maart 1749 werd eene aanvraag om octrooi voor afbeeldingen van
verschillende verlichtingen en versieringen in den Haag afgewezen,
omdat het gevraagde octrooi was "sonder eenige bepaalinge, maar
in tegendeel soo generaal, dat daar soo nu als in het vervolg veele
andere Ingezeetenen van deese Provincie souden konnen werden toegebragt
nadeel en prejuditie... etc." [13].

Dat voor Hugo de Groots Inleydinge tot de Hollantsche rechtsgeleertheyt
in de jaren 1628 en 1629 vergeefs getracht werd zoowel bij de
Staten-Generaal als bij de Staten van Holland octrooi te verkrijgen,
schijnt uitsluitend te moeten worden toegeschreven aan de vijandige
gezindheid der Staten-leden jegens den auteur [14].

Niet altijd werd terstond op het request eene beslissing genomen;
zoo bij eene aanvraag om octrooi voor eene vertaling van Hugo de
Groots De vrye seevaert, etc.: "Is goetgevonden, alvoeren hierop
te disponeren, dat men de voorsz. translatie sal stellen in handen
D. Grotii, omme te verstaen off deselve translatie hem gevalt"
[15]. Een andere maal werd het octrooi voorwaardelijk toegestaan
b.v. door de Staten-Generaal in 1609 voor eene vertaling van de werken
van Will. Perkinsy: "... indien den predicant Mensevoet hiertoe vorens
egeen privilegie en is geaccordeert" [16].

Men behoefde voor het verkrijgen van een privilegie niet te betalen,
doch de Staten van Holland eischten voor elk door hen geprivilegieerd
werk een exemplaar voor de Leidsche Universiteits-bibliotheek. Verzuim
hiervan werd gestraft met eene boete van 600 gld en intrekking van
het octrooi [17]. Evenzoo bepaalden de Staten van Gelderland in eene
resolutie van 2 October 1738, dat van elk boek dat door de Geldersche
Staten was geprivilegieerd, een exemplaar aan de bibliotheek van de
provinciale academie te Harderwijk moest worden afgestaan [18].

De privilegiën werden vooral verleend voor geschriften van
allerlei soort; niet alleen voor wetenschappelijke werken,
gedichten, reisbeschrijvingen, enz., maar ook voor almanakken,
"schrijfkonstboucken", officieele stukken, zooals placcaten,
resolutiën, ordonnantiën, enz. enz.; oorspronkelijkheid of nieuwheid
was geen vereischte: voor boeken van lang gestorven schrijvers,
o. a. de klassieke Romeinen werden dikwijls privilegiën verleend,
evenzoo voor vertalingen en bewerkingen; zelfs verleenden de
Staten-Generaal in 1654 een privilegie voor de Correcture van de
Druck-fouten, by in-advertentie in den jongst getranslateerden Bijbel
ingesloopen [19].

Voor den bijbel, waarvan in ons land honderden verschillende
uitgaven het licht zagen [20], werden--althans tot aan de uitgave der
Staten-vertaling in 1637--herhaaldelijk privilegiën verleend, door de
Staten van Holland zelfs in één jaar aan twee verschillende personen
[21].

Dit was volkomen in overeenstemming met het doel, waarvoor de
privilegiën moesten dienen, nl. bescherming van de drukkers en
uitgevers, niet van de schrijvers. Indirect werden deze laatsten ook
wel gebaat door het verbod van nadruk; hierdoor toch kreeg hun kopie
grootere waarde voor de uitgevers, zoodat zij voor het afstaan van hun
manuscript eenig honorarium konden bedingen. Doch slechts langzaam
won de meening veld, dat de intellectueele arbeid der auteurs in de
eerste plaats op bescherming tegen exploitatie door anderen aanspraak
heeft, en dat het feit dat iemand een boek in druk laat verschijnen,
op zichzelf nog geen reden is, om ieder ander het drukken van hetzelfde
boek te verbieden. Hadden de Staten dit beginsel bij het verleenen
der privilegiën voor oogen gehad, dan zouden zij ze hebben moeten
weigeren in de gevallen waar van een auteur geen sprake kan zijn
(zooals b.v. bij staatsstukken) of waar de auteur al honderden jaren
dood is.

Een begin van wijziging in deze richting bracht de Resolutie
der Staten van Holland en Westvriesland van 28 Juni 1715, waarbij
o. a. werd bepaald, dat voor school- en kerkboeken, alsmede voor de
autores classici geen octrooien meer zouden worden verleend, behalve
voor de annotatiën, commentaren enz., die er op nieuw bij zouden zijn
gemaakt. [22] Uit analoge bepalingen in andere landen blijkt, dat men
elders reeds veel vroeger tot deze juiste onderscheiding was gekomen
[23].

Voor den bijbel schijnt voor het laatst een privilegie te zijn
verleend in 1632 door de Staten Generaal aan de weduwe van Hillebrant
Jacobsz. van Wouw. Dit privilegie, waarvan hierboven reeds sprake was,
gold voor 15 jaar, ingaande op het tijdstip van de eerste uitgave der
Statenvertaling (1637) [24]. Na dien tijd was voor wie den bijbel
wilde drukken alleen noodig het aanvragen van consent, opdat de
Staten konden controleeren, dat de drukkers zich aan den officieel
vastgestelden tekst der vertaling hielden [25].

Intusschen bewijst natuurlijk het enkele feit, dat voor den bijbel geen
privilegiën meer verleend werden, niet, dat de privilegie-verleeners
tot een juister inzicht waren gekomen omtrent den grond der
bescherming; evenmin moet de beteekenis der resolutie van 1715 in dit
opzicht worden overschat. Reeds in 1724 schijnt door de Staten van
Holland de deugdelijkheid van de bepaling op de auctores classici in
twijfel te zijn getrokken. Er kwamen dat jaar een tweetal requesten in,
waarin octrooi werd gevraagd voor werken van Cicero, Cato en andere
Latijnsche schrijvers; op deze requesten werd niet afwijzend beschikt,
doch zij werden in handen gesteld eener afzonderlijke commissie,
"om de selve te examineeren, en daar beneevens te overweegen, of
de Resolutie van 28 Junii 1715 soude kunnen of behooren te werden
geëlucedeert of geamplieert... etc." [26]. Wat de kerkboeken betreft
schijnen de Staten zich aan de Resolutie van 1715 niet strikt te hebben
gehouden, althans in 1752 moesten zij nog eens het besluit nemen--op
request van de "Leeraaren en ouderlingen van de Luthersche gemeente
te Amsterdam"--dat geen privilegiën meer zouden worden verleend voor
de Psalmen en geestelijke liederen bij die gemeente in gebruik [27].

Behalve de eigenlijke geschriften konden ook andere werken van de
bescherming der privilegiën genieten: muziekwerken, kaarten en ook
werken van beeldende kunst.

De muziekdruk werd in ons land, vooral einde zeventiende en begin
achttiende eeuw, op uitgebreide schaal beoefend, zoodat zelfs Amsterdam
een centrum van den wereld-muziekhandel was [28].

Wat van den nadruk van boeken is gezegd, geldt natuurlijk evenzoo
voor muziek; het is daarom niet te verwonderen, dat ook hiervoor
privilegiën konden worden aangevraagd. Meestal was het voor lied- en
psalmboeken, die hier in groote getale uitkwamen, soms met begeleiding
voor meerdere instrumenten. In 1746 verleenden de Staten van Holland
een octrooi voor verschillende muziekwerken, waartoe onder meer
behoorden "tagtig a honderd Italiaansche Ariën met Instrumenten" en
twee geheele Italiaansche opera's [29]. Ook voor muziek- en leerboeken
werden privilegiën verleend. [30]

Een niet minder belangrijke tak van het drukkers- en uitgeversbedrijf
vormde de kaarten- en atlassendruk. Op dit gebied werden hier uitgaven
ondernomen, die wereldberoemd zijn geworden, zooals de atlassen van
de Blaeu. Ook van deze werken kwam nadruk, of liever "nasnijden"
meermalen voor, hoewel herhaaldelijk voor deze, dikwijls kostbare
uitgaven, privilegiën werden verleend.

Merkwaardig is de volgende resolutie der Staten-Generaal van
27 Jan. 1618: "Is Hessel Gerritsz. caertmaker tot Amstelredam,
geaccordeert een open brieff van octroy, daerby verboden wert des
suppliants caerten, beschrijvingen van landen ende modellen van
caerten, soo geschreven als gedruct op eenigerley wyse na te maken,
te copieren ofte divulgeren,..." etc. [31]. Dit is het eenige octrooi
dat ik heb kunnen vinden, waarvan de bescherming zich ook uitstrekt
op ongedrukte stukken en waarin behalve het nadrukken ook het namaken
op alle mogelijke andere wijzen is verboden. Het geeft in waarheid
de meest volledige bescherming, die zich--ook onder de modernste
auteursrecht-wetgeving--denken laat.

Een ander soort producten, die met de kaarten vele punten van
overeenkomst hebben, daar zij evenals deze noch tot de geschriften,
noch tot de werken van beeldende kunst gerekend kunnen worden, zijn
de voorbeelden van schoonschrift, krul- en sierletters, waarvoor
ook meermalen privilegiën werden verleend. Aan Mr. Aert van Meldert,
Fransche Schoolmeester te Rotterdam, verleenden de Staten van Holland
in 1585 octrooi voor door hem vervaardigde "Capitale Letteren" [32]
en in 1616 werd door de Staten-Generaal aan Davidt Roelandts van
Antwerpen "francoyschen schoolmeyster binnen Vlissingen" een octrooi
verleend voor: "'t magasyn oft packhuys der loffelycker penneconst,
vol subtile ende lustige trecken, percken, beelden ende fiegueren
van menschen, van beesten, vogelen ende visschen, ende noch meer dan
hondert onderscheyden geschriften, verciert met diversche capitalen
oraculen ende gulden sententiën..." etc. [33].

De werken van beeldende kunst, waarvoor privilegiën verleend werden,
waren vooral prenten, gravures en etsen, zoowel origineele als naar
schilderijen gemaakte.

Soms kreeg de schilder het uitsluitend recht, om naar zijn
schilderij gravures te mogen uitgeven, zooals in het octrooi aan den
portretschilder Mierevelt verleend in 1607 voor "...het contrefeytsel,
by hem gemaeckt van syn Exctie, hetwelk hy van meeninge is te doen
nasnyden in een copere plate... etc." [34]. In dit geval is dus het
schilderij als object der bescherming te beschouwen.

Een andere maal werd het privilegie direct aan den "plaetsnyder"
verleend. Een voorbeeld hiervan is het octrooi van 21 Jan. 1610 aan
Jac. Matham verleend voor "het contrefeytsel van den Hooch geb. grave
Hendrik van Nassauw, by Mr. Michiel van Mierevelt naer het leven
gedaen ende by den suppleant in coper gesneden" [35].

Welk bestanddeel van het werk van beeldende kunst men door het verbod
van namaak voornamelijk wilde beschermen, is dus moeilijk te zeggen;
het ligt trouwens voor de hand dat men, ook bij het verleenen van
deze privilegiën, niet volgens een vast systeem te werk ging, maar
in elk bijzonder geval naar omstandigheden besliste.

Soms werd--wat met de beginselen van het auteursrecht niet te rijmen
zou zijn--aan één persoon de uitsluitende bevoegdheid verleend, een
bepaald onderwerp in beeld te mogen brengen en te verspreiden, zooals
in het den 28sten Juni 1603 aan Balthasar Florisz. verleende octrooi,
om "voor 4 jaren alleen te mogen drucken de intogt vanden leger van
de heren staten generael der vereen. Nederlanden in Vlaenderen" en
in een denzelfden dag aan Herm. Rem verleend "voor 4 jaren alleen
in 't coper te mogen snyden ende uytgeven de victorie, die Godt
den lande gelieft heeft te verlenen thegen des vijants galleyen
voor het Gat vander Sluys." [36] Een privilegie van dezen aard
werd blijkbaar ook verlangd door den schildergraveur P. Holsteyn,
die van de afgevaardigden van verschillende landen, die in 1646 te
Munster voor het voorbereiden van den vrede waren bijeengekomen,
portretten in den handel wenschte te brengen. In zijn Request aan de
Staten-Generaal wordt o. a. aangevoerd, dat hij "...sijn voornemen
bijnae ten eynde gebracht heeft en weynich resteert, omme Uwe Ho: Mo:
de perfeckste gelijckenisse van alle de voorsz. Heeren Plempen in een
boeck te vertoonen... waerin wellicht andere, dien het (: sonder mij
te beroemen:) daerinne niet soo wel geluckt is, mij bij Uwe Ho: Mo:
souden soecken te prevenieren ende Octroy te obtineren... enz." [37].

Daarentegen werd bij gelegenheid van de Synode van Dordrecht een
octrooi op de afbeeldingen dezer vergadering in dezer voege gesteld:
"Is den suppliant geaccordeert octroy voor syn werk, met interdictie
dat tselve niemant en sal mogen naemaecken, maer nyet privative dat
anderen nyet sullen haer eygen werck mogen drucken ende vuytgeven"
[38].

Een enkele maal werden ook werken, die niet tot de graphische, maar
tot de plastische beeldende kunst behoorden, geprivilegieerd. Bij
resolutie van 30 Aug. 1617 verleenden de Staten-Generaal aan Caspar
Planten, beeltsnyder, een octrooi voor 3 jaren, om "alleene te mogen
maecken ende gieten, het werck ende patronen by hem daerentusschen
te inventeren en te boutseren" [39] en in 1619 werd aan Willem van
Byler, ysersnyder, octrooi verleend om "... voor den tyt van drye
jaeren naestcommende, alleene in dese vereenichde provinciën te mogen
maecken, snyden, gieten ende vercoopen den nieuwen penninck dien haere
Ho. Mo. hem hebben doen maecken van het Synode nationael..." [40].

Voorwerpen van kunstnijverheid werden ook door octrooien tegen namaak
beschermd. Zoo wordt aan Pieter van Everdingen e. soc. in het jaar 1603
octrooi voor 6 jaren verleend om "... alleene etc. te mogen backen ende
vertieren seeckere nieuwe manieren v. estricken ofte vloertichelen
van diversche couleuren ... mitsgaders om oock op dezelve manieren
te maecken seecker gepatroneerde papieren ... etc." [41]. Dergelijke
octrooien werden ook gegeven voor beschilderd porcelein, geborduurde
zijden en fluweelen stoffen, kunstvoorwerpen van zilver, goud en
marmer enz.; het is dikwijls moeilijk uit te maken, of het recht, dat
door deze privilegiën wordt toegekend het meeste overeenkomt met de
rechten op uitvindingen en modellen (den zoogenaamden "industrieelen
eigendom") dan wel met auteursrecht.

De scherpe onderscheiding, die de moderne wetenschap maakt tusschen
auteursrecht en recht op uitvindingen, was in de privilegiën-periode
onbekend; dit blijkt ook uit het feit, dat soms in eenzelfde privilegie
eene uitvinding wordt beschermd tegelijk met het geschrift, waarin
die uitvinding wordt uiteengezet. Als voorbeeld hiervan kan dienen
de resolutie der Staten-Generaal van 4 Nov. 1615, waarbij octrooi
wordt verleend aan Willem Swart "... omme voor den tyt van 8 jaeren
naestcommende alleene etc. te moegen doen drucken ende vuytgeven
een nyeuwe conste, daerby alle menschen, hoewel in musycque ende
snarenspel gansch ongeleert ende onervaren, alderhande musicale stucken
sullen kunnen spelen op violoncen ende violen de gambe, daertoe
hy tot volcommen leeringe ende instructie heeft gemaeckt zeecker
bouck... enz." [42]. Een ander voorbeeld is het octrooi, den 29sten
Juli 1617 aan Jan Jansz. Stampioen verleend voor eene uitvinding,
waardoor de zeelui in staat worden gesteld zonder instrumenten steeds
te zien "hoe hooch den polus boven den horizont verheven is". In het
request wordt gevraagd "... octroy, omme alleene met seclusie van
alle andere de voors. conste (de conste begerende) te mogen wysen
ende leeren, hetsy met eenige onderrichtinge die hy hem doen sal,
als met eenige gedruckte exemplaren... etc." [43].



Het recht der privilegiehouders kwam vrijwel overeen met dat
bestanddeel van het auteursrecht, dat men thans kopierecht noemt:
n.l. het uitsluitend recht om een werk door den druk gemeen te
maken. Het was verboden, het geprivilegieerde boek na te drukken,
hetzij in zijn geheel, hetzij gedeeltelijk, of elders gedrukte
exemplaren in te voeren, te verkoopen of op andere wijze te
verspreiden.

Soms omvatte het recht van den privilegiehouder ook de uitsluitende
bevoegdheid, vertalingen van het boek uit te geven, doch het kwam
ook voor, dat de bescherming uitdrukkelijk tot eene taal beperkt
werd, zooals b.v. in het octrooi door de Staten van Holland in 1734
verleend aan de boekverkoopers Scheurleer en de Hondt voor l'Histoire
du President J. E. du Thou. Zij hadden aangevraagd het uitsluitend
recht om dit boek te mogen drukken "in soodaanige Formaaten en Taalen
als sy dienstig souden oordeelen", doch in het verleende octrooi stond
de clausule: "... des dat het selve Octroi alleen sal worden bepaalt
tot het drukken, uitgeeven en verkoopen van het voorschreeve Werk in
de Fransche Taale..." etc. [44].

Merkwaardig in dit opzicht zijn de drie privilegiën, die werden
verleend voor "de sententie, gepronuncieert aan de geëxecuteerde
in den persoon van Mr. Johan van Oldenbarnevelt". Deze sententie
werd in het Latijn, in het Nederlandsch en in het Fransch gedrukt;
voor elk dezer talen verleenden de Staten-Generaal een afzonderlijk
privilegie aan drie verschillende personen [45].

Een uitsluitend recht van op- of uitvoering van tooneelstukken en
werken der toonkunst was in den tijd der privilegiën en octrooien
niet bekend. Eerst toen de meening was doorgedrongen, dat den auteur
de heerschappij over het door hem voortgebrachte werk toekomt, begon
men zich er rekenschap van te geven, dat over de exploitatie door
middel van op- of uitvoering evengoed als over de exploitatie door
middel van den druk de auteur alleen moet te beschikken hebben.

Het kopierecht werd, zooals reeds is opgemerkt, tot bescherming van
het boekdrukkersbedrijf in het leven geroepen; een dergelijke grond
bestond niet ten aanzien van het op- en uitvoeringsrecht. Vooreerst
is de concurrentie tusschen schouwburgen lang niet zoo scherp als
tusschen boekdrukkers; maar bovendien wisten theaterdirecteuren
dikwijls ook zonder bescherming van overheidswege de uitsluitende
opvoering van een stuk aan zich te houden, door n. l. niet toe te
laten, dat het stuk in druk uitkwam en er streng op toe te zien,
dat de enkele afschriften, die voor de spelers moesten dienen, niet
in handen kwamen van derden. Op deze wijze werd reeds van de vroegste
tijden af in verschillende landen gehandeld en het was daarbij dikwijls
mogelijk om aan de schrijvers, die voor het tooneel werkten, ondanks
het ontbreken van opvoeringsrecht, honorarium uit te betalen [46].

Hier te lande hebben de dramatische auteurs tot aan het einde der
achttiende eeuw toe waarschijnlijk slechts in zeer enkele gevallen
een eenigszins beteekenend honorarium kunnen genieten.

In de "Kamers van rhetorica", die van de 15de eeuw af in grooten
getale werden opgericht, was het geen gewoonte de auteurs, wier
stukken werden opgevoerd, daarvoor te betalen; een enkele maal kregen
zij van het stadsbestuur eene belooning [47].

In het Amsterdamsche Dichtgenootschap "Nil volentibus arduum" werd
omstreeks het jaar 1680 een voorstel, om voor het afstaan van stukken
ter opvoering iets in rekening te brengen, verworpen [48]. Ook de
stemmen, die zich in de 18de eeuw hier en daar verhieven, om eene
geldelijke belooning voor tooneel-schrijvers te verkrijgen, hadden
geen resultaat [49].

Eene eigenaardige regeling van de voorwaarden, waaronder stukken
ter opvoering werden aangenomen, bestond in den in het jaar 1638
ingewijden Amsterdamschen schouwburg. Daar werden geregeld door
tooneelspelers van beroep voorstellingen gegeven; het beheer werd,
van 1699 af voorgoed, direct gevoerd door de Regenten der beide
instellingen van liefdadigheid, waarvoor de opbrengst bestemd was. Er
werd jaarlijks eene aanzienlijke winst gemaakt, doch terwijl acteurs
en actrices redelijk goed werden betaald en aan de monteering der
stukken geen kosten gespaard werden, moesten de auteurs zich met
enkele loodjes, d. w. z. vrijplaatsen, als belooning voor hun arbeid
tevreden stellen. Wagenaar deelt hieromtrent mede:

"Die voor Poëet bij de Regenten erkend is, heeft voor den tijd van een
jaar en zes weken, schoon 't, doorgaands, langer toegelaaten wordt,
vrijen toegang tot den schouwburg, en hem worden, wanneer zijn Spel
vertoond wordt, zes Loodjes ter hand gesteld, mits het een voorspel
van vijf bedrijven zij. Van een na- of klughtspel krijgt de Poëet
niet meer dan drie Loodjes" [50].

Hieruit blijkt, dat men tenminste inzag, dat ook de poëet wiens
spel vertoond werd, tot de winst van den avond meewerkte, al was de
toegekende belooning bespottelijk klein, hetgeen trouwens te dien
tijde reeds aan de Regenten werd verweten [51]. Daar kwam nog bij,
dat de auteur door zijn stuk af te staan, tevens de exploitatie ervan
door middel van den druk uit handen gaf. Hierover vermeldt Wagenaar:
"De regenten hebben octrooi, om met uitsluiting van alle andere,
de goedgekeurde Tooneelspelen te doen drukken; doch staan het regt
daartoe, voor ieder Spel, af aan eenen Drukker naar hun welgevallen,
met wien zij, deswege, vooraf eene overeenkomst aangaan" [52]. Wat
er dus op deze wijze nog aan het stuk was te verdienen, ontging den
auteur ook.

Dat er voor werken der toonkunst geen uitvoeringsrecht bestond, behoeft
nog minder te verwonderen, daar concerten, alleen tegen betaling
toegankelijk, bijna niet voorkwamen. De plaatsen, waar in het openbaar
muziek ten gehoore werd gebracht, waren de kerk (orgelbespelingen)
en herbergen, danszalen enz. Ook in den schouwburg werd, vooral in
de 18de eeuw, wel muziek uitgevoerd, doch alleen als aanvulling of
begeleiding van hetgeen op het tooneel vertoond werd [53].



Evenals het auteursrecht volgens de meeste wetgevingen, was
ook het recht der geprivilegieerden in tijdsduur beperkt. De
termijnen, waarvoor de privilegiën verleend werden, waren zeer
verschillend. Alleen onder degenen, die in de jaren 1601 tot 1619 door
de Staten-Generaal werden verleend, vond ik er van: 2 maanden, 2, 3,
4, 5, 6, 7, 8, 10 en 12 jaar. De Staten van Holland brachten--althans
in het begin--hierin niet minder afwisseling [54]; van de latere
privilegiën (in 't bijzonder die uit de 18de eeuw), die mij onder de
oogen kwamen, was de termijn meerendeels van 15 jaar.

Voor periodieke uitgaven, zooals b.v. het Deventer almanach boexken,
werden de octrooien doorgaans niet aan een termijn van een zeker
aantal jaren gebonden, maar werden zij verleend aan een drukker "syn
leven lanck geduyrende". Na diens overlijden werd dan, dikwijls aan de
weduwe of de kinderen, een nieuw octrooi van dien aard verleend [55].

Het octrooi van de Staten van Holland van 12 Dec. 1582 aan Aelbrecht
Hendricksz., drukker van de Staten, voor "alle de gemeene Landts
Edicten, Mandamenten, opene Brieven... etc.", werd eveneens verleend
zonder bepaalden termijn, maar: "tot kennelijck wederseggen van de
Staten" [56].

De straffen op overtreding der in de privilegiën vervatte bepalingen
gesteld, bestonden uit verbeurd-verklaring van de wederrechtelijk
vervaardigde of ingevoerde exemplaren en het betalen eener boete,
waarvan het bedrag meestal in het privilegie was genoemd.

Ook hierin werd aanvankelijk eene groote verscheidenheid betracht;
ik vond er b.v. van: "25 Goude Realen"; "20 Caroli guldens van elck
Boeck"; "50 kronen 't elcken reyse te verbeuren"; "vijf en twintigh
ponden van veertigh grooten"; "drie guldens voor elck Exemplaar";
enz. enz. Later kwam hierin meer eenheid; bij de Staten van Holland
werd het gebruikelijke bedrag der boete 300 gld.; in de reeds genoemde
resolutie van dit college van 1715 werd bepaald, dat de boete voortaan
3000 gld. zou bedragen.

Een der belangrijkste punten van verschil tusschen de privilegiën
en het moderne auteursrecht betreft de subjecten van het recht. Het
auteursrecht, gebaseerd op auteurschap, komt uit den aard der zaak
alleen aan den auteur, den schepper van het product van kunst of
letterkunde, en diens rechtverkrijgenden toe. Doch de privilegiën,
die niet tot bescherming van het geestelijk werk zelf, maar tot
bescherming van de onderneming tot exploitatie van het werk moesten
dienen, werden niet aan den auteur, maar aan den exploitant, drukker
of uitgever, verleend.

Bij uitzondering kwam het voor, dat de auteur zelf het privilegie
aanvroeg en op zijn naam verkreeg. Dit zal wel meestal zijn gebeurd in
het, hier te lande dikwijls voorkomende geval, dat de schrijver tevens
uitgever was. Doch er werden ook privilegiën verleend aan personen,
die zelf geen drukker of uitgever waren. Zoo consenteerden de Staten
van Holland in 1587 "den Eersamen ende wel geoeffenden Adriaen
Anthonisz." om te mogen drukken en uitgeven "seecker Boecksken,
by hem gemaeckt, geïntituleert, Redenen van het verloop des Jaers,
&c. met een Nieuwen altijdt geduyrenden Calendrier, noch een Boeksken
... etc." zonder dat deze zullen mogen worden nagedrukt "nochte elders
gedruckt zijnde dan by den Boeckdrucker, by den voornoemde Adriaen
Anthonisz. te gebruyken, mogen werden gedistribueert, verkocht nochte
te koop gestelt.. etc." Hier zal dus waarschijnlijk de schrijver voor
eigen rekening zijne werken hebben laten drukken.

Soms werd het privilegie verleend aan de kinderen of de weduwe
van den schrijver; in 1585 kreeg "Alijt Meynaerts, arme desolate
weduwe wylen Adriaen Gerritsz. ... met hare kinderkens" octrooi
voor de "kaerten, Instrumenten ende Practijcquen" die haar man had
achtergelaten [57]. Doch er zijn ook gevallen, waar volstrekt geen
reden is te vinden, waarom het privilegie nu juist aan dien bepaalden
persoon en niet aan een ander wordt verleend. Aan Johannes Lydius
b.v. werd in 1611 door de Staten-Generaal toegestaan "omme alleene
by Loys Elsevier te mogen doen drucken ende vuytgeven, Opera Nicolai
Clemangii, die voor twee hondert jaren tegen het pausdom geschreven
zyn" [58]. Waarschijnlijk was het bezit van het handschrift of,
zoo het een reeds vroeger uitgegeven werk was, van een gedrukt
exemplaar, alles, wat voor het verkrijgen van het privilegie noodig
werd geoordeeld. Eenmaal vond ik een privilegie verleend aan iemand,
die het handschrift van het werk niet zelf bezat: aan Johan Janss. voor
Johannis Drusii annotationes in Genesin etc. Onder het besluit,
waarbij dit privilegie werd verleend, leest men in de Resolutiën der
Staten-Generaal: "Is voorts geaccordeert te schrijven aan Abelium
Curiandrum, schoonsoone van wylen den wytberoemden hoochgeleerden
Johannis Drusii, dat hy Jan Janss. boeckvercooper tot Aernhem, zyns
swaegers, in handen stelle het origineel vant voors. bouck om dat te
drucken" [59].

Het kon natuurlijk op deze wijze voorkomen, dat een privilegie werd
verleend zonder voorkennis of zelfs tegen den wil van den auteur. Dit
geschiedde o. a. met de Betoverde Weereld van Balthasar Bekker. In
de uitgave van het eerste deel van dit werk van het jaar 1691 (te
Amsterdam by Daniel van den Dalen) leest men het volgend "Beright"
eigenhandig door den auteur onderteekend:

"Also voor den eersten druk der twee eerste boeken deses werks in 8o by
Hero Nauta tot Leeuwarden een acte van Privilegie staat / op den naam
van Barend Beek, Boekverkoper in den Hage / ende daar in gemeld word
/ dat hy besig was met dat Boek te drukken: so verklaart den Auteur:
hier met sijne eigene hand / dat hy Barend Beek niet en kent / ende
hem directelik noch indirectelik nooit iets te drukken gegeven heeft;
maar desen druk van alle de vier boeken in 4o aan niemant anders
dan aan Daniel van den Dalen toegestaan. Derhalven kent hy voortaan
geen exemplaren voor de sijne / dan die op dese wijse van hem self
onderschreven zijn."

Hoewel de privilegiën steeds aan een of meer met name genoemde personen
werden verleend, was het mogelijk ze aan anderen over te dragen. Ik
vond althans verschillende malen van een dergelijke overdracht
melding gemaakt. Daar ik bij alle schrijvers, die de Nederlandsche
boekdrukkersprivilegiën hebben behandeld, de tegenovergestelde
meening heb aangetroffen, n.l. dat de privilegiën onvatbaar waren
voor overdracht, schijnt het mij de moeite waard, hier eenigszins
langer bij stil te staan.

In Hugo de Groots Annales et Historiae de Rebus Belgicis, in 1658
in twee formaten door Joan Blaauw uitgegeven, vindt men vóórin drie
verschillende privilegiën: een van de Staten van Holland, een van den
Duitschen Keizer Ferdinand III en een van de Staten-Generaal. De twee
laatstgenoemden waren oorspronkelijk verleend aan Petrus Grotius,
den zoon van Hugo de Groot, die blijkens de volgende verklaring,
die onder deze privilegiën staat afgedrukt, zijn recht aan Blaauw
had overgedragen: "Ex lege quam Caesar & Ordines Belg. Foeder. supra
praescribunt, ne quis praeter Ioannem Blaeu privilegiis eorum utatur,
fruatur, cupiens ego jus omne in ipsum transcripsi, Hagae Comitis,
die 25 Septembris, Anno MDCLVII" [60].

Een ander voorbeeld vond ik in het boekje "Het Godtsaligh overlijden
van sijne Doorluchtichste Hoogheyt Frederick Henric, Prince van Orange,
Grave van Nassau etc.", waarin een privilegie van de Staten van Holland
voorkomt van het jaar 1647, verleend aan den schrijver van het boek,
Johannes Goethals. Onder het privilegie staat: "Johannes Goethals heeft
dit sijn recht ghecedeert en getransporteert aan Adriaen Wijngaerden,
Boeckverkoper tot Leyden."

In de vergadering der Staten-Generaal van 13 September 1610 [61] wordt
voorgelezen eene "acte van verclaringhe ende bekentenisse, gedaen voor
notaris ende getuigen" waarin de weduwe van Lucas Jansz. Wagenaer
verklaart, dat haar man "... in syn leven ende sekere jaren voor
syn overlyden, vercoft, opgedragen, quytgescholden ende gecedeert
heeft gehadt aen Cornelis Claesz., in syn leven bouckvercoper
tot Amsterdam, alle die platen, caerten, toebehoerten ende andere
gereetschappen mette gerechticheden, privilegiën ende octroyen,
daerby synde, van alle ende ieghelyke sodanige wercken ende boucken,
als die voorn. haer man saliger in syn leven in 't licht gebracht ende
uitgegeven laten heeft, etc." Na den dood van den voornoemden Cornelis
Claesz. verkocht diens weduwe het geheele fonds weer aan eenen derde,
Jacob Leonartsz. Meyen. In hoeverre de Staten-Generaal deze beide
overdrachten van privilegiën geldig oordeelden, is moeilijk uit de
resolutie op te maken. Zij verleenden een nieuw octrooi aan Meyen voor
"alle de wercken van wylen Lucas Jansz. Wagenaer," zonder het oude
octrooi in te trekken; dit laatste had m.i. wel moeten geschieden,
indien de Staten de overdracht van onwaarde hadden gehouden, terwijl
aan den anderen kant het verleenen van een nieuw octrooi onnoodig
schijnt, indien de geldigheid der overdracht buiten bedenking stond.

Ook wordt van privilegie-overdracht gesproken in een request van den
boekdrukker Scheurleer aan de Staten van Holland in 1749: "... te
kennen gevende dat hy suppliant voor eenige jaaren tot een merkelijke
somme Gelds hebbende gekogt het regt en privilegie tot het drukken
en uitgeeven van het maandelijksche Boekje, geintituleert Mercure
Historique & Politique... etc." [62]. Voorts in een privilegie van
21 Juli 1702 voor het boek "Manier van Procederen enz." van Paulus
Merula ten name van Adriaan Beman, waarin gezegd wordt dat vroeger
aan een ander uitgever privilegie was verleend, "wiens Regt hy
Suppliant in de maand April deses Jaars 1702 met den eygendom der
Copie, ende Privilegie aan sig gekogt hadde;" en in de Resolutie van
de Staten van Holland, waarbij het octrooi op den Emile van Rousseau
wordt ingetrokken: "... welk werk door de voornoemde Jean Neaulme,
met het zoogenaamde regt van Copie weeder is verkogt aan Marc Michel
Rey... etc." Eindelijk wil ik hier nog vermelden een privilegie van
de Staten van Holland van het jaar 1716, verleend aan David Mortier
voor de werken van Boileau. De Staten verklaren hierin: "... Alsoo Ons
vertoont is by David Mortier, Burger en Boekverkooper binnen Amsterdam,
dat hy Suppliant, op den 19 Juny 1714 van Susanne Pelt, weduwe van
Hendrik Schelte, hadde gekogt, alle de Exemplaeren en Copie Regt, ende
Privilegie van seecker Boek, genaemt Les Oeuvres de Nicolas Boileau
Despréaux, avec des Eclaircissemens Historiques donnez par lui-même,
blyckende by de verklaring aan Ons geëxhibeert, en hy Suppliant van
voornemens was, het selve te herdrucken... etc." Mortier verzocht
daarom een nieuw octrooi, niet omdat het oude in zijne handen niet meer
geldig zou zijn, maar omdat dit slechts 300 gulden boete voorschreef,
terwijl hij de boete op 3000 gulden gesteld wilde zien. Dit verzoek
werd ingewilligd [63].

Dat alle octrooien voor overdracht vatbaar waren is hiermede
niet bewezen, en was blijkbaar ook te dien tijde geen uitgemaakte
zaak. In een rechtskundig advies van Hugo de Groot van het jaar 1632
wordt de vraag behandeld ten aanzien van een octrooi van uitvinding;
m. i. kan deze uitspraak naar analogie ook op boekdrukkersprivilegiën
toepasselijk worden verklaard. Het advies luidde: "Dunkt (onder
correctie) dat alsoo 't voorsz. Octroy is verleent niet ten
aansien van den persoon, maar ten aansien van de inventie, dat
daarom het recht, daar bij verkregen, aan andere personen, die
deselve inventie in 't werk sullen stellen, wel ende rechtelijk is
getransporteerd..." etc. [64].

In sommige privilegiën wordt het recht toegekend aan een bepaald
persoon "en syne Regt verkrygende" of: "en sijne Erven, of Regt
verkrygende" [65]. Van dezen is de geldigheid der overdracht dus aan
geen twijfel onderhevig.

Uit het bovenstaande blijkt de onjuistheid van de bewering van Mr. van
den Velden [66], dat de "privilegiën persoonlijk waren, dat is: dat
zij slechts aan eenen bepaalden persoon of eene bepaalde vereeniging
toegestaan werden, zoodat zij niet door koop of anderszins, konden
worden overgedragen en met den dood van den bevooregten persoon,
of de ontbinding van de vereeniging, te niet gingen." Ik meen,
dat na de genoemde voorbeelden eerder het tegendeel als regel kan
worden aangenomen en dat slechts bij hooge uitzondering persoonlijke,
onvervreemdbare privilegiën werden verleend. Tot deze laatsten zal men
dan wellicht hebben te rekenen die, welke zelf de bepaling inhielden,
dat zij met den dood van den geprivilegieerden persoon of na opzegging
door de Staten een einde namen [67].

Het verdient nog opmerking, dat in de aangehaalde mededeelingen
van privilegie-overdrachten reeds enkele malen het woord kopierecht
wordt gebruikt. Dit kopierecht was natuurlijk niet anders dan het
uitsluitend recht tot drukken, zooals het in het privilegie stond
omschreven. Buiten het privilegie bestond geen kopierecht. Men
zou geneigd zijn het tegendeel op te maken uit uitdrukkingen als:
"... alle de Exemplaeren en Copie Regt, ende Privilegie..." of:
"... met den eygendom der Copie, ende Privilegie...", alsof er dus
behalve het privilegie nog een afzonderlijk recht van kopie bestond. Ik
vond zelfs een voorbeeld van "kopie-recht"-overdracht in een geval
waar geen privilegie, dus ook geen kopierecht bestond. Op 17 Februari
1718 kocht nl. Joannes Oosterwijk, boekverkooper te Amsterdam, van
Johannes de Wees "alle de Exemplaaren, van de Treurspeelen van Joost
van Vondel.... nevens de overleveringe, als mede het volle recht van
Copyen", terwijl hij eerst een jaar later (5 Jan. 1719) voor deze
werken een privilegie (dus een werkelijk kopierecht) verkreeg [68].

"Waarschijnlijk bedoelden de uitgevers en boekverkoopers, wanneer
zij verklaarden aan anderen het "kopierecht" af te staan, daarmede
alleen, dat zij van hun kant van verdere exploitatie der bedoelde
kopie afzagen; het was dus niet de overdracht van een absoluut
recht, doch slechts het aangaan van eene persoonlijke verbintenis,
volgens welke de eene partij aan de andere ten aanzien der kopie
vrij spel liet. Misschien werden dergelijke overeenkomsten ook
door derden geëerbiedigd; in elk geval zullen de leden van eenzelfde
gildevereeniging onderling dit wel hebben gedaan. Maar een uitsluitend
recht, dat door ieder geëerbiedigd moest worden, kon natuurlijk door
zulk eene overeenkomst niet tot stand komen.

De privilegiën voor prenten en gravures werden, in tegenstelling met
de boekdrukkersprivilegiën, bijna altijd aan den auteur zelf, den
schilder of "plaetsnyder", verleend. Dit is ook zeer verklaarbaar,
want wie een afbeelding in koper of hout had gesneden kon zonder
behulp van anderen naar het door hem vervaardigde cliché exemplaren
afdrukken en zal dus in de meeste gevallen wel zelf voor de uitgave
van zijn werk hebben gezorgd. Doch het kwam ook voor, dat graveurs voor
anderen werkten, die dan op hun naam het privilegie aanvroegen [69].

Wie de auteur van een werk was ging den privilegie-verleeners in
het algemeen niet aan, vandaar dat, zooals reeds is opgemerkt,
ook privilegiën werden verleend voor werken, die eigenlijk niet als
auteursproducten zijn te beschouwen of waarvan de auteurs al voor
meerdere eeuwen overleden waren. Wel bracht de resolutie van 28
Juni 1715 hierin eenige wijziging, maar van veel beteekenis was dit
niet. In hoofdzaak bleef alles bij het oude; van de erkenning van een
recht der schrijvers op hunne werken als grondslag der privilegiën
blijkt in de resolutie niets.

Hierboven heb ik al trachten aan te toonen, dat het toekennen der
privilegiën uitsluitend het gevolg was van de gewijzigde verhoudingen
in het uitgeversbedrijf ten gevolge van de uitvinding der boekdrukkunst
en dat er niet mede werd beoogd den schrijvers eene bescherming te
verleenen, die zij vroeger immers evenmin hadden genoten. Wel werkten,
zoowel hier als in andere landen, de privilegiën ertoe mede, dat
zoowel de grond als de materieele waarde van het recht der auteurs
op hunne producten meer dan vroeger gekend en gewaardeerd werden,
maar tot het in practijk brengen van het beginsel kwam het in ons
land niet vóór het jaar 1796.

De uitspraak van Bodel Nyenhuis [70], dat onze vaderen ten allen
tijde toegegeven en erkend hebben, dat de schrijvers krachtens
een onschendbaar recht eigenaar zijn van hunne geschriften, en
dat dit het beginsel was, waarop het toekennen der privilegiën
berustte, mist dan ook m. i. allen grond. In den aanhef van elk
privilegie vindt men meestal de motieven en overwegingen, die tot
het verleenen hebben geleid; voor zoover ik heb kunnen nagaan wordt
daarin steeds de bescherming van den drukker of uitgever als eenig
doel vooropgesteld. Enkele voorbeelden mogen hier volgen:

"... Van wege ons beminden Jan Corneliszoen, Alias Jan zevers' Printer,
wonende binnen onser stede van Leyden Is ons verthoent gheweest,
hoe dat gaerne Imprimeren en in prite legge soude dit teghenwoerdige
Boeck en is een Cronycke va Hollandt En also hem datselve costelick
en moijelic vallen sal, en dat dit selve Boeck noyt gheprint en is
gheweest soe en soude hi die selve Printe en Inpressie niet durren
bestaen sonder te hebben brieven va Octroye en privilegie van
ons... etc." [71].

"Alsoo Adriaen Gerritsz. ... ons verthoont heeft, dat hy Suppliant
't sijnen koste hadde doen translateren het Boeck genaemt het leven
van Alexander de Groote, beschreven in het Latijn door Quintum
Curtium, ende dat hy Suppliant het voorschreve Boeck van meyninge
ware eensdeels om sijn verschoten penningen wederom te proffijteren,
ende tot gherief van een yegelijcken te Drucken ende uyt te geven,
als wesende bequaem omme te lesen ende te gebruycken; dan vresende
dat een ander het selve terstondt soude moghen komen na te Drucken,
't welck tot sijne schade ende bederf soude redunderen..." etc. [72].

"... Alsoo hij Suppliant beducht was, dat eenige baetsoekende
menschen den arbeidt van den nieuwen druk moghten komen vruchteloos
te maken..." [73].

"... Hoe dat hij Suppliant... genegen was het voorsz. Liederboek
te drukken vol Noten, om te gemakkelijker geleert te konnen werden;
maar also hem hetselve veel gelt ende moeyten soude komen te kosten,
ende dat hij Suppliant beducht was, dat, na het perfectioneren van
het selve, hetselve door andere baatsoeckende Boekverkoopers mocht
werden nagedruckt, 't gene hem Suppliant tot merkelijk nadeel ende
schade soude strekken..." [74].

Wel vindt men dikwijls over den nadruk, ook van niet-geprivilegieerde
boeken, een afkeurend oordeel, maar dit kwam dan meestal van uitgevers,
die er zelf de nadeelige gevolgen van hadden ondervonden. De nadrukkers
werden gescholden voor "baetsoeckende menschen", en men verweet hun,
dat zij het onbehoorlijke niet inzagen van "in eens anders doent te
treden" [75], doch eene erkenning van een recht van den intellectueelen
voortbrenger op zijn product was aan zulk een oordeel vreemd.

In tegenstelling met wat Bodel Nyenhuis [76], en op diens voetspoor
o.a. ook Mr. de Ridder [77], verklaren, meen ik tot de bewering
gerechtigd te zijn, dat nadruk betrekkelijk veel voorkwam. Zoo werden,
om enkele voorbeelden te noemen, van bijna alle Nederlandsche dichters
werken nagedrukt of buiten toestemming van den auteur uitgegeven,
o.a. van: Vondel [78], Constantijn Huygens [79], Starter [80],
Brederode [81], Poot [82], Jeremias de Decker [83], Jacob Cats.

Met andere geschriften, waarmede dikwijls meer was te verdienen dan
met dichtwerken, ging het evenzoo; [84] het waren ook niet uitsluitend
onaanzienlijke drukkertjes, die zich aan het nadrukken bezondigden,
zelfs iemand als de groote Willem Jansz. Blaeu is er niet vrij van
gebleven, al deed hij het dan ook uit wraak tegenover andere firma's,
die begonnen waren zijne werken na te drukken [85].

Dat de nadruk niet tot de zeldzaamheden behoorde blijkt vooral uit de
verschillende maatregelen, die drukkers en uitgevers onder elkander
namen, om hem te keeren.

Bodel Nyenhuis vermeldt [86], dat tusschen 1671 en 1674 onder de
boekverkoopers een onderling accoord werd gesloten tegen het nadrukken;
in 1710 werd met hetzelfde doel eene "Willige overeenkomst" gesloten
tusschen drukkers en uitgevers uit Amsterdam, Leiden, Rotterdam,
den Haag en Utrecht [87]. De reeds meer dan eens genoemde resolutie
der Staten van Holland van 1715 was het gevolg van een request der
"overluyden" van "de Boeckverkoopers in verscheyde Steden deser
Provincie," waarbij als bijlage was gevoegd "een Vertoogh, ampel
deduceerende de grieven bij de Supplianten door het nadrucken van
haare Boecken geleden."

Ook de in de meeste steden bestaande gilde-vereenigingen weerden
zich dikwijls in den strijd tegen den nadruk; zoo wendde zich
het Amsterdamsche gild in 1670 met een adres tot de Stedelijke
Regeering, waarin straffen tegen de nadrukkers worden verzocht
[88]. Dat men in dezen strijd alleen belangen en geen rechten
erkende, moge blijken uit de volgende bepaling van een Groninger
boekverkooperscompagnie-reglement van het jaar 1724: "so wanneer aldus
een werkje gedrukt moge weesen, dat in deeze stadt aftrek hadde, so sal
geen van de leden mogen betwisten dat een ander lidt het soude willen
nadrukken, maar volkomen vrijheit daarin hebben om het te mogen doen,
so geen andere leeden wilden dat het in compagnie gedaan soude worden,
maar die van de leeden daarin sal willen, sal daer recht toe mogen
hebben" [89].

Kan men dus in de privilegiën, zooals die hier te lande verleend
werden, moeilijk een erkenning of toepassing van den letterkundigen
eigendom zien, daar zij zich eensdeels zeer goed ook zonder dien
letterkundigen eigendom laten verklaren en zij bovendien in sommige
gevallen met de erkenning van een recht der schrijvers niet zouden
zijn te rijmen, daarmede is nog niet gezegd, dat de auteurs van
elk recht op hun voortbrengsel verstoken waren. De privilegiën waren
uitsluitend gericht tegen nadruk in den letterlijken zin van het woord,
zij werden slechts verleend, zooals wij gezien hebben, voor de boeken,
die in druk uitkwamen, of waarvan tenminste het plan om ze uit te
geven was vastgesteld.

De vraag blijft dus open, of er niet een recht van den schrijver op
zijne niet-uitgegeven geschriften werd erkend, een recht, waarvan men
den grondslag dan hierin zou kunnen zoeken, dat die werken, welke
de auteur niet of nog niet voor publiceering geschikt acht, hetzij
omdat zij dingen inhouden, die het intieme leven van den auteur zelf
of van andere nog levende personen raken, hetzij omdat de auteur,
die een naam in wetenschap of letterkunde heeft op te houden, eene
publicatie met zijn schrijverseer niet in overeenstemming acht, zonder
zijne toestemming niet ter algemeene kennis mogen worden gebracht. Het
hierbedoelde recht, dat in vele moderne auteursrecht-wetgevingen wordt
erkend, moet niet verward worden met het auteursrecht; terwijl dit
laatste is een vermogensrecht, strekkende om de exploitatie van een
geschrift of kunstwerk uitsluitend aan den auteur voor te behouden,
hebben wij hier te doen met een zoogenaamd persoonlijkheidsrecht,
dat niet de heerschappij geeft over een bepaald goed, maar dat dient
ter bescherming der persoonlijkheid des auteurs tegen ongewenschte
openbaarmaking van hetgeen deze voor zich wil houden.

Of nu een dergelijk recht in den tijd der privilegiën werd erkend, is
moeilijk uit te maken. In de meeste gevallen kan een schrijver er wel
voor zorgen, dat zijn handschrift niet in handen komt van personen, die
er misbruik van zouden maken, m. a. w. de eigendom van het handschrift
geeft dan al de gewenschte bescherming en een afzonderlijk recht is
daarvoor niet noodig. Dit recht heeft dus slechts beteekenis in de
gevallen, dat een onuitgegeven geschrift niet door ontvreemding maar
door toevallige omstandigheden een ander in handen komt; de vraag
is dus, of de schrijver zich in een dergelijk geval tegen het laten
drukken en uitgeven van het geschrift kon verzetten.

Voldoende gegevens, om op deze vraag een stellig antwoord te
kunnen geven, heb ik niet gevonden; enkele bijzonderheden, die als
aanwijzigingen kunnen gelden om haar ontkennend op te lossen, laat
ik hier volgen.

In eene briefwisseling tusschen Hugo de Groot en eenige zijner naaste
verwanten en vrienden in de jaren 1623 en volgende wordt herhaaldelijk
gesproken van de omstandigheid, dat van de Groot's Inleydinge tot
de Hollandsche rechtsgeleertheid, welke de schrijver oorspronkelijk
uitsluitend voor zijne kinderen en zijn jongsten broeder had bestemd,
verschillende afschriften in omloop waren. Op grond daarvan wordt
hij aangemaand zelf tot de uitgave van dit werk over te gaan, vóórdat
anderen hem daarin vóór zouden zijn; De Groot achtte deze waarschuwing
niet ongegrond en besloot ten slotte om de genoemde reden zijn werk
te doen uitgeven. Het blijkt echter niet, dat hij in eene uitgave
buiten zijn toedoen en toestemming door een ander iets onrechtmatigs
zou hebben gezien; wel duidt hij in een zijner brieven met plagium
aan het feit, dat afschriften in handen van anderen waren gekomen [90].

Wat Hugo de Groot nog tijdig had weten te verhoeden, overkwam een ander
schrijver in de 16de eeuw: den dichter Starter, wiens Lusthof arglistig
buiten zijn weten werd gedrukt. Dit wekte wel zijne verontwaardiging,
hij noemde het:


        "'t Onredelijckste stuck, d' onlydelijckste smart,
        Die immermeer aen my betoond is of bewezen" [91].


doch eene krenking van zijn recht scheen ook hij daarin niet te zien.

Van een dergelijke behandeling was eenigen tijd later Hubert
Kornelisz. Poot het slachtoffer. Poot had een lofdicht "op zeker
braef en kunstryk Heer" gemaakt, dat hij niet door den druk publiek
gemaakt wilde hebben. Doch buiten zijne voorkennis wist de drukker
het te bemachtigen en toen Poot hem wilde verhinderen het in druk
uit te geven, kreeg hij tot bescheid: "Ik zal 't evenwel drukken; het
is niet meer in uwe magt. Wilt gij derhalve, om vrienden te blijven,
weder een ducaton hebben... ik zal hem u geven; dien waeg ik er aen,
en anders zal ik evenwel met drukken voortvaren." Poot moest, naar
hij zelf verklaart, zich hierbij wel neerleggen en nam dus ook maar
den dukaton in ontvangst, die hem echter tot zijne verontwaardiging
"aen veelerlei soort van ander gelt" werd uitgeteld [92].

Wijzen de bovenvermelde gevallen op het ontbreken van een recht der
schrijvers op hunne onuitgegeven werken, er bestaat een placcaat
van de Staten van Holland van 30 April 1728, dat aan eene bepaalde
categorie van auteurs, die in het bijzonder aan het gevaar blootstonden
hunne werken zonder hunne toestemming te zien uitgeven, dit recht
uitdrukkelijk toekende. Dit placcaat bepaalde: "dat van nu voortaan
niemand hier te Lande sal mogen doen drukken eenige Boeken, op den
naem van Professoren of andere Leedemaaten van onse Universiteyt te
Leyden, die te vooren noyt gedrukt zijn geweest, als haare Schriften,
Lessen &c. onder wat titul het soude mogen weesen, tenzij hij alvoorens
daar toe sal hebben verkreegen het schriftelyk Consent van deselve,
of van haare Erfgenaamen..." etc. [93].

Wat hier aan de Leidsche professoren werd verleend was dus wel het
recht, waarop mijn onderzoek nu is gericht; en dat men met dit
placcaat ook werkelijk bescherming van den auteurs-eer beoogde,
kan blijken uit de overweging:

"Alsoo Wy bevinden, dat door het drukken en uitgeeven van Boeken op
den naam van Professoren en andere Leedematen van onse Universiteyt te
Leiden, buiten haar kennis, veel groove fauten en abuisen in deselve
Boeken worden gecommitteerd, en selfs veel erroneuse en onwaare
stellingen werden in het ligt gebragt, tot merkelijke klein agting van
deselve Professooren en andere, en haare goeden naam, soo buiten als
binnen 's Lands, ook tot groot nadeel der goede Weetenschappen... etc."

Intusschen valt uit deze bepaling, die uitsluitend ten behoeve der
Leidsche Hoogleeraren strekte, niets af te leiden omtrent de vraag
of dit recht ook in het algemeen voor elken schrijver of redenaar
werd erkend. Ik meen te mogen vermoeden dat dit niet het geval was
en dat dus het hier besproken placcaat, evenals de privilegiën niet
is te beschouwen als de erkenning van een bestaand recht, maar als
een uitzonderingsmaatregel.

Met andere met het auteursrecht in verband staande rechten, zooals
bijvoorbeeld het recht zich er tegen te verzetten, dat misbruik van den
auteursnaam wordt gemaakt, zal het wel evenzoo gesteld zijn geweest.

Vondel beklaagt zich hierover o. a. in deze termen:

"De gewinzucht zommiger boeckverkooperen, meenende uit mijnen naem
winst te trecken, ontzien niet op een byzonder bladt, of in boecken,
in Hollandt en elders, op mijnen naem te drucken dichten bij anderen
gedicht, en inzonderheit in Zuidthollant, daer men op den tytel van
Vondels poëzye, druckt en herdruckt, en vermeert vele dichten, daer
ick zoo weinigh kennis en schult aen hebbe, als het kint dat noch te
baeren staet" [94].

Tegen dergelijke practijken was in die dagen in rechte niets
te beginnen; Vondel moet het zelf constateeren: "Tegens deze
ongeschicktheit, en moetwillige boosheit schieten my geen wapens dan
mijn gedult over." Dit blijkt ook uit de volgende woorden van Justus
Lipsius, (in de voorrede van De Cruce, Amstel. 1670) hoewel daarin,
meer dan in die van Vondel, een gekrenkt rechtsbewustzijn tot uiting
schijnt te zijn gekomen: "Ego semel et serio testor, audite qui in
Europa: Nihil meum est aut erit, quod non de autographo meo et me
volente sit expressum. Quicunque aliter, mihi injuriam facit, vobis
fucum" [95].



In andere landen werd het recht der auteurs, zij het dan ook in
vergelijking met nu op zeer gebrekkige wijze, veel eerder erkend en
geregeld dan bij ons. In Bazel en Neurenberg bestonden reeds in het
midden der zestiende eeuw algemeene voorschriften, die den nadruk,
ook van niet-geprivilegieerde werken, verboden [96]. Engeland had
reeds in 1709 eene wet op het auteursrecht en in Frankrijk, waar het
privilegie-stelsel tot aan de revolutie in stand bleef, won toch in
den loop der achttiende eeuw de letterkundige eigendom meer en meer
veld en vond zelfs bij rechterlijke beslissingen toepassing [97].

Dat dit beginsel in onze Republiek niet zoo spoedig aanhang en
toepassing vond, kan wellicht hierdoor worden verklaard, dat onze
boekhandel, vooral in de 17de en 18de eeuw, voor een groot deel bestond
van de producten van buitenlandsche, meest fransche schrijvers. De
groote vrijheid van drukpers die hier in vergelijking met andere
landen, heerschte, maakte dat vele buitenlandsche schrijvers, die in
hun eigen land hunne werken niet durfden of konden laten uitgeven,
hun toevlucht namen tot een Nederlandschen uitgever. Bovendien waren
de voortbrengselen der Nederlandsche drukkunst terecht zeer gezocht;
de namen Elzevier, Plantijn, Wetstein, Blaeu en anderen waren door
geheel Europa bekend en vele schrijvers stelden er een eer in, hunne
geschriften door een van die beroemde huizen te zien gedrukt.

"De Hollandsche boekhandel heeft, gedurende bijna eene eeuw, zig
verrijkt met het drukken van boeken, van welken hem, de manuscripten
uit Frankrijk gezonden werden, of die zij op de fransche drukken
nadrukten; of die voor hen hier te lande bearbeid werden" [98].

De schrijver van Hollands Rijkdom waaraan bovenstaande woorden
zijn ontleend, vermeldt in hetzelfde werk [99] enkele uitlatingen
van Voltaire over de Nederlandsche uitgevers: "...een amsterdamsch
boekverkooper, die nauwelijks eene A voor eene B kende, won een
millioen, omdat er Franschen waren, welke om den broode schreven." "De
hollandsche boekverkoopers winnen jaarlijks een millioen, omdat de
Franschen vlug van geest zijn." Al drukt Voltaire zich hier wat sterk
uit, een grond van waarheid ontbreekt zeker niet aan zijne beweringen.

Ook op het gebied van den muziekdruk waren het vooral werken van
vreemde componisten, die hier te lande werden gedrukt [100].

Waar dus het uitgeversbedrijf en de boekhandel jaarlijks schatten in
het land brachten, terwijl de schrijvers grootendeels vreemdelingen
waren, ligt het voor de hand, dat men de bescherming der boekdrukkers
als hoofdzaak bleef beschouwen en zich niet zoo spoedig ontvankelijk
betoonde tot het erkennen van de rechten der auteurs.

De "schatten", die door de drukkers en uitgevers werden verdiend,
mogen in bovenstaande citaten misschien min of meer overdreven
zijn voorgesteld, in ieder geval is het bekend, dat hun bedrijf,
vooral in de 17de eeuw, aanzienlijke winsten kon opleveren. Gaat
men daartegenover na, wat de schrijvers voor hun werk maakten, dan
valt daaruit gemakkelijk af te leiden, dat het leeuwenaandeel van
hetgeen met hunne geschriften werd verdiend niet voor hen maar voor
de drukkers en uitgevers was.

Over het weinige, dat de schrijvers voor het tooneel voor hun werk
kregen, is al gesproken. De exploitatie door den druk bracht wel eens
meer, maar toch gewoonlijk ook niet veel voor de auteurs op. Gaf men
in den schouwburg aan den tooneeldichter als eenige vergelding een
aantal "loodjes", de uitgevers gaven dikwijls als eenig honorarium een
aantal exemplaren van het boek. In een brief van Abraham Ortel aan den
geschiedschrijver Emanuel van Meteren, gedateerd 17 November 1586,
leest men o. a.: "My dunckt, so veele als ick in onzen tyt bevonden
hebbe, so hebben de aucteuren selden gelt van haer boeken, want meest
wordense aen druckeren gesconken. Dan sy hebben wel gemeynlijcken wat
exemplaren alse gedruckt sijn, ende dan oock wachten se gemeynlijcken
wat van de dedicatie, idque pro Maecenatis aut patroni liberalitate,
die dicwils ende oock meest (geloove ick) hem mist. Ick hebber oock
by geweest dat Plantyn 100 daelders toe creech van den aucteur, om
dat hy syn boeck drucken soude willen.... Plantyn heeft nu corts noch
een boexken aengenomen, daer hy 200 gulden toe sal hebben" [101]. De
waarheid dezer mededeelingen omtrent Plantijn vindt men bevestigd
door Max Rooses in diens bekende werk over den Antwerpschen drukker
en uitgever. Daar worden nog vele voorbeelden genoemd van schrijvers,
die een som gelds toe moesten betalen, waarvoor zij dan meestal een
aantal exemplaren van het werk ontvingen. Doch gewoonlijk hadden de
auteurs niets te betalen, maar kregen zij evenmin eenig honorarium. Aan
sommige gaf Plantijn een geschenk in boeken; slechts in zeer enkele
gevallen gaf hij eene renumeratie in geld [102].

In de zeventiende eeuw was het in het algemeen voor de auteurs
waarschijnlijk niet veel beter gesteld. Van schrijvers, die zich met
hun arbeid verrijken, hoort men niet; als er iets met een boek te
verdienen is, strijkt de drukker dit meestal op. Zoo schrijft Maria
van Reigersbergh aan haar echtgenoot in een brief van 12 Augustus 1624
o. a.: "Ick hebbe met Erpenius gesproecken raeckende het drucken van
U. E. bouck. Zoo veel hebbe ick wel verstaen, datter wel profyt mede
te doen is, het tselve tot onse kosten te laeten drucken, maer het
kompt altemael aen op het distribuweeren ende datter qualyck geldt
wt de bouckverkoopers handen te crigen is" [103]. In een volgend
schrijven raadt zij Hugo de Groot, een paar honderd exemplaren van
den uitgever voor zich te bedingen [104].

De volgende versregels van Jeremias de Decker in zijn Lof der
Geldzucht over de poëten geven een soortgelijken indruk van de
toenmalige verhoudingen tusschen schrijver en uitgever:


        "En vloeit er wat gewins uit hunne rymery,
        't Valt hunnen buidel mis en doet de borze zwellen
        Der loozer druckeren en hunner metgezellen;
        De Dichter zaeit en plant, de Drucker maeit en pluckt."


De dichtkunst werd slecht betaald en het gevolg was, dat de poëten
soms op thans minder gebruikelijke wijze geld uit hun verzen trachtten
te slaan, b.v. door zich onder de hoede te stellen van een Maecenas,
of door het vervaardigen op bestelling van gelegenheidsgedichten. Een
eigenaardig voorbeeld van exploitatie der dichtkunst deelt Prof. Kalff
mede: [105] de dichter Jan Jansz. Starter sloot in 1622 met een
twintigtal Amsterdammers een contract, waarbij deze "lyefhebbers
van de Nederduytsche poësy" zich verbonden, aan Starter wekelijks
12 carolus-guldens uit te keeren; daartegenover nam Starter de
verplichting op zich, in Amsterdam te blijven wonen en o. a. gedichten
voor hen te schrijven tegen drie stuivers de bladzijde.

Ten slotte nog een voorbeeld van schraal dichter-honorarium uit
het begin der achttiende eeuw: Hubert Korneliszoon Poot kreeg
voor de eerste uitgave zijner gedichten--en dat nog niet zonder
moeite--zes exemplaren van zijn werk en een "Grootmediaen Bybel"
van den uitgever. Later verweet deze uitgever hem "dat er langer geen
gedicht van (Poot) ter persse was te krijgen, of daer most een stuk
gelts voor zyn"; in antwoord op dit verwijt verklaarde Poot echter,
dat hij, alles bij elkaar, nooit meer van hem had losgekregen dan
"de arme waerde van twee zilvere dukatons".



Van eene bescherming tegen den nadruk die zich over verschillende
landen uitstrekte, kwam in het tijdperk der privilegiën natuurlijk
weinig in. Toch gelukte het soms aan een uitgever zich ook buiten
de landsgrenzen bescherming te verzekeren. Een van de oudste en
merkwaardigste voorbeelden hiervan geeft de beroemde bijbeluitgave van
Christoffel Plantijn, die in de jaren 1569-1572 te Antwerpen het licht
zag. Voor dit werk waren privilegiën verkregen in de volgende landen:
Venetië, Duitschland, Arragon en Castilië, de Nederlanden, Brabant,
Napels en Frankrijk. Bovendien had paus Pius V er een privilegie voor
verleend, waarbij aan ieder katholiek op straffe van excommunicatie
werd verboden, binnen twintig jaar dezen bijbel na te drukken of
te verkoopen zonder toestemming van Plantijn. Voor de inwoners der
kerkelijke Staten kwam bij deze straf nog een boete van 2000 gouden
dukaten en verbeurdverklaring der nagedrukte exemplaren [106].

Bodel Nyenhuis [107] maakt melding van een octrooi, door den Franschen
koning Hendrik IV in het jaar 1594 verleend aan Franciscus Raphelengius
voor Cyclometrica Elementa van Justus Scaliger, een werk, dat ook in
Nederland geprivilegieerd was. Een ander voorbeeld is de reeds genoemde
uitgave van de Annales van Hugo Grotius, voorzien van privilegiën van
de Staten-Generaal, de Staten van Holland en keizer Ferdinand III. Ook
blijkt van eene dergelijke gelijktijdige bescherming in verschillende
landen uit de resolutie der Staten-Generaal van 10 Sept. 1609 [108]:
"Is Octavio van Veen geaccordeert octroy, omme voor den tyt, dat
hem gelyk octroy is gegunt, by den keyser, coningen van Vrankryk
ende Spangien, mitsgaders die ertshertogen, alleene inde Vereenichde
Provinciën te mogen snyden in 't coper of hout,... etc."

Soms wendde zich de Regeering van een ander land tot onze Staten, om
de bescherming van een in het buitenland uitgekomen boek hier in te
roepen. In de vergadering der Staten-Generaal van 28 Aug. 1703 wordt
melding gemaakt van "een missive van den Heere Churfurst van de Paltz",
waarin wordt medegedeeld, dat de Heidelbergsche professor Johannes
Andreas Eysenmenger een boek had geschreven genaamd Het ontdeckte
Jodendom, en waarin den Staten verzocht wordt: "dat Haer Ho: Mog:
geliefden sodanige nadruckelijke ende ernstige ordre te stellen,
en die voorsieninge te laten doen, ten eynde het nadrucken van het
voors. werck, als oock het verkopen van dien, in derselver gebiedt en
Landen mogte werden verboden". Een brief van gelijke strekking van den
"Churfurst van Mentz", handelende over hetzelfde boek Het Jodendom
ontdeckt werd eenige weken later in de vergadering besproken [109].

In 1745 richtte zich de koning van Pruisen met een dergelijk verzoek
tot de Staten-Generaal. Van zijne missive werd door den Raadpensionaris
in de vergadering der Staten van Holland van 20 Nov. 1745 mededeeling
gedaan. De koning van Pruisen was bevreesd, dat men in Holland "de
Memoires van de Sociëteit der Weetenschappen in sijne Majesteits
Residentie geëtablisseert" zou nadrukken en richtte zich tot de
Staten "... in die ongetwyffelde hoope, dat deselve het verlangde
verbod tot verhindering van de gevreesde nadrukking niet souden
difficulteeren... etc." [110].

Wat de beslissing der Staten is geweest op deze verzoeken, heb ik
niet kunnen vinden; de Staten-Generaal verwezen de zaak naar de
Staten der Provinciën "om daer omtrent sodanige ordre te stellen,
als sullen oordeelen te behooren." De Staten van Holland hadden in
de reeds meermalen genoemde resolutie van 1715 o.m. besloten: "Dat
de Boecken, waar op de voorschreve octroyen sullen werden versoght,
sullen moeten toebehooren in vollen eygendom ten minste voor het
grootste gedeelte, aan Ingezetenen van desen Lande, ende hier te
Lande gedruckt sullen moeten zijn." Indien zij zich in 1745 hieraan
nog hielden, zal het laatstgenoemde verzoek dus wel door hen zijn
afgeslagen. In elk geval blijkt uit deze missives, dat men toen reeds
de nadeelige gevolgen van den buitenlandschen nadruk ondervond.

Na hetgeen hierboven is gezegd behoeft het niet te verwonderen,
dat men in het algemeen hier te lande niets onrechtmatigs zag in het
nadrukken van in het buitenland uitgekomen werken. Dikwijls werden
zelfs voor deze nadrukken privilegiën verleend en dit gaf aanleiding
tot de vraag, of door deze privilegiën ook het invoeren en verkoopen
van de origineele buitenlandsche uitgave werd verboden.

In een request van eenige Amsterdamsche uitgevers aan de Staten
van Holland van het jaar 1722 wordt deze kwestie besproken. Zij
gaven er o.a. in te kennen: "... dat niettegenstaande tot noch toe
alle de origineele Fransche Drucken van les oeuvres de Molière,
Corneille, Racine en meer andere, schoon de selve hier te Lande met
privilegie van haar Edele Groot Mog. herdruckt wierden, hier vry en
onverhindert inquaamen en vertiert wierden, eenige Boeckverkoopers
tot Parys hadden konnen goetvinden Boecken, hier te Lande uyt de
Engelsche en andere Taalen met seer swaare kosten in de Fransche
Taale overgeset, te herdrucken, en op de selve aldaar Privilegie
te verkrygen, om daar door het inkomen en vertieren der origineele
Hollandtsche Drucken te weeren, en sulcks tegen het voorrecht,
dat sy hier te Lande genooten... Dat dewyl nu de Supplianten sich
(onder reverentie) verbeelden, dat de intentie van Vranckrijck in het
verleenen van des selfs Privilegiën niet geweest was, om het vertier
der Hollandtsche Drucken te verbieden... versoeckende derhalven,
dat de saake ter Generaliteyt daar heenen moghte werden gedirigeert,
om aan het Hof van Vranckrijck te vertoonen het ongelijck, het geen de
onderdaanen van deesen Staat door de interpretatie van de voorgewende
Privilegiën aangedaan wierdt... etc." [111].

Of naar aanleiding van dit request met de Fransche Regeering in
overleg is getreden, weet ik niet te zeggen. Wel schijnt de vraag de
Staten van Holland nog later te hebben beziggehouden; ten minste in
1730 werd aan eene commissie uit hun midden opgedragen, te examineeren
"... of eenige andere, en beetere, ordre soude konnen worden uitgedagt
omtrent het nadrukken van Boeken, die buiten 's Lands gedrukt mogten
zijn" [112]. Met dezelfde kwestie had waarschijnlijk ook te maken de
mededeeling van den Raadpensionaris in de vergadering van 5 October
1735: "... dat aan hem is voorgekoomen, dat in de Octroien, welke van
tyd tot tyd door haar Edele Groot Mog. verleent worden tot het drukken
van Boeken, geïnsereert zijn eenige Clausulen, welke aanleiding geeven
om het debit der Boeken hier te Lande gedrukt buiten 's Lands seer
difficil te maaken, tot nadeel van de commercie der Boekverkoopers in
deese provincie." Men besloot de zaak te onderzoeken en te overwegen
"of, en wat, veranderingen in deese Octroien souden konnen en behooren
gemaakt te worden, en wat voorsiening verders soude konnen werden
gedaan tot beneficieering van de Drukkerye en Boeknegotie in deese
Landen" [113]. Men ziet uit deze laatste toevoeging weer een bewijs
van de groote zorg, die de Staten voor "Drukkerye en Boeknegotie"
aan den dag legden.

In sommige octrooien uit dienzelfden tijd van de Staten van Holland
voor hier te lande uitgegeven nadrukken van vreemde werken wordt
uitdrukkelijk vermeld, dat de origineele uitgave er niet door wordt
geweerd. Zoo komt in een octrooi van het jaar 1737 de volgende clausule
voor: "...des dat door het verleenen van het selve Octroi niemand sal
worden belet hier te Lande te debiteeren den Engelschen Druk van het
voorschreeven Werk..." [114] en in een van het daaropvolgend jaar:
"...doch door dit octrooi zal niet worden belet, dat de origineele
Pruissische Druk van hetzelfde werk hier wordt ingevoerd, uitgegeven
of verkocht" [115]. Hieruit blijkt, dat men de billijkheid tegenover
buitenlandsche uitgevers niet geheel uit het oog verloor, al kunnen
wij volgens de thans geldende begrippen, hierin niet--zooals in het
bovengenoemd request wordt gedaan--een "voorrecht" voor hen zien. Het
enkele feit, dat voor nadrukken privilegiën werden verleend, bewijst
dat men nog ver afstond van eene internationale bescherming.

Toch schijnt reeds in het midden der 18de eeuw bij een Nederlander het
denkbeeld te zijn opgekomen van het samengaan van verschillende staten,
om door algemeene voorschriften den nadruk te weren. Verschillende
schrijvers maken er n.l. melding van, dat op het Vredescongres te
Aken in 1748 door een Nederlandschen boekhandelaar een voorstel tot
bestrijding van den nadruk werd aangeboden met het verzoek, dat alle
vertegenwoordigde Staten dit zouden aannemen en het daartoe in het
vredesverdrag zou worden opgenomen. Van dit, voor de geschiedenis
van het internationale auteursrecht voorzeker zeer belangrijke,
voorstel is het mij, ondanks enkele nasporingen, niet gelukt meerdere
bijzonderheden te weten te komen [116]. Dat het niet tot uitvoering is
gekomen, behoeft nauwelijks te worden vermeld; waarschijnlijk heeft
het zelfs bij geen der Akensche gedelegeerden een punt van ernstige
overweging uitgemaakt.



§ 2 Onze wetgeving op het auteursrecht van het einde der achttiende
eeuw tot dezen tijd

Met het privilegie-stelsel werd hier te lande het eerst in de provincie
Holland gebroken. In het jaar 1796 vaardigde het Provinciaal Bestuur
van dit gewest eene Publicatie [117] uit, waarvan het eerste artikel
luidde:

"Dat van nu voortaan geene Privilegiën of Octroijen tot het drukken
en uitgeven van eenige Boeken of Stukken zullen worden verleend, als
strijdende tegen de thans aangenomen grondbeginselen, volgens welke
ieder Ingezeten een aanspraak heeft op de beveiliging van zijnen
regtmatigen eigendom."

In het volgend artikel werd aan ieder boekverkooper binnen de
provincie, die een origineel werk uitgaf, waarvan hij het kopierecht
had verkregen, het uitsluitend recht toegekend, dat boek te drukken
en uit te geven.

Men erkende dus een "eigendomsregt" op geschriften, dat zijn oorsprong
vond in den auteur, doch de bescherming werd niet aan deze laatsten,
maar aan de uitgevers verleend. Al komt deze regeling, zooals o.a. door
Mr. de Ridder wordt opgemerkt [118], in de gevolgen voor de auteurs
vrijwel op hetzelfde neer, daar zij zich bij contract tegen eventueele
willekeur der uitgevers konden beveiligen, er blijkt toch uit, dat
al waren de privilegiën afgeschaft, het beginsel, dat er aan ten
grondslag had gelegen, nog bleef nawerken. Over de schrijvers wordt
in de geheele publicatie niet gesproken.

Het kopierecht, dat aan de uitgevers werd verleend, ging op hunne
erfgenamen over en was--in overeenstemming met den naam "eigendomsregt"
dien men er aan gaf--eeuwigdurend (art. 2); er behoorde ook toe
de uitsluitende bevoegdheid, vertalingen en verkortingen van het
geschrift in het licht te geven (art. 4). Daar echter de publicatie
alleen in de provincie Holland van kracht was, had de bescherming,
die zij verleende, niet zoo heel veel te beteekenen.

Ten opzichte der internationale verhoudingen huldigde de publicatie
nog dezelfde beginselen, die in den privilegiën-tijd heerschende
waren. Nadruk van in het buitenland (d.i. buiten de provincie Holland)
uitgekomen boeken werd niet alleen niet verboden, maar werd zelfs
alsof het eene oorspronkelijke uitgave was, tegen verdere nadrukken
beschermd (art. 5). De "regtmatige eigendom" van vreemdelingen werd dus
niet geëerbiedigd; de Hollandsche uitgever, die er zich het eerst van
meester maakte, gold als rechthebbende. Hetzelfde gold voor de uitgave
eener vertaling van een buitenlandsch werk (art. 6). De uitgever
behoefde voor het vestigen van zijn recht niet eens met de uitgave,
den nadruk of de vertaling begonnen te zijn; reeds het voornemen om dat
te doen verschafte, mits behoorlijk in de nieuwsbladen geadverteerd,
een "regt van praeferentie", waardoor anderen verhinderd werden van
dezelfde kopie gebruik te maken (art. 7).

Bijbels, testamenten, kerk- en schoolboeken, almanakken en tijdwijzers
waren uitdrukkelijk van de bescherming uitgesloten (art. 8); van
staatsstukken, "welke als den eigendom van het Volk van Holland moeten
worden beschouwd", behield het Provinciaal Bestuur het kopierecht
aan zich (art. 9).

De eerste wet op het auteursrecht, geldende voor alle provinciën, was
de Publicatie van het Staatsbewind der Bataafsche Republiek van 3 Juli
1803 [119]. Ook hierin was de bescherming der uitgevers nog hoofdzaak;
er werd nu echter ook van de "opstellers" der boeken gesproken, die
in de publicatie van het provinciaal Bestuur van Holland niet eens
waren genoemd. Het kopierecht werd verleend aan ieder, die "in de
Bataafsche Republiek een oorspronkelijk werk uitgeeft, waarvan hij
het gewoonlijk alzoo genoemd, Regt van kopij of bezit, omdat hij zelf
daarvan de opsteller is, of om niet, of voor geld, of op eene andere,
mits wettige wijze, bekomen heeft" (art. 2).

Deze bepaling zou practisch ongeveer dezelfde gevolgen hebben
gehad, indien als subjecten van het auteursrecht eenvoudig waren
aangewezen--zooals in art. 1 van onze tegenwoordige wet--"de auteur
en zijne rechtverkrijgenden." Het verschil ligt echter niet alleen
in de meer omslachtige formuleering. Van een recht op het geestelijk
product, toekomende aan den auteur onafhankelijk van de vraag of, en
zoo ja hoe hij zijn werk wenscht te exploiteeren, had men blijkbaar
nog geen klaar begrip. Dit blijkt ook uit de overwegingen, die het
Staatsbewind der Bataafsche Republiek over deze wet aan het Wetgevend
Lichaam deed toekomen [120]. Daarin wordt als doel van de wet, naast
bevordering van den boekhandel, waarvan het eerst wordt gesproken,
nog genoemd:

"1o. de bevordering der verlichting en der wetenschappen in ons
Vaderland en 2o. de zekerheid der ingezetenen, dat door een dergelijke
Wet, hun vrije handel niet meer werd beperkt, dan volstrekt vereischt
wordt, tot maintien van een ieders wettig regt van Eigendom." Over
de schrijvers wordt geen woord gezegd.

De wet erkende naast het recht van eigendom ook een recht van
praeferentie, toekomende aan den uitgever, die van een buitenlandsch
werk eene vertaling in het licht geeft. Dit recht verwierf de uitgever
zich dus geheel buiten den auteur om. In de "Consideransen" wordt het
aldus gemotiveerd: "het valt toch niet te ontkennen, dat zoodanig een"
(nl. de uitgever der vertaling) "moet gehouden worden, de daartoe
benoodigde moeite of Copia geld en voorschotten te hebben besteed en
uitgelegd, en alzoo zich een regt verworven, om door het debiet van
zijn werk, zich zelven schadeloos te stellen, en zoo mogelijk winst
te doen... etc."

Doch ten opzichte van nadrukken van buitenlandsche werken werd het
recht van praeferentie door het Staatsbewind bestreden. Niet omdat men
er eene onbillijkheid in zag tegenover den buitenlandschen schrijver
of uitgever, doch uitsluitend omdat de eene ingezetene erdoor op
onrechtvaardige wijze boven de overigen wordt voorgetrokken. De
bepaling van art. 5 der Hollandsche publicatie werd dus niet
overgenomen; overigens was de wet van 1803 daaraan vrijwel gelijk.

De wet van 1803 is slechts enkele jaren van kracht gebleven; na de
inlijving van ons land bij het Fransche keizerrijk werd, ook op het
gebied van het auteursrecht, de Hollandsche wetgeving spoedig door
de Fransche vervangen. De voornaamste bepalingen waren te vinden
in de Décret-Loi des 19-24 Juillet 1793. Deze wet, die nu nog,
hoewel op enkele punten gewijzigd en door andere wetten aangevuld,
in Frankrijk van kracht is, verleende het kopierecht aan de auteurs
van alle mogelijke geschriften en daarenboven aan: "compositeurs de
musique" en aan: "peintres et dessinateurs qui feront graver des
tableaux ou dessins" (art. 1). Na hun dood bleef het auteursrecht
nog tien jaar voor hunne erfgenamen bestaan (art. 2).

Deze bepaling werd door een, eveneens hier te lande executoir verklaard
Keizerlijk Decreet van 1810 in dier voege aangevuld, dat de weduwe
van den auteur gedurende haar leven, en zijne kinderen tot twintig
jaar na den dood huns vaders van de bescherming zouden genieten.

De twee hoofdbeginselen, die hier onder het Fransche bestuur voor het
eerst werden ingevoerd, n.l. het toekennen van een 1o. in tijdsduur
beperkt auteursrecht, en dat 2o. direct aan de auteurs, vindt men na
dien tijd in de wetgevingen van bijna alle landen terug.

De Fransche wetten op de boekdrukkerij en den boekhandel werden hier
afgeschaft door het Souverein Besluit van den 24 Januari 1814 No. 1
(Staatsblad No. 17), houdende bepalingen omtrent den boekhandel en
den eigendom van letterkundige werken.

Dit besluit vond vooral toejuiching, omdat het de drukkende Fransche
censuur afschafte; uit het oogpunt van auteursrecht is het echter
als een stap terug te beschouwen. Evenals de wet van 1803 gaf het
een eeuwigdurend recht, niet aan den auteur, maar aan "... elk die
een oorspronkelijk werk, hetzij in één, hetzij bij deelen of stukken
uitgeeft, waarvan hij het regt van copie, als opsteller of anderszins,
wettig bezit" (art. 6). Ook werd in het besluit strafbaar gesteld:
"eenigerlei nadruk van de Nederduitsche vertaling eens buiten deze
landen uitgekomen werks, of het debiteren eener andere Nederduitsche
vertaling van hetzelfde werk, binnen de drie eerste jaren na de uitgave
der eerste vertaling" (art. 9), eene bepaling, die ook voorkwam in
de wet van 1803 en die toen op de eigenaardige wijze, die boven is
medegedeeld, werd gemotiveerd.

Een besluit van 24 Januari 1815 (Staatsblad No. 6) gaf nog eenige
aanvullende bepalingen over de formaliteiten, die de eerste uitgever
eener vertaling tot vestiging van zijn recht van praeferentie had
te vervullen.

Intusschen was in België--vreemd genoeg--bij Besluit van 28 September
1814 (Journal Officiel No. 54) het auteursrecht op geheel andere
wijze, n.l. volgens de bovengenoemde Fransche beginselen, geregeld;
vandaar dat men spoedig naar eene nieuwe, voor beide deelen van het
koninkrijk gelijke regeling verlangend begon uit te zien.

Reeds in 1816 werd een ontwerp van wet aan den Raad van State
aangeboden, waarvoor de vroegere Nederlandsche regelingen, zelfs de
resolutie van de Staten van Holland van 1715, tot richtsnoer schijnen
te hebben gediend [121].

Dit ontwerp werd, na door den Raad van State geheel te zijn omgewerkt
volgens de nieuwere opvattingen, bij de Staten-Generaal ingediend,
waar het, zonder aanleiding te geven tot gedachtenwisseling,
onveranderd werd aangenomen, om vervolgens te worden afgekondigd
onder den naam van: Wet van den 25 Januari 1817 (Staatsblad No. 5),
de regten bepalende, die in de Nederlanden, ten opzigte van het drukken
en uitgeven van letter- en kunstwerken, kunnen worden uitgeoefend.

Het recht om letter- en kunstwerken uitsluitend door den druk gemeen
te maken en te verkoopen werd verleend aan "diegenen, welke daarvan
autheurs zijn, en hunne regtverkrijgenden" (art. 1).

Vertalers van in het buitenland uitgekomen letterwerken kregen
hetzelfde recht op hunne vertaling (art. 2); het recht van praeferentie
echter, waardoor de eerste vertaler ieder ander kon verhinderen, eene
andere vertaling in het licht te geven, komt in de wet niet voor [122].

Het auteursrecht duurde twintig jaar na den dood van den auteur of
vertaler (art. 3).

Als voorwaarde van de bescherming werd gesteld, dat het werk op eene
Nederlandsche drukkerij moest zijn gedrukt, dat het een Nederlandschen
uitgever moest hebben, en dat drie exemplaren vóór of gelijktijdig
met de uitgave moesten worden ingeleverd aan het gemeentebestuur van
de woonplaats des uitgevers (art. 6).

Vergeleken met het Besluit van 1814 vertoonde deze wet aanmerkelijken
vooruitgang: het recht werd direct verleend aan de auteurs; met
het eeuwigdurend kopierecht, consequentie van de letterkundige
eigendomstheorie, was gebroken; naast boeken waren ook "kunstwerken"
beschermd en op het punt van vertalingen waren gezondere beginselen
gevolgd. Doch op zeer vele punten was de nieuwe regeling, die tot
het jaar 1881 van kracht is gebleven, nog gebrekkig en onvolledig.

De uitdrukking "letter- en kunstwerken", waarmede de beschermde
producten werden aangewezen, was vaag en gaf in enkele gevallen
aanleiding tot twijfel [123]. Werken van plastische beeldende kunst
vielen buiten de "kunstwerken", daar de wet alleen betrekking had
op het drukken en uitgeven. De vraag of onder de "letterwerken"
ook mondelinge voordrachten begrepen waren, werd door de meesten
ontkennend beantwoord [124].

Een groote leemte vormde het geheel ontbreken van op- en
uitvoeringsrecht voor tooneel- en muziekwerken; in dit opzicht waren
wij dus--in tegenstelling met de meeste andere landen--nog even ver
als in den tijd der privilegiën.

Voorts valt op de wet van 1817 aan te merken, dat de handhaving van
het recht ondoeltreffend was geregeld. Art. 4 bepaalde, dat elke
inbreuk op het kopierecht (dus ook bv. het verkoopen en verspreiden
van nagedrukte exemplaren) als nadruk werd aangemerkt en als zoodanig
strafbaar was. De straffen waren, behalve boete van 10-1000 gld.,
confiscatie van alle nagedrukte exemplaren ten voordeele van den
eigenaar van den oorspronkelijken druk en het betalen aan dezen laatste
van eene schadevergoeding, bedragende de waarde van 2000 exemplaren
van het nagedrukte boek of kunstwerk. Dit bedrag overtrof natuurlijk
in de meeste gevallen verre dat der werkelijk geleden schade, zoodat
de oorspronkelijke uitgever op deze wijze niet alleen werd schadeloos
gesteld, maar nog een aanzienlijke winst kon maken. Aan den anderen
kant was hij, op wiens recht inbreuk werd gemaakt, weer te beperkt
in zijne rechtsmiddelen; de bedoelde schadevergoeding kon alleen
verkregen worden, wanneer tegen den nadrukker eene strafvervolging was
ingesteld en zoolang deze niet tot een veroordeelend vonnis had geleid,
bestond er voor den rechthebbende op het kopierecht geen middel,
om het verspreiden, verkoopen en invoeren van nagedrukte exemplaren
tegen te gaan. De regeling van art. 4 was bovendien op vele punten
onvolledig; er stond bij voorbeeld niet in, hoe de schadevergoeding
berekend moest worden, wanneer het een nog niet uitgegeven werk gold
of een werk, waarvan verschillende uitgaven bestonden. Wat de boete
betreft, deze moest strekken "ten behoeve van de algemeene armen
van de woonplaats des nadrukkers"; eene bepaling waarvan de ratio
moeilijk is te vatten en die daarenboven niet voorzag in het geval,
dat de nadrukker een vreemdeling was.

In de wet kwamen geene bepalingen voor voor pseudonieme, anonieme
en posthume werken, evenmin voor werken, die door de samenwerking
van meerdere auteurs zijn ontstaan, hetgeen toch, met het oog op
de berekening van den duur van het recht volgens art. 3 (20 jaar
na den dood des auteurs) gewenscht ware geweest. De toepassing van
laatstgenoemd artikel gaf ook moeielijkheid bij werken, waarvan geen
natuurlijk persoon auteur is, maar die vanwege een of ander genootschap
of den Staat zijn uitgegeven.

Eene afzonderlijke regeling van het Staats-kopierecht gaf het
Koninklijk Besluit van 2 Juli 1822 (Staatsblad No. 16), waarbij het
drukken en verspreiden van staatsstukken werd vrijgelaten, behalve
van diegenen, waarop door den Koning het recht van uitgave ten behoeve
van de landsdrukkerij werd voorbehouden of "bij speciale vergunningen
of octroijen" aan particulieren werd afgestaan.

Dit K. B. is terecht een voorwerp van scherpe kritiek
geweest. Onafhankelijk van de wet, die deze materie regelde, werd
hier een kopierecht van den Staat gecreëerd en zelfs aan den Koning
de bevoegdheid voorbehouden speciale vergunningen, in aard vrijwel met
de vroegere privilegiën overeenkomende, aan particulieren te verleenen.

Toen eindelijk de Hooge Raad in een arrest van 8 September 1840 [125]
had uitgemaakt, dat de beschikkingen van het genoemde K. B. van geen
kracht waren, daar de wet van 1817 een kopierecht van den Staat niet
kent, werd bij K. B. van 24 April 1841 (Staatsblad No. 11) het besluit
van 1822 en de daarop berustende besluiten, waarbij het uitgeven van
bepaalde staatsstukken aan de landsdrukkerij werd voorbehouden of
aan particulieren verleend, ingetrokken [126].

Later kwam de kwestie van het Staats-kopierecht nog ter sprake
bij de behandeling van de Wet van 12 Aug. 1849 (Staatsblad No. 36)
op de invoering van de Pharmacopoea Neerlandica en Nederlandsche
Apotheek, waarbij het uitsluitend recht van drukken en uitgeven van
dit stuk aan den Staat werd voorbehouden. Zoowel in de schriftelijke
gedachtenwisseling over deze wet als bij de openbare beraadslagingen
vonden de genoemde bepalingen bij vele leden der Staten-Generaal
verzet [127]; toch bleef zij in de wet gehandhaafd. De wet zelf werd
in 1871 ingetrokken.

De genoemde leemten en gebreken van de wet van 1817, waarbij nog
gevoegd kan worden het ontbreken van voldoende overgangsbepalingen
(waardoor o.a. twijfel bleef bestaan ten opzichte van het al of niet
voortbestaan van het eeuwigdurend kopierecht, dat volgens de vroegere
Nederlandsche wetten was verkregen) [128], deden zich al spoedig
in de practijk gevoelen en waren oorzaak, dat door belanghebbenden
herhaaldelijk pogingen in het werk werden gesteld om tot eene betere
regeling te komen.

In 1828 werd reeds door eenige boekhandelaren een ontwerp ter
vervanging van de wet van 1817 opgesteld en met eene memorie van
toelichting aan de Regeering aangeboden [129]. Twee jaar later had de
Regeering een ontwerp gereed, dat echter nooit bij de Staten-Generaal
is ingediend.

In latere jaren is, vooral door de Vereeniging tot bevordering van
de belangen des boekhandels gedurig moeite gedaan, om een betere wet
te krijgen [130].

In het jaar 1860 werd door bovengenoemde vereeniging een ontwerp voor
eene nieuwe wettelijke regeling met eene memorie van toelichting
aan den minister van binnenlandsche zaken aangeboden [131]. Nadat
over dit ontwerp bij de koninklijke Academie voor beeldende kunsten
en bij de koninklijke Academie van Wetenschappen adviezen waren
ingewonnen, verscheen eindelijk in 1877 een Regeerings-ontwerp. Voor
de voorbereiding hiervan was, zooals ook in de M. v. T. [132] wordt
erkend, behalve van de belangrijkste buitenlandsche wetgevingen, een
ruim gebruik gemaakt van het Ontw. Boekh. Er was o.a. uit overgenomen
de nauwkeuriger omschrijving der auteursproducten in plaats van
de vage term "letter- en kunstwerken" van de wet van 1817; voorts
de bepaling, dat het auteursrecht eene roerende zaak is (art. 9);
dat met auteurs worden gelijkgesteld ondernemers van werken, die uit
bijdragen van meerdere auteurs bestaan (art. 3 Ontw. Boekh., art. 2 a
Ontw. '77); en de bepaling, dat de auteurs of hunne rechtverkrijgenden
op wederrechtelijk gemeen gemaakte werken beslag kunnen leggen
(artt. 14-17 Ontw. Boekh., artt. 20-22 Ontw. '77).

Op vele andere punten was het Ontw. Boekh. echter niet gevolgd. Nieuw
was b.v.: het erkennen van een recht van op- en uitvoering voor muziek-
en tooneelwerken (als gevolg hiervan werd niet meer van kopierecht maar
van auteursrecht gesproken) en het toekennen van auteursrecht voor
mondelinge voordrachten (art. 1); de beperking van het uitsluitend
recht om vertalingen van een werk uit te geven tot slechts 5 jaar na
de oorspronkelijke uitgave en dan nog onder voorwaarde, dat het recht
uitdrukkelijk wordt voorbehouden en de vertaling binnen drie jaar
verschijnt; (art. 5b en 15 2o); de berekening van den duur van het
auteursrecht niet meer naar het tijdstip van overlijden des auteurs,
maar naar dat van de eerste uitgave van het werk (art. 12); de bepaling
dat de wet ook voor Nederlandsch Indië verbindend zou zijn (art. 28).

Het onderzoek in de afdeelingen der Tweede Kamer had in 1878 plaats,
nadat het ontwerp door het inmiddels nieuw-opgetreden Ministerie van
zijn voorganger was overgenomen.

In het Voorloopig Verslag van 23 Mei 1878 [133] werd het over het
algemeen gunstig beoordeeld. De voornaamste bedenkingen golden: het op-
en uitvoeringsrecht, dat "velen leden" naast het kopie-recht overbodig
voorkwam, terwijl "zeer vele leden" dit liever in eene afzonderlijke
wet wilden geregeld zien; het auteursrecht op mondelinge voordrachten,
dat sommige leden niet toegekend wilden zien, andere niet dan onder
zekere voorwaarden; de termijnen voor den duur van het recht, die
door de groote meerderheid te lang werden gevonden en die men ook niet
voor alle gevallen voldoende geregeld vond. Ook tegen de voorgestelde
wijze van handhaving van het auteursrecht werden bezwaren ingebracht:
de meerderheid der leden wilden de strafrechtelijke vervolging der
overtredingen afhankelijk zien gesteld van de klacht der belanghebbende
partij; enkelen wilden de straf-actie geheel zien verdwijnen.

Voordat dit verslag door de Regeering was beantwoord, had er wederom
eene kabinetsverwisseling plaats gehad. Mr. Modderman, die als
minister van justitie was opgetreden, nam nu het ontwerp ter hand,
dat, op enkele punten gewijzigd, met de memorie van antwoord den
22sten September 1880 aan de Tweede Kamer werd toegezonden [134].

Het recht van bestaan van uit- en opvoeringsrecht naast het
kopierecht, alsmede van het auteursrecht op mondelinge voordrachten,
werd hierin door de Regeering nogmaals aangetoond. Verder werd
o. a. de systematische indeeling en volgorde tegen de daarover
gemaakte opmerkingen verdedigd. Ten opzichte van de handhaving van
het recht werd de noodzakelijkheid van strafrechtelijke bescherming
betoogd en tevens de meening weersproken, dat strafbare inbreuk op
het auteursrecht een klachtdelict behoorde te zijn.

Op enkele punten was aan de bezwaren tegen het eerste ontwerp
ingebracht nu tegemoet gekomen; zoo wat betreft de wijze, waarop
anonieme en pseudonieme auteurs zich bekend moeten maken (art. 2);
de bepalingen op den inhoud van dagbladen en tijdschriften (art. 7);
uitsluiting van beslag op auteursrecht (art. 9) en de voor de
uitoefening van het recht voorgeschreven formaliteiten (art. 10).

Den 1sten Juni kwam het wetsontwerp in de Tweede Kamer in
openbare behandeling [135]. De algemeene beraadslagingen liepen
voornamelijk over den theoretischen grondslag en het karakter
van het auteursrecht. Uit hetgeen minister Modderman hierover
naar aanleiding van de opmerkingen van de heeren Schaepman en
Oldenhuis Gratama in het midden bracht, bleek, dat de Regeering den
"intellectueelen eigendom" verwierp, maar niettemin een recht der
auteurs op bescherming erkende en daarmede den plicht des wetgevers,
om het door wettelijke voorschriften te doen eerbiedigen. De minister
noemde het auteursrecht een jus sui generis, noch tot de zakelijke,
noch tot de persoonlijke rechten behoorende, maar dat gerangschikt
moest worden onder de absolute vermogensrechten.

Bij de artikelsgewijze behandeling, die den volgenden dag plaats
had [136], werd o. a. de duur van het auteursrecht besproken. Een
amendement van den heer Oldenhuis Gratama, die den hoofdtermijn
van vijftig op dertig jaar na de eerste uitgave wilde brengen, werd
verworpen. Eveneens mislukte eene poging van den heer van der Kaay,
om art. 15, waarin de duur van het opvoeringsrecht van door den druk
gemeen gemaakte tooneelwerken tot tien jaar wordt beperkt, te doen
verwerpen, waardoor ook voor dit bestanddeel van het auteursrecht de
gewone, langere, termijn zou hebben gegolden.

De eenige wijziging, die het ontwerp onderging, betrof de strafbare
inbreuk op het auteursrecht, die door een amendement van de heeren
de Beaufort en van der Kaay tot een klachtdelict werd gemaakt. Het
wetsontwerp werd ten slotte met op één na algemeene stemmen
aangenomen. Na behandeling in de Eerste Kamer werd het den 28sten
Juni afgekondigd als: Wet van den 28sten Juni 1881 tot regeling van
het Auteursrecht (Staatsblad No. 124).

Deze wet, den 1sten Januari 1882 in werking getreden, is nu nog
ongewijzigd van kracht; alleen de artt. 18-20, die de strafbepalingen
inhielden, werden door de Invoeringswet van het Wetboek van Strafrecht
naar laatstgenoemd wetboek overgebracht, waarvan zij de artt. 349 bis,
ter en quater zijn geworden.

Zoowel in de M. v. T. als in de M. v. A. was door de Regeering
verklaard, dat zij de werken van beeldende kunst niet onder de
beschermde producten had opgenomen, omdat het wenschelijk scheen
daarvoor eene afzonderlijke regeling vast te stellen. Bij Koninklijke
Boodschap van 12 Febr. 1884 werd dienovereenkomstig een ontwerp van
wet bij de Tweede Kamer ingediend [137]. In de memorie van toelichting
werd de noodzakelijkheid van bescherming der kunstenaars bepleit,
o. a. met verwijzing naar verschillende buitenlandsche wetgevingen
en met een beroep op de beginselen, die bij de wet van 28 Juni 1881
gehuldigd waren.

Het ontwerp strekte de bescherming uit tot alle "werken der beeldende
kunsten"; hieronder moesten volgens de M. v. T. hoofdzakelijk begrepen
worden werken der schilder-, teeken- en beeldhouwkunst. Werken der
bouwkunst waren uitdrukkelijk van de bescherming uitgesloten (art. 1).

De vervaardiger werd beschermd, zoowel tegen nabootsing door dezelfde
of eene andere kunst als tegen namaak langs mechanischen weg. In
art. 4 werd een bijzonder recht van korteren duur verleend aan hem
"die een werk van beeldende kunst, door een ander vervaardigd, op
wettige wijze, maar door eene andere beeldende kunst of door eene
mechanische bewerking namaakt".

Met de wet van 1881 vertoonde het ontwerp vele punten van overeenkomst;
dezelfde indeeling in paragrafen was gevolgd en in de regeling van
verschillende belangrijke onderdeelen zooals: de duur, de middelen van
handhaving, verzamelwerken, karakter en eigenschappen van het recht
(art. 5), slotbepalingen, bevatte het gelijke of analoge bepalingen.

Daar het in de zitting 1883-1884 niet in behandeling was gekomen, werd
het den 30sten November 1884 wederom, geheel onveranderd, ingediend.

Het voorloopig verslag, uitgebracht 25 Maart 1885 [138], luidde niet
gunstig. Er werd beweerd, dat de kunstenaars de geboden bescherming
niet verlangden en men bestreed de meening, dat deze bescherming op
dezelfde gronden zou rusten als die der schrijvers. Ook werd de vrees
geuit, dat door aanneming van dit wetsontwerp een stap zou worden
gedaan in de richting van wederinvoering der octrooien van uitvinding.

Naar aanleiding van enkele opmerkingen in dit verslag voorkomende
werd het ontwerp door de Regeering op sommige ondergeschikte punten
gewijzigd (de woorden: der beeldende kunsten werden o. a. overal
vervangen door: van beeldende kunst) en opnieuw met eene memorie van
toelichting ingediend [139]. Onder meer werd hierin als grondbeginsel
van de voorgestelde bescherming aangevoerd, dat de voortbrenger van een
product des geestes het uitsluitend recht dient te hebben te bepalen
of, wanneer en in welken vorm zijn voortbrengsel, dat aan het gevaar
van nadruk of nabootsing blootstaat, openbaar zal worden gemaakt.

Tot eene openbare beraadslaging van het Ontwerp is het nooit
gekomen, hoewel de Commissie van rapporteurs het door de gewisselde
stukken daartoe genoegzaam voorbereid oordeelde en het daarna nog
tweemaal (27 Juli 1886 en 7 October 1887) bij de Tweede Kamer werd
ingediend. En hoewel in latere jaren de wensch naar eene regeling
van het artistieke auteursrecht, zoowel in als buiten het Parlement,
meermalen is geuit [140], zijn de kunstenaars in ons land tot nu toe
nog steeds onbeschermd gebleven.

Bij eene beschouwing van den hedendaagschen stand onzer wetgeving in de
materie, die ons hier bezighoudt, is het dan ook deze groote leemte,
die het eerst opvalt: het geheel ontbreken van bepalingen over wat in
alle andere beschaafde landen als een belangrijk onderdeel van het
auteursrecht wordt beschouwd. Doch, ook afgezien hiervan, is de wet
van 1881 verre van volmaakt en niet op de hoogte van den tijd; hetgeen
niet behoeft te verwonderen als men bedenkt, dat zij nu reeds acht en
twintig jaar onveranderd voortbestaat, terwijl het auteursrecht nog in
een stadium van voortdurende en snelle ontwikkeling verkeert. Waarin
deze ontwikkeling bestaat en tot welke wijzigingen in onze wetgeving
zij aanleiding kan geven, zal in de volgende hoofdstukken worden
nagegaan en behoeft hier dus niet te worden besproken.



§ 3 Geschiedkundige ontwikkeling van het internationaal auteursrecht

In de eerste paragraaf is al gelegenheid geweest op te merken, dat
reeds in den tijd der privilegiën de bescherming tegen nadruk--al was
het dan bij uitzondering--zich over meerdere landen kon uitstrekken en
dat zelfs in het midden der achttiende eeuw eene poging is gedaan,
hierover in een tusschen verschillende staten gesloten tractaat
bepalingen te doen opnemen. Doch deze feiten kunnen hoogstens gelden
als voorboden van de internationale regeling, die zich in latere
jaren heeft ontwikkeld, en waarvan de eigenlijke geschiedenis eerst
in de negentiende eeuw aanvangt.

In de meeste beschaafde landen hadden de privilegiën toen plaats
gemaakt voor wetten, die schrijvers en kunstenaars bescherming
verleenden niet meer als uitzondering en bij wijze van gunst, maar
als een voor allen gelijk geldend recht. Doch spoedig zag men in,
dat deze bescherming slechts van weinig waarde was, zoo zij beperkt
bleef tot de grenzen van elk land.

De productie op het gebied van literatuur en kunst had onder veel
gunstiger voorwaarden plaats dan vroeger; de verbetering van het
onderwijs had den kring van lezers op elk gebied belangrijk uitgebreid
en door verschillende uitvindingen was men in staat gesteld, het
drukken en verspreiden van geschriften sneller en goedkooper te doen
geschieden. Gevolg hiervan was, dat in het algemeen het uitsluitend
recht van kopie een veel aanzienlijker waarde vertegenwoordigde
dan voorheen; met het uitgeven van sommige boeken waren schatten
te verdienen. Voegt men hierbij de reusachtige toeneming van het
internationale verkeer en de groeiende beteekenis van de pers, die
ervoor zorgde, dat literaire voortbrengers en hunne producten in korten
tijd over de geheele beschaafde wereld bekend waren, dan heeft men al
genoeg factoren bijeen, die de opkomende behoefte aan internationale
auteursbescherming in de eerste helft der negentiende eeuw verklaren.

De internationale nadruk, vroeger slechts een sporadisch verschijnsel,
werd nu stelselmatig en op groote schaal bedreven. Het feit, dat alleen
in Brussel kort na elkander zich niet minder dan vijf groote huizen
vestigden met een gezamenlijk kapitaal van zes en een half millioen
francs, die zich uitsluitend met het nadrukken van buitenlandsche
boeken bezighielden, moge van den omvang van dit kwaad eenig denkbeeld
geven [141].

Frankrijk, met zijn vruchtbare letterkundige productie en zijne alom
bekende taal, en waar bovendien de prijs der boeken door uitgevers
en boekhandel hoog werd gehouden, had hiervan het meest te lijden,
zoodat het alleszins begrijpelijk is, dat vooral dáár de internationale
beweging tot bescherming der auteurs aanhangers vond en gaande werd
gehouden.

Om de bescherming van het auteursrecht internationaal te maken,
stonden verschillende wegen open.

Men kon vooreerst in de wetgeving van elk land zoodanige bepalingen
opnemen, dat ook auteurs van andere landen, al of niet onder voorwaarde
van reciprociteit, van hare bescherming konden genieten. Dit middel
werd door Frankrijk beproefd met het Decreet van 28 Maart 1852,
hetwelk nadruk in Frankrijk van in het buitenland uitgekomen werken
strafbaar stelt. Doch de resultaten waren gering. Het voorbeeld vond
in andere landen--althans te dien tijde--niet de gewenschte navolging,
zoodat alleen niet-Fransche auteurs, wier werken in Frankrijk gevaar
liepen te worden nagedrukt, erdoor gebaat waren. Bovendien was eene
volkomen gelijkstelling van vreemde auteurs met de Fransche er niet
door verkregen; het decreet werd doorgaans zoo geïnterpreteerd,
dat er geen strafbare nadruk plaats had, wanneer de vreemde auteur
niet in zijn eigen land beschermd was, daar het niet de bedoeling
was geweest, hem in Frankrijk rechten te verleenen, die hij thuis
niet bezat. Voorts had de bepaling alleen betrekking op nadruk,
niet op de schending van uit- en opvoeringsrecht [142].

Een tweede middel om het gewenschte doel te bereiken was de regeling
van het internationaal auteursrecht bij verdrag. In deze richting
slaagde men beter.

Reeds in 1827 waren de leden van den Duitschen Statenbond begonnen
onder elkander tractaten te sluiten tot wederzijdsche erkenning van
het auteursrecht en in 1840 werd het eerste tractaat van dien aard
gesloten tusschen twee landen van verschillende taal: Oostenrijk en
Sardinië. Dit voorbeeld vond spoedig algemeene navolging. Frankrijk
sloot o.a. verdragen met Engeland in 1852, met Spanje in 1853, met
Nederland in 1855, met Denemarken in 1858, met Rusland in 1861, met
Pruisen in 1862 en met Oostenrijk in 1866. Ook zijn uit dien eersten
tijd te vermelden de tractaten tusschen België en Nederland (1858);
tusschen Duitschland en Zwitserland en Duitschland en Italië (1869)
en tusschen Rusland en België (1862). Gestadig nam hun aantal in de
volgende jaren toe, zoodat al spoedig niet alleen de meeste staten
in Europa, maar ook enkele niet-Europeesche aan de internationale
bescherming medewerkten.

Als hoofdbeginsel van al deze tractaten gold, dat de auteurs van het
eene land in het andere land wettelijke bescherming genoten. Voor
het meerendeel lieten zij de wetgevingen der contracteerende rijken
ongerept en verklaarden de bepalingen daarvan alleen toepasselijk op
internationale verhoudingen. Er bestond echter verschil ten opzichte
der systemen, die hierbij gevolgd werden [143].

In de eerste plaats kon men de wet toepasselijk verklaren van het land,
waar het werk voor het eerst was uitgegeven; ten tweede die van het
land, waartoe de auteur behoort, terwijl volgens een derde stelsel de
wet toepasselijk was van het land, waar inbreuk op het auteursrecht
werd gemaakt, óf--wat practisch op hetzelfde neerkomt--waar het
proces daarover plaats had (dus: de lex fori). Deze stelsels werden
om beurten, dan eens meer, dan eens minder streng doorgevoerd, soms in
combinatie met elkander, in de verschillende tractaten toegepast. Dit
moest natuurlijk in de practijk tot moeilijkheden aanleiding geven.

In sommige gevallen, moest de rechter het--dikwijls
ingewikkelde--vreemde recht toepassen; in andere gevallen, als
gevolg van den regel, dat de auteur in andere landen niet meer
rechten kon doen gelden, dan hij in zijn vaderland genoot, eene
moeizame vergelijking maken tusschen het vreemde recht en dat van
zijn eigen land, om de voor den auteur minst gunstige bepalingen te
kunnen toepassen.

Voor schrijvers en uitgevers was het dikwijls zeer moeilijk te weten
te komen, in welke mate hunne werken in de verschillende landen
waren beschermd, temeer daar voor op- en uitvoeringsrecht en voor het
uitsluitend recht van vertaling meestal óf in de wetgevingen óf in de
daarvan afwijkende tractaten afzonderlijke bepalingen golden. Bovendien
hadden zij soms nog, om in andere landen de internationale bescherming
te kunnen inroepen, allerlei formaliteiten te vervullen, naast degenen
die hun eigen wet voorschreef.

Deze en andere bezwaren waren oorzaak, dat in kringen van
belanghebbenden de behoefte begon te worden gevoeld naar meer
eenvormigheid van regelen. Wenschen in dezen zin werden uitgesproken,
o. a. reeds op een internationaal letterkundig congres te Brussel in
1858 en op congressen van kunstenaars te Antwerpen in 1861 en 1877;
ook werden pogingen in dezelfde richting gedaan door de Börsenverein
der deutschen Buchhändler te Leipzig en werd het vraagstuk besproken
op het in 1876 te Bremen gehouden congres van de Association for the
codification and reform of the law of nations. Toen in 1878 te Parijs
tijdens de wereldtentoonstelling vele schrijvers en kunstenaars uit
de geheele wereld bijeen waren, werd daar opgericht de Association
littéraire internationale, voornamelijk met het doel, de beginselen
der auteursbescherming in alle landen te doen doordringen en te
verdedigen en aan verbetering van de internationale regeling mede te
werken. Deze vereeniging, later herdoopt in Association littéraire et
artistique internationale, heeft tot verwezenlijking van de door velen
gewenschte unificatie krachtig medegewerkt. Op haar congres te Rome
in 1882 werd besloten, dat op eene door haar te beleggen conferentie
een plan zou worden uitgewerkt tot stichting van eene internationale
Unie tot bescherming van het auteursrecht. Deze conferentie had plaats
te Bern van 10 tot 13 September 1883, onder voorzitterschap van het
door den Zwitserschen Bondsraad afgevaardigde lid Numa Droz. Een
ontwerp van tien artikelen kwam tot stand, dat aan den Zwitserschen
Bondsraad werd aangeboden, om tot basis te dienen voor een door dit
Lichaam uit te werken conceptverdrag, dat aan het oordeel van eene
diplomatieke conferentie zou worden onderworpen.

De eerste van deze conferentiën had plaats in September 1884 te
Bern onder voorzitterschap van Numa Droz. Aan de uitnoodiging der
Zwitsersche Regeering om zich hier te doen vertegenwoordigen, was
door twaalf staten gevolg gegeven; enkele andere staten hadden,
zonder afgevaardigden te sturen, hunne instemming met het beoogde
doel betuigd.

Nadat het plan, om eene internationale codificatie te ontwerpen,
die de geheele materie, onafhankelijk van de bestaande wetgevingen
op uniforme wijze zou regelen, als voorloopig onuitvoerbaar was ter
zijde gesteld [144], hield de Conferentie zich bezig met het uitwerken
van een ontwerp-verdrag, dat evenals dat van de Association en dat
van den Zwitserschen Bondsraad, hoofdzakelijk op de bepalingen der
verschillende wetgevingen steunde en slechts op enkele punten eene
zelfstandige regeling inhield. Behalve dit ontwerp, dat volgens
het oordeel der Conferentie het minimum van rechten inhield, die de
toetredende landen wederzijds aan de auteurs van werken van kunst en
letterkunde zouden kunnen verleenen [145], gaf de Conferentie nog als
resultaat van haar onderzoek een tweetal beginselen aan, die zij niet
in het ontwerp had opgenomen, doch die zij met het oog op eene vroeg
of laat in te voeren algemeene codificatie van het auteursrecht, in
den vorm van "wenschen" onder de aandacht van alle landsregeeringen
wilde brengen, nl.:

1o. De aan auteurs van kunst- en letterwerken te verleenen bescherming
moest duren gedurende hun leven en minstens dertig jaar na hun dood.

2o. Er moet gestreefd worden naar eene volkomen gelijkstelling van
het vertalingsrecht met het recht op het oorspronkelijke werk [146].

De resultaten dezer eerste diplomatieke Conferentie werden door
de zorgen der Zwitsersche Bondsregeering aan de regeeringen van de
verschillende landen bekend gemaakt, terwijl hun tevens werd verzocht,
aan hunne afgevaardigden op eene tweede te houden samenkomst hierover
definitieve instructies mede te geven.

Deze tweede Conferentie had wederom onder leiding van Numa Droz
te Bern plaats (7-18 September 1885). Ditmaal waren zestien landen
vertegenwoordigd. Na veel beraadslaging en niet dan nadat over en
weer vele concessies waren gedaan, kwam een definitieve tekst voor
het te sluiten verdrag tot stand.

Dit ontwerp werd ten slotte op de derde diplomatieke Conferentie te
Bern (6-9 September 1886) ongewijzigd (behoudens de invoeging van
enkele woorden in art. 7 eerste lid ter verduidelijking) aangenomen
en door de vertegenwoordigers van tien staten onderteekend, nl. van:
België, Duitschland, Engeland, Frankrijk, Haïti, Italië, Liberia,
Spanje, Tunis en Zwitserland. Den 7den September 1887 volgde de
ratificatie (behalve die van Liberia, dat eerst veel later lid van
het Verbond is geworden) en 5 December van hetzelfde jaar trad de
Conventie in werking.

De Convention concernant la création d'une Union internationale
pour la protection des oeuvres littéraires et artistiques, hier te
lande algemeen bekend onder den naam Berner Conventie, is verdeeld in
achttien artikelen, waaraan zijn toegevoegd een additionneel artikel,
regelende de verhouding der Conventie tot de bestaande verdragen,
en een Slotprotocol (nos. 1-7), waarin de bepalingen van sommige
artikelen nader worden verklaard of uitgewerkt. Zooals reeds gezegd,
geeft de Conventie geen algemeene codificatie van het auteursrecht,
doch laat zij de internationale bescherming in de meeste gevallen
afhangen van de wetgevingen der aangesloten landen.

Van de enkele punten, die de Conventie zelf regelt, onafhankelijk
van de landswetten, is verreweg het belangrijkst het uitsluitend
vertalingsrecht. In art. 5 wordt dit aan alle tot een van de
toegetreden landen behoorende auteurs verleend voor den tijd van tien
jaar na de uitgave van het oorspronkelijke werk. Voor deze bepaling
had men groote moeite gehad tot overeenstemming te komen, daar
van ééne zijde (vooral door Frankrijk) op volkomen gelijkstelling
werd aangedrongen van het vertalingsrecht met het recht op het
oorspronkelijke werk, terwijl van den anderen kant er gevaar was,
dat een vertalingsrecht van zoo langen duur voor sommige staten een
reden zou zijn, om niet tot het Verbond toe te treden [147]. Met den
gekozen termijn van 10 jaar hoopte men aan de wenschen van beide
partijen zooveel mogelijk te hebben voldaan; aan staten die een
langer vertalingsrecht wenschten, stond het vrij dit onderling bij
afzonderlijk tractaat vast te stellen.

De zetel van het internationaal Verbond werd gevestigd te Bern. In
art. 16 der Conventie werd voorgeschreven, dat aldaar zou worden
opgericht een Bureau, dat onder de hoede der Zwitsersche Regeering zou
staan, en waarvan inrichting en werkkring nader in het Slotprotocol
(no. 5) werden geregeld.

Reeds dadelijk zag men in, dat de Conventie geen definitieve regeling
bracht: in den loop der jaren waren verbeteringen in de verschillende
wetgevingen te verwachten, waardoor men in staat zou zijn de grenzen
der bescherming verder uit te strekken; het was bovendien te voorzien,
dat deze eerste algemeene regeling gebreken en leemten bevatte,
die duidelijker aan het licht zouden komen, wanneer zij eenigen
tijd in werking zou zijn geweest. Er waren dus in de toekomst
herzieningen te verwachten en men achtte het wenschelijk, hierover
in de Conventie enkele bepalingen op te nemen. Art. 17 bepaalde,
dat deze herzieningen zouden worden besproken op Conferentiën,
achtereenvolgens in de verschillende aangesloten landen te houden,
terwijl het Slotprotocol (no. 6) de bepaling inhield, dat de eerste
Conferentie zou plaats hebben te Parijs, binnen vier tot zes jaar na
de inwerkingtreding der Conventie, dus op zijn laatst in December 1893.

Doch de Fransche Regeering, aan wie het initiatief tot de bijeenroeping
was overgelaten, zag zich door verschillende omstandigheden
genoodzaakt, den datum der samenkomst te verschuiven, zoodat de
Parijsche Conferentie eerst den 15den April 1896 bijeenkwam.

Behalve de reeds aangesloten staten (wier aantal nog met vier was
vermeerderd, n. l. Luxemburg, Monaco, Montenegro [148] en Noorwegen)
waren ook die nog geen deel uitmaakten van het Verbond, door de
Fransche Regeering uitgenoodigd zich te doen vertegenwoordigen, aan
welke uitnoodiging er niet minder dan veertien gehoor hadden gegeven.

Als leiddraad voor de werkzaamheden der Conferentie had de Fransche
Regeering in samenwerking met het Bureau van Bern een programma
van wijzigingen opgesteld, dat met eene stelselmatig gerangschikte
opgave van de verschillende wenschen, die door vereenigingen van
letterkundigen en kunstenaars van allerlei landen in de laatste jaren
op congressen en vergaderingen waren geuit, aan de Regeeringen der
verschillende landen was toegezonden [149]. Doch ondanks alle daarvoor
gedane moeite is men er te Parijs niet in kunnen slagen, in het
oorspronkelijke te Bern gesloten verdrag wijzigingen aan te brengen,
daar de hiervoor in art. 17 lid 3 voorgeschreven eenstemmigheid niet
kon worden verkregen. Op het voorstel der Commissie [150] werden nu
de resultaten der Conferentie in twee afzonderlijke acten neergelegd,
die het elken staat vrij zou staan al of niet te aanvaarden, n.l.:

Eene Additionneele Acte, die wijzigingen brengt in de artt. 2, 3, 5,
7, 12 en 20 der Conventie en in no. 1 en 4 van het Slotprotocol, en

Eene "Verklaring" (Déclaration), die eene interpretatie geeft van
enkele bepalingen der Berner Conventie en der Parijzer Additionneele
Acte.

Bovendien werden door de Conferentie in de vergadering van 1 Mei
1896 een vijftal wenschen uitgesproken, die echter niet in een der
officieele stukken opgenomen zijn [151].

De Additionneele Acte werd door alle staten behalve Noorwegen,
de Verklaring door alle behalve Engeland onderteekend. Van de later
toegetreden staten hebben Japan en Denemarken naast de Berner Conventie
de beide Parijsche stukken aanvaard; Zweden alleen de Verklaring,
niet de Additionneele Acte.

De belangrijkste bepaling van de Additionneele Acte van Parijs, die
ook de reden is, dat Zweden en Noorwegen er niet toe hebben willen
toetreden, betreft het vertalingsrecht, dat in tijdsduur met het
auteursrecht op het origineel wordt gelijk gesteld, onder voorwaarde
echter, dat de auteur binnen tien jaar na de eerste uitgave van zijn
werk eene vertaling laat verschijnen (Add. Acte art. 1, III).

Voor de landen, die de Acte hebben onderteekend, was hiermede
dus een belangrijke uitbreiding der internationale bescherming
tot stand gekomen, die door velen werd gewenscht. Overigens heeft
begrijpelijkerwijze het resultaat van de Conferentie van Parijs geen
aanleiding gegeven tot algemeene tevredenheid. De eenheid der Unie
was er door de nieuw-toegevoegde bepalingen niet op vooruitgegaan en
de gedelegeerden te Parijs zijn de eersten geweest, om het nadeel
hiervan te erkennen; althans zij spraken de wenschelijkheid uit:
"dat de beraadslagingen van de eerstvolgende Conferentie tot de
aanneming van één enkelen tekst der Conventie zouden leiden" [152].

Als plaats voor deze Conferentie werd Berlijn aangewezen en als tijd
van samenkomst minstens zes en hoogstens tien jaar na de Conferentie
van Parijs [153]. Doch ook nu bleek men den termijn te kort gesteld
te hebben en in plaats van uiterlijk in 1906, kwam de Berlijnsche
Conferentie eerst den 14den October 1908 bijeen.

Van de zeventien Verbondslanden (waarbij ook Liberia is gerekend,
dat zich twee dagen na het samenkomen der Conferentie aansloot),
waren er zestien vertegenwoordigd. Haïti had geen vertegenwoordiger
gestuurd, doch zich bij voorbaat vereenigd met alles, wat te Berlijn
zou worden besloten [154]. Bovendien waren er vertegenwoordigers van
negentien niet-aangesloten landen.

De voorbereiding der beraadslagingen was ditmaal door de Duitsche
Regeering in samenwerking met het Internationale Bureau geschied. Op
een veertiental punten werden wijzigingen voorgesteld [155] en
een ontwerp voor één enkele tekst der Conventie werd geredigeerd,
waarin deze wijzigingen waren opgenomen [156]. Bovendien was nog
van de Fransche Regeering een voorstel ingekomen betreffende de
reproductie door middel van photographie en kinematograaf en een
voorstel van de Japansche Regeering, strekkende om de vertaling
in en uit het Japansch volkomen vrij te laten [157]. Naast deze
officieele herzieningsvoorstellen, die met de daarbij gevoegde
memoriën van toelichting als het ware de schriftelijke inleiding
vormden voor de beraadslagingen te Berlijn, waren ook nu weer door
verschillende vereenigingen en congressen wenschen uitgesproken en
wijzigingsvoorstellen geformuleerd. De onvermoeide Association had
op haar congres in Augustus 1907 te Neuchatel gehouden, een volledig
herzieningsontwerp samengesteld, dat met eene memorie van toelichting
aan de Regeeringen van alle Verbondslanden was toegezonden [158]. Ook
van de wenschen van andere genootschappen hadden de verschillende
Regeeringen zich op de hoogte kunnen stellen, daar hiervan wederom,
evenals in 1896, door de zorgen van het internationale Bureau te Bern
eene verzameling was verschenen [159].

Dat het groote moeite zou kosten om te Berlijn, overeenkomstig den op
de Conferentie van Parijs uitgesproken wensch, één enkelen tekst der
Conventie aangenomen te krijgen, waarmede alle aangesloten staten
zich zouden kunnen vereenigen, was gemakkelijk te voorspellen. En
hoewel er hard voor is geijverd, heeft deze wensch ook niet volkomen
in vervulling mogen gaan. Wel werd tenslotte een herzieningsontwerp
aangenomen, dat bestemd is alle vroeger gemaakte bepalingen
(dus zoowel die van Bern als Parijs) te vervangen, doch voorgoed
afgeschaft waren deze laatsten daarmede nog niet. Ten behoeve van
sommige Verbondslanden, die zich niet met alle aangenomen hervormingen
konden vereenigen, en vooral ook om den staten, die nog geen deel
van het Verbond uitmaken, het toetreden niet te zeer te bemoeilijken,
werd nl. in de nieuwe Conventie de bepaling opgenomen, dat elke staat
bij de bekrachtiging ervan zich zou kunnen voorbehouden, op bepaalde
punten nog gebonden te blijven door de oude Conventieteksten. Men heeft
daarom niet geheel zonder recht, van hetgeen de Berlijnsche Conferentie
tot stand heeft gebracht kunnen zeggen, dat het niet zoozeer is een
bindend verdrag dan wel eene Model-Conventie [160], daar het immers
iederen staat vrijstaat er alleen die bepalingen uit te kiezen, welke
hem bevallen, terwijl hij voor het overige bij het oude kan blijven.

De hervormingen, welke de nieuwe Conventie heeft gebracht, zijn
intusschen niet zonder belang. Het uitsluitend vertalingsrecht is
volkomen met het auteursrecht gelijkgesteld; voor den duur van het
auteursrecht in het geheele Verbond is één uniforme hoofdtermijn
vastgesteld nl. vijftig jaar na den dood des auteurs; photographieën,
werken der bouwkunst, balletten en pantomimes zijn onder de beschermde
producten opgenomen en op verschillende belangrijke onderdeelen,
als bv. het journalistiek auteursrecht, het op- en uitvoeringsrecht
van tooneel- en muziekwerken, de reproductie door middel van
muziekinstrumenten en van den kinematograaf, zijn de grenzen der
auteursbescherming deels uitgebreid, deels scherper getrokken. Groote
verbetering is ook gebracht in de stelselmatige volgorde der artikelen
en in de redactie van sommige bepalingen, die in de vroegere stukken
wel eens aan duidelijkheid en beknoptheid te wenschen overliet.

Doch, zooals gezegd, de Berlijnsche Conferentie heeft de invoering
van al deze hervormingen slechts mogelijk gemaakt; of ze werkelijk
ingevoerd zullen worden hangt af van het gebruik, dat de verschillende
staten zullen maken van de hun gelaten vrijheid om sommige der
nieuwe bepalingen niet te aanvaarden. Van de groote meerderheid der
nu-aangesloten staten kan worden verwacht, dat zij de nieuwe Conventie
in haar geheel en onvoorwaardelijk zullen bekrachtigen; het staat
echter vast dat allen hiertoe niet--tenminste niet binnen kort--zullen
overgaan. Zoolang dit laatste niet het geval is, blijft natuurlijk de
oude Berner Conventie met al hare aanhangsels (Additionneel Artikel en
Slotprotocol benevens de Parijzer Additionneele Acte en "Verklaring")
nog bestaan.

Een voordeel van het te Berlijn ingevoerde systeem is, dat er
in de komende jaren geleidelijk verbetering kan worden gebracht
in den toestand van het Verbond, zonder dat hiervoor telkens eene
herzienings-Conferentie noodig is. Ten allen tijde kunnen de staten,
die nog op sommige punten bij de oude bepalingen zullen zijn gebleven,
hiervan afzien en tot de nieuwe Conventie in haar geheel toetreden
en telkenmale wanneer dit geschiedt, zal men weer een stap verder
zijn gekomen tot de zoozeer gewenschte eenheid in de Unie. Dit neemt
natuurlijk niet weg, dat ook herzienings-Conferentiën in de toekomst
noodig blijven; men heeft daarom te Berlijn voor de eerstvolgende
tijd en plaats weer vastgesteld: zij zal gehouden worden te Rome,
op zijn vroegst in 1914, op zijn laatst in 1918.

Voorloopig echter is de meeste verbetering te verwachten, niet van
nieuwe wijzigingen in den tekst der Conventie, maar van hervormingen
der binnenlandsche wetgevingen. Zoolang deze onder elkander nog
zooveel belangrijke punten van verschil blijven vertoonen, kan van
versterking der eenheid in de Unie moeilijk sprake zijn.

Ook hieraan heeft de Association haar aandacht gewijd en hare pogingen
om in deze richting verbetering te brengen, komen mij belangrijk
genoeg voor om hier te worden vermeld.

Nadat op haar in 1895 te Dresden gehouden Congres de beginselen waren
besproken, die als basis zouden kunnen dienen om in de wetgevingen
van de tot het Verbond behoorende landen eenheid te brengen, heeft
eene Commissie uit haar midden zich daarna beziggehouden met het
opstellen van een ontwerp model-wet (loi-type) met deze beginselen tot
grondslag. Dit ontwerp maakte op de volgende congressen herhaaldelijk
het onderwerp van belangrijke besprekingen uit en werd in den loop
der jaren ook op enkele punten gewijzigd. Op het Congres te Parijs
in 1900 heeft de heer Georges Maillard, die een belangrijk aandeel
in deze werkzaamheden heeft genomen, doel en strekking hiervan nog
eens uiteengezet [161]. Hij heeft er toen op gewezen, dat het ontwerp
niet moet beschouwd worden als eene model-wet in dien zin, dat het,
theoretisch gesproken, eene ideaal-regeling zou geven. De samenstellers
hebben slechts de bedoeling gehad, de voornaamste elementen tot een
geheel te vereenigen, waarover h. i. kans bestaat, dat de wetgevers
der beschaafde staten het binnen afzienbaren tijd eens zullen
kunnen worden. Het geeft dus niet die mate van bescherming, welke de
Association in het algemeen wel zou wenschen (uit de besprekingen op
hare congressen van verschillende auteursrecht-kwestiën blijkt, dat
de meerderheid harer leden op de meeste punten nog verder wil gaan);
doch het minimum, dat zij binnenkort voor alle staten bereikbaar
acht. Wat den vorm en het systeem van dit ontwerp betreft: het is
niet de bedoeling der samenstellers geweest, dat de tekst woord voor
woord in alle landen tot wet zou worden gemaakt. Slechts de beginselen
worden er in geregeld; waar men de beslissing van sommige punten liever
niet aan den rechter overlaat (hierbij dacht men zeker vooral aan
Duitschland), zullen de meeste bepalingen nog aanvulling behoeven. Het
geheele ontwerp bestaat dan ook slechts uit zestien artikelen.

Al draagt dit ontwerp dus een volkomen officieus karakter, en al
is de kans zeer gering, dat het eerlang door een of meer staten in
zijn geheel wordt overgenomen, toch moet zijne beteekenis niet worden
onderschat. Daar het het uitvloeisel is van jarenlange bestudeering
door bij uitstek daartoe bevoegden en eenerzijds aan de wenschen
van een groote groep schrijvers en kunstenaars (d. w. z. auteurs)
uit verschillende landen uitdrukking geeft, terwijl andererzijds
slechts wat practisch bereikbaar scheen erin opgenomen is, bevat het
voor de wetgevers een aantal wenken, die in elk geval bijzondere
aandacht verdienen [162]. In den loop van dit proefschrift zal ik
nog verschillende malen naar de bepalingen van dit ontwerp hebben te
verwijzen; met het oog hierop heb ik ook gemeend den jongsten tekst
ervan, vastgesteld te Parijs in 1900, hierachter onder de bijlagen
te moeten opnemen.



De rol, die ons land in de internationale beweging tot bescherming
van het auteursrecht heeft gespeeld, is tot nu toe hoogst bescheiden
geweest.

In de jaren, dat de Europeesche staten begonnen met het sluiten van
tractaten op het auteursrecht, scheen Nederland niet achter te zullen
blijven. Reeds in 1840 werd in een handels- en scheepvaarttractaat met
Frankrijk de bepaling opgenomen, dat de letterkundige eigendom over en
weer zou worden gewaarborgd. Een afzonderlijk tractaat zou dit nader
regelen. Dit tractaat kwam tot stand den 29sten Maart 1855 [163]. Vijf
jaar later werd er door eene Additionneele Overeenkomst de bepaling
aan toegevoegd, dat de uitgave in Nederland van bloemlezingen van
Fransche schrijvers, welke bestemd zijn voor het onderwijs, geoorloofd
zou zijn. In 1884 is het, na korten tijd buiten werking te zijn geweest
(krachtens de bepaling van art. 11 derde lid), weer in werking gesteld
door eene tusschen Nederlanden Frankrijk uitgewisselde Verklaring
[164]. Daarbij werd het tractaat ook toepasselijk verklaard in de
wederzijdsche koloniën, terwijl de bescherming tevens werd uitgebreid
tot de muziekwerken.

Met België werd 30 Augustus 1858 een tractaat gesloten [165], dat
bijna gelijkluidend is aan dat van 1855 met Frankrijk.

Een tractaat met Spanje werd gesloten 31 December 1862 [166]; dit werd
echter reeds tegen 4 Februari 1880 opgezegd, waarna het, na eerst nog
enkele malen, telkens voor zes tot acht maanden, te zijn verlengd,
den 4den October 1882 voorgoed buiten werking is gesteld [167].

Met andere staten heeft Nederland geen verdragen gesloten, hoewel
daartoe meer dan eens moeite is gedaan, vooral van den kant van
Duitschland. Met laatstgenoemd land was zelfs in 1884 reeds een verdrag
door onze Regeering gesloten, dat echter nooit is bekrachtigd, daar
de Regeering inzag, dat het de goedkeuring der Tweede Kamer niet
zou verwerven.

De erkenning van het internationaal auteursrecht in ons land beperkt
zich dus tot de werken uit Frankrijk en België. Deze bescherming is nog
binnen zeer enge grenzen gehouden. Beide tractaten verhinderen alleen
den nadruk van wetenschappelijke of letterkundige werken (art. 1),
dat met Frankrijk, krachtens de Verklaring van 1884, ook dien van
muziekwerken. Een uitsluitend vertalingsrecht wordt door deze tractaten
in het geheel niet verleend. Het tractaat met België is in dit opzicht
zeer duidelijk (art. 3 eerste lid); ten aanzien van het Fransche zou
men nog in twijfel kunnen verkeeren. In art. 1 wordt bepaald, dat het
auteursrecht ("het recht van eigendom of van kopij"), hetwelk de wet
van het ééne land waarborgt of in het vervolg zal waarborgen, op het
grondgebied van het andere land kan worden uitgeoefend "gedurende
denzelfden tijd en binnen dezelfde grenzen als in dat andere land
het recht wordt uitgeoefend, 'twelk aan de schrijvers van de aldaar
uitkomende werken van gelijken aard is toegekend". Deze rechten kunnen
echter niet uitgebreider zijn dan die, welke de wetgeving van het land
waartoe de schrijver of zijne rechtverkrijgenden behooren, toekent. Nu
wordt in Frankrijk het uitsluitend vertalingsrecht weliswaar niet
uitdrukkelijk in de wet erkend, doch wél bestaat in dat land eene
vaste jurisprudentie, volgens welke onder de réproduction, die in
strijd is met het auteursrecht, ook moet verstaan worden reproductie
in eene andere taal. [168] Feitelijk bestaat dus een uitsluitend
vertalingsrecht volgens het Fransche recht en wel een van even langen
duur als het auteursrecht op het oorspronkelijke werk. Men zou dus
hieruit kunnen afleiden, dat volgens ons tractaat met Frankrijk de
in dat land uitgekomen werken ook in Nederland tegen vertalingen
zijn beschermd, voorzoover tenminste ook volgens Nederlandsch recht
een vertalingsrecht zou bestaan, dus niet langer dan vijf jaar na de
uitgave. Bij de beraadslagingen over het tractaat in ons parlement is
echter door den minister van buitenlandsche zaken herhaaldelijk en
met nadruk betoogd, dat het uitgeven van vertalingen van Fransche
werken in ons land door het tractaat niet wordt verboden. Het,
m. i. sterkste, argument, dat hiervoor werd aangevoerd, was dit, dat
de Fransche Regeering, die eerst van de Nederlandsche de erkenning
van het uitsluitend vertalingsrecht trachtte te bedingen, later, toen
hiertegen van onze zijde bedenkingen waren ingebracht, uitdrukkelijk
verklaard heeft, dat zij van haar vroeger verlangen afzag. Als gevolg
hiervan werd in het tractaat eene uitdrukkelijke bepaling ten aanzien
van het voorbehoud van het vertalingsrecht, die in tractaten, welke
Frankrijk met andere landen had gesloten, wél voorkomt, niet opgenomen
[169]. Men mag het er dus voor houden, dat het tractaat het vertalen
geheel vrijlaat en daarmede is tevens gezegd, dat de bescherming,
welke het verleent, in de practijk weinig beteekent.

Volledigheidshalve wil ik hier nog melding maken van eene Proclamatie
van 20 November 1899 van den President der Vereenigde Staten van
Noord-Amerika, waarbij de wet van 3 Maart 1891 (nu vervangen door die
van 4 Maart 1909) ook op Nederlanders wordt toepasselijk verklaard. Het
zou mij te ver voeren de beteekenis hiervan volledig uiteen te zetten;
het zij voldoende hierbij aan te stippen, dat de Nederlandsche auteurs
als gevolg hiervan voor hunne hier te lande verschenen werken onder
bepaalde voorwaarden (o. a. die dat binnen een zekeren termijn eene
nieuwe uitgave van het werk in de Vereenigde Staten verschijne)
aldaar de bescherming der wet genieten. Daar echter Nederland
geenerlei verplichting daartegenover heeft op zich genomen, worden
de onderdanen der Vereenigde Staten hier te lande, wat de erkenning
van hun auteursrecht betreft, volkomen op dezelfde wijze behandeld
als die van alle andere staten, waarmede geen tractaten zijn gesloten.

Dezelfde oppositie, die zich hier te lande tegen het sluiten van
doeltreffende bijzondere tractaten (zooals b. v. dat met Duitschland in
1884) deed hooren, en die voornamelijk is gericht tegen de erkenning
van een uitsluitend vertalingsrecht voor in het buitenland uitgekomen
werken, is ook oorzaak geweest, dat ons land zich tot nu toe niet bij
de Berner Conventie heeft aangesloten. Op de eerste Conferentiën van
Bern (van 1884 en 1885) was ons land wel vertegenwoordigd, n.l. door
den Consul-Generaal B. L. Verwey, die ook het in 1885 vastgestelde
Ontwerp heeft onderteekend [170]. De bekrachtiging van Nederland is
echter uitgebleven.

Op de Conferentie van Parijs heeft ons land, hoewel het daartoe was
uitgenoodigd, geene vertegenwoordigers afgevaardigd.

Intusschen werd de strijd tusschen de voor- en tegenstanders
van onze aansluiting bij het Internationale Verbond van de zijde
der eerstgenoemden met steeds aangroeiende kracht en overtuiging
gevoerd. In 1898 werd opgericht een Berner Conventie Bond, die naast
vele letterkundigen en kunstenaars ook verschillende invloedrijke
vereenigingen onder zijne leden telt; eenige jaren later (in 1905)
kwam de Vereeniging van Letterkundigen tot stand, welk lichaam zich
ook spoedig deed kennen als een ijverig strijder voor onze aansluiting
[171]. In de Tweede Kamer was het vooral Professor van der Vlugt,
die voor onze aansluiting ijverde; eene motie, welke door dezen
afgevaardigde werd ingediend [172], waarin aan de Regeering werd
verzocht daartoe zoo spoedig mogelijk de noodige stappen te doen,
is echter nooit in behandeling gekomen.

De houding onzer tegenwoordige Regeering tegenover dit vraagstuk
is niet meer twijfelachtig. Een jaar geleden gaf zij reeds blijk,
van onze aansluiting tot het Verbond niet afkeerig te zijn, door
afgevaardigden te zenden naar de Berlijnsche Conferentie. Ons land
is aldaar vertegenwoordigd geweest door: Mr. F. W. J. G. Snijder van
Wissenkerke, directeur van het Bureau voor den industrieelen eigendom,
Mr. L. J. Plemp van Duiveland, hoofdredacteur van de Nieuwe Courant,
Herman Robbers, bestuurslid van de Vereeniging van Letterkundigen
en W. P. van Stockum, uitgever. Hoewel deze gedelegeerden slechts
ad audiendum de zittingen der Conferentie bijwoonden, is toch hunne
tegenwoordigheid te Berlijn niet zonder beteekenis geweest. Mr. Snijder
van Wissenkerke legde er namens de Nederlandsche Regeering de
verklaring af, dat deze onze aansluiting oprecht wenschte te
bevorderen, en dat het voornamelijk van de resultaten der Conferentie
af zou hangen, of zij hierin binnenkort zou slagen [173]. De andere
ter Conferentie vertegenwoordigde staten toonden van hun kant, dat
zij hiertoe wenschten mee te werken. Het was ongetwijfeld voornamelijk
met het oog op ons land, dat in de herziene Conventie de bepaling werd
opgenomen, die aan de staten, welke nog tot het Verbond wenschen toe
te treden, daartoe de mogelijkheid opent, zonder dat zij gedwongen
zijn alle hervormingen van Berlijn te aanvaarden.

Dat onze Regeering het met haar voornemen ernstig meent, blijkt uit
het in dit najaar verschenen Oranjeboek [174], waarin de indiening
van een wetsontwerp in uitzicht wordt gesteld, dat tot de toetreding
van Nederland machtiging verleent. Zoo schijnt dus eindelijk dit
vraagstuk zijne definitieve oplossing te naderen.



HOOFDSTUK II

GRONDSLAG EN RECHTSKARAKTER


§ 1 Algemeen overzicht der verschillende theorieën

In velerlei richtingen heeft men gezocht naar een wetenschappelijke
verklaring en motiveering van het auteursrecht. De reeds in het
tijdperk der privilegiën herhaalde malen uitgesproken overtuiging,
dat de bescherming tegen nadruk haar grond moest vinden in het recht
der geestelijke voortbrengers op hunne producten, leidde ertoe het
auteursrecht te beschouwen als een eigendomsrecht. Dit denkbeeld
vindt men reeds bij enkele Duitsche juristen uit de zeventiende eeuw
[175] en in Frankrijk o.a. in 1725 door Louis d'Héricourt [176]
nader uitgewerkt. Later heeft de theorie van den letterkundigen of
intellectuelen eigendom talrijke aanhangers gevonden en ook grooten
invloed op de wetgevingen uitgeoefend. Voor wat ons land betreft behoef
ik slechts te herinneren aan de Publicatie van het Provinciaal bestuur
van Holland van 1796 en aan de wet van 3 Juli 1803, die beiden een
eeuwigdurend kopierecht toekenden. De theorie vond echter al spoedig
van verschillende kanten heftige bestrijding; in Duitschland, waar
onder de voornaamste voorstanders Fichte, Hegel en Schopenhauer zijn
te noemen, kon zij toch niet lang de heerschende blijven; in Frankrijk
vond zij vooral in Renouard een gevaarlijken tegenstander; toch blijft
men daar nog steeds spreken van propriété littéraire et artistique,
en al heeft zich in wetenschap en wetgeving het auteursrecht als een
van eigendom op zeer vele punten afwijkend recht ontwikkeld, het is
nog wel iets meer dan de naam alleen, die daar van de oude theorie
is blijven voortbestaan [177].

Anderen hebben getracht, het auteursrecht niet als een absoluut
recht, doch als een recht jegens personen, een relatief recht,
te construeeren. Dit is de zoogenaamde contracts-theorie, volgens
welke het verbod van nadrukken zou voortvloeien uit een stilzwijgend
beding, waardoor bij den koop van elk exemplaar van een boek de kooper
gebonden zou zijn. Deze leer heeft zich echter nooit een eenigszins
beteekenenden aanhang kunnen verwerven [178].

Weer anderen zagen in het auteursrecht niet een vermogensrecht, maar
een recht dat tot bescherming van den persoon diende; reproductie
van iemands geestesproduct tegen zijn wil zou eene krenking der
persoonlijkheid zijn. Als een van de eerste voorstanders dezer leer
zou men Im. Kant kunnen noemen, die met het oog op het auteursrecht een
boek beschouwde als een rede tot het publiek, die zonder volmacht van
den schrijver niet door een ander in het openbaar mag worden herhaald
[179]. In den laatsten tijd komen de theorieën, die uitsluitend of
althans voornamelijk op de persoonsrechtelijke elementen van het
auteursrecht den nadruk leggen, weer meer op den voorgrond [180].

Tegenover deze pogingen om toepasselijkheid van of analogie
met bestaande rechtsinstituten aan te toonen en zoodoende de
auteursbescherming uit het gemeene recht te verklaren, werd door
anderen aangevoerd, dat hier van een eigenlijk privaatrecht geen
sprake is, daar het auteursrecht bij geen der groepen subjectieve
rechten kan worden ingedeeld.

Zoo zag von Gerber in het auteursrecht niets anders dan een reflex
van het wettelijk verbod van nadruk, waaraan geen subjectief recht der
auteurs ten grondslag kon worden gelegd [181]. Ook Jolly kwam tot de
conclusie, dat er voor het recht der schrijvers geen andere juridische
vorm was te vinden dan deze, dat de handeling waarmede er inbreuk op
wordt gemaakt (dus de nadruk) tot een delict wordt verklaard [182].

Anderen beschouwden het auteursrecht uitsluitend als een monopolie,
met alle bezwaren die daaraan zijn verbonden, en meenden, dat het
alleen daarom reden van bestaan had, omdat het het eenige middel
was, om aan schrijvers en kunstenaars de vergelding voor hun arbeid
te verzekeren, die tot instandhouding van kunsten en wetenschappen
noodzakelijk was. Dit is o.a. de leer van Macaulay, wiens zienswijze
uit de volgende korte aanhaling uit eene door hem den 5den Februari
1841 in het Lagerhuis gehouden rede duidelijk blijkt: "It is desirable
that we should have a supply of good books: we cannot have such a
supply unless men of letters are liberally remunerated; and the least
objectionable way of remunerating them is by means of copy right"
[183].

Het belangrijkste van hetgeen in ons land aan theoretische
beschouwingen over het auteursrecht is geleverd, dateert uit de jaren,
toen de voorbereiding van de wet van 1881 aan de orde was. Een kort
overzicht moge hiervan volgen.

De beraadslagingen in het jaar 1862 in de Koninklijke Academie van
Wetenschappen gehouden, aan wie door de Regeering was verzocht, haar
oordeel over het door de Vereeniging ter bevordering van de belangen
des Boekhandels ingediende wetsontwerp uit te spreken, leverden weinig
belangrijks op. Het hoofdbeginsel werd slechts door enkele leden
aangeroerd en maakte "geen bepaald voorwerp van redetwist" uit [184].

Van meer gewicht was de vergadering der Nederlandsche
Juristen-Vereeniging in het jaar 1877 gehouden, waar de vraag aan de
orde was gesteld: "Naar welk hoofdbeginsel moet de Staat de rechten
van schrijvers en kunstenaars op het product van hun arbeid regelen?"

Er werden praeadviezen uitgebracht door Mr. N. de Ridder en
Mr. J. Freseman Viëtor.

Laatstgenoemde, die reeds elders zijne denkbeelden over dit vraagstuk
had uiteengezet [185], ontzegde schrijvers en kunstenaars alle recht
op de vruchten van hun arbeid. Hij wilde het auteursrecht beschouwd
zien als een soort privilegie, alleen steunende op het algemeen nut,
"op de noodzakelijkheid om schrijvers en uitgevers eenig voordeel te
verzekeren, ten einde het uitgeven van boeken niet onmogelijk te maken"
[186].

Zoo ook de tweede praeadviseur, Mr. N. de Ridder, die in aansluiting
met hetgeen hij in zijn kort daarvoor verschenen proefschrift had
gezegd, onder meer de volgende stelling formuleerde:

"Daar is ook geen enkel rechtsinstituut, dat direct of analogice
den rechter door toepassing, den wetgever door uitbreiding dienen
kan als middel ter bescherming van bedoeld vermogens-interesse
der bedoelde auteurs" [187]. Ook volgens dezen schrijver steunde
de bescherming uitsluitend op het algemeen belang, hetgeen met
economische beschouwingen, hoofdzakelijk aan Schaeffle ontleend,
nader werd uitgewerkt.

In denzelfden geest als de beide praeadviezen viel ook het oordeel
uit van de meerderheid in de vergadering der Juristen-Vereeniging.

De theorie van den letterkundigen eigendom verwierf slechts negen
van de negen en veertig stemmen.

De door Jhr. Mr. A. F. de Savornin Lohman ontwikkelde theorie: "dat
de arbeider recht heeft op het loon van zijn arbeid, en dat ieder,
die zich zonder grond met eens anders loon verrijkt, verplicht is tot
teruggave" werd verworpen met twee en veertig tegen zeven stemmen en
de leer van het "stilzwijgend beding, hetwelk geacht moet worden bij
den verkoop van elk exemplaar in de bedoeling van partijen te hebben
gelegen, krachtens hetwelk de kooper eigenaar wordt van het gekochte
onder voorwaarde van het niet te zullen nadrukken en er niet toe te
zullen bijdragen, dat het door anderen tot nadruk worde gebezigd"
vond slechts één enkelen aanhanger.

Doch eene groote meerderheid (zes en dertig tegen tien stemmen en
drie onthoudingen) verklaarde zich ten slotte voor de stelling:
"dat in het algemeen belang door de wet een recht tot uitsluitende
reproductie moet worden gegeven" [188].

Op de beteekenis van dit votum kom ik zoo dadelijk nog terug. Dat er
geen positief resultaat mede was bereikt, waardoor eenige klaarheid in
het vraagstuk zou zijn gebracht, springt in het oog. Welke voorlichting
kan er voor wetgever of rechter te vinden zijn in de wetenschap,
dat een aantal rechtsgeleerden het auteursrecht "in het algemeen
belang" acht?

Ook van andere zijde bleef hier te lande de zoo gewenschte juridische
voorlichting op dit gebied ontbreken.

De enkele schrijvers, die het waagden eene theorie te verkondigen,
waarin het auteursrecht op een juridischen grond gebaseerd
wordt, zooals Jhr. Mr. A. F. de Savornin Lohman, die in zijne
recht-op-loon-theorie een toepasselijk rechtsbeginsel meende te hebben
gevonden [189], en Mr. G. Belinfante, die in een Themis-artikel [190]
het recht der schrijvers uit den eigendom van het manuscript poogde
af te leiden, vonden van verschillende zijden krachtige en doorgaans
zóó afdoende bestrijding, dat er van hunne theorieën weinig overbleef
[191].

Het scheen wel, alsof met de uitspraak der Juristen-Vereeniging
het laatste woord in deze zaak gesproken was. In een opstel in het
Rechtsgeleerd Magazijn van Mr. S. Katz [192] werd van de overwinning
van Mr. Viëtors denkbeelden met ingenomenheid gewag gemaakt; het slot
van dit opstel klonk niet geruststellend voor de auteurs:

"Ongetwijfeld zal de tijd komen, dat ook hier gebroken wordt met
alle privilegies en alle monopoliën, en het voorbeeld der octrooien,
hoeveel afwijkingen het oplevere, ook op 't gebied van 't auteursrecht
zal worden toegepast" [193].

Doch bleef tegen afschaffing van alle auteursrecht volgens de groote
meerderheid toch nog altijd "het algemeen belang" zich verzetten,
gevaarlijker was de theorie in zake internationaal auteursrecht.

Dit bewees o.a. een artikel van Mr. J. D. Veegens in de Gids over onze
aansluiting bij de Berner Conventie [194]. Na te hebben verklaard,
dat geen der theorieën, die een rechtsgrond voor het auteursrecht
vindiceeren, hem bevredigt en dat derhalve het auteursrecht uitsluitend
op overwegingen van algemeen belang steunt, gaat deze schrijver bij
de bespreking der internationale bescherming aldus voort: "Behoort
men nu verder te gaan en ook eene internationale regeling van het
auteursrecht te helpen verwezenlijken? M. a. w. behoort nadruk
van werken, die in het buitenland zijn uitgegeven in Nederland
te worden geweerd? Deze vraag zou onvoorwaardelijk bevestigend
zijn te beantwoorden, indien een algemeen rechtsbeginsel van het
auteursrecht was aan te wijzen. Dit is echter, gelijk U gebleken is,
naar mijne meening niet het geval". [195] Langs deze redeneering komt
de schrijver dan tot de conclusie, dat onze wetgever aan vreemdelingen
(auteurs van in het buitenland uitgekomen werken) de bescherming hier
te lande dient te onthouden, omdat dit voor ons voordeeliger uitkomt.

Aan dezen raad heeft men zich--zooals bekend is--tot nu toe in ons
land gehouden en bijna altijd vindt men bij degenen, die zich tegen
het deelnemen van Nederland aan de internationale regeling van het
auteursrecht verzetten, ditzelfde argument terug: het auteursrecht is
geen recht dat juridisch vaststaat, derhalve kan de wetgever het aan
den een onthouden en den ander toekennen, al naar mate het "algemeen
belang" hiermede gediend is.

Wel zijn er ook in ons land verscheidene schrijvers geweest, die
zich met de uitspraak "dat in het algemeen belang een recht tot
uitsluitende reproductie moet worden gegeven" niet tevreden konden
stellen. Minister Modderman gewaagde reeds bij de verdediging van
het wetsontwerp van den plicht des wetgevers om deze bescherming
te verleenen en verklaarde het auteursrecht te beschouwen: "niet
eenvoudig als product van utiliteit, maar als een recht sui generis"
[196]; dr. Schaepman betoogde bij dezelfde gelegenheid in de Tweede
Kamer, dat de wetgever het auteursrecht niet had te scheppen, maar
dat het een bestaand, op redelijkheid en rechtvaardigheid steunend
recht was, waaraan door de wet slechts eene vormelijke en stellige
uitdrukking moest worden gegeven; [197] en in sommige aan het
auteursrecht gewijde monographieën worden naast het algemeen belang
ook gronden van billijkheid en rechtvaardigheid aangevoerd en wordt
er op gewezen, dat het auteursrecht in overeenstemming is met de in
ons geheele privaatrechtelijke systeem gevolgde beginselen [198]. Doch
het bleef meestal bij enkele algemeene opmerkingen; geen der genoemde
schrijvers kwam er toe, zijne denkbeelden zoover uit te werken,
dat men zou kunnen spreken van een rechtsleer van het auteursrecht.

Zoo is dan in het algemeen de rechtswetenschap ten aanzien van
het auteursrecht in ons land meer afbrekend dan opbouwend te werk
gegaan. Toen men tot de conclusie was gekomen, dat geen der van
ouds bekende rechtsregels en rechtsbegrippen hier toepasselijk was,
schenen velen met dit negatieve resultaat genoegen te nemen en verdere
onderzoekingen overbodig te achten.

Wel kan niemand ontkennen, dat het auteursrecht, zooals dat nu
eenmaal in de wet is geregeld, tot het privaatrecht behoort; doch
men schijnt het toch nog steeds als iets buitenafs te beschouwen. In
de voornaamste handboeken over ons burgerlijk recht vindt men er
meestal slechts terloops eenige opmerkingen aan gewijd, die dan
nog hoofdzakelijk moeten strekken om aan te toonen, dat het geen
eigendom is [199]; eene eigen plaats in het rechtssysteem keurt men
het blijkbaar nog niet waardig. Vraagt men naar het juridisch karakter
van het recht, tot welke groep van subjectieve rechten het behoort,
dan maken sommigen zich er af door te antwoorden: het is een jus
sui generis; eene verklaring, waaraan men natuurlijk niets heeft
en waarvan met een Fransch schrijver kan worden gezegd: "un pareil
aveu est peu compromettant et laisse la question dans le même état"
[200]; anderen voorzien het auteursrecht van het wel iets meer, maar
toch nog te weinig zeggend étiquet: "absoluut vermogensrecht" [201].



Bleef dus ten onzent tot nu toe een gangbare rechtsleer van het
auteursrecht ontbreken, in andere landen, en met name in Duitschland,
hebben de rechtsgeleerden zich met gunstiger resultaat toegelegd op
de taak, die hier nog te doen bleef: nl. door het formuleeren van
vaste regels en het vormen van klare juridische begrippen in deze
materie eenige orde te brengen, zoodat aard en omvang van dit recht,
in overeenstemming met het rechtsbewustzijn stelselmatig kunnen
worden vastgesteld en het in het rechtssysteem de plaats kan worden
aangewezen, die het naast andere subjectieve rechten toekomt.

Verreweg het best is m. i. in dit opzicht geslaagd
de Berlijnsche hoogleeraar dr. J. Kohler met zijne
Immaterialgüterrechts-theorie. Evenals de theorie van den
letterkundigen eigendom gaat deze leer van het beginsel uit, dat
schrijvers en kunstenaars, die een origineel werk hebben voortgebracht,
daarop een uitsluitend recht kunnen doen gelden. Dit wordt door Kohler
aldus kort en krachtig geformuleerd: "Wer ein neues Gut schafft, hat
das natürliche Anrecht daran" [202]. Op dit beginsel voortbouwende
construeert hij het auteursrecht als een recht op het geestelijk
voortbrengsel. Naast de zaken in rechtskundigen zin hebben wij dus hier
te doen met eene nieuwe categorie rechtsobjecten (Immaterialgüter),
die zich door hun eigenaardig karakter van de overige onderscheiden;
de rechten op immaterieele goederen (Immaterialrechte), waartoe
behalve het auteursrecht ook behoort de zoogenaamde industrieele
eigendom, vormen een afzonderlijke groep absolute vermogensrechten,
wel van de zakelijke rechten te onderscheiden.

Waarom deze theorie, zoowel wat betreft de wijze, waarop de grondslag
van het auteursrecht wordt aangegeven, als wat betreft de juridische
constructie, die aan het recht gegeven wordt, de voorkeur die ik
haar boven andere theorieën meen te moeten geven verdient, zal ik in
de volgende bladzijden trachten te motiveeren. Daarbij zal tevens
gelegenheid zijn, de zienswijze van de voornaamste Nederlandsche
schrijvers over dit onderwerp, die hierboven slechts met een enkel
woord konden worden aangeduid, wat meer van nabij te beschouwen.



§ 2 Recht of doelmatigheid?

In de eerste plaats staan wij voor de vraag, die Macaulay in zijne
boven aangehaalde rede aldus formuleerde: "Is this a question of
expediency or is it a question of right?" Hebben de auteurs recht
op bescherming, of is het vraagstuk der auteursbescherming er een,
waarbij met geen rechtsbeginsel behoeft te worden gerekend, waarin
dus alleen de doelmatigheid, "het algemeen belang", heeft te beslissen?

Uit het in de vorige paragraaf gegeven overzicht is gebleken, dat de
meeste Nederlandsche schrijvers de vraag in laatstgemelden zin hebben
beantwoord en ik heb daar ook reeds kunnen wijzen op enkele conclusiën,
die men gemeend heeft uit deze opvatting te kunnen trekken. Het schijnt
daarom niet onnoodig, aan hunne voornaamste argumenten eenige aandacht
te wijden.

Onder degenen, die dit vraagstuk het grondigst hebben behandeld,
behoort ongetwijfeld mr. Freseman Viëtor. Om de opvattingen over
auteursrecht van dezen schrijver op de juiste waarde te kunnen
schatten, is het allereerst noodig te weten, dat hij behoort tot
de school der utilitarianisten. Bij de beantwoording van de vraag,
of iets recht behoort te zijn, wenscht hij alleen de utiliteit, de
doelmatigheid te laten beslissen, van "abstracte rechten", waarvoor
om huns zelfs wille, afgescheiden van de gevolgen, erkenning wordt
gevraagd, wil hij niet weten [203].

Het ligt niet in mijne bedoeling--het zou mij trouwens ook te ver
van mijn onderwerp afvoeren--deze zienswijze hier te bespreken; zoo
aanstonds zal nog gelegenheid zijn over dit punt enkele opmerkingen
te maken. Wanneer men nu echter weet, dat mr. Viëtor geen anderen
grond voor het recht erkende dan de utiliteit, dan vraagt men zich
af, wat zijne bedoeling ermede is geweest om dit ten aanzien van het
auteursrecht nog eens in 't bijzonder in het licht te stellen. Dat
het auteursrecht alleen gegrond kan worden op het "algemeen belang"
heeft het dan immers met alle andere rechten gemeen; dit behoeft
daarom nog geen reden te zijn om het een privilegie te noemen, zooals
mr. Viëtor verscheidene malen doet.

Naar eene verklaring, die op dit punt volkomen helderheid geeft,
heb ik vergeefs gezocht. Wel schrijft mr. Viëtor, dat hij zijne
nuttigheidsleer niet op alle rechten zonder uitzondering zou willen
toepassen: "Er zijn sommige rechten wier al of niet handhaving ik niet
van hunne nuttigheid zou willen laten afhangen. Geheel afgescheiden
van de gevolgen zou ik ze willen handhaven" [204].

Om deze reden, en ook omdat het oordeel, of iets al dan niet nuttig
is, niet onfeilbaar is, acht schr. een onderzoek "naar het al of niet
rechtmatige van den intellectueelen eigendom, naar het al of niet
bestaan van eenig ander recht van schrijvers" [205] niet overbodig.

Doch welken maatstaf mr. Viëtor heeft willen aanleggen bij zijn
onderzoek naar den rechtsgrond van het auteursrecht, is niet geheel
duidelijk. Schr. erkent zelf dat hij niet zou weten "hoe het abstracte
recht van den eigendom aan te toonen" [206], hoewel toch de eigendom
behoort tot de rechten, wier al of niet handhaving hij niet van hunne
nuttigheid wil doen afhangen. Toch weet hij eene motiveering voor
den eigendom te vinden buiten de doelmatigheid om:

"Van den materieelen eigendom zie ik niet slechts het algemeen
belang in, ik zie niet slechts die overtuiging algemeen gedeeld,
maar ik meen een toestand, waarin die eigendom ontbrak, onmogelijk
te kunnen heeten. Den eigendom kan ik niet wegdenken, of ik denk de
geheele maatschappij weg. En aangezien ik nu geloof aan de harmonie
tusschen recht en nuttigheid en daardoor reeds, zoodra iets algemeen
en in verschillende tijden als nuttig werd gequalificeerd, een zwaar
vermoeden heb, dat het ook werkelijk nuttig en rechtvaardig is,--zoo
durf ik hier van de onmogelijkheid van het niet bestaan van den
eigendom te concludeeren tot het recht, tot het waarachtig nut van dat
instituut. Ik buig mijne knie voor het "fait accompli", dat zich niet
"non accompli" laat denken. Het nut is hier, zooals Stuart Mill terecht
zegt (Utilitarianism p. 79), zooveel grooter en zooveel tastbaarder,
dat het verschil in graad een werkelijk verschil in soort wordt" [207].

Hiermede meende mr. Viëtor een grondslag voor den eigendom te hebben
aangewezen, dien het auteursrecht moet missen. Het auteursrecht, meent
hij, is niet noodzakelijk, het kan zeer goed weggedacht worden. "Dat
niet het gemis van het recht, maar integendeel het recht zelf eene
onmogelijkheid is, bewijzen trouwens de voorstanders van dat recht
zelf, door onder verschillende pretexten na een zekeren termijn of
onder zekere omstandigheden er een eind aan te maken" [208].

Valt nu werkelijk, ook wanneer men alleen met de hier genoemde
overwegingen rekening houdt, de vergelijking tusschen eigendom en
auteursrecht zoozeer in het nadeel van laatstgenoemd recht uit,
dat het mr. Viëtors conclusiën zou rechtvaardigen? Ik meen van niet.

In de eerste plaats heeft het geen zin uit de tijdelijkheid van
het auteursrecht af te leiden, dat het niet bestaanbaar is. Dat het
recht van den auteur niet ten allen tijde ten bate zijner erfgenamen
kan blijven voortbestaan, heeft met de rechtmatigheid van het recht
zoolang het wél bestaat niet te maken; er zijn werkelijk geen pretexten
noodig om dit te verklaren, zooals ik hieronder nog nader hoop uiteen
te zetten. Het auteursrecht is niet alleen niet onbestaanbaar, maar
het bestaat in alle beschaafde staten nu al meer dan een eeuw lang,
in Engeland zelfs bijna twee eeuwen! En daarvóór had men dan toch de
privilegiën, die eene wel gebrekkige, maar toch in strekking vrijwel
met het auteursrecht overeenkomende bescherming boden. Bijna met
evenveel recht als van den eigendom kan men ook van het auteursrecht
zeggen, dat het "algemeen en in verschillende tijden als nuttig werd
gequalificeerd". Dat de tijden, waarin men de noodzakelijkheid van
het auteursrecht niet inzag, dichterbij liggen dan die waarin men
geen eigendom kende, bewijst in dezen niets; het auteursrecht kreeg
pas reden van bestaan na de uitvinding der boekdrukkunst, zooals ik
dat in mijn historisch overzicht heb trachten aan te toonen; dat men
voor dien tijd, toen de nu in zwang zijnde exploitatie-middelen van
geschriften en kunstwerken nog niet bekend waren, aan geen auteursrecht
dacht, kan nooit als argument gelden tegen de noodzakelijkheid van
dat recht in onze tegenwoordige maatschappij.

En nu is het zeker waar, dat de eigendom veel meer dan het auteursrecht
met de bestaande maatschappij is samengeweven, zoodat men zich deze
moeilijk zonder eigendom denken kan. Ik wil dan ook gaarne toegeven,
dat aan het behoud van den eigendom oneindig veel zwaardere belangen
zijn verbonden. Doch dit vindt zijn reden ook grootendeels hierin,
dat iedereen zonder uitzondering er elk oogenblik persoonlijk mee
in aanraking komt. Het auteursrecht daarentegen heeft betrekking
op verhoudingen, waarin slechts enkele klassen van personen (in het
algemeen de auteurs en zij die hunne werken exploiteeren: uitgevers,
tooneel- en orkest-directeuren enz.) worden betrokken. De meeste
menschen hebben niet alleen zelf nooit auteursrecht gehad, maar ook
het gebod om het auteursrecht van anderen te eerbiedigen is voor hen
persoonlijk van geen belang, daar zij zelfs de middelen missen om,
gesteld dat zij dit wilden, op zulk een recht inbreuk te maken. De
immaterieele goederen vormen slechts een uiterst kleine groep van
rechtsobjecten in vergelijking met alles wat voorwerp is van eigendom,
d. i. ongeveer de geheele stoffelijke wereld. Maar is dit nu een
reden om de erkenning van het mijn en dijn op geestelijk gebied in
beginsel van minder belang te achten?

Waar het bij het vergelijken van twee rechten, zooals hier gedaan
wordt, op aankomt is niet, hoe groot de som is van de daarbij betrokken
belangen, maar hoeveel ons aan de al of niet handhaving van het recht
in elk bijzonder geval gelegen is. Niet naar de breedte, maar naar
de diepte moeten zij tegen elkander worden afgemeten.

En dan geloof ik, dat het verschil tusschen eigendom en auteursrecht
niet zoo groot is, als mr. Viëtor het wilde doen voorkomen. Inbreuk
op auteursrecht wordt--misschien niet door de groote menigte, die
zich nooit zeer over deze zaken bekommerd heeft--maar wel door de
belanghebbenden en degenen die van de verhoudingen waar het hier om
gaat eenig begrip hebben, evenzeer als een onrecht gevoeld als inbreuk
op eigendom. En zoo opheffing van allen eigendom--gesteld dat dit
mogelijk ware--de geheele maatschappij in wanorde zou brengen, omdat
ieder daarvan terstond de gevolgen zou ondervinden, afschaffing van het
auteursrecht zou, naar evenredigheid van het aantal belanghebbenden,
en binnen den kleinen kring, dien deze in de maatschappij vormen,
niet tot minder ernstige gevolgen leiden.

Ik meen met het voorgaande te hebben aangetoond, dat ook als men zich
op het utilistisch standpunt van Mr. Viëtor stelt, op diens conclusiën
in zake het auteursrecht wel iets valt af te dingen.

Doch het is nu noodig over die nuttigheidsleer zelve nog het
een en ander te zeggen. De aanleiding om in dezen zijn standpunt
uiteen te zetten was voor Mr. Viëtor geweest een geschrift van
Jhr. Mr. A. F. de Savornin Lohman: Over de rechten der uitvinders
[209]. De schrijver had hierin vooropgesteld, dat voor hem de vraag,
of een of ander rechts-instituut al dan niet gehandhaafd diende
te blijven, niet beslist was, wanneer hem was aangetoond dat de
instandhouding van zulk een instituut niet bevorderlijk was voor het
algemeen belang. Allereerst moest gevraagd worden: wat brengt het
Recht mee? Het antwoord op deze laatste vraag wordt niet beheerscht
door motieven van nuttigheid of doelmatigheid; hier heeft het in het
volk levende rechtsbewustzijn te beslissen; wat dit op een gegeven
tijd voor recht houdt, moet gehandhaafd worden, omdat het recht is.

Tegenover deze opvatting stelde Mr. Viëtor, toen hij hetzelfde
onderwerp ging behandelen, de zijne, waarbij hij weliswaar de scherpe
tegenstelling tusschen recht en doelmatigheid, zooals die door de
Savornin Lohman was afgeschilderd, verklaarde niet te aanvaarden,
maar waarbij hij toch zeer beslist het volks-rechtsbewustzijn als
maatstaf verwierp. Vandaar dat in zijn onderzoek naar de al of niet
rechtmatigheid van het auteursrecht het rechtsbewustzijn geheel buiten
beschouwing wordt gelaten. M. i. is daardoor het betoog onvolledig
gebleven en in elk geval weinig overtuigend voor degenen, die des
schrijvers uitgangspunt niet met hem gemeen hebben.

Daar ik mijzelf ook tot deze laatsten moet rekenen, is eene korte
verklaring op dit punt noodzakelijk.

Onder rechtsbewustzijn meen ik te moeten verstaan, naar de omschrijving
die Prof. Hamaker daarvan niet lang geleden gegeven heeft: "...de
eigenschap van den menschelijken geest, die hem tegenover andere
menschen, niet om voor zich of voor anderen eenig doel te bereiken,
maar zonder motief, bepaalde gedragslijnen doet in acht nemen"
[210]. Het doet zich aan ons voor als een in den mensch werkende
kracht, welke hem dringt tot het doen of nalaten van handelingen,
zonder dat de mogelijke gevolgen van de te volgen gedragslijn daartoe
meewerken.

Het rechtsbewustzijn van elk mensch is voorts te beschouwen als eene
vrijwel standvastige grootheid, d. w. z. het reageert op gelijke
omstandigheden steeds op gelijke wijze; bovendien ontdekt men bij
vergelijking van de uitingen van het rechtsbewustzijn van verscheidene
menschen naast enkele verschilpunten toch ook altijd eene groote
overeenkomst; juist ten aanzien der meer gewichtige levensbelangen zal
de kring, waarin gelijkheid van rechtsbewustzijn wordt aangetroffen,
het grootst zijn [211]. Men kan daarom in vele gevallen spreken van
een volks-rechtsbewustzijn; wanneer nl. het rechtsbewustzijn van alle
leden eener maatschappij zich op een gegeven tijdstip ten aanzien
eener zaak ongeveer in gelijken zin uitspreekt.

Hoe nu dit verschijnsel van het volks-rechtsbewustzijn moet worden
verklaard, laat ik in het midden; ook kan ik de vraag laten rusten,
of aan zijne uitspraken in het algemeen eene absolute verbindende
kracht moet worden toegekend.

Waar ik hier slechts op wil wijzen is, dat het volks-rechtsbewustzijn,
waar het zich laat gelden, een krachtigen en op den duur
onweerstaanbaren invloed op het recht uitoefent, en dat daarom zij,
die, zooals de utilisten doen, dien invloed miskennen, grondslag en
oorsprong van het recht slechts ten halve kunnen verklaren. Wel kan
worden toegegeven, dat de uitspraken van het volks-rechtsbewustzijn
in de meeste gevallen samenvallen met hetgeen in het algemeen belang
is, m. a. w. dat de beslissing, waartoe de groote meerderheid komt,
geleid door haar intuïtief rechtsbewustzijn, meestal tevens blijkt met
doelmatigheidsoverwegingen gemotiveerd te kunnen worden; maar dit is
allerminst een reden, om alleen met deze laatsten rekening te houden
en het volks-rechtsbewustzijn als een waardeloozen factor te verwerpen.

Er bestaan ongetwijfeld wettelijke regelingen, die door het
rechtsbewustzijn niet worden geëischt of zelfs daarmede in strijd zijn;
zoolang dergelijke bepalingen niet zijn afgeschaft, moet hetgeen zij
voorschrijven ook gerekend worden tot het positieve bindende recht;
doch het komt mij voor, dat men van weinig onderscheidingsvermogen
blijk zou geven door ze om die reden op ééne lijn te stellen met
rechtsinstituten, die wél in het rechtsbewustzijn hun grondslag vinden.

Na deze korte uitweiding, waarbij uit den aard der zaak de
fundamenteele vraag waar het hier om gaat slechts zeer vluchtig kon
worden aangeroerd, keer ik terug tot het auteursrecht. Wat ik nu in
het algemeen tegen het betoog van Mr. Viëtor zou willen aanvoeren,
is dat daarin over het auteursrecht gehandeld wordt, alsof dit eene
instelling was, die het rechtsbewustzijn volkomen koud laat. Men krijgt
daardoor den indruk--en dit is ook blijkbaar in overeenstemming met
de bedoeling van den schrijver--dat het auteursrecht niet anders
is dan eene min of meer willekeurige en kunstmatige schepping van
den wetgever, alleen gerechtvaardigd door het doel dat ermede wordt
bereikt, nl. instandhouding van kunsten en wetenschappen en dat het dus
zonder schade zou kunnen worden afgeschaft, indien er een ander middel
werd gevonden om schrijvers en kunstenaars aan het werk te houden,
of indien men tot de overtuiging kwam, dat het spottende gezegde
van Heine waarheid bevat: "Autoren und Mispeln gedeihen am besten,
wenn sie einige Zeit auf dem Stroh liegen" [212].

Indien het zoo met het auteursrecht stond, dan zou evenmin van een
recht der auteurs kunnen worden gesproken als van een recht van een
of andere stoomvaartmaatschappij op eene subsidie uit de staatskas;
dan zou men het auteursrecht geheel op ééne lijn kunnen stellen met
instellingen als b.v. een staats-monopolie voor den tabaksverkoop
of een wettelijk verbod van invoer voor bepaalde waren [213]. Doch
het groote verschil, dat m. i. niemand zal kunnen ontkennen, ligt
hierin, dat de verkoop van tabak en de invoer van goederen door
niemand voor onrechtmatig worden gehouden zoolang de wet, die deze
handelingen verbiedt, niet in werking is getreden. En daarom zal
men een dergelijke wet, ook al wordt hare doelmatigheid niet in
twijfel getrokken, toch steeds blijven beschouwen als eene min of
meer willekeurige beperking der natuurlijke vrijheid; overtreding van
hare bepalingen zal iemand door de openbare meening nooit bijzonder
zwaar worden aangerekend. De oorzaak hiervan is volgens Kohler, aan
wien ik dit voorbeeld heb ontleend: "...dasz diese Rechtsschöpfungen
nur artifizieller Natur sind, dasz sie nicht an sich schon in dem
Rechtsgefühl, in der Ueberzeugung des Volkes wurzeln, dasz sie,
wie überhaupt artifizielle Schöpfungen, sich nicht mit derselben
Naturgewalt aufdrängen, wie die, ich möchte sagen, naturwüchsigen,
auf unmittelbarer natürlicher Initiative beruhenden Rechte".

Dat nu ook het auteursrecht, evenals de eigendom, zulk een
"naturwüchsiges Recht" is, al heeft het dan natuurlijk als bodem waarop
het kan groeien, noodig eene maatschappij, die al een goed einde
in beschaving is gevorderd, kan m. i. niet worden ontkend. Kohler
wijst, om dit aan te toonen, op de talrijke uitlatingen waarin de
nadruk als iets onrechtmatigs wordt gebrandmerkt, in tijden, dat van
auteursrecht nog geen sprake was. Zoo reeds de door vele schrijvers
aangehaalde woorden van Luther uit het jaar 1525: "Was soll das doch
sein, meine lieben Druckerherrn, dasz einer dem andern so offentlich
raubt und stilt das seine und unter einander euch verderbt? Seid ihr
nu Straszenräuber und Diebe worden?..." enz. Kohler voegt hieraan toe:
"Wenn Jemand so über den Tabakhandel sich äuszerte, auch wenn man am
Vorabend des Monopols stünde, so würde man nur ungläubig die Köpfe
schütteln--das ist eben der Unterschied zwischen den naturwüchsigen
und den artifiziellen Rechtsnormen" [214].

Behalve dit eene voorbeeld worden door Kohler talrijke getuigenissen
aangehaald uit de privilegiën-periode, waaruit blijkt dat men den
nadrukker beschouwde als iemand, die zich aan eens anders goed
vergrijpt [215]; in zijn Idee des geistigen Eigenthums [216] heeft
hij bovendien aangetoond, hoe dit rechtsbewustzijn in den loop der
jaren luider en duidelijker is gaan spreken en hoe zich langzaam
maar zeker heeft ontwikkeld die "Idee des geistigen Eigenthums",
d.w.z. het denkbeeld, dat de auteur recht heeft op hetgeen hij heeft
voortgebracht, dat hij het het zijne kan noemen.

Nu heb ik er wel in mijn historisch overzicht op moeten wijzen, dat
die gedachte in ons land langeren tijd noodig heeft gehad om ingang
te vinden; de uitingen van het rechtsbewustzijn in dezen zin, die ik
uit dien tijd heb kunnen vinden, zijn ontegenzeggelijk vrij schaarsch,
doch geheel ontbreken zij toch niet. Ik kan hier b.v. verwijzen naar
de--boven reeds genoemde--voorrede van Poot voor den tweeden druk
zijner gedichten, waarin hij zich o.a. aldus uitlaat: "...van der
Boekdrukkers Kopyrecht wist ik niet, en meende toen, gelyk ik ook
nogh meen, en misschien nogh lang sal blyven meenen, ten zy men my
anders onderrechte, dat de eigendom der Kopye en het vaderrecht des
geheelen werks, zonder verkoopen of overdragt, myn bleef."

Waarschijnlijk bestaan er wel meer getuigenissen van dezen aard
uit de zeventiende en achttiende eeuw; in elk geval zal Poot wel
niet alleen hebben gestaan met zijne opvatting over den band,
die tusschen den schrijver en zijn werk bestaat, en welken hij
zoo eigenaardig noemt "het vaderrecht"; anderen vonden misschien
geene aanleiding, hunne gevoelens op dit punt te publiceeren ofwel
hetgeen zij hierover schreven is ons niet bewaard gebleven. Doch
hoe dit ook zij, ten slotte vond ook in ons land "die Idee des
geistigen Eigenthums" ingang, al ging dat dan niet zoo geleidelijk
als in andere landen. En dat in onzen tijd door belanghebbenden
het auteursrecht niet wordt beschouwd als een buitenkansje, dat
den auteurs toevallig ten deel valt omdat het algemeen belang dit
zoo wil, maar als hun goede recht, dat evenveel aanspraak heeft om
beschermd en gehandhaafd te worden als de eigendom, daarvan kan men
herhaaldelijk de bewijzen zien. Wel heeft het lang geduurd, voordat
het rechtsbewustzijn ontwaakte en voordat de auteurs hier te lande
inzagen, dat ook voor hen een Kampf um 's Recht te voeren is, niet
alleen om te verdedigen wat zij hebben, maar ook om te verkrijgen
wat zij meenen dat hun rechtmatig toekomt. Doch in de laatste jaren
is hierin verandering gekomen. In dagblad- en tijdschriftartikelen,
in adressen aan de Tweede Kamer komen schrijvers en kunstenaars op
voor hunne rechten; een Vereeniging van Letterkundigen is opgericht
voornamelijk met het doel het auteursrecht harer leden te beveiligen,
een Berner Conventie Bond om onze toetreding tot de internationale Unie
te helpen bevorderen. Deze geheele beweging kan niet verklaard worden
uitsluitend als een strijd om materieele belangen; wat haar gaande
houdt, wat daaraan ook personen doet deelnemen die er geen persoonlijk
belang bij hebben, is niet anders dan het rechtsbewustzijn dat niet
kan gedoogen, dat geschriften en kunstwerken straffeloos geëxploiteerd
worden tegen den wil der auteurs. En het is wel eigenaardig hierbij
op te merken, dat de auteurs steeds blijven spreken van hun eigendom,
ondanks alle moeite, die de juristen zich hebben gegeven om aan te
toonen, dat er hier van eigendom geen sprake kan zijn; Nederland
wordt een roofstaat genoemd omdat het niet bij de Berner Conventie
is aangesloten; wie zich zonder toestemming des auteurs aan zijn
werk vergrijpt, ook al valt hij niet onder de termen der auteurswet,
heet een dief en een onzer meest bekende schrijvers beklaagt zich in
een Open Brief aan Z.E. den Minister van Justitie over de onvoldoende
bescherming onzer wet o.a. in deze duidelijke termen: "Excellentie,
ik word begapt!" [217]

Tegenover al deze uitingen gaat het m. i. niet aan, te blijven spreken
van het auteursrecht als van een privilegie, dat alleen steunt op
het algemeen belang. Ook al erkent men, zooals Mr. Freseman Viëtor,
het volks-rechtsbewustzijn niet "als rechter in hoogste ressort", kan
men toch niet blind blijven voor het verschil tusschen de kunstmatige
scheppingen van den wetgever, waarvan hierboven sprake was, en eene
natuurlijke instelling als deze, welke den auteurs niets anders
toekent dan hetgeen hun volgens ieders oordeel toekomt en welke niets
anders verbiedt, dan wat ook zonder wettelijk verbod voor onrecht
wordt gehouden.

Wat nu de overige beschouwingen van mr. Freseman Viëtor over de
rechtmatigheid van het auteursrecht betreft en van diegenen zijner
medeleden in de Juristen-vereeniging, die met hem voor "het algemeen
belang" stemden, daarvan kan nog in het kort het volgende worden
gezegd.

Hunne betoogen strekken allen om te bewijzen, dat er geen
rechtsbeginsel aan de bescherming der auteurs kan worden ten grondslag
gelegd, maar dat het algemeen belang meebrengt dat deze bescherming
worde verleend. Het is echter niet altijd duidelijk wat hier wordt
bedoeld met de tegenstelling recht en algemeen belang. Nu eens
schijnt het, dat men alleen wil bewijzen, "dat de schrijver.... zonder
positieve wetsbepalingen niet tegen den namaak (zou) kunnen ageeren
op grond van algemeene rechtsbeginselen" [218]; dan weer heet het:
"er is geen rechtsbeginsel dat den Staat kan nopen schrijvers en
kunstenaars de rechten van hun arbeid te verzekeren" [219]; mr. de
Ridder stelt, dat "uit oorzaak der toestanden in het vrij verkeer"
de auteurs in het verwerven van hun loon niet kunnen slagen en zijne
tweede stelling is: "Daar is ook geen enkel rechtsinstituut dat direct
of analogice den rechter door toepassing, den wetgever door uitbreiding
dienen kan als middel ter bescherming van bedoeld vermogens-interesse
der bedoelde auteurs" [220]. Mr. Levy eindelijk redeneert aldus:
"Het auteursrecht is geen persoonlijk recht, want het raakt den
staat des persoons niet; evenmin is het een vermogensrecht, wijl
het dan zou moeten behooren tot de klasse van eigendom, en dit werd
nog niet aangetoond" [221]. En hieruit volgde, naar dezen spreker,
dat aan het auteursrecht geen "civilistische grondslag" tot basis kon
worden gegeven, zoodat er niets anders overbleef dan het te gronden
op economisch-politische overwegingen (dus: "het algemeen belang"),
waarvan trouwens mr. Levy evenmin iets wilde weten.

De vraag, waarop een antwoord moest worden gegeven, luidde: "Naar welk
hoofdbeginsel moet de Staat de rechten van schrijvers en kunstenaars op
het product van hun arbeid regelen?" En nu meen ik dat de conclusie,
waartoe bovengenoemde schrijvers met de meerderheid hunner medeleden
kwamen, dat nl. de Staat daarbij geen rechtsbeginsel, doch slechts
het algemeen belang had te volgen, voor tweeërlei uitlegging vatbaar
is of liever in twee verschillende stellingen gesplitst kan worden,
welke ik aldus zou willen formuleeren:

1. Zonder speciale wetsbepalingen, die hun dit uitdrukkelijk toekennen
(dus: zonder de wet op het auteursrecht) zouden schrijvers en
kunstenaars geen recht kunnen doen gelden op het product van hun
arbeid.

2. Het auteursrecht is niet vatbaar voor juridische constructie,
daar het onder geen der in de wetenschap bekende rechtsfiguren is
te brengen.

De eerste stelling is de vrucht van een onderzoek naar ons geldend
recht (waaruit de bijzondere wetsbepalingen, die het punt in
kwestie regelen, voor een oogenblik zijn uitgeschakeld); er wordt
in verklaard, wat hier te lande rechtens zou zijn, indien er geen
wet op het auteursrecht bestond. De tweede stelling betreft de
wetenschappelijke verklaring van het auteursrecht; zij drukt uit,
dat de rechtswetenschap het auteursrecht niet kent, dat er in het
rechtssysteem voor dit recht geen plaats is.

Dat de onderscheiding, welke ik hier heb pogen aan te geven, door
de leden der Juristen-Vereeniging niet altijd goed in het oog is
gehouden, is waarschijnlijk vooral te wijten aan de theorieën,
die zij bestreden en wel in 't bijzonder aan de theorie van den
letterkundigen eigendom. Uit de beschouwingen van de voorstanders
dezer leer is ook niet altijd na te gaan, of zij alleen bedoelen het
auteursrecht, zooals dat door de wet wordt verleend, te construeeren
als een uitsluitend recht op het geestesproduct, waaraan dan naar
analogie met de rechten op stoffelijke goederen den naam eigendom
wordt gegeven, dan wel of zij den auteur werkelijk beschouwen als
eigenaar van zijn product volgens ons burgerlijk wetboek. Het komt
mij wenschelijk voor deze twee vragen scherp uit elkander te houden;
daarom wil ik de beide bovenstaande stellingen afzonderlijk bespreken.

Indien wij geene speciale wettelijke regeling van het auteursrecht
hadden, zou--hierover zal ieder het wel eens zijn--het eenige
rechtsmiddel voor de auteurs om zich tegen exploitatie hunner werken
door derden te verzetten, zijn de actie van art. 1401 B. W. De vraag,
waarop de eerste stelling een antwoord geeft, komt dus hierop neer,
of nadruk (genomen in de ruime beteekenis van inbreuk op auteursrecht)
zou zijn een onrechtmatige daad in den zin van dit artikel. Zooals
bekend bestaat er onder de juristen geen eensgezindheid omtrent
de beteekenis van den term "onrechtmatige daad"; zonder mij in de
discussie hierover te mengen schijnt het mij voldoende te verklaren,
dat ik mij schaar onder degenen, die aan deze uitdrukking eene ruime
uitlegging geven. Volgens deze opvatting pleegt men een onrechtmatige
daad door anders te handelen "dan in het maatschappelijk verkeer den
eenen mensch tegenover den ander betaamt, anders dan men met het oog
op zijne medeburgers behoort te handelen" [222].

Na de hierboven gehouden beschouwingen behoeft het wel geen betoog
meer, dat de daad van hem, die zonder toestemming van den auteur diens
werk exploiteert, een onrechtmatige is in dezen zin. Of eene handeling
den eenen mensch tegenover den ander in het maatschappelijk verkeer
al dan niet betaamt, of zij rechtmatig is of onrechtmatig, daarover
kan alleen het rechtsbewustzijn beslissen en wij hebben gezien, hoe
krachtig dit in het algemeen tegen nadrukkers en consorten reageert.

Ik kom dus tot de slotsom, dat ook zonder wet op het auteursrecht de
auteurs eene actie tot schadevergoeding zouden hebben tegen degenen,
die zonder hunne toestemming hunne werken zouden hebben nagedrukt,
uit- en opgevoerd enz. Hiermede is natuurlijk allerminst gezegd,
dat zij eene even volledige bescherming zouden genieten als nu en
dat dus de wet op het auteursrecht overbodig zou zijn. Hoever deze
bescherming zich zou kunnen uitstrekken en--wat hier ook gevraagd kan
worden--hoever in onze jurisprudentie die bescherming waarschijnlijk
zou zijn uitgestrekt, wil ik in het midden laten. Waar ik slechts op
heb willen wijzen is, dat er geene speciale wetsbepaling noodig is,
om de onrechtmatigheid van den nadruk uit te spreken.

Zooals ik de kwestie hier gesteld heb, is zij door geen der schrijvers
met wie ik mij nu bezighoud, behandeld, hoewel toch de ruime uitlegging
van art. 1401 B. W. ook toen reeds hare aanhangers vond [223].

Mr. Freseman Viëtor betoogt wel, dat de auteurs zich niet op art. 1401
zouden kunnen beroepen, doch hij motiveert deze meening niet anders
dan door--met blijkbare instemming--eene zinsnede, die Mr. Lohman
zich had laten ontvallen aan te halen: "dat het kopijrecht "de
rechten van derden, de natuurlijke vrijheid van den mensch" verkort,
"het recht namelijk om boeken te drukken"" [224]. Het antwoord hierop
kan kort zijn.

Er bestaat geen "recht om boeken te drukken" evenmin als een recht
om sigaren te rooken of een recht om aardappels te eten. Er bestaat
slechts vrijheid om deze handelingen te verrichten, zoolang het recht
ze toelaat. Maar "natuurlijke vrijheid" moet niet opgevat worden
"in den zin van het recht om alles te doen wat men wil, mits het
maar niet door de wet uitdrukkelijk verboden is, maar veeleer in
dien van het recht om niet in onze eer persoon of vermogen aangetast
of beschadigd te worden, in dien van het recht op eerbiediging van
onze persoonlijkheid, van onze goederen, van onzen arbeid." "Alleen
de vrijheid dus opgevat"--voegt prof. Molengraaff, aan wien ik deze
woorden ontleen, hieraan toe--"mag gezegd worden geen erkenning noodig
te hebben om te gelden, maar een verbod om niet te gelden" [225].

Ik meen dus, dat de eerste der door mij geformuleerde stellingen
geen waarheid bevat. Maar wat ik bovendien zou willen opmerken,
is dat deze stelling met het vraagstuk, waarmede ik mij bezighoud
slechts in verwijderd verband staat. Alleen voor degenen, die de
bovengenoemde ruime interpretatie van art. 1401 B. W. huldigen,
is zij waard bediscussieerd te worden; de strijd gaat dan echter
niet om wat de stelling uitdrukt maar om de vraag--hierboven reeds
toestemmend door mij beantwoord--of eerbiediging van de rechten der
auteurs, ook indien de wet daartoe niet uitdrukkelijk verplicht,
als een plicht wordt beschouwd en krenking ervan als een onrecht. En
dit is ten slotte de vraag, waar het hier op aankomt. Is men het
hierover maar eens, dan kan nog gestreden worden over de vraag,
welke wetsbepalingen er noodig zijn om dit recht door ieder te doen
eerbiedigen, doch hiermede komt men op een ander terrein: met den
grondslag en het rechtskarakter van het auteursrecht heeft dit niet
te maken. Elk recht moet ten slotte, om afdwingbaar te zijn, direct
of indirect op de wet kunnen worden gesteund en in het algemeen kan
worden gezegd, dat eene wet op het auteursrecht even onontbeerlijk
is voor de auteurs als bijvoorbeeld de artikelen in ons burgerlijk
wetboek, die over den eigendom handelen, dat zijn voor de eigenaars.

De tweede stelling heb ik aldus geformuleerd: "Het auteursrecht is
niet vatbaar voor juridische constructie, daar het onder geen der
in de wetenschap bekende rechtsfiguren is te brengen." Er is niets
tegen in te brengen, indien men aanneemt, dat de rechtsbegrippen,
die de Romeinsche juristen ons hebben nagelaten, eens en voor altijd
zijn vastgesteld en dat wij daarmede voor alle tijden toekunnen. In de
tijden, dat de Romeinsche juristen zich bezighielden met het vormen
van rechtsbegrippen en het formuleeren van rechtsregels bestonden de
middelen van exploitatie van geschriften en kunstwerken, waardoor het
auteursrecht noodzakelijk is geworden, nog niet. Het behoeft daarom
niet te verwonderen, dat men, alleen door logische redeneering uit
deze begrippen en regels, geen antwoord kan vinden op de vraag, of
het iemand vrijstaat een anders boek na te drukken of reproducties van
een anders schilderij of teekening te vervaardigen. Pogingen in deze
richting zijn genoeg beproefd: men probeerde uit het eigendomsbegrip
de bevoegdheden der auteurs te deduceeren; sommigen brachten er zelfs
de specificatio bij te pas; anderen trachtten de verplichting om zich
van exploitatie van een geschrift of kunstwerk te onthouden als een
verbintenis voortvloeiend uit een stilzwijgend beding te construeeren;
ook de theorie van de Savornin Lohman steunde gedeeltelijk op een
Romeinschen rechtsregel: "nemo cum damno alterius locupletior fieri
debet." Doch geen dezer theorieën is steekhoudend gebleken; het
auteursrecht liet zich langs dezen weg niet "bewijzen". Dit is door de
meeste Nederlandsche schrijvers over 't auteursrecht en in 't bijzonder
door de meerderheid in de reeds meermalen genoemde vergadering der
Juristen-Vereeniging ook zoo ingezien; het grootste gedeelte hunner
beschouwingen strekte juist, om de onhoudbaarheid van de zoogenaamde
»juridische" theorieën aan te toonen. Dat zij hierin zijn geslaagd,
wil ik gaarne toegeven, hoewel niet alle argumenten, welke daarbij
dienst deden, mij even juist voorkomen. Doch het behoeft nauwlijks te
worden gezegd, dat daarmede nog niet was bewezen, dat het auteursrecht
alleen op utiliteits-motieven kan worden gebaseerd; dat het eigenlijk
geen recht is, waarop de auteurs aanspraak kunnen maken, maar een
privilegie, om redenen van "algemeen belang" (d.i. instandhouding
van kunsten en wetenschappen) hun verleend. Toch schijnen sommigen
dit te hebben gemeend.

"Es giebt eine Jurisprudenz die in einem Rechte, das sich nicht
romanistisch konstruiren lässt, kein gutes Recht zu sehen vermag"
[226]. Deze opmerking van Gierke schijnt mij hier min of meer
toepasselijk. Reeds uit de wijze, waarop het aan de leden der
Juristen-Vereeniging voorgelegde vraagpunt was geredigeerd
valt de begripsverwarring, waar Gierke op doelde, eenigszins te
constateeren. De volgorde der vragen was zoodanig, dat eerst de
verschillende pogingen om het recht "romanistisch" te construeeren
aan het oordeel der vergadering werden onderworpen; voor het geval
geen dezer constructies bevredigend zou blijken, had men tenslotte
een vierde vraag opgesteld: of in het algemeen belang door de wet een
recht tot uitsluitende reproductie moet worden gegeven? Alsof er,
na het ontkennend beantwoorden van de eerste vragen, van recht of
onrecht geen sprake meer behoefde te zijn en alleen over de meerdere
of mindere doelmatigheid nog beslist behoefde te worden. En zoo was
ook de redeneering van Mr. Levy, die ik boven reeds vermeldde: het
auteursrecht is geen zakelijk recht, geen persoonlijk recht, dus:
het is geen privaatrecht; en daar Mr. Levy evenmin het algemeen
belang ervan inzag, bestond er volgens hem geen enkele grond
voor de auteursbescherming en diende de geheele instelling dus te
vervallen. Aan een beroep op het rechtsgevoel en de historische
ontwikkeling van het auteursrecht werd nauwelijks eenige aandacht
gewijd [227]; trouwens wat het laatste betreft mag worden betwijfeld,
of de heer Levy daarvan wel ooit eenige studie had gemaakt. Toen hij,
ongeveer twintig jaar later, zijne opvattingen over het "zoogenaamd
auteursrecht" nog eens ontvouwde, voegde hij daaraan toe: "Deze mijne
bedenkingen dagteekenen reeds van 1877 en vroeger. Naar rechten evenwel
hebben zij thans nog slechts theoretische waarde (of onwaarde). Sedert
1881 bezitten wij eene wet op het auteursrecht". [228] Van de
wettelijke erkenning van dit recht in ons land vóór 1881 scheen deze
schrijver dus niet te hebben geweten.



Wat nu de stelling betreft, "dat in het algemeen belang door de wet
een recht tot uitsluitende reproductie moet worden gegeven," welke
tenslotte de conclusie moest uitdrukken, waartoe de meerderheid
der vergadering na de gehouden besprekingen was gekomen, een
positief resultaat was daarmede, zooals ik reeds heb opgemerkt,
niet bereikt. Indien men onder "algemeen belang" dient te verstaan
doelmatigheid, utiliteit (dus: expediency, zooals Macaulay deze
tegenover right stelde), dan had men mogen verwachten, dat de stelling
met andere argumenten was gestaafd, dan nu het geval was. Dat men het
auteursrecht juridisch niet kon verklaren, dat men er geene plaats
voor wist te vinden in het rechtssysteem, bewijst in dezen niets;
evenmin de bewering, dat het auteursrecht, om bindend te zijn, op
positieve wetsbepalingen moet berusten. Vat men de stelling niet
in de bovengenoemde enge beteekenis op, dan is zij al een bijzonder
weinig zeggend antwoord op de vraag, die was gesteld, n.l.: "naar welk
hoofdbeginsel moet de Staat de rechten van schrijvers en kunstenaars
op het product van hun arbeid regelen?" Het is een antwoord, dat
eigenlijk gelijk staat met de erkenning, dat de rechtswetenschap hier
geen voorlichting weet te schenken.

Uit juridisch oogpunt is het resultaat, waartoe de Juristen-vereeniging
kwam, dus niet anders te noemen dan negatief; men bepaalde zich tot
het bestrijden en afkeuren van de voorgestelde theorieën, zonder iets
anders daarvoor in de plaats te stellen.

Doch wat men met behulp der rechtswetenschap niet had weten te
bereiken, meende men gevonden te hebben in de economie. In zijn
prae-advies schreef mr. de Ridder: "...al moeten we ook met een zucht
afzien van elke poging om een toepasselijk rechtsbeginsel te vinden,
wij kunnen den wetgever een beginsel bieden uit die wetenschap,
welke de toestanden en verhoudingen van het verkeer onderzoekt en de
leemten daarin aanwijst, een beginsel, dat, zoo de wetgever zich leent
tot deszelfs doorvoering, hem tevens zal houden in het rechte spoor,
dat der sociale behoeften" [229].

Over de economische theorieën, en speciaal die van Schaeffle,
welke mr. de Ridder op het oog had, zal ik in de volgende
paragraaf spreken. Hier kan reeds worden opgemerkt, dat economische
beschouwingen, hoe belangwekkend zij ook mogen zijn, toch nooit de
plaats van een rechtsleer kunnen innemen. Er was hier behoefte aan een
scherp geformuleerd rechtsbeginsel, waarop het auteursrecht kon worden
gebaseerd en aan een klaar juridisch begrip van dit recht. Toen men
tot de conclusie was gekomen, dat in den ouden voorraad rechtsregels
en rechtsbegrippen niets was te vinden, dat voor het auteursrecht
kon dienen, had men niet "met een zucht" van alle verdere pogingen
in die richting mogen afzien, om zijn heil te gaan zoeken in de
economie. Het recht bestaat niet terwille van de rechtswetenschap, maar
het is de taak van deze laatste alles wat zich als recht voordoet te
verklaren. En wanneer dus voor een recht geen plaats blijkt te kunnen
worden gevonden in het bestaande rechtssysteem, dan zal men dit laatste
hebben te herzien, zoodat de plaats worde gemaakt. Doch nooit mag de
conclusie luiden: het nieuwe recht hoort in het van ouds bestaande
systeem niet thuis en derhalve erken ik het niet als een recht.



§ 3 Economische theorieën

De voortbrengselen van kunst en letterkunde kunnen op zichzelf,
d. w. z. los van de wijze, waarop zij met voor onze zintuigen
waarneembare teekens worden weergegeven, geen voorwerp van economische
beschouwing zijn. Slechts indirect is de geestelijke schepping voor
den econoom van beteekenis, nl. voor zoover zij zich in de stoffelijke
wereld manifesteert.

Het is daarom onjuist, om zooals b.v. Proudhon doet, een schrijver in
economischen zin voortbrenger te noemen en zijn werk een economisch
product:

"L'écrivain, l'homme de génie, est un producteur, ni plus ni moins que
son épicier et son boulanger; son oeuvre est un produit, une portion
de richesse" [230]. En: "A tous les points de vue, la production
industrielle et la production littéraire nous apparaissent donc
identiques" [231].

Wel oefent een schrijver met zijn geestesproduct invloed uit
op de voortbrenging en werkt hij er indirect aan mede, doch de
eigenlijke voortbrenging in economischen zin begint pas--krijgt
althans pas beteekenis--wanneer zijn boek geëxploiteerd wordt, dus
in druk verschijnt. Wat nu wel "une portion de richesse" uitmaakt,
is het duizendtal gedrukte exemplaren, dat van het geschrift
wordt vervaardigd, maar dit is niet "het voortbrengsel" van den
schrijver. Wat de schrijver heeft voortgebracht is een product van
intellectueelen aard en staat als zoodanig buiten den beschouwingskring
van den econoom.

Proudhon geeft verder eene geheel verkeerde voorstelling van de
zaak, wanneer hij, voortredeneerende op de stelling, dat de auteur
voortbrenger is, beweert dat bij de uitgave van het boek de schrijver
zijn voortbrengsel verruilt; en zijne redeneering raakt kant noch wal,
wanneer hij op dien grond (dus omdat hier ruiling van voortbrengselen
plaats heeft) concludeert, dat de schrijver na de publicatie geen
recht meer op zijne schepping heeft:

"Les lois de l'échange sont: que les produits s' échangent les uns
contre les autres; que leur évaluation ou compensation a lieu dans un
débat contradictoire et libre, désigné par les mots offre et demande;
que l'échange opéré, chaque échangiste devient maître de ce qu'
il a acquis comme il l'était de son propre produit, en sorte que, la
livraison faite et l'échange consommé, les parties ne se doivent rien"
[232].

"Ces lois sont universelles; elles s' appliquent à toutes les espèces
de produits et de service, et ne souffrent pas d'exception," voegt
Proudhon hier nog bij, maar hij schijnt te vergeten, dat wat hij
"lois d'échange" noemt, geen bindende regels zijn, die voorschrijven
wat recht is. Dat de bakker die zijn brood, en de boer die zijn
aardappelen verkocht heeft, geen recht meer op hun voortbrengsel
kunnen doen gelden, is niet omdat de door de economen opgespeurde
wetten van het ruilverkeer dat zoo willen, maar omdat de wet, die den
privaten eigendom van brood en aardappelen erkent, dit gevolg aan
hunne handeling verbindt. Indien de schrijver, evenals de bakker,
zijn product kon inruilen, dan zou het auteursrecht-vraagstuk geen
moeilijkheden meer opleveren, of liever: door dit te beweren, plaatst
men zich op het standpunt, dat het vraagstuk al opgelost is; immers
het begrip ruiling veronderstelt de erkenning van privaten eigendom op
het voorwerp, dat verruild wordt, en het gaat hier juist om de vraag,
of er een recht op het intellectueele product verleend zal worden. Met
eene "economische" theorie als deze komt men dus niet verder [233].

Nog minder verdient eene ernstige behandeling wat Louis Blanc over
het auteursrecht heeft geschreven. Men oordeele over de volgende
argumentatie: "D'ailleurs, quelle que soit la part de tous dans
la pensée de chacun, on ne niera pas du moins que la pensée ne
tire de la publicité toute sa valeur. Que vaut la pensée dans la
solitude?" ..... "Il n'est donc pas besoin de savoir d'où vient
l'origine des productions de l'esprit, il suffit de savoir d'où vient
leur valeur, pour comprendre qu'elles ne sauraient être le patrimoine
de personne. Si c'est la société qui leur confère une valeur, c'est à
la société seule que le droit de propriété appartient. Reconnaître,
au profit de l'individu, un droit de propriété littéraire, ce n'est
pas seulement nuire à la société, c'est la voler" [234].

Eene dergelijke redeneering behoeft nauwelijks te worden weerlegd. Op
dezelfde wijze zou men kunnen betoogen, dat een fabrikant van
locomotieven of van piano's zijne producten aan ieder gratis moet
afstaan; want wat heeft men aan een locomotief in een onbeschaafde
streek waar geen treinen zijn? Hier is het evengoed de maatschappij,
welke aan het goed zijne waarde geeft. Doch men is nu eenmaal niet
gewoon de waarde van een goed te berekenen naar wat er op een onbewoond
eiland voor zou worden gegeven!

Eene veel betere verklaring van de beteekenis van het auteursrecht
in het economisch verkeer geeft de theorie van Schaeffle [235]. Deze
schrijver beschouwt den auteur niet als zelfstandig voortbrenger, maar
als mede-arbeider in eene onderneming, en hij maakt eene vergelijking,
niet tusschen geestelijke en stoffelijke producten, maar tusschen
wat hij noemt: "Symbolische Güter", "Güter der Darstellung und der
Mittheilung" en "Nüzliche Güter". Beide categorieën van goederen
vereenigen in zich een geestelijk en een materieel element; het
onderscheid is, dat bij de eerstgenoemde categorie (waartoe dan
gerekend moeten worden: boeken, platen, tijdschriften, dagbladen
enz.) het geestelijk element overwegend is.

De redeneering van Schaeffle komt in het kort op het volgende neer. De
uitgave van een boek (om ons hierbij nu maar te bepalen) is eene
onderneming, eene combinatie van arbeid en kapitaal. Evenals bij elke
andere onderneming geeft het aanwenden van arbeid en kapitaal aanspraak
op belooning, indien het voortgebrachte product in eene economische
behoefte voorziet (ondernemersloon, en, als daar termen voor zijn,
ook ondernemerspremie) [236]. Doch zoolang het ieder vrijstaat het
uitgekomen boek na te drukken, is het den oorspronkelijken uitgever
niet mogelijk deze vergelding (speciaal de ondernemerspremie) te
genieten. De oorzaak hiervan ligt in de eigenaardige eigenschappen
van het voortgebrachte product in het economisch verkeer. Hier komt nu
het onderscheid uit tusschen de "symbolische" of "darstellende Güter"
en de "nüzliche Güter". Beiden vereenigen in zich, zooals gezegd,
een materieel en een geestelijk element en bij beiden wordt het
geestelijk element na korter of langer tijd gemeengoed. Het verschil
is, dat dit proces (het gemeen-goed worden van het "geestelijke")
bij de goederen van de tweede soort langzamerhand geschiedt, bij
de "darstellende Güter" echter in eens. Om een boek na te drukken
behoeft men geene proeven te doen, men behoeft zijne arbeiders er
niet afzonderlijk voor te doen africhten, in één woord: het is niet
noodig de tijd en geld kostende voorbereidselen te maken, die bij
zuiver industrieele producten dengeen die ze het eerst op de markt
bracht een voorsprong op de namakers geven. De nadrukker heeft
te beschikken over een "... mechanisch- und chemisch-technischen,
unmittelbar schlagfertigen Nachahmungs-apparat vom gleicher Vollendung,
wie derjenige des Original-verlegers ist" [237].

Terwijl dus in den regel de als gevolg van het gemeen-goed worden van
het geestelijk element intredende concurrentie pas na verloop van tijd
de prijs van het nieuwe product drukt, en derhalve prioriteit op de
markt voldoende is om ondernemers-loon en premie binnen te krijgen, is
dit bij de uitgave van een boek niet het geval. De winst, die volgens
de gewone wetten van het economisch verkeer den eersten uitgever
moest toevloeien, ontgaat hem wegens de exceptionneel-ongunstige
eigenschappen van zijn product.

Daarom bestaat er hier voor den Staat alle reden om in het economisch
verkeer in te grijpen en wel zóó, dat de ondernemer, die "symbolische
Güter" voortbrengt, dezelfde kans op het verkrijgen van loon en
premie hebbe als de voortbrenger van andere goederen. Dit is het
best te bereiken door het verleenen van een tijdelijk monopolie,
waardoor kunstmatig de toestand in het leven wordt geroepen, die in
andere takken van economische voortbrenging vanzelf intreedt.

Hiermede is de grondslag en de strekking van het auteursrecht
aangewezen: het is te beschouwen als een: "vorläufig unentbehrliches
künstliches Surrogat der Distributivgerechtigkeit des freien Verkehrs"
[238]. Wat het karakter van het recht betreft, het is een monopolie:
het geeft niet de uitsluitende beschikking over een bepaald goed,
maar de beheersching van eene bepaalde markt (Absatz-Verhältniss).



Vooropgesteld, dat men de vraag omtrent de belooning van den
arbeid van schrijvers en kunstenaars uitsluitend van de economische
zijde wil beschouwen, kan men met Schaeffle's leer, waarvan ik de
voornaamste punten met het bovenstaande heb trachten weer te geven,
vrede hebben. Doch men moet dan ook wel in het oog houden, dat men
daarmede slechts op ééne zijde van het vraagstuk het licht heeft laten
vallen en dat de theorie zonder meer geene conclusiën rechtvaardigt
met betrekking tot den omvang en den aard van het auteursrecht.

Tot de vorming van een goed juridisch begrip van het recht in kwestie
brengt de theorie uit den aard der zaak niets bij; van economisch
standpunt moge het juist zijn, de onlichamelijke producten van kunst
en letterkunde niet als goederen te beschouwen en in verband daarmede
het auteursrecht te karakteriseeren niet als een recht op een goed
maar als een monopolie, een recht om eene bepaalde soort van goederen
alleen te mogen verkoopen, daarmede is ten aanzien van de juridische
verklaring van het recht nog niets gezegd. Al is een voortbrengsel
van het intellect geen economisch goed, daarom kan het nog wel object
van een vermogensrecht zijn. Een rechtsleer, waarbij, op voorbeeld van
deze economische theorie, niet de geestelijke scheppingen opzichzelf
zouden worden beschouwd maar alleen de stoffelijke goederen, die aan
deze scheppingen het aanzijn danken, zou nooit een goed inzicht in het
wezen van het auteursrecht kunnen geven. Terecht kon Kohler van zijne
leer schrijven: "Die hohe Bedeutung der Immaterialrechtstheorie aber
liegt darin, dasz das Recht eben mit einem Gedanken, der aus vielen
Verwirklichungsformen sich ableiten läszt, in Beziehung gesetzt ist,
dasz es mithin nicht an eine Verwirklichungsform gekettet wird, dasz
es das Geistige in allen seinen Formen und Metamorphosen erfaszt und
erfüllt" [239].

Bovendien, door in het auteursrecht alleen te zien een monopolie,
geeft men niet alleen datgene wat het karakteristieke van het recht
uitmaakt niet weer, de benaming is ook onjuist, daar het auteursrecht
niet op eene lijn gesteld kan worden met de instellingen, welke men
met den naam monopolie pleegt aan te duiden. Evengoed zou men den
grondeigendom een monopolie kunnen noemen, omdat bij den alleenverkoop
van de vruchten welke de grond oplevert, waarborgt.

Op het groote verschil, dat bestaat tusschen eene instelling als
b.v. het staatsmonopolie voor den tabaksverkoop en rechtsinstituten
als eigendom en auteursrecht is al gewezen [240]. Doch met
dit verschil wordt in de theorie van Schaeffle geene rekening
gehouden. Dat het auteursrecht al jaren lang in alle beschaafde
staten wordt erkend, dat het een eisch van het rechtsbewustzijn
is, dat schrijvers en kunstenaars de uitsluitende beschikking
hebben over de exploitatie hunner geestesproducten, daaraan werd
bij deze economische beschouwingen blijkbaar niet gedacht. Immers
de theorie gaat uit van een "vrij" economisch verkeer, waarin de
nadrukkers vrij spel hebben, en het auteursrecht heet een "künstliches
Surrogat der Distributivgerechtigkeit des freien Verkehrs". Doch deze
"Distributivgerechtigkeit", welke Schaeffle waarneemt, zou niet bestaan
zonder recht; er is o.m. voor noodig dat private eigendom wordt erkend
en gehandhaafd, dat geen slavernij wordt geduld, dat men iemand kan
dwingen tot het nakomen van aangegane verbintenissen enz. enz. Wil men
nu, sprekende over het vrije economische verkeer, daarbij stilzwijgend
het bestaan van al deze rechtsinstellingen veronderstellen, dan kan
daartegen geen bezwaar bestaan--er is trouwens bijna geen economische
theorie waarbij dit niet wordt gedaan--; doch bij deze instellingen,
wier bestaan om zoo te zeggen van zelf spreekt, behoort evengoed het
auteursrecht. In het "vrije" verkeer, dat Schaeffle als uitgangspunt
neemt, is het geoorloofd het product van een anders arbeid vrijelijk
te exploiteeren en Schaeffle veronderstelt, dat van die vrijheid
een algemeen gebruik wordt gemaakt; dit is echter eene "vrijheid",
waarbij met begrippen van recht geen rekening is gehouden en die
trouwens in geen enkel beschaafd land bestaat.

Deze opmerkingen raken natuurlijk niet de redeneering van Schaeffle,
maar meer de wijze waarop hij het vraagstuk gesteld heeft. Met
zijne theorie stelde hij zich ten doel, uit de verschijnselen in het
economisch verkeer af te leiden, dat schrijvers en kunstenaars op
bijzondere wijze beschermd dienen te worden; doch naast de historische
en ethische gronden waarop het auteursrecht berust, kan een dergelijk
betoog overbodig worden geacht. En door als normaal en natuurlijk voor
te stellen een toestand, waarin geen auteursrecht bestaat, heeft hij
van dit recht een verkeerd beeld gegeven. Het auteursrecht is geen
"kunstmatig surrogaat" van de gerechtigheid, die in het vrije verkeer
bij de verdeeling der stoffelijke goederen bestaat; doch het is,
evenals de andere bovengenoemde rechtsinstellingen, een van de, door de
rechtsorde geëischte, voorwaarden voor een vrij en regelmatig verkeer.

Hier te lande vond de leer van Schaeffle, zooals reeds is opgemerkt,
een aanhanger in Mr. de Ridder, die haar echter op één belangrijk
punt aanvult, door nl. ook op het vereischte van een individueel
geestesproduct het licht te laten vallen [241]. Hierdoor wordt de
eenzijdigheid van Schaeffle's theorie wel eenigszins weggenomen;
doch niettemin wordt aan diens economische beschouwingen door mr. de
Ridder m. i. eene veel te groote beteekenis gehecht. Volgens zijne
boven aangehaalde woorden meende deze schrijver in de theorie te hebben
gevonden: "een beginsel, dat zoo de wetgever zich leent tot deszelfs
doorvoering, hem tevens zal houden in het rechte spoor, dat der sociale
behoeften." Dat echter het "beginsel", hetwelk de economische theorie
van Schaeffle aan de hand doet, den wetgever slechts zeer weinig
houvast geeft, zal niemand kunnen ontkennen. Wil hij de theorie volgen,
dan is zijne taak, den auteurs een recht van zoodanige afmetingen
in te ruimen, dat zij een even groote kans op het verkrijgen van
ondernemers-loon en premie hebben als andere ondernemers, of, zooals
mr. de Ridder het uitdrukt: "dat de verhouding tusschen het verdiende
gemiddelde loon en de mogelijke loonsrente behouden blijve" [242]. Met
deze wetenschap toegerust ga de wetgever nu maar aan den arbeid en
trachte hij in het "rechte spoor" te blijven, waar vragen zijn op
te lossen, als bv.: behoort tot het auteursrecht van een geschrift
het uitsluitend vertalingsrecht, en, zoo het een tooneelstuk is, het
opvoeringsrecht? Welk is het recht van den vertaler? Is auteursrecht
mogelijk op brieven, op dagblad-berichten? Hoever gaat de bevoegdheid
om, zonder inbreuk op het auteursrecht te maken, gedeelten uit het werk
van een ander over te nemen, of uittreksels en omwerkingen ervan in
het licht te geven? Naar gegevens, om tot eene systematische oplossing
te komen van deze vragen en van vele andere van dergelijken aard,
zal men vergeefs in Schaeffle's theorie zoeken.

Ten slotte wil ik in deze paragraaf nog enkele opmerkingen maken naar
aanleiding van de, reeds met een enkel woord genoemde, theorie van
Jhr. mr. A. F. de Savornin Lohman. Deze theorie is weliswaar niet als
eene "economische" bedoeld; toch meen ik er eenige verwantschap met
de economische theorieën in te ontdekken en om deze reden schijnen
mij de enkele opmerkingen, welke ik eraan wilde wijden, hier het best
op hare plaats.

Deze schrijver wil het auteursrecht afleiden uit twee rechtsregels:
"niemand mag zich zonder grond ten koste van een ander verrijken"
en: "de arbeider heeft recht op het loon van zijn arbeid." Uit
verschillende bepalingen uit ons positieve recht tracht hij aan te
toonen, dat onze wetgever deze twee beginselen, al zijn zij niet met
zooveel woorden in de wet geschreven, toch steeds in hun vollen omvang
heeft erkend. Op dit gedeelte van het betoog zal ik niet ingaan;
het is trouwens reeds door meerdere schrijvers besproken en op vele
punten bestreden [243].

De vraag, of deze twee regels in ons recht algemeen erkend zijn, laat
ik dus in het midden; ik wil er mij slechts toe bepalen te onderzoeken,
of de laatstgenoemde regel, waarop het hier voornamelijk aankomt, een
juist beginsel kan worden geacht, waar het geldt den grondslag van
het auteursrecht te verklaren. Wat mr. de Ridder meende gevonden te
hebben in de theorie van Schaeffle: een beginsel, dat den wetgever in
het rechte spoor kon houden, wilde ook de Savornin Lohman met zijne
leer geven:

"Zoolang de ware grondslag" (scil. van het auteursrecht) "niet gevonden
is, zal de wetgever zich wel op zijn gevoel van billijkheid moeten
verlaten: daarbij zeilt hij evenwel zonder kompas. Maar mogt een vast
beginsel bestaan, en is dit eenmaal gevonden, dan zal hij in staat
zijn juist en bepaald te omschrijven wat den auteur.... toekomt."

Dit beginsel is nu volgens de theorie van de Savornin Lohman, dat de
auteur als arbeider recht heeft op zijn loon. De afbakening van het
auteursrecht moet dus zoodanig geschieden, dat niemand zonder grond
zich met dat, den auteur toekomend, loon kunne verrijken.

Wil dus de theorie beantwoorden aan het doel, hetwelk de ontwerper er
mede wilde bereiken, dan dient zij een volledig antwoord te geven op
de vraag, wat moet worden verstaan onder het loon van schrijvers en
kunstenaars. Dit wordt als volgt gedefinieerd: "Onder "het loon" van
schrijvers en uitgevers verstaan wij dus datgene, wat al de koopers
tezamen voor het nieuwe voorwerp betalen, boven de kosten, aangewend
ter vervaardiging van elk exemplaar, zooals drukloon, fabrieksloon,
enz." [244]. Elders drukt de schrijver zich zóó uit: "... het loon,
dat voor een verkeerswaarde bezittenden arbeid betaald wordt, moet
den arbeider ten goede komen" [245].

Wat de arbeid van schrijver en kunstenaar waard is, wat hij in het
verkeer opbrengt, moet dus volgens de theorie den auteur ten goede
komen; uitsluitend hiernaar moet de omvang van het auteursrecht
worden berekend.

In de eerste plaats kan hiertegen worden opgemerkt (hetgeen trouwens
reeds door verschillende schrijvers is gedaan), dat het begrip
verkeerswaarde reeds het bestaan van auteursrecht veronderstelt; immers
zonder auteursrecht heeft de arbeid van schrijvers en kunstenaars
geene, althans geen noemenswaardige, verkeerswaarde. De redeneering
berust dus op eene petitio principii: de "verkeerswaarde", welke de
heer Lohman wil, dat de auteur voor zijn arbeid zal krijgen, is de
waarde, welke die arbeid heeft in het verkeer, geregeld door eene
wet op het auteursrecht zooals de heer Lohman die wenscht. Daarom
kan die waarde nooit een maatstaf zijn, waarnaar de omvang van het
auteursrecht in jure constituendo kan worden afgemeten.

Nu zou deze tegenwerping nog geene absolute veroordeeling van de
theorie inhouden, indien de vraag alleen hierom ging, óf de auteurs
al dan niet recht hebben op bescherming, indien dus de mate, waarin
die bescherming verleend dient te worden, a priori vaststond. Doch
wij hebben gezien, dat dit niet de bedoeling was der theorie. De heer
Lohman wilde den wetgever een beginsel aan de hand doen, dat hem in
staat zou stellen "juist en bepaald te omschrijven wat den auteur
toekomt." Met behulp der theorie moest dus aangetoond kunnen worden,
niet alleen dat er auteursrecht dient verleend te worden, maar ook
in welken omvang; dus welke de bevoegdheden zijn van een schrijver,
hoe lang dit recht moet duren, enz.

Hierin nu moest de theorie noodzakelijk te kort schieten en dit schijnt
de heer Lohman ook ten slotte zelf min of meer te hebben ingezien;
althans op de vergadering der Juristen-Vereeniging liet hij zich als
volgt uit: "Nu moge het moeilijk zijn uit te maken welk deel van
het loon hij" (scil. de auteur) "moet ontvangen voor den arbeid,
dien ook hij aan dat boek heeft ten koste gelegd: zeer zeker moet
hij een deel daarvan hebben" [246]. Met deze verklaring is feitelijk
erkend, dat de theorie niet kan geven wat de heer Lohman ermede had
willen bereiken. Want hoe zal het beginsel "de auteur heeft recht
op het loon van zijn arbeid" den wetgever als een "veilig kompas"
kunnen dienen, indien eerst langs anderen weg moet worden uitgemaakt,
hoeveel dit loon bedraagt?

De fout in de theorie van den heer de Savornin Lohman is naar mijne
meening deze, dat in plaats van het (immaterieele) product van den
schrijver of kunstenaar wordt gesteld de waarde van het product;
in plaats van de resultaten van den arbeid het loon voor den
arbeid. Het beginsel van het auteursrecht is niet: de auteur heeft
recht op de waarde van zijn product, op het loon voor zijn arbeid
maar: de auteur heeft recht op het product zelf, hij moet over de
resultaten van zijn arbeid uitsluitend kunnen beschikken. Zoolang dit
uitsluitend beschikkingsrecht niet bestaat zijn "waarde" en "loon"
louter fictief, evenzoo als de waarde fictief is van visschen die nog
in de zee rondzwemmen en aan niemand toebehooren. Gesteld dat men
naar een beginsel vroeg, waarop het recht berust van hem die zich
deze visschen heeft toegeëigend, dan zou toch niemand eraan denken
ten antwoord te geven: de visscher heeft recht op het loon van zijn
arbeid, het loon is datgene wat die arbeid in het verkeer waard
is, derhalve heeft de visscher recht op de waarde van de door hem
gevangen visch en opdat anderen zich niet met deze waarde verrijken,
verleent de wet hem het eigendomsrecht. Ieder zou inzien, dat met
deze redeneering een noodelooze omweg wordt gemaakt, en dat men
zich juister en nauwkeuriger zou uitdrukken, indien men de "waarde"
geheel buiten beschouwing liet en dadelijk sprak van een recht op
het door den arbeid verworven goed, in casu de gevangen visch. Wel
zou in dit geval de practische conclusie uit de leer, ondanks de
foutieve redeneering, niet onjuist noch onbruikbaar behoeven te zijn;
doch de oorzaak hiervan is, dat hier de omvang van het te verleenen
recht wél geacht kan worden a priori vast te staan. Er is moeilijk
verschil van meening denkbaar over de vraag, welke de bevoegdheden
zijn, die tot het uitsluitend recht op een visch behooren; daarom
maakt het practisch weinig onderscheid, of men spreekt van de waarde
van den visch of van den visch zelf, indien slechts in het oog wordt
gehouden dat het woord "ruilwaarde" bij anticipatie wordt gebruikt,
daar vóórdat het uitsluitend recht een voldongen feit is van geen
ruiling en derhalve evenmin van ruilwaarde sprake kan zijn.

Ik hoop met het bovenstaande duidelijk te hebben gemaakt, dat
het uitgangspunt van de theorie van den heer Lohman verkeerd
is gekozen. Daardoor lijdt de theorie ook, afgezien van de
begripsverwarring die het gebruik van het woord ruilwaarde meebrengt,
aan dezelfde eenzijdigheid, die de economische theorieën kenmerkt. In
zijn betoog merkt de schrijver ergens op: "... wij juristen vragen
slechts: wat is uw product een ander waard, en wien behoort de
opbrengst?" [247] en het schijnt wel of deze regel hem steeds bij zijne
beschouwingen voor oogen heeft gestaan. Alsof een jurist in een recht
niets anders had te zien dan de geldswaarde, die het vertegenwoordigt!

De beteekenis van een recht is niet alleen met guldens af te meten;
van juridisch oogpunt bezien is de meerdere of mindere geldswaarde--ook
waar men met vermogensrechten heeft te doen--slechts van ondergeschikt
belang. Want het recht dient ook ter bescherming van niet op geld
waardeerbare belangen. Met deze laatste wordt in de theorie van den
heer de Savornin Lohman geene rekening gehouden; als eenig doel van
het auteursrecht wordt vooropgesteld, dat schrijvers en kunstenaars
iets met hun arbeid zullen verdienen. Deze overweging schijnt bij
den schrijver zoozeer overheerschende te zijn geweest, dat het
eigenlijke onderwerp zijner beschouwingen, n.l. het auteursrecht,
er soms door op den achtergrond geraakt. Dit was b.v. het geval in de
beschouwing, die ik hier laat volgen, gehouden in de vergadering der
Juristen-Vereeniging. Na te hebben uiteengezet, wat te verstaan was
onder "het loon" van den schrijver van een boek,--n.l. datgene wat de
verkoop der exemplaren opbrengt boven de kosten aan drukloon, papier
enz.--ging de heer Lohman na, wat "het loon" is, in het geval, dat die
opbrengst niet meer bedraagt dan de kosten van de vervaardiging der
exemplaren: "Mr Viëtor beweert, dat zoo de opbrengst van het boek juist
bedraagt "den kostenden prijs", (waaronder hij dan verstaat kosten
voor papier, drukloon enz.) er niets voor den auteur overschiet. Het
is alsof men zegt aan een arbeider dat men hem niets zal betalen,
omdat men dan juist met de kosten "zal kunnen uitkomen!" M. i. is er,
wanneer een mede-arbeider niet betaald wordt, eenvoudig verlies, en
is het billijk dat dat verlies worde gedeeld door al degenen die aan
het boek hebben gearbeid. Er is volstrekt geen reden om te zeggen,
dat de fabrikant van het papier en de drukker het eerst zullen worden
betaald, en dat, zoo er nu niets meer voor den auteur overschiet,
deze eenvoudig ledig huiswaarts kan gaan" [248].

Door uitsluitend op het loon van den arbeid het oog gevestigd
te houden, heeft de heer Lohman blijkbaar niet ingezien, dat met
deze redeneering het doel werd voorbij geschoten. Het is immers
duidelijk, dat in het gestelde geval het auteursrecht den schrijver
nooit eenig geldelijk voordeel zal kunnen bezorgen. De exploitatie
van het geestesproduct brengt niet meer op dan de kosten daarvoor
bedragen; derhalve zal hier ook de ruilwaarde van het uitsluitend
exploitatierecht nihil zijn. Het auteursrecht kan nooit meer geven
dan de mogelijkheid, om loon voor den arbeid te behalen; ook al is
de auteur gewapend met het krachtigste en meest intensieve recht,
dat men zich denken kan, zoo zal hij toch nooit uitgever en drukker
kunnen dwingen voor hem beneden den prijs te werken, of--zooals het
in mr. Lohman's redeneering heet--hen te bewegen, met hem in het
verlies, dat de exploitatie van het boek oplevert, te deelen. Een
soortgelijk economisch verschijnsel zal men b.v. kunnen waarnemen ten
aanzien van een stuk land, waarvan de exploitatie wegens de slechte
gesteldheid van den bodem of de ongunstige ligging niet meer opbrengt
dan de kosten aan werkloonen, bemesting, vervoer van de producten
enz. bedragen. De eigenaar van den grond zal hier geen pacht kunnen
bedingen, noch op eenige andere wijze geldelijk voordeel uit zijn
goed kunnen trekken; evenals de ongelukkige auteur, waarvan hierboven
sprake was, is ook hij noodzakelijkerwijze degeen, die "het laatst
betaald wordt." Doch evenmin als in het eene geval de bepalingen over
den eigendom op onroerende goederen, kunnen in het andere geval die
op het auteursrecht aan deze omstandigheid iets veranderen.

Niet aan wat de arbeid van den auteur opbrengt, aan wat hij voor
anderen waard is, hebben wij dus onze aandacht te wijden, maar aan het
product, dat door dien arbeid is voortgebracht; het auteursrecht is
niet een recht "om mede te deelen in het loon, dat het publiek bereid
is te betalen voor de handelswaarde die geproduceerd is" [249], maar
een recht op de geestelijke schepping zelf. Dit denkbeeld moge nu in
de volgende paragraaf eene nadere uitwerking vinden.



§ 4 Het auteursrecht als recht op een onlichamelijk goed

De auteur heeft een recht op het goed, dat hij heeft voortgebracht. Dit
is het m. i. eenig juiste beginsel, dat aan het auteursrecht ten
grondslag kan worden gelegd. De juistheid van dezen regel zal
niemand willen ontkennen: indien hier werkelijk een goed aanwezig
is, d. w. z. iets dat object van een uitsluitend recht kan zijn, dan
is degeen die dat goed heeft voortgebracht, die er de maker van is,
ook de aangewezen rechthebbende. Dat schrijvers en kunstenaars met
hun werk iets hebben gemaakt, dat vroeger niet bestond, zal evenmin
ernstige tegenspraak ontmoeten; zij zijn de scheppers, de "makers"
bij uitnemendheid (men denke aan de afkomst van het woord poëet).

Doch wat niet algemeen zal worden toegegeven, is dat het product van
een schrijver of kunstenaar eene zaak is, welke tot object van een
uitsluitend recht kan dienen.

Een lichamelijke zaak, die voorwerp van het auteursrecht zou zijn,
is niet aan te wijzen. Sommigen hebben gemeend, het auteursrecht van
schrijvers en componisten te kunnen verklaren als een uitvloeisel
van het eigendomsrecht op het handschrift; volgens deze zienswijze
had men dus wel eene lichamelijke zaak, die object van het recht was,
n. l. het papier waar de schrijver zijn letters en de componist zijn
noten op heeft geschreven. De eigendom--zoo werd geredeneerd--geeft
het vol genot over eene zaak; waar het dus een handschrift geldt,
omvat dit genot ook de uitsluitende bevoegdheid van reproduceeren,
omdat hierin juist de waarde ervan is gelegen [250].

Deze constructie van het recht is echter totaal onbruikbaar en niet
in overeenstemming met de feitelijke verhoudingen. Het handschrift
is niet de schepping, het voortbrengsel van den auteur, maar slechts
een middel om die (niet onmiddellijk voor anderen waarneembare)
schepping binnen den kring onzer waarneming te brengen. Zoolang het
geschrift alleen in handschrift bestaat, komt dit verschil weinig uit;
het handschrift is in dat geval het eenige waarneembare bewijs van
het bestaan van het auteursproduct; het voortbestaan van dit laatste
is min of meer afhankelijk van dat van het papier, waarop het door
middel van leesteekens is weergegeven en zoo heeft de eigenaar van
het handschrift ook in zekeren zin de beschikking over het lot van
het geestesproduct zelf. Maar deze toestand verandert, zoodra er
meerdere exemplaren van het geschrift zijn vervaardigd, die in handen
van verschillende personen komen.

In de daad van hem, die naar een exemplaar waarvan hij op wettige
wijze eigenaar is geworden, nadrukken van het geschrift vervaardigt
en in den handel brengt, is moeilijk te zien een inbreuk op het recht
van den eigenaar van het handschrift. Het is iets, dat geheel buiten
het handschrift om gaat; het al of niet bestaan van dit laatste is
zelfs voor den nadrukker totaal onverschillig.

De theorie laat ons geheel in den steek in de gevallen, dat een
manuscript verloren gaat of vernietigd wordt. Hoe zal men zich
kunnen beroepen op een eigendomsrecht, terwijl het voorwerp van dien
eigendom niet meer bestaat? En hoe zal het gaan, wanneer de auteur zijn
werk niet heeft opgeschreven, maar voorgedragen? Wordt een redenaar
eigenaar van het stuk papier, waarop de stenograaf zijne redevoering
uit zijn mond opteekent; of heeft nu de stenograaf, als eigenaar van
het handschrift, het reproductierecht? Op deze en andere dergelijke
vragen kan deze leer geen bevredigend antwoord geven.

Wil men aan het boven gegeven beginsel getrouw blijven, dat n.l. het
recht van den auteur is een recht op hetgeen hij heeft voortgebracht,
dan dient men de gedachte aan een lichamelijk object van het recht te
laten varen. Wij hebben hier te doen, niet met stoffelijke, maar met
geestelijke scheppingen; dit geldt--zooals hieronder nog nader zal
worden aangetoond--niet alleen voor de scheppingen in taal en muziek,
maar ook voor de werken van beeldende kunst; in het auteursrecht
hebben wij dus te zien een recht op een onlichamelijk goed.

Dit is de grondgedachte, die reeds door de voorstanders van de
eigenlijke eigendomstheorie d.w.z. van de leer van den intellectueelen
of geestelijken eigendom, is verkondigd; en hoeveel er ook tegen
het begrip "geestelijken eigendom" in te brengen moge zijn, deze
theorie had althans dit voordeel, dat de kern der kwestie er door
werd geraakt. Door een geestelijken eigendom aan te nemen waren de
voorstanders van deze leer gedwongen het geestesproduct, dat het
voorwerp van dien eigendom uitmaakt, nader te karakteriseeren; zij
moesten aantoonen, dat er buiten het handschrift en buiten de andere
materieele middelen, die dienen om het voortbrengsel van het intellect
waarneembaar te maken, een (uit den aard der zaak immaterieel)
goed aanwezig is, geschikt om voorwerp van een recht te zijn. Hier
ligt de groote moeilijkheid, die de theorie van den geestelijken
eigendom wel niet tot een bevredigende oplossing heeft gebracht,
maar waarvoor zij tenminste niet, zooals zooveel andere theorieën,
uit den weg is gegaan. In dit opzicht, n.l. wat de constructie
betreft van het auteursrecht als een recht op het geestesproduct,
heeft Kohler's Immaterialrecht-theorie de leer van den intellectueelen
eigendom tot voorbeeld genomen; de eigenaardige en van die der overige
rechtsobjecten op vele punten afwijkende hoedanigheden der immaterieele
goederen leidden er echter toe, de erop gevestigde rechten als een
afzonderlijke groep, niet onder, maar naast eigendom en de andere
zakelijke rechten, te beschouwen en eerst hierdoor bleek het mogelijk
een scherp omlijnd begrip van het auteursrecht vast te stellen.

In hoeverre de eigendomstheorie, wat het laatste betreft, te kort
schoot, meen ik het best te kunnen aantoonen, door een oogenblik
stil te staan bij de beschouwingen van een harer meest scherpzinnige
voorstanders, nl. den Duitschen wijsgeer Fichte. Deze redeneert
ongeveer als volgt: [251] Als ik een boek koop, word ik eigenaar van
het bedrukte papier en daar dit maar één eigenaar kan hebben, neemt
het recht van den schrijver daarop een einde. Waar ik ook eigenaar
van kan worden, is van de in het geschrift vervatte gedachten,
doch dit is geen uitsluitende eigendom, want ieder bezitter van een
exemplaar, die genoeg ontwikkeld is en zich de noodige moeite geeft,
kan hetzelfde bereiken. Van de gedachten kunnen dus meerdere eigenaars
naast elkaar bestaan. Derhalve zijn noch het boek (in den materieelen
zin van het woord) noch de gedachten voorwerp van het eigendomsrecht,
dat het uitsluitend recht van drukken inhoudt, daar de schrijver bij
de uitgave den uitsluitenden eigendom daarop verliest.

Wat echter van den schrijver blijft, wat hem niet af kan worden
genomen, dat is zijn gedachtengang, de bijzondere, hem alleen eigene
wijze, waarop hij zich begrippen vormt en deze rangschikt en met
elkander verbindt, dus: de vorm. Deze is en blijft des schrijvers
eigendom, want het is physisch onmogelijk dat een ander zich dezen
toeëigent. Bij het uitgaaf-contract staat de schrijver het gebruik
van zijn eigendom aan den uitgever af; (den eigendom overdragen kan
hij niet); drukt een ander zonder toestemming van auteur of uitgever
het boek na, dan maakt hij zich schuldig aan wederrechtelijk gebruik
van eens anders eigendom.

Zeer juist werd door Fichte ingezien, dat als object van het recht
niet kan dienen het materieele voorwerp, waarin het product des
geestes is belichaamd; en evenmin de gedachten, die in het geschrift
zijn uitgedrukt. Doch van een immaterieel goed, dat buiten den
auteur bestaat, krijgt men door zijne beschouwing nog geen goed
denkbeeld. Het voorwerp van den intellectueelen eigendom schijnt
Fichte te hebben gezocht, niet in de concrete schepping, maar meer in
de wijze van denken en schrijven; niet in het voortbrengsel maar in
het voortbrengingstalent. Dat dit den auteur niet kan worden ontnomen,
dat hij met het volste recht kan spreken van zijn manier van schrijven,
van zijn stijl, zal niemand betwisten, doch dit is eene betrekking,
die met eigendom in de juridische beteekenis van het woord ongeveer
niets gemeen heeft.

Hegel, die ook in zijne Philosophie des Rechts het auteursrecht
als een eigendomsrecht beschouwt, doet beter dan Fichte uitkomen,
dat het immaterieele goed, om object van eigendom te zijn, niet als
een geestes-eigenschap van den auteur, maar als iets dat buiten hem
bestaat, moet worden gedacht.

"Kenntnisse, Wissenschafte, Talente u. s. f. sind freilich dem freien
Geiste eigen und ein Innerliches desselben, nicht ein Aeusserliches,
aber ebenso sehr kann er ihnen durch die Aeusserung ein äusserliches
Dasein geben und sie veräussern, wodurch sie unter die Bestimmung
von Sachen gesetzt werden" [252]. Deze gedachte wordt echter niet
zoover uitgewerkt, dat men eene heldere voorstelling krijgt van het
immaterieele object van den eigendom.

De door Fichte gemaakte onderscheiding tusschen concrete gedachten
en den vorm waarin deze gedachten zijn geuit is de bron geworden
van groote begripsverwarring, vooral bij de bestrijders der
eigendomstheorie. De onderscheiding is zeer zeker niet zonder
beteekenis, in zoover als het auteursrecht nooit ten doel kan hebben,
aan één persoon het uitsluitend recht toe te kennen bepaalde gedachten
openbaar te maken. Dat dit niet het doel van het auteursrecht kan zijn,
dat b.v. de door een staatsman geuite denkbeelden over den politieken
toestand, die van een historie-vorscher over een of ander tijdperk
der geschiedenis niet het uitsluitend eigendom zijn van degenen, die
ze het eerst verkondigd hebben, zoodat anderen, die over hetzelfde
onderwerp schrijven, van die denkbeelden geen gebruik zouden mogen
maken, behoeft wel geen betoog. Eene dergelijke strekking wordt nergens
aan het auteursrecht toegekend en daarom heeft het ook geen zin om het
te verwijten, dat het de gedachten in haar vrijen loop belemmert [253].

Men heeft echter de moeilijkheid niet opgelost door de denkbeelden,
die in een geschrift geuit worden, te noemen den inhoud en de
wijze waarop de auteur die denkbeelden in "het kleed der taal heeft
gestoken" den vorm en dan te zeggen: de inhoud is gemeen goed, de
vorm behoort den auteur. Zonder de beide woorden nader te definieeren,
komt men met deze ontleding niet veel verder. Alleen reeds de groote
verscheidenheid van geschriften maakt eene nauwkeurige omschrijving
van hetgeen men met "vorm" en "inhoud" bedoelt, noodzakelijk. Men kan
niet zonder meer de onderscheiding toepassen zoowel op een roman als
op een wetenschappelijk werk, zoowel op een lyrisch gedicht als op een
tooneelstuk. Doch ook als men slechts ééne bepaalde soort geschriften
op het oog heeft, dient men de beteekenis, aan de woorden "vorm" en
"inhoud" te hechten, beter vast te stellen, dan gewoonlijk door de
schrijvers over auteursrecht wordt gedaan. Zooals die termen thans
dikwijls worden gebruikt, zijn zij eerder geschikt om verwarring te
brengen dan om mede te helpen tot eene juiste karakteriseering van het
immaterieele object van het auteursrecht. Eene geliefkoosde redeneering
van vele schrijvers, die echter wegens hare oppervlakkigheid alle
waarde mist, is b.v. de volgende: Het auteursrecht beschermt alleen
den vorm; wanneer een geschrift wordt vertaald geeft de vertaler
er een nieuwen vorm aan; derhalve kan de auteur zich niet verzetten
tegen de uitgave van eene vertaling van zijn werk; het auteursrecht
omvat dus niet het uitsluitend vertalingsrecht [254].

Men maakt het zich op deze wijze wel heel gemakkelijk; de zaak is
echter niet zoo eenvoudig als de schrijvers, die zoo redeneeren,
schijnen te meenen. De regel, waarop zij zich als op een axioma
beroepen, dat nl. de auteur geen recht heeft op den inhoud, maar
wel op den vorm, moge in bepaalden zin opgevat en met betrekking tot
bepaalde categorieën van geschriften waarheid bevatten, zoo als hij
in dit verband te pas wordt gebracht, mist hij elken grond.

Welke diensten de onderscheiding tusschen vorm en inhoud kan bewijzen,
mits deze begrippen behoorlijk worden gedefinieerd en niet alle
geschriften over één kam worden geschoren, heeft Kohler--vooral in
zijn merkwaardig boek: Das literarische und artistische Kunstwerk und
sein Autorschutz--duidelijk in het licht gesteld. Hij noemde dit werk:
"eine juridisch-ästhetische Studie" en gaf het tot motto een regel,
dien vóór hem naar mijn weten nog geen der vele schrijvers over
auteursrecht zich tot richtsnoer had gesteld, nl.: "Der richtige
Weg zur Erkenntnisz des Autorrechts führt durch die Erkenntnisz
der Kunst hindurch". Hieruit valt reeds op te maken, dat men in
dit boek geene oppervlakkige beschouwingen over "vorm" en "inhoud"
heeft te verwachten, als waarvan hierboven sprake was. Het is Kohler's
streven geweest, zoo diep mogelijk tot het wezen van de verschillende
soorten kunstwerken en geschriften door te dringen en eene waardevolle
methode te vinden om ze te analyseeren en zoodoende in elk werk die
bestanddeelen aan te kunnen wijzen, welke tezamen de schepping van den
auteur en dus tevens het object van zijn recht uitmaken. Op Kohler's
methode en hetgeen ermede kan worden bereikt, kom ik hieronder nog
terug. Wat ik er hier van wil zeggen, is alleen dit: dat, wil men
werkelijk langs systematischen weg tot de vaststelling van omvang
en strekking van het auteursrecht komen, "juridisch-aesthetische"
beschouwingen als de hier bedoelde niet alleen van zeer veel nut,
maar beslist onontbeerlijk zijn.

In deze noodzakelijkheid, om de auteursproducten ook naar
hunne innerlijke eigenschappen te proeven en te ontleden,
openbaart zich reeds het groote verschil tusschen de rechten
op stoffelijke en die op onstoffelijke goederen. Bij de eerste
brengt de vraag, wat object van het recht is, in den regel niet de
minste moeilijkheid mee; het stoffelijk goed, zóó als het in het
gewone leven kan worden waargenomen, is de zaak in rechtskundigen
zin. Bij de rechten op onstoffelijke goederen daarentegen zijn de
rechtsobjecten niet eenvoudig gegeven; het begrip dat ieder zich
kan vormen van een geschrift of een kunstwerk is niet identiek met
dat van het immaterieele goed dat zulk een geschrift of kunstwerk
kan vertegenwoordigen. Vele geschriften en kunstwerken zijn in het
geheel geen voorwerpen van auteursrecht, van een immaterieel goed is
daarbij dus geen sprake; en degenen die het wél zijn, zijn het niet
alle in dezelfde mate. Zoo zal, om een voorbeeld te noemen, een ets,
die eene getrouwe copie is van een andere ets, geen voorwerp van
auteursrecht zijn. Is zij daarentegen gemaakt naar eene schilderij,
dan zal zij wel voorwerp van auteursrecht kunnen zijn; doch in dit
geval is het recht van den etser van beperkte strekking. Slechts
indien de ets een volkomen oorspronkelijk werk is, heeft de auteur
daarop het volle auteursrecht. Wij hebben hier dus drie werken,
die door den gewonen beschouwer misschien van dezelfde beteekenis
zullen worden geacht, doch die belangrijke verschilpunten vertoonen,
zoodra men ze uit het oogpunt van het erop gevestigd auteursrecht
beziet. In het eerstgenoemde geval heeft de etser niet anders gedaan
dan een reeds bestaand werk na te maken; hij heeft dus geen nieuw goed
voortgebracht en derhalve ook geen auteursrecht gevestigd. In de beide
laatste gevallen is er wel een immaterieel goed tot stand gekomen;
doch de ets naar de schilderij levert een geheel ander rechtsobject
op dan de oorspronkelijke. Vandaar dat ook de inhoud van het recht
in beide gevallen aanmerkelijk verschilt.

Met dit voorbeeld, dat een zeer eenvoudig geval betreft, hoop ik
eenigermate te hebben doen zien, dat de vaststelling van het begrip
van het immaterieele goed, dat voorwerp van het auteursrecht is, eene
bijzondere wijze van behandeling vereischt en moeilijkheden meebrengt,
die zich bij de bestudeering van de rechten op lichamelijke goederen
niet voordoen. Dit zou reeds op zichzelf eene aanleiding kunnen
zijn, om in het rechtssysteem aan beide groepen van rechten eene
afzonderlijke plaats te geven en dus het auteursrecht niet den naam
"eigendom" te geven, waardoor het onder de zakelijke rechten zou
moeten worden gerangschikt.

Eene meer nauwgezette vergelijking doet spoedig zien, dat er tusschen
auteursrecht en eigendom (of welk ander zakelijk recht ook) niet alleen
vele punten van verschil bestaan, maar dat zij in rechtskarakter ver
van elkander afwijken.

Van bezit kan bij het auteursrecht wegens het ontbreken van een
lichamelijk object, geen sprake zijn; de wijzen waarop het auteursrecht
ontstaat, te niet gaat en wordt overgedragen zijn andere dan bij
het eigendomsrecht; de middelen tot handhaving zijn bij beide
rechten verschillend; het auteursrecht is in tijdsduur beperkt,
de eigendom niet. Op deze belangrijke verschilpunten is door vele
schrijvers--ook in ons land--reeds herhaaldelijk gewezen. Ik behoef
hier slechts in herinnering te brengen hetgeen minister Modderman bij
de behandeling van onze wet in de Tweede Kamer daaromtrent opmerkte:
"Door het auteursrecht te noemen eigendomsrecht, en als zoodanig te
willen verklaren, wint men niets, hoegenaamd. Men zal verplicht zijn
er onmiddellijk bij te voegen, dat aan dit recht genoegzaam alles
ontbreekt wat den eigendom karakteriseert" [255].

Wat het auteursrecht met den eigendom gemeen heeft, bepaalt zich ten
slotte hiertoe, dat beide rechten de beschikking over een bepaald goed
aan één persoon met uitsluiting van ieder ander voorbehouden. Wil men
nu elk uitsluitend recht, onverschillig van welken aard het object
zij, eigendom noemen [256], zoo behoeft daartegen op zichzelf nog
geen bezwaar te worden gemaakt, indien men slechts in het oog houdt,
dat men zoodoende aan het woord eigendom eene andere beteekenis geeft,
dan waarin het gewoonlijk in de juridische taal wordt gebruikt. In het
dagelijksch leven gaat men dikwijls met het gebruik van de woorden
"eigendom" en "bezit" nog veel verder; men zegt bv. dat iemand een
goede gezondheid, eene slechte reputatie enz. bezit of dat hij eene
uitgebreide kennis zijn eigendom kan noemen, zonder dat daarbij
natuurlijk gedacht wordt aan de rechtsinstituten van denzelfden naam.

Zoo kan men ook spreken van letterkundigen of geestelijken eigendom,
zonder dat dit noodzakelijk tot begripsverwarring behoeft aanleiding
te geven. Men drukt daardoor dan eenvoudig uit, dat het geestesproduct
den schrijver toebehoort, dat hij daarop een uitsluitend recht heeft;
terwijl de bijzondere eigenschappen, die dit recht in tegenstelling
met andere rechten kenmerken, in het midden worden gelaten. Vele
voorstanders van de leer van den intellectueelen eigendom en met name
Fichte, zullen waarschijnlijk geene andere bedoeling hebben gehad. Hun
leer gold niet zoozeer het juridisch karakter als wel den grondslag van
het auteursrecht; het was hun doel aan te toonen, dat de auteurs recht
op bescherming hebben, en om te doen zien dat zij het met dit recht,
dat aanvankelijk door menigeen ontkend werd, ernstig meenden, noemden
zij het, naar het recht kat' exochen eigendom. Dat in de hierboven
vermelde beschouwing van Fichte b.v. het woord eigendom niet in den
streng-juridischen zin moet worden opgevat, blijkt wel hieruit, dat
hij het ook gebruikt met betrekking tot de gedachten, welke men zich
bij het lezen van een boek eigen kan maken. Het behoeft geen betoog,
dat eigendom hier niet wordt bedoeld in den zin van een recht,
dat tot object zou hebben "de gedachte" en tot subject "de persoon
die haar denkt." Trouwens Fichte doet duidelijk genoeg uitkomen,
dat een "geestelijke eigendom" van deze soort (een eigendom dus op
den schat van kennis, die men zich heeft verworven) niet die is,
welke hij voor de auteurs opeischt, en het is zeker niet aan hem te
wijten, dat bij latere schrijvers nog zooveel verwarring op dit punt
is blijven heerschen. Zoo ziet men nog telkens als argument tegen
de eigendomstheorie de bewering dienst doen, dat de auteur na de
publicatie van zijn boek geen eigenaar meer is van de gedachten,
daar hij niemand kan verhinderen ze in zich op te nemen en dit
zelfs niet zou willen, gesteld dat hij het kon, omdat het immers
juist zijne bedoeling is, dat zijne gedachten de eigendom worden
van anderen [257]. Met dergelijke redeneeringen voert men een strijd
tegen windmolens; het is mij althans niet bekend, dat er ooit iemand
beweerd heeft, dat de letterkundige eigendom de strekking zou hebben,
aan anderen te verbieden zich bepaalde gedachten eigen te maken.

Letterkundige of geestelijke eigendom moet dus, wil men niet tot
ongerijmde gevolgtrekkingen komen, worden opgevat in den zin van:
uitsluitend recht op het geestesproduct. Indien er niet meer dan dit
mee wordt bedoeld en indien men zich niet tot verdere analogieën
met den eigendom op stoffelijke goederen laat verleiden, kan de
uitdrukking geen kwaad. Doch daarmede is ook alles gezegd. Het begrip
eigendom in dezen zin is zóó veelomvattend, dat het als categorie,
tot onderscheiding van eene bepaalde soort van rechten van de andere,
geen waarde heeft. "Es ist das ein Begriff", zegt Kohler hierover,
"so vielseitig und schillernd, dasz mit ihm ebensowenig zu bestimmten
besondersartigen Bildungen zu gelangen ist, als etwa mit den Begriffen
Wasser, Feuer, Luft und Erde, durch welche man ehedem die Dinge der
Welt begreifen und erfassen wollte. Das Autorrecht als Eigentumsrecht
nimmt sich etwa so aus, wie das Leuchtgas als Luft und die flüssige
Kohlensäure als Wasser. Mit dieser Gestaltungsweise läszt sich auf
die Dauer nicht durchkommen" [258].

Hiermede meen ik van de eigendomstheorie te kunnen afstappen. De
aangehaalde woorden van Kohler geven, in verband met de beschouwingen
die ik heb laten voorafgaan, m. i. voldoende aan, waarom het begrip
letterkundige of geestelijke eigendom in eene juridische verhandeling
onbruikbaar is. Ook is, naar ik meen, uit het bovenstaande
reeds eenigszins duidelijk geworden, hoe Kohler's leer van het
Immaterialgüterrecht aan de bezwaren, die tegen de eigendomstheorie
zijn in te brengen, tegemoet komt.

Een tweetal punten, waarop tegen de theorie van Kohler wellicht
de meeste tegenstand is te verwachten, wil ik hier nog kortelijk
bespreken.

In de eerste plaats het immaterieele goed als rechtsobject. Voor
sommigen schijnt het eene onoverkomelijke moeilijkheid op te leveren,
zich een recht te denken met een onlichamelijk goed tot object. Zeer
beslist liet zich b.v. Jolly in dien zin uit: "... dasz aber irgend ein
Recht, Eigenthumsrecht oder ein anderes, an einer bloszen Vorstellung,
an einem lediglich und allein in den Gedanken existirenden Dinge
ohne alles äuszerliche Substrat stattfinden solle, das ist etwas, was
meiner Ansicht nach weder nach irgend einem positiven Rechtssysteme,
noch vom Standpunkte einer philosophischen Rechtsbetrachtung aus
zugegeben oder auch nur mit voller Klarheit gedacht werden kann" [259].

Van denzelfden aard is hetgeen mr. de Ridder met de volgende vraag
uitdrukt: "Of zoude men soms meenen, dat het letterkundig product op
zich zelf, afgescheiden van den vorm (eerst als handschrift, later als
gedrukt exemplaar) een bestaan heeft--laat staan een lichamelijk--dat
den auteur, om zóó te zeggen, kan worden tegenover gesteld?" [260]

Volgens Jolly zou dus een geschrift of kunstwerk alleen in de gedachten
bestaan; volgens mr. de Ridder bestaat het in 't geheel niet. Iets dat
niet bestaat kan natuurlijk geen voorwerp van een uitsluitend recht
zijn. Doch het komt hier aan op de beteekenis, die men aan het woord
"bestaan" geeft. Indien men alleen datgene als bestaande aanmerkt, wat
eene plaats in de ruimte inneemt, dan moet inderdaad van de scheppingen
van den geest worden getuigd, dat zij niet bestaan. Een bestaan in
dezen zin hebben dan alleen het papier, waarop de schrijver letters
heeft geschreven of laten drukken en het doek, waarop de schilder
eene hoeveelheid verf heeft gesmeerd (dus wat Schaeffle noemde de
symbolische Güter), maar niet datgene, waarvan deze, opzichzelve
onbelangrijke, verbindingen en vervormingen van de stof de middelen van
uitdrukking zijn. De schepping van den schrijver en kunstenaar wordt
zoo herleid tot een aantal verschijnselen, die zich in de stoffelijke
wereld voordoen, te beginnen met verplaatsingen in de hersenmassa van
den auteur bij de conceptie van het werk, gevolgd door bewegingen van
zijn lichaam (bij het spreken, schrijven, schilderen, enz.), daarna
de vervaardiging door hem of door anderen van exemplaren (van papier,
inkt, doek, verf, enz. enz.), totdat eindelijk door waarneming dezer
exemplaren ook bij anderen zich soortgelijke plooiingen van het brein
voordoen als bij den auteur; alles te zamen dus een aantal min of
meer met elkander in verband staande bewegingen en verplaatsingen van
de materie, zonder dat een bepaald voorwerp kan worden aangewezen,
waardoor zij zijn teweeggebracht.

Heeft men nu, door de zaak op deze wijze te beschouwen, verdichtsel
en werkelijkheid gescheiden en alleen de laatste behouden?

Dit kan m. i. alleen de meening zijn van hen, die vasthouden aan de
realistische opvatting, volgens welke de voorstelling, die wij ons
op grond van onze zinnelijke waarneming van de buitenwereld vormen,
volkomen overeenstemt met die wereld zelve. De werkelijkheid zou dus
gevormd worden door de dingen, zooals zij ons verschijnen, en wat
daartoe niet behoort, zou slechts in onze verbeelding bestaan.

Er is echter geen diep wijsgeerig inzicht voor noodig om te erkennen,
dat wat aldus voor werkelijkheid wordt aangezien en als zoodanig
van hetgeen "alleen in de voorstelling bestaat" ten scherpste
wordt onderscheiden, nog geen absolute werkelijkheid is, d.w.z. dat
daaraan geen zelfstandig bestaan, onafhankelijk van ons denken, mag
worden toegekend. De dingen, zoowel lichamelijke als onlichamelijke,
bestaan slechts voor ons voor zoover wij er ons eene voorstelling
van hebben gevormd; van beide soorten geldt gelijkelijk, dat zij
niet in de ervaring zijn gegeven, "maar ondersteld om de ervaring
te helpen begrijpelijk maken" [261]. De voorstelling van het "ding"
of voorwerp moet dus in onzen geest worden gevormd, daar de zintuigen
ons niet meer brengen dan een aantal gewaarwordingen, die niet het
ding zelf of deelen er van zijn, maar kenteekenen voor onzen geest
van zijne aanwezigheid.

Stelt men zich op dit standpunt, dan is er geen grond om de
grens tusschen hetgeen in werkelijkheid en hetgeen in verbeelding
bestaat zóó te trekken, dat alleen de stoffelijke voorwerpen tot de
eerste categorie zouden behooren. Immers de wijze waarop wij tot de
overtuiging van hun bestaan komen, is bij stoffelijke en onstoffelijke
dingen dezelfde. Van beiden moeten wij ons de voorstelling uit de
door de zintuigen verstrekte, min of meer fragmentarische gegevens,
opbouwen.

Waarom zou dan de voorstelling, die wij ons van onlichamelijke zaken
als geschriften en kunstwerken maken, minder betrouwbaar of minder met
de "werkelijkheid" overeenstemmend zijn dan die van de lichamelijke
voorwerpen? En waarom zouden wij in het eerste geval niet en in het
tweede wel het uit de gegeven verschijnselen (mits deze natuurlijk
werkelijk zijn waargenomen en niet gephantaseerd) geconstrueerde
"ding" als bestaande mogen aanmerken?

Op de door Mr. de Ridder gestelde vraag, of men zou meenen dat het
letterkundig product een bestaan heeft, afgescheiden van de voorwerpen
waarin het is belichaamd (handschrift of gedrukte exemplaren), aarzel
ik dus niet een bevestigend antwoord te geven. De constructie van het
auteursrecht als een recht op een immaterieel goed berust dus niet
op eene fictie; zij is evenzeer in overeenstemming met de feitelijke
verhoudingen als die van eigendom, vruchtgebruik, hypotheek, enz. als
rechten op lichamelijke zaken. En wat het door Jolly aangevoerde
bezwaar betreft, dat men zich dit niet met volkomen helderheid zou
kunnen denken, dit geldt dan zeker nog in verhoogde mate tegen de toch
vrijwel algemeen geldende leer, volgens welke rechten als zaken worden
beschouwd; waardoor men komt tot de constructie van een recht, hetwelk
tot object heeft een ander recht. Indien men zich dit begrip duidelijk
voor den geest kan stellen, dan behoeft Kohlers Immaterialgüterrecht
evenmin eenige moeilijkheid op te leveren [262].

Wel verre van de materie met onnoodige moeilijkheden te bezwaren, maakt
juist de theorie van Kohler het verkrijgen van een goed inzicht in de
op het oog vrij ingewikkelde verhoudingen ten zeerste gemakkelijk. In
plaats van een aantal los van elkander bestaande bevoegdheden,
(kopierecht, uitsluitend vertalingsrecht, op- en uitvoeringsrecht
enz.) die elk eene afzonderlijke verklaring behoeven, verkrijgt men
één recht waaruit al deze bevoegdheden vanzelf voortvloeien, het recht
nl. om binnen bepaalde grenzen met uitsluiting van ieder ander over het
geestesproduct te beschikken. Weliswaar blijft dan nog de moeilijke
vraag te beantwoorden, wáár de grenzen dienen te worden getrokken,
binnen welke het uitsluitend beschikkingsrecht is te beperken; doch
men heeft althans het voordeel, dat met behulp der theorie deze vraag
stelselmatig onder de oogen kan worden gezien. In het algemeen kan
worden gezegd, dat het uitsluitend recht van den auteur het volle
gebruik van het werk naar zijne economische bestemming omvat, hetgeen
dus hierop neerkomt, dat in beginsel alle exploitatiemiddelen,
waarvoor het werk zich leent, alleen door den auteur of zijne
rechtverkrijgenden mogen worden aangewend. En waar op dit beginsel
beperkende uitzonderingen zijn te maken, zal men den grond voor deze
uitzonderingen weer kunnen vinden in den aard van het werk zelf,
dat immers naast zijne economische nog andere bestemmingen heeft,
die een al te volstrekt (b. v. in tijdsduur onbeperkt) auteursrecht
niet toelaten.

De nadere uitwerking hiervan behoort echter in de volgende hoofdstukken
thuis.

Het auteursrecht is dus een absoluut vermogensrecht, dat tot object
heeft het door den auteur voortgebrachte, onlichamelijke product
van kunst of letterkunde. Doch--en hiermede kom ik tot het tweede
punt, dat ik hier nog wenschte te bespreken--niet alle bevoegdheden
der auteurs met betrekking tot hunne werken, die gewoonlijk tot het
auteursrecht worden gerekend, zijn als een uitvloeisel van het recht op
het geestelijk product te verklaren. Naast het vermogensrecht bestaat
nog een ander recht, door de Duitsche schrijvers Individualrecht of
Persönlichkeitsrecht, door de Franschen minder juist droit moral
genoemd, en dat ik in onze taal het best meen te kunnen aanduiden
met den naam persoonlijkheidsrecht, een term, die reeds door enkele
onzer schrijvers wordt gebruikt [263]. Onder persoonlijkheidsrecht
heeft men in het algemeen te verstaan het recht op eerbiediging
der persoonlijkheid; Gierke karakteriseert het als het recht op een
bestanddeel van de eigen persoonlijkheidssfeer, dat men daarom kan
noemen "Recht an der eignen Person" in tegenstelling met de rechten
aan zaken en de rechten aan andere personen [264]. De objecten van
dit recht noemt Gierke Persönlichkeitsgüter, d. w. z. goederen, die
onafscheidelijk aan den persoon zijn verbonden, als b.v. huisvrede,
eer, naam, leven, vrijheid enz. enz. Hiermede is eene, m. i. zeer
aannemelijke constructie geleverd van een subjectief recht, dat tevens
als grondslag en verklaring kan dienen van de rechtsbescherming tegen
een aantal onrechtmatige handelingen, zooals die b.v. in ons recht
door de actie van art. 1401 B. W. wordt verleend. Het wederrechtelijk
gebruik van eens anders naam, het binnendringen in een huis tegen den
wil van den bewoner, het openbaar maken van hetgeen in vertrouwelijken
kring is gezegd of geschreven en vele andere "onrechtmatige daden"
van dien aard zal men dus hebben te beschouwen als zoovele inbreuken
op het persoonlijkheidsrecht van dengeen, tegen wien zij gericht
waren. Doch Gierke breidt den kring der persoonlijkheidsrechten te ver
uit, door ook het geheele auteursrecht daarin op te nemen. Ten onrechte
rekent hij de geestesproducten tot de "Persönlichkeitsgüter"; hetgeen
dus zou moeten beteekenen, dat de geestesproducten geen zelfstandig
bestaan hebben, doch, zooals Gierke het uitdrukt: bestanddeelen van
de persoonlijkheidssfeer des auteurs uitmaken. Nu is het wel waar,
dat schrijvers en kunstenaars dikwijls, zooals men dat uitdrukt,
"iets van zichzelf" in hunne werken leggen, doch dit geeft nog geen
recht om te zeggen: de auteur en zijn werk zijn één. Reeds het feit,
dat hetgeen in het binnenste van den auteur omgaat, niet daarin blijft,
maar tot een kunstwerk wordt omgeschapen, dat in de buitenwereld
treedt en aan de beoordeeling van het publiek wordt overgegeven,
doet de onjuistheid zien van de vereenzelviging van den auteur
met zijn werk. Treffend is de opmerking van Kohler in dit verband:
"eine jede Schöpfung schafft Entzweiung zwischen dem Schöpfer und dem
Geschaffenen" [265]. Dat dit ook door Gierke niet geheel over het
hoofd wordt gezien, blijkt wel hieruit, dat hij hetgeen object van
het auteursrecht is, aanduidt als "ein Geisteswerk, das kraft seiner
Individualisierung einen gesonderten Bestand, kraft seiner äuszerlichen
Fixierung ein unabhängiges Dasein und kraft seiner Beschaffenheit als
unleibliches Gut einen selbständigen Werth hat" [266]. Hiermede is
moeilijk te rijmen, dat het werk van de persoonlijkheidssfeer van den
auteur deel zou uitmaken. Bovendien moet Gierke, om zijn leer met de
mogelijkheid van overdracht van het auteursrecht in overeenstemming
te brengen, toegeven, dat het geestesproduct als object van het
auteursrecht, een "von der Person ablösbares Persönlichkeitsgut" is
[267], waarmede m. i. een van de meest karakteristieke eigenschappen
van het "Persönlichkeitsgut" wordt losgelaten.

Het auteursrecht is dus geen persoonlijkheidsrecht [268], maar een
vermogensrecht, daar het tot object heeft een zelfstandig bestaand
goed, dat deel van het vermogen uitmaakt. Er zijn echter, zooals reeds
is opgemerkt, een aantal, met het auteursrecht in meer of minder nauw
verband staande, rechten, die men vergeefs zou trachten als bestanddeel
van dit vermogensrecht te verklaren. Hiervoor nu kan de theorie der
persoonlijkheidsrechten goede diensten bewijzen. Als uitvloeisel
van het persoonlijkheidsrecht van den auteur zal men b. v. hebben
te beschouwen de bevoegdheid om zich tegen de publicatie van niet
voor het publiek bestemde geschriften (zooals brieven, dagboeken,
onvoltooide letterkundige werken, enz.) te verzetten. Hier is werkelijk
een Persönlichkeitsgut te beschermen, n. l. de vertrouwelijke uiting,
hoogstens voor een kleinen kring van vrienden en verwanten bestemd,
of wel de onvoldragen letterkundige schepping, waarvan de auteur zich
nog niet heeft weten los te maken.

Tot het persoonlijkheidsrecht van den auteur behoort ook het gebruik
van den auteursnaam. Aan den auteur moet het ter beslissing worden
gelaten, of zijne werken al dan niet onderteekend de wereld zullen
worden ingezonden; in het bijzonder moet hij er zich tegen kunnen
verzetten, dat zijn werk onder den naam van een ander openbaar wordt
gemaakt of wel dat een werk, dat niet van hem afkomstig is, op zijn
naam wordt geschoven. In den tijd van Vondel moest men zich, zooals
wij hebben gezien, dergelijke bejegeningen maar laten welgevallen,
in de laatste jaren echter komt men meer en meer tot het inzicht,
dat het tot de taak van het recht behoort, de eerbiediging der
persoonlijkheid ook in dit opzicht te helpen verzekeren.

Voorts is als inbreuk op het persoonlijkheidsrecht te beschouwen het
openbaar maken van een geschrift of kunstwerk, waarin zonder voorkennis
van den auteur wijzigingen zijn aangebracht; want ook hierdoor wordt
hem een werk toegeschreven, dat hij misschien in dien gewijzigden
vorm niet als het zijne zou willen erkennen, en dat zijnen naam als
kunstenaar of geleerde groote schade kan aandoen.

Wij hebben hier dus een aantal voorbeelden van een recht van den auteur
ten aanzien van zijn werk, dat van het auteursrecht wel dient te worden
onderscheiden. In de gevallen, waar het persoonlijkheidsrecht en het
auteursrecht in ééne hand zijn en waar het eerste als het ware in het
laatste is opgelost, komt de noodzakelijkheid dezer onderscheiding
niet zoozeer uit. Toch is het terwille van een goed begrip ook dáár
wenschelijk, de twee rechten uit elkander te houden. Wij hebben in
die gevallen, zooals Kohler het uitdrukt, met een Doppelrecht te
doen, d.w.z. twee rechten, die tegen dezelfde handelingen bescherming
verleenen. Wie b.v. tegen den wil van den auteur een werk, dat deze nog
in manuscript heeft, uitgeeft, maakt inbreuk zoowel op het auteursrecht
(uitsluitend exploitatie-recht) als op het persoonlijkheidsrecht
(recht om te beslissen of het geschrift al dan niet openbaar zal
worden gemaakt). Ook met eigendom kan het persoonlijkheidsrecht
op eene dergelijke wijze samengaan. Het binnendringen in een huis
b.v. kan tegelijkertijd zijn een schending van het eigendomsrecht en
van het persoonlijkheidsrecht (recht op huisvrede) [269]. Practische
beteekenis heeft het persoonlijkheidsrecht eerst, wanneer er geen ander
recht is, waaruit hetzelfde verbod is af te leiden. Huisvredebreuk
kan b.v. ook gepleegd worden tegen iemand, die niet het minste recht
op het door hem bewoonde huis kan doen gelden; dan is het dus alleen
het persoonlijkheidsrecht, waarop inbreuk wordt gemaakt. En zoo kan ook
het persoonlijkheidsrecht van den auteur voorkomen zonder auteursrecht;
wanneer b.v. dit laatste is vervreemd of indien het een werk betreft,
dat niet tot de beschermde auteursproducten is te rekenen, zoodat er
in het geheel geen auteursrecht heeft bestaan.

In een afzonderlijk hoofdstuk zal ik het persoonlijkheidsrecht in
verband met het auteursrecht meer in bijzonderheden bespreken; wat
hier voorafgaat is naar ik hoop voldoende geweest om te doen zien,
dat wij het persoonlijkheidsrecht als een zelfstandig recht hebben
te beschouwen, dat weliswaar op sommige punten dezelfde strekking
kan hebben als het auteursrecht, maar toch geen bestanddeel daarvan
uitmaakt, daar het op een anderen grondslag berust en een eigen
rechtskarakter vertoont.



HOOFDSTUK III

DE OBJECTEN


§ 1 Algemeen overzicht en groepeering

In het algemeen kunnen de producten, die voor bescherming door
auteursrecht in aanmerking komen, worden aangeduid met de, ook in
verschillende wetgevingen gebruikte, uitdrukking: werken van kunst
en letterkunde. Met deze uitdrukking, hoe ruim ook opgevat, wordt
het terrein toch reeds eenigermate afgebakend. Een belangrijke groep
van intellectueele voortbrengselen, die eveneens als "Immaterialgüter"
zijn te beschouwen, vallen er buiten, nl.: uitvindingen en modellen van
nijverheidsproducten, de voorwerpen van het zoogenaamde "industrieele
eigendomsrecht."

Laatstgenoemd recht heeft met het auteursrecht vele punten
van overeenkomst; de grondslag van beide rechten is dezelfde,
nl. bescherming van arbeiders en scheppers op intellectueel gebied
tegen onbevoegde exploitatie hunner voortbrengselen, en ook in aard en
strekking toonen zij veel verwantschap. In de wetgevingen vindt men
echter deze twee categorieën van rechten, waar zij beide wettelijk
zijn erkend, afzonderlijk geregeld en wat de internationale regeling
betreft bestaat naast de Conventie van Bern voor het auteursrecht de
Conventie van Parijs van 20 Maart 1883 voor den industrieelen eigendom
[270]. Dit zou weliswaar opzichzelf nog geen reden behoeven te zijn,
om ook bij eene wetenschappelijke beschouwing deze twee rechten zoo
scherp uit elkander te houden; doch naast de practische redenen, die
verschillende voorzieningen eischen, bestaat er ook een verschil in
karakter van de rechtsobjecten, dat bij het bepalen van het begrip
van elk dezer rechten het trekken van een grenslijn tusschen beide
rechtvaardigt. Hiermede is echter niet gezegd, dat de juiste plaats
van deze grenslijn overal even gemakkelijk is aan te wijzen.

Het kenmerkende van de objecten van auteursrecht zal men hierin hebben
te zoeken, dat zij in tegenstelling met de voorwerpen van industrieelen
eigendom steeds naast hetgeen product is van zuiver intellectueelen
arbeid ook elementen van aesthetisch karakter in zich hebben. Bij de
meeste zal dit aesthetisch karakter zelfs verreweg overwegend zijn
(zooals b.v. bij werken van beeldende kunst, muziek, verzen, romans
en tooneelstukken) terwijl de werken, waarmede dit niet het geval is
(b.v. wetenschappelijke geschriften, werken der bouwkunst), slechts
in zooverre onder de beschermde auteursproducten zijn te rekenen,
als zij eene, meer of minder belangrijke, aesthetische schepping
vertegenwoordigen. Geen voorwerp van auteursrecht kan dus zijn wat
alleen de vrucht is van het koel-overleggend en berekenend verstand,
ook al is daarbij nog zooveel arbeid of vindingrijkheid te pas
gekomen. Daarmede is tevens gezegd, dat uitvindingen buiten het
auteursrecht vallen; niet alleen de uitvindingen op het gebied der
nijverheid, waaronder men de objecten voor den industrieelen eigendom
heeft te zoeken, maar ook die op elk ander gebied.

Levert dus op dit punt het trekken van de grenslijn tusschen
auteursrecht en industrieelen eigendom geene moeilijkheden op,
minder gemakkelijk valt met juistheid vast te stellen, waar de
grens ligt tusschen industrieele modellen en kunstwerken. Het
woord kunstnijverheid wijst reeds op het bestaan van eene groep
voortbrengselen, die tusschen het een en het ander inliggen. Hiertoe
zijn onder meer te rekenen: gouden en zilveren gebruiks- en
luxevoorwerpen, weef- en borduurwerk, tapijten, porcelein, aardewerk,
meubelen, versierd drukwerk, ontwerpen voor boekbanden, enz. enz. In
de wetenschap is een streven merkbaar, dat ook reeds in sommige
landen door wetgever en rechter is gevolgd, om alle voorwerpen van
kunstnijverheid tot het gebied van het auteursrecht te rekenen. Mits
een voortbrengsel een kunstwerk kan worden genoemd (dit woord hier
op te vatten in zijne allerruimste beteekenis), moet het volgens
deze opvatting, indien het ook overigens daarvoor in de termen valt,
voor een object van auteursrecht worden gehouden, ook indien het
aan practische doeleinden dienstbaar is gemaakt. Dit beginsel vindt
men o. a. in de loi-type der Association, welke op dit punt reeds in
enkele wetten geheel of gedeeltelijk navolging heeft gevonden. Het
ontwerp is toepasselijk op alle werken van plastische of graphische
kunst "quels que soient leur mérite, leur emploi et leur destination"
(artikel 1 tweede lid). Er zal nog hieronder gelegenheid zijn, op deze
kwestie terug te komen; hier worde slechts aangestipt, dat men door
het terrein van het auteursrecht in deze richting uit te breiden,
de moeilijkheid, die het vinden van eene nauwkeurige grensscheiding
tusschen auteursrecht en industrieelen eigendom oplevert, niet opheft,
maar slechts verplaatst.

Zet men zich na deze voorloopige afbakening van het terrein tot
eene nadere beschouwing van hetgeen object van het auteursrecht
kan zijn, dan doet zich allereerst de noodzakelijkheid gevoelen,
eenige groepeering te brengen in de bonte menigte "werken van kunst
en letterkunde".

De verschillende kunstsoorten wijzen vanzelf de hoofdrubrieken aan,
waarin de auteursproducten zijn te verdeelen. In de eerste plaats is
de onderscheiding te maken tusschen de werken der beeldende kunsten,
die met lijnen, vormen en kleuren aesthetische indrukken pogen te
wekken door middel van het gezicht en die, welke men met Schuster
[271] zou kunnen noemen werken der "sprekende" kunsten, omdat zij
onmiddellijk door geluid, en slechts middellijk door schrift-teekens
waarneembaar worden gemaakt, nl. de voortbrengselen der woord- [272] en
der toonkunst. Tot deze laatste groep zal men echter ook moeten rekenen
de werken, waarin niet door middel van letterteekens en noten, maar met
lijnen, kleuren en figuren iets wordt beschreven of uiteengezet. In
deze werken, waartoe b.v. gerekend moeten worden: landkaarten,
platte gronden, graphische voorstellingen, doorsnede-teekeningen
van gebouwen en machines enz., vervullen de lijnen en kleuren een
soortgelijke rol als letters en woorden in een geschrift. "Auch
hier"--schrijft Kohler over deze soort werken--"handelt es sich
um eine Sprachkunst, da auch hier nicht nur die technisch richtige
Anwendung der sinnbildlichen Mittel, sondern die weise Auswahl des
Wichtigen aus der Ueberfülle des Vorhandenen für die Brauchbarkeit
und Uebersichtlichkeit entscheidend ist" [273]. Wij hebben hier dus
te doen met eene taal, die niet hoorbaar kan worden weergegeven.

Hetzelfde kan worden gezegd van werken van geheel anderen aard;
nl. pantomimes, waarin ook gedachten en gevoelens tot uiting worden
gebracht door middel van natuurlijke of symbolische, zichtbare teekens:
gebaren en mimiek. Pantomimes en balletten kunnen ook in schrift
worden gebracht door middel der choregraphie, een woord dat het
eerst schijnt te zijn gebruikt door zekeren Feuillet, dansmeester te
Parijs, die in 1701 in het licht gaf een werkje, dat tot titel voert:
Chorégraphie, ou l'art d'écrire la danse par caractères, figures et
signes démonstratifs. Ook ten aanzien van deze werken bestaat er dus
reden te spreken van eene taal, die gedanst kan worden en geschreven,
maar niet gesproken.

Tot de groep der beeldende kunsten zijn ook te rekenen, hoewel zij
daarmede niet op ééne lijn kunnen worden gesteld: de bouwkunst, de
verschillende soorten van kunstnijverheid of technische kunsten en
de photographie.

Wij komen dus tot de volgende groepeering der auteursproducten:


    I De werken, waarbij als materiaal eene taal dienst doet, en wel:

        a) de woordtaal (geschriften van allerlei aard);
        b) de taal van lijnen en figuren in: kaarten en platen van
           technischen of wetenschappelijken aard;
        c) de taal der muziek (werken der toonkunst);
        d) de taal van gebaren en mimiek (choregraphische werken);

    II De werken der beeldende kunsten, waarbij te onderscheiden
    vallen:

        a) de eigenlijke beeldende kunsten, zoowel graphische (in
           twee afmetingen) als plastische (in drie afmetingen);
        b) de kunstnijverheid;
        c) de photographie;
        d) de bouwkunst.


Alle werken, waarop auteursrecht kan worden gevestigd, zijn onder een
van de hier genoemde rubrieken in te deelen; doch niet overal is de
bescherming zóó volledig, dat zij al deze groepen omvat. In sommige
landen bestaat b.v. geen auteursrecht op choregraphische werken,
terwijl ook de werken der bouwkunst, de photographieën en de producten
der kunstnijverheid niet overal tot de beschermde auteursproducten
worden gerekend. Ons land, waar de geheele hoofdgroep "werken van
beeldende kunst" onbeschermd is, staat echter in dit opzicht onder
de beschaafde staten alleen.

In verband met de boven gegeven indeeling der verschillende
auteursproducten in groepen kan nog worden opgemerkt, dat er ook werken
zijn, die aan de samenwerking van twee kunsten hun ontstaan te danken
hebben. Deze samenwerking kan plaats hebben tusschen de kunst van het
woord en die van het beeld (geïllustreerde geschriften, teekeningen,
inzonderheid caricaturen met onderschriften); tusschen dans en muziek
(bij bijna alle pantomimes en balletten behoort muziek); maar vooral
is zij van belang tusschen de woorden de toonkunst. Tekst en muziek
kunnen op verschillende wijzen met elkander in verbinding worden
gebracht tot de vorming van een geheel. Het meest los van elkander
blijven zij daar, waar het geschrift (vers of prozastuk) slechts
de aanleiding is geweest voor het ontstaan van eene zelfstandige
muzikale compositie; waar de componist er dus naar heeft gestreefd
eene verklanking in tonen te geven van hetgeen door een ander (of
door hemzelf) in woorden was uitgedrukt. Men spreekt in die gevallen
van programma-muziek in tegenstelling van de dusgenoemde absolute
muziek. De band is reeds nauwer, waar de muziek als begeleiding van
het gesproken woord optreedt. Dit voert tot het zoogenoemde melodrama,
een kunstvorm die in de laatste jaren weer meer in zwang schijnt te
komen. De innigste samensmelting van woord en toon vindt men echter in
de vocale muziek, composities voor de menschelijke stem, al of niet met
instrumentale begeleiding. Hoewel het altijd mogelijk blijft, de twee
elementen, waaruit deze werken bestaan, muziek en tekst, van elkander
te scheiden, zijn zij toch meestal te beschouwen als één geheel,
zoowel uit aesthetisch oogpunt (men denke b.v. aan de muziekdrama's
van Richard Wagner) als met het oog op de exploitatie. Ten aanzien van
het auteursrecht is dit in verschillende opzichten van belang [274];
in dit verband is het voldoende erop te wijzen, dat naast het recht
op de muziek en dat op den tekst bij deze werken ook kan bestaan een
recht op het geheel, zoodat dit laatste in het auteursrecht als een
afzonderlijk rechtsobject is te beschouwen.

Iets dergelijks is het geval met de "verzamelwerken",
d. w. z. werken, die bestaan uit bijdragen van meerdere personen,
zooals b.v. bloemlezingen, encyclopaedieën enz. Aan dengeen, die deze
samenstellende deelen tot een geheel heeft vereenigd, kennen de meeste
wetten (ook onze wet: art. 2 lid 1a, en 2) het auteursrecht toe op dit
geheel. Hierin hebben wij dus ook te zien een afzonderlijk voorwerp
van auteursrecht.



Er bestaan buiten de genoemde kunsten nog wel andere, waarin
aesthetische scheppingen kunnen worden voortgebracht, die
zich in abstracto zouden leenen om voorwerp van een uitsluitend
exploitatierecht te zijn, analoog met het auteursrecht. Ook aan de
praestaties van de uitvoerende kunstenaars (tooneelspelers, zangers,
instrumentbespelers en orkestleiders) kan het karakter van artistieke
schepping niet worden ontzegd; men spreekt immers wel van de "creatie"
van een tooneelspeler in een bepaalde rol. Dat zich ten aanzien van
deze kunsten de behoefte aan een uitsluitend recht van exploitatie
in het verkeer nog niet algemeen heeft doen gevoelen, kan misschien
voor een deel worden verklaard uit het feit, dat het tot nu toe
slechts in beperkte mate en op gebrekkige wijze mogelijk is, deze
kunstpraestaties buiten toedoen van den "auteur" te exploiteeren. Doch
evenals de uitvinding van de boekdrukkunst de behoefte aan kopierecht
heeft doen ontstaan en de verschillende reproductie-methodes van
prenten en schilderijen tot het verleenen van auteursrecht op werken
van beeldende kunst hebben geleid, is het niet geheel onmogelijk,
dat nieuwe uitvindingen in de toekomst gevolgen van soortgelijken aard
zullen meebrengen. Er zijn zelfs reeds twee uitvindingen van de laatste
jaren, die in dit opzicht niet geheel zonder gevolg zijn gebleven,
n.l. de phonograaf of grammophoon en de kinematograaf. De eerste dient,
zooals bekend, tot het reproduceeren van klanken, die door middel van
een naald, die op bepaalde wijze op de geluidstrillingen reageert,
in een cylinder of plaat zijn gefixeerd. Vocale en instrumentale
muziek en ook de sprekende menschelijke stem worden door middel van
de daarvan gemaakte phonogrammen nauwkeurig hoorbaar weergegeven [275].

Dit heeft reeds aanleiding gegeven tot eene merkwaardige beslissing
van het Hof van Berlijn, waarbij erkend werd het "auteursrecht"
van den zanger op zijne stem. Een zanger had liederen gezongen in
een phonograaf en de door hem "bezongen" rollen waren in den handel
gebracht. Hiervan werden nu zonder zijne toestemming door een derde
nieuwe reproducties gemaakt. Het Hof nam aan, dat het ten gehoore
brengen van gezang voorbereidenden intellectueelen arbeid vereischt
en dat het product van dezen arbeid, evengoed als een geschrift of
eene muzikale compositie, als object van auteursrecht is te beschouwen
volgens de (toen nog van kracht zijnde) wet van 11 Juni 1870 [276].

Ook voor tooneelspelers kan de phonograaf van beteekenis zijn, vooral
indien de hoorbare reproductie van hunne dictie gepaard gaat met
eene afbeelding door middel van den kinematograaf van gebarenspel
en mimiek. Deze samenwerking van phonograaf en kinematograaf maakt
het mogelijk, de geheele uitbeelding van een rol tegelijk hoorbaar
en zichtbaar weer te geven.

Een Congrès de l'art théatral, gehouden te Parijs in 1900, heeft reeds
den wensch uitgesproken, dat de tooneelspeler tegen de reproductie
zijner interpretatie zou worden beschermd [277]. Ook de Association
heeft zich met dit vraagstuk bezig gehouden, en daarbij kwam ook ter
sprake, of niet eveneens mise-en-scène, decoratief en costumeering,
i. e. w. de "aankleeding" van een stuk, voorwerp van een uitsluitend
recht behoort te zijn [278]. Wat dit laatste betreft bestaat er een
arrest van 30 Dec. 1898 van het Cour d'appel van Parijs, waarbij wordt
beslist, dat aan het théatre de la Porte-Saint-Martin het auteursrecht
toekomt op de mise-en-scène van het door die schouwburg-onderneming
vertoonde stuk Cyrano de Bergerac. Na de overweging, dat de decors als
kunstwerken zijn te beschouwen, die de bescherming der wet genieten,
wordt in het arrest verder gezegd: "... qu'il en est de même de la mise
en scène, comprenant les costumes et le groupement des personnages,
dont le plan général et la conception, le plus souvent réglés par un
livret manuscrit ou inprimé, sont une oeuvre de l'esprit susceptible
d'être protégée par la loi. Qu'il suit de là que la reproduction
[279], soit des décors, soit de la mise en scène, ne peut être faite
sans le consentement du propriétaire" [280].

Deze beslissing komt mij, evenzeer als die van het Hof van Berlijn,
welke hierboven werd genoemd, onjuist voor. In hoeverre de betreffende
bepalingen van de Duitsche wet van 11 Juni 1870 en van de Fransche wet
van 24 Juli 1793 ruimte lieten om in deze gevallen aldus te beslissen,
kan hier buiten beschouwing blijven. Ik wensch slechts de vraag onder
de oogen te zien, of het in het algemeen aanbeveling verdient het
begrip "kunstwerk" in het auteursrecht zoo ver uit te breiden, dat
daaronder ook de praestaties van zangers, tooneelspelers, regisseurs
enz. gerekend zouden moeten worden. Vooralsnog bestaat er m. i. alle
reden, deze vraag in ontkennenden zin te beantwoorden.

Wat de ensceneering en costumeering van een tooneelstuk betreft,
hieraan ontbreken de kenmerken van eene artistieke schepping, van
een kunstwerk, ten eenenmale. Kohler merkt hierover zeer juist op:
"Allerdings besteht die Theaterausstattung nicht blosz aus den Aufzügen
und Gewändern, sondern auch aus dem Arrangement der Zimmer, aus der
Gruppirung der Naturobjecte--diese ist aber ebenso wenig ein Kunstwerk,
als ähnliche Arrangements im Leben es sind" [281]. Hij maakt dan nog
verder de opmerking, dat een enkel stuk van het decor, een schilderij,
dat in de kamer, welke het tooneel verbeeldt, is opgehangen, een
gobelin enz. wel als werken van beeldende kunst object van auteursrecht
kunnen zijn, doch dat het feit, dat zij tot de aankleeding van het
stuk behooren, daarbij niet in aanmerking is te nemen. Dit komt mij
voor, de juiste opvatting te zijn. Wat wij, in de schouwburg-zaal
zittend, binnen het raam der tooneel-opening aanschouwen, is niet
de in beeld gebrachte voorstelling van een kunstenaar, maar een
stukje werkelijkheid; de lijnen en kleuren, die wij in het tafereel
bewonderen, zijn die van de voorwerpen en van de personen zelf,
welke zich op het tooneel bevinden. Het schikken en groepeeren kan
dus niet als het scheppen van een kunstwerk worden beschouwd, ondanks
de artistieke talenten, die eraan ten koste kunnen zijn gelegd. Om
dezelfde reden vallen ook buiten den kring der kunstwerken in den
hier bedoelden zin: tableaux-vivants, gecostumeerde optochten [282],
uitstallingen voor winkelruiten of op tentoonstellingen enz. enz.

Het werk der uitvoerende kunstenaars kan daarentegen wel, zooals reeds
werd opgemerkt, de kenmerken van eene artistieke schepping in zich
hebben. Tooneelspelers, zangers, viool- of piano-virtuozen zijn--het
behoeft nauwelijks te worden gezegd--niet maar te beschouwen als
instrumenten in de hand van den schrijver of componist. Het ten
gehoore brengen is een kunst op zichzelf. De auteur moge tot in
de fijnste schakeeringen geweten en gevoeld hebben, hoe de ideale
hoorbare reproductie van zijn werk behoort te zijn en dit ook min
of meer nauwkeurig hebben kunnen aanwijzen (dit geldt vooral voor
muziekwerken); de verwerkelijking hiervan moet hij aan anderen,
de uitvoerende kunstenaars, overlaten. Dit neemt natuurlijk niet
weg, dat een componist ook uitvoerend kunstenaar kan zijn en een
drama-schrijver tegelijkertijd tooneelspeler; beide kunsten zijn
in dat geval in een persoon vereenigd, maar blijven niettemin van
elkander te onderscheiden.

In denzelfden geest laat Kohler zich over de uitvoerende of
reproduceerende kunsten uit; hij wijst er tevens op, dat eene
uitvoering of voordracht wel te beschouwen is als "... eine
Augenblicksäuszerung mit allen Zufälligkeiten des Augenblicks in
Bezug auf Stimme Betonung, Ausdrucksweise;" doch dat dit nog geen
reden is om het als object van auteursrecht te verwerpen, daar ook
van sommige "Autorwerke" (als voorbeeld noemt hij de improvisatie)
hetzelfde kan worden gezegd [283]. Deze verwijzing naar de improvisatie
was m. i. niet eens noodzakelijk; ik zou zelfs meenen, dat in het
algemeen het werk van uitvoerende kunstenaars niet meer dan dat van
de "scheppende" in engeren zin onder toevalligheden als b. v. de
stemming van het oogenblik te lijden heeft. Evenals de schrijver en
de componist komen ook de tooneelspeler, zanger, pianist enz. niet
met hun werk onvoorbereid voor het publiek. Door herhaalde oefeningen
en overdenkingen zijn zij niet alleen gewapend tegen de technische
moeilijkheden, die op het oogenblik der uitvoering te overwinnen zijn,
maar zij hebben daardoor ook de gelegenheid gehad, hunne vertolking
te ontdoen van alles wat er aanvankelijk nog vluchtig en onbezonken
in mocht zijn geweest. Met een improvisator zou m.m. te vergelijken
zijn de pianist, die een hem onbekend stuk à vue in de concertzaal
zou willen voordragen. Van een ernstig kunstenaar is zoo iets echter
niet licht te verwachten.

Het schijnt mij echter onnoodig hierop nog verder in te gaan. Van
meer belang is het, een oogenblik stil te staan bij hetgeen Kohler
opmerkt om te betoogen, dat het werk der uitvoerende kunstenaars
niet als auteursproduct is te beschouwen. Hij schrijft: "Wohl aber
kann an allem diesen (d. i. aan elke voordracht en uitvoering, ook
b. v. die van den orkest-leider) ein Persönlichkeitsrecht bestehen,
denn es ist ein Eingriff in das Recht der Person, eine mechanische
Nachäffung ihrer Augenblickstätigkeit zu bewirken und ihr hierdurch
dasjenige zu nehmen, worauf sie ein Recht hat, nämlich die "Gunst"
des Augenblicks."

In het algemeen kan ik mij met deze opvatting wel vereenigen, hoewel
ik meen, dat hier wel wat al te absoluut is gesteld, dat het recht
der uitvoerende kunstenaars, voor zoover hiervoor grond bestaat, geen
auteursrecht is maar persoonlijkheidsrecht. Het is zeker waar, dat
een zanger en tooneelspeler niet eene buiten hen bestaande schepping
vertoonen aan het publiek; hunne kunst-praestatie is niet los te maken
van hun persoon; wat zij te bewonderen geven is niet iets dat zij
hebben gemaakt, maar hetgeen zij doen. Met het oog hierop is Kohler's
karakteriseering van de reproductie hunner kunst als "Nachäffung
ihrer Augenblickstätigkeit" zeer goed te aanvaarden. Ik meen echter,
dat dit niet steeds zoo behoeft te blijven. De reproductie-middelen,
welke hier ten dienste staan (speciaal grammophoon, phonograaf en de
"Mignon"-piano), zijn nog betrekkelijk gebrekkig; behalve de stem
of de muziek die zij weergeven hoort men nog storende bijgeluiden,
en de rollen en platen die worden gebruikt zijn te klein, om werken
van eenigszins langeren adem zonder af te breken ten gehoore te
brengen. Indien men echter nagaat, welke vorderingen de techniek reeds
heeft gemaakt, is de verwachting niet zonder grond, dat men ook deze
gebreken in den loop der jaren zal weten te verhelpen.

Naarmate nu de phonographische reproductie meer volkomen wordt, zal
ook het persoonlijk karakter, dat nu nog aan de kunstpraestatie der
uitvoerende kunstenaars eigen is, langzamerhand verdwijnen. Wat het
woordschrift is voor de kunstenaars van de taal en het muziekschrift
voor de componisten, zal het klankschrift worden voor de kunstenaars
van het geluid: een middel om hunne kunstschepping buiten hun persoon
te belichamen en haar zoodoende voor anderen waarneembaar en genietbaar
te maken, zonder dat deze in persoonlijk contact met den kunstenaar
behoeven te komen. Indien men er eenmaal in slaagt, door middel van het
phonogram eene aesthetische genieting te verschaffen, die gelijk komt
aan die welke door het aanhooren van den kunstenaar zelf wordt gegeven,
dan zal men niet meer kunnen spreken van "mechanische Nachäffung ihrer
Augenblickstätigkeit." Het zal dan niet meer zijn eene nabootsing
van hetgeen de kunstenaar op een bepaald oogenblik deed, maar zijn
werk zelf, in getrouwe reproductie weergegeven. En daarmede zal het
principieele verschil tusschen werken van dezen aard en die van de
scheppende kunstenaars in engeren zin grootendeels zijn vervallen. Ik
zie althans geen reden, waarom men voordracht, zang en spel dan
niet even goed tot de immaterieele goederen zou moeten rekenen,
als geschriften, muzikale composities en werken van beeldende kunst.

Het bovenstaande heeft echter betrekking op toestanden en verhoudingen,
waarvan het niet eens volkomen zeker is of zij ooit zullen intreden
en die in elk geval op dit oogenblik nog niet bestaan. Het zou
dus op zijn minst voorbarig moeten heeten, om in verband hiermede
reeds nu van een auteursrecht, toekomende aan zangers, voordragers,
tooneelspelers enz. te spreken. Het doel mijner opmerkingen was
slechts, te doen uitkomen, dat de kring der objecten van auteursrecht
nog voor uitbreiding vatbaar is, en dat de grenzen, zooals wij die
nú hebben te stellen, waarschijnlijk binnen niet al te langen tijd
reeds te eng zullen blijken.



§ 2 Geschriften


a Kenmerkende eigenschappen

De eerste, en verreweg de belangrijkste rubriek van auteursproducten,
waarmede wij ons hebben bezig te houden, is die van de geschriften,
juister gezegd: van de werken der woordkunst. Want ook daar, waar
niets op schrift is gebracht, kan eene schepping in taal voorhanden
zijn. Het schrift is niet meer dan een zichtbare afbeelding van hetgeen
in de taal is gewrocht en geen essentieel bestanddeel daarvan. Er
bestaat daarom geen reden om onderscheid te maken tusschen de werken,
welke de auteur in schriftvorm waarneembaar heeft gemaakt, en die
welke op andere wijze tot uiting zijn gekomen. De auteur kan zijn
werk hebben voorgedragen voor een grooter of kleiner publiek; indien
het een tooneelstuk is, kan hij aan elken tooneelspeler diens rol
mondeling hebben ingeprent; en ook is het geval denkbaar (al zal het
in werkelijkheid wel tot de groote zeldzaamheden behooren), dat hij
zijn geestesproduct--een gedicht b.v.--alleen aan den phonograaf heeft
toevertrouwd. In al deze gevallen is er aan een werk in woordtaal het
aanzijn gegeven, zonder dat er ook maar één letter behoeft te zijn
geschreven. Doch men zal inzien dat deze omstandigheid niets afdoet
aan de vraag, of deze werken al dan niet object van auteursrecht kunnen
zijn. Waar het alleen op aankomt is, dat het werk op eenigerlei wijze
tot uiting is gekomen en dus niet alleen in den geest van den auteur
bestaat, maar door anderen hetzij waargenomen is, hetzij buiten den
auteur om waargenomen kan worden.

Niet elke uiting in woordtaal kan echter als een auteursproduct
worden beschouwd. Ik heb er al op gewezen, dat er slechts daar van
auteursrecht sprake kan zijn, waar eene aesthetische schepping tot
stand is gekomen. Er moet iets in de taal geformeerd zijn; er moet
zijn, wat Kohler met eene, moeilijk te vertalen uitdrukking noemt:
"ein künstlerisches Gebilde der Sprache" [284]. Hiermede wordt
niet bedoeld, dat het auteursrecht beperkt zou blijven tot de
zoogenaamde "schoone letteren" (belletrie, "literatuur" in engeren
zin). Ook in geschriften, welke niet uitsluitend ten doel hebben
aesthetische aandoeningen te verwekken (b.v. in wetenschappelijke
verhandelingen), valt eene zekere "woordkunst" niet te miskennen. "Zu
den Kunstwerken,"--schrijft Kohler,--"mindestens zu den Kunstwerken in
thesi, zu den bestimmungsgemäszen Kunstwerken gehören auch diejenigen
literarischen Darstellungen, welche belehrenden Inhaltes sind, auch
diejenigen, welche vorherrschend wissenschaftliche Zwecke verfolgen:
denn die belehrende Darstellung bedient sich des Mittels der Sprache,
die Handhabung der Sprache aber ist eine künstlerische: sie ist eine
Verbindung der Nothwendigkeit (der Sprachgesetze) mit der Freiheit des
Individuums; vorausgesetzt nur, dasz die Sprache nicht dem bloszen
Lebenstriebe dient, sondern sich höhere Zwecke setzt, sei es auch
nur die Zwecke der Belehrung oder der Massenwirkung. Allerdings: die
Belehrung und die Massenwirkung als Zweckwirkung ist nicht ästhetisch,
denn die Kunst ist nothwendig zwecklos, sie darf wenigstens direkt
keinen anderen Zweck verfolgen, als die Zwecke des Schönen; wohl aber
ist hierbei die Benützung der Sprache eine künstlerische, weil die
Sprache über ihre ursprünglichen Zwecke, die Zwecke des Lebenstriebes,
sich erhebt, weil sie dadurch ihre eigentlichen Zwecke abwirft und
relativ zwecklos wird" [285].

Waar dus alleen een practisch gebruik van de taal wordt gemaakt,
b.v. bij het doen van mededeelingen of het uiten van gevoelens in
gesprekken of in brieven, worden geen voorwerpen van auteursrecht
geschapen. Voor dit laatste is noodig, dat de taal als kunstmateriaal
zij gebruikt; er moet iets onder woorden zijn gebracht, dat om zoo te
zeggen buiten het dagelijksch verkeer staat: "eine dem ordentlichen
Kreis des Lebensverkehrs entzogene abgerundete Darstellung"--zooals
Kohler het elders uitdrukt [286].

Met zijne onderscheiding tusschen het tweeërlei gebruik,
dat van de taal kan worden gemaakt, het "künstlerische" en het
"nicht-künstlerische", heeft Kohler een juist en doeltreffend criterium
aan de hand gedaan om te beoordeelen, of een geschrift al dan niet tot
de auteursproducten is te rekenen [287]. Vele schrijvers hebben zich
met deze vraag beziggehouden; want dat niet alles wat gesproken of
geschreven kan worden een door auteursrecht beschermd "geschrift" is,
daarover zijn allen het wel eens. De moeilijkheid was echter, om de
kenmerkende eigenschappen juist en duidelijk te omschrijven. Gierke
stelt b.v. als eisch: "Um aber ein Schriftwerk (n.l. volgens de
Duitsche wet) zu sein, muss das sprachliche Erzeugniss die Merkmale
eines Geisteswerkes tragen, sich also als ein durch Formgebung
individualisirter Gedanken-inhalt darstellen," en eenige regels verder:
"Es muss sich als originale geistige Schöpfung offenbaren, die so
nur aus der Arbeit eines bestimmten Geistes hervorgehen konnte"
[288]. Dat Gierke het kenmerk vooral in het persoonlijke karakter
van de gedachtenuiting zoekt, hangt natuurlijk met zijne theorie der
"Persönlichkeitsrechte", waartoe ook het auteursrecht volgens hem
behoort, samen. Overigens is hetgeen hij als vereischte stelt voor
een geschrift om voorwerp van auteursrecht te zijn, niet onjuist,
al laat m. i. Kohler beter het licht vallen op datgene, waar het
voornamelijk op aankomt.

Bij andere, vooral oudere, schrijvers vindt men dikwijls minder
goedgekozen en niet ter zake doende kenteekenen opgegeven ter
beslissing van de vraag welke ons hier bezighoudt. Zoo wenschen
sommigen alleen die geschriften als auteursproducten te beschouwen,
welke zich leenen om te worden uitgegeven of die door den schrijver
daarvoor zijn bestemd [289]. Doch de eigenschap, welke hier als kenmerk
moet dienstdoen, vindt niet zoozeer haar oorsprong in de gesteldheid
van het werk zelf, dan wel in daarbuiten liggende omstandigheden, als
b.v. de smaak en de ontwikkeling van het publiek, de uitgebreidheid
van het gebied der taal, waarin het werk is geschreven, enz. Deze
omstandigheden zijn bovendien aan verandering onderhevig: een
geschrift, dat op het tijdstip zijner voltooiing niet "verlagsfähig"
is, kan dit later worden en omgekeerd. Dit criterium mist dus allen
vasten grond.

Hetzelfde kan gezegd worden van hetgeen mr. de Ridder stelt
als "vereischten, welke aanwezig moeten zijn, om tot voorwerp
van kopierecht te maken." Behalve dat het werk een "individueel
letterkundig geestesproduct" moet zijn (eene omschrijving, die niet
onjuist, maar te weinig nauwkeurig is), vordert deze schrijver nog:
"dat (het) mechanisch kan worden gereproduceerd" (iets dat voor een
geschrift vanzelf spreekt) en bovendien, dat "deze verveelvoudiging
een vermogensvoordeel kan opleveren" [290]. Door dit laatste wordt
wederom niet eene blijvende, innerlijke eigenschap van het werk, maar
eene veranderlijke, van andere factoren afhankelijke omstandigheid
tot criterium genomen. Het is mij bovendien uit de toelichting, die
hierbij wordt gegeven [291], niet volkomen duidelijk geworden, hoe
moet worden uitgemaakt, of de mogelijkheid om een vermogensvoordeel
te behalen al dan niet bestaat.

Even weinig doeltreffend is de definitie, die een ander Nederlandsch
schrijver, mr. J. G. Robbers, geeft van de--door onze wet
beschermde--geschriften. Een geschrift moet volgens dezen schrijver
zijn "een letterkundig geestesproduct" en dit laatste wordt omschreven
als: "product des geestes, in schriftelijken vorm, dat, als geheel,
van individueelen geestelijken arbeid getuigt en waaraan men, wegens
vorm of inhoud, waarde hechten kan" [292]. Op deze definitie zijn
verschillende aanmerkingen te maken. De "schriftelijke vorm" is,
zooals boven reeds is uiteengezet, geen essentieel bestanddeel van
een "geschrift" en had dus in de definitie niet behooren opgenomen
te worden. Dat een werk, om beschermd te zijn, van "individueelen
geestelijken arbeid" moet getuigen, kan worden toegegeven, doch de
uitdrukking is, behalve vaag (wat beteekent eigenlijk "individueel"
in dit verband?) te veel omvattend, daar elke individueele geestelijke
arbeid nog geen auteursarbeid is; men denke bv. aan het moeitevol
ontcijferen van een handschrift of aan het werk van den stenograaf,
die eene snel-uitgesproken redevoering in schrift heeft te brengen. Ten
slotte moet aan het geschrift, volgens mr. Robbers, "wegens vorm of
inhoud" waarde kunnen worden gehecht. Dat eene onbestemde uitdrukking
als deze niet bevorderlijk is tot het verkrijgen van een scherp
omlijnd begrip behoeft nauwelijks te worden gezegd. M. i. ware dan
ook deze laatste zinsnede beter geheel weggelaten. De beteekenis
kan niet anders zijn dan deze, dat de geestelijke arbeid, die aan
het werk is besteed, althans eenig resultaat moet hebben gehad, dat
er iets, al is het nog zoo weinig, door tot stand moet zijn gekomen,
dat door een redelijk wezen gewaardeerd kan worden. Waar dit niet het
geval is--b.v. bij de uiting van een krankzinnige--kan men moeilijk
spreken van een "product des geestes". De geest heeft zich misschien
wel afgetobd, maar zonder resultaat, zonder daarmede iets te hebben
voortgebracht. [293] Het behoeft geen betoog, dat eene opeenvolging
van woorden en "zinnen" zonder organisch verband geen "geschrift" is,
in den zin waarin dit woord hier wordt gebruikt, evenmin als een losse
hoop steenen een gebouw vormt. Indien mr. Robbers de bedoeling had,
dit met de laatste zinsnede zijner definitie uit te drukken, had deze
(scil. die laatste zinsnede) dus achterwege kunnen blijven. Men zou
echter de uitdrukking ook enger kunnen opvatten en er uit kunnen lezen,
dat alleen die geschriften als objecten van auteursrecht in aanmerking
komen, die aan zekere eischen van wetenschappelijken of aesthetischen
aard voldoen. Indien dit de bedoeling is geweest, zijn de bezwaren
ertegen van ernstiger aard. Er bestaat geen grond om gebrekkige of
weinig belangrijke geschriften van de bescherming uit te sluiten;
het zou trouwens ondoenlijk zijn, een vasten maatstaf te vinden,
waarnaar de beoordeeling zou moeten geschieden. Het letterkundig of
wetenschappelijk gehalte van het werk dient dus buiten beschouwing
te worden gelaten [294]; de eenige eisch, die mag worden gesteld, is,
dat er iets verstaanbaars tot uiting is gekomen in daartoe opzettelijk
kunstmatig bewerkte taal.

Hiermede ben ik weer teruggekomen op de door Kohler gegeven
begripsbepaling, die ook dáárom boven anderen te verkiezen is,
omdat zij een zuiver uitvloeisel is van het beginsel, dat aan de
auteursbescherming ten grondslag ligt. Dit beginsel is niet: belooning
van den aangewenden arbeid, maar: bescherming van het recht op het
voortgebrachte goed. Alleen daar is dus grond voor auteursrecht, waar
iets is voortgebracht, waar eene schepping--of zoo men liever wil:
een maaksel--van den geest voorhanden is. De meerdere of mindere
volkomenheid en belangrijkheid doet daarbij niet ter zake; evenmin
komt het er op aan, of er veel of weinig geestesinspanning toe noodig
is geweest. Uitsluitend met het resultaat van den arbeid hebben wij te
maken en dit resultaat moet, om voorwerp van auteursrecht te zijn, eene
kunstschepping wezen (niet dus b.v. eene uitvinding of ontdekking);
en daar wij hier alleen met werken in woordvorm te doen hebben:
eene kunstschepping in taal, "ein künstlerisches Gebilde der Sprache".

Dit is het dus, wat op zijn minst aanwezig moet zijn, wil men eene
uiting in woordtaal tot de auteursproducten rekenen. Doch hiermede
is nog geene karakteriseering gegeven van het immaterieele goed,
dat object van het auteursrecht is. Een geschrift is nog iets meer
dan enkel een stuk taal. Ook aan datgene, wat door de taal wordt
uitgedrukt hebben wij onze aandacht te wijden, want ook dit kan
eene aesthetische schepping zijn, die, zij het dan ook slechts bij
benadering, ook met andere woorden of in eene andere taal zou kunnen
worden uitgedrukt. Dit stelt ons voor eene andere vraag, niet minder
belangrijk dan de voorgaande, n.l. hoever reikt in elk geval de
schepping van den auteur; wat is in een geschrift, behalve de taal,
als het maaksel van den schrijver te beschouwen? Eerst wanneer deze
vraag naar behooren is beantwoord, kan men zich een zuiver denkbeeld
vormen van den omvang van het door den auteur voortgebrachte goed en
dus tevens reeds eenigermate van den omvang van zijn recht. Want steeds
is vast te houden aan het beginsel, dat de auteur alleen datgene het
zijne kan noemen, wat zijn scheppend talent heeft voortgebracht.



b Vorm en inhoud

Over de roekelooze wijze, waarop sommige schrijvers over auteursrecht
met de woorden "vorm" en "inhoud" omspringen en over de geringe
waarde die daarom aan hunne redeneeringen is te hechten, heb ik reeds
met een enkel woord gesproken. Het ergst van allen maakt het zeker
wel mr. J. A. Levy, die in een kort opstel--voor zoover mij bekend
het eenige geschrift van zijne hand dat over auteursrecht handelt
[295]--zich aan zóóvele onnauwkeurigheden en onjuiste redeneeringen
schuldig maakt, dat het mij niet overbodig voorkomt, er de aandacht op
te vestigen; vooral daar wij hier te doen hebben met een jurist van
groot gezag, wiens uitspraken gretig worden aangehaald door degenen,
die zich--om welke reden ook--op hetzelfde standpunt plaatsen, in casu
de tegenstanders van onze aansluiting bij de Berner Conventie [296].

Mr. Levy begint zijn betoog met te stellen, dat eigendom van de
uitgesproken, neergeschreven, of door den druk gemeen gemaakte gedachte
tot de onmogelijkheden behoort. Hij gaat dan voort:

"Waar men echter wel van spreekt, is de eigendom van den vorm der
gedachte. Welnu, dit is in goed Hollandsch: huichelarij. Er bestaat
bij de linguisten verschil van gevoelen over de vraag: of gedachte en
taal identiek ("spreken is overluid denken, denken is stil spreken"),
dan wel voor splitsing vatbaar zijn... Dat echter gedachte en woord
een innig samenhangend, onverbreekbaar bijeenbehoorend samenstel
zijn, daaraan twijfelt ter wereld niemand. Wat dus te denken van
een rechtsstelsel, dat den frontaanval: de gedachte tot eigendom te
verklaren, niet durft te wagen, en nu geniepig zijn doel bereikt,
door te scheiden, wat de wetenschap één verklaart?"

Hieruit valt m. i. niets anders te lezen dan dit: taal en gedachte
(vorm en inhoud) zijn zóó onverbreekbaar aan elkander verbonden,
dat het niet mogelijk is het een te beschermen en het ander niet;
bescherming van het een beteekent ook noodwendig bescherming van
het ander. Eene onderscheiding te maken tusschen die twee leidt dus
tot niets.

Doch nauwelijks is deze stelling opgeworpen, of zij wordt weder
verlaten. Tenminste de redeneering, die nu volgt, is met de gestelde
onsplitsbaarheid van vorm en inhoud moeilijk te rijmen: "Door den vorm
tot object van eigendom te verklaren, maakt men den inhoud aan den vorm
ondergeschikt. Dat dit eene onwaarheid en als zoodanig reeds juridisch
verwerpelijk is, ligt voor de hand. Indien gij tusschen inhoud en vorm
onderscheiden wilt, moet de eerste, niet de laatste den toon aangeven."

Nu wordt dus de mogelijkheid eener onderscheiding weer toegegeven. De
vorm kan dus wel, afgescheiden van den inhoud, voorwerp van
auteursrecht zijn; doch volgens Mr. Levy moest dit juist andersom
wezen, omdat... de inhoud hoofdzaak en de vorm bijzaak is. Op dit thema
gaat de schrijver nog eenigen tijd door: "... het op den voorgrond
sleepen van den vorm verlaagt de letterkunde, omdat zij daardoor wordt
ontzield".... "Ongeraden blijft het steeds van rechtswege de meening
te doen postvatten, dat het bij de letterkunde slechts om den vorm,
het golvende kleed der zwierige phrase, en minder om den inhoud te doen
is. Wie weet, in hoeverre onze bestaande auteurswet verantwoordelijk
is voor den klinkkank en den zingzang, onvoldragen vruchten eener
aanstormende bent, die Neerlands drukpersen doet zwoegen, terwijl
Apollo het aangezicht zich omsluiert?"

Doch, zoo redeneert Mr. Levy verder, deze bedenkingen tegen het
auteursrecht hebben geene practische waarde, daar wij slechts te doen
hebben met hetgeen onze wet zegt. De wet erkent het auteursrecht als
een absoluut vermogensrecht, en dit hebben wij dus te eerbiedigen,
zelfs als wij met buitenlandsche werken hebben te doen; want het
privaatrecht moet voor vreemdelingen en Nederlanders hetzelfde zijn. Op
dit punt gaat de heer Levy dus uit eerbied voor de wet nog verder
dan de wet zelf, die de meeste buitenlandsche werken onbeschermd
laat (artt. 27 en 28). Deze eerbied strekt zich echter niet tot
het uitsluitend vertalingsrecht uit, dat toch ook--zij het dan in
beperkte mate--door onze wet wordt erkend (art. 5). Op de vraag, of
het auteursrecht ook het vertalingsrecht omvat, wordt ten antwoord
gegeven: "Neen en beslist neen. Zoo min als ik mijne persoonlijke
overtuiging nopens de ijdelheid van alle auteursrecht--tegen de wet
in, die ik naleven moet--prijs geef, zoo min wijk ik, nopens het
beweerd vertalingsrecht, voor de tegengestelde meening, hoe rumoerig
zij ook optrede. Men omgeve het zoogenaamd vertalingsrecht met een
staketsel van spitsvondigheden; men plaatse daarvoor eene lijfwacht
van uitvallen: ware koddebeiers, die den knuppel der lompheid beter
hanteeren dan den degen der bewijsvoering,--het vertalingsrecht is
eene aanmatiging, een hersenschim."

Tot staving van deze krachtige bewering moet eene aanhaling dienst
doen uit het Lehrbuch der Psychologie van F. Jodl (Stuttgart 1898
pp. 589, 590), die echter m. i. weinig ter zake afdoet. Ook geeft
Mr. Levy de strekking van het aangehaalde betoog niet geheel juist
weer met hetgeen hij erop laat volgen: "Wat hij (scil. Jodl) leert,
is: de vertaler arbeidt met zijn eigen gedachtensfeer, met zijn
eigen voorstellingswereld. Binnen deze, treedt niet hij, de vertaler,
op als gebieder. Omgekeerd juist ondergaat hij daarvan den invloed,
den weerslag, den dwang. Eene vrije vertaling, eene bewerking is een
logen. Steeds is de vertaling onvrij en nooit wordt zij anders dan
bewerkt. Ook niet al heet zij letterlijk te zijn. Met welken zweem,
met welken schijn, met welke schaduw van recht ontzegt gij aan dien
arbeid des geestes de eigenschap van eigen te zijn? enz."

Volkomen duidelijk is het mij niet geworden, wat met deze zinnen
bedoeld wordt. Zoo wordt eerst van "vrije vertaling" en "bewerking"
gesproken als van synoniemen en worden beide voor "een logen"
uitgemaakt, terwijl in de volgende zin deze uitspraak ten aanzien der
"vrije vertaling" wordt bevestigd, doch ten aanzien der "bewerking"
wederom weersproken door de bewering: "nooit wordt zij anders dan
bewerkt", m. a. w. elke vertaling is eene "bewerking".

Doch vooral in verband met de beschouwingen over "vorm en inhoud",
die vooraf zijn gegaan, is deze veroordeeling van het vertalingsrecht
opmerkelijk. Immers het uitsluitend vertalingsrecht is eene bescherming
van den inhoud en niet van den vorm, en zou dus door Mr. Levy,
indien deze zich consequent betoond had, als het minst verwerpelijke
bestanddeel van het auteursrecht beschouwd hebben moeten worden. Wij
zien hier echter juist het tegenovergestelde geschieden. De groote
nadeelen, die uit het "op den voorgrond sleepen van den vorm" ten
koste van den, veel meer belangrijken, inhoud, voortspruiten, schijnt
Mr. Levy weer te zijn vergeten, waar hij schrijft: "Voor "auteursrecht"
klampt men zich vast aan den vorm. Hier ontzinkt u ook deze, want des
vertalers vorm is de vorm van den vertaler. Wat blijft er over?" En
in een naschrift, naar aanleiding van eene repliek van den heer Plemp
van Duiveland aan het opstel toegevoegd, wordt dit nog eens, met
een beroep op het feit, dat ook onze wet alleen den vorm beschermt,
herhaald: "Wij waren het er immers over eens, niet waar, dat onze
wet den vorm alleen beschermt? Valt dit object van bescherming weg,
naardien immers een blinde ziet, dat des vertalers vorm zijn eigendom
is, wat blijft er dan, in 's hemels naam, te beschermen over?"

Het antwoord op deze laatste vraag ligt, dunkt mij, voor de hand. Wat
er te beschermen overblijft, dat is wat Mr. Levy in het begin van
zijn opstel den "inhoud" genoemd heeft, dus datgene wat overblijft,
als men het geschrift "het golvende kleed der zwierige phrase" heeft
uitgetrokken, de naakte kern, ontdaan van "klinkklank en zingzang".

Uit bovenstaande aanhalingen zal reeds gebleken zijn, dat de logica in
Mr. Levy's betoog van eene eigenaardige soort is. Eerst wordt beweerd,
dat taal en gedachte (vorm en inhoud) een onverbreekbaar geheel vormen
en het heet huichelarij die twee te willen scheiden. Terstond daarop
wordt de bescherming van den vorm-alleen (hetgeen iets onbestaanbaars
zou zijn, indien de eerste stelling waarheid bevatte) afgekeurd,
op grond dat daardoor de letterkunde wordt "ontzield" enz. En dit
betoog loopt tenslotte uit op eene veroordeeling van het uitsluitend
vertalingsrecht, waarvoor als voornaamste argument moet dienen, dat
het auteursrecht (en speciaal het auteursrecht van onze wet)... alleen
den vorm beschermt! Wat eerst als iets onmogelijks wordt voorgesteld
en daarna ten scherpste wordt afgekeurd, datzelfde is nu plotseling
een vanzelf sprekend feit geworden: "immers een blinde ziet, dat des
vertalers vorm zijn eigendom is..."!

Een logisch verband tusschen datgene, wat de schrijver wilde bewijzen
en de verschillende stellingen, die achtereenvolgens op apodictischen
toon worden verkondigd, is inderdaad niet te vinden. En indien het
waar is, wat mr. Levy beweert: dat slechts aan zijne zijde met den
"degen der bewijsvoering" wordt gestreden, terwijl zijne tegenstanders
geen ander wapen hebben dan "den knuppel der lompheid", dan kunnen
deze laatsten zich tenminste troosten met de gedachte, dat het edele
wapen, waarmede zij worden aangevallen doch dat zij zelve missen,
weinig kwaad kan, zoolang er--zooals hier--slechts gaten mee in de
lucht worden geprikt.

Doch laat ons thans het vraagstuk van "vorm en inhoud" wat meer van
nabij beschouwen. Hoe staat het, om te beginnen, met de verhouding
tusschen taal en gedachte, die volgens mr. Levy door de wetenschap
één worden verklaard?

De stelling: "spreken is overluid denken, denken is stil spreken" is
inderdaad door sommige geleerden verdedigd [297], doch door een zeker
niet minder groot aantal met groote beslistheid tegengesproken. Dat
denken en spreken één zijn, dat er dus geen denken zonder spreken
mogelijk zou zijn, staat allerminst wetenschappelijk vast. Mannen
van grooten wetenschappelijken naam hebben het tegendeel betoogd niet
alleen, maar argumenten daarvoor aangevoerd, die m. i. moeilijk voor
weerlegging vatbaar zijn.

Steinthal [298] b.v. noemt een groot aantal gevallen op, waarin
gedacht wordt zonder woorden. Hij wijst op het bestaan van denkende
wezens die geen taal tot hunne beschikking hebben, nl. de dieren,
en wat een nog treffender voorbeeld is: doofstommen. Doch ook
normale menschen kunnen denken zonder woorden; in droomtoestand
wordt gephantaseerd--hetgeen ook een intellectueel handelen kan
worden genoemd--zonder spreken; waarnemingen van kunstwerken of van
ingewikkelde samenstellen als machines, bouwwerken, enz., waarbij
wij een groot aantal aesthetische of technische bijzonderheden in ons
opnemen en met elkander in verbinding brengen om van het voorwerp onzer
beschouwing een goed begrip te krijgen, geschieden eveneens zonder
hulp der taal. Nog wijst hij op de cijfers en algebraïsche teekens,
die in de wiskundige redeneeringen de taal kunnen vervangen en op het
Chineesche schrift, waarbij het meer aankomt op het zichtbare teeken
dan op het klankbeeld, welk laatste de Chineezen soms zelfs niet
eens schijnen te kennen. Het denken--schrijft Steinthal--moge ons
met behulp van woorden gemakkelijker vallen, dit komt dan hierdoor;
"weil wir an diese Krücke gewöhnt sind" [299].

Tot dezelfde conclusie kwam ten onzent o. a. Prof. Dr. J. P. N. Land
[300]. Taal en gedachte dekken elkander nooit volkomen volgens dezen
schrijver; veel blijft er altijd overgelaten aan de opgewekte eigen
werkzaamheid van den hoorder of lezer. "Reeds dat schetsachtige van
alle spreken en schrijven, en de behoefte aan tegemoetkoming van
den anderen kant, maakt de vereenzelviging van denken en spreken,
als ééne zaak met een binnen- en een buitenzijde, onaannemelijk". Ook
deze schrijver geeft toe, dat het denken, uit kracht der gewoonte, wel
meestal met spreken of althans met voor zichzelf in woorden brengen,
gepaard gaat. Doch hij wijst erop, dat dit nog geen "denken in"
de eene of andere taal beteekent. Want hoe dikwijls zou men niet
wenschen verschillende talen door elkander te mogen gebruiken, om
elk deel van hetgeen men denkt goed tot zijn recht te laten komen,
en hoe dikwijls moet men niet iets van de schakeering zijner gedachten
opofferen om de taal zuiver te houden [301].

En om nu nog de getuigenis van een Nederlandsch taalkundige aan
te halen: Prof. Woltjer sprak zich in eene onlangs gehouden rede
[302] over de vraag: "Is denken zonder woorden mogelijk?" aldus uit:
"Ik meen echter, dat het antwoord zeer beslist moet luiden: denken
zonder woorden is mogelijk, geschiedt zelfs door ieder mensch iederen
dag." Men moet daarbij onderscheid maken tusschen bewust en onbewust
denken; alleen van het eerste kan gezegd worden dat het meestal--dus
niet eens nog altijd--met woorden geschiedt. "Dat er echter"--gaat
dr. Woltjer voort--"een denken zonder woorden is en in en door
ons geschiedt, bewijst m. i. het zoo dikwijls voorkomende geval,
dat wij naar een woord of naar het juiste woord voor een gedachte
of eene voorstelling moeten zoeken. Uit het zoeken zelf blijkt, dat
wij de voorstelling of wat het ook zij, wel hebben; wij beoordeelen
daarnaar verschillende woorden, die ons door associatie of op eenige
andere wijze voor het bewustzijn komen; wij beoordeelen ze naar den
maatstaf, of ze passen om uit te drukken wat wij uitdrukken willen;
passen ze niet, dan zoeken wij een ander woord, totdat wij het juiste
gevonden hebben en zeggen: dát is het. We hebben dus de gedachte,
maar het symbool voor de gedachte, het woord hebben we niet" [303].

Ik meen dat deze argumenten, die van gezaghebbende zijde afkomstig
zijn, en die toch geen psychologen of taalkundigen vereischen om
op hunne juiste waarde te worden geschat, mijn standpunt voldoende
rechtvaardigen. Taal en gedachte houd ik dus niet voor één en
hetzelfde; met Steinthal [304] meen ik te moeten onderscheiden
tusschen den "darzustellenden Gegenstand" en de taal, die "den
Gegenstand darstellt"; dus tusschen datgene wat de schrijver heeft
te zeggen en de reeks van woorden en zinnen, waarmede hij het gezegd
heeft. Noemt men nu het eerste den inhoud en het tweede den vorm van
het geschrift, dan kan derhalve in het algemeen worden gezegd, dat
de inhoud niet onherroepelijk aan dien éénen vorm gebonden is, maar
dat hij een eigen bestaan heeft; al moet worden toegegeven, dat het
niet bij alle geschriften volkomen zal gelukken, een anderen vorm te
vinden, waarin men den gegeven inhoud in wezen onveranderd terugvindt.

Het "geven van een anderen vorm aan den inhoud" geschiedt voornamelijk
bij het vertalen. Indien het nu waar was, dat de taal één is met
hetgeen ermede wordt uitgedrukt, dan zou de vertaler, die immers andere
woorden en andere zinnen gebruikt, ook noodzakelijkerwijze andere
gedachten en andere gevoelens uitdrukken dan de oorspronkelijke
schrijver en de vertaling zou eigenlijk een geheel nieuw werk
zijn, dat hoogstens eenige verwantschap met het oorspronkelijke
vertoont. Dit schijnt ook werkelijk de opvatting van Mr. Levy te zijn
blijkens zijne boven aangehaalde woorden. Doch m. i. kan dit niet in
ernst worden volgehouden. Er bestaan ontegenzeggelijk geschriften,
waarvan de taal zoozeer een essentieel bestanddeel uitmaakt, dat zij
bezwaarlijk in eene andere taal kunnen worden weergegeven zóó dat
hun wezen behouden blijft; doch zij vormen verreweg de minderheid; en
reeds uit het feit, dat men deze geschriften "onvertaalbaar" pleegt
te noemen, valt af te leiden dat men onder vertalen verstaat het
getrouw en volkomen weergeven van hetzelfde werk in eene andere taal;
indien vertalen het scheppen van een nieuw werk was, zou immers elk
geschrift "vertaald" kunnen worden. Zonderen wij deze onvertaalbare of
moeilijk te vertalen geschriften voor een oogenblik uit, dan kan als
algemeene regel worden gesteld, dat eene goede vertaling de gedachten
en gevoelens, die den inhoud van het oorspronkelijke werk uitmaken,
nauwkeurig weergeeft. En al moge hier en daar een enkele gevoels-
of gedachteschakeering verloren zijn gegaan, daar staat tegenover,
dat de vertaler misschien op andere plaatsen uitdrukkingen heeft
weten te vinden, welke die van den oorspronkelijken schrijver, die
aan de middelen van zijn eigen taal gebonden was, nog in juistheid
en duidelijkheid overtreffen. Wat het boek door de vertaling lijdt,
is doorgaans zoo gering, dat het niet in aanmerking behoeft te worden
genomen: men bedenke dat ook de oorspronkelijke tekst geen volmaakt
beeld is van de diepste en fijnste bedoelingen van den schrijver. Dat
de vertaling geen nieuwe gedachten brengt maar dezelfde als het
origineel schijnt Steinthal zoozeer als iets vanzelf sprekends te
beschouwen, dat hij de mogelijkheid van vertaling als een argument
gebruikt voor de splitsbaarheid van taal en gedachte: "Die Fähigkeit
der Uebersetzung aus einer Sprache in die andere zeigt doch wohl
klahr, wie der Gedanke nur über den Sprachen webt, aber nicht in ihnen
lebt als in seinem Leibe" [305]. Eigenaardig is het, hiernaast eene
opmerking van Schopenhauer te leggen, waarin juist met behulp der
door Steinthal gewraakte vergelijking (nl. dat de gedachte staat tot
de taal als de geest tot het lichaam) de verhouding tusschen taal en
gedachte en de beteekenis van het vertalen in denzelfden zin wordt
afgeschilderd: "Daher" (nl. wegens het verschil van zinsbouw in het
Latijn en in de moderne talen) "kann man sehr selten eine bedeutende
Phrase aus einer neuern Sprache wörtlich ins Lateinische übersetzen:
sondern man musz den Gedanken von allen Worten, die ihn jetzt tragen,
gänzlich entblöszen, dasz er nackt dasteht im Bewusztseyn, ohne alle
Worte, wie ein Geist ohne Leib, dann aber musz man ihn wieder mit einem
neuen ganz andern Leibe bekleiden, in den Lateinischen Worten, die ihn
in ganz andrer Formen wiedergeben; so dasz z. B. was im Original durch
Substantive, jetzt durch Verba ausgedrückt wird u. s. w." [306]. Wat
hier duidelijk als Schopenhauer's opvatting uitkomt, is dat--ondanks
het groote verschil in constructie--toch de nieuwe, latijnsche zin
denzelfden inhoud heeft als de oorspronkelijke; de geest is volgens
zijne voorstelling dezelfde gebleven al huist hij nu in een ander
lichaam. En wat hier van één enkele zin wordt gezegd, geldt natuurlijk
nog in verhoogde mate van een geschrift in zijn geheel; sommige kleine
onderdeelen kunnen in de vertaling minder zuiver zijn weergegeven,
doch in de groote lijnen blijft het werk ongerept.

Er zijn echter--zooals ik reeds opmerkte--geschriften, waarop
het bovenstaande niet of slechts gedeeltelijk toepasselijk is,
n.l. diegenen, wier aesthetische waarde men niet zoozeer heeft te
zoeken in wat door de taal wordt uitgedrukt, dan wel in de taal zelf:
de rhythmische beweging en den klank der volzinnen. Dat, vooral in
poëzie, klank en rhythmus van groote beteekenis zijn, zal wel niemand
willen ontkennen. Er bestaat zelfs een leer, in ons land vooral door de
letterkundige beweging van '80 op den voorgrond gebracht, volgens welke
bij de beoordeeling van een vers uitsluitend met deze twee factoren
rekening moet worden gehouden. In poëzie zou dus geen inhoud bestaan,
die van den vorm kan worden afgescheiden, of zoo dit al mogelijk is,
dan zou toch de inhoud, ontdaan van den vorm, zonder eenige waarde
zijn. Ik veroorloof mij, ter nadere kenschetsing van deze, ook voor
het auteursrecht belangrijke, kunstleer enkele aanhalingen van hare
meest bekende voorstanders.

"Een gedicht is een brok gevoelsleven der ziel, weêrgegeven in
geluid... Dat toch de poëzie niet alleen ligt in de beteekenis der
woorden, kan ieder dadelijk weten, als hij, b.v. in een vers van
Goethe, Heine, Shelley, de woorden eenigszins anders rangschikt, als de
dichter heeft gedaan. De naakte gedachte, het zuiver logisch oordeel,
is dan precies hetzelfde gebleven, maar de indruk ging verloren. Wel
een bewijs dat de poëzie niet kan bestaan zonder de klankexpressie,
't gezongene van 't vers, in verband natuurlijk met de woordbeteekenis"
[307].

"De groote, de roemrijke verdienste der Nieuwe-Gids kritiek van Kloos
en Verwey is geweest het vestigen van het begrip der "klankexpressie",
door hen het eerst aldus genoemd, en gevestigd op de stelling dat
als poëzy de gedachte zonder den vorm of klank volkomen zonder waarde
is. Immers had de gedachte op zich zelve waarde, dan zou er niet een
essentiëel onderscheid zijn tusschen een slechte vertaling en een goed
origineel, tusschen een schooljongens-inhoudsverslag der Comedia en
het werk van Dante zelf, tusschen een leelijk fotografiesch portret
en den levenden mensch" [308].

"Muziek is de zuiverste, meest onmiddellijke kunst. Muziek is het minst
symbolisch, het meest reëel. Een melodie is de allernauwkeurigste
expressie van iets in ons, men kan bijna zeggen dat melodie en
zielstoestand éénzelfde ding is.

Zoo zuiver als muziek kan woordexpressie niet zijn. Want woorden
zijn symbolen, teekens van geluid met een abstracten zin. Ze staan
verder van hetgeen zij verbeelden. Maar woorden zijn geluiden--zoo
goed als melodieën--en enkel door hun geluid en hun rhythme kunnen
zij ook weergeven wat in ons is. Ja heel zeker zal een woordenreeks
expressiever zijn naarmate zij minder zinnebeeld en meer muziek is.

Het geluid van menschenwoorden kán zóó vol en innig zijn, dat deze
schijnen als melodieën, geen symboliek, maar zielstoestanden zelf"
[309].

"Wat gij doen moet" (nl. bij het voordragen van verzen) "is alleen
op den vorm van de verzen letten en den vorm alleen moet gij laten
hooren. De verdeeling van de klanken, of wat men den rhythmus noemt,
en het geluid van de klanken... Ik spreek nu gemakshalve van den vorm,
om u duidelijk te maken wat ik bedoel. In rhythmus en geluid zit de
geheele inhoud, zoodat men eigenlijk niet van een afzonderlijken vorm
kan spreken. Vorm en inhoud van een gedicht zijn geen twee werkelijk
bestaande en van elkander afgescheiden dingen; alleen kan men van
inhoud en van vorm spreken in het abstracte" [310].

Om niet al te uitvoerig te worden, zal ik het bij deze aanhalingen
laten. Wat deze beschouwingen vooral belangrijk maakt, is dat
zij grootendeels afkomstig zijn niet van theoretici, maar van de
dichters zelf, die hun leer ook in toepassing brachten. De Nieuwe
Gids-school bracht niet alleen nieuwe--of althans in ons land te
dien tijde ongewone [311]--begrippenover de poëzie, maar zij gaf ook
verzen, waarin het "nieuwe geluid" was te hooren, voor wie er ooren
voor hadden. Tot deze laatsten behoorde blijkbaar niet mr. Levy,
die het had over "... den klinkkank en den zingzang, onvoldragen
vruchten eener aanstormende bent," enz., woorden, die moeilijk op iets
anders dan op de Nieuwe Gids-beweging betrekking kunnen hebben. Over
dit gebrek aan waardeering valt niet te strijden, en allerminst
hier. Subjectieve opvattingen over kunst of literatuur zijn in eene
verhandeling over auteursrecht van geen belang. Doch behoeft men zich
over de kunstwaarde, die men zelf aan een werk of aan een bepaald
soort van werken hecht, niet uit te laten; wél noodzakelijk is het,
dat men zich de bewondering of waardeering van anderen althans kunne
verklaren. Indien men als een volslagen vreemde tegenover het werk
staat, zal het moeilijk vallen, er de ontleding op toe te passen,
die noodzakelijk is, om de bestanddeelen te kunnen aanwijzen, welke
tezamen het object van des auteurs recht uitmaken. Geen kritisch
oordeel wordt dus vereischt, maar wel eenig inzicht in de kunstwaarde
en het kunstbegrip dat aan de werken ten grondslag ligt. Dit objectieve
standpunt hoop ik bij de enkele opmerkingen, welke ik over de leer
in kwestie nog laat volgen, niet uit het oog te verliezen.

Vorm en inhoud--dit kan terstond worden toegegeven--verhouden zich
in de poëzie anders tot elkaar dan b.v. in een wetenschappelijk
geschrift. Het verschil in de beteekenis en de functie der taal in het
eene en in het andere geval kan zelfs zóó groot zijn, dat men geneigd
is het niet meer als een verschil in graad, maar als een in soort te
beschouwen. De taal van den lyrischen dichter schijnt soms in wezen
iets anders te zijn dan de taal, die gebruikt wordt om te verhalen,
te betoogen, enz.; geen woorden en zinnen waaruit de beteekenis moet
worden geabstraheerd, maar geluiden die onmiddellijk hunne werking op
ons uitoefenen. Het is dus, alsof de taal haar symbolisch karakter
volkomen heeft afgelegd en daardoor eigenlijk geen taal meer is,
maar muziek is geworden. Toch blijft er nog altijd een essentieel
verschil tusschen poëzie en muziek, en het is niet juist, wat uit
enkele der hierboven van Frederik van Eeden aangehaalde zinnen zou
kunnen worden afgeleid, dat de woorden hun uitdrukkingsvermogen
uitsluitend aan hun klank en rhythmus zouden ontleenen. Indien dit
waar was, zou men immers de taal, waarin de verzen geschreven zijn,
niet behoeven te kennen om ze te kunnen genieten; de poëzie zou,
evenals de muziek, aan geen taalgebied zijn gebonden.

Waar woorden uitsluitend ter wille van den klank aan elkaar worden
geregen, verkrijgt men iets dat met poëzie weinig of niets heeft te
maken. Dit is b.v. het geval met de, door Gerber [312] aldus genoemde
"naiven Lautspiele", dat zijn: "... die jenigen Lautspiele... welche
entweder nur Laute verwenden oder sich doch der Worte nur als Laute
bedienen." Als voorbeeld noemt hij het volgende liedje, dat door de
Berlijnsche kinderen bij het zoogenaamde "aftikken" wordt gebruikt:


                        Ene mene men
                        Ti tukken tukken ten
                        Karabutte, karabutte
                        Witsch Watsch
                        Ab, dran!


Een ander voorbeeld, ook door Gerber meegedeeld [313], waarin meer
bestaande woorden voorkomen, zonder echter eenigen zin te vormen,
is nog het volgende:


                        Thaler
                        Maler
                        Kühchen
                        Kälbchen
                        Schwänzchen
                        Dideldideldänzchen.


Niemand zal er aan denken, dergelijke onnoozele liedjes tot de
poëzie te rekenen; doch iets anders is met dit procédé ook niet te
bereiken. De taal--indien dit woord hier nog kan worden gebruikt--is
aangewend voor iets dat buiten haar gebied ligt en het kan nooit ter
wereld iemand gelukken, er op deze wijze iets waardevols mede tot
uitdrukking te brengen.

Dit alles doet echter niets af aan de beteekenis der klank-expressie,
die door de bovengenoemde schrijvers voor een van de kenmerken der
poëzie wordt gehouden. Klank-expressie moet men niet voor hetzelfde
houden als welluidendheid; zij berust niet op rijm, alliteratie enz.,
die als uiterlijke klankmiddelen alleen het lichamelijk gehoor aandoen
[314]. Het is iets veel hoogers en "geestelijkers"; in dien zin, dat er
niet slechts zinnelijke behagelijkheid, maar geestelijke ontroering
door wordt gewekt. Wij hebben hier te doen met een verschijnsel,
dat ieder die oor heeft voor poëzie kan waarnemen, doch waarvoor
eene verklaring niet is te vinden. Dit wordt door van Deyssel met
een voorbeeld gedemonstreerd:

"Neem dezen regel eens, waarin een van Kloos zijn sonnetverheffingen
ten einde vloeit:


            "Als alles wat héél vèr is en héél schoon"


Men weet, dat als er stond:


            "Als alles wat zeer ver is en zeer schoon"


de regel heel zijn leven had verloren.

Nu kan men dit van buiten af wel eenigszins verklaren door zijn
indruk na te gaan en te zeggen: 't woordje "heel" is zacht van
klank en "zeer" is hard, "heel" is bekoorlijk door natuurlijkheid,
"zeer" is wijsneuzig deftig en in deez' regel waar een liefdeklacht
ten einde droomt zoo als eens verren wandlaars avondlied versterft,
klinkt 't woordje "heel" alleen.

Maar dit is niet met indringend bewijs verklaren hoe 't wézen zelf
der dichtkunst van dit verschil afhankelijk is" [315].

Het wonderlijke en onverklaarbare van de kracht der poëtische
uitdrukking komt door dit voorbeeld duidelijk in het licht; de
verwisseling van de woordjes "heel" en "zeer", die in wetenschappelijk
proza waarschijnlijk overal, zonder eenige schade aan het geheel aan
te brengen, zou kunnen geschieden, heeft hier, in een sonnet, tot
gevolg, dat de versregel totaal wordt bedorven. Maar hieruit volgt
nu nog niet, dat het woord "héél" in dit vers uitsluitend terwille
van den klank is gekozen en dat het zijne meedoende werking in het
verkrijgen van het aesthetisch effect niet aan datgene waarvan het
het symbool is (de beteekenis), maar aan zichzelf (dus zijn geluid)
zou ontleenen. De woorden "heel" en "zeer" gelden wel voor synoniemen,
maar in dit verband hebben zij zeer zeker niet dezelfde beteekenis,
daar immers de uitdrukkingskracht van den regel van de keuze die men
tusschen beide woorden doet afhankelijk is. De vervanging van "héél"
door "zeer" zou dan ook in dit geval eene wijziging brengen niet alleen
in den vorm maar ook in den inhoud van het gedicht (scil. volgens de
beteekenis waarin ik die woorden tot nu toe heb gebruikt, nl.: vorm =
taal; inhoud = datgene wat door de taal wordt uitgedrukt). "De naakte
gedachte, het zuiver logisch oordeel", is weliswaar precies hetzelfde
gebleven [316], maar daaruit bestaat de inhoud van het gedicht niet;
de dichter heeft wel wat anders uit te drukken dan naakte gedachten en
zuiver logische oordeelen. Inhoud en vorm houd ik dus, ook in poëzie,
niet voor één; ik meen, dat er ook hier een inhoud is, die van den
vorm kan worden afgescheiden, maar ik meen tevens, dat dit met de leer
der Nieuwe Gids-school niet in strijd is, daar ik onder "inhoud" iets
anders versta: den inhoud dien ik bedoel, zal men b.v. in eene "slechte
vertaling" of in een "schooljongens-inhoudsverslag" van een werk als
Dante's Comedia [317] niet--of slechts deerlijk gehavend--terugvinden.

Wel is het natuurlijk bij poëzie veel moeilijker dan bij andere
geschriften om zich van den inhoud, ontdaan van den vorm, eene
voorstelling te maken, want vooreerst is de grens tusschen beide
moeilijker te trekken en bovendien is het dikwijls ondoenlijk den
inhoud in een anderen vorm zuiver weer te geven. Maar dit mag geen
reden zijn om aan het bestaan van dien inhoud, onafhankelijk van den
vorm, te twijfelen. Hier geldt, wat Kohler ergens opmerkt: "... Die
darstellungslose Idee" (hieronder heeft men in dit verband in het
algemeen te verstaan: den inhoud van een kunstwerk geabstraheerd van
den vorm) "ist nicht eingebildet, sie ist vorhanden, wenn es uns
auch nicht gelingt, sie rein und darstellungslos "darzustellen";
ebenso wie ein chemischer Stoff existirt und sich als einheitlich
wirkende Macht kundgibt, wenn es auch nicht möglich ist, denselben
für sich allein zur Darstellung zu bringen und aus den Verbindungen zu
lösen"... "Die Existenz eines solchen nicht real lösbaren, nicht rein
darzustellenden ideellen Agens aber gibt sich darin aufs Deutlichste
kund, dasz dasselbe Agens durch die verschiedensten Mittel hindurch
wirkt, dasz es trotz der verschiedenen Darstellungsmittel immer
dasselbe ist, immer mit den gleichen Merkmalen zur Geltung kommt"
[318].

Nu moge het--zooals reeds werd opgemerkt--niet gemakkelijk zijn den
inhoud van poëzie in een anderen vorm weer te geven, onmogelijk is
het niet. Dat vertalingen in den regel lang niet denzelfden indruk
maken als de eigen woorden van den dichter, is nog geen bewijs van
het tegendeel. Dikwijls voldoet de vertaler niet aan de vele zware
en zeer bijzondere eischen, welke dit werk stelt. Maar vooral moet
men hierbij ook in het oog houden, dat de aesthetische werking van
een dichtstuk toch altijd voor een deel, al is het dan geen alles
overwegend deel, berust op de taal, d.i. dus den vorm. De uiterlijke
welluidendheid, teweeggebracht door het zintuigelijk waarneembare
geluid van de woorden, is uit den aard der zaak in de vertaling
eene andere geworden en als de vertaling in dit opzicht bij het
oorspronkelijke ten achterstaat, is dit dus niet te wijten aan het
niet getrouw weergeven van den inhoud maar aan de minderwaardigheid
van den nieuwen vorm in vergelijking met den oorspronkelijken.

Wat men echter wél in eene vertaling kan terugvinden, dat is de
"klank-expressie", waarvan hierboven sprake was. Dit mag, oppervlakkig
bezien, vreemd schijnen; doch indien men het onderscheid, dat
ik zooeven heb trachten aan te toonen, tusschen de uiterlijke,
onmiddellijk waarneembare welluidendheid en den innerlijken,
"geestelijken" klank, waarop de klank-expressie berust, goed in het
oog houdt, is het wel verklaarbaar. Want waarom zou men in eene andere
taal wél aequivalenten vinden voor de uitdrukking van zuiver logische
gedachten en niet voor woorden, die poëtische stemmingen en gevoelens
vertolken? Ik kan mij hier weer beroepen op L. van Deyssel, die in
een belangwekkend opstel, geschreven naar aanleiding van eene door
hemzelf gemaakte vertaling, waartegen door Prof. A. G. van Hamel eenige
bedenkingen waren ingebracht, zich niet dubbelzinnig over deze kwestie
heeft uitgelaten [319]. In dit opstel tracht van Deyssel aan te toonen,
dat de kritiek van Prof. van Hamel op zijne vertaling voorkomt uit
het verschil in taalwaardeering dat tusschen hen beiden bestaat. Die
van Prof. van Hamel noemt hij de "linguistiesch-aesthetische", die
van hemzelf de "alleen-aesthetische". Het verschil, dat trouwens
volgens van Deyssel zelf moeilijk onder woorden is te brengen, komt
vooral hierin uit, dat de "kunstige geleerde", zooals van Hamel, die
den "linguistiesch-aesthetischen" maatstaf aanlegt, bij het spreken
over "klankgehalte van den volzin", "beweging van rhythme" enz. iets
anders bedoelt dan de kunstenaar. Terwijl de waardeering van den eerste
uiterlijk is, is die van den laatste geheel innerlijk. "De kunstenaar
zal in zoogenaamd slecht gesteld werk wel eens beter rhythme kunnen
vinden dan in de fraaist samengevoegde en geächeveerde vol-zin-geheelen
en het klank-gehalte van den volzin wordt voor hem niet bepaald door
de harmonieuse wijze waarop in een volzin de tusschen-zinnen zich tot
het geheel van den volzin en tot elkander, of de zachte klanken zich
tot de harde verhouden; maar alleen door het psychiesch geluid van
den steller, dat hij hoort in, of áchter, de moevementen van de taal"
[320].

Die innerlijke klank, "het psychiesch geluid van den steller",
kan en moet ook in eene goede vertaling gehoord worden. Om dit in
zijne eigen vertaling van Villiers de L'Isle Adam's Akëdysséril te
bereiken, heeft van Deyssel op sommige plaatsen den Franschen tekst
niet letterlijk gevolgd, en hier en daar woorden en zinswendingen
gebruikt, wier abstracte beteekenis niet overeenkomt met die der
oorspronkelijke Fransche woorden. Dit geschiedde dan "zeker niet om
het proza van Villiers de l'Isle Adam te verbeteren, maar om dat
een niet letterlijke vertaling aan de bedoelingen van dat proza
zuiverder te gemoet komt dan een geheel letterlijke zou vermogen"
[321]. En de opmerking van den heer van Hamel, dat de vertaler zich
"in de beteekenis der woorden" wel eens "vergist" zou hebben, wordt
als volgt beantwoord:

"Zeker mag men zich in de beteekenis der woorden niet vergissen;
maar er is beteekenis en beteekenis, en een woord of zinswending
heeft, als deel van een kunstgeheel, wel eens een andere en hoogere
beteekenis dan die, welke Woordenboek en grammatica er voor aangeven."

Die "andere en hoogere beteekenis", welke alleen uit den klank van
de zin moet worden opgevangen en die door het koele logische verstand
niet kan worden gewaardeerd, behoeft dus, volgens de meening van van
Deyssel, zooals die ontwijfelbaar uit zijn geheele opstel blijkt,
niet met de vertaling verloren te gaan [322]. Wat in een geschrift
alleen absoluut onvertaalbaar is, behoort in aesthetischen zin tot
een lagere orde: nl. de uiterlijke klank en rhythmus van de taal.



Over de verhouding tusschen taal en inhoud is hiermede, naar ik meen,
genoeg gezegd. Dat ik mij zoolang bezighield met de poëtische taal
en de "klankexpressie", had niet tot oorzaak het groote practische
belang der poëtische werken als objecten van auteursrecht. Want in
dit opzicht is hunne beteekenis, vergeleken bij de geschriften van
anderen aard, waarvan het auteursrecht meestal veel grootere waarden
vertegenwoordigt en daarom ook meer gevaar loopt niet geëerbiedigd
te worden, betrekkelijk gering. Doch ik meende goed te doen juist
aan deze werken de meeste aandacht te wijden, omdat te hunnen
aanzien het vraagstuk van vorm en inhoud de grootste moeilijkheden
meebrengt en den meesten grond oplevert voor bedenkingen tegen mijne
zienswijze. Het is daarom misschien niet geheel overbodig er nog eens
aan te herinneren, dat de uitzonderingen, welke op den algemeenen
regel van de splitsbaarheid van vorm en inhoud zijn te maken, zich
slechts tot zeer enkele werken beperken. Voor de groote meerderheid
van geschriften, waartoe b.v. behooren alle wetenschappelijke en
populair-wetenschappelijke werken, reis- en plaatsbeschrijvingen en
verreweg de meeste romans, novellen en tooneelstukken, geldt, dat de
inhoud niet onverbrekelijk aan den oorspronkelijken vorm is gebonden,
maar dat hij ook in een anderen vorm (d. i. dus eene andere taal)
zuiver en ongeschonden tot uitdrukking kan worden gebracht.

Om hieruit de gevolgtrekkingen te kunnen maken, die voor het
auteursrecht van belang zijn, is het noodig, datgene wat wij als den
"inhoud" van een geschrift hebben leeren kennen, nog aan eene nadere
beschouwing te onderwerpen. Er zal onderzocht moeten worden, of die
inhoud, afgescheiden van den vorm, als eene schepping van den schrijver
kan worden beschouwd en dus op zichzelf voorwerp van auteursrecht kan
zijn; want hiervan hangt het af, of het exploiteeren van den inhoud
in een nieuwen vorm (b.v. het uitgeven van eene vertaling) een inbreuk
op des schrijvers auteursrecht uitmaakt. Maar met het beantwoorden van
deze vraag zijn alle moeilijkheden nog niet opgelost. De onderscheiding
tusschen vorm en inhoud, die ik tot nu toe gemaakt heb, geeft nog
geene voldoende ontleding van een geschrift. Ook de inhoud is niet één
onverbreekbaar geheel; ook daarin zijn verschillende bestanddeelen te
onderscheiden, die niet alleen alle tezamen, maar ook afzonderlijk in
andere werken kunnen worden overgenomen. Naast de vertalingen, die den
inhoud van het oorspronkelijke werk zoo getrouw mogelijk weergeven,
bestaan ook bewerkingen in eene andere of in dezelfde taal, waarin
het origineel niet op den voet is gevolgd, b. v. de omwerking van een
roman tot een tooneelstuk of die van een tooneelstuk in vijf bedrijven
tot een in drie enz. Hier is niet alleen de vorm een andere geworden,
maar ook de inhoud is gewijzigd; slechts enkele bestanddeelen van den
inhoud zijn uit het oorspronkelijke werk overgenomen. Hoeveel mogen nu
dergelijke bewerkingen aan het oorspronkelijke geschrift ontleenen,
zonder het karakter aan te nemen van exploitatie van het werk van
den auteur; zonder dus een inbreuk op het auteursrecht te zijn?

Eene theorie, die voor alle gevallen, waarin deze vraag gesteld kan
worden, het antwoord klaar zou hebben, is niet te geven. De analyse,
die voor dit doel van de letterkundige producten zou moeten worden
gemaakt, zou zóó fijn moeten zijn en zoozeer in bijzonderheden moeten
afdalen, dat zij niet in het algemeen kan worden vastgesteld, om
voor alle werken, of ook maar voor alle werken van eenzelfde soort,
gelijkelijk te gelden. Immers van alle geschriften, die reeds bestaan
of nog geschreven moeten worden, zou men moeten vaststellen, welke
bestanddeelen wél en welke niet als schepping van den schrijver zijn
aan te merken; dat dit bij de velerlei soorten van letterkundige
producten, die elk toch een meer of minder individueel karakter
vertoonen, een onbegonnen werk zou wezen, valt gemakkelijk in te zien.

Dit mag echter geen reden zijn om aan de mogelijkheid van eene
stelselmatige beantwoording der vraag te wanhopen. Al is het niet
mogelijk een regel te formuleeren, die zonder meer maar zou behoeven
te worden toegepast, om in elk geval de juiste beslissing gereed
te hebben, wél kan eene vaste methode worden aangenomen, die bij het
zoeken naar de beslissing moet worden gevolgd. Het is een van de groote
verdiensten van Kohler, den weg in deze richting te hebben aangewezen
en het voorbeeld te hebben gegeven van eene werkelijk systematische
behandeling van dit vraagstuk. Zijn systeem is eenvoudig, al moge de
toepassing misschien niet altijd even gemakkelijk zijn.

Hij onderscheidt aan alle werken:

1o Den uiterlijken vorm, d.i. wat ik hierboven kortweg den "vorm"
heb genoemd, dus de taal.

2o Den innerlijken vorm, waaronder men in het algemeen te verstaan
heeft de wijze, waarop de schrijver zijn stof heeft gerangschikt;
de structuur van het werk, zoowel in de groote lijnen (systematische
indeeling, periodenbouw), als ook in de onderdeelen (de wijze waarop de
gedachten of gevoelens zijn ontvouwd, waarbij naar gelang van den aard
van het werk en de eigenaardigheden van den schrijver verschillende
middelen kunnen worden gebruikt als b.v.: beeldspraak, vergelijkingen,
dialoog-vorm, of wel streng-logische redeneertrant enz. enz.).

3o Den inhoud van het geschrift, de kern, die onder den uiterlijken
en innerlijken vorm verborgen zit, d. w. z. datgene wat de auteur
had te zeggen, los van alle uitdrukkingsmiddelen, waarvan hij zich
bediend heeft.

Deze onderscheiding geeft in hoofdtrekken de methode aan, die men heeft
te volgen om bij elk geschrift te onderzoeken, hoever de schepping van
den auteur reikt. Er zal dus telkens moeten worden uitgemaakt, welk van
de drie genoemde bestanddeelen (nl. uiterlijke vorm, innerlijke vorm
en inhoud) als auteurs-schepping en dus als object van auteursrecht
is aan te merken.

Wat den uiterlijken vorm betreft, is het antwoord, na hetgeen hierover
reeds is opgemerkt, gemakkelijk te geven. De behandeling der taal,
wanneer deze niet in den dienst van het dagelijksch verkeer wordt
aangewend, is zooals wij gezien hebben, als eene kunstmatige te
beschouwen. Het onder woorden brengen, ook van andermans gedachten
en gevoelens, is eene kunst, waarbij het niet alleen aankomt op
eenvoudige toepassing van aangeleerde spel- en stijlregels, maar
waartoe eenig scheppend talent in het opbouwen der zinnen, het
vinden van de gewenschte uitdrukkingen en zinswendingen, het geven
van klank en rhythmus aan de taal, beslist onontbeerlijk is. In het
algemeen kan dus worden aangenomen, dat de uiterlijke vorm van alle
geschriften eene schepping van den auteur is en mitsdien hem alleen
toebehoort. Reproductie van een geschrift in denzelfden uiterlijken
vorm is derhalve altijd inbreuk op het auteursrecht. Ook zelfs
daar, waar niets anders dan de uiterlijke vorm van den auteur is,
moet dezen een uitsluitend recht daarop worden toegekend. Hierop
berust de bescherming van den vertaler, die natuurlijk noch op den
innerlijken vorm, noch op den inhoud eenig recht kan doen gelden,
daar zijne schepping zich beperkt tot de inkleeding van het werk van
een ander in zijne eigen taal.

Bij oorspronkelijke werken is echter ook de innerlijke vorm het werk
van den auteur. Om een goed denkbeeld te krijgen van hetgeen Kohler
met dien "innerlijken vorm" bedoelt, is het noodig enkele soorten
van geschriften afzonderlijk te beschouwen.

Nemen wij b.v. in de eerste plaats een wetenschappelijk werk. Wat de
schrijver daarin tot uitdrukking wil brengen is de door hem gevonden
waarheid omtrent eenig punt van wetenschap. Die waarheid en de
gronden waarop de schrijver haar doet rusten, vormen den inhoud van
het geschrift. In een historisch werk zal deze dus b.v. bestaan uit
de feiten en gebeurtenissen, zooals de schrijver meent dat zij zich
hebben voorgedaan en de omstandigheden, waaruit hij dit afleidt; in
een rechtsgeleerd werk kan de inhoud zijn eene juridische constructie
of de uitlegging van wetsbepalingen met de gronden waarop zij berust
enz. enz. Wanneer nu de schrijver zijne voorstudiën zoover heeft
volbracht, dat de wetenschappelijke inhoud van zijn werk hem helder
voor den geest staat, zoodat hij weet wat hij heeft mee te deelen,
dan begint eerst voor hem de eigenlijke scheppende arbeid. Die arbeid
bestaat niet alleen in het stellen van de reeks van volzinnen waaruit
zijn werk zal bestaan; voordat hij met schrijven aanvangt (voor een
deel zal het ook onder het schrijven, geleidelijk, soms zelfs min of
meer onbewust, geschieden) moet de stof, die de vrucht is van zijn
studie en overdenking, nog eene andere bewerking ondergaan. Er moet
gerangschikt en geordend worden; uit den overvloed van gedachten en
feitenkennis, waarmede de schrijver over zijn onderwerp vervuld is,
moet eene keus worden gedaan, en uit wat na deze schifting voor
opneming geschikt schijnt, moet nu het werk tot een zoo harmonisch
mogelijk geheel worden opgebouwd. Daarbij komt het niet alleen aan
op eene doelmatige systematische indeeling en groepeering van de
onderdeelen, maar ook op eene juiste en treffende bewerking van die
onderdeelen zelf. De verschillende argumenten en tegen-argumenten en
de conclusies, die daaruit telkens worden getrokken, moeten zoodanig
tegenover elkander worden gesteld, dat op alles het juiste licht valt;
de hoofdpunten moeten den lezer dadelijk in het oog vallen, terwijl
de bijzaken meer in de schaduw moeten worden gehouden. Híer zal een
voorbeeld of vergelijking dienst moeten doen, dáár eene aanhaling
van een anderen schrijver; op een andere plaats is weer een korte
historische terugblik noodig of eene herinnering aan de wijsgeerige
beginselen, waarvan de schrijver is uitgegaan.

Dit alles is nu de innerlijke vorm van het werk. Het is de gedaante,
die de schrijver heeft gegeven aan de wetenschappelijke waarheden,
welke hij had te verkondigen; eene gedaante, welke weliswaar eerst
met behulp der taal gefixeerd wordt, maar die toch onafhankelijk van
de taal tot stand komt en die daarom ook in eene vertaling van het
werk dezelfde blijft. Vandaar dat het uitgeven van eene vertaling van
een wetenschappelijk werk zonder toestemming van den auteur inbreuk op
het auteursrecht is; het is eene exploitatie van des auteurs schepping
(innerlijke vorm) onder een nieuwen uiterlijken vorm.

De inhoud van wetenschappelijke werken is echter niet beschermd. De
waarheid en de wegen, die er heen voeren, worden niet geschapen maar
ontdekt, en ontdekkingen kunnen niet onder het uitsluitend recht
van één persoon staan. Indien het tegendeel het geval was, indien
dus hij die eene nieuwe theorie over een of ander wetenschappelijk
vraagstuk heeft uitgedacht of daarover het eerst bepaalde opvattingen
heeft verkondigd, ieder ander kon verhinderen diezelfde denkbeelden,
ook in een anderen vorm, te publiceeren, dan zou aan het auteursrecht
terecht kunnen worden verweten, dat het aan de vrije ontwikkeling
der wetenschap in den weg stond. Het zou dan b.v. ongeoorloofd
zijn om in een economisch leerboek eene uiteenzetting te geven van
de leer van Ricardo, van het stelsel van Marx, van de theorie van
Malthus enz. enz., gesteld, dat op de werken van deze schrijvers
nog auteursrecht bestond; in een boek over geschiedenis zou men geen
gebruik mogen maken van de navorschingen en archiefstudiën van anderen;
bij het maken van geographische kaarten van weinig bekende landen zou
de eerbiediging van het "auteursrecht" van den ontdekkingsreiziger
op de door dezen gemaakte opmetingen en plaatsbepalingen zelfs tot
gevolg hebben, dat men gedwongen zou zijn, voor die streken nog witte
plekken op de kaart te laten of er, tegen beter weten in, volgens de
oude gegevens eene verkeerde teekening van te maken! [323]

Deze enkele voorbeelden kunnen doen zien, hoe noodzakelijk het is het
object van auteursrecht binnen vaste grenzen te houden en er alleen
datgene toe te rekenen, wat vrije schepping van den auteur is, in
dit geval dus de uiterlijke en de innerlijke vorm, niet de inhoud.

In dit verband wil ik er terloops nog op wijzen, dat bescherming
van den (innerlijken en uiterlijken) vorm en niet van den inhoud
nog niet beteekent, dat men den vorm belangrijker acht dan den
inhoud. De hierboven aangehaalde opmerking van Mr. Levy, dat dit een
"op den voorgrond sleepen" van den vorm zou zijn en dat men hierdoor
"van rechtswege" de meening zou doen postvatten, dat het slechts "om
den vorm te doen is", heeft niet den minsten zin. Het is hier niet de
vraag, wat men het belangrijkst acht of waaraan men de voorkeur geeft,
doch slechts: wat is geschikt om object van auteursrecht te zijn? Ook
Louis Blanc haalt deze twee vragen dooreen. Als argument tegen een
recht op den vorm, terwijl de inhoud onbeschermd blijft, geeft hij het
volgende voorbeeld: "Charles Fourier a cru devoir formuler en termes
bizarres et peu intelligibles les idées qui composent le fond de son
système. Vient un badigeonneur littéraire qui s'empare du système
de Fourier, l'expose dans un style clair, élégant si l'on veut, et
met le tout en vente. Vous voyez bien que, à côté de Fourier qui va
mourir de faim, le badigeonneur s'enrichira. Entendue de la sorte,
qu'est-ce que la propriété? C'est le vol" [324].

Dit aandoenlijke geval zou echter niet op rekening mogen worden
geschreven van het auteursrecht. Dat het auteursrecht van den
"badigeonneur" meer opbrengt dan dat van Fourier (al zal de een nog
wel geen millionair worden evenmin als de ander van honger behoeft
om te komen!) komt eenvoudig hierdoor, dat de eerste als auteur
iets waard is en de tweede niet. Het systeem van Fourier was niet
een auteursproduct, maar eene uitvinding, en indien men uitvindingen
van dit slag wenschte te beschermen, zou dit moeten geschieden door
patent- en niet door auteursrecht. Het is, zooals ik reeds meermalen
gelegenheid had op te merken, niet het doel van het auteursrecht,
aan alle intellectueele werkers een loon voor hun arbeid te verzekeren.

Als algemeene regel kan dus worden gesteld, dat van wetenschappelijke
werken alleen de innerlijke en de uiterlijke vorm beschermd zijn, en
niet de inhoud. Men behoeft hierbij de uitdrukking "wetenschappelijke
werken" niet te eng op te vatten; hetzelfde geldt ook voor geschriften
van populairen aard, waarvan het hoofddoel is kennis te verspreiden
of het oordeel van den schrijver mede te deelen over het een
of ander onderwerp. Artikelen en redevoeringen over de politiek,
plaatsbeschrijvingen, verslagen van gebeurtenissen van allerlei aard,
in sommige gevallen ook kritieken en beoordeelingen op het gebied
van kunst en letterkunde, behooren ook hiertoe te worden gerekend.

Anders is het echter gesteld met de letterkundige kunstwerken,
waaronder hier te verstaan zijn alle geschriften, die tot
de "belletrie" of "schoone letteren" behooren, dus: poëzie,
tooneelstukken, romans, novellen enz. Bij deze werken is niet alleen
de uiterlijke en de innerlijke vorm, maar ook de inhoud, de eigenlijke
kern, eene aesthetische schepping, en daarom reikt het auteursrecht
hier verder dan bij de geschriften van wetenschappelijken aard. Dien
inhoud, ontdaan van alle niet-aesthetische elementen, noemt Kohler "das
imaginäre Bild". Men zou het ook kunnen noemen de kunstgedachte, welke
de schrijver, meer of minder bewust, in zijn werk heeft neergelegd;
datgene, wat het tot een organisch geheel maakt en er het eigen,
persoonlijk karakter aan verleent, waardoor het zich van andere
werken onderscheidt. Doch juist het feit, dat elk kunstwerk--althans
elk kunstwerk in den hoogen zin van het woord--zulk een streng
persoonlijk karakter vertoont en zich als iets bijzonders voordoet,
maakt het zoo moeilijk om van die kunstgedachte, van dat "Imaginäre
Bild"--tenzij men één bepaald werk op het oog heeft--iets meer te
geven dan eene vage aanduiding. Het moet hier--nog meer dan ten
aanzien der wetenschappelijke geschriften--blijven bij het aangeven
van de methode, die in elk concreet geval is te volgen, om te weten
te komen, wat wél en wat niet tot de schepping van den auteur behoort.

Wat hiertoe niet gerekend moet worden is, evenals bij alle andere
werken, datgene wat alleen de vrucht is van zuiver-verstandelijke,
ontdekkende arbeid. Dit zijn in een roman of tooneelstuk de feiten en
gebeurtenissen, die tezamen de intrigue vormen. Voornamelijk is dit
het geval, wanneer deze ontleend zijn aan de geschiedenis (men denke
b.v. aan de historische romans van van Lennep en Bosboom Toussaint)
of aan de mythologie; het spreekt vanzelf, dat het verhaal, hetwelk
de schrijver uit een geschiedenisboek, of uit den Bijbel (zooals
Vondel voor zijne treurspelen meermalen deed) heeft geput, of wel aan
eene algemeen bekende sage heeft ontleend, niet als zijne schepping
is aan te merken. Vele van deze gegevens zijn dan ook door meerdere
schrijvers tot een drama of roman verwerkt, zonder dat zij daardoor in
elkanders rechten traden. Doch ook indien de schrijver zijn verhaal
zelf heeft verzonnen, kan dit geen voorwerp van zijn uitsluitend
recht uitmaken. Het verzinnen van een aantal gebeurtenissen, die den
uiterlijken loop van een roman of drama bepalen, is geen scheppende
arbeid; het is slechts het vaststellen van een schema, dat op zichzelf
geene aesthetische waarde heeft. "Wer nichts thäte"--schrijft Kohler
dienaangaande--"als die Fabel der Wahlverwandtschaften erzählen, von
zwei Paaren, die sich kreuzweise anziehen, wobei das eine Paar sich
so, das andere sich so benimmt und schlieszlich ein Kind ins Wasser
fällt und eine Dame, welche im Uebrigen auch ein Tagebuch schreibt,
sich durch Hunger den Tod gibt: der würde nicht in das Autorrecht
Göthes eingreifen, auch wenn dieses heute noch bestünde" [325].

Wáárin de eigenlijke schepping, afgezien van den uiterlijken en
innerlijken vorm, het "Imaginäre Bild" dus, in een roman of tooneelspel
bestaat, is natuurlijk niet met enkele woorden te zeggen. In het
algemeen kan men m. i. wel met Kohler [326] aannemen, dat het de
karakter-uitbeelding is der personen die in het boek voorkomen en de
schildering hunner psychologische ontwikkeling in de gegeven fabel,
hetgeen in verband met de gebeurtenissen en gedachten-stroomingen
die daarop van invloed zijn, tevens kan zijn een karakterbeeld van
het tijdperk en van de maatschappij waarin het verhaal speelt. Doch
zoodra men dit meer in bijzonderheden wil gaan uitwerken dient men erop
te wijzen--wat Kohler trouwens niet heeft verzuimd te doen--dat niet
alleen iedere school (realisme, naturalisme, romantiek enz.) maar, men
kan bijna zeggen, iedere schrijver, een eigen kunstideaal koestert en
een eigen weg kiest om dit te bereiken. Al moge dus de boven gegeven
karakteriseering van de schepping des auteurs op alle epische en
dramatische werken [327] min of meer toepasselijk zijn, meer dan
eene oppervlakkige aanduiding is zij niet en kan zij ook niet zijn,
daar kunstenaars nu eenmaal niet naar vaste modellen plegen te werken.

Ik meen echter niet dieper hierop in te moeten gaan en wensch liever
de aandacht te vestigen op eene vraag van practisch belang, voor
de oplossing waarvan het bovenstaande reeds eenig licht kan geven;
de vraag nl. of het zoogenaamde "dramatiseeren" van een roman,
d. w. z. de omwerking daarvan tot een tooneelstuk, en omgekeerd
de bewerking van een tooneelstuk in romanvorm, een inbreuk op het
auteursrecht uitmaakt. Eene dergelijke bewerking kán zijn een bijna
woordelijk overnemen van het origineel, indien nl. de bewerker er
zich toe bepaald heeft de zinnen, die de romanschrijver zijn helden
in den mond legt, eenvoudig over te schrijven. De aanhalingsteekens
behoeven dan slechts te worden weggelaten en in de plaats daarvan de
namen der personen te worden gezet boven hetgeen zij te zeggen hebben,
terwijl misschien hier en daar nog eene verschikking of samenvoeging
van enkele tooneelen noodig is, en de "bewerking voor het tooneel"
is gereed. Dat men door de uitgave van eene dergelijke bewerking in
strijd komt met het auteursrecht, behoeft wel geen betoog, daar hier
behalve de inhoud en de innerlijke vorm ook de uiterlijke vorm geheel
of althans voor een groot gedeelte is gestolen.

Bij eene werkelijke dramatiseering wordt echter zoowel de uiterlijke
als de innerlijke vorm een andere. Deze laatste moet uit den aard
der zaak in een tooneelstuk aan andere eischen voldoen dan in een
roman. De romanschrijver kan de gesprekken en dialogen afwisselen
door lyrische gedeelten, natuurbeschrijvingen, algemeene historische
beschouwingen of zelfs door bespiegelingen op wijsgeerig, godsdienstig
en ethisch gebied. Hij is niet--althans niet zoo absoluut als de
drama-schrijver--aan tijd en plaats gebonden; hij kan desverkiezend bij
sommige onderdeelen wat langer stilstaan, zonder vrees den dramatischen
loop daardoor te verstoren.

De schrijver van een tooneelstuk daarentegen moet zijn geheele
werk in een beperkt aantal tooneelen laten afspelen. Voor lange
uitweidingen en beschouwingen is geene plaats; alles moet door
de woorden en gedragingen van de in het stuk optredende personen
worden uitgebeeld. Daarmede heeft natuurlijk de bewerker, die den
inhoud van een roman in dramatischen vorm wil weergeven, rekening te
houden. Alle beschrijvingen en beschouwingen, al die gedeelten waarin
niet de personen aan het woord zijn maar de schrijver zelf, moeten
noodzakelijk vervallen. Voorvallen uit het vroeger leven der optredende
personen, die tot typeering van hun karakter of ter verklaring
hunner latere gedragingen door den romanschrijver ter geschikter
plaats zijn medegedeeld, moeten in het tooneelstuk op eene andere
wijze te pas worden gebracht. Evenzoo zullen de tijdsomstandigheden
en de historische gebeurtenissen, die op het stuk van invloed zijn,
door andere middelen moeten worden afgeschilderd. Verschillende fijne
schakeeringen, die de oorspronkelijke schrijver in den roman had weten
te doen uitkomen, zullen daardoor in de tooneelbewerking moeten worden
gemist; doch daar staat tegenover, dat met eene plastische uitbeelding
op het tooneel effecten zijn te verkrijgen die eene beschrijving niet
kan geven.

De roman moet dus vele vervormingen ondergaan (waarvan er hier
slechts enkele zijn aangestipt), wil er een speelbaar tooneelstuk
uit groeien, dat niet "rammelt" zooals de technische uitdrukking
luidt. Doch daarmede is niet gezegd, dat de inhoud ook een andere is
geworden. De bewerking gaat niet dieper--behoeft tenminste niet dieper
te gaan--dan den innerlijken vorm, d.w.z. de structuur, die uiteraard
in roman en drama verschillend is. Doch de inhoud, de karakters en
hunne ontwikkeling, zal in de meeste gevallen dezelfde zijn gebleven,
daar de bewerker er natuurlijk naar gestreefd zal hebben, dezen zoo
gaaf mogelijk weder te geven.

En hiermede is ook het antwoord op de voorgelegde vraag
gevonden. Indien werkelijk datgene, wat ik hierboven als "inhoud" heb
gekarakteriseerd, in de bewerking kan worden teruggevonden, indien
dus niet alleen de uiterlijke loop van het verhaal, de intrigue,
aan den roman is ontleend, maar ook de psychologische ontwikkeling
en de atmosfeer, waarin deze plaats grijpt, dan moet ook het uitgeven
of opvoeren van eene dergelijke bewerking zonder toestemming van den
oorspronkelijken auteur voor ongeoorloofd worden gehouden. Het is dan
immers de exploitatie van des auteurs schepping, al heeft de bewerker
daaraan een nieuwen uiterlijken en innerlijken vorm gegeven.



c Practische toepassingen van het voorgaande

In verband met de theoretische beschouwingen, die voorafgaan, wensch ik
thans enkele vragen, die de geschriften als objecten van auteursrecht
betreffen, meer uit het oogpunt van de practische toepassing door
wetgever en rechter te bezien. Achtereenvolgens zullen hierbij ter
sprake komen:


    I   De vereischten, waaraan een geschrift moet voldoen om object
        van auteursrecht te zijn;
    II  Het recht van den vertaler;
    III Het uitsluitend vertalingsrecht;
    IV  Het recht van den bewerker en het uitsluitend bewerkingsrecht.



I Vereischten waaraan een geschrift moet voldoen om object van
auteursrecht te zijn

In de wetten vindt men over de vraag, waarmede ik mij nu ga
bezighouden, nergens eene bijzondere bepaling; de beantwoording wordt
overal overgelaten aan den rechter.

Het beginsel dat hierbij is te volgen, heb ik reeds genoemd en
besproken [328]; het is in het kort dit, dat slechts dáár van
auteursrecht sprake kan zijn, waar eene schepping van den auteur valt
aan te wijzen; terwijl de letterkundige of wetenschappelijke waarde
of belangrijkheid dier schepping buiten beschouwing moeten blijven.

In bijna alle landen heeft zich de jurisprudentie in dezen zin
gevestigd.

Zoo werd in Duitschland uitgemaakt, dat op brieven, die niets
anders bevatten dan eenvoudige mededeelingen en regeling van zaken,
geen auteursrecht bestaat, daar zij niet zijn te beschouwen als
"geestelijke scheppingen." Dat zij zich tot eene winstgevende
exploitatie leenen (het waren in dit geval brieven van Richard Wagner)
doet aan hun karakter niets af, doch is eene buitenstaande, toevallige
omstandigheid [329]. Ook werd bescherming geweigerd, als zijnde geen
"Schriftwerke" volgens de Duitsche wet, aan schouwburg-programma's,
die eenvoudig de mededeeling inhouden van de stukken, die zullen worden
gespeeld, de rolverdeeling, het aanvangsuur, de prijzen der plaatsen,
enz. [330]. Evenzoo werd beslist ten aanzien van formulieren voor
het houden van kantoorboeken [331] en van prijscouranten, die niets
anders bevatten dan een lijst van artikelen met den prijs, waarvoor
zij te koop zijn [332].

In België werd o.a. beslist, dat niet vielen onder de "écrits" welke
de wet op het auteursrecht beschermt: eene lijst van de vreemdelingen,
die in de badplaats Oostende waren aangekomen (Tribunal de Commerce
van Brussel 20 April 1894); nieuwsberichten (Hof van Brussel 1
Dec. 1853); programma's van wedrennen (Hof van Brussel 20 Nov. 1866)
en eene handels-advertentie, bestaande uit zinnen, die dagelijks voor
soortgelijke doeleinden worden gebruikt, en waaraan de opsteller niets
had toegevoegd, waardoor het een oorspronkelijk werk zou zijn geworden
(Tribunal de Paix van Luik 29 Mei 1896) [333].

Fransche rechterlijke beslissingen in denzelfden zin zijn o.m. gewezen
ten aanzien van: een prospectus, waaruit waren overgenomen scheikundige
analyses en gegevens betreffende de aardrijkskundige ligging en
berekening van prijzen met het oog op eene te vestigen industrieele
onderneming [334]; mededeelingen omtrent rechtspraak en administratie
(Hof v. Parijs 2 Mei 1857); telegraphische nieuwsberichten
(Seine-Rechtbank 12 Juni 1851 [335]; Hof van Cassatie 18 Maart 1908)
[336]; eene lijst van de vermoedelijke winnaars van wedrennen, door een
sportblad gepubliceerd [337]. Ten aanzien van een postzegelcatalogus
nam de Seine-Rechtbank aan, dat op werken van dien aard alleen dán
auteursrecht kan bestaan, wanneer zij als "créations de l'esprit" zijn
te beschouwen, "à raison de la conception esthétique ou scientifique
qui ressort de leur plan général, de l'érudition qui se dégage des
appréciations ou observations, même sommaires qu'ils contiennent,
ou tout au moins de l'originalité qui imprime un caractère personnel
à l'ensemble de la publication" [338].

Minder juist lijkt mij de volgende overweging, waarmede het erkennen
van auteursrecht op een catalogus eener kunst-tentoonstelling werd
gemotiveerd: "Attendu que le catalogue des oeuvres d'art exposées
chaque année au Palais de l'industrie constitue, à raison de son
importance et des recherches qu'il nécessite, une oeuvre littéraire
susceptible d'une propriété privée et représentant une valeur vénale
relativement importante, enz." [339]. Nóch de belangrijkheid van
dezen catalogus, nóch de arbeid, die er aan ten koste was gelegd,
nóch het feit, dat hij eene geldelijke waarde vertegenwoordigde,
maakten m.i. dit werk tot eene schepping in den boven aangegeven
zin. Over het algemeen echter volgt de Fransche jurisprudentie het
juiste beginsel, dat alleen dient te worden nagegaan, of er al dan
niet eene "création de l'esprit" aanwezig is.

Ook van de rechterlijke beslissingen, die mij uit andere landen
bekend zijn, kan voor het meerendeel hetzelfde worden gezegd. In
Oostenrijk werd b.v. uitgemaakt, dat op een adresboek alleen vanwege
de historische en ethnographische opmerkingen, die er in voorkwamen,
auteursrecht bestond [340]; en dat niet als object van auteursrecht
waren te beschouwen zakelijke gegevens, met behulp waarvan een
dagbladartikel was samengesteld [341]. In Engeland werd ten aanzien
van dagblad-berichten beslist, dat daarvan niet de inhoud, maar
alleen de bijzondere vorm, waarin zij zijn gepubliceerd, voorwerp
van auteursrecht is [342]; ook ten aanzien van een prijscourant eener
machinefabriek werd in soortgelijken zin beslist [343]. De Zwitsersche
Bondsrechtbank weigerde o. a. als beschermde geschriften te erkennen:
een spoorwegboekje, dat alleen feitelijke gegevens omtrent de uren van
aankomst en vertrek der treinen en de prijzen bevatte [344] en eene
alphabetische lijst van de aangeslagenen in de belasting te Zürich
[345]. In Italië eindelijk maakte het Hof van Appel van Milaan uit,
dat een eenvoudige prijscourant niet behoort tot de geestesproducten
(opere dell ingegno) in den zin der wet op het auteursrecht, daar
hiertoe alleen wezenlijke scheppingen gerekend kunnen worden [346].

Naast deze buitenlandsche beslissingen, waarvan er nog veel meer zouden
zijn te noemen, die zich alle vrijwel in dezelfde lijn bewegen [347],
valt het op, dat de Nederlandsche rechtspraak tot nu toe eene gansch
andere richting heeft gevolgd.

Zoo werd achtereenvolgens door de Arrondissements-Rechtbank van
den Haag, door het Hof in dezelfde stad en door den Hoogen Raad het
auteursrecht erkend op een feestwijzer voor de 3 October-feesten te
Leiden in 1891 [348]; door de Rechtbank te Amsterdam dat op eene
lijst van predikbeurten [349]; door het Hof van den Haag en den
Hoogen Raad op officieele berichten van de godsdienstoefeningen der
Nederduitsch-Hervormde gemeente te Rotterdam [350]. In geen dezer
gevallen had men te doen met eene geestelijke schepping in den boven
bedoelden zin: de Leidsche feestwijzer bevatte, zooals ook door
den beklaagde werd aangevoerd, uitsluitend "stadsnieuws", nl. de
vermelding van den aard der feestelijkheden en van uur en plaats,
waarop zij zouden worden gehouden; in de beide laatste zaken bestond
het "auteursproduct" uit eene opgave van de namen der predikanten, met
de kerken waarin en de dagen en uren waarop door hen Godsdienstoefening
zou worden gehouden.

Tot motiveering dezer uitspraken werd o. a. aangevoerd, dat de wet geen
onderscheid maakt tusschen verschillende soorten van geschriften,
en dat derhalve ook die geschriften beschermd zijn, welke geene
"letterkundige gedachte behelzen", (arrest H. R. 21 Nov. 1892 W. 624)
óf, zooals het in het arrest van den Hoogen Raad van 29 April 1895
(W. 6647) werd uitgedrukt: die welke "blijvende wetenschappelijke of
letterkundige waarde" missen. Wat met de eerste uitdrukking wordt
bedoeld, is mij niet recht duidelijk, zoodat ik over de juistheid
of onjuistheid van dat argument geen oordeel durf uitspreken. Met
de laatstgenoemde woorden wordt echter een zeer juist beginsel
uitgesproken: de wetenschappelijke of letterkundige waarde van een
geschrift moet bij de vraag, of het al dan niet een auteursproduct is,
niet in rekening worden gebracht. Doch hiermede is nog niet gezegd,
dat een lijst van predikbeurten tot de beschermde geschriften
behoort. Wie zich eenigszins rekenschap geeft van de beteekenis
van het woord "auteursrecht" zal moeten inzien, dat hier nóch een
auteur nóch een auteursproduct was aan te wijzen. De H. R. nam in
zijn laatstgenoemd arrest aan, dat de firma D. v. S. te Rotterdam
(die het blaadje "de Kerkbode" uitgaf) als rechtverkrijgende van het
ministerie van predikanten bij de Nederduitsch-Hervormde gemeente
aldaar zich het auteursrecht op de bedoelde lijst van predikbeurten
kon voorbehouden. Volgens deze constructie zou dus het ministerie
van predikanten de auteur zijn van ... de regeling der preekbeurten,
welke die predikanten onder elkander hadden vastgesteld! Waarin hier
de auteurs-arbeid van deze vergadering van predikanten bestond, is
moeilijk te zien. Zij beslisten eenvoudig, op welke uren en in welke
kerken zij den volgenden Zondag zouden optreden. Eene geestesschepping,
ook al vraagt men niet naar blijvende wetenschappelijke of
letterkundige waarde, was hier ver te zoeken.

Er is beweerd, dat onze wet geen ruimte laat voor eene andere
uitlegging dan die, welke in de genoemde rechterlijke uitspraken werd
gegeven. M. i. volkomen ten onrechte.

In de wet van 1817 en ook in het Ontw. Boekh. werd gesproken van
"letterwerken"; het woord "geschriften", dat in de tegenwoordige wet
daarvoor in de plaats is gekomen, zou naar veler oordeel van ruimer
strekking zijn en ook "geschriften" als de boven bedoelde omvatten
[351]. Dit verschil van beteekenis kan ik echter niet inzien en in
geen geval heeft men de bedoeling gehad den kring der beschermde
producten uit te breiden door het woord "geschrift" te gebruiken in
plaats van "letterwerk". Dit blijkt m. i. ten duidelijkste uit de
volgende zinsnede uit de memorie van toelichting [352]:

"De soorten van werken, waarop deze wetsvoordracht betrekking heeft,
stemmen overeen met die welke in het ontwerp van den boekhandel
voorkomen; echter is het min gebruikelijke "letterwerk" door het woord
"geschrift" vervangen."

Ik meen daarom, dat er geen reden bestaat, om aan ons woord "geschrift"
eene andere beteekenis te geven dan b.v. in Oostenrijk en Duitschland
het woord "Schriftwerk" en in België en Frankrijk "écrit" hebben. In
het gewone spraakgebruik moge men misschien een lijst van predikbeurten
en een programma van feestelijkheden "geschriften" noemen, dit is
nog geen reden om dit ook hier te doen. Wat hier vóór alles in het
oog moet worden gehouden, is, dat het woord gebruikt wordt in eene
wet tot regeling van het auteursrecht, en dat alleen die geschriften
bedoeld worden, welke eenen auteur hebben.

Men heeft zich ook beroepen op eene andere uitdrukking van onze wet,
die voorkomt in artikel 7 lid 2, waar het auteursrecht op den inhoud
van dag- en weekbladen nader is geregeld. Daar wordt gesproken van
"berichten of opstellen"; van welke werken het auteursrecht wordt
erkend, mits het uitdrukkelijk worde voorbehouden. De vraag is dus,
of dit woord "berichten" ook, zooals beweerd wordt, eenvoudige
mededeelingen van feiten omvat, die in geen enkel opzicht als
scheppingen zijn te beschouwen. M. i. kan hier hetzelfde antwoord
worden gegeven als boven ten aanzien van het woord "geschriften". Niet
in zijne algemeene beteekenis moet het woord worden opgevat, maar in
de bijzondere beteekenis, die het verband waarin het gebruikt wordt,
aangeeft. Zoo blijft men ook het dichtst bij de bedoeling van den
wetgever, voorzoover die uit hetgeen bij de voorbereiding der bepaling
is gezegd en geschreven kan worden opgemaakt. In het eerste ontwerp
kwam de bepaling niet voor; zij is er later door minister Modderman
bijgevoegd. In de memorie van antwoord (p. 4) wordt ervan gezegd,
dat als beginsel is aangenomen, dat de inhoud van dag- en weekbladen
wordt beschouwd als gemeengoed, en dan komt deze verklaring: "Er
zijn echter uitzonderingen. Niet zelden bevatten de nieuwsbladen
stukken van meer blijvende wetenschappelijke of letterkundige waarde,
bijvoorbeeld als feuilletons, waarvan men zich het auteursrecht niet
wil laten ontrooven. Hiervoor laat het ontwerp ruimte door te bepalen,
dat men zich het auteursrecht van een in een nieuwsblad gepubliceerd
stuk kan voorbehouden, mits men slechts aan het hoofd van dat stuk
zoodanig voorbehoud uitdrukkelijk kenbaar make." Hierbij werd dus
blijkbaar aan losse berichten, die niets anders dan mededeelingen
van feiten bevatten, in 't geheel niet gedacht. Zonder tot verdere
gedachtenwisseling aanleiding te geven, is de bepaling daarna
overanderd in de wet opgenomen. Slechts één enkele opmerking, die bij
de behandeling der wet in de Tweede Kamer werd gemaakt, zou kunnen
doen vermoeden, dat aan het woord "berichten" een ruimere strekking
werd toegekend. Het kamerlid van de Werk liet zich n.l. als volgt
uit: "Of het niet beter geweest ware om voor de gewone korte losse
couranten-berigten geen bescherming tegen nadruk te geven, daarop zal
ik niet terugkomen" [353]. Deze opmerking werd echter gemaakt toen
artikel 7 reeds zonder beraadslaging was goedgekeurd; uit het feit
dat zij niet werd weersproken, mag men dus niet opmaken, dat zij,
wat de uitlegging der bepaling betreft, de algemeene opinie weergaf.

Ik blijf het er dus voor houden, dat onze wet niet de schuld draagt
van de minder juiste beslissingen, die zijn besproken, en dat er geene
wetswijziging voor noodig is om hier, evenals in alle andere landen,
het juiste beginsel te kunnen toepassen. Wél kan worden toegegeven,
dat het woord "berichten" in artikel 7 lid 2 niet gelukkig is gekozen,
doch de rechter behoeft zich daardoor niet gedwongen te gevoelen
tot het erkennen van een "auteursrecht", dat in geen enkel opzicht
dezen naam verdient. Zoo is b.v. naar mijne meening de mededeeling:
"auteursrecht voorbehouden", die in de meeste groote dagbladen boven
de dagelijksche beursnoteering voorkomt, misplaatst en zonder eenige
beteekenis. Reeds Jolly merkte terecht op: "An den durch Telegraph
berichteten Worten: "Paris ist ruhig" oder "5% Rente = 99 1/4" kan
aber kein vernünftiger Mensch eine Autorschaft und in Folge derselben
Autorrechte beanspruchen" [354].



II Het recht van den vertaler

Dat vertalingen als zelfstandige voorwerpen van auteursrecht zijn te
beschouwen, dat m. a. w. de vertaler auteursrecht geniet voor zijne
vertaling, is een regel die vrijwel nergens tegenspraak ontmoet. In
bijna alle landen wordt het recht van den vertaler uitdrukkelijk
in de wet genoemd. Ook onze wet houdt de bepaling in (art. 2c), dat
"met auteurs worden gelijkgesteld: vertalers ten opzichte van hunne
vertaling".

De "gelijkstelling" met oorspronkelijke auteurs beteekent natuurlijk
niet, dat de vertaler dezelfde rechten heeft, die hij zou kunnen doen
gelden, indien het door hem geleverde een eigen, oorspronkelijk werk
was. De vertaler is alleen auteur van den uiterlijken vorm [355];
het object van zijn recht is--zooals trouwens ook onze wet heel goed
doet uitkomen--niet het vertaalde geschrift, maar de vertaling. Op
den innerlijken vorm en den inhoud kan hij niet het minste recht doen
gelden. Het uitgeven van eene andere vertaling van hetzelfde geschrift
is derhalve geen inbreuk op het recht van den eersten vertaler. Evenmin
kan deze zich er tegen verzetten, dat van zijne vertaling weer eene
andere vertaling of bewerking in het licht wordt gegeven. Wat dit
laatste betreft schijnt Mr. Veegens tot de tegenovergestelde meening
over te hellen. De gelijkstelling van vertalers ten opzichte van hunne
vertaling met auteurs pleit er volgens dezen schrijver voor, dat de
vertaler zich volgens onze wet ook, overeenkomstig artikel 5b, het
uitsluitend recht tot het uitgeven van vertalingen van zijne vertaling
in andere talen kan voorbehouden [356]. Dit zou echter beteekenen,
dat de vertaler recht kreeg op een werk, aan welks voortbrenging hij
part noch deel heeft gehad. Gesteld een Russische roman is in het
Hollandsch vertaald en deze Hollandsche vertaling wordt door een derde
weer in het Duitsch overgebracht. Zelfs als wij aannemen, dat deze
laatste geen Russisch kende en dat hij dus de Hollandsche vertaling
bepaald noodig had om zijne Duitsche bewerking te kunnen maken, dan
nog kan in de uitgave van deze Duitsche bewerking niet gezien worden
een exploiteeren van het werk van den Hollandschen vertaler. Immers
wat de bewerker van de Duitsche vertaling aan de Hollandsche heeft
ontleend beperkt zich tot den innerlijken vorm en den inhoud van den
roman, tot die bestanddeelen dus van het werk, welke de bewerker der
Hollandsche vertaling op zijne beurt weer van den oorspronkelijken
Russischen schrijver had overgenomen. Dit kan dus nooit als een inbreuk
worden beschouwd op het recht van den Hollandschen vertaler. Twijfel
hieromtrent is naar mijne meening--ook wanneer alleen rekening wordt
gehouden met wat onze wet bepaalt--volkomen uitgesloten. Alleen "de
vertaling" is voorwerp van des vertalers recht; dit is voldoende om
de vraag in den bovengemelden zin te beantwoorden.

Niet altijd is in ons land het recht van den vertaler binnen deze
juiste grenzen gehouden, getuige het "regt van praeferentie,"
dat door de Publicatie van het Provinciaal Bestuur van Holland
van 1796, door de wet van 1803 en door de Souvereine Besluiten van
1814 en 1815 werd verleend aan den vertaler van een buitenlandsch
werk, waardoor deze elke andere vertaling van hetzelfde geschrift
kon tegenhouden. Weliswaar maakte reeds de wet van 1817 aan deze
gepatenteerde rooverij een einde [357]; doch de feitelijke toestand
komt nu nog vrijwel overeen met dien van een eeuw geleden. Er
bestaat nl. eene bepaling in het reglement van de Vereeniging ter
bevordering van de belangen des boekhandels, volgens welke elk
lid dezer vereeniging, die aan eene speciaal daarvoor aangewezen
commissie zijn voornemen te kennen geeft, van een in het buitenland
uitgekomen werk hier eene Nederlandsche vertaling uit te geven,
door de overige leden als uitsluitend daartoe gerechtigde wordt
aangemerkt. Binnen den kring der Vereeniging, waarvan trouwens bijna
alle Nederlandsche uitgevers lid zijn, geniet dus, buiten de wet om, de
eerste vertaler het uitsluitend vertalingsrecht op het oorspronkelijk
werk. Hetzelfde beginsel dus als het in de regelingen van 1796,
1803, en 1814 en 1815 gehuldigde: wie er het eerste bij is geldt
als rechtmatig bezitter. Dit is voorzeker een bedenkelijke toestand,
waarvoor men echter de Vereeniging ter bevordering van de belangen
des boekhandels niet te hard mag vallen, vooral niet, nu sinds 1878
dezelfde bescherming ook wordt verleend aan hem, die eene verklaring
van den schrijver van het werk kan overleggen, waarin deze tot de
uitgave der vertaling machtiging verleent. Zoo wordt althans het
recht van den buitenlandschen auteur niet geheel voorbijgegaan. Doch
alleen het feit dat eene dergelijke op onderlinge afspraak berustende
regeling mogelijk en noodig is, geeft weer een treurig staaltje van
de achterlijkheid van ons land op het gebied der auteursbescherming.

Het enkele feit, dat iemand een boek vertaalt geeft hem--het is reeds
herhaaldelijk gezegd--niet het minste recht op dat boek zelf. De
rechten van den oorspronkelijken schrijver, en in het bijzonder
diens uitsluitend vertalingsrecht, worden daardoor in geenen deele
verkort. Dit heeft tot gevolg, dat de vertaler niet altijd volkomen
vrij is in de uitoefening van zijn recht op de vertaling. Eene
exploitatie van de vertaling is tevens eene exploitatie van het
oorspronkelijke werk d. w. z. van den innerlijken vorm en den inhoud
daarvan. Zoolang dus het uitsluitend vertalingsrecht van den schrijver
bestaat, mag de vertaler niet zonder diens toestemming zijne vertaling
in druk uitgeven of, zoo het een tooneelstuk is, doen opvoeren,
en daarom heeft de vertaler niet veel aan zijn recht, indien deze
toestemming niet is verkregen. Doch voor het ontstaan van het recht
des vertalers is dit geen beletsel. In sommige wetten (o. a. in de
vroegere Duitsche wet § 50 en in de Berner Conventie van 1886 art. 6)
werd het recht van den vertaler alleen verleend voor "rechtmatige
vertalingen", waaronder men dan had te verstaan vertalingen, die niet
in strijd met het uitsluitend vertalingsrecht op het oorspronkelijke
werk waren uitgekomen. Men heeft dit verdedigd door erop te wijzen,
dat het niet aangaat den dief te beschermen [358]. Dit argument gaat
hier echter niet op. Dat de vertaler een wederrechtelijk gebruik maakt
van het werk van een ander is nog geen reden om hem het recht op zijn
eigen werk te ontnemen. Dit laatste heeft hij niet gestolen en het is
dus geen "bescherming van den dief" hem dit te laten behouden. Men wil
toch niet, dat iemand, die b.v. in een hem toebehoorende kruik wijn
van zijn buurman steelt, daardoor het recht op zijne kruik verbeurt?

Het heeft bovendien geen zin te spreken van "rechtmatige"
vertalingen. De vertaling zelf is niet "rechtmatig" of "onrechtmatig";
wél kan er een rechtmatig of onrechtmatig gebruik van worden
gemaakt. Of dit laatste zal geschieden kan van te voren natuurlijk
nooit met zekerheid worden gezegd. Het is b.v. mogelijk dat iemand eene
vertaling maakt met het voornemen haar eerst uit te geven, wanneer
het uitsluitend vertalingsrecht van den auteur zal zijn verstreken,
of wanneer diens toestemming tot de uitgave zal zijn verkregen [359].

Beide rechten--het recht van den vertaler op zijne vertaling en het
uitsluitend vertalingsrecht van den schrijver op het oorspronkelijk
werk--dienen dus scherp uit elkander te worden gehouden. De vertaler
en de oorspronkelijke schrijver hebben, ieder op hun terrein en
onafhankelijk van elkander, evenveel aanspraak op bescherming, en er
bestaat geen reden om aan den eerste zijn recht te onthouden omdat hij
bij de uitoefening daarvan met het recht van den laatste in botsing
zou kunnen komen.



III Het uitsluitend vertalingsrecht

Over het uitsluitend vertalingsrecht is--vooral ook in ons land--veel
geschreven. De strijd loopt voornamelijk over de rechtmatigheid en
de wenschelijkheid van dit recht, welke hier nog door velen worden
ontkend. Na het voorgaande meen ik mij van eene breedvoerige bespreking
van de argumenten, die tegen het vertalingsrecht zijn ingebracht,
ontslagen te rekenen; dat ik ze hier niet geheel voorbijga, is vooral
terwille van het groote practische belang van de vraag, die--zooals
algemeen bekend is--den geheelen strijd over de al of niet aansluiting
van ons land bij de Berner Conventie beheerscht.

Eene bewering, die men bij bijna alle bestrijders van het
vertalingsrecht terugvindt, is deze: de vertaler heeft door
zelfstandigen intellectueelen arbeid een nieuwen vorm gegeven aan
de gedachten van den oorspronkelijken auteur. Deze laatste kan
op die "gedachten" geen recht meer laten gelden, daar zij door de
publicatie gemeengoed zijn geworden [360]. Wat dit argument heeft te
beteekenen, meen ik reeds voldoende in het licht te hebben gesteld
bij mijne beschouwingen over vorm en inhoud der geschriften. De
vertaler neemt niet maar "gedachten" over van den oorspronkelijken
schrijver; wat hij overneemt is de inhoud en de innerlijke vorm, welke
laatste--zooals uitvoerig is aangetoond--steeds--ook bij geschriften
van wetenschappelijken aard--als eene aesthetische schepping van den
auteur is aan te merken. Dat de vrije verspreiding van "gedachten"
door het auteursrecht zou worden belemmerd, is hierboven m. i. ook
reeds voldoende weerlegd.

En wat de zelfstandigheid betreft van den arbeid des vertalers,
waar steeds met zooveel nadruk op wordt gewezen, deze is al zeer
betrekkelijk. Zelfstandig werkt de vertaler zeer zeker in het
vormen van zijne zinnen en wendingen, in het kiezen van de juiste
uitdrukkingen, i. e. w. in het bewerken van den nieuwen uiterlijken
vorm. Deze zelfstandigheid wordt door niemand ontkend; dit blijkt wel
uit het bovenbesproken recht op de vertaling, dat den vertaler overal
wordt toegekend. Doch--en dit is het eenige wat hier in aanmerking
mag komen--met betrekking tot de schepping van den oorspronkelijken
schrijver houdt alle zelfstandigheid van den vertaler op. Het is zijne
taak, die zoo getrouw mogelijk in zijne taal weer te geven, zonder
er iets van eigen vinding aan toe te voegen. Hoe men kan volhouden,
dat het werk van den vertaler ook in dit opzicht "zelfstandig" is,
is mij een raadsel [361].

Een ander argument, dat meestal met het vorige in één adem wordt
genoemd, is dat de oorspronkelijke auteur geen deel heeft gehad aan
de bewerking der vertaling, ja dat hij zelfs in de meeste gevallen
zelf de vertaling niet had kunnen maken. Allereerst kan hiertegen
worden opgemerkt, dat het niet de vraag is, waartoe de auteur of de
vertaler in staat zou zijn geweest, maar alleen: wat elk van die twee
heeft voortgebracht. Houdt men dit maar in het oog, dan kán--dunkt
mij--de oplossing der vraag niet twijfelachtig zijn. Het uitsluitend
vertalingsrecht is geen recht op de vertaling maar een recht op die
bestanddeelen van het oorspronkelijke werk, welke de vertaler heeft
overgenomen. Evenmin als de vertaler zonder toestemming van den
oorspronkelijken auteur het vertaalde geschrift mag exploiteeren,
mag deze laatste dit doen zonder toestemming van den vertaler. Het
zijn--voor velen schijnt het moeilijkheden op te leveren dit in te
zien--twee scherp van elkander te onderscheiden rechten, waarmede wij
hier te doen hebben, die nóch object, nóch subject met elkander gemeen
hebben. Uitsluitend wat de uitoefening van hun recht betreft zijn de
auteur en de vertaler van elkaar afhankelijk, omdat het vertaalde
geschrift, dat als voorwerp van exploitatie één geheel uitmaakt,
de objecten van beider rechten in zich bevat.

Van nog minder gewicht is het eveneens herhaaldelijk aangevoerde
argument, dat de auteur niet benadeeld wordt door de uitgave eener
vertaling, ook al is hij daarin niet gekend. De ondervinding zou eerder
hebben geleerd, dat het tegendeel het geval is, dat nl. de uitgave
van vertalingen in andere landen het debiet van de oorspronkelijke
uitgave doet toenemen. Als de auteur dus geen schade lijdt, maar
zelfs indirect voordeel ervan heeft, dat zijn werk door anderen
vertaald wordt, waarom hem dan het recht toe te kennen vertalingen
te verbieden? Hierbij doet dan geregeld dienst eene indertijd aan
Mr. J. N. van Hall gedane verklaring door den Franschen uitgever van
François Coppée's werken, dat sinds Coppée in onze taal was vertaald,
het debiet van zijne gedichten in de oorspronkelijke taal belangrijk
was toegenomen [362].

De redeneering is eigenlijk eene ernstige bestrijding niet waard. Wat
men ermede schijnt te willen betoogen, is, dat het voor een auteur
voordeeliger zou zijn het uitsluitend vertalingsrecht niet, dan het wel
te hebben! Twee zaken worden hierbij klaarblijkelijk over het hoofd
gezien: ten eerste, dat het "indirecte voordeel" (nl. het grooter
debiet van de oorspronkelijke uitgave) niet minder wordt door het
feit, dat voor de uitgave der vertaling eerst de toestemming van
den schrijver moet worden gevraagd en ten tweede dat er naast dat
indirecte voordeel in het laatste geval nog het directe voordeel
bijkomt, dat voor het verkrijgen dier toestemming iets in rekening
kan worden gebracht.

Wat men nu verder nog ter bestrijding van het vertalingsrecht
vindt aangevoerd staat, zooals trouwens ook reeds met dit laatste
argument het geval is, geheel buiten het terrein van het recht. In
overeenstemming met de "algemeen belang-theorie", die--zooals wij
gezien hebben--ook onder de juristen in ons land vele aanhangers
heeft gevonden, wordt door velen de vraag: hoever gaat het recht der
auteurs? geheel terzijde gesteld en wordt uitsluitend gerekend met
de verschillende belangen, die bij deze kwestie zijn betrokken. Zoo
wordt beweerd, dat ons betrekkelijk kleine land met zijn beperkt
taalgebied het zonder vertalingen van buitenlandsche boeken niet
kan stellen en dat het daarom van het grootste belang is, dat het
uitgeven van vertalingen aan ieder vrij wordt gelaten. Men vreest,
dat de buitenlandsche schrijvers, indien hun hier een uitsluitend
vertalingsrecht wordt toegekend, hooge prijzen zullen vragen, waarvan
het gevolg zou zijn, dat de vertalingen, die zouden verschijnen, minder
in aantal en duurder zouden worden. Dit zou dan beteekenen groote
schade, niet alleen voor de uitgevers, drukkers en boekhandelaren,
maar ook voor het geheele boeken-koopende publiek. In het bijzonder
de kleine uitgevers zouden daarvan het slachtoffer worden, daar voor
hen het betalen van een eenigszins beteekenend honorarium aan den
oorspronkelijken auteur, met een onzekeren kans op winst, vrijwel
uitgesloten is.

Het eerste en eigenlijk alles afdoende antwoord op dit alles moet
zijn: het gaat hier niet alleen om belangen, maar er zijn rechten in
het spel. Het vertalingsrecht, ook dat van buitenlandsche auteurs,
moet geëerbiedigd worden, zelfs al zou dit minder voordeelig zijn,
hetzij voor enkele kringen, hetzij--zooals beweerd wordt--voor het
volk in zijn geheel.

Doch ook indien men voor een oogenblik dit standpunt verlaat en
zich uitsluitend bepaalt tot de utilistische motieven, die in
deze strijdvraag bij velen den doorslag geven, zal men bij eene
onbevooroordeelde beschouwing daarvan tot de conclusie moeten komen,
dat aan de bezwaren, die tegen het uitsluitend vertalingsrecht worden
ingebracht niet veel beteekenis kan worden gehecht. De groote nadeelen,
die de bestrijders van het vertalingsrecht van de invoering daarvan
vreezen, zijn deels denkbeeldig, deels schromelijk overdreven. In het
bijzonder is de bewering ongegrond, dat de volksontwikkeling door de
erkenning van dit recht zou worden geschaad. Wél kan worden toegegeven,
dat enkele categorieën van personen (vooral de kleinere uitgevers),
die tot nu toe van de vrijheid van vertalen en de daarop gebaseerde
onderhandsche bescherming, die de Vereeniging ter bevordering van
de belangen des Boekhandels in het leven heeft geroepen, gebruik
hebben gemaakt, het in hunne financiën zullen gevoelen, wanneer
die vrijheid aan banden zal zijn gelegd. Men kan zelfs medelijden
hebben met het lot, dat deze personen wacht, waarvan er vele wegens
een weinig ontwikkeld of door het jarenlang bestaande gebruik
afgestompt rechtsgevoel het onrechtmatige van hun tegenwoordig
bedrijf niet inzien. Het is echter billijk daartegenover te stellen,
dat in andere kringen zeker niet minder belangrijke nadeelen worden
geleden tengevolge van de oppositie, die tegen het vertalingsrecht
is gemaakt. Want de zaken staan nu eenmaal zoo, dat men door de
erkenning van het vertalingsrecht van buitenlandsche schrijvers tegen
te houden tevens--misschien zonder het te willen--heeft tegengehouden
de aansluiting van ons land bij de Berner Conventie. Indien men
alleen met "belangen" te rade gaat, dient men toch ook te letten op
de belangen van onze schrijvers, componisten en kunstenaars op het
gebied der beeldende kunsten, die nog maar steeds van bescherming in
het buitenland verstoken blijven.

Ik meen echter deze zijde van het vraagstuk hier verder te kunnen laten
rusten; bij de bespreking der Berner Conventie zal nog gelegenheid
zijn erop terug te komen.

Gaat men den toestand met betrekking tot het vertalingsrecht in de
verschillende landen na, dan ziet men allerwege, dat de beperkingen
en voorwaarden, welke vroeger nog aan dit recht werden gesteld,
geleidelijk aan het verdwijnen zijn.

In Frankrijk heeft de jurisprudentie, zonder dat de wet hierover
eene bepaling inhield, steeds het vertalingsrecht erkend als een
bestanddeel van het auteursrecht; in België (art. 12) en Duitschland
(§ 12 wet van 19 Juni 1901) is het door de wet volkomen met alle
andere auteursrecht gelijkgesteld. Hetzelfde wordt meestal aangenomen
het geval te zijn in Engeland (ten aanzien der Engelsche auteurs)
en Spanje [363]. In vele landen duurt het vertalingsrecht even lang
als het overige auteursrecht, mits echter van dit recht binnen een
zeker aantal jaren door den auteur gebruik is gemaakt door de uitgave
eener vertaling. Dit is b.v. het geval in Denemarken (sinds de wet van
29 Maart 1904), Engeland (voor vreemde auteurs), Japan en Luxemburg;
in al deze landen moet de geautoriseerde vertaling verschijnen binnen
tien jaar na de uitgave van het oorspronkelijke geschrift. Andere
landen hebben dezelfde bepaling doch met een korteren termijn, zoo
Zwitserland (5 jaar) en Noorwegen (1 jaar).

Er zijn echter ook landen waar het vertalingsrecht aan een
afzonderlijken, korten termijn is gebonden. In Italië en Zweden
duurt het tien jaar te rekenen van het tijdstip der uitgave van
het oorspronkelijk werk; in Oostenrijk vijf jaar na de uitgave der
vertaling, mits deze binnen drie jaar na het oorspronkelijk werk
verschijnt.

In verschillende der hier genoemde landen, waar het vertalingsrecht
nog niet op gelijken voet staat met het overige auteursrecht, kan
worden verwacht, dat de volkomen gelijkstelling binnen niet te langen
tijd zal worden ingevoerd. In Zwitserland zijn al plannen gemaakt
voor eene wetswijziging in dezen zin [364]; evenzoo in Italië, waar
in het ontwerp dat ter vervanging van de tegenwoordige wet op het
auteursrecht is ingediend, het vertalingsrecht uitdrukkelijk met
het overige auteursrecht wordt gelijkgesteld (art. 18). Ook in de
Scandinavische landen schijnen, blijkens de houding, die zij op de
Conferentie van Berlijn hebben aangenomen, de bezwaren die tegen een
onbeperkt en onvoorwaardelijk vertalingsrecht bestonden, uit den weg
te zijn geruimd.

Het vertalingsrecht--dit blijkt reeds uit bovenstaand overzicht--is
overal aan het veldwinnen. Een goed denkbeeld van dezen vooruitgang
kan men krijgen, door de wijzigingen na te gaan, die de Berner
Conventie op dit punt in den loop der jaren heeft ondergaan. In 1886
werd--niet zonder moeite--een vertalingsrecht vastgesteld van tien
jaar te rekenen van de uitgave van het oorspronkelijk werk; op de
Conferentie van Parijs van 1896 werd de duur gelijkgesteld met dien
van het auteursrecht in het algemeen, doch onder voorwaarde, dat de
auteur binnen tien jaar eene vertaling liet verschijnen; terwijl
eindelijk in 1908 te Berlijn ook deze voorwaarde werd afgeschaft,
zoodat nu de volkomen gelijkstelling is verkregen.

Het is eigenaardig, dat in ons land juist de omgekeerde weg is
gevolgd. Terwijl in de wet van 1817 het vertalingsrecht in alle
opzichten met het overige auteursrecht gelijkstond, heeft de
tegenwoordige wet van 1881 daarin verandering gebracht en het
aanmerkelijk besnoeid.

Wil de auteur dit recht genieten, dan moet hij het zich bij de uitgave
van zijn werk uitdrukkelijk voor een of meer bepaald genoemde talen
voorbehouden, en daarenboven zijne vertaling binnen drie jaren na
de oorspronkelijke uitgave laten verschijnen (art. 5b). Is aan deze
voorwaarden voldaan, dan duurt het vertalingsrecht nog slechts vijf
jaren na het tijdstip der uitgave van het oorspronkelijk werk (art. 16
2o). Alleen ten aanzien der niet door den druk gemeen gemaakte werken
staat het vertalingsrecht met het auteursrecht gelijk.

Het zijn dus wel zeer enge grenzen, die onze wet aan dit recht
heeft gesteld. Doch daar de wet alleen toepasselijk is op de werken,
die binnen het land zijn uitgekomen, hebben de genoemde bepalingen
niet de minste practische beteekenis. Van de bevoegdheid om zich
het vertalingsrecht bij de uitgave voor te behouden, wordt zoo goed
als geen gebruik gemaakt. Dit is niet, zooals een ál te ijverig
bestrijder van het vertalingsrecht heeft beweerd: "een bewijs, dat
het beginsel van het vertalingsmonopolie nog niet tot ons volksbesef
is doorgedrongen" [365], maar eenvoudig een gevolg van het feit,
dat niemand iets heeft aan het vertalingsrecht van onze wet. "Welke
schrijver van een in Nederland verschijnend boek denkt erover, eene
vertaling daarvan in het land zelf te laten uitkomen? En zoo dit al
een enkele maal mocht geschieden, dan behoeft hij toch zeker niet te
vreezen, dat daaraan in ons land concurrentie zal worden gedaan door
eene andere vertaling in dezelfde taal, en dat nog wel binnen vijf
jaar na de uitgave van het oorspronkelijke boek.

De practische beteekenis van het vertalingsrecht ligt dus, en in het
bijzonder voor een land met ééne taal als het onze, op het gebied der
internationale betrekkingen. Terwille van de erkenning van het juiste
beginsel ware het echter te wenschen, dat ook onze wet de bijzondere
voorwaarden en beperkingen voor dit recht liet vallen en het volkomen
gelijkstelde met elk ander auteursrecht.



IV Het recht van den bewerker en het uitsluitend bewerkingsrecht

Het "bewerken" van geschriften kan met betrekking tot het auteursrecht
tot soortgelijke verhoudingen aanleiding geven als het vertalen. Indien
de nieuwe (uiterlijke of innerlijke) vorm, die de bewerker aan het
geschrift heeft gegeven, eene schepping is, dan komt hem ook, evenals
den vertaler op zijne vertaling, een recht daarop toe. Doch aan den
anderen kant heeft hij, evenals deze, het recht van den auteur van
het oorspronkelijke werk te ontzien.

Ook hier hebben wij dus twee rechten van elkander te onderscheiden:
het recht van den bewerker op zijne bewerking en het recht van den
auteur van een oorspronkelijk werk, om zich tegen de exploitatie van
bewerkingen van zijn geschrift te verzetten.

Niet alle bewerkingen echter zijn als scheppingen te beschouwen van
den bewerker en evenmin kan altijd gezegd worden, dat het uitgeven
eener bewerking inbreuk maakt op het recht van den oorspronkelijken
auteur. Een vaste, door de wet te stellen regel, zooals ten aanzien
van het recht van den vertaler en het uitsluitend vertalingsrecht,
geeft hier daarom niet genoeg; ook daar waar zulk een regel bestaat,
dient de rechter in elk geval te onderzoeken, welke de aard is der
bewerking, waarmede hij te doen heeft.

Slechts in enkele landen houdt de wet bijzondere bepalingen hieromtrent
in.

De Duitsche wet (van 19 Juni 1901) verleent den auteurs bescherming
tegen "Bearbeitungen" en noemt uitdrukkelijk als zoodanig:
het weergeven van eene vertelling in dramatischen vorm of van een
tooneelstuk in den vorm eener vertelling (§ 12). Onverminderd dit recht
staat het vrij, het werk van een ander te gebruiken, indien daardoor
"eine eigenthümliche Schöpfung" tot stand komt (§ 13). Deze laatste
bepaling komt mij minder gegrond voor. De vraag, of de bewerker al
dan niet eene nieuwe schepping heeft geleverd, moest hier m. i. geheel
buiten beschouwing blijven. Wat hier alleen van belang is, is of hij
de schepping van den oorspronkelijken auteur in zijne bewerking heeft
overgenomen. Het een sluit het ander volstrekt niet uit. Overigens
wordt het recht van den oorspronkelijken auteur in de Duitsche wet
goed onderscheiden van dat van den bewerker op zijne bewerking. Dit
laatste recht wordt geregeld in § 2, hetwelk bepaalt, dat bij eene
"Bearbeitung" de "Bearbeiter" als auteur wordt aangemerkt, evenzoo
dus als de vertaler ten opzichte zijner vertaling.

Eene uitvoerige wettelijke regeling van het uitsluitend bewerkingsrecht
bestaat in Spanje (Reglement van 3 Sept. 1880 tot uitvoering van de
wet van 10 Jan. 1879 betreffende het auteursrecht). Dit bepaalt, dat
plan, onderwerp en titel van dramatische werken den auteur toebehooren
en dat dus het overnemen daarvan in een ander werk inbreuk op het
auteursrecht is (art. 64). Voorts is verboden, van een tooneelstuk eene
bewerking te maken voor eene muzikale compositie, ook als de titel en
de namen der personen gewijzigd zijn (art. 67). Evenmin is geoorloofd,
het onderwerp van een roman of ander geschrift te gebruiken voor het
maken van een tooneelstuk (art. 68).

Deze bepalingen strekken de bescherming wel wat te ver uit. Het
"onderwerp", d. i. dus hier de uiterlijke intrigue, kan zooals wij
gezien hebben, niet als schepping van den auteur worden beschouwd;
evenmin de titel. Daarmede wil ik echter niet zeggen, dat het
overnemen van den titel van een werk altijd geoorloofd moet zijn. In
sommige gevallen kan dit als eene soort deloyale concurrentie worden
beschouwd, indien er nl. kans is dat het oorspronkelijke werk met
de bewerking wordt verwisseld. Doch voorzoover hierbij een recht
van den auteur in het spel is, is dit niet het auteursrecht, maar
het persoonlijkheidsrecht.

De besproken wettelijke bepalingen van Duitschland en Spanje staan
vrijwel alleen; in de meeste andere landen (bv. Frankrijk, Italië,
België, Luxemburg, Zwitserland) zwijgt de wet over dit vraagstuk. De
rechtspraak komt in deze materie dikwijls voor moeilijke gevallen
te staan, doch juist hier kan de leer van Kohler goede diensten
bewijzen. Zijne methode, om zich in elk geval de vraag te stellen:
wat is als de schepping van den auteur te beschouwen?--om langs dezen
weg tot beantwoording te komen van de vraag, of met de bewerking al
dan niet inbreuk op het auteursrecht is gemaakt, wordt reeds hier en
daar min of meer getrouw toegepast.

In eene beslissing van het Hof van Parijs van 17 Juni 1897 [366] werden
bewerkingen van opera-tekstboekjes, waarop auteursrecht bestond, voor
ongeoorloofd verklaard, o. a. op dezen grond, dat die bewerkingen
inhielden: "... le résumé fidèle et l'analyse exacte des livrets
et pièces..." en dat daarin waren weergegeven: "la substance de ces
oeuvres, leur plan général, le développement de leurs épisodes, les
situations, les personnages... etc." Hier valt--zooals men ziet--een
streven waar te nemen om de bestanddeelen der auteurs-schepping aan te
wijzen, die--ook zonder dat de tekst woordelijk was nagedrukt--in de
bewerking waren overgenomen. Eene soortgelijke overweging vindt men in
een vonnis van de Seine-rechtbank van 23 Juni 1897 [367]. De bewerking
in kwestie was hier een roman, getrokken uit het tooneelstuk La Tour de
Nesle van Alexandre Dumas en Gaillardet. In het vonnis wordt verklaard:
"... Que le sujet, le plan, son agencement et ses développements,
la marche de l'action, le groupement des personnages et les mobiles
qui les font agir, les passions qu'ils ressentent, les sentiments
qu'ils expriment, apparaissent également dans l'original et dans
la copie servile qu'ils en ont faite," en even verder: "... Que si,
dans leur insipide délayage en plus de 2000 pages ... les défendeurs
ont ajouté d'innombrables incidents..., ils ont, du moins, pris toute
la substance du drame... etc." Dit vonnis werd bevestigd door het Hof
van Appel van Parijs (25 Jan. 1900), dat zijne beslissing met bijna
dezelfde bewoordingen motiveerde [368]. Wat de Fransche rechter hier
"la substance du drame" noemde, komt vrijwel overeen met Kohler's
"Imaginäre Bild" [369].

In het algemeen wordt, ook in de meeste andere landen, het trekken
van een tooneelstuk uit een roman en omgekeerd als een inbreuk op
het auteursrecht aangemerkt [370]. In Engeland is alleen het laatste,
("novelisation") verboden [371] en om die reden verzette dit land zich
in 1896 op de Conferentie van Parijs tegen het opnemen eener bepaling
in de Berner Conventie, volgens welke het recht van dramatiseeren
den auteurs zou worden voorbehouden [372]. In 1908 op de Conferentie
van Berlijn werd echter noch door Engeland, noch door eenigen anderen
staat tegen het opnemen der bepaling bezwaar gemaakt [373]; wel een
bewijs, dat de juistheid van het beginsel algemeen erkend wordt.

Van eene erkenning van een uitsluitend bewerkingsrecht in ons land
is tot nu toe weinig gebleken. Er is zelfs beweerd, dat volgens onze
wet alleen het woordelijk overnemen van een geschrift inbreuk op het
auteursrecht is. Deze meening, die o. a. door Mr. Ph. W. Scholten
in een Themis-artikel werd uitgesproken [374], berust hierop,
dat de woorden "geheel of gedeeltelijk, verkort of verkleind zonder
onderscheid van vorm of inkleeding", die in de wet van 1817 voorkwamen,
zijn weggelaten uit art. 1 van de nieuwe wet van 1881. Laatstgenoemde
wet zou dus alleen verbieden het "in denzelfden vorm" weergeven, wat
ook de bedoeling zou zijn geweest van minister Modderman, blijkens de
volgende opmerking door hem bij de behandeling der wet in de Tweede
Kamer gemaakt: "Het geldt hier niet het regt van denken, maar het
regt om in denzelfden vorm te reproduceeren en te verspreiden." Er is
echter van andere zijde reeds terecht op gewezen, dat de aangehaalde
woorden van den minister bij de verdediging der wet in een gansch ander
verband werden uitgesproken nl. bij de bespreking van het auteursrecht
op mondelinge voordrachten [375]. Doch ook al was dit niet het geval,
dan zouden toch deze woorden op zichzelf nog niet eene ontkenning
van het uitsluitend bewerkingsrecht op b.v. romans of tooneelstukken
uitdrukken. Dit zou alleen dán het geval zijn, indien deze werken
inderdaad niets meer waren dan "gedachten gehuld in een vorm", zooals
het wel eens is voorgesteld, en er dus slechts twee mogelijkheden
waren: óf alleen "gedachten" uit het werk overnemen (wat volgens
algemeen gevoelen ieder vrij moet staan) óf het werk reproduceeren
in denzelfden "vorm", d.w.z. letterlijk, zonder eenige wijziging.

Er blijkt verder uit niets, dat de weglating van de bovengenoemde
uitdrukkingen, die in de wet van 1817 voorkwamen, geschied is met
de bedoeling, die mr. Scholten onderstelt. Wat in de memorie van
toelichting daaromtrent wordt opgemerkt, geeft niet den minsten grond
voor deze meening. Men leest daar [376]: "De in de tegenwoordige
wet (d.i. dus de wet van 1817) gebezigde bewoordingen "geheel of
gedeeltelijk, verkort of verkleind, zonder onderscheid van vorm of
inkleeding" zijn weggelaten, deels omdat zij niet van onduidelijkheid
zijn vrij te pleiten, deels omdat de erkenning van het regt van den
auteur op het geheele werk voldoende is, om ook zijn regt op een
gedeelte daarvan boven twijfel te stellen."

Bovendien zou nog kunnen gewezen worden op hetgeen in de memorie van
toelichting omtrent de muziekwerken wordt opgemerkt. Het voorschrift
van de (toenmalige) Duitsche wet, dat elke niet zelfstandig bewerkte
compositie van eens anders muziekwerk als nadruk te beschouwen is,
werd in beginsel als juist erkend, doch alleen daarom niet in de wet
opgenomen, omdat men geene formule ervoor wist te vinden, die niet
in de practijk tot moeilijkheden aanleiding zou geven. Uitdrukkelijk
wordt dan verder gezegd, dat het aan den rechter wordt overgelaten,
in elk geval te beslissen "of er werkelijk inbreuk op het regt van
den componist gemaakt, of zijn werk geheel of ten deele door den druk
is gemeen gemaakt of uitgevoerd" [377].

Wat hier met zooveel woorden ten aanzien der muziekwerken wordt erkend,
dat nl. ook de uitgave van bewerkingen inbreuk op het auteursrecht kan
zijn, zal men toch ten aanzien van geschriften, die op soortgelijke
wijze als muziekwerken "bewerkt" kunnen worden, wel niet voor geheel
en al uitgesloten hebben gehouden.

Er zijn mij een tweetal gevallen bekend, waarin de rechter over het
uitsluitend bewerkingsrecht volgens onze wet te oordeelen kreeg. In
het eerste geval betrof het het tooneelstuk "Zwarte Griet", waarvan
zonder toestemming van den rechthebbende op het opvoeringsrecht eene
bewerking werd vertoond, die volgens de verklaring van den schrijver
van het oorspronkelijke stuk met dit laatste "wat betreft handeling,
verdeeling, kleeding en typeering der personen, alsook het daarin
voorkomende decoratief en verder tooneeltoestel veel overeenkomst
had." De tekst week echter geheel van het oorspronkelijke stuk af;
alleen een paar zinsneden aan het slot van het eerste bedrijf waren
woordelijk overgenomen. Op grond hiervan nam de Rechtbank van den
Haag aan [378], dat wel was gebleken, dat de beklaagde een tooneelspel
had vertoond, overeenkomst hebbende met het stuk "Zwarte Griet" doch
niet wat hem ten laste was gelegd, dat hij nl. dit laatste stuk zou
hebben doen opvoeren. De vertooning der bewerking werd dus niet als
inbreuk op het auteursrecht beschouwd.

Welken maatstaf de rechtbank hierbij heeft aangelegd blijkt uit het
vonnis niet; een stelselmatig onderzoek naar den aard der bewerking
is blijkbaar niet ingesteld. Overigens komt het mij voor--voorzoover
dit uit de in het vonnis vermelde getuigen-verklaringen kan worden
afgeleid--dat in dit geval inderdaad door de bewerking geen inbreuk
kon worden gemaakt op het auteursrecht. De bewerker had nl. het
oorspronkelijke stuk nóch gelezen nóch zien opvoeren, doch zijne
bewerking gemaakt naar de verslagen, die van het stuk in de dagbladen
waren verschenen. Langs dezen weg kan--dunkt mij--niet veel meer
uit het stuk zijn overgenomen dan de uiterlijke intrigue, op zijn
hoogst enkele fragmentarische gegevens voor de karakter-teekening
der personen. De Haagsche Rechtbank is echter, jammer genoeg, niet
ingegaan op de principieele vraag, waar het mij hier om te doen is,
nl. of volgens ons recht een uitsluitend bewerkingsrecht bestaat en
hoever dit recht zich uitstrekt.

Een weinig meer licht hierover wordt verspreid door de beslissingen
over het tweede der door mij bedoelde gevallen, n.l. een vonnis van
de Rechtbank van Amsterdam van 1 October 1889 [379] en een arrest
van het Hof in dezelfde stad van 10 April 1891 [380].

Ditmaal was het een civiele procedure; doch de strijd liep weer
hierover, of door de vertooning van eene bewerking van een tooneelstuk
inbreuk op het uitsluitend opvoeringsrecht kon worden gemaakt. De
schrijver van een tooneelstuk "Krates", getrokken uit den roman van
dien naam van Justus van Maurik, had het uitsluitend opvoeringsrecht
daarvan overgedragen aan een tooneelgezelschap, dat hem aansprak wegens
het zonder zijne toestemming vertoonen van eene nieuwe bewerking
van hetzelfde stuk. Voor de rechtbank werd van den kant van de
eischers aangeboden door getuigen te bewijzen: "dat de inhoud van het
tooneelstuk Krates, hetwelk de ged. in den aanvang der maand Dec. 1888
heeft doen opvoeren, dezelfde is, behoudens eenige wijzigingen,
als die van het door den ged. aan de eischers gecedeerde tooneelstuk
"Krates". De rechtbank wees dit aangeboden bewijs van de hand als te
weinig gepreciseerd en tegelijkertijd te weinig omvattend; verklaarde
de vordering ontvankelijk doch ontzegde haar als onbewezen. Uit de
motiveering van dit vonnis blijkt, dat de rechtbank in beginsel het
inbreuk maken op het auteursrecht door middel eener bewerking niet
uitgesloten achtte. Naar aanleiding van eene namens ged. gemaakte
opmerking, dat de eischers met hunne hierboven aangehaalde woorden:
"behoudens eenige wijzigingen" zelven zouden erkend hebben, dat het
door ged. opgevoerd tooneelstuk "Krates" niet hetzelfde was, als het
in de dagvaarding bedoelde, overwoog de rechtbank o. a.:

"dat 't toch van den aard der wijzigingen afhangt, of men te denken
heeft aan hetzelfde tooneelwerk of aan een ander;

dat toch niet elke wijziging, hoe gering ook, een stuk stempelt tot
een nieuw, daar werd deze stelling aangenomen, het aan den auteur
en zijnen rechtverkrijgenden toekomende opvoeringsrecht zoo goed als
geheel waardeloos zou zijn."

Aan den anderen kant meende de rechtbank dat de identiteit van den
inhoud van beide stukken, waarvan de eischers hadden aangeboden
het bewijs te leveren, de vraag niet volkomen oploste, want: "dat
vooral bij tooneelwerken, niet minder dan op den inhoud, nl. op
gedachtengang, karakterteekening, intrigue en ontknooping, 't aankomt
op vorm, inkleeding, taal en stijl, zoodat al ware ook bewezen, dat de
inhoud van beide tooneelstukken dezelfde was, daarmede nog niet zou
zijn beslist dat de ged. te kort had gedaan aan het eigendomsrecht
der eischers."

Uit deze laatste aanhaling blijkt wel, dat de rechtbank niet
geheel blind was voor de taak, die zij hier had te vervullen, nl. te
onderzoeken, of de bestanddeelen van het oorspronkelijke stuk, die in
de bewerking waren overgenomen, van dien aard waren, dat de schepping
van den auteur (dus het object van zijn recht) geheel of gedeeltelijk
in de bewerking kon worden teruggevonden. Doch de stelselmatigheid,
die deze taak eischt, wordt in het vonnis gemist.

De rechtbank had zich moeten afvragen, niet waar het in een tooneelstuk
vooral "op aankomt", maar wat daarin als de schepping van den auteur
is aan te merken. Het is niet meer dan bloot toeval, dat de laatste
zinsnede, die ik uit het vonnis heb aangehaald, nl. dat "al ware
ook bewezen, dat de inhoud van beide tooneelstukken dezelfde was,
daarmede nog niet zou zijn beslist dat de ged. te kort had gedaan aan
het eigendomsrecht der eischers" in het gegeven geval eene juiste
uitspraak bevat. Want in het algemeen behoort hetgeen de rechtbank
onder den "inhoud" van een tooneelstuk verstond wél tot de schepping
van den auteur; alleen in dit bijzondere geval was dit niet zoo,
omdat die inhoud weer aan een ander was ontleend, nl. aan Justus van
Maurik, den schrijver van den roman "Krates". Het blijkt echter niet,
dat de rechtbank, die wist, dat het tooneelstuk uit den roman van
Justus van Maurik getrokken was, dit in overweging heeft genomen.

Het Hof vernietigde het bovenbesproken vonnis en veroordeelde
den geint. om aan de appellanten te betalen de som van f 100
als schadevergoeding. In dit arrest werd in de eerste plaats
overwogen, dat ook zonder getuigenverhoor omtrent den aard der
bewerking genoegzaam bleek, dat de geint. de overeenkomst, waarbij
het opvoeringsrecht aan de appellanten was overgedragen, niet te
goeder trouw was nagekomen. Dit argument schijnt mij zeer juist
toe; het laat echter de vraag over het al of niet bestaan van een
uitsluitend bewerkingsrecht onaangeroerd, daar het de verplichting
tot schadevergoeding uit de tusschen partijen bestaande verbintenis
afleidt. Het is intusschen uit het arrest moeilijk op te maken,
of dit argument bij het Hof den doorslag heeft gegeven, en of dus de
beslissing in denzelfden zin zou zijn uitgevallen, indien de bewerking
door een derde ware vertoond, die geenerlei overeenkomst betreffende
het opvoeringsrecht van het tooneelstuk in kwestie met de appellanten
had gesloten. Wel werd aan het slot van het arrest overwogen, dat
"al moge de nieuwe bewerking in eenige bijzonderheden van de vroegere
verschillen, door de opvoering van de eerste op het uitsluitend
opvoeringsrecht van de laatste inbreuk is gemaakt", waarmede dus
duidelijk werd te kennen gegeven, dat er volgens de meening van het
Hof inbreuk op het auteursrecht had plaats gehad; doch de argumenten,
die hiervoor werden aangevoerd, zijn van weinig waarde. Het feit, dat
beide bewerkingen "in hoofdzaak overeenkomen" werd hieruit afgeleid:
"dat beide bewerkingen zijn getrokken uit denzelfden roman, en dat
daarin dezelfde handelende personen met dezelfde namen voorkomen". De
onjuistheid van deze redeneering springt in het oog. Het auteursrecht,
dat hier zou geschonden zijn, was het auteursrecht van den schrijver
der tooneelbewerking, niet dat van den romanschrijver. Er moest
dus onderzocht worden, of de tweede tooneelbewerking bestanddeelen
bevatte van de eerste, die niet aan den roman ontleend waren. Want
wat in beide bewerkingen uit den roman was overgenomen, daarop kon
de bewerker geen uitsluitend recht laten gelden, tenzij hem dit door
den romanschrijver was overgedragen. Van een dergelijk recht (een
uitsluitend recht dus om van den roman "Krates" van Justus van Maurik
eene tooneelbewerking te maken) was echter in dit geding geen sprake.

De besproken rechterlijke beslissingen doen weer zien, hoe licht de
rechter op een dwaalspoor kan worden gebracht, indien hem een vast
systeem ontbreekt, en ik waag de opmerking te maken, dat de theorie
over "vorm en inhoud", die ik hierboven heb ontwikkeld, in deze
gevallen goede diensten zou hebben kunnen bewijzen.

Overigens blijkt uit de uitspraken over de laatstgenoemde zaak,
dat nóch de Rechtbank, nóch het Hof van Amsterdam het bestaan van
een uitsluitend bewerkingsrecht volgens ons recht in beginsel geheel
uitgesloten achten.

Bovendien hebben deze beide colleges stilzwijgend erkend het recht
van den bewerker op zijne bewerking; daar immers in beide gedingen er
herhaaldelijk op gewezen werd, dat het tooneelstuk "Krates" getrokken
was uit den roman van Justus van Maurik, zonder dat hierin een reden
werd gezien, om het bestaan van het auteursrecht van den schrijver
van het tooneelstuk (van den "bewerker" dus) in twijfel te trekken.



§ 3 Wetenschappelijke en technische platen en kaarten

In het algemeen overzicht van de auteursrechts-objecten is er reeds
op gewezen, dat er zekere soorten van platen en kaarten bestaan,
die niet tot de werken van beeldende kunst kunnen worden gerekend,
omdat zij niet, zooals deze laatsten, van zuiver aesthetischen aard
zijn. De lijnen en kleuren van de werken, die hier bedoeld worden,
hebben een andere beteekenis; zij dienen niet om door hunne schoonheid
kunstindrukken te wekken, maar om wetenschappelijke of technische
aangelegenheden uiteen te zetten of duidelijk te maken. Vandaar dat de
rol, die zij vervullen, zooals reeds werd opgemerkt, vergeleken kan
worden met die van de woorden en letters in een geschrift. Evenals
deze zijn zij van symbolischen aard; zij ontleenen hunne beteekenis
uitsluitend aan hetgeen zij "voorstellen". Men denke b.v. aan eene
aardrijkskundige kaart, waar het eene land rood, het andere groen is
geverfd, waar spoorwegen door twee evenwijdige lijntjes en grenzen door
kruisjes of stippellijnen worden aangeduid; of aan eene afbeelding
van het menschelijk hart in een anatomische atlas, waar het aderlijk
bloed blauw, het slagaderlijk bloed rood gekleurd is, enz. enz.

Dat aan de werken van deze soort, die men in het algemeen kan aanduiden
met den naam "technische en wetenschappelijke platen en kaarten",
en waartoe onder meer gerekend moeten worden: land- en zeekaarten,
anatomische, botanische en mineralogische afbeeldingen, bouwkundige en
technische teekeningen, schematische voorstellingen van allerlei aard
enz. enz., eene afzonderlijke plaats onder de objecten van auteursrecht
toekomt, wordt algemeen erkend, en ook dat deze plaats dichter bij die
der geschriften, dan bij die der werken van beeldende kunst is gelegen.

In de meeste wetten op het auteursrecht worden zij afzonderlijk
genoemd. De Duitsche wet van 19 Juni 1901 (§ 1, 3) spreekt van:
"solchen Abbildungen wissenschaftlicher oder technischer Art, welche
nicht ihrem Hauptzwecke nach als Kunstwerke zu betrachten sind";
de Zwitsersche wet van 1883 (art. 3) van: "dessins géographiques,
topographiques, d'histoire naturelle, architecturaux, techniques et
autres analogues"; in art. 2 van de wetten van Denemarken en Noorwegen
vindt men ongeveer dezelfde termen; de Zweedsche wet (art. 1) noemt:
"natuurkundige teekeningen, land- en zeekaarten, bouwkundige plannen
en andere teekeningen en afbeeldingen van dien aard" [381].

Ook bij de voorbereiding van onze wet is men er op bedacht geweest,
dat er werken bestaan, die hoewel geen "geschriften" zijnde, toch zeer
nauw daarmede zijn verwant, en die in elk geval niet behooren tot de
werken van beeldende kunst, waarvan men het auteursrecht later in eene
afzonderlijke wet hoopte te regelen. Men volgde daarbij het voorbeeld
van Duitschland, waar ook twee wetten op het auteursrecht bestonden:
die van 1 Juni 1870, "betreffend das Urheberrecht an Schriftwerken,
Abbildungen, musikalischen Kompositionen und dramatischen Werken"
en die van 9 Jan. 1876 "betreffend das Urheberrecht an Werken der
bildenden Künste". De "Abbildungen" van de Duitsche wet van 1870 werden
in onze wet (art. 1): "plaat- en kaartwerken". Doch zoowel uit de keuze
van deze termen als uit hetgeen in verband hiermede in de memorie van
toelichting onzer wet werd opgemerkt, blijkt ten duidelijkste, dat
het Duitsche voorbeeld hier slechts eene gebrekkige navolging heeft
gevonden. De Duitsche wetgever was zich zeer goed bewust geweest van
hetgeen hij deed, toen hij de "Abbildungen" niet bij de werken van
beeldende kunst, maar bij de geschriften indeelde. Ten opzichte der
bedoelde werken werd overwogen, of de grond der bescherming, die men
ervoor wilde verleenen, moest gezocht worden naar analogie van dien
der geschriften of van dien der kunstwerken [382]. Men kwam tot het
eerste op grond van dezelfde overwegingen, die hierboven reeds zijn
weergegeven, nl. dat deze producten meer een wetenschappelijk dan een
artistiek doel hebben, immers ertoe bestemd zijn "zu belehren". In §
43 der wet van 1870 werden zij nader aangeduid als: "geographische,
topographische, naturwissenschaftliche, architektonische, technische
und ähnliche Zeichnungen und Abbildungen, welche nach ihrem Hauptzwecke
nicht als Kunstwerke zu betrachten sind". Hieruit blijkt wel, dat men
op het eigenaardig karakter van de genoemde werken een juist oog had en
dat men de grens tusschen de werken van beeldende kunst eenerzijds,
de geschriften en muziekwerken anderzijds, hiernaar stelselmatig
heeft getrokken.

Het schijnt echter, dat de in Duitschland gemaakte onderscheiding
hier te lande niet gewild, of zelfs maar begrepen werd.

In de memorie van toelichting wordt gezegd, dat het wetsontwerp
het auteursrecht regelt van: "schrijvers van letterkundige werken,
benevens van die werken welke, aan eerstgenoemden zeer nauw verwant,
insgelijks een voorwerp van den boekhandel uitmaken". Met deze
laatste werden dus blijkbaar bedoeld de muziekwerken en de "plaat-
en kaartwerken". Verder werd nog opgemerkt: "Uitgesloten zijn de
voortbrengselen van schilder- en beeldhouwkunst. Voor zoover toch aan
de vervaardigers van die voortbrengselen een uitsluitend regt toekomt
... behoort (dit) het onderwerp uit te maken van eene afzonderlijke
wet" [383]. Van eene onderscheiding naar de innerlijke eigenschappen
der werken--zooals die in Duitschland was gemaakt--dus geen spoor. Het
eenige wat men in aanmerking scheen te nemen was, of een werk al dan
niet "voorwerp van den boekhandel" uitmaakte. Daaruit laat zich ook
verklaren, dat men niet eene bepaling als de boven aangehaalde van §
43 der Duitsche wet overnam (dat nl. de bedoelde werken niet wat hun
hoofddoel betreft als kunstwerken moeten zijn te beschouwen); men koos,
misschien zonder veel over de zaak na te denken, de woorden "plaat-
en kaartwerken", die ook reeds in het Ontw. Boekh. (art. 1) voorkwamen.

Wat is nu de beteekenis, die aan deze uitdrukking van onze wet moet
gegeven worden? De vraag is moeilijk op te lossen en heeft ook reeds
tot verschil van opvatting aanleiding gegeven.

In de eerste plaats dient in aanmerking te worden genomen, dat
de wet niet spreekt van "kaarten en platen," maar van "kaart- en
plaat-werken". Daarom geloof ik niet, dat, zooals Mr. Veegens [384]
en Mr. van de Kasteele [385] aannemen, daaronder gerekend kunnen
worden losse etsen, lithographieën en gravures. Juister schijnt mij,
wat Mr. Robbers in zijn proefschrift dienaangaande opmerkt:

"Ik voor mij ben er thans ten volle van overtuigd, dat de wetgever
ermede bedoeld heeft (wat ook trouwens volgens grammatica
en spraakgebruik juist is): een boek met platen, evenwel met
deze restrictie, dat de platen hoofdzaak en de tekst bijzaak zij"
[386]. Met uitzondering van de laatste toevoeging, waarvoor ik niet den
minsten grond zie, ben ik het hiermede volkomen eens. Deze uitlegging
strookt ook met de boven aangehaalde opmerkingen uit de memorie
van toelichting. Van geïllustreerde boeken laat zich met meer recht
dan van losse etsen of gravures zeggen, dat zij "aan letterkundige
werken zeer nauw verwant zijn" en tevens, dat zij evenals dezen "een
voorwerp van den boekhandel uitmaken." De overweging is blijkbaar
deze geweest, dat tekst en illustratie bij elkaar hooren en daarom
ook in dezelfde wet bescherming moeten vinden. Toch komt men met deze
uitlegging tot zonderlinge gevolgtrekkingen. Mr. Robbers verhaalt, hoe
een boekverkooper, die een oorspronkelijke ets van H. M. de Koningin
in den handel had gebracht, moest toezien, dat deze straffeloos werd
nagedrukt. Doch indien diezelfde boekverkooper "niet één ets had laten
maken naar Hare Majesteit, maar een zeker aantal, in verschillende
kleederdrachten, wanneer hij dan die etsen met een paar mooie lintjes
aan elkaar had doen rijgen, een kort bijschrift had gevoegd bij elke
plaat en ten slotte het stelletje gelegd had in een portefeuille,
voorzien van een titel, dan zou hij naar alle waarschijnlijkheid als
door de wet beschermd worden beschouwd, omdat hij een plaatwerk had
tot stand gebracht."

Hieruit blijkt reeds, tot welke onredelijke gevolgen de willekeurige
onderscheiding van onzen wetgever voert. Nog duidelijker komt dit in
het licht, indien men zich de vraag stelt, wie eigenlijk als auteur
moet worden aangemerkt van een "plaat- of kaartwerk". De werken van
beeldende kunst als schilderijen, teekeningen enz. vallen buiten de
bescherming onzer wet; evenzoo photographieën, zooals nog uitdrukkelijk
in de memorie van antwoord wordt verklaard. Het auteursrecht van deze
werken is geregeld in het Ontw. B. K., dat echter nooit tot wet is
verheven. Schilders, teekenaars, etsers en photografen zijn dus geen
"auteurs" volgens ons recht. Wordt echter een aantal hunner producten
tot een "plaatwerk" vereenigd, dan is dit laatste wél voorwerp van
auteursrecht. Er blijft dus niets anders over dan als auteur van
het plaatwerk te beschouwen hem, die de cliché's--al of niet door
hemzelf vervaardigd--verzamelt en als een geheel afdrukt. Dus den
drukker of uitgever. Want, behoudens enkele uitzonderingen [387], is
er geen sprake van een plaatwerk, vóórdat een exemplaar is afgedrukt,
en zonder plaatwerk geen auteursrecht. Dit schijnt ook de meening
van Mr. Veegens te zijn, die als object van het auteursrecht noemt:
"het door den druk gemeen gemaakte plaatwerk" [388]. Juister ware
echter geweest "gedrukt" in plaats van "door den druk gemeen gemaakt";
want de vraag, of het werk al dan niet gemeen is gemaakt doet hier
niets ter zake.

In vele gevallen zal dus de auteur van het "plaatwerk" een ander zijn
dan de auteur(s) van de platen, waaruit het werk bestaat. Daar deze
laatsten echter geen auteursrecht hebben volgens onze wet behoeft hunne
toestemming door den samensteller van het plaatwerk niet gevraagd te
worden. Niet alleen dus dat het ieder vrijstaat van schilderijen,
teekeningen, etsen, photographieën enz. zonder toestemming van
den auteur reproducties te laten maken, om daarmede een boek te
illustreeren, maar bovendien is zoo iemand nog als samensteller van
een "plaatwerk" door onze wet tegen verdere reproductie beschermd!

Ik meen, dat hiermede genoeg is gezegd om de conclusie te
rechtvaardigen, dat de uitdrukking "plaat- en kaart-werken" in onze wet
niet deugt en hoe eer hoe liever dient te verdwijnen. Dit is vooral
noodzakelijk, zoo lang eene wettelijke regeling van het auteursrecht
op werken van beeldende kunst ontbreekt. Want de omstandigheid, dat
deze laatste werken onbeschermd zijn, maakt het dubbel noodig dat de
grens tusschen deze en de wel beschermde producten duidelijk en naar
redelijke beginselen in de wet zij getrokken. Doch ook indien het
Ontw. B. K. reeds wet was, zou de uitdrukking "plaat- en kaartwerken"
in de W. A. R. in de practijk tot moeilijkheden aanleiding geven. Het
Ontw. B. K. verleent b. v. een auteursrecht van slechts tien jaar
aan hem, die een werk van beeldende kunst van een ander door eene
mechanische bewerking namaakt (artt. 4 en 11); indien echter op deze
wijze een "plaatwerk" tot stand komt, zou diezelfde persoon volgens
de W. A. R. eene bescherming van vijftig jaar genieten [389]. Ook
de verschillende regelingen der voorwaarden en formaliteiten in de
W. A. R. en het Ontw. B. K. zouden in verband hiermede tot verwarringen
aanleiding kunnen geven.

Welke de werken zijn, die in plaats van de "plaat- en kaartwerken" in
de wet op het auteursrecht genoemd hadden moeten worden, is hierboven
reeds meermalen gezegd. Ook hebben wij gezien, met welke termen deze
werken in sommige buitenlandsche wetten worden aangeduid. Vooral
de Duitsche wet schijnt mij op dit punt navolgingswaard, omdat
zij uitdrukkelijk de producten, die als kunstwerken zijn bedoeld,
uitsluit. Ook de--hierboven niet door mij aangehaalde--bepaling van
§ 1 der Duitsche wet van 19 Juni 1901, dat tot de "Abbildungen" ook
behooren plastische werken, verdient m. i. hier te worden nagevolgd. Er
bestaat immers niet de minste reden om deze laatsten, voorzoover zij
overigens dezelfde kenmerken vertoonen als de graphische afbeeldingen,
hiermede niet op ééne lijn te stellen.

Evenals bij de geschriften moet ook bij de kaarten en platen (ik
spreek nu niet meer over de "kaart- en plaatwerken" van onze wet, maar
alleen over de "technische en wetenschappelijke kaarten en platen",
waarvan ik het begrip hierboven heb trachten vast te stellen) aan
den regel worden vastgehouden, dat de wetenschappelijke inhoud geen
object van auteursrecht is. De kennis, die men uit een kaart of plaat
kan putten--b.v. over de samenstelling van eene machine of van eenig
menschelijk of dierlijk orgaan--is gemeengoed en moet door ieder vrij
benut kunnen worden. Vandaar dat ook, zooals reeds werd opgemerkt,
het gebruikmaken van gegevens eener aardrijkskundige kaart, ook al
waren zij de vrucht van zelfstandige onderzoekingen en opmetingen van
den auteur, geen inbreuk op diens recht uitmaakt. Het beschermde
goed bestaat hier, evenals bij wetenschappelijke geschriften,
uitsluitend uit den vorm, d. w. z. de bijzondere uitdrukkingswijze
van den auteur. Dit moet niet zóó worden verstaan, dat die vorm op
zich zelf, los van den inhoud, object van auteursrecht zou zijn,
zoodat b.v. een uitsluitend recht zou bestaan op eene bepaalde
methode om iets graphisch voor te stellen of om een landschap in
kaart te brengen. Waar van den vorm als object van auteursrecht wordt
gesproken, wordt daarmede steeds bedoeld de vorm, dien de auteur aan
een concreten inhoud heeft gegeven. De auteurs-schepping bestaat niet
in het vergaderen van kennis, nóch in het uitdenken van eene methode
om die kennis mede te deelen of aanschouwelijk voor te stellen. Auteur
is slechts hij, die deze denkbeelden en plannen verwezenlijkt, die
dus op een bepaalden inhoud eene bepaalde methode in toepassing brengt.

De inhoud van een plaat of kaart, dus datgene wat er mede
aanschouwelijk wordt gemaakt, kan ook zijn eene--al of niet door den
auteur gedane--technische uitvinding. In dat geval kan natuurlijk
die inhoud beschermd zijn, doch het behoeft geen betoog dat dit dan
geen uitvloeisel is van het hier besproken auteursrecht op de kaart
of plaat.

Evenzoo is het geval mogelijk, inzonderheid bij plastische
afbeeldingen, dat deze de verwezenlijking zijn eener uitvinding,
dat m. a. w. een nieuwe uitvinding is toegepast om ze tot stand te
brengen. Kohler noemt als voorbeeld een planetarium, dat voorzoover het
eene bepaalde wijze van afbeelding der hemellichamen en van hun loop
bevat object van auteursrecht, daarentegen wat de bijzondere middelen
betreft waardoor het mechanisch in beweging wordt gesteld object van
uitvinders-recht kan zijn [390]. Ook hier valt dus de onderscheiding
tusschen auteursrecht en uitvindersrecht niet moeilijk te maken,
indien men maar de objecten van ieder recht goed uit elkander houdt.



§ 4 Werken der toonkunst

Toonkunst en woordkunst hebben dit met elkander gemeen, dat zij
beiden middelen zijn om gedachten of gevoelens hoorbaar tot uiting
te brengen. Woord en toon richten zich beide tot het oor, en zijn
slechts middellijk door zichtbare teekens (letters en noten) weer
te geven. Zij onderscheiden zich in dit opzicht van de werken van
beeldende kunst, wier schoonheid alleen kan worden gezien.

Bestaat er dus eene nauwe verwantschap tusschen muziekwerken en
geschriften, aan den anderen kant vallen kenmerkende verschilpunten
aan te wijzen. Wat de muziek vooral van de woordtaal onderscheidt,
is dat zij het symbolisch karakter van deze laatste mist. De tonen,
waaruit een muziekstuk bestaat, hebben niet zooals de woorden in een
geschrift, eene abstracte beteekenis, maar zij oefenen onmiddellijk
hunne werking uit op den hoorder.

Met het oog op het auteursrecht is dit verschil tusschen muziekstukken
en geschriften in verschillende opzichten van belang.

Daar de muziek niet in dien zin eene taal is, dat zij ook voor
mededeelingen in het dagelijksch verkeer gebezigd wordt, is elke
oorspronkelijke uiting in muziek eene aesthetische schepping en heeft
als zoodanig aanspraak op auteursbescherming.

De muziek staat altijd buiten het gewone leven in tegenstelling met
de taal, die als "voertuig der gedachten" ook practische diensten
bewijst. Vandaar dat men onder de muziekstukken geen uitingen zal
vinden zooals: nieuwsberichten, gesprekken, brieven, enz., die uit
hunnen aard de eigenschappen missen, om object van auteursrecht
te zijn.

Weliswaar kan van muzikale composities ook een practisch gebruik worden
gemaakt. Dit is b.v. het geval met hoorn-signalen en vingeroefeningen
en ook in zekeren zin met dans- en marschmuziek. Daardoor verliezen
deze werken echter niet hun karakter van kunstschepping. Het komt
mij daarom onjuist voor, om zooals Kohler doet, signalen niet tot
de beschermde auteursproducten te rekenen. Hij voert hiervoor aan,
dat zij buiten den kring der kunst staan [391]. Dit betreft echter
m. i. niet hun innerlijken aard, maar het gebruik, dat er van wordt
gemaakt, een gebruik, dat misschien de componist niet voorzien noch
gewild heeft. De kwestie is echter van te weinig practisch belang om
er langer bij stil te staan [392].

In het algemeen kan dus worden aangenomen, dat elk muziekstuk voorwerp
van auteursrecht kan zijn. Er bestaat echter ook nog een belangrijk
verschil in karakter tusschen het voorwerp van het recht van den
componist en dat van den schrijver. Ook bij muziekstukken zijn
vorm en inhoud te onderscheiden; doch niet in denzelfden zin als
bij geschriften. Bij geschriften kan men "vorm" noemen de taal, en
"inhoud" datgene, wat door de taal wordt uitgedrukt [393]. Doch omdat
de muziek het symbolisch karakter der taal mist, is eene onderscheiding
tusschen de muziek zelve en datgene wat erdoor wordt uitgedrukt,
niet te maken. De tonen worden niet, zooals de woorden, gebruikt
als teekens van begrippen, maar zij zelf zijn het, die de muzikale
aandoening bij den hoorder wekken. Daarom is het ook onmogelijk een
stuk muziek "in andere tonen" weer te geven.

Wat echter wél mogelijk is, is het ontleenen van bestanddeelen aan
een muziekstuk om daaraan eene andere muzikale bewerking te geven. Om
te kunnen uitmaken, in hoever hierdoor inbreuk op het auteursrecht
wordt gemaakt, is het noodig te onderzoeken, uit welke bestanddeelen
een muziekstuk bestaat. Er moet dus eene ontleding van worden gemaakt
op soortgelijke wijze als ten aanzien der geschriften is geschied.

In een muzikale compositie zijn te onderscheiden: melodie, harmonie,
instrumentatie, rhythmus en dynamiek.

Melodie is de opeenvolging van enkele tonen. Naar deze, ruime,
beteekenis van het woord staat melodie tegenover harmonie, d. i. de
combinatie van tegelijk klinkende tonen.

Men gebruikt ook het woord melodie in engeren zin, om er mede aan
te duiden eene reeks van tonen, die een afgerond geheel vormen en
eene karakteristieke, ook zonder begeleiding verstaanbare, muzikale
gedachte uitdrukken [394]. De onderscheiding is, zooals zal blijken,
ook voor het auteursrecht van belang.

Onder instrumentatie is te verstaan de wijze waarop het ten
gehoore brengen van het muziekstuk door een of meer instrumenten
is geregeld. Ten aanzien van vocale muziek spreekt men ook van
vocaliseering.

De rhythmus in een muziekstuk wordt verkregen door het verschil in
tijdswaarde van de elkander opvolgende noten en accoorden.

Dynamiek eindelijk is de klanksterkte.



Eene muzikale compositie in den meest primitieven vorm is de enkele
melodie (in den engen zin van het woord) zonder harmoniseering. Gaat
men de melodie nog verder ontleden dan vindt men, dat zij is opgebouwd
uit een of meer motieven of thema's. Deze kunnen echter niet als eene
schepping van den componist worden beschouwd. Zij bestaan uit slechts
enkele noten in niet meer dan een of twee maten die geen zelfstandig
geheel vormen, maar slechts als uitgangspunt dienen voor eene verdere
muzikale bewerking. Een motief in dezen zin bevatten b.v. de twee
eerste maten van de vijfde symphonie van Beethoven, terwijl men b.v. de
bewerking die de componist daaraan gegeven heeft in de acht eerste
maten van het Scherzo in deze symphonie, een melodie kan noemen [395].

Hierbij dient in het oog te worden gehouden, dat het woord "motief"
niet altijd gebruikt wordt in den boven aangegeven zin, waarin het
eene tegenstelling vormt met de uitgewerkte melodie. De "Leitmotive"
b. v. in de muziek-drama's van Richard Wagner zijn bijna alle tevens
melodieën, en niet maar eenvoudige thema's zonder zelfstandigen
muzikalen zin.

Eene melodie is dus voorwerp van auteursrecht; niet alleen in
het--zelden voorkomende--geval dat de geheele compositie uit niets
anders bestaat dan die ééne melodie zonder harmoniseering, maar ook
wanneer zij slechts een bestanddeel uitmaakt van eene meer uitgewerkte
muzikale compositie. Hieruit valt reeds de algemeene regel af te
leiden, dat als inbreuk op het auteursrecht is te beschouwen het
overnemen eener melodie uit het werk van een ander, ook al zouden
daarbij de oorspronkelijke harmonie en instrumentatie zijn gewijzigd.

Meestal bestaat--zooals gezegd--eene muzikale compositie niet uit
ééne enkele melodie zonder meer, maar is zij ontstaan uit de bewerking
van een of meer melodieën. Ook dit bewerken is een scheppende arbeid;
dikwijls zelfs zijn juist hieraan de meest waardevolle elementen van
een muziekstuk te danken.

Met het "bewerken" heb ik voornamelijk op het oog het harmoniseeren,
d. i. het doen samenklinken van andere tonen met de enkele
tonen der melodie. Men kan twee hoofdsoorten van harmonische
bewerkingen onderscheiden, nl. de polyphonie waarin twee of meer
op zichzelf verstaanbare melodieën zijn te hooren, die als het ware
dooreengestrengeld zijn tot een harmonisch geheel en de homophonie,
bestaande uit ééne melodie met eene die melodie steunende en daaraan
ondergeschikt blijvende begeleiding.

Het behoeft geen betoog, dat eenzelfde melodie op verschillende wijzen
geharmoniseerd kan worden. Wie aan een, hetzij polyphonisch, hetzij
homophonisch bewerkt toonstuk een of meer melodieën ontleent en daaraan
een nieuwe harmonische bewerking geeft, doet iets dergelijks als de
bewerker van een letterkundig werk. Ook van hem kan gezegd worden--al
is het in eenigszins anderen zin--dat hij aan een bestaanden inhoud een
nieuwen vorm geeft. Er treden hier ook ten aanzien van het auteursrecht
soortgelijke gevolgen in. De bewerker heeft aan den eenen kant het
recht van den oorspronkelijken auteur te eerbiedigen en mag dus zonder
vergunning van dezen laatste zijne bewerking niet exploiteeren; aan den
anderen kant vestigt de bewerker op zijne beurt een nieuw recht, dat
ook door den auteur van het oorspronkelijke werk moet worden ontzien.

Ook hier moet in het oog worden gehouden, dat niet de vorm op zichzelf
object van auteursrecht is, maar de schepping in haar geheel:
de vorm dus in verbinding met een concreten inhoud. Waar derhalve
onderscheiden wordt tusschen het recht op de melodie en het recht
op de harmonie, beteekent dit niet, dat deze laatste een zelfstandig
voorwerp van auteursrecht zou uitmaken. Zeer juist is, wat Schuster
hieromtrent opmerkt: "... an den Harmoniefolgen, der Modulation als
solcher, kann es kein Urheberrecht geben, ja noch weniger fast als
an den einzelnen Accorden, denn dieselben Harmoniefolgen können bei
ganz verschiedenen melodischen und rhythmischen Folgen eintreten,
sie sind etwas, das an sich nicht sinnlich wahrgenommen wird daher
keine Wirkung macht, und nicht für sich allein die Individualität
des Werkes bestimmt, vielmehr in derselben Art in den verschiedensten
Werken vorkommen kann" [396]. Voorwerp van auteursrecht kan dus alleen
zijn de harmonische bewerking van een of meer bepaalde melodieën;
harmonie zonder betrekking tot eene bepaalde melodie is iets als de
kleur van een schilderij zonder de teekening; geen concreet kunstwerk
maar eene abstractie.

Mr. Viotta geeft in zijn proefschrift er een merkwaardig staaltje van,
hoe men door de melodie van een stuk muziek (hij nam hiervoor de eerste
maten van het Meistersinger-voorspel) te vervangen door eene andere,
doch met behoud van de oorspronkelijke harmonie, een inderdaad nieuw
muziekstuk doet ontstaan [397]. Minder juist is echter de beschouwing,
die deze zelfde schrijver daarna laat volgen, waarmede hij tracht
aan te toonen, dat het bovengenoemde beginsel in sommige gevallen
uitzondering zou kunnen lijden, dat dus een recht op de harmonie op
zichzelf niet geheel zou zijn uitgesloten. Dit zou nl. dán het geval
zijn, wanneer eene eigenaardige harmonische bewerking is gegeven aan
eene melodie, die zonder deze bewerking geen voorwerp van auteursrecht
kon uitmaken. Het woord melodie moet hier natuurlijk worden opgevat in
den ruimen zin van: opeenvolging van enkele tonen; want eene melodie
in den engeren zin is--zooals hierboven betoogd is--altijd als een
muzikale schepping en bijgevolg als object van des componisten
auteursrecht te beschouwen. Doch er zijn opvolgingen van tonen,
die op zichzelf niets uitdrukken en die dus niet aan dezen of genen
componist zouden kunnen toebehooren. Mr. Viotta noemt als voorbeeld
een neerdalende chromatische toonladder, welke de "melodie" uitmaakt
van een stuk muziek van Richard Wagner, een gedeelte nl. van het derde
bedrijf van "die Walküre" [398]. Daar hier de melodie geen voorwerp van
auteursrecht uitmaakt, maar wél de eigenaardige harmonische bewerking,
die Wagner er aan gegeven heeft, kan men volgens mr. Viotta in dit
geval spreken van een auteursrecht ten aanzien der harmonie. Dit
is in zooverre juist, dat eerst door de harmonische bewerking een
auteursproduct is ontstaan; onjuist is echter, wat mr. Viotta schijnt
te bedoelen, dat de harmonie op zichzelf hier voorwerp van auteursrecht
zou zijn. Het tegendeel zou kunnen gedemonstreerd worden op dezelfde
wijze als mr. Viotta dit met het Meistersinger-voorspel deed, door
n.l. dezelfde volgorde van accoorden als begeleiding voor eene andere
melodie te laten dienen. Zoodoende zou men ook in dit geval een geheel
nieuwe compositie verkrijgen, waarvan de exploitatie geen inbreuk op
Wagner's auteursrecht zou uitmaken.

Wat van de harmonie is gezegd geldt m.m. ook voor de
instrumentatie. Het instrumenteeren en in het bijzonder het
orkestreeren is geen machinaal werk, maar eene kunst op zichzelf, die
zich, dank zij scheppenden genieën als Beethoven, Berlioz, Wagner en
in den laatsten tijd Richard Strauss, en dank zij ook de gestadige
ontwikkeling van het moderne orkest, tot eene groote hoogte heeft
weten op te heffen. Evenals de harmonie is ook de instrumentatie
een organisch deel van de muzikale compositie; een componist, die
werkelijk kunstenaar is, zal niet eerst de noten opschrijven en die
daarna onder de verschillende instrumenten verdeelen; doch reeds bij
de eerste conceptie van het werk zullen hem waarschijnlijk ook de
middelen, waarmede het ten gehoore moet worden gebracht, grootendeels
voor den geest staan. Een goed orkestwerk is daarom ook in dien zin
een organisch geheel, dat men niet de oorspronkelijke instrumentatie
van den componist door eene andere kan vervangen, zonder daardoor
aan de aesthetische waarde van het werk afbreuk te doen.

Daar echter de middelen om een werk in zijne oorspronkelijke
instrumentatie ten gehoore te brengen, dikwijls ontbreken (dit geldt
natuurlijk in het bijzonder voor werken voor groot orkest), komt
het maken van "transcripties" of "arrangementen", d. z. bewerkingen
voor andere stemmen of instrumenten, veelvuldig voor. Men kan deze
bewerkingen vergelijken met vertalingen van geschriften; Kohler noemt
ook de instrumentatie naar analogie met de taal in een letterkundig
werk den uiterlijken vorm [399].

Hoe de rechten van den oorspronkelijken auteur en die van den bewerker
van den nieuwen uiterlijken vorm zich verhouden, behoeft na het
voorgaande geene uiteenzetting meer. Het arrangement is aan den eenen
kant zelf een auteursproduct, aan den anderen kant zou de exploitatie
ervan zonder toestemming van den oorspronkelijken componist inbreuk
op diens auteursrecht zijn. Ik behoef er ook verder niet op te wijzen,
dat de instrumentatie, evenmin als de harmonie of welke andere "vorm"
ook, op zichzelf geen voorwerp van auteursrecht kan zijn. Het moet dus
vrijstaan, eenen componist, die combinaties heeft uitgedacht, waardoor
nieuwe instrumentale effecten zijn te bereiken, daarin na te volgen,
mits natuurlijk niet met de instrumentatie ook het oorspronkelijke
muziekstuk geheel of gedeeltelijk wordt overgenomen.



Uit bovenstaande beschouwingen, waarin ik slechts in het ruwe de
verschillende bestanddeelen eener muzikale compositie heb trachten
aan te wijzen, laten zich toch de hoofdbeginselen van het auteursrecht
der componisten reeds genoegzaam afleiden.

Wij hebben gezien, dat de melodie, die een eigen, ook zonder
begeleiding verstaanbare, muzikale gedachte uitdrukt, de
melodie dus in den engen zin van het woord, als eene muzikale
compositie is te beschouwen, doch niet het thema, waaruit zij is
opgebouwd. Daaruit volgt, dat elke bewerking, waarin de melodie van
een ander is overgenomen, zonder diens toestemming niet mag worden
geëxploiteerd; wel geoorloofd is echter de bewerking, waarin alleen
het oorspronkelijke thema is te herkennen. Dit is vooral van belang
met het oog op de variaties, die dikwijls gemaakt worden op thema's
of melodieën van andere componisten [400]. Wij hebben verder gezien,
dat ook het harmoniseeren en instrumenteeren elementen zijn van den
scheppenden arbeid van den componist. Vandaar dat ook auteursrecht
toekomt aan hem, die aan eene melodie, waarop hij geen recht kan doen
gelden, eene oorspronkelijke harmonische bewerking heeft gegeven
en zelfs aan hem, die niets anders gedaan heeft dan een bestaand
muziekstuk opnieuw te instrumenteeren. Dit is, zooals reeds betoogd
werd, geen recht op de harmonie of de instrumentatie op zichzelf, doch
een recht op het concrete toonwerk, dat door de nieuwe harmoniseering
of instrumenteering tot stand is gekomen. Natuurlijk geldt ook hier,
dat de bewerker geen recht heeft op de bestanddeelen, die hij uit het
werk van een ander heeft overgenomen. Hij die b.v. een piano-uittreksel
heeft gemaakt van een orkeststuk kan alleen verhinderen, dat dit
piano-uittreksel wordt nagedrukt of uitgevoerd, niet dat anderen
van hetzelfde stuk eene nieuwe bewerking voor piano of voor andere
instrumenten uitgeven en nog veel minder dat eene melodie uit het
stuk wordt overgenomen.

In de practijk zullen de verhoudingen wel meestal minder eenvoudig
zijn, dan zij hierboven werden voorgesteld. Het zal b.v. bijna
nooit voorkomen, dat eene melodie in haar geheel ongewijzigd wordt
overgenomen, terwijl de harmonie met de oorspronkelijke niets gemeen
heeft; of dat bij de nieuwe instrumentatie, die aan een muziekstuk
wordt gegeven, niet ook wijzigingen, aanvullingen, versterkingen
of vereenvoudigingen in de harmonie worden aangebracht. Bovendien
worden dikwijls enkele gedeelten uit een muziekstuk overgenomen, die
dan in de "bewerking" worden afgewisseld door meer oorspronkelijke
stukken; dit kan weer op verschillende wijzen en in verschillende
vormen plaats hebben; men denke b.v. aan variaties, phantasieën,
potpourris, parodieën enz.

Al deze gevallen afzonderlijk te bespreken zou mij te ver voeren;
daarbij zouden trouwens vragen van speciaal muzikalen aard te pas
moeten worden gebracht, waarover ik mij allerminst bevoegd acht een
oordeel uit te spreken.

Ik wensch hier nog slechts ééne opmerking van algemeenen aard aan
het bovenstaande toe te voegen, deze nl. dat bij de beoordeeling,
of in een bepaald geval door het overnemen van bestanddeelen uit eens
anders muzikale compositie inbreuk op het auteursrecht is gepleegd,
de meerdere of mindere artistieke waarde van het daardoor ontstane
nieuwe muziekstuk m. i. niet in aanmerking mag worden genomen. Er
zijn zeer zeker, ook onder de niet geheel oorspronkelijke muzikale
composities, ware meesterwerken aan te wijzen. Door verschillende
schrijvers worden b.v. als zoodanig genoemd de variaties die Bach,
Mozart en Beethoven op vreemde melodieën hebben geschreven. Dit is
echter geen voldoende reden om dergelijke bewerkingen voor geoorloofd
te houden, indien zij werkelijk bestanddeelen van een nog beschermd
werk van een ander bevatten. Volgde men deze opvatting [401], dan
zou elk gebruik van eens anders werk geoorloofd zijn, mits er slechts
eene kunstvolle muzikale compositie door tot stand werd gebracht.

Ik meen dus--om eens een enkel voorbeeld te nemen uit eene nadere
omgeving dan de bovengenoemde--dat een werk als de bekende
Piet Hein-Rhapsodie van van Anrooy, waarin de melodie van het
oorspronkelijke Piet Hein-lied telkens is te herkennen, te beschouwen
is als eene "bewerking" van dat lied en dat de exploitatie ervan
zonder toestemming van den auteur van dit laatste (gesteld dat diens
auteursrecht nog bestaat) niet geoorloofd zou zijn, al moge ook de
groote muzikale waarde der rhapsodie meer gelegen zijn in de nieuwe
harmoniseering en instrumentatie dan in de ontleende melodie.



Er zijn landen, waar men beproefd heeft in wetsbepalingen enkele van de
hierboven genoemde beginselen vast te leggen. Zoo kent b.v. de Duitsche
wet van 19 Juni 1901 den componisten het uitsluitend recht toe,
uittreksels (Auszüge) uit hunne werken te maken alsmede bewerkingen
voor een of meer instrumenten of stemmen (§ 12, 4); voorts verbiedt de
wet elk gebruik van een muziekwerk, waardoor eene melodie aan het werk
wordt ontnomen om aan een nieuw werk ten grondslag te worden gelegd
(§ 13 lid 2). Ook in de wetten van Spanje en Italië komen dergelijke
bepalingen voor. De Italiaansche wet van 19 Sept. 1882 stelt met
reproductie gelijk: bewerkingen voor verschillende instrumenten,
uittreksels en geheele of gedeeltelijke omwerkingen (adattamenti),
behalve wanneer een motief uit een werk tot thema wordt genomen
voor eene nieuwe oorspronkelijke muzikale compositie (art. 3). De
Spaansche wet van 10 Jan. 1879 verbiedt het geheel of gedeeltelijk
overnemen van melodieën met of zonder begeleiding, hetzij bewerkt
voor andere instrumenten, hetzij voorzien van een anderen tekst
of in eenigen anderen vorm, dan die welke de auteur eraan heeft
gegeven (art. 7). Het Reglement van 3 Sept. 1880 tot uitvoering van
laatstgenoemde wet bepaalt nog, dat in eene parodie geen melodie van
het geparodieerde stuk mag worden opgenomen (art. 65).

In het algemeen schijnen mij wetsbepalingen als de bovengenoemde, die
zoozeer in bijzonderheden afdalen, niet aanbevelenswaardig. Slechts dán
kunnen zij noodig zijn, indien bij het ontbreken ervan gegronde vrees
bestaat, dat door den rechter de juiste beginselen niet zullen worden
toegepast, zoodat b.v. alleen het exploiteeren van een muziekstuk
in ongewijzigden vorm als inbreuk op het auteursrecht zou worden
aangemerkt. Of dit in ons land, waar de wet den rechter in deze
materie volkomen vrijheid laat, al of niet het geval is, is moeilijk
uit te maken, daar jurisprudentie hierover ontbreekt en ook van eene
wetenschappelijke communis opinio moeilijk kan gesproken worden. Er kan
hier echter gewezen worden op de boven reeds aangehaalde zinsnede uit
de memorie van toelichting onzer wet, waaruit ten duidelijkste blijkt,
dat onze wetgever geenszins de bedoeling heeft gehad, het maken van
bewerkingen van muziekstukken zonder toestemming des auteurs in alle
gevallen vrij te laten. Er is dus, nog minder dan ten aanzien der
geschriften, eenige reden om de erkenning van een bewerkingsrecht van
auteurs van muziekstukken in strijd met de wet te achten. Daarom meen
ik ook, dat de hierboven ontwikkelde theoretische beschouwingen volgens
ons bestaande recht in allen deele toepassing zouden kunnen vinden.



§ 5 Dramatisch-muzikale werken, balletten en pantomimes

In het algemeen zal men onder dramatisch-muzikale werken verstaan
tooneelstukken op muziek, werken dus, die bestaan uit een geheel of
gedeeltelijk op muziek gezetten, dramatisch bewerkten tekst. Het
eigenaardige van deze werken bestaat hierin, dat zij door eene
samenwerking van woord- en toonkunst ontstaan zijn; zij zijn geen
geschriften en evenmin muziekwerken, doch tekst en muziek behooren
bij elkander en vormen één geheel. Die organische samenhang van
woord en toon wordt ook in het auteursrecht erkend; een opera of
operette is, ook als voorwerp van auteursrecht, als één geheel te
beschouwen. Dit zou echter nog geen reden behoeven te zijn om deze
werken afzonderlijk te behandelen. Dat een opera of operette, als
één rechtsobject beschouwd, uit twee verschillende bestanddeelen
bestaat, in tegenstelling met b.v. een roman, die alleen woorden en
een symphonie, die alleen noten bevat, brengt ten aanzien van het
auteursrecht geene bijzondere moeilijkheden mee. De moeilijkheid bij
het bepalen, wat in elk geval object van het auteursrecht is, bestaat,
zooals na het bovenstaande wel duidelijk zal zijn, voornamelijk
in de ontleding, die van geschriften en kunstwerken moet worden
gemaakt. Deze ontleding valt bij dramatisch-muzikale werken al heel
gemakkelijk. Want tekst en muziek mogen tezamen een organisch geheel
vormen, evenals b.v. melodie en harmonie, eene onderscheiding te maken
tusschen de twee zal niemand eenige moeite kosten. Wat de tekst is
in een opera, en wat de muziek, daarover behoeft geen woord te worden
vuil gemaakt. En is eenmaal deze onderscheiding gemaakt, dan is voor
't overige op elk der twee bestanddeelen van het dramatisch-muzikale
werk slechts toe te passen, wat hierboven over de geschriften en
de muziekwerken is gezegd. Het libretto, het moge op zichzelf, dus
afgescheiden van de muziek, eenige zelfstandige waarde hebben of niet,
valt onder de regels die voor alle geschriften en in het bijzonder
voor de tooneelstukken gelden. Het zal dus b.v. niet vertaald mogen
worden zonder toestemming van den auteur; evenmin zal er een roman of
novelle uit getrokken mogen worden, tenzij het natuurlijk zelf eene
dramatiseering is van een bestaande roman. Eveneens zullen, wat het
muzikale gedeelte betreft, de beginselen toepassing kunnen vinden
die hierboven over het auteursrecht der componisten zijn ontwikkeld.

Naast het recht op het werk in zijn geheel, kan derhalve ook bestaan
een recht op elk der deelen (muziek en tekst) in het bijzonder. Dit
is vooral van belang voor die gevallen, waar de componist niet tevens
de auteur van het libretto is. Hij behoeft dan de toestemming van
den librettist, om zijn recht op het dramatisch-muzikale werk uit te
oefenen. Dit laatste wordt door sommige schrijvers ontkend. Schuster
b.v. betoogt, dat het een eisch van rechtvaardigheid is, dat een
componist, die door muziek bij een tekst te componeeren, dezen
bezielt en tot een nieuw leven opwekt, over dien tekst ook vrij moet
kunnen beschikken [402]. Ook in sommige wetten wordt deze vrijheid
uitdrukkelijk erkend, o. a. in Duitschland, waar zij echter beperkt
blijft tot kleinere gedichten en in het algemeen tot die werken,
die niet zijn geschreven met het doel, als tekst voor een componist
te dienen (wet van 19 Juni 1901 § 20). Dit artikel heeft dus meer
liederen dan dramatisch-muzikale werken op het oog. In geen geval
schijnt mij echter deze vrijheid tot het gebruiken van andermans
geschriften gerechtvaardigd.

Het moge een eer zijn voor een dichter of librettist, dat zijn
werk door een bekend componist als tekst voor eene compositie wordt
uitverkoren, het is mogelijk dat zijn naam er meer en beter door bekend
zal worden (men vergete echter niet dat ook het omgekeerde het geval
kan zijn!); dit alles is echter geen reden, om hier de gewone regelen
van het auteursrecht eenvoudig op zijde te zetten en de componisten
maar vrijelijk over het werk van anderen te laten beschikken. Dat men
door deze vrijheid aan banden te leggen het ontstaan van belangrijke
werken op het gebied der vocale muziek ernstig zou bemoeilijken--zooals
Schuster schijnt te vreezen [403]--meen ik te moeten betwijfelen. De
componist zal zijn werk niet mogen exploiteeren zonder toestemming
van den schrijver van den tekst, doch men kan gerust aannemen, dat
deze toestemming bijna nooit--en in 't bijzonder niet aan talentvolle
componisten--zal worden geweigerd [404].



Dat de meeste wetten naast de geschriften en muziekwerken de
dramatisch-muzikale werken nog afzonderlijk noemen, is waarschijnlijk
niet uit vrees, dat zij anders niet tot de beschermde auteursproducten
zouden worden gerekend. Indien dit het geval was, zou men ook
de niet-dramatische werken, die uit een verbinding van muziek en
tekst bestaan (alle vocale muziek dus) met name moeten noemen, wat
echter geen enkele wet doet. De reden van de speciale vermelding der
dramatisch-muzikale werken ligt meestal hierin, dat voor deze werken
niet dezelfde bepalingen gelden als voor de overige muziekstukken. Het
verschil bestaat of bestond (daar het in de nieuwere wetten niet meer
voorkomt) gewoonlijk hierin, dat het uitvoeringsrecht van muziekwerken
slechts voorwaardelijk (nl. als het uitdrukkelijk is voorbehouden)
wordt erkend, terwijl het opvoeringsrecht van dramatisch-muzikale
werken niet aan deze voorwaarde is gebonden [405]. Onze wet bevat
ook iets dergelijks, al meet zij de bescherming nog minder ruim toe;
uitvoeringsrecht van muziekwerken erkent zij in het geheel niet;
opvoeringsrecht van dramatisch-muzikale werken wél, al is het slechts
voorwaardelijk en in beperkte mate (artt. 1 en 15).

Of er voor deze verschillende behandeling van de dramatische en de
niet-dramatische muziekwerken een redelijke grond bestaat, laat ik
hier in het midden (in een volgend hoofdstuk hoop ik het tegendeel
aan te toonen); nu echter onze wet de onderscheiding maakt en er de
genoemde rechtsgevolgen aan verbindt, wil ik een oogenblik stilstaan
bij de vraag, wat in den zin der wet onder een "dramatisch-muzikaal
werk" te verstaan is.

Niet twijfelachtig is, dat daartoe behooren opera's en operettes,
werken dus die bestemd zijn om op het tooneel te worden opgevoerd;
men heeft echter gestreden over de vraag, of ook werken, die wel
dramatisch zijn bewerkt, maar niet uitsluitend voor den schouwburg
zijn bestemd, zooals oratoria en cantate's, tot de dramatisch-muzikale
werken gerekend kunnen worden. Schuster beweert van niet, op grond,
dat deze soort werken uiterlijke dramatiek missen; dit moet hier,
volgens hem, den doorslag geven: "da das Recht, und somit auch das
Urheberrecht als äussere Ordnung seiner Unterscheidung äussere Momente
zu Grunde legen muss" [406].

Ik moet bekennen, dat de waarde van dit argument mij ten eenenmale
ontgaat, doch ik wil er in één adem bijvoegen dat er voor de meening,
die men er tegenover zou kunnen stellen (volgens welke dus het
al of niet "dramatische" van een werk naar zijne meer innerlijke
eigenschappen, zijn opzet en bouw zou moeten worden beoordeeld) al
evenmin veel is te zeggen. Het beste schijnt mij, de vraag meer van
opportunistisch standpunt te beschouwen, zooals Kohler o. a. deed. Deze
redeneerde als volgt: het onderscheid, dat de wet maakt (zijn betoog
had betrekking op de oude Duitsche wet van 1876, nu vervangen door die
van 1901) tusschen dramatische en niet-dramatische muzikale werken
is in beginsel af te keuren daar de laatste evengoed bescherming
verdienen als de eerste; de bepaling is alleen te verdedigen als een
overgangsmaatregel, zoolang tegen een onvoorwaardelijk uitvoeringsrecht
van muziekstukken nog practische bezwaren worden gemaakt, die echter
bestemd is te verdwijnen (in dit opzicht heeft Kohler goed gezien);
en zijn slotsom is deze: "in Zweifel ist darum ein Musikstück als
dramatisch-musikalisch zu betrachten" [407].

Deze interpretatie kan m. i. ook aan de uitdrukking
"dramatisch-muzikale werken" van onze wet worden gegeven; temeer daar
in de memorie van antwoord de oratoria met name als daartoe behoorende
worden genoemd [408].



Eene andere vraag is, of ook die werken, welke eenen tekst ontberen
en waarin uitsluitend door gebarenspel de dramatische handeling
tot uitdrukking wordt gebracht, tot de dramatisch-muzikale werken
kunnen gerekend worden. M. i. is er geen reden om het tegendeel
aan te nemen. Dat balletten en pantomimes evengoed als geschreven
drama's tot de kunstscheppingen behooren te worden gerekend, die
door auteursrecht beschermd zijn, wordt in de laatste jaren bijna
door niemand meer ontkend. Reeds in 1885 op de Conferentie van Bern
tot voorbereiding van de internationale Conventie werd dit door den
Italiaanschen gedelegeerde Rosmini kort en duidelijk uitgesproken:
"... il ne s'agit pas seulement de protéger le libretto, qui n'est
qu'un canevas, ou la musique, qui n'est qu'un accessoire, mais
aussi l'action chorégraphique, qui est une création de l'auteur. Le
chorégraphe digne de ce nom est poète et artiste: il crée le sujet;
il ordonne les scènes, les décors, les costumes, les tableaux, les
couleurs; la suite, l'intrigue, le développement des pantomimes
et des danses, qui expriment le drame fantastique, mythologique
ou historique. Tout cela constitue une véritable oeuvre d'art,
et l'ensemble, une oeuvre dramatico-musicale. A ce double titre,
il y a donc lieu de protéger l'action chorégraphique" [409].

Ook indien men de balletten als kunstwerken minder hoog aanslaat
dan Rosmini blijkens zijne hier aangehaalde woorden scheen te doen,
zal men het feit, dat zij eene persoonlijke, aesthetische schepping
vertegenwoordigen, moeilijk kunnen loochenen. En dit is, zooals
wij gezien hebben, genoeg om de bescherming door auteursrecht te
rechtvaardigen. Natuurlijk moeten ook hier eenige eischen worden
gesteld. Niet elke vertooning die als ballet of pantomime wordt
aangekondigd, zal men een choregraphisch werk kunnen noemen,
waarvan den auteur bescherming toekomt. In geen geval behooren
hiertoe vertooningen, die tot eenig doel hebben de handigheid,
vlugheid of lichaamsschoonheid der uitvoerenden te doen bewonderen
of voorstellingen van clowns, acrobaten, dierentemmers en dergelijken
[410].

Balletten en pantomimes kunnen op verschillende wijzen door de
auteurs gefixeerd worden. In de eerste plaats door middel van het
choregraphische schrift, waarover reeds gesproken is (p. 129). In
de tweede plaats--en dit zal vooral voor pantomimes wel het meer
gebruikelijke middel zijn--door eene beschrijving van de standen,
gebaren, gelaatsuitdrukking enz. enz. van alle in de pantomime
optredende personen gedurende den geheelen loop van het stuk. Behalve
deze twee is er nog een derde middel, dat vooral in de laatste jaren
van groote beteekenis is geworden, nl. de kinematograaf. Met behulp
hiervan kan niet alleen de gang van het spel tot in de fijnste
bijzonderheden worden vastgelegd, maar men heeft er tevens een
middel in, om het ballet of de pantomime aanschouwelijk voor te
stellen. Daardoor kan de kinematographische vertooning in de plaats
treden van eene werkelijke opvoering door tooneelspelers, balletdansers
enz. Dikwijls zelfs worden pantomimes vervaardigd uitsluitend voor de
vertooning met den kinematograaf. Naast gebeurtenissen, die werkelijk
hebben plaats gehad, zooals optochten, militaire schouwspelen, de
aankomst van een trein enz. enz. ziet men in den laatsten tijd meer
en meer deze speciaal voor dat doel in elkander gezette "drama's"
en kluchten door den kinematograaf vertoonen. Indien pantomimes
in het algemeen tot de beschermde auteursproducten kunnen worden
gerekend, dan bestaat er niet de minste reden om aan deze bijzondere
soort bescherming te ontzeggen. Al zal men den naam "drama" voor deze
werken misschien niet geheel passend achten; het kan toch niet ontkend
worden, dat zij door de snelle opeenvolging en groote verscheidenheid
der tafereelen, die zich achtereenvolgens op de meest verschillende
plaatsen kunnen afspelen, nog meer dan de eigenlijke pantomimes zich
leenen, om dramatische conflicten tot uitdrukking te brengen.

De kinematographische afbeeldingen kunnen ook als photographieën
beschermd zijn, doch dit is een recht van geheel anderen aard,
dat niet verward moet worden met dat op het door den kinematograaf
vertoonde stuk, waarover hier gesproken wordt. Dit laatste recht is
van veel wijder strekking: niet alleen het maken van afdrukken der
oorspronkelijke films zou een inbreuk erop zijn, maar ook b.v. het
opnieuw laten vertoonen van hetzelfde stuk, hetzij door andere, hetzij
door dezelfde personen, om daarvan weer eene nieuwe kinematographische
afbeelding te maken. Het behoeft geen betoog, dat er alleen dán voor
dit recht grond bestaat, indien de voorgestelde tafereelen kunstmatig
in elkander zijn gezet en tezamen een geheel vormen, waarin althans
eenigszins een dramatisch element te herkennen valt. Tafereelen,
die zich in de werkelijkheid hebben afgespeeld, kunnen geen voorwerp
van een uitsluitend recht zijn, ook al hebben de daaraan deelnemende
personen zich min of meer gedragen naar de aanwijzingen van dengeen
die ze in beeld bracht.

In verband hiermee kan melding worden gemaakt van een eigenaardig
proces, dat voor eenige jaren in Frankrijk is gevoerd. Een dokter had
in zijne kliniek kinematographische afbeeldingen doen vervaardigen
van door hem verrichte operaties; van deze films werden zonder
zijne toestemming afdrukken in den handel gebracht en in het publiek
vertoond. De door hem ingestelde actie werd door de Seine-rechtbank
toegewezen. Daarbij werd aangenomen, dat de kinematographische
afbeeldingen als werken van beeldende kunst beschermd waren en dat als
auteur daarvan de eischer (nl. dokter Doyen) moest worden aangemerkt,
daar deze het was geweest, "qui a disposé d'abord son sujet, ses aides,
ses instruments; qu'il s'est assuré de la mise en plaque, c'est à dire
si le point important de la scène à reproduire se trouvait bien dans
le centre du verre dépoli; qui a été en un mot le principal auteur
des films" etc. [411]). Doch "la scène à reproduire" zelf werd niet
als een voorwerp van zijn auteursrecht beschouwd en terecht. Eene
operatie is geen drama: geen spel maar werkelijkheid. Zij moge als
wetenschappelijk-technische praestatie hare waarde hebben, auteursrecht
kan daardoor niet worden gevestigd.

Een recht als het door mij bedoelde, een recht dus op het speciaal
voor den kinematograaf vervaardigde "stuk", wordt, voorzoover mij
bekend is, nog in geen enkel land uitdrukkelijk in de wet omschreven
of door de jurisprudentie erkend. De eenige stellige bepaling, die mij
hierover bekend is, is die van art. 14 lid 2 en 3 der herziene Berner
Conventie, welke hieronder nog besproken zal worden. In een geval,
waar voor de erkenning van dit recht wellicht eenige grond bestond
(het betrof hier kinematographische tafereelen die tot titel voerden:
"Apparitions de la très Sainte Vierge à Bernadette") werd het bestaan
ervan ontkend door het Appelhof van Pau. De overwegingen waren o.a.:

"Attendu qu'une oeuvre cinematographique, de quelque valeur artistique
qu' elle puisse être, ne peut, en aucune manière, être assimilée aux
oeuvres dramatiques ou musicales; que cette oeuvre, non susceptible
d'interprétation, purement mécanique, ne saurait être l'objet d'une
représentation dans le sens donné à ce mot par la loi des 13-19
Janvier 1791 et par les articles 428 et 429 du Code Pénal;

Que, s'il est exact de prétendre que l'agencement et la composition
des tableaux représentés peuvent offrir un caractère artistique, le
mouvement dont sont douées les projections cinematographiques n'est
pas dû soit à l'auteur, soit à des exécutants, mais bien à la machine
spéciale au moyen de laquelle ce mouvement est obtenu, etc." [412]

Wegens de eigenaardigheid van het geval wil ik hier ten slotte
nog eene beslissing vermelden van de Seine-rechtbank van 9 Juni
1903. Hier waren geen kinematographische afbeeldingen in het spel,
maar eenvoudig een serie van tien prentbriefkaarten, die echter,
in bepaalde volgorde gelegd, eene soort van "dramatische" handeling
lieten zien, op soortgelijke wijze, maar natuurlijk niet zoo volkomen,
als een kinematographische rol. De rechtbank overwoog hierbij
o.a.: "... qu'il existe entre les dix scènes de la composition un
enchaînement qui indique la pensée de l' auteur; qu'en outre, la
position des personnages, leurs gestes, le jeu de leur physionomie,
leur attitude précisent et réalisent cette conception; ... qu'on
n'a pas cherché à reproduire les traits de telle ou telle personne
déterminée, mais à figurer par une série de petits tableaux une idée
que la mimique des personnages fait comprendre; que sans rechercher
quel peut être le mérite ou la valeur artistique d'une telle oeuvre,
il est certain qu'elle bénéficie de la protection de la loi du 10
Juillet 1793" [413].

Hier werd dus wel degelijk het dramaatje, dat in die tien
prentbriefkaarten was neergelegd, als voorwerp van auteursrecht
erkend. De handeling, waardoor volgens het oordeel der Seine-rechtbank
inbreuk op dat recht was gemaakt, bestond niet in de reproductie
van de oorspronkelijke photographieën, maar in de reproductie van
de tien tafereelen; er waren geheel nieuwe opnamen gedaan waarvoor
andere personen geposeerd hadden.

Het komt mij voor, dat dit laatste vonnis wel wat al te ver ging in het
erkennen van auteursrecht. Wat hier als object van auteursrecht werd
beschouwd, was niet veel meer dan "une idée" in den zin, waarin ons
woord "idee" wel wordt gebruikt, nl. eene invallende gedachte, en niet
eene schepping, die aanspraak geeft op auteursbescherming. Het vonnis
geeft overigens een eigenaardig staaltje van de vrijheid, waarmede de
rechtspraak in Frankrijk zich beweegt bij het interpreteeren van de
wettelijke bepalingen op het auteursrecht. Met het oog hierop meen ik
ook te kunnen zeggen, dat er tenminste in dát land geen speciale wet
noodig zal zijn, om de bescherming, die in de voorgaande bladzijden
werd bepleit (voor de stukken nl. die aan den kinematograaf hun
aanzijn hebben te danken), daadwerkelijk in te voeren.

Ten aanzien van ons land zou ik echter hetzelfde niet met even
groote zekerheid durven te zeggen. Kunnen balletten en pantomimes,
waarbij muziek behoort, al gerekend worden tot de dramatisch-muzikale
werken, dit is ten aanzien van de hier bedoelde werken natuurlijk
uitgesloten. "Geschriften" zijn zij al evenmin; dus zou er niets
anders overblijven dan ze te rangschikken onder de "tooneelwerken",
waarvan onze wet spreekt. Met eene dergelijke interpretatie zou men
echter de grenzen, die de wetgever voor oogen heeft gehad, te ver
overschrijden. Naar ons bestaande recht meen ik dus, dat de bedoelde
werken onbeschermd zijn. Bij eene toekomstige herziening zou daarom
het opnemen eener bepaling als die van art. 14 tweede en derde lid
der Berner Conventie, ook in verband met eene aansluiting van ons
land bij het internationale Verbond, wel aanbeveling verdienen.



§ 6 Werken van beeldende kunst

De scheppingen op het gebied der beeldende kunst zijn, als alle
kunstwerken, in wezen geestelijk en niet stoffelijk, d. w. z. de
stof is slechts middel van uitdrukking en geen bestanddeel van
het kunstwerk. Toch staat uit den aard der zaak de beeldende
kunstenaar anders tot de stof dan de auteur van een geschrift
of muziekwerk. Het verschil ligt hierin, dat--wat men zou kunnen
noemen--: de verwerkelijking van het werk in de stoffelijke wereld,
door schrijvers en componisten aan anderen (zangers, orkestspelers,
tooneelspelers enz.) kan worden overgelaten, daar zij in het schrift
(letter- en notenschrift) een middel hebben, om hunne schepping
door symbolische teekens weer te geven. De beeldende kunstenaar
daarentegen moet het zonder deze tusschenpersonen stellen; hij moet,
zij het slechts eenmaal, zijne schepping zelf verwerkelijken. Daarom
kan van hem worden gezegd, dat hij tegelijk scheppend en uitvoerend
kunstenaar is.

Het stoffelijk voorwerp, dat uit de handen van den beeldenden
kunstenaar komt, laat ons b.v. zeggen een schilderij in olieverf,
heeft dus wel eene andere beteekenis dan het manuscript van een
schrijver of componist. Het eerste is de verwerkelijking van een
kunstwerk, het tweede is niet meer dan een middel, waardoor de
verwerkelijking, ook door anderen dan de auteur, mogelijk wordt
gemaakt. Doch men moet daarom niet bij een werk van beeldende kunst
de schepping van den kunstenaar vereenzelvigen met het stoffelijk
voorwerp, waarin de schepping verwerkelijkt is. Zijne schepping is
niet aan dat ééne voorwerp gebonden, evenmin als b.v. een muziekstuk
aan ééne uitvoering. Doek en verf spelen in het werk van den schilder
ongeveer een zelfde rol als de geluidstrillingen bij de uitvoering
van een muziekwerk: zij zijn de middelen, waardoor het kunstwerk
voor de zintuigen waarneembaar wordt gemaakt. Dat de eerste van
meer blijvenden aard zijn dan de laatste is een gevolg hiervan,
dat beeldende kunst en muziek zich tot verschillende zintuigen
richten. Muziek, als rhythmisch-melodische kunst, kan alleen door het
oor worden waargenomen en speelt zich daarom af in een bepaalden tijd;
de werken van beeldende kunst daarentegen, die moeten worden gezien,
hebben voor hunne verwerkelijking een voorwerp noodig, dat niet aan een
bepaalden tijd is gebonden, maar dat zijne grenzen vindt in de ruimte.



Object van het auteursrecht van den beeldenden kunstenaar is--het
zal wel nauwelijks behoeven te worden gezegd--niet het lichamelijke
voorwerp, dat de schepping verwerkelijkt, maar de onlichamelijke
schepping zelve. Om hiervan een goed denkbeeld te krijgen, moeten
wij ons het kunstwerk denken ontdaan van de materieele hulpmiddelen
die de kunstenaar heeft gebruikt om zijne conceptie aanschouwelijk te
maken. "Wir müssen,"--zooals Kohler het uitdrukt--"von der concreten
Darstellung abziehen einmal die äuszere Form (d. w. z. het procédé:
krijtteekening, olieverf, aquarel enz. enz.) müssen uns daher
vergegenwärtigen, was das gemeinsame ausmacht, wenn wir das Bild in
verschiedenen Kunstformen wiedergeben" [414].

Dat de schepping van den kunstenaar (dus het object van zijn
recht) onafhankelijk is van een bepaald materieel voorwerp is
het gemakkelijkst in te zien wanneer die schepping in denzelfden
kunstvorm meerdere malen verwerkelijkt is, en wel in het bijzonder
wanneer het aangewende procédé toelaat, dat meerdere exemplaren
worden vervaardigd, die niet van elkander zijn te onderscheiden. Dit
is b.v. het geval met etsen en houtsneden; elke afdruk die van het
door den kunstenaar vervaardigde cliché is gemaakt, is eene even
volmaakte verwerkelijking zijner schepping. In den laatsten tijd is
men er ook in geslaagd zonder gebruikmaking van het oorspronkelijke
cliché reproducties te maken van prenten van allerlei aard, die zóó
getrouw het origineel weergeven, dat slechts door deskundigen het
onderscheid kan worden gezien. Er zijn echter kunstwerken, waarvan
het zeer moeilijk is eene reproductie te maken, die volkomen met
het origineel overeenstemt. Van een schilderij b. v. kan men zich
wel eene kopie denken, die, zoover ons waarnemingsvermogen gaat,
in alle onderdeelen eene absolute gelijkenis met het gekopieerde
vertoont; in de werkelijkheid bestaan zulke kopieën niet [415]. Doch
dat de mogelijkheid in abstracto kan worden aangenomen, is ons hier
genoeg. In de practijk, d. w. z. in de practijk van het auteursrecht,
komt het er niet op aan, of men met eene gebrekkige kopie heeft te
maken dan wel met de meest volmaakte, die zich denken laat.

Behalve met reproducties in denzelfden of een soortgelijken kunstvorm
hebben wij nu ook te doen met die in een anderen kunstvorm. Naar eene
schilderij kan b.v. een ets, of eene houtsnede of eene krijtteekening
worden gemaakt; eene aquarel kan door middel der chromo-lithographie
worden gereproduceerd, enz. enz.; al deze reproducties of kopieën in
andere kunstvormen zijn min of meer volmaakte en min of meer getrouwe
verwerkelijkingen van de oorspronkelijke schepping.

Het is nu allereerst noodig de geestelijke schepping van den beeldende
kunstenaar, die het object uitmaakt van zijn auteursrecht, eenigszins
nader te karakteriseeren.

Het begrip "beeldende kunst" staat--er is reeds op gewezen--algemeen
vast. In het bijzonder bestaat verschil van meening hierover, of tot
de werken van beeldende kunst, die voorwerp zijn van auteursrecht,
ook gerekend moeten worden: photographieën, werken der bouwkunst en
de producten van kunstnijverheid of toegepaste kunst. Over deze drie
categorieën van werken zal ik hieronder afzonderlijk nog spreken;
ik laat ze daarom voorloopig buiten beschouwing en neem dus het woord
beeldende kunst in de meer enge beteekenis, die daaraan ook gewoonlijk
gegeven wordt.

Nadat de grenzen van het gebied der beeldende kunsten hiermede
eenigermate zijn uitgestippeld, kan van de kunstwerken, die hiertoe
behooren, in het algemeen worden gezegd, dat zij zijn aesthetische
scheppingen, welke door middel van lijnen, kleuren en vormen eene
innerlijke voorstelling van den kunstenaar veraanschouwelijken.

De grondslag--of zoo men wil: de inhoud--van elk werk van beeldende
kunst is de innerlijke voorstelling van den kunstenaar. Waar deze
ontbreekt, waar dus b.v. alleen kleuren en lijnen zijn te zien,
die het oog aangenaam aandoen, maar die niet gezegd kunnen worden
iets in beeld te brengen, daar heeft men ook niet met een werk van
beeldende kunst te doen [416]. Kohler bedoelt waarschijnlijk niets
anders, waar hij, met een wel wat groot woord, het werk van beeldende
kunst karakteriseert als: "Darstellung einer Weltschöpfungsidee"
[417]. Men zou ook, om eene meer eenvoudige uitdrukking te gebruiken,
kunnen zeggen, dat een vereischte voor een werk van beeldende kunst
is, dat het "iets voorstelt." De voorstelling, d. w. z. datgene
wat de kunstenaar min of meer bewust voor den geest heeft gestaan,
kan ontleend zijn aan wat hij in de werkelijkheid heeft gezien. Doch
waar de beeldende kunstenaar naar tracht, is niet de werkelijkheid
na te bootsen of eene nieuwe werkelijkheid te scheppen; zijn doel is
eene aesthetische aandoening te bewerken door de veraanschouwelijking
van zijne persoonlijke voorstelling van de werkelijkheid. Daarom is
b.v. de voorstelling van eene kamer of van een woud op het tooneel
geen werk van beeldende kunst [418]. Evenmin zijn als zoodanig te
beschouwen de wassen poppen in een panopticum; immers de bedoeling
hiervan is juist, dat zij zoo bedriegelijk mogelijk de werkelijkheid
nabootsen. De grootste triomf voor den vervaardiger is het, als de
poppen door den beschouwer voor echte menschen worden aangezien. Aan
den beeldenden kunstenaar is echter elk streven, om zijn werk voor
realiteit te laten doorgaan, vreemd.

Aan den anderen kant moet de voorstelling van den kunstenaar, wil
zijn werk aan het doel, nl. het wekken van aesthetische aandoeningen,
beantwoorden, niet te zeer afwijken van hetgeen in de werkelijkheid
is te zien. Hij kan natuurlijk wel zijne phantasie laten werken en
zelfs iets in beeld brengen, dat zich zoo in werkelijkheid nooit zou
kunnen voordoen; doch altijd moet het beeld bij den beschouwer de
herinnering aan werkelijk geziene dingen wekken. Een schilderij of
teekening, waarvan niemand kan zeggen "wat het voorstelt", is niet
als werk van beeldende kunst te beschouwen.

Geen vereischte is echter, dat het werk een zekeren graad van
volmaaktheid vertoone. De meerdere of mindere kunstwaarde mag uit het
oogpunt van het auteursrecht niet in aanmerking worden genomen. Dit
is een regel, die ook voor geschriften en andere kunstwerken geldt,
en die na hetgeen daarover reeds gezegd is wel geene nadere verklaring
zal behoeven [419].

Welke zijn nu de bestanddeelen, waaruit de schepping van den beeldenden
kunstenaar, die aan bovengenoemde eischen voldoet, bestaat?

Het motief of onderwerp kan hiertoe niet gerekend worden. Dit wordt
niet door den kunstenaar geschapen, maar gevonden; en dat het niet
aangaat, aan één persoon het monopolie op een bepaald onderwerp te
geven (wat--zooals wij gezien hebben--in den tijd der privilegiën wel
voorkwam) [420], zal nu wel nergens tegenspraak ontmoeten. Dit geldt
niet alleen voor portretten, landschappen, stillevens enz. maar ook
voor de zoogenaamde genre-stukken en afbeeldingen van geschiedkundige
tafereelen, waarbij het tafereel op zich zelf eene--zij het ook geheel
uiterlijke--beteekenis heeft [421].

Het staat dus ieder vrij, zijn onderwerp te kiezen waar hij wil, ook al
is het reeds door anderen vóór hem gebruikt. Het onderwerp is echter
iets anders dan wat ik hierboven noemde de "innerlijke voorstelling"
van den kunstenaar. Afgezien van de techniek en afgezien ook van
de compositie zal hetzelfde onderwerp door twee schilders niet op
dezelfde wijze behandeld worden.

In deze verschilpunten openbaart zich de persoonlijkheid van elken
kunstenaar. Hetzelfde landschap, hetzelfde menschen-gezicht zal bij
den een een geheel andere innerlijke voorstelling wekken dan bij
den ander en bijgevolg ook tot het scheppen van een ander kunstwerk
leiden. Kohler spreekt te dien aanzien van "die individuelle Weise,
in welcher der Künstler seinen Stoff idealisirt, in Idealweise
gebildet hat" [422]. Dit kan natuurlijk op verschillende wijzen en
door verschillende middelen worden bereikt; elke kunstenaar volgt
hierin min of meer zijn eigen weg, al zal zijn werk op enkele punten
verwantschap met dat van anderen toonen.

Deze innerlijke voorstelling van den kunstenaar kan men den inhoud
zijner schepping noemen. Zij is het "imaginäre Bild",--de "innerlijke
visie" zou men hier zeggen--die in verschillende vormen aanschouwelijk
kan worden gemaakt.

De "vorm" is hier weer te onderscheiden in een innerlijken en een
uiterlijken. Den innerlijken vorm zal men voornamelijk hebben te zoeken
in wat gewoonlijk genoemd wordt de compositie, d.w.z. de wijze waarop
de verschillende onderdeelen worden gerangschikt, op den voorgrond
of op den achtergrond, in licht of in schaduw worden gezet, zóó dat
zich daaruit één harmonisch geheel vormt. Hiertoe behoort ook in het
bijzonder de begrenzing van het stuk [423]; zoo kan bij landschappen
of zeegezichten de hoogte van de lucht in verhouding tot het geheel
een belangrijke factor zijn; terwijl b.v. de bewegelijkheid van een
menschengroep kan worden verhoogd, door de figuren, die zich aan de
uiteinden bevinden, slechts voor de helft te doen zien, zoodat zij
uit de lijst in het schilderij schijnen te stappen [424].

Dat deze innerlijke vorm niet gelijk met de visie gegeven behoeft
te zijn en dat deze laatste ook niet steeds aan één enkele wijze van
compositie gebonden is, blijkt wel hieruit, dat kunstenaars dikwijls
beginnen met schetsen of modellen, waarin nu eens deze, dan weer een
andere vorm beproefd wordt, totdat eindelijk gevonden is wat voor de
definitieve verwerkelijking passend wordt geacht.

Ten slotte wordt dan aan het werk zijn uiterlijke vorm gegeven,
d. w. z. het wordt in een bepaald procédé (olieverf, aquarel,
crayon-teekening enz. enz.) uitgevoerd. De uiterlijke vorm is dus
voornamelijk de techniek. Ook deze is een element van den scheppenden
arbeid des kunstenaars; er komt niet alleen technische vaardigheid
bij te pas, die ieder kan aanleeren. Dit geldt in het bijzonder voor
de schilderkunst: het is dikwijls vooral de "manier van schilderen"
waaraan de werken van een grooten meester zijn te herkennen. Doch
ook in de behandeling van andere kunstvormen kan de kunstenaar zijne
persoonlijkheid, zijn eigen stijl toonen. Men denke zich bij voorbeeld
twee etsen naar dezelfde schilderij. Slechts zelden zal het voorkomen,
dat men daartusschen niet belangrijke verschilpunten ontdekt, die
natuurlijk alleen zijn te verklaren uit het verschil in werkwijze
der twee kunstenaars.

Als de drie hoofdbestanddeelen in de schepping van den beeldenden
kunstenaar kunnen wij dus na het voorgaande beschouwen: de innerlijke
voorstelling, de compositie en de technische uitvoering, die zich, wat
hunne onderlinge verhouding aangaat, eenigszins laten vergelijken met:
melodie, harmonie en instrumentatie in de muziek. De gevolgtrekkingen
ten aanzien van het auteursrecht zijn geheel analoog aan die, welke ten
opzichte der geschriften en muziekwerken gemaakt zijn. Ik meen dus, dat
zonder verdere toelichting de volgende regels kunnen worden gesteld.

Object van auteursrecht is--zooals altijd--alleen datgene, wat de
schepping van den auteur uitmaakt. Bij volkomen oorspronkelijke
werken heeft dus de auteur recht, niet alleen op den uiterlijken
en innerlijken vorm, maar ook op den inhoud: de "innerlijke
voorstelling". Wanneer deze door een ander wordt overgenomen, is dit
een inbreuk op het auteursrecht; ook al verschijnt de voorstelling in
een anderen kunstvorm. Het is dus b.v. niet geoorloofd een ets naar een
schilderij te maken of eene staalgravure naar eene potloodteekening
enz. enz.; dit is ook dán niet het geval, indien in de compositie
wijzigingen zijn aangebracht.

Aan den anderen kant komt aan den bewerker van den nieuwen innerlijken
of uiterlijken vorm een eigen auteursrecht toe, onverschillig of
het oorspronkelijke werk al dan niet beschermd is. Hiervoor geldt,
wat boven over het recht van den vertaler en van den bewerker van
muziekwerken is gezegd. Hij die eene ets maakt naar een schilderij kan
dus verhinderen, dat die ets door anderen zonder zijne toestemming
gereproduceerd wordt; niet echter dat van dezelfde schilderij een
andere ets wordt gemaakt.

Ten slotte moet ook hier in het oog worden gehouden, dat niet de
abstracte vorm object van auteursrecht is, maar alleen de vorm in
verband met een concreten inhoud. Niet verboden is daarom het navolgen
van den stijl of de "manier" van een ander, voorzoover dit op nieuwe
onderwerpen wordt toegepast.



Het zou hier de plaats zijn om, evenals ik ten aanzien der hierboven
behandelde categorieën auteursproducten gedaan heb, na de theoretische
beschouwingen een blik te slaan op het bestaande recht in ons land,
en, voorzoover de vergelijking van nut kan zijn, ook op dat in
andere landen. Daar echter een auteursrecht op werken van beeldende
kunst in ons land in het geheel niet bestaat, is natuurlijk eene
bespreking van dezen aard hier uitgesloten. Wel zou als grondslag
daarvan kunnen worden genomen het Wetsontwerp tot regeling van het
auteursrecht op werken van beeldende kunst, dat indertijd door de
Regeering is ingediend, doch daar dit reeds meer dan een kwart eeuw
oud is, heeft het zijne beteekenis als toekomstige wet voor een
groot deel verloren. Ik zie daarom van eene eenigszins uitvoerige
bespreking ervan af [425], en bepaal mij tot eene enkele opmerking,
die met mijne hierboven gehouden beschouwingen verband houdt. Deze
opmerking geldt het vierde artikel van het Ontwerp, dat aldus luidt:


    Hij, die een werk van beeldende kunst, door een ander vervaardigd,
    op wettige wijze, maar door eene andere beeldende kunst of door
    eene mechanische bewerking namaakt, heeft op dien namaak het recht,
    bij art. 1 aan den oorspronkelijken vervaardiger van een kunstwerk
    toegekend, hetzij van het oorspronkelijke kunstwerk een bij art. 1
    bedoeld uitsluitend recht bestaat of niet.


Hier wordt dus erkend het recht van hem, die de schepping van een
ander in een nieuwen kunstvorm weergeeft. Het blijkt echter, dat de
voorstellers van het Ontwerp over dit recht in verschillende opzichten
zich onjuiste voorstellingen hadden gevormd. Hierop wenschte ik nu
in het volgende even te wijzen.

In de eerste plaats kan hier eene opmerking worden herhaald, die
reeds door Mr. Swart werd gemaakt, dat het nl. niet consequent is,
waar het niet-oorspronkelijke werken betreft, ook de "mechanische
bewerking" te beschermen, terwijl in art. 1 van het Ontwerp, waar
het auteursrecht in het algemeen is omschreven, alleen van "werken
van beeldende kunst" wordt gesproken. Het gevolg zou dus zijn,
dat b.v. eene photographie van een schilderij wél, doch die van een
natuurtafereel of van personen níet beschermd zou zijn. Een redelijke
grond hiervoor is niet aan te wijzen [426].

Een ander bezwaar is, dat de bescherming van art. 4 alleen wordt
verleend, indien de reproductie "op wettige wijze" is gemaakt. Dit
beteekent dus, dat door de vervaardiging geen inbreuk wordt gemaakt
op het recht van den auteur van het origineel, hetzij omdat dit
recht niet (meer) bestaat, hetzij omdat de rechthebbende toestemming
heeft verleend aan den reproductor of aan dezen zijn recht op het
oorspronkelijke werk heeft overgedragen. Er bestaat echter geen reden
voor, om alleen de "wettige" reproductie te beschermen. Ik kan hier
verwijzen naar hetgeen dienaangaande is opgemerkt bij de bespreking van
het recht van den vertaler op zijne vertaling. De vertaler--is daar
betoogd (p. 179)--heeft aanspraak op bescherming, onverschillig of
zijne vertaling al dan niet "rechtmatig", d. w. z. niet in strijd met
het uitsluitend vertalingsrecht van den oorspronkelijken schrijver,
is. Hier hebben wij nu met een volkomen analoog geval te doen. Het
recht op de reproductie moet onafhankelijk blijven van dat op het
oorspronkelijke werk.

Dat men deze beide rechten niet goed uit elkaar hield, blijkt ook uit
de bepaling van art. 11 van het Ontwerp. Daar vindt men de bepaling,
dat het recht van art. 4 (het recht dus van den reproductor op zijne
reproductie) duurt: "tien jaren of zooveel langer als het auteursrecht
op het oorspronkelijke kunstwerk nog van kracht blijft". Vooreerst
is de bijzondere termijn van korten duur (het auteursrecht op
oorspronkelijke werken duurt volgens het Ontwerp vijftig jaar) hier
misplaatst. In de memorie van toelichting werd dit verdedigd met een
beroep op eene analoge bepaling in de W. A. R. ten aanzien van het
recht van de vertalers op hunne vertaling: "de duur van dit recht is
echter hier op tien jaren en dus veel langer dan dat van den vertaler
op zijne vertaling gesteld ... enz." [427]. Duidelijk blijkt hieruit,
dat men het recht van den vertaler verwarde met het uitsluitend
vertalingsrecht; immers alleen dit laatste wordt door de W. A. R. aan
den korten termijn van vijf jaar gebonden. Doch eene verwarring van
dezelfde soort blijkt ook uit de laatste zinsnede van art. 11, volgens
welke het auteursrecht op de reproductie even lang duurt als dat op het
oorspronkelijke kunstwerk. De bepaling is klaarblijkelijk gemaakt ter
wille van den auteur van dit laatste, want er bestaat geen reden den
navolger van een wél beschermd kunstwerk een langer recht te geven dan
hem, die een niet-beschermd kunstwerk ter navolging heeft gekozen. De
oorspronkelijke auteur heeft echter aan zijn eigen recht genoeg,
daar dit hem ook tegen de reproductie van eene reproductie beschermt.



§ 7 Kunstnijverheid, photographie en bouwkunst

Reeds uit het feit, dat ik drie zulke heterogene zaken als met
de hierboven geplaatste woorden worden aangeduid in één paragraaf
tezamen behandel, zal voldoende blijken, dat ik mij niet voorstel
eene diepgaande studie van elk van deze drie te leveren. Over elk
dezer onderwerpen--en in het bijzonder over de kunstnijverheid--zou in
verband met het auteursrecht zeker veel zijn te zeggen; ik heb echter
om verschillende redenen hiervan afgezien. Men verwachte hier dus niet
meer dan enkele korte opmerkingen, die ik ter wille der volledigheid
niet achterwege meende te kunnen laten.

Wat in de eerste plaats de kunstnijverheid betreft, hieronder
meen ik in het algemeen te moeten verstaan: de vervaardiging van
kunstvoorwerpen, die tevens tot practisch gebruik dienen.

Men kan deze producten in twee hoofdgroepen verdeelen. Tot de eerste
groep behooren die gebruiksvoorwerpen, waarop graphische of plastische
afbeeldingen zijn aangebracht, zooals b.v. beschilderde paneelen,
plafonds, schermen, lampenkappen, waaiers, meubelen, wapenen of andere
voorwerpen die en relief voorstellingen dragen enz. enz. Voor deze
categorie van producten zal moeten worden aangenomen, dat de werken van
beeldende kunst, die er op zijn aangebracht, evengoed als alle andere
beschermd dienen te zijn. Het materieele voorwerp is natuurlijk geen
object van auteursrecht, evenmin als het doek of papier van schilderij
of teekening; er is geen enkele reden aan te wijzen waarom hier niet
van een "werk van beeldende kunst" zou kunnen worden gesproken, alleen
omdat het materieele voorwerp, dat drager is van het kunstwerk, een
ander karakter of andere eigenschappen heeft dan bij de zoogenaamde
"zuivere kunstwerken" [428].

De tweede groep wordt gevormd door die producten, die in hun geheel
beschouwd de verwerkelijking zijn eener artistieke schepping. Deze
werken kan men geen producten van beeldende kunst noemen, daar
zij niets in beeld brengen. Zij missen een "geestelijken inhoud";
hunne aesthetische waarde berust uitsluitend op de vormschoonheid,
die mede bepaald wordt door het practische gebruik, waartoe
zij bestemd zijn. Tot deze werken kunnen producten van overigens
geheel verschillenden aard behooren, zooals b.v. meubelen, tapijten,
handwerken, kant, vazen, lampen, gouden en zilveren luxe-voorwerpen,
boekbanden, lettertypen, borden en schotels van porcelein en aardewerk
enz. enz. Terwijl de producten van deze soort vroeger in de meeste
landen als nijverheidsproducten tegen namaak beschermd waren, zoodat
zij dus onder het gebied van den industrieelen eigendom vielen, is
in de laatste jaren meer en meer een streven waar te nemen, om ze
tot de kunstwerken en bijgevolg tot de voorwerpen van auteursrecht
te rekenen. In beginsel kan m. i. hiertegen geen bezwaar zijn;
ongetwijfeld kunnen ook deze werken de verwerkelijking zijn van
oorspronkelijke aesthetische scheppingen, al zijn zij overigens niet
met de eigenlijke kunstwerken op ééne lijn te stellen.

In verschillende landen is op deze wijze het gebied van het
auteursrecht ten koste van dat van den industrieelen eigendom in de
laatste jaren uitgebreid (zoo o. a. in Duitschland door de wet van
9 Jan. 1907; in Frankrijk door eene speciale wet van 11 Maart 1902;
in Denemarken door een speciale wet van 28 Febr. 1903); het is er
echter nog verre vandaan, dat de grens tusschen auteursrecht en
industrieelen eigendom overal volgens dezelfde kenteekenen scherp
getrokken kan worden [429].

Voor ons land, waar nóch het een nóch het ander bestaat, is dit
vraagstuk natuurlijk nog niet van practisch belang. Men kan echter
aannemen, dat wanneer eerlang tot de invoering van auteursrecht
op werken van beeldende kunst zal worden overgegaan, ook over
bescherming der nijverheids- en toegepaste kunst zal gedacht worden,
daar ook op dit gebied gemis van bescherming zich reeds sterk heeft
doen gevoelen [430]. Of volgens het Ontw. B. K. dat in het algemeen
spreekt van "werken van beeldende kunst" ook enkele producten van
kunstnijverheid zouden vallen, is eene vraag, waarover getwist
zou kunnen worden. M. i. zou men zich hierbij moeten houden aan de
begripsbepaling, die ik hierboven van de werken van beeldende kunst
heb trachten te geven. Doch in elk geval zal het gewenscht zijn,
dat eene toekomstige wet zich over deze vraag duidelijker uitspreke.



Ook ten aanzien der photographie heeft zich de vraag voorgedaan,
of deze tot de beeldende kunsten is te rekenen en of dus hare
producten onder de bescherming vallen, die de wet aan werken van
beeldende kunst verleent. Ik geloof niet dat het eenig nut heeft,
hier over deze vraag in beschouwingen te treden [431]. Iedereen zal
het er wel over eens zijn, dat de photographie niet op eene lijn
is te stellen met teeken-, schilder- en beeldhouwkunst; daarvoor
is zij te weinig persoonlijk, te veel mechanisch. Een gedeelte van
het werk wordt niet door den photograaf, maar door het toestel
gedaan. Aan den anderen kant kan niet worden ontkend, dat met
behulp der photographie afbeeldingen zijn te verkrijgen, die wat
het aesthetisch effect betreft, dat ermede is bereikt, niet behoeven
onder te doen voor menige teekening. Nu is het zeker waar, dat bij
het photographeeren veel van toevallige omstandigheden kan afhangen,
die geheel buiten den photograaf omgaan. Het is b.v. mogelijk, dat
iemand, die nooit een toestel in handen heeft gehad, geheel en al
"bij ongeluk", eene welgeslaagde opname doet. Zulke gevallen zijn
echter uitzonderingen. In het algemeen kan worden aangenomen, dat
de goede eigenschappen (uit aesthetisch oogpunt) eener photographie
het werk zijn van den photograaf; daarom kan ook hier m. i. met het
volste recht gesproken worden van eene aesthetische schepping. En
waar de photographie overigens met de beeldende kunsten gemeen heeft,
dat zij blootstaat aan ongeoorloofde exploitatie door anderen, daar
bestaat er alle reden om ook den photograaf evenals den beeldenden
kunstenaar het auteursrecht op zijne schepping te verleenen.

In de meeste landen wordt dit ook aldus opgevat. De photographieën
worden in de wet op het auteursrecht met name onder de beschermde
producten genoemd; zij worden echter met de kunstwerken in engeren zin
niet volkomen op ééne lijn gesteld, hetgeen dan voornamelijk hieruit
blijkt, dat het auteursrecht op photographieën veel korter duurt dan
dat op andere werken. Zoo hebben Duitschland, Oostenrijk en Japan
voor dit recht een termijn van tien jaar; Denemarken, Noorwegen,
Zweden en Zwitserland een van slechts vijf jaar na de vervaardiging
of het eerste verschijnen.



De bouwkunst wordt al van ouds tot de schoone kunsten gerekend. Zij
heeft echter dit met de kunstnijverheid gemeen, dat hare werken
niet een zuiver aesthetisch karakter hebben, maar ook, en dikwijls
wel voornamelijk, tot practisch gebruik moeten dienen. Dit is zeker
een van de voornaamste redenen, waarom de werken der bouwkunst nog
niet algemeen tot de beschermde auteursproducten worden gerekend. Een
afdoende reden is dit m. i. echter niet. Het moge waar zijn, dat men
bij vele bouwwerken vergeefs zoekt naar eene origineele aesthetische
schepping, waarvan zij de belichaming zouden zijn; men kan zelfs
toegeven, dat bij het bouwen van verreweg de meeste woningen vrijwel
uitsluitend met de practische eischen, waaraan het huis moet voldoen,
rekening wordt gehouden en de schoonheid van het geheel slechts in
de laatste plaats in aanmerking komt; dit is nog geen reden om nu
ook aan de, zeer zeker ook bestaande, werken der bouwkunst, welke wél
de verwerkelijking eener aesthetische schepping zijn, de bescherming
van het auteursrecht te onthouden.

Er is ook nog tegen een auteursrecht op werken der bouwkunst het
argument aangevoerd, dat eene dergelijke bescherming niet noodig was,
daar de bouwkundigen tegen reproductie hunner werken, voorzoover deze
mogelijk is, reeds voldoende bescherming vonden in het auteursrecht
op de bouwkundige teekeningen. Doch ook dit is niet juist. Het
auteursrecht op de bouwkundige teekeningen (die behooren tot de
"technische en wetenschappelijke kaarten en platen" waarover hierboven
in § 3 is gesproken) heeft alleen betrekking op de reproductie dier
teekeningen zelf. Alleen de vorm en niet de inhoud (d. i. dus hier:
de schepping van den bouwmeester) is object van het auteursrecht
[432]. De bouwkundige teekening is niet de verwerkelijking van het
bouwwerk; zij bevat slechts de aanwijzingen, die tot de verwerkelijking
in staat stellen. Het onderscheid tusschen auteursrecht op bouwkundige
teekeningen en dat op de bouwkundige werken zelf bestaat dus hierin,
dat het laatste de uitsluitende bevoegdheid geeft tot reproductie
of verwerkelijking in alle vormen; niet alleen het uitsluitend
reproductie-recht van de teekeningen, maar ook het recht, het gebouw
naar de teekeningen uit te voeren, en tevens het eenmaal uitgevoerde
gebouw weer op andere wijze, b.v. door photographie, te reproduceeren.

Zooals gezegd vindt dit recht nog geen algemeene erkenning, al kan
worden opgemerkt, dat de bedenkingen, die er vroeger tegen werden
gemaakt, minder beginnen te worden. Bouwkundige werken worden met
name onder de auteursproducten genoemd in de wetten van: Duitschland
(art. 2 wet v. 7 Jan. 1907, doch slechts voorzoover zij met een
artistiek doel zijn vervaardigd), Frankrijk (wet van 11 Maart 1902
[433] en Luxemburg (art. 1). Ook in Zwitserland vallen de bouwwerken,
voorzoover zij als kunstwerken zijn te beschouwen, onder de bescherming
der wet (wet v. 23 April 1883 artt. 1 en 11 no. 8). In België bestaat
het recht volgens eene vaste jurisprudentie [434]; in Spanje en Italië
is het twijfelachtig [435].

Wat ten slotte ons Ontw. B. K. betreft, daarin worden de werken der
bouwkunst uitdrukkelijk van de bescherming uitgesloten.



HOOFDSTUK IV

OMVANG EN DUUR


§ 1 Omvang

Het auteursrecht is in een voorafgaand hoofdstuk gekenschetst als
een vermogensrecht, dat tot object heeft een onlichamelijk goed,
nl. de geestelijke schepping van den schrijver of kunstenaar. Dit
sluit--zooals daarbij reeds werd opgemerkt--het beginsel in, dat den
auteur de uitsluitende beschikking toekomt over het werk naar de
economische bestemming daarvan d. w. z. voorzoover het zich leent
tot exploitatie in het maatschappelijk verkeer. De inhoud van het
recht wordt dus bepaald door de verschillende wijzen van exploitatie
waartoe het geestesproduct zich leent.

In het algemeen kan de exploitatie van een geschrift of kunstwerk
op twee verschillende wijzen geschieden. In de eerste plaats door
het vervaardigen en in den handel brengen van voorwerpen, waarin het
geestesproduct is belichaamd; hiertoe behooren de door den druk of op
andere wijze verkregen exemplaren van geschriften, muziekwerken, werken
van beeldende kunst, photographieën en werken der kunstnijverheid;
ook zou men er toe kunnen rekenen de rollen of schijven van phonografen
en andere mechanische muziekinstrumenten en voorts het gebouw, in den
materieelen zin van het woord, als verwezenlijking van de geestelijke
schepping van den bouwkundige.

In de tweede plaats kan de exploitatie geschieden door vertooningen,
uit- en opvoeringen enz. waar dus niet door voorwerpen van min of meer
blijvenden aard, maar door handelingen of mechanische werkingen, het
geestesproduct voor een bepaalden tijd aanschouwelijk wordt gemaakt
voor het publiek. Hiertoe behooren: op- en uitvoeringen van tooneel-
en muziekstukken en van balletten en pantomimes, voordrachten van
proza of poëzie; vertooningen van lichtbeelden en voorstellingen van
kinematograaf en phonograaf.

Hieronder zullen elk dezer exploitatie-wijzen voor zooveel
noodig afzonderlijk worden besproken, om de grenzen van de uit het
auteursrecht voortvloeiende bevoegdheden naar alle zijden te kunnen
vaststellen. Hierbij zij er nog aan herinnerd, dat voorzoover reeds in
het vorige hoofdstuk de omvang van het auteursrecht op de verschillende
werken van kunst en letterkunde eenigermate is afgebakend, dit
uitsluitend eene begrenzing van het recht betrof naar zijn object. Dat
b.v. den auteur in sommige gevallen een uitsluitend vertalingsrecht
of een uitsluitend bewerkingsrecht toekomt, beteekent alleen, dat
hetgeen in de vertaling of bewerking uit zijn werk is overgenomen,
evengoed als het werk zelf in zijne oorspronkelijke gedaante, voorwerp
van zijn uitsluitend exploitatie-recht is. Men vindt dikwijls, ook
in wetenschappelijke verhandelingen, vertalingsrecht in een adem
genoemd met opvoeringsrecht, die dan als "bijzondere" of "afgeleide"
rechten worden gesteld tegenover het eigenlijke auteursrecht
(kopierecht). Hiermede wordt echter geen juist beeld gegeven van de
verhouding der verschillende bevoegdheden. In wezen is het auteursrecht
iets anders dan kopierecht plus eenige andere, daarmede min of meer
in verband staande rechten; evenzoo als b.v. grondeigendom iets
anders is dan het uitsluitend recht om te zaaien te planten en te
oogsten met nog enkele bijkomende rechten als: hout sprokkelen,
zich het wild toeëigenen, aan anderen den toegang verbieden,
enz. enz. Evenals in eigendom hebben wij in auteursrecht te zien een
uitsluitend beschikkingsrecht op een bepaald goed; de verschillende
bevoegdheden welke den auteur toekomen worden bepaald, deels door den
omvang van het goed, deels door de economische bestemming daarvan. Om
die bevoegdheden te kennen zijn dus twee vragen te beantwoorden:
1o. waarop heeft de auteur recht, d. w. z. wat is het voorwerp van
zijn recht? en 2o. waarin bestaat zijn recht, welke handelingen met
betrekking tot zijn werk zijn hem uitsluitend voorbehouden?

De eerste vraag is in het voorafgaande hoofdstuk behandeld;
daar moesten dus ook vertalingsrecht en bewerkingsrecht worden
besproken, doch deze rechten werden niet verder gedefinieerd dan als
uitsluitende exploitatie-rechten. Op welke wijze en met welke middelen
de exploitatie kon plaats hebben werd in het midden gelaten, daar dit
betrekking heeft op de tweede vraag, die pas in dit hoofdstuk aan de
orde is gesteld.

De verhouding tusschen vertalingsrecht en bewerkingsrecht eenerzijds
en kopierecht, op- en uitvoeringsrecht enz. anderzijds zal nu
duidelijk zijn. De eersten zien op het voorwerp, de tweeden op den
inhoud van het auteursrecht. Het behoeft nu ook geen nader betoog,
dat wat hieronder van de verschillende exploitatiewijzen zal worden
gezegd, niet alleen betrekking heeft op de exploitatie van een werk
in zijne oorspronkelijke gedaante, maar ook op die van de vertaling
of bewerking. Indien b.v. gezegd wordt, dat de componist van een
muziekstuk zoowel kopierecht heeft als uitvoeringsrecht, dan sluit dit,
na wat hierboven over het muzikale bewerkingsrecht is gezegd, in zich,
dat b.v. ook de openbare uitvoering van een piano-uittreksel inbreuk
op het auteursrecht uitmaakt. En indien de bewerking op andere wijze
geëxploiteerd kan worden dan het oorspronkelijke werk, dan zal ook het
bewerkingsrecht van den auteur deze wijze van exploitatie omvatten. Zoo
is het b.v. mogelijk, dat de schrijver van een roman een uitsluitend
opvoeringsrecht kan doen gelden [436], daar de opvoering zonder zijne
toestemming van eene tooneelbewerking van zijn roman een inbreuk op
zijn auteursrecht uitmaakt.

Ik ga thans over tot eene afzonderlijke bespreking der verschillende
exploitatie-middelen.



I Het door den druk gemeen maken van geschriften en muziekwerken

De meest gewone vorm van exploitatie van geschriften en muziekwerken
is die door middel van den druk; het uitsluitend recht dat hierop
betrekking heeft is ook het eerst van alle auteursrechtelijke
bevoegdheden erkend; ik behoef er slechts aan te herinneren, dat de
uitvinding der boekdrukkunst de directe aanleiding is geweest voor
het ontstaan van het auteursrecht.

Wat van het auteursrecht in het algemeen nog niet gezegd kan worden,
geldt wél voor dit bijzondere recht: het is, na de lange jaren
van ontwikkeling, die het achter zich heeft, in alle beschaafde
staten volkomen ingeburgerd; zijne grenzen hebben eene mate
van standvastigheid gekregen, die op het overige gebied van het
auteursrecht nog dikwijls ontbreekt. Dit is ook de reden, waarom ik er
slechts een oogenblik bij zal stilstaan; belangrijke vragen, waarover
ernstig verschil van meening kan bestaan, zijn hier niet te behandelen.

Het "recht om uitsluitend door den druk gemeen te maken", zooals
onze wet het aanduidt, omvat in het algemeen al die handelingen,
welke aangemerkt kunnen worden als een daad van exploitatie van
het geschrift of muziekwerk door middel van den druk. Wie een van
deze handelingen pleegt zonder toestemming van den rechthebbende,
maakt inbreuk op het auteursrecht. Niet alleen dus hij, die zonder
toestemming gedrukte exemplaren vervaardigt, maar ook degeen, die
deze exemplaren aan den man brengt, ze met dat doel uitstalt of in
voorraad houdt. Ook het gratis verspreiden van exemplaren behoort
hiertoe, voorzoover dit buiten den engen kring van huisgenooten of
vrienden plaats heeft, b.v. ten dienste der reclame. Eveneens zou
men ertoe kunnen rekenen het verhuren en uitleenen van exemplaren,
wanneer dit stelselmatig en in het groot geschiedt, niet b.v. onder
kennissen en vrienden. De Duitsche wet laat uitdrukkelijk het
"Verleihen" vrij (Urheberrechtsgesetz § 11 eerste lid); dit slaat
volgens Kohler alleen op eene "unentgeltliche Gebrauchsüberlassung"
[437]; het verhuren zou dus ook in Duitschland verboden zijn.

Het vervaardigen van exemplaren is overigens alleen dán als eene daad
van exploitatie aan te merken, wanneer het geschiedt met het doel ze
onder het publiek te brengen [438]. Het is dus geen inbreuk op het
auteursrecht een boek te drukken alleen ten gebruike voor zich en
zijne huisgenooten of als typographische oefening; wél echter indien
de gedrukte exemplaren, al worden ze zelf niet onder het publiek
verspreid, moeten dienen voor eene openbare op- of uitvoering.

Als algemeenen regel kan men ten slotte aannemen, dat wanneer een
door of vanwege den rechthebbende op het auteursrecht vervaardigd
exemplaar eenmaal de bestemming, die men met de exploitatie voorhad,
heeft bereikt, m. a. w. wanneer het een kooper heeft gevonden, door
verdere verspreiding ervan geen inbreuk meer op het auteursrecht wordt
gepleegd [439]. Vandaar b.v. dat voor den handel in tweedehands-boeken
de toestemming van den auteur niet gevraagd behoeft te worden. Ook
wordt b.v. geen inbreuk op het auteursrecht gepleegd door hem,
die ongebonden exemplaren opkoopt en deze gebonden, als ware het een
nieuwe uitgave, in den handel brengt. Dit laatste werd ten aanzien van
de werken van Kipling door het Hof van Appel van New York uitgemaakt
[440].



II Het maken van afschriften

In het voorgaande was alleen sprake van reproductie door den
druk. Hieronder is niet alleen te verstaan de gewone boekdruk
met losse lettertypen, maar ook elk ander procédé, waardoor langs
mechanischen weg letter- of notenschrift gereproduceerd kan worden,
b.v. lithographie, hectographie, photographie enz. Dit werd ten aanzien
van onze wet nog uitdrukkelijk in de memorie van antwoord opgemerkt;
de bijvoeging, die in art. 1 van de wet van 1817 voorkwam: "met of
zonder hulp der graveerkunst, of eenige andere tusschenkomende kunst",
werd overbodig geacht.

Het maken van afschriften is echter volgens onze wet geoorloofd. Men
achtte het onnoodig dit te verbieden: "slechts die ongeoorloofde
vermenigvuldiging van het werk, welke door mechanisch afdrukken, in
hoedanigen vorm dan ook, verkregen wordt, is in staat, den auteur een
vermogensnadeel toe te brengen van genoegzame beteekenis om door de
wet te worden gekeerd" [441]. Zoo oordeelde onze wetgever. Men zou
hiertegen in de eerste plaats kunnen opmerken, dat het meerdere of
mindere vermogensnadeel, dat door de handeling wordt toegebracht,
niet het eenige is wat hier in aanmerking moet worden genomen. Al
is het auteursrecht een vermogensrecht, daarom behoeft het nog niet
alleen op die handelingen betrekking te hebben, waarmede uitsluitend
geldelijke belangen zijn gemoeid. Doch bovendien is het niet waar,
dat door het afschrijven zonder toestemming van den auteur, aan dezen
geen noemenswaardige schade kan worden toegebracht. Het maken van
afschriften behoort volstrekt niet tot de groote zeldzaamheden. Volgens
Rosmini [442] is het voor tooneel- en muziekstukken zelfs de meest
gebruikelijke reproductiewijze; hierbij wordt dan meestal van elke
rol of elke partij een afzonderlijk afschrift gemaakt ten dienste der
tooneelspelers of orkestleden. Dit levert boven het laten drukken
het voordeel op, dat de auteur nog in de gelegenheid blijft na de
repetities wijzigingen in het werk aan te brengen. Over het zonder
toestemming van den auteur maken en verspreiden van afschriften,
laat Rosmini zich dan als volgt uit: "Mais si un tiers reproduit en
manuscrit l'oeuvre musicale ou des morceaux détachés, ou des réductions
pour divers instruments, pour louer ou débiter ces copies, celles-ci
non seulement présentent tous les caractères de la contrefaçon,
frappée par les expressions générales de la loi dans toute son étendue,
mais elles constituent, de tous les procédés de reproduction le plus
grave, le plus préjudiciable à l'auteur." Om deze meening te staven,
wijst Rosmini er op, dat het afschrijven (voornamelijk van muziek)
goedkooper is dan de reproductie door lithographie of een ander procédé
van dien aard, terwijl het bovendien meer in stilte kan geschieden
en dus moeilijker is te ontdekken. En verder: "... le vendeur de
copies exerce une concurrence plus étendue et plus fatale, parce qu'il
s'adresse, avec ses longs catalogues, aux entrepeneurs, aux directeurs
de spectacles, aux sociétés philharmoniques, etc., en présentant
sa marchandise sous une forme plus commode; de cette façon, il s'
approprie, en l'écartant de l'auteur et de ses ayants cause, toute la
clientèle des acheteurs." Ook in andere landen dan Italië (waarop de
aangehaalde mededeelingen van Rosmini voornamelijk betrekking hebben)
wordt door de onbevoegde exploitatie door middel van afschriften
dikwijls belangrijke schade aan de auteurs toegebracht. In Frankrijk
b.v. is het herhaaldelijk voorgekomen, dat van orkest-partituren
zonder toestemming van den auteur afschriften werden gemaakt, die dan
door schouwburg-ondernemingen aan elkander in huur werden afgestaan
[443]. Hetzelfde geschiedde ook dikwijls met tooneelstukken [444]. In
Zwitserland, waar het maken van afschriften door de wet is verboden,
kwam het toch een aantal jaren geleden zóó veelvuldig voor--hier
waren het vooral vereenigingen van koorzang die er zich aan schuldig
maakten--dat door de auteurs daartegen eene waarschuwing moest worden
gepubliceerd, waarin gedreigd werd met rechterlijke vervolging [445].

Uit dit alles blijkt m. i. wel, dat de afschrijvers niet zoo
onschadelijk zijn voor de auteurs als onze wetgever indertijd meende
en dat er alle reden voor bestaat ook deze wijze van verveelvoudiging
naast die door middel van den druk den auteur uitsluitend voor te
behouden. De meeste wetten zijn op dit punt minder onvolledig dan de
onze; sommige verbieden uitdrukkelijk het maken van afschriften zonder
toestemming van den auteur (zoo Italië wet v. 19 Sept. 1882 art. 32,
Noorwegen wet v. 4 Juli 1893 art. 1); andere spreken eenvoudig van
reproductie onverschillig op welke wijze deze geschiedt, zoodat
daaronder ook het afschrijven begrepen is (b.v. Duitsche wet van 19
Juni 1901 § 15, waar ook nog bepaald staat, dat het geen onderscheid
maakt of er één dan wel meerdere exemplaren vervaardigd worden;
verder: o. a. Frankrijk, België, Zwitserland en Spanje).



III Vervaardiging en verspreiding van mechanische muziek-instrumenten
en phonografen

Voor muziekwerken bestaat een exploitatiemiddel, dat sinds enkele
jaren eene groote beteekenis heeft gekregen, nl. de vervaardiging
van instrumenten, die muziekstukken automatisch weergeven. Nog
betrekkelijk kort geleden waren als zoodanig alleen bekend de
Zwitsersche speeldoozen en straatorgels d. w. z. instrumenten, die door
hun bouw en inrichting slechts berekend waren op het weergeven van een
of meer bepaalde muziekstukjes van kleinen omvang. Het vervaardigen
en verspreiden van deze instrumenten was daarom niet te noemen eene
exploitatie van de werken der componisten; in elk geval was het
niet eene exploitatie van groote beteekenis. De speeldoozen werden
meer als curiositeiten gekocht dan wel terwille van het muzikale
genot, dat zij verschaften; en wat de draaiorgels betreft, deze deden
misschien concurrentie aan straatmuzikanten, doch niet aan componisten
of muziek-uitgevers.

Het is verklaarbaar, dat men in het vervaardigen en verspreiden van
deze instrumenten geen inbreuk op het auteursrecht der componisten
zag. In de oudere wetten op het auteursrecht wordt òf hierover in het
geheel niet gesproken, òf men vindt er de bepaling, dat het gebruik
van muziekstukken voor dit doel vrij wordt gelaten (Frankrijk wet
van 16 Mei 1866; Zwitserland wet van 23 April 1883 art. 11; Berner
Conventie van 1886, Slotprotocol no. 3). Het was vooral in Zwitserland,
het land waar de meeste speeldoozen vervaardigd werden, dat voor
de bestendiging van het vrij gebruik van muziekstukken ten bate van
deze industrie werd geijverd. De bovengenoemde Fransche wet van 1866
was uitsluitend op aandrang van Zwitserland tot stand gekomen, omdat
laatstgenoemd land slechts dan van een tractaat tot bescherming van
het auteursrecht met Frankrijk wilde weten, indien het de zekerheid
verkreeg, dat de Zwitsersche speeldoozen aldaar vrij zouden kunnen
worden ingevoerd. Ook het opnemen der bepaling in de Berner Conventie
was te danken geweest aan de bemoeiingen van Zwitserland.

Door toepassing van verschillende uitvindingen is nu in de laatste
jaren de verhouding der fabrikanten van mechanische muziekinstrumenten
tot de auteurs van muziekstukken eene geheel andere geworden. Men
vond middelen om de van uitstekende puntjes voorziene rollen, die
bij de oude muziekdoozen een geheel uitmaakten met het instrument, te
vervangen door afneembare cylinders, die over een gladde rol geschoven
konden worden. Hierdoor werd het dus mogelijk meerdere stukken door
hetzelfde instrument ten gehoore te doen brengen. Van nog meer gewicht
was de uitvinding, die het mogelijk maakte, in plaats van cylinders,
metalen of kartonnen platen te gebruiken, die niet van uitstekende
puntjes, maar van insnijdingen zijn voorzien, waardoor zij in vele
exemplaren tegelijk vervaardigd kunnen worden. Ook aan de instrumenten
zelf werden allerlei verbeteringen aangebracht, zoodat zij meer en meer
ook aan eischen van muzikalen aard zijn gaan beantwoorden. Behalve de
eigenlijke muziekinstrumenten, die in de laatste twintig of dertig
jaar in den handel zijn gebracht, zooals aristons, symphonions,
orchestrions, phonola's, pianista's, pianola's enz. enz., heeft men
ook nog gekregen de phonografen en grammophonen, die niet alleen
instrumentale muziek, maar ook zangstukken, voordrachten, fragmenten
van tooneelstukken enz. ten gehoore brengen.

Dat de verspreiding van al deze instrumenten, of liever van de rollen
of platen met behulp waarvan zij bepaalde stukken weergeven, eene
exploitatie is van het werk der auteurs, die zonder de toestemming
van deze laatsten volgens de algemeene beginselen van het auteursrecht
verboden moest zijn, kan moeilijk worden ontkend. Men behoeft slechts
een catalogus in te zien van een grammophoon- of pianola-fabriek
b.v. om tot de overtuiging te komen, dat bijna geen muziekstuk van
eenige bekendheid ongebruikt wordt gelaten. Zonder overdrijving kan
worden gezegd, dat in sommige landen de verkoop van deze rollen en
platen reeds van meer belang is dan die van gedrukte muziek. In de
Vereenigde Staten b.v. heeft zich eenige jaren geleden een syndicaat
gevormd van de bij deze industrie betrokken fabrikanten, welke tezamen
over een kapitaal van meer dan honderd millioen dollars hadden te
beschikken [446].

Doch juist het feit, dat bij deze exploitatie zulke aanzienlijke
geldelijke belangen zijn gemoeid, heeft in sommige landen de
toepassing van de juiste beginselen van het auteursrecht op dit punt
eenigermate tegengehouden. Want terwijl aan den eenen kant componisten
en muziek-uitgevers zich beklaagden over het groote nadeel dat hun
werd aangedaan door het vrije gebruik dat van hunne muziekstukken
wordt gemaakt, werd aan den anderen kant door de fabrikanten van
muziekinstrumenten en phonografen aangevoerd, dat zij de concurrentie
met andere landen niet zouden kunnen volhouden, indien zij het
auteursrecht der componisten zouden hebben te eerbiedigen. Ter
bescherming der nationale industrie wilden daarom enkele staten
aan de in beginsel rechtmatig geachte klachten der componisten en
muziek-uitgevers niet voldoen, zoolang de zekerheid niet bestond,
dat in andere landen hetzelfde zou worden gedaan. In Duitschland
b.v. is bij de laatste herziening van de wet op het auteursrecht van
geschriften en muziekwerken eene bepaling opgenomen, die slechts in
beperkte mate het auteursrecht der componisten met betrekking tot de
mechanische muziekinstrumenten erkent (§ 22); doch tegelijk met deze
bepaling nam de Rijksdag eene motie aan, waarin aan de Regeering werd
verzocht in overleg te treden met de andere mogendheden, die deel
uitmaken van het internationaal Verbond, ten einde tot een volledige
bescherming der auteurs op dit punt te komen. In Oostenrijk ging
men nog verder: daar werd in 1895 eene nieuwe bepaling in de wet op
het auteursrecht opgenomen, die het gebruik van muziekstukken voor
mechanische instrumenten volkomen vrijlaat; in de uiteenzetting
der motieven werd deze bepaling aangeprezen als een middel om de
Oostenrijksche industrie van muziekinstrumenten te steunen in de
concurrentie met de buitenlandsche.

Ik heb gemeend, de vermelding van deze feiten niet achterwege te moeten
laten, omdat daarin m. i. voor een groot deel de verklaring is te
vinden van de gebrekkige bescherming, die den auteurs over het algemeen
nog tegen deze nieuwe exploitatie hunner werken wordt verleend. Dat
in beginsel het uitsluitend exploitatierecht der auteurs ook in dit
opzicht volledige erkenning verdient, schijnt vrij algemeen te worden
toegegeven; dit blijkt ook wel uit de jurisprudentie in verschillende
landen, die in de meeste gevallen de bestaande wetsbepalingen zooveel
mogelijk ten gunste der auteurs uitlegt [447]. Doch wat de eenige
afdoende maatregel zou zijn om aan de bestaande misbruiken een
einde te maken nl. eene stellige bepaling in de wet, die het recht
der auteurs buiten twijfel stelt; daartoe heeft tot nu toe nog geen
enkele staat willen overgaan. Nu echter op de Conferentie van Berlijn
van 1908 eene bepaling in de internationale Conventie is opgenomen,
die de bescherming der auteurs in dit opzicht, althans binnen zekere
grenzen, verplichtend stelt, is het te verwachten, dat aan dezen
toestand spoedig een einde zal komen.



De vraag, of volgens onze wet op het auteursrecht het gebruik van
muziekstukken en geschriften voor de vervaardiging van rollen of
platen van muziekinstrumenten en phonografen zonder toestemming van
den auteur verboden is, zal men ontkennend moeten beantwoorden. Het
vervaardigen en verspreiden van deze rollen of platen kan men moeilijk
noemen een "door den druk gemeen maken", al worden misschien bij de
verveelvoudiging ervan procédé's gevolgd, die groote verwantschap
met den druk vertoonen.

Volgens de algemeene beginselen echter, die bij de voorbereiding der
wet werden gevolgd, moesten de auteurs ongetwijfeld tegen dit gebruik
hunner werken beschermd zijn. "Wat is het wezen van het regt dat
men aan de auteurs toekent?" wordt in de M. v. T. onzer wet (p. 2)
gevraagd. En als antwoord wordt gegeven: "Het is de uitsluitende
bevoegdheid tot reproductie van hun werk voor het publiek. Indien nu
een werk zich tot verschillende soorten van reproductie leent, moet
op alle, voor zoover zij inderdaad van beteekenis zijn, worden acht
geslagen. Al die soorten van reproductie geven toch eerst te zamen
de materiele waarde aan van het werk." Men kan aannemen, dat voor
de reproductie, waarover ik hier spreek, geene uitzondering zou zijn
gemaakt, indien zij toen reeds--wat nu ongetwijfeld het geval is--had
behoord tot diegene, welke "inderdaad van beteekenis zijn". Had men
het in het voorloopig verslag (p. 5) geopperde voorstel gevolgd, om
in plaats van: "door den druk gemeen te maken" in de wet te lezen:
"langs mechanischen weg te vermenigvuldigen en in den handel te
brengen" of: "door den druk of op andere wijze gemeen te maken",
dan zou de bedoelde bescherming nu reeds in ons land bestaan. Men
achtte echter--met het oog op de reproductiemiddelen van dien tijd--de
oorspronkelijk gekozen uitdrukking voldoende, en het gevolg hiervan
is, dat thans slechts door eene wetswijziging de toepassing van het
juiste beginsel op dit punt zal kunnen worden verzekerd.



IV Reproductie door den kinematograaf

Een ander reproductiemiddel, dat eerst in den jongsten tijd in
toepassing is gebracht, is de kinematograaf. Er is reeds gesproken
over de pantomimes of dramaatjes, die aan de kinematograaf hun
ontstaan te danken hebben. Hier hebben wij uitsluitend te maken
met den kinematograaf als reproductie-middel. De vraag is dus, of
de vervaardiging van kinematographische afbeeldingen van balletten,
pantomimes of tooneelstukken als exploitatie van die werken en dus,
indien het zonder toestemming van den auteur geschiedt, als inbreuk
op diens recht is te beschouwen. M. i. bestaat er geen reden, deze
vraag in ontkennenden zin te beantwoorden. In de meeste gevallen
zal de kinematographische reproductie worden gemaakt met het doel
de films te gebruiken voor openbare vertooningen in zoogenaamde
bioscope-theaters. Hierin is ongetwijfeld eene exploitatie van de
gereproduceerde werken te zien en wel eene die hoe langer hoe meer
algemeen begint te worden. Doch ook afgezien van openbare vertooningen
(waarop ik hieronder bij de bespreking van op- en uitvoeringsrecht
nog terugkom) meen ik, dat in het vervaardigen en verspreiden van
de films reeds alle kenmerken eener exploitatie zijn gelegen. De
ondernemers van bioscope-voorstellingen behoeven volstrekt niet de
eenige koopers der kinematographische films te zijn. Met betrekkelijk
weinig kosten kan men zich tegenwoordig toestelletjes aanschaffen,
die de kinematographische beelden op de vereischte wijze projecteeren;
waardoor men dus in staat wordt gesteld alle mogelijke pantomimes,
balletten enz. in den huiselijken kring te vertoonen. Deze toepassing
van den kinematograaf is--het moet worden toegegeven--tot nu toe nog
weinig algemeen, doch de voorspelling is m. i. niet te gewaagd, dat
zij dit in de eerstkomende jaren meer en meer zal worden. Men bedenke,
binnen hoe korten tijd de phonograaf zich eene plaats in bijna ieder
huis heeft veroverd!

Hoewel het uitsluitend reproductie-recht van tooneelstukken en
pantomimes door middel van den kinematograaf nog in geen enkele
wet uitdrukkelijk den auteurs wordt toegekend (wél in de herziene
Berner Conventie art. 14), heeft het toch reeds in enkele gevallen
voor den rechter erkenning gevonden. Zoo o.a. in een vonnis van de
Seine-rechtbank van 7 Juli 1908, waarvan een der overwegingen luidt:
"Attendu que la bande cinématographique, ou film, sur laquelle sont
reproduites à l'aide d'une succession de photographies les diverses
péripéties, soit d'une oeuvre dramatique, soit d'une féeerie, d'une
pantomime ou d'un opéra, et qui est par elle-même, en dehors de
l'adaption à un mécanisme quelconque, lisible et compréhensible pour
tous, doit être considérée comme une édition tombant sous l'application
de la loi des 19-24 juillet 1793;... etc." [448]

In ons land bestaat weinig kans dat, onder vigueur van de tegenwoordige
wet, ooit eene beslissing in dezen zin zal worden gewezen. Ik kan
hier verwijzen naar wat boven over de beteekenis van de uitdrukking
"door den druk gemeen maken" is gezegd in verband met de mechanische
muziekinstrumenten. Weliswaar werd bij de voorbereiding der wet ook
de photographie genoemd onder de reproductie-middelen waarmede inbreuk
op het auteursrecht zou kunnen worden gepleegd, doch men had hiermede
klaarblijkelijk alleen op het oog de photographische reproductie van
plaat- en kaartwerken of van bladzijden muziek- of letterschrift. Het
behoeft niet te worden gezegd, dat de kinematographische reproductie
van tafereelen van een ballet of drama geheel iets anders is. Ik meen
daarom, dat ook hier slechts eene herziening der wet uitkomst kan
brengen; doch ook hier zal men daarbij slechts het beginsel hebben te
volgen, dat reeds in de memorie van toelichting der tegenwoordige
wet duidelijk is uitgesproken, dat nl. elk reproductie-middel,
waartoe een werk zich leent, en dat van genoegzame beteekenis is,
den auteur uitsluitend moet zijn voorbehouden.



V Op- en uitvoering

De beteekenis van op- of uitvoering van tooneelwerken en muziekstukken
behoeft wel niet afzonderlijk in het licht te worden gesteld. Evenmin
zal het eenig betoog behoeven, dat de op- of uitvoering, voor zoover
zij in het openbaar geschiedt, eene exploitatie uitmaakt van het
tooneel- of muziekstuk. Men kan zeggen, dat zij in de meeste gevallen
het eenige middel is, waardoor het publiek in staat wordt gesteld
het werk volkomen te genieten.

Met evenveel grond als het door den druk gemeen maken behoort dus
het in het openbaar uit- of opvoeren uitsluitend den auteur te zijn
voorbehouden. In verreweg de meeste landen is dit ook het geval;
slechts in enkele wetten treft men nog bepalingen aan, die het uit-
of opvoeringsrecht aan bijzondere voorwaarden verbinden of het in
tijdsduur bij het kopierecht achterstellen.

Onze wet is op dit punt nog zeer achterlijk: een uitvoeringsrecht voor
muziekstukken bestaat in het geheel niet, terwijl het opvoeringsrecht
van dramatisch-muzikale werken en tooneelwerken vervalt bij de uitgave,
tenzij het uitdrukkelijk wordt voorbehouden. Wordt aan deze voorwaarde
voldaan, dan duurt het nog slechts tien jaar (art. 15).

De argumenten, die voor eene dergelijke besnoeiing van het auteursrecht
worden aangevoerd, berusten grootendeels op de verkeerde voorstelling,
alsof het auteursrecht in wezen eigenlijk niets anders zou zijn
dan kopierecht (recht om uitsluitend door den druk gemeen te
maken). Hierover is reeds, naar ik meen, genoeg gezegd; de bewering
b.v. dat schrijvers van tooneelstukken en componisten, indien hun uit-
en opvoeringsrecht erkend wordt, een dubbel recht zouden genieten,
hetgeen dan eene onbillijkheid zou zijn tegenover schrijvers van
stukken, die niet voor opvoering vatbaar zijn [449], vindt in het
voorgaande reeds voldoende weerlegging. Op dezen grond zou men ook
kunnen beweren, dat de eigenaar van een paard, hetwelk én als rij-
én als koetspaard gebruikt kan worden, een dubbel recht geniet, en
dat hij op onbillijke wijze is bevoorrecht boven andere eigenaren,
wier paarden alleen kunnen trekken!

Men heeft ook beweerd--en dit betreft in het bijzonder het uit- en
opvoeringsrecht van stukken die in druk zijn uitgekomen--dat juist
datgene wat de kooper van gedrukte muziek ermee voor heeft is: ze
te spelen, uit te voeren. Het zou dus geen zin hebben, dat voor elke
uitvoering nog eens de toestemming van den auteur moet worden gevraagd,
daar deze verondersteld kan worden met het feit der uitgave gegeven
te zijn. Doch zij die zoo redeneeren zien blijkbaar over het hoofd,
dat het uitvoeringsrecht alleen betrekking heeft op de uitvoering in
het openbaar. Wie b.v. een wals koopt voor piano mag deze zooveel
hij wil voor zich en zijne huisgenooten spelen; niemand zal hierin
een inbreuk op het auteursrecht zien. Doch het is wat anders, wanneer
men het stuk op een openbaar concert gaat voordragen. Dan wordt het
eene exploitatie, waarvoor de auteur niet geacht kan worden bij de
uitgave zijne toestemming te hebben gegeven.



Dat de auteur alleen openbare uit- en opvoeringen kan verbieden,
geldt in alle landen. Niet overal worden daarvoor echter dezelfde
kenmerken aangenomen. Het beste schijnt mij het door Kohler gestelde,
die eene op- of uitvoering openbaar noemt, "wenn sie über das Häusliche
hinausgeht." Dit kan dus b.v. ook in een particulier huis het geval
zijn, indien nl. zooveel gasten zijn gevraagd "dasz die Gesellschaft
die häusliche Wesenheit einbüszt" [450].

Geen vereischte voor eene openbare uit- of opvoering is, dat de toegang
voor ieder, al of niet tegen betaling, vrijstaat. Dit wordt vrijwel
algemeen, in wetenschap en practijk aangenomen [451]. Op een feest,
dat toegankelijk is voor leden en genoodigden van eene sociëteit of
andere vereeniging, zal dus de uitvoering eene openbare kunnen zijn
[452].

Onze wet stelt met uit- of opvoering in het openbaar gelijk: "elke
uit- of opvoering, die tegen betaling, voor eens of voor meermalen,
toegankelijk is, zelfs dan wanneer bovendien eene ballotage gevorderd
wordt" (art. 1 tweede lid). Men zal m. i. ook dan kunnen aannemen,
dat eene uitvoering toegankelijk is tegen betaling in den zin van deze
bepaling, indien de betaling geschiedt in den vorm eener jaarlijksche
contributie van de leden der vereeniging; terwijl dan het lidmaatschap
recht geeft op een of meer plaatsen bij de voorstelling.

Of de op- of uitvoering geschiedt door musici of tooneelspelers
van beroep dan wel door dilettanten maakt geen verschil; evenmin
mag het doel, waarvoor de opbrengst is bestemd, in aanmerking
worden genomen. Zoo bestaat er b. v. geen reden, om het vrij
gebruik van stukken zonder toestemming des auteurs toe te laten voor
weldadigheidsvoorstellingen, zooals eenigen tijd geleden in Frankrijk
is voorgesteld. Terecht is hiertegen opgemerkt, dat niemand tegen
wil en dank gedwongen moet kunnen worden, aan een weldadig doel mede
te werken. Men zou dan evengoed kunnen verlangen, dat de eigenaars
van zalen gedwongen werden deze gratis voor zulke voorstellingen af
te staan [453]. Hetzelfde geldt voor voorstellingen of concerten,
waarvan de toegang vrij is, en waarbij ook overigens elk winstbejag
is uitgesloten. Het moge een loffelijke daad zijn, dat iemand zijnen
medeburgers een avond van genoegen of kunstgenot wil verschaffen
en daarvoor eene gratis-voorstelling organiseert, dit geeft hem
nog geen recht, om voor dit doel ongevraagd over andermans goed te
beschikken. De bepaling van de Zwitsersche wet (art. 11 no. 10) die
het gebruik van stukken vrijlaat voor op- en uitvoeringen, waarvan
het doel niet is winst te behalen, verdient daarom afkeuring [454].

De op- of uitvoering behoeft niet, om een inbreuk op het auteursrecht
uit te maken, aan zekere artistieke eischen te voldoen. Ook gebrekkige
opvoeringen moet de auteur kunnen verbieden [455]. Daarom zal men
ook als op- of uitvoering hebben aan te merken vertooningen van den
kinematograaf en "concerten", waar zich phonograaf, grammophoon,
pianola en dergelijken laten hooren. Dat door middel van deze
instrumenten inbreuk op het reproductie-recht kan worden gepleegd
(nl. door de vervaardiging en verspreiding van kinematograaf-films en
van rollen en platen, die bij de mechanische muziekinstrumenten en
phonografen behooren) is hierboven reeds betoogd. Er bestaat zeker
niet minder reden, om ook de op- en uitvoeringen door middel van
deze instrumenten, voorzoover zij in het openbaar plaats hebben in
den bovenaangegeven zin, als inbreuk op het op- of uitvoeringsrecht
aan te merken. Wat de kinematographische voorstelling betreft,
heeft een Engelsch rechter onlangs uitgemaakt, dat zij wel degelijk
eene "voorstelling" is in den zin der wet, omdat de figuren, die
de kinematograaf laat zien, volkomen den indruk maken van levende
personen [456]. M. i. zal men ook volgens onze wet hetzelfde mogen
aannemen. Dat men bij het tot standkomen der wet aan kinematographische
voorstellingen niet heeft gedacht, kan geen grond zijn voor het
tegendeel. Wij hebben hier te doen met eene "opvoering", die in die
jaren nog niet bekend was, doch die thans evengoed dezen naam verdient
als die, waarbij tooneelspelers of dansers in levenden lijve optreden.

Het in het openbaar ten gehoore brengen van muziekstukken door
muziekinstrumenten en phonografen wordt in de meeste landen, voorzoover
de bijzondere wetsbepalingen niet uitdrukkelijk het tegendeel inhouden
(zooals b. v. in Oostenrijk), door de jurisprudentie met eene openbare
uitvoering gelijk gesteld [457]. In België werd ook als inbreuk op
het uitvoeringsrecht aangemerkt het gebruik maken van theatrophonen,
eene soort van telephoon-toestellen, die verbonden met schouwburgen of
concertzalen, de muziek die aldaar gespeeld wordt op andere plaatsen
doen hooren. De vrede-rechter te Brussel besliste (2 October 1899),
dat het niet geoorloofd was eene grootere publiciteit aan het werk te
geven dan door den auteur was voorzien en goedgekeurd. Al was dus van
den auteur toestemming verkregen om zijne muziek in den schouwburg
ten gehoore te brengen, dit gaf nog niet de bevoegdheid om die met
behulp der genoemde instrumenten ook elders te doen weerklinken [458].

In het algemeen kan nog over het ten gehoore brengen van muziek
in het openbaar worden gezegd, dat niet alleen formeele concerten,
waar men uitsluitend komt (althans geacht wordt te komen) om naar de
muziek te luisteren, als openbare uitvoeringen zijn te beschouwen,
waardoor inbreuk kan worden gemaakt op het auteursrecht; maar dat ook
hiertoe te rekenen zijn de zoogenaamde "strijkjes" in koffiehuizen
en hotels, op publieke bals en op tentoonstellingen, sportfeesten
en dergelijke. Hierbij doet zich dan nog de vraag voor, of de
muzikanten dan wel degeen die ze laat spelen de overtreders zijn
van het uitvoeringsrecht, ingeval er stukken zijn gespeeld zonder
toestemming van den auteur. Meestal wordt door de jurisprudentie het
laatste aangenomen; de eigenaar van het hotel of koffiehuis en de
verhuurder der concertzaal worden dus als de eigenlijke ondernemers
der verboden uitvoering aangemerkt [459]. Dit schijnt mij ook juist,
al kan niet worden ontkend, dat eene strenge toepassing van dezen
regel in sommige gevallen tot onbillijkheden kan leiden. Voor hotel-
of koffiehuis-houders is het b.v. hoogst moeilijk ervoor te zorgen,
dat geen verboden stukken worden gespeeld in hunne zalen en het
is daarom wel te verklaren, dat van de zijde van deze personen,
die zich vroeger nooit om eenig auteursrecht hadden te bekommeren,
hier en daar protesten zijn gehoord. Ik meen echter dat conflicten,
zooals die zich b.v. in Duitschland hebben voorgedaan [460], in de
meeste gevallen wel zullen kunnen worden vermeden door een bezadigd
en tactvol optreden van de vereenigingen van componisten, die zich
met het innen der tantièmes voor hunne leden belasten.



VI Voordracht

Terwijl op- en uitvoeringsrecht van muziek- en tooneelwerken bijna
overal erkend wordt, wordt het recht om letterkundige werken in
het openbaar voor te dragen, nog slechts door enkele wetten aan de
auteurs verleend [461]. De reden zal men waarschijnlijk grootendeels
hierin moeten zoeken, dat men het gebruik, dat op deze wijze van de
letterkundige producten wordt gemaakt, van te weinig belang achtte
voor de auteurs, om het te verbieden.

Ik meen echter, dat er wel reden zou bestaan om dit recht te
erkennen. De voordracht moge een niet zoo gewone en veelvuldig
voorkomende vorm van exploitatie zijn als b.v. de uitvoering van
muziekstukken; evengoed als deze kan zij toch het karakter hebben van
eene exploitatie. Naar hetgeen trouwens in de laatste jaren--in het
bijzonder hier te lande--kan worden waargenomen, behooren openbare
voordracht-avonden geenszins tot de groote zeldzaamheden. De kunst van
declameeren en verzen-"zeggen" is--naar het mij voorkomt--tegenwoordig
weer meer in eere dan eenigen tijd geleden het geval was. (Ik denk
hier b.v. aan de voordracht-avonden van Willem Royaards, Albert
Vogel e. a.) Ook dramatische werken worden wel--hetzij geheel, hetzij
gedeeltelijk--door één persoon voorgedragen. Het is m. i. eene groote
onbillijkheid dat een declamator, die dikwijls even volle zalen trekt,
elk tooneelstuk zonder toestemming des schrijvers mag gebruiken,
terwijl een tooneelgezelschap verplicht is het opvoeringsrecht te
eerbiedigen.

Practische bezwaren tegen de invoering van een uitsluitend recht van
voordracht zijn m. i. niet in te brengen. Natuurlijk dient alleen de
openbare voordracht verboden te zijn; de kenmerken der openbaarheid
kunnen hier dezelfde zijn als bij de op- en uitvoering.



VII Reproductie van werken van beeldende kunst

Over het recht van den beeldenden kunstenaar behoeft na het
voorgaande niet lang gesproken te worden. De exploitatie van een
werk van beeldende kunst kan slechts plaats hebben door nieuwe
"verwerkelijkingen". In het vorige hoofdstuk is betoogd, dat daaronder
te verstaan zijn alle reproducties, ook die in een anderen kunstvorm,
mits daarin de persoonlijke innerlijke voorstelling, welke aan
het oorspronkelijke werk ten grondslag heeft gelegen, kan worden
teruggevonden.

Het uitsluitend recht van den auteur bestaat nu hierin, dat hij alleen
dergelijke reproducties mag vervaardigen en verspreiden. Hiervoor
gelden dezelfde regels, die hierboven ten aanzien van de vervaardiging
en verspreiding van gedrukte exemplaren van geschriften en muziekwerken
zijn genoemd, zoodat daarover niet meer gesproken behoeft te worden.

In het Ontw. B. K. wordt het auteursrecht van den beeldenden kunstenaar
omschreven als "het recht om ... te copieeren, na te bootsen, af te
beelden en te verveelvoudigen, of dit door anderen te laten doen"
(art. 1). Dit ziet dus oogenschijnlijk op elke vervaardiging; ook
die, waarbij geene verspreiding of "gemeen making" het doel is. Het
Ontwerp laat echter in een ander artikel het maken van eene kopie voor
eigen studie, mits dit zonder eenig rechtstreeksch of zijdelingsch
winstbejag geschiedt, geheel vrij (art. 3, b) en door deze bepaling
wordt aan het beginsel, dat door de vervaardiging eener reproductie
op zichzelf geen inbreuk op het auteursrecht wordt gepleegd, weer
voldoende eer bewezen. Immers bij de mechanische verveelvoudiging
kan de bedoeling om te verspreiden steeds gepraesumeerd worden [462].

Onder reproductie (ook volgens het Ontw. B. K.) zal men ook moeten
rekenen die door middel van lichtbeelden. Eene uitdrukkelijke bepaling
hierover zooals de nieuwe Duitsche wet bevat (wet van 9 Jan. 1907
art. 15) zou m. i. in het Ontw. B. K. onnoodig zijn, nu dit o.a. het
"afbeelden langs mechanischen weg" zonder toestemming van den auteur
verbiedt.

Daarentegen is niet als een inbreuk op het auteursrecht te beschouwen
het tentoonstellen van een kunstwerk, voor zoover daarvoor geen
ongeoorloofde reproductie heeft plaats gehad. In sommige gevallen
zou men weliswaar in de tentoonstelling eene exploitatie kunnen zien;
het zou echter te ver gaan den auteur hiervoor een uitsluitend recht
te verleenen, daar hierdoor te zeer zou worden ingegrepen in het
recht van den eigenaar van het voorwerp, waarin het kunstwerk is
belichaamd (origineel of reproductie). Ook hier kan dus als regel
worden gesteld, dat wanneer eenmaal een door of met toestemming
van den auteur vervaardigd exemplaar (en hier is onder "exemplaar"
ook te verstaan het origineel) een kooper heeft gevonden, de verdere
verspreiding of vertooning daarvan geoorloofd is.

Het kan vrijwel overbodig worden geacht er nog op te wijzen, dat de
waardevermeerdering van een kunstwerk (d. w. z. van de materieele
verwerkelijking ervan), nadat het in andere handen is overgegaan,
nooit eenigen grond kan opleveren voor eene actie van den auteur,
om daarvan zijn deel te krijgen. Het moge onbillijk zijn, dat
speculanten in schilderijen soms groote winsten kunnen maken als
gevolg van prijsverhoogingen, die meestal wel uitsluitend zullen
zijn te danken aan den lateren arbeid van den schilder, waardoor
zijn naam meer in aanzien is gekomen; een recht van den schilder op
een deel van die winst bestaat niet en in geen geval als uitvloeisel
van het auteursrecht, dat niet het lichamelijke voorwerp, maar de
onlichamelijke kunstschepping tot object heeft [463].



Wat van de reproductie van werken van beeldende kunst is gezegd, geldt
m. m. ook voor photographieën, voortbrengselen der kunstnijverheid en
werken der bouwkunst. Photographieën zijn in dit opzicht volkomen met
de werken van beeldende kunst gelijk te stellen. De voortbrengselen
der kunstnijverheid worden weliswaar in den regel op eenigszins
andere wijze gereproduceerd, dit maakt met betrekking tot het
uitsluitend reproductierecht toch geen overwegend verschil uit. Ten
aanzien van eene nagemaakte vaas b.v. gelden dezelfde regels als ten
aanzien van een gekopieerd schilderij. Wat eindelijk de werken der
bouwkunst betreft, de verschillende reproductiemiddelen, welke den
auteur dienen te zijn voorbehouden, werden bij de bespreking dezer
werken reeds genoemd. Daaraan kan hier nog worden toegevoegd, dat
het bouwen steeds als eene exploitatie is te beschouwen, ook indien
het geschiedt voor eigen gebruik; hierdoor toch wordt de schepping
van den kunstenaar altijd min of meer openbaar gemaakt.



§ 2 Duur

Eene eigenaardigheid van het auteursrecht is, dat het in tijdsduur
beperkt is. Na verloop van een aantal jaren neemt het een einde. Een
eeuwigdurend auteursrecht, zooals o. a. volgens de eerste regelingen
in ons land bestond (Publicatie van het provinciaal bestuur van
Holland van 1796 en Publicatie van het Staatsbewind der Bataafsche
Republiek van 3 Juli 1803), vindt men nu nog slechts in vier landen,
te weten: Guatemala, Mexico, Nicaragua en Venezuela. Overal elders
is het auteursrecht aan een bepaalden termijn gebonden.

Men heeft deze tijdelijkheid van het recht wel als argument aangevoerd
om de rechtmatigheid van de auteursbescherming te betwisten. Een
recht--zoo wordt soms geredeneerd--dat de wetgever op een gegeven
oogenblik laat vervallen zonder daarvoor eene schadeloosstelling in
de plaats te stellen, verdient eigenlijk den naam van "recht" niet
te dragen [464].

Deze redeneering gaat op tegen degenen, die het auteursrecht volkomen
met den eigendom op lichamelijke zaken willen gelijkstellen. Eigendom
is naar zijn aard altijddurend, d. w. z. hij gaat niet teniet
zoolang de zaak, welke er het voorwerp van is, blijft bestaan;
een eigendomsrecht, dat de wet slechts voor een beperkten tijd zou
verleenen, zou inderdaad een van de essentieele kenmerken van den
eigendom missen.

Wij hebben echter gezien, dat het auteursrecht geen eigendom is,
maar dat het als recht op een onlichamelijk goed een van de rechten
op lichamelijke zaken ver afwijkend karakter vertoont. Tot die
eigenaardigheden, waardoor het auteursrecht zich van laatstgenoemde
rechten onderscheidt en die voortkomen uit den verschillenden aard
van lichamelijke en onlichamelijke goederen, behoort nu ook de
tijdelijkheid van het recht. De aard der onlichamelijke goederen
(geschriften en kunstwerken) brengt mede, dat zij na verloop van een
aantal jaren gemeengoed worden. In den eersten tijd na hun ontstaan
bestaat er geen bezwaar tegen, dat de vraag òf en zoo ja hòe zij
geëxploiteerd zullen worden aan een persoon staat te beantwoorden, en
dat dus hun lot min of meer van dien éénen persoon afhankelijk is. Men
kan zelfs zeggen, dat het in de natuur der dingen ligt, dat de auteur
of zijne rechtverkrijgenden alleen over het werk te zeggen hebben.

Na verloop van tijd wordt dit echter anders. Of het werk is vergeten,
zoodat er van eene exploitatie geen sprake meer is; òf het blijkt
een werk van blijvende waarde te zijn, en in dat geval is het,
zooals Kohler het uitdrukt, zóózeer "zum Eigengut des ganzen Volkes,
ja zum Kulturgut der ganzen Menschheit" [465] geworden, dat men het
aan deze bestemming niet mag onttrekken door de beschikking erover
aan één persoon te laten.

Door de eerstgenoemde werken, die nl. welke b.v. een eeuw na hun
ontstaan totaal vergeten zijn, nog voorwerp van een privaatrecht te
doen zijn, zou men onnoodige verwikkelingen teweegbrengen; een recht
waar niemand iets om geeft en dat niet kan worden uitgeoefend heeft
trouwens geen reden van bestaan.

Doch voor de tweede categorie, de meesterstukken, waarop de tijd
geen invloed heeft gehad, zouden de gevolgen van een voortdurend
auteursrecht veel bedenkelijker zijn. Het is niet alleen wenschelijk,
maar tevens bepaald noodzakelijk, dat werken van b.v. Shakespeare,
Goethe, Vondel enz. door iedereen vrij kunnen benut worden. Men
behoeft, om dit in te zien, zich slechts even in te denken, dat
b.v. op den Faust of op Hamlet nu nog auteursrecht bestond, zoodat
dus geen enkele uitgave, vertaling, bewerking of opvoering zou mogen
worden ondernomen zonder toestemming van den rechthebbende. Wat men
van--op zichzelf misschien even waardevolle--werken van tijdgenooten
niet kan zeggen, geldt voor deze werken: geen beschaafd mensch kan er
meer buiten. Een erop gevestigd auteursrecht zou--wat het anders niet
heeft--hier het karakter krijgen van een monopolie van de ergste soort.

Men stelt nu echter de zaak verkeerd voor door te zeggen, dat het
recht der auteurs moet wijken voor rechten en belangen van anderen;
dat het--wat bij een ander recht niet dan met toekenning van
schadeloosstelling geschiedt--na verloop van zekeren tijd eenvoudig
"in het algemeen belang" wordt opgeheven. De tijdelijkheid van het
recht berust wel, zoo men wil, op overwegingen van "algemeen belang",
doch zij is niet het resultaat van een compromis tusschen een van
nature eeuwigdurend recht aan den eenen kant en het algemeen belang,
dat zich tegen de voortdurendheid van het recht verzet, aan den
anderen kant. Die zoo redeneeren, zien voorbij, dat "das öffentliche
Interesse die Natur des Rechtsgutes und damit den Charakter des Rechts
mitbestimmt" [466].



Het is--eenmaal het beginsel van de tijdelijkheid van het auteursrecht
aangenomen--terwille der rechtszekerheid noodzakelijk, dat de duur
door de wet eens voor al wordt vastgesteld. Daarbij kan natuurlijk
geen rekening worden gehouden met afzonderlijke werken, ten aanzien
waarvan zich het hierboven beschreven proces langzamer of wel sneller
voltrekt dan gewoonlijk. Er zijn werken, die niet langer duren dan een
maand of zelfs dan één enkelen dag (b.v. dagblad-artikelen), andere
die het veertig, vijftig jaar uithouden zonder tot de meesterwerken te
behooren die de eeuwen trotseeren en verder bestaan er meesterwerken
die terstond, andere die eerst na honderden jaren als zoodanig
erkend worden.

Het is daarom onmogelijk, dat de wettelijke termijn in alle gevallen
volkomen aan den eisch voldoet; nu eens zal men hem te kort, dan weer
te lang achten. Het is zaak, een gemiddelde te vinden, dat niet al
te willekeurig gekozen schijnt.

Gaat men de verschillende wetgevingen op dit punt na, dan vindt
men--behalve dan het altijddurend auteursrecht, dat in de vier
hierboven reeds genoemde staten geldt--dat er twee hoofdsystemen
hierbij voornamelijk worden gevolgd. Volgens het eerste systeem
duurt het auteursrecht een aantal jaren na den dood des auteurs,
volgens het tweede een aantal jaren na de eerste uitgave van het
werk. Het eerste systeem wordt verreweg het meest gevolgd; men vindt
het in: België, Bolivia, Chili, Columbia, Costa-Rica, Denemarken,
Duitschland, Ecuador, Frankrijk, Haïti, Hongarije, Japan, Luxemburg,
Monaco, Noorwegen, Oostenrijk, Portugal, Roemenië, Rusland, Salvador,
Spanje, Tunis, Zweden en Zwitserland. Daarentegen hebben slechts
enkele landen het tweede systeem nl.: Griekenland, Brazilië, Turkije
en ons land. Engeland, Italië en de Vereenigde Staten volgen een
gemengd stelsel.

De voor- en nadeelen van elk dezer twee stelsels zijn reeds
dikwijls--ook in ons land--uitvoerig besproken [467]; ik meen daarom
daarover kort te kunnen zijn.

Het tijdstip der eerste uitgave als aanvangspunt heeft op dat
van den dood des auteurs dit voor, dat het terstond bekend is,
terwijl natuurlijk niet van tevoren kan gezegd worden, wanneer
de auteur zal sterven. Verder is een voordeel van dit stelsel dat
alle werken evenlang beschermd zijn, en niet--zooals volgens het
andere stelsel--de jeugdwerken, die meestal van minder beteekenis
zijn, langer dan degene die enkele jaren vóór den dood des auteurs
zijn ontstaan. Andere voordeelen zijn nog: De auteur met groote
sterfte-kans heeft een even duurzaam recht als zijn jonger of physiek
krachtiger kunstgenoot. Voor anonieme en pseudonieme werken behoeft
geen afzonderlijke regeling te worden gemaakt; evenmin voor werken
waarvan een rechtspersoon als auteur wordt aangemerkt. Het feit, dat
een werk meerdere auteurs heeft, oefent geen invloed uit op den duur
der bescherming. Ook behoeft men niet bang te zijn voor de kunstgreep,
waarmede volgens het andere stelsel een bejaard auteur den duur van
zijn recht zou kunnen verlengen, door nl. een jeugdig persoon als
zijn mede-auteur te laten optreden.

Deze overwegingen waren het voornamelijk, die in ons land bij de keus
tusschen de twee stelsels den doorslag hebben gegeven ten gunste van
het nu gevolgde. Tegenover deze voordeelen--waarvan ik de beteekenis
niet wil ontkennen--zijn echter ook enkele nadeelen te stellen,
die het andere stelsel niet heeft.

Als men den duur van het auteursrecht laat afhangen van het tijdstip
der eerste publicatie, is het gewenscht dat dit tijdstip voor
elk werk--liefst volgens officieele gegevens--vaststa. Onze wet
(art. 13) neemt daarvoor aan de dagteekening van het bewijs van
ontvangst door het Departement van Justitie afgegeven aan hem,
die de voor de vestiging van het auteursrecht voorgeschreven
formaliteiten heeft vervuld (artt. 10 en 11); eene soortgelijke
regeling geeft het Ontw. B. K. (artt. 8 en 9). Het gevolgde stelsel
van tijdsduurberekening is op deze wijze samengekoppeld met dat van
verplichte inzending van exemplaren, verklaringen, beschrijvingen
en dergelijke. Dit schijnt mij een niet onbelangrijk bezwaar van
het stelsel, daar--zooals ik in een volgend hoofdstuk hoop aan te
toonen--voor deze verplichte (d. w. z. op straffe van tenietgaan
van het auteursrecht) inzendingen geen grond bestaat en afschaffing
daarvan zeer gewenscht is.

Een tweede nadeel van het stelsel is, dat van elk werk het auteursrecht
op een ander tijdstip een einde neemt. Duurt het recht echter een
bepaald aantal jaren na den dood van den auteur, dan is het voor
ieder, die er belang bij heeft, zeer gemakkelijk na te gaan, tot hoe
lang voor elk werk de bescherming duurt. Men heeft dan niet meer te
maken met de verschillende tijdstippen van de uitgave van elk werk
maar met slechts één: het sterfjaar van den auteur.

Ten slotte is er nog een argument, dat hier m. i. den doorslag moet
geven, al betreft het niet de waarde van het stelsel, maar alleen
het feit, dat het in de meeste landen wordt gevolgd. Met het oog op
de internationale regeling van het auteursrecht is uniformiteit der
verschillende wetgevingen, waar dit maar eenigszins mogelijk is, van
het grootste belang. Daar in alle tot de Berner Conventie toegetreden
landen behalve Engeland de duur van het auteursrecht wordt berekend
naar het tijdstip van overlijden des auteurs, zou het bij toetreding
van Nederland zeer gewenscht zijn, dat het zich op dit punt bij de
groote meerderheid aansloot. Hiervoor bestaat des te meer reden,
nu het hier geen vraagstuk betreft, waar belangrijke beginselen bij
zijn betrokken; maar waar het eenvoudig op het maken van eene zoo
practisch en doeltreffend mogelijke regeling aankomt.

In meerdere bijzonderheden omtrent den duur van het auteursrecht zal
ik niet treden; ik laat dus de afzonderlijke regelingen, die gemaakt
kunnen worden ten aanzien van pseudonieme of anonieme werken of van
die werken, waarvan een rechtspersoon als auteur wordt aangemerkt,
onbesproken [468]. Evenmin zal ik mij ophouden met de afzonderlijke
termijnen, die in sommige wetten nog ten aanzien van enkele
bevoegdheden als: vertalingsrecht, op- en uitvoeringsrecht enz. worden
gesteld. Hier kan slechts worden herhaald, wat bij de bespreking van
elk dezer rechten is gezegd, dat nl. voor bijzondere beperkingen,
hetzij in tijdsduur, hetzij in ander opzicht, geen grond bestaat.

Ten slotte nog eene opmerking van algemeenen aard over den tijdsduur
van het auteursrecht. Er valt hier en daar een streven op te merken
om dien duur steeds weer te verlengen. In de allerlaatste jaren
is dit eenigszins tot stilstand gekomen. Men kan zeggen, dat de
normale termijn tegenwoordig is die van vijftig jaar na den dood
des auteurs; in de nieuwere wetten op het auteursrecht wordt deze
het meest aangetroffen en ook in de herziene Berner Conventie is
hij opgenomen (art. 7). Volgens sommigen is dit echter nog niet lang
genoeg; naar hunne meening is elke verlenging als eene verbetering te
beschouwen. Dit schijnt b.v. in de Association de heerschende opvatting
te zijn; in de model-wet van deze vereeniging is als termijn gekozen:
tachtig jaren na den dood des auteurs (art. 3), waarbij dan nog in het
oog moet worden gehouden, dat bij het vaststellen hiervan rekening
is gehouden met hetgeen voorloopig bereikbaar scheen. In beginsel
zou men wellicht nog verder willen gaan.

Naar mijne meening is echter een termijn van vijftig jaar na den
dood des auteurs ruimschoots voldoende. Indien hierin in de toekomst
verandering moet worden gebracht, dan zou ik zelfs eerder eene
verkorting dan eene verlenging raadzaam achten. Men heeft hierbij
m. i. rekening te houden met het niet te loochenen feit, dat het
verkeer, ook op letterkundig- en kunstgebied, tusschen alle volken
der aarde zich steeds meer ontwikkelt en steeds sneller wordt. Het
gevolg is, dat geschriften en kunstwerken hoe langer hoe minder tijd
noodig hebben om over de geheele wereld bekend te worden. Men kan
er zeker van zijn, dat een boek dat in Europa eenigen opgang maakt,
binnen enkele maanden of zelfs weken ook in Amerika door ieder zal
worden gelezen. Het leven van geschriften en kunstwerken wordt daardoor
steeds korter, d. w. z. zij zijn veel eerder algemeen bekend maar ook
weer veel eerder vergeten dan vroeger. Waar nu in verband hiermede de
exploitatie steeds intensiever wordt en tegelijkertijd binnen veel
korter tijd moet geschieden, daar is het m. i. redelijk en billijk,
dat het uitsluitend recht van exploitatie, dus het auteursrecht,
hiermede gelijken tred houde. Men streve ernaar den auteur een zoo
volledig mogelijke bescherming te verleenen tegen alle exploitanten,
eene bescherming, die hij ook in de meest afgelegen landen moge
genieten; in dit opzicht is elke versterking der bescherming als eene
verbetering te beschouwen. Doch wat het auteursrecht zoo in omvang
en uitgebreidheid wint, kan het desnoods in tijdsduur verliezen. Een
vol auteursrecht, dat b.v. zou duren twintig jaar na den dood des
auteurs, maar dan ook in de geheele wereld geëerbiedigd zou worden,
schijnt mij redelijker en beter dan een recht, dat tot tachtig of
honderd jaar na den dood des auteurs duurt, doch dat slechts in een
enkelen staat erkenning vindt.



HOOFDSTUK V

VOORWAARDEN EN FORMALITEITEN


Volgens de hierboven ontwikkelde beginselen ontstaat het auteursrecht,
zoodra het geschrift of kunstwerk, dat er het object van is,
op eenigerlei wijze tot uiting is gekomen; het scheppen van een
auteursproduct, dat aan de daarvoor gestelde eischen voldoet, brengt
vanzelf mede het ten behoeve van den schepper daarop gevestigde recht.

Met deze opvatting zijn moeilijk in overeenstemming te brengen de
nog in verschillende wetgevingen voorkomende bepalingen, waarbij
het ontstaan of de uitoefening en in enkele gevallen de duur van
het auteursrecht afhankelijk worden gesteld van de vervulling van
bijzondere voorwaarden en formaliteiten. Bij den strijd, die in
meerdere landen, dikwijls met goed gevolg, tegen dergelijke bepalingen
is gevoerd, beriep men zich dan ook meestentijds op bovengenoemde
stelling; men voerde aan, dat het auteursrecht, even eerbiedwaardig
als andere privaatrechten, niet wegens een verzuim van formeelen aard
door den rechthebbende mocht kunnen worden verloren. Aan den anderen
kant werd door degenen, die de formaliteiten in bescherming namen, dit
meestal gedaan met een beroep op het feit, dat geen rechtsregels den
wetgever hier bonden, maar dat hij volkomen vrij was het auteursrecht,
dat louter op gronden van utiliteit den auteurs werd ingeruimd,
afhankelijk te stellen van de voorwaarden, die hij daarvoor dienstig
achtte.

Al is dus ook in dit onderdeel de tegenstelling recht of doelmatigheid
bij de beslissing van grooten invloed, geheel daardoor beheerscht
wordt deze m. i. toch niet. Ook waar het 't meest deugdelijke en meest
eerbiedwaardige recht geldt, kunnen er redenen zijn, die formaliteiten
als de hier bedoelde, op wier niet-naleving als sanctie staat het
tenietgaan van het recht, gewenscht of zelfs noodzakelijk maken. Dat
dergelijke redenen echter voor het auteursrecht niet aanwezig zijn,
hoop ik in dit hoofdstuk aan te toonen.



Men heeft te onderscheiden tusschen formeele voorwaarden
(formaliteiten) en materieele voorwaarden [469].

Tot de eerste behoort o. a. het inzenden van een of meer exemplaren
aan de daartoe aangewezen autoriteit of van verklaringen betreffende
tijd of plaats van het ontstaan of van de eerste publicatie van het
werk. Onder de materieele voorwaarden zou men in het algemeen alles
kunnen rekenen, wat voor het ontstaan van het auteursrecht vereischt
wordt, dus ook b.v. de innerlijke eigenschappen, waaraan een werk moet
voldoen, om voorwerp van auteursrecht te kunnen zijn. Zoo ruim moet
de uitdrukking hier echter niet worden opgevat. Alleen de uiterlijke
voorwaarden worden hier bedoeld, d. w. z. bepaalde handelingen, die
de auteur in sommige gevallen moet verrichten om zijn recht niet te
verliezen, zooals b.v. het voorbehoud van het vertalings- en op-
en uitvoeringsrecht, dat onze wet bij het in druk verschijnen van
een werk eischt, en andere verklaringen van dien aard.

Gaat men de verschillende wetgevingen na, dan vindt men in bijna
alle landen, waar de wet op het auteursrecht sinds kort gewijzigd
of hernieuwd is, de formaliteiten afgeschaft of tot een minimum
beperkt. In Zweden, Noorwegen en Duitschland ontbreken zij geheel, in
België, Zwitserland, Denemarken e. a. blijven zij tot enkele gevallen
beperkt [470]. Daar waar zij nog bestaan, zooals b.v. in Italië, geven
zij voortdurend aanleiding tot klachten van belanghebbenden; ook is
het wel merkwaardig, dat in laatstgenoemd land door statistische
gegevens is uitgewezen, dat voor de overgroote meerderheid van
de aldaar verschijnende werken de voorgeschreven formaliteiten
verzuimd worden. In de jaren 1887 tot 1891 werden van de in druk
verschenen werken gemiddeld slechts 5-1/2% behoorlijk ingezonden,
met het gevolg, dat dus alle overige 94-1/2% van de bescherming
der wet verstoken bleven [471]. Zooals te verwachten was, zijn in
het door eene commissie uitgewerkte Wetsontwerp ter vervanging van
de tegenwoordige Italiaansche wet op het auteursrecht de lastige en
ingewikkelde formaliteiten-voorschriften aanmerkelijk vereenvoudigd:
wel zijn daarin verscheidene formaliteiten behouden, maar behoudens
enkele uitzonderingen zijn zij alle facultatief, zoodat verzuim geen
invloed heeft op het voortbestaan van het auteursrecht.

Het groote bezwaar tegen alle formaliteiten is juist, dat dikwijls een
klein verzuim, uit onwetendheid of onachtzaamheid gepleegd, soms zonder
schuld van den auteur, een zoo gewichtig gevolg heeft als het geheele
of gedeeltelijke tenietgaan van het auteursrecht. In de internationale
verhoudingen zijn de bezwaren nog grooter. Het is voor een auteur
bijna ondoenlijk en daarenboven zeer kostbaar, om in alle landen,
waar hij op de bescherming der wet prijs stelt, de voorgeschreven
formaliteiten in acht te nemen; eene internationale regeling van het
auteursrecht, die de verplichting daartoe laat bestaan, zal daarom
in de practijk slechts ten halve aan haar doel beantwoorden.

Tegenover de groote lasten, die de formaliteiten voor de
belanghebbenden meebrengen, zijn ook wel eenige voordeelen te
stellen. Zoo kan de verplichte inzending van een exemplaar of
van eene omschrijving van het werk goede diensten bewijzen om de
identiteit van dat werk vast te stellen; terwijl de inschrijving
in een openbaar register voor ieder belanghebbende de mogelijkheid
opent zich ervan te vergewissen of op een bepaald werk al dan niet
auteursrecht bestaat. Daar waar de duur van het auteursrecht naar het
tijdstip der eerste uitgave wordt berekend kan uit de inschrijving
in het register steeds de juiste datum daarvan geconstateerd worden.

Dit alles kan echter evengoed op andere wijze worden bereikt; in elk
geval kan op het niet vervullen der formaliteiten wel eene andere
sanctie worden gesteld dan het tenietgaan van het auteursrecht. Bij de
bespreking van het stelsel onzer wet en van dat van het Ontw. B. K.,
die ik hier laat volgen, moge dit meer in bijzonderheden worden
aangetoond.



Voor niet door den druk gemeen gemaakte werken schrijft onze
wet geen enkele formaliteit voor. Hieronder vallen ook mondelinge
voordrachten, tooneelstukken, die zijn opgevoerd en muziekwerken, die
zijn uitgevoerd. Voor al deze werken, waarvan juist het vaststellen
der identiteit en de oplossing van de vraag, wie auteur is, de
meeste moeilijkheden kunnen meebrengen, heeft de wetgever blijkbaar
geoordeeld, dat dit ook zonder formaliteiten kon geschieden. Weliswaar
zou, zooals ook in het voorloopig verslag op de wet (pp. 9 en 11) wordt
opgemerkt, het voorschrijven van doeltreffende bepalingen voor deze
werken practische moeilijkheden meebrengen; onmogelijk was het echter
niet. In elk geval geeft het feit, dat het auteursrecht op niet door
den druk gemeen gemaakte werken onafhankelijk is van formaliteiten,
weder een doorslaand bewijs, dat deze niet onmisbaar zijn.

Voor door den druk gemeen gemaakte werken bepaalt de wet (art. 10),
dat het auteursrecht vervalt, zoo niet binnen eene maand na de uitgave
worden ingezonden aan het Departement van Justitie:

a) twee exemplaren van het werk, op het titelblad of bij gebreke
daarvan op den omslag eigenhandig door den auteur, uitgever of drukker
onderteekend, met opgaaf van woonplaats en tijdstip der uitgave,

b) eene door den drukker onderteekende verklaring, dat het werk op
zijne in het Rijk gevestigde drukkerij is gedrukt.

Wat het eerste vereischte betreft, hiertegen geldt vooral het
reeds genoemde bezwaar, dat de kleinste nalatigheid, bijvoorbeeld
het weglaten van de woonplaats des auteurs op één der ingezonden
exemplaren, het overschrijden van den termijn van eene maand
enz. onherroepelijk tenietgaan van het auteursrecht meebrengt.

Bovendien is voor de verplichte inzending van twee exemplaren geen
enkele grond aan te voeren; om de identiteit van een werk vast te
stellen is natuurlijk één exemplaar voldoende; het tweede wordt dan
ook voor een ander doel aangewend, hetwelk met het auteursrecht
in geenerlei verband staat, nl. completeering van de Koninklijke
Bibliotheek te 's Gravenhage.

Afgezien van het feit, dat hierdoor nog niet eens van alle in ons land
uitkomende geschriften een exemplaar wordt verkregen, mag gevraagd
worden of eene verrijking der Koninklijke Bibliotheek, op deze wijze
verkregen, wel is goed te keuren. Wil de Staat tot het geven van een
exemplaar voor dat doel dwingen, dan is wel een dwangmiddel te vinden,
dat beter met het doel van den maatregel in overeenstemming is dan het
doen tenietgaan van het auteursrecht. Zoo bestaat b.v. in Engeland de
bepaling, dat van elk daar uitkomend geschrift een exemplaar aan het
Britsch Museum moet worden aangeboden op boete van ten hoogste vijf
pond, vermeerderd met de waarde van het niet-ingezonden exemplaar
(Wet van 1 Juli 1842).

Het onder b genoemd vereischte houdt natuurlijk verband met de
materieele voorwaarde van bescherming in art. 27 gesteld, nl. dat
het werk in Nederland gedrukt zij. Dit is een van de bepalingen, die
aan de werking der wet een territoriale grens stellen en die onder
internationaal auteursrecht thuisbehoort en in verband daarmede
hieronder behandeld zal worden. Behalve aan deze voorwaarde moet
nu ook nog aan de formeele voorwaarde van art. 10 worden voldaan:
inzending van eene door den drukker onderteekende verklaring. Al is
dus het werk in Nederland gedrukt en al zijn de andere formaliteiten
in acht genomen, dan zal toch nog het auteursrecht vervallen, indien
de drukker nalaat eene door hem onderteekende verklaring tijdig in te
zenden. Alweer een noodeloos en door niets gewettigd gevaar, waaraan
het auteursrecht wordt blootgesteld, en dat des te hatelijker is,
omdat het hier eene formaliteit geldt, die verricht moet worden door
(of in ieder geval met medewerking van) den drukker, die in de meeste
gevallen wel niet de rechthebbende op het auteursrecht zal zijn. Ook
al wenschte men het vereischte van in Nederland gedrukt te zijn
te behouden (wat, zooals ik later hoop aan te toonen, in geen enkel
opzicht is aan te bevelen), dan nog is het niet te verdedigen, de hier
bedoelde verklaring op straffe van tenietgaan van het auteursrecht
te eischen. Door haar facultatief te stellen en dus, wanneer zij
achterwege blijft, ook langs anderen weg het bewijs toe te laten,
dat aan het vereischte van art. 27 is voldaan, zou men het beoogde
doel even goed kunnen bereiken.

Wat is nu het nut van de besproken bepalingen? M. i. alleen dit,
dat wegens de openbaarheid der registers, waarin de inschrijving
geschiedt, het voor ieder mogelijk is zich ervan te overtuigen, of
voor een bepaald werk de voorgeschreven formaliteiten zijn in acht
genomen. Meer kan uit die registers niet worden opgemaakt. Het stelsel,
dat hier is gevolgd, is te vergelijken met dat van art. 1224 B. W. ten
aanzien van vestiging en overdracht van zakelijke rechten op onroerende
goederen, het zoogenaamde negatieve stelsel van openbaarheid. Ook daar
is de inschrijving in de daartoe aangewezen openbare registers eene
onmisbare voorwaarde voor de geldige vestiging van het recht. Doch
of het recht werkelijk bestaat en wie rechthebbende is, kan niet met
zekerheid uit de registers worden opgemaakt. Wat de laatstgenoemde
vraag betreft heeft men uit de registers van het auteursrecht nog
minder kans juist te worden ingelicht, omdat overdracht van het recht,
op welke wijze die ook plaats heeft, niet in de registers wordt
aangeteekend. Doch ook ten opzichte van het al of niet bestaan van
het auteursrecht kan niet met zekerheid op hetgeen in de registers
staat ingeschreven worden afgegaan; het is b.v. zeer wel mogelijk,
dat een geschrift is ingezonden en dientengevolge ingeschreven,
hoewel het geen aanspraak kan maken op wettelijke bescherming omdat
het een nadruk is van een vroeger verschenen werk. De ambtenaar van
het departement van Justitie, die met de inschrijving is belast,
heeft zich, evenmin als de bewaarder der hypotheken, in te laten met
de vraag, welke rechtsgevolgen uit de inschrijving voortvloeien.

Uit het bovenstaande volgt, dat de auteurs of hunne rechtverkrijgenden
bij de uitoefening van hun recht van de door onze wet voorgeschreven
formaliteiten slechts last en geen nut hebben. Alleen derden zijn door
deze bepalingen gebaat, doch slechts betrekkelijk; evenals van het
stelsel van artt. 1224 sqq. B. W. over de inschrijving der hypotheken
kan ervan gezegd worden: "de openbaarheid geeft aan iedereen het
middel, althans den leiddraad om zich op vrij voldoende wijze van
den stand van zaken op de hoogte te stellen" [472]. Een vrij pover
resultaat, als men bedenkt ten koste waarvan het verkregen wordt [473].

De bewering komt mij niet te gewaagd voor, al is een stellig
bewijs ervoor niet te leveren, dat in landen waar formaliteiten
als de bovenbeschrevene niet bestaan, in het algemeen geen grootere
onzekerheid omtrent het al of niet beschermd zijn van werken heerscht
dan bij ons. Als regel kan daar steeds worden aangenomen, dat op elk
werk auteursrecht bestaat, behalve natuurlijk op diegene, waarvan de
beschermingstermijn is verloopen. Daar, zooals wij gezien hebben, de
meeste wetgevingen het auteursrecht laten voortduren een bepaald aantal
jaren na den dood des auteurs, is het tijdstip waarop de bescherming
ophoudt in de meeste gevallen voor ieder gemakkelijk na te gaan. Ook
heeft men te bedenken, dat het niet voor het geheele publiek, maar
slechts voor eene bepaalde klasse van personen (uitgevers, schouwburg-
en orkest-directeuren enz.) van belang is, over auteursrecht-zaken te
zijn ingelicht. Men kan dus verwachten dat deze personen maatregelen
nemen om zich geregeld op de hoogte te houden van hetgeen met hun vak
zoo nauw samenhangt. In de practijk wordt dit nog vergemakkelijkt door
de, in bijna alle landen bestaande, vereenigingen van uitgevers en
niet minder door de vereenigingen van letterkundigen en kunstenaars,
die zich ten doel stellen het auteursrecht hunner leden te bewaken
en te administreeren.

Over de wijze, waarop laatstgenoemde vereenigingen werkzaam kunnen zijn
zal hieronder nog gelegenheid zijn het een en ander mee te deelen;
in dit verband wil ik er slechts op wijzen, dat zij--mits met kennis
van zaken bestuurd en een aanzienlijk aantal leden omvattend--in
staat zijn meer volledige en betrouwbare inlichtingen te verschaffen
dan hier de officieele openbare registers kunnen doen. Van alle
werken harer leden moet in de boeken eener dergelijke vereeniging
nauwkeurig zijn aangeteekend niet alleen het tijdstip, waarop het
auteursrecht een aanvang heeft genomen maar ook of, en zoo ja aan
wien het, geheel of gedeeltelijk, is overgedragen en of toestemmingen
zijn verleend om er vertalingen of arrangementen van uit te geven,
op- of uitvoeringen van te ondernemen enz. enz. Iemand, die dus op
eenigerlei wijze een geschrift of een kunstwerk wil exploiteeren,
vindt aan het bureau der vereeniging alles wat hij noodig heeft te
weten en kan aldaar tevens de noodige contracten afsluiten.

Behalve het twijfelachtige nut der openbare registers, heeft de in
art. 10 onzer wet voorgeschreven inzending nog een ander doel. Art. 11
bepaalt, dat aan de inzenders door het Departement van Justitie een
gedagteekend bewijs van ontvangst wordt afgegeven; de dagteekening van
dit bewijs geldt bij de berekening van den duur van het auteursrecht
als punt van aanvang voor de verschillende termijnen (artt. 13,
15 2o en 16 2o).

Deze bepaling is ongetwijfeld niet zonder practisch nut. In vele
gevallen kan het moeilijk, zoo niet onmogelijk zijn den juisten datum
te weten te komen van de eerste verschijning van een boek. Meestal
staat op het titelblad alleen het jaar vermeld, niet de maand en de
dag; niets belet den uitgever ook het jaartal weg te laten of--hoewel
dit wel zelden zal voorkomen--opzettelijk er een verkeerd jaartal
op te doen drukken. De onzekerheid omtrent het tijdstip waarop het
auteursrecht een einde neemt, welke hieruit zou kunnen voortvloeien,
wordt door het stelsel onzer wet vermeden: niet van het werkelijke
tijdstip der uitgave maar van den dag, waarop het Departement van
Justitie het bewijs van ontvangst der inzending afgeeft, begint het
auteursrecht te loopen.

Deze regeling moge hare voordeelen hebben, deze zijn echter niet van
zoo groot gewicht dat daardoor het geheele stelsel van inzending,
dat er onafscheidelijk aan verbonden is, gerechtvaardigd zou zijn. De
voordeelen zijn trouwens slechts daar van eenig belang, waar de
duur van het auteursrecht berekend wordt naar de eerste uitgave;
laat men het auteursrecht duren een bepaald aantal jaren na den dood
des auteurs, dan is eene dergelijke van de administratieve macht
uitgaande vaststelling van den datum, waarop het recht een aanvang
neemt, onnoodig, daar het tijdstip van overlijden des auteurs uit
de registers van den burgerlijken stand is na te gaan. Zooals wij
gezien hebben is laatstgemeld stelsel voor de berekening van den
duur van het auteursrecht in bijna alle landen in zwang; slechts
in enkele gevallen komt daarbij ook het tijdstip der uitgave als
aanvangspunt in aanmerking nl. voor werken van rechtspersonen en voor
die welke zonder naam van auteur of onder een verdichten auteursnaam
verschijnen. Volgens de Duitsche wet, die overigens den duur van
het auteursrecht vaststelt op dertig jaar na den dood des auteurs,
bedraagt deze voor de bovengenoemde drie categorieën werken dertig
jaar na de eerste uitgave; de termijn begint echter niet te loopen op
den dag der uitgave, doch op den 1sten Januari daaropvolgende. Deze
bepaling heeft het voordeel, dat men den juisten datum der eerste
uitgave nu niet behoeft te kennen; als men maar weet in welk jaar
het boek is verschenen, is dit voldoende om nauwkeurig den dag te
kunnen bepalen, waarop het auteursrecht een einde neemt. Dat op de
meeste boeken alleen het jaar der verschijning staat aangegeven,
is dus volgens dit stelsel geen bezwaar. Ik meen dan ook, dat de
Duitsche wet op dit punt alleszins navolging verdient, ook zelfs
in het geval men er hier niet toe zou willen overgaan het systeem
voor de berekening van den duur van het auteursrecht te wijzigen en
dus de uitgave van het werk als aanvangspunt van het recht niet als
uitzondering maar als regel in onze wet bleef bestaan.



Voor de auteurs van pseudonieme en anonieme werken, die als auteur
willen erkend worden, bepaalt art. 3 onzer wet, dat zij zich als
rechthebbenden moeten doen kennen "op den voet in de artikelen 10 en
11 bepaald". Het is niet duidelijk, of een eenvoudige opgaaf van naam
en woonplaats hiervoor voldoende is, dan wel of hier wederom twee
exemplaren moeten worden ingezonden met opgaaf van het tijdstip der
uitgave en verklaring van den drukker. Mr. Veegens [474] neemt het
laatste aan, op grond dat art. 3 voor dit geval alleen ontheffing van
den gewonen termijn van inzending verleent, en ik geloof ook wel, dat
dit de beteekenis is, die men aan dit artikel zal moeten geven, al laat
m.i. de uitdrukking "op den voet van" eenige ruimte tot twijfel. Hoe
dit zij, in ieder geval ben ik het volkomen met Mr. Veegens eens,
dat deze vereischten hier "doelloos" zijn te achten.

De practische bezwaren zijn hier echter minder groot dan bij de overige
formaliteiten. Daar de inzending niet aan een termijn is gebonden,
blijft er nog altijd gelegenheid haar later te doen geschieden. Ook
zijn de gevolgen hier minder ernstig; verzuim heeft geen tenietgaan
van het auteursrecht tengevolge; het geldt hier slechts aan den
toestand een einde te maken, dat, in plaats van den auteur zelf,
de drukker of uitgever als zoodanig wordt aangemerkt. In een enkel
geval kan het verrichten dezer formaliteit op den duur van het recht
van invloed zijn, als nl. de auteur langer leeft dan vijftig jaar
na de eerste uitgave. Heeft daarvóór de voorgeschreven inzending
niet plaats gehad, dan houdt op dat tijdstip de bescherming van
het anonieme of pseudonieme werk op; in het tegenovergestelde geval
behoudt de auteur zijn recht, indien hij het tenminste nooit aan een
ander heeft overgedragen, levenslang (art. 13).

Alleen met het oog op het hier genoemde geval, dat zich wel zeer
zelden zal voordoen, kan gezegd worden dat de voorgeschreven inzending
om zich als auteur te doen erkennen zoo niet noodzakelijk, dan toch
niet volkomen doelloos is. Want voor derden is het slechts daarom van
belang te weten wie als auteur wordt aangemerkt, omdat de mogelijkheid
bestaat, dat dit den duur van het recht beïnvloedt. Dit zal, zooals
gezegd, onder het stelsel onzer wet eene uitzondering blijven, doch
als regel gelden daar waar de duur van het auteursrecht steeds naar
den leeftijd, dien de auteur bereikt, wordt afgemeten. Opheffing van
de anoniemiteit of pseudoniemiteit heeft daar steeds wijziging in
den duur van het auteursrecht tengevolge en daarom is het gewenscht,
dat zij in zoodanigen vorm moet geschieden, dat ieder er kennis
van kan nemen. Ook op dit punt bevat de Duitsche wet van 19 Juni
1901 bepalingen, die m. i. zeer doeltreffend zijn te noemen. Het
auteursrecht op anonieme en pseudonieme werken duurt daar slechts
dertig jaren na de eerste uitgave, tenzij de ware naam van den
auteur vóór dien tijd bekend is gemaakt, in welk geval de gewone
beschermingstermijn geldt, nl. dertig jaren na den dood van den
auteur. Deze bekendmaking van den naam des auteurs kan op twee wijzen
geschieden, om het genoemde gevolg te hebben: 1o. door eene latere
uitgave of openbare op- of uitvoering van het werk onder den waren
naam des auteurs; en 2o. door eene verklaring, in te zenden door den
auteur aan den Stadtrath te Leipzig, die voor de inschrijving dezer
verklaringen in een openbaar register zorg draagt (§§ 7, 31, 56-58).

Het komt mij voor, dat deze regeling op zeer gelukkige wijze de
belangen van auteur en publiek vereenigt; de inzending der verklaring
is slechts dan verplichtend gesteld, als het publiek op geen andere
wijze van de opheffing der anoniemiteit of pseudoniemiteit kennis
had kunnen krijgen.



Behalve de inzending aan het Departement van Justitie kent onze
wet in sommige gevallen als voorwaarde voor het blijven bestaan van
het auteursrecht het voorbehoud. Dit komt te pas bij vertalings-,
opvoerings- en uitvoeringsrecht van door den druk gemeen gemaakte
werken en bij berichten of opstellen uit dag- en weekbladen.

Wat het vertalings-, opvoerings-, en uitvoeringsrecht betreft:
neemt men de opvatting die ik heb trachten te verdedigen, aan,
dat deze rechten integreerende bestanddeelen van het auteursrecht
uitmaken, die evenveel reden van bestaan hebben als het kopierecht,
dan zal men ook moeten erkennen, dat zij, evenals dit laatste
recht, den auteur toekomen, ook al zijn zij niet uitdrukkelijk door
hem voorbehouden. Door het voorbehoud als eisch te stellen geeft
de wetgever eenigszins als zijne meening te verstaan, dat deze
bevoegdheden in normale gevallen vervallen of niet bestaan, en dat
zij slechts als uitzondering door eene bijzondere handeling van den
auteur kunnen ontstaan of blijven voortduren. Voor deze opvatting
bestaat, zooals ik hierboven heb trachten aan te toonen, ten opzichte
van het uitsluitend recht van vertaling, opvoering en uitvoering geen
grondige reden. Evenmin gaat de bewering op, dat de auteur, door zijn
werk in druk uit te geven het uit- of opvoeringsrecht prijs geeft,
tenzij hij uitdrukkelijk het tegendeel verklaart.

Men heeft het voorbehoud ook verdedigd door er op te wijzen, dat het
publiek er belang bij heeft te weten, of de auteur zijn recht al of
niet gehandhaafd wil zien. In de niet zelden voorkomende gevallen,
dat de auteur de opvoering of vertaling van zijn werk vrij wil laten,
worden noodelooze onderhandelingen met den auteur voorkomen door
de instelling van het voorbehoud. Want heeft de auteur eenmaal zijn
werk zonder voorbehoud laten uitkomen, dan weet ieder dat hij zonder
toestemming te vragen met vertalen, opvoeren enz. zijn gang kan gaan.

Voor deze redeneering bestaat wel eenige grond, zoolang van de auteurs
zelf geen maatregelen uitgaan, om dengenen, die hunne werken wenschen
te vertalen, op- of uit te voeren, het verkrijgen hunner toestemming
gemakkelijk te maken. Zoo heeft in Engeland in de tweede helft der
vorige eeuw het aldaar bestaande uitvoeringsrecht zonder voorbehoud
tot bedenkelijke gevolgen geleid. Een zekere Wall te Londen had
zich het uitvoeringsrecht van een groot aantal muziekstukken weten
te verschaffen en maakte daarvan gebruik om allerlei personen,
die--meestal te goeder trouw--deze werken in het openbaar uitvoerden,
voor schadevergoeding aan te spreken. Het ergste was, dat hij
weigerde inlichtingen te verschaffen over het al of niet bestaan van
een uitvoeringsrecht op bepaalde liederen en muziekstukken, tenzij
men hem daarvoor een bedrag van 21 guineas (± f268) betaalde. Om aan
deze wijze van "exploitatie", waarbij natuurlijk ook de belangen der
componisten werden geschaad, een einde te maken, werd in de wet van
10 Augustus 1882, gewoonlijk genoemd de Wall Act, bepaald, dat de
auteur slechts dan zich tegen de uitvoering zijner muziekwerken kan
verzetten, wanneer hij op elk exemplaar een voorbehoud van zijn recht
heeft laten drukken [475].

In de gegeven omstandigheden was dit zeker een practische
maatregel om de genoemde kwade practijken te keeren. Doch de
noodzakelijkheid of wenschelijkheid van het voorbehoud-stelsel
is er niet mee bewezen. Immers de auteurs hebben het altijd in de
hand misbruiken als deze te voorkomen, daar zij bij het overdragen
hunner rechten aan anderen hieromtrent in het contract de noodige
voorwaarden kunnen bedingen. En daar het vooral hun eigen belang is,
dat hierbij op het spel staat, is van hen te verwachten dat zij dit
in de meeste gevallen ook werkelijk zullen doen, vooral indien zij
tijdig op de gevaren worden gewezen waaraan zij zich blootstellen,
door hunne rechten zonder voorwaarden aan den eersten den besten
over te doen. Hier zijn het weer de vereenigingen van auteurs, die,
zooals in het buitenland is gebleken, uitstekende diensten kunnen
bewijzen. Een tooneel- of muziekvereeniging behoeft nu niet voor
elk nieuw stuk, dat zij op haar répertoire wenscht te plaatsen,
daarover met den auteur in onderhandeling te treden; zij heeft zich
slechts te wenden tot het bureau der auteurs-vereeniging, dat namens
den auteur toestemming tot op- of uitvoering verleent en zich ook met
het innen der tantièmes belast. De Belgische Regeering heeft getoond,
het nut van de auteursvereenigingen in dit opzicht in te zien en
zij heeft er ook op doelmatige wijze partij van weten te trekken. De
"Société des auteurs, compositeurs et éditeurs de musique" heeft zich
verbonden, aan de Belgische Regeering eene volledige lijst te geven
van al hare leden, voor wie zij in auteursrecht-zaken bevoegd is in
rechten op te treden, terwijl de Belgische Regeering van haar kant
op zich heeft genomen, deze lijst in de Moniteur Belge te publiceeren
[476]. Waar het belanghebbenden op deze wijze gemakkelijk wordt gemaakt
over nog beschermde werken de gewenschte beschikking te krijgen,
daar is het vereischte van een voorbehoud volmaakt onnoodig; wil de
auteur de exploitatie van zijn werk op een of meer wijzen vrijlaten,
dan kan ieder dit met weinig moeite te weten komen, zonder dat de
auteur gedwongen is, dadelijk bij de verschijning van zijn werk eene
beslissing te nemen, waarop nooit meer kan worden teruggekomen.

Is dus het voorbehoud-stelsel ten opzichte van vertalings-, opvoerings-
en uitvoeringsrecht beslist te verwerpen, ten opzichte van het
overnemen van berichten en artikelen uit dag- of weekbladen kan het
nog goede diensten bewijzen. De journalistieke gebruiken brengen mee,
dat dagbladen op ruime schaal artikelen van elkander overnemen. Hierin
is niets onrechtmatigs te zien, daar in het algemeen kan worden
aangenomen, dat het met wederzijdsch goedvinden geschiedt. Eene strenge
toepassing van de algemeene regels van het auteursrecht zou dus hier
misplaatst zijn. Wat anders eene uitzondering is kan hier als regel
worden aangenomen: de auteur wenscht het overnemen van zijn stuk door
andere bladen vrij te laten, tenzij hij uitdrukkelijk het tegendeel
verklaart [477].



Ten slotte nog enkele woorden over de formaliteiten, die het
Ontw. B. K. voorschrijft.

Volgens art. 7 vervalt het auteursrecht, zoo niet vóór of uiterlijk
dertig dagen nadat het kunstwerk voor de eerste maal is geleverd,
tentoongesteld of openlijk te koop of ter bezichtiging is aangeboden
door den auteur of zijn rechtverkrijgenden aan het door K. B. aan te
wijzen Departement van algemeen bestuur is ingezonden:

a) eene geschrevene en door hem of eenen bij authentieke akte daartoe
gemachtigde onderteekende beschrijving van het kunstwerk, volgens
door K. B. vast te stellen model;

b) daarenboven, zoo het werk bestaat in platen, afgietsels, gravures,
photographieën of andere verveelvuldigde exemplaren, tegelijk met de
beschrijving een exemplaar van het werk.

De bezwaren, die zooeven tegen het stelsel van verplichte inzending
zijn aangevoerd, gelden hier in even sterke mate.

Wel is hier, voor de onder b genoemde werken, inzending van één
exemplaar voldoende, terwijl de wet van 1881 voor geschriften er
twee eischt, doch de financieele last is er niet minder om, daar
bij werken van beeldende kunst iedere afdruk doorgaans een grootere
waarde vertegenwoordigt.

Doch van de meeste kunstwerken zou, werd deze bepaling eenmaal wet,
waarschijnlijk wel nooit een exemplaar worden ingezonden, daar van
schilderijen, beelden, teekeningen enz. meestal geen reproducties
worden gemaakt binnen dertig dagen na de eerste levering of
tentoonstelling, of nadat zij voor het eerst openlijk te koop of
ter bezichtiging zijn aangeboden. In dat geval zal dus kunnen worden
volstaan met het inzenden der "beschrijving". Of hiervan nu een druk
gebruik zou worden gemaakt meen ik te mogen betwijfelen. Zoolang
geen oogenblikkelijk gevaar bestaat dat op het auteursrecht inbreuk
zal worden gemaakt, of zoolang de auteurs zelve er niet aan denken
hun kunstwerk door het in den handel brengen van reproducties te
exploiteeren, is het niet te verwachten dat zij zich de moeite zullen
getroosten om de voorgeschreven beschrijving op te maken en in te
zenden. En laten zij eenmaal den termijn verstrijken, dan is het te
laat: het werk blijft voor altijd van bescherming verstoken.

Bovendien komt het mij voor, dat men aan de beschrijving, indien zij
wél wordt ingezonden, weinig zal hebben. Meestal zal zij niet anders
dan eene onvolkomen en weinig betrouwbare aanduiding van het kunstwerk
kunnen zijn.



HOOFDSTUK VI

EENIGE MET HET AUTEURSRECHT IN VERBAND STAANDE RECHTEN


Reeds meer dan eens heb ik erop kunnen wijzen, dat op het
gebied van het auteursrecht verschillende bevoegdheden bestaan,
die zich niet laten verklaren als een uitvloeisel van het
recht op het geestesproduct, maar die te rekenen zijn tot de
persoonlijkheidsrechten, omdat zij tot bescherming strekken van een
goed, dat niet van den persoon kan worden losgemaakt.

Eerst in de laatste jaren wordt de onderscheiding tusschen auteursrecht
en persoonlijkheidsrecht algemeen gemaakt. De Fransche schrijvers
spreken daarbij meestal van "le droit moral", dat dan gesteld
wordt tegenover "le droit pécuniaire" [478]. Deze termen komen mij
echter minder juist voor, omdat zij de gedachte wekken, dat het
verschil uitsluitend ligt in het al of niet op geld waardeerbaar
zijn. Wel zullen dikwijls bij de persoonlijkheidsrechten alleen
moreele of ideëele belangen betrokken zijn, doch een vaste regel
is dit niet. Het gebruikmaken van een bepaalden auteursnaam zou
b.v. in sommige gevallen heel goed eene geldelijke waarde kunnen
vertegenwoordigen. Evenmin is het waar, dat een vermogensrecht (in dit
geval dus het auteursrecht) uitsluitend ter bescherming van geldelijke
belangen dient [479]. Overigens hebben de bedoelde Fransche schrijvers
met hunne "droits moraux" in hoofdzaak dezelfde rechten op het oog, die
de Duitsche rechtsgeleerden Individualrechte of Persönlichkeitsrechte
noemen en die hier onder den naam van persoonlijkheidsrechten worden
behandeld.

Naar eene opzettelijke regeling van deze rechten zal men in de meeste
wetgevingen vergeefs zoeken. Hiermede is echter niet gezegd, dat zij
geene erkenning vinden. Onder den naam van auteursrecht verleent de
wet soms bevoegdheden, die feitelijk niet tot het auteursrecht, maar
tot het persoonlijkheidsrecht behooren. Dit is natuurlijk allerminst
een reden, om de onderscheiding te laten vallen; voor juridische
constructies behoeft men niet bij den wetgever te rade te gaan. Ook
worden enkele der hier bedoelde rechten in verschillende landen,
hoewel de wet ze niet uitdrukkelijk verleent, toch door den rechter
op grond van algemeene rechtsbeginselen erkend.

In het algemeen kan trouwens worden opgemerkt dat niet alleen in
theorie maar ook in de practijk de leer der persoonlijkheidsrechten
in verband met het auteursrecht meer en meer erkenning vindt. Waar het
positieve recht op dit punt nog tekort schiet, kan men uit de eischen
en verlangens der belanghebbenden opmaken, dat dit als een gemis
wordt gevoeld. Zoo zijn b.v. op meer dan een congres der Association
over het "droit moral" rapporten uitgebracht; de volgende stellingen
werden o. a. op het Congres van Heidelberg van 1899 aangenomen:

"De auteur van elk geestesproduct heeft het recht zijne hoedanigheid
van auteur te doen erkennen en kan in rechten optreden tegen ieder,
die zich deze hoedanigheid zou willen aanmatigen.

"Ook als de auteur zijn werk heeft vervreemd, behoudt hij de
bevoegdheid zijne hoedanigheid van auteur door derden te doen
eerbiedigen. Overigens kan hij er zich tegen verzetten, dat hij aan
wien het is overgedragen, het werk in gewijzigden vorm verveelvoudigt
of tentoonstelt, of er een gebruik van maakt dat het contract niet
voorziet" [480].

In overeenstemming hiermede zijn ook enkele bepalingen der loi-type
(artt. 10, 11, 12 en 14).

Wenschen als de bovengenoemde, die ook op congressen en vergaderingen
van andere vereenigingen van uitgevers en auteurs werden geuit [481],
bewijzen dat de persoonlijkheidsrechten, voor zoover zij nog niet
in het positieve recht zijn opgenomen, niet alleen bestaan als de
vruchten van wetenschappelijke theorieën, maar dat de belanghebbenden
er evenzeer aanspraak op maken, als op de vermogensrechtelijke
bescherming.

Op verschillende wijzen kunnen de bedoelde rechten met het
auteursrecht in verband staan. Het recht b.v. om zich te verzetten
tegen openbaarmaking van niet daarvoor bestemde stukken zal
meestal samengaan, d. w. z. in één hand vereenigd zijn, met het
auteursrecht. Slechts in enkele gevallen zal het een zelfstandig
bestaan toonen, b.v. indien het geschriften betreft, die niet tot de
auteurs-scheppingen zijn te rekenen (zooals b.v. brieven) of wanneer
het auteursrecht aan eene gedwongen vervreemding zou blootstaan
(b.v. bij faillissement van den auteur). In het laatste geval is het
't persoonlijkheidsrecht van den auteur, dat het in beslagnemen van
het auteursrecht tegenhoudt; dit laatste wordt, zooals Kohler het
uitdrukt, krachtens het persoonlijkheidsrecht "verklammert" [482].

Het persoonlijkheidsrecht brengt echter ook bevoegdheden mee, die
het auteursrecht niet geeft, zooals b.v. het recht, zich ertegen
te verzetten dat de auteursnaam van het werk wordt weggelaten
of door een anderen vervangen, en het zoogenaamde recht op de
integriteit van het werk, d. w. z. het recht te verlangen, dat het
werk ongeschonden, zonder wijzigingen, toevoegsels of afkortingen,
publiek wordt gemaakt. Zoolang het met het auteursrecht in ééne hand
vereenigd blijft, kunnen beide rechten elkander dus aanvullen; heeft
de auteur het auteursrecht vervreemd, dan blijven hem krachtens zijn
persoonlijkheidsrecht nog enkele bevoegdheden over, zoodat dán de
twee rechten tegenover elkander staan.

Ook kan het auteursrecht in betrekking staan met
persoonlijkheidsrechten van anderen dan de auteurs; dit is bijvoorbeeld
het geval ten aanzien van portretten: het den auteur toekomend
uitsluitend reproductierecht kan op sommige punten in botsing komen
met het recht van den geportretteerde, om zich tegen openbaarmaking
zijner beeltenis onder bepaalde omstandigheden te verzetten. Iets
dergelijks kan zich voordoen, indien in een roman of tooneelstuk
hetzij door den naam, hetzij door de karakterteekening, bestaande
personen worden aangeduid, in het bijzonder wanneer zij daardoor in
een minder gunstig daglicht komen te staan.

In de afzonderlijke bespreking, die ik van de verschillende hierboven
genoemde rechten laat volgen, zal het een en ander, voorzoover het
in verband met het auteursrecht van belang is te achten, meer in
bijzonderheden worden nagegaan.



I Recht op brieven

Volgens Kohler heeft ieder mensch het recht te verlangen, "dasz
das Internum (seines) Lebens geschont wird"; dat de intieme zijden
der persoonlijkheid "nicht in einer der menschlichen Lebensführung
widersprechenden Weise an die Oeffentlichkeit gezogen werden"
[483]. Hieruit vloeien verschillende met het auteursrecht in verband
staande bevoegdheden voort, die in het algemeen bestaan in een recht
op geheimhouding (althans niet publiek-making) van hetgeen niet voor
openbaarmaking is bestemd.

Dit is vooral van belang met het oog op brieven [484]. In de meeste
gevallen zullen deze niet voldoen aan de vereischten, die aan een
auteursproduct moeten worden gesteld. Het zijn dikwijls niet anders
dan op schrift gestelde mededeelingen en ontboezemingen, die evenmin
aanspraak kunnen maken op den naam van scheppingen als soortgelijke
mededeelingen en ontboezemingen, die niet schriftelijk, maar mondeling
in een gesprek tot uiting zijn gekomen. Liet men dus de vraag, of de
schrijver van een brief het uitsluitend recht van publicatie heeft,
afhangen van het al of niet bestaan van auteursrecht, dan zou in de
meeste gevallen zulk een recht moeten worden ontzegd, en wel in de
eerste plaats voor die brieven, waarvan juist wegens hun vertrouwelijk
of intiem karakter eene ongewenschte openbaarmaking het pijnlijkst
kan zijn.

Slechts in enkele wetgevingen zijn de rechten op brieven uitdrukkelijk
genoemd; doch eene duidelijke regeling, waarin het hier besproken
persoonlijkheidsrecht onafhankelijk van het auteursrecht wordt
toegekend vindt men, zoover mij bekend is, in geen enkele wet. Wel
is dit recht in verschillende landen door de jurisprudentie erkend
[485], doch dit neemt niet weg, dat eene wettelijke regeling op dit
punt gewenscht blijft.

Vooral met het oog op den duur van dit recht is het wenschelijk een
vasten regel te hebben; de meesten zijn het er over eens, dat het in
elk geval voortduurt tot aan den dood van den briefschrijver; doch
daar men meestal eerst na iemands overlijden tot het uitgeven zijner
brieven overgaat, is het van groot belang te weten òf, en zoo ja hoe
lang, het daarna nog ten bate der erfgenamen blijft voortduren. Hier
is behoefte aan een vasten termijn, die natuurlijk alleen door de
wet kan worden gegeven [486].

Neemt het persoonlijkheidsrecht met den dood een einde? De vraag wordt
dikwijls bevestigend beantwoord; o. a. werd dit in Duitschland gedaan
door het Reichsgericht in een, hierboven reeds ter sprake gebracht,
arrest van 28 Februari 1898 [487]. Het betrof een aantal brieven van
Richard Wagner, die in een ongeveer negen jaren na diens overlijden
uitgekomen boek waren opgenomen. Wel werd aangenomen, dat er een
persoonlijk recht bestaat van den briefschrijver om zich tegen de
publicatie te verzetten, doch in dit geval kon men zich daarop niet
beroepen, daar de aard van dit recht meebrengt, dat het met den dood
van den rechthebbende te niet gaat. Zoolang geen uitdrukkelijke
wetsbepaling het tegendeel inhoudt, valt er voor deze opvatting
m. i. wel iets te zeggen [488]; in jure constituendo echter ben ik
van de meening van Kohler, die dit recht niet met het overlijden,
maar eenigen tijd daarna, wil doen ophouden. Lang behoeft de termijn
niet te zijn; vijf jaar, zooals Kohler voorstelt [489], of hoogstens
tien schijnt daarvoor voldoende; het is er slechts om te doen de
algeheele vrijheid van publicatie zoolang op te schorten, totdat
de beoordeeling van den overledene objectief kan geschieden, buiten
invloed van persoonlijke gevoelens van haat, vriendschap, jaloezie
enz. die hij bij zijn leven heeft opgewekt; het overgangstijdperk, zou
men kunnen zeggen, tusschen het tijdstip, waarop de persoon nog in het
volle leven staat en dat waarop hij geheel tot de geschiedenis behoort.

Uit het bovenstaande volgt, dat het hier besproken recht, hoewel met
het auteursrecht eenige punten van overeenkomst vertoonend, toch van
eene andere strekking is. Het beoogt niet, zooals het auteursrecht, de
uitsluitende exploitatie van een immaterieel goed aan den voortbrenger
te verzekeren; doch het beschermt de tot het private leven behoorende,
vertrouwelijke uitingen tegen ongewenschte openbaarmaking. Hieruit
volgt, dat wanneer de briefschrijver eenmaal zelf tot de uitgave zijner
brieven is overgegaan, hij zich niet tegen nadruk meer kan verzetten;
tenzij natuurlijk zijne uitgave, hetzij door den bijzonderen aard der
brieven, hetzij door de wijze waarop zij tot een geheel zijn geschikt,
als auteursproduct is te beschouwen en als zoodanig bescherming geniet.

De heerschende opvatting hier te lande, volgens welke alle mogelijke
schrifturen als door de wet beschermde geestesproducten zijn te
beschouwen, zou ongetwijfeld ook meebrengen, dat op alle brieven
auteursrecht wordt erkend. Zoo zou toch, al is het dan langs een
anderen weg, hetzelfde doel worden bereikt en dit zou wellicht
voor sommigen een reden kunnen zijn, om de onderscheiding tusschen
auteursrecht en persoonlijkheidsrecht op dit punt onnoodig en doelloos
te achten. Ik meen echter dat uit hetgeen voorafgaat genoegzaam
blijkt, dat de leer, die ik hier voorsta, ook wat de practische
gevolgtrekkingen betreft, niet geheel zonder belang is. Een recht
op publicatie van onuitgegeven brieven, dat met, of korten tijd na,
den dood van den schrijver een einde neemt, is toch iets anders dan
een uitsluitend exploitatierecht, dat de erfgenamen van den schrijver
nog dertig jaren na diens dood zouden kunnen uitoefenen. Het lijdt
m. i. geen twijfel, of het eerste is met het oog op het doel dat met de
bescherming hier moet worden bereikt, te verkiezen boven het laatste.



II Persoonlijkheidsrecht in verband met beslag op auteursrecht

Is het bij brieven, die meestal niet als auteursproducten zijn te
beschouwen, vooral het vertrouwelijk karakter dat de bescherming
tegen openbaarmaking rechtvaardigt, bij geschriften van anderen aard,
die daartoe wél gerekend moeten worden, en ook voor kunstwerken,
komt hier nog eene andere overweging bij.

Schrijvers en kunstenaars worden voornamelijk, zoo niet uitsluitend,
beoordeeld naar de werken, die van hen in het licht komen. Bij elke
nieuwe publicatie die van hen uitgaat is hun naam als geleerde of
kunstenaar gemoeid. De beslissing of een werk al dan niet openbaar
zal worden gemaakt is dus eene zaak van het grootste gewicht voor
den auteur: besluit hij tot openbaarmaking, dan zal hij daarvoor de
volle verantwoordelijkheid hebben te dragen. Maar daarom moet hij ook
in zijne beslissing volkomen vrij worden gelaten en niet gedwongen
kunnen worden tot publicaties, waarvoor hij die verantwoordelijkheid
niet op zich durft nemen. Elk auteur, die zijne taak ernstig opvat,
hij zij schilder, letterkundige, componist of geleerde, zal wel
eens werken in portefeuille hebben waarover hij niet tevreden is,
al maken zij ook overigens den indruk "af" te zijn. Men hoort soms
van schrijvers die jarenlang een manuscript onder zich houden, totdat
zij eindelijk het zoo hebben weten om te werken, dat het naar hun
zin is. Hetzelfde is het geval met voortbrengers op het gebied van
beeldende kunst en muziek.

Het is dus voor auteurs van het grootste gewicht en tevens een eisch
van rechtvaardigheid, dat zij zelf kunnen bepalen, óf, en zoo ja
wanneer en op welke wijze, hun werk publiek wordt gemaakt. Meestal
zullen zij hiervoor in het auteursrecht of in het eigendomsrecht
op hunne manuscripten, schetsen enz. voldoende bescherming vinden;
er zijn echter gevallen, waarin deze rechten niet baten, indien zij
nl., als andere vermogensrechten, ter beschikking moeten staan van
des auteurs schuldeischers, om hunne vorderingen tegen hem daaruit
te verhalen. Want ook van werken, die de auteur niet voor publicatie
geschikt acht en die hij daarom ongeëxploiteerd heeft gelaten, kan
het auteursrecht eene geldelijke waarde vertegenwoordigen. Stond het
nu den schuldeischers vrij, dit recht, evenals elk ander deel van
het vermogen van hunnen debiteur, in beslag te doen nemen, dan zou
daarmede tevens den auteur uit handen worden genomen het bovenbesproken
persoonlijkheidsrecht om over de eerste openbaarmaking te beslissen.

Hier dienen--en dit is eene vrijwel algemeen gedeelde opinie,
die na het voorgaande m. i. geen toelichting meer behoeft--de
belangen der schuldeischers te wijken voor die van den auteur. Geen
beslag op auteursrecht mag dus worden toegelaten, indien het
persoonlijkheidsrecht daardoor zou worden aangetast.

De bepaling in onze wet (art. 9 derde lid), welke elk beslag op
auteursrecht uitsluit, gaat echter te ver. Het blijkt trouwens niet,
dat zij haar bestaan dankt aan het boven gestelde beginsel. Het eerst
komt zij voor in het ontwerp van minister Modderman. Naar aanleiding
van eene in het voorloopig verslag (p. 8) gemaakte opmerking,
verklaarde de Regeering in de memorie van antwoord (ad art. 9, p. 4)
zich te kunnen vereenigen met het gevoelen der "meeste leden", dat
het niet wenschelijk was, beslag op het auteursrecht toe te laten. Van
geen van beide zijden werd dit echter nader gemotiveerd.

Ook in het Ontw. B. K. werd eene analoge bepaling opgenomen (art. 5
derde lid). In de memorie van toelichting (p. 4) vindt men daaromtrent
opgemerkt: "Het toelaten van beslag zou bij de uitvoering tot tal van
moeilijkheden leiden. Deze overweging schijnt ook bij de wet van 1881
tot eene bepaling als de hier bedoelde te hebben geleid."

Waarschijnlijk was het dus niet zoozeer de overweging, dat hier voor
een bijzonder recht van den auteur moest worden gewaakt, dan wel vrees
voor de moeilijkheden, die de uitvoering van het beslag op auteursrecht
mee zou brengen, die de bepaling in de wet heeft doen opnemen.

Hiermede is zij echter allerminst gerechtvaardigd. De "moeilijkheden",
waarvan wordt gesproken, mogen niet geheel denkbeeldig zijn,
onoverkomelijk zijn zij niet, zooals in andere landen, waar het beslag
in sommige gevallen wel is toegelaten, is bewezen. Hierop kom ik zoo
aanstonds nog terug.

De groote bedenking, die tegen een algemeen verbod van beslag, zooals
de wet van 1881 en het Ontw. B. K. inhouden, is te maken, bestaat
hierin, dat met de rechten der schuldeischers in 't geheel geen
rekening wordt gehouden. Betreft het een werk, dat reeds eerder door
den auteur gepubliceerd en in exploitatie gebracht was, dan bestaat
er volstrekt geen reden, waarom het uitsluitend recht om het verder op
dezelfde wijze te exploiteeren niet aan zijn schuldeischers zou mogen
worden toegewezen. Nog sterker komt de onbillijkheid der bepaling uit,
als men denkt aan het geval, dat het auteursrecht niet meer in handen
is van den auteur. In den boedel van eene uitgeverszaak bijvoorbeeld
zullen juist de auteursrechten dikwijls een belangrijk aandeel vormen
van de aanwezige baten en het gaat niet aan dat bij faillissement de
schuldeischers hierover niet zouden kunnen beschikken [490].

Het verbod van beslag dient derhalve te worden beperkt tot die
gevallen, waarin eene gedwongen vervreemding van het auteursrecht
tevens eene krenking van het persoonlijkheidsrecht zou meebrengen. Als
algemeene regel kan men stellen, dat beslag moet zijn toegelaten
wanneer het auteursrecht niet meer den auteur toebehoort, of wanneer
het een werk betreft, dat reeds vroeger door den auteur was publiek
gemaakt. Er doen zich echter in verband hiermee nog enkele vragen voor.

In de eerste plaats is door verschillende schrijvers gestreden
over de kwestie, of beslag moet zijn toegelaten, indien het werk
nog niet is uitgegeven, maar wel door den auteur definitief voor
openbaarmaking bestemd, b. v. in het geval een auteur zijn manuscript
naar een uitgever heeft gezonden of ter plaatsing aan een tijdschrift
aangeboden. Dit geval heeft zich o. a. voorgedaan in Duitschland (onder
de vroegere wet o. h. auteursrecht, die geen speciale bepalingen
over beslag inhield); het Landgericht van Berlijn liet het leggen
van beslag toe op een onuitgegeven roman, die door den auteur aan een
uitgevershuis was toegezonden [491]. In Frankrijk werd evenzoo beslist
door het Tribunal civil van Troyes (31 Jan. 1900); hier betrof het
kopie van een journalist, die reeds in handen van den drukker was
[492]. Deze beide beslissingen komen mij juist en billijk voor:
in beide gevallen stond vast, dat de auteur tot publicatie van zijn
werk wenschte over te gaan en aan zijn voornemen reeds een begin van
uitvoering had gegeven; in deze omstandigheden ware een beroep op zijn
persoonlijkheidsrecht, dat door de publicatie zou worden gekrenkt,
misplaatst. Met het oog hierop zou het m. i. aanbeveling verdienen
bij eene wijziging van art. 9 derde lid onzer wet het beslag, behalve
bij uitgegeven werken, ook toe te laten, indien het blijkt, dat de
auteur op het oogenblik dat het beslag wordt gelegd, zijn werk voor
publicatie heeft bestemd. Wat werken van beeldende kunst betreft geeft
o. a. de Belgische wet (art. 9) eene regeling, die navolging verdient:
geen beslag kan worden gelegd, zoolang een werk niet voor verkoop of
publicatie gereed is.

Een andere vraag is, of het persoonlijkheidsrecht, waarvan hier sprake
is, ook na den dood van den auteur moet blijven voortduren. Indien
deze het auteursrecht bij zijn leven heeft vervreemd, komt de vraag
niet te pas; het recht om te beslissen, of iets al dan niet openbaar
zal worden gemaakt, kan de auteur niet aan een ander overdragen. Maar
wél zou kunnen gevraagd worden, of niet zijne erfgenamen, en in 't
bijzonder zijne naaste verwanten, nog na den dood des auteurs eene
publicatie moeten kunnen beletten, waartoe deze bij zijn leven niet
heeft willen overgaan. Ik meen dat er reden is deze vraag bevestigend
te beantwoorden, op soortgelijken grond als hierboven bij de bespreking
van het recht op brieven is aangevoerd. Op de naastbestaanden van den
auteur gaat bij diens overlijden de verantwoordelijkheid van hetgeen
er van hem uitkomt min of meer over; zij hebben er, althans in de
eerste jaren na het overlijden, voor te waken, dat de naam, dien
hij zich bij zijn leven heeft gemaakt, ongeschonden blijft. Doch ook
hier bestaat er geen grond, dit recht der erfgenamen lang te laten
voortduren. De bescherming van de persoonlijkheid des overledenen
krijgt na verloop van tijd een ander karakter; zij behoeft dan niet
meer aan één persoon, of aan een kleine groep van personen te worden
overgelaten. De zuiver persoonlijke elementen, die het oordeel
over den nog in leven zijnden schrijver of kunstenaar mee hielpen
vormen, doen zich dan niet meer gelden; de auteur en zijn werk worden
slechts beoordeeld naar de beteekenis, die zij als verschijnsel in de
beschavingsgeschiedenis hebben gehad en er bestaat geen reden voor
om hun, die deze beteekenis hebben te bepalen, de hulpmiddelen die
daarover licht kunnen verspreiden, te onthouden.

De bepaling der Duitsche wet, die beslag van auteursrecht op
onuitgegeven werken ook tegenover de erfgenamen geheel uitsluit [493],
zoodat dertig jaren lang de onuitgegeven werken van den erflater
in hunne handen onaantastbaar zijn, gaat daarom m. i. te ver. Een
termijn van vijf jaar, zooals ik hierboven in navolging van Kohler
voor het publicatierecht van brieven van een overledene heb genoemd,
schijnt mij ook voor dit geval meer passend.

Na bovenstaande beschouwingen komen wij dus tot de conclusie,
dat beslag op auteursrecht dient te worden toegelaten: tegenover
den auteur, voorzoover het werken betreft, die reeds met zijn
goedvinden zijn gepubliceerd of die door hem tot publicatie zijn
bestemd; tegenover zijne erfgenamen bovendien op het auteursrecht
van niet-gepubliceerde werken, wanneer eenige (bijvoorbeeld vijf)
jaren na het overlijden zijn verloopen; tegenover zijne overige
rechtverkrijgenden in alle gevallen.

Hierbij dient echter nog onderscheid te worden gemaakt tusschen de
verschillende wijzen, waarop de publicatie kan plaats hebben. Heeft een
auteur b.v. zijn tooneelstuk in druk uitgegeven, dan volgt daaruit nog
niet, dat hij het ook voor opvoering geschikt acht. Er zijn stukken,
wier kenmerkende eigenschappen, waardoor zij bij de lezing juist
zoozeer bekoorden, op het tooneel niet tot hun recht komen; andere,
die hoewel naar den vorm tooneelstukken, in 't geheel niet op eene
vertooning in de schouwburg berekend zijn. Ook bij andere werken kan
het een groot verschil maken, op welke wijze en in welken vorm het
publiek er mede in aanraking wordt gebracht; men denke b.v. aan een
rede, die op degenen die haar hooren uitspreken grooten indruk maakt,
doch later, wanneer men haar gedrukt voor zich krijgt, bij de lezing
niet bevredigt. Daarom moet met het oog op de al of niet vatbaarheid
voor beslag elke wijze van reproductie afzonderlijk worden beschouwd;
en moet als beginsel aangenomen worden, dat het beslag slechts die
middelen van exploitatie mag betreffen, welke de auteur zelf reeds
heeft aangewend.

In het algemeen moet trouwens in het oog worden gehouden,
dat het beslag niet tot gevolg kan hebben, dat de executant
een onbepaald beschikkingsrecht krijgt over het geschrift of
kunstwerk. Naast de reeds behandelde bestaan er nog verschillende
andere persoonlijkheidsrechten van den auteur, die bij de exploitatie
van zijn werk door anderen gekrenkt kunnen worden, en het behoeft
geen betoog dat deze rechten ook na een gedwongen vervreemding van
het auteursrecht geëerbiedigd dienen te worden. Zoo zal b.v. de in
beslagneming van het auteursrecht er niet toe mogen leiden, dat
het werk met wijzigingen, zonder medeweten van den auteur daarin
aangebracht, wordt gepubliceerd, of dat bij de exploitatie middelen
worden gebruikt, die met het karakter of de kunstwaarde van het werk
niet in overeenstemming zijn: b.v. opvoering van een tooneelstuk
door daartoe ontoereikende krachten; reproductie van een werk van
beeldende kunst in een daarvoor ongeschikt procédé enz. enz. Ook
zal de nieuwe rechthebbende op het auteursrecht c.q. de anoniemiteit
hebben te eerbiedigen en zich in het algemeen bij het in den handel
brengen van exemplaren moeten houden aan de--hieronder nog nader te
bespreken--beginselen betreffende het gebruik van den auteursnaam.

Deze en andere rechten en belangen van den auteur kunnen uit den aard
der zaak bij executie van het auteursrecht in gevaar komen, en het is
wel gewenscht dat bij de uitvoering van het beslag hiermede rekening
wordt gehouden. Het exploitatie-recht van een geestesproduct is nu
eenmaal, juist wegens de persoonlijkheidsrechten, die er zoo nauw
mee zijn verbonden, niet geheel op eene lijn te stellen met andere
vermogensrechten, en het zijn wellicht de moeilijkheden die hieruit
voortspruiten, welke onze wetgever op het oog had, toen hij de absolute
onvatbaarheid voor beslag van het auteursrecht voorschreef. Met het
oog hierop kan het zijn nut hebben, hierbij nog een oogenblik stil te
staan en enkele opmerkingen te wijden aan de wijze, waarop aan deze
moeilijkheden zou kunnen worden tegemoet gekomen in verband met de
algemeene regeling van het beslag in onze wetgeving.

Hierbij moet onderscheiden worden tusschen de twee soorten van
gerechtelijk beslag, die ons recht kent: het beslag door een of
meer schuldeischers op bepaalde goederen gelegd (geregeld in het
Wetb. v. B. Rechtsv. artt. 439 sqq.); en het faillissement, waarbij
op het geheele vermogen ten behoeve van alle schuldeischers beslag
wordt gelegd (geregeld in de Faillissementswet). Beide soorten
van beslag hebben ten doel uit het vermogen van den schuldenaar de
vorderingen zijner schuldeischers te verhalen, en bij beide wordt dit
doel bereikt door eene gedwongen vervreemding der goederen, waarop
het beslag gericht is. Er bestaat echter verschil in de wijze waarop
deze realiseering der goederen tot stand komt.

Bij het individueele beslag schrijft de wet voor (artt. 463
sqq. B. Rv.), dat de goederen in het openbaar zullen worden verkocht en
aan den meestbiedende toegewezen (art. 469 Rv.). De toepassing dezer
bepaling op het auteursrecht zou m. i. niet geheel zonder bedenking
zijn, daar hier elke waarborg ontbreekt, dat de meestbiedende, wanneer
hem eenmaal het auteursrecht toebehoort, de persoonlijkheidsrechten
van den auteur zal ontzien. Wel moet natuurlijk worden aangenomen,
dat met het recht ook de daarmede verband houdende verplichtingen op
den nieuwen verkrijger overgaan, en dat deze in geen geval het recht
krijgt, om alles met het auteursproduct te doen wat hij wil. Neemt men
het bestaan van persoonlijkheidsrechten in den zin zooals ik het hier
heb gedaan aan, dan volgt daaruit, dat de auteur tegen elken inbreuk,
door wien ook gepleegd, in rechten kan optreden. Theoretisch maakt
het dus geen verschil, aan wien het auteursrecht wordt toegewezen;
in de practijk komt het er echter zeer veel op aan. De auteur zal
er niet zoo spoedig toe overgaan eene actie wegens inbreuk op het
persoonlijkheidsrecht in te stellen, vooral indien hij, zooals na een
beslag of faillissement wel steeds het geval zal zijn, in financieele
moeilijkheden zit; de uitkomst zal dikwijls zeer onzeker zijn en de
schadevergoeding, die hem in het gunstigste geval ten deel valt,
zal toch nooit de gevolgen van den inbreuk geheel kunnen te niet
doen. Het verdient daarom verre de voorkeur, waar dit maar eenigszins
mogelijk is, preventief tegen dergelijke inbreuken op te treden,
en dit zou ook bij de gerechtelijke verkoop van het auteursrecht
kunnen geschieden, indien het mogelijk was, toewijziging van het
auteursrecht te weigeren aan personen, in wier handen men het in dit
opzicht niet veilig acht. Zoo zal het b.v. niet kunnen geschieden,
dat een derderangs operette-gezelschap het uitsluitend exploitatierecht
van een ernstig en bij de uitvoering vele eischen stellend muziekdrama
krijgt, of een uitgever van prentbriefkaarten het reproductierecht
van een schilderij of teekening, wier karakter met zulk eene wijze
van verspreiding niet in overeenstemming is. Ook kan hierdoor worden
voorkomen, dat het auteursrecht wordt aangekocht met het doel alle
verdere exploitatie van het werk te verhinderen.

Indien men er hier toe overgaat beslag op auteursrecht in sommige
gevallen toe te laten, zal het derhalve wenschelijk zijn, dat bij de
uitvoering ervan van de bepalingen omtrent den gerechtelijken koop kan
worden afgeweken. De wijze waarop het auteursrecht te gelde gemaakt
moet worden, zou dan b.v. ter beslissing aan de Rechtbank kunnen worden
gelaten, indien schuldenaar en schuldeischer het daarover niet eens
kunnen worden.

Voor het geval van faillissement zou een dergelijke uitzondering op
den algemeenen regel m. i. niet noodig zijn. Aan den curator en den
rechter-commissaris wordt door de Faillissementswet voldoende vrijheid
van beweging gelaten, om de rechten en belangen, die hier op het spel
staan, behoorlijk te bewaken (men zie o. a. de bepaling van art. 174
F. W.), en men mag aannemen, dat hiervan in den regel een juist
gebruik zal worden gemaakt, waarbij dan natuurlijk zooveel mogelijk
met de wenschen van den faillieten auteur rekening zal worden gehouden.



III Het recht van den auteur dat zijn werk in ongeschonden staat
wordt publiek gemaakt

Niet alleen dat zijn werk zonder zijne toestemming niet openbaar
mag worden gemaakt is voor den auteur van groot belang, doch ook
dat de openbaarmaking, wanneer hij daartoe eenmaal besloten heeft,
zóó geschiede, dat zijn werk daardoor niet gewijzigd of verminkt
aan het oordeel van het publiek wordt blootgesteld. Dat ook in
dit opzicht eene krenking der persoonlijkheid mogelijk is, zal na
het voorgaande gemakkelijk zijn in te zien. De bescherming tegen
ongewenschte openbaarmaking zou maar weinig baten, indien de auteur,
na eenmaal zijne toestemming tot de publicatie te hebben gegeven,
lijdelijk moest toezien, dat aan zijn werk wijzigingen, afkortingen
of toevoegsels werden aangebracht, waardoor het geheel van aanzien
verandert; zijn streven, om alleen voldragen werk, waarover hijzelf
volkomen tevreden is, het licht te doen zien, zou in dat geval veelal
zonder gevolg blijven: want het publiek vormt natuurlijk zijn oordeel
naar het werk, niet zooals de auteur het heeft afgeleverd, maar zooals
de exploitanten het gelieven te publiceeren.

Het is dan ook een in de laatste jaren vrijwel algemeen aangenomen
beginsel, dat den auteur het recht toekomt--ook als het uitsluitend
reproductie-recht in andere handen is of in 't geheel niet bestaat--om
zich er in rechte tegen te verzetten, dat zijn werk zonder zijne
toestemming met wijzigingen, afkortingen of toevoegsels aan het
publiek wordt voorgezet.

In Frankrijk zijn herhaaldelijk beslissingen gewezen, waaruit de
erkenning van dit recht blijkt. Zoo werd b.v. aangenomen dat een
schilder er zich tegen kan verzetten, dat door degeen aan wien hij
het auteursrecht had overgedragen reproducties van zijn schilderij
in den handel werden gebracht waarbij de achtergrond was gewijzigd
[494]; evenzoo de teekenaar voor een geïllustreerd tijdschrift, wiens
teekeningen met onderschriften met veranderingen werden weergegeven
[495].

In een ander geval was van een schilderij in een der Rijksmusea,
voorstellende de Heilige Maagd, eene reproductie op email gemaakt,
alleen van het hoofd. De Seine-Rechtbank overwoog o.a. dat gedaagde "en
faisant reproduire sur émail la tête seule de la Vierge consolatrice
qu'il a mise en vente chez Ferrand, a dépassé les limites de son droit;
qu'il a en effet, isolé la tête de la vierge de l'ensemble de l'oeuvre
de Bouguereau; que, par suite de cette séparation, qui ne permet plus
de comprendre l'attitude ni l'expression qu'explique d'une manière
complète le reste du tableau représentant une mère affligée pleurant
la mort de son enfant, la pensée de l'auteur se trouve complètement
dénaturée, qu'elle devient absolument incompréhensible pour celui
qui n'aura sous les yeux que la reproduction partielle effectuée sur
l'émail saisi." En verder dat de auteur, ook als het reproductierecht
niet meer bestaat: "peut exiger que sa pensée et son oeuvre qui
n'en est que la traduction ne soient pas altérées; qu'elles soient
reproduites comme il les a lui-même enfantées; qu'il a, en dehors de
tout avantage matériel auquel il a renoncé, le droit de sauvegarder sa
réputation artistique et qu'il est fondé à réclamer la réparation du
préjudice à lui causé par toute atteinte qui y est portée ..." [496].

De Seine-Rechtbank veroordeelde voorts 18 Febr. 1902 tot betaling van
vijfhonderd francs schadevergoeding iemand die een tijdschriftartikel,
dat zonder voorbehoud van auteursrecht was verschenen en derhalve
nagedrukt mocht worden, zoodanig gewijzigd had overgenomen, dat
de denkbeelden van den oorspronkelijken auteur daarin onjuist
en onvolledig waren weergegeven [497]. Vier jaar later werd door
hetzelfde college aan iemand, die het uitsluitend vertalingsrecht
van een Engelsch werk in Frankrijk had verkregen, duizend francs
schadevergoeding opgelegd omdat hij bij de uitgave der Fransche
vertaling zonder toestemming des auteurs een nieuw hoofdstuk van
eigen maaksel aan het werk had toegevoegd [498].

Ook zijn mij eenige Fransche beslissingen bekend, die niet het geval
betroffen dat wijzigingen in het werk waren aangebracht, maar waar
de auteur zich beklaagde, dat zijn werk was weergegeven door middel
van een procédé, waarvoor het niet was berekend. Een beeldhouwer had
het reproductierecht van een buste vervreemd zonder eenige voorwaarde
daarbij te maken. Het beeld werd eerst, zooals de bedoeling van den
auteur was, in marmer uitgevoerd, doch later zonder zijne toestemming
ook in brons. De Seine-Rechtbank verklaarde dit laatste voor
onrechtmatig [499]. In een analoog geval, dat zich enkele jaren later
voordeed (hier gold het beeldhouwwerk, waarvan het reproductierecht
aan een fabrikant van bronzen verlichtings-artikelen was overgedragen,
die enkele ervan ook in marmer had laten reproduceeren), werd de eisch,
voorzoover deze het aangewende reproductie-middel betrof, afgewezen, op
grond dat de reproductie in marmer, waartegen de auteur zich verzette,
het origineel volkomen zuiver weergaf. Ook het feit, dat de naar het
origineel vervaardigde bronzen beelden als lampen ingericht in den
handel werden gebracht, leverde volgens de Seine-Rechtbank geen inbreuk
op het recht des auteurs op, omdat degeen aan wien het reproductierecht
was overgedragen, als fabrikant van dergelijke artikelen bekend stond
en de auteur dus geacht kon worden met deze wijze van exploitatie
genoegen te hebben genomen. Doch bovendien was bij de reproductie
van een dezer beelden eenigszins van het origineel afgeweken en de
naam, dien de auteur er aan had gegeven ("Gloria") was zonder zijne
toestemming vervangen door een anderen ("la Renommée"); op deze beide
punten werd de auteur ontvankelijk verklaard in zijn eisch [500].

De genoemde voorbeelden hebben eenig denkbeeld kunnen geven van
de verschillende vormen, waarin krenking van het hier behandelde
recht plaats kan hebben [501] en van de wijze, waarop daartegen in
Frankrijk, waar geen speciale wetsbepalingen op dit punt bestaan, recht
wordt verschaft. Of eene dergelijke op het gemeene recht berustende
bescherming met hetzelfde succes voor den Nederlandschen rechter zou
kunnen worden ingeroepen, staat nog te bezien; alles hangt hier weer
af van de uitlegging van het woord "onrechtmatige daad" in art. 1401
B. W. Het ware daarom misschien gewenscht, om in dezen het voorbeeld
te volgen, door de meeste moderne wetten op het auteursrecht gegeven,
waarin den auteur het bedoelde recht uitdrukkelijk wordt toegekend
[502].



IV Het recht met betrekking tot den auteursnaam

De vraag, in hoeverre een recht bestaat op den naam, is met betrekking
tot het auteursrecht in verschillende opzichten van belang. Ik zal
mij er hier toe bepalen te onderzoeken, hoever het recht van den
auteur gaat, om anderen te verbieden, zijn naam aan hunne werken te
verbinden of om te eischen, dat zijn werk niet zonder zijn naam of
onder een anderen naam gepubliceerd wordt.

Dit vraagstuk heeft veel overeenkomst met dat van het gebruik van
den handels- of firma-naam. De naam strekt in beide gevallen niet
zoozeer ter onderscheiding van de personen, dan wel ter aanduiding
van de herkomst der producten. Niet minder dan voor den handelaar en
den fabrikant is het voor den schrijver en kunstenaar van belang, dat
hunne producten niet met die van anderen verwisseld kunnen worden;
de band tusschen producent en product is bij de laatsten in het
algemeen nog veel nauwer; dit komt door het persoonlijke, hetwelk het
kenmerk van elk kunstwerk is: een kunstenaar legt meer van zichzelf
in zijn werk, is meer één met zijn werk dan b.v. een vervaardiger van
naaimachines of een handelaar in wijn. En evenals voor producten van de
laatstgenoemde soort,--in het algemeen: voor alle handelswaren--geldt
voor werken van kunst en letterkunde, dat het publiek er belang bij
heeft omtrent hunne herkomst juist te worden ingelicht: wie een
schilderij valschelijk voorziet van den naam Jozef Israëls maakt
niet alleen inbreuk op het persoonlijkheidsrecht van den schilder,
maar maakt zich tevens schuldig aan misleiding van het publiek.

Bescherming van den auteursnaam heeft dus geen mindere reden van
bestaan dan de, door onze jurisprudentie dikwijls verleende [503],
bescherming van den handelsnaam. De beginselen waarop beide berusten,
zijn ook grootendeels dezelfde.

Vooropgesteld moet worden dat een uitsluitend recht op den naam in
dien zin, dat men elke gebruikmaking ervan, tot welk doeleinde ook,
zou kunnen tegengaan, niet alleen onnoodig en ongewenscht, maar zelfs
onbestaanbaar is te achten. Dit is door verschillende schrijvers ten
aanzien van den burgerlijken naam in het maatschappelijk verkeer en
ten aanzien van den handelsnaam reeds voldoende aangetoond, en geldt
ook voor den auteursnaam [504].

De naam is niet een goed, dat afgescheiden van den drager bestaat
en object van een recht kan zijn; hij is niets anders dan een
onderscheidingsteeken, een middel om den eenen persoon van den anderen,
en zijne uitingen van die van anderen, te onderscheiden [505]. Daarom
is niet elk gebruik van den naam, maar slechts een zoodanig gebruik,
waardoor verwarring mogelijk wordt gemaakt, een inbreuk op het
persoonlijkheidsrecht. Dit beginsel wordt o. a. ook door de Fransche
jurisprudentie gevolgd, hoewel daarin steeds wordt gesproken van
"eigendom op den naam." De Seine-Rechtbank wees b.v. een eisch af, die
strekte om aan twee schrijvers, die onder het pseudoniem "J. R. Rosny"
artikelen publiceerden, dit te beletten, omdat de eischer, Léon de
Rosny, het uitsluitend recht op dien naam zou hebben. Wel werd erkend
"... qu'en principe, une revendication de cette nature est légitime,
et qu'un tiers ne peut s'approprier le nom d'autrui,..." doch slechts
onder voorwaarde "... que cette usurpation aura eu pour résultat de
créer une confusion qui serait, soit moralement, soit matériellement,
préjudiciable au propriétaire du nom" [506]. Dat mogelijke verwarring
in dit geval uitgesloten was, werd o. a. hiermede gemotiveerd, dat
de geschriften van Léon de Rosny van zuiver wetenschappelijken aard
waren, terwijl de artikelen welke onder het pseudoniem J. H. Rosny
verschenen, een meer "litterair" karakter hadden. Dit vonnis werd
bekrachtigd door het Hof van Appèl te Parijs, waarin o. m. wordt
overwogen: "que la confusion entre "Léon de Rosny" et "J. H. Rosny"
ne s'est pas produite dans le monde des sciences et des lettres" [507].

In eene zaak, die volkomen aan de bovengenoemde gelijk was, alleen met
dit verschil, dat hier eischer en gedaagde zich met hunne geschriften
wel op hetzelfde gebied bewogen, werd de eisch toegewezen, o.a. op
dezen grond; dat: "... les demandeurs ont intérêt à revendiquer le
droit à la propriété exclusive de leur nom, ne fût-ce que pour éviter
la confusion qui pourrait naître de la création de travaux similaires"
[508].

Waar het dus voornamelijk op aankomt, is dat er geen verwisseling
mogelijk worde gemaakt, zoodat iemand een werk wordt toegeschreven
dat niet van hem is, of omgekeerd dat van een werk dat wél het
zijne is, een ander als auteur wordt aangemerkt. Of dit geschiedt
door gebruikmaking van den waren naam van een auteur of van den
schuilnaam, waaronder hij gewoon is te publiceeren, maakt geen
verschil. Het kiezen van een "nom de plume" is eene gewoonte, die zoo
lang reeds in zwang is en zoo algemeen doorgedrongen, dat daartegen
geen bezwaar kan bestaan. Niemand zal daarin eene misleiding van
het publiek zien. Trouwens ook in het handelsverkeer treft men iets
soortgelijks aan: de naam waaronder iemand handelt is dikwijls een
andere dan die waaronder de persoon bij den burgerlijken stand
staat ingeschreven. Neemt men dus aan, dat het een schrijver of
kunstenaar vrijstaat zich een naam te kiezen, waaronder hij zijne
werken publiceert, dan bestaat er geen reden om dien gekozen naam
niet geheel op dezelfde wijze te behandelen als den gewonen (familie-)
naam. Immers de rol, die beide in het verkeer vervullen, is volkomen
dezelfde; ook de schuilnaam dient om de werken van een bepaalden
(al of niet bij het publiek onder zijn werkelijken naam bekenden)
auteur van die van anderen te onderscheiden. Hoe de auteur in het
dagelijksch leven heet, is hierbij onverschillig; het is zooals Kohler
het eigenaardig uitdrukt: "der Autor kann als unbekanntes X gelten;
aber es musz eben dieses X als der Träger schriftstellerischer Werke
von den übrigen Schriftstellern unterschieden werden; es ist ein
Versteckspiel, ein Maskenspiel, wobei die eine Maske von allen anderen
unterschieden bleiben soll und das Recht hat, unterschieden zu bleiben"
[509].

De auteur heeft niet alleen het recht te verhinderen, dat werken van
een ander met zijn naam worden getooid; hij moet er zich ook tegen
kunnen verzetten, dat zijne eigen werken zonder zijn naam of onder
een anderen naam voor het publiek worden gebracht. Hierbij is het
beginsel te volgen, waarvoor, zooals hierboven vermeld werd, o.a. de
Association ijvert, dat nl. de auteur recht heeft op erkenning van
zijn auteurschap.

Eene toepassing van dit beginsel vindt men in de meeste wetten in
verband met de bepalingen op het aanhalen van andere schrijvers
en het overnemen van artikelen uit dagbladen. Deze aanhalingen en
overnemingen zijn geoorloofd, mits de bron daarbij wordt genoemd. Ook
in Frankrijk, waar de wet hierover zwijgt, wordt deze verplichting
door de jurisprudentie aangenomen [510].

In onze wet (art. 7 tweede lid) wordt alleen het noemen van de bron
voorgeschreven bij het overnemen van berichten of opstellen uit dag-
en weekbladen; m. i. bestaat er geen reden, waarom dit bij aanhalingen
uit andere werken, waarover het eerste lid van het artikel handelt,
niet eveneens zou behoeven te geschieden. De Duitsche wet is in dit
opzicht veel beter; daar wordt het noemen van de bron verplichtend
gesteld bij elk geoorloofd (d.i. niet op het auteursrecht inbreuk
makend) gebruik, dat van eens anders werk wordt gemaakt (§ 25); wie
tegen dit verbod handelt, maakt zich, afgezien natuurlijk van zijne
civielrechtelijke aansprakelijkheid, schuldig aan eene overtreding,
waarop eene boete van hoogstens honderd vijftig mark staat (§ 44).

Deze regeling schijnt mij in alle opzichten navolging te verdienen.

Wat de bepaling van onze wet betreft wil ik er nog op wijzen, dat men
hier een voorbeeld heeft van een door de wet toegekend recht, dat niet
als een uitvloeisel van het auteursrecht is te verklaren. Het noemen
van de bron komt alleen te pas bij het overnemen van berichten of
opstellen, waarvan het auteursrecht niet uitdrukkelijk is voorbehouden,
waarop dus geen auteursrecht bestaat. Toch kan de auteur eischen,
dat zijn naam of die van zijn dagblad worde genoemd. Hier wordt dus
ook in onze wet het persoonlijkheidsrecht als een zelfstandig recht
erkend, dat standhoudt, ook als het auteursrecht teniet is gegaan.

Een andere toepassing van het beginsel, dat de auteur recht heeft op
de erkenning van zijn auteurschap, kan men vinden in de bepalingen,
die gericht zijn tegen de vervalsching van auteursnamen op schilderijen
en andere werken van beeldende kunst.

In de meeste landen is het opzettelijk misbruik maken of vervalschen
van auteursnamen strafbaar gesteld. Deze strafbepalingen strekken
echter niet uitsluitend tot bescherming van de rechten der auteurs,
doch tevens tot bescherming van het publiek, dat van dergelijke
bedriegelijke handelingen het slachtoffer kan worden. Het stellen van
een valschen auteursnaam op een schilderij b.v. kan, behalve inbreuk
op het persoonlijkheidsrecht van den schilder, ook zijn een middel om
bedrog te plegen, indien n.l. deze vervalsching, wat wel meestal het
geval zal zijn, is geschied met het doel het schilderij voor een echt
stuk van den meester, wiens naam het draagt, te laten doorgaan en er
op deze wijze den kooper meer voor te laten betalen dan het waard is.

In de Belgische wet op het auteursrecht (art. 25) wordt b.v. strafbaar
gesteld: "... l'application méchante ou frauduleuse sur un objet d'art,
un ouvrage de littérature ou de musique, du nom d'un auteur, ou de
tout signe distinctif adopté par lui pour désigner son oeuvre." Ook
is strafbaar het verkoopen, ten verkoop uitstallen, in een magazijn
in voorraad hebben of binnen België invoeren van werken waarvan men
weet, dat zij van een valschen naam of een valsch merk zijn voorzien
(art. 25 3de lid).

In Frankrijk bevat eene afzonderlijke wet van 9 Febr. 1895 (Loi sur
les fraudes en matière artistique) vrijwel gelijkluidende bepalingen.

Het is duidelijk, dat de handelingen, waartegen deze bepalingen zijn
gericht, hare strafwaardigheid grootendeels ontleenen aan het feit, dat
zij met bedrog in verband staan of tot het plegen van bedrog aanleiding
kunnen geven. Toch heeft men met deze bepalingen voornamelijk bedoeld
eene strafrechtelijke bescherming van de rechten der auteurs. Dit
blijkt o.a. voor de Belgische bepaling hieruit, dat zij in de wet
op het auteursrecht is opgenomen; wat de Fransche wet betreft,
is deze bedoeling door de voorstellers duidelijk uitgesproken; men
ging zelfs zoover van te beweren, dat er geen strafbaar feit in den
zin van deze wet kon worden gepleegd, wanneer het auteursrecht een
einde had genomen, en op dien grond werd ook de bepaling van art. 4
dezer wet verdedigd, volgens welk artikel de wet alleen toepasselijk
is op werken, waarop nog auteursrecht bestaat [511]. Deze laatste
bepaling heeft het (zeker niet door de voorstellers gewilde) gevolg,
dat nu een auteur zich niet op deze wet zal kunnen beroepen, indien
men zijn naam op een oud schilderij heeft gezet [512].

Het is m.i. wenschelijk, dat hier goed worde onderscheiden tusschen de
tweeërlei belangen, ter bescherming waarvan dergelijke strafbepalingen
moeten dienen. Wenscht men alleen vervalsching of verwisseling van
den auteursnaam strafbaar te stellen, voor zoover daarin is te zien
een inbreuk op het persoonlijkheidsrecht van den auteur, dan dient in
de eerste plaats vast te staan, hoe lang dit recht na den dood van
den auteur ten behoeve zijner erfgenamen voortduurt. De bedoeling
van den Franschen wetgever, die in het bovengenoemd artikel 4 van
de wet van 1895 onhandig tot uitdrukking is gekomen, is duidelijk:
het recht met betrekking tot den auteursnaam duurt even lang als
het auteursrecht. In de Belgische bepaling wordt alleen gesproken
van vervalschingen enz. met den naam "van een auteur". Verstaat men
hieronder ieder auteur, dus ook b.v. een schrijver of kunstenaar, die
tweehonderd jaar geleden heeft geleefd, dan is hiermede tevens gezegd,
dat de strafbare handelingen, die in het artikel worden omschreven,
niet behoeven te zijn gericht tegen rechten van bijzondere personen,
niemand zal immers willen beweren, dat er ten behoeve van bijzondere
personen nog een recht kan bestaan b.v. ten aanzien van den naam
Rembrandt. Indien dus het artikel alleen strafbaar stelt inbreuk op
een subjectief recht, dan zal het begrip "auteur" hier enger dienen
te worden opgevat en het meest rationeele is dan zeker om er onder
te verstaan: een auteur, die ook overigens van de bescherming der
wet kan genieten. Op deze wijze komen wij dus ook tot de slotsom,
dat het persoonlijkheidsrecht even lang duurt als het auteursrecht.

Welke van deze twee uitleggingen van het artikel de juiste is, wil
ik in het midden laten en doet hier ook minder ter zake. Ik heb het
hier slechts als voorbeeld genoemd, om op de moeilijkheden te wijzen,
die aan het formuleeren van strafbepalingen als de hier bedoelde
zijn verbonden, indien niet uitdrukkelijk in de wet is omschreven
hoever het recht van den auteur op eerbiediging van den auteursnaam
gaat en hoelang het na zijn dood ten behoeve zijner erfgenamen
standhoudt. Dat de termijnen, welke voor het auteursrecht gelden, in
het algemeen voor de persoonlijkheidsrechten te lang moeten worden
geacht, heb ik hierboven reeds opgemerkt; ook ten aanzien van het
recht op eerbiediging van den auteursnaam zou het wenschelijk zijn,
eene wetsbepaling te hebben, welke een vasten termijn van niet te
langen duur na het overlijden van den auteur voorschreef [513].

Doch het behoeft geen betoog, dat na afloop van dezen termijn
het bedriegelijk gebruik maken van den auteursnaam nog niet
straffeloos behoort te kunnen geschieden. Daarbij is dan echter geen
subjectief recht van den auteur meer betrokken; eerbiediging van de
persoonlijkheid des auteurs heeft dan opgehouden een rechtsbelang te
zijn, ter beveiliging waarvan eene strafbepaling noodzakelijk is.

Hebben wij in dit geval dus te doen met handelingen, die wel
als bedrog strafbaar zijn, maar die geen inbreuk maken op het
persoonlijkheidsrecht van den auteur; ook het omgekeerde is mogelijk:
dat nl. inbreuk op het persoonlijkheidsrecht wordt gemaakt, zonder
dat daarbij het plegen van bedrog in het spel is. Dit laatste zal
echter wel zeer zelden voorkomen; het motief bij het wijzigen of
weglaten van den auteursnaam op een werk zal wel meestal zijn,
den onwaren naam voor echt te laten doorgaan om op deze wijze voor
zich of voor anderen een vermogensvoordeel te behalen. Opzettelijke
inbreuk op het recht van den auteur ten aanzien van den auteursnaam
uit een ander motief, b.v. uit lust om den auteur in zijne reputatie
te schaden, of om zichzelf als auteur van een werk van een ander te
laten aanmerken, is weliswaar niet geheel uitgesloten, maar daarvoor is
toch m. i. geene afzonderlijke strafbepaling noodig, vooral indien men
ten aanzien der bedriegelijke handelingen zulke volledige bepalingen
heeft als de boven besproken Belgische en Fransche.

Onze strafwet is op dit punt niet zoo volledig. De bepalingen welke
hierop betrekking hebben zijn te vinden in art. 337. Dit artikel
stelt o. m. strafbaar het opzettelijk invoeren, verkoopen, te koop
aanbieden, afleveren, uitdeelen of ten verkoop of ter uitdeeling in
voorraad hebben van waren, voorzien van den naam of het merk waarop een
ander recht heeft. Onder "waren" zijn volgens de M. v. T. [514] alle
roerende goederen begrepen, dus ook boeken, platen, schilderijen enz.

Het opzettelijk voorzien van waren van een valschen naam of een
valsch merk is hier dus niet, zooals in Frankrijk en België,
strafbaar gesteld; het kan echter naar gelang van omstandigheden
medeplichtigheid zijn aan de door de wet strafbaar gestelde handelingen
[515]. Hoofdzaak is, volgens de M. v. T.: "het bedrog, gepleegd door
het in den handel brengen en verder verhandelen van met een valsch
certificaat van oorsprong gemerkte goederen". Hiermede is echter niet
in overeenstemming het vereischte, dat een ander op den naam of het
merk waarvan misbruik gemaakt wordt, recht moet hebben, m. a. w. dat
een subjectief recht moet zijn geschonden. Ook zonder dat dit het
geval is kan, zooals ik hierboven al heb opgemerkt, bedrog worden
gepleegd. Overigens heeft deze verwijzing naar een recht, waarvan
de omvang en in het bijzonder de tijdsduur niet wettelijk vaststaat,
de bezwaren, waarop reeds is gewezen.

Het Ontw. B. K. bevat nog eene bijzondere strafbepaling betrekking
hebbend op den auteursnaam in art. 18. Daarin wordt strafbaar gesteld
overtreding van het verbod, vervat in art. 3b tweede zinsnede van
het Ontwerp, nl. het namaken van den naam of het naamteeken of
eenig ander merkteeken van den oorspronkelijken vervaardiger van
een kunstwerk op eene daarvan gemaakte copie. Bedriegelijk oogmerk
of opzet wordt hierbij niet gevorderd. De namaak is ook strafbaar,
indien de copie aan niemand wordt vertoond. In dit geval kan men
m. i. in deze handeling geen inbreuk op het persoonlijkheidsrecht van
den auteur zien; hoogstens bestaat er gevaar, dat men vroeg of laat
deze copie voor een origineel werk van den schilder zal aanzien. Doch
juist omdat dit gevaar voor verwisseling bij copieën zoo groot is,
schijnt mij deze strafbepaling wel gerechtvaardigd.



V Recht van den afgebeelden persoon

In het voorgaande was alleen sprake van rechten die den auteur, al
of niet in vereeniging met het auteursrecht toekomen. Van zijn kant
heeft echter ook de auteur met rechten van andere personen rekening
te houden, waarmede hij bij de uitoefening van het auteursrecht in
botsing kan komen.

Dit is in het bijzonder het geval bij portretten. Vrij algemeen wordt
aangenomen, dat iemands beeltenis niet zonder zijne uitdrukkelijke of
stilzwijgende toestemming mag worden gepubliceerd. Sommigen spreken
zelfs in dit verband van een eigendom op de gelaatstrekken, van
een Recht am eigenen Bilde. Dit schijnt mij, zooals hieronder nog
zal worden aangetoond, minder juist toe; wat echter wel kan worden
toegegeven, is dat er gevallen zijn, waarin de afgebeelde persoon
het recht moet hebben, de publicatie van zijne beeltenis te verbieden.

Daar waar dit recht door wettelijke bepalingen is erkend, vindt men
deze meestal in de wet op het auteursrecht; het nauwe verband dat
tusschen beide rechten bestaat, springt dan ook in het oog. Beide
toch hebben de strekking, de reproductie en verspreiding aan één
persoon voor te behouden; aan den eenen kant staat het recht van den
auteur-portrettist, dat hier evenveel reden van bestaan heeft als bij
andere kunstwerken, aan den anderen kant dat van den geportretteerde.

Op verschillende wijzen heeft men de moeilijkheid, die hieruit
voortspruit, trachten op te lossen. Volgens de vroegere Duitsche wet op
het auteursrecht van werken van beeldende kunst (van 9 Januari 1876)
en die tot bescherming der photographieën (van 10 Januari 1876) ging
het auteursrecht van portretten en busten van rechtswege over op den
besteller. Deze bepalingen werden door Kohler [516] verklaard, door den
auteur als handelende in naam van den geportretteerde voor te stellen,
zoodat het auteursrecht ten behoeve van dezen gevestigd wordt. Doch
zoowel de bepaling zelf als de daaraan gegeven constructie komen mij
verwerpelijk voor. Het moge waar zijn, dat ik bij het laten maken van
mijn portret "dem Maler das Internum meiner Person in Gestalt der ihm
stundenlang zugekehrten Gesichtszüge darbiete", dit geeft m. i. nog
geen grond om mij in de rechten van den auteur te laten treden,
waaronder dan b.v. ook valt het genieten van de materieele voordeelen,
die de exploitatie zijner schepping kan opleveren. De rechten van
den geportretteerde worden op deze wijze onnoodig en onredelijk ten
koste van die des auteurs op den voorgrond geschoven. Een practisch
bezwaar van dit stelsel is ook, dat de duur der bescherming niet
in overeenstemming is met het doel, waarvoor zij dient. Volgens de
bovengenoemde Duitsche wetten duurde het auteursrecht voor werken
van beeldende kunst dertig jaar na den dood des auteurs en dat voor
photographieën vijf jaar na het verschijnen of vervaardigen; de
reproductie van iemands gelaatstrekken naar eene schilderij konden
dus zijne erfgenamen nog dertig jaren na zijn dood verhinderen,
terwijl een photographisch portret reeds na vijf jaar straffeloos
verveelvoudigd en verspreid kon worden. Doch het is duidelijk dat de
duur van het hier bedoelde recht van den geportretteerde onafhankelijk
dient te zijn van de wijze, waarop de afbeelding is tot stand gekomen.

Het verdient dus aanbeveling, ook hier het persoonlijkheidsrecht
van het auteursrecht goed te onderscheiden; acht men het noodig den
geportretteerde bij de wet een recht toe te kennen, dan dient dit
afzonderlijk te worden omschreven, opdat het zoowel wat strekking
als wat tijdsduur betreft in de grenzen worde gehouden, die door het
beginsel, waarop deze bescherming berust, worden aangegeven.

In de wetten op het auteursrecht van den lateren tijd komt deze
samensmelting van auteursrecht en persoonlijkheidsrecht dan ook niet
meer voor. De Belgische wet bijvoorbeeld heeft de bepaling (artikel 20)
dat noch de auteur, noch de eigenaar van het portret het recht hebben,
dit te reproduceeren of openlijk ten toon te stellen zonder toestemming
van den persoon, dien het voorstelt, of die zijner rechtverkrijgenden
tot twintig jaar na zijn overlijden. Het auteursrecht blijft dus aan
den auteur; deze laatste wordt slechts in de uitoefening van zijn
recht beperkt door het recht van den persoon, dien hij heeft afgebeeld.

Ook in de nieuwe Duitsche wet op het auteursrecht van werken
van beeldende kunst en photographieën (van 9 Januari 1907) is dit
beginsel in hoofdzaak gevolgd. Het recht van den afgebeelden persoon
om verspreiding of tentoonstelling van zijn portret tegen te gaan
wordt hem, behoudens in enkele door de wet genoemde gevallen,
gedurende zijn leven toegekend en blijft nog ten behoeve zijner
naaste verwanten tien jaar na het overlijden voortduren (§§ 18, 22,
23 en 24). Ook hier hebben wij dus met een afzonderlijk, wel van het
auteursrecht te onderscheiden, recht te doen.

In landen waar de wet dit recht niet uitdrukkelijk verleent, vindt
men het toch vaak door de jurisprudentie erkend. In Frankrijk is
herhaalde malen door den rechter uitgemaakt, dat ieder het recht
toekomt, zich tegen de publicatie van zijn portret te verzetten,
ook al geschiedt dit zonder kwaadwillige bedoelingen [517]. Ook na
den dood blijft het voor de bloedverwanten bestaan [518].

Hoe staat het met dit recht hier te lande? Wetsbepalingen ontbreken
op dit stuk en ook het Ontw. B. K. zwijgt erover. Ook hier zou dus
art. 1401 B. W. de eenige bepaling zijn, waarop deze bescherming zou
kunnen worden gesteund. Het behoeft echter nauwelijks te worden gezegd,
dat zoolang de ruime opvatting van de woorden "onrechtmatige daad"
en "schade", welke in dit artikel gebezigd worden, nog niet algemeen
wordt gedeeld, de bedoelde bescherming nog op zeer losse schroeven
staat. Om die reden ware wellicht eene opzettelijke regeling van dit
vraagstuk in het tot wet te verheffen Ontw. B. K. niet ongeraden.

Het is m. i. niet wenschelijk, dat men daarbij deze bescherming
zoover uitstrekke als in Duitschland, Frankrijk en België wordt
gedaan, waar--behoudens dan enkele uitzonderingen--een uitsluitend
beschikkingsrecht van ieder op zijne gelaatstrekken wordt erkend. Eene
uitspraak als de volgende, afkomstig van den Turijnschen hoogleeraar
Amar en door Rosmini aangehaald: "ieder mensch heeft een vol
eigendomsrecht op zichzelf, bij gevolg heeft hij het ook op zijne
beeltenis ... enz."--komt mij onjuist voor. Evenmin als op den
naam, is een uitsluitend recht op de gelaatstrekken gewenscht
of zelfs maar mogelijk. Niet door elke gebruikmaking van iemands
afbeelding wordt zijn persoonlijkheidsrecht gekrenkt. Zoo kan men
m. i. moeilijk aannemen, dat dit het geval is, wanneer een portret
wordt gereproduceerd, waarvan reeds vele exemplaren met toestemming
van den afgebeelden persoon in omloop zijn [519]. Slechts dan moet
men zich tegen reproductie of tentoonstelling kunnen verzetten,
wanneer deze plaats heeft onder omstandigheden of in eene omgeving,
welke met de ongereptheid of waardigheid van den afgebeelden persoon
niet in overeenstemming zijn. Als voorbeelden hiervan noemt Kohler
[520] b.v. het zetten van het portret eener dame op een doosje met
was-lucifers en het beschilderen van een bierpul met de gelaatstrekken
van een professor. Ook acht hij het onrechtmatig: "wenn etwa eine
Beleibte Dame als Reklamebild für ein kräftiges Nahrungsmittel
verwendet wird" [521].

Indien de verspreiding of tentoonstelling tevens de kenmerken
draagt van beleediging, kan zij natuurlijk als zoodanig ook onder de
termen der strafwet vallen. Hierbij dient te worden opgemerkt dat ons
Wetboek van Strafrecht (artt. 261 en 266) beleediging door middel van
afbeeldingen alleen kent in den vorm van smaadschrift (telastlegging
van een bepaald feit); eenvoudige beleediging door middel van
afbeeldingen gepleegd is hier te lande dus niet strafbaar. Op de
wenschelijkheid om deze leemte in ons Straf-wetboek aan te vullen,
werd reeds door enkele schrijvers gewezen [522].

Afgezien van het boven behandelde persoonlijkheidsrecht zal het
in vele gevallen nog op andere wijze mogelijk zijn de reproductie
van zijn portret te beletten, wanneer nl. hij die het portret heeft
vervaardigd contractueel verbonden is er geen exemplaren van in omloop
te brengen. Dit zal bijna altijd het geval zijn bij op bestelling
gemaakte photographische portretten. Wanneer men bij een photograaf
zijn portret laat maken, behoudt deze weliswaar in den regel het
negatieve cliché, doch men kan aannemen dat het in de bedoeling
van partijen heeft gelegen, dat behalve de bestelde exemplaren
geen andere afdrukken worden gemaakt en in den handel gebracht. De
gebruiken zijn vrijwel overal zoo, dat de overeenkomst in dezen zin
moet worden uitgelegd, tenzij het tegendeel uitdrukkelijk is bedongen
of op andere wijze blijkt, dat partijen van den gewonen regel hebben
willen afwijken. Dit laatste kan b.v. het geval zijn, wanneer voor de
levering der portretten niets in rekening is gebracht of wanneer de
prijs volgens het zoogenaamde "artiesten-tarief" is berekend. Eene
afzonderlijke wettelijke regeling hiervan, zooals men in sommige
landen aantreft, komt mij echter overbodig voor.

Op soortgelijke wijze als bij portretten het geval is, kan het
auteursrecht nog met andere rechten in botsing komen. Zoo leidt
het door sommigen erkende recht op den naam ertoe, dat ieder zich
kunne verzetten tegen de uitgave of vertooning van een roman of
tooneelstuk, indien zijn naam aan een der daarin optredende personen
is verleend. Dit recht is herhaaldelijk door buitenlandsche rechters,
met name in Frankrijk, erkend [523]; hetgeen zelfs een Fransch
schrijver er eens toe geleid heeft de personen in een zijner stukken
uitsluitend naar geguillotineerden te noemen! [524] Eveneens hebben
schrijvers er zich volgens sommigen van te onthouden, voorvallen
uit het particuliere leven van bestaande personen in hunne werken te
pas te brengen of zoodanige beschrijvingen en karakterteekeningen te
leveren, dat uit de helden van roman of tooneelstuk personen uit de
omgeving van den schrijver kunnen worden herkend. Hoever in al deze
gevallen de bescherming der persoonlijkheid dient te gaan, zal ik
hier niet verder trachten te onderzoeken [525]. Nog minder dan de
rechten der geportretteerden leent zich deze materie voor speciale
wettelijke regeling; in ieder geval zou een wet op het auteursrecht
hiervoor m. i. niet de plaats zijn.



HOOFDSTUK VII

INTERNATIONAAL AUTEURSRECHT


§ 1 Algemeene opmerkingen

Zooals op bijna elk gebied van het privaatrecht brengt ook voor het
auteursrecht het drukke en steeds toenemende verkeer tusschen de
verschillende volkeren zijne eigenaardige moeilijkheden mede. Doch
bestaan op andere punten van internationaal privaatrecht deze
moeilijkheden voornamelijk hierin, dat een antwoord moet worden
gevonden op de vraag, welk recht in elk geval moet worden toegepast;
ten opzichte van het auteursrecht dient men eerst eene andere
vraag te stellen, nl. óf de vreemdeling zich wel op eenig recht kan
beroepen. Geldt het een recht op een lichamelijke zaak, dan kan er
strijd bestaan over de vraag, of de wet van het land, waartoe de
rechthebbende behoort, dan wel die van het land waar het goed zich
bevindt of die van het land, waar de zaak voor den rechter wordt
gebracht moet worden toegepast; doch hoe de uitkomst hiervan ook zij,
nergens, in geen enkelen beschaafden staat, zal volkomen rechteloosheid
ten opzichte van zulk een goed blijken te heerschen. Anders is het
gesteld met immaterieele goederen. De bescherming der auteurs berust
op bijzondere wetten, die, behoudens enkele uitzonderingen, alleen
op inlandsche werken toepasselijk zijn. Naast deze wetten wordt geen
ander auteursrecht erkend tenzij dit bij tractaat zij bedongen.

Wij hebben hier dus met een abnormalen toestand te doen, waarvan
het bedenkelijke zelfs wordt ingezien door een beslist tegenstander
van alle auteursrecht als Mr. J. A. Levy. Deze toch schreef over
de artt. 27 en 28 van onze wet, die de territoriale grens van hare
geldigheid vaststellen: "Zoodra ons privaatrecht het auteursrecht
stempelt tot een absoluut vermogensrecht, moet iedere territoriale
grens vallen en moet ieder, wie hij zijn moge, ook de niet-Nederlander,
ook de ingezetene van een land zonder tractaat, door dit ons
privaatrecht worden beschermd. Dit schijnt mij zonneklaar. Of, wat
dunkt u, zal men een Oostenrijker, die, gesteld, in Amsterdam wandelt,
straffeloos zijn horloge mogen ontnemen? Zoodanig vreemdeling,
zegt onze wet allervriendelijkst, kan op eene Nederlandsche
drukkerij doen drukken en hij is gevrijwaard. Het is het toppunt
van goedgeefschheid. Edoch, zullen wij den Oostenrijker van zooeven
alleen dan tegen diefstal beschermen, indien zijn horloge in een
Nederlandsche keurkamer is gemerkt? .... maak u niet de geringste
illusie, gij, die leek zijn mocht op rechtsgebied: inbreuk op een
absoluut vermogensrecht is diefstal. Wie dit betwijfelen mocht,
cijfere mij voor, wat het anders zijn zou. Bestelen nu moogt gij
niemand, noch binnen noch buiten de landpalen" [526].

Afgezien van het woord "diefstal", dat den "leek op rechtsgebied"
misschien op een dwaalspoor zou kunnen brengen, valt er tegen deze
beschouwing m. i. niets in te brengen. De artikelen 27 en 28 onzer
wet, die ik hieronder nog nader zal bespreken, bevatten inderdaad
eene stuitende uitzondering op den algemeenen regel, die terecht
een grondbeginsel onzer hedendaagsche samenleving is genoemd [527],
dat nl. voor den Nederlandschen rechter vreemdelingen met evengoed
gevolg als Nederlanders een beroep moeten kunnen doen, waar het geldt
de bescherming en handhaving van privaatrechtelijke bevoegdheden.

Men weet, dat voor de bestendiging van dezen toestand wordt aangevoerd
het belang, dat ons volk erbij heeft, dat hier de buitenlandsche
werken vrijelijk geëxploiteerd kunnen worden. Dit belang wordt--ik
heb er al met een enkel woord op gewezen (pp. 183, 184)--door degenen
die zich erop beroepen doorgaans veel te breed uitgemeten; bovendien
vergeet men dikwijls daarbij te denken aan de schade, die door een
groot aantal andere Nederlanders wordt geleden tengevolge van het
stelsel van "vrijheid", dat hier tot nu toe gehuldigd is. Ik meen
mij echter in den strijd, die op dit terrein wordt gevoerd, niet te
moeten mengen [528]. Stelt men zich op het standpunt, dat ik gepoogd
heb te verdedigen, dat het auteursrecht (en het vertalingsrecht als
integreerend bestanddeel daarvan) niet uitsluitend een product is
van utiliteit, een doelmatig middel om de beoefening van kunsten
en wetenschappen aan te wakkeren, maar een recht, niet minder
eerbiedwaardig dan elk ander vermogensrecht, dan mag het belang van
sommigen (laat het er ook velen zijn) om dit recht niet te erkennen,
niet in aanmerking worden genomen. Tegenover rechten leggen belangen
geen gewicht in de schaal.

Indien het waar mocht zijn (wat ik betwijfel), dat de bescherming
van buitenlandsche werken in Nederland tot gevolg zou hebben, dat
vele dier werken daardoor voor ons volk ontoegankelijk zouden worden,
daar voor de uitgave eener Nederlandsche vertaling te veel geld zou
worden gevraagd, dan zal men zich daarbij hebben neer te leggen. Er
zijn nog wel meer buitenlandsche producten, die te duur zijn om
in Nederland te worden ingevoerd; zoolang men er meer voor vraagt,
dan wij er hier voor kunnen of willen betalen, zullen wij er ons van
moeten onthouden. Meer dan honderd jaar geleden werd dit door Fichte
ook reeds zoo ingezien; zijne meening over buitenlandschen nadruk
illustreerde hij met de volgende vergelijking:

"Joseph II hatte allerdings das vollkommene Recht, die Einfuhr der
holländischen Häringe in seine Staaten zu verbieten: wer könnte ihm
dies abstreiten? Aber hätte er darum auch wohl das Recht gehabt--da
holländische Häringe sich nun einmal nicht nachdrucken lassen--Kaper
auszusenden, welche den Holländern aufpassen und ihnen ihre Häringe
abnähmen?" [529]

De naam "roofstaat", dien men ons land met het oog op het gemis aan
bescherming voor buitenlandsche auteurs wel heeft gegeven, schijnt
in dit licht beschouwd maar al te verdiend. Dat deze toestand nog tot
onzen tijd heeft kunnen voortduren kan, zoo al niet verontschuldigd,
dan toch verklaard worden uit het feit, dat het mijn en dijn op
het gebied van kunst en letteren nog niet zóó algemeen erkend is
en nog niet zóó diep in het volksrechtsbewustzijn is doorgedrongen
dan waar het stoffelijke goederen geldt. De ons omringende volken
zijn ons daarin verre vooruit en het beste bewijs hiervoor is wel
het internationale Verbond ter bescherming van het auteursrecht,
dat vrijwel alle staten omvat, met wie ons geestelijk ruilverkeer
van eenige beteekenis is.

Van allen, die het met het boven aangegeven beginsel eens zijn, zou
met reden kunnen worden verwacht, dat zij met alle kracht voor onze
toetreding tot de Berner Conventie ijverden. Vooral de aangehaalde
woorden van Mr. J. A. Levy, die voorkomen in een artikel getiteld
"Nederland en de Berner-Conventie", zouden moeilijk kunnen doen
vermoeden, dat zij afkomstig zijn van een fel tegenstander van
onze aansluiting. Toch is dit het geval; wat trouwens niet ál te
zeer behoeft te verwonderen na de vele onverwachte uitspraken in
hetzelfde artikel, waarop reeds hierboven (pp. 143 sqq.) de aandacht
is gevestigd.

Daar Mr. Levy, voorzoover mij bekend, de eenige is, die onze
aansluiting bij de Berner Conventie op juridische gronden bestrijdt,
wil ik zijne argumenten niet geheel voorbijgaan. Zij zijn twee
in getal.

In de eerste plaats acht Mr. Levy het een bezwaar tegen de Berner
Conventie, dat zij op wederkeerigheid berust. "Het ontzien van een
anders eigendom of vermogensrecht is niet, en mag niet afhankelijk
zijn van wederkeerigheid." In beginsel is hier weinig tegen te zeggen,
en de mooiste en tevens eenvoudigste oplossing van het vraagstuk der
internationale auteursbescherming zou zeker hierin bestaan, dat in de
wetten van alle landen eene bepaling werd opgenomen als die van art. 16
van de loi-type der Association: "Deze wet is toepasselijk op alle
auteurs, onverschillig tot welke nationaliteit zij behooren en waar ook
het werk voor het eerst verschenen zij." Misschien, dat het eenmaal
nog zoover komt en in dat geval zal de Berner Conventie overbodig
zijn geworden; doch voorloopig blijft er één groot bezwaar tegen dit
stelsel bestaan, dat het ook begrijpelijk maakt, dat zoo weinig staten
het tot nog toe hebben willen aanvaarden [530], nl. de belangrijke
verschilpunten tusschen de verschillende wetgevingen. Mr. Levy merkt
op, dat het gebod: gij zult niet stelen, in gansch de beschaafde wereld
geldt en in de helft der onbeschaafde wereld. Dit moge waar zijn ten
opzichte van den eigendom van lichamelijke goederen; met betrekking
tot auteursrecht is hiermede echter te veel gezegd. Het auteursrecht
verkeert te dien opzichte nog in een toestand, die te vergelijken is
met dien van den privaten eigendom voor een paar duizend jaar. In de
"beschaafde wereld", d.i. binnen het gebied der Berner Conventie,
vindt de auteur voldoende bescherming, zij het dan ook niet overal in
volkomen gelijke mate. Doch daarbuiten laat die bescherming soms nog
veel te wenschen over en treft men nog de zonderlingste opvattingen
over het recht der auteurs aan. Het is daarom niet te verwonderen,
dat tot toetreding tot de Berner Conventie alleen die staten worden
toegelaten, die althans een minimum van bescherming aan hun eigen
onderdanen verleenen, en dat van hen geëischt wordt, hiervan ook de
onderdanen der andere aangesloten rijken te doen genieten.

Het tweede argument van Mr. Levy tegen onze toetreding betreft
het vertalingsrecht, waarvan deze schrijver niets wil weten, op
grond van de bewering, dat de vertaler zelfstandigen arbeid heeft
voortgebracht. Op de onjuistheid dezer redeneering behoef ik hier
niet meer in te gaan; het is hier genoeg er aan te herinneren,
dat de vertaling de gewone reproductievorm is voor geschriften uit
andere landen en dat het uitsluitend vertalingsrecht in de groote
meerderheid der beschaafde staten als een integreerend bestanddeel van
het auteursrecht wordt beschouwd. Onder de "zonderlinge opvattingen"
over het auteursrecht, waarvan ik zooeven sprak, behoort dan ook
in de eerste plaats die van Mr. Levy over het vertalingsrecht,
want aan auteursrecht zonder vertalingsrecht heeft een auteur
van een buitenlandsch geschrift in ons land zoo goed als niets,
evenmin trouwens als een Nederlandsch schrijver in den vreemde. Den
Oostenrijker, die in Amsterdam wandelt, zal men niet straffeloos
zijn horloge mogen ontnemen, maar gaat hij in een winkel om het te
laten repareeren, zal dan de horlogemaker hem mogen toevoegen: wij
erkennen hier wel uw eigendomsrechten, maar uw horloge krijgt u niet
meer terug; door de "zelfstandige arbeid", die ik er aan verricht heb,
is het het mijne geworden? En wat te zeggen van iemand, die met een
dusdanig begrip van eigendom nog den moed zou hebben te verklaren:
in mijn land wordt elke eigendom geëerbiedigd, en daarom ben ik tegen
het sluiten van een tractaat, dat wederkeerigheid eischt?

Tot zoover de denkbeelden van Mr. Levy. Om nu weer op het punt van
uitgang terug te komen: de eenige en aangewezen weg om op het gebied
van het auteursrecht te komen tot verwezenlijking van het beginsel,
dat het geheele internationale privaatrecht van onzen tijd beheerscht
en dat kort uitgedrukt aldus luidt: gelijk recht voor vreemdelingen als
voor Nederlanders, is: toetreding tot de Berner Conventie. Dat deze weg
vroeg of laat zal worden ingeslagen, is mijne vaste overtuiging. Nu
eene dergelijke krachtige internationale organisatie eenmaal bestaat
en nu daarmede resultaten zijn bereikt, waartoe men langs anderen
weg waarschijnlijk nooit had kunnen komen, is het voor een klein land
als het onze op den duur niet mogelijk, zich daar verre van te houden.

De geschiedenis van het internationaal auteursrecht heeft het
geleerd, dat slechts door samenwerking van de verschillende staten
eene bevredigende oplossing kan worden gevonden. De groote beteekenis
van de Berner Conventie ligt dan ook voornamelijk hierin, dat zij de
vrucht is van deze samenwerking. Zoolang elke staat slechts voor zich
en op zijne wijze het auteursrecht regelde kon er van gelijkvormigheid
der verschillende wetgevingen geen sprake zijn; eerst toen zij zich
hadden vereenigd om gezamenlijk de moeilijkheden, die zich in deze
materie voordoen, onder de oogen te zien, was verandering hierin
mogelijk. Hierdoor werd het mogelijk de beginselen op te sporen, die
onafhankelijk van plaatselijke inzichten aan het auteursrecht ten
grondslag kunnen worden gelegd; van de toepassing dezer beginselen
zijn de bepalingen der Berner Conventie het positief resultaat. Nog
is bij lange na niet bereikt wat men zich bij de voorbereiding en
later bij herzieningen der Conventie tot ideaal heeft gesteld, en het
zal waarschijnlijk nog jarenlange inspanning kosten, alvorens in alle
aangesloten landen voor alle auteurs en alle werken een gelijk recht
bestaat. Maar hierin ligt juist voor ons land een reden te meer,
om zich zoo spoedig mogelijk aan te sluiten. Zoolang dit niet is
geschied, loopen wij de kans dat het auteursrecht hier te lande zich
in andere richting ontwikkelt dan in de overige beschaafde staten,
zoodat ons deelnemen aan eene internationale regeling hoe langer hoe
moeilijker wordt. Bovendien ontnemen wij onszelven de mogelijkheid, om
invloed uit te oefenen op den ontwikkelingsgang van het internationaal
auteursrecht.

Ik meen, ook met het oog op de toetreding van ons land, die na de
jongste verklaringen der Regeering voor aanstaande mag worden gehouden,
mijn aandacht in het volgende voornamelijk aan de Berner Conventie
te kunnen wijden. Onze tractaten met Frankrijk en België, waarvan
de algemeene strekking in de historische inleiding is weergegeven,
kunnen verder buiten bespreking blijven. Wanneer Nederland eenmaal deel
uitmaakt van het Internationale Verbond, zal van hunne toch al geringe
beteekenis ongeveer niets meer zijn overgebleven. Voorzoover zij nog
op een enkel punt toepassing zullen kunnen vinden, zal dit bij de
bespreking van de desbetreffende bepaling der Conventie worden vermeld.

Alvorens echter tot bespreking van de Berner Conventie over te gaan,
is het noodig een oogenblik stil te staan bij de wijze waarop onze
wet zelve de grenzen harer geldigheid vaststelt.



Er zijn twee hoofd-systemen, volgens welke de grenzen der
toepasselijkheid van eene wet op het auteursrecht getrokken kunnen
worden.

Het eerste systeem, het nationaliteits-stelsel, neemt als criterium
aan de nationaliteit of woonplaats van den auteur. De wet beschermt
dus alleen werken van auteurs die tot het Rijk behooren of in het
Rijk woonachtig zijn.

Het tweede systeem richt zich niet naar de subjecten, maar naar
de objecten van het recht; het vraagt niet naar de nationaliteit
of woonplaats van den auteur, maar naar wat de Franschen noemen la
nationalité de l'oeuvre. De "nationaliteit van het werk" kan weer
op verschillende wijzen worden vastgesteld; men kan deze laten
afhangen van:

a) de plaats waar het werk voor het eerst in druk is verschenen;

b) de plaats, waar het werk is ontstaan;

c) de plaats, waar een tooneel- of muziekstuk voor het eerst is op-
of uitgevoerd of eene mondelinge voordracht voor het eerst is gehouden.

Van elk dezer stelsels zijn in onze wet en in het Ontw. B. K. sporen
te vinden. Beschouwen wij eerst de wet van 1881.

Het beginsel van de "nationaliteit van het werk" geldt in de eerste
plaats voor alle door den druk gemeen gemaakte werken. De wet is
alleen toepasselijk op de werken, die in Nederland zijn gedrukt en
door den druk gemeen gemaakt; nationaliteit of woonplaats van den
auteur doet dus niet ter zake.

Voor niet door den druk gemeen gemaakte werken is het andere stelsel
gevolgd; deze vallen onder de bescherming der wet, indien zij afkomstig
zijn van in Nederland woonachtige auteurs.

Ten aanzien der mondelinge voordrachten bestaat eene afzonderlijke
regeling; deze worden, ook als zij van niet in Nederland woonachtige
auteurs afkomstig zijn, door de wet beschermd voor zoo ver zij in
Nederland zijn gehouden. Op de weinig duidelijke redactie van het slot
van art. 27, waaruit dit moet worden opgemaakt, is o.a. reeds door
Mr. Veegens gewezen [531]. Met dezen schrijver ben ik van oordeel,
dat de uitdrukking "daaronder begrepen" niet tot de opvatting mag
leiden, dat mondelinge voordrachten slechts dan begrepen worden onder
de beschermde niet door den druk gemeen gemaakte werken, wanneer zij
aan beide genoemde vereischten voldoen, dus behalve afkomstig van
een in Nederland woonachtig auteur, bovendien in Nederland gehouden
zijn. M. i. zal het voldoende zijn, dat het werk aan één der beide
vereischten voldoet, dus óf afkomstig van een in Nederland wonend
auteur, óf binnen Nederland gehouden. Uit hetgeen Mr. Veegens over
deze bepalingen opmerkt, meen ik op te maken, dat deze schrijver
alleen het laatstgenoemd vereischte hier in aanmerking wil laten
komen. Volgens deze opvatting zou dus b.v. een te Londen gehouden
voordracht, van iemand die in Nederland woont, niet beschermd zijn
door onze wet. Naar mijne meening is echter de andere, boven gegeven
interpretatie juister: is de voordracht in het buitenland gehouden,
dan wordt zij behandeld als alle andere niet door den druk gemeen
gemaakte werken. Zoo verkrijgt ook de uitdrukking "daaronder begrepen"
althans eenigen zin.

Ten opzichte der voordrachten gelden dus de criteria van beide
bovengenoemde stelsels, zoowel de woonplaats van den auteur als de
plaats waar zij zijn uitgesproken. Voor tooneel- en muziekwerken
bestaat echter geen afzonderlijke regeling, hoewel er alle reden
bestond, de op- of uitvoering hiervan in dit opzicht met het
uitspreken eener voordracht gelijk te stellen. De plaats der eerste
op- en of uitvoering is dus ten aanzien der toepasselijkheid onzer
wet van geene beteekenis. Uit het voorgaande volgt, dat zoodra een
voordracht, tooneel- of muziekwerk in druk uitkomt, uitsluitend de
plaats waar dit is geschied beslissend wordt, daar het werk hierdoor
gaat behooren tot de groep "door den druk gemeen gemaakte werken".

Er doet zich hier nog eene--ook door Mr. Veegens
besproken--moeilijkheid voor ten aanzien van het op- en
uitvoeringsrecht. Een onuitgegeven tooneelstuk b.v. van een niet in
Nederland woonachtig auteur valt niet onder de bescherming onzer
wet. Wordt het stuk echter in Nederland gedrukt en uitgegeven,
dan beschouwt onze wet het wel als een Nederlandsch werk. Volgens
Mr. Veegens zal nu een dergelijk werk wél tegen nadruk, maar niet tegen
opvoering beschermd zijn, omdat volgens art. 12 het opvoeringsrecht
bij het in druk uitkomen verloren gaat, tenzij het uitdrukkelijk
wordt voorbehouden. "Dat voorbehoud dient om het verloren gaan van die
uitsluitende bevoegheid waar zij bestaat, te voorkomen, maar vermag
haar niet te scheppen voor een auteur, die haar niet bezit" [532].

Mij komt het voor, dat de woorden van art. 12 deze interpretatie, die
een door niets gemotiveerd verschil tusschen kopie- en opvoeringsrecht
zou scheppen, niet noodzakelijk maken. Zoodra een tooneelstuk
behoort tot de werken, waarop de wet van toepassing is, geniet het
ook de volle bescherming der wet. Dat voor het opvoeringsrecht een
voorbehoud geëischt wordt, verandert hieraan niets; ook het uitsluitend
vertalingsrecht moet bij het in druk uitkomen worden voorbehouden,
en dat de auteur dit in het hier besproken geval met vrucht zou kunnen
doen, schijnt door Mr. Veegens niet te worden betwist. Het voorbehoud
schept het opvoeringsrecht niet; door de uitgave in Nederland wordt
het werk gerangschikt onder de beschermde auteursproducten en daardoor
alleen ontstaan alle den auteur bij de wet toegekende rechten, dus ook
het opvoeringsrecht; het voorbehoud strekt hier alleen om dit recht,
hetwelk in dit geval tegelijk met zijn ontstaan weer zou te niet gaan,
het voortbestaan mogelijk te maken.

Nog dient op enkele andere vragen te worden gewezen, waarop in de
wet wel geen stellig antwoord is te vinden, doch waarover verschil
van meening moeilijk denkbaar is. De wet spreekt van "in Nederland
of in Nederlandsch-Indië gedrukte en door den druk gemeen gemaakte
werken". Dit moet natuurlijk zóó worden verstaan, dat de eerste uitgave
in Nederland of Nederlandsch-Indië plaats heeft gehad. Is een boek in
het buitenland uitgekomen, dan kan eene volgende uitgave in Nederland
geen auteursrecht meer vestigen. Omgekeerd zal eene tweede uitgave
in het buitenland van een hier verschenen werk het auteursrecht
niet opheffen.

De eerste uitgave beslist dus over de "nationaliteit" van het werk
en wel de eerste uitgave, die vanwege den rechthebbende op het
auteursrecht geschiedt. Ook dit vindt men in onze wet niet bepaald
[533]; eene andere uitlegging zal echter wel door niemand worden
voorgestaan. Het spreekt vanzelf, dat eene uitgave tegen den zin
van den auteur of van zijne rechtverkrijgenden (een nadruk dus)
geen auteursrecht kan vestigen of doen te nietgaan.

Artikel 28 verklaart de wet ook verbindend voor Nederlandsch-Indië;
waar ik in het voorgaande kortheidshalve alleen van "Nederland"
heb gesproken, moet daaronder ook steeds Nederlandsch-Indië
worden begrepen. Het Rijk in Europa en de Oost-Indische koloniën
vormen dus ten opzichte van het auteursrecht één rechtsgebied;
het eenige onderscheid tusschen de twee deelen bestaat hierin, dat
de formaliteiten in het moederland bij het departement van Justitie
moeten worden vervuld en die in Indië bij den directeur van Justitie
te Batavia.

In Suriname en Curaçao bestaat eene afzonderlijke regeling van het
auteursrecht, vrijwel met die van onze wet overeenkomende (K. Ben. van
11 Mei 1883 nos. 39 en 40). Doch daar het niet één en dezelfde wet
is, die het onderwerp regelt, is de betrekking niet zoo nauw als
met Oost-Indië. Auteursrecht volgens de Nederlandsche wet wordt in
West-Indië wel erkend, doch volgens onze wet staan Suriname en Curaçao
gelijk met het buitenland.



De bepalingen van het Ontw. B. K. wijken eenigszins van die der wet
van 1881 af. Het ontwerp maakt in dit opzicht geen onderscheid tusschen
gepubliceerde (door den druk gemeen gemaakt of tentoongesteld) en niet
gepubliceerde werken. Het is toepasselijk op alle werken van beeldende
kunst, die vervaardigd zijn door in Nederland of in Nederlandsch-Indië
woonachtige kunstenaars; het stelsel dus, dat de wet van 1881 alleen
voor niet door den druk gemeen gemaakte werken huldigt.

Bovendien houdt het Ontw. ook rekening met de nationaliteit van
het werk; het is nl. eveneens van toepassing op alle werken, die in
Nederland of Nederlandsch-Indië vervaardigd zijn.

Ten slotte huldigt het dezelfde volkomen gelijkstelling van de
Oost-Indische koloniën met het moederland.



Na bovenstaande uiteenzetting van het stelsel onzer wet is het
duidelijk, dat het voor vreemdelingen feitelijk onmogelijk is in ons
land bescherming te vinden, tenzij dan in die gevallen, waarin onze
tractaten met Frankrijk en België van toepassing zijn. Sluit men deze
tractaten uit, dan wordt hier te lande geen ander auteursrecht erkend
dan wat de wet van 1881 verleent. Terecht is door Mr. J. P. Moltzer
[534] opgemerkt, dat wij hier te doen hebben met eene uitzondering
op het beginsel, dat in art. 9 W. A. B. is neergelegd; want al is de
nationaliteit op zichzelf geen beletsel om auteursrecht volgens onze
wet te hebben, de vereischten die de wet stelt zijn toch van dien aard,
dat vreemdelingen feitelijk van de bescherming zijn uitgesloten. Ik heb
er reeds op gewezen, dat de loi-type van de Association eene regeling
geeft, die beter met de thans geldende beginselen van internationaal
privaatrecht in overeenstemming is [535], doch dat deze regeling in het
stadium van ontwikkeling, waarin het auteursrecht thans nog verkeert,
weinig kans heeft algemeen te worden toegepast. Verreweg de meeste
wetgevingen zijn, evenals de onze, nog in hare werking beperkt tot
een bepaalden, van nationaliteit of woonplaats van den auteur of van
de plaats van verschijnen van het werk afhankelijken kring; en zoolang
de volkomen gelijkstelling voor de wet van alle werken, onverschillig
waar zij zijn uitgekomen of tot welk land de auteur behoort, voorloopig
tot de onbereikbare idealen blijft behooren, zal men met dit stelsel
genoegen moeten nemen. Doch afgezien van dit principieele bezwaar,
hetwelk trouwens door internationale overeenkomsten grootendeels
kan worden opgeheven, geeft het stelsel onzer wet nog aanleiding tot
enkele kritische opmerkingen, die ik hier wil laten volgen.

In de eerste plaats is aan bedenking onderhevig de bepaling, dat
voor de nationaliteit van het werk niet alleen de plaats waar het
uitkomt, doch ook die, waar het gedrukt is, beslissend is. Deze
bepaling kwam niet in het oorspronkelijk Regeeringsontwerp, wél in
het Ontw. Boekh. (art. 5a) en in de wet van 1817 (art. 6a) voor. In
laatstgenoemde wet was zelfs bovendien nog als eisch gesteld, dat
de uitgever Nederlander was (art. 6b). Men nam de bepaling tenslotte
nog in de nieuwe wet op, omdat men vreesde, dat de uitdrukking "door
den druk gemeen gemaakt" tot verwarring en onzekerheid aanleiding
zou geven. Door er bij te voegen, dat het werk in Nederland moet
zijn gedrukt, wilde men verhinderen, dat een buitenlandsch schrijver
of uitgever hier auteursrecht zou kunnen verwerven, alleen door een
gedeelte der oplage op het titelblad van den naam van een Nederlandsch
uitgever te voorzien; waardoor immers het werk in Nederland zou zijn
uitgegeven of "door den druk gemeen gemaakt." [536]

De angst, dat een buitenlander in ons land auteursrecht zou kunnen
genieten, schijnt dus wel erg zwaar te hebben gewogen. Het komt mij
echter voor, dat het "gevaar", dat hier dreigde, vrijwel denkbeeldig
was. Immers indien de Nederlandsche uitgever, wiens naam op het
titelblad zou worden gezet, in een gegeven geval een strooman bleek
te zijn, zou niets den rechter hebben verhinderd om in een dergelijk
boek een in het buitenland door den druk gemeen gemaakt werk te zien;
indien men echter met een werk te doen heeft, dat, zooals meermalen
voorkomt, door de samenwerking van verschillende uitgevers werkelijk
tegelijk in verschillende landen verschijnt, zie ik niet in waarom
zulk een werk, waarin ook een Nederlandsch uitgever zijn aandeel zou
hebben genomen en waarvoor hij hier op eigen risico adverteerkosten
zou hebben gemaakt, hier te lande volgens het aangenomen stelsel der
wet niet onder de bescherming der wet zou mogen vallen.

Het middel was hier in ieder geval erger dan de kwaal. Door de
vereischten "in Nederland of Nederlandsch-Indië door den druk gemeen
gemaakt" en "gedrukt" beide te stellen sloot men onherroepelijk
van de bescherming uit alle werken, die om de een of andere reden
niet gedrukt kunnen worden in het land waar zij verschijnen. Men
stelle zich eens voor, dat ook in andere landen hetzelfde stelsel zou
worden gevolgd, dan zouden boeken, waarmee dit het geval was, nergens
bescherming kunnen vinden. Dat de bepaling niet verdedigd kan worden
als een maatregel ter bescherming der nationale industrie, springt in
het oog. Onthouding van auteursrecht mag niet als een straf worden
aangewend tegen dengeen die zich liever door een buitenlandschen
dan door een Nederlandschen drukker laat bedienen. In deze lijn
voortgaande zou men evengoed als vereischte kunnen stellen, dat de
letters en cliché's, waarvan men zich bij het drukken bedient, in
het land moeten zijn vervaardigd, zooals in de Vereenigde Staten
is voorgeschreven. Deze Amerikaansche bepaling, de zoogenaamde
manufacturing clause, wordt echter terecht door bijna alle schrijvers
over auteursrecht ten scherpste afgekeurd.

Wil men dus het stelsel van de "nationaliteit van het werk" voor
door den druk gemeen gemaakte werken blijven behouden, dan dient
deze alleen bepaald te worden door de plaats van verschijnen,
d. i. de plaats waar het boek in den handel wordt gebracht. Waar
het boek is gedrukt moet daarop van geen invloed zijn. "Het feit der
vermenigvuldiging door den druk", schreef Mr. de Ridder reeds zeer
terecht, "is slechts de gewichtigste der voorbereidende handelingen,
die tot het "in het licht verschijnen" leiden kunnen" [537].

Waar onze wet (en ook het Ontw. B. K.) de bescherming afhankelijk
stelt van den staat des auteurs, wordt diens woonplaats als criterium
genomen. Het ware m. i. beter geweest, in plaats van de woonplaats
hier de nationaliteit te laten beslissen. Ten eerste pleit hiervoor,
dat dit in bijna alle landen zoo is, zoodat nu in sommige gevallen
Nederlanders in den vreemde volgens geen enkele wet bescherming
vinden, terwijl omgekeerd vreemdelingen, die in Nederland verblijf
houden, zoowel in hun eigen land als in Nederland auteursrecht kunnen
hebben. Vooral ook met het oog op eene toekomstige aansluiting bij de
Berner Conventie zou deze wijziging in onze wet aanbeveling verdienen,
zooals hieronder nader zal worden uiteengezet.

Het nationaliteitsstelsel heeft buitendien nog boven het in onze wet
gevolgde het voordeel, dat het een meer standvastig en betrouwbaar
criterium biedt. Het komt meer voor dat men zijne woonplaats
tijdelijk in een ander land kiest, dan dat men van nationaliteit
verandert. Schilders, schrijvers en kunstenaars zijn meestal niet
aan eene bepaalde plaats gebonden en brengen dikwijls een geruimen
tijd van hun leven buiten hun vaderland door, zonder daarom hunne
nationaliteit prijs te geven. Het behoeft geen betoog, dat dit volgens
het stelsel onzer wet tot allerlei moeilijkheden aanleiding kan geven.



Soortgelijke bezwaren zijn ook in te brengen tegen de bepaling van
het Ontw. B. K., volgens welke dit ontwerp van toepassing is op in
Nederland of Nederlandsch-Indië vervaardigde kunstwerken. Waar een
kunstwerk vervaardigd is (de terminologie is ook niet gelukkig) zal
dikwijls niet gemakkelijk zijn uit te maken; het is niet onmogelijk
dat een schilder b.v. aan hetzelfde doek in meer dan één land heeft
gearbeid. Het is trouwens moeilijk in te zien, waarom een in ons land
ontstaan kunstwerk daarom als een Nederlandsch werk zou moeten worden
beschouwd; de plaats waar de kunstenaar heeft gearbeid komt mij voor
in dit opzicht van geene beteekenis te zijn.

Een beter criterium zou, ook voor de werken van beeldende kunst, zijn
de plaats waar het werk in het licht is verschenen. Etsen, houtsneden,
photographieën, teekeningen voor geïllustreerde tijdschriften--in
één woord: werken die bestemd zijn voor verveelvoudiging--zijn in
dit opzicht volkomen met geschriften gelijk te stellen.

Voor de werken die niet in de eerste plaats voor reproductie
zijn bestemd, waartoe de meeste schilderijen en beelden zullen
zijn te rekenen, heeft de uitgave weliswaar eene eenigszins andere
beteekenis. Omdat van een schilderij voor het eerst eene reproductie
is openbaar gemaakt in een Nederlandsch tijdschrift, zal men nog niet
kunnen zeggen, dat het schilderij hier thuisbehoort, dat het een
Nederlandsch werk is. Toch schijnt mij dit geen overwegend bezwaar
tegen het bedoelde stelsel, dat, zooals hieronder zal blijken,
ook in de Berner Conventie wordt toegepast. In elk geval heeft het
boven dat van het Ontw. B. K. voor, dat de plaats waar voor het eerst
reproducties zijn verschenen, voor belanghebbenden gemakkelijker zal
zijn na te speuren dan die, waar het werk is ontstaan.



§ 2 De Berner Conventie

Zooals reeds in het historisch overzicht is opgemerkt, heeft de laatste
herzienings-conferentie te Berlijn wél één enkelen tekst in de plaats
gesteld van de oude Berner Conventie met de Additionneele Acte en de
Verklaring van Parijs, doch zonder aan deze oude Conventie-bepalingen
alle kracht te ontnemen.

De staten, die vóór de herziening van Berlijn reeds tot het
Verbond behoorden en den aldaar vastgestelden tekst niet wenschen te
bekrachtigen, behoeven om die reden niet uit het Verbond te treden. Zij
kunnen, krachtens art. 27 lid 1, tweede zinsnede, daarvan deel blijven
uitmaken onder de oude voorwaarden. Ten aanzien van deze staten blijft
de oude Conventie dus haar volle kracht behouden. Bovendien kunnen
alle staten--ook degenen die zich eerst ná de Berlijnsche conferentie
aansluiten--bij de bekrachtiging der nieuwe Conventie verklaren, dat
zij op bepaalde punten niet door de nieuwe maar door de oude bepalingen
gebonden wenschen te zijn. Voor de nieuw-toetredende staten bestaat dus
ook de mogelijkheid om géén der Berlijnsche bepalingen te aanvaarden
en uitsluitend krachtens de Berner Conventie van 1886 (al dan niet
met de wijzigingen die zij in 1896 te Parijs heeft ondergegaan) lid
te worden van het Verbond. Ik wil hier echter dadelijk bijvoegen,
dat eene dergelijke handelwijze, hoewel formeel geoorloofd, toch in
strijd zou zijn met de bedoeling van de voorstellers der bepaling
in Berlijn: "il faut espérer que les États adhérants n'abuseront pas
de ce pouvoir de faire des réserves" wordt in het commissie-rapport
[538] dienaangaande opgemerkt; eene verwachting, die men zeker niet
onredelijk kan noemen.

Één ding staat intusschen vast: de bepalingen van Bern en Parijs
zijn geen van alle onherroepelijk afgeschaft; en daarom verdienen
zij evenzeer te worden besproken als die van de herziene Conventie.

Wij hebben dus te onderscheiden:


    I   De Berner Conventie van 9 September 1886, bestaande uit:

        a) de eigenlijke Conventie, verdeeld in 21 artikelen;
        b) een additionneel artikel;
        c) het Slotprotocol, dat van enkele in de Conventie behandelde
           onderwerpen eene nadere regeling inhoudt;

    II  De Additionneele Acte van Parijs van 4 Mei 1896, verdeeld in
        vier artikelen:

        art. 1 brengt wijzigingen in de artt. 2, 3, 5, 7, 12 en 20
        der Berner Conventie;
        art. 2 wijzigt het Slotprotocol (nos. 1 en 4);
        artt. 3 en 4 geven overgangs- en uitvoerings-bepalingen;

    III De Verklaring (Déclaration) van Parijs, die eene uitlegging
        geeft van enkele bepalingen der Berner Conventie en der
        Additionneele Acte van Parijs;
    IV  De herziene Berner Conventie van 13 November 1908, bestaande
        uit dertig artikelen.


Bij de bespreking, die hier volgt, zal ik mij houden aan de volgorde
der artikelen van den onder IV genoemden, herzienen tekst, welken ik
verder kortheidshalve zal noemen: Conventie 1908. De bepalingen uit
de andere stukken (Conventie 1886 met add. art. en Slotprotocol,
Add. Acte 1896 en Verklaring 1896) zullen dan telkens ter sprake
komen bij het onderwerp, waarop zij betrekking hebben.

Om het overzicht te vergemakkelijken heb ik de bepalingen der Conventie
1908, met behoud van de volgorde der artikelen, in een viertal groepen
verdeeld, als volgt:



a Algemeene beginselen betreffende het internationale auteursrecht in
het Verbond (doel en strekking van het Verbond art. 1; de werken waarop
de Conventie toepasselijk is artt. 2 en 3; het stelsel, volgens hetwelk
omvang en duur der bescherming zijn geregeld artt. 4, 5, 6 en 7);
b Bijzondere regelen omtrent sommige onderdeden (vertalingsrecht
art. 8; journalistiek auteursrecht art. 9; bloemlezingen art. 10;
op- en uitvoeringsrecht art. 11; bewerkingsrecht art. 12; mechanische
muziekinstrumenten art. 13; kinematograaf art. 14);
c Rechtsmiddelen tot handhaving van het auteursrecht (legitimatie
voor den rechter art. 15; beslag op nadruk art. 16);
d Uitvoerings- en overgangsbepalingen (erkenning van het recht van
iederen staat om verspreiding en uitstalling van geschriften of
kunstwerken te verbieden art. 17; overgangsbepalingen art. 18; de
geldigheid van wetten en bijzondere tractaten tegenover de Conventie
artt. 19 en 20; huishoudelijke inrichting van het Verbond artt. 21-24;
toetreding van nieuwe staten en hunne koloniën artt. 25 en 26;
bekrachtiging, inwerkingtreding en opzegging artt. 27-30).



a Algemeene regelen betreffende het internationaal auteursrecht in
het Verbond


I Doel en strekking van het Verbond (Conv. 1908 art. 1; Conv. 1886
art. 1)

Over het eerste artikel der Conventie, dat sinds 1886 onveranderd is
gebleven, behoeft weinig te worden gezegd. Het is te beschouwen als
een korte inleiding van hetgeen volgt; in hoofdtrekken geeft het het
doel aan der Conventie en het terrein, waarop zij zich beweegt.

Met de vorming van een internationaal Verbond (Union) meende men eene
hechtere aaneensluiting te vestigen, dan eene eenvoudige Conventie zou
geven [539]. Als voorbeelden werden daarbij verscheidene malen genoemd
de Post-Unie en het Verbond tot bescherming van den industrieelen
eigendom.

Over den naam van het recht, dat de Conventie den auteurs verleent,
is men het op de Berner Conferentiën niet dan na lange beraadslaging
eens geworden. In den titel der Conventie 1886 wordt gesproken van de
"bescherming van de werken van letterkunde en kunst." De term droits
d'auteur werd verworpen, omdat men daaronder in Frankrijk verstaat
het recht op tantièmes van een dramatisch schrijver bij de vertooning
van zijn stuk, en propriété littéraire et artistique, de in Frankrijk
gebruikelijke benaming voor auteursrecht, omdat dit juridisch minder
juist werd geacht en tot verkeerde gevolgtrekkingen (aanvaarding van
de theorie van den letterkundigen eigendom) aanleiding zou kunnen
geven. Doch er werd uitdrukkelijk geconstateerd, dat de gekozen
uitdrukking (protection des oeuvres littéraires et artistiques)
dezelfde beteekenis heeft als propriété littéraire et artistique
bij Fransche schrijvers en als b.v. het Duitsche Urheberrecht en het
Engelsche copyright, dus ook als ons auteursrecht.

In den considerans en in artikel 1 wordt gesproken van "protection des
droits des auteurs sur leurs oeuvres... etc." dus: van de verschillende
den auteurs toekomende rechten op hunne werken. Hier geeft dus ook
ons woord auteursrecht de juiste vertaling.



II De werken, waarop de Conventie van toepassing is (Conv. 1908 artt. 2
en 3; Conv. 1886 artt. 4 en 6, Slotpr. nos. 1 en 2; Add. Acte 1896
art. 2, I)

De algemeene uitdrukking "werken van letterkunde en kunst", waarmede
in het eerste artikel der Conventie de beschermde producten worden
aangeduid, zou zonder nadere omschrijving natuurlijk voor zeer
verschillende uitleggingen vatbaar zijn. Deze nadere omschrijving,
die de Conventie 1886 eerst in het vierde artikel gaf, is bij
de Berlijnsche herziening m. i. terecht terstond na artikel 1
geplaatst. Wij krijgen dus eerst de vraag te behandelen, op welke
categorieën van werken de Conventie toepasselijk is.

De vraag heeft reeds op de Conferentie van Bern velerlei besprekingen
uitgelokt. De verschillende wetgevingen zijn op dit punt niet alle
even volledig; wat in het eene land als object van auteursrecht wordt
beschouwd, vindt soms in het andere land geen bescherming, of wel is
aldaar als industrieproduct beschermd. Waar men het altijd over eens
is geweest, dat zijn:

1o. de geschriften (in de ruime beteekenis, waarin ik dezen term ook
hierboven heb gebruikt);

2o. de platen en kaarten van wetenschappelijken of technischen aard;

3o. de muziekwerken, zoowel met als zonder tekst;

4o. de werken van beeldende kunst (teekeningen, schilderijen,
beeldhouwwerk enz.).

Al deze categorieën van werken worden reeds in art. 4 der Conventie
1886 met name genoemd en hebben sinds dien onder goedkeuring van
alle aangesloten staten behoord tot degenen, waarop de Conventie
onvoorwaardelijk toepasselijk was.

Daarentegen gaven vooral vier categorieën van werken aanleiding
tot verschil van meening, te weten: de photographieën, de werken
der bouwkunst, de choregraphische werken en de producten van
kunstnijverheid. Volgens de Conventie 1886 genoten deze werken, deels
in 't geheel niet, deels slechts voorwaardelijk de internationale
bescherming; door de herzieningen van Parijs en Berlijn zijn zij
geleidelijk met de overige beschermde werken gelijkgesteld.

In de Conventie 1908 (artikel 2 tweede lid) zijn voor het eerst ook
bij de beschermde werken genoemd de vertalingen en andere bewerkingen
alsmede de verzamelwerken. Het recht van den vertaler was weliswaar
reeds in de Conventie 1886 uitdrukkelijk erkend, doch onder de
opsomming van art. 4 kwamen de vertalingen niet voor. Er was hieraan
een afzonderlijk artikel gewijd (art. 6), waartegen, afgezien van
de stelsellooze plaatsing die er aan was gegeven, nog enkele andere
bedenkingen zijn te maken, waarop ik zoo aanstonds terugkom.

De Conventie 1908 heeft ten slotte nog eene andere nieuwe rubriek
auteursproducten ingevoerd nl. de door den kinematograaf vertoonde
stukken. Strikt genomen hadden deze ook in artikel 2 moeten zijn
vermeld; de betreffende bepaling is echter opgenomen in het tweede
lid van artikel 14, in welk artikel alles wat met den kinematograaf
in verband staat bijeen is gebracht. Ik zal ze daarom niet hier,
maar onder artikel 14 bespreken.



Thans mogen de verschillende werken, en de wijzigingen, die de
Conventie te hunnen opzichte heeft ondergaan, meer in bijzonderheden
worden beschouwd.

In de eerste plaats de werken, die van den aanvang af tot de beschermde
producten zijn gerekend, dus:



Geschriften, platen en kaarten, werken der toonkunst en werken van
beeldende kunst--Artikel 4 Conventie 1886 geeft dienaangaande de
volgende opsomming, die ook in artikel 2 Conventie 1908 is overgenomen:


    De uitdrukking "werken van letterkunde en kunst" omvat:
    boeken, brochures en alle andere geschriften; dramatische
    of dramatisch-muzikale werken, muziekstukken met of zonder
    tekst; teekeningen, schilderijen, beeldhouwwerken en gavures;
    lithographieën, illustraties, landkaarten; geographische,
    topographische, bouwkundige of in het algemeen wetenschappelijke
    ontwerpen, schetsen en plastische modellen; ...


Na deze opsomming komt dan nog de volgende algemeene aanduiding:


    "... ten slotte elk product op letterkundig, wetenschappelijk of
    kunstgebied, dat gepubliceerd kan worden door middel van den druk
    of van eenige andere wijze van reproductie.


De belangrijkste vraag, waartoe artikel 4 Conventie 1886 aanleiding
heeft gegeven is, of het al dan niet dwingend recht schept, m. a. w. of
de verschillende categorieën van geschriften en kunstwerken, welke er
in genoemd worden, onafhankelijk van de bepalingen der landswetten
beschermd moeten worden, dan wel of de internationale bescherming
voor deze werken alleen geldt, voorzoover zij ook door de landswetten
onder de beschermde auteursproducten moeten gerekend worden. De eerste
meening werd dikwijls, ook van gezaghebbende zijde [540], vernomen;
er is o.a. voor aan te voeren dat die categorieën van werken, waarvan
de bescherming niet in het geheele Verbond verplichtend was gesteld,
nl. photographieën, werken der bouwkunst en choregraphische werken,
niet in het artikel zijn genoemd, maar dat de Conventie daarvoor
afzonderlijke bepalingen heeft. Daaruit heeft men afgeleid, dat
artikel 4 alleen die werken noemt, welke beschermd moeten zijn. Andere
schrijvers nemen aan, dat dit voor het minst het geval is ten aanzien
van de met name in het artikel genoemde werken; niet ten aanzien
van die werken, welke met meer algemeene termen aan het slot van het
artikel worden aangeduid [541].

Naar mijne meening is echter ook deze opvatting niet de juiste. Zij is
niet overeen te brengen met het systeem der Conventie 1886, zooals dat
in de bepalingen van de twee voorgaande artikelen omschreven is. Immers
indien men aanneemt, dat alle werken, welke in art. 4 worden opgesomd,
in het Verbond beschermd moeten zijn, ook al zijn zij niet beschermd
volgens de wetgeving van het land van herkomst of van die van het land,
waar de bescherming wordt ingeroepen, dan blijft er van de bepalingen
van artikel 2 niet veel meer over. In het eerste lid van dit artikel
staat uitdrukkelijk voorgeschreven dat in elk der verbondslanden de
bescherming wordt genoten "welke de betreffende wetten den inlandschen
auteurs nu verleenen of in het vervolg verleenen zullen". Voor de
vervulling der voorwaarden en formaliteiten en voor de berekening
van den duur van het auteursrecht verwijst het tweede lid van genoemd
artikel naar "de wetgeving van het land, waaruit het werk herkomstig
is". Het stelsel der Conventie 1886 is dus wel, zooals ook hieronder
nog zal worden uiteengezet, dat geen bescherming wordt verleend voor
werken, die niet zoowel in het land van herkomst als in het land, waar
men het auteursrecht wenscht uit te oefenen, onder de beschermende
bepaling der inlandsche wetgeving vallen. Natuurlijk zijn op dezen
algemeenen regel uitzonderingen mogelijk, en men treft deze dan ook in
sommige artikelen der Conventie aan (o. a. wat betreft het uitsluitend
vertalingsrecht, geregeld in art. 5); doch uit niets blijkt, dat ook
met artikel 4 van den algemeenen regel is afgeweken, en er bestaat nog
des te minder grond om dit aan te nemen, nu dit artikel niet op een
bepaald onderdeel der bescherming of op eene bepaalde categorie van
auteursproducten betrekking heeft, maar integendeel op alle werken,
die voor bescherming door de Conventie in aanmerking komen. Ik meen
dus, dat in de opsomming van art. 4 Conventie 1886 niet anders moet
worden gezien dan eene nadere omlijning van het, min of meer vage,
begrip dat de woorden "werken van letterkunde en kunst" in den titel
en het eerste artikel der Conventie aangeven. Het artikel leert ons,
welke de werken zijn die--volgens de regelen en onder de voorwaarden,
welke de twee voorgaande artikelen stellen--in het Verbond beschermd
zullen worden.

Volgens deze meening is dus voor een werk het feit dat het behoort tot
degenen die in artikel 4 worden opgenoemd, op zichzelf nog niet genoeg
om het de bescherming der Conventie 1886 deelachtig te doen worden;
het moet daarenboven zoowel in het land, dat door de Conventie als
land van herkomst wordt beschouwd, als in het land waar de bescherming
wordt ingeroepen, beschermd zijn.

Hiermede is echter niet gezegd, dat het artikel alle beteekenis mist,
en dat het evengoed had weggelaten kunnen worden. Voor de reeds bij
de Conventie aangesloten staten geeft het, zoo al niet eene stellige
verplichting, dan toch in ieder geval eene aanwijzing, die moeilijk
kon worden voorbijgezien, dat zij hunne wetgevingen met dit artikel
in overeenstemming dienen te brengen of te houden. En in het algemeen
kan worden gezegd, dat deze overeenstemming ook steeds heeft bestaan.

Voor de nog niet aangesloten staten, die zich op dit stuk aan de
Conventie 1886 zouden willen houden, is het besproken artikel
van niet minder gewicht, en wel in verband met de bepaling van
artikel 25 eerste lid Conventie 1908 (art. 18 eerste lid Conventie
1886). Hier staat, dat alle staten tot het Verbond kunnen toetreden,
"die (op hun gebied) wettelijke bescherming verleenen aan de rechten,
die het onderwerp dezer Overeenkomst uitmaken." De toetreding kan dus
worden geweigerd aan die staten, wier wetgeving niet op de hoogte is,
welke de Conventie eischt, en waar dus b.v. sommige van de in artikel
4 genoemde werken niet beschermd zijn.

Dat in dit opzicht aan artikel 4 eene uitlegging in strengen zin zou
worden gegeven, is zoo goed als zeker, vooral waar geoordeeld zou
moeten worden over eene onvolledige wetgeving als de Nederlandsche,
die de geheele rubriek "werken van beeldende kunst" onbeschermd
laat. Professor Röthlisberger, zeker een vertrouwbare autoriteit op
dit gebied, schreef hierover (vóór de herziening van Berlijn) o. a:

"So ist est auch communis opinio, dass ein Land, das der Berner Union
beitreten will, den Schutz, den die K(onvention) bietet, bei sich
verwirklichen muss. Ohne Zaudern nimmt jedermann an ...., dass vor dem
Eintritt in die Union zur Vermeidung von Konflicten die Landesgesetze
auf die Höhe des Schutzmasses speziell von Art. 4 zu bringen seien."

Speciaal wat ons land betreft voegt de schrijver er nog bij:

"Man erachtet es in Holland als selbstverständlich, dass die dortige
Gesetzgebung zuerst im Sinne des Schutzes der Künstler zu revidieren
sei, bevor dieses Land in die Union trete. Eine Stellung, wie sie
Holland in der gewerblichen Union einnimmt, der es angehört, ohne
Erfindungsschutz zu besitzen, wäre in der Literarunion nicht denkbar"
[542].

Het kan dus als vaststaande worden aangenomen, dat aan ons land het
toetreden tot het Verbond geweigerd zal worden, zoolang de werken
van beeldende kunst bij ons onbeschermd zijn. Wat de overige werken
betreft, is onze wet vrijwel op de hoogte van art. 4 der Conventie
1886. De "boeken, brochures en alle andere geschriften" van dit
artikel zouden alle vallen onder de "geschriften" van artikel 1
onzer wet. Verder zijn ook in onze wet beschermd: "dramatische of
dramatisch-muzikale werken, muziekstukken met of zonder tekst" [543].

Nemen wij aan, dat het Ontw. B. K. vóór onze toetreding tot wet is
verheven, dan zou ook de uitdrukking "werk van beeldende kunst" in
artikel 1 van dit ontwerp alles omvatten, wat in de Conventie wordt
aangeduid met de woorden: "teekeningen, schilderijen, beeldhouwwerken
en gravures" en waarschijnlijk ook de "lithographieën" (waaronder
ook gerekend moeten worden de chromo-lithographieën) [544] en
"illustraties", die de Conventie daarna nog noemt. Alleen de
"landkaarten, geographische, topographische, bouwkundige of in het
algemeen wetenschappelijke ontwerpen, schetsen en plastische modellen"
zouden eenige moeilijkheid opleveren. Deze werken behooren, zooals ik
in hoofdstuk III heb uiteengezet, niet tot de werken van beeldende
kunst. In de memorie van toelichting van het Ontw. B. K. (§ 2 p. 4)
wordt wel gezegd: "Het spreekt echter van zelf, dat de namaak van
bouwkundige teekeningen wel in de termen van de wet valt; immers
bouwkundige teekeningen zijn teekeningen enz." Doch dit is eene
verklaring van niet veel beteekenis; men kan evengoed zeggen (al gaat
natuurlijk overigens de vergelijking niet op): "een huisschilder is
een schilder enz." Platte gronden, doorsneden en dergelijke moge
men teekeningen kunnen noemen, werken van beeldende kunst zijn
zij zeker niet. Vonden zij als zoodanig dus geen bescherming, dan
zouden zij nog kunnen behooren tot de "plaat- en kaartwerken" van
art. 1 W. A. R. Over deze ongelukkig gekozen uitdrukking onzer wet
is te zijner plaatse (pp. 196 sqq.) reeds genoeg gezegd. Indien men
haar, wat te verwachten is, vóór onze toetreding tot de Conventie
uit de wet verwijdert, dan zou het m. i. aanbeveling verdienen, in
de plaats daarvan de--misschien wat omslachtige, maar in elk geval
duidelijke en volledige--termen der Conventie over te nemen, dus:
"landkaarten, geographische, topographische, bouwkundige of in het
algemeen wetenschappelijke ontwerpen, schetsen en plastische modellen".

Men ziet uit het bovenstaande, dat de Conventie 1886 van de staten
die wenschen toe te treden eischt, dat zij den besproken werken in
hunne wetgeving bescherming verleenen. In artikel 2 der Conventie
1908 is deze verplichting, om allen twijfel onmogelijk te maken,
uitdrukkelijk voorgeschreven. Het derde lid van dit artikel luidt:


    De contracteerende Landen zijn verplicht de bescherming der
    bovengenoemde werken te verzekeren.


Door deze nieuwe bepaling, welke elke nieuw-toetredende staat wel
zal dienen te aanvaarden, valt aan de genoemde verplichting in het
geheel niet meer te ontkomen. Want terwijl het vroeger nog mogelijk
was, dat een staat met eene onvolledige wetgeving op dit punt met
goedkeuring der aangesloten staten lid werd van het Verbond, zou nú
een dergelijke staat de Conventie schenden, indien niet ten spoedigste
in zijne wetgeving de noodige aanvulling werd gebracht.

Nog dient er hier op te worden gewezen, dat de verschillende soorten
van werken, welke artikel 2 (nieuw) en artikel 4 (oud) opsommen,
slechts als voorbeelden zijn genoemd van "producten op letterkundig,
wetenschappelijk of kunstgebied, die door den druk of op andere wijze
gepubliceerd kunnen worden." Kan dus een werk tot de laatstgenoemde
producten gerekend worden, dan geniet het ook de bescherming der
Conventie, al is het niet onder een van de met name genoemde rubrieken
onder te brengen. Door eene redactiewijziging heeft men deze bedoeling
(die men trouwens van den aanvang af ook met het oude artikel 4 gehad
heeft) in het nieuwe artikel 2 duidelijker uitgesproken. Van groot
practisch belang is dit echter niet, want in de eerste plaats blijft
er na de vrij volledige opsomming niet veel meer over, dat gerekend
zou kunnen worden tot de producten op letterkundig, wetenschappelijk
of kunstgebied, die door den druk of op andere wijze gereproduceerd
kunnen worden [545] (behoudens natuurlijk de werken, die hierboven
afzonderlijk zijn genoemd en die zoo aanstonds besproken zullen
worden: photographieën, choregraphische werken, werken der bouwkunst
en producten van kunstnijverheid); en in de tweede plaats zou uit deze
min of meer vage en voor subjectieve uitlegging vatbare aanduiding
m. i. moeilijk eene stellige verplichting zijn te halen, nóch voor
een staat (om zijne wetgeving te veranderen) nóch voor den rechter (om
tegen de wet van zijn land in de bescherming van een werk te erkennen).



Photographieën--Tegen het opnemen der photographieën in artikel 4
Conventie 1886 werd destijds door sommige staten bezwaar gemaakt, omdat
zij een auteursrecht van photografen in hunne wet niet kenden. Daar men
echter de internationale bescherming van dit recht, daar waar het wél
door de inlandsche wetgeving erkend werd, niet onmogelijk wenschte te
maken, werd in het Slotprotocol no. 1 de volgende bepaling opgenomen:


    Ten opzichte van artikel 4 is men overeengekomen, dat de
    verbondslanden, die aan photographieën het karakter van kunstwerken
    niet ontzeggen, zich verbinden aan deze werken de bepalingen der
    heden gesloten overeenkomst van haar in werking treden af ten goede
    te doen komen. Zij zijn overigens, afgezien van bestaande of nog
    te sluiten internationale verdragen, slechts gehouden de genoemde
    werken te beschermen in die mate als hunne wetgeving dit toelaat.


Men ziet, dat deze bepaling niet de verplichting oplegt,
om auteursrecht op photographieën in te voeren, daar waar het
niet bestaat. Doch de staten, die dit recht wél erkennen en die
aan photographieën het karakter van kunstwerken niet ontzeggen,
worden gedwongen dit recht, volgens de bepalingen der Conventie,
ook aan de photografen van andere Verbondslanden te verleenen,
zelfs aan degenen, die in hun eigen land onbeschermd zijn. Dit
laatste is eene uitzondering op het stelsel der Conventie 1886,
volgens hetwelk de internationale bescherming slechts aan die werken
ten goede komt, welke in hun eigen land (d. w. z. het land waar
zij het eerst gepubliceerd zijn of dat, waartoe de auteur behoort)
tot de beschermde producten worden gerekend. Voor het overige is
echter de photographie-bescherming aan dezelfde regels gebonden,
die de Conventie 1886 ten aanzien van alle andere werken inhoudt
(b.v. wat betreft de vervulling der voorwaarden en formaliteiten in
het land van herkomst en de berekening van den duur van het recht);
daar er niet een speciaal recht ten behoeve der photografen is in
het leven geroepen, doch slechts de verplichting gestipuleerd om hun
"de bepalingen der Overeenkomst ... ten goede te doen komen" [546].

De Additionneele Acte van Parijs (art. 2, I) bracht in deze bepaling
van het Bernsche Slotprotocol eene kleine wijziging. Volgens den ouden
tekst zijn alleen die staten verplicht de photographieën uit andere
Verbondslanden te beschermen, die daaraan "het karakter van kunstwerken
niet ontzeggen". Volgens deze bepaling was dus b.v. Duitschland, waar
vóór de wet van 9 Jan. 1907 de photographieën wel beschermd waren,
doch in eene afzonderlijke wet, niet als werken van beeldende kunst
(dus niet als "kunstwerken"), niet verplicht aan de photographieën uit
andere Verbondslanden bescherming te verleenen. In Parijs werd nu de
bepaling zoodanig gewijzigd, dat de verplichting wordt opgelegd aan
alle staten die de photographieën beschermen, onverschillig of deze
al dan niet als kunstwerken worden beschouwd.

Dit was de eenige wijziging, welke de regeling der photographieën
op de Parijzer Conferentie onderging. Wel werd nog in de Verklaring
(onder no. 1) uitdrukkelijk geconstateerd, dat de algemeene regel,
dat vervulling van voorwaarden en formaliteiten uitsluitend in het
land van herkomst kan geëischt worden, ook op de photographieën
toepasselijk is, doch men kan aannemen, dat dit ook zonder deze
uitdrukkelijke verklaring het geval was. Men nam haar slechts op,
om allen twijfel hieromtrent onmogelijk te maken.

Het Berner Slotprotocol no. 1 bevat nog een tweede lid, dat ook in
de Add. Acte van Parijs is blijven staan. Het houdt de bepaling in,
dat photographieën van beschermde kunstwerken, die met toestemming
van den rechthebbende zijn vervaardigd, even lang beschermd zijn in
het Verbond als deze kunstwerken zelve. Deze bepaling strekte dus
niet ter bescherming der photographie als auteursproduct, maar ter
bescherming van het kunstwerk tegen indirecte reproductie. Immers
het recht, dat de photograaf in het bedoelde geval zou kunnen doen
gelden, is niet het door hemzelf gevestigd auteursrecht, maar dat van
den schilder, teekenaar, beeldhouwer enz. hetwelk hem door dezen is
overgedragen. In dit nummer van het Slotprotocol, waar het auteursrecht
van den photograaf was geregeld, was de bepaling daarom niet op hare
plaats. Bovendien was zij volkomen overbodig; ook indien zij niet
bestond zou het verspreiden van eene reproductie van eene dergelijke
photographie tegen de bepalingen der Conventie strijden, als inbreuk
nl. op het recht van den auteur van het oorspronkelijke kunstwerk. Want
men is het er algemeen over eens, dat eene reproductie--van een
schilderij b.v.--ook dan inbreuk op het auteursrecht uitmaakt, wanneer
zij niet direct naar het origineel is vervaardigd, maar gemaakt is
met behulp van eene andere, reeds bestaande reproductie.

De Conventie 1908 behandelt de photographieën in artikel 3, dat
aldus luidt:


    De tegenwoordige Overeenkomst is toepasselijk op photographieën en
    op werken met een soortgelijk procédé verkregen. De contracteerende
    Landen zijn gehouden de bescherming ervan te verzekeren.


De laatstbesproken bepaling van Slotprotocol no. 1 tweede lid en
Add. Acte 1896 art. 2 I, B tweede lid is dus, zeer terecht, weggelaten.

Van meer belang is, dat het nieuwe artikel de bescherming der
photographieën in alle landen verplichtend stelt. In dit opzicht
zijn zij dus gelijkgesteld met die werken, welke in het eerste lid
van artikel 2 zijn genoemd. Men heeft ze echter niet onder de daar
opgesomde "werken van kunst en letterkunde" willen noemen, omdat
men de vraag, of de photographieën al dan niet tot de kunstwerken
gerekend moeten worden geheel in het midden wilde laten. Elke staat
wordt vrijgelaten de photographieën te qualificeeren zooals hij wil,
mits hij ze maar beschermt.

De invoering van de verplichte bescherming der photographieën hield
de vervulling in van een der "wenschen" welke op de Conferentie van
Parijs waren uitgesproken, nl.: "dat in alle Verbondslanden de wet
bescherming moge verleenen aan photographieën en aan werken, die met
een soortgelijk procédé zijn verkregen." [547] Doch het tweede deel
van dezen wensch: "dat de duur dezer bescherming minstens vijftien
jaren moge bedragen", heeft men op de Berlijnsche Conferentie niet
kunnen verwezenlijken. Hoezeer men ook het nut inzag van een uniformen
termijn, heeft men zich toch genoodzaakt gezien de beslissing over
den duur der bescherming aan de wet van elk land over te laten. De
desbetreffende bepaling vindt men in artikel 7 derde lid Conventie
1908; ik laat haar daarom hier verder onbesproken.

De eischen, welke de Conventie aan een nieuw-toetredenden staat stelt
ten aanzien der photographieën, kunnen na het voorgaande in het kort
aldus worden samengevat.

Indien geen reserves worden gemaakt, indien men dus de Conventie
1908 op dit stuk onvoorwaardelijk aanvaardt, is de toetredende
staat krachtens artikel 3 verplicht de photographieën bij zich te
beschermen. Nederland zou dus in dit geval óf in eene speciale wet,
óf in het tot wet te verheffen Ontw. B. K. deze bescherming moeten
invoeren; deze bescherming zou krachtens de Conventie voor de
photographieën uit alle andere Verbondslanden gelden.

Wenscht men de nieuwe Conventie op dit punt niet te volgen, dan is de
eenige mogelijkheid: aanvaarding van de bepaling der Add. Acte van
Parijs (art. 2, I B eerste lid). Men neemt dan niet de verplichting
op zich de bescherming der photographieën onmiddellijk in te voeren,
doch gaat men hier later eenmaal toe over, dan zal evenals in het
vorige geval die bescherming ook voor de photographieën uit de andere
Verbondslanden gelden.

Een beroep op de bepaling van het Berner Slotprotocol, zonder de
wijziging die daarin te Parijs is gebracht, is hier uitgesloten. Die
wijziging strekte, zooals wij zooeven hebben gezien, alleen, om de
internationale bescherming ook te doen gelden in die landen, waar
de photographieën wél beschermd worden, maar niet tot de kunstwerken
worden gerekend. Uitsluitend dus voor een land, waar dit het geval is
of waar men van plan is eene wet in dezen zin in te voeren, zou het bij
toetreding tot de Conventie eenigen zin hebben, de oude bepaling van
het Berner Slotprotocol boven die van de Add. Acte te verkiezen. Doch
wat zou men hiermede bereiken? Dat men in dat land de eigen photografen
zou kunnen beschermen, zonder die uit de andere Verbondslanden van die
bescherming te laten genieten, terwijl omgekeerd in die andere landen
de eigen photografen wél beschermd zouden zijn. Een systeem dus van
niets geven en alles ontvangen, dat elke beschaafde staat zich zou
schamen te aanvaarden. Dit zou met recht een misbruik maken genoemd
kunnen worden van de vrijheid, die art. 25 lid 3 der Conventie 1908
aan de staten die wenschen toe te treden, laat!

Er mag echter wel op worden gewezen, dat een staat, die zich aan de
Add. Acte van Parijs houdt, eveneens de voordeelen geniet, welke de
Conventie op dit punt verschaft, zonder daarvoor iets in de plaats
te geven. In geen enkel der Verbondslanden zijn de photographieën
van alle bescherming verstoken; in de meeste landen worden zij in
de wet uitdrukkelijk onder de beschermde auteursproducten genoemd
(Zweden, Noorwegen en Denemarken hebben eene afzonderlijke wet; in
Duitschland, Japan en Zwitserland bevat de wet op het auteursrecht
daarover speciale bepalingen; in Engeland, Luxemburg, Monaco en
Spanje worden zij in de wet met name onder de kunstwerken genoemd);
terwijl b.v. in Frankrijk, Italië en België, ondanks het ontbreken van
uitdrukkelijke wetsbepalingen, door de jurisprudentie een auteursrecht
op photographieën wordt erkend [548]. Hoogstwaarschijnlijk zullen
dus alle staten, die op dit oogenblik deel uitmaken van het Verbond,
het nieuwe artikel 3 aanvaarden (uit de verslagen van de Berlijner
Conferentie blijkt niet, dat één staat zich er tegen heeft verklaard)
[549]; voor een nieuw toetredenden staat, wiens onderdanen dus in
de geheele Unie de photographie-bescherming zullen kunnen inroepen,
brengt deze omstandigheid m. i. wel eenigszins de moreele verplichting
mee om, zoo dit eenigszins mogelijk schijnt, die bescherming ook bij
zich in te voeren.



Choregraphische werken--Ten aanzien der choregraphische werken
bestond in de Conventie 1886 eene soortgelijke regeling als ten
aanzien der photographieën. Evenals deze laatsten waren zij niet in
de opsomming van artikel 4 opgenomen, doch volgens Slotprotocol no. 2
waren de Verbondslanden "wier wetgeving onder de dramatisch-muzikale
werken ook de choregraphische werken begrijpt" gehouden ze van "de
voordeelen der bepalingen der heden gesloten Overeenkomst" te laten
genieten. Vooral Italië, waar balletten in de schouwburgzaal eene
groote plaats innemen, deed telkens moeite eene algemeene bescherming
in het geheele Verbond voor deze werken te verkrijgen; doch zoowel
te Bern [550] als te Parijs [551] stuitten deze pogingen op bezwaren
af van de andere mogendheden. Het begrip "choregraphisch werk" stond
nog te weinig vast en er bestond niet eene gevestigde opinie over de
grenzen, waarbinnen de bescherming van deze soort werken diende te
worden gehouden. Men bleef dus, tot aan de herziening van Berlijn,
bij de bovengenoemde bepaling van het Berner Slotprotocol, dat de
verplichting tot internationale bescherming alleen oplegt aan de
landen, waar deze werken reeds beschermd zijn, terwijl nog in een
tweede lid aan de rechters, die deze bepaling zouden hebben toe
te passen, de meest mogelijke vrijheid bij hunne uitlegging werd
verzekerd.

Op de Conferentie van Berlijn kwam Italië weer met het oude voorstel:
choregraphische werken en pantomimes op te nemen onder de beschermde
producten. De Duitsche Regeering wenschte ook de bepalingen der
Conventie algemeen op deze werken toepasselijk te verklaren, doch
alleen op diegenen, "waarvan de dramatische actie schriftelijk was
vastgelegd"; de balletten en pantomimes, die dezen tastbaren vorm
ontbeerden, kwamen naar de meening dezer Regeering wegens hun al te
vluchtig bestaan niet voor bescherming in aanmerking [552].

Met elk dezer beide voorstellen is bij het redigeeren der nieuwe
bepaling rekening gehouden. De bedoelde werken werden in artikel
2 opgenomen, (waardoor men dus de verplichte bescherming in alle
landen voor hen had verkregen, wat door beide bovengenoemde staten
was verlangd), terwijl de door Duitschland voorgestelde voorwaarde in
overleg met de Italiaansche gedelegeerden zoodanig werd aangevuld,
dat niet alleen de schriftelijke vorm, maar ook elke andere vorm
van fixeering (b.v. door middel van teekeningen) voldoende zal
zijn, om voor een werk de bescherming te verzekeren. Tusschen de
"dramatisch-muzikale werken" en de "muziekstukken" prijken dus nu in
het nieuwe artikel de "choregraphische werken en pantomimes, waarvan
de mise-en-scène door schrift of op andere wijze is vastgelegd."

Indien derhalve een staat, welke tot de Conventie toetreedt, niet
de verplichting wil op zich nemen deze werken te beschermen, zal
hieromtrent eene uitdrukkelijke verklaring moeten worden afgelegd. In
plaats van de dwingende bepaling der Conventie 1908 (art. 2 lid 1
jo lid 3) zal dan de oude regeling van het Berner Slotprotocol no. 2
ten aanzien van dien staat van kracht blijven.



Werken der bouwkunst--In een vorig hoofdstuk is reeds uiteengezet
(p. 232), wat men te verstaan heeft onder het auteursrecht op werken
der bouwkunst en waarin het verschil bestaat tusschen dit recht en
dat op bouwkundige plannen en teekeningen. Dit laatste behoeft hier
niet te worden besproken; wij hebben alleen te maken met het recht
op de bouwkundige werken zelf, onafhankelijk van den vorm, waarin
zij zijn openbaar gemaakt.

De Conventie 1886 bevat geen bepaling over deze werken; eerst op
de Conferentie van Parijs is de bescherming ervan in het Verbond
ingevoerd. Dit geschiedde door de volgende bepaling, opgenomen in de
Add. Acte art. 2, I, A.:


    In de landen van het Verbond, waar bescherming wordt verleend
    niet alleen aan bouwkundige plannen, maar ook aan de bouwkundige
    werken zelf, genieten deze werken de voordeelen der bepalingen van
    de Berner Overeenkomst en van de tegenwoordige Additionneele Acte.


Hierdoor waren de bouwkundige werken gelijkgesteld met de
photographieën en de choregraphische werken. Geen verplichting dus
om de bouwkundige werken uit andere Verbondslanden te beschermen dan
alleen in die landen, waar deze bescherming reeds voor de inlandsche
auteurs bestond.

Hoewel deze bescherming lang niet zoo algemeen in de verschillende
Verbondslanden erkend is als b.v. die der photographieën, is men
er toch op de Conferentie van Berlijn in geslaagd, ook hierop den
algemeenen regel (verplichte bescherming in alle Verbondslanden)
toepasselijk te verklaren. Zonder dat iemand er zich tegen
verzette zijn de bouwkundige werken in artikel 2 onder de beschermde
auteursproducten opgenomen. Alleen door Zweden werden reserves gemaakt
[553].

Daar in ons land op werken der bouwkunst geen auteursrecht bestaat,
terwijl ook het Ontw. B. K. ze uitdrukkelijk van de bescherming
uitsluit (art. 1 lid 2), zal men bij onze toetreding tot de Conventie
óf de wetgeving op dit punt moeten aanvullen óf uitdrukkelijk
verklaren, dat men de nieuwe Berlijnsche regeling niet aanvaardt.



Producten van kunstnijverheid en toegepaste kunst--Deze werken bieden
voor eene internationale regeling van het auteursrecht nog groote
moeilijkheden. In het algemeen is wel, zoowel bij de schrijvers als
in de wetgevingen van verschillende landen, een streven merkbaar,
om met de kunstwerken in het auteursrecht gelijk te stellen die
werken, welke als nijverheidsproducten ook aan andere dan zuivere
kunst-doeleinden dienstbaar zijn gemaakt. Doch over de vraag, welke
werken van kunstnijverheid of van toegepaste kunst het dan zijn,
die voor deze gelijkstelling in aanmerking komen, wordt nog zeer
verschillend gedacht.

Het is daarom verklaarbaar, dat men nóch op de Conferenties van Bern,
nóch op de herzienings-conferentie van Parijs, er in geslaagd is,
eene bepaling over deze werken in de Conventie te doen opnemen. In
de Conventie 1908 worden zij voor het eerst met name genoemd, en wel
in het laatste lid van artikel 2, dat aldus luidt:


    De producten van kunstnijverheid en toegepaste kunst (oeuvres d'art
    appliqué à l'industrie) zijn beschermd voor zoover de inlandsche
    wetgeving van elk land dit toelaat.


Ondanks de pogingen van verschillende staten (o. a. Frankrijk,
Duitschland, België en Italië) die voor de volkomen gelijkstelling
met de kunstwerken in engeren zin pleitten, heeft men zich ten
slotte moeten tevreden stellen met de bovengenoemde bepaling, die
alleen dwingend is voor de staten, waar auteursrecht op werken der
kunstnijverheid bestaat, en voor het overige alles aan de inlandsche
wetgeving overlaat.

Eene groote hervorming is hiermede niet bereikt. Want ook onder de
oude Conventie, die deze werken in 't geheel niet noemde, waren zij
niet geheel onbeschermd. Het laatste gedeelte van artikel 4 Conventie
1886 noemt onder de werken, waarop de Conventie toepasselijk is:
"... ten slotte ("enfin") elk product op letterkundig, wetenschappelijk
of kunstgebied, dat gepubliceerd kan worden door middel van den druk
of van eenige andere wijze van reproductie".

Het woord "enfin" waarmede deze zin wordt ingeleid, heb ik gemeend
te moeten vertalen door "ten slotte" en niet door "kortom", zooals
door anderen is gedaan. Oorspronkelijk stond in den Franschen tekst:
"et en général"; dit is veranderd in "enfin" uitsluitend terwille
der welluidendheid, omdat nl. anders wegens eene wijziging in het
voorafgaande woord, de uitdrukking "en général" tweemaal kort achtereen
in dezelfde zin zou zijn komen te staan. Het staat trouwens vast,
dat met het Fransche woord "enfin" niet is bedoeld de opsomming, die
eraan voorafgaat, af te sluiten, zoodat het daaropvolgende slechts eene
resumptie zou zijn van hetgeen voorafgaat. Het Fransche synoniem is,
zooals o. a. uitdrukkelijk door Numa Droz is verklaard [554], niet
"en somme" maar "en outre".

Met de laatste woorden van artikel 4 Conventie 1886 worden dus
weer andere producten bedoeld dan de reeds genoemde. En daar voor
photographieën, werken der bouwkunst en choregraphische werken elders
in de Conventie afzonderlijke bepalingen voorkomen, blijft er niet
veel meer over, waarop zij toepasselijk kunnen zijn, dan juist de
werken der kunstnijverheid.

Doch hiermede was de internationale bescherming van deze werken nog
niet op een hechten grondslag gevestigd. Want in de eerste plaats
is over de boven gegeven uitlegging van artikel 4 niet alle twijfel
uitgesloten; en bovendien kon verschil van meening bestaan over
den invloed, die in dezen aan de inlandsche wetgevingen moet worden
toegekend. Volgens het stelsel der Conventie 1886 moet een werk in
het land, waaruit het afkomstig is, tot de beschermde producten
behooren, wil het in een der andere Verbondslanden op de aldaar
geldende bescherming aanspraak maken. Dikwijls was dit ten aanzien
der hier bedoelde werken niet het geval; dan was dus de internationale
bescherming volgens de Conventie uitgesloten. Het kwam ook voor, dat
zekere categorieën van kunstnijverheids-producten in het ééne land
als kunstwerken, en in het andere land als objecten van industrieelen
eigendom werden beschermd. Men stond dan voor de moeilijke vraag,
of een dergelijk werk al dan niet als een "kunstwerk" in den zin der
Conventie was te beschouwen. Hierbij deed zich dan nog eene bijzondere
moeilijkheid voor in verband met de te vervullen voorwaarden en
formaliteiten, die in verscheidene landen voor industrie-producten wél,
doch voor kunstwerken niet werden geëischt. Had men eenmaal in zijn
eigen land de formaliteiten voor de industrieele bescherming vervuld,
dan was dit soms oorzaak dat in een ander land, waar hetzelfde werk
alleen als kunstwerk beschermd was, de bescherming werd geweigerd
[555].

Dit alles maakte, dat tot nu toe de bescherming der kunstnijverheid in
het Verbond--al was zij door de Conventie niet geheel uitgesloten--toch
van twijfelachtigen aard is geweest; met volkomen zekerheid viel er
in de meeste gevallen niet op te rekenen.

Hierin nu heeft de Conferentie van Berlijn wel eenige verbetering
gebracht. Het staat nu althans vast, dat zoodra de Conventie 1908 in
werking zal zijn getreden, in alle landen de bescherming volgens de
inlandsche wet zal kunnen worden ingeroepen, ook voor die werken,
waarvoor in hun eigen land geene bescherming bestaat. Voor de
rechters moge deze nieuwe regeling zeer eenvoudig zijn, daar zij nu
ten aanzien van alle producten van kunstnijverheid uit het geheele
Verbond slechts de wet van hun eigen land hebben toe te passen; voor
de belanghebbenden is zij dit zeer zeker niet. Immers om te weten,
waar voor een bepaald werk op bescherming kan worden gerekend en waar
niet, zal men de betreffende wetsbepalingen en de uitlegging, die er
aan wordt gegeven, in alle landen moeten kennen. Dat dit--vooral waar
het hier eene materie betreft waarover nog zooveel verschil van inzicht
bestaat--niet altijd even gemakkelijk zal vallen, springt in het oog.



Vertalingen, bewerkingen en verzamelwerken--Het tweede lid van artikel
2 Conventie 1908 is als volgt geredigeerd:


    Als oorspronkelijke werken worden beschermd, onverminderd de
    rechten van den auteur van het oorspronkelijk werk: vertalingen,
    bewerkingen (adaptations), muziek-arrangementen en andere
    reproducties in veranderden vorm (reproductions transformées)
    van een geschrift of kunstwerk, alsmede verzamelingen van
    verschillende werken.


Het noemen van deze werken onder degenen die door de Conventie
beschermd worden is iets nieuws. En al mag worden aangenomen,
dat de bedoelde rechten ook onder de oude Conventie bestonden,
kan de uitdrukkelijke vermelding op deze plaats uit een oogpunt van
volledigheid en stelselmatigheid als eene verbetering worden beschouwd.

De bescherming der vertalingen is in de Conventie 1886 wel
geregeld, doch het betreffende artikel (art. 6), is niet gelukkig
uitgevallen. Het luidt als volgt:


    Geoorloofde vertalingen worden als oorspronkelijke werken
    beschermd. Zij genieten derhalve, wat de onbevoegde reproductie
    ervan in de Verbondslanden betreft, de bescherming, vastgesteld
    in de artikelen 2 en 3.

    Wanneer het echter een werk betreft, waarvan de bevoegdheid
    tot vertalen gemeengoed is, kan de vertaler zich er niet tegen
    verzetten, dat hetzelfde werk ook door andere schrijvers vertaald
    wordt.


Uit alles blijkt, dat men bij de opstelling van dit artikel--wat
zoo dikwijls geschiedt--niet scherp genoeg van elkander heeft
weten te onderscheiden het uitsluitend vertalingsrecht van den
auteur van het oorspronkelijk werk en het recht van den vertaler op
zijne vertaling. De plaats, die men aan het artikel heeft gegeven
(nl. terstond ná de bepalingen over het uitsluitend vertalingsrecht
in art. 5) wijst dit reeds aan. Doch meer nog de bepalingen zelf.

Het artikel spreekt van geoorloofde vertalingen (traductions licites),
waarmede bedoeld zijn vertalingen, waarvan de verspreiding niet in
strijd is met het uitsluitend vertalingsrecht van den oorspronkelijken
auteur. Er bestaat echter, zooals reeds in dit proefschrift is
opgemerkt (pp. 179, 180), geen grond om den vertaler het recht op zijne
vertaling te onthouden in de gevallen, dat hij door de uitoefening
van dat recht met het uitsluitend vertalingsrecht van den auteur van
het werk in botsing zou komen. Beide rechten dienen onafhankelijk van
elkander erkend te worden. Niet alleen uit doctrinair oogpunt is het
woordje "licite" af te keuren; het bracht ook practische bezwaren bij
de toepassing. Tot de "geoorloofde" vertalingen behooren natuurlijk
ook degenen, die gemaakt zijn van werken, waarop geen uitsluitend
vertalingsrecht meer bestaat, daar in dat geval van den schrijver geene
toestemming behoeft gevraagd te worden. Doch volgens de Conventie 1886
is de duur van het vertalingsrecht niet in alle landen noodzakelijk
dezelfde. Daardoor kon het gebeuren, dat eene vertaling, waarin de
auteur van het oorspronkelijke werk niet was gekend, in het ééne land
"geoorloofd" was (omdat daar de termijn voor het vertalingsrecht
was verstreken) en in het andere land, waar het vertalingsrecht nog
voortduurde, en dus de toestemming van den auteur gevraagd had moeten
worden, "ongeoorloofd". Was zulke eene vertaling nu in het Verbond
beschermd? Hoe deze vraag moet worden opgelost komt er hier weinig
op aan; ik noemde haar slechts om ook op een der practische bezwaren
van het besproken artikel de aandacht te vestigen [556].

Een ander bezwaar tegen artikel 6 Conventie 1886 is, dat het door
uitsluitend naar de artikelen 2 en 3 te verwijzen, aan den vertaler
alleen bescherming tegen nadruk verleent en niet tegen onbevoegde
opvoering, voor 't geval het een tooneelstuk betreft. Het op- en
uitvoeringsrecht is in de Conventie 1886 geregeld in artikel 9;
hier wordt wel gesproken van het recht van den schrijver van een
tooneelstuk om zich tegen onbevoegde opvoering van vertalingen van
het stuk te verzetten, maar niet van het opvoeringsrecht van den
vertaler. Laatstgenoemd recht bestond dus niet onder de oude Conventie.

Het tweede lid van artikel 6 is volkomen overbodig. Op de
Conferentie van Berlijn stelde de Duitsche Regeering voor het te
laten vervallen. Als motief hiervoor werd opgegeven, dat het geval,
waarop de bepaling betrekking heeft, zich niet meer zou kunnen
voordoen, wanneer--wat deze Regeering eveneens voorstelde--het
uitsluitend vertalingsrecht met het reproductierecht in duur zou
zijn gelijkgesteld. Het was dan immers niet meer mogelijk, dat op een
werk wél auteursrecht en geen vertalingsrecht bestond [557]. Doch ook
al was deze laatste wijziging in de nieuwe Conventie niet tot stand
gekomen, bestond er alle reden om de bepaling te doen verdwijnen. Het
spreekt vanzelf dat een vertaler geen recht heeft, zich tegen het
uitgeven van andere vertalingen te verzetten, daar het object van
zijn recht is: de door hemzelf gemaakte vertaling. Het recht om
zich tegen de uitgave van andere vertalingen te verzetten (dus: het
uitsluitend vertalingsrecht) komt natuurlijk alleen den auteur van het
oorspronkelijke werk toe. Deze kan dat recht aan een vertaler hebben
overgedragen; maar met dit geval behoefde de Conventie zich niet in te
laten, en allerminst in een artikel dat het recht van den vertaler op
zijne vertaling regelt. Men ziet hier weer dezelfde dooreenhaspeling
van de beide rechten, als waarvan hierboven sprake was.

Na het voorgaande zal men inzien, dat de Conferentie van Berlijn
een goed werk deed, door het oude artikel 6 geheel te schrappen. In
de plaats daarvan is nu de eenvoudige vermelding gekomen, op de
plaats waar dit behoort, dat de vertalingen tot de door de Conventie
beschermde producten behooren. En daarmede is ook alles gezegd, wat
noodig was. Ten overvloede staat nog in het artikel: "onverminderd de
rechten van den auteur van het oorspronkelijk werk", hetgeen evengoed
had kunnen wegblijven. Verkeerde gevolgtrekkingen zijn uit deze
woorden echter niet te maken, en daarom kan men er vrede mede hebben.

Volgens de nieuwe bepaling zijn dus alle vertalingen in het geheele
Verbond beschermd (artikel 2 lid 2 jo lid 3 Conventie 1908). Onze
wet, die, zeer juist, "vertalers ten opzichte van hunne vertaling"
met auteurs gelijkstelt, is hiermede volkomen in overeenstemming. Op
dit punt bestaan dus niet de minste moeilijkheden met het oog op het
toetreden van ons land tot de Conventie.

Behalve de vertalingen noemt artikel 2 tweede lid nog: bewerkingen
en verzamelwerken.

Bewerkingen kunnen worden gemaakt van werken der toonkunst
(muziek-arrangementen), van geschriften (b.v. de omwerking van roman
tot toneelstuk) en ook van werken van beeldende kunst (b.v. een
ets naar eene schilderij). Op al deze soorten is de bepaling
toepasselijk. De bedoeling is natuurlijk, dat alleen die bewerkingen
beschermd worden, welke het resultaat zijn van eigen scheppenden
arbeid; en niet min of meer vermomde namaken of nadrukken van het
origineel. Aan dit laatste moet, zooals dat hierboven is uiteengezet,
een nieuwe uiterlijke of innerlijke vorm zijn gegeven, wil de bewerker
op auteursrecht aanspraak kunnen maken.

De bepaling laat echter--wat trouwens in deze materie niet anders
kan--eene groote vrijheid van beweging over aan wetenschap en
jurisprudentie, en het is daarom te voorzien, dat zij niet overal
in het Verbond precies op dezelfde wijze zal worden uitgelegd. De
inlandsche wetten kunnen ook op dit stuk bijzondere--min of meer
van elkaar afwijkende--bepalingen bevatten, die voorzoover zij met
het beginsel der Conventie niet in strijd zijn, ook op de werken uit
andere Verbondslanden toepassing zullen blijven vinden.

Een staat, die de bepaling zonder reserve aanvaardt, verbindt zich
(krachtens lid 3 van hetzelfde artikel), de genoemde werken bij zich te
beschermen. Eene uitdrukkelijke wetsbepaling is hiervoor niet noodig,
mits er eenige waarborg zij, dat die bescherming in voorkomende
gevallen werkelijk zal worden verleend. Of dit in ons land bij de
bestaande wetgeving het geval is, mag worden betwijfeld. De wet
zwijgt op dit punt en de rechtspraak heeft zich zoover mij bekend,
nog nooit duidelijk hierover uitgesproken [558]. Wil derhalve ons
land de verplichting, welke de bepaling oplegt, getrouw nakomen,
dan zal eene uitdrukkelijke vermelding van de genoemde werken in
onze wet (waartegen waarschijnlijk niemand eenig bezwaar zal hebben)
gewenscht zijn.

Wat de werken van beeldende kunst betreft bevat het Ontw. B. K. in
artikel 4 eene bepaling, die--eenmaal tot wet verheven--volkomen
aan de eischen der Conventie zou voldoen. Aan hem, die een werk
van beeldende kunst, door een ander vervaardigd, door eene andere
beeldende kunst of door eene mechanische bewerking namaakt, wordt
daarbij het auteursrecht op dien namaak verleend. Dit recht wordt
door het Ontwerp (art. 11) in tijdsduur achtergesteld bij het overige
auteursrecht; dat deze bepaling afkeuring verdient heb ik reeds pogen
aan te toonen (p. 228); met de bepalingen der Conventie is dit echter,
zooals hieronder nog zal blijken, niet in strijd.

Ten slotte noemt het tweede lid van artikel 2 der Conventie nog:
verzamelingen van verschillende werken. In het rapport van Renault
wordt hierover o. a. opgemerkt: "Ce que l'on veut protéger, c'est
le travail qui a consisté à réunir divers oeuvres suivant un plan
déterminé, d'après un mode de groupement plus ou moins ingénieux"
[559]. Wat hierboven van de bewerkingen is gezegd, geldt ook voor
de verzamelwerken. Niet elke verzameling van losse stukken is een
auteurs-product. Aan den rechter, voorgelicht door de wetenschap,
blijft het te beslissen, wanneer dit al dan niet het geval is, en
men kan verwachten, dat daarbij niet in alle landen dezelfde maatstaf
zal worden gebruikt.

Onze wet verleent auteursrecht aan ondernemers van werken "gevormd
door bijdragen van onderscheidene mede-arbeiders" (art. 2, a). Geen
bescherming wordt dus verleend voor verzamelingen van verschillende
werken van eenzelfden auteur. De Conventie spreekt echter van
"verzamelingen van verschillende werken"; met opzet zijn de woorden
"van verschillende auteurs" die in het Duitsche voorstel, waaraan
de bepaling is ontleend, daarop volgden, weggelaten, omdat men ook
verzamelingen van werken, die van een en denzelfden auteur afkomstig
zijn, onder de bepaling wilde begrijpen [560]. Op dit--trouwens niet
zeer belangrijke--punt stemt onze wet dus niet geheel overeen met
de Conventie.



III Aard en omvang der bescherming (Conv. 1908 artt. 4, 5 en 6;
Conv. 1886 artt. 2 en 3; Add. Acte 1896 art. 1, I en II; Verklaring
1896 1o en 2o)

De drie artikelen, die nu volgen, bevatten in hoofdzaak het geheele
systeem, waarop de internationale bescherming in het Verbond berust.

Men vindt hier in de eerste plaats een antwoord op de vraag, welke
werken van deze bescherming genieten. De verschillende soorten
van werken, waarop de Conventie toepasselijk is, zijn in de twee
voorgaande artikelen genoemd; doch dit beteekent niet, dat alle
geschriften, muziekwerken, werken van beeldende kunst enz. enz. uit
de geheele wereld in het Verbond beschermd zijn. De Conventie trekt
zich alleen het lot van die werken aan, welke, hetzij door de plaats
van verschijnen, hetzij door de nationaliteit van den auteur, in een
van de Verbondslanden thuis behooren.

De tweede vraag, waarop deze artikelen een antwoord geven, betreft
den aard en omvang der bescherming, welke aan de genoemde werken
ten deel valt, dus: wáár men de bepalingen heeft te zoeken die in de
internationale betrekkingen moeten worden toegepast.

Als hoofdregel is hierbij aangenomen, dat de wet toepasselijk is
van het land, waar de bescherming wordt ingeroepen (de lex fori). Dit
beginsel heeft men gevolgd, voornamelijk om de rechters niet te dwingen
het, voor hen dikwijls moeilijk verstaanbare, buitenlandsche recht
toe te passen. Doch tegen eene zuivere toepassing van dezen regel
bestond het bezwaar, dat het daardoor mogelijk werd voor een auteur,
om in een ander land rechten van wijder strekking te genieten dan die
hem door de wet van zijn eigen land werden verleend. Om dit zooveel
mogelijk te voorkomen heeft men de bepaling opgenomen, dat naast de
lex fori op sommige punten ook eene andere wet zou meetellen en wel de
wet van het land waaruit het werk afkomstig is. Bij de herziening van
Berlijn is de invloed die aan deze laatste wet door de Conventie 1886
was toegekend weliswaar weer eenigermate ingekort, doch niet geheel
weggenomen. Ook volgens de Conventie 1908 moet de rechter dus behalve
met de wet van zijn eigen land rekening houden met die van het land,
waaruit het werk afkomstig is.

Uit het bovenstaande volgt, dat de vraag, welk land moet beschouwd
worden als dat waaruit het werk afkomstig is, in verschillende
opzichten van belang is. Het "land van herkomst" (pays d'origine) moet,
wil de Conventie van toepassing zijn, behooren tot de toegetreden
staten; en bovendien is zijne wetgeving van invloed op de mate van
bescherming, die het werk in de andere Verbondslanden geniet.

Het is daarom noodig, dat het begrip "land van herkomst" nauwkeurig
vaststa. De Conventie (C. 1908 art. 4 lid 3, C. 1886 art. 2 lid 3
en 4) maakt te dien opzichte onderscheid tusschen gepubliceerde en
niet-gepubliceerde werken: voor de eerste geldt als land van herkomst
dat waarin de publicatie heeft plaats gehad (het stelsel dus van de
nationaliteit van het werk), voor de laatste dat waartoe de auteur
behoort (nationaliteit van den auteur). Over de beteekenis van deze
beide uitdrukkingen: "tot een land van het Verbond behoorend auteur" en
"gepubliceerde werken" dient eerst het een en ander te worden gezegd.



1 "Tot een Verbondsland behoorend auteur"--Deze uitdrukking (auteur
ressortissant à l'un des pays de l'Union) werd gekozen door de
Commissie van de Berner Conferentie van 1884 in plaats van de woorden
"sujets ou citoyens", die niet overeenkwamen met de in de verschillende
wetgevingen gebruikte termen [561]. Zoowel de Commissie van 1884
als die van 1885 [562] verklaarden uitdrukkelijk, dat de uitdrukking
"ressortissant", die in de Conventie herhaaldelijk voorkomt (Conventie
1886 art. 2 lid 1 en 4, art. 5 lid 1; Conventie 1908 art. 4 lid 1,
art. 5, art. 6, art. 8), en de daaraan synonieme "appartenant"
(C. 1886 art. 3; C. 1908 art. 4 lid 3) hetzelfde beteekenen als:
"qui ont l'indigénat".

Hoewel de opsomming van al deze verschillende termen geen duidelijke
verklaring mag heeten van de beteekenis van het begrip, dat men
wilde uitdrukken, is twijfel hierover toch volkomen uitgesloten. De
band, die hier wordt bedoeld, is die van de nationaliteit of van het
onderdaanschap [563]. Bij Duitsche schrijvers vindt men hiervoor de
termen: staatszugehörig en angehörig, en ook wel: heimatberechtigt
[564]; de Fransche spreken ook van: nationaux [565]. Dat men zich aan
eene definitie van dit begrip niet heeft gewaagd, is begrijpelijk,
daar elke staat op zijne wijze vaststelt, welke personen daartoe
behooren en welke daarvan de gevolgen zijn.

De Conventie neemt dus de nationaliteit van den auteur tot
criterium, en niet, zooals de Nederlandsche wet, de woonplaats;
op de moeilijkheden, die uit dit verschil van stelsel bij onze
aansluiting zouden voortspruiten, kom ik zoo aanstonds nog terug. Ik
wil er hier slechts even op wijzen, dat wanneer ons land bij de
Conventie zal zijn aangesloten, onder de "tot den Nederlandschen
staat behoorende auteurs" gerekend zullen moeten worden niet alleen
de "Nederlanders" volgens de wet van 12 December 1892 (Stbl. 268),
maar daarenboven zij, die sommige schrijvers "onderdanen" noemen,
hoewel zij volgens art. 12 van de wet van 1892 tot de "vreemdelingen"
behooren, en waartoe o. a. gerekend moet worden de geheele inlandsche
en daarmede gelijkgestelde bevolking van Nederlandsch-Indië [566]. In
een onlangs (16 April 1909) bij de Tweede Kamer ingediend wetsontwerp
wordt het Nederlandsch-onderdaanschap van de eigen bevolking van
Nederlandsch-Indië uitdrukkelijk erkend [567]. Indien dit ontwerp vóór
onze toetreding tot de Conventie wet is geworden, zal men het woord
"ressortissants" met betrekking tot ons land kunnen vertalen met
"Nederlandsche onderdanen", wat dan zal beteekenen: allen, die naar
ons recht niet tot de vreemdelingen behooren.



2 Publiceeren--Over de beteekenis van het woord "publier" in de
Conventie heerschte vóór 1896 eenige onzekerheid. Door sommigen werd de
uitdrukking in ruimen zin opgevat, zoodat er elke openbaarmaking onder
verstaan moest worden, niet alleen die door den druk, maar b.v. ook
door op- of uitvoering, voorlezing, tentoonstelling, enz. Deze ruime
opvatting van het woord vond eenigen steun in eene opmerking van den
afgevaardigde Lavollée op de Conferentie van 1884 naar aanleiding
van het woord éditeur in art. 3, waaronder deze afgevaardigde meende
te moeten verstaan niet alleen een uitgever in den gewonen zin van
het woord, maar ook b.v. een schouwburg-ondernemer [568]. Hoewel deze
opvatting niet werd weersproken, mag toch worden betwijfeld, of zij in
1884 algemeen werd gedeeld. Reichardt verklaarde dienaangaande op de
Conferentie van Parijs: "On tenait avant tout à aboutir, c'est pourquoi
aucune voix ne s'éleva pour réclamer contre cette interprétation"
[569]; en deze zelfde afgevaardigde had reeds in 1885 bij de bespreking
van artikel 2 opgemerkt, dat de Duitsche wetenschap en jurisprudentie
eene mondelinge publicatie (par la parole) van een letterkundig werk
niet erkent [570]. Ik meen daarom, dat ook vóór 1896 de uitdrukking
"publier" in de Conventie de beteekenis had van "in druk verschijnen"
en dat daaronder niet viel op- en uitvoering en tentoonstelling [571].

In Parijs is echter voor de staten, die de Verklaring hebben
geteekend, alle twijfel weggenomen. Zoowel de Fransche als de
Duitsche afgevaardigden hadden eene speciale memorie opgesteld,
waarin de wenschelijkheid werd uitgesproken, het begrip "publication"
nauwkeuriger vast te stellen [572]. In aansluiting hiermede werd in
de Verklaring (sub 2o) de interpretatie opgenomen, die hierboven is
weergegeven. Dezelfde bepaling werd later opgenomen in de Conventie
1908 (art. 4 laatste lid).

Een gepubliceerd werk volgens de Conventie is dus een werk dat in
druk is verschenen, of volgens de terminologie van onze wet: een
"door den druk gemeen gemaakt" werk; tot de niet gepubliceerde
(door den druk gemeen gemaakte) werken behooren dus b.v. tooneel-
en muziekstukken, ook al zijn zij op- of uitgevoerd; mondelinge
voordrachten, teekeningen, schilderijen, beeldhouwwerk, zoolang
zij niet verveelvoudigd en exemplaren ervan in den handel zijn
gebracht. Ten aanzien van werken der bouwkunst kan eene publicatie
in den zin der Conventie alleen plaats hebben door de uitgave van
plannen en teekeningen; in de Conventie 1908 is nog de uitdrukkelijke
vermelding opgenomen (die in de Verklaring 1896 ontbrak) dat de bouw
geene publicatie uitmaakt.



Wat als "land van herkomst" van een werk wordt beschouwd is na
bovenstaande uitlegging duidelijk. Voor onuitgegeven werken is het
het land, waartoe de auteur volgens zijne nationaliteit behoort;
voor uitgegeven werken datgene waar de eerste uitgave heeft plaats
gehad. Indien de eerste uitgave tegelijkertijd in twee of meer landen,
die tot het Verbond behooren, plaats heeft gehad, dan wordt datgene
als land van herkomst beschouwd, dat den kortsten beschermingstermijn
heeft. De beteekenis van deze bepaling zal hieronder bij de
behandeling van artikel 7 blijken. De Conventie voorziet eindelijk
nog een ander geval: gelijktijdige uitgave van hetzelfde werk in en
buiten het Verbond. Alsdan wordt alleen het Verbondsland, waarin
de uitgave heeft plaats gehad, als land van herkomst beschouwd;
de gelijktijdige uitgave buiten het Verbond heft dus de bescherming
daarbinnen niet op. Deze laatste bepaling komt voor het eerst voor
in de Conventie 1908; er bestaat echter geen reden om aan te nemen,
dat volgens de oude Conventie anders zou moeten worden beslist.

Het spreekt vanzelf (al wordt het in de Conventie niet uitdrukkelijk
gezegd), dat waar van uitgave of publicatie wordt gesproken,
alleen wordt bedoeld de uitgave, welke van den rechthebbende op het
auteursrecht uitgaat [573].

Het systeem der Conventie kan nu in het kort als volgt worden
samengevat.

De Conventie is toepasselijk op: 1o De niet door den druk gemeen
gemaakte werken van auteurs, die tot een van de landen van het Verbond
behooren, en

2o De door den druk gemeen gemaakte werken, onverschillig van welke
nationaliteit de auteur is, waarvan de eerste uitgave in een van de
landen van het Verbond heeft plaats gehad.

Buiten de bescherming der Conventie vallen dus: de niet door den
druk gemeen gemaakte werken van auteurs, die niet tot een der landen
van het Verbond behooren en de door den druk gemeen gemaakte werken,
waarvan de eerste uitgave buiten het Verbond heeft plaats gehad.

De bescherming, welke aan de auteurs van een werk waarop de Conventie
van toepassing is, ten deel valt, bestaat in het algemeen in het
volgende: in het land van herkomst genieten zij de rechten, die de
wet aldaar verleent;

in de overige Verbondslanden de rechten, die door de betreffende wetten
voor de inlandsche werken verleend worden, doch met inachtneming van
enkele bepalingen van de wet van het land van herkomst; en bovendien
de rechten, die in de Conventie zelve zijn omschreven (zooals b.v. het
vertalingsrecht).

In hoofdtrekken is hiermede het stelsel der Conventie (zoowel vóór als
ná de herziening van Berlijn) weergegeven. Het is nu echter noodig
enkele punten eenigszins nauwkeuriger te bezien, waarbij dan tevens
gewezen kan worden op hetgeen te Parijs en te Berlijn gewijzigd is.



Een punt van groot belang, waarmede ik mij het eerst wil bezighouden,
is: de invloed van de wet van het land van herkomst van een werk op
de bescherming, die dat werk in de overige Verbondslanden geniet.

Die invloed bestaat volgens de Conventie 1886 hieruit, dat: 1o geen
bescherming in de overige Verbondslanden wordt verleend, wanneer
niet in het land van herkomst de voorwaarden en formaliteiten, die
de wet aldaar voorschrijft, zijn vervuld, en 2o dat de duur van het
auteursrecht in de andere Verbondslanden dien van de wet van het land
van herkomst niet kan overschrijden (Conventie 1886 art. 2 tweede lid).

Over de beteekenis van de woorden "voorwaarden en formaliteiten"
(conditions et formalités) kan geen verschil van meening bestaan. Met
"conditions" zijn bedoeld de materieele voorwaarden als b.v. het
voorbehoud van auteursrecht of vertalingsrecht, dat in sommige
gevallen door de wetten wordt geëischt; "formalités" zijn de formeele
voorwaarden, zooals inzending van exemplaren of verklaringen [574].

Artikel 2 tweede lid Conventie 1886 bepaalt, dat de bescherming in de
andere landen afhankelijk is van het vervullen dezer voorwaarden en
formaliteiten in het land van herkomst. Dit beteekent, dat alleen in
het land van herkomst het vervullen van voorwaarden en formaliteiten
mag worden geëischt; op zeer enkele uitzonderingen na is men het steeds
over deze uitlegging der bepaling eens geweest; van den aanvang af
heeft het in de bedoeling gelegen de auteurs vrij te stellen van het
vervullen van voorwaarden en formaliteiten in alle Verbondslanden,
hetgeen in de practijk immers slechts door zeer weinigen zou worden
gedaan. De afgevaardigde Reichardt noemde dit zelfs op de Conferentie
van Parijs: "le point de départ et le but principal de la Convention
de Berne" [575].

Toch heeft men het, om elke verkeerde uitlegging op dit punt onmogelijk
te maken, gewenscht geacht in de Parijzer Verklaring (1o) nog eens
uitdrukkelijk te zeggen, dat de Conventie alleen in het land van
herkomst de vervulling eischt van de door de wet gevorderde voorwaarden
en formaliteiten.

Op dit punt heeft de rechter dus in elk geval de wet van het land
van herkomst te raadplegen. Bovendien heeft hij dit te doen voor
de berekening van den duur der bescherming. Volgens art. 2 lid 2
Conventie 1886 kan de bescherming niet langer duren ("ne peut excéder")
dan in het land van herkomst. Er is gestreden over de vraag, of door
deze woorden aan de Verbondsstaten de verplichting wordt opgelegd,
geen bescherming te verleenen, wanneer deze in het land van herkomst
heeft opgehouden, dan wel of de binnenlandsche wetgeving, indien
deze ook voor vreemde werken een langeren termijn van bescherming
stelt dan die van het land van herkomst, mocht worden toegepast. Het
lijdt m. i. geen twijfel of de laatste opvatting is de juiste. Het,
meermalen uitgesproken, beginsel van de Conventie is altijd geweest,
dat zij slechts een minimum van bescherming waarborgt; het staat den
Verbondsstaten steeds vrij, hetzij door hunne inlandsche wetgeving,
hetzij door afzonderlijke tractaten, deze bescherming verder uit te
breiden. Dit was ook de algemeene opinie op de Conferentie van Parijs,
van welker juistheid men toen zoozeer overtuigd was, dat het opnemen
van eene uitdrukkelijke verklaring in dezen zin in de Déclaration,
waartoe de Zwitsersche delegatie een voorstel had gedaan, onnoodig
werd geacht [576].

De beteekenis der bepaling is dus duidelijk. De bescherming,
d. w. z. de bescherming die het werk krachtens de Conventie toekomt,
kan niet langer duren dan die, welke de wet van het land van herkomst
verleent. Volgens de Conventie 1886 is dus een werk, dat tot land van
herkomst heeft Duitschland (waar de wet bescherming verleent dertig
jaar na den dood des auteurs) in Frankrijk (waar het auteursrecht
vijftig jaar na den dood des auteurs blijft bestaan) toch maar dertig
jaar beschermd, doch in Luxemburg, waar de interne wetgeving ook
buiten de Conventie om toepasselijk zou zijn, vijftig jaar.

De boven besproken bepalingen van de Conventie 1886 brengen mede,
dat voor een werk, hetwelk in het land van herkomst niet beschermd
is, ook in de andere Verbondslanden geene bescherming (krachtens de
Conventie) is te vinden. Dit is niet alleen het geval, wanneer het
ontbreken van bescherming in het land van herkomst een gevolg is van
het niet vervullen der aldaar gevorderde voorwaarden en formaliteiten
(dat alsdan in de andere landen geen bescherming kan worden verleend
is volgens de besproken bepaling niet twijfelachtig) maar ook indien
men met een werk te doen heeft, dat in het land van herkomst absoluut
van de bescherming is uitgesloten, omdat het volgens de daar geldende
wet niet tot de beschermde producten wordt gerekend. Dit laatste
wordt niet algemeen aangenomen; toch schijnt het mij niet mogelijk
eene andere oplossing aan de vraag te geven. De bescherming mag
in de andere Verbondslanden niet langer duren dan in het land van
herkomst: dit sluit m. i. in, dat wanneer in laatstgenoemd land
geen bescherming wordt verleend, deze ook in de andere landen moet
ontbreken. De tegenovergestelde meening zou o. a. tot de zonderlinge
gevolgtrekking moeten voeren, dat een werk, afkomstig uit een land met
een korten beschermingstermijn (b.v. Duitschland met 30 j. p. m. a.),
in de landen met een langeren termijn er beter aan toe zijn indien
het in het land van herkomst niet, dan indien het er wél beschermd
is. In het eerste geval toch zou het den vollen duur der bescherming
genieten, terwijl in het tweede geval volgens den korteren termijn
van het land van herkomst zou moeten gerekend worden.

Een vereischte voor de toepasselijkheid der Conventie 1886 is dus, dat
er in het land van herkomst op het werk auteursrecht bestaat. Indien
de rechter zich eenmaal hiervan overtuigd heeft, dan heeft hij voor
het overige uitsluitend de wet van zijn eigen land toe te passen,
behoudens natuurlijk erkenning van de rechten, welke in de Conventie
zelve omschreven zijn. Het geval is daarom niet uitgesloten, dat een
auteur in een ander land rechten van wijder strekking geniet dan die
de wet van zijn eigen land verleent. Wat den omvang der bescherming
betreft (dus: de verschillende den auteur toekomende bevoegdheden)
en de rechtsmiddelen welke hem ter handhaving van het recht ten
dienst staan behoeft geene vergelijking te worden gemaakt tusschen
de wetten van het land van herkomst en van dat, waar de bescherming
wordt ingeroepen; in deze opzichten zijn uitsluitend de bepalingen
van de laatstgenoemde wet van toepassing.



De herziening van Berlijn heeft in het bovenbesproken stelsel
eene gewichtige verandering gebracht. Het tweede lid van artikel 4
Conventie 1908, dat in de plaats is gekomen van het tweede lid van
art. 2 Conventie 1886, luidt als volgt:


    Het genot en de uitoefening dezer (d. w. z. in het eerste lid
    van het artikel genoemde) rechten is aan geen enkele formaliteit
    onderworpen; dit genot en deze uitoefening zijn onafhankelijk
    van het bestaan van bescherming in het land van herkomst van het
    werk. Bijgevolg worden, behoudens de bepalingen dezer Overeenkomst,
    de uitgebreidheid der bescherming alsmede de middelen, welke den
    auteur zijn verzekerd tot handhaving zijner rechten, uitsluitend
    bepaald door de wetgeving van het land waar de bescherming wordt
    ingeroepen.


Deze nieuwe bepaling komt in hoofdzaak overeen met hetgeen op
dit punt door de Duitsche Regeering op de Conferentie van Berlijn
was voorgesteld. Het Duitsche voorstel ging echter nog verder en
strekte om ook den duur der bescherming in de andere Verbondslanden
niet langer afhankelijk te doen zijn van de wet van het land van
herkomst. Dit punt is in de Conventie 1908 afzonderlijk geregeld,
en wel in artikel 7. Ik stel dus de bespreking tot later uit, maar
wensch hier reeds te vermelden, dat er, wat den duur der bescherming
betreft, aan den ouden toestand feitelijk niets is veranderd. Volkomen
onafhankelijkheid van de wet van het land van herkomst heeft dus de
Conventie 1908 niet gebracht. Wél echter houdt het nieuwe artikel,
zooals men ziet, de uitdrukkelijke bepaling in, dat het ontbreken
van bescherming--om welke reden dan ook--in het land van herkomst
geen beletsel is voor de bescherming in de andere landen.

De bescherming is nu aan geen enkele formaliteit meer onderworpen,
nóch in het land van herkomst, nóch in dat waar de bescherming
wordt ingeroepen. Het artikel spreekt alleen van "formaliteiten",
niet, zooals vroeger van "voorwaarden en formaliteiten"; doch in
het commissie-rapport wordt dienaangaande opgemerkt, dat men met
"formalités" hetzelfde bedoelde als wat de Conventie 1886 noemde:
"conditions et formalités" [577]. Welke reden men had om de
oude uitdrukking niet meer in haar geheel over te nemen, wordt
niet meegedeeld; waarschijnlijk was het de vrees, dat het woord
"condition" misschien wat ál te ruim mocht worden opgevat. Op de
mogelijkheid hiervan had ook de Duitsche Regeering bij de toelichting
harer voorstellen gewezen; volgens haar moesten er niet toe gerekend
worden de "innerlijke voorwaarden" die als het ware tot het recht
zelve behooren, zooals b.v. de voorwaarde van nog niet in druk te zijn
verschenen, die sommige wetten verbinden aan het uitsluitend recht om
een werk in het openbaar voor te dragen. Om dit goed te doen uitkomen,
had de Duitsche Regeering in plaats van "voorwaarden en formaliteiten"
willen lezen "formaliteiten en uiterlijke voorwaarden" (conditions
extrinsèques) [578]. Tot die uiterlijke voorwaarden behooren dan
b.v. het voorbehoud, de vermelding van den naam des auteurs en andere
verklaringen of mededeelingen van dien aard op de gedrukte exemplaren
van het werk.

Over de zaak zelve is men het blijkbaar steeds--en ook op de
Conferentie van Berlijn--eens geweest; de moeilijkheid lag slechts in
het vinden van de juiste uitdrukking. Nu de Conventie alleen spreekt
van "formaliteiten" zijn daaronder zonder twijfel ook de "uiterlijke
voorwaarden", welke de Duitsche Regeering bedoelde, begrepen. Voor
een verkeerde uitlegging bestaat trouwens weinig kans. Dat men zich in
het land van herkomst aan geen enkele voorwaarde of formaliteit meer
heeft te storen om in de overige landen beschermd te zijn, is aan geen
twijfel onderhevig, daar immers het bestaan van bescherming aldaar
niet eens meer wordt geëischt. En van het vervullen van voorwaarden
en formaliteiten in de andere landen was men--zooals hierboven is
medegedeeld--reeds krachtens de Conventie 1886 vrijgesteld. Dat de
Conventie 1908 hierin verandering zou hebben gebracht en dus eene
belemmering voor de bescherming zou hebben ingevoerd, die vroeger
niet bestond, zal wel niemand, die zich van de beteekenis en het doel
der Berlijnsche herziening eenigermate op de hoogte heeft gesteld,
durven beweren.

Uit het bovenstaande mag echter niet worden afgeleid, dat de
Conventie 1908 aan alle voorwaarden en formaliteiten in het Verbond
een einde heeft gemaakt. De bepaling van het tweede lid van artikel
4, dat ik hierboven heb afgeschreven, slaat alleen op de rechten,
die in het eerste lid van hetzelfde artikel worden genoemd en daar is
alleen sprake van de bescherming, die de tot een der Verbondslanden
behoorende auteurs genieten in alle landen van het Verbond, behalve
in het land van herkomst van het werk. Artikel 4 beslist dus niets
ten aanzien van de bescherming die de tot een der Verbondslanden
behoorende auteurs genieten in het land van herkomst van het werk;
en evenmin ten aanzien der bescherming, die de auteurs, welke niet
tot een der landen van het Verbond behooren, zoowel in het land
van herkomst als in de andere landen genieten. De desbetreffende
bepalingen vindt men in de artt. 5 en 6 Conventie 1908, welke beide
artikelen nu nog een oogenblik afzonderlijk besproken dienen te worden.

Artikel 5 is als volgt geredigeerd:


    Zij die tot een der landen van het Verbond behooren, en hunne
    werken voor de eerste maal publiceeren in een ander Verbondsland,
    hebben in laatstgenoemd land dezelfde rechten als de inlandsche
    auteurs.


Eene dergelijke bepaling kwam in de Conventie 1886 niet voor. Men
achtte het blijkbaar vanzelf sprekend, dat een werk in zijn eigen land
van herkomst onder de bepalingen der wet viel en vond het onnoodig,
dat de Conventie dit uitdrukkelijk vaststelde.

De Duitsche Regeering, van wie het voorstel tot het opnemen der
bepaling op de Conferentie van Berlijn is uitgegaan, merkte bij de
motiveering ervan op, dat het niet redelijk is, dat de Conventie, welke
de eerste uitgave binnen het Verbond als eene onmisbare voorwaarde
stelt voor elke bescherming, zich niets zou aantrekken van het lot, dat
aan het werk is beschoren juist in het land, waar dit werk om zoo te
zeggen genationaliseerd zou zijn [579]. Met deze overweging hebben alle
Berlijnsche gedelegeerden zich, blijkens het Commissieverslag [580],
kunnen vereenigen en het voorstel der Duitsche Regeering werd, nadat
de redactie eenigszins was gewijzigd, in de nieuwe Conventie opgenomen.

Het verdient opmerking, dat het artikel alleen die gevallen op
het oog heeft, waarin het land van herkomst van het werk niet dat
is, waartoe de auteur behoort. De Conventie bemoeit zich dus niet
met de bescherming, die een auteur geniet in zijn eigen land voor
zijne onuitgegeven werken of voor zijne werken, die hij in het land
zelf heeft doen uitgeven. Dit is eene zaak die, naar het oordeel
der Commissie, uitsluitend den inlandschen wetgever aangaat. Eene
bepaling in de Conventie, die de toepasselijkheid der inlandsche wet
op de bedoelde werken vaststelt, kon trouwens overbodig worden geacht,
daar in geen der landen, die nu deel uitmaken van het Verbond, door
de wet aan deze werken bescherming wordt onthouden. In ons land is
dit echter ten aanzien van enkele dezer werken wél het geval; reden
waarom ik zoo aanstonds nog op deze kwestie terugkom.

De strekking van art. 5 Conventie 1908 is overigens duidelijk. Er wordt
eenvoudig bepaald, dat voor de genoemde werken dezelfde rechten als
voor die der inlandsche auteurs zullen gelden. Geen vrijstelling dus
van voorwaarden of formaliteiten, indien de wet deze van de inlandsche
auteurs eischt; evenmin toekenning van de bijzondere rechten, die in
de Conventie zelve omschreven zijn.



De bescherming der auteurs, die niet tot een der landen van het
Verbond behooren, is geregeld in artikel 6. Hunne werken zijn alleen
dán in het Verbond beschermd, indien zij voor het eerst daarbinnen
zijn uitgegeven. Dit was ook reeds zoo onder de Conventie 1886,
met dit belangrijke verschil echter, dat volgens de oude bepaling
(Conventie 1886 art. 3) het auteursrecht toekwam niet aan den auteur,
maar aan den uitgever. Het motief voor deze zonderlinge bepaling was
vooral geweest, dat men het den auteurs van landen, die nog niet tot
het Verbond zouden zijn toegetreden, niet te gemakkelijk wilde maken,
daar hierdoor het belang, dat die landen erbij zouden hebben om alsnog
toe te treden, aanzienlijk zou verminderen; de werken dezer auteurs
zouden wel in het Verbond beschermd zijn, maar niet zij, doch de
uitgevers, die dan toch in elk geval binnen het Verbond gedomicilieerd
zouden zijn, zouden van die bescherming mogen genieten [581].

De bepaling, welke men, door deze overwegingen geleid, vaststelde,
is uit doctrinair oogpunt niet te verdedigen en gaf bovendien bij
de uitlegging vele moeilijkheden. Door het feit der uitgave binnen
het Verbond kreeg niet de auteur van het werk, maar de uitgever
het auteursrecht. Moest men dit zóó verstaan, dat de uitgever dit
recht kreeg, onverschillig op welke wijze hij zich van het werk had
meester gemaakt, dus ook indien de uitgave tegen den zin van den
auteur had plaats gehad? Op deze wijze uitgelegd zou de bepaling met
de allereerste beginselen, welke aan het auteursrecht ten grondslag
liggen, in strijd zijn. Men moest dus aannemen, dat de bepaling
alleen sloeg op de uitgaven, waartoe de auteur zijne toestemming had
verleend. Het auteursrecht kon deze echter niet aan den uitgever
overdragen, daar hij dit zelf niet bezat. Vandaar de vraag, of de
auteur, wanneer hij zijn werk ter publicatie afstond, voorwaarden
kon stellen ten aanzien van het opvoeringsrecht en vertalingsrecht
dan wel of de uitgever ook hierover, onafhankelijk van den auteur,
kon beschikken. Neemt men het eerste aan (dat dus de auteur den
uitgever bij contract kon verplichten slechts enkele der uit het
auteursrecht voortvloeiende bevoegdheden uit te oefenen, terwijl
hij de overige aan zich kon houden), dan zou de bepaling practisch
ongeveer dezelfde gevolgen hebben gehad, als indien het auteursrecht
direct aan den auteur ware verleend. De eenige moeilijkheid, welke
hem door de bepaling in den weg werd gelegd, zou dan zijn, dat hij,
om aan zijn auteursrecht iets te hebben, een vrij ingewikkeld contract
met een binnen het Verbond gevestigd uitgever had te sluiten. In elk
geval kon m. i. de auteur, gesteld dat een uitgever hiertoe bereid
was, met dezen contracteeren, dat na de uitgave aan hem, den auteur,
het volle auteursrecht weer zou worden overgedragen. Doch hoe dit ook
moge geweest zijn, te verdedigen was de bepaling in geen enkel opzicht.

Op de Conferentie van Parijs werden de bezwaren ertegen helder
uiteengezet in eene memorie van de Duitsche afgevaardigden
[582]. Hieraan was het zeker voor een goed deel te danken, dat er
aldaar niemand meer werd gevonden, die de bepaling in bescherming nam;
de verschillende wijzigingen, die werden voorgesteld, strekten alle,
om de bescherming niet aan de uitgevers, maar direct aan de auteurs
te verleenen [583]. In dezen zin werd ook besloten. De Add. Acte 1896
bracht nu de volgende lezing van het oude art. 3:


    Auteurs, die niet tot een der landen van het Verbond behooren,
    maar die hunne werken van letterkunde en kunst voor het eerst
    in een van deze landen hebben gepubliceerd of doen publiceeren,
    genieten voor deze werken de door de Berner Overeenkomst en de
    tegenwoordige Additionneele Acte toegekende bescherming.


De Berlijnsche Conferentie heeft hierin geene principieele
veranderingen gebracht. Alleen werd--evenals ten aanzien van de tot het
Verbond behoorende auteurs was geschied--onderscheid gemaakt tusschen
de bescherming in het land van herkomst (in dit geval dus het land
waar de vreemde auteur zijn werk voor de eerste maal gepubliceerd
heeft) en die in de overige Verbondslanden. De bepaling werd als
volgt geredigeerd (art. 6 Conventie 1908):


    De niet tot een der landen van het Verbond behoorende auteurs, die
    hunne werken voor de eerste maal in een dezer landen publiceeren,
    genieten, in dat land, dezelfde rechten als de inlandsche auteurs,
    en in de overige Verbondslanden de rechten, welke de tegenwoordige
    Overeenkomst verleent.


De vreemde auteurs zijn dus, indien de eerste uitgave hunner werken
binnen het Verbond geschiedt, volkomen met de auteurs, die tot een
der Verbondslanden behooren, gelijkgesteld. Evenals deze hebben
zij in het land van herkomst "dezelfde rechten als de inlandsche
auteurs"--eene uitdrukking, die na het bovenstaande geene toelichting
meer behoeft--en in de overige Verbondslanden "de rechten, welke de
tegenwoordige Overeenkomst verleent", hetgeen dus insluit: behandeling
in elk land volgens de inlandsche wet met vrijstelling van eventueel
voorgeschreven voorwaarden en formaliteiten (art. 4 lid 1 en 2)
benevens het genot van de rechten, welke de Conventie zelve omschrijft.



Er blijft nu nog over de beteekenis van de besproken artikelen na
te gaan speciaal met het oog op eene toekomstige aansluiting van
ons land bij het Verbond. Ik zal mij hierbij uitsluitend bepalen
tot de Conventie 1908, en de bepalingen van de Conventie 1886 en
van de Add. Acte en Verklaring 1896 buiten bespreking laten. Dit
kan m. i. veilig geschieden, daar er nóch uit practisch, nóch uit
theoretisch oogpunt eenige reden voor ons land kan bestaan, om een
of meer van die oude bepalingen te verkiezen boven de nieuwe, zooals
zij in Berlijn zijn gewijzigd. De eenige wijziging van beteekenis,
die de Conferentie van Berlijn heeft gebracht, bestaat hierin, dat
de bescherming in de andere Verbondslanden onafhankelijk is gemaakt
van die van het land van herkomst en dat met name de voorwaarden
en formaliteiten in laatstgenoemd land niet meer vervuld behoeven
te worden.

Indien--wat te hopen is--de formaliteiten, die onze wet nu nog eischt,
vóór onze toetreding tot het Verbond zullen zijn afgeschaft, zal tegen
aanvaarding van dit gewijzigde stelsel der Conventie wel door niemand
bezwaar worden gemaakt. Mocht dit niet zijn geschied, dan bestaat er
evenmin eenige reden, om aan het stelsel der Conventie 1886 boven het
gewijzigde de voorkeur te geven, daar men hiermede toch niet zou kunnen
verhinderen, dat hier te lande bescherming zou moeten worden verleend
aan werken waarvoor geen formaliteiten zijn vervuld (de werken nl. uit
de Verbondslanden, waar de wet ze niet eischt, welke landen verreweg
de meerderheid vormen); terwijl voor de auteurs van uit Nederland
herkomstige werken het gevolg zou zijn, dat zij bij verzuim van de
door onze wet gestelde voorwaarden en formaliteiten niet alleen hier,
maar ook in het geheele Verbond, bescherming zouden moeten missen.

Wat de andere wijzigingen betreft, die de Conventie 1908 heeft
gebracht, deze strekken, zooals uit de bovenstaande bespreking
reeds gedeeltelijk heeft kunnen blijken, meer tot verbetering en
verduidelijking van de oude bepalingen dan tot het vervangen van deze
door nieuwe, daarvan afwijkende regels. Volledigheidshalve wil ik ze
nog even opsommen:

1 In de Conventie 1908 wordt eene duidelijke onderscheiding gemaakt
tusschen de bescherming in het land van herkomst van het werk en die
in de andere Verbondslanden (art. 4 lid 1, art. 5, art. 6); terwijl de
Conventie 1886 twijfel liet bestaan omtrent het al of niet beschermd
zijn in het land van herkomst (art. 2 lid 1, art. 3).

2 De Conventie 1908 noemt onder de rechten, waarop in de andere
Verbondslanden, behalve het land van herkomst, aanspraak kan worden
gemaakt, ook: "de rechten welke uitdrukkelijk door de tegenwoordige
Overeenkomst worden toegekend" (art. 4 lid 1). Dit is uitsluitend
terwille der duidelijkheid geschied; ook onder de Conventie 1886
konden de bedoelde rechten worden ingeroepen, al werden zij niet in
art. 2 genoemd.

3 Terwijl de Conventie 1886 sprak van "auteurs of hunne
rechtverkrijgenden" is dit in de Conventie 1908 overal (niet alleen
in de hier besproken artikelen) veranderd in "auteurs". De toevoeging
"of hunne rechtverkrijgenden" werd overbodig geacht, daar immers de
vervreemdbaarheid van het auteursrecht nergens ter wereld betwist wordt
[584].

4 Het geval, dat een werk tegelijkertijd in een land van het Verbond
en in een land daarbuiten in druk verschijnt, was in de Conventie
1886 niet voorzien. De Conventie 1908 beslist, dat dan het land van
het Verbond alleen als land van herkomst geldt.

Zooals men ziet kan er voor geen enkelen staat eenige reden bestaan,
om een of meer dezer wijzigingen niet te aanvaarden; nog minder kan
dit het geval zijn ten aanzien der wijziging, die de Add. Acte 1896 in
de Conventie 1886 heeft gebracht in zake de bescherming der buiten het
Verbond staande auteurs, welke bescherming de oude Conventie (art. 3)
aan de uitgevers verleende. Dit behoeft na, hetgeen hierover reeds
is gezegd, geene toelichting meer.

Ik meen dus te kunnen veronderstellen, dat ons land, bij toetreding
tot het Verbond, de bepalingen der artikelen 4, 5 en 6 Conventie 1908
zonder reserve zal aanvaarden. Gaan wij thans na, welke gevolgen dit
zal hebben in verband met het stelsel van onze wet en dat van het
Ontw. B. K. Daar zoowel de Conventie als onze wet onderscheid maakt
tusschen door den druk gemeen gemaakte en niet door den druk gemeen
gemaakte werken (oeuvres publiées en oeuvres non publiées), kunnen deze
twee categorieën ook bij dit onderzoek afzonderlijk worden beschouwd.



1 Niet door den druk gemeen gemaakte werken--Artikel 27 van de
W. A. R. zegt, dat deze wet toepasselijk is op de niet door den
druk gemeen gemaakte werken, afkomstig van in Nederland of in
Nederlandsch-Indië woonachtige auteurs. Gesteld dat deze bepaling
bij onze toetreding behouden blijft, dan zal zij door de Conventie
in zooverre worden aangevuld, dat onze wet ook toepasselijk wordt op
alle niet door den druk gemeen gemaakte werken van auteurs, die tot
een der andere Verbondslanden behooren (art. 4 eerste lid). Derhalve
zullen in dat geval uitgesloten blijven van de bescherming in Nederland
de onuitgegeven werken van auteurs, die niet in het Rijk woonachtig
zijn, en evenmin behooren tot een van de andere staten, die tot de
Conventie zijn toegetreden. Hieronder zullen dus ook vallen de niet
door den druk gemeen gemaakte werken van Nederlandsche onderdanen, die
in een ander land (onverschillig of dit een Verbondsland is of niet)
woonachtig zijn. Onze wet, die het domicilie als criterium neemt,
beschermt deze werken niet en de Conventie laat het, zooals wij boven
gezien hebben, geheel aan den inlandschen wetgever over, de bescherming
van de onderdanen in hun eigen land te regelen. Zoo zou b.v. in het
gestelde geval het niet door den druk gemeen gemaakte werk van een in
Duitschland woonachtig Nederlander hier te lande niet beschermd zijn,
terwijl datzelfde werk overal in het Verbond als een uit Nederland
herkomstig werk (art. 4 lid 3) wél bescherming zou vinden. Daarentegen
zou het werk ook in Nederland beschermd zijn, indien de in Duitschland
wonende auteur niet Nederlander maar Duitscher was, daar in dat geval
niet Nederland, maar Duitschland het "land van herkomst" zou wezen en
dus hier te lande art. 4 lid 1 der Conventie erop toepasselijk zou
zijn. Men ziet hieruit, dat behoud van het domicilie-stelsel onzer
wet bij aansluiting tot de Conventie tot onredelijke gevolgen zou
leiden en dat het dus beter ware daarbij--of in de plaats daarvan--het
nationaliteitsstelsel in te voeren, temeer daar dit laatste ook om
andere, reeds door mij genoemde redenen, de voorkeur verdient.

De bijzondere bepaling, welke art. 27 W. A. R. nog inhoudt ten aanzien
der mondelinge voordrachten (waarop zij toepasselijk is indien de
voordracht in Nederland of Nederlandsch-Indië is gehouden) [585] kan
hier buiten beschouwing blijven. Wáár eene voordracht gehouden is, is
op de al of niet toepasselijkheid der Conventie van geen invloed. Is
een Nederlander de auteur, dan is de voordracht volgens de Conventie
eene Nederlandsche (d. w. z. Nederland is het land van herkomst),
al werd zij ook uitgesproken in China; terwijl eene in Nederland
gehouden voordracht van een Engelschman of Franschman volgens de
Conventie resp. Engeland of Frankrijk als land van herkomst heeft.

Wat den omvang der bescherming betreft, welke voor den Nederlandschen
rechter zou kunnen worden ingeroepen, moet onderscheid worden gemaakt
tusschen twee gevallen:

a) Nederland is volgens de Conventie het "land van herkomst". De
Conventie trekt zich in dat geval het lot van het werk in Nederland
zelf niet aan; de bescherming berust derhalve uitsluitend op de
Nederlandsche wet.

b) Het werk heeft een van de andere Verbondslanden tot "land van
herkomst". In dat geval kan de auteur krachtens art. 4 lid 1 der
Conventie voor den Nederlandschen rechter aanspraak maken op:

1o alle rechten, die onze wet toekent, en

2o de rechten, welke de Conventie zelve uitdrukkelijk toekent
(vertalingsrecht, op- en uitvoeringsrecht, enz.). Alleen moet hierbij
in het oog worden gehouden, dat wat de sub 1o genoemde rechten betreft,
de duur daarvan niet langer kan zijn dan die, welke in het land
van herkomst van het werk geldt. Meerdere bijzonderheden hierover
zullen nog hieronder, bij de behandeling van art. 7 der Conventie,
worden medegedeeld.



2 Door den druk gemeen gemaakte werken--Deze werken vinden volgens
onze tegenwoordige wet (art. 27) hier te lande bescherming, indien
zij in Nederland of Nederlandsch-Indië zijn gedrukt en door den druk
gemeen gemaakt. Om de beteekenis, die deze bepaling, gesteld dat men
haar onveranderd liet, na onze toetreding tot de Conventie zou hebben,
goed in te zien, is het weer noodig van elkander te onderscheiden
het geval dat Nederland het land van herkomst van het werk is volgens
de Conventie en dát, waarin het werk een ander Verbondsland tot land
van herkomst heeft.

Alle werken, die voor het eerst in Nederland door den druk gemeen
gemaakt zijn, zouden volgens artikel 4 lid 3 der Conventie uit
Nederland herkomstige werken zijn en als zoodanig in alle andere
Verbondslanden bescherming vinden. Met de bescherming in Nederland
zelf bemoeit de Conventie zich slechts, voorzoover de auteurs geen
Nederlandsche onderdanen zijn. De Nederlandsche onderdanen blijven
dus, ook als hun werk in Nederland door den druk gemeen gemaakt is,
wat de bescherming aldaar betreft, uitsluitend aangewezen op de
Nederlandsche wet. Bij handhaving van de bovengenoemde bepaling van
art. 27 W. A. R. zullen dus hunne werken, om in Nederland beschermd te
zijn, niet alleen aldaar door den druk gemeen gemaakt, maar ook gedrukt
moeten worden; bovendien zullen de formaliteiten, die de wet eischt
(inzending van twee exemplaren van het werk bij het Departement van
Justitie benevens van eene verklaring van den drukker, dat het werk op
zijne in het Rijk gevestigde drukkerij is gedrukt, W. A. R. art. 10)
vervuld moeten worden.

De Conventie bevat echter wél bepalingen, die betrekking hebben op de
bescherming in het land van herkomst van door den druk gemeen gemaakte
werken, afkomstig van niet tot dat land behoorende auteurs. Zoowel
de auteurs, die tot een der andere Verbondslanden behooren (art. 5)
als die, welke tot geen der landen van het Verbond behooren (art. 6)
genieten in het Verbondsland, waar hun werk voor de eerste maal door
den druk wordt gemeen gemaakt, "dezelfde rechten als de inlandsche
auteurs." Men ziet, dat deze bepaling in het gestelde geval ten
aanzien van ons land geene uitwerking zou hebben. Wat de Conventie
eischt is niet meer dan: gelijke behandeling van vreemdelingen en
eigen onderdanen; en deze gelijkheid bestaat reeds volgens onze wet,
daar zij ten aanzien der door den druk gemeen gemaakte werken geen
onderscheid maakt tusschen Nederlanders en vreemdelingen. Derhalve
zouden ook de vreemde auteurs, die hunne werken alhier deden uitgeven,
aan de bovengenoemde voorwaarden en formaliteiten van onze wet
gebonden blijven.

Daarentegen zouden de auteurs van werken, die elders in het Verbond
door den druk gemeen zijn gemaakt, en waarvan dus een der andere
Verbondslanden het land van herkomst is, in Nederland niet alleen de
volle bescherming genieten (d. w. z. de rechten die onze wet toekent
en daarenboven de uitdrukkelijk door de Conventie verleende rechten),
maar ook alhier van alle voorwaarden en formaliteiten vrijgesteld zijn
(art. 4 lid 2, art. 6).

Wat dit laatste betreft zouden dus de bepalingen onzer wet (de eisch,
dat het werk in Nederland gedrukt zij en de verplichte inzending
bij het Departement van Justitie) door onze aansluiting bij de
Conventie gedeeltelijk buiten werking worden gesteld, waardoor de,
toch al twijfelachtige [586], reden van bestaan dezer bepalingen nog
aanmerkelijk zou verminderen. Zonder eenige formaliteit zouden hier
beschermd zijn alle werken, die in een der andere Verbondslanden
zijn uitgekomen; alleen degenen, die hunne werken in Nederland zelf
laten verschijnen, zouden--voor de bescherming in Nederland--zich
de vervulling der formaliteiten hebben te getroosten. En wat het
vereischte betreft, dat het werk in Nederland moet zijn gedrukt, dit
zou bijna alle beteekenis verliezen. Gesteld dat er tegen het laten
drukken van een werk in Nederland eenig bezwaar bestaat en men toch op
bescherming van het werk in ons land prijsstelt, dan zal de aangewezen
weg zijn, ook de uitgave in het buitenland (mits binnen het Verbond)
te doen plaats hebben. Een boek, dat b.v. in Duitschland is gedrukt,
zou, indien het bij een Nederlandschen uitgever uitkwam, in Nederland
niet beschermd zijn; wél echter, indien het ook in Duitschland werd
uitgegeven. Uitgave in Duitschland in plaats van in Nederland zou
bovendien nog het voordeel opleveren, dat de bescherming--ook die
in Nederland--van geene formaliteiten afhankelijk zou zijn; terwijl
ook de uitgebreidheid der bescherming in Nederland erdoor zou winnen,
daar het werk dan als "uit een ander Verbondsland herkomstig", ook de
uitdrukkelijk door de Conventie toegekende rechten zou genieten. Reeds
nu, terwijl ons land nog geen deel uitmaakt van het Verbond, zijn
er Nederlandsche auteurs, die hunne werken niet in hun vaderland,
maar in een der Verbondslanden laten verschijnen, om daardoor de
bescherming in het Verbond te krijgen. Wat velen waarschijnlijk nog
hiervan weerhoudt, is dat zij daardoor de bescherming in Nederland
zelf verbeuren. Dit laatste zal echter, wanneer ons land bij het
Verbond zal zijn aangesloten, niet meer het geval zijn; integendeel:
hun werk zal, zooals wij gezien hebben, als buitenlandsch werk,
d.w.z. uit een ander Verbondsland afkomstig, in Nederland nog beter
beschermd zijn dan indien het in Nederland was uitgegeven.

Wat de bescherming in de overige landen van het Verbond betreft,
deze zal natuurlijk, wanneer ons land is aangesloten, ook aan de
in Nederland uitgekomen werken niet onthouden worden, en daar de
bescherming overal verleend wordt onafhankelijk van die in het land
van herkomst, zou men zelfs kunnen meenen, dat het in dit opzicht geen
verschil maakt, of een werk Nederland dan wel een ander Verbondsland
als land van herkomst heeft. Toch zou men zich hierin vergissen. Indien
ons land op het punt van het vertalingsrecht zich houdt aan de oude
regeling van de Conventie 1886, dan zal het gevolg zijn, dat een
uit Nederland herkomstig werk in alle andere Verbondslanden slechts
tien jaar tegen vertalingen is beschermd, terwijl een werk, afkomstig
uit een land dat de Conventie 1908 onvoorwaardelijk heeft aanvaard,
zoolang het auteursrecht duurt tegen vertalingen beschermd is. En
behalve deze zullen er, zooals hieronder zal blijken, nog meer redenen
kunnen zijn, waarom de auteurs ons land niet als het meest gewenschte
"land van herkomst" van hunne werken zullen beschouwen.

Hieronder kom ik nog op deze kwestie terug. Wat ik echter met het
bovenstaande reeds meen duidelijk te hebben gemaakt is, dat indien
ons land tot de Conventie toetreedt met behoud van de bovengenoemde
bepalingen onzer wet, onze auteurs in verschillende opzichten beter
beschermd zullen zijn indien zij hunne werken niet, dan indien zij ze
wél binnen ons land laten verschijnen. Of dit nu voor velen een reden
zal zijn, om zich den last te getroosten een uitgever in een der andere
Verbondslanden te zoeken, wil ik in het midden laten; de kans bestaat
in ieder geval dat dit zal geschieden en ik meen dat men deze kans
reeds aanmerkelijk zou verminderen, door de hinderlijke formaliteit
van inzending van twee exemplaren van elk werk en de voorwaarde,
dat een in Nederland uitgegeven werk ook alhier gedrukt moet zijn,
te laten vervallen. Voor handhaving van de laatste bepaling bestaat
des te minder reden, daar met zekerheid kan worden aangenomen, dat er
na onze aansluiting tot de Conventie niet één werk meer in Nederland
om zal worden gedrukt.

Een uitvoerige bespreking van het stelsel van het Ontw. B. K. in
verband met de artt. 4, 5 en 6 der Conventie schijnt mij na het
bovenstaande overbodig. Dit ontwerp is, nog minder dan de wet van 1881,
met het door de Conventie gevolgde systeem in overeenstemming. Er
wordt geen onderscheid gemaakt tusschen wél en niet door den druk
gemeen gemaakte werken. Het ontwerp is toepasselijk op:

a) de werken van in Nederland of Nederlandsch-Indië woonachtige auteurs
(hiervoor geldt hetzelfde wat boven reeds is opgemerkt ten aanzien
der analoge bepaling in W. A. R.);

b) de in Nederland of Nederlandsch-Indië vervaardigde kunstwerken.

Na toetreding tot de Conventie zouden in ons land beschermd zijn:

a) de niet door den druk gemeen gemaakte werken van auteurs, die tot
een der Verbondslanden behooren;

b) de werken, die in een der andere Verbondslanden voor het eerst
door den druk zijn gemeen gemaakt.

Met de Nederlandsche auteurs zouden gelijkgesteld zijn:

c) de vreemde auteurs, die hunne werken voor de eerste maal in
Nederland door den druk gemeen lieten maken.

De onder a en b genoemde werken zouden hier beschermd zijn zonder
eenige voorwaarde of formaliteit; niet echter de werken der onder c
genoemde auteurs.

Het zijn ook hier weer de formaliteiten, die aanleiding geven
tot bedenkingen. Het Ontwerp eischt (art. 7) inzending van eene
beschrijving of van eene reproductie van het kunstwerk uiterlijk
dertig dagen nadat dit voor de eerste maal geleverd of tentoongesteld,
of wel openlijk te koop of ter bezichtiging is aangeboden, op straffe
van tenietgaan van het auteursrecht. Na wat hierover reeds gezegd is
(pp. 273 en 274), meen ik over de onredelijkheid en nutteloosheid
dezer bepaling niet lang te behoeven uit te weiden. Een enkel
voorbeeld slechts, om te doen zien wat het gevolg zou zijn van hare
handhaving in het tot wet te verheffen Ontwerp na onze toetreding
tot de Conventie. Een Nederlander verkoopt zijn schilderij in het
land en verzuimt binnen dertig dagen eene beschrijving ervan in te
zenden. Gevolg: verlies van het auteursrecht in Nederland. In alle
andere Verbondslanden echter is het schilderij als een Nederlandsch
werk (nl. een niet door den druk gemeen gemaakt werk van een
Nederlandsch auteur) wél beschermd. Gesteld nu, dat daarna van
hetzelfde schilderij in Berlijn eene reproductie in het licht wordt
gegeven, dan is het geworden een door den druk gemeen gemaakt werk
met Duitschland als land van herkomst, en geniet het derhalve weer de
bescherming in Nederland, zonder dat daarvoor eenige voorwaarde of
formaliteit mag worden gesteld. Een Franschman echter, die precies
hetzelfde doet, zou ook vóór de publicatie in Nederland beschermd
zijn, daar men in dat geval te doen zou hebben met een niet door den
druk gemeen gemaakt werk met Frankrijk als land van herkomst. Doch
stellen wij nu, dat deze Franschman zijn werk niet in Berlijn, maar
in Amsterdam door den druk gemeen maakt, dan zou hij daardoor de
bescherming in Nederland wederom verliezen. Immers dan zou Nederland
het land van herkomst zijn geworden en de Fransche auteur zou krachtens
art. 5 der Conventie slechts aanspraak kunnen maken in Nederland
op dezelfde behandeling die de Nederlandsche auteurs er genieten,
hetgeen in dit geval zou beteekenen: van alle bescherming verstoken
te zijn. Uitgave in het land zelf zou dus hier tengevolge hebben
verlies van het auteursrecht, terwijl in het eerstgenoemde geval door
de uitgave in het buitenland het auteursrecht alhier zou ontstaan!



De slotsom, waartoe de voorafgaande beschouwingen leiden, is de
volgende.

De Conventie houdt geene bepaling in, die ons land na toetreding tot
het Verbond zou dwingen, een van de bepalingen onzer wet (of van het
Ontw. B. K., gesteld dat dit tot wet zou zijn verheven,) te wijzigen
of te doen vervallen. Ons land kan dus lid worden van het Verbond met
bepalingen in hare wetgeving als die van de artt. 10 en 27 W. A. R. en
7 en 19 Ontw. B. K. Deze bepalingen zouden echter door die der
Conventie gedeeltelijk buiten werking worden gesteld (nl. ten aanzien
van alle werken, die uit een der andere Verbondslanden herkomstig zijn)
terwijl zij, voorzoover zij nog toepassing zouden kunnen vinden, aan
de bescherming hier te lande onredelijke en onnoodige belemmeringen in
den weg zouden leggen, waarvan voornamelijk de Nederlandsche auteurs
en uitgevers de slachtoffers zouden worden.

Om laatstgenoemde bezwaren te voorkomen, zouden de volgende wijzigingen
in onze wetgeving zijn aan te brengen, die ook overigens in alle
opzichten als verbeteringen zouden zijn te beschouwen:

1o Afschaffing van de verplichte inzending van exemplaren en
beschrijvingen (art. 10 W. A. R., art. 7 Ontw. B. K.); toekenning
dus van het auteursrecht zoowel op niet als wél door den druk gemeen
gemaakte werken zonder eenige formaliteit;

2o Uitbreiding van de grenzen, die aan de geldigheid onzer wet zijn
gesteld, zoodanig, dat zij tenminste toepasselijk is op:

a) alle niet door den druk gemeen gemaakte werken van Nederlandsche
onderdanen;

b) alle werken, die voor het eerst in Nederland door den druk zijn
gemeen gemaakt, onverschillig waar zij zijn gedrukt. Hierdoor zou
ook vanzelf vervallen de formaliteit, welke art. 10 tweede lid
W. A. R. voorschrijft, nl. de inzending van eene door den drukker
onderteekende verklaring, dat het werk op zijne in het Rijk gevestigde
drukkerij is gedrukt.



IV Duur der bescherming (Conv. 1908 art. 7; Conv. 1886 art. 2 lid 2)

De regeling van den duur der bescherming volgens de Conventie 1886
is al besproken (pp. 349 sqq.). Zij vormt een van de punten, waarop
de bepalingen van de wet van het land van herkomst van een werk van
invloed zijn bij de toemeting van rechten op dat werk in de andere
landen. De rechter heeft eene vergelijking te maken tusschen de wet
van zijn eigen land en die van het land van herkomst; de wet die den
kortsten beschermingstermijn heeft moet bij de berekening van den
duur van het auteursrecht door hem worden toegepast.

Op de Berlijnsche Conferentie stelde Duitschland voor, de
bescherming voortaan te verleenen in elk land volgens de aldaar
geldende wet, geheel onafhankelijk van de wetsbepalingen van het
land van herkomst. Hierop werd door de Fransche afgevaardigden een
amendement ingediend, strekkende om wat den duur van het auteursrecht
betreft één termijn vast te stellen, die in het geheele Verbond
zou gelden. Bij de toelichting van dit amendement werd opgemerkt,
dat het Duitsche voorstel, indien het ongewijzigd werd aangenomen,
eene onbillijkheid in het leven zou roepen. De auteurs van een land
met een korten beschermingstermijn zouden in andere landen van den
langeren duur der bescherming genieten en dus aldaar nog beschermd
zijn, wanneer het auteursrecht in hun eigen land reeds een einde had
genomen, terwijl daartegenover in het eerstgenoemde land de vreemde
auteurs zich met de bescherming van korten duur tevreden zouden moeten
stellen. Dit zou--zoo meende de Fransche delegatie--voor sommige landen
eene aanleiding kunnen zijn om in hunne wetgeving een auteursrecht van
korten duur in te voeren of te bestendigen, daar dit immers van hun
nationaal standpunt alleen voordeelen en geen nadeelen zou opleveren
[587].

De Berlijnsche Conferentie koos tenslotte een middenweg tusschen het
Duitsche en het Fransche voorstel.

In beginsel werd een uniforme termijn voor het geheele Verbond
aangenomen, zooals het Fransche amendement beoogde. Het eerste lid
van het nieuwe artikel 7 luidt als volgt:


    De duur der bescherming, die door de tegenwoordige Overeenkomst
    wordt verleend, omvat het leven van den auteur en vijftig jaren
    na zijn dood.


Dit is echter niet meer dan eene beginselverklaring, want het tweede
lid van het artikel luidt:


    Doch voor het geval dat deze duur niet gelijkelijk door alle landen
    van het Verbond mocht worden ingevoerd, zal de duur geregeld worden
    door de wet van het land waar de bescherming wordt ingeroepen
    en zal hij den duur, vastgesteld in het land van herkomst, niet
    mogen overschrijden. De contracteerende Landen zijn bijgevolg
    slechts gehouden de bepaling van het vorige lid toe te passen
    voor zoover zij met hun inlandsch recht in overeenstemming is.


De termijn voor de internationale bescherming in het Verbond van
vijftig jaar na den dood des auteurs bestaat dus, zooals men ziet,
slechts in naam. Zoolang er nog staten zijn, die den duur van het
auteursrecht in hunne wetgeving anders regelen, zal de bepaling van
deze inlandsche wet en niet die van art. 7 eerste lid der Conventie
worden toegepast, ook zonder dat dit door den betrokken staat bij
de bekrachtiging der Conventie uitdrukkelijk behoeft te worden
voorbehouden. Het eerste lid van artikel 7 is--zooals ik reeds
opmerkte--niet meer dan eene beginselverklaring. Het beteekent, dat
de Verbondsstaten in het algemeen een duur van vijftig jaren na den
dood des auteurs wenschelijk achten, doch het houdt voor hen niet
de verplichting in, hunne wetgeving daarmede in overeenstemming te
brengen. De Engelsche Regeering heeft zich zelfs op de Berlijnsche
Conferentie, bij monde van den gedelegeerde Askwith, hare volle
vrijheid van handelen op dit punt uitdrukkelijk voorbehouden [588].

Men zou misschien kunnen geneigd zijn in verband hiermede het geheele
eerste lid van het artikel voor onnoodig en zonder zin te houden
en het liever geheel weggelaten te zien. Ik meen echter, dat de
bepaling, ook al mist zij bindende kracht, wel haar nut heeft. Nu
men het eenmaal in beginsel over één termijn eens bleek te kunnen
worden, was het m. i. zeer goed gezien daarvan ook in den tekst
der Conventie te doen blijken. De termijn van vijftig jaar na den
dood des auteurs, die al in de meeste Verbondslanden gold, is nu de
officieele geworden. Door hem bij zich in te voeren volgt een staat
niet meer eene toevallige meerderheid, maar hij richt zich naar een
door gemeen overleg vastgestelden maatregel, iets waar de meeste
staten ongetwijfeld eerder toe zullen overgaan.

Het bovenstaande heeft alleen betrekking op den zoogenaamden
hoofdtermijn. De afzonderlijke termijnen, die in sommige landen voor
enkele onderdeelen van het auteursrecht gelden (zoo b.v. de termijn
van drie jaar na de uitgave, die de Noorsche wet heeft gesteld aan het
recht om een geschrift in het openbaar voor te lezen [589]), zijn met
het uitgesproken beginsel niet in strijd. Verder is de algemeene regel
van het eerste lid van artikel 7 niet toepasselijk op: photographieën
en daarmede gelijksoortige werken, nagelaten werken en anonieme of
pseudonieme werken. De duur van het recht op deze werken zal geregeld
worden door de wet van het land, waar de bescherming wordt ingeroepen,
doch zal niet langer kunnen zijn dan die, welke de wet van het land
van herkomst vaststelt (art. 7 lid 3).

Deze laatste regel zal dus feitelijk, evenals vroeger onder de
Conventie 1886, op alle werken toepasselijk zijn. Wat hierboven
(p. 350) is gezegd over de beteekenis van de bepaling, dat de duur
der bescherming dien van het land van herkomst "niet kan overtreffen"
(ne peut excéder) geldt ook voor het nieuwe artikel 7 der Conventie
1908. Er is niet mede bedoeld een absoluut verbod om langer bescherming
te verleenen; doch het is slechts de tijdsgrens, welke de Conventie aan
de bescherming, die volgens hare bepalingen wordt verleend, stelt. Op
rechten, die buiten de Conventie om kunnen worden ingeroepen, is de
bepaling dus niet toepasselijk [590].

De wet van het land van herkomst blijft dus op dit ééne punt: de
berekening van den duur der bescherming, haar invloed op de bescherming
in de andere Verbondslanden behouden. Indien echter een werk in het
land van herkomst in het geheel niet beschermd is--hetgeen trouwens
ingevolge de bepalingen van art. 2 lid 3 Conventie 1908 wel niet
dikwijls meer zal voorkomen--dan kan dit niet meer, zooals onder
de oude Conventie, een reden zijn om er ook in de andere landen
bescherming aan te weigeren. De uitdrukkelijke bepaling van het
tweede lid van artikel 4, dat de bescherming in de andere landen
"onafhankelijk is van het bestaan van bescherming in het land van
herkomst van het werk" laat in dit opzicht geen ruimte voor eenigen
twijfel over.



Bij de toetreding van ons land tot de Conventie zal ongetwijfeld naar
aanleiding van het eerste lid van art. 7 Conventie 1908 in ernstige
overweging worden genomen, ook in onze wet den termijn van vijftig jaar
na den dood des auteurs in te voeren. Al bestaat hiertoe, zooals uit
het voorafgaande blijkt, geenerlei verplichting, toch schijnt het mij
ten zeerste wenschelijk, dat dit geschiedt. Het stelsel van onze wet,
waarbij het tijdstip der uitgave als uitgangspunt wordt genomen voor
de berekening van den duur van het auteursrecht moge boven dat van de
Conventie eenige voordeelen hebben, daar staan ontegenzeggelijk ook
nadeelen tegenover. Het pro en contra van beide stelsels is in een
vorig hoofdstuk reeds besproken (pp. 257 sqq.), en de slotsom was,
dat er in abstracto geen overwegende reden bestaat om aan het een
boven het ander de voorkeur te geven. Nu de Conventie echter tusschen
de twee systemen eene keus heeft gedaan, dienen alle staten, zoowel
die reeds aangesloten waren als die zich later aansluiten, zich ter
bevordering van de eenheid in het Verbond daarbij neer te leggen. Dat
trouwens ons land, door het stelsel van onze wet prijs te geven,
een groot offer zou brengen, zal wel niemand willen beweren. Het zal
integendeel, wanneer ons land deel uitmaakt van het Verbond, ook uit
zuiver nationaal standpunt gewenscht zijn, dat het auteursrecht van
onze wet even lang duurt als in de andere Verbondslanden. Behoud van
ons systeem (vijftig jaar na de uitgave en ten minste tot den dood
des auteurs, indien deze zijn recht nooit heeft overgedragen) na onze
aansluiting zou tot gevolg hebben, dat in het grootste gedeelte van
het Verbond de uit Nederland afkomstige werken veel korter beschermd
zouden zijn dan die uit andere landen. Dit zou dus alweer een reden
kunnen zijn voor Nederlandsche auteurs, om hunne werken niet hier,
maar in een der andere Verbondslanden te doen uitgeven waardoor zij
aan deze werken een beter "land van herkomst" zouden kunnen bezorgen.



b Bijzondere regelen omtrent sommige onderdeelen


I Het uitsluitend vertalingsrecht (Conv. 1908 art. 8; Conv. 1886
art. 5; Add. Acte 1896 art. 1, III)

Op het groote practische gewicht van het vraagstuk van het uitsluitend
vertalingsrecht in de internationale betrekkingen behoeft niet meer
gewezen te worden. Bij de voorbereiding der Berner Conventie was men
hiervan ook doordrongen. Renault noemde dit punt: "la disposition
capitale et essentielle du projet" [591] en later, op de Conferentie
van Parijs: "la question internationale par excellence" [592], en dat
dit gevoelen algemeen werd gedeeld kan o. a. blijken uit de lange
beraadslagingen, zoowel te Bern als te Parijs en Berlijn over deze
kwestie gehouden.

In het ontwerp der Association was het uitsluitend vertalingsrecht
met het auteursrecht volkomen gelijkgesteld (art. 5); evenzoo in
art. 7 van het ontwerp van den Zwitserschen Bondsraad, waarbij echter
subsidiair als beperkende voorwaarde was voorgesteld: "indien van
dit recht binnen een termijn van tien jaar wordt gebruik gemaakt."

Op de Conferentie van 1884 kwam de kwestie het eerst ter sprake
bij de behandeling van de door de Duitsche delegatie opgestelde
vraagpunten. Een dezer vragen luidde:

"Moet de duur van het uitsluitend vertalingsrecht gelijk zijn aan die
van het auteursrecht op het oorspronkelijke werk? Zoo neen, moet dan
die duur niet voor het geheele Verbond eenvormig worden vastgesteld?"

De Scandinavische afgevaardigden verklaarden, dat aanneming van een
vertalingsrecht van gelijken duur als het auteursrecht voor Zweden
en Noorwegen waarschijnlijk de toetreding tot het Verbond onmogelijk
zou maken; Duitschland zou er voor te vinden zijn, op voorwaarde van
eenstemmigheid van alle staten op dit punt [593].

Uit het rapport der Commissie bleek, dat er, behalve het voorstel
van den Zwitserschen Bondsraad, nog drie andere oplossingen waren
geformuleerd:

1o. Een voorstel van de Duitsche delegatie, waarin een uniforme termijn
van tien jaar voor het uitsluitend vertalingsrecht was aangenomen, te
beginnen op het tijdstip van de uitgave eener geautoriseerde vertaling,
en onder voorwaarde dat deze binnen drie jaar na de uitgave van het
oorspronkelijke werk plaats heeft. Een maximumtermijn derhalve van
dertien jaar na de uitgave van het oorspronkelijke werk.

2o. Een van den Zweedschen afgevaardigde Lagerheim afkomstig
voorstel: het vertalingsrecht duurt tien jaar na de uitgave van het
oorspronkelijk werk, mits eene geautoriseerde vertaling in de taal,
waarvoor de bescherming verlangd wordt, binnen drie jaar na die
uitgave verschijnt.

3o. Een Fransch voorstel, waarin de volkomen gelijkstelling van
vertalingsrecht met auteursrecht op het origineel was uitgesproken.

Nadat dit laatste voorstel met drie tegen zes stemmen (en drie
onthoudingen) was verworpen, werd ten slotte het voorstel der Commissie
aangenomen, waarin de berekening van den duur van het vertalingsrecht
uit het Duitsche voorstel was overgenomen (tien jaar na de uitgave
der vertaling, mits deze binnen drie jaar na het oorspronkelijk
werk het licht ziet), terwijl evenals in het Zweedsche voorstel deze
voorwaarde voor elke taal afzonderlijk geldt. Bij de verdediging van
haar voorstel verklaarde de Commissie eenstemmig te zijn in haar
oordeel, dat "la tendance de l'époque est à l'assimilation de la
durée du droit exclusif de traduction à celle du droit sur l'oeuvre
originale" [594], doch dat de voorgestelde redactie alleen gekozen
was, om de toetreding van sommige staten, wier wetgeving nog niet
zoover gevorderd was, mogelijk te maken.

In 1885 werd opnieuw over het artikel gestreden. Weer werd van Fransche
zijde (Lavollée en Renault) op volkomen gelijkstelling aangedrongen,
terwijl weer door Zweden en Noorwegen de onmogelijkheid werd verklaard
om met den toenmaligen stand hunner wetgeving meer te verleenen dan
een vertalingsrecht van tien jaar [595].

Er was nu ook een Engelsch voorstel, om geen termijn in de Conventie
vast te stellen, maar de regeling hiervan aan de inlandsche
wetgevingen over te laten. Voorts was door de Zwitsersche en
Italiaansche afgevaardigden voorgesteld, de bepaling dat eene door
den auteur goedgekeurde vertaling binnen drie jaar moet verschijnen,
weg te laten, óf--indien men hiertoe niet kon besluiten--in elk
geval de termijnen van drie jaar (binnen welke de vertaling moest
verschijnen) en van tien jaar (den duur van het vertalingsrecht) te
verlengen. In het rapport der Commissie worden al deze voorstellen
kortelijk besproken. Door aanneming van het Engelsche voorstel zou
volgens de meerderheid der Commissie te veel speelruimte worden
gelaten aan de inlandsche wetgevingen en de werking der Conventie
te zeer beperkt worden; tegen het Zwitsersch-Italiaansche voorstel
werden ook eenige bezwaren ingebracht, terwijl het Fransche voorstel
werd verworpen (met zes tegen vijf stemmen), niet omdat men het met
het beginsel der gelijkstelling niet eens was, maar omdat de aanneming
hiervan tengevolge zou hebben, dat enkele landen niet tot de Conventie
zouden kunnen toetreden. Men achtte trouwens deze verwerping niet van
overwegend practisch belang, daar er alle reden bestond te verwachten,
dat vóór de verstrijking van den tienjarigen termijn de Conventie
reeds in den gewenschten zin zou zijn gewijzigd.

Het artikel werd ten slotte, zooals de Commissie het had voorgesteld,
in de Conventie opgenomen: het vertalingsrecht duurt tien jaren na
de uitgave van het oorspronkelijke werk, hetzij de auteur al of niet
binnen dien tijd eene vertaling laat verschijnen.

Uit het bovenstaande moge de beteekenis, welke aan art. 5 Conventie
1886 is te hechten, eenigermate duidelijk zijn geworden. De termijn
van tien jaren werd door de groote meerderheid min of meer als
een overgangsmaatregel beschouwd; men stelde zich ermede tevreden,
omdat nu eenmaal op het oogenblik niet meer was te bereiken, en in de
stellige verwachting, dat het slechts eene kwestie van tijd was, het
juiste beginsel in zijn geheel doorgevoerd te krijgen. Dat hierover
alle Berner gedelegeerden het eens waren, blijkt wel uit den wensch,
zoowel in 1884 als in 1885 uitgesproken:

"Il y aurait lieu de favoriser autant que possible la tendance vers
l'assimilation complète du droit de traduction au droit de reproduction
en général" [596].

Het werd daarom als vanzelf sprekend beschouwd, dat op de Conferentie
van Parijs de kwestie van het vertalingsrecht niet onbesproken
zou blijven. Frankrijk stond hier weer vooraan met den eisch van
"assimilation complète". Doch ook toen bleek de tijd daarvoor nog
niet volkomen rijp te zijn en daarom werd, vooral ten gerieve van
Engeland en Italië, weer een middenweg gekozen nl. gelijkstelling
in duur, doch op voorwaarde dat binnen tien jaar na de uitgave van
het oorspronkelijke werk eene door den auteur goedgekeurde vertaling
verschijnt in de taal, waarvoor de bescherming wordt ingeroepen.

Dat de meeste staten ook hiermede nog niet alles bereikt achtten wat
zij wenschten, kan blijken uit de dienaangaande afgelegde verklaringen
[597]. Zelfs werd, om het den toekomstigen herzieners der Conventie
gemakkelijk te maken, de redactie van de nieuwe bepaling zoodanig
gekozen, dat in den eersten zin het gewenschte beginsel (volkomen
gelijkstelling van vertalingsrecht met auteursrecht) zonder meer is
vooropgesteld, terwijl daarna een nieuwe zin de beperkende voorwaarde
inhoudt, welke men later hoopte te zien verdwijnen. "Nos successeurs
n'auront qu'à supprimer tout ce qui suit cette phrase", merkte Renault
in zijn rapport daarbij op [598].

En zoo is ook werkelijk te Berlijn geschied. Renault, die weer
de opsteller van het commissie-rapport was, kon na aanhaling van
zijne in 1896 geschreven woorden zelf de verwezenlijking van den lang
gekoesterden wensch constateeren [599]. Het voorstel was uitgegaan van
Duitschland, welks Regeering in samenwerking met het Berner Bureau
de werkzaamheden der Conferentie had voorbereid. Het nieuwe artikel
(art. 8 Conventie 1908) luidt nu als volgt:


    De tot een der landen van het Verbond behoorende auteurs van
    niet-gepubliceerde werken en de auteurs van werken, welke voor
    de eerste maal in een dezer landen gepubliceerd zijn, genieten in
    de overige Verbondslanden, tijdens den vollen duur van het recht
    op het oorspronkelijke werk, het uitsluitend recht hunne werken
    te vertalen of tot de vertaling toestemming te verleenen.


Eene ernstige bestrijding heeft deze bepaling op de Conferentie van
Berlijn niet gevonden. Alleen van den kant van Japan was een voorstel
ingediend dat er lijnrecht mede in strijd was, nl. om het uitsluitend
vertalingsrecht--doch alleen in de betrekkingen tusschen Japan en
de overige Verbondslanden--geheel te doen vervallen. Als argument
voor deze exceptionneele bepaling werd aangevoerd, dat de Japansche
taal aanmerkelijk in karakter verschilt met de Europeesche talen,
dat daarom het vertalen in en uit het Japansch hoogst moeilijk is en
zelden voorkomt, en dat het belang zoowel van Japan zelf als van de
andere beschaafde staten meebracht, dat aan dit toch al gebrekkig
letterkundig ruilverkeer zoo min mogelijk hinderpalen in den weg
werden gelegd. Tot deze hinderpalen meende de Japansche delegatie nu
ook het uitsluitend vertalingsrecht te moeten rekenen [600].

Het was te voorzien, dat de Berlijnsche Conferentie op dit voorstel
niet in zou gaan. In het rapport van Renault wordt er met hoffelijke
termen gewag van gemaakt, doch toch zóó, dat wel blijkt, dat van
aannemen van het voorstel geen kwestie is geweest. Duidelijk wordt
te kennen gegeven, dat ten gerieve van één staat niet van een van de
grondbeginselen der Conventie kon worden afgeweken. Bovendien werd
opgemerkt, dat de ervaring met het uitsluitend vertalingsrecht in
Europa opgedaan juist het tegenovergestelde had geleerd van hetgeen de
Japansche delegatie vreesde. Nergens worden ernstige vertalers door
onredelijke eischen der auteurs tegengehouden; zij komen er juist
eerder toe eene vertaling te ondernemen, wanneer zij de zekerheid
hebben, tegen andere vertalingen beschermd te zullen zijn [601].

Japan zag dus zijn voorstel geheel terzijde gesteld en moest zich
bij dit besluit der Conferentie wel neerleggen. Daar het reeds
toegetreden is tot de Add. Acte van Parijs, blijft er--tenzij het
geheel uit de Unie wil treden--geen andere weg voor dit land over,
dan zich te blijven vasthouden aan hetgeen te Parijs ten aanzien van
het vertalingsrecht is bepaald (gelijkstelling in duur met het overige
auteursrecht, mits binnen tien jaar eene vertaling met goedkeuring
van den auteur verschijnt). Op de zitting van 13 November 1908
werd bij de behandeling van het nieuwe artikel 8 dan ook door den
Japanschen gedelegeerde Horiguchi Kumaichi eene verklaring in dien
zin afgelegd. Eenzelfde verklaring werd daar ook namens Spanje gedaan
[602]. Deze twee staten zullen dus bij de bekrachtiging der Conventie
1908 artikel 8 niet aanvaarden, maar zich houden aan de bepaling van
art. 5 Conventie 1886, gewijzigd door de Add. Acte van Parijs.

Daarentegen bestaat er alle kans dat Zweden en Noorwegen, de
twee eenige Verbondsstaten, die de Add. Acte nog niet hebben
bekrachtigd en die dus in de internationale betrekkingen nog
slechts een vertalingsrecht van tien jaar erkennen krachtens het
ongewijzigde art. 5 Conventie 1886, het nieuwe art. 8 Conventie 1908
onvoorwaardelijk zullen aanvaarden, zoodat zij van de achterhoede
plotseling in de voorste rij zullen komen te staan [603].



Men ziet uit het bovenstaande, hoe het beginsel van een uitsluitend
vertalingsrecht van even langen duur als het overige auteursrecht,
dat reeds door de ontwerpers der Conventie van Bern als het juiste
werd erkend, gestadig in het Verbond veld heeft gewonnen. De Conventie
1886 verleende een vertalingsrecht van slechts tien jaar; de Add. Acte
maakte den duur gelijk aan dien van het overige auteursrecht, doch
onder voorwaarde, dat binnen tien jaar eene geautoriseerde vertaling
verscheen; totdat eindelijk de Conventie 1908 ook deze beperking
wegnam en het juiste beginsel in zijn vollen omvang invoerde.

Tusschen deze drie verschillende regelingen zal dus een staat, die
zich bij het Verbond wenscht aan te sluiten, hebben te kiezen. Over
deze keus--speciaal in verband met de toetreding van ons land--zal
zoo aanstonds nog het een en ander worden gezegd. Ik wensch echter
eerst nog een oogenblik stil te staan bij de beteekenis der genoemde
Conventie-bepalingen. Daar ons land hoogstwaarschijnlijk niet--of
tenminste niet terstond bij de aansluiting--het nieuwe art. 8
onvoorwaardelijk zal aanvaarden, kunnen daarbij de bepalingen van
1886 en 1896 niet geheel voorbij worden gegaan.

Het vertalingsrecht--en dit geldt voor alle drie de regelingen--behoort
tot die rechten, welke in de Conventie zelve gecodificeerd zijn; of
zooals de Conventie 1908 (art. 4 lid 1) ze, in tegenstelling met de
rechten die op de landswetten berusten, noemt: "droits spécialement
accordés par la présente Convention". De bedoelde bepalingen houden
dus--zooals het door sommige schrijvers is uitgedrukt--dwingend
materieel recht in; d. w. z. het vertalingsrecht geldt in het geheele
Verbond binnen de grenzen, welke de Conventie zelve daarvoor gesteld
heeft, onafhankelijk van de bepalingen, welke de inlandsche wetten
op dit punt mochten bevatten. Deze wetten zijn slechts toepasselijk,
voorzoover dit uit de bepalingen der Conventie valt op te maken. Art. 8
Conventie 1908 bepaalt b.v. dat het vertalingsrecht evenlang duurt als
"het recht op het oorspronkelijke werk"; middellijk is dus ook de
inlandsche wet van het betreffende land van invloed, daar deze den
duur van het recht op het oorspronkelijke werk bepaalt of althans
meehelpt bepalen. De bijzondere bepalingen, die de landswetten op
het vertalingsrecht mochten bevatten, worden echter door de Conventie
geheel terzijde gesteld. Dit sluit natuurlijk ook in, dat eventueel
door deze wetten voorgeschreven bijzondere voorwaarden of formaliteiten
voor het vertalingsrecht niet in acht behoeven te worden genomen [604].

Hierbij dient men echter te bedenken, dat de Conventie slechts een
minimum van bescherming waarborgt, d. w. z. dat hare bepalingen nooit
de strekking kunnen hebben, om rechten, die, indien zij niet bestond,
zouden kunnen worden ingeroepen, geheel of gedeeltelijk te doen
vervallen. Over dezen algemeenen regel, die nu in de Conventie 1908
(art. 19) eene stellige uitdrukking heeft gevonden, is hierboven, bij
de behandeling van art. 7 Conventie 1908 en art. 2 lid 2 Conventie
1886 gesproken. In dit verband is hij alleen van practisch belang
ten aanzien van de bepalingen der Conventie 1886 en der Add. Acte,
daar deze, in tegenstelling met het nieuwe art. 8 Conventie 1908,
het vertalingsrecht nog beperkingen in den weg leggen.

De strekking van den bedoelden regel, waarover vroeger nog wel
getwist werd, doch die nu in art. 19 Conventie 1908 duidelijk staat
aangegeven, is deze, dat de rechten van wijdere strekking of langeren
duur der inlandsche wetten alleen dán ondanks de voor de auteurs
minder gunstige bepalingen der Conventie kunnen worden ingeroepen,
indien die rechten geheel buiten de Conventie om bestaan. De
grond van den regel heeft men hierin te zoeken, dat de Conventie
in geen enkel opzicht de auteurs, die onder hare bepalingen staan,
in slechter conditie wil brengen dan zij zonder de Conventie zouden
zijn. Indien de wet van een land--zooals b.v. in Luxemburg het geval
is--op alle werken toepasselijk is, onverschillig wie auteur is
en waar het werk is uitgekomen, dan zullen dus ook voor de werken
uit de andere Verbondslanden de bepalingen dezer wet, voorzoover
zij meer bescherming verleenen dan de Conventie, voor den rechter
van dit land kunnen worden ingeroepen. Als men zich echter op de
Conventie moet beroepen, dan moet met den beschermingstermijn, dien de
Conventie stelt, genoegen worden genomen. Gesteld dus, dat Nederland
tot de Conventie toetrad zonder het nieuwe art. 8 Conventie 1908 te
bekrachtigen, doch op den voet van het oude art. 5 Conventie 1886, dan
zou b.v. in Duitschland, waar de Nederlandsche werken nú onbeschermd
zijn, het uitsluitend vertalingsrecht van deze werken slechts tien
jaren duren, hoewel volgens de Duitsche wet het vertalingsrecht met
het auteursrecht in tijdsduur is gelijkgesteld. Daarentegen zou het
uitsluitend vertalingsrecht van vijftig jaar na den dood des auteurs,
dat nú krachtens de Luxemburgsche wet in dat land de Nederlandsche
auteurs genieten, door de toetreding van ons land bij het Verbond
niet worden opgeheven of verkort.

Er zijn nu nog enkele opmerkingen te maken, die uitsluitend het oude
art. 5 Conventie 1886 en Add. Acte 1896 raken.

Het artikel--zoowel in zijne oorspronkelijke gedaante als na de
wijziging die er te Parijs in is gebracht--begint aldus:


    De tot een der landen van het Verbond behoorende auteurs of hunne
    rechtverkrijgenden genieten in de andere landen het uitsluitend
    recht hunne werken te vertalen, enz.


Alleen dus de werken van "tot een der landen van het Verbond behoorende
auteurs" worden genoemd. Dit beteekent echter niet, dat de bepaling
niet toepasselijk zou zijn op de binnen het Verbond uitgegeven werken
van vreemde auteurs, die genoemd worden in art. 6 Conventie 1908
en art. 3 Conventie 1886. In laatstgenoemd artikel worden eenvoudig
"de bepalingen dezer Conventie" op de bedoelde werken toepasselijk
verklaard en artikel 1, II Add. Acte, waardoor dit artikel gewijzigd
wordt, houdt in, dat de auteurs van deze werken "de bescherming door de
Conventie en de Additionneele Acte verleend" zullen genieten. Hieronder
is dus ook het uitsluitend vertalingsrecht begrepen. Art. 6 Conventie
1908 is nog duidelijker en spreekt van "de rechten, die door de
tegenwoordige Conventie worden toegekend". Deze rechten kunnen echter
alleen in de andere landen, niet in het land van herkomst worden
ingeroepen (cf. art. 4 lid 1, artt. 5 en 6 Conventie 1908).

De termijn van tien jaar (zoowel die voor den duur van het
vertalingsrecht van het ongewijzigde art. 5 Conventie 1886, als de
zoogenaamde "Benützungsfrist" van de Add. Acte) wordt berekend naar
het tijdstip der uitgave; hieruit volgt, dat het vertalingsrecht van
onuitgegeven werken niet aan een bepaalden termijn wordt gebonden
en derhalve evenlang duurt als het auteursrecht in het algemeen. De
redactie van het gewijzigde artikel laat geen ruimte over voor eene
andere uitlegging [605]; wat het artikel in zijne oude gedaante betreft
zou men nog kunnen twijfelen, daar hierin niet de gelijkstelling
in duur van vertalings- en auteursrecht als algemeene regel is
vooropgesteld. Eene andere uitlegging dan de bovengenoemde is echter
moeilijk denkbaar en zou hoogstwaarschijnlijk ook met de bedoeling van
de ontwerpers der bepaling in strijd zijn. Er bestaat geen grond voor
de onderstelling, dat het artikel in het geheel niet op onuitgegeven
werken toepasselijk zou zijn; en daar het alleen voor uitgegeven werken
een bepaalden tijdsduur vaststelt, ligt het voor de hand, dat voor
de andere (dus de niet-uitgegeven) werken het vertalingsrecht duurt,
zoolang het werk overigens van de bescherming der Conventie geniet.

In het tweede, derde en vierde lid van art. 5 Conventie 1886, waarin
de Add. Acte van Parijs geene veranderingen heeft aangebracht, worden
nog eenige detail-regelingen gegeven betreffende de berekening van den
termijn, welke geene nadere verklaring behoeven. Alleen kan het zijn
nut hebben, te wijzen op de beteekenis, welke men heeft willen hechten
aan de woorden "aflevering" (livraison) en "verslagen of tijdschriften"
(bulletins ou cahiers). Onder "livraison" verstond de Commissie van
1885, die het artikel geredigeerd heeft: "une partie d'un ouvrage
paraissant par fascicules successifs, qui ne forme pas en elle même
une publication séparée, mais est si indissolublement liée au reste de
l'ouvrage, soit par la pagination, soit par son ensemble typographique,
que le défaut d'une seule livraison rendrait l'ensemble de l'ouvrage
incomplet et défectueux" [606]. Het Nederlandsche woord "aflevering"
geeft hier m.i. het juiste aequivalent; men spreekt hier echter
ook van afleveringen van een tijdschrift: deze zullen niet onder de
"livraisons" maar onder de "cahiers ou bulletins" vallen.

Het nieuwe art. 8 Conventie 1908 geeft, dank zij ook de
meer nauwkeurige redactie, geen aanleiding tot verschillende
interpretatie. Afzonderlijk worden erin genoemd de onuitgegeven werken
van auteurs die tot een der Verbondslanden behooren, en de uitgegeven
werken, waarvan de eerste uitgave binnen het Verbond heeft plaats
gehad; terwijl voorts--in overeenstemming met de bepalingen van art. 4
lid 1, art. 5 en art. 6 Conventie 1908--onderscheid wordt gemaakt
tusschen de bescherming in het land van herkomst en die in de overige
Verbondslanden. Alleen in de laatste kunnen de auteurs krachtens het
artikel aanspraak maken op het vertalingsrecht der Conventie. Daar
het artikel geen bijzonderen termijn voor het vertalingsrecht stelt,
konden de bepalingen van lid 2, 3 en 4 van art. 5 Conventie 1886
geheel vervallen.

Ten slotte nog enkele opmerkingen over het uitsluitend vertalingsrecht
der Conventie in verband met eene toekomstige aansluiting van ons
land bij het Verbond. Zooals bekend hebben de tegenstanders van
onze aansluiting het juist op het vertalingsrecht gemunt; indien dit
slechts uit de Conventie kon worden geschrapt, of indien er een nòg
korteren duur dan tien jaar (art. 5 Conventie 1886) aan kon gegeven
worden, zou waarschijnlijk bijna niemand meer eenig bezwaar tegen
het toetreden van ons land maken.

Het behoeft echter na het voorgaande nauwelijks te worden gezegd,
dat er niet de allerminste kans bestaat dat de Verbondsstaten
eerlang tot eene inkrimping of afschaffing van het vertalingsrecht
zullen overgaan. Langzaam maar zeker heeft dit recht, dat in de
internationale betrekkingen van zooveel gewicht is, in het Verbond de
erkenning gevonden, die het naar recht en billijkheid verdient. Van
eene kentering der gevoelens op dit punt is niets te bespeuren. Alleen
de houding van Japan op de Berlijnsche Conferentie zou hieraan kunnen
doen denken; doch het onthaal, dat het Japansche voorstel aldaar vond,
bewijst wel dat er aan een teruggang op den afgelegden weg niet valt
te denken.

Ons land zal dus, wil het niet voor altijd buiten het Verbond
blijven, op zijn minst de regeling van art. 5 Conventie 1886,
een vertalingsrecht dus van tien jaar, dienen te aanvaarden. Dat
toetreding op deze voorwaarde nog mogelijk is, is een gevolg van de
tegemoetkomende houding, welke door de Verbondslanden op de Berlijnsche
Conferentie is aangenomen tegenover landen als het onze, die nog geen
deel uitmaken van het Verbond en die voor de invoering eener volledige
internationale auteursbescherming nog eenigszins huiverig zijn. Men
heeft dezen landen--en hierbij had men vooral Rusland en Nederland
op het oog--het toetreden tot het Verbond gemakkelijk willen maken,
door hen niet te dwingen terstond alle bepalingen te aanvaarden,
waartoe nu eerst de landen, die van den aanvang af lid van het
Verbond zijn geweest, na een tijdperk van geleidelijke ontwikkeling,
waren gekomen. Ook aan de landen, die zich tot nu toe buiten de
internationale auteursrechts-regeling hadden gehouden, wilde men de
gelegenheid geven denzelfden geleidelijken weg te volgen en dezelfde
ervaringen op te doen, niet twijfelende, of ook zij zouden, wanneer
eenmaal de eerste stap zou zijn gezet, de noodzakelijkheid inzien om
in dezelfde richting verder te gaan.

Afgaande op de verklaring, welke door den Nederlandschen gedelegeerde
Mr. F. W. J. G. Snijder van Wissenkerke op de Berlijnsche Conferentie
is afgelegd [607], mag men aannemen, dat het in het voornemen
onzer Regeering ligt, van deze aangeboden gelegenheid om met een
vertalingsrecht van slechts tien jaar (het oude art. 5 Conventie
1886) toe te treden, gebruik te maken. Hoogstwaarschijnlijk zal ook
onze volksvertegenwoordiging, gegeven de sterke oppositie die hier
nog tegen een vertalingsrecht van eenigszins langen duur bestaat,
slechts onder die voorwaarde de voor onze toetreding vereischte
goedkeuring verleenen.

Het behoeft geen verder betoog, dat onze toetreding tot het Verbond in
dat geval niet meer zal zijn dan een eerste stap op den goeden weg. Wij
zullen dan nog altijd op het meest belangrijke punt van internationaal
auteursrecht ongeveer twintig jaar ten achter zijn bij bijna alle
andere beschaafde staten. Men zou kunnen aanvoeren, dat het niet goed
is te hard van stapel te loopen en dat het beter is, evenals de andere
landen vóór ons hebben gedaan, te beginnen met een vertalingsrecht
van tien jaar bij wijze van overgangsmaatregel. Later--wellicht
nog vóórdat de eerste tien jaren verstreken zijn--zou men dan tot
invoering van den langeren termijn kunnen overgaan.

Met eene dergelijke redeneering zou men echter blijk geven van te
groote voorzichtigheid. Indien men inziet, dat het op den duur toch
eens zoover zal komen, dat in ons land een vertalingsrecht van even
langen duur als het overige auteursrecht wordt erkend, dan bestaat
er geen reden om dit tijdstip nog langer te willen verschuiven. Want,
ook afgezien van alle overwegingen van principieel-juridischen aard,
zou een onvoorwaardelijk aanvaarden van het nieuwe artikel 8 Conventie
1908 verre de voorkeur verdienen boven het zich vastklampen aan de
oude bepaling der Conventie 1886. Wat toch zou het gevolg zijn van dit
laatste? Niet alleen, dat de werken uit de andere landen in ons land
slechts tien jaar tegen vertalingen beschermd zouden zijn, maar ook dat
voor alle Nederlandsche werken in het geheele Verbond diezelfde korte
termijn zou gelden. De Nederlandsche werken (d.w.z. de in Nederland
uitgegeven werken en de onuitgegeven werken van Nederlandsche auteurs)
zouden dus overal aanmerkelijk minder goed beschermd zijn dan de werken
uit andere landen. Dit zou waarschijnlijk het, reeds door mij genoemde,
gevolg hebben, dat Nederlandsche auteurs, die ook in het buitenland
(en dan natuurlijk alleen in vertaling) gelezen en opgevoerd worden,
hunne werken niet hier, maar in een ander Verbondsland (b.v. België
of Duitschland) zouden uitgeven. Des te eerder zouden zij hiertoe
kunnen overgaan, daar de uitgave in een ander Verbondsland, zooals wij
hierboven gezien hebben, na onze toetreding tot de Conventie niet meer
het gevolg zou hebben, dat de bescherming in Nederland zelf ophield.

Er zijn zeer zeker nog andere en sterkere argumenten, die ervoor
pleiten om bij onze aansluiting terstond art. 8 Conventie 1908
onvoorwaardelijk te bekrachtigen, doch ik heb op het bovenstaande
den nadruk willen leggen, omdat een vertalingsrecht van tien jaar
"om mee te beginnen" waarschijnlijk zal worden aangeprezen juist als
een maatregel in het belang der uitgevers en drukkers. Men ziet nu,
dat hij in sommige opzichten juist het tegenovergestelde gevolg zou
kunnen hebben.



Het vertalingsrecht van onze wet is nog beperkter dan dat van de
Conventie 1886. Voor onuitgegeven werken staat het met het overige
auteursrecht in tijdsduur gelijk (art. 5a jo art. 16, 1o); voor
uitgegeven werken echter (en deze vormen natuurlijk verreweg de
belangrijkste categorie) duurt het slechts vijf jaar na de uitgave
en dan nog onder voorwaarde, dat het op de voorgeschreven wijze zij
voorbehouden en dat de vertaling binnen drie jaar verschenen zij
(art. 5b). Deze bepalingen hebben echter, zooals reeds is opgemerkt,
geene practische beteekenis, daar onze wet alleen toepasselijk is op
in het Rijk door den druk gemeen gemaakte werken. Zij zouden ook geen
beletsel zijn voor de toetreding van ons land tot de Conventie. Er
zijn meer voorbeelden van Verbondslanden, die in hunne binnenlandsche
wetgeving onder het minimum bleven, dat de Conventie voor het
vertalingsrecht vaststelt (Duitschland vóór de wet van 19 Juni 1901;
Denemarken, dat in 1902 tot de Conventie met de Add. Acte toetrad en
eerst in 1904 zijne wetgeving in overeenstemming hiermede wijzigde;
Italië met een vertalingsrecht van tien jaar en Zwitserland met een
"Benützungsfrist" van vijf jaar, hoewel beide staten de Additionneele
Acte hebben bekrachtigd).

Het vertalingsrecht der Conventie bestaat, zooals hierboven is
uiteengezet, onafhankelijk van de bijzondere bepalingen der inlandsche
wetten op dit punt. Deze wetten blijven dus in de gevallen, waar de
Conventie toepasselijk is, buiten toepassing en behoeven daarom ook
niet aan zekere, door de Conventie te stellen, eischen te voldoen
[608]. Ter wille der rechtseenheid is het echter gewenscht, dat de
inlandsche wet ook op dit punt met de Conventie in overeenstemming
zij. Daarom kan worden verwacht, dat wanneer Nederland tot het Verbond
toetreedt, in onze wet dezelfde regeling zal worden overgenomen,
die krachtens ons lidmaatschap van het Verbond in de internationale
betrekkingen zullen gelden, dus: óf een vertalingsrecht van tien jaar
(ongewijzigd art. 5 Conventie 1886); óf een vertalingsrecht van even
langen duur als het overige auteursrecht, mits binnen tien jaar eene
geautoriseerde vertaling verschijnt (art. 5 Conventie 1886 gewijzigd
door Add. Acte 1896); óf eindelijk de volkomen gelijkstelling van het
vertalingsrecht met het overige auteursrecht (art. 8 Conventie 1908).



II Dagbladen en tijdschriften (Conv. 1908 art. 9; Conv. 1886 art. 7;
Add. Acte 1896 art. 1, IV)

De omstandigheden, die tot het vaststellen van bijzondere bepalingen
voor het auteursrecht op in tijdschriften en dagbladen gepubliceerde
stukken aanleiding geven, doen zich ook in de internationale
verhoudingen voor. Bijna geen courant kan het zonder aanhalingen en
ontleeningen uit toonaangevende buitenlandsche bladen stellen. Het
van elkander overnemen van berichten en artikelen behoort tot de
internationale persgebruiken, die evenmin als de binnenlandsche bij
de regeling van het auteursrecht over het hoofd mogen worden gezien.

Hoewel nóch in het ontwerp der Association, nóch in dat van den
Zwitserschen Bondsraad, eene afzonderlijke bepaling hierover voorkwam,
werd toch de kwestie op de Conferenties te Bern van 1884 en 1885
aan de orde gesteld en langdurig besproken. In 1884 zegevierde een
Duitsch voorstel (art. 9 Ontw. 1884), volgens hetwelk ontleeningen
aan tijdschriften en dagbladen zouden worden vrijgelaten, behalve
wat betreft feuilleton-romans en artikelen over eenig onderwerp
van wetenschap of kunst, terwijl het auteursrecht zou kunnen worden
voorbehouden van andere opstellen van eenigen omvang (articles de
quelque étendue), onder welke laatste echter niet zouden worden
gerekend die over de politiek [609].

In 1885 kwam de Commissie, na verschillende andere oplossingen
verworpen te hebben, met een nieuw voorstel, dat behoudens eene kleine
redactie-wijziging, het volgend jaar onveranderd in de Conventie
is opgenomen.

Het artikel (art. 7 Conventie 1886) strekt de vrijheid, om uit
dagbladen en tijdschriften over te nemen, uit tot bijdragen van
elken aard, tenzij de auteur of uitgever dit uitdrukkelijk heeft
verboden. Doch voor twee categorieën, nl. nieuwtjes (nouvelles du jour)
en gemengde berichten (faits divers) is zelfs het stellen van een
verbod uitgesloten; deze kunnen dus in elk geval zonder toestemming
van auteur of uitgever worden overgenomen.

Deze bepalingen vonden al dadelijk van verschillende zijden afkeuring;
het gevolg was, dat op de Conferentie van Parijs niet minder dan vijf
verschillende wijzigingsvoorstellen werden ingediend, resp. afkomstig
van: Frankrijk, Duitschland, België, Noorwegen en Monaco [610]. De
Commissie kwam na lange beraadslaging ten slotte tot eene redactie,
waarin zooveel mogelijk met de verschillende wenschen was rekening
gehouden, doch waarbij zich België en Italië slechts noodgedrongen
neerlegden [611].

Het gewijzigde artikel 7 onderscheidt drie categorieën pers-bijdragen:

a) feuilleton-romans en novellen, die onvoorwaardelijk beschermd zijn;

b) andere artikelen in dagbladen of tijdschriften, die niet mogen
worden overgenomen, mits auteur of uitgever uitdrukkelijk verklaren,
dat zij den nadruk (waaronder natuurlijk ook te verstaan is overnemen
in eene andere taal) verbieden. Ontbreekt deze verklaring, dan mag het
artikel worden overgenomen, doch slechts met vermelding van de bron;

c) artikelen over de politiek, nieuwtjes en gemengde berichten,
waarvan het auteursrecht niet kan worden voorbehouden.

Op de Conferentie van Berlijn heerschte weer evenveel verdeeldheid
over dit vraagstuk als op de vorige Conferentiën. Er waren wederom
verschillende wijzigings voorstellen, nl. van: Duitschland,
België, Engeland en Italië [612]. Ook duurde het lang, voordat
men in den boezem der Commissie, die dit alles te verwerken had,
tot eenstemmigheid was gekomen [613]. Het resultaat was in 't kort
het volgende.

In het nieuwe artikel (art. 9 Conventie 1908) wordt als algemeene
regel vooropgesteld, dat de inhoud van dagbladen en tijdschriften
("feuilleton-romans, novellen en alle andere, hetzij letterkundige,
wetenschappelijke of kunstwerken, onverschillig wat het onderwerp ervan
is") niet zonder toestemming der auteurs gereproduceerd mag worden.

Het staat echter aan een dagblad vrij, uit een ander dagblad (van
tijdschriften wordt dus niet meer gesproken) die artikelen (geen
feuilleton-romans en novellen) over te nemen, waarvan de reproductie
niet uitdrukkelijk is verboden. De bron moet daarbij worden genoemd.

Verder bepaalt het artikel, dat de Conventie niet toepasselijk is
op nieuwtjes of gemengde berichten, die het karakter van eenvoudige
persinformaties dragen.



De beteekenis der wijzigingen, die de Conventie in deze materie
achtereenvolgens heeft ondergaan, zal duidelijker worden, indien men
de verschillende vragen, waarop een antwoord moest worden gevonden,
een oogenblik afzonderlijk beschouwt.

Wat in het algemeen de strekking is van bijzondere bepalingen op
het auteursrecht der journalisten behoeft geen lange uiteenzetting:
het is het waarborgen eener zekere vrijheid in het van elkander
overnemen van artikelen en berichten; dus het geoorloofd verklaren
van handelingen, die anders volgens den algemeenen regel inbreuk op
het auteursrecht zouden uitmaken. Er zijn dus vragen van tweeërlei
aard te beantwoorden. In de eerste plaats: voor welke soorten van
werken en bijdragen behoort deze vrijheid verleend te worden?--en ten
tweede: waarin bestaat deze vrijheid; hoever moet zij in elk geval
worden uitgestrekt?

Ten aanzien der eerste vraag kan al dadelijk worden opgemerkt, dat
de inhoud van een dagblad gedeeltelijk gevormd wordt door berichten
en mededeelingen, die geen auteurs-scheppingen zijn en waarvan dus de
reproductie nooit een inbreuk op het auteursrecht kan uitmaken. Deze
werken zouden dus in eene regeling, die alleen het auteursrecht
betreft, geheel buiten beschouwing kunnen blijven. Zeer juist is, wat
hierover op de Parijsche Conferentie de gedelegeerde de Borchgrave in
het midden bracht: "Le régime spécial adopté pour les nouvelles du jour
et les faits divers pourrait échapper à toute critique sérieuse. On
ne conçoit pas de droit d'auteur là où il n'y a ni oeuvre littéraire,
ni création de l'esprit dans le sens élevé du mot. Si donc il y a lieu
de protéger les informations et les faits divers contre les emprunts
peu scrupuleux de certains journaux, c'est dans une loi spéciale, et
non pas dans une loi relative au droit d'auteur, qu'il faut réaliser
cette protection. Elle échappe à l'objet propre de notre matière"
[614].

Deze zienswijze is pas in de Conventie 1908 duidelijk tot uitdrukking
gekomen. Het laatste lid van art. 9 bepaalt, dat "de bescherming der
Conventie" niet van toepassing is op nieuwtjes en gemengde berichten,
die het karakter van eenvoudige pers-informaties dragen. Er is op de
Conferentie van Berlijn nog sprake van geweest, eene bepaling op te
nemen tegen het overnemen van telegraphische berichten uit dagbladen
[615]. Doch men heeft ingezien, dat men daarmede buiten het gebied van
het auteursrecht zou treden. Daarom is ook de bovengenoemde redactie
gekozen van art. 9 laatste lid, waarin duidelijk staat uitgedrukt, dat
de Conventie zich met de bedoelde berichten in het geheel niet inlaat
en zich over het al of niet rechtmatige van het overnemen ervan niet
uitspreekt [616]. Dit is juister dan hetgeen de Conventie 1886 en de
Add. Acte 1896 op dit punt bepaalden, dat nl. op de bedoelde berichten
(en ook op politieke artikelen, waarover straks) het verbod van nadruk,
dat de auteur of uitgever krachtens de voorafgaande bepaling kon
stellen, niet toepasselijk was (art. 7 laatste lid). Hieruit zou de
verkeerde gevolgtrekking kunnen worden gemaakt, dat het krachtens de
Conventie in alle gevallen vrijstond, berichten uit dagbladen zonder
toestemming van schrijver of uitgever over te nemen, ook indien daarin
b.v. een daad van deloyale concurrentie was te zien. In hoofdzaak
echter komen de bepalingen van art. 7 laatste lid Conventie 1886 en
Add. Acte en van art. 9 laatste lid Conventie 1908 op hetzelfde neer
hierin nl. dat er van auteursrecht op de bedoelde berichten in geen
geval sprake kan zijn. Om die reden kunnen zij ook verder buiten
beschouwing blijven.

Wij staan dus nu nog voor de vraag, welke de producten van
journalistieken arbeid zijn, waarvoor afzonderlijke bepalingen
noodig zijn.

Er valt in de eerste plaats te wijzen op een belangrijk verschilpunt
tusschen de Conventie 1886 en de Add. Acte 1896 eenerzijds en
de Conventie 1908 anderzijds. Volgens de oude regeling worden in
het algemeen als journalistiek werk beschouwd de stukken, die in
tijdschriften en dagbladen zijn verschenen, terwijl de Conventie
1908 uitsluitend daartoe rekent wat in dagbladen is verschenen. Ten
aanzien der tijdschriften meende men op de Conferentie van Berlijn,
dat voor bijzondere bepalingen geen grond bestond; eene opvatting,
waarmede het niet moeilijk valt zich te vereenigen, indien men zich
rekenschap geeft van de redenen, die eene afzonderlijke behandeling
der journalistieke producten in het auteursrecht noodig maken. Van een
publicist in een tijdschrift kan niet, zooals van een dagbladschrijver,
het verlangen worden verondersteld, om zooveel mogelijk in andere
bladen gereproduceerd te worden. Aan den anderen kant bestaat ook
voor een tijdschrift niet de noodzakelijkheid, die de directie van
een dagblad, die hare lezers volledig wil inlichten, wél zal gevoelen,
om stukken uit andere bladen over te nemen.

De kring der journalistieke werken werd dus door deze nieuwe bepaling
der Conventie 1908 reeds vrij aanmerkelijk vernauwd.

Gaan wij thans de verschillende soorten pers-bijdragen afzonderlijk
na, waarbij in verband met het voorgaande in het oog dient te worden
gehouden, dat de nieuwsberichten, die geen auteursproducten zijn,
geheel buiten beschouwing blijven en dat de bepalingen der Conventie
1886 en der Add. Acte op stukken in tijdschriften en dagbladen,
die der Conventie 1908 alleen op die in dagbladen slaan.

Wij hebben dan te onderscheiden:

1) feuilleton-romans en novellen,

2) artikelen over de politiek,

3) alle andere artikelen.

De eerste categorie wordt in het oude art. 7 Conventie 1886
niet genoemd; doch daar deze geschriften eigenlijk niet tot de
journalistieke bijdragen gerekend kunnen worden [617], wordt veelal
aangenomen, dat zij niet onder de bepalingen van het artikel vielen en
dat dus ook vóór de herziening van Parijs de romans en novellen geen
voorbehoud behoefden om niet te worden nagedrukt. Zonder twijfel is dit
ook te Bern de bedoeling geweest van degenen, die het artikel hebben
geredigeerd; hetgeen ook hieruit zou zijn af te leiden, dat eene op
de Conferentie van 1886 door de Fransche gedelegeerden voorgestelde,
doch later weer ingetrokken "Verklaring", waarin deze interpretatie
uitdrukkelijk was uitgesproken, door degenen die er het woord over
voerden voor overbodig werd gehouden, daar zij geen wijziging, maar
slechts eene uitlegging der bepaling bracht [618].

Intusschen heeft men het te Parijs noodig geacht eene uitdrukkelijke
bepaling in den genoemden zin op te nemen, hoewel men ook daar van
oordeel was, dat hiermede slechts eene verduidelijking, en geene
wijziging van het oude artikel tot stand werd gebracht; "... il n'y
a pas vraiment innovation; la disposition est seulement explicative",
merkte Renault dienaangaande in het Commissie-rapport op [619].

Ook de Conventie 1908 houdt de uitdrukkelijke bepaling in, dat
feuilleton-romans en novellen niet tot de dagblad-artikelen behooren,
waarvan het overnemen onder bepaalde voorwaarden vrij is gelaten
(art. 9 lid 2).

Wat onder romans en novellen moet worden verstaan, zal in de meeste
gevallen wel zonder moeite zijn uit te maken. In het Commissie-rapport
van 1896 worden de novellen ("nouvelles") omschreven als: "de petits
romans, de petits contes, des oeuvres de fantasie concentrées souvent
dans un seul article de journal ou de revue" [620]. De Engelsche
vertaling is "works of fiction" en de Duitsche "Novellen". Hier
is dus ook ons woord "novellen" op zijne plaats. De rapporteur van
1908 verklaart, met aanhaling van de in 1896 gegeven omschrijving,
dat de Commissie nog dezelfde zienswijze heeft. Ook worden daar
als tot deze soort werken behoorende genoemd: "de petits dialogues,
de petits récits historiques, etc." [621].



Onder artikelen over de politiek (articles de discussion politique),
die afzonderlijk worden genoemd in art. 7 laatste lid Conventie 1886
en Add. Acte 1896, heeft men alleen die geschriften te verstaan,
welke de politiek van den dag betreffen; niet bijvoorbeeld opstellen
over staatkundige of sociaal-economische vraagstukken. In dezen zin
heeft men zich op de Conferentie van Bern van 1885 in overeenstemming
met een wensch der Duitsche delegatie uitdrukkelijk uitgesproken [622].

Deze artikelen werden op ééne lijn gesteld met de nieuwtjes en
gemengde berichten, d. w. z. het overnemen werd in alle gevallen,
ook indien schrijver of uitgever het uitdrukkelijk verboden had,
vrijgelaten. Het motief hiervoor was ongetwijfeld dit, dat juist ten
aanzien van artikelen over de politiek het overnemen uit buitenlandsche
bladen veelvuldig geschiedt en dikwijls zelfs onvermijdelijk is. Op
de Conferentie van Berlijn heeft men echter ingezien, dat het niet
aangaat, geschriften, die overigens aan alle eischen die men aan een
auteursproduct kan stellen, voldoen, om die reden onvoorwaardelijk
van alle bescherming uit te sluiten. Daarom heeft de Conventie 1908
de onderscheiding tusschen de politieke en niet-politieke artikelen
laten vallen.



De, hierboven in de derde plaats genoemde, "alle andere artikelen",
waarvoor de bijzondere journalistieke bepalingen gelden, zijn
dus volgens de Conventie 1886 en de Add. Acte 1896: alle stukken
in tijdschriften en dagbladen, uitgezonderd: nieuwtjes en gemengde
berichten, feuilleton-romans en novellen en artikelen over de politiek,
en volgens de Conventie 1908: alle stukken in dagbladen, uitgezonderd:
"nieuwtjes en gemengde berichten, die het karakter van eenvoudige
pers-informaties dragen", feuilleton-romans en novellen.

Door de Belgische delegatie was op de Conferentie van Berlijn nog
voorgesteld ook op de in dagbladen geplaatste teekeningen de bepalingen
voor de dagblad-artikelen toepasselijk te verklaren; doch dit voorstel,
dat alleen van den kant van Zweden ondersteund werd, werd later weer
ingetrokken [623].



Wij komen nu tot de tweede vraag, nl.: waarin bestaat de vrijheid,
die voor de genoemde werken wordt verleend?

In het algemeen kan hierop het antwoord zijn, dat het overnemen
van deze artikelen vrijstaat, tenzij schrijver of uitgever dit
uitdrukkelijk heeft verboden. Het beginsel is dus (en hierin
stemmen de regelingen van 1886, 1896 en 1908 met elkander overeen),
dat het auteursrecht wordt erkend, doch dat de toestemming van den
rechthebbende om het stuk over te nemen wordt verondersteld gegeven
te zijn, tenzij deze uitdrukkelijk het tegendeel te kennen geeft door
het stellen van een verbod.

Er valt hierbij echter nog op enkele punten de aandacht te vestigen,
ten aanzien waarvan de herzieningen van Parijs en Berlijn wijzigingen
of verduidelijkingen hebben gebracht.

In de eerste plaats betreft dit de vraag, wat verstaan moet
worden onder het overnemen of "reproduceeren" van een artikel
in dit verband. Het behoeft geen betoog, dat daaronder ook valt
het reproduceeren in een anderen vorm of eene andere taal; de
uitdrukkelijke vermelding hiervan, wat het vertalen betreft, in de
Conventie 1886 en de Add. Acte 1896 kan overbodig worden geacht, daar
er geen grond bestaat om in dit opzicht van de gewone regelen van het
auteursrecht af te wijken. De vraag is echter deze, of de vrijheid van
reproductie, indien het stuk zonder voorbehoud verschijnt, geldt voor
iedereen, dan wel alleen voor andere dagbladen of tijdschriften. De
Conventie 1908 is op dit punt duidelijk en beslist: het overnemen is
alleen toegestaan aan andere dagbladen (art 9 lid 2). De oude bepaling
(Conventie 1886 art. 7 lid 1 en Add. Acte 1896 art. 1, IV lid 1)
liet het overnemen toe "in de andere Verbondslanden"; vrij algemeen
wordt echter aangenomen, dat dit ook alleen slaat op het overnemen in
andere dagbladen of tijdschriften, en dat dus het artikel in geen geval
toestaat, de overgenomen stukken ook in boekvorm te publiceeren. Zoowel
op de Berner Conferentie van 1885 als op de Parijzer Conferentie
van 1896 was men het over deze uitlegging der bepaling eens [624],
en op grond hiervan kon van de redactie-wijziging, die in Berlijn
werd aangebracht, in het Commissie-rapport worden gezegd: "C'est une
précision, et non une innovation" [625].

Eene andere vraag, die nog even besproken dient te worden, is die
betreffende het vermelden van de bron. De verplichting hiertoe werd
voor het eerst bij de herziening van Parijs in 1896 in de Conventie
opgenomen; men kwam daarbij overeen, dat niet alleen de naam van
het blad, waaruit het stuk is overgenomen, maar ook de naam van
den auteur, indien het stuk onderteekend was, moet worden vermeld
[626]. Volgens deze bepaling der Add. Acte was het echter niet geheel
duidelijk, welke de rechtsgevolgen waren van de overtreding van het
voorschrift. Het recht, dat daardoor wordt geschonden, is volgens
de theorie, die ik in de voorgaande hoofdstukken heb ontwikkeld,
geen auteursrecht maar persoonlijkheidsrecht. Strikt genomen kwam
de Conventie daarom met deze bepaling buiten de grenzen, die zij
zich gesteld heeft. In art. 1 wordt immers alleen gesproken van
"de bescherming van het auteursrecht op werken van letterkunde
en kunst"; daaronder behoort niet het recht op eerbiediging van
den auteursnaam. Nu echter de Conventie bepaalt, dat het overnemen
van stukken, die zonder voorbehoud verschenen zijn, is toegestaan,
"mits de bron wordt genoemd", kan men aannemen dat het overnemen van
dergelijke stukken zonder aan de gestelde voorwaarde te voldoen, als
inbreuk op het auteursrecht moet worden aangemerkt. Uit doctrinair
oogpunt blijft dan alleen tegen de bepaling de bedenking te maken,
dat zij auteursrecht en persoonlijkheidsrecht niet goed onderscheidt.

Op de Berlijnsche Conferentie is deze fout hersteld. Het voorschrift
betreffende bron-vermelding is gebleven; doch er staat nu uitdrukkelijk
bij, dat de sanctie op het niet nakomen dezer verplichting bepaald
wordt door de wet van het land, waar de bescherming wordt ingeroepen
(Conventie 1908 art. 9 lid 2).

De bepalingen van onze wet in deze materie komen met geen der besproken
regelingen der Conventie geheel overeen; het verschil is nog het
minst met die van het oorspronkelijke art. 7 Conventie 1886. Het
volgend staatje diene om de vergelijking gemakkelijk te maken.


----------+-----------------------+----------------------------+------------------
          |Van alle bescherming   |Voorwaardelijk beschermd    |Onvoorwaardelijk
          |uitgesloten:           |d. w. z. mits door uitgever |beschermd:
          |                       |of schrijver een verbod van |
          |                       |nadruk is gesteld:          |
----------+-----------------------+----------------------------+------------------
Conventie |artikelen over de      |dagblad- en                 |(feuilleton-romans
1886      |politiek, nieuwtjes en |tijdschriftartikelen        |en novellen)[627]
art. 7    |gemengde berichten.    |                            |
----------+-----------------------+----------------------------+------------------
Add. Acte |          id.          |id. behalve feuilleton-     |feuilleton-romans
1896      |                       |romans en novellen.         |en novellen.
art. 1, IV|                       |De bron moet worden genoemd.|
----------+-----------------------+----------------------------+------------------
Conventie |nieuwtjes en gemengde  |dagblad-artikelen, behalve  |    id.
1908      |berichten, die het     |feuilleton-romans en        |benevens alle
art. 9    |karakter van eenvoudige|novellen.                   |artikelen in
          |pers-informatie dragen.|De bron moet worden genoemd.|tijdschriften.
----------+-----------------------+----------------------------+------------------
W. A. R.  |         [628]         |berichten en opstellen uit  |
art. 7    |                       |dag- en weekbladen.         |
lid 2     |                       |De bron moet worden genoemd.|
----------+-----------------------+----------------------------+------------------


De verschilpunten zijn, zooals men ziet, nogal belangrijk, vooral met
den nieuwen tekst der Conventie. Dit zou echter bij de toetreding
van ons land geen practische bezwaren meebrengen, tenminste indien
in onze wet het stelsel van art. 27 behouden blijft. Wij hebben hier
uit den aard der zaak uitsluitend met door den druk gemeen gemaakte
werken te doen, waarop onze wet alleen toepasselijk is, indien dit
"door den druk gemeen maken" in Nederland of Nederlandsch-Indië is
geschied. De besproken bepalingen der Conventie daarentegen zijn,
in overeenstemming met de regeling van art. 4 Conventie 1908, alleen
toepasselijk op het overnemen van stukken uit dagbladen, die in andere
Verbondslanden verschijnen. De zaak zou dus voor den Nederlandschen
rechter vrij eenvoudig zijn: overnemingen uit een buitenlandsch
(d. w. z. in een der Verbondslanden verschijnend) blad zouden te
beoordeelen zijn naar de bepalingen der Conventie; die uit een hier
te lande (of in Ned.-Indië) verschijnend blad naar art. 7 tweede
lid van onze wet. Eene vergelijking tusschen de twee bepalingen zou
hierbij derhalve niet te pas komen. De vraag, tot welke nationaliteit
de auteur behoort, zou geheel buiten beschouwing kunnen blijven,
daar zoowel volgens de Conventie als volgens onze wet uitsluitend de
plaats van het door den druk gemeen maken (in dit geval dus: de plaats
waar het blad verschijnt) over de al of niet toepasselijkheid beslist.

Tot nu toe heb ik steeds den stelregel bepleit, dat bij onze
toetreding tot het Verbond ons inlandsch recht zooveel mogelijk in
overeenstemming worde gebracht met dat der Conventie, ook waar dit
niet strikt geboden is. In verband met het voorgaande meen ik echter,
dat ten aanzien van het journalistieke auteursrecht zonder bezwaar van
dien regel kan worden afgeweken. Indien de regeling der Conventie niet
volkomen strookt met de toestanden en gebruiken van de Nederlandsche
pers--eene vraag waarop ik hier niet verder wil ingaan--dan bestaat
er m. i. niet de minste reden om die regeling, welke natuurlijk ten
aanzien der internationale persverhoudingen moet worden aanvaard,
ook nog in onze wet onveranderd over te nemen. Het recht dient zich
aan de bestaande verhoudingen en toestanden aan te passen, en deze
verhoudingen en toestanden zijn allicht niet dezelfde tusschen de
Nederlandsche persorganen onderling dan tusschen de Nederlandsche en
de buitenlandsche. Verschilpunten tusschen onze wet en de Conventie
behoeven--zooals wij gezien hebben--geen aanleiding te geven tot
verwarring. Wél zou daarvoor eenig gevaar kunnen ontstaan, indien bij
eene herziening van onze wet ook in het stelsel van art. 27 wijziging
werd gebracht; indien b.v. de wet toepasselijk werd verklaard op
alle werken van Nederlanders, ook die welke in het buitenland in
druk uitkomen. In dat geval zou b.v. een Nederlander, die in een
Fransch blad een artikel plaatst, hier te lande zoowel krachtens
de Conventie als krachtens de Nederlandsche wet beschermd zijn, en
de rechter zou tusschen het Nederlandsche recht en de Conventie eene
vergelijking moeten maken, om de voor den auteur gunstigste bepalingen
te kunnen toepassen. Doch deze moeilijkheden zouden gemakkelijk
zijn te voorkomen, door de bijzondere bepalingen voor dagbladen en
tijdschriften in de wet uitsluitend toepasselijk te verklaren op het
overnemen van stukken uit de binnen het Rijk verschijnende bladen.

Bestaat er dus op dit punt geen reden om in ons inlandsch recht de
Conventie geheel na te volgen, wél is het gewenscht, dat bij onze
aansluiting tot het Verbond art. 9 Conventie 1908 onvoorwaardelijk
worde aanvaard. In de eerste plaats kan hiervoor worden aangevoerd,
dat de bepaling in alle opzichten beter is dan die der Conventie
1886 en der Add. Acte 1896. De vrijheid, die deze laatste bepalingen
laten, om artikelen over de politiek over te nemen zelfs tegen
den uitdrukkelijken wil van den schrijver of uitgever, is met de
beginselen van het auteursrecht moeilijk te rijmen. Ook op het stuk
van feuilletons, nieuwsberichten, verplichte bron vermelding, is de
Conventie 1908 juister en duidelijker dan die van 1886 en 1896.

Doch behalve wegens deze innerlijke eigenschappen verdient
het nieuwe art. 9 ook boven het oude art. 7 de voorkeur, omdat
hoogstwaarschijnlijk alle staten, die nu deel uitmaken van het Verbond,
het onvoorwaardelijk zullen bekrachtigen.

Men kan dus verwachten, dat wanneer de Conventie 1908 in werking zal
zijn getreden, er op dit punt eenheid zal heerschen in het geheele
Verbond en m. i. mogen alleen zeer gewichtige redenen een nieuw
toetredenden staat doen besluiten, deze eenheid te verstoren. Dat
dergelijke redenen voor ons land zouden bestaan, zal niemand willen
beweren.

Ten slotte nog eene opmerking naar aanleiding van de nieuwe bepaling,
volgens welke de sanctie op het niet nakomen der verplichting, de
bron te vermelden, bepaald moet worden door de wet van het land, waar
de bescherming wordt ingeroepen (Conventie 1908 art. 9 lid 3). Eene
bepaling als de hier bedoelde ontbreekt in onze wet. Er staat daar
(art. 7 lid 2) alleen, dat het verder door den druk gemeen maken van
berichten enz. vrijstaat "mits de bron genoemd worde", doch de wet laat
zich niet uit over de gevolgen van de overtreding van dit verbod. Het
ware wellicht wenschelijk om--zooals ik reeds eerder (p. 295) betoogd
heb--op dit punt de Duitsche wet tot voorbeeld te nemen, die het niet
noemen van de bron, waar dit vereischt wordt, tot een strafbaar feit
(eene overtreding met maximum boete van 150 Mark) verklaart.



III Bloemlezingen (Conv. 1908 art. 10; Conv. 1886 art. 8)

Op de Berner Conferentie van 1884 was op voorstel van Duitschland
een artikel aangenomen (art. 8), dat een aantal gevallen opsomde,
waarin geheele of gedeeltelijke reproductie was toegelaten in het
belang van onderwijs en wetenschap. Dit artikel vond echter het volgend
jaar van verschillende zijde bestrijding [629] en werd tenslotte in de
Commissie met zeven tegen vijf stemmen verworpen [630]. Toen de poging,
om op dit punt eene eenvormige regeling voor het geheele Verbond tot
stand te brengen, hiermede was mislukt, stelde de Commissie van 1885
in de plaats van het afgestemde artikel de volgende bepaling voor,
die werd aangenomen en sindsdien ongewijzigd is blijven bestaan
(art. 8 C. 1886, art. 10 C. 1908):


    Ten opzichte van het geoorloofde overnemen uit letter- of
    kunstwerken in voor het onderwijs bestemde of een wetenschappelijk
    karakter dragende uitgaven of in bloemlezingen, blijven de
    bepalingen van de wetgeving der Verbondslanden en van de tusschen
    dezen bestaande of nog te sluiten bijzondere overeenkomsten
    gehandhaafd.


Deze bepaling was noodig, omdat als algemeene regel slechts die
bepalingen van wetten en tractaten hare kracht behouden, welke meer
bescherming geven dan de Conventie (art. 15 en Add. Artikel Conventie
1886; artt. 19 en 20 Conventie 1908); op dien regel vormt de bepaling
nu eene uitzondering. De strekking ervan is dus, om aan wetten en
bijzondere tractaten volledige vrijheid te laten op dit punt, zoodat
ook die bepalingen, welke het auteursrecht beperken of aan voorwaarden
verbinden, door de Conventie niet buiten werking worden gesteld.



Onze wet heeft op dit punt geene speciale bepalingen; alleen wordt
in artikel 7 eerste lid het opnemen van aanhalingen "ter aankondiging
of beoordeeling" uit andere werken vrijgelaten. Dit is dus feitelijk
iets anders dan waarop artikel 10 der Conventie betrekking heeft. Bij
de bespreking van de bepaling te Bern werd echter ook de vrijheid van
citeeren ter sprake gebracht. Door de gedelegeerden van alle landen
werd de verklaring afgelegd, dat deze vrijheid door hunne wetgeving
binnen zekere grenzen wordt erkend [631]. Aan deze verklaringen werd in
het rapport van 1908 nog eens nadrukkelijk herinnerd [632]. Het mag dus
als vaststaande worden aangenomen, dat deze vrijheid door de Conventie
in geenen deele wordt beperkt en dat de desbetreffende bepalingen
der landswetten ook tegenover werken uit andere Verbondslanden van
kracht blijven.

Daar onze wet voor bloemlezingen en school-uitgaven (het eigenlijke
onderwerp van art. 10 Conventie) geen afzonderlijke bepalingen heeft,
gelden voor deze werken de gewone regels, die dus na onze toetreding
tot de Conventie ook zouden moeten worden toegepast, indien uit werken
van andere Verbondslanden stukken waren overgenomen.

Tegenover werken van Fransche auteurs zou moeten worden toegepast
artikel 2 van de Additioneele Overeenkomst van 27 April 1860 tusschen
Frankrijk en Nederland, waarvan de tekst luidt:


    De uitgave in het Koninkrijk der Nederlanden van chrestomathieën,
    samengesteld uit fragmenten of uittreksels van Fransche schrijvers,
    zal veroorloofd zijn, mits die verzamelingen inzonderheid bestemd
    zijn voor het onderwijs, en uitlegkundige aanteekeningen of
    vertalingen in de Nederlandsche taal bevatten.


Daar verzamelingen als de hier bedoelde in ons land zeer talrijk zijn
[633], en voor het onderwijs niet alleen van het Fransch, maar ook
b.v. van Duitsch en Engelsch vrijwel onmisbaar kunnen worden geacht,
zou het wellicht met het oog op eene toekomstige toetreding van ons
land tot de Berner Conventie aanbeveling verdienen, van de vrijheid die
artikel 10 der Conventie op dit punt aan de wetten en afzonderlijke
tractaten laat, een ruimer gebruik te maken, dan volgens de thans
bestaande bepalingen zou geschieden. Door b.v. eene bepaling, in den
zin van de bovengenoemde uit ons tractaat met Frankrijk, in onze wet
op te nemen, zouden wij volkomen binnen de grenzen blijven, welke
art. 10 der Conventie stelt. Deze bepaling zou dus toepasselijk zijn
op alle bloemlezingen, die in Nederland zouden worden verspreid,
waarin werken van auteurs uit andere Verbondslanden zouden zijn
opgenomen. Het behoeft geen betoog dat, zoolang art. 10 der Conventie
zijne tegenwoordige gedaante blijft behouden, eene oplossing langs
dezen weg (nl. door eene bepaling in de binnenlandsche wet op te nemen,
die voor alle Verbondsauteurs zou gelden) gemakkelijker en eenvoudiger
is, dan door met elken staat hierover een afzonderlijke overeenkomst
te sluiten.

Onze wetgever heeft het dus in zijne macht, de vrijheid die hier
nu bestaat, om van de werken van buitenlandsche schrijvers voor
schoolboeken gebruik te maken, ook na onze toetreding tot de Conventie,
althans binnen redelijke perken, te bestendigen. Dit is wel eens door
tegenstanders van onze aansluiting betwijfeld. In Het Vaderland van
17 December 1898 werd hierover b.v. opgemerkt: "Bij toetreding tot
de Berner-Conventie--wij herhalen het--zal het mogelijk zijn het
bewerken van dergelijke schoolboeken" (boeken nl. waarin stukken
van buitenlandsche auteurs zijn opgenomen) "te weren. Dit schijnt de
bedoeling der voorstanders. Wij weten wel, dat de Conventie zegt":
(volgt de tekst van het artikel). "Maar 't spreekt van zelf, dat het
geheel van de interpretatie van de uitdrukking "op geoorloofde wijze"
en van "te sluiten overeenkomsten" afhangt, hoever de hier welwillend
verleende bevoegdheid gaat. Wee den dwerg, die te contracteeren heeft
met den reus!" [634]

Van een contract, en nog wel een dat gesloten wordt tusschen een dwerg
en een reus, behoeft hier, zooals uit mijne uiteenzetting volgt, in
't geheel geen sprake te zijn. Het is voldoende, eene bepaling in de
wet op te nemen, en uitsluitend naar die bepaling zal de Nederlandsche
rechter hebben te beslissen, wat al of niet geoorloofd is. Natuurlijk
moet de wet blijven binnen de grenzen die door art. 10 der Conventie
worden gesteld (eene bepaling b.v. die het overnemen van geschriften
in alle mogelijke verzamelingen vrij liet, zou tegenover auteurs van
andere Verbondslanden niet mogen worden toegepast); doch deze grenzen
zijn ruim genoeg. De wetgevingen van bijna alle Verbondslanden bevatten
bepalingen in den bedoelden zin, waarvan sommige zelfs de vrijheid
van ontleeningen nog verder uitstrekken dan de bovengenoemde bepaling
van ons tractaat met Frankrijk. In dit opzicht kunnen dus de uitgevers
gerust zijn.



IV Op- en uitvoeringsrecht (Conv. 1908 art. 11; Conv. 1886 art. 9)

Evenals voor het vertalingsrecht, heeft men het ook voor op- en
uitvoeringsrecht van tooneel- en muziekwerken noodig geacht, eene
afzonderlijke bepaling in de Conventie op te nemen. In de Conventie
1886 was het artikel 9, dat deze regeling inhield, welk artikel
reeds in 1884 uit een voorstel der Duitsche delegatie was tot stand
gekomen en tot 1908 toe ongewijzigd is gebleven. In laatstgenoemd jaar
werden deze bepalingen, na eenige veranderingen te hebben ondergaan,
in art. 11 van de nieuwe Conventie overgebracht.

Het oude artikel (art. 9 Conventie 1886) maakt onderscheid tusschen
het opvoeringsrecht van tooneelstukken en dramatisch-muzikale werken
en het uitvoeringsrecht van muziekstukken. Op beide rechten werden
de bepalingen van art. 2 der Conventie 1886 toepasselijk verklaard;
het uitvoeringsrecht van muziekwerken moest echter, indien zij in druk
waren uitgekomen, door den auteur uitdrukkelijk zijn voorbehouden,
eene voorwaarde die voor de tooneel- en dramatisch-muzikale werken
niet gold.

Deze beperking van het uitsluitend uitvoeringsrecht van muziekwerken
was met het oog op sommige wetgevingen, in het bijzonder die van
Engeland en Duitschland, in de Conventie opgenomen en in Parijs,
ondanks de pogingen van Frankrijk, dat daarbij door België werd
ondersteund [635], niet weggenomen. De Parijsche Conferentie bracht het
niet verder dan tot het uitspreken van den wensch: "dat de wetgevingen
der Verbondslanden de grenzen zullen vaststellen binnen welke de
volgende Conferentie het beginsel zou kunnen aanvaarden, dat uitgegeven
werken der toonkunst beschermd moeten zijn tegen ongeoorloofde
uitvoering, zonder dat de auteur gedwongen zij tot het stellen van
een voorbehoud" [636]. Met die door de wetgevingen der Verbondslanden
vast te stellen grenzen had men voornamelijk eene regeling op het oog
van die gevallen, waarin een onvoorwaardelijk verbod van uitvoering
zonder toestemming des auteurs niet algemeen gewenscht schijnt,
zooals b.v. bij volksfeesten, weldadigheidsconcerten, uitvoeringen
door dilettanten, en dergelijke.

Op de Conferentie van Berlijn heeft men de bepaling overeenkomstig
den in Parijs uitgesproken wensch kunnen wijzigen. Alleen door Zweden
en Zwitserland werd hiertegen aanvankelijk eenig bezwaar gemaakt,
dat echter om de eenheid niet te verstoren, werd opgegeven [637]. De
wijziging was voorgesteld door Duitschland, dat vroeger zich tegen
een uitvoeringsrecht zonder voorbehoud had verzet, doch dat inmiddels
in zijne wetgeving eenige beperkingen als de bovenbedoelde had kunnen
opnemen (wet v. 19 Juni 1901 art. 27) waardoor de vroegere bezwaren
hun grond hadden verloren.

Artikel 11 Conventie 1908 stelt dus het uitvoeringsrecht van
muziekwerken op ééne lijn met het opvoeringsrecht van tooneelstukken
en dramatisch-muzikale werken. Op dit ééne punt wijkt het van de
oude bepaling der Conventie 1886 af. Wél zijn in Berlijn nog enkele
andere wijzigingen aangebracht, doch deze zijn van weinig beteekenis,
zooals hieronder zal blijken.

In hoeverre is nu de bescherming tegen ongeoorloofde op- en uitvoering
door de bepaling der Conventie verzekerd? Bij de beantwooding dezer
vraag stuiten wij al dadelijk op een van de bedoelde verschilpunten
van ondergeschikten aard tusschen de Conventie 1886 en die van
1908. Volgens art. 9 Conventie 1886 zijn: "de bepalingen van art. 2"
hier van toepassing; op de Berlijnsche Conferentie heeft men hiervan
gemaakt: "de bepalingen der tegenwoordige Overeenkomst". Dit maakt in
wezen geen verschil uit. De beteekenis van beide artikelen is deze,
dat het op- en uitvoeringsrecht in het Verbond erkend moet worden,
volgens de algemeene regelen, die de Conventie voor de internationale
bescherming stelt (in art. 2 Conventie 1886 en artt. 4, 5, 6 en 7
Conventie 1908). De regeling is dus niet dezelfde als die van het
uitsluitend vertalingsrecht. Dit laatste wordt--zooals wij gezien
hebben--direct door de Conventie verleend, onafhankelijk van de
landswetten; het uit- en opvoeringsrecht daarentegen--al wordt het
afzonderlijk genoemd--is niet in de Conventie zelve gecodificeerd,
maar valt onder de bepalingen, die de Conventie over de bescherming
in het algemeen inhoudt. Na hetgeen over deze bepalingen (nl. die
van artt. 4-7 Conventie 1908) reeds is gezegd, behoeft de beteekenis
hiervan niet nader te worden toegelicht. Het komt in hoofdzaak hierop
neer, dat in elk Verbondsland het op- en uitvoeringsrecht, dat de
wet aldaar verleent, kan worden ingeroepen voor de werken die uit
een der andere Verbondslanden afkomstig zijn, met vrijstelling van
eventueel voorgeschreven voorwaarden of formaliteiten. Wat den duur
van het op- en uitvoeringsrecht betreft, deze zal, volgens art. 7 lid
2 Conventie 1908 "den duur, vastgesteld in het land van herkomst niet
mogen overschrijden". Hierbij dient echter te worden aangeteekend,
dat met den "duur" in het land van herkomst wordt bedoeld de duur van
het auteursrecht in het algemeen, de zoogenaamde "hoofdtermijn",
en dat dus niet in aanmerking komt de bijzondere termijn van
korteren duur, die de wet van het land van herkomst voor het op-
of uitvoeringsrecht mocht stellen. Gesteld dus de wet van een land
verleent een auteursrecht van vijftig jaar na den dood des auteurs,
doch slechts een opvoeringsrecht van tien jaar na de uitgave, dan zal
het opvoeringsrecht van uit dat land afkomstige werken in de andere
landen van het Verbond niet gebonden zijn aan laatstgenoemden korten
termijn; doch het zal alleen niet langer kunnen duren dan vijftig
jaar na den dood des auteurs [638].

Het tweede lid van artikel 11 Conventie 1908 en art. 9 Conventie
1886 houdt eene bepaling in van eenigszins andere strekking dan de
boven behandelde. Daarin is sprake van het recht, vertalingen van
tooneelstukken en dramatisch-muzikale werken op te voeren. Hier
valt weer op een klein verschil tusschen de oude en de nieuwe
bepaling te wijzen. Art. 9 Conventie 1886 bepaalt, dat zoolang
het vertalingsrecht duurt, de auteurs ook beschermd zijn tegen
ongeoorloofde opvoering van de vertaling hunner werken, m. a. w. het
uitsluitend vertalingsrecht (dat in art. 5 Conventie 1886 was geregeld)
omvat ook het opvoeringsrecht. Dit is in art. 11 Conventie 1908
hetzelfde gebleven; doch daar te Berlijn het vertalingsrecht met het
recht op het oorspronkelijke werk in duur volkomen is gelijkgesteld
(art. 8 Conventie 1908), kon in aansluiting daarmede ook ten aanzien
van het opvoeringsrecht van vertalingen worden bepaald, dat het
evenlang duurt als het recht op het oorspronkelijke werk. Het verschil
is dus uitsluitend het gevolg van de wijziging, die de Conventie ten
opzichte van het uitsluitend vertalingsrecht in 1908 heeft ondergaan.

Ook in dit opzicht is dus door de Conventie het opvoeren op ééne
lijn gesteld met het "door den druk gemeen maken"; indien het in
dezelfde taal geschiedt zijn daarop de algemeene regels van de
artt. 4-7 toepasselijk; heeft men echter te doen met de opvoering
eener vertaling, dan valt dit onder den bijzonderen regel van art. 8.



Onze wet is op het punt van op- en uitvoeringsrecht nog zeer karig. Op
onuitgegeven dramatisch-muzikale en tooneelwerken bestaat op- en
uitvoeringsrecht tot dertig jaar na den dood des auteurs (art. 15,
1o); op door den druk gemeen gemaakte werken echter slechts gedurende
tien jaren na de uitgave, mits het door den auteur uitdrukkelijk
wordt voorbehouden (art. 15, 2o jo art. 12).

Uitvoeringsrecht op muziekwerken bestaat in het geheel niet.

Deze laatste omstandigheid zou op zich zelve al een reden kunnen zijn
om ons land krachtens art. 25 Conventie 1908 de toetreding tot het
Verbond te ontzeggen. Ongetwijfeld behoort het uitvoeringsrecht van
muziekwerken tot "de rechten, die het onderwerp dezer Overeenkomst
uitmaken"; het ontbreekt ook in geen der wetgevingen van de tot op
heden toegetreden staten; en al wegen de belangen hier niet zoo zwaar
als die b.v. bij het auteursrecht op werken van beeldende kunst zijn
betrokken, zonder beteekenis zijn zij niet, vooral ten aanzien van een
land als het onze, waar veel muziek van buitenlandsche componisten ten
gehoore wordt gebracht. De mogelijkheid is dus geenszins uitgesloten,
dat de Verbondsstaten op grond van art. 25 als een van de voorwaarden
om te mogen toetreden, zouden stellen, dat het bedoelde recht in de
wet worde erkend.

Mocht ons land, zonder de wet op dit punt aangevuld te hebben,
toch tot het Verbond worden toegelaten, dan zou het gevolg zijn,
dat Nederlandsche muziek in de andere Verbondslanden wél tegen
uitvoering beschermd zou zijn, terwijl in Nederland deze bescherming
nóch voor Nederlandsche, nóch voor buitenlandsche werken zou worden
verleend. Het mag echter verwacht worden, dat men, ook van onze
zijde, het hiertoe niet zal willen laten komen, en dat dus vóór onze
toetreding tot de Conventie het uitvoeringsrecht van muziekwerken
in de wet zal geregeld worden. Het is te hopen, dat men daarbij niet
te angstvallig te werk zal gaan en dat dit recht dus verschoond zal
blijven van beperkingen en voorwaarden, zooals hier nog ten aanzien
van opvoerings- en vertalingsrecht bestaan. In het bijzonder is
het te wenschen, dat hier geen bezwaar zal worden gemaakt tegen de
erkenning van een uitvoeringsrecht, dat niet bij de uitgave van het
muziekstuk uitdrukkelijk door den auteur is voorbehouden. Mocht dit
wel het geval zijn, dan zal bij de bekrachtiging der Conventie 1908
art. 11 niet onvoorwaardelijk aanvaard kunnen worden, maar zullen
wij ons moeten houden aan art. 9 Conventie 1886.

Wat het opvoeringsrecht van tooneelwerken en dramatisch-muzikale
werken betreft, dit ontbreekt wel niet geheel in onze wet, maar
in tijdsduur staat het toch--tenminste voor de door den druk gemeen
gemaakte werken--verre bij dat van alle wetgevingen der Verbondslanden
ten achter. Slechts twee landen hebben voor het opvoeringsrecht
een bijzonderen termijn, nl. Zweden (dertig jaar na den dood des
auteurs art. 14 gewijzigd door de wet van 29 April 1904) en Italië
(tachtig jaar na de eerste uitgave of opvoering art. 10; volgens
het Ontwerp voor eene nieuwe wet duurt het evenals het overige
auteursrecht, vijftig jaar na den dood des auteurs). Men ziet
dat deze termijn nog niet eens bijzonder kort is. In alle andere
Verbondslanden staat het opvoeren met het door den druk gemeen
maken volkomen gelijk. Zooals uit de voorgaande bespreking volgt,
zou onze kortere termijn, zoo deze bij onze aansluiting gehandhaafd
bleef, geen invloed hebben op den duur van het opvoeringsrecht van
Nederlandsche werken in de andere Verbondslanden. Zoolang volgens
onze wet nog kopierecht bestaat op deze werken, zouden zij van
den langeren beschermingstermijn voor het opvoeringsrecht in het
buitenland kunnen genieten. Hetzelfde geldt voor het voorbehoud,
dat art. 12 W. A. R. eischt. Een in Nederland uitgekomen tooneelstuk
zou in alle Verbondslanden opvoeringsrecht genieten, ook al was dit
niet bij de uitgave uitdrukkelijk voorbehouden.

Ook hier te lande zou voor werken uit andere Verbondslanden geen
voorbehoud kunnen worden geëischt; de duur van het opvoeringsrecht
zou echter ook voor deze werken naar Nederlandsch recht moeten
worden berekend (dus slechts tien jaar na de uitgave bedragen). In
dit opzicht zouden wij dus, indien de tegenwoordige bepalingen op het
opvoeringsrecht in onze wet gehandhaafd blijven, door onze toetreding
tot de Conventie meer ontvangen dan geven. Het behoeft nauwelijks te
worden gezegd dat dit allerminst een reden mag zijn, om de gebrekkige
bescherming tegen opvoeringen in onze wet maar te laten, zooals zij is.

Van meer practisch belang dan het recht van opvoeren in dezelfde taal
(waarop het voorgaande alleen betrekking heeft) is het uitsluitend
recht van opvoeren in andere talen. Op dit laatste zijn, zooals wij
gezien hebben, zoowel volgens de Conventie 1886 als de Conventie 1908,
de bijzondere bepalingen omtrent het uitsluitend vertalingsrecht
van toepassing. Op dit punt worden dus de speciale bepalingen
over opvoeringsrecht van alle landswetten door de Conventie buiten
toepassing gesteld. Hoe lang het opvoeringsrecht van vertalingen
van Nederlandsche stukken in de andere landen en van die uit andere
landen in Nederland na onze aansluiting zal duren, hangt derhalve
uitsluitend af van de houding, die ons land bij de bekrachtiging der
Conventie op het stuk van het vertalingsrecht zal aannemen.



V Bewerkingsrecht (Conv. 1908 art. 12; Conv. 1886 art. 10; Verklaring
van Parijs 3o)

De moeilijkheid, om een juisten regel te formuleeren op het stuk
van het bewerkingsrecht, doet zich natuurlijk vooral bij het
samenstellen van eene internationale regeling gevoelen, waarbij
met wetsbepalingen en opvattingen van meerdere staten rekening moet
worden gehouden. Het valt daarom niet te verwonderen, dat men het
op de Berner Conferenties niet dan na lange beraadslagingen over dit
vraagstuk eens is geworden. De redactie van art. 10 Conventie 1886,
dat in Parijs niet, in Berlijn slechts op ondergeschikte punten
gewijzigd is, is te danken aan de Commissie van 1885, die uit niet
minder dan vier verschillende voorstellen te kiezen had gehad [639].

Het hoofdbeginsel, waarover alle staten het eens waren, is dat de
min of meer vermomde reproductie, waarbij b.v. de naam van het
werk veranderd is, kleine wijzigingen in het werk zijn gemaakt,
stukken zijn weggelaten of wel nieuwe erbij gevoegd, als inbreuk
op het auteursrecht zou gelden en dus verboden zou zijn. Daar de
bedoelde practijken niet met één woord waren aan te duiden en in het
bijzonder het Fransche woord adaptation (dat eigenlijk beteekent:
"pasklaarmaking" dus: omwerking voor een ander doel of eene andere
smaak) tot verschillende uitleggingen en verwarring aanleiding
zou geven, nam men zijne toevlucht tot eene omschrijving, waarbij
"omwerkingen" (adaptations) en "muziek-arrangementen" slechts als
voorbeelden zijn genoemd, zonder dus andere wijzen van nabootsing in
veranderden vorm uit te sluiten.

Vóór 1896 bestond er nog twijfel over de vraag, of ook het zoogenaamde
"dramatiseeren" (omwerking van roman in tooneelstuk) onder de bepaling
van dit artikel viel. In de Parijsche Verklaring werd deze vraag
bevestigend beantwoord (3o); op de Conferentie van Berlijn heeft
men eene uitdrukkelijke bepaling in dezen zin in den tekst van het
artikel ingelascht. Het artikel luidt nu als volgt:


    Tot de ongeoorloofde reproducties, waarop de tegenwoordige
    Overeenkomst van toepassing is, behooren in het bijzonder
    de indirecte, niet toegestane toeëigeningen van een werk
    van letterkunde of kunst, die met verschillende namen worden
    aangeduid als: omwerkingen, muziek-arrangementen; vervorming
    van een roman, novelle of gedicht tot tooneelstuk en omgekeerd,
    enz., wanneer zij niets anders zijn dan de reproductie van een
    dergelijk werk in denzelfden of in anderen vorm, met wijzigingen,
    toevoegsels of afkortingen, die tot het wezen van het werk niets
    afdoen, zonder overigens het karakter te hebben van een nieuw,
    oorspronkelijk werk.


In art. 10 Conventie 1886 volgde hierna nog een tweede lid van
dezen inhoud:


    Bij de toepassing van dit artikel zullen de rechtbanken der
    verschillende Verbondslanden casu quo rekening houden met de
    bijzondere bepalingen hunner respectieve wetten.


Reeds in 1896 was er op aangedrongen deze laatste bepaling te
schrappen, doch zonder succes, daar Engeland er zich tegen verzette
[640]. Op de Conferentie van Berlijn werd echter hetzelfde voorstel
zonder bestrijding te ontmoeten aangenomen. De beteekenis van het
artikel is naar mijne meening door het weglaten van het laatste
lid niet eene andere geworden. Ook nu zullen de rechters nog met
de bijzondere bepalingen van de wet van hun land rekening moeten
houden bij de toepassing van dit artikel, voorzoover nl. in die wetten
punten zijn geregeld, waarover het Conventie-artikel zich niet stellig
uitspreekt [641]. Evenals ten aanzien van het op- en uitvoeringsrecht
blijft de wet van het land, waar de bescherming wordt ingeroepen, ook
in dit opzicht al hare kracht behouden. Dit volgt uit de redactie,
die aan art. 12 is gegeven. Er staat niet: "de auteurs hebben het
recht enz." zooals in art. 8 ten aanzien van het vertalingsrecht,
maar: "Tot de ongeoorloofde reproducties, waarop de tegenwoordige
Overeenkomst van toepassing is, behooren .. enz." De Conventie schept
hier dus geen zelfstandig recht tot exploitatie van bewerkingen,
arrangementen enz. buiten de landswetten om; doch het artikel geeft,
evenals het vorige, slechts enkele nadere bepalingen van den omvang
der bescherming, die krachtens de artt. 4-7 der Conventie in de
verschillende landen van het Verbond genoten wordt. Door de weglating
van het tweede lid van art. 10 Conventie 1886 uit het nieuwe art. 12
Conventie 1908 zijn dus niet de bepalingen der inlandsche wetten op
dit stuk geheel buiten werking gesteld. Men had er alleen de bedoeling
mede te verhinderen, dat de rechter, steunende op de wet van zijn
land, tegen de uitdrukkelijke bepalingen van het eerste lid van het
artikel in, in sommige gevallen bescherming zou kunnen weigeren [642].



In ons land komen bijzondere wetsbepalingen als de bovenbedoelde niet
voor. Men zou daarom de vraag, die ons zoo juist bezighield, over
de al of niet toepasselijkheid der inlandsche wetten op dit punt,
ten aanzien van ons land zonder practisch belang kunnen achten,
ware het niet, dat aan het stilzwijgen onzer wet door sommigen
eene uitlegging wordt gegeven, die lijnrecht in strijd is met
de bepalingen der Conventie. Volgens deze uitlegging zou nl. een
uitsluitend bewerkingsrecht in ons land in het geheel niet bestaan;
het auteursrecht van onze wet zou alleen betrekking hebben op het
reproduceeren in denzelfden vorm. In een vorig hoofdstuk heb ik over
deze uitlegging, die aan onze wet wordt gegeven, gesproken en de
redenen opgegeven, waarom ik mij er niet mede kan vereenigen (pp. 189
sqq.). Het gaat hier echter niet over hare juistheid of onjuistheid;
met terzijdestelling van deze vraag wenschte ik er hier slechts aan
te herinneren, dat deze opvatting bestaat en ook door den rechter
bij voorkomende gevallen zou kunnen worden in toepassing gebracht
[643]. In verband met het vorige zal het duidelijk zijn, dat dit na
onze toetreding tot de Conventie tot moeilijkheden aanleiding zou
kunnen geven. Door aanvaarding van art. 12 Conventie 1908 zou ons land
zich verbinden, aan de werken uit andere Verbondslanden bescherming te
verleenen tegen de exploitatie van bewerkingen (o. a. arrangementen
van muziekstukken en dramatiseeringen van romans, novellen en
dichtstukken); blijft onze wet echter op dit stuk zooals zij is, dan
kan het geval zich voordoen, dat door den Nederlandschen rechter eene
dergelijke bescherming wordt geweigerd. Ik meen daarom, dat het lid
worden van het Verbond voor ons land de verplichting meebrengt, eene
uitdrukkelijke bepaling in de wet op te nemen, die de bovengenoemde
interpretatie te niet doet en waardoor de bescherming, die art. 2
Conventie 1908 eischt, in ons land buiten twijfel wordt gesteld.



VI Mechanische muziek-instrumenten (Conv. 1908 art. 13; Conv. 1886
Slotpr. no. 3)

In de jaren, dat de Berner Conventie tot stand kwam (1884-1886)
had de industrie der mechanische muziek-instrumenten nog niet den
graad van volmaaktheid bereikt, die haar later voor het auteursrecht
der componisten zoo gevaarlijk zou maken. Men kende toen nog maar
hoofdzakelijk de muziek- of speeldoozen, die vooral in Zwitserland veel
worden vervaardigd en verder draaiorgels: instrumenten dus, die slechts
een zeer beperkt aantal muziekstukjes kunnen ten gehoore brengen en
die als exploitatiemiddel van muziekwerken een hoogst bescheiden rol
vervullen. Hierdoor laat zich de weinige belangstelling verklaren,
die aan dit vraagstuk op de Berner Conferenties werd gewijd. In het
verslag der handelingen van geen der drie Conferenties is er iets
over te vinden; men kan dus aannemen, dat de bepaling, die erover in
de Conventie 1886 werd opgenomen, geene bestrijding had ontmoet. De
bepaling, te vinden in het Slotprotocol (no. 3) luidt als volgt:


    Men is overeengekomen, dat de vervaardiging en de verkoop van
    instrumenten, dienende om langs mechanischen weg muziekstukken
    weer te geven, die tot de beschermde producten behooren, niet
    wordt beschouwd als nadruk van muziekwerken.


Bij deze bepaling, die tot 1908 ongewijzigd in stand is gebleven,
wensch ik eerst een oogenblik stil te staan, om daarna de regeling,
welke in 1908 te Berlijn daarvoor in de plaats kwam, afzonderlijk
te bespreken.

Over de uitlegging, die aan Slotprotocol no. 3 Conventie 1886
moet worden gegeven, loopen de meeningen uiteen. Door velen wordt
aangenomen, dat het alleen toepasselijk is op speeldoozen en
draaiorgels, omdat deze de eenige instrumenten zijn, die men bij
het vaststellen der bepaling kan hebben bedoeld. De vrijheid van
reproductie, die het artikel verleent, zou dus niet gelden voor de
later in exploitatie gebrachte instrumenten als pianola, pianista,
phonograaf, grammophoon, herophoon, symphonion enz. enz., waarmede wél
inbreuk op het auteursrecht der componisten kan worden gepleegd. Zij,
die deze interpretatie huldigen, kunnen zich op de autoriteit van
Numa Droz beroepen, den voorzitter der drie Berner Conferenties,
die zich op eene letterkundige en artistieke Conferentie te Bern in
1889 in dezen zin uitliet [644].

Doch hoewel men deze interpretatie, afkomstig van den voorzitter
der Conferenties, "presque authentique" heeft genoemd, schijnt mij
toch de tegenovergestelde meening, volgens welke alle mechanische
muziek-instrumenten onder de bepaling vallen, de juiste. Het moge waar
zijn, dat men te Bern in 1885 niet voorzag, welke vlucht de techniek
zou nemen in zake automatische muziek-instrumenten, en dat men slechts
het oog had op de speeldoozen en straat-orgels, dit neemt niet weg,
dat men eene bepaling heeft vastgesteld, die zoodanig is geredigeerd,
dat er van een te maken onderscheid tusschen de eene en de andere soort
instrumenten niets is te bespeuren. In Parijs heeft men bovendien in
1896 gelegenheid gehad de vrijheid van reproductie in te trekken voor
de inmiddels op de markt gebrachte nieuwe instrumenten door wijziging
van de betreffende bepaling. Een Fransch voorstel van deze strekking
werd aldaar echter verworpen. Ik meen dus dat er geen reden is om de
bepaling niet woordelijk uit te leggen. Zij is dus toepasselijk op
alle "instrumenten, dienende om langs mechanischen weg muziekstukken
weer te geven" [645].

Hiertoe behooren echter niet phonografen, voorzoover deze
geen muziekstukken, maar voordrachten of tooneelstukken
reproduceeren. Zeer juist is in dit opzicht het bovengenoemde vonnis
van het Trib. de la paix van Brussel, waarin geoordeeld moest worden
over phonograaf-rollen, die fragmenten van Sardou's tooneelstuk
Madame Sans-Gêne reproduceerden. Terecht werd overwogen: "... que
les termes employés (nl. die van Slotprotocol no. 3 Conventie 1886)
marquent l'intention formelle de favoriser uniquement des instruments
de musique ...; qu'on ne peut, dès lors, étendre cette disposition
aux instruments reproduisant mécaniquement des oeuvres littéraires."

De bepaling spreekt overigens alleen van het "vervaardigen en
verkoopen" en heeft geen betrekking op het ten gehoore brengen van
muziekstukken door middel van mechanische instrumenten. Of dit, naar
omstandigheden, als openbare uitvoering is aan te merken, moet dus
in elk Verbondsland naar het inlandsche recht worden uitgemaakt [646].

Tot zoover de oude regeling van 1886. Op de Conferentie van Parijs
in 1896, werd, zooals reeds gezegd, eene poging gedaan om haar te
herzien, die echter op niets uitliep [647]. Intusschen breidde zich de
handel in de bedoelde instrumenten, vooral phonografen en pianola's,
elk jaar meer uit, zóó zelfs, dat in enkele landen de reproductie van
muziekstukken door middel van deze zingende en spelende instrumenten
reeds van meer belang wordt geacht dan die door middel van den gewonen
notendruk. Dit had tot gevolg, dat componisten en uitgevers steeds
luider begonnen te klagen over de vrijheid, die door de Conventie aan
de fabrikanten dier instrumenten werd gelaten om zonder toestemming
te vragen, en dus natuurlijk ook zonder ervoor te betalen, van alle
muziekstukken gebruik te maken. Van verschillende zijden werd er op
aangedrongen, de bepaling geheel te laten vervallen [648], of haar te
vervangen door eene regeling, die met de sinds 1886 zoozeer gewijzigde
toestanden en verhoudingen beter in overeenstemming was.

Het was daarom te voorzien, dat het vraagstuk op de Berlijner
Conferentie weer aan de orde zou worden gebracht, wat dan ook
geschiedde. Uit de verschillende voorstellen, die hierover inkwamen
(nl. van: Duitschland, Spanje, Frankrijk, Engeland, Italië en
Zwitserland) bleek dat men het in beginsel er vrijwel over eens
was, dat de tot dusverre bestaande vrijheid voor de mechanische
muziek-instrumenten voor de rechten der auteurs behoorde te wijken;
alleen het voorstel van Zwitserland strekte, om de bepaling van
no. 3 Slotprotocol 1886 ongewijzigd in stand te houden. Wegens de
bijzondere moeilijkheden, die het vraagstuk opleverde, werd het
onderzoek opgedragen aan eene sub-commissie, die bij het door haar
overgeleverd rapport een nieuw voorstel aanbood, waaruit tenslotte,
nadat er nog eenige wijzigingen in waren aangebracht, artikel 13
Conventie 1908 is voortgekomen.

De inhoud van dit artikel is in het kort deze: Het recht der
componisten wordt erkend om uitsluitend toestemming te verleenen,
zoowel voor het vervaardigen van instrumenten, die hunne stukken
spelen, als tot de openbare uitvoering hunner werken door middel van
die instrumenten (lid 1); aan dit recht zullen echter de inlandsche
wetten beperkingen en voorwaarden kunnen stellen (lid 2). Het derde
lid bevat eene overgangsbepaling; terwijl het vierde en laatste eene
bijzondere bepaling bevat over het in beslagnemen van instrumenten,
waarmede inbreuk op het auteursrecht is gepleegd.

Over de eerstgenoemde bepaling behoeft weinig te worden gezegd. Zij
houdt--en hierover waren alle staten uitgezonderd Zwitserland het
terstond eens geweest--de erkenning in van het recht der componisten
op dit stuk; juist het tegenovergestelde dus van hetgeen no. 3
Slotprotocol 1886 inhield. Er dient echter op gewezen te worden, dat
dit laatste alleen betrekking had op het vervaardigen der bedoelde
instrumenten, terwijl het nieuwe artikel ook de openbare uitvoering
noemt.

De algemeene regel, die hiermede was gesteld, zouden echter de meeste
staten niet onvoorwaardelijk en zonder eenige restrictie in toepassing
hebben willen brengen. Behalve met de belangen der auteurs, had men
ook met die der fabrikanten van muziek-instrumenten en phonografen
rekening te houden. Gewapend met het hun verleende recht zouden de
auteurs te hooge prijzen kunnen vragen voor het gebruikmaken hunner
werken, waardoor deze nieuwe tak van industrie ernstig getroffen zou
kunnen worden. Ook bestond de vrees, dat zich monopolies zouden vormen
ten bate van enkele groot-industrieelen met veel kapitaal, zoodat er
voor de ondernemingen op kleinere schaal geen kans zou bestaan om over
nog beschermde muziekstukken zich de beschikking te verzekeren. Om aan
deze bezwaren te ontkomen was in het Duitsche voorstel eene bepaling
opgenomen, volgens welke een auteur, die eenmaal zijn werk had laten
gebruiken voor mechanische reproductie, gedwongen zou zijn aan ieder
derde hetzelfde gebruik toe te staan tegen behoorlijke--ingeval van
strijd door de inlandsche wet vast te stellen--vergoeding [649]. Het
bleek echter dat vele staten tegen de invoering van dit systeem
bezwaren hadden, en daarom besloot men, op voorstel van Engeland,
het stellen van voorwaarden of beperkingen, die elke staat noodig
mocht achten, liever aan den inlandschen wetgever over te laten. Zoo
kwam men tot de bepaling van het tweede lid van artikel 13. Elke
Verbondsstaat behoudt dus de vrijheid, om bepalingen vast te stellen,
waardoor het auteursrecht der componisten, dat in het eerste lid van
art. 13 Conventie 1908 is omschreven, aan voorwaarden wordt gebonden
of binnen bepaalde grenzen wordt gehouden.

Hoever men hierin zal mogen gaan, zonder met de Conventie in strijd
te komen, is natuurlijk moeilijk te zeggen. Het blijkt echter uit
het verslag der beraadslagingen, dat men ook de mogelijkheid heeft
voorzien, dat een staat eene regeling maakt, welke de fabrikanten
van muziek-instrumenten op voor hen zeer gunstige en voor de auteurs
zeer ongunstige voorwaarden in staat stelt van muziekwerken gebruik
te maken. Speciaal met het oog hierop heeft men het noodig geacht nog
uitdrukkelijk te bepalen, dat de beperkingen en voorwaarden, die een
staat zal hebben ingesteld, uitsluitend in dat land zelf van kracht
zullen zijn. Andere staten, die het auteursrecht der componisten
minder beperkingen in den weg zullen leggen, zullen dus krachtens
deze bepaling vrij zijn, om b.v. bij zich den invoer te verbieden van
instrumenten, platen of rollen, die op hun grondgebied slechts onder
voor de fabrikanten minder gunstige voorwaarden vervaardigd hadden
mogen worden [650].

Daar door den regel van het eerste lid van art. 13 rechten worden
erkend, die vroeger niet bestonden of hoogstens twijfelachtig waren
(cf. wat boven over de uitlegging van no. 3 Slotprotocol 1886 is
gezegd), heeft men het wenschelijk geacht voor deze materie een
bijzonderen overgangsmaatregel vast te stellen. Deze maatregel
bestaat hierin, dat in elk Verbondsland de bepaling van het eerste
lid niet toepasselijk is op de werken, die vóór het in werking treden
der nieuwe Conventie reeds in dat land op geoorloofde wijze voor
mechanische muziekinstrumenten gebruikt zullen zijn (art. 13 lid
3). De vervaardigers van muziek-instrumenten zullen dus door mogen
gaan met het zonder toestemming van den componist exploiteeren van die
muziekstukken, die onder de vroeger bestaande vrijheid reeds op die
wijze door henzelven of door anderen geëxploiteerd werden. Overigens
zal de wet van elk land dit meer in bijzonderheden kunnen regelen; de
beperkingen en voorwaarden, die krachtens art. 13 lid 2 mogen worden
vastgesteld kunnen--zooals nog uitdrukkelijk in het Commissie-rapport
wordt opgemerkt--ook de regeling van de terugwerkende kracht van dit
artikel betreffen [651].

Krachtens de besproken bepalingen van het tweede en derde lid
van art. 13 zal het geval zich kunnen voordoen, dat in het eene
Verbondsland het vervaardigen en verspreiden van instrumenten,
rollen en platen geoorloofd is, terwijl de verspreiding van diezelfde
voorwerpen in een ander land als inbreuk op het auteursrecht van den
componist zou moeten worden aangemerkt. Op verzoek van Italië heeft
men met het oog op deze mogelijkheid nog een vierde lid aan art. 13
toegevoegd, waarin bepaald is, dat op dergelijke voorwerpen in de
landen waar de verspreiding ervan niet geoorloofd is, beslag zal kunnen
gelegd worden. Daar de Conventie 1908 in art. 16 tweede lid een regel
van volkomen dezelfde strekking inhoudt, die op alle in strijd met het
auteursrecht vervaardigde voorwerpen toepasselijk is, was deze laatste
bepaling van art. 13 geheel overbodig. Dit werd ook door de Commissie,
die haar voorstelde, zeer goed ingezien; zij zwichtte echter voor den
aandrang der Italiaansche delegatie, welke er bijzonder op gesteld
schijnt te zijn geweest, dat de bepaling werd opgenomen [652].



De verplichtingen, die een staat door de aanvaarding van art. 13
Conventie 1908 op zich neemt, behoeven na het voorgaande weinig
toelichting meer. De regel van het eerste lid moet worden erkend; door
eene tegenovergestelde bepaling (b.v. zooals die van no. 3 Slotprotocol
1886) in de wetgeving op te nemen, zou men met de Conventie in strijd
komen. Het beginsel, dat de auteurs in dit opzicht beschermd zijn,
moet dus worden erkend; er mogen echter uitzonderingen (voorwaarden
en beperkingen) op worden gemaakt. Wordt dit verzuimd, dan moet de
bescherming onvoorwaardelijk en in haar vollen omvang verleend worden,
tenzij natuurlijk men zich aan de oude bepaling van no. 3 Slotprotocol
1886 wil houden, die geenerlei verplichting oplegt.

Hoe men in ons land over dit vraagstuk denkt, is mij niet
bekend. Wellicht zal door sommigen de erkenning van het recht der
componisten op dit punt als een ongewenschte uitbreiding van het
auteursrecht worden beschouwd, waaraan zij ons land liever niet zagen
meedoen. In elk geval zal er wel eenige oppositie worden gemaakt tegen
eene onvoorwaardelijke aanvaarding van art. 13 bij onze toetreding
tot de Conventie.

Ik meen, dat hierover niet veel meer behoeft gezegd te worden. Mijne
meening over de gegrondheid van dit recht in het algemeen heb ik
reeds kenbaar gemaakt (pp. 240 sqq., 249 en 250); door het hier te
lande in te voeren zou men, zooals ik poogde aan te toonen, slechts
voortbouwen op de beginselen, die aan onze tegenwoordige wet op het
auteursrecht ten grondslag hebben gelegen.

Als maatregel ter bescherming onzer nationale industrie op het gebied
van muziek-instrumenten en phonografen, die voorzoover mij bekend
tot nu toe niet van groote beteekenis is, zou het niet-aanvaarden
van art. 13 Conventie 1908 weinig baten. Weliswaar zou men hierdoor
bereiken, dat de vervaardiging van deze artikelen hier onder
gunstiger voorwaarden zou kunnen geschieden dan in andere landen,
waar voor het gebruikmaken van nog beschermde muziekstukken betaald
zou moeten worden; doch het zou moeilijk zijn voor deze artikelen een
afzetgebied te vinden buiten ons land. De staten die deel uitmaken
van het Verbond zullen tenminste hoogstwaarschijnlijk alle hunne
grenzen ervoor gesloten houden.



VII Kinematograaf (Conv. 1908 art. 14)

De kinematograaf wordt het eerst met name genoemd in de Conventie 1908;
het is dan ook eerst in de laatste jaren, dat kinematographische
voorstellingen tot de gewone publieke vermakelijkheden zijn gaan
behooren, zoodat het geen verwondering kan wekken, dat nóch op de
Conferenties van Bern, nóch op de Parijzer Conferentie over dit
reproductie-middel is gesproken.

De bepalingen van art. 14 zijn van tweeërlei aard. In de eerste plaats
betreffen zij den kinematograaf als reproductie-middel van andermans
werken (eerste lid); in de tweede plaats hebben zij betrekking op de
bescherming, die voor werken wordt verleend, welke met behulp van den
kinematograaf tot stand zijn gekomen (lid 2 en 3). Een vierde lid van
het artikel houdt nog de bepaling in, dat wat omtrent den kinematograaf
is vastgesteld ook geldt voor elk procédé van soortgelijken aard. Deze
bepaling ziet voornamelijk op uitvindingen, die de toekomst misschien
nog kan brengen; in de eerstvolgende jaren zal zij waarschijnlijk nog
wel geen practische toepassing vinden. Ik meen haar hier ook verder
buiten beschouwing te kunnen laten.

Wat het eerstgenoemde punt betreft, het uitsluitend recht dus om
werken door middel van den kinematograaf te exploiteeren, dit vervalt
weer in twee onderdeelen, nl. 1o het recht van reproductie door den
kinematograaf, waaronder men te verstaan zal hebben de vervaardiging
van kinematographische beelden; en 2o het recht van openbare opvoering
met den kinematograaf dus: de vertooning der beelden. Beide rechten
worden in het eerste lid van het artikel verleend aan de auteurs van
"letterkundige, wetenschappelijke of kunstwerken". Het zijn dus niet
alleen tooneelstukken, opera's, balletten enz. waarvan de exploitatie
op deze wijze den auteur uitsluitend wordt voorbehouden, doch ook
de schrijver van een roman b.v. zal kunnen verbieden, dat tafereelen
uit zijn werk op de kinematograaf-films worden gebracht en daarmede
vertoond worden. Dit zou--ook al werd het geval niet uitdrukkelijk in
het Commissie-verslag genoemd [653]--reeds volgen uit het zoogenaamde
dramatiseeringsrecht, dat den schrijvers van romans, novellen en
gedichten in art. 12 Conventie wordt toegekend.

Hoe men zich echter een inbreuk op het auteursrecht van
wetenschappelijke werken door middel van den kinematograaf heeft
kunnen denken, is mij een raadsel. Daar elke toelichting op dit punt
in het verslag der Commissie ontbreekt, zou men geneigd zijn hier aan
eene vergissing of ondoordachtheid bij het redigeeren der bepaling
te denken. In elk geval mag worden aangenomen, dat hier niet bedoeld
is den chirurg te beschermen als "auteur" van de door hem verrichte
operatie tegen de kinematographische reproductie van het tafereel,
dat deze aanbiedt. Voor eene dergelijke bescherming bestaat, zooals
reeds is aangetoond (p. 217) niet de minste grond. Er blijft derhalve
m. i. niets anders over dan de woorden "wetenschappelijke werken"
in art. 14 als niet geschreven te beschouwen.

Ik kom nu tot het tweede punt: de bescherming der werken, die door
middel van den kinematograaf zijn tot stand gekomen. Er is reeds
opgemerkt, dat deze bepalingen eigenlijk niet in dit artikel, maar
in artikel 2, dat de werken, waarop de Conventie van toepassing is,
opsomt, thuis behooren. Men meende echter, dat het voor belanghebbenden
gemak zou opleveren, alles wat op den kinematograaf betrekking heeft
in een artikel bijeen te vinden; vandaar deze afwijking van den
systematischen weg.

De werken, die in het tweede en derde lid van art. 14 aan de in
art. 2 genoemde worden toegevoegd, zijn: 1o de kinematographische
voortbrengselen ("productions cinématographiques") voorzoover "de
auteur door de schikking der tooneelen of door de combinatie der
voorgestelde tafereelen aan het werk een persoonlijk en oorspronkelijk
karakter zal hebben verleend"; en 2o "de reproductie door middel
van den kinematograaf van een letterkundig, wetenschappelijk of
kunst-werk".

Welke werken men tot de eerstgenoemde categorie zal hebben te rekenen
zal, na hetgeen over dit onderwerp reeds is gezegd (pp. 216 sqq.),
geene toelichting meer behoeven. Het zijn in het algemeen de uit
een of meer tafereelen bestaande pantomimes, die speciaal voor
kinematographische opneming in elkander worden gezet en onder bereik
van het toestel worden afgespeeld. De toevoeging, dat de auteur een
oorspronkelijk en persoonlijk karakter aan het werk moet hebben
verleend, kan overbodig worden geacht, daar deze regel op alle
"werken van kunst en letterkunde" toepasselijk is.

Wat met de in de tweede plaats genoemde omschrijving is bedoeld,
is op het eerste gezicht minder gemakkelijk te doorgronden. Doch
de korte toelichting in het Commissie-rapport maakt het duidelijk
[654]. Men heeft hier het oog gehad op het geval, dat de verschillende
tafereelen, welke voor de kinematographische opneming hebben gediend,
ontleend waren aan het werk (b.v. den roman) van een ander. Met
betrekking tot het oorspronkelijke werk is dus het vervaardigen der
kinematographische afbeeldingen eene reproductie, die naar gelang
van omstandigheden ongeoorloofd kan zijn. Doch aan den anderen kant
is er ook eene nieuwe schepping tot stand gekomen, nl. de bewerking,
welke de roman moest ondergaan om in beeld te worden gebracht. Deze
bewerking nu, die men als eene bijzondere soort van "dramatiseering"
kan beschouwen, wordt door de besproken bepaling onder de beschermde
auteursproducten gerangschikt; zij is, "onverminderd de rechten van
den auteur van het oorspronkelijke werk ... als een oorspronkelijk
werk beschermd." Wij hebben hier dus met eene bepaling te doen,
analoog aan die van het tweede lid van art. 2; wat hier erkend wordt
is het recht van den bewerker op zijne bewerking.

Uit het bovenstaande volgt, dat het voorwerp van het door deze bepaling
verleende recht niet bestaat in de kinematographische afbeeldingen
zelf, maar in het uit een roman, novelle, gedicht enz. getrokken,
d. w. z. voor kinematographische reproductie pasklaar gemaakte,
"stuk". De in het artikel gebezigde uitdrukking "reproductie door
middel van den kinematograaf" zou misschien het tegendeel kunnen doen
denken en schijnt mij daarom ook minder gelukkig gekozen. Ik meen
echter, dat er hier van een recht op de kinematographische afbeelding
geen sprake kan zijn; daarvoor was hier geene bijzondere bepaling
noodig, daar dit onder de bepalingen over het recht op photographieën
valt. Het verschil tusschen het recht op de afbeelding en dat op het
afgebeelde komt vooral hierin uit, dat het tweede betrekking heeft op
meer exploitatie-middelen. Het hier behandelde recht omvat dus niet
alleen de reproductie door middel van kinematograaf of photographie,
maar ook b.v. de opvoering in een schouwburg, zelfs door andere
acteurs dan die bij de oorspronkelijke vertooning hebben meegewerkt.

Over de draagkracht der besproken bepalingen in verband met de
inlandsche wetten nog het volgende. Het artikel legt de verplichting
op aan de staten, die het aanvaarden, om de bescherming, welke het
omschrijft, bij zich aan de werken uit andere Verbondslanden te
verzekeren, voorzoover nl. die werken overigens volgens de algemeene
regels der Conventie aldaar voor bescherming in aanmerking komen. Aan
de inlandsche wetten wordt niet, zooals in het voorgaande artikel,
de vrijheid gelaten voorwaarden en beperkingen aan het recht te
verbinden. Dit neemt niet weg, dat toch de bijzondere bepalingen,
die zij op dit punt mochten bevatten, toepassing zullen kunnen
vinden. Het recht van uitsluitende exploitatie door middel van den
kinematograaf zou b.v. in de wet van een Verbondsland tot een zeer
korten tijdsduur beperkt kunnen worden; in dat geval zouden ook de
auteurs van de volgens de Conventie beschermde werken uit andere landen
aldaar met dien korten termijn genoegen moeten nemen. Verder blijven
natuurlijk ook bijzonderheden als b.v. de nauwkeurige vaststelling van
het begrip "openbare uitvoering door middel van den kinematograaf"
aan den inlandschen wetgever overgelaten. Indien echter in de wet
voorwaarden aan dit recht zijn gesteld (b.v. dat het bij de uitgave
van een roman of tooneelstuk uitdrukkelijk moet zijn voorbehouden),
zullen de auteurs van uit andere Verbondslanden afkomstige werken
van de vervulling daarvan krachtens de Conventie (art. 4 lid 2)
vrijgesteld zijn.



c Rechtsmiddelen tot handhaving van het auteursrecht

In de twee artikelen, die nu volgen (artt. 15 en 16 Conventie 1908)
geeft de Conventie eenige bepalingen over de rechtsmiddelen, welke
dengeen op wiens auteursrecht is inbreuk gemaakt, ten dienste staan. In
de eerste plaats betreft dit de wijze waarop de rechthebbende op het
auteursrecht zich voor den rechter als zoodanig kan legitimeeren
(art. 15); in de tweede plaats de bevoegdheid om beslag te laten
leggen op voorwerpen, waarmede inbreuk op het auteursrecht is gepleegd
(art. 16).



I Legitimatie voor den rechter (Conv. 1908 art. 15; Conv. 1886 art. 11)

Artikel 15 Conventie 1908 is volkomen gelijk aan artikel 11 Conventie
1886, met uitzondering hiervan, dat in laatstgenoemd artikel nog
eene bepaling voorkomt, die betrekking heeft op het vervullen van
voorwaarden en formaliteiten in het land van herkomst. Daar dit
door de nieuwe Conventie (art. 4 lid 2) niet meer wordt geëischt,
kon deze bepaling in 1908 vervallen. Ik laat haar daarom ook verder
onbesproken en bepaal mij dus tot het artikel in zijne nieuwe gedaante.

De regeling, die het artikel geeft, is hoogst eenvoudig. Twee
categorieën van werken worden onderscheiden: 1o zij die den naam van
den auteur dragen, en 2o de pseudonieme en anonieme werken, die den
naam van den uitgever dragen.

Hij wiens naam op de gebruikelijke wijze op het werk als auteur
vermeld staat, wordt, zoolang niet het tegendeel is aangetoond, ook
als zoodanig door den rechter aangemerkt (lid 1). Eene praesumptio
juris dus, die de bewijslast ten gunste van den eischer omkeert. Niet
hij zal hebben te bewijzen, dat hij werkelijk de auteur is, maar de
tegenpartij, die dit betwist, dat hij het niet is.

Het tweede lid van het artikel betreft de anonieme en pseudonieme
werken, voorzoover zij voorzien zijn van den naam des uitgevers. Er
worden hier twee gevallen onderscheiden [655]. In de eerste plaats dat
de auteur zijn recht nog niet heeft vervreemd, dus zelf rechthebbende
is op het auteursrecht. Opdat hij nu niet gedwongen worde zich bekend
te maken, wanneer op zijn recht inbreuk is gemaakt, is bepaald, dat de
uitgever bevoegd is voor hem op te treden (lid 2 eerste zinsnede). Doch
het is ook mogelijk, dat de auteur zijn recht aan den uitgever heeft
overgedragen en dat deze dus voor zijn eigen recht opkomt. Voor dat
geval schrijft het artikel voor, dat de uitgever zonder nader bewijs
als rechtverkrijgende van den anoniemen of pseudoniemen auteur zal
worden beschouwd, (lid 2 tweede zinsnede), zoodat ook dán de ware
naam van den auteur in het proces niet genoemd behoeft te worden.

Het artikel heeft dus alleen betrekking op werken, die den naam dragen
van den auteur of van den uitgever. Hieruit mag echter niet--zooals in
enkele rechterlijke uitspraken werd gedaan [656]--worden afgeleid, dat
werken, waarop geen naam vermeld staat, onbeschermd zouden zijn. Ware
dit zoo, dan zou de Conventie hier voor eene bepaalde categorie
van werken (nl. door den druk gemeen gemaakte geschriften) eene
afzonderlijke voorwaarde voor de bescherming hebben voorgeschreven;
iets wat allerminst in de bedoeling lag en wat ook met het beginsel,
dat voorwaarden en formaliteiten buiten het land van herkomst niet
vervuld behoeven te worden (art. 4 lid 2 Conventie 1908, art. 2 lid
2 Conventie 1886) in strijd zou zijn. Het doel van het artikel is,
zooals duidelijk uit de daarover gehouden beraadslagingen blijkt
[657], den rechthebbenden het ageeren tegen de nadrukkers gemakkelijk
te maken. Met de vraag, of zekere werken al dan niet beschermd zijn,
hebben deze bepalingen dus niet te maken; zij hebben uitsluitend
betrekking op de rechtsmiddelen die dengene, op wiens recht inbreuk
is gemaakt, voor de rechtbanken der Verbondslanden ten dienste
staan. [658]



Aan de bepalingen van art. 15 kan niet anders dan een imperatief
karakter worden toegekend [659], in dien zin, dat zij moeten worden
toegepast, ook al bevat de binnenlandsche wetgeving geenerlei bepaling
van dezelfde strekking. Eene andere uitlegging zou aan het artikel
allen zin ontnemen.

Hieruit volgt, dat na de toetreding van ons land tot de Conventie de
auteurs van werken uit andere Verbondslanden in elk geval de voordeelen
van art. 15 Conventie 1908 voor den Nederlandschen rechter onverkort
zullen genieten. Hierdoor zouden zij in één opzicht eenigermate
bevoorrecht worden boven de auteurs van in het land zelf uitgekomen
werken, daar onze wet het rechtsvermoeden van art. 15 eerste lid niet
kent. De auteur van een in Nederland uitgekomen werk zou dus gedwongen
kunnen worden het bewijs te leveren, dat hij werkelijk auteur is,
terwijl dit bewijs van den buitenlandschen auteur, wiens naam op
het werk voorkomt, niet gevorderd zou kunnen worden. Het zou daarom
m. i. aanbeveling verdienen eene bepaling als die van art. 15 eerste
lid der Conventie in onze wet op te nemen, waardoor de auteur van
een in het land uitgekomen werk op dit punt met den buitenlandschen
gelijkgesteld zou worden.

In artikel 3 W. A. R. hebben wij eene bepaling, die in strekking
vrijwel overeenkomt met die van het tweede lid van artikel 15 der
Conventie. Bij pseudonieme en anonieme werken "wordt de uitgever,
en zoo ook diens naam niet op het titelblad of bij gebreke daarvan
op den omslag vermeld is, de drukker als auteur aangemerkt". In dit
opzicht zouden dus Nederlanders en vreemdelingen gelijkstaan; beiden
zouden tegen inbreuk op hun recht kunnen laten ageeren, zonder hun
naam bekend te maken. In de memorie van toelichting voor onze wet
worden de bevoegdheden van den uitgever of drukker, die als auteur
aangemerkt wordt, nader uiteengezet: hij kan "het werk inzenden bij het
departement van justitie, het recht tot vertalen zich voorbehouden en
doen gelden, de vordering tot schadeloosstelling instellen, nagedrukte
exemplaren in beslag nemen, kortom al datgene verrichten, waartoe de
auteur zelf bevoegd is". Hiertoe behoort ongetwijfeld ook het indienen
van de klacht volgens artikel 349 quater Wetb. van Strafrecht, in de
M. v. T. begrijpelijkerwijze niet genoemd, daar opzettelijke inbreuk
op het auteursrecht volgens het ontwerp geen klachtdelict was. Al
deze handelingen (behalve natuurlijk het vervullen van voorwaarden of
formaliteiten, waarvan zij volgens de Conventie zijn vrijgesteld),
zullen nu krachtens art. 15 lid 2 Conventie 1908 met hetzelfde
rechtsgevolg door de uitgevers uit andere Verbondslanden verricht
kunnen worden.



II Beslag op nadruk (Conv. 1908 art. 16; Conv. 1886 art. 12; Add. Acte
1896 art. 1, V)

Evenals het vorige artikel dient artikel 16 Conventie 1908 (dat in
de plaats is gekomen van het oude art. 12 Conventie 1886) om den
auteurs den strijd tegen de nadrukkers in het Verbond gemakkelijker
te maken. De hoofdbepaling is, dat in elk Verbondsland op door
ongeoorloofde reproductie verkregen exemplaren beslag kan worden
gelegd.

Er is gestreden over de vraag, of door deze bepaling aan de
Verbondslanden de verplichting wordt opgelegd, het recht tot het leggen
van beslag aan de auteurs van werken uit andere Verbondslanden te
verleenen, dan wel of zij slechts de mogelijkheid daartoe opent [660].

De geschiedenis van het artikel geeft wel eenigen grond voor
de laatstgenoemde interpretatie. Op de Conferentie van 1885, waar
de tekst werd vastgesteld, werd door den Zweedschen afgevaardigde
Lagerheim uitdrukkelijk geconstateerd, dat hij de bepaling als eene
louter facultatieve opvatte, en dat hij dus daarin voor zijn land niet
de verplichting opgesloten zag, om bij toetreding tot het Verbond
het beslag, dat de Zweedsche wetgeving voor dit geval niet kent,
bij zich in te voeren [661]. Tegen deze verklaring werd door geen der
andere gedelegeerden eenige bedenking ingebracht, en Zweden is tot het
Verbond toegetreden (hoewel eerst in 1904), zonder zijne wetgeving op
dit punt aan te vullen. Toen in 1896 te Parijs aan het artikel eene
eenigszins wijdere strekking werd verleend door schrapping van de
woorden "bij den invoer", zoodat het ook toepasselijk werd op beslag
in het land zelf gelegd, heeft Engeland deze wijziging aanvaard,
doch niet zonder uitdrukkelijk verklaard te hebben, dat zoo ergens
in het Engelsche Rijk de wetgeving dit beslag niet toeliet (gedoeld
werd op sommige koloniën), de voorgenomen wijziging daartoe niet de
verplichting oplegt [662]. Men heeft er zich dus bij neergelegd, dat
ten aanzien van Zweden en Engeland de bepaling facultatief is; hieruit
is, niet geheel ten onrechte, de conclusie getrokken, dat zij het dan
ook ten aanzien van alle andere staten is. Dat dezelfde bepaling den
eenen staat zou binden en den anderen niet, schijnt niet wel mogelijk.

Hier kan echter tegenovergesteld worden de stellige verklaring in
het Commissie-rapport van de Conferentie van Parijs, die in dat van
de Berlijner Conferentie nog eens is herhaald, dat het artikel wel
degelijk de verplichting oplegt aan de Verbondsstaten, het recht van
beslaglegging bij zich te erkennen [663]. Speciaal wordt er daar nog
op gewezen, dat men uit de in het artikel gebezigde uitdrukkingen
ten onrechte het tegendeel heeft willen afleiden. Het artikel zegt,
dat beslag gelegd kan worden; doch dit maakt de bepaling niet tot
eene facultatieve. Zij is slechts facultatief in dien zin, dat aan
de belanghebbenden wordt overgelaten er al dan niet gebruik van te
maken; doch aan de Verbondsstaten legt het de verplichting op, te
zorgen dat deze mogelijkheid werkelijk voor hen bestaat.

Het komt mij voor dat na deze duidelijke en zeer besliste verklaring,
die op de Conferentie van Berlijn, voorzoover uit de gepubliceerde
handelingen is na te gaan, zonder eenige tegenspraak uit te lokken is
aanvaard, voor de tegenovergestelde meening weinig grond meer bestaat.

De Verbondsstaten zijn derhalve verplicht, aan de auteurs van werken
uit andere Verbondslanden, behalve de andere hun toekomende rechten,
ook het bijzondere recht tot het leggen van beslag toe te kennen. Aan
deze verplichting kan niet op andere wijze worden voldaan dan door eene
wettelijke regeling. Het beslag moet in elk Verbondsland geschieden
door de daartoe "bevoegde autoriteiten" (art. 16 eerste lid) en
"overeenkomstig de bepalingen van de binnenlandsche wetgeving van elk
land" (art. 16 derde lid). Waar de wet geen bepaling hierover inhoudt
en dus ook geen bevoegde autoriteit aanwijst, zal derhalve van de
naleving dezer Conventiebepaling weinig terecht komen. Trouwens op
een punt van formeel recht als dit, waar "de wijze waarop" van zoo
groot belang is, is eene eenvoudige bepaling als die van de Conventie:
"... Er kan beslag gelegd worden ... enz." niet voldoende om zonder
nadere regeling eenig effect te kunnen hebben.

In elk Verbondsland moet dus volgens dit artikel eene wettelijke
regeling van het beslag bestaan. Bijzondere eischen, waaraan deze
regeling moet beantwoorden, worden verder niet gesteld. In het oude
artikel werd, zooals reeds gezegd, alleen gesproken van het beslag
bij invoer in een der Verbondslanden. Men dacht daarbij voornamelijk
aan het geval, dat een werk in een land, waar de bescherming heeft
opgehouden te bestaan, wordt nagedrukt en dat deze nadruk in een
ander land, waar de beschermingstermijn nog niet is verstreken, wordt
ingevoerd. De op geoorloofde wijze vervaardigde exemplaren zouden
daardoor op een gebied komen, waar de verspreiding ervan inbreuk op het
auteursrecht zou zijn. Hiertegen nu wilde men den auteur beschermen
door hem een bijzonder wapen in de hand te geven, waardoor reeds
aan de grenzen deze nadruk geweerd zou kunnen worden. Doch daar de
woorden "bij den invoer" tot de, niet gewilde, gevolgtrekking zouden
kunnen leiden, dat beslag later in het binnenland niet meer mogelijk
was, werden zij in 1896 op voorstel van Frankrijk weggelaten. Op de
Conferentie van Berlijn werd eene nieuwe zinsnede in het artikel
ingelascht (art. 16 lid 2 Conventie 1908) die uitdrukkelijk het
beslag weer toepasselijk verklaart op het geval, dat men bij het
redigeeren van de oude bepaling op het oog had, nl. op exemplaren,
die afkomstig zijn uit een land, waar het oorspronkelijke werk niet
beschermd is. Eigenlijke wijzigingen heeft het artikel dus niet
ondergaan; doch slechts verduidelijkingen op enkele--overigens weinig
twijfelachtige--punten.



Met de bepalingen van de artt. 22 en 23 van onze wet zou ons land
bij toetreding tot het Verbond desnoods kunnen volstaan. Evenals in
deze artikelen is ook in artikel 16 der Conventie het woord "beslag"
("saisie") gebruikt in den zin van provisioneele maatregel tot bewaring
van het recht, conservatoir beslag dus [664]. Art. 22 W. A. R. verleent
aan de auteurs of aan hunne rechtverkrijgenden de bevoegdheid om beslag
te laten leggen op "exemplaren, die in strijd met hun uitsluitend recht
door den druk zijn gemeen gemaakt". Hieronder zijn ongetwijfeld ook
begrepen de exemplaren, die in een ander land, waar dit geen inbreuk
op het auteursrecht was, zijn gedrukt en die in Nederland, in strijd
met het aldaar bestaande auteursrecht, worden "gemeen gemaakt". In
dit opzicht voldoet dus onze regeling wel aan hetgeen door art. 16
der Conventie wordt geëischt. Hetzelfde kan worden gezegd van de
bijna gelijkluidende bepalingen in het Ontw. B. K. (art. 16).

Er dient echter te worden opgemerkt, dat onze wet alleen beslag
toelaat op gedrukte exemplaren, terwijl volgens de Conventie ook
door de vervaardiging en verspreiding van voorwerpen van anderen
aard, (rollen en platen van mechanische muziek-instrumenten en
phonografen, kinematograaf-films) inbreuk op het auteursrecht
kan worden gepleegd. Artikel 16 der Conventie, dat het recht van
beslag toekent op "toute oeuvre contrefaite", is zonder eenigen
twijfel ook op al deze voorwerpen toepasselijk. Over het beslag op
muziek-instrumenten, phonografen enz. houdt art. 13 lid 4 Conventie
1908 reeds eene bijzondere bepaling in; doch ik heb er reeds op
gewezen, dat deze naast de bepalingen van art. 16 lid 2 volkomen
overbodig was. Om dus geheel te voldoen aan de verplichting, die
art. 16 der Conventie oplegt, zouden de bepalingen van artt. 22 en 23
W. A. R. ook toepasselijk moeten worden verklaard op alle voorwerpen,
waarvan de vervaardiging of verspreiding na de toetreding van ons
land tot de Conventie in strijd zou zijn met het auteursrecht.



d Uitvoerings- en overgangsbepalingen


I Maatregelen der Verbondsstaten tegen verspreiding of uitstalling
van geschriften en kunstwerken (Conv. 1908 art. 17; Conv. 1886 art. 13)

De erkenning van het auteursrecht op werken uit andere Verbondslanden
sluit natuurlijk niet in, dat de uitoefening van dit recht onder alle
omstandigheden onvoorwaardelijk zal worden toegelaten, ook dan wanneer
hierdoor andere rechten worden geschonden of politie-maatregelen worden
overtreden. Elke staat behoudt daarom het recht, maatregelen te nemen
tegen de verspreiding, opvoering of uitstalling van sommige werken,
wanneer hem dit noodig voorkomt. Dit wordt in art. 17 Conventie 1908
uitdrukkelijk erkend; men mag echter aannemen, dat ook zonder deze
bepaling niemand het bestaan van dit recht in twijfel zou trekken.



II Overgangsbepalingen (Conv. 1908 art. 18; Conv. 1886 art. 14 en
Slotpr. no. 4; Add. Acte 1896 art. 2, II)

Het systeem der Conventie, volgens hetwelk de bescherming in
de verschillende Verbondslanden berust, deels op de bepalingen
der Conventie zelve, deels op die van de inlandsche wet, deels
ook (nl. wat den duur aangaat) op die van de wet van het land,
waaruit het werk afkomstig is, maakte het bijzonder moeilijk eene
geschikte overgangsregeling vast te stellen. In de eerste plaats was
de vraag te beantwoorden, of de Conventie bij hare in werkingtreding
toepasselijk zou zijn ook op die werken, welke vóór dat tijdstip reeds
bestonden. Deze vraag werd reeds in het Voorontwerp der Association
en later op alle volgende diplomatieke Conferenties in bevestigenden
zin beantwoord. Doch daarmede was de grootste moeilijkheid nog niet
uit den weg geruimd. Er moest ook rekening worden gehouden met de
belangen dergenenen, die van de vrijheid van reproductie, waaraan door
het in werking treden der Conventie een einde zou komen, reeds gebruik
gemaakt zouden hebben. Indien men deze personen niet wilde dwingen,
de door hen, op volkomen geoorloofde wijze, ondernomen exploitatie
plotseling te staken, waardoor zij onverdiend schade zouden kunnen
lijden, dan moesten daarvoor bijzondere bepalingen worden gemaakt. Doch
in de Conventie zelve konden dergelijke bepalingen moeilijk worden
opgenomen, daar zij dan noodzakelijkerwijze voor het geheele Verbond
zouden moeten gelden.

Men bepaalde zich er daarom toe, in de Conventie den hoofdregel op
te nemen, dat zij op alle werken toepasselijk is, die op het tijdstip
van haar in werking treden in het land van herkomst geen gemeen goed
zijn geworden (art. 14 Conventie 1886, art. 18 lid 1 en 2 Conventie
1908), terwijl aan wetten en bijzondere tractaten wordt overgelaten
het vaststellen van eigenlijke overgangsbepalingen (Conventie 1886
Slotprotocol no. 4, Conventie 1908 art. 18 lid 3).

De regel, welke de Conventie zelf inhoudt, kan geen overgangsbepaling
worden genoemd, d. w. z. hij schept geen overgangstijdperk, waarin de
bepalingen der Conventie geleidelijk geldigheid verkrijgen. Alleen die
werken worden van de bescherming uitgesloten, die wegens het ontbreken
van bescherming in het land van herkomst toch in de overige landen
volgens het stelsel der Conventie onbeschermd zouden zijn. Hierbij
kan worden gewezen op een klein verschil tusschen de bepaling van
art. 18 eerste lid Conventie 1908 en die van art. 14 Conventie 1886,
dat in verband staat met de wijziging, die het systeem der Conventie in
1908 heeft ondergaan. Volgens de Conventie 1886 was de bescherming in
de andere Verbondslanden afhankelijk van het bestaan van bescherming
in het land van herkomst (art. 2), terwijl volgens de Conventie 1908
het ontbreken van bescherming in het land van herkomst geen beletsel
meer is, dat het werk in de andere Verbondslanden bescherming vindt
(art. 4 lid 2), behalve wat betreft den duur van het recht, die dien
van het land van herkomst niet kan overschrijden (art. 7 lid 2). In
verband hiermede is nu ook art. 18 Conventie 1908 eenigszins anders
geredigeerd dan art. 14 Conventie 1886. Terwijl volgens laatstgenoemd
artikel de Conventie bij hare inwerkingtreding toepasselijk zou zijn op
alle werken, die op dat tijdstip "nog geen gemeengoed waren geworden
in hun land van herkomst", is in de Conventie 1908 daarbij gevoegd:
"als gevolg van het verstrijken van den beschermingstermijn". Immers
het verstrijken van den beschermingstermijn in het land van herkomst
is het eenige, wat volgens de nieuwe Conventie aan de bescherming in
de andere Verbondslanden nog een einde kan maken; niet meer zooals
vroeger, ook het "gemeengoed worden" door een andere reden, b.v. omdat
de voorwaarden of formaliteiten niet zijn vervuld.

Het tweede lid van art. 18 is er in 1908 nieuw bij gemaakt. Het luidt:


    Indien echter een werk wegens het verstrijken van den
    beschermingstermijn, die er vroeger voor was vastgesteld,
    gemeengoed is geworden in het land waar de bescherming wordt
    ingeroepen, zal dat werk daar niet opnieuw beschermd worden.


Deze bepaling heeft niet betrekking op de eerste invoering van nieuwe
Conventie-bepalingen; maar zij ziet op het geval, dat in de wet van
een der Verbondslanden de beschermingstermijn wordt verlengd (een
geval waarop art. 18 krachtens de bepaling van het laatste lid ook
toepasselijk is). Gesteld b.v. een staat met een beschermingstermijn
van dertig jaar na den dood des auteurs verlengt dezen tot vijftig
jaar. Het gevolg hiervan is, dat de uit dat land afkomstige werken
nu ook in de andere landen, waar de termijn van vijftig jaar geldt,
twintig jaar langer bescherming vinden dan voorheen. De strekking der
hierboven afgeschreven bepaling is nu deze, dat in zulk een geval
de bescherming in die andere landen niet herleeft, indien zij daar
reeds, doordat de auteur voor meer dan dertig jaar gestorven was,
had opgehouden te bestaan.

Men ziet dus, dat deze bepaling geen uitzondering vormt op den
algemeenen regel van het eerste lid van het artikel, daar ook zij
betrekking heeft op werken, die bij de inwerkingtreding der nieuwe
regeling "gemeengoed zijn geworden in hun land van herkomst als gevolg
van het verstrijken van den beschermingstermijn".

Uitzonderingen op den regel worden, zooals gezegd, door de Conventie
zelve niet gesteld, doch aan de Verbondsstaten wordt overgelaten ze
onder elkander of ieder voor zich vast te stellen.

In de eerste plaats komen hier in aanmerking de overgangsbepalingen
van reeds bestaande of nog te sluiten bijzondere verdragen; deze
bepalingen worden zonder meer toepasselijk verklaard op de Conventie
(art. 18 derde lid eerste zinsnede).

Ontbreken zoodanige verdragen, dan staat het den Verbondsstaten vrij,
over de invoering der Conventie op hun gebied in de binnenlandsche
wetgeving eene regeling vast te stellen. Uit de wijze, waarop deze
laatste bepaling (art. 18 Conventie 1908 derde lid laatste zinsnede;
Conventie 1886 Slotprotocol no. 4 derde lid) is geredigeerd, en ook
uit hetgeen bij de daarover gehouden beraadslagingen is opgemerkt,
moet worden afgeleid, dat hier alleen die wettelijke bepalingen
worden bedoeld, welke ná het tot standkomen der Conventie, speciaal
met het oog op dit artikel, zouden worden gemaakt, en dat dus niet
(zooals ten opzichte der verdragen) de in de wetgevingen voorkomende
overgangsbepalingen bij analogie toepasselijk worden verklaard
[665]. Tevens, dat deze wetten wél de wijze waarop het beginsel van
art. 18 zal worden toegepast, mogen regelen, hetgeen ook insluit
beperkingen of voorwaarden voor sommige categorieën van werken, maar
dat zij dit beginsel als hoofdregel moet eerbiedigen; dat dus de
staten zich verbinden geene regeling te maken, die met dit beginsel
in strijd is [666].

Op verschillende wijzen hebben de Verbondsstaten deze materie, binnen
de grenzen, die de Conventie hun stelt, geregeld en dit heeft een
toestand in het leven geroepen, die vrij ingewikkeld is en in de
verhoudingen tusschen sommige Verbondsstaten tot allerlei moeilijk
op te lossen vragen aanleiding heeft gegeven [667].

Ik laat deze vragen hier echter rusten en bepaal mij tot hetgeen met
het oog op de toetreding van ons land bij het Verbond van belang kan
worden geacht. Terloops zij hier opgemerkt, dat in het laatste lid van
art. 18 de bepalingen van dit artikel ook uitdrukkelijk van toepassing
worden verklaard op het geval, dat een nieuwe staat zich aansluit. Deze
bepaling dagteekent van 1896. Het plan heeft toen nog bestaan, eraan
toe te voegen, dat de staten, welke binnen twee jaar geene regeling
zouden hebben vastgesteld, geacht zouden worden den regel van art. 18
(toen art. 14) zonder uitzondering en onvoorwaardelijk te hebben
aanvaard. Men heeft echter dit plan laten varen, omdat men vreesde,
dat sommige staten daardoor van het toetreden van het Verbond zouden
worden afgeschrikt [668]. Er bestaat dus nu geen termijn, binnen welken
van de bevoegdheid om bijzondere overgangsbepalingen vast te stellen,
moet worden gebruik gemaakt.

Bij de toetreding van ons land tot het Verbond zal dus de bepaling van
art. 18 eerste lid der Conventie toepasselijk zijn: d. w. z. van het
oogenblik, dat de Conventie ten aanzien van ons land in werking treedt,
zullen alle werken die volgens hare bepalingen daarvoor in aanmerking
komen, zoowel Nederlandsche in de andere landen als die uit andere
landen in Nederland, terstond de volle bescherming genieten. Wat
de beperkingen betreft bij de toepassing van dezen regel, deze
zullen, behalve tegenover Frankrijk en België, waarmede wij reeds
een tractaat hebben gesloten, kunnen worden vastgesteld deels door
den Nederlandschen wetgever (nl. ten aanzien van de bescherming,
die vreemde werken hier zullen genieten); deels door de wetgevers
der verschillende Verbondslanden (ten aanzien der bescherming van de
Nederlandsche werken aldaar).

Artikel 7 van onze tractaten met Frankrijk en België bepaalt, dat
vrij verkocht mogen worden nadrukken, die vóór het in werking treden
dier tractaten mochten zijn uitgekomen. Het is echter verboden nieuwe
uitgaven daarvan in het licht te geven, of exemplaren van buiten in te
voeren, tenzij deze bestemd zijn om vroeger aangevangen bestellingen
of inteekeningen aan te vullen. Deze bepaling zal dus krachtens het
derde lid van art. 18 ook toepasselijk zijn op de, onder de bepalingen
der Berner Conventie vallende, Nederlandsche werken in Frankrijk en
België en op de Fransche en Belgische werken alhier. Dit zal b.v. ook
gelden voor vertalingen, die wél volgens de Berner Conventie, doch
niet volgens de bovengenoemde twee tractaten een inbreuk op het
auteursrecht uitmaken. De vóór het in werking treden der Conventie
alhier zonder toestemming des auteurs uitgekomen vertaling van een
Fransch boek zal ook daarna verspreid mogen worden; doch het zal niet
geoorloofd zijn er een nieuwe druk van te laten verschijnen.

Tegenover de andere Verbondsstaten, waarmede Nederland geen
tractaten heeft gesloten, zullen beperkingen als de bovengenoemde op
afzonderlijke wetten moeten berusten.

Gaan wij eerst na, wat Nederland op dit punt van de andere staten heeft
te verwachten, wat dus de toestand zal zijn van de Nederlandsche werken
in het overige gedeelte van het Verbond. Slechts in vier dezer landen,
te weten: Denemarken, Duitschland, Engeland en Zweden bestaat eene
wettelijke regeling, zooals in art. 18 derde lid wordt bedoeld. Alle
overige staten passen dus bij zich de bepaling van artikel 18
eerste lid der Conventie onbeperkt en onvoorwaardelijk toe [669]. De
Nederlandsche auteurs zullen er dus, zoodra de Conventie ten aanzien
van ons land in werking is getreden, de volle bescherming genieten.

Wat nu de vier genoemde staten betreft, daarvan heeft Duitschland een
stel zeer uitvoerige bepalingen, vervat in eene Keizerlijke Verordening
van 11 Juli 1888 en eene Bekanntmachung van 7 Augustus 1888 [670],
die ook toepasselijk zijn voor het geval zich nieuwe staten bij de
Conventie aansluiten. In hoofdzaak komen deze bepalingen hierop neer,
dat reproducties, die vóórdat de Conventie in het nieuwe Verbondsland
verbindend is geworden, van werken uit dat land afkomstig zijn gemaakt,
verder vrij verspreid mogen worden, mits men de exemplaren binnen
drie maanden door de politie heeft laten afstempelen. Hetzelfde moet
geschieden met cliché's van platen, gravures, etsen enz., waarvan
dan gedurende vier jaar nog afdrukken mogen worden gemaakt. Zijn
vertalingen van een werk in Duitschland uitgekomen, dan mogen deze
verder geëxploiteerd worden; tegen alle nieuwe vertalingen is de
auteur echter beschermd. Is een tooneelstuk of dramatisch-muzikaal
werk eenmaal, hetzij in de oorspronkelijke taal, hetzij vertaald,
opgevoerd, dan is verdere opvoering voor iedereen vrij. Deze laatste
bepaling wordt verschillend geïnterpreteerd. Kohler meent, dat ook
eene van den auteur uitgaande uit- of opvoering vóór den datum der
inwerkingtreding het opvoeringsrecht doet vervallen [671]. Volgens
deze opvatting, die trouwens niet algemeen wordt gedeeld [672], zou
dus geen der Nederlandsche tooneelstukken, die nu reeds in Duitschland
vertoond zijn (zooals b.v. met verscheidene stukken van Heyermans het
geval is) na onze toetreding tot de Conventie in Duitschland tegen
opvoering beschermd zijn.

In Denemarken zijn twee Koninklijke Besluiten van 19 Juni 1903
en 2 April 1904, die de Deensche wet op het auteursrecht en dus
ook hare overgangsbepalingen op werken uit andere Verbondslanden
toepasselijk verklaren. In het algemeen mag elke reproductie, vóór de
inwerkingtreding begonnen, voleindigd worden; doch het zal b.v. niet
geoorloofd zijn later eene tweede uitgave zonder toestemming des
auteurs te verspreiden [673].

Zweden heeft den 8sten Juli 1904 in een K. B. bepalingen gemaakt
op den overgangstoestand, door de toetreding tot het Verbond in
het leven getreden. In Zweden verschenen vertalingen mogen verder
verspreid en herdrukt worden; muziek- en tooneelwerken mogen door
degenen, die ze reeds hebben uit- of opgevoerd, ook in het vervolg
op deze wijze geëxploiteerd worden; ook van cliché's, die gediend
hebben tot reproductie van kunst- of letterwerken mogen nog afdrukken
worden gemaakt.

In Engeland eindelijk zijn de overgangsbepalingen van de wet van
25 Juni 1886 betreffende de internationale bescherming van het
auteursrecht van toepassing op de Conventie (volgens een Kon. Besluit
van 28 November 1887), terwijl tot nu toe, telkens wanneer een nieuwe
staat tot het Verbond toetrad, deze bepalingen door een afzonderlijk
besluit op de daardoor ontstane verhoudingen toepasselijk zijn
verklaard. Dit zal dus hoogstwaarschijnlijk ook geschieden, wanneer
ons land zich aansluit.

De algemeene strekking van deze bepalingen is, dat buitenlandsche
werken, die voordat de nieuwe internationale regeling van kracht
was reeds bestonden, dezelfde bescherming genieten, alsof de
desbetreffende Engelsche wetten reeds bij de eerste uitgave ervan
daarop van toepassing waren (dezelfde regel dus als die van artikel
18 der Conventie). Deze bescherming kan echter in geen geval met
rechten of belangen in strijd zijn van degenen, die vóór dien tijd de
bedoelde werken reeds gereproduceerd hadden. Hoever die rechten en
belangen gaan, staat niet volkomen vast. Ik meen mij echter van een
nader onderzoek over deze vraag, die reeds tot velerlei beschouwingen
aanleiding heeft gegeven, te moeten onthouden [674].

Dit vluchtig overzicht moge eenig denkbeeld hebben gegeven van
hetgeen na onze aansluiting bij de Conventie den auteurs van reeds
vóór dit tijdstip verschenen Nederlandsche werken in de verschillende
Verbondslanden te wachten staat.

Nu blijft nog de andere vraag ter beantwoording over, nl. wat hier
te lande zal gelden ten aanzien van de werken uit andere landen.

Tegenover Frankrijk en België zal, zooals reeds is opgemerkt, de
bepaling van de met deze staten gesloten tractaten hier toepasselijk
zijn. Tegenover de andere staten zal, indien men de volle bescherming
niet terstond wil laten intreden, eene afzonderlijke regeling gemaakt
moeten worden.

Het vaststellen van enkele beperkingen, zooals de vier bovengenoemde
staten hebben gedaan, schijnt mij niet ongewenscht toe. Het hierbij te
volgen beginsel moet m. i. zijn, dat zij, die zich met de exploitatie
van (tot dusver onbeschermde) werken hebben beziggehouden, in staat
worden gesteld hunne zaken af te wikkelen, zoodat de kosten, die voor
een dergelijke onderneming zijn gemaakt, kunnen worden goedgemaakt. Is
dus een nadruk of vertaling reeds gedrukt, dan moet de verkoop der
exemplaren vrij worden gelaten; zijn voor de monteering van een
tooneelstuk costuums, decoratief en andere requisieten aangeschaft,
dan moeten deze ook voor het beoogde doel gebruikt kunnen worden; zijn
ter reproductie van werken van beeldende kunst cliché's vervaardigd,
dan moeten daarvan ook afdrukken genomen kunnen worden. Het Duitsche
systeem van afstempeling der cliché's en gedrukte exemplaren verdient
hierbij wellicht navolging.

De vrijheid, om met de reeds aangevangen exploitatie voort te gaan,
mag echter niet langer worden uitgestrekt dan voor het beoogde
doel noodzakelijk is. De bevoegdheid om een tooneelstuk nog te
blijven vertoonen, moet b.v. m. i. niet langer duren dan twee of drie
jaren. In elk geval verdient het afkeuring, de opvoering van een stuk
aan ieder vrij te laten, indien daarvan, ook al is het maar éénmaal,
eene vertooning heeft plaats gehad. Eene dergelijke vrijheid die,
zooals wij gezien hebben, in de Duitsche wet wordt verleend, gaat
m. i. veel te ver. De overgangsbepalingen hebben alleen reden van
bestaan als middel tot bescherming der belangen van degenen, die
reeds met de exploitatie waren begonnen; voor personen, die nog geen
moeiten en kosten hebben aangewend, zijn dergelijke exceptionneele
maatregelen niet noodig.



De toetreding van ons land tot de Conventie zal--zooals uit het
voorgaande herhaaldelijk is gebleken--gepaard moeten gaan met eene
herziening van onze inlandsche wetgeving; de auteursbescherming zal
hier eene belangrijke uitbreiding moeten ondergaan, wil ons land aan
de verplichtingen der Conventie voldoen. Voorzoover deze uitbreiding
mocht bestaan in eene verlenging van den duur van het auteursrecht,
(een maatregel, die weliswaar niet strikt noodig maar toch ingevolge
art 7 Conventie 1908 gewenscht is) zal volgens de bepaling van het
laatste lid art. 18 der Conventie toepasselijk zijn. Indien--wat het
waarschijnlijkst is--de wijziging in onze wet wordt aangebracht vóórdat
de Conventie ten aanzien van ons land in werking is getreden, zou over
de al of niet toepasselijkheid van de bepaling van het tweede lid van
art. 18 der Conventie kunnen worden getwijfeld. Gesteld b.v. dat ons
land tot de Conventie toetreedt, nadat eerst de beschermingstermijn
in onze wet gebracht is op vijftig jaar na den dood des auteurs:
dit zal dan tengevolge hebben, dat in elk ander Verbondsland,
waar deze zelfde termijn geldt, de uit Nederland afkomstige werken
vijftig jaar na den dood des auteurs beschermd zullen zijn. Maar
hoe zal in dat geval beslist moeten worden ten aanzien van die
Nederlandsche werken, welke vóór de herziening onzer wet door het
verstrijken van den ouden termijn van korteren duur reeds gemeengoed
waren geworden? Men kan niet zeggen, dat deze werken daardoor ook in
de andere Verbondslanden gemeengoed waren geworden, daar zij op het
tijdstip, dat dit dan zou moeten hebben geschieden, aldaar nog in het
geheel niet beschermd waren. Toch meen ik, dat men in dat geval de
bepaling van het tweede lid van art. 18 der Conventie bij analogie
toepasselijk zal moeten achten. De bedoelde werken zullen dus in de
andere Verbondslanden geen bescherming meer vinden, even alsof de
verlenging van den termijn ná het in werking treden der Conventie
had plaats gehad. Neemt men het tegenovergestelde aan, dan zou de
bepaling eene onredelijke bevoorrechting inhouden voor de staten,
die zich eerst later bij de Conventie aansluiten. Want stellen wij
b.v. het geval dat in Duitschland, dat sinds de oprichting lid is
van het Verbond, de termijn van het auteursrecht op vijftig jaar
na den dood des auteurs wordt gebracht (hij is nu van dertig jaar)
op hetzelfde tijdstip dat dit in Nederland, dat nog geen lid van het
Verbond is, ook wordt gedaan. Het gevolg zou zijn, dat de Duitsche
werken, waarvan de auteur reeds meer dan dertig jaar dood is, niet
meer in de andere Verbondslanden van die langere bescherming zouden
genieten; doch indien Nederland zich een jaar later bij het Verbond
aansloot, dan zouden, volgens deze opvatting, de Nederlandsche werken,
die onder volkomen dezelfde omstandigheden verkeeren, in diezelfde
landen wél bescherming vinden. Een voordeel dus voor het land, dat
zich het laatst bij de Conventie heeft aangesloten.

Ten slotte nog enkele opmerkingen met betrekking tot de invoering
in ons land van auteursrecht op werken van beeldende kunst, welke,
zooals wij gezien hebben, eene voorwaarde is voor onze toetreding
tot het Verbond.

Het Ontw. B. K., dat geen overgangsbepalingen bevat, zou, eenmaal wet
geworden, niet toepasselijk zijn op de werken, die meer dan dertig
dagen vóór het inwerkingtreden ervan geleverd, tentoongesteld of
openlijk te koop of ter bezichtiging zouden zijn gesteld, daar ten
aanzien van deze werken niet zou kunnen zijn voldaan aan de voorwaarde,
in art. 7 van het Ontwerp voor de bescherming gesteld. Het gevolg
zou dus zijn, dat verreweg de meeste werken van beeldende kunst,
die vóór het inwerkingtreden van de wet bestonden, onbeschermd zouden
blijven. Deze werken zouden echter na onze toetreding tot het Verbond
wél beschermd zijn in de andere Verbondslanden, daar volgens het
nieuwe systeem der Conventie het ontbreken van bescherming in het
land van herkomst alleen dán het auteursrecht in de andere landen
doet te nietgaan, indien het het gevolg is van het verstrijken van
den beschermingstermijn.

Aan den anderen kant zouden ook de reeds bestaande werken uit andere
Verbondslanden, voorzoover zij daartoe overigens in aanmerking komen,
in Nederland wél beschermd zijn.

Het zal daarom m. i. aanbeveling verdienen, in het Ontwerp eene
bepaling op te nemen in den geest van die van artikel 18 eerste
lid der Conventie. Als regel worde dus gesteld, dat het Ontwerp
ook toepasselijk is op de werken, die vóór het tijdstip van het
inwerkingtreden reeds bestonden. De beperkingen van dit auteursrecht
ten bate van degenen, die reeds van deze werken reproducties in
omloop hebben gebracht, kunnen dan dezelfde zijn, als die, welke
ingevolge de bepaling van art. 18 derde lid der Conventie zullen
worden vastgesteld. Zoodoende zou men de tegenwoordige generatie van
Nederlandsche kunstenaars nog van de bescherming in hun eigen land
doen genieten en wel binnen dezelfde grenzen als hunne tijdgenooten
uit andere landen.



III De wetten en afzonderlijke tractaten in verband met de Conventie
(Conv. 1908 artt. 19 en 20; Conv. 1886 art. 15 en add. art.)

Er is hierboven (pp. 349, 350, 366, 367 en 377) meer dan eens sprake
geweest van het, op de Conferenties van Bern reeds uitgesproken
beginsel, dat de Conventie slechts een minimum van bescherming
waarborgt, d. w. z. dat zij er zich niet tegen verzet, dat buiten
haar om rechten van wijder strekking worden genoten. Deze rechten
kunnen berusten, hetzij op de inlandsche wetten, hetzij op bijzondere
tractaten tusschen twee of meer Verbondsstaten.

Wat de eerstgenoemde, dus op de wetten berustende, rechten betreft,
daarover kwam vóór 1908 in de Conventie geen afzonderlijke bepaling
voor. Het was echter zóó dikwijls en met zooveel nadruk op de
Conferenties van Bern uitgesproken, dat de Conventie slechts een
minimum van bescherming beoogt te geven [675], dat nooit door iemand
is beweerd, dat het toekennen van eene ruimere bescherming volgens
de inlandsche wetten in strijd met de Conventie zou zijn. Op de
Conferentie van Parijs achtte men het daarom ook niet noodig eene
uitdrukkelijke bepaling in de Conventie daarover op te nemen [676].

Twijfelde dus niemand aan de bevoegdheid van elken Verbondsstaat, om
aan de auteurs uit andere landen eene meer uitgebreide wettelijke
bescherming te verleenen dan die welke uit de bepalingen der
Conventie voortvloeide; sommigen gingen nog verder en beweerden dat
de Verbondsstaten verplicht waren de rechten van de inlandsche wet,
voorzoover zij boven het minimum der Conventie uitkwamen, ook aan de
auteurs der andere landen te verleenen. Deze meening, die o. a. door
de redactie van het officieele orgaan van het Verbond werd voorgestaan
[677], werd verdedigd met een beroep op het bovengenoemde beginsel van
de minimum-bescherming der Conventie in verband met den hoofdregel
(art. 2 Conventie 1886), dat in elk Verbondsland op de werken uit
andere landen de inlandsche wet toepasselijk is. Wanneer dus deze
inlandsche wet meer gaf dan de Conventie, moest de omvang der
bescherming worden berekend naar de eerste en niet naar de laatste.

Uit hetgeen voorafgaat kan reeds zijn gebleken, dat ik deze meening
niet deel. M. i. bedoelde men met de minimum-bescherming der Conventie
alleen dit, dat eene ruimere bescherming buiten haar om bestaanbaar
zou zijn; men wilde niet, dat rechten, die uit anderen hoofde konden
worden ingeroepen, door de Conventie verkort zouden worden. Iets anders
is uit hetgeen over deze vraag in de handelingen der verschillende
Conferenties voorkomt, niet op te maken. Het zou trouwens min of meer
ongerijmd zijn, dat rechten, die in de Conventie nauwkeurig zijn
omschreven, zooals b.v. het uitsluitend vertalingsrecht, krachtens
diezelfde Conventie in sommige landen naar een anderen, ruimeren,
maatstaf zouden moeten worden toegemeten.

Beroept men zich op de Conventie, dan moet men, voorzoover deze den
omvang en den duur van het recht zelf vaststelt, zich daarmee tevreden
stellen; meer kan redelijkerwijze niet worden verlangd [678]. Zoo
heeft men het blijkbaar ook op de Conferentie van Berlijn ingezien. Er
waren verschillende voorstellen, waarin meer of minder duidelijk
de verhouding der Conventie tot de verder gaande (d. w. z. meer
bescherming gevende) landswetten was aangegeven. De Commissie kwam
tenslotte met de volgende redactie, die ongewijzigd is aanvaard
(art. 19 Conventie 1908):


    De bepalingen der tegenwoordige overeenkomst verhinderen niet de
    toepassing te eischen van bepalingen van wijder strekking die in
    de wetgeving van een Verbondsland mochten zijn vastgesteld ten
    gunste van vreemdelingen in het algemeen.


Uit de laatste woorden blijkt duidelijk, dat er geen sprake kan zijn
van toepassing van alle voor de auteurs gunstigere wetsbepalingen
zonder meer; slechts die bepalingen komen in aanmerking, die zijn
vastgesteld "ten gunste van vreemdelingen in het algemeen". Alleen dus,
als de wet uit zichzelf reeds toepasselijk is, kan de buitenlandsche
auteur zich op hare bepalingen beroepen in plaats van op die der
Conventie.

Ten aanzien der afzonderlijke tractaten is hetzelfde beginsel
gevolgd. Hierover bevatte de Conventie 1886 reeds bepalingen, nl. in
art. 15 (t. a. v. nog te sluiten tractaten) en in het additionneel
artikel (t. a. v. reeds gesloten tractaten). Beide bepalingen zijn nu
in art. 20 Conventie 1908 samengebracht. De Verbondsstaten behouden
zich het recht voor, bijzondere overeenkomsten onder elkander te
sluiten, voorzoover deze aan de auteurs rechten van wijder strekking
verleenen dan de Conventie, of overigens daarmede niet in strijd
zijn. De bepalingen der bestaande overeenkomsten, die aan deze
voorwaarde beantwoorden, blijven van toepassing.

Een strijdvraag als die over de al of niet toepasselijkheid der
wetten heeft zich ten aanzien der tractaten uit den aard der zaak
nooit voorgedaan.

Met betrekking tot ons land zijn de bovenbesproken bepalingen van
weinig practisch belang, daar nóch onze wet, nóch onze tractaten met
Frankrijk en België zich op punten van eenige beteekenis boven het
minimum der Conventie verheffen.



IV Huishoudelijke inrichting van het Verbond (Conv. 1908 artt. 21-24;
Conv. 1886 artt. 16 en 17 en Slotpr. nos. 5 en 6)

De vier artikelen, die nu volgen, betreffen de huishoudelijke
inrichting van het Verbond: de inrichting en werkkring van
het internationale Bureau te Bern, de wijze waarop dit wordt
geadministreerd en de verdeeling van de kosten over de verschillende
Verbondsstaten; verder de regeling der herzieningsconferenties.

Voor den tekst dezer bepalingen verwijs ik naar de hierachter opgenomen
bijlagen; tot bijzondere bespreking geven zij mij geen aanleiding.



V Toetreding van nieuwe staten en hunne koloniën (Conv. 1908 artt. 25
en 26; Conv. 1886 artt. 18 en 19)

Reeds op de Conferentie van 1884 werd, op voorstel van den Duitschen
afgevaardigde Reichardt, besloten, de bepaling in de Conventie op te
nemen, dat slechts die staten zouden worden toegelaten er zich bij
aan te sluiten, die in hunne wetgeving het auteursrecht erkennen
[679]. Natuurlijk is het niet voldoende, dat er eene wet op het
auteursrecht bestaat in het land dat wenscht toe te treden; deze wet
moet ook aan zekere eischen voldoen.

Dat onze tegenwoordige wetgeving aan deze eischen niet voldoet, is
hierboven reeds meer dan eens opgemerkt. De belangrijkste leemte is wel
het ontbreken van auteursrecht op werken van beeldende kunst en van
uitvoeringsrecht van muziekwerken. Ook zou misschien bezwaar kunnen
worden gemaakt tegen den korten termijn, dien onze wet voor het op-
en uitvoeringsrecht van door den druk gemeen gemaakte tooneelwerken
en dramatisch-muzikale werken stelt, hoewel daarin opzichzelf
waarschijnlijk geen reden zou worden gezien, om ons het toetreden tot
het Verbond te beletten. Doch naast de hier genoemde zijn er nog vele
andere punten, waarop onze wetgeving aanvulling en verbetering behoeft,
voordat zij het gemiddeld peil van die der andere Verbondslanden zal
hebben bereikt: zoo b.v. in zake het vertalingsrecht, de formaliteiten,
het auteursrecht van photographieën, werken van kunstnijverheid en
van bouwkunst, enz. enz. Al deze punten zijn hierboven afzonderlijk
besproken en er is daarbij ook op gewezen, wat de gevolgen zouden
zijn, indien deze hervormingen, die bij onze toetreding tot het
Verbond weliswaar niet geëischt, maar toch wel min of meer van een
toetredenden staat verwacht worden, achterwege zouden blijven.

In het algemeen kan hierover nog worden gezegd, dat, indien men er
prijs op stelt dat ons land niet alleen lid wordt van het Verbond, maar
ook onder de goede leden ervan gerangschikt zal kunnen worden, onze
wet zooveel mogelijk op de hoogte zal moeten worden gebracht van de
Conventie, en dat men zich niet zal moeten bepalen tot het aanbrengen
van die wijzigingen, welke krachtens artikel 25 strikt geboden zijn.

Dit geldt ook voor de vrijheid, die art. 25 (laatste zinsnede) aan
de toetredende staten laat, om op sommige punten in plaats van de
bepalingen der Conventie 1908 die van de Conventie 1886 of van de
Add. Acte van 1896 te aanvaarden. Herhaaldelijk heb ik er reeds
op gewezen, dat het niet de bedoeling is, dat van deze vrijheid
een ruim gebruik worde gemaakt. Men is tot dezen maatregel niet
dan noodgedrongen overgegaan. Wat erdoor wordt opgeofferd is niet
zonder belang, nl. de eenheid in het Verbond: "si nous avons l'Union,
nous n'avons pas l'unité" wordt spijtig in het rapport van Renault
opgemerkt [680]. Van de staten, die het brengen van dit offer noodig
maken door den achterlijken stand hunner wetgeving op dit gebied,
waardoor zij anders voor langen tijd buiten het Verbond zouden moeten
blijven, kan daarom worden verwacht, dat zij van hun kant ook tot
eenige concessies geneigd zullen zijn. De eenheid in het Verbond,
zonder welke het slechts ten deele aan zijn doel kan beantwoorden,
mag m. i. niet dan om zeer belangrijke redenen door een zijner leden
worden verstoord.



Artikel 26 regelt de wijze waarop de koloniën in de toetreding kunnen
worden begrepen. De bepalingen hierover zijn duidelijk en behoeven
geene nadere verklaring.

Ik wil alleen, in verband hiermede, herinneren aan de eigenaardige
verhouding tusschen ons land en de koloniën Suriname en Curaçao
ten opzichte van het auteursrecht. Zooals reeds is vermeld wordt
het in Nederland volgens de wet van 1881 bestaande auteursrecht wél
in Suriname en Curaçao erkend; niet echter omgekeerd dat van deze
koloniën in het moederland.

Indien Nederland, zooals te verwachten is, zich met alle koloniën
bij de Conventie aansluit, zou het onredelijke van dezen toestand
nog meer uitkomen dan nu het geval is. Volgens de Conventie wordt een
land met zijne koloniën (voorzoover deze natuurlijk in de toetreding
zijn begrepen) als een geheel beschouwd [681]; in het gestelde geval
zou dus b.v. een te Paramaribo uitgekomen boek in het Verbond als
een Nederlandsch werk gelden; Nederland zou volgens art. 4 lid 3
der Conventie het land van herkomst zijn. In Nederland zelf zou het
echter niet beschermd zijn, behalve in het geval, dat de schrijver
een vreemdeling was, want dan zou art. 5 of art. 6 der Conventie erop
toepasselijk zijn. De toetreding van ons land tot de Conventie moge
daarom eene aanleiding zijn, om ook de Nederlandsche wet toepasselijk
te verklaren op werken uit Curaçao en Suriname.

Het behoeft verder nauwelijks te worden gezegd, dat ook in de koloniën,
die in de toetreding begrepen worden, de wet moet beantwoorden aan
de eischen der Conventie. Invoering van auteursrecht op werken van
beeldende kunst, van uitvoeringsrecht van muziekwerken enz. enz. zal
dus ook in Suriname en Curaçao moeten geschieden.



VI Bekrachtiging, inwerkingtreding en opzegging (Conv. 1908
artt. 27-30; Conv. 1886 artt. 20 en 21 en Slotpr. no. 7; Add. Acte
1896 art. 20)

De vier laatste artikelen der Conventie hebben geen lange bespreking
noodig; de bepalingen die zij inhouden zijn meest van formeelen aard.

Artikel 27 bepaalt, dat de Conventie 1908 in de plaats treedt van de
Conventie 1886 en de Add. Acte van Parijs. Het laat echter aan de
staten, die nu deel uitmaken van het Verbond, de vrijheid, om lid
te blijven zonder de nieuwe Conventie te aanvaarden. In dat geval
blijven dus de oude bepalingen in de betrekkingen met die staten
van kracht. Bovendien kunnen de staten, die de nieuwe Conventie wél
aanvaarden, evenals de nieuw toetredende staten op sommige punten
verklaren, door de vroegere verdragsbepalingen gebonden te blijven.

Artikel 28 regelt de bekrachtiging, artikel 29 de inwerkingtreding
en de opzegging.

Artikel 30 eindelijk houdt eene bepaling in, die in verband
staat met het systeem der facultatieve aanvaarding, dat in
1908 is ingevoerd. Volgens dit systeem is het--zooals wij gezien
hebben--mogelijk, dat de internationale bescherming in het Verbond
wijzigingen ondergaat, zonder dat er iets aan de bepalingen der
Conventie wordt veranderd.

Dit kan nl. het geval zijn, wanneer een staat in zijne wetgeving
den beschermingstermijn verlengt, daar dit tengevolge heeft, dat de
uit dat land afkomstige werken ook in andere landen langer beschermd
kunnen zijn.

In de tweede plaats kan dit het geval zijn, wanneer een staat,
die eerst krachtens een van de artt. 25, 26 of 27 bedongen had op
een of meer punten door de oude verdragsbepalingen van 1886 of 1896
gebonden te zijn, hiervan afstand doet. Ook dit brengt natuurlijk
een nieuwen rechtstoestand teweeg voor de werken uit dat land in de
andere Verbondslanden.

Voor deze beide gevallen nu bepaalt art. 30, dat de betreffende staat
van den stap, dien hij heeft gedaan, eene schriftelijke mededeeling
aan de Zwitsersche Regeering moet doen, die dan op hare beurt de
andere staten daarmede in kennis stelt.



BIJLAGEN


BIJLAGE I


Wet van 28 Juni 1881 (Staatsblad no. 124) tot regeling van het
auteursrecht



§ 1 Begrip en omvang van het auteursrecht


Artikel 1

Het recht om geschriften, plaat-, kaart-, muziek-, tooneelwerken en
mondelinge voordrachten door den druk gemeen te maken, alsmede om
dramatisch-muzikale werken en tooneelwerken in het openbaar uit- of
op te voeren, komt uitsluitend den auteur en zijnen rechtverkrijgenden
toe.

Met eene uit- of opvoering in het openbaar wordt gelijkgesteld elke
uit- of opvoering, die tegen betaling, voor eens of voor meermalen,
toegankelijk is, zelfs dan wanneer bovendien eene ballotage gevorderd
wordt.



Artikel 2

Met auteurs worden gelijkgesteld:

a. ondernemers van in artikel 1 vermelde werken, gevormd door bijdragen
van onderscheidene mede-arbeiders;

b. openbare instellingen, vereenigingen, stichtingen en
vennootschappen, ten opzichte van de door hen bezorgde werken;

c. vertalers ten opzichte van hunne vertaling.

Bij werken gevormd door bijdragen van onderscheidene mede-arbeiders
behoudt bovendien ieder mede-arbeider het auteursrecht op de door
hem geleverde bijdrage, voorzoover niet anders is bedongen.

Ten aanzien van de onder a en b van dit artikel vermelde rechthebbenden
blijft het tweede lid van art. 13 buiten toepassing.



Artikel 3

Bij werken, zonder naam van auteur of onder een verdichten naam door
den druk gemeen gemaakt, wordt de uitgever en, zoo ook diens naam niet
op het titelblad of bij gebreke daarvan op den omslag vermeld is, de
drukker als auteur aangemerkt, totdat een ander zich als rechthebbende
heeft doen kennen op den voet in de artikelen 10 en 11 bepaald,
met uitzondering van den in art. 10 gestelden termijn van inzending.



Artikel 4

Behalve in de door Ons te bepalen gevallen, bestaat er geen
auteursrecht van wetten, besluiten, verordeningen en van hetgeen
verder in woord of schrift, door of van wege eenige openbare macht
ter algemeene kennis gebracht is [682].



Artikel 5

Tot het recht van den auteur behoort het uitsluitend recht om door
den druk gemeen te maken vertalingen van:

a. zijne niet door den druk gemeen gemaakte werken, daaronder begrepen
zijne mondelinge voordrachten;

b. zijne door den druk gemeen gemaakte werken, indien hij zich bij
de oorspronkelijke uitgave, op het titelblad of bij gebreke daarvan
op den omslag van het werk, dit uitsluitend recht voor een of meer
bepaald genoemde talen uitdrukkelijk voorbehoudt, en zijne vertaling
binnen drie jaren na de oorspronkelijke uitgave door den druk heeft
gemeen gemaakt.

Bij werken, die uit onderscheidene deelen of afleveringen bestaan,
wordt deze termijn voor elk deel of elke afdeeling afzonderlijk
berekend.



Artikel 6

Bij gelijktijdige uitgave van hetzelfde werk in onderscheidene talen
wordt slechts ééne uitgave als de oorspronkelijke aangemerkt en gelden
de overige als vertalingen.

De auteur is bevoegd op het titelblad of bij gebreke daarvan op
den omslag aan te wijzen, welke uitgave hij als de oorspronkelijke
beschouwt.

Bij gebreke van zoodanige aanwijzing wordt de uitgave in de moedertaal
des auteurs als de oorspronkelijke aangemerkt.



Artikel 7

Het auteursrecht van door den druk gemeen gemaakte werken belet niet,
dat daaruit ter aankondiging of beoordeeling, aanhalingen in andere
werken worden opgenomen.

Mits de bron genoemd worde, staat het vrij, berichten of opstellen uit
dag- en weekbladen verder door den druk gemeen te maken, tenzij het
auteursrecht aan het hoofd van zoodanig bericht of opstel uitdrukkelijk
is voorbehouden en voorts gehandeld wordt overeenkomstig art. 10.



Artikel 8

Het auteursrecht wordt beschouwd als eene roerende zaak.

Het is vatbaar voor geheele of gedeeltelijke overdracht en gaat over
bij erfopvolging.

Het is niet vatbaar voor beslag.



§ 2 Voorwaarden tot uitoefening van het auteursrecht op door den druk
gemeen gemaakte werken


Artikel 10

Het auteursrecht op een door den druk gemeen gemaakt werk vervalt,
zoo niet de auteur, uitgever of drukker twee exemplaren van dat werk,
op het titelblad of bij gebreke daarvan op den omslag eigenhandig
onderteekend, met opgaaf van zijne woonplaats en van het tijdstip der
uitgave, binnen eene maand na de uitgave inzendt bij het Departement
van Justitie, voor zooveel vertalingen betreft met inachtneming van
den in art. 5b gestelden termijn.

Bij de inzending moet worden overgelegd eene door den drukker
onderteekende verklaring, dat het werk op zijne in het Rijk gevestigde
drukkerij is gedrukt.



Artikel 11

Het Departement van Justitie geeft aan de inzenders een gedagteekend
bewijs van ontvangst af.

Van deze bewijzen wordt aan het Departement een dubbel gehouden in
een register, waarvan ieder kosteloos inzage en voor zijne rekening
uittreksel of afschrift kan ontvangen.

Van de ingezonden werken en vertalingen wordt maandelijks eene opgaaf
gedaan in de Nederlandsche Staatscourant.



Artikel 12

De uitsluitende bevoegdheid om dramatisch-muzikale werken of
tooneelwerken uit- of op te voeren, gaat verloren zoodra die
werken door den druk zijn gemeen gemaakt, tenzij de auteur bij de
oorspronkelijke uitgave, op het titelblad of bij gebreke daarvan op den
omslag van het werk, zich die bevoegdheid uitdrukkelijk voorbehoudt.



§ 3 Duur van het auteursrecht


Artikel 13

Het auteursrecht van door den druk gemeen gemaakte werken duurt
vijftig jaren na de eerste uitgave, te rekenen van de dagteekening
van het bewijs van ontvangst, vermeld in art. 11.

Indien de auteur dezen termijn overleeft en zijn recht nooit aan een
ander heeft overgedragen, behoudt hij dat recht levenslang.



Artikel 14

Het auteursrecht van niet door den druk gemeen gemaakte werken,
mondelinge voordrachten daaronder begrepen, duurt tijdens het leven
van den auteur en dertig jaren na zijn dood.



Artikel 15

De uitsluitende bevoegdheid om dramatisch-muzikale werken of
tooneelwerken uit- of op te voeren duurt:

1o. voor niet door den druk gemeen gemaakte werken tijdens het leven
van den auteur en dertig jaren na zijn dood;

2o. voor door den druk gemeen gemaakte werken, waarbij die uitsluitende
bevoegdheid wordt voorbehouden, gedurende tien jaren sedert de
dagteekening van het in art. 11 vermelde bewijs van ontvangst.



Artikel 16

De uitsluitende bevoegdheid tot het door den druk gemeen maken van
vertalingen duurt:

1o. voor niet door den druk gemeen gemaakte werken, mondelinge
voordrachten daaronder begrepen, zoolang daarop auteursrecht bestaat;

2o. voor door den druk gemeen gemaakte werken gedurende vijf jaren
sedert de dagteekening van het in art. 11 vermelde bewijs van
ontvangst.



Artikel 17

Bij werken, die uit onderscheidene deelen of afleveringen bestaan,
wordt de duur van het auteursrecht voor elk deel of elke aflevering
afzonderlijk berekend.



§ 4 Handhaving van het auteursrecht


Artikel 18

Onverminderd de burgerlijke rechtsvordering, voortvloeiende uit elke
inbreuk op het auteursrecht, wordt hij, die opzettelijk inbreuk maakt
op eens anders auteursrecht, gestraft met geldboete van ten minste
vijftig cents en ten hoogste tweeduizend gulden.

De door middel van het misdrijf verkregen exemplaren, alsmede de
den schuldige toebehoorende platen, vormen en matrijzen, die tot het
plegen van het misdrijf gediend hebben, worden ten behoeve van den
Staat verbeurd verklaard.


    Voor het rijk in Europa krachtens art. 7 der wet van 15 Januari
    1886 (Stbl. no. 6) vervangen door artikel 349 bis van het Wetboek
    van Strafrecht:

    Hij die opzettelijk inbreuk maakt op eens anders auteursrecht,
    wordt gestraft met geldboete van ten hoogste tweeduizend gulden.

    De door middel van het misdrijf verkregen exemplaren, alsmede
    de den schuldige toebehoorende platen, vormen en matrijzen,
    die tot het plegen van het misdrijf gediend hebben, worden
    verbeurdverklaard.



Artikel 19

Hij die een werk, waardoor hij weet dat inbreuk gemaakt wordt op
eens anders auteursrecht, verspreidt of openlijk te koop stelt,
wordt gestraft met geldboete van ten minste vijftig cents en ten
hoogste zeshonderd gulden.

De door middel van inbreuk op het auteursrecht verkregen exemplaren
worden ten behoeve van den Staat verbeurdverklaard.


    Voor het rijk in Europa krachtens art. 7 der wet van 15 Januari
    1886 (Stbl. no. 6) vervangen door artikel 349ter van het Wetboek
    van Strafrecht:

    Hij, die een werk, waardoor hij weet dat inbreuk gemaakt wordt op
    eens anders auteursrecht, verspreidt of openlijk te koop stelt,
    wordt gestraft met geldboete van ten hoogste zeshonderd gulden.

    De door middel van inbreuk op het auteursrecht verkregen exemplaren
    worden verbeurdverklaard.



Artikel 20

De misdrijven, in de artt. 18 en 19 bedoeld, worden niet vervolgd
dan op klachte van hem, tegen wien zij gepleegd zijn.


    Voor het rijk in Europa krachtens art. 7 der wet van 15 Januari
    1886 (Stbl. no. 6) vervangen door artikel 349 quater van het
    Wetboek van Strafrecht:

    De misdrijven in de beide voorgaande artikelen omschreven, worden
    niet vervolgd dan op klachte van hem, tegen wien zij gepleegd zijn.



Artikel 21

De ingevolge de artt. 18 en 19 verbeurdverklaarde exemplaren worden
aan den auteur of zijne rechtverkrijgenden afgegeven, indien deze
zich daartoe ter griffie aanmelden binnen acht dagen nadat het vonnis
in kracht van gewijsde is gegaan. Bij gebreke daarvan worden deze
exemplaren vernietigd.

Heeft de rechter te beslissen over eene burgerlijke rechtsvordering
tot schadevergoeding, zoo brengt hij daarbij de waarde der aan den
rechthebbende afgegeven exemplaren zooveel mogelijk in rekening.



Artikel 22

Auteurs of hunne rechtverkrijgenden kunnen in beslag nemen en
afgifte of vernietiging vorderen van exemplaren, die in strijd met
hun uitsluitend recht door den druk zijn gemeen gemaakt.

Dit beslag kan niet worden gelegd op enkele exemplaren, onder personen
berustende, die in zoodanige voorwerpen geen handel drijven en deze
tot eigen gebruik hebben verkregen.

De artt. 722 tot en met 726 van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering zijn op dit beslag van toepassing.



Artikel 23

Bij opheffing van het beslag kan de arrestant worden veroordeeld tot
vergoeding van kosten, schaden en interessen.



§ 5 Overgangsbepalingen


Artikel 24

Kopijrecht of eenig ander recht van dezen aard verkregen onder eene
vroegere wetgeving blijft gehandhaafd, mits de gerechtigde, binnen één
jaar na het in werking treden dezer wet, daaromtrent eene verklaring
inzendt bij het Departement van Justitie.

De artt. 18-23 dezer wet zijn op dat recht van toepassing.



Artikel 25

Geen auteursrecht op een vóór het in werking treden dezer wet door
den druk gemeen gemaakt werk, dat volgens de vroegere wetgeving niet
voor recht van kopij vatbaar was of omtrent hetwelk de destijds
vereischte formaliteiten niet behoorlijk zijn in acht genomen,
kan worden uitgeoefend, tenzij de auteur, uitgever of drukker
binnen één jaar na het in werking treden dezer wet twee exemplaren,
op het titelblad of bij gebreke daarvan op den omslag eigenhandig
onderteekend, inzendt bij het Departement van Justitie, met opgaaf
van zijne woonplaats en van het tijdstip der oorspronkelijke uitgave.

Dit tijdstip strekt tot aanvangspunt bij de berekening van den duur
van het auteursrecht, behoudens tegenbewijs.

Het in dit artikel bedoelde auteursrecht kan niet worden ingeroepen
tegen werken, die reeds vóór het in werking treden dezer wet zijn
aangevangen of voltooid en destijds geoorloofd waren.



Artikel 26

Het Departement van Justitie geeft aan de in de artikelen 24 en 25
bedoelde inzenders een gedagteekend bewijs van ontvangst af.

Van deze bewijzen wordt aan het Departement een dubbel gehouden in
een register, waarvan ieder kosteloos inzage en voor zijne rekening
uittreksel of afschrift kan ontvangen.

Van de ingezonden verklaringen en werken wordt maandelijks eene opgave
gedaan in de Nederlandsche Staatscourant, met vermelding van het door
den inzender opgegeven tijdstip der oorspronkelijke uitgave van de
ingezonden werken.



§ 6 Slotbepalingen


Artikel 27

Deze wet is van toepassing op in Nederland of in Nederlandsch-Indië
gedrukte en door den druk gemeen gemaakte werken, op niet door
den druk gemeen gemaakte werken afkomstig van in Nederland of
in Nederlandsch-Indië woonachtige auteurs, daaronder begrepen in
Nederland of in Nederlandsch-Indië gehouden mondelinge voordrachten.



Artikel 28

Deze wet is ook verbindend voor Nederlandsch-Indië.

De aldaar door den druk gemeen gemaakte werken behooren te worden
ingezonden aan den directeur van justitie, door wiens zorg daarvan
opgaaf gedaan wordt in de Javasche Courant, en op wien verder de
verplichtingen rusten, bij deze Wet aan het Departement van Justitie
opgedragen.

De Nederlandsche Staatscourant en de Javasche Courant nemen wederkeerig
de opgaven zoo spoedig mogelijk van elkander over.

In het geval, bedoeld in art. 22 zijn voor Nederlandsch-Indië van
toepassing de gelijksoortige bepalingen van de aldaar geldende
reglementen, met inachtneming van het verschil dat bestaat tusschen
de wetgeving voor de Europeanen en met deze gelijkgestelden en die
voor de inlanders en met deze gelijkgestelden.

Geen auteursrecht op een vóór het in werking treden dezer wet in
Nederlandsch-Indië door den druk gemeen gemaakt werk kan worden
uitgeoefend, tenzij ten opzichte van dat werk gehandeld wordt
overeenkomstig art. 25.



Artikel 29

Alle vroegere wettelijke bepalingen betreffende het recht van kopij,
van vertaling, van uit- en opvoering zijn ingetrokken.



Artikel 30

Deze wet treedt in werking den 1sten Januari 1882.



BIJLAGE II


Gewijzigd ontwerp van wet tot regeling van het auteursrecht op werken
van beeldende kunst

(Handelingen van de Tweede Kamer der Staten-Generaal 1884-1855 tweede
zitting 72-5.)



§ 1 Begrip en omvang van het auteursrecht op werken van beeldende kunst


Artikel 1

Het recht om een werk van beeldende kunst op oorspronkelijke grootte,
op grooter of op verkleinde schaal, hetzij geheel, hetzij gedeeltelijk
te copieeren, na te bootsen, af te beelden en te verveelvoudigen
of dit door anderen te laten doen, hetzij door middel van dezelfde
of door eene andere beeldende kunst, of langs mechanischen weg,
komt uitsluitend toe aan den oorspronkelijken vervaardiger van het
kunstwerk en zijne rechtverkrijgenden.

Op werken der bouwkunst is deze bepaling niet toepasselijk, behalve
op bouwkundige teekeningen en modellen.



Artikel 2

Met den oorspronkelijken vervaardiger worden gelijkgesteld:

a. uitgevers en andere ondernemers van verzamelingen van in art. 1
bedoelde kunstwerken, bijeengebracht door bijdragen van onderscheidene
kunstenaars, ten opzichte van die verzamelingen;

b. openbare instellingen, vereenigingen, stichtingen en vennootschappen
ten opzichte van de door hunne zorg openbaar gemaakte kunstwerken.

Bij verzamelingen onder a bedoeld, behoudt echter ieder mede-arbeider
het auteursrecht op de door hem geleverde bijdrage afzonderlijk,
voor zoover niet het tegendeel is bedongen.

Ten aanzien van de onder a en b van dit artikel vermelde rechthebbenden
blijft het tweede lid van art. 9 dezer wet buiten toepassing.



Artikel 3

Als nabootsing wordt niet beschouwd:

a. de vrije navolging van eens anders kunstwerk tot het scheppen van
een nieuw kunstwerk;

b. het maken van eene copie voor eigen studie van een kunstwerk, mits
dit zonder eenig rechtstreeksch of zijdelingsch doel van winstbejag
geschiedt, en op de copie duidelijk vermeld staat, dat het eene
copie is.

In ieder geval is het verboden den naam of het naamteeken of eenig
ander merkteeken des oorspronkelijken vervaardigers, op een kunstwerk
voorkomende, na te maken;

c. het plaatsen in een drukwerk van gegraveerde of andere afbeeldingen
van kunstwerken, uitsluitend tot opheldering van den tekst dienende, en

d. het maken van afbeeldingen van openbare monumenten.



Artikel 4

Hij, die een werk van beeldende kunst, door een ander vervaardigd,
op wettige wijze, maar door eene andere beeldende kunst of door
eene mechanische bewerking namaakt, heeft op dien namaak het recht
bij art. 1 aan den oorspronkelijken vervaardiger van een kunstwerk
toegekend, hetzij van het oorspronkelijke kunstwerk een bij art. 1
bedoeld uitsluitend recht bestaat of niet.



Artikel 5

Het auteursrecht op een werk van beeldende kunst wordt beschouwd als
eene onlichamelijke roerende zaak.

Het is vatbaar voor geheele overdracht, alsmede voor beperkte
overdracht ten aanzien van eene of meer kunstvormen; het gaat over
bij erfopvolging. Het is niet vatbaar voor beslag.



Artikel 6

De levering van een kunstwerk, waarvan het auteursrecht is gewaarborgd
volgens § 2 dezer wet, geldt niet als eigendomsverkrijging van
het auteursrecht voor den bezitter, die niet de oorspronkelijke
vervaardiger is, tenzij hij door een schriftelijk bewijs kan
aantoonen, het auteursrecht met het kunstwerk te hebben verkregen
van den oorspronkelijken vervaardiger of diens rechtverkrijgende.

Bijaldien de oorspronkelijke vervaardiger of diens rechtverkrijgende
zich heeft verbonden geene copie, nabootsing of afbeelding van een
kunstwerk, waarop hij het auteursrecht heeft, te maken of te laten
maken, geldt deze overeenkomst tusschen partijen, maar doet, ten
aanzien van derden, het auteursrecht niet vervallen.

Al heeft de bezitter van het kunstwerk het auteursrecht niet verkregen,
kan hij echter niet worden gedwongen toe te laten, dat in zijne
woning, magazijn of kunstverzameling, iemand copieën, nabootsingen
of afbeeldingen van het kunstwerk komt maken, tenzij het tegendeel
is overeengekomen.



§ 2 Voorwaarden tot uitoefening van het auteursrecht op werken van
beeldende kunst


Artikel 7

Het auteursrecht op een werk van beeldende kunst vervalt, indien
de oorspronkelijke vervaardiger of zijn rechtverkrijgende niet
vóór of uiterlijk dertig dagen nadat het kunstwerk voor de eerste
maal geleverd of tentoongesteld, of wel openlijk te koop of ter
bezichtiging is aangeboden, eene geschrevene en door hem of eenen bij
authentieke akte daartoe gemachtigde onderteekende beschrijving van
het kunstwerk, volgens door Ons vast te stellen model, inzendt bij een
der Departementen van algemeen bestuur, door Ons aan te wijzen. Bestaat
het kunstwerk in platen, afgietsels, gravures, photografieën of andere
verveelvuldigde exemplaren, dan wordt tegelijk met de beschrijving
een exemplaar ingezonden.



Artikel 8

De betrokken Minister geeft aan den inzender een gedagteekend bewijs
van ontvangst van de beschrijving en van het exemplaar af.

De beschrijving en het exemplaar worden vermoed tijdig te zijn
ingezonden, behoudens bewijs van het tegendeel.

Van de bewijzen wordt aan het Departement een dubbel gehouden in
een register, waarvan ieder kosteloos inzage en voor zijne rekening
uittreksel of afschrift kan ontvangen.

De ingezondene exemplaren van kunstwerken kunnen in Rijksverzamelingen
worden geplaatst, mits voorzien van eene etiquette, aanduidende
dat daarvoor op de aangeduide dagteekening een bewijs van ontvangst
is afgegeven.

Van de ingezonden beschrijvingen wordt maandelijks eene opgave gedaan
in de Nederlandsche Staatscourant.



§ 3 Duur van het auteursrecht op werken van beeldende kunst


Artikel 9

Het auteursrecht op een kunstwerk duurt vijftig jaren, te rekenen
van de dagteekening van het bewijs van ontvangst, vermeld in art. 8.

Indien de vervaardiger dezen termijn overleeft, en zijn recht niet aan
een ander heeft overgedragen, behoudt hij het auteursrecht levenslang.



Artikel 10

Bij kunstwerken die uit onderscheiden deelen of afleveringen bestaan,
wordt de duur van het auteursrecht voor elk deel of elke aflevering
afzonderlijk berekend.



Artikel 11

Op het beperkte auteursrecht, bedoeld in art. 4, zijn de artt. 7 en
8 toepasselijk. Het duurt, na de dagteekening van het bewijs van
ontvangst in art. 8 vermeld, tien jaren of zooveel langer als het
auteursrecht op het oorspronkelijke kunstwerk nog van kracht blijft.



§ 4 Handhaving van het auteursrecht op werken van beeldende kunst


Artikel 12

Onverminderd de burgerlijke rechtsvordering tot vergoeding van
door inbreuk op het auteursrecht toegebrachte schade, wordt hij die
opzettelijk inbreuk maakt op eens anders auteursrecht, bedoeld in
art. 1 of 4, gestraft met geldboete van tenminste vijftig cents en
ten hoogste vijf duizend gulden.

De door middel van het misdrijf verkregen exemplaren, die bij de
ontdekking van het misdrijf in het bezit van den schuldige zijn,
alsmede de den schuldige toebehoorende platen, steenen, vormen
en andere werktuigen en gereedschappen, die tot het plegen van
het misdrijf gediend hebben, worden ten behoeve van den Staat
verbeurdverklaard.



Artikel 13

Hij, die een werk, waardoor hij weet dat inbreuk gemaakt wordt op eens
anders auteursrecht, bedoeld in art. 1 of 4, verkoopt, verspreidt of
openlijk te koop stelt, wordt gestraft met geldboete van ten minste
vijftig cents en ten hoogste twee duizend gulden.

De door middel van het misdrijf verkregen exemplaren worden ten
behoeve van den Staat verbeurdverklaard.



Artikel 14

De misdrijven, in de artt. 12 en 13 bedoeld, worden niet vervolgd, dan
op klachte van hem, tegen wien zij gepleegd zijn. Gaan die misdrijven
gepaard met een volgens het Wetboek van Strafrecht strafbaar bedrog,
dan gelden omtrent dit laatste de algemeene regelen ten aanzien der
strafvervolging.



Artikel 15

De ingevolge artt. 12 en 13 verbeurdverklaarde exemplaren, platen,
steenen, vormen en andere werktuigen en gereedschappen worden
aan hem, op wiens auteursrecht inbreuk is gemaakt, of aan zijn
rechtverkrijgende afgegeven, indien deze zich daartoe ter griffie
aanmeldt binnen veertien dagen, nadat het veroordeelend vonnis in
kracht van gewijsde is gegaan. Bij gebreke van zoodanige aanmelding
worden deze exemplaren, platen, steenen, vormen en andere werktuigen
en gereedschappen vernietigd.

Heeft de rechter te beslissen over eene burgerlijke rechtsvordering
tot schadevergoeding, zoo brengt hij daarbij de waarde der aan den
rechthebbende af te geven exemplaren zooveel mogelijk in rekening.



Artikel 16

Hij aan wien het auteursrecht op een kunstwerk, in art. 1 of 4 bedoeld,
toekomt, kan in beslag nemen en afgifte of vernietiging vorderen van
exemplaren welke in strijd met zijn uitsluitend recht zijn vervaardigd,
ook zelfs wanneer die exemplaren aan een onroerend goed aard- of
nagelvast zijn gemaakt of door bestemming onder onroerende zaken
worden begrepen.

Hij, die het beslag legt, moet de schade vergoeden, door het losmaken
der exemplaren, aan het onroerend goed waaraan zij waren vastgehecht,
toegebracht.

Het beslag kan niet worden gelegd op enkele exemplaren, onder personen
berustende, die in zoodanige voorwerpen geen handel drijven en deze
tot eigen gebruik hebben verkregen.

De artikelen 722 tot en met 726 van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering zijn op dit beslag van toepassing.



Artikel 17

Bij opheffing van het beslag kan hij, die het gelegd heeft, worden
veroordeeld tot vergoeding van kosten, schaden en interessen.



Artikel 18

Overtreding van het verbod, vervat in art. 3b, tweede zinsnede,
wordt gestraft met geldboete van ten minste vijftig cents en ten
hoogste duizend gulden.



§ 5 Slotbepalingen


Artikel 19

Deze wet is van toepassing op in Nederland of in Nederlandsch-Indië
vervaardigde kunstwerken en op kunstwerken vervaardigd door in
Nederland of in Nederlandsch-Indië woonachtige kunstenaars.



Artikel 20

Deze wet is ook verbindend voor Nederlandsch-Indië.

De in art. 7 bedoelde beschrijving en het in dat artikel mede
bedoelde exemplaar van het kunstwerk worden wanneer zij in
Nederlandsch-Indië vervaardigde kunstwerken of die waarvan de
oorspronkelijke vervaardigers in Nederlandsch-Indië woonachtig
zijn, betreffen, ingezonden aan den hoofdambtenaar, daartoe door
den Gouverneur-Generaal aan te wijzen; door de zorg van dezen
hoofdambtenaar wordt daarvan opgave gedaan in de Javasche Courant,
en op hem rusten de verplichtingen, bij art. 8 dezer wet aan den
betrokken Minister in Nederland opgedragen.

De Nederlandsche Staatscourant en de Javasche Courant nemen wederkeerig
de opgaven zoo spoedig mogelijk van elkander over.

In het geval, bedoeld in artikel 16, zijn voor Nederlandsch-Indië
van toepassing de overeenkomstige bepalingen van de aldaar geldende
reglementen, met inachtneming van het verschil, dat bestaat tusschen
de wetgeving voor de Europeanen en met deze gelijkgestelden en die
voor de inlanders en met deze gelijkgestelden.



Artikel 21

Deze wet treedt in werking ........



BIJLAGE III


A

Convention de Berne du 9 Septembre 1886 concernant la création d'une
Union internationale pour la protection des oeuvres littéraires
et artistiques



Article premier

Les pays contractants sont constitués à l'état d'Union pour la
protection des droits des auteurs sur leurs oeuvres littéraires
et artistiques.



Article 2

Les auteurs ressortissant à l'un des pays de l'Union, ou leurs
ayants cause, jouissent, dans les autres pays, pour leurs oeuvres,
soit publiées dans un de ces pays, soit non publiées, des droits que
les lois respectives accordent actuellement ou accorderont par la
suite aux nationaux.

La jouissance de ces droits est subordonnée à l'accomplissement
des conditions et formalités prescrites par la législation du pays
d'origine de l'oeuvre; elle ne peut excéder, dans les autres pays,
la durée de la protection accordée dans ledit pays d'origine.

Est considéré comme pays d'origine de l'oeuvre, celui de la première
publication, ou, si cette publication a lieu simultanément dans
plusieurs pays de l'Union, celui d'entre eux dont la législation
accorde la durée de protection la plus courte.

Pour les oeuvres non publiées, le pays auquel appartient l'auteur
est considéré comme pays d'origine de l'oeuvre.



Article 3

Les stipulations de la présente Convention s'appliquent également
aux éditeurs d'oeuvres littéraires ou artistiques publiées dans un
des pays de l'Union, et dont l'auteur appartient à un pays qui n'en
fait pas partie.



Article 4

L'expression "oeuvres littéraires et artistiques" comprend les
livres, brochures ou tous autres écrits; les oeuvres dramatiques ou
dramatico-musicales, les compositions musicales avec ou sans paroles;
les oeuvres de dessin, de peinture, de sculpture, de gravure; les
lithographies, les illustrations, les cartes géographiques; les
plans, croquis et ouvrages plastiques, relatifs à la géographie, à
la topographie, à l'architecture ou aux sciences en général; enfin
toute production quelconque du domaine littéraire, scientifique
ou artistique, qui pourrait être publiée par n'importe quel mode
d'impression ou de reproduction.



Article 5

Les auteurs ressortissant à l'un des pays de l'Union, ou leurs ayants
cause, jouissent, dans les autres pays, du droit exclusif de faire
ou d'autoriser la traduction de leurs ouvrages jusqu'à l'expiration
de dix années à partir de la publication de l'oeuvre originale dans
l'un des pays de l'Union.

Pour les ouvrages publiés par livraisons, le délai de dix années
ne compte qu'à dater de la publication de la dernière livraison de
l'oeuvre originale.

Pour les oeuvres composées de plusieurs volumes publiés par
intervalles, ainsi que pour les bulletins ou cahiers publiés par
des sociétés littéraires ou savantes ou par des particuliers, chaque
volume, bulletin ou cahier est, en ce qui concerne le délai de dix
années, considéré comme ouvrage séparé.

Dans les cas prévus au présent article, est admis comme date de
publication, pour le calcul des délais de protection, le 31 décembre
de l'année dans laquelle l'ouvrage a été publié.



Article 6

Les traductions licites sont protégées comme des ouvrages
originaux. Elles jouissent, en conséquence, de la protection stipulée
aux articles 2 et 3 en ce qui concerne leur reproduction non autorisée
dans les pays de l'Union.

Il est entendu que, s'il s'agit d'une oeuvre pour laquelle le droit
de traduction est dans le domaine public, le traducteur ne peut pas
s'opposer à ce que la même oeuvre soit traduite par d'autres écrivains.



Article 7

Les articles de journaux ou de recueils périodiques publiés dans
l'un des pays de l'Union peuvent être reproduits, en original ou en
traduction, dans les autres pays de l'Union, à moins que les auteurs
ou éditeurs ne l'aient expressément interdit. Pour les recueils, il
peut suffire que l'interdiction soit faite d'une manière générale en
tête de chaque numéro du recueil.

En aucun cas, cette interdiction ne peut s'appliquer aux articles de
discussion politique ou à la reproduction des nouvelles du jour et
des faits divers.



Article 8

En ce qui concerne la faculté de faire licitement des emprunts à des
oeuvres littéraires ou artistiques pour des publications destinées
à l'enseignement ou ayant un caractère scientifique, ou pour des
chrestomathies, est réservé l'effet de la législation des pays de
l'Union et des arrangements particuliers existants ou à conclure
entre eux.



Article 9

Les stipulations de l'article 2 s'appliquent à la représentation
publique des oeuvres dramatiques ou dramatico-musicales, que ces
oeuvres soient publiées ou non.

Les auteurs d'oeuvres dramatiques ou dramatico-musicales, ou leurs
ayants cause, sont, pendant la durée de leur droit exclusif de
traduction, réciproquement protégés contre la représentation publique
non autorisée de la traduction de leurs ouvrages.

Les stipulations de l'article 2 s'appliquent également à l'exécution
publique des oeuvres musicales non publiées ou de celles qui ont été
publiées, mais dont l'auteur a expressément déclaré sur le titre ou
en tête de l'ouvrage qu'il en interdit l'exécution publique.



Article 10

Sont spécialement comprises parmi les reproductions illicites
auxquelles s'applique la présente Convention, les appropriations
indirectes non autorisées d'un ouvrage littéraire ou artistique,
désignées sous des noms divers, tels que: adaptations, arrangements
de musique, etc., lorsqu'elles ne sont que la reproduction d'un
tel ouvrage, dans la même forme ou sous une autre forme, avec des
changements, additions ou retranchements, non essentiels, sans
présenter d'ailleurs le caractère d'une nouvelle oeuvre originale.

Il est entendu que, dans l'application du présent article, les
tribunaux des divers pays de l'Union tiendront compte, s'il y a lieu,
des réserves de leurs lois respectives.



Article 11

Pour que les auteurs des ouvrages protégés par la présente Convention
soient, jusqu'à preuve contraire, considérés comme tels et admis,
en conséquence, devant les tribunaux des divers pays de l'Union à
exercer des poursuites contre les contrefaçons, il suffit que leur
nom soit indiqué sur l'ouvrage en la manière usitée.

Pour les oeuvres anonymes ou pseudonymes, l'éditeur dont le nom est
indiqué sur l'ouvrage est fondé à sauvegarder les droits appartenant à
l'auteur. Il est, sans autres preuves, réputé ayant cause de l'auteur
anonyme ou pseudonyme.

Il est entendu, toutefois, que les tribunaux peuvent exiger, le
cas échéant, la production d'un certificat délivré par l'autorité
compétente, constatant que les formalités prescrites, dans le sens
de l'article 2, par la législation du pays d'origine ont été remplies.



Article 12

Toute oeuvre contrefaite peut être saisie à l'importation dans ceux des
pays de l'Union où l'oeuvre originale a droit à la protection légale.

La saisie a lieu conformément à la législation intérieure de chaque
pays.



Article 13

Il est entendu que les dispositions de la présente Convention ne
peuvent porter préjudice, en quoi que ce soit, au droit qui appartient
au Gouvernement de chacun des pays de l'Union de permettre, de
surveiller, d'interdire, par des mesures de législation ou de police
intérieure, la circulation, la représentation, l'exposition de tout
ouvrage ou production à l'égard desquels l'autorité compétente aurait
à exercer ce droit.



Article 14

La présente Convention, sous les réserves et conditions à déterminer
d'un commun accord, s'applique à toutes les oeuvres qui, au moment
de son entrée en vigueur, ne sont pas encore tombées dans le domaine
public dans leur pays d'origine.



Article 15

Il est entendu que les Gouvernements des pays de l'Union se réservent
respectivement le droit de prendre séparément, entre eux, des
arrangements particuliers, en tant que ces arrangements conféreraient
aux auteurs ou à leurs ayants cause des droits plus étendus que ceux
accordés par l'Union, ou qu'ils renfermeraient d'autres stipulations
non contraires à la présente Convention.



Article 16

Un office international est institué sous le nom de Bureau de
l'Union internationale pour la protection des oeuvres littéraires
et artistiques.

Ce Bureau, dont les frais sont supportés par les Administrations
de tous les pays de l'Union, est placé sous la haute autorité de
l'Administration supérieure de la Confédération Suisse, et fonctionne
sous sa surveillance. Les attributions en sont déterminées d'un commun
accord entre les pays de l'Union.



Article 17

La présente Convention peut être soumise à des revisions en vue d'y
introduire les améliorations de nature à perfectionner le système
de l'Union.

Les questions de cette nature, ainsi que celles qui intéressent à
d'autres points de vue le développement de l'Union, seront traitées
dans des Conférences qui auront lieu successivement dans les pays de
l'Union entre les délégués desdits pays.

Il est entendu qu'aucun changement à la présente Convention ne sera
valable pour l'Union que moyennant l'assentiment unanime des pays
qui la composent.



Article 18

Les pays qui n'ont point pris part à la présente Convention et qui
assurent chez eux la protection légale des droits faisant l'objet de
cette Convention, seront admis à y accéder sur leur demande.

Cette accession sera notifiée par écrit au Gouvernement de la
Confédération Suisse, et par celui-ci à tous les autres.

Elle emportera, de plein droit, adhésion à toutes les clauses et
admission à tous les avantages stipulés dans la présente Convention.



Article 19

Les pays accédant à la présente Convention ont aussi le droit d'y
accéder en tout temps pour leurs colonies ou possessions étrangères.

Ils peuvent, à cet effet, soit faire une déclaration générale par
laquelle toutes leurs colonies ou possessions sont comprises dans
l'accession, soit nommer expressément celles qui y sont comprises,
soit se borner à indiquer celles qui en sont exclues.



Article 20

La présente Convention sera mise à exécution trois mois après
l'échange des ratifications, et demeurera en vigueur pendant un temps
indéterminé, jusqu'à l'expiration d'une année à partir du jour où la
dénonciation en aura été faite.

Cette dénonciation sera adressée au Gouvernement chargé de recevoir
les accessions. Elle ne produira son effet qu'à l'égard du pays qui
l'aura faite, la Convention restant exécutoire pour les autres pays
de l'Union.



Article 21

La présente Convention sera ratifiée, et les ratifications en seront
échangées à Berne, dans le délai d'un an au plus tard.

En foi de quoi, etc.



Article additionnel

La Convention conclue à la date de ce jour n'affecte en rien le
maintien des Conventions actuellement existantes entre les pays
contractants, en tant que ces Conventions confèrent aux auteurs ou
à leurs ayants cause des droits plus étendus que ceux accordés par
l'Union, ou qu'elles renferment d'autres stipulations qui ne sont
pas contraires à cette Convention.

En foi de quoi, etc.



Protocole de clôture

1 Au sujet de l'article 4, il est convenu que ceux des pays de l'Union
où le caractère d'oeuvres artistiques n'est pas refusé aux oeuvres
photographiques s'engagent à les admettre, à partir de la mise en
vigueur de la Convention conclue en date de ce jour, au bénéfice de ses
dispositions. Ils ne sont, d'ailleurs, tenus de protéger les auteurs
desdites oeuvres, sauf les arrangements internationaux existants ou
à conclure, que dans la mesure où leur législation permet de le faire.

Il est entendu que la photographie autorisée d'une oeuvre d'art
protégée jouit, dans tous les pays de l'Union, de la protection
légale, au sens de ladite Convention, aussi longtemps que dure le
droit principal de reproduction de cette oeuvre même, et dans les
limites des conventions privées entre les ayants droit.


2 Au sujet de l'article 9, il est convenu que ceux des pays de
l'Union dont la législation comprend implicitement, parmi les
oeuvres dramatico-musicales, les oeuvres chorégraphiques, admettent
expressément lesdites oeuvres au bénéfice des dispositions de la
Convention conclue en date de ce jour.

Il est d'ailleurs entendu que les contestations qui s'élèveraient sur
l'application de cette clause demeurent réservées à l'appréciation
des tribunaux respectifs.


3 Il est entendu que la fabrication et la vente des instruments
servant à reproduire mécaniquement des airs de musique empruntés au
domaine privé ne sont pas considérées comme constituant le fait de
contrefaçon musicale.


4 L'accord commun prévu à l'article 14 de la Convention est déterminé
ainsi qu'il suit:

L'application de la Convention aux oeuvres non tombées dans le
domaine public au moment de sa mise en vigueur aura lieu suivant les
stipulations y relatives contenues dans les conventions spéciales
existantes ou à conclure à cet effet.

A défaut de semblables stipulations entre pays de l'Union, les
pays respectifs régleront, chacun pour ce qui le concerne, par la
législation intérieure, les modalités relatives à l'application du
principe contenu à l'article 14.


5 L'organisation du Bureau international prévu à l'article 16 de
la Convention sera fixée par un règlement que le Gouvernement de la
Confédération Suisse est chargé d'élaborer.

La langue officielle etc. [683]


6 La prochaine Conférence aura lieu à Paris, dans le délai de quatre
à six ans à partir de l'entrée en vigueur de la Convention.

Le Gouvernement français en fixera la date dans ces limites, après
avoir pris l'avis du Bureau international.


7 Il est convenu que, pour l'échange des ratifications prévu
à l'article 21, chaque Partie contractante remettra un seul
instrument, qui sera déposé, avec ceux des autres pays, aux archives
du Gouvernement de la Confédération Suisse. Chaque Partie recevra en
retour un exemplaire du procès-verbal d'échange des ratifications,
signé par les Plénipotentiaires qui y auront pris part.

Le présent Protocole de clôture, qui sera ratifié en même temps que
la Convention conclue à la date de ce jour, sera considéré comme
faisant partie intégrante de cette Convention, et aura même force,
valeur et durée.

En foi de quoi, etc.



B

Acte addittionnel du 4 Mai 1896 modifiant les articles 2, 3, 5, 7,
12, 20 de la Convention du 9 Septembre 1886 et les numéros 1 et 4 du
Protocole de clôture y annexé



Article premier

La Convention internationale du 9 Septembre 1886 est modifiée ainsi
qu'il suit:

I--Article 2--Le premier alinéa de l'article 2 aura la teneur suivante:


    "Les auteurs ressortissant à l'un des pays de l'Union, ou leurs
    ayants cause, jouissent, dans les autres pays, pour leurs oeuvres,
    soit non publiées, soit publiées pour la première fois dans
    un de ces pays, des droits que les lois respectives accordent
    actuellement ou accorderont par la suite aux nationaux."


Il est, en outre, ajouté un cinquième alinéa ainsi conçu:


    "Les oeuvres posthumes sont comprises parmi les oeuvres protégées."


II--Article 3--L'article 3 aura la teneur suivante:


    "Les auteurs ne ressortissant pas à l'un des pays de l'Union,
    mais qui auront publié ou fait publier, pour la première fois,
    leurs oeuvres littéraires ou artistiques dans l'un de ces pays,
    jouiront, pour ces oeuvres, de la protection accordée par la
    Convention de Berne et par le présent Acte additionnel."


III--Article 5--Le premier alinéa de l'article 5 aura la teneur
suivante:


    "Les auteurs ressortissant à l'un des pays de l'Union, ou leurs
    ayants cause, jouissent, dans les autres pays, du droit exclusif
    de faire ou d'autoriser la traduction de leurs oeuvres pendant
    toute la durée du droit sur l'oeuvre originale. Toutefois, le
    droit exclusif de traduction cessera d'exister lorsque l'auteur
    n'en aura pas fait usage dans un délai de dix ans à partir de
    la première publication de l'oeuvre originale, en publiant ou en
    faisant publier, dans un des pays de l'Union, une traduction dans
    la langue pour laquelle la protection sera réclamée."


IV--Article 7--L'article 7 aura la teneur suivante:


    "Les romans-feuilletons, y compris les nouvelles, publiés dans
    les journaux ou recueils périodiques d'un des pays de l'Union,
    ne pourront être reproduits, en original ou en traduction, dans
    les autres pays, sans l'autorisation des auteurs ou de leurs
    ayants cause.

    "Il en sera de même pour les autres articles de journaux ou
    de recueils périodiques, lorsque les auteurs ou éditeurs auront
    expressément déclaré, dans le journal ou le recueil même où ils les
    auront fait paraître, qu'ils en interdisent la reproduction. Pour
    les recueils, il suffit que l'interdiction soit faite d'une
    manière générale en tête de chaque numéro.

    "A défaut d'interdiction, la reproduction sera permise à la
    condition d'indiquer la source.

    "En aucun cas, l'interdiction ne pourra s'appliquer aux articles de
    discussion politique, aux nouvelles du jour et aux faits divers."


V--Article 12--L'article 12 aura la teneur suivante:


    "Toute oeuvre contrefaite peut être saisie par les autorités
    compétentes des pays de l'Union où l'oeuvre originale a droit à
    la protection légale.

    "La saisie a lieu conformément à la législation intérieure de
    chaque pays."


VI--Article 20--Le deuxième alinéa de l'article 20 aura la teneur
suivante:


    "Cette dénonciation sera adressée au Gouvernement de la
    Confédération Suisse. Elle ne produira son effet qu'à l'égard du
    pays qui l'aura faite, la Convention restant exécutoire pour les
    autres pays de l'Union."



Article 2

Le Protocole de Clôture annexé à la Convention du 9 Septembre 1886
est modifié ainsi qu'il suit:

I--Numéro 1--Ce numéro aura la teneur suivante:


    "1 Au sujet de l'article 4, il est convenu ce qui suit:

    "A--Dans les pays de l'Union où la protection est accordée non
    seulement aux plans d'architecture, mais encore aux oeuvres
    d'architecture elles-mêmes, ces oeuvres sont admises au bénéfice
    des dispositions de la Convention de Berne et du présent Acte
    additionnel.

    "B--Les oeuvres photographiques et les oeuvres obtenues par un
    procédé analogue sont admises au bénéfice des dispositions de ces
    actes, en tant que la législation intérieure permet de le faire,
    et dans la mesure de la protection qu'elle accorde aux oeuvres
    nationales similaires.

    "Il est entendu que la photographie autorisée d'une oeuvre d'art
    protégée jouit, dans tous les pays de l'Union, de la protection
    légale, au sens de la Convention de Berne et du présent Acte
    additionnel, aussi longtemps que dure le droit principal de
    reproduction de cette oeuvre même, et dans les limites des
    conventions privées entre les ayants droit."


II--Numéro 4--Ce numéro aura la teneur suivante:


    "4 L'accord commun prévu à l'article 14 de la Convention est
    déterminé ainsi qu'il suit:

    "L'application de la Convention de Berne et du présent Acte
    additionnel aux oeuvres non tombées dans le domaine public dans
    leur pays d'origine au moment de la mise en vigueur de ces actes,
    aura lieu suivant les stipulations y relatives contenues dans
    les Conventions spéciales existantes ou à conclure à cet effet.

    "A défaut de semblables stipulations entre pays de l'Union, les
    pays respectifs régleront, chacun pour ce qui le concerne, par la
    législation intérieure, les modalités relatives à l'application
    du principe contenu dans l'article 14.

    "Les stipulations de l'article 14 de la Convention de Berne et du
    présent numéro du Protocole de clôture s'appliquent également au
    droit exclusif de traduction, tel qu'il est assuré par le présent
    Acte additionnel.

    "Les dispositions transitoires mentionnées ci-dessus sont
    applicables en cas de nouvelles accessions à l'Union."



Article 3

Les pays de l'Union qui n'ont point participé au présent Acte
additionnel seront admis à y accéder en tout temps sur leur demande. Il
en sera de même pour les Pays qui accéderont ultérieurement à la
Convention du 9 Septembre 1886. Il suffira, à cet effet, d'une
notification adressée par écrit au Conseil fédéral Suisse, qui
notifiera à son tour cette accession aux autres Gouvernements.



Article 4

Le présent Acte additionnel aura même valeur et durée que la Convention
du 9 Septembre 1886.

Il sera ratifié et les ratifications en seront échangées à Paris dans
la forme adoptée pour cette Convention, aussitôt que faire se pourra,
et au plus tard dans le délai d'une année.

Il entrera en vigueur, trois mois après cet échange, entre les Pays
qui l'auront ratifié.

En foi de quoi, etc.



Déclaration du 4 Mai 1896 interprétant certaines dispositions de
la Convention de Berne du 9 Septembre 1886 et de l'Acte additionnel
signé à Paris le 4 Mai 1896

Les Plénipotentiaires soussignés de l'Allemagne, de la Belgique,
de l'Espagne, de la France, de l'Italie, du Luxembourg, de Monaco,
du Monténégro, de la Norvège, de la Suisse et de la Tunisie, dûment
autorisés à cet effet par leurs Gouvernements respectifs, sont convenu
de ce qui suit, en ce qui concerne l'interprétation de la Convention
de Berne du 9 Septembre 1886 et de l'Acte additionnel de ce jour:


    1o Aux termes de l'article 2, alinéa 2, de la Convention, la
    protection assurée par les actes précités dépend uniquement
    de l'accomplissement, dans le pays d'origine de l'oeuvre, des
    conditions et formalités qui peuvent être prescrites par la
    législation de ce pays. Il en sera de même pour la protection
    des oeuvres photographiques mentionnées dans le no. 1, lettre B,
    du Protocole de clôture modifié.

    2o Par oeuvres publiées il faut entendre les oeuvres éditées
    dans un des pays de l'Union. En conséquence, la représentation
    d'une oeuvre dramatique ou dramatico-musicale, l'exécution d'une
    oeuvre musicale, l'exposition d'une oeuvre d'art, ne constituent
    pas une publication dans le sens des actes précités.

    3o La transformation d'un roman en pièce de théâtre, ou d'une pièce
    de théâtre en roman, rentre dans les stipulations de l'article 10.


Les pays de l'Union qui n'ont point participé à la présente Déclaration
seront admis à y accéder en tout temps, sur leur demande. Il en
sera de même pour les Pays qui accéderont, soit à la Convention du
9 Septembre 1886, soit à cette Convention et à l'Acte additionnel
du 4 Mai 1896. Il suffira, à cet effet, d'une notification adressée
par écrit au Conseil fédéral Suisse, qui notifiera à son tour cette
accession aux autres Gouvernements.

La présente Déclaration aura même valeur et durée que les actes
auxquels elle se rapporte.

Elle sera ratifiée et les ratifications en seront échangées à Paris
dans la forme adoptée pour ces actes, aussitôt que faire se pourra,
et au plus tard dans le délai d'une année.

En foi de quoi, etc.



C

Convention de Berne revisée pour la protection des oeuvres littéraires
et artistiques du 13 Novembre 1908



Article premier

Les pays contractants sont constitués à l'état d'Union pour la
protection des droits des auteurs sur leurs oeuvres littéraires
et artistiques.



Article 2

L'expression "oeuvres littéraires et artistiques" comprend toute
production du domaine littéraire, scientifique ou artistique,
quel qu'en soit le mode ou la forme de reproduction, telle que:
les livres, brochures, et autres écrits; les oeuvres dramatiques ou
dramatico-musicales, les oeuvres chorégraphiques et les pantomimes,
dont la mise en scène est fixée par écrit ou autrement; les
compositions musicales avec ou sans paroles; les oeuvres de dessin, de
peinture, d'architecture, de sculpture, de gravure et de lithographie;
les illustrations, les cartes géographiques; les plans, croquis et
ouvrages plastiques, relatifs à la géographie, à la topographie,
à l'architecture ou aux sciences.

Sont protégés comme des ouvrages originaux, sans préjudice des droits
de l'auteur de l'oeuvre originale, les traductions, adaptations,
arrangements de musique et autres reproductions transformées d'une
oeuvre littéraire ou artistique, ainsi que les recueils de différentes
oeuvres.

Les Pays contractants sont tenus d'assurer la protection des oeuvres
mentionnées ci-dessus.

Les oeuvres d'art appliqué à l'industrie sont protégées autant que
permet de le faire la législation intérieure de chaque pays.



Article 3

La présente Convention s'applique aux oeuvres photographiques et aux
oeuvres obtenues par un procédé analogue à la photographie. Les Pays
contractants sont tenus d'en assurer la protection.



Article 4

Les auteurs ressortissant à l'un des pays de l'Union jouissent,
dans les pays autres que le pays d'origine de l'oeuvre, pour leurs
oeuvres, soit non publiées, soit publiées pour la première fois dans
un pays de l'Union, des droits que les lois respectives accordent
actuellement ou accorderont par la suite aux nationaux, ainsi que
des droits spécialement accordés par la présente Convention.

La jouissance et l'exercice de ces droits ne sont subordonnés à aucune
formalité; cette jouissance et cet exercice sont indépendants de
l'existence de la protection dans le pays d'origine de l'oeuvre. Par
suite, en dehors des stipulations de la présente Convention, l'étendue
de la protection ainsi que les moyens de recours garantis à l'auteur
pour sauvegarder ses droits se règlent exclusivement d'après la
législation du pays où la protection est réclamée.

Est considéré comme pays d'origine de l'oeuvre: pour les oeuvres non
publiées, celui auquel appartient l'auteur; pour les oeuvres publiées,
celui de la première publication, et pour les oeuvres publiées
simultanément dans plusieurs pays de l'Union, celui d'entre eux dont
la législation accorde la durée de protection la plus courte. Pour
les oeuvres publiées simultanément dans un pays étranger à l'Union et
dans un pays de l'Union, c'est ce dernier pays qui est exclusivement
considéré comme pays d'origine.

Par oeuvres publiées, il faut, dans le sens de la présente Convention,
entendre les oeuvres éditées. La représentation d'une oeuvre dramatique
ou dramatico-musicale, l'exécution d'une oeuvre musicale, l'exposition
d'une oeuvre d'art et la construction d'une oeuvre d'architecture ne
constituent pas une publication.



Article 5

Les ressortissants de l'un des pays de l'Union, qui publient pour
la première fois leurs oeuvres dans un autre pays de l'Union, ont,
dans ce dernier pays, les mêmes droits que les auteurs nationaux.



Article 6

Les auteurs ne ressortissant pas à l'un des pays de l'Union, qui
publient pour la première fois leurs oeuvres dans l'un de ces pays,
jouissent, dans ce pays, des mêmes droits que les auteurs nationaux,
et dans les autres pays de l'Union, des droits accordés par la
présente Convention.



Article 7

La durée de la protection accordée par la présente Convention comprend
la vie de l'auteur et cinquante ans après sa mort.

Toutefois, dans le cas où cette durée ne serait pas uniformément
adoptée par tous les pays de l'Union, la durée sera réglée par la loi
du pays où la protection sera réclamée et elle ne pourra excéder la
durée fixée dans le pays d'origine de l'oeuvre. Les Pays contractants
ne seront, en conséquence, tenus d'appliquer la disposition de
l'alinéa précédent que dans la mesure où elle se concilie avec leur
droit interne.

Pour les oeuvres photographiques et les oeuvres obtenues par un
procédé analogue à la photographie, pour les oeuvres posthumes, pour
les oeuvres anonymes ou pseudonymes, la durée de la protection est
réglée par la loi du pays où la protection est réclamée, sans que cette
durée puisse excéder la durée fixée dans le pays d'origine de l'oeuvre.



Article 8

Les auteurs d'oeuvres non publiées, ressortissant à l'un des pays de
l'Union,